AFSLUIÃINO EN DROOGMAKING
VAN DE
ZUIDERZEE.
Antwoord van S. J. VER.HAES, Hoofd-Iiigcnieur van den Provincialen Waterstaat in Friesland op de Hoofdartikelen voorkomende in de Nieuwe Uotterda m me r Couranten van Januari, l. 2. Fehrnari ls!»,j, welk antwoord door den Hoot'd-Uedactenr van dat Hlad is geweigerd.
*
v.. , â ⢠. . v â â â
t â ?:: . , â ' â ⢠â ⢠â -⢠i . .. ⢠; gt;
.. - .. - ^: '⢠lt;' . / gt; ^ gt;
.
â - - 'â ^ ^ -â gt;- â mif.
.
.
â â . , ⢠â . r/v,
:â ' ' -
. v ' '' â . â ⢠, '.â â â â¢.. â â¢â¢ â¢; ' â¢; . .â i
,
.
â
:v .v ⢠⢠, s 1 â - â â â ⢠⢠⢠- quot;' ..'
v ⢠â¢â¢1 ^ , - :, -: ⢠......
/
-⢠f vquot; ⢠y-
â¢quot; ⢠' -Vquot;
quot; h-. â . :â â v
;⢠:pf
1
*
â
,£ 1 -vn ''
T- .
â r-:«
'â J; â
,
â
â
â
-
yi* â . gt; , * gt; - ./ - ' â
â
M,-. .
'
r.
â ' â V'C
â ir*quot;
'
â . â ⢠⢠-.â¢, . ' ⢠... â¢.. r â v-â : .
â
, â 7 - 'V , â
if;
3 ^ . ⢠⢠.v. -.
.
«. ⢠â lt;â¢.⢠-f .
â â â ⢠â â â .. ⢠- :
â
' : - â - A â â â ⢠. â - . . ⢠' â - , - .
; . â ^ ' v . â â
â â¢
.
â
^ ' i'j *gt;- v
vquot; *S
AFSLUITING EN DROOGMAKING
VAN UE
ZUIDERZEE.
Antwoord van S. J. VEUMAES, Hoofd ingenieur van den Provincialen Waterstaat in Friesland op de Hoofdartikelen voorkomende in de Nieuwe Kot ter da miner Couranten van 31 Januari, 1. 2. 3. Februari 1895, welk antwoord door den Hoofd-Uedacteur van dat Blad is geweigerd.
AFSLUITING EN DROOGMAKING VAN DE ZUIDERZEE.
M. de Red. !
In de hoofdartikelen, voorkomende in Uwe bladen van 31 Januari, 1â2 en 3 Februari wordt gezegd, dat, bij het bekend worden van de bij Koninklijk besluit van 3 September 1S92 benoemde Staatscommissie voor het onderzoeken van een plan tot droogmaking van de Zuiderzee, menigeen verbaasd was èn over de opdracht fen over de samenstelling van die Commissie.
Zeer zeker zullen velen, met mij, verbaasd hebben gestaan over 't schrijven van de bedoelde artikelen, in een dagblad, dat sedert lang de toongever bij het lezend publiek is en dat zich in 1888 en 1892 op zoo waardeerende wijze uitte over het plan der Zuiderzee-vereeniging, zóó zelfs, dat het dit toen noemde âzoo âdegelijk voorbereid, zoo goed doordacht, zoo eervol voor âden Nederlandschen naam en zoo veel belovend voor onze ânationale welvaart, dat het ieders ernstige overweging en âlevendige belangstelling verdiendequot;.
En nu,, er wordt niet meer of minder gedaan, dan de onpartijdigheid in twijfel te trekken van het 28 tal mannen van verschillenden werkkring en maatschappelijke positie, dat zich voor deze belangrijke zaak onge-
4
veer gedurende anderhalf jaar veel tijd eu inspanning getroostte.
Gaarne zou ik dit stuk. met zijn afbrekende kritiek, dat technisch zooveel onjuistheden bevat en van groote woorden overvloeit, schouderophalend voorbijgaan, indien het in een courant van den 3i,u of 4en rang ware geplaatst.
Hier echter, waar het als hoofdartikel der redactie van een blad van beteekenis den lezers onder de oogen wordt gebracht, zou zwijgen een verkeerden indruk kunnen geven â en ik acht mij dan ook, als lid der voormalige Staatscommissie verplicht, in het licht te stellen, dat het ongunstig oordeel in de bedoelde hoofdartikelen ten beste gegeven, ten eenenmale onjuist is.
Dat de samensteller van een voorstel tot benoeming van de leden eener Staatscommissie zich niet moet voorstellen juist aan ieders verlangen en inzichten te voldoen, zal zeer zeker iedereen willen erkennen.
Wanneer de moeite gedaan was, nauwkeurig de ledenlijst dier commissie na te gaan, met de daarachter geplaatste kwaliteiten, dan zouden zeer zeker al de vragen in den aanhef van (Jwe vier hoofdartikelen gedaan , achterwege kunnen zyn gelaten en zou moeten worden erkend, dat de samenstelling juist was die, gewenscht voor eene algemeene en voor de zaak noo-dige veelzijdige beoordeeling.
