ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HET ANTIFEBRINE.

ocr page 6
ocr page 7

HET ANTIFEBRINE.

I' I-i ( ) K T' I : IT I i-' 'r

TEK VERKRIjr.ING VAN DEN GRAAD VAN

POCTOR IN DE pENEESKUNDE

AAN DE U IJ KS-UN1V E US 1 TE IT TE LEIDEN .

OP GEZAG VAN DEN RECTOR MAGNIFICUS.

Dr. A. P. N. FRANCHIMOXT,

UOOCKEERAAR IX DE KACUI.TEIT HEK WIS- EX XATUI RKI SDE, VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN op iMiisilii^ 1lt; DccciiiUor ISS'J. dos namiddags te uren.

DOOK

PIETER nUIJSER,

S, • • •1 «f.

/

\lt;v ■ J

I.EIDEN .

A. II. ADKIANI. ISS'J.

-1

•• v;quot; 'v\

iEBOKEN TE DUBBELDAM. '\lt;sï-

■ i gt; J'

ocr page 8
ocr page 9

y^an Munen Vader

kn

aan de Nagedachtenis Muner Moedepv

ocr page 10
ocr page 11

Het Is mij een (KDH/cHamoi plicht U, Uooylevra/'cii '/lt;/' Medische h\n uitrit, ihmL' te hetniyen com' het can l (/è)ioten Om/ecicijs.

Ontcdni/ coonil ('{)•, If'toi/f/ilin'dt Rosknstein , Hooyijeuchti rcoinolor, mijnen hnrtcHjken (/(inL' coor lt;lr icehcillendh' ilt;l en hulp, di' il' hij hel crccnardij/en can dit Proefschrift con I mocht ondereind' n.

ocr page 12

i 1

ocr page 13

INLEIDING.

Onder do rij der anlipyretica neemt liet antifebrine voorzeker eene voorname plaats in. Voor drie jaren in de geneeskundige praktijk ingevoerd, wordt het thans reeds bij de meest verschillende aandoeningen met het beste succes aangewend. Behalve dat het zeer geroemd wordt om zijne antipyretische werking vindt het sedert de mededeelingen van drjaitnin-ukaimetz, Ciiaucot en Lkpixe ook als nervinum eene uitgebreide toepassing. Zij toch constateerden quot;t eerst de pijnstillende werking van hot antifebrine en na dien tijd werd het bij tal van nerveuze aandoeningen toegediend en voor zooverre de ervaring tot hiertoe leert, is het middel bij een groot aantal gevallen in staat do plaats van het morfine in te nemen. Juist door dit feit vooral komt hol antifebrine eene bijzondere waarde toe, daar het niet te ontkennen valt, dat, zoolang de opiumpraeparaton zulk eene ruime toepassing in do geneeskunde vinden, hot misbruik dat daarvan wordt gemaakt, zal blijven voortbestaan.

i

ocr page 14

Hot moet daarom een verblijdend verschijnsel heeten, dat onze artsenijschat langzamerhand wordt vermeerderd door middelen die, zooals het antifebrine en het reeds vroeger bekende antipyrine, zoo niet in alle, dan toch in vele gevallen door hunne niet geringe kalmeerende werking, de aanwending van het morfine overbodig maken; terecht zegt Erlenmeijkr '): win der strengsten Zurückhaltung mil Morphiumverordnung liegt die Möglich-keit der Morphiumsucht vorzubeugon.quot; Behalve alsanti-pyreticum en nervinum is het ook wel als antisepticum toegepast: in hoeverre het als zoodanig in aanmerking kan komen kan ik niet beoordeelen, daar hieromtrent nog zeer weinig is meègedeeld.

Is het antifebrine van zeer veel beteekenis om zijne werking, niet minder van gewicht is het om zijne samenstelling. De eenvoudige bouw der verbinding geeft den weg aan om dooi- willekeurige substituties andere lichamen te verkrijgen, die eveneens uit een therapeutisch oogpunt van belang zijn, en welke ons mogelijk in staat stellen kunnen, door vergelijking hunner werking, een duidelijker begrip tü vormen van den samenhang tusschen constitutie en werking. Als voorbeeld van een substitutie-product kennen we reeds het phenacetine, dat in 1887 in de praktijk werd ingevoerd en thans eene zeer ruime toepassing in de geneeskunde vindt.

') Eklenmkijkii „ I lie Morphiumsucht und ihre Behandlungquot;

ocr page 15

3

Aangezien ik in de gelegenlieid ben geweest liet antifebrine herhaaldelijk te zien toepassen, heb ik het tot onderwerp mijner dissertatie gekozen. Ik wensch van dit lichaam te beschrijven: de samenstelling, de verhouding tegenover het organisme, de toepassing bij verschillende ziekten, en, in aansluiting hieraan, eenige ziektegevallen uit de geneeskundige manneukliniek te Leiden.

ocr page 16

HOOFD ST l'K 1.

In liet jaar 1880 werd door Dr. A. Cahn en P. Hepp assistenten van Prof. küssmacr., een nieuw middel in de therapie ingevoerd, waarvan zij de antipyretische werking bij toeval hadden gevonden en waaraan zij den naam: antifebrine gaven. Dit lichaam, dat sinds 1853 in de chemie bekend is cn waaraan door Gerhaudt, die het ontdekte, de naam: «acetanilidequot; is gegeven, is een derivaat van het aniline, dus eene stof, geheel verschillend in structuur van de antipyretica, die tot ile chinoline-reeks behooren als: chinine, antipyrine etc. Het heeft tot formule: C^H.NHCO. CH3, is alzoo aniline, waarvan een ll-atoom door de acetylgroep C Hj O is vervangen. De bereidingswijze geschiedt door verhitting van azijnzure aniline: C6 11. NH, O. C O. CH ,, dat door verlies van de elementen van liet water het acet-anilide of antifebrine doet ontstaan. Ook wordt het wel bereid uit aniline met acetylchloride of met azijnzuur anhydride, door zuren en alkaliën wordt het door opneming van water gesplitst in azijnzuur en in aniline.

ocr page 17

D

liet is eon gekristalliseerd poeder, dat bij 113° smolt 011 kookt bij eono temporatuur van 292°; oplosbaar is hot in 1G0 deolon koud, in 25 dooien kokend water. In zuren is het in de koude moeilijk, in do warmte tamelijk gemakkelijk oplosbaar; zoor gemakkelijk oplosbaar in alcohol on in alcoholische vloeistoffen. Op do tong brengt hot oon onaangenaam, eonigszins brandend gevoel van prikkelen teweeg. Het praeparaat mag niet de minste sporen van aniline bevatten; eono waterige oplossing van antifobrino, dat nog sporen van aniline bevat, geeft mot een weinig van oene solutie van natrium hypobromiet een roodgeel praecipitaat

Door Weill') zijn twee zoer gevoelige reacties aan-gogeven tor aantooning van antifobrino in vloeistoffen.

1ste reactie. Do vloeistof schuddon met aether, daarop afgieten, dan tot droog too indampen, op het residu toevoegen eonigo druppels acid sulf. pur., waarna door toevoegen van oon kristal kalium-bichromaat een prachtig rood praecipitaat ontstaat.

2tle reactie. Do vloeistof schudden mot chloroform, daarna afgieten, de chloroforiu laten verdampen, waarna hot residu met salpetorzuro kwikoxydulo oene groene kleur geeft.

Daar ik nog herhaaldelijk op aniline zal moeten terugkomen, wil ik eerst hier iets van dit lichaam meêdeelen.

Naar zijne samenstoliing lieot hot amidohenzol en

') Buil. gén. Je ther. 1887

ocr page 18

O

heeft tot formule: C6I1 NIL, d. i. ammoniak, waai'van een 11-atoom door de groep C011, is vervangen; het is eene Uleurlooze vloeistof, die uit indigo woi'dt verkregen door drooge distillatie of door verhitting met kalihydraat. Gewoonlijk wordt het bereid door reductie van nitro-betr/ol, meestal met ijzervijlsel en azijnzuur, uit het reactie-product wordt het dan door kalk in vrijheid gezet en met waterdamp overgedreven. Ook andere reductie-middelen kunnen gebruikt worden als: tin en zoutzuur, zwavel ammonium etc., in het algemeen die reductie-middelen, welke niet alleen zuurstof wegnemen maar tevens waterstof kunnen toevoeren. Men herkent liet aniline aan de kleurverschijnselen, die door chloorkalkoplossing of door kalium-bichromaat en zwavelzuur worden teweeggebracht; iu het eerste geval is de kleur purperviolet, in het tweede blauw.

Om de verhouding van het anüfebrine tegenover het organisme te loeren kennen, zijn tal van proeven op dieren genomen. De experimenteele onderzoekingen van IIkkczei. ') bewijzen, dat het niet alleen op de temperatuur, maai' ook op de elementen van het bloed en op het zenuwstelsel van het dierlijk organisme werkt en dat de schadelijke invloed zich openbaart, zoodra de dosis te groot wordt of het middel te langen tijd wordt aangewend, lüj konijnen bleek de werking verschillend, al naar mate de autifebrine-oplossing door

') Wiener med, Wochenschrift. 1887.

ocr page 19

7

middel van do maagsonde ingebracht of subcutaan ge-injiceerd werd. Volgens de eerste wijze van apjilicatit! bleken de proefdieren betrekkelijk weinig gealtereerd, zelfs na doses van 1 a 1,5 gr. (d. i 0,6—0,8 gr. per K.G. dier), wat waarschijnlijk met den vullingstoestand «Ier maag in verband stond. De temperatuur daalde 2 a 3° C., de rellexen waren wat verzwakt en binnen 20 ;t 30 min. werd eene lichte analgesic waargenomen, die aan de achterste extremiteiten duidelijker was dan aan de voorste. Voor zooverre het mogelijk was over den sensorischen toestand van dieren te oordeelen, bleken deze wat loom, welk verschijnsel na 8 a 1*2 uren voor goed week. Geheel anders waren de verschijnselen, als dezelfde dosis in warme waterige oplossing subcu taan aan den rug werd geinjiceerd. Binnen 20 a 30 min. waren de rellexen achter meer dan voren merkbaar afgenomen; ei trad op tremor aan de achterste extremiteiten, welke binnen een half uur overging in periodiek schuddende bewegingen, die zich over het geheele lichaam uitbreidden. De bloedvaten van het oor waren sterk gecontraheerd, de retina-vaten niet in het minst hyper-aemisch; de rcspiralie was frequent en oppervlakkig. Ongeveer 90 min. na de intoxicatie waren alle rellexen, 't laatst het cornea-rellex, opgeheven. De temperatuur daalde niettegenstaande zorgvuldige watteninwikkeling 8 a 10° C. (tot 20c alleen de ademhaling bewees dat het dier nog leefde. Na 10 a 12 uren waren de konijnen volkomen hersteld, alleen de temperatuur bleef

ocr page 20

8

nog gedurende een paar dagen 1 a 1,5° onder den norm. Vermeerderde men de subcutane dosis tot op (),!• gr. per KG. dier, zoo waren de reilexen in 5 a 10 min. opgeheven.

De ademhaling eerst zeer frequent werd later onregelmatig en oppervlakkig; motorische prikkelingsverschijnselen ontbraken, ook had geen spontane urineloozing plaats. Binnen (iü a 70 min. traden op: sterke daling van de temperatuur, coma en onder algeineene paralyse de dood. liet blued van de proeldieren toonde reeds 1 ii 2 uren na de intoxicatie veranderingen: macroscopisch bleek het zwartrood, spectroscopisch was methae-moglobine aan te toonen, microscopisch bleken de roode bloedlichaampjes kogelrond te zijn, in enkele gevallen wat gegranuleerd, hun aantal waS niet verminderd: het aantal witte bloedlichaampjes was iu het eerste stadium van inwerking verminderd , in later stadia vermeerderd. Het bloed stolde gemakkelijk, het haemo-globine gehalte daalde 10 ii 18%, nog meer bij langzame toevoeging van groote hoeveelheden antifebi ine. Op beide wijzen van applicatie, hetzij per maagsonde, hetzij sub-cutaan, ontstond haemoglobinurie. De urine reageerde na ile intoxicatie zuur, soms ook neutraal, echter zelden alkalisch, zooals normale urine van konijnen '). In 3 gevallen werden geringe hoeveelheden eiwit aangetoond -),

') W. Kkaitsk. Die Anatomie des Kaninchens 18S4

'J) Naar Wmicii komt normaliter eiwit voor in konijnen-urine.

