ocr page 1

/3 3- //amp;

ocr page 2
ocr page 3

-TT

WéÊT* '' iiiiHiiiliiM quot; 'quot;

.

VAN DEN

M

a i#

2^

UPeleerw. cFaier Strnoldus,

cJhinderbroeder cfïecollecl,

!,

IN DE WERELD

118

k

ocr page 4

' : 'l'

' -Vv'- j ^

^ t ■ ■; • • .■ . '' •

. • ;: f-■ -

■ .

.

■ r

,

quot;

:gt;vk,

-f

■

-

.

■

ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

VOOEBEEIC II T.

GELOOFD ZfJ JESUS CHRISTUS.

De belangstelling welke de Reisle/schrijving van den Wel-cerw. Pater Arnchlus Lamh, idie 28 Augustus IS'J-i naar China vertrok) door de welwillendheid van de Redactie der Niemve Delftsche Courant, nis Feuilleton geplaatst, opwekte, deed mij besluiten dezelve als Boekdeeltje te doen verscliijnen.

Ons de aantrekkelijkheid hiervan te verhoogen, dunkte het mij niet onaardig ook ZEerws. portiet hierin ie doen opnemen, met dat van zijn mede reisgezel den Weleerw. Pater Fki.ic ianus Hi,okm uit 's Gravenhage

Deze zincographie is een reproductie van een photographie gemaakt door den Heer Sek Tai te Tien-tsin.

Aan zijne vele vrienden en weldoeners bied ik dit aan als een gedachtenis, met den wensch, il; t zij ZEcrw en zijne missie in Zuid-Ghan-si (China) door hunne geestelijke en stollelijke middelen willen ter zijde staan.

Moge deze reisbeschrijving ook vele aansporen zijne voetstappen na te volgen, dan zou zeker een vurige wensch vervuld worden, want het arbeidsveld is groot, doch de ail elders zijn weinigen.

Het. Vicariaat Zuid-Ghan si in China heeft een oppervlakte zoo groot als die van Nederland en België te samen en telt miin ^ (i millioen bewoners, waarvan ongeveer K duizend den Katholieken godsdienst belijden. Z. H. Leo XI11 vertrouwde in 1888 dit gedeelte van 's Ileeren wijngaaid toe aan de zorg der Minderbroeders Recollecten. 10 zonen van Nederland cfleren zich daar geheel en onverdeeld op, verlieten al wat hun dierbaar was en weiden als het ware een W illibrord voor het Oosten.

Dat dan het aangename uurtje dat deze reisbeschrijving U zal bieden uwe haiten los make en U dwinge te schenken aan deze Missie wal gij te schenken hebt, is de hartewensch van

FRITZ W. DÜCKER,

Boltrlruy 13, Dklft.

NB. Tegen overmaking van een gift of giftje voor de Missie van den Weleerw. pater Au.s. Lamb, kan n;en dit boekje gratis ten mijnent bekomen.

ocr page 8
ocr page 9

Annbeveling der Redactie van de Nieuwe Dclfischt Courant, geplaatst aan het Imofd van het feuilleton in haar blad van IS Maart Ib'Ji.

Door de welwillendheid van de familie van den Weleerw. missionaris, die in Augustus van het vorige jaar met den Weleerw. pater Felicianus Bloem, uit 's Gravenhage, naar China vertrok, zijn wij in staat gesteld onzen lezers de volgende lezenswaardige reisbeschrijving aan te bieden. Zij kunnen uit die brieven lezen met hoeveel moeilijkheden onze ijverige geloofshelden te kampen hebben en welke groote ontberingen zij zich Ier liefde Gods en ter wille van het zielenheil der arme heidenen in China getroosten. Wij viagen van onze lezers voor die ware apostelen der beschaving een vuiig gebed, opdat God hun pogen rijkelijk moeë zegenen en zij van hun moeilijken arbeid de schoonste vruchten mogen plukken.

ocr page 10
ocr page 11

REISBESOHRIJVIN G

VAN DEN

Wilifiw, Pator AENOLDÏÏS,

MINDEEBROETJEE EECOLEECÏ,

IN l)K WE HELI)

(BETRITS: L ^MB)?

MISSIONARIS IN ZUID-CHAN-SI (CHINA.)

Middellandscbe Zee , aan boord van de Sydney.

Eindelijk dan was de lang gewcnschte dag aangebroken. Maandag 28 Augustus zouden wij voor goed het vaderland verlaten. Overal was het afscheid , dat wij van onze confraters in de kloosters hadden genomen , allerhartelijkst geweest. Nog een afscheid stond ons te wachten, maar een afscheid , dat voor ons zeker een van de gevoeligste zou zijn.

Maandag morgen , uur , geassisteerd door drie mijner

cursusgenooten , had ik het geluk voor de laatste maal het Hoogheilig Misofl'er op vaderlandsche bodem op te dragen, om van den goeden God de zegen over onze reis af te smeeken.

Ik kan niet ontkennen, dat ik onder het opdragen der H. Mis eeu oogenblik diep getroffen was, toen nl. eensklaps de gedachte in mij op rees ; „Nog een oogenblik en gij staat alleen op de wereld , ver verwijderd van alles , wat u op deze aarde dierbaar kan zijnquot;. Maar gelukkig, die tedachte moest al heel spoedig plaats maken voor een meer troostvolle. Het was of ik een stem mij hoorde zeggen :

„Neen , niet alleen. Ik ben bij u , waar gij u ook bevindt. Ik zal u alles zijnquot;. En o, hadde ik op dat oogenblik vleugelen gehad! Een kind van St. Eranciscus mag immers geen andere gedachte, geen ander verlangen bezielen dan : „Mijn God en mijn al.quot;

Na de H. Mis dan begaven wij ons naar de sacristy ■ waar ik in der haast een klein ontbijt gebruikte , om het geduld der Weertenaars , die bij honderden naar de kerk wamn gekomen , niet te lang te beproeven. Wij begaven ons derhalve aanstonds na het ontbijt naar het St, Antonius-altaar, namen daar plaats.

ocr page 12

a

om, na een korte toespraak van pater Gardiaan , waarin hij , namens al onze confraters, afscheid van ons nara en ons een gelukkige reis toewenschte, enz., plat ter aarde gelegen van hem onze aanstelling als Missionarius Aposlolicus te ontvangen.

Na deze verheven plechtigheid begaven wij ons weder naar de sacristy, verwisselden daar ons ruw habijt met een zwarte toog en sjerp, en keerden aldus uitgedoschfc mag ik wel zeggen, naar het St. Antonius-altaar terug. Middelerwijl wij ons naar de sacristy hadden begeven, waren onze confraters begonnen met de reisgebeden. Wij baden nog eenige oogenblikken, namen na het einde der reisgebeden een laatst afscheid van onze confraters, en begaven ons daarna onder liet zingen van de Magnificat naar het voor ons gereed staande rijtuig.

Nu ging het in volle galop naar den trein, die ons net nog veel grooter spoed buiten de grenzen van ons vaderland zou brengen. Half elf, na een groot kwartier mat ongeduld te hebben staan wachten, konden wij eindelijk, na nogmaals afscheid te hebben genomen van pater Gardiaan en eenige paters, die ons tot aan het station hadden vergezeld, plaats nemen. Nu konden wij dan eindelijk zeggen, dat wij op reis waren naar China.

Een reis maken door de wijde wereld heeft voorzeker veel aantrekkelijks, maar helaas ook veel moeilijkheden, en onder dit laatste valt vooral het kennis maken met de douanen. Nog geen uur waren wij op reis, of het „allen uitstappenquot; was voor ons het teeken, dat wij voor de eerste moeilijkheid stonden. Wat waren wij bang voor onze geldbeurs, wat zouden wij voortaan dure sigaren moeten rooken. Wij waren overeengekomen maar aanstonds te zeggen, dat wij sigaren bij ons hadden , hopende, dat zij, getroffen door onze buitengewone eerlijkheid, wel zouden gelooven , dat wij niet in staat waren hen te foppen.

Met het eerlijkste gezicht dan van de wereld, namen wij onze zes valiezen uit den trein en begaven ons naar de zooztier gevreesde douanen. Een onzer toonde aanstonds een kistje sigaren en nerkelijk, verstomd a's zij waren over onze eerlijkheid, behoefden wij de overige koffers, niet eens te openen, en kwamen er met / 1.S0 af Met een verlicht hart en een weinig verlichte beurs , stapten wij weer in den trein, om naar onze eerste rustplaats te stoomen , waar wij dan ook zonder verdere moeilijkheden ten 1 uur aankwamen.

Wij waren dan te Antwerpen , onze eerste rustplaats. Wij lieten ons aanstonds naar het klooster onzer paters brengen, waar wij , zooals overal, echt broederlijk ontvangen werden. Jammer dat wij te weinig tijd hadden , om iets van de vele schoonheden van Antwerpen te zien. Des anderdaags immers om

ocr page 13

a

11 uur moesten wij onze reis weer voortzetten. Op het bepaalde uur dan bevonden wij ons Dinsdag aan het station te Antwerpen, om met een zoogenaamde blikseratrein via Brussel naar Parijs te vertrekken.

Tot nu toe hadden wij met onze medereizigers nog altijd onze moedertaal kunnen spreken , doch van nu af moesten wij , wilden wij met hen een praatje maken , onze mond in Fransche plooien zetten. Dat viel ons in het geheel niet mêe. De Franschen toch , vooral de Parijzenaars, zijn zoo buitengewoon rap ter tong, dat wij met al onze Fransche kennis, veel moeite moesten doen om iets van hen te verstaan. Maar enfin , wij begrepen elkander toch zoo wat, vooral ais het te doen was om onze Hollandsche sigaren. Veel bijzonders leverde dit reisje niet op. Tweemaal moesten wij weer kennis maken met de douanen en kwamen er weer even goed at' als de eerste maal, ja zelfs nog beter, want in Parijs behoefden wij onze koffers niet eens te openen . Wij moeten toch wel buitengewoon eerlijke gezichten hebben , al zien wij er volgens zeggen van sommigen, met onze halve baarden uit als waren wij uit een apenkooi gebroken. In 't geheel hadden wij nu voor 300 sigaren f6 betaald en vooral het overige, waaronder ook tabak, niets. Wij komen er dus heelwat goedkooper af dan een Duitscher , een medereiziger op de boot, die voor 210 sigaren / 12 heeft moeten betalen.

Zes uur 's avonds kwamen wij te Parijs en nu stonden wij te kijken als katten in een vreemd pakhuis. Wat een drukte, wat een verward dooreen schreeuwen , wij konden er niet uit wijs worden. Het eerste wat wij deden, was naar onze koffers zoeken. Maar jawel, hoe wij ook zochten, wij vonden onze koffers niet. Van de conducteurs, die wij vroegen, kregen wij geen ander antwoord dan: „la, la, bas,quot; „daar, daar, beneden.quot; Wij naar beneden, waar wij al spoedig dezelfde teleurstelling ondervonden. Wat nu gedaan? Gelukkig, na een poos in't rond te hebben staan kijken, hoorden wij ons eensklaps bij onzen naam roepen en zagen wij tot onze groote vreugde een Hollandsche broeder , die to Parijs bij onza paters woont, en gestuurd was om ons af te halen. !Nu waren wij gered , want al spoedig wist hij ons te vertellen, dat onze koffers in de loods waren , om nogmaals de revue te passeeren bij de douanen. Hoe goed wij er hier afkwamen, weet gij reeds, wij behoefden onze koffers niet eens te openen en dus ook niets te betalen.

Na dit kleine oponthoud lieten wij onze koffers naar een rijtuig brengen en reden gezamenlijk naar ons klooster. Dit ritje gaf ons een klein idee van de grootheid van Parijs. Wij moesten een uur rijden eer wij aan het klooster waren. Nog juist voor tafel kwamen wij aan en konden dus aanstonds onze hongerige

ocr page 14

4

T

magen te goeddoen. Wij lieten ons de Eransche kost goed smaken en na nog een weinig gepraat te hebben , begaven wij ons naar de voor ons bestemde kamer, en sliepen, vermoeid als wij waren, spoedig in.

