ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

LEVM

VAN DEN

YAK, HALLÜM

^TIGHTER DER ^A;BD_IJ ARIËNGAAF^D IN jpRIESLAND DOORquot;

Fr. GERL. VAN DEN ELSEN,

Supprior der Abdij van Berne,

Rector van het Gymnasium to Heeswijk,

Lid van de Mï der Ned. Letterkunde.

Kerkelijk goedgekeurd.

t

Drukkers en Uitgevers, H. C. VAN DER AA amp; ZONEN, OOSTERHOUT.

ocr page 4
ocr page 5

V H

f

'i*

t

)

ocr page 6
ocr page 7

L.E VEN

JV

VAN DEX

YAN HALlLlUM,

pTIQHTER DER /lBDIJ ^VlARIËNGAAP^D IN ^RIESLAND

DOOll

Fr. GERL. VAN DEN ELSEN,

Supprior der Abdij van Berne, Rector van het Gymnasium te Heeswijk.

/j)® li*

Kerkelijk goedgekeurd.

t

Snelpersdruk ; H. C. VAN ])EU AA amp; ZONEN, O O S ï E li H O IT T.

ocr page 8

Met goedkeuring van de Oversten der Orde.

IMPRIMATUR.

Datum in Semin. Ypelaar, hac die 10 Maii 1893. J. J. HOPSTAKEN,

Reg. Sem. lïbr. Cens.

ocr page 9

i gt; i ^1:11

Heilige priesters, door den If. Norlertus gevormd, hadden zijne stichting op Hollandsohcn hodem óvergehracht, eer de Ordestichter uit dit leven scheidde. De Zalige Waltwannus, abt van Antwerpen, legde de grondslagen van eene leroemde abdij te Middelburg in 1130. Üc Zalige Walterus, later bisschop van Ladn, die door geheel Frankrijk, Spanje en België predikte en overal abdijen stichtte, kwam ook in Holland en vestigde bij Cuilenburg de abdij van Marién-waard, uit welke die van Berne bij Ifeusden in 11 .quot;!4 ts voortgekomen, juist in hetzelfde jaar, dat de 11. Norbertus te Maagdenburg overleed.

Deze drie abdijen werden wederom moeders van vele andere gestichten in Holland. Toch duurde het nog dertig jaren, eer de alom geroemde instelling bij den eigenaardigen Fneschen volksstam ingang vond. Onder de Friezen zeiven moest een man opstaaii, die met Gods geest bezield , door langdurige ondervinding van de heilrijkheid der stichting overtuigd, de schoone Orde op eigen bodem, zou overplanten en onder zijn volk verspreiden.

Die groote man iras de Zalige Fredericus van Hallam, wiens leven wij gaan beschrijven. Met een echt priesterlijken geest bezield, zocht hij naar middelen om zich zeiven te volmaken en den ruwen landaard van zijn stamgenoot en te verzachten, te beschaven, te heiligen. Hij vond het middel bij de Norbertijnen, die hij te Cappenberg bij Manster en te Mariènwaard bij Cuilenburg leerde kennen. Gaandeweg bracht hij hunne gewoonten en leefwijze voor zich zelf in beoefening, verzamelde eenige leerlingen en stichtte een klooster naar de iv ij ze der Norbertijnen, om ook anderen aan zijn geluk deelachtig te maken, en om geheel Friesland' voor altoos in de vruchten te doen deelen, welke de Orde elders in ruime mate voortbracht. Eer nog eene eeuw was verhopen, hadden de provincién Friesland en Groningen 25 Premonstratenzer kloosters.

ocr page 10
ocr page 11

LEVEN

¥ AN HALLÜM.

3TIC,HTER DER ^Vl ARIÉNGAAP^D

IN -pRIESLAND

Fr. GERL VAN DEN ELSEN,

Supprior der Abdij van Berne,

Rector van liet Gymnasium te Heeswijk.

Kerkelijk goedgekeurd.

t

Snelpersdruk:

H. C. VAN DER AA amp; ZONEN,

0 0 S ï E R H 0 U Ï.

/jP

ocr page 12

Met goedkeuring van de Oversten der Orde.

IMPRIMATUR.

Datum in Semin. Ypelaar, hac die 10 Maii 1893. J. J. HOPSTAKEN,

Reg. Sem. libr. Cem.

ocr page 13

i.gt; i .1:11 gt;!gt;lt;;.

Heilige priesters, door den H. Norbertus gevormd, hadden zijne stichting op Holtandsclwn bodem overgebracht, eer de Ordestichter uit dit leven scheidde. De Zalige II altmanuns, abt run Antwerpen, legde de grondslagen van eene beroemde abdij te Middelburg in 11.-50. De Zalige Walterus, later bisschop van Ladn, die door geheel Frankrijk, Spanje en Belgn 'predikte en overal abdijen stichtte, kivam ook in Holland en vestigde bij Cuilenburg de abdij van Marien-waard, uit welke die van Berrie bij lleusdm in 1134 is voortgekomen, juist in hetzelfde jaar, dat de H. Norbertus te Maagdenburg overleed.

Deze drie abdijen teerden wederom moeders van vele andere gestichten in Holland. Toch duurde het nog dertig jaren, eer de alom geroemde Instelling tiij den eigenaardigen Friesehen volksstam ingang vond. Onder de Friezen zeiven moest een man opstaan, die met Gods geest bezield , door langdurige ondervinding van de heilrijkheid der stichting overtuigd, de schoone Orde op eigen bodem zuu overplanten en onder zijn volk verspreiden.

Die groote man was de Zalige Frederlcus van Halltim, wiens leven wij gaan beschrijven. Met een echt priesterlijken geest bezield, zocht hij naar middelen om zich zeiven te volmaken en den run-en landaard van zijn stamgenooten te verzachten, te beschaven, te heiligen. Hij vond het middel bij de Norbertijnen, die hij te Cappenberg bij Munster en te Marièmeaard bij Cuilenburg leerde kennen. Gaandeweg bracht hij huune gewoonten en leefwijze voor zich zelf in beoefening, verzamelde eentge leerlingen en stichtte een klooster naar de wijze der Norbertijnen, om. ook anderen aan zijn geluk deelachtig te maken, en om geheel Friesland voor altoos In de vruchten, te doen deelen, welke de Orde elders in ruime mate voortbracht. Eer nog eene eeuw ivas verloopen, hadden de provlnclèn Friesland en Groningen 25 Premonstratenzer kloosters.

ocr page 14

l)e levensheschrijving van sulk een man moet wel ch lelangstelling wekken van alle ware katholieken. Ken gevoel van schaamte overmeestert ons, als wij zien hoe Protestanten zelfs zijn naam heiben verheerlijkt, terwijl vele katholieken hem nauwelijks kennen. Wij katholieken, wij vooral hehooren eerbied te koesteren voor de kloosterhelden, welke onzen vaderen het geloof en de beschaving hebben gebracht, meer dan voor de oorlogshelden, die hun de vrijheid schonken. Kn het kan nooit Gode welgevallig, noch den menschen betamelijk en voor-deelig zijn, de gedachtenis van zoo verdienstelijke mannen aan de vergetelheid prijs te geven.

Het leven van den Zalige en de mirakelen na zijn dood geschied, werden voor het eerst vele jaren, nadien duidelijk. stichtelijk en liefelijk beschreven door zijn vijfden opvolger, den abt van Marlhigaarde, Sibrandus. (') Waarom, heeft men zoolang gewacht? Be eerwaardige schrijver geeft zelf op die vraag het antwoord. Frederlcus, zegt hij, was zoo beroemd, zijne daden zoo algemeen-bekend en hij leefde nog zoovele jaren m de geheugeuls der menschev. voort, dat men eene beschrijving overbodig achtte. Toen de schrijver echter op aanraden van de zusters van Bethlehem de pen opvatte, waren de getuigen van zijn wonderbaar leven g root endeels uitgestorven, en ofschoon zijne gedachtenis niet zoo spoedig uitsterven kon, was het toch voor de verlevendiging en vereeuwiging daarvan noodzakelijk, de gebeurtenissen op te teekenen, tvelke de nog overgebleven getuigen hem konden mededeelen.

Onder deze getuigen bekleedde eene voorname plaats de oud-priorin Gertrudis van Dresum. (s) / an hoog en huize afkomstig, (') had

(J) '/.ir de Voorrede en Vita Sibrandi p. 149.

(S) Dresum, Inler Ueiesum, liijl in de cjrirl Danlumadecl. Toch zou ook Dei'rsuDi kunnen bedoeld zijn hij Rauwerd.

(.3) (.nit. XXXI, hl. 34. Hier vindt men hare gansehe familie Cam-minc/a, welke wordt voortgezet hl. 189 en 205. Dat zij noy niet overleden was, en dus zelve de hijzonderheden over hare familie heeft medegedeeld, is duidelijk genoeg, doordien van haren dood niet wordt gewaagd, hetgeen anders overal geschiedt.

ocr page 15

Igt;I LOI JI gt;.

Hoofdsï. Bladz. Inleiding..............7

I. Waar de Zalige Fredericus vandaan was, hoe

hij speelde en hoe men hem op studie deed . 17

II. Hoe de Zal. Fredericus zich op de wetenschappen

toelegde en daarhij dé deugdzaamheid niet uit het oog verloor...........21

III. Hoe de Zalige Fredericus leermeester, priester

en kapelaan van Hallum werd......2G

IV. Hoe de Zal. Frederik van aard vreesachtig was,

doch steun zocht in het gehed en de godsvrucht van O. L. V. Hoe hij pastoor werd van Hallum 32

Y. Hoe de Zal. Fredericus zich op de versterving toelegde en daardoor de gave verwierf van groote wonderen te doen........37

VI. Over eene ziekte en een schoon vizioen van den

Zal. Fredericus. Over een gevecht onder zijne parochianen en het verbranden der kerk . . 42

VII. Hoe goed de Zal. Fredericus kon preeken en hoe

hoog hij het H. Sacrament des Altaars eerde . 47

VIII. Hoe hij zijne moeder beminde en na haren dood

de Praemonstratenzer Orde intrad.....52

IX. Hoe de Zal. Fredericus rondging om nieuwelingen

voor zijne stichting te winnen en hoe hij Godschalk bekeerde...........GO

ocr page 16

- 6 -

X. Over de godvruchtige familiën van Mercelum en

Camminga.............65

XI. Hoe de Zal. Fredericus geholpen werd door den

ijver van Taco en hoe hij de zusters op den weg der zaligheid geleidde.......73

XII. Over verscheidene wonderen van den Zal. Frede

ricus en hoe hij de kleine kinderen liet onderwijzen ..............70

XIII. Hoe de Zal. Fredericus met Alardus naar Stein-

felt gaat, om zich met de Orde in verbinding te stellen.............85

XIV. Hoe de Zal. Fredericus den vrede herstelde . . 96

XV. Over zijne ziekte, zijn dood en zijne begrafenis 101

XVI. Over den bloei en de uitbreiding van Mariëngaarde 107

XVII. Over de mirakelen, vooral bij het graf. . . .112

XVIII. Overbrenging zijner Relikwieën. Zijne afbeeldingen 120

Slotwoord.............127

Bijlage. Kritiek op liet gezag van den schrijver

Sibrandus Leo...........13S

ocr page 17

- 11 -

l'clijh vermeldt, (') dat hij nog velen heeft yehend, die met den '/MÜijen Stichter hellen omgegaan, te meer daar hij zelf vellicht van, af zijne kindsche jaren m Manéngaarde v:as opgevoed. (2) Altham zien irj, dat hij zich beroept op het getuigenis van Alar-diift, den onaf scheidelij ken gezel van Fredericus, die niet lang na diens dood Marwngaarde verlaten had en als Carthuizer in Frankrijk overleden was. (') Bovendien weten mj, dat hij jarenlang met den alt Siardus omging, die als jongeling door den Gelukzalige tras aangenomen en dat velen zijner hloeclvenoauten in nauwe betrekking stonden met het gesticht. Daarbij, de scirijver spreekt met zulk een eenvoud en oprechtheid, met zutk eene kennis van zaken, dat hij in allen gevalle het volste ver!rouwen verdient.

hn dat hij vel op de hoogte van van de dingen, die onder de Tremonstratenzers van Friesland geschiedden, blijkt ten overvloede uit zijne lekwaamheul, zijne geleerdheid en de hooge het rekkingen, velke hem dientengevolge irenlen, opgedragen. // elk eene groote rol hij heeft vervuld in de geschiedenis der Surlertijnen, niet alleen Van Mar ie ngaarde, maar ook van geheel Friesland en Groningen, verhalen ons zoowel zijn kundige biograaf TliUardus, (f) als de bekende kroniekschrijvers run // ittewierum. Reeds róór hij tot de abtelijke vaardigheid vas verheven , werd hij voor de fp'Wicltigste en moeilijkste zaken afgevaardigd. Zoo iemand, dan was hij in staat met zijne versneden pen eene vaardige gedenkzuil voor den stichter van .Marwngaarde o/) te richten, welke tevens een wegwijzer zijn zou voor diens geestelijke zonen en nakomelingen.

I itmuntend heeft hij zich van die taak gekweten, en wij, die ook niets anders beoogen, dan, de verheerlijking van Gods heiligen

(J) Prologm en cap. !), 14, JO, '2S, 31, 30, 41, 43, öO. 57.

('■2) In cap. XIX fft'cl I hij Ie kennen, dot hij als hi ml ile Cislercienzers heeft bezocht.

{ïï) Zie ca}). XXXII en XLI.

[4) Dot deze, de schrijver is der lerens van Sibrandus, .hwicas en Ethetijerus wordt, hierachter bewezen.

ocr page 18

- 12 -

en (]lt;• siidding rkr geloovigen, wij lehhen niets urulers te dom, dan zijn werk te vertalen en zooveel mogelijk in zijn oorspronkelijken vorm kenbaar te maken. (')

Terwijl wij dit doen, verklaren wij ons in het betitelen van heiligen en het beschrijven van hunne wonderwerken geen ander gezag aan te matigen, dan de 11. Kerk ons veroorlooft, aan wier onfeilbaar oordeel wij ons in alles onderwerpen.

Nadat wij in de inleiding bewezen hebben, dat bet leven van den Zaligen Fredericus door den Abt Sibrandus op verschillende tijden is uitgcgev.m, meenen wij nog verder te moeten gaan, en volgens onze belofte te onderzoeken , wie de bewerkers geweest zijn van het leven des Zaligen Siar-dus, als ook van den voornoemden Sibrandus en zijne twee opvolgers.

Door Wybrands (J) is genoegzaam bewezen, dat de auteur van het eerste niet dezelfde is als die van de drie laatste, dat hij iets later aan het werk ging en schreef omtrent 1270. Meer is niet bekend. Wij zullen aantoonen 1quot; dat de voorrede (prologus), de drie laatste levens voorafgaande, wel niet bij deze behoort, maar toch van dezelfde hand is. 2° dat deze schrijver in het leven van Siardus met zijn eigen naam Thilardns wordt aangeduid en 3° dat Siardus'leven door den abt ïheodoricus is vervaardigd.

1° Men heeft eraan getwijfeld , of de gemelde voorrede van denzelfden schrijver is als de levens welke er op volgen, omdat zij, wat den inhoud betreft, daarbij niet past. In de voorrede toch zegt de schrijver dat hij het leven van Siardus beschrijven wil, van wien in het boek nauw lijks melding wordt gemaakt. De titel en het slot der voorrede doelen wel op delevens van Sibrandus, Jaricus en Ethelgerus, welke levens werkelijk volgen, maar terecht wordt opgemerkt, dat die titel en, ik voeg er nog bij, ook het slot (de laatste volzin) door een afschrijver aan het werk passend gemaakt zijn. (1)

1

lt;3) Wybrands Inleiding bl. XXI.

ocr page 19

— 9 —

deze schrandere vrouw in hare jeugd met haar zwager Asego eene bedevaart gedaan naar het 11. Land en naar Span je. Zij was hij hare terugkomst door den man Gods aan het hoofd gesteld van zijn zooeven gesticht nonnenklooster Bethlehem. (') In haar hoogen ouderdom werd zij vervangen door Berlindis, eigen zuster vim den schrijver en abt Sihrandus, welke eveneens tot ile familie he hoor (hi van den voornoemden Asego, roant deze was een eigen neef van hun overgrootvader. (ï) Sihrandus nu schijnt meermalen het leven van den Gelukzalige te hiehben uitgegeven. Be verschillende handschriften, welke Le Palge, Craywinckel, de Bollandisten en anderen gebruikten, hunnen uittreksels zijn, (') maar toch niet van het leven, dat door Sihrandus Leo in de 1 f')de eeuw werd verkorf en door IFgbrands m 1879 In zij11 geheel aan het licht werd gebracht. In dit laatste vindt men hij zonderheden, welke te gewichtig zijn, om niet door een compilator ten minste met een enkel woord te worden aangestipt, (■'•) en verschil-

(1) Ook di' Zal. Gertrudis van Aldenbury, dochter van de ff. Elisahctft, was notj slcrfils 2'J jaar oud, lont zij overate werd.

{-■i) Zie Gedenkschriften l/l. -11, :}4, 190, -205, en hierna in het 10de fioofdstuk.

(3) Zoo denkt Wi/brands (ibidem Inleiding XV ff) en het hek nopt verhaal van sommige i/eftenrteaissen yeeft daaj'voor (jenoegzaTnxen grond. Mogelijk hebben de kanunniken van Utrecht, die op zulke wijze vele levens van Heiligen, ook dat van den Zal. Dodo overichre-uen, (Holt. oO Mrt. 841} ook dit teren verkort. 't Is echter vreemd, drtl de onde handschriften, waarvan er de Bollandisten velen (varia) gebruikt hebben, alle zulk een compendium zouden bevatten. Ook Cragwinckel. die viiiir hen schreef, fuut niets onders. Evenzoo Gab-berna. Zie aldaar.

(4) Dat deze hetzelfde leven gezien heeft, blijkt hieruit, dat hij spreekt run Wibrandas de BI ja en vun de reis naar Steinfelt.

(5) Zoo cap, XXft, waar verhaald wordt, dat de Zal. Fredericus het H. Bloed Iegelijk met een steen nuttigde, cap. XX en XLfH, waar de bekeering van hvee edellieden beschreven wordt; cap. XL, waar tie reis naar Steinfelt en de aansluiting met de abdij aldaar wordt medegedeeld; dun. verschillende wonderen in cap.Xf.fX—LIV, waarvan in de andere uitgave geen enkel woord. Bovendien belangrijke stukken uit cap. Xf— XIII, A A A. AAA/ en A LI, terwijl ook de gehcele voorrede ontbreekt.

ocr page 20

- 10 —

lende plaatsen ioonen aan, dat het eene verleterde uitgave is. (') Dit is trouwens ook Jcenhaar, als men de voorrede vergelijht met het 39.jfe hoofdstuk. Want hier staat, dat de aht Siardus nog leefde j ginds 11 ijkt, dat zijn opvolger reeds den staf droeg. (*)

Vit dit alles trekken wij het lesluit, dat Sihrandus het leven van den /al. Fredericus heeft geschreven, toen hij nog prior was te Bethlehem, of kapelaan was van den Zal. aht Siardus, (1194— 1230) dat hij het later heeft verbeterd en aangevuld, en alzoo, met eene voorrede voorzien, aan de zusters van Bethlehem heeft opgedragen, van welke hij naar allen schijn prior en biechtvader geweest' is. Al zegt hij dus in de voorrede zijner laatste uitgaaf, dat de Zalige Fredericus meer dan vijftig jaar overleden was, toen hij die voorrede vervaardigde, men kan daaruit niet besluiten, dat hij zijn boek niet vroeger geschreven heeft. (1) V Is zelfs mogelijk, dat ook' deze voorrede vroeger geschreven is en dat de woorden abbas enz. later zijn ingelascht.

Uit dit alles volgt, vat de schrijver zelf ook dikwijls uitdruk-

1

Ook is cap. LVIff en volgg., waarover het jaar 1210 als een lang voorbij zijnd en tijd gesproken wordt, later toegevoegd, zoaals blijkt uit den aanhef.

ocr page 21

- 13 -

Deze omstandigheid nu is, naar mijne bescheiden meening, een niet te versmaden bewijs voor mijne stelling: beide zijn van denzelfden schrijver afkomstig. Om welke andere reden toch zou men eene voorrede, welke niet bij het boek behoort, daarvoor geplaatst hebben ? Er is nog meer.

Wat de auteur in die voorrede of prolorjwi van zich zeiven gezegd heeft, komt juist overeen met hetgeen we den auteur van het boek van zich zeiven hooren zeggen. In dit laatste lezen wij, dat de schrijver van jongs af n tempore puerili Premonstratenzer geweest is. (') In (') toen meester Fredericus stierf, was hij ziekenoppasser (bl. 178). De abt Jaricus (1238-1240) stelde hem aan tot medehelper van Thammo bij het onderwijs van de studenten en novicen (bl. 183). Ünder den abt Ethelgerus (1240-1259) werd hij benoemd tot eersten prior van het nonnenklooster, dat omtrent 1250 door zekeren Buwo werd gesticht. Toen hij hier de noodige gebouwen had voltooid, werd hij docr eene hevige koorts aangetast, naar Mariëngaarde teruggevoerd en kort daarna hersteld zijnde naar het Buwenklooster teruggezonden, alwaar hij na den 25 Augustus 1252 eene nieuwe kerk liet in-wyden. (J) Toen hij zijn werk schreef, woonde hij niet meer in het gezegde klooster; Wilgrepus had zijn plaats ingenomen (bl.184). Dit alles is getrokken uit het boek zelf en dat de beschreven persoon werkelijk de schrijver is, werd reeds erkend door Weiland en Wybrands {Inleiding bl. XXIV). Dit kan ook hierdoor bevestigd worden, dat de schrijver zoo juist de namen en de familie kent van alle zusters van het Buwenklooster, en met de kleinste bijzonderheid van dit klooster op de hoogte is.

Zoo leeren wij den schrijver van het boek kennen. Lezen wij nu den prologus, dan vinden wij daar denzelfden man terug. Hij staat onder den abt van Mariëngaarde, Theodoncus, maar woont niet in de a.bdij, want hij wil zijne papieren overzenden. Hij is door denzelfden abt (1259—1275) tot prior van het zusterklooster Bethlehem aangesteld, nadat hem de last van de proostdij (het Buwenklooster) ontnomen was. Van jongs af is hij in Mariëngaarde opgevoed, en hij heeft met den abt Siardus nog tien jaren geleefd. Hoe juist past dit alles bij hetgeen wij van hem uit het boek

(1) Wij brands Ibidkm bl. XXIV, XXV,

(2) Niat 12^7, zooals Wgbrands meent (bl. 175, nota 1), want op het grafschrift bl. 178 staat duidelijk de 15 Maart 1236, en dat hier niet na Kerstmis 1236 bedoeld is, leert de bijvoeging skxtak tunc luck skqubntk, waarmede de zesde maan bedoeld is, die in 12.36 juist op den 15 Maart inviel. De zesde dag der week kan niet bedoeld zyn, want noch 15, noch 16 Maart vielen in 1236, 1237 of 1238 op een Vrijdag en men was gewoon volgens den stand der maan te rekenen, als blijkt bij £mo p. 59 en 77. Fredericus stierf dus in den nacht tusschen 14 en 15 Maart en werd de volgende 6e maan, d. i. den volgenden dag 15 Maart begraven. Zoo ook het vita Frederici cap. XIX, LVI. LVII.

(3) Kr staat 1242, dat het 1252 moet zijn, vordert de geheele beschrijving. In dit jaar viel 25 Aug, juist op een Zondag, den gewonen consecratiedag. Zie ook cap, LV, nota (2)..

ocr page 22

zelf getrokken hebben. Daarbij hoiule men in 't oog, dat de auteur wederom de namen en de familie kent van de zusters in Bethlehem, cap. XIV, L1Y, evenals die van Buwenklooster, alsook dat het werk is vervaardigd omtrent, 1270 (bl. XX 1\ ),\ welk jaartal ook in den prologus staat. Zoo dunkt mij moet , alle waarschijnlijkheid voor het verschil van auteurs geheel verdwijnen.

Men zou kunnen opwerpen dat. in den ^rolóyus sprake is van eo.u proost (prnrposiftifn) en in het werk van een prior van Buwenklooster (cap. LV). Maar in onze nonrienkloósters werd de overste zoowel proost als prior' genoèmd, en Mariëngaarde had geene andere kloosters, die men proostdijerl kon heef en, dan de genoemde.

Zoo zijn wij dan te weten gekomen, niet alleen dat de voorrede door denzelfden schrijver is vervaardigd, als het werk dat er op volgt, maar ook welke loopbaan die schrijver zelf' heeft volbracht. Gaan wij nu zijn naam zoeken in hot leven van den Zaligen Siardns.

2°. Daar vinden wij een Thitardns, (bl. 107) op wiens getuigenis de schrijver zich herhaalde malen beroept, omdat hij als kind niet Siardus had gewoond en veel gezag had bij zijne medebroeders (bl. SG, 87, 107). Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat er in het jaar 1270, toen dit geschreven werd, slechts weinig getuigen van Siardus leven konden over zijn, dat in dit punt niemand meer gezag kon hebben dan de bekwame schrijver van bovenvermelde levens, van wien wij gezien hebben, dat hij met Siardus tien jaar had omgegaan, dat deze bovendien, zooals uit den prologus- van zijne eigen levens blijkt, over die zaak met den schrijver van dit leven heeft gehandeld, dan kan het alweer niet betwijfeld worden, dat Thitardns de man is dien wij zoeken. Maar deze Thitardns heette vol-giens hef handschrift, dat Wybrands gebruikte, Ernsteuga, d. i. Ernestus-zoon , tenv ijl onze schrijver tof de familie der Efhelgera's moet behoord hebben {Inleirliiif/ bl. XXIV, XXV). Op dit bezwaar kunnen wij antwoor' den , vooreerst dat hij aan die familie kon verwant zijn , al heette zijn vader Ernesfus, zeker van moederszijde. Ten tweede dat de naam Ern-stenga (bl. 107) in hot handschrift, dat eigenlijk maar een afschrift is uit de 15de eeuw, niet duidelijk is geschreven, zoodaf waarschijnlijk Ethelgera of Jelgèra moet gelezen worden, daar ook van elders blijkt (bl. 18amp;, 190, 204) dat de naam Thitardus in deze familie geen onbekende wr.s.

Wij vermoeden, dat de dood van zijn bloedverwant, den abt Jelgerns of Efhelgerus, aanleiding tof zijn schrijven gegeven heeff, daar hij niet alleen d'?. raadsman van dien abt, maar ook de uitvoerder van diens plannen op de school en in hef stichten van het Buwenklooster geweest is. Toen hij

ocr page 23

de levens der drie abten, met wie hij zoo groote werken had uitgevoerd, geschreven had, werd hem door den nog levendon abt Theodoricus opgedragen , om ook dat van Siardus te schrijven (zie. prolmjus). De dood echter belette hem dit plan uit te voeren. (') Hij schreef alleen de voorrede [*) en misschien ook cenige ruwe schetsen , welke gebruikt werden door den abt ïheodorieus, die zijne taak overnam, hetgeen wij thans gaan bewijzen.

3quot;. Dat bet leven van den Zaligen Siardus omtrent 1270 mi de andere is afgewerkt, werd reeds bewezen door Wybrands (bl. XX) en blijkt uit cap. I, bl. 149. Ook toont het verschil van stijl zonneklaar, dat het door eene andere hand is vervaardigd. Het is veel meer eene ascetische verhandeling, en bot woordje forto dat ginds herhaaldelijk te pas en te onpas wordt aangevoerd, vindt men bier maar zelden. De schrijver ïheodorieus wras onder Sibrandus of Jaricus (1230—1249) in het klooster gekomen (bl. 184), hij had Siardus niet meer gekend, wist weinig van hem te verhalen en trachtte dit gebrek te vergoeden, door het leveren van zedenlessen, welke hein als abt ook beter voegden dan anderen.

Dat de schrijver een abt was, volgt reeds hieruit, dat hij nergens te kennen geeft zich uit gehoorzaamheid aan bet werk gezet te hebben, en daar hij van onzen vader Siardus spreekt, moet hij ook abt van diens klooster geweest zijn. Is nu bet werk omtrent 1270 vervaardigd, dan is de schrijver Theodoricus, die van 1259 tot 1275 den herderstaf droeg, dezelfde, die den nu overleden ïhitardus dat werk bad opgedragen.

Ook de inhoud zegt duidelijk, dat de schrijver een overste moet zijn van den eersten rang. In het eerste hoofstnk gispt hij de voorvarendheid van jeugdige prelaten. Op het einde van het derde geeft hij eene scherpe les aan alle kloosteroversten en in het elfde verstout bij zich zelfs den generalen abt van Prcmonstreit eenig verwijt te doen. Een ondergeschikt persoon zou zoo iets, zeker niet op zulken toon, geschreven hebben.

Zoo meen ik genoegzaam bewezen te hebben dat het leven van den Z. Siardus is vervaardigd door den abt Theodoricus, dat van Sibrandus, Jaricus en Ethelgerus met den prologus die er voorgaat, door Thitardus.

[1] Dat liij overleden was, blijkt uit eax). XII. p. 107 : nomkn ei krat. niet vst.

[2] Hij schreef die voorrede voorat', want hij zegt dat hij het leven van Siardus zal opzonden, als hij liet zal beschreven iiebijen : scivero — invksticavkuo — dictavero

— consckipsero.

ocr page 24

gt;1

f

jj:

'i

■,

* i

ocr page 25

Eerste I loolVIi-il iili:.

Waar de Zalige Fredericus vandaan was, hoe hij speelde en hoe men hem op studie deed.

!Prie uren ten noorden van Leeuwarden in liet dorp Hallum ligt eene boerenplaats, die men nog het Klooster noemt, maar die in vroegere eeuwen den schoenen naam van Mariëngaard gedragen heeft. Hier toch heeft de Zalige Fredericus in de twaalfde eeuw ter eere van de H. Maria den eersten gaar d geplant, die gedurende vier eeuwen de geheele provincie Friesland in geestelijk opzicht heeft gevoed, verkwikt en onderhouden: evenals een ander groot man, Emo van Huizinge, in de volgende eeuw een B 1 o e m h o f heeft aangelegd in de provincie Groningen, welke niet minder in den omtrek evenlang zijne geuren heeft verspreid.