Komngsberoek meel. Jahrb Ud. Ill 18G1.

ocr page 21

O

die vóór de intoxicatie niet aanwezig waren, tevens was do urine bij al de proefdieren in hooge mate urobiline-houdend.

Lépixe ') vond bij zijn proeven op dieren eveneens verlaging van de temperatuur, eene aanzienlijke verbooging van de energie der bartsactie, vermeerdering van de tensie van den aiteiie-wand, versnelling van den hartslag; eveneens nam hij waar optreden van methaorno-globine in bet bloed; daarentegen vond bij goen verandering van de roode bloedlichaampjes, geen vermindering van het aantal; volgens zijne meening vormt zich het, met-bacmoglobine zonder destructie van de bloedlichaampjes. Hij eene dosis van0,4gr. per Kg. dier nam hij waar werking o]) het zenuwstelsel; er ontstonden tremor en parese, vooral aan de achterste extremiteiten, echter geen stoornissen in het cerebrum; dat o ik de periphere zenuwen werden getrolTen i)leek uit zijne onderzoekingen bij kikvorschen.

Hij vond dat na intoxicatie prikkeling van den ischia-dicus geringere spiercontractie te vooi'scbijn riep dan vóór de antifebrine-toediening en dat onderbinding van de ai t. cruralis met opvolgende intoxicatie de prikkelbaarheid van den iscbiadicus aan de onderbonden zijde grooter was dan aan de niet onderbonden zijilf. Wkii.i.-) vond dat het antifebrine bij doses van 0,02—0,01 per Kg. dier noch bij den mensch noch bij dieren eenige

') Sur Taction de l'acétanilide La Semaine méd. 1886.

lïull. gén. do thér. 1887

ocr page 22

10

stoornis fe voorsdiijn riep, op welke wijze hij het ook appliceenle, hetzij per maagsomle lietzij pei-injectionem; cUiareutegen bij doses van 0,2—0,4 gr. per Kg. dier zag liij optreden: stoornissen in de hartsactie en respiratie, daling van de temperatuur, verhooging van den intra-vasculairon druk. symptomen van collaps na eene korte periode van excitatie. algemeene anaesthesie en analgesie, periphere vaatcontractie, methaemoglobinaemie en vermindering van het oxyhaemoglobine. Als een bewijs welk eene sterke daling van de temperatuur het antifebrine bewerkt, diene het volgende: een konijn, gewicht 1J Kg, per maagsonde ingebracht 1,5 gr. antifebrine in waterige oplossing; na 2.quot;) min. eene daling van 1,6°, na een uur binnen 2 uren 0C en na i? uren 7,7°, na 27 uren succombeeren van het dier. IIaue ') onderzocht achtereenvolgens de werking van het antifebrine, salicylzuur en carbol/uur op dieren èn met normale èn met verhoogde temperatuur.

iüj toepassing van het eersti; middel vond hij, dat dit eene vermindering van de normale temperatuur bewerkte; bij stijging van de temperatuur, door pepsine-injecties teweeggebracht, bleek de werking gering De koortstemperatuur vermindert volgens hem tengevolge van verminderde warmteproductie, terwijl bij dieren met normale temperatuur het antifebrine vermindering

') The influence ot untifelmn. «ilieylic. acid and carbolic, acid on norma! and abnormal bodily temperature Ther. Gaz. 1887.

ocr page 23

11

van wannteprocluctie en vermeerduring van wartnte-af'gave veroorzaakt.

Ki magawa ') deed onder leiding van Prof. E. Sai.kowskv proeven op dieren, tnct hot doe! de werking van antipy-letica op de eiwitomzetting in het organisme te leeien kennen. Tot proefdieren gebruikte hij honden, wier stofwisselingsproducten hij bij applicatie van het antipy-reticmn onderzociit, terwijl hij bij toepassing van antile-biine speciaal, vond, dat liet dier daarvan groote hoeveelheden uitstekend verdroeg; verder vond hij hij kleine doses (2 a gr p. die) nauwelijks verandering in de eiwitomzetting, echter bij grooter doses (4 a 5 gr. p. die) eene zeer sterke vermeerdering van omzetting: gemiddeld 3Uf8 u 35,7 %. ais maximum 77,7 ;i 7lt;S,8 % boven den noirn. Hij merkte voorts op, dat liet antifebrine zelfs in groote doses volkomen van uit den darm geresor-beerd en na verloop van 24 ai ren afgescheiden wordt, en nam waar eene zeer sterke antiseptische werking op de rottingsprocessen in den darm, welke ook door IIkuczei. -) is geconstateerd; deze merkte n.l. op, dat melk, met et'iie antifehrine-oplossing geschud, niet zuur wordt.

Omtrent de veranderingen, die het antifebrine in het organisme ondergaat, meenen Caun en IIeit'') dat het dit voor een gedeelte onveranderd verlaat. Zij gaven n.l.

') Virchow's Archiv CXI 11. ISöt*.

%) Wicni'i' meil. Wochonschrift 1887.

•) lierl. klin. Wochenschrit't. 1887.

ocr page 24

een hond 4 gr. antil'ebrine en onderzochten do urine, dooi' deze in te dampen, het restant met aether te schuilden, daarna met natronloog te behandelen, te wasschen met zwavelzuur en daarop de aether te verdampen; ze hielden nu kristallen over, welke dezelfde eigenschap hadden als het antifebrine en die, met zwavelzuur in toegesmolten buizen verhit, uiteenvielen in azijnzuur en zwavelzure aniline; hieruit blijkt dus het antifebrine werkelijk teruggevonden; zij maakten voorts de conclusie dat ook ongetwijfeld splitsing in het organisme moest plaats hebben, daar zij, na toediening van middelmatig gioote doses antifebrine zoowel bij den mensch als bij dieren toename constateerden van het gebonden zwavelzuur, evenwel konden zij niet aantoonen, welke de verbinding was, die met zwavelzuur gepaard tot uitscheiding komt. Zij vermoedden, dat uit het antifebrine, onder opneming van water, in het organisme o. a aniline ontstond en meenden dat hiervan de antipyretische werking af-hankelijk kon gesteld worden, daar zij zagen dat aniline, als zwavelzuurzout in kleine giften bij lebriele toestanden toegediend, temperatuur en frequentie van den pols doet dalen. Dit vermoeden werd gesteund door de bevindingen van Heuczei. en anderen, die bij hunne proel-dieren, na applicatie van antifebrine, in de urine een van de derivaten van het aniline konden aantoonen n.l. para-amido phenol. Zelfs bij de kleinste subcutaan géin-jiceerde hoeveelheden antifebrine kon Hewzel genoemd derivaat van het aniline aantoonen volgens de methode

ocr page 25

43

van F. Muller: de urine koken met '/, van hare lioe-veelheid geconcentreerd zoutzuur, na afkoeling wat carbol-zuur toevoegen, waarop, na oxydatie met eenige druppels van eene chloorkalkoplossing eene roode kleur optreedt, die na toevoeging van ammoniak prachtig blauw wordt. O. en A Fischer1) toonden aan, dat antii'ebrine met zinkchloride op hooge temperatuur verhit, in eene gele vloeistof overging, die zij llavaniline noemden, en waarbij als tusschenproduct amido-aceto-phenon ontstond. Het llavaniline is eene stof, die de chinoline-kern bevat; was nu in het organisme eene dergelijke omzetting aan te nemen, dan zou het antifebrine naderen tot de groep der chinoline-derivaten, doch ook andere zure aniliden zijn gevonden, welke, zooals benzanilide, eveneensanti-pyretisch werken, waarvan echter eene dergelijke ontleding als van antifebrine niet is waargenomen. Wen-driner a) vond bij eenige zijner patiënten, met antifebrine behandeld . vermeerdering van phenoluitscheiding.

Jaffe en Mildert 2) konden echter evenmin als Sen mieder err 3) bij hunne proefdieren vermeerderde phenoluitscheiding in de urine constateeren; ook bevestigden zij de proeven van Ca hn en Hepp niet, volgens welke antifebrine voor een gedeelte onveranderd in de urine zou overgaan, ofschoon zij zoo nauwkeurig mo-

1

') Rerichte der deutschen chem (iesellschat't. 1882—1884

2

J) Zoitschrilt fur Physiol. Chemie von Hoppk-Seyi.ku 1888. Kil

3

) Archiv fflr experim. Pathoi. und Pharmak. Hd. 8.

ocr page 26

li

gelijk hun methode van onderzoek volgden; zij bevestigden daarentegen de resultaten met betrekking tot het optreden van eene vermeerdering van het gebonden zwavelzuur. Jai-tk en Hilbert vonden bovendien bij hunne proefdieren na antifebrine-aanwending, dat in de urine reeds na doses van 0.3—0,4 gr. constant optrad eene links draaiende stof, welke bij stijgen van die doses toeneemt. De urine van een hom! vertoonde na toedienen van 4 gr. 0,7°/; linksdraaiing, van 0 gr. 1,5%. /.ij trachtten door proefnemingen op honden en konijnen de verbindingen te leeren kennen, die, gebonden aan glvcuronzuur resp. zwavelzuur tot uitscheiding komen. Rij proeven op honden zonderden zij uit de urine twee stollen af; de eene had tot empyrische samenstelling: C-H-—NO., eene kristallijne stof, die na koken met Miu.on's reactief eene zwak roode kleur gaf en bleek te zijn een lichaam, volkomen identisch met ortho-oxy-carbanil, hetwelk hel eerst dooi' Grönvik') is beschreven en door distillatie van oxyphenylurethaan:

wordt verkregen. Welke structuurfor-

mule de juiste is, die van Kalckhoff quot;2): CJl

N

N\

COll,

O

') .Sur Faction tie Féther chloroxycarbonique sur Famidopbénol refer, in Buil do Ia Soc. chimique, 1876.

'■') Chcmisclic Berichte Bd. 10.

ocr page 27

15

NH\

of die van Benpeh-Ciietmicki '): C II, CO. is niel

met zekeriieid bekend.

Volgens de kaixkiioff'sclie formule laat /icli hot ontstaan der veibinding in liet dierlijk organisme, n.!.: door oxydatie van liet antifebrine, liet gemakkelijkst verklaren, liet is een derivaat van het ortho-amido-phenol; volgens de reactie van Kalckiiofk wordt het, met NM3 verhit, gesplitst in CO.., en in ortho-amido-phenol. Het tweede lichaam, wat zij afzonderden, was waarschijnlijk para-amido-phenol met wat ortho-amido-phenol. Aldus blijkt dat bij honden het antifebrine voor een deel als ortho-oxy-carbanil. voor een ander deel als para-amido-phenol, gebonden aan glvcuron- resj) zwavelzuur, tot uitscheiding komt. Ilij konijnen bleek 't hun, dat het antifebrine voor het grootste gedeelte als para-amido-phenol, gebonden aan genoemde zuren wordt afgescheiden. Reeds heb ik meegedeeld, dat Caun en Hepp vermoedden, dat uit het antifebrine in het organisme o. a. aniline zou ontstaan, en dat hiervan de antipyretische werking zou afhankelijk zijn. Om aan te toonen, dat dit vermoeden juist is, heb ik hieraan toegevoegd eenige mededeelingen omtrent de verhouding van het aniline in het organisme. In vergelijking met de experimenteele onderzoekingen van aniline-intoxicaties bleek 't IIergzel -j dat de symptomen

') Chemische Berichte, lid. 16.

