ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

1

I |

{i'l

ii

'

l'f !:i

f

ocr page 8
ocr page 9

(Stan (icn Jamp;retivcz/paatae// (pyfctyyrfrci (/( // (èTlcer

den oï'Cecrc, cï'C. c). tl. TIL c^claaepman.

oT/cctjftjrcr/ct^c tis /

Heden, op dezen sehoonen dag, zoo lang reeds afgebeden, tin Gij U van eene trits mannen omringt ziet, de edelste en beste on zes vaderlands, die U in den rijkdom van Hollands tale, neen, zoat zeg ik, tn den rijkdom van talen komen huldigen, gevoelde ik maar al te zeer, dat mijne stem m dit macht is koor verloren moest paan, en toch, ik w ilde

o c'

U ook mijn loflied zingen! Toen stille schroom mij de hand weerhield, kzvam het vernuft mij een toon aangeven, die een tweeklank vormt met eene snaar in Uw gemoed, ik zon U zingen van de zalige Vrouwe, die Gij tot Zone gegeven waart, van de blijde Moeder die zich in Uw geluk verheugt; proza en poëzie wilden mij daartoe hun bijstand leenen. In proza zooals het leven dit geeft, zou ik ü zingen van ( zee Moeder bij Uwe wieg, van Uwe Moeder op den dag dat God zijn verbond met U sloot; in poëzie, die de taal der hemelingen is, trachtte ik de vreugde der zalige Vrouwe U te hergeven, die met de zegepralende Kerk God looft om Zijne werken, God dankt om de genade aan U verleent. De moedernaam zal Uwe aandacht voor deze bladen vragen, die ik met vrome bede voor Uw heil, met dankbaarheid voor wat Gij ons steeds waart, stil, bescheiden aan Uwe voeten leg.

Zeer Eerwaarde Hooggeleerde lieer, laat toe dat ik mij noeme

Uwe Dienaresse,

Francisca

Wed. Bongautz Sheets.

ocr page 10
ocr page 11
ocr page 12

Wat wel dc moeder van haar jongen zint? Een wereld in een wieg, dat is het kind'

Dr. Sciiaepman.

ocr page 13

Iquot;) JTuaustus (H44.

L'tomre fa §clnat?pman-(L a ^lsnpcffc

1' y

c unaq van baty»i ^.oon

I dc unaq

choon was het landschap, schoon als, slechts een Hollandsch landschap zijn kan, waar de gezichteinder zich tot in het onmetelijke verruimt, en de blik slechts begrensd wordt door het slanke torentje, dat opwaarts wijst, of door een groep trotsche eiken die de kruin ten hooge beuren. Hollandsch landschap! waar niet slechts de blauwe hemel zich boven het hoofd des wandelaars welft, maar waar ook in spiegelenden vliet, in beek en vijver zich een hemel opent aan zijne voeten.

Schoon was het landschap in Oogstmaands feestdos, heerlijk ook het avondlucht-tafereel. Glanzend witte wulkenkopjes, moê gedarteld op den golvenden luchtstroom, kwamen statig (drijvend als op Chernbynenwiekjes) naar het westen zweven, om een huldegroet te brengen aan de koninginne van den dag, die hnn opriep uit het schuim der zouten golven, ol uit het nevel waas waarmede de aarde zich des nachts omhuld. En de zonne lachte haar zilverlokkige gunstelingen tegen, en kroonde ze met licht en goud; en zij, hoog bloozend als in namelooze weelde, reien te zamen, buigen en zwenken, dwarrelen en huppelen en zingen een dithyrambe van het hoogste genot.

tn d

ocr page 14

In de landouwen heerschte die plechtige stilte, die het avondgebed der natuur te noemen is. Het lam had zich vredig naast zijne moeder gevleid, en het veulen had zijn huppelen gestaakt, alle bezielde schepselen strekten zich neder ter genotvolle rust, om. al genietenden, weg te dommelen in een droom van geluk.

Bloem en kruid vierden nogmaals hoogtij. Hooger verhief /ich elke plant lt;gt;p haren stengel, schooner, dieper was de kleur van bloem en blad; mateloozer en zoeter was ook de geur die zij ten hemel zonden, aleer hare kelkjes zich sloten en hare blaadjes zich vouwden ter nachtelijke rust.

Daar klonk door de heilige stilte een lied, zacht kweelend als het lied van den jongen nachtegaal, en deed de blanke duif en witten zwane den hals luisterend uit de donzige pluimen beuren. Hel was een lied dat zich harmonieus aansloot bij tie neiging der natuur in deze ure, de stemme zung:

„Sluimer mijn Zone. ja sluimer nu in.

'k Waak aan Uw wiegje met teedere min.

Rondom Uw sponde heerscht rust en heerscht vree Engelen meng'len hun zang met mijn beê.

Sluimer mijn liev'ling, hoe zoet is Uw rust.

Wichtje van zorg en van schuld onbewust, C)! bleef Uw ziele zoo rein en zoo schoon. Dan werd Uw harte der Godheid een troon.

1 leer, die dit kindje het eerst hebt bemind.

Die in zijn onschuld Uw schoonheid hervindt.

Hoed het voor al wat het oog U mishaagt, Al wat zijn adel als Christen verlaagt.

ocr page 15

7

Moeder des Heeren, Gij Moeder van God,

'k Wijd U mijn Hkrman, zijn leven, zijn lot,

'k Leg hem, o Vrouwe! in de armen U neer,

W ees hem een Moeder en koester hem teer.

Blijl hem een Moeder voor nu en altijd.

Nog als Uw Zone van 't stol hem bevrijdt.

Nog als Uw Zone hem kroont met de kroon, Die hij zal winnen, zijn deugden tot loon!

O, wat verrukking bestroomt mij de ziel.

Ach. dat het heil eens ten deele mij viel.

Dat ik mijn Zone, o, naamloos genot,

Uat ik mijn Herman zag kronen door God'quot;

Dat was het lied eener blijde moeder! — Aan het geopende venster van het vriendelijk landhuis was zij gezeten die aldus zong, en zingende tien slaap verbeidde van het blonde wicht, dat zij in het goud der avondzonne de wiege gespreid had.

Op de vleugelen van hel lied verhief hare reine ziel zich hooger, en de laatste strophe werd door haar met eene begeestering gezongen, die de oogen van den kleinen sluimeraar opnieuw deden flonkeren, maar om ze des te vaster te sluiten, na er de zoete beeldtenis der moeder nogmaals in opgenomen te hebben.

