-
i
1 â mtw' - -' â â
i hb pp
â
gh
â¢b mi
,*uïi . i h l 1!
â k»^; ,' '1 '
â :â¢:â
m
i
ü |
-w
m 9m
i
quot;..#1 M ; i'
! P If'
ih i
s8a ... i «â
I I i m
â baiawm^rivsff ^ i
i fM
â
a â
!â
gt;â
i
g.h^ncahh
- - , mm \ ''r â ⢠â¢â
â | !,
OVER DE ONTWIKKELING EN DEN BOUW
VAN DE
GESLACHTSKLIER BIJ DE ZOOGDIEREN
MEER IN HET BIJZONDER VAN DEN
EIERSTOK.
ACADEMISCH PROEFSCHRIFT -
TER VEKKBIJGING VAN DEN GRAAD VAX
DOCTOR IN DE GENEESKUNDE
AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN
01' GEZAG VAN DEN RECT0R-5IAGNIFICUS
1)V rrH. H. MAC GILLAVRY
HOOCSLEÃRAAR IN DE FACULTEIT DEK GENEESKUNDE
VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN op Maandag 20 Juni 1898, des namiddags te 4 uren
DOOR
HENDRIK JAN COERT
ARTS
GEBOREN TE GOEDEREEDE.
quot; * v /. i- \
om DE öiïfIKKELING EN BEI BOÃIT
/v: W'. 'V.ï:v;; â ^
LEIDEN P. W. M. TRAP. 1898.
Aan mijne Moeder.
..ai â
I â
WÃà ' m â ' 'â , M»
,
H ^ C':
⢠â .
!
:
:M i ;â â : 1
.
H iS^mfililM
i
. ^ l! 4.
^1
mÃÃÃÃmSmÃÃÃÃÃÃÃm
mSSoÃM^^m^^ j k|
I
â¢^3 WBà HHH % â
i
HK
*% WÃÃ^MÃMÃiWm â i l HHHHHBHHHHI
â¢. \Xa WÃà wgBKÃHö?
1,1 h mÃÃÃmmsÃÃm
m wmi â â »'
⢠^ mmm mm jBm H| ^w
'ïv(
^1 Bh b m Hi së»
Wmlmm
1
Wi§m0. i:
raailf ' '*'â , f?
M B \!gtm H
|
! I - MMkII Is? ⢠1 -i Sï] | ||||||||||||||||||||||||
|
|
i
â Mi'' .rtiamp;m gt;â â â¢' ⢠vquot;
f ; ' T I j
â â â BI R i
r.^^ni lÃT^f iiTiiMf'n^iifiriïTfii â
mÃÃmmÃmmm
iMEffiStHM r.; MWMMWaBBKMiiBi
HM
|
. | |||
Vooraf ga een woord van hartelijken dank aan de Hoogleeraren en Docenten, wier lessen ik gedurende mijn akademischen studietijd volgde, voor het genoten onderricht en voor de meer bijzondere belangstelling, welke ik van sommigen hunner mocht ondervinden.
Bovenal geldt dit U, Hooggeleerde Hoffmann; de vriendschappelijke omgang, de steun bij het werk, de zoo welwillend verleende gastvrijheid, die ik op Uw laboratorium genoot, zullen mij steeds in dierbare herinnering blijven.
Ook de waarde Conservator van het laboratorium Dr. H. W. de Geaaf, die mij, zoo dikwijls ik zijn hulp inriep, steeds met de meeste bereidwilligheid ter zijde stond, heeft zich daardoor niet weinig aan mij verplicht.
Ook U, Hooggeleerde Zaaijer, ben ik ten zeerste erkentelijk voor de groote welwillendheid, waarmede Gij de taak van Promotor op U hebt genomen en voor menigen nuttigen wenk, welke ik van U, als zoodanig, mocht ontvangen.
Mijn welgemeende dank ten slotte aan allen, die mij, bij het verzamelen van het benoodigde materiaal of bij het raadplegen der literatuur, de behulpzame hand boden.
lïil»
nm^ep^â¢
⢠-â â ÃW .4'J * - t'
I N H O U D.
Bh.
INLEIDING......................................1
HOOFDSTUK I. Methode van Onderzoek........................3
HOOFDSTUK II. Historisch Overzicht..........................5
HOOFDSTUK III. Het begrip Epithelium in het algemeen. De Ontwikkeling en liet Karakter van
het Coeloomepithelium...............06
A. Epithelium en Bindweefsel. De ontwikkeling van hot Coeloomepithelium .... 66
B. Beschouwingen over het Coeloomepithelium bij jeugdige embryo's van het konyn... 73 HOOFDSTUK IV. De eerste stadiën in do Ontwikkeling der Geslaehtsklier bij het Konyn, tot de
differentiatie van liet Geslacht.............79
HOOFDSTUK V. De Ontwikkelingsgeschiedenis van den Testis bij het Konyn.....85
HOOFDSTUK VI. De Ontwikkelingsgeschiedenis van den Eierstok bij het Konijn .... 105
HOOFDSTUK VII. Do Eierstok van de Kat............134
Jquot;. De samenstelling en de loop der ontwikkeling van den eierstok der kat, uitgaande van een
embryo van 9,4 cM. lengte..............1^4
2quot;. Over de werkzaamheid van het eierstoksopithelium, in verband met hetgeen in do oninid-
dellijko omgeving van den eierstok aan de oppervlakte der buikholte valt waar te nemen. 138
3quot;. Ue ei- en follikelvorming by de kat............148
4n. De interslitiöele cellen...............i63
5quot;. Du beteokenis der mergstrengen uit een algemeen morphologisch oogpunt .... 166
HOOFDSTUK VIH. De voornaamste Resultaten van het Onderzoek.......175
A. De Ontwikkelingsgeschiedenis der Geslaehtsklier by het Konyn ...... 175
B. Het Ovarium van do Kat..............178
G. Do Mergstrengen................180
GEBRUIKTE LITERATUUR...............183
PLATEN.
STELLINGEN..................187
SMfi ml
mmm
..
msam
INLEIDING.
De onderzoekingen, die dit geschrift belieJst, zijn verricht in liet Zoötomisch Laboratorium alhier, onder de gewaardeerde leiding van prof. C. K. Hoffmann.
Tot onderwerp koos ik aanvankelijk uitsluitend den eierstok bij de zoogdieren; meer bepaaldelijk stelde ik mij, op aanraden van prof. Hoffmann, voor, de herkomst en de beteekenis der raergstrengen bij deze dierklasse te vervolgen.
Met de literatuur te rade gaande, bleek het mij weldra dat daarvoor een bestudeering van den testis in zijn eerste ontwikkelingsstadiën mede hoogst gewenscht was. Daarom heb ik ook de mannelijke geslachtsklier in den kring mijner onderzoekingen opgenomen, maar slechts voor zoover dit tot goed begrip van de ontwikkeling en den bouw van het ovarium noodig kon worden geacht; hoofddoel bleef de eierstok.
Een goed inzicht in de wijze van ontstaan der mergstrengen kan alleen verkregen worden door de ontwikkeling der vrouwelijke geslachtsklier van haar vroegste perioden af te vervolgen; haar beteekenis kan slechts worden opgehelderd, wanneer men zich ook van de wording en den bouw dor andere bestanddeelen van het ovarium een behoorlijk denkbeeld heeft gevormd. Immers eerst dan zal men kunnen oordeelen over de verhouding der mergstrengen tot de schorsstrengen (pflüger'sche buizen), en over het al of niet bestaan van een verband tusschen de mergstrengen en de vorming van e i en follikel of de ontwikkeling der interstitiëele cellen.
Zoo is mijn onderzoek geworden een nagaan van de ontwikkeling van den eierstok in zijn geheel, vergeleken met die van den testis, zonder dat ik daarbij evenwel mijn oorspronkelijk doel uit het oog heb verloren. Ook enkele bijzonderheden aangaande den bouw van het ovarium op volwassen leeftijd, meer bepaaldelijk op ei en follikel betrekking hebbende, zullen door mij worden besproken.
Ik heb mij beperkt tot de klasse der zoogdieren. De keuze der diersoort is hierbij van geen ondergeschikt belang. Want er bestaat wellicht geen orgaan, dat bij de verschillende representanten in de klasse der zoogdieren, zelfs bij zeer na verwante soorten, zulke belangrijke afwijkingen in den bouw vertoont als juist de eierstok. Vooral heeft dit betrekking op het in meerdere of mindere mate aanwezig zijn van mergstrengen en interstitiëele cellen. Dat daarom niet ieder zoogdier voor ons doel even goed te gebruiken is, ligt voor de hand.
Evenals op bijna ieder gebied der ontwikkelingsgeschiedenis, behoort ook hier het konijn, om de bekende redenen, tot de meest onderzochte diersoorten. Maar het levert niet het voor ons doel meest geschikte materiaal. Als een in vele opzichten voortreffelijk object heeft zich doen kennen de kat, het dier, waarop Pflüger voor een groot deel zijn klas-
l
- 2 -
sieke onderzoekingen heeft verricht. De hond, waaraan Kölliker bij zijn onderzoekingen over de geslachtsklier de voorkeur gaf, schijnt voor de kat weinig onder te doen.
Waldeyeb bezigde in hoofdzaak van den mensch afkomstig materiaal, voor de bestudeering der mergstrengen zeker al uiterst ongeschikt.
De geslachtsklieren der herkauwers geven, naar mijne ervaring, niet zulke duidelijke beelden als die der vleescheters. De vleermuizen zijn voor de studie der mergstrengen wellicht nog het meest aanbevelenswaardig; bij vespertilio murinus vond E. van Beneden de zoo even genoemde bestanddeelen, op volwassen leeftijd, zeer krachtig ontwikkeld. Hetzelfde beschrijft Mac Leod van den mol. Tot nog toe is, voor zoover ik weet, bij geen van beide zoogdiersoorten de ontwikkeling der geslachtsklier nagegaan.
In de praktijk zal men rekening dienen te houden met hetgeen men zich het gemakkelijkst kan verschaffen. In verband hiermede is voor de volgende onderzoekingen bijna uitsluitend gebruik gemaakt van praeparaten van het konijn en de kat; van het konijn voor de jongere en jongste ontwikkelingsstadiën, van de kat voor de latere perioden.
Daarnevens bezit ik praeparaten van verscheidene andere zoogdiersoorten (mensch, schaap, koe, geit, hond, rat, cavia, egel, mol); over enkele zal hier en daar ter loops iets gezegd worden, de meeste zal ik laten rusten.
Ik heb mijn Proefschrift in acht Hoofdstukken verdeeld:
In het eerste Hoofdstuk wordt de methode van onderzoek beschreven; het tweede bevat een historisch overzicht over ons onderwerp.
Het derde Hoofdstuk handelt over wat we in het algemeen onder epithelium hebben te verstaan on, meer in het bijzonder, over de ontwikkeling en het karakter van het coeloomepithelium.
De drie volgende Hoofdstukken zijn gewijd aan de ontwikkeling der geslachtsklier bij het konijn: het indifferente stadium (vierde Hoofdstuk), de ontwikkeling van den testis (vijfde Hoofdstuk), de ontwikkeling van den eierstok (zesde Hoofdstuk).
In het zevende Hoofdstuk bespreken we den eierstok van de kat (oudere stadiën en volwassen exemplaren).
Het laatste of achtste Hoofdstuk geeft een overzicht van de resultaten van het onderzoek.
HOOFDSTUK I.
Methode van Onderzoek.
Alle embryo's en geslachtsklieren, die ter sprake komen (behalve natuurlijk die van den mensch) werden door mij zelf in verschen toestand, onmiddellijk nadat het dier gedood was, verzameld en geconserveerd. Voor het laatste werden verschillende vloeistoffen gebruikt, volgens de methoden hier in het Zoötomisch Laboratorium in gebruik.
Voor de jongste ontwikkelingsstadiën bezigde ik met vrucht Kleinenberg's pikrine-zwavelzuur; is de ontwikkeling wat verder gevorderd (konijn en kat na de geboorte), dan zijn de beelden hiermede verkregen niet zoo goed meer. Het sterk in hoeveelheid vermeerderde stroma wordt door de vloeistof te hard en dikwijls min of meer glazig brokkelig, waardoor het lastig wordt goede sneden te vervaardigen.
Alcohol van 96 % gaf dan gewoonlijk betere beelden. Ook de Flemming'scIio vloeistof, meestal met weglating van het osmiumzuur, werd nu en dan met succes toegepast. Een voor het ovarium onovertroffen conservatiemiddel acht ik de Zenker'sche vloeistof). Ik leerde dit mengsel te laat kennen om het ook nog op embryo's toe te passen; maar nagenoeg al mijn praeparaten van de kat zijn hiermede behandeld. De beelden zijn zoo, dat men ze redelijkerwijze niet beter kan wenschen.
De voorwerpen bleven gewoonlijk 24 uren in de vloeistof (ruime hoeveelheid), werden daarna 6 uren onder de duinwaterkraan uitgewasschen en dan met slappen alcohol (64 %) behandeld, die van dag tot dag versterkt werd (70 0/0, 80 7°, 96 °/o). Neerslagen van sublimaatkristallen in het weefsel verwijdert men met jodiumhoudenden alcohol.
Meroiee1) past het jodium toe, wanneer de praeparaten voldoende gehard zijn en hij met de versterking van den alcohol tot 90 70 is opgeklommen. Dan worden bij den alcohol zooveel druppels jodiumtinctuur gevoegd, tot het geheel de kleur van goeden cognac heeft aangenomen (jodiumgehalte = '/2 a 2li 7o). Hierin blijven de objecten 10 a 15 dagen liggen, terwijl, door herhaaldelijk een spoor jodiumtinctuur toe te voegen, er voor gezorgd wordt dat de tint der vloeistof gedurende dien tijd niet lichter wordt.
1
) Verg. Mercier, Die zenker'sche Flüssigkeit, eine neue Fixirungsmethode. Zeitschrift für Wiss.
2
Mikr. u. s. w. Band XI, S. 471.
Daarna wordt het opgenomen jodium door gewonen alcohol van 90 °/0 weer uitgetrokken.
Gewoonlijk heb ik de voorwerpen genoemde bewerking laten ondergaan, maar niet eer, voordat zij in alcohol van 960/o waren gekomen. Een enkele maal, wanneer ik de toevoeging van jodiumtinctuur bij den alcohol achterwege liet, bleken de praeparaten evenmin sublimaatkristallen te bevatten als de wel met jodium behandelde. Van het noodzakelijke der jodiumbehandeling heb ik mij dus, bij de door ons gevolgde methode van conserveeren, niet kunnen overtuigen.
De kleuring geschiedde meestal in toto. Steeds werd daartoe gebruikt Grenacher's aluinkarmijn. Nu en dan kleurde ik de reeds opgeplakte sneden op het voorwerpsglas, een tijdroovende arbeid, die te pas kwam als de in-toto-kleuring wat licht was uitgevallen of wanneer het groote sneden gold, waar, bij toepassing van de eerstgenoemde methode, aan den omtrek der coupes de tint niet zelden wat te donker wordt. Hiervoor werd of eveneens Grenacher's aluinkarmijn aangewend öf wel Böhmer's haematoxyline met of zonder eosine (dubbelkleuring).
Vóór het snijden werden de voorwerpen steeds in paraffine ingesloten. Door absoluten alcohol watervrij gemaakt, werden zij in nagelolie gebracht. Vooral grootere stukken bleven daarin niet al te kort, gewoonlijk 4 a 5 dagen. Van de nagelolie in de paraffine. Kleinere objecten bleven daarin gewoonlijk 1 a 2 uren, grootere stukken liet ik niet zelden 24 uren achtereen in de warme paraffine bij een temperatuur van ongeveer 55°. Het weefsel leed er niet onder en de sneden gelukten zeer goed.
Het snijden geschiedde met een mikrotoom van Jung. Van de jongere ontwikkelingsstadiën werd de gehcele geslachtsklier, reap, het gedeelte van het embryo, dat de geslachts-klier bevatte, in seriecoupes versneden. Van oudere en van volwassen ovariën werden sommige gedeelten daarvoor uitgekozen. De dikte der sneden bedroeg gewoonlijk 10 /«., niet zelden ook 5 en soms 15 n.
De coupes werden met gewoon water op het voorwerpsglas geplakt, gedroogd, en nadat de paraffine door benzine was opgelost, in Dammar of Canadabalsem ingesloten.
HOOFDSTUK IT.
Historisch O v e r z i c h t.
Eerst in het laatst der 17de eeuw heeft men de geslachtsklier der vrouwelijke zoogdieren in haar ware beteekenis als eileverend orgaan leeren kennen.
Het is uit een historisch oogpunt niet onbelangrijk na te gaan welke voorstellingen vóór dien tijd daaromtrent gangbaar waren.
De menschelijke eierstokken werden aangeduid als âtestes muliebres.quot; Het bestaan van een zoogdierenei werd zelfs niet vermoed. De vrucht â zoo luidt de voorstelling wat den monsch betreft â ontstond door de samenwerking van het mannelijke en vrouwelijke semen. Dit laatste â het hypothetische âsemen muliebrequot; â werd door de testes muliebres afgescheiden; hetgeen thans ligamentum ovarii heet, speelde de rol van vas deferens bij de vrouw.
Aldus stelden Hippocrates en zijn volgelingen zich de zaak voor. Van het semen muliebre bestonden zelfs twee soorten, een krachtiger en een zwakker: het eerste voor de vorming der mannelijke, het tweede voor die der vrouwelijke nakomelingen bestemd.
Volgens deze opvatting hadden dus de testes muliebres bij de voortteling een zeer bepaalde functie te verrichten.
Anders dachten Aristoteles en zijne school. Voor de vorming der vrucht was de samenwerking van het semen virile met het menstruaal bloed voldoende. Het bestaan van een semen muliebre werd eenvoudigweg ontkend en de testes bij de vrouw waren voor de procreatie van geen nut.
De Hippocratici bleven hun standpunt handhaven en blijkbaar met goed gevolg. De argumenten voor hun leer aangebracht waren niet onlogisch. âDe vrouwen hebben nu eenmaal testesquot; â zoo zeiden zij â âdus zullen deze ook wel gebruikt worden.quot; âBloed alleenquot; â zoo heette het verder â âheeft geen scheppende kracht; hoe zouden kinderen op de moeders kunnen gelijken zonder toedoen van een semen muliebre?quot;
Het meest afdoende argument, hetwelk zij aanvoerden voor hun opvatting, dat de testes muliebres een rol speelden bij de voortteling, was zeker wel de ervaring dat gecastreerde vrouwelijke dieren hun vruchtbaarheid en geslachtsdrift weldra verliezen. Bij R. de Graaf (42), aan wien ook de vorige bijzonderheden ontleend zijn, vinden wij daaromtrent het volgende vermeld:
âCujus rei {n. I. het feit dat gecastreerde dieren de âappetitum venereae voluptatisquot; missen) bene conscius rusticus ille fuit, qui, Wiero teste, cum flliam suam Amasio clam indulgere animadvertisset, ipsam congrue vinculis obligatam castravit, ut erat forte sues
- 6 â
foeminas castrandi peritus (sic); unde nata amoris et libidinis oblita, rei tantum domes-ticae sedula deinceps operam navavitquot; (1. c. p. 198).
Het klinkt ongeloofelijk genoeg. Relata refero; heeft het geval zich werkelijk zoo toegedragen dan was deze vader zeker niet minder handig dan barbaarsch.
Twintig eeuwen lang heeft men geloofd aan het bestaan van een seinen muliebre. Vooral de questie van den weg, dien dit laatste had af te leggen eer het uit de klier ter bestemder plaatse was aangekomen, bood den verschillenden schrijvers ruimschoots gelegenheid hun fantasie den vrijen teugel te laten. Om der wille van de curiositeit daarover nog het volgende.
In gewone omstandigheden â zoo meende men â werd het semen muliebre bij eiken coitus langs het ligamentum ovarii proprium in de holte van het corpus uteri uitgestort; vandaar nam het zijn weg naar de vagina.
In de graviditeit ging het eenigszins anders. De gewone weg door de holte van het corpus uteri was dan door de ontwikkeling der vrucht verstopt. Het semen bereikte nu de vagina langs een zijtakje van het ligamentum ovarii dat, van het laatste afgaande, onmiddellijk naar de cervix uteri toeliep.
Er waren er ook, die niet het ligamentum ovarii als vas deferens van het semen muliebre beschouwden, maar de tuba. Door verschillende vaten in den breeden band werd het van de geslachtsklier daarheen gevoerd.
Voor hen, die het semen niet langs de tubae zijn weg lieten nemen, waren deze laatste organen van zeer raadselachtige beteekenis. âZij moesten hun nut hebben,quot; redeneerde men; zoo beschouwden sommigen ze als een soort âschoorsteenenâper quos uteri fuligines in cavitatem abdominis exhalent, aut foetus in utero respiret.quot; (de Geaaf, 1. c. p. 254)').
Intusschen was de opvatting van Aristoteles, dat de ovariën voor de voortteling van geen nut waren, nog niet geheel verdrongen, en het was niemand minder dan de groote Harvey, die ze eenvoudig met lymphklieren gelijk stelde.2)
Harvey is een van de laatsten geweest, die zoo dacht.
Tegen het einde der 17de eeuw begon men op vasteren bodem te staan. Men ging de geslachtsklieren van levendbarende en eierleggende dieren met elkander vergelijken. Bij vertegenwoordigers van de laatste â zooals bij de vogels â wist men, dat de eieren werden geleverd door de geslachtsklier, die men daarom ovarium had gedoopt.
Stenson staat te boek als de man, die dit woord in de anatomische wetenschap heeft ingevoerd. In het jaar 1667 geeft deze onderzoeker (126) een beschrijving der geslachtsklier van een niet nauwkeurig aangeduide haaisoort, een vrouwelijk exemplaar.
Hij vertelt er van dat zij vele eieren bevatte, van verschillende grootte en kleur; met eieren bedoelt hij de GRAAP'sche follikels.
Omtrent de beteekenis der geslachtsklier bij de vrouw laat hij zich in hetzelfde geschrift aldus uit: ânon amplius dubito quin mulierum testes ovario analogi sint, quocunque demum modo ex testibus in uterum, sive ipsa ova, sive ovis contenta materia transmittatur.quot; (126, p. 117). Enkele regels verder heet het â . . . . et errorem
') Verg. ook; Whartonus, Adenographia sive GUandularum totius corporis descriptio. Noviomagi 1664 p. 210.
s) Harveus, Exercitationes de Generatione Animalium. Amstel. 1662 p. 286.
- 7 -
ilium tollere quo mulierum genitalia gen it a lib us virorum ana-loga creduntur.quot;
Hiermede was de eerste stap gezet op den goeden weg; meer en meer raakt thans de oude Hippocratische leer aan het wankelen. Reeds een jaar later, in 1668, ziet oen voor-loopige mededeeling van den Leidschen Hoogleeraar J. van Horne (58) het licht. Hij komt tot dezelfde opvatting omtrent de beteekenis der geslachtsklier bij de vrouw als Stenson. Wat men tot nu toe voor het semen muliebre hield, komt volgens hem niet uit de vrouwelijke testes. âSeminalis humiditas mulierum non e testibus hue {soil, in vaginam) pervenit, sed ex ipsa glandulosa uteri interni substantia.quot;
De man, die zich te dien tijde het meest verdienstelijk maakte op het gebied, dat we hier bespreken, was zonder twijfel onze landgenoot, Regnerus de Graaf (42), geneesheer te Delft.
Het zij mij vergund zijn onderzoekingen wat uitvoeriger te behandelen. Ik doe dit voornamelijk hierom, omdat zijn verdienste gewoonlijk op verkeerd terrein wordt gezocht.
Want de ontdekker der follikels, die zijn naam dragen, is hij niet geweest.
Terecht wijst ook Hyrtl op deze omstandigheid; de eer der ontdekking komt volgens hem toe aan Stenson
Leest men echter de Graaf zelf na dan blijkt Hyrtl's uitspraak onjuist te zijn. Zeker waren de follikels â wij zagen het boven â aan Stenson bekend. De Graaf zelf maakt er melding van dat van Horne ze vóór hem gezien had; maar hij wijst er tevens op dat zij reeds veel vroeger door verscheidene oudere anatomen, als Vesalius, Fallopia, Riolanus, Bartholinus, Wharton us e. a. onder verschillende namen zijn beschreven. (de Graaf, 1. c. p. 179). Immers juist het vocht, dat de blaasjes bevatten, werd door menigeen voor het semen muliebre gehouden. 2)
De verdiensten van de Graaf zijn mijns inziens drieledig.
In de eerste plaats heeft hij het zoogdierenei in een zeer jong stadium der ontwikkeling ontdekt; het gelukte hem bij het konijn de eitjes te vinden in de tuba, kort nadat zij van het ovarium daar waren ingedrongen. Dat dit een feit van beteekenis was blijkt voldoende hieruit, dat het, trots ijverig zoeken, langer dan een eeuw heeft geduurd voordat de tuba-eitjes bij het konijn door een ander zijn gezien.
Ten tweede toonde de Graaf de ware natuur van het ligamentum ovarii proprium aan en vond hij de functie der tuba als eileider.
In de derde plaats bewees hij, dat er een zeer nauw verband moet bestaan tusschen de vorming van corpora lutea en de bevruchting, al was zijn redeneering, waardoor hij dit verband trachtte te verklaren, niet in alle opzichten juist.
Dit blijkt uit het volgende.
Het ovarium bij de vrouw beschrijft hij als uit een losvezelig stroma bestaande, waarin talrijke blaasjes, grootere en kleinere tot nauwelijks zichtbare toe. De blaasjes zelve noemt hij vesiculae en herhaaldelijk ook ova; de omhulsels om de blaasjes heetten folliculi: â[ova) variis tunicis sive folliculis investiuntur.quot; (1. c. p. 185).
Het verband tusschen de vesiculae of eieren in het ovarium en de veel kleinere
') âDer eigentlicke Entdeeker der Graaf'scIioii Follikel, war aber Nicolaus Stenson.quot; (Lehrbuch der An. 20. Aufl. S. 817).
!) whartonus, 1. c. p. 208.
eieren door hem in de tuba gezien (wij spreken thans over het konijn) dacht bij zich aldus: de eieren in het ovarium bevatten een stof, die de eitjes in de tuba missen, een stof bestemd voor de vorming der corpora lutea1). Zoo lezen wij (I.e. p. 315): â . . . . unde liquet ova jamjam e testibus exclusa aliis adhuc in testibus haerentibus decuplo minora esse, quod eatenus oontingere nobis videtur, quatenus scilicet in testibus exsistentia adhuc aliam materiam complectuntur, illam scilicet, ex qua glandulosa folliculorum substantia [die het corpus luteum vormt) provenit.quot;
Is namelijk de foecundatie tot stand gekomen en de âaura seminalisquot; tot den eierstok opgestegen, dan is de eerste uitwerking van den door de aura uitgeoefenden prikkel deze, dat de wand der vesiculae â de follikels dus â zich tot corpora lutea transformeeren. Dit geschiedt, doordat tusschen de verschillende lagen van den wand de boven genoemde â uit het ei afkomstige â klierachtige zelfstandigheid zich ophoopt. Het ei zelf wordt daardoor kleiner en kleiner. Door de snel voortwoekerende massa van het zich ontwikkelende corpus luteum wordt het ei meer en meer naar één kant gedrongen, totdat ten slotte de wand van den follikel berst en het ei uitgestooten wordt. De tuba, met haar âloofwerekquot; den eierstok omsluitend, vangt het op en voert het naar den uterus.
Bij konijnen zou de uitstooting van het ei uit den eierstok ongeveer drie dagen na de bevruchting plaats hebben; immers eerst dan kon de Ctraap de eitjes in de tuba vinden.
De Graaf is in zijn geschrift niet overal even duidelijk. Dat hij, zoowel de vesiculae in de testes muliebres als de eieren in de tuba beide ova noemt, sticht verwarring, daar â zooals uit bet bovenstaande gebleken is â aan de eerste een veel ruimere beteekenis door hem wordt toegekend dan aan de laatste.
Niet altijd is uit zijn woorden op te maken, wat hij inderdaad waarnam, wat eenvoudig het product van zijn voorstellingsvermogen was. Als zeker mag men wel aannemen, dat het werkelijke eierstoksei hem onbekend is gebleven.
De Graaf's mededeelingen trokken de aandacht. De âKoninklijke Societeitquot; te Londen bemoeide er zich mede. Nog in hetzelfde jaar (1672) vraagt haar Secretaris aan Malpighi , hoe hij en andere anatomen in Italië denken over hetgeen de Graaf âzoo stoutwegquot; beweert. Malpighi antwoordt o. a. ⢠âadmodum interim probabilem puto tanti viri posi-tionem.quot; s)
Iets verder leest men deze zinsnede: âMemini, me in nobili muliere ovum in tuba exiguum observasse.quot; Daar ons elk aangrijpingspunt voor een kritiek of hetgeen Malpighi zich herinnerde gezien te hebben werkelijk een ei geweest is, ontbreekt, moet de questie of hij het eerst het menschelijke ei in den eileider heeft waargenomen, een open vraag blijven.
In de 18de eeuw ging men weer hard achteruit. Zoo leerde Haller (45) nog, dat uit de follikels van het ovarium een vrij bewegelijke vloeistof in de tubae overging naar den uterus; eerst later scheidde zich een wand af en werd de vloeistof ei. De Graaf's vondst van eitjes in de tuba werd eenvoudig als een foutieve waarneming beschouwd.
Na vergeefscho proefnemingen van Haighton (44) gelukte het eerst in 1799 aan W. Cruikshank (31) de eitjes van de Graaf in den eileider van het konijn weer te vinden. Ook volgens dezen onderzoeker worden zij in de follikels gevormd en verlaten zij na de bevruchting den eierstok.
1) Dit woord is door Malpighi het eerst gebruikt; de Graaf spreekt van âglobuli.quot;
2) Malpighi, Opera Omnia. Lugd. Bat. 1687. ï. 2, p. 69.
- 9 -
Zoo was men in het begin dezer eeuw nog geen stap verder dan ten tijde van de Graaf.
Zooveel wist men dat de follikels, hoewel nog veelal eieren genoemd, niet de ware eieren waren, en ook hiervan had men zich na de Graaf allengs overtuigd, dat er een nauw verband bestond tusschen het optreden der eitjes in de tuba en het zich vervormen der follikels tot corpora lutea.
Van verschillende zijden werd het aanwezig zijn van het ware ei in de follikels vermoed ; maar deze veronderstelling was nog door geen enkele waarneming afdoende bewezen. Kortom, van waar het ei, dat men in de tubae vond, eigenlijk daar kwam, wist niemand.
Aan belangstelling in ons onderwerp van de zijde der onderzoekers ontbrak het zeker niet.
Het was in 1821 dat de âKönigliche Societat der Wissenschaften in Göttingenquot; ') een prijsvraag uitschreef, luidende:
âVon der Entstehung des wahren weiblichen Eies hei den Saugethieren, ob es im yelhen Körper erzeugt tour de 2 und wenn dem so, zu welcher Zeit es dann aus demselben heraustrete? und wosu die Bldschen des Eierstocks diesem Eie und überhaupt dem Zeugungsgeschafte nützen?quot;
Drie antwoorden kwamen in, aan één werd met algeraeene stemmen de hoogste prijs toegekend. De schrijver was ü. F. Hausmann. Als voorbeeld van de avontuurlijke theoriën, welke men 75 jaren geleden nog verkondigde en tevens als bewijs, dat de voornoemde âSocietatquot; wel wat vrijgevig was met het toekennen van haar eeremetaal, laat ik in het kort de resultaten van Hausmann volgen.
Na talrijke proefnemingen, in hoofdzaak op honden verricht, was hij tot het volgende besluit gekomen: niet in het ovarium ontstaat het ware ei, maar in den uterus, uit een volkomen homogeen vocht door den wand der baarmoeder zelve afgescheiden. Eerst geruimen tijd na de bevruchting wordt het ei zichtbaar (bij den hond na 24 dagen).
Is de eierstok dan voor de eivorming van geen nut? Toch wel; door de bevruchting bersten de Graafsche blaasjes, die hun vocht in de tubae ontledigen naar den uterus; maar dit vocht zelf wordt niet tot ei, het brengt slechts de baarmoeder in de bepaalde âstemmingquot;, waardoor deze geschikt wordt om uit haar wand eivormend vocht af te scheiden.
De bevruchting zelf geschiedt door werking op afstand; het semen werkt direct in op den uterus, die dezen prikkel langs zenuwbanen overbrengt naar de Graafsche blaasjes, welke daardoor bersten. De corpora lutea zijn voor de ontwikkeling van het ei zeer noodig; hun nut is de werkzaamheid van den uterus gedurende de zwangerschap te onderhouden.
In Frankrijk werd de zaak beter behandeld. De beide onderzoekers Prévost en Dumas (101) namen â in het jaar 1824 â proeven op konijnen en honden. Zij onderscheidden de âoeufs des cornes (uterushoorns)quot; en de âoeufs de l'ovaire.quot; Met de laatste bedoelden zij de Graafsche follikels; ook zij vermoedden dat do âoeufs des cornesquot; daaruit hun oorsprong namen. Het is zelfs hoogstwaarschijnlijk, dat zij bij den hond het werkelijke eierstoksei, althans met zijn discus omgeven, het eerst hebben waargenomen.
Daarop wijzen de volgende woorden:
âII nous est survenu deux fois en ouvrant des vésicules trés avancées, de rencontrer dans leur intérieur un petit corps sphérique d'un millimétre de diamètre, mais il différait des ovules que nous observions dans les cornes par sa transparence, qui était beaucoup moindre.quot;
') Zie Göttingsche gelohrto Anzeigen, 195 Stüok, Dec. 1824.
2
- 10 -
Maar hun uitspraak is nog wat onbeslist, zij besluiten aldus:
â . nous désirerions qu'on donnat le nom de vésicules aux corps particuliers ren-fermés dans l'ovaire, jusqu' a ce qu'on ait mieux étudié leur nature.quot; (1. c. p. 135).
Dit deed Karl Ernst von Baeb. (2) in het jaar 1827. Hij was de eerste die met volkomen zekerheid het ei in de follikels bij verschillende zoogdieren aantoonde âObstipui profocto cum ovulum ex tubis jam cognitum tam clare viderem, ut coecus vix negaret,quot; heet het, wanneer hij beschrijft hoe hij, bij den hond, het ei in den Graafschen follikel met het bloote oog ontdekte. (1. c. p. 12).
Maar in de opvatting van het gevondene bleef hij ver van de waarheid. Het door hem ontdekte ovulum â zoo redeneerde hij â gedroeg zich wel is waar volkomen als een ei, d. w. z. het ontwikkelde zich onder bepaalde omstandigheden zonder meer tot vrucht; morphologisch echter had het slechts de beteekenis van een kiemblaasje, zooals Purkinje (102) dit niet lang te voren bij het vogelei had gevonden. Met dit kiemblaasje was het ovuluvi volgens von Baek volkomen gelijkwaardig; dat het een zeer hoog ontwikkeld kiemblaasje was, moest hij erkennen. Het vogelei was slechts met den Graafschen follikel in zijn geheel (ovum) op een lijn te stellen.
In weinig woorden geeft hij zijn meening aldus weer: âmammalia ergo habent ovum in ovo, aut si hac dicendi formula uti licet, ovum in secunda potentia.quot; (1. c. p. 32).
Bij von Baek bemerkt men al zoo nog hetzelfde hinken op twee gedachten als bij de Graaf. Hoewel deze er van overtuigd was, dat de blaasjes in het ovarium niet de ware eieren waren, noemde hij ze toch herhaaldelijk ova; von Baeb gelukt het aan te toonen, wat men dan wel voor het zoogdierenei moet houden en desniettegenstaande spreekt hij van ovum, als hij den Graafschen follikel bedoelt. Von Baer's dwaling kon pas voldoende weerlegd worden, toen men ook bij het zoogdierenei het kiemblaasje had gevonden. Dit gelukte in 1833 aan Coste en Delpech (27) bij het konijnenei. Cosïe vindt er niets tegen thans het zoogdierenei volkomen gelijkwaardig te stellen met het vogelei in zijn geheel, niet met een gedeelte er van.
Valentin (130) bevestigde Coste's ontdekking aan de eieren der moest verschillende zoogdieren en toen R. Wagner (134) ten slotte nog de kiemvlek resp. de kiemvlekken in het kiemblaasje aantoonde, waren de voornaamste grovere bestanddeelen van het ei, zooals wij die thans kennen, geen gesloten boek meer.
De gevonden feiten schenen zoo duidelijk te bewijzen, dat het zoogdierenei door de Graafsche follikels geleverd wordt, dat men er zich over verwonderen moet hoe er nog personen waren, die er anders over dachten. Haüsmann (47), de beantwoorder van de vroeger vermelde prijsvraag, bleef echter in een uitvoerige monografie zijn vroeger standpunt handhaven. Het voorkomen van de âovula Graaflanaquot; in de follikels kon hij niet meer ontkennen; alleen waren ze voor hem niet de âware eieren.quot; Tegen den tijd dat de follikels rijpen, worden de genoemde eitjes opgelost; zij vervullen geen enkele rol bij hebgeheeleontwikkelingsproces. Het âware eiquot; wordt in den uterus gevormd, zooals vroeger beschreven werd.
In 1839 maakte Schwann (117) zijn cellenleer openbaar. Hij was de eerste, die het zoogdierenei als cel beschouwde. Het komt hem het waarschijnlijkst voor, dat het kiemblaasje de kern der cel voorstelt en de Wagner'sche vlek het kernlichaampje, maar zekerheid daaromtrent heeft hij niet. Misschien â meende hij â is het kiemblaasje wel een nieuwe cel, endogeen in de eerste ontstaan. Later bleek dat de eerstgenoemde opvatting de juiste was.
- 11 -
De cellenleer opende een nieuw gezichtspunt, waaronder men het zoogdierenei met het YOgelei ging vergelijken. Er waren er, die het zoogdierenei niet als een enkele cel opvatten; maar vooral het vogelei werd door tal van onderzoekers niet als zoodanig beschouwd. Volgens velen was dus een gelijkstelling van beide in den zin van Cosïe niet geoorloofd. Tal van jaren is er over deze questie een heftige strijd gevoerd. Dien thans in zijn geheel te volgen, is voor ons doel van minder belang.
Volledigheidshalve deel ik den uitslag mede.
Deze is, dat tegenwoordig wel niemand er meer aan twijfelt of het ei der gewervelde dieren in het algemeen, moet afgezien van bijkomende omhulsels â als een enkelvoudige cel beschouwd worden. In dit opzicht zijn dus de eieren der verschillende dierklassen, tot dit type behoorend, onderling volkomen gelijkwaardig. Gegenbaur (40) was quot;de eerste, die deze opvatting consequent trachtte door te voeren (1861); hem volgden Kölliker (67), E. van Beneden (9), H. Ludwig (80), e. a. Tot een der heftigste tegenstanders behoorde His (51), die in 1868 in den dooier van het kippenei nog verschillende soorten van cellen onderscheidde.
De geschiedenis van den eierstok is tot nog toe bijna uitsluitend geweest die van het ei.
Wat men vóór de ontdekking van het laatste omtrent den fijneren bouw Van de vrou-welijke geslachtsklier wist, was uit den aard der zaak zeer weinig.
Meer bijzonderheden dienaangaande vinden wij eerst bij von Baer (2,3), die ons o. m. reeds een uitvoerige beschrijving geeft van den bouw der Graafsche follikels. Een goed ontwikkelde follikel bezit een bindweefselwand *), theca, bestaande uit een vaatrijk stratum internum en een meer vezelig, vaatarmer stratum externum. Het corpus luteum moet van de theca folliculi interna afgeleid worden.
De questie hoe de follikel zich vormde laat von Baer rusten. Het eerst vernemen wij daaromtrent iets bij Valentin (130), die tegelijk zeer belangrijke feiten aan het licht bracht aangaande de ontwikkeling der geslachtsklier, waarover men nog zoo goed als geheel in het duister verkeerde. Verschillende zoogdieren (mensch, kat. hond, schaap, varken enz.) werden door hem onderzocht.
Zijn resultaat kwam hierop neer: ovarium zoowel als testis worden beide als buisvormige klier aangelegd; maar alleen den testis vinden wij later als zoodanig terug, de eierstok blijft op een bepaald stadium der ontwikkeling stilstaan. In een zeer vroege periode bestaat de geslachtsklier uit een korrelige substantie, waarin van de oppervlakte kammen (âLeistenquot;) van een dikkere massa, zonder holte, convergeeren naar een ideale lengteas, door het midden van het orgaan gedacht. Door een âHftutungquot; van hun epithelium vervormen zich deze kammen tot aan beide einden gesloten buizen. Ontstaat er een testis, dan wordt het aanvankelijk solide centrum der klier hol en de buizen treden langs dezen weg met den uitvoergang in verbinding. Ontwikkelt zich de klier tot ovarium, zoo blijft het centrum solide, en in de buizen, die aan de binnenvlakte met talrijke âEpithelial-kugelquot; bezet zijn, vormen zich de follikels (hoe wordt niet nader aangeduid). Eerst in een eenigszins vergevorderd ontwikkelingsstadium van den follikel vertoont zich het ei. Op lateren leeftijd worden de buizen hoe langer hoe onduidelijker zichtbaar en zijn zij ten slotte niet meer te herkennen.
Alleen dezen wand noemde de Geaaf follikel, (verg. bl. 7),
- 12 -
Aanvankelijk is het Valentin in vele opzichten gegaan als de Graaf. Slechts zeer enkele schrijvers gewaagden van buisvormige producten, gedurende de ontwikkeling van den eierstok waar te nemen. Zoo beweert Kobelt (65) bij den mensch dergelijke bijzonderheden gezien te hebben als Valentin. Remak (106) zag de buisvormige structuur van het ovarium bij hagedissenembryo's. Volgens Waldeyer (136, S. 42) verdedigde ook Lilienpeld de juistheid van Valentin's bevindingen en ten slotte noemen wij Billroth (13), die in 1856 vermeldde, hoe hij bij een 4 maanden oud menschelijk foetus lange cylincler-vormige buizen had waargenomen, ten koste waarvan door afsnoering de Graafsche follikels ontstaan.
De andere onderzoekers tot Pflüger's tijd spreken niet over Valentin's ontdekking, of als zij er gewag van maken, is het om het bestaan van de door hem waargenomen buizen te ontkennen. Bischoff (16) o. a. beweert herhaaldelijk naar de Valentin'sche buizen gezocht te hebben, zonder deze te kunnen vinden.
Hierover waren de meeste schrijvers uit dien tijd het met elkander eens:
Het ontstaan van het ei is onafscheidelijk gebonden aan de vorming van den follikel: zonder follikel geen ei.
Over de onderdeelen van het proces werd voorzeker genoeg getwist. Sommigen leidden ei en follikel uit een gemeenschappelijken aanleg af; zoo meende Barry (6) dat eerst het kiemblaasje ontstond, omgeven door een korrelige massa met vetdruppels. Om deze vertoonde zich weldra een membraan, de ovisac, en binnen dezen ovisac ontstond nu geleidelijk alles, wat binnen de theca van den follikel kwam te liggen: de verdere bestanddeelen van het ei, het follikelepithelium enz enz.
Bischoff (14) stelde zich de zaak anders voor: volgens hem ontstond het ei niet, voordat de aanleg van den Graafschen follikel in den vorm van een hoopje cellen reeds aanwezig was; eerst dan werd het kiemblaasje zichtbaar.
Meer aansluitend aan die van Baery was de opvatting van Spiegelberg (120): hij dacht zich den geheelen Graafschen follikel met inhoud geboren uit eén enkele moedercel.
Tot welke bron al deze zaken nu in den eersten aanleg zijn terug te voeren, daarover vernemen we eigenlijk niets: zij ontstaan in het stroma ovarii en daarmede scheen alles gezegd.
Wij moeten evenwel niet uit het oog verliezen dat men in een tijd leefde, waarin de geheele histologie beheerscht werd door Schwann's cellenleer. IZooals bekend is, leerde deze dat de cellen haar oorsprong nemen in een structuurlooze massa, een celkiemstof: gewoonlijk vormt zich het eerst de kern en daarom ontstaat dan later de rest van de cel, een proces, eenigszins te vergelijken met de kristallisatie in de anorganische natuur. Dat men dus in die dagen herhaaldelijk van spontane celvorming sprak, baart geen verwondering; traden er nieuwe cellen in reeds bestaande op, dan noemde men dit een âendogenequot; celvorming.
Kort vóór Pflüger's optreden verkondigde Klebs (63) eene andere meening, die aldus kan geformuleerd worden: het ei is er al, voordat, de follikels gevormd zijn.
Zijn onderzoekingen betroffen neonatae. De wording van het ei behandelt hij niet; maar de follikelcellen ontstaan volgens hem uit de omgevende stromacellen, die bij voortschrijdende ontwikkeling een epitheliaal karakter aannemen.
Weldra (1861) verschijnen nu de eerste voorloopige mededeelingen van Pflügee, spoedig door meerdere gevolgd, tot in 1863 zijn standaardwerk: âUeber die Eierstöcke der
- 13 -
Saugethiero unci des Menschen,quot; het licht zag. Intusschen haddon reeds Schrön (115) en Grohe(43) de resultaten van hunne onderzoekingen openbaar gemaakt; maar daar de voor-loopige mededeelingen van Pflüger hun blijkbaar reeds bekend waren, zullen wij eerst Pplüger's werk behandelen en daarna op de beide bovengenoemde onderzoekers met een enkel woord terugkomen.
Men kan zeggen dat met Pflüger de nieuwe geschiedenis van het ovarium der zoogdieren begint. Het is noodig bij hem iets langer stil te staan.
Zijn onderzoek gold het nasporen van de vorming van ei en follikel; hij deed dit hoofdzakelijk bij jonge kalveren en katten.
Als voornaamste resultaat van zijn arbeid noemt hij zelf zijn bevinding dat:
Ei en gr an ulosa-epit helium afzonderlijk, elk op zich zelf, ontstaan; de membrana granulosa vormt zich als een âAuflagerungsproductquot; om het ei, op een tijdstip dat het laatste reeds duidelijk als zoodanig te herkennen is.
In dit opzicht bevestigt hij dus volkomen de meening van Klebs. Pplüger's mede-deeling omtrent de ei vorming komt hierop neer.
Zonder Valentin's ontdekking te kennen, vond hij de buizen reeds door dezen beschreven. Ook volgens Pflüger zijn zij aan beide einden gesloten; het boveneinde sluit onmiddellijk aan tegen de oppervlakte van het ovarium, het andere einde is naar het centrum der klier gericht. Bij de kat zijn zij door een membrana propria omgeven. Vooral merkwaardig is de blinde top der buizen, door Pflüger âKeimfachquot; genoemd. Zij bevat een massa zeer kleine kerntjes, onderling door protoplasma gescheiden; vermoedelijk stellen deze - volgens Pflüger â even zoo vele celletjes voor, van zeer weinig protoplasma voorzien en zonder zichtbare celgrenzen. De celletjes groeien en zakken daarbij â thans met een goed begrensde protoplasmalaag bedeeld â centraalwaarts in het lumen van de buis; een kernlichaampje wordt zichtbaar en de cellen zijn âoereierenquot; of âeimoedercellenquot; geworden.
Dit is de eerste phase van de eivorming. In de tweede phase deelen de oereieren zich; de dochtercellen hangen samen en maken den indruk van rozenkransvormige ketens, bij de kat door een gezamenlijke membraan, den oorspronkelijken oereiwand, omgeven. Zoo ontstaan de âprimordiale eieren,quot; die nu nog slechts met een membrana granulosa bekleed moeten worden om de follikels te vormen.
Waaruit neemt nu dit follikelepithelium zijn oorsprong?
Tegen den wand der eibuizen vond Pflüger epitheliumcellen, die vooral aan het centrale einde der buis niet zelden een doorloopende laag vormden; deze zijn niet anders dan de toekomstige granulosacellen, welke de eiketens, van het centrale einde uit, omwoeke-rend, tusschen de eieren indringen en deze allengs van elkander afsnoeren. Het epithelium wordt daarbij op den voet gevolgd door de membrana propria en het omgevende bindweefsel. Soms worden bij dit proces twee of meer eieren tegelijk door één enkele membrana granulosa omringd; later ontstaan dan hieruit nog afzonderlijke follikels.
De jongste ontwikkelingstoestanden der eieren en der follikels vindt men steeds dicht onder de oppervlakte der geslachtsklier.
Evenals Valentin, wijst ook Pflüger er op dat de buizen in het proces der ei- en follikelvonning slechts gedurende een kort tijdperk der ontwikkeling te zien zijn; reeds bij een kat van 4 weken is de geschiktste tijd voorbij. Maar te oordeelen naar hetgeen hij
- u -
bij volwassen dieren waarnam, twijfelt hij niet of ook later komt, vermoedelijk periodiek, een vernieuwde vorming van ei en follikel voor, op dezelfde wijze als in de jeugd.
Pflüger's onderzoek mag een meesterwerk genoemd worden en steeds zal de lezing van zijn geschrift de bewondering blijven opwekken van het nageslacht, over hetgeen hij met de gebrekkige hulpmiddelen van zijn tijd wist tot stand te brengen. Maar met nadruk wil ik er op wijzen, dat hij, evenmin als zijne voorgangers, een oplossing geeft van de vraag omtrent de herkomst der cellen, die hij als de voorloopsters van ei en granulosa-cellen opvatte. Wel wordt deze qnestie uitvoerig door hem besproken. Enkele malen vond hij bij de kat een directen samenhang der bulzen met het eierstoksepithelium en wel zóó dat de top der eerste een integreerend bestanddeel van het laatste uitmaakte (1. c. p. 113); verder werd door hem waargenomen dat soms enkele kleine celletjes zich nog in het bereik van het eierstoksepithelium of onmiddelijk daaronder tot âevidentequot; eieren differentieerden (ibidem). Naar aanleiding van deze bevindingen stelt hij 'zich dan de vraag, of de buizen niet door ingroeiing van het eierstoksepithelium hun ontstaan te danken hebben, op de gewone wijze als klieren uit een epltheliuminstulping zijn af te leiden.
âDann ware das Ei eine Zelle des Peritoneums und der ÃEAAP'sche Follikel eine von diesem abgeschnürte seröse Blase.quot; (1. c. pag. 70).
Maar voor de aanvaarding van deze gevolgtrekking deinst Pflüger terug; hij bepaalt zich tot het opnoemen der mogelijkheid. Ook is hij onzeker of de verbinding der buizen met het epithelium misschien niet secundair is tot stand gekomen, na de vorming dei-eerste ontstaan.
Bij de bespreking van het onderzoek van Schrön, die het follikelepithelium van het bindweefsel stroma afleidt en liet voorkomen van valentin-PFLüGER'sche buizen ontkent, zegt Pflüger (1. c. p. 118):
âDa Schrön die Schliluche nie gesehen hat, se ist es auch nicht meine Aufgabe, zu discutiren, ob bei der allerersten Anlage derselben in der That eine Umwandlung von Zeilen des Stroma's in achte Epithelial-Zellen der Schlauche und der öraaf'schen Follikel wahrzunehmen ist.quot;
Uit zijn verdere woorden valt dan duidelijk op te maken, dat hij de mogelijkheid, dat de wandcellen zijner buizen van het stroma afkomstig kunnen zijn, volstrekt niet wil ontkennen ; voor een beslissend oordeel acht hij de zaak nog niet rijp.
Een feit is het ook, dat Pflüger zich nog niet geheel heeft losgemaakt van de schwann'sche leer; de afleiding van de eene cel uit de andere is voor hem nog geen dringende noodzakelijkheid. Op bl. 99 van zijn geschrift heet het: âEs ware also immerhin denkbar, das in dom sparlichen Protoplasnm, welches im blinden Ovariumende (= Schlauch-ende) die Keimblaschen der vielleicht membranlosen Zeilen von einander sondert, neue Keimblaschen durch freie Zellbildung entstanden.quot;
Tot zoover over Pflüger. Thans nog een enkel woord over Schrön en Grohe. Beiden komen hierin met Klebs en Pflüger overeen, dat ook volgens hen de raembrana granulosa als een âAuflagerungsproductquot; om het ei te beschouwen is; met Klebs leiden zij deze cellen van het bind weefsel stro ma af. De Pflüger'sche buizen hebben zij volgens eigen zeggen niet gezien, hetgeen ons niet zoo zeer bevreemden kan wanneer men bedenkt, dat Schrön voornamelijk ovarien van de volwassen kat, Grohe in hoofdzaak eierstokken van pasgeboren kinderen onderzocht.
Pflüger's werk heeft groeten invloed uitgeoefend, hetgeen voldoende blijkt uit het
- 15 -
niet geringe aantal onderzoekingen, die kort na het verschijnen van zijn arbeid liet licht zagen. De meeste vielen in den geest van Pflügek uit.
Zoo neemt Klebs (64) zijn vroeger verkondigde opvatting over het ontstaan van het follikelepithelium terug; ook Spiegelbeeg bekeert zich en toont de Pi'LüGER'sche buizen aan bij den mensch. Gelijkluidende verklaringen geven Letzerich (78) en Langhans (73); ook zij onderzochten van den mensch afkomstig materiaal. Langhans wijst er echter op dat hij geen buizen vond, maar solide cellenstrengen (bij een kind van 4 maanden). Verder sluiten zich, wat de hoofdzaken betreft, bij Pflügeb aan; Bohsenkow (kat, varken, rund), Kölliker1) (kat, rund, mensch). Hts (50) (kat, kalf), Plihai, (98) (rund), terwijl ten slotte E. van Beneden (9) bij zeer uiteenloopende orden van zoogdieren (mensch, kalf, hond, marsupalia en edentata) Pflüger's leer omtrent de follikelvorming bevestigde; over het ontstaan der eieren dacht hij, wat de détails van het proces betreft, eenigszins anders.
Vooral Borsenkow en Kölliker drukten er op, evenals Langhans, dat de âeibuizenquot; strengen waren, zonder lumen (âDrüsenstrangequot;-KöLLiKER).
Van deze schrijvers onderzochten verscheidene ook embryo's, hetgeen Pflügeb niet gedaan had. Daardoor kon o. a. Kölliker uitmaken dat de âDrüsenstrangequot; bij jonge embryo's geen afzonderlijke formaties zijn, maar overal met elkaar samenhangen en zoo een ingewikkeld netwerk vormen in het bindweefselstroma van het ovarium.
Toch waren er nog enkelen, die zich met de ei- en follikelvorming naar Pflüger's opvatting, niet konden vereenigen. Bisschoff (16) o. a. bleef zijn vroeger ingenomen standpunt handhaven, en Henle (48) sloot er zich bij aan. Quincke (108) trachtte zelfs de oude SpiEGBLBERG'sche opvatting nog eens te verdedigen. Ook His (50) vermeldde dat hij de eibuizen, door hem bij kat en kalf gezien, bij menschelijke foetus niet had kunnen vinden.
Het verzet tegen Pflüger's leer is niet geheel en al onverklaarbaar. De geniale onderzoeker was in zijn conclusie te ver gegaan en had het willen doen voorkomen of, buiten zijn eibuizen (of eistrengen) geen ei of follikel zijn oorsprong nam. Dit is gebleken onjuist te zijn.
Wat Pflüger als de eenige manier van ontstaan van ei en follikel opvatte, was niets anders dan een bepaalde vorm, waaronder het proces zich kan vertoonen. Terecht naar mijne meening, merkte Waldeyer (136) eenigen tijd later op: âDie Valentin-pflüger'schen Schlauche können nur eene secundare Bedeutung beanspruchen; sie sind für die Ei- und Follikelbildung nicht wesentlich.quot; (1. c. p. 44).
Merkwaardig is het, hoe weinig men bij de schrijvers van den eersten tijd na Pflügeb, vindt opgeteekend .over de vormingswijze der âeibuizen,quot; over de bron, waarvan zij in eerste instantie waren af te leiden.
Pflüger had het hieromtrent â zooals wij boven reeds aanstipten â niet verder gebracht dan tot vermoedens.
Het spreekt van zelf, dat alleen het onderzoek van de jongste ontwikkelingsstadiën hier het gewenschte licht kon verspreiden. Op dit punt moest ten tijde van Pflüger nog het voornaamste gevonden worden.
Toch was reeds in het begin dezer eeuw door vele onderzoekers dit onderwerp ijverig ter hand genomen: het waren Rosenmüller, Oken, Meckel, von Baeb, Jacobson, maar vooral Rathke (104, 105) Johannes Müller (87) en Valentin (I.e.), die zich op dit gebied
') Gewobelehre des Menschen. 5 Aufl. Leipzig 1867, aangehaald door Waldeyeb (136).
verdienstelijk hebben gemaakt. Aangaande het ontstaan der geslac hts klier zelve verneemt men echter â afgezien van de vroeger medegedeelde bevindingen van Valentin â niet heel veel meer, dan dat zij zich ontwikkelt aan de mediale zijde van het Wolffsche lichaam; alleen dé vormingswijze der uitvoer gangen werd langzamerhand opgehelderd.
Zoo leidde Rathke (104) in 1882 reeds op juiste wijze de epididymis bij de zoogdieren van de voorste kanalen van het Wolffsche lichaam, het vas deferens van de Wolffsche gang af: verkeerdelijk liet hij ook de tuba uit de Wolffsche gang haar oorsprong nemen. Ten tijde van Kobelt was men ook op dit punt achter de waarheid gekomen. Kobelt (65) zelf toonde bij verschillende vrouwelijke zoogdieren het, reeds in 1802 door Rosenmülleb bij de vrouw ontdekte, residu van het Wolffsche lichaam aan en voerde daarvoor het woord parovarium in; hij stelde het gelijk met den epididymis bij den man.
Van welk kiem blad de geslachtsklier eigenlijk afstamde, daarover had men slechts enkele vage vermoedens. In 1856 verkondigt Remak (106) in dezen de juiste meening: oer-nier en geslachtsklier zijn een product van het middelste kiemblad, het motorisch-germina-tieve. In zijn systeem paste dit wel is waar niet: âNaraentlich trotzen die Urnieren jedem Versuche, ihnen im Entwickelungsplane eine entsprechende Stellung anzuweisenquot;, roept hij uit.
In het jaar 1861 was men nog zoo weinig gevorderd dat Köllikee van de jongste ontwikkeling der geslachtsklier kon zeggen dat deze âweniger was die Zeit als das sonstige Verhalten anlange, bis anhin noch in tiefes Dunkel gehüllt sei.quot; ')
Dit ten bewijze, hoe luttel de kennis op dit gebied nog was te noemen ten tijde van Pflügee's optreden.
Van de bovengenoemde, op Pflügee volgende schrijvers, bij wie wij het een en ander over de vroegste wording van de geslachtsklier en hare bestanddeelen vermeld vinden, noem ik met name Boksenkow en His. Tusschen de voorstellingen dezer beide onderzoekers bestaat een principiëel onderscheid.
Voor Boesenkow (19, 20) is de aanleg van het ovarium opgebouwd uit een massa indifferente cellen, welke zich in verschillende richting verder ontwikkelen: voor een deel differentiëeren zij zich tot bestanddeelen van de klierstrengen (PpLüGEB'sche buizen), anderdeels tot de deze omringende stromacellen. Do onmiddellijk aan de buikholte grenzende elementen leveren, door hetzelfde differentiatieproces, het epithelium van het ovarium. Dat in den beginne de klierstrengen zoowel onderling als met hot epithelium op verschillende punten samenhangen laat zich volgens Boksenkow uit de bovengenoemde vormingswijze gereedelijk verklaren.
His (50) ging de ontwikkelingsgeschiedenis van het kippenovarium na. De destijds (1865) door hem opgestelde hypothese, volgens welke het âParenchym der Sexualdrüse wirklich aus WoLFF'schen Canillen entsteht,quot; is niet lang daarna door den schrijver zelf teruggenomen.
Wij zullen daarom zijn voorstelling verder laten rusten en alleen het gronddenkbeeld vermelden, waarvan hij uitging en dat tot op den huldigen dag aan bijna alle onderzoekers tot basis strekt, waarop hun theoriën omtrent de jongste ontwikkeling
') Köllikeu , Entwickelungsgeschichte des Menschen und der höheren Tliiere. Leipzig 1861, S. 436, aangehaald door Waldeyer (136).
- 17 -
der geslachtsklier zijn gebouwd. His verkondigde n. 1. â in tegenstelling met Boesen-kow â do leer, dat men bij de ontwikkeling der geslachtsklier van den eersten aanleg af reeds een strenge scheiding moet maken tusschen echt epitheliale bestanddeelen en bindweefselelementen: het epithelium levert niets anders dan epithelium (klierstrengen, deklaag van den eierstok), het bindweefsel vormt louter bindweefsel (stroma van het ovarium.) Het eerste stamt, volgens His, van het bovenste, het tweede van het middelste kiemblad af.
De kip was destijds voor dergelijke onderzoekingen het meest geliefkoosde object; daar men vrij algemeen de daarbij verkregen resultaten mede op de zoogdieren van toepassing achtte, zijn de in dien tijd aan de kip gedane waarnemingen ook voor ons onderwerp van belang.
De eerste meer volledige beschouwingen over het ontstaan van de geslachtsklier hebben wij te danken aan Bohnpiaupï (1867); zijn onderzoek gold eveneens uitsluitend kippenembryo's. Bij Bobnhaupt (18) lezen wij, dat de geslachtsklier zich opbouwt uit de lagen van het verdikte peritoneum, dat het Wolffsche lichaam bedekt.
Nu kan men, in het stadium waarin de aanleg der geslachtsklier zichtbaar wordt, bezwaarlijk reeds van een peritoneum spreken; de bedoeling van bovenstaande woorden zal geweest zijn, dat de geslachtsklier zich vormt uit dezelfde cellen, die elders het buikvlies leveren.
Op de bijzonderheden van Bohnhaupt's betoog komen wij later terug; wij willen thans volstaan met te vermelden, hoe hij dacht over de herkomst der PFLüGEB'sche eibuizen of klierstrengen. Deze zouden â volgens Bornhaupt â hun ontstaan te danken hebben aan woekeringen van de dooi- hem als âPeritonealepithelquot; aangeduide cellenlaag, welke de oppervlakte der zich aanleggende geslachtsklier bekleedt. Dit âPeritonealepithelquot; dringt op verschillende punten âzapfenförmigquot; in de diepte, waardoor cellenstrengetjes gevormd worden, die zich allengs van den moederbodem losmaken en die zich, naar de schrijver waarschijnlijk acht, op lateren leeftijd tot de PPLÃGEii'sche eibuizen ontwikkelen.
Bohnhaupt's onderzoek leverde dus in menig opzicht een bevestiging van hetgeen Pplüger destijds reeds bij de zoogdieren had vermoed: dat n.1. ei en membrana granulosa beide in eerste instantie van het buikvliesepithelium zouden afstammen, (verg. bl. 14).
Een jaar later maakt onze landgenoot Koster zijne onderzoekingen bekend. Koster (69) meent by den volwassen mensch ei- en follikelepithelium van dezelfde bron te moeten afleiden als Bornhaupt bij zijn kippenembryo's, n.1. van de cellenlaag, die de oppervlakte van den eierstok bekleedt. Als algemeenen regel wil hij laten gelden, dat de Graafsche blaasjes met de zich daarin ontwikkelende eieren, ook na de geboorte, in groote hoeveelheid door instulping en afsnoering van het klier epithelium der oppervlakte van het ovarium gevormd worden.
Het eierstoksepithelium had men tot dien tijd steeds opgevat als een bepaald stuk van de algemeene buikvliesbekleeding; met deze voorstelling moet, volgens Koster, voortaan worden gebroken. âMen kan kortweg zeggen.quot; â zoo schreef hij â âdat het menschelijk ovarium in den leeftijd der geslachtsfuncties volstrekt niet door peritoneum bedekt wordt, maar dat zijn (met een slijmvliesvlakte te vergelijken) oppervlakte in de holte van het buikvlies uitpuilt en zoo naar de slijmvliesvlakte van het ostium abdominale tubae Falloppiae gekeerd is.quot; (1. c. bl. 144),
3
- 18 -
Het bekleedsel van het ovarium is voor hem een eigen, uit vele lagen gevormd slijmvliesepithelium. Na het climacterium echter schijnt het peritoneum â volgens Koster â zijn oude rechten te hernemen; het zou zich dan onder atropine van het eierstoks-epithelium allengs over de geslachtsklier uitbreiden en met het weefsel van de atrophische klier versmelten. Ook bij sommige door Koster onderzochte zoogdieren (koe, konijn, hond, kat) zou de, het ovarium bedekkende, cellenlaag in het algemeen volkomen met die van den menschelijken eierstok overeenstemmen.
Zoo stond de questie toen in 1870 Waldeyer's bekend werk verscheen.
In aansluiting aan de mededeelingen van Bornhaupt en Koster, trachtte Waldeyer (186) met de meest mogelijke consequentie - voor alle klassen der gewervelde dieren â de stelling door te voeren dat zoowel ei als follikelepitheliumcel onmiddellijk van het embryonale eierstoksepithelium, zijn kiemepithelium, afkomstig zijn. âAls das Hauptresultatquot; â aldus Waldeyer (1. c. S. 43) - âmei n er U n t er su ch u n gen muss bezeichnet werden, dass sowohl die Eier als die Follikelepithelzellen direct vom Keim-epithel, d. h. dem Oberflachen-epithel des Eierstock's abstammen.quot; Voor de jongste ontwikkelingsstadiën bestudeerde Waldeyer eveneens de kip; maar de ontwikkeling van den eierstok bij de zoogdieren verliep volgens hem, afgaande op hetgeen hij bij oudere zoogdierenembryo's waarnam, principieel op dezelfde wijze. (âUntersuchungen an Kaninchen- und Hunde-embryonen ergaben im Wesentlichen ein gleiches Resultat wie die Hühnerembryonenquot; (1. c. S. 150). Zijn bevindingen komen in het kort hierop neer.
Als eersten aanleg van het ovarium onderscheidde hij aan de mediale zijde van het Wolffsche lichaam een kamvormig uitstekende weefselwoekering, veroorzaakt door een belangrijke verdikking van het oppervlakkig epithelium daar ter plaatse, gepaard met een vermeerdering van het onderliggend stroma. Deze weefselwoekering noemt Waldeyer âKeimhügelquot;, kiemheuvel. Van het begin af bestaat deze kiemheuvel â Waldeyer stelt zich in dezen geheel op het standpunt van His en Bornhaupt â uit twee afzonderlijke weefselsoorten: de bedekkende epitheliumlaag, Waldeyer's kiemepithelium, levert uitsluitend het klierparenchym van den eierstok, het streng van het epithelium te scheiden stroma brengt slechts bindweefsel voort.
Bij voortgaande ontwikkeling stelt Waldeyer zich voor, dat het kiemepithelium en het vaatvoerend bindweefsel van weerskanten door elkander heen gaan groeien. Het resultaat van deze âgegenseitige Durchwachsungquot; is, dat de epitheliumlaag in verschillende kleinere cellengroepjes gesplitst wordt, die de mazen van het bindweefselnetwerk opvullen. Bij men-schelijke foetus kon hij dit proces van stap tot stap vervolg^p. De door het bindweefsel omsloten epitheliale cellengroepjes noemt Waldeyer âEiballen.quot; Een deel der elementen van de âEiballenquot; worden eieren; de andere groeien niet, worden zelfs â vermoedelijk door herhaalde deeling â kleiner en leveren de follikelepitheliumcellen. In het kiemepithelium zelf vindt men ook reeds enkele cellen, die de eerste stadiën der eiontwikkeling vertoonen.
De splitsing van de âEiballenquot; in afzonderlijke follikels geschiedt weer door hetzelfde proces, dat ook de âEiballenquot; deed ontstaan. Ook hier is een door elkander groeien van epithelium en bindweefsel in het spel, waardoor grootere cellengroepen meer en meer in kleinere worden verdeeld.
De Valentin-pplüg-er'sche buizen zijn een bijzondere vorm, waaronder de âEiballenquot; zich kunnen voordoen, wanneer ze door het sterk woekerend bindweefsel zijn platgedrukt.
- 19 -
Voor de ei- en follikelvorming hebben zij slechts een ondergeschikte-be-t eek en is. Het grootste deel der follikels ontstaat â volgens Waldeyer â beslist veel vroeger, voordat de âEiballenquot; zich tot langgerekte buizen hebben vervormd. Bij den mensch zag hij de buizen bij foetus van 9 maanden tot bij kinderen kort na de geboorte.
Het bovenbeschrevene valt slechts in de periode der ontwikkeling van den eierstok waar te nemen; is die tijd evenwel voorbij dan komt, volgens Waldeyer, een vernieuwde vorming van âEiballenquot; (eibuizen) of follikels, ten koste van het epithelium aan de oppervlakte, bij de zoogdieren â als regel â niet voor. Alleen het volwassen konijn maakt hierop wellicht een uitzondering. Bij den mensch zou op 2,l-1 jarigen leeftijd elke vorming van eieren en follikels uit het epithelium voor goed hebben opgehouden.
Verschillen van meer ondergeschikt belang daargelaten, week Waldeyer op één gewichtig punt van Bornhaupt af, een punt dat het wezen zijner theorie raakte. Het gold de be teek en is van zijn kiemep it helium. Bornhaupt zag in het epithelium dat den eierstok en den aanleg van den eierstok bekleedde, ten allen tijde niets anders dan een bepaald gedeelte van de algemeene bekleeding der buikholte; Waldeyer vatte, zooals Koster dit reeds vóór hem gedaan had, het eierstoksepithelium als een aparte formatie op, die niets te maken had met de cellenlaag, die het peritoneum bedekte.1)
Over de herkomst er van dacht Waldeyer als volgt. In jonge ontwikkelingsstadiën breidt het kiemepithelium zich veel verder uit dan later, ja, misschien is bij de kip op een gegeven tijdstip de geheele coeloomwand er door begrensd. Vermoedelijk stamt het van het bovenste kiem blad af. Later beperkt het kiemepithelium zich, wat de uitbreiding aan de oppervlakte der lichaamsholte betreft, al meer en meer; ten slotte is het alleen nog te vinden aan de oppervlakte der oernier en hier zelfs nog maar op twee plaatsen, n. 1. aan de mediale zijde, waar zich de geslachtsklier aanlegt, dus op den kiemheuvel, en aan den lateralen kant, waar de uitvoergang van den eierstok, de MüLLER'schegang gevormd wordt, eveneens ten koste van dit epithelium. Is de MüLLER'sche gang eenmaal aanwezig, dan komt het kiemepithelium uitsluitend op de oppervlakte van het ovarium voor en nergens anders. Overal elders is het gaandeweg geatrophiëerd en vervangen door het blijvende buikvliesepithelium, vermoedelijk een product van het onderliggend bindweefsel, dus van mes o bias tal en oorsprong.
Door Bornhaupt, zoowel als door Waldeyer, is gewezen op een feit, waarmede men bij de ontwikkeling van het ovarium tot nog toe geen rekening gehouden had. Bornhaupt kwam n. 1. tot de gewichtige ontdekking dat, in een vroege periode der ontwikkeling, in het merg van den eierstok bij de kip formaties waren te vinden, die zich op volkomen analoge wijze hadden aangelegd als de zaadbuisjes bij het mannelijk geslacht. Het bleek hem verder, dat deze formaties voor de functie van den eierstok van geenerlei beteekenis waren, maar dat het voor den eierstok karakteristieke klierweefsel zich eerst later, op de reeds aangegeven wijze, uit het oppervlakkig epithelium ontwikkelde.
Waldeyer's bevindingen hebben betrekking op hond, kat en kalf. In den eierstok van een volwassen, maar nog jongen hond, trof hij smalle epitheliumbuizen aan, die van den hilus in het merg uitstraalden en die misschien als âHomologa von Samencanalchen zu deuten sindquot;. (1. c. S. 141). Bij de kat zijn dergelijke buizen voorhanden als bij den hond. Bij het
') Waldeyer was, volgens eigen zeggen, geheel onafhankelijk van Koster tot deze ontdekking gekomen
- 20 -
kalf zag hij midden in het hilusstroma een kluwen smalle, onderling anastomoseerende kanalen, die hij tot het epoöphoron rekent (hierover later meer).
Beide onderzoekers nemen, wat den oorsprong der zaadbuisjes en dus ook der genoemde mergbestanddeelen in het ovarium betreft, een verschillend standpunt in.
Boenhaupt meent ze te moeten afleiden van het epithelium, dat de embryonale lichaamsholte bekleedt, het âPeritonealepithelquot;. Hij stelt zich de zaak aldus voor. De eerste aanleg der geslachtsklier â bij de kip â is indifferent. Den 5den dag van de bebroeding begint het âPeritonealepithelquot;, ter plaatse waar zich de geslachtsklier aanlegt, dikker te worden. Den 6den dag zijn cellenstrengen in het onderliggend stroma te zien, die zich vermoedelijk uit bovengenoemd epithelium hebben ontwikkeld, althans zeker niet uit de oer nier.
Wordt de klier testis, zoo vervormen zich deze strengen tot zaadkanaaltjes; bij het vrouwelijk geslacht stellen zij de bovengenoemde mergbestanddeelen van den eierstok voor. Zij worden hier ook hol, vormen een netwerk van onderling anastomoseerende buizen, wier wand uit spoelvormige cellen is opgebouwd. Het geheele systeem gaat echter te gronde, waarschijnlijk reeds voordat de ontwikkeling van den eierstok geheel is afge-loopen. Eerst na den lOden dag begint het bedekkend epithelium der geslachtsklier, , dat bij den testis weldra tot een zeer platte cellenlaag atrophiëert, bij het ovarium *de cellenstrengetjes te vormen, die zich later tot PFLüöER'sche eibuizen zouden ontwikkelen (verg. bl. 17).
Waldeyer daarentegen vermoedt, dat de zaadbuisjes en de homologe (?) bestanddeelen in het merg van den eierstok een product zijn van de oernier. De aanleg van de geslachtsklier (bij de kip) is volgens Waldeyer niet indifferent, maar hermaphroditisch. quot;Van de vroegste stadiën af is de toekomstige eierstok al te herkennen aan het hoogere kiemepi-thelium, dat bij het mannelijk geslacht ook wel aanwezig is, maar spoedig atrophiëert. In allen gevalle draagt het hier niet bij tot de vorming der zaadkanaaltjes; hoe deze ontstaan weet Waldeyer niet zeker, maar het komt hem - in afwijking van Bornhaupt â waarschijnlijk voor dat ze als verlengsels van de meer dorsaal gelegene nauwere buisjes van het Wolffsche lichaam in de geslachtsklier groeien.
Zoo zijn ook de vermelde formaties in het merg van het zoogdierenovarium volgens denzelfden schrijver hoogstvermoedelijk van de zijde der oernier er in gedrongen. Zij vormen het mannelijk element in den hermaphroditisch aangelegden eierstok, zooals het spoedig atrophieerende kiemepithelium het vrouwelijk bestanddeel van den testis voorstelt.
Tot zoover Waldeyer. Zijn onderzoekingen vormen gewoonlijk het uitgangspunt voor bijna iedereen, die na hem over den eierstok geschreven heeft.
Het kan daarom zijn nut hebben, voordat we verder gaan, de hoofdzaken van hetgeen na Pflüger over de ontwikkeling van het ovarium bekend was geworden, even te resumeeren.
Pflüger had buizen gevonden, waarvan zich follikels afsnoerden; Waldeyer toonde aan dat deze PpLÃGER'sche buizen slechts een bijzondere vorm waren van zijn âEiballenquot; en hield ze voor de ei- en follikelvorming van secundaire beteekenis.
Over de herkomst der buizen had Pflüger zelf geen besliste meening; de na hem komende onderzoekers kan men, wat dit punt betreft, in twee categoriën splitsen. Aan de ééne zijde stond Borsenkow, die meende, dat de PpLÃGER'sche buizen (strengen) met
het bindweefselstro in a en hit eierstoksepithelium, alles gezamenlijk door een differen-tatie-proces uit een indifferent blasteem zijn oorsprong nam.
In tegenspraak hiermede beweerden His, Boenhaupt en Waldeyer dat de eistrengen afstamden van een ware epitheliale formatie, van den aanvang af streng gescheiden van het bindweefsel.
Die moederbodem was, voor Boenhaupt zoowel als voor Waldeyer, het epithelium, dat de embryonale lichaamsholte begrenst. Volgens Bornhaupt vormt zich de bekleeding van het geheele buikvlies ten koste dezer laag en zoo is voor hem het eierstoksepithelium slechts een, in bepaalde richting gedifferentieerd gedeelte van het buikvlies-epithelium. Daartegenover trachtte Waldeyer te betoogen dat de cellen, die na volbrachte ontwikkeling het buikvlies bedekken, in geenerlei verband stonden met het epithelium der embryonale lichaamsholte (verg. ook Koster) ; en dat alleen aan de oppervlakte van den eierstok en in de omgeving van het ostium abdominale tubae de oorspronkelijke cellenlaag, het kiemepithelium, was blijven voortbestaan.
Verder zagen wij, hoe door Bornhaupt bij de kip, door Waldeyer bij de zoogdieren in het merg van den eierstok bestanddeelen waren ontdekt, die misschien als homologa van zaadbuisjes moeten worden opgevat. Bornhaupt achtte het waarschijnlijk, dat zij eveneens van het âPeritonealepitheliumquot; waren af te leiden, Waldeyer hield ze voor een product van de oer nier.
DE GESCHIEDENIS VAN HET OVARIUM EN VAN DEN TESTIS IN ZIJN EERSTE ONTWIKKELING NA WALDEYER.
Het z. g. mannelijk element in den eierstok der zoogdieren heeft in hooge mate de belangstelling van de na Waldeyer komende onderzoekers tot zich getrokken.
Een juist inzicht in de beteekenis er van kon â dit spreekt van zelf â slechts verkregen worden, door de ontwikkeling der geslachtsklieren bij beide sexen nauwkeurig met elkander te vergelijken. Hiermede heeft men zich ook ijverig beziggehouden; maar niettegenstaande het vele dat, van Waldeyer's optreden af tot heden toe, over deze producten geschreven is, staat hun herkomst nog alles behalve vast; evenmin is hun beteekenis voldoende opgehelderd.
Onze verdere beschouwingen zijn in de eerste plaats gewijd aan deze mergbestand-d eel en; tot goed begrip wenschen we vooraf, in zeer algemeene trekken, het plan aan te geven, waarnaar testis en ovarium zich vormen.
Zooals Bornhaupt reeds voor de kip aangaf, is de eerste aanleg der geslachtsklier, ook bij de zoogdieren, indifferent; de stelling van Waldeyer, dat testis en ovarium, reeds van den aanvang der ontwikkeling af, zouden zijn te onderkennen, is niet bewaarheid geworden. Dit jongste ontwikkelingsstadium van de geslachtsklier wordt voorgesteld dooide bekende weefselverdikking aan de mediale zijde der oernier, den kiemheuvel van Waldeyer, den geslachtskam of de crista germinativa van Kölliker (67).
Vormt zich nu een testis, dan worden al zeer spoedig de zaadbuisjes {tuhuli contorti) aangelegd, als solide cellenstrengetjes in het weefsel van den geslachtskam verspreid. Wat
- 22 -
later vindt men dit strengensysteem omgeven door een tunica albuginea, welke op haar beurt weer door een, uit platte cellen bestaande, epitheliumlaag, het testis-epithelium, is bekleed. Intusschen verandert ook de oernier: de kanaaltjes van het proximale einde (volgens Janosik(59) van het middelste gedeelte) worden, voorzoover ze niet verdwijnen, buisjes van den epididymis (vasa efferentia testis s. coni vasculosi); de Wolffsche gang wordt daarbij vas deferens, waarvan het tot den bijbal behoorend stuk als ms epididymidis bekend staat.
De verbinding tusschen epididymis en zaadbuisjes wordt bewerkstelligd door de tubuli recti en het rete testis Halleri.
In de buurt der buisjes van den epididymis vinden we nog geruimen tijd enkele oernierresten, die niet onder het systeem der uitvoergangen van de geslachtsklier zijn opgenomen: men vat ze samen onder den naam van Giraldès' orgaan, corpus innominatum, paradidymis- Waldeyer (136V
Wat den eierstok betreft zoo is, om even vooruit te loopen op hetgeen straks uitvoeriger zal worden behandeld, na Waldeyer reeds spoedig gebleken, dat de door dezen beschreven mergbestanddeelen uit twee gedeelten bestonden: uiteen buizennet, in de buurt van den hilus gelegen, en uit solide cell ens trengen, eenerzijds met eerstgenoemd buizennet in samenhang, naar de andere zijde in de richting van de schors het weefsel van het ovarium binnendringend. Het buizennet heeft men allengs als volkomen homoloog met het rete testis Halleri leeren beschouwen; het kreeg daarom den naam van rete ovarii (ïourneux, 129). De solide cellenstrengen werden door Kölliker (66) als mergstrengen betiteld. Volgens bijna alle schrijvers beantwoorden zij, wat de vormingswijze betreft, aan de zaadbuisjes bij het mannelijk geslacht; enkele onderzoekers zijn echter van een andere meening, waarover later meer.
De ontwikkeling van den eierstok verloopt nu aanvankelijk geheel volgens het voor den testis aangegeven plan.
Niet lang nadat in den testis de aanleg der zaadbuisjes zichtbaar is geworden, vertoonen zich ook hier in het binnenste van den geslachtskam, min of meer strengvormige cellengroepen, de embryonale mergstrengen.
De oernier, dit wist men sedert lang, verandert hier in denzelfden zin als bij het mannelijk geslacht. De buisjes, die goed bewaard blijven, de homologa der vasa efferentia testis, zal ik als canales efferentes epoöphori betitelen (canaux efférents-TouENEXix, 129), het rudiment van de Wolffsche gang als canalis epoöphori (canale de l'epoöphore-TouR-neux, 129); blijft de Wolffsche gang over grootere uitgestrektheid behouden, dan spreekt men ook wel van Gartner'scIi kanaal.
De canales efferentes epoöphori vormen met den canalis epoöphori samen het buizensysteem van het ejjoöp/iorow-Waldeyer (â parovarium-KoBELT)
Van het overige der oernier kan men nog lang de atrophische en gedegenereerde rudimenten in de buurt van den eierstok aantreffen; Waldeyer (136) vereenigde ze onder den naam paroophoron, op één lijn te stellen met den paradidymis bij het andere geslacht.
Door middel van het rete ovarii zijn de mergstrengen verbonden met het epoöphoron. Van tubuli recti in den eierstok wordt door de schrijvers geen gewag gemaakt, op één enkele uitzondering na: E. van Beneden beschrijft ze in den eierstok van den volwassen vespertllio murinus.
Zijn de mergstrengen â althans voor het grootste gedeelte - eenmaal aangelegd dan
- 23 -
vormt zich om hot gebied^ door deze ingenomen, de schorslaag van den eierstok. Het gebied der mergstrengen vindt men daarna terug als de mergsubstantie van het ovarium.
De schorslaag, die bij den testis ten eenenmale ontbreekt, is voor de functie van den eierstok van veel meer gewicht dan het merg; volgens het meerendeel der schrijvers spelen zelfs de mergstrengen â noch bij de ei- noch bij de follikelvorming â eenige rol.
De schors van het ovarium bevat nu eens meer ronde, dan meer langwerpig-streng-vormige, of ook wel geheel onregelmatig begrensde cellengroepen, onderling â al of niet volkomen â door stroma gescheiden. Dit zijn de âEiballenquot; van Waldeyer, âDrüsenstrangequot; van Kölliker, âPflüger'sche strengenquot; van Janosik, âEifücherquot; van Nagel, âSchorsstrengenquot; van Rouget, Laülanié e. a. Een bepaald ontwikkelingsstadium er van heeft Pflüger destijds als zijn âEischlduchequot; beschreven. .
Met Rouget , Laülanié e. a. zullen wij deze formaties voortaan eveneens als schors-strengen betitelen, al zijn wij er ons van bewust, dat bij sommige zoogdiersoorten de strengvorm al zeer weinig op den voorgrond treedt.
Hier zij nog opgemerkt, dat de grens tusschen schors en merg, volgens eenige schrijvers, in den beginne verre van scherp is; hier en daar zouden zelfs schors- en mergstrengen zeer geleidelijk in elkander overgaan. Rondom de schorslaag vormt zich ten slotte een tunica albuginea, die aan de oppervlakte het uit cylindrische of kubische cellen opgebouwde ovarmm-epühelium draagt.
Houden wij ons thans allereerst nader bezig met de mergstrengen en het rete ovarii.
In Waldeyek's tijd werd het geheele streng-buizensysteem in het merg van den eierstok als een aanhangsel van het epoöphoron of parovarium beschouwd en ook met denzelfden naam bestempeld.
Het is met het woord epoöphoron vreemd gegaan. Waldeyer (136) heeft het in de literatuur van den eierstok ingevoerd en wenschte er mede aan te duiden het homologon van den epididymis, het parovarium-KoBELï, of Rosenmüller's orgaan, waarvan men wist dat het uitsluitend uit getransformeerde oernierkanaaltjes bestond (verg. Waldeyer 1. c. S. 142: âMit Epoöphoron würde ich das jetzige Parovarium benennenquot;). Maar Waldeyer zelf is de eerste geweest, die zich niet aan deze definitie heeft gehouden. Want ook de formaties, die wij thans als mergstrengen en rete ovarii onderscheiden, en die deze onderzoeker voor een product van de oernierkanaaltjes, in casu van het epoöphoron hield, worden door hem herhaaldelijk als âCanille des Nebeneierstockesquot; betiteld. Onder het begrip epoöphoron werden dus niet louter getransformeerde oernierkanaaltjes gebracht, maar â in strijd met de oorspronkelijke definitie â ook de vermeende uitspruitsels van de laatste. Zoo lezen we op bl. 141 van Waldeyer's werk, waar hij de buizen in het merg van den eierstok bij den hond bespreekt: âEs unterliegt keinem Zweifel, dass wir hier in der That die Reste des Sexualtheils des Wolffschen Körpers, die Can ale des Nebeneier stocks, vor uns haben, die slch auch beim weiblichen Thiere ausserordentlich weit in das Stroma der Keimdrüse hinein entwickelt haben und vielleicht schon als Homologa von Samenkanalchen zu deuten slndquot;.
Waldeyer had hier blijkbaar de mergstrengen in verbinding met het rete ovarii op het oog. Enkele regels verder beschrijft hij, naar uit de bijgevoegde figuur duidelijk is, het rete ovarii bij het kalf; âVon der Lagequot; â heet het dan â âdes Nebeneier stocks beim weiblichen Kalbe gibt Fig. 61 eine Anschauungquot;.
- 24: -
Met evenveel recht had Waldeyer zaadbuisjes en rete testis tot den epididymis tunnen rekenen.
Kort na Waldeyer beschreef Romiti (107) de bedoelde kanalen en strengen in den eierstok van hond, kat, en kalf, eveneens als bestanddeelen van het parovarium.
Bij den raensch (foetus van 22 w.) werd het rete ovarii, ook weer onder den naam van epoöphoron, het eerst door Egli (32) vermeld.
Kölliker (66) deed een stap in de goede richting door de strengen in het merg van den eierstok te onderscheiden van de buizen. De eerste noemde hij, zooals wij boven reeds aanstipten, m ergst ren gen. âAusser diesen âMarktstrilngenquot; enthalt aber das Innere ziemlich in der Mitte, aber dem Mesovarium naher als der Oberflache, einen Haufen wirklicher, mit Lumina versehener Kanale mit mehr cylindrischem Epithel, von denen an manchen Schnitten sicher nachweisbar ist, dass sie mit den Markstrilngen zusammenhangen, welche wie Spvossen dieser Kanale erscheinen (Kölliker, 67, S. 971). De aangehaalde woorden hebben betrekking op den eierstok van een 1 ii 2 dagen ouden hond.
Een afzonderlijken naam krijgen de buizen intusschen nog niet: wel beschouwt Kölliker ze afgescheiden van het parovarium, waaraan hij later een afzonderlijke beschrijving wijdt.
Balbiani (4) is, voorzoover ik weet, de eerste geweest, die het buizennet in het ovarium voor gelijkwaardig hield met het rete testis Halleri, zonder echter de gronden mede te deelen, waarop zijn uitspraak berustte.
Een jaar later (1880) beschreef E. van Beneden (10) het geheele systeem (buizen en strengen) bij den volwassen vespertilio murinus. Van de schors naar den hilus van het ovarium gaande onderscheidde hij: de âcordons médullaires pleinsquot; waarvan de âcordons médullaires tubulairesquot; de voortzetting vormden. Deze laatste stonden in verband met een buizennet in de streek van den hilus, het âcorps réticidéquot; hetwelk op zijn beurt weer samenhing met het parovarium of âepiophoronquot; (â epoöphoron volgens de oorspronkelijke definitie van Waldeyee).