Des anderendaags maakten wij een paar rijtoertjes door Parijs. Wat groote en prachtige stad ! Neen, daar is Amsterdam en Rotterdam niets bij. Wat groote en breede straten, wat eeu gewoel, wat een drukte! Ik kan niet ontkennen, dat ik blij was, dat wij weer in het klooster waren, want in ons rijtuig stonden wij de grootste angsten uit, nu of dan in botsing te komen met een van de houderden rijtuigen of trams, die hier door elkander rollen. Gelukkig, dat men nog al kan vertrouwen op de bekwaamheid der Parijsche koetsiers. Van de vele schoonheden e» merkwaardigheden van Parijs hebben wij er eenige bezocht, zooals de Eiö'eltoren, de Notre Dame de Paris, enz., die allen de moeite van een bezoek wel Iconen. Des anderendaags tegen den avond kwam onze gastheer, Monseigneur Proton, Bisschop i. p., die zich jegens ons allerhartelijkst toonde. Met hem hadden wij nog eenige zaken te verhandelen, die allen naar wensch van stapel liepen.

Vrijdagavond, na al onze zaken te Parijs verhandeld te hebben, vertrokken wij om 8 uur met da nachttrein naar Marseille, waar wij Zaterdag morgen 10 uur aankwamen. De reis behoorde nu juist niet tot de pleizierigste. Wij moesten den nacht doorbrengen op den trein en om ons niet al te veel te vervelen, trachten wat te slapen. Maar dat lukte bij mij alheel^slecht. Van onze medereizigers , drie man sterk , was er een , die den geheelen nacht sliep als een roos, maar de twee anderen schenen meer van waken te houden , en niet tot ons genoegen. Zij schenen zeer veel te houden van Hollandsche sigaren en wij waren dus wel verplicht hun dien nacht vrij te houden. Vooral een hunner, met een gezicht als een roover, kon zich maar niet verzadigen aan die Hollandsche sigaren. Ik geloof zeker, dat hem de blaren op de tong stonden van het rooken , en tot overmaat van smart trapte hij pater Pelicianus bij ongeluk zoo hevig op zijn voet, dat hij «en paar dagen met dan met de grootste moeite en pijn heeft kunnen loopen. Wat waren wij blij dat hij een paar stations vóór Marseille uitstapte ! Voor 't overige leverde dat reisje geen andere bijzonderheden op , dan dat wij vijf of zesmaal eensklaps in een tunnel waren , eens zelfs 5 minuten lang. De reis was voortdurend tusschen bergen door, doch bood weinig schoons aan.

ocr page 15

5

Indische Oceaan,

aan boord van de Sydney, 18 September 1893,

Zaterdag 3 September om lü uur, vermoeid en stijf van 't zitten, kwamen wij te Marseille, waar wij onze intrek namen bij Madame Greineveille, eene dame, die een tehuis heeft opgericht voor Missionarissen. Ieder Missionaris, die te Marseille scheep gaat, neemt daar zijn intrek en gevoelt er zich ook werkelijk thuis. Altijd treft men er Missionarissen aan. Zoo waren wij Zaterdag met ons achten en Zondag met ons vieren. Hens zelfs, zoo vertelde men ons , waren er 34.

Zaterdagmiddag hadden wij nog een boodschap ^te doen bij den Bisschop van Marseille, die wij niet spoedig zullen vergeten. In het heengaan had men ons gebracht, doch, daar wij den Bisschop niet thuis troffen en wij reeds ruim een paar uur op zijn thuiskomst hadden gewacht, begon onze gids het geduld te verliezen en liet ons alleen. Nog ruim een half uur vertoefden wij, maar de Bisschop liet zich wachten. Op het laatst begon ons geduld toch ook in de schoenen te zakken en wij besloten tot de terugtocht. Des anderen daags hoopten wij beter te zullen slagen. Wij dachten de weg naar huis wel alleen te kunnen vinden , maar, och hemel wat vonden wij ons bedrogen. Wij dwaalden van de eene straat in de andere en kwamen ten laatste in de achterbuurten van Marseille, en wel in zulk een doolhof, dat als wij dachten er uit te zijn, wij hoe langer hoe meer verdwaalden. Het volk lachte om ons en de jongens jouwden ons uit. Hoe zeer ik ook wenschte er uit te zijn, had ik inwendig toch veel pleizier om zulk een avontuurtje. Na bijna een uur aldus gedwaald te hebben, vonden wij toch eindelijk eene vrouw, die zich onzer ontfermde en ons den weg wees.

Den volgenden dag toonden wij ons slimmer en namen een rijtuig. Nu konden wij ten minste zeker zijn, dat wij niet zouden verdwalen, maar helaas, bijna kwamen wij er nog slechter af. Gelijk alle Missionarissen, zouden ook wij, na onze zaken bij den Bisschop te hebben afgehandeld , een bezoek brengen bij Notre Dame de la Garde (O. L. V. van Bescherming) een kerk, waarboven zich een groot Mariabeeld verheft. Deze kerk is in 't midden der stad op een zeer hoogen berg gelegen. Het beeld is geheel verguld, en is, vooral als de zon er op schijnt, allerprachtigst om te zien. Na ons bezoek bij den Bisschop, zouden wij met ons rijtuig dien berg oprijden tot voor de kerk. Even voor de kerk, raakte ons rijtuig eensklaps van de eene zijde in een diepen kuil en dat wij niet omvielen, schijnt bijna een wonder. Wij bevonden ons daarenboven juist aan een helling van den berg en waren wij omgevallen, dan was er van ons reisje naar

ocr page 16

6

China voorzeker voor eerst nog niets gekomen. Maar, Goddank, ook hier kwamen wij er weer zonder kleerscheuren af. Na naar huis te zijn teruggekeerd en onze magen goed te hebben voorzien, werd het zoo zachtjes aan tijd om een plaatsje te gaan zoeken op de boot. Half twee kwam het rijtuig voor, en voort ging het naar de Sydney, waar wij om twee uur zonder het minste ongeluk aankwamen. Daar lag het scheepje, maar 133 meter lang Ik weet niet ooit zoo'n roeibootje gezien te hebben. Na onze koffers in de cabine te hebben gebracht, was ons eerste werk onze nieuwsgierigheid wat te voldoen. Al spoedig echter kwamen wij tot de overtuiging, dat er, om dit gevaarte goed op te nemen, wel een paar dagen noodig zouden zijn. Het was dus beter dit werkje te laten rusten tot dat wij op reis zouden zijn. Wij bepaalden ons nu maar om eens te gaan zien, wie en wat voor soort medereizigers wij hadden. Al spoedig kwamen wij tot de ontdekking , dat de PrEnciscaansche familie flink vertegenwoordigd is, nl. door zes Zusters l'ranciscanessen, verder nog een priester en twee Zusters van liefde, allen bestemd voor Columbo. Onder de overige reizigers, te zamen 155 man, bevinden zich tien Hollanders, en verder geloof ik, dat zoowat iedere natie een of meer vertegenwoordigers heeft. Onder de Fransche reizigers, die het sterkst vertegenwoordigd zijn, bevindt zich een bende van dertig comediant.en, met het doel te Saigon hun minder lofwaardig beroep Ie gaan voortzetten. Gij ziet dus, dat wij een heel vroolijk gezelschap hebber.

Zondagmiddag dan 4 uur zouden wij in zee steken. Het weer was allerprachtigst, de zee was geheel effen. Om 4 uur kwam een Chinees met een bel aankondigen, dat ieder, die geen lust gevoelt, of die wel, maar de reis niet kon of mocht meemaken, de boot moest verlaten. Half vijf begon de machine te werken, het anker werd gelicht, de touwen losgemaakt, de boot begon zich te bewegen en daar ging het van te-rè-rè-bom-de-jé. Iedereen bevond zich op het dek en honderden nieuwsgierigen aan den wal, die door schreeuwen of wuiven met hoed of zakdoek ons een laatst vaarwel toeriepen. De comedianten waren als dol van pret en wij niet minder, ofschoon wij het niet zoo uitwendig lieten blijken.

Na een half uur stoomens waren wij in volle zee, en zagen wij van het land bijna niets meer dan het schoone Mariabeeld , dat ons van uit Europa een laatst vaarwel scheen toe te roepen. In stilte bevalen wij ons nogmaals in de bescherming van die goede Moeder, de Ster der Zee, en langzaam verdween ook dit lief lijk gezicht uit onze oogen. Nog eenige oogenblikken en wij zagen niets meer dan water en lucht. Nu stonden wij voor de moeilijkheid aan wie de eer zou zijn het eerste zeeziek te

ocr page 17

7

worden. De zee was zoo kalm , dat niemand er nog aan dacht.

Een der Zusters echter scheen bepaald besloten te hebben , die eer voor zich te willen behouden , want nauwelijks waien wij een uur in zee, of wij zagen haar reeds naar beneden brengen, om in geen vier dagen te voorschijn te komen. Proficiat! die kan er nog pleiner van hebben. Spoedig volgde nog een tweede Zuster en of er voor dien dag nog meer liefhebbers waren, weet ik niet. Zeker is het, dat wij dien dag nog niet tot de lief hebbers behoorden.

Om zes uur werd er gebeld voor het diner en ieder spoedde zich naar beneden, de een van den honger, de ander uit nieuwsgierigheid om te weten wat men hier krijgt voor zijn dubbeltjes. Geen van beiden, geloof ik , dat het tegen viel. Ten eerste een bediening alsof men in het grootste hotel aan land was , en daarbij acht of tien van de fijnste gerechten. Bier en wijn of water naar verkiezing en zooveel men wil. Jammer, dat het zoo warm is aan tafel, maar enfin, daar weet men ook weer iets voor. Boven de tafel hangt nl. een groot scherm dat door een Chinees aanhoudend been en weer bewogen wordt , en een aangename verkoeling geeft. Na tafel begaf zich ieder weer naar het dek. Men praatte, rookte, maakte kennis, totdat om half negen weer gebeld werd voor een kop thee.

Tegen negen uur verdween de een na den ander in zijn cabine , om door een gezonde slaap weer nieuwe krachten voor den volgenden dag te verkrijgen. Of het alle passagiers gegaan is als ons , weet ik niet, maar wij hebben dien nacht van de vreeselijke hitte al zeer weinig geslapen. Daarbij kwam nog , dat wij des morgens heel vroeg gewekt werden, door hetgekraai van hanen. Het was alsof wij op een boerenhofstee waren. Juist boven onze cabine , op het dek, bevindt zich een groote kooi , vol kippen , hanen , eenden , ganzen , koeien , schapen enz. enz , allen bestemd om onder de reis lekker opgepeuzeld te worden.

Aan slapen was nu geen denken meer, want al deze dieren schenen zeeziek te zijn. Zij maakten een leven als een oordeel. We wisten dus niets beter te doen dan maar op te staan en onze toebereidselen te maken voor de H. Mis. Met Altaar was spoedig op ons bed opgeslagen. Wij dienden elkaar, en de Zusters gingen onder de R. Mis te Communie. Dat het niet heel aangenaam is op zoo'n wijze de li. Mis te moetsn^lezen , behoef ik u niet te zeggen. Wij moesten ons gedurig, wilden wij niet omvallen, vasthouden. Maar Goddank, wij kwamen toch zonder ongelukken aan het einde.

Na de H. Mis begaven wij ons naar desaion om ons ontbijt te gebruiken, dat naar verkiezing bestond in brood met koffie, thee of chocolade. Tegen negen uur hadden wij weer land in

ocr page 18

8

't zicht nl. links de kusten van Corsica en rechts van Sardinië. Kwart voor tien kwam een Chinees met een bel ons aankondigen dat wij ons gereed moesten maken voor het dejeuner , dat weer even als altijd zoude bestaan uit acht of tien gerechten. Om 1 uur had dezelfde Chinees nogmaals de goedheid met zijn bel rond te loopen, om kennis te geven, dat er gelegenheid was zijn krachten te versterken door een tas bouillon.

ïot nu toe hadden wij weer niets gezien dan water en lucht, maar tegen 12 uur kregen wij, bij het doorvaren der straat van Messina, iets schoons te zien. Aan beide zijden zagen wij hooge bergen, aan wier voeten schoone dorpen lagen , terwijl honderden kleine visschersschepen zich langs de kusten bewegen. Een ieder onzer was op het dek om van dit schoone gezicht te genieten.

Dinsdag konden wij door 't schommslen der boot geen H. Mis lezen, en moest ik de eerste tol aan de zee betalen. Geheel den dag was ik een weinig ongesteld, doch op pater Eelicianus scheen de zee nog geen vat te hebben. Woensdag en Donderdag, zagen wij, behalve nu en dan een schip of boot, niets dan water en lucht, totdat wij Vrijdag morgen tegen 5 uur onze eerste havenplaats , Alexandria, in het gezicht kregen.