Toevalligerwijze (alphabetisch gerangschikt) stond een erkend bekwaam aannemer boven aan, â en dat verheugde menigeen â; immers, naar het oordeel toch van velen, worden niet zelden onze practisch gevormde aannemers buiten dergelijke commissien gelaten , waarin
5
ze zoo noodig zouden zijn. Bovendien waren vertegenwoordigd: Waterplaat, Genie , Marine, Scheepvaart, Handel, Landbouw, Staathuishoudkundigen van naam, alsmede de hygiene, zeevisscherij, de V en 2'' Kamer der Stat en-Generaal en mede het Departement van Financien door een 2tal specialiteiten, waarvan één, helaas! de onder-teekening van het rapport niet mocht beleven.
Dat de beide inspecteurs van den waterstaat mede tot de commissie behoorden, was zeer verklaarbaar.
Buiten deze waren een hoofdingenieur van 's Rijks-en één van den Provincialen waterstaat daarin opgenomen, terwijl als technische specialiteiten, behalve de beide hoofdofficieren van de genie, professor Tel-ders en de heer Bos, aannemer, het aantal completeerden.
Wanneer nog andere deskundigen daarin waren opgenomen , zou het getal te grooter zijn geworden en te grooter wellicht dan ook de ergernis van den kriticus.
Niet de ontwerper van het plan der Zaiderzeevereeni-ging, maar de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid was voorzitter der commissie â en hoe weinig deze zich met de commissie bemoeide of daarop in-lluenceerde, kan duidelijk daaruit blijken , dat wij slechts tweemaal het genoegen hadden ouder zijne leiding te vergaderen, en wel, de eerste maal bij de installatie der commissie en de vorming der verschillende afdee-lingen, die buiten hem om haren voorzitter kozen, en de tweede maal in de laatste vergadering, nadat vooraf, onder leiding van den ondervoorzitter, den heer M. M. Mees , het rapport was vastgesteld en dit hem werd aangeboden.
6
Besclmltiigiiigen van optimisme in den boezem der commissie door het voorzitterschap van den heer Lely kunnen dus vervallen.
Dat de lieer Wklcker als tegenstander bekendstond, wist ik niet toen ik hem in de commissie ontmoette. Er waren er echter toon veel meer.
Dit echter weet ik, dat de heer Welcker, ter wille van de zaak, zich steeds als loyaal en aangenaam tegenstander deed kennen en het voor een goed deel aan hem te danken is, dat het plan zoo nauwkeurig van alle zijden werd bekeken.
Maar niettemin werd de eerste vraag aan de Staatscommissie voorgelegd, door hem met nog 5 andere leden ontkennend beantwoord âin hoofdzaak op grond van financicele verplichtingen die de uitvoering der geheele onderneming met zich zal brengen en op de onzekerheid van hare oeconomische uitkomsten.quot;
De mogelijkheid van de uitvoering, in den aangegeven zin, betwistte hij niet.
Dat het plan der Zuiderzee-vereeniging niet is van den heer Lely , maar van een zekeren heer G. Freislich, vernam ik voor het eerst.
Het kan waar zijn dat laatstgenoemde in grove trekken een denkbeeld heeft aangegeven, doch dit vermindert voor mij in niets de waarde van het door alle technici der Staatscommissie meermalen erkende goede en nauwkeurig bekeken plan van den heer Lelt , die by de vervaardiging alléén stond en waarover in de
é
Staatscommissie zoovelen ter beoordeeling aanwezig en bevoegd waren.
Dat overstroom ing met brak water zooveel voordeel oplevert, is voor mij geheel nieuw.
In Friesland is men bij de buitenpolders, die vroeger telkens ongeveer om de zeven juren werden overstroomd , dankbaar daarvan verlost te zijn na de belangrijke dij ks ver hoogingen , die tengevolge den storm van 1877 hebben plaats gehad.
Naar mijne meening is het achterblijvende slib hier het gunstige resultaat van de overstrooming. In Friesland wordt het hooiland des winters ondervloeid met hemelwater, dat stil staat, slibloos is, en alleen door den wind levend gehouden wordt. En ook hier (hoewel m. i. ten onrechte) hecht men veel waarde aan de ondervloeiing. Dit is echter zeker, dat muizen ook niet tegen zoet water kunnen, want polderdijken, kaden en wegen bewijzen in het najaar, nk overstrooming, dat de muizen daar hun schuilplaats zoeken.
Wanneer de heer Lely de kosten van de verbetering van het deel zeedijken langs de Zuiderzee, dat hij wil afsluiten, op 3Vs millioen in 28 jaren stelt, dan is hij daarin niet overdreven.