Van Beneden wees op de volmaakte analogie met de verschillende bestanddeelen in den testis: tubuli contort!, tubuli recti, rete testis Halleri, epididymis. Of deze zaken ook onderling homoloog zijn, durft hij â afgezien van epoöphoron en epididymis â niet te beslissen.
In 1881 maakt Sohulin (116) melding van het buizennet in het embryonaal ovarium van de koe. Hij acht het â evenals Balbiani â homoloog met het rete testis (âcorpus Highmoriquot;). Bewijzen voor zijn meening voert de schrijver niet aan.
Het waren Janosik (59) en Mihalkovics (86 In) die, beiden in 1885, door hun over verscheidene zoogdiersoorten uitgebreide embryologische onderzoekingen, duidelijk aantoonden , dat het buizennet in den eierstok, hoe het zich ook moge vormen, inderdaad volkomen op één lijn te stellen is met het rete testis Halleri; Mihalcovics spreekt zelfs van âvrouwelijk corpus Highmori.quot;
De waarheid van bovengenoemde uitspraak is later door niemand meer in twijfel getrokken. Het rete ovarii heeft men bij alle zoogdieren â voorzoover zij onderzocht zijn â kunnen opsporen, althans in de jongere ontwikkelingsstadiën.
Op lateren (volwassen) leeftijd schijnt het soms geheel te ontbreken. Zoo vond Tourneux (129) het bij verschillende volwassen zoogdieren (schaap, geit, hond, kat, e. a.) maar zocht er tevergeefs naar bij de volwassen vrouw. Bühler (23) trof het nog aan bij
- 25 -
een 14 jarig meisje in de streek van den hilus ovarii; gezamenlijk met het omgevende stroma wordt het door hem als âgrondstrengquot; beschreven.
Hoe ging het intusschen met de mergstrengen ? Ook deze heeft men bij alle daarop onderzochte zoogdieren als een â gedurende een kortere of langere periode van het bestaan der geslachtsklier â regelmatig voorkomend bestanddeel in het merg van den eierstok kunnen aantoonen. Bij den mensch werden ze o. a. gevonden door Köllikeb (67, 68), Janosik (59), Mihalkovics (86quot;O, Bühler (23), maar alleen tijdens de foetale ontwikkeling.
Behalve door deze en de andere, boven bij de bespreking van het rete opgenoemde, onderzoekers zijn de mergstrengen â al is het niet steeds onder dezen naam â beschreven door Balfour (5),.Rouget (109) en Laulanie (74).
Al hunne onderzoekingen hebben betrekking op jonge zoogdieren of embryonale ontwikkelingsstadiën. Tot de meest onderzochte dieren behooren: konijn, kat, hond, rund, schaap, varken.
Zien wij af van de vroeger besproken bevindingen van Waldeyer (136) en van van Beneden (10), dan worden bij volwassen zoogdieren de mergstrengen nog vermeld door Mac Leod (82) (vesperugo pipistrella, mol en egel) en door Tourneux (129) (hond, kat, geit, hert). Voor nog andere zoogdiersoorten bezitten wij dergelijke mededeelingen van Harz (46), Paladino (95), Chiarugi (26). Hier zij echter opgemerkt dat veel, wat door laatstgenoemde schrijvers als mergstrengen wordt geduid, dien naam niet verdient, zooals wij later nader hopen uiteen te zotten.
Ei- is slechts één onderzoeker â Nagel (91) â die het bestaan van mergstrengen in den zin der andere schrijvers bij sommige zoogdiersoorten â ook in de jongste ontwikkelingsstadiën â meent te moeten ontkennen. Zijn uitspraak geldt voor mensch, varken en rund. Men leze 1. c. S. 320: âWas die soliden Zellstrftnge im Ovarium betrifft, so bin ich in sofern ganz einig mit Janosik, dass dieselben aus dem Keimepithel stammen (aber in an der er Weise als wie von Janosik geschildert), wenn er unter soliden Zell-strangen die Eifacher versteht, denn andere solide Zellstrange habe ich im Eier stock des Menschen und der von mir unter such ten Saugethiere (Schwein, Rind) nicht gefunden.
Nagel heeft mijns inziens stellig ongelijk; ook bij den mensch en hot rund (het varken heb ik niet onderzocht) komen â naar mijn ervaring â mergstrengen in den zin der schrijvers wel degelijk voor.
Hierover later meer.
Dat het rete ovarii homoloog is met het rete testis mag men, zooals gezegd, tegenwoordig als een onbetwist feit beschouwen. Aan welke bestanddeelen van den testis beantwoorden nu de mergstrengen, aan de tubuli contorti of aan de tubuli recti?
Letten wij voorloopig alleen op de wijze van ontstaan der mergstrengen â over haar morphologische beteekenis zullen wij aan het eind van dit Hoofdstuk nog het een en ander mededeelen â , dan kunnen wij dit zeggen: bijna alle schrijvers die de vergelijkende ontwikkeling van ovarium en testis bestudeerden, zijn tot het besluit gekomen, dat de mergstrengen zich op volmaakt dezelfde wijze aanleggen als de zaad buisjes.
Zoo denken Egli (32), Balfour (5), Schulin (116), Janosik (59, 60, 61), Mihalkovics (86 m), Laulanie (74).
Volgens Balbiani (4) en Hertwig (49) daarentegen zijn de mergstrengen in het zoog-
4
- 26 -
dierenovarium, wat de ontwikkeling betreft, op één lijn te stellen met de tubuli recti. Een te groote waarde moet aan hunne uitspraken niet gehecht worden. Balbiani zegt, dat zijn meening berust op persoonlijke onderzoekingen; van die onderzoekingen zelf wordt echter niets naders medegedeeld.
De opvatting van Hertwig is eenvoudig een theoretisch geconstrueerde hypothese. Deze-schrijver plaatst zich blijkbaar nog op het â tegenwoordig vrij wel verlaten â oude Wal-deyer'sche standpunt en neemt aan, dat het ge hoe le streng-buizensysteem in het eier-stoksmerg van de oernier in het ovarium is gegroeid. Wat den testis betreft, meent hij de tubuli seminiferi van hot kiemepithelium te moeten afleiden; hier zou alleen het rete, benevens de tubuli recti een product van het Wolffsche lichaam zijn. Aangenomen, dat dit alles werkelijk zoo geschiedt, is de gelijkstelling van mergstrengen en tubuli recti voor Hertwig natuurlijk de eenige rationeele gevolgtrekking.
Direct tegen de theorie van Balbiani en Hertwig pleit overigens de bevinding van E. van Beneden (10), volgens wien bij de volwassen vespertilio murinus de mergstrengen zich door middel van tubuli recti met het rete ovarii verbinden.
Thans nog een enkel woord over de nomenclatuur van de bestanddeelen der geslachts-klier, waarmede wij ons op dit oogenblik bezig houden.
quot;Welk een verwarring daarin vroeger heerschte, is uit de vorige bladzijden voldoende gebleken; eenstemmigheid in dezen is echter tot op den huldigen dag nog niet bereikt.
Twee voorbeelden om dit aan te toonen. Hertwig (49) spreekt niet van een rete ovarii, hij kent slechts âMarkstrilnge.quot; âSie bleiben in der Nahe der Follikel solid, wahrend sie nach der Urniere zu eine Höhlung bekommen, welche von cylindrischen Zeilen umgeben wird.quot; (1. c S. 369). De laatstbedoelde kanalen zijn wel niets anders dan het rete. De Markstrange-HERTwiG komen dus overeen met de Markstrange-KöLLiKER en het rete ovarii te zamen.
Door Nagel (88) wordt in 1889 het rete ovarii nog met het epoöphoron vereenzelvigd, zooals in Waldeyer's tijd gebruikelijk was. L. c. S. 324 lezen wij: âAlle diejenigen epithelialen Schlauche, welche man in dem menschlichen Eierstocke und zwar im Hi lus desselben {hiermede kan niets anders dan het rete bedoeld zijn) oder im Mesovarium findet, haben einen gemeinschaftlichen Ursprung, namlich aus dem Wolff'schen Körper, und bilden das Epoophoron Waldeyer's (Parovarium im alten Sinne des Wortes, RosENMÃLLER'sches Organ).quot; En dit in een tijd, toen men al lang het rete, als afzonderlijk bestanddeel, van het epoöphoron had leeren scheiden.
Onder deze omstandigheden schijnt het gewenscht ons eigen standpunt, in zake de splitsing van het streng-buizensysteem in zijn verschillende onderdeelen, nauwkeurig uiteen te zetten.
Wij zullen ons in dit opzicht houden aan de op bl. 27 voorkomende tabel.
Bij deze indeeling hebben wij gebruik gemaakt van die, welke E. van Beneden (10) volgde voor den volwassen vespertilio murinus; enkele van cle benamingen zijn ontleend aan Tourneux (129).
Met van Beneden breng ik â ook overeenkomstig de gebruikelijke voorstelling in de leerboeken â het rete testis tot den testis en vat onder den naam epididymis uitsluitend getransformeerde oernierkanaaltjes samen.
Eveneens drukt het woord epoöphoron een scherp omlijnd begrip uit; wij geven het â mede
- 27 -
in overeenstemming met van Beneden â de beteekonis terug, die Waldeyer er oorspronkelijk aan gehecht wilde zien (.-= parovarium-KoBELT). Evenals de epididymis bestaat het voor ons alleen uit getransformeerde oernierkanaaltjes; het eindigt waar het rete ovarii begint.
Schors ontbreekt.
Schors | schorsstrengen
mergstrengen
TESTIS ⢠⢠â (
OVARIUM
zaadbuisjes (tubidi contorti)
Merg / (tubidi recti ovarii)
tubuli recti
|
rete ovarii canales e/ferentes canules epoöphori |
systeem van afvoerbuizen. EPIDIDYMIS EPOÃPHORON - - - - |
rete testis Halleri vasa efferentia (coni vasculosi) |
«as epididymidis i systeem van afvoerbuizen. |
Het rete ovarii beschouw ik dus als bestanddeel van den eierstok. Men zal dit cum grano sails dienen op te vatten. Zoodra de ontwikkeling de eerste stadiën voorbij is en de eierstok zich als afzonderlijk orgaan van ,de oernier begint af te snoeren, kan men er zich van overtuigen dat het rete voor eon deel buiten dit orgaan is te zoeken. Bij volwassen zoogdieren is het, volgens Toubneux, âgénéralement (il est) inclus dans la portion tnédnl-laire de I'organe, ainsi que le réseau testiculaire chez le male.quot; (1. c. p. 175.) Het kan echter, zooals Toukneux bij het volwassen schaap vond, geheel buiten den eierstok gelegen zijn.
Er is evenwel nog een ander argument in het spel, waarom ik het rete tot het ovarium reken, een argument, dat ik pas later in zijn volle waarde kan laten gelden, wanneer ik hoop aan te toonen, dat het rete genetisch bij den eierstok behoort, niet bij het epoöphoron.
De mergstrengen heb ik â vooruitloopend op het resultaat van onze eigene onderzoekingen â , evenals de meeste schrijvers, met de zaadbuisjes op één lijn gesteld: de wijze van ontwikkeling is bij beide, volgens mijn overtuiging, in wezen niet verschillend.
Ik wil niet onvermeld laten dat Tourneux (I.e.), in 1888, de door ons beschouwde bestanddeelen eenigzins anders indeelde dan hier boven is geschied. Deze schrijver noemt het geheole systeem van afvoerbuizen bij het mannelijk geslacht, rekenende van de centrale uiteinden der zaadbuisjes tot den aanvang van het vas deferens, epididymis-, consequent brengt iiij nu ook het rete ovarii en de eventueel te onderscheiden tubuli recti tot het epoöphoron (Rosenmüller's orgaan). De handelwijze van Tourneux acht ik niet aanbevelingswaardig; met zijn uitbreiding van het begrip epididymis komt hij in strijd met de beteekenis, die men van oudsher aan dit woord heeft gehechtquot;; het duidt een afzonderlijk orgaan aan, geen buizensysteem zooals Tourneux wil. Mijn hoofdargument tegen Tourneux' indeeling levert - zooals later blijken zal â de ontwikkelingsgeschiedenis.
Wij zullen thans, aan de hand van het boven gegeven overzicht, de verschillende meoningen bespreken, die wij in de literatuur, van Waldeyer tot heden, over de vor-mingswijze der geslachtsklier bij beide sexen vinden opgeteekend.
- 28 -
Wij wenschen dit te doen naar het volgende plan. Eerst komt het indifferente stadium der ontwikkeling van de geslachtsklier aan de beurt. Daarna behandelen wij gezamenlijk de geschiedenis van den testis en van het merg van het ovarium om ons ten slotte nog afzonderlijk met de schors van den eierstok bezig te houden.
Over epididymus en epoöphoron hebben wij, na hetgeen hierover boven is medegedeeld, niets bijzonders meer op te merken.
De Geschiedenis van de Ontwikkeling der Geslachtsklier.
A. Het indifferente Stadium.
Alle schrijvers zijn het hierover eens, dat de geslachtsklier in haar jongste ontwikkelingsstadium bestaat uit een kamvormige weefselverdikking aan de mediale zijde der oernier (kiemheuvel van Waldeyer, geslachtskam of stria germinatwa van Kölliker).
Ook over de herkomst van dit weefsel is er geen verschil van gevoelen. Het vermoeden van His en Waldeyer (verg. bl. 19) dat alle z. g. epitheliale elementen in de geslachtsklier van het epiblast, al het bindweefsel van het mesoblast zou zijn af te leiden, is later niet bevestigd geworden. Algemeen wordt tegenwoordig aangenomen, dat de geheele geslachtsklier (zenuwen en bloedvaten laten wij buiten beschouwing) uitsluitend een product is van het middelste kiem blad. Uit deze bron nemen dus zoowel de z. g. echt epitheliale, als de bindweefselelementen hun oorsprong.
Een vraag van gewicht is deze: bestaat reeds van den aanvang af, in de zich aanleggende geslachtsklier een strenge scheiding tusschen epithelium en bindweefsel, in den zin van His en Waldeyer, of moeten wij met Borsenkow den geslachtskam beschouwen als uit een verzameling indifferente cellen opgebouwd, die zich zoowel tot het een als tot het ander kunnen differentiëeren ?
Tot op den huidigen dag heerscht er op dit punt geen eenstemmigheid. Verreweg de meeste schrijvers scharen zich aan de zijde van His en Waldeyer; als zoodanig noem ik: Egli (32), Balfour (5), Kölliker (67 '), Janosik (59 â 61), Mihalkovics (86'^), Nagel (91), Hertwig (49).
Voor hen bestaat de aanleg der geslachtsklier, reeds in een zeer vroeg stadium der ontwikkeling, uit tweeërlei bestanddeelen: een epithelium aan de oppervlakte, dat uitsluitend epitheliale elementen levert en embryonaal bind weefsel, de bron van al de in de geslachtsklier aanwezige bind weefsel bestanddeelen. Het bindweefsel is afkomstig van het oernierstroma, de epitheliumlaag is slechts een gedeelte van de algemeene coeloom-bekleeding en de voorloopster van het latere eierstoks- en testis-epithelium.
Wat de verhouding van het eierstoks- tot het buikvliesepithelium op lateren leeftijd betreft, zal men zich de vroeger meegedeelde opvatting van Koster en Waldeyer herinneren, die beide als twee in wezen geheel verschillende formaties meenden te moeten beschouwen (verg. bl. 19). Ook voor Waldeyer was het eierstoks- (kiem-) epithelium
') Wat de oatwikkoling van den testis betreft schijnt Kölliker (68) later een andere zienswyze te zijn toegedaan
- 29 -
aanvankelijk slechts een stuk van de cellenlaag, die het geheele coelooin omgeeft. Maar deze primitieve toestand maakte, volgens zijn voorstelling, allengs voor een anderen plaats, wanneer overal â behalve op het ovarium â de oorspronkelijk aanwezige celienbekleeding verdwijnt en geregenereerd wordt van uit het onderliggend bindweefsel.
Deze geheele theorie van Waldeyer over de herkomst van het buikvliesepitheliinn, grootendeels op eigen fantasie van den schrijver steunend, kan men als mislukt beschouwen. Wel heeft zij in den loop der jaren enkele verdedigers gevonden â zooals Leopold (77), Egli (32), d'Antin (1) â, maar zij zijn er al evenmin als Waldeyer zelf in geslaagd, iets als bewijs voor hunne meening bij te brengen. Dat de primitieve coeloomepitheliumcellen door atrophie geheel zouden verdwijnen en vervangen worden door âEndotheliën,quot; van het onderliggend bindweefsel afkomstig, heeft men Waldeyer nagezegd, zonder het door observatie te kunnen waar maken. Tegenwoordig mag men het â dank zij den bemoeiingen van Kapff (62), Velander (132), H. Ludwig (80), Kölliker (67), E. van Beneden (10), Paladino (94), Romiti (108), Mihalkovics (86 111), e. a. â als een vaststaand feit beschouwen, dat de cellen der definitieve buikvliesbekleeding, evenals die, welke eierstok en testis bedekken, onmiddellijke afstammelingen zijn van de embryonale coeloomepitheliumcellen.
Nu Waldeyer (139) zelf, in 1888, zijn theorie na lang beraad heeft teruggenomen, behoort zij voor goed tot de geschiedenis. Er is â aldus liet de schrijver zich ongeveer uit â tusschen de dekcellen van peritoneum en pleura, en het kiem- en tuba-epithelium, hetzelfde onderscheid als tusschen de celienbekleeding der bronchi en hot epithelium der longalveoli: het buikvliesepit helium zet zich over den eierstok voort, terwij] de cellen den cylindervorm aannemen.1) Hoe Waldeyer thans denkt over de natuur der, vroeger voor bindweefselelementen gehouden, epitheliumcellen van het peritoneum , komt in het volgende Hoofdstuk nader ter sprake.
In geen enkel stadium der ontwikkeling is dus het epithelium, dat de oppervlakte der geslachtsklier bedekt, iets anders dan een, in bepaalde richting gedifferentieerd, gedeelte van de celienbekleeding dei-ge h e e 1 e buikholte (b u i k - b o r s t h o 11 e).
Keeren wij na deze kleine -uitwijding terug tot den bouw van den geslachtskam. Niettegenstaande de beteekenis van het woord sinds Waldeyer's eerste optreden niet onbelangrijk is gewijzigd, is men toch, waar men het bedekkend epithelium van den geslachtskam of van het ovarium op het oog heeft, van een kieme pit helium blijven spreken. Evenals Waldeyer dit bij de kip beschreef kan men â volgens vele der bovengenoemde schrijvers â ook bij de zoogdieren in jonge ontwikkelingsstadiën een verdikking van het kiemepithelium onderscheiden. Egli (32) vermeldt dit voor het konijn, Kölliker (67) eveneens, Janosik (59, 61) voor het varken. Nagel (91) voor den mensch. Bij jeugdige menschelijke embryo's bestaat volgens laatstgenoemden de aanleg der geslachtsklier, bij beide geslachten, zoo goed als geheel uit het verdikte kiemepithelium, den âKeim-epithelwulst.quot;
Bij zeer jonge embryo's van schaap en konijn vond Mihalkovics (86 daarentegen het kiemepithelium slechts uit één enkele rij cellen opgebouwd.
') Ik herinner hier aan de vroeger vermelde, destijds door Waldeyer zoo vinnig bestreden, opvatting van Bohnhaupt.
- 30 -
Verscheidene schrijvers maken de opmerking, dat bij de door hen onderzochte zoogdieren een scherpe grens â in anatomischen zin â tusschen kiemepithelium en bindweefsel aanvankelijk niet te trekken valt. Egli (1. c) wees hierop bij het konijn, Janosik (59) bij het varken (bij het schaap vindt hij (61) een scherpe afscheiding), Mihalkovics bij schaap, konijn en rund. Laatstgenoemde drukt zich aldus uit (I.e. S. 24). âIn gut behandelten feinen Schnitten 10 â 11 m.M. langer Schafembryonen, wie z. B. in der vorhin beschriebenen Fig. 165 (Taf. VIII), besteht die noch kaum sich erhebende Geschlechtsleiste aus einer Ansamm-lung von rundlichen Zeilen, ohne Unterschied zwischen Keimepithel und dein darunter gelegenen Stroma, . . .
Waarom, zoo anatomisch geen onderscheid te zien is, Mihalkovics de meest oppervlakkig gelegene cellen als een kiemepithelium â dus als iets afzonderlijks â beschrijft, is mij niet duidelijk geworden.
Wij komen nu aan de tweede categorie van onderzoekers, waartoe zij behooren, die met Borsenkow het weefsel der zich aanleggende geslachtsklier als een indifferent blasteem beschouwen, opgebouwd uit onderling gelijkwaardige elementen, die zich zoowel tot z. g. ware epitheliumcellen als tot bindweefselbestanddeelen kunnen ontwikkelen.
In de verhouding van de meer oppervlakkig gelegen cellen tot de dieper liggende vinden zij geen aanleiding om de eerste als iets geheel bijzonders van de tweede te scheiden. Een duidelijk begrensde epitheliumlaag vormt zich pas geruimen tijd na de differentiatie van het geslacht. Deze opvatting wordt o. a. gehuldigd door Schulin (116) en Laulanié (74).
Wanneer ook deze onderzoekers het epithelium van den eierstok als kiemepithelium aanduiden, zal ik hen, ter voorkoming van verwarring, daarin niet volgen; het woord kiemepithelium wensch ik alleen te gebruiken in de ruimere beteekenis, door de eerstgenoemde categorie van schrijvers daaraan gehecht.
B. De Geschiedenis der ontwikkeling van den Testis en van het Merg van den Eierstok.
1. De zaadbuisjes en de mergstrengen.
Het zichtbaar worden van den aanleg der zaadbuisjes is het eerste zekere teeken van de differentiatie van het geslacht; de mergstrengen zijn op dit tijdstip nog nauwelijks te onderscheiden. De erkenning van het ovarium in zijn jongste ontwikkelingsphasen is meer een diagnose per exclusionem.
Hoe vormen zich zaadbuisjes en mergstrengen? Wij dienen hier onmiddellijk rekening te houden met de twee in wezen verschillende opvattingen over de samenstelling van den geslachtskam. Voor de boven in de eerste plaats genoemde categorie van onderzoekers, voor wie de, als z. g. echte epithelium-formaties beschouwde, zaadbuisjes en mergstrengen slechts uit reeds bestaand epithelium hun oorsprong kunnen nemen, staan twee wegen open: of
1quot;. zaadhuisjes en mergstrengen zijn uitspruitsels van oer nier kanaal tj es, meer in het bijzonder van het kapselepithelium der Malpighische lichaampjes, dat de basis van den geslachtskam begrenst; öf ,
- 31 -
2°. de bedoelde producten zijn afkomstig van het kiemepithelinm, dat de oppervlakte van den geslachtskam bedekt.
Op beide manieren heeft men het ontstaan van zaadbuisjes en mergstrengen trachten te verklaren. Daarbij komt clan als derde theorie in beschouwing, de opvatting van de voorstanders der differentiatieleer, volgens wie:
3n. zaadbuisjes en mergstrengen met het tusschenliggende bindweefsel zich differentiëeren uit de indifferente cellenmassa van den geslachtskam.
Bespreken we de drie theoriën in de genoemde volgorde.
1°. De eerstgenoemde werd, zooals wij vroeger (bl. 20) zagen, door Waldeyer gehuldigd. Maar het bleef bij hem bij een vermoeden; bewijzen voor zijn standpunt heeft hij niet aangevoerd. Later is deze theorie, die wij kortheidshalve âoerniertheoriequot; zullen noemen, vooral door Balfour (5) en Kölliker (67) verdedigd.
Ter verklaring van het feit, dat men destijds zoo geneigd was, de oernier bij de ontwikkeling der geslachtsklier zulk een groote rol te doen spelen, zij hier kortelings vermeld, hetgeen Beaun (21) in 1877 beweerde bij de reptiliën gevonden te hebben. Braun meende bij de reptiliën te kunnen aantoonen, dat van het kapselepithelium der Malpighische lichaampjes, aan de basis van den geslachtskam gelegen, in een jong ontwikkelingsstadium solide cellenstrengen uitgroeiden, door hem seginentaalstrengen genoemd. Dit geschiedde, voordat de differentiatie van het geslacht zichtbaar werd. Do segmentaalstrengen vormden onderling anastomosen, de uiterste vertakkingen bereikten het kiemepithelium, waarmede ze in innig contact traden. Het kiemepithelium bevatte vele oereieren â de jongste ontwikkelingstoestanden van eieren en spermamoedercellen â die in grooten getale in het weefsel der segmentaalstrengen afzakten.
De verdere gang van zaken is â volgens Braun â bij beide geslachten verschillend. Ontwikkelt zich de klier tot testis, dan worden de segmentaalstrengen tubuli seminiferi en de oereieren, die er ingedrongen zijn, spermamoedercellen; terwijl het verdikte kiemepithelium (Ureierlager-Braun) langzamerhand verdwijnt. Bij het vrouwelijk geslacht daarentegen ontwikkelt zich het âUreierlagerquot; tot het eigenlijke klierweefsel van den eierstok en de segm entaalstren gen aborteeren.
Alles sprak er vóór, dat Braun's segmentaalstrengen in het ovarium der reptiliën dezelfde producten waren als de door Bornhaupt gevonden mergbestanddeelen in het kippenovarium en als de mergstrengen (inclusief het rete ovarii) bij de zoogdieren. Geen wonder dus, dat men reeds a priori geneigd was ook bij de zoogdieren, zooals Braun bij de reptiliën gedaan had, deze formaties van de oernier af te leiden.
Gaan wij nu na, wat de voorstanders der oerniertheorie bij de zoogdieren als bewijzen vóór hun opvatting aanvoeren, dan blijkt terstond, dat het aan niemand ooit gelukt is beelden waar te nemen, die behooren bij de verschillende, op elkander volgende phasen van een geleidelijk ingroeien van strengen of buizen. Alleen wordt er gewezen op een samenhang tusschen de embryonale zaadbuisjes en mergstrengen met het kapselepithelium.
Balfour (5) zag bij een konijnenembryo van 18 dagen, aan het proximale eind van het ovarium, zijn âtubuliferous tissuequot; (= aanleg van mergstrengen en rete ovai ii), breed samenhangen met het kapselepithelium van een daar gelegen Malpighisch lichaampje der oernier. De schrijver twijfelt niet of het âtubuliferous tissuequot; is werkelijk daaruit voortgekomen.
Kölliker (67) steunt zijn uitspraak op een dergelijken grond. Bij konijnenembryo's zag hij een paar maal zijn âHodenstrangequot; in directen samenhang met het kapselepithe-
- 32 -
liuin. Bij een â volgens Kölliker vermoedelijk mannelijk â runderembryo van 2.2 cM. vond hij een, over 5 op elkaar volgende sneden waar te nemen, epitheliumkanaal, dat eenerzijds zich met een Malpighisch lichaampje scheen te verbinden, aan den anderen kant twee solide uitloopers in het stroma van de geslachtsklier afgaf. (1. c. S. 963).
Ook de mergstrengen meent Kölukee eens, bij een embryo van de kat, met het
kapselepithelium in samenhang gezien to hebben. L. c. S. 973, lezen we: â.....und
in einem Falie, aber bisher auch nur in diesem Einem Falie, glaube ich {het is dus niet eens zeker) bei dem Embryo einer Katze eine Verbindung eines Zellenstranges mit dem Epithel eines WoLFp'schen Kanales gesehen zu haben.quot;
Dat men nu, bedenkend hoe de verhoudingen later zijn, van een bepaald tijdstip in de ontwikkelingsperiode der geslachtsklier af, een verbinding zou vinden tusschen de toekom, stige mergstrengen, of liever tusschen den aanleg van het rete ovarii eenerzijds en de oernierkanaaltjes aan den anderen kant, wist men vooruit. Het behoeft echter wel geen betoog dat een dergelijke samenhang, op zich zelf, nog niets bewijst; het afzonderlijk ontstaan van de Wolffsche gang en van de oernierkanaaltjes, die er in uitmonden, zij ons een waarschuwend voorbeeld voor al te lichtvaardige conclusies in dezen. Kölliker zelf achtte dan ook zijn meening niet voldoende bewezen; wel kwam zij hem onder de gegeven omstandigheden het moest waarschijnlijk voor.
Hoe Rouget (110) over de herkomst der mergstrengen (zijn âcordons médullairesquot;) denkt, is mij uit zijn beschrijving niet duidelijk geworden; ik vermoed, dat hij ze eveneens van de oernier wil afleiden. Bewijzen vindt men bij hem evenmin als bij Balfouk en Kölukee; alleen geeft hij aan dat de mergstrengen (bij een konijnenembryo) naar den kap-selwand der glomeruli van het Wolffsche lichaam convergeeren.
Tot aanhangers van de oerniertheorie verklaren zich verder Harz (46), Chiarugi (26), Paladino (95); hun uitspraak heeft alleen op de mergstrengen betrekking (de testis wordt niet behandeld), en schijnt niet op eigen onderzoekingen te steunen.
In 1894 beschreef Bühler (23) mergstrengen en rete ovarii {âGrundstrangquot;) bij mensch (foetus van 9 m.) en vos (2 m. oud). Ook deze onderzoeker heeft zelf het ontstaan van de genoemde producten niet nagegaan, maar hij vermoedt dat ze van de oernier afkomstig zijn. Do voorstelling van Bühler wijkt eenigszins af van die der anderen; Bühler vindt het niet onmogelijk dat het rete de getransformeerde Wolffsche gang zelf is en de mergstrengen als uitspruitsels daarvan zijn te beschouwen.
Een dergelijke opvatting verdient nauwelijks een ernstige bespreking; bij de behandeling van onze eigen onderzoekingen zal voldoende blijken dat zij allen grond ontbeert.
Mij rest nog te herinneren aan de vroeger reeds vermelde zienswijze van Balbiani (4) en Hertwig (49), die de zaadbuisjes van het kiemepithelium, de mergstrengen daarentegen uit de oernier hun oorsprong laten nemen. Boven hebben wij reeds aangegeven, hoe het meer theoretische overwegingen geweest zijn, die genoemde schrijvers tot deze opvatting hebben geleid, dan de resultaten van eigen onderzoek.
Alles bij elkander genomen blijkt het, dat de oerniertheorie bij de zoogdieren eiken vasten grondslag mist. Laat ik er bijvoegen, dat zij in den lateren tijd door geen dei-schrijvers, die zelf de jongste ontwikkelingsstadiën onderzochten, nog ernstig in bescherming is genomen').
') Ook Kölliker is later (1884) voor een groot deel van deze theorie teruggekomen, waarover straks meer.
- 33 -
Bovenstaande uitspraak geldt natuurlijk uitsluitend de zoogdieren. Toch wil
ik hier niet onvermeld laten, dat ook de juistheid van Braun'» bevindingen bij de reptiliën betwist is geworden; zoo verklaarde zich Mihalkovics (86^1), ook bij deze dierklasse, beslist tegen de afleiding van Braun's segmentaalstrengen van het Wolffsche lichaam.
Squot;. Zaadhuisjes en mergstrengen zouden een product van het kiemepithelium zijn. Zoo stelde reeds Bornhaupt zich de zaak bij de kip voor. Voor de zoogdieren is deze vonnings-wijze verdedigd door: Egli (konijn), Janosik (voornamelijk varken, konijn, kat en schaap), Mihalkovics (schaap, konijn, rund, kat, hond, mensch), Nagel (mensch).
In de détails van het proces wijken de schrijvers niet weinig van elkander af.
Volgens Egli (32) woekert het kiemepithelium tot een dikke laag, terwijl, daarmede gelijken tred houdend, het onderliggend bindweefsel tusschen de epitheliumcellen indringt; zoo worden de laatste in cellenstrengetjes gegroepeerd, door bindweefsel gescheiden. In den testis ontwikkelen zich deze strengetjes tot zaadbuisjes; bij het vrouwelijk geslacht zijn zij âkelner weiteren Entwickelung fahigquot; en vormen zij het hoofdbestanddeel van het merg van den eierstok (onze mergstrengen).
Nagenoeg gelijkluidend is de voorstelling van Nagel (88), wat den mensch betreft. Alleen vormen de cellenstrengetjes, wanneer men met den eierstok te maken heeft, geen mergstrengen â die kent Nagel niet â maar uitsluitend âEifdcherquot; (schorsstrengen).
Anders dacht weer Janosik (59, 61). Volgens hem groeien van het verdikte kiemepithelium kleine cellenstrengetjes in de diepte, die, bij den testis eerder dan bij het ovarium, van den moederbodem loslaten en zich tot zaadbuisjes, resp. mergstrengen ontwikkelen. Het bindweefsel speelt dus hier een volkomen passieve rol.
Mihalkovics (86 m) wees er vooral op, dat in den beginne een scherpe grens tusschen hot kiemepithelium en het bindweefselstroma niet bestaat. Dit komt volgens hem, doordat de met eigen beweging voorziene kiemepitheliumcellen bij massa in het onderliggende stroma indringen. Later rangschikken zich deze elementen tot cellenstrengen, die dan plotseling over het geheele stroma zichtbaar worden en uitsluitend uit ingedrongen kiemepitheliumcellen zijn opgebouwd. De strengen noemt Mihalkovics âSexualstrdnc/equot;; zij zijn volgens hem volmaakt identisch met de segmentaalstrengen van Braun.
Dit alles heeft plaats in het indifferente stadium der ontwikkeling van de geslachtsklier; bij de differentiatie van het geslacht worden de sexuaalstrengen zaadbuisjes of mergstrengen.
Het is mijn bedoeling niet hier Mihalkovics' theorie in haar geheel aan kritiek te onderwerpen; slechts een enkele opmerking. Te oordeelen naar hetgeen ik zelf bij het konijn en het schaap waarnam, meen ik dat de differentiatie van het geslacht veel vroeger plaats grijpt dan Mihalkovics wil doen voorkomen.
Zoodra in de zich ontwikkelende geslachtsklier, strengen, allerwegen in het stroma verspreid, duidelijk te onderscheiden zijn, is, volgens mijn ervaring, het indifferente stadium voorbij. âAm bestenquot; â zegt laatstgenoemde onderzoeker (86 111 S. 25) â âsah ich die Sexualstrange bei 22 â 25 mM. langen Schafembryonen mit sehrager Beleuchtung; bij sorg-faltiger Betrachtung können sie der Aufmerksanskeit nicht entgehen.quot; Ook mij stonden zeer jonge schaapsembryo's ter beschikking; met zekerheid kan ik echter verklaren dat bij vruchten van de opgegeven lengte het geslacht zeer duidelijk gedifferentieerd is.
Bij het konijn zouden de sexuaalstrengen voor den dag komen als de embryo's een lengte van 16 â 18 mM. bereikt hebben, d. i. na den loden dag. Maar ook dit is een sta-
6
- 34 -
dium, waarin het niet meer moeilijk valt uit te maken of men ovarium of testis voor zich heeft.
Nagel zegt ongeveer hetzelfde aangaande de menschelijke embryo's, die Mihalkovics nog voor indiffererent wilde laten doorgaan.
Ik ben dus van oordeel, dat de sexuaalstrengen van Mihalkovics niet bestaan; wat hij als zoodanig beschrijft zal men moeten opvatten als de jongste ontwikkelingsstadiën van zaadbuisjes of mergstrengen; dit hangt van het geslacht af.
Er blijft ons nog over de behandeling van de in de derde plaats genoemde theorie, volgens welke:
3°. zaadhuisjes en mergstrengen zich met het tusschenliggende bindweefsel zouden differen-tiëeren uit de indifferente cellenmassa, van den geslachtskam.
Een opmerking vooraf. Door de oudere schrijvers over de ontwikkelingsgeschiedenis werd aan het proces der celdifferentiatie, bij den eersten aanleg van organen en orgaan-bestanddeelen, een veel grootere rol toegekend, dan tegenwoordig geschiedt. Ten tijde van Johannes Muller en Rathke werd het ontstaan der zaadbuisjes algemeen langs dezen weg verklaard. Ik herinner hier ook aan de vroeger beschreven onderzoekingen van Valentin en aan de meening omtrent de herkomst van ei- en follikel vóór Pflüger's optreden.
De tijden zijn anders geworden, sinds men heeft erkend, dat vele organen en orgaan-bestanddeelen onmiddellijk hun oorsprong te danken hebben aan een plooi vorming of een omschreven woekering van reeds bestaande formaties, waarbij afsnoering en vergroeiing gewoonlijk op groote schaal medewerken. De celdifferentiatie is daarmede natuurlijk onafscheidelijk verbonden, maar men is tegenwoordig weinig geneigd dit proces bij den eersten aanleg van organen of deelen van organen als het eenig werkzame moment te beschouwen en vooral geldt dit voor epitheliale klieren, als hoedanig testis en ovarium worden opgevat. Doet men dit in sommige gevallen toch, dan wordt deze handelwijze in zeker opzicht voor een testimonium paupertatis aangezien en men neemt er alleen dan zijn toevlucht toe, wanneer men tevergeefs getracht heeft een andere vonningswijze waarschijnlijker te maken. Wanneer er thans nog personen gevonden worden, die, oogenschijnlijk niet geheel zonder grond, de differentiatie bij den eersten aanleg der verschillende bestand-deelen van â de geslachtsklier als hoofdmoment op den voorgrond plaatsen, dan is dit een feit van beteekenis; niet omdat zij iets nieuws brengen â integendeel â maar omdat zij deze leer verkondigen in den tegenwoordigen tijd, nadat tal van onderzoekers beproefd hebben het vraagstuk op andere wijze op te lossen.
Voorstanders van de differentiatieleer zijn: Schulin, Laulanié en Pbenant, terwijl ook Köllikee in den lafceren tijd tot deze theorie overhelde (althans wat de vorming der zaadbuisjes betreft.).
Schulin (116) onderzocht embryo's van schaap, rund, konijn, muis en varken. Zijn redeneertrant is niet overal even helder; indien ik hem goed begrepen heb, komt zijn bedoeling hierop neer. in jonge ontwikkelingsstadiën vormt de geheels geslachtsklier âeine gemein-same, ausserordentlich kernreiche Masse, Zellgrenzen sind nicht zu finden .... Nach unten setzt sich diese kernreiche Masse ziemlich schart' gegen das viel kernarmere inter-stitielle Gewebe des Wolffschen Körpers ab.quot; (1. c. S. 459).
Meer en meer worden in deze cellenmassa de gevolgen van een differentiatie-proces zichtbaar, welk proces van de diepte naar de oppervlakte voortschrijdt; daardoor ontstaan er
- 35 -
cellengroepjes, die op verschillende punten met elkander samenhangen, elders, eerst door fijne lijntjes, later door bind weel selsepta, van elkander worden gescheiden. Vormt er zich nu een testis zoo heeft dit differentiatieproces snel de oppervlakte bereikt; bij het ovarium gaat het evenwel langzamer. Wanneer hier de eerst aangelegde â het dichtst bij de oernier gelegene â cellengroepen reeds secundaire metamorphosen hebben ondergaan, is aan den omtrek nog een ongedifferentiëerde blasteemlaag voorhanden, die pas later verbruikt wordt.
âIch kann es ebensowohl begreifen,quot; zegt Schulin 1. c. S. 468 â âdass Waldeykr dieses Bild so auffasste (hetgeen hij intusschen niet gedaan heeft), als wüchsen ven dem Oberflachenenepithel Fortsatze in die Tiefe, wie, dass Balfour sagt, es wüchsen vom Stroma aus Fortsatze in das vielschichtige Epithel hinein; gegen beide Auffassungen spricht aber der Umstand, dass aussen, da wo die feinen Linien zuerst auftreten, die Grenze zwischen der das Keimepithel bildenden vielkernigen Protaplasmamasse und dem Stroma nicht scharf ist. Die Linien und die feinen Str omabal ken erscheinen als eine undeutlich abgegrenzte Differenzirung innerha 1 b jener Proto-plas mam asse, nicht als et was genetisch von ihr Verschiedenes;quot; u. s. w.
Bij het mannelijk geslacht ontwikkelen zich de cellenbalken tot zaadbuisjes; in het ovarium bestaat er onderscheid tusschen de meer centraal gelegene, eerst gevormde, en die later aangelegd zijn. Alleen in deze ontwikkelen .zich eieren, zij komen overeen met onze schorsstrengen. De eerstgenoemde dieper gelegene cellenbalken zijn onze merg-strengen; volgens Schulin komt het hier niet tot een vorming van eieren, maar de elementen ondergaan een secundaire metamorphose, waarover later meer.
De meeningen der beide Fransche schrijvers Laulanié en Prenanï zijn mij uit korte mededeelingen bekend, waarin alleen het resultaat hunner onderzoekingen is neergelegd. Die van Laulanié hebben betrekking op het ovarium, die van Prenant op den testis.
Eerstgenoemde (74) bestudeerde voornamelijk de kat en onderscheidde daar de volgende phasen in de ontwikkeling van den eierstok.
1°. Indifferente phase. (Lengte van het embryo 20 a 30 mM.) Het weefsel van den aanleg der geslachtsklier vertoont een homogene structuur, met een proliferatielaag aan de oppervlakte.
2°. Differentiatie van de âCordons sexnels.quot; (Lengte van het embryo 40 mM.)
Het geslacht is te onderkennen. In het homogene weefsel bovenbedoeld, hebben zich, over het geheele gebied gelijkelijk verdeeld, cellenstrengen gedifferentieerd, de âcordons sexuelsquot; (niet te verwarren met de âSexualstrangequot; van Mihalkovics, die reeds in het indifferente stadium zichtbaar waren).
Door anastomosen zijn deze âcordons sexuelsquot; onderling tot een netwerk vereenigd; ze bestaan uit oereieren, gemengd met kleinere cellen, van ronde kernen voorzien.
De oereieren zijn ontstaan in loco. Uit de onmiddellijk aan de oppervlakte gelegene cellen van het homogene weefsel differentieert zich het epithelium, dat den eierstok bedekt en dat volgens Laulanié de beteekenis heeft van een âcordon sexuel périphérique.quot;
8°. âSpecialisation corticale des cordons'sexuels.quot; (Lengte van het embryo 40 a 70 mM.)
De meer oppervlakkig gelegene strengen gaan zich anders gedragen dan de dieper liggende. Daai'door wordt een onderscheid zichtbaar tusschen de âcordons corticauxquot; en de âcordons médullairesquot;, onze schors- en mergstrengen. Beide hebben nog in hoofdzaak denzelfden bouw maar de âcordons médullairesquot; verbreken hun anastomosen onderling v terwijl de âcordons corticauxquot; er nog nieuwe vormen.
- 36 -
4°. âAutonomie des cordons corticaux.quot; (Lengte van het embryo 10 cM.)
De verbinding tusschen schors- en mergstrengen is bijna geheel verbroken; in de schors-strengen openbaart zich thans een zeer sterke vermeerdering der elementen, waaruit zij zijn opgebouwd. Zij bevatten weldra zulk een massa kleine cellen dat men geen oereieren meer kan onderscheiden.
Tot zoover Laulanié. Wat de hoofdzaken aangaat, wijkt zijn voorstelling niet belangrijk af van die van Schulin. Volgens Schulin en Laulanié leggen zich dus de mergstrengen geheel op dezelfde wijze aan als de schorsstrengen; het verschil tusschen beide treedt op, doordat de eene strengsoort zich bij voortgaande ontwikkeling anders gedraagt dan de andere.
Prenant's (100) mededeelingen hebben de vorming der zaadbuisjes tot onderwerp. Deze nemen volgens hem hun oorsprong uit het embryonale mesenchym der zich aanleggende geslachtsklier. Dit mesenchym zou zich op een gegeven oogenblik gaan âcondenseerenquot;, voornamelijk in de buurt en onder den invloed van de bloedvaten. Zoo ontstaan cellen-strengen. Aanvankelijk van elkander gescheiden, versmelten deze strengen later weer tot één compacte massa, die dan door ingroeiend bindweefsel in secundaire strengen verdeeld wordt. Deze secundaire strengen vervormen zich onmiddellijk tot zaadbuisjes.
Bovenstaande mededeeling wordt aangevuld door een onvoleindigd opstel (99) van vroegeren datum, waarin dit onderwerp bij de kip en eenige zoogdieren, o. a. het konijn , wordt behandeld en eveneens de herkomst der tubuli seminiferi uit het embryonale mesenchym wordt verdedigd.
Ook de opvatting door Kölliker (68) na 1884 omtrent de ontwikkeling der zaadbuisjes voorgestaan, behoort tot deze rubriek.
L. c. S. 422 kan men het volgende lezen die Art der Entstehung der Samen-
kiinalchen (ist) noch keineswegs festgestellt, und stehen sich in dieser Beziehung zwei Ansichten diametral gegenüber, indem Bornhaupt und Egli dieselben von Wucherungen des Peritonealepithels in das Innere des Organes ableiten, Waldeyer dagegen diese Kanale vom Wolffschen Körper aus in die Hodenanlage hineinsprossen lasst. Meinen Erfahrungen zufolge muss ich für einmal die letztere Ansicht für die besser begrtindete halten, ohne jedoch eine bestimmte Entscheidung abgeben zu können. Ausserdem scheint mir eine dritte Möglichkeit noch mehr für sich zu haben und zwar die, dass die Samen-kanalchen unabhangig vom Peritoneal-epithel und den Urnieren im mesodermatischen Gewebe der Geschlechtsleiste ent stehen.quot;
Over de herkomst der mergstrengen denkt Kölliker blijkbaar nog als vroeger. Hij zegt er alleen van dat zij âwahrscheinlich vom Wolffschen Körper abstammen.quot; (1. c. S. 423).
Hiermede besluiten wij ons overzicht over de geschiedenis der ontwikkeling van zaadbuisjes en mergstrengen. Voor de volledigheid nog een enkel woord over de spermamoedercellen.
Over de herkomst dezer elementen bestaan twee uiteenloopende meeningen. Volgens sommigen zijn zij, zooals Braun dit ook voor de reptiliën beschreef, van elders (n.1. van het kiemepithelium) in de zaadbuisjes binnengedrongen. Zoo denken Balfour, Rouget, Mihalkovics. De andere zienswijze is, dat zij uit de elementen der zaad buisjes zelf hun oorsprong nemen, zooals o. a. Janosik beweert.
- 37 -
II. Hel systeem van afvoerbuizen.
Ha. De tubuli recti.
Deze worden slechts door een paar schrijvers vermeld. Balbiani (4) wees op het verschil in epithelium, waarmede de tubuli recti en de tubuli contorti zijn bekleed en waardoor deze twee soorten van kanalen, als zij eenmaal goed ontwikkeld zijn, scherp tegen elkander afsteken. Dit zou, volgens hem, er voor pleiten dat beide op verschillende wijze zijn ontstaan. Genetisch worden daarom de tubuli recti door Balbiani gerekend tot het rete testis.
Ook Mihalkovics (86m) plaatst zich op dit standpunt, waarbij zich eveneens Hertwig (49) aansluit.
In het ova rum worden de tubuli recti, naast de mergstrengen, alleen beschreven door E. van Beneden (10). Balbiani en Hertwig beschouwen, zooals wij zagen, de mergstrengen zelf als tubuli recti. Volgens hen zijn het de schorsstrengen, niet de mergstrengen, die met de zaadbuisjes op één lijn moeten gesteld worden.
Ilb. Het rete testis en het rete ovarii.
Ter voorkoming van begripsverwarring vooraf een kleine opmerking.
Door enkele onderzoekers (Janosik (59), Mihalkovics (86 ni) en misschien nog anderen) wordt de uitdrukking vasa efferentia gebezigd in een anderen zin, dan door ons in het overzicht op bl. 27. Zij bedoelen daarmede bestanddeelen, door ons tot het rete (testis et ovarii) gebracht, n. 1. de verst van de geslachtsklier verwijderde uitloopers van het buizennet, die onmiddellijk aan de getransformeerde oernierkanaaltjes aansluiten. Deze laatste â onze vasa efferentia, resp. canales efferentes â worden bij het mannelijk geslacht door Janosik als epididymiskanalen, door Mihalkovics als coni vasculosi betiteld. Wanneer de vasa efferentia van deze schrijvers straks nader ter sprake komen, zullen wij ze, ter onderscheiding van de door ons zoo genoemde epididymiskanalen, als vasa efferentia ret is testis (et ovarii) aanduiden. ^
Hot verschil tusschen de genoemde onderzoekers en ons gaat overigens niet verder dan de nomenclatuur. Wat wij als één geheel beschouwen is door hen in twee onderdeelen gesplitst, maar voor ieder hunner hebben de vasa efferentia retis denzelfden oorsprong als de rest van het buizennet.
Over het ontstaan van het rete bij beide geslachten vindt men in de literatuur slechts spaarzame mededeelingen.
Voor hen, die het geheele streng-buizensysteem in het ovarium-merg en in den testis van de oernier afleiden, is natuurlijk ook het rete
1°. een product van het Wolffsche lichaam [Waldeyer (136) , Romiti (107), Balpour (5),
') Buzondor consequent op het punt der nomenclatuur is Mihalkovics zeker niet. Wat hy op verschillende plaatsen vasa efferentia noemt â vasa efferentia retis â zyn voor hem uitspruitsels van oernierkanaaltjes. Toch worden in Pig. 6, ïaf. IX A (I. c.), voorstellende een schema van de ontwikkeling van den testis by de amnioten, de getransformeerde oernierkanaaltjes zelf aangeduid met v.e. f. (t. w.) = vasa efferentia (tubuli Wolffli).
i
Kölliker (67), Rouget (110)]. Op lietzelfde standpunt plaatsen zich Balbiani (4) en Hertwig (49), hoewel volgens dezen alleen de mergstrengen van de oernier, de zaadbuisjes daarentegen van het kiemepithelium afkomstig zijn; verder Harz (46), Chia-bugi (26), Paladino (95), wier onderzoekingen echter uitsluitend op den eierstok betrekking hebben.
Mihalkovics en Nagel leiden rete testis en rete ovarii eveneens van de oernier af; beide schrijvers worden straks nader besproken.
Hoe Bühler (23) zich de vormingswijze van het rete ovarii voorstelt, hebben wij vroeger reeds meegedeeld (zie bl. 32).
Er zijn andere onderzoekers, die, terwijl zij mergstrengen en zaadbuisjes uit het kiemepithelium laten geboren worden, de kanaaltjes van het rete als uitspruitsels van deze laatste beschouwen en zoodoende
2°. het rete eveneens van het kiemepithelium afleiden.
Egli (32) meende destijds verkeerdelijk, dat de vasa efferentia en canales efferentes van epididymis en epoöphoron geen getransformeerde oernierkanaaltjes waren, maar uit de zaadbuisjes en mergstrengen waren gesproten; a fortiori moet voor hem ook het buizennet langs dien weg zijn ontstaan.
Later is deze vormingswijze, alleen voor het rete, door Janosik (59) verdedigd. Aanvankelijk bestaat volgens dezen schrijver geen verbinding tusschen het eenmaal aangelegde rete en de Wolffsche kanaaltjes; de samenhang wordt bewerkstelligd, doordat uit het rete kanaaltjes groeien, die zich met de oernierbuizen vereenigen. Dit zijn de vasa efferentia (retis); de oernierkanaaltjes zelf worden buizen van epididymis en epoöphoron.
Er is nog een derde opvatting, volgens welke het rete
3°. door een differentiatie-proces in loco wordt aangelegd, een vermoeden indertijd dooi' Schulin (116) geuit. Hoe Laulanié en Prenant hierover denken, is mij niet bekend.
Nagenoeg al de tot dusver vermelde schrijvers komen hierin overeen, dat zij voor rete ovarii en mergstrengen één zelfde vormingswijze aannemen. Dit geldt ook voor het rete testis en de zaadbuisjes, wanneer men afziet van Baijbiani(4) en Hertwig (49) die het één uit de oernier, het ander uit het kiemepithelium willen laten ontstaan.
In laatstgenoemden zin uiten zich ook Mihalkovics en Nagel. Volgens Mihalkovics (86In) geldt mutatis mutandis hetzelfde voor het vrouwelijk geslacht: de mergstrengen zijn van het kiemepithelium afkomstig, het rete ovarii van de oernier; hij is, vooi-zoover ik weet, de eenige schrijver, die ook aan het rete ovarii een anderen oorsprong toekent dan aan de mergstrengen.
Deze onderzoeker stelt zich voor dat, wanneer zaadbuisjes en mergstrengen â ten koste van het kiemepithelium â reeds lang gevormd zijn, van het kapselepithelium der Malpighische lichaampjes cellen strengen uitgroeien, die de verbinding tusschen zaadbuisjes en mergstrengen met het oernier-rudiment zullen tot stand brengen. Deze cellenstrengen vormen den aanleg van het rete testis (inclusief de tubuli recti) en van de vasa efferentia (retis) (1. c. S. 65 u. 84).
Waarop steunt deze uitspraak van Mihalkovics? De schrijver zou dit âhineinwachsenquot; van cellenstrengen hebben waargenomen bij 5 â 6 cM. lange embryo's (J1) van kat, hond en konijn (1. c. S. 84). Een âhineinwachsen,quot; het proces zelf, kan door niemand gezien worden;
- 39 -
de bedoeling van de woorden is echter duidelijk genoeg. Mihalkovics zal verschillende beelden onder de oogen hebben gehad, die de opeenvolgende phasen van bovengenoemd proces voorstelden. Maar in zijn geheele geschrift zoekt men tevergeefs naar de noodige bewijzen, die zijn beweren zullen staven. Het eenige, waarnaar verwezen wordt is een afbeelding van een testis van een 7,5 cM. lang kattenembryo, waar de verbinding tusschen rete en Wolffsche kanaaltjes reeds is tot stand gekomen. (1. c. Taf. IX, Fig. 194; heel duidelijk is dit bovendien niet te zien).
Voor zoover overigens de boven medegedeelde opgaven van Mihalkovics op het konijn betrekking hebben, zijn zij, naar mijn ervaring, beslist onjuist te noemen. Bij embryo's van 5 â 6 cM. lengte is de gelegenheid om de herkomst van het rete na te gaan, al lang voorbij. De eerste aanleg er van is reeds in zijn geheel aanwezig, zoodra het geslacht zich heeft gedifferentieerd, gelijktijdig met het eerste optreden der zaadhuisjes, zooals wij later nader hopen aan te toonen. De lengte der embryo's (van 15 dagen) bedraagt dan, indien ik mij niet vergis, ongeveer 15 mM.
Nog een enkel woord over Nagel (91), die, bij den mensch, den aanleg van het rete niet schijnt gezien te hebben. âAuf keiner Stufe der Entwickekmg des Hod ens â zoo lezen wij 1.c. S. 324 â sieht man in diesem Organ andere epitheliale Strange u n d Schlauche, als die S a m e n k a n a 1 c h e n u n d deren solide V o r la u f e r (die oben erwahnten Zellenstrange). Es ist erst auf einer viel spateren Entwickelungs-stufe â nach dem 4 Monat â dass (vielleicht) eine Einwanderung von Wolffschen Kanalchen in den Hoden stattfindet und zwar von dem Nebenhoden aus, welcher, wie allgemein bekannt, dem Wolffschen Körper direct entstammt. Dieze nachtragliche Ein-wucherung von Wolffschen Kanalchen (über welchen Ver gang ich ebenso-w e n i g wie alle anderen h a b e Bestim mtes e r m i 11 e 1 n k ö n n e n), hat nur das Zweck eine Verbindung zwischen den Samenkanalchen und dem Vas deferens herzustellen.quot;
De laatstelijk tusschen haakjes geplaatste woorden schijnen mij, van al het aangehaalde, het meest met de waarheid overeen te komen.
Evenals Mihalkovics wil Nagel het rete laten ontstaan, op een tijdstip waarop het al lang is aangelegd. Bij een menschelijk foetus van 3.5 cM. hoofd-stuitlengte, vond ik den aanvankelijk soliden aanleg van het rete testis duidelijk voorhanden (verg. ook Mihalkovics 86 Taf. VI, Fig. 129-133); bij een foetus van 5 cM. (beide vruchten zijn dus nog geen 3 maanden oud) zijn hier en daar al kanaaltjes van het rete zichtbaar. Het oudste door Nagel beschreven mannelijk foetus was 12 cM. lang (hoofd-stuit); daar het volgens den schrijver âsehr gut erhaltenquot; was, moet hier het zich ontwikkelende rete testis zeer fraai te zien zijn geweest.
Van een rete ovarii wordt door Nagel niet gesproken. Bij een meer zorgvuldig onderzoek had hij ook dit niet over het hoofd mogen zien. De kanaaltjes van het rete ovarii bleken mij bij een foetus van 8 cM. (in zijn geheel gemeten, dus bijna 3 maanden oud) reeds zeer duidelijk aanwezig en de eerste sporen van het zich aanleggende buizennet zijn ook hier stellig in een veel vroegere periode te zoeken. Het oudste door Nagel beschreven vrouwelijk foetus mat 11 cM. (hoofd-stuit) en was, âein selten gün-stiges Object.quot;
- 40 -
C. De Gesohiedonis der Ontwikkeling van de Schors van het Ovarium.
De verklaringen, gegeven van de vormingswijze der schorsstrengen, laten zich in twee categorieën splitsen.
Bijna' alle onderzoekers leiden ze af van definitief gedifferentieerde epitheliumcellen, in casu:
1°. van het kiemepithelium.
Daartegenover staat de minderheid der schrijvers (Schulin en Laulanie), volgens wie:
2°. de schorsstrengen door een differentiatie-proces in loco, uit een meer indifferente cellen-
massa haar oorsprong nemen.
Vooral Schulin (116) meende er met nadruk op te moeten wijzen, dat de ontwik keling van de klierstrengen in den eierstok niet geschiedt naar het kölliker-remak'sche type, voor de vorming van klieren in het algemeen en van haren opgesteld. Immers bij het KöLLiKER-remak'sche type van kliervorming treedt op den voorgrond, dat wij met twee weefselsoorten te maken hebben, waarbij â volgens Schulin - âdas wesentliche ist, dass von vorn herein beide Seiten scharf getrennt sind und bleiben.quot; (1. c. S. 458).
De zienswijze van Schulin en van Laulanié aangaande de vorming der schorsstrengen is bij de behandeling der mergstrengen reeds nader uiteengezet (verg. bl. 35), zoodat het overbodig is daarover hier ter plaatse langer uit te wijden. Ik herinner nog terloops aan de oude opvatting van Boesenkow, welke ook in deze categorie thuis behoort.
Tot de schrijvers, die de andere leer zijn toegedaan, behoort in de eerste plaats Waldeyer (136). Wij zagen het vroeger, hoe deze bij de ontwikkeling der schorsstrengen la, denkt aan een âgegenseitige Durchwachsungquot; van epithelium en bindweefsel.
Toch vermeldt ook hij reeds, dat dit proces niet volkomen met het KöLLiKER'sche type van haar- en kliervorming op één lijn te stellen is. âEs macht dann den Eindruck â zoo lezen wij op bl. 20 van zijn werk - als hatten sich vom Epithel her schlauchförmige Wucherungen in das vasculare Stroma hinabgesenkt, gleich wie das seit Kölliker's Nachweisen von der Bildung der Haarbillge, Talgdrüsen u. s. f. angenommen wird. Doch darf man den Process nicht so auffassen, sondern es handelt sich bei der Bildung der PplüGER'schen schlauchförmigen Körper . . . . nicht um eine einseitige schlauchförmige Wucherung des Epithels in die Tiefo, sondern um eine Combination interstitieller, vascuUlrer Wucherung mit gleichzeitiger Vermehrung des Epithelsquot;, u. s. w. ')
Een navolger van Waldeyer is Slaviansky (121) (mensch). Ook Kölliker (66, 67, 68) sluit zich in hoofdzaak bij Waldeyer aan, althans wat de afleiding der eieren betreft, die later het hoofdbestanddeel der schorsstrengen uitmaken. Voor de kleinere cellen tusschen en om de eieren gelegen (het wandstandig buisepithelium van Pflüger) meent Kölliker een andere bron gevonden te hebben dan het kiemepithelium; onderzoekingen aan ovarien van jonge honden ingesteld, brachten hem er toe deze laatste van de mergstrengen af te leiden. Later komt deze theorie nog uitvoeriger ter sprake.
') Ondanks deze duidelijke verklaring, wordt Waldeyer's theorie in verschillende leerboeken niet juist weergegeven. Men vergelijke b. v. met liet, bovenstaande hetgeen Hyrtl zegt in zyn leerboek (20° Auflage s.817), âDie Graafschen Pollikel entwickeln sich, nach Pflügeb's und Waldeyer's Entdeckung, nicht aus dem bindegewebigen Stroma des Ovarium, sondern als schlauchartige Einsenkungen des EierstockepitheIsquot;, u.s.w.
- 41 -
Volgens Mihalkovics (86 m) spelen bij de vorming der schorsstrengen eveneens epithelium en bindweefsel beide een rol; hij is van meening, dat daarbij eenerzijds kiem-epitheliumcellen door actieve beweging in het onderliggend weefsel dringen, terwijl van den anderen kant stroma-uitloopers tusschen de epitheliumcellen naar de oppervlakte groeien (kat, hond en mensch, 1. c. S. 54, 55 en 58). In den geest van Waldeyer en Schulin laat hij zich, S. 55, aldus uit: âVor allem entwickeln sich die PPLüGEB'schen Schlauche nicht in der Gestalt von zapfenförmigen Wucherungen des Keimepithels, wie das mancherseits behauptet wurde,quot; u. s. w.
Van verschillende zijden nu is de wijze van ontstaan der schorsstrengen eenigszins anders opgevat en vooral de nadruk gelegd op de rol, die het bindweefsel vervult; wel woekert ook het kiem epithelium, maar meer in zijn geheel, in middelpuntvliedende richting. Daarmede gelijken tred houdend dringt het bindweefsel steeds meer en meer naar de oppervlakte door, kleinere en grootere cellenpartijen van het kiemepithelium omwoekerend Ift. en in zijn mazen opnemend. Van een zelfstandig indringen van epitheliale bestanddeelen in het onderliggend bindweefsel is volgens deze onderzoekers geen sprake.
Aldus denkt Foulis (87, 38) zich de ontwikkeling der schorsstrengen (âeggchcstersquot;) bij mensch, kalf en kat, Balfour (5) bij het konijn, Meyer (85) bij den mensch. Ook Nagel (91) sluit zich bij hen aan, terwijl in den allerlaatsten tijd Lange (72) iets dergelijks beschrijft bij de witte muis.
Verder is er een derde groep van onderzoekers, die daarentegen juist de grootste waarde 1c. hechten aan het actief indringen der kiemepitheliumcellen in het onderliggend weefsel, terwijl het bindweefsel zelf geheel passief zou blijven. Zoo stelt Born (17) het proces voor bij het paard, Janosik (59,61) bij verschillende zoogdieren (voornamelijk varken, konijn en kat).
De opvatting van laatstgenoemden onderzoeker komt hierop neer: nadat op de vroeger (bl. 83) uiteengezette wijze â door een op vele punten strengvormig naar binnen groeien van het kiemepithelium â de mergstrengen zijn aangelegd, komt het bekleedsel der ge-slachtsklier eenigen tijd tot rust, gedurende welke periode zich onder dit epithelium een zwakke tunica albuginea ontwikkelt. Deze tunica albuginea omringt zoodoende de mergstrengen, welke intusschen van den moederbodem hebben losgelaten. Daarna begint het kiemepithelium ten tweede male te woekeren, wederom kleine cellenstrengetjes in het onderliggend weefsel afgevend. Het resultaat van deze âtweede proliferatiequot; â zooals Janosik het noemt â is de vorming der schorsstrengen.
Vooral Paladino (93, 95, 96) verdedigt sterk deze wijze van ontstaan der schorsstrengen.
Zijn uitspraak staat in scherpe tegenstelling met hetgeen destijds Waldeyer, Schulin, Mihalkovics e. a. beweerden. Volgens hem verloopt de vorming van de PFLÃGER'sche buizen geheel naar het door Kölliker-Remak opgestelde type voor de ontwikkeling van klieren en haren. Alle pflüger'sche buizen zijn â volgens Paladino â primaire formaties; zij ontwikkelen zich uit inzakkingen van het kiemepithelium, die zich later tot cellenstrengen of ware epitheliumbuizen transformeeren. Hij vond ze bij verschillende zoogdieren, ook bij den mensch, van de foetale ontwikkeling af tot het climacterium toe voorhanden.
Ik vermeld hier ten slotte de waarneming van Bühler(23), volgens wien bij het pasgeboren konijn echte eistrengen ontstaan door een naar het centrum van den eierstok gerichte woekering van het bedekkend epithelium, waarbij celdeelingen loodrecht op de oppervlakte een hoofdrol spelen.
6
- 42 -
Zijn de schorsstrengen eenmaal aangelegd â hoe dan ook â , dan schijnen zij zich, naar de opgaven veler schrijvers, nog een tijdlang ten koste van het oppervlakkig epithelium te vergrooten, totdat zij bij voortschrijdende ontwikkeling door de zich vormende tunica albnginea min of meer volkomen van de genoemde cellenlaag gescheiden worden.
Volgens niet weinige onderzoekers blijft echter bij verschillende zoogdieren dit epithelium, ook daarna, gedurende een kortere of langere periode â volgens Paladino,e.a. gedurende den geheelen geslachtsrijpen leeftijd â eieren en eistrengen leveren. Straks zullen wij hierover nog het een en ander mededeelen.
Hiermede wenschen wij de geschiedenis der geslachtsklier in haar jongste en jongere ontwikkelingsphasen te besluiten.
Het zal uit de voorafgaande bladzijden voldoende gebleken zijn, hoe men het op vele punten niet verder heeft gebracht dan tot theoriën, terwijl de gevonden feiten uitermate spaarzaam zijn. Aan vraagstukken, die dringend oplossing vereischen , geen gebrek.
In de eerste plaats zal behooren te worden uitgemaakt, hoe de geslachtsklier in haar jongste ontwikkelingsstadiën is samengesteld, of daar al of niet twee geheel verschillende weefselsoorten zijn te onderscheiden. Daarna zal moeten worden vastgesteld, of er van de zijde der oernier cellenstrengen groeien in de zich ontwikkelende geslachtsklier, en zoo ja, wat er uit deze bestanddeelen wordt. Tot nog toe moet â bij de zoogdieren â het b e w ij s nog geleverd worden, d a, t een d e r g e 1 ij k ingroeien plaats heeft.
Wat meer in het bijzonder de mor/strengen en de zaadhuisjes betreft, schijnt het volgens de onderzoekingen van lateren tijd al zeer onwaarschijnlijk, dat de oernier iets met hun vorming te maken heeft. Rete (testis et ovarii) en tubuli recti worden meestal als een product der oernier beschouwd; wil men oprecht zijn, dan moet worden erkend, dat wij van de ontwikkeling dezer dingen tot op den huldigen dag eigenlijk zoo goed als niets weten.
Ook de vonningswijze der schorsstrengen staat nog op verre na niet voldoende vast. Welke rol speelt daarbij de celdifferentiatie? In hoeverre treden epitheliumcellen actief in het onderliggend weefsel of groeien omgekeerd bindweefseluitloopers in de epitheliumlaag?
Vergelijkt men de opvattingen over de ontwikkeling van de schors- en van de merg-strengen met elkander, dan krijgt men het volgende overzicht.
Er bestaan twee afwijkende meeningen.
1°. Schors- en mergstrengen hebben een verschillenden oorsprong. De schorsstrengen stammen van het kiemepithelium af, de mergstrengen van de oernier (Waldeyee, Hertwig e. a.).
2°. Schors- en mergstrengen ontwikkelen zich beide uit denzeljfden moederbodem.
Die gemeenschappelijke bron kan zijn a. het kiemepithelium (Egli, Mihalkovics e. a.), of h. het indifferent blasteem van den geslachtskam (Sohulin, Laulanié).
Volgens al de sub. 2 genoemde schrijvers is de wijze van ontwikkeling der schorsen der mergstrengen, ook in de détails, dezelfde; alleen naar de opvatting van Mihalkovics bestaat in dit opzicht eenig verschil.
- 43 -
Het zijn voornamelijk twee processen, waarbij, volgens meer dan één schrijver, de mergstrengen een gewichtige rol zouden spelen, t. w.: de vorming van het follikelepitheliurn en de ontwikkeling der interstitiëele cellen. De volgende bladzijden zullen aan de geschiedenis van deze beide bestanddeelen gewijd zijn. Het follikelepitheliurn wenschen wij te beschouwen in verband met het ei, terwijl bij de behandeling van de geschiedenis der interstitiëele cellen tevens de theca- en luteïnecellen zullen besproken worden.
De Vobminö van Ei en Follikelepithelium.
A. De Eivorming.
Reeds in het indifferente stadium der ontwikkeling vindt men in het weefsel der geslachtsklier enkele cellen, waarvan de kernen zich door haar bijzondere grootte van de naburige celkernen onderscheiden.
Op lateren leeftijd nemen deze bijzondere cellen sterk in aantal toe; men ziet ze zoowel in het ovarium als in den testis. Voor zoover zij zich verder ontwikkelen, transfor-meeren zij zich in eerstgenoemd orgaan tot eieren, in den testis tot spennainoedercellen.
De zich tot eieren ontwikkelende cellen noemt men â naar Pflüoer1) â veelal oer-eieren (âPrimordialeierquot;-Wquot;aldeyer). Door sommige schrijvers worden ook de bijzondere cellen in het indifferente stadium â waarvan men nog niet weet of zij de voorloopers zijn van eieren of van spermamoedercellen â als oereieren betiteld. Dit komt mij niet navol-gingswaardig voor; beter schijnt het mij deze elementen niet den meer indifferenten naam van sexuaalcellen «(Nagel e. a.) aan te duiden. Is het toekomstige ei door een gesloten kapsel van follikelepitheliurn omgeven, of heeft het in hot algemeen de grootte bereikt van eieren, die reeds deel uitmaken van follikels, dan spreekt men gewoonlijk niet meer van oereieren, maar uitsluitend van eieren, zonder meer.
De enkele sexuaalcellen, die in het indifferente stadium der ontwikkeling van de geslachtsklier zichtbaar zijn, zullen wij thans stilzwijgend voorbijgaan; bij de bespreking van onze eigen onderzoekingen hopen wij er op terug te komen.
Gaan wij uit van het stadium, waarin het geslacht gedifferentieerd is, en vragen we ons af, welke cellen het zijn, die zich tot oereieren ontwikkelen. Of nu deze oereieren, zooals dit met zeer vele geschiedt, spoedig te gronde gaan of wel voor bevruchting geschikte eieren leveren, doet voor het oogenblik niets ter zake.
Volgens alle onderzoekers zijn het bepaalde cellen van het eierstoksepithelium en van de schorsstrengen, die zich tot oereieren differentiöeren. Gewoonlijk worden zij als z. g. ware epitheliumcellen beschouwd. Volgens hen, die meenen dat de geslachtskam van den aanvang der ontwikkeling af uit twee geheel verschillende weefselsoorten is opgebouwd, zijn de oereieren dus alle afstammelingen van kiemepitheliumcellen; zij daarentegen, die het weefsel van den geslachtskam als een indifferent blasteem opvatten, zien in de oereieren afstammelingen van indifferente mesoblastcellen.
Dat de cellen van het eierstoksepithelium en van de schorsstrengen zich tot oereieren
') De meening van Pplüger (zie blz. ]3), dat de oereieren alleen na voorafgaande deeling eieren zouden leveren, is gebleken onjuist te zyn.
_ 44 -
kunnen differentiëeren, wordt, zooals gezegd, door niemand betwijfeld. Anders is het met de elementen der mergstrengen. Een feit is het, dat in de mergstrengen oer-eieren (en eieren) voorkomen. Bij verschillende zoogdieren â ook bij den mensch â werd dit geconstateerd, o. a. door Rouget (109, 110), Harz (46), Mihalkovics (86 m), Laulanié (74), Bühler (23). Bij den mensch zijn zij door Harz, naar zijn beschrijving te oordeelen, ook tusschen de epitheliumcellen van het rate ovarii gezien, een waarneming, die ik volkomen kan bevestigen.
Hoe komen de oereieren (eieren) in de mergstrengen? Volgens Rouget zijn zij van de schorsstrengen er in gedaald, volgens Mihalkovics zijn omgekeerd de mergstrengen om de eieren der schorsstrengen heengegroeid; het resultaat blijft hetzelfde, volgens beiden zijn de zich ontwikkelende eieren niet in de mergstrengen zelf ontstaan. Zoo denkt ook Harz, die ze bij kat, cavia en mensch als âeiartige Zeilenquot; beschrijft.
Harz meent, dat zij reeds in een zeer vroeg ontwikkelingsstadium van liet kiemepithe-lium in de mergstrengen zijn gezakt. âIch deute jetzt dieses Vorkommen im Sinne von Braun dahin, dass in frühester Zeit bei schwach entwickelter Genitalanlage Ureier von den in unmittelbarer Niihe des Keimepithels gelegenen Segmentalschlauchen {onze mergstrengen) aufgenommen worden sind.quot; (Harz 1. c. S. 405).
Volgens Laulanié daarentegen differentiëeren zich in de mergstrengen zelf even goed cellen tot oereieren als in de schorsstrengen (zie bl. 35).
Bühler heeft over de herkomst der eieren in de mergstrengen (bij vos en mensch) geen besliste meening, maar laat de mogelijkheid open, dat zij een product der mergstrengen zelf zijn.
Vermelden wij ten slotte de waarnemingen van Janosik (60). Deze onderzoeker beschrijft de besproken elementen in de mergstrengen van de kat (embryo van 6 cM.) en bij het konijn (pasgeboren dier en oudere stadiën), maar aarzelt blijkbaar ze met oereieren te iden-tiflceeren. Gewoonlijk worden zij door hem als âbesonders ausgebildete Zeilenquot; van de mergstrengen aangeduid. Beziet men echter Janosik's afbeeldingen (1. c. Taf. 1, Fig. 2 en 3) dan is het niet twijfelachtig of de schrijver heeft dezelfde cellen op het oog, als de bovengenoemde onderzoekers. Tusschen zijn âbesonders ausgebildete Zeilenquot; en de oereieren in zijn schorsstrengen bestaat geen wezenlijk verschil. Hoofdzaak is, dat ook Janosik deze cellen als producten der mergstrengen zelf beschouwt.
Er zijn dus enkele schrijvers, die van oordeel zijn dat ook mergstreng-cellen zich tot oereieren kunnen differentiëeren; of alle in de mergstrengen voorkomende oereieren en eieren op deze wijze ontstaan zijn, is een tweede questie.
Deze oereivorming in de mergstrengen valt echter volkomen onder hetzelfde gezichtspunt als die in de schorsstrengen: immers zoowel voor Laulanié als voor Janosik is de wijze van ontstaan van beide strengsoorten dezelfde.
De ontwikkeling van oereieren in het eierstoksepithelium loopt, naar hetgeen de schrijvers daarover meedeelen. niet volkomen parallel met die in de schorsstrengen. In het eierstoksepithelium treedt dit proces eerst dan op grootere schaal in werking, wanneer in de schorsstrengen de meeste oereieren reeds gevormd zijn en de verst ontwikkelde al een vrij aanzienlijke grootte hebben bereikt. Bij katten en honden, die een paar weken oud zijn, kan men zich hiervan gemakkelijk overtuigen.
Harz (46) vond zelfs bij de pasgeboren kat het eierstoksepithelium nog absoluut vrij
- 45 -
van oereieren; Mihalkovics (86 zag ze wel, maar ook niet eerder. In het algemeen zijn volgens dezen schrijver, ook bij embryo's van andere zoogdieren, oereieren in het eierstoks-epithelium âanfangs nicht verhanden.quot;
Bij de witte muis zouden â volgens Lange (72) â de oereieren in het eierstoksepithe-lium niet eerder verschijnen, dan tegen den tijd, waarop het dier geslachtsrijp wordt.
Wat verder over het ontstaan van oereieren en eieren op lateren leeftijd bekend is, zullen wij tegelijk met de follikelvonning behandelen.
Het is een eigenaardig, sedert lang bekend feit, dat het voorkomen van sexuaalcellen â later van oereieren â in jonge ontwikkelingsstadiën niet uitsluitend tot het gebied der geslachts-klier beperkt is. Waldeyee (136) had reeds âPrimordialeierquot; aan de oppervlakte van de radix mesenterii gezien (1. c. S. 138). Paladino (95) vermeldt het bestaan van accessoire eierstokken en beschrijft een geval, waarbij het ligaraentum ovarii met een dikku laag eierstoksweefsel was bezet. Nagel (90, 91) vindt bij menschelijke embryo's oereieren in de epitheliumverdikking ter plaatse, waar de MüLLEB'sche gang zich aanlegt.
Prenant (100) wijst op de geschiktheid van embryonale cellen om zich tot oereieren te differentiëeren, ook buiten de regio germinativa. Hij zou ze gevonden hebben tot in het epithelium der Wolffsche buisjes; ja zelfs in het ruggemergskanaal waren cellen te zien, waarvan de kernen geen onderscheid vertoonden met die der oereieren (bij zoogdieren).
Prof. Hoffmann alhier heeft in de laatste jaren bevindingen gepubliceerd, die zich bij het voorafgaande goed aansluiten. Zij hebben geen betrekking op zoogdieren, maar op selachii en vogels. Bij jonge embryo's van acanthias vulgaris vond genoemde schrijver (52) de oereieren (sexuaalcellen) overal verstrooid liggen, ook buiten de kiem: althans cellen, die in niets van oereieren te onderscheiden zijn, bevonden zich tusschen hypoblast en mesoblast van den voedingsdooier en niet alleen daar, maar ook onmiddellijk onder het hypoblast van den voedingsdooier zelf.
Van de vogels gold ongeveer hetzelfde. Ook daar zag Hoffmann (53) nog vóór de vorming van het kiemepithelium, op oereieren gelijkende cellen in het bindweefsel tusschen splanchnopleura en entoderm en in het entoderm zelf. Een en ander deed prof. Hoffmann vermoeden, dat de oereieren, bij de door hem onderzochte dieren, een anderen oorsprong zouden hebben dan gewoonlijk wordt aangenomen. Zij vormen zich â zoo is zijn meening â hoogstwaarschijnlijk uit de kernen van den voedingsdooier, resp. uit hare fragmenten. Eerst later, als er ruimte is gekomen in het embryo, treden zij uit den dooier en begeven zich naar den geslachtskam, de plaats, waar men ze naderhand uitsluitend aantreft.
De waarnemingen van prof. Hoffmann zijn bevestigd geworden door Sedgwick âMinot (118). Maar deze onderzoeker aarzelt de beschreven cellen als echte oereieren te beschouwen en brengt ze blijkbaar met celdeelingen in verband.
De opvatting van Hoffmann verschilt niet veel van die, welke indertijd door Nussbaum werd voorgestaan, wat de vorming van de sexuaalcellen bij rana betreft. Nussbaum (92) noemt ze âgeslachtscellenquot;-, het zijn voor hem splijtingscellen, die reeds in een zeer vroeg stadium der ontwikkeling de bepaalde bestemming gekregen hebben om eieren resp. spermamoedercellen te leveren. Later vindt men ze, met cellen van liet peritoneum gemengd, aan de oppervlakte van den aanleg der geslachtsklier; maar tusschen beide celsoorten bestaan geen overgangsstadiën, hetgeen prof. Hoffmann ook voor de vogels beweert.
- 46 -
Bij rana fusca was â volgens Ndssbaum â de herkomst van de eieren daarom zoo gemakkelijk te vervolgen, omdat de geslachtscellen hier geruimen tijd in het bezit blijven van dooierplaatjes, een regelmatig voorkomend bestanddeel der eerste splijtingscellen, maar die bij voortgaande ontwikkeling langzamerhand verdwijnen. Deze dooierplaatjes nu zijn, als zij in de overige cellen van het embryo al lang niet meer te vinden zijn, in de geslachtscellen nog duidelijk aanwezig. Nussbaum gaat nu generaliseeren en is er vast van overtuigd, dat de analoga van de geslachtscellen der batrachii ook bij de andere gewervelde dieren in den aanleg der geslachtsklier âals etwas besonderesquot; voorkomen, maar alleen niet door zoo opvallend embryonale eigenschappen, âvon vorn hereinquot;, te onderscheiden zijn als bij de batrachii het geval is.
Iedereen, die een onderzoek naar de herkomst'der oereieren bij de zoogdieren instelt, zal met de bovenvermelde meeningen van Nussbaum en Hoffmann rekening hebben te houden. Het behoeft wel geen nader betoog, dat het voor verschillende hoogst belangrijke vraagstukken in de biologie (ik noem b. v. dat van de erfelijkheid) van groot gewicht is, of reeds in een zeer vroeg ontwikkelingsstadium bij beiderlei sexen enkele cellen zijn aangewezen, waarvan uitsluitend alle latere geslachtsproducten zijn af te leiden.
Naderhand komt dit punt nog eens ter sprake; reeds nu zij meegedeeld, dat ik â wat de zoogdieren betreft â geen aanleiding gevonden heb de cellen der zich ontwikkelende geslachtsklier naar haar oorsprong in twee categorieën te verdoelen, al naar gelang zij geslachtsproducten leveren , of niet.
B. De Vorming van het Follikelepithelmm.
De vorming van het follikelepithelium is misschien het lastigste vraagstuk uit de geheele levensgeschiedenis van het ovarium.
Waldeyer dacht het indertijd te hebben opgelost, toen hij, zoo eenvoudig mogelijk, ei- en follikelepithelium beide van zijn kiemepithelium afleidde. Toch duurde het niet lang of andere opvattingen lieten zich hooren, welke door hen, die ze huldigden, met evenveel klem werden verdedigd als Waldeyer de zijne deed.
Het aantal theoriën, waarmede de tegenwoordige onderzoeker rekening heeft te houden, bedraagt vier; hiermede zijn ook tegelijk alle bronnen uitgeput, waarvan de afleiding der membrana granulosa in het algemeen mogelijk is. Wij laten ze hieronder volgen.
1quot;. Het follikelepithelium neemt, met de eieren, zijn oorsprong uit de schorsstrengen en uit het eierstoksepithelium.
2°. Het follikelepithelium stamt af van de mergstrengen.
S'1. Het wordt geleverd door het bindweefsel van den eierstok.
4°. De oereieren of eieren brengen zélf hun membrana granulosa voort, of â zooals het ook roei wordt opgevat â ei- en follikelepithelium stammen onmiddellijk van één zelfde moedercel.
Wij herinneren er aan, hoe de twee laatstgenoemde zienswijzen niet nieuw zijn. De sub. 3 vermelde theorie werd al ten tijde van Pflüger verdedigd door Klebs, Schrön en Grohe , de laatste door Spiegelberg en al veel vroeger door Bisschopf e. a.
Behandelen wij de verschillende theoriën in de aangegeven volgorde.
1°. Tot de sub. 1 genoemde behoort Waldeyer's theorie. Zij telt de meeste volgelingen en wordt tot op heden in de meeste leerboeken als de eenige ware verkondigd. Te oor-
- 47 -
deelen naar de uitspraken van tal van onderzoekers zou zij voor alle zoogdieren â voor zoover onderzocht â van kracht zijn. Als aanhangers van deze vormingswijze der mem-brana granulosa noem ik Slaviansky (121), H. Ludwig (80), Born (17), Call en Exner(25), Balfour (5), Balbiani (4), Wagener (133), E. van Beneden (10), d'Antin (1), Pala-dino (95), Meyer (85), Janosik (59, 60), Schotlaender (114), Nagel (89, 91), Hert-wig (49), Bühler (23), Lange (72). Daar al deze schrijvers, voor zoover is na te gaan, schorsstrengen en eierstoksepithelium van een kiemepithelium afleiden (in den zin waarin wij dit woord gebruiken, zie bl. 30), zijn volgens hen de granulosacellen zoowel als de eieren niets anders dan kiemepitheliumcellen.
Op Schulin (116) is het bovenstaande echter niet volkomen van toepassing; wel worden de granulosacellen evenals de eieren ook volgens hem geleverd door de schorsstrengen en het eierstoksepithelium, maar de schorsstrengen zelf ontstaan weer uit een indifferent blasteem. Bij gevolg zijn voor Schulin de follikelcellen afstammelingen van indifferente mesoblastcellen. âEs entsteht eben Alles aus derselben Quelle, und einmal bildet sich zuerst die Differenzirung zwischen Eiern und Granulosazellen, ein andermal zuerst die zwischen Granulosa und Stroma aus. Letzteres scheint bei der Kuh die Regel zu sein.quot; (1. c. S. 468).
Hoe Laulanié over de vorming van het follikelepithelium denkt is mij onbekend.
2n. Het follikelepithelium stamt af van de mergstrengen.
De grondvester van deze theorie is Kolliker (66, 67); onafhankelijk van hem is Roüget (109, 110) tot hetzelfde resultaat gekomen. Verder vindt de theorie verdedigers in Mihalkovics (86 m), Chiaruöi (26), Legge (76), terwijl blijkbaar ook Mac Leod (82) destijds deze opvatting niet geheel wilde verwerpen.
Kölliker's waarnemingen hebben betrekking op jonge honden, korten tijd na de geboorte. Volgens zijn voorstelling bestaan de schorsstrengen aanvankelijk louter uit oer-eieren, âeinfach umhüllt vom Stroma Ovarii, Ei an Ei, ohne irgend welche anderen Bestandtheile zwischen denselben.quot; (67, S. 971). Deze schorsstrengen verbinden zich op verschillende punten met de mergstrengen, welke âdurch fortgesetzte Vermehrung ihrer Elemente schliesslich bis zu den oberflachlichsten Eizellen sich vorschieben und diese mit Zeilen umgeben.quot; (1. c. S. 972 â 973). De kleine cellen van de schorsstrengen zijn dus dooide mergstrengen geleverd; alleen de eieren stammen van het kiemepithelium af. De vorming der follikels geschiedt nu verder ten koste der schorsstrengen, geheel zooals Waldeyek dit beschrijft.
De voorstelling van Rouget wijkt eenigszins af van die van Kolliker; het zijn niet de mergstrengen, die om de eieren groeien, maar het omgekeerde heeft plaats: de laatste zakken in de eerste. Hij ging de verhoudingen na bij konijn, varken, ruminantia, mensch, katten en honden; van het konijn werden alle ontwikkelingsstadiën onderzocht. Nemen wij aan, dat de laatst verschenene zijner beide mededeelingen zijn ware meening weergeeft, dan kwam Rouget (110) tot het volgende resultaat.
Reeds in het indifferente stadium bestaat de geslachtsklier (van konijnenembryo's) in hoofdzaak uit een, van oereieren voorziene, verdikte epitheliumlaag èn uit eenige âcordons cellulaires pleins sans envelloppequot;, die eenerzijds convergeeren naar de kapsels van de naastbijgelegene Malpighische lichaampjes, aan den anderen kant zich âen rapport intimequot; bevinden met voornoemd epithelium.
Het duurt niet lang of de oereieren beginnen van het kiemepithelium in het weefsel der strengen te zakken: de laatste komen dus, ook in dit opzicht, volkomen overeen
- 48 -
met Bkaun's segmentaalstrengen. Nu differentieert zich het geslacht; ontstaat er een testis dan trekken zich de strengen terug van het epithelium, waaruit tevens de oeroieren verdwijnen. Tusschen strengen en epithelium ontwikkelt zich een tunica albuginea. Do strengen vormen de zaadbuisjes, de oereieren, die ze bevatten, worden spermamoedercellen.
Differentieert zich de klier tot eierstok, dan blijven de oereieren in het bedekkend epithelium voorloopig zichtbaar en die in de strengen vermeerderen zich zoo sterk, dat het geheele corticale stuk van de âcordonsquot; (dit corticale stuk zouden wij schorsstreng noemen) uit louter oereieren schijnt te bestaan. Toch bespeurt men op dunne sneden nog iets van de âéléments propresquot; der strengen, in den quot;vorm van cellen met ovale kernen, tusschen de eieren gelegen. Deze kleine cellen vormen hij al de onderzochte dieren een reticulum, welks mazen de eieren omgeven. Daarvan zijn vermoedelijk de platte cellen der primordiale follikels af te leiden.
In een mededeeling van iets vroegeren datum (109) werden de schorsstrengen, door denzelfden schrijver, bij pasgeboren dieren (kat, hond en konijn) als geheel naakt beschreven, alleen uit eieren bestaande, zonder epithelium er om of er tusschen.
