*r y
'0%
â gt; '3? \ gt; ?
gt;â ^ lt;gt; - ^ i
gt; ^ gt; 5
7 ^
gt; v
; s quot; â ⢠? -
gt; gt; l gt; gt; '
:â» âgt; gt; !gt; ^
7?
v) 7 â¢' â]
. gt; J
^ gt; gt;7 7
gt; gt; » 'â v.
gt; gt; ^ ogt; 5
^ Jgt; . gt;^
gt; gt; -gt; gt; -
ogt; gt; ''/â gt; 'â gt; oi \ -) gt; gt;
: w%- ^
y \ gt; ) 7 -
W â :ï; r â gt;; - gt; â¢. /
: s
5,:.
gt;0 ? âgt; gt; â
ygt;lt;; ? ? lt; 'â â¢
â )gt;gt;. )7 ^ 1 ^ ^ ?
) gt; 2 t? ^ . gt; ^ p /
gt; rgt; ^ ; o ? -?
^ r ^ quot;
gt; ^ ; gt; y ' -gt; gt; ; , ^
:, gt;' \ , 7
⢠o gt; , gt; ^ â¢-, â '
^ . )gt; ;^
⢠7 . gt; gt;. 7
gt; ;-, ^ ^V-, , 7
~y ~gt; , - â )gt; )
?
?gt; â o
97 ?â¢.gt;â¢'â¢ââ gt;
gt; t*?
'T? gt;S 'f,7,
gt;7 â gt; :/'? v,ijgt; 7 lt; ) -gt; \ -7
'â s gt;quot;gt;
5 O ^ ;
, gt;) gt; y\^ y
? 2 V -. ^gt;.
'â gt;7 V?* gt;
gt; gt;gt; SJl )
. ;.P^
, - Tgt;2£ ? . ; â gt; ;
;gt;gt;gt;â gt;gt;
1 gt;JL^
1 ' -, gt; gt; quot; ^ \
i 1
gt; ' gt;p
^ gt; quot;
' -â ; - /.........gt;
O''quot;, gt;' T»
â¢'^ )v^; /
:; ^ tl \ gt; V-) gt; S'gt; -
0^\ y \ â gt;
^ ??;: f ;S'' ?£'â .
?gt; - o gt;
% vgt;gt; , gt;gt; â â gt; gt; ;â ?
ygt; i) )^)
4 ;gt; ^ ?
i , 5) ^ £ ?
^ ^ 1gt; ^ â ?gt; ' ; gt; ' ^ ^ gt;
Vgt; !quot;
'3 ? gt; ^ :
rgt;\
y gt;
v
?i ?, ^
-4 ., ^ -gt;!gt; ^ , . 5» ,
â ,1\ 'gt;\'
\ Vgt;
\ ^ - â¢
â gt;gt;
â¢gt;gt;⢠gt;-gt;
â C, °gt; '
viV - v.
1 ^
Jgt;^ , gt; gt;
gt; gt; / , -5 ^
VV) ^
v-)^ ^ igt; ^. ,
lt;
'; gt; â ' iJl ,?gt; % 7 ^ » -gt;
, . ^ ^ gt;⢠-5gt; 4
â ',v
*» gt; gt;
ygt;i â .
; .â ni -gt;-
' quot; /V^
^ : , 7''
â
â gt;
^ Vv» ' ^ ^ \
^gt; \ -gt; -gt; :gt; ^ V) ^
â gt; VV O v
^ ^ i\
^ gt;?? 7 quot;
lt; r gt; :
' -»? 4 - %
i\' \ ** f. a % % \
ogt; ' ^ ^
gt; gt;, ^ 7. ^
1gt; gt; gt; ^ s. ^, ygt; \ ~y \ ,. x?
quot; y)^ . â â gt;
⢠:j â . gt;
â¢))gt; ^ â .'⢠gt; o
';?T^ -
^ rquot;»
' gt;gt;__ , vrrgt;
gt; JJ gt;gt;
,gt; ^ -. 7 ö V. \
o ^ Zgt;
^ quot;V ^
^ ygt; gt;
:0 ; fy gt;\ ; }gt;
T ^
i gt;y -, gt;tgt;
; t ^ â 1 gt;gt;
gt; iv^ \ ^
v ;â ,', ;
^ ' 7 gt;â¢
, b ; V ? gt; â ; â
^ ^ V ^ 7 ^ 7
!gt; ' 5 gt; ^ ^ -?
? ? i % ? i'.
â \ ? I %â - ?
i * rgt; ^-gt; r ^
» -gt;7 ^ gt;7^
? - V '^ '?
quot; \ y gt;
^ 7 ^ 1
V gt;' .^ -
^ ~gt; X *»⢠\ ^
gt; -1, â â ) - (A
rgt; â v. ' gt;' gt;gt; 5 gt;
gt; v gt;?-gt;:
gt; v O â¢* -' â gt; gt; -. ,0 '
^gt; -\ 'gt;gt; ' \ o)^gt;
l v;gt;
-.gt; lt; â â¢, 7 , ; .»' gt; ?
gt; J ; gt; 5 .: ^ ^ gt; ;â¢
gt; ;lt;,) gt; lt; 7
v â *lt;â gt; â â ?-^ jgt; gt; - ^ gt;gt;
- ^ ^ igt;
â â s â ' ^ 5 gt;1 gt; gt; \
o 'â -â gt; ^
o -â quot;. .- gt; gt;â gt; ' y^
' . 5gt;
u
V E Pv Z I C H T
GRAAMETira IN NEDERLAND
. VAN DER 'TLAATS.
f
i P
I. De Triangulatie van Snellius.
II. W. J. Blaeu.
M ' ' ......... -
5;
I
^ ^ x WA. o. n., v/. VU17i^iUAlNO. ,*
i.ïx^ tXJXi cXi^s (tX'JXs èxV)lt;^ ègt;ix3 ?gt;
GESCHENK
VAN
Prof. J. A. C. OUDEMANS.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
1971 4611
Stoomdrukkerij ,,de Industriequot;, J. van DRUTEJI â Utrecht.
1 S 8 9.
c
Sterrewac;-: ⢠,C o;. .enburg UTRECHT.
OVERZICHT VAN DE GRAADMETINGEN IN NEDERLAND
DOOR
Dr. J. D. van der Plaats.
Hoofdstuk I. De Triangulatie van Snellius.
Siiclluis mist als schrijver de onovertroffen klaarheid van Hicygcns, als rekenaar en uitgever de nauivkeiirigheid en zorgvuldigheid van LTuiolph van Cetden ; als waarnemer staat hij achter bij Tyge Brahe en Pieard; de waarde der verrekijkers en logarithmen heeft hij niet ingezien; in zijn historisch overzicht had hij moeten wijzen op Gevima Frisius.
Maar hij zvas de eerste, die de trigonometrische landmeetkunde in haroi geheelen omvang op grootcn schaal toepaste en dienstbaar maakte aan eene graadmeting. Zijne 'methode is nog de eenig juiste', alle theoretische moeielijkheden heeft hij overwonnen; de gebreken der uitvoering waren te zijner tijd haast onvermijdelijk. De uitkomsten zijner triangulatie zijn zoo goed als men maar kon verwachten en bleven twee eenwen lang onverbeterd. Groote fouten komen alleen in de Poolshoogten en het azimut voor.
Inhoud.
§ 1. Leven en werken. â 2. Eratosthenes Batavus. â 3. Musschenbroek. â 4. Basesnet. â 5. Primair net. â 6. Instrumenten en uitkomsten.â 7. Voorgangers. â 8. Gemma Frisius. â 9. Het problema van Snellius.
§ 1. Het Leven en de Werken van Snellius.
Willebrord Snel van Reien1) werd in het najaar van
^gt;2
1
) Eene autobiographic met portret van Snellius komt voor in M e u r-sius: Athenae Batavae, Leiden 1625 p. 119 et 297, alwaar ook platte gronden van Leiden en omstreken uit het jaar 1614.
Zie verder P. van Geer, Album der Natuur 1884 blz, 1 en 121, en over het geboortejaar en kinderental de lijkrede van Jachaeus (oratio obitum S n e 11 i i, p. 21, 19.)
4
15S0 tc Leiden geboren, waar zijn vader Rudolf hoogleeraar in de Wiskunde was. Hij studeerde aan de Leidsche Hoogeschool; Ludolph van Geulen noemt hem zijn leerling.1) In het jaar 1G00 hield hij voordrachten over de sterrekunde van Ptolemaeus; daarop maakte hij twee lange reizen in het buitenland en leerde te Praag Tyge Brahe (f 24 Oct. 1601) en Kepler kennen. Na zijne terugkomst gaf hij weer colleges. Den 8 Febr. 1613 volgde hij zijn vader, die kort daarna stierf, op als gewoon hoogleeraar, met eene bezoldiging van f 400 's jaars. Zijn onderwijs was zeer beroemd.
Hij woonde op de Koepoortsgracht (thans Douzastraat bij de ruïne) en overleed 30 Oct. 1626 na eene langdurige ziekte.
Hij was 1 Aug. 1608 gehuwd met Maria de Lange, dochter van den Burgemeester van Schoonhoven, een rijk en aanzienlijk geslacht. Zij schonk hein achttien kinderen, van welke slechts drie hem overleefden en niet één beroemd is geworden.
Snellius werd als hoogleeraar opgevolgd door Jacob Golius, die reeds Professor in het Arabisch was. Deze kocht uit de nalatenschap van Snellius voor f 125 een quadrant (radius 7 voet) van Blaeu aan, hetwelk door de academie werd overgenomen, die daardoor in 1632, dat is veel vroeger dan eenige andere universiteit in Europa, in het bezit eener Sterrewacht kwam.2) Snellius zelf had een aantal waarnemingen over de komeet van 1618 verricht en eenige waarnemingen van Tyge Brahe, van Graaf Wilhelm IV van Hessen, e. a. berekend en uitgegeven.
Simon S t e v i n en van Geulen schreven bij voorkeur in het Nederlandsch; Snellius vertaalde hunne werken in het latijn en schreef zelf uitsluitend in deze taal.
Men heeft van hem eenige werken over zuivere wiskunde, die
1
) In 1599 bezorgde hij aan Geulen de oplossing van het vraagstuk ,,een driehoek in een gegeven reden te verdeelen door een lijn, die dooreen gegeven punt gaat.quot; Arithmetische Fondamenten, vijlde deel, probl. 7.
Van de geschriften die ik in dit opstel aanhaal zijn sommigen zeldzaam. Allen zijn aanwezig op de Bibliotheek der Rijks Universiteit te Utrecht.
2
) F. Kaiser, Annalen der Sternwarte in Leiden, 18GS Bd. I. S. IV, LUI und LIV no. 1G.
hoewel zeer verdienstelijk, nimmer van groote beteekenis zijn geweest. Zijne merkwaardigste vinding op dit gebied was de pooldriehoek.
Hij is de ontdekker van de sinuswet der lichtbreking, die âhoeksteen der Optica (Tyndall).quot;
Onder zijne nalatenschap moeten zich minstens drie verhandelingen bevonden hebben: een leerboek der trigonometrie, een uitvoerig werk over het licht en eene verbeterde behandeling zijner graadmeting. Alleen het eerste boek is spoedig uitgegeven. De verbeteringen van de berekeningen en waarnemingen der graadmeting waren geschreven op den rand van een exemplaar der eerste editie.
Dit kwam eene eeuw later in handen van Musschen broek, den beroemden Utrechtschen natuurkundige, welke het werk nog eens verifieerde en in 1729 onder zijne verhandelingen1} opnam.
§ 2. Eratosthenes Batavus De Terrac avilnius vera quantitatc,
(De Nederlandsche Eratosthenes; over de ware grootte van den omtrek der aarde) is de titel van Snellius' boek, dat in 1617 te Leiden door van Marsse gedrukt en bij va n Cols ter uitgegeven werd; klein 4o.
Het boek begint met een opdracht aan de Generale Staten. Dan komt een achtregelig lofdicht van zijn rechtsgeleerden ambtgenoot Petrus Cunaeus. Vervolgens eene lijst der geographische breedten van 18 plaatsen, waaruit afdoende blijkt, dat deze bepalingen toen nog één of meer minuten onzeker waren.
Liber I beslaat blz. 1 â11G. Het is grootendeels historisch. Wij vermelden er uit: caput 2 : de aarde is bolvormig en het middelpunt des heelals. eap. 3 : over geographische lengte en breedte, en over de poolshoogte eener plaats, cap. 4â20 : over de oude graadmetingen van Eratosthenes, Ptolemaeus, de arabieren enz. cap. 21 handelt over Fern el. Snellius trekt uit dit liber de slotsom (zie ook p. 211) dat geen dier oudere bepalingen eenig vertrouwen verdient, en ieder zal dit met hem eens zijn. Minder goed te keuren is, dat hij volkomen zwijgt over de trigonometrische landmeetkunde van zijne onmiddellijke voorgangers (zie § 8.)
â¢) P. van Musschen broek; Dissertationes physicae et geometricae. Leiden 1729 p. 357â420 ,,de magnitudine terrae.quot;
G
Liber II is opgedragen aan de baronnen Eras mus en Caspar van Sterren berg. Toen S n e II i u s in het voorjaar van 1G15 de metingen in den omtrek van Leiden volbracht had, overreedde hij deze beide jonge edellieden om, met hunnen gouverneur Joannes Philemon, als besluit hunner wiskundige studiën, hem in de «hondsdagenvacantiequot; te vergezellen op den tocht naar de meer verwijderde stations. Zij zijn S n e 11 i u s zeker in veel behulpzaam geweest, maar het blijkt niet of zij de kosten droegen of zelf waarnemingen verrichtten. S n e 11 i u s brengt hen in de opdracht en op p. 176 in hoogdravend latijn dank en lof.
Caput 1. Snellius stelt voorop, dat eene meting nutteloos zou zijn voor anderen, wanneer deze de lengtemaat niet nauwkeurig konden afleiden. Zijn standaard was de Rhijnlandsche Roede, a 12 voeten. Voor het gemak der berekening verdeelde Snellius (p. 157) in navolging van Stevin die roede echter tiendeelig, maar geheel onnoodig noemt hij de Vio deelen ook voeten en de Vioo ook duimen, hetgeen meer dan één lezer in den war heeft gebracht, p. 122 wordt de triangulatiemethode in enkele woorden beschreven. Dan volgt eene uitwijding over Leiden, met de woordsafleiding Lugodunum = duinzicht. Later geeft hij nog meer van zulke verhalen, o. a. p. 178 het beleg van Oudewater. Onderscheidene deelen van Snellius' boek schijnen ons langdradig, omslachtig en toch niet duidelijk toe, maar vergeleken met vele zijner tijdgenooten, b.v. R h e t i c u s en R i c c i o 1 u s is S n e 11 i u s een beknopten schrijver, p. 124, 194, 264 geeft Snellius eene slechte houtsnede, die 1/24 roede in natuurlijke grootte voorstelt, maar hij erkent, dat papier na het drukken niet gelijk van lengte blijft. Vervolgens drukt Snellius de lengte van 17 binnen- en buitenlandsche, toenmaals in gebruik zijnde, voeten uit in duizendste deelen van den Rhijn-landschen. Zoo heet de Amsterdamsche voet 904; de Londensche 968; de Parijsche 1055. Pi card vond in 1667 voor deze laatste 3oooo/29 â 1034,5.
Cap. 2. Vergelijking des Rhijnlandschen Voets met oudere maten. Snellius komt met veel omhaal tot het besluit, dat de Rh. V. volkomen gelijk is aan de oude Romeinsche Voet. Als men niet op een paar centimeters ziet kan hij wel gelijk hebben.
Cap. 3, Vergelijking met de Romeinsche Stadiën.
Cap. 4. Vergelijking met een groot aantal ellen.
Cap. 5 Begint met een overzicht der gewichten, die vooral uit de zwaarte der munten worden afgeleid. Het Amsterdamsche ons zou gelijk zijn aan het oude Romeinsche. Sn el li us bepaalt daarop het verband tusschen den Rh. V. en het Amsterdamsche quot;ffi van 16 onsen. Hij neemt een geelkoperen cylinder, binnenwerks Vo voet middellijn en hoogte, en daarop een cylindrischen hals van Vio voet hoog en wijd. Uit de eenigzins verwarde opgaven blijkt dat de cylinder woog: ledig 5^53/so ons; geheel gevuld met gedistilleerd water 152 7/so, met regenwater 15230/8oi met welwater ISS10^1 ons. Hieruit volgt voor het gewicht van één kubieken voet gedistilleerd water 62,79357* Amst. IS; regenwater 62,9751; welwater G3,4-488. Weet men dus het gewicht van een volumen water uitgedrukt in eene andere lengtemaat, dan is de verhouding van deze tot den Rh. V. daardoor bekend.
De laatst beschreven proeven geschiedden in Mei 1617. Thermometers en de uitzetting door warmte waren nog onbekend.
Wij zien, dat S n e 11 i u s grooten lof toekomt voor de moeite, die hij zich in dit opzicht heeft gegeven, en welke door niemand vóór hem is genomen. Maar toch weten wij de grootte van zijn Rh, V. niet met nauwkeurigheid. Vóór 1769 is in ons land aan de bewaring en vervaardiging der standaarden weinig zorg besteed, en in andere landen is men nog slorderiger geweest, b.v. in 1668 is de toise (= 6 parijsche voeten) 6 lijnen (â 14 m.M) korter ge-, maakt, en men rekende dit van zoo weinig belang, dat het alleen door eene losse opmerking van Picard bekend is geworden. 1)
De oorspronkelijke Rh. Roede van S n e 11 i u s bestaat niet meer (Kaiser I.e.). De volgende beschouwing helpt ons eenigszins. In 1622 vond S n e 11 i u s voor den afstand 's HageâLeidsche stadhuis 4118 R., en volgens zijne gegevens is de saaihal te Leiden 66,78 R van het stadhuis verwijderd in de richting zuid 14056' oost, waaruit voor den afstand 's HageâSaaihal 4092,7 R, terwijl K ray-en h off opgeeft 15402,9 meters alzoo 1 R = 3,7635 M., met eene onzekerheid die ik op 1/iooo schat.
1
Een sterretje wil hier en in de volgende bladzijden zeggen, dat Snellius door een druk, schrijf of rekenfout een ander, verkeerd, cijfer opgeeft.
') J. H. van S winden: Volmaakte maaten en gewigten, Aaisterdam 1802, I, blz. 411, 33, 56, G4, G5, 411, 412,
8
Was P i c a r d's toise gelijk de tegenwoordige 1,949036 M., dan zou de Rh. R. die hij vergeleek 3,7681 M. zijn geweest. Van Swinden betoogt, dat de Rh. R. van Lulofs (1752) â 3,76586 M. was; officieel is in Febr. 1808 vastgesteld 1 R = 3,76736.
Langs geheel anderen weg is ook van Swinden tot het besluit gekomen, dat de Roede ten tijde van S n e 11 i u s kleiner was dan in later tijd. Met ons cijfer 1 R = 3,7635 M. zou de cylinder van Snellius 3,0527 L. inhoud hebben en een kubieken Rh. Voet water van 15° in de lucht wegen 30,787 K.G., dus 1 Amst. lt;® van Snellius = 0,49028 K.G.
Van Swinden stelt 1 Amst. quot;ffi â 0,49409 K.G. «maar op dit stuk is vrij wat verwarringquot;; dit zou wijzen op eene roede â 3,7733 M. of wat waarschijnlijker is: de gevulde cylinder van Snellius was 0,5 m.M. te groot in wijdte en hoogte, d. i. zijn inhoud 23,8 c.Mameer dan bedoeld was. 1)
Cap. 6â10, p. 156â207 bevatten het verhaal der eigenlijke graadmeting.
Cap. 6 beschrijft het dubbel ruitvormig basisnet tusschen Leiden en Soeterwoude, fig. 2, waarbij uit een basis t c van 87,05 R de zijde LS == 1092,33 R wordt afgeleid. De scherpste hoeken zijn niet gemeten; de uitkomst bleek later fout te wezen.
Snellius zegt, dat hij de uitkomsten in 2 decimalen geeft, ofschoon reeds de eerste onzeker is: eene overdreven cijferweelde, die de meeste geodeten nog niet kunnen ontberen.
Cap. 7 beschrijft het secundaire net (basesnet) L, S, W, V, H en de tweede basis, tusschen W en V. Hier, gelijk in de volgende capita, wordt elke driehoek of ruit, die trigonometrisch opgelost moet worden, in een afzonderlijk tproblemaquot; behandeld en zoo noodig afzonderlijk afgebeeld. De figuren zijn soms wanhopig slecht getee-kend: stations rechts en links, boven en onder, verwisseld; stompe hoeken scherp geteekend; dezelfde letter zonder noodzaak voor meer dan één punt gebruikt, enz. Bij Mussc henbroek is het niet veel beter gesteld; het heeft mij eenige malen moeite gekost om dat behoorlijk in orde te brengen.
') De cylinder van Snellius had een oppervlak van 11,82 d.M'2. en een gewicht van 1,G263 Kg. De wanddikte kan dus hoogstens 1,7 m.M. bedragen hebben.
9
Cap. 8 beschrijft het primaire net, fig. 1, in 33 problemata. Hierbij een kaartje, waarop behalve de hoekpunten nog een aantal andere steden zijn aangeteekend. De driehoekszijden zijn niet getrokken en het geheel is onduidelijk en onnauwkeurig: b, v. A, H, R, W en B zijn door ée'ne rechte lijn verbonden. De letters zijn bij Snellius weer treurig: dikwijls is een station met de beginletter van den naam eener naburige stad aangeduid, b. v. Dordtrecht met R, Oudewater met M.
Er bestonden, zoo ver ik weet, nog geen bruikbare teekeningen van primair net en basesnet; de mijne heb ik nauwkeurig volgens de opgaven van Snellius geteekend, maar zijne letters heb ik door beter begrijpelijke moeten vervangen.
Bij probl, 1 spreekt Snellius over de vele moeielijkheden bij zijne meting ondervonden, over het centreeren, over de wensche-lijkheid om steeds alle hoeken van een driehoek te meten, enz. In probl. 4, 5 en 6 komen grove druk-, schrijf- en rekenfouten voor. Bij probl. 9 wordt de komst der Jonkers Sterren berg vermeld en worden de hoekmeetinstrumenten beschreven. Probl. c.)bis behandelt eene nieuwe basis lang 166 R, waaruit direct de tienmalen zoo groote afstand Om wordt afgeleid. De punten m (ontfoort) en w (oerden) hebben met het primaire net niets te maken; ook O had zonder bezwaar voor de graadmeting achterwege kunnen blijven en Z direct met G verbonden kunnen worden.
In § 5 behandelen wij al de problema's in bijzonderheden. De hoekvvaarnemingen zijn waarschijnlijk allen in den zomer van 1G15 en in de volgorde der problema's verricht. Oorspronkelijk waren nog meer hoekpunten in het net opgenomen: in de lijst der torens, p. 195, komt ook Gorinchem voor.
Cap. 9. Snellius had het azimut der driehoekszijde LH bepaald, waaruit die van AL en AB konden afgeleid worden. Te A, B en L zijn de poolshoogten bepaald. Snellius berekent nu het net, alsof alle punten in hetzelfde platte vlak liggen en alle meridianen evenwijdig loopen. Hij meent dat spherische trigonometrie hier onnoodig is, omdat boog 1° slechts '/aoooo van koorde 1° verschilt. Cassini, Mussch en broek en van Beeck Cal-k o e n hebben met dit onvoldoende argument genoegen genomen. In werkelijkheid bedraagt de convergentie der meridianen van A en
10
B 0o22'. De loodlijn die Sn el li us uit B op den meridaan van A neerlaat, is geen parallel maar een groote cirkel en haar voet-punt ligt 22 R noordelijker dan B. ')
Cap. 10 behandelt het beroemde vraagstuk, dat tegenwoordig door de Duitschers naar Pothenot (zie § 9) wordt genoemd. S n e 11 i u s wijst er op, dat dit in Holland zeer vele toepassingen kan vinden om de l'gging eener plaats te bepalen, van waaruit drie zijner primaire punten te zien zijn.