Het dorp Hallum was in de twaalfde eeuw niet groot, maar het was beroemd door den rijkdom en het aanzien van vele adellijke en christelijke huisgezinnen, welke er hun verblijf hielden. Vandaar dat het ook een eigen pastoor bezat, dien het volk Heer Feico noemde en dien het als een vader eerde en beminde. Niet alle dorpelingen echter waren zoo goed gezeten. Er woonde eene weduwe met name Sibrich, minder met aardsche goederen, maar des te meer met hemelsche bedeeld. Zij bezat van de aarde weinig

2 Zal. Fredericus.

ocr page 26

- 18 -

meer dan een zoontje en een kleine dochter, en eigenlijk gezegd , waren deze veeleer een hemelsche dan een aardsche gift. Het zoontje althans was door God geroepen , om veel geluk en zegen niet alleen over zijn huis en familie, maar ook over geheel Friesland te brengen.

Zijn naam was Feico, in het latijn Fredericus d. i. Vrederijk , terwijl zijn overleden vader Dodo heette. De moeder zag iets groots in het lieve kind en zoodra hij er vatbaar voor was , leerde zij hem het Onze Vader stamelen en trachtte zij de oogjes van den kleine voor de wegen van een hooger leven te openen.

Dikwijls herhaalde zij: „Lief kind, onze lieve Heer is zoo groot. pas op dat gij hem niet boos maakt door leugentaal of diefstal, Onze lieve Heer is zoo goed. bezoek hem dikwijls in de kerk en houd niet op te bidden. Heb eerbied voor de menschen, maar verfoei de zonde en zoek de braafheid.quot; De volgzame knaap luisterde gretig naar deze moederlijke vermaningen . prentte ze diep in zijn hart en deed alle moeite om ze in beoefening te brengen.

De arme weduwe had eenige schaapjes en de brave Feico werd spoedig bekwaam geacht om ze op te passen. En terwijl andere kleuters zich aan dartele speelschheid overgaven, zag men hem zijn Paté r-n o s t e r lispelen of van kleiaarde een hoogen toren of een vierkant altaar bouwen, waarop hij dan een dik misboek plaatste, dat hij van boombladeren had saamgevlochten, om vervolgens op zijne manier eene plechtige Mis te zingen.

Dan kweet hij zich zoo uitstekend van zijn taak, deed zijne godsdienstplechtigheden met zooveel ernst.

ocr page 27

- 19 -

dat het scheen alsof hij met de Engelen in den hemel een loflied zong en allen, die het zagen ,stonden verbaasd over de godsvrucht, waarmede hij zijn H. spel verrichtte. Weldra trok de wonderlijke knaap aller oogen en elkeen begon te vermoeden dat hij voor iets groots geroepen was.

De voornaamsten van het dorp, evenals de meeste Friezen, mannen van het zwaard, maar ook mannen van geloof, zagen de zaak dieper in, en kwamen de een voor, de ander na, de moeder in hare hut opzoeken, om haar aan te sporen, dat zij den snuggeren knaap zou laten studeeren.

„Mijn zoontje bouwt torens zonder geld, zeide zij, maar ik, ik kan dat niet. Ik wil eerst wel eens nagaan, hoeveel het kosten zou. En dan bevind ik. vooreerst dat ik een kostwinner zal moeten missen, en dat bovendien voor de hoogere studiën meer geld zal noodig zijn. dan ik kan bijbrengen.

Gl-een nood, moedertje, G-od zal daarvoor wel zorgen, was het antwoord. Heeft niet onze Heer Pastoor U dikwijls ertoe aangespoord en U G-ods hulp beloofd?

„Welnu, zeide zij dan, ik zal nog eens goed bidden. Weest ook gij zoo goed de genade van onzen lieven Heer voor mij en mijn zoontje af te smeeken. Dan zal Hij mij wel de wijsheid en kracht geven, om te ^ weten en te doen wat Hem behagelijk is.quot;

Toen nu de kommervolle Sibrich op zekeren dag haar werk verrichtte en over de toekomst van haren • lieveling nadacht, ontwaarde zij op eens aan den hals van een kruipend dier een verwrongen zilveren ring. Zij had redenen genoeg om te denken, dat die ring haar niet toevallig onder de oogen kwam , dat

ocr page 28

- 20 -

God of op bovennatuurlijke wijze öf door de liefdadigheid van een edelman haar uit den nood wilde redden. Een andere vrouw althans zou allicht de zaak geheim gehouden hebben, maar deze eerlijke weduwe liep er de buurt mee af om den eigenaar te vinden. Nog meer, den eerstvolgenden Zondag stond Zij met het kleinood in de vingeren voor de deur der kerk, vragende en rondziende en eenigszins ongeduldig, dat er niemand op den ring aanspraak maakte. Zij stak hem iedereen onder de oogen , maar niemand herkende hem. Toen eindelijk begreep de brave vrouw dat de schat voor de studiekosten van haar zoon was bestemd. Kon zij eerst geen vragers vinden, koopers waren er genoeg. Met den prijs van den ring kon zij de eerste kosten bestrijden. Vertrouwende, dat de Heer, die den H. Petrus een penning liet vinden in den mond van een visch, ook voor verdere uitgaven zorgen zou , bestelde zij nu met volkomen gerustheid haar lieven Feico ter school. En werkelijk haar vertrouwen is nimmer beschaamd geworden , want van dien tijd af heeft haar nooit ontbroken, wat zij voor haar zoon ook noodig had.

ocr page 29

- 21 -

Two o do 1 loofVl^t itlv.

Hoe de Zal. Fredericus zich op de wetenschappen toelegde en daarbij de deugdzaamheid niet uit het oog verloor.

Op de school van den pastoor leerde de ijvervolle knaap alles, wat zijn leeftijd maar eenigszins dragen kon. Daar hij niets liever deed dan leeren en lezen, maakte hij zulken voortgang, dat volgens aller overtuiging de genade Gods op eene bijzondere wijze in hem moest werkzaam zijn. En wat nog wel liet meest te verwonderen is, op dien leeftijd reeds, vond hij in zulke boeken den meesten smaak, welke het meest tot zijn geestelijken voortgang en zijne deugd konden bijdragen. Hoe was dit mogelijk , als de goddelijke Goedheid hem die wijsheid niet gegeven had? Spoedig was hij al zijne makkers ver vooruit, niet alleen in kundigheid , maar ook in zuiverheid van zeden en flinkheid van gedrag. En ofschoon hij, met zooveel gaven en talenten begiftigd, door allen werd bewon-♦ derd en geprezen, bleef hij toch bescheiden genoeg, om te erkennen, dat hij zooveel gunsten niet waardig was, dat hij ze volstrekt niet verdiende, maar dat zij louter en alleen een geschenk waren der goddelijke barmhartigheid. Hij begreep dat hem eenmaal van zoo veel talenten strenge rekenschap zou gevraagd worden. Dit onderhield in hem de vreeze des Hoeren;

ocr page 30

dit deed hem zelfs zijn waken en vasten verdubbelen.

Toen nu onze vlugge Frederik in de latijnsche spraakkunst volleerd was, en almede een flink opgeschoten jongeling was geworden , kreeg hij zin om op eene of andere beroemde school buiten zijn vaderland de vrije kunsten en de godgeleerdheid aan te leeren. Gewis was door den omgang met zijn geliefden pastoor de begeerte ontbrand, om zich in beide leerkrin-gen, zoo veel mogelijk te bekwamen. Gewis ook had hij van hem vernomen, dat vóór enkele eeuwen te Munster door den Apostel der Friezen, den H. Lud-gerus, eene hoogeschool was gesticht, C) die nog altijd haar ouden roem handhaafde en door talrijke Friesche edelknapen bezocht werd. Gesteund door heer Fcico, drong de leergierige jongeling bij zijne moeder aan r en deze schroomde geene opoffering, als zij haar geliefden zoon kon nuttig zijn.

Zoo nam Frederik afscheid van zijne dierbare moeder en begaf zich naar Munster, waar hij in overvloed nieuw voedsel vond voor zijn leergierig hart. Daar gaf hij aan zijn leerlust den vrijen loop; maar toen hij ook hier wegens zijn snellen voortgang een grooten naam begon te krijgen, achtte hij het raadzaam zich in te toornen. En om niet een prooi te worden van de ijdelheid, welke het hoofd van zoovele uitmuntende studenten op hol brengt, legde hij zich met nieuwen ijver toe op de wetenschap der Heiligen. Door veel bidden en versterven en door het lezen en bestudeeren van godvruchtige boeken , onderhield en voedde hij den geest van ootmoed en zuiverheid en zoo wist hij de geleerdheid met de heiligheid te paren.

^1) Zie Moll Kerkgeschiedenis ] 357.

ocr page 31

Met een ernst boven zijn leeftijd trachtte hij de dartelheid der jongelingsjaren te bedwingen en van deugd tot deugd op te klimmen. Hij was een vijand van alle lichtzinnigheid en groot minnaar der verhevene kuischheid. Daar hij in zijne ootmoedigheid van zijne eigene zwakheid overtuigd was en zich zeiven nooit vertrouwde, zocht hij zijn toevlucht in het gebed bij zijne Patronen en Patronessen, vooral bij die, welke een spiegel van zuiverheid geweest zijn.

Zijne eerste beschermster was de onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria. „Deze toch, zoo sprak hij. heeft in hare kinderjaren wegens den glans barer zedigheid in de oogen van God zooveel welbehagen gevonden. dat zij zijne moeder geworden is.

Op de tweede plaats beminde hij boven andere Heiligen Sint Jan Evangelist, niet alleen omdat deze met de genade des H. Geestes vervuld , dieper dan anderen in de goddelijke Geheimen was doorgedrongen, maar ook en voornamelijk, omdat hij in de deugd van zuiverheid heeft uitgemunt en daardoor, niettegenstaande zijn jeugdigen leeftijd, verdiend heeft, tot bewaker der H. Maagd door den goddelijken Heiland benoemd te worden.

Op de derde plaats achtte hij de H. Martelares Cecilia de hoogste eer waardig. „Deze toch, zeide hij, heeft een aardschen bruidegom versmaad, om zich in 't zoet gezelschap van den hemelschen te vermeien, en hare kuischheid was zoo rein en zoo kostbaar . dat de Engelen zeiven haai' eerden en bewaakten.quot;

Met zulke toonbeelden voor den geest, verhardde hij zijn wil tegen alle vleeschelijke wellusten, en verbande hij uit zijne verbeelding alle oneerbare gedachten.

ocr page 32

Dit was van dien aard, dat zijne vrienden nooit eenige wellustigheid in zijne blikken of gebaren bespeurden en dat zij die zijn strenge ingetogenheid gadesloegen. in den waan verkeerden, dat hij, aan een Engel gelijk, nooit eene kwade neiging of beweging gevoelde. Men was zoo vrij hem daarover eens te ondervragen, maar met verontwaardiging antwoordde hij : Wat denkt ge wel van mij ? Meent gij dan, dat ik geen mensch ben? Denkt gij, dat er iemand onder tie zon leeft, die van de straf der eerste zonde is uitgesloten?

Dus had ook onze kuische jongeling met kwade begeerten te kampen, maar hij spaarde geene moeite, om ze te onderdrukken en schadeloos te maken, door gebed, door vernedering, door het vluchten van de ledigheid en liet vermijden der gevaren.

Naar het voorbeeld van zijne beminde Patrones de H. Cecilia hield hij zijne ledematen door een hard boetekleed onder bedwang, zonder daarvan iets te laten blijken in zijne bovenkleederen. Ook liet hij niet na zich eiken dag. ja lederen nacht aan hare bescherming aan te bevelen. Zijne godsvrucht tot de kuische Cecilia was dan ook zoo groot, zij werd door hem zoo dikwijls en zon vurig aangeroepen. dat zij hem eens verscheen . en hem volgenderwijze toesprak ;

..Heb goeden moed, lieve Feico, uw ijver is uitstekend. uwe liefde tot Cod en Zijne Heiligen zuiveren oprecht, (la zoo voort, mijn kind ; volhard in den strijd en gij zult overwinnaar blijven. Slechts één goeden raad ben ik u schuldig. Vertrek van bieren denk er aan, om niet alleen aan uw eigen zaligheid maar ook aan die van anderen te werken. Daartoe heeft Cod u geroepen.quot;

ocr page 33

Gerust mogen wij uit die woorden afleiden, dat de stad Munster voor de onschuld van den kuischen jongeling min of meer gevaarlijk werd. Van den eenen kant brandde hij van begeerte om zijne studiën ten einde toe voort te zetten , maar van den anderen achtte hij de deugd meer dan alle geleerdheid. Eu ziende dat deze in gevaar kwam , bad hij met alle vurigheid om uitkomst. En de goede jongeling werd op bovennatuurlijke wijze verlicht. Hij aarzelde geen oogenblik om den goeden raad der H. Cecilia in te volgen, en hij gaf alzoo een gewichtige les aan die ouders, welke hunne kinderen aan gymnasiën , pensionaten en andere hooge scholen toevertrouwen om hen voor hooge betrekkingen bekwaam te maken: maar die hen tevens in eene verderfelijke omgeving brengen, welke alle deugd, het geloof zelfs ontneemt, en daarmede tot groot verdriet en hartzeer der ouders , tot een ramp voor de Maatschappij en de Kerk alle hoop op ware grootheid en waarachtig geluk te schande maakt.

ocr page 34

- 26 -

1 gt;01quot;lt;llt;k llooiVli-itllJv.

Hoe de Zalige Fredericus leermeester, priester en kapelaan van Hallum werd.

at hem de H. Cecilia geraden had, bracht onze jonge held spoedig ten uitvoer. In de welsprekendheid, wijsbegeerte en de H. Schrift genoegzaam onderwezen,, verliet hij de hoogeschool van Munster en keerde in het huis van zijne dierbare moeder terug. Ernstig begon hij er nu over na te denken, op welke wijze hij aan het tweede gedeelte van de raadgeving zijner Patrones zou gevolg kunnen geven, hoe hij aan het geluk van zijn evenmensch zou werkzaam kunnen zijn.

Prediken mocht hij niet, daar hij geen zending had en nog te .jong was om tot de waardigheid van het priesterschap verheven te worden. Hij zou dus moeten wachten, tot dat hij de priesterwijding ontvangen had. Maar zijn ijver duldde geen uitstel. En ziende dat er groote behoefte aan priesters was, meende hij niets beter te kunnen doen, dan andere knapen tot • dien verheven staat op te leiden, en het heilige zaad,.

dat in hem zoo rijke vruchten had voortgebracht, ook in andere harten uit te strooien. Zoo kwam het, dat * hij eenige lieve jongens van goeden aanleg, gelijk het toeval ze aanbood, in zijn huis verzamelde, en deze onderneming droeg zooveel zegen , dat weldra een

ocr page 35

aardig groepie jongelui de lessen der grammatica kwam bijwonen, die hij hun kosteloos mededeelde, gelijk hij ze zelf kosteloos door tie liefdadigheid van anderen ontvangen had. (')

Groot was Peico's genegenheid , wonderbaar zijne liefde voor die brave studenten. Hij was niet alleen bezorgd voor hunne wetenschappelijke, maar ook voor hunne zedelijke en godsdienstige ontwikkeling. Hij was uitermate streng jegens de tragen , de slordigen en onverschilligen. Op gewone dagen kregen zij maar zelden , op de feestdagen nooit verlof, om van tie goddelijke diensten afwezig te zijn. Zoo streng, zoo ijverig en waakzaam was hij, omdat hij begreep, dat zij, aan wie men de leiding des volks eenmaal gerus-telijk zal kunnen toevertrouwen, door hun voorbeeld zoowel als door geleerdheid moeten schitteren. Dewijl hij alzoo voor het oogenblik aan de zaligheid van velen niet kon werken, stelde hij zich tevreden met een klein getal leerlingen te vormen, die latei- voor velen zouden nuttig zijn. En wij kunnen moeilijk aannemen, dat de ijverige leermeester deze schoone en heilrijke bediening zou hebben neergelegd en zijne ten halve gevormde lievelingen aan hun lot zou hebben overgelaten, toen hij tot het priesterschap verheven, in hetzelfde dorp Hallum kapelaan geworden was. (■) Zijn ijver en zijne bekwaamheid waren voldoende, om beide betrekkingen naar behooren waar te nemen.

il) Dat hij les gaf iu het latijn met het doel om priester te kweeken, blijkt uit het zinverband en vooral uit de woorden; (/»( pre/iceronliir.

Op dezelfde wijze heeft een ander groot man, Eiim van Huizinge , die 50 jaar later eene andere beroemde Premonstratenzer abdij te W'it-tewierum stichtte, vóór zijn Priesterschap de jeugd onderwezen.

(2) Dat hij de school aanhield, blijkt ook uit cap. XI] en XXIV Teen 8e Hoofdstuk hierna, waar sprake is van scholieren en geestelijke kinderen.

ocr page 36

— 28 -

Eene kerkelijke wet vorderde destijds voor het ontvangen des priesterschaps den leeftijd van dertig jaren, (') maar deze evenmin als vele andere wetten schijnen in Friesland nooit gegolden te hebben. (2) Onze Zal. Fredericus was waarschijnlijk nog slechts 25 jaar oud toen hij dien hoogen graad werd waardig gekeurd, zelfs door velen werd aangezet, om zich te laten wijden. De oude heer Feico, een zeer verdienstelijk grijsaard, verheugde zich het meest over de verheffing van den jongeling, dien hij zoo feeder beminde en wiens heiligen levenswandel hij reeds zooveel jaren had bewonderd. Hij verlangde niets vuriger dan dat de jonge priester zijn medehelper en opvolger in de parochie van Hallum worden zou. (:))

Onverwijld liet hij den wijdeling bij zich komen , onthaalde hem met veel eerbied en welwillendheid en zeide ; „Broeder Feico, ik wensch u van harte geluk met de verheffing tot zulk een hooge waardigheid. Xu zijt gij volkomen man geworden, een welgewapend soldaat in de gelederen der katholieke Kerk.quot;

Ik dank u zeer, klonk het antwoord, ik dank u. Eerwaarde vader Feico, voor uwe liefdevolle beleefdheid. Maar aan u. beste vader, aan u ben ik alles verschuldigd wat ik bezit, (lij, goede vader, gij waart het, die mij van achter de kudde hebt weggehaald, die mij onwaardige met veel moeite en opoffering tot zulk een verheven staat hebt doen opleiden. Ik weet

(1) Zie Decrelum Graliani Dist. LXXVII cap. V en Lantmeter de VX. i'l/'r. d mon disciplina II rap. XIII.

(2) Zie De Kni hollek XCVI. 1gt;1.218. Wij brands (iedenhsehrifteH bl. 9 I).

(3) Volgens Sibr. Leo is hij op kosten van den Pastoor priester geworden. Dit is zeer waarschijnlijk in dien zin, dat hij gewijd werd op titel van een beneficie in diens kerk, evenals Emo eleelun in plebnmtm el sic sueeplo ordine sarerdoeii etc. p. lal.

ocr page 37

niet, vader, wat ik doen zal, om u zooveel goedheid te vergelden. O kon ik u van dienst zijn , ik ben tot alles bereid.quot;

„Groed zoo, beste vriend, ik ben werkelijk gevoelig voor zooveel kinderlijke genegenheid en erkentelijkheid. Gij hebt altoos aan mijne zorgen beantwoord en naar mijne vermaningen geluisterd. Ik heb er nooit spijt van gehad, u voor den priesterlijken staat bestemd te hebben. Integendeel, uw snelle vorderingen in wetenschap en deugd hebben mij steeds een onuit-sprekelijken troost verschaft. O wat doet het mij goed , in mijn ouden dag u als priester voor mij te zien. O wat is de Heer goed. Hoe heeft hij mijne vurigste wenschen vervuld !quot;

„Ja, goede vader, 't is 'de Heer, die ons zooveel geluk heeft beschoren. Hem kunnen wij nooit genoeg dankbaar zijn. Wat zullen wij doen om het te vergelden ?quot;

„Vergelden, mijn waarde? laat ons de talenten, die God ons schonk, wel gebruiken, 't is de beste vergelding, die wij hem bewijzen kunnen. En ik zou gaarne zien , lieve Peico , dat ge mij in den wijngaard des Heeren behulpzaam waart. O Feico , slechts één wensch, heb ik, slechts één wensch : en ik bid U. laat hem in vervulling gaan. Kunt gij uw grijzen pastoor iets weigeren ?quot;

„Neen, lieve vader, ik kan u niets weigeren, ik ben u alles verschuldigd. Zeg mij wat gij begeert.quot;

„Mijn zoon, de last die mij op de schouderen drukt is te zwaar voor een ouden grijsaard . en de rekenschap die de Heer van mij vorderen zal, is zoo groot. O wat was ik gelukkig, als u mij in mijn ouden dag

ocr page 38

- 80 -

wildet ter zijde staan, mij bij liet ziekbed en de stervenssponde troosten en mijne geliefde parochie na mijn dood alleen besturen.quot;

„0 vader, ik heb het reeds gezegd; niemendal kan of mag ik u weigeren. Gaarne zal ik u ter wille zijn en ik acht mij gelukkig uwe laatste wenschen te kunnen vervullen. Zoolang gij ademhaalt, zal ik u niet verlaten, maar als ik uwe oogen zal gesloten hebben, laat mij dan vrij. om te handelen naar hetgeen God mij zal ingeven. '

..Dat is braaf, geliefde zoon, ik neem er vrede mee, maar ik koester toch den wensch dat God u na mijn dood niets anders zal ingeven, dan dat gij hier blijft. Gij zijt dus mijn kapelaan, ('l Gij deelt met mij de zorg over mijne kudde en zult ook deelachtig zijn aan mijne inkomsten. Deze zijn niet groot, maar voor ons beiden toch groot genoeg. Ik heb niet veel meer noodig....quot;

..En ik. goede vader, ik heb niets noodig. Ik zal mij wel wachten van een zoo goeden grijsaard, wien ik alles te danken heb. van zijn onderhoud te beroo-ven. Neen vader behoud gij het uwe. Ik neem alle lasten op mij en wat ik daarvoor ook moge ontvangen. ik zal u alles ter hand stellen. Voor mij begeer ik niets. In het weinige, dat ik noodig heb, zal mijne moeder en zullen goede harten wel voorzien.

Toen ik nog te Munster studeerde, goede vader, ik heb het U meermalen verteld ; toen heb ik een klooster bezocht van leerlingen des H. Norbertus, ('quot;)

(1) Men merke hier op ilut de pastoors destijds hunne medehelpers zelf uitkoüen en aanstelden.

(2) Zie eap. XL.

ocr page 39

- BI -

eene vereeniging van mannen , die heel wat fijner waren opgevoed dan ik , van wie ik nochtans heb kunnen leeren, dat de armoede eene groote schat is. En nog onlangs bij mijne priesterwijding te Utrecht heb ik heilige mannen van dezelfde orde ontmoet: ik heb hun klooster bij Kuilenburg bezocht en nooit zal ik vergeten wat ik daar heb gezien. Die helden gaan er groot op, armen van Christus te zijn en ik, ik zal hen navolgen, zooveel ik kan.quot;

De goede grijsaard vouwde zijne handen en dankte God, die zijn beminden leerling tot zoo hooge volmaaktheid gebracht had.

ocr page 40

Hoe de Zal. Frederik van aard vreesachtig was, doch steun zocht in het gebed en de godsvrucht van 0. L. V. Hoe hij pastoor werd van Hallum.

Onze jonge priester werd alzoo voor een groot gedeelte onder den ouden pastoor met de zielzorg-van Hallum belast. Hij vond nu ruimschoots gelegenheid, om zijn ijver bot te vieren en te woekeren met de talenten, die God hem gegeven had. Had hij vroeger het gansche dorp gesticht door zijn voorbeeld, in 't vervolg zal hij het ook door de heilige bediening en door zijne raadgevingen en prediking doen. Reeds aan zijne preeken kon men zien, dat hij de kunst verstond, om door zijne zoete taal de hardste gemoederen te vermurwen en ernstige vermaningen op eene bevallige wijze voor te dragen.

Wetende dat elk menschelijk werk zonder den zegen des Hemels nutteloos is, zocht de vurige kapelaan steeds zijn troost en steun in het gebed. Hoever hij ook van de kerk verwijderd woonde, en hoe modderig ook de weg was die daar henen leidde , toch stond hij te middernacht op, om in 's Heeren tempel de Metten te bidden. Misschien was dit destijds eene gewoonte van alle brave priesters, de heiligen althans deden het. Zoo b. v. Dodo. Waarschijnlijk had onze Fredericus dit gebruik bij de Premonstratenzers van Cappenberg of' Mariënweerd geleerd, en het zoo voor-

ocr page 41

- 33 -

treffelijk gevonden, dat hij het nimmer naliet, met hoeveel moeite het ook gepaard ging.

Het spreekt vanzelf dat de vijand van alle goed zooveel stichting niet kon aanzien. Het gebeurde zelfs meermalen, dat de duivel hem des nachts op zijn weg naar de kerk als een monster verscheen, ten minste van zijne vreesachtigheid gebruik maakte, om hem ! voor ijdele spoken te doen wijken en van die heilige gewoonte terug te brengen. De heilige kapelaan echter bleef zijne natuur meester, vermande zich, teekende zich met het teeken des kruises of hief een psalmgezang aan, waardoor het verschijnsel voor zijne oogen verdween. Toen deze bekoring slechts diende, om het werk des vurigen kapelaans des te verdienstelijker te maken , beproefde de duivel een ander middel. Een jong edelman, wiens hartstocht gewis de welgemeende waarschuwingen van den kapelaan niet verdragen kon, liet zich in zijne verbolgenheid door den boozen geest overhalen, om den man Gods in den nacht te overvallen. Hij verborg zich in vrouwenkleederen in een graf langs den weg, waar daags te voren een vrouwspersoon begraven was. Bij het geklep der klok sprong de goede kapelaan uit zijn stroobed en haastte zich naar de kerk. Maar zie, daar kruipt het gewaande vrouwmensch uit den kuil. De kapelaan staat vol verbazing stil en meenende, dat hij wederom een duivel ziet, wapent hij zich met het teeken des kruises. Daar het spooksel nog niet verdwijnt, wordt hij meer en meer ontsteld en begint te gelooven, dat aan den duivel voor het oogenblik meer macht is toegestaan, om hem des te zwaarder te beproeven.

Nu wordt het Prederik al te bang om het hart,

3 Zal. Fredericus.

ocr page 42

- 84 -

hij neemt de vlucht: het spook achtervolgt hem eu doet hem dikwijls over de graven neertuimelen. Bij zooveel uitstekende deugden , die wij in den jongen held bewonderden . vergeven wij hem gaarne deze kleine zwakheid en wij weten, dat God dikwijls zulke kleine vlekies in zijne uitverkoren zielen toelaat, opdat zij bij al hunne grootheid stof zouden hebben tot diepe vernedering. Verre van ons daaruit af te leiden, dat het hem ontbrak aan den meest alledaagschen persoonlijken moed. (') Of hebt gij nooit gelezen, hoe de H. Thomas van Aquino bang was voor on weder? Hoe de jeugdige H. Franciscus de Sales in de eenzaamheid voor spoken beducht was ?

De verschrikker van Fredericus heeft zijne onbezonnenheid duur moeten boeten : want hij is in het vervolg alle nachten, geheel zijn leven door den duivel gekweld geworden. Op hoogen leeftijd trad hij in het klooster van Mariëngaarde en treurde daar dikwijls over den smaad, welken hij den heiligen priester had aangedaan.

Ondertusschen overleed de oude pastoor Feico en de heilige kapelaan wordt door al het volk als zijn opvolger aangewezen. Hij alleen achtte zich daarvoor ongeschikt. ..Hoe , zeide hij, hoe'zou ik, die zoo vreesachtig van aard ben, en met zoo weinig ondervinding , hoe zou ik het bestuur van eene parochie | op mij durven nemen?quot; „Wij begrijpen het, zoo zeide men, dat gij er tegen op ziet, dat gij het niet gaarne aanneemt, maar het is de wil des volks, de wil der Kerk. de wil van God. En als God iets

(1) Dit werd Ireeds opgemerkt door Mgr. Bottemanne. De Kalholicl;

LXXXII1 bl. 205.

ocr page 43

- 35 -

■

eu wil, dan geeft hij ook de genade om het te volvoeren.quot; (') Bij De vrome kapelaan kon maar niet vergeten, wat en hij in de JSTorbertijner kloosters te Cappenberg en ■ze Mariënweerd gezien had en, hoezeer hij nu reeds een ke kloosterlijk leven leidde, toch verlangde hij in het midden lat van die heilige religieuzen te leven, in den zoeten pe geur van hun stichtelijk gedrag te wandelen, deel te lat hebben aan hunne gebeden en goede werken en zich )n-% met hart en ziel aan God toe te wijden. Maar de de 1 gansche parochie hield hem tegen en het meest van oe ■ allen zijne oude moeder. Zoo zag hij zich genoodzaakt m- den last op zijne jeugdige schouderen te nemen. Maar nu begon hij meer dan ooit de gestrengheid van het :)e- kloosterleven in beoefening te brengen, door aanhou-iet dend bidden en vasten en lijf kastijding. Hij deed het en zoowel om het gemis van een kloosterregel te verhij goeden, als om de genade des hemels over zijn volk ik- af te bidden en zijne eigen zaligheid te verzekeren, es- Hij had de gewoonte, om eiken dag bij het lezen van de zeven boetpsalmen bij elk vers telkens de knieën en te buigen. Dit deed hij ook als hij in den vastetijd ijn iedere week het gansche psalmboek bad, een gebruik )or dat wij ook bij den Zaligen Dodo aantreffen. Deze ;oo knielde lederen dag en nacht minstens vijfhonderd maal. er- Eene bijzondere devotie had de zalige Fredericus lie | jegens de H. Maagd. Behalve zijne veelvuldige dage-;oo lijksche gebeden , zong hij nog elke week te barer iet eere eene plechtige H. Mis. Dit had hij wederom van de ^ de Norbertijnen geleerd en hij stond erop , dat het ets —-:--

(1) Destijds werd in Friesland een pastoor meestal door de gemeente

lirl; gekozen en door den Bisschop of Aartsdiaken goedgekeurd en bevestigd. Zie 1gt;i' Katholiek LXXX1II, 1)1. 225, 22!t.

ocr page 44

ook in het klooster, 't welk hij later stichtte, onderhouden werd. Men heeft gezien, dat hij zelts in den slaap herhaaldelijk achtereen het weesgegroet bad , ofschoon men destijds naar het gevoelen van sommigen nog geen rozenkrans kende. Men kan daaruit afleiden , hoe dikwijls overdag dat schoon gebed op zijne lippen zweefde en men ziet hieruit, hoe hij in geheel zijn gedrag nu reeds een leerling van den H. Norbertus, van den grooten vereerder der H. Maagd geworden was.

ocr page 45

— 37

N jjlVlf 1 FoolVli-itiiK'.

Hoe de Zal. Fredricus zich op de versterving toelegde en daardoor de gave verwierf van groote wonderen te doen.