Als hel lied geëindigd was, rustte het oog der Vrouwe met onuitsprekelijke liefde op den zoon, en /ij moest zich geweld doen om de hand te weerhouden die liefkozend naar het knaapje heentrok. Geen penseel van Rafaël had immers schooner engeltje kunnen malen, als het blozend wicht, dat daar los en vrij in de wiege lag, de windselen werend, en dat zoo stout met den kleinen hiel kon trappelen en het ronde vuistje zwaaien, als hadde

ocr page 16

8

hel reeds een vijand te vertreden of te vergruizelen.. Maar bedwong die vrouwe de streelende hand, hart en oog zal zij verzadigen, drinken zal zij den stroom der moederweelde.

Dan nam zij het bidsnoer, van paarlmoer en zilver, en poogde zich tot bovenaardsche Helde op te heften. Op de balsemgeuren, die het zuiderzuchtje haar tegenluwde, wiegde zich hare geest en steeg hooger en hooger; het was immers de liefelijkste leestdag die door de kinderen der Kerk gevierd wordt, de dag waarop de Bruid des Heiligen Geestes hare plaats ging innemen als Koninginne des hemels ui der aarde. En door de fantasie vervoerd, scheen hef haar, of de blauwe hemel, die in het Westen nog in goudglans baadde, en aan den Ooster horizon reeds met zilver omzoomd was, de mantel was die der Lieve Vrouwe schouderen ontgleed, toen /ij den drempel der eeuwigheid ging overschreiden. En hooger stijgende genoot zij mede van de vreugd, die der Moedermaagd gesmaakt moet hebben, toen zij haren Zone als den Koning der eeuwige heerlijkheid aanschouwde. Hare Zone, lispelde zij, om Wien alle geslachten haar zalig zouden noemen. I lare Zone, die gesteld was tol een teeken van val en van opstanding voor velen. 1 lare Zone, met wien zij den smaad en de smart des kruises gedeeld had!

Wel gleden de paarlen der Vrouwe nog door de vingeren, wel klonk het van hare lippen: „Weesgegroet, gij vol van genade;quot; maar hare geest werd gedreven van de aarde naar den hemel, en van den hemel weder naar de aarde, waar zij de koninklijke jonkvronwe gezeten zag naast dt kribbe van haren Zoon.

Dan jubelde zij met die hoogbegenadigde, over wie God zeil de moedervreugd als een balsem had uitgestort, die haar met hemelweelde overgoot. Maar kinderlijk naiel zal zij der Heilige Vrouwe ook vragen of haar geluk niet werd verstoord door bange visioenen, die zich om de proletie van Simeon samendrongen.

ocr page 17

9

't Goud der zonne was verdwenen, de schaduwen hadden allengs breeder vormen aangenomen, ook de ziel der moeder had den invloed dier mysterieuse schaduwen ondergaan; het bidsnoer was haar uit de vingeren gegleden, en het eenige wat de wereld van het ongeziene met dit; der werkelijkheid voor haar verbond, was de krachtige en regelmatige ademhaling van het slapende kindje. Maar de fantasie tooverde om het wiegje ook beelden en groepen, die het hart der moeder beurtelings deden jubelen ol trillen. Dan ontwaakte in haar een vurig verlangen, dat de sluier der verborgenheid ook maar één oogenblik voor haar mocht worden opgeheven. „O! zoo ik wiste waartoe dezen Zone was voorbeschikt, mijn Vader,quot; zoo bad zij. ,hoezeer zoude ik hem in Uwe banen leiden.quot; En terwijl zij smeekende opzag, klonk haar eene stemme: „Zie, en aanschouw!quot; En een visioen ontrolde zich.

Het was of daar een voorhang vaneen week, en zij een blik mocht werpen in een vorstelijke halle, vol licht, vol purper en goud; en het middenpunt van dien luister was haren Zoon, het kindje in de wiege!

Daar boog zich over het kindje een ontzaglijk vrouwenfiguur, het was de Kracht, zij wond hem een gordel om de heupen; daar trad de Wijsheid toe en drukte hem een merkteeken op het voorhoofd; daar naderde hem de Geestdrift en schreef hem gloeiende letteren in de borst: daar overgoot hem de Liefde met een balsem van naamloos zoe'en geur; daar trad de Arbeid aan en plaatste hem een zegelmerk op den arm; daar kwam de Moed eu gaf hem ecu zwaard in de vingeren; daar sprak de Wetenschap: „Hij is mijn Zoon!quot;

En bij de aanraking van eiken genius werd hot knaapje al grooter eu schooner De wiege vervormde zich tot zetel, het kind was jongeling.

Daar klonk hymne eu citherslag, en het Muzenkoor kwam den jongeling huldigey als uitverkorene!

ocr page 18

IO

Vergeefs zuchtte de moeder; Jaat af, o, laat af.quot; Maar tic zusteren legden hare attributen aan zijne voeten en zongen hem lof!

En de zetel werd vorstentroon, daar verschenen monarchen van het heden en het verledene. meesters in taal, geschiedenis en kunst, in godgeleerdheid en staatsbeleid; zij kwamen hem een kroon om de slapen drukken en legden hem een schepter in de hand. Maar de moeder bad en schreide: „Neen Heer, dit alles vraag ik niet voor mijnen zoon, ik vraag U slechts, dat hij Uw dienaar moge wezen.quot;

Dan verscheen er een vurige wolk boven het hoofd des gekroonde, juichende Engelen doorstoeiden du-wolk en toonden de symbolen van het priesterschap.

Daar daalde eene trits van mannen neder. Utrechts aloude roem, een Nederlandsche Sleutelvoogd, omstuwd van gemijterde helden, waaronder die martelaar en ki ijgs-man konden zijn; en zij zalfden het hoold des voorbeschikte met Goddelijke zalving, en vouwden hem de stola op de borst.