S n e 11 i u s bepaalt van uit de reeds genoemde basis a e, tusschen L en S, fig. 2, de ligging van zes torens binnen Leiden, nl. Stadhuis, saaihal (later station van Krayenhoff), Hooglandsche kerk, Pieterskerk, Lieve Vrouwen kerk en Bibliotheek. Van S, H en P fig, 3, worden ook de onderlinge afstanden berekend; voorde andere torens worden alleen de hoeken aan de basis a e gegeven. Ik heb daaruit voor de saaihaal gevonden : afstand tot het stadhuis GG,78 R en de lijn Stadhuis-saaihal maakt een hoek G0 46' oost met de lijn Stadhuis-Soeterwoude. Deze uitkomst is reeds op blz. 7 gebruikt. Snellius' berekeningen en opgaven vullen 1 0 problemata; in het elfde komt dan het beroemde vraagstuk, waaraan wij eene afzonderlijke § 9 zullen wijden. Prcbl. 12 behandelt de overbrenging van het azimut van O (Snellius' huis) naar S (tadhuis) zie fig. 3. «Hiermede zijn alzoo onze waarnemingen geëindigdquot; luiden de slotwoorden.
Over de volgende capita slechts enkele woorden.
Cap. 11 vergelijking der uitkomsten van vroegere graadmetingen met die van Snellius. Cap. 12 berekening van den omtrek, den diameter, den inhoud en het oppervlak der aarde in twintig! decimalen. Uitwijding over het getal n. Ludolph van Ceulen beiekende dit in 34 zekere decimalen; Snellius verzwijgt er 3 van.
Cap. 13 berekening van 1° lengte der parallellen op 0°â90° breedte, p. 21G wordt de naam van Copernicus, p. 217 en 170 het woord Sinus voor de eenige maal genoemd. Cap. 14 bepaling der afstanden van plaatsen die alleen in alleen in breedte verschillen.
i) Snellius kende dit onderscheid zeer wel, zie p. 236. Zoo ver ik weet was Maupertuis, Figure de la terre, Paris 1738, p. 93 de eerste die op dit verschil lette, en D e 1 a m b r e, Méthodes analytiques 1799 p. 59, 87 heeft deze zaak volledig uiteengezet.
11
Cap. 15 idem, die alleen in lengte (drukfout in den titel) verschillen. Uitwijding over Tyge Brahe, Keppleren anderen. Cap. 16 bepaling der geographische ligging eener plaats uit haar azimut en afstand tot eene andere. Voorbeelden hiervan uit S n e 11 i u s' triangulatie : van uit Leiden wordt het azimut gesteld voor 's Hage 52° 21' 44quot; W ; Oudewater 597° 48', Amsterdam 226° 49', Utrecht 277° 23'.
Bij grootere afstanden zou hiervoor spherische trigonometrie noodig zijn, zegt Snellius p. 242, en hij behandelt ook eenige soortgelijke vraagstukken op die laatste manier.
Cap. 17 Methode van Maurolycus om de lengte van 1° te bepalen uit de kimduiking van af een berg van bekende hoogte. Onzekerheid dezer methode wegens de refractie,
p. 263 finis, p. 2G4 Errata.
§ 3. De herziene Uitgave door Mttsschenbrock. (zie blz. 17 en 40.)
Eenigen tijd na de uitgave van zijn boek mat Snellius in den omtrek van Leiden, met zijne leerlingen en tot hun onderricht, eenige hoeken. Hij bemerkte toen, dat deze niet overeenstemden met de vroegere, en dat in zijn boek vele onjuiste hoeken en berekeningen voorkwamen. Hij mat daarom alle hoeken (alleen die van het primaire net; v. d. F.) opnieuw en zette de triangulatie zelfs voort tot Antwerpen en Mechelen. De verbeteringen schreef hij in een exemplaar der Eratosthenes batavus, en berekende alle driehoeken op nieuw met de vroeger gevonden afstand hl L = 4103,3 R als grondlijn. Hij was voornemens deze verbeterde editie in het licht te geven, toen in Januari 1622 een strenge vorst al het lage land om Leiden met een ijsvlakie bedekte. Van deze gunstige gelegenheid maakte Snellius gebruik om drie nieuwe bases te meten. Tevens nam hij in het basesnet Noordwijk op, en berekende met de nieuwe bases de afstanden LH en LH1. De eerste vond hij nu 15 R langer dan in 1615. Maar eensdeels werd hij afgeschrikt door de langwijligheid der berekeningen, andererzijds overviel hem eene ziekte, die in 1626 zijn dood ten gevolge had. En zoo bleef het verbeterde werk onuitgegeven liggen, totdat (zie § 1) het eene eeuw later in handen van M u s s ch e n b r o ek kwam. Van Mechelen en Antwerpen werden de hoekwaarnemingen niet teruggevonden.
12
De bovenstaande bijzonderheden zijn aan het voorbericht van M. ontleend. M. controleerde verder, met een quadrant voorzien van verrekijkers, een aantal der hoeken. Zijne wijze van leven stond hem niet toe om alle stations op nieuw te bezoeken, en hij hield dit ook voor onnoodig, omdat hij tot zijne bewondering vond, dat Snellius met het bloote oog vele hoeken geheel juist had afgezien en in andere zich slechts 1' of 2' vergist had. M. zegt niet uitdrukkelijk welke hoeken hij heeft nagemeten, en geeft ook niet de onmiddellijke uitkomsten zijner waarnemingen, maar alleen de op 180° vereffende hoeken. Poolshoogten of azimut heeft hij niet geverifieerd, ofschoon hij wist, dat de breedte van Alkmaar door Cassini 2' kleiner was gevonden dan door Snellius.
M. gaf eerst de meting zoo als die door Snellius zelf verbeterd en met de oude bases berekend was, en daarna de nieuwe bases en het primaire net volgens Snellius en hem zeiven. In het eerste deel worden de poolshoogten van Snellius gebruikt; in het tweede voor Alkmaar die van Cassini. De laatste berekening gaf 1° = 29514 R of met de verhouding van Pi card â â 57033 toises, hetgeen slechts weinig van de uitkomsten der metingen van Cassini en Pi c a r d verschilde.
Alzoo was Snellius, die langen tijd als de auteur van eene zeer foutieve graad meting bekend had gestaan, gerechtvaardigd.
M. was tot zijne onderzoekingen geprikkeld door de opmerkingen 1) der Fransche geleerden. Pi card had in 1G71 de uitkomst van Blaeu (zie Hoofdstuk II) voor veel beter dan die van Snellius verklaard, Cassini II2) had in 1697 de poolshoogten van 's Hage, Rotterdam en Alkmaar bepaald. In 1702 leverde hij eene critiek op het werk van Snellius en toonde aan dat daarin
*) De engelschman (Harriot f 1621) heeft reeds vele rekenfouten bij Snellius ontdekt. Zie volg. blz. noot 3) S. G3ö, Anmerkung von Zach. Ricciolus (Geographiae Reformatae ; Bologna 1661, p. 123â127 et 153 besprak het werk van Snellius, verwijt hem de onnauwkeurigheid der hoekmeetinstramenten en meent, dat de uitkomst wel Vso fout kon zijn Dit is alles juist, maar de meting van R zelf verdient nog minder vertrouwen.
-) In 1669 werd de italiaan Jean Dominique Cassini naar Parijs beroepen. Zijn zoon; kleinzoon en achterkleinzoon volgden hem op
13
onderscheidene druk- en rekenfouten voorkomen, terwijl de afstanden door S n cl 1 i u s opgegeven niet overeenstemmen met de poolshoogten van C a s s i n i. In 1718 kwam hij op dit onderwerp nog eens terug en verklaarde: «la methode, que Snellius a employé «dans cette recherche est exacte, mais les erreurs qui se sont glis-sees dans ses observations ou bien dans le calcul et l'impression «rendent sa mesure incertaine.quot; Wij zijn het geheel met hem eens. Maar in 1748 moest Cassini III erkennen1) dat de afstanden volgens de verbeterde meting van Snellius zoo juist zijn als men slechts verwachten kon, en dat de fouten alleen aan de poolshoogten zijn toe te schrijven.
Zoo gold na Musschenbroek, de meting van Snellius weder voor vertrouwbaar. 2) In 1798 verklaarde J. F. van B e e c k Calckoen, 3) die volgens Kaiser een voortreffelijk astronoom was, âda nun diese trigonometrischen Messungen des «Snellius von Musschenbroek verbessert, alle Prüfungen «aushalten, und ziemlicb genau befunden worden, so habe ich daraus «die geographische Ortsbestimmung der vorzüglichsten Stiidte «Hollands berechnet.quot; Ik betwijfel of Calckoen wel eenige «Prüfungquot; in het werk heeft gesteld. Hij had anders moeten vinden, dat in probl. 34 de afstand A Z â 2G240,3 R en in probl. 44 â
1
als Directeuren der sterrewacht te Parijs. Men is gewoon om ze met een vorstelijk cijfer te onderscheiden,
Cassini II. Anciens Memoires de 1'Académie, tome 7 p, 560
Mémoires 1701, p. 176 (Histoire p. 96), âMémoires 1702 p. 60 (H. p. 82.
Mémoires 1718 p. 247.
!) Cassini III. Mémoires de l'Académie, 1748 p. 132 (Histoire p. 109.)
2
) Ik vind in Mémorial topographique et militaire, rédigé au dépót général de la guerre, no. 3, Paris^ Nivose an XI (Dec. 1802) p. 64: quoique 1'opération de Snellius en 1616 ne soit pas parfaite, elle a néamoins servi de fondement aux travaux géographiques de son temps, C'est sur cette base qu'ont été construites les meilleures cartes publiées jusqu'ici sur les Provinces-Unies, p. 99. Une carte de la Nord-Hollai;de, trés détaillée, fut levée, aux frais des habitans, pour régler les canaux. Cette carte est bonne; elle est basée sur les opérations de Snellius. voir aussi p. 143, 169.
Ik weet niet welke kaarten hier bedoeld worden. Zie Hoofdstuk II.
3
)v. Beeck Calckoen: Allgemeine Ceographische Ephemeriden von Zach 1798, Ld 1 S. 637.
14
25862* R berekend is; dat de som der hoeken om Dordtrecht â 35901S' is, enz. Hoe Calckoen gerekend heeft zegt hij niet, bij A en B stuitte hij toch op onzekerheden en het zeer foutieve azimut heett hij niet verbeterd. Zijn stukje bevat eenige belangrijke historische bijzonderheden over Blaeu (zie Hoofdstuk II) maar is overigens oppervlakkig.
Wij mogen niet verzuimen om onder degenen, die over de graad-meting van S n e 11 i u s hebben geschreven, nog Delambre te noemen, welke in zijne Histoire de 1' Astronomie moderne, II p. 92, daarvan een uitstekend overzicht geeft.
Musschenbroek heeft recht op onze erkentelijkheid, omdat hij de verbeteringen van Sncllius zeifin het licht gaf. Zijne eigene verificatie beantwoordt geenzins aan de eischen, die men in het begin der IS3® eeuw reeds stellen mocht. ^
Wij gaan nu over tot de details der meting van S n e 11 i u s.
§ 4. Het Basesnet bij Leiden.
Dit is afgebeeld in fig. 2. Het bestond in 1615 uit vijf, in 1622 uit zes stations. In 1622 zijn de vroeger bepaalde hoeken niet hermeten, maar M. schijnt geverifieerd te hebben: ^ L S V = 77° 10' 30quot; en nieuw gemeten L V S â 57° 28' 30 '.
Vijf bases zijn gemeten: n0 \ t c â 87,05 Rhijnl. Roeden; in het jaar 1615. n0 2 tg â 348,1 R. in 1616. n0 3 ^ 475,0 R. in Jan. 1622. n0 4 Æ Ã¶ = 250,0 R. op 3 Febr. 1622, en waarschijnlijk in de zelfde maand n» 5 k vi â 471,5 R. De eerste twee over het land; de laatste drie over het ijs (zie blz. li), allen met een landmetersketting. Uit t c werd eerst afgeleid a e â 326,43 R., welke uitkomst door S n e 11 i u s als juister beschouwd werd dan de on-middelijke meting, die een en andermaal 326,9 R. gaf. Deze meening is waarschijnlijk veroorzaakt door de omstandigheid, dat de lengte der zijde VV V berekend uit t c volkomen overeenstemde met die uit i g. In 1615 vond Snellius L S â 1092,33; S V = 921,91 ;
!) Musschenbroeks uitgave is ook niet vrij van fouten, p. 401 moet i e o â 39oó5'40'' zijn, in plaats van 40quot; 2' 35quot;. Dit geheele probleem sluit niet. p. 379 moet ^ o a e â 90°0' en niet 90quot;J6' heeten en Snellius wordt hier ten onrechte van rekenfouten beschuldigd.
15
i
W V â 1174,4 R. De bases van 1622 gaven daarentegen: L S = 1097,10; S V = 925,GO; W V - 1179,49 en N L=:2338 R. Het is mij niet duidelijk waardoor dit verschil van 1/200 is veroorzaakt. De temperatuur was bij de meting in 1G22 misschien 20° C lager, maar dit verklaart slechts ' 4000, en de oneffenheden van den grond hadden in 1615 eene te groote uitkomst moeten geven.
jeteekende basisruiten zijn de scherpe
Van geen der
in
tophoeken gemeten, ofschoon Snellius, p. 167, 170 181, zeer goed wist, dat deze eigenlijk van meer belang zijn dan de andere. De eindpunten der bases zijn niet vastgelegd en het is dus onnut om de hoeken aan de bases hier mede te deelen. Opmerking verdient, dat bij basis nquot; 1 de dubbele ruit voorkomt, die twee eeuwen later door Schwerd en Bessel opnieuw is ingevoerd, d was het kasteel Dousa zn d b loopt recht op Voorschoten aan, gelijk Æ o op Delft en k in op Rijnsburg en Warmont gericht was. 1)
In 1615 was L S de grondlijn der secundaire triangulatie. Mus-sc henbroek beschouwde basis no 3 als den grondslag zijner verificatie. Deze was drie malen gemeten, en gaf L N = 2338,22 terwijl no 5 direct 2338,00 opleverde. De afstand V S uit basis n0 3 berekend was volkomen gelijk aan de directe uitkomst met basis n0 4.
Wat de hoekpunten aangaat: L = stadhuis ; H = toren op de vischmarkt, W, V en N zijn waarschijnlijk de zelfde torens als die der âMeetkunstige Beschrijving; S heb ik niet kunnen identificeren. De hoeken, welke Snellius gemeten heeft, zijn :
|
S L V = 45° 21' S L H = 60° 32' V L H* = 15° 10' S L W = 84° 5' H L W â 23° 36' |
V L N = 121° 5' H L N = 106° 3' H S L = 104° 32'quot; V S L = 77° 12' W S L â 63° 57' |
N H L = 25° 15' W H L = 17° 9' L H V* â 6° 32' L N V â 19° 57' L N H = 48° 42' |
Te zamen dus 15 hoeken.
direct gemeten I00 10 en als het verschil van telkens twee andere hoeken 15° 2'; 15° 8' en 15° 11'.
Stationsvergelijking te Leiden: V L H
1
gemeten zijn of niet.
16
Driehoeksver gelijking â¢. L H N. Som der hoeken = 180' 0' (misschien door Mussc henbroek reeds vereffend.)
Zjdenvergclijkingen. x~) Voor de zijde L H berekent men met L S - 1097,10, uit drieh. L H N 4118,07; uit L S H 4120,8; uit L H W = 4120,9; uit L V H = 4122,5.
In 1615 verkoos S n e 11 i u s p. 167 de uitkomst van drieh. LH W boven die uit L S H, wegens de kleinheid van Z L H S, die bovendien niet gemeten was.
Driehoek L V H werd niet eens berekend.
De torens W en V waren niet geschikt om er hoeken te meten p. 162, en het secundaire net van 1615 liet dus veel te wenschen over. Dit zal wel de reden geweest zijn, waarom in 1622 ook Noordwijk werd opgenomen, en voor L H de uitkomst van driehoek L H N werd verkozen. Uit L N werd ook de afstand Leiden-
Haarlem afgeleid (p. 383, 409).
Snellius had beter gedaan met eene basis van ± 1000 R dwars tusschen L en H te meten, en daaruit rechtstreeks den afstand dezer primaire punten te bepalen door ééne ruit, waarvan alle hoeken afgezien konden worden. In den winter bood het terrein geene moeielijkheden aan, en aan de eindpunten dei basis signalen op te richten, zichtbaar uit H en L was toch ook niet onmogelijk. Ik schat de onzekerheid der afstand HL, volgens deze laatste wijze bepaald, op 1 Iv, terwijl zij volgens Snellius maniei wel 5 R bedragen zal hebben.
De ouders van Snellius waren afkomstig uit Oudewater, en zijne moeder was na haars mans dood daarheen terug gekeerd. Dit gaf hem aanleiding om ook nog eene basis lang 166 R tusschen O en m (ontfoort) te meten, waaruit door e'e'ne ruit, gelijkvormig aan dien tusschen L en N, de afstand O in â 1566,5 volgde.
De scherpe hoek van 8° te m werd niet gemeten. Met O en vi werden w (oerden) en G verbonden. De afstand OG zoo berekend was 2923,3 terwijl uit het primaire net 2934,6 of 2921.3 R was
afgeleid. Snellius erkent, dat de overeenkomst toevallig vrij
ö *
!) De Sinusregel van Krayenhoff, toegepast op den vierhoek H N L S om V, geeft als verschil van de sommen der log Sin. der reenter en linker basis hoeken 0,00018.
17
I
goed is. Deze tweede secundaire triangulatie diende misschien ook wel tot oefening der Jonkers van Sterrenberg.
§ 5. Het Primaire Net. (Fig. 1.)
Dit telt, m en iv niet medegerekend, 14 stations. Negen daarvan stemmen geloof ik ^ overeen met de gelijknamige punten van Krayenhoff. Twee, Z en O zijn door Kr. niet bezocht. De standplaatsen van S n e 11 i u s en Kr. waren: te Leiden, stadhuis en saaihal; te Amsterdam, Oudekerk en Westertoren te Alkmaar, St. Laurenskerk en Waagtoren. In de volgende lijst zijn alle gemeten hoeken gerangschikt naar de stations. In de 2e kolom staat de hoek volgens E r a t. Batavus; in de 3° volgens de verbeterde meting; in de 4° volgens Musschenbroek, terwijl de uitkomst van Krayenhoff tusschen [] is vermeld De ge-heele graden zijn alleen in de 2e kolom opgenomen.
.IJST DER GEMETEN HOEKEN GERANGSCHIKT NAAR DE STATIONS.
|
Alkmaar. [torentje op het nudden der kerk) Am A Hl j 34022' | | | Haarlem, (torentje of het midden der kerk) U Hl L | 67=64' 51'i C2'i 27' LH1A 172011 | A Hl Am | 77055'| |
Amsterdam, (toren der Oude Kerk) L Am Hl | 4.3C18' 1 Hl Am A | 67^5' I 36' | Leiden. (Stadhuistoren) R L H | 53=40' 1 H L Hl 147019' I |
') Twee maanden geleden, toen mijne verhandeling reeds in het bezit van den Redacteur was, vernam ik, dat Musschenbroek niet de oorspronkelijke aanteekeningen -van Snellius tot zijne beschikking heeft gehad, maar slechts eene onvolledige eopie. Het oorspronkelijke bevindt zich in de Bïbliothéque Jtoyale te Brussel. Ik heb het ter inzage verzocht, maar nog niet ontvangen. Later hoop ik hierover meer mede te kunnen deelen. Thans vermeld ik alleen, dat de verloren gegane driehoeken van Bergen op Zoom tot. Mechelen (zie blz. 11) drie in getal waren, namelijk Breda, Bergen op Zoom, Antwerpen â Bergen op Zoom, Antwerpen, Hoogstraten â Hoogstraten, Antwerpen, Mechelen.
2) Cassini III 1. c. p. 130 vond in 1747 den toren van Bergen op Zoom ten gevolge van het beleg vernield.
|
Oudewater. {kerktoren) G O L 36053' | LOU 125043' 16' U O Z 65=25' 23' | '36' '23' WD R RD G L D G LDU U D Z ZD Br Br D W Breda, (jiooge kerktoren) B Br W 43024' W Br D 45°59' 48' B Br D 89072' 33' 31' D Br Z 70Q14' 7' | Willemstad, (tor. :}iijc op de kerk) R W D D W Br Br WB
[24' 4quot;] [70'11quot;] [3415quot;]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[22'ltiquot;]
Voor het azimut der zijde L H had SNELLIUS 5202r44quot; gevonden (zie blz. 24), waaruit voor dat van de zijde L G volgt 44049'4/15 Om het azimut L Am te kennen, mat hij nog (p.I96) de hoek Am L G = 88021'.
musschenbroek stelt in de beide deelen van zijne verhandeling, p. 395 et 419, het azimut L G = 45031', zonder te zeggen waardoor deze verandering ontstaan is. Misschien had Snellius eene nieuwe azimut-bepaling verricht, die dan echter nog meer onjuist geweest is dan de eerste.
19
De 33 problemas, waarin dit net door Snellius wordt behandeld zijn :
|
no 1 H L G h 2 L G D \ 3 H L T) h 4 // Z R b 5 L G \\ \ G L G U \ 7 L D U lt;2 8 L U O 1 9 L G O \ IX basisnet O m 10 O in 7u IX 11 O w G 10 12 // L Hl b 13 L U Km 7 |
no 14 Z U Hl 7 15 Z Hl 13, Am 14 16 Hl Am A 15 17 Am L 16, A 13 ^ Am uit 15, 16. 18 ö ^7 Z 8 19 D UZI 20 L 19, Z 1, U 21 L Z 17, A 20 Z Luit 17, 13, 20 22 Z Z Br 19 23 Z» G R 2 24 Z R W 23 25 D W Br 24 |
n0 26 Br W B 25 27 D 26, Br B 25 28 Z 26, Br B Z Br uit 22, 27 29 Z Br B D gegeven 4 zijd. en diag. DBr22. Berek. BZ 30 L 16, Hl A 14 31 L U 17, A 7 Z L uit 14, 30 32 U Z 31, A 18, 19 Z U uit 19, 20, 30 33 B 21 Z A 29 Z Z uit 32, 19 |
Van eiken driehoek zijn de hoekpunten, waar een hoek is gemeten, cursief gedrukt; een cijfer achter een hoekpunt geeft aan, dat de zijde tegenover dat hoekpunt aan het problema van dat nummer is ontleend, b is de basis H L. B.v. problema n0 13 behandelt den driehoek L U Am ; gemeten zijn Z Am L U en Z Am U L en uit probl. 7 is bekend de zijde L U. 21 van deze driehoeken worden gevormd door zijden van het primaire net; met de figuren der pro-blema's IX, 10, 1 1, 17, 20, 21, 27 tot 33 is dit niet het geval.
Als contróle-voorwaarden vinden wij voor de oorspronkelijke meting van het jaar 1615: Stations of horizon vergelijkingen.
Te Leiden: tour d'horison met de stralen gericht naar H, Hl, U, D, som der vier hoeken 360° 6'. Verder zijn zoowel direct gemeten als uit de som van twee andere hoeken te berekenen : Z Am L G = 88° 21' en 88° 26'. Z U L G = 37° 48' en 37° 49'; Z U L D quot; 63° 26' en 63° 37'; Z G L H = 97° 11' en 97° 16' of 97° 20'; Z Hl L U â 77° 50' en 77° 49'.
te Utrecht: Z L U Z = 116° 23' en 116° 24' of 116° 21'. te Gouda: Z D G L = 128° 22' en 128° 15'.
te Dordtrecht: tour d'horison : som van zes hoeken minus de zevende 359° 55'.
te Breda: Z B Br D = 90° 12' en 89° 23'!!
Totaal dus tzvaalf stationsvergelijkingen.
Drichoeksvergelijkingen'. Slechts bij tien der 21 driehoeken konden alle hoeken gemeten worden. Zij vormen de problemas 1, 2, 6, 7,
20
8, 9, 1G, 19, 25 en 26. De som der drie hoeken verschilde van 180° respectievelijk: â 1'; 1'; 4'; 2'; 4- 2'; â 2'; 2'; 2'; 1'; 4'.
