ocr page 1

//4

ocr page 2
ocr page 3

/S' /t9oo J/TT^ ^ r

De volgende bladzijden behelzen een verslag van hetgeen door de ondergeteekenden is verricht in het belang der Maatschappij tot Landaanwinning op de Friesche Wadden. Wat voor openbaarheid in den kring der vennooten kon worden bestemd, zonder het belang der zaak te schaden, werd medegedeeld. Dat belang brengt echter niet mede dien kring uit te breiden of' de voorgenomen plannen aan de pers ter beoordeeling te geven.

Zij kozen dezen vorm van mededeeling, omdat daarbij door ieder aandeelhouder het geheel beter in onderling verband van data en feiten kon worden nagegaan, dan bij een gesproken woord op eene vaak weinig bezochte vergadering allicht het geval zou zijn.

Zij onderwerpen gaarne hunnen arbeid aan het oordeel hunner mededeelhebbers.

H. C. VAN DER HOU VEN VAN OORDT.

Amsterdam, G. W. H. VAN TIJEN.

October 1890. Mr. J. KAPPEYNE v. d. COPPELLO.

ocr page 4
ocr page 5

Amstkuda.m, Octobcr 180U.

M. H!

In de Algemeene Vergadering van Aandeelhouders der Maatschappij tot Landaanwinning op de Friesche Wadden, gehouden te Amsterdam op !) .luli 1888, werd besloten eene leening te negotieeren tot een bedrag van / J .200.000 rentende 41/s pCt., om daaruit de kosten te bestrijden tot herstelling, verhooging en verzwaring van den stuk geslagen verbindingsdam.

Deze poging, in Augustus d. a. v. beproefd, leed ten eenenmale schipbreuk; de toestand der Maatschappij werd daardoor zeer hachelijk. Hare geldmiddelen waren volstrekt uitgeput; hare werken zeer beschadigd en zelfs voor de dringendste dagelijksche uitgaven bleek een beroep op de bekende offervaardigheid van den Directeur de eenige wijze van voorziening.

De vraag, hoe verder te handelen, maakte zeker niet alleen bij het Bestuur een ernstig punt van overweging uit en de vrees, dat eene onderneming, die bereids zoovele groote verwachtingen had opgewekt, waaraan meer dan een millioen gulden was besteed geworden, zoude moeten worden geabandonneerd, vervulde het hart van menig belanghebbende.

Aan Hccrcn Aatuicclliuudcrs In de Mlt;((itsclilt;fi)jnj l(t( Liuidnnnwituiinij op de /'t'iesche Wadden.

ocr page 6

2

Deze omstandigheden gaven den eerst ondergetcekende aanleiding de toekomst der Maatschappij of liever de Landaanwinning op de Priesche Wadden in vertronwelijken doch deskundigen kring te bespreken. Men bleek daar niet ongenegen eene zoo nuttige en in den grond veelbelovende zaak te helpen, doch stelde als eerste voorwaarde, dat een onpartijdig, deskundig betrouwbaar onderzoek naar de geheele onderneming, haar verleden, heden en toekomst zoude worden ingesteld en daarover een duidelijk verslag uitgebracht.

De Heeren G. W. H. van Tijen , lid der firma Boon Hartsinck en van Tijen, en Mr. Kappeijne van de CopPEUiQ, beiden te Amsterdam, vereenigden zich met den eerst ondergetcekende tot eene commissie, die met het Bestuur der Maatschappij van gedachten wisselde en overeenkwam dit onderzoek, mits voor hare eigene rekening, te doen plaats hebben.