Alleen in Friesland, bezuiden Piaam, berekende het toenmalige lid van Gedeputeerde Staten, de heer Mr. Herman Albarda, in zijne âopgaven betrekkelijk den financieclen toestand der zecdij ks-te a ter se lapp t n in Friesland'quot; voor de jaarlijksche onderhoudskosten /90.290.â, of in 28 jaren ruim 21,2 millioen guldens.
âDat de bestaande dijken, met het oog op doorbraak
8
âvan den afsluitdijk, toch ondei'honden moeten worden , âis voor leeken zoo eenvoudig te begrijpen, dat het âhun duidelijk is, dat de heer Lelt niet eerlijk is in âzijne beschouwingen, om de onderhoudskosten van den âafsluitdam af te trekken van die van de bestaande zee-âweringen, om tot besparing te komen, â maar die er âbij moet tellen.quot;
Het lid uwer Redactie, die dit schrijft M. de Red., is geen deskundige, niissc/riea een kamergeleerde, anders zou hij weten, dat slaperdijken niet behoeven te worden onderhouden op de enorme afmetingen en verdediging van de zeedijken.
In het noorden van Friesland o. a., daar, waar de zeedijken reiken tot 4.25 h, 5 M. boven vol zee, wordt voor de te behouden hoogte van de eerstvolgende slaperdijken 3.20 M. boven vol zee voorgeschreven.
In de provincie Groningen laat men nog grootere verlaging toe.
Geen enkel waterschapsbestuur zal echter, dadelijk na afsluiting der Zuiderzee overgaan tot het afgraven van zyne zeedijken, maar ook de bestaande bescherming voorloopig aanwezig, laten.
Dat het onderhoud daarvan niettemin direct belangrijk lager zal zijn dan thans, ja bijzonder weinig zal bedragen, staat intusschen vast, omdat, na afsluiting, de hooge zeestandeu zijn buitengesloten, terwijl opwaaiing in liet Uselmeer daar belangrijk beneden blijft. â En, de hoogste zeestanden zijn het toch immers die gevreesd worden en kosten van onderhoud veroorzakenquot;?
Het blijkt dus, dat de voordeelen der droogmaking, op de wijze zuoals de Zuiderzee-vereeniging die wenscht.
9
voor de waterkeering niet zijn gelijk nul of négatief, zooals aan het slot van het eerste stuk is vermeld.
Dat ook de waterloozing op het JJselmeer zal worden gebaat bij eene afsluiting, wordt door U erkend, terwijl aan het hoofd van het tweede stuk wordt gezegd , dat van de voordeelen daarvan hetzelfde gezegd kan worden als van de waterkeering, d. i., dat ze nul of zelfs negatief zijn.
Door U wordt erkend, de juistheid van de bewering van den heer Lely dat het Noordzee-kanaal te Sc/iel-lingmolde heter en meer op het Uselmeer zal kunnen loo-zen dan thans. U gunt hem echter niet de eer, die hem in dezen toekomt, want zegt U: âdit was waar toen hij zijn nota schreef, maar door het stoomgemaal dat in 1891) zal zijn voltooid, zullen Schermerboezem, Amsteiland en Amsterdam van alle nadeelig waterbezwaar voor altijd ontheven zijn.
Mag ik er U op wijzen, dat, â de juistheid van dit beweren in hot midden gelaten â, ook al werd nog heden met den afsluitdijk begonnen, er minstens 0 ïi S jaren zullen verloopen vóór de afsluiting gereed kan zijn en dat dan de genoemde waterschappen, zich gedurende dien tijd zullen kunnen verheugen in het door U genoemde genot ?, maar tevens, dat na die afsluiting het Rijk belangrijk kan besparen op steenkolen, olie en smeer, daar door die afsluiting bemaling onnoodig zal blijken?
Is er wel gunstiger punt te denken dan Schelliny-woude, met het oog op lage IJselmeerstanden tengevolge afwaaiing bij Zuidweste winden?
Ook wat betreft âde Vecht''1 wordt door U toegegeven , dat de afwatering verbetert.
10
Zoo ook voor Over ij se/, zal het IJselmeer voordeel geven wordt door U gezegd vxiar, âwat geven eenige centimetersquot; volgt daarop weer onmiddellijk!
U vergeet hierbij te erkennen, wat voorkomt op pag. 19 van het rapport omtrent de verbetering van de waterlozing bij stormvloeden.
Wat Friesland betreft, de Staatscommissie zelf, ziet hier in eene afsluiting geene verbetering der waterlozing, maar wijst zooals steeds, het noorden (de Lauwerzee) aan, als het geschiktste punt voor de hoofdafwatering der provincie.
Daar zullen de sluizen moeten worden gebouwd om den boezemwaterstand van die provincie te kunnen beheerschen.
Was dat niet noodig, dan zou Friesland door het bouwen van de noodige wijde sluizen aan het IJselmeer, althans dit groote genot van de afsluiting kunnen hebben, dat de boezem waterstand, die nu meermalen (iö k 70 c.M. 1 K»ven zomerpeil reikt, niet hooger behoefde te klimmen dan gelijk den stand op liet IJselmeer, d. i. 27 c.M. boven zomerpeil.