Half zeven, op een uur afstand der stad, kwam een kleine boot ons een loods brengen , opdat wij zonder kleerscheuren de haven zouden kunnen biniienloopen. Het werd den man echter nog niet toegestaan persoonlijk het besturen onzer boot op zich te nemen , voordat om zeven uur twee dokters uit Alexandrie zich waren komen overtuigen , dat er onder ons geen cholera-lijders waren. De haven nl. van Marseille was bij ons vertrek besmet verklaard , en daarom mocht niemand bij ons aan boord komen , voordat do dokters zouden verklaard hebben , dat er onder ons geen choleralijders waren. Heel groot zal, mij dunkt, hun overtuiging hiervan wel niet geweest zijn, want het geheele onderzoek bestond hierin, dat zij zich overtuigden, dat niemand onzer te bed lag. Hiertoe moesten alle passagiers twee aan twee de heeren doktoren passeeren , en de comedie was afgeloopen.

Een half uur later lagen wij in de haven te Alexandrie. Van af de boot kan men van de stad niet meer zien dan eenige huizen met platte daken en een menigte molens met zes af acht wieken. Daar de boot maar een paar uur stil hield, was er niemand dis aan wal ging, wat trouwens om zich te amuseeren ook volstrekt niet noodig was , daar wij er gelegenheid genoeg voor hadden aan boord. Bij onze aankomst bewoog zich een menigte kleine bootjes met zwarte bewoners om onze boot, en nauwelijks had de Sidney het anker geworpen, of al deze bootjes werden aan onze boot vastgemaakt, en met het noodige lawaai,

ocr page 19

9

werd de Sidney voor een oogenblik in een markt herschapen. Men had nu gelegenheid genoeg zich te amuseeren en zijn dubbeltjes kwijt te raken. Voor overvragen behoefde men niet bang te zijn; ten bewijze hiervoor zij , dat raen mij iets te koop aanbood, waar men / 2 (4 franc) voor vroeg. Ik bood den man een kwartje (halve franc) en aanstonds was het mijn.

Nadat de kooplui twee uur lang hun waren te koop hadden geboden, en de een veel , de ander weinig en de meesten niets hadden verkocht, werd hun door de marktmeesters (de matrozen) op echt matrozenmanier gezegd, dat zij moesten vertrekken, Een ieder zorgde zoo spo dig mogt lijk zijn waren in te pakken , overtuigd als zij waren, dat een tweede verzoek om te vertrekken wel eens gevoelig kon zijn.

Een half uur na het eindigen der markt , bevonden wij ons weer in volle zee, op reis naar onze tweede havenplaats Port-Said, waar wij nog des avonds om tien uur van den zelfden dag binnenliepen. Ten negen uur hielden wij voor de haven stil en gaf men van onze boot door 't afschieten van een vuurpijl een teeken, dat wij een loods verlangden. /Vanstonds daarop zagen wij, als antwoord, dat aan ors verlangen zou worden voldaan, ook van het land een vuurpijl afsteken, en om tien uur lagen wij in de haven van Port Said voor anker. Een menigte scheepjes met Turken in hun witte kleeren en tulband op het hoofd, bewogen zich weer om onze boot, doch nu niet om markt te komen houden, maar om de passagiers, die lust gevoelden even aan wal te gaan, hun diensten aan te bieden. Velen der reizigers maakten er gebruik van en vooral de comedianten waren niet aan boord te houden.

Wij moesten cnze nieuwsgierigheid om een Oostersche stad bij avond te zien, natuurlijk bedwingen. Des anderendaags dachten wij, zouden wij nog wel iets van de stad kunnen zien, en vleiden ons met die zoete hoop ter ruste. Maar, och Hemel, wat keken wij den anderen morgen leelijk op onze neus. Toen wij des morgens vroeg opstonden en eens spoedig wilden gaan zien hoe Port-Said er uit zag, zagen wij aan beide zijden der boot niets dan zand. Wij bevonden ons nl. reeds van des morgens twee uur in 't Suez-kanaal.

Al spoedig kwamen wij tot de overtuiging, dat wij dien dag een allervervelendst reisje zouden hebben. Midden door de woestijn, zouden wij dien dag niets zien dan zand. Daarbij kwam nog dat de boot zeer langzaam moest varen, uit vrees van wegens de ontdiepten van 't kanaal nu en dan aan den grond te raken. De breedte van het kanaal laat ook niet toe, dat twee schepen elkander passeeren. Als men deze twee ongelukken tegelijk in het kanaal ontmoet, is 't maar zeer wenschelijk, dat men niet

ocr page 20

10

voor zijn pleizier uit is. Hierbij kan ook nog komen, dat de hitte bijna ondragelijk is. Over niets van dit alles behoefden wij ons echter te beklagen. Zender vast te zitten, zonder dat wij behoefden te wachten, dat een ander schip gepaseeeid was, ja, zelfs zonder dat wij behoefden te klagen over al te groote warmte, waren wij des avonds om 6 uur te Suez, het einde van 'tkanaal.

Jammer dat het niet werd toegestaan te Suez even aan wal te gaan , want aan de haven zagen wij het klooster onzer Paters en gaarne hadden wij hun even een bezoek gebracht. Bij onze aankomst te Suez, 6 uur, was het juist tijd voor 't diner, wij moesten ons dus , na van af de boot iets van de stad gezien te hebben, naar beneden begeven, en toen wij na bet diner weer boven kwamen, waren wij reeds in de zoozeer gevreesde Boode Zee. Alleen om de vreeselijke warmte, die hier gedurende de zomermaanden en vooral ook in September heerscht, had men ons aangeraden een paar maanden later uit Europa te vertrekken, want reeds zeer velen zijn op deze zee van de hitte gestorven. Wij hebben het er, Goddank, beter afgebracht, doch dat wij niet gesmolten zijn, begrijp ik nog niet. Des morgens vroeg was het reeds 100 graden en daarbij kwam nog, dat vwj gedurende geheel deze reis een effen zee hadden en dus ook geen windje, om ons een weinig op te frisschen.

Zondagmorgen hebben wij met ons drieën nog de H. Mis gelezen, doch de overige dagen was het mij niet meer mogelijk. Pater Felicianus en de andere Pater hebben ook Maandag nog gelezen , maar de overige dagen gaven ook zij de moed op. In de cabine, waar wij de H. Mis moesten lezen, was het alsof men zich in een gloeienden oven bevond. Des nachts sliepen wij in onze stoel op het dek. Ik behoef u dus niet te zeggen hoe blij wij w»reii, toen wij Donderdagavond tegen acht uur Aden, het einde der Roode Zee, in zicht kregen. Ten 10 uur lagen wij voor anker te Aden. Al aanstonds waren er weer een menigte bootjes om onze boot om hen, die den nacht aan wal wilden doorbrengen, naar land te roeien.

De boot bleef hier liggen tot den anderen dag 9 uur. Gaarne hadden ook wij aan wal gegaan en den Bisschop van Aden een bezoek gebracht, doch des avonds ll'/a uur een v's'te maken, scheen ons wel wat laat. Wij zouden dan maar wachten tot den anderen morgen. Des anderen daags echter hadden wij zooveel gelegenheid ons aan bourd te amuseeren, dat wij er niet meer aan dachten naar wal te gaan. Al vroeg was, evenals te Alexan-drië, de Sidney in een marktplaats veranderd en om de boot waren vele bootjes met geheel of half naakte negers, die als men een geldstuk in zee wierp, het aanstonds opdoken. Als apen — velen geleken er sprekend op — klommen zij tegen ' onze boot op, en

ocr page 21

11

sprongen dan weer voor een halve franc boven van de boot in zee. Een heer bood een hunner een franc, indien hij onder de boot door dook Aanstonds was hij bereid, sprong boven van de boot, verdween in de diepte en kwam aan de andere zijde weer te voorschijn, waar hij dan ook zijn franc ontving. Een der passagiers echter vertelde ons , gezien te hebben dat hij achter het schip om was gezwommen. Enfin, men wist niet beter of hij was er onder door gedoken en hij had zijn franc verdiend. Wij amuseerden ons uitstekend, vooral toen eenigen hunner op hun manier begonnen te zingen van te rè-rè-hom-de-je. Wie zou zoo iets nu van die zwarten verwacht hebben.

Om negen uur was voor hun en vonr ons de pret uit. Wij moesten onze reis weer voortzetten. Half tien hadden wij Aden weer verlaten en bevonden wij ons in de Indische Oceaan. De warmte was hier wel wat minder, doch was toch nog zoo hevig, dat wij des nachts op het dek moesten slapen en Vrijdagmorgen niet konden lezen. Vrijdagmiddag echter werd de warmte meer dragelijk, doordat de wind begon op te zetten. Des morgens sloegen de golven reeds over de boot en nu had men de poppen aan 't dansen. Bijna alle passagiers waren zeeziek. Toen de Chineesch des avonds om zes uur met zijn bel rond kwam voor 't diner, waren er hoogstens 30 , die er gehoor aan gaven. Ik deed mijn uiterste best, om mij bij de rij der hongerigen aan te sluiten Maar jawel, nauwelijks had ik het eerste portie , zoo goed en zoo kwaad als ik kon , naar binnen gespeeld, of ik sprong op van tafel en spoedde mij naar een andere plaats, waar ik heel wat anders moest doen dan eten. Later vertelde men mij, dat ik niet de eenige was, die de tafel had moeten verlaten, want, vóór de laatste portie werd opgediend, hadden bijna allen de vlucht moeten nemen naar hun cabine

Den anderen dag had men weer dezelfde grap. De boot slingerde vreeselijk en die zich te dicht aan de verschansing waagde, liep groot gevaar een nat pak te halen. Zondagmorgen slingerde het schip nog zoo vreeselijk, dat wij geen H. Mis konden lezen. Tegen den middag echter werd de zee weer effen , en konden wij aan tafel onze magen , die anderhalve dag hadden moeten vasten, weer eens te goed doen.

Maandag was de zee geheel kalm en konden wij dus weer eens een H. Mis lezen. Geheel den dag zagen wij niets dan water en lucht, behalve des avonds, toen wij iets te zien kregen wat men nu juist midden op zee niet zou verwachten. Des avonds was geheel het dek onzer boot in feestcostuum. De matrozen waren geheel den middag in de weer om hun kunst in het decorateursvak eens te toonen. En werkelijk , (volgens mijn gevoelen) hadden zij eer van hun werk. De vlaggen van alle naties

ocr page 22

12

(behalve de Duitsche) tot groote ergernis van ten Duitschen passagier waren langs de verschansing gehangen; geheel het dek hing vol Isropions die echter, zeker uit vrtes voor brand , niet konden branden. Een tconeel was o] geslagen, en wij hadden feest. De comedianten zouden ten voo:deele der weduwen en weezeu der bemannirg, die in dienst waren gestorven , eenige nommers ten beste geven. Acht uur precies zou de grap beginnen.

Het program bevatte IS nummers. Wij meenden eerst te schitteren door onze afwezigheid ; doch de kapitein zelf kwam ons inviteeren, ons de verzekering gevende, dat bij er voor z;ou zorgen, dat er niets onpasselijks werd opgevoerd. De geheele kermis zou bestaan in muziek , (de comedianten hebben een eigen orkest) zang en voordracht. Wij namen dan zijn aanbod aan, doch hielden ons op den achtergrond, opdat, mocht er iets worden opgevoerd, wat minder in de haak was, wij ons aanstonds zouden kunnen verwijderen, Zoover is het echter niet gekomen, want tot het laatste toe konden wij er bij zijn. Onder de pauze kregen wij alle ejn glaasje vanille-ijs , dat ons uitstekend te pas kwam, want het was vreeselijk warm. Dat wij ons zeer geamuseerd hebben, kan ik niet zeggen, want, behalve de muziek, die zeer schoon was, vonden wij het, op zijn Hollands gezegd, erg flauw.

Wij waren blij toen wij tegen elf uur op bed lagen, waar het echter toch ook niet erg pleizierig was, want wegens de vreeselijke warmte, moesten wij eerst gedurende een geruimen tijd tegen den slaap worstelen, dien wij toch ten laatste overwonnen , zoodat. wij rustig insliepen tot den anderen morgen half zes. Het weer was schoon, wij konden ons dus voorbereiden voor de H. Mis. Behalve een vreeselijke warmte, valt er van de overige dagen niets te melden.

Chineesche zee,

aan boord van de Sydney , 8 October 1893.