Pe lichamelijke versterving is een krachtig maar ook n lodzakelijk middel, om den goeden geest te bewaren, de begeerlijkheid in toom te houden en groote gunsten van Clod te verwerven. En hierin vooral bleek de vurigheid der godsvrucht van onzen jongen pastoor Feico. Alle Vrijdagen vastte hij op water én brood, tenzij een feestdag inviel of een voornaam gast aan zijne tafel zat. In de groote vasten at hij alleen op Zondag en Donderdag. Wanneer een zijner parochianen, wien tot boetedoening een vastedag was opgelegd, den goeden pastoor dispensatie kwam vragen, dan liet hij hem eenige stuivers betalen, nam diens boete over en volbracht de vasten in zijne plaats. Bovendien deelde hij omtrent Paschen en Kerstmis alles , wat hij van spijs en kleeding over had , aan de armen uit.

Toen op een Donderdag van den vastetijd de tafel gedekt was, kwam men hem boodschappen, dat in het dorp een kind zonder doopsel was gestorven. De kinderen immers, die in dezen tijd ter wereld kwamen, bleven ongedoopt, totdat de nieuwe vont op Paasch-quot;Woensdag gewijd was. Toen Fredericus die droeve

fi #

ocr page 46

- 88 -

tijding vernam, sprong hij zeer ontsteld van de tafel op, gaf de schuld van het ongeval aan eigen nalatigheid en wierp zich vol droefheid voor het altaar neder der H. Maagd, om bij zijne geliefde Moeder zijn nood te klagen en uilkomst af te smeeken.

„O goede Moeder , zoo bad hij, heb ik u dan te vergeefs gediend ? Hebt gij mij vergeten ? Hoe hebt gij kunnen toelaten , dat ik in zulk eene droefheid gedompeld werd ? Ik zal niet meer eten en u niet meer dienen l1), voordat de knaap het leven heeft terugbekomen en de genade des doopsels heeft ontvangen/'

Om kort te gaan. Hij ijlt naar het huis van den doode en vindt de ouders in diepen rouw , meer bedroefd over den geestelijken dan den lichamelijken dood van hun kind. De goede pastoor slaakt een diepen zucht, en werpt zich met het gansche gezin op den grond neder, om de barmhartigheid van den goddelijken Zaligmaker en van Zijne onbevlekte Moeder in te roepen. Dan legt hij zijne stool en brevier op het lijkje, en zie, oogenblikkelijk laat de kleine een gekrijt hooren ten teeken dat hij leeft. Diepe ontroering maakt zich. van alle omstanders meester. Door een luid geroep geeft men lucht aan verbazing en blijdschap, en men weet niet wien het meest te prijzen en te danken, of den nederigen Pastoor öf den grooten God. Fredericus echter stoort zich aan dat gejubel niet. Hij doopt het kind en dankt de H. Maagd, aan wier goedheid alleen hij het wonder toeschreef.

1

Zou famulaiwarn niet moeten zijn falmlatunim, dat hij niet meer eten noch spreken zon. Doch famulatnrnm is ook wel te verdedigen. Zoo Laden ook andere heiligen.

ocr page 47

- 39 -

Des anderen daags sloot liet wicht voor goed zijne oogjes en Fredericus, die gisteren bij al die ontstel-r tenis zijn maaltijd vergeten had, wilde ook nu niets gebruiken en bleef nuchter tot deÉ volgenden Zondag.

Ook had onze ijvervolle pastoor de gewoonte van des nachts na de metten niet meer naar bed te gaan; hij bleef in de kerk tot in den morgen bidden. En als hij soms, door de koude genoodzaakt, een naburig luns binnenging om zich te verwarmen, dan bracht hij daar zijn tijd niet nutteloos door. Hij sprak slechts van boetvaardigheid en van andere geestelijke zaken, waarvan zijn hart zoo vol was.

In dat huis nu woonde een knecht met name Razo, niet onbedreven in de •meetkunde. Dezen vo: ir-spelde hij, dat hij eerlang eene groote familie dienen zou. Hetgeen de uitkomst ook bewezen heeft. Want toen onze Fredericus door den dood aan het klooster, dat hij gesticht had, was ontrukt, kwam Kazo zich aanmelden. Hij werd zaakbezorger en bestuurde langen tijd de goederen van het bevolkte klooster.

Nog een ander bewijs kan men voor zijnen voorzeg-ginsgeest aanhalen. Aan de vrouw van hetzelfde huisgezin voorspelde hij, dat zij voor hare zanden zwaar zou gestraft worden. Zij trachtte door goede werken de voorzegging onwaar te maken. Het baatte niet. • Zij viel in eene zware ziekte en werd bovendien van het gezicht beroofd. Nu liet zij den man Gods roepen om hare zaken voor haren dood in orde te brengen. Maar glimlachende liet deze haar zeggen : „God heeft U wel gekastijd , maar zal u niet laten sterven, zelfs zult gij het licht der oogen terugontvangen, als gij uw leven verbeteren wilt. Werkelijk kreeg zij door

ocr page 48

- 40 -

verloop van tijd hare gezondheid en ook het gebruik harer oogen terug, ja werd eindelijk als non opgenomen. in een klooster, dat de man Clods had opgericht.

Op zekeren dag werd hij door dezelfde vrouw ten eten genoodigd. Daar het koud was, liet hij de tafel hij het vuur zetten, quot;t welk juist aan was. om gerst te koken. Reeds had Prederik de spijze geproefd, toen iemand, zonder hem te bemerken, binnentrad. Nadat deze zijne zaak had afgedaan, kwam het gesprek op den pastoor van de parochie en de man begon op eens uit te vallen: „Spreek mij niet langer over dien slechten en sluwen geestelijke . dien verleider en huichelaar. Hij is een veinzer en door zijne veinzerij maakt hij zich zeiven en anderen ongelukkig. Geveinsde deugd is dubbel ondeugd.quot;

De baas en huisvrouw, geergerd en beschaamd over dien uitval. trachtten zijn hartstocht te bedaren. Maar hij. teleurgesteld en vergramd, dat zij het voor den pastoor opnamen , geraakte buiten zich zeiven van woede, en barstte uit in vloeken en verwenschin-gen. Toen meenden de echtelieden, dat het tijd was om hem de deur te wijzen, maar terwijl zij hem bij den mouw vatten, roept hun Fredericus, die het gesprek bij het vuur bedaard en kalm zat aan te hooren : ..Laat hem los, laat hem begaan. Misschien heeft God hem gezonden om mij te vervloeken, opdat ik mij niet kosteloos aan een goeden maaltijd vergaste.quot;

Toen gingen den woestaard de oogen open. Verrast en verslagen zoowel door de aanwezigheid als door de goedertierenheid van den Pastoor, wierp hij zich vol schaamte voor diens voeten neder en vroeg ver-

ocr page 49

geving. De priester Clods nam hem bij de hand. plaatste hem aan zijne zijde, schoof de tafel bij en zeide ; „'t Is niet zoo gevaarlijk te eten wat u wordt voorgezet, als iemands gedrag in zijne afwezigheid te gispen. Als gij uw eigen daden gelijk die van anderen bespiedet, dan voorwaar zoudt gij meer aan uwe eigen verbetering denken. Xu gij de fouten van anderen zoo zwaar weegt, is het duidelijk dat gij uw eigen driften niet kent.quot;

Waarlijk treffende woorden en stichtende voorbeelden van nederigheid, van vergevingsgezindheid, van waren christelijken ijver !

ocr page 50

- 42 -

5^e«d.e Hoofdstuk.

Over eene ziekte en een schoon vizioen van den Zal. Fredricus. Over een gevecht onder zijne Parochianen en het verbranden der kerk.

J^ens zag hij op reis in den wintertijd eene gezegende moeder, die op liet punt stond van eene diepe rivier door te waden. Daar hij voor zulke menschen altijd ten uiterste bezorgd was, kon hij dien gevaarlijken overtocht niet lijdelijk aanzien. Oogenblikkelijk sprong hij zelf in het koude water om de diepte te meten. Toen hielp hij de arme moeder naar den overkant, terwijl hij haar het zoete verwijt niet onthouden kon , dat zij zoo iets in zulke omstandigheden volstrekt niet doen mocht. Maar wat hij voor haar gevreesd had, overkwam hem zeiven. Hij had een kou gevat, die hem op het ziekbed wierp, zelfs tot het uiterste bracht.

Zijne liefdadigheid echter mocht niet gestraft worden. Neen zijne ziekte was geen straf maar eene belooning. Want toen hij ijlende van de koorts buiten zich zeiven geraakte, kreeg hij een heerlijk vizioen.

Hij zag het geheele menschelijk geslacht eenstemmig met een groot werk bezig. Hij meende eene groote menigte te ontmoeten met wagens vol hout en vroeg , waarvoor dat hout moest dienen. Men antwoordde : „om den oven van Babylon warm te

ocr page 51

houden. Verschrikt als hij was, door dit even zonderling antwoord , vertroostte hem de H. Maagd , door hem aanstonds het redmiddel aan de hand te doen: „Vlucht mijn zoon, zeide zij, vlucht uit het midden van Babyion.quot; Daar hij echter niet wist, hoe hij vluchten moest, kwam hem de Prins der Apostelen, die daarhij stond, te hulp met te zeggen ; „Zie wij hebben alles verlaten, wij hebben .Tesus gevolgd en Hij heeft ons het honderdvoudige beloofd. Ga dan en handel gij ook zoo.quot;

Toen kwam de man Gods tot zich zeiven , toen begreep hij dat hij niet toevallig ziek geworden was, dat zijne kwaal hem veeleer tot loon van zijne goedertierenheid was toegezonden, opdat hij zijne verheven roeping zou kennen. Hij was nu zoo blijde, dat hij alle pijnen vergat en aan niets anders meer dacht, dan aan het volvoeren van zijne heilige roeping. Reeds had hij het plan opgevat, om met de middelen, die God hem geschonken had, een gasthuis te bouwen, opdat de armen heter zouden verzorgd worden. Nu hij echter den wil des Hemels vernomen had, wilde hij nog meer doen. Hij zou zich volgens de kerkelijke instelling afzonderen met hen. die met één hart en ééne ziel vereenigd den Heere dienen, en tevens zou hij naar zijn best vermogen de armen behulpzaam zijn : met andere woorden : hij wil in een klooster gaan en daar de armen dienen.

Dit schoone plan echter bleef nog lang onuitgevoerd, omdat de duivel alle pogingen in het werk stelde , om het te verijdelen. Had de heilige pasioor tot nog toe zijne parochie in rust en vrede bestuurd, nu hij zulke grootsche plannen maakte, kreeg hij met moei-

ocr page 52

- 44 -

/

lijkheden te kampen. Vooreerst ontstond er onder de voorname lieden van de parochie groote tweespalt, en de strijd werd zoo fel, dat zij elkander te lijf gingen. De eene partij kreeg het te kwaad en nam haar toevlucht in de kerk. om zich door de heiligheid der plaats en door de sterkte van het steenen gebouw te beveiligen. Te vergeefs. De anderen achtervolgen hen met zwaarden en stokken, zetten woedend het gevecht voort tot voor en in de kerk. totdat een hunner het dak in brand steekt. De geheele kerk wordt aan de vlammen prijs gegeven : sommigen verliezen daarbij het leven en die nog overblijven, moeten zich gewonnen geven. Het is licht te begrijpen , hoe diep dit schandaal het hart van den goeden pastoor moet gegriefd hebben. Was hij tehuis, clan heeft hij gewis zijn best gedaan om het onheil te voorkomen. Nu kan hij niets anders , dan het betreuren , en zijne krachten inspannen , om het zoo goed mogelijk te herstellen, den nog overgebleven haat en vijandschap uitroeien en het huis Gods weder opbouwen. Maar met dat al is hij verplicht zijn schoon plan, om het kloosterhabijt aan te trekken, nog jaren lang uit te stellen.

Aanstonds zette zich de ijverige pastoor aan het werk, om de strijdenden te verzoenen, tot berouw, verbetering des levens en voldoening te bewegen. Een van hen met name Wibrandus Blijtha, een heethoofd met een onstuimig karakter, wegens zijne geweldenarijen door de geheele tegenpartij niet minder gevreesd dan gehaat, wilde naar geen redenen luisteren en hield niet op zijne vijanden uit te dagen en te dorsten naar hun bloed.

ocr page 53

Eindelijk werd hij door eene hartelijke preek van den kommervollen pastoor zoodanig getroffen, dat hij het kloekmoedig besluit nam, om hem te gaan spreken en zich te zijner beschikking te stellen. De pastoor echter had zooveel bedreigingen van hem gehoord, de woestheid en versteendheid van zijn inborst zoo dikwijls ondervonden, dat hij terecht voor hem bevreesd mocht zijn.

Toen hij hem nu aan de deur der noodkerk ontmoette en op zijn barbaarsch voorkomen een blik wierp , werd zijn toch zoo gevoelig hart hevig ontsteld. Hij keerde zich oogenblikkelijk om. spoedde zich naar het altaar en wierp zich daar neder om al biddende den marteldood te sterven. Wijbrand liep den pastoor achterna, doch, niet om hem te dooden maar om zijne eigen ziel te redden. „Eerwaarde Vader, zeide de berouwvolle zondaar. Eerwaarde Vader, bid voor mij. Ik smeek U om barmhartigheid.quot; Meteen barstte hij in tranen los.

Nu eerst begreep de pastoor wat er gaande was. Hij had niet kunnen vermoeden dat zijne eenvoudige preek zulk een woest mensch zou verwurwen. Maar thans ziet hij met eigen oogen, wat een goed woord met de genade Gods vermag. Hij liet hem zijne biecht spreken, ondervroeg daarna naar de oorzaak van zulk een omkeer en stortte door zijne liefdevolle taal zooveel balsem in het diep geschokte hart van den bedroefden zondaar, dat deze buiten zich zeiven van vreugde geen woorden genoeg kon vinden, om God en den heilige zijne dankbaarheid te betuigen, en dat hij zich aanbood om tot boete van zijne zonden in de eenzaamheid zijne overige levensjaren door te bren-

ocr page 54

— 40 —

gen. Fredericus gaf hem de kruinschering en het boetekleed en wijdde hem alzoo als kluizenaar. De wolf aldus een schaap geworden, heeft zijn leven in eene kluis doorgebracht en bij zijn dood tot eeuwig aandenken zijne kostbare boeken aan het klooster van zijn grooten weldoener vermaakt. Kluizenaars toch brachten hun leven door met bidden en met boeken te lezen of te schrijven, welke zij na hun dood aan een of ander gesticht achterlieten.

ocr page 55

- 47 -

y^ovoiido HooiVlsstul»:.

Hoe goed de Zal. Fredericus kon preeken en hoe hoog hij het H. Sacrament des Altaars eerde.

ju het voorgaande hoofdstuk zagen wij welk eene kracht hij door zijne welsprekendheid ontwikkelen kon. Het is geen wonder, dat hij overal, waar veel volk verwacht werd , hetzij bij de jaarlijksche kerkwijdingsfeesten, hetzij bij andere plechtigheden, geroepen werd, om het woord Clods te verkondigen.

Toen hij eens te Steninge predikte, werd een jong-mensch door de genade Gods zoodanig getroffen, dat hij het besluit maakte, om den heiligen priester zijn hart te openbaren en zich geheel naar zijne raadgeving te schikken. Toen nu de goddelijke diensten geeindigd waren, wilde Fredericus volgens zijne gewoonte zonder te eten henengaan. Maar de pastoor der plaats hield hem tegen en zeide : „Goede Feico, dat gaat zoo niet. Ik heb wel niet veel, maar ik zal u voorzetten wat ik heb, en dat moet gij eten. want zoo staat er in het Evangelie.quot;

Met een minzamen glimlach antwoordde Fredericus: r Ofschoon het mag, is het toch dezen keer niet goed.quot;

De pastoor hernam: „Heeft de Apostel niet gezegd, dat men een dorschenden os niet mag muilbanden, en dat een werkend landman, eerst en vooral, van zijn oogst moet genieten? Komaan, laat ugezeggen.quot;

ocr page 56

- 48 -

Maar de prediker stond te zeer op zijne oude gewoonte en sprak; ;.De apostel heeft sommige dingen bevolen, sommige aangeraden, andere toegelaten.quot; En na opgesomd te hebben wat hij den prediker toestaat, besloot hij: „Ik echter heb niets van dat alles gebruikt.' Welnu, ook ik verkies de belooning van God boven die der menschen.quot;

Onze heilige won het liefelijk pleitgeding en toen hij na beleefde groeten zich omkeerde , zag hij den bekeerling, die hem stond te wachten. Deze echter ging voor hem uit den weg, zonder een woord te spreken. Want diep ontzag voor den man Gods belette hem te verklaren, wat er in zijne ziel omging. Toch ging hij hem achterna, maar wanneer de goede pastoor zijn gang vertraagde of stilstond , dan deed hij het ook.

Eindelijk riep hem de heilige toe : „Zeg vriend , waarom volgt ge mij, zonder mij te willen naderen.quot; Toen sprak de andere met een deemoedige stem : „Heilige vader, uw woord heeft mij getroffen. Ik wil u al mijne zonden openbaren en ze voor altijd verzaken: maar ik weet niet hoe. Schaamte overdekt mij en ik durf u nauwelijks aanzien. Ik wil wel, maar ik kan niet.quot;

De heilige begreep dat het jongmensch, met zich zeiven in hevigen strijd, hulp noodig had ; hij moedigde hem aan : „Vertrouw, mijn zoon. onze lieve Heer heeft in Zijne barmhartigheid uw hart geroerd, toen gij nog verkeerd waart; en zou Hij u dan verlaten als gij bekeerd zijt? Gij hebt maar te biechten en gij zijt voor geheel uw leven gelukkig.quot;

Bij die treffende woorden smolt de man in tranen

ocr page 57

- 49 —

weg en niet zonder reden. Want hij had zich aan zoovele en zoo groote gruwelen schuldig gemaakt, dat de pastoor hem zeggen kon : „Was God niet oneindig goed, clan laagt gij reeds lang in de hel te branden.quot; Zoo groote. dat hij hem moest opleggen, om zijn geboorteland te verlaten en in den vreemde in een klooster zijne zaligheid te bewerken. De ongelukkige deed het met volkomen onderwerping en door deze wondervolle bekeering verdient onze heilige pastoor meer lof, dan de opwekking van een doode.

De welsprekendheid van den Zal. Fredericus wrocht wonderen, en al kon hij het geluk nog niet smaken, van lid te zijn der orde van den H. Norbertus, naar hetgeen hij zoo vurig verlangde, toch was hij reeds een ijverig navolger van den H. Stichter. Hij streefde den H. Norbertus na door zijn ijver voor het woord Gods , hij kwam hem nabij door zijne godsvrucht. vooral door zijne liefde tot de H. Maagd, hij bereikte hem door zijne strenge onthouding, hij evenaarde hem door zijn eerbied voor het Allerheiligste Sacrament.

Eens was hij bezig met de H. Mis te lezen, toen een zijner studenten, die met een ander aan 't ravotten was, toevallig een steentje door liet venster wierp, hetwelk in den geconsacreerden kelk kwam neervallen. Nu kon de heilige pastoor het voorwerp hebben weggenomen en afgewasschen, maar evenals Norbertus maakte hij uit eerbied voor J. C. geen gebruik van die vergunning ; en ofschoon hij vreezen moest, dat hem de inzwelging liet leven kosten zou, nuttigde hij toch vol vertrouwen op den algoeden God het H. Bloed tegelijk met het gevaarlijk voorwerp ; en zie, door Gods almacht bekwam hij niet het minste

4 Zal. Fredericus.

ocr page 58

letsel. Om echter soortgelijke ruwheid in het vervolg te voorkomen en den knapen een grooten afschuw voor de kleinste heiligschennis in te boezemen, kastijdde hij hen met geweldige zweepslagen, volgens de gebruiken van dien tijd. Want in deze zaak, zeide hij, is de minste nalatigheid voldoende, om Gods toorn op te wekken. Toen na het eerste bovenvermeld schandaal, welke de oorzaak was van het verbranden der kerk, eenige jaren verloopen waren, werd het hart van den gevoeligen pastoor opnieuw getroffen door een anderen gruwel. Eene vrouw van zijne parochie onderhield eene zondige betrekking met den verloofden barer dochter, en om hun vervloekten hartstocht beter te kunnen voldoen, hingen zij den echtgenoot des nachts aan eene strop en verwurgden hem.

Des morgens werd uitgestrooid, dat de man plotseling gestorven was; de vrouw maakte groot misbaar en het lijk werd naar de kerk gedragen, om na de H. Mis begraven te worden. Bij het graf bemerkte men dat het omwonden lijk veel langer was dan het graf. ofschoon de overledene kleiner was dan zijn vader, die daar ook was neergelegd. Men stond verbaasd. De omstanders mompelden onder elkander, dat de doode een groot zondaar moest geweest zijn, aangezien de aarde hem een rustplaats weigerde.

De pastoor echter kreeg achterdocht en terwijl de schuldige booswicht met een hamer kwam toesnellen om het graf wat langer te maken , had men reeds op verlangen des priesters de windsels weggenomen en opgemerkt dat de hals was uitgerekt, en duidelijke teekenen van wurging kwamen te voorschijn. Het volk werd woedend, het viel de moordenaren te lijf

ocr page 59

en zou hen zeker dood gesteenigd hebben , als de pastoor niet was tusschenbeide gekomen. Voor het gerecht werd de gewetenlooze vrouw tot onherroepelijke ballingschap veroordeeld, en het ander onmensch werd verminkt in een Cistercienzer klooster gestopt.

De goede pastoor Fredericus mocht niet op rozen slapen. God liet toe dat hem zooveel leed berokkend werd, opdat hij in zijne goede voornemens zou volharden en naar het oogenblik haken, waarop hij de kloostergeloften zou mogen afleggen.

ocr page 60

/Vx'litxlo I loolVl^tuK'.

Hoe hij zijne moeder beminde en na haren dood de Premonstratenzer Orde intrad.

jfet geschiedde omtrent het jaar 1160 , dat de moeder van onzen heiligen pastoor , door ouderdom en zwakheid uitgeput, deze wereld zou gaan verlaten. Dit was voor het goedige hart van den braven zoon een gevoelige slag. Meer, veel meer dan andere kinderen had hij altoos zijne moeder liefgehad. Zij had hem van kindsbeen, gelijk eene echt christelijke moeder dat doen kan, de deugd, en de deugd alleen, leeren beminnen : en hoe behoeftig zij ook was , welken steun zij noodig had , welk een troost zij bij de afwezigheid van haar lieven zoon ook derven moest, zij had hem opgeofferd , toen hij voor zijne studie naar Munster ging, zij had door hard te werken niet minder dan door liefdegaven in de kosten voorzien. En de dankbare zoon meende dan ook nooit te veel te kunnen doen, om zijne moeder in haar ouden dag eenigen troost te verschaffen. Niet alleen ter wille van zijne parochie, maar ook om haar te believen, had hij zijn grootsch plan zoo langen tijd uitgesteld. Alwie ondervonden heeft, wat het is eene brave moeder te bezitten , zal met mij begrijpen , dat het gevoelig hart van den heiligen pastoor door dit verlies diep werd geschokt.

ocr page 61

— 53 -

Zijne liefde echter was geen zinnelijke, geen ziekelijke liefde, gelijk men ze hedendaags niet zelden aantreft. Neen, hij was mans genoeg, om haar in zijne hoedanigheid van pastoor op den weg der volmaaktheid te geleiden. Wij lezen althans, dat hij haar in den ouderdom voor lediggang behoedde. Hij liet haar wol kaarden of biezen plukken, of een dergelijk gemakkelijk werk verrichten. Hij wilde de praatzucht, welke zulke vrouwtjes meestal eigen is , tegengaan en zeide , dat de Schrift die vrouwen prijst, welke haar brood niet in ledigheid eten. Zoo wist hij zich te haren opzichte ook als vader te gedragen.

Maar toen hij eenmaal hare oogen gesloten had , toen vooral bleek , dat hij ook een ware zoon was. Nadat het lijk in het graf was neergelegd , droogde hij zijne tranen af, hief de hand op en verzocht stilte .aan de menigte. Want groot was hot getal van hen, die wegens bloedverwantschap den lijkdienst bijwoonden, en grooter nog van hen, die eene geestelijke betrekking met den Heilige hadden aangeknoopt, die zijne bekeerlingen en leerlingen geworden waren, die thans voor zijne geliefde moeder kwamen bidden. Zij allen waren nieuwsgierig, toen zij hem met opgeheven handen en rood bekreten oogen bij het graf zagen staan. Aanstonds heerschte een diepe stilte en men luisterde met gespannen aandacht, welke gewichtige boodschap hij op dezen plechtigen stond had mee te deelen.

„Gij allen weet, zoo sprak hij met eene ontroerde stem, gij allen, beminde zonen en dochters, gij allen weet, hoe ik tot hier toe onder u gewerkt heb. Ik weet niet of ik iemand uwer beleedigd heb. Tk ben

ocr page 62

mij niets kwaads bewust; maar mocht het anders, zijn, dan betuig ik daarover mijn leedwezen en vraag vergiffenis. Het heengaan van mijne moeder treft mij geweldig. Zal het iemand uwer kwalijk nemen ?' Denkt eens aan de smarten , die zij voor mij heeft geleden, den arbeid dien zij heeft doorgestaan, de-opofferingen , die zij zich voor mij heeft getroost,. vooral toen zij zelf gebrek leed, om mij in verre landen op school te doen, en daar te onderhouden. Ja. nog meer. Hoe dikwijls heeft zij in mijne afwezigheid van haren nooddruft aan de armen medegedeeld, hen dringend smeekende, dat zij voor mij Gods barmhartigheid zouden inroepen. En toen ik thuis was, heeft zij nooit nagelaten, mij het goede voor oogen te houden, en van het kwaad af te schrikken. O wat ben ik haar veel verschuldigd ! Als ik dit naga , kan ik mijne tranen niet inhouden, kan ik niet meer sprekenquot;.....

Van aandoening kon de pastoor niets meer uiten.. Na eenige oogenblikken gerust te hebben, vervolgde hij: „Hier bestaat de heilige gewoonte , dat elkeen, voor de zielerust van zijne dierbaren een of ander offer brengt, om aldus in de eeuwigheid de schuld af te doen, welke zij in hun leven hebben ingeloopen. Zou ik van die gewoonte mogen afwijken ?' En toch, al offer ik alles wat ik bezit, het is niets in vergelijking van hetgeen ik zulk eene moeder zou moeten offeren.

„Daarom —en nu riep hij met eene forsche en welluidende stem — daarom slachtoffer ik mijzelven : ik wijd mijzelven voor altijd aan den dienst van Jesus Christus en de H. Maagd Maria. Ik roep hemel en

ocr page 63

— oo —

aarde en u allen tot getuigen , dat ik vanaf dezen dag nfet meer naar mijn eigen keuze , maar in een klooster volgens den regel van de H. Augustinus wil leven, opdat de ziel mijner moeder in vrede ruste. Amen.quot;

Toen de heilige pastoor deze woorden gesproken had, gaf hij wederom den vrijen loop aan zijne tranen en al het volk weende met hem. Men noemde haar gelukkig die zulk een zoon had, en gelukkiger nog dengene , die zich door zulk eene gelofte verbond.

Den volgenden dag stelde de held orde op zijne zaken en begaf zich op reis naar den Bisschop van Utrecht, Godfried van Rhenen, wiens beheer zich tot over Friesland uitstrekte. Godfried zat sinds 1156 op den bisschoppelijken stoel. Hij was een der grootste en ijverigste bisschoppen , welke het bisdom hebben bestuurd en bijgevolg ten hoogste ingenomen met h(j,t grootsche plan van Frederic van Hallum.

„Doorluchtigste Heer, zoo sprak Frederik, vele jaren heb ik eerst als kapelaan, later als pastoor de parochie van Hallum bediend. Ik heb gedaan , wat ik doen kon, om mijne onclerhoorigen op den weg der waarheid en deugd te geleiden, en ofschoon ik onaangenaamheden en kruisen had te verduren . heeft mijn arbeid toch ook eenige vruchten opgeleverd en mij veel troost verschaft. Toch was ik over mijzelven nooit tevreden. Hoeveel ik ook bad en vastte, ik gevoelde mij altijd eenzaam, en het woord van den profeet verschrikte mij : „Gij vast, maar volgens uw eigen wil.quot; Ik verkeer altijd in tie onzekerheid , of mijne boetewerken wel overeenstemmen met den wil van God. Ik kon geen weerstand bieden aan den

ocr page 64

aandrang van mijne parochianen en mijne geliefde moeder - anders had ik mij reeds lang aan een kloosterregel onderworpen , welken door de H. Kerk en bijgevolg door God zeiven is goedgekeurd.