Al dadelijk scheen het zoor gewenscht dezen technischen arbeid te mogen opdragen aan den Heer C. Lei.y , chef van het Technisch onderzoek der Zuiderzee-Vereeniging, zeker in de eerste plaats voor zulk eene moeielijke taak aangewezen en geschikt. Behoudens machtiging van het Bestuur dier Vereeniging werd de Heer Lely bereid bevonden eene zoodanige opdracht te aanvaarden en werd de gevraagde vergunning van het Bestuur tevens op welwillende wijze verleend. Met verschillende onderhandelingen verliepen de maand September en gedeelte October (de bestuursvergadering waarin de overeenkomst gemaakt werd is op 14 October 1888 gehouden). Na de noodige voorbereidende maatregelen met grooten spoed te hebben getroft'en ving de Heer Lei.y het plaatselijk onderzoek reeds op 28 October 1888 aan, en nog voor den laatsten dag van dat jaar

ocr page 7

3

werd hut verslag, dat later gedrukt niet minder dan 46 pagina's besloeg, begeleid en toegelicht door verschillende kaarten, tabellen en andere iianschouwelijke voorstellingen, uitgebracht.

De daarin vervatte beschouwingen werden in de volgende acht stellingen geresumeerd:

1°. dat het Amelandsche Wad door natuurlijke landaanwinning, waarmede bedoeld wordt aanwas of aanslibbing tot ongeveer de lioogte van gewoon hoog water, zeer langzaam gedeeltelijk in vruchtbaar land zal overgaan.

2°. dat de voltooiing van den bestaanden verbindingsdam tusschen Ameland en Friesland voor de aanslibbing wel eenigszins bevorderlijk zal zijn, doch daartoe geen ver-eischte is.

3°. dat dus ook, wanneer noch tot voltooiing van den verbindingsdam noch tot indijking wordt overgegaan, de tegenwoordige concessie eenige, hoewel moeilijk te schatten, waarde vertegenwoordigt.

4°. dat om een betrekkelijk groote oppervlakte van bijv. de helft of een derde van het gebied der concessie tot land te herscheppen door aanslibbing tot ongeveer de hoogte van gewoon hoog water, zelfs na verbetering van den dam, een tijdvak van enkele eeuwen noodig zal zijn ').

5°. dat uit een finantieel oogpunt het verbeteren van den bestaanden dam niet raadzaam is.

0°. dat het doel der Maatschappij, om binnen enkele jaren eene groote oppervlakte land aan te winnen alleen te bereiken is door eene gedeeltelijke indijking ten uitvoer te brengen.

7°. dat thans de bodem van het Wad over genoegzame

1) Dit punt wordt door liot kaartje hierachter nader toegelicht.

ocr page 8

4

groote oppervlakte uit vruchtbaren grond bestaat , om tot eene gedeeltelijke indijking over te gaan.

8°. dat de tinantieele resultaten van de ontworpen indijking eerst dan te bepalen zijn, wanneer bekend is welke subsidiën het Rijk, de provincie Friesland en eenige waterschappen zullen geven.

Het onder Punt 7 geconcludeerde kan weinig bevreemding wekken, waar reeds in het jnurcersluf der Maat-sclmppij van IS77 gelezen werd: »diit van heden af eene »vri) belangrijke indijking, van wellicht 10.000 Hectaren, »meest zeer vruchtbare, deels middelmatige gronden, waar-»schijnlijk met eenige nettowinst zoude kunnen plaats »vinden, zoodat dan ook reeds meer dan ééne stem zich »ten gunste van spoedige indijking heeft doen hooren.quot;

Dit zaakrijk rapport, met aandacht nagegaan en overwogen zijnde, deed zich de behoefte gevoelen aan een eenigs-zins uitgewerkt bestek om met de bereids overgelegde begrooting van kosten een meer gegrond oordeel te kunnen vestigen over een zoo belangrijk werk als de indijking van niet minder dan 13.800 Hectaren.

Genoemde Ingenieur voldeed in de maand Januari d. a. v. aan de desbetreffende uitnoodiging.

Hierna werden de onderneming, hare wijze van aanleg eu uitvoering, aan de meening van met dergelijke gewichtige werken volkomen vertrouwde, in praktijk en ervaring vergrijsde, mannen getoetst. Hun gevoelen luidde gunstig, zoowel wat het ontwerp zelf, dc kosten van later onderhoud en de plannen tot exploitatie der te verkrijgen gronden betrof. Ten opzichte van het laatste vatte o. a. een hunner zijn opvatting in de volgende woorden samen, (altijd voor-

ocr page 9

opstellende het bekomen van eene voldoende rijkssubsidie):

1 dat de vertoonde grondmonsters van de op de kaart der Wadden als eerste en tweede soort aangegeven quot;jon-

O O O

den beide van zeer goede kwaliteit zullen zijn;

2 dat de kosten der indijking bij de ter inzage verstrekte begrooting voldoende ruim geraamd waren om te mogen verwachten dat zelfs hij eenigen tegenspoed het werk voor het geraamde bedrag zal zijn tot stand te brengen.

