ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

ICJr/iX

it*

De Kapel van het Sinte Anna-hofje

te Leiden.

d n- 'c Jr i'Uk

-Zp ^ u. )d§(gt;

Gedurende ruim zes jaren van 'i') Augustus 1 öOC) tot 31 December 1572 — zijn de kerken en kloosters onzer stad herhaalde malen door de beeldstormers geplunderd geworden, zoodat zij ten laatste geheel leeg «gesmetenquot; en van hunne sieraden berooid waren en er van de paapsche bijgeloovigheden zoo goed als niets was overgebleven.

Wij zeggen: zoo goed als niets. Want, hoe weinig ook, er is toch in die troebele tijden nog wel het een en ander gespaard gebleven, dat, onaangeroerd tot ons gekomen, nu als iets zeldzaams en daarom ook als iets kostbaars wordt in eere gehouden. Om bier niet te spreken van de kleinoodiën, die, gered uit de handen der beeldstormers. thans in ons Stedelijk Museum ol' elders zorgvuldig bewaard worden, wijzen wij onze lezers op hetgeen tot op onze dagen te zien is in de kapel van het Sinte Anna-holje op de Hooigracht, de eenige kapel, voorzoover wij weten, in onze noordelijke provinciën, waarvan het steen en altaar in onze dagen behouden bleef.

ocr page 6

Het hofje, waarin deze merkwaardige kapel is te vinden, is, znoals wij reeds zeiden, gelegen aan de Hooigracht en wel aan de zuidzijde dicht bij den Nieuwen Rijn. Daar ziet men boven de omlijsting eener poort een steen, waarop het volgende te lezen staat:

ST. ANNA HOFGEN

GESTICHT UIJ

WILLEM CLAESZ. DOORNICK

KNDE SUN HUIJSVROÜW

H1LLEGONT WILLEMS Dit. PK BRU1.IN

A0 M. IVe. XCII.

Wanneer men de houten deur dezer poort opent, komt men in eene smalle, betrekkelijk lange gang. aan welker einde zich ter rechterzijde de onmiddelijke toegang tot het Sinte Anna-holje bevindt.

Dit boije is, gelijk uit het opschrilt op den steen boven den ingang blijkt, in het jaar 1492 doftr Willem Claesz, Doornick en llillegonde Wiliems dochter De iiruijn gesticht. Door beide, echtelieden werd bij uiterste wilsbeschikking bepaald, dat er ten behoeve van dertien arme maagden ot' vrouwen gemaakt zonden worden dertien kamertjes met eene kapel, om aldaar te wonen en God in waardigen staat te dienen. De kinderen en erfgenamen van deze vrome lieden bleven niet in gebreke om den laatsten wil van de erllaters te volbrengen, en zoo zien wij hen in 1507, toen het hofje gereed was gekomen, zich met hunne Inndatie naar den Deken van de St. Panciiiskerk en naar de Burgemeesters van de stad begeven, om dezelve door het Kapittel en het stedelijk bestuur te laten bezegelen. In deze Inndatie, die door 1'rans van Mieris in zijne beschrijving van de stad Leiden wordt aangehaald, vinden wij de fondsen aange-

ocr page 7

geven, wauniit het hofje moest onderhonden worden, alsmede de eischcn voor de personen, die als bewoonsters van het hoi' konden worden aangenomen. Wanneer een kamer ol' vertrek zon openkomen, zon men daarin opnemen arme maagden ol' vrouwen, die den leeftijd van veertig jaren ol' daarboven hadden bereikt: zij moesten van goeden naam wezen, dagelijks bidden voor do stichters van het hof, zusterlijk met elkander omgaan, elkander in ziekte bijstaan en hetgeen zij bij hun sterven zouden nalaten, aan het St. Anna-holje doen blijven.