■■') Wiener med Wocheuschrift, 1887.

ocr page 28

16

bijna iilcntiscli zijn met die van antifebi ine-vergiftigingcn met dit onderscheid, dat bij snel toedienen van groote doses aniline direct iti den bloedbaan, een min ol meer groot aantal roode bloedlichaampjes te gronde ging, terwijl eene antifebrine-oplossing in den aard van het bloed weinig verandering bracht.

Hij was in de gelegenheid een geval van aniline-intoxicaüe waar te nemen: eon patient met decubitus stelde eene behandeling in met compressen, gedrenkt in eene waterige aniline-oplossing (10 y;), en na eenigen tijd traden op: kolossale cyanose, zwceten, braken, oorsuizen, dyspnoe, onbewegelijkheid van de pupillen, sensibiliteits-stoornissen. daling van de temperatuur (van SO5 tot 3^quot;-), afname van het haemoglobine-gehalte, snelle vei mindering van het aantal roode bloedl. en poikilo- micro- leucocythose. Leloiu ') was in de gelegenheid 3 gevallen van vergiftiging waar te nemen, n.l. bij patiënten, die om psoriaris werden behandeld met compressen, gedrenkt in chloor-hydraat-aniline (Vi ,)) ongeveer l1/-; uur na de applicatie traden op: somnolentie, zelfs bij een der gevallen coma, dyspnoe, onregelmatigheid in de respiratie, aanzienlijke daling van de temperatuur, cyanose aan gelaat en extremiteiten, krampen, dysurie. Bij proeven op honden, waarbij hij chloorhydraat-aniline (2 gr. op 9 Kg. dier) iu de vena saphena injiceerde, nam hij bijna onmiddellijk

') licclioiches cliniques et expérim. sur rempoisonneraenl par l'aniline. (ia/,, mócl. de I'aris. 187'J

ocr page 29

17

na dn injtvtie waar: twee :'i drie zeer diepe inspiraties, opistliotonus met stijfheid van de extremiteiten, convul-sies, die een lialf imr aanhielden, afname van de willekeurige bewegingen, tremor, vermindering van de m ine-secretie, terwijl in de urine optrad fuchsine, geen aniline; hij kleinere doses ontstonden géén convulsies; voorts merkte hij op; sterke daling van de temperatuur; het bloed was teei kleurig en een reuk naar aniline werd waargenomen, tevens bestond haemoglobinaemie; de dood volgde onder toenemende dyspnoe, en wei d volgens Lki.oii! veroorzaakt door de sterke alteratie van het bloed. Starkow 1) meldt van de werking van aniline op het bloed het volgende:

wDie Wirkungen des Anilin auTs lllut kann man mit denjenigen von NMl und Pil, vergleichen. Das Anilin vernichtet gleich dem Nil und I'll das Haemoglobin ohne den llaematinstreifen wieder herzustcllen oder ihn hervorzurufen. Bei der unmittelbaren Einwirkung des Anilin aufs lïlut ausserhalb des Organismus erweist das letztere unter dem Microskope im hüchsten Grade verandert. Man sieht gar keine zerstörten niutkru-perchen aber auch keine Blutkrystalle, nur das herausgellossene l'rotoplasma stelll deutliclie Inselförmig begrenzte und scharfcontourirteMassen aufeinemtruben und feiukrirnigen

') /ur Toxicologie iler Körper der Henzingruppo, des Nitroglyzciins etc. Archiv t'ür Pathol. Anat. und Phys. lid. 52.

2

ocr page 30

18

Felde darquot;. SciiuciiAnnT ') vond bij proeven op kikvor-schcn en konijnen: heftige krampen, verlaging van dc temperatuur, stoornissen in de sensibiliteit, echter geen werking op de pupillen. Winogradow -) nam na toepassing bij epilepsie en chorea, afname van de verschillende qualiteiten van het gevoel waar, wat Herczei. constateerde voor antifebrine in groote doses; alleen bij middelmatig groote doses leverde de farado-cutane sensibiliteit nauwelijks verschil op vóór of na de toepassing van antifebrine. F. Muller1) zag bij een geval van aniline-intoxicatie optreden: in het bloed methaemo-globine, in de urine para-amido-phenol, voorts krachtige en groote pols, versnelde respiratie, heftige cyanose, coma, succombeeren van den patient 24 uren na de vergiftiging. Schmiedeberg J) toonde aan, dat, evenals na toediening van het antifebrine, ook na aniline-aan-wending toename van het gebonden zwavelzuur in de urine was te constateeren. Hij nam tot proefdier een hond, 10 Kg. in gewicht, welke gedurende de proef-dagen 500 gr. vleesch pro die gebruikte; de hoeveelheid gebonden zwavelzuur werd bepaald vóór en na de aanwending van aniline.

1

) Deutsche mod. Wochenschrift, 1887.

*) Archiv f. experim. Path, und Pharm. Bd. 8.

ocr page 31

lil

Tor opheldering iliene de volgende tabel:

c?

Anilino in

1 irainiM.

~ O

1I.,S04 in suil', gem.. '2 t ure li.

Gep. IIa S04

O,

gem. quot;24 uren.

Gep. H5S()4

boven den norm.

AANM.

1

—

500

(l.S'iHO

0,2198

—

—

gt;2

—

350

1.47 IS

0,1422

—

1 ^

3

0,550

OOI!

0,9837

0,7344

0,5479

O *

4

0,70(1

54 ï-

355

ü,Sr,S-2 1,4434

0,8410 0,2737

0,0545 0,0872

o' ao /. _

G

—

'i(»0

1.08-211

0,1800

—

-= z

7

—

050

1,300!»

0,25(17

—

s

0,040

050

0,7228

0,0490

0,7025

O Cl

0,750

550

0,0750

(),7G17

0,5752

O __r

10

—

450

1,2540

0,5706

0,3841

3 S

— UJ

—

350

—

0,1277

—

Het blijkt nu, dat de geheele toevoer aniline tot vorming eener gepaarde verbinding met zwavelzuur heeft gediend. Nadat hot disponibele zwavelzuur bijna volkomen uit de urine was vordwonon (OJc dag), zag hij de eerste vergiftigingsverschijnselen optreden, en trok hieruit het besluit, dat eerst dan de vergiftiging plaats heeft, als al het disponihle zwavelzuur in het organisme tot vorming eener gepaarde verbinding is verbruikt.

Resumeerendo alzoo de door genoemde autoren ver-

ocr page 32

•20

klogen lesultaton bij luimio expei iineiiteele onderzoo-kingon op dieren, hlijkt ons het anlifebrine vul. eeno tweeledige werking te ontvouwen, èn tiie op het bloed en die op het zenuwstelsel. We vinden naast de veranderingen in de elementen van het bloed daling van • Ie temperatuur, vermeerdering van den intravasculairen druk. stoornissen in de innervatie van de ademhaliugs-beweging en harts-actie, vermindering der rellexprikkel-baarheid etc., alzoo stoornissen in de normale automatische functies der medulla oblongata en verschijnselen, die op eetie depressie van het ruggemerg wijzen, voorts periphere vaatcontractie, m a. w. ook invloed op de vasomotorische centra. De verandering, die liet anti-febrino in het organisme ondergaat, is slechts ten deele bekend; ongetwijfeld wordt het voor een gedeelte gesplitst in aniline, welks splitsingsproduct (para-amido-phenol) in de urine is aan te toonen. Vergelijkende de verhouding in het organisme van het aniline met die van het antifebriue zien we, dat in vele opzichten overeenkomst bestaat, zoowel in werking als in veranderingen, welke beide lichamen daarin vertoonen. De bewering van Cahn en Hepi», als zou de werking van antifebriue alleen afhankelijk zijn van die van het aniline, berust dus op goede gronden.

ocr page 33

II 00 POST UK II.

Na ti! hebben leercn kennen de verhouding van het antifebrine in het dierlijk organisme, wensch ik thans eenige mcdedeelingen te laten volgen over zijne toepassing bij verschillende ziekten.

('min en Heit hebben het antifebrine in hoofdzaak aangewend bij typhus abdorninalis, verder bij gevallen van erysipelas, lobaire pneumonie, rheumatismusarticn-lorum acntus, phthisis pnlmonum en bij nog andere met koorts gepaard gaande ziekten. Hij malaria bleek het antifebrine absoluut onwerkzaam, terwijl men met cbinine de gewenschte uitwerking verkreeg. Zij gaven in het begin steeds kleine doses antifebrine, gewoonlijk 0,250 gr. pro dosi, om latei', zoo noodig, deze te ver-grooten. I!ij patienten met chronische koorts, als plithisis puhnonum, was in de meeste gevallen genoemde dosis, s middags tusschen 12 en I uur toegediend, voldoende om de avond-exacerbatie van de temperatuur te voorkomen. r.ij patienten met hardnekkige koorts echter, was deze gift meestal onvoldoende om volkomen remissie

ocr page 34

oo

teweeg le brengen; in dergelijke gevallen gaven ze 0,5 gr. pro dosi, soms zelfs 1 gr waarop dan nog dikwijls na een uur 0.250 gr. — 0,5 gr. werd toegediend om den tijd van de apyrexie te verlengen, liet anti-febrine werd gegeven in pulvis, oblaten of in wijn; het bleek dat 0,250 gr. in werking gelijk stond met ! gr. antipyrine. 't Meest energiek werkte het. wanneer het gegeven werd tegen het stijgen der temperatuur, evenals dit het geval is met chinine, waarvan tloor Liebeumeisteu is aangetoond, dat dit des te sterker zijne werking uitoefent, als deze samenvalt met de spontane remissie; desniettegenstaande dienden Caun en Hepp het antifebrine toe 's middags, met liet doel de avond-exacerbaties te onderdrukken, opdat depatienten gedurende den nacht niet behoefden gestoord te worden door het voortdurend opnemen van de temperatuur. Nooit overschreden zij de dosis van 2 gr. pro die. Zij raadden aan voorzichtigheid in de doseering bij zwakke individuen, daar enkele malen bij dergelijke patiënten, na eene dosis van 0,5 gr. lichte collapsverschijnselen werden opgemerkt. Reeds na een uur is de temperatuur gedaald, gewoonlijk gepaard met wat zweetafscheiding; door anderen wordt zelfs van profuse zweetsecretie gesproken. Ook maken zij melding van bij sommige patiënten gedurende de apyrexie optredende cyanose, welk verschijnsel ook door vele andere autoren is waargenomen. De duur der werking is afhankelijk van de hoogte en hardnekkigheid der koorts, van de grootte

ocr page 35

23

der dosis en don tijd van aanwending. Do laagste stand van de temperatuur werd na 3—5 uren bereikt en eene daling van 1.8—3° waargenomen. waarop spoedig weder stijging volgde; het dalen van de temperatuur verloopt zonder eenige stoornis, terwijl de patienten zich verbeterd gevoelen.

Bij sommigen werd opgemerkt vermeerderde eetlust, vermindering van de polsfrequentie, verhooging van zijn spanning. Specifieke eigenschappen hebben zij niet geconstateerd Alb. Frünkel ') gaf bij de behandeling van febris tvphoidea 0,1 — 0,15 gr. pro dosi, en diende liet toe in solutie n.1.; antifebrini 1. aq. distill. 00, spir. rectilicat. 10, alzoo van 1%. Hij zag steeds goede resultaten; bij enkele patienten bemerkte hij profuus zweeten gedurende het dalen van de temperatuur; de apyrexie werd eenige ui en onderhouden. Dergelijke kleinere doses worden door Caiin en Heit afgekeurd, daar volgens hunne ervaring het antifebrine zoodoende minder energiek werkt; immers het wordt, evenals chinine, geresorbeerd zijnde, spoedig uitgescheiden, en voor het gunstigell'ect moet een voldoend quantum van het middel in het bloed aanwezig zijn, zoodat zij aanraden om eerst door grootere doses Ij. v. 0,5 gr. volkomen apyrexie te bewerken, en deze daarna door kleinere doses als 0,1 gr. langer te onderhouden. Riese -) behandelde met antifebrine

') Deutsche mod. Wochenschrift. 1886.