En de moeder voelde vrees en ontzetting. Dit alles ging immers de kracht van den sterveling te boven Dan bracht /ij het grootste offer dat eene moeder brengen kan: „Neem, Heer,quot; aldus bad zij, „neem mijne Zone eerder weg in het kleed der onschuld, tlan dal hij bezwijke onder zulk eenen last. Clij, Heer, die de kinderen liefhebt, ontferm U zijner!quot;

Maar zie, het visioen veranderde. Nu zag zij een Oostersclie tuin, overhuift met palmen, en in dien tuin was de goede Meester spelende in wijden kinderkring; in zijn gordel droeg Hij bloemen uit Nederlandschen hof, 1 lem door een knaapje geboden Maar de Meester zag er moede en droevig uit. Hij droeg de wonden der doornen aan zijne slapen; dan zette Hij zich neder te midden dier kinderen en toonde hen eene krone van goud

ocr page 19

1 t

en ook Zijn eigene kroon, den krans van doornen, en Hij vroeg: „Wat kroon zoudt gij U kiezen mijne kinderen?quot; En aller oogen fonkelden voor de gouden kroon, maar de kroon van doornen deed ieder huiveren. Doch een goudlokkig knaapje, dat de knieën des Meesters omvat hield, en met medelijden naar de wonden diens aanschijns had opgezien, fluisterde schroomvallig: „Heer, geel' mij de kroon van doornen, dan zal die U geen pijn meer doen.quot; En de Meester zag met onuitsprekelijk welbehagen op dat kind, Hij zegende het, schonk het Zijne martelkroon, en zeide: „Wel ieder, mijn zoon, wil een kroon uit goud geslagen, maar die krone moet gewonnen •worden door het dragen van den diste/krans.quot; Dan zei te het knaapje zich de krone op het hoofd, en de Meester vertoonde het kind aan de ontroerde Vrouwe, die in hem haren Zoon, haren Herman begroette.

De visioenen waren voorbij; de maan had hare baan hooger bestegen en wierp nu een helle straal op het kindje in de wieg; het kindje, dat in den slaap de armpjes had uitgebreid en het hoofdje zijwaarts had gebogen. Als dan de moeder tot de werkelijkheid was wedergekeerd, knielde zij aan de sponde, waar haar kindje met licht overgoten, in kruisvorm, i»p nederlag.

ocr page 20
ocr page 21
ocr page 22
ocr page 23

\') JTuaustus 1867.

oor Utrechts gouwen zong de klok haar zilver lied, en jubelde door de blauwe lnchte van de Dochter Eva's, die door de verdiensten des Zone

g'ng zetelen in het diepste licht, en met twaalf sterren gekroond ging worden.

Maar dat zilver lied zong nog van een andere vreugd, van een ander mysterie uit 's Heeren stervenssmart geboren; het zong van een nieuwe zegepraal over het stol, van een nieuwe schepping des Almachtige, vmi den Friester des Nieuwen Verbonds, in zijn hoogheilige bediening, de voortzetting van het Eeuwig Woord, nederdalende onder tie kinderen der menschen.

Want een Zone der Kerk stond op den drempel van het heiligdom, en beidde de zalving des Heiligen Geestes om dien ontzaglijken drempel te overschrijden, en het Heilige der heiligen binnen te gaan.

I let zonnelicht goot gouden glanzen door het gewijde priesterkoor, en beden en geuren klommen steigerend hooger en vulden de gewelven.

Het orgelspel (waarin de meester der tonen alle aandoeningen hergeeft, dii- des menschen horst doortrillen) klonk zacht en bescheiden, als sprak het van ernstige

ocr page 24

13

voorbereiding, van rustige, heilige studie; om dan in een ver-rukkelijken toonval, een hand vol paarlen te strooien, als zinnebeeld der genoegens, die het leven in Gods genade, den sterveling toch immer biedt. Maar het orgel zal ook spreken van der geestdrift heilgen gloed, die den mensch elk offer als niets doet achten; het zal in melodieën zingen van een liefde die niet tot de aarde behoort, en met de liefde der Serafijnen schijnt te willen wedijveren. Dan weder zal het in schrillen klank, in steunenden zucht, in angstig beven getuigen van den schroom die den mensch bemeestert, wanneer hij den voorhang van het binuensle heiligdom gaat opheffen, en zich voor immer gaat om-kleeden met het plechtgewaad van den Priester des Allerhoogste

Maar de ziel van den sterke in God. zal de wieken wel voor een korte wijle samentrekken, maar om ze des te breeder te ontplooien. Zoo ook hernemen zich de gewijde tonen; slil ingezet, als het murmelen der lippen, maar in haar ruischende zwelling den breeden wiekslag nabootsend van den geest, die de etherkringen doorklieft; maar in melodiëu, nedeistroomend als een gouden regen die op de aarde dalen komt. .

Stil werd het ook, plechtig stil, in het huis des Heeren. Stil, als toen het uitverkoren Twaalftal den Trooster beidde. 1 leilige eerbied deed den ademtocht weer-houden, en ieder harte klopte sneller, men voelde de nadering Gods, wiens Geest weder op een Apostel ging rusten.

Dan, als was de geestdrift te lang betoomd, als stroomde de jonge Kerk voor het eerst in volle levenskracht uit, daverde het door de koren; „Tu es Sacerdos in aeternum 1quot; Tu es Sacerdos in aeternum, de hoogste kracht werd daar ontwikkeld, de metalen monden galmen het uit, als om der aarde te verkondigen dat het hoogste

o O

bereikt is; als om der wereld Ie overtuigen van een kracht die niet te breken is.

ocr page 25

•4

„Tu cs Sacerdos in aetornum!quot; het klonk in alle toonvallen alsof de donder van Sinaï dien kreet doorrolde, en of een tuinielen e Cherubijnen-stoet hem uitsehaterdr. Tu es Sacerdos in aeternnm. het was ot de helle sclicurde, cn of de hemel hare rijen citherslaande Engelen te aanschouwen gaf.

Tu es Sacerdos in aeternnm! En als die kreet had geklonken, dan verhu f zich eene vrouwe, die lang en stil gebeden had.

Tn os Sacerdos in aeternnm! als in verrukking herhaalde het hare lippen, immers de jonge Priester, wien het lied der Kerk gegolden had, hij was hare zoon, hare Herman.

Dan stond /.ij recht voor het aanschijn van haren God, en de juhelendtgt; ziel ging Hem in hymne loven.

Van den opgang mijner dagen,

Heb ik V gediend, U, Heere!

Strevend naar L'w welbehagen,

Bracht ik offers U ter eere.

'k Heb de veldbloem saamgebonden,

Die de stille dalen sierde,

Of tot kransen ook gewonden.

Als men U in quot;t Hoogtij vierde.

Later kweekte ik U bloemen.

Van de zoetste en reinste geuren.