Woensdagavond tegen 7 uur kregen wij Golumbo in 't zicht, waar onze geestelijke reisgezellen ons zouden verlaten. De vreugde der Zusters was buitengewoon groot en geen wonder. Een zeereis is vooral voor Zusters zeer vervelend en onze zeereis was daarenboven, door die akelige zeeziekte, voor eenigen hunner nog zeer verdrietig. AUen hebben er aan geleden : een hunner zelfs gedurende geheel de reis. Ja, twee uur voor onze aankomst te Columbo, moest een hunner, die tot dan toe was vrijgebleven , zich wegens zeeziekte naar bed begeven. Geen wonder dus , dat zij blij waren de boot te kunnen verlaten.

Ook wij verlangden zeer naar Golumbo, waar wij voor 't eerst na S'/g week weer vasten grond onder onze voeten zouden krijgen.

ocr page 23

13

De Zusiers hadden ons geinviteerJ bij hun in 't klooster den nacht door te brengen. Volgaarne namen wij dit aanbod aan , en om 8 uur, bij onze aankomst te Columbo, stonden wij reeds geheel reisvaardig voor ons uitstapje. Hall' negen kwamen twee bootjes met zes Zusters ons afhalen en tegen half tien waren wij aan wal.

Na bijna een uur oponthoud bij de douanen, stapten wij om over tienen in onze rijtuigen (drie in getalj en zouden eerst naar het klooster der Zusters van Liefde rijden. Deze twee Zusters hadden een boodschap ontvangen, dat zij des anderen daags vroeg eerst zouden wordeu afgehaald, omdat men dacht, dat de boot eerst om uur des nachts zou aankomen. De Zusters verlangden echter zoo zeer om de boot te verlaten en op de plaats hunner bestemming te zijn, dat zij liever in 't midden van den nacht geheel het huis in rep en roer wilden brengen, dan tot den volgenden morgen wachten. Zij gingen derhalve met ons in 't rijtuig en voort ging het naar hun klooster, waar wij na bijna een uur rijdens (gelijk wij meenden) aankwamen.

Een der Zusters was als buiten haar zelve van geluk , toen zij het doel barer reis meende bereikt te hebben. „Oquot;, riep zij uit, „hier ben ik tevreden, hier hoop ik te sterven.quot;

Na een geruimen tijd te hebben gebeld, werd er eindelijk van de tweede verdieping een venster geopend en gevraagd, wat wij verlangden. De Zusters waren natuurlijk aanstonds bereid hierop een antwoord te geven. Maar verbeeld u ; na lang praten en vragen werd ons eindelijk beduid , dat wij aan een Protestantsch Diaconessenhuis waren aangeland.

In een oogenbiik zaten wij weer in het rijtuig, en ik behoef u niet te zeggen, dat wij buitengewoon veel pleizier liadden om deze nachtelijke vergissing. De schuld van dit alles was te wijten aan de lompheid van onzen zwarten koetsier, die ons toch, niettegenstaande zijn lompheid om 11 uur bracht bij de Liefdezusters en om ll'/a aan groot hospitaal, het verblijf der Zusters Franciscanessen. Nadat alle kisten en koli'ers uit de rijtuigen waren, bleef er voor ons nog juist lijd genoeg over , om iets te drinken , en om ruim 12 uur sliepen wij weer voor het eerst in een bed, zonder vrees, door het slingeren, gelijk op de boot, er uit te vallen.

Des anderendaags om O1/, uur zou onze boot weer vertrekken. Wij moesten dus, wilden wij nog iets van de stad zien , weer vroeg uit de veereu. Om vijf uur stond ik reeds aan het Altaar, en, na eerst het hospitaal te hebben bezichtigd, zaten wij om 7 uur weer in het rijtuig op reis naar de haven. De schoonheid der stad is buitengewoon. Straten, zooals in Europeesche steden, vindt men hier niet. De zoogenaamde straten zijn alle prachtige

ocr page 24

14

lanen en aan beide zijden dezer lanen ziet men zeer schoone tuinen met villa's. Zoo schoon echter de stad is, zoo leelijk zijn ook haar bewoners, de vele Europeanen die hier wonen, natuurlijk uitgezonderd. De inboorlingen zijn alle geheel zwart en loopen allen geheel of half naakt, tenminste de mannen, want de vrouwen zijn op hun manier nog al zedig gekleed. Zij gelijken allen sprekend op apen.

Om half negen waren wij weer aan boord. Het was weer markt aan boord, ja zelfs nog meer, want een goochelaar was bezig het nieuwsgierig publiek door zijn wonderen in verrukking te brengen. Jongens om naar geldstukken te duiken, waren ook weer in menigti opgekomen. Wij hadden dus gelegenheid genoeg ons te amuseeren. Half tien kwam de Chinees met zijn bel den kooplui, goochelaar enz. aankondigen, dat de pret uit was en zij dus verzocht werden te vertrekken.

De zaken van velen schenen echter zoo goed te gaan, dat zij het gebel niet hoorden of niet wilden hooren. Deze ongehoorzaamheid scheen een der matrozen niet erg te bevallen; hij zou hun wel eens leeren gehoorzamen. Hiertoe nam hij een eind rotting en nu ging het klits, klats op hun naakte ruggen , dat ik medelijden met die arme zwarten kreeg. In een oogenblik was nu de markt afgeloopen en waren de verkoopers enz. verdwenen. Het vertrek uit de haven konden wij niet zien, omdat wij juist aan het dejeuner waren.

In de haven zagen wij nog een Hollandsche boot Gelderland— Botterdam geheeten, die daags te voren een ander schip had aangevaren, waarbij zes man verdronken waren. Toen wij na het ontbijt weer op het dek kwamen, waren wij al in volle zee en zagen niets meer van het eiland dan de kusten. Ofschoon er niet veel wind was, slingerde onze boot toch zoo hevig, dat wij in twee dagen geen H. Mis hebben kunnen lezen. De volgende dagen werd het echter beter. Dö zee werd kalm en een heerlijke regen kwam de warmte een weinig matigen en ons wat opfrisschen.

Nu werd het eerst recht aangenaam op het dek. Men kon het een ieder aanzien, dat hij als 't ware begon te herleven. Met dat heerlijke weer dan, kregen wij Dinsdag morgen de vele eilanden in 't zicht voor Singapore. Jammer, dat wij wegens de regen en dikke nevel er niet heel veel van konden zien, want uit het weinige dat wij zagen en uit het vele dat men ons ervan vertelde , konden wij genoegzaam opmaken , dat hier veel schoons te zien was.

Na twee uur tusschen al dat schoons te zijn doorgestoomd, lageu wij om uur te Singapore voor anker en om 101/2

uur, na het dejeuner, stapten wij aan wal. Wij hadden hier

ocr page 25

15

eon geheele dag rust, want eerst den volgenden morgen om 3 uur zou de boot vertrekken. Wij zouden onzen intrek nemen bij den Procureur. Een Procureur is een Missionaris, die belast is met de ontvangst en het verzenden van brieven en verdere benoodigdheden van een of meer Missiën. Zijn hais is een magazijn en tevens een hospitaal voor zieke Missionarissen, die daar hun herstel of hun laatste uur afwachten.

Aan wal stonden een menigte huurkoetsiers, allen bereid ons hun diensten aan te bieden. Wat zij voor een taal spraken, weet ik niet. Wij verstonden er niets van, wat trouwens niet noodig scheen, want voor dat wij den man wilden beduiden, waar wij heen wilden, gaf hij ons genoegzaam door gebaren en grimassen te kennen , dat hij dat wel wist. Geheel vertrouwend op zijn kennis, stapten wij in en na ruim een half uur rijdens , bracht hij ons in plaats van bij den Procureur , bij den Bisschop. Heel erg was deze vergissing wel niet, want ook hier waren wij welkom, maar niet waar wij wezen wilden. Na een weinig met don Bisschop gesproken te hebben, zouden wij nog eens gaan pro-beeren, of wij den Procureur konden vinden.

Om nu zeker te zijn . van onze zaak gaf de Bisschop ons een kleine Chinees tot wegwijzer. Mgr. gaf ons twee rijtuigen. Maar verbeeld U zoo iets. Twee kleine Tilburys, juist groot genoeg voor één man, niet met een paard of ezel er voor, maar een Chinees in Adamskostuum! Wij stapten in, de kleine Chinees naast mij, en voort ging het. De Chinees liep zoo hard als een paard. Gij hadt ons eens moeten zien rijden, vooral toen wij voor den regen bij gebrek aan een p:irapluie, onze witte parasol opstaken ! Wij moesten ons goed houden wilden wij het niet uitproesten van 't lachen, want het spreekt van zelf, dat men bij dit alles nog een heel ernstig gezicht moet zetten.

In de volle overtuiging dan , dat wij nu weldra bij den Procureur zouden zijn, reden wij aldus door de stad en hielden, na een half uur rijdens stil voor een .... kazerne. Hoe onze kleine gids er aan kwam ons hier te brengen , weet ik niet. iMisschien had hij zich laten verleiden, doordat er bij de kazerne een klein kapelletje is. Daar stonden wij nu. Aanstonds kwamen een paar soldaten naar ons toe, die zich uiterst beleefd toonden, Wij gaven hun onze vergissing te kennen en de commandant was zelf zoo beleefd ons een soldaat tjt wegwijzer te geven. Nu hadden wij twee gidsen. De Chineezen spanden zich weder in en met ons vieren reden wij totdat wij stilhielden weer bij den Bisschop. De soldaten hadden uit al ons praten , begrepen , dat wij bij den Bisschop moesten zijn. Zoo waren wij dus weer op ons punt van uitgang teruggekeerd.

Maar alle goede dingen ook iu drieën. De Bisschop gaf

ocr page 26

16

ous nogmaals een rijtuig en nu kwamen wij toch eindelijk bij den Procureur , die ons allerhartelijkst ontving.

Wij gevoelden ons recht thuis bij hein.

Des middags gingen wij de stad eens bezichtigen. Ik zal het maar niet wagen u de schoonheid dier stad te beschrijven, want ik ben overtuigd , dat ik toch ver beneden het werkelijke zou blijven. Men kan de stad het best vergelijken bij een groote tuin, vol breede paden, en aan weerszijden zeer schilderachtige Oostersche villa's. Na een groot uur van al dat schoons genoten te hebben, keerden wij naar den Procureur terug , spraken nog een weinig over dit en dat en om 8 uur waren wij weer aan boord.

Het getal passagiers was zeer verminderd. Da Hollanders waren hier allen afgestapt. Wij begaven ons dien avond vroeg ter ruste en toen wij den volgenden morgen opstonden , waren wij weer in volle zee. De zee was dien dag en ook de volgende dagen zoo kalm, dal wij Goddank iederen dag konden lezen. Ook kwam bijna daaglijks een flinken regenbui ons een weinig opfrisschen.

Vrijdagnacht stoomden wij de rivier Donnai op , om ö'/g uur gaf onze boot door een kanonschot kennis van onze komst en een half uur later lagen wij voor anker in de haven van Saigon. Om de U. Mis te lezen dien morgen was geen deuken aan , want de hitte was buitengewoon, en daarenboven ging ons binnenkomen met zooveel herry gepaard, dat hooren en zien verging. De comedianten, die ons hier zouden verlaten, waren geloof ik te middernacht reeds op hun Paasch-best, en nauwelijks lag de boot voor anker, of zij waren allen gevlogen. Niemand blijder dan wij. Nu zouden wij ons voortaan vrij op het dek kunnen bewegen, wat ons zoolang die bende aan boord was, niet mogelijk was. Want, behalve, dat zij bijna geheel het dek in beslag hadden genomen, gedroegen zij zich somwijlen zoo ergerlijk, dat het voor een fatsoenlijk mensch niet raadzaam was, langs hun plaatsen te loopen. Vooral de zoogenaamde „damesquot; dier troep waren vrouwen van 't laagste gehalte. Gij kunt dus begrijpen hoe blij wij waren, dat zij ons verlieten. De boot zou eerst den volgenden dag van hier vertrekken. Wij hadden dus weer al den tijd de schoonheden van Saigon eens te gaan bewonderen. ATa 't dejeuner gingen wij aan wal en waren tegen 12 uur, zonder de minste tegenspoed aan het Seminarie, waar wij tot den volgenden dag zouden verblijven. Waren wij overal zeer hartelijk ontvangen, ook hier maakten de Paters daarop geen uitzondering. De professoren, acht man sterk, deden al hun best ons het verblijf bij hun zoo aangenaam mogelijk te maken. Tegen den avond gingen wij in gezelschap van een der Paters een wandeltochtje maken door de stad die wel niet zoo

ocr page 27

17

schoon is als Singapore , maar voor een Europeaan toch wel de moeite van een kijkje waard. Hen anderen dag maakte wij in gezelschap van een der Paters een visite bij den Bisschop en den Pastoor en na het diner begaven wij ons weer naar de boot.