Snellius, p. 171, hechtte aan deze contróle groote waarde, maar bij hem is volkomen van toepassing wat Cassini III (1. c. p. 124) zegt: âtel est le jeu des erreurs, que souvent l'accord de deux bases, âéloignées I'lme de l'autre ne prouve pas plus l'exactitude des mesures âmtermédiaires, que 1'observation des trois angles d'un triangle, dont âla somme est égale a 180°, prouve que les objets que Ton a observes de trois stations differentes soient les mêmes ; je ne parle âde ces accidens qu 'après les avoir éprouvés.quot;
Bij de groote afstanden, die Snellius met het bloote oog af moest zien, zal hij zich meermalen in de torens vergist hebben. Een voorbeeld geeft Musschenbroek p. 407. Deze toonde aan, dat Snellius van uit Utrecht niet op den stadhuistoren van Leiden heeft ingesteld, maar op eene andere die 20' zuidelijker lag en van uit Dordtrecht op een toren die 16' westelijker ligt. De beide fouten te zamen zijn op de som der drie hoeken van geringen invloed.
Zijdenvergelijkingen. Door negen zijden weg te nemen kan met uit het primaire net een keten maken. Snellius heeft dan ook negen zijden langs twee wegen berekend, namelijk
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
L U, die aan Snellius een juichtoon ontlokt, beter dan men na de bovengenoemde vergissingen kon verwachten. En wat LR aangaat, in probl. 4 zijn in vier des zes getallen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
21
druk- of rekenfouten ingeslopen. Met de verbeterde hoek LHR â 90ol 8' komt LR = G975,2.
Volgens Krayenhoff, en met onze verhouding 1 R = 3,7G35 M, is GR = 4893,2 R en D Br = G9S2,9 R.
De vereffening. Aan de stationsvergelijkingen heeft S n e 11 i u s niet gedacht, en Mussch en broek evenmin. Zij gebruiken de hoeken zoo als de onmiddellijke waarneming ze gaf. Uit ons overzicht blijkt, dat fouten van eenige minuten dikwijls zijn voorgekomen .
Zijn de drie hoeken van een driehoek allen gemeten, dan vereffent Snellius ze tot 180°, maar zonder de redenen op te geven, waarom hij nu één, dan twee hoeken, soms de kleinste, soms de grootste hoek wijzigt.
Van de uitkomsten voor de zijden neemt hij bij LO en DBr een gemiddelde; GR laat hij onbeslist; LR wordt niet gebruikt; voor LH1 neemt hij de kleinste uitkomst wegens de scherpheid van ^ LH 1 H in probl. 12; voor de overige zijden worden de uitkomsten der problemas 2, 7, 19 en 17 (?) verkozen.
Het net van Snellius telt 14 stations, op één waarvan (R) geene hoeken zijn gemeten; 12 éénzijdige en 22 wederkecrigc vizierstralen; en, na de stationsvereffening, 43 hoeken. Hieruit volgt: aantal driehoeksvergelijkingen 10; aantal zijdenvergelijkingen 9: zij zijn allen door Snellius opgemerkt.
De verbeterde meting van Snellius (1620) en die van M u s-schenbroek geven bij het vereffenen eenigzins andere vergelijkingen, maar het is overbodig om die hier uitvoerig te bespreken. Driehoeksvergelijkingen kan men uit de cijfers van M niet opstellen, omdat hij alleen de op 180° vereffende hoeken geeft. De zijdenvergelijkingen en stations vergelijkingen zijn bij M. niet beter dan bij Sn (zie blz. 13, 14.)
Er zijn bij S, en M. nog veel meer onregelmatigheden en vergis-; singen op te merken, dan ik hier terloops heb aangeduid. Ik zou hun net herberekend hebben, wanneer niet de hoeken op één station onderling zoo slecht overeenstemden.
Niettegenstaande de talrijke onnauwkeurigheden in de bewerking en uitgave, heeft Snellius door zijn Eratosthenes Batavus de afstanden der voornaamste hollandsche steden met eene nauwkeurigheid
22
bepaald, die alles wat vóór hem^op dit gebied was gedaan, verre overtreft. De meeste zijner driehoeken zijn goed gevormd ; eenige bezitten echter te scherpe hoeken, en van te velen is ééne hoek (dikwijls juist de kleinste) niet gemeten.
§ 6. Instrumenten. Astronomische Uitkomsten.
B 1 a e u (zie hoofdstuk II) heeft waarschijnlijk de instrumenten van Snellius, op diens eigen kosten, vervaardigd. Een bekwamer en zaakkundiger instrumentmaker was in Europa wel niet te vinden.
Geen van de werktuigen, welke voor de graadmeting hebben gediend, zijn bewaard gebleven (Kaiser). Mussc henbroek zegt er niets van. Snellius geeft wel teekeningen van de instrumenten der oude Grieken en van Fernel, maar niet van zijne eigene, en de beschrijving is zeer onvolledig.
Van de bases nos 2, 3 en 4 (blz. 10) wordt uitdrukkelijk gezegd, dat zij met een landmetersketting ^ zijn gemeten, en voor de andere twee zal wel eveneens gehandeld zijn. Waarschijnlijk had Snellius een verdeelde ijzeren standaard-roede, maar ook deze is verloren gegaan (Kaiser 1. c, S. LIV). Het basis apparaat was dus wel zeer primitief, maar toch reeds een groote vooruitgang bij Fernel, die het aantal omdraaiingen van het wiel zijner koets telde, en bij de ouden, die de schreden telden.
Voor het meten der hoeken gebruikte Snellius eerst een , koperen quadrant van 2 /5 voet (69 c.M.) straal (p, 156). De limbus was rechtstreeks verdeeld in 3' en door transversalen kon 1' met zekerheid afgelezen worden. Vanaf het station Oudewater werd een halve cirkel van 8/2 voet (110 c.M.) middellijn gebruikt p. 177, over . welken niets naders wordt medegedeeld. Tot bepaling der poolshoogten diende een ijzeren quadrant met koper ingelegd, van 512 voet (172,5 c.M.) straal. 1' besloeg dus bij deze instrumenten respectievelijk 0,32; 0,16 en 0,50 mM. Snellius heeft waarschijnlijk de fouten van zijne instrumenten niet bepaald. Wel zegt hij, p. ⢠170, dat het zeer lastig was om door de nauwe spleten der pinnulen
') S t e v i n, Wisconstighe Ghedachtenissen, 1605, 2e stuk blz. 48 beschrijft zulk een ketting en verdeelde roede.
23
erre i (vizieren) goed op het midden der torens, die zelf geen licht geven, lige 1 te richten, en dat herhaalde instellingen niet op 1' sloten. S n e 11 i u s oek klaagt over den harden wind en de lastige standplaatsen boven op
de torens, maar vooral over de moeielijkheid om de verafgelegen punten te identificeren. De voortdurende groote bezwaren brachten hem dikwijls op het punt om zijne onderneming op te geven, maar iten het groote nut der zaak hield zijn moed staande. Hij kende den
mer invloed der excentrische standplaatsen, maar rekende wegens de
te vele andere fouten, het centreeren onnoodig.
Ik geloof niet, dat een zeer geoefend waarnemer van den tegen-ge- vvoordigen tijd, voorzien met dezelfde hulpmiddelen als S n e 11 i u s,
^egt beter werk zou leveren dan hij. Eenige hoeken zijn verwonderlijk
iten juist afgezien; grove fouten vinden hunne verklaring in vergissingen
en ten opzichte der torens. Krayenhoff kon van uit Utrecht
het Leidsche stadhuis niet met zekerheid bepalen, igd, Poolshoogten. Vergelijken wij de bepalingen van Snellius p.
de 197 met die van Cassini II in 1697 en de berekeningen van
had Krayenhoff, de beide laatste gereduceerd op de standplaatsen
e is van Snellius, die te A,L en B respectievelijk -|-j)5, 95 enâ 33
was R zuidelijker lagen dan de gelijknamige primaire driehoekspunten.
bij Snellius C a s s i 11 i II en III. Krayenhoff
aets Alkmaar 52o40'30quot; 52038'29quot;(â5quot;) 52037'53quot;(2quot;)
Leiden (Snellius'huis) 52u10'30quot; 52° 9'20quot;(4')
een Bergen op Zoom 51 29' 51029'54quot;( 4) 51029 4Gquot;(4') ibus ; De reeds aangebrachte reducties staan tusschen ().
met Cassini III vermeldt, dat de waarnemingen van zijn vader
een hoogstens op 10quot; na te vertrouwen zijn. De berekeningen van
wer Krayenhoff verschillen slechts 1quot; van de latere waarnemingen,
jten L u 1 o f s') heeft gegronde aanmerkingen gemaakt op de constanten,
/oet I waarmede Cassini zijne waarnemingen gereduceerd heeft. :tie- 1 Wij weten niet op welke wijze Snellius de poolshoogten be
dijk paalde. Van Leiden zegt hij, dat dit herhaaldelijk en op verschil-
, p. ! lende wijze, gedaan was. 1' viel alzoo binnen de grenzen der nauw-ulen keurigheid, die hij onder de gunstigste omstandigheden bereiken
I ') Johan Lulofs: Natuur- en quot;Wiskundige Beschouwinge des Aard-
kloots. Leiden 1750, blz. 71, 72.
24
kon. Tyge Bra he en Hevelius brachten het met zeer groote instrumenten niet veel verder.
Het is dus begrijpelijk, dat S n e 11 i u s de amplitudo van zijn meridiaanboog 3', dat is 4 % te groot vond. Maar deze onzekerheid kon hem zeiven niet onbekend zijn, en hij had er op behooren te wijzen.
Veel grooter nog was de foul, die S n e 11 i u s moet begaan hebben bij de bepaling van het azimut Leidenâ's Hage, Op het balkon (dak) van zijn huis O, fig. 3 bepaalde hij het azimut van onderscheidene torens, o. a. van het Leidsche stadhuis 903' (N t O) en van 's Hage 53°!8'(west van het zuiden.) Daaruit berekent hij voor het azimut zijner primaire driehoekzijde LH 5202r44quot;, terwijl uit de waarnemingen van Krayenhoff op de saaihal, gereduceerd tot het stadhuis 54°34' volgt. Snellius zegt niets over zijne quot;X methode, alleen dat hij zijn best deed om nauwkeurig te zijn. Ik weet van zijne kolossale vergissing geene verklaring te geven.
Snellius heeft alleen met platte trigonometrie gerekend (zie blz. 9.) Het ware ook geheel overbodig geweest als hij bij de berekening der driehoekzijden het spherisch exces enz. gebruikt had. Maar de convergentie der meridianen, die van A tot L en B respectievelijk 12' en 21'^ bedraagt, had hij in aanmerking mogen nemen. Voor de afstand AB en het azimut dezer lijn is gevonden door: Snellius in 1617: 34710,6 R en 11026'2quot;
verbeterde meting (1620): 34626,2 R en llo6'20quot;
Snellius en Mussc henbroek: 34952,5 R en 10°51'57quot;, terwijl uit de waarnemingen van Krayenhoff **) volgt: 130440 M =⢠34660 R en 14quot;4'.
Snellius vond in 1617 met zijne eigene poolshoogten voorde lengte van '1° tusschen A en L 28510 en tusschen A en B 28473 R.
De verbeterde meting met dezelfde poolshoogten 28488 en 28513 0 R.
Musschenbroek komt uit A en B tot 29514,23 R. 1)
1
) Voor de poolshoogte van B neemt Muss. 51028'47quot;, dit had 54quot; of 56quot; moeten zijn.
De juiste lengte is 111250 M â 29560 R.â
Eratosthenes heeft 225 j. v. C. voor het eerst beproefd om de lengte van 1° te bepalen. Hij schatte den afstand en bepaalde ruw weg de poolshoogten. De eindpunten lagen 7° in breedte, en, wat E. niet wist, 3° in lengte van elkander. Ptolemaeus gebruikte later een grooten cirkel schuins op den meridiaan.
Maar S n e 11 i u s bepaalde geometrisch den afstand en verbond daaraan een onderzoek naar het azimut en de poolshoogten. Zoo kwam in 1615 de eerste graadmeting tot standj volgens die methode, waarvan men niet durft voorspellen, dat zij ooit door eene betere zal vervangen worden. Geen der drie bepalingen op zich zelf was nieuw, maar wel de te zamen voeging van allen.
De basismeting van S n e 11 i u s was het nauwkeurigste deel van zijn werk, de bepaling der poolshoogten de grootste bron van onzekerheid.
270 jaren zijn sedert verloopen. De thans bereikbare nauwkeurigheid is voor alle bepalingen duizend of honderd maal zoo groot, maar de rangorde der nauwkeurigheid is niet veranderd.
§ 7. Iets over de Trigonometrie en Astronomie vóór Snellins.
Hipparchus, die 150 j. v. C. op het eiland Rhodus leefde en observeerde, is de vader der sterrekunde en der trigonometrie. Van zijne werken is slechts weinig bewaard gebleven: men weet, dat hij eene koordentafel berekende en bekend was met de belangrijkste stellingen der platte en spherische trigonometrie.
Drie eeuwen later leefde te Alexandrie Klaudius Ptolemaeus, die in zijne âgroote te zamenstelling der wiskundequot;, meestal Almagest genoemd, alles heeft bijeengebracht, wat zijne voorgangers en hij zeiven over trigonometrie en astronomie hadden ontdekt. Het is dikwijls niet duidelijk wat van Ptolemaeus zeiven is en wat hij van Hipparchus heeft overgenomen. Sommige critici hebben aan Pt. bijna alle oorspronkelijkheid ontzegd.
In het eerste boek van den Almagest vindt men eene volledige koordentafel, berekend in Vgieooo ste deelen van den straal, voor alle bogen met Va graad opklimmende. Verder blijkt daaruit, dat de grieksche astronomen alle platte driehoeken trigonometrisch wisten op te lossen : zij verdeelden ze daartoe in rechthoekige driehoeken
26
(zelfs S a e 11 i u s gebruikte nog deze onbeholpen manier), en rekenden steeds met zestigste deelen, die zij minuten, secunden, tertien enz. noemden, terwijl de geheelen graden heetten. Hunne rekenwijze is voor ons gevoel wanhopig langdradig. De koorden kwamen in de plaats van onze sinussen; de andere goniometrische functien waren hen onbekend.
De Almagest is tot in het begin der 17° eeuw het standaardwerk der astronomen gebleven. Snellius gaf er in het jaar 1G00 colleges over.
In de 15e en 16° eeuw hebben Regiomontanus en Vieta de trigonometrie belangrijk vermeerderd; de formules verkregen hunnen tegenwoordigen eleganten vorm door Euler (1755).
Rheticus (1576) berekende uitvoerige tafels der goniometrische lijnen, van 10quot; tot 10quot; in 14 juiste decimalen. Tafels van 1' tot 1' in zeven decimalen zijn in de tweede helft der 16° eeuw wel 50 malen uitgegeven, in het nederlandsch o. a. door van Geulen en S t e v i n. Het rekenen met deze tafels was echter nog altijd zeer omslachtig. Neper publiceerde in 1614 de eerste logarithmentafel; in 1620 verscheen daarvan eene nieuwe editie te Leiden. In 1617 publiceerde Briggs de gewone log. van 1 â1000; in 1624 die van 1â-20000 en 90000â110000; maar de log. vonden eerst rechten bijval, nadat Vlack te Gouda in 1628 en 1633 zijne groote log. trigon. tafels had uitgegeven (10 decim. en van 10quot; tot 10quot;), waarvan de tegenwoordige slechts naschrijvingen zijn. Snellius heeft van log. tafels geen gebruik gemaakt; ik vermoed dat hij die nieuwigheid wantrouwde en tevens meer decimalen voor de getallen wenschte, dan de tafels van Neper konden geven.
Wij kunnen Snellius wel vergeven, dat hij zich eenige malen verrekende, maar niet, dat hij in zijne werken zoo vele schrijf- en drukfouten liet staan. In dit opzicht steekt hij zeer ongunstig af bij van Geulen.
De herleving der praktische sterrekunde dateert van T y g e Brahe (geb. 1546), die in 1576 op kosten des Konings van Denemarken op het eiland Hwen eene sterrewacht âde uranienburgquot; bouwde, welke de tijd in aanmerking genomen, onze hedendaagsche observatoria in volledigheid en vruchtbaarheid overtrof. T y g e
27
viel 1597 in ongenade en kwam 1599 met zijne instrumenten te Praag, waar hij 24 Oct. 1G01 stierf. Onder zijne leerlingen noemen wij Blaeu, Kepler en Snellius.
De sterrewaarnemingen van Hipparchus en Ptolemaeus waren hoogstens op 10' nauwkeurig; die van Tyge op 1' a 2', terwijl ook veel grootere fouten voorkomen: in de azimuts de'r torens om Hwen tot 25'. De poolshoogte van den Uranienburg vond Tyge 55°54'30quot; tot 45quot; terwijl Picard 15' vond.
Zelfs H e v e 1 i u s, te Dantzig, die in de tweede helft der 17 eeuw op waardige wijze de rei der sterrekundigen afsloot, welke met het bloote oog waarnamen, kon niettegenstaande zijne uitstekende instrumenten en verbazende vaardigheid niet altijd voor 1'instaan. Auzout verklaarde in 1G64, dat er geen instrumenten bestonden om de poolshoogte op 1' nauwkeurig te bepalen. Kort daarna vonden hij en Picard de kruisdradenmicrometers uit. Maar zelfs B o u g u e r, die omstreeks 1740 zijne beroemde graadmeting in Peru verrichtte, was tevreden als de hoekwaarnemingen op 30quot; sloten.
De zoogen. Hollandsche verrekijker was omstreeks het jaar 1G00 uitgevonden en aan Snellius' zonder twijfel bekend. Deze kijker was voor meetinstrument ongeschikt, maar Snellius had hem bij de verkenning met groot voordeel kunnen gebruiken.
Wij zouden gaarne gezien hebben, dat Snellius met de zorgvuldigheid van Picard, zijne meetinstrumenten had onderzocht en gebruikt. Maar ook dan nog zou hij niet op 1' nauwkeurig hebben kunnen zijn. Snellius' metingen zijn niet beter maar ook niet slechter dan die van de voortreffelijkste zijner tijdge-nooten. â
Landmeters kenden de Grieken en Romeinen reeds. Heron van Alexandrie is onder hen de beroemste. Men vindt bij hem wel inhoudsberekeningen van stukken land uit de zijden en hoogten, maar niet uit de hoeken. Het meten dezer laatsten was trouwens veel minder nauwkeurig, en de trigonometrische berekening voor den landmeter van dien tijd afschrikwekkend omslachtig. Alleen rechte hoeken werden afgestoken.
Omstreeks het jaar 1G00 was de toepassing der trigonometrie op de landmeetkunde reeds een zeer gewone zaak. Simon
28
S t e v i n ') leerde ze aan Prins M a u r i t s, en door hen werd Ludolph van Geulen in 1600 tot lector of professor in de toegepaste wiskunde (landmeten enz.) benoemd, Geulen had in 159G van onderscheidene landmeetkundige vraagstukken trigonometrische oplossingen gegeven. 1) Maar voor ons van nog meer belang, is hetgeen een andere landgenoot, 80 jaren vóór Snellius had geschreven.
§ 8. De Triangnlaiiemethode van Gcmma Frisius.
Rei nier Gemma werd in 1508 te Dokkum geboren. Hij studeerde te Leuven en werd aldaar hoogleeraar. Hij was een vriend van Mercator, den geograaf, en stond in hoogen gunst bij Karei V. Hij stierf in 1555. Zijn zoon Gornelius (1533 â 1577) was eveneens een beroemd wis- en sterrekundige.
Apianus die later Prof te Ingolstad werd, had in 1524 een beroemd werk over Cosinographie geschreven. Gemma gaf daarvan in 1529 eene vermeerderde editie, die later nog eamp;n groot aantal malen werd uitgegeven, te Antwerpen, Amsterdam en Parijs, in het latijn, nederlandsch en fransch. Gemma Frisius voegde aan zijne tweede bewerking, in 1533, een aanhangsel toe, dat ook inde volgende uitgaven voorkomt.
Daar ik dit werkje nimmer genoemd zag, 2) wil ik er de hoofdzaken uit mededeelcn. Het is, met de vele teekeningen, slechts 1G blz. groot.
De Nederlandsche titel luidt: Een boeexken secr nut endeprofitelijc allen geographiens, lecrende hoemen enige plaetsen beschrijven, ende het verschil oft distantie der sclvcr meten sal, wc lek te voren nnyt
1
) L, van Geulen. Van den Circkel. Delf 1596, Gap. 18,19.
Zie ook verschillende werken over het landmeten van S e m s en Do u, uitgegeven omstreeks het jaar 1600.
2
) Later ingevoer/d: Ja toch wel, door E k a m a, Verhand. Kon. Ned. Instituut 1825, deel 7 blz. 252. Maar deze heeft het boekje niet goed gelezen en kende ook de nederlandsche uitgaven niet.
ghcsicn cn is gewest, gemaeckt bij Gemmam Frisinm. Zeven capit-telen. De opdracht is gedateerd Antwerpen 31 Jan. 1533, en gericht aan Thomasyne Bom belli, groot coopman ende mecenas der geleerden.
In capiitel '1 verklaart G e m m a wat hij onder âhoecken der ghelegentheyt'' (azimuts) verstaat. Dan beschrijft hij hoe men zelf een hoekmeetinstrument 1) vervaardigt: een cirkel in geheele graden verdeeld en een âwijser met cleijnen pinnekens en gaetkens om daer deur te siene,quot; hetwelk âgeset wordt na de vier hoecken der werelt met een scippers compasquot; (het magnetisch noorden lag toen in Nederland ongeveer 15quot; O.) âWilt ghy nu een heel lantschap ,,beschrijven, so klimt op den hoochsten toren der stadt daer ghy âbeghinnen wilt, en ondersuect de ghelegentheyt van allen omlig-ghenden plaetsen. Daer na reyst tot een ander stadt en doet daer ook also, totdat alle de plaetsen die ghy beschrijven wilt twee-mael in u gesichte comen, ende dat ghy van allen den steden twee linien der ghelegentheyt hebt.quot; Tot eenen exetnple neemt hij Brabant, en als waarnemingsstations Antwerpen en Brussel, van waaruit gemeten2) Gendt (100° en 151°), Lier (300° en 223c), Mechelen (8° en 223quot;), Leuven (356° en 284°), Middelburg (120° en 147°) en Bergen op Zoom (IGCT en 189quot;.) Tot het in kaart brengen trekt men op het papier de meridiaan en de lijn Antwerpen Brussel in hare ware richting (25°) en beschrijft om beide stations een cirkel, waarna de vizierstralen en hunne snijpunten geteekend worden. Weet men nu de afstand van twee punten, b. v. Antwerpen tot Mechelen = 4 mijlen, dan is de afstand van alle plaatsen op de kaart uit te meten. âGhebuert altemetquot; dat een plaats ligt op
1
der elevatiehoeken te meten, h â 7^-7-fttâ7
Cot u â Cot u
Hij verwijst in dit tweede aanhangsel naar het eerste.
2
) Gemma wil niet âdat yemant meyne dat hij hier warachtige azimuts
stellen wil.quot; De opgegeven hoeken zijn dan ook meerendeels 20quot; è. 30° te groot.
30
de lijn Antw. Br., dan moet gij ze âderdewerf dweers van een ander plaetse aansien.quot; Later zegt Gemma nog: âMen soude hier vele mogen bringhen uut die tafelen van Sinus, maer dat hebbe ik alwillens achtergelaten, om dat te groot ende te hooge is voor den gemeynen man.quot;
Capittel 2. Constructie eener kaart als alle rechte distantien tot twee plaatsen bekend zijn.
Capittel 3. âOm te vinden de distantie van eenigher plaetsen die ghij sien meucht, hoeverre datse oock verschilt,quot; meet men een basis «, die met het gezochte punt een rechthoekigen driehoek vormt en meet in dezen driehoek nog eene lijn b evenwijdig aan de basis en op een afstand c van dezen. De gezochte afstand is dan
-âOf, capittel 4, gij meet den scherpen basisboek met een in-aâb
strument, waarop rechtstreeks de tangens is af te lezen.
Capittel 5. Meet een basis, en de hoeken van dezen met de lijnen naar verschillende plaatsen getrokken. Na constructie op een bekende schaal, is ook de onderlinge afstand dezer plaatsen op het papier uit te meten.