Mihalkovics (86m) bestudeerde de vorming van het follikelepithelium bij de kat. Wanneer ook hij tot het besluit komt dat de granulosacellen uit de mergstrengen haar oorsprong nemen, denkt hij toch over de wijze, waarop dit geschiedt, weer geheel anders dan Kollikee en Eouget. De kleinere cellen tusschen en om de oereieren van de schorsstrengen, door de beide vorige onderzoekers van de mergstrengen afgeleid, worden ook door Mihalkovics beschreven, en â op juiste wijze â afgebeeld bij een zoo goed als voldragen embryo van de kat (12 cM. lang). De schrijver meent echter â in den geest van Waldeyer en in tegenstelling met Kölliker en Rouget â dat deze cellen wel degel ij k direct van het kieme pit helium haar oorsprong nemen, evenals de oereieren. Maar het follikelepithelium leveren zij niet; vervolgt men haar lot bij pasgeboren en eenige dagen oude katten dan blijkt, volgens Mihalkovics, dat zij öf te loor gaan öf nog oereieren worden. Daarbij waarschuwt hij, toch vooral niet de onmiddellijk aangrenzende stromacellen bij vergissing tot de schorsstrengen te rekenen. Doet men dit niet, dan kan men â altijd volgens dezen onderzoeker â zeggen dat, gerekend van een bepaald tijdstip, âdie FFhiiam'schen Schlduche aus lauter Primordialeiern besteken und Gebilde, welche man für die Anlagen der Follikelepitheliën halten könnte, in ihnen nicht verhanden sind.quot; (1. c. S. 54).
Nu blijft voor de levering der granulosacellen, die, als ware epitheliumcellen slechts van een bestaande epitheliumformatie kunnen afstammen, als eenige bron de mergstrengen over, die bij de kat op verschillende punten met de centrale einden der schorsstrengen in contact treden en de zich van elkander isoleerende eieren omgroeien.
Mihalkovics is van meening, dat bij alle zoogdieren (ook bij vogels en reptiliën) de follikels niet anders dan langs dezen weg gevormd worden; alleen is bij de meeste het proces niet zoo duidelijk te vervolgen als bij de kat.
Kölliker, Rouget en Mihalkovics gaan dus veel verder dan Braun, volgens wien de mergstrengen bij vrouwelijke dieren rudimentair blijven en met de functie van het ovarium niets te maken hebben.
Rouget en Mihalkovics nemen blijkbaar een complete homologie aan tusschen de ontwikkeling van testis en van ovarium. De geslachtscellen komen bij beide sexen uit dezelfde bron en worden in den testis opgenomen door de zaadbuisjes, in het ovarium door de daarmede
- 49 -
â volkomen gelijkwaardige mergstrengen. Het verschil is eenvoudig hierin gelegen, dat de zaadbuisjes den strengvorm behouden, terwijl deze bij de mergstrengen, door de splitsing in afzonderlijke follikels, verloren gaat.
Het is inderdaad te betreuren, dat, om tot deze schoonklinkende voorstelling te geraken, aan de waarheid op bedenkelijke wijze geweld moet worden aangedaan. Later zullen wij deze uitspraak uitvoerig motiveeren; maar reeds nu wil ik er op wijzen, dat Mihalkovics herhaaldelijk bestanddeelen als mergstrengen betitelt, die volgens zijn afbeeldingen niets anders zijn dan schorsstrengen. Vooral is dit op de door hem besproken ovariën van den mensch van toepassing.
Van de overige boven vermelde schrijvers, die de hier besproken theorie aanhangen, kan ik niet veel meer dan de namen noemen.
Chiaruoi (26) beschreef de mergstrengen bij jonge hazen als het âgenitale deelquot; van het Wolffsche lichaam; waarschijnlijk leveren zij de granulosacellen.
Legge (76) wijst in het ovarium van meles taxus en vesperugo noctula op de continuïteit tusschen mergstrengen en kiemepithelium en brengt dit in verband met de vorming van het follikelepithelium,
Mac Leod (82) laat zich niet beslist uit over de herkomst der membrana granulosa (bij den mol); maar de groote gelijkenis der mergstreng- en follikelepitheliumcellen maken het volgens hem niet onmogelijk dat de laatste van de eerste zouden afstammen.
Kölliker heeft blijkbaar altijd geaarzeld zijn â voor den hond geldende â theorie op alle zoogdieren toe te passen; âund halte ich es wohl für möglichquot;, â zijn zijn woorden (68, S. 423) â âdass bei den einen Geschöpfen diese, bei den anderen jene Bildungs-weise der Follikel sich flndet.quot; Het laatst (1894) is over deze questie geschreven door Bühler, een leerling van Köllikek. Bühler (23) begint met te zeggen, dat hij bij konijn, vos en mensch, met zekerheid kan verklaren, dat het follikelepithelium zich vormt uit onveranderde kiemepitheliumcellen, in den zin van Waldeyer. De vraag is voor hem alleen nog maar of bovendien de mergstrengen bijdragen tot de follikel vorming, ja of neen. Hij komt tot het besluit, dat de mergstrengen er werkelijk iets mede te maken hebben: âdie Relation [n.I. van de mergstrengen) zur Follikelbildung muss als bestehend angenommen werden.quot; Bühler vond (bij mensch en vos) eieren in de mergstrengen en overgangstoestanden schenen er voor te spreken, dat zulk een ei zich met de aanhangende mergstrengcellen losmaakt van de omgeving en tot follikel wordt. Zeker is hij evenwel niet; de mogelijkheid bestaat ook dat een pas gevormde follikel in de mergstrengen wordt opgenomen, wat hetzelfde beeld geeft. Hij bekent openhartig niet te hebben kunnen aantoonen, dat eieren, zonder inmenging van andere ep it heli u nice Hen, door de mergstrengen worden omgroeid en tot follikels worden.
Het standpunt van Bühler komt mij voor principiëel juist te zijn; er kan alleen over gestreden worden, in welke mate de mergstrengen betrokken zijn bij het proces der follikelvorming. Onze tegenwoordige kennis wettigt, dunkt mij, de uitspraak, dat wel bij geen enkel zoogdier het follikelepithelium uitsluitend, bij de meeste zeker niet eens in de eerste plaats, door de mergstrengen geleverd wordt.
Geen der genoemde onderzoekers, behalve Bühler, heeft overigens â wat toch in de eerste plaats had behooren te geschieden â rekening gehouden met de mogelijkheid, dat de eigen cellen der mergstrengen zich tot oereieren kunnen differentiëeren (Lalflanié,
7
- 50 -
Janosik), waardoor een eventueele follikelvorming in het gebied der mergstrengen op eens uit een geheel ander oogpunt moet worden beschouwd.
Indien men aanneemt, dat de granulosacelien van de mergstrengen afstammen, dan wordt, zoolang de herkomst van de laatste niet voldoende vaststaat, ook die der eerste niet behoorlijk aangeduid.
Stelt men zich, zooals Mihalkovics, op het standpunt dat de mergstrengen, evenals de schorsstrengen, van het kiemepithelium zijn af te leiden, dan schijnt het verschil tusschen de sub 1 en sub 2 genoemde vormingswijzen van het follikelepithelium grooter dan het inderdaad is; immers ook voor Mihalkovics zijn ten slotte de granulosacelien kiemepitheliumcellen en niets anders.
Naar de voorstelling van Köllikee en Rouget daarentegen is het onderscheid veel ingrijpender. De bron voor de granulosacelien is volgens hen gelegen in het kapselepithe-lium der Malpighische lichaampjes van de oernier. Door de opmerking van Köllikeb (68), dat âauch die Kanalchen des Wolffschen Körpers ebenso wie das Keimepithel in letzter Linie auf das Bauchhöhlenepithel zurückzuführen sindquot; (1. c. S. 423), wordt die kloof niet weggeredeneerd.
3°. Het follikelepithelium zou geleverd worden door het bindweefselstroma van den eierstok.
Deze theorie is voornamelijk door James Foulis weder op het tapijt gebracht. Zijn onderzoekingen strekken zich uit over den mensch en verschillende zoogdieren (kalf, kat, konijn, hond, schaap, cavia); embryonale stadiën beschrijft hij alleen van mensch en kalf.
Foulis (37, 38) behoort tot hen, die de geslachtsklier in haar vroegste ontwikkelingsperiode uit twee weefselsoorten laten bestaan: het kiemepithelium en het, van het oernier-stroma afkomstige, bindweefsel. Hoewel hij deze twee weefsels morphologisch als streng gescheiden beschrijft, zoo wijkt zijn opvatting over hun natuur toch geheel af van die van His en Waldeyer in zooverre dat, volgens zijn zienswijze, de bindweefselcellen ook z.g. ware epitheliuincellen kunnen voortbrengen.
Zijn voorstelling van de ontwikkeling van den eierstok is zeer eenvoudig en komt hierop neer. Het kiemepithelium woekert en wordt tegelijkertijd door het steeds verder voortdringende bindweefsel in grootere en kleinere cellengroepen (âeggclustersquot; = schors-strengen) verdeeld (vergl. bl. 41). Aan de oppervlakte der klier blijft ten slotte één enkele rij kiemepitheliumcellen over, het eierstoksepithelium, dat door de tunica albuginea van de schorsstrengen wordt gescheiden. Van de mergstrengen wordt door Foulis geen gewag gemaakt; alleen vermeldt hij het voorkomen van buizen in den hilus ovarii bij de kat (rete ovarii), er bijvoegende, dat deze met de follikelvorming niets te maken hebben.
De cellen der schorsstrengen ontwikkelen zich, voorzoover ze niet te gronde gaan, uitsluitend tot eieren; in deze opvatting komt de schrijver dus volkomen met Mihalkovics overeen. De kleine spoelvormige kernen, die men tusschen de eieren vindt, zijn, volgens Foulis, afkomstig van het bindweefsel. Dit bindweefsel maakt niet alleen een scheiding tusschen de schorsstrengen, maar dringt ten laatste ook in deze zelf en isoleert zoodoende de zich ontwikkelende eieren van elkander. De onmiddellijk om de eieren gelegene bindweefselcellen vormen den eersten aanleg van het follikelepithelium. âFrom the walls of the meshes inclosing the eggclusters, delicate processes of vascular connective tissue grow in, between and around individual corpuscles in the eggclusters,
- 51 -
and by a continued intergrowth of the young stroma in this manner each individual of the group becomes at last enclosed in a separate mesh or capsule. These last formed meshes are the Graafian follicles (37, p. 398).quot;
Zoodra een cel in de âeggclustersquot; zich tot primordlaal-ei ontwikkelt, wordt deze onmiddellijk door een bindweefselkapsel omgeven: âthe primordial ovum is not produced before the follicle, nor is the follicle developed before the ovum.quot; Juister gezegd spreekt de schrijver niet eer van primordiale eieren, voordat de z. g. bindweefselcellen aan den omtrek der cellen van de âeggclustersquot; aanwezig zijn. Hoe, als het ei zich verder gaat ontwikkelen, de aanvankelijk spoelvormige kernen van de omgevende bindweefselkapsel (ânucleated capsulequot;) tot ronde lichaampjes opzwellen en zich vermenigvuldigen, zou vooral bij het pasgeboren kind en verder bij volwassen katten en konijnen fraai te vervolgen zijn.
Ware buisvormige producten, waarvan de Graafsche follikels worden afgesnoerd, bestaan â Foulis drukt er herhaaldelijk op â in geen enkele periode der ontwikkeling. âDuring my investigations on the structure of the ovary and development of the ova, 1 have never found any real tubular structures, neither in the human ovary, nor in any other mammal that I have examined, such as the cat, dog, sheep, guinea-pig, rabbit, and in no instance have I found Graafian follicles formed out of such structures in the manner described by Pflüoer, Valentin, Spiegelberg, Waldeyee and others (1. c. p. 363).quot; Wat verder, p. 373, schrijft hij: âAccording to my observations, tubular structures have no existence in the ovary at any period of its development.quot;
De theorie van Foulis is door bijkans niemand aanvaard. Het is overigens niet geheel en al onbegrijpelijk, dat men iemand, die pertinent verklaart, dat de door Pflüger beschreven wijze van follikelvorming in geen enkel stadium der ontwikkeling voorkomt, â en dit nog wel na kat en kalf onderzocht te hebben, bij welke dieren genoemd proces zoo uitermate fraai te vervolgen is, â ook in zijn andere uitspraken niet ten volle gerechtigd acht. Afgezien daarvan, zijn de argumenten door den schrijver voor zijn theorie aangevoerd, alles behalve overtuigend; het aanbeeld, waarop steeds gehamerd wordt, is de groote gelijkenis â de âgeradezu verhangnissvolle Ahnlichkeit,quot; zooals Schottlaender (114) later getuigde â tusschen de pas aangelegde follikelepithelium- en de naburige bindweefselcellen. Maar in de eerste plaats had toch bewezen moeten worden, dat de granulosa-cellen van de epitheliumcellen der schorsstrengen en van het eierstoksepithelium niet afstammen; want, dat ook de kernen der kiemepitheliuincellen tot dergelijke spoelvormige lichaampjes, als de âprimordial ovaquot; omgeven, kunnen veranderen, wordt door Foulis zelf toegestemd en deze concessie ontneemt aan zijn eerstgenoemd argument nagenoeg alle bewijskracht.
Immers volgens de beschrijving van Foulis differentiëeren zich niet alleen in de schorsstrengen, maar ook in het eierstoksepithelium vele cellen tot âprimordial ova,quot; die daarna in het stroma worden opgenomen. Meermalen nu zijn deze eieren reeds in het epithelium door cellen met spoelvormige kernen begrensd, welke in sommige gevallen â naar de schrijver zelf zegt â niet tot het bindweefsel bleken te behoor en. âOn carefully examining the primordial ova, in many instances two or more small fusiform corpuscles are seen in close contact with their yelk or protoplasm. These fusiform bodies are about the size of the smallest germ epithelial corpuscles, and appear like connective tissue corpuscles, and in more than one case I have traced them in direct continuity
- 52 -
with delicate bundles of minute fusiform bodies, which will presently be described as passing
up from the deeper parts of the ovary towards the germ epithelium. In other cases,
however, it appears to me that the bodies, which lie in contact with the
protoplasm of the primordial ova, are germ epithelial corpuscles, which -1
have been displaced, pushed aside, or flattened out during the growth of the primordial ova.quot;
(1. c. p. 353).
De weinigen, die, wat de herkomst van het follikelepithelium betreft, het voetspoor van Foulis gevolgd hebben zijn Berté en Cuzzi, Holl en Gastel.
Door Berté en Cuzzi (11) werden de ovariën van een vrouw tegen het einde der graviditeit onderzocht. Holl's (55, 56) waarnemingen hebben in de eerste plaats betrekking op de kip; maar op dezelfde wijze â ook uit het bindweefsel â zou zich de membrana granulosa vormen bij de zoogdieren (mensch, hond, kat, rund, muis, cavia en konijn).
Gastei. (39) vond Foulis' theorie bevestigd bij konijn, schaap, hond en cavia.
De reden, waarom de zienswijze van Foulis c. s. bij de meesten zoo weinig sympathie verwekt, is zeker ook voor een groot deel gelegen in de omstandigheid, dat zij direct strijdt tegen het heerschende dogma, volgens hetwelk een z. g. echt epitheliale formatie - en als zoodanig wordt het follikelepithelium algemeen beschouwd â nooit uit bindweefsel haar oorsprong kan nemen. Volgens Foulis c. s. zou het ovarium een orgaan zijn, waarin minstens zoolang zich nog follikels vormen, een scherpe scheiding tus-schen epithelium en bindweefsel in den zin van His en Waldeyeb niet is vol te houden.
Door Foulis wordt dit punt in het geheel niet aangeroerd; Holl en Gastel schijnen â quot;
het bezwaar gevoeld te hebben. Holl (55) hakt den knoop door en verklaart gulweg: âhet follikelepithelium is geen epitheliumquot;; Gastel (39) wijst op analoge gevallen, waarbij ook epithelium uit bindweefsel geboren wordt. Later komt deze hoogst belangrijke questie uitvoeriger tor sprake; wij zullen dan trachten aan te toonen dat dergelijke redeneeringen als bovenstaande, niet absoluut allen grond missen.
4°. De eieren leveren zelf hun membrana granulosa, of wel, beide stammen direct af van één enkele moedercel.
Wat men in de literatuur na Waldeyer over deze theorie vindt, bepaalt zich tot enkele korte mededeelingen, meestal van schrijvers, die de zoogdieren niet uitsluitend of slechts terloops onderzochten.
Volgens Nussbaum (92) zou bij amphibiën en teleosteï de kern van het oerei zich moerbeivormig deelen en de deelstukken met het omringende protoplasma zich tot ei- en follikelepithelium ontwikkelen. Ook bij den hond meent hij een dergelijkemoerbeivormige deeling der kernen gezien te hebben, zonder zich verder over de herkomst der membrana granulosa bij de zoogdieren uit te laten.
In hetzelfde jaar (1880) doet Sghafer (112) de volgende mededeeling. Bij het konijn bestaat het epithelium van de kleinste follikels uit één enkele laag vlakke cellen, die zich vermenigvuldigen en den cylindervorm aannemen. Deze laag leidt de schrijver met Waldeyer van het kiemepithelium af. Bij voortschrijdende ontwikkeling van den follikel wordt weldra een tweede laag cellen, aan den binnenkant van de eerste zichtbaar; deze laatste ontstaat, volgens Schaper, ten koste van het ei zelf. Weldra zijn de elementen f
I
- 53 -
van beide cellenlagen volkomen aan elkander gelijk geworden; daarna vergroot zich de membrana granulosa uitsluitend door deeling der eigen elementen.
Bij andere zoogdieren (hond) daarentegen meende Schaper de membrana granulosa in haar geheel van het kiemepithelium te moeten afleiden.
Thans volgen de onderzoekingen van Cadiat (24). Ei en follikelepithelium ontstaan (bij het schaap, de kat enz.) uit âovoblastenquot;, die door do andere schrijvers verkeerdelijk voor oereieren zijn gehouden. Deze ontwikkelen zich tot veelkernige moedercellen, waarin de centraal gelegene kern zich tot kiemblaasje differentieert, terwijl de andere kernen met het omgevende protoplasma het follikelepithelium leveren.
Haez (46) komt bij uitsluiting tot de gevolgtrekking, dat de eieren zelf hun membrana granulosa vormen. Direct van het kiemepithelium stammen de granulosacellen volgens hem zeker niet af, want de eieren liggen niet zelden geheel naakt in het stroma; evenmin van de mergstrengen, immers deze reiken bij vele zoogdieren niet tot de schors van den eierstok. Het bindweefselstroma kan geen epithelium leveren, dus is de eenige bron, die overblijft, het ei zelf. Op welke wijze nu het ei zijn follikelepithelium voortbrengt, moet volgens den schrijver nog nader worden uitgemaakt.
Verder zijn er een paar korte berichten van Sabatier (111) en Fol (36), volgens welke deze onderzoekers o. a. ook voor de zoogdieren de afleiding van het follikelepithelium uit het ei voorstaan.
Ten slotte dient hier te worden vermeld een opmerking van Flemming (34), die (in 1885) de mogelijkheid niet wilde uitsluiten, dat âdie allererste Bildung des Epithels auch hier (d. i. bij de zoogdieren) vom Ei ausgehen könnte.quot;
Tot zoover de berichten uit de literatuur. Het komt mij overbodig voor over de sub 4 genoemde theorie verder uit te wijden, daar zij heden ten dage â mijns inziens â alleen nog historische waarde bezit. De eenige, die zijn opvatting eenigszins uitvoeriger trachtte te motiveeren, was Cadiat; juist daardoor kwam misschien nog het best uit, hoe weinig er eigenlijk vóór te zeggen viel. Dat zij tegenwoordig â ik spreek uitsluitend over de zoogdieren â nog door één enkelen onderzoeker in bescherming wordt genomen, is mij niet bekend.
Tot besluit wenschen wij nog een enkel woord te zeggen over de ei- en fol lik el-vorming op lat er en leeftijd, als de ontwikkeling van het ovarium als voltooid mag beschouwd worden. Ik heb hierbij uitsluitend het oog op de vraag, of zich dan nog bepaalde cellen tot eieren of granulosacellen differentieer en.
Wij herinneren er aan hoe Pplüger meende, dat dit wel het geval was en hoe ook Koster zich in denzelfden geest uitliet, (verg. bl. 14 en 17).
Oereieren in het eierstoksepithelium bij volwassen zoogdieren zijn beschreven en afgebeeld door: E. van Beneden (10) (bij verspertilio murinus), door Harz (46) (bij de veldmuis en cavia), door d'Antin (1) (bij cavia), door Lange (72) (bij de witte muis). Verder wordt door Wagener (133) hetzelfde vermeld voor den volwassen hond, door Harz (46) voor een tweejarige kat.
Nussbaum (92) neemt, in den zin van Pplüger, het voorkomen eener periodieke nieuwvorming van eieren bij volwassen zoogdieren aan; de kiemen daarvoor zoekt hij in cellen-groepjes vlak onder het eierstoksepithelium gelegen, cellengroepjes die van de embryonale âgeslachtscellenquot; (zie bl. 45) afkomstig zijn.
- 54 -
Ook Balbiani (4) en vooral Paladino (93, 95) bepleiten de eivorming op lateren leeftijd.
Al Iran dus tegenwoordig bezwaarlijk ontkend worden, dat er zoogdieren zijn, bij welke op volwassen leeftijd bepaalde cellen van het eierstoksepithelium zich tot oereieren kunnen differentiëeren, blijft het de groote vraag of deze oereieren ook deel gaan uitmaken van follikels en geschikt zijn om later voor bevruchting vatbare eieren te leveren.
Dit laatste schijnt bij sommige zoogdieren (vespertilio murinus E. van Beneden, witte muis Lange) werkelijk het geval te zijn; het ei zakt in de diepte en neemt daarbij eenige cellen van het eierstoksepithelium, als toekomstige membrana granulosa, mede. Volgens Lange speelt dit proces zich af in klierbuisvormige inzakkingen van het eierstoksepithelium.
Van meer dan één zijde trouwens is de ei- en follikelvorming op lateren leeftijd in verband gebracht met het voorkomen van dergelijke klierbuisvormige in stulpingen van het eierstoksepithelium of van solide cellenstrengetjes onder deze laag gelegen en daarmede in samenhang. Evenals de meestal reeds vroeg van het epithelium gescheiden schorsstrengen, worden ook deze producten â de meeste schrijvers maken geen scherp onderscheid tusschen instulpingen en cellenstrengetjes â door verschillende onderzoekers als pflüger'sche buizen betiteld. Waar komen zij voor, welke is hun vormingswijze, welke hun beteekenis voor de functie van den eierstok?
Koster (69, 70) beschreef zulke solide, met het eierstoksepithelium samenhangende, cellenstrengetjes bij den mensch en enkele zoogdieren. Waldeyer (136) bij den hond en het konijn, Balbiani (4) bij den mensch, d'Antin (1) bij den hond. Daarenboven werden door Koster (70), Waldeyer (1. c.) en Wagener (133), ook echte klierbuisvormige epithe-liuminstulpingen bij den hond waargenomen. Nagel (89) spreekt bij den mensch van âVer-hlngerungen des Keimepithels in das Stroma hineinquot; en van âAbschnürungsvorgange an den-selbenquot; (1. c. S. 376). Schottlaender (114) maakt gewag van holle epitheliumbuizen, eveneens bij den mensch. Paladino (95) ontmoette deze z. g. pflüger'sche buizen â volgens zijn definitie inzakkingen van het ovarium-epithelium, die zich öf tot strengen öf tot ware epitheliumbuizen ontwikkelen â bij verschillende zoogdieren gedurende het geheele leven. Bühler (23) zag âoffene Schlauchequot; bij het volwassen konijn. Lange (75) bij de volwassen witte muis, waar zij eerst tegen de geslachtsrijpheid optreden en âbis in ein spates Lebens-alterquot; zijn aan te toonen.
Over de wijze van ontstaan dezer producten wordt verschillend geoordeeld. Koster nam aan, dat zij zich op volwassen leeftijd vormden door omschreven woekeringsprocessen van het eierstoksepithelium. Daarentegen beschouwde Waldeyer ze als âResiduen aus einer früheren Periodequot;, onontwikkelde schorsstrengen, die wat langer dan gewoonlijk met het epithelium in samenhang waren gebleven; alleen bij het konijn waren zij misschien inderdaad op lateren leeftijd ontstaan. (1. c. S. 31).
d'Antin vermoedt, dat er zoowel resten uit een embryonale ontwikkelingsperiode onder zijn, als nieuwgevormde. Ook de andere genoemde schrijvers zijn van meening dat deze z. g. pflüger'sche buizen wel degelijk op lateren leeftijd kunnen worden aangelegd.
Welke is de beteekenis der thans beschouwde bestanddeelen voor de functie van den eierstok?
Waldeyer was van oordeel, dat zij (behalve misschien bij het konijn) niet met een vernieuwde ei- en follikelvorming op lateren leeftijd in verband stonden. In denzelfden zin
- 55 -
laten zich d'Antin, Nagel, Schottlaender en Bühler uit. Nagel beschouwt ze als pathologische producten, stelt hun voorkomen afhankelijk van onstekingsprocessen in en om de geslachtsklier en acht ze van groot belang voor de genese van tumoren van den eierstok. Ook voor Schottlaender spelen zij vermoedelijk een rol bij de vorming van kystomen.
Daartegenover staat de verklaring van Koster (69, 70), volgens wien de epithelium-cellen der strengetjes en instulpingen zich deels tot eieren, deels tot granulosacellen ontwikkelen en zoodoende nog op volwassen leeftijd follikels leveren. Dezelfde opvatting huldigen Balbiani (1. c.), Paladino (1. c.) en Lange (1. c.). Voor den mensch maakte Koster(70) eenige reserves, daar hij niet als bewezen wilde aanzien, dat in het menschelijk ovarium tot bevruchting geschikte ovula na de geboorte gevormd worden.
Daar Paladino het ontstaan der schorsstrengen van haar eerste verschijnen af op dezelfde wijze verklaart als dat dezer later optredende formaties, ziet hij in de functie van het eierstoksepithelium bij volwassen zoogdieren, een palingenetisch proces, dat dient om de door de physiologische destructie te loor gegane elementen van het eierstoksparen-chym voortdurend te vernieuwen.
Lange onderscheidde bij de witte muis twee phasen in de ei- en follikelvorming; de eerste is gedurende de ontwikkeling van den eierstok waar te nemen, de tweede tegen dat het dier geslachtsrijp wordt; deze laatste duurt âbis in ein spates Lebensalter.quot; De eerste phase omvat de ei- en follikelvorming ten koste der âParenchymstrangequot; (â schors-strengen '), waarvan sommige cellen zich tot eieren, andere zich tot granulosacellen diffe-rentiëeren. Op den leeftijd van 4 weken zijn alle in de schorsstrengen aanwezige oereieren verbruikt en tot âvollstandige Follikel ausgewachsenquot;, die deels reeds van liquor voorzien zijn. Oereieren zijn niet meer voorhanden.
Een groot deel dezer follikels begint nu te atrophiëeren en de rest is zeker niet voldoende om de ovulatie gedurende het geheele leven te onderhouden. Intusschen bereikt de muis langzamerhand den volwassen en tevens geslachtsrijpen leeftijd (6 a 8 weken na de geboorte). Hiermede treedt bovengenoemd proces zijn tweede phase in: eieren en follikel-cellen ontwikkelen zich van nu af uitsluitend direct van het eierstoksepithelium (kiem-epithelium-LANGE). Er vormen zich, vooral in de buurt van den hilus, verscheidene klierbuisvormige instulpingen van deze cellenbekleeding. De meer naar den fundus der instulpingen gelegene epitheliumcellen differentiëeren zich deels tot oereieren, deels tot granulosacellen, en zakken als primordiale follikels in het stroma, waarin zij zich verder ontwikkelen.
Overzien wij, hetgeen omtrent de ei- en follikelvorming op lateren leeftijd is meegedeeld, dan blijkt daaruit voldoende, dat onze kennis op dit punt nog vrij gebrekkig moet genoemd worden, terwijl de waarnemingen der schrijvers elkander voor een groot deel tegenspreken.
Intusschen schijnen de onderzoekingen van Lange vertrouwen te verdienen en bestaat er, myns inziens, alle reden om aan te nemen, dat een vernieuwde vorming van eieren niet alleen, maar ook van follikels, op volwassen leeftijd bij sommige zoogdier soorten, werkelijk voorkomt.
Zonder uitzondering wordt de membrana granulosa der zoo ontstane follikels van het
') Mergstrengen worden door Lange niet beschreven; misschien moeten zyn âParenchymstrangequot; ook voor een deel als zoodanig worden opgevat.
eierstoksepithelium afgeleid. Eén ding is zeker, dat de Sub 2 genoemde theorie over de afleiding van het follikelepithelium, hier bezwaarlijk in aanmerking kan komen, daar bij de meeste zoogdieren (verg. ook de afbeeldingen van Lange) op volwassen leeftijd onmiddellijk onder de oppervlakte van den eierstok niets van mergstrengen te bespeuren valt. Wat Harz (46) e.a. als zoodanig bij de haas, de muis enz. beschrijven, moet anders worden geduid.
De intebstitiëele Cellen en haar Verband tot de Thecacellen , de Luteïnecellen
en de Mergstrengen.
Sedert lang is het bekend, dat in den testis der zoogdieren (ook van vogels en reptiliën) protaplasmarijke, gewoonlijk vethoudende, bij enkele dieren ook van pigment voorziene, cellen in het stroma voorkomen, die in den loop der tijden verschillende namen hebben gekregen en die wij, met Toubneux (128), als interstitiëele cellen zullen aanduiden, een naam die niets praejudiciëert omtrent de herkomst of beteekenis dezer elementen.
Door Leydig (1850) in de mannelijke geslachtsklior der zoogdieren ontdekt, werden zij in 1854 door Kölliker het eerst bij den mensch beschreven (verg. Toubneux, 128).
Eerst veel later is men tot de wetenschap gekomen, dat dezelfde celsoort bij alle zoogdieren ook een bestanddeel vormt van het stroma in het ovarium. De hoeveelheid der interstitiëele cellen in den eierstok is in hooge mate aan wisselingen onderhevig en verschilt ook zeer naar gelang men met deze of gene diersoort te maken heeft. Bij den mensch na de geboorte zijn zij zoo goed als uitsluitend tot den follikelwand beperkt, waar zij de meer ronde elementen van de theca folliculi interna, de z. g. thecacellen, vormen.
Misschien zijn de interstitiëele cellen reeds door Pflüger (97) in het zoogdierenovarium opgemerkt; zeker is het dat Schrön (115) ze juist afbeeldt (bij de kat), zonder ze verder nauwkeurig te beschrijven. Hij noemt ze âStromazellenquot;.
His (50) maakte er uitvoerig melding van bij de koe en de kat, bestempelde ze met den naam van âKomzeilenquot; en leidde ze af van de spoelvormige cellen van het stroma van den eierstok. Zij lagen vaak ketenvormig in rijen; de celgrenzen waren niet zelden onduidelijk waar te nemen. Deze rijen verliepen steeds dicht langs de bloedvaten. Volgens His wordt de theca folliculi interna uit deze cellen opgebouwd; zij zijn dus identisch met de thecacellen.
Waldeyeb (136) zegt in ovariën van menschelijke foetus van 30 a 32 weken nooit tevergeefs naar de âKornzellenquot; van His gezocht te hebben; met Klebs beschouwt hij ze als leucocyten. Ook de thecacellen zouden niets anders zijn. Waldeyer spoot n. 1. bij konijnen oplossingen van cinnaber, eens ook van anilineblauw, in de vena jugularis en vond daarna zeer talrijke kleurstofpartikeltjes in de cellen van den follikelwand, tot onmiddellijk aan de membrana granulosa. Op den uitslag van deze proef berust grootendeels bovengenoemde uitspraak.
Intusschen had toen ter tijde nog niemand er aan gedacht de in den eierstok gevonden elementen met de interstitiëele cellen in den testis op één lijn te stellen. De eerste, die een stap in deze richting deed, was Born. Hij (17) beschreef de merkwaardige verhoudingen van den foetalen paardeneierstok, welk orgaan in een jong ontwikkelingsstadium, op een smalle schorslaag na, zoo goed als geheel uit groote, protaplasmarijke, gepigmenteerde,
57
op levercellen gelijkende elementen is opgebouwd. Analoge cellen waren den schrijver niet bekend, behalve in den testis van een jong paardenfoetus; verder geleken zij, volgens hem, sterk op de groote elementen in het corpus luteum, de luteïnecellen.
Ook elders in het lichaam werden nu door verschillende schrijvers â von Brunn, Waldbyer, Ehrlioh, Ceeighton â met de interstitiëele cellen van den testis analoge elementen aangetroffen. Von Brunn (22) zag dergelijke cellen in het interstitiëele bindweefsel van de zogklier bij den mensch en het konijn en in de glandula submaxillaris van het rund. Waldeyer (138) brengt met de interstitiëele cellen van den testis onder één groep, zijn âPlasmasellenquot;, te zamen: de schorscellen uit de bijnier, bepaalde cellen in de glandula coccygea en intercarotica, de cellen van de tunica adventitia der groote hersen-vaten, de deciduacellen en de luteïnecellen. De interstitiëele cellen in het ovarium en de thecacellen worden niet genoemd. De plasmacellen zijn voor Waldeyer echte bindweefselcellen. Het verdient opmerking dat dezelfde schrijver de luteïnecellen enkele jaren te voren (in zijn geschrift: Eierstock und Ei) van het follikelepithelium afleidde, dus als ware epitheliumcellen opvatte.
Na Waldeyer wijdde vooral Ehrlioh1) zich aan de studie van deze soort bindweefselcellen en verdeelde ze, naar gelang het protoplasma zich al of niet sterk kleurt niet dahlia-violet in gegranuleerde cellen (âgramdirteZeilenquot;) en in plasmacellen in engeren zin, tot welke laatste o. a. de interstitiëele cellen van den testis behooren.
Creighton (29, 30) zag de interstitiëele cellen in den eierstok van den hond. Evenals His acht hij haar optreden gebonden aan de aanwezigheid van vaten. Wat Waldeyer met de interstitiëele cellen in den testis gedaan had, deed hij met die in den eierstok; hij plaatste ze in één groep met de bijnier-, de decidua- en de luteïnecellen.
In 1897 verscheen een publicatie van Tourneux over ons onderwerp. Hij (128) was de eerste der na Born genoemde schrijvers, die nader inging op het door dezen aangegeven denkbeeld, dat de in het stroma van den eierstok als âKomzeilenquot; beschreven elementen met de interstitiëele cellen in den testis zouden zijn gelijk te stellen. Deze onderzoeker kwam tot de overtuiging dat, althans bij het paard, beiderlei cellen volkomen homoloog zijn en meent het gevondene ook op andere zoogdieren te mogen toepassen.
Tourneux vat de interstitiëele cellen op als echte bindweefselcellen; met His rekent hij er ook de thecacellen toe. Ook de luteïnecellen behooren tot dezelfde groep, want deze zijn weer van de thecacellen afkomstig. De schrijver geeft dan de volgende indeeling:
o v a i r e
Cellules interstiiielles primitives
t e s t i c u 1 e
|
cellules propres de la trame de V ovaire (interstitiëele cellen in engeren zin). |
cellules propres de la parol de l' ovisac (thecacellen) |
cellules interstiiielles du testicule. |
celhdes des corps jannes (luteïnecellen).
') Aangehaald dooi' Tourneux (128).
8
â 58 â
Wij zullen ons, in de volgende bladzijden, zoo goed als uitsluitend bezighouden met de interstitiëele cellen van liet ovarium.
Een jaar na het optreden van ïourneux werden de interstitiëele cellen beschreven door Mac Leod (82) en door E. van Beneden (10) in de eierstokken van vleermuizen, mol en hermelijn, waar zij bij volwassen dieren zeer overvloedig voorkomen. Vooral Mac Leod geeft belangrijke mededeelingen omtrent de wijze, waarop deze cellen zich tegenover verschillende kleurstoffen gedragen. Bij vleermuizen bevatten zij volgens beide onderzoekers nooit een spoor van vet.
Voor beiden zijn het veranderde bindweefselceilen van het stroma van den eierstok , één met de thecacellen en volgens van Beneden ook met de luteïnecellen; alleen zij n de laatste iets grooter.
Zoo bestond er in 1880, na Toueneüx, Mac Leod en van Beneden, alle aanleiding om te meenen, dat de genese der interstitiëele cellen en de plaats, die zij in het systeem der weefselleer bekleeden, voldoende was vastgesteld; identisch met de theca- en luteïnecellen behoorden zij tot de groote groep van het bindweefsel en de moederbodem, waaruit zij uitsluitend ontstonden, was het stroma van het ovarium.
Later is gebleken, dat de questie niet zoo eenvoudig is als men aanvankelijk meende en in den tegenwoordigen tijd zullen er niet veel onderzoekers gevonden worden, die bovenstaande uitspraak zonder eenig voorbehoud zouden wenschen te onderschrijven.
Het mag â met het oog op de bestaande meeningsverschillen â een lastige taak heeten de geschiedenis der interstitiëele cellen verder te vervolgen, zonder het algemeen overzicht te schaden en toch de opvattingen der verschillende onderzoekers behoorlijk tot hun recht te doen komen. Het komt ons voor, dat wij het best ons doel zullen bereiken, wanneer wij de thecacellen, de luteïnecellen en de interstitiëele cellen in engeren zin afzonderlijk bespreken en daarbij telkens datgene, wat als vaststaand mag worden beschouwd, vooropstellen.
In de eerste plaats de thecacellen.
Ik heb mij aan praeparaten van verschillende zoogdieren kunnen overtuigen, dat de thecacellen zich inderdaad ter plaatse uit het bindweefselstroma van den follikelwand differentiëeren en als zoodanig dus â naar de heerschende opvatting â als echte bindweefselcellen moeten worden beschouwd. Ik sluit mij in dezen geheel aan bij â om alleen onderzoekers van lateren tijd te noemen â Mac Leod (82), van Beneden (10), Schulin (116), Schottlaender (114), Gastel (39), Foersïer ').
De uitspraak van Nussbaum, die de thecacellen uit abortieve eistrengen wil doen ontstaan, berust, mijns inziens, op foutieve waarnemingen; hetzelfde kan gezegd worden van de meening der niet weinige onderzoekers, die, met Waldeyer (136), in de thecacellen eenvoudig leucocyten zien. Zoo denken Slaviansky (121, 122), de Sinéty (119, 120), Paladino (93, 95), Benckisee (8) Hölzl (57) en ook in de nieuwe uitgave van ïes-tut (127) wordt deze opvatting nog gehuldigd.
') Foersteb, Comparative microscopical Studies of the Ovary. The American Journ. of Obst. Vol. 28,1893.
- 59 -
De luteïnecellen.
De herkomst dezer elementen heb ik zelf niet nagegaan; de uitspraken der onderzoekers komen hierop neer.
De opvatting van Tourneüx (128) en van van Bkneden (10), dat de luteïnecellen onmiddellijk van de thecacellen zijn af te leiden is de oudste en reeds door von Baee (3) verkondigd. Ook de meeste schrijvers van den lateren tijd laten zich in denzelfden geest uit; ik verwijs naar: Hausmann (47), His (50), de Sinéty (120), Slaviansky (121), Beulin (12), Beigel (7), Paladino (95), Benckiser (8), Nagel (88), Geoenbaub (41), Schott-laender (114), Gastel (39), Hoelzl (75), Foeester'),
Intusschen heeft het niet ontbroken aan onderzoekers, die de theorie van Pflüoekr Schrön en Waldeyer bleven verdedigen, volgens wie de luteïnecellen gemetamorphoseerde follikelepitheliumcellen zijn. Als zoodanig noem ik: Call en Exner (25), Wagener (133), Nussbaüm (92), Luquet (81). Zelfs in het laatst verschenen geschrift over de vorming van het corpus luteum â dat van Sobotta (123) â wordt deze theorie verkondigd (voor de witte muis).
Merkwaardig is de zienswijze van Schulin (116).
Ook volgens dezen vervormen zich de follikelepitheliumcellen tot luteïnecellen. Bij sommige zoogdieren (o. a. bij den mensch) blijft het hierbij; bij andere zijn ook de
thecacellen in het proces betrokken. âGleichzeitig mit dieser Umwandlung der Granulosa____
tritt dann eine Veranderung an der bindegewebigen Umhüllung des graap'schen Follikels ein, die ebenfalls oft in sehr verschiedenem Grade bereits vorgebildet ist. Die Veranderung besteht darin, dass die Zeilen der Mem bran a fel li culi interna {thecacellen)^ welche bekanntlich immer einen mehr embryonalen Charakter haben, wachsen und ebenfalls vollkommen den Charakter von Luteinzellen annehmen. Es wird dadurch die Grenze zwischen Granulosa und Membrana folliculi interna verwischt und eine gemeinsame Corpus-luteumMasse gebildet.quot; (1. c. S. 501).
Niet zelden gaat het proces nog verder; ook de cellen van het bindweefselstroma nemen er deel aan. âBei manchen Thieren geht die Entwickelung von Luteïnzellen dann noch weiter; die Zeilen des Ovarialstroma's wandeln sich in solche um. Beim Maulwurf wird so allmahlich der haibe Eierstock in Luteingewebe umgewandelts), beim Kaninchen fand ich in der zweiten Halfte der Schwangerschaft sogar den ganzen Eierstock mit Ausnahme einer ganz schmalen Rinderschicht so metamorphosirt.quot;
Blijkbaar worden hier door Schulin onder het begrip luteïnecellen ook de elementen, die door andere schrijvers als interstitiëele cellen (in engeren zin) worden beschouwd, opgenomen.
Dit wat de herkomst der luteïnecellen betreft.
Onze conclusie luidt als volgt. Zoolang de uitspraken der onderzoekers over de genese dezer elementen tot op den allerlaatsten tijd dermate uiteenloopen, is het niet mogelijk hun plaats in het histologisch systeem nauwkeurig te bepalen. Zijn zij voor de meesten als identisch met de thecacellen, echte bindweefselcellen, door anderen wordt, blijkbaar ook niet geheel zonder grond, even krachtig hun ware epitheliale natuur verdedigd. Is het waar, hetgeen Schulin beweert, dat de luteïnecellen zoowel van de mem-
') Foebster, Comparative microscopical Studies of the Ovary. The American Journ. ofübst. Vol. 28,1893. 2) Schulin haalt hier Wageneb (133) aan, die dit reeds vroeger vermeldde.
- 60 -
brana granulosa als van de thecacellen kunnen afstammen, dan is elke classificatie in bovengenoemden zin een onbegonnen werk; de naam epitheliumcellen is dan al even onpassend als die van bind weefsel cellen.
De interstitiëele cellen in engeren zin (cellules propres de la trame de l'ovaire, Tourneux).
Er zijn schrijvers, die ook deze elementen, evenals de luteïnecellon, uitsluitend als ware epitheliumcellen beschouwen. Zoo meenden Nussbaum (92), Habz (46), Chiabugi (26), Mihalkovics (86ni) ze te moeten opvatten; het bindweefselstroma van den eierstok zou met hun vorming niets te maken hebben.
Uit standpunt nu is, mijns inziens, ten eenenmale onjuist. Afgaande op hetgeen ik zelf heb waargenomen, is het mijn vaste overtuiging, dat de gewone bindweefselcellen van het stroma in den eierstok ook elders dan in de onmiddellijke nabijheid der follikels â waar zij de thecacellen vormen â zich tot interstitiëele cellen kunnen ontwikkelen.
Het kan dus alleen nog de vraag zijn, of daarnaast ook z. g. ware epitheliumcellen â op analoge wijze als Sohulin dit bij de vorming van het corpus luteum beweert â zich in denzelfden zin veranderen als de omringende bindweefselcellen.
Voor die verandering komen de elementen der schors- of der mergstrengen in aanmerking.
De zienswijzen der schrijvers op dit punt zijn nu als volgt. Nussbaum (92) laat zich aldus uit: âDie Hodenzwischensubstanz [interstitiëele cellen) und die homologe Substanz im Eierstock besteht aus Pplügeb'scIien Schlauchen, die auf einem niedrigen Entwicke-lungsgrado stehen geblieben sind, und sich entweder za functionellen Hodenschlauchen oder zu Eiern batten ausbilden kunnen.quot; (1. c. S. 93). Volgens dezen onderzoeker zijn derhalve de interstitiëele cellen uitsluitend van abortieve zaadbuisjes, resp. eistrengen, in eerste instantie dus van het kiem epithelium afkomstig.
Eenmaal gevormd blijven deze elementen in den testis, zooals zij zijn; in het ovarium gaan zij voortdurend te gronde en worden zij steeds weer op nieuw aangemaakt: â. . . . indem sie im Eierstock rait der Reifung der Follikel vernichtet durch die periodi-sche Neubildung von Eischlauchen wieder ersetzt wird, im Hoden dagegen persistirend das bisher unter dem Namen der leyuie'schen Zwischensubstanz bekannte Gewebe bildet.quot; (1. c. S. 96).
De thecacellen zijn volgens Nussbaum met de interstitiëele cellen identisch. âAuch die von His zuerst genauer studirten Kom ze Hen der Follikel me mb ran möchte ich hierher rechnenquot;. (1. c. S. 94),
De luteïnecellen zijn, naar de schrijver zegt, als gemetaraorphoseerde follikelepithelium-cellen te beschouwen; daardoor wordt de groote gelijkenis tusschen deze elementen en de interstitiëele cellen verklaarbaar; het eene zoo goed als het ander neemt uit het kiem-epithelium zijn oorsprong.
De onderzoekers, die na Nussbaum de epitheliale natuur der interstitiëele cellen verdedigen, wijken in zooverre van hem af, dat zij niet de eistrengen, maar uitsluitend de mergstrengen beschouwen als de bron, waarvan de interstitiëele cellen moeten worden afgeleid; het is trouwens, naar de beschrijving te oordeelen, meer dan waarschijnlijk dat ook Nussbaum met zijn abortieve eistrengen grootendeels mergstrengen heeft bedoeld.
- 61 -
ScHULiN (116) vat, zooals wij vroeger zagen (bl. 35), de mergstrengen als rudimentaire eistrengen op. De elementen dezer mergstrengen ondergaan volgens hem een secundaire metamorphose, waardoor zij in âKornzellenquot; veranderen. (1. c. S. 464 u. 465). Dit vond hij bij de kat. Merkwaardigerwijze beschrijft Schulin later (1. c. S. 502) dezelfde elementen o. a. bij den mol en het konijn eenvoudig als luteïnecellen, die alle uit het bindweefselstroma van den eierstok zijn voortgekomen (verg. bl. 59); van zijn eerst vermelde waarneming wordt dan geen gewag meer gemaakt-
Bespreken wij thans de bevindingen van Harz (46). De sleutel voor de verklaring van het ontstaan der interstitiëele cellen ligt, volgens hem, in hetgeen Born had waargenomen aangaande de ontwikkeling van den eierstok bij het paard.
Naar aanleiding daarvan wenschen wij hier het volgende in te lasschen.
Boen (17) (verg. ook bl. 56) onderscheidt in den eierstok van een jong paardenfoetus twee gedeelten: een mergsubstantie, die bijna niets anders bevat dan groote, polyedrische, bruingekleurde, op levercellen gelijkende elementen, het âKeimlagerquot;, â en een, in verhouding tot het merg, zeer dunne schorslaag, de âKeimplattequot;. Deze bestaat uit het kiemepithelium reet een dun laagje bindweefsel er onder. Van het kiemepithelium dringen talrijke cellenstrengetjes in de diepte, ten koste waarvan zich later eieren en granulosa-cellen ontwikkelen. Bokn's âKeimplattequot; komt dus in alle opzichten overeen met de schors van den eierstok, zooals wij die bij andere zoogdieren onderscheiden; het âKeimlagerquot; moet dan met het merg van het ovarium vergeleken worden.
Vandaar ook dat de door Born beschreven, op levercellen gelijkende, elementen â over de herkomst waarvan hij zich niet uitlaat â door verschillende onderzoekers als de mergstrengen van het paard worden aangeduid, (zie b. v. bij E. van Beneden (10)). Anderen (b. v. Tourneux (128)) beschouwden ze als interstitiëele cellen en lieten zich geheel leiden door het voorkomen der elementen zelf, die in alle opzichten volkomen geleken op de interstitiëele cellen, zooals die bij andere zoogdieren, volgens de gebruikelijke voorstelling, uit het bindweefselstroma der geslachtsklier haar oorsprong namen.
Het is der vermelding waard, dat Mac Leod (82) Born's âKeimlagerquot; nu eens zoo, dan weder op eene andere wijze opvat. Op p. 256 (1. c.) bestaat het uit interstitiëele cellen, op p. 268 (1. c.) bevat het daarentegen blijkbaar niets anders dan mergstrengen.
Keeren wij tot Harz terug. De moeilijkheid, die zich voordoet bij het duiden van Born's âKeimlagerquot;, neemt hij weg door de verklaring, dat de mergstrengen â afgezien van enkele oereieren, die zij bevatten â louter uit interstitiëele cellen bestaan, en deze laatste bij alle zoogdieren uitsluitend van de eerste afkomstig zijn. De mergstrengen beschouwt hij â zooals wij vroeger zagen â als een product der oernier (âSegmentalstrangequot; Braun); de interstitiëele cellen worden daarom als âSegmental-zeilenquot; betiteld. Zij behooren dus volgens Harz tot de ware epitheliumcellen.
Betrekkelijk laat dringen de kanalen en strengen van het âsegmontaalsysteemquot; (rete ovarii en mergstrengen) van de zijde der oernier in den eierstok; bij de kat was dit âsuccessive Hineinwachsenquot; het best te zien (het jongste stadium, dat de schrijver onderzocht, was een pasgeboren dier). Bij sommige zoogdiersoorten dringen nu de âsegmen-taalstrengenquot; zóó ver door, dat de âsegmentaalcellenquot; op lateren leeftijd bijna de geheele massa van den eierstok uitmaken (o. a. bij haas en cavia). Bij andere (mensch en varken) wordt de hilus ovarii niet overschreden; enkele kanalen aldaar {blijkbaar het rete ovarii) zijn alles, wat men vindt, terwijl âim Innern des Ovariums j ünger er wie al ter er
Individuen solche Epithelstrftnge vollstandig fehlenquot;. (1. c. S. 402, van den mensch werd alleen onderzocht een pasgeboren kind en een van 41/2 maand, van het varken ânur Eierstöcke erwachsener Thierequot;!). Daaitusschen staan dan dieren, zooals de kat en het rund, bij welke de bestanddeelen van het âsegmentaalsysteemquot; nog een eindweegs den eierstok binnendringen.
Van de thecacellen wordt door den schrijver geen gewag gemaakt. De luteïnecellen hebben met de âsegmentaalcellenquot; uit den aard der zaak niets te maken.
De onderzoekingen van Harz dragen de onmiskenbare sporen van groote oppervlakkigheid. Dank zij Egli (32), Köllikee (67) e. a. wist men destijds even goed als nu, dat de mergstrengen tot d i e bestanddeelen van den eierstok behooren, welke het vroegst worden aangelegd. Op een paar uitzonderingen na zijn door Hahz geen embryonale stadiën onderzocht; toch acht hij zich in staat de wording van mergstrengen en rete ovarii in bijzonderheden te schetsen.
De door hem gegeven voorstelling is dan ook, in bijna alle opzichten, geheel bezijden de waarheid, zooals ik later nog nader hoop uiteen te zetten.
Chiaguri (26) schijnt het standpunt van Habz geheel te deelen: bij den volwassen haas representeert de mergzone van den eierstok het âgenitale deelquot; van het Wolffsche lichaam.
Mjmalkovics (86m) bespreekt de interstitiëele cellen alleen bij den testis; zij zijn afkomstig van zijn âsexuaalstrengenquot;, die zich deels tot zaadbuisjes, deels tot strooken van interstitiëele cellen transformeeren. Het is dus een echt epitheliale formatie, niet van de oernier, maar van het kiem epithelium afkomstig. Zij behooren in één groep met de bijniercellen, die ook van het âembryonale buikviiesepitheliumquot; afstammen.
Hoe denkt Janosik over de thans besproken elementen?
Deze onderzoeker (59, 60) meent de interstitiëele cellen scherp te moeten scheiden van de âepitheliale Markstrangequot;. De eerste zijn voor hem â zoowel in testis als in ovarium â niets anders dan gemetamorphoseerde bindweefselcellen, van het stroma der klier afkomstig. De thecacellen gelooft hij voor identisch te mogen houden met de Interstitiëele cellen. âIm Kaninchenovarium kann ich zur Zeit, wenn die Follikelbildung eben angefangen hat, diese besonderen Zeilen (bedoeld worden de interstitiëele cellen) nicht mit Sicherheit constatiren. In illteren (3,5 Monat) glaube ich aber jene be senders um die Theca folliculi herumdichtgedrangten Zeilen als Zwischenzellen ansprechen zu dürfen, wie im lieden; mit voller Sicherkeit ist es mir aber nicht möglich, dieses nachzuweisen.quot; (60, S. 181).
Met de mergstrengen staan de interstitiëele cellen in geen betrekking, hoewel Janosik erkent, dat het meermalen zeer lastig is beide van elkander te onderscheiden. âDie Ent-scheidung, wie sich die epithelialen Marktstrange verhalten, ist sehr schwierig, denn v 1 e 1 fach halt es sehr schwer zu bestimmen, ob ein Gebilde ein Mark-Strang ist, oder ob es sich um einen Strang junger Zwischenzellen handelt, welche nicht gleich von Anfang an ihre charakteristische Form besitzen.quot; (60, S. 182).
Ook Janosik vond, dat het ovarium van sommige zoogdieren (konijn, muis), op volwassen leeftijd, voor het grootste deel uit gewoekerde mergstrengen is opgebouwd, zonder echter â zooals Harz deed â de mergstrengcellen met de interstitiëele cellen te vereenzelvigen. âAn dieser Stelle möchte ich nur mit kurzen Worten jener Bildungen gedenken, welche man in verschiedenen Ovarien und bei Ovarien einer und derselben Thiergattung verschieden ausgebildet vorflndet. Ich meine jene enormen
- 63 -
Anhaufungen von Epithelzollen in der Marksubstanz des Ovarium, welche in einzelnen Fallen zu ganz scharf von der Umgebung abgegrenzten Gebilden sich gestalten (Kaninchon, Maus, etc.). Diese Gebilde sind nur als gewucherte Markstrange zu betrachten, denn ich finde Uebergange der ganz gewöhnlichen Markstrangzellen in jene zumeist viel grössere Zeilen, welche in Strangen gelagert oder in umgrenzten Anhaufungen sich im Marke des Ovarium vorfinden, Diese Bildungen könnte man vielleicht als Nebennieren-bildungen oder deren Analoga ansehen, u. s. w.quot; (1. o. S. 184). Dat er tusschen deze elementen van de mergstrengen en de vroeger door hem vermelde interstitiëele cellen een wezenlijk onderscheid bestaat, vergeet Janosik nader aan te toonen. Zijn de laatstgenoemde bestanddeelen in eens spoorloos verdwenen?
Nagel (91) vat de interstitiëele cellen in den testis als bindweefselcellen op en verzet zich tegen de door Mihalkovics gegeven afleiding. Bij het ovarium worden zij door hem niet besproken.
Gastel (39) stelt zich volkomen op het standpunt van Tourneux. Alle interstitiëele cellen nemen, met de theca- en luteïnecellen, haar oorsprong uit het bindweefselstroma.
Het zal vermoedelijk nog geruimen tijd duren, eer het laatste woord gesproken is over de herkomst der interstitiëele cellen en over de plaats, welke haar toekomt in het systeem der histologie.
Wat het vrouwelijk geslacht betreft, zoo kan â wij wezen er vroeger reeds op â tegenwoordig alleen nog maar hiervan sprake zijn, of behalve het gewone bindweefselstroma andere bestanddeelen van den eierstok aan de vorming van de interstitiëele cellen deelnemen. Afgaande op de uitspraken der verschillende waarnemers, schijnt dit met de mergstrengen werkelijk het geval te zijn, al gaan de verdedigers van dit standpunt veel te ver door te meenen, dat nu ook alle interstitiëele cellen zonder uitzondering van deze bron afkomstig zijn.
Dit is zeker: blijkt het dat de mergstrengen â volgens de algemeen geldende opvatting uit ware epitheliumcellen opgebouwd â inderdaad een dergelijke rol spelen, dan zal men iedere poging om de interstitiëele cellen als bindweefsel- of epithe-liale elementen te klassificeeren, voortaan moeten opgeven.
Aan het slot van onze historische beschouwingen nog een enkel woord over de beteeken is der mergstrengen, uit een algemeen morphologisch oogpunt beschouwd.
De meeningen der schrijvers laten zich in twee groepen splitsen.
1°. Volgens de eene opvatting zijn de mergstrengen aan den eierstok vreemde bestanddeelen, zonder doel.
Het ovarium zou zijn een hermaphroditisch orgaan, de mergstrengen zouden daarin het mannelijk element voorstellen. Haar voorkomen is een bewijs voor de âténacité de la force héréditaire,quot; zooals Paladino (95) het uitdrukt. Voor den een (Waldeyer, Balfour, e. a) zijn zij rudimentaire zaadhuisjes, voor den ander (Balbiani, Hertwig) rudimentaire tubuli recti.
- 64 -
Wanneer nu de mergstrengen, zooals Haez e.a. willen, bij sommige dieren zoo sterk woekeren, dat zij nagenoeg den geheelen eierstok met, interstitiëele cellen opvullen, dan zal dit als een secundair verschijnsel moeten worden opgevat.
2n. Daartegenover staat de zienswijze van anderen, die meenen dat de mergstrengen wel degelijk in het ovarium thuis behooren.
Zoo denken Köllikeh , Rouget, Mihalkovics e. a., die ze voor de functie van den eierstok (de follikelvorming) onmisbaar achten. Volgens deze opvatting zijn de mergstrengen geen rudimentaire zaadbuisjes, maar wel zijn zij met de zaadbuisjes homoloog, in zooverre dat beide dienen ter opname van de geslachtsproducten, ei en spermamoedercel; dat de mergstrengen daarbij haar strengvorm verliezen is van ondergeschikt belang.
Dan zijn er verder onderzoekers (Sohulin, Laulanié), die de mergstrengen eenvoudig beschouwen als rudimentaire eistrengen.
Wat kan toch wel de reden zijn, dat ons eigenlijk weten op het door ons besproken gebied nog zóó beperkt is, terwijl daarentegen van menig ander orgaan de ontwikkeling vrij nauwkeurig bekend mag genoemd worden.
Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te geven, deels op het onderwerp zelf, deels op de onderzoekers betrekking hebbende.
Het onderwerp staat als lastig bekend; daarbij komt dat jonge ontwikkelingsstadiën der geslachtsklier slechts met zeer groote voorzorgen goed te conserveeren zijn.
Hoofdzakelijk ligt echter de schuld wel bij de schrijvers zelf. Het wil mij voorkomen, dat verscheidene hunner veel te weinig de verschillende bestanddeelen van den eierstok in hun onderling verband hebben beschouwd. Hoe menigmaal, als men de follikelvorming bestudeerde, stelde men zich niet tevreden met aan te toonen dat de membrana granulosa in directen samenhang stond met het eierstoksepithelium, zonder verder van een eventuoele deelneming aan het proces van den kant der mergstrengen of van het bind-weefselstroma behoorlijk nota te nemen! Zoo heeft men meermalen voor de wet zelve gehouden, wat slechts een bepaalde vorm is, waaronder de wet zich openbaart; zoo is het mogelijk geweest, dat verschillende theoriën opgesteld zijn, aan alle welke goed waargenomen feiten ten grondslag liggen, maar waarvan geen enkele in staat is a 1 de verschijnselen, die zich in een bepaald geval voordoen, te verklaren.
Ieder onderzoeker van de ontwikkeling der geslachtsklieren maakt kennis met de groote moeilijkheid, om de weefsels, waarmede men te doen heeft, van een histologisch standpunt, ten allen tijde scherp te onderscheiden. âDie Entwickelung der Keimdrüsenquot; â zegt Boen1) â âist ein dadurch besonders schwieriges Thema, dass in ihnen eine innige Mischung epithelialer Elemente, die mesodermalen Ursprungs sind, mit embryonalem Binde-gewebe (ebenfalls mesodermalev Abstammung) stattflndet, wobei beiderlei Formen sich sehr wenig differenziert und nur undeutlich von einander abgegrenzt zeigen, â eine Schwierig-keit, die, durch mangelhafte Konservierung und Behandlung offenbar hilufig noch erheblich gesteigert wurde.quot;
') Born, Die Entwickelung der Geschleohtsdrüsen. Ergebnisse der Anat. und Entwicklungsgesch. IV Band, 1894, S.,596.
Bindweefsel of epithelium â ziehier de vraag, die ons telkens en telkens ter beantwoording wordt voorgelegd. Op dit punt treden de verschillen tusschen de meeningen dei-waarnemers al zeer sterk op den voorgrond. Zoo wijzen wij op het merkwaardige verschijnsel, dat b. v. het ovarium van een konijn, wanneer de interstitiëele cellen rijkelijk ontwikkeld zijn, voor sommige schrijvers (Habz, Cuiabugi e. a.) nagenoeg geheel uib epitheliumcellen, voor anderen daarentegen (Toubneux, Gastel) zeer goed als uitsluitend uit bindweefsel is opgebouwd. Zelfs de membrana granulosa verklaartHoll(55) voor geen waar epithelium (bij de kip) en ook Foebster ') trachtte eenige jaren geleden aan te toonen, dat deze cellenlaag zich onder bepaalde omstandigheden in een myxomatous, tot de bindweefsel groep behoorend, weefsel kon veranderen.
Welken weg wij bij ons eigen onderzoek hebben in te slaan, is thans voldoende aangewezen.
Voor alles zullen wij hebben uit te maken of de theorie van His, volgens wien het coeloomepithelium uitsluitend echt-epitheliale bestanddeelen zou voortbrengen â een theorie, tot op den tegenwoordigen tijd door tal van schrijvers voorgestaan - zonder voorbehoud kan worden aanvaard. Eerst dan zullen wij de verschillende boven besproken controversen onbevooroordeeld onder de oogen kunnen zien.
!) Foersïer , Comparative miscroscopical Studies of the Ovary. The American Journal of Obst. Vol. 29,1894.
9
HOOFDSTUK III.
Hot Hcsrip Epitlielinm in het algeiueon, lt;lo Ontwiklieling en liet Kar.iliter van het Coeloomepithelium.
A. Epithelium en Bindweefsel. De ontwikkeling van het Coeloomepithelium.
De eerste aanleg van de geslachtsklier bestaat uit een plaatselijke woekering van het coeloomepithelium en van het weefsel onmiddellijk er onder gelegen. Wil men een goed inzicht krijgen in de wording der geslachtsklier, dan is het beslist noodzakelijk zich vooraf over de natuur van het coeloomepithelium te verstaan.
Met het oog op hetgeen wij in het vorige Hoofdstuk over den jongsten aanleg der geslachtsklier in het midden brachten (verg. bl. 28), eischt in de eerste plaats de volgende vraag beantwoording: is het coeloomepithelium een â /,. g. waar epithelium? Luidt het antwoord bevestigend, dan is het verdere onderzoek belangrijk vereenvoudigd; wij weten clan eens voor goed, dat alle als z. g. echt-epitheliale elementen te beschouwen bestand-deelen der geslachtsklier slechts kunnen afstammen öf van het coeloomepithelium, öf van het epithelium der oernierkanaaltjes (resp. BowiiAN'sche kapsels), terwijl de vorming van bindweefsel ten koste van het coeloomepithelium is uitgesloten. Blijkt daarentegen de echt-epitheliale natuur van het coeloomepithelium niet vast te staan, dan is het duidelijk dat bovenstaande redeneering eiken vasten grondslag mist.
Trachten wij vooral juist te zijn in de terminologie. Onder epithelium wordt heden ten dage niet door alle schrijvers hetzelfde verstaan. Het woord is van betrekkelijk jongen datum. De Amsterdamsche anatoom Ruysch (1638 â 1731) betitelde de cellenbekleeding, die de slijm vliesoppervlakte der lippen bedekte, voor het eerst als epithelis of tepelbekleetzel, daar de zoo aangeduide laag rustte op de papillen (0-gt;;A«i') van de submucosa. âGomper!quot; â zoo lezen wij bij Ruysch â âprolabia constitua esse ex meris papillis, non cutaneis (cutis enim hic revera deest), sed papillis nervosis; itaque integumentum illud supradictum potius epithelida dixero vel integumentum papillare prolabiorumetc. ')⢠Epithelis tegenover epidermis, want: ânulla subest huic integumento cutis, ergo epidermis dici nequit.quot;1) Later schrijft Ruysch epithelia (vr.) in plaats van epithelis en breidt hij het begrip uit over de cellenlaag, die het geheele spijsverteringskanaal bedekt.2)
Epithelia heeft latei' moeten wijken voor het thans gebruikelijke epithelium-, tevens is de beteekenis van het woord al ruimer en ruimer geworden.
Toen - meer dan een eeuw na Ruysch' optreden â de epitheliumcellen ontdekt worden (Henlb, 1836), is men weldra iedere één of meer cellen hooge deklaag â al of
') ïhes. anat. III, Amstel. 1724, p. 10. â ) ïhes. anat. II, Amstel. 1726, p. 12.
- 67 -
niet tot een slijmvlies behoorend â als epithelium gaan aanduiden. Zoo waren â volgens Henlk1) â de geheele huid, alle slijmvliezen, alle klierbuizen, daarenboven ook de weivliezen en de bloed- en lymphvaten (dus ook oppervlakten geheel vrij van papillen) in het bezit van een epithelium. âAlle freien Oberflachen des Körpersquot; â heet het in Henle's leerboek van de Anatomie (48) â âsind mit einer mehr oder minder machtigen Schicht isolirter kernhaltiger Zeilen überzogen, die ein Gewebe darstellen, welches man unter dem Namen der Oberhaut, Epithelium, begreiftquot;.
Epithelium werd dus synoniem met opperhuid en was, als zoodanig, een zuiver anatomisch begrip. Wij willen er onmiddellijk aan toevoegen, dat ook tegenwoordig verschillende schrijvers alleen in dien zin van epithelium spreken. Zoo plaatsen zich b. v. Eanviee2), Gegenbaur (41), Stöhr3), allen op het oude standpunt van Henle. In het voorafgaande Hoofdstuk hebben ook wij in denzelfden geest van het buikvliesepithelium gesproken.
Ranvier (1. c.) geeft drie constante eigenschappen van het epithelium op, welke men in geen ander weefsel vereenigd vindt: het bekleedt steeds oppervlakten, de cellen sluiten onmiddellijk tegen elkander aan, het bevat nooit bloedvaten4).
Tal van onderzoekers redeneeren evenwel geheel anders. Zij verbinden het woord epithelium aan een bijzonder soort van cellen, de epitheliumcellen. Deze zijn niet identisch met de door Henle zoo genoemde elementen; zij hebben een veel meer beperkte beteekenis. Haar gedrag en haar afkomst, d. w. z. de histologische eigenschappen maken haar tot hetgeen zij zijn, niet de plaats, waar zij gevonden worden. Niet het behooren tot een opperhuid verheft de elementen, waaruit deze is samengesteld, tot epitheliumcellen, maar omgekeerd noemt men alleen een zoodanige opperhuid epithelium, welke uit epitheliumcellen bestaat.
Het wezen van het begrip epitheliumcel eischt â hierop valt de nadruk â dat zij in al haar gedragingen steeds streng gescheiden blijft van de elementen der z. g. bind-weefselgroep. Een cel, die bindweefsel of aanverwante weefsels kan vormen of' wel daaruit is voortgekomen, is â al mag verder aan al de drie door Ranvier gestelde eischen voldaan zijn â geen ware epitheliumcel.
Beschouwt men de zaak van dit gezichtspunt, dan zijn de huid, alle slijmvliezen en alle klierbuizen van een epithelium voorzien, terwijl o. a. de cellen, die men aan den binnenwand van bloed- en lymphvaten vindt, volgens de heerschende meening den naam van epitheliumcellen niet meer verdienen. Naar His worden zij gewoonlijk als endothelium-cellen aangeduid en als echte bindweefselcellen opgevat.
Op lateren leeftijd, als de verschillende weefselsoorten haar blijvenden vorm verkregen hebben, is in de meeste gevallen (er zijn uitzonderingen) de erkenning of men al of niet met ware epitheliumcellen te maken heeft, niet bijzonder lastig.
') Henle, Uober die Ausbreitung des Epitheliums im mensohliclion Körper. Mülleh's Arcliiv 1838, S. 115. :) Kanvier's Technisches Lehrbuch der Histologie. Deutsche üebersetzung, Leipzig 1888.
â '') Stöhb, Lehrbuch der Histologie, u. s. w. 7° Aufl. Jena.
â¢') Sedert wij weten, dat het epithelium ook gevasculariseerd kan zyn, vormt het gemis aan bloedvaten geen constant kenmerk meer voor dit weefsel. Mauhee vond kort geleden het epithelium van het mond-slijmvlies bü verschillende amphibiön van capillaire bloedvaten voorzien (verg. Morphologisches Jahrbuch, Band 25 Heft 2, 1897, S. 190).
- 68 -
Anders zijn de verhoudingen in de jongere ontwikkelingsstadiën van het embryo, wanneer de cellen onderling nog weinig van elkander verschillen en de organen nog niet of nauwelijks aangelegd zijn. Hoe dan de echt-epitheliale elementen van de andere te onderscheiden?
Laten wij liever de vraag zoo stellen; kan men in het algemeen in deze jonge stadiën â wanneer wij afzien van de specifieke zenuw- en zintuigcellen, van het bloed en van de spieren â de elementen van het embryo steeds in een der beide groote groepen, ware epitheliumcellen of cellen van de bindweefselgroep rangschikken ?
Langen tijd heeft men gemeend dat dit inderdaad reeds van de vroegste ontwikkeling af mogelijk was. Wij herinneren hier aan His en zijn volgelingen. His ging van öe stelling uit dat er a priori een afzonderlijke kiem moest bestaan voor het ware epithelium en een afzonderlijke kiem voor het bindweefsel. Aanvankelijk dacht hij in het middelste kiem-blad de bron van al het bindweefsel gevonden te hebben, terwijl de epitheliale elementen slechts uit het ekto- en het entoderm zouden voortkomen.')
Latei- is His (51) daarvan teruggekomen en stelde hij zijn leer van het Archi- en Parablast op. Het is niet onze bedoeling deze leer hier in den breede uit een te zetten, wij zullen slechts enkele hoofdpunten aanstippen.
De kiembladen bouwen zich (volgens His) op uit de splijtingscellen van het ei; zij vormen het Archiblast en leveren alleen echt-epitheliale elementen benevens zenuw- en spierweefsel. Het bindweefsel en aanverwante weefsels (benevens de endotheliumcellen en het bloed) stammen af van het Parablast. Dit parablast neemt zijn oorsprong uit cellen, buiten de eigenlijke kiem gelegen. Zij hebben met de splijtingscellen van het ei niets te maken maar zijn in eersten aanleg af te leiden van leucocyten, die gedurende de ontwikkeling van het ei in den eierstok het laatste waren binnengedrongen. De parablast-elementen groeien tusschen de cellen der kiembladen, meer bepaaldelijk tusschen die van het middelste kiemblad, waarmede zij zich innig vermengen.
Zoodra dus de ontwikkeling de allereerste stadiën is gepasseerd, bestaat het middelste kiemblad âschijnbaar een homogeen product â uit twee geheel verschillende celsoorten, die ten opzichte van haar afkomst en haar gedrag streng uit elkander moeten worden gehouden.
His deed zijn onderzoekingen hoofdzakelijk aan vogeleieren en de resultaten daarbij verkregen waren, van den aanvang af, zeer bezwaarlijk toe te passen op de zoogdieren, bij welke het geheele ei zich splijt. In een verhandeling van lateren datum 2) zien wij dan ook den grondvester van de Parablastleer een belangrijke concessie doen, die het epithelium en het bindweefsel weer nader tot elkander bracht.
His laat nu de mogelijkheid open dat het parablast misschien ook uit de splijtingscellen van het ei is voortgekomen. âDabei bitte ich ferner zu beachtenquot; - lezen wij 1. c. S. 70 â âdass der principielle Schwerpunkt der Entscheidung, von histologischer Seite genommen, nicht darin liegt, ob die Bindesubstanzanlage aus dem gefurchten oder dem ungefurchten Keime stammt, sondern darin, ob sie überhaupt unter an dem Bedin-gungen entsteht, als die Anlagen der übrigen Theile.quot;
Ook Waldbyer (139) verdedigde het bestaan van een afzonderlijke bindweefselkiem; reeds bij de splijting van het ei werd het materiaal daarvoor afgezonderd. Maar met nadruk
') His, Die Haute und Höhlen des Körpers. Academisohes Programm. Basel, 1865. ^
;) His, Die Lehre vom Bindesubstanz-keim (Parablast). Arch. f. Aiiat. u. Phys., 1882.
wees hij er op, dat ook het Parablast een product van de splijting zelve is. Bij holoblas-tische eieren zou het ontstaan uit onrijpe splijtingscellen, niet voor den aanleg der kiembladen gebruikt, die zich later verder splijten; bij meroblastische eieren uit bij het splijtingsproces niet tot cellen vervormd protoplasma â Waldbyer's âKeimfortsatzequot; â, dat zich eerst naderhand in cellen deelt. âDie Kerne aller dieser durch secundare Furchung neugebildeten Elemente stammen im letzter Instanz vom Furchungskern ab. Das so (secundar) gewonnene Zeilen material wandert zwischen die primaren Keimblatter ein und wird zur Blut-Bindesubstanz (1. c. S. 48).
Zoo zocht men de kriteria van een waar epithelium in de eerste plaats op liet terrein der embryologie. Onder een epithelium verstond His ') âeine aus gedrangt liegenden archiblastischen Zeilen gebildete Lamelle,quot; en daar, volgens zijne voorstelling, op lateren leeftijd alleen onmiddellijk aan de buitenwereld grenzende oppervlakten of vrij met de buitenwereld verkeerende holten dooi- archiblastische cellen waren bekleed, viel zijn embryologische definitie volkomen samen met de volgende anatomische: een waar epithelium vindt men alleen aan de huid of in holten, die vrij met de buitenwereld com-municeeren, z. g. âAussenraume.quot; Er was slechts ééne uitzondering: het ependym van hersenen en ruggemerg was een waar epithelium, alhoewel het een alom gesloten holte begrensde.
Ook Waldeyek beschouwde, behoudens bovengenoemde uitzondering, alleen als echt-epi-theliaal: âZ e 11 e n b e 1 age freier Oberflachen oder Aussenraume des Korpers, welche einen archiblastischen Ursprung haben.quot; (139, S. 65).
Het coeloomepithelium moest dus â volgens de leer van het Archi- en Parablast â één van beide zijn: of waar epithelium, of bindweefsel; tertium non dabatur.
Volgons His en Waldeyer beiden was het een waar epithelium, van het archiblas-tisch gedeelte van het middelste kiemblad afkomstig, en echt-epitheliaal dus alles wat er van afstamde: o. a. de slijmvliesbekleeding der fimbriae en het eierstoksepithelium.
Slechts één ding baarde moeilijkheden: het buikvlies, eenmaal gevormd, droeg aan zijn oppervlakte een z. g. endothelium â d. i. echte bindweefselcellen. His vond er het volgende op: het âbuikvliesendotheliumquot; ontstond niet uitliet coeloomepithelium. âEs werden namlich die Muskelanlagen der Leibeswand und die der Darmwand durchwachsen, unct auf diese Weise kommt parablastisches Gewebe an die Begranzungsflache der Binnen-höhlen und kleidet als seröse Haut diese letzteren aus.... Die serösen Hïiute sind secundare Bekleidungen einer ursprünglich rein archiblastisch umgranzten Höhle.quot; 2)
Waldeyer â wij wezen er vroeger reeds op (bl. 29) â dacht aanvankelijk evenzoo. Latere onderzoekingen hebben His en Waldeyer, ten opzichte van het ontstaan van het buikvliesepithelium, in het ongelijk gesteld en aangetoond, dat deze cellenlaag wel degelijk een product van het coeloomepithelium is. Waldeyer heeft dit ten slotte zelf erkend en moest dus zijne theorie wijzigen. Twee wegen stonden hem open: öf het coeloomepithelium niet meer als waar epithelium te erkennen, 6f omgekeerd het z. g. endothelium van het buikvlies tot een waar epithelium te verheften. Het eerste was ondoenlijk. Het coeloomepithelium zou dan een bindweefselformatie zijn en bindweefsel kon geen waar epithe-
') His, Die Lehre vom Bindesubstanz-keim, S. 98. '2) His, Dio Lehre vom Bindesubstanz-keim, S. 99.
lium â zooals b. v. dat van het slijmvlies van tuba en uterus â voortbrengen. Er bleef Waldbyer dus niets anders over dan het âbuikvliesendotheliumquot; â en de cellenbeldeeding der weivliezen in het algemeen â voortaan als waar epithelium te beschouwen.
De argumenten, die Waldeyer verder ten voordeele van de epitheliale natuur van het âbuikvliesendotheliumquot; te berde bracht, kunnen niet overtuigend worden genoemd. Zoo zou de buikholte der gewervelde dieren als âAussenraumquot; moeten worden beschouwd, en wel om twee redenen: omdat zij bij het vrouwelijk geslacht door middel van het genitaal-apparaat met de buitenwereld communiceert èn omdat zij genetisch als een afgesnoerd stuk van den oerdarm is op te vatten. Maar op deze wijze voortredeneerende is ook de holte in hart en aorta bij acanthias vulgaris een âAussenraumquot;, daar wij, volgens Prof. C. K. Hoffmann in deze organen mede een afgesnoerd deel van den oerdarm moeten zien. En toch zal niemand om die reden de cellen aan de binnenzijde van hart en aorta bij genoemden kraakbeenigen visch als ware epitheliumcellen betitelen.
De grondslagen, waarop de leer van het Archi- en Parablast â ook in den door His zelf en door Waldeyer gewijzigden vorm â rustte, bleken niet voldoende op de feiten te steunen. Kölliker (67) behoort tot hen, die zich steeds tegen deze leer hebben verzet. âEs giebt keine einfachen histologischen Primitivorganequot; â meent deze schrijver (1. c. S. 390) â âvielmehr besitzen wahrscheinlich alle Keimblatter potentia die Fahigkeit, alle Gewebe zu erzeugen.quot; Tegenwoordig weet men dat de âBindesubstanz-anlagequot; volstrekt niet âunter andern Bedingungenquot; (His) ontstaat als de aanleg van de andere deelen van het embryo. Het bindweefsel â zoo luidt de uitspraak van de nieuwere onderzoekers â neemt evenals de echt-epitheliale weefsels zijn oorsprong uit kiembladcellen, die niet van buiten in het kiemb 1 ad zijn ingedrongen maar van den aanvang af deel uitgemaakt hebben van het laatste.
Van welk kiemblad stamt het bindweefsel (vaten en bloed laten wij buiten beschouwing)? Voor het grootste gedeelte - voor vele schrijvers zelfs uitsluitend â zeker uit het mesoderm.
Het is evenwel tegenwoordig meer dan waarschijnlijk dat ook het entoderm bind-weefsolbestanddeelen levert. Volgens Prof. C. K. Hoffmann (54) neemt het adenoïde bindweefsel van het darmslijmvlies hoogstwaarschijnlijk uit dit kiemblad zijn oorsprong; ook het weefsel van de milt wordt in den laatsten tijd van het entoderm afgeleid (Maürer, verg. Hertwig 49, S. 545).
En het ectoderm? Beschouwt men de neuroglia als een bepaald soort bindweefsel â en do uitkomsten der nieuwste onderzoekingen omtrent den bouw, zoowel als het gedrag van dit weefsel onder pathologische omstandigheden pleiten vóór een dergelijke opvatting â dan moet ook het buitenste kiemblad als een bron voor bindweefselvorming worden aangezien.
Bezien wij de bindweefselvorming in het gebied van het middelste kiemblad wat nader; het is een proces., dat met het ontstaan van het coeloomepithelium ten nauwste samenhangt. Het mesoderm der zoogdieren bestaat in een bepaald stadium der ontwikkeling, ter weerszijde van de lengte-as van het embryo, uit twee bladen van epitheliumcellen (epithelium in den zin van Ranvier),, een parietaal blad, de somatopleura en een visceraal blad, de splanchnopleura. Tusschen beide vinden wij een spleetvormige ruimte: den eersten aanleg van het, aanvankelijk gepaarde, coeloom. Reeds voordat het mesoderm zich in semieten en
- 71 -
zijplaten heeft gesplitst, maar vooral na deze splitsing, beginnen op verschillende punten vele der elementen, waaruit het kiemblad is opgebouwd, uit de rij te treden, waarin zij met de naburige cellen zijn gerangschikt. âDie Auflösungquot; â zegt Rabl ') â âgeht in dei' Weise vor sich, dass die Zeilen, die bisher einen epithelialen Charakter zeigten, sich von einander trennen und dadurch ihren epithelialen Charakter verlieren.quot; Deze elementen, de mesenchymcellen (Hertwig), tot eigen beweging in staat, begeven zich allerwegen tusschen de kiembladen en de bestanddeelen, die uit die kiembladen hun oorsprong nemen; met de tusschencelstof, die zij afscheiden en waarin de cellen, onderling verbonden door haar protoplasma-uitloopers, zijn verspreid, vormen zij een âFüllgewebequot;, een mesenchijm-weefsel (Hertwig), waaruit zich ontwikkelen: het bindweefsel in zijn verschillende vormen, kraakbeen en been, endotheliumcellen, misschien ook bloed en lymphe, benevens gladde spiervezels en de hartmusculatuur. De cellenbekleeding van het coeloora is af te leiden van de onmiddellijk aan de lichaamsholte grenzende epithelinmcellen van somatopleura en splanchnopleura, voor zoover zij niet voor de vorming van mesenchym zijn gebruikt en de onderlinge rangschikking van epithelimncellen hebben behouden.
In den beginne treden nog vele epitheliuincellen uit het coeloomepithelium en vormen mesenchym; dit geschiedt ook aan dat gedeelte van de coeloomoppervlakte waar men in oudere stadiën algemeen een waar epithelium onderscheidt (ik noem b. v. de streek waar zich later het ostium abdominale tubae vormt). Zoolang deze mesenchymproductie voortduurt, heeft men zeker niet het recht de coeloombekleeding als een waar epithelium te beschouwen.
Uit vorenstaande overwegingen blijkt, dat het coeloomepithelium in zijn eerste ontstaan niet als iets in wezen verschillends van het onderliggend weefsel is te onderscheiden. Komt er nu later een tijd, waarop de bekleeding der lichaamsholte resp. der buikholte wel in scherpe tegenstelling staat tot het onderliggend weefsel â in dien zin dat het eene niet meer het andere kan voortbrengen â en zoo ja, wanneer breekt die tijd aan?
De meeningen zijn verschillend. O. Hertwig springt tot op den allerlaatsten tijd nog in de bres voor het bestaan van een afzonderlijke kiem van de âBlut-Bindesubstanzquot; (waaronder hij ook de gladde spiervezels brengt, benevens de musculatuur van het hart). Deze kiem is voor Heetwig het zoo even beschrevene mesenchymweefsel. Het wezen van zijn z. g. âMesenchymtheoriequot; bestaat hierin dat zij âin der frühesten, Entwickelung der Gewebe einen Gegensatz feststellt zwischen den epithelialen Keimblattern und einen durch Aufhebung des epithelialen Verbandes entstandenen Füllgewebe, welches zich zwischen den Grensblattern ausbreitet und bald als etwas Selbstilndiges erscheint.quot; (49, S. 184)
Is de vroegste ontwikkeling der weefsels eenmaal afgeloopen, dan vormt zich volgens den grondvester der mesenchymtheorie geen mesenchym meer uit epithelium; dat omgekeerd uit het mesenchym ooit ware epitheliuincellen zouden ontstaan, is a priori uitgesloten. Zoo verstaat Hertwig onder epithelium blijkbaar: iedere laag van dicht aaneengesloten cellen, voorzoover deze niet uit liet mesenchym haar oorsprong nemen. Zijn de mesenchymcellen eenmaal alle uit het epitheliaal verband getreden, dan is van dit tijdstip af ieder epithelium ook een waar epithelium.
Als zoodaning beschouwt Hertwig ook het coeloomepithelium na de âfrüheste Ent-
') Aangehaald in Hebtwig (1. c. S. 184).
- 72 -
wiekelung der Gewebequot;. Deze tijdsbepaling is uit den aard der zaak wat vaag, maar de bedoelde toestand is volgens Hertwig â en dit is voor ons de hoofdzaak â zeker aanwezig, wanneer de geslachtsklier zich begint aan te leggen. Steunend op zijn mesenchymtheorie vat Hertwig alle elementen, die bij de vorming der geslachtsklier door het woekerende coeloomepithelium worden voortgebracht, als echte epitheliumcellen op, terwijl het uit het mesenchym geborene bindweefsel nimmer echt epitheliale bestanddeelen kan leveren.
Hertwig's mesenchymtheorie wordt niet algemeen aanvaard. âEs giebt keinen specifischen Bindesubstanz-Blutkeimluidt de uitspraak van Bonnet. ') Met het woord mesenchym bedoelen deze en andere schrijvers, een âhistologisch scharf characterisirtes Uebergangs-gewebe, das nachtraglich allerdings zum grössten ïheil die Bindesubstanzen, zum Theil aber auch Epithelien, sowie glatte und quergestreifte Muskulatur liefert und das, wie sich noch zeigen wird, weder bezüglich des Ortes seiner Entstehung im Keime noch bezüglich der nachtraglich aus ihm hervorgehenden Gewebe die eigenartige Sonderstellung bean-spruchen darf, die ihm von manchen Seiten als âBindesubstanz-Blutkeimquot; zuerkannt wird.quot; (ibidem). Volgens dezen schrijver vertoont nagenoeg het geheele middelste kiemblad in allereersten aanleg den bouw van een mesenchymweefsel.
Bij schapenembryo's van 16 en 17 dagen, een leeftijd, waarop de aanleg van de geslachtsklier zeker niet lang meer op zich zal laten wachten, vond Bonnet de vorming van mesenchym uit de epitheliumcellen, die de oernier bekleeden, nog in vollen gang. (1. c. S. 59).
Wanneer aldus van bevoegde zijde ernstige bedenkingen worden geopperd tegen de mesenchymtheorie van Heetwig , is het ons niet geoorloofd haar als punt van uitgang te kiezen voor ons onderzoek, vooral niet, nu wij weten dat een der voornaamste twistpunten in de wordingsgeschiedenis der geslachtsklier juist loopt over het al of niet bestaan van een scherpe scheiding tusschen epithelium en bindweefsel.
Eigen onderzoekingen zullen in deze moeten beslissen of het coeloomepithelium werkelijk zich zoo spoedig tot een waar epithelium differentieert als Hertwig het wil doen voorkomen.
Vooraf een paar definities.
Het woord epithelium wenschen wij voortaan uitsluitend te gebruiken in den zin van Henle, Ranvier e. a. Wij bedoelen er mede:
iedere c e 11 e n 1 a a g, welke een v r ij liggende oppervlakte bekleedt.
Waardoor deze cellenlaag als zoodanig van het onderliggend weefsel is te onderkennen, hetzij doordat men op dwarse doorsnede een duidelijke grenslijn waarneemt, hetzij doordat de aan de oppervlakte gelegen elementen anders gebouwd of gerangschikt zijn dan meer in de diepte, is van ondergeschikt belang; de hoofdvraag is, of er werkelijk een afzonderlijke laag bestaat. Den door de meeste schrijvers gestelden eisch, dat de epitheliumcellen altijd nauw tegen elkander moeten sluiten, laten wij vallen. Wilde men daaraan streng vasthouden dan zou het coeloomepithelium op verschillende punten alleen daarom reeds den naam epithelium niet verdienen (verg. fig. 2 en fig. 5 pi. I). Hetzelfde geldt van het follikelepithelium in een bepaald stadium der ontwikkeling.
In bovengenoemden zin gebruikt praejudiciëeren wij met de uitdrukking epitheliumcellen niets omtrent haar verhouding tot het bindweefsel: of de eerste in bestanddeelen
gt;) R. Bonnet, Qrundriss der Entwicklungsgeschiehte dor Haussaugethiere, Berlin 1891, S. 88.
- 73 -
van het tweede kunnen overgaan of omgekeerd, laten wij hierbij geheel in het midden.
Het woord endothelium zullen wij als overbodig geheel vermijden.
In verband met het bovenstaande zullen wij in de volgende bladzijden aan de uitdrukking mesenchym niet de beperkte beteekenis hechten van kiem voor de âBlut-Bindesubstanzquot;; met Bonnet duiden wij er mede aan een weefsel van een zeer bepaalden, straks nader te omschrijven bouw, zonder vooruit te loopen op hetgeen er uit geboren wordt.
B. Beschouwingen over het Coeloomepithelium hij jeugdige embryo's van het konijn.
Tot taak hebben wij ons gesteld uit te maken, welke de verhouding is tusschen het coeloomepithelium en het onderliggend mesenchym bij konijnenembryo's in de periode, waarin de eerste ontwikkeling der geslachtsklier valt.