Behalve de coraedianten hsdden ook hier weer vele passagiers ons verlaten, Onder de nieuwe passagiers waren een honderd (Jhineezen, waar wij echter zeer weinig last van zouden hebben. Ik geloof, dat zij alle voor hun eigen potje zorgen, want tegen den avond begon de een na den ander zijn boeltje uit te pakken en weldra zag men hun door middel van twee stokjes hun schoteltje met rijst naar binnen spelen. Zij schenen zeer smakelijk te eten, doch ik geloof niet, dat iemand onzer lust gevoelde met hun mee te eten. Er kwam ons nl. van die Chineesche wijk zulk een onaangename geur te gemoet, dat wij ons op een eerbiedigen afstand moesten houden.

Om 4 uur werd het anker gelicht en verlieten wij Saigon. Wij moesten de rivier weer afstoomen en des avonds om S uur waren wij bij Kaap St. Jacques, het einde der rivier en een half uur later in volle zee op reis naar de eerste Chineesche havenplaats Hong-Kong. De zee was dien nacht en ook den volgenden dag zeer kalm. In Saigon had men ons gezegd , dat wij ons konden voorbereiden op een flinke storm , ja , misschien wel op een typhoon. (Een typhoon is een soort windhoos, die in de Chineesche zee vooral in September en October veel voorkomt , en reeds menig schip naar de diepte heeft gezonden.) Alles wat wij hierop antwoordden was; „dat Gods wil geschieddequot; en zonder de minste vrees waren wij weer aan boord gegaan.

Zondag dan was de zee geheel den dag zeer kalm. Tot ons aller verwondering echter waren de matrozen geheel den middag druk bezig alles zoo stevig mogelijk vast te binden. Tegen den avond begon de wind een weinig op te steken, doch dit beteekende nog niet heel veel. Des nachts echter om 2 of 3 uur werden wij wakker door het hevig slingeren en stampen der boot. Wij hoorden dat de matrozen op 't dek druk aan het werk waren en Pater Felicianus achtte het geraden eens te gaan zien , wat er te koop was. Ik bleef heel geduldig in bod wachten op 't nieuws dat hij mij brengen zou, op gevaar af van ieder oogenblik weer zeer gerust in slaap te vallen. Hij was al heel spoedig terug, want op het 't dek was het niet uit te houden, hij kon zich bijna niet staande houden.

De matrozen waren druk bezig de zeilen , die bij wijzen van tent over 't dek zijn gespannen , in te pakken. De golven sloegen van buide zijden over het dek. De boot ging zoo langzaam vooruit, dat zij scheen stil te liggen. Een matroos, wien hij vroeg wat dit beteekenende, gaf hem ten antwoord dat op eenigen

ocr page 28

IS

afstand een typhoon woedde, waar de kapitein niet doorheen dorst. Toen hij mij dit alles verteld had, bad ik in stilte „Heer Uw wil geschieddequot; en sliep weer heel gerust in.

Toen ik den volgenden morgen opstond, haastte ik mij naar 't dek te begeven. Maar dat ging nog zoo gemakkelijk niet. Om niet hier of daar tegen aan te vallen, moest ik, heel langzaam vooruitgaande, mij nu en dan met beide handen aan iets vast grijpen. Zoo sukkelend kwam ik eindelijk op 't dek, waar ik mij op de eerste bank, die ik bereiken kon, liet neerzakken, om op mijn gemak eens te kunnen zien, wat het zeggen wil „storm op zee.quot; De wind huilde akelig door de touwen en de golven verhieven zich meters hoog boven onze boot. Somwijlen was het alsof wij tusschen twee hooge bergen waren. Bj honderden sloegen de golven over 't dek en bezorgden menigeen een nat pak. Met de arme Chineezen, die allen op 't dek woonden, moest men waarlijk medelijden hebben. Zij trokken van de eene plaats naar de ander om een plekje op te zoeken, waar zij de minste golven over zich heen kregen. Hun dekens en verder huisraad was alles doornat. Des nachts mochten zij, die kleine kinderen bij zich hadden, in 't ruim slapen. De boot slingerde zoo hevig dat zij somwijlen met haar zijde bijna op 't water lag. Ik begrijp niet, dat zij niet omsloeg.

De kapitein, officieren, matrozen en mijn persoontje waren geheel den dag op het dek. Toen wij des morgens op't compas zagen , bemerkten wij , dat wij in plaats van naar het Noorden naar het Zuiden stoomden, dus een geheel verkeerde richting insloegen. Op onze vraag wat dit heteekende, zeide men ons, dat de kr.pitein, niet door de typhoon heen durvende, bevolen had terug te stoomen, totdat de storm zou hebben uitgewoed.

Na zes uur te zijn teruggestoomd, scheen het gevaar geweken, maakten wij weder rechtsomkeer en stoomden weer naar 't Noorden. Ik hoop niet, dat wij nog meer typhoons ontmoeten, want terug-stoomen, als men niets vuriger verlangt , dan maar vooruit te gaan, is niet erg pleizierig. Neen , dan beviel de storm mij beter. Dat was nog eens schoon en aardig om t« zien. Het schip , hoe groot en zwaar ook, werd als een notendop heen en weer geslingerd. Als wij op de bank zaten, werden wij somwijlen eensklaps recht op onze voeten gezet, zoo vreeselijk helde het schip over. Dan weder werd de bont van achteren door een golf opgetild, en was het alsof zij met haar voorsteven naar de diepte wilde verdwijnen, terwijl de schroef ver boven 't water kwam, hetgeen een vreeselijk geraas maakte Aardig was het om te zien, hoe vlug de matrozen over 't slingerende schip liepen, terwijl wij, als wij zaten, ons nog moesten vasthouden.

Jammer, dat die akelige zeeziekte zich bij al die beweging

ocr page 29

1!)

weer liet voelen. Men kon liet den passagiers aanzien , dat zij er bijna allen aan leden. Vooral aan tafel kan men zich daarvan overtuigen. Ook Pater Felicianus, die tot nu toe na- vrijgebleven, moest er thans aan gelooven. Wij achtten het zeer raadzaam, na zoo'n stormachtigen dag, icaar heel vroeg zonder eten naar bed te gaan , hopende dat de volgende dag ons meer appeteit zop. brengen. In 't bed rolden wij van voren naar achteren , of stonden nu eens bijna op ons hoofd , dan weer bijna recht op onze voeten. Met dit alles begrijpt gij, dat er van slapen niet heel veel kwam. Nauwelijks begon dan ook de dag aan te breken, of wij waren weer op 't dek. Oe wind was wel een weinig gaan liggen, doch de zee stond nog zeer hol, wat de boot nog geweldig deed schudden. Tegen den avond kon men de storm als uitgewoed beschouwen.

Wij rekenden er nu zeker op, dat wij den volgenden dag , zijnde 4 October , het feest van onzen H. Vader Franciscus , een H. Mis zouden kunnen lezen, doch daar de zee des morgens nog zeer hol stond , was het ons niet mogelijk. Wij gingen dan maar vroeg op het dek, om het binnenkomen in de haven van Hong-Kong te kunnen zien. Om 7 uur lagen wij in onze eerste Ohineesche haven voor anker.

Van af de boot hadden wij een zeer schoon gezicht op de stad , die geheel tegen de helling van een berg is gebouwd. Van het schip bewogen zich een irenigte kleine bootjes, die tevens aan een geheele Ohineesche familie tot woonhuis dienden. Een ieder, die verlangde de stad te zien , had nu maar in te stappen en voor een kleinigheid werd hij door de geheele familie naar wal geroeid.

Een koddig gezicht was het moeders met hun kinderen op den rug te zien roeien. De kleine Chinees was in een vierkante lap, waar hoofd, armen en beenen doorstaken, op moeders rug gebonden. Ket kind moest aldus iedere beweging, die moeder deed, meemaken. De kleine Chineezen schijnen echter niet zoo gevoelig te zijn als de kleine Europeanen. Eens zagen wij, dat een dezer kleinen meermalen klem raakte tusschen moeders rug etule boot, zonder echter een enkele schreeuw te uiten. Moeder moest nl. zooveel moeite doen om tsgen stroom op te roeien, dat zij somwijlen bijna op haar rug lag, waardoor de kleine als het ware plat gedrukt werd.

Om 11 uur stapten ook wij in een dezer bootjes en binnen een half uur waren wij door een moeder, dochter en een paar zoons naar wal geroeid. Hier stonden een menigte draagkoetsen gereed. Wij namen in een de/.er plaats en met vluggen tred brachten twee Chineezen ons boven op Jen berg aan het zoogenaamd Bisschoppelijk paleis. Hier waren wij weer echt thuis.

ocr page 30

20

In den namiddag maakten wij mot een ^der Paters een wandeling door de stad, en bezochten o. a. ook het huis der Zusters van Liefde. De Zusters, bijna veertig in getal, hebben hier een pensionaat, het oude mannen en vrouwenhuis en ook het weeshuis. Op een der zalen zagen wij 10 of 12 kleine Chineesjes liggen, waarvan de oudste nog geen acht dagen telde. De Zusters zeide ons dat al deze kleinen vondelingen waren, lederen dag, zoo zeiden zij, vinden zij er in het portaal van de kerk. Deze morgen echter was bijzonder gezegend voor hun geweest. Na de H. Mis lagen er vier te gelijk in 't portaal. Twee dezer kleinen lagen bij ons bezoek reeds te sterven, en de overige zullen wel spoedig volgen, want deze arme kleinen hebben voordat zij te vondeling worden gelegd, reeds zooveel geleden, dat het zelden gelukt hen in het leven te houden.

Op onze wandeling door de stad zagen wij ook een menigte Chineesche vrouwen, die niet dan met de grootste moeite zich op hun kleine voetjes voort bewogen. De stad zelf bood, vooral in de Chineesche wijken, waar het daarenboven nog alles behalve geurig riekte, niet veel schoons aan. Om acht uur werden wij weer door een geheele Chineesche familie naar de boot geroeid.

Den volgenden morgen om G uur zouden wij vertrekken. Precies om 6 uur verlieten wij de haven , stoomden een uur lang tusschen hooge bergen door en waren om 7 uur weer in zee. Wij moesten nu het gevaarlijkste deel onzer reis nog maken. Op deze zee van Hong-Kong tot Shang-hai heeft men zeer vele ondiepten en daarenbiven veel storm. In Hong-Kong had men ons een kalme zee voorspeld en met die zoete hoop waren wij vertrokken. Maar ach , wat hebben zij zich vergist. Wij waren nauwelijks een uur in zee, of de wind begon zoo hevig op te steken, dat de boot begon te dansen en te slingeren als een dronken boer op de kermis.

De zeilen werden weer ingehaald en over het dek werd een touw gespannen voor de matrozen en passagiers , om zich vast te houden. Wij hadden nogmaals storm , maar thans heel wat erger dan de vorige keer en nu zou hij ook niet zoo spoedig tot bedaren komen. Drie volle dagen en nachten woei de wind met zulk een kracht uit het Noord Oosten, dat men op het dek bijna omwoei. De boot maakte weer dezelfde grimassen als de vorige keer, maar nu nog een weinig erger. Wij moesten tegen de storm op stoomen, maar ofschoon de machine met alle kracht werkte, gingen wij bijna niet vooruit, ja, somwijlen werden wij zelfs teruggeslagen. Wat waren wij dezen morgen blij, toen wij zagen dat de storm zoo goed als uitgewoed had.

Op het oogenblik dat ik dezen brief schrijf, zijnde Zondagmiddag 8 October, is de zee weer geheel kalm. Morgen voor

ocr page 31

21

den middag komen wij te Sbang-hai, waar wij een dag of vier vertoeven , om dan nog een paar dagen op zee te gaan en dan onze binnenlandsche reis te beginnen.

Tien-tsin , 13 October 1893.

Eegunstigd door bet schoonste weder kwamen wij Maandagmorgen voor den mond der rivier Wampoo, bet einde onzer groote zeereis. Niemand blijder drn wij. Gelukkig , dat wij de zeeieis niet als pleizieneis gemaakt hebben , want dan zou zij al zeer slecht aan baar doel beantwoord Lebben. Eerst een bijna ondragelijke warmte en daarna tweenaa! een hevige storm.