„Thans , nu ik de zaken van mijne parochie heb geregeld, de afgebrande kerk heb herbouwd en mijne goede moeder zaliger heb begraven, thans acht ik den tijd gekomen, om aan een lang gekoesterden wensch gevolg te geven, en het kloosterhabijt aan te trekken quot;

„Ik prijs uwen ijver, zoo sprak de bisschop. Waarlijk. Feieo. zulk een voornemen kan niet anders dan (.lode welgevallig zijn. Eéne zaak slechts betreur ik. dat zulk een heilig priester nnjn bisdom gaat verlaten. Zou 't niet mogelijk zijn uw plan uit te voeren, en tevens in mijn bisdom werkzaam te blijven ?quot;

„Zeker, doorluchtige Heer, dat is mijn plan. Ik heb bij het graf mijner moeder gezworen, dat ik mijzelven en al het mijne aan den dienst van God opoffer, tot lafenis der ziel van mijne goede moeder. Ik bezit te Hallum eenige goederen, ik heb er verscheidene leerlingen, die zich aan mijne leiding hel tijen toevertrouwd. Ik behoef slechts een huis te bouwen en het zal een klooster zijn.quot;

„Goed zoo, Feico, ik geloof dat God u deze gedachte heeft ingegeven. Gij zult mijn bisdom dan niet verlaten , uw voorbeeld zal velen stichten. Maar één wensch kan ik niet onderdrukken. Ik zou wel willen, dat gij uwe kennis , uw ijver en welsprekendheid daar in het Noorden rechtstreeks tot het heil der zielen aanwendet. Gij weet, hoeveel last mij onlangs die van Groningen veroorzaakt hebben en hoe de strijdlustige Westfriezen elkander zijn te lijf ge-

ocr page 65

— -J lt; —

gaan. (') Daar moet gewerkt, veel gewerkt worden en 't zon waarlijk iammer zijn, wanneer ik in dat gedeelte van mijn bisdom een priester, missen moest, die juist de man schijnt te zijn. om hen tot hun plicht terug te brengen.quot;

„Laat het mij zeggen, doorluchtige Heer, zijne Hoogwaardigheid schat mijne talenten veel te hoog. Ik ben van aard een zwak en vreesachtig mensch. En dit is juist eene tier redenen, waarom ik steun en hulp zoek in het gezelschap van ijverige kloosterlingen.quot;

„Maar, beminde Feico, mag ik dan ook weten tot welke orde U wenscht toe te treden ? Want daar is een groot verschil. De monniken leggen zich toe op eigen heiligheid binnen de kloostermuren, zij volgen het beschouwend leven van Maria. De priesters of kanunniken in de wereld, tot welke ik zelf' behoor, .staan in den dienst des Heéren evenals Martha. Maar ook zijn er die de leefwijze van Jesus het dichtst nabij komen, die beide èn het beschouwende leven der monniken èn het werkende der kanunniken vereenigen. Men noemt ze reguliere kanunniken en ik heb het geluk zoodanige in het zuiden van mijn bisdom werkzaam te zien. Ik bedoel de abdij van Marienweerd, een klooster vol van heilige priesters, die wijd en zijd het woord Gods verkondigen. De Heilige Abt Roher-tus is nog voor weinige weken hier geweest. Ik heb zijne deugd en wijsheid bewonderd, en hem nieuwe gunsten verleend.quot; (1)

1

Zie Cartularinm van Mariënweerd, uitgegeven door.1. Frcmery. Ook aan die van Middelburg had hij diensten bewezen. Zie mijn leven run den If. Norbertus bl. 402. Eveneens aan die van Berne.

ocr page 66

„O Doorluchtige Heer, het doet mij genoegen dien lof uit uwen mond te hooren. 't Zijn juist de Norbertijnen die ik sinds jaren tot toonbeeld gekozen heb. Ik heb hen meermalen bezocht, on hun voorbeeldig gedrag heeft mij zoodanig getroffen, dat ik hen reeds lang naar best vermogen in mijn dagelijksche leefwijze navolg en steeds naar het oogenblik heb verlangd, waarop het mij zou gegeven zijn onder hun getal te worden opgenomen. Juist daarom heb ik gezworen den regel van den H. Augustinus te zullen volgen,, welken ook de grondregel der Norbertijnen is. Wanneer nu Uwe Hoogwaardigheid zoo goed wil zijn van mij het witte kloosterkleed der kannuniken aan te doen, en mij machtiging verleent, om in mijne parochie een klooster te bouwen, dan zal ons beider wensch vervuld zijn. Dan ga ik naar Mariënweerd om mij te oefenen in de regeltucht der Premonstratenzers, en om hunne gebruiken nauwkeurig aan te leeren. Vervolgens keer ik wel onderwezen en toegerust naar Friesland terug, om daar in het noorden met mijne leerlingen hetzelfde te doen, wat zij in het zuiden doen.quot;

„Voortreffelijk, mijn zoon, voortreffelijk, het kan niet beter. Ik dank den goeden G-od , die u zulk eene wijsheid schonk en zulk een heldenmoed gaf. Wees verzekerd, dat ik van mijnen kant alles doen zal wat mogelijk is, om de verwezenlijking van uw verheven plan te bevorderen. Tot dit doel geef ik u thans mijn zegen en bid God, dat Hij uwe ondernoming in alles begunstige, dat Hij u voor uwe goede diensten de belooning geve, welke ik niet geven kan.quot;

De dienaar Gods viel nu voor de voeten van den grooten Bisschop neder, vertolkte hom in de harte-

ocr page 67

lijkste uitdrukkingen zijne gevoelens van vreugde en dankbaarheid, ontving de gevraagde gunsten en, met zegeningen overladen, vertrok hij in zijn nieuw habijt naar de abdij van Mariënvveerd. (')

Hier werd hij met algemeene vreugde ontvangen en als een zoon van den H. Norbertus beschouwd. Er ontstond onder die kloosterlingen als 't ware een wedstrijd , wie den heiligen pastoor het meest zou beminnen en het meest van hem zou bemind worden. In korten tijd was hij in de regeltucht genoegzaam onderricht en geoefend. Hij liet liet boek der kerkdiensten en andere, die hij in het eerst noodig had, afschrijven, en keerde dan met een schat van wijsheid naar zijn vaderland terug..

(^l) Gelijkerwijze heeft de H. Xorbertus zelf' het habijt uit de handen van den Bisschop van Laön ontvangen en toen zijn eevste klooster te Prémonstré gesticht.

ocr page 68

IVog-oiicle I loolci^tTiK.

Hoe de Zal. Fredericus rondging om nieuwelingen voor zijne stichting te winnen en hoe hij Godschalk bekeerde.

Qij hadt hem moeten zien, den held, toen hij uit Mariönweerd terugkwam, gewapend als hij was met het harnas van een levend geloof, den helm der onwankelbare hoop, het diepsnijdend zwaard der liefde, het schild van ootmoed en godsvrucht, de geeselroede der versterving, met vlammende oogen met eeu gloeiend hart en -eene machtige tong. Van een zachtzinnig schaap was hij een roofgierige wolf geworden en aanstonds trok hij uit ter jacht, om de wangedrochten van ijdelheid en wellust neer te vellen, om reuzen uit de gelederen van Satan weg te sleuren, hen geboeid in den schaapstal van Christus terug te brengen en hen als rouwmoedige zondaren aan de voeten van Jesus neer te leggen. Vroeger had hij sommigen zijner bekeerlingen aangeraden in andere kloosters, voornamelijk in dat der grijze monniken van Klaarkamp hunne zaligheid te bewerken. Nu echter ijverde hij voor zijne eigene instelling. En daar hij zelf uit den minderen stand was voortgekomen, kon hij het niet aanzien, dat de armen in het geluk van een kloosterleven niet konden deelen , daar zij overal elders in Friesland werden afgewezen. Hij hield het er voor. dat dezen voornamelijk de zijnen waren. „Christus,

ocr page 69

zeide hij, hoe rijk hij ook was, is voor ons arm geworden , om ons zijn rijkdom mee te deelen. Hij haalt behoeftigen uit het stof en beurt den arme uit het slijk op. En zou ik hen dan verstooten, zou ik niet met hen willen wonen? Neen, ik zal hun vader zijn en zij mijne kinderen, ja, ik zal onder hen zijn als een van hen.quot;

Dus bouwde hij niet alleen een klooster voor zich en zijne leerlingen, maar ook een gasthuis, waaraan hij reeds jaren te voren gedacht had. De gebouwen waren nog in lang niet voltooid, toen reeds van heinde en verre ijverige christenen, door zijne faam geroepen, of door zijne welsprekendheid geroerd , kwamen toesnellen, om in het nieuwe klooster te worden opgenomen. En alwie kon , werkte mede om zich zoo spoedig mogelijk onder het heilig dak te kunnen vereenigen.

Godschalk, een aanzienlijk man van Hallum, was een der eersten, die zich aanmeldden. Toen hij den man Gods eens hoorde preeken over het verachten der wereld,. stond hij op, zeide vaarwel aan vrouw en kinderen, legde zijne wapenen, het teeken van zijn ridderschap, op het altaar neder, en sprak de plechtige geloften uit in de handen van den gelukkigen Fredericus.

„Eerwaarde Vader, zoo verklaarde hij zijne bekeering, Eerwaarde Vader, ik heb u hooren zeggen, dat volgens de belofte van J. C. diegenen, welke vader en moeder en echtgenoot en bezittingen verlaten, honderdvoudig zullen terug ontvangen en het eeuwig-leven zullen bezitten. Als dit zoo is, welnu, dan verzaak ik aan alles wat ik bezit, en beloof u te zullen, doen alwat gij mij oplegt.quot;

ocr page 70

- (52 -

Toen werd het woord des Heeren vervuld; „Publi-kanen en zondaren zullen u in het rijk Gods voorgaan.quot; De bekeerling immers had zich vroeger aan een manslag schuldig gemaakt en meende dat hij. die een ander van het leven heeft beroofd, niets beter doen kan, dan de beschikking over zijn eigen leven afstaan.

De oprechte bekeering van dien grooten man vervulde onzen stichter met onuitsprekelijke vreugde en bevestigde hem in het vertrouwen, dat zijn werk met de bekeering van vele anderen door G-od zou bekroond worden. En daar zij, die vroeger de grootste zondaren geweest zijn. na hunne bekeering juist de vurigsten worden , kon hij verwachten , dat het in zijne nieuwe stichting aan heilige mannen niet zou ontbreken. Zijne verwachting werd niet beschaamd.

Opdat men echter niet gelooven zou, dat door de intrede in een klooster het huwelijk ontbonden wordt, vroeg Fredericus zelf ten aanhoore van velen de toestemming der vrouw van Godschalk en zij gaf deze met volkomen vrijen wil, hetzij de vreeze Gods haar daartoe noopte, hetzij de zaligheid van haar man haar te zeer ter harte ging om het te weigeren. De edele dame heeft nadien nog vele jaren in eerbaarheid en godsvrucht geleefd.(')

De kloeke daad van Godschalk werkte heilzaam op geheel den omtrek, en meerderen dan men voorloo-pig bergen kon, kwamen hun heil zoeken in de

(1) Dit voorval kan dienen ter opheldering van 't geen ik vroeger schreef in de Katholiek XCVI hl. 21(). De kerkelijke wetten, waarover ibidem LXXXII1 hl. 207, werden nog niet in alle punten toegepast. Godschalk handelde evenals Emo van Konierswerf, omdat de algemeene kerkelijke wet alhier nog niet in zwang was. Ih. XCVL, 218 (')

ocr page 71

— (53 —

nieuwe stichting. Allen, groot en klein, werden door den goeden vader als kinderen behandeld. Hij maakte geen onderscheid. Persoonlijk gaf hij onderricht ook aan de armsten en geringsten, en hadden zij aanleg, dan werden zij zonder onderscheid tot den priesterlijken .staat opgeleid. Goede priesters te vormen, was toch het hoofddoel van de Orde, welke Frederik had uitgekozen.

Ondertiissehen werd het bouwen ijverig voortgezet. De plaats , daarvoor aangewezen , lag destijds dicht bij de zee, onder Halliun. Het was eene uitgestrekte vlakte , zeer vruchtbaar en wel geschikt voor vee-hoederij. Toen zij met eene gracht omgeven was, geleek zij veel op een grooten tuin. En omdat de godvruchtige priester zijne stichting aan de H. Maagd wilde toewijden , gelijk de Premonstratenzers overal elders deden, omdat ook in het Hooglied zoo dikwijls van een bloemgaard wordt gesproken, waarin de beminden zich verlustigen, meende hij voor zijne planting geen schooner naam te kunnen aannemen, dan dien van Marien g a a r d.

Toen men nu bezig was met de kapel te bouwen, ontstond er op eens een zoo hevigen storm, dat de muren waggelden en eenige balken nederstortten. In dien nood wierp zich de H. priester voor het aangezicht des Heeren neder en terwijl hij bad , ging de wind plotseling liggen en tot groote verwondering en vreugde van al zijne medebroeders, volgde eene groote stilte.

Eindelijk was het voornaamste gebouw, de steenen kapel voltooid. Zij werd gewijd ter eere van God, van de H. Maagd Maria en van den H. Joannes Evangelist. Relikwieën van den laatsten had hij onge-

ocr page 72

64

twijfeld te Oappenberg gekregen, waar zij in overvloed aanwezig waren, en waar O. L. V. en de H. Joannes op eene bijzondere wijze door de Norbertijnen werden vereerd.!1) Den 14 Sept. van het jaar 1163, op den feestdag der Kruisverheffing, was men zoo ver gekomen, dat de eerste H. Mis kon worden opgedragen. Op dien plechtigen dag werd de Gekruiste voor het eerst in Mariëngaarde opgeheven. Op dien dag ook was de heilige stichter niet te spreken. De aandoening overmeesterde hem, en hij paste de woorden van den goddelijken Zaligmaker op zijne instelling toe: „Wanneer ik van de aarde zal zijn opgeheven, zal ik allen tot mij trekken, die op deze plaats onder het kruis der gehoorzaamheid volharden.quot;

1

Over die vereering leze men ïibus Die l'farrc Cleve, ]gt;. 15—-19, alwaar bewezen wordt , dat de vereering van dien H. Apostel door Cappenberg in de omliggende bisdommen is verspreid. Ook de abdij van Merna heeft hem als Patroon vereerd. Zie elfde hoofdstuk. De Relikwieën waren afkomstig van de Keizerin van Constantinopel. Zie Boll. 13 Jan. p. 12().

ocr page 73

diende ITool'dstixk.

Over de godvruchtige familiën van Mercelum en Camminga.

Xoo heeft dan de veelbelovende stichting haar beslag gekregen. Het klooster en de kapel zijn voltooid en ingewijd, en een goed getal ijvervolle novicen wordt door den niet minder ijverigen stichter op den weg der volmaaktheid ingeleid. De bekeering van den rijken Godschalk stelde Predericus in staat, om zijn convent kost en kleeding te verschaffen, en weldra kwamen anderen hun persoon en hunne bezittingen aanbieden, zoodat hij genoodzaakt werd de gebouwen uit te breiden, zelfs vertakkingen naar elders uit te zenden.

Fredericus had naar het voorbeeld van zijn heiligen vader Norbertus dicht bij zijn mannenklooster ook een vrouwenklooster gebouwd. Hij wilde niemand van het geluk uitsluiten, dat hij zelf in het klooster genoot, en had voor de verzorging van zijn gasthuis meer dan anderen den dienst der zusters noodig.

Zij woonden wel niet onder hetzelfde dak , maar werden als een huisgezin met de priesters beschouwd, stonden onder hun bestuur, leefden van hunne goederen en hielden zich behalve met het koorgebed , met die huiselijke werken bezig, welke de mannelijke religieuzen niet behoorlijk kunnen verrichten.

5 Zal. Fredericus.

ocr page 74

- 60 —

De rij van de edelmoedige heldinnen, die zich voor ( dat doel aanboden, werd geopend door de oude Sywe-

ris, een adellijke vrouw, dochter van den schout van c

Reitsum , Ulbrandus , en moeder van den grooten a

Reinke van Mercelum. Ofschoon deze dame van l

hoogen adel was, groote bezittingen had aangebracht, gt;c

en volstrekt geen zondig leven had uit te boeten, I

beminde zij toch zoodanig de nederigheid en boet- 1

vaardigheid, dat zij niets liever deed dan hare mede- 1

zusters als een werkmeid dienen, en vooral den pries- t

ters het werk harer handen te leveren. Vandaar dat l

een novice , die vroeger smid was geweest, op de quot;N

vraag, of hij den aard wel had in het klooster, waar a

men zoo streng en armoedig leefde, antwoordde; Ik e

heb hier een grooter en rijker familie dan in de wereld. | d

Want de dochter van den schout Ulbrand , die ik a

vroeger als mijne vorstin eerbiedigde , is nu mijne r dienstmaagd geworden.

Wat ik elders geschreven heb, dat de zusters de • J:

levende predikers zijn voor de familiën, die zij heb- e

ben verlaten . en dat haar voorbeeld krachtig moet t

werken op hare vroegere betrekkingen, dat zien wij t

hier bewaarheid. Haar zoon Reinke, hoe onstuimig j e

hij ook van karakter was, liet zich op voorbeeldelooze j v

wijze door vader Predericus vernederen , zooals wij \ fe

in het 14e hoofdstuk zullen beschrijven. Ook liet hij h

zijne dochters het voorbeeld harer grootmoeder volgen. ' v

Ava van Mercelum, dochter van Wibrand en klein- : a

dochter van Reinke , werd priorin van het klooster ; si

Bethlehem. Zij was eene geleerde en schrandere li vrouw en is aan het hoofd van vele andere Norber-tinessen naar Noordelijk Duitschland vertrokken* om

ocr page 75

- (gt;7 —

or daar te Belbog een nieuw klooster te stichten, -e- Reinke van Mercelum de jonge, zoon van denzelf-m den Wibrand , was een zeer aanzienlijk man in de ?n wereld, en groot vriend van de Mariöngaarders. Zijn m broeder Dodo was gehuwd met Sitetis, dochter van itT Siardus Rembrechts van Merumhuzen en van Renweris •n, Ricnatha , eene aanzienlijke familie , welke ook het ■t- hare ruimschoots heeft bijgedragen tot den bloei der le- Premonstratenzer kloosters. Sitetis toch had eene zus-?s- ter Simeris, die twee dochters schonk aan het Nor-lat bertinessenklooster Bethlehem. Hare moeder Rende weris had twee broeders, Ailulphus, die twee zonen ar aan de abdij en een dochter aan Bethlehem schonk, ik en Wilgrepus, die, daar hij kinderloos overleed, hon-ld. derd pond zilver aan de Norbertijnen gaf en eene ik andere groote som tot ondersteuning van den oorlog ne naar het H. Land zond.

Het spreekt van zelf. dat de nakomelingen van die de gt; iwee godvruchtige echtgenooten. Dodo en Sitetis, in 3b- edelmoedigheid niet ten achter bleven. Zij hadden jet ■ twee dochters, Ava, die wederom moeder werd van A'ij twee dochters, beiden kloosterzusters in Bethlehem, lig I en Renniweris, wier dochter Ethelindis priorin werd )ze ; van hetzelfde klooster en haren geleerden proost Thi-ivij tardus bij het schrijven der levens van drie abten hij heeft ter zijde gestaan. (') Zoo werkte het goede en. ; voorbeeld van de oude Mevrouw Syweris op al hare dn- afstammelingen en hetzelfde bewonderenswaardig verter , schijnsel ontwaren wij in eene andere adellijke fami-ere lie, van welke wij nu gaan spreken,

ier- Drie gebroeders speelden eene voorname rol in de

'lUl (1) (icdc.iikuchriflcu vcm Marienfjaardi' Mad/C. 33, 37, 168, ^^4.

ocr page 76

- 68 -

friesche oorlogen van de twaalfde eeuw. De eerste, 1 e;

niet name Asego, werd gedood door de Hesselingers. d

De tweede, Kempo, sneuvelde in den destijds beroem- v

den oorlog bij Burne en had zich in verschillende g

gevechten zoo dapper gedragen, dat zijn heldenfeiten d;

nog vele jaren nadien in volksgezangen voortleefden. C

Hij was oudovergrootvader van den beroemden Abt n

van Mariëngaarde Sibrandus, een zeer geleerd, erva- di

ren en heilig man , van wien wij in de Inleiding g

gesproken hebben. glt;

Kempo had een zoon Wibrandus Camminga de Blitha, e1

wiens bekeering wij boven beschreven hebben. Deze di

Wibrandus had een dochter Bava , die met Guido n

Ethelgera huwde en de moeder werd van den eer- 01

biedwaardigen abt van Mariëngaarde Jelgerus, van D

Thitardus, die met zijn oom Dodo ter kruisvaart toog lo

en als Norbertijn in Mariëngaarde overleed, van Wi- 1V1

brandus en van drie dochters, welke in het Cister- j te

cienzer klooster Nazareth den sluier aannamen. Hessel, lif

zwager van gemelde Guido, was beschermheer van st

beide kloosters Mariëngaarde en Klaarkamp, en Wibran- oi

dus van Houthuzen, getrouwd met een dochter der l di

zuster van den abt van Klaarkamp, Sidachus, ijverde di

evenzeer voor Mariëngaarde, daar hij een zoon was ' ec

van eene zuster der voormelde Bava. Behalve deze m twee dochters had Wibrand Camminga nog een zoon,

tien genoemden Dodo , die met een zuster van den Ik

abt Sidachus huwde en in het H. Land overleed, Z;

Dodo had een dochter Bava, die priorin werd van ia-

het klooster Feldwirt onder Groningen, en twee zoons, ; oj

van welke de een Wibrandus, gehuwd doch kinder- gi loos, door zijne deugden een groeten naam verwierf,

j

ocr page 77

— 69 -

I en in het klooster Nazareth werd begraven, terwijl 5. de andere, Kempo, tot vrouw nam de stiefdochter i- i van zijn broeder en vele kinderen naliet. Om de [e geheele familie te kennen ,• zij hier nog bijgevoegd , n dat een andere Wibrandus , deken van Oostergoo , i. Cistercienzer monnik en abt is geworden. De eerste )t nu welke voor deze geestelijke familie de klooster-Ei.- deur opende, was G-ertrudis van Dresum, wier zuster ig gehuwd was met Asego , broederszoon van hoven-genoemden Asego en bijgevolg eigen neef van den a, evenvermelden Wibrand Camminga de Blitha. Toen ^e de jonge edelman Asego zijne bruiloft vierde, kwa-lo men tallooze armen van heinde en verre toegeloopen, T- om van de rijke tafel eenige aalmoes te ontvangen, m De kas van Asego echter was door veelvuldige oor-)g logen zoodanig geledigd , dat hij niets geven kon. ri- Maar om bij zulk een luisterrijk feest zijne armoede ■r- te bedekken en zijn naam op te houden, had hij een ?1, list verzonnen : hij deelde valsche schellingen uit. God m strafte die misdaad. Nauwelijks was hij getrouwd , n- of zijne beminde ontviel hem door den dood. Door er | dien slag getroffen, keerde hij in zich zeiven. Gewelde dige wroeging kwelde hem. omdat hij zich aan zulk as 1 ■eene valschheid jegens de armen had schuldig go-ze maakt.

in, Niet minder bedroefd over zijn misdrijf, dan over

en het verlies van zijne vrouw, zocht hij troost bij onzen

;d. Zaligen Fredericus. Als een voorzichtig geneesheer,

an trachtte deze eerst door minzaamheid zijn hart te

is, openen en te winnen , en deed hem vervolgens de

ar- grootheid van zijne misdaad gevoelen, rf, „Mijn zoon, zeide hij, gij hebt eene groote zonde bedre-

I

ocr page 78

- 70 -

ven, welke gij niet gemakkelijk in uw leven zult uitboeten, want de armoede heeft niets harder en ondragelijker, dan dat zij de menschen voor het oog der wereld belachelijk en verachtelijk maakt. Daarom is er wel niets erger, dan bij die verachting nog hoon en spot te voegen. Niet de armen alleen, maar ook Christus zeiven hebt gij in hen beleedigd. Op den oordeelsdag zult gij ongelukkig zijn en terwijl zij hunne glorie uitstralen, zult gij uitroepen ; „Zij dan zijn het, die wij vroeger aan spot en schande hebben prijsgegeven!quot; Dan zal uw geweten u veroordeelen en gij zult ter eeuwige strafplaats worden weggesleurd. Zelfs werelcl-sche machthebbers onthoofden de valsche munters.quot;

Tot in zijne ziel ontroerd, antwoordde de ongelukkige zondaar: „Eerwaarde Vader, als ik op een bepaalden dag alle armen der provincie uitnoodig en hun ieder .twee echte schellingen uitreik, zou ik dan niet voldaan hebben ?quot;

„Hoe zult gij diegenen voldoen, die niet komen ? Velen toch zullen wegens de ongewoonheid van zulk eene oproeping terugblijven en u niet vertrouwen.quot; Tóen viel de man. in tranen losbarstend, voor zijne voeten neer, en smeekte den heilige hem in zijn nood goeden raad te geven. De priester richtte hem op, goot balsem in de wonden zijner ziel, sprak hem van de oneindige barmhartigheid des Heeren, ontsloeg hem van zijne zonden en liet hem voor penitentie naar het H. Land eene bedevaart doen. De H. man meende hem geen betere boete te kunnen opleggen. Van den eenen kant w7as het onmogelijk de beleediging der armen te herstellen. En juist door restitutie zou het gepleegde bedrog aan den dag komen en groote

ocr page 79

- 71 -

schande en ergernis zouden daaruit voortspruiten. Van den anderen kant zou zulk eene bedevaart veel nut stichten. De bekeerling werd daardoor in het goede bevestigd en als hij was weergekeerd, zou hij volgens de gebruiken van dien tijd de wapenen neerleggen en den palmtak dragen, ten teeken dat hij voortaan niet alleen zelf den vrede niet meer wilde storen, maar ook anderen tot rust en wapenstilstand zou overhalen. Dus handelde Fredericus zeer wijs met den strijdlustigen Asego zulk eene penitentie op te leggen. De vrome Gertmdis. zuster van zijne ontslapen vrouw, vergezelde hem naar het H. Graf, en toen zij zich van hun plicht gekweten hadden en over de Middellandsche -zee Italië naderden, kreeg hot Asego in den zin. om ook. het (iraf van den H. .Taco-bus in Spanje te bezoeken. Zoo goed was hem de eerste bedevaart bevallen . zoodanig was de oorlogsman veranderd. Hij vreesde echter, dat hij de reis niet meer zou kunnen bekostigen.

Zoodra zij aan land gekomen waren, zocht dertru-dis eene geheime plaats op om hare koffers na te zien en zij bevond dat zij meer hadden dan noodig was. „Vriend Asego, riep zij uit. God is zoo goed geweest, dat hij het geld in onzen koffer vermenigvuldigd heeft. Nu is het duidelijk, dat zijn wil met den onzen overeenstemt. Wij gaan naar Gompostella.quot;

()p deze reis echter werd de dappere man door eene geweldige ziekte aangetast. Zijn lichaam werd in een vreemd land ter aarde besteld, maar zijn ziel in den schoonen hemel opgenomen. De moedige G-ertrudis was ter neergeslagen, maar volbracht desniettemin met hare dienaren en gezellen de lastige bedevaart, en

ocr page 80

na verscheidene maanden kwam zij behouden en wel in het vaderland terug.

Om nu den genadeschat niet te verliezen , welke zij op hare reis van God verworven had , nam zij afscheid van vrienden en bloedverwanten en stelde zich ter beschikking van den H. Stichter, die de schrandere vrouw, welke zooveel ondervinding had, weldra aan het hoofd plaatste van de zusters , die zich onder zijne leiding bevonden. Meer dan anderen was zij geschikt, om de jonge dochters, welke de bovengenoemde Renicus van Mercelum, Ludolfus van ünglum en vele andere edellieden gezonden hadden, in de kloostertucht te oefenen. Vele jaren heeft zij die heilige taak waargenomen , want de oud-priorin van Bethlehem, welke den abt Sibrandus tot het schrijven van Fredericus leven aanspoorde, was hoogstwaarschijnlijk dezelfde Gertrudis. Men zie de Inleiding.

ocr page 81

- 78 -

l±:iflt;lo Hoofdstuk.

Hoe de Zal. Fredericus geholpen werd door den ijver van Taco en hoe hij de zusters op den weg

der zaligheid geleidde.

onzen Heilige werd zicht baar door

den hemel gezegend. Reeds had hij een volmaaakt mannen- en nonnen-klooster , waarbij de nog nooit opgeheven klerkenschool en .een gasthuis. Naargelang hij de gebouwen uitbreidde , vermeerderde het getal discipelen. Het huis vergrooten baatte niet meer, daarom dacht hij een ander middel uit: hij zond een gedeelte weg, om onder den bekwamen Taco elders een nieuw klooster te stichten.

Onder de vele geestelijken , die om hun staat te volmaken het kloosterhabijt en den regel van den H. Norbertus kwamen aannemen, waren twee paar broeders Taco en Alardus, Meinoldus en Eckardus , die bijzondere vermelding waardig zijn. Taco muntte boven allen uit door zijne zachtzinnigheid en onderworpenheid, en door een bijzondere gave van welsprekendheid . 1 )oor zijne alles overweldigend preeken gnleide de kudde van den stichter zoodanig aan. dat deze zich genoodzaakt zag, den grooten man met een gedeelte van zijne bekeerlingen naar elders te verplaatsen. Hij zag in, dat de tucht gevaar lof)pt, wanneer het personeel in even

ocr page 82

- 74 -

redigheid van de werkzaamheden te groot is geworden.

De schrandere Taco dan werd met eene keurbende uitgezonden, waarschijnlijk naar Berethe, (') waar hij zijne stichting den H. Nicolaus toewijdde. Spoedig moest hij zijn convent weder in twee afdeelingen splitsen, waarvan de eene zich te Marne in de gemeente Kloosterburen bij de Lauwerzee vestigde, de andere naar Dockum werd overgebracht en waarschijnlijk door Taco zeiven als abt werd bestuurd. Het klooster van Marne, ook Oldenklooster geheeten, behield als patroon den H. Nicolaus en was aanvankelijk een dubbel klooster, evenals Mariëngaarde. Maar in 1204 werden de zusters in een anderen hoek van hetzelfde dorp gehuistvest en hun klooster kreeg tien naam Nijeklooster , ook V era C h a r 11 a s , in tegenstelling van het eerste, dat voortaan Oldenkloos-ter heette. Zekere Henricus was haar eerste proost, en daar hij van Cappenberg afkomstig was, gaf hij haar tot schutspatroon den H. Johannes Evangelist. Ook dit huis moest welhaast eene afdeeling uitzenden en wel naar Schildwolde, welke proostdij de proost Henricus met den schoonen naam van Cl r a t i a S. M a r i a e vereerde. (1)

Op dezelfde wijze handelde onze bekwame Taco te Dokkum. Ook hier moest weldra ruimte worden gemaakt en nu gaf de nederige man de abtelijke waardigheid aan een ander over en vertrok zelf als proost met de zusters naar Beertha terug. (2) Korten tijd

1

Vergelijk Emop. 4 met nap. XXXIJ.

2

Volgens Wijhrands llloemlinf hl. 41 (3) zou Beerta niet hetzelfde zijn als Berethe.

ocr page 83

— V O —

daarna stichtte de onvermoeide man nog een ander nonnenklooster te Kusemar bij Groningen en schonk daaraan den naam van P o r t a S. M a r i a e. Hier stierf inl588 de beroemde Norbertijn Sibrandus Leo.

Alardus, broeder van den onvermoeiden Taco, verwierf zich een grooten naam door het schrijven van boeken , waarmede hij de bibliotheek verrijkte. Hij was de onafscheidelijke gezel van Fredericus op al zijne reizen; en toen zijn teergeliefde vader dooiden dood aan zijne zijde werd weggerukt, was hij ontroostbaar en ging verre buiten zijn vaderland in een Karthuizer klooster bij Laón zijn troost zoeken, dat hij had leeren kennen , toen hij met Fredericus naar het generaal kapittel ging , en waar hij eenige jaren later in den geur van heiligheid stierf.

De andere gebroeders, Meinoldus en Echardus hebben zeer waarschijnlijk naar het voorbeeld van Taco andere kloosters gesticht. Wanneer wij nu in de annalen van Egmund lezen dat de wijbisschop van Utrecht in 1172 of 1173 vele kerken in Friesland wijdde, dan kunnen wij gissen, wie de voornaamste stichter van die nieuwe kerken geweest is. Zoo breidde zich de heilrijke stichting van onzen Zal. Fredericus uit. Zoo wist hij mannen te vinden en te vormen, die met eenzelfden geest bezield, geheel Friesland en Groningen met kerken en kloosters bezaaiden en het ruwe volk aan het zachte juk van Christus gewenden.