Wat de kapel betreft, die gelijktijdig met de dertien kamertjes is opgetrokken, daaromtrent was er blijkbaar geschil gerezen tusschen den Deken en het Kapittel van de St. Pancras ter eene zijde en de erfgenamen van Willem Claesz. en llillegonde \\ illems dochter ter andere zijde. Immers wij vinden melding gemaakt van een verdrag, dat in 1507 tusschen beide partijen is gesloten en waarbij alle geschillen ter occasie van eene kapel of bedehuis binnen de parochie van Sint Pancras worden bijgelegd. In dit verdrag lezen wij o. a.; dat men de kapel nimmer in grootte, breedte, hoogte ol' lengte veranderen zou, dat in de kapel een altaar zon mogen geconsacreerd worden en mis gelezen met gesloten deuren op de Zondagen, de feestdagen van Onze Lieve Vrouw, de Paaschdagen, Pinksterdagen, St. l'ancrasdagen, leest van Kerkwijding, Kerstdagen en op andere heilige dagen, wanneer in de parochiekerk voor de Hoogmis zou gepreekt worden, maar dan toch altoos onder zekere bepaalde voorwaarden. Verder mocht er niet gepreekt, biecht gehoord, begraven ol' met een klok geluid worden.

Uoch wij vreezen onze lezers reeds al te lang beziggehouden te hebben met de geschiedenis van het hofje zelf; het wordt meer dan tijd, dat wij tot ons eigenlijk doel komen en de kapel bespreken, die van den beginne af aan het St. Anna-hofje is verbonden geweest.

ocr page 8

4

De kapel, die aan den onmiddelijken toegang van het hofje ligt. is een hall' rond gebouw, niet ongelijk aan liet priesterkoor van «ene kleine kerk. Haar zoo uitwendig ziende, kunnen wij haar het beste vergelijken bij een van die kapelletjes, welke men veelvuldig in katholieke streken langs de wegen aantreft. Zooals men aanstonds bij den eersten oogopslag bemerkt, heeft de kapel nog kort geleden eene belangrijke vernieuwing ondergaan. Wij hebben deze te danken aan de vrijgevigheid en den kunstzin van de regenten van het hofje: den beer P. ,1. de Fremerij, oud-wethouder van Leiden en na diens overlijden aan zijne dochter, benevens aan Ur. L». G. \V. Muller Massis, predikant te Groesbeek, die de restauratie van dit monument aan den heer W. C. Mulder, architect ter dezer steile, opdroegen.

Na het uitwendige van de kapel in oogenschoiiw genomen te hebben, begeven wij ons naar binnen, waar wij eerst in een vertrek komen, dat met zijne bovenkamer blijkbaar ter eeniger tijde tot woon- en slaapplaats gediend heeft. Men kan dit afleiden uit de stook- en slaapgelegenheid, die hier aanwezig is. Of men daarom niet zekerheid zeggen mag, dat hier de priester woonde, die eenmaal de kapel bediende, durf ik betwijfelen. Zou er aan de kapel van het St. Anna-hofje wel ooit een priester verbonden zijn geweest in dien zin. dat hij alleen en uitsluitend voor deze kapel was aangesteld. Ik kom tot dezen twijfel ook daarom, wijl nergens eene opgave is te vinden van de rectoren dezer kapel, hetgeen van andere stichtingen wel het geval is. Ue eenige priester, wiens naam in verband met deze kapel wordt genoemd en wiens portret ook op een schilderstuk in de kapel voorkomt, is Cornelius VVillemz., maar van hem vinden wij ook aangeteekend, dat hij kanunnik was van St. l'ancras en het altaar van St. Agatha in genoemde kerk bediende.

Dan. hoe dit ook zijn moge, zeker verdient dit vertrek, als onmiddelijk toegang verleenende tot de kapel en vooral met het

ocr page 9

O

oog op (ie merkwaardigheden, di ■ het bevat, in eere te worden gebonden. Wij keeren straks tot dit verti'ek en zijne merkwaardigheden terng, om nu eerst de kapel zelve te bezoeken.