Capittel 6. In kaart brengen als bekend zijn de distantien en de azimuts (voerstraalniethode van Schols).
Capittel 7. Hoe men het âverschil der [geographische] lengden bekennen sal uuter differentien der breeden en de rechter distantien.quot; Dit geschiedt door het theorema van Pythagoras, bekend zijnde 1° breedte â 15 mijlen en een tafel van de lengtegraden.
Naschrift. Geheel nauwkeurig kunnen deze âcarten int planequot; niet zijn: de lengten, afstanden of azimuts zullen eenige minuten fout zijn. âEn die reden is dese, dat tgene dat spheerwijs is, niet en accordeert metten effenen..quot;
Mij dunkt dit geschrift hoogst merkwaardig: de theorie der triangulatie is er volledig in ontwikkeld; de berekening âmet die tafelen van Sinusquot; (zie boven) zou voor Gemma geen bezwaar hebben gehad. Maar het blijkt niet, dat de methode door hem of een ander ernstig is toegepast. De uitgave van het jaar 1609 Amsterdam, die ik boven steeds citeerde, is geheel gelijk aan die van 1533.
De werken van Eratosthenes, Ptolemaeus en Gemma
31
;r || waren aan Sn el li us bekend. Zijne verdienste blijft, dat hij eene :r ; lt; triangulatie op grooten schaal uitvoerde en dienstig maakte aan eene ie â ; graadmeting. Nieuwe methoden of instrumenten heeft hij niet be- /
)r dacht, maar van de bestaande een goed gebruik gemaakt. Nieuw
is hierbij de bepaling van het azimut, maar juist op dit deel van n zijn werk is uit een theoretisch en experimenteel oogpunt veel aan
te merken. Voor het overige is de bereikte nauwkeurigheid niet :n grooter, maar ook niet geringer dan men mocht hopen.
:n
De trigonometrische vraagstukken, die Snellius bij zijne graad-meting had op te lossen, waren allen van de meest eenvoudige soort, 111 en sedert Hipparchus onder het bereik van iederen wiskundige.
1_ Slechts eene uitzondering zou men wellicht willen maken : het be
roemde problema, dat in het buitenland thans meestal naar P o t h e-n o t wordt genoemd. Met eenige geschiedkundige opmerkingen over dit vraagstuk zullen wij ons Hoofdstuk besluiten.
gt;P
§ 9. //lt;^ 'Problema van Hipparchus, zoogenaamd van Snellius.
Ie Ptolemaeus handelt in het vierde boek van den Almagest
(zie § 7) over de theorie der maan. Hij neemt aan, dat dit hemel-:n lichaam zich beweegt langs een cirkel {epicykel), welks middelpunt
.quot; K (fig. 4) zelf een tweeden grooteren cirkel (deferent) om het mid-
le delpunt der aarde D beschrijft. Uit drie maaneclipsen in 721 en 720
v. C. te Babyion waargenomen, berekent Ptolemaeus drie stan-equot; den A, B en G van de maan op den epicykel. Boog B A = 53°
:n 35' en boog A G = 90° 51'. Verder zijn bekend : A D B â
et 3° 24' en G D B â 0° 37'. Gevraagd: de verhouding des straals
van den epicykel (= ;-) tot die van den deferent (= K D) te n- 1 berekenen.
e- Ptolemaeus trekt de lijn B D, die den epicykel in E snijdt. Hij
ar maakt alleen van rechthoekige driehoeken gebruik, en laat daartoe
ot uit E en G de loodlijnen E Z, E H en G T neer. Wij noemen
n- de hoeken A KB = 2a;AKG=2/3;BKG â 2^;A
3. DB=/;BDG=:5â . Eerst bepaalt Ptolemaeus de verhouding van A E, G E en A G tot D E, namelijk (overgebracht
ia i ui ons teekenschrift):
32
Z E = A E. Sin (« â p) = D E. Sin p;
H E = G E. Sin(r â 17) = D E. Sin q ;
A G 1 = [A E â G E Sin (90° â /?)] 2 4- [G E. Sin ,9] 2.
En hij weet, dat A G = 2 r Sin /3; daardoor is ook de verhouding van D E en G E tot r bepaald, en alzoo Z! G K E, terwijl Z!BKE = ^GKE-l-2r. Vervolgens is
BD = DE 2r Sin ^ B K E, en ten slotte
K D 2 â B D X D E â r 2. Uitkomst r â K D âD-
Eene tweede berekening, uit drie eclipsen door Ptolemaeus zelf waargenomen, gaf met B A =110 21'; A G = 81 36'; Z A D B = 7° 42' en Z A D G = 1° 21': r = 5° 14' (als K D = GO graden of lengte eenheden.)
Deze berekeningen van Ptolemaeus zijn verrassend nauwkeurig, en worden door alle schrijvers ') over den Almagest vermeld, maar zijn door niemand zoo uitvoerig en nauwkeurig besproken als door Delajibre, dien zijne grondige kennis der oude talen en zijn lust tot lange berekeningen en analytische ontwikkelingen, daartoe bijzonder geschikt maakten.
Ofschoon Ptolemaeus het niet ronduit zegt, is het toch vrij zeker, dat hij zijne rekenwijze aan HlPPARCHUS had ontleend. Delambre heeft dit herhaaldelijk betoogd, en zijne argumenten schijnen mij voldoende toe: voor de bijzonderheden dienomtrent moet ik naar zijne werken 2) verwijzen.
Veronderstel dat iemand omstreeks het jaar 1600 aan de Neder-landsche geleerden als vraagstuk had opgegevan ; construeer' en bereken trigonometrisch een vierhoek, waarvan gegeven zijn de zijden
1
) Almagest, edit. Halma, grieksch en fransch, met notes par Delambre, Paris 1813, p. 238, 247, 274. Notes p 33.
Delambre. Histoire de l'astronomie ancienne. Paris 1817, II p. 37, 44, 4G, 67, 147, 150, 155, 1C4, 177, 183, 557, 579. Idem. Astronomie moderne, Paris 1821, II p. 109.
38
a en b en de diagonaal tnsschen hunne uiteinden, benevens de hoeken, die de andere diagonaal met de zijden e en d maakt. Ervaren wiskundigen, zooals Gemma en van C c u 1 e n zouden de oplossing zonder twijfel spoedig gevonden hebben; mannen als Adr. Romanus en Stevin zouden het als een arbeid voor éénen dag hebben beschouwd. De constructie b. v. volgt gemakkelijk uit E u c 1 i d e s 1), Beginselen, boek 3, voorstel 33. Maar er bestond geene aanleiding om onder de talrijke vraagstukken over den vierhoek juist dit als rekenoefening te kiezen. Ik heb het in eenige boeken uit dien tijd te vergeefs gezocht, maar daarin wel onderscheidene, m. i. moeielijker voorstellen gevonden. Voor de landmeters was ons problema te onnauwkeurig in de uitvoerig en te omslachtig bij de berekening.
Had S n e 11 i u s uit een zuiver wiskundig oogpunt dit vraagstuk behandeld, het zou tot zijn roem niets hebben bijgedragen. Maar het is zijne verdienste, dat hij de waarde ervan voor de geodesie heeft ingezien, en daarvan bij zijne eigene graadmeting gebruik maakte.
S n e 11 i u s was zonder twijfel met het 4do boek van den Almagest nauwkeurig bekend, maar toch schijnt hij niet opgemerkt te hebben, dat zijn eigen problema met dat van Hipparchus zoo goed als identisch is.
Wij hebben blz. 10 reeds medegedeeld, hoe Snellius vanuit de basis a e (fig. 2) de ligging der torens (fig. 3) van het Stadhuis, S, de Pieterskerk, P, en de Hooglandsche Kerk, H, bepaalde. Daar de hoeken op deze torens zelf ± 30° waren, maar niet gemeten werden, kunnen de uitkomsten: F S = 52,0 Rhijnl. R.; S H = G2,G R. en P H = 110,9 R vrij onnauwkeurig zijn. De bijbehoorende figuur p. 200 schijnt eer het product van onbescheiden vliegen, dan eene houtsnede te wezen. Onze punten P S H noemt hij y, i, u, terwijl o de saaihal is. In problema 11 is eene nieuwe figuur, waarin _y, i, ii. hunne beteekenis behouden, terwijl o nu
!) Euclides leefde 300 j. v. C. te Alexandria, en schreef een leerboek over de beginselen der meetkunde, waarvan een groot deel onveranderd in de tegenwoordigen leerboeken is overgegaan. In het genoemde voorstel wordt geleerd, hoe men op een gegeven basis een cirkelsegment kan construeeren, dat een gegeven hoek bevat.
34
S n e 11 i u s huis voorstelt. In de volgende figuur is dit huis met ii aangeduid, Voeg hierbij nog eenige druk- en rekenfouten, en men zal begrijpen, dat ons na de eerste lezing niet alles duidelijk was Problema 1â10 behoorden in caput 6 te huis.
De titel van cap. 10 luidt: âGegeven de onderlinge afstanden van drie plaatsen, hunne afstanden tot eene vierde plaats enkel door waarnemingen op deze laatste te bepalen.quot; En de titel van problema 11 : gegeven de zijden van drieheek y, i, u, enkel op het balcon van mijn huis, de afstand van dtt tot ieder dier drie punten te bepalen.quot; S n e 11 i u s had in zijn eigen huis O, fig. 3, de poolshoogte en het azimut van 's Hage en van S bepaald. Hij moest dus de afstand O S zoeken. Gemeten werden P O S = 32°57' en Z P O H = 64o40'.
Uitgaande van deze gegevens vermeldt S n e 11 i u s eerst in enkele regels de constructie van dit vraagstuk, met twee cirkels om POS (middelpunt m) en om P O H (middelpunt «), waaruit volgt, dat er slechts eene oplossing mogelijk is. Over het onbepaalde geval spreekt hij niet. De berekening van S n e 11 i u s sluit zich bij deze constructie aan; m r en n t zijn loodlijnen op P S
F S
en P H. Dan is Z P m r â Z_ V O S en P ;« = ^ ^
2 Sin P O S.
P II
Evenzoo P n ~ ââââ ^ TT . Nu is Z i'i P « = Z P O H 2 Sin P ü H.
â P O S â S P H, welke laatste hoek berekend wordt uit de zijden des driehoeks P S H. In driehoek m P v zijn nu gegeven twee zijden en den ingesloten hoek: te berekenen Z P « m en eindelijk P O = 2 P w. Sin F n in. O H volgt uit P H en de hoeken O P H en P O H; O S volgt uit P S en de hoeken S P O en POS.
Hierop berekent S n e 11 i u s zijn geval. Ik heb heb hem nagerekend en plaats mijne uitkomsten tusschen []. S n e 11 i u s vond achtereenvolgens:
ZS P H â 15056' [16°3'] O P = 79,30 R [79,04] P m = 47,80 Pv [47,80] O H = 118,2 R [118,6] P n -- 61,35 R [61,35] O S = 96,2 R [95,58] ZP « â 40quot;50'40quot;, drukfout voor 40o15'40quot;. [40u6'25quot;] De berekening is dus volstrekt niet, gelijk die van Ptolemaeus,
35
merkwaardig om hare juistheid. Als S n e 11 i u s beproefd had om zijn problema op maat te teekenen, zou hij, evenals ik, terstond gestuit zijn op O S ) 2 P m.
Snellius wijst in den aanhef van caput 10 op het veelvuldige gebruik, dat men van zijn probleem kan maken, tot het bepalen van een punt, waaruit drie zijner primaire stations te zien zijn.
Op zijne methode van behandeling is niets aan te merken; zonder logarithmen is er geen kortere oplossing te vinden.
Toen men van Pi card geleerd had om door verrekijkers met kruisdaden hoeken te meten met eene vroeger onbereikbare nauwkeurigheid, werd de praktische geometrie meer algemeen toegepast en stuitte men weldra op ons vraagstuk.
In 1671 werd het behandeld door John Collins (1GS24â 1683), een boekverkooper te Oxford, aan wien het als âa choro-graphical problemquot; was opgegeven door Richard T o w n 1 e y ,,who has doubtless solved it him self in an other way.quot; Collins1) onderscheidt 5 gevallen, naar gelang de drie gegeven punten A, B en C in eene rechte lijn liggen (3°); het te zoeken punt S in het verlengde van B C (le), in de zijde B C (2°), buiten den driehoek ABC (4e) of binnen den driehoek (5° geval) ligt. Hij brengt één cirkel door A, B en S en trekt de lijn SC. D is het punt waar deze lijn den cirkel snijdt. Hij behandelt achtereenvolgens driehoek A B D (gegeven A B, B en A; bereken A D), driehoek A C D (geg. A C, A D en z! A; ber. C) en driehoek ACS (geg. A C, ,/ C en S; ber. A S en C S.) Bij de constructie maakt hij eerst driehoek A B D uit A D en de beide in S gemeten hoeken, en trekt dan de lijn G D. Mochten C en D te dicht bij elkander liggen, dan (6° geval) moet de cirkel door B, C, S ge-
1
) J. Collins: Philosophical Transactions, 25 March 1671, vol. 6 p. 2093. Zie ook 1685, vol. 15 p. 1231. Op de laatste plaats wordt door een onbekende ook het vraagstuk der twee ontoegankelijke punten (probleem van Hansen) opgelost.
Wilhelm Schickhard, Prof. te Tübingen vermeldt in ean brief d.d. 6 Juni 1624 aan Kepler, dat hij op dit vraagstuk gestuit was en het met twee cirkels had opgelost (Epistolae ad Keppleram, ed. Hantsch, Leipzig 1718 p. 636.) Sch. vroeg aan K. om nadere inlichtingen. K. kende echter het werk van Snellius zeer goed.
3G
bruikt worden. Het onbepaalde geval noemt Collins niet.
In de zitting der Parijsche Académie des Sciences van 31 Dec. 1G92 werd het vraagstuk behandeld door Laurent Pothenot, 1) die het noodig had gehad bij de vervaardiging eener kaart van de Eure rivier. Ofschoon Pothenot de opvolger was van den beroemden hoogleeraar in de wis- en natuurkunde Roberval, wiens balans tegenwoordig in alle winkels gebruikt wordt, vind ik overigens niets opgegeven, dat van zijne wetenschappelijke werkzaamheid getuigt, behalve dat hij C a s s i n i hielp bij de waarneming van twee eclipsen. Reeds vóór het jaar 1G99 werd hij ontzet van zijn lidmaatschap der Académie, omdat hij niets uitvoerde. Hij stierf in 1732.
Pothenot geeft van het vraagstuk alleen de bekende constructie met twee cirkels, maar niet de berekening. Wel noemt hij het onbepaalde geval, dat de vier punten in één cirkel liggen. Ook geeft hij de constructie met vier gegeven punten waartusschen men slechts twee afstanden kent.
In de 18® eeuw hebben onderscheidene beroemde wiskundigen zich met verschillende oplossingen van het vraagstuk bezig gehouden. Wij kunnen de bijzonderheden daarvan verder niet nagaan en noemen slechts Lambert, -) de L a 1 a n d e en D e 1 a m b r e, 2) K a s t-n e r 3) en van S w i n d e n. 4) Uit deze geschriften blijkt, dat in 1780 in Frankrijk het vraagstuk bijna vergeten was, en door D e-1 a m b r e opnieuw opgelost moest worden. Eerst later ontdekte deze de aanspraken van Hipparchus en S n e 11 i u s. L a m-
1
') P o t h e n o t, Probléme de géométrie pratique; trouver la position d'un lieu, que Ton ne peut voir des principaux lieux d'oü Ton observe. Dit stukje is opgenomen in Mémoires de l'Institut. De oorspronkelijke editie is mij niet bekend, wel de herdrukken: Amsterdam 1723 p. 276 en Parijs 1730, tome 10 p. 221 â 224. Zie ook tome 2 p. 157 et 369.
2
) D e 1 a m b r e. Methodes Analytiques, 1799, p. 135; in C a g n o 1 i, Trigonometrie 1786 p. 467 en de blz. 33 geciteerde werken.
3
) Kastner; Geometrische Abhandlungen 1790, I (of Mathem. An-fangsgründe I, 3te Abth.) S. 4, 406.
4
B) Van S winden. Meetkunde, Amsterdam 1790 blz. 354. 2e druk 1816 blz. 424. Met eene oplossing van hem zei ven uit 1772, en eene oudere van Y p e y, overeenkomende met die van Collins.
37
bert spreekt niet over den ontdekker ; K a s t n e r noemt op S. 40G Pothenot, maar verbeterde dit in zijne voorrede S. 4 en gaf hier S n e 11 i u s de eer. K a s t n e r hechtte aan dit vraagstuk groote waarde ; onderscheidene wiskundigen, o.a. O 1 b e r s oefenden zich daarin onder zijne leiding.
Van S winden verklaarde in 1816: âdit voorstel door S n e 1-I i u s uitgedacht en door hem werkelijk gebruikt, mogt wel den naam van het voorstel van Snellius dragen.quot;
Uit den aanvang der 19° eeuw vermelden wij Burckhardt, 1) wiens oplossing eenigen tijd voor de beste werd gehouden, en Bess el, die er zich eerst in zijne bruidsdagen (Sept. 1812) mede amuseerde 2) en later met Kulenkampf nog eens op terug kwam. 3) Beide schrijvers spreken niet over den uitvinder van het vraagstuk; het heet eenvoudig «eine Aufgabe der practischen Geometriequot;.
Maar in 183G spreken Gauss en Schumacher4) steeds over âdie Pothenotschen Aufgabe.quot; Gauss wees er op, dat de oplossing onmogelijk kan zijn: b. v. wanneer men bij een werkelijk geval één der gemeten richtingen omkeert (b. v. bij Snellius P O S â¢= 212057' stelt.) Analytisch te werk gaande verkrijgt men bij vijf willekeurige gegevens toch een uitkomst.
Gauss verwonderde er zich over, dat niemand der talrijke schrijvers over het vraagstuk, had aangegeven hoe men uit de gegevens vooraf analytisch kon afleiden of de oplossing in teekening mogelijk is. Gauss hoopte, dat iemand over het vraagstuk eene doctordissertatie zou schrijven; ik geloof niet dat zijn wensch vervuld is.
In Duitschland sprak men dus voor 50 jaren algemeen van âdie Pothenotsche Aufgabequot;. In 1 842 meende onze landgenoot Verdam5) hiertegen op te moeten komen, en voor Snellius alle eer te
1
!) Burckhard: Monatliche Correspondenz von Zach. 1801, IV S. 359. Zie ook M o 11 w e i d e, idem 1813, XXVII S. 5G6.
2
) B e s s el, idem 1813, XXVII S. 222. Briefwechsel mit O 1 b e r s, 1812, I S. 344.
3
) Bessel, Astronomische Nachrichten 1824, Bd 3 S. 193, 221.
4
) Briefwechsel, Bd. 3 S. 32, 40, 46, 48.
5
) Verdam, Grunert's Archiv der Mathematik 1842, Bd 2 S. 310.
38
kunnen eischen. Hij geeft echter niets daa eene aanhaling uit Kastner, en in het fransch eenige bijzonderheden over het werk van S n e 11 i u s, die bewijzen, dat hij het niet nauwkeurig had gelezen of nagerekend.
Wanneer het stukje van Verdam niet zoo onbeduidend ware geweest, maar de resultaten der historische nasporingen van Delambre en eene volledige bespreking van het geval van S n e 11 i u s had behelsd, ware wellicht de naam van Pothenot verdrongen. Thans schijnt deze onsterfelijk geworden te zijn en wordt voortdurend gebruikt ook door hen die beter weten, b. v. Jordan, Vermessungskunde 1877, I S. 314.
Wij behoeven ons niet te ergeren. Van Hipparchus en S n e 1 li u s zullen naam en werk onsterfelijk blijven ook zonder het problema.
Slotsom. Rechtvaardig zou het wezen om met Delambre van het problema van Hipparchus te spreken.
S n e 11 i u s gaf het eerst eene constructie en eene oplossing die aan alle eischen van zijn tijd voldeden.
Pothenot vond de constructie wellicht zelfstandig, maar lang na S n e 11 i u s en Collins, en op een tijd toen geen wiskundige in de oplossing bijzondere moeielijkheden zou gezien hebben.
Hoofdstuk II. Willem Jansz. Blaeu. 0
Willem Jansz. Blaeu, ook wel Janssonius ofCae-sius genoemd, werd in 1571 te Alkmaar geboren. Van 1594â1596 was hij werkzaam bij T y g e B r a h e. Daarna vestigde hij zich te Amsterdam, eerst op het Water (Damrak) later op de Bloemgracht, als boekdrukker enz. Zijne atlassen, globes en astronomische instrumenten waren wereldberoemd. Hij stierf in 1G38; in zijne zonen had hij waardige opvolgers. De Groote Atlas2) van
!) Wat men van Blaeu en zijne werken weet is bijeengebracht door P. J. H. Baud et, âLeven en werkenquot; van W. J. Blaeu. Prijsverhandeling uitgegeven door het Prov. Utr. Gen. 1871, en in eenige latere kleinere opstellen van den zelfden schrijver.
-) In deel I vindt men prachtige teekeningen der sterrewacht en instrumenten van T y g e B r a h e.
39
1GG4 is een werk, welks gelijke in de 19® eeuw niet verschenen is.
Van zijne graadmeting weten wij alleen iets door G. J. Vossius, welke in 1G60 mededeelde, dat Blaeu den afstand van den mond der Maas tot Texel daartoe rechtstreeks langs het strand opgemeten, en in Rhijnl. Roeden bepaald had. Van de uiteinden dezer lijn onderzocht hij de poolshoogten met een zenithsector van 14 voet (439 c.M.) straal en een boog van 12° (1' â 1,28 m.M.) De uitkomst voor de lengte van 1° moet prachtig geweest zijn. Pi card die in Aug. 1071 Blaeu bezocht, deelt mede, dat zij van de zijne nog geen 5 R. verschilde.
Pi card meende ten onrechte met, den graadmeter zelf te spreken; het moet de zoon Dr. Joh an Blaeu geweest zijn, die volgens Vossius voornemens was om het werk zijns Vaders uit te geven. Daartoe is het nooit gekomen. Of Blaeu zijne meting wantrouwde ^ omdat de uitkomst Vso grooter was dan die van S n e 11 i u s, of dat hij ze geheim hield ten einde er voor zijne kaarten van te profiteeren, weten wij niet. Plet is zelfs niet uitgemaakt of zijne graadmeting vóór dan na die van S n e 11 i u s is uitgevoerd.
Den 23 Febr. 1672 brandde de groote drukkerij af; de schade werd berekend op f 355000! Dr. Joan stierf in 1673. Het manuscript is waarschijnlijk verloren gegaan. Van Beeck Calc-koen1) kon er eene eeuw later geen spoor van terug vinden.
De grondlijn van Blaeu is een der langste bases geweest, die ooit rechtstreeks gemeten zijn. De lengte moet omstreeks 32000 Rh. R. (120 KM.) bedragen hebben; wij weten niet hoe Blaeu gemeten heeft. Maar al had hij hierin het juiste getroffen, het verschil der poolshoogten zal toch wel 20quot; onzeker geweest zijn en de uitkomst daardoor minstens 160 R. Ook weten wij niet
t '
'i t,
1
) Van Beeck Calckoen: Allgemeine Geographische Ephemeriden von Zach 1798, Bd. 1 S. 629. B a u d e t schijnt deze verhandeling niet gekend te hebben.
40
hoe het verschil in geogr. lengte der eindpunten is bepaald en in rekening gebracht. 1)
Meer dan eene historische merkwaardigheid is de graadmeting van B 1 a e u dus niet.
!) Tusschen den vuurtoren van Kijkduin en de watermolen bij 's Gra-vezande is het verschil in breedte 58', dat in lengte 34' X.
Over de Nederlandse he Graadmetingen der 19e eetivu in eene volgende aflevering.
NASCHRIFT.