Om het steeds toenemend getal meer plaats in zijne gebouwen te verschaffen , gebruikte de zalige stichter nog een ander middel. Hij verwijderde al de zusters, die tot nog toe naast het mannenkloos-

ocr page 84

— 16 —

ter gewoond hadden. Hij handelde daardoor juist in s den geest van andere Premonstratenzers. De H. Nor- r bertus had bijna overal nonnenkloosters bij de man- n nenabdijen gevoegd en de oorspronkelijke strengheid \ leverde voldoenden waarborg tegen alle misbruiken. li Het was echter te voorzien, dat de geestelijke scheids- \ muur door verslapping der tucht kon worden om- a vergehaald. v Daartegen waarschuwde de H. Bernardus, die vol- L strekt geen zusters aannam, den abt van Cuissy en e dien van Premonstreit, en de laatste verwijderde zijne o zusters reeds in het jaar 1188. Dit voorbeeld werd o van lieverlede door alle andere abten gevolgd en J deed ook weldra zijn invloed in Friesland gelden. (') d Daaruit leide men echter niet af, dat reeds groote n ergernissen waren voorgevallen. „Neen, zegt een r protestansch schrijver , de Premonstratenzers waren 2 te streng, om niet aanstonds aan zulk een toestand g een einde te maken en alzoo de veelheid van misbruiken te voorkomen.quot; (2) De gemoedelijke Fredericus e paste den regel weldra op zijne stichting toe. Hij g kocht een stuk grond in het dorp Oudkerk, bouwde e er eene kerk met de overige noodzakelijke vertrek- d ken en zond de priorin Gfertrudis met hare geeste- o lijke dochters derwaarts. Aan het nieuwe gesticht gaf hij den naam van Bethlehem, alweder uit eerbied i] voor de H. Maagd Maria. Gelijk zij de zuiverheid d __r

(1) Later op het einde der 12e eeuw wei-den zelfs in Frankrijk, op bevel des Pausen geen conversen en geen nonnen meer aangenomen. In Duitschland en de Nederlanden heeft men echter de oorspronkelijke S instelling gehandhaafd en ook de Cistercienzers zijn aldaar begonnen nonnenkloosters te stichten.

(2) Winter Die Praemonxlrcilcnzer S, 284 en Die Cisl. 1 :)4, (!:), 1()8.

ocr page 85

in steeds ongeschonden bewaard had , moesten ook de r- maagden, die God in dit uitverkoren Bethlehem kwa-n- men dienen , geest en lichaam sieren met de lelie-id witte reinheid. Om die reden ook waarschuwde n. ]iij haar tegen de ledigheid, waardoor de duivel zoos' velen in zijne strikken vangt. De ouderen hield hij ii- altijd met handwerk bezig en de jongeren liet hij vlijtig studeeren. Zelfs zag hij er niet tegen op, om gt;1- leermeesters te huren, welke de meisjes leerden lezen 'n en zingen. Persoonlijk bezocht hij ze meermalen, ie om haar ijver aan te vuren en, hadden zij schrijfstiften 'd of leien (wastafeltjes) noodig, dan bracht hij ze zelf. 'n Al woonden zij nu afzonderlijk, toch maakten zij met I1) de abdij nog eene gemeente uit. Van hare middelen te moesten zij leven, evenals Rozenkamp van Wittewie-■n rum, Nijeklooster van Marne en Bayum van Lidlum. ■n Zoo werd voorkomen , dat zij niet tot armoede en id gebrek vervielen, 'tgeen elders niet zelden plaats greep, s- Daar veel gebabbel de tucht ondermijnt, daar -is : eenmaal van elk nutteloos woord rekenschap zal [ij gevraagd worden , liet hij niet toe , dat zij onder le elkander ijdele zaken bespraken of aanhoorden. Met k- de leeken die haar bezochten , moesten zij spreken e- over de H. Schrift of andere geestelijke onderwerpen, lit Was er een dringende tijdelijke zaak, dan moest zij 3d iii 't kort behandeld worden. „Gelijk het licht met id de duisternis, zeide hij. zoo heeft een kloosterling

niets met de wereld uitstaan.quot;quot;

'■cl Met loszinnige, uitgelaten personen mochten zij vol-

ko strekt niet spreken en uitermate streng was Prederi-

en cus tegenover haar, die zich plichtig maakten aan kwaad-

;8. spreken, krakeelen of liegen en bijzonder tegen haar

i

ocr page 86

- 78 -

die zich in iets wat de kerk betreft, nalatig en slordig toonden. De H. priester beschouwde haar als zijne kinderen en paste het woord van den wijzeman op zich zeiven toe: „Hebt gij dochters, bewaar dan haar lichaam en toon haai- nooit een lachend gezicht.quot; Geen won- 0\ der dat er te Bethlehem zooveel eenvormigheid van gedrag, zooveel eensgezindheid, ongeveinsde liefde, diepe ootmoed, vrijwillige armoede, zuivere godsvrucht, oprecht geloof en andere deugden heerschten. De toeschouwer verbeeldde zich het getrouw afbeeldsel van het apostolische tijdvak der kerk voor zich te zien. Schoon vi komt deze beschrijving overeen met hetgeen Herman In van LaOn van andere Norbertinessen schreef. „De zus- g( ters, zegt hij, leven veel heiliger dan de fraters, omdat sc deze dikwijls ambtshalve het slot moeten verlaten, zich g onder de menschen met wereldsche zaken moeten be- ij zighouden en noodzakerlijkerwijze iets van de onver- o schilligheid der wereld moeten overnemen. De zus- d ters daarentegen blijven altoos opgesloten, mogen zelfs d met hun naaste bloedverwanten niet spreken dan voor een venster in het klooster en onder vier ooggetuigen. C Door hare gestrengheid en stilzwijgenheid beschamen 1 zij de beste monnikenkloosters.quot; j 1

Zeker hebben zij in Friesland door haar voorbeeld s en gebed tot den bloei der orde veel meer bijgedra- j ^ gen, dan wij ons kunnen verbeelden en het is opmer- 1 kelijk, dat het juist de zusters waren, die de knapste J s schrijvers van Friesland overhaalden om de levens l der Heiligen te beschrijven. Ditzelfde hebben wij elders | 3 bij het leven van Herman van Scheida kunnen opmerken. Daaruit mag men afleiden, dat zij ook aan vele | andere goede werken den eersten stoot gegeven hebben.

I

ocr page 87

- 79 -

IVli' 1 Looi

Over verscheidene wonderen van den Zal. Fredericus en hoe hij de kleine kinderen liet onderwijzen.

yilariëngaarde geleek een drukken bijenkorf. Onvermoeid werd er gewerkt èn binnen èn buiten. En hoe groot verschil er vroeger ook tusschen de leden geweest was, toen zij nog een standplaats in de maatschappij bekleedden, thans waren zij allen één door de gehoorzaamheid, één door de liefde, één door den ijver voor den voortgang van het heilig gesticht, één ook als de bijen in kleur en kleeding. Zij echter , die vroeger het hoogst in aanzien stonden, moesten door hun eenvoud het mee-t de aandacht trekken.

Zoo lezen wij van den bovengenoemden edelman Godschalk van Hallum, dat hij als een echt kloosterling alles vergat, wat hij vroeger geweest was, en bij den arbeid, bij het gebed en in de regeltucht steeds vooraan stond. Zoozeer beminde hij de boetvaardigheid en nederigheid, dat hij de apostelen navolgend, altijd te voet ging, ofschoon hij in de wereld steeds te paard gereden had. En die gewoonte behield hij tot in zijn ouderdom , toen hij zonder stok niet meer gaan kon en onderweg dikwijls moest uitrusten. In alles en altijd zocht hij zijnen broeders van dienst te zijn , en niet zelden zag men hem in het water springen, om de boot, waarop men voer, te

ocr page 88

— 80 —

eerder aan land te trekken Altijd was hij opgeruimdr doch nooit uitgelaten. Toen hij eens bij het bouwen van een huis ijverig medehielp, had hij het ongeluk neer te storten en een been te breken. Aanstonds kwam vader Fredericus toegesneld en vernemende wat er gebeurd was, zeide hij: „Neen, dat wil God niet. Hij is te goed voor ons om zoo iets te dulden. In den naam van onzen Heer J. C. sta op uwe bee-nen.quot; En zonder toeven stond de gekwetste op en was genezen.

Onder de groote menigte van zusters waren er welke de duivel niet alleen bekoorde, maar ook overhaalde om in de wereld terug te keeren. Zekere novice Ethelgardis, werd zwaar ziek en was dwaas genoeg om te denken . dat zij in de wereld alleen hare gezondheid redden kon. Zij sloeg alle goede raadgevingen in den wind en ofschoon zij goed bewaakt werd, vond zij zekeren nacht gelegenheid om te ontvluchten. Zij vertelde later , dat zij door een man met een zwart gezicht was uitgenoodigd , om het bed te verlaten, dat zij dezen door eene ontsloten deur was gevolgd, maar toen in eene diepe gracht nederviel.

In het doodsgevaar riep zij onzen Heer J. C. en de H. Maagd om hulp. Ook bad zij den heiligen vader Fredericus , dat hij haar redden zou , daar de duivel haar misleid had. Op dat oogenblik verscheen haar iemand, die zoover zij zien kon, zeer goed op Fredericus geleek , haar uit den kuil trok en naar haar bed terugbracht. Des anderen daags vond men inderdaad op den rand van de gracht duidelijke sporen van een drenkeling.

ocr page 89

- 81 -

Eene andere zuster , van Leeuwarden afkomstig . was insgelijks in zekeren nacht gaan loopen. Maar onderweg ontmoette zij een spooksel, keerde zich om en kwam buiten adem in het klooster terug. Ook zij dankte haar behoud aan de gebeden van den Zal. Predericus.

Eene andere zuster met name Ferdwa viel in eene vreemde ziekte en men wist niet of ze voortkwam uit haar lichaamsgestel of uit haar gemoedstoestand. Men liet den man Clods vragen, dat hij zou komen zien of voor haar zou bidden. De bezorgde goede vader deed beide. Hij kwam, en voor haar bed neergeknield, bad hij een weinig en genas haar meteen enkel woord.

Op een anderen tijd kwam hij over het ijs alleen te Bethlehem aan. Het was avond geworden, toen hij in het meer, dat hij overtrok, eene breede en lange opening bemerkte, veroorzaakt door den stroom eener rivier, welke men zonder stok niet kon overspringen. Lang ging hij heen en weer om te zien, of het ijs hem nergens een doortocht verleende. Te vergeefs, en de toenemende duisternis belette hem nog langer te zoeken. Wat nu gedaan ? Als hij riep, kon men hem niet hooren , en nergens in den omtrek was een geschikte herberg te vinden, daarbij het was te koud om buiten den nacht door te brengen.

Eindelijk kreeg hij een goeden inval. Hij rekte zijn mantel zoover uit als hij kon en wierp het eene uiteinde naar den overkant, waar hij hem aan een ijskorst of aan het riet vastmaakte. Hij plaatste zijn voet op het andere uiteinde , liet den mantel alzoo nat worden en op het water bevriezen. Daar dit

Zal. Fredericus.

ocr page 90

- 82 -

echter in voortdurende beweging was, moest het lang duren, eer de mantel stijf genoeg was, om er over te gaan.

De heilige priester riep Gods barmhartigheid in , maakte het teeken des kruises, stapte met vol vertrouwen vooruit en kwam behouden aan de overzijde. De fraters, die het zusterenklooster bestuurden, zaten zich bij het vuur te warmen, toen hun beminde vader aanklopte. Men vroeg hem, hoe hij over die gevaarlijke rivier gekomen was.

Met een duiveneenvoud antwoordde hij : „Ik hel» van mijn mantel een brug gemaakt. Gij ziet hoe stijf hij nog is.quot; Zij hielden het er voor , dat dit natuurlijkerwijze niet geschieden kon. God, die den profeet Elizeus met behulp van Elias mantel over den Jordaan liet gaan , kon ook voor onzen heilige zulk een mirakel doen.

Boven zagen wij, hoe hij jonge dochters liet onderwijzen. Ook jongens , welke hem de edellieden des lands toevertrouwden, liet hij door bekwame meesters les geven. Vroeger had hij het zelf gedaan, nu echter was zijn werkkring zoo'uitgebreid, dat hij die taak aan anderen moest overlaten.

Zeer jonge kinderen werden in de middeleeuwen in een of ander stift of klooster op het altaar den Heere toegewijd en ter opleiding aan de kloosterlingen toevertrouwd. Het habijt werd hun aangedaan, zoodra zij het goedschiks dragen kónden, maar hunne professie werd uitgesteld tot hun vijftiende levensjaar. ( ')

De geleerde Guibertus de Nogent noemt dit een

(1) Li. d' Achory bij Migue CLVI, 1062—Landmeter p. 3()quot;J Martene de Kit. eccl. III, .'534 —■ Statuta Praem. IV, cap. III.

ocr page 91

- 83 -

misbruik en schrijft daaraan het verval toe van sommige kloosters. „Zij bloeiden, zegt hij. toen zij met een klein getal goed beproefde religieuzen tevreden waren, maar kwamen tot verval, toen zij voor hun talrijk personeel niet werk genoeg meer hadden en kinderen aannamen, die, niet uit walging van de wereld gekomen, maar in onschuld opgevoed, zonder beproevingen ondervinding, op late ren leeftijd slechts voor hun gemakken leefden en, daar zij de wereld niet hadden gekend, voor vele bedieningen geheel ongeschikt waren. Luiheid, eigenzinnigheid, zorgeloosheid en verkwisting waren er het gevolg van. O De goddelijke wijsheid heeft wel gezegd, dat alwie wil, volmaakt kan worden : f) maar om iemand in een klooster aan te nemen , mag men toch zeker een krachtdadigen en standvastigen wil vereischen, die de ijdelheid der wereld kent en verfoeit, die alzoo bestand is tegen de beproevingen, welke hij later ontmoeten zal. Minder gevaar was er voor de meisjes, daar zij, eenmaal nonnen geworden, geheel en al van de wereld bleven afgesloten en dus minder aan bekoring blootstonden. Maar door het ontijdig inlijven van jeugdige knapen, werden de kloosters met menschen bevolkt, die van hun levensstaat een walging kregen, zoodra hun de schijnschoone wereld, die hun nooit geheel kon onttrokken worden, onder de oogen kwam.

Ook onze H. Stichter Tredericus moest het ondervinden. Sommigen, zegt zijn geschiedschrijver, keerden niet alleen met hun hart, maar ook met hun lichaam

(1) Gnibertus cle vita sua cap. VIII.

(2) lien leze daarover Nouvelle Revue Throloyiijue tome VIII. 187(), p. 78, 425, 521.

ocr page 92

- 84 -

in Egypte terug. De meesten echter bleven volharden en met hunne jaren groeiden hunne wijsheid en deugd. Wie de school van onzen Zalige de meeste eer heeft aangedaan , het is de H. Siardus, die als vijfde abt van Mariëngaarde de opvolger van Prede-ricus geweest is en hem ook in heiligheid evenaarde. Meer zouden wij van dit sieraad der Orde willen schrijven, wanneer zijne geschiedenis niet onlangs op nieuw was uitgegeven, l1) Alleen zij hier nog bijge voegd, dat de kloosterschool, door onzen Fredericus gesticht, een halve eeuw later door een anderen Fre-derik bestuurd, eene der grootste en beroemdste instellingen was van deze landstreken, en dat de bekwaamste mannen, als Thitardus en de abten Sibran-dus , Jelgerus en Theodericus , daar hunne opleiding genoten hebben.

1

Gedrukt te Averbode 1801.

ocr page 93

Dertiende I ToolVlst iilv.

Hoe de Zal. Fredericus met Alardus naar Steinfeld gaat, om zich met de Orde in verbinding te stellen.

Ruimschoots was Gods zegen, door den Bisschop van Utrecht over Fredericus afgebeden, op zijne stichting neergedaald. Alles was hem tot nog toe gelukt. Het gasthuis was goed bezet en naar de behoeften van den tijd ingericht, de priesters en jonge klerken, de zusters en jonkvrouwen wedijverden in geleerdheid, arbeidzaamheid en deugd, en de scholen beloofden alles voor de toekomst. Slechts ééne zaak ontbrak nog. de instelling was nog onafhankelijk van de Orde van Premonstreit, ofschoon in alle punten niet .alleen den regel van den H. Augustinus, maar ook schier alle door den H. Norbertus ingevoerde gebruiken onderhouden werden.

De Zal. Fredericus toch had aan geen abt gehoorzaamheid beloofd , van den Bisschop , Clodfried van Ehenen, had hij het habijt en tevens de macht ontvangen , om een klooster van reguliere kanunniken te stichten. Hij was dus met zijne instelling onafhankelijk van het algemeen bestuur der Premonstratenzer Orde, maar dan ook verstoken van het krachtige levenssap, dat die groote boom naar al zijne vertakkingen over de aarde verspreidde. En de Bisschoppen van Utrecht. zeiven herhaalde malen in oorlogen

ocr page 94

- 8(3 -

gewikkeld, waren niet in staat, om over het ver verwijderde Mariëngaarde te waken, veel minder om ^e: er de tucht te handhaven. Wilde hij verhoeden, dat zijne stichting na zijn dood, een behoorlijk toezicht ë6 missende, aan menschelijke willekeur en verslapping H. ten prooi viel, dan was het noodig, dat hij ze onder aa de bescherming stelde van een vader-abt en onder de hoede van het generaal kapittel, dat iaarlijks te 1 Premonstreit gehouden werd. O

De heilige man had doorzicht genoeg om dit te j 01 voorzien en was nederig genoeg, om zijn onbeperkte ' ^ macht door dien heilzamen maatregel in te korten. Hierover alleen stond hij in beraad, aan welke abdij b hij zich onmiddellijk zou onderwerpen. Cappenberg v en Mariënweerd , welke hij beiden reeds vele jaren v had gekend, en wier kloostertucht hij had bewonderd, l ^ waren ook dicht bij gelegen, en daarom het best in i 2 staat, om Mariëngaarde te bewaken. Het eerste lag dichterbij dan het tweede, was rijker en machtiger j 1 en bood daarom een beteren waarborg voor de hand- 1 having van rechten, gebruiken en bezittingen.

Dus ging hij met zijn vertrouweling, den beschre- | . ven frater Alardus, op reis naar Cappenberg. Zij kwamen te Munster aan en namen daar hun intrek bij een seculier kanunnik , een ouden schoolmakker en boezemvriend van den Zaligen Fredericus. (2) Toen hij het doel der reis vernam, wilde de kanunnik zijn vriend een goeden raad geven. Hij vroeg hem: „Lieve Peico, kent gij Cappenberg?quot;

11) Ovev de, nuttigheid daarvan spreekt ook ^loll II, 2. bl. 73, 74.

(2) Ook Emo kwam in 1209 bij een kanunnik te Munster, ging vandaar naar Varlar bet habijt en paterniteit vragen ontving liet eerste en werd voor het laatste naar Nijeklooster verwezen.

ocr page 95

_ 87 -

„Wel zeker, eerwaarde Heer, ik heb het dikwijls bezocht, tuen ik hier in Munster ter school ging. Zeker ken ik de wijdberoemde stichting van den jongen edelman, Godfried van Cappenberg, die door den H. Norbertus zeiven bekeerd , zijne rijke kasteelen aan de orde opdroeg en zelf in het kloosterkleed een heiligen dood gestorven is.quot;

„Hebt gij ook den eersten proost. Meester ütto gekend, dien men den bijnaam gaf van 1 e g a t u s , omdat hem herhaaldelijk door den Keizer de gewichtigste zendingen werden opgedragen?!1)

„Ja, ik heb hem gekend. Hij bestuurde het klooster juist in de jaren, toen ik het bezocht. Jk stond verbaasd over de orde , de liefde en gestrengheid . welke daar heerschten. En het voerde mijne verbazing ten top, toen ik vernam, dat alle fraters, bijna zonder uitzondering, van adellijken huize waren.quot;

..Zeker, hernam de kanunnik, het is een uitmuntend klooster , niet alleen wegens tie pracht zijner gebouwen en den rijkdom zijner bezittingen . maar veel meer nog wegens de heiligheid van de adellijke jonkheeren, die daar als arme broeriers (lod den Heer dienen. Maar ik vraag u , beminde LVico . of het verschil tusschen deze en uwe stichting niet al te groot is, om met haar in gemeenschap te treden.

..Hoe bedoelt u dat, eerwaarde Heer. Het verschil is zeker oneindig groot. Zij staan op een veel honger trap van heiligheid dan wij : in dat opzicht durven wij ons met hen niet vergelijken. Bovendien werken zij reeds bijna vijftig jaren en hebben aan de Kerk vele geleerde en heilige mannen geleverd. Ik her-

(1) Annales Prtem. I, 435.

ocr page 96

— 88 —

inner mij Walo, die thans den bisschopsstaf van Havelberg met roem en eere draagt, Isfried. dien ik nog gekend heb, wiens heiligheid door allen bewonderd werd en die op het oogenblik , als Ik mij niet vergis, de proostdij van Jerichow bestmirt, Wigger, die de vertrouweling van den H. Norbertus en zelfs een vriend van den Keizer is geworden en die voor een tiental jaren als Bisschop van Brandenburg moet overleden zijn, Floger, eveneens Bisschop en zooveel anderen. O Wat meer is, een rijke jood uit Keulen is door het heilig leven dier mannen zoodanig getroffen geworden, dat hij tot het Christendom is bekeerd, Norbertijn is geworden en een nieuw klooster te Scheida heeft gesticht, dat hij zelf 1 lestuurt. (-) Neen, Eerwaarde Heer, met zulke mannen durven wij ons niet meten, maar u begrijpt toch wel, door met hen in aanraking te komen, is er kans, dat ook wij zulk eene volmaaktheid bereiken.quot;

„Ik prijs uwe goede bedoeling, beste Feico, maar geloof toch, dat gij u in onaangenaamheden gaat verwikkelen. Uwe broeders zijn veelal van geringeren stand en uw klooster is arm in vergelijking met het hunne. Het verschil is te groot.quot;

„Laat het mij zeggen, eerwaarde Heer, in onze kloosters bestaat geen onderscheid tusschen rijken en armen. In Cappenberg ben ik altijd broederlijk onthaald, al had ik destijds het kloosterhabijt nog niet aangetrokken. En wat den rijkdom van Cappenberg aangaat . juist daardoor bezit het de macht om ons tegen te groote armoede en tegen geweld te vrijwaren.quot;

(1) Winter dia Pnvm. S. lt;gt;7, 13. Boll. 13 Jan. p. 125.

(2) Boll. j). 139, 754.

ocr page 97

- 89 -

..Gij hebt gelijk, goede Feico. Maar zijt gij er wel zeker van, dat Cappenberg, hetwelk niet dan adellijke heeren aanneemt, zulk eene arme stichting onder zijne bescherming zal willen nemen ?quot;

„Daarvoor ben ik, eerwaarde Heer, volstrekt niet bevreesd. Daar ik vroeger persoonlijk vriendelijk onthaald werd, zal ik gewis nu toegang vinden, nu ik als vader van een groot aantal broeders en zusters hulp kom vragen, 't Is in onze orde nooit gehoord, dat men in zulk geval werd afgewezen. En nog niet lang geleden heeft de proost mij met alle liefde schoone relikwieën bezorgd.quot;quot;

..Toegegeven Feico, maar dan nog eene vraag. Weet gij niet. dat de tucht, welke wij tot nu toe in Cappenberg bewonderden, onder den rijkdom bezwijken zal ?quot;

„'t Is waar, eerwaarde Heer, 't zijn sterke bee-nen , die de weelde dragen. Maar daarin heeft onze H. Vader voorzien. Milddadigheid jegens armen en vreemdelingen, de versiering van Gods huis, het bouwen van nieuwe gestichten , het stoffeeren van de boekenzaal en vele andere goede werken, verschaften een goed tegenwicht/'

..Maar , goede vader , wat denkt gij dan van den invloed der grooten dezer wereld. Weet gij wel dat de Keizer, dat hertogen en graven, voor wie gij, noch ik, zouden durven verschijnen, dagelijks het klooster bezoeken ? Zoudt gij u bij zulke lieden op uw gemak vinden ? Weet gij niet dat de tegenwoordige proost van Cappenberg, cle broeder van den zaligen Godefridus , neef en peetoom is C) van den Keizer

(1) AnniiTes l'nciu. I, iirolj. CCCLXXIV.

ocr page 98

- 90 -

zeiven, van Prederik Barbarossa, die Z. H. den Paus en de gansche Kerk zooveel leed heeft berokkend ? die nog onlangs het beleg voor Rome heeft geslagen, om den Paus Alexander III daaruit te verdrijven en zijnen tegen-paus Paschalis erin te dringen ? Gelooft gij, Peico, dat de invloed van zulk een man, die zoo nauw met den proost verbonden is, die zooveel met hem omgaat en die hem zooveel diensten bewezen heeft, niet verkeerdelijk werkt op de roemrijke stichting ? Ik voor mij , ik meen het reeds ontwaard te hebben.. Den proost heeft men zitting en stem gegeven in ons kapittel, men heeft hem zelfs eersten aartsdiaken gemaakt van het bisdom, zoodat hij hier de eerste plaats na den bisschop bekleedt (2) en zelfs meer macht heeft dan hij, door zijn invloed bij den Keizer. Ik durf zeggen, dat hij het geheele bisdom regeert, en hij gaat er groot op , dat zijn klooster , door den Keizer gesteund, hier zooveel vermag.quot;

Onze vrome Predericus was te goedig en eenvoudig om ie denken, dat hier eenige naijver in het spel was en te volgzaam en gedwee , om den aandrang van den kanunnik nog langer weerstand te bieden.

„Waarlijk , zeide hij , zulk een klooster met alles-wat er aan onderworpen is, verkeert in gevaar van door zijn weldoener en beschermer, den Keizer, in zijn strijd tegen den Paus te worden meegesleept.. Maar waarheen zal ik mij dan wenden ? Aan welk ander voorbeeldig Premonstratenzer klooster zou ik dan volgens uw oordeel het mijne moeten toevertrouwen ?quot;

„Dat zal ik u zeggen, geliefde Peico. Ik ken een

(2) Boll, ibidem.

ocr page 99

- 91 -

ander, dat wel verder is afgelegen , maar waar gij alles vindt, wat gij begeert. Het is Steinfelt in den Eiffel bij Zulpich. Het is een oud klooster van Benedictijnen , maar heeft naar het voorbeeld van vele andere , reeds lang Norbertus' regel aangenomen en zich met Premonstreit vereenigd. De eerste proost Everwinus heeft door zijn verdiensten op het Concilie van Pisa in 1135 en door het opsporen en bestrijden van ketters in de stad Keulen eene groote vermaardheid verworven. De tweede, die thans regeert, is een oud-scolaster van Keulen , met name Ulricus. Grooter eenvoudigheid en heiligheid heb ik nooit met zooveel geleerdheid gepaard gezien. Ook het klooster van Steinfelt bezit uitgestrekte goederen en heeft veel huizen, kapellen en kloosters gebouwd.quot;

„Eerwaarde Heer, als ik u in de rede mag vallen, wil ik u doen opmerken, dat de rijkdom, waarover gij straks gesproken hebt. noodig is om veel goed tot stand te brengen. Alles hangt af van't gebruik.quot;

„Zeker, goede Peico, en zij kunnen aan geen beter handen worden toevertrouwd . dan aan den proost van Steinfelt, Ulricus. Ik zal u zeggen, wat ik daarvan onlangs gehoord heb. Ulricus had een leekebroe-der , die met de tijdelijke zaken belast, aan niets anders dacht, dan om de bezittingen te vergrooten en uit te breiden. Op zekeren dag ontbood hem Ulricus. „Gebaarde man, zeide hij, weet gij waarom ik inde Orde gekomen ben.quot;

„Neen, eerwaarde Vader, antwoordde de broeder.

„Welnu , dan zal ik het u eens zeggen. Ik ben hier gekomen om mijne zonden te beweenen. Maar waarom zijt gij hier gekomen?quot;

ocr page 100

— 92 —

„Om dezelfde reden,quot; antwoordde de ander.

..Hoe komt het dan , dat ik u zoo zelden in de kerk zie. Een boetvaardige zondaar moet waken, bidden en vasten. Het past hem niet zijne naburen te onterven en, grond op grond op te hoopen.quot;

„Maar, eerwaarde Vader, de goederen, die ik gekocht heb. grensden aan de onze.quot;

„Zoo ! Welnu, aan die gekochte goederen grenzen weer andere. Zoo voortgaande, zult gij weldra den Rijn. dan de zee bereiken. Uwe gierigheid kent geen palen. Blijf voortaan in uw klooster, beween uwe zonden en heb een weinig geduld, dan zult gij grond genoeg hebben boven u en onder u , achter u en voor u , want gij zijt stof en zult tot stof weder-keeren.quot;

Toen men den proost opmerkzaam maakte, dat die bekwame broeder niet zonder schade voor het huis kon afgezet worden, antwoordde Ulricus : „'t Is beter dat het huis vergaat, dan eene ziel.quot; (')

..Zie, beminde Feico, dat is een man naar uw hart. Ga hem opzoeken, een beteren vader kunt gij niet hebben. Hij zal u en uwe arme kloosters met liefde opnemen en in zijn gesticht zult gij de deugd, de versterving , de volmaaktheid vinden , die gij zoekt en waaraan gij u en de uwen met volkomen gerustheid voor altijd kunt toevertrouwen.quot;

Des anderen daags ging onze Fredericus met zijn gezel Alardus op reis naar Steinfelt, en toen zij niet ver meer verwijderd waren, hoorde de proost Ulricus in den nacht eene stem , die hem zeide : „Sta op , ga Petrus en Paulus te gemoet en ontvang hen met

(1) Caaarius Hcistcrbach. Lib. IY, cap. LXIl.

ocr page 101

passenden eerbied.quot; Des morgens omtrent negen uren, toen hij nog naar den zin dier woorden zocht, werd hem geboodschapt, dat twee vreemde confraters te voet waren aangekomen , en aan de poort op hem stonden te wachten. Toen begreep hij de geheimzinnige stem , riep de fraters bijeen , verhaalde hun wat hem overkomen was en liet aanstonds kaarsen, wierooksvaten en kruisen brengen, om de vreemdelingen met zijn convent plechtig in te halen.