liet eerste, waarop hier bet oog valt, is bet steenen altaar, vooral hierom eene groote inerkwaardigheid, omdat dit, voorzooverre wij weten, het eenige steenen altaar is, dat door geen vernielende handen van beeldstormers is geschonden geworden en tot op onze tijden is gespaard gebleven. Het ligt niet op onzen weg naar don indruk te gissen, die dit kostbaar monument, dit eenig overgeblevene altaar uit vroegere tijden, op den niet-katbolieken bezoeker dezer kapel maakt, noch hier weer te geven, wat de katholiek bij bet zien van dit altaar gevoelt en denkt. Toon wij voor de eerste maal dit altaar aanschouwden, was bet ons, alsof gestalten uit lang vervlogene eenwen voor ons oprezen. Onwillekeurig gingen onze gedachten terug naar die tijden, toen allen, die met ons dezelfde taal spraken, nog vereenigd leefden in betzelfde geloof. Wij dachten aan de vrome stichters, die katholiek waren evenals wij, aan liet Vlekkelooze Offerlam, dat in deze eerbiedwaardige ruimte eenmaal werd opgedragen, aan de lange lijdensgeschiedenis, die de katholieke kerk heeft doorleefd, sinds dit altaar aan zijne bestemming onttrokken werd, aan de beden, die onze vaderen in het geloof in de dagen van vernedering ten hemel hebben opgezonden.

Wij dachten...... maar neen, laat het weergeven van onze

persoonlijke indrukken geen beletsel worden voor het ontvangen van andere indrukken bij degenen, die dit altaar komen bezichtigen, en laten wij nu liever het altaar van meer nabij beschouwen. Wanneer wij bet altaar, dat daar zonder trappen, gelijkvloers, voor ons staat, zijn genaderd, dan lezen wij aan de voorzijde bet volgende opschrift:

ocr page 10

6

In die eere goeds on die reijne niaghet niaria soe heeft I ghesticht en doen maken int jaer 149'2 wille claesz de brouwer en hillegöt willes dochtr sijn wijl'dese cappele mit dese Xlll camerê ö goeds willé T te wonë XIII arme vronkês va guede l'aê en naë wesende en dit ontaer is gliewijt in die eer der lieijlighc vrouwe sinte ana int jaer XVU en IX den Xl\ ste dach in Februa0

Hoven lt;lit opschrift ziet men in het midden eene nauwe opening, waarin eenmaal de overblijfselen der martelaren onder de altaartafel geplaatst zijn geweest. Deze bevinden zich nn niet meer op deze plaats. Toen wij de kapel bezochten, stond daarin een klein houten doodkistje, waarin twee aangekleede stukjes hout. Voorzoover ik er over durf oordeelen, hebben noch het kistje noch do stukjes hout eenige waarde en kan men veilig een andere bewaarplaats voor deze rariteiten opzoeken. Van meer beteekenis zijn de familiewapens, die ter rechter- en linkerzijde van het altaar mede aan den voorkant zijn aangebracht, terwijl ook de twee zware koperen kandelaars, die op de tafel van het altaar zijn geplaatst, onze bijzondere aandacht verdienen. Slaat men verder een blik naar omhoog, dan ziet men op den achtergrond van het altaar een zeer fraai schilderstuk, de aanbidding der 11.11. Driekoningen voorstellende: het is een bepaald altaarstuk, dat ook toegeslagen kan worden en zeker door eene meesterhand moet vervaardigd zijn.

Ter rechterzijde van het altaar vindt men in den muur een kleine nis met een gootsteen, die ongetwijfeld eenmaal diende om daarin het water te doen wegvloeien, waarmede het lijnwaad en alles wat in meerdere of mindere mate met's Heeren Lichaam en Bloed in aanraking was geweest, was gezuiverd geworden. Hier was dus het sacrarium of de piscina sacra. Ook ter linkerzijde van het altaar werd voor eenige weken de nis, die zich daar vroeger in den muur bevond, maar sinds eenige jaren was

ocr page 11

weggemetseld. weder hersteld. Die herstelling hebben wij tn danken aan onzen stadsarchivaris, den VVclEd. Heer Ch. M. Dozij die deze nis vond afgebeeld op eeiio teekening, door den heer A. J. Kouwels z. g. ten zijnen tijde van de kapel van het St. Anna-hofje genomen, en naar deze teekening haar wederom in haar vorigen staat liet herstellen. Hier zullen waarschijnlijk do tinnen schenkkannen gestaan hebben, die geteekend meteen V(inum) en A(qua), den wijn en het water inhielden, voor het II. Mi solt er benoodigd. Deze schenkkannen zijn nog aanwezig.