') Deutsche mod. Wochenschrift. 1886.

ocr page 36

24

febik-iteeronde patiënten, waarondei' gevallen van typhoid, rheinii. artic. acutus, lobaiie pneumonie, pleuiitis ex.sudativa en phthisis puhnoiumi; hij had het meeste elTect bij typhoid; lang echter kon hij de apyrexic niet onderhouden. Alle '2 uren werd eene dosis van 0,2—0,3 gr. toegediend, bij enkele patiënten alle uren 0,25 gr. Na verloop van een uur constateerde hij steeds daling van de temperatuur, welke na G a 7 uren haar maximum bereikte, en na 10 a 12 uren weder steeg. Hij rheum. aitic. acutus werd de koorts, zoolang de zwelling aan de gewrichten nog bestond, eerst na grootere giften n.1. van 1 gr. pro dosi tot \ gr. pro die bedwongen, lüj lobaire pneumonie werd het antifebrine toegediend in het stadium acmes van de temperatuur en wel alle uren 0,250 gr. tot 3 a i keer; aan krachtige individuen gaf hij 0,5 gr. pro dosi 2 a 3-maal daags; ook hier werd na een uur daling geconstateerd, en was na 4 a 5 uren het maximum bereikt. Bij pleuritis exsu-dativa werd 's avonds 2 tot 4 maal eene dosis van 0 5 gr. aangewend. Hij zijne gevallen van phthisis pul-monum bewerkte reeds eene enkele dosis van 0 25 gr. I-cue apyrexie van 12 uren. In al deze genoemde gevallen constateerde hij verminderde frequentie van den pols en verhoogde spanning van den arterie-wand, afname in de respiratie-frequentie, vermeerderde eetlust en soms matige toename van do diurese, welk laatste verschijnsel ook enkele malen door Caiix en Mepp was opgemerkt; voorts nam hij waar; profuse zweetafscheiding, gepaard

ocr page 37

met vermeerderd gevoel van dorst bij de daling der temperatuur, soms bij liet weder stijgen heftige koude rillingen. Hij noemt het antifebrino een specilieum liij rheum. artic. acutus. Omler 2 gr. pro die waren gewoonlijk in 5 dagen alle pijnen verdwenen, de zwelling opgeheven en bleet' de temperatuur normaal. Bij eenige patienten trad recidici' op; hij verkiest het verreweg boven het acid. salicyl., daar het eerste sneller werkt en nooit met eenige onaangename bijwerking gepaaid gaat.

Guttmann ') wendde liet antifebrine aan als antipyretic.im, antirheumaticimi en antisejiticuni; hij bevestigde de meening van Caiix en Hepp, dat kleine doses in korte tusschenruimten gegeven, bijna geen werking hebben, en vond als de beste dosis bij volwassenen 0,25—0,75 gr., bij kinderen 0,1—0,15—0,25 gr., terwijl hij bij hardnekkige koorts bij volwassenen ook wel 1 gr. pro dosi gaf. Vooral raadt hij het aan in de kinderpraktijk, waar geringe doses direct het gewenschte elfect gaven; het is volgens hem het besle koortsmiddel bij typhoid; tot het einde der derde week gaf iiij 's morgens en 's avonds 0.5 gr en verkreeg steeds eene apyrexie. die soms tot (i uren aanhield; de algemeene toestand verbeterde. Als antirheumaticimi is het bovenal te verkiezen zoodat hij het evenals Riesi: , een specilieum bij rheum. artic. ac. noemt, ilij behandelde

') Berl klin Woohoiischrift 1SS7

ocr page 38

2(5

de volgendo ilieumatischo aaiulocningen met gunstip

succes:

[jolv- en monartluitis acuta 'gt;2 gev.

» » » chron. 'il» »

algemecne rlieum. .... Ib7 »

Te zamen 248 gev.

Oncier algemecne rlieumatismus rekende hij iheuma-tische aandoeningen van veischillenden aaid, als: spier en zenuwpijnen, rheumalisclie hoofd- en aangezichtspijnen en pijnen, optredende bij arthritis urica. Hij gaf als antirheumaticum 0,75—I gr. pro dosi, twee-tot driemaal daags. Sommige dezer patiënten, die jaren achtereen saiicyl. natric. hadden gebruikt, gaven onmiddellijk de voorkeur aan het antifebrine, daar dit snel werkte, geen onaangename bijwerking had en zeer goedkoop was. Wat betreft den duur der behandeling had hij dezelfde gunstige resultaten als Kiese , n.1. bij poly-arthritis rheum, acut. na eene aanwending van gemiddeld 7 dagen, zelfs bij deze aandoening in alle gewrichten; bij andere gevallen na 1—3—i dagen. Bij chronische rheumatismus bedwong hij met antifebrine in weinige uren iedere exacerbatie van pijnen Bij enkele gevallen nam hij waar cyanose aan lippen en wangen, welke stoornis na een half tot een uur voorbijging, voorts vermeerdering van eetlust en verbetering van den algemeenen toestand. Als antisepticum wendde hij het aan als strooipoeder op

ocr page 39

27

wonden on had ook hiermede goede resultaten. Eiseniiaut ') nam eveneens de gunstige werking waar van het anti-febrine als antirheumaticum. In liet algemeen was de werking van dien aard, dat reeds na de eerste dosis pijnen, koorts en zwelling afnamen. Bij lichtere gevallen trad genezing op na 3-, in meer ernstige na 5 a (i dagen. Den eersten dag werd gegeven: 1,5 gr., den tweeden en derden dag 1,5—2 gr., dan werd als proef het antifebrine één dag niet toegediend. Prophvlactisch tegen recidief werd nog verscheiden dagen 4 maal daags 0,23 gr. pro dosi gegeven ; als bijwerking nam hij enkele malen waar cyanose en prolans zweeten, welk laatstgenoemd verschijnsel hier in geringere mate aanwezig was dan bij andere aandoeningen. Eenmaal werd waargenomen een eigenaardig exantheem, waarschijnlijk van de antefebrine-kuur afhankelijk. Een patient kreeg n.l. op den G^en dag van de behandeling met antifebrine tegen rheum. artic. ac aan de voorzijde van het lichaam, vooral over de extremiteiten verbreid, een maculeus exantheem, bestaande uit helderroode vlekken, voor een gedeelte conflneerend en eenigszins jeukend; het gelaat was vrij en eene lichte graad van conjunctivitis was aanwezig; na :gt; dagen verdween het spontaan. Giiüneherg ^ had uitstekende resultaten bij typhoid; naar zijne ervaring moet er met de doseering rekening gehouden worden

') Allgemcino medic Centralzeitung. 18X7 ') liurl klin Wochenschrilt.

ocr page 40

28

met het stadium acmes, en het stadium decrementi van de koorls. In liet eerste geval was hij genoodzaakt (1.5 gr. pro (idsi te geven om hetzelfde effect te bereiken, dat hij verkreeg dooi' toediening van 0,25 gr. pro dosi in liet tweede geval. Hij vermeldt verder een geval van typhoid, waarbij 's morgens eene enkele dosis van 0,5gr. voldoende was om de temperatuur te doen dalen, terwijl hij voor de avondtemperatuur eerst na toediening van van 0,5 gr. (3—ri maal herhaald), hetzelfde resultaat verkreeg; ook hij constateerde menigmaal profuse zweet-afscheiding bij de remissie van de temperatuur en vaak bij het weder stijgen heftige koude rillingen, die echter, wanneer het antipyreticum eenigen tijd \v;is toegediend, uitbleven. Kuiegku ') noemt het antifebrine een uitstekend koortswerend middel bij typhoid en intermittens, minder energiek bij lobaire pneumonie, pleuritis en febris puer-peralis. Hij geeft bij volwassenen 0.8—1 gr. pro dosi, dus grootere doses dan de genoemde autoren; pro die gewoonlijk 3 gr. De werking verdwijnt na G :ï 10 uren; met betrekking tot de cumulatieve werking zegt hij. «Mit Ausnahme einer regelmiissig erkennbaren Cyanose der Wangen und sichtbaren Sdileimhaute waren keinerlei Kebenerscheinungen zu bemerken, auch keine nrech-neigungquot;. Hij constateerde ook eene gunstige werking op het digestie-apparaat; als antisepticum wendde hij het aan als pulvis of in collodion opgelost Huüer2) vermeldt

') Ontnilblatt t'ür klin Mciücin. 1S8G

•) Corr Blüttr t'ür Schweizer-Aerztu. 1887

ocr page 41

9lt;)

lt;ri!vallen, dit' hij met antifebrine i)ehanilelile uit de Ziiriciier Kliniek; evenals Gui'inkiuckg constateerde nuk hij twee verschijnselen, welke door Caiin en IIktp niet worden vermeld, n.1.; prnfnse zweetafscheiding gediirondo het dalen van de temperatuur en heftige koude rillingen hij het weder stijgen; hij meent dat door zorgvuldige dosee-ring deze verschijnselen worden voorkomen. Behalve de goede werking hij typhoid, prijst hij het antifebrine zeer hij phthisis, waar met kleinere doses de exacerbatie van ile temperatuur werd voorkomen. Ook bij malaria constateerde hij eene goede antipyretische werking, eehtei geen specifieke zooals dit hekend is van chinine. IJehalve daling van de temperatuur zag hij de frequentie van den pols afnemen: bij volwassenen gaf hij pro dosi 0,25 gr., hij kinderen 0.1—O.l.) gr. Kvenals Kiskniiaim vermeldt ook hij een geval van exantheem als gevolg van antifebrine-behandeling: het deed zich voor als donkerroode, geïsoleerd staande vlekken; enkele malen nam hij lichte collaps-verschijnselen waar. Movisset ') diende het antifebrine toe bij zijn patiënten, lijdende aan typhoid, een uur vóór het stijgen van de temperatuur: hij constateerde naast de snelle daling, vermeerderde energie der hartswerking, vermindering van de pols-frequentie en euphorie; behalve cvanose constateerde hij bij verscheiden patienten vermindering der urine-secretie, zooals uit zijne woorden volgt: »nous avons observe

') Lyon mod. 188()

ocr page 42

rui

choz plusieurs lt;lc la cyanose ot la diminution de la sócrétion urinairequot;.

Heinzelmann ') gat' bij zijn patiënten met koorts 0,25—0,5 gr. pro dosi en vond steeds daling van de temperatuur; het maximum van daling werd na '2—4 uren bereikt, waarna spoedig stijging optrad; ook liij constateerde profuse zweetafscheiding; de algemeene toestand verbeterde; eenmaal zag iiij mydriasis na anti-febrine-aanwending optreden ('avldwkli. 1) wendde het antilebrine aan bij 30 phthisici en had bij allen gunstige resultaten; de algemeene toestand werd verbeterd; ile diurese nam toe. Hij gaf pro die 1,25—2gr. Faust ') raadt aan bij volwassenen met eene dosis van 0.25 gr. te beginnen en deze latei' zoo noodig te vermeerderen. Hij kinderen geeft hij als vaste regel voor de doseering aan: zooveel centigrammen pro dosi als het kind jaren telt. Dat de koortswerende werking energiek kan zijn, blijkt uit zijne hier volgende mededeelingen; bij een patient, lijdende aan typhoid, daalde na toediening van 1 gr. de temperatuur van 40,5 tot 35,°; bij twee andere dergelijke patienten van 40,8 tot 34,0°; bij een anaemiseh patient, lijdende aan phthisis, daalde de temperatuur na eene dosis van 0,25 gr. van 39,8 tot 34,8°. Wf.instein ') vond dat het antifebrine uitstekend werkte als anti-

1

) The medical Record. 1887.

ocr page 43

31

pyreticum, antirheutnaticum cïi als nervinum. ilij hail liet moeste succes na aanwending als antijiyieticuin bij erysipelas en intermittens. Pro dosi gal'hij 0,125—0,25 gr , na 'J—4 uren kon hij eene daling van 3° constateeren; als cumulatieve werking werd waargenomen: cyanose, profuse zweetsecretie en heftige koude rillingen. Als anti-rhoumaticum gaf hij alle 2 uren 0,25 gr. tot 1,5 gr. pro die; dezelfde doses werden gegeven, wanneer liet als nervinum werd toegediend. Sahi.i ') wendde het met goede resultaten aan bij gevallen van diphtheritis; vooral werd het subjectieve gevoel der patienten zeer verbeterd. Ilij diende het toe in schudmixtuur. Haas2) wendde het antifebrine aan bij 7 gevallen van ernstige vormen van variola; chinine en antipyrine bleken tegen de hierbij optredende hardnekkige koorts werkeloos. In relatief kleine doses aangewend, werden de avondexacerbaties van de temperatuur geringer en de algemeene toestand beter: het bleek hierbij een goed hypnoticum te zijn. Widowitz '') pastte het antifebrine uitsluitend toe bij kinderen en constateerde steeds gunstige werking bij febriele toestanden; ook de algemeene toestand der kinderen bleek gunstig geinlluenceerd te worden: terwijl ze te voren onrustig waren, verdween dit verschijnsel reeds '/, uur na de aanwending. Ilij diende het toe als

') Corr. lil 1. Schweizer Aerztc 1889. 'J) Wiener mod. 1'resso 1887. 3) Wiener med. Woclienschrif't. 1887.

ocr page 44

\V2

pulvis, in doses van 0,1 gr. voor kinderen van \ jaren en daar beneden, voor ouderen 0.2—0,3 gr. pro dosi; de dosis pro die was al liankelijk van de hoogte der lemperatuur en werkzaamheid van liet medicament.