Sommigen echter, die dieper nadachten, zeiden, dat men zulke eer niet zoo licht aan stervelingen moet bewijzen, dat men eerst wel eens diende te weten, wie die fraters waren en wat zij kwamen doen. Werd alles in orde bevonden, en waren zij het waardig, dan kon men ze nog met alle plechtige eerbewijzen inhalen. De proost gaf toe , liet hen in een gastkamer bij zich komen en gaf volkomen toestemming tot alles wat zij vroegen.

Men vond goed, dat de Mariëngaarders eenige dagen zouden blijven, om de bijzondere gebruiken, heilige gewoonten en tuchtregelen, waarin dit klooster uitmuntte , aan te leeren. Zij werden intusschen als kinderen van dit huis aangenomen . ontvingen eene partij boeken , en de proost Ulricus stelde zooveel belang in hunne zaak, dat hij hun zijn besten religieus, den prior Hermannus, medezond, om te Mariën-gaarde alles zoo volmaakt mogelijk in te richten en om hun het grootste bewijs van zijne welwillendheid en vaderlijke bezorgdheid te leveren. Overstelpt van geluk , kon de Zalige Fredericus zijne tranen niet bedwingen. Hij van zijnen kant beloofde alles te zullen doen , om de banden van eenheid en vriend-

ocr page 102

- 94 -

schap tusschen Mariëngaarde en Steinfelt te verster-keu en te bevestigen.

In het jaar 113(5 had Paus Inuoeentius II aan Steinfelt eeue bulle gegeven , waarin werd bepaald , dat de proost van Steinfelt niet alleen zijne onder-hoorige proostdijen ter verzekering van eenheid en tucht moest visiteeren, maar ook dat de onderhoorige proosten jaarlijks Steinfelt zouden bezoeken, om daar nieuw licht en nieuwe kracht voor het goede beheer hunner eigen conventen te ontvangen. (')

Ulricus liet deze pauselijke bulle zien, en Frederi-cus betuigde niets liever te willen doen, dan aan het woord van den H. Vader gevolg te geven. Steinfelt was wel verre afgelegen, maar daar hij in 't vervolg jaarlijks het generaal kapittel te Premonstreit moest bijwonen, behoefde hij slechts een kleinen omweg te maken, om aan het voorschrift te voldoen. Wat meer is, om den liefdeband nog nauwer toe te halen, en tot onderlinge stichting bij te dragen, stelde hij voor , een paar leerlingen te zenden , die gedurende eenige jaren te Steinfelt boeken zouden afschrijven . zich in de kloostertucht oefenen, en, wanneer ze voldoende onderwezen waren, door anderen zouden vervangen worden. Ulricus nam het voorstel aan, maar op voorwaarde , dat ook Fredericus in zijn gesticht de leerlingen zou opnemen, die Ulricus hem zou zenden. Onze goede Fredericus mocht al zeggen . dat er bij hem zoo weinig te leeren was, dat zijn klooster voor Steinfelt op verre na niet tot model dienen kon, het baatte niet, zijne bescheidenheid moest zich gewonnen geven. Van dien tijd hebben altijd eenige

(i) Ann. Priem. 11 prol). DCCIl.

ocr page 103

novicen van Mariëngaarde hun studietijd te Steinfelt doorgebracht, en omgekeerd eenigen van hier te Mariëngaarde. Van de laatsten kennen wij den beroemden gelukzaligen Herman Josef.

Na aldus, beter dan hij wenschen kun, geslaagd te zijn, aanvaardde de gelukkige Fredericus met Alardus en prior Hermannus de terugreis. De geschenken, die zij mededroegen verhinderde hen te voet te gaan. Zij voeren den Rijn af, langs Keulen naar Utrecht, en keerden zoo naar Friesland terug.

ocr page 104

- 96 -

A'oei-lM'iKl* gt;■ 11 ooi Vlgt;-» ti i Ik. Hoe de Zal. Fredericus den vrede herstelde.

Jle friesche adel, nog ruw, oploopend en oorlogzuchtig van aard, liep gedurig te wapen, om zich op een buitenlandschen vijand te wreken, of om wegens onderlinge veeten elkander te bevechten. In 1161 hadden zij met de Hollanders vrede gesloten na een strijd van dertig jaren, doch in 1166 vatten zij weder de wapenen op en vochten tot 1169, toen zij eene groote nederlaag leden. Daarom was het de voornaamste taak van den geloofsprediker, de veelvuldige twisten bij te leggen, de hartstochten tot bedaren te brengen, haat en wraaklust uit te roeien en de onverbeterlijke rustverstoorders onschadelijk te maken. De wraaklust des volks had afschuwelijke gewoonten doen ontstaan. Dit lezen wij in het leven van den Zaligen Dodo van Hasscha, die weinige jaren latei-in het gesticht van onzen gelukzaligen Fredericus eene verbazingwekkende boetvaardigheid pleegde. Van overoude tijden heerschte bij de Friezen het misbruik dat het lijk van een vermoorden niet werd begraven, maar gedroogd en opgehangen, totdat iemand van de familie of van de partij des moordenaars eenzelfde lot ondergaan had. Dit ongehoord misbruik heeft de Zal. Dodo door zijn prediken uitgeroeid, en wij mogen er niet aan twijfelen , dat onze held Frederik tegen dergelijke gewoonten zijne stem heeft verheven.

ocr page 105

- 97 -

Wij zagen reeds dat hij in dit opzicht aan het gewest groote diensten bewezen heeft. Den woesten Wijbrand Camminga haalde hij over om zich in eene kluis op te slui'en en levenslang boete te doen. Diens neef Asego wist hij te bewegen, om een pelgrimstocht te ondernemen naar het H. Land, waarna hij verplicht zou zijn geene wapenen meer te dragen.

Een moordenaar, Godschalk van Hallam, en een anderen die tegelijk overspeler was, bracht hij in een klooster in veiligheid. Maar het grootste bewijs voor zijn bijna goddelijk gezag vinden wij in de volgende geschiedenis.

De groote Reinke van Mercelum had evenals andere edellieden, door de overweldigende welsprekendheid van den zaligen geroerd , de wapenen afgelegd en gezworen ze nooit meer aan te raken. Ja meer nog. Niet slechts leefde hij zelf stil en vreedzaam, maar ook had hij verscheidene anderen voor het welzijn des lands daartoe overgehaald. Aan den oorlog met Holland was in 1169 wederom een einde gekomen. De zalige Fredericus meende in 't vervolg de handhaving van den vrede aan zulke machtige lieden te kunnen overlaten , te meer omdat gedurende zijne afwezigheid in het voorgaande jaar de vrede niet verstoord was geworden ; en verschillende zijner geestelijke zonen bezaten moed en kracht genoeg , om des noods tusschenbeide te komen.

Met volkomen gerustheid kon de kloosteroverste op reis gaan. Twee merkwaardige bijeenkomsten verplichtten hem daartoe. Vooreerst werd door zijnen Bisschop, den ijverigen Godfried van Khenen, ten jare

7 Zal. Fredcricus.

ocr page 106

- 98 -

1178 eene synode gehouden. (') waarop vele priesters en alle kloosteroversten werden uitgenoodigd. Het lijdt geen twijfel dat onze Predericus die Synode heeft bijgewoond en verslag heeft gedaan van den toestand en de werking zijner stichting.

Op de tweede plaats had hij. krachtens zijne verbinding met Steinfelt, de verplichting op zich genomen. om telken jare in October het generaal kapittel te Premonstreit bij te wonen. (1) De heilige man vertrok dan met zijn onmisbaren broeder Taco , waarschijnlijk langs Steinfelt, naar Frankrijk. De proost van Steinfelt leidde onzen stichter bij de vergadering in , en deze werd nu door alle aanwezige abten als een zoon der Premonstratenzer Orde aangenomen en zijne afhankelijkheid van Steinfelt goedgekeurd. De grijsaard, want hij was reeds oud geworden en zijn onvermoeid werken had hem het hoofd gebogen, de grijsaard gevoelde zich gelukkig in het midden van die eerbiedwaardige vergadering. Sterk, haast alvermogend door den steun van eene Orde, die zich over alle hoeken der aarde uitstrekte, keerde hij met het hart vol vreugde huiswaarts.

Maar zie, nauwelijks heeft hij de grenzen van zijn vaderland bereikt, of daar komt men hem boodschappen. dat een groot gedeelte van Friesland is te wapen gevlogen en dat veel bloed is gestort. Reinke zelf is zijne belofte vergeten en vecht even woedend als de anderen. Rechtstreeks begeeft zich de man G-ods naar Leeuwarden, het brandpunt van den strijd. Daar

1

c2] Dit wordt uitdrukkelijk gezegd in de Bulle van ll.'iS. Zie Ann.

Priem. 11 prol). DCCII.

ocr page 107

- 99 -

verschijnt de oorlogsman met het zwaard op zijde, om den alom geëerden priester Gods te verwelkomen. Fredericus wendt aanstonds het gelaat af, alsof hij een verfoeilijk monster voor zich heeft. „Ga weg, zoo klinkt het, ga weg geëxcommuniceerde zondaar, loop heen, meineedige booswicht! Hoe waagt gij het voor mijn aangezicht te verschijnen, gij die uw woord niet houdt en een zoon des duivels geworden zijt ?quot;

Onmiddellijk trekt hij zich verontwaardigd in eene kerk terug, stort daar vurige gebeden voor de bekee-ring van zijn volk, en staat dan manmoedig op, om een woord van verzoening tot de schare te spreken. Want veel volk was toegesneld, om den beminden vader na zijne lange afwezigheid te zien en te hooren en zijn zegen te ontvangen.

Reinke echter had niet zooveel geduld. Hij was door het forsche woord en de houding van den heiligen man zoodanig getroffen, dat hij hem onmiddellijk , nog eer hij zijn mond had geopend, ter zijde riep, hem ootmoedig om vergiffenis bad, de meewarigheid van zijn medelijdend hart afsmeekte en algeheele beterschap beloofde. Het deemoedig aandringen van den vermorzelden zondaar verteederde eindelijk onzen Gelukzalige en , op voorwaarde dat hij een lijf kastijding zou aannemen, schonk hij hem vergiffenis.

De boeteling neemt het aan. Beiden begeven zich in een afzonderlijk vertrek. Reinke ontbloot zijn rug. knielt neder en Prederik geeft hem een honderdtal flinke zweepslagen, waarna hij den ouden vechtersbaas omhelst en wederom als een dierbaar kind in .zijne liefde opneemt.

Wij weten niet wat we hier het meest moeten bewon-

ocr page 108

- 100 -

deren, den onversaagden zielenijver van den grooten held, of de onderworpenheid van den ruwen ridder. Beiden zijn boven onzen lof verheven. En wij behoeven er niet bij te voegen, dat zulk een voorbeeld wonderen deed. De eene jonkheer na den ander kwam zich voor de voeten van den heiligen man neder-werpen, vergiffenis vragen en voldoening geven. Zij allen werden op gelijke wijze gegeeseld en in vrede weggezonden.

ocr page 109

- 101 -

\ ijl t ïoimIx' HoolcltStXllv.

Over zijne ziekte, zijn dood en zijne begrafenis.

j%lle wenschen van den Zaligen ïredericus zijn vervuld. Met Gods genade heeft hij mogen beleven , dat zijne stichting van binnen in allen deele voltooid, van buiten zich verder en verder uitbreidt, tallooze farailiën door den glans barer heiligheid tot zich lokt en op de achterblijvenden een allerheilzaamsten invloed uitoefent. Nu is het uur gekomen dat de Heer zijn getrouwen dienaar zal oproepen, om hem voor zijn arbeid de eeuwige belooning te schenken.

Op het laatst van zijn leven liet de nederige man het bestuur van zijn hoofdklooster grootendeels over aan den bekwamen prior Hermannus. die hem uit Steinfelt gevolgd was. Hij zelf zocht dan rust voor zijne ziel bij zijne heilige dochters te Bethlehem. Hier werd hij door eene gevaarlijke ziekte aangetast, en hij begreep aanstonds, dat deze de voorbode was van zijn naderenden dood. Daarom riep hij de zusters bijeen , en maakte baar zijn uitersten wil bekend , welke geen andere was, dan dat zij in onderlinge liefde en eendracht zouden leven , gehoorzaam , ootmoedig en geduldig zouden zijn en alle voorschriften der Orde getrouw zouden naleven. Dan nam hij afscheid en verzekerde haar. dat hij ze niet meer zou wederzien. Terwijl zij het verlies van haar besten vader beweenden en zuchtten en snikten , werd hij

ocr page 110

- 102 -

zelf ontroerd ; met betraande oogen gaf hij haar zijn zegen en vertrok naar de parochiekerk van Hallum. Hier kleedde hij zich aanstonds en las voor den laat-sten keer de Mis van de H. Maagd. Na in de kerk alles geregeld en den parochianen een laatste vaarwel te hebben toegeroepen, besteeg hij zijn paard. Maar het volk kon van zijn teergeliefden herder (') niet scheiden, het liep hem achterna en zie op eens keert hij zijn paard om, alsof hij nog eene goddelijke zending had te vervullen.

En het hoofd buigende sprak hij met luider stemme; „Ik dank U, H. Maagd, voor alle weldaden, die gij mij bewezen hebt, maar vooral dat gij mij gegeven hebt mijne laatste Mis te zingen in de kerk , waar ik mijne eerste ter uwer eere gelezen heb. Vertrouwend op uwe goedheid, bid ik u, dat gij de kudde die mij was toevertrouwd , bewaket en tegen alle kwaad beschermet. Gelief mij, die op de eerste plaats uwe genade noodig heb, uit de aanstaande gevaren te verlossen en in de eeuwige zaligheid op te nemen. ' Na aldus gesproken te hebben, spoedde hij zich naar huis, legde zich te bed neder en gaf den vrijen loop aan zijne ziekte. Ofschoon hij zeer zwak werd, hield hij niet op te bidden en allen die hem naderden heilzame vermaningen te geven. Hoezeer zijn lichaam kwijnde, zijne zielskracht begaf hem niet. De fraters, die dikwijls aan zijn bed zaten, verzekerden, dat zij nooit zoo zuiver latijn hadden hooren spreken, nooit zoo vurige gebeden zien storten, als waarvan zij nu l getuigen waren.

Zijn vertrouweling Alardus, die bij zijn ziekbed

) if) Hij schijnt tot zijn dood pastoor gebleven te zijn.

ocr page 111

- 108 -

het meeste waakte, wist eene andere merkwaardigheid mede te deelen. Eens vroeg Fredericus hem . wat er gaande was in den werkwinkel. Op het antwoord, dat hij er niets van wist, hernam Fredericus; „Er gebeurt iets kwaads, want onze broeder Wiardus verricht er iets. waarvoor hij geen verlof bekomen heeft. Zeg hem eens dat hij het late.quot; Alardus ging heen en vond werkelijk den broeder met iets bezig, dat hem niet was toegestaan. Deze werd schaamrood, dat hij zoo betrapt was. En toen hij hoorde, dat zijn zieke vader er alles van wist, ging hij naar diens slaapkamer, viel voor zijn bed neer, en vroeg rouwmoedig vergiffenis. Deze verkreeg hij gemakkelijk , want hij was overigens een zeer heilig leeke-broeder.

Ondertusschen nam de ziekte hand over hand toe en toen de heilige zijn einde voelde naderen, riep hij nog eens alle zijne parochianen boven de twaalf jaren aan zijne stervenssponde. Hij deed het om hen nog eens tot volharding in het goede aan te sporen en voornamelijk uit bezorgdheid voor zijn grootste werk, voor zijn kostbaarste nalatenschap, voor zijn dierbaar Mariëngaarde. De hartroerende^ dikwijls onderbroken woorden , die van zijne stervende lippen vloeiden . brachten groote ontsteltenis te weeg, en deden allen in tranen losbarsten.

..Ik ga heen, zeide hij, naar onzen lieven Heer en Zijne H. Moeder, de Maagd Maria, die ik. gelijk gij weet, van mijne jeugd af heb gediend , aan wie ik al mijne werken heb opgedragen. Ik ga heen, maar treurt niet. mijne zonen blijven bij n. Zij zullen u troosten, u helpen, u op den weg des hemels gelei-

ocr page 112

- 104 -

den, opdat gij allen eenmaal in het Paradijs aanlan-det, dat ik ga binnentreden.

Mariëngaarde , Mariëngaarde , ziedaar mijn schat. dien ik u als eene kostbare erfenis achterlaat, houdt dat klooster in eere, en gij zult gelukkig zijn. Luistert niet naar hen, die durven zeggen, dat ik mijne parochianen heb te kort gedaan, en mijne goederen heb verkwist aan de stichting van deze gebouwen. Ik roep Clod en u allen tot getuigen , dat ik niets dan het noodzakelijke voor mij zeiven genomen heb. Ik heb bij het graf' mijner moeder alles aan God geofferd. eu ben nooit van die gelofte afgeweken. Weest ervan overtuigd, dat ik mijne goederen nooit beter besteden kon. dan met hier ter eere Clods een klooster te bouwen, (lij ziel het voor uwe oogen . hoe Clod mijn arbeid gezegend heeft. Wat Clod dus heeft tut stand gebracht, wat aan hem is geofferd , mag geen sterveling meer aanroeren.quot;

Alle aanwezigen beloofden plechtig, dat zij de stichting niet alleen ongedeerd zouden laten, maar haar ook uit alle macht zouden verdedigen en begunstigen. De stervende echter had dikwijls ondervonden , hoe gemakkelijk de Fries zijn goed voornemen vergat, wanneer hij in den waan verkeerde, dat hij zich met het goed van een ander mocht verrijken.

Zijne arme parochianen, zijne arme familie vooral, meende aanspraak te hebben op de goederen, ofschoon hij die door eigen vlijt had verworven en een gasthuis had gesticht en onderhouden. De familiën zijner weldoeners waren belust op de rijke bezittingen , welke hij van adellijke bekeerlingen tot onderhoud en uitbreiding van zijn klooster verkregen had. Daarom

ocr page 113

— 105 —

was de bezorgde vader met eene eenvoudige belofte niet tevreden. Hij liet ze allen plechtig zweren , dat zij Mariëngaarde , als het erfdeel Gods , nimmer zouden aanranden.

Opdat echter de armen ook door zijne opvolgers zouden bevoorrecht worden, drukte hij zijnen geestelijken zonen de liefdadigheid op het hart. „Ik heb . zeide hij, niet zooveel aalmoezen kunnen geven, als ik moest doen , dewijl ik voor uw aller onderhoud had te zorgen. God heeft ons gesticht met goederen gezegend on weldra zult gij kunnen goed maken, wat ik in dit opzicht mocht misdaan hebben. Want onfeilbaar zeker is het , dat God u zoowel in het tijdelijke als in het geestelijke met weldaden overladen zal. wanneer gij u slechts beijvert om datgene te doen. was uw vader u steeds heeft voorgehouden.quot; Na nog dringend hunne gebeden verzocht te hebben, keerde hij zich af van de stervelingen, om zich alleen met zijn God en schepper bezig te houden. Én kort daarna gaf hij onder gebed en psalmgezang zijne heilige ziel aan den Heer terug. Hij overleed den derden Maart van het jaar 117quot;), in het dertiende jaar na de stichting van Mariëngaarde.

Toen het lichaam werd afgewasschen , bleek hoe het vleesch den geest had gediend en hoe het weder-keerig door den geest was geheiligd : want het verspreidde een aangenamen geur, welke de bewondering wekte van allen die hem kwamen zien. Hij werd met alle plechtigheid begraven in de kapel, die hij bij het klooster had gebouwd. Geen Fries was zoo hardvochtig, geen ridder zoo ruw van inborst, of hij wischte een traan uit het oog, toen de groote man

ocr page 114

— 106 —

in de lijkgroef nederzonk. Zuchtend zeiden en herhaalden zij: „Wij hebben onzen vader verloren.quot; Elkeen beweerde dat de overledene hem op eene bijzondere wijze liefhad; want ofschoon hij over allen het gezag van een koning uitoefende, werd hij toch door elkeen als een vader geëerd en bemind.

ocr page 115

— 107 -

I loolVIsl iil»:.

Over den bloei en de uitbreiding van Mariëngaarde.

!P( Zalige Fredericus werd opgevolgd door frater Ento , een braaf en eenvoudig man , met voldoende kennis van zaken ; maar wat beleid en bekwaamheid aangaat, kon bij bij zijn voorganger niet in de schaduw staan. De stichter echter had alles zoo goed ingericht en zoo wel voorzien , dat weinig talenten noodig waren , om het schip in zijne goede richting voort te sturen. Vele bekwame zonen en onder hen de prior Herman van Steinfelt, stonden den nieuwen abt ter zijde en noopten hem als't ware, de bloeiende congregatie tot nog hcogeren liloei op te voeren. Daarbij kwamen de gebeden van den overleden vader, die beloofd had zijne kinderen nooit te zullen verlaten, wanneer zij slechts de statuten der Orde onderhielden. Dat die belofte niet ijdel was , hebben zij spoedig mogen ondervinden.

De omtuining van het klooster moest worden uitgezet en de gebouwen worden vergroot. Nu ging de abt zelf met eenige fraters naar Deventer , om duifsteen te koopen, die daar en te Utrecht in groote menigte over den Kijn werd aangevoerd. Toen zij nu over de schepen wandelden, om de steen en te bezichtigen, ging de gordel los. waarmede de abt zijn zil-verbeurs aan den hals had vastgebonden , en al zijn geld verdween in den Uselstroom.

ocr page 116

- 108 --

Wat nu gedaan ? Een der fraters stelde voor op de knieën neer te vallen om de barmhartigheid des Heeren en de hulp van vader Fredericus in te roepen. „Laten wij hem weten, zeide hij, dat hij ons helpen moet, als hij een kerk wil gebouwd hebben, dat wij onmogelijk bouwen kunnen, als hij ons het geld niet terug bezorgt.quot; Zoo gezegd, zoo gedaan. Na vurig gebeden te hebben keert men terug. De abt stroopt zijne mouwen op en bij den eersten greep, dien hij in het water doet, voelt hij een spartelend dier. Hij trekt het op en zie, het is de gordel, waarmede de geldbeurs wordt opgehaald. Dit wonder voerde aller vreugd ten top, en deed het werk verhaasten, dewijl men daaruit afleidde dat God en de Zalige Fredericus het aldus begeerden.

Weinige jaren later, in 1183 {'), volgde een zoo groote hongersnood, dat de menschen in plaats van brood , zeeslakken moesten eten. Ten gevolge van die ellende en van den dood van Ento, die den 5den October 1184 overleed, moest het werk twee of drie jaar gestaakt worden. Ento's opvolger, Ger-Kram lus, regeerde nauwelijks één jaar. Eerst onder zijn opvolger Joannes, werd de arbeid voortgezet en in llUü kon de steenen tempel gewijd worden, dewijl nu koor en kruisarmen waren afgewerkt. Zijn opvolger, de H. Siardus, ging voort met het schip te bouwen en dit werd tegelijk met andere doelen des kloosters door Sibrandus voltooid (quot;)

De groote stichter verliet ook na zijn dood zijne geestelijke zonen niet. In den hemel bleef hij voor

(1) Annales Esmond.

('2' Zie Vita Si bran di cap. 111.

ocr page 117

— 109 -

hen bidden . zoolang zijn geest op aarde werkzaam was. Ongeloofelijk snel vermenigvuldigden zijne stichtingen. Wij hebben in het elfde hoofdstuk reeds gesproken van de abdijen te Dockum en Marne, van de zusterenkloosters te Beertha, van Bethlehem en Nijeklooster, Schildvvolde en Kuisemar.

Onder den abt Ento werd eene nieuwe abdij aan Mariëngaarde geschonken. Een rijk heer Sibo had met zijn vriend Tjalling Doen van Bonneterp te Lid-lum bij Oosterbierum voor de zwarte reguliere kanunniken van Ludingakerk een klooster gesticht. Doch de levenswijze dezer religieuzen mishaagde den stichters. Zij begaven zich naar Mariëngaarde , stelden de stichting met al hunne bezittingen in handen van Ento. Deze zond hun eenigen zijner beste kloosterlingen met Jelmarus aan het hoofd. Zoo kreeg Lidlum in het jaar 1182 eene Premonstratenzer abdij, die den naam droeg van Mariëndal. Het gevolg daarvan was, dat vier jaren later de zusters, die daar in grooten getale toestroomden, naar Bayum werden verplaatst, waar voor haar een klooster werd gebouwd met den naam van St. M i c h i e 1 s - B e r g. Ook eene nieuwe mannenproostdij ontsproot uit Lidlum, onder den naam van quot;W ij n g a a r d des H e e r e n. eerst gevestigd te Pingjum, latei' te Bolsward.

Dat de vurige ijver, welke de gelukzalige stichter zijnen kloosters had ingestort, nog na honderd jaren niet was afgekoeld , kan men zien aan het groot getal kloosterlingen , dat wij in 1290 , drie jaren na een vreeselijken watervloed , aantreffen. Door die ramp waren tusschen de Eems en Lauwers omtrent 20,000 en tusschen de Lauwers en Staveren omtrent 30,000

ocr page 118

- 110 -

menschen omgekomen. (') Op last van den Generaal ■der Orde werden nu in 1290 alle Premonstratenzer kloosters van Friesland door den abt van Wittewie-rum en den proost van Schildwolde gevisiteerd , en de volgende lijst van de overgebleven kloosterlingen werd door hen opgemaakt.

De abdij van Mariëngaarde , de oudste van Friesland, met bet bijbehoorend nonnenklooster van Bethlehem i1) telde nog omtrent 400 leden.

De abdij Mariëndal te Lidlum met het vrouwenklooster te Bayum omtrent 600. De mannenproostdij te Pingjum was bij gebrek aan levensmiddelen verlaten. De abdij te Dokkum telde nog omtrent 400 man, de abdij van Manie 240.

De abdij Bloemhof te Wittewierum, door Emo gesticht, met Rozenkamp en andere onderhoorigheden had omtrent 1000 leden.

Het vrouwenklooster Beertha bij Winschoten 40 religieuzen.

Langermonka of Langen, eene mannenproostdij over de Eem.-. uit Marne voortgesproten, omtrent 100.

De nonnenproostdijen Schildwolde 1(38; KuisemarCO; het Veenklooster of Olijfberg, onderhoorig aan Dokkum, 20: Woert of Weerd ook T e m p 1 u m D o m i n i genoemd te Morra, afkomstig van Bloemhof, 20; het Buwenklooster of S e p u 1 c h r u m S. M a r i a*, eveneens van Bloemhof afstammend, 170; Sint Catha-rina van Oosterlee te Heiligerlee 180 ; het Nijekloos-

1

De nonnenkloosters Bethleliem, Rozenkamj) en Bayum worden niet in de lijst, van 122.)0, en de eersten ook niet in die van 1571 genoemd, zonder twijfel . omdat zij met hunne moederkloosters één convent uitmaakten.

2

(11 Wijbrand's De Abdij liloc.mhof h\. '21.

ocr page 119

- Ill -

ter bij Marne 57 : Zeerijp of Ripa S. Maria,1, aan Bloemhof onderhoorig. 90 ; Palmar of C e t u s P a 1-mae 190.

Eindelijk de mannenproostdij Appelscha 70, welk klooster, d o mus 1 u c i s genaamd, na den watervloed verplaatst is naar Ter Apel en in 1399 dooiden proost van Schildwolde aan de kruisbroeders van Scanner is verkocht.

Men telde dus in 1290 in Friesland en Groningen 23 Premonstratenzer kloosters, met eene bevolking-van circa 2900 man, welke allen op vijf na de abdij van Mariengaarde als hunne stamabdij eerden. Vroeger had men nog Sion of O. L. V. ten Berg, afhankelijk van Dokkum en Gerkesklooster , afstammend van Mariengaarde. Beide Waren tot de Cistercienzer Orde overgegaan. Alle genoemde kloosters bestonden nog in 1571 , behalve Zeerijp en Palmar, die dooiden Dollar verzwolgen waren. (') De kloosters van Bakkeveen in Drenthe en van Belboch in Pommeren, zijn mede afkomstig van Mariengaarde.

1

Zi(- de lijst der kloosters van lii'.io bij Sibraiulus Leo, vau lij'iObij Le Paige, van 1529 en 15(50, in MSS, in l.airvelz , Annales Priem. I :!2lt;gt;; 11 55, 1117. Van Heussen in pvologo.

ocr page 120

- 112 -

Zeventiende 11 oof Vis-; tul*.

Over de mirakelen, vooral bij het graf.

I

'jf et spreekt wel van zelf, dat zulk een groot man, die geheel Friesland als den vader des vaderlands eerbiedigde , dien het als een koning vereerde , ook na zijn dood zou geëerd worden. De heilige priester, die door zijn verbazenden invloed op het geheele gewest en zijn meer dan vorstelijk gezag, met zooveel eenvoud en goedheid gepaard, aller harten had gewonnen. zou hen allen ook na zijn dood tot zich trekken.

Eene adelijke vrouw te Meddert bij Holwert was als eene waterzuchtige opgezwollen, nam haar toevlucht tot den zoo heilig afgestorven Fredericus, dien zij bij zijn leven vele weldaden bewezen had. Hij verscheen en genas haar en uit erkentelijkheid offerde zij een wit kalf bij zijn graf. Het gerucht van deze wonderbare genezing verspreidde zich naar alle oorden, en was oorzaak, dat vele zieken zich naar het H. graf lieten brengen, van welke ook vele voor hunne godvrucht ruimschoots beloond werden.

Nu gebeurde het dat de Gelukzalige aan drie van zijne broeders op dezelfde wijze verscheen , en aan ieder hunner zich beklaagde, dat hij in het water zou verzinken , als hij niet spoedig geholpen werd. Niemand begreep, wat dit vizioen eigenlijk beduidde. Ten laatste vond men goed de woorden in een letterlijken zin op te vatten.

ocr page 121

- 113 -

Met groote plechtigheid en onder psalmgezang ging men naar de grafstede van den man Gods. Men nam den steen op en tot groote ontsteltenis zag men het lijk nog geheel gaat' in het water zwemmen. Tegelijk ontwaarde men een liefelijken geur, waaruit men opmaakte dat men naar den wensch van den Zalige gehandeld had, met het graf te openen. Het water werd verwijderd en er werd besloten het heilig lichaam met den zerk op een verhevener plaats te leggen. O Toen een der fraters het heilig overblijfsel aanraakte, viel het geheel en al uiteen , maar nu verspreidde het een geur, die alle aangename reukwerken overtrof. Door dit verschijnsel wilde God, naar het gevoelen der religieuzen, te kennen geven, dat de ziel in de heerlijkheid was opgenomen , en dat men den overledene met volle vertrouwen mocht aanroepen.