Tot de verdere bezienswaardigheden van deze kapel behooren ook de '17e eeuwsche geschilderde glazen, de twee fijngesneden houten beeldjes, die den aartsengel Gabriel en Maria de Moeder des Heeren voorstellen; verder eene schilderij, waarop de boven genoemde Kanunnik Cornelius Willomz. is afgebeeld en de altaarschel, die hier wellicht ook dienst deed ora het begin der godsdienstoeleningen aan te kondigen, daar immers het gebruik eener klok niet was toegelaten.

NTa dit alles in oogenschouw genomen te hebben, koeren wij terug naar het vertrek, hetwelk wij bij ons gaan naar de kapel, reeds even hebben gezien, en dat wij beloofd hebben nog nader te zullen bespreken. Dat deze kamer evenals het vertrek, dat zich hierboven bevindt, ter eeniger tijd bewoond is geweest, mag veilig worden aangenomen. De stook- en slaapgelegenheid wijst hierop al te duidelijk. Toch betwijfelen wij. of zulks hel geval is geweest in den tijd, toen in de aangrenzende kapel nog het II. Misolfer werd opgedragen. Veeleer zijn wij geneigd om aan te nemen, dat dit vertrek, hetwelk eenmaal als Sacristij en kleedkamer voor den priester moot gediend hebben, als woonhuis is ingericht geworden of door Willem Ouwelandt VVillemsz.. aan wien dit vertrek en de kapel van 1598 tot ongeveer 1(104 zijn verhuurd geweest of door de regenten van het St. Anna-hofje, die dit vertrek tot een regenten-kamer hebben

ocr page 12

8

willen inrichten. Zekerheid echter hiervan hebben wij niet, ofschoon verschillende voorwerpen, die nog in dit vertrek aanwezig zijn, ons in dit vermoeden niet weinig versterken. /.00 — om slechts iets te noemen — spreken de huishoudelijke voorwerpen, die hier bewaard worden, van gebruikers, welke zeker in een later tijdvak geleefd hebben, dan in do eerste helft der zestiende eeuw, terwijl ook de enkele schilderstukken, die hier te zien zijn, tot een tijdperk behooren, dat minder ver in het verledene ligt. Wij voor ons hechten dan ook aan deze later hier ingebrachte zaken zulk een bijzondere waarde niet of achten ze ten minste veel minder belangrijk, dan de voorwerpen, hier aanwezig, welke eenmaal ten dienste der kapel gebruikt werden. In de met een glazen deur afgeslotene kast wordt een kasuifel bewaard, dat de priester onder het II. Misoffer droeg. Verder ziet men hier een koperen Lavnho, dat waarschijnlijk in dit vertrek een plaats aan den muur zal hebben gehad, een koperen wij waters vat., kleine koperen kandelaars, een paar stukken kant, een lap zijde, een rozenkrans, eenige kostbare tapijten enz. Voor de waarde van dit alles moeten de hier mede aanwezige kisten en stoelen en wat er verder in latere dagen scliijnt ingebracht te zijn, wijken, ofschoon men ook aan deze voorwerpen een plaats in ilit historisch gebouw niet zou mogen ontzeggen. En hiermede, waarde lezers en lezeressen, beschouwen wij ons bezoek aan de kapel van het Sinte Anna-hofje voor geëindigd. Alvorens echter dit merkwaardig gebouw te verlaten, onzen dank aan den WelEd. Heer Cli. M. Dozij, die ons welwillend omtrent eenige historische bijzonderheden dezer kapel inlichtte, alsmede aan de regenten van het hofje, die voor de instandhouding van deze kapel zulk een bijzondere zorg droegen en ook de belangstellenden in de gelegenheid stelden, om dit gelukkig bewaard gebleven vrome werk onzer voorvaderen te bezichtigen en te bewonderen.

Leiden, 19 Jan. '96. L. STOLK.

ocr page 13
ocr page 14