Waarop Dietschen hof kan roemen, —

Zacht fluweel, in teed re kleuren. —

En ik fluisterde heur tegen:

„Eer gij sterft aan 'sHeeren voeten,

„Vraagt voor mij dan Zijnen zegen,

„Brengt Hem dan mijn huldegroeten/'

ocr page 26

15

Kwam de schcemring i)lechtig dalen Door des tempels heiige koren,

Dan deed ik in wijlichts stralen.

Vonken U van Helde gloren.

In het maagdenkleed, het blanke,

Vierde ik Uw geheimenissen.

Onder jubelend gedanke,

Zoete erinn'ring, niet te wissehen,

'k Mocht mijn stemme weldra meng'len, In het lied der vrome scharen, 1 )ie U zingen quot;t lied der Eng'len,

Naar den slag der harpenaren.

Wakend aan Uw deurstijl, Heere,

Smolt ik weg in liefdesmachten.

Laat mij sterven U ter eere,

Bad mijn ziel, in teedre klachten.

Ik toch kan geen offers plengen,

'k Mag Uw naam niet stout belijden, 'k Mag mij in den strijd niet mengen, Die Uw kampioenen strijden.

Maar mij klonk een zacht gefluister:

„Door u zal een volk Mij roemen,

„'t Licht gaat op uit nachtlijk duister, „De aarde baart haar Schepper bloemen.quot;

Achter d'overschoone Vrouwe,

Zacharias' gemalinne,

En de duive in zoete trouwe,

Thuring's I Icilge Landgravinne,

ocr page 27

i6

Heb ik 't levenspad betreden,

Weg vol bloemen en vol doornen, Maar door arbeid en gebeden,

Toch een weg voor de uitverkoornen.

'k Knielde naast een Bruigom neder, 't Hoofd omkranst met mirt en rozen, 'k Zwoer hem liefde, trouw en teeder, quot;t Sluierwaas verborg mijn blozen.

Moedersmart en moederweelde, Gaf dra 't leven meerder waarde. Waar de zoete hoop door speelde, L)at ik U een Dienaar baarde.

'k Had mijn wichtje U geheiligd. Biddend 't onder 't hart gedragen.

Zelfs zijns levenskiem beveiligd.

Voor al wat U kon mishagen.

Had ik niet het woord vernomen: „Door ii zal een volk Mij roemen,quot; Neen, dat was geen ijdel droomen. Dat uit neevlen op komt doemen.

'k Had het diep in 't hart geschreven, 'k Las het aan der sterren transen, quot;k Hoorde quot;tin de stille dreven,

't Bleef mijn levenspad beglanzen.

Dan zag ik mij 't blad ontvouwen, Dat dor toekomst raads'len meldde, quot;k Mocht een visioen aanschouwen, Door welks luister ik ontstelde.

ocr page 28

17

O, mijn Herman, o mijn Zone,

'k Borg het diep in mijnen boezem, *k Zag U, zeetlend op een trone. Gij, toen wichtje in quot;s levens bloesem,

Toen bad ik in de angst des harten: „Neen, mijn God, niet zooveel glorie, „Want de beker Uwer smarten.

„Biedt der ziele meer victorie.quot;

'k Zag een trits van vrome vaad'ren. (Utrechts roem van 't verst der tijtien), Tot mijn zoon, mijn Herman naadren, God, ik zag hem Priester wijden!

Kind, mijn kindje, zoet en teeder, „Wereld in een wieg geborgen,quot; Gij laagt zorgloos sluimrend neder. Maar mijn ziele zwoegde in zorgen.

Zal dit handje mij eens bieden, 't Levend Brood, der Eng'len Spijze, En mijn ziel bij 't henen vlieden, In doen gaan ten Paradij ze?

God, wat wellust en wat pijnen.

Zijn mij soms door 't hart gevaren. Zefierkus en snerpend schrijnen.

Sloeg mij langs der ziele snaren.

God, mijn God! O! 't Is gekomen Wat het visioen mij beeldde,

quot;k Voel mijn harte nu bcstroomen, Met der heemlen reinste weelde.

ocr page 29

]8

Priester is mijn zone Herman !

Hem heeft quot;t lied der Kerk geklonken,

Het: „Saeerdos in aeternum,quot;

God, mijn ziele is vreugdedronken!

Priester, Priester! Hij, die Zone!

Die een wereld kon doen luist'ren,

Toen hij zeng van dc *) Overschoone,

Die voor immer hem zou kluistren. |

1

'k Wil U voor dien Zoon nu vragen, |

't Koningspurper der martelie, |

Laat hem kruis en harnas dragen, |

Maar omzvviert met roos en lelie.

Wil een kroon om 't hoofd hem buigen.

Maar een kroon van hooge waarde,

Waar de hemelen in juiehen.

En die licht spreidt hier op aarde;

Blijf hem met Uw heil verzaden,

Blijf hem met Uw gaven sieren.

Laat ik me in Uw blik nu baden, En den jubel met U vieren.

Aldus voltooide de jongeling, die zoo even in de rij der Priesteren had plaats genomen, de laatste strophen zijner moeder. Dan leidde hij haar met liefdevol omarmen \

buiten de woontente des Heeren, begeerig als hij was in \

die trouwe moederoogen zijn geluk te zien weerspiegelen. t

En de moeder vleide zoo volzalig het hoofd aan de borst des jongen Priesters, en ving den fisren harteklop

') Hij die den Paus zingt, zingt ook de Kerk, vvcir Hoofd hij ib.

ocr page 30

19

van dat moedig en beminnend hart. Dan zocht haar blik het oog des Zone, en oog in oog, het aanschijn bedauwt door vreugdetranen, fluisterde zij den jongeling tegen: „Tu es Sacerdos in aeternum.quot; En hij kustte het voorhoofd der stralende moeder, als wilde hij van zijn verbond ook op haar hoofd voor immer het zegelmerk drukken. En aan dien blik vol heilige liefde gaf hij een vaste plaats in zijn zieleleven; als twee vriendelijke sterren zullen die trouwe oogen geheel zijn levenspad beglanzen, en altijd zal hij er in lezen „Tu es Sacerdos in aeternum.quot;'

ocr page 31
ocr page 32
ocr page 33

Vzonxve tófiaatfflfa c^cfoaepmatv-'. Sa (S^loapclfc en de Xcc|ej3rafcnde c'aerlï,

bij het Zilver Puifster-vJ l bi i.i ;l m

van

9oc\* SKI 3. (Ü. W. ScLcpwan.