3 dat na de indijking de opbrengst der gronden voldoende zal zijn om de renten van het benoodigde kapitaal te dekken ;

4 dat er geen prijs te bepalen is, welke het ingedijkte land bij verkoop, onmiddellijk na de indijking van dege-heele oppervlakte ineens zal opbrengen.

Thans behoorde nader onderzocht te worden, of voor eene dergelijke omvangrijke onderneming op het verkrijgen van de noodige geldmiddelen te rekenen viel.

J)e uitslag van dit onderzoek was niet teleurstellend; mits er eene voldoende subsidie door de Regeerintc werd

O O

verleend, zoude het vinden der verder ontbrekende kapitalen geen overwegend bezwaar opleveren, liet oogenblik was dus thans daar, om de Regeering, die aan den Directeur vroeger eene rijksbijdrage van f 200 per H. A. had toegezegd, den stand van zaken nader uiteen te zetten.

In Mei 1SS9 verleende de Minister van W. H. en N. den ondergeteekenden, vergezeld door den Heer C. Lef.y eene particuliere audientie, waarin zij Z E. een uitvoerig adres met bijlagen, houdende verzoek om Rijkssubsidie, mochten overhandigen en mondeling toelichten. De Minister toonde zich de zaak niet ongenegen, beloofde een uitvoerig en ernstig onderzoek, maar gaf daarbij te kennen, dat in elk geval door de Regeering zoude worden prijs gesteld op de volkomen verzekerdheid van het geheele, zoowel

ocr page 10

6

voor dc indijking en als voor de verdere werkzaam heden benoodigde kapitaal.

De commissie zag daarin een wenk om ook op dit punt niet stil te zitten.

Inmiddels werd U door nw Bestuur eenige opening van zaken gedaan bij circulaire van 3 Juli 1S89.

Ook nog in anderen zin meenden de ondergeteeken-den voort te moeten werken en wel door mede op advies van hunnen Ingenieur een nieuw volledig bodemonderzoek te doen instellen, dat zich aan vroegere, door de M'j verrichte waarnemingen, zoude kunnen aansluiten. Ofschoon het risico, dat dit kostbare werk nuttelooze uitgaven zoude hebben veroorzaakt, wanneer de Regeering den gevraagden steun niet mocht verleenen, inderdaad zeer beteekenend was, werd er toch in Juli ISSü toe besloten, terwijl het Bestuur eene bijdrage in de kosten toezeide.

Gedurende vele maanden werden peilingen en boringen verricht en de verkregen grondmonsters naar het Rijks Landbouw Proefstation te Wageningen ter onderzoeking opgezonden.

De pogingen tot verzekering van het, voor de voltooiing en verdere ontwikkeling der onderneming benoodigde, kapitaal werden met gunstigen uitslag bekroond, zoodat wanneer het antwoord der Regeering eene inwilliging der aanvrage mocht bevatten, de bezwaren in hoofdzaak over-

O '

wonnen mochten worden beschouwd en den aandeelhouders het geheele plan tot Reorganisatie zoude kunnen worden voorgelegd.