Tot heden heh ik alleen gevallen meegedeeld, waarhij het antifehrine in hoofdzaak als antipyreticum werd aangewend, thans wil ik eene reeks van gevallen vermelden, waaruit men kan zien, in welk eene ruime toepassing en met welk een gunstig succes het als nervinum wordt toegediend.

Reeds ('aiin en IIepp ') maakten melding, dat in enkele gevallen de fehriciteerende [latie.nten gedurende de apy-rexie in diepen slaap werden gedompeld. Zij schreven dit eITect meer toe aan de antipyretische werking dan wel aan eenen directen invloed van het antifehrine op het zenuwstelsel; ook maakten zij melding, dat hij twee hunner proefdieren, waaraan groote toxische doses waren toegediend , stoornissen in het zenuwstelsel optraden.

l it de experimenteele onderzoekingen van verschillende autoren hebben we gezien, welk een grooten invloed het antifehrine op het zenuwstelsel uitoefent. Reeds is meêgedoeld, dat Oi JARniN-BEAUMETz, Lkpine en Charcot 't eerst melding maken van de gunstige werking op het zenuwstelsel van den mensch. Lki'INE -) wendde het antifehrine 't eerst aan tegen tie zoo lastig te bedwingen

') Centralblatt für klin. Medicin 1880. Semaine médicale 1886.

ocr page 45

liincineeioiuh; pijnen Itij tabes dorsali.s; lt;l:it liij uitste-kende resultaten liad. blijkt uit zijne bier volgende mededeeiing;

»()ii sait (|ue les douleurs fulgurantes des Tabétiijues font le désespoir des inalades et des médicins. .Ius(ju'ici je les ai toujours vues se calmer comme par encbante-nient pai' une ou deux doses de 0,5 gr. d'acétanilide. (quot;est au bout d'une derni-beure ipie les inalades se trou-vent soulagés saus éprouver (Tailleurs aucun pbénornène concomitant.quot;

Duj a ruin- li F, mm etz 1) wendde bet antifebrine aan: 1quot;. tegen pijnen in bet algemeen, 2quot; togen pijnen , speciaal optredende bij tabes, ;5n. legen epilepsie. Hij liad gunstige resultaten bij neuralgiscbe pijnen; bij pijnen, optredende bij neuritis; bij rbeumatiscbe gewriebts- en spierpijnen kende bij aan bet antifebrine eene veel boogere waarde toe dan aan bet voorbeen daartegen aangewende acid. salicyl. Hij de tweede reeks van gevallen, n.1.; bij de bij tabes optredende pijnen en biervan vooral tegen de lancineerende pijnen, was de werking onovertrefbaar.

Wat betreft den duur van bet succes verhield zicli dit verscbillend; bij sommigen was bet resultaat steeds gunstig, bij anderen bleek het middel, na toediening van ongeveer 14 dagen, zijne werkzaamheid verloren te

') liull. rüu. do tluT. De riicétimiliile conimi' nuHlicamcnt süilatit du système nerveus.

ocr page 46

liobhen, ondanks ook men was overgegaan tot grooter doses. Toch kan dit feit aan de waarde, die liet anli-febrine bij tabes toekomt, niets afdoen, daar de pijnen, welke bij deze aandoening optreden, in karakter en in oorsprong zoozeer verschillen, dat liet st ellig niet mogelijk is, dat één geneesmiddel aan al die eisclien kan voldoen. We kunnen met Dlmaudin instemmen als hij zegt: »les douleurs fulgnrantes paraissent ètre modifiées trés-henreusement par racétanilide.quot; Met betrekking tot de werking bij epilepsie, beschikte hij slechts over een beperkt aantal gevallen. die met gunstig gevolg werden behandeld, waaronder een, waarbij langen tijd grootc doses bromium waren toegediend zonder eenig succes; na toediening van 1,5 gr. antifebrine pro die bleef verder iedere aanval uit: gewoonlijk gaf hij pro dosi 0,5 gr. 3 tot 4maal daags. Wat hem vooral frappeerde bij de behandeling met antifebrine was, dat, terwijl het bij febrile toestanden sterke daling van de temperatuur te voorschijn riep, het bij zijne niet febriciteerende pa-tienten, n.1.; zijne patienten met nerveuse aandoeningen, niet de minste werking op de temperatuur uitoefende, zelfs niet in grootere doses. Weiu. ') vermeldt eveneens goede resultaten bij 2 gevallen van epilepsie, waarbij pro die 1,5 gr. was toegediend; sedert men begonnen was met antifebrine-behandeling, was geen enkele aanval meer bij deze patienten opgetreden. Ook hij be-

') Huil. gén. ili' théraii. 1887.

ocr page 47

vestigt (li; mededeeling van Di jarhin , ilat n.l. bij niot iebiiciteerendt! patiënten liet antifobiine niet de minste werking op de temperatuur uitoefende. Sai.m ') deelt de resultaten mede, verkregen bij 11 patienten, die, lijdende aan epilepsie, met antifebrine werden behandeld, lüj 7 dezer patienten constateerde hij. sedert het begin der aanwending, eene toename van het aantal epileptische aanvallen, doch moet hier wel in het oog gehouden worden, dat deze langen tijd bronnumpraeparaten hadden gebruikt en dat 't dus mogelijk was, dat, daar men opgehouden had deze toe tc dienen, hier als gevolg de toename der aanvallen te verklaren was. liet bleek hem dat bij alle 11 gevallen met de aanwending van het antilebrine geen noemenswaardig resultaat was verkregen, zoo blijkt uit zijne hier volgende mededeeling: nWenn bei Kiuzeln eine seriimfiiaifire Abiiahme derZahl

O O O O

der Anfalle eintrat, so hat dafiir bei Andern die Zild erheblieh zugenommen. .ledenfalls fallen aber alle diese l mterschiede in das Bereich der gewöhnlich bei Kpilep-tikern vorkommenden Sehwankungen mul geben somit keine Anhalt fiir die Annahme dasz das Antifebrin ein die Epilepsie giinstig beeinllussendes Mittel seiquot;. iüj bijna al deze patienten constateerde hij, sedert de behandeling met antifebrine, eene min of meer sterk uitgedrukte cyanose, die hij toeschreef aan het optreden van metbaemoglobine in het bloed: het bloed echter door ('aiin

') Neuroi. Ccnlvallilatt. 1SS7.

ocr page 48

HG

uiulerzoclit, bevatte volgens dezen geen nietlmemoglobine. Fai ue ) verkreeg eveneens slechte resultaten met antl-febrine-toediening bij epilepsie. Hij bebandelde gedurende maand 5 patienten, lijdende aan epilepsie, met 1 tot 2^ gr. antifebrine pro die : bij constateerde, dat gedurende dezen tijd het getal epileptische aanvallen aanmerkelijk was toegenomen. Skcrktan -') had uitstekende resultaten bij patienten, lijdende aan nerveuze aandoeningen van verschillenden aard; hij schreef aan het antifebrine hoofdzakelijk oene antineuralgische werking toe. Falst3) maakt melding van uitstekende resultaten bij migraine, welke na eene dosis van 0,5—1 gr. antifebrine week. Hij komt door tal van waarnemingen tot de conclusie, dat vooral die hoofdpijnen door antifebrine worden geinfluenceerd, die ontstaan door eene gebrekkige bloedverdeeling binnen de schedelholte en van deze, die het best. welke be-rusten op abnorme vulling der bersenvaten; hij neemt aan eene werking op de vasomatorische centra. Fischf.k 4) behandelde 10 patienten, lijdende aan tabes, met antifebrine, vooral met het oog op de bij dit proces optredende lancineerende pijnen; slechts bij één geval had hij geen succes; de werking trad gewoonlijk na 30 a 90 min. op; was er geen werking waar te nemen dan werd eene tweede dosis toegediend; pro dosi gaf hij 0,5 gr. en

Verhand hingen der tioc. de liiol. li Paris, 1887. •') [levue med de in Suisse roruando. 1887. 'l Deutsche med. Wochenschrift, 1887. ') Münohner med. Wochenschrift. 1887.

ocr page 49

37

liet, zooilra zicli verschijnselen van een aanval vertoonden, twee poeders van 0,25 gr. aanwenden; daarop weid zoo noodig nog eene dosis van 0,25 gr. gegeven. Het gunstigst scheen liet antifebrine te wei ken bij aanvals-gewijze optredende pijnen. Seiffert ) wendde het antifebrine aan bij gevallen van trigeminus-neuralgie, bij dilTuse hoofdpijnen zonder bepaalde localisatie, bij migraine en pijnen optredende in litteekenweefsel. Overal waar de pijnen aan val sge wij ze optraden werd eene dosis van 0,5 gr. toegediend; waren na 1 of 2 uren deze niet voldoende geweken dan werd nog eene dosis va?i 0,5 gr. gegeven en zoo noodig nog eene dorde dosis van 0,5 gr. Bij pijnen, die contenu of onregelmatig optraden, werd 3-iiiaal daags eene dosis van 0,5 gr. toegediend en wel: 's morgens, 's middags en 's avonds, gedurende 8 dagen: hij had in bijna alle dergelijke gevallen goede resultaten. Dkmikvii.i.e quot;) heeft bij 80 gevallen het antifebrine als nervinum aangewend. Hij gaf pro dosi 0 5 gr. tot 4 maal daags, enkele malen ook wel 0,75—1 gr. pro dosi. Hij constateerde dat, terwijl bij febriele toestanden 0,25 gr. pro dosi voldoende was voor eene antipyretischo werking, grooter doses noodig waren, waar bet gold pijnen te onderdrukken. De pijnen verdwenen na } —1 uur, menigmaal nam hij bij de patiënten neiging tot slapen waar. Hij had vooral goede resultaten bij gevallen van lumbago,

Wiener med. Wochensehril't, 1887. '•'/ Itevue med. de Ia Suisse romande, 1887.

ocr page 50

38

iiitorcostaal- en Irigoininus-neuralgion, alsmede gunstige fesullati'ii bij tabes, ongunstige daarentegen bij eiiilepsie. IIkrczei. ') pastte liet met veel succes toe tegen pijnen, uit welke oorzaak ook ontstaan, als: tegen irradieerende pijnen en zulke, die optreden bij acute en chronische ontstekingen enz.; ook tegen slapeloosheid; bij neurosen als chorea en epilepsie; de werking trad op na 20 a 30 min.; pro die gaf bij v2—2,5 gr. lliRSCii') wendde het antilebrine aan als hypnoticum; bij kwam tot de con-ilusie, dat de werking van dien aard is, dat chloral, am vleen-bydraat of andere hypnotica niet door antifebrine kunnen vervangen worden. Alleen bij febriele toestanden kon bij in vele gevallen naast de antipyretische- ook de bypnotische weiking waarnemen. Als antineuralgicum, zoo de neuralgie op rheumatische basis berustte, bleek bet werkeloos te zijn , eveneens bij hemicrania sympathico-paralytica; daarentegen gunstige werking bij tabes. Hij raadde aan bij volwassenen pro dosi 0,5 gr te geven en wanneer deze dosis geen ellect had deze na 30 a 40 min. te herhalen.