(iJ-ns-r.) A.XJOXJHXUS

Seminarie RIJSENBURG.

A nrls-Bk'lom UIrecld,

I.

st.wiLUBRORDi de hiTctlf golven druischen,

Brekend op het blonde zand, Waar ik 't heillicht heb ontstoken, Waar ik goden heb gebroken. Waar ik 't Kruis heb ingeplant, —

In het lage, groene land,

Hoor ik beden murmlen, ruischen,

Moor ik zangen schaatren, bruisen.

Van de grenzen tot het strand!

üomi .u lus. Neerlands volk heeft stof tot juichen,

't Jubelt in zijn Roem en Kroon Herman Joan, Schaepmans Zoon.

Laat ons opgaan tot den troon,

En dc knieën dankend buioen.

ocr page 34

Rei van Utrerhts Utrechts Bisdom, jubel luid;

n.ii. i^iss. en Waar wij werkten, waar wij leden Ma^,• Schocu dit Licht zijn stralen uit,

Op den grond, door oiib Detrcden Heeft dien jongen Held gt;estreden Voor den Cliristus en Zijn liruid.

Jubel, nu een schoon verleden Zich aan 't heerlijk heden sluit.

Dat op rijker krone duidt

Dan de tijd hem nu mag smeden.

Rei van Maagden Verder dan de grcii/en reiken. Herman uit Nederland. (sciiaefman, reikt Uw rOClTl.

Wat al bloemen er ook prijken —

In den Hof der Moederkerk, —

Weinig bloemen U gelijken.

Tegenzang. Neen, gCCU bloem

Is meer zoet, meer rein, meer sterk 1 Schoon, in 't gloeiend zonnelicht Fier ten hemel opgericht,

Voor geen enklen storm gezwicht,

Is Zijn ziele, in 't witte kleed,

God een bloeme, blank van kleur,

Die wat tocht haar siddren deed Zoeter werd van geur.

De Engel der Als een aadlaar. breed van pennen,

slt;liooi Tm.mas ^af»; ik hem naar boven rennen,

van Amuina. Drinkende van 't licht der zon Toen Zijn jonkheid eerst begon. Morgenlicht en oostergloren Kon alleen die ziel bekoren,

Die in God slechts leven kon.

Gode wil hij kennen, eeren,

En hij zal Hem kennen leeren Aan de hoogste wijsheidsbron!

ocr page 35

Thomas Als het lam,

v. Kf.mfkw j).^ iangS frische beek gaat weiden, Herman Joan, liet ge U leiden In het voetspoor van Uw Heer, En gij vondt Hem immer meer. Niet slechts langs de rozendreven Waar zijn genr U tegenkwam, Maar den berg op van het leven. Waar de steilte 't hart doet beven.

Waar de afgrond huivering wekt, Zoudt ge Uw Meester nader streven. Zult Ge heel U zclven geven,

Aan de Liefde, die U trekt.

Theologanten tut de Levieten o|) Rgsenburg.

Rei van gezaligde Heil! aan U, Levictenscharen,

Die in hooge zielevreugd,

Naar Uw voorbeeld op moogl staren. Naar don Leidsman Uwer jeugd, Naar den Meester, rij'c in deugd; Looft Uw God, met stem en snaren.

Rei van gezaligde Looft Uw God, en wcest verheugd! Levieten tot de Zulk een Meester te evenaren, studereende te js jiej_ llt;loekste pogen waard, Kijsc-nbiirg. Qp zjjn wieicsiag heen te varen,

Los van de aard,

Tot der ziel de neevlen klaren,

't Oog in 't onbewolkte staart. Op zijn harpslag God te loven,

't Gaat der aardsche vreugd te boven, quot;t Is het heil der hemelhoven;

Neen, geen pogen dan gespaard. Volgt Hein na in quot;t stout belijden,

ocr page 36

23

In den arbeid, en in 't strijden,

In de liefde bovenal,

In de liefde, die na quot;t lijden Heerschen zal!!

Paus Adriaan vi Utrecht, mij in 't hart geborgen,

};eb. te Utre«ht Waar mijn eerste levensmorgen, OI) 2 M'l ut Door de donkre wolken loeg.

Wolken van de bangste zorgen,

Zwarter als het zwerk ooit droeg. Als ooit lentezon verjoeg.

Utrecht, dat ik heb gedragen.

Door de wereld, op den troon.

Uit het dreigend wolkenjagen,

Flitsten bliksems, vielen slagen, Gruizelend U Bisschopskroon Maar ik heb voor U gebeden —

Stad, waar de asch mijns Vaders rust, Stad, van zooveel teederheden,

Waar me een Moeder heeft gekust, 'k Zag U weer in luister klecden.

Weer, Uw hooge roep bewust. God, die mijn gebed verhoorde,

U, den dank! —

Zing Zijn goedheid lofakkoorden Cymbelslag en harpenklank —

Op den dag dat 't licht mij gloorde;,

't Eerste levensmorgenlicht,

Zag ik nieuwe vonken jagen Uit den eeuw'ge zonnewagen,

Carpineto, groette 't wicht Dat voor de aard len naam zou dragen „Hemellicht f'

| (1 of 1 Maart). In het twijfelachtige de vrijheid, zofijt de H. Aur.usTixus. veroorloof mij dus aan 2 Maart de voorkeur te geven, daar l'ans Adriaan, Z. II.Lko en Dr. Hl hman Sciiaf.I'MAn alsdan op ren dag aan de wereld geschonken werden.

ocr page 37

24

Alleluja !

Uw genade komt Uw volk al naderbij

In hetzelfde eeuwgetij,

Strooit Gij sterren, schept Gij zonnen, — Vaste Gidsen, Wijsheidsbronnen,

Stavende Uw Heerschappij!

Neerland zoudt Gij ook gedenken. Neerland ook een Lichtbaak schenken Die den eerste levensdag Met een Leo vieren mag.

Maar nog meer, die wij zien blaken Voor zijn Kerk, voor 't Volk zien waken. Brandend van eenzelfden gloed Die een Leo stralen doet.

Neerland, loof en prijs den Heer,

Breng Hem in Zijn Dienaar eer!

Alleluja, Schaepmans zoon.

Is mijn Land en Kerk een Kroon!