Wij beginnen daarom bij een embryo van 12 dagen.
Het coeloomepithelium wisselt hier op verschillende punten aan de oppervlakte dor lichaamsholte sterk in voorkomen.
Over het grootste gedeelte der oppervlakte niet meer dan één cel hoog, bereikt het op sommige punten, waar wij 6 a 7 celkernen boven elkander tellen, een aanzienlijke dikte (fig. 4 pi. I). Van celgrenzen is meestal weinig te bespeuren. Hier liggen de kernen wat verder van elkander, daar zijn zij wat dichter opeengehoopt. In het algemeen kan gezegd worden, dat de kernenrijkdom van het epithelium, betrekkelijk gesproken, in den-zelfden zin verandert als die van het onmiddellijk er onder gelegene mesenchym.
Het minst kernenrijk vinden wij epithelium en onderliggend mesenchym aan het meer vent rale gedeelte van den zijwand der lichaamsholte, waar wij de verhoudingen het eerst nader in oogenschouw zullen nemen. Het mesenchym bestaat hier uit een netwerk van protoplasma, met wijde mazen, de kernen zonder veel regelmaat in de proto-plasmadraden verspreid. Het coeloomepithelium maakt op dwarse doorsnede den indruk van één langen kernhoudenden protoplasmadraad, die de oppervlakkig gelegen mazen afsluit; uit de beschrijving volgt dus, dat op verschillende punten uitloopers van het mesenchym-netwerk met do epithelinmkernen of met het tusschen deze gelegen protoplasma in contact treden.
De kernen in het epithelium komen in vorm en grootte geheel of nagenoeg geheel met die in het mesenchym overeen. Zij onderscheiden zich door twee bijzonderheden: 1°. dooide regelmatige rangschikking ten opzichte van elkander, 2°. door de grootere affiniteit tot kleurstoffen.
Ik voeg hierbij, dat niet zelden ook het protoplasma van het epithelium wat donkerder tint heeft dan dat van het mesenchym. Juist deze twee genoemde eigenschappen der celkernen bewerken, dat wij de meest oppervlakkig gelegene cellenrij in het algemeen als een epithelium kunnen betitelen. Nader kan worden vermeld dat de grootere affiniteit der epitheliumkernen tot kleurstoffen op menig punt zeer weinig aan het licht treedt, zoodat niet zelden uitsluitend de bijzondere rangschikking als eenig onderscheidingskenmerk overblijft.
Doch ook dit laatste is een criterium, dat ons herhaaldelijk in den steek laat. Immers meermalen zien wij op de punten, waar het epithelium zich met de protoplasma-uitloopers van het mesenchym verbindt, twee, drie en meer onderling gelijke kernen boven elkander, waarvan de bovenste onmiddellijk aan het coeloom grenst, de andere in het verloop der protoplasmadraden gelegen zijn, die in het mesenchym uitstralen; het geheel kan den indruk maken van een klein cellenstrengetje, dat van de oppervlakte in de diepte dringt.
10
Bij welke kern houdt het epithelium op, waar begint het mesenchytn? Dit is in deze gevallen absoluut niet te zeggen; elke grens ontbreekt.
Beschouwen wij thans het meer dorsale gedeelte van den zijwand der lichaamsholte, ongeveer tegenover de oernier. De celkernen in epithelium en mesenchym liggen hier dichter opeengehoopt, de mazen van het mesenchym zijn dus naar evenredigheid kleiner. Veelal vinden wij het epithelium - op dwarse doorsnede â door een fijn lijntje duidelijk tegenover het onderliggend weefsel begrensd (zie fig. 1 pi. I); maar ook zeer dikwijls is van een dergelijk grenslijntje niets te bespeuren en men ziet dan beelden als in fig. 2 pi. I (rechts van x) en in fig. 7 pi. I (bij x), beide van een één dag ouder ontwikkelingsstadium, is weergegeven. A^ooral springt dit in het oog, waar men te maken heeft met plooien van den coeloomwand, in de diepte waarvan vaak alle spoor van epithelium ontbreekt. Met name noem ik de plooi tusschen den lateralen kant der oernier en den zijwand der lichaamsholte; ik verwijs ook naar fig. pi. I, waar de plooi tusschen geslachts-klier en radix mesentfrii te zien is.
Het meegedeelde geeft ons voorzeker wel het recht tot de bewering, dat bij een konijnenembryo van 12 dagen de âGegensatzquot; tusschen epithelium en mesenchym, waarvan Hertwig gewaagt, in anatomischen zin zeker nog niet overal voorhanden is. Directe bewijzen leveren, dat het coeloomepithelium, zooals wij dit op dezen leeftijd hebben leeren kennen, nog voortgaat mesenchymbestanddeelen te vormen, kunnen wij eerst, wanneer wij het gedrag van deze cellenlaag in oudere ontwikkelingsstadiën verder vervolgen.
Gaan wij daartoe uit van het epithelium, waarvan in fig, 1 een gedeelte is afgebeeld. In het oorspronkelijke praeparaat wijzen talrijke mitosen op een sterken aanmaak van nieuwe kernen, zoowel in het mesenchym als in het epithelium, maar vooral in het laatste. De as der spoelvormige figuren kan alle richtingen hebben, maar staat dikwert loodrecht op de oppervlakte.
In fig. 2 aanschouwen wij dezelfde streek van de oppervlakte in een stadium van 18 dagen. De gevolgen der kernen vermeerdering zijn duidelijk zichtbaar. Alle kernen, zoowel in epithelium als in mesenchym, zijn iets kleiner geworden; het epithelium is over een tamelijk groote uitgestrektheid tot een, hier en daar wel vier kernen hooge cellenlaag gewoekerd.
Daarbij valt op te merken, dat de onmiddellijk aan de oppervlakte grenzende kernen over het algemeen het donkerst gekleurd zijn en het dichtst zijn opeengehoopt, terwijl de dieper gelegene tamelijk onregelmatig tusschen de eerste en het grenslijntje, dat de basale zijde van het epithelium afbakent, zijn verspreid. Het protoplasma is als draden tusschen de kernen uitgespannen; het epithelium is dus in wezen niet anders gebouwd dan het mesenchym.
Rechts van x (fig. 2) verdwijnt het basale grenslijntje en houdt het hooge epithelium op. Toch hebben ook hier â al is het niet in diezelfde mate als links in de figuur â de epitheliumkernen zich vermeerderd, eveneens voor een groot deel in de richting loodrecht op de oppervlakte, zooals de stand der deelingsfiguren bewijzen. Desniettegenstaande kunnen wij op deze hoogte, wanneer wij hier in het algemeen van een epithelium willen spreken, slechts de onmiddellijk aan liet coeloom grenzende celkernen als tot het epithelium behoorend beschouwen. Daaruit volgt onvermijdelijk, dat vele der bij de deeling gevormde dochterkernen zich bij het onderliggend weefsel moeten hebben gevoegd.
Het komt mij dus niet twijfelachtig voor, dat het coeloomepithelium
bij een embryo van 13 dagen, althans op sommige plaatsen, nog voortgaat mesenchymbestanddeelen te leveren.
Ook links van y vormt het epithelium in hg. 2 misschien mesenchymweefsel. Wij maakten er boven reeds op opmerkzaam, hoe deze cellenlaag feitelijk geheel gebouwd is als het onderliggend mesenchym; wil men er een afzonderlijk strookje mesenchym in zien, dat door een grenslijntje van het overige mesenchym is afgescheiden, dan is tegen deze wijze van voorstellen weinig in te brengen. Het grenslijntje zelf is de doorsnede van een grensmembraan, die als een differentiatieproduct van het celprotoplasma is te beschouwen en als zoodanig te vergelijken is met een celgrens. Nu is een dergelijk grenslijntje tusschen mesenchym en coeloomepithelium op dezen leeftijd uitermate inconstant waar to nemen; hier is het aanwezig, vlak er naast ontbreekt het ten eenenmale. Even snel als het zich vormt, schijnt het ook te kunnen verdwijnen, zooals dit in embryonaal weefsel ook zoo menigmaal met celgrenzen het geval is.
ïnsschen beelden, waarin de grens zich zeer scherp afteekent en die, waarin zij ontbreekt, zijn allerlei overgangsphasen te vinden. Ook in onze figuur is bij a het lijntje zoo goed als geheel weg; op dergelijke punten bestaat dus voor de epitheliumkernen ruimschoots gelegenheid zich onder de mesenchymkernen te mengen.
Het is overigens zeer twijfelachtig of de grensmembraan, waar zij niet verdwijnt, het indringen van epitheliumkernen in het mesenchym in den weg staat. Beschouwt men flg. 2 nauwkeurig, zoo ziet men langs het geheele verloop kernen op, of als men liever wil, in het grenslijntje gelegen; er zijn er, die even ver boven als onder die lijn uitsteken, andere behooren voor het grootste gedeelte öf tot het epithelium of tot het mesenchym.
Vat men dergelijke beelden op als epitheliumkernen, die bezig zijn zich door de grensmembraan een- weg naar het mesenchym te banen, dan is er niets, dat zich tegen deze verklaringswijze verzet.
Bij een embryo van 14 dagen is de toestand in vele opzichten nog dezelfde als op den leeftijd van 13 dagen. Op de plaats, correspondeerend aan die, waaraan flg. 2 is ontleend, is liet epithelium in hoogte iets afgenomen. Dieper in het epithelium vindt men gewoonlijk wat minder kernen dan in flg. 2. Niet zelden ontbreken zij aldaar over grootere uitgestrektheid totaal; de ruimte tusschen de onmiddellijk aan de oppervlakte gelegene kernen en het grenslijntje wordt dan doorloopen door de protoplasmadraden, die de eerste met liet laatste verbinden. Deze gesteelde epitheliumcellen maken somwijlen den indruk paddestoelvormig uit het onderliggend weefsel op te rijzen.
In het stadium van 15 dagen is de differentiatie der weefsels een aanmerkelijk eind verder gevorderd. Het onmiddellijk onder het epithelium gelegene mesenchym is tot een smal vezelhoudend laagje geworden, waarin de langwerpige kernen evenwijdig aan de richting van de oppervlakte zijn gerangschikt. Het coeloomepithelium is voor een groot deel tot een enkel plat cellenlaagjo gereduceerd (zie flg. 3 pi. I), dat meermalen hoogst onvolkomen van het onderliggend weefsel is te onderkennen.
Het blijkt dus, dat het epithelium van flg. 2, zelf uit één cellenlaagje voortgekomen, in oudere ontwikkelingsstadiën allengs weer voor één enkel cellenlaagje plaats maakt en dat reeds op den leeftijd van 15 dagen die toestand gedeeltelijk is ingetreden. Er bestaat geen enkele aanleiding om te meenen, dat bij een embryo van 15 dagen de productie van bindweefsel (en gladde spiervezels) ten koste van het coeloomepithelium, aan den zijwand
- 76 -
der lichaamsholte, voor goed zou hebben opgehouden; integendeel doet de omstandigheid, dat het bindweefsel en epithelium op verschillende plaatsen geleidelijk in elkander overgaan, vermoeden, dat de toestand in dit opzicht op dezen leeftijd nog geen stabile is geworden.
Aan de viscerale oppervlakte van het coeloom zijn de verhoudingen in wezen niet anders dan op den zijwand der lichaamsholte. Over het algemeen is het van de splanchnopleura afkomstige mesenchym zeer kernenrijk; hetzelfde geldt voor het bedekkende coeloomopithelium. Dit laatste kan op sommige punten een bijzonder groote dikte bereiken. Ter hoogte van den aanleg der lever vindt men â in het stadium van 12 dagen â het mesenchym om den darm, over een bepaalde uitgestrektheid door een collenlaag bekleed, zooals wij in lig. 4 pi. I hebben voorgesteld.
In hoofdzaak geldt voor de viscerale oppervlakte van het coeloom â wat de mesenchymvorming betreft â hetzelfde als hetgeen wij van den zijwand hebben opgemerkt. Plaatsen waar, soms over vrij groote uitgestrektheid, een scherpe grens tusschen epithelium en mesenchym wordt aangetroffen, wisselen af met zulke, waar iedere afscheiding ontbreekt (verg. het linkereinde van lig. 4 pi. I, voorbij x). Meer nog dan aan den zijwand van het coeloom kan men aan de viscerale oppervlakte der lichaamsholte waarnemen, hoe van de al of niet streng gescheiden epitheliumlaag hier en daar kleine cellenstrengetjes of cellen-groepjes in de diepte dringen, die nooit ver te vervolgen zijn, daar zij zich spoedig geheel met het mesenchymweefsel vereenzelvigen. Na al het verhandelde zullen wij deze cellen-strengetjes het best kunnen duiden als omschreven woekeringen van de meest oppervlakkig gelegen cellen, bestemd om mesenchymweefsel te leveren. Soms stuit men op formeele instulpingen van het coeloomepithelium, in het diepste gedeelte waarvan zich de epithe-liumcellen eveneons in mesenchymweefsel oplossen. Bij een embryo van 14 dagen zag ik daarvan een paar goede voorbeelden aan de oppervlakte van het mesenterium, recht tegenover een der geslachtsklieren.
Bij een embryo van 15 dagen is de in flg. 4 pi. I voorgestelde cellenlaag nergens hooger dan in flg. 5 is geteekend. Op enkele punten ziet men in deze figuren een aanduiding van de gestoelde paddestoelvormige epitheliumcellen, waarvan boven sprake was.
Vooral aan de oppervlakte van de radix mesenterii is de mesenchymvorming ten koste van het coeloomepithelium in het stadium van 15 dagen hier en daar bijzonder schoon te vervolgen.
Resumeeron wij thans onze bevindingen:
Het coeloomepithelium is bij een konijnenembryo van 12 dagen op verschillende punten hoogst onvolkomen van het onderliggend weefsel gedifferentiëerd. De epithelium-kernen of â waar een afzonderlijke laag niet duidelijk te voorschijn treedt â de onmiddellijk aan het coeloom grenzende elementen vermeerderen zich sterk. Daardoor worden er op menige plaats meer kernen gevormd dan aan de oppervlakte in één enkele rij kunnen plaats vinden. Slechts een gedeelte dezer kernen vormen, met het omringende protoplasma, de definitieve cellenbekleeding van het peritoneum; de andere voegen zich bij het onderliggend mesenchym, waarbij de eigen beweging der kernen een groote rol schijnt te spelen.
Dat hier en daar kleine cellenstrengetjes gevormd worden, met het epithelium of met de aan de oppervlakte gelegen cellen in samenhang, is geen ongewoon verschijnsel.
Op enkele plaatsen, waar de vermeerdering der kernen zeer sterk is, kan de coeloom-bekleeding tijdelijk een aanzienlijke hoogte bereiken; vermoedelijk worden ook hier, terwijl de grensmembraan aan de basale zijde van het epithelium â bij gedeelten â verdwijnt, vele epitheliumkernen in hot mesenchym opgenomen.
Waarschijnlijk verinogen de kernen ook door de intacte grensmembraan heen te dringen.
De mesenchymvorming ten koste van het coeloomepithelium is in het stadium van 15 dagen op verschillende punten nog duidelijk merkbaar.
Voorzoover wij dit tot nu toe hebben onderzocht â de streek van de geslachtsklier en hare omgeving komt later ter sprake â verdient het coeloomepithelium bij konijnenembryo's van 12 â 15 dagen, in zijn geheel genomen, niet den naam van waar epithelium, in den zin van HErTwiÃ.
Wel brengt het waar epithelium voort. Bij een konijnenembryo van 14 dagen is het coeloomepithelium over een bepaalde kleine uitgestrektheid aanzienlijk hooger geworden dan het vroeger daar ter plaatse was; dit hoogere epithelium stulpt zich in en vormt den eersten aanleg van de Müllersche gang. En uit de Müllersche gang ontstaat, zooals bekend is, het trilhaardragende oylinderepithelium van het slijmvlies in tuba en uterus. Maar ik leg er den nadruk op, dat deze coeloomepitheliumcellen, voordat zij voor den aanleg van de Müllersche gang worden gebruikt, zich in geen enkel opzicht anders gedragen dan de cellen in haai' naaste omgeving, die later deel uitmaken van het buikvlies-epithelium.
Dergelijke bevindingen leiden er toe de echt-epitheliale elementen, voorzoover de cellenbekleeding van het coeloom die voortbrengt, te beschouwen als producten eener zeer bepaalde differentiatie der meer indifferente coeloomepitheliumcellen. Zeker heeft men niet het recht de woekeringsproducten van het coeloomepithelium, zooals de meeste schrijvers over liet eerste ontstaan van de geslachtsklier dit gedaan hebben, daarom als ware epithelium cellen te beschouwen, omdat z ij afstammelingen van het coeloomepithelium zijn.
Ik acht dit laatste het voornaamste resultaat van het in dit Hoofdstuk besproken onderzoek.
Kabi,,') een der beste kenners van de mesenchymvorming, wees eenige jaren geleden reeds op het gemengde karakter van de elementen, die het coeloom bekleeden. Door uitloopers met het onderliggend weefsel verbonden vereenigen zij in zich de eigenschappen van een epithelium met die van embryonaal bindweefsel. Aan de vrij liggende oppervlakte zijn deze elementen epithelium, aan de basale zijde bindweefselcellen: Rabl stelt voor ze âBindegewebsepithelienquot; te noemen. Hetzelfde geldt, volgens Rabl, van de uit het coeloomepithelium voortgekomen cellenbekleeding der weivliezen.
Het is voor mij zeer de vraag, of de epitheliumcellen van het buikvlies en de onderliggende bindweefselelementen bij de gewervelde dieren â over de streek van de fimbriae en van de geslachtsklier spreek ik voorloopig niet â wel ooit in zulk een scherpe tegenstelling tot elkander komen te staan, als Hertwig van âde vroegste ontwikkeling afquot; aanneemt. Ook heden ten dage zijn er nog verscheidene onderzoekers, die de epitheliumcellen van het buikvlies tot het bindweefsel rekenen en ze met His 2) als âbis zur Berührung aneinander gerückte Bindesubstanzzellenquot; opvatten.
') Rabl, Uebor dio Prinzipien der Histologie. Verb. d. Anat. Gesellsch. 3o Vers. Berlin, 1889. s) Arch. f. Anat. u. Pliys. 1882, S. 97.
- 78 -
Wat er over de regeneratie van deze cellen bekend is, laat zich met deze zienswijze goed vereenigen: Ran vier ^ en Dekhüyzen s) vonden beiden, dat het de onderliggende bindweefselcellen zijn, die de verdwenen epitheliumcellen vervangen. Elders beschrijft Eanvieb8), hoe bij kunstmatig opgewekte ontsteking aan de oppervlakte van het net bij cavia's en ratten het âendotheliumquot; zich zoodanig kan wijzigen, dat het een netwerk vormt van cellen, âsemblables aux cellules conjonctivesquot;, waaruit dan later weer een nieuw âendotheliumquot; geboren wordt.
De voorstanders van de echt-epitheliale natuur van het buikvliesepithelium beroepen zich gaarne op de bevinding van Neumann1), die aantoonde, dat bij de vrouwelijke geslachtsrijpe kikvorsch de âEndotheliënquot; der lichaamsholte zich over een bepaalde uitgestrektheid iu kubische tril haard ragende epitheliumcellen kunnen transformeeren. De juistheid van Neumann's ontdeking is door sommige schrijvers wel is waar betwist, maar van andere zijde is zij daarentegen weer nader bevestigd geworden. Hoe echter Neumann's uitspraak te rijmen met de bevindingen van Dekhüyzen, wiens onderzoekingen ook op de kikvorsch betrekking hadden? Immers âwas flimmert ist ein echtes Epithelquot; heeft His indertijd verklaard.
Ik zal deze kwestie niet nader vervolgen; ik wil er alleen op wijzen, dat mijns inziens de resultaten, waartoe Dekhüyzen kwam, niet onvereenigbaar behoeven te zijn met hetgeen Neumann vond. Hebben beiden gelijk dan volgt daaruit: 1°. dat de scherpe tegenstelling tusschen epithelium en onderliggend bindweefsel, waarvan Heetwig gewaagt, aan de oppervlakte der lichaamsholte bij de vrouwelijke kikvorsch zelfs op volwassen leeftijd nog niet is tot stand gekomen; en 2°. dat de cellenbekleeding der lichaamsholte bij de vrouwelijke rana, eveneens op volwassen leeftijd, nog het vermogen bezit over een groot deel der oppervlakte trilharen voort te brengen: een eigenschap, die het coeloom- en het daaruit voortgekomen buikvliesepithelium der zoogdieren slechts gedurende de periode der ontwikkeling van de geslachtsklier, en alleen in de naaste omgeving daarvan, ontvouwt.
1
) Neumann, Die Beziehungen des Plimmerepithels der Bauchhöhle zum Eileiterepithel beim Frosche. -Arch. f. Mikr. Anat. B. XI, 1875.
HOOFDSTUK IV.
I)e eerste stadiën in do Ontwikkeling der Gesiachtsklier bij liet Konijn, tot do differentiatie van het geslacht.
Embryo van 12 dagen.
Na afloop van den twaalfden dag der embryonale ontwikkeling is de aanleg der gesiachtsklier aan de medio-ventrale zijde der oernier duidelijk waar te nemen. De verhoudingen aan het proximale en aan het distale einde der zich ontwikkelende gesiachtsklier bieden verschillen aan, welke aan dwarse doorsneden met den eersten oogopslag zijn te herkennen. Aan het proximale einde is de aanleg der gesiachtsklier binnen het niveau van de oernieroppervlakte gelegen; denkt men zich hot weefsel aldaar weg, dan zou de oppervlakte van het Wolffsche lichaam op die plaats met een flauwe bocht naar binnen inspringen. Een weinig meer distaalwaarts verandert deze toestand; de oernieroppervlakte begint hier â zeer geleidelijk â kamvormig in de lichaamsholte uit te puilen (verg. fig. 8 en fig. 9 pi. I van een twee dagen ouder stadium).
Deze kamvormige weefsel verheffing â de door ons zoo genoemde geslachtskam â is tot aan het distale einde van den aanleg der gesiachtsklier zichtbaar en zet zich zelfs, waaide laatste reeds heeft opgehouden, nog een eindweegs over de oppervlakte der oernier voort.
Tusschen de beide zich ontwikkelende geslachtsklieren bevindt zich het weefsel, dat zich aan de basis van de radix mesenterii aansluit. Aan het proximale einde vrij breed, wordt dit weefsel distaalwaarts gaandeweg smaller, waardoor dus tevens de onderlinge afstand tusschen beide geslachtskammen in dezelfde richting geleidelijk afneemt.
Over den fijneren bouw van den aanleg der gesiachtsklier het volgende. In het kort gezegd bestaat deze uit een vaatvoerend mesenchymweefsel, bedekt dooi' woekerend coeloom-epithelium. Direct moet evenwel worden opgemerkt dat dit epithelium veelal zeer onduidelijk tegenover het mesenchym is gedifferentieerd; in dit opzicht wijkt de toestand niet af van die, zooals hij op vele punten elders aan de oppervlakte van het coeloom wordt aangetroffen (Hoofdstuk III).
Het epithelium woekert, zooals ten duidelijkst blijkt uit de talrijke mitosen, die het vertoont; de vermeerdering van cellen is hier zonder twijfel veel sterker dan aan de oppervlakte der lichaamsholte in de naaste omgeving van den aanleg der gesiachtsklier het geval is.
Bij de woekering van het coeloomepithelium ter plaatse van den aanleg dei geslachts-
â SO-
lclier zijn overigens dezelfde verschijnselen waar te nemen, als wij vroeger op andere plaatsen aan de coeloomoppervlakte hebben gezien. Op talryke punten treden de gevormde dochtercellen in het onderliggend weefsel1); waar de aanmaak van elementen bijzonder sterk is, kunnen zij met elkander kleine cellenstrengetjes vormen, welke overigens nergens scherp begrensd zijn tegenover de omgeving. Hier en daar kan men waarnemen, hoe de vermeerdering der aan de oppervlakte van de zich aanleggende geslachtsklier gelegen cellen de vorming van een 3 a 4 cellen hoog epithelium ten gevolge heeft, vrij scherp begrensd tegenover de onderlaag (zie links in fig. 6 pi. I). Maar dit hoog epithelium heeft slechts een zeer tijdelijk bestaan; het duurt niet lang of de basale grens wordt onduidelijk 1 terwijl de cellen één enkele massa gaan vormen met de onderliggende elementen (verg. links in fig. 6, voorbij de letter v). Als epithelium kan men daar weer hoogstens het rijtje van de meest oppervlakkig gelegene cellen beschouwen.
Wij zagen vroeger, hoe bijna ieder onderzoeker, die over het ontstaan van de geslachtsklier heeft geschreven, het gedeelte coeloomepithelium, dat den jongsten aanleg der geslachtsklier bedekt, als een z. g. waar epithelium beschrijft. Is het dit werkelijk? De afkomst van dit cellenlaagje geeft ons niet het middel aan de hand, om dit te beoordeelen; wel kan het coeloomepithelium z. g. ware epitheliumcellen voortbrengen, maar een cel is nog geen ware epitheliumcel, omdat zij tot het coeloomepithelium behoort. Alleen de wijze, waarop de nakomelingen van het epithelium, dat den aanleg der geslachtsklier omgeeft, zich bij voortgaande ontwikkeling gedragen, kan ons in deze tot richtsnoer strekken. Een afdoend antwoord op de bovenstaande vraag kunnen wij dus eerst later geven (Hoofdstuk V).
Beschouwen wij de zaak voorloopig alleen uit een zuiver anatomisch oogpunt, hoe verhouden zich dan de indringende epitheliumcellen tegenover de onderliggende mesenchym-elementen? De gelijkenis tusschen de eerste en de laatste maakt een beoordeeling van den toestand zeer lastig. De indruk, dien ik gekregen heb, is deze, dat de mesenchymcellen wijken voor de indalende epitheliumcellen, zóó, dat de eerste allengs worden teruggedrongen naar de basis en de zijkanten van den geslachtsklier-aanleg. Aan het proxhnale einde van den aanleg der geslachtsklier dringen de epitheliumcellen het verst door; hier vindt men ze over een bepaalde uitgestrektheid in onmiddellijk contact met de BowMAu'sche kapsel van het naastbijgelegene Malpighische lichaampje.
Overigens blijkt reeds voldoende uit fig. 6 pi. I, dat het door de woekering van het coeloomepithelium geleverde weefsel nog niet scherp te scheiden is van het omringende mesenchym; slechts door den grooteren cellenrijkdom, deels ook door de ietwat donkerder tint der celkernen doet dit weefsel zich als iets afzonderlijks tegenover de omgeving voor.
De geslachtsklier-aanleg bevat talrijke vaten, alle gebouwd als capillairen; haar vaten dringen tot zeer dicht onder de oppervlakte door.
Aan de basis van de zich ontwikkelende geslachtsklier vindt men het kapselepithelium der meest nabij gelegene Malpighische lichaampjes der oernier. Waar het naar den aanleg der geslachtsklier is gekeerd, bestaat dit kapselepithelium uit één enkele laag platte cellen, gelijkend op die, welke den wand der embryonale bloedvaten bekleeden; hier en daar is deze cellenlaag door protoplasma-uitloopers met het omringende mesenchym verbonden en
') Feitelijk ziet men dit alleen van de kernen. Donkt men zich evenwel iedere kern daarbij door haar territorium van protoplasma omgeven, dan kunnen wij gerust van cellen blijven spreken.
â 81 â
om die reden niet overal scherp te scheiden van het laatste. Maar zoo sterk als de woekering is aan de oppervlakte van den aanleg der geslachtsklier, zoo rustig blijft het kapselepitheliura. Een enkele maal stuit men op een mitose (zie fig. 6 pi. I), die evenwel uitsluitend met de vermeerdering der eigen elementen van deze cellenlaag in verband schijnt te staan. Ik heb mij er niet van kunnen overtuigen, dat het kapselepithelium in dit stadium eenig aandeel zou nemen aan de vorming van het weefsel der geslachtsklier.
Een enkelen keer treft men, in de buurt van de oppervlakte, tusschen de overigens niet van elkander verschillende elementen, waaruit de aanleg der geslachtsklier is opgebouwd, cellen aan, waarvan de kernen door haar bijzondere grootte én de bleeke tint, welke haar eigen is, in het oog vallen. Dit zijn sexuaalcellen (zie flg. 6 pi. I bij s). Nooit heb ik deze cellen onmiddellijk aan de oppervlakte van het coeloom waargenomen.
Bij eenig zoeken bemerkt men, dat er tusschen de kernen dezer cellen en die der omgeving geleidelijke overgangsvormen voorkomen. Ik wensch de sexuaalcellen te beschouwen als afstammelingen van het coeloomepithelium, welke op weg zijn zich in een zeer bepaalde richting te difterentiëeren.
Embryo's van 13 en 14 dagen.
De ontwikkeling heeft snelle vorderingen gemaakt en bij embryo's van 13 dagen is de oppervlakte der dwarse doorsnede door den geslachtskam reeds tweemaal grooter geworden dan in het vorige stadium. Die toeneming van weefsel is te danken aan een vermeerdering van alle elementen over de geheele uitgestrektheid van de zich ontwikkelende geslachtsklier; maar het grootste aandeel in den groei hebben de onmiddellijk aan de oppervlakte grenzende cellen genomen, welke ons de meeste mitosen te zien geven.
De grenzen van den aanleg der geslachtsklier tegenover het omgevende stroma zijn â hoewel nog verre van scherp â toch belangrijk duidelijker geworden. De mesenchym-kernen, welke de aan de basis van den geslachtsklier-aanleg gelegene BowMAN'sche kapsels begrenzen, hebben een meer langwerpigen vorm aangenomen, terwijl zij zich tevens met de lengte-as evenwijdig aan elkander en aan het kapselepithelium hebben gerangschikt. Op deze wijze heeft zich langs de kapsels een smal strorna-laagje gevormd, dat op menig punt rijk is aan â dikwijls vrij wijde â bloedvaten. De eerste sporen van dit proces zijn reeds op enkele sneden van het praeparaat van 12 dagen merkbaar (tig. 6 pi. I),
Behalve aan het proximale uiteinde van den geslachtsklier-aanleg, waar wij den toestand straks nader zullen bespreken, vindt men het eigenlijke specifieke weefsel der geslachtsklier zoodoende over de geheele lengte reeds vroeg duidelijk gescheiden van het epithelium der Bowman'scIib kapsels.
In het stadium van 13 dagen bestaat het specifieke weefsel der geslachtsklier in hoofdzaak uit één gelijkmatige massa van dicht op elkander gedrongen cellen, die slechts hielen daar kleine ruimten tusschen zich laten. Het is gebouwd als een uitermate kernenrijk mesenchym, zooals in de figuren 4 en 5 pi. I is afgebeeld. De cellen liggen niet geheel zonder regelmaat door elkander. Op enkele sneden is een strengvormige groepeering der cellen niet te miskennen. Aan dit verschijnsel moet mijns inziens niet meer waarde worden gehecht dan het verdient; dezelfde wijze van rangschikking der cellen kan men nu en dan ook elders onder de oppervlakte van de lichaamsholte op plaatsen, waar het mesenchym
ll
â 82 â
zeer cellenrijk is, waarnemen. Van eigenlijke cellenstrengen kan in dit studium nog moeilijk worden gesproken.
Nu en dan treft men tusschen de overigens ronde of licht ovale en onderling aan elkander gelijke celkernen van genoemd rnesenchym een enkele meer langgerekte kern aan, waarvan het gewoonlijk gemakkelijk is uit te maken, dat zij tot een capillair bloedvat behoort. Grootere vaten vindt men alleen in het de Bowman'scIib kapsels omgevende stroma; haarvaten vertakken zich tot dicht onder de oppervlakte van den aanleg der geslachtsklier.
De boven nader besproken cellenmassa steekt gedeeltelijk â als geslachtskam â boven de oppervlakte der oernier uit; aan de basale zijde reikt zij nog voor een deel in de substantie van het Wolffsche lichaam. Proximaalwaarts, waar de geslachtskam geleidelijk verdwijnt, wordt het stuk, waarmede de cellenmassa in de oernier uitsteekt, gaandeweg grooter en waar de geslachtskam geheel heeft opgehouden, bevindt zich de geheele geslachtsklier-aanleg feitelijk onder het niveau van de oppervlakte van het Wolffsche lichaam. Dit beneden het niveau der oernier-oppervlakte gelegene proximale uiteinde van den geslachtsklier-aanleg nu vertoont ons deze bijzonderheid, dat het cellen-rijke weefsel basaalwaarts onmiddellijk aan de kapsel van het naast-bijgelegene Malpighische lichaampje grenst; een dergelijk stroma-laagje als zich meer distaalwaarts tusschen beide heeft gevormd, is hier niet tot ontwikkeling gekomen.
De beelden, die de oppervlakte van den geslachtsklier-aanleg in het stadium van 13 dagen te zien geeft, zijn zeer wisselend. Op vele sneden mist men elk spoor van een epithelium; de aan de oppervlakte grenzende cellen onderscheiden zich in geen enkol opzicht van de dieper liggende. Dan weer doen zich de meest oppervlakkig gelegene cellen, door de donkerder tint harer celkernen of doordat zij op een grenslijntje rusten, als een afzonderlijk laagje aan ons voor. Vooral aan het proximale einde van den aanleg der geslachtsklier kan men waarnemen hoe dit epithelium hier en daar een weinig naar binnen inspringt; in het diepst van deze instulpingen is de vermeerdering der cellen gewoonlijk bijzonder sterk.
Soms is het epithelium over een kleine uitgestrektheid bijzonder hoog, zóó, dat het grootste gedeelte van den geslachtsklier-aanleg op die punten één enkele cellenlaag vormt. Dit moge fig. 7 pi. I verduidelijken, waar een gedeelte van den aanleg der geslachtsklier en een stuk van de radix mesenterii bij een embryo van 13 dagen is afgebeeld. Bezien wij, rechts boven in de figuur beginnend, de oppervlakte der plooi tusschen mesenterium en geslachtsklier, dan kan men aanvankelijk een uit één enkel cellenlaagje bestaand cooloom-epithelium onderscheiden, dat echter â ter hoogte van de sexuaalcel s â zich geheel met het onderliggend weefsel vereenzelvigt; verderop is het weer als afzonderlijke laag zichtbaar, tot het bij x wederom versmelt met het rnesenchym, waarop het rust. Op den aanleg der geslachtsklier overgaande ziet men hoe de meest oppervlakkig gelegen cellen vereenigd zijn tot een epithelium, dat zeer spoedig sterk in dikte toeneemt en (3 a 7 cellen hoog wordt; maar reeds een weinig verder is de basale grens van deze cellenlaag niet goed meer te onderkennen. Wil men verder nog van een epithelium spreken, dan kan men alleen het buitenste rijtje cellen met de donker gekleurde celkernen als zoodanig duiden.
De zooeven beschreven toestand herinnert, zooals men bemerkt, in vele opzichten aan hetgeen de figuren 2, 4 en 6 pi. I te zien gaven.
- 83 -
Wenden wij ons tot het stadium van 14 dagen (flg. 8 en 9 pi. I). De verhoudingen zijn niet aanmerkelijk gewijzigd. Ook hier vindt men op sommige sneden de meer oppervlakkig gelegen cellen tot een hoog epithelium vereenigd, dat zich kan voordoen als de voortzetting van de cellenlaag, welke de naburige oernieroppervlakte omgeeft. Maar gewoonlijk is het epithelium niet zoo hoog of ontbreekt het geheel.
Wij hebben thans molding te maken van een verschijnsel, dat zich reeds bij een embryo van 13 dagen begint te vertoon en, maar dat toch eerst bij een embryo van 14 dagen duidelijker aan het licht treedt. Men vergelijke flg. 8 en 9 pi. I. Eerstgenoemde figuur is ontleend aan een snede door het proximale uiteinde van den geslachtsklier-aanleg, flg. 9 is afkomstig van een coupe, slechts een weinig meer distaal waar ts genomen. In flg. 9 vinden wij de celkernen in de buurt van het kapselepithelium kleiner en donkerder van tint dan meer naar de oppervlakte der klier, zoodat wij het weefsel op deze hoogte kunnen verdoelen in twee partijen: in een grootere peripheer gelegen en een kleinere centrale zone, welke vrij geleidelijk in elkander overgaan. Distaalwaarts van de plek, waaraan flg. 9 is ontleend, steken beide zónen niet zoo duidelijk meer tegen elkander af; maar tot het distale einde blijft er verschil merkbaar. Proxi-maal ten opzichte van de snede van flg. 9 wordt de streek der grootere kernen gaandeweg smaller, en die der donkere, kleinere kernen naar evenredigheid breeder, tot aan het proximale uiteinde van den geslachtsklier-aanleg, waar het weefsel uitsluitend kleine donkere kernen bevat (flg. 8 pl. 1).
Het boven beschreven verschijnsel verdient onze volle belangstelling; zooals wij latei-zullen zien, staat het in nauw verband met de vorming van het rete testis en het rete ovarii.
Men kan er aan twijfelen of het stadium van 14 dagen nog tot de indifferente periode van de ontwikkeling der geslachtsklier mag gerekend worden.
Ik bezit hiervan twee exemplaren, die niet volkomen hetzelfde beeld aanbieden. Bij het eene embryo vind ik het weefsel, waaruit de aanleg der geslachtsklier bestaat, vrij wel op dezelfde wijze samengesteld als in het voorafgaande stadium; althans de verschillen zijn niet noemenswaard. Het tweede embryo geeft eenigszins andere verhoudingen te zien. Hier vind ik in de peripheer gelegene cellenzóne, waarvan hierboven sprake was en die de hoofdmassa van den geslachtsklier-aanleg uitmaakt, op verscheidene sneden een beginnende verdeeling van het weefsel in kleine strengetjes aangeduid, welke strengetjes door fijne grenslijntjes worden omgeven, in het verloop waarvan hier en daar enkele ovale kernen zichtbaar kunnen zijn. Wanneer wij nu bedenken, dat bij een één dag ouder embryo juist het duidelijk optreden van cellenstrengetjes in de peripheer gelegene cellenzóne den testis kenmerkt tegenover het ovarium, dan is het zeer waarschijnlijk te achten dat het eerst beschreven 14 daagsch exemplaar tot het vrouwelijk, het tweede tot het mannelijk geslacht behoort. Meer zekerheid daaromtrent kan natuurlijk slechts verkregen worden door een groot aantal embryo's van dezen leeftijd vergelijkend te onderzoeken. Ook Köllikek (67) vond reeds bij konijnenembryo's van 14 dagen het geslacht gedifferentieerd.
Over de wijze, waarop zich bovenbedoelde strengetjes en het weefsel er tusschen zich vormen, zal eerst in het volgende hoofdstuk nader worden gehandeld.
Aan het kapselepithelium der Malpighische lichaampjes heb ik, bij embryo's van 13â14 dagen, trots ijverig zoeken, geen teekenen van woekering kunnen bespeuren.
â¢v
- 84 -
Sexuaalcellen zijn in deze jonge ontwikkelingsstadiën nog zeer spaarzaam. Haar voorkomen is niet tot den aanleg van de geslachtsklier beperkt, zooals blijkt uit fig. 7 pi. I, waar wij een sexuaalcel aantreffen aan de oppervlakte van de radix mesenterii.
Resumeeren wij kortelings de voornaamste resultaten, waartoe wij in dit hoofdstuk gekomen zijn.
De eerste aanleg der geslachtsklier bestaat uit mesoblastcellen, welke deels een mesen-chymweefsel vormen, deels vereenigd zijn tot een epithelium, welke dit mesenchym bedekt. Mesenchym en epithelium zijn op tal van plaatsen slechts hoogst onvolkomen van elkander gescheiden. Er bestaat voor ons geen aanleiding om deze mesoblastcellen te verdeelen in ware epitheliumcellen en bindweefselcellen, al naarmate zij al of niet aan de oppervlakte van de lichaamsholte grenzen.
De elementen van het epithelium gaan zich sterk vermenigvuldigen. Heeft deze woekering eenigen tijd aangehouden, dan beginnen de aan de basis van den aanleg der geslachtsklier gelegen cellen zich langzamerhand duidelijk van de overige mesoblastcellen te onderscheiden. De eerste vormen den moederbodem van het aan de basis der klier gelegene bindweefselstroma â dat aan het proximale uiteinde der klier voorloopig nog ontbreekt de andere vormen een cellenrijk mesenchym, dat in den beginne tegenover het basale stroma over het algemeen weinig scherp is afgebakend. De het dichtst aan de oppervlakte liggende elementen van dit mesenchym kunnen al of niet tot een afzonderlijke laag vereenigd zijn; dit is een verschijnsel voor het wezen der zaak van ondergeschikt belang.
Voordat het verschil in geslacht voor ons zichtbaar wordt, differentieert zich het bedoelde cellenrijke mesenchym - een woekeringsproduct van het coeloomepithelium â in een oppervlakkig gelegene cellenzone, met groote lichtgekleurde kernen, en in een zich basaalwaarts daarvan aansluitend gebied, waarvan de kernen kleiner zijn en donkerder gekleurd dan in de periphere zóne. De overgang tusschen beide is geleidelijk.
De differentiatie is het duidelijkst waar te nemen aan het proximale einde van den aanleg der geslachtsklier; geheel proximaal bevat het cellenrijke weefsel - dat hier in onmiddellijk contact staat met het kapselepithelium â uitsluitend de kleinere, donkerder gekleurde kernsoort.
H O O F D S T U K V.
De O ut wi li k el i i igsgescli i elt;l en i s vim den Testis bij liet Konijn.
Embryo's van 15, 16 en 18 dagen.
De zaadbuisjes.
Wat ons bij de beschouwing van den geslachtsklier-aanieg van een embryo van 15 dagen het eerste treft, is, dat de strengvormige groepeering der cellen in de peripheer gelegene cellenzöne â die wij hier voortaan als het gebied der zaadbuisjes zullen aanduiden â veel scherper uitkomt dan voorheen.
Wel is nog niet overal het verschijnsel even goed waarneembaar. Er zijn sneden, waar wij over de geheele uitgestrektheid van het gebied der zaadbuisjes slechts sporen van dit proces aantreffen en waar het weefsel nog vrij wel het voorkomen heeft van één gelijkmatige mesencbymateus gebouwde cellenmassa. Op de meeste sneden evenwel treedt de bovengenoemde eigenaardige cellengroepeering, zoo niet overal, dan toch op bepaalde punten van het gebied, vrij duidelijk aan het licht.
Het fraaist zijn de beelden gewoonlijk in het dieper gelegene gedeelte van het gebied der zaadbuisjes, waar dit grenst aan de centraal gelegene cellenzöne met de donker gekleurde, kleine kernen, welke wij in bet vorige hoofdstuk beschreven; dichter naar de oppervlakte van den geslachtsklier-aanieg is de strengvormige rangschikking der cellen veel minder sterk uitgedrukt. Op het gedrag dezer meer oppervlakkig gelegene cellen komen wij straks nader terug.
Slechts daar, waar het proces het verst is gevorderd â dus voornamelijk in de buurt van de basale grens van het gebied â, steken de in strengvorm gegroepeerde cellen voldoende tegenover de omgeving af om van echte cellenstrengen te spreken. Deze laatsten zijn de voorloopers der zaadbuisjes; wij zullen ze in het vervolg als embryonale zaadbuisjes betitelen.
Wat scheidt nu de pas aangelegde embryonale zaadbuisjes van elkander? Het kan zijn, dat wij op de grens tusschen beide slechts een enkel fijn grenslijntje vinden. Dit laatste â de doorsnede van een grensmembraan â moet naar onze meening worden opgevat als een product van dezelfde cellen, waaruit de embryonale zaadbuisjes zich opbouwen; het ontstaat in loco door differentiatie uit het celprotoplasma. Later zullen wij van hetzelfde proces â de differentiatie van grensmembranen tusschen afstammelingen van het coeloomepithelium â
nog meermalen voorbeelden ontmoeten. Fraai neemt men dit verschijnsel somtijds waar aan het epithelium der Graafsche follikels bij verschillende zoogdieren (konijn, kat, mensch enz.), welke cellenlaag langs dezen weg niet zelden in verschillende kleinere groepen wordt verdeeld. Hiervan kan men zich overtuigen ook bij volkomen normale follikels, welker epithelium over den geheelen omtrek scherp is gescheiden van het omringende bindweefsel-stroma, zoodat aan een eventneel ingroeien van het laatste niet te denken valt.
Een enkele maal wordt de scheiding der embryonale zaadbuisjes door een capillair bloedvat bewerkt. Zeer gewoon is het verder, dat wij tusschen de pas aangelegde strengetjes enkele cellen aantreffen, waarvan de kernen geheel hetzelfde voorkomen hebben als de kernen der strengetjes zelf. Ik beschouw deze elementen als cellen, welke vroeger deel uitmaakten van het weefsel, waaruit het gebied der zaadhuisjes is samengesteld, maar die niet tot de vorming van strengen zijn gebruikt. Oorspronkelijk hebben zij dus volkomen dezelfde waarde als de cellen, die de embryonale zaadbuisjes opbouwen. Aan geschikte sneden kan men nagaan, hoe dergelijke cellen met het mesenchym, waar dit nog niet behoorlijk in strengen is verdeeld, één enkele samenhangende massa uitmaken. Het voor ons waarneembare onderscheid tusschen de cellen der embryonale zaadbuisjes en die, welke er tusschen gelegen zijn, bepaalt zich in gevallen als de laatst bedoelde, hoofdzakelijk tot een verschil in rangschikking der celkernen. In het tusschengelegene weefsel vindt men de kernen meestal min of meer evenwijdig aan elkander in één bepaalde richting gegroepeerd, zóó dat het weefsel in zijn structuur zeer veel gelijkenis kan vertoonen met het embryonale bindweefsel aan de basis van den geslachtsklier-aanleg. Alleen zijn de kernen van de tusschen de embryonale zaadbuisjes gelegene cellen over het algemeen iets grooter.
Ik heb mij er nergens met zekerheid van kunnen overtuigen, dat tusschen de pas aangelegde strengetjes in dit stadium bindweefsel van elders was ingegroeid; zoo het dit al doet, dan geschiedt het zeker nog slechts op zeer beperkte schaal. Ter verduidelijking van een en ander, moge fig. 10 pl. 11 dienen. Deze afbeelding is ontleend aan een testis van een embryo van 15 dagen. Het proces van strengvorming vertoont zich op deze snede nog in het beginstadium. Boven in de figuur ziet men van een bijzondere groepeering der cellen niet bijzonder veel; in de benedenhelft vindt men enkele dwars doorgesneden strengetjes, waarvan die bij t. sem.quot; het best tegenover de omgeving afsteekt. De met t. sem.' aangeduide doorsnede wordt rechts boven omgeven door een strookje cellen (sir.), die vermoedelijk niet tot de vorming van strengetjes zullen worden gebruikt en die het weefsel helpen vormen, dat vele der pas aangelegde embryonale zaadbuisjes van elkander scheidt.
Uit deze waarnemingen volgt dus, dat de tubuli seminiferi zich opbouwen uit de cellen, welke de vroeger beschreven periphere zöne van de indifferente geslachtsklier uitmaken; de vorming der zaad buisjes is niet anders dan een functie van deze cellen.
Wat wordt er van de elementen der periphere cellenzóne, die niet tot de vorming van embryonale zaadbuisjes worden verbruikt en tusschen deze laatste blijven liggen? Het intertubulaire bindweefsel, is men geneigd te denken. Om met recht te kunnen beweren, dat uit deze cellen, en uit deze cellen alleen, het tusschen de zaadbuisjes gelegene bindweefselstroma voortkomt, zal men twee dingen hebben aan te toonen: 1°. dat deze elementen inderdaad bindweefsel leveren, en 2°. dat geen bestaand bindweefsel van elders tusschen de zich ontwikkelende zaadbuisjes ingroeit.
â 87 â
De feiten pleiten er niet voor, dat het laatste het geval zou zijn. Dit blijkt reeds in een één dag ouder ontwikkelingsstadium, bij een embryo van 16 dagen. De zaadbuisjes doen zich hier voor als gekronkelde cellenstrengen, die door onderlinge anastomosen tot een netwerk vereenigd zijn; zij bevatten, tamelijk licht gekleurde celkernen, rond of licht ovaal van vorm, onderling weinig in grootte verschillend en door vrij veel protoplasma omgeven, zonder zichtbare celgrenzen. Op dezen leeftijd nu kan men op verscheidene punten uitloopers van het aan de basis van den testis gelegene bindweefsel een eindweegs tusschen de embryonale zaadbuisjes vervolgen.
Het in dit stadium tusschen de strengetjes gelegene weefsel bestaat, naar onze meening, uit vaten, uit ingegroeid bindweefsel en uit de niet tot de vorming van strengetjes gebruikte cellen van de periphere cellenzóne der indifferente geslachtskiier. Of deze laatste elementen een duurzaam bindweefsel leveren, durf ik niet zeggen. Y/el vermoed ik, dat er onder deze cellen verscheidene zijn, welke spoedig verdwijnen. Men vindt althans bij een embryo van 16 dagen in het intertubulaire weefsel vrij veelvuldig brokstukken van chromatine, die waarschijnlijk voor een groot deel van de kernen der bedoelde cellen afkomstig zijn.
Een dergelijke moeilijkheid, als wij bij de bespreking van het ontstaan van het intertubulaire bind weefsel troma hebben leeren kennen, doet zich aan ons voor, wanneer wij den oorsprong van de tunica albuginea testis nagaan. Daarover het volgende.
Wij wezen er boven reeds met een enkel woord op, hoe in het stadium van 15 dagen, de vorming van strengen in het gebied der zaadbuisjes in de nabijheid der oppervlakte minder duidelijk aan het licht trad, dan in het meer basale gedeelte van het gebied. Waar ook al op enkele punten tot onmiddellijk onder de oppervlakte der buikholte behoorlijke strengen worden aangelegd, zoo schijnt de karakteristieke rangschikking der celkernen hier toch gewoonlijk niet va n blij venden aard te zijn. Op geschikte sneden door oen klier van 15 dagen bemerkt men althans, waar de ontwikkeling het verst is gevorderd, in de onmiddellijke nabijheid der oppervlakte geen spoor van strengen. Wel kan men hier iets anders waarnemen. Niet zelden vindt men op deze hoogte de ovale celkernen met de langste as evenwijdig aan den omtrek van de klier gerangschikt. Zoodoende vormen deze meer oppervlakkig gelegene cellen met elkander een smalle zóne, die wel is waar niet scherp te scheiden is van de dieper liggende elementen, maar die toch door de eigenaardige groepeering barer celkernen als iets bijzonders begint af te steken tegenover het overblijvende stuk van het gebied der zaadbuisjes. Hier en daar hebben zich de onmiddellijk aan de oppervlakte gelegene cellen als een afzonderlijk rijtje door een fijn grenslijntje van de andere afgescheiden; zij vormen den eersten aanleg van het testis-epithelium. Op andere punten maken de aan de buikholte grenzende cellen nog één geheel uit met de onderliggende elementen; de scheiding komt hier eerst later tot stand (verg. fig. 10 pl. H).
Bezien wij thans een testis van een één dag ouder ontwikkelingsstadium (16 dagen). Het gebied der zaad buisjes reikt hier nergens meer tot aan de oppervlakte van de geslacht skiier; het is daarvan gescheiden door een uitermate kernen-rijke stroma-laag, die zelf weer door bet één cel hooge testis-epithelium wordt bekleed.
De genoemde stromalaag, die het gebied der zaadbuisjes â voorzoover dit naar de oppervlakte is gekeerd â als een mantel omhult, stelt ons den aanleg der tunica albuginea testis voor.
Vergelijken wij het beschreven beeld van het stadium van 16 dagen met hetgeen een embryo van 15 dagen ons toonde, dan dringt zich de vraag aan ons op, of de tunica albu-
â 88 â
ginea testis zich wellicht geheel opbouwt uit de meer oppervlakkig gelegene cellen van het gebied der zaadbuisjes, d. w. z. ter plaatse ontstaat uit dezelfde cellen dus, waaruit dieper de embryonale zaadbuisjes hun oorsprong nemen.
AVij kunnen deze vraag niet toestemmend beantwoorden. Naar onze overtuiging is bij den aanleg der tunica albuginea wel degelijk van elders komend bindweefsel werkzaam. In het stadium van 15 dagen heb ik op meer dan één snede den indruk gekregen of van het basaal en zijwaarts van den aanleg der geslachtsklier gelegen embryonale bindweefsel uitloopers afgaan, die dicht onder de oppervlakte der klier en evenwijdig daarmede, een eindweegs het gebied der zaadbuisjes binnendringen. In dezelfde richting verspreiden zich ook vertakkingen van bloedvaten. Of daarnevens zich ook bindweefsel in loco vormt, moet ik in het midden laten. Het is moeilijk aan te nemen, dat de tot op zekere diepte onder de oppervlakte evenwijdig aan den omtrek der klier gerangschikte eigen cellen van het gebied der zaadbuisjes, zooals wij die bij een embryo van 15 dagen beschreven, in een één dag ouder ontwikkelingsstadium spoorloos zouden verdwenen zijn. Ik moet het er voor houden, dat de aanleg der tunica albuginea, evenals het weefsel tusschen de embryonale zaadbuisjes, aanvankelijk, naast bindweefsel van elders ingegroeid, ook vele cellen bevat van het gebied der zaadbuisjes zelf afkomstig. Maar of deze laatste inderdaad een bl ij vend bindweefsel vormen, waag ik, zoo a Is gezegd, niet te beslissen. Bezien wij de zaak van een theoretisch standpunt, dan is, gelet op de resultaten, waartoe wij in Hoofdstuk III zijn gekomen, de veronderstelling, dat deze afstammelingen van het coeloomepithelium zich tot bindweefselbestanddeelen zouden transformeeren, volstrekt niet ongerijmd.
Voorzoover de ontwikkelingsgeschiedenis van den testis ons tot nog toe daarover heeft ingelicht, kunnen wij dus aangaande de natuur der cellen, waaruit de periphere zone van de indifferente geslachtsklier is opgebouwd, het volgende verklaren:
Zeker is, dat deze elementen klier epithelium â echt epithelium in den zin van Hert wig â voortbrengen. Twijfelachtig is gebleven, of zij ook bindweefsel produceer en; maar wij hebben voorloopig niet het recht te zeggen, dat zij het vermogen daartoe missen. Een theorie, die met deze mogelijkheid geen rekening houdt of haar a priori verwerpt, berust, mijns inziens niet op voldoend vasten grondslag.
Ik herinner hier aan het standpunt van Mihalkovios, ten opzichte van het ontstaan der zaadbuisjes en van het tusschenliggend weefsel. Volgens Mihalkovics bestaat de jongste aanleg dor geslachtsklier uit mesenchym, bedekt door coeloomepithelium; beide bestanddeelen zijn niet anatomisch, maar wel ten opzichte der functie scherp te scheiden: het mesenschym brengt alleen bindweefsel, het coeloomepithelium uitsluitend z. g. echt-epitheliale elementen voort. Naarmate nu de ontwikkeling vordert, vermengen zich de cellen van het woekerend coeloomepithelium zeer innig onder de lager gelegene mesenchymelementen; het resultaat is, dat het weefsel der geslachtsklier op een gegeven oogenblik zoo goed als geheel bestaat uit een voor ons waarnemingsvermogen homogene cellenmassa.
Nu komt de tijd, dat in dit weefsel de gevolgen van een differentiatieproces zichtbaar worden. Er zijn cellen, die zich tot strengen groepeeren, terwijl andere cellen een steunend netwerk vormen, in welks mazen eerstgenoemde strengen liggen besloten. De strengen worden tot zaadbuisjes, het steunend netwerk is de eerste aanleg van het intertnbulaire bindweefsel.
- 89 -
Het differentiatieproces heeft voor Mihalkovics niet deze beteekenis, dat hierbij oorspronkelijk indifferente cellen zich in twee richtingen verder ontwikkelen, maar wel dat twee functioneel verschillende soorten van cellen, die vóór dien tijd door de gewone onderzoekingsmethoden niet van elkander waren te onderscheiden, thans een verschillend voorkomen aannemen en zoodoende aan haar uiterlijk kunnen worden herkend.
Is het Mihalkovics gelukt zijn beweringen met bewijzen te staven? Mij dunkt. neen. Genoemde schrijver beroept zich op de leer van het archi- en parablast, een leer, die wij, in den vorm waarin Mihalkovics er zich van bedient, niet meer als juist kunnen erkennen (verg. bi. 70). Maar afgezien daarvan, hebben wij bedenkingen tegen Mihalkovics' opvatting over de samenstelling van het gebied der zaadbuisjes. Naar onze meening bestaat dit laatste uit één zelfde soort van cellen, aanvankelijk volkomen gelijkwaardig en alle geheel op dezelfde wijze uit het woekerend coeloomepithelium voortgekomen. Leveren sommige elementen in dit gebied der zaadbuisjes bindweefsel â hetgeen wij nog niet voor bewezen houden â dan mag men dit niet zóó beschouwen, alsof reeds bestaande bindweefselcellen nu eerst als zoodanig voor ons waarneembaar worden; maar wij hebben dan een proces voor ons, waarbij voorheen meer indifferente cellen zich in een zeer bepaalde richting verder differentiëeren.
Doorloopen wij nog even de andere theoriën, welke ten opzichte van het ontstaan der zaadbuisjes bij de zoogdieren door de verschillende schrijvers verkondigd zijn (verg. bl. 30 e. v.).
Dat de zaadbuisjes der zoogdieren niet van de oernier zijn af te leiden, daarover kan tegenwoordig niet meer de minste twijfel bestaan. Deze zienswijze heeft heden ten dage alleen nog historische beteekenis. Zoover het gebied der zaadbuisjes zich uitstrekt, overal vinden wij de basale grens van den beginne af op een bepaalden afstand verwijderd van het kapselepithelium. Bovendien hebben wij, voordat de aanleg der zaadbuisjes zichtbaar wordt, aan dit kapselepithelium geen spoor van woekering kunnen ontdekken.
Volgens Egli en Nagel zouden de zaadbuisjes zich aldus aanleggen, dat het aan de basis van den geslachtsklier-aanleg gelegene bindweefsel in het verdikte âkiemepitheliumquot; dringt en dit gaandeweg in kleinere brokstukken verdeelt. Ik kan mij met deze zienswijze niet vereenigen. De wording der zaadbuisjes is, volgens mij, het resultaat van de eigen werkzaamheid der cellen, waaruit zij zich opbouwen. Eerst als zij eenmaal aangelegd zijn, groeit het bindweefsel er tusschen. Janosik neemt aan, dat de voorloopers der zaadbuisjes als cellenstrengetjes van het coeloomepithelium in de zich aanleggende geslachtsklier groeien. Mijns inziens steunt ook deze opvatting niet op goede gronden. Wel kunnen zich, zooals wij vroeger zagen , bij de woekering van het coeloomepithelium boven den geslachtsklier-aanleg kleine, gewoonlijk niet scherp begrensde cellenstrengetjes vormen; maar in den regel verliezen deze al zeer spoedig hun zelfstandigheid en lossen zij zich op in mesenchymweefsel. Het beschrevene is een zeer gewoon voorkomend verschijnsel aan het woekerend coeloomepithelium in het algemeen eigen en niet kenmerkend voor het gedeelte, dat tot den aanleg der geslachtsklier behoort. Met de vorming der zaadbuisjes staat het niet in onmiddellijk verband.
Bij den aanleg der zaadbuisjes, zoo luidde onze uitspraak, zijn alleen de cellen zelf, waaruit zij hun oorsprong nemen, werkzaam. In dit opzicht moet ik mij aansluiten bij Sghulin, die hetzelfde standpunt inneemt. Maar deze schrijver gaat, naar ik meen, te ver, wanneer hij ook het intertubulaire stroma geheel en al als ter plaatse ontstaan wil
12
- 90 -
beschouwen. Want dat er ook werkelijk bindweefsel tusschen de eenmaal aangelegde strengetjes ingroeit en niet alleen vaten, valt moeilijk te betwijfelen. Dat ook cellen van het gebied der zaadbuisjes zelf tot blijvende bindweefselbestanddeelen worden, acht ik daarentegen, zooals gezegd, zeer goed mogelijk; maar de bewijzen daarvoor moeten nog geleverd worden.
De opvatting van Prenant (99), die meent dat de zaadbuisjes ontstaan door differentiatie uit een mesenchym, dat van het coeloomepithelium volkomen onafhankelijk is, moet mijn inziens â wat het konijn betreft â beslist onjuist worden genoemd. Bedoeld mesenchym is niet anders dan een product van het coeloomepithelium. In het algemeen is de kwestie, of de meest oppervlakkig gelegen elementen van het gebied der zaadbuisjes al of niet tot een afzonderlijke laag vereenigd zijn, een zaak van zeer ondergeschikt belang; bij een embryo van 15 dagen is op de meeste punten een testis-epithelium nog niet
duidelijk waarneembaar.
Ook de op bl. 86 vermeide uitspraak van Kölliker zou tot misverstand aanleiding kunnen geven. De zaadbuisjes zijn wel degelijk afkomstig van het âPeritoneal-epithel ; zij zijn alleen niet als strengvormige woekeringen van dit laatste te beschouwen.
Voor het stadium van 18 dagen vergelijke men de figuren 16 en 17 pi. Ill, dwarse doorsneden door het proximale gedeelte van den testis, op korten afstand van elkander genomen. Aan de zijkanten der klier is het epithelium voor een groot deel reeds geheel plat geworden, niet te onderscheiden van de cellenbekleeding, die de buikholte in de naaste omgeving begrenst. Het langst blijven de epitheliumcellen de hooge gedaante behouden aan het meest vooruitstekende gedeelte van den geslachtskam, diametraal tegenover de basis; zelfs bij liet pasgeboren konijn is tiet epithelium hier nog niet zoo plat als elders. Een enkele maal stuit men in deze streek op een epitheliumcel, die zich van de naburige onderscheidt door haar grootere kern, welke gelijkt op die der spermamoedercellen in haar eerste ontwikkelingsstadiën (zie fig. 17 bij a).
Bij een embryo van Ifi dagen kan men tusschen de embryonale zaadbuisjes steik uitgezette bloedvaten aantreffen; soms stuit men daar op groote bloedhoudende holten, welke meer dan de helft van het gebied der zaadbuisjes in beslag kunnen nemen. Dergelijke groote bloedhoudende ruimten zijn op dezen leeftijd verdwenen. De embryonale zaadbuisjes hebben zich voor het meerendeel zóó gerangschikt, dat zij met hun centrale uiteinden convergeeren naar het midden der basale grens van het door hen ingenomen gebied. Basaal waarts van het gebied der zaad buisjes ligt de aanleg van het vete testis, dat, aan het proximale einde der klier, onmiddellijk tegen het kapselepithelium van de naastbijliggende Malpighische lichaampjes aansluit (lig. 16), maar meer distaal daarvan door bindweefsel blijft gescheiden (fig. 17). Zooals ook uit de figuren blijkt, .onderscheiden zich de celkermen in den aanleg van het rete testis voor ons oog door twee eigenschappen van die der embryonale zaadbuisjes: door de mindere grootte en de ietwat donkerder tint. Laatstgenoemd verschil treedt echter niet overal even duidelijk op den voorgrond.
Het rete testis.
Wij herinneren er aan, hoe bij een embryo van 14 dagen het meest proximale gedeelte van den aanleg der geslachtsklier werd ingenomen door een cellenrijk weefsel met donker
- 91 â
gekleurde kleine kernen; een weefsel, waarvan de voortzetting meer distaalwaarts zich aansloot aan de basis van de peripheer gelegene cellenzöne (fig. 8 en fig. 9 pl. 1). In het stadium van 15 dagen, wanneer laatstgenoemde cellenzöne tot het gebied der zaadbuisjes geworden is, vinden wij aan het proximale einde en verder aan de basale grens van dit gebied bovengenoemd weefsel terug.
Vervolgt men het lot van dit weefsel in oudere ontwikkelingsstadiën, dan kan men er zich zonder veel moeite van overtuigen, dat het den moederbodem vormt, waaruit het rete testis zijn oorsprong neemt. Wij zullen het voortaan het rete-hlasteem noemen.
Bespreken wij eerst de verhoudingen aan het proximale uiteinde van den testis, ter hoogte, waar het gebied der zaadbuisjes heeft opgehouden. quot;Wat meer distaalwaarts met het gebied der zaadhuisjes geschiedde, grijpt aan het proximale einde van den geslachts-klier-aanleg met het rete-blasteem plaats; ook hier vormt zich een bindweefsellaag, waardoor het rete-blasteem â dat op deze hoogte tot de oppervlakte reikte en één geheel uitmaakte met de aan het coeloom grenzende cellen â spoedig zoo goed als geheel van de oppervlakte wordt gescheiden. Slechts op enkele punten blijft nog gedurende korten tijd een verbinding bestaan tusschen het rete-blasteem en de aan de oppervlakte gelegen cellen, welke, tot een afzonderlijk laagje vereenigd, het daaronder gelegen bindweefsel voortaan als epithelium bekleeden. Dit epithelium gaat distaalwaarts geleidelijk in het testis-epithelium over.
De oorsprong van de beschreven bindweefsellaag is niet zoo gemakkelijk na te gaan; vermoedelijk zijn hier dezelfde factoren in het spel als bij den aanleg der tunica albuginea: eensdeels schijnen de moer oppervlakkig gelegen cellen van het rete-blasteem op verschillende punten het uiterlijk van de naburige bindweefselcellen aan te nemen, van den anderen kant komt het mij voor, dat ook al zeer spoedig bestaand bindweefsel van ter zijde zich meer en meer onder de oppervlakte voortschuift. Of de bovenbedoelde cellen van het blasteem werkelijk een duurzaam bindweefsel voortbrengen, blijft ook hier een open vraag.
Bij een embryo van 16 dagen is de toestand aan de oppervlakte van het proximale uiteinde van den geslachtsklier-aanleg nog niet stabiel (flg. 12 pl. II). De epitheliumcellen zijn nog niet tot rust gekomen; men krijgt den indruk, of vele nog in het onderliggend weefsel indringen. Deels mogen deze elementen zich nog bij het rete-blasteem voegen, voor een deel helpen zij misschien de bestanddeelen van het bindweefsel vermeerderen (men vergelijke het ondereinde der figuur).
In het stadium van 18 dagen heeft de woekering van het epithelium op deze hoogte nagenoeg geheel opgehouden. Het is overal vrij scherp gescheiden van het onderliggend bindweefsel; op enkele punten hangt het nog met het rete-blasteem samen. Men kan zich den toestand op dezen leeftijd gemakkelijk voor den geest roepen, wanneer men in fig. 16 pl. Hl, ontleend aan een snede dicht bij het proximale uiteinde der klier, zich het gebied der zaadbuisjes met de tunica albuginea vervangen denkt door één enkel bindweefsellaagje, bedekt door hetzelfde epithelium, dat nu de tunica albuginea omgeeft. Distaalwaarts sluit het rete-blasteem zich aan de basale zijde van het gebied der zaadbuisjes aan, waar tegenover het bij voortgaande ontwikkeling al beter en beter begint af te steken (fig. 17 pl. III).
Tegenover het omringende bindweefselstroma zijn de grenzen van het rete-blasteem aanvankelijk, b. v. bij een embryo van 15 dagen, uitermate vaag. Op menig punt krijgt
- 92 -
men den indruk, alsof het blasteem naar de zijde van het bindweefsel langzamerhand van karakter verandert en geleidelijk in het naburige stroma overgaat. Naarmate de ontwikkeling vordert, krijgt het blasteem scherpere omtrekken en in het stadium van 18 dagen (fig. 16 en 17 pl. 111) zijn de grenzen tegenover het omgevende bindweefselstroma vrij scherp af te bakenen.
In de distale helft van den testis vindt men in dit stadium nog slechts enkele sporen van het rete-blasteem; in aanleg is het evenwel tot aan liet distale einde aanwezig en bij een embryo van 20 dagen zijn de rudimenten er van op deze hoogte nog duidelijk waar te nemen.
De bouw van het weefsel, waaruit het rete-blasteem bestaat, is moeilijk nauwkeurig te omschrijven; het meest gelijkt het nog op een uitermate cellenrijk bindweefselstroma. De kernen zijn klein, over het algemeen vrij donker gekleurd, rond of licht ovaal van vorm; zij kunnen zich ook als kleine staafjes voordoen. Het weefsel bevat vaten, die uit niets anders bestaan dan uit een enkelen wand van epitheliumcellen.
Tegen den tijd, waarop de aanleg van het rete wat scherper begint af te steken tegenover het aangrenzende stroma (na liet stadium van 16 dagen), bemerkt men, hoe hier en daar fijne uitloopers van dit stroma het blasteem binnendringen. Toch zij men voorzichtig om, waar men in het blasteem stuit op cellen of smalle cellenstrooken, die het karakter vertoonen van het naburige bindweefsel, deze elementen alle te beschouwen als van de omgeving te zijn ingegroeid; want de cellen van het blasteem zelf kunnen volkomen denzelfden vorm aannemen. Meestal is het niet goed uit te maken, waarmede men op een gegeven punt te doen heeft. Bij een embryo van 1(5 dagen bespeurt men op verschillende sneden de sporen van een strengvormige rangschikking der elementen, welke het blasteem opbouwen. Vooral tusschen twee bloedvaten groepeeren de cellen zich gaarne op deze wijze. In het stadium van 18 dagen is dit verschijnsel reeds veel beter merkbaar; op enkele sneden treden hier de strengvormig gegroepeerde cellen zoo duidelijk op den voorgrond, dat men van afzonderlijke strengetjes kan spreken (verg. fig. 16 pl. 111).
Bij voortgaande ontwikkeling dringt dus bindweefsel in het rete-blasteem door; ook omgekeerd groeit het laatste hier en daar in het omgevend stroma uit. Voornamelijk aan het proximale einde van den geslachtsklier-aanleg kan men zich er van vergewissen, hoe op enkele punten vrij lange strengvormige uitwassen van de hoofdmassa van het rete-blasteem in het omringend bindweefsel afgaan, welke diep in de substantie van de oernier kunnen doordringen, om in de buurt van een BowMAN'sche kapsel te eindigen. Dergelijke verlengsels schijnen zich ook geheel van de hoofdmassa van het blasteem te kunnen losmaken. Men vindt ten minste hier en daar in de omgeving van den aanleg van het rete enkele brokstukken van hetzelfde weefsel, die met het laatste zelf niet in verband staan.
Wij zagen vroeger, hoe alleen aan het proximale einde der geslachtsklier de aanleg van het buizennet zich in contact bevindt met de BowMAN'sche kapsels. Behalve daar, waar het kapselepithelium in min of meer tangentiale richting door de snede is getroffen â waardoor een juiste beoordeeling van den toestand niet goed mogelijk is â zijn in de thans behandelde ontwikkelingsstadiën het rete-blasteem en het kapselepithelium aan hot proximale einde gewoonlijk goed van elkander te onderscheiden (verg. lig. 12 pl. II en 16 pl. III; in het praeparaat, waaraan lig. 13 pl. 11 is ontleend, was de afscheiding ook vrij duidelijk; de teekening geeft in dit opzicht niet volkomen den werkelijken toestand weer).
- 93 -
Dit geldt zoowel voor het mannelijk als ook voor het vrouwelijk geslacht (fig. 18 pi. III), want â het zij nu reeds gezegd â de ontwikkeling van het rete ovarii is in alle opzichten homoloog met die van het rete testis. Meestal bestaat het kapselepithelium op de plaatsen van contact uit één enkele laag van platte cellen zooals in fig 16 is weergegeven. Soms zijn de cellen iets hooger (fig. 18). Hier en daar evenwel is ook op volkomen dwarse doorsneden de grens tusschen kapsel en aanleg van het rete niet aan te geven; beiderlei bestanddeelen zijn zóó innig met elkander verbonden, dat een afzonderlijk epithelium op die bepaalde punten ontbreekt. Men krijgt beelden onder de oogen, zooals men die niet anders zou verwachten, wanneer het rete-blasteem inderdaad uit het kapselepithelium zijn oorsprong had genomen. Nu wij weten, dat dit laatste niet het geval is, moet de bedoelde samenhang tusschen de kapsel en den aanleg van het rete-blasteem secundair, d. i. door vergroeiing, tot stand zijn gekomen. Een paar malen vond ik een kapsel op de verbindingsplaats met den aanleg vau het rete lichtelijk uitgestulpt.
Volgens de door ons gegeven voorstelling omtrent de ontwikkeling van het rete-blasteem, is dit laatste â en dus ook het rete dat er met-tertijd uit ontstaat â een product van het coeloomepithelium.
⢠Met deze verklaring kom ik in tegenspraak met nagenoeg alle onderzoekers, die zich met de wording van bet rete hebben bezig gehouden en die het, bijna zonder uitzondering, van de oernier trachten af te leiden (verg. bi. 37 e. v.). Alleen Janoöik liet, in navolging van Egli, het rete uit de zaadbuisjes ontspruiten. Deze zienswijze is beslist onjuist. De eerste sporen van het blasteem worden tegelijkertijd met het eerste optreden van het gebied der zaadbuisjes zichtbaar en van den beginne af hebben de elementen, waaruit het rete-blasteem is opgebouwd, een ander voorkomen dan de cellen der toekomstige zaadbuisjes.
Uit de zaadbuisjes komt het buizennet dus stellig niet voort. Deelt men onze opvatting niet, dan kan als moederbodem van het rete inderdaad alleen het kapselepithelium van de Malpighische lichaampjes der oernier in aanmerking komen. In ons historisch overzicht hebben wij er op gedrukt, hoe nog nimmer door eenig schrijver iets is aangevoerd, dat als bewijs voor deze veronderstelling kan dienst doen. Wij, van onzen kant, hebben niet verzuimd de meeste aandacht aan het gedrag van het kapselepithelium te wijden. In zooverre zijn wij gelukkiger geweest dan onze voorgangers, dat wij de bewijzen kunnen leveren, dat omschreven woekeringsprocessen van het kapselepithelium bij het konijn werkelijk voorkomen. Meestal zijn het uitstulpingen, een enkele maal ook solide uitbottingen van den kapselwand. Men vindt ze bij beide geslachten. In het stadium van 15 dagen hoogst spaarzaam, vertoonen zij zich bij embryo's van 16 dagen reeds veelvuldiger; de meeste trof ik aan in het stadium van 18 dagen, hoewel zij ook dan nog tot de zeldzaamheden beboeren. Ook bij een embryo van 20 dagen ontbreken zij niet. In de figuren 14 en 15 pi. II en fig. 19 pi. III zijn drie dergelijke uitstulpingen afgebeeld; lig. 14 is ontleend aan een testis van een 15 daagsch embryo, de figuren 15 en 19 hebben betrekking op ovaria van embryo's van 16 en 18 dagen. Aan de bijgevoegde schema's valt het gemakkelijk de grootte dezer producten met betrekking tot de geheele geslachtsklier te beoordeelen. Gewoonlijk zijn de uitstulpingen slechts over enkele seriesneden te vervolgen (in de figuren 14 en 15 over drie) en eindigen zij blind in de onmiddellijke omgeving van de kapsels; de in fig. 19 voorgestelde uitstulping is iets langer dan de beide eerstgenoemde en meet 96
Een enkele maal komt het voor, dat deze woekeringsproducten zich geheel van het kapselepithelium hebben los gemaakt, terwijl or ook overgangstoestanden zijn, waar men er over kan twisten of er nog een verbinding tusschen beide bestaat of niet. De langste uitstulping, die ik heb waargenomen (bij een vrouwelijk embryo van 18 dagen) mat 160,«; zij had den vorm van een ten deele holle cellenstreng, die voortliep in de lengterichting der geslachtsklier, dicht naast het kapselepithelium, waarmede zij aan het eene einde in onmiddellijk contact kwam, maar niet meer één geheel uitmaakte. Een verwisseling van de beschreven woekeringsproducten met de afvoerbuizen der Malpighische' lichaampjes is bij eenige oplettendheid niet mogelijk; laatstbedoelde buizen eindigen bovendien niet blind. In fig. 19 pi. III is naast de uitstulping het begin van de bij hetzelfde Malpighische lichaampje behoorende afvoerbuis afgebeeld, terwijl ook in de praeparaten, waaraan de figuren 14 en 15 pi. II ontleend zijn, de afvoerbuizen, op een andere hoogte dan waarop de uitstulpingen zijn gelegen, duidelijk door mij werden waargenomen.
De boven besproken woekeringsproducten heb ik bij geen enkelen schrijver vermeld gevonden; alleen schijnt Kölliker bij een runderembryo eens iets dergelijks te hebben waargenomen als wij bij het konijn (verg. bl. 32). Köllikee zocht hierin steun voor zijn opvatting, dat zaadbuisjes en rete testis van het Wolffsche lichaam zouden afstammen. Dat de door ons beschreven uitstulpingen van de BowMAN'sche kapsels tot den opbouw van het rete â over de zaadbuisjes kunnen wij zwijgen â⢠niet in het minst hebben bijgedragen, behoef ik wel niet nader uiteen te zetten. De omstandigheid, dat zij zich eerst vertoonen, wanneer het rete-blasteem reeds in zijn geheel aanwezig is, is voldoende om aan allen twijfel te dien opzichte een einde te maken.
Hoe zijn dan deze plaatselijke woekeringen van de BowMAN'sche kapsels te duiden? Misschien hechten wij aan deze vondst meer gewicht dan zij verdient; wellicht hebben wij hier louter toevalligheden voor ons, die bij voortgezet onderzoek zullen blijken ook bij andere, niet aan de basis der geslachtsklier gelegene, Malpighische lichaampjes niet te ontbreken. Dit is mogelijk, waarschijnlijk acht ik het niet. Meer dan één oernier werd met het oog daarop door mij in haar geheel onderzocht, maar steeds met negatief resultaat.
Eon afdoend antwoord op de bovengestelde vraag kan ik niet geven; maar het zij mij vergund hier het volgende in herinnering te brengen. Bij lagere klassen der gewervelde dieren staat de-geslachtsklier aanvankelijk niet alleen aan het proximale uiteinde, maar over de geheele lengte, met het buizensysteem der oernier in verbinding; bij verschillende amphibiöh komt deze toestand nog blijvend voor. Bij de amphibiën â daarover wordt niet meer getwist â groeien kanalen van de BowMAN'sche kapsels in de geslachtsklier (Genitalkanale-HoFFMANN), welke kanalen, met de buizen der oernier (hier blijvende nier), het systeem van afvoerbuizen vormen, die alleen bij het mannelijk geslacht functioneeren en daar de geslachtsproducten naar buiten leiden.
Nemen wij aan, dat de bij het konijn beschreven uitstulpingen werkelijk een morpho-logische beteekenis hebben, dan kan deze wel moeilijk in iets anders gezocht worden dan hierin, dat zij rudimenten van organen voorstellen, die in een phylogenetisch jonger ontwikkelingsstadium der zoogdieren werkzaam mogen geweest zijn bij den opbouw van het systeem van afvoerbuizen der geslachtsklier.
Meer bepaalds kan ik er niet van zeggen. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de woekeringsproducten van het kapselepithelium gediend hebben om de verbinding tusschen kapsel en rete te bewerkstelligen. Maar is men er zeker van dat, toen de uitstulpingen
- 95 â
misschien dienst deden, er een rete in den tegenwoordigen vorm aanwezig was? In allen gevalle is dit eigenaardig, dat juist op de punten, waar liet rete-blasteem zich met het kapselepithelium vereenigt, de woekeringsproducten nimmer duidelijk door mij zijn waargenomen. Maar de oorzaak daarvan ligt misschien juist in de omstandigheid, dat het blasteem hier in onmiddellijk contact staat met de kapsels; men kan zich voorstellen, dat op dergelijke punten het kapselepithelium wel woekert, maar dat alleen door de vroege versmelting van het epithelium met het rete-blasteem dit proces voor ons niet duidelijk zichtbaar wordt.
Embryo's van 18, 20, 24 en 28 dagen (pasgeboren konijn).
ïot nog toe hebben wij gezwegen over de tubuli recti. Deze bestanddeelen worden straks nader behandeld. Reeds nu willen wij mededeelen, dat wij ze niet anders opvatten dan als de, naar de zaadbuisjes gekeerde, eindvertakkingen van het rete. Waar wij dus voortgaan over den aanleg van het rete te spreken, is daaronder tevens de aanleg der tubuli recti begrepen.
Het is gewenscht thans a 11 ereerst stil te blijven staan bij de wijzi-gingen, die er optreden in de verhouding tusschen geslachtsklier en oer nier en bij de veranderingen, die de oer nier zelf ondergaat.
Bij embryo's van 16 dagen is de geslachtsklier nog over de geheele uitgestrektheid breed verbonden met het Wolffsche lichaam; na dit tijdstip in de ontwikkeling gaat zij zich meer en meer als een zelfstandig orgaan voordoen. Het aan de basis van don testis, tusschen dezen en de oernier gelegene weefsel, wordt smaller en neemt tevens in sagittale richting ') in lengte toe; daardoor beginnen beide organen zich allengs meer van elkander te verwijderen. Dit isoleeringsproces begint distaal en zet zich van daar naar het proximale einde voort.
Nemen wij een embryo van 20 dagen tot voorbeeld. Hier hangt de testis als een naar beide einden spits toeloopend, min of meer cylindervormig lichaam, door middel van een, thans nog vrij breede weefselplaat, met de oernier samen. Aan het distale einde is deze weefselplaat in de richting der sagittale as van den testis het langst; proximaalwaarts wordt zij gaandeweg korter en breeder. Geheel proximaal is het cylindervormig lichaam breed met de oernier verbonden; de isoleering is en blijft ook gedurende het verdere leven op deze hoogte zeer onvolkomen; er bestaat hier slechts een insnoering tusschen beide organen, zonder dat deze zich van elkander verwijderen. Het cylindervormig lichaam is voortgekomen uit den geslachtskam; het proximale uiteinde er van valt samen met het proximale uiteinde van het gebied der zaadbuisjes. Nu zagen wij vroeger, hoe de aanleg der geslachtsklier zich oorspronkelijk verder uitstrekte; boven de aangeduide plaats ligt nog een stuk van het rete-blasteem, dat met eenige Bowman'sche kapsels van de oernier in eon tact staat, maar overigens geheel door het bindweefselstroma van het Wolffsche lichaam wordt omringd. Dit meest proximale stuk van het rete-blasteem valt dus bij voortgaande ontwikkeling buiten de geslachtsklier in engeren zin, want hetgeen wij voortaan testis zullen noemen, vindt zijn grenzen aan beide einden van het gebied der zaadbuisjes.
') Dat wil zeggen in de richting van het vlak, dat den testis ten opzichte van het hilum in een linker en rechter helft verdeelt.
- 96 -
Een dwarse doorsnede door een embryo van 20 dagen, even hoven het proximale uiteinde van den testis genomen, treft dns de oernier en het buiten den testis vallend deel van het rete-blasteem. Wat meer distaal valt de top van den testis in de snede. Hier vinden wij dus naast elkander: testis en oernier, samen één geheel uitmakend; alleen op de grens van beide organen is de oppervlakte lichtelijk ingesnoerd. Tusschen de oernier-kanaaltjes en de zaadhuisjes ligt de cellenmassa van het rete-blasteem, die, aan de eene zijde met de oernierkanaaltjes in samenhang, aan den anderen kant één geheel vormt met het gebied der zaadbuisjes (verg. Hg. 16 pi. III van een twee dagen jonger stadium). Vermelding verdient, dat het meest proximale gedeelte van het gebied der zaadbuisjes zich over een kleine uitgestrektheid geheel van hot rete-blasteem heeft losgemaakt, terwijl een bindweefsellaagje zich tusschen beide heeft ontwikkelt.
Inmiddels zijn de embryonale zaadbuisjes zich zoo gaan rangschikken, dat het door hen ingenomen gebied aan de basis hartvormig naar binnen Inspringt. De eerste sporen van dit proces zijn bereids in het stadium van 18 dagen duidelijk waar te nemen (flg. 17 pi. III). In die inspringende ruimte past nu juist de cellenmassa van het rete-blasteem en, daar deze ruimte naar het distale einde der klier in diepte toeneemt, zoo volgt daaruit, dat in diezelfde richting het rete-blasteem steeds verder in het gebied der zaadbuisjes doordringt.
Aan het reteblasteem kunnen wij dus gevoegelijk twee gedeelten onderscheiden: een buiten de eigenlijke geslachtsklier, geheel in de oernier gelegen stuk, dat wij als pars extraglandularis kunnen betitelen en een stuk, dat deel uitmaakt van het weefsel der geslachtsklier zelf, waarvoor mij de naam pais intraglandularis de moest passende schijnt.
Terwijl de verhouding tusschen geslachtsklier en oernier bovengenoemde wijzigingen ondergaat, grijpen er ook in het buizensysteem van de oernier zelf belangrijke veranderingen plaats. In het proximale gedeelte van het Wolffsche lichaam, waar de BowiiAN'sche kapsels met het rete-blasteem verbonden zijn, ziet men de glomeruli met het binnenste kapsel-epithelium allengs verdwijnen, waarna de buitenste kapselwanden de blinde uiteinden van de oernierkanaaltjes vormen. Ook het epithelium der kanaaltjes begint er anders uit te zien. Tweeërlei processen komen hier naast elkander voor: een massa epitheliumcellen worden in het lumen der kanaaltjes uitgestooten en gaan te gronde, terwijl aan den anderen kant vele nieuwe cellen worden aangemaakt (mitosen). Daarbij nemen de cellen langzamerhand een ander voorkomen aan, zoowel wat de kern als wat het protoplasma betreft. Het gevolg is, dat de oernierbuisjes ten slotte met een â wat vroeger niet het geval was â over de geheele uitgestrektheid gelijkvormig epithelium zijn bekleed, opgebouwd uit cylindercellen, de kernen regelmatig aan de basis gerangschikt. Of de verbinding dezer buisjes met de Wolffsche gang gedurende die veranderingen steeds ongewijzigd blijft bestaan of wellicht wordt opgeheven en later op een ander punt weer op nieuw tot stand komt, heb ik niet kunnen uitmaken.
Het zijn deze in den top der oernier gelegen kanalen, wolke do vasa efferentia testis vormen. Ik moet met Janosik (59) van meening verschillen, wanneer hij beweert, dat de vasa efferentia uit het middelste gedeelte van het Wolffsche lichaam hun oorsprong nemen. Het is mogelijk dat ei' zoogdieren zijn, waarbij dit het geval is; maar het konijn behoort daar zeker niet toe. Wel geloof ik te mogen beweren, dat niet alle buisjes in het proximale gedeelte der oernier tot vasa efferentia worden. Hierover later meer.
De beschreven veranderingen aan de proximaal gelegen oerkanaaltjes beginnen reeds
- 97 -
bij een embryo van 16 dagen. Bij een embryo van 20 dagen zijn de rudimenten der glomeruli nog duidelijk voorhanden; in het stadium van 24 dagen zijn zij zoo goed als geheel verdwenen.
Wat geschiedt er met de buisjes uit liet meer distale gedeelte der oernier, die niet met het zich aanleggend rete testis in verbinding treden?
Ook hier grijpen dezelfde tweeërlei processen plaats als in de kanaaltjes van het proximale deel: een proces van destructie en een proces, waarbij nieuwe cellen worden gevormd. Gewoonlijk wordt van het laatste door de schrijvers geen gewag gemaakt; toch kan men ook in de meest distaal gelegen oernierkanaaltjes fraaie mitosen in de cellen aantreffen. Maar de atrophie en de degeneratie hebben hier op den duur de overhand, zoodat na niet zeer langen tijd het klierweefsel uit dit gedeelte der oernier op enkele weinige resten na geheel is te loer gegaan.
De Wolff'sche gang lieten wij tot nog toe buiten beschouwing. In het stadium van 20 dagen vinden wij dit kanaal nog op de gewone plaats liggen, naast de Müllersche gang. Alsdan begint het weefsel rondom beide gangen zich plooivormig boven de oppervlakte te verheffen. De Müllersche gang verdwijnt nu bij het mannelijk konijn buitengemeen snel; bij een embryo van 20 dagen is zij nog over de geheele uitgestrektheid van de geslachts-klier aanwezig; op den embryonalen leeftijd van 24 dagen is zij op die hoogte geheel verdwenen. Dit stemt volkomen overeen met de opgaven van Köllikeb, die bij embryo's van 23 dagen nergens meer een spoor van de Müllersche gang kon ontdekken (67, S. 981).