Neen, dan is 't niet wenscbelijk te moeten zeggen, dat men voor zijn pleizier uit is. Voor ons was dit alles niet erg. Wij hadden nu een schoone gelegenheid ons aan de moeilijkheden van bet Missionarisleven te gewennen. En daarbij , dit alles aan den goeden God opgedragen, hopen wij toch cok reeds iets voorden hemel verdiend te hebben.

Onze boot dan wierp het anker aan den mond der rivier , want wegens de vele ondiepten is het haar niet mogelijk op deze rivier te varen. Wij wérden afgehaald door een bootje der maatschappij en weldra hadden wij de Sydney voor goed verlaten.

Na twee uur stoomens lagen wij in Sbang-hai voor wal. Hier wachtte ons een alleraangenaamste verrassing. Behalve door den Eerw. Pater Procureur en nog twee Paters Lazaristen, werden wij afgehaald en verwelkomd in ons nieuw vaderland door Pater Ouwens, van Delft. He Pater die, zooals gij weet, is overgeplaatst van de Missie van Hoe-po naar onze Missie, was op reis naar Mat-chang. Te Shang-hai lag een brief voor hem van on^en Bisschop , waarin hem kennis werd gegeven van onze komst en tevens werd verzocht op ons te wachten , opdat wij dan de binnenlandsche reis gezamenlijk zouden kunnen doen. De Pater had ook een seminarist bij zich, die in onze Missie de li. Wijdingen gaat ontvangen. Yoortaan zouden wij dus met ons vieren reizen.

Na een half uur oponthoud, waren onze koffers uit de boot en begaven wij ons naar het huis van den Procureur. Wij hadden gedacht een dag of wat in Shang-hai te moeten blijven , om de noodige inkoopen te doen , doch Pater Ouwens had reeds voor alles gezorgd , zoodat wij alles gereed vonden en den volgenden dag' weer zouden vertrekken.

Hes middags maakte» wij een wandeltochtje door de stad. Pater Ouwens zeide mij, dat Shang hai de schoonste stad van Ohina is, waarop ik moest bekennen niet te weten, hoe ik mij dan wel de leelijkste moest voorstellen.

De volgende dag om 11 uur begaven wij ons weer naar

ocr page 32

22

de boot; om lll/2 werd bet anker gelicht en stoomden wij (of een Engelsclie boot) de rivier op naar zee. Dat wij op deze boot zeer welkome passagiers waren, bleek ons reeds daags te voren. Het vertrek der boot nl. was bepaald op acht uur des morgens. Toen wij echter opmerkten, dat wij 7.00 vroeg nog niet gereed konden zijn, liet men het geheel aan ons over te bepalen, hoe laat de boot moest vertrekken. De boot is niet zeer groot, of liever zij is klein. De kapitein en stuurlui zijn Engel-schen , doch de matrozen en bedienden zijn allen Chineezen.

Na twee uur stoomens waren wij weer in zee. Wij hadden weinig wind, doch daar de boot klein is, slingerde zij zoo hevig, dat Pater Ouwens al heel spoedig in zijn cabine verdween. Des avonds waren yan al de passagiers, lien in getal, niemand aan tafel, dan Pater Pelicianus en ik. In de laatste dagen waren wij zoo aan het slingeren der boot gewoon geraakt, dat wij zoo'n kleinigheid niet meer telden.

Den volgenden dag was de zee zoo efien als een spiegel en waren ook alle passagiers weer van hun zeeziekte genezen. De warmte scheen ook eindelijk ons eens verlaten te hebben, want reeds de eerste avond was het zoo koud op zee , dat wij onze overjas moesten aantrekken. Nu was het eerst recht aangenaam. Een effen zee, een gezonde frissche temperatuur en daarenboven hadden wij aan Pater Ouwens een zeer gezellige reismakker. Het. einde onzer zeereis geleek waarlijk een pleizierreisje.

Met al dit aangename, kwamen wij Vrijdagmiddag 12 October voor de rivier Peigo, en waren aan het einde onzer zeereis Des nachts moesten wij in de rivier het anker werpen , want wegers de vele ondiepten is zij des nachts niet bevaarbaar. Langs de oevers der rivier zagen wij een menigte dorpen en Pater Ouwens kon, tot onze verwondering, niet uitgeroepen kcmen over de schoonheid dezer zoogenaamde dorpen. Verbeeldt u, al de huizen waren van leem en hadden slechts één verdieping en waren daarenboven zoo laag, dat men er bijna overheen kon springen. De buizen lagen alle zoo ongeregeld, dat men er geen enkele straat heeft. Wij voor ons vonden , dat het zeer schoone varkenshokken waren.

Zaterdag morgen stoomden wij verder de rivier op en oin 7 uur des morgens lagen wij voor wal te Tien-tsin, om na eenige dagen hier te hebben vertoefd, onze binnenlandsche reis te beginnen.

Morgen krijgen wij ons Ghineesch costuum en zullen wij ons portret laten maken.

Voordat wij op onze plaats van bestemming zijn , kan ik u niet meer schrijven, doch zoodra wij zijn aangekomen , zal ik mijn reisbeschrijving vervolgen.

ocr page 33

23

Swentenfoe , 6 November 1893,

Onze zeereis was dus geëindigd; wij youden nu kennis gaan maken met de binnenlanden van China. Alvorens echter onze reis te beginnen, moesten wij eerst in een Chinees veranderen. Mijn hoofd moest er al heel spoedig aan gelooven. Nauwelijks waren wij een paar uur in Tien tsin, of het moest reeds kennis maken met het Chineesche scheermes. In minder dan tien minuten had de barbier, zonder zeep doch ook zonder de minste pijn, het zoo kaal geschoren , dat er nog juist boven op het hoofd een weinig haren bleven staan om er, als zij lang genoeg zijn, de haren mijner zusters aan vast te vlechten. De barbier heeft een zeer schoone staart gebreid van de haren mijner zusters, doch voorloopig is hij nog maar aan mijn hoed genaaid.

Toen ik den volgenden morgen, Zondag 14 October, in het publiek verscheen , was ik uitwendig geheel Chinees. Een paar Chineesche pantoffels met zeer dikke en witte zolen, witte kousen , een paar losse broekspijpen , een lang overkleed , van binnen blauw en van buiten grijze zijde , een zwarte sjerp , een kort blauw laken jasje met vergulde knoopjes , een Chineesche hoed, waaiin mijn staart is vastgenaaid, ziedaar de geheele Chinees.

Des morgens las ik voor het eerst de 11. Mis met een hoed op. In China nl. is het zeer onbeleefd bij plechtige gelegenheden blootshoofd te verschijnen ; vandaar dat men hier onder het lezen der II. Mis steeds het hoofd gedekt moet houden. De hoed, die men alsdan op heeft, is zwart en met goud borduursel afgewerkt. Des namiddags mocht ik, geassisteerd door vier priesters, allen met den hoed op, het plechtig Lof doen. Om u in Holland eenigszins een denkbeeld te geven , hoe wij er in het Chineesch uitzien, zouden wij des namiddags ons portret laten maken. Het moet u niet verwonderen als wij een weinig lachend op de portretten staan , want om verschillende redenen was het ons niet mogelijk een ernstig gezicht te zetten.

Zoo gij ziet, staan wij er met ons drieën op, want Pater Ouwens wilde ook van de partij zijn. De Pater schijnt aan dezelfde kwaal te lijden als ik : hij heeft het nl. nu en dan erg op zijn lachspieren, en de photograaf maakte, terwijl hij ons poseerde en zijn oud en versleten machine liet werken, zulke koddige grimassen, dat wij allen eens hartelijk moesten lachen. Heel veel kennis van zijn vak scheen onze photograaf ook niet te hebben, want niettegenstaande hij door zijn grimassen zijn kennis der kunst wilde toonen , moesten wij driemaal poseeren, en of de photographiën nu gelukt zijn ja of neen, zult u zelf het best kunnen cordeelen.

Na ons bezoek bij den photograaf, waren wij getuigen

ocr page 34

22

de boot; om ll^/a werd bet anker gelicht en stoomden wij (of een Engelsche boot) de rivier O]) naar zee. Dat wij op deze boot zeer welkome passagiers waren, bleek ons reeds daags te voren. Het vertrek der boot nl. was bepaald op acbt uur des morgens. Toen wij echter opmerkten, dat wij zoo vroeg nog niet gereed konden zijn, liet men het geheel aan ons over te bepalen, hoe laat de boot moest vertrekken. De boot is niet zeer groot, of liever zij is klein. De kapitein en stuurlui zijn Engel-schen , doch de matrozen en bedienden zijn allen Chineezen.

Na twee uur stoomens waren wij weer in zee. Wij hadden weinig wind, doch daar de boot klein is, slingerde zij zoo hevig, dat Pater Ouwcns al heel spoedig in zijn cabine verdween. Des avonds waren van al de passagiers, tien in getal, niemand aan tafel, dan Pater Pelicianus en ik. In de laatste dagen waren wij zoo aan het slingeren der boot gewLon geraakt, dat wij zoo'n kleinigheid niet meer telden.

Den volgenden dag was de zee zoo effen als een spiegel en waren ook alle passagiers weer van hun zeeziekte genezen. De warmte scheen ook eindelijk ons eens verlaten te hebben, want. reeds de eerste avond was het zoo koud op zee , dat wij onze overjas moesten aantrekken. Nu was het eerst recht aangenaam. Een effen zee, een gezonde frissche temperatuur en daarenboven hadden wij aan Pater Ouwens een zeer gezellige reismakker. Het einde onzer zeereis geleek waarlijk een pleizierreisje.

Met al dit aangename, kwamen wij Vrijdagmiddag 12 October voor de rivier Peigo, en waren aan het einde onzer zeereis Des nachts moesten wij in de rivier het anker werpen , want wegens de vele ondiepten is zij des nachts niet bevaarbaar. Langs de oevers der rivier zagen wij een menigte dorpen en Pater Ouwens kon, tot onze verwondering, niet uitgeroepen kemen over de schoonheid dezer zoogenaamde dorpen. Verbeeldt u, al de huizen waren van leem en hadden slechts één verdieping en waren daarenboven zoo laag, dat men er bijna overheen kon springen. De buizen lagen alle zoo ongeregeld, dat men er geen enkele straat heeft. Wij voor ons vonden , dat het zeer schoone varkenshokken waren.

Zaterdag morgen stoomden wij verder de rivier op en om 7 uur des morgens lagen wij voor wal te Tien-tsin, om na eenige dagen hier te hebben vertoefd, onze binnenlandsche reis te beginnen.

Morgen krijgen wij ons Chineesch costuum en zullen wij ons portret laten maken.

Voordat wij op onze plaats van bestemming zijn , kan ik u niet meer schrijven, doch zoodra wij zijn aangekomen , zal ik mijn reisbeschrijving vervolgen.

ocr page 35

23

Swentenfoe , 6 November 1893.

Onze zeereis was dus geëindipd; wij zouden nu kennis gaan maken met de binnenlanden van China. Alvorens echter onze reis te beginnen, moesten wij eerst in een Chinees veranderen. Mijn hoofd moest er al heel spoedig aan gelooven. jNauwelijks waren wij een paar uur in Tien tsin, of het moest reeds kennis maken met het Ghineesche scheermes. In minder dan tien minuten had de barbier, zonder zeep doch ook zonder de minste pijn, het zoo kaal geschoren , dat er nog juist boven op het hoofd een weinig haren bleven staan om er, als zij lang genoeg zijn, de haren mijner zusters aan vast te vlechltn. De barbier heeft een zeer schoone staart gebreid van de haren mijner zusters, doch voorloopig is hij nog maar aan mijn hoed genaaid.

Toen ik den volgenden morgen , Zondag 14 October, in het publiek verscheen , was ik uitwendig geheel Chinees. Een paar Chineesclie pantoffels met zeer dikke en witte zolen, witte kousen, een paar losse broekspijpen, een lang overkleed, van binnen blauw en van buiten grijze zijde , een zwarte sjerp , een kort blauw laken jasje met vergulde knoopjes , een Ghineesche hoed, waaiin mijn staart is vastgenaaid, ziedaar de geheele Chinees.

Des morgens las ik v,oor het eerst de H. Mis met een hoed op. In China nl. is het zeer onbeleefd bij plechtige gelegenheden blootshoofd te verschijnen ; vandaar dat men hier onder het lezen der H. Mis steeds het hoofd gedekt moet houden. De hoed, die men alsdan op heeft, is zwart en met goud borduursel afgewerkt. Des namiddags mocht ik, geassisteerd door vier priesters, alfen met den hoed op, het plechtig Lof doen. Om u in Holland eenigszins een denkbeeld te geven , hoe wij er in het Chineesch uitzien, zouden wij des namiddags ons portret laten maken. Het moet u niet verwonderen als wij een weinig lachend op de portretten staan , want om verschillende redenen was het ons niet mogelijk een ernstig gezicht te zetten.