Rei der gezaligde God, zoo wij ook mogen zingen boetelingen uit I3ie van U genade ontvingen,

den tijd der bdaa(inen met een schuld

Reformatie. Qje ons n0g met rouw vervuld;

Dan, dan stemmen wij te zamen In een jub'lend, dankend „Amen ,

Waar men Herman Schaepman looit; Die in ijver nooit gedoofd

Tracht te wissehen onze vanen.

Tracht te eff'nen paden, banen, Die herleiden tot het Huis Dat bekroond is met het Kruis.

Als de scheuring is verdwenen,

Als Uw kind'ren zich hereenen. Dan valt ons de sluier neer;

ocr page 38

Dan, dan zien we Uw aanschijn Heer! Ach verhaast, verhaast dit uur,

Zend op aard toch 't liefdevuur!

Martelaren van In den nacht der zwarte daden

(Jorcum cn an- yjel op ons een lichtstraal neer,

deren tijdens de ai i • i • i ji

. Als wn daar de ziel in baadden

Reformatie. , r i , i i i

Voelden we ons van kracht verzaden,

Martelglorie, martlaarseer

Speelden door dien lichtstraal, Heer!

't Dierbaar land, het land der vaadren Dronk het purper onzer aadren.

Ving ons bloed. Maar als paladijnenstoet

Gingen wij den trone naadren; quot;t Koningspurper, hoog van gloed En de kroon uit goud geslagen Gingen wij door de eeuwen dragen. Neen, ons bloed, dat heeft geboet.

Doet geen nieuwe veete dagen, quot;t Roept, en 't blijft genade vragen; Want wat klove ook broed'ren scheidt,

Zij zijn kind'ren van één Vader Die hen de armen tegenbreidt.

Zie, den dag des heils komt nader, God zond Zijn Gezalfden af,

Niet in dreigen, niet in straf,

Maar met liefde in hart en ader. Die hem hooge wijding gaf.

Hekman Joan, Neérlands stoet,

Van gezaalgde martelaren,

Wuift U, heil! en broedergroet,

ocr page 39

26

Doet het lied U tegenvaren:

„Hekman Joan wees gegroet,

„Moge U, God, voor Neerland sparen, „Herman Joan wees gegroet!!quot;

Heel de hemel ruischt van zangen, Om dien Zoon van Nederland,

Die een sier is van zijn stand.

Priester, Leeraar en Belijder,

Dichter. Staatsman, wakker Strijder, Onverschrokken Paladijn,

Stralende in Gods zonneschijn.

O, mijn hart brand van verlangen. Mocht ik aan de borst hem prangen. Van die gulden lippen vangen,

Heel den goudstroom die daar vliet; Voor een enkel, enkel lied,

Gaf ik gaarne bundels zangen.

Want, wat lof de faam mij biedt.

Neen, zóó zuiver zong ik niet.

Hooge geest, nooit bleelt Gij zweven, Boven poelen, grauw van damp.

Waar de blanke bloemen sneven; Neen, ge ontsteegt het aardsche kamp.

Om de lier in 't licht te doopen, Keerdct Gij tot de aarde weèr,

't Vleugelpaar van goud bedropen. Dan, dan vielen paarlen neer.

O, hoe prangt mij quot;t zoet verlangen. Mocht ik U in de armen vangen. En U dragen in het licht Stroomend van Gods aangezicht. Om dan samen God te loven.

Want Zijn schoonheid gaat te boven

ocr page 40

27

Wat in dichterbrein uoit klom;

Kom, o! Zanger, kom, o, kom!

Aan mijn voeten zat hij neder In zijn eerste blonde jeugd;

Hekman Schaepman, 'k zie U weder, Kind in eenvoud, man in deugd;

Met een harte trouw en teeder,

Maar in vorstelijke kracht Als geen zoon van dit geslacht.

't Scheen of 't bloed der Batavieren Weer die aadren door mocht zwieren, 't Scheen of d'ouden heldengeest Zich bekleedend met dien leest, —

Weer op aarde rond kwam waren Om te strijden voor zijn God,

Om in 't tarten der gevaren.

Om bij 't stormen van het lot

De eeuwge Wijsheid te openbaren Die zich uit in 't hoogst gebod.

'k Heb voor 't kleine Land gebeden Dat mij zulk een Zone zond.

Hij, die naast zijn broed'ren stond. Die met andre waapnen streden.

Maar wien de eenen band verbond;

„Trouw aan God, aan Kerk en zeden, Trouw aan den Geboortegrond!quot;

Neerland, jubel in Uw zoon,

'k Zag den Doctorshoed hem sieren, Eik en lauwer dien omzwieren.

Kunst en Burgerdeugd tot loon.

Zie, nu buigt de Bruid des Heeren, Om zijn blanke trouw te eeren. Hem om 't hoofd een Zilv'ren Kroon.

ocr page 41

28

Cardinaal Maar die kroon draagt meerder glanzen Manning. Als het zilver bieden kon,

Kroon waarom de vonken dansen, Kroon gesmeed uit quot;t licht der zon Die, Gerechtigheid gcheeten.

Stralen schiet.

En den arme, lang vergeten.

Hope biedt!

Heil hem die den dag doet rijzen, Die de schaduw ondervangt Die nog over 'tmenschdom hangt;

Straks zal alle volk hem prijzen. Als zich 't breede licht verbreed, 't Menschdom zich in luister kleedt. En langs zonnebanen treedt.

Vereenigd Laat ons opgaan tot den Heer,

Loflied. Looft Hem, alle volk en talen.

Alle lof keer tot Hem weer;

Hij, zend licht in duist're dalen,

Held're fakkels doet Hij stralen.

Looft Hem, immer; immer meer!!

rH

m

ocr page 42

29

t^'od, tn ÓKceifijlifecid.

II.

In het licht van eigen stralen,

Op den troon die luister schiet.

In een glorie niet te malen Die zich eind'loos overgiet,

Waar elk schepsel door geniet Levensblijheid, levensweelde.

Als geen droom ooit Dichter streelde. Als geen zanger in een lied

Ooit het luistrend oor herteelde, Als geen zwijmelbeker biedt,

Zetelt Hij, - die onbegonnen Troont in hooge heerlijkheid Die Hij zeil zich heeft bereid,

Zetelt de Oppermajesteit;

Wat zijn bij Haar aanschijn zonnen? Fakkels zonder lieflijkheid.