Het gebeente werd vervolgens ordelijk in den steen gelegd, het graf verzegeld en een gedenkteeken daarboven geplaatst. Daarop verdubbelde de toeloop des volks uit alle hoeken van Friesland, en de genezingen, welke plaats vonden, waren niet meer te tellen. Lammen , waterzuchtigen , maanzieken , bezetenen , alles genas. Ook schippers, door noodweer geteisterd, ondervonden de kracht van zijne voorspraak. Zekere Thammo was in een oorlog aan zijn been zwaar gewond. Op zekeren nacht meende hij gestorven te zijn en voor de eeuwige rechtbank gesleurd te worden. In zijne benauwdheid verschijnt Fredericus, dien hij dikwijls aanriep. Deze werpt hem zijn witten mantel om de schouderen en gebiedt de beulen, zijn

(1) De lijken van aanzienlijken werden destijds in een uitgeholden steen neergelegd.

S Zal. Frcilericus.

ocr page 122

- 114 -

vriendlos te laten. Vervolgens spreekt hij Thammo aan: „Om mij heeft God u gespaard , opdat gij in uwe zonden niet zondt sterven. Welaan, verbeter uw leven, 't welk God u om mijnent wille niet slechts heeft teruggegeven, maar ook verlengd. Want ook uw been zal genezen.quot; Toen raakte de Gelukzalige het been aan juist op de plaats, waar, toen hij wakker geworden was , een opening werd ontdekt, die etter uitliet en de genezing aanbracht.

Eene zuster Betika, aan welke Fredericus zelf het kloosterhabijt had gegeven , die hem steeds als een heilige had hooggeacht en hem ook na zijn dood meer dan anderen vereerde, werd ook door hem op eene bijzondere wijze begunstigd. Toen het heilig gebeente werd overgebracht, had zij in 't geheim door een der oudste priesters een stukje van het overblijfsel weten te verkrijgen. Zij bewaarde dit als een grooten schat en van het geld, dat zij hare vrienden had afgebedeld, liet zij een zilveren kruis maken, in welks armen zij het kastje plaatste, dat zij met een amethijsten steen dichtsloot. Spoedig echter verraadden de mirakelen, die daar geschiedden, den vromen list. En nu kwam het gebruik in zwang, dat gezegende moeders dat kruis op hare borst hingen, en als onderpand hare oor- of armbanden leenden.

Betika had de gewoonte, vóór zij naar bed ging, het geheele klooster , behalve aan de zorg van den almachtigen God en zijne H. Moeder , ook aan de bescherming van haar zaligen Vader aan te bevelen. Zij meende door hem alles te kunnen verkrijgen , want zij had menigmaal zijn bijstand ondervonden. Tweemaal werd zij door hem uit den slaap gewekt,

ocr page 123

- 115 -

om het vuur te blusschen, dat reeds een begin van brand in het huis had veroorzaakt.

Eens verscheen hij haar en zeide: „Sta spoedig op en volg mij.quot; Dan gingen zij zamen naar den refter : hier scheen hij in een haan te veranderen. Hier pikte hij onder de tafel eene menigte broodbrok-kels en zeide:,, Ziet gij niet hoe slordig uwe zusters zijn. Gij zoudt met die brokkels vele armen kunnen helpen. Als zij zich niet beteren, zal ik ze straffen.quot; Betika stond 's morgens reeds vroeg in den refter, verzamelde alle brokkels in een korf en vertoonde deze aan de Priorin. Deze stond erover verbaasd, kapittelde alle zusters en vertelde haar de ernstige waarschuwing, welke zuster Betika ontvangen had.

Kort voor haren dood had zuster Betika nog een ander vizioen. De Gelukzalige Predericus zeide haar : „Ik kan het maar niet aanzien, dat de meeste zusters mij niet volgen willen.quot; En toen zij antwoordde: „Ik ben toch bereid op elk uur van den dag te gaan waar gij wilt,quot; hernam hij glimlachende: „Kom, mijne uitverkoren ziel, en neem de zusters mêe, die ik zal aanwijzen.quot; Uit deze woorden leidde zuster Betika af, dat zij met eenige andere zusters binnenkort naaiden hemel zou geroepen worden. Daarom vermaande zij allen zich voor dien plechtigen dag voor te bereiden. En waarlijk , zij was de eerste die door den dood werd weggehaald en onmiddellijk volgden nog vijf andere zusters. Twaalf zusters stierven in ditzelfde jaar, en 't waren juist de beste van het convent.

Een jongetje te Medum versmoorde in een mestkuil, en zijne moeder ging zoozeer aan, dat het geheele dorp medelijden met haar had en aan den Zaligen

ocr page 124

- 116 -

Predericus eene gelofte deed , als hij het kind het leven terug bezorgde. Tot aller verbazing stond het kind levend op. De geburen lieten niet na den Gelukzalige bij zijn graf te komen bedanken en ter eeuwige gedachtenis werd het hemd van den vene-zene aldaar aan een koord opgehangen.

Het zoontje van eene arme moeder, die gewoon was de koeien te melken van den meergenoemden Reinke van Mercelum , verdronk in een sloot in de weide. Op het geschreeuw der moeder kwamen Eeinke en vele anderen toegeloopen. Sommigen zeiden, dat men een varken aan zijn ooren moest laten knorren, om de geesten op te wekken. Anderen raadden aan, den knaap onmiddellijk op het wonderdadige grafgesteente neer te leggen. De vrouw deed het laatste en daar zooveel over een varken had hooren spreken, nam zij een big mede, om die bij het graf te offeren. En zie, onderweg herleeft de knaap in de armen der dragers. Toen de abt Sibran-dus dit wonder opschreef, was de jongen ruim twaalf jaar oud, en diende bij voornoemden Reinke. En daar de Gelukzalige hem het leven had teruggeschonken, noemde men hem den zoon van den abt Feico. (')

Eene dame te Medum, Ethelmodis geheeten, was in alle deelen des lichaams lam geworden en had veertig dagen lang zeer weinig gegeten en gedronken en volstrekt niet geslapen. Hare tong, die zij nog alleen bewegen kon, gebruikte zij om de goedheid van den Zaligen Fredericus af te bidden. Op zekeren nacht verscheen hij aan hare burin en sprak: „Waarom laat zich uwe meesteres niet naar mijn

(I)' Hier alleen vinden wij hem als abt betiteld.

ocr page 125

- 117 -

graf brengen ? Kent zij de godsvrucht van haar man niet, die mij jaarlijks met vele giften komt vereeren, omdat hij van eene wond genezen is ?quot; Toen de dame deze openbaring hoorde, liet zij zich aanstonds in een schip dragen en naar het klooster brengen. Onderweg reeds werd zij door den slaap overvallen. Bij de poorten des kloosters gekomen ontwaakte zij en gevoelde zich veel beter. Toen zij aan het graf had gebeden en geofferd, keerde leven en sterkte in alle hare ledematen, behalve in de handen , langzaam terug.

Jaricus van Westerbeintum, die ten tijde dat Olivier van Keulen in Friesland de kruisvaart predikte (1214), niettegenstaande zijn groot-vertrouwen op den Zaligen Predericus overleden was , keerde in het leven terug, toen zijne jeugdige vrouw reeds bezig was met toebereidselen te maken voor de begrafenis. Hij zeide dat de Gelukzalige hem had opgelegd op zijn graf vijf kippen te offeren en dan met de andere pelgrims ter kruisvaart te gaan. Hij deed zulks, maakte deel uit van het ontzaggelijk leger, dat in 1219 Damiate innam, kwam in zijn vaderland terug en leefde nog vele jaren. (')

Een adellijke heer te Dokkum, met name Dodo, gehuwd met zekere Siburgis, had zijn zoon en dochter met vele landerijen te Nieuwkerken, waarop latei-een uithof is verrezen, aan den man Gods opgedragen. Hunne dochter stierf vroegtijdig, maar hun zoon, eveneens Dodo genoemd, werd priester on drong er op aan, dat zijne ouders de wereld zouden verlaten

(ll Zie over die kruisvaart en de daden der Friezen luj Damiate Van Hens-sen Episc. Leov. p. 9 — Precis historiqnes 181U—Kafh. (iids 1S93 bl. 134.

ocr page 126

- 118 -

en op hun ouden dag het geluk des kloosterlevens zouden komen smaken.

Zij gaven zich eindelijk gewonnen en Siburgis werd zoo vurig, dat zij eiken Vrijdag ter eere van het lijden des Heeren, en eiken Zaterdag ter eere van de H. Maagd, op water en brood vastte. Zij werd eindelijk ziek en kwam op haar uiterste. De Zusters in den waan verkeerende, dat zij reeds dood wasr legden haar op het stroo. Maar toen zij de behoorlijke gebeden gelezen hadden, opende Siburgis haar mond en zeide : „quot;tZal mij goed gaan, want de heilige vader Augustinus en onze gelukzalige vader Fre-dericus hebben mij getroost en mij duidelijk gezegd wat er van mij worden zal.quot;

De zusters meenden de speelbal te zijn van inbeelding en begoocheling. Om zich te vergewissen verstoutte-zich een harer te vragen ; „Zeg mij , geliefde zuster, wien gij 't meest bemint, uw zoon Dodo, of de zuster Gerlindis, die u bij uwe ziekte zoo trouw bijstond, dat gij haar uw dochter noemdet.quot; „Gij kent geen moederhart, zoo klonk het antwoord. Welke zuster zou mij coit zoo dierbaar kunnen zijn, als mijn eigen zoon ?quot; Terwijl de zusters onder elkander over dit wonderbaar verschijnsel spraken, sloot Siburgis wederom hare oogen en stierf.

Het gewelf der kapel van Mariëngaarde begon te scheuren en opdat het niet zou te gruis vallen, liet men een leekebroeder alle steenen stuk voor stuk afnemen. Toen hij daarmede bezig was, stortte hij met bet nog overgebleven gewelf op den grond, zonder echter eenig ander letsel te bekomen, dan eene kleine kneuzing aan den rechterarm. Zijn behoud

ocr page 127

- 119 -

schreef men toe aan de voorspraak van den heiligen stichter.

Juist tezeltder tijd had eene vrouw van Leeuwarden, die, van eene bedevaart naar den H. Servatius te Maastricht terugkomende, ziek was geworden, in den slaap een vreemd gezicht. Zij zag de kapel van Mariëngaarde, hoever zij daarvan ook verwijderd was, iuist in den toestand , waarin zij zich bevond : van gewelf ontbloot, het graf onder de steenen bedolven. Gezond geworden, deed zij eene bedevaart naar het klooster van Hallum en aanschouwde nu met hare oogen de kapel, juist zooals zij die in haar droomgezicht had gezien.

Vele andere wonderbare teekenen (') heeft God de Heer door onzen Gelukzaligen gewrocht, maar deze schijnen voldoende, om den lezer een denkbeeld te geven van de vereering, welke hem geheel Friesland toedroeg en van zijnen invloed in den Hemel, waardoor hij den eenvoud en de godsvrucht beloonde.

(1) Zoo staan er nog vier opgeteekend, welke liij de graven van de Zaligen Fredericns en Siardns geschied zijn. Viin Siardi, miracula No. (5, 7, 14, 20, 40.

ocr page 128

- 120 -

-A-olittiende Hoofdlstuli. Overbrenging zijner Relikwieën. Zijne afbeeldingen.

Miraeus verhaalt, dat men het graf van den Zaligen Predericus nog bezocht, vereerde en begiftigde in het jaar 1622 ('), ofschoon de roemvolle abdij, waarin zijn gebeente gerust had , in het raidden van Calvinisten aan plundering blootstond , en de relikwieën reeds zes jaar vroeger door de tusschenkomst van den Aartshertog Albert in de Praeraonstratenzer abdij van Bonne-Esperance in Henegouwen in veiligheid gebracht waren.

Van de verheffing der H. Relikwieën lezen wij in de jaarboeken dier abdij bij het jaar KUü. „Met vele moeiten en onkosten verkreeg men het lichaam van den Zaligen Abt Predericus. Overeenkomstig de besluiten van het Concilie van Trente werd door den Aartsbisschop van Karaerijk, in tegenwoordigheid van vele kerkelijke waardigheidsbekleeders en raadslieden, de verzegelde kist geopend, het verslag van de verheffing voorgelezen, en nadat alle bescheiden en inlichtingen, met de hulp van Theologen, rechtsgeleerden, geneesheeren en prelaten nauwkeurig waren onderzocht, werd de echtheid der relieken erkend, en be paald dat het lichaam ter openbare vereering zou worden uitgesteld en dat een Mis en officie naar tie gebruiken onzer Orde zou gelezen worden,

(1) Mir. Fas li SS. Bel (j iel — Boll. 3 Mrt. p. 290.

ocr page 129

- 121 -

Toen dit alles volbracht was , werd het H. Overblijfsel onder begeleiding van vele daartoe geroepen kloosterlingen den 6 Dec. naar Binche vervoerd, alwaar het dooi- den abt van Bonne-Esperance met groote plechtigheid aan de poort van het klooster der Augustinessen werd ontvangen en in het koor barer kerk neergezet. Dan werd het onder het gelui der klokken, het geschal der muziek en het gebulder der kanonnen in plechtige processie door den Deken •en Aartspriester naar de collegiale kerk gedragen. Vervolgens werd door den Prelaat een pontificale Mis gezongen en daarbij de lof van den Zalige verkondigd.

Na den middag werden plechtig de vespers gezongen en het H. Overschot op dezelfde wijze door eene onafzienbare processie naar de abdij van Bonne-Esperance overgebracht, en dicht bij het klooster door den Pastoor van Vellereille met zijne parochianen afgehaald. Bij den ingang der abdij werd de processie door den abt van Lobbes en dien van Bonne-Esperance met zijn convent afgewacht. Op een schoon altaar, dat hier was opgericht, werd de H. schat neergelegd, vervolgens door beide abten be wierookt en toen op beider schouders naar de abdijkerk ge .ragen, terwijl nog altijd godsdienstige liederen gezongen werden. Intusschen bleven ook den' volgenden dag religieuzen en leeken beurtelings bij de Relikwieën waken en bidden. Daags daarna werd het H. Gebeente door beide Prelaten wederom in processie rondgedragen en de geheele plechtigheid werd met eene pontificale Mis besloten.quot; i1) Sinds dien tijd werden de Relikwieën in de abdij

(1) Chronicum liomn' S/n'i cd 170-4 p. 518—520. Xotrc Dioai' de JJonnc-Eaperancc p. 124. 12^).

ocr page 130

- 122 -

van Bonne-Esperance met veel eerbied bewaard en vereerd en telken jare werd daar niet alleen de sterfdag, 7 Maart, maar ook de dag der Verheffing, 7 December, als driedubbele feestdag luisterrijk gevierd. O Toen in 1794 de religieuzen in de vlucht hun heil moesten zoeken , werden de Relikieën aan een lid der abdij, den pastoor van het naburige Vellereille, ter bewaring overgegeven. Daar berusten /ij nog in eene eenvoudige houten kas, doch een gedeelte ervan is gegeven aan het seminarie van het bisdom Doornik r hetwelk in 1830 in de gebouwen der oude abdij van Bonne-Esperance is opgericht.

Eeeds in 1784 bezat de Premonstratenzer abdij van den H. Foillanus het rechter scheenbeen (tibia) van den Zaligen abt Fredericus. (1) Waarschijnlijk heeft de abt J. Rondeau dit gedeelte te Bonne-Esperance erlangd. Want het is bekend, dat hij voor de overblijfselen onzes Zaligen ijverde.

In hetzelfde jaar en op dezelfde wijze als Bonne-Esperance het lichaam van den Zal. Fredericus verwierf. verkreeg Rondeau het H. Overschot van diens opvolger, den Zaligen Siardus. (:1) De laatste abt van Sint Foillanus abdij, Norbertus Durieu, bewaarde die kostbare Relikwie gedurende het schrikbewind in de parochiekerk van Strepy, waarvan hij het begevings-recht bezat en waarvan hij zelf de bediening op zich nam, toen zijne abdij door het geweld der Revolutie ontbonden was. Toen men in 1881 de zoogenaamde C h a s s e de S. Frederic onderzocht, vond men

1

Volgens Ann. Praem. I 681 B. Frederici nu de femore.

ocr page 131

- 128 -

in een blauw-zijden zak naast andere relikwieën een groot been in gelijkkleurige zijde gehuld, met een opschrift op perkament: S a n c t i F r e d e r i c i, p r i m i a b b a t i s h o r t ü s B. M a r i cB. Deze merkwaardige reliek bleek het rechter scheenbeen te zijn van onzen Zalige, en is ongetwijfeld hot os de femore, waarover Hugo in 1784 schreef. Dat dit been van het jaar 1823 tot ISSl in de kerk van Thien is bewaard en toen naar Strepy is teruggebracht, meen ik te moeten afleiden uit hetgeen van de Relikwieën des H. Siardus werd geschreven, (') ofschoon de ZeerEerw. Heer I. van Spilbeeck , aan wien ik deze gegevens dank, daarvan niet gewaagt.

Uit den eerbied, aan de Relikwieën ten allen tijde bewezen, blijkt reeds voeldoende, dat de eerste Abt van Mariëngaarde steeds als een heilige is vereerd geworden. Dit wordt nog bevestigd door de instelling-van kerkelijke feestdagen, door het herhaaldelijk overschrijven en drukken van zijne geschiedenis en door verscheidene teekeningen en schilderijen, welke nog van hem bestaan.

Zijn feestdag werd door de Spaansche Norbertijnen met goedkeuring van de kerkelijke Overheid sinds het jaar 1G2Ü op den zevenden Maart, van af 1()41 op den tweeden Maart en door de gansche Orde sedert 1075 op zijn sterfdag , den derden Maart kerkelijk als d u p 1 e x gevierd.

Wat nu de prenten, beelden en schilderijen aangaat, men vindt er eene menigte ; maar alle kunnen tot drie of vier modellen worden teruggebracht.

Volgens de Norbertijnsche Mengelingen , door den

(1) Zie ibidem bi. 45 en 4().

ocr page 132

- 124 -

kunstkenner W. van Spilbeeck uitgegeven (bladz. 41) bestaat in de abdij van Tongerloo eene grijsschildering op koper van de hand van Diepenbeek, naar welke eene plaat werd gesneden, waaronder men leest:

B. Fredericus p r i m u s abbasetf u n d a-t o r H o r t i B. M a r i ae i n F r i s i a O r d i n i s P r £6 m. 3 M a r t i i. V e n e r a b i 1 i e t r e 1 i g i o-s te Congregationi Canonicorum S a c r i et C a n c 1 O r d i n i s P r ae m. Ecclesiae S. Michael is A n t v e r p i e n s i s. F. Gr. D. A. D.

C. Q. Tusschen deze gravuur en die, welke meermalen onder de kostbare prentenverzameling van J. C. v. d. Sterre werd uitgegeven, vind ik alleen dit noemenswaardig verschil, dat de Zal. Fredericus ginds een borstkruis draagt, met het volle gezicht voor den toeschouwer is geplaatst en dus niet naar de boven hem troonende H. Cecilia opziet. Ook vindt men hier een ander onderschrift, want na de onder-teekening : C. de M a 11 e r y fecit en F. Cl a 11 é e x c u d i t leest men : B. Fredericus H o r t i Ma r i a n i in F r is ia O r d. Pr ae m. f u n d ator e t p r i m u s a b bas, a S. Cecilia (c u i inter c £e t e r o s castitatis p a t r o n a s d e v o t i s-s i m u s e r a t) a tl 1 u c r u m a n i m a r u m i n s t i-g a t u r j) 1 u r i m i s i n v i t a e t p o s t obit u m (p r 83 t e r a 1 i q u o t m o r t u o r u m s u s c i t a t i o-n e m) circa a r i d o s , 1 u n a t i c o s , p a r a 1 i-t i c o s etc. i 11 u s t r a t u s m i r a c u 1 i s.

Op beide platen ziet men den Zalige als abt in zijne witte kleedij met witten mantel en baret, met een lichtstraal om het hoofd, met een lelietak in de rechter- en in de linkerhand een staf, om welken eene

ocr page 133

- 125 -

banderol kronkelt met de woorden : V e n i a t d i 1 e c t u s m e u s in h o r t u m s u u m. Met dien staf en den linkervoet stoot hij op het monster der ontucht, dat op den grond ligt, en aan zijne zijde spelen drie geniussen met een bloemenmandje.

Twee andere gravuren zijn te Augsburg vervaardigd, de eerste en beste, waarnaar vele schilderijen gemaakt zijn, is van J. D. Herz, de andere van Klauber.

J. D. Herz die ook den FT. Siardus, Hermannus, Gilbertus (') en anderen afteekende, stelt onzen Zalige eveneens voor in staande houding en profil met baret en mantel, met de rechterhand van een naderenden engel een rozentak aannemend en met de afwijzende linker zijne onwaardigheid te kennen gevend. Boven op het takje, dat de engel hem aanbiedt, staat een klein Lieve Vrouwen-beeldje (Mariëngaarde) en achter zijn rug ziet men eene maagd eene kerk dragend , en een engel, die den met een wimpel gebonden staf' vasthoudt. Op den achtergrond staat eene hooge portiek, waarboven verscheiden geniussen met bloemen zwaaien , terwijl een van hen afdaalt om het hoofd van den Zalige te bekransen.

Het onderschrift luidt: Negotium A c a d e-mia? C a? s. Prancisceae et J. D. Herz. e x c u d. Aug. Vind. Cum gratia et priv. S. Caes. Majestatis. En verder ;

B. Fredericus ex parocho saeculari canon. reg. Praemonstr. mox Ecclesiae llorti Mariani in Frisia occidcntali primus ahhas et fun-dator inter psalmos et hymuo* laetissime moritur die 3 Mariii 1173^ Corpus ejus defunctum suavissimo fragrans odore sepelitur die 1 Mar-tii, in Hannoniam transfertur ad caenohium Bonae Spei die 1 Decern-

(1) Zie ook I. v. Spilbeeck Vin de S. Gilbert.

ocr page 134

- 126 -

hns Kil7 , piurinns Mus/ris miraculis nunc per totuvi Ordinem Praem. co/Uur ex indulio Benedicti A /// de amw 1728 cum ple-t/ariis et perpetuis indulgentiis in ejus festivitate concessis. Anno 1729 die 11 ■lulii.

De laatste gravuur, door Klauber geleverd, is moeilijk te beschrijven. Hier is het borstbeeld van den zaligen Fredericus met allerlei zonderlinge figuren van engelen, van planten en bloemen met een aantal zinspreuken, van drakenkoppen en geniussen, die water spuwen in een zeeschelp, van bloemenmanden en van kleedingstukken wansmakelijk omgeven en overladen. Boven leest men : Klauber Cat h. s c. e t ex c A. V. (Agustae vind.) C. P. S. C. M. (cum priviligio S. Caes. Maj.) B. F r e d e r i c u s A b b a s et f u n d a t o r H o r t i M a r i a n i C a n. P r a e m. Het onderschrift luidt: Qui a h o r t u 1 a-nes esset Joan XX, 15. Gelijksoortige voorstellingen leverde Klauber van den Zaligen Siardus, Evermodus. Gerlacus, Adrianus en Jacobus, Dominions, Godefridus, Isfridus, Gilbertus.

Nog vindt men de beeltenis van den Zalige in koper gesneden en afgedrukt op het titelblad van een p s a 11 e r i u m P r a e m. te Pont-a-Mousson in 1619 uitgegeven. Hij verschijnt hier in witten mantel blootshoofds, dragend een laurier in de linkerhand en stoo-tend met de rechter op den kop van een draak.

In een breviarium te Luca in Bohemen in 1597 uitgegeven vindt men hem naast den H. Jac. Lacops met mijter en staf, twee vingeren zegenend opgeheven.

ocr page 135

- 127 -

SLOTWOORD.

Ilfet lezen en overwegen van het leven des Gelukzaligen heeft onze moeite ruimschoots beloond . het verschafte ons veel leering, veel genot, veel stichting. Het leerde ons den zegenrijken invloed van den katholieken godsdienst op den Frieschen landaard en de heilzame werking der Premonstratenzer Orde. Het toonde ons zonneklaar, welk eene verlichting en christelijke beschaving met de Orde, wier stichter de geleerde kanunnik van Santen was. Friesland binnentrad. En dit alles wordt nog opgehelderd en bevestigd door het vervolg der geschiedenis van Frederik's abdij, alsmede door de jaarboeken van die andere groote abdij, welke een halve eeuw latei' door den geleerden en eerbied-waardigen Emo van Husdinge in Groningen werd gesticht.

't Is waar , do Zalige Fredericus was reeds , voor hij de Orde intrad, een letterlievend jongeling, maar 't is niet minder waar, dat zijn studieijver door de aanraking met eene Orde, die men de geleerde Orde noemde, (') is aangewakkerd en onderhouden ; en als men zijn levensloop nauwkeurig nagaat, dan ontwaart men , dat zijn ijver voor de studie , evenals die voor een volmaakt kloosterleven, en zijn godsvrucht tot de H. Maagd, den H. Joannes Evangelist

(1) Beknopte Levensgeschiedenis van den H. Norbertns, Ijl. 7.

ocr page 136

- 128 -

en het H. Sacrament slechts eene uiting was van den geest des H. Norbertus , welken Hij te Mariën-weerd en vooral te Cappenberg had ingeademd, reeds vele jaren voor dat hij het kloosterkleed aantrok.

Naar Mariënweerd was de wetenschap overgebracht door den stichter Walterus, een der eerste leerlingen des H. Norbertus en oud-student van de universiteit te Laön. Te Cappenberg had de H. Norbertus zelf dien ijver ontstoken en hier bloeiden de wetenschappen onder den Meester Otto , een beroemd kloosteroverste, staatsman en geleerde, f1)

Wat onze Zalige Fredericus van nature bezat, werd onderhouden, aangekweekt, volmaakt door het voorbeeld en den invloed der Norbertijnen. Van kindsbeen af toonde hij neiging voor boeken en letteren. Te Hallum leerde hij de latijnsche spraakkunst!2) bij den Pastoor of bij een magister s c o 1 a r i u m , welkdanigen wij in denzelfden tijd ook elders aantreffen. (3) Hoe meer hij vorderde, hoe grooter begeerte hem aandreef, om nog dieper in de wetenschappen door te dringen.

Dan toog hij naar Munster, waar hij de vrije kunsten en de H. Schrift bestudeerde, waaronder wij de redeneerkunde, (d i a 1 e c t i a) de redekunde (r h e-t o r i c a), de wiskunde (a r i t h m e t i c a), den kerk-

1

Ibidem, bi. 144. Annales Praem. I, 4ü7.

2

Dit schijnt althans in cap. IV bedoeld te zijn. Vanwaar anders die groote onkosten ? Of zou men die reeds op eene lagere school gevorderd hebben ? Wijbrants Bloemhof bl. 14 schijnt het te meenen. Ik voor mij kan het niet gelooven, te meer, omdat Frederik zelf later in Hallum onderwijs gaf in de grammatica. Zie hierachter.

3

Alzoo in Fermesum (Wijbrandts Gedenkschriften, bl. 145,) in Grijn (bi. 172 , 183 , 184,) in Westeremden (Chron. Emonis p. 150). Die van Aduard leerden de Grammaticalia in de Roode School te Bedum, de hoogere wetenschappen d. i. dc artes et canones in het klooster. Zie van Heussen de Ep. Gron. p. 32, 4G.

ocr page 137

- 129 -

zang (m u s i c a) en de theologie moeten verstaan. (') Niet alleen bewonderde men zijn studie ij ver , maar meer nog de wijsheid , welke hem zijn ijver deed in toornen, beheerschen en heiligen. Herhaalde malen werd erop gewezen, hoe hij bij zijnen voortgang in de studie door gebed, door versterving, door het lezen en overwegen van geestelijke boeken, zijne hartstochten in bedwang hield en zijne ziel met deugden verrijkte; hoe hij geheel zijn letterkundigen arbeid in den dienst van God stelde, en zelfs, ondanks zijne onverzadelijke begeerte naar grooter geleerdheid, op eens de school vaarwel zegde , toen hij ontwTaarde , dat zij zijne deugd in gevaar bracht. (2)

Ziedaar zijn karakter, of zoo men wil zijn ideaal, 't wTelk hem ook in latere jaren bij al zijne inrichtingen voor oogen zweefde : ijver voor de wetenschap, maar meer ijver voor de deugd ; veel geleerdheid , maar grooter heiligheid. Dit beginsel bracht hij oogen-blikkelijk in toepassing, toen hij uit Munster wedergekeerd, van den rijkdom zijner kennis aan de jeugd ging mededeelen. Het eerste werk toch van den studie-lievenden jongeling was, in anderen eenzelfden ijver op te wekken en hen door de onderrichting van de latijnsche taal voor den priesterstand op te leiden. (3) Hij legde er alles op aan, om zijne kweekelingen zoo-

(1) Zoo moet men althans te Aduard de. vrije kunsten verstaan hebben. Zie voorgaande noot. Zijn echter onder de grammaticalia ook de dialectica en rhelorica of het trivium bedoeld, welke op sommige buitenscholen geleerd werden, dan bevatten de (irtes alleen het lt;]uadriuium d. i. musica, arithmelica, cieometria en aslronomia. Zie Habets Bisdom Roermond I, »02, Moll Kerkgeschiedenis 1 359 en 11, 2, hl. 237 en volgg. I)i' Katholiek LX1X 282—287 eu XCII1 bl. 253.

(2) Zie Hoofdstuk 11.

(3) Zie Hoofdstuk III.

9 Zal. Frcdericus.

ocr page 138

- 130 -

danig te vormen, dat zij eens met eere aan het hoofd zouden kunnen staan van eene of andere parochie , „uitmuntend niet alleen door hunne geleerdheid, maar ook door hun voorbeeld. Daarom vorderde hij van hen voortgang in deugd en eerbaarheid, zoowel als in de wetenschap, behoedde hen voor lediggang, liet hen veel bidden en de goddelijke diensten bijwonen en waakte over hen met alle mogelijke bezorgdheid. Zoo ijverde de Zalige leermeester voor godsdienstig en wetenschappelijk onderricht en voor eene christelijke opvoeding.

Hij stichtte scholen voor jongens en meisjes voor lager en hooger onderwijs. Eene ware christelijke opvoeding, een deugdelijk onderwijs stelde hij boven alles, daarvoor spaarde hij geene onkosten. Wanneer hij zag dat onder zijn eigen religieuzen geen voldoend getal bekwame leermeesters was , gaf hij geldelijke toelagen, om zich uit den vreemde de beste leermeesters te verschaffen. Zoo ontzag hij moeite noch onkosten , opdat er niets ontbreken zou aan de opvoeding der jongens en meisjes , die men aan zijne hoede had toevertrouwd.