Zoo gij ziet, staan wij er met ons drieën op, want Pater Ouwens wilde ook van de partij zijn. De Pater schijnt aan dezelfde kwaal te lijden als ik: hij heeft het nl. nu en dan erg op zijn lachspieren, en de photograaf maakte, terwijl hij ons poseerde en zijn oud en versleten machine liet werken, zulke koddige grimassen, dat wij allen eens hartelijk moesten lachen. Heel veel kennis van zijn vak scheen onze photograaf ook niet te hebben, want niettegenstaande hij door zijn grimassen zijn kennis der kunst wilde toonen , moesten wij driemaal poseeren, en of de photographiën nu gelukt zijn ja of neen, zult u zelf het best kunnen cordeelen.

Na ons bezoek bij den photograaf, waren wij getuigen

ocr page 36

u

van een echt Chineesche, doch voor ons alierkoddigste vertooning. De onderkoning van China (de zoogenaamde Bismarck van China en een vurig christenhater) was in de stad om een bezoek te brengen bij den Consul-Generaal van Frankrijk. Geheel anders dan in Europa is het in China een groote onbeleefdheid , als zoo'n groot personaadje passeert, op de straat te blijven slean om hem eens te bekijken. Zoo iets te zien, was voor ons echter al te aanlokkelijk om ons eens schuldig te maken aan die Chineesche onbeleefdheid. Wij hielden ons dan van de dommen en bleven op straat staan , totdat Zijn Exellentie zou gepasseerd zijn. ]NJa een weinig wachtens verliet hij het consulaat en trok de stoet ons voorbij. Voorop twee soldaten met vlaggen, daarna een twintigtal soldaten te voet, allen met geweien gewapend, vervolgens een troep mandarijnen te paard en ten slotte Zijne Excellentie in een draagkoets, die door acht man werd gedragen. l)e soldaten mceften loopen wat zij konden om bij te blijven, want de paarden liepen op een draf. Allen schenen erg veel pieizier te hebben , want zij lachten en schreeuwden , dat het een lust was om te zien en te hooren en wij , als zeer gevoelig voor alles wat lachlust opwekt, lachten hartelijk met hen tr.ee. AVij waren de eenigste toeschouwers op straat en werden door Zijne Excellentie van top tot teen eens goed bekeken. Wie weet waarheen hij die Westersche duivels op dat oogenblik wel wenschte. liet geheel , vooral de klceding en houding der soldaten was voor een Europeaan koddig om te zien, maar enfin ,/s lands wijs 's lands eer.quot;

Den volgenden dag maakten wij van de weinige tijd die ons na het inpakken onzer koffers nog overbleef gebruik, om hier en daar een visite te maken en Dinsdag morgen reeds vroeg begonnen wij onze reis door het binnenland. Het eerste gedeelte de^er reis zouden wij maken per bark , het tweede gedeelte per kar of te paard en het derde gedeelte te paard.

Een Chineesche bark is een kleine schuit, die de vorm en grootte heeft van een Schiedamsche spoelingschouw. Midden op deze schuit is een hut, waarin twee afdeelingen zijn : de eerste afdeeling, waarin ik juist rechtop kan staan , is bestemd voor kisten en koffers, de tweede, waarin een kleine verhevenheid, waarop men nauwelijks rechtop kan zitten, is bestemd voor zit-, eet- en slaapplaats. Voor het overige is zoo'n bark van alle gemakken berooft!. De passagiers, die van den bark (het eenigste middel van vervoer) gebruik maken, moeten zelf voor alles zorgen. Voor ons zou met dit reisje op de bark ook het Missionarisleven in China gaan beginnen.

.Nadat wij door een kleine opening in de hut waren gekropen, was ons eerste werk ons zoo spoedig mogelijk te installeeren. Eeu

ocr page 37

kist werd midden in de kajuit gezet, om als tafel te dienen; naast de kist legden wij een deken , om gedurende den dag als zitplaats en des nachts als slaapplaats Ie dienen en klaar was onze kamer.

De vrouw van den schipper had (natuurlijk met het oog op een goed fooitje) de goedheid op baar manier voor ons te kooken. Den eersten dag hadden wij niet veel last ^an eetlust, want het bereiden der spijzen en de schotel , waarin het werd opgediend , was zoo vies, dat wij niet dan met de grootste moeite iets van het voorgestelde naar binnen konden spelen. Pater Ouwens echter, die in de zestien jaar die hij reeds in China heeft doorgebracht, gelegenheid genoeg heeft gehad om aan de Chineesche onzindelijkheid gewoon te worden, liet het zich heerlijk smaken. Na een paar dagen echter waren ook wij meer gewoon aan dit alles en aten wij zoo heerlijk als in Holland.

Acht dagen brachten wij op de bark door, doch reisden — niettegenstaande wij ons hier in alles moesten behelpen — toch veel pleizieriger dan op de Sydney. Yeel schoons kregen wij niet te zien, want de meesten streken, die wij doortrokken, stonden, wegens overstrooming geheel onder water, en de overige hadden veel overeenkomst met die van Limburg.

Na acht dagen varens dan kwamen wij te Pouding-foe, het einde onzer reis over water. Wij namen onzen intrek bij een Missionaris. Den volgenden dag was het weer lossen onzer goederen uit de bark en die laden op karren , die ze voor ons weer een eindje verder in China zouden voeren.

Onze reis zou nu verder over land gaan. Nu stonden wij echter voor een moeilijk geval. Uit twee kwaden moesten wij het beste kiezen. Zooals gij weet, heeft men hier nog geen spoorwegen en moet men reizen of te paard of per kar. Uit een dezer twee middelen van vervoer moesten wij een keus doen, nl. óf wel reizen op een paard zonder rijzadel en dan een paard, dat uitstekend voor kapstok kan dienen, of wel in een kar zonder veeren. Als onbekwame ruiters kozen wij het laatste en Woensdag morgen kropen wij in de kar, en hosten wij de stad door. Nog geen half uur zaten wij in ons rijtuig , of wij waren reeds half geradbraakt. Deze kaïren hebben veel overeenkomst met de Limburgsche huifkarren , die zijn zoo klein , dat zij juist plaats genoeg hebben voor één persoon. Van banken in 't rijtuig is geen spraak, men zet zich maar plat op den grond. Om het geweldig horten en stooten een weinig te verminderen , hadden wij voor zitplaats ons bed in de kar gelegd. Hadden wij zoo iets niet gedaan , ik geloof niet , dat, wij het een uur hadden uitgehouden en wij moesten er toch een week lang in zitten. Nergens heeft men hier gebaande wegen. Somwijlen heeft men

ocr page 38

26

diepe kuilen op den weg, waar men met liet rijtuig in ploft. quot;Vier maal moesten wij met paard en rijtuig door een rivier trekken. Om zoo te reizen moet men waarlijk in China zijn.

Niettegenstaande dit alles badden wij toch erg veel pleiitier, vooral als wij 's nachts keni.is moesten maken met de Cbineesche logementen. Volgens zeggen van Pater Ouwens waren onze logementen van den eersten rang, en gelukkig ook, want het minste logemtnt in Holland is nog een paleis bij ons logement eerste rang. Wat zal nu derde raag wel zijn. Wilt gij eenigszins weten hoe ons logement er uit zag , gaat dan eens een paardenstal in Holland bezien, denkt den ruif weg, en stel u voor op den muur een afschuwelijk afgodsbeeld , en gij hebt ons logement. Gij kunt er ook neg een oude zeer vuile tafel in denken , met een of anderhalve stoel en gij hebt het ameublement erbij. Dat men ruiten zal breken , peen gevaar , want glas kent men niet , bel raam was weleer dicht geplakt met papier , dat na eenigen tijd gewoonlijk bij flarden langs het venster hangt. Zeker voor de luchtigheid! Honden , kippen en varkens hebben allen vrij entree. Wil men in het logement slapen, dan wordt men verzocht zelf zijn bed mede te brengen. Voor eten zal, zoo men zulks verkiest, de vuile Ingementhouder wel zorgen, welk eten hij nog in zeer smerige schotels zal opdienen. Eén voorrecht heeft men echter in die logementen : men behoeft nl. niet bang te zijn , dat men de drankwet overtreedt, want men tapt niet anders dan thee.

Ondanks al deze onhebbelijkheden aten en sliepen wij, na een geheelen dag te hebben gehost, toch zeer heerlijk. Des morgens voor zonsopgang waren wij echter weer in de kar. Schoons was er op onze reis niet veel te zien ; alle streken , die wij door-strokken , deden ons aan Limburg denken. Over de steden en dor]ien zal ik u later wel eens een kleine beschrijving geven.

Na drie dagen rijdens kwamen wij te Tsenten-foe, waar een Bisschop met een paar Missionarrissen woont. Om den Zondag te vieren en tevens wat uit te rusten , zouden wij bij hen een paar dagen vertoeven. De Missionarissen hebben hier een zeer schoone kerk, en naast de kerk is het weeshuis , oude mannen en vrouwenhuis enz. enz. , alles bestuurd door de Zusters uit Europa. De kerk en het huis der Zusters vormen een dorp op zich zelf. Men heeft hier bijna 1000 personen te verzorgen. Om al de gebouwen te bezichtigen , hadden wij een gelieele voormiddag noodig.

Des namiddags maakten wij een visite bij den grootsten duivel van China, dat is, wij gingen een kijkje nemen in de pagode (afgodstempel) waarin het grootste afgodsbeeld van China is. Deze pagode die weleer allerprachtigst was, doch nu voor het

ocr page 39

27

grootste gedeelte is ingestort, bestaat uit vijf verschillende gebouwen Al deze gebouwen zijn vol afgodsbeelden en de muren zijn zeer fraai beschilderd, beelden en rauurbeschildering alles in de bespottelijkste vormen. Een bonzen (afgodenpriester) had de goedheid ons rond te leiden en ons het een en ander te verklaren, liet groote beeld is veertig voet hoog en geheel van koper. Doordat het dak boven zijn hoofd reeds is ingestort, is zijn hoofd aan weer en wind blootgesteld. Een der Paters vertelde ons, dat toen vóór 40 jaar de Missie in deze stad begon, deze tempel nog in zijn geheel bestond, doch van af den eersten dag, dat het Allerheiligste iti deze stad werd bewaard, is deze tempel beginnen in te storten.

Onder de vele bespottelijke domheden , die de bonze ons verklaarde was er een, dat ons vooral eens hartelijk deed lachen. Wij zagen nl. een menigte beelden, die volgens zeggen van den bonze , vol zielen van heilige Chineezen waren.

In deze beelden moeten zij geduldig den dag afwachten , op welken het hun afgod behaagt ze over te planten in het een of ander dier. Wij begonnen luid op te lachen en de bonze lachte nog luider dan wij. Bij het verlaten van den tempel, waarin wij twee uur hadden vertoefd, boog de bonze, die ons uitgeleide deed , als een knipmes en wij niet minder.

Maandagmorgen zaten wij weer vroeg in de karren, om nog eens drie dagen flink dooreen te worden geschud. Een ferme regenbui had ons een groote dienst bewezen. In de eerrte helft onzer reis , zaten wij somwijlen zoo diep in het stof, dat wij op eenige meters afstand niets konden zien. Nu echter was de weg hier en daar wel een ware moeras, doch van stof was er gelukkig geen spraak.

Na drie dagen rijdens, waarvan wij één nacht in een logement en de andere bij een Missionaris hadden doorgebracht , kwamen wij op Allerheiligen avond te Swentenfoe, bij een Missionaris van Schimmert , bij Maastricht; een landgenoot dus. Hoe blij hij was landgenooten te ontmoeten, laat zich gemakkelijk begrijpen. Wij zijn nu nog maar acht degen van Mats-Hang waar wij lü November hopen aan te komen. Het overige onzer reis moeten wij te paard afleggen. Zoodra wij te Mats-Hang zijn gearriveerd, zal ik u het slot mijner reisbeschrijving geven , doch misschien ontvangt gij mijn brief niet vóór April, want als de rivieren zijn dichtgevroren verzendt men , geloof ik , geen brieven.

Mats-Hang, 30 Nov. 1S93.