Vervolgen wij verder de geschiedenis der Wolff'sche gang. Het proximale einde daarvan begint zich spoedig sterk te kronkelen, en hand aan hand hiermede neemt de weefselplooi, waarin dit gedeelte van de gang ligt, zeer in omvang toe; ten slotte heeft de plooi zich zóó vergroot, dat zij in den vorm van een halve maan de geheele laterale zijde van den oerniertop omgeeft. Zoo vinden wij den toestand bij een embryo van 2 4 dagen. Tegen dien tijd is tevens de vrije rand van het vergroote gedeelte der plooi innig vergroeid met den oerniertop en met het proximale uiteinde van den testis, juist diametraal tegenover het hilum dezer organen. De oerniertop en het boveneinde1) der plooi, waarin de Wolffsche gang ligt, grootendeels tot één geheel versmolten en ieder voor zich weer breed verbonden met den testis, vormen, met de daarin gelegen kanalen, gezamenlijk het caput epididymidis.
Alleen aan het proximale uiteinde is de plooi, die de Wolffsche gang herbergt, op deze wijze uitgegroeid; slechts een weinig meer distaalwaarts verdwijnen de kronkelingen in het kanaal, dat nu verder in een rechte lijn tot aan het distale einde der geslachtsklier doorloopt; over dien geheelen afstand is het plooitje van zeer bescheiden afmetingen. Het bevindt zich steeds in de nabijheid van het hilum der geslachtsklier. Over het meer proximale gedeelte van den testis â wij spreken nog altijd over een embryo van 24 dagen â doet het zich voor als een klein, gesteeld uitwas van het oernierrudiment, dat onmiddellijk naast den testis van het laatste ontspringt. Meer distaal, waar de afstand tus-schen geslachtsklier en oernierrest gaandeweg grooter wordt, wijzigt zich de toestand aldus, dat de plaats van inplanting van het plooitje meer en meer verschuift van de oernierrest naar den band, waarmede de testis met het rudiment van het Wolffsche lichaam is verbonden, zoodat ten slotte aan het distale uiteinde der geslachtsklier het plooitje geheel van dezen band zijn oorsprong neemt.
') Boven staat hier en in het vervolg gelijk mot proximaal.
13
- 98 -
Bij voortgaande ontwikkeling verliest het oernierrudiment â wij zien hierbij af van liet tot het caput epididymidis behoorende «tuk â hoe langer zoo meer zijn zelfstandigheid. Met het toenemend verdwijnen der kanaaltjes gaat het bindweefselstroma ten slotte geheel op in het bandapparaat, waarmede de testis met den buikwand samenhangt. Met het weefsel, dat zich oorspronkelijk tusschen oernier en testis bevond, vormt het mettertijd één dunne weefselplaat, die men bij het mannelijk geslacht als mesorchium betitelt. Bij het pasgeboren konijn hecht zich nu het plooitje, waarin de Wolffsche gang ligt, over de geheele lengte der geslachtsklier â van het distale einde tot waar het caput epididymidis begint â aan het mesorchium vast, in de onmiddellijke nabijheid van het hilum.
Rudimenten van oernierkanaaltjes bevat het mesorchium â althans in de nabijheid van den testis â op dezen leeftijd zeer weinig; de meeste treft men nog aan in de buurt van het caput epididymidis, waar zij tot dicht bij het hilum naderen. Wij herinneren eraan, hoe hier de afstand tusschen oernier en geslachtsklier oorspronkelijk veel geringer was, dan meer distaalwaarts.
Het proximale einde van den testis is breed verbonden met het caput epididymidis en heeft dus geen mesorchium. Laatstbedoelde band zet zich hier voort in de weefsel plaat, waarmede het caput epididymidis zelf aan den buikwand is bevestigd, en die zich ontwikkeld heeft uit het mesenterium, dat zich oorspronkelijk tusschen oerniertop en buikwand uitstrekte.
Bij een pasgeboren konijn is het caput epididymidis â vergeleken bij een embryo van 24 dagen â aanmerkelijk grooter van omvang geworden, voornamelijk door het toenemend sterker zich kronkelen van de Wolffsche gang, terwijl nu ook de vasa efferentia talrijke windingen vertoonen. Daarbij heeft het caput epididymidis zich kapvormig over het proximale einde van den testis uitgebreid. Hand aan hand hiermede hebben zich ook de vasa efferentia verplaatst ten opzichte van het rete en wel zóó, dat - terwijl zij vroeger juist boven het rete, d. i. dus boven de streek van het hilum testis, waren gelegen â zij nu in sagittale richting zoodanig zijn verschoven, dat men ze thans onmiddellijk boven het gebied der zaadbuisjes aantreft.
De kanaaltjes van het rete, die zich uit het rete-blasteem ontwikkeld hebben, zijn bij een pasgeboren konijn zeer duidelijk waar te nemen; het kernenrijke bindweefsel rondom de kanaaltjes vormt het corpus Highmori.
Men herinnert zich, hoe bij een embryo van 20 dagen het intraglandulaire stuk van het rete-blasteem, naar het distale einde van den testis toe, zich meer en meer van het hilum testis verwijderde en daarbij geleidelijk dieper in het gebied der zaadhuisjes indrong. Bij voortgaande ontwikkeling nu wordt het distale stuk van het intraglandulaire deel van het rete-blasteem, resp. van het rete, ten slotte geheel door de zaadbuisjes omgroeid. Zoo vinden wij bij een pasgeboren konijn de rete-kanaaltjes, als zij een eindweegs den testis zijn binnengedrongen, van alle kanten door de zaadbuisjes omgeven. In dit opzicht wijkt de toestand bij het konijn â en bij verschillende andere diersoorten, zooals de kat, den hond, enz. â eenigszins af van dien bij den mensch. Hier vindt men, zooals bekend is, het corpus Highmori en het rete, zoover het zich uitstrekt, blijvend in de buurt van het hilum; in het gebied der zaadbuisjes dringt het niet door.
Een en ander van het boven meegedeelde moge fig. 20 pl. UI verduidelijken. Zij is ontleend aan een niet volkomen sagittale doorsnede van de mannelijke geslachtsklier bij het pasgeboren konijn. Links in de figuur ligt het hilum, de plaats waar zich het mesor-
- 99 -
chium vasthecht, welk mesorchium voor het grootste gedeelte in de snederichting is gevallen. Aan den bovenkant van de afbeelding bevindt zich het caput epididymidis, in vaste verbinding met het proxiraale uiteinde van den testis. Het caput epididymidis bevat drieërlei soort kanalen: de Wolffsche gang of het vas deferens (in de flg. niet zichtbaar), de vasa efferentia â te onderscheiden van het vas deferens, doordat de epitheliumkernen van eerstgenoemde kanalen zich minder sterk kleuren dan die van het laatste â en het extraglandulaire gedeelte van het rete, dat op de doorsnede van fig. 20 ook zoo goed als geheel buiten de snederichting is gevallen. Van den epididymis ziet men de kanalen van het rete in een, ten opzichte der lengte-as schuine richting, het weefsel van den testis binnendringen, waar zij zich weldra naar alle kanten door middel van de tubuli recti met de zaadbuisjes verbinden.
Ik wil hier niet onvermeld laten, dat in het caput epididymidis bij het pasgeboren konijn ook rudimenten van oernierkanaaltjes, in min of meer atrophisch gedegenereerden toestand, volstrekt niet zeldzaam zijn. De cellen dezer oernierresten vindt men soms rijk voorzien van een heldergeel pigment. Zij komen voor tot in den uitersten top van den bijbal. Ook in het mesenterium, dat het caput epididymidis met den buikwand verbindt, kan men ze aantreffen.
Ik maak van deze bevinding met opzet gewag, omdat men bij verschillende schrijvers vindt opgeteekend ,⢠dat alle atrophische of gedegenereerde oernierkanaaltjes, welke zich in de buurt van de geslachtsklier kunnen vertoonen â Waldeyer's paradidymis â uitsluitend zouden afstammen van het distale stuk, de z. g. pars renalis, van het Wolffsche lichaam. Voor het konijn geldt dit mijns inziens niet. Het komt mij voor, dat de bovenbeschreven rudimenten grootendeels niets anders zijn dan resten van buisjes, die oorspronkelijk volkomen in denzelfden zin zijn veranderd als de buisjes, welke nu als vasa efferentia dienst doen. Vermoedelijk waren zij ook voor diezelfde functie bestemd en is de reden, waarom zij thans op weg zijn te verdwijnen, misschien hierin te zoeken, dat de verbinding dezer kanaaltjes met het buizennet niet behoorlijk tot stand is gekomen.
Nu wij den algemeenen gang van zaken bij de ontwikkeling van testis en epididymis, van een embryo van 18 dagen tot aan de geboorte, hebben geschetst, zullen wij bij enkele punten nog wat uitvoeriger stilstaan.
Die punten betreffen: a. de zaadhuisjes, h. dé interstitiëele cellen, c. het rete en de tubuli recti.
a. De zaadbuisjes.
Bij een embryo van 18 dagen beginnen de elementen, waaruit de embryonale zaadbuisjes bestaan, zich meer en meer in twee richtingen te ditferentiëeren: de eene soort van cellen vertoonen kleine, licht ovale kernen; de kernen van de andere cellen zijn grooter en ronder en gelijken op de oereieren in het ovarium. Deze laatste zijn de spermamoedercellen-, volgens onze meening zijn zij in de zaadbuisjes zelf langs den weg der celdifferentiatie ontstaan en niet van elders daarin binnengedrongen. Overgangstoestanden tusschen de gewone cellen der zaadbuisjes en de spermamoedercellen komen overvloedig voor.
Tegen den embryonalen leeftijd van 24 dagen wordt er in de tot nog toe solide strengetjes van den testis een lumen zichtbaar. De wand der zaadbuisjes is in dit stadium bekleed met epitheliumcellen, die tegenover elkander gewoonlijk niet scherp zijn begrensd
- 100 -
en welker protoplasma, naar het lumen toe, is uitgerekt tot draden, die naar het centrum der buisjes gericht zijn en zich door onderlinge anastomosen tot een netwerk vereenigen. Tusschen de kleinere epitheliumcellen liggen de grootere spermamoedercellen, welke laatste niet zelden door zeer duidelijke celgrenzen zijn omgeven. Men vindt ze zoowel tegen den wand der zaadbuisjes als meer in de omgeving van het lumen of in het lumen zelf.
Bij een pasgeboren konijn zijn de spermamoedercellen sterk in aantal toegenomen, zoodat op vele punten van de kleinere epitheliumcellen weinig te bespeuren valt.
In het stadium van 20 dagen hebben de zich ontwikkelende zaadbuisjes nog grooten-deels het voorkomen van naakte strengen, geheel los liggend in het omgevend bindweefsel stroma. Dit blijkt o. a. uit fig. 11 pl. 11, van een overlangsche doorsnede door den testis. Het praeparaat was in alcohol gehard; hier en daar hebben de toekomstige zaadbuisjes zich van het tusschengelegen stroma teruggetrokken. Op die plaatsen kan men er zich gemakkelijk van overtuigen, dat de strengetjes inderdaad geen spoor van eigen wand bezitten.
Bij voortgaande ontwikkeling (embryo's van 24 dagen en pasgeboren konijn) beginnen de strengetjes (buisjes) zich hoe langer hoe inniger met het omliggend weefsel te verbinden. Aan den omtrek der zaadbuisjes wordt een fijn grenslijntje zichtbaar, dat men als de doorsnede van een membrana propria mag beschouwen. Of de membrana propria een product is van de zaadbuisjes zelf of van het aangrenzend bindweefsel, kan ik niet met zekerheid zeggen; misschien draagt zoowel het een als het ander tot haar vorming bij.
h. De interstitièele cellen.
De ontwikkeling der interstitiëele cellen in de geslachtsklier van het mannelijk konijn begint bij embryo's van 18 a 20 dagen. Het gemakkelijkst is dit proces te vervolgen in de onmiddellijk aan de zaadbuisjes grenzende lagen van de tunica albuginea. Oorspronkelijk bestaat hier het weefsel uit cellen met langwerpige kernen, waarvan hot gemeenschappelijk protoplasma tot lange vezels is uitgerekt, die evenwijdig aan elkander zijn gerangschikt en veelvuldig door onderlinge anastomosen zijn verbonden. Bij de vorming dei' interstitiëele cellen beginnen de langwerpige kernen tot grootere van meer ronden vorm op te zwellen, terwijl tevens het protoplasma om de kernen belangrijk in hoeveelheid toeneemt. Tusschen de afzonderlijke celion kunnen celgrenzen zichtbaar worden; op vele plaatsen zijn deze niet of onvolkomen ontwikkeld. Dikwijls vormen de interstitiëele cellen breedere of smallere strooken en groepen, die scherp afsteken bij de onveranderd gebleven bindweefselbestanddeelen, welke om en tusschen de cellen zijn gelegen.
Niet alleen in de tunica albuginea, ook in het intertubulaire bindweefsel vormen zich interstitiëele cellen. Dit is wel de hoofdreden, waarom de embryonale zaadbuisjes, als de eerste stadiën der ontwikkeling voorbij zijn, b. v. bij een embryo van 20 dagen, op menig punt zoo hoogst onduidelijk uitkomen tegenover het omringend weefsel. Want de interstitiëele cellen , kunnen â eenmaal behoorlijk ontwikkeld â zoo sterk op de elementen der embryonale gelijken, dat het niet altijd mogelijk is beide goed van elkander te onderscheiden. Wat de moeilijkheid nog vergroot, is de omstandigheid, dat de interstitiëele cellen meermalen groepsgewijze omgeven worden door weefsel met dezelfde donkere smalle kernen, die wij aan den omtrek der zich ontwikkelende zaadbuisjes vinden.
Men vergelijke fig. 11 pl. 11. Links in de figuur en evenwijdig aan de linkergrens
â 101 â
loopt, beginnend bij ö, een embryonaal zaadbuisje in de richting naar het testisepithelium; onder de tunica albuginea gekomen buigt de streng knievormig naar rechts om, geeft tevens een zijtak af naar het centrum der klier, loopt nog een eindweegs onder de tunica albuginea verder en verdwijnt rechts boven uit het gezichtsveld. Dicht naast dit punt wordt een andere streng zichtbaar, die de rechterzijde van de afbeelding begrenst en eveneens een zijtak afgeeft. Het tusschen de aangeduide strengen gelegen weefsel bestaat hoofdzakelijk uit interstitiëele cellen. Midden onder in de afbeelding, is in een groep van dergelijke elementen de oospronkelijke bouw van het stroma nog even aangeduid (bij a).
De interstitiëele cellen zijn dus gevormd uit bindweefselcellen, welke zóó veranderd zijn, dat zij in haar voorkomen en rangschikking meermalen sterk aan epitheliumcellen doen denken.
Er is echter nog een andere beschouwingswijze omtrent het ontstaan der interstitiëele cellen mogelijk. Bij de ontwikkeling van het intertubulaire stroma en van de tunica albuginea hebben wij er op gewezen, hoe dit weefsel in eersten aanleg verscheidene cellen bevatte, welke in oorsprong gelijkwaardig waren met de elementen, die de zaadbuisjes opbouwen, en niet tot.ingegroeid bindweefsel behoorden Nu zou men zich kunnen voorstellen, dat het uitsluitend deze elementen zijn, welke wij later als interstitiëele cellen terugvinden en zoo zouden deze laatste krachtens haar afkomst een bijzondere positie innemen tegenover de gewone bindweefselcellen. Er bestaan evenwel geen deugdelijke gronden, die ons nopen deze voorstelling te aanvaarden. Uit niets blijkt, dat het stroma tusschen de zaadbuisjes en het weefsel van de tunica albuginea uit tweeërlei elementen bestaat, die al of niet interstitiëele cellen kunnen vormen.
Iets anders is het, of misschien de cellen der embryonale zaadbuisjes zelf zich tot interstitiëele cellen kunnen transformeeren, een vraag, die, bij de beschouwing van beelden als in flg. 11 pi. II weergegeven, zeker overweging verdient.
Een afdoend antwoord op deze vraag moet ik schuldig blijven. Wel mag men het als zeer waarschijnlijk beschouwen, dat niet alle embryonale zaadbuisjes het einddoel der ontwikkeling bereiken. Ik voor mij heb den indruk gekregen, dat, voornamelijk in het meer centrale gedeelte van den testis, verscheidene der eenmaal aangelegde strengetjes den strengvorm wederom verliezen en zich niet verder ontwikkelen.
Is deze waarneming juist, dan zal daarvan afkomstig cellenmateriaal veelal zoo goed als niet van de uit het bindweefselstroma afkomstige interstitiëele cellen te onderscheiden zijn. Maar dat de eerstbedoelde elementen een eenigzins langeren levensduur zouden bezitten en -een blijvend bestanddeel van het bindweefsel zouden vormen, komt mij uitermate onwaarschijnlijk voor.
c. Eet rete en cle tuhuli recti.
Wij verlieten het rete-blasteem bij een embryo van 18 dagen als een cellenrijk weefsel, waarin van het omgevend stroma enkele bloedvaten en ook een enkel bindweefselstrookje naar binnen was gedrongen. Een strengvormige rangschikking der cellen was op verscheidene sneden duidelijk merkbaar; maar in de minderheid der gevallen vormden bijzonder gegroepeerde cellen behoorlijk scherp begrensde cellenstrengen.
Vervolgen wij thans het lot van bovengenoemd weefsel in de oudere ontwikkelingsstadiën. In de eerste plaats blijkt, dat het blasteem geleidelijk in omvang is toegenomen. Vergelijken wij b. v, een embryo van 18 dagen met een van 24, dan zijn de afmetingen van
- 102 -
het blasteem op dwarse doorsnede ongeveer twee maal grooter geworden. Tevens wijzigt zich ook de rangschikking der cellen. De strengvormige groepeering uit het stadium van 18 dagen vind ik bij een embryo van 20 dagen niet meer zoo duidelijk terug, en waar wij reeds van goed begrensde cellenstrengen konden spreken, schijnen deze hun scherpe omtrekken weer grootendeels te hebben verloren. Het rete-blasteem doet zich op dezen leeftijd voor als een uitermate kernenrijke weefselstreng, die van den oerniertop in den testis dringt en de verbinding bewerkstelligt tusschen de tot vasa efferentia uitgroeiende oernierkanaaltjes en het gebied der zaadbuisjes, waarvan het blasteem zich nog niet streng laat scheiden. Op enkele punten vertoont de weefselstreng een klein uitwas, dat meer of minder ver in het omringend stroma indringt; maar over het algemeen is de omtrek van het blasteem, naar het bindweefsel toe, vrij regelmatig van vorm.
Ten koste van deze cellenmassa ontstaan nu de kanaaltjes van het buizennet. Wat de bijzonderheden van het proces betreft, zoo schijnen de laatste zich in wezen op dezelfde wijze te vormen als de embryonale zaad- buisjes. Dien indruk heb ik gekregen bij de bestudeering van een embryo van 24 dagen en van pasgeboren dieren.
quot;Wij maken hier op een verschijnsel opmerkzaam, dat ons het onderzoek naar de vor-mingswijze der rete-kanaaltjes niet weinig vergemakkelijkt.
De kanaaltjes ontstaan namelijk niet overal gelijktijdig over de geheele uitgestrektheid van het blasteem. Beschouwt men een dwarse doorsnede, dan vindt men de verst gevorderde ontwikkelingsstadiën gewoonlijk nabij den omtrek van het gebied; meer naar het centrum van het gebied is de ontwikkeling der kanaaltjes over het algemeen veel minder ver gevorderd. Zelfs bij een pasgeboren konijn vinden wij daar nog een vrij groot deel van het blasteem âonverbruiktquot; terug (op de halfschematische afbeelding van fig. 20 pi. III is dit niet weergegeven).
Door deze omstandigheid nu kunnen wij in de oudere ontwikkelingsstadiën der geslachts-klier aan één en eenzelfde praeparaat de wording der rete-kanaaltjes in de verschillende ontwikkelingstoestanden van den eersten aanleg af vervolgen. Bij embryo's van 24 dagen zijn nog slechts bij uitzondering kanaaltjes waar te nemen; het best voor ons doel geschikt is het pasgeboren konijn. Nemen wij tot voorbeeld een dwarse doorsnede door het extra-glandulaire gedeelte van het zich ontwikkelend rete in dit stadium, ter hoogte waar de vasa efferentia hebben opgehouden en het gebied van het buizennet van alle kanten door bindweefsel wordt omringd. Dan kunnen wij het volgende opmerken. Het meer centrale gedeelte van het gebied, waar wij nog zoo goed als geen kanaaltjes aantreffen, kan ons op geschikte sneden een dergelijk beeld toonen, als wij bij den aanleg der embryonale zaadbuisjes beschreven ; kleine cellengroepjes door een fijn grenslijntje omgeven, die öf zonder meer tegen elkander sluiten öf cellen tusschen zich laten, welke ik, te oordeelen naar haar uiterlijk voorkomen en het verband met de omgevende elementen, moet duiden als blasteemcellen, die niet tot de vorming van strengetjes gebruikt zijn.
Maar het beeld kan ook anders zijn. Er zijn plaatsen, waar de karakteristieke rangschikking der cellen nog zoo goed als geheel ontbreekt; weer afwisselend met gedeelten, waar zij juist even te voorschijn komt.
Aan den omtrek van het door het zich ontwikkelend rete ingenomen gebied zijn de meeste strengetjes van een duidelijk lumen voorzien. Tevens kan men waarnemen, hoe hier en daar van het omringend stroma enkele vezels of smalle strookjes van bind-weefsel tusschen de buisjes indringen; maar over het algemeen is het tusschen de rete-
- 103 -
kanaaltjes aanwezige bindweefsel nog zeer spaarzaam. De strengetjes worden tot buisjes, doordat de cellen op een bepaald punt uit elkander gaan wijken, en zoodoende een holte tusschen zich laten. Gewoonlijk duurt het eenigen tijd, eer de cellen, welke die holte begrenzen, zich bij wijze van een epithelium regelmatig om de holte hebben gerangschikt. Dikwijls treedt in een cellenstreng op meer dan één punt tegelijk een lumen op; dan kan tweeërlei geschieden; öf de cellen welke de verschillende lumina scheiden, wijken later nog uiteen, öf het strengetje splitst zich in verschillende stukken eu vormt meer dan één kanaaltje. Zal langs dezen weg het aantal kanaaltjes vermeerderen, van den anderen kant mag men op goede gronden aannemen, dat de strengen of buisjes gedurende hun ontwikkeling ook verbindingen kunnen aangaan met andere strengen of andere buisjes, waarmede zij vóór dien tijd niet samenhingen.
Vermelding verdient, dat ook in strengetjes, welke zich juist beginnen aan te leggen en nog niet duidelijk als zoodanig zijn te onderkennen, een lumen kan ontstaan. Wij krijgen dan niet zelden hetzelfde beeld te aanschouwen, dat men bij de vorming van lymphruimten in het bindweefsel waarneemt; voornamelijk is dit het geval, wanneer dan tevens de cellen rondom de holte in één bepaalde richting zijn uitgerekt.
Het is een eigenaardig verschijnsel, dat bij vele der kanaaltjes van een pasgeboren konijn de wand zeer sterk is uitgezet, zoodat de lumina veel grooter zijn, dan wij gewoonlijk vinden als de ontwikkeling is afgeloopen (verg. flg. 20 pi. III). De reden hiervan kan wel moeilijk een andere zijn dan een zich opeenhoopen van vocht in de holte der kanaaltjes, afgescheiden door de epitheliumcellen der buisjes. Deze laatste kunnen hierbij geheel plat worden , niet te onderscheiden van de cellen, die den wand van bloed- en lymphvaten bekleeden. In de lumina treft men dikwerf resten van afgestooten epitheliumcellen aan.
Zonder twijfel bereiken niet alle re te-kanaaltjes het einddoel der ontwikkeling. Hier en daar stuit men op buisjes, waarin de epitheliumcellen belangrijke veranderingen hebben ondergaan; men vindt er waar de cellen geel gekleurd zijn van hetzelfde pigment, dat bij het verdwijnen van oernierbuisjes kan optreden. Elders is de regelmatige rangschikking der epitheliumcellen verloren gegaan; de celkernen zijn atrophisch, het celprotoplasma heeft den vorm aangenomen van in de lengte gerekte vezels, die de kernen verbinden. Het geheel gelijkt het meest op bindweefsel en alleen enkele bijzonderheden wijzen er op, dat wij hier veranderde kanaaltjes voor ons hebben.
Ook van de bovengenoemde blasteemcellen, welke bij de vorming der strengetjes en kanaaltjes âonverbruiktquot; tusschen deze blijven liggen, gaan verscheidene onder verschijnselen van atropine te gronde. Overigens geldt van deze elementen volkomen hetzelfde, als hetgeen vroeger is opgemerkt over het lot der cellen, die de pas aangelegde embryonale zaadbuisjes van elkander scheiden. Mogelijk is het, dat er onder deze cellen zijn, die een langeren levensduur bezitten en de functie van bindweefselcellen gaan vervullen.
De rete-kanaaltjes staan in den epididymis in contact met de vasa efferentia; een paar maal is het mij gelukt een directe verbinding tusschen beide kanalensystemen bij het pasgeboren konijn te kunnen constateeren (zie ook flg. 20 pi. Hl), maar de holten stonden nog niet met elkander in verband.
Gaan wij de verhoudingen der retekanaaltjes in het gebied van de eigelijke geslachts-klier na, dan zien wij, hoe de eindvertakkingen naar deze zijde zich op verschillende punten
- 104 -
met de zaadhuisjes vereenigen. Deze onmiddellijk aan de zaadbuisjes aansluitende eindver-takkingen van het rete zijn de tubuli recti.
De tubuli recti, waarvan wij ook reeds bij een embryo van 24 dagen sporen aantreffen, onderscheiden zich van de rete-kanaaltjes in engeren zin door hun minder gekronkeld verloop en het voorkomen van hun epithelium. In de rete-kanaaltjes in engeren zin is het epithelium in dit stadium nog vrij onregelmatig gebouwd; de vorm der cellen wisselt van geheel plat tot hoog kubisch of cylindrisch. Maar nergens vinden wij de kanaaltjes over grootere uitgestrektheid door een cylinderepithelium omgeven. Dit laatste is wel het geval in de tubuli recti, ofschoon ook hier de bekleedende cellen op enkele punten nog iets lager kunnen zijn. Een scherpe afscheiding tusschen de kanaaltjes van het rete in engeren zin en tubuli recti bestaat bij het pasgeboren konijn overigens niet.
Verscheidene tubuli recti hebben nog geen lumen. Met de zaadbuisjes staan de tubuli recti öf in contact, öf zij vormen er reeds één geheel mede, zoodat het lumen van het zaadbuisje uitmondt in de holte van den tubulus rectus. Maar ook dan is de grens tusschen tubulus seminiferus (contortus) en tubulus rectus door het verschil in epithelium gewoonlijk nauwkeurig te bepalen.
De tubuli recti reiken niet geheel tot het distale einde van den testis, waar wij alleen zaadbuisjes aantreffen. De rete-kanaaltjes in engeren zin houden al veel vroeger op; hun gebied beperkt zich voornamelijk tot de proximale helft der geslachtsklier.
Resumeeren wij met een enkel woord het resultaat onzer beschouwingen over het ontstaan van het rete testis (inclusief de tubuli recti). In de eerste plaats is ons gebleken, dat de rete-kanaaltjes (inclusief de tubuli recti) zich opbouwen uit cellen, welke één zijn in oorsprong met de cellen, ten koste waarvan de zaadbuisjes zich aanleggen; in beide gevallen hebben wij te maken met woekeringsproducten van het coe-loom epithelium, dat den jongs ten aanleg der geslachtsklier bedekt. Evenals de zaadhuisjes naar onze opvatting alleen aan de eigen werkzaamheid der cellen, waaruit zij zij n ontstaan, hun oorsprong te danken hebben, zoo houden wij ook de vorming van de rete-kanaaltjes uitsluitend voor een functie van de cellen, waaruit zij zijn voortgekomen, de cellen van het rete-blasteem. Wel speelt ook bij de ontwikkeling der rete-kanaaltjes het ingroeien van bindweefsel uit de omgeving een rol; maar dit bindweefsel bewerkt slechts de isoleering van reeds aangelegde strengetjes of buisjes.
Ook in de bijzonderheden merken wij een overeenkomst op tusschen de vormingswijze der zaadbuisjes en die der rete-kanaaltjes. Het voornaamste punt van verschil is gelegen in den duur van beide processen. Het moederweefsel waaruit de rete-kanaaltjes voortkomen, is reeds aanwezig, wanneer de eerste sporen van den aanleg der embryonale zaadbuisjes zichtbaar worden; maar terwijl de vorming der embryonale zaadbuisjes vrij snel is afgeloopen, duurt het aanmerkelijk langer eer de aanleg der strengetjes, waaruit de rete-kanaaltjes ontstaan, geheel is voltooid. Bij het konijn ligt dit tijdstip, zooals wij zagen, na de geboorte.
HOOFDSTUK VI.
De Ontwikkeliiigsgescliiedenis van den Eierstok l»ij liet Konijn.
Embryo's van 15, 16, 18 en 20 dagen.
Het eierstoksblasteem. Schors en Merg.
Beginnen wij met den eierstok van een embryo van 15 dagen. AVat wij bij den testis als het gebied der zaadbuisjes aanduidden â de peripheer gelegen cellenzöne uit het indifferente stadium â vinden wij hier terug als een cellenrijk weefsel van mesenchymateusen bouw, waarin capillaire bloedvaten zich tot dicht onder de oppervlakte vertakken. Voor de eenvoudigheid zullen wij dit weefsel in de volgende bladzijden als eierstoksblasteem betitelen. Het bestaat voor ons uit één enkele soort van cellen, alle woekeringsproducten van het coeloomepithelium, dat den jongste aanleg der geslachtsklier bedekte. Het blasteem bevat belangrijk meer sexuaalcellen â hier oereieren te noemen â dan het gebied der zaadbuisjes op denzelfden leeftijd. Fig. 21 pi. IV geeft een voorstelling van den fijneren bouw van het eierstoksblasteem. De gewone vorm der celkernen is van rond tot licht ovaal; eenige zijn in één afmeting wat meer uitgerekt. De meeste kernen hebben een tamelijk lichte tint; maar er zijn er ook verscheidene welke wat donkerder kleur vertoonen. Deze laatste vindt men zoowel onder de meer ronde als onder de meer langwerpige vormen. Van celgrenzen is doorgaans weinig te zien; de kernen liggen meestal in één gemeenschappelijk protoplasma, dat zich hier eens meer, daar wat minder duidelijk als een netwerk voordoet. De rang schikking der kernen ten opzichte van elkander is niet geheel zonder regelmaat. Sommige schijnen groepjes te vormen, welke door andere, niet tot zulke groepjes vereenigd, worden omsloten. Dergelijke beelden herinneren aan hetgeen wij vroeger bij een testis van 15 dagen beschreven en doen aan een beginnende strengvorming denken.
Beschouwen wij evenwel ter vergelijking oudere embryo's, dan blijkt, dat dit verschijnsel in den eersten tijd niet duidelijker wordt; integendeel bemerken wij in de eerstvolgende stadiën van deze eigenaardige rangschikking der kernen veel minder dan vroeger.
Duidelijk begrensde cellenstrengen vertoont ons de eierstok in den eersten tijd na de differentiatie van het geslacht niet; juist hierin ligt op dezen leeftijd wel het meest opvattend verschil tusschen de mannelijke en de vrouwelijke geslachtsklier.
Van een tunica albuginea bemerken wij bij een vrouwelijk embryo in het stadium
14
- 106 -
van 15 dagen geen spoor. Evenmin kunnen wij ergens aan de oppervlakte van den eierstok een epithelium onderscheiden.
Aanvankelijk zijn het slechts de vaten, die het eierstoksblasteem doorgroeien en die het in grootere en kleinere, met elkander samenhangende, cellenpartijen verdeelen. Langzamerhand nu begint zich naast de vaten ook wat bindweefsel te vertoonen. Vooral verzamelt zich dit bindweefsel nabij de oppervlakte van den eierstok, waar het bij voortgaande ontwikkeling een evenwijdig aan den omtrek der klier verloopende strook vormt, welke het blasteem verdeelt in een smalle peripheer gelegene zóne en in een grooter centraal liggend stuk. Ik wil er onmiddelijk aan toevoegen, dat de scheiding aanvankelijk hoogst onvolkomen is; op menig punt blijft nog geruimen tijd een samenhang tusschen beide gedeelten van het blasteem bestaan.
Het peripheer gelegen deel van het blasteem vormt de schors van den eierstok; het centraal gelegen stuk het merg. De vorming van merg en schors wordt reeds ingeleid bij een embryo van 16 dagen, maar het proces vordert zeer langzaam; eerst in het stadium van 20 dagen treedt de scheiding duidelijk voor den dag.
Van waar komt dit tusschen merg en schors optredend stroma?
Ook hier zullen wij wederom op de beide mogelijkheden, een ontstaan in loco en een ingroeien van elders, hebben te letten. Ik heb allen grond om aan te nemen, dat inderdaad bindweefsel van buiten tusschen merg en schors indringt, en wel voornamelijk van de beide zijkanten van den jeugdigen eierstok. Bij een embryo van 16 dagen kan men op geschikte sneden waarnemen, hoe van het daar gelegene embryonale bindweefsel fijne uitloopers afgaan, die op een bepaalde diepte onder de oppervlakte â ter hoogte waar later de afscheiding tusschen schors en merg tot stand komt â, in de richting evenwijdig aan den omtrek van den geslachtskam, in het eierstoksblasteem doordringen. In dezelfde richting verloopen ook vertakkingen van bloedvaten.
Analoge verhoudingen dus als wij bij de vorming der tunica albuginea testis hebben leeren kennen. Beschouwt men nu evenwel in de ontwikkelingsstadiën, welke ons thans bezig houden, alles wat tusschen schors en merg het voorkomen van bindweefsel heeft, als van buiten het blasteem gelegen bindweefsel daar te zijn ingegroeid, dan rekent men daartoe naar onze overtuiging ook cellen, welke vroeger wel degelijk tot het eierstoksblasteem hebben behoord. Want op de grens van merg en schors liggen ook elementen, welke naar het uiterlijk niet van bindweefsel te onderscheiden zijn, maar die ik, om bun samenhang met en geleidelijken overgang in ontwijfelbare blasteemcellen, als veranderde blasteemcellen moet duiden. Of dergelijke cellen zich tot blijvende bestanddeelen van het bindweefsel kunnen differentiëeren, blijft voor mij onzeker.
Ook in hot mergblasteem zelf is intusschen eenig bindweefsel ingegroeid. Bij een embryo van 16 dagen is daarvan nog zoo goed als niets te bespeuren, maar ook in het stadium van 20 dagen is het bindweefsel in het mergblasteem nog zeer schaarsch. Doorsneden van vaten ontmoet men daarentegen veelvuldig in het merggebied.
De vaten en de weinige bindweefselcellen, die ze vergezellen, verdeelen het mergblasteem in onderling samenhangende, hier en daar duidelijk strengvormige cellenpartijen, welke men niet moet verwan-en met de mergstrengen; deze laatste ontstaan weer, zooals wij ter andere plaatse nader hopen uiteen te zetten, door splitsing van de eerste in verschillende kleinere stukken.
â 107 â
Bij een embryo van 20 dagen vinden wij voor het eerst een eenigszins belangrijke hoeveelheid stroma tusschen merg en schors; het stroma heeft het voorkomen van embryonaal bindweefsel en is rijkelijk van vaten voorzien. Het bevat talrijke min of meer strengvormige nitloopers van het mergblasteem, welke in vele gevallen tot aan het schorsgebied reiken en zoodoende merg en schors met elkander verbinden. De cellen van het mergblasteem vertoonen ons op dezen leeftijd ronde of licht ovale kernen, door vrij veel protoplasma omgeven; celgrenzen zijn dikwerf niet zichtbaar. De cellen sluiten niet overal nauwkeurig aan elkander en het weefsel kan daardoor liet voorkomen hebben van een cellenrijk mesenchym; waar dit verschijnsel duidelijk waarneembaar is, kan men het blasteem uiterst lastig van het omgevend stroma onderscheiden. Het zijn dergelijke verhoudingen als men in het gebied van het rete-blasteem (rete testis en rete ovarii) aantreft. Ook in het gebied van het eierstoksmerg zal men voorzichtig handelen door niet iedere cel, welke het voorkomen van een bindweefselcel heeft, alleen daarom als ingegroeid bindweefsel op te vatten.
In het algemeen gesproken is het inderdaad meermalen zeer bezwaarlijk de cellen van den geslachtsklier-aanleg in de stadiën, waarmede wij ons thans bezighouden, histolo-gisch te classiflceeren. Die moeielijkheid doet zich vooral sterk gevoelen op de grens van ovarium en toekomstig mesovarium (fig. 22« pi. IV bij a en b). Hier ter plaatse bestaat in deze jeugdige ontwikkelingsstadiën een geleidelijke overgang tusschen de cellen, welke later het mesovarium-epithelium uitmaken en de cellen welke aan de oppervlakte van het eierstoksblasteem, resp. van de eierstoksschors, gelegen zijn. Ter verduidelijking diene fig. 22 pi. IV, waar de streek, in fig. 22a met a aangegeven, vergroot is voorgesteld. De figuur is ontleend aan een embryo van 18 dagen. De groote verwantschap tusschen beiderlei genoemde celsoorten, waarvan wij weten dat zij van denzelfden moederbodem afstammen en die in den eersten aanvang der ontwikkeling van de geslachtsklier door geen enkel uitwendig kenmerk waren te onderscheiden, komt in de afbeelding duidelijk aan het licht. Hier en daar steken de kernen aan de oppervlakte van het toekomstig mesovarium meer of minder ver boven het niveau uit, een verschijnsel, dat wij kunnen opvatten als een begin van steelvorming, zoo dikwijls aan de oppervlakte van het zich ontwikkelend ovarium waar te nemen (c en e in fig. 22).
Een zaak van groot gewicht is deze, dat de cellen, die wij in oudere ontwikkelingsstadiën tot het mesovarium-epithelium rekenen, in dit stadium â en ook veel later nog â voortgaan in het onderliggend stroma in te dringen, waar zij naar onze meening bindweefsel-bestanddeelen (incl. gladde spieren) leveren. Naderhand zullen wij deze uitspraak uitvoerig motiveeren; voor het oogenblik stellen wij ons met de vermelding tevreden. Waar aldus op verschillende punten de epitheliumcellen van het toekomstig mesovarium geleidelijk overgaan zoowel in de onderliggende bindweefselbestanddeelen als in de cellen, welke het zich ontwikkelend ovarium bedekken, moeten wij er op bedacht zijn, dat ook tusschen laatstgenoemd bindweefsel en de cellen van schors- en mergblasteem zich hetzelfde verschijnsel kan voordoen : immers de elementen, welke men aan de oppervlakte van het embryonaal ovarium aantreft, waren aanvankelijk niets anders dan de meest oppervlakkig gelegen cellen van het eierstoksblasteem.
De schorslaag is bij een embryo van 18 dagen, voorzoover gevormd, een slechts weinige elementen hooge cellen strook, op menig punt niet scherp te scheiden van het bind-
â 108 â
weefsel, waarop zij rust; hier en daar heeft zij het voorkomen van een homogeen epithelium. Ook bij embryo's van 20 dagen is het schorsgebied nog zeer smal. Op den fijneren bouw van de schors zullen wij op het oogenblik niet nader ingaan; dit punt wenschen wij later in verband met de vorming der schorsstrengen nader te behandelen. Ik wil hier nog slechts wijzen op een verschil in voorkomen, dat â¢â⢠zoodra de schors is aangelegd â zich begint te openbaren tusschen de blasteemcellen van de schors en die van het merg. In hoofdzaak is dit onderscheid gelegen in de lichtere kleur der celkernen in het mergblasteem, terwijl ook het protoplasma in de mergcellen niet zoo goed voor den dag komt als dat der schorscellen. Vervolgt men in het stadium van 20 dagen een streng, die schors en merg verbindt, van de oppervlakte der klier naar het centrum, dan kan men menigmaal zich er van overtuigen, hoe de cellen zeer geleidelijk in bovengenoemden zin van karakter veranderen.
Een tweede verschilpunt betreft de oer eieren, welke in het schorsgebied tamelijk veelvuldig voorkomen, terwijl zij in het merg bij embryo's van 18 en 20 dagen zoo goed als geheel verdwenen zijn.
Over het rete ovarii kunnen wij zeer kort zijn. Immers ten aanzien van den eersten aanleg van het rete bij het vrouwelijk geslacht geldt volmaakt hetzelfde, als vroeger naar aanleiding van de vorming van het rete testis is opgemerkt. Het rete ovarii ontstaat dus, evenals het rete testis, uit coeloomepitheliumcellen; het weefsel, proximaal en basaal-waarts gelegen van de cellenmassa, waaruit het mergblasteem zijn oorsprong neemt, vormt den moederbodem. Fig. 18 pi. III vertoont ons den aanleg van het rete in het stadium van 16 dagen; de doorsnede is genomen nabij het proximale uiteinde van den geslachtskam. AVij hebben hier voor ons een cellenmassa met kleine tamelijk donker gekleurde celkernen, welke door vaten en een enkele bindweefsel vezel in kleinere, niet zelden min of meer strengvormige partijen is verdeeld. Hier en daar vindt men op dezen leeftijd tot den aanleg van het rete behoorende cellengroepjes geïsoleerd op eenigszins grooteren afstand van de hoofdmassa van het weefsel.
In zooverre wijken de verhoudingen bij het vrouwelijk geslacht af van die bij het mannelijk, dat de aanleg van het rete ovarii reeds in een vroeg stadium belangrijk minder ver distaalwaarts reikt dan dit naar verhouding met het rete testis het geval is. Zoo valt b. v. bij een vrouwelijk embryo van 18 dagen het weefsel van het zich aanleggend buizennet met het intraglandulaire stuk geheel binnen het meest proximaal gelegen vierde deel van de lengte der geslachtsklier. Wel ontbreekt ook aan het distale uiteinde van het ovarium de aanleg van het rete oorspronkelijk niet geheel. Bij embryo's van 18 dagen zijn de rudimenten daarvan in het toekomstig mesovarium niet te miskennen. Alleen blijkt het stuk van den aanleg van het rete, dat zich uitsluitend verder ontwikkelt, bij de vrouwelijke geslachtsklier aanmerkelijk kleiner te zijn dan bij de mannelijke.
Er is nog iets, waarop wij de aandacht willen vestigen, üe cellenmassa van het zich aanleggend buizennet onderscheidt zich van die van het mergblasteem voornamelijk in twee opzichten: door de kleinere afmetingen en de eenigszins donkerder tint harer celkernen. Maar toch kan het wel niemand ontgaan, dat de aanleg van het rete ovarii in een weinig oudere ontwikkelingsstadiën (embryo's van 18 dagen en ouder) veel minder sterk afsteekt bij het mergblasteem dan dit bij het mannelijk geslacht met het rete testis ten opzichte van het gebied der zaadbuisjes het geval is. De cellen van het mergblasteem
- 109 -
blijven bij voortgaande ontwikkeling veel meer op de elementen van het rete-blasteem gelijken, dan de cellen, waaruit zicli de zaadbuisjes opbouwen.
In het stadium van 20 dagen vertoont ons de hoofdmassa van den aanleg van het buizennet â evenals bij het mannelijk geslacht â een zeer kernenrijke, dikke weefsel-streng, die vrij scherp is begrensd tegenover het omgevend stroma en die door bloedvaten, begeleid door spaarzame bindweefselvezels, in kleinere partijen is verdeeld. â Intusschen is de geslachtsklier begonnen zich meer en meer van de oernier te isoleeren. Dit geschiedt op dezelfde wijze als wij bij de afsnoering van den testis hebben uiteengezet; vervangt men het rete testis door het rete ovarii en het gebied der zaadbuisjes door het mergblasteem dan is al het toen meegedeelde ook hier van toepassing. Ook de kanaaltjes in het Wolflfsche lichaam zelf ondergaan analoge veranderingen als bij het mannelijk geslacht. Zoo vinden wij bij embryo's van 20 dagen het ovarium door een weefselplaat, den aanleg van het mesovarium, met de oernier verbonden; een weefselplaat die, aan het proximale einde breed en kort, distaalwaarts gaandeweg langer en smaller wordt. Een gering verschil tusschen de verhoudingen, bij beide geslachten bestaat er alleen in dit opzicht, dat de testis over de geheele lengte met de oernier samenhangt, de eierstok daarentegen zich aan beide uiteinden geheel van elke verbinding heeft losgemaakt. Aan het proximale uiteinde is het vrije stuk zeer kort, aan het distale eind is het aanmerkelijk langer.
Door de breede verbindingsbrug tusschen oernier en eierstok dringt â dicht bij het proximale uiteinde der klier â het rete-blasteem van uit de oernier het ovarium binnen. Ook bij het vrouwelijk geslacht kunnen wij aan deze cellenmassa een extra- en een intra-glandulair gedeelte onderscheiden. Het extraglandulaire stuk hangt samen of staat althans in contact met eenige dei' proximaal gelegene oernierkanaaltjes, welke bezig zijn zich tot canules efferentes epoöphori te transformeeren. Het intraglandulaire gedeelte sluit zich aan de basale zijde van het mergblasteem aan en is, nabij het proximale einde der klier, nog als iets afzonderlijks naast het laatste te onderscheiden; maar een weinig meer distaal vereenzelvigt het zich weldra geheel met het mergblasteem en het is dan niet meer te zeggen, waai' het eene ophoudt en het andere begint.
Embryo van 24 dagen, pasgeboren en 8 dagen oud konijn.
Bij de voortgezette behandeling der ontwikkelingsgeschiedenis van den eierstok zullen wij ons allereerst bezighouden met het ovarium zelf en zijn bestanddeel en; terwijl wij aan het eind van dit hoofdstuk nog eenige bladzijden zullen wijden aan de naaste omgeving der klier en de wijze, waarop deze laatste zich daartegenover verhoudt.
Wat ons in de verdere levensgeschiedenis van den eierstok ten zeerste treft, is het terugblijven in ontwikkeling van liet mergblasteem of hel gebied der mergstrengen, zooals wij het ook kunnen noemen, tegenover de schorslaag.
Het gebied der mergstrengen neemt na het stadium van 24 dagen zoo goed als niet meer in omvang toe; vergelijk ik de afmetingen er van op dwarse doorsnede bij een embryo van 24 dagen met die, bij een 8 dagen oud konijn, dan vind ik geen noemenswaardige verschillen. Ook in de lengterichting blijkt het gebied der mergstrengen slechts weinig grooter geworden; wel is het ovarium zelf bij een konijn van 8 dagen aanzienlijk langer dan bij een embryo van 24, maar liet spits toeloopend distale uiteinde van den eierstok bestaat zoo goed als geheel uit schorssubstantie.
â 110 â
Ook de cellenmassa van liet rete-blasteem schijnt in het stadium van 24 dagen haar maximum van groei bereikt te hebben. Daar de eierstok zelf naar verhouding veel sneller in lengte toeneemt dan het rete-blasteem, reikt het zich ontwikkelend buizennet op lateren leeftijd aanzienlijk minder ver distaalwaarts dan vroeger het geval was. Bij een konijn van 8 dagen beslaat het intraglandulaire stuk nauwelijks het meest proxhnale zesde deel van het ovarium.
De vergelijking van beide geslachten met elkander levert de volgende uitkomsten. Bij een vrouwelijk embryo van 24 dagen is de omvang van het rete-blasteem op dwarse doorsnede ongeveer even groot als bij het mannelijk geslacht op denzelfden leeftijd. Legt men daarentegen de objecten van pasgeboren dieren naast elkander, dan vindt men de afmetingen van het rete testis ongeveer twee maal grooter geworden, terwijl die van het rete ovarii vrij wel gelijk zijn gebleven.
Bij embryo's van 18 dagen blijken de afmetingen van de grootste dwarse doorsnede door de geheele vrouwelijke geslachtsklier â in sagittate en in frontale richting â slechts het *1:, te bedragen van dezelfde afmetingen bij het gebied der zaadbuisjes alleen. Het gebied der mergstrengen is bij een embryo van 24 dagen in zijn dwarse afmetingen bijna twee maal, bij pasgeboren konijnen ongeveer driemaal kleiner dan het gebied der zaadbuisjes in dezelfde ontwikkelingsstadiën. De aanleg van het rete ovarii blijkt dus in zijn verdere ontwikkeling ten achter te staan bij den aanleg van het rete testis; maar vooral is dit het geval met het weefsel, waaruit de mergstrengen voortspruiten, vergeleken met dat, waaruit de zaadhuisjes hun oorsprong nemen.
In den testis werd het meer distale gedeelte van het intraglandulaire stuk van het rete-blasteem, naarmate de ontwikkeling vorderde, door het gebied der zaadbuisjes omgeven. Bij het vrouwelijk geslacht blijft een omgroeien van het rete-blasteem door het gebied der mergstrengen achterwege; later vindt men de buisjes van het i-ote ovarii uitsluitend naast de mergstrengen en niet tusschen deze. Anders zijn de verhoudingen bij de kat; hier wordt het meest distale gedeelte van het rete ovarii inderdaad door het gebied der mergstrengen omsloten.
De eierstoksschors neemt bij voortgaande ontwikkeling geleidelijk in dikte toe. Bij een konijn van 8 dagen vind ik deze laag ongeveer twee maal hooger dan bij een embryo van 24. Voorts begint de schors in haar voorkomen hoe langer hoe meer af te steken bij het merg; vooral de overvloed van oereieren in het schorsgebied bewerkt in de oudere ontwikkelingsstadiën een scherpe tegenstelling tusschen beide gedeelten van den eierstok.
Na deze algemeene opmerkingen zullen wij in de volgende bladzijden de vormingswijze der verschillende bestanddeelen van het ovarium meer in bijzonderheden uiteenzetten.
Achtereenvolgens zullen wij stilstaan bij: a. het rete ovarii, b. de mergstrengen, c. de schorsstrengen, het ovarium-epithelium en de verhouding tusschen schors- en mergstrengen.
cl Het rete ovarii.
Wij kunnen hier volstaan met te zeggen, dat de kanaaltjes van het buizennet bij het vrouwelijk geslacht op dezelfde wijze uit het rete-blasteem te voorschijn komen, als wij bij de wording van het rete testis nader hebben beschreven. De eerste kanaaltjes trof ik aan bij een pasgeboren konijn; een konijn van 8 dagen is reeds in het bezit van een behoorlijk ontwikkeld buizennet. In verband met het terugblijven in ontwikkeling van den aanleg van het rete ovarii, vergeleken met de verhoudingen bij het mannelijk geslacht, zijn de
- Ill â
kanaaltjes in het rete ovarii veel minder in aantal dan die in het rete testis. Evenmin als in het rete-testis, is het epithelium der rete-buisjes bij het vrouwelijk geslacht bijzonder regelmatig; over het algemeen zijn de epitheliumcellen hier iets hooger dan daar. Dergelijk sterk uitgezette kanaaltjes, als wij bij het mannelijk geslacht beschreven, heb ik hier niet aangetroffen.
De wording van het rete testis was bij een pasgeboren konijn nog niet voleindigd. Wij wezen er vroeger op, hoe naast de reeds gevormde kanaaltjes nog vrij veel van het oorspronkelijk blasteem âonverbruiktquot; aanwezig was.
Bij de vorming van het rete ovarii kan men hetzelfde verschijnsel waarnemen. Zelfs bij een konijn van 8 dagen vinden wij naast en tusschen de rete-kanaaltjes nog een aanzienlijke hoeveelheid van het moederweefsel, waaruit de kanaaltjes zijn voortgekomen. Dit moederweefsel bestaat grootendeels uit cellengroepjes of kleine strengetjes, min of meer volkomen door bindweefsel van elkander gescheiden. De cellen der groepjes en strengetjes hebben langwerpige, vaak staafjesvormige, donkergekleurde kernen, waardoor de onderscheiding tegenover het omringend stroma meermalen hoogst moeilijk is.
Naar de van het ovarium afgekeerde zijde hangen enkele rete-kanaaltjes met de naastbij gelegen canales efferentes samen; op de meeste punten missen wij echter een innige verbinding en bestaat er slechts contact tusschen de beide kanalensystemen.
De verhouding van het rete tot de mergstrengen komt straks ter sprake.
b. De mergstrengen.
Het mergblasteem beschouwden wij het laatst bij een embryo van 20 dagen ; het was een weefsel, waarvan de bouw hier en daar sterk herinnerde aan dien van een cellenrijk mesenchym. Het blasteem bestond uit, met elkander samenhangende, cell en partij en, waar-tusschen vaten en slechts zeer weinig bindweefsel. Het laatste kwam nog het meest voor nabij den omtrek van het merggebied, waar tevens enkele, min of meer strengvormige uitloopers de hoofdmassa van het blasteem verlieten, in het tusschen schors en merg gelegen stroma doordrongen en zich al of niet met de schorslaag verbonden.
In het verdere gedrag van het mergblasteem is nu een zeer groote overeenkomst op te merken met hetgeen het rete-blasteem ons toont. De grootere cellen partijen splitsen zich bij voortgaande ontwikkeling in vele kleinere; zoo ontstaan smalle, gewoonlijk slechts enkele cellen breede strengetjes. Het zijn deze cellenstrengetjes, welke men gewoon is als mergstrengen te onderscheiden.
Bij een embryo van 24 dagen is de vorming der mergstrengen in vollen gang. De pas ontstane strengetjes kunnen onmiddellijk aan elkander grenzen, terwijl tusschen beide slechts een fijn grenslijntje zichtbaar is. Elders vormt een bloedvat de afscheiding en op punten, waar de ontwikkeling wat verdei' is voortgegaan, ook bindweefsel, dat blijkbaar van het om en in het gebied der mergstrengen gelegen bindweefsel tusschen de strengetjes is ingegroeid.
Men zij evenwel zeer voorzichtig met al wat in het gebied der mergstrengen het voorkomen van bindweefselcellen heeft, zonder meer als van elders ingegroeid bindweefsel te beschouwen. Vergis ik mij niet, dan hebben wij hier met denzelfden factor te rekenen, dien wij bij de vorming der zaadbuisjes en der retekanaaltjes leerden kennen; niet alle blasteemcellen schijnen mij toe voor de vorming der mergstrengen te worden verbruikt. Meer dan eens ontmoette ik dergelijke beelden als wij bij den aanleg der embryonale zaadbuisjes beschreven: juist aangelegde strengetjes, gescheiden door elementen, die in haar
â 112 â
voorkomen zeer geleken op de cellen, waaruit de strengetjes zelf zijn opgebouwd, en die op bepaalde punten nog één geheel uitmaakten met cellen, die ontwijfbaar tot het blasteem behoorden. Hieruit volgt nu natuurlijk nog niet, dat de bedoelde cellen inderdaad een duurzaam bindweefsel voortbrengen; de mogelijkheid, dat dit geschiedt, kan evenwel niet ontkend worden. Zeker is, dat deze cellen, als zij niet onmiddellijk te gronde gaan, na eenigen tijd hoogst bezwaarlijk van gewone bindweefselcellen te onderscheiden zijn.
Hoe men ook over het ontstaan der ra ergst rengen moge denken, zoo schijnt mij dit toch wel niet voor ernstige tegenspraak vatbaar, dat zij onder dezelfde voorwaarden uit het mergblasteem haar oorsprong nemen, als de rete-kanaaltjes â r e s p. de strengetjes die zich tot kanaaltjes vervormen â uit het rete-blasteem.
Daarmede is dan ook tevens gezegd, dat het ontstaan der mergstrengen niet volkomen parallel loopt aan de vorming der embryonale zaadbuisjes, al zijn het wezenlijk dezelfde momenten, die bij beide processen in het spel zijn. Zoo is b. v. bij een embryo van 24 dagen de vorming der mergstrengen nog niet afgeloopen, terwijl op dit stadium reeds sedert geruimen tijd geen nieuwe zaadbuisjes meer worden aangelegd.
Wat nu de rol van het ingroeiend bindweefsel betreft, ben ik ook hier de meening toegedaan, dat dit bindweefsel slechts dient om de pas aangelegde strengetjes van elkander te scheiden; de wording der mergstrengen vat ik op als een product van de eigen werkzaamheid der cellen, waaruit zij haar oorsprong nemen. Wij herinneren er aan, hoe wij het ontstaan der embryonale zaadbuisjes en der rete-kanaaltjes onder hetzelfde gezichtspunt hebben beschouwd.
Bij de verschillende in de literatuur voorkomende meeningen omtrent den oorsprong der mergstrengen, behoeven wij ons niet lang op te houden. In het tweede Hoofdstuk hebben wij ze in extenso behandeld; wat er van ons standpunt tegen is aan te voeren, valt in hoofdzaak samen met hetgeen vroeger door ons is te berde gebracht tegen de opvattingen , welke ten aanzien van het ontstaan der zaadbuisjes worden verkondigd (verg. bl. 88 e. v.). Met nadruk moeten wij opkomen tegen elke poging om de mergstrengen van de BowMAN'sche kapsels der oer nier af te leiden; ook hier heeft de â oer nier theoriequot; naar onze vaste overtuiging voor goed afgedaan.
Bij een pasgeboren en een 8 dagen oud konijn treffen wij de mergstrengen aan als smalle, een weing gekronkelde cellenstrengetjes, dicht op elkander gelegen, met ovale of staafjesvormige celkernen. Celgrenzen zijn meestal niet duidelijk voorhanden. Tusschen de strengetjes vindt men vaathoudend bindweefsel.
In beide bovengenoemde ontwikkelingsstadiën ontmoet men nog grootere brokstukken van mergblasteem, waar de splitsing in strengetjes zeer onvolkomen moet worden genoemd.
Oereieren bevatten de mergstrengen zeer weinig. Op vele sneden bespeurt men er geen enkel. Het is hier de plaats om op den oorsprong van deze, in de mergstrengen voorkomende, oereieren nader in te gaan. De meeningen der schrijvers zijn, zooals men weet, te dien opzichte in twee groepen verdeeld: sommige beschouwen alle oereieren in de mergstrengen als van elders (uit de schors) daar binnengedrongen, andere nemen aan dat zij ter plaatse zijn ontstaan. Wat mijn eigen ervaring betreft, zoo wil ik volstrekt niet
- 113 -
ontkennen, dat op punten, waar merg- en schorsstrengen met elkander samenhangen, geen oereieren, in de schorsstrengen gevormd, in de mergstrengen kunnen indringen. Misschien gebeurt dit hier en daar werkelijk. Maar dit geeft nog niemand liet recht alle in de merg-, strengen voorkomende oereieren als van elders afkomstig te beschouwen. In het eierstoks-blasteem bij een embryo van 15 dagen vinden wij verscheidene oereieren, welke wij als in een bepaalde richting gedifferentiëerde blasteemcellen opvatten. Na de splitsing van het eierstoksblasteem in een merg- en schorsgedeelte, blijkt die differentiatie van blasteemcellen tot oereieren in het merg niet verder voort te gaan, terwijl tevens de reeds aanwezige oereieren weer bijna alle verdwijnen. In het stadium van 20 dagen zijn zij althans in het mergblasteem zeer zeldzaam. Voorzoover zij niet alle ten gronde zijn gegaan, zullen zij evenwel, als eenmaal de cellen van het mergblasteem de mergstrengen hebben gevormd, bestanddeelen uitmaken van deze laatste. En van deze oereieren kan men toch bezwaarlijk volhouden, dat zij van elders de mergstrengen zijn binnengedrongen. Of de cellen der mergstrengen zelf bij embryo's van 24 dagen en later zich nog tot oereieren kunnen vervormen, moet ik in het midden laten. Alleen het vinden van de noodige overgangsstadiën van gewone mergstrengcellen tot oereieren kan hier beslissen. Die overgangsstadiën heb ik bij een konijn niet met voldoende zekerheid kunnen waarnemen.
In een kattenovarium, waar de oereieren in de mergstrengen veel talrijker zijn dan bij het konijn, heb ik de verschillende ontwikkelingstoestanden van mergstrengcellen tot oereieren meermalen met groote duidelijkheid aangetroffen.
Ik twijfel dan ook geen oogenblik, of bij de kat bezitten de mergstrengcellen zelf het vermogen zich tot oereieren te ontwikkelen.
Bespreken wij thans de verhouding der mergstrengen tot het zich ontwikkelend rete ovarii. Wij hebben vroeger reeds vermeld, hoe de tegenstelling tusschen het rete-blasteem en het gebied der mergstrengen veel minder sterk op den voorgrond trad dan tusschen het overeenkomstige weefsel bij het mannelijk geslacht en het gebied der zaadbuisjes het geval was.
Nemen 'wij tot voorbeeld een konijnenembryo van 24 dagen, waar in het rete-blasteem alleen strengetjes, nog geen kanaaltjes zichtbaar zijn, dan gelijken deze later tot kanaaltjes wordende cellenstrengetjes in het rete-blasteem zoozeer op de mergstrengen dat, zoover de aanleg van het rete met het gebied der mergstrengen samenhangt, een scherp onderscheid tusschen beide niet te maken valt. Hoogstens kan men zeggen, dat de celkernen in het gebied van het rete iets donkerder gekleurd zijn dan de celkernen in het gebied der mergstrengen. Zoolang er nog niet geheel tot buisjes vervormd rete-blasteem aanwezig is â bij een konijn van 8 dagen is, zooals wij zagen, de vorming van het rete nog op verre na niet voleindigd â zoolang zal de moeilijkheid blijven bestaan de grenzen van het gebied der mergstrengen nauwkeurig af te bakenen tegenover die van het gebied van het buizennet. Nergens heb ik â noch bij een pasgeboren, noch bij een 8 dagen oud konijn â mot zekerheid kunnen uitmaken, dat een rete-kanaaltje met een mergstreng in contact of verbinding stond; want van de strengetjes, die â waar het zich ontwikkelend rete met het gebied der mergstrengen samenhangt â in de onmiddellijke omgeving der rete-buisjes zijn gelegen, kan ik niet beslist zeggen of zij mergstrengen zijn, of strengetjes uit het rete-blasteem zelf voortgekomen.
Inderdaad ligt er iets kunstmatigs in de door ons gevolgde indeeling van het streng-
15
- 114 -
buizensysteem, dat wij in het eierstoksmerg, ten deele nog in het mesovarium, aantreffen. Het onderscheid tusschen de rete-kanaaltjes en de mergstrengen bij een pasgeboren en een 8 dagen oud konijn komt in hoofdzaak neer op twee punten: de mergstrengen bevatten hier en daar oereieren, welke in de retekanaaltjes niet voorkomen; en ten tweede zijn de mergstrengen solide, terwijl de rete-kanaaltjes een lumen hebben. Maar geen van beide kenmerken brengen de mergstrengen in scherpe tegenstelling met de buisjes van het rete. Wat het eerste punt betreft, zoo is het bekend, dat de oereieren in de mergstrengen van het konijn uitermate spaarzaam vertegenwoordigd zijn en dat men ze in de meeste tevergeefs zoekt. Bij de kat schijnen bovendien, naar mijn ervaring, ook een enkele maal oereieren tusschen de epitheliumcellen der rete-kanaaltjes voor te komen.
Het solide zijn der mergstrengen is bij de kat eveneens een zeer betrekkelijke zaak. In ieder kattenovarium, op den voor ons doel geschikten leeftijd onderzocht (b. v. bij pasgeboren dieren), vindt men enkele mergstrengen, die den buisvorm hebben aangenomen. Als bewijs, dat men in die gevallen inderdaad met hol geworden mergstrengen en niet met rete-kanaaltjes te maken heeft, kan dienen dat men dergelijke âmergbuizenquot; meermalen aan den uitersten omtrek van het merg, ver van het rete verwijderd, aantreft, onmiddellijk onder de schors. Bovendien komen geleidelijke overgangstoestanden voor tusschen mergbuizen en mergstrengen. Het epithelium der eerste is gemeenlijk iets hooger dan dat van de rete-kanaaltjes. Bij het konijn heb ik in de mergstrengen nimmer een lumen gevonden.
Met het oog op het bovenstaande kan het ons allerminst bevreemden, dat door verschillende schrijvers de cellenstrengetjes in het rete-blasteem mede tot de mergstrengen worden gerekend en de rete-kanaaltjes slechts als holle mergstrengen worden beschouwd. Ik herinner b. v. aan de op bl. 26 medegedeelde opvatting van O. Hertwig , die de buisjes van het rete opvat als âMarkstrange, welche eine Höhlung bekommen.quot; Niettemin bestaan er voor ons afdoende gronden bij de eenmaal gevolgde indeeling te volharden; want alleen langs dezen weg wordt een zuivere vergelijking der verschillende bestanddeelen van het ovarium met die van den testis mogelijk gemaakt. Bovendien verlieze men niet uit het oog, dat, als het rete eenmaal in zijn geheel is gevormd, de afbakening dei-grenzen tusschen het gebied van het buizennet en die der mergstrengen â voorzoover deze laatste nog voorhanden zijn â geen moeilijkheid meer oplevert.
Bij het konijn beschikte ik niet over voldoend oude ontwikkelingsstadiën om dit punt nader te vervolgen; wel kon ik dit doen bij de kat, waar bij het pasgeboren dier de wording van het rete is afgeloopen. Van het rete-blasteem is hier zoo goed als niets meer in den oorspronkelijken toestand aanwezig. Op verschillende punten verbinden zich de kanaaltjes van het buizennet met de mergstrengen. De epitheliumcellen der i'ete-kan aaltjes, met hun donkergekleurde kernen, hebben langzamerhand een voorkomen aangenomen, dat van de cellen der mergstrengen belangrijk verschilt en menigmaal is op de verbindingsplaatsen de afscheiding tusschen het kanaaltje en de mergstreng niet minder scherp dan tusschen een tubulus rectus en een zaadbuisje bij het mannelijk geslacht.
Kanaaltjes, welke met de tuhuli recti in den testis op één lijn te stellen zijn, vind ik in het konijnenovarium niet; of zij na den leeftijd van 8 dagen zich nog ontwikkelen, moet ik in het midden laten. Ik acht dit evenwel niet waarschijnlijk, want ook bij de kat â voor het onderzoek der verhouding van het rete tot de mergstrengen veel geschikter
- 115 -
dan het konijn â kan men niet zeggen, dat de uiterste, aan de mergstrengen grenzende vertakkingen van het buizennet door haar verloop of haar epithelium in liet oog loopend verschillen van de overige kanaaltjes van het rete.
c. De schorsstrengen.
1. De vormingswijze.
De vorming der schorsstrengen begint bij een konijnenembryo van 18 dagen. Voorzoover de scheiding van het eierstoksblasteem in een merg- en schorsgedeelte hier tot stand is gekomen, bestaat de schors öf uit één homogeen epithelium, öf, waar dit niet het geval is, zijn toch de aan de oppervlakte grenzende schorscellen tot een epithelium gegroepeerd. De dieper liggende schorselementen zijn dan op dergelijke punten zóó gerangschikt, dat zij afzonderlijke groepjes vormen, welke hier eens meer, daar eens minder duidelijk afsteken tegenover elkander en tegenover de epitheliumcellen aan de oppervlakte.
Genoemde cellengroepjes zijn de eerste sporen van de schorsstrengen. De scheiding tegenover elkander en tegenover het epithelium wordt meestal nog slechts door fijne grens-lijntjes bewerkstelligd. Nu en dan ziet men in het verloop dier grenslijntjes een langwerpige, donker gekleurde kern, waarvan het meestal niet te zeggen is of zij tot ingroeiend bindweefsel behoort, of wel een' celkern van het schorsblasteem zelf is.
Voor de eenvoudigheid der voorstelling doet men het best de geheele schorslaag bij een embryo van 18 dagen, voorzoover aanwezig, te beschouwen als een epithelium, waarvan de meer basaal gelegen cellen op verschillende punten bezig zijn schorsstrengen te leveren. Zooals bekend is, zet zich dit proces â op de bijzonderheden waarvan wij straks uitvoeriger terugkomen â over een langdurige periode onafgebroken voort. Maar zoo lang zich schorsstrengen aanleggen, steeds bouwen zij zich op ten koste van de aan de oppervlakte der klier gelegen, min of meer duidelijk tot een epithelium vereenigde schorscellen. Aanvankelijk grenst deze cellenlaag â het schors- of eierstoksepithelium â bijna overal onmiddellijk aan de zich aanleggende schorsstrengen: eerst bij toenemende ontwikkeling worden de aan de oppervlakte grenzende cellen door een bindweefsellaag, de tunica albuginea ovarii, meer en meer van de eenmaal gevormde schorsstrengen gescheiden.
Zoo kunnen wij de schorsstrengen, in ieder stadium der ontwikkeling van de geslachts-klier, beschouwen als ontstaan ten koste der woekeringsproducten van het'eierstoksepithelium. Later zal ons blijken, dat wel niet alle, maar toch verscheidene strengen direct van dit epithelium zijn af te leiden, in dien zin, dat zij als papilvormig naar binnen gegroeide uitwassen van deze cellenlaag zijn op te vatten. In zooverre bestaat er een onderscheid tusschen de vormingswijze der schorsstrengen en die van de zaadbuisjes, rete-kanaaltjes en mergstrengen, welke bestanddeelen langs een meer indirecten weg van het coeloom-epithelium hun oorsprong namen: door differentiatie uit blastemen, die uit de woekering van het coeloomepithelium ontstonden; maar die, eenmaal gevormd, zich niet meer vergrootten ten koste van de cellen, die de oppervlakte der geslachtsklier bedekken. Op één voornaam punt komen de schorsstrengen weer overeen met de mergstrengen, de rete-kanaaltjes en de zaadbuisjes. Al deze bestanddeelen hebben wij beschouwd als te zijn ontstaan door de eigen activiteit der cellen, waaruit zij zich opbouwen; zoo is ook.
- 116 â
naar onze meening, de vorming der schorsstrengen eveneens het resultaat van de eigen werkzaamheid van het eierstoksepithelium.
Dit zal ons duidelijk worden, wanneer wij thans de bijzonderheden van het proces wat nader in oogenschouw nemen.
Men kan niet zeggen, dat de schorsstrengen zich altijd en onder alle omstandigheden op dezelfde wijze aanleggen. Komen wij nog eens terug op het stadium van 18 dagen. Op bepaalde plaatsen maakt de schors hier den indruk van een hoog epithelium, aan de basale zijde waarvan zich cellen bij groepen van den moederbodem afsplitsen. Aanvankelijk bepaalt zich de verandering alleen daartoe, dat enkele van de meer basaal gelegen epitheliumcellen door de plaatsing der celkernen ten opzichte van elkander en van de omgevende elementen een afzonderlijk groepje gaan vormen, zonder dat het verband tusschen de cellen, die tot het groepje behooren en de omringende epitheliumcellen is opgeheven. Maai' het duurt niet lang, of over een grooter of kleiner gedeelte van den omtrek van het groepje wordt een fijn grenslijntje zichtbaar en hierdoor wordt de scheiding ingeleid van de zich aanleggende schorsstreng en de overblijvende epitheliumcellen.
Van waar komt dit grenslijntje? Volgens mijn overtuiging is dit laatste niets anders dan een differentiatieproduct van het protoplasma der epitheliumcellen zelf. Soms vindt men reeds bij het eerste optreden der cellengroepjes één of meer langgerekte kernen in het verloop der grenslijntjes. Wij wezen er boven reeds op, hoe het gewoonlijk niet is uit te maken, of deze kernen tot epitheliumcellen behooren, of afkomstig zijn van het bindweefsel, dat tusschen de zich ontwikkelende schorsstrengen en tusschen deze en het overblijvend epithelium indringt. Misschien is nu eens het een, dan weer het ander het geval. Meer dan eens heb ik beslist den indruk gekregen, alsof de bewuste kernen inderdaad kernen van het epithelium waren.
Wij staan hier voor een zeer lastig probleem. Dat het vaatvoerend bindweefsel van den eierstok zich inderdaad tusschen de eenmaal aangelegde schorsstrengen en tusschen deze en het overblijvend epithelium uitbreidt en zoodoende de strengen zoowel van elkander als van het epithelium gaandeweg meer en meer isoleert, kan moeilijk betwijfeld worden. Maar van den anderen kant, zij men er steeds op bedacht, dat de epitheliumcellen volmaakt het voorkomen van bindweefselcellen kunnen aannemen; straks komen wij op deze belangrijke kwestie nog nader terug.
Wenden wij ons nu tot oudere ontwikkelingsstadiën, embryo's van 20 en 24 dagen, pasgeboren en 8 dagen oude konijnen, dan kan men op talrijke plaatsen nog dezelfde beelden waarnemen, als boven beschreven. Het epithelium woekert, er ontstaat een diffuse, over tamelijk groote uitgestrektheid voortloopende, verdikking van deze cellenlaag en van de zoo ontstane cellenmassa splitsen zich weer, op de boven uiteengezette wijze, grootere en kleinere brokstukken af, die of tot zelfstandige schorsstrengen uitgroeien öf zich bij reeds gevormde schorsstrengen voegen en deze helpen vergrooten. Onderwijl woekert ook het vaatvoerend bindweefsel meer en meel' voort, zich een weg banend tusschen de door het epithelium voortgebrachte cellengroepen.
Maar niet overal vormen zich de schorsstrengen op deze wijze. Bij embryo's van 20 dagen en ouder kan men op geschikte plaatsen waarnemen, hoe de woekering van het ovarium-epithelium in plaats van meer diffuus op te treden zich tot een zeer omschreven punt beperkt; wat tengevolge heeft dat genoemde cellenlaag op die bepaalde plaatsen papilvormig naar binnen begint uit te puilen. Blijft het woekeringsproces eenigen tijd
- 117 -
voortduren, dan kunnen langs dezen weg cellenstrengetjes ontstaan, die, afgaande van het eierstoksepithelium, meer of minder diep de geslachtsklier binnendringen. Hebben deze strengetjes een bepaalde lengte bereikt dan staan zij nooit volkomen loodrecht op de oppervlakte van het ovarium; steeds zijn zij min of meer gebogen, soms zóó, dat het meer centrale gedeelte van de strengetjes vrij wel evenwijdig aan de oppervlakte verloopt. De zoo ontstane producten, welke zich mettertijd volkomen van den moederbodem scheiden en zich dan alleen door vermeerdering van hun eigen cellen verder ontwikkelen, worden tot schorsstrengen van het ovarium of helpen ook weer de bestaande schorsstrengen vergrooten, door zich bij deze te voegen.
Wij hebben dus twee typen leeren kennen, waarnaar de schorsstrengen bij het konijn zich kunnen vormen: volgens de eerste is de schorsstreng een afgesplitst brokstuk van een meer diffuse geleidelijk in de omgeving overgaande epitheliuraverdikking; volgens de tweede is de schorsstreng meer langs directen weg, als strengvormig uitwas, uit het epithelium gegroeid. Langs beide wegen kan hetzelfde beeld ontstaan. Stellen wij b, v. het geval, dat bij een bepaald ovarium het epithelium ergens over een grootere uitgestrektheid gelijkmatig â z. g. diffuus â is verdikt. Stellen wij verder, dat langs de basale zijde van dit verdikt epithelium-gedeelte over de geheele lengte een cellenstrook zich afsplitst, maar zóó, dat de strook aan een der uiteinden nog een tijdlang met den moederbodem in samenhang blijft, terwijl zij overal elders door het ingroeiend bindweefsel van het epithelium wordt gescheiden. De zoo gevormde schorsstreng doet zich dan als een papilvormig uitwas van het epithelium voor, dat zich krommend, in eene richting ongeveer evenwijdig aan het epithelium zelf, het ovarium binnendringt. De streng maakt den indruk uit een omschreven binnenwaarts gerichte woekering van het epithelium te zijn voortgekomen; en toch is hier de vormingswijze een andere geweest.
Gewoonlijk zijn nu, in de door ons bestudeerde ontwikkelingsstadiën van het konijn, de verhoudingen zoo, dat slechts op bepaalde punten ieder der twee genoemde vormings wijzen zuiver aan het licht treden; de meeste schorsstrengen schijnen te ontstaan door een samenwerking van beide.
Zoo kan men herhaaldelijk waarnemen, hoe de basale grens van een diffuus verdikt gedeelte epithelium, hier eens meer, daar eens minder naar binnen uitpuilt. Ook komt het veelvuldig voor, dat, waar het epithelium strengvormig het ovarium is binnengegroeid, niet alleen het strengvormig uitwas tot schorsstreng wordt, maar zich daarbij nog een van het epithelium afgesplitst gedeelte voegt; m. a. w. de plaats, waar de scheiding van schorsstreng en moederbodem tot stand komt, ligt niet ter hoogte van de basale grenslijn van hot epithelium, maar reikt meer of minder ver in het gebied van het epithelium zelf.
Het behoort tot de meest gewone verschijnselen, dat een pas aangelegde schorsstreng zich deels als uitwas van het epithelium voordoet, deels in het epithelium zelf uitsteekt.
Tot goed begrip van laatstgenoemde uitdrukking dienen wij hier melding te maken van een belangrijke eigenschap der cellen, die het ovarium (en in het algemeen de buikholte) bedekken. Reeds bij een embryo van 15 dagen sluiten de aan de oppervlakte van den eierstok grenzende cellen niet overal aaneen; hier en daar ziet men voorbeelden van steelvorming (fig. 21 pi. IV bij c en cl). In het stadium van 18 dagen treedt dit laatste minder op den voorgrond (hg. 22 pi. IV); bij een embryo van 20 dagen daarentegen vind ik de oppervlakte van het ovarium grootendeels met fraai gesteelde cellön bezet, niet onge-
â 118 â
lijk aan die, welke in fig. 29 pi. VI zijn afgebeeld. Zeer schoon kan men dien eigenaardigen bouw van het eierstoksepithelium â het pseudo-epithelium van Balfour â ook waarnemen op den embryonalen leeftijd van 24 dagen (flg. 23 pi. IV).
Het best zijn de gesteelde cellen hier te bestudeeren, waar de bedekkende laag slechts één cel dik is; waar de dikte verschillende cellen bedraagt is het verschijnsel minder duidelijk. Maar ook op plaatsen met een hoog epithelium sluiten de elementen veelal niet onmiddellijk tegen elkander aan. Meermalen vindt men talrijke openingen tusschen de cellen en de structuur van het epithelium kan sterk herinneren aan die van een mesenchym (Hg. 23 pi. IV). Ook in de schorsstrengen kan men menigmaal nog duidelijk dezen mesen-chymateusen bouw terugvinden.
Bij een pasgeboren konijn en een konijn van 8 dagen is het epithelium over het algemeen weer lager dan bij een embryo van 24 dagen. Ook van openingen tusschen de elementen onderling bemerkt men veel minder; toch zijn ook thans de bekende gesteelde cellen verre van zeldzaam.
Uit het bovenstaande nu blijkt voldoende, dat de cellen van het eierstoksepithelium â in de door ons behandelde ontwikkelingsstadiën â de eigenschap van de embryonale coe-loomepitheliumcellen, om zich ten opzichte van elkander te kunnen bewegen, behouden hebben; immers zij kunnen zich meer of minder ver van elkander verwijderen en de structuur van een mesenchym aannemen. Dit vermogen der epithelium cellen, om zelfstandig van plaats te veranderen, speelt ongetwijfeld een belangrijke rol bij de eigenaardige rangschikking der cellen, welke â zooals wij vroeger zagen â aan de afsplitsing van schorsstrengen ofdeelen van schorsstrengen van een verdikte strook epithelium voorafgaat.
Dezelfde eigenschap der epitheliumcellen verklaart, hoe binnen het gebied van het verdikte epithelium cellenarmere plaatsen afwisselen met cellenrijkere, en meermalen heeft men gelegenheid op te merken, hoe juist daar, waar zich groepjes schorsstrengen of deelen van schorsstrengen van den moederbodem gaan afsplitsen, de cellen het dichtst zijn opeengehoopt.
Zet zich hier en daar zulk een gedeelte epithelium, waar de kernen dichter op elkander zijn gelegen dan in de naaste omgeving, naar het binnenste van den eierstok toe voort in een cellen-streng â welke overigens geheel beneden de basale grens van het epithelium uitsteekt - dan zal het geheel den indruk maken van een streng, welke met het naar de oppervlakte van het ovarium gekeerde uiteinde een eindweegs in het gebied van het eierstoksepithelium doordringt. Daartoe is niet noodig dat zich om dit boveneinde reeds een grenslijntje heeft ontwikkeld; alleen doordat de cellen hier dichter opeengehoopt zijn dan in de omgeving kan die indruk al worden teweeggebracht. Niet zelden ziet men. hoe de epitheliumcellen, die het naast aan dit einde van zulk een schorsstreng grenzen, zeer in de lengte zijn uitgerekt en zich als pijlers boogvormig om genoemd uiteinde heenkrommen. Eén enkele dergelijke platte cel kan de eenige bedekking der streng vormen. Bij het ontstaan van zulke schorsstrengen, die tijdens de vorming, deels boven de basale grens van het epithelium, deels daaronder zijn gelegen, kunnen de beide factoren â de vorming en afsplitsing van cellengroepen binnen het gebied van het epithelium en het indringen van epitheliumcellen in het onderliggend weefsel â in verschillende mate werkzaam zijn geweest. Nu eens zal men de bedoelde producten moeten beschouwen als echte strengvormige woekeringen van de het ovarium bedekkende cellenlaag, die, wanneer
â 119 â
zij zich van den moederbodem scheiden, dit niet doen aan de basale grens van het epithelium, maar meer nabij de oppervlakte, binnen in het laatste; dan weer zijn de genoemde schors-strengen meer als binnen het epithelium zelf ontstane cellengroepen te duiden, welke, voordat de samenhang daarmede is verbroken, zich allengs hebben vergroot en daarbij meer of minder ver in het onderliggend bindweefsel zijn ingedrongen.
Wij zijn begonnen met de vorming der schorsstrengen het resultaat der eigen werkzaamheid van liet eierstoksepithelium te noemen.
Ook volgens Janosik , Paladino e. a. was dit het geval (verg. bl. 41); maar hunne meening, dat alle schorsstrengen als omschreven, papilvormig naar binnen gegroeide, woekeringen van de genoemde cellenlaag zouden zijn op te vatten en op geen andere wijze zouden kunnen ontstaan, moet ik op grond van het bovenstaande voor onjuist houden. Dat evenwel dergelijke, ook dooi' Bühlee beschreven woekeringen, bij het konijn inderdaad voorkomen, kan men, naar mijn overtuiging, als zeker aannemen. Stellig in strijd met de feiten is mijns inziens de theorie van Balfour e. a., volgens wie bij de vorming der schorsstrengen de epitheliumcellen zich alleen zouden vermenigvuldigen om dan bij grootere en kleinere groepen tegelijk, louter passief, in de mazen van het steeds verder doordringend bindweefsel te worden opgenomen. Evenzoo moet ik opkomen tegen de voorstelling van Waldeyer en andere schrijvers, die het ontstaan der schorsstrengen beschouwen als het gevolg van een wederkeerig door elkander groeien van epithelium en bindweefsel. Is onze opvatting juist, dan gaat de eerste stoot tot de vorming der schorsstrengen altijd van de epitheliumcellen zelf uit; het ingroeiend bindweefsel bewerkt alleen, dat de eenmaal aangelegde strengen meer en meer van elkander en van den moederbodem worden gescheiden.
Zoodra evenwel de schorsstrengen zijn aangelegd, groeit, naar mijn overtuiging, het vaatvoerend bindweefsel â van de basale zijde van het schorsgebied ââ er tusschen. Hiermede kom ik in tegenspraak met de opvatting door Sohulin en Laulanié gehuldigd, die van oordeel zijn, dat de schorsstrengen zich differentiëeren uit een homogeen blasteem, waaruit naast de schorsstrengen, ook het tusschen deze gelegen bindweefsel zijn oorsprong zou nemen.
Of de epitheliumcellen van den eierstok â zooals bovengenoemde schrijvers willen â inderdaad bindweefselbestanddeelen voortbrengen, laat ik voorloopig in het midden; maar aangenomen, dat dit inderdaad geschiedt, dan volgt uit deze omstandigheid nog volstrekt niet, dat van het binnenste van den eierstok geen bindweefsel de schorslaag zou binnen-groeien. De bewijzen, dat dit niet zou plaats hebben, zoekt men bij Sohulin en Laulanié tevergeefs. Ik kan ook niet inzien, langs welken weg die bewijzen zouden zijn te leveren. Gesteld dat de schorslaag, van haar eerste verschijnen af, langs de geheele basale grens overal scherp tegenover het bindweefsel afgebakend was en bleef â zooals b. v. de epidermis tegenover het corium â en dan ergens midden in de schorslaag, geheel onafhankelijk van het onder de schors gelegen stroma, zich bindweefsel begon te vertoonen, dan zou men niet kunnen ontkomen aan de conclusie: dat het bedoelde bindweefsel inderdaad een product der schorscellen zelf moest zijn. Maar in werkelijkheid verschilt de verhouding van de schors tot het naburig bindweefsel hemelsbreed van het bovengegeven voorbeeld. Van het eerste oogenblik af, dat wij van een eierstoksschors kunnen spreken, is de grens tegenover het stroma, dat de schors van het merg scheidt, grootendeels verre
â 120 -
van scherp (fig. 22 pi. IV) en het duurt slechts korten tijd, of wij zien talrijke vaat-houdende bindweefselstrooken zich in de schorslaag voortzetten. Nimmer heb ik ergens in het schorsgebied met zekerheid de aanwezigheid van een bindweefselstrook kunnen consta-teeren, die niet met het onder de schors gelegen stroma samenhing.
Klinkt het verder niet hoogst onwaarschijnlijk dat, terwijl in het zich ontwikkelend ovarium de cellen zich in sterke mate ten opzichte van elkander plegen te verplaatsen, de basale grens van de schorslaag, door vaat-uitloopers overschreden, voor liet bindweefsel een niet te overkomen barrière zou vormen? Bovendien, hoe verklaart men - aannemende, dat alleen vaten en geen bindweefsel de zich in strengen verdeelende schorslaag binnen-groeien â hot verschijnsel, dat pas aangelegde schorsstrengen, welke zonder tusschen-plaatsing van eenige andere cellen met scherpe grenzen aan een andere schorsstreng of aan het epithelium aansluiten, later toch dooi- bindweefselstrooken van elkander of van het epithelium worden gescheiden, wanneer dit bindweefsel niet van elders daar tusschen is gegroeid.
Dicht bij de oppervlakte van den eierstok, onmiddellijk onder het eierstoksepithelium, zijn de bindweefselbestanddeelen meermalen uitermate lastig van de epitheliumcellen te onderscheiden; dit punt maakt een der meest gewone klachten van de onderzoekers uit. Juist in dit gemis aan scherpe grenzen tusschen het een en het ander vond Schulin aanleiding tot het bestaan van bovenbedoeld differentiatie-proces te besluiten. Naar onze meening bewijst dit gebrek aan scherpe grenzen in deze op zich zelf nog niets. Uit fig. 23 pi. IV bleek ons'nog, hoe de epitheliumcellen van het ovarium het vermogen behouden hebben met elkander een weefsel te vormen, gebouwd als een embryonaal mesenchym. Moet men er onder deze omstandigheden niet op bedacht zijn dat, als dergelijke cellen met ingroeiend bindweefsel in aanraking komen, beiderlei bestanddeelen niet altijd bij den eersten oogopslag van elkander zullen zijn te onderkennen?
Maar al twijfelt men niet aan het ingroeien van bindweefsel in het schorsgebied, aan ieder onderzoeker dringt zich de vraag ter beantwoording op, in hoeverre het eierstoksepithelium misschien tot de vorming van het tusschen de schorsstrengen en van het tusschen deze en het epithelium optredend stroma heeft medegewerkt.
En hiermede zijn wij genaderd aan een der moeilijkste vraagstukken in de levensgeschiedenis van het ovarium, dat men niet mag ontwijken door vast te houden aan het dogma, dat de epitheliumcellen van het zich ontwikkelend ovarium onder geen enkele omstandigheid bindweefsel kunnen voortbrengen. Men verlieze niet uit het oog, dat de cellenlaag, die den eierstok bedekt, ten slotte niets anders is dan een bepaald gedeelte van de algemeene bekleeding der buikholte, voortgekomen uit het embryonale coeloomepithelium. En dat dit laatste, in de periode, waarin de geslachtsklier zich begint aan te leggen, bindweefsel levert, is een niet te ontkennen feit.
In de ontwikkelingsstadiën, die wij thans bespreken, hebben de cellen aan de oppervlakte der buikholte veel van haar embryonaal karakter verloren; maar het is van het grootste belang te constateeren, dat zij het vermogen om bindweefselbestanddeelen (inclusief gladde spiervezels) voort te brengen niet geheel hebben ingeboet. Een streek, waar die bindweefselvorming ten koste van de bekleedende epitheliumcellen nog langen tijd tot uitdrukking komt, is de oppervlakte van het mesovarium in de onmiddellijke nabijheid van den eierstok. Bij de kat zijn de beelden in dit opzicht overtuigender dan bij het konijn;
- 121 -
toch is het mijns inziens niet twijfelachtig, of ook hier hebben wij hetzelfde proces voor ons. Ik verwijs naar de figuren 22 en 23 pl. IV. In geen van beide figuren is het mesovarium-epithelium â als men daarvan spreken wil â goed gescheiden van de onderlaag; ik voeg er bij, dat dit op andere sneden over tamelijk groote uitgestrektheid wel het geval kan zijn.