De op blz. 17 vermelde aanteekeningen door Snellius zelf geschreven, heb ik thans ontvangen. Het is een gewoon exemplaar der Eratosthenes Batavus, in carton gebonden met rugtitel: Snellii Eratosthenes Batavns cum notis Mss Auctoris, na. 15493. De schrijver heeft op den rand een groot aantal correcties aangebracht, en op zeven plaatsen (p. 208, 222, 224, 228, 231, 233, 24'3) zijn te zamen 24 blz. geschreven schrift ingenaaid. Het is, zoover men weet, het eenige handschrift van Snellius, dat nog bestaat. Het boek is na Snellius dood verkocht (zie blz. 4.) In 1717 bevond het zich in een klooster der Minderbroeders te Leuven; later kwam het in bezit van C. van Bavière te Brussel, en uit diens bibliotheek werd het in 1817 gekocht door C. van H u 11 h e in, den beroemden bibliophile, wiens boekerij in 1837 door de Belgische Regeering voor frs. 315000 is aangekocht, en de kern der Bibliotheque Royale de Bruxelles vormt.
Liber 1 is bijna niet veranderd. Van liber II zijn cap. 1â7 en 10 geheel ongewijzigd gebleven. Van cap. 8 ontbreken p. 185â192, dat zijn probl. 18â30. In de rest van cap. 8 en in cap. 9 zijn een groot aantal letters, cijfers en woorden verbeterd, welke correcties, op kleinigheden na, overeenstemmen met hetgeen bij M u s-schenbroek, eerste deel (zie blz. 12) voorkomt.
Het belangrijkst is voor ons een nieuw eaput 11, zes blz. groot, nevens p. 208 ingenaaid, en evenals de rest in het latijn geschreven. Zie hier in het kort de inhoud:
In 1G15 bepaalde Snellius te Mechelen, in tegenwoordigheid
41
der Jonkers van Ster ren berg, den zenithafstand der sterren a Pegasi en Andromedae bij hunnen doorgang door den zuidelijken meridiaan, op 3802' en 17028'. Hierbij opgeteld de declinatie dezer sterren volgens T y g e B r a h e, j) nml. 1303'Gquot; en 33036'57quot; vindt Sn el li us voor de poolshoogte van Mechelen 5105'6quot; en 5104'57quot;, zoodat hij 5105' voor de juiste waarde houdt. Maar de bedoelde^,declinaties moeten in den zomer van 1615 bedrap-en heb-
// -3,
ben 13^8' en 3303/ï' V2 zoodat de ware uitkomsten van S n e 11 i u s zijn 51° 10' en 51°^,'1/2. X gt; - - j ^ y*
De werkelijke poolshoogte van Mechelen is 51or45quot; en het verschil in breedte met B o Z 1677quot;; met Alkmaar 5773quot;.
Nog onnauwkeuriger zijn de (op blz. 17 reeds genoemde) driehoeken gemeten. Wij noemen Antwerpen An, Hoogstraten Ho, en Mechelen M. In de veronderstelling dat dit dezelfde punten zijn, als later Krayenhoff en Tranchot gebruikten, geven wij de juiste waarden der zijden en hoeken tusschen [ ].
Bekend was uit problema 26 de zijde B Br â 9414,7 [9400] Rhijnl. Roeden. In driehoek no. 1 mat Snellius ./ An = 56017' [46o30'] en Br â 40 13' [40',29'J, waaruit hij berekent B An â 7308,2 [8363].
In driehoek no 2 / An = 7109'[6504r] en / B = 5807'[5SP9'] ; berekend An Ho = 8015,3 [8551]. In no. 3 / An â114o20 [114023'] en Ho = 25c45' [25054']; berekend An M -- 5419,2 [5846]. Eindelijk in driehoek B An M uit twee zijden en den ingesloten hoek, berekend BM â 12713,1 [14209].
Voor het azimut van B Br had Snellius berekend 247o57'30quot; [252o30'10quot;], waaruit hij voor dat van BM afleidt 33407'34quot; [34503S'] en dus voor het verschil in breedte van B en M 11438,4 [13765], terwijl volgens caput 9 dat van Alkmaar en B 33978 [336i0] bedroeg.
!) Tyge Brahe (de nova stella anni 1572) vond deze declinaties voor het jaar 1G00 respectievelijk gelijk 13a5' en 33°32' en stelt hunne jaarlijksche toename op 0',32 en 0',33. Snellius had alzoo 1309'58quot; en 33037'7quot; moeten aannemen, en dus tot de poolshoogten 51011'58'' en 5l05'7quot; moeten besluiten. De slorderigheid van Snellius bij berekeningen blijkt uit de omstandigheid, dat in zijn manuscript bijna alle getallen één of meermalen zijn doorgehaald en veranderd.
43
Uit deze laatste afstanden berekent S n e 11 i u s voor de lengte van één breedtegraad tusschen M en B, en M en A respectievelijk 28595 en 28533; met de werkelijke poolshoogten zou hij gevonden hebben 24555 en 28321 Rh. Roeden.
S n c 11 i u s deelt mede , dat wijlen Michael C o i g n e t 1) voor de poolshoogte van Antwerpen 51°15' [5F13'1/*] vond. Hij beschouwt dit als eene bevestiging van zijne meting.
In eene toevoeging op p. 238 verwijst Snellius naar âT^plvtfs B a t a v u squot;, een zijner andere werken, hetwelk in 1624 is verschenen. Het is daarom opmerkelijk, dat in ons manuscript nergens gewag wordt gemaakt van de drie nieuwe basismetingen, die reeds twee jaren vroeger door den schrijver waren uitgevoerd. Ook weet ik geene verklaring te vinden voor de enorme fouten, die bij het meten van sommige der bovengenoemde hoeken zijn begaan.
14 Febr. 1889.
v. D. P.
^ C o i g n e t stierf te Antwerpen den 24 Dec. 1G23, op 74 jarigen leeftijd. Zie Foppens, Bibiiotheca Belgica II p. 890.
I
GrRAAÃMETINGEN IN NEDERLAND.
I Snellius W15~1622.
Fig. 2.
Base sue t.
7//
OVERZICHT VAN DE GRAADMETINGEN IN NEDERLAND
DOOR
Dr. J. D. van der Plaats.
{Vervolg van blz. 42)
Hoofdstuk III. Krayenhoff.
Krayenhoff was geneesheer van zijn vak, militair van betrekking. Hij ontbeerde de opleiding en de rust, die tot groote wetenschappelijke werken noodig schijnt. Met hulpmiddelen ver beneden die van den tegenwoordigen tijd. met instrumenten in wier gebruik de ondervinding alleen hem onderrichtte, heeft hij te midden der politieke woelingen van het eerste decennium dezer eeuw, in verbazend korten tijd, eene triangulatie volbracht, die op waardige wijze de rij der werken met oude instrumenten en oude rekenwijzen afsluit.
Onoverdacht en mateloos was de bewondering, die hem eene halve eeuw lang in Nederland ten deel gevallen is-, onverdiend hard en niet onpartijdig de critiek, die sedert 25 jaren hem drukt. In het Buitenland heeft men op zijn werk bijna geen acht geslagen: de ongunstige voorstelling door GAUSS gegeven, heeft aldaar haar doel niet gemist.
Krayenhoff s triangulatie is waarschijnlijk ook thans nog voldoende voor de behoeften eener graadmeting; zij zou het zeker wel wezen, zoo hij de voorgenomen basismeting in Friesland had uitgevoerd. Hoogstens zoic men enkele driehoeken in het N. O. moeten hermeten.
De geodesisehe en astronomische waarnemingen van Krayeiihojj staan gelijk met de besten van hun tijd. Maar hij meende op ruimer schaal, dan men tegenwoordig zou toestaan, waarnemingen te mogen verwerpen en uitkiezen. Hij heeft van deze handelwijze volstrekt geen geheim gemaakt, maar had ze in het gedrukte werk uitvoeriger moeten toelichten.
Krayenhoff was de eerste, die een uitvoerig en nauwkeurig gemeten driehoekennet te vereffenen had. De methode der kl. Qn. bestond nog
7//
OVERZICHT VAN DE GRAADMETINGEN IN NEDERLAND
DOOR
Dr. J. D. van der Plaats.
{Vervolg van blz. 42)
Hoofdstuk III. Krayenhoff.
Krayenlwff was geneesheer van zijn vak, militair van betrekking. Hij ontbeerde de opleiding en de rust, die tot groote wetenschappelijke werken noodig schijnt. Met hulpmiddelen ver berieden die van den tegenwoordigen tijd, met instrumenten in wier gebruik de ondervinding alleen hem onderrichtte, heeft hij te midden der politieke woelingen van het eerste decennium dezer eeuw, in verbazend korten tijd, eene triangulatie volbracht, die op waardige wijze de rij der werken met oude instrumenten en oude rekenwijzen afsluit.
Onoverdacht en mateloos was de bewondering, die hem eene halve eeuw lang in Nederland ten deel gevallen is-, onverdiend hard en niet onpartijdig de critiek, die sedert 25 jaren hem drukt. In het Buitenland heeft men op zijn werk bijna geen acht geslagen: de ongunstige voorstelling door Gauss gegeven, heeft aldaar haar doel niet gemist.
Krayenhoff s triangulatie is waarschijnlijk ook thans nog voldoende voor de behoeften eener graadmeting; zij zou het zeker wel wezen, zoo hij de voorgenomen basismeting in Friesland had uitgevoerd. Hoogstens zou men enkele driehoeken in het N. O. moeten hermeten.
De geodesische en astronomische waarnemingen van Krayenhoff staan gelijk met de besten van hun tijd. Maar hij meende op ruimer schaal, dan men tegenwoordig zou toestaan, waarnemingen te mogen verwerpen en uitkiezen. Hij heeft van deze handelwijze volstrekt geen geheim gemaakt, maar had ze in het gedrukte werk uitvoeriger moeten toelichten.
Krayenhoff was de eerste, die een uitvoerig en nauwkeurig gemeten driehoekennet te vereffenen had. De methode der kl. Qu. bestond nog
2
niet, en hij kou slechts van cene vereffening op het praktische gevoel gebruik maken. Met juisten blik heef t hij de drie soorten vein voot -q ivaarden onderscheiden en tot htm recht gebracht.
Aan de zij denver gelijkingen gaf hijgden eleganten log. sin.vorm, , C/;A. {waarin zij nog gebruikt worden. Maar eene volledige te zamenstel-ling van al de voorwaarden en van de veranderingen, welke de hoeken hij de vereffening ondergingen, ontbreekt aan zijn werk. Daarom kon cene oppervlakkige lezing tot een veel te gunstig oordeel aanleiding geven.
Eene halve eeuw lang zijn noch het Précis historique, noch de manuscripten, naar behoor en gelezen.
Onverantwoordelijk is de wijze waarop de secundaire metingen van Krayenhoff zijn verwaarloosd. Zij zijn doorgaans van beter gehalte dan de 50 jaren later verschenen Meetkunstige Beschrijving.
Inhoud.
§ 12. Levensschets. â 13. Geschriften van Krayenhoff over zijne meting.â 14. Over de Geodesie en Astronomie in Nederland. Het net van Perny. Geschiedkundig overzicht der metingen van Krayenhoff.
§ 12. Levensschets. l)
Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhoff werd den 2^n Juni 1758 te Nijmegen geboren. Hij studeerde te Harderwijk in de medicijnen, vestigde zich in '1784 als geneesheer te Amsterdam en oefende dit vak gedurende elf jaren met veel succes uit. Hij schreef in dien tijd eenige wetenschappelijke verhandelingen over electriciteit: de eerste bliksemafleider in ons land werd door hem in 1782 op den Martinitoren te Doesburg geplaatst. Daarnevens
') Zijne Eigen-levensschets is opgenomen in den Recensent ook der Recensenten 1841, deel Mb blz. 46 â (56, en meer uitvoerig in een afzonderlijk werk: Levensbijzonderheden van den Luit. Gen. Baron Krayenhoff, door hem zeiven in schrift gesteld en op zijn verlangen in het licht gegeven door Prof. H. W. Tydeman. Nijmegen 1844. Een uittreksel uit dit laatste boek is de geïllustreerde en aangenaam geschreven Levensschets, door P. H. Craandijk in Eigen Haard 1888 eerste aflevering.
Zie ook: P. H. van der Weijde: Tijdschrift voor de Wis- en Natuurkunde, 1842 II blz. 50.
3 (2/r/J
bestudeerde hij de wiskunde en hare toepassingen op de waterbouwkunde en de versterkingskunst, twee vakken, waarin ook zijn vader heeft uitgemunt,
Krayenhofif was een vurig patriot en de âKeezendokterquot; moest in 1794 de stad verlaten. Hij begaf zich naar zijn academievriend generaal Daendels, wist Amsterdam voor zijne partij te veroveren en werd in '1795 benoemd tot Luitenant Kolonel Ingenieur, Directeur der Hollandsche Fortificatiën en Inspecteur Generaal der Rivieren. Gedurende 32 jaren wijdde hij zich ijverig aan den militairen dienst. Hij stond bij Koning Lodewijk Napoleon in hoogen gunst. Deze benoemde hem tot zijnen Aide de Camp, tot Directeur van het depót van Oorlog, tot Inspecteur der Artillerie en Genie enz; van 26 Mei 1809 â 3 Maart 1810 was hij Minister van Oorlog. Hij bood zijnen Koning aan om Amsterdam desnoods tegen den Franschen Keizer te verdedigen. Maar de Koning abdiceerde en Krayenhofif wilde daarop den dienst verlaten, doch zijn verzoek om ontslag werd driemaal geweigerd. âDen '13den October 1811 had ik, ter âgelegenheid eener openbare audientie op het Paleis te Amsterdam âeen zeer levendig onderhoud met Keizer Napoleon, die mij zeer âhevige berispingen toewierp, wegens mijn gehouden gedrag als âMinister van Oorlog. Ik gaf Zijne Majesteit met luide stem te âkennen, aan Haar geene verantwoording schuldig te zijn wegens âde wijze waarop ik mijnen Meester, den Koning van Holland, als âonafhankelijk Souverein gediend had. Tengevolge van deze rond-âheid werd ik, bij eene volgende audientie, den 20 October, op âeene minzame wijze aangesproken, en over vele belangrijke onderwerpen langdurig onderhouden. Den volgenden dag werd ik gelast âmet den Keizer eene inspectie te doen en de middelen te verklaren, âdie ik ter defensie van de hoofdstad zou hebben aangewend. Zijne âMajesteit scheen deswege zeer voldaan en noodigde mij op zijn âdejeuné binnen Naarden gehouden.quot;
Van Dec. 181 '1 âMei 1812 was hij te Parijs en woonde er âde vergaderingen van het Instituut wegens de solide instructie, die hij daar genoot, steeds zonder verzuim bij, en bezocht dikwijls het Observatoriumquot;.
In 1808 was verschenen zijne Instructie voor de gcographische Ingenieurs, die tot motto voert: un observateur n'est tenu que de l'exactitude de ses mesures et non de leurs résultats.
4 (210 )
[
Dit moge genoeg zijn om den man te kenschetsen. Zijne werken op het gebied der Versterkingskunst en van den Waterstaat zijn algemeen bekend.
Van 5 Meiâ18 Sept. 1825 maakte hij eene onderzoekingsreis naar onze W.-I. eilanden Ondertusschen waren malversatiën ontdekt, gepleegd door eenige officieren, welke onder zijne opperste leiding de vestingwerken langs de zuidelijke grenzen aanlegden. Krayenhoff werd gepensionneerd, voor het Hoog Militair Gerechtshof gedaagd, maar na een onderzoek dat vier jaren duurde, vrijgesproken. Hij huwde daarna voor de tweede maal en stierf âna een bijzonder gelukkigen en genoegelijken ouderdom, steeds in werkzaamheid doorgebrachtquot; den 24 November 1840 te Nijmegen. Het Fort Krayenhoff, gebouwd nabij de plaats waar eens zijn ouderlijk huis stond, âvereeuwigt zijn naam en is de rustplaats zijner asch.quot;
Krayenhoff bezat een rijke verzameling van natuur- en sterre-kundige instrumenten, en hij was steeds bereid om jongeren in deze wetenschappen voort te helpen. Van '1827â1833 hield hij talrijke voordrachten over natuurkunde en deed hij nog een aantal sterre-kundige waarnemingen.
Het is geene overdrijving te beweren, dat zonder van S win den, Krayenhoff en Moll het eerste vierendeel dezer eeuw eene licht-looze plek zou wezen in de geschiedenis der exacte natuurwetenschappen in Nederland.
§ 13. Geschriften van Krayenhoff zeiven over zijne Driehoeksmeting.
De gedrukte mededeelingen van Krayenhoff zijn in chronologische volgorde:
1°. Batavische Vermessung, Schreiben des Oberst-Lieutenant Krayenhoff an Freiherrn von Zach, herausgeber der Monatliche Correspondenz, Febr. 1804, Bd. IX, S 168, 264.
Van dezen brief, gedateerd Haag 30 Nov. 1803, is het Neder-landsche origineel later ook gedrukt in de Algem. Konst- en Letterbode van 10 April 1804 blz. 225â240.
Deze verhandeling geeft een overzicht van de eerste periode der geodesische werkzaamheden van Krayenhoff. In vier bijlagen
â ) Voor het Fort Amsterdam op Curasao vond hij bij deze gelegenheid als ligging; 12c6'32quot; NB en 74°49'15quot; WL. van Amsterdam.
5 ( 22/)
vindt men: de rondmetingen op tien stations (de latere nos 39â41; 52â57 en 66*1); de hoeken van dertien primaire driehoeken (nos 54, 55, 57, 64, 65, 66, 78, 80â83, 93* en 94*); de geographische lengten en breedten van een aantal primaire en secundaire punten 2); de waarnemingen voor de breedte van den Domtoren en de Sterre-wacht te Utrecht op 25â28 Maart '1803, benevens een kaart van het net. De kaart in de Letterbode is wel op grooter schaal dan de Duitsche, maar veel onnauwkeuriger.
2°. Instructie voor de Geographische Ingenieurs bij het Depót Generaal van Oorlog van het Koningrijk Holland. Ontworpen door Generaal-Majoor Krayenhoff, Inspecteur enz. en door den Minister van Oorlog geapprobeerd 4 Maart '1808. 22 blz. fol., Bijlagen en Atlas.
In Frankrijk bestaat sedert 1690 le Depót-General de la Guerre, dat voor de topographic en de krijgsverrichtingen van dat land van buitengewone waarde is geweest. Koning Lodewijk richtte in navolging daarvan het Hollandsche Depót op, en benoemde Krayenhoff tot Directeur ervan. In de genoemde Instructie worden uitmuntende voorschriften aan de daaraan verbonden officieren gegeven. De eerste afdeeling behandelt in 8 Artt. de geodesische observatien: verkenning (met een sextant), basismeting, de Repetitiecirkel, Breedte-en Azimutwaarnemingen, secundaire triangulatie.
Als model worden in 3 bijlagen, te zamen 58 blz. fol., de geodesische waarnemingen op de stations Amsterdam en Hettenheuvel, met hunne berekening, volledig medegedeeld.
Bijlage I, 26 blz., bevat alle details der waarnemingen. Van elke serie is opgegeven: de aflezing der nonien na elke dubbele repetitie, de omstandigheden en de mate van vertrouwen, de barometerstand en de temperatuur. Bovendien van elk station eene teekening, de bepa-
1
') Krayenhoff gebruikte in 1803 de stations no. 66* Westerland en no. 71# Oude Schild, welke echter later met Robbezand niet verbonden konden worden en vervangen werden door Oosterland en Oosteinde. In de driehoeken 93* en 94* komt Westerland voor.
2
) Door eene onbescheidenheid van Prof. Hennert was reeds in de Monatl. Corr. Bd. 8 S. 501 iets over de meting van Krayenhoff medegedeeld en eene lijst van lengten en breedten gegeven. Deze lijst is veel uitvoeriger dan die van Krayenhoff zelf, maar is natuurlijk niet vertrouwbaar.
6 (121)
ling van dc hoogte boven den grond en de elementen voor het centreeren.
Bijlage II, 22 blz. geeft de zenithsafstanden der omliggende punten, ieder door 4 repetities bepaald en de volledige herleiding der hoeken tot het middelpunt, tot den horizon en tot de koorden. De tafels van Delambre, die voor deze herleidingen gebruikt werden, had Krayenhoff wel in zijne Instructie mogen overnemen.
Bijlage III, 10 blz. bevat breedte-, azimut- en tijdsbepalingen op den Hettenheuvel, maar zonder de definitieve berekening.
Bijlagen I en II zijn, voor zoover Amsterdam betreft, verkort overgenomen in het Précis Historique p. 17â29.
3°. Verzameling van Hy drographische en Topographi-sche Waarnemingen in Holland, door den Oud-Minister van Oorlog C. R. T. Krayenhoff. Amsterdam 1813. Opgedragen aan het Hollandsche Instituut van Wetenschappen 1 Juli 1813. Van dit werk bestaat eene Fransche vertaling, die naar het schijnt (Letterbode 'IB'iS b, blz. 374) door J. de Gelder is vervaardigd.
Het tweede gedeelte van dit werk, 55 blz. 8° bevat: de tafel der Hoofddriehoeken (hoekpunten, koordenhoeken, zijden in meters en azimuts, overeenstemmende met tableau III en IV van het Précis Historique, maar zonder de logarithmen en het spherisch exces); eenige aanmerkingen over de torens en signalen; eene alphabetische lijst van de breedten en lengten der primaire punten in 4 decimalen van secunden en eene dergelijke lijst met 1 decimaal van 171 plaatsen en dorpen langs de rivieren en de zee in Holland. Deze lijst van secundaire punten kan ook thans nog met voordeel gebruikt
worden. Krayenhoff heeft aangenomen: afplatting en op de
O
breedte van 52o30' voor de lengte van 1 breedtegraad 111 241, 25 M. (lquot;r=30,90), voor i lengtegraad 07869,3 M. (1 quot;=18,85). Tegen-
1
woordig neemt men hiervoor waarden aan die respectievelijk â
ouuu
en â-â grooter zijn.
2000 ^
4°. Précis Historique des operations géodésiques et astro-nomiques faites en Hollande, pour servir de base a la topographic de eet état, exécutées par le Lieutenant-Général Krayenhoff. Ie Edition. La Haye 1815. XVI et 17G pages 4° en een kaart
7 (Z2 s)
op schaal 84: 100 000000. De schrijver had door den onrust der tijden, die hem naar de grensvestingen riep, geen behoorlijk toezicht op den druk kunnen houden, zoodat er vele drukfouten bleven staan. De eerste uitgave geschiedde volgens besluit van het Holl. Inst. v. W. In 1827 veroorloofde de Koning eene tweede uitgave, op kosten van den staat. Deze uitgave is vermeerderd met het rapport van D el a m b r e en met tableau V: de geographische ligging, de coördinaten en de azimuts der primaire punten volgens eene nieuwe
berekening, steunende op de breedte- en azimutwaarnemingen te
\
Amsterdam van Krayenhoff zelf, en met de afplatting ^â Deze
nieuwe berekeningen zijn verricht door zes genieofficieren.
Deze nieuwe Editie zal ik steeds aanhalen. Zij bevat XXX en 202 pages. Geheel vrij van druk- schrijf- en rekenfouten is zij niet.
Het Précis Historique bestaat uit: 1°. het voorbericht van den tweeden druk, onderteekend Nijmegen 18 Maart 1 827. 2°, het voorbericht van den eersten druk, door G. V rol ik, secretaris van het Instituut. 3°. het Rapport van van Swinden, en dat van D e 1 a m b r e 4°. Het eigenlijke Précis, onderteekend Paris, le 1 Mai 1812. Dit bevat p. 1â13, een historisch overzicht van de aanleiding tot de triangulatie en van de uitvoering van het werk.
Vervolgens p. 13â46 bespreekt Krayenhoff de zeven afdeelin-gen der manuscripten, die hij te Parijs deponeerde; hij verklaart hunne inrichting en licht deze met voorbeelden toe. De breedte-en azimutbepalingen te Amsterdam en te jever worden uitvoerig behandeld. Aan het slot maakt Krayenhoff eene eervolle vermelding van de personen, die hem bij de berekening en uitvoering hadden geholpen, nl. Jacob de Gelder, de ingenier van D el en en de zes officieren S e e g e r, de beide heeren Hooff, van Schelle, van der Merwede en Laurillard.1)
Delambre heeft van dit Précis getuigd âqu' il est redigé avec une telle méthode et tellement circonstancié, qu' il ne fallait pas d' autre renseignement, pour se faire une idéé juste de tout 1c travail.quot;
') Nog meer personen hebben aan het werk deelgenomen, o. a. de oudmajoor Huguenin, die Krayenhoff in 1803 bij de metingen behulpzaam was.