De voordeelen van eene afsluiting zijn dus, â en hierover zijn wij het eens â, gunstig voor de afwatering van de Usel en van de om het IJselmeer liggende landstreken.
Uwe bewering, dat in het belang der schipperij, de Staatscommissie eerst in het 66e jaar uit de afsluiting wil baggeren, omvat, â wanneer de juistheid van die bewering niets te wenschen overliet â, een brevet van
i 1
ongeschiktheid voor de technici in de Staatscommissie.
Ik verheug mij in 't feit, dat ik er U op kan wijzen, dat in § S-i op p:ig. 82 van het rapport, ongeveer f (gt;00.000 is uitgetrokken voor verdieping en onderhoud der havens en haventoegangen, die tijdens de uitvoering en nii voltooiing van den afsluitdam, door lagere waterstanden, minder diepte /ouden aanbieden dan daarin nu, bij gewoon hoog water, wordt gevonden.
De belangen van de scheepvaart ziju dus niet alleen ter harte genomen, maar ook door de voorgenomen verdieping en de ontworpen ring-kanalen zullen vele havens directe verbetering ondergaan en dus de scheepvaart blijvend zijn gebaat.
Omtrent de door de Staatscommissie voorgestelde wijziging van den noordoostelijken polder tot voorziening in de afwatering van de in Overijsel liggende landstreken, zoowel als tot voorziening in de scheepvaart op het Zwolse he diep, zal het voldoende zijn . U te zeggen, dat de Staatscommissie hierin uitmuntend word voorgelicht door de heeren Lkemans , Welcker en den president van Schuttevaer, allen toegerust met locale kennis.
Ten opzichte van het door U aangehaalde uit de â, volgens U met talent geschreven â, brochure van den Ingenieur Jhr. C. Blots van Treslong , diene alleen dit , dat ook nu bij westen wind groote atwaaiing voorkomt, dat de tegenwoordige winter opnieuw bewijst, dat ijs-opruiming, door de bestaande tijwerking, die het ijs tusschen Stavoren en Enkhuizen als in een cirkel doet draaien, weken en weken wordt belemmerd en dat
12
alleeu aanhoudende krachtige zuidoostelijke winden de Zuiderzee voor de scheepvaart vrij kunnen maken;
dat de zeevaart voor llarlin/jen m. i. eer verbetering dan vermindering zal ondergaan, en
dat de binnenvaart op Harlingcn zal worden gebaat door het gedeelte kanaalvaart, daar niet meer, zooals nu, Stavoren of Lemmer zal behoeven te worden aangedaan, wanneer westelijke winden de vaart tusschen Har ling en en Stacoren op zee onveilig maken.
De spoorweg over den afsluitdam, acht de Commissie, met de militaire leden, van belang voor de verdediging.
Als eene betere verbinding v;in Friesland met Noord-holland is hij evenzoo van belang te achten bij stremming der vaart in den winter (zie bladzijde 132).
Dat waterverversching voor Noord-Holland kan worden verkregen met de middelen door den heer Conrad in April lb9:5 aangegeven , is onbetwistbaar. Die middelen zijn echter duur en daarom waarschijnlijk tot nu toe niet toegepast.
Om daarom echter in 't geheel geen waarde te hechten aan eene afsluiting van de Zuiderzee, â waardoor die waterverversching regelmatiger en met minder kosten is te verkrijgen, is, op zijn zachtst gesproken, dwaas, evenzeer als te zeggen, dat het water in droge tijden in Friesland niet zoo slecht is, dat maatregelen dienen te worden genomen om daarin verandering aan te brengen, doch zeker is de bewering belachelijk, dat men het bovendien van de hooge gronden kan aanvoeren.
ü toch M. de Red. kunt weten, dat in droge tijden , wanneer de boezemwaterstand tot beneden zomerpeil
13
is gediiald, al het boezemwater brak is of wordt en nagenoeg overal zóó, dat het voor mensch en vee onbruikbaar is; doch U moest weten, dat wanneer in Friesland watergebrek is, de hooge gronden in den zuidoosthoek, even als in Drente, zóó zijn uitgedroogd, dat de kanalen dan voor 't meerendeel niet meer bevaarbaar zijn voor de gewoonlijk passeerende schepen.
Hoe moet dan Friesland zich daar van water voorzien 1
En , al ware het mogelijk, dan nog is men in Friesland niet gediend van veenwater, getuige de zomermaanden van 189i, toen mede door den grooten afvoer van liet veenwater op Frieslands boezem de onder water gezette hooilanden met een zwarte veenachtige laag waren bedekt.
01' kent U den Friezen zoo weinig gezond verstand toe, dat, ware het middel zoo eenvoudig als door U van üwen troon in Rotterdam wordt aangegeven, het niet reeds lang in toepassing zou zijn ?