De celkernen van het mesovarium-epithelium vermeerderen zich; de aanwezige mitosen bewijzen dit afdoende. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen, dat de deelings-producten uitsluitend aan de oppervlakte blijven. ïe oordeelen naar de ligging der onmiddellijk onder de oppervlakte zich bevindende celkernen, mag men aannemen, dat de dochterkernen voor een deel in het onderliggend stroma dringen, waar zij het aantal van de reeds aanwezige stromakernen helpen vermeerderen. Ik verwijs o. a. naar de scheef liggende kern onder a en naar de vier kernen die, ietwat links van a, een schuin naar de oppervlakte gericht strengetje vormen (fig. 22 pl. IV).
In fig. 23 pl. IV hebben wij naar alle waarschijnlijkheid iets dergelijks voor ons. Ook hier liggen onder de kernen, welke de oppervlakte begrenzen, andere, die volmaakt op de eerste gelijken. Wij gaan niet te ver, wanneer wij deze laatste ten deele als de directe nakomelingen van de eerste beschouwen. Op zich zelf zijn de besproken beelden niet bewijzend; in verband met hetgeen wij later bij de kat zullen zien, durf ik er uit besluiten, dat bij het kon ij n in de behandelde ontwikkelingsstadiën het epithelium van het mesovarium inderdaad bindweefsel voortbrengt.
Nu spraken wij vroeger reeds over het bestaan van een geleidelijken overgang tusschen mesovarium- en ovarium-epithelium (bl. 107). Ook in de verhouding van beide epithelium-lagen tot het onderliggend bindweefsel is een groote overeenkomst waarneembaar. Wal-deyer(136) wees er op, hoe het mesovarium-epithelium bij zoogdieren over het algemeen vast aan de onderlaag is verbonden; poogt men b. v. door afkrabbing met een mes de oppervlakte van haar bedekkende laag te ontdoen, dan blijkt dit zoo goed als geheel te mislukken.
De opmerking van Waldeyeb is volkomen juist en door het mikroskopisch beeld is deze eigenschap van het mesovarium-epithelium gemakkelijk te verklaren. Op talrijke punten hangen de cellen aan de oppervlakte door, tot bindweefsel vezels veranderde, protoplasma-draden innig samen met de ondergelegen stromacellen en slechts over kleinere afstanden vindt men het epithelium scherp van de laatste gescheiden (fig. 22 en 28 pl. IV).
Maar in de jongere ontwikkelingsstadiën zijn de verhoudingen aan de oppervlakte van het ovarium in dit opzicht niet anders. Zoo zal men, b.v. in liet stadium van 15 dagen, de aan de eierstoksoppervlakte gelegen cellen al even moeilijk van de onderliggende kunnen isoleeren als het mesovarium-epithelium (verg. fig. 21 pl. IV). Bij voortgaande ontwikkeling, wanneer zich een eigenlijk elerstoksepithelium begint te vormen, hangen de epitheliumcellen van het ovarium over het algemeen minder vast samen met het subepitheliale stroma dan bij het mesovarium het geval is; ja het is bekend, hoe bij volwassen zoogdieren en ook al bij jongere, het eierstoksepithelium, bij niet bijzonder zorgvuldige behandeling van het praeparaat, over grootere uitgestrektheid gemakkelijk van de onderlaag loslaat (vergelijk ook Waldeyeb, 1. c. S. 7). Maar deze toestand komt eerst langzamerhand tot stand; in de ontwikkelingsstadiën van het konijn, die wij hier bespreken, hangt het ovarium-epithelium, hoewel niet in die mate als het epithelium van het mesovarium, op tal van punten nog zeer innig samen met het onderliggend stroma; men vergelijke b. v. fig. 23 pl. IV van een embryo van 24 dagen, waar bij c het epithelium zonder scherpe grenzen aansluit aan het zich daaronder bevindend bindweefsel. Op dezelfde wijze
16
- 122 -
als aan de oppervlakte van het mesovarium zijn hier de epitheliumcellen onmiddellijk met de bindweefselvezels verbonden.
Men herinnert jsich, dat wij aan de epitheliumcellen van het ovarium het vermogen hebben toegeschreven uit eigen beweging van plaats te veranderen. De mogelijkheid is dus gegeven, dat, op dergelijke punten als bovenbedoeld, epitheliumcellen in het onderliggend stroma dringen en zich onder de bindweefselelementen mengen. Nu schijnen er zich hier en daar werkelijk epitheliumcellen aldus te gedragen: d. w. z. zij dalen in het onderliggend weefsel af, zonder zich daarbij tot de vorming van behoorlijke schorsstrengen aaneen te sluiten. Zoo stuit men in fig. 23 pi. IV bij e op enkele cellen, welke ik geneigd ben te houden voor nakomelingen van de aan de oppervlakte gelegen elementen, die reeds een eind weegs in het bindweefsel zijn doorgedrongen.
Nemen wij aan, dat bovenstaande beschouwingen juist zijn, wat wordt er dan van deze in het bindweefsel opgenomen epitheliumcellen? Zij kunnen bij voortgaande ontwikkeling de richting inslaan, gevolgd door de epitheliumcellen, die tot den opbouw van schors-strengen worden verbruikt, en zich öf bij bestaande schorsstrengen voegen, öf zich zelfstandig in deze richting verder ontwikkelen. Een tweede mogelijkheid is dat zij spoedig ten gronde gaan; ten derde kan men zich voorstellen, dat er onder deze cellen zijn, die een blijvend bestanddeel van het bindweefsel gaan vormen en de elementen van het laatste helpen vermeerderen. Of dit werkelijk plaats grijpt, kan de directe waarneming bezwaarlijk beslissen. Alles zal afhangen van de kwestie of in de thans beschouwde ontwikkelingsstadiën, de epitheliumcellen van het ovarium reeds zoo in één bepaalde richting gedifferentieerd zijn, dat de eigenschap om bindweefsel te leveren, die toekwam aan de coeloomepithe-liumcellen, waarvan zij afstammen, geheel verloren is geraakt.
Bij 'de bespreking van het ovarium der kat zullen wij kennis maken met een feit, geschikt om ons iets nader te brengen tot de oplossing van bovengenoemd vraagstuk.
2. Over den bouw der schorsstrengen.
Bij een embryo van 18 dagen en ook in het stadium van 24 dagen zijn de oereieren in de schors nog niet bijzonder talrijk. Het meest ziet men ze nog in de dieper gelegen schorsstrengen; onmiddellijk aan de oppervlakte van den eierstok heb ik ze, in de door mij onderzochte stadiën van het konijn, nooit waargenomen.
Bij een pasgeboren konijn komen de oereieren reeds menigvuldiger voor. Meer en meer beginnen de cellen der gevormde en zich vormende schorsstrengen zich in deze richting te differentiëeren. Maar tevens blijkt,'dat niet alle cellen der schorsstrengen bij de verdere ontwikkeling dezen weg inslaan. Nergens vond ik, ook niet bij een konijn van 8 dagen, een schorsstreng die geheel uit oereieren bestond. Voor een deel behouden de in de strengen aanwezige celkernen meer den oorspronkelijken vorm; de meeste van deze schijnen mij toe tevens iets kleiner te worden.
In de verst ontwikkelde schorsstrengen vormen deze kleine donkergekleurde kernen -bij een pasgeboren en 8 dagen oud konijn â een scherp contrast met de veel grootere en lichter gekleurde kernen der oereieren. Hier en daar vindt men overgangsvormen tusschen de eerste en de laatste.
De kleinere kernen nemen in de schorsstrengen geen bepaalde plaats in. Hier zijn zij
â 123 â
wat meer, daar wat minder dicht opeengehoopt; over liet algemeen zijn zij zonder veel regelmaat tusschon de oereieren verspreid. Soms vindt men eenige kernen te zamen in één rijtje gerangschikt, dat een bepaald gedeelte van den omtrek eener schorsstreng kan begrenzen ; dan weer ontbreken de kernen juist aan den omtrek van een schorsstreng zoo goed als ten eenenmale. Het maakt op mij den indruk, alsof deze kleine elementen der schors-strengen van de cellen, waaruit zij zijn voortgekomen, het vermogen tot eigen beweging behouden hebben en zich actief allerwegen tusschen de oereieren kunnen verbreiden.
Op gunstige plaatsen kan men waarnemen, hoe het protoplasma der kleine cellen een netwerk vormt, dat herinnert aan den bouw van het epithelium in fig. 23 pi. IV; de mazen van dit netwerk worden door de oereieren opgevuld. Zoowel de oereieren als de kleinere cellen geven hier en daar fraaie mitosen te zien.
Bij een konijn van 8 dagen vertoonen vele oereieren in de meer ontwikkelde schors-strengen eigenaardige kernveranderingen, die wij hier niet nader zullen omschrijven en die reeds door Balfour (5) als de âmodification of the nucleusquot; zijn aangeduid. Op het eerste gezicht denkt men aan mitosen.
De juiste beteekenis van de genoemde kernveranderingen is mij niet recht duidelijk; maar, waar zij in eenigszins belangrijke mate aanwezig zijn, schijnen de oereieren zich niet verder te ontwikkelen. Verreweg de meerderheid dezer zoo veranderde kernen gaan namelijk ten gronde; misschien is dit wel met alle het geval. Aan de meeste van do in de eerste periode der eierstoksontwikkeling aangelegde oereieren schijnt het lot beschoren weer spoedig te verdwijnen. Dit laatste kan op verschillende wijzen geschieden en lang niet altijd ondergaan de kernen daarbij eerst de veranderingen, waarvan boven sprake was.
Van follikelvorming is in de door ons onderzochte ontwikkelingsstadiën van het konijn nog niets te bespeuren.
3. De verhouding van de schorsstrengen tot de mergstrengen.
Wij herinneren er aan, hoe de tegenstelling tusschen schorsstrengen en mergstrengen, wat het uiterlijk voorkomen der samenstellende cellen betreft, zich geleidelijk ontwikkelt. Bij een embryo van 18 dagen is een verschil tusschen de cellen van schors- en mergblasteem nauwelijks aanwezig. In het stadium van 24 dagen is het onderscheid aanmerkelijk grooter. Dit is vooral te wijten aan de donkerder kleur van kernen en protoplasma in het schors-gebied. Maar overigens bieden de cellen in haar uiterlijk zóó weinig verschillen met elkander aan, dat op plaatsen, waar die donkere tint niet bijzonder sterk op den voorgrond treedt en schors en merg niet door bindweefsel gescheiden zijn, het een zonder scherpe grenzen in het ander overgaat (verg. flg. 23 pi. IV). In oudere ontwikkelingsstadiën komt er iets bij, dat de tegenstelling tusschen schors en merg veel scherper maakt: wij bedoelen de toenemende ontwikkeling van oereieren in het schorsgebied. Bij een pasgeboren en een 8 dagen oud konijn vormt het verschil in rijkdom aan oereieren wel het meest karakteristieke onderscheid tusschen beide strengsoorten.
In de mergstrengen zijn, zooals vroeger is medegedeeld, oereieren zeldzaam; de meeste cellen wijken in voorkomen en grootte weinig af van de kleinere cellen in de schorsstrengen.
Over het geheel genomen is het gebied der mergstrengen bij pasgeboren en 8 dagen oude konijnen door bindweefsel tamelijk volkomen van het schorsgebied gescheiden. Toch is het niet moeilijk punten te vinden, waar schors- en mergstrengen met elkander in
â 124 â
contact staan of samenhangen. Ligt de oorzaak hiervan ten deele wel in de omstandigheid, dat de oorspronkijk uitgebreide verbinding tusschen merg- en schorsblasteem hier niet geheel is opgeheven; toch moeten wij er aan denken, dat de samenhang van merg- en schors-strengen ook van secundairen aard kan zijn, na de scheiding tot stand gekomen. Soms vindt men het breede centrale uiteinde van een schorsstreng geheel door mergstrengen omgeven. Houdt men rekening met de groote overeenkomst tusschen de kleine cellen in de schorsstrengen en de meeste mergstrengcellen, dan behoeft het verder geen betoog, dat op plaatsen als bovenbedoeld beider gebied gewoonlijk niet nauwkeurig is af te bakenen.
Kölliker en Rouget zoeken, zooals men weet, het nut der mergstrengen daarin, dat zij zich met de alleen uit oereieren bestaande schorsstrengen vereenigen, terwijl dan de mergstrengcellen tusschen en langs de oereieren in de schorsstrengen zouden doordringen en de z. g. kleinere cellen van de schorsstrengen zouden leveren.
Voor het konijn â en naar mijn overtuiging ook voor hond en kat â is deze theorie ten eenenmale onhoudbaar. Er is voor mij geen twijfel aan, dat de oereieren en de kleinere cellen in de schorsstrengen â of die het follikelepithelium vormen, laat ik voorloopig geheel in het midden â van éénzelfde bron afstammen en onder dezelfde voorwaarden uit het eierstoksepithelium hun oorsprong nemen.
Wij zagen hierboven, hoe het onderscheid tusschen kleinere cellen en oereieren op groote re schaal eerst in de oudere ontwikkelingsstadiën der schorsstrengen (pasgeboren konijn) zichtbaar werd. Nu wil ik volstrekt niet beweren, dat op punten, waar wij op dezen leeftijd schors- en mergstrengen vinden samenhangen, de cellen der mergstrengen zich niet kunnen mengen onder die der schorsstrengen. Maar al geschiedt dit ook, dan volgt daaruit nog niet, dat de mergstrengen die rol spelen, welke haar door Kölliker en Rouget wordt toebedacht. Wat mijns inziens het zwaarst weegt is, dat geen van beide onderzoekers hebben aangetoond, dat de schorsstrengen aanvankelijk uit louter oereieren bestaan; en voldoen de schorsstrengen niet aan deze voorwaarde dan mist deze theorie allen vasten grond. Nu ken ik geen stadium in de ontwikkeling van het konijnenovarium, waarbij de schorsstrengen niets dan oereieren bevatten. Wel zijn de cellen in de schorsstrengen aanvankelijk bijna alle aan elkander gelijk, maar deze cellen zijn geen oereieren. Nader onderzoek leert ons, dat zij zich in twee richtingen ontwikkelen. En die ontwikkeling blijkt ten ten eenenmale onafhankelijk te zijn van de omstandigheid of de schorsstrengen toevallig mot de mergstrengen één geheel vormen ot niet. Naar mijn ervaring gedragen zich de schorsstrengen, welke zich in een reeds vroeg van het merg geïsoleerd schorsgedeelte aanleggen, van het begin tot het eind niet anders dan de strengen, die zich vormen op plaatsen, waar de verbinding tusschen merg en schors niet zoo spoedig wordt opgeheven of waar wellicht de eenmaal gescheiden schorslaag zich weer secundair met het merg heeft vereenigd.
Over de veranderingen, die de oernier hij het vrouwelijk geslacht ondergaat, en over de verhoudingen van den eierstok tot de naaste omgeving.
Als punt van uitgang nemen wij het stadium van 20 dagen der embryonale ontwikkeling. De oernier is hier nog slechts weinig verminderd in volumen en nagenoeg over de
- 125 â
geheele lengte breed met den achterwand der buikholte verbonden. Aan de oernier hangt op de vroeger beschreven wijze het ovarium (verg. bi. 109).
Bij voortgaande ontwikkeling grijpen er in de oernier dezelfde veranderingen plaats als bij het mannelijk geslacht: de glomeruli verdwijnen en ook het meerendeel der kanaaltjes gaat na korter of langer tijd ten gronde. In den oer nier top ontwikkelen zich de meeste buisjes verder en vervormen zich dan tot de candles efferentes epoöphori.
Het bindweefselstroma van de oernier wordt bestanddeel van het bandapparaat, dat tuba en eierstok met den buikwand en beide organen onderling vereenigt.
Evenals bij het mannelijk geslacht blijft ook hier bij voortgaande ontwikkeling het weefsel van den oernier top in zeer innig verband het proximale gedeelte van de geslachtsklier. In den eersten tijd doet dit oernierrudiment zich tegenover het ovarium min of meer als een afzonderlijk orgaan voor, een toestand, die sterk herinnert aan de verhouding van den testis tot den zich ontwikkelenden epididymis.
Vooral bij embryo's van 24 dagen springt dit duidelijk in het oog. Raadplegen wij, bij het proximale einde beginnend, de op elkander volgende seriesneden van praeparaten uit dit stadium, dan kunnen wij â kleine individueele verschillen daar gelaten â den toestand als volgt beschrijven.
Geheel bovenaan is door de snede alleen getroffen: de oernier, hangende aan den achterstersten buikwand. De oerniertop bevat: oernierkanaaltjes, bezig zich tot canales efferentes te vervormen; het extraglandulaire deel van het rete-blasteem, hier en daar in innig contact met de zooevengenoemde kanaaltjes, en de Wolffsche en Müllersche gangen. Beide gangen liggen in een plooivormig uitwas van het oernierrudiment, waaraan men naar Braun den naam geeft van plica tubaria (Tubenfalte). Deze plica tubaria is het homologen van de weefselplooi, waarin bij het mannelijk geslacht op dezen leeftijd de tot vas deferens wordende Wolffsche gang een plaats vond. De Müllersche gang was daar in dit stadium reeds geheel verdwenen.
Zetten wij de beschouwing der seriesneden naar het distale einde voort, dan komt al spoedig het ovarium in het gezichtsveld. Aan den top geheel vrij verbindt de eierstok zich iets meer distaal breed met het oernierrudiment; op deze hoogte dringt het rete-blasteem het ovarium binnen, welke cellenmassa zich spoedig nauw aan het mergblasteem aansluit. Aan het proximale stuk van het oernierrudiment hangen dus, door een kleine tusschenruimte van elkander gescheiden: de eierstok en de plica tubaria, de eerste mediaal van de laatste.
De kanaaltjes, die men nu van deze hoogte af nog in de atrophiëerende oernier aantreft, behooren niet meer tot het systeem der canales efferentes, maar verdwijnen binnen een vrij kort tijdsbestek op enkele onbeduidende resten na. Daarbij kan men opmerken, hoe deze rudimentaire kanaaltjes â naarmate wij het distale einde van de geslachtsklier naderen â zich meer en meer van het hilum ovarii verwijderen, terwijl het tusschen deze oernierresten en het ovarium gelegen bindweefsel in hoeveelheid toeneemt. Zoo ziet men, dat, terwijl de veranderde oerniertop zich min of meer als een afzonderlijk orgaan aan ons voordoet, in de onmiddellijke nabijheid van het hilum ovarii gelegen, de resten der meer distaal liggende oernierkanaaltjes met het omringend stroma slechts een kleine verhevenheid aan de oppervlakte der buikholte vormen, van welke verhevenheid dan de plica tubaria en het ovarium naast elkander aan vrij lange steel-verbindingen zijn bevestigd. Het distale uiteinde zelf van den eierstok is over een bepaalde
uitgestrektheid geheel vrij en reikt belangrijk verder dan de meest distaal gelegen oernierrudimenten.
De half-schematische afbeeldingen in flg. 24 en fig. 25 pi. V kunnen het gezegde verduidelijken. Wel is waar hebben zij betrekking op een kattenembryo (lengte 9.4 cM.), maar ten opzichte van het bovenstaande komen konijn en kat, wat de hoofdzaken betreft, volkomen overeen. De ontwikkeling is bij genoemd stadium van de kat wat verder gevorderd, dan bij een konijnenembryo van 24 dagen het geval is; zoo zijn b. v. bij het konijn op dezen leeftijd in den aanleg van het rete nog geen kanaaltjes zichtbaar.
Do half-schema's van lig. 24 zijn ontleend aan dwarse doorsneden door den eierstok en de naaste omgeving. Fig. 24a is uit het meest proximale gedeelte, dan volgt 245 enz.; a ö en c liggen niet ver van elkander, de afstand tusschen c en d is iets grooter. Toch valt snede 24d nog in het bovenste derde gedeelte van den eierstok. Snede 24e ligt niet ver van het distale uiteinde.
In flg. 24a zien wij het rudiment van het bovenste gedeelte der oernier met de canales efferentes; het bezit een smal mesenterium (bij het konijn vond ik dit laatste veel breeder). Aan het rudiment hangen twee uitsteeksels. Het eene is de plica tubaria, waarin de Müllersche en Wolffsche gang (t. en W. g.); op het andere komen wij later terug.
In flg. 24amp; is het ovarium en het extraglandulair gedeelte van het zich ontwikkelend rete door de snede getroffen. Het oernierrudiment doet zich hier voor als een zelfstandig orgaan, slechts even met de geslachtsklier verbonden.
Dit wordt spoedig anders. In flg. 24c bestaat er reeds geen bepaalde grens meer tusschen ovarium en oernierrest. Van oernierkanaaltjes zien wij nog een enkelen canalis efferens met het rete samenhangen; overigens beginnen zij zich meer en meer van de geslachtsklier te verwijderen. Het rete heeft zich met het gebied der mergstrengen vereenigd.
De verhouding tusschen oernierrudiment en geslachtsklier begint zich nu weldra te wijzigen in den zin, zooals wij boven beschreven; reeds in flg. 24d is dit duidelijk merkbaar; flg. 24e toont ons den toestand dicht bij het distale einde, waar 'de resten van oernierkanaaltjes op vrij grooten afstand van den eierstok zijn gelegen (in de figuur niet meer zichtbaar), terwijl de band, waaraan het orgaan bevestigd is, opvallend smaller is geworden.
Fig. 25 stelt voor een overlangsche doorsnede door ovarium en naaste omgeving, eveneens half-schematisch. Vergelijkt men deze afbeelding met flg. 20 pi. III, dan springt de groote overeenkomst tusschen de verhoudingen bij beide geslachten sterk in het oog.
De zelfstandigheid van den rudimentairen oerniertop raakt in oudere ontwikkelingsstadiën bij het vrouwelijk geslacht geheel verloren; ook dit gedeelte van het Wolffsche lichaam gaat ten slotte geheel op in het bandapparaat tusschen tuba en ovarium en tusschen ovarium en buikwand uitgespannen.
In de menschelijke anatomie noemt men â zooals bekend is â de geheele weefselplaat tusschen bekkenwand, tuba en uterus: breeden band. Even onder de tuba gaat van dezen breeden band het mesovarium af. Men kan nu ongedwongen aan het ligamentum latum bij den mensch twee gedeelten onderscheiden. Zoo is er niets tegen om het stuk, gelegen tusschen de tuba en de insertielijn van het mesovarium â meer naar den uterus toe tusschen tuba en ligamentum ovarii â¢â als mesosalpinx te betitelen, terwijl de rest van de weefselplaat dan als breede band in engeren sin overblijft. Als mesovarium kunnen
â 127 â
wij dan definiöeren: het weefsel tusschen hilum ovarii en de insertielijn van de mesosalpinx.
Maken wij van deze benamingen ook gebruik bij do kat en het konijn, dan kunnen wij â er rekening mede houdend, dat de oorspronkelijke ligging van het ovarium, waarbij de lengte-as der klier slechts weinig afwijkt van de lengte-as van het lichaam, bij deze dieren bewaard blijft â den gang van zaken bij voortgaande ontwikkeling aldus beschrijven.
De plica tubaria wordt tot mesosalpinx. In de streek van het abdominale einde dei-tuba (lig. 24a en 24ö pi. V) wordt het weefsel van de mesosalpinx versterkt door dat van het proximale oernierrudiment, dat met de plica tubaria een geheel uitmaakt.
Vormt alzoo de uiterste top van het oernierrudiment bij voortgaande ontwikkeling slechts een verdikt gedeelte van de mesosalpinx, meer dis taal (flg. 24c) gaat de oernierrest allengs geheel op in het mesovarium, dat daardoor op die hoogte een belangrijke breedte verkrijgt. Het gevolg is. dat men mettertijd het ovarium aan zijn boveneinde (fig. 24amp;) aan de mesosalpinx vindt vastgehecht, terwijl iets lager (fig. 24c) omgekeerd de mesosalpinx van het mesovarium ontspringt. De grens tusschen mesovarium en mesosalpinx is hier niet scherp aan te geven. Eerst op de hoogte van fig. 24cZ worden de verhoudingen zóó, dat mesovarium en mesosalpinx ieder voor zich uit den, breeden hand schijnen voort te komen.
De hreede hand (met deze uitdrukking, zonder meer, bedoelen wij hier en in het vervolg âden breeden band in engeren zinquot;) wordt in de streek van het abdominale einde der tuba geheel gevormd door het tusschen oernier en buikwand gelegen weefsel; verder naar het distale uiteinde (24 c en vooral 24 d) ontwikkelt zich de breede band mede ten koste van het weefsel der oernier zei f. In verband hiermede is het volkomen begrijpelijk, hoe geheel aan het proximale uiteinde der tuba (fig. 24a) de mesosalpinx mettertijd het verlengde van den breeden band zal vormen, terwijl meer distaal (flg. 24c) de breede band zich onmiddellijk in het mesovarium voortzet.
Den zooevenbeschreven toestand vindt men bij een 8 dagen oud konijn verwezenlijkt; de breede band is hier over de geheele lengte van het ovarium zeer kort en vormt groeten-deels niet veel meer dan een klein vooruitspringend gedeelte van den achtersten buikwand.
De canales efferentes hebben wij in dit stadium deels te zoeken in de mesosalpinx, deels ook nog in het mesovarium en in het grensgebied tusschen beide. Slechts enkele kanaaltjes reiken in het gebied van den breeden band.
Het extraglandulaire stuk van het rete ligt op dezen leeftijd geheel in het proximale gedeelte van het mesovarium.
De Wolffsche gang blijft bij het vrouwelijk konijn veel langer bestaan dan de Müller-sche bij het mannelijk geslacht. Bij een embryo van 24 dagen is nog een groot stuk van het proximale gedeelte der Wolffsche gang aanwezig; het heeft een gekronkeld verloop en ligt in het weefsel der plica tubaria, tusschen de basis der plica en de Müllersche gang. Of de canales efferentes met het rudiment der Wolffsche gang communiceeren, kan ik niet zeggen. Zelfs bij een 8 dagen oud konijn is de Wolffsche gang nog niet geheel verdwenen.
Het konijn van 8 dagen vertoont ons nog tamelijk talrijke rudimenten van kanaaltjes, afkomstig van het meer distale deel der oernier, dat gedeelte, hetwelk zich oorspronkelijk uitstrekte van de plek, waar zich het rete-blasteem met het gebied der mergstrengen vereenigde, tot aan het distale einde van het Wolffsche lichaam. Men vindt ze in den
- 128 -
/
breeden brand, waar mesovarium en mesosalpinx samenkomen; deels liggen zij nog in het weefsel van de mesosalpinx on het mesovarium zelf. Onder deze buisjes-resten zijn er, waarvan het epithelium in zeer goeden toestand verkeert, en volkomen overeenkomt met het epithelium der canales efferentes; mitosen treft men er niet zoo heel zeldzaam in aan. Maar over het algemeen zijn de epitheliumcellen in do rudimenten uit het distale oernier-stuk niet zoo goed geconditionneerd als in de canales efferentes; gewoonlijk zijn de celkernen wat lichter van tint en verschillende buisjes vertoonen min of meer ver gaande verschijnselen van regressie. Gaarne vormt zich in het protoplasma der epitheliumcellen het bekende gele pigment (verg. bl. 99 en 103); pigmentkorrels van dezelfde kleur kunnen het lumen der kanaaltjes geheel opvullen.
Van glomeruli zijn bij een konijn van 8 dagen zoo goed als nergens meer overblijfselen te vinden. Wil men nu â zooals men dit na Waldeyek gewoon is te doen â de bovengenoemde, uit het meer distale gedeelte van het Wolffsche lichaam afkomstige, buisjes-resten, waarvan de ervaring leert dat zij zich niet behoorlijk verder ontwikkelen, onder den naam paroophoron samenvatten, het zij zoo. Daarbij houde men evenwel in het oog, dat een scherpe afscheiding tusscben par- en epoöphoron bij een konijn van 8 dagen niet bestaat. Op de grens van beide, in de onmiddellijke omgeving van het rete, liggen kanaaltjes, waarvan men niet kan zeggen, of zij al of niet tot canales efferentes zullen uitgroeien.
Be d enkel ij k er wordt het echter, wanneer men alle resten van het oernierparenchym, die zich niet in den vorm van beboor 1 ijk ontwikkelde kanaaltjes voordoen, tot het paroophoron brengt on daarmede te kennen wil geven, dat deze rudimenten uitsluitend van het distale gedeelte van bet Wolffsche lichaam afstammen. Zoo handelt o. a. Tourneux (129). Deze onderzoeker beschrijft hot paroophoron bij verschillende volwassen zoogdieren als bestaande uit kleine met epithelium bekleede blaasjes of uit korrels, welke weer op baai-beurt cellenstrengen of van een cylinderepithelium voorziene kanaaltjes bevatten; de blaasjes of de korrels lagen groepsgewijze verspreid deels aan den omtrek van de buisjes van bet epoöphoron, deels â zooals b. v. bij het schaap â tusschen deze laatste.
Wat leert ons nu het onderzoek van den eierstok en de adnexa bij een konijn van 8 dagen? Vooral op overlangsche doorsneden kan men er zich op verschillende coupes van overtuigen, hoe enkele canales efferentes min of meer ver gaande verschijnselen van regressie vertoonen, waarbij zich hetzelfde gele pigment kan vertoonen, dat men zoo dikwerf in de distaal gelegen oernierresten opmerkt. Van een lumen is soms niets meer te zien. Dat op deze wijze reeds tot canales efferentes vervormde oernierbuisjes in ontwikkeling blijven stilstaan en ten slotte geheel of gedeeltelijk kunnen verdwijnen, lijdt geen twijfel. Maar deze canales efferentes zijn van het meest proximale deel van het Wolffsche lichaam afkomstig en bunne resten mogen zeker niet gerangschikt worden onder de âvestiges de la portion urinaire du corps de Wolffquot;, zooals Toukneux het paroophoron definieert.
Men zij er steeds op bedacht, dat de canales efferentes rudimentaire organen zijn, die bij sommige dieren op lateren leeftijd geheel verdwijnen. Tusschen het in goeden toestand aanwezig zijn en het verdwijnen moet een periode liggen, waarin wij de atrophische op atrophiscb-gedegenereerde overblijfselen van deze buisjes nog moeten vinden.
Volgens Tourneux nu ontbreken de canales efferentes bij de volwassen koe totaal; als âparovariumquot; (ons paroophoron) doen hier dienst âquelques grains isolésquot; aan den omtrek van het rete ovarii gelegen. âUn vestige plus considerable (du parovarium) est situé en
dehors et au dessous de l'ovaire a une distance de 1 cM. environ de l'extrémité externe du réseau ovariën .... II est constitué par nn assemblage de grains et de cordons épithé-liaux tortueux, dont les éléments, étroitement serrés les uns contre les autres, sont infiltrés de goutelettes de substance grassequot; (1. c. p. 185). Weet Tourneux in dit geval zeker, dat onder hetgeen door hem als paroophoron is beschreven, geen overblijfselen van in ontwikkeling teruggegane epoöphoron-bestanddeelen zijn begrepen?
Het komt mij niet gewenscht voor, dergelijke oernierresten â zonder dat men volledig over hun oorsprong is ingelicht â tot het paroophoron te rekenen en zoodoende reeds daardoor alleen op bovenstaande kwestie te praejudiciëeren. Beter schijnt het mij toe het geheele begrip paroophoron te laten vallen en hetgeen Tourneux e. a. onder dien naam samenvatten eenvoudig te omschrijven als âoernierresten, die zich niet als behoorlijk ontwikkelde kanaaltjes voordoen,quot; terwijl wij daarbij geheel in het midden laten uit welk gedeelte van de oernier zij eigenlijk zijn voortgekomen.
Heeft de ontwikkeling van het konijn een zekere hoogte bereikt, dan ligt de tuba niet meer in den vrijen rand van de mesosalpinx, zooals wij dit bij den mensch en enkele andere zoogdieren gedurende het geheele leven gewoon zijn aan te treffen. Bij het konijn namelijk begint de vrije rand van de mesosalpinx na een bepaald stadium (embryo van 20 cl 24 dagen) voorbij de tuba plooivormig uit te groeien. De plooi strekt zich uit over de geheele lengte van de mesosalpinx, begint dus aan het proximale einde van het boven den eierstok uitstekend oernierrudiment en eindigt distaal in het weefsel dat den uterus omgeeft. In fig. 24 pi. V hebben wij den eersten aanleg van deze plooi bij de kat â welk dier in dit opzicht dezelfde verhoudingen aanbiedt als het konijn â met f. p. aangegeven.
Nog een andere plooi hebben wij te vermelden, namelijk een, die zich ontwikkelt aan de oppervlakte van het boven den eierstok uitstekend oernierrudiment, een weinig mediaal ten opzichte van de lengte-as van het ovarium. Deze tweede plooi, die zich in het stadium van 18 a 20 dagen begint aan te leggen, sluit met het eene (distale) uiteinde aan het mesovarium aan en loopt in de tegenovergestelde richting door tot den top van het oernierrudiment, in welks weefsel zij zich, evenals de plica tubaria, geheel oplost. In lig, 24a is dit plooitje bij de kat afgebeeld, waar het dicht naast de plica tubaria van het oernierrudiment ontspringt.
Voordat wij de geschiedenis dezer plooien verder vervolgen, een en ander over het ostium abdominale der Müllersche gang.
De ligging van het ostium abdominale der Müllersche gang, later van de tuba, is bij het konijn in de verschillende ontwikkelingsstadiën niet constant. Reeds de plaats, waar het zich aanlegt, wordt door de schrijvers verschillend opgeven. Egli (32, S. 32) beschrijft het bij een embryo van 14 dagen aan de laterale zijde van het Wolffsche lichaam. Volgens Kölliker evenwel ligt het pas aangelegde ostium aan den ventro-medialen kant der oernier, hetgeen ook op de afbeeling, welke hij er aan toevoegt, duidelijk is te zien (67, S. 978). Janosik (59, S. 142) bevestigt Kölliker's bevinding. Mihalkovios 86quot;, S. 302) daarentegen bestrijdt ze en spreekt van een âVersehen Kölliker'squot;; volgens hem ligt het ostium, zoowel in de jongste ontwikkelingsstadiën als later, steeds aan de laterale zijde der oernier.
Wat mijn eigen ervaring op dit punt aangaat, zoo trof ik in al de door mij onderzochte gevallen, waar zich de Müllersche gang pas had aangelegd, het ostium
17
- 130 -
steeds aan de ventro-mediale zijde van het Wolffsche lichaam aan. Een paar malen vond ik het meest proximale gedeelte der gang volkomen in overeenstemming met Köl-liker's afbeelding verloopen; van het mediaal gelegen ostium boog de Müllersche gang zich met een sterke kromming langs de dorsale zijde der oernier naar den lateralen kant van dit orgaan; eenmaal daar gekomen volgde zij de richting van de Wolffsche gang. Het gebogene proximale stuk der Müllersche gang kan zich echter ook â zooals mij in andere gevallen bleek aan de ven tra le in plaats van aan de dorsale zijde der oernier aansluiten. Wil men dus met Egli en Mihalkovics al aannemen, dat het ostium abdominale tubae reeds van den aanleg af aan den lateralen kant van het Wolffsche lichaam kan gelegen zijn, een regel zonder uitzondering is dit zeker niet.
In oudere ontwikkelingsstadiën (embryo's van 24 dagen en ouder) vertoonde zich het ostium abdominale tubae nu eens een weinig mediaal ten opzichte van het ovarium en dan steeds proximaal van den top van den eierstok, dan weer meer late-raalwaarts van het orgaan, proximaal of distaal ten opzichte van den top. Een en ander hing weer daarmede samen of het kanaal uitmondde aan de oppervlakte van het boven den eierstok gelegen oernierrudiment of in den rand van de plica tubaria (mesosalpinx); beide kwam voor. In het laatste geval was het ostium steeds lateraal gelegen ten opzichte van het ovarium.
Waren de vroeger beschreven plooien, die, welke zich aan het oernierrudiment hecht en die, welke de plica tubaria omzoomt, goed tot ontwikkeling gekomen, dan vonden wij de tuba-opening steeds in den vrijen rand van een dezer plooien gelegen. Waar het ostium in het gebied van eerstgenoemde plooi uitmondde, kwam de toestand het meest overeen met de verhoudingen, zooals ik die in de jongere ontwikkelingsstadiën had aangetroffen; aan het proximale einde der plica tubaria verliet de tuba den lateralen kant van het oernierrudiment en sloeg zich boogvormig om naar het mediaal gelegen ostium.
Bij een paar exemplaren (beide van embryo's van 24 dagen) kon ik nagaan, dat het oorspronkelijke ostium van de Müllersche gang was verdwenen, en door een secundair op een andere plaats ontstane nieuwe opening was vervangen. Of het ostium tubae, als de ontwikkeling is volbracht, misschien altijd als een secundair gevormde opening moet worden beschouwd, kan ik niet zeker zeggen; bij den mensch schijnt dit inderdaad zoo te zijn (verg. Waldeyer , 136, S. 127).
Tweeërlei is ons dus gebleken: ten eerste dat, mag men de verschillende schrijvers geloovon, het ostium der Müllersche gang bij het konijn zich niet altijd op dezelfde plaats aanlegt; en verder dat de eerstaangelegde opening in sommige gevallen oblitereert en door een nieuw ostium op een andere plaats wordt vervangen. Beide omstandigheden zijn zeker voldoende om het wisselende in de ligging van het ostium abdominale tubae bij het konijn te verklaren (vergelijk over deze kwestie ook M. J. Van Ebp Taalman Kip, Tijdschrift der Nederl. Dierk. Vereeniging, 2e Serie, Deel IV Afl. 2, 1894).
Wij zagen boven, hoe wij het ostium tubae in de meer gevorderde ontwikkelingsstadiën steeds in den rand van een der beide plooien hebben te zoeken, öf in de plooi, die de plica tubaria omzoomt öf in die, welke van het mesovarium naar den top van het oernierrudiment verloopt. Daar nu evenwel de twee bewuste plooien, naarmate de ontwikkeling vordert, proximaal van den eierstok met elkander één geheel gaan uitmaken, mondt ten slotte het ostium tubae â het mag dan mediaal of lateraal ten opzichte van het ovarium gelegen zijn â in den rand van één enkele doorloopende plooi uit, welke plooi aan het
- 131 -
proximale einde van het mesovarium begint, zich in haar verder verloop min of meer kapvormig om den top van den eierstok heenslaat om vervolgens langs den eileider haar weg naar het tubaire uiteinde van den uterushoorn dier zijde voort te zetten.
Bij een 8 dagen oud konijn is het zoo even beschrevene duidelijk tot ontwikkeling-gekomen. Er is alsdan nog meer waar te nemen. Vooral in de omgeving van het ostium tubae heeft zich de vrije rand van de genoemde doorloopende plooi belangrijk verdikt en verbreed, terwijl tevens de oppervlakte van dit verbreede randgedeelte zich meer en meer begint te kronkelen. Het epithelium, dat deze oppervlakte bedekt, heeft allengs volkomen het karakter van een slijmvliesepithelium aangenomen; het vertoont ons één enkele rij van cylindercellen, regelmatig naast elkander gerangschikt, die overal dicht aaneensluiten en over het algemeen vrij scherp van het onderliggend stroma zijn gescheiden. Ter plaatse van het ostium gaat dit epithelium zonder merkbare grenzen over in het slijmvliesepithelium van de tuba.
Wij kunnen dus den toestand bij een konijn van 8 dagen als volgt beschrijven. De tuba mondt met een sleufvormige opening uit in het gebied van een langwerpige, aan de oppervlakte der buikholte bloot liggende slijmvliesstrook. Deze laatste omzoomt een gedeelte der weefselplooi, welke zich naast den top van den eierstok aan het mesovarium vasthecht en die in haar verder verloop tot aan den uterushoorn, het verlengde vormt van de mesosalpinx; want het boven den top van den eierstok gelegen oernierstuk is geheel in het weefsel van de mesosalpinx opgegaan. Het slijmvliesepithelium begint, waar deze plooi van het mesovarium afgaat en zet zich, voorbij de opening der tuba, nog een eindweegs in de richting van den uterus voort. Aan de slijmvliesstrook kunnen wij derhalve twee gedeelten onderscheiden: een ovariaalwaarts van den eileidermond gelegen stuk en een uterienwaarts van het ostium gelegen gedeelte. Het eerstgenoemde stuk is ook in de menschelijke anatomie bekend en draagt den naam van fimbria ovarica. Het cylinder-epithelium dezer fimbria zet zich naar de zijde van den eierstok langs het mesovarium geleidelijk voort in de cellen welke het ovarium bekleeden; langs dezen weg wordt dus een verbinding bewerkstelligd tusschen het slijmvliesepithelium der tuba en het epithelium dat den eierstok overtrekt.
Het andere gedeelte der slijmvliesstrook ontbreekt bij den mensch. Bij een konijn van 8 dagen strekt het zich uit van het ostium tubae tot op ongeveer de helft van den afstand tusschen ostium en het tubaire einde van den terzelfder zijde gelegen uterushoorn, op welk punt de cellenbekleeding der slijmvliesstrook geleidelijk het karakter van een slijmvliesepithelium verliest. Tevens wordt op deze hoogte de vrije rand der plooi, die het verlengde van de mesosalpinx vormt, aanzienlijk smaller; maar toch is het epithelium, dat dezen vrijen rand bekleedt, tot het tubaire uiteinde van den uterushoorn, nog merkbaar hooger dan het omringende buikvliesepithelium. Aan dit laatst beschouwde stuk der slijmvliesstrook, waarvan het epithelium geleidelijk in de algemeene buikvliesbekleeding overgaat, heeft d'Antin (1) den niet onpassenden naam van fimbria peritonealis gegeven.
Gaan wij â bij het konijn â de herkomst na van het verhoogde epithelium, dat den vrijen rand van de met f. p. aangeduide plooi in flg. 24 pi. V omzoomt, dan blijkt dat deze cellenlaag regelrecht afstamt van de smalle strook kubisch epithelium, die wij bij jeugdige embryo's aantreffen aan de oppervlakte van het weefsel rondom de Müllersche gang, zoover als het kanaal reikt.
Deze epitheliumverhooging, die zich als de Müllersche gang zelf in proximo-distale
- 132 -
richting ontwikkelt en daarbij op laatstgenoemd kanaal een kleinen voorsprong heeft, vindt men bij verschillende schrijvers besproken. De beteekenis er van is niet recht duidelijk; ook bij de andere amnioten komt zij voor. Meer uitvoerige bijzonderheden omtrent de literatuur geeft o. a. H. Burger die vermoedt dat uit dit verhoogde epithelium liet om de Müllersche gang zich ophoopende stroma zijn oorsprong neemt.
Ook mij komt het niet onwaarschijnlijk voor, dat deze cellenstrook in den loop dei-ontwikkeling bindweefselbestanddeelen, resp. gladde spiervezels, voortbrengt. Bij de behandeling van den eierstok der kat komt dit punt nog nader ter sprake. Hier wensch ik er alleen op te wijzen, dat de bewuste strook epithelium bij een konijn van 8 dagen over een bepaald gedeelte harer lengte, geheel is opgegaan in de slijmvliesbekleeding der fimbria peritonealis.
Wij zijn in de bovenstaande bladzijden, bij het schetsen van het ontstaan van breeden band, mesovarium, mesosalpinx en fimbriae, zeer in het algemeene gebleven; de kleine verschillen, waardoor het eene object afwijkt van het andere, ter zijde latend.
Ter juiste waardeering dezer kleine verschillen dient men rekening te houden met een omstandigheid, waardoor de bestaande verhoudingen in menig geval niet onbelangrijk worden gewijzigd. Ik bedoel de groote gemakkelijkheid, waarmede zelfs in meer gevorderde ontwikkelingsstadiën vergroeiingen tot stand komen tusschen mesosalpinx en mesovarium onderling en tusschen elk dezer bestanddeelen voor zich met den buikwand. Daarbij kunnen oorspronkelijk aanwezige verbindingen geheel of ten deele verdwijnen, zoodat men op lateren leeftijd een bepaalde plooi niet zoó zelden op een geheel ander punt ziet ontspringen, dan men, afgaande op hetgeen jongere ontwikkelingsstadiën toonden, zou verwachten.
In één door ons waargenomen geval was de afwijking van den norm zeer sterk. Het betrof de vorming van de fimbria ovarica; het praeparaat was afkomstig van een embryo van 24 dagen. Het ostium abdominale tubae lag lateraal van het ovarium en tevens vrij ver distaal ten opzichte van den top van het orgaan. In verband met die lage ligging van het ostium was de weefselplooi aan het, boven den eierstok uitstekend, oernier-rudiment in het geheel niet tot ontwikkeling gekomen. Op een bepaalde hoogte tusschen den top van de geslachtsklier en het ostium was daarentegen de vrije rand van de plica tubaria innig vergroeid met een uitsteeksel van het mesovarium, terwijl de epithelium-cellen aan de oppervlakte van dit uitsteeksel den cylindervorm hadden aangenomen. Dit cylinderepithelium ging geleidelijk in het eierstoksepithelium over, en vormde zoodoende de brug tusschen het laatste en het cylinderepithelium, dat den vrijen rand der plica tubaria bekleedde. Ter verduidelijking van het gezegde stelle men zich voor, dat in fig. 2ic pi. V /'. p. zich met een uitwas van de onder W. cj. gelegene mesovarium-zijde heeft verbonden, en dat het ostium tubae, b. v. ter hoogte van snede 24d, in den vrijen rand van f.p. is gelegen.
De fimbria ovarica had zich hier dus eenigszins anders ontwikkeld dan gewoonlijk; van een kapje boven den top van den eierstok was in het geheel geen sprake. Het is zeker een merkwaardige eigenschap der afstammelingen van het oernier-epithelium â want daaruit is de cellenbekleeding van het mesovarium voortgekomen â,
') De ontwikkeling van de Müllersche gang by de eend en de bergeend. Tijdschrift der Nederl. Dierk. Vereeniging, 2e Serie, Deel IV Afl. 3, 1894.
- 133 -
dat deze, zelfs in vrij vei' gevorderde ontwikkelingsstadiën, wanneer zij van de cellen, die het buikvlies in de naaste omgeving bedekken, niet te onderscheiden zijn, toch nog het vermogen behouden hebben zich tot hooge cylindercellen te transformeeren.
Dit geval geeft mij tevens aanleiding op te komen tegen een uitspraak van Mihal-kovios. Deze onderzoeker schrijft ergens (8611, S. 305) âDie Fimbrie ist namlich der proximale Theil der Geschlechtsleiste, an welcher aber die speciflschen Geschlechtszellen nicht zur Entwickelung kommen.quot; Met het proximale gedeelte van den geslachtskam bedoelt hij blijkbaar de door ons beschreven plooi aan het boven den eierstok uitstekend oernier-rudument. Bij het konijn evenwel begint zich deze plooi veel te laat te ontwikkelen, om haar nog tot den aanleg der geslachtsklier te mogen rekenen. Wel reikt, zooals wij vroeger zagen, de aanleg der geslachtsklier in het indifferente stadium oorspronkelijk verder dan het punt, waar wij bij oudere embryo's den top van testis of ovarium aantreffen (ik herinner aan de figuren 8 en 9 pi. I); maar van een kamvorming bespeurt men aan dit meest proximale stuk van den geslachtsklier-aanleg aanvankelijk niets.
Men kan het overigens van ondergeschikt belang achten, welke benaming men aan de bewuste plooi geeft. De hoofdzaak is, dat mihalkovics' voorstelling van de vorming der fimbria ovarica niet geheel juist is. Bij het boven besproken embryo van 24 dagen zagen wij immers, hoe de ontwikkeling der aan het oernierrudiment vastzittende plooi geheel achterwege bleef, terwijl zich toch een fimbria ovarica vormde. In andere gevallen ligt weer het ostium zoo dicht boven het ovarium, dat slechts een zeer klein gedeelte der door Mihalkovics als het proximale einde van den geslachtskam betitelde weefselplooi tot de fimbria ovarica behoort, terwijl het grootste stuk uterienwaarts van het ostium valt en dus als zoodanig deel uitmaakt van de fimbria peritonealis.
HOOFDSTUK VII.
De Eierstok van de Kat.
Van de kat bestudeerde ik alleen oudere ontwikkelingsstadiën, die zich over het algemeen vrij goed aansloten aan de van het konijn beschrevene. In zooverre kan men dit Hoofdstuk eenigszins als een vervolg op het vorige beschouwen.
Ons stonden ten dienste: embryo's van 9.4 cM. kop âstuitlengte'), pasgeboren en eenige dagen oude katten, verder dieren van 2, 3, 4 en 6 weken en enkele volwassen exemplaren. Ter vergelijking met het mannelijk geslacht beschikten wij over testes van embryo's van 9.4 cM. lengte en van pasgeboren katers.
Ons plan is:
1°. In korte trekken de samenstelling en ontwikkeling van den eierstok der kat te schetsen, te beginnen bij het jongste door ons onderzochte stadium.
Daarna zullen wij stilstaan bij:
2°. De werkzaamheid van het eierstoksepithelium, waarbij wij ons meer in het bijzonder zullen inlaten met de vraag of het eierstoksepithelium ook bindweefsel voortbrengt. Om deze kwestie beter te overzien, zullen wij het eierstoksepithelium in zijn gedragingen vergelijken met de cellenlaag, welke de oppervlakte der buikholte in de onmiddellijke omgeving van het ovarium bekleedt.
Vervolgens komen aan de beurt:
3°. De ei- en follikelvorming bij de kat, waaraan wij tevens eenige opmerkingen zullen toevoegen over de histologische eigenschappen van het follikelepithelium; en
4quot;. De vorming der interstitiëele cellen in den eierstok.
Bij de behandeling der onder 3 en 4 genoemde onderwerpen zullen wij tevens gelegenheid hebben het lot der mergstrengen nader te vervolgen.
5°. Zullen wij het hoofdstuk besluiten met eenige beschouwingen over de beteekenis der mergstrengen uit een algemeen morphologisch oogpunt.
1°. De samenstelling en de loop der ontwikkeling van den eierstok der kat, uitgaande van een embryo van 9.4 cM. lengte.
Het ovarium van een kattenembryo van 9.4 cM. lengte is in ontwikkeling den eierstok van een pasgeboren konijn in menig opzicht iets vooruit; overigens vinden wij er dezelfde
O Een pasgeboren kat meet van kop tot stuit ongeveer 12 cM.
- 135 -
bestanddeelen in terug, die wij in den konijneneierstok hebben leeren kennen. Ook in de wijze, waarop ovarium en tuba aan den buikwand en onderling verbonden zijn, bestaat er tusschen kat en konijn geen wezenlijk verschil.
De wording van het rete - waarvan het intraglandulaire deel belangrijk verder distaalwaarts reikt dan bij het konijn â is nagenoeg voleindigd. Hetzelfde geldt van de mergstrengen, waaronder er zijn, die een lumen vertoonen (verg, flg. 25 pi. V). Rondom de mergstrengen en onvolkomen van deze gescheiden treffen wij een vrij breeds laag van schorsstrengen aan, die op dezen leeftijd zich nog vergrooten en in aantal vermeerderen ten koste van het eierstoksepithelium.
De schema's van fig. 24 en fig. 25 pi. V bespraken wij reeds in het vorige Hoofdstuk en vereischen dus hier geen nadere verklaring.
Follikels zijn in dit stadium nog niet voorhanden.
Gaan wij over tot een vier dagen oude kat. Men vergelijke hiertoe flg. 35 pl. Vlll, een half-schematische teekening, ontleend aan een dwarse doorsnede dooi' den eierstok op dezen leeftijd, niet ver van het proximale uiteinde der klier. Het onderscheid tusschen de vele oereieren bevattende schorsstrengen en de mergstrengen treedt in de figuur duidelijk op den voorgrond. Op enkele punten ziet men beide strengsoorten met elkander samenhangen. Van holle mergstrengen, z. g. âmergbuizenquot;, was op deze snede toevalligerwijze niets te bespeuren. â Er beginnen zich follikels te vormen. â In het mesovarium ligt het rete. De snede, waaraan de figuur is ontleend, is genomen ter hoogte, waar het zich ontwikkelend buizennet juist met de mergstrengen in contact is getreden, waar dus het intraglandulaire stuk van het rete een aanvang neemt. Op een paar plaatsen ziet men een rete-kanaaltje met een mergstreng verbonden. Ook een doorsnede van ee.n canalis efferens is in de figuur zichtbaar, door het hooger cylinderepithelium, waarmede de wand is bekleed, van de met meer kubisch epithelium omzoomde rete-buisjes te onderscheiden. Het behoort tot de uitzonderingen, wanneer men een canalis efferens in de holte van een rete-kanaaltje ziet uitmonden; gewoonlijk vindt men de wanden dezer beide soorten van buizen slechts met elkander in contact. Wel kan op dergelijke plaatsen het epithelium der canales efferentes en der retekanaaltjes zeer verdund zijn, soms zóó, dat men den indruk krijgt, alsof een communicatie tusschen beide kanalen systemen aldaar niet lang meer zal uitblijven.
Nabij de basis van het mesovarium ontspringt de mesosalpinx. De tuba zelf kon op deze afbeelding niet weergegeven worden; wel nog het rudiment van de Wolffsche gang, welke buis hier veel minder snel verdwijnt dan bij het konijn. Zelfs bij katten van 14 dagen was van de Wolffsche gang, ter hoogte van het ovarium, nog een vrij groot stuk voorhanden. Tevens vindt men in flg. 35 een gedeelte van de bij het konijn nader beschreven fimbria peritonealis voorgesteld {f. j}.), welke fimbria, bij een kattenembryo van 9.4 cM. lengte nog nauwelijks aangelegd, op dezen leeftijd reeds is uitgegroeid tot een breeds slijmvliesplooi met sterk gekronkeld oppervlak.
De fimbria peritonealis reikt bij een kat van 4 dagen iets verder dan de halve lengte van het ovarium, waar de bekleedende cellenlaag allengs het karakter van een slijmvlies-spithslium verliest en zich aansluit aan een zoogenaamd âovergangsepitheliumquot;, bestaande uit cellen, welke in menig opzicht het midden houden tusschen de gewone epitheliumcellen van het buikvlies en de cylindercellen van de fimbria. Dit overgangsepithelium omzoomt verder den vrijen rand van de mesosalpinx tot het tubaire uiteinde van den uterushoorn.
- 136 -
Het met overgangsepithelium bedekte gedeelte van den vrijen rand der mesosalpinx vertoont ons een onregelmatig gekronkeld oppervlak, van tal van uitwassen en inhammen voorzien. Ter hoogte van het distale einde van den eierstok is deze vrije rand van de mesosalpinx breed vergroeid met het mesovarium, in de onmiddellijke nabijheid van het hilum. Hier vond ik bij de meeste der door mij in den eersten tijd na de geboorte onderzochte katten-ovariën een geleidelijken overgang tusschen het genoemde overgangsepithelium en de cellen, welke den eierstok bekleeden.
Den verderen loop der ontwikkeling van het ovarium der kat kunnen wij als volgt beschrijven. De schorsstrengen gaan nog een tijdlang voort zich te vergrooten en te vermeerderen ten koste van het eierstoksepithelium, totdat zich ten slotte om de geheele schorslaag een tunica albuginea heeft gevormd, welke de schorsstrengen van het epithelium scheidt. De eerste sporen van de tunica albuginea zijn reeds kort na de geboorte zichtbaar; bij een kat van 6 weken bevindt zich tusschen schorsstrengen en epithelium reeds een tamelijk dik stromalaagje, waarvan te vermelden valt, dat het bijzonder arm is aan bloedvaten. Het eierstoksepithelium is op dien leeftijd nog wel niet geheel in rust, maar de sterke vermeerdering der cellen, zooals die in vroegere ontwikkelingsperioden bestond, heeft opgehouden.
Ook de schorsstrengen zelf ondergaan belangrijke veranderingen, waarop wij bij de bespreking der follikelvorming nog met een enkel woord terugkomen. Ik wil hier reeds de opmerking maken, dat vele der cellen, waaruit de strengen zijn opgebouwd, reeds gedurende haar eerste ontwikkeling ten gronde gaan. Reeds bij een embryo van 9.4 cM. lengte, maar vooral in den eersten tijd na de geboorte, ontmoet men over de geheele uitgestrektheid van het schorsparenchym') cellen, welke niet te miskennen verschijnselen van regressie vertoonen.
Wat er van het door de schorsstrengen geleverd cellenmateriaal overblijft, wordt gebruikt voor de vorming van follikels, een proces dat kort na de geboorte een aanvang neemt. Het lot dezer pasgevormde follikels is verschillend. Een deel er van gaat spoedig na hun ontstaan ten gronde. Andere trachten zich reeds kort na de geboorte verder te ontwikkelen, en vormen met vocht gevulde blazen; maar ook zij zijn niet bestemd rijpe eieren voort te brengen. Rijpe eieren levert hef kattenovarium eerst tegen het einde van het eerste levensjaar; naar mijn meening zijn al de follikels, die vóór dien tijd reeds met vocht gevulde blazen vormen, ten ondergang gedoemd. Zoo is er, tegen den tijd dat de kat geslachtsrijp wordt - het einde van het eerste levensjaar â van al het in jonge ontwikkelingsstadiën aangelegde schorsparenchym slechts een betrekkelijk klein gedeelte over, tot de levering van voor bevruchting vatbare eieren bestemd.
Bij een kat van 6 weken vinden wij onmiddellijk onder de tunica albuginea nog een tamelijk breede strook schorsparenchym, bestaande uit min of meer strengvormige cellen-groepen die, voorzoover zij niet onderling samenhangen, door spaarzaam bindweefselstroma van elkander worden gescheiden en slechts bij uitzondering nog met het eierstoksepithelium zijn verbonden. De schorsstrengen bevatten tweeërlei soort van cellen: jonge eieren en kleinere elementen met donkergekleurde kernen, die men om en tusschen de eieren verspreid vindt; uit de laatste ontwikkelt zich het follikelepithelium. Bij kleine gedeelten kunnen de streng-
') Met het woord parenchym bedoelen wij het eigenlijke klierweefsel van den eierstok.
â 137 â
vormige cellengroepen geheel uit rleze kleine donkere kernen bevattende cellen bestaan. Do jonge eieren hebben voor het meerendeei ongeveer de grootte bereikt van de eieren, die deel uitmaken van primordiaalfollikels. Voornamelijk in de naar de oppervlakte gekeerde uiteinden der schorsstrengen kan men ook eieren van kleiner kaliber aantreffen, totoereieren, die slechts iets grooter zijn dan'de cellen van het eierstoksepithelium; maar deze laatste zijn vrij zeldzaam.
Verschillende tot het schorsparenchym beboerende eieren zijn op dezen leeftijd dooreen volledigen krans van jonge granulosacellen omgeven; mot de laatste vormen zij gezamenlijk de z. g. primordiaalfollikels. Dergelijke primordiaalfollikels liggen in vrij groote hoeveelheid, hetzij geïsoleerd, hetzij in groepjes, in de omgeving der schorsstrengen, voornamelijk naar de zijde van het merg toe. In het merg zelf treffen wij follikels in verschillende stadiën der ontwikkeling aan, tot zulke, die van een vrij groote holte voorzien zijn. Ook vertoont ons dit stadium nog schoone voorbeelden van groote, soms fraai vertakte, PFLüOEK'sche buizen met één of meer eieren in het lumen.
De verhoudingen bij een volwassen kat doen, wat het schorsparenchym betreft, sterk denken aan het boven, voor de 6 weken oude kat, beschrevene, behalve dat de Pi'LÃGER'sche buizen en eigenlijke oereieren, althans in de door ons bestudeerde eierstokken, geheel verdwenen waren. Onder de tunica albuginea vinden wij, tot een bepaalde diepte onder de oppervlakte, talrijke eieren, gewoonlijk groepsgewijze in het weefsel verspreid, terwijl elementen met donker gekleurde kernen â de moedercellen van het follikelepithelimn -zich in wisselende hoeveelheid langs den omtrek der eieren uitbreiden. In de nabijheid liggen verscheidene geïsoleerde primordiaalfollikels, waarvan er in de door ons onderzochte eierstokken steeds eenige op weg waren zich verder te ontwikkelen.
Wat is er intusschen van de raergstrengen geworden?
De meeste mergstrengen hebben kort na de geboorte haar hoogtepunt van ontwikkeling bereikt. Daarna beginnen zij spoedig grootendeels te verdwijnen en wel hoofdzakelijk onder verschijnselen van gewone atrophic, op dezelfde wijze als b. v. ook de Wolffsche gang bij de vrouwelijke kat te loor gaat. Voorzoover de mergstrengen niet langs dezen weg worden opgeruimd, ondergaan zij veranderingen, welke wij later nader zullen bespreken; maar ook het door deze, niet spoedig ten gronde gaande, mergstrengen geleverd cellenmateriaal heeft, naar onze meening, slechts een zeer tijdelijk bestaan. Ik heb goede redenen om te veronderstellen, dat b. v. bij de volwassen kat van het weefsel der mergstrengen luttel meer is overgebleven.
In de beide door ons onderzochte exemplaren van eierstokken der volwassen kat vond ik in het merg der klier naast het gewone eierstoksstroma slechts interstitiëele cellen en follikels in verschillende stadiën van pro- en regressie benevens één of meer corpora lutea. In hoeverre aan de vorming dier interstitiëele cellen en follikels de mergstrengen misschien hebben bijgedragen, zal ter gelegener plaatse nader worden uiteengezet.
Over het rete ovarii het volgende. De verbinding der mergstrengen met het rete ovarii gaat mettertijd geheel te loor; bij een kat van 14 dagen vind ik nog een samenhang tusschen beide, bij een kat van 6 weken is het buizennet nergens meer met een merg-streng verbonden. De kanaaltjes bezitten thans een vrij regelmatig kubisch epithelium met donkergekleurde kernen.
De canules eff'erentes zijn bij een kat van 6 weken veel moeilijker van de rete-buisjes te onderscheiden dan vroeger; over het algemeen is het epithelium der eerste iets hooger.
18
- 138 -
Het rete ligt hier met het intraglandulaire deel in de streek van liet hilum ovarii, met het distale einde ietwat in het eierstoksmerg doordringend; het extraglandulaire gedeelte heeft men te zoeken in het weefsel van het mesovarium, en het meest proximale stuk er van in de weefsel verdikking, welke zich aan de basis van de mesosalpinx aansluit en naaiden anderen kant geleidelijk in het mesovarium overgaat (voortgekomen uit den rudimen-tairen oerniertop). Hier ook liggen de canales efferentes.
Wat er hij een volwassen kat nog van het rete ovarii en van de canales efferentes over is, heb ik niet nader vervolgd.
Ik eindig deze algemeene beschouwingen met de opmerking, dat de eierstok der kat â in den eersten tijd na de geboorte â niet zelden kysten bevat, die nagenoeg het gehoole merg in beslag kunnen nemen en dan reeds met het bloote oog duidelijk te onderkennen zijn. Deze kysten zijn gewoonlijk met een, uit,één enkele laag cellen bestaand, epithelium voorzien en stammen af van rete-kanaaltjes of van hol geworden mergstrengen, z. g. mergbuizen.
2°. Over de werkzaamheid van het eierstoksepithelium, in verhand met hetgeen in de onmiddellijke omgeving van den eierstok aan de oppervlakte der buikholte valt waar te nemen.
Wij hebben vroeger als onze meening uitgesproken, dat bij het konijn het epithelium aan de oppervlakte van het mesovarium nog in een vrij ver gevorderd stadium der ontwikkeling bindweefselbestanddeelen ^ voortbracht (verg. bl. 121).
Bij de kat kan men zich van het bestaan van een dergelijk proces veel beter overtuigen dan bij het konijn. Fig. 26 pi. V geeft ons een voorstelling van het weefsel, waaruit het mesovarium bij een kattenembryo van 9.4 cM. lengte is samengesteld, bedekt door het mesovarium-epithelium. Het stroma, dat het mesovarium opbouwt, heeft, zooals men ziet, de structuur van embryonaal bindweefsel: een vezelig netwerk van protoplasma, waarin de celkernen tamelijk onregelmatig zijn verdeeld, terwijl het geheel doordrenkt is met een doorzichtige, vloeibare tusschencellenstof. De vorm der kernen is rond of ovaal.
Als ik spreek van een epithelium, dat het mesovarium in fig. 26 bedekt, dan moet men deze uitdrukking in niet al te engen zin nemen; want van een afzonderlijke cellenlaag is aan de oppervlakte der doorsnede over het algemeen weinig te bespeuren, üp tal van punten hangt het protoplasma, dat de oppervlakkig gelegen celkernen omgeeft, met het protoplasmanetwerk van het stroma samen. De celkernen in het epithelium wijken naar den vorm slechts weinig af van de stromakernen; over het algemeen zijn de eerste iets langwerpiger, doch ook volkomen ronde kernen zijn in het epithelium niet zeldzaam. Nu is niets lastiger dan het onomstootelijk bewijs te leveren, dat er cellen of, wil men liever, kernen van het mesovarium-epithelium in de diepte dringen en zich daar onder de bestaande stromakernen mengen. Het indalen zelf kunnen wij in onze gefixeerde praeparaten nooit waarnemen; wij besluiten slechts tot het bestaan van het proces uit het voorkomen der verschillende overgangstoestanden, die men alleen bevredigend kan verklaren door ze als schakels van eenzelfden keten te beschouwen. In onze figuur ontmoet men op verschillende plaatsen kernen in het stroma, die zich zóó verhouden tegenover de kernen, welke het
') Waar wij zooals hier van bindweefsel in algemeenen histologischen zin spreken, verstaan wij daar onder ook gladde spiervezelen.
â 139 â
weefsel aan de oppervlakte afsluiten, als men van pas ingedaalde epitheliumkernen mag verwachten (men vergelijke de punten met a en b aangeduid, zie ook links van a). Maar een bewijs voor onze stelling levert dit niet; hoogstens is deze er wat waarschijnlijker door geworden.
Er is evenwol één omstandigheid, welke ons in deze netelige kwestie een belangrijk eind verder brengt. Het kan wel niemand ontgaan, dat in onze figuur de kernen van het mesova-rium-epithelium over het algemeen wat gretiger de kleurstof tot zich hebben genomen dan de dieper gelegen stromakernen. Dit is een verschijnsel, dat men op tal van sneden door het mesovarium ontmoet. Bedenkt men nu voorts, dat in het meer oppervlakkige gedeelte van het mesovarium-weefsel, dicht onder het epithelium, dergelijke donkergekleui'de celkernen eveneens verre van zeldzaam zijn â terwijl zij dieper in het weefsel ten een en-male niet voorkomen â , dan ligt het, in verband met het vroeger besprokene, alleszins voor de hand deze donkergekleurde stromakernen inderdaad als ingedrongen epitheliumkernen op te vatten. Daar deze donkergetinte celkernen dieper in het stroma ontbreken, moet men aannemen, dat zij na verloop van tijd de grootere aantrekkingskracht tot kleurstoffen verliezen en in dit opzicht geheel gelijk worden aan de omringende elementen van het stroma.
Het is mijn innige overtuiging, dat bij een kattenembryo van 9.4 cM. op meer dan één punt cellen van het mesovarium-epithelium in het onderliggend weefsel indringen. Wat wordt er uit de ingedaalde epitheliale elementen? Sommige leveren oereieren, waarover later meer; van de meerderheid geldt dit zeker niet. De meeste gedragen zich, voorzoover is na te gaan, in alle opzichten als de stromabestanddeelen, waar tusschen zij komen te liggen. Er bestaat dus alle grond om aan te nemen, dat zij zich inderdaad tot blijvende bestanddeelen van het bindweefselstroma hebben gedifferentieerd.
Beschouwen wij thans het mesovarium-epithelium bij een kat van 4 dagen. Deze cellen laag heeft niet overal hetzelfde voorkomen. Bij een embryo van 9.4 cM. lengte bestond het mesovarium-epithelium overwegend uit zeer platte cellen; bij een kat van 4 dagen wisselen niet zelden gedeelten met plaat-epithelium af met gedeelten, waar de bedekkende cellen een kubischen of cylindrischen vorm hebben aangenomen. Voornamelijk is dit het geval aan de naar de mesosalpinx gekeerde, m.a. w. de laterale, zijde van het mesovarium.
In flg. 36 pi. VIII vindt men een gedeelte van de laterale oppervlakte van het mosovarium met onderliggend weefsel bij een 4 dagen oude kat weergegeven. De plaats, waaraan de figuur is ontleend, correspondeert ten naastenbij met de onder c. e. gelegen streek van het mesovarium in fig. 35 pl. VUL
Vergeleken met fig. 26 pl. V heeft het stroma in flg. 36 een eenigszins meer geprononceerd karakter aangenomen. Maar toch vertoont het ons in hoofdzaak wederom een maaswerk van protoplasmavezels, waarin de overwegend langwerpige celkernen in afwisselende dichtheid zijn opeengehoopt. Het epithelium, dat de oppervlakte bedekt, bevat één a twee rijen celkernen, die ook hier iets donkerder getint zijn dan de kernen in het stroma. De grens van het epithelium tegenover het onderliggend weefsel kan ook op dezen leeftijd absoluut scherp zijn. Dikwijls is zij dat niet. Ook in onze figuur gaat het epithelium op meer dan één punt geleidelijk over in het stroma, waarvan het de bedekking vormt. Ik verwijs b. v. naar de plaatsen met e en cl aangeduid; bij b neemt men
- 140 -
waar, hoe in het gebied van het epithelium zelf de cellen uit elkander wijken en zich oplossen in een kernenhoudend protoplasmanetwerk, dat één geheel uitmaakt met de mazen van liet mesovariuin-stroraa.
Blijkbaar treden dus, ook in dit stadium, aan sommige gedeelten van het mesovarium epitheliumcellen in de diepte, en dezelfde redeneering volgend, als wij bij de beschouwing van flg. 26 toepasten, heb ik geen reden om te betwijfelen, dat ook hier vele der inge-daalde epitheliale elementen tot een blijvend bestanddeel van het mesovariale bindweefsel worden.
Nu kan men meenen, dat de cellen aan de oppervlakte der buikholte alleen daai het vermogen om bindweefsel voort te brengen hebben behouden, waar wij op lat eren leeftijd slechts plaat-epithelium â z. g. âendotheliumquot; â aantreffen, dat ook heden ten dage nog door verschillende onderzoekers voor een echte bindweefselformatie wordt aangezien. Maar deze zienswijze is hoogstvermoedelijk niet juist. Fig. 29 pi. A7quot;! is ontleend aan een dwarse doorsnede door het in de schéma's van hg. 24 pi. Y als f. p. betitelde uitwas; het epithelium, dat de rechter zijde van figuur 29 begrenst, is de voorlooper van het epithelium der fimbria peritonealis (verg. bl. 131). Dit laatste wordt door alle onderzoekers zonder uitzondering als een z. g. echt epithelium opgevat. Nergens zag ik aan de nakomelingen van het coeloomepithelium de meer besproken steelvorming zoo fraai uitgedrukt als hier het geval is. Beschouwt men dit epithelium afzonderlijk, dan vormt het op zich zelf een weefsel, dat principieel niet anders is gebouwd dan het embryonale bindweefsel er onder. Zijn wij zeker dat gedurende de verdere ontwikkeling van dit epithelium geen enkele epitheliumcel in het onderliggend stroma afdaalt? Ik weet het niet; maar stellig heeft men niet het recht het tegendeel te beweren. Dit staat in elk geval vast, dat de cellen in het epithelium zich sterk vermeerderen (mitosen); en men zal met de mogelijkheid rekening moeten houden, dat de zoo gevormde cellen wellicht voor een deel tot vermeerdering van het onderliggend bindweefsel bijdragen.
In flg. 31 pi. VI heb ik een gedeelte der dwarse doorsnede door de fimbria peritonealis in een ouder ontwikkelingsstadium, bij een kat van 4 dagen, weergegeven. Het weefsel der fimbria wordt hier bedekt door één enkele laag cylindercellen, waarvan de donkergekleurde kernen niet bijzonder regelmatig ten opzichte van elkander zijn gerangschikt. Dit epithelium vindt men nu gewoonlijk tamelijk scherp van de onderlaag gescheiden. Maar ook hier geldt weer dezelfde opmerking, die wij bij de bespreking van het mesovarium-epithelium van flg. 36 pi. VIII maakten: op menig punt zoekt men aan de basale zijde tevergeefs naar een duidelijke grens, zonder dat wij aanleiding vinden dit toe te schrijven aan de richting, waarin het praeparaat door de snede is getroffen. Dit laatste behoort er natuurlijk uitdrukkelijk bij te worden vermeld. Op enkele punten zijn de beelden zóó (b. v. bij a b en c), dat althans de veronderstelling gewettigd is, dat ook nog op dezen leeftijd het stroma van de fimbria ovarica zich vermeerdert ten koste van het epithelium, waardoor het v/ordt bedekt. En toch wordt dit epithelium, als de ontwikkeling is voltooid, algemeen voor een z. g. waar epithelium gehouden.
Het mesovarium-epithelium heeft nog een andere zeer gewichtige eigenschap: ik bedoel het vermogen om oereieren te vormen.
â 141 â
In fig. 26 pi. V ziet men bij o. e. enkele cellen in het mesovarimn-stroma, waarvan de kernen grooter zijn clan de omgevende bindweefselkernen en die in alle opzichten gelijken op kernen van jeugdige oereieren (verg. b. v. fig. 30 pi. VI). Ik aarzel niet deze kernen inderdaad voor oereikernen aan te zien.
Zulke groepjes van oereieren â waarin ook gewoonlijk eenige niet tot oereieren gedifferentieerde elementen, eveneens van epithelialen oorsprong, voorkomen, â zijn in het stroma van het mesovarium niet zeldzaam; meestal liggen zij dicht onder de oppervlakte zooals b. v. in fig. 28 pi. V is weergegeven. Blijkbaar zijn de oereieren van het epithelium afkomstig. Immers hier en daar beginnen de epitheliumkernen, terwijl zij nog aan de oppervlakte liggen, zich reeds in deze richting te ontwikkelen (zie bij o. e'. in figuur 26). Een enkele maal treft men het, dat een groepje oereieren met het mesovarium-epithelium innig samenhangt, zooals in fig. 27 het geval is; hier laat het beeld wel geen twijfel over, of de oereieren zijn als in een bepaalde richting gedifferentieerde epitheliumcellen op te vatten.
Het vermogen der epitheliumcellen van het mesovarium oereieren te vormen blijft niet tot de embryonale ontwikkelingsperiode beperkt. Bij een kat van 4 dagen tref ik in en onmiddellijk onder het epithelium zelfs meer oereieren aan dan bij het besproken embryo. In fig. 36 pi. VIII vindt men bij o. e. een dergelijke cel afgebeeld.
In het slijmvliesepitheliuin der fimbria peritonealis stuit ik hier en daar eveneens op lichtgekleurde kernen, die van de kernen der oereieren op dezen leeftijd niet te onderscheiden zijn en die ik geneigd ben mede als tot oereieren behoorend te beschouwen (verg. fig. 31 pi. VI bij o. e.). Ik herinner hier terloops aan een waarneming van Nagel (90), die bij den mensch oereieren vond in de strook verhoogd epithelium, die het Wolffsche lichaam bedekt ter plaatse, waar de Müllersche gang is gelegen. Reeds vroeger wezen wij op het verband, dat er bestaat tusschen dit verhoogd epithelium en de slijmvliesbekleeding der fimbria peritonealis (verg. bi. 132).
Wat is nu de beteekenis van de bovenvermelde bevinding? Mijns inziens hebben wij voorloopig alleen aangetoond, dat er bij de kat in het epithelium van het mesovarium â en hoogstwaarschijnlijk ook in het epithelium van de fimbria peritonealis â tot na de geboorte cellen zijn, die het verinogen hebben zich tot oereieren te dlfferentiëeren.
Dit is voor tweeërlei uitlegging vatbaar. Of men kan zich op het standpunt stellen, dat de tot oereieren zich differentiëerende cellen, vóórdat zij oereieren zijn, wel is waar door geen enkel kenmerk van de aangrenzende elementen zijn te onderscheiden, maar toch reeds bij het eerste ontstaan van het mesovarium-epithelium met deze in waarde verschillen; m.a. w. dat de cellen, waaruit de oereieren geboren worden geheel bijzondere cellen zijn, die in vroegere ontwikkelingsstadiën op een of andere wijze tusschen de gewone epitheliumcellen van het mesovarium (en van de fimbria peritonealis?) een plaats hebben gevonden. Of wel men neemt aan, dat de cellen die oereieren voortbrengen, principiëel dezelfde cellen zijn als de aangrenzende, niet oereieren vormende, elementen; dat potentia wellicht aan alle cellen, waaruit het epithelium van het mesovarium (en van de fimbria peritonealis?) zich heeft opgebouwd, eenmaal dit vermogen toekwam, maar dat bij de geboorte der kat de genoemde eigenschap nog slechts op enkele punten aan het licht treedt.
Ik verklaar mij voor laatstgenoemde opvatting. Want inderdaad doen de oereieren, bij hun ontstaan, zich volstrekt niet als een geheel ander soort cellen tusschen de overige epitheliumcellen van het mesovarium aan ons voor. Op gunstige sneden, van de voreischte
- 142 -
dunheid, ziet men, dat zij zich tegenover elkander en tegenover de omgeving in den beginne volmaakt zoo gedragen als de elementen van het mesovarium-epithelium zelf en do daaruit voortgekomen bind weefsel beatanddeelen.
Wil men b. v. de oereiergroepen van fig. 27 en fig. 28 pi. V opvatten als bijzondere gedeelten van het embryonale bindweefsel, waarin zij gelegen zijn, met dien verstande dat de cellen in een zeer bijzondere richting zijn gedifferentieerd, zoo weet ik tegen deze wijze van voorstellen principiëel niets in te brengen. Daarbij zou dan nog moeten worden gevoegd, dat de kernen der oereieren door meer protoplasma worden omgeven dan de omliggende stromakernen, en, in verband daarmede, de oereieren op vele plaatsen zoo goed als geen openingen tusschen zich laten; terwijl dikwijls duidelijke celgrenzen zichtbaar zijn. Maar dit zijn verschillen, die het wezen der zaak niet raken; waar de stromacellen zich tot interstitiëele cellen vervormen, gedragen zij zich in dit opzicht niet anders dan de oereieren.
Recapituleeren wij in enkele woorden het in de laatste bladzijden medegedeelde.
1°. Wij hebben gezien, dat het mesovarium-epithelium der kat â dat bij een embryo van 9.4 cM, over het algemeen uit zeer platte cellen bestaat, gelijkend op het âendotheliumquot; der bloedvaten â in oudere ontwikkelingsstadiën (in ons geval 4 dagen na de geboorte) nog in staat is zich bij gedeelten in een kubisch- of cylinder-epithelium te vervormen.
2n. Wij zijn tot de conclusie gekomen, dat hetzelfde mesovarium-epithelium nog na de geboorte in staat is bindweefselbestanddeelen voort te brengen.
3°. Uit dezelfde cellenlaag nemen ook hier en daar oereieren hun oorsprong.
Ik voeg er bij, dat ik het mesovarium-epithelium nog weken na de geboorte der kat in het bezit van de drie genoemde eigenschappen vond.
Wat volgt hieruit ten opzichte van het karakter van deze cellenlaag in de beschouwde ontwikkelingsstadiën ?
Naar m ij n m e e n i n g dit, dat men niet gerechtigd is dit epithelium te brengen onder een der beide rubrieken: echt-epitheliale weefsels of bindweefsel. Immers de cellenbekleeding van het mesovarium toont nog op menig punt het weinig gedifferentiëerd karakter, eigen aan het coeloomepithelium, waaruit het is voortgekomen. Ik herinner hier aan het op blz. 77 meegedeelde, het coeloomepithelium bij jeugdige konijnenembryo's betreffende.
Zijn wij thans volledig ingelicht over den aard der cellen, waaruit het mesovarium-epithelium is opgebouwd? Zeker niet. Daarvoor zullen eerst nog verschillende punten tot klaarheid moeten worden gebracht, punten, welke thans nog grootendeels niet te beantwoorden vragen zijn.
In de eerste plaats: zijn de cellen van het mesovarium-epithelium1) in alle opzichten gelijkwaardig? Nemen wij b. v. de laterale, naar de tuba gekeerde, zijde van de mesovarium-oppervlakte: kan daar iedere cel den cylindervorm aannemen, kan iedere cel daar bindweefsel of oereieren voortbrengen, of bestaat dat vermogen slechts daar, waar het tot uitdrukking komt?
Het komt mij aannemelijk voor, dat er gedurende een bepaalde periode der ontwik-
') Hier en ook verder wordt, zonder dat wy er dit voortdurend bijvoegen, bedoeld het mesovarium epithelium der kat, omstreeks de geboorte.
i
â 143 -
keling inderdaad een volkomen gelijkwaardigheid in bovenbedoelden zin bestaat. Of die bij een pasgeboren kat wellicht nog aanwezig is, moeten wij daar laten. Het is zeer goed denkbaar, dat sommige cellen een of meer der genoemde eigenschappen spoediger verliezen dan andere.
Het vermogen om bindweefsel te leveren behouden zij misschien het geheele leven lang.
Een belangrijke vraag is verder deze; kan één zelfde epitheliumcel beurtelings oereieren en bindweefsel voortbrengen of kan ieder der epitheliuincellen zich slechts in een der beide richtingen â tot een oerei- of tot een bindweefselvormende cel â differentiëeren ? Van theoretische zijde moet men zich het eerste als mogelijk denken; men stelle zich slechts voor, dat een epitheliumcel zich deelt, dat een der dochtercellen zich tot een oerei differentieert, terwijl de andere als epitheliumcel blijft voortbestaan en later bindweefsel levert. Ik ben evenwel niet in staat mede te doelen of iets dei-gelijks werkelijk voorkomt.
Nemen wij aan, dat éénzelfde cel of bindweefsel öf oereieren kan voortbrengen, dan verdient het overweging in hoeverre wellicht nog een vervorming van het een in liet ander mogelijk is. Dat eenmaal duidelijk als zoodanig te herkennen oereieren zich ooit tot echte bindweefselcellen zouden transformeeren, is niet wel aan te nemen. Komt het omgekeerde ook voor?
Gewoonlijk schijnt de gang van zaken zóó te zijn, dat de differentiatie der epitheliuincellen tot oereieren öf reeds in het epithelium zichtbaar wordt, öf althans wanneer de elementen juist begonnen zijn in het stroma in te dalen, waar zij dan bij voortgaande ontwikkeling weldra als iets afzonderlijks tegenover de omgevende bindweefselcellen afsteken. Maar men zou zich ook kunnen voorstellen, dat de ingedaalde epitheliumcellen, welke bestemd zijn oereieren te vormen, aanvankelijk zich geheel gedragen als de epitheliumcellen welke bindweefsel leveren, zoodat zij in den beginne absoluut niet van deze laatste zijn te onderkennen. Differentiëeren zich deze elementen dan tot oereieren, zoo zal het schijnen of deze laatste uit het bindweefselstroma van het mesovarium hun oorsprong nemen.
Wellicht grijpt zoo iets in werkelijkheid plaats. In figuur 36 pi. VIII hebben wij bij (j een plek in het stroma aangeduid, waar de celkernen wat dichter op elkander gelegen zijn dan elders, terwijl om de kernen een grootere hoeveelheid protoplasma zichtbaar is dan in de naaste omgeving. Rechts van g stuiten wij op een grootere cellengroep, gedeeltelijk van hetzelfde voorkomen als het cellengroepje bij g, maar waarin ook enkele oereieren zichtbaar zijn. De mogelijkheid, dat deze oereieren zich uit dergelijke cellen, als wij bij g aantroffen, hebben ontwikkeld, is dunkt mij niet van de hand te wijzen. Geschiedt dit, dan zal men evenwel goed doen het moed er weefsel â hoewel daarin e d e ge 1 ijk van bouw â niet met gewoon bindweefsel te vereenzelvigen.
Maar het zal altijd uiterst moeilijk blijven het bestaan van een dergelijk proces met zekerheid aan te toonen. Zijn in dergelijke cellengroepjes, als bij g afgebeeld, nog geen oereieren aanwezig, dan weet men niet, of er zich ooit ten koste dezer cellen zullen vormen; heeft men eenmaal ontwijfelbaar oereieren voor zich, dan is men nooit zeker, of deze laatste niet reeds als zoodanig van de oppervlakte tusschen de stromacellen zijn ingedrongen.
Wij zijn genaderd tot de beschouwing van het ovarium-epithelium bij de kat.
Over den bouw het volgende. De hoogte bedraagt bij een embryo van 9.4 cM. lengte
- 144 -
op de meeste plaatsen niet meer clan twee cellen boven elkander; op vele punten bestaat het slechts uit één enkele cellenrij. In de latere ontwikkelingsstadiën â kort na de geboorte en ouder â is het eierstoksepithelimn in het algemeen over de geheele uitgestrektheid één cel hoog: alleen op plaatsen, waar de epitheliumcellen zich tot oereieren differentiöeren vindt men niet zelden meer dan één cel boven elkander.
De celkernen in het eierstoksepithelimn kunnen zeer uiteenloopende vormen vertoonen: van rond of licht ovaal tot spoel- of staafjesvormig. Hier en daar zijn zij naar het uiterlijk absoluut niet te onderscheiden van de celkernen aan de oppervlakte van het mesovarium; maar over het algemeen zijn de celkernen in het eierstoksepithelimn toch wat grooter.
De kleur der kernen wisselt in de praeparaten van licht tot donker. De grootere en tevens meer ronde kernvormen zijn gemeenlijk het lichtst getint. Gestoelde cellen zijn in de jongere ontwikkelingsstadiën (kort vóór en na de geboorte) niet zoo heel zeldzaam; vooral bij het door ons onderzochte embryo van 9.4 cM. waren daarvan fraaie voorbeelden te zien (verg. flg. 30 pi. VI).
Bij pasgeboren en eenige dagen oude katten was ik in de gelegenheid een bepaalde structuur in het eierstoksepithelimn waar te nemen, die hierop neerkomt, dat sommige cellen zich door haar protoplasma tot een netwerk verbinden, in welks mazen dan andere, niet tot het netwerk beboerende, cellen enkel of groepsgewijze een plaats vinden. Vooral waar het eierstoksepithelimn tangentiaal door het mes was getroffen, kwam deze eigenaardige bouw bijzonder goed te voorschijn. De cellen van het netwerk zijn over het algemeen tamelijk donker getint, zoowel wat haar kern als protoplasma betreft; de kernen zijn meestal kleiner dan die der in de mazen gelegen cellen. Hier en daar schijnen de kernen in het netwerk zich geheel in het protoplasma te hebben opgelost, althans in plaats van cellen stuit men dan op smalle, doorgaans sterk getingeerde streepen, welke deel uitmaken van het genoemde netwerk. Het best neemt men, naar mijn ondervinding, het verschijnsel waar in met FLEMMiNG'sche vloeistof behandelde praeparaten. Merkwaardig is het zeker, dat deze bijzondere bouw van het epithelium bij sommige eierstokken zeer sterk is uitgedrukt. terwijl men bij andere van hetzelfde ontwikkelingsstadium er zeer weinig van bespeurt. Dit laatste was o. a. ook het geval met het ovarium van een 4 dagen oude kat, waaraan fig. 32 pi. VI is ontleend.
De bovenbedoelde structuur treft men overigens niet alleen in het eierstoksepithe-lium aan. Ook in het epithelium van tuba en uterus, van de canales efferentes, van de rete-buisjes en van de z. g. âmergbuizenquot; kan men ze menigmaal zeer fraai waarnemen. De bouw der merg- en schorsstrengen herinnert hier en daar eveneens aan het bovenbeschreven verschijnsel. Zoo kan men â om een voorbeeld te noemen â niet zelden opmerken, boe in de schorsstrengen enkele oereieren, met elkander tot één geheel vereenigd, andere oereieren min of meer volledig insluiten. Ook het follikelepithelium vindt men dikwerf op analoge wijze samengesteld Daarop komen wij later nog terug.
Bij eenige weken oude katten vind ik het eierstoksepithelium over het algemeen goed afgescheiden van het onderliggend stroma; maar in de jongere ontwikkelingsstadiën vóór en ook nog kort na de geboorte is tusschen het epithelium en het zich in de bovenste lagen van de schors bevindend bindweefsel op menig punt geen scherpe grens te trekken.