Dat hem de herderlijke zorgen en bezigheden van zijne school niet konden verwijderen, hebben wij in het derde hoofdstuk opgemerkt. Latei', toen hij als kloosteroverste een groot getal kloosterlingen had te besturen en herhaaldelijk rondreisde, om door de prediking van Gods quot;jvoord de wereld te winnen , was hij genoodzaakt de leiding zijner scholen aan anderen op te dragen. De jonkvrouwen, welke de edellieden aan zijne zorgen toevertrouwden, liet hij in de kloostertucht onderricht geven door de bekwame priorin

ocr page 139

- 131 -

Gertrudis van Dresum. Bovendien huurde hij meesters om' haar te leeren lezen en zingen en terwijl de jongeren zich vlijtig op de letteren toelegden, moesten de ouderen handwerk verrichten, opdat de duivel geen van beiden ooit ledig zou vinden. Opdat zijn wensch zou vervuld worden , opdat zoowel leeraren als leerlingen hunnen plicht zouden betrachten, verscheen hij dikwijls in de school, om beiden aan te moedigen en hun zijne hooge belangstelling en liefde te betoon en. Het gevolg daarvan was, dat de abdij Mariëngaarde eene menigte mannen voortbracht, die door hunne geleerdheid, welsprekendheid en heiligheid, aan hun stichter gelijk, de christelijke beschaving in Friesland voltooiden, de kloosters bevolkten en het onderwijs tot den hoogsten trap opvoerden , zooals de eerste geschiedenis -der abdij aantoont.

Zoo levert de geschiedenis van onzen Zalige het schoonste voorbeeld èn voor den student, èn voor den onderwijzer, èn voor den schoolopziener , voor allen die zich met het onderwijs en de opvoeding bezighouden. Zoo schijnt hij wel de eer waardig, van erkend en gehuldigd te worden als patroon en beschermer van de katholieke scholen. Waarlijk het christelijk onderwijs was zijn voornaamste en zijn schoonste werk.

ocr page 140

.

ocr page 141

BIJLAGE.

K R I T I E K

op het gezag van den Schrijver Sibrandus Leo.

Nog oc hij ut het de moeite waard te onderzoeken, of Sibrandus Leo, die omtrent het jaar 1570 eene korte geschiedenis schreef van de abdij Mariën-gaarde, eene betere editie var. de levens der abten, dan die wij nu kennen, heeft voor oogen gehad. Zijn geschrift toch komt, wat den hoofdinhoud en de volgorde betreft, met de levens, die T)r. Wybrands uitgaf, zoodanig overeen, dat het slechts een uittreksel daarvan schijnt te zijn. Maar ook in punten van minder belang wijkt hij daarvan zoozeer af, dat hij uf een ander, veel verbeterd handschrift te zijner beschikking moet gehad hebben, óf naast voormelde levens vele andere bronnen moet gekend hebben, of een tamelijk slordig en lichtzinnig compilator moet geweest zijn.

De tweede veronderstelling bevalt aan Dr. Wybrands; (') doch als men nagaat, dat beide geschriften op zoovele plaatsen ook in zaken van geen belang verschillen, wordt zij minder waarschijnlijk. Betrof het enkele meer gewichtige punten, die uit oude oorkonden, stichtingsakten of charters konden opgehelderd en verbeterd zijn, dan zouden ook wij tot dat gevoelen overhellen. Nu echter houden wij ons aan de eerste of de derde hypothese; en wij gaan het verschil aanwijzen , dat tusschen beide schriften bestaat, om te zien welke van beide hypothesen de voorkeur verdient.

Wat bet leven van Fredericus betreft, komen beide werken genoegzaam overeen. Bij Sibrandus Leo staan de latijnsche eigennamen in de friesche taal, gelijk overal elders. Fredericus, de oude pastoor van Hallum, heet daar Fcico ; Swithurga, moeder van den Zal. Fredericus, wordt daar Sibrich genoemd. Volgens Sibrandus Leo zou de stichter van Mariëngaarde, reeds vóór hij priester was, de abdij Mariënweerd meermalen bezocht en derzel-ver leefwijze nagevolgd hebben, zou hij niet op eigen kosten, maar op die van den ouden pastoor , priester gewijd zijn , en zou hij ook Wijbrandus van Blya bekeerd hebben, toen hij reeds besloten had zijn klooster te stichten. » Hieruit valt niets af te leiden. Het kunnen onnauwkeurigheden zijn , die bij het verkorten van een groot werk over het hoofd gezien worden. Iets anders is het, dat hij voornoemden Wijbrandus onder de familie Cam-minga brengt. In het oorspronkelijk leven, dat wij bezitten , is daarvan niets te vinden. Wij lezen daar cap. XX, dat hij de oudoom was van den abt Sibrandus en cap. XXXI, dat zijn vader Kempo heette. Terecht

(1) Inleiding bl. XXX en XXXI.

9* Zal. Fredericus.

ocr page 142

- 184 -

mocht Sibrandus Leo hieruit, afleiden, dat Wijhnmdus in het friesch Kcm-pinga d. i. Kempo's zoon werd genoemd, maar daaruit op te. maken, dat hij tot het geslacht Kempinga of Camminga behoorde, komt mij wel eenigs-zi'ns gewaagd voor, ofschoon ook elders in het leven van Jaricus cap. XXIX een Wibrandus Kampenga of Camminga, grootvader van den lateren abt Jelgerus genoemd wordt. (') Op dezelfde wijze zegt Sibrandus Leo van Godescalcus of Gosliclius , dat hij tot dc adellijke familie der Goslinga's behoorde.

Hier schijnt hij ten believe van e.ene of andere familie gissingen als waarheden verkondigd te hebben, evenals ook elders in Friesland gebeurd is. Zie Wvbrands Abdij Bloemhof bladz. 204—210.

Nog wijkt Sibrandus hierin van ons oorspronkelijk geschrift af, dat hij zegt dat de Zal. Fredericus na zijn dood in zijne sarcophaag op ecne verhevene pUicils rustte. Dit heeft hij echter kunnen afleiden uit hetgeen in cap. XLVII te lezen staat, evenals hij in cap. XL1 kon lezen, dat Alardus de metgezel van Fredericus geweest is op zijne reis naar Steinfelt. Eindelijk weet hij nog mede te deelen, dat Fredericus drie voorname broeders in zijn klooster heeft opgenomen, terwijl in vita Frederici cap. XXXII van twee of vier sprake is. (1) Elders zegt Sibrandus dat Alardus een broeder van Taco was.

Hoe weinig ook door beide schrijvers van Fredericus' opvolger, Ento, gezegd wordt, toch vinden wij hier een sterker bewijs voor het zooeven uitgesproken vermoeden. Ook van Ento weet Sibrandus Leo te verhalen, tot welke familie hij behoorde. Hij voegt erbij, dat Ento niet alleen de kloostergebouwen uitbreidde, wat wij ook bij Wijbrands (bladz. 5G, 57) lezen, maar dat hij ook een jrooten sleenen tempel oprichtte en rol/ooid/' en wel in formquot; qztadranyulari, dus eene kruiskerk met schip en koor. De vita van Wijbrands spreekt niet duidelijk van het bouwen eens tempels, maar heeft toch tot het schrijven van S. Leo aanleiding kunnen geven. Doch wat erger is , daar leest men uitdrukkelijk , dat men het werk drie jaren heeft moeten staken wegens een geweldigen hongersnood, zeer waarschijnlijk van het jaar 1183. Ento heeft het werk dus niet voltooid en S. Leo bevestigt dit zelf bij het leven van Joannes, waar hij zegt, dat het gebouw, door dezen voortgezet, eerst in 1190, zes jaren na Ento, is voltrokken en ingewijd. Zoo schijnt hij zich zeiven tegen te spreken; want Joannes kon toch iiiet voortzetten 'wat Ento reeds had afgewerkt. Men kan S. Leo zoo verklaren, dat Ento alleen den tempel voltooide, Joannes den klooster-bouw. Maar zou dan de voltooide tempel tot. in 1190 ongewijd zijn gebleven ? En schrijft S. Leo zelf niet van Siardus, dat ook hij wederom het klooster vergrootte, en zegt niet vita Sibrandi cap. Ill, dat eerst, na Siardus het klooster en schip der kerk voltooid is?

1

De tekst is niet duidelijk. Bij do Boll, leest men dat de twee laatsteu slechts gebroeders waren.

ocr page 143

- 135

Verder vinden wij in hot leven van Shmlns bij Sibrandus Leo wederom vele bijzonderheden , die men in het oorspronkelijke mist. Ik spreek niet van den dnnr zijner regeering, dien Sibrandns Leo, uit het necrologium der abdij kennen kon ; (') maar waar zou hij gelezen hebben, dat Siardns soms op den grond sliep , barrevoets de godsdienstoefeningen bijwoonde , en van de rijke Sylvani landerijen verkreeg ? Wij weten wel dat het oorspronkelijk leven van Siardns slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, maar, zoo ergens, dan moesten die bijzonderheden in het oorspronkelijke leven beschreven zijn in cap. XIII, waar over zijn slapen gehandeld wordt, in cap. XIV , waar zijne godsvrucht in het bijwonen der getijden wordt beschreven en in cap. XXII , waar van de stichting te Backeveen gesproken wordt...

In Viln Sibrandi wijkt Sibrandns Leo veel verder af. Vooreerst wordt de verkiezing van den abt door hem blijkbaar verkeerd voorgesteld, (ios-liehns en Reinerns hebben hem niet bevestigd, maar gekozen en zij waren geen fraters van Steinfelt, maar Prioren van Friesland. Oe tekst bij Jfat-thaeus schijnt hier onnauwkeurig, 't Is moeielijk te gelooven, dat Sibrandns Leo aldus geschreven beeft. Hij moest het weten, want hij las het in de statuten der Orde, dat de verkiezing door comijromisnio plaats had, en in het oorspronkelijke leven van Sibrandus, alsook van Jaricus wordt duidelijk gezegd , dat de verkiezing op die wijze geschied is. Toch doet bet Sibrandns hier en ginds voorkomen , alsof dit niet het geval geweest is. Hij schijnt van de com/jmmfsx/o niets te willen weten. [') Slechts eenmaal maakt bij er melding van in zijne geschiedenis der abten van Lidlum (bij Matthaeus III : 580).

In de beschrijving van het geschil tusschen AVittewierum en Scbildwolde zien wij S. Leo wederom op vele plaatsen, ja in alle punten afwijken, en omdat wij hier de kroniek van Emo als scheidsrechter kunnen aanvoeren, kunnen wij ook met meer zekerheid een oordcel vellen over de waarheidsliefde van S. Leo.

Dat bet geschil over de rechtsmaebt liep, kon Sibrandus Leo bij Emo lezen, maar dat ook over het bezit van eenige landerijen getwist werd, is nergens te vinden. Hij noemt Sibrandus, (den gevolmachtigde in deze zaak) den voornaamsten abt, abbitn ijriniarinu, ofschoon bet volgens Knio en Vila Sibrandi cap. 11 zeker is, dat het geschil, in 1217 begonnen en in 1224 is geëindigd, zes jaren vóór dat Sibrandus de abtelijke waardigheid ontving. Het stout optreden van Sibrandus bad volgens zijn vila cap, II plaats te Appingadam , volgens Emo p. 101 C1) te Üsquerd, doch volgens S. Leo te Dammona. Deze voegt erbij, dat vele abten tegenwoordig waren, terwijl genen zeggen, dat Sibrandus als vertegenwoordiger der abten alleen

1

Ik las in dc Bibliotheek te Brussel een handschrift, waarin de regeerin^sjaren der abten vermeld staan. Zie (tkdknksciiriftkn Inleiding XXVII en Analkcta Boll. Cataloqüs Codtcum Brux. I p. (503. Sibrandus Leo heeft er wat bijgevoegd; uit eigen doos? Dit zal later blijken.

ocr page 144

136 -

met zekeren P. (I'aulus) aanwezig was. Hij maakt Gcyco, deken van Ferm-sum, afgezant van don Bisschop en oom van den proost van Scliildwolde, terwijl Emo zegt, dat A en B door den Bisschop gezonden waren, en terwijl volgens Viln Sibranili Greico niet een oom van voormelden proost, maar grootvader was van den lateren proost van Permsura, van denzelfden naam, 't geen overeenkomt met Menco, p. 239. S. Leo heeft blijkbaar te^ haastig gelezen of heeft, evenals eenige moderne schrijvers, niet begrepen, dat Geico een wettigen zoon en kleinzoon hebben kon (') en hem daarom in plaats van nmis avttnculna genoemd.

Nog erger. Volgens S. Leo moest de zaak van Hèrdricus en Emo onderzocht worden en werd de eerste tot restitutie veroordeeld en geëxcommuniceerd. Volgens Vila Sihrandi en Emo was er geen spraak van eenig onderzoek . van restitutie of' excommunicatie, maar moest eenvoudig de excommunicatie , welke de tegenpartij reeds lang had ingeloopen , worden afgekondigd, hetgeen Sibrandus werkelijk volbracht. Volgens S. Leo werden door de grooten [« pvimntihus] gezanten afgevaardigd, die Hèrdricus met Sibrandus verzoenden; volgens Vila heeft Hèrdricus zijn tegenstander Sibrandus naderhand, toen deze abt geworden was, als een vriend bejegend.

Uit ilit alles is duidelijk genoeg , dat onze compilator de kroniek van Emo niet, en het oorspronkelijk rilu slecht heeft gelezen of, wat op hetzelfde neerkomt, een zeer slordig afschrift voor oogen heeft gehad.

Hoeveel' bewijzen van slordigheid wij bij het voorgaande konden aanhalen. toch gelooven wij, dat Sibrandus Leo, voor hetgeen volgt, betere bronnen heeft geraadpleegd. Wij hebben nog nergens gezien, dat hij personen noemt of feiten aanhaalt, waarvan geen spoor in 't oorspronkelijke viln te vinden is. Dat gebeurt hier, en zijn verbaal heeft zooveel inner-1 ijken schijn van waarheid, dat men hem gelooven moet. Volgens de vita cap. V, heeft de abt Sibrand alles wat het klooster op het eiland Marken bezat , voor 100 pond gekocht van Nicolaus Persin , volgens S. Leo heeft hij de cene helft gekregen, de andere helft gekocht van de edellieden van Persyn, Nicolaus en Joannes. Hoe komt hij aan dien naam Joannes? Waarom spreekt hij van die helft? Heeft het niet al den schijn, dat de schrijver het verkoopcontract gezien heeft, of een beter exemplaar dan het . onze heeft afgeschreven ? Of heeft hij zijn exemplaar niet goed kunnen lezen en den tekst, die ook bij Wijbrands wel wat duister is, naar gissing afgeschreven en uitgelegd ? Of zou ter wille van eene familie Persyn, die hier nobilis heet, een naam zijn ingeschoven ? Dit laatste vermoeden verkrijgt eenige waarschijnlijkheid, als men bedenkt, dat juist door eenzelfde vervalsching van Emo's kroniek en door de fabriceering van een charter in de 15de eeuw aan eene andere familie oude adeldom bezorgd is. [•j Evenals men met die kroniek gedaan heeft, zoo kan ook met het exemplaar geschied zijn, dat S. l,.eo gebruikte.

(li De dekens waren meestal niet. priesters. Zie daarover Wijbrands De Abdij Blokm-iiok bl. 155—1G0 en de weerlegging van zijne stelling in üe Katholiek, deel XCVI, 1)1.209. (2) Zie Wijbrands De Abdij Bloemhof bladz. 178 en 208.

ocr page 145

- 137 -

Nog vinden wij bij S. Leo een ander, doch minder belangrijk verschil. Volgens de vila was de koopsom bijeengebracht door twee rentmeesters , n. 1. een priester Boutetus, en een leekebroeder, ülbodus van Fincum. |'| S. Leo spreekt alleen van den laatsten en noemt hem Ulpius van Feyntjum. Ook weet hij te verhalen, dat op het eiland Marken een uithof is gesticht. Hij zegt dat deze denzelfden naam ontving als die van Bakkeveen, ['] en deze omstandigheid doet ons wederom twijfelen aan de waarheid. Namen toch worden gegeven, om de zaken te onderscheiden, en moeten dus verschillend zijn. Wellicht heeft S. Leo of de schrijver van zijn exemplaar de twee uithoven met elkander verward , of vergeten , dat hij de Curia S. Maria! in het leven van Siardus reeds beschreven had.

Wat S. Leo verder schrijft over de oorlogen in Drenthe, heeft hij geput uit Vita Sibrandi cap. VJl—JX en XV. Ook bier betrappen wij hem op onnauwkeurigheden. Niet het weigeren van tienden was de oorzaak der oneenigheden. [quot;I Niet de onmiddellijke opvolger van Otto beeft ton zoenoffer oen nonnenklooster doen stichten, maar zijn tweede opvolger, en ook niet deze, maar wederom een latere bisschop beeft het klooster naar Assen overgebracht. | 'J

Wat S. Leo over de stichting van een klooster in Pommeren te lezen geeft, komt nagenoeg overeen met de vila cap. X—XIV. Alleen worden de zusters, die derwaarts gingen, volgens gewoonte met een frieschen naam genoemd en wordt de verwantschap van sommigen verschillend opgegeven. Opmerking verdient bet, dat S. Leo in dit punt zoo dikwijls afwijkt. Boven zagen wij , dat hij drie broeders noemde, waar er in de vita twee-of vier staan. Hier zegt hij dat zekere Anna uit de adeUijkr familie van Markclen een zustersdochter was van Renicus, terwijl volgens de vitu cap. XIV Ava van Mercelum heette en eene vaderszuster was van Sibrandus Renekenga, en eigen zuster van den jongen Renicus. Later zullen wij zien, dat hij meermalen van adel spreekt, waar bet niet te pas komt. Ints was eene zuster van Geldardus, snpprior in Dokkurn, later fn-ior in Belboeh ; S. Leo maakt haar dochter van Geldardus, prior in Dokkum. [cap. XIV.] Elders zegt hij , dat de eerste priorin van Heiligcrlee eene moederszuster was van Herdricus, in de vita cap. LXVI staat: eene ««Perszuster. Volgens cap. LJV was Sitetis suppriorin, volgens 8. Leo priorin, enz.

Wat Sibrandus Leo van Meester Fredericus schrijft, is door zijn verkorten niet beter geworden. Hem zou voor zijn onderwijzen ecu ruim stipendium gegeven zijn, doch in 't oorspronkelijke lezen wij, dat wel meester Ubbo voor een loon was gehuurd, doch niet meester Fredericus, die immers zulk een stipendium zelfs niet ontvangen kon, dewijl hij lid der abdij was , dus armoede had beloofd en van do gemeenschappelijke tafel leefde. Verder lezen wij daar, dat Fredericus in zijne jeugd met de heidensche schrijvers

(1) Zie V1ta sibeanin cap. V.

CJj Zie de noot van Wijbrands ibidkm.

(3) Had Wijbrands hot geschrift van S. Leo bestudeerd, dan zou h\j hein zooveel gezag niet hebben toegekend. Abdij Bi.okmuof bl. 216 (2)

(4) Gedesksciieiftix van Martëngaabdk bl. 171 (1)

ocr page 146

wegliep, maar dat hij, ouder en wijzer geworden, de. H.H. Vaders las. Sibrandus Leo echter maakt daarvan , dat hij voor zijne scholieren des morgens de heidensche, na den middag de katholieke schrijvers voorlas. (') Hij voegt er bij , dat deze meester door den abt werd ontboden , die hem voor eenc belooning de zorg voor de school iu het klooster opdroeg , terwijl we ginds lezen , dat die school onder Frederik kwijnde en dat deze om die redon tot Prior werd benoemd. Het heei't hier al den schijn, dat Sibrandus Leo zijn verhaal heeft opgesteld naar de ideëeu , welke hem na eene vluchtige lezing van enkele hoofdstukken uit ons oorspronkelijk vita waren bijgebleven.

In vita Jarici lezen wij , dat bij zijne verkiezing tot abt een set-mo werd uitgesproken. Sibrandus Leo maakt er van eene longam oralionem latinam et doctam, qua ad co'ncordiam horlalicommunisulfragio idoneum abbalem eligerent. Dus wederom algemeen stemrecht, ofschoon in 't oorspronkelijke uitdrukkelijk de compromissio vermeld staat. Daar ook lezen wy , dat Jaricus als Pastoor dikwijls de school van Frodericus bezocht, Sibrandus zegt dagelijks.

In vita Jarici cap. XXY , lezen wij , dat de Prior Thitardus een broeder had, die evenals zijn grootvader, stichter van een klooster, Bernardus heette. Bij Sibrandus Leo is deze plaats zoo veranderd, dat men ze nauwelijks herkennen kan. Volgens hem had Thitardus een bloedverwant, die ' Buwo heette en het Buwenklooster stichtte. Dienzelfden Buwo geeft hij elders den familienaam van Harkema. Dat Buwo gemeld klooster stichtte, staat ook in ons oorspronkelijk Vita Ethelgeri, maar dat hij de beschreven Bernardus zou zijn, vinden we nergens bevestigd. ïoch is dit goed mogelijk, want de plaats in vita Jarici kan niet anders dan corrupt zijn. Een grootvader van Thidardus zou vóór 120U moeten geleefd hebben en er is in Friesland geen klooster van dien tijd te vinden , dat hij kan gesticht hebben , dewijl van die oude kloosters de stichters bekend zijn. Zie Abdij Bloemhof bl. 34, i1) 126.

Omtrent het leven van Jelgerns hebben wij op te merken, vooreerst, dat deze volgens Sibrandus Leo gekozen is op het oogenblik, dat de zetel van Utrecht vacant was, dewijl de bisschop door die van Drente was omgebracht, dat dit de reden was, waarom de abt zich in Duitschland liet wijden. Toch zegt de schrijver onmiddellijk daarna, slechts vier regels verder, dat de Bisschop van Utrecht nog niet gewijd was, hetgeen volkomen met de. waarheid overeenstemt, zooals ook blijkt uit het oorspronkelijke vita cap. XXX. Verder verhaalt hij dat matronen uit Oostergoo en U es-lergoo den abt begiftigden, terwijl in 't oorspronkelijke gelezen wordt, dat zij van het oosten en westen bijeenkwamen , om hem geschenken aan te bieden, cap. XXXI.

Volgens Sibrandus Leo werd Koenraad, abt van Cuissv, door den Paus naar Denemarken gezonden, volgens de vita Jelgeri cap. XLII, Wilhelmus, eertijds abt van Premonstreit. Voor dezen bestaat meer waarschijnlijkheid,

1

Moll, zijn hierdoor om den tuin geleid.

ocr page 147

- 139 -

dewijl hij volgens vita cap. VJ, in het pauselijk hof was opgenomen, terwijl zijn mededinger Hugo in zijne waardigheid bleet' gehandhaafd. (Anna-les Prsem. 1 : 22.) Daar in ritn .Tnrici cap. XXIX van beiden gesproken wordt, kon S. Leo zich gemakkelijk vergissen. Even onnauwkeurig is wat er volgt. Sibrandus zegt, dat dezelfde afgezant naar Thuringen ging om den Landgraaf Hendrik de koningskroon aan te bieden , ofschoon in 't oorspronkelijke (cap. XL1I) van die reis niets blijkt; daar wordt alleen gezegd, dat Hendrik de kroon heeft aangenomen en korten tijd gedragen.

Bij de beschrijving van de stichting Van het Buwenklooster, vinden wij wederom een groot verschil in de eigennamen. Buwo heeft bij Sibr. Leo den familienaam Harckema en zijne woonplaats Harkcmakerk. Vervolgens heeft Sibrandus hier vele namen verward. Xiet JariCus,. maar Kempo was getrouwd met een dochter van Menoldus en niet deze , maar haar zoon heette Sjuck of Sinich. Niet deze zoon liet een erfenis achter voor zijn vader, maar de vader voor zijn broeder, Jaricus. Jarieus zond niet al zijne dochters behalve Ida naar het klooster Bethlehem, want Ida was zijne zuster en slechts twee zijner dochters werden non. Syt of Sitetis was niet priorin maar suppriorin. Niet de tweede dochter van Aef of Ava, maar beide zijn in 't klooster getreden. Sibrandus schreef dit, omdat hij las dat Renwcris, die hij voor de eerste dochter aanzag, wederom twee dochters naar een klooster zond. Maar deze Eenweris was de zuster van Ava.

Een nieuwe twist ontstond met den ouden proost van Schildwolde , niet meer over de juridictie zooals den eersten keer, maar omdat hij aan 't gebod van zijn. vader-abt Jelgerus om zijn ambt neer te leggen . niet wilde gehoorzamen. Sibrandus Leo brengt bij dit tweede geschil gebeurtenissen, welke bij hot eerste, omtrent 40 jaar vroeger, geschied zijn. Wonderlijk ! Het is alsof hij alle vilae achtereen gelezen heeft en toen alles uit zijn geheugen heeft opgeschreven. Vanwaar anders zulk eene verwarring?

BESLUI T.

Na de breedvoerige beschrijvingen met het kort begrip van S. Leo vergeleken te hebben, valt het niet moeilijk meer een oordeel te vellen. Het geschrift van Leo verliest schier alle gezag. De compendiator heeft met zijn verkorten veel over het hoofd gezien, verkeerd gelezen of bedorven, en óf hij, óf de schrijver van zijn exemplaar heeft er vermaak in geschept, latijnsche in friesche namen om te zetten en daarbij eenige vreemde namen in te lasschen; dit alles zeer waarschijnlijk, om enkele familiën blij te maken.

Alles wat hij schrijft is te vinden in de VHn'. Ten minste kan een slordige schrijver liet er in lezen. Wij ontdekten slechts enkele woorden en kleine volzinnen , waarvan we geen spoor konden terugvinden in de maar zij waren van geen belang en veelal konden we de oorzaak der inlassching gissen. Zijne voorrede beeft de schrijver genomen uit Vincen-tius Belvaceusis en .). Nauclerus, waarnaar hij zelf verwijst. Den sterfdag en de regecringsjaren der abten kon hij lezen in het ncci-oloriiiini of in eene abtenlijst, als welke in iedere abdij werden opgemaakt. Zoo 1). v. ook

ocr page 148

- 140 -

te Feldwirth, waarvan do abtenlijst door de Bnll. 30 Juli p. 172—178 o-edrnkt is. Ue abtenlijst van Mariëngaarde bestaat ook nog in éen handschrift in de bibliotheek van Brussel (Zie quot;Wijbrands Gedetikschriflen Inleiding hl. XXVI I.) en 't is misschien dit zelfde exemplaar, dat S. Leo gebruikt heeft, en waaruit hij uit eigen brein het zijne heeft toegevoegd.

quot;t 1 s vooral jammer voor de geschiedenis van Lidluni (waarvan we niets dan Leo' s kort verhaal bezitten) dat we den schrijver niet meer gezag kunnen toekennen. Ik acht het wel niet bewezen, dat hij opzettelijk ver-valscht; maar dat hij of zijn zegsman zorgeloos eompendieert en leelijke fouten schrijft, is duidelijk genoeg gebleken.

Vroeger 'dacht ik eraan, de schriften mijns ordebroeders opnieuw uit te geven. Wvbrands zelf heeft erop aangedrongen (') en blijkens zijn levensbericht, door de MS der Ned. Letterkunde uitgegeven, had hij het . plan opo-evat, die taak zelf te ondernemen. De uitgaven van Mathaeus, van Van , Héussen en do Bollandisten, hoe, gebrekkig ze ook zijn ('), toonen voldoende dat de vil.a W res rjcslao ahbatum van S. Leo slechts een compendium en een zeer slecht compendium zijn. Daarom is bij mij de lust overgegaan eene nieuwe uitgaven te bezorgen en ik verwacht, dat ook de lezers van van dit artikel zich die moeite zullen sparen.

ocr page 149
ocr page 150

Prostant apml mmdem librarinm _H. C. TAN DEB AA amp; ZONEN, Oosterhont.

S E M I T A

Christianae Perfectionis

opus posthumum E. D. JOANNIS ERANCISCI CLEMENT, Can. Eeg. Ord. Praem. A'/batiao Bernensis, Parochi in Lithoyen elapso anno defuncti.

Ut viri ecclesiastici, piarum animarum directores, Seminariorum ac Ordinum religiosorum alumni baud vulgarem rerum spiritualium scientiam facili negotio sibi compavare possent, piissimus ac diligen-tissimus simul et doctissimus auctor vitae spiritualis praecipua documenta mediocri fasciculo complexus est. Virum clarissimum ealluisse arte difficili, omnem cujusv'.s doctrinae materiam uuo con-spectu ob oculos ponendi, satis patuit divulgato Synodoruw com-pendio, quod anno 1871 editum jam in omnium sacerdotum manibus versatur. Quamobrem pluribus verbis opus non esse videtur, ad commendandam hano Semitaiu Christianae Perfectionis. Id solum addere expedit, librum hnnc trecentis et quinquaginta circiter con-stare paginis et'pretiuin ejus fore flor. 2.00; francs 4.25

ZUSTER ROSA, Eel. der orde van Premonstreit, haar Levén en haar Werk, de Mis van Eerherstel, door Arthur Loth, uit het fransch vertaald A. M. D. Gr. Kerkelijk goedgekeurd. Prijs /'1.25 fr. p. p. /1.35. No ff enkele keurig gebonden exemplaren u, /'1.75 fr. p. p. Verkrijgbaar in de Abdij van ïougerloo bij Westerloo (België), a 2.50 francs. * O

RLOENHOFKE VAN RUTH.

28 Terscliillende conferentiën voor H.Eamiliën of Congregatiën, door Fr. G. van den Elsen, Supprior der Abdij van Berne en Eec-tor aan het Gymnasium te Heeswijk, een- flink boekdeel in 8o, rijk aan stichtende lessen en zalige raadgevingen, voornamelijk betreiïende de zedenleer, ook omtrent Liberalisme en Socialisme, geschreven in in een gemeenzamen, hoogst aangenamen en bevalligen stijl. Franco per post f 1.00.

Ook verkrijgbaar bij den ZeerEerw. Heer A. Deckers ter Abdij van 'Tongerloo by Westerloo (België), a 2.25 francs fr. p. p.

HET OFFER, tijdschrift van het Aartsbroederschap der H. Mis van Eerherstel, bewerkt in de Abdij van Berne, verschijnt negenmaal in het jaar en wordt franco per post geleverd voor 60 ets. in Holland ; voor België fr. 1.25.

Dit tijdschrift stelt zich ten doel het H. Altaarsacrament en vooral de H. Offerande der Mis, de hoofdzaak van den katholieken eere-dienst, het middelpunt van geheel het godsdienstige leven , te verdedigen en te verheffen, te doen waardeeren en eerbiedigen. Het is tevens het orgaan van voormeld Aartsbroederschap.

ocr page 151
ocr page 152