Een van de belangrijkste voordeelen voor Friesland van de afsluiting van de Zuiderzee acht ik â hetgeen te verkrijgen is, dat ten allen tijde zal kunnen worden beschikt over de gewensciite hoeveelheid zoet water â en dat voordeel is zoo groot, dat het m. i. overweging zou verdienen om door Friesland heen, voortdurend mede te werken tot aftapping van het Uselmeer.
Uit een militair oogpunt acht IT den afsluitdam al bijzonder nadeelig. Vergun mij dat ik voorloopig meer vertrouwen stel in die leden der Staatscommissie van
14
de Genie en Marine, die in den dam, mits voorzien van de vereischte verdedigingswerken, juist een middel vonden tot betere verdediging van Amsterdam.
En, nadat door U met zekere alwetendheid, of vermeende alwetendheid is afgegeven op hetgeen het rapport zegt met betrekking tot de hygiënische toestanden van de omwonende bewoners, vraagt U:
1D hebben de deskundige leden der Commissie zich niet in meerdere of mindere mate door het grootsehe denkbeeld van de droogmaking laten medeslepen om de bezwaren licht te stellen, de voordeelen hoog op te voeren? en
2° is het zaak, dat de natie zich laat verleiden om eene onderneming op touw te zetten die een âtombeau des millions'''' zoude zijn, alleen te vergelijken met het Panama-kanaal ?
Geen der 28 leden, die de Staatscommissie uitmaakten, zal U ooit vergeven, dat hij in Uw oog geen zelfstandig mensch is, maar nog minder, zoo weinig Nederlander, dat hij willens en wetens heeft medegewerkt een graf te graven voor het Vaderland.
Een vergelijking met het Panama-kanaal uit Uwen mond, zal iedereen met verbazing de oogen hebben doen opslaan en, met het oog op het daarbij voorgevallene verachtelijk de schouders doen ophalen.
En nu nog Uwe zienswijze in het quot;maken van dammen.
M. d. Red! benevens zooveel andere zaken hiervoreu reeds door mij aangetoond, had ik ten minste gehoopt dat hierover door U gezwegen was. Het opnemen van
15
zulke artikelen zal m. i. de waarde van Uw blad doen verminderen.
Herhaalde lezing, â ik verklaar dit eerlijk â, doet mij het hoofd duizelen van dat neerploffende water, die draaikolken en die stroomen, die zich over den stortdam vrij wel evenwijdig aan elkander bewegen en hier tegen elkander botsen vooral nabij de reeds verkregen eindpunten en de hierdoor ontstane str oomwarreling en die den bodem aantasten.
Mocht hij die U heeft voorgelicht, zich noemen zaakkundige , dan hoop ik ten zeerste voor het welslagen der onderneming, dat aan bekwamere en minder pessimistische personen dan hem, het toezicht bij het maken van den dam worde toevertrouwd.
Dan zullen voor het zinkwerk, even als in Zeeland, ervaren personen worden gebezigd, misschien wel de door U bedoelde, die op de Zeeuwse he wateren hunne sporen hebben verdiend en zal men ook liefst, even als daar, met zeer fraai weer de zinkstukken naar hunne plaats slepen , maar evenmin ook beducht zijn, zooals in Zeeland, voor een spatje zeewater, wanneer het weer tegen de verwachting in verandert, of het zinken bi) minder goed weer noodzakelijk is.
Dan zullen de zinkwerken even als alle zeewerken in de zomermaanden geschieden wanneer het niet stormt, zooals ü zelf zegt in het eerste stuk, en daardoor vervallen grootendeels al de redeneeringen over geulen die zich vormen door naden tusschen en het over elkander hangen van zinkstukken met driehoekige holten, die niet meer met steen kunnen aangevuld worden, alsof het ijzeren platen zijn die niet buigen, en geen zand doorlaten, dat tot vulling der zinkstukken wordt aangebracht, en van golven van 4.â M. hoogte.
10
U toch schijnt te willen werken in Jen stormtijd.
En de heer Lely en de Staatscommissie willen laten werken, alleen in liet werkbare jaargetijde en weten zeer goed waar zij werken. d. i. op plaatsen, waar eb en vloed niet meer dan 70 cM. in hoogte verschillen, waar het bijna altijd mogelijk zal zijn te zinken, omdat binnengaats de deining ontbreekt, die b. v. aan den Hoek van Holland en overal buitengaats wordt waargenomen. En waar in de Commissie nevens de genoemde hoofdambtenaren van 's Rykswaterstaat, die op het punt van zinken toch meê kunnen tellen, de genoemde aannemer P. A. Bos plaats nam, die zelf, niet als aannemer maar als uitvoerder de zinkwerken uitvoerde, noodig voor de afdamming van de Oosterschelde en het Slue, en die later als aannemer het grootste deel uitvoerde van de dammen aan den Jloek van Holland, welk lid mede instemt â ja hoofdzakelijk zelf de samenstelling beschreef en die uitvoering mogelijk achtte op de aangegeven wijze niet alleen, maar meermalen verklaarde bereid te zijn voor den aangenomen prijs in den aangenomen tijd het werk en bloc te willen maken en daarbij alle risico voor zich te nemen, dan ben ik, met de ervaring, die ik van zinkwerken opdeed bij den dam aan den llollandschen oever voor de overbrugging van het Hollandsch diep, waar ten slotte een geul gedicht moest worden van 17 nieter diepte en van de uitgebreide bezinking rondom de pijlers van het Hollandsch diep, bij ruim 2 meter op- en neergang van het water, even als van de zinkwerken, die, hoewel zelden, aan de Friesche kust voorkomen, dan ben ik, zeg ik, zeker, dat de beschrijving van den dam van den heer Lely , en nog te meer de sterkere samenstelling
17
door de Staatscommissie, volkomen te vertrouwen is.