Als een punt van belang moet verder worden vermeld, dat bij ieder der door mij onderzochte katteneierstokken, van welken leeftijd ook, plekken waren aan te wijzen, waar
- 145 â
het eierstoksepithelium zeer geleidelijk overging in de cellenbekleeding van het mesovarium. Ik verwijs hier o. a. naar fig. 41 pi. IX, ontleend aan een 6 weken oude kat.
Het gevolg der werkzaamheid van het eierstoksepithelium is de vorming derschorsstrengen. Wij zullen dit proces niet in détails vervolgen. Bij de kat schijnen de schorsstrengen in wezen niet anders te ontstaan dan bij hot konijn; ook hier beschouw ik deze bestanddeelen als het resultaat der eigen werkzaamheid van de epitheliumcellen.
De vraag, waarmede wij ons hier alleen zullen inlaten, is deze: brengt het eierstoksepithelium bij de kat uitsluitend schorsparenchym of' daarnaast ook bindweefsel voort?
Wat leert ons de directe waarneming? Beschouwen wij fig. 30 pi. VI, waar een gedeelte van een dwarse coupe door een eierstok van een embryo van 9.4 cM. lengte is weergegeven, dicht bij de grens tusschen ovarium en mesovarium. In de figuur zijn eenige doorsneden van schorsstrengen zichtbaar, door stroma van elkander gescheiden. Aan de oppervlakte vinden wij een één, twee a drie cellen hoog epithelium, dat aan de basale zijde slechts bij gedeelten scherp is begrensd. Vooral in de nabijheid van het mesovarium ontbreekt feitelijk alle afscheiding tusschen epithelium en stroma; alleen zijn hier de meer naar de oppervlakte gelegen kernen wat grooter en lichter van kleur dan de dieper liggende; maar overigens verhouden zich de eerste ten opzichte van elkander op dezelfde wijze als de laatste.
Bij a zien wij een groepje epitheliumcellen bezig in het onderliggend weefsel te dringen, dat zich of tot afzonderlijke schorsstreng zal ontwikkelen, of zich bij een bestaande schorsstreng zal voegen. De bij b aangeduide cel behoort stellig tot het eierstoksepithelium, maar wie zal zeggen, of het cellenstrookje bij c eveneens van epithelialen oorsprong is, of wellicht uit stromacellen bestaat, welke van elders daarheen zijn gegroeid?
Is dus de grens tusschen stroma en epithelium niet overal scherp te trekken, hetzelfde geldt van de verhouding tusschen stroma en schorsparenchym, zooals uit de figuur mede duidelijk blijkt. Vervolgt men verder de wijze, waarop de parenchymcellen zich tegenover elkander gedragen, dan kan men er zich gemakkelijk van overtuigen, hoe op sommige plaatsen de structuur van het parenchym in wezen niet afwijkt van die van het bind-weefselstroma; in zooverre dat ook de parenchymcellen met haar protoplasma niet overal nauwkeurig aaneensluiten. Ik herinner hier nog eens aan de figuren 27 en 28 pi. V, die tot dezelfde opmerking aanleiding gaven.
De groote moeilijkheid om stroma en parenchym onder alle omstandigheden van elkander te onderscheiden doet zich ook in oudere ontwikkelingsstadiën van het kattenovarium voor. Bij een kat van 4 dagen b. v. vinden wij nabij het epithelium op verschillende punten hetzelfde verschijnsel; daarvan getuigt ook fig. 32 pi. VI, die op een eierstok uit dit ontwikkelingsstadium betrekking heeft. Alleen in de dieper gelegen gedeelten der figuur treedt hier een onderscheid tusschen bindweefselstroma en schorsstrengen duidelijker op den voorgrond; meer naar de oppervlakte is het op vele plaatsen ten eenenmale onmogelijk met zekerheid te zeggen wat tot het bindweefsel, wat tot het schorsparenchym moet worden gerekend. Soms gaat dit vrij goed; zoo hebben wij bij b zonder twijfel elementen voor ons, die bezig zijn zich tot parenchymcellen te ontwikkelen; de kernen bij a en cl doen daarentegen naar haar vorm sterk aan bindweefselkernen denken. Maar er blijven tal van plaatsen over, waar de diagnose der celsoort niet te stellen valt.
19
- 146 -
Hoe zal men, wanneer de onderscheiding van parenchym en bindweefsel zoovele bezwaren oplevert, kunnen uitmaken of het eierstoksepithelium alleen het eerste of daarenboven ook nog het tweede voortbrengt?
Gaan wij uit van hetgeen niet kan worden betwist. Dan staat het vast, dat in de besproken ontwikkelingsstadiën der kat â vooral bij het embryo â het eierstoksepithelium sterk woekert en dat langs den geheelen omtrek van het ovarium epitheliumcéllen in de diepte dringen. In de groote meerderheid der gevallen blijkt onmiddellijk, dat deze elementen zich tot parench y meel le n dilferentiëeren ; immers op tal van plaatsen vormen zij reeds bij het naar binnen rukken grootere of kleinere groepjes (fig. 80 pi. VI bij a, fig. 32 pl. A7I bij c en e) die somwijlen nog geruimen tijd met den moederbodem in verbinding blijven (fig. 30 bij e).
In andere gevallen is het onderling verband der indringende epitheliumcellen van den aanvang af losser; zij vormen geen cellengroepjes van eenigen omvang, de cellen dalen meer ieder voor zich in het onderliggend weefsel (zie fig. 30 op de grens van ovarium en mesenchym). Ook dan kan men vaak nog uit het voorkomen der cellen opmaken, dat zij zich tot bestanddeelen van het parenchym zullen ontwikkelen; dit is het geval, waar deze elementen in niets afwijken van die, welke de zooeven beschouwde groepjes samenstellen (lig. 32 bij b). Maar er zijn er ook onder deze laatstgenoemde rubriek van cellen, die er cenigszins anders uitzien. Niet zelden zijn de kernen na het indalen wat kleiner en daarbij dikwerf ook wat donkerder gekleurd, dan bij do meeste parenchymcellen het geval is. Als zulke kernen moeten wij b. v. hoogstwaarschijnlijk de in fig. 30 bij e en in fig. 32 bij f aangeduide opvatten. Het zijn juist deze elementen, welke men naar hun voorkomen zoo moeilijk van ontwijfelbare bindweefselbestanddeelen kan onderscheiden.
Wat wordt er uit deze laatstgenoemde cellen geboren? Wij zullen hier weer dezelfde redeneering volgen, als wij vroeger bij de bespreking van het konijnenovarium hebben toegepast (blz. 122). In de eerste plaats kunnen wij niet uitsluiten, dat deze cellen nog later tot parenchymcellen van den eierstok worden. Bij de beschouwing van het mesovarium-epithelium wezen mij reeds op de mogelijkheid, dat de cellen van dit epithelium zich niet altijd bij of direct na het indalen tot oereieren differentiëeren, maar dat dit wellicht ook later kan geschieden, wanneer de cellen intusschen met elkander een weefsel hebben gevormd, van bindweefsel niet te onderkennen.
Ten tweede kunnen de bewuste cellen spoedig ten gronde gaan en letten wij er op, dat in het algemeen over de geheele uitgestrektheid van het ovarium, vooral in de jongere ontwikkelingsstadiën, een massa cellen onder teekenen van atropine of degeneratie verdwijnen, dan mag men wel aannemen, dat dit verschijnsel zich ook onder bovenbedoelde
elementen zal voordoen.
Maar dan blijft toch nog altijd de derde mogelijkheid over, namelijk deze, dat de in gedaalde epitheliumcellen werkelijk een duurzaam en levensvatbaai
bindweefsel leveren.
Bij de kat stelt de voorafgaande beschouwing van het mesovarium-epithelium ons in staat op deze kwestie wat nader in te gaan, dan wij dit bij het konijn konden doen. Immers wij zijn tot het besluit gekomen, dat het mesovarium-epithelium een cellenlaag is, die naast oereieren - of wil men liever naast parenchymcellen â bindweefsel produceert. Tusschen mesovarium- en ovariumepithelium bestaat er, zooals wij verder hebben gezien, een geleidelijke overgang; in uiterlijk voorkomen wijken de cellen van beiderlei bekleedsels
- 147 â
slechts in ondergeschikte punten van elkander af. Waar de omstandigheden zóó zijn, kan een eventueel deelnemen van het ovarium-epithelium aan de bindweefselproductie ons allerminst verwonderen.
Maar â absolute zekerheid daaromtrent hebben wij ook nu nog niet verkregen. Voor het vellen van een beslist oordeel is ons nog te weinig bekend omtrent den aard der cellen, die het epithelium van ovarium en mesovarium opbouwen. Zoo herinneren wij er b. v. aan, dat wij nog niet weten of het vermogen om parenchym en het vermogen om bindweefsel voort te brengen aan de oppervlakte van het mesovariuni aan éénzelfde soort cellen is gebonden, öf wel verdeeld over tweeërlei soort van cellen, die in uitwendig voorkomen niet van elkander verschillen. Was met zekerheid aangetoond, dat er bij de kat in deze ontwikkelingsstadiën cellen bestonden, die zich in beide richtingen konden differentiëeren â wat mij intusschen wel waarschijnlijk voorkomt â dan waren wij een grooten stap nader tot de oplossing van het vraagstuk.
Zijn overigens â afgezien daarvan â de parenchyrn-voortbrengende cellen aan de oppervlakte van het mesovarium wel volmaakt gelijk te stellen met de parenchym leverende epitheliumcellen van den eierstok? Ik zou dit niet onvoorwaardelijk durven bevestigen. Geen der oereieren, uit het mesovariumepithelium voortgekomen, groeit uit tot een rijp ei; en nu is het zeer goed mogelijk, dat dit eenvoudig aan bijomstandigheden (ongunstige plaats van ontwikkeling enz.) is toe te schrijven, het is ook denkbaar, dat de oorzaak daarvan in de epitheliumcellen zelf moet worden gezocht, wier formatief vermogen in dit opzicht wellicht niet zoover reikt als dat der parenchym-leverende epitheliumcellen aan de eierstoksoppervlakte. En zoo zou het ook kunnen blijken dat, waar het de vorming van duurzaam bindweefsel betreft, omgekeerd het formatief vermogen der epitheliumcellen van het ovarium juist in deze richting misschien belangrijk ten achter staat bij dat der bind-weefselvormende cellen aan de oppervlakte van het mesovarium.
Mij persoonlijk komt het niet onwaarschijnlijk voor, dat het ovarium-epithelium bij de kat - tijdens de ontwikkeling van den eierstok inderdaad aan de vorming van bindweefsel deelneemt. Met wat minder reserve wil ik mij uitlaten ten aanzien van het onmiddellijk aan het mesovarium grenzend gedeelte der oppervlakte van den eierstok; hier gelijken de verhoudingen op menig punt zóó sterk op die aan de oppervlakte van het mesovarium, dat ik voor mij, op dit grensgebied, aan een deelnemen van het ovarium-epithelium aan de bindweefselproductie niet twijfel.
Zelfs bij een kat van 6 weken is dit proces hier wellicht nog in gang; zie fig. 41 pl. IX, ontleend aan een eierstok van dezen leeftijd. Eechts in de figuur dringt een buisvormige instulping van het eierstoksepithelium naar binnen; links daarvan vinden wij bij b, even onder de oppervlakte, een paar uit slechts enkele elementen bestaande cellengroepjes, welke zonder twijfel van het epithelium afkomstig zijn en die, voorzoover zij niet ten gronde gaan, zich misschien tot oereieren deels tot granulosacellen zullen ontwikkelen. Bij e vinden wij een groepeering der onder het epithelium gelegen stromakernen, die de veronderstelling wettigt dat deze kernen van epithelialen oorsprong zijn. Ook de cellen van het mesovarium-epithelium leveren in dit stadium zeer waarschijnlijk nog bindweefsel-bestanddeelen: men verg. de punten a, 6, c en rf.
Over het eierstoksepithelium bij de volwassen kat zullen wij latei- nog het een en ander mededeelen.
â 148 â
Wij hebben dus het eierstoksepithelium bij de kat in de bovenbe doelde ontwikkelingsstadiën als een zeer bijzondere cellenlaag leeren beschouwen, die men wel zal doen niet zonder e e n i g voorbehoud als een z. g. waar epithelium op te vatten.
3°. De ei- en follikelvorming hij de kat.
a. De eivorming.
In het ovarium van een pasgeboren kat, en ook al iets vroeger, onderscheidt men oereieren in de schors en in het merggebied..
Die in de schors hebben in aantal verreweg de overhand. Het kost weinig moeite zich er van te overtuigen, dat talrijke cellen van het schorsparenchym, in het boven besproken ontwikkelingsstadium, bezig zijn zich tot oereieren te transformeeren. Overgangsvormen tusschen de gewone cellen der schorsstrengen en oereieren zijn veelvuldig waar te nemen. Ook in de eerste weken na de geboorte is dit verschijnsel nog duidelijk zichtbaar.
Daar wij het schorsparenchym hebben leeren kennen als een product van het eierstoksepithelium, zijn dus de oereieren die wij in dit parenchym aantreffen, te beschouwen als cellen van het eierstoksepithelium, die zich in een bepaalde richting hebben gedifferentiëerd.
Ook in het eierstoksepithelium zelf ontbreken de oereieren niet. Reeds bij embryo's van 9.4 cM. vind ik ze in deze cellenlaag vertegenwoordigd. Maar zij zijn spaarzaam en zoo blijft het ook nog de eerste dagen na de geboorte. Eerst een paar weken na dit tijdstip, als het epithelium meer en meer tot rust komt en allengs duidelijker door een tunica albuginea van de schorsstrengen wordt gescheiden, worden de oereieren in de deklaag van den eierstok talrijker. Bij een kat van 6 weken zijn de oereieren nog niet geheel uit het eierstoksepithelium verdwenen. Bij de ovaria van twee door mij onderzochte volwassen katten vond ik geen oereieren meer in de bedekkende cellenlaag.
Waar men oereieren in het eierstoksepithelium aantreft, grenzen zij gewoonlijk niet onmiddellijk aan de oppervlakte, maar worden zij door een of meer epitheliumcellen bedekt. Dit is evenwel geen regel zonder uitzondering. Bühler (23) heeft beweerd bij het konijn nooit oereieren zonder bedekking aan de oppervlakte van het ovarium te hebben zien liggen. Hij is geneigd aan te nemen, dat een cel in het eierstoksepithelium nooit tot oerei wordt dan na een voorafgaande celdeeling, in de richting loodrecht op de oppervlakte: de meest oppervlakkig gelegen dochtercel blijft epitheliumcel, de andere, die zich tegen de basale zijde van de eerste aansluit differentieert zich tot oerei.
Voor het konijn moge Bühler's onderstelling bewaarheid worden, voor de kat geldt zij naar mijn ervaring zeker niet.
Harz (46) wilde het destijds doen voorkomen, alsof de oereieren in het eierstoksepithelium bij de kat, aan de basale zijde, nimmer door epitheliumcellen zouden worden begrensd. Hierin heeft Harz beslist ongelijk; meer dan eens vond ik oereieren in het epithelium, welke naar alle richtingen door epitheliumcellen werden omsloten.
Wat het voorkomen van oereieren in het eierstoksin erg betreft, zoo vind ik bij een kattenembryo van 9.4 cM. reeds ontwijfelbaar oereieren in de mergstrengen. Beter zijn zij waar te nemen op iets lateren leeftijd, bij pasgeboren dieren en eenigen tijd daarna, wanneer
de oereieren beter afsteken tegenover de andere cellen der mergstrengen dan in vroegere stadiën. Men vergelijke fig. 37 pi. VIII van een kat van 4 dagen.
De oereieren zijn in de mergstrengen der kat veel talrijker dan in die van het konijnenovarium.
Over den oorsprong der oereieren in het eierstoksmerg het volgende. Naar mijne overtuiging moeten zij voor het grootste gedeelte worden geduid als in bepaalde richting gedifferentieerde cellen der mergstrengen zelf, resp. van het nog niet in mergstrengen gesplitste mergblasteem. Voor deze opvatting pleit het voorkomen van overgangsvormen tusschen laatstbedoelde mergstrengcellen en de oereieren en daar ik deze overgangsvormen ook na de geboorte der kat meermalen zeer duidelijk heb waargenomen, moet ik het er voor houden, dat de differentatie van mergstrengen tot oereieren op bovengenoemd tijdstip nog niet geheel heeft opgehouden.
Daarmede wil ik evenwel niet beweren, dat alle oereieren of eieren, welke men in de mergstrengen aantreft, per se in het merg moeten zijn ontstaan. Meer nog dan bij het konijn komt het bij de kat voor, dat de centrale einden der mergstrengen soms geheel door mergstrengweefsel worden omsloten, zóó, dat een juiste grens tusschen beide eierstoks-bestanddeelen niet te trekken valt. Hot is zeer goed mogelijk, dat op dergelijke plaatsen oereieren en eieren uit het schorsgebied, al of niet door gewone schorsstrengcellen begeleid, actief een eindweegs in de mergstrengen doordringen.
Misschien kunnen zich ook epitheliumcellen van het re te ovarii tot oereieren differen-tiëeren. Maar zoo dit al geschiedt, komt het zeker zeer zelden voor. Slechts eens ontmoette ik bij eierstokken van katten kort na de geboorte in den wand van een retekanaaltje een cel, welke er volkomen als een jong oerei uitzag (verg. fig. 38 pi. VIII).
De oereieren in de schors van het ovarium hebben wij beschreven als in bepaalde richting gedifferentieerde cellen van het eierstoksepithelium. Het eierstoksepithelium stamt weer direct af van het coeloomepithelium, dat den jongsten aanleg der geslachtsklier bedekt; en van denzelfden moederbodem moeten volgens onze onderzoekingen de mergstrengen (en het rete) worden afgeleid. Zoo komen wij dus voor al de oereieren in het ovarium, waar zij zich ook bevinden, tot dit algemeen besluit: dat zij niet anders zijn dan in bepaalde richting gedifferentieerde nakomelingen van cellen, welke vroeger deel uitmaakten van liet tot den jongsten aanleg der geslachtsklier beboerend coeloomepithelium.
Op blz. 45 en 46 hebben wij er gewag van gemaakt, hoe enkele schrijvers ten opzichte van het ontstaan der oereieren een zeer bijzondere zienswijze zijn toegedaan. quot;Wij wezen er o. a. op, hoe de Hoogleeraar Hoffmann tot de meening overhelt, dat bij acanthias en de vogels de oereieren in eersten aanleg zouden zijn af te leiden van de kernen van den voedingsdoojer resp. van de fragmenten dezer kernen; dat zij eerst later, wanneer er meer ruimte is gekomen in het embryo, uit den doojer zouden treden om zich te begeven naaide plaats, waar zich de geslachtsklier zal ontwikkelen. Daar zouden zij zich dan vermengen met de cellen van het coeloomepithelium, welke wij daar ter plaatse aantreffen.
Wordt dit vermoeden bewaarheid, dan is het hoogstwaarschijnlijk, dat ook de eieren der zoogdieren een eenigszins anderen oorsprong hebben dan men gewoonlijk aanneemt.
- 150 -
quot;Wel kunnen zij hier niet uit de kernen van den voedingsdoojer of hare fragmenten voortkomen ; immers een voedingsdoojer in den vorm, zooals wij die bij selachii en vogels aantreffen, ontbreekt in het holoblastisch ei der zoogdieren. Maar toch zal men, als bovenstaande beschouwingswijze blijkt juist te zijn, mogen verwachten dat, â ook bij de zoogdieren â de cellen, welke zich tot eieren ontwikkelen, onder eenigszins andere voorwaarden ontstaan dan de gewone, niet eieren-leverende elementen van het coe-loomepithelium.
Nu is er, voorzoover mij bekend, bij het onderzoek der jongere ontwikkelingsstadiën van het zoogdierenei tot nu toe nog niets aan het licht gekomen, dat de laatstgenoemde onderstelling waarschijnlijk maakt. Dergelijke bevindingen als door Hoffmann van acanthias en vogels openbaar gemaakt â het voorkomen van niet van oereieren te onderscheiden cellen tusschen splanchnopleura en entoderm en in het entoderm zelf, voordat de ontwikkeling der geslachtsklier een aanvang neemt â zijn, naar mijn weten, bij zoogdieren nimmer beschreven. Voorzoover onze kennis thans reikt, bestaat er dus voor ons geen aanleiding om bij de zoogdieren aan de cellen van het coeloomepithelium, welke oereieren voortbrengen, een anderen oorsprong toe te kennen dan aan de cellen van het coeloomepithelium , welke geen oereieren leveren.
Wel kan de vraag worden overwogen of de oereieren, welke gedurende het leven van een zoogdier in den eierstok zichtbaar worden, afstammen van enkele coeloomepithelium-cellen, die reeds in een zeer jong ontwikkelingsstadium van het embryo uitsluitend tot het leveren van geslachtsproducten bestemd zijn.
Het is moeilijk in deze zuiver theoretische kwestie een besliste uitspraak te doen; ik voor mij meen, dat het antwoord op bovenstaande vraag ontkennend moet luiden.
Houdt men vast aan een dergelijke voorbeschikking als bovenbedoeld â stelt men zich dus op het standpunt, dat zeer vroeg is bepaald welke cellen van het coeloomepithelium oereieren zullen voortbrengen, welke niet â dan zal men tevens dienen te erkennen, dat b. v. bij de kat nog vele nakomelingen dezer bevoorrechte epitheliumcellen zich tot geruim en tijd na de geboorte van het dier in geen enkel opzicht onderscheiden van de afstammelingen der niet tot oereivorming bestemde epitheliale elementen. Immers bij een kat van 6 weken vind ik in het eierstoksepithelium nog zeer fraaie overgangsvormen tusschen de gewone epithelium kernen en de kernen van zich ontwikkelende oereieren. En bij zoogdieren, waar zich op volwassen leeftijd nog epitheliumcellen tot oereieren ontwikkelen , zal men moeten aannemen, dat een deel der bewuste bevoorrechte cellen tot op den volwassen leeftijd niet het minste uitwendig verschil aanbieden en zich in geen enkel opzicht anders gedragen dan de cellen, welke het gewone eierstoksepithelium hebben geleverd.
Voorts zal men hebben te bedenken, dat de tot levering der geslachtsproducten bestemde cellen, ook een tijdlang deel kunnen uitmaken van het follikelepithelium. In den eersten tijd na de geboorte der kat behoort het niet tot de zeldzaamheden, dat wij tusschen de epitheliumcellen van den pasgevormden follikel op een of meer oereieren stuiten; oereieren, waarvan de verdere ontwikkeling in de meeste gevallen nog tijdig wordt gestuit.
Eens heb ik bij een volwassen kat een reeds van een groote holte voorzienen follikel aangetroffen, die de volgende merkwaardigheid vertoonde. De follikel bevatte een op normale wijze door een discus oöphorus omgeven ei; maar daarnevens vond ik op een bepaalde plaats aan de binnenzijde van het follikelepithelium een tweede ei, kleiner dan
het eerste, welk ei voor het grootste gedeelte vrij in de holte van den follikel uitstak. In fig. 52 pi. X heb ik dit ei met de naaste omgeving weergegeven (a). Nu zijn follikels, welke twee eieren bevatten in het kattenovarium niet zoo bijzonder zeldzaam. Zij ontstaan öf doordat bij de vorming van den follikel meer dan één ei door hetzelfde epithelium omsloten wordt, öf doordat het epithelium van den pas aangelegden follikel een of meer oereieren bevat, welke zich later nog tot eieren ontwikkelen. Maar constant kan men bij die meer dan één ei bevattende follikels waarnemen, dat, als de ontwikkeling van den follikel zóó ver is gevorderd dat hij een groote holte bevat, ieder der eieren door een afzonderlijken discus wordt omgeven.
Het ontbreken nu van alles, wat op een discus oöphorus gelijkt om het in fig. 52 afgebeelde ei, doet mij vermoeden, dat de toestand zich hier eenigszins anders heeft ontwikkeld dan gewoonlijk het geval is, wanneer follikels meer dan één ei herbergen. Waarschijnlijk stamt het in fig. 52 afgebeelde ei af van een cel van het follikelepithelium, welke cel zich eerst in deze richting is begonnen te difterentiöeren, toen de ontwikkeling van den follikel reeds een goed eind was gevorderd,
Is deze laatste veronderstelling juist, dan zou, als wij aan de âvoorbeschikkingstheoriequot; vasthouden, in dit geval de bevoorrechte cel, waaruit het ei bij a in fig. 52 is voortgekomen, gedurende vrij langen tijd de functie van een gewone follikelepitheliumcel hebben verricht.
Ik kan niet ontkennen, dat een dergelijke beschouwingswijze mij uitermate gedwongen voorkomt. Veeleer ben ik geneigd aan iedere cel van de strook coeloom-epithelium, die tot den jongsten aanleg der geslachtsklier behoort, het vermogen toe te kennen zich tot oer ei te differentieer en, een vermogen, dat bij de nakomelingen dezer cellen öfspoèdig verdwijnt öf over langer of korter tijd blijft voortbestaan.
Uitgaande van deze hypothese komen wij tot de volgende voorstelling. Als producten, welke zich ten koste van bovenbedoeld coeloomepithelium vormen, hebben wij leeren kennen, het rete ovarii, de mergstrengen, de schorsstrengen en het eierstoksepithelium.
Behalve in het vroeger besproken geval (fig. 38 pi. VIII), heb ik in het rete ovarii bij konijn of kat nimmer oereieren aangetroffen. Wij hebben dus alle reden om te vermoeden, dat bij de cellen, welke het rete ovarii opbouwen, het verinogen om oereieren te leveren al zeer spoedig geheel of zoo goed als geheel te loor gaat.
Minder snel schijnt dit vermogen te verdwijnen bij de cellen, welke de mergstrengen samenstellen; zeker geldt dit althans voor de kat, daar, zooals wij zagen, bij een pasgeboren dier verscheidene mergstrongcellen nog in staat waren zich tot oereieren te ontwikkelen.
De oereivormsters bij uitnemendheid zijn de cellen van het schorsparenchym, waar het vermogen geslachtsproducten te leveren weer veel langer en ook op veel uitgebreidere schaal is bewaard gebleven dan in het merggebied.
Het langst vinden wij over het algemeen de cellen van het eierstoksepithelium tot oereivorming in staat. Men kan er theoretische bespiegelingen over houden, of bij de klasse der zoogdieren alleen die cellen van het eierstoksepithelium tot oereieren kunnen worden, waarvan het blijkt dat zij zich in die richting differentiëeren; of dat, hoewel slechts een deel der epitheliumcellen zich tot oereieren ontwikkelen, oorspronkelijk alle tot die functie in staat zijn.
- 152 -
Mij bevredigt het meest de voorstelling, dat er bij elk zoogdier een bepaalde periode in de ontwikkeling voorkomt, gedurende welke alle cellen in het eierstoksepitheliurn werkelijk dit vermogen bezitten.
Zeker is, dat er in het leven van ieder zoogdier een tijdstip aanbreekt, waarna geen cel in het eierstoksepitheliurn zich meer tot oerei differentieert; en dan zullen ook wel alle epitheliumcellen spoedig het vermogen om eieren voort te brengen hebben verloren. Het is bekend, hoe groote verschillen de onderscheidene zoogdiersoorten in dit opzicht aanbieden; wij herinneren er hier aan, hoe b. v. bij den mensch de differentiatie van oereieren ten koste van cellen van het eierstoksepithelium in de vroege jeugd reeds geheel ophoudt, terwijl o. a. bij de witte muis dit proces nog op volwassen leeftijd voortduurt (Lange).
b. Du vorming van het follikelepühelium bij de kat.
Het staat volgens mij onwrikbaar vast, dat het eierstoksepithelium bij de kat fol like lep it helium levert. Het meest geschikt om iemand van de waarheid daarvan te overtuigen zouden zijn beelden, voorstellende follikels, die bezig zijn zich van het ovarium-epithelium af te snoeren en wel in alle phasen, die zich bij dit proces kunnen voordoen: een reeks dus beginnende met een follikel in zijn eerste ontwikkelingsperiode en eindigende met een follikel, die zich juist van het ovarium-epithelium heeft losgemaakt. Aan die beelden zou men dan de voorwaarde moeten stellen, dat de naaste omgeving der follikels zoodanig was, dat er geen twijfel overbleef of de membrana granulosa kon alleen en uitsluitend van het eierstoksepithelium zijn oorsprong hebben genomen.
Follikels, die zich op een dergelijke directe wijze van het eierstoksepithelium afsnoeren, heb ik evenwel bij de kat nergens ontmoet. Het bewijs der bovengenoemde uitspraak moet dus langs eenigszins anderen weg geleverd worden.
Daartoe komt mij het geschiktst voor uit te gaan van eenige weken oude katten. Bezien wij bij katten van 2, 3 en 4 weken de oppervlakte van het ovarium nauwkeurig, dan zullen wij, voornamelijk nabij het hilum, hier en daar kleine, naar het binnenste der klier gerichte, tepelvormige uitwasjes aan het eierstoksepithelium ontdekken. Sommige er van zijn wat grooter en dringen dieper in het omliggend stroma door; zij bevatten dan gewoonlijk enkele oereieren, in een meer of min ver gevorderd stadium der ontwikkeling. Men kan deze formaties beschouwen als laat gevormde schorsstrengen, die, zooals de verschillende opeenvolgende ontwikkelingsstadiën bewijzen, geheel als papilvormig naar binnen gerichte, omschreven woekeringen van hot eierstoksepithelium ontstaan.
Deze schorsstrengen zijn geheel en al opgebouwd uit epitheliumcellen; de grens tegenover het omliggende stroma is meestal buitengewoon scherp. Het bindweefselstroma neemt dus aan de vorming dezer producten zeker geen deel. En evenmin de mergstrengen: want deze ontbreken op de bedoelde plaatsen ten eenenmale. Een dergelijke laat ontstane schorsstreng vindt men in flg. 39 pi. VIII afgebeeld. Zooals men ziet hebben zich in deze strengen een deel der cellen tot oereieren gedifferentieerd. Van deze laatste heeft er één reeds de grootte bereikt van een follikelei: het bevindt zich aan het naar het centrum van den eierstok gekeerde uiteinde van de schorsstreng. Dit ei wordt over het grootste gedeelte van den omtrek omgeven dooi' niet tot eivormlng gebruikte cellen van de schorsstreng.
Schorsstrengen van de grootte als in flg. 89 voorgesteld, laten gewoonlijk spoedig los van den moederbodem, het eierstoksepithelium. Zij doen zich dan voor als cellengroepen, bestaande
- 153 -
uit oereieren en eieren, waartusschen en waarom in grootere of kleinere hoeveelheid de niet tot eivorming gebruikte cellen liggen.
Ten koste van dit cellenmateriaal ontstaan follikels. Immers in de nabijheid liggen reeds gevormde jonge follikels, terwijl tusschen deze laatste en beelden als fig. 89 pi. VIII ons aanbiedt, alle mogelijke overgangsvormen voorkomen.
En juist omdat mergstrengen hier ontbreken en omdat het bindweefselstroma hier in de hilumstreek bij katten van 2 tot 6 weken meestal scherp afsteekt tegen de bedoelde groepen van schorsparenchym, zijn wij zeker, dat geen andere cellen tot de follikelvorming hebben medegewerkt dan de cellen van het schorsparenchym zelf, waarvan wij het eier-stoksepithelium als eenigen moederbodem hebben leeren kennen.
Er bestaat zeker alleszins reden om aan te nemen, dat wat ten aanzien der follikelvorming voor de in flg. 39 afgebeelde schorsstreng waar is, ook voor de andere in het ovarium aanwezige schorsstrengen zal gelden, al is op menig punt â vooral daar, waar schorsstrengen meer of min door mergstrengen worden omsloten of waar de cellen van het stroma sterk gelijken op de parenchymcellen der schors â de gang van zaken niet duidelijk te vervolgen.
De cellen der schorsstrengen differentieer en zich dus bij de kat in twee richtingen: deels worden zij eieren, deels cellen, welke de mem-brana granulosa om de eieren opbouwen.
De bijzonderheden van het proces der follikelvorming zullen wij grootendeels laten rusten; wij volstaan met het volgende. De beelden, die pasgevormde follikels ons aanbieden, loopen zeer uiteen, vooral wat betreft de hoeveelheid granulosacellen, die het ei omgeven. Het komt voor, dat een bepaalde schorsstreng arm is aan eieren en vrij veel kleinere, niet voor de eivorming verbruikte cellen bevat; deze laatste kunnen zóó zijn gerangschikt, dat zij een buis vormen,' waarvan het lumen door de eieren is opgevuld. Dit zijn de echte PrLÃGER'sche buizen. Een dergelijke PPLÃGER'sche buis spitst zich nu gewoonlijk in verschillende stukken, zóó, dat éénzelfde buis meer dan éón follikel levert, die weer naar het aantal granulosacellen, welke bij ieder het ei of de eieren bekleeden, verschillen kunnen aanbieden. Zoo vindt men follikels, waarvan het ei slechts door een smal kransje van enkele weinige granulosacellen wordt omhuld, terwijl bij andere dezelfde cellen, van den beginne af, talrijker zijn en op meer dan één punt van den eiomtrek in grootere hoeveelheid kunnen zijn opeengehoopt. Follikels als de laatstbedoelde zijn bij hun ontstaan veelal niet rond, maar herinneren in hun gedaante aan den vorm van de PFivüouR'sche buis, waarvan zij afstammen; sommige zijn zelf weer als kleine PFLÃGEE'sche buizen te beschouwen, maar thans slechts van éón of enkele weinige eieren voorzien. In hoe minder stukken zich een PFLÃGEE'sche buis splitst, des te meer kans is er op het ontstaan van dergelijke âbuisfollikels,quot; zooals wij ze in navolging van Sohottlaendee (114) wenschen te noemen (Schlauchfollikel).
De pflügee'sche buizen zijn vaak sterk gekromd en vertoonen hier en daar vertakkingen, verschijnselen, welke men nu en dan ook aan de buisfollikels kan weervinden. Volkomen rond of ovaal worden de buisfollikels meermalen eerst, wanneer zij reeds van een vrij aanzienlijke holte, voorzien zijn.
Naast schorsstrengen, die rijk zijn aan kleinere cellen vindt men er verscheidene, waarin deze laatste minder talrijk of zelfs uiterst spaarzaam zijn vertegenwoordigd; hetzij doordat, van den beginne af, vele cellen der schorsstrengen voor de eivorming gebruikt zijn, hetzij
20
- 154 -
doordat de kleine cellen, oorspronkelijk vrij talrijk, zich bij den groei der scliorsstreng niet in die mate hebben vermenigvuldigd als de oereieren. De follikels, uit dergelijke schorsstrengen voortgekomen, zijn meermalen slechts met enkele weinige en gewoonlijk zeer platte granulosacellen bekleed. Van hun eerste ontstaan af hebben zij een ronden of althans nagenoeg ronden vorm.
Buisfollikels trof ik bij de kat slechts in ovaria van jonge dieren aan; in de door mij onderzochte volwassen eierstokken kwamen zij niet voor. Het schijnt mij toe, dat Schottijabndek (114) gelijk heeft, waar hij beweert dat de eerst zichtbare, holten bevattende follikels in het zoogdierovarium alle als buisfollikels ontstaan zijn; althans bij de kat heb ik den indruk gekregen, dat dit inderdaad het geval is.
Het verschil in voorkomen tusschen de tweeërlei cellen, waaruit de schorsstrengen na een bepaald tijdstip bestaan, treedt niet plotseling op, maar wordt hand in hand met de voortgaande ontwikkeling van den eierstok duidelijker zichtbaar. In de scliorsstreng van flg. 83 pi. VII, ontleend aan een embryo van 9.4 cM., bieden de cellen onderling nog weinig uitwendige verschillen aan. Beschouwen wij daarentegen de streng, in flg. 34 pi. VII afgebeeld, afkomstig van een 4 dagen oude kat, dan valt direct het sterke contrast op tusschen de tweeërlei elementen, waaruit thans de scliorsstreng is samengesteld.
De meening van Köllikee en Rougeï (verg. bl. 47 en 48), dat de schorsstrengen aanvankelijk uit louter oereieren zouden bestaan, terwijl de kleinere cellen van de schorsstrengen alle van de mergstrengen zouden afstammen, houd ik voor beslist onjuist. Evenzeer dwaalt Mihalkovics (bl. 48), die wel toegeeft, dat cellen als in flg. 34 met b en c aangeduid van de schorsstrengen zelf moeten worden afgeleid, maar meent, dat deze later öf te loor gaan of zich nog tot oereieren differentiëeren. Wel acht ik het met dezen schrijver mogelijk, dat cellen als bij b en c zich nog in laatstgenoemde richting verder ontwikkelen; maar er bestaat geen goede grond voor de conclusie, dat dit, voorzoover zij niet verdwijnen, met al de kleinere cellen der schorsstrengen het geval zou zijn.
Ook Mihalkovics leidt, zooals bekend is, het follikelepithelium van de mergstrengen af.
Nemen dan de mergstrengen bij de kat in het geheel geen deel aan de fo 111 kei vorming? Ik zou deze vraag niet ontkennend durven beantwoorden. Wij hebben gezien, hoe ook in de mergstrengen zich hier en daar oereieren ontwikkelen (flg. 37 pi. VIII) en de mogelijkheid is volstrekt niet uitgesloten, dat deze oereieren uitgroeien tot eieren en dan, met behulp van niet tot oereieren veranderde mergstrengcellen, follikels vormen, op analoge wijze als in de schorsstrengen geschiedt. Reeds Janosik (59, S. 179) zag bij de kat in de mergstrengen veranderingen, welke hem aan de follikelvorming in de schorsstrengen deden denken.
\u is het een uiterst moeilijke zaak met zekerheid te zeggen, of het in de mergstrengen werkelijk tot het ontstaan van follikels komt. Want zoodra de follikelvorming in het ovarium eenmaal flink op gang is, vindt men schorsstrengen of deelen van schorsstrengen tot diep in het eierstoksmerg doorgedrongen. Zelfs tot onmiddellijk bij het rete ovarii kan men dan schorsparenchym aantreffen en eer men aldaar gevonden follikels als van de mergstrengen afkomstig mag beschouwen, zal men moeten bewijzen dat het materiaal, waaruitzij zijn opgebouwd, niet van de schors het merg is binnengedrongen. Nu gaan van de in de mergstrengen voorhanden oereieren en eieren vele, men kan wel zeggen de meeste, in een vroeg stadium der ontwikkeling ten gronde; en de meeste mergstrengen hebben met de follikel-
- 155 -
quot;vorming stellig niets te maken. Maar dat enkele van de bij jonge katten, kort na de geboorte, in het merg voorhanden fo Hike Is inderdaad van merg-strengen afkomstig zijn, acht ik wel waarschijnlijk.
Men zal in deze kwestie ook rekening hebben te houden met de verschillen, die er tusschen ovariën van denzelfden leeftijd bestaan ton opzichte van de ontwikkeling der mergstrengen, welke in sommige exemplaren betrekkelijk vrij rijk, in andere daarentegen zeer arm aan oereieren en eieren zijn. Zoo kan ik mij voorstellen, dat er katteneierstokken voorkomen, waarin ten koste der mergstrengen geen enkele follikel ontstaat, terwijl in andere exemplaren de mergstrengen ten dien aanzien wellicht een grootere rol spelen dan men a priori geneigd is te denken.
Ook op andere wijze dan bovenbedoeld zouden de mergstrengen tot de vorming van het follikelepithelium kunnen bijdragen. Het is namelijk ook denkbaar, dat mergstreng-cellen de membrana granulosa vormen, of helpen vormen, van uitschorsstrengenafkomstige eieren. Dit zou dan moeten geschieden op plaatsen, waar mergstrengen zich in contact bevinden met schorsstrengen of met eieren, in de schorsstrengen gevormd. Dergelijke punten zijn niet zoo zeldzaam; gewoonlijk zijn de beelden zóó, dat men geen scherpe grens kan trekken tusschen hetgeen tot het gebied der mergstrengen en tot dat der schorsstrengen behoort.
Dit is ook zeer natuurlijk; want slechts ten deele zijn de verbindingen tusschen beide strengsoorten ontstaan, doordat geheel geïsoleerde mergstrengen zich met schorsstrengen hebben vereenigd. Grootendeels zal men dergelijke bevindingen op rekening hebben te stellen van de omstandigheid, dat bij de kat â zelfs op een tijdstip, wanneer de follikelvorming reeds is begonnen â de scheiding van het eierstoksblasteem in een merg-en schorsgebied, op verschillende punten nog niet of slechts hoogst onvolkomen heeft plaats gegrepen.
Over het algemeen heb ik niet den indruk gekregen, dat de mergstrengen zich met de schorsstrengen vereenigen met het doel om aan de vorming van het follikelepithelium deel te nemen.
Voorloopig kan ik mij omtrent dit punt niet met meer beslistheid uitlaten. Maar dit durf ik wel verklaren; een eenigzins belangrijke rol spelen de mergstrengen bij de follikelvorming â althans bij de kat â zeer zeker niet. Rijp worden de follikels, die ten koste der mergstrengen mogen ontstaan, hoogstvermoedelijk geen van alle. Want slechts in de allereerste periode van de follikelvorming kunnen de mergstrengen aan het proces deelnemen en van deze vroeg ontstane follikels weten wij, dat zij reecte in de eerste weken na de geboorte in grooten getale ten gronde gaan. De follikels, die bij de kat rijpe â d. w. z. voor bevruchting vatbare â eieren leveren, stammen van het jongst gevormde, meest aan de oppervlakte liggende schorsparenchym, waarvan in het algemeen kan worden getuigd, dat het zich geheel onafhankelijk van de mergstrengen heeft aangelegd en verder ontwikkeld.
Thans nog enkele opmerkingen naar aanleiding der theorie van Foulis c. s. (bl. 50), die het follikelepithelium van het bindweefsel trachten af te leiden. Deugdelijke argumenten voor dit standpunt heeft geen der schrijvers, die deze zienswijze voorstaan, kunnen aanvoeren. Wat zij te berde brengen is voornamelijk de gelijkenis tusschen het follikelepithelium in een bepaald stadium der ontwikkeling en de omgevende cellen van het
- 156 -
bindweefselstroma. Nu is ei' voor iemand, die zich met de levensprocessen in het ovarium bezighoudt, geen argument zoo weinig overtuigend ais juist dit. AVant â wij hebben er reeds herhaalde malen op gewezen â in den eierstok geeft het uiterlijk voorkomen niet altijd uitsluitsel omtrent den waren aard der cellen.
Zoo zagen wij vroeger, hoe men bij jonge katten, kort vóór en na de geboorte, onder het schorsepithelium elementen aantreft, waaromtrent men twijfelt, of zij al of niet tot het bindweefselstroma van het ovarium moeten worden gerekend. Tracht men in dergelijke gevallen de cellen, ook waar een classificatie niet wel mogelijk is, toch te classiflceeren, dan loopt men onvermijdelijk groote kans in de fout te vervallen voor bindweefsel te houden, wat feitelijk niet dien naam verdient.
Eenige weken na de geboorte, als de verschillende cellen onder de oppervlakte van het ovarium beter dooi' uiterlijke kenmerken tegenover elkander afsteken, is deze moeilijkheid grootendeels opgeheven; maar dan komen er weer van andere zijde bezwaren opdoemen. Let men op de onmiddellijke omgeving van pasgevormde follikels, dan zal men in een aantal gevallen het follikelepithelium, reeds van af het eerste ontstaan, in scherpe tegenstelling vinden met het omringend stroma; vooral bij de z.g. buisfollikels is dit het geval. Maar daarnevens stuit men ook op, al of niet geheel voltooide, lollikels, waar de eieren slechts door hoogst enkele granulosacellen zijn omgeven, welker kernen een zeer treffende gelijkenis met die van het omringend stroma kunnen aanbieden. Ik verwijs naar fig. 49 pi. X. Dit follikelgroepje is uit het ovarium van een zwangere kat afkomstig; maar bij een kat van 4 en 6 weken kan men reeds hetzelfde aantreffen. Foülis geeft dergelijke afbeeldingen en rekent die eigenaardige platte granulosacellen zonder aarzelen tot het bindweefsel. Voor mij komen deze cellen uit dezelfde bron als de eieren zelf: het schorsparen-chym, resp. het eierstoksepithelium. Want tusschen de schorsstrengen als in fig. 89 pi. VIII, zeker geheel van epithelialen oorsprong, en de follikelgroepjes van fig. 49 vind ik de meest geleidelijke overgangsvormen.
Toch heb ik hier enkele waarnemingen te vermelden, welke, oppervlakkig beschouwd, steun schijnen te verleenen aan de theorie van Foulis. Deze waarnemingen betreffen het ovarium van een volwassen (zwangere) kat.
Niet ver onder de oppervlakte vinden wij hier, over den geheelen omtrek van het orgaan, talrijke eieren tusschen het stroma gelegen, ieder door een grooter of kleiner aantal â gewoonlijk zeer platte â granulosacellen omringd. Betrekkelijk zelden liggen deze eieren (of follikels, zooals men het nemen wil) los van elkander; meestal vindt men ze in groepjes bijeen, zooals in flg. 49 pi. X.
Hoe ontwikkelen zich deze, over het algemeen nog van weinig granulosacellen voorziene, primordiaalfollikels verder? Het eenvoudigst is wel zich voor te stellen, dat de kernen der platte cellenlaag, welke het ei omgeeft â de ânucleated capsulequot; van Foulis â zich vermeerderen, terwijl zij hand aan hand daarmede een meer ronden vorm aannemen.. Zoo kan het geschieden en geschiedt het hoogstwaarschijnlijk ook in vele gevallen, al moet ik er op wijzen, dat men er bij zoogdieren, voorzoover ik weet, nog nooit in geslaagd is, karyokinetische figuren in deze platte cellenlaag aan te toonen, Zelfs onderzoekers als Flemming (34) hebben te vergeefs daarnaar gezocht.
Mitosen vertoonen de granulosacellen eerst wanneer de kernen een meer kubische gedaante hebben gekregen, als dus de ontwikkeling wat verder gevorderd is. Zulk een wat verder ontwikkelden follikel vindt men in fig. 46 pi. X. afgebeeld; als regel zijn follikels
- 157 -
van een dergelijke grootte scherp begrensd tegenover het omringend bindweefsel. Heeft het proces eenmaal dit stadium bereikt, dan kan men met zekerheid zeggen, dat de granu-losacellen uitsluitend door deeling in aantal toenemen.
Of dit ook steeds voor de jongere ontwikkelingsstadiën geldt, schijnt mij vrij twijfelachtig toe. Voordat de follikel de grootte heeft verkregen van dien in fig. 46, stuit men meermalen op beelden als in flg. 43 pi. TX en fig. 48 pi. X zijn weergegeven. In de eerstgenoemde figuur vallen twee eieren in de doorsnede. Om de eieren liggen cellen, waaruit zich de membrana granulosa opbouwt. Maar de membrana granulosa staat hier â in afwijking met hetgeen flg. 46 pi. X ons toonde â niet in scherpe tegenstelling tot de omgeving. Feitelijk kunnen wij niet eens precies zeggen, waar de grenzen zijn; vormen alleen de enkele weinige cellen, die de eieren onmiddellijk omsluiten het follikelepithelium, of moeten ook de cellen bij b en c daartoe gerekend worden ? â In flg. 48 pi. X vinden wij onder het middelste ei een rijtje cellen (bij a), die met het ei zelf niet schijnen samen te hangen, maar waarvan de kernen volmaakt hetzelfde voorkomen hebben, als in de bij b en c aangeduide cellengroepjes van fig. 43 pi. IX en als de kernen der membrana granulosa in fig. 46 en fig. 47 pi. X. Maakt dit cellenrijtje zich bij voortgaande ontwikkeling misschien geheel los van de omgeving om het follikelepithelium van het aangrenzend ei te helpen opbouwen? Ik acht het wel waarschijnlijk. Dergelijke beelden doen mij althans veronderstellen, dat, bij de volwassen kat, de vorming der membrana granulosa om verscheidene eieren nog niet geheel is voltooid, Follikels als in fig. 43 en flg. 48 schijnen mij toe te zijn follikels in wording, die nog geen scherp van de omgeving gescheiden mantel van granulosacellen bezitten, welke zich alleen door vermeerdering van zijn eigen cellen vergroot ; â maar waar de membrana granulosa nog bezig is zich te vormen en wel ten koste van cellen, in de naaste omgeving van het ei gelegen. Eerst later, als de aanleg van het follikelepithelium geheel zal zijn voltooid, zal men ook deze follikels scherp tegenover het omringend weefsel begrensd vinden.
Bezien wij thans deze, in de naaste omgeving der eieren gelegen, cellen wat nauwkeuriger. Het is in het door mij onderzochte ovarium van een zwangere kat een zeer gewoon verschijnsel, dat men in de onmiddellijke nabijheid van follikels in bet eerste stadium der ontwikkeling, grootere of kleinere cellengroepjes vindt, van het voorkomen zooals b. v. bij c in fig. 49 pi. X aangeduid; cellen, waarvan de kernen, zooals weer uit een vergelijking met fig. 46 en flg. 47 pi. X moge blijken, volmaakt overeenstemmen met die uit de membrana granulosa van follikels, welke de allereerste phasen der ontwikkeling achter den rug hebben. Het zijn blijkbaar dezelfde soort van cellen, als wij ook aantreffen in de omgeving van follikels, waarvan wij aannemen, dat zij in wording verkeeren.
Van het hoogste belang is het nu te weten, dat deze cellen zich ook, evenals de granulosacellen zelf, op doorsnede kunnen voordoen als lange kernenhoudende vezels, de kernen langgerekt, staaf- of spoelvormig. Reeds in flg. 43 pi. IX krijgt men den indruk, alsof een der kernen in groepje b door een protoplasmastrookje (bij d) met een dergelijke langwerpige kern is verbonden. Fraaier nog treft men hetzelfde verschijnsel aan in flg. 42 pi. IX. Ue figuur is ontleend aan hetzelfde ovarium, zij stelt ons een dicht bij het hilum gelegen gedeelte van de klier voor, waar de eieren in de schors zeldzamer worden; in fig. 42 ontbreken zij zelfs geheel en al. Wat hier evenwel niet ontbreekt, dat zijn de bovengenoemde cellen, die wij elders in het ovarium in de omgeving van zich ontwikkelende en pas gevormde follikels aantreffen. quot;Wij vinden ze hier deels tot min of meer zelf-
â 158 â
standige cellengroepjes vereenigd met ronde kernen (Æ, /7, U), deels in den vorm der boven besproken vezels.
Dat de vezels en de cellengroepjes uit dezelfde elementen zijn samengesteld, wordt bewezen, doordat wij hier en daar de eerste in de laatste zien overgaan. Dit is 0. a. bij e in figuur 42 duidelijk waar te nemen.
Beschouwt men nu de bedoelde kernenhoudende vezels â en hun voorkomen geeft er aanleiding toe â als bindweefsel, dan zal men ook de meer vermelde cellengroepjes als tot het bindweefsel behoorend moeten opvatten. En zoo zou dan â als onze veronderstelling, dat deze cellen een rol spelen bij de follikelvorming, juist is â liet follikel-epithelium, althans voor een grooter of kleiner deel, uit het bindweefsel van het ovarium voortkomen.
Zou dan Foulis misschien toch gelijk hebben ?
Voordat wij deze vraag beantwoorden, willen wij het volgende opmerken. Bij een nauwkeurige beschouwing van geschikte eierstoksdoorsneden vindt men punten, waar de bovenbesproken op bindweefsel gelijkende cellen samenhangen met het ovarium-epithelium. Ook in fig. 42 pi. IX hebben wij bij a een dergelijke plek voor ons. Wel spreekt de figuur hier niet zoo duidelijk als ik zou wenschen, doch de schuld hiervan ligt aan de reproductie der teekening; in het oorspronkelijk praeparaat was omtrent den bedoelden samenhang geen twijfel mogelijk. Ik wijs verder op de punten amp;, c en rf, waar vermoedelijk ook epithelium-cellen in het onderliggend weefsel zijn afgedaald. Deze bevindingen toonen aan, dat de cellen, welke de zich vormende en pas gevormde follikels omringen, direct van het eier-stoksepithelium moeten worden afgeleid. Ik wil hier geheel in het midden laten, of de bewuste cellen eerst op volwassen leeftijd uit het eierstoksepithelium zijn voortgekomen, of wel in jongere ontwikkelingsperioden van het ovarium zijn ontstaan; voor de onderhavige kwestie is dit trouwens van geheel ondergeschikt belang. Stellige bewijzen voor het bestaan van woekeringsprocessen aan het epithelium van den volwassen eierstok, in den zin van Paladino, heb ik bij de kat niet gevonden; waaruit natuurlijk nog niet volgt, dat die processen niet voorkomen.
En nu nog eens, mag men dit, het grootste gedeelte van fig. 42 pi. IX innemend, weefsel zonder meer bindweefsel noemen? Let men alleen op het uiterlijk voorkomen der cellen en de wijze, waarop zij zich onderling groepeeren, dan kan men zoo handelen; maar dan behoort men ook consequent het follikelepithelium als een vorm van bindweefsel te beschouwen, zooals Holl (55) dit inderdaad doet. Want wij zullen het straks nader zien, ook het follikelepithelium kan zich voordoen onder een gedaante, waarin het niet van bindweefsel is te onderkennen. Ja, zoo kan men er zelfs toe komen alle cellen in het ovarium onder éénzelfde.weefselgroep, het bindweefsel, samen te vatten; maar dan wordt de bewering, dat het bindweefsel bij de vorming van het follikelepithelium werkzaam is, al zeer weinig zeggend.
De vraag is maar, of het aanbeveling verdient een dergelijke uitbreiding aan het begrip bindweefsel te geven; dit betwijfel ik ten sterkste. Beter handelt men mijns inziens door bij de classificatie der cellen, waaruit de eierstok bestaat, ook te letten op de functie, die zij uitoefenen. En dan kan men op goede gronden volhouden, dat men in het ovarium dei-kat, naar de functie der cellen, tweeërlei weefsel scherp van elkander dient te onderscheiden:
1°. Het weefsel, dat wij alleen als bindweefsel willen betitelen, t. w. het eierstoksstroma, zooals dit de hoofdmassa van het volwassen ovarium uitmaakt, bloedvaten en zenuwen
- 159 -
begeleidt, de follikels omhult en van elkander scheidt. Wij zien hierbij af van de verhoudingen in de meer oppervlakkige laag van den eierstok, waarop wij straks nader terugkomen. Nimmer is aangetoond, dat uit dit weefsel eieren of follikelepithelium zouden voortkomen ; wij hebben allen grond om aan te nemen, dat deze bindweefselcellen zóó ver in één bepaalde richting gedifferentieerd zijn, dat zij dit vermogen ten eenenmale missen. Het weefsel is aangewezen voor de voeding van het straks nader te beschouwen parenchym; zelf parenchym leveren kan het niet.
2°. In tegenstelling met dit bindweefsel staat het z. g. parenchym, cellen van dezelfde bron, het mesoblast, afkomstig, maar in een geheel andere richting gediflférentiëerd. Hiertoe behooren het rete, de mergstrengen en de schorsstrengen, met al hetgeen er uit geboren wordt. Dat er kanaaltjes van het rete of een eenmaal gevormde schors- of mergstreng of follikel, onder normale omstandigheden ooit een duurzaam levensvatbaar bindweefsel zou voortbrengen, daarvan is tot nu toe niets bekend en zoolang mogen wij aannemen, dat dit ook werkelijk niet geschiedt.
Tot zoover zijn de verhoudingen in het ovarium niet anders dan wij gewoon zijn ook bij de overige klieren in het lichaam waar te nemen, waar wij ook de bindweefsel- en de parenchymcellen als tweeërlei in verschillende lichting gedifferentieerde elementen beschouwen. Ook het feit, dat bindweefsel en parenchym van denzelfden moederbodem, demesoblastcellen, afstammen is voor het ovarium niet karakteristiek; hetzelfde vindt men b. v. bij nier en bijnier. Maar bij het ovarium doet zich nu dit eigenaardige voor, dat hier de differentiatie van ineso blast cellen â in casu der cellen, die hot coeloom- resp. het ovarium-epithelium samenstellen â tot bindweefselbestanddeelen, waarschij n 1 ijk niet tot de allereerste perioden van de ontwikkeling van hot embryo is beperkt. Vroeger, toen wij de wording der geslachtsklier bij het konijn bespraken, hebben wij reeds gewezen op de mogelijkheid, dat, tijdens de vorming van het rete, van de mergstrengen en van de schorsstrengen nog nakomelingen van het coeloom- resp. eierstoksepithelium tot bindweefselcellen werden. Wat de kat betreft, men herinnert zich, wat wij eenige bladzijden terug over de werkzaamheid van het ovarium-epithelium hebben medegedeeld, waar wij zagen, dat nog in den eersten tijd na de geboorte vele epithelium-cellen in het onderliggend weefsel binnendrongen, welke cellen zeker deels tot bestand-deelen van schorsstrengen werden, voor een deel echter waarschijnlijk bindweefsel leverden. Men zal dus bedacht moeten zijn op de mogelijkheid, dat het ovariurn gedurende de ontwikkeling elementen bevat, welke noch parenchym-n o c h b i n d w e e f s e 1 c e 11 e n kunnen genoemd worden, cellen, welke zich eerst later in een dezer beide richtingen differ en tiëe ren.
Houden wij met de bovengegeven definities ook in het vervolg rekening, dan kunnen wij ten aanzien der meergenoemde, van het epithelium ingedaalde, cellen in fig. 42 pi. IX dit opmerken. De omstandigheid, dat cellen als deze vermoedelijk deelnemen aan de vorming van het follikelepithelium, wijst er op, dat wij hier met geen behoorlijk gedifferentieerde bindweefselcellen, zooals die dieper in den eierstok voorkomen, te maken hebben. Mijns inziens zijn er twee dingen mogelijk: öf deze elementen kunnen een deugdelijk bindweefsel leveren öf zij kunnen het niet. Vormen zij inderdaad bindweefsel â waaromtrent wij niets met zekerheid weten â dan zouden wij ze moeten brengen tot de rubriek van de weinig gedifferentiëerde cellen, waarvan boven sprake was, en die dan ook in het volwassen kattenovarium niet zonden ontbreken.
â 160 â
Missen evenwel de bewuste elementen het vermogen een duurzaam bindweefsel te vormen, dan behooren zij tot het eigenlijke eierstoksparenchym.
Verder zullen wij op deze kwestie niet ingaan. Meer uitgebreide onderzoekingen zijn noodig om ons omtrent tal van punten de gewenschte zekerheid te verschaffen. Men vergete niet, dat het boven medegedeelde slechts betrekking heeft op de eierstokken van één enkele zwangere kat, waarbij ons onbekend is, wat wel en wat niet op rekenschap der zwangerschap moet worden gesteld.
Een belangrijke vraag is nog deze: kan het ovarinm-epithelium bij de volwassen kat langs den directen weg bindweefsel vormen, zooals dat waarschijnlijk in een vroegere periode dar ontwikkeling het geval is? Op eenigszins groote schaal heeft dit zeker niet plaats, daar ik het epithelium over het algemeen scherp gescheiden vond van de onderlaag.
Toch verbiedt mij het feit, dat men hier en daar stuit op beelden, zooals fig. 44 pl. IX te zien geeft, met zekerheid te zeggen, dat het ovarium-epithelium bij de volwassen kat aan alle bindweefselvorming vreemd is (zie bij a en b in de figuur). Merkwaardig was, dat op de plaats waaraan de figuur ontleend is, de kernen in het stroma tot dicht onder het epithelium met de lengte-as naar de oppervlakte waren gericht; ook in de figuur is dit waarneembaar. Dit contrasteert opvallend met de meer onregelmatige rangschikking der stromakernen op plaatsen, waar wij het epithelium streng van de onderlaag gescheiden vinden.
Dat, in het ovarium-epithelium der volwassen kat, de cellen niet immer zoo regelmatig naast elkander zijn gegroepeerd als b. v. in fig, 42, bewijst fig. 45 pl. IX, waar men o. a. bij a een gesteelde cel aantreft, die doet terugdenken aan de gestoelde cellen, welke wij vroeger in het coeloom- en ovarium-epithelium van jongere ontwikkelingsperioden beschreven.
Resumeeren wij in enkele woorden, hetgeen wij omtrent den oorsprong van het follikelepithelium bij de kat hebben opgemerkt, dan komt dit in hoofdzaak neer op het volgende:
Als moederweefsel voor de vorming van follikels â dus ook van het follikelepithelium â moeten in de eerste en voornaamste plaats genoemd worden: de schorsstrengen, het schors-parenchym. Waarschijnlijk nemen bij de kat ook de mergstrengen aan de follikelvorming deel. Maar een eenigszins belangrijke rol bij dit proces spelen zij zeker niet en het is uitermate twijfelachtig, of één van de uit â of met behulp van â de mergstrengen gevormde follikels het ooit tot rijpheid brengt.
De hoofdbron voor de herkomst van het follikelepithelium blijft dus â evenals voor de vorming der eieren â het eierstoksepithelium, ten koste waarvan het schorsparenchym is ontstaan. Naar waarnemingen gedaan aan de eierstokken van een zwangere kat, schijnt bij verschillende follikels de vorming van de membrana granulosa op den volwassen leeftijd nog niet geheel te zijn afgeloopen. Daarbij hebben wij den indruk ontvangen, alsof cellen uit de naaste omgeving van deze zich ontwikkelende follikels gebruikt worden ter completeering van den nog niet geheel volledigen mantel van granulosacellen. Deze cellen, welke zich zóó kunnen voordoen, dat men ze van bindweefsel bezwaarlijk kan onderscheiden, zijn, evenals de schorsstrengen zelf, van het eierstoksepithelium afkomstig.
Wij weten niet zeker, of wij de genoemde cellen zonder meer tot het eierstoksparenchym mogen rekenen; misschien kunnen zij echte bindweefselcellen vormen en dan zal men ze
- 161 -
moeten beschouwen als weinig ver gedifferentieerde elementen, welke noch tot het puren-â chym, noch tot het bindweefsel behooren, maar beide kunnen voortbrengen.
c. Over de histologische eigenschappen van het follikelepithelium bij de kat.
Evenals in het eierstoksepithelium, zoo komen ook in de membrana granulosa der follikels celgrenzen niet overal duidelijk te voorschijn. Evenmin sluiten de granulosacellen overal dicht aaneen, een verschijnsel, dat wij mede bij de cellen van het eierstoksepithelium hebben ontmoet. En wat geldt van de verhouding der granulosacellen onderling, geldt ook van de verhouding dezer elementen ten opzichte der eieren, die zij omgeven. Reeds wanneer de voorloopsters der granulosacellen nog deel uitmaken van een eistreng, kan men zien, hoe de ruimte tusschen eiomtrek en den -omtrek der streng niet geheel door protoplasma wordt opgevuld. In flg. 34 pi. VII ontmoet men daarvan voorbeelden. Het protoplasma der randcellen wordt hier grootendeels voorgesteld door een dradennetwerk, dat hier en daar geleidelijk in het eiprotcplasnia overgaat.
Bij primordiaalfollikels, als in flg. 49 pi. X, worden de eieren omgeven door een protoplasmamantel, waarin enkele, over het algemeen uiterst platte kernen zijn verspreid; op plaatsen, waar verschillende follikels tegen elkander liggen, blijven dikwijls kleine openingen over (bij a en amp; in genoemde figuur).
Onderzoeken wij verder ontwikkelde follikels (flg. 46 en flg. 47 pi. X), dan zien wij de kernen der granulosacellen een meer ronde gedaante aannemen, en tegelijk komt er teekening in de vroeger vrijwel gelijkmatige protoplasmamassa, die de kernen omgeeft.
Vooral in met FLEMMiNG'sche vloeistof behandelde praeparaten blijkt het dan, hoe een groot deel der cellen van het follikelepithelium één kernenhoudend netwerk vormt van protoplasma, een netwerk eensdeels met de membrana propria van den follikel, andersdeels met den wand van het ei in samenhang. De mazen van het netwerk zijn deels open, deels worden zij ingenomen door cellen, wier protoplasma â in de Flemming-praeparaten wat lichter van kleur â niet, of althans zeer weinig innig, met dit netwerk schijnt samen te hangen.
Denzelfden weefselbouw vinden wij in het stroma, dat de follikels omgeeft; wij herinneren er hier tevens aan, hoe somwijlen ook in het eierstoksepithelium bij jonge katten, in de merg- en schorsstrengen, de âmergbuizenquot;, de retekanaaltjes en in de canales efferentes een dergelijke groepeering der cellen waarneembaar was (blz 144).
De bovenbeschreven structuur van het follikelepithelium vindt men niet in alle follikels even duidelijk terug. Er zijn follikels â en vooral die, welke op den weg dei-regressie zijn, behooren daartoe â waar de celkernen van de membrana granulosa dicht op elkander zijn gelegen; hier bespeurt men van het genoemde verschijnsel gewoonlijk zeer weinig (flg. 52 en flg. 58 pi. X). Beter komt de eigenaardige bouw van het epithelium uit bij follikels, waar de granulosa-kernen wat verder van elkander afstaan: ik wijs hier op flg. 50 en 51 pi. X, waar het bovenbeschreven protoplasrnanetwerk duidelijk zichtbaar is. Fig. 50, ontleend aan een 6 weken oude kat, geeft ons tevens een voorbeeld van een z. g. epithelium-vacuole (Flemming, 84) die in jonge kattenovaria niet zeldzaam zijn en die men ook bij andere dieren (konijn, mensch) herhaaldelijk aantreft. Over de wijze, waarop zij zich vormen, is veel getwist; naar mijne overtuiging ontstaan vacuolen als in flg. 50 eenvoudig door een uiteenwijken der cellen, die er later den wand van uitmaken. In flg. 50 heeft het protoplasma dezer cellen een dunne membraan om de
21
â 162 â
vacuole gevormd. Over de morphologische beteekenis der vacuolen weet ik niets mede te deelen.
In fig. 51 pi. X ziet men, hoe boven in de figuur het protoplasma der granulosacellen onafgebroken overgaat in den wand van het ei (zona pellucida); meer naar beneden is een begin van scheiding tusschen beide merkbaar.
Merkwaardig is dikwerf liet uiterlijk der membrana granulosa bij atretische follikels, die in het ovarium van de volwassen kat bij menigte voorkomen. Zooals bekend is, grijpen er bij de physiologische atresie der follikels veranderingen plaats in de theca, het ei en het follikelepithelium. Het lot van het laatste is, volgens de schrijvers, om nu eens meer dan eens minder snel geheel ten gronde te gaan, zoodat ten slotte de vroegere follikel vervangen wordt door een, door bindweefsel omgeven, holte, waarin nog een tijdlang de resten van ei (zona pellucida) en granulosacellen zijn waar te nemen.
Vooral Schottlaender (113, 114) heeft zich met het onderzoek der follikelatresie beziggehouden en daarbij o. ra. gevonden, hoe verschillend de beelden kunnen zijn, waaronder de atretische follikels zich voordoen. Ook ik heb den indruk gekregen, dat de follikelatresie niet alleen bij verschillende zoogdieren sterk van elkander afwijkende verschijnselen aanbiedt, maar dat ook bij éénzelfde diersoort de beelden zeer kunnen uiteenloopen. Vooral bij de rat vindt men bij de atresie zeer fraaie voorbeelden van chromatolyse van het follikelepithelium; de membrana granulosa schijnt hier gewoonlijk spoedig geheel te verdwijnen. Bij de kat gaat dit verdwijnen van het follikelepithelium over het algemeen veel minder snel; en vóór dit geschiedt vertoont het menigmaal veranderingen, die de moeite waard zijn nader te beschouwen. De figuren 53â56 pi, X zijn alle ontleend aan follikels op den weg der atresie. In fig. 53 hebben zich enkele van de direct aan de follikelholte grenzende epitheliumcellen tot een afzonderlijk laagje gerangschikt, In lig. 54 vormt het follikelepithelium aan de onderzijde der figuur nog één geheel; meer naar boven vinden wij de membrana granulosa gescheiden in een 2 a 4 cellen hooge buitenste laag, met vrij regelmatig naast elkander geplaatste celkernen, en in een smallere binnenste laag, waar, vooral aan de zijde der holte, het protoplasma der cellen en de celkernen overwegend in één richting zijn uitgerekt.
Wil men weten, waartoe een dergelijk proces kan leiden, dan raadplege men lig. 56, een verder gevorderd stadium van follikelatresie, waar de membrana granulosa zich heeft gesplitst in een direct aan de theca grenzende cellenstrook, met ronde, vrij donker gekleurde, regelmatig aan elkander aansluitende kernen, en in een meer vezelig laagje, dat eerstgenoemde cellenstrook naai' binnen bekleedt. De epitheliumkernen hebben hier geheel het voorkomen aangenomen van de bindweefselkernen, die wij aan den buitenkant der theca aantreffen (zie onder in de fig,); slechts enkele hebben nog de meer ronde gedaante bewaard (a).
Pig. 55 stelt blijkbaar een overgangsstadium voor tusschen den toestand in fig. 54 en dien in lig. 56. Hier ziet men den geleidelijken overgang van de sterk veranderde, direct aan de follikelholte grenzende epitheliumcellen in de dichter bij de theca gelegen elementen, waar de normale structuur van de membrana granulosa meer behouden is gebleven. Vooral in het binnenste gedeelte van de membrana granulosa springt het maaswerk van het gemeenschappelijk protoplasma der cellen zeer duidelijk in het oog.
De scherpe afscheiding tusschen theca en follikelepithelium, in fig. 53 en fig. 54 nog zeer goed waarneembaar, is in fig. 55 geheel verdwenen,
Is het te verwonderen, dat een weefsel, zooals de bovenste laag in fig. 56 te zien
- 163 -
geeft, door enkele schrijvers niet tot de echt-epitholiale weefsels wordt gerekend (bl. 52)?
Men vergelijke, naar aanleiding hiervan, ook de studies van den Amerikaan Foebster ^ over de veranderingen, die het follikeleplthelium kan ondergaan. Deze schrijver geeft van de membrana granulosa der kat afbeeldingen2), die met enkele der onze veel overeenkomst hebben. Foeester komt tot de conclusie, dat er uit het follikeleplthelium inderdaad bindweefsel kan gevormd worden.
Dit laatste nu is volgens ons niet bewezen, al heeft men wellicht de eigenaardig veranderde granulosacellen, zooals die in fig. 55 en fig. 56 de holte der follikels omgeven, in den loop der tijden meermalen voor echt bindweefsel aangezien.
Wij voor ons stellen aan bindweefsel den eisch, dat het een duurzaam weefsel vormt, in staat zijn ten ondergaande cellen weer door nieuwe te vervangen. En nu is ons nergens gebleken, dat het weefsel, waarover wij thans spreken, dit vermogen bezit. Geen enkele mitose hebben wij er in aangetroffen; wel stuit men in de membrana granulosa van atretische follikels niet zelden op chromatine-klompjes, resten van ten gronde gegane celkernen (fig. 53, 54 en 55). Zoolang het dus niet zeker is aangetoond, dat de cellen, welke den binnenwand bekleeden der follikels, waaraan wij de figuren 55 en 56 hebben ontleend, een duurzaam weefsel samenstellen, in staat zich zelf te regenereeren, zoolang beschouw ik deze elementen als een bepaalden vorm van granulosacellen, welke op weg zijn te verdwijnen.
4°. De interstitiëele cellen.
Reeds bij een kattenembryo van 9.4 cM. springt het in het oog, hoe op sommige plaatsen het ovariale bindweefsel meer kernen bevat, dan wij elders gewoon zijn waar te nemen; de kernen zelf zijn daarbij gezwollen en hebben een ronden often naastenbij ronden vorm aangenomen. Deze kernenrijke plaatsen vindt men voornamelijk in het meer centrale gedeelte van het schorsgebied en vooral in het merg, om de mergstrengen en het rete.
Men vergelijke flg. 33 pi. VII, waar de in het midden der figuur zich bevindende streng, vooral aan de onderzijde, door een dergelijk kernenrijk stroma wordt begrensd. Bij b en c ziet men een paar geïsoleerde cellengroepjes, waarvan de kernen iets grooter zijn dan in het omgevend stroma, maar overigens geen opvallende verschillen aanbieden met de stromakernen.
Deze groepjes kunnen zijn: doorsneden van smalle schors- of mergstrengen (wij zijn hier juist op het grensgebied tusschen merg en schors); maar het is ook mogelijk, dat zij uit stromacellen bestaan, welke zelfstandig zijn geworden ten opzichte der omgeving. Immers het komt voor, dat in dit kernenrijk bindweefsel enkele kernen zich met het bijbehoorend protoplasma als kleine cellengroepjes van de rest afscheiden. Ook van het cellenstrengetje meer boven in figuur 33 bij a kunnen wij niet met zekerheid zeggen, of het al of niet tot het eierstoksparenchym moet worden gerekend.
De bovengegeven voorbeelden doen zien, hoe de geschetste eigenaardige veranderingen in het bindweefselstroma het juiste inzicht in de uitbreiding van het klierparenchym in den eierstok niet weinig bemoeilijken. In latere perioden der ontwikkeling â b. v. na de
') Comparative microscopical studies of the ovary. The American Journal of Obst. Vol. 28 en 29. 2) 1. c. Vol. 28, p. 792, flg. 8.
â 164 â
geboorte â vinden wij de kernenrijke gedeelten in het stroma terug, vooral in de onmiddellijke omgeving van de verst ontwikkelde schorsstrengen en verder in het merg, om daarin ingedrongen follikelgroepen en afzonderlijke follikels, en om de mergstrengen. Ook in fig. 84 pi. VII is het stroma in de nabijheid der daar afgebeelde schorsstreng kernenrijker en de kernen ronder dan b. v. geheel aan den bovenrand der figuur het geval is. Bij a treffen wij een groepje van 4 cellen aan, geïsoleerd van de andere, de kernen weer iets grooter dan in het omringend weefsel; ook hier durven wij ons niet beslist uitlaten over den aard van dit cellengroepje, of het tot het parenchym behoort, of wel uit het bindweefsel zijn oorsprong heeft genomen.
Daar de mergstrengen slechts hier en daar enkele oereieren of eieren bevatten, levert de onderscheiding van kernenrijk bindweefsel en parenchym in het merg op tal van punten nog meer moeilijkheid op dan in het aan het merg grenzend gedeelte van het schorsgebied.
Reeds vóór de geboorte begint zich op sommige plaatsen vet in het protoplasma der zooeven besproken veranderde bindweefselcellen af te zetten. Na de geboorte zet zich dit proces op ruime schaal voort. Daardoor krijgen wij in het ovarium eener jeugdige kat opeenhoopingen van groote, protoplasmarijke, vethoudende cellen, deels met elkander versmolten, deels door celgrenzen gescheiden, en die op menig punt scherp afsteken tegenover de onveranderd gebleven bindweefselbestanddeelen, op de wijze zooals dit b. v. in de theca folliculi van flg. 52 pi. X zichtbaar is.
Zoo vormen zich de interstitiëele cellen, waarvan wij er in den eersten tijd na de geboorte een massa in het kattenovarium aantreffen, en die ook bij volwassen katten in groote hoeveelheid voorkomen. De interstitiëele cellen, eenmaal behoorlijk ontwikkeld, deelen zich niet, althans stellig niet langs den indirecten weg; nimmer vertoonen zij mitosen. Wel vindt men deelingsfiguren in de voorloopsters der interstitiëele cellen, de bindweefsel-cellun met de ronde gezwollen kernen.
Zeker is, dat er voortdurend interstitiëele cellen ten gronde gaan. Daartegenover staat weer, dat er voortdurend nieuwe worden aangemaakt, ook in volwassen ovaria. Vooral in de naaste omgeving van follikels, die de eerste stadiën der ontwikkeling achter den rug hebben, kan men het geheele proces der interstitiëele-cel-vorming fraai van stap tot stap vervolgen; om oudere follikels maken zij als thecacellen een hoofdbestanddeel uit der theca folliculi (verg. de figuren 52. 53, 54, 55 en 56 pi. X).
Bij de massa interstitiëele cellen in het ovarium aanwezig â- alleen in de meest oppervlakkige schorszóne ontbreken zij.â gebeurt het natuurlijk herhaaldelijk, dat een jonge follikel, op weg zich te vergrooten en dieper in het merg te dringen, onmiddellijk tegen eenige interstitiëele cellen komt te liggen. Ik verwijs naar flg. 47 pi. X, w7aar wij boven in de figuur enkele strooken van interstitiëele cellen waarnemen, die â het zij hier terloops opgemerkt â geheel het voorkomen hebben van sterk opgezwollen stromavezels; deze interstitiëele cellen zijn, over een bepaalde uitgestrektheid, in onmiddellijk contact met den daaronder gelegen follikel.
Maar met de vorming van de theca hebben zij niets uit te staan. De thecacellen ontstaan hand aan hand met de vergrooting van den follikel en nemen haar oorsprong uit het laagje bindweefsel, dat dezen bij zijn grooter worden omhult en dat op zijn beurt weer van liet gewone eierstoksbindweefsel afkomstig is; een vormingswijze der thecacellen, zooals destijds reeds door E. van Beneden (10) bij de vleermuis is beschreven (veig. de figuren 50 en 51 met fig. 52 pi. X).
- 165 -
De hoeveelheid interstitiëele cellen in de theca is overigens aan veel schommelingen onderhevig en houdt â althans bij de kat â niet altijd direct verband met de grootte, welke de follikel heeft bereikt. Vooral atretische follikels zijn dikwerf in het bezit van een zeer breeden mantel van thecacellen.
In welke betrekking staan de m ergst ren gen tot de vorming der interstitiëele cellen?
Op het tijdstip der geboorte van de kat zijn er van de mergstrengen bereids verscheidene door atrophia ten gronde gegaan of althans als strengen onkenbaar geworden; en er valt niet aan te twijfelen, of ook na de geboorte zet zich dit proces van atrophie nog verder voort.
Voor een ander, zeer klein gedeelte, werken de mergstrengen â zooals wij vroeger zagen â waarschijnlijk mede bij de follikel vorming.
Daar blijven er echter nog over, die zeker niet aan de follikelvorming deelnemen en toch ook in den eersten tijd niet verdwijnen Men vindt ze bij een pasgeboren kat als min of meer strengvormige cellengroepen in het merg van het ovarium, gewoonlijk rijkelijk omgeven door kernenrijk bindweefsel, resp. door de interstitiëele cellen uit dit bindweefsel voortgekomen.
De moeilijkheid, waarvan wij boven spraken, om het kernenrijke bindweefsel van de mergstrengen te onderscheiden, wordt er niet minder op, wanneer de bindweefselcellen tot interstitiëele cellen zijn geworden De interstitiëele cellen kunnen zich in groepjes en strengetjes voordoen , geheel van denzelfden vorm als de mergstrengen. Bovendien blijken de mergstrengcellen dergelijke veranderingen te kunnen ondergaan als de bindweefselcellen, wanneer deze tot interstitiëele cellen worden. Uit met osmium behandelde praeparaten meen ik te mogen besluiten, dat ook in de mergstrengcellen zich in den loop der ontwikkeling vet kan afzetten. Ook in de verhouding ten opzichte van elkander kunnen do mergstrengcellen volkomen gelijken op de interstitiëele cellen: in zooverre, dat zoowel hier als daar de cellen niet altijd nauwkeurig aaneensluiten en celgrenzen vaak niet duidelijk zichtbaar zijn.
Beschouwt men het ovarium van een kat van ongeveer 14 dagen, dan vindt men in het merg verscheidene grootere of kleinere groepen van protoplasmarijke cellen, deels van de mergstrengen afkomstig, deels uit het bindweefsel ontstaan. En de gelijkenis tusschen beiderlei elementen kan zoo groot zijn, dat het mij onmogelijk is in ieder bepaald geval te zeggen, of ik mergstrengcellen of in bepaalden zin veranderde bindweefselcellen (interstitiëele cellen) voor mij heb. Toch zijn er verschillen; zij bestaan hierin, dat in de mergstrengen de kernen doorgaans iets donkerder zijn en wat dichter op elkander zijn gelegen dan in de groepen van interstitiëele cellen het geval is. Ik verwijs hierbij naar flg. 40 pi. IX, ontleend aan een ovarium van een' 14 dagen oude kat. Rechts onder in de liguur bij m. s'. ligt de doorsnede van een mergstreng, terwijl wij daarboven bij b beslist met interstitiëele cellen to maken hebben; ook de cellen rondom c, onder in de figuur, links van het midden, houd ik voor interstitiëele cellen.
Maar fig. 40 bewijst tevens, dat het bovengenoemde kriterium ons nu en dan in den steek laat: bij w.s., midden in de teekening, hebben wij zeker een mergstreng voor ons, zooals uit den nog niet verbroken samenhang met een kanaal van het rete ovarii afdoende blijkt; maar in dit geval bieden de strengcellen zoo weinig verschil aan met interstitiëele
â 166 -
cellen, dat wij aan het uiterlijk voorkomen der elementen deze mergstreng zeker niet zouden herkend hebben.
Zoo wordt ons de dwaling van Harz e. a. begrijpelijk, die alle interstitiëele cellen in het ovarium, waar en wanneer men ze ook aantreft, van de mergstrengen trachtten af te leiden (verg. bl. 61 e. v.).
Al is dus de gelijkenis tusschen mergstrengcellen en interstitiëele cellen soms zoo groot, dat men beide niet van elkander kan onderkennen, toch zal men mijns inziens goed doen beide celsoorten onder een verschillend gezichtspunt te blijven beschouwen.
Wij herinneren nog eens aan fig. 55 pi. X, waar men, alleen op de onderlinge gelijkenis der elementen afgaande, zou kunnen beweren, dat de granulosacellen zoowel gewoon bindweefsel als interstitiëele cellen kunnen voortbrengen; immers het gedeelte van het follikel-epithelium, dat de follikelholte onmiddellijk begrenst, biedt een zeer groote overeenkomst aan met het normale eierstoksbindweefsel, terwijl de meer naar de theca gelegen granulosacellen als twee druppels water gelijken op de thecacellen. En toch hebben wij ons niet tot een dergelijke uitspraak gerechtigd geacht. Men verlieze niet uit het oog, dat de voorwaarden, waaronder de op interstitiëele cellen ge 1 ijkende mergstrengcellen en de interstitiëele cellen zelf ontstaan, niet gelijk zijn. In de veranderde mergstrengcellen zoeken wij tevergeefs naar een enkele mitose en niets pleit er voor, dat zij zich direct deelen: daaruit mogen wij opmaken, dat zij zich niet vermenigvuldigen. Hier en daar vinden wij daarentegen de ontwijfelbare teekenen van ondergang der mergstrengcellen. De gevolgen, verbonden aan het niet vervangen worden der te loer gegane cellen door nieuwe, zijn voor iedereen duidelijk: eens zal er een tijdstip komen, waarop al deze eigenaardig veranderde mergstrengcellen verdwenen zijn. Wanneer dit tijdstip aanbreekt, kan men slechts gissen; maar hoogstwaarschijnlijk is het bij de kat al daar, lang voordat het dier den volwassen leeftijd heeft bereikt.
Ook de interstitiëele cellen vermeerderen zich niet en ook zij gaan regelmatig ten gronde; maar het groote verschil met de mergstrengcellen is hierin te zoeken, dat de eerste weer voortdurend op nieuw worden aangemaakt ten koste van een levenskrachtig bindweefsel , in staat zich zelf te regeneeren.
Tegenover de zienswijze van Habz c. s. stel ik dus mijne meer met de feiten overeenkomstige uitspraak, dat, bij de volwassen kat, de mergstrengen â of het cellenmateriaal, dat daaruit is voortgekomen - geheel of zoo goed als geheel zijn verdwenen. En wat in casu voor de kat geldt, zal men met nog meer recht kunnen toepassen op het konijn en aanverwante dieren, waar de mergstrengen op verre na niet die ontwikkeling bereiken als bij de kat.
Met interstitiëele cellen bedoel ik dus alleen cellen, uit het bindweefsel voortgekomen; de thecacellen zijn hiermede absoluut identisch. Over het ontstaan der luteïnecellen heb ik geen onderzoekingen verricht.
5°. De beteekenis der mergstrengen uit een algemeen morphologisch oogpunt.
In ons historisch overzicht hebben wij de verschillende meeningen neergeschreven, welke in de literatuur ten aanzien van bovenstaand punt de ronde doen (verg. blz. 63 en 64). Wij zullen dit Hoofdstuk besluiten met hier onze eigen inzichten daaromtrent te laten volgen.
Vragen wij ons eerst af: zijn de mergstrengen inderdaad aan den eierstok
- 167 -
vreemde bestanddeelen, welker aanwezigheid het ovarium stempelt tot een herma-phroditische klier, waarvan het tot het mannelijk gedeelte behoorend parenchym rudimentair blijft?
Zoodra de mergstrengen bekend werden, heeft men ze vergeleken mot rudimentaire zaadbuisjes (Waldeyer e. a.). Janosik meende zelfs in het feit, dat bij dieren, zooals de kat, de mergstrengen een duidelijke holte kunnen vertoonen, steun te vinden voor deze opvatting: immers ook de zaadbuisjes waren buizen, geen strengen.
Is men werkelijk gerechtigd de mergstrengen als rudimentaire zaadbuisjes te duiden? Met de vormingswijze der mergstrengen is deze opvatting wel overeen te brengen; immers de ontwikkelingsgeschiedenis heeft ons geleerd, dat mergstrengen en zaadbuisjes zich geheel uit hetzelfde cellenmateriaal opbouwen. Wel loopt de wording bij beide niet in alle opzichten parallel; maar als wij bedenken, dat de mergstrengen niet meer dan rudimentaire organen zijn, legt deze laatstgenoemde omstandigheid weinig gewicht in de schaal.
Letten wij evenwel op den bouw der mergstrengen, dan moet ons de verklaring van het hart, dat wij daarin niets vinden, dat haar natuur als rudimentaire zaadbuisjes nader in het licht stelt. Spermatozoïden mag men in de mergstrengen niet verwachten. Bevatten zij spermamoedercellen? Goed ontwikkelde, duidelijk als zoodanig te onderscheiden spermamoedercellen zeker niet; maar vergeten wij niet, dat deze elementen in het begin van hun wording niet zijn te onderscheiden van jonge oereieren, welke laatste in de mergstrengen ontwijfelbaar voorkomen.
Van groot belang in deze kwestie is zeker de omstandigheid, dat sommige mergstreng-cellen de eerste phasen der ei-ontwikkeling doorloopen, terwijl bij de kat enkele dier cellen zelfs de grootte van follikeleieren bereiken.
Om dit feit naai' waarde te schatten, dient men te weten, dat ook in de echte zaadbuisjes enkele cellen dezelfde verschijnselen kunnen vertoonen. Een paar maal heb ik zelf bij een pasgeboren kat in de zaadbuisjes naast sperma-moedercellen een cel aangetroffen, veel grooter dan de laatste ooit worden en niet te onderscheiden van een jong eierstoksei. Balbiani deed reeds dezelfde waarneming en geeft er een afbeelding van (4, p. 237, lig. 128). Nog meer schijnt dit voor te komen bij de lagere klassen det gewervelde dieren; ik verwijs naar Balbiani 1. c. pi. IV fig. 1 en 2, waar men eieren vindt afgebeeld in zaadbuisjes van een larf van rana temporaria en van een volwassen bufo vulgaris.
Het ontstaan van eieren in de mergstrengen pleit dus op zich zelf nog niet tegen haar veronderstelde zaadbuisjesnatuur. Nu is het evenwel zeer opvallend, dat â althans bij de kat â dergelijke jeugdige eieren in de mergstrengen volstrekt niet zeldzaam zijn, terwijl hun voorkomen in de zaadbuisjes bij hetzelfde dier, naar eigen ervaring, tot de zeer groote uitzonderingen behoort. Zoo zal men dus, wil men de mergstrengen als rudimentaire zaadbuisjes blijven beschouwen, moeten veronderstellen, dat deze rudimentaire zaadbuisjes in den loop der tijden zoodanig van de huidige zaadbuisjes in den testis zijn gaan verschillen, dat in de eerste aanzienlijk meer cellen de jongste phasen der ei-woi'ding vertoonen dan in de laatste. Maar hierbij blijft het niet. Waarschijnlijk kunnen ook bij de kat geheele follikels ten koste van mergstrengen hun oorsprong memen; en als dit zoo is, dan staan wij voor een verschijnsel, aan de echte zaadbuisjes der zoogdieren ten eenenmale vreemd.
Al is ons dus nog niet overtuigend gebleken, dat de mergstrengen geen rudimentaire
â 168 â
zaadbuisjes zijn, zoo bestaat er toch alle aanleiding naar een meer bevredigende verklaring te zoeken.