8 (Z 2/-J )
Dc rest van het werk bestaat uit vijf tableaux.
N0. I, p. 48â79, Observations bevat de spherische hoeken1) van het primaire net (reeds herleid tot den horizon en tot het centrum), zooals zij uit de waarnemingen volgen; de reductie tot koordenhoeken en het verschil der rondmetingen met 360°.
N0. II, p. 80â'114, Tableau primitif des triangles geeft van elk der 163 primaire driehoeken2) de koordenhoeken volgens tableau I, hun sluitfout (erreitr), de op '180° vereffende koordenhoeken, de log. sin. dezer laatste, de log. van de zijden {distances) der driehoeken en de lengten dier zijden in millimeters. Met deze zijden worden bedoeld: de koorden gereduceerd tot het oppervlak der zee (zie § 17).
De berekening der zijden geschiedde langs verschillende serieën van driehoeken, die op de oorspronkelijke kaart door gekleurde lijnen') zijn aangegeven. Wanneer eene zijde langs twee verschillende wegen berekend is, vermeldt Krayenhoff het verschil der uitkomsten in eene noot. Vergeten zijn hierbij de gemeenschappelijke zijden der driehoeken 13 en 14; 20 en 21 ; 137 en 144.
N0. III, p. 115â148, Tableau définitif des triangles, is het resultaat der vereffening van tableau II. Het bevat van eiken driehoek de spherische hoeken, het spherisch exces van iederen hoek (d. i. het verschil tusschen den spherisclien hoek en den koordenhoek), de koordenhoeken (angles rectüignes), de log. sin. dezer laatste, de log. der zijden (koorden gereduceerd tot het oppervlak der zee) en de zijden zelf in millimeters. Aan den voet der bladzijden wordt opgegeven hoeveel de lengte van elke zijde door de vereffening gewijzigd is.
In tableaux I, II en III zijn de hoeken in duizendsten van secunden en de log. in zeven decimalen berekend.
1
') Vergeten zijn één hoek te Haarlem (voor driehoek n0. 6é), en één hoek te Pilsum (voor n0. 145). Daarentegen zijn wel opgegeven twee hoeken te Neuenhaus (station nn. 63*) welke plaats in het driehoekennet niet voorkomt.
2
) Benevens driehoek n0. 31* (s' Hage Observatorium, Rotterdam en
9 ( ZZ f)
Behalve nos. 1â163 en 31*, die ook in tableau II voorkomen, vindt men in III nog de driehoeken 79* en 156* van welke in I slechts ee'n hoek is gegeven, en nos. 135*, 143* en 143**, van welke geen enkelen hoek daarin voorkomt. Eenige toelichting ware hier niet overbodig geweest.1)
N0. IV, p. 149 â174, Table alphahctique der breedten en lengten (oostelijk van Parijs) van alle primaire punten, berekend in vier decimalen van secunden, uitgaande van Delambre's resultaten
voor Duinkerken (p. 33) en met de afplatting en den aequator-
straal 6375737 M. (uitkomsten der internationale commissie te Parijs in 1799) Tome 3 van Base du systeme métrique, waarin Delambre aantoont dat het beter is om voor deze constanten 1
g en 6376523 M. aan te nemen, was te laat (Nov. 1810) verschenen dan dat Krayenhofif er nog gebruik van had kunnen maken.
Het tweede deel van dit tableau geeft voor elk primair punt de azimuts der omliggende stations.
N0. V, p. 175â202: Breedten en lengten ('ten opzichte van Amsterdam) der primaire punten in twee decimalen van secunden, de coördinaten (in palmen) ten opzichte van den meridiaan van Amsterdam en van den perpendiculair op 51° 30'. Daarna de azimuts als boven, maar in drie decimalen van secunden; vergeten zijn Varel
1
en Wangeroge. Dit tableau is berekend met de afplatting
en den aequatorstraal 6376950,4 M., en steunt op de breedte van Amsterdam en het azimut van Utrecht, zooals Krayenhoff zelf deze bepaald had.â
1
vindt men alleen de hoek Sleen-Onstwedde-ter Apel, die bij de vereffening 22quot;,782 grooter is gemaakt.
Deze met een * onderscheiden driehoeken behooren niet tot het eigenlijke primaire net, en zijn alleen ten behoeve der topographie opgenomen. Wij zullen ze bij de volgende beschouwingen achterwege laten. Driehoeken met één gemeten hoek had Krayenhoff ook nog kunnen vormen aan de stations nos- 38, 41, 57, 80, 84, 85. 92, 93, 95, 101 en 102.
10 (2 2/' j
Het Précis Historiquc is het laatste en belangrijkste geschrift'), dat Krayenhoff over zijne triangulatie in het licht gegeven heeft.
De beroemde Fransche graadmeting is door Delambre in zijn Base du Système Metrique (S tomes, Paris 1806, '1807, 1810) beschreven met eene uitvoerigheid zoo groot als nimmer voor of na hem is gedaan. Deze wijdloopigheid maakt zulk een werk bijna onleesbaar en is zeer onaangenaam voor hen, die alleen een overzicht van de methode en uitkomsten wenschen. Maar voor iemand, die van de meting eene studie wil maken, is het van onschatbare waarde, dat alle details der waarnemingen geboekt staan en dat alle formules en berekeningen volledig afgeleid zijn.
Krayenhoff zegt over de theorie zeer weinig; daarom is zijn werk alleen goed te begrijpen voor wie Delambre's geschriften kent. Maar ook de waarnemingen zijn door onzen landgenoot veel minder uitvoerig medegedeeld, en dit gemis is moeielijker te verhelpen.
Wij zouden gaarne in het P. H. gevonden hebben; Ie. eene nadere beschrijving der instrumenten en een onderzoek naar hunne nauwkeurigheid; 2e. eene beschrijving van de stations, de standplaatsen en hunne hoogten boven den grond en boven de zee; 3e. de uitkomst van elke serie van hoekwaarnemingen met opgave van de waarnemers, van de omstandigheden en van de redenen waarom zij later al of niet verworpen is; 4e. lijsten: van de sluitfouten der rondmetingen, der driehoeken, der log. sin. van de basisboeken der polygonen; van de absolute en betrekkelijke verschillen der uitkomsten langs twee wegen voor ée'ne zijde gevonden en van de verandering die elke hoek bij de vereffening onderging; 5e. eene beschbu-wing over de vereffening van den zuiderzee-vijfhoek; 6e. de waarden der breedte en lengtebogen tusschen 51quot; en 53o50' van 10 tot 10'. Zonder deze lijst zijn de geographische plaatsberekeningen ongenietbaar.
Onderscheidene van deze lijsten kan de lezer zelf te zamen stellen, no. 1, 2 en 3 echter niet; no. 3 zou den omvang van het boek verdubbeld hebben. Mogen wij Krayenhoff hard vallen, dat hij dat alles uit zijn boek heeft weggelaten? Eigenlijk niet. Wees men
') Het is opmerkelijk, dat Cohen Stuart, Kaiser e. a. de werken hier onder 1°, 2C en 3° beschreven geheel ignoreeren.
ii (zzy)
hem op het voorbeeld van Delambre, hij kon antwoorden, dat deze geleerde juist de eerste was die hem voor de wijze van bewerking van het P. H. lof toezwaaide. Ook de Nederlandsche beooordeelaars of besprekers hebben niet op uitvoeriger mededee-lingen aangedrongen. Is alzoo het P. H. onvolledig, dan moet men dit minder aan Krayenhoff dan aan zijne tijdgenooten wijten. In hunne oogen was het reeds eene ongewone verdienste, dat iemand details eener triangulatie bekend maakte. Onderscheidene belangrijke metingen uit de eerste dertig jaren dezer eeuw zijn nimmer gepubliceerd, hetzij de regeering dit tegenhield, hetzij er iets aan haperde en de auteur er niet recht mede gereed kon komen of zich niet aan de critiek der openbaarheid durfde wagen. Dit is het geval geweest met alle triangulaties, welke aan die van Krayenhoff aansluiten: Tranchot, Epailly, Erzey, Gauss.
Vrees voor het bekend worden van de details zijner meting, bestond bij Krayenhoff zeker niet. Als fransch officier was hij verplicht om een volledig afschrift zijner waarnemingen bij het Dépót de la guerre de France te deponeeren. Een tweede afschrift (copie collationnée de tous ses régistres d'operations et de calcul) gaf hij aan de Eerste klasse van het Kon. Instituut (thans Akademie van Wetenschappen) te Amsterdam. En den lO1115quot; Nov. 1839 schonk de grijze generaal aan de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool het origineele Handschrift van zijne metingen. ^ Dit Leidsche exemplaar is het meest authentieke, het volledigste en het gemakkelijkst te verkrijgen. Het bestaat uit 9 deelen kl. octavo geodesische en 2 dln. kl. 8° astronomische waarnemingen. Verder: 2 dln. folio, bevattende de herleiding der hoeken tot het centrum, den horizon en de koorden; 1 dl. folio met de berekening der tableaux II en III; 1 dl. folio met de berekening der geographische l'gging van alle primaire punten (geschreven door de Gelder); 1 dl. folio berekening der breedte- en azimutwaarnemingen en 2 dln. folio bevattende de secundaire metingen met den sextant en den repetitiecirkel. Deze laatste twee deelen zijn in het Nederlandsch
') Zie Algem. Konst en Letterbode 1839^, blz. 433 en de bijlagen der âLevensbijzonderheden.quot; Het bibliotheeknummer dezer handschriften is Codex nquot;. 24.1.
geschreven en dragen den titel: Verzameling van Rondmctingen gedaan in Holland op 251 standplaatsen.
Het belangrijkste zijn de eerstgenoemde 9 deeltjes registers van de metingen. Zij zijn in het Fransch geschreven op gedrukte formulieren, die in chronologische orde te zamen zijn gevoegd, ieder jaar met een doorloopend folionummer, en de serieën, op elk station met eigen volgnummers. De jaargangen 1807, 1810 en 1811 bestaan ieder uit twee banden; die van 1808 zijn bij 1807 b ingebonden.
Als voorbeeld geven wij fol. 1 van 1803. Het niet gecursiveerde is gedrukt. De formulieren zijn ingericht voor 24 repetities, maar hun aantal klimt soms tot 30.
De formulieren zijn aan den achterkant onbeschreven, behalve dat bij elk station tegenover serie 1 de platte grond der standplaats (meestal een torenomgang) is ge-teekend en de gegevens voor het centreeren zijn opgegeven; tegenover serie 2 is een âluchtige teekeningquot; van den toren geplaatst met de hoogten van standplaats en spits boven den grond; tegenover serie 3 vindt men de zenithsafstanden der omliggende stations, bepaald door 2 of 4 repetities.
|
Station de Nieuwkoop en B Vendredi le 11 Juin 1805 Avant midi è, 4 heures, entre Gouda et Utrecht. | ||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||
|
Observations Objets superles, trés bonne observation. | ||||||||||||||||||||||||
Ik geloof niet, dat dit de aanteekeningen zijn die Krayenhoff op de stations zelf en gedurende de waarnemingen gemaakt heeft. Dan zouden ze in het Nederlandsch gesteld zijn, de barometer- en thermometerstanden vermelden (zie blz. 221) en de Observations zouden niet zoo dikwijls luiden; Comme la précédente. Ook zullen de hier boven genoemde teekeningen wel oorspronkelijk op eigen bladen geschreven zijn. Aan jaargang 1802 ontbreken de waarnemingen op 5 stations Nos. 27, 29, 30, 31, 36, die later op nieuw bezocht zijn. Ook vele andere kleinigheden bevestigen dat vermoeden. Waarschijnlijk zijn de oorspronkelijke aanteekeningen 1) eerst later,
') Waar of deze gebleven zijn? Onder de papieren van den generaal en
13 (ay)
misschien pas in 1811, door Krayenhoff vertaald. Deze vertaling is, op de genoemde bekortingen na, zeer getrouw geweest, en zoowel de slechte als de goede waarnemingen zijn opgenomen, ook zulke, die ieder als volkomen mislukt moest beschouwen en door Krayenhoff zelf terstond verworpen werden.
Ofschoon de Leidsche Bibliotheek deze manuscripten met alle gewenschte voorkomendheid ten gebruike geeft, zijn ze slechts door zeer weinige personen geraadpleegd. Cohen Stuart was in 1861 de eerste, die er eene studie van maakte,
Van groot belang zijn ook de twee laatstgenoemde foliodeelen. Op de meeste primaire stations werden door Krayenhoff secundaire metingen verricht. De eene kijker van den repetitiecirkel werd op een vast punt gericht en met den anderen kijker werden achtereenvolgens alle torens enz. van den omtrek opgenomen. Eén rondme-ting heeft meermalen betrekking op 100 tot 400 punten. Vele daarvan zijn op vrij onbepaalde wijze aangeduid, b. v. kloeke spits niet veraf â fraai geconfigureerde toren, 3 uren ver â enz.
Een belangrijk aantal, en daaronder juist de voornaamste dorpen en steden, zijn echter op ondubbelzinnige wijze aangeduid. Op elk station schijnt men in den regel slechts éénmaal deze rondmeting uitgevoerd te hebben. De nauwkeurigheid wordt door Krayenhoff (Précis p. 46) op minstens 20quot; a 30quot; geschat, en ik geloof dat zij in den regel grooter is. Daar in de rondmeting ook de primaire stations zijn opgenomen, kan men de ligging van een toren, die twee of meermalen ingesneden is, gemakkelijk berekenen. Zoo vond ik voor de lijn Leiden-Saaihal, tot Delft N. K., de lengte 18375 M. (log = 4,20423) en het azimut1) 29o24'30quot;; voor Zutphen tot Deventer 12777 (log = 4,10643) en 1G7029'2quot;.
De nevensgaande staat geeft een overzicht van het aantal dezer metingen. Op 17 primaire stations (nos. 1 â12, 15, 64, 72, 87 en 100) zijn geen zulke waarnemingen verricht, op de overige 86 stations wel en op 11 in twee verschillende jaren. Verder zijn bezocht: in
dus thans nog in het bezit van zijne familie? Of zijn zij gedeponeerd in de Archieven van het Ministerie van Oorlog ? Dit laatste bezit zeker de berekeningen van tableau V.
') Daaruit volgt voor het azimut van Delft gezien uit de Sterrewacht te Leiden: 2807'3,,, terwijl Becker (Annalen II, S. 210) 27o6'57quot;,50 vond.
(Z1
SO
14
1801 Middelharnis, Goedereede, Arnhem en 's Hage observatorium; in 1803 Felix Meritis en Westerland; in 1805 Soest; in 1810 Gieten. De 300 folios bevatten zeker meer dan 10000 hoeken en het aantal secundaire punten, dat drie of meermalen is ingesneden, schat ik op minstens 500. 4
PRIMAIRE STATIONS.
Aanliil fuliüs.
Jaar.
Aantal.
Numero's
1
5 , 16, 17, 23, 34, 87.
18 ; 13, 14; 16â19; 21â24; 27â32; 35, 36.
13 | 39, 40, 41, 46, 47;.52â58; 65.
16 i 20, 25, 26, 33, 34, 37, 38, 42, 43, 44; 47-50; 59, 70.
22 44, 45, 49,50,51; 60-63; 65â71; 73â75; 77, 79; 84.
13 | 76, 78; 80-83; 85, 86; 88â92.
10 j 93â99; 101, 102, 103.
97 !
1801 1802 1803 1805 1807 1810 1811
15 65 53 52 tiö 36 22 303
In de Meetkunstige Beschrijving, blz. 7 noot, wordt over dit deel van Krayenhoff's werk gezegd: âMen heeft echter van deze metingen voor het vervolg geen nut kunnen trekken, daar in de registers de verschillende voorwerpen op eene te onbepaalde wijze zijn aangeduidquot;.. Een wonderlijk oppervlakkig en voorbarig oordeel! Uit de metingen van Krayenhoff is met betrekkelijk geringe moeite de ligging van een groot aantal punten met veel meer zekerheid af te leiden dan uit de fraaie tabellen der M. B. Aan de auteurs van dit laatste werk zal toch wel niet onbekend geweest zijn, dat die fraaiheid slechts een papieren kind is van een verwarden hoop meerendeels slechte waarnemingen.
Behalve de bovengenoemde rondmetingen met den repetitiecirkel, bevatten deze registers nog waarnemingen met den sextant op 157 standplaatsen, die te zamen 283 folios innemen. Verreweg het grootste deel hiervan is door Krayenhoff zelf in de jaren 1798â 1803 gemeten de folios 330 tot 400 behelzen waarnemingen met
') Namelijk van 18 Sept.â8 Dec. 1798 op 25 stations. In 1799 Maart 2, April 15, Mei 8, Juni 38, Juli 16, Aug. 2, tezamen 81 stations. In 1800 Febr. 3, Maart 2, April 9, Juli 2, Sept. 6, Oct. 1, te zamen 23 stations. De gegevens voor het centreeren zijn niet medegedeeld. De waarnemingen op zich zelf zijn ook meermalen tot 2' fout.
15 (Z*1)
den sextant door den heer Fokker van Juli 1803 tot October 1804 in Zeeland gedaan. Deze sextantvvaarnemingen waren als verkenning voor Krayenhoff van groote waarde, maar zijn thans onnut wegens hunne geringe nauwkeurigheid.
De waarnemingen met den repetitiecirkel zijn geheel ongereduceerd1) maar de gegevens voor het centreeren zijn overal vermeld. De standpunten waren doorgaans dezelfden als die voor de primaire hoekmetingen. Worden de waarnemingen gecentreerd, en daarna, hetzij op het praktische gevoel hetzij volgens de methode der kleinste quadraten, vereffend, dan zullen zij, totdat de nieuwe metingen van Prof. Schols voltooid zijn, den meest vertrouwbaren grondslag vormen voor de ligging der belangrijkste secundaire punten in ons vaderland.
§ 14. Over dc Geodesie en Astronomie in Nederland.
Tot rechte waardeering van Krayenhoff's onderneming, moeten wij een blik slaan op den toestand der astronomie en der geodesie in Nederland.
Wij hebben reeds vermeld (§ 1), dat in 1632 te Leiden, boven het Akademiegebouw, eene sterreivacht verrees. Maar gedurende twee eeuwen heeft zij voor de wetenschap bijna niets opgeleverd. De enkele kundige mannen, Lulofs en Calckoen, liet men het aan hulpmiddelen ontbreken, en op de tijden, dat de Regeering meer vrijgevig was, stonden aan het hoofd der sterrewacht onbekwame personen, die voor reusachtige sommen geld, totaal ongeschikte werktuigen en inrichtingen aanschaften. Toen de achtienjarige Frederik Kaiser in 182G te Leiden kwam, heeft hij elf jaren werkeloos moeten doorbrengen aangezien alle ruimte in het observatorium werd ingenomen door den beruchten reuzenteleskoop van Rienks, die door Ekama als een volmaakt werktuig was geroemd, omdat het mahoniehout, koper en staal zoo fraai van uiterlijk waren.
Kaiser maakte zich beroemd door waarnemingen over de komeet van H alley, die hij op de vliering van zijn eigen huis moest volbrengen.
In 1837 werd het observatorium eenigzins in orde gebracht en in 1861 zag Kaiser zijne onvermoeide werkzaamheid bekroond door
') Waarschijnlijk hebben zij loch wel dienst gedaan voor de berekening der geographische ligging van de secundaire punten in de geschriften 1 en 3 genoemd.
16
de voltooiing der nieuwe sterrewacht, de schoonste onder alle inrichtingen voor wetenschappelijk onderzoek, die ons land bezit.
In 1868 verscheen Band I van de âAnnalen der Sternwarte in Leidenquot; welks inleiding eene uitvoerige geschiedenis van de sterre-kunde te Leiden behelst. In 1869 Band II, die uitsluitend gewijd is aan astronomische waarnemingen ten dienste der Europeesche Graadmeting. In 1872, zeer kort na Kaiser's dood, Band III, met zijne beroemde onderzoekingen over Airy's micrometer en over den physischen toestand van Mars. Ook de IVe, tot nog toe laatste Band (1875) bevat waarnemingen onder zijne leiding aangevangen. Voor de geodesie zijn verder van belang onderscheidene lengtebepalingen, in den laatsten tijd te Leiden uitgevoerd.
Te Utrecht 1) was in 1642 de Smeetoren (thans afgebroken, hij stond op den wal tegenover het sterrebosch) tot observatorium aangewezen. In 1680 werd dit wat opgeknapt, maar eerst na 1815 door Moll op eenigzins beteren voet gebracht. Van 1853â55 werd op het bolwerk Sonnenburgh eene nieuwe sterrewacht gebouwd: de eerste bruikbare inrichting van die soort in ons land. De student H. W. Schoeder van der Kolk bepaalde er in 1857/58 de breedte, maar daarna bleef zij weder vele jaren lang bijna onbenuttigd.
Ten tijde van Krayenhoff was te Utreeht de oude professor Hennert (1733â1813), een vruchtbaar schrijver, een verdienstelijk wiskundige maar geen waarnemer.
In de halve eeuw van Lulofs tot Kaiser was de eenigebeoefenaar der praktische sterrekunde J. F. Keyser (1766â1823, de oom en pleegvader van Frederik Kaiser), een privaatonderwijzer te Amsterdam.2) Uit zijne eigen geringe middelen verschafte hij zich, wat aan de akademiën ontbrak: bruikbare kijkers en uurwerken, en verrichtte daarmede wat aan de hoogescholen werd verzuimd.
Toen Krayenhoff optrad was van geene enkele plaats hier te lande de ligging bekend, en de sterrekundigen aan onze hoogescholen waren niet bekwaam om den genieofficier hierin te helpen.
') N. van der Monde, Beschrijving van Utrecht 1846, deel 3 blz. 328. Dodt van Flensburg. Geschiedkundig Archief 1843, II blz. 295.
J) Levensbeschrijving door G. Moll in K. en Letterbode Juni 1824, blz. 354, 371, In 1802 bepaalde hij de lengte van Amsterdam, die vóór dien tijd nog 71/, minuut onzeker was,
17 (?3.gt;}
Door Stevin, Sncllius en Huygens was Nederland's roem op het gebied der exacte natuurwetenschappen ten top gestegen. In de volgende eeuw konden 'sGravesande en Muss ch enbroek, voor zoover de proefondervindelijke natuurkunde betreft, dien luister handhaven. Van 1095 tot 1705 bezat de Groninger Hoogeschool in Jean Bernoulli een van de grootste wiskundigen van zijn tijd. Hij werd echter verdacht van socianisme en nam de wijk naar zijn vaderstad Basel, waar hij tot 1748 werkzaam is gebleven. Hij was gezind om naar Leiden of Utrecht terug te keeren, maar men weigerde hem het reisgeld. Waren hij en zijn zoon Daniel (1700 â 1782) voor Nederland behouden gebleven, dan zou de wiskunde hier ook in de 18e eeuw zijn blijven bloeien. De liefhebberij voor dit vak toch was onder alle standen zeer groot, maar zij moest zich bepalen tot de beginselen en het oppervlakkige, want bruikbaar onderwijs in de hoogere wiskunde werd vele jaren lang alleen door Hennert gegeven.
Toen J. H. van Swinden (1746â1823) te Leiden studeerde werd aldaar geen onderwijs in de wis- en sterrekunde gegeven. Van Swinden, de keurige en nauwkeurige, onvermoeide maar niet diepzinnige geleerde, was van I7G7 â1785 hoogleeraar in de wis-en natuurkunde te Franeker en daarna te Amsterdam, waar hij weldra de meest gevierde man van zijn tijd werd. Van Nov. 1798 tot Aug. 1799 bracht hij te Parijs door als lid van de internationale Commission des poids et mesures. Van Swinden berekende in dien tijd de geheele graadmeting van Me chain et Delambre, en bracht de eindverslagen over dit groote werk uit. Hij was dus, theoretisch ten minste, geheel vertrouwd met alles wat triangulatie betrof. Van hem ontving Krayenhoff aanmoediging, raad en inlichtingen. Voor het wiskundig gedeelte van zijn werk vond Krayenhoff verder steun bij Jacob de Geldcr(17C5â1848.) ^
') Levensschets van de Gelder, door Verdam in de Konst en Letterbode Dec. 1848 blz. 344, 355, 386.