Uwen voorlichter verwijs ik eenvoudig naar de dammen van den Hoek vnn Holland, om kennis te nemen van hetgeen onze Hollandsche waterbouwkundigen en aannemers van rijshout kunnen maken.
Met een golfoploop van 2.70 M. boven den gemiddelden stand te Andijk, heeft de Commissie rekening gehouden. Op de meest bedreigde punten van Friesland, ten noorden van Uarlingen reikt de kruin van den dijk ter hoogte van 5 M. boven volzee en, wanneer die daar voldoende is, liggende tegenover de ondiepe waardgron-den ten zuiden van Terschelling, â dus wel onder de gunstigste omstandigheid, voor belangrijke verhooging van den golf en de opwaaiing, dan zal iedereen, â uitgezonderd misschien Uw voorlichter â, moeten erkennen, dat de ontworpen afsluitdijk in alle opzichten gunstiger gelegen is en voldoende hoogte heeft.
Zet men de vergelijking van dezen dijk met de bedoelde zeedijken van Friesland verder voort, dan zal erkend moeten worden dat het buitenbeloop flauwer, de steenbezetting belangrijk hooger en zwaarder is bij den afsluitdijk en de 17 Meter breede en hooge binnen-berm en flauwe binnenbeloopen, die van de zwaarste, en sedert 1877 verbeterde zeeweringen van Friesland, verre overtreffen.
Ook werd, â en ik wil dit even opmerken â, de steen aan den Hoek van Holland niet gezet, maar gestort; en hoeveel SOtallen golven hebben die weerstaan ?
Maar er is meer. Steenzetten en behoorlijk aanstoppen acht U niet meer voldoende voor liet behoud van
18
den dam. Waarlijk, het begint mij meer en meer duidelijk te worden dat Uw voorlichter angstiger wordt, naarmate hij langer over de zaak nadenkt, en dit is al weer een zwak punt, dat den niet-desknndige achter U, verraadt.
Door grenzenloos pessimisme geeft hij, die Uw raadsman is, blijk, dat hij ten eenenmale onbekwaam is voor de uitvoering van een werk in open zee.
Aangenaam zou het mij â en zeker velen met mij â zijn, van hem te mogen vernomen, hoe hij den dam wel wenscht te doen maken. Kritiek uit te oefenen is gemakkelijk, maar iets beters in de plaats stellen, is minder gemakkelijk. Van U M. de Red., â ter zijde gestaan door hem die U heeft voorgelicht, â wachten wij gaarne hot ontwerp van een beter plan; desgewonscht zou U, â wij bobben daar niets tegen, â een proef voor eigen rekening kunnen nemen, om ons te overtuigen.
't Is jammer, maar U zou door de dwarrelwinden, botsingen, enz. bijna vergeten zijn, om er op te wijzen, dat bij de uitvoering oneerlijkheid van den aannemer in 't spel komt, b. v. hij dicht een sluitgat met kruiwagens!
Weet Uw voorlichter wel dat de groote Waldorp een tjalk liet stoppen in een gat? Vreemd niet waar? maar verklaarbaar, doch dat een aannemer kruiwagens in een gat, dat gedicht moest worden deed stoppen, neen M. de Red.! heusch, vertel mij nu geen sprookjes.
Dergelijke vertellingen kunnen misschien effekt maken, wanneer men tracht om 't grootste deel van Uwe lezers de angst om 't hart te doen slaan, zoodra over de droogmaking van de Zuiderzee, â die U klaarblijkelijk niet wil, â een woord wordt gerept.
19
Ik laat mij intusschen â en zeker velen met mij â in deze belangrijke aangelegenheid, met dergel ij ken onzin niet iiit 't veld slaan.
Waar het, zooals hier noodig zal zijn, dat de inge-nieur en de aannemer tezamen het werk znllen moeten maken, d. i., dat de ingenieur met hart en ziel zich, zoo goed als de aannemer, het werk moet aantrekken en niet beiden als twee machten tegenover elkander zullen staan, is van zulk een flauw bedrog, â nl. 't dichten van gaten met kruiwagens of wat dies meer zij â, geen sprake.