Zijn de mergstrengen dan wellicht homoloog aan de tubuli recti inden testis (Balbiani, Heetwig)? Dit kunnen wij met beslistheid ontkennen. Daartegen pleit voor alles de ontwikkelingsgeschiedenis, die leert, dat de tubuli recti testis als de uiterste vertakkingen van het rete testis zijn op te vatten, terwijl de mergstrengen, zooals gezegd, haar oorsprong nemen uit cellen, die in den testis de bouwstof voor de zaadbuisjes leveren.
Beproeven wij thans tot welke uitkomsten ons een andere beschouwingswijze voert, die de mergstrengen niet opvat als aan de functie der vrouwelijke geslac hts klier oorspronkelijk vreemde bes tand de el en.
Er zijn schrijvers, die de mergstrengen eenvoudig duiden als rudimentaire schors-strengen, welke vroeg verdwijnen, maar oorspronkelijk geheel tot dezelfde functie bestemd waren, als de schorsstrengen thans vervullen. Deze verklaring kan ons niet voldoen. Immers hoe komt het dan, dat deze âeerst gevormde schorsstrengenquot;, zich zoo bijzonder gedragen in vergelijking met de later gevormde â de schorsstrengen in engeren zin, â die toch ook voor het grootste gedeelte vroegtijdig ten gronde gaan?
Hoe verklaart men van dit standpunt de vrij scherpe afscheiding, die men op tal van punten tusschen schors- en merggebied aantreft? Wat is er ten slotte de reden van, dat bij sommige zoogdieren deze ârudimentaire schorsstrengenquot; tot op volwassen leeftijd stand houden, zonder voor de ei- of follikelvorming van eenig nut te zijn?
Wij zagen hoe Köllikeb, Rouget en Mihalkovics de beteekenis der mergstrengen zochten in de levering van het follikelepithelium. Maar ook deze opvatting is onhoudbaar. Alleen het feit, dat er zoogdieren zijn (o. a. de mensch), bij welke de mergstrengen stellig in geen enkel opzicht iets met de vorming van het follikelepithelium hebben te maken, bewijst dit afdoende. De mergstrengen zijn rudimentaire organen, al mogen zij ook bij sommige zoogdieren wellicht een ondergeschikte rol spelen bij de vorming der membraria granulosa.
Maar wat kan dan toch wel de functie geweest zijn, die deze raadselachtige bestand-deelen oorspronkelijk hadden te vervullen? Er is één omstandigheid, waarmede men, naar het ons voorkomt, bij de duiding der mergstrengen niet altijd voldoende rekening heeft gehouden: gedurende een bepaalde periode van bet leven hangen zij innig samen met de kanaaltjes van het rete ovarii. Wat is het rete ovarii zelf? Hot homologen van het rete testis Halleei, luidt het antwoord der schrijvers, die er zich over uitlaten. Daarmede kan men tweeërlei bedoelen: of men rekent het rete ovarii tot het mannelijk element van den hermaphroditischen eierstok â en zoo schijnen de meeste schrijvers er over te denken â öf men beschouwt het rete ovarii als rudiment van een systeem van afvoerkanalen, waarlangs in vroegere perioden de vrouwelijke geslachtsproducten hun uitweg vonden. Dan zou het rete ovarii voor de vrouwelijke geslachtsproducten geweest zijn, wat het rete testis nog is voor de mannelijke.
Voor een interpretatie van het rete ovarii in laatstgenoemden zin heeft zich â voorzoover mij bekend â geen der onderzoekers, die liet zoogdierovarium behandelden, onomwonden uitgesproken.
Zien wij, welke der twee opvattingen ons bij het zoeken naar de beteekenis der mergstrengen kan dienen.
- 169 â
De eerstgenoemde â het rete ovarii een deel van het mannelijk element in den hermaphroditischen eierstok â brengt ons geen stap verder. Waar wij bezwaar hadden de mergstrengen als rudimentaire zaadbuisjes te beschouwen, kan ons een dergelijke opvatting der beteekenis van het rete ovarii moeilijk bevredigen. Want als de mergstrengen inderdaad tot het eigenlijke eierstoksparenchym behooren, blijft het ons ten eenenmale onverklaarbaar, waarom rudimentaire uitvoergangen van mannelijke geslachtsproducten, reeds van het begin der ontwikkeling af, in innig verband zouden staan met diezelfde mergstrengen. Logischer handelt men zeker door de in de tweede plaats genoemde zienswijze te laten gelden. Dan zou er in het leven der voorvaderen van de tegenwoordige zoogdieren een periode geweest zijn, waarin ook de vrouwe-1 ijke geslachtsklier haar producten langs denze 1 fden weg loosde als dit heden ten dage de testis nog doet, n. 1. door het rete ovarii, langs de canales efferentes, naar de Wolffsche gang. Is deze onderstelling juist, dan ligt het meest voor de hand de beteekenis der mergstrengen hierin te zoeken, dat zij deel hebben uitgemaakt van een systeem van afvoerbuizen, die, in een phylo-genetisch jongere periode, de in de schors gevormde eieren langs de Wolffsche gang naar buiten voerden.
Hoe het schorsparenchym er dan zal hebben uitgezien kan men slechts gissen. Vermoedelijk bestond het uit buizen, welke centraalwaarts met de mergstrengen samenhingen, buizen wier wand epithelium de eieren voortbrachten. Dat dit eenmaal zoo geweest is, daarop wijst wellicht nog het feit, dat bij sommige zoogdieren het schorsparenchym zich gedurende een bepaald tijdperk van de ontwikkeling ten deele nog onder dien vorm voordoet (echte PFLüGER'sche buizen). Deze buizen zouden]dan oorspronkelijk niet bestemd zijn om zich in verschillende follikels te splitsen, zooals wij dit tlians zien geschieden.
Het bovenstaande is natuurlijk niets meer dan een hypothese, waarvan ik evenwel verklaar, dat zij mij meer bevredigt dan eenige andere, die men ten aanzien van de vermoedelijke natuur der mergstrengen heeft opgesteld.
Beschouwt men de zaak onder dit gezichtspunt dan worden verschillende verschijnselen â die, als wij de mergstrengen als rudimentaire zaadbuisjes duiden, moeilijkheden opleveren â zeer goed verklaard. Zijn de mergstrengen rudimenten van afvoerkanalen voor het schorsparenchym, dan is het volkomen begrijpelijk, dat zij meer gelijkenis aanbieden met schors-strengen, waarin de eieren niet of althans niet behoorlijk tot ontwikkeling komen, dan met zaadbuisjes. Bij een hond van 10 dagen vond ik in het ovarium plaatsen, waar een merg-streng, die zelf geen eieren bevatte, met een zoo goed als geheel uit oereieren bestaande schorsstreng verbonden was; het geheel herinnerde sterk aan de wijze, waarop zich de tubuli recti in den testis tot de zaadbuisjes verhouden.
Dergelijke beelden, die ook bij de kat voorkomen â maar minder duidelijk dan bij den hond â hebben, als men de bovenstaande hypothese aanvaardt, niets bevreemdends; daarentegen blijven zij, zoolang wij in de mergstrengen rudimentaire zaadbuisjes zien, ten eenenmale onverstaanbaar. Er is noch in de ontwikkeling noch in den bouw der mergstrengen iets te vinden, dat tegen de door ons voorgestane opvatting pleit; â of het moest zijn het feit, dat de mergstrengcellen de eerste phase der eiontwikkeling kunnen doorloopen, iets wat men in buizen, oorspronkelijk uitsluitend voor den afvoer der eieren bestemd, niet zou verwachten. Mijn inziens dwingt deze eigenschap der mergstrengcellen nog niet
22
- 170 -
onze beschouwingswijze te laten varen. In de eerste plaats herinneren wij er aan, dat de vorming van oereieren in de mergstrengen, vergeleken bij die in het schorsparenchym, op zeer bescheiden schaal plaats grijpt en dan nog alleen in den eersten tijd van het bestaan der mergstrengen. Zoo zal men bij de kat een paar weken na de geboorte dit verschijnsel niet meer waarnemen; en het is mij niet bekend, dat men bij dieren, waar de mergstrengen nog op volwassen leeftijd aanwezig zijn â b. v. bij de vleermuizen â , ooit iets dergelijks heeft gevonden. Nu hebben wij vroeger gezien, hoe de vorming van oereieren in jonge ontwikkelingsperioden niet uitsluitend beperkt is tot de streek, waar zij later alleen voorkomen. Oereieren in het mesovarium-epithelium zijn bij de kat, zelfs na de geboorte, niet zeldzaam; ook in het epithelium der fimbria peritoneajis troffen wij niet van oereieren te onderscheiden cellen aan. Is het onder deze omstandigheden te verwonderen, dat ook in de mergstrengen, gedurende den eersten tijd van haar bestaan, enkele elementen zich in die richting differentiëeren ?
Maar wanneer nu ons vermoeden, dat de mergstrengen bij sommige dieren, zooals de kat, niet alleen tot de ei-maar ook tot de follikelvorming bijdragen, blijkt juist te zijn, hoe zullen wij dan dit met de door ons als waarschijnlijk voorgestelde natuur dezer bestand-deelen kunnen overeenbrengen? Met andere woorden: hoe is een eventueele deelneming der mergstrengen aan de follikelvorming te rijmen met haar karakter van uitvoerkanalen?
Willen wij onze hypothese omtrent de natuur der mergstrengen handhaven, dan blijft er niets anders over dan een eventueele deelneming der mergstrengcellen aan de vorming van het follikelepithelium op te vatten als een secundair proces, dat met de oorspronkelijke functie der mergstrengen in geen verband staat. Wij zagen boven, hoe wij de follikelvorming ten koste der PrLüoER'sche buizen wellicht uit hetzelde gezichtspunt moeten beschouwen; het is dus zeer goed denkbaar, dat dezelfde invloed, die maakt dat de PPLüGER'sche buizen, vroeger voor een ander doel bestemd, thans in follikels uiteenvallen, zich bij sommige zoogdieren ook in meerdere of mindere mate over de mergstrengen is gaan uitstrekken, zoodat wij nu ook mergstrengcellen in dienst der follikelvorming zien treden. Een afdoende verklaring voor dit verschijnsel bevatten bovenstaande regelen zeker niet; maar wel leert ons deze beschouwingswijze, hoe het worden van mergstrengcellen tot granulosacellen met onze opvatting over de functie, die de mergstrengen wellicht eens hebben uitgeoefend, n iet overeenigbaar behoeft te zij n.
Een ander punt, waarmede wij rekening moeten houden is het volgende: als de mergstrengen werkelijk de beteekenis hebben, die wij er aan wenschen te hechten, wat blijft er dan over van de door verschillende schrijvers zoo hoog gehouden homologie tusschen de geslachtsklieren van beide sexen?
Want het is zonder meer duidelijk, dat de mergstrengen nu aan geen enkel bestanddeel in den testis volkomen beantwoorden: als rudimentaire afvoerkanalen zouden zij, naaide functie, met de tubili recti testis op één lijn te stellen zijn, terwijl van den anderen kant de ontwikkelingsgeschiedenis ze weer nader brengt tot de zaadbuisjes.
Met het oog op deze moeilijkheid vragen wij ons af, of testis en ovarium, zooals wij deze klieren tegenwoordig bij de zoogdieren aantreffen, wel in alle onderdeelen vergelijkbaar zijn. Mijns inziens is dit hoogst vermoedelijk niet het geval.
Plaatsen wij ons op het standpunt der evolutieleer, volgens welke de zoogdieren in
- 171 -
hun tegenwoordige gedaante zich geleidelijk uit minder hoog georganiseerde wezens hebben ontwikkeld. Naarmate men zich de wezens, waaruit de zoogdieren zijn voortgekomen, ineen verder van het tegenwoordig oogenblik gelegen tijd terugdenkt, des te minder samengesteld zal hun bouw moeten geweest zijn. Verplaatsen wij ons in gedachte al meer en meer in den voortijd, dan zullen wij ten slotte stuiten op een periode, waarin de toen hoogst ontwikkelde levende wezens nog geen bepaald geslacht hadden. Immers de laagst staande organismen, welke wij thans kennen, zijn nog geslachtsloos; en ook het hoogst ontwikkelde zoogdier â de mensch â is in embryonalen toestand een tijdlang buiten het bezit eener geslachtsklier. Met grond mogen wij dus veronderstellen, dat in lang en lang vervlogen tijden, zelfs bij de toen hoogst georganiseerde levende wezens, het ontstaan van nieuwe individuen nimmer plaats vond door samenwerking van tweeërlei geslachtsproducten.
Daarna zal het tijdstip aangebroken zijn, waarop geslachtelijke voortplanting begon. Daarvoor werden vereischt tweeërlei kiemen, door wier samenwerking nieuwe individuen tot stand kwamen. Aanvankelijk ontstonden die kiemen misschien verspreid in het lichaam; hoe dit ook zij, in den loop der tijden is er een klier opgetreden, die uitsluitend met de levering van die kiemen was belast.
Daarmede treden wij de periode in, dat de hoogst georganiseerde dieren in het bezit zijn van een geslachtsklier. Het optreden van tweeërlei geslachtsproducten behoefde natuurlijk niet samen te vallen met de sexueele differentiatie: het is zeer goed denkbaar, dat aanvankelijk beide soorten van kiemen in gelijke mate over ieder der individuen van eenzelfde diersoort waren verdeeld, zonder dat die individuen onderling verschillen aanboden, welke bij het bestaan van tweeërlei geslacht pasten. De oudste en oorspronkelijke vorm der geslachtsklier was misschien â men kan wel zeggen waarschijnlijk â hermaphroditisch.
Hoe men hier verder ook over moge denken, eens is de tijd gekomen, dat de hoogst ontwikkelde dieren sexueele verschillen zijn gaan vertoonen. Sommige individuen leverden uitsluitend of althans overwegend de eene, andere individuen uitsluitend of overwegend de andere soort geslachtskiemen. Oorspronkelijk zal hot onderscheid tusschen beiderlei geslachten zeer gering geweest zijn; het eenvoudigst is wel zich voor te stellen, dat in den beginne het leveren van verschillende geslachtsproducten het eenige was, waardoor de individuen van beiderlei geslacht zich onderscheidden. Alle andere geslachtsverschillen, waartoe ook het onderscheid tusschen de geslachtsklieren bij de twee sexen behoort , zullen als van secundairen aard moeten beschouwd worden.
Men mag dus aannemen, dat in den beginne de geslachtsklieren bij de twee sexen geheel volgens hetzelfde plan waren gebouwd en tevens, dat hare producten bij beiderlei geslacht op dezelfde wijze werden afgevoerd.
Mettertijd zijn de mannelijke en vrouwelijke geslachtsproducten in hun voorkomen en hun levensverschijnselen meer en meer van elkander gaan afwijken, en zijn er ook â vermoedelijk in verband hiermede â meer en meer ingrijpende verschillen opgetreden tusschen de geslachtsklieren zelf bij beide sexen. Stellen wij ons nu voor, dat deze verschillen allengs zóó groot geworden zijn, dat het ons thans niet meer gelukt, voor al de bestanddeelen in het zoogdierovarium volmaakt homologe bestanddeelen in den testis aan te wijzen, dan wordt het verklaarbaar, hoe wij, meer in het bijzonder voor de merg-strengen, tevergeefs gezocht hebben naar daarmede volkomen gelijkwaardige formaties bij het andere geslacht.
De complete homologie tusschen ovarium en testis â die bij de voor-
â 172 â
ouders der zoogdieren eenmaal moet hebben bestaan â schijnt bij de thans levende zoogdieren verdwenen, en de verschillende schrijvers, die, als Mihalkovics, die homologie toch trachtten hoog te houden, hebben, naar mijn bescheiden meening, bij hun pogen zonder uitzondering schipbreuk geleden.
Beproeven wij thans ons een denkbeeld te vormen omtrent den bouw, dien degeslachts-klier der zoogdieren oorspronkelijk moet vertoond hebben en de veranderingen, welke daarin in den loop der tijden kunnen zijn opgetreden, met het gevolg, dat de samenstelling der klier bij de eene sexe heden ten dage zooveel afwijkt van die bij het andere geslacht.
Daartoe doen wij het best terug te gaan tot de laagste klasse der amnioten, de rep-tiliën. Van de reptiliën weten wij sedert Bkaun's(21) onderzoekingen, dat daar de geslachts-klieren, gedurende een bepaald tijdperk der ontwikkeling, bij beide sexen, in bouw vrij wel overeenstemmen.
Zoowel ovarium als testis bevat, in jeugdigen toestand, een systeem van strengen â segmentaalstrengen Bbaun â, die in verband staan met het verdikt epithelium, dat beide klieren bedekt. Dit verdikt epithelium levert, zoowel bij het vrouwelijk als bij het mannelijk geslacht, sexuaalcellen (oereieren Bbaun), die èn in ovarium èn in testis in de segmentaalstrengen indringen.
De meeningen over de wijze van ontstaan der sexuaalstrengen zijn verschillend. Bbaun liet ze uit de oernier geboren worden. Dezelfde opvatting wordt voorgestaan door C. K. Hoffmann 1); Mihalkovics (86In) daarentegen leidt ze direct van het coe-loomepithelium af. Wij zullen ons bij deze kwestie niet langer ophouden. Ãén ding is zeker, n. 1. dat Bbaun's segmentaalstrengen, althans hare ventrale gedeelten, naaide functie volkomen op één lijn te stellen zijn met de mergstrengen en de zaadbuisjes bij de zoogdieren. Immers bij de mannelijke reptiliën vormen de segmentaalstrengen de zaadbuisjes; bij het vrouwelijk geslacht blijven zij rudimentair en gaan zij na korten tijd geheel ten gronde.
Bij de nu volgende beschouwingen houden wij vast aan de vroeger opgestelde hypothese, dat het ovarium der zoogdieren in een vroegere periode de geslachtsproducten op analoge wijze loosde als heden ten dage de testis nog doet.
Als deze hypothese op de zoogdieren van toepassing is, dan zal zij ook voor de reptiliën moeten gelden. Nemen wij dus aan, dat bij de voorouders der tegenwoordige reptiliën de vrouwelijke geslachtsproducten op dezelfde wijze werden afgevoerd als de mannelijke, dan kan men in de zooeven geschetste verhoudingen tijdens de embryonale ontwikkeling een aanduiding vinden, hoe bij deze dieren in ecu phylogenetisch jonger ontwikkelingsstadium de geslachtskiier vermoedelijk was samengesteld. De veronderstelling is dan gewettigd, dat er in de phylogenese van deze dieren een periode voorkwam, waarin bij beide sexen de geslachtskiier gedurende het geheele leven een systeem van kanalen bevatte, die de aan de oppervlakte der klier gevormde geslachtsproducten opnamen en naar buiten voerden.
Bij de zoogdieren vinden wij de boven beschreven verhoudingen in de embryonale ontwikkeling niet duidelijk meer terug, maar hoogstwaarschijnlijk is ook hier oorspronkelijk
') Zur Bntwicklungsgescliichte der Urogenitalorgane bei den Reptilien. Zeitschrift für wissenschaftliche Zoologle. XLVIII, 1889.
een dergelijke toestand aanwezig geweest als bij de reptiliën. Mag men de medegedeelde beschouwingen omtrent den vermoedelijken bouw der geslachtsklier van de reptiliën, in een phylogenetisch jonger ontwikkelingsstadium, ook op de zoogdieren van toepassing verklaren, dan kunnen wij ons gemakkelijk voorstellen, welke wijzingen de samenstelling van testis en ovarium bij de laatste in den loop der tijden ongeveer heeft moeten ondergaan.
Zij komen hierop neer. Bij het mannelijk geslacht worden de geslachtsproducten niet meer aan den omtrek der klier gevormd; de functie van het dek-epithelium is hier mettertijd geheel overgenomen door de eigen cellen van de tot zaadbuisjes geworden segmentaalstrengen. Alleen bij het vrouwelijk geslacht heeft het aan de oppervlakte dei-klier gelegen verdikte epithelium zich verder ontwikkeld. Het is hier geworden tot het schorsparenchym van het ovarium. Vermoedelijk is er â zooals wij vroeger reeds aanstipten â een periode geweest, waarin dit schorsparenchym zich het geheele leven lang voordeed als een systeem van eieren bevattende buizen, welke eentraalwaarts met haar uitvoergangen, de segmentaalstrengen, in verband stonden.
Toen is de tijd gekomen, waarop bij het vrouwelijk geslacht de oorspronkelijke wijze van loozing der geslachtsproducten werd verlaten en plaats maakte voor een andere, waarbij de eieren in de buikholte terecht kwamen om vandaar door de Müllersche gang naar buiten te worden gevoerd. De segmerttaalstrengen werden daarbij tot rudimentaire organen, de mergstrengen van het tegenwoordige ovarium, terwijl het schorsparenchym zich in verschillende follikels oploste.
De mergstrengen zouden dus, van dit standpunt beschouwd, de rudimenten zij n van kanalen, welke homoloog waren met de voor 1 oopers der z a a d b u i s j e s.
Men gelieve in hetgeen de voorafgaande bladzijden behelzen niet meer te zien dan een voorstelling, die ons de beteekenis der mergstrengen kan verklaren; of zij juist is, zal de toekomst moeten beslissen. Hierboven hebben wij slechts eenige vergelijkingen gemaakt tusschen reptiliën en zoogdieren; maar het spreekt van zelf, dat alleen uitgebreide vergelijkend-anatomische onderzoekingen, die ook andere dierklassen omvatten, dit moeilijke vraagstuk afdoende kunnen oplossen. Ik zelf heb alleen zoogdieren onderzocht en acht mij dus allerminst bevoegd hierover'een beslissend oordeel uit te spreken.
Yan groot belang komt het mij voor of de hypothese, waarvan wij bij onze redeneering uitgingen â dat er in de phylogenese der zoogdieren een stadium is geweest, waarbij de vrouwelijke geslachtsproducten op dezelfde wijze werden afgevoerd als thans nog met de mannelijke geschiedt â door vergelijkend-anatomische onderzoekingen bevestigd zal worden. Overwegende bezwaren schijnen er niet tegen te bestaan. Ik verwijs hier naar een verhandeling van Semon1), waarvan ik kennis kreeg, toen de boven gegeven beschouwingen reeds in hoofdzaak te boek waren gesteld. Semon spreekt, aan het slot eener vergelijkend-anato-mische studie over de samenstelling van het uro-genitaalsysteem, als zijn meening uit, dat ook het ovarium der gewervelde dieren vroeger langs kanalen van het Wolffsche lichaam zijn producten afvoerde.
') Dr. R. Semon, Studiën über den Bauplan des ürogenital-systems der Wirbelthiere. Jenaisehe Zeit-schrift für Naturwissenschaft. 26ei' Band 1892. S. 194 u. 195.
- 174 -
Iets wat dan evenwel moeilijkheden baart â ook Semon wijst er op â is de aanwezigheid van de Müllersche gang bij het mannelijk geslacht behoorlijk te duiden. Köllikeb (68, 3. 425) ziet in de Müllersche gang een kanaal, feitelijk als uitvoergang voor beide geslachtsklieren bestemd, maar opvallenderwijze alleen bij het vrouwelijk geslacht die functie vervullend.
Het is mij niet bekend, waarop Kölliker's uitspraak berust. Behalve bij alytes â welk dier in dit opzicht een geheel eenige positie bekleedt â nemen bij geen enkel gewerveld dier de producten der mannelijke geslachtsklier dezen weg en niets wijst er op, dat dit kanaal ooit voor dat doel is gebruikt. Men versta mij wel: ik wil volstrekt niet beweren, dat er in de phylogenese der gewervelde dieren nooit een periode is geweest, waarbij ook de mannelijke geslachtsproducten in de buikholte werden geloosd om van daar naar buiten te worden vervoerd; maar om te kunnen zeggen, dat daartoe de Müllersche gang diende, moet men eerst bewijzen, dat in die periode de Müllersche gang reeds bestond.
De meer voor de hand liggende, door tal van schrijvers voorgestane en ook door mij gedeelde opvatting omtrent de beteekenis der Müllersche gang is deze, dat wij in dit kanaal uitsluitend een uitvoergang voor de vrouwelijke geslachtspro-ducton hebben te zion. Haar aanwezigheid bij de mannelijke zoogdieren wordt dan gewoonlijk als het uitvloeisel van een vroeger bestaan hebbend hermaphroditisme geduid, en op één lijn gesteld met het voorkomen van het rete ovarii en de mergstrengen bij het vrouwelijk geslacht. Dat de voorouders der tegenwoordige zoogdieren vermoedelijk een hermaphroditisch stadium hebben doorloopen, willen wij niet bestrijden. Maar nu wij in de aanwezigheid van het rete ovarii en van de mergstrengen in den eierstok geen bewijzen voor een nog bestaanden rudimentairen hermaphroditischen toestand meenen te moeten zien, zullen wij ook naar een andere verklaring dienen te zoeken voor het voorkomen der Müllersche gang bij het mannelijk geslacht.
En dan blijft er niet veel anders over dan met Semon aan te nemen dat, toen de Müllersche gang bij het vrouwelijk geslacht ontstond, dit verschijnsel zich van den aanvang of door overerving ook op het mannelijk geslacht heeft overgeplant. Semon wijst ook op het voorkomen van rudimentaire borstklieren bij de mannelijke zoogdieren, hetgeen men langs denzelfden weg zal moeten duiden. Immers hier laat ons ook het hermaphroditisme in den steek; want dat de voorouders der zoogdieren, toen de borstklieren ontstonden, nog hermaphrodieten waren, kan men toch bezwaarlijk aannemen.
HOOFDSTUK VIII.
Do voornaamste Resultaten van liet Onderzocli.
p
A. Do Ontwikkelingsgeschiedenis der Geslachtsklier bij hot Konijn.
De jongste aanleg van de geslachtsklier bestaat uit eenig mesenchym, bedekt door een strook coeloomepithelium, beide onvolkomen van elkander gescheiden. Het coelooinepithelium in het algemeen bezit â ten tijde, dat de aanleg der geslachtsklier zichtbaar wordt â o. a. de volgende eigenschappen: 1°. doet het zich op verschillende punten als een, soms uit verschillende lagen bestaand, cylinderepithelium voor; 2°. vormt het hier en daar nog mesenchym, uit welk mesenchym dan weer bindweefsel en gladde spiervezels geboren worden.
De cellenbekleeding van het coeloom mag derhalve, in deze jeugdige ontwikkelingsstadiën , niet in haar geheel als een waar epithelium worden aangemerkt. De echt-epitheliale natuur van de strook coeloomepithelium, die den jongsten aanleg der geslachtsklier bedekt, kan men dus nimmer bewijzen door zich te beroepen op de omstandigheid, dat dit epithelium deel uitmaakt van de cellenbekleeding dei' algemeene lichaamsholte.
Alleen hetgeen er met de epithelium cellen en hare nakomelingen gebeurt, kan ons omtrent dit punt licht verschaffen. Dit gedrag was bij het konijn van dien aard, dat er bij ons rechtmatige twijfel overbleef ten aanzien van de echt- epitheliale natuur van do strook coeloomepithelium, die den jongsten aanleg der geslachtsklier bekleedt. Voldoende zekerheid dienaangaande hebben wij evenwel niet verkregen.
Uit de woekeringsproducten van de genoemde cellenlaag hebben wij zien geboren worden: bij het mannelijk geslacht de zaadhuisjes, de tubuli recti en het rete testis; bij het vrouwelijk geslacht de schorsstrengen, de mergstrengen en het rete ovarii. Het geheele klier pare nchym der geslachtsklier ontstaat dus bij beide sexen uit het coeloomepithelium. Of de wookeriningsprodneten van het coeloomepithelium ook tot de vorming van het bindweefselstroma van testis en ovarium bijdragen, moeten wij in het midden laten.
Ik laat hier eenige nadere bijzonderheden over de vormingswijze dei- bovengenoemde bestanddeelen volgen.
Even voordat de differentiatie van het geslacht voor ons zichtbaar wordt, bestaat
- 176 â
de aanleg der geslachtsklier hoofdzakelijk uit één kernenrijke cellenmassa, welke aan de medio-ventrale zijde der oernier over de grootste lengte kamvormig in de lichaamsholte uitsteekt. Deze cellenmassa, aanvankelijk zeer onvolkomen van de omgeving gescheiden, is op het tijdstip, waarvan wij thans spreken, nog niet overal scherp tegenover het omringend weefsel afgebakend. Aan de basale zijde wordt zij begrensd door vaathoudend embryonaal bindweefsel, waardoor zij van de naburige BowMAN'sche kapsels der oernier wordt gescheiden; behoudens aan het proximale, geheel binnen het niveau der oernier-oppervlakte gelegen uiteinde van den geslachtsklier-aanleg, waar het kernenrijke weefsel, zonder tusschen-plaatsing van bindweefsel, onmiddellijk tegen de naastbij gelegen kapsels aansluit.
De genoemde cellenmassa is gebouwd als een kernenrijk mesenchym; zij bestaat uit de woekeringsproducten van het coeloomepithelium, dat den jongsten aanleg der geslachtsklier bedekt. Behalve capillaire bloedvaten (en zenuwen?) bevat zij geen andere bestanddeelen. Of het basale bindweefsel wellicht ook voor een deel uit die woekeringsproducten is voortgekomen, durf ik niet beslissen. De naast aan de oppervlakte gelegen elementen van het kernenrijke mesenchym kunnen al of niet tot een afzonderlijke laag â een epithelium â vereenigd zijn; de toestand is in dit opzicht niet over den geheelen omtrek dezelfde.
Voordat nog het verschil in geslacht zich openbaart, differentieert zich het bedoelde mesenchym in een oppervlakkig gelegen cellenzöne, met groote lichtgekleurde kernen, en in een zich basaalwaarts daaraan aansluitend gebied, waarvan de kernen kleiner zijn en donkerder gekleurd dan in de periphere zune. De overgang tusschen beide is geleidelijk. Genoemde differentiatie is het duidelijkst waar te nemen aan hot proximale einde van den aanleg der geslachtsklier; geheel proximaal bevat het weefsel â dat hier, zooals gezegd, in onmiddellijk contact staat met het kapselepithelium â uitsluitend de kleinere en donkerder gekleurde .kernsoort. In de distale helft van de zich aanleggende geslachtsklier neemt men slechts de eerste sporen waar van een dergelijk differentiatieproces; de scheiding der cellenmassa in de twee genoemde zones komt hier ook later niet behoorlijk tot stand.
Uit de periphere cellenzöne ontwikkelen zich: bij het mannelijk geslacht zaadhuisjes en testis-epithelium; bij het vrouwelijk geslacht mergstrengen, schorsstrengen en ovarium-epithelium. Uit het proximo-basaal gelegen gebied met de kleinere donkere celkernen â door ons het rete-blasteem genoemd â komen voort: rete testis inclusief tuhuli recti en rete ovarii.
De vorming van al deze bestanddeelen meenen wij uitsluitend te mogen beschouwen als het resultaat der eigen werkzaamheid van de cellen, waaruit zij zich opbouwen.
De zaadhuisjes ontstaan in aanleg als smalle cellenstrengetjes. Deze strengetjes hebben hun oorsprong te danken aan een bijzondere wijze van rangschikking der elementen van de periphere cellenzöne, die groepjes vormen, welke door fijne lijntjes worden begrensd. Daarbij worden niet alle cellen tot den opbouw der zaadbuisjes verbruikt; sommige blijven tusschen de strengetjes liggen en nemen wellicht aandeel aan de vorming van het inter-tubulaire bindweefselstroma. Intusschen groeien ook van uit de naaste omgeving (van de basis en zijkanten der klier) bindweefsel en vaten in het gebied der zaadbuisjes, waardoor de pas gevormde strengetjes meer en meer van elkander worden gescheiden.
Bij de wording van het rete testis ten koste van het rete-blasteem zijn dezelfde factoren quot;werkzaam. Beide processen komen evenwel niet in alle opzichten met elkander overeen.
- 177 -
Het voornaamste verschilpunt bestaat hierin, dat de aanleg der retekanaaltjes â resp. van de strengetjes, waaruit deze voortkomen â zich over een aanmerkelijk langere tijdsruimte uitstrekt dan de vorming der embryonale zaadbuisjes.
De tubuli recti testis moet men als de uiterste vertakkingen van het rete opvatten.
Bij het vrouwelijk geslacht ontstaat het rete ovarii op dezelfde wijze uit het rete-blasteem als het rete testis bij de mannelijke sexe. De peripheer gelegen cellenzöne uit het indifferente stadium, die wij hier als eierstoksblasteem betitelen, wordt bij voortgaande ontwikkeling door bindweefsel, aanvankelijk hoogst onvolkomen, in twee gedeelten gescheiden: een merggebied en een smalle schorslaag. Dit bindweefsel is misschien ten deele ter plaatse, dus uit blasteemcellen ontstaan; zeker mag men aannemen, dat ook uit-loopers van het aangrenzend bindweefselstroma, begeleid door bloedvaten, tusschen merg en schors indringen.
Uit het mergblasteem vormen zich de mergstrengen en wellicht ook nog bindweefsel, dat de mergstrengen scheidt. In hoofdzaak zijn ook hierbij weer dezelfde momenten in het spel als bij den aanleg der zaadbuisjes. In de détails loopt de vormingswijze der mergstrengen niet geheel en al parallel met die der zaadbuisjes; daarentegen komt zij vrij wel overeen met die der rete-kanaaltjes.
Het rete ovarii en vooral de mergstrengen blijven in hun verdere ontwikkeling belangrijk ten achter bij het rete testis en de zaadbuisjes.
Het rete ovarii strekt zich ook veel minder ver distaalwaarts uit dan het buizennet bij het mannelijk geslacht.
Bij een 8 dagen oud vrouwelijk konijn bevat het rete-blasteem nog niet tot kanaaltjes geworden strengetjes; deze strengetjes zijn, waar het zich ontwikkelend rete ovarii in contact staat met het gebied der mergstrengen, van de laatste niet behoorlijk te onderscheiden.
De tegenstelling tusschen rete-kanaaltjes en mergstrengen is aanzienlijk minder groot dan die tusschen de kanaaltjes van het rete testis en de zaadbuisjes. Bij een konijn van 8 dagen bestond het verschil hoofdzakelijk in deze twee punten: de mergstrengen waren solide, de rete-kanaaltjes hadden een lumen; terwijl verder de eerste hier en daar oereieren bevatten, welke in de laatste ontbraken.
Kanaaltjes, welke met de tubuli recti in den testis op één lijn te stellen zijn, werden door mij in het konijn en ovarium niet gevonden. Ook bij de kat heb ik ze niet aangetroffen.
De schorslaag van den eierstok heeft bij haar ontstaan den vorm van een epithelium, dat, van zijn eerste optreden af, schorsstrengen begint af te splitsen.
De vorming der schorsstrengen is een functie van het eierstoksepithe-lium; het vermogen der epitheliumcellen, zich zelfstandig te kunnen bewegen, speelt bij dit proces zeker een voorname rol.
De schorsstrengen ontstaan niet steeds op dezelfde wijze: soms zijn zij op te vatten als afgesplitste brokstukken van een diffuse, geleidelijk in de omgeving overgaande epithe-
23
- 178 -
liumverdikking; dan weer zijn zij meer langs directen weg, als strengvormige uitwassen, uit het epithelium gegroeid. In de meeste gevallen schijnen beide vormingswijzen samen te werken. Deze uitspraak geldt tot het konijn den leeftijd van 8 dagen heeft bereikt; daarna heb ik den toestand niet verder onderzocht.
Het tusschen de woekeringsproducten van het epithelium ingroeiend, vaatvoerend bindweefsel heeft mijns inziens met de vorming der schorsstrengen zelf niets te maken; daarbij zijn alleen de epitheliumcellen werkzaam. Het bindweefsel bewerkt slechts de scheiding van de juist aangelegde schorsstrengen.
Of daarnevens zich wellicht ook epitheliumcellen tot echte bindweefselcellen differen-tiëeren, blijft voor ons een open vraag.
Het verschil tusschen de cellen van schors- en mergstrengen bepaalt zich aanvankelijk tot de donkerder kleur van kernen en protoplasma in het schorsgebied. In oudere ontwikkelingsstadiën vormt het verschil in rijkdom aan oereieren â die in de mergstrengen zeer schaarsch zijn â het meest karakteristieke onderscheid tusschen beide strengsoorten.
Van de zijde der oernier groeien geen kanalen van eenige beteeken is in den aanleg der geslachtsklier. quot;Wel komen er kleine uitbottingen en uitstulpingen van het epithelium der, aan de basis van den geslachtsklier-aanleg grenzende, BowMAN'sche kapsels bij beide sexen ontwijfelbaar voor. Maar met de vorming van het rete staan zij in geen verband; evenmin dragen zij iets bij tot den opbouw van mergstrengen of zaad-buisjes. Misschien stellen zij rudimenten van organen voor, die in een phylogenetisch jonger ontwikkelingsstadium der zoogdieren, tot het systeem van afvoerbuizen der geslachtsklier hebben behoord.
B. Het Ovarium van do Kat.
Bij de kat zijn wij nader ingegaan op de reeds boven aangeroerde kwestie: levert het eierstoksepithelium uitsluitend klierweefsel (parenchym) of daarnevens ook echte bindweefselelementen ?
Te meer bestond daartoe aanleiding, toen wij met enkele eigenschappen van de cellen-bekleeding der buikholte in de naaste omgeving van den eierstok kennis maakten. De cellenbekleeding van het mesovarium bij katten, kort vóór en na de geboorte, vertoont ons namelijk de volgende bijzonderheden: 1°. kan deze, in het algemeen zeer platte cellenlaag, zich bij gedeelten in een kubisch of cylinder-epithelium vervormen, niet te onderscheiden van het eierstoksepithelium, zooals dit zich meestal aan ons voordoet; 2°. levert datzelfde mosovarium-epithelium bindweefselbestanddeelen en 3°. ook oereieren.
Het mesovarium-epithelium herinnert dus in zijn gedragingen nog sterk aan het embryonale coeloomepithelium, zooals wij dit bij het konijn leerden kennen en dat â het zij hier opgemerkt â ook buiten het gebied van den aanleg der geslachtsklier, het vermogen bezit oereieren voort te brengen. Zeker kan men de cellenbekleeding van het mesovarium, in haar geheel genomen, op bovengenoemden leeftijd bezwaarlijk als een z. g. waar epithelium beschouwen.
Ten opzichte van het ovarium-epithelium zijn wij omtrent dit punt niet tot een definitieve beslissing kunnen geraken. Wel komt het ons waarschijnlijk voor, dat ook het eierstoksepithelium, gedurende de ontwikkeling van het ovarium,
â 179 â
echte bindweefselelementen voortbrengt. Met meer zekerheid kunnen wij dit laatste verklaren voor het grensgebied tusschen ovarium en mesovarium, waar de bindweefselvorming uit het daar gelegen epithelium ons niet twijfelachtig toeschijnt.
Voorloopig zijn wij dus niet geneigd de cellenbekleeding van het ovarium, in haar geheel genomen, als een waar epithelium op te vatten, althans niet gedurende de ontwikkelingsperiode van den eierstok. En het blijft mijns inziens zeer de vraag, of er ooit een tijdstip aanbreekt, waarop men dat wel mag doen.
De oereieren en eieren in het ovarium der kat zijn in een bepaalde richting gedifferen-tiëerde cellen van het coeloom- resp. eierstoksepithelium, onder volkomen dezelfde voorwaarden ontstaan als de epitheliumcellen, welke zich niet in deze lichting ontwikkelen. Er bestaat geen aanleiding om te meenen, dat reeds in een zeer vroeg ontwikkelingsstadium enkele weinige cellen van het, den geslachtsklier-aanleg bedekkend, coeloomepithelium zouden zijn aangewezen, waaruit uitsluitend allo later optredende geslachtsproducten hun oorsprong zouden nemen.
In het rete ovarii behoort het voorkomen van oereieren zeer zeker tot de hoogst zeldzame uitzonderingen.
In de mergstrengen zijn oereieren en eieren bij de kat niet zoo schaarsch als bij het konijn. Voor het grootste gedeelte zijn zij stellig ter plaatse, uit de eigen cellen der mergstrengen, ontstaan.
De meeste oereieren en eieren ontwikkelen zich uit de cellen der schorsstrengen. In het eierstoksepithelium kan men nog verscheidene weken na de geboorte de differentiatie van epitheliumcellen tot oereieren vervolgen.
In de naaste omgeving van het ovarium blijft het vermogen der epitheliumcellen om oereieren voort te brengen, op enkele punten aan de oppervlakte der buikholte, lang voortbestaan. Wij noemen hier bepaalde gedeelten van het mesovarium-epithelium benevens de slijmvliesstrook, die den vrijen rand van de mesosalpinx omzoomt: de door d'Antin zoo genoemde fimbria peritonealis. Daar vond ik althans bij een kat kort na de geboorte elementen, die ik van oereieren niet kon onderscheiden. Bij het konijn konden wij nagaan, dat het epithelium der fimbria peritonealis, in zijn geheel of voor het grootste gedeelte, rechtstreeks afstamde van de verhoogde epitheliumstrook, die de oernier bekleedt, ter plaatse waar zich de Müllersche gang bevindt. Door Nagel werden bij den mensch in dit verhoogde epithelium ook oereieren aangetroffen.
De granulosacéllen der follikels hebben dezelfde herkomst als de eieren; zij zijn in een bepaalde richting gedifferentiëerde elementen van het coeloom- resp, van het eierstoksepithelium, Behoudens enkele, die zich wellicht uit, of' althans met behulp van, de mergstrengen ontwikkelen, nemen alle follikels uit de schorsstrengen, in het algemeen uit het schor spa renchym, hun oorspron g.
Bij een volwassen zwangere kat scheen ons de vorming der membrana granulosa bij verschillende follikels nog niet voltooid; het kwam ons voor, dat deze in wording zijnde follikels hun nog onvolledigen mantel van granulosacellen completeerden ten koste van cellen uit hun naaste omgeving.
Laatstgenoemde cellen zijn, als de schorsstrengen, direct van liet eierstoksepithelium
- 180 -
afkomstig. Zij kunnen zich zóó voordoen, dat zij, naar haar uiterlijk, bezwaarlijk van bindweefsel zijn te onderscheiden.
Ten aanzien van het histologisch karakter dezer elementen bestaan er twee mogelijkheden: óf het zijn gewone parenchymcellen, identisch met die, welke de schorsstrengen samenstellen; óf de cellen hebben een meer indifferente natuur, en kunnen zich zoowel tot bindweefsel- als tot parenchymcellen differentiëeren.
Ze als behoorlijk gediiferentiöerde bindweefselcellen te beschouwen acht ik niet geoorloofd.
Het echte eierstoksbindweefsel blijft vreemd aan de vorming van het f o 11 i k e 1 e p i t h e 1 i u m.
Het ovarium van een volwassen kat toont ons met talrijke voorbeelden, hoe het follikelepithelium een gedaante kan aannemen, waarbij het treffend gelijkt op het gewone bindweefselstroma van den eierstok. Vooral geldt dit van de follikels, die bezig zijn zich langs den physiologischen Aveg te involveeien.
De intersiitiëele cellen in den eierstok zijn echte bindweefselcellen, identisch met de thecacellen. Zij zijn in alle opzichten te vergelijken met de interstitiëele cellen van den testis.
C. Do Morgstrengen.
De mergstrengen zijn rudimentaire organen. Het lot, dat zij in het ovarium van de kat ondergaan, is drieërlei:
1°. Verscheidene mergstrengen verdwijnen reeds in een vroeg stadium der ontwikkeling onder teekenen van atropine en degeneratie.
2°. Voor een klein deel ondergaan de mergstrengen veranderingen, die in verband moeten worden gebracht met de follikelvorming. Er zijn althans strengen, die tot op een bepaalde hoogte dezelfde beelden vertoonen als schorsstrengen, die bezig zijn zich in follikels op te lossen. Zij bevatten oereieren, in een vrij ver gevorderd stadium der ontwikkeling, die op dezelfde wijze door mergstrengcellen worden omringd als de in de schors zich vormende oereieren door de cellen der schorsstrengen.
Vermoedelijk zet zich in enkele mergstrengen dit proces zóó ver voort, dat langs dezen weg inderdaad eenige follikels ontstaan. Of de mergstrengen ook op andere wijze aan de follikelvorming deelnemen, in zooverre dat wellicht mergstrengcellen de membrana granulosa vormen, of helpen vormen, voor uit de schors afkomstige eieren, kan ik niet beslissen.
Zeker is in allen gevalle dit, dat de rol die de mergstrengen bij de follikelvorming is toebedeeld, vergeleken bij de functie van het schorspa-renchym, slechts van ondergeschikten aard kan zijn. Wij kunnen er bijvoegen, dat van de follikels, die zich uit, of met behulp van, de mergstrengen mogen hebben gevormd, hoogstwaarschijnlijk geen enkele het tot rijpheid brengt.
8°. In de oudere ontwikkelingsstadiën nemen in vele mergstrengen de cellen een voorkomen aan, waardoor zij zóó sterk kunnen gelijken op de interstitiëele cellen, die haar omringen, dat een juiste onderscheiding tusschen deze twee op vele punten uitermate moeilijk is. Toch heeft men niet het recht, de mergstrengcellen in dien vorm geheel met de interstitiëele cellen te identiflceeren, zooals sommige schrijvers gedaan hebben.
Wat er ten slotte ook met de mergstrengen gebeurt, er bestaat alleszins aanleiding te veronderstellen, dat er op den volwassen leeftijd van al het
- 181 â
door de m ergst rengen geleverde cellen materiaal niets of nagenoeg niets meer in den eierstok aanwezig is.
De beteekenis der mergstrengen is ons onbekend. De theorie, die ze als rudimentaire zaadbuisjes, het mannelijk element in den hermaphroditischen eierstok, beschouwt, kan ons niet bevredigen. Stellig onjuist is de opvatting, die de mergstrengen met de tubuli recti testis gelijk stelt.
Het komt ons hoogst onwaarschijnlijk voor, dat de mergstrengen aan de functie der vrouwelijke geslachtsklier oorspronkelijk vreemde bestanddeelen zouden zijn. Aangaande haar vermoedelijke beteekenis, uit een algemeen morphologisch oogpunt, hebben wij in het voorafgaande Hoofdstuk de volgende veronderstellingen geüit. Wij zijn uitgegaan van de niet Van redelijken grond ontbloote hypothese, dat er in de phylogeuese der gewervelde dieren oen tijdperk is geweest, waarin de vrouwelijke geslachtsklier haar producten loosde langs denzelfden weg als wij thans nog zien geschieden bij den testis, n.1. langs de Wolffsche gang; een hypothese, waartegen â naar de uitspraak van Semon â uit een vergelijkend-anatomisch oogpunt, geen ernstige bezwaren schijnen te bestaan. Aanvaardt men dit standpunt, dan worden de mergstrengen zeker het best verklaard door aan te nemen, dat zij deel hebben uitgemaakt van een systeem van afvoerbuizen, die in een phylogenetisch jongere periode de in de schors gevormde eieren langs de Wolffsche gang naar buiten voerden.
De mergstrengen der gewervelde dieren kunnen met geen enkel bestanddeel in den tegenwoordigen testis in alle opzichten worden gelijkgesteld. Wij zijn geneigd ze te beschouwen als de rudimenten van kanalen, welke homoloog waren, niet met de zaadbuisjes, maar met de voorloopers van deze in een phylogenetisch jonger ontwikkelingstijdperk. De door ons als waarschijnlijk veronderstelde deelneming van de mergstrengen aan de follikelvorming zou dus als een secundair proces moeten worden opgevat, dat met de oorspronkelijke functie der mergstrengen niets gemeen had.
De waarde van bovengenoemde veronderstellingen zal slechts na een uitgebreid vergelijkend-anatomisch onderzoek voldoende kunnen worden beoordeeld.
GEBRUIKTE LITERATUU R.
1. d'Antin, Etude sur répithélium ovarien. These, Paris 1882.
2. Baer, K. E. von, De ovi mammalium et hominis genesi epistola. Lipsiae 1827,
3. â â Ueber Entwickelungsgesohichte der Thlere etc. Her Theil, Königsberg 1837.
4. Bai.biani, Legons sur la generation des Vertébres. Paris 1879.
5. Balfoub, On the structure and development of the vertebrate ovary. Quarterly Journal of microsc.
Science, Vol. 18, 1878.
6. Barry, Researches on Embryology. Philosoph. Transactions, 1838.
7. Beigel, Zur Naturgeschichte des Corpus luteum. Archly f. Gyn. Bd. 18.
8. Benokiser, Zur Entwickelungsgeschichte des Corpus luteum. Archiv f. Gyn. Bd. 23, 1884.
9. Beneden , E. van , Recherches sur la Composition et la Signiflcation do l'oeuf. â Mémoires couronnées
etc., publiées par 1'Académie royale de Belgique. Tome 34, Bruxolles 1870.
10. â â Contribution a la connaissance de l'ovaire des mammifères. Archives de Biologie
T. 1, 1880.
11. Berïé e Cuzzi, Contribute alia anatomia del' ovario della donna gravida. Revista clinica di Bologna,
n0. 7, 1884, p. 577. (Referaat in Jahresbericht ü. d. Fortschritte der Anat. u. Phys. 1884).
12. Beulin, Das Corpus luteum etc. D. I. Königsberg 1877.
13. Billroth, Müller's Archiv, 1856.
14. Bischofp, Entwickelungsgeschichte des Kanincheneies. Braunschweig 1842.
15. â Entwickelungsgesohichte des Hunde-eies. Braunschweig 1845.
16. â S. ber. der Kon. bayr. Akad. d. Wiss. zu München. Bd. 1, 1863, S. 242.
17. Born, Archiv für A.nat. u. Phys., 1874.
18. Bornhaupt, TJntersuchungen über die Entw. des Urogenitalsystems beim Hühnchen. D. I. (Dorpat)
Riga 1867.
19. Borsenkow, Würzburg. Naturwiss. Zeitschrift, Bd. IV, 1863.
20. â Bulletin de la Société imp. des Naturalistes de Mescou, 1871.
21. Braun , Das Urogenitalsystem der einheim. Reptilien. Arbeiten a. d. zool. zoot. Institut in Würzburg
Bd. 4, 1877.
22. Beunn, von, Ueber eine dem interstit. Cellenmassa des Hodens iihnl. Substanz in der Milchdrüse u.
Unterkieferdrüse. Göttinger Nachrichten n0. 19, 1874.
23. Bühler, Beitrage zur Kentniss der Eibildung beim Kaninchen und der Markstrange des Eierstockes
beim Fuchs und Menschen. Zeitschrift für wissensch. Zoologie, Bd. 28, 1894.
24. Cadiat, De la formation chez l'embryon et chez l'adulte des vésicules de de Graaf. Journal de
l'Anat. et de la Phys. 17 année, 1881.
25. Call und Exnee, Zur Kentniss der Graafschen Poll. und des Corp. lut. beim Kaninchen. Wiener
S. ber. Bd. 70, Abth. 3, 1874.
26. Chiakügi, Richerche sulla struttura del' ovario della lepre. Institute anatomico di Siena, 1885.
(Referaat in Jahresbericht ü, d. Fortschritte der Anat. u. Phys. 1885).
27. Coste et Delpeoh, Froriep's Notizen, Nov. 1833.
â 184 â
28. Cosïe, Embryogénie comparée, 1887.
29. Ceeighton, The Formation of the Placenta in the Guinea-Pig. Journal of Anat. and Phys. Vol. 12,
1878, p. 534.
30. â A Theory of the Homology of the Suprarenals, based on Observations. Journal of Anat.
and Phys. Vol. 13, 1878, p. 51.
31. Crqikshank, Reil's Archiv III, 1790.
32. Egli, Beitrage zur Anatomie und Entw. der Geschlechts-organe, D. I. (Basel) Zurich 1876.
33. Flemming , Zellsubstanz, Kern und Zelltheilung. Leipzicj 1882.
34. â Regeneration verschied. Epithel. durch mitot. Zelltheilung. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 24,1884.
35. â Ueber die Bildung von Richtungsflguren etc. Archiv f. Anat. u. Phys. 1885.
36. Pol , Sur l'origine des cellules du follicule et de I'ovule chez les Ascidies et chez d'autres animaux.
Comptes-rendus de 1'Acad. des Sciences a Paris, JanvierâJuin, 1883, p. 1591.
37. Poulis, J., On development of ova and structure of the Ovary. Transactions of the Royal Soc. of Edin
burgh V. 27, 1875.
38. â The development of the ova, etc. Journal of Anat. and Phys. Vol. 13, 1879.
39. Gastel, Contribution a 1'étude des follicules de de Gkaaf et des corps jaunes. Thèse, Paris 1891.
40. Geoenbaür, Ueber den Bau und die Entw. der Wirbelthier-Eier mit part. Dottertheilung. Müller's
Archiv, 1861.
41. â Lehrbuch der Anatomie des Menschen. 3e Aufl. 1888.
42. Gbaaf, de, De mulierum organis generationi inservientibus tractatus novus etc. Lugd. Bat. 1672.
43. Gbohe, Ueber den Bau und Wachtsthum des menschl. Eierstocks etc. Virchow's Archiv, Bd. 26, 1863.
44. Haigthon, Ueber die Befruchtung der Thiere etc. Roll's Archiv III, 1799.
45. Hallee, Elementa Physiologiae. Bernae,
46. Habz, Beitrage zur Histologie des Ovar. der Saugeth. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 22, 1883.
47. Hausmann, Ueber die Zeugung und Entstehung des wahren weiblichen Bies bei den Saugethieren und
Menschen. Hannover 1840.
48. Henle, Handbuch der syst. Anatomie, Bd. H, 1866.
40. Hektwig, O., Lehrbuch der Entwickelungsgeschichte des Menschen und der Wirbelthiere. 5e Aufl. Jcna 1896.
50. His, Beobachtungen ü. d. Bau des Saugethier-Eierstocks. Archiv f. mikr. Anat. Bd. I, 1865.
51. â Untersuchungen ü. d. erste Anlage des Wirbelthierleibes. I. Die Entwickelung des Hühnchens
im Ei. Leipzig 1868.
52. Hoffmann, C. K., Ueber die Entstehung der endoth, Anlage des Herzens, etc. Anat. Anz. Jrg. 7,
1892, S. 270.
53. â â Etude sur le développement de 1'apparell uro-génital des oiseaux. Verhand, der
Koninkl. Akad. v. Wetensch. te Amsterdam, 1892 , 2e Sect. 1 D. n0. 4.
54. â â Zur Entwickelungsgesch. des Herzens, etc. Ein Beitrag zur Kenntniss des unteren
Keimblattes. Morphologisches Jahrbuch, Bd. 19, 1893.
55. Holl, Ueber die Reifung der Eizelle dos Huhn's. Wiener S. ber. Bd. 99, Abth. 3, 1890.
56. â Ueber die Reifung der Eizelle bei den Saugethieren. Wiener S. ber. Bd. 102, Abth. 3, S. 249.
57. Hölzl, Ueber die Metamorphosen des Graafschen Pellikels. Virchow's Archiv Bd. 134, 1893.
58. Hohne, J. van, Suarum circa partes generationis in utroque sexu observationum prodromus.
LngÃ. Bat. 1668.
59. Janosik, Histologisch-embryologische Untersuchungen über das Urogenitalsystem. Wiener S. ber. Bd. 91,
Abth. 3, 1885.
60. â Zur Histologie des Ovarium. Wiener S. ber. Bd. 96, Abth. 3, 1887.
61. â Bemerkungen ü. d. Entw. des Genitalsystems. AViener S. ber. Bd. 99, Abth. 3, 1890.
62. Kapff, Untersuch. ü. d. Ovar. u. dessen Beziehung z. Peritoneum. Archiv f. Anat. u. Phys. 1872.
63. Klebs, Die Eierstockseier der Saugethiere und Vogel. Virchow's Archiv, Bd. 21.
64. â Virchow's Archiv, Bd. 28, 1863.
65. Kobelt, Der Neben-Eierstock des Weibes, etc. Heidelberg 1847.
66. Köllikeb, Verhandl. der phys, mod. Gesellschaft, Würzburg, VHI, 1874, S. 92.
67. â Entwicklungsgesch, des Menschen und der höheren Thiere. 2e Aufl. 1879.
68. â Grundriss der Entwicklungsgesch. des Menschen u. d. höheren Thiere. 2e Aufl. 1884.
- 185 -
69. Koster, Onderzoek omtront de vorming van eieren in het ovarium der zoogdieren, enz. Verslagen
en meded. der Koninkl. Akad. van Wetensch. 2e Reeks, D. 3, 1868.
70. â Verdere onderzoekingen omtrent de vorming van foilicuii Qraaflani enz. Verslagen als boven,
2e Reeks, D. 7, 1873.
71. Lachi, De la membrane granuleuse ovarienne et de ses éléments. Archives ital. de Biel. ï. 6, 1884.
72. Lange, Die Bildung der Eier und Graafschen Pollikel bei der Maus. Sonderdrnok a. d. Verhandl. der
phys. med. Gesellsohaft zu Würzburg, N. P. XXX Bd., 1896.
73. Langhans, Ueber die Dnsenschlüuche des mensohl. Ovars. Virchow's Archiv, Bd. 38, 1867.
74. Laulanié, Sur Forigine commune et le róle variable de l'épithélium germinatif et des cordons sexuels
dans 1'ovaire. C. R. de la Société de Biologie, 8e Série, ï. 5, 1888.
75. Lebedinsky, Zur Lehre von der Atresia des Graafschen Pollikels. Centralblatt für Gynilkologie, 1879.
76. Legoe, Bull, reale Accad. di Roma, Anno XIV, Fase. 8, 1888. (Referaat in Jaliresbericht ii. d. Fort-
schritte der Anat. u. Phys. 1888).
77. Leopold, Unters. ü. das Epithel des Ovars und dessen Beziehung zum Ovulum. D. I. Leipzig 1870.
78. Letzerich, Pflüger's Unters. aus dem physiol. Lab. zu Bonn, 1865. (Aangehaald door Waldeyer, 136).
79. Leydig, Lehrbuch der Histologie des Menschen und der Thiere. Frankfurt 1857.
80. Ludwig (Hubert), Ueber die Eibildung im Thierreiche. Arbeiten a. d. zool. zoet. Institut in Würz
burg, Bd. I, 1874.
81. Luquet, Contribution a 1'étude des corps jaunes. These, Paris 1888.
82. Mao Leod, Contribution a 1'étude de la struct, de 1'ovaire des mammifères. Archives de Biologie, T. 1,1880.
quot; r h h » gt;f n quot; n li n n n T. 2, 1881.
84. Malpighi, Opera omnia. Zugd. Bat. 1687.
85. Meyer, Ueber die Bntw. der mensohl. Eierstöcke. Archiv f. Gyn. Bd. 23, 1884.
86. MifiaijKovios, Entwickelung des Harn- und Geschlechtsapparates der Amnioten. I. Der Excretions-
apparat, II. Die Geschlechtsgange, III. Die Geschlechtsdriisen. Separatabdruck aus der internat. Monat-schrift f. Anat. und Histol. 1885, Bd. 2, H. 9. '
87. Müller , Joh. , Bildungsgesohichte der Genitalien. DUsseldorf 1830.
88. Nagel, W., Beitrag zur Anat. gesimd, und krank. Ovarian. Archiv f. Gyn. Bd. 31, 1887.
89. â Das menschliche Ei. Archif f. mikr. Anat. Bd. 31, 1888.
90. â Ueber das Vorkommen von Primordialeiern ausserhalb der Keimdrüsenanlage beim Men
schen. Anat. Anz. 1889, S. 496.
91. â Ueber die Entwickelung des Uroganitalsystems des Menschen. Archiv f. mikr. Anat.
Bd. 34, 1889.
92. Nussbaum, Zur Differenzirung des Geschlechts im Thierreich. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 18, 1880.
93. Paladino, Do la caducité du parenchyme de l'ovaire at de son complet renouvellement par la répó-
tition du procédé de la production primordiale. Archives ital. de Biol. T. 1, 1882.
94. â Sur 1'endothélium vibratile chaz les Mammifères. Archives ital. do Biel. ï. 3, 1883.
95. â La destruction et le renouvellement continuel du parenchyme ovarique des Mammifères.
Archives ital. de Biol. T. 9, 1888.
96. â La régénération ovarique chaz la femme. Archives ital. de Biol. T. 21, 1894. (Gomptes-
rendus du Xle Congrès internat, des sc. méd. tenu a Rome, 1894).
97. Pflüger, Ueber die Eierstöcke der Saugothiere und des Menschen. Leipzig 1863.
98. Plthal, Die Drüsensclilftuche und die Abschnürung der Graafschen Pollikel im Eierstock. Archiv f.
mikr. Anat. Bd. 5, 1869.
99. Prenant, Contribution a l'lnstogonèse du tube séminifère, le partie. Internat. Monatschr. f. Anat. u.
Phys. 1889.
100. â Remarque a propos de la constitution de la glande génitale indilfórente et do riiistogenèse
du tube séminifère. Comptes-rendus de la Société de Biologie, 9e Série, T. 2, 1890.
101. Prévost et Dumas, Annales des Sciences natur. T. 3, 1824.
102. Purkinje, Symbolae ad ovi avium histeriam. Vratislaviae, 1825.
103. Quincke, Notizen ü. die Eierstöcke der Saugethiere. Zeitschrift f. wissensch. Zoologie, Bd. 12, 1863.
104. Rathke, Abh. zur Bildung und Entwickehmgsgesch. des Menschen und der Thiere 1832â1833.
105. â Entwickelungsgeschichte der Wirbelthiere, 1861.
106. Remak, Unters. über die Entw. der Wirbelthiere. Berlin 1855.
â 186 â
107. Romiïi, Uober den Bau und dio Entw. des Eierstockes und des Wolff. Ganges. Archiv f. mikr. Anat.
Rd. 10, 1874.
108. â Nuove osservazioni sulla struttura doll' ovaia umana. II revestimento epiteliale ed i! suo signi-
flcato. Atti della Soc. Tosc. di Sc. nat. Adun. 22 Marzo, 1885.
109. Rouget, Recherches sur le dóvoloppement des oeufs et de l'ovaire chez les mammifères après la
naissance. Comptes-rendus de l'Acad. des Sciences a Paris, T. 88, n0. 3, 1879, p. 128.
110. â Evolution comparée des gland, génit. male et femelie chez les einbryons de mammifères.
Comptes-rendus de l'Acad. des Sciences a Paris, ï. 88, p. 602.
111. Sabaïier, Sur les cellules du follicido de l'oeuf et sur la nature de la sexualité. Comptes-rendus
de l'Acad. des Sciences a Paris, JanvierâJuin, 1883, p. 1804.
112. Schafeu, On the structure of the immatur. ovar. ovum. Proceedings of the Royal Society, 1880.
113. Schotïlaendeb, Beitrag zur Kenntniss der Pollikelatresie nebst einigen Bemerkungen ü. d. unver-
anderten Poll. in den Bierst. der Situgethiere. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 37, 1891.
114. â XJeber den Graafschen Foliikel, seine Entstehung beim Menschen u. seine Schicksale
bei Mensch u. Saugethier. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 41, 1803.
115. Schrön, Beitrag zur Kenntniss der Anat. und Phys. dor Eierst. dor Saugethiere. Zeitschrift für wis-
sensch. Zoologie, Bd. 12, 1863.
116. Schulin , Zur Morphologie des Ovariums. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 19, 1881.
117. Schwann, Mikroskopische üntersuchungen über die Uebereinstimmung in der Structur und dem
Waohsthum der Thiere und Pflanzen. 1839.
118. Sedgwick Minot, Ch., Gegen des Gonotom. Anat. Anzeiger, Bd. IX, 1894, S. 210.
119. Sinéty, de, Recherches sur l'ovaire du foetus et de l'enfant nouveau-né. Archives de physiol. norm.
et path. 1875.
120. â De l'ovaire pendant la grossesse, Comptes-rendus do l'Acad. des Sciences a Paris, 1877, p. 345.
121. Slaviansky, Zur norm. und pathol. Histologie des Graafschen Bl'lschens. Virchow's Archiv, Bd. 51, 1870.
122. â Recherches sur la regression des foliicules de de Graaf chez la femme. Archives do
physiol. norm. et path. 1874.
123. Sobotïa , Ueber die Bildung des Corpus luteuin bei der Maus. Vorlaufige Mittheilung. Anat. Anzeiger,
Bd. X, 1895, S. 482.
124. Spieoelberg, Die Entwick. der Eierstocksfoll. und dor Eier dor Saugethiere. Nachrichten vonder
Universitat und der Kon. Gesellsch. der Wiss. vu Göttingen, nquot;. 20, 1860.
125. â Drüsenschliluche im fötalen menschl. Eierstock. Virchow's Archiv, Bd. 30, 1864.
126. Stenonis, Nioolai, Elementorum myologiae specimen sou musculi descriptie geomotrica, cui accedunt
canis carchariae dissectum caput et dissectus piscis ex canum genere. Flor ent. 1667.
127. Testut, Traité d'Anatomie humaine. Paris 1894.
128. Tourneux, Des cellules interstitiëlles du Testiculo. Journal de l'Anat. et de la Phys. 1879.
129. â L'organe de Roshnmüli.eh (époophore) et le parovarium (paroophore) chez les mammifères,
Journal de l'Anat. et de la Phys. 1888.
ISO. Valentin, Handbuch der Entwickelungsgesch. dos Menschen u. s w. Berlin 1835.
131. â Ueber die Entwick. des Follikels in dem Eierstock der Saugethiere Müller's Archiv, 1838.
132. Vel ander , Om ovariet och dess förhallande till peritonaeum. Upsala, Lakareförenings Förhandlingar,
Bd. 9. sjette haftet 1874. (Referaat in Jahresbericht ü. d. Fortschritte d. Anat. u. Phys. 1875).
133. Wagener, G., Bemerkungen ü. d. Eierstock u. d. gelben Körper. Archiv f. Anat. u. Phys. 1879.
134. Wagner, R., Einige Bemerkungen und Fragen über das Kohnblaschen. Müller's Archiv, 1835.
135. â Prodromus Historiae generationis. Lipsiae 1836.
136. Waldeyer, Eierstock und Ei. Leipzig 1870.
137. â Artikel âEierstock und Nebeneierstockquot; in Strieker's Handbuch, 1871.
138. â Ueber Biudegewebszollen. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 11, 1875.
139. â Archiblast und Parablast. Archiv f. mikr. Anat. Bd. 22, 1883.
PLAAT 1.
Alle figuren zijn ontleend aan het konijn.
Fig. 1. Dwarse doorsnede door coeloomepithelium en onderliggend mesenchym aan de laterale oppervlakte der lichaamsholte, tegenover de oernier, bij een embryo van 12 dagen. V. â 350.
Fig. 2. Dwarse doorsnede door dezelfde streek bij een embryo van 13 dagen. V. = 850.
Fig. 3. Dwarse doorsnede door dezelfde streek bij een embryo van 15 dagen. V. = 350.
Fig. 4. Dwarse doorsnede door liet viscerale coeloomepithelium en onderliggend mesenchym bij een embryo van 12 dagen, ter hoogte van den aanleg der lever. V. = 350.
Fig. 5. Dwarse doorsnede door dezelfde streek hij een embryo van 15 dagen. V. â 350.
Fig. 6. Dwarse doorsnede door den aanleg der geslachtsklier bij een embryo van 12 dagen, ongeveer ter halver hoogte genomen. V. = 250.
Fig. 7. Dwarse doorsnede door de plooi tusschen den aanleg der geslachtsklier en de radix mesenterii bij een embryo van 13 dagen, genomen ongeveer ter halver hoogte van den geslachtsklier-aanleg. V. â 350.
Fig. 8. Dwarse doorsnede door het proximale uiteinde van den aanleg der geslachtsklier bij een embryo van 14 dagen. V. = 160.
Fig. 9. Dwarse doorsnede door hetzelfde praeparaat iets meer distaal genomen. V. = 160
1-7
i
Verklaring der gebruikte afkortingen.
ep. = epithelium.
ep. coel. = epithelium van het coeloom.
ep. gesl. kl. = epithelium van den geslachtsklier-aanleg.
glom. = glomerulus.
k. e. = kapselepithelium.
mes. = mesenchym,
s. = sexuaalcel.
v. = bloedvat.
H.i
2..
HI J. Cocrt. Proefschrift
PL I.
C-Tgt; ;-u â â¢)
fiTti' quot;f â .. r.-iv irjv ; â - t.vu-- ,,5. ' â
⢠- â gt;(}.lt;â¢. vl'»;-'».. , 'â¢f': . - â¢â ^ '. , l. r,-
â..-v _â ... â . 1 â ' â ;*â¢â ....
⢠l-i, -'.v-quot;r.v, li-' ''=â ' v;
^ÃïiiVa-K»?^ * «ft^aaa^'jx'rfV,
â â ,â¢' '! 'â 'â Kj .-gt; . x
â â ''â¢.â¢â¢ 'V
â â¢'SCv- A ^
â¢â .quot;⢠''â quot; ' - . : . * â V. .^ .quot;.'.. ' ' . l-.; '.? . â 'â¢â¢;. â .'A ' â '*
''â â¢â¢ :f.?. 'â â â â¢- . i - ' (I'S --'.â ' ' ... 'â¢â .. ' '
â â ....v J . , â -!., .
' â â ,.â¢'... ' â â¢â â â / ' V! , â â¢â vquot; â ' *
. - ^ ; :.J~- , T r ⢠- (.« \ . .fRAf
C r â¢'⢠-V ' vSr?.! :cV' '-
â ' ^ vi ?' B
quot;?/lt;}_ â r
|
» ? vgt; r .1» fc- . - â â¢gt; Ife ' â¢â¢' amp; ^ Woquot; * « v.: .⢠W ' -.. y^quot;'- tj â¢â ⢠v.* -A. S K? v *â :â '-* â '1.*** '4 v â ^0..vgt;, -â '⢠ifbm -- ^gt;00© 'fiP â 'A*' Mir |
j£V .⢠t ^ â â â rtyss amp;'â ^â¢. 0r ^â¢-r;. Â¥45# aPSk HWjI |
'9 ' 'i'Jf # a ^ Jquot; m,. gt; e !â¢*.-â¢.. -' »â ,..-, ia |
|
Ai\\ia 'â ; â¢â quot;\ -â â '*'?amp;â iquot; -^vCr - /* f '' quot; - \ . â¢-⢠.» ⢠gt; li1!- (. ,|quot; -.. quot; » . ,* if ^ O* 410.quot; .X 0 'â V* 0-«'®. y. lt;»_ , : â¢; -v» O--- - v w.'vi^r 'o1quot;*quot; - â¢â â¢, bijnier |
Vlfe quot; Â¥ T«lquot;gt; »V J'A r Æ iJ ff'- 'Vy ae^at^- r V ' V VJ. 1gt;I rf. .amp; ., ^ lt; ⢠%Ã4éWr^'*'â â¢â ⢠: ⢠-- ^ '- ^ - Vâlt;⢠- ⢠^ |
' -v
â ' â¢' . â lt;'â â¢'⢠â â¢Â»-â¢' fV;^quot; quot;V-*â â , , . 1
quot;7 I)]' H W (LGi* 8 .amp; 9 quot;turt dd.
TiYnief
Dr.HW.j.Ci'.lith.
PW.NlT.imp,
10 .
E. J Court, ProeSschrili
FJ. II.
i nFP i- âv, «
~'*quot;1 V. i -v,
â gt; gt;' '
® , . .. C' ^ aft
gt; âO ⢠-v *
B «â : t!«' â¢- ' J
AW
ÃÃmmÃÃmê
PLAAT II.
: Si'. «0
â / ;»â . »4 i* o»
' - I,
0 '
^'0
Ma
v;.:
f-quot;v .
sjSB' 'â *â â
Dr. H W.'I.Gv. litK.
X.XÃ. Xni, Dp ll.W d Gr, col auct.del
Alle figuren zijn ontleend aan het konijn.
Fig. 10. Gedeelte eener dwarse doorsnede door het gebied der zaadbuisjes bij een embiyo van 15 dagen. V. = 630.
Fig. 11. Gedeelte eener overlangsche doorsnede door den testis bij een embryo van 18 dagen. V. = 310.
Fig. 12. Dwarse doorsnede door het proximale uiteinde van den aanleg der geslachtsklier bij een mannelijk embryo van 16 dagen. V. â 400.
Fig. 13. Dwarse doorsnede door hetzelfde praeparaat, iets meer distaal genomen. Het gebied der zaadbuisjes is weggelaten. Y. = 400.
Fig. 14. Uitstulping van het kapselepithelium bij een mannelijk embryo van 15 dagen.
De figuren 14(^ 14amp; en 14c zijn ontleend aan diie op elkaai volgende seiiesneden.
[V. = 320.
De uitstulping ligt ter hoogte van het distale einde van den geslachtsklier-aanleg.
Fig. 15. Uitstulping van het kapselepithelium bij een vrouwelijk embryo van 16 dagen. De figuren 15a, 15ö en 15c als boven. V. = 320.
De uitstulping ligt dicht bij het proximale uiteinde van den geslachtsklier-aanleg.
Verklaring der gebruikte afkortingen.
ep. tost. = epithelium van den testis.
glom. = glomerulus,
k. e. = kapselepithelium.
str. =; stroma.
t. alb. = tunica albuginea.
t. som. = tubulus seminifems.
IIJ. Covfl, Proetsciinft.
^ cfe J»/- 8
Q»'
«;» c
?',, y 5 . 'â¢
r* » 1 /v . i .'fl gt; 1$
v/
«â¢
v.,v
V jK '.V, - ⢠;â¢â ''§£'/
Fig. 18. Dwarse doorsnede door het proximale uiteinde van den aanleg der geslachtsklier bij een vrouwelijk embryo van 16 dagen. V. = 330.
Fig. 19. Uitstulping van een BowMAN'sche kapsel bij een vrouwelijk embryo van 18 dagen. De uitstulping bevindt zich dicht bij het distale uiteinde van het ovarium. V. = 320.
Schema 19a geeft een overzicht van het geheele praeparaat (dwarse doorsnede).
[V. = 50.
Fig. 20. Overlangsche doorsnede door den testis bij een pasgeboren konijn, half-schematisch.
[V. = 50.
Fig. 16. Dwarse doorsnede door den testis van een embryo van 18 dagen, niet ver van het proximale uiteinde. V. â 175.
Fig. 17. Dwarse doorsnede door hetzelfde praeparaat, iets meer distaalwaarts. V. = 175.
Verklaring der gébruikte afkortingen.
ep. test. = epithelium van den testis.
glom. = glomerulus.
k. e. = kapselepithelimn.
r. cv. = rete ovarii.
r. test. = rete testis.
t. alb. = tunica albuginea.
t. sem. = tubuli seminiferi.
vas. elf. = vasa efferentia testis.
Alle figuren zijn ontleend aan het konijn.
P L A A T 111.
P.WMT impr.
Auctor del.
P L A A T I V.
Alle figuren zijn ontleend aan het konijn.
Fig. 21. Gedeelte eener dwarse doorsnede door het eierstoksblasteem bij een embiyo van 15 dagen. Y. â 540.
Fig. 22. Gedeelte eener dwarse doorsnede door ovarium en mesovarium bij een embryo van 18 dagen. V. = 540.
Deze afbeelding correspondeert met de in lig. 22« bij a aangeduide sti eek. Fig. 22a (V. â 55) is een schematische voorstelling om de verhouding tusschen schors en merg op dezen leeftijd te doen zien. De donkere smalle landzöne is de schors, het lichter gekleurde centrale gedeelte het merg.
Fig. 23. Gedeelte eener dwarse doorsnede door ovarium en mesovarium bij een embryo van 24 dagen. V. = 540.
In lig. 23« vindt men de verhouding tusschen merg en schors op dezen leeftijd schematisch voorgesteld. (V. = 55). Fig. 23 correspondeert met de bij a aangeduide plaats in het schema van fig. 23«.
Verklaring der gebruikte afkortingen.
mesov. = mesovarium.
o. e. = oerei.
v. = bloed- of lymphvat.
|
PLAAT V. Alle figuren hebben betrekking op de kat. Fig. 24 toont ons, half-schematisch, vijf dwarse doorsneden (24a, 24ö, 24c, 24d, en 24e), ontleend aan een in serie-coupes verdeeld ovarium en adnexa van een embryo van 9.4 cM. lengte (kop-stuit). Snede a valt proximaal van den eierstok; snede h bevat den top van het ovarium. Dan volgt snede c, nog niet ver van den top verwijderd; een weinig meer distaalwaarts ligt snede d. Deze laatste valt nog in het meest proximale derde gedeelte van den eierstok. Snede e is diciit bij het distale uiteinde van het ovarium genomen. V. = 26. Fig. 25. Overlangsche doorsnede door hetzelfde praeparaat, eveneens half-schematisch. [V. = 26. De figuren 26â28 zijn ontleend aan dwarse doorsneden door het mesovarium bij een embryo van 9.4 cM. lengte. V. = 550. Verklaring der gebruikte afkortingen. o. e. = oanales efferontes epoöphori. ep. ov. â epithelium van het ovarium. ep. mesov. = epithelium van het mesovarium. f. p. = aanleg der fimbria peritoneaüs. m. s. â mergstrengen. o. a. t. = ostium abdominale tubae. o. e. = oerei. r. ov. = rete ovarii. s. s. = scliorsstrengen. t. = tuba Fallopiae. v. 1. = lymphvat. W. g = Wolffsohe gang. W. 1. = resten van niet tot canales efferentes vervormde oernierbuisjes. |
1 ''^v, i 'Ãs? «quot;Mi \ ----------. iswtóHkisS' 1 f ^quot;'1 ^ â¢â¢â¢â¢â 'sa â¢Â®- Sftit- irjtl. â /*lt;amp;$â '* - - ^ 'jé 'Iwâ -$â â â '.-Tvm â¢â¢Â« ^ i' v^V' â¢â¦v i *lteS» â Xl' Skï . Vgt; ' ! ! â : ' i
|
â â â . â m öj W \J'quot;.« iv â ⢠v.- quot; â¢)i H-. 4 ^ ⢠CÂ¥ ® '?-v! : V*;W i m â '«â 11 # fc , f ® « *1, nfc c® .i ' :^4( vamp;r tót-' lt;«.' - , â -T w/i? . â iW ^ .i£: -Wj-m* â quot;â â¢â â â m. § jr't . * V. , â â â $*. 1 wmif v-^rtöSk - \ |
P.W-MT.imjjr.
Auctor del.
PLAAT V I.
Fig. 29. Gedeelte eener dwarse doorsnede door den aanleg van de fimbria peritonealis bij een kattenembryo van 9.4 cM. lengte. V. = 750.
Fig. 30. Gedeelte eener dwarse doorsnede door het ovarium van een kattenembryo van 9.4 cM. lengte. V. = 750.
Fig. 31. Gedeelte eener dwarse doorsnede dooi' bet epithelium der fimbria peritonealis en onderliggend weefsel bij een 4 dagen oude kat. V. = 320.
Fig. 32. Gedeelte eener dwarse doorsnede door het ovarium van een 4 dagen oude kat.
[V. = 750.
Verklaring der gebruikte afkorting.
o. e. = oerei.
PLAAT VIL
|
Deze teekening is ontleend aan een dwarse doorsnede door den eieistok van een kattenembryo van 9.4 cM. lengte. De hier voorgestelde streek ligt op de grens van schors en merg. De midden in de figuur zichtbare streng verbindt het schorsen mergparenchym. V. = 480. Overlangsche doorsnede door het centrale uiteinde van een schoisstieng met naaste omgeving bij een 4 dagen oude kat. V. = 750. |
^5 ^ â â é 1 - lA; ⢠'.A , AV;v v^quot; |
34,
à M ......«
â -â v 1 v,' â .â¢gt;«? vi--, -SifejW) iquot;'-''Vx
;?*' é' ' Wamp;A--'*' 'te' '»gt; â¢' .'x® v'-'
^â¢y.x ^ ' '''
'/v â :â¢.â¢. â . P W%jÃÃksL â jJ0 «â ' ;(
, -v;, .»â¢â¢Â»;'
, ⢠/â¢\Vgt; gt;
M
Pis)#i^Ss «;â¢
-. #»!a . . 1amp;».
0 :, !^-i.
^ ' -y-, f| ^ quot;
rff.; - 7 â '«â vti
/amp;
Dr. H -W. d. ..Gr. li Ãv
P.V/.MÃ. Jmp.
Auctor del.
|
P L A A T Fig. 35. Half-schematische voorstelling eener dwarse doorsnede door den eierstok van een 4 dagen oude kat, genomen ter hoogte waar het rete juist in contact is getreden met het gebied der inergstrengen. De onderste helft der doorsnede is niet weergegeven. V. = 70. Fig. 36. Dwarse doorsnede door het mesovarium-epithelium (laterale zijde) en onderliggend stroma bij een 4 dagen oude kat. V. â 320. Fig. 37. Gedeelte eener dwarse doorsnede door het eierstoksmerg bij een 4 dagen oude kat. Enkele rete-kanaaltjes en inergstrengen zijn zichtbaar; een der inergstrengen staat in onmiddell ijken samenhang met een re te-kanaaltje. V. = 320. Fig. 38. Een paar dwars doorgesneden rete-kanaaltjes bij een 4 dagen oude kat. V. = 320. Fig. 39. Doorsnede van een met bet epithelium samenhangende schorsstreng uit den eierstok van een 3 weken oude kat. V. = 320. *' /-â //0$L â --.CV / 5- Verklaring der gebruikte afkortingen. c. e. = canalis efferens. op. ov. = epithelium van het ovarium. f. p. = fimbria peritonealis. i. c. = interstitiëele cellen. m. s. --- mergstrengen. o. e. = oerei. r. ov. = rete ovarii. s. s. = schorsstrengen. W. g. = Wolffsche gang. VIII. |
4» w .si quot;'quot;vi f ' (i sfc e » -. , «f AfV' '' â ,.v, ' ) - w 40 ^ :-i. ' â --V / . ⢠.S- V gt; M ^ 1 § ü dp V'e-: m ,;:v# quot; â iÃF ^ ⢠8 » !V^ . -« . \T( «s » «;« , ;Piquot; si .â ij tt f-r.'. ' .W? â¢â¢â¢f.quot; i m; ^ïbï' |
\ t' 'sS'i f .i--.' - quot; r - Va' gt; :::v 4/V .r - 'i' quot;if,.' , ; . ' quot; : Atquot;-' â mks ikkiJASjkf ' J .amp;êêis ^ Vt 'X-Jr W» */ l'V, |
. ^
Auctor ilnl.
P.W.M'
iirrpr.
P L A A T I X.
Fig. 40. Gedeelte eener dwarse doorsnede door het eierstoksmerg bij een kat van 14 dagen.
[V. = 350.
Fig. 41. Gedeelte eener dwarse doorsnede door ovarium en mesovariura bij een 6 weken oude kat. V. = 350.
Fig. 42. Dwarse doorsnede door het eierstoksepithelium en onderliggend weefsel bij een zwangere kat, niet ver van de streek, waar ovarium en mesovarium in elkander overgaan. V. = 550.
Fig. 43. Doorsnede door follikels in het ovarium van een zwangere kat, waarbij de vorming der membrana granulosa hoogstwaarschijnlijk nog niet is voltooid. V. â 550.
Fig. 44 en 45. Beide zijn ontleend aan dwarse doorsneden door het eierstoksepithelium en onderliggend stroma bij een zwangere kat. V. = 550.
Verklaring der gebruikte afkortingen.
ep. ov. = epithelium van het ovarium, ra. s. = mergstreng.
r, ov. -- rote ovarii.
JIJ. Cocrl. Pi'oc/si-Iinl't.
n x
I .c*.- ' -^} '
V. c ;â¢-r?0 '
| 'â J'
li . . -quot;[wJ. â
^it)-
O
49
c yz % ,
..-â¢-â¢'v 1 .1
â . m ' quot;
4ö
ie»' vi( ;
; j V
:
\\Va â â
H Vfl'V'
H â
At!
WJ vâ
.«C tó ;»â /*
â¢M'
. â â¢â¢â¢â / » ⢠quot; â
... ..⢠i'-
vf-V
li
-â¢
lt; :
â r!i;
V
VS
'â s \
Mj %
iii ($ ® ^ gt;4Lia t
,.c%
# *1 '
«aM»' *è -a ® 'va
gt;N $ ('i ' ':f)
- r-;V^-
â v.;
vquot;' iVy
tt
0 s
vtf' â¢si
P L A A T X.
Alle figuren â behalve fig. 50 â zijn ontleend aan hetzelfde ovarium van een zwangere kat.
Fig. 46. Doorsnede door een follikel, op weg zich verder te ontwikkelen. V. â 550.
Fig. 47, Doorsnede door een follikel in een iets ouder ontwikkelingsstadium. V. â 550.
Fig. 48. Doorsnede door follikels, bij welke de vorming der membrana granulosa hoogst-vermoedelijk nog niet is voltooid. V. = 550.
Fig. 49. Doorsnede door een groepje primordiaalfollikels. V. = 550.
Fig. 50. Gedeelte eener doorsnede dooi' de membrana granulosa van een holte-bevatte follikel bij een 6 weken oude kat. V. = 350.
Fig 51 Gedeelte eener doorsnede door de membrana granulosa van een normalen follikel.
[V. = 350.
Fig. 52. Gedeelte eener doorsnede door de membrana granulosa van een follikel, op weg zich te involveeren. Y. = 550.
De figuren 53-56 zijn alle ontleend aan follikels, welke min of meer ver gaande teekenen van atresie vertoonden. V. = 350.
â . 5vr: 'M i . 4., , â ⢠® ' '
- c;;'''; - 7. -/r. - ;â â â â â
\Hï
v^r/
J ff, eagt; 1
' .
/ i'j i.,i gt;gt;
â â i-'*.
lt;L--' â¢
â â â
I a
iy
Verklaring der gebruikte afkortingen.
e. v. = epitlieliura-vacuole.
i. c. = interstitiëele cellen.
m. g. â membrana granulosa.
x-r-
«ciw 'ö (i tv vlt; ï,... â '',
-
|
# | |||||||||||||||
|
^ â¢-â¢â¢â¢;. â¢â¢ .r. ⢠v:
- -
PWM.Ãimpr.
Auctor del.
i
I
lii
! â lit
I
I
fel
â
i
'$^â 1
h
V
4
11 !5 â¢;f 1
''â I
sTiEi^nijii^GriE: isr.
IP
if
111
t fe; if Jf T
* i I
S T E L L I N G E N.
I.
Er bestaat bij de gewervelde dieren geen afzonderlijke kiem voor bloed en bindweefsel.
II.
De mergstrengen in het zoogdier-ovarium ontstaan uit het coeloomepithelium.
III.
Het epithelium der oernierkanaaltjes (BowjrAw'sche kapsels) neemt bij de zoogdieren geen deel aan den opbouw der geslachtsklier.
IV.
De bewering, dat de mergstrengen bij geen enkel zoogdier iets tot de follikelvorming zouden bijdragen, wordt door de feiten niet voldoende gemotiveerd.
V.
In de pathogenese van de AumsoN'sche ziekte speelt het wegvallen of de stoornis van de bijnierfunctie de hoofdrol.
VI.
Er bestaat, onder de tegenwoordige omstandigheden, geen voldoende aanleiding om de keuring van varkensvleesch op trichinen voor geheel Nederland verplichtend te stellen.
VIL
De zoogenaamde onbloedige behandeling van Lorenz, in de eerste kinderjaren, is bij enkelzijdige aangeboren heupontwrichting over het algemeen de meest rationeele.
- 190 -
VIII.
De aanvallen van .lyspnoe, zeoak die b« l«4» «gt; aneurysma van eten »»â¢Â«Â«â¢ âiet zelden voorkomen, berusten voor oen deel op spasmus laryngis, doo, d.uk op don
Nervus laryngeus inferior opgewekt.
IX.
Het meest aanbevelingswaardige vacoiu voor de koepok-iuentiug levert de ^genaamde elveerino-pulpa; waar, zooals hier te lande, indireote entdwang bestaat, lust op do overheid de plicht het gebruik van dit praeparaat naar beste krachten te bevoideien.
X.
De aanwezigheid van een kwaadaardigen tumor in een der nieren levert nimmer indicatie op tot een partieele nephrektomie.
XI.
De meening, dat de motorische zenuwvezelen voor de larynxspieren uitsluitend van den Nervus accessorius afkomstig zouden zijn, is onjuist.
XII.
Hoogstwaarschijnlijk zijn tractie-divertikels niet zelden het uitgangspunt voor de ontwikkeling van slokdarm-kanker.
XIII.
Zuivere, alleen uit huid en hetgeen daarbij behoort bestaande, dermoidkysten komen in het ovarium vermoedelijk niet voor.
XIV.
Ieder medicus stelle het zich tot regel primigravidae, een behoorlijken tijd vóór het einde der zwangerschap, obstetrisch te ondeizoeken.
XV.
Het bestaan van een afzonderlijk centrum voor de divergentie der oogen is niet bewezen.