De Gelder was privaatonderwijzer en verkeerde in vrij kommerlijke omstandigheden tot dat hij in 1819 hoogleeraar te Leiden werd. In 1803 werd hij bij de triangulatie van Krayenhoff aangesteld; in 1804 beklaagde hij zich bij de Regeering over de slechte uitbetaling van zijne bezoldiging en werd daarop ontslagen, maar in 1811 weder tot berekenaar benoemd. Het is moeielijk om uit te maken welk aandeel hij aan het werk van K ray en hoff
18 (zïtl I
Het zou van groot belang geweest zijn als Krayenhof zich eenigcn tijd bij Delambre in alle praktische details had kunnen bekwamen, maar hij kon het land niet verlaten en moest door eigen oefening de noodige vaardigheid verwerven. Want niemand hier te lande was met geodesische werkzaamheden vertrouwd. Sedert Snellius was in Nederland eigenlijk geen primaire triangulatie uitgevoerd. De verificatie van Musschenbroek stond beneden zijn tijd. Cassini III had wel een groot deel van België maar slechts enkele punten in Noord-Braband en Zeeland trigonometrisch bepaald 2)
heeft gehad. Verdam beweert: âdat in 1801 de zwarigheden van weten-schappelijken aard voor Krayenhoff onoverkomelijk waren, dat de triangulatie zonder de Gelder mislukt zou zijn en dat, ware de Gelder niet ontslagen, het werk reeds in 1804 voltooid had kunnen wezen.quot; Dit alles is zeer overdreven, ja onjuist. De Gelder had in 1801 een paar kleine verhandelingen over geodetische onderwerpen in het licht gegeven, die wel van weing beteekenis zijn, maar op grond waarvan wij wel mogen aannemen, dat hij toen beter dan Krayenhoff op de hoogte van de theorie was. Maar van Swinden en de werken van Delambre verschaften Krayenhoff toch nog betere inlichtingen. De Gelder week in het begin van Delambre's voorschriften af, en kwam daardoor tot minder juiste uitkomsten, gelijk hem door Zach terecht verweten is.
De Gelder schijnt zich meermalen over Krayenhoff beklaagd te hebben, maar wij moeten niet vergeten, dat hij met zeer vele menschen overhoop lag, b. v. met van Swinden en Schrüder, welke laatste hem zelfs van kwade trouw en onwaarheid moest beschuldigen.
De Gelder heeft Krayenhoff in 1802 bij de studie der werken van Delambre geholpen en was in datzelfde jaar zijn medewerker bij de metingen. Maar dit was niet genoeg om den wensch te rechtvaardigen, dat zijn naam nevens dien van Krayenhoff op den titel van het Précis zou staan. Krayenhoff heeft De Gelder herhaaldelijk (1803, 1812, 1839) met roem als zijn voornaamsten medewerker genoemd. Was dit te weinig?
De Gelder was een vaardig en ijverig rekenaar, maar voor geodesische berekeningen is meer geduld en oplettendheid dan talent noodig. De Gelder had op eene andere wijze zijn naam aan het groote werk kunnen verbinden, ' namelijk door er in 1827 de nieuw ontdekte methode der kl. Q. op toe te passen. Maar van eene poging daartoe heb ik niets kunnen vinden.
') Op deze metingen berust de groote kaart der Gostenrijksche Nederlanden samengesteld door Ferraris, die wel fraai uitgevoerd maar over het algemeen weinig vertrouwbaar was. Zie Mémoires de l'Acad. de Belgique 1843 t 16 en Bulletins Nov. 1856 p. 436
19 (iSS
Een behoorlijke kaart van Noord-Nederland bestond niet. Het wetgevend lichaam benoemde den Augustus 1798 eene commissie om daarin te voorzien. Deze wendde zich tot Krayenhoff, en men kwam overeen om uit een groot aantal Provinciale en Gemeentelijke kaarten e'én geheel samen te stellen op den schaal 1: 115200. Den 10lt;lon October 1798 werd Krayenhoff uitdrukkelijk hiermede belast. Maar de zaak bleek onmogelijk te zijn: de verschillende materialen sloten volstrekt niet.
Toen sloeg Krayenhoff zelf de hand aan het werk. In 1799 mat hij met een sextant een groot aantal hoeken op de voornaamste torens van Holland, Friesland, Groningen, Drenthe en langs de Zuiderzee. In Febr. 1800 mat hij over het ijs tusschen Monnikendam en Marken met een ketting een basis van 1500 Rh. Roeden (5650 M.) en leidde daaruit voor den afstand AmsterdamâHaarlem 4457,9 Rh. R. af.') In den zomer van 1800 bepaalde hij te Urk door zonswaarnemingen het azimut van Enkhuizen, Staveren, Lemmer en Kampen.
Met die nieuwe materialen vlotte de samenstelling der algemeene kaart beter. Maar in Nov. 1800 raadpleegde Krayenhoff van Swinden. Deze verklaarde hem de graadmeting van Delambre en Krayenhoff bemerkte daardoor hoe gebrekkig zijn eigen werk nog was. Met veel moeite wist hij de commissie bovengenoemd over te halen om hem tot eene meer nauwkeurige triangulatie te machtigen. Van Swinden had te Parijs op kosten van het Gouvernement een repetitiecirkel laten maken; deze werd thans ter beschikking van Krayenhoff gesteld. Hij had het instrument nimmer gezien, maar door vlijtige oefening was hij er weldra geheel mede vertrouwd, en in 1801 mat hij 21 driehoeken, die te Zierikzee aansloten bij het net van Perny. Den volgenden winter, bij de berekening, bleek echter het net van Perny onvertrouwbaar te wezen; daarom besloot Krayenhoff om ook dit te verwerpen en van de waarnemingen van Delambre te Duinkerken uit te gaan.
J. Perny de Villeneuve (geb, 17G5) was als sterrekundige
') Later, bij de definitieve triangulatie, vond Krayenhoff voor dezen afstand 16789;3 M. = 4456,5 Rh. R., dus 1,4 roeden minder en niet 4 voeten gelijk Précis p. 3 staat. Over deze basis- en azimutmetingen is in de Leidsche manuscripten niets te vinden.
20 (23/1)
verbonden aan het observatorium te Parijs. In 1795 mat hij, op last der Fransche Regeering, van Duinkerken tot Zierikzee 22 driehoeken. In Aug. 179G deelde hij aan het Bataafsche Bewind het register zijner waarnemingen mede, en stelde voor om die op hunne kosten voort te zetten tot Texel. Dit aanbod werd van de hand gewezen, en men heeft later van Perny nooit meer iets over deze zaak vernomen. Daar in geen enkel Nederlandsch of Belgisch werk iets over zijne metingen medegedeeld is, bespreken wij ze hier wat nader. Zijn net telt:
22 hoekpunten (behalve Goes en Lier op de kaart aangegeven. Herenthals is niet identisch met Krayenhoff).
22 driehoeken (15 daarvan stemmen overeen met Krayenhoff nos. 3 â15; 18 en 19.)
G6 gemeten hoeken en 44 wederkeerige vizierstralen.
De 22 driehoeksvergelijkingen zijn prachtig; 17 sluiten op minder dan 1quot;, cn allen op minder dan 1quot;,5. De tour d'horizon te Assenede is 3G0o0'3quot;,5. Maar hoe staat het met de zijdenvergelijkingen? De drie veelhoeken om Assenede, Hulst en Goes geven respectievelijk
£ 233
een middelbare fout voor iederen hoek van â â . = 3 ,3;
,(4 69,4
718 â 9f)8 _ â ^
â 7 ,() en â 13 ,5. Over de beteekenis van e cn u
zie § 16.
De waarnemingen van Perny zijn dus minder nauwkeurig dan men van een leerling van Delambre mogt verwachten. Maar onder de triangulaties van de tweede helft der 18® eeuw maken zij toch altijd nog een goed figuur.
Uit nevensgaande tafel ^ ziet men dat het verschil met Krayenhoff bij één hoek tot 10quot;,5 klimt, maar in den regel beneden 5quot; blijft. Het verschil met de nieuwe triangulatie van Belgie (door Nerenburger in 1858 en volgende jaren) is nog geringer.
Krayenhoff kwam tot een veel ongunstiger oordeel. Plet valt terstond op, dat één driehoek (Hulst, Goes, Middelburg) niet gemeten is, maar men kan uit de omliggende driehoeken zijne zijden bere-
') Gedeeltelijk overgenomen uit Zach: Allgem. Geogr. Ephemeriden, 1799, Bd. 4 S. XXXII.
|
c^c^co^o lO C/D'SÃ CO iO G-1 lO O iO L.O oo co o O O O X 00 |
co coquot; co' oquot; Glt;1 â X I-O ^ o CO T-t â- O Ol o CO CO O X |
G-l X ( co ai lO C- !gt;. O Tâ( T-H ®C| tgt;gt; i.O tgt;. o c: co co |
o^co^^t-oT co cC o 31 tQ CO CO 'C: C O ^ O X |
CO O ©l^iO af igt;r âT o CO s-l tgt;. co O o ^ O ai O O O ^ L^- X |
XH) -co o^x^ 3-1 Cï CT T-lt; O 31 0 s 0 O »0 X O co o x |
O O co co ai c'cTGi 3-1 ^ ^000 CO 31 O O co O o X x |
|
SJ | |
|
6 | |
|
O | |
|
fci; |
73 |
|
0 | |
|
0 |
O |
|
CQ |
O |
w H
â¢sl
O
03 00
II II
© ^
O 2 GJ»
[ O Igt;
l IS T-
-lt; S J ö
^ CD CJ ^ 3 o o
S O ^
N3 6
co
fijj quot;f i|ii
O ^ -c o .S^ â¢- x O is: S o
0 a 73 i
1 |l ii
73 r-O ^
o c o r; MCK-
1 !
Jl!
amp;£gt;-£ ^
^ ^ «s ^
O ö ^ co
gt; t-H VT
r 31 o â
âlt; O 3-1
'i I Ã'
1
CO i O ^ 3-1
iO O â¢
co co
I
I O !gt;.
iO
oxo
O ^ X
N3
cm iO â^ O O ^ ^
CO C5 odquot;^ 00 ocT oquot; CO âlt; ^ O
^ lO iC 1^1 !§ co
GO CO !gt;⢠O CO 00 ©1 O co ^ c: CO L^ O X
-§ 11 l^-S 5 li
O S^.1 2 O ^ 11
- io c O .
O T-H |~ O ~ ^
rtoc/3quot; I c3 73 â¢â uO
3-1
3 o ^ 'O =: o O c --'
^ O 73
73 31: 1 â¢â' 73 . â: .
. ^ O (3lt;l 00 X tr^ ïà Ã
CO â^ ^ O CO O O X
lt;31 CO ^ :
O iO T-H
- âT aT
O quot;ti 73 ^
c« o c: O
r=i
_p
quot;TH c: co o aT co
!
â O G-l C
CO CO X
t^- O â1 :
.-H 00
_ _g
quot;3 C5 1^5 C s alt;pq^
_
CO vil I lO
1 10
I CO X O
oquot;
fi 1
O
ril
|
N: |
rj 1 | |
|
3 | ||
|
6 |
O |
rf 11 |
|
rj- |
i3 |l | |
|
â |
O |
73 |
|
O ;L |
£ |
bD-i-^ O |
|
0 |
3 |
0 ^ |
|
a C |
K of | |
1 I
O^X^â^ : coquot; 3-f lO lt; 1O CO CO
X iO O :_ iO O 10 X
|
00 lt;
O ^ ^ o ^ ®gt;1 c£ coquot; O co â â X O O iO ^ ^ co co o 5 O CO X |
O ^ â¢co oquot; cT I i ©1 O C0,0 âT trS coquot; ö CO Gl ©1 X O o !gt;⢠CO O X |
O C^v^,â 31 o -H O ! co ®q O ^ o O CO X |
oquot; O
O c^. ' coquot; kO 31 Ã Uo lO tgt;- o jiO iO CO 3-1 CO O O X |
o oquot; ^ -M I r X ^ 3-1 ^ tgt;- O 'O O^O Tâ iO ) o o i x o 3-1 o CO 3-1 LO ) Ci O ) X X co o o o CO w X X 31 T^J zrS 1 Igt;« i-O 31 â' |
CO ^ ^ CO coquot; 1 CO ).0 â^ O -f X ^ oquot; O Tât 3-1 O O 10 X o ^ O CO X |
00^ KT 3-1 1 c^co 00 O x 3-1 3-1 ^ CO 3-1 o lO O O »0 CO O lQ 31 O X |
|
â tJ O . § Jl gt; w ~ ö .2 00 j.2 O .ü S quot;i^K C! - 0I O o _c O |
s 3 a.-- 0 â S .3 cn »0 2 Q O Oquot; |
|
d» II t. Ã/D O S 2 CD r: H O r-^ |
CO oquot; fcc I o lil CD O . tD-e quot;O ^ 2 g ^co cqolt;3 |
à fi
0 O _
2 o la â
^ S r-^ .
22 (zU j
kenen. Uit die zijden volgen hoeken, door welke de tour d' horizon te Goes meer dan 1' en die te Hulst 11quot; fout wordt. Met de hoeken zooals de tours d' horizon die vereischen, volgt daarentegen voor den afstand Hulst-Middelburg eene lengte, die 8 M. van de eerste berekening verschilt. Krayenhoff veronderstelde, geloof ik, dat Perny den genoemden driehoek met opzet verzweeg, en de overige hoeken zooveel flatteerde tot dat de driehoeksvergelijkingen prachtig sloten. Perny schijnt eiken hoek slechts eenmaal gemeten te hebben.
Hoe dit zijn moge: eene fransche Commissie had het werk van Perny goedgekeurd1) Lalande en Zach roemden het; eerst Krayenhoff ontdekte de onregelmatigheden.
Nederland bezat dus op het gebied der hoogere geodesie niets dat bruikbaar was; alles moest nog gedaan worden. Gelukkig was Krayenhoff een man van meer dan gewone energie. Noch zijne aanvankelijke teleurstellingen, noch zijne overige drukke bezigheden als officier-ingenieur brachten zijn voornemen aan het wankelen.
In Mei 1802 begaf hij zich, met de Gelder, op weg. De eerste twee maanden was het weder ongunstig (harden wind,) maar de volgende drie werkte alles mede, zoodat in dezen zomer 31 stations bezocht en 39 driehoeken gemeten werden.
In Maart 1803 werd te Utrecht met den repetitiecirkel de breedte bepaald; in 1801 en 1802 was dit reeds te 's Hage gedaan. Onderscheidene sterrekundige waarnemingen (sterbedekkingen, eclipsen) werden verricht, maar zij waren voor de vaststelling der geographische lengte niet voldoende.
In Juni 1803 hervatte Krayenhoff de hoekmetingen te Haarlem, thans vergezeld door den oud-majoor der mineurs Huguenin, terwijl de Gelder te huis de berekeningen voortzette. In dit jaar werd het noodig om op sommige punten signalen te plaatsen, te Kijkduin, op de kerk te Harderwijk, te Lemelerberg, Imbosch en bij het Loo2). De laatste drie zijn eerst in 1805 en 1807 als
') Del ambre deelt mede (Précis p. XXII) dat deze Commissie toch eigenlijk het werk van Perny niet vertrouwde, maar er geen fout in kon vinden. Zoo weinig dacht men toen aan zijdenvergelijkingen.
J) De signalen te Harikerberg en Hettenheuvel zijn opgericht in 1805, die te Uelsen en Robbezand in 1807.
23
standplaatsen gebruikt, maar Krayenhoff was blijkbaar op eene goede voortzetting bedacht.
De triangulatie was voor Krayenhoff minder een opdracht dan een vergunning: hij mocht ze uitvoeren, maar slechts in den tijd, die van den gewonen dienst voor het leger en den waterstaat overbleef. En daar deze dienst in den Napoleontischen tijd geen sinecure was, bleef er in 1804, 1806 en 1809 voor de metingen volstrekt geen tijd over. In 1808 werd alleen Utrecht op nieuw bezocht, maar in 1805 kon Krayenhoff drie maanden en in 1807 vijf maanden aan zijn werk besteden. Toen volgde eene lange pauze. Op 6 April 1810 vinden wij hem weder te Leiden en in die zelfde maand werden ook Gouda, Dordtrecht en 's Hage opnieuw1) bezocht en driehoek n0. 31* gemeten. Den 22 Mei begonnen de metingen op het kasteel Ballum en den 14(ieii Oct. 1810 eindigden zij te Holwierda. Geheel Nederland, met uitzondering van Limburg, was met een driehoekennet overspannen.
Voor deze waarnemingen van 1810 en 1811 werd een kleinere repetitiecirkel gebruikt. 2) Moeten wij hieraan alleen de geringere nauwkeurigheid dezer waarnemingen toeschrijven, of was Krayenhoff's vaardigheid door de lange rust en door de bange dagen, die hij als minister had doorleefd, verminderd?
Den 31 Jan. 1811 ontving Krayenhoff aanschrijving om zijne triangulatie voort te zetten over Oost-Friesland, totdat zij aansloot bij de hannoveraansche driehoeksmeting van Epailly. Eene vroegere aansluiting met deze was driehoek n0. 92.
Den 24eu Juni was Krayenhoff te Leer, den 10 Aug. te Westerstede, het laatste station. Hij bracht vervolgens een geruimen
') Ik weet niet wat de reden van die herhalingen is geweest. De waarnemingen van Juni 1802 geschiedden (gelijk uit de manuscripten der secundaire metingen blijkt) op de zelfde standpunten, en waren niet slechter dan die van 1810. De waarnemingen van Leiden in driehoek n0. 43 zijn in 1810 geheel mislukt en moesten door die van 15 Juni 1802 vervangen worden (Précis p. 89; Registers 1810, fol. 21*) In het Précis is ^ Leiden in n0. 54 slechts 0quot;.130 en Utrecht in n0. 57, 0quot;,459 kleiner aangenomen, dan uit de waarnemingen van 1802 (zie de Verhandeling op blz. 220 genoemd) was afgeleid.
!) Het is niet zeker of Krayenhoff in 1810 in Zuid-holland den grooten of den kleinen repetitiecirkel gebruikt heeft. Er was ruimte genoeg voor den grooten maar mogelijk wilde hij zich op bekend terrein oefenen in het gebruik van den kleinen.
24 (Z^oj
tijd te Jevcr door, ten einde in het kasteel aldaar de breedte en het azimut van Varel te bepalen. Den V11⢠September waren ook deze waarnemingen afgeloopen. Op de terugreis mat hij nog enkele hoeken te Midwolde en Uithuizermeden, en het groote werk was verricht. De laatste waarneming is van 13 Sept. 1811 te 2 ure.
De Gelder en anderen waren ondertusschen met de berekeningen bezig. Ook Krayenhóff zelf hielp hieraan mede zoo dikwijls hij een uur vrij had.
In het laatst van 1811 werd Krayenhóff door Napoleon naar Parijs geroepen om zitting te nemen in het Comité van Fortificatiën, hetgeen hem echter zoo weinig drukte gaf, dat hij de manuscripten zijner waarnemingen en berekeningen kon ordenen en overschrijven, en daarbij het Précis Historique opstellen.
Den llden Mei 1812 was hij in Nederland terug; âdadelijk aanvaardde hij zijne rivier-werkzaamheden en bemoeide zich wijders met niets anders.quot; In het voorjaar van 1813 schreef hij de Topogra-phische waarnemingen (zie blz, 222) en in 1815 werd het Précis gedrukt. Maar Krayenhóff beschouwde zijne geodesische studiën als afgeloopen. 24 Nov. 1813 werd hij weder Gouverneur van Amsterdam en den 20 Sept. 1814 begonnen zijne werkzaamheden voor den aanleg eener rij van vestingen langs de zuidelijke frontieren van Belgie, welke 12 jaren lang bijna al zijn tijd in beslag namen en hem ten slotte veel verdriet veroorzaakten.
Zelden of nooit is eene triangulatie van den eersten rang onder zoo ongunstige omstandigheden uitgevoerd als door Krayenhóff. Het zou voor de geodesie van Nederland zeker veel beter geweest zijn, als hij minder overhoopt met werkzaamheden ware geweest. Hieraan zal ook wel toegeschreven moeten worden, dat de secundaire metingen onvoltooid en grootendeels ongebruikt bleven liggen en Nederland aldus verstoken is van de eer om het eerste land zijn, waar eene nauwkeurige secundaire triangulatie bestond. Maar er behoorde reeds ongewone werkkracht toe om de primaire waarnemingen, hoe dikwijls ook afgebroken, telkens weder op te nemen, in afwachting, dat een nieuwe order hem naar de militaire bureaux terug riep. 1)
1
) In de Levensbijzonderheden, blz. 5G vertelt Krayenhóff zelf uit het
In dc âLevensbijzonderhedenquot; vindt men bijna geen opmerkingen over het geodesische werk. Toch zal het ook Krayenhoff wel niet aan allerlei tegenspoeden en onaangenaamheden ontbroken hebben. 1)
Eene eigenlijke verkenning schijnt aan de metingen niet vooraf gegaan te zijn, maar door de reizen en sextantwaarncmingen van 1799 was Krayenhoff met het terrein nauwkeurig bekend geworden. Slechts enkele malen werden stations bezocht, die later voor de voortzetting ongeschikt bleken te zijn, 2) nl. in 1803 Westerland (zie blz. 221,) en in 1807 Neuenhaus, dat door Uelsen is vervangen. Nu en dan zijn ook hoeken gemeten, die later overbodig bleken; zoo werd van uit Leeuwarden en Dokkum op Holwerd en Nes (Ameland) gericht.
De volgende lijst geeft een overzicht van de geodesische werkzaamheden, voorzoover die in de registers (blz. 228) zijn beschreven. Onder het aantal serieën zijn ook medegeteld die voor de later verworpen hoeken en die betreffende de kimduiking te Middelburg en Loo verricht.
Tweemalen bezocht zijn: in 1803 en 1807: n0. 55 (in het laatste jaar 2 hoeken), nn. 56 (2 hoeken) en n0. G5 (2 hoeken); in 1805 en 1807: n0. 59 (2 hoeken); in 1807 en 1810: nn. 79 (2 hoeken) en n0. 84 (2 hoeken); in 1810 en 1811 n0. 89 (2 hoeken) en n0. 91 (3 hoeken) benevens in 1802 en 1810: n0. 28 (een hoek voor driehoek n0. 31*.)
jaar 1806: In de afgesnipperde oogenblikken, als de koning hem niet noodig had, werkte hij in de kamer der aides de camp aan de berekening der
geodesische en astronomische waarnemingen..... Zijne goede orde en zeer
gemakkelijke wijze om zaken te behandelen, voorkwamen zoowel de wanorde, als de moedeloosheid, welke zoovele bezigheden wellicht zouden hebben kunnen verwekken.
') Geodeten uit dien tijd waren daartegen gehard. Epailly campeerde aan den voet zijner signalen en leefde van de jacht. Welk een verschil met Gauss, die steeds over slechte reisgelegenheid, slecht logies en slechte madeira klaagde!
J) In dit opzicht staat Krayenhoff boven Gauss. Het primaire net van den laatste telt 38 stations, 54 driehoeken en 85 richtingen, waarvan respectievelijk 12, 28 en 35 onbruikbaar of onnoodig bleken te zijn.
Verder weten wij uit de verhandeling van het jaar 1804 (zie blz. 2^0) en uit de registers der secundaire metingen, dat in 1801 reeds de stations n^. 16, 17, 23, 34-, en 37 en in 1802 behalve de genoemde ook nn. 27, 29, 30, 31 en 36 zijn bezocht. Uit de kaart van 1804 zou volgen, dat in 1803 bovendien op de stations n°s. 20, 25, 33, 34, 37, 38, 42, 43, 47, 48, 5(.) en 60, 67, 68, 69 en 71* gemeten is, maar de secundaire metingen bevestigen dit vermoeden alleen voor n0. 47.