1 it het aantal meegedeelde gevallen blijkt, dat van tijd tot tijd, na aanwending van het antifebrine, cumulatieve werking optrad, zonder echter onaangename gevolgen voor de patiënten teweeg te brengen: toch zijn er enkele gevallen vermeld, waarbij eene meer einstige,

'( Wiener med. Wochcnschrift, 1887.

quot;) Ueber lt;lic Schmer/.stillonde Wirkung des Antifebrin und Anti-pyrin. Vortrag gehalten im ilrztlichen Verein, 1888.

ocr page 51

:w

zl'lls gevaarlijke; bijweiking optrad. Zoo deelde Mkueu ') een geval mede van een i{8-jarigen boekbinder, die na eene dosis van '2 gr. in eens gebruikt te hebben, na 24 nren nogmaals '2 gr. innam. Een kwartier na deze laatste dosis traden op: koud zweeten, gevoel van vermoeidheid, duizeligheid, angst, haltkloppingen, kleine en frequente pols, cyanose aan het gelaat en handen: na het gebruik van thee, toediening van ricinus-olie en applicatie van mostaard pappen, weken deze verschijnselen langzamerhand. Demmk2) zag bij aan erysipelas lijdende kinderen, na antifebiine-aanwending, digestie-stoornissen optreden Kkonkckek :l) vermeldt, dat hij bij tal van zijn patiënten, lijdende aan typhoid, na antifebrine-toediening. gevaarlijke bijwerking heeft geconstateerd. Zoo maakt hij melding van een geval van typhoid, bij een patient van 18 jaar, wien in den loop van 4 dagen S maal 0,2 gr. was toegediend, zonder dat onaangename bijwerking was waargenomen: op den 5en dag echter, toen de temperatuur weer was gestegen en weder 0,2 gr. antifebrine was aangewend, traden na een uur op: profuse zweetafscheidmg en gevaai lijke collaps; de patient verloor het bewustzijn en verviel in diep coma; de wangen werden cyanotisch, de extremiteiten koud de pols liliform, van tijd tot tijd niet te voelen, de respi-

') Ther Moniitsheftc, 1888.

24 mod Berichte übor ilie Thilügkeit des Jennerschen Kitidev-s](ituls in Item.

Ther. Monatshofle, 1888.

ocr page 52

40

ratio oppervlakkig on frequont; do tomporatuur (liuildo van 40.1 tot 38,3°; onder aanwending van exeilantia, inwikkeling in warme doeken, verdween deze toestand en was patient na 2 nren als te voren.

Ook Löwentiial') ileelt een geval mode, waarbij, na antilebrino-toodiening, ernstige collaps optrad; hot was oen geval van lobairo pneumonie bij oen kind van I jaar, dat pro die 0,050 gr. word toegediend; toon op den derdon dag doze dosis 12-maal word geappliceerd, ontstond er onder sterke daling van de temperatuur (van 41 tot 37°) eone heftige collaps, die 4 uren aanhield. Hij raadt aan bij kinderen tot don leeftijd van 1 jaar mot 0,010 gr. pro dosi te beginnen, en eerst bij werkeloosheid hiervan deze te vermeerdoren.

l it de verschillende mededoolingen met betrokking tot de therapeutische aanwending blijkt, dat het anti-l'ebrino een uitstekend antipyreticurn en nervinum is.

We zagen dat Uiese en Gi ttmann het oen specificum noemden tegen rheumatismus articulorum acutus. Het is vooral bij deze met hevige pijnen vergezelde aandoening, waar naast de antipyretische werking het sedeorende efToct wordt waargenomen; eveneens blijkt hot bij andore rheumatische aandoeningen het boste antiiheurnaticum te zijn; neemt men in aanmerking dat rheumatisch lijden menigmaal onder de lagere volksklasse voorkomt, dan wordt de waarde van bet anti-

') Thcrap. Monatshufte, 188vgt;.

ocr page 53

41

fobrine bij ilil lijden tins verhoogd, daar het veel goed-kooper is dan de andere gebruikelijke anlirheumatica.

liet meest aanbevelenswaardig als antipyreticum bleek bet bij typhoid te zijn. bij malaria zagen we dat het antifebrine het chinine niet kon vervangen; ook vooral bij phthisis bleek het 't gewenschte koorts werend middel te zijn, terwijl het tevens bij erysipelas en lobaire pneumonie eene toepassing vond; daling van de temperatuur werd gewoonlijk na een uur geconstateerd, het maximum van daling werd na enkele uren bereikt; de apyrexie slechts korten tijd onderhouden. Ook bleek hel vertraging in de polsfrequentie teweeg te brengen met verhoogde spanning van den arterie-wand, eveneens afname in do ademfrequentie, terwijl liet de diurese vermeerderde, een enkele maal verminderde; de eetlust nam toe en de algemeene toestand scheen gunstig geinlluenceerd te worden. Als nervinnm hebben we het antifebrine leeren kennen als: antineuralgicum, anal-geticum, antispasticum en hypnoticum; het gunstigst bleek het to werken bij tabes, vooral tegen de hierbij optredende lancineerende pijnen. Bij epilepsie zagen we dat de resultaten zeer uiteenloopend waren, sommige hadden goede, andere slechte. Wat de doseering van het antifebrine betreft, werd gewoonlijk bij volwassenen 0,25—0,5 gr. pro dosi toegediend, bij kinderen werd deze geregeld afhankelijk van den leeftijd; als maximum gaf men bij volwassenen 2 gr. pro die; zwakke individuen eischten eene zorgvuldige doseering.

■

ocr page 54

Met betrekking tot ile cumulatieve werking bleek het, dat vele autoren bij lebriele toestanden een min clquot; meer pi'oiuus zwoeten gedurende bet dalen der temperatuur hebben geconstateerd, andere lichte collapsverschijnselen; bij het weder stijgen der temperatuur werden menigmaal heftige koude rillingen waargenomen; een ander verschijnsel, dat door bijna allen is opgemerkt, is de cyanose, die zoowel bij lebriele als afebriele toestanden na antirebrine-toediening is geconstateerd. Reeds üaiin en 11Ki'i' hadden bij hunne eei-ste proeven dit verschijnsel bij sommige hunner patiënten gezien; dat we hier niet met eene ware cyanose te doen hebben, blijkt wel uit het feit, dat het niet de minste stoornis in eenig physiologische functie teweegbrengt; we ' zouden dit liever eene blamvkleuring kunnen noemen, die eene andere oorzaak heeft als de gewone cyanose; naeenigen tijd verdwijnt deze spontaan. F. .Mmi.lkr ') onderzocht het bloed bij 3 zijner patienten, die na antifebrine-aanwending deze blamvkleuring vertoonden, lüj allen werd spectroscopisch methaemoglohine aangetoond: hij merkte verder op, dat het methaemoglohine eerder verdween dan de blamvkleuring en meent, dat voor het tot stand komen dezer verkleining nog een andere factor in het spel is. Microscopisch kon hij evenmin als Lki-ine eenige verandering in het bloed waarnemen.

'i Deutsche med. Wochenschril't. 1887

ocr page 55

! I 00 FDST I K Ml.

Ocval I. .1. v. K. oult;l 48 jaai , koopm:iii to Amsterdain, wordt Id Nov. 188(1 in de kliniek opgonumen.

JAAR

/1EKTEGESC1II EDEN IS.

THERAPIE.

DATCM.

1886

Sedert KI weken zou patient om

IC Nov.

den derden dag koorts hebben, l'atient is een goed gebouwd imii-vidu, met ^oed ontwikkelde pan-niculus adiposus; de pols is klein, week en regelmatig, de frequentie is: 08; de tong is normaal. De thorax vertoont geen afwijkingen, de milt is te palpeeren, echter de lever niet; de lengte der milt Itc-draagt meer dan 17 cM. en reikt tot 3 cM. onder de ribbenboog.

3 Dec.

l'atient heeft sedert de opname

2 maal 0,300 gr.

eiken derden dag hooge koorts.

I keer 0,500 gr.

(gt; Dec.

Nadat patient 1 en 5 Dec. afebriel

antifehrine.

is geweest, wordt heden gedurende

Voorts tot 10 Dec.

I

ocr page 56

/1 K K T KG KS(' 111E D l i XIS.

JAAR HAT I'M.

TIIEUAIMK.

don koortsaanval in 15 koeren ruim 1 gr. antifobrine toegediend. Niettegenstaande dit, stijgt de temperatuur tot bijna 41°. 0 Deo. Hoewel patient ook op de koortsvrije dagen antifebrine gebruikte, treedt heden de aanval weer op.

15 Dec. Sedert 10 Dcc. is dagelijks 1,5 gr.

suil', chinini aangewend, en het | gevolg is niet uitgebleven.

Nadat 12 Dec als aanduiding van don aanval, die zonder raedi-camenteu/.en invloed zou opgetreden zjjn, eene hoogste temperatuur van 38,(iquot; is bereikt, blijft heden patient I afebriel.

1!) Dcc Onder voortdurend cliinine-gebruik is de koorts niet weêr opgetreden, en eindigt patient heden met bet gebruik van chinine.

2(i Dei'. Geen aanval is meer opgetreden , patient wordt genezen ontslagen.

0,500 antife-brino 2—f d.d

Van af 10 Dec sulf. chininc 0,500 irr. 3 (1 »1


Do ziektegeschiedenis leerl ons hier een geval van it'lji is intermittens quarlana. N oor den loop der temperatuur buiten en onder medicamenteuzen invloed, zie men de curven (1,2 en 3) behoorende hij geval I.

Curve 1 geelt den hop der temperatuur te kennen

ocr page 57

45

gedurende 7 achtoreonvolgonile dagen zonder medicamenten. We zien, hoe na quot;2 afebriele dagen de l'ebriele toestand intreedt: de temperatuur stij^l zeer snel, en bereikt na ongeveer l'i uren weer bare normale grens; de stijging heeft sneller plaats dan de daling; het maximum der temperatuur bedraagt 40,9°.

Curve 2 geelt den loop der temperatuur te kennen gedurende de volgende 7 dagen onder invloed van anti-febrine. Pro dosi werd gegeven eerst 0,3 gr., later (gt;,.quot;gt; gr. '2—4 maal pro die. We zien dat het antifebrino zoowel oj) de koortsvrije- als op de febrielo dagen werd aangewend; de exacerbatie is niet voorkomen; ofschoon grootere doses kort na elkaar zijn gegeven blijft de temperatuur toch stijgen; evenwel blijkt, sedert de aanwending van het antifebrine, de temperatuur niet die hoogte van de voorafgaande dagen bereikt te hebben ; de invloed van het antifebrine blijkt dus een geringe. Er werd bovendien waargenomen een vertraging in de polsfrequentie, echter geen invloed op de diurese.

Curve 3 geeft den loop der temperatuur te kennen in de hieropvolgende 7 dagen onder aanwending van snif. chinini. Pro dosi werd gegeven 0,5 gr. 3d.d.. De gunstige werking is niet uitgebleven; slechts één keer zien we op den typischen dag van den koortsaanval oene geringe stijging optreden, waarna elke exacerbatie gecoupeerd en de afebriele toestand voor goed is ingetreden.

ocr page 58

4ü

Geval II. .1. v. d. 1!., oud U) jaar, kooiman tc Leiden, werd 25 Nov. 1880 in de kliniek opgenomen.