Teleurstellend was het toen onder dagteekening van den laatsten dag des jaars 188'J, zeven maanden na de overhandiging van het adres, door den Heer Minister van

ocr page 11

7

W. II. en N. aan adressanten werd te kennen gegeven: »dat, zooals ook uit het rapport van den Heer Lely blijkt , de onderzoekingen omtrent de geologische gesteldheid en de hoogteligging van de in te dijken oppervlakte van het Wad niet genoeg gevorderd zijn,, om daaruit met voldoende zekerheid tot de geschiktheid van die oppervlakte voor indijking te kunnen besluiten;

»dat in die omstandigheden de Regeeriiw zich van een

o o o

beoordeeling van het ingezonden ontwerp moet onthouden;

»datJ wat den door het Rijk te vcrleenen geldelijken steun aangaat, de door dc adressanten vermelde voorwaarden niet aannemelijk zijn, doch de Regeering bereid is nadere minder bezwarende voorwaarden in ovcrweinmc te

o o

nemen, zoo die door de adressanten worden voorgesteld.quot;

Niet zeer bemoedigend voorwaar was dit antwoord en indien deze zaak ook voor de commissie niet reeds hare geschiedenis had gehad, zoo zij zich niet reeds een aanhoudenden en omvangrijken arbeid had getroost om tc slagen, ze zou voorzeker niet lang hebben geaarzeld om haar taak neder te leggen.

oo

In Februari 1890 kwam het zeer omvangrijk eindrapport over het bodemonderzoek van den Heer Lely, dat ook de resultaten door Prof. Dr. A. Maykr verkregen omvatte, en met twee uitvoerige in details gekleurde kaarten plus vele staten en tabellen een boekdeel op zich zelf vormt, gereed.

De inhoud daarvan heelt in hoofdzaak de onderstelling omtrent de hoedanigheid van het Wad bevestigd. Er blijkt uit, dat het Friesche Wad voor genoegzaam groote oppervlakte uit vruchtbaren grond bestaat om tot eene bedijking over te gaan.

Onbekendheid met de geologische gesteldheid scheen

ocr page 12

8

bij de Regeering blijkens haar laatste antwoord een hoofdbezwaar te zijn vuor gunstige opname van het verzoek om steun, al wekte het ook bevreemding, dat noch de quali-teit der in te dijken gronden, noch de hoogteligging bij de vroegere toezegging aan den lieer Berkhout zelfs waren genoemd. De commissie haastte zich echter het rapport van het bodemonderzoek met een nader gemotiveerd adres aan den Minister over te leggen , er met nadruk op wijzende, dat het hier de levenskwestie voor de Maatschappij gold, en dat ook de spoed, waarmede de Regeering in dezen zou willen handelen, zoo om den gunstigen rentestandaard als om andere factoren, van ingrijpende beteekenis moest worden areacht. Dit nader adres droeüf de dayteekening van

O O O O

10 April 1S9Ü. Tusschentijds had de circulaire van Maart 1S9Ü U bereikt, waarin het Bestuur U met enkele der hiervoren omschreven bijzonderheden in kennis stelde.

Bij Kabinets-schrijven van I Juli 189U N0. 58 deelde het Hoofd van het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid der commissie mede, dat Zijne Exc. andermaal in overleg was getreden met zijn ambtgenoot voor Finantiën over het tot de Regeering gerichte verzoek.

Het gevolg van dit overleg strekte tot het besluit van niet hooger te willen gaan dan /200 per Hectare uit te betalen een jaar na de voltooiing der indijking. Een daartoe strekkend voorstel aan de wetgevende macht was van haar te verwachten, indien de Commissie onder die voorwaarden de onderneming wenschte te aanvaarden.

Op twee punten rees echter bezwaar. Ten eerste meenden de ondergeteekenden, dat het woord vruchtbaar, dat de Regeering in haar antwoord bezigde tot allerlei uiteenloopend oordeel en daaruit voortkomende geschilpunten zoude aanleiding geven, wanneer hierin mede een maatstaf van be-

ocr page 13

9

rekening der Rijks-subsidie moest worden aangenomen. De directeur van het Rijks Landbouw Proefstation verklaarde toch zelf in zijn rapport, dat het waarschijnlijk was, dat ook de allerminste gronden van liet wad, volgens de chemische analyse, zij het dan ook met bemesting, zouden worden bebouwd.

De tweede bedenking was van anderen aard, doch van niet minder belang. De aanvrage was geschied in dier voege, dat de subsidie in zes gelijke termijnen mocht worden uitbetaald , waartegen echter een waarborgkapitaal dezerzijds werd aangeboden van / 1.500.1)00 dat eerst terug-vorderbaar werd, wanneer de indijking voltooid en van Rijkswege opgenomen en goedgekeurd zijn zoude.