Wat de Staatscommissie zich voorstelde aangaande het maken van de meerdijken, hoe zij daar op de door U gevreesde verzakking bedacht was, blijkt genoegzaam bij de inzage van stukken van die commissie.
In nadere beschouwingen over het belangrijk vraagstuk wensch ik mij op 't moment tegenover U niet te verdiepen. Gelukkig ontwaar ik het door U aangevoerde achtereenvolgens te hebben weerlegd, wat betreft de technische zijde.
Gelukkig ook, bewaart U grootendeels het stilzwijgen over de oeconomische zijde. Het weinige, dat daarover door u wordt aangevoerd is zoo los en ondoordacht daar neer geschreven, dat het voor iemand, die het verslag der Staatscommissie heeft gelezen waarin ook dit gedeelte grondig is nagegaan, geen waarde heeft. Ik zie mij derhalve aan 't eind mijner beschouwingen.
Nog een enkel woord echter over den door U ten slotte gegeven raad, om met bedijkingen van kleineren om-
20
vang, zooals van het lloormche Hop eu het (Vieringer-meer aan te vangen.
Dit M. d. Red. zon leiden tot het maken van kost-bare zeedijken ter bescherming van kleine gedeelten, tot blijvend duurdere bemaling, terwijl de kosten van aanleg der polderdijken ad 35 niillioen achter één afsluitdijk, in dat geval met minstens 13 millioen zouden worden verhoogd. Uwe raadgeving M. d. Red. zal dan ook bij niemand, die de zaak goed doorziet, steun vinden.
Herinner U wat ge den voorsteller in April 1S88 hebt toegevoegd, die aangaf om, even als in Zeeland, telkens te bedijken wanneer een stuk in de Zuiderzee droog viel. Welnu M. d. Red., Ingenieur is U niet, anders zou U weten dat niets duurder is dan bij gedeelten in te dijken.
Neen! Holland toone, nu de gelegenheid daarvoor zoo schoon is, nog eens, dat ze den moed heeft der voorvaderen^ om groote werken, grootsch en breed op te zetten! Het make spoedig den dijk, die, afgescheiden van de bepolderingen, van uitgebreid nut kan zijn, zóó, dat hij zonder bedijking van de vruchtbare gronden in de Zuiderzee, jaarlijks van meer waarde zal zijn, dan de rente van de kosten van aanleg, zijnde naar den tegenwoordigen rentestandaard, nauwelijks 12 ton.
Voor mij onderscheidt zich het maken van den af-sluitdam alleen hierdoor van andere zeewerken, dat hij lang wordt en gevolgelijk veel geld kost.
21
Als slot van mijn schrijven verineen ik niet beter te kunnen doen, dan Uw eigen voorheen geschreven woorden te gebruiken namelijk deze: »een plan zou de-»(/elijk voorbereid, zoo goed doordacht, zoo eervol voor den »NederInndschen nnnn en zoo veel belovend voor onze nati-»onnle welvaart, verdient ernstige overweging en levendige â¢Â»belangstelling'\
Leeuwarden, Maart 1895.
S. J. VERMAES.
/.quot;/ tlrr vooruuiIkjc Slaatscoitimissir vnoy ilc Ziiidrvzcr.
Amsterdam, Maart 1895.
In de Nieuwe Rotterdammer Courant van 31 Januari, 1, 2 en 3 Februari 1.1. kwamen
hoofdartikelen voor, aan de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee gewijd. Deze artikelen
waren niet geteekend, zoodat dus mag worden aangenomen, dat ze van de Redactie zelve
zijn uitgegaan en deze ze voor haar rekening neemt. De inhoud daarvan was van gansch
anderen toon en strekking dan de beschouwingen, die de Eedactie van ditzelfde blad over het national© vraagstuk in 1888 en 1892 hesft geschroven.
Terwijl toch in de artikelen van Febr. 1.1. ook met het oog op de technische zijde van
het vraagstuk de meening wordt verkondigd, dat alleen van partiëele droogmaking sprake zal kunnen zijn in de volgende bewoordingen:
âDe eenige wijze, waarop hier werkelijk met vrucht land aangewonnen kan worden, is
o. i. de aanleg van bedijkingen van geringeren omvang zooals die van het Hoornsche Hop en het Wier ing er meerquot; y
werd het denkbeeld van bedijkingen van geringen omvang in de artikelen van April 1888 zoo sterk mogelijk bestreden, o. a. met de volgende bewoordingen:
âMen hoort weer in den laatsten tijd spreken van droogmaking van het Hoornsche hop,
de Goudzee enz..............Daargelaten dat.......kan men niet sterk genoeg
waarschuwen tegen het droogmaken bij kleine gedeelten................
Aanwinnen bij kleine gedeelten is tonnen gouds noodeloos in het water werpen, want
technische beswaren van een droogmaking van het geheel bestaan er niet..........
Het denkbeeld van geleidelijk indijken kan niet genoeg worden bestreden.