't Aanschijn Gods. het is dc schoonheid. Die zich duizendmaal herbeeldt,

In het oog dat zoet gestreeld

Zich in 't vol genot mag baden,

Maar in de eindelooze eeuwigheid Zicli den blik niet zal verzaden, Schoonheid die zich mededeelt,

En de hoogste liefde teelt.

Liefde, die geen ander leven Leeft, dan quot;t leven van haar God. Kweeker van haar hoog genot,

Liefde die zichzelf moet geven,

ocr page 43

3°

I)ic van weelde sterven moet;

Maar die ook den laatsten gloed

In zijn vonk weer aan voelt gloren,

Door Gods adem naamloos zoet Die de vonk weer vlammen doet.

Sterven en opnieuw geboren Tot des levens overvloed,

is der zaalgen toebeschoren Die zich in het schoon verloren Dat de Hoogste Majesteit Uitstraalt, en verbreidt!

^DcOiuce Cofisak'lln ^ckacpmcm-1^ a Orlnaplfc.

Voor den troon, omstuwt van Eng'len Die met harp ot citherslag

Zich in 't lied des zaalge meng'len Die daar zingen mag,

Zong een Moeder 't lied der eere Rein en teèr,

Lei een Moeder, voor haar 1 leere,

Goud en wierook neer.

Goud en wierook die haar Zone Voor zijn Schepper gaadren mocht Die hij voor zijn arbeid kocht.

Die hij vroeg als 't eenig loone Dat hij zocht.

Goud en wierook, zong de Moeder,

Boden Koningen U aan Met de myrrhe, goede Meester,

Van des levens droetquot; bestaan.

Goud en wierook won mijn Herman Voor zijn Koning, voor zijn Heer, quot;k Leg, mijn God. zijn rijke gave Juichende aan Uw voeten neer.

ocr page 44

31

Goud en wierook won mijn Herman

Waar hij voor Uwe eere streed,

Myrrhe heeft hij ook gewonnen Onder 't vlijmendst zieleleed,

Maar in dit oneindig Eden

Offert men geen myrrhe U meer, quot;t Myrrhekruid heeft hij behouden. Tot zijn eigen heil, o, Heer!

„Maar ik bied U nog een roze,

Roze, hem aan 't harte ontgroeid,

Maar ik bied U nog een lelie,

Naast die roze opgebloeid,

Dan nog draag ik vele bloemen.

Die hij kweekte te Uwer eer,

Zoo het mij vergunt zal wezen,

'k Strooi ze voor Uw trone Heer,

Knielen zingen: Strooi, o moeder, strooi de bloemen.

Strooi ze voor des Heeren troon,

Igt;lijde moeder, die kunt roemen Op een Zone, als Uw Zoon.

Zij strooide de bloemen op 't maatgeluid. Dat zong: „O moeder strooi bloemen uit, 'gt; Zijn schoone bloemen van zoete geur, 't Zijn Dichterbloemen in blanke kleur; O, blijde moeder, strooi voor Uw Heer, De bloemengaven Uws Herman's neêr.

Zij strooide bloemen zoo rijk zoo schoon, 't Was 't heele leven van haren Zoon, Der r.nschuld bloeme, der liefde bloem, De bloem der trouwe, den krans van roem,

ocr page 45

32

Des Priesters bloeme, een lelievat, Met keurgesteeuten als overspat. De Passiebloeme, 't Vergeet mij-niet,

Dat zij bij 't scheiden hem achterliet.

Maar breed en breeder ontplooit zich t koor, De zangen schallen de bogen door. En ondervangen door andren toon,

Zijn quot;t zanglcstoenen, om bloementroon. De schat der bloemen zij mindert niet.

Maar smelt te zamen met 't Englenlied; De tonen nemen de bloemen op,

De bloemen stijgen met 'l lied in top. De bloemen golven van kring tot kring Zooals de toonval ze ving en ving,

De zangen rollen in bloemen voort, De bloemen zingen een lotakkoord.

De Serafs wiegen op bloemenkrans. De Cherubs dansen een bloemendans. De Cherubs strikken een bloemenkleed Dat om de schoud'ren der Vrouwe gleed; Dan buigen Eng'len, zoo wonderschoon,

Van 't goud des Zone der Vrouwe een kroon. De rei van zangers met elpen lier.

Stemt nu de luite in hooger zwier.

Wat al schoonheid 't oog ook kluister Het is luister van Uw luister,

Zonder U is alles duister.

Alles dood.

Wat al licht in 't hart komt dalen God des lichts, het zijn Uw stralen.

Die Gij eindelooze malen In Uw scheps'len overgoot.

Komt de liefde quot;l harte streelen,

ocr page 46

33

Doet fle vreugd de gorgels kweelen,

quot;t Is Uw hart dat uit gingt deelen

W;tl het eeuwig in zicli sloot,

quot;t Leven dat de zaalgen leven,

is geen eigen leven meer,

quot;t Is Uw leven, dat Gij uitstort,

en weer opneemt, eindloos weer!

God Uw borst van wellust zwanger Teelt den zanger,

Opdat hij U smaken zal Met Uw zoetheid.

Met Uw goedheid.

Met Uw schoonheid, bovenal!

Maar die schepping, zij zou kwijnen Keerdet Gij haar 't aangezicht.

Blijf Uw zangers tegen schijnen,

God van Licht!!

Bazuingeschal komt l lied der zangers storen.

Het kondt de naadring aan.

Der Heil gen schaar die 't HollaiuUrh hed doen hooren. En op, ten Trone, gaan.

De breede toon der mannelijke zangen.

Vult lt; ra gewelf en boog.

Der edelen stoet met hemelpraal omhangen.

Verblijdt zelfs t EngMenoog.

Daar komen ;:ij in Hollands tale zingen,

Al zong hun moeder soms in andren klank.

Daar komen /.ij zich voor Gods troon verdringen.

En brengen hem om Hollands Zone dank.

ö

ocr page 47

34

Daar groeten /ij Elisabeth, de moeder

Die voor den I roon in 't kleed van bloemen staat. En allen geven lof den Albehoeder,

Wiens liefde en trouw de volken gadeslaat.

van St. wil ij

BRlt; gt;KDrs.

Zij wuiven God met hunner zegepalmen,

Een ruiscliend lied, een paarlen melodie, Die aan den klank der breede lofpsalmen. Zich huwt in hooge, in scboone harmonie.

lof] saim Wij brengen dank den Koning der heemlen. Die troont op aller hoogtentop.