De Regeering verlangde de uitbetaling in eene termijn na de beëindiging van liet werk te doen geschieden.

Welwillend heeft de Minister van \V. H. en N. den eerstondergeteekende met den Heer Ingenieur C. Lely in de maand Augustus II. andermaal ten particuliere gehoore ontvangen ter ontwikkeling van de hier boven aangeduide bezwaren der commissie. /. E. vergunde liaar in een nader adres het mondeling medegedeelde te herhalen, opdat het aangevoerde ook bij het Ministerie van Finantiën in nadere overweging zoude kunnen worden genomen.

Het Regeeringsantwoord wordt thans ingewacht; eerst wanneer dit in handen der commissie zal zijn kan verder voort gearbeid worden. Men mag het zich daarbij niet ontveinzen, dat wat aan de gehoopte toezegging in vergelijking met het eerst gevraagde zal ontbreken, uit anderen hoofde zal moeten worden verkregen. Was het eerste verzoek ingewilligd men tras t/mns reeds gendmen tijd gereed geiveest. De commissie wil echter niet verzwijgen, dat zij gegronde hoop mag blijven koesteren om , wanneer haar

ocr page 14

10

voorstel eene gunstige toezegging van Rijkswege mag erlangen, ook verder te zullen slagen ten einde in staat te geraken het gewichtige werk der indijking van ongeveer veertien duizend Hectaren tot verwezenlijking te brengen, en alzoo een deugdelijk plan van reconstructie der thans noodlijdende Maatschappij te kunnen voorleggen.

Met opzet is de geschiedenis harer bemoeiingen, gedurende ongeveer twee jaren door de ondergeteekenden eenigs-zins uitvoerig beschreven. Belanghebbenden kunnen er uit vernemen, dat waarlijk niet is stilgezeten, en tevens, dat wanneer men de chronologie en den aard der werkzaamheden nagaat het vaak buiten de macht der commissie lag den loop der onderhandelingen te bespoedigen.

Lijdelijk afwachten was haar dikweif voorgeschreven; de onderzoekingen ter plaatse vorderden daarenboven bij een zoo onzeker en wisselvallig terrein als de Wadden steeds geruimen tijd.

Menigmaal dreigde de moed om verder te gaan en vol

O O O

te houden hun te ontzinken; niet geringe opoffering van tijd, arbeid en geld was toenemend noodig; de overtuiging werkzaam te zijn om een in haren aard veel belovende en levensvatbare zaak tot een goed einde te kunnen brengen, deed lien echter over niet altijd aangename en vaak ernstige bezwaren heenstappen en diligent blijven. De hulp, die van het Rijk gevraagd wordt is niet overdreven; wordt die in den aangegeven vorm en tot het voorgestelde bedrag niet verleend, men mag dan veilig aannemen, dat niet alleen door deze Maatschappij, maar ook door alle andere aanvra gers van landaanwinning door indijking zal moeten worden afgezien.

Van verdere beschouwingen over landsbelang, sociale kwestiën en economische toestanden willen de ondergetee-

ocr page 15

11

kenden zich te dezer plaatse onthouden, al zonde daarover zeker menig toepasselijk woord zijn te zeggen.

Evenmin wenschen zij thans vooruit te loopen op de toekomende positie der tegenwoordige deelhebbers, indien hunne bemoeiingen succes mogen hebben; zij achten dit prematuur en meenen er op te kunnen rekenen, dat ook hierin hun streven met vertrouwen zal worden bejegend.

Eenvoudig mededeelende wat en wanneer dit door hen verricht is laten zij het oordeel over hunnen arbeid over aan hunne mede-aandeelhouders wier belang in elk geval bij eenen goeden afloop der onderhandelingen in hooge mate betrokken is, en dat zij in de eerde plaats op het oog hadden.