En terwijl in de artikelen van Febr. 1.1. in scherpe bewoordingen aan het ontwerp van den heer Lely waarmede de Staatscommissie zich grootendeels vereenigd heeft uit een technisch oogpunt weinig waarde wordt toegekend en den ontwerper zelfs een grenzeloos optimisme wordt verweten, leest men in de artikelen van diezelfde courant van April 1892, welke geschreven werden toen het onderzoek der Zuiderzee vereeniging geheel was afgeloopen en de resultaten daarvan waren gepubliceerd, o.a. het volgende:
âDe technische bestudeering van het vraagstuk door ingenieurs onder leiding van den tegenwoordigen Minister van Waterstaat ondernomen, is meer algemeen belangstelling gaan wekken, naarmate hare uitkomsten in de elkander opgevolgd hebbende acht verslagen ter openbare kennis gekomen zijn, en niemand heeft van die stukken inzage kunnen nemen zonder den indruk te ontvangen van de nauwgezetheid, de volledigheid en de onbevangenheid, waarmede ditmaal het denkbeeld van alle zijden getoetst en opgehelderd is.quot;
Aan Heer en Leden, Begunstigers, Deelnemers in de Leening, en Voorstanders der Zuiderzee-Vereeniging.
terwijl die artikelen eindigen met de volgende bewoordingen ,.De Zuiderzee droog te maken is dus niet noodzakelijk. Het te doen volgens het plan der Zuiderzee-vereeniging, is eeue onderneming, zoo degelijk voorbereid, zoo goed doordacht, zoo eervol voor den Nederlandschen naam en zoo veelbelovend voor onze nationale welvaart, dat zij ieders ernstige overweging en levendige belangstelling verdient.quot;
De Hoofdingenieur van den Provincialen Waterstaat in Friesland, tevens lid der voormalige Staatscommissie, heeft gemeend de artikelen van Febr. 1.1. niet onbeantwoord te mogen laten, zond zijne repliek aan den Hoofdredacteur der Nieuwe Rotterdammer Courant, en ontving daarop het volgende schrijven;
âVan iemand, die gastvrijheid komt vragen, mag men althans eischen, dat hij niet âonwellevend en onhebbelijk zij. Dien eisch mag ook de redactie van een dagblad stellen aan âhem, die daarin opneming verzoekt van een ingezonden stuk. Baar uw stuk aan dien eisch âniet voldoet, kan ik de plaatsing ervan niet in overweging nemen.
âHoogachtend enz.
âw. g. J. ZAAIJER.quot;
Ons Bestuur van een en ander kennis bekomen hebbende, acht het van overwegend belang, dat het stuk van den Heer Yermaes niettemin openbaar en onder de oogen van het Nederlandsche Volk, in de eerste plaats onder die van de leden der Zuiderzee-Vereeniging wordt gebracht, daar de mogelijkheid ontstaan zou, dat de gevoelens van de Nieuwe Rotterdammer Courant, een der grootste bladen van ons land, als juist en onwederlegbaar zouden worden beschouwd.
Wij hebben mitsdien de eer u hierbij een afdruk van het artikel des Heeren Vermaes aan te bieden.
Het Dagelijksch Bestuur der Zuiderzee-Vereeniging,
A. C. WERTHEIM, Voorzitter.
Mr. W. A. BERGSMA, Ondervoorzitter.
K. BREEBAART.
Mr. C. J. E. GEAAF VAN BYLANDT.
Mr L. W. EBBING E.
A. VAN LINDEN VAN DEN HEÃVELL.
J. M. TELDERS.
Jlir. Mr. J. E. BACK Eli, Penningmeester.
E. C. YAN DER HOU VEN VAN OORDT, Secretaris.
. â . ' â ' - ^ -⢠' ........... ⢠. quot;i- : i ria
quot; â 'é i quot; . :: : ⢠: â¢
'ï' â ' 'V'quot;/' â â - -if â â
' -W ⢠1 l
â¢
â i\ ... .-quot;iiJW'. VJv.W gt; . , v⢠;'^⢠V
⢠lt; -
â J â¢â¢â¢gt;â w /quot; â ' ' . â .â â â '
: â ' . r
y'- / ' :,-vâ - quot; quot; 1' â
â â â â ⢠V ' â¢'
Sf f ^ f r ^ .. . â â¢? ^ â ;. . ' â t
J . . ⢠â ygt;' ⢠- - ' V ⢠â â â¢Ã¯h'*
â r- 1 â , ; â â ' ,gt;;
â i â ; ^ ^ c ^ ~
â , ^ ⢠; ' - â ^ ; . V-. â¢â -cif?
â â â ' M ' - ⢠; â ⢠â . â -
.
|
- | |||
|
r:,*; | |||
|
A-''- ;.'.v /' A .. ' ' |
' vj- |
tv% | |
|
' : / ⢠v * ''ifpi- |
1 â *6 |
. *gt; | |
|
' *â¢- r. ; tkX | |||
|
. ^V ' | |||
â â â .â - â . â¢â¢ ...
--ââ
â V
|
â â _ __ _____ |
. I â |