Maar die de zijnen kent die daar beneden

weemlen.

Zelfs in huns harteklop.

van

'.'.üs

\|gt;KI \A\ \ I ,

.oOang Hij ziet zijn volk, als quot;t bidt in doodsgevaren, Hij ziet het ook, als 't ijdel Hem vergeet. Als wolken schuld zich dreigend saam vergaren. Dan scheurt Zijn zon dat grauwe dooden-

kleed.

Koor Hij zendt Zijn volk, wen vreemde lege rs van naadren

ll' ll'Klt;quot;' Wier stoute lens reeds vreeze wekt.

Een 1 leid, een zoon naar d'aard der helden-

vaadren.

Met Machabeeënbloed in de aadren. Die sterk in Clod, den vijand tegentrekt.

Pu |X Heil, Herman, Heil!

Gij /ijt van God gezonden,

Heil hen die volgen waar Uw standaard wenkt,

ocr page 48

35

Wat reuzentaak ge U ook hebt onderwonden, Hoe weiflend soms dc zege zwenkt,

De dag breekt aan, die de overwinning schenkt!

Koor van geza- Zegen de vane ontrolt door Zijn hand, ligdeNederian- Zegen haar. Heer.

ders. Maak van ons Neerland in waarheid Uw land,

7 Land Uwer eer /

Zalige Canish s. 'k Breng U een veder, met gouden schacht. Een blanke veder, zoo vol van pracht.

Monseigneur 't Is Herman's veder, gewet ten strijd,

Smits. De gouden veder. Uw dienst gewijd.

Alhkuuinok Aanzie dit wapen, en zegen het,

1 hum. Dit blanke wapen, zoo onbesmet

Koor van geza- Dat nieuwe glorie

ligde Die veder wacht,

Nederlandsrhe God der victorie.

Schrijvers. In Uwe kracht.

Zij zegevieren in quot;t oorlogsspel,

Ais quot;t vlammend wapen van Michael!

(iod, /lende „Zwijg, zang'ren zwijg. De wierook geurt mij het Dankoffer tegen,

van den Jubilaris. Het offer ving in 't aardsche heilig aan. Hij, die 't Altaar tot off ren heeft bestegen In quot;t Bruiloftskleed, zal zeil ten offer gaan.

ocr page 49

3^

Ik wil elk woord in 't minnend harte drinken,

Want ja, mijn harte mint, het mint dien Zoon; Op aard zal ik hem in den boezem zinken.

Hier is mijn hart zijn wijkplaats, ja zijn woon!

Ik zie me als kind in Bethl'hems stalle weder.

Mijn Herman juicht in 't lied der Eng'lenschaar,

Nu streelt hij mij, zoo teeder, o! zoo teeder.

Ik wordt zijn streeling en zijn kus gewaar.

Hij volgt mij waar ik 't rijk mijns Vaders kondig. Hij waagt zich op der baren wild geklots.

En hij belijdt, met Petrus, mij volmondig:

„(ïij zijt Gods Zoon. Gij zijl de Christus Ciods.'

Het Credo springt met kracht bij hem uit de ader,

llii ziet mij aan en zegt: .Gij weet het. Heer!quot;

|a, trouwe Zoon, Gij kwaamt mij altijd nader In vol geloof; geen afstand scheidt ons meer.

't Hosianna schalt, toch voelt hij quot;t hart zich beven. Het palmgewuif verbergt geen Golgotha,

Ter Paaschzaal zal hij zich voor de eeuwen geven En Ik geel mij, door de eeuwen, uit gena!

Hij volgt mijn spoor, geen smart zal hem vcrschrikkci Wat deert het hem den Meester naakt te zien.

Schoon zijt Ge, o. Koning! — roept hij — voor mijn blikkc Dan buigt hij quot;l hoofd tot op mijn wank'leu kniecn.

ocr page 50

37

Hij zal, om mij, dc striemen niet ontvaren,

llij biedt dc wang als mij een kaakslag dreigt,

1 lij zal den gang ten kruisberg zich niet sparen.

Hij vangt mijn hoofd wanneer 'tzicli, stervend, neigt.

ja. Herman, ja! 'k wil aan l'w boezem rusten.

Uw trouwe borst, van iedre zelfzucht vrij,

Ü, Zoon, mijn Zoon, geniet de hemellusten.

Proef Uwen God, op dit Uw Jubelty!

Neen stoor mij niet in dit zoo zoet omarmen.

Houdt d' adem in, o schaar die mij omringt. Hij poogt mijn koude door zijn gloed te warmen,

Bij 't offer van zichzelven, dat hij zingt.

Genoeg mijn Zoon, het is genoeg geleden,

Hes Kruises offer is opnieuw gebracht,

't Ontsloot, hem die gelooft, dit heerlijk Eden,

Zie op, mijn Zoon, aanschouw wat U hier wacht!quot;

En 'toog bedauwt, dat met Joannes weende,

/iet op, en blikt in 's Meesters aangezicht,

Waar liefde en lacli het hoogste schoon aan leende En ziet Zijn God, omgolft van hemellicht!

Der moedermin wil ook de Konins: eeren.

Der Vrouwe breidt Hij mede dc armen op', En beiden luist'ren aan de borst des Heeren,

Naar 't lied der liefde: „Jezus' havteklup.quot;

ocr page 51

38

En Zoon en Moeder smaken zaligheden,

En lisp'len saam, van 't heerlijk lot,

Dat door gena, en arbeid, en gebeden. Den sterv'ling wacht, in God!

De bloemen hernamen haar sierlijken dans,

quot;t Gewelf ook glinstert in liefdeglans,

De luiten kweelen der liefdetaal.

De wierook dwarrelt uit gouden schaal, De lach des Konings is aller lach. Een liefdehemel, een Bruiloftsdag.

De moeder zuchtte; „Ach, bleef 't zoo. Heer!quot;

Toch gat ze, om Neerland, haar Hekman weèi

En Neerland groet Hem, zoo fier, zoo blij. En prijst Jehova, om 't Jubeltij!

ocr page 52
ocr page 53

VERBETERING.

Lees op pagina 9 aldus:

het bidsnoer was haar uit de vingeren gegleden, en het eenige wat de wereld van liet ongeziene nog met, enz.

ocr page 54
ocr page 55
ocr page 56
ocr page 57
ocr page 58
ocr page 59

■

lp

II

ocr page 60