Zij rekenen het een voorrecht, dat ze technisch worden ter zijde gestaan door eenen deskundige als de ingenieur Lely en dat zij te 's Gravenhage worden vertegenwoordigd door een rechtsgeleerde als Jhr. Mr. E. N. de Braauw. Wat echter voor alles volstrekt nooduj moet worden geacht

o o

is quot;rustig aan het werk te worden gelaten,quot; zij herhalen het, dwingen kan men den loop van zulke zaken niet, en voegen er bij dat evenmin alles wat daarmede in verband staat voor openbaarheid bestemd kan worden.

Materieel achten zij het aan de tegenwoordige bestuurders gemakkelijk gemaakt te hebben door zich bereid te verklaren de onkosten van den loopenden dienst gedurende de verdere onderhandelingen voor hunne rekening te nemen, omdat de kas der vennootschap totaal is uitgeput.

Moreel moet hen het volle vertrouwen van bestuurders en aandeelhouders schragen; voorbehouden natuurlijk het oordeel en de beslissing van belanghebbenden, wanneer ze met de uitvoering van hunne taak gereed zijn en hunne voorstellen aan de goedkeuring hunner medevennooten komen onderwerpen; wordt hun dit vertrouwen niet in onbeperkte mate ge-

ocr page 16

schonken, dan is het beter, dat zij hunne taak nederleggen.

Mocht een der vennooten of de directie betere, meer afdoende plannen hebben met meer kans van slagen, de ondergeteekenden zijn volkomen bereid terug te treden, mits slechts op deugdelijke gronden hiervan onverholen blijke, en niet aan eene illusie worde geofferd, wat thans aanvankelijk met veel inspanning op eigen risico is verkregen en up goede gronden mag worden verwacht.

H. C. VAN DER IIOUVEN VAN OORDT.

G. W. li. VAN TIJEN.

Mr. J. KAPPEYNE v. d. COPPELLO.

N A SCHIM FT.

Dit verslag was reeds voor verzending gereed, toen het antwoord, dat van de Uegeering verwacht werd, inkwam.

Daarbij wordt medegedeeld, dat van geene andere ondersteuning door liet Kijk sprake kan zijn dan van snlt-sidie, uit te betalen na geheele voltooiing en goedkeuring van het geleverde werk. Het behoeft geen betoog dat bovendoelde beslissing van de Kegeering de taak der Commissie verzwaart. Intusschen blijft deze bereid, om indien hare niedebelangbebbenden dit verlangen, haren arbeid verder voort te zetten, waarbij als eerste voorwaarde echter een ruime termijn van handelen zal behooren te worden gesteld.

Om hiervan te doen blijken zou van NEVENSGAANDE VERKLARING kunnen worden gebruik gemaakt.

ocr page 17

■

*

ocr page 18
ocr page 19

!Fijiü 5M wm LAJ^J'i\) M J SJ © uïü JN!1 ^£).1

GEBIED DER CONCESSIE OP DE FRIESCHE WADDEN

VE HO KL EKEN MET HET

U /,

Bijlage behoorende bij het Verslag der Commissie tot Reorganisatie der Maatschappij tot Landaanwinning op de Friesehe Wadden van October 1890 en dienende tot toelichting van het vierde punt der conclusie des Reeren C. Lely aan het slot van zijn Rapport over het onderzoek der Wadden in het einde van het jaar 1888.

Fio^o.Gelried der Concessie van de Maatschappij toilandaanwirmino- op de Friesclie Wadden

op Zo om

J

i A

Ns ))

((s

^ (

S ciuxa P votn ot(Ce j ve\\ \ a Z O 0,0 00

gt; igt;

Hg*2. Bedijkingen tegenover fort Bath van 186S -1884 dus

Fi j l. Be dij kin gen in den üollard van 1696 quot; 18

dus

Filt;v4.Aanwas van het Kampereiland

sedert 1695 dus

i ou vc) otoc n vv? UVr\AA\X[ / u\y 193 liX/l C K/

Vollen li o vc

Fio* 'V Aanwas van den BiesboscTi

w

sedert IG99 dus

u Schokland

l

i /

L i

V

l

'X

,/ /

\j

litü.v PJA'i/aa» leiden.

!l

ocr page 20
ocr page 21
ocr page 22