/1K I\ TKGESC111HDEX18.

JAAK DATUM.

THKItAI'll:.

l,S8tgt; Vóór 3 woken is patient zeer

2quot;) Nov. nat geworden, heeft toen koorts gekregen en deze gehouden. Hij is een goed gevoed individu; de tong is sterk beslagen, aan do punt is deze rood en vochtig. De pols is klein, week en regelmatig met eene frequentie van 108. De respiratie-frequentie is 28, haar type: ahdomino-costaal. De temperatuur is sterk verhoogd; de defaecatie dun en frequent; er is geen exan-theem. De milt is vergroot; er bestaat eene dofte toon in de ileo-coeeaal-streek; in do urine is een spoor albumen waar te nemen.

2G Nov. Verhooging van temperatuur, | dofte toon in de ileo-coecaalstreok, 5-maal dunne defaecatie; de milt I heeft eene hoogte van 13 cM.

27 Nov. Geen intermissies in de temperatuur.

2'.t Nov. De tong is minder beslagen; de polsfrequentie is !)(i; de buik is niet opgezet, eenig gargouillement

Sedert 27 Nov. tann. ehinini 0,5 lt;rr. 3 d.d.


ocr page 59

4/

in het coecum, echter geen pijn; lt;1(' hoogte der milt bedraagt 10 cM.

De tong is verbeterd: de hoogte der milt bedraagt 8 cM : geen gar-gouillement; percussie-toon minder luid.

De pols is regelmatig; de diar-rhee houdt aan ; inilthoogte SM/., cM

De tong is veel minder beslagen, pols regelmatig, frequentie = 84. De defaecatie is nog ruim, doch meer gebonden; milthoogte van G'/.i cM ; de temperatuur is onder aanwending van antifebrine 39°

Patient blijft buiten aanwending van antifebrine sedert gisteren zonder koorts; do faeces zijn gebonden: milthoogte 7 cM.

De tong is nauwelijks beslagen , de defaecatie is geregeld; geen koorts

De temperatuur is normaal, de eetlust goed, defaecatie normaal.

Patiënt wordt genezen ontslagen.

1 Dec.

4 Dec. (1 Dec.

12 Dcc

19 Dcc.

2!» Dcc.

1887 3 Jan.

Sedert 1 Dec. antifebrini 0.3 gr. 1—2—3—4 d.d tot 10 Dec.


Do ziektegesclliedenis leert ons een geval van lebris tvphoidea. Voor den loop der temperatuur onder aan-

ocr page 60

48

weiuling van antifebrine zie men ile curve, behoorende bij geval 11.

De cni ve geelt de verhouding van de temperatuur te kennen gedurende 7 dagen onder aanwending van anti-febrine. Pro dusi werd gegeven 0.3 gr. quot;2—3—4 d.d Na een uur zien we reeds daling ingetreden, enkele malen zien we na toediening nog stijging, liet maximum van daling is na 1 tot 4 uren bereikt, waarna binnen een uur weer stijging volgt; enkele malen wordt de daling tot 2 uren onderhouden, liet maximum van daling bedraagt 3,2°, gemiddeld 1,5°. De normale grens van de tempe-ratuur wordt herhaaldelijk bereikt.

Hieraan heb ik toegevoegd de temperatuurs-curven van een ander geval van l'ebris typhoidea, welke behandeld is met tannas chinini en antifebrine; men zie de curven (1 en 2) behoorende bij geval 111.

Curve 1 geeft de verhouding der temperatuur te kennen geiIm ende 0 dagen onder aanwending van tannas chinini en antifebrine. Na 3 dagen is het chinine vervangen door antifebrine. Pro dosi werd gegeven van tann chin. 0,5 gr. 2—3 d.d.; van antifebrine 0,3 gr. 4—5 d.d. liet maximum van daling bedraagt na chinine-gebruik 1,2°, gem. O,?3. Na antifebrine-aanwending 3.0% gem. 2°. Het maximum van daling wordt na chinine-gebruik bereikt na 1—3 uren, na antifebrine-toediening na 2—4 uren. Terwijl door antifebrine de normale grens wordt bereikt, is dit met chinine slechts érn keer liet geval. Voorts zijn bij dit geval, na antifebrine-aanwending geconsta

ocr page 61

4!»

teoni: zeer sterk zweeten en vertraging in lt;le pols-frequentie.

Curve 2 geeft bij hetzelfde geval de verhouding der temperatuur te kennen onder toepassing van antifebri ne alleen. Pro dosi is een dag toegediend Ü.;i gr. 4 d.d . vervolgens 0,5 gr. 2—3 d.d. liet blijkt ook hier dat na een uur daling is ingetreden; enkele malen na aanwending nog stijging. Met maximum van daling bedraagt 3,4°, gem. '2°. De normale grens wordt zoowel na doses van 0,3 gr. als van 0,5 gr. steeds bereikt, zelfs onder den norm na doses van 0,5 gr. Antipyrine, een paar dagen bij dit geval toegediend, in doses van 1 gr. 15 d.d bleek veel minder werkzaam. Ook bij dit geval bleek vertraging in de polsfrequentie op te treden.

(icval IV. 1gt;. v. A., oud 28 jaar, wonende te Leiden, wordt 5 Jan. 1887 in de kliniek opgenomen.

JAAR DATUM.

ZIEKTEGESCHIEDENIS.

THERAPIE.

1887.

Patient is op 2 Jan. 1887 plotse

5 Jan.

ling mot koude rillingen ziok go-

wordon; den daaropvolgendcn dag

Antilbltrine

is hij gaan hoesten en opgeven

0,30(1 gr

met voel pijn. Patient is een lang

en krachtig individu, zeer kort

ademig, mot eene ademfrequontie

van 48; de pols is: regelmatig.

4

ocr page 62

rgt;o

.1A A It

Z l E K T EG ESC 111 ED EN 1S

THERAPIE.

DATUM.

niet bijzonder week en eene tre-quentie van : 9(1—100 ; patient heeft ,

veel pijn in de rechter borstholft.

■ De percussie leert, dat rechts achter eene dofheid bestaat, welke op de hoogte van don 7liC11 wervel begint:

auscultatorisch is iiier het adem-geluid niet met zekerheid te bepalen wegens hot zeer frequente ademen. Rechts vóór wordt even-| eens eene dofheid geconstateerd;

beginnende op de hoogte van de 5de intercostaalruimte. Hot hart is naar rechts vergroot: de milt is wat in lumen toegenomen. liet sputum is zuiver muceus, geen spoor van bloed is aanwezig; hot wordt met veel pijn geëxpectoreerd ;

de urine is eiwithoudend; do tong is niet beslagen en do defaecatio normaal.

C Jan. Dyspnoe heftiger; do expecto-

ratie is na toediening van chlor. Antifebrine amm. iets gemakkelijker; hot sputum 0.300 gr. 2 d.d. is zuiver mucous; percutorisch en auscultatorisch als voren

7 Jan. Status quo ante; stemfromitus,

vroeger beiderzijds verschillend, is

ocr page 63

ZIH K T I'O ESC 111KD CXIS.

.ia ai: ha tl m.

ril kua i'ii;.

heden rcehts-onder achter sterker dan links. De temperatuur daalt voor eenige uren aanmerkelijk na antefebrine-gebrnik, om echter weêr spoedig hare vroegere hoogte te bereiken.

Do respiratie-frequentie is: 32, polsfrequentie: 9G. liet sputum is profuus en bestaat uit: slijm en sernin, geen bloed of otter. Percu-torisch als voren; auscultatorisch zijn overal ronchi te hooren; geen stemfremitus.

Inspiratorische intrekkingen in ju^ulo, benevens tusscben do beide hoofden van den sterno-cleido-mas-toideus en in do intercostaalruimten. 1'ercutorisch begint aan de voorzijde rechts de dofheid aan do 4l10 rib; de dyspnoe neemt in hooge mate toe.

Exitns lethalis.

!) Jan.

10 Jan.

Antifebrine 0,500 {rr. .'i d d.

Antifebrine 0,500 gr. 3 d.d

Mur. apom.met mur. amm.


Bij de autopsie wordt de diagnose: lobaire jmeumonio bevestigd; de invloed van hel antifebrine op den loop der temperatmir blijkt uit de curve beiioorende l)ij geval IV.

liet blijkt, dat onder den invloed van bet antifebrine

ocr page 64

sloiiits twee keer tie normale grens wordt bereikt. De ilosis, gedurende de twee dagen 0.3 gr., wordt in de volgende dagen tot op 0,5 gr. gebracht —3—i. d. d. Reeds na een uur is ook hier, evenals bij de vorige gevallen, daling ingetreden. Na verloop van 1—G uren is het maximum van daling beieikt; kort daarna wordt weder snel eene aanzienlijke hoogte bereikt. De grootste daling bedraagt: 3,1°, gem. 1,4°. Vertraging in pols- en ademfrequentie was in gei Inge mate aanwezig; toename in de diurese was te constateeren.

Oeval V. .1. W. B., oud 37 jaar, wonende to Amsterdam, wordt 26 Jan. 1887 in do kliniek opgenomen.

JAAR

/1E KT EG ESC HIE D EN 1S.

THERAIME.

DATUM.

1887 Op 20 Jan. is patient plotseling

2ti Jan. mot koude rillingen ziek geworden;

daarna had patient voortdurend koorts 7iiot pijn in do rechterzijde; hij hoest weinig, hot sputum is spaarzaam on zou langzamerhand bloederig geworden zijn.

Patient is een goed gevoed individu met normale gelaatskleur; do respiratie-type is abdomino-costaal, do frequentie is: 24; do pols is;

ocr page 65

JAAR

ZIEKTEGESCHIEDENIS.

THERAPIE.

DATUM.

regelmatig, klein cn week met eone frequentie van 124; de temperatuur in voortdurend boven den norm; 's avonds 4(),04.1'crcutoriscli blijkt reehts-achter-boven eene dofheid te bestaan, reikende tot aan den 4llequot; borstwervel, auscultato-rischhierbronehiaal-ademen. Keclits-vóor is een doffe toon tot aan do

2(1 Jan. rib waar te nemen; het adem-

geluid is hier onbepaald. De stein-fremitus is op de plaats dor dolheid versterkt; het hart vertoont geen afwijkingen; de milt is wat vergroot; het sputum overwegend muceus en sterk bloederig; de eetlust is gering; de urine is eiwit-houdend en spaarzaam; de defae-catie dun en meermalen daags

27 Jan. Status quo ante; antifebrine in

4 giften van 0.5 gr. toegediend. doet de temperatuur dalen, blijft echter nog boven 38,quot;6; na de eerste toediening wordt profuse zweetaf-seheiding waargenomen.

28 Jan Eveneens na antifebrine-aanwen-

ding optreden van profuus zweeten : de alffomeene toestand verbeterde

Antifebrine 0,500 gr. 4 d.d.

ocr page 66

J AAK HATl'.M.

ZIEKTEGESCHIEDENIS.

TUKUAl'IE.

editor, do koorts 'ilijft zoor lioog;

Antifcbrine

do polsfroquontio is; 120, do adom-

0,500 gr. 4 d d.

1 frequontio 40. Hot sputum is vnl.

mucous mot oranjo-gelo klour. Do

dofhoid roikt achtor-rechts tot aau

don (!,kn liorstworvol; liior is bron-

cliiaiil-adcmon to constatooron. Vóór

is con dof'-tympanitisclie toon met

bruit de pot föló; ook liior bron-

chiaal-adomon; do dofaeeatio is

normaal.

29 Jan

Het sputum is nog bloederig ge-

klourd. Kochts, achter is con dof-

Antifobrine

tympanitische toon tusschon den

0,500 gr. 4 d.d

3dcn en (jden borstworvol mot bron-

chiaal-ademgeluid. Vóór, rechts wordt

oen dof-tympanitisclie toon tot aan

de 3e rib waargenomen; benevens

bronchiaal adonigeluid; do urine is

eiwithoudond.