Mijn laatste brief dateert uit Tsentenfoe, waar wij bij onzen landgenoot eert paar dagen moesten verblijven om wat uit te

ocr page 40

28

rusten en onze kisten en koffers over te pakken. Wij waren nu aan het derde en laatste deel onzer reis. Tsu moesten wij onze kunst in liet paardrijden gaan toonen.

Vrijdag 10 Nov. was alles in orde en zaten wij voor't eerst in 't zadel. Een balf uur lang ging alles goed, wij reden als oude dragonders. Waar ziet, eensklaps schijnt mijn knol de bekoring te krijgen ter eere van den nieuwen Missionaris eens een polka te dansen. Hij wipte zijn achterste pooten in de hoogte en dans;e zoo lang, dat èn zadel cn ruiter in het zand lagen, en de polka was afgeloopen. Daar lag ik met een blauw oog, een gebroken bril en mijn mond vol zand. Een dure dans : drie gulden voor een nieuwe bril.

Na een kwartier oponthoud , zat ik , behalve dat ik nu gedecoreerd was met een blauw oog, weer op den dansmeester, alsof er niets gebeurd was Den eersten dag reden wij maar zes uur en verbleven wij des nachts in een dorp , waar een paar honderd christenen wonen. Wij namen onzen intrek bij den bewaarder der kerk van dit dorp. Aanstonds bij onze aankomst werd er op de klok geslagen , om de christenen te verwittigen , dat er senfoes (priesters) waren aangekomen , en nu begon de kermis. Al de christenmannen kwamen aangeloopen om ons te verwelkomen en ons te bekijken. Men kan het hun toch aanzien, dat zij zeer verheugd waren, wter eens priesters in hun midden te hebben en den volgenden morgen een H. Mis te kunnen hoeren , iets wat hun slechts een paar maal in 't jaar , bij het bezoek van hun Missionaris , gebeurt.

Pater Ouwtns had het zeer druk met al hun vragen te beantwoorden, want hij moest natuurlijk voor ons meepraten.

Den volgenden morgen was het de beurt aan de vrouwen om ons te verwelkomen. Aan de poort der kerk werden wij door hen opgewacht en nu hadden wij even een vertooning van al de kleuren v?n den regenboog. Zij waren allen op hun Paaschbest, dat is : zij hadden hun beste broek en jas aan. De vrouwen dragen hier even als de mannen een broek en jas, en hoe bonter hoe schooner. Wij zagen er met roode , blauwe , groene , zwarte enz. broeken en jassen aan. Pater Ouwens sprak enkele wooulen mei hen en na de gewone greet , dat is , na op beide knieën geknield een paar buigingen met hun hoofd te hebben gemaakt, strompelden zij op hun kleine voetjes weer naar huis. Eenige christenmannen begeleidden ons tot buiten 't dorp, waar wij weer te paard gingen.

De wegen werden nu zeer gevaarlijk. Tot Mats Hang moesten wij aanhoudend berg op en berg nf, sems over zeer smalle ] nden, waarlangs zeer diepe afgronden. Bijna geheel den dag zaten wij te paard en ik behoef' u niet te zeggen, dat wij des avonds zoo

ocr page 41

Ü9

stijf en vermoeid waren , dat men ons soms van 't paard moest tillen. Op weg kwamen wij meermalen eenige christenen uit Mats-IIang tegemoet, die ons alle door hun geroep, „Snnfoe teila' „de priesters zijn gekomenquot; hun vreugde over onze komst te kennen gaven. Een hunner ging zelf zoover, dat hij op straat, waar het vol was van heidenen, zijn juk, waaraan hij twee zware manden droeg, afwierp, en ons, zooals de christenen gewoon zijn , op de knieën groette.

Woensdagavond waren wij nabij een stad, op drie uur afstand van Mats-Hang. In deze stad wonen een zestigtal onzer christenen. Zij hadden onze komst vernomen en tevens ook, dat wij bij hen zouden overnachten. Nu wilden zij ons alle eer aandoen en stonden ons warempel met hun kar aan de poort der stad op te wachten.

Ofschoon wij veel liever te paard waren gebleven , konden wij toch hunverlangen om op de kar plaats te nemen, natuurlijk niet afslaan. Hun kar, die eigenlijk voor mestkar dient, doch nu voor deze plechtige gelegenheid met een wit kleed was belegd, bood juist plaats genoeg voor één persoon, en toch moesten wij er met ons drieën op. Een onzer zette zich op zijn hurken en de twee andere namen plaats op de boomen , waar 't paard in loopt. Gij kunt niet begrijpen hoe blij wij waren, na een kwartier rijdens, uit ons rijtuig te kunnen stappen. Veereti onder het rijtuig kent men hier niet, en om de plechtigheid te verhoogen, reed de koetsier zoo hard hij kon. Wij waren half geradbraakt. Gelukkig was het donker, en konden wij toch eens hartelijk lachen, want zoo een Chineesche plechtigheid is toch waarlijk koddig.

Bij de christenen aangekomen, moesten wij natuurlijk weer geheel den avond te kijk zitten. In China staan de huizen voor iedereen open, ieder heeft het recht binnen te komen.

I)e christenen waren natuurlijk weer niet te houden, iedereen wilde de nieuwe Senfoes zien. Aan knielen en buigen kwam geen eind. Onze namen wareu hun ook reeds bekend , verbeeld u. Pater Bloem heet tegenwoordig, Gwawsenfoe. (priester Bloem) en ik , Jangsenfoe , (priester Lam).

Donderdagmorgen door de geheele christengemeente uitgeleid, waren wij weer vroeg op reis. Nog eenige uren en onze reis was afgeloopen. Op een uur afstand van Mats-Hang kwamen twee onzer paters ons met hun hoskar afhalen. Wat een vreugde !

Om tien uur des morgens, zijnde Donderdag 17 November 1893 , reden wij op onze paarden het, dorp binnen. Geheel het dorp liep leeg om Gwawsenfoe en IFensenfoe (pater Ouwens) en ook nog Jangsenfoe te zien. Bij onze aankomst aan 't Bisschoppelijk paleis, waar nog twee onzer paters ons verwelkomden, (de Bisschop

ocr page 42

30

was op Missie) was ons eerste werk natuurlijk ons naar de kapel te begeven , om den goeden God voor den goeden alloop onzer reis te danken. Wat waren wij blij, wat waren wij gelukkig! Hoe vurig hebben wij den goeden God bedankt ons op de reis voor alle ongelukken te hebben bewaard. Onze gezondheid liet goddank niets te wenschen over. Wel waren wij zeer vermoeid , maar toch zoo gezond als ooit. Geve de goede God, dat wij nu lang en veel voor Hem mogen arbeiden.

En nu roep ik u voor 't eerst van uit het land, waar God wil dat ik voor Hem arbeide, een allerhartelijkst vaarwel toe. Al zijn wij ver van elkander verwijderd , onze harten zijn een ; daiglijks bid ik den goeden God onder de H. Mis, voor u, dat Hij u alles geve wat u naar ziel en lichaam kan gelukkig maken. Ik hoop, dat ook gij mij in uwe gebeden nooit zult vergeten. Bidt den goeden God , dat Hij mijn arbeid zegene en ik vele zielen voor Hem winnen.

Tien-Khong, 3 Jan. 189i.

Zooals u uit bovenstaande ziet, heb ik Mats-Hang reeds verlaten. Sedert drie weken zit ik geheel alleen met mijn knecht, een eerste boerenjongen. Van alles wat hij doen moet , zooals Misdienen, kosterspelen , eten koken , en mijn anderhalf stuk meubel schoon houden, kent hij een weinig meer dan niets. Maar dit alles zal ik hem, als ik mij maar eerst een weinig kan uitdrukken in 't Chineesch wel leeren. Hij is goed van aanpakken.

Nu eens iets over mijn parochie. Op slechts een uur afstands van Mats-Hang, boven op een berg, naast een kleine kerk, geheel op Chineesche wijze gebouwd , kunt gij Jangsenfoe vinden , met zijn christengemeente van 115 man sterk. Gij zult misschien zeggen: „die pastoor kan fijn werk ook wel af; maar 115 zielen,quot; maar dan verzeker ik u, dat gij de plank misslaat. Mijne parochianen bezorgen mij wel is waar niet heel veel werk, maar het studeeren op die Chineesche taal, dat wil wat zeggen. Men kan zich in Holland onmogelijk een denkbeeld vormen van de moeie-lijkbeid dier taal. Maar enfin, mat Gods hulp en veel studeeren zullen wij er toch wel zooveel van geleerd krijgen als voor onze werkkring noodig is. Evenals een klein kind begin ik nu reeds een paar woorden te babbelen,'tot groot vermaak van deGhineezen, die als ik hun iets in 't Chineesch zeg. of wil zeggen , erg veel pleizier schijnen te hebben.

Dat ik hier in zoo'n kleine parochie woon , is maar voor-loopig om de taal te leeren. Over een jaar , als ik mij in het noodzakelijke iets kan uitdrukken , moet ik aan het werk , en krijg dan heel wat meer hooi op mijn vork, en zal dan ook wel

ocr page 43

31

wat verder van Mats-Hang gaan wonen. Nu kan ik als ik een moeilijkheid heb, nog eens even naar Mats-Hang wippen, of na;ir Kant-Schen , op slechts een halt' uur afstand van mij , waar het seminarie is . en dus ook een Pater woont.

Pater Pelicianus , heeft het, als men het zoo noemen wil, niet zoo goed getroffen als ik. Hij woont geheel alleen , en wel anderhalven dag paardrijdens van den dichtstbijzijnden Pater. Daarenboven woont hij boven op een berg, op het koudste gedeelte van Chan si, waar hst bijna altijd winter is, en geducht ook.

Pater Ouwens woont op drie uur afstand van Mats-Hang in een groote stad, doch heeft tevens nog zes of zeven christen-dorpen voor zijn rekening.

Maar ik dwaal geheel af, ik zou u iets schrijven over mijn kerk en pastorie. Mijn kerk is voor een Chineesch kerkje heel aardig, jammer, dat het zoo slecht gemeubeleerd is en 's winters zoo verschrikkelijk koud , dat de menschen het er bijna niet in kunnen uithouden.

Het Kerstfeest heb ik hier zoo luisterlijk mogelijk gevierd. Ik weet niet ooit gelukkiger en aangenamer Kerstfeest gevierd te hebben. Daags voor Kerstmis waren eenige Chireezen geheel den dag bezig, om zoo goed en zoo kwaad zij konden , de kerk op hun manier te versieren. De versiering bestond hoofdzakelijk in een paar groote lappen doek, die bij wijze van gordijn boven het Altaar werden gehangen. Voor het overige werd de kerk vol gehangen met Chineesche lampions, die in de nachtmis allen werden aangestoken. Ook vour de kerk werden eenige lampions opgehangen , en ook eenige op het feest toepasselijke texten.

Toen de versiering in en aan de kerk was voltooid , was de beurt aan de pastorie. Naast mijn deur werden twee groote lampions gehangen en aan iedere kant der deur een groot papier geplakt. Op een dezer papieren stond geschreven; „Tot lull der christenen is /dj uit het Westen gekomenquot; en op het ander : „ II)'] heeft tien jaar Latijn geleenlquot;. Hoe zij het in hun hoofd kregen, om dit laatste mij tot eer te rekenen, weet ik niet en begrijp ik nog niet.

Tegen den avond werd het feest geopend met schieten , wat geheel den nacht duurde. Vooral om li uur onder de H. Mis schenen zij hun kruit niet op te kunnen krijgen Gedurende de Consecratie schoten zij met zevenklappers zoo hevig, dat ik er bijna doof van werd. Daar er onder al mijn christenen niet een is, die kan zingen , waren de christenen daags te voren aan het zoeken geweest om een paar zangers op te snorren, want zij hadden dol graag een gezongen H. Mis. Na lang zoeken hadden zij er twee gevonden. Een organist was niet noodig , want in geheel ons Vicariaat hebben wij geen orgel.

ocr page 44

a \

Des morgens zeer vroeg waren de twee andere H. Missen « want reeds vroeg moest ik op reis om bij den Bisschop te assis-taeren in een Pontificale Hoogmis.

Ik merk dat mijn brief bijna vol is, en zal dus maar een eind zoeken, anders heb ik niets meer voor een volgende gelegenheid. Maar daar valt mij nog iets in dat gij moet weten. Ik heb reeds eenmaal gedoopt en daar het een jongetje was, heb ik hem Arnoldus genoemd naar vader z. g. Twee dagen na zijn doopsel is hij reeds naar den Hemel vertrokken, waar hij nu zeker voor u en mij aan 't bidden is.

ocr page 45
ocr page 46