30 Jan.

Hot sputum is nauwelijks ge-

kleurd en profuus. Rechts, achter

tot aan den 5lt;len borstworvol wordt

een doffe toon waargonomon, met

Antifebrine

bronchiaal-adomgoluid. Vóór, boven

0,500 gr. 3 d.d.

de clavicula oen dof-tympanitischo

toon, onder de clavicula tot aan

de 4C rib is de toon volkomen dof

ocr page 67

ZI KKTKOKSCil 1KDEX IS.

JAAR DATUM.

TIIEKAIMt.

i cn bronchiaal ademgoluid De algc-mceno toestand is gunstig •il Jan. Koorts is heden nacht kritisch ' geëindigd. De locale afwijkingen aan de thorax worden in de volgende ; dagen steeds minder en op 15 Febr. wordt patient volkomen genezen ontslagen.

De ziektpgescliiedenis leert ons weder een geval van lobaire pneumonie. De invloed van liet antifebrine op den loop van de leinperatuur blijkt uit de curve be-hoorende bij geval V.

De tomperatuur heeft ondanks antifebrine-aanwending slechts éón keer de normale grens bereikt. Pro dosi is toegediend 0,5 gr. 3—4. d. d. Na een uur is daling te constateeren; enkele malen zien we, onder medica-menteuzen invloed, nog stijging optreden, liet maximum van daling is na 1—5 uren bereikt en wordt slechts korten tijd onderhouden. De grootste daling bedraagt 'i0, de gemiddelde: 1,4°; bij dit geval werden eene gunstige werking op den algemeenen toestand, vertraging in de pols- en aderfrecpientie waargenomen; ook werd geconstateerd twee malen profuse zweetafscheiding.

ocr page 68

Aan (U'/.o gevallen heb ik tuegevoegd de temperaUiurs-cm ve van een patient, lijilemie aan erysipelas, en die van een [)atieiit met phthisis pulinonuin. De invloed, lt;lie het antii'ebiinc ()[gt; ilen luop der temperatuur heelt uitgeoefend, blijkt uit de hiervolgende curven.

(icval VI. Erysipelas. Men zie de curve behoorende bij dit geval.

liet blijkt, dat onder den invloed van liet antilebrine de temperatuur eenige malen de noitnale grens heeft bereikt; p. dosi is gegeven 0,240 gr. en ü,480 gr., welke doses eenige malen daags /ijn herhaald. Na een uur is daling ingetreden, enkele malen zien we na aanwending nog stijging optreden; eenmaal zelfs nog verhooging van de temperatuur ondanks na aanwending van 0,240 gr. eenigen tijd later uog eene dosis van 0,480 werd toegediend. liet maximum van daling is na 1—ö uien bereikt en bedraagt 3,3°, de gemiddelde 1,0°. Na doses van 0,480 gr wordt herhaaldelijk de normale grens van de temperatuur bereikt.

Gicval VII. Phthisis pulmomim. Men zie de curve behoorende bij dit geval.

Zagen we hij de vorige gevallen na aanwending van het antilebrine spoedig daling optreden, hier echter blijkt gewoonlijk stijging zoowel na doses van 0,5 gr. als van 0,3 gr. Pro dosi is eerst gegeven 0,3 gr. later 0.5 gr., welke doses eenige malen daags zijn herhaald; een dag werd het antilebrine niet toegediend. Vergelijkt men de curve van den dag, waarop geen medicamenten

ocr page 69

.) /

zijn toegedieml, met die van do andere dagen, dan blijkt liet antifebiine liier eene uiterst geringe werking te ontvouwen, want noeh wordt de exacerbatie van de temperatuur voorkomen, noch eene aanzienlijke daling bereikt, terwijl de apyretische toestand, ondanks medi camenteuzen invloed, niet langer woi'dt onderhouden dan buiten dezen.

l it de resultaten, verkregen door toepassing van het antirebrine bij malaria, typhoid, erysipelas, en phthisis pulmonum, volgt de gunstigste werking bij typhoid, eene gunstige bij erysipelas, eene minder energieke bij lobaire pneumonie en eene uiterst geringe bij malaiia. en phthisis pulmonum. Verder blijkt dat bij malaria het chinine verreweg is te verkiezen boven antifebiine, dat daarentegen bij typhoid het chinine de plaats van het antifebiine niet kan vervangen. Voorts is geconstateerd eene gunstige werking op de frequentie van pols en ademhaling en op den algemeenen toestand van den patient, eene enkele maal ook toename in de diurese.

De mededeelingen van verschillende autoren omtrent de aanwending van antifebi ine als antipyreticum worden door de resultaten, verkregen in de Leidsclie mannen-kliniek in zooverre bevestigd, dat zijn invloed ile grootste is bij typhoid; tot de gunstige werking bij malaria en phthisis, zooals die door eenige autoren is vermeld, doen de hier waargenomen gevallen echter niet besluiten.

ocr page 70

58

De resultaten oiutrent den (luur en ilt; enei'gie der werking, den gunstigen invloed op (!(gt; frecjnentie van pols t'ii adendialing. op den algerneenen toestand van den patient, blijken in overeenstemming te zijn met hetgeen daaromtrent is meegedeeld.

K ven als bijna alle antipyretica blijkt ook bet antil'ebrine een svmptomatiscb middel te zijn. Overal waar eene antipvretisdie werking wordt beoogd, is het zeker boven vele andere dergelijke middelen te verkiezen. daar het snel werkt en bij zorgvuldige doseering geen onaangename bijwerking teweegbrengt, en bovendien gunstig inlbienceert op pols en ademhaling en op den algemeenen toestand.

liet is nog niet voldoende uitgemaakt, op welke wijze het antifebrine bij koortstoestanden daling van de temperatuur veroorzaakt Volgens 11 kuczf.i. moet het dalen van de temperatuur gezoclit worden in de alteratie van het bloed, door het antifebrine teweeggebracht. Voor koortstoestanden wordt vereischt eene vermeerderde energie dei' verbrandingsprocessen, waarvoor weer eene grootere hoeveelheid zuurstof; door sterke afname \lt;in het oxvhaemoglobine onder invloed van het antifebrine wordt de noodige hoeveelheid zuurstof onthouden en moet derhalve eene beperking van de verbrandings-processen, waardoor eene daling van de temperatuur, daarvan het gevolg zijn. Geheel in strijd echter met deze meening zijn de resultaten omtrent de eiwitomzetting onder den invloed van antifebrine. Reeds is

ocr page 71

59

meegedeeld, hoe Klmagawa bij zijn proeven op dieren, na aanwending van anlifebrine, eene aanzienlijke vermeerdering van eiwitomzetling constateerde; de anti-pyi'etische werking is dus stellig niet door eene verminderde eiwitomzetting te verklaren, lïovendien zagen we, dat Weii.i, en Dujaiuun bij hunne al'ebriele patienten. die om nerveuze aandoeningen werden behandeld met antifebrine. niet de minste werking op de temperatuur hebben waargenomen, terwijl toch werking op het zenuwstelsel inderdaad niet was uit te sluiten. W eii.i. meent, dat de hoofdwerking van het antifebrine berust op die van het zenuwstelsel en zegt: »S'il n'en ctait |ias ainsi, comment s,ex|ili(]ucr Paction anesthésique isolément sans aucune manifestation du coté de la temperature. sans aucun des troubles (pi'entrainent des nuulilications aussi importantes du l'Kpüde sanguin In overeenstemming mei de meening van de meeste autoren omtrent de verhouding der antipyretica berust waarschijnlijk de hoofdwerking van het antifebrine op die van het zenuwstelsel; de antipyretische werking hebben we ons voor te stellen als eene deprimeerende op het regulatorisch centrum van warmteproductie.

ocr page 72
ocr page 73

STELLINGEN.

Van allo anlipyrotira vonlionl bij fohris typlioidoa lid antifebrino flo vnmkonr.

II.

Dc voornaamsto werking van antirei)rino is die o|) het /cmiwsti'lsci.

De heliandeling van longtnbomilose, volgens de inethoile van Wkigeut , verdient geen aanbeveling.

ocr page 74

IV

('vstoscopio igt;; van vool ^cwiclit hij hot dia^tiostiseeron van locaio aamloeningcn dor blaas.

V.

Do i'l.'drol vt isclio hi'lianili'liiig van prostaat-liypoi tropliio is in vele gevallen aan te raden.

VI.

De bosle beliandeling van psoriasis is die mot arsonik-praeparaten.

VII.

Den tijd tot liet opwekken van partus praematurns bij hoofdliggingen rcgele men naar de methode van Müi.i.er.

VIII.

De hvpertrophie van het ntenis-slijinvlies hernst meestal niet op ontsteking.

ocr page 75

IX

liet boste miildfl tor verploginp van onvoldragen of' sloclit out wikkelde kindoron is plaatsing in do couvonso.

X

Do beliandeling van traolioma follicnlaro door middoi van oone particolo i'xoisii^ nit do conjunctiva verdiont aanboveling.

XI.

Na lons-o\tradio is iiot ilnbbol- to proforooron boven bot onkc^l vorband.

XI!.

Tor (piantitatiove bepaling van snikor in de nrino, is do metbodo van Einiiokn do moest praktiscbe.

XIII.

De stembanden worden niet alleen goinnervoord iloor don N. laryng. inl'.. maar ook door takken van den N. laryng. sup.

ocr page 76

NIV

Volksbaden /ijn wensclielijk.

\ V.

Lijkveiliraiuling m.-t vooiafgaaiule schouwing is m het belang der wetenschap.

XVI.

Do wel op de hesmeltolijke ziekten eischt lierzienmg.

Wil.

Streng toegepaste reglementeering op lt;le prostitutie is aan te hevelen.

ocr page 77

TV

3Öec.l886.

4Dec.

5 Dec.

6 Dec.

7 Dec.

ÖDec.

9Dec.

6

6

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

10

12

2

4

6

8

|

10 jl2

2

4

6

8

10

12

2

4

4/ ,

*

40.5

i

\

40

/

\

I

3ff

■

-

gt;

nnJ

/

«

/

f

/

■

3 7.,5

/

a 7

s

3t}J

.

\

1

gt;

Jsz

1

aó.ï

-1-

—

• 1

1

—4—

-J

1 ■

CurvcH. Verhouding der Tamp;tnpamp;rativixn ondier aanmenAiruj varv cuntlfe brrTte . L= 0 300 Gr^éivtiféhvUvcy

0.500 . ,

'JV

IC

) Dec,1886 11 Dec. 12 Dec. 13 Dec 14Dec. 15 Dec.

16Dec.

6

8

10

12

2 4 6 Ö 10122 4 6 8 10122 4 6 8 1012 2 4 6 8 1012 2 4 6 6 1012 2 4 6 Ö 1012 2 4 | 6 8 10 i2 2 4 6 ö 1012 2 4 6 ö 1012 2 468 10 12 246 810122468 10

12

2

4

6

a

10

12

2

4

1 1 i

405

1

-

-

40

F H

f39.,1)

| i

.1.9

........ ..1———------------—---------

asJi

■ ' 1 1 1

--).---y-

| 1

nn

i_ _ y x ■

.17.5

r~ lt; 1

4

£7

V,

-

-

—

S

/

i1ii —hmjj |\[jjjij jjjj^ ^ 1^111lii J

'N

f

L—

————————————————'—————————————-————J—J—LJ————————___i

CurvtlILYcrhmidiiU} der Teutpei'atLiw oridet* atuhwmdtTig vait suï^olS afartini. 0.500 Sulfas chiraivi.

PL.I.

ocr page 78

PUI

ocr page 79

%

7

6

5

8 1 9 ' 10 11 12 13 14_lis_16_17_18_19_20_21_22_22_24_25_23._22_23_22_^

ocr page 80
ocr page 81
ocr page 82
ocr page 83
ocr page 84