/
27 (itj)
Dc stations zijn bezocht in de tijdsorde: 35, 32, 21, 16, 13, 23, 24, 19, 18, 14, 12, 6, 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 7, 11, 10, 15, 17, 22, 28, â 39, 40, 41, 52, 53, 65, 66quot;, 55, 56, 57, 54, 58,46.- 42, 47, 59, 48, 43, 37, 33, 20, 25, 34, 26, 28. â 44, 50,49,45,51, 61, 62, 64, 63*, 63, 84,-60; 70, 69, 68, 72, 56, 55, 66, 65, 71, 73, 77, 79, 74, 67, 75, 59. â 36. â 30, 31, 29, 27,* 28, 78, 76, 81, 79, 80, 82, 83, ter Apel, 87; Gieten, 84, 88, 92, 89, 85, 86, 91, 90. â 95, 96, 94, 93, 98. 99, 101,97, 102, 103, 100,91 en 89.
Meer bijzonderheden over de wijze waarop de triangulatie van Krayenhoff tot stand kwam, heb ik niet kunnen vinden. Zijn werk is voor ons land van onschatbare waarde geweest, en er zullen nog vele jaren moeten verloopen, vóór het door eene betere driehoeksmeting is vervangen. Als het eerste voorbeeld eener nauwkeurige en behoorlijk vereffende triangulatie van een geheel land, zal het ten alle tijde eene geschiedkundige merkwaardigheid blijven.
Dc aanleiding tot Krayenhoff's werk was de behoefte aan eene goede kaart van Nederland. Die kaart is ook werkelijk tot stand gekomen, en werd te harer tijd zeer geroemd. Ook de latere voortbrengselen van onze beroemde Topographische Inrichting ('zie dit Tijdschrift 1886 blz. 1,) zooals de stafkaart, strookkaart, waterstaats-kaart, rivierkaart, steunen op de triangulatie van Krayenhoff. Evenzoo de talrijke opnemingen der zeekusten door officieren onzer Marine uitgevoerd. In dit opzicht heeft Krayenhoff zijn doel volkomen bereikt. Maar zijn andere hoogere wensch is eene illusie gebleven. Hij had gehoopt eene bijdrage te leveren tot dc kennis van de gedaante der aarde, en door zijne waarnemingen een verband te brengen tusschen de driehoeksketen van Delambre en latere metingen in Noord-Duitschland (Précis, p. 4, 5). Maar tot dat doel is zijn werk nimmer 1) benuttigd: wij gelooven ten onrechte.
De met opzet overdreven ongunstige voorstelling, die Gauss in 1826 van Krayenhoff's hoekmetingen gaf, heeft Schmidt, Airy.
') Generaal Muffling berekende den afstand van Duinkerken tot Seeberg uit 48 driehoeken, waaronder 19 van Krayenhoff zouden geweest zijn. Zie Astronomische Nachriehten 1823, Bd. 2 S. 33, en dit Tijdschrift, 1889 bladz. 163.
{Het vervolg, de lijst der stations en de kaart van het net in de §e Aflevering).
Bess el, Clarke e. a. teruggehouden om ze bij hunne berekeningen van de grootte en gedaante der aarde te gebruiken. Daarbij kwam, dat de metingen van Jever tot Hamburg door Gauss verricht, nimmer gepubliceerd zijn, en Jever dus een eindstation bleef.
Wel werd door het net van Krayenhoff de meridiaan van Delambre met 2° 32' verlengd, maar de voortzetting over het kanaal tot aan de Schotsche eilanden bedroeg ten slotte nog 7° meer, en was in alle opzichten verkieselijker.
Over hetgeen na Krayenhoff in Nederland op het gebied der hoogere geodesie is tot stand gekomen, spreken wij later uitvoerig.
OVERZICHT VAN DE GRAADMETINGEN IN NEDERLAND
DOÃU
Dr. J. D. van der Plaats.
(Vervolg Dan blz. 243)
Inhoud.
§ 15. Over de triangulatiëu in het buitenland vóór Krayenhoff. â 16. Statistiek van het net van Krayenhoff. â 17. Instrumenten en waarnemingsmethoden. â IS. Astronomische uitkomsten. â 19. De berekening. â 20. De vereffening. â 21. Geschriften en critieken over Krayenhoff. â 22. De veroordeeling door Cohen Stuart en Kaiser. â 23. Slotsom. â 24. Trian-gulatiën, die steunen op het net van Krayenhoff.
§ 15. Over de Triangnlati'én in het Buitenland vóór Krayenhoff.
Gemma Frisius had in 1533 het geniale denkbeeld uitgesproken om door hoekmetingen de betrekkelijke ligging der hoofdpunten van een land te bepalen. De landmeters hadden reeds geruimen tijd van deze methode gebruik gemaakt, toen Snellius ze op grooten schaal toepaste. Snellius benuttigde de triangulatie tot eene graadmeting, d. w. z. hij bepaalde poolshoogten en azimut. Ook vereffende hij empirisch driehoeks- en zijdenvergelijkingen. Zijne waarnemingen bezitten de nauwkeurigheid, die in zijn tijd bereikbaar was; deze bedroeg ongeveer: voor de bases 1/2000; voor de hoeken der driehoeken 2'; voor de poolshoogten 1'.
De eerstvolgende stap verrichtte Picard. Hij voorzag den quadrant met verrekijkers en deze met kruisdraden. Zijne uitkomst voor de lengte van 1° bleef geruimen tijd geldig; âpar un bonheur qu'il méritait son dégré était juste a 1/4000 pres (Delambre)quot;.
Maar nauwelijks was op deze wijze de grootte der aarde vrij goed bepaald, of men begon te disputeeren over hare gedaante. Deze questie werd beslist door de metingen der Fransche commissiën in Lapland en Peru. Terzelfder tijd (1739/40) volbracht Lacaille eene tijnschriiir kadaster 1889. 17
30 (2 id*)
graadmeting van Duinkerken tot Perpignan (8o20 10 boog.) Delambre, welke deze laatste meting zorgvuldig heeft bestudeerd, beschouwt ze als de beste, die vóór 1780 is verricht. Lacaille was trouwens een uitstekend waarnemer, alle toenmalige hulpmidden stonden hem ten dienste; zijne driehoeken betroffen punten, waar vroeger reeds een of twee malen gemeten was. Zijne uitkomsten geven dus den maatstaf van hetgeen in het midden der vorige eeuw bereikbaar was. Welnu: de sluitfouten van 14 rondmetingen verschillen van â 77 tot 28quot;, en zijn gemiddeld 33quot;; die van 129 driehoeken zijn te zamen 1G98quot;,5 of gemiddeld 13quot;,2 en variëeren van â 41quot; tot 43'. De bases werden gemeten met 4 ijzeren staven van 5 meters lengte en later nagemeten door Bouguer en Lemonnier met houten latten van 8â14 meters. De verschillende bedroegen tot 1/15000. Men mat tot 1 KM per uur, maar verzuimde ook bijna alle voorzorgen, die tegenwoordig voor onvermijdelijk gerekend worden.
Een nieuw tijdperk begint met het jaar 1787. De Engelsche generaal Roy begon in dat jaar de primaire triangulatie van het Britsche Rijk, die eerst in 1858 onder Clarke en James is voltooid. De eerste metingen dienden tot verbinding van Dover en Fairlight met de Fransche kust, en terzelfder tijd maten Cassini, Méchain et Legendre een reeks driehoeken van Duinkerken tot over het kanaal, om zoo een geodesisch verband tusschen de observatoria van Greenwich en Parijs te brengen.
Deze meting van 1787, ofschoon van geringen omvang, was uiterst gewichtig in de gevolgen, wat instrumenten en rekenwijzen betreft.
Roy had door Ramsden een theodoliet laten vervaardigen, die tot 1858 in Engeland gebruikt is. Het was een reusachtig instrument van 1 M. middellijn, 100 K.G. zwaar, dat op een eigen wagen vervoerd moest worden. De aflezing geschiedde door 4 mikroskopen, welke echter zeer dikwijls ontregeld waren en veel getob gaven. De verdeelingsfoutcn waren voor dien tijd ongehoord klein; ééne waarneming was slechts it 2quot; onzeker. De reïteratiemethode werd beproefd, maar als te tijdroovend verworpen. Roy mat zijne bases met een zorgvuldig gecalibreerden stalen ketting.
Geheel anders waren de werktuigen der fransche geleerden. Borda had, voortbouwend op een denkbeeld van Tobias Mayer, den repetitie cirkel uitgevonden, en het eerste instrument van deze
31 flSJ j
soort werd door Cassini cn Lcgendre gebruikt. Het voldeed uitnemend. Méchain had evenveel tijd noodig voor ééne waarneming met zijn quadrant van 80 c.M. radius, als zij voor éene serie van 20 repetities. De quadranten, wier excentriciteit, verdcelingsfouten en asymmetrischen bouw allicht ecne onzekerheid van 10quot; overlieten, zijn sedert dan ook voor geodesische waarnemingen niet meer gebruikt.
De grootere nauwkeurigheid der waarnemingen had recht op meer verfijnde rekenwijzen. De fransche geleerden begonnen het spherisch exces in hunne berekeningen op te nemen en Legendre ontdekte zijn beroemd theorema.
In 1792 begon de graadmeting van Me'chain et Delambre. Wegens hare groote lengte, de zorgvuldigheid en nauwkeurigheid der uitvoering en berekening en de volledigheid waarmede zij is gepubliceerd, zal dit werk ten allen tijde een historisch gedenkstuk blijven. Het staat ongeveer evenveel boven de meting van Lacaille als deze boven die van Snellius. Men mag betwijfelen of een zoo belangrijke vooruitgang voor de derde maal mogelijk zal wezen.
Delambre mat twee bases: één bij Perpignan van 1170G,4 M, lengte en één bij Melun (10 uren zuid van Parijs) 11832,4 M. lang. Het basisapparaat was uitgedacht door Borda. De vier meetstaven bestonden uit een onveranderlijk materiaal, namelijk platina. Men plaatste ze op een kleinen afstand vóór elkander omdat bij alle vroegere metingen de achterste staaf door het aanleggen der volgende een weinig terug gestooten werd. Er werd voor het eerst zorgvuldig rekening gehouden met de temperatuur, de uitzetting en de helling der staven. De eindpunten der bases werden duurzaam vastgelegd. Daar elke basis slechts ééns gemeten is, weet men niet heel goed welke nauwkeurigheid bereikt is. Delambre schat ze op 1/200 000ste.
Voor alle hoekmetingen, zoowel geodesische als astronomische, werd van repetitiecirkels gebruik gemaakt. De nauwkeurigheid bedroeg omstreeks 1quot;, dat is nog iets beter dan Roy met den grooten theodoliet. De azimuts rekent Delambre op minstens Gquot; nauwkeurig, Voor het herleiden der hoeken tot den horizon cn tot de koorden gaf Delambre geschikte tafels. Ten opzichte van het centreeren nam hij eene zorgvuldigheid in acht, welke die der vroegere waarnemers verre overtrof. Hij verbond aan de graadmeting een trigonometrisch nivellement en reduceerde alle zijden tot het oppervlak der zee.
In 1799 waren dc waarnemingen voltooid. De Internationale Commissie (rapporteur Van Swinden, zie blz. 233) onderwierp het geheel aan een vrij zorgvuldig onderzoek. Zij nam als vasten regel aan om voor eiken hoek het rekenkunstig gemiddelde te nemen van alle serieën, zonder cenige voorkeur toe te laten, en de sluitfout van een driehoek gelijkelijk over de drie hoeken te verdeelen. Slechts voor drie hoeken (te Forêt, Vouzon en Cullan), moest zij om bijzondere redenen hiervan afwijken.
De Commissie berekende uit de waarnemingen, die Delambre en Me'chain haar mededeelden: voor den afstand der parallellen van Duinkerken en Montjouy 551584,72 toises; voor het verschil in breedte 9o40'25quot;,GS en voor de gemiddelde breedte 46011'58quot;. Zij combineerde deze waarden met de uitkomsten van Bouguer in Peru, en kwam zoo tot de afplatting P= 1/334 en het vierdedeel van een meridiaan Q = 5130740/. Dc Commissie besloot dus omdenmeter = 0,513074/ = 443,290 Parijschc lijnen te maken.
Deze uitkomsten mogen echter alleen als voorloopige beschouwd w,orden. De Commissie had niet den tijd gehad om alle astronomische waarnemingen nauwkeurig te berekenen. Ook had Méchain een groot aantal serieën verzwegen welke eerst na zijn dood aan Delambre bekend werden. Daartoe behoorden de breedte bepalingen te Barcelona, welke tot Montjouy gereduceerd 3quot;,24 grootere poolshoogte gaven, dan de waarnemingen te Montjouy zelf. Delambre nam het gemiddelde. Volgens hem is het verschil in breedte 9C40 22quot;,62, de
O O
gemiddelde breedte 46011'5Gquot;,27 en de afstand der parallellen 551583,6/. Daaruit volgt Q = 5132100 â 320604 P -1- 4383333P2 toises. Voor de bepaling van P maakte ook Delambre van de Peruaansche graadmeting gebruik, maar hij berekende ze eerst opnieuw, en kwam zoo tot P = 0,00324 en Q = 5131111,1/. De meter had dus 443,328 p. I. lang moeten zijn 1). Dit zijn de ware uitlcomsten der Fransche graadmeting. Uit de voortzetting der meting tot Greenwich en Formentera verkreeg Delambre natuurlijk weder andere uitkomsten, n.1. Q â- 10000000 X 443,32 /./., maar hij kon niet weten.
!) Delambre verklaart (Base du système métrique III, 103): âpour ne parditre pas affecter une précision a laquelle nous ne pouvons encore prétendre, j'avais proposé ö, la commission de sen tenir au nombre rond de 44-3,3 lignes.quot;
33 (z6')
dat dc afstand tot Formentera 130 M. tc klein berekend was. Dit is eerst in 1836 door Puissant bemerkt.
Krayenhoff gebruikte (zie blz. 225) voor dc berekening van tableau IV de uitkomsten van Van Swinden, voor tableau V de afplatting van Puissant na verbetering van een kleine fout daarin.
Van de nieuwere berekeningen over de grootte en gedaante der aarde zijn vooral die van Bessel (1837 en 1841) en Clarke (1856, 1858, 1860, 1863, 1866 en 1880) belangrijk. De eerste gebruikte 10 graadmetingen, te zamen 50o34 24quot; lang. Zijne laatste uitkomsten (gepubliceerd Astronomische Nachrichten 1841, Bd 19 S. 116) zijn in Duitschland algemeen aangenomen, en men heeft talrijke tafels daarnaar vervaardigd. Ook Cohen Stuart, Kaiser en Schols hebben daarvan gebruik gemaakt.
Clarke kon over veel betere gegevens dan Bessel beschikken. Hij verwierp de Hannoveraansche en Deensche metingen als onnauwkeurig, de Oostpruisische en Zweedsche als tc klein. Zoo bleven er 6 breedte-graadmetingen over, te zamen 78058' lang, benevens de 10o28' lange parallel van Engelsch Indic. Zijne laatste berekening is gepubliceerd in een afzonderlijk werk: Geodesy. Oxford 1880. Een omwentelingsellipsoïde is bepaald door twee gegevens. Noemen wij
a â b
a â aequatorstraal; h â halve as der aarde; p ~ âââ ; cL â lpâ/2,
dan is op de breedte B de kromtestraal van den meridiaan =: a (1 â c-) _ 8
X (1 â cquot;- Sin2 B) 2 en de straal van den parallelcirkel â a (1 -- c-
Sin2 B) Cos B. Hieruit volgt');({ â \ n. a (1 â \ p t's1 P' s1^/3) en verder vind ik dat op de gemiddelde breedte B
xquot; breedte =a{\ â \p p- -f- 35 p') bgxquot;
-}- a (â -I p /j p*) Sin xquot;. Cos 2 B
-t- a (4- H /2 irl f) Sin 2 xquot;. Cos 4 B a (â- quot;2 Z3) Sin 3 xquot;. Cos 6 B 1quot; lengte = a. bg 1quot; [ (1 i ^ 4- tj P' rb Z3) Cos B (â i/ â h p- â ri» /3) Cos 3 B ( A P1 t'A f) Cos 5 B (â p*) Cos 7 B]
De termen met /3 zijn reeds onmerkbaar klein.
De vijf bovengenoemde berekeningen geven dus:
â ) Men ontwikkele de gebroken macht in een reeks, vervangt Sin B door Cos; Cosu B door Cos. der veelvouden van B, en eindelijk e door p. Voor
34
|
1799. J. H. van Swinden . . . |
1 V :m |
eL 0,00 5979 |
Cl 037 5737 |
h 0356 050 |
Q 1000 0000 M |
|
1810. J. B. J. Delambre . . . |
308,65 |
64695 |
6984 |
322 |
0722 |
|
1827. Puissant-Krayonlioir . . |
309,65 |
6449 |
6950 |
356 |
0722 |
|
1841. F. W. Bessel ...... |
299,1528 |
0074 |
7397 |
079 |
0850 |
|
1880. A. R. Clarke ....... |
293,465 |
68035 |
8249 |
515 |
1809 |
|
1quot; Breedte |
in millimeter*. |
1quot; Lengte. | |||
|
v. Sw |
30864,20 - 138,82 |
Cos. 2 B -4- 0,20 Cos. 4 B. |
309.33,00 Cos. |
B - 23,18 Cos. 3 B |
O 'p |
|
Del. |
30806,43 - 150,25 |
-h 0,30 |
30941,50 |
- 25,09 |
-f 0,03 |
|
P.-K |
30860,43 â 149,77 |
-f- 0,30 |
30941,31 |
- 25,01 - |
0,03 |
|
Bess. |
30866,84 - 155,02 |
0,32 |
30944,30 â |
- 25,89 - |
0,03 |
|
Cl. |
30869,97 - 158,00 |
0,34 |
30949,00 |
- 20,40 - |
-f- 0,03 |
De uitkomsten van Clarke zijn zonder twijfel de meest juiste, en er is geen enkele reden waarom men vooral voor de tropische gewesten aan de constanten van Bessel zou blijven vasthouden. Maar voor een bepaalde landstreek is het geheel onzeker, welke waarden van 1quot; breedte en lengte men moet aannemen. De geoide (d. w. z. het zeeoppervlak, voortgezet onder het vaste land) toch is volstrekt geen regelmatige ellipsoïde. Legendre, Delambre en Laplace hebben nadrukkelijk verklaard, dat de poolshoogten en azimuts onregelmatigheden vertoonen, die grooter zijn dan de waarnemingsfouten.
de eerste vergelijking moet men bovendien integreeren van B â {. xquot; tot B -4- !r.rquot;.
Deze formules met p zijn wel zoo gemakkelijk als de gewone met cquot;-. Men bemerkt aanstonds: 1° dat Krayenhoff in Topographische waarnemingen blz. 63 de term Cos 4 B met het verkeerde teeken gebruikt heeft; 2° dat Listing in GOttingische Nachrichten 1873 s. 49 geheel onjuiste cijfers geeft en 3° dat bij Bessel de coëfficiënten van Cos 4 B en Cos 6 B iout zijn. De laatste fout is in 1876 reeds door Jordan aangegeven : âder falsche Coefficient von 4B, welcher sehr schadlich ist, kan nur durch sehr weitgreifende Nach-rechnung gefunden werden.quot; Het schijnt wel, dat men in alle werken over geodesie en aanverwante onderwerpen rekenfouten kan opsporen en niet zelden betreffen deze hoofdzaken. Ik heb dan ook geen onbepaald vertrouwen op de geographische coördinaten van Krayenhoff noch op de oudere tafels berekend met de Besselsche constanten.
35
Dc latere onderzoekers zijn allen tot dezelfde slotsom gekomen. Tegenwoordig is het doel der hoogere geodesie niet meer om dc ellipsoïde te vinden, die het best aan de waarnemingen voldoet, maar om de verschillen te zoeken tusschen de geoïde en eene ellipsoïde. Voor dit doel kan het vrij onverschillig wezen, welke afmetingen men aan die vergelijkingsellipsoïde geeft. Doch het is opmerkelijk, dat men in plaats van ronde getallen te gebruiken, nog altijd de constanten van Bessel met hun sleep van vier onnutte decimalen ') ten grondslag legt.
Krayenhoff heeft zooveel mogelijk Delambre nagevolgd. Hij kon werkelijk niet beter doen. Wat instrumenten aangaat, kon de keus niet moeilijk zijn. Een groote theodoliet, als die van Roy, kon op de meeste zijner stations niet opgesteld worden. Daarbij was Ramsden wel een geniaal kunstenaar, maar een slecht leverancier, die soms tien jaren en langer op zijn werk liet wachten, gelijk Cassini had ondervonden. Een repetitiecirkel daarentegen lag ter beschikking van Krayenhoff (zie blz. 235). Dit instrument was minstens even nauwkeurig als de reuzentheodoliet en veel gemakkelijker in de behandeling.
Bij de reductie der astronomische en geodesische waarnemingen heeft Krayenhoff zich strikt aan de voorschriften en tafels van Delambre gehouden. Maar bij de vereffening moest hij zijn eigen weg zoeken, want Delambre heeft alleen1) op driehoeksvergelijkingen gelet. Krayenhoff vond eene vereffeningsmethode uit, zoo volledig en elegant, dat alleen de methode der kl. Ou. iets beters kon geven. Dit is niet
|
N0. 7 Sauti (5) 2quot;,39 2quot;,08 N0, 12 V.Bretonneux(7) 4- 3quot;,03 â 1quot;,34 idem (6) 2quot;,87 0quot;,03 N». 42 Vouzon (5) â 1quot;,76 â 9quot;,49 |
N0. 74 Cambatjou N°. 79 Alaric idem N0. 83 Forceral idem |
(4)- 1quot;,12 â 2quot;!91 (6) - - 0quot;,15 â 0quot;)84 (6) 4- 1quot;,67 H- 0quot;,6S (6) â1quot;,15 â2quot;,22 (5) 0quot;,47 â 0quot;,60 |
1
) Delambre en Méchain hebben ieder op vier plaatsen den tour d'horizon gemeten. Die te Parijs en te Montjouy zijn zeer onzeker. Van de overige zes geeft de volgende lijst: het nummer en de naam van het station, het aantal hoeken ( ); de sluitfout der directe meting en die na de vereffening.
3G (iM '
zijn geringste verdienste, maar men heeft ze tot nog toe niet op den voorgrond geplaatst.
Men mocht van Krayenhoff niet eischen of hopen, dat zijne waarnemingen eene grootere nauwkeurigheid zouden bezitten dan twee zulke uitnemende waarnemers, als Delambre en vooral Méchain waren, verkregen hadden. Ter wille van de vergelijking zullen wij dus nagaan welke nauwkeurigheid bij de fransche graadmeting is bereikt, maar daar men hierover bij Jordan e. a. slechts onvolledige of onjuiste opgaven vindt, moeten wij in eenige bijzonderheden treden.
De keten van Duinkerken tot Montjouy telt 115 driehoeken. Nos. 1 â 89 zijn door Delambre gemeten (daaronder hebben drie en twintig (de n09. 2, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 15, 16, 22, 34,37,40,46,50,51, 57, 59, 60, 61, 62, 67 en 68) één geconcludeerden hoek; acht (nos. 19, 20, 21, 29, 32, 33, 45 en 63) zijn overtollig en twee (nos. 23, 58) zijn onzeker. Wij laten dus 33 driehoeken (waarvan alleen nos. 15, 16 en 57 tot de primaire behooren) weg, en houden 56 over. In de 26 primaire driehoeken van Méchain (nos. 90 â115) zijn alle hoeken gemeten. De volgende lijst geeft een overzicht van de sluitfouten;
|
Delambre. |
M é c h a i n. |
D. en M. | |||
|
Sluitfout. |
positief. |
negat. |
positief. |
negat. |
totaal. |
|
0quot;â1quot; |
12 |
9 |
10 |
4 |
35 |
|
1 â2 |
10 |
9 |
4 |
1 |
24 |
|
2 â3 |
8 |
4 |
5 |
0 |
17 |
|
3 â4 |
1 |
1 |
2 |
0 |
4 |
|
4 â5 |
2 |
0 |
0 |
0 |
2 |
|
33 |
23 |
21 |
5 |
82 | |
|
Som |
51quot;,44 |
29quot;)40 |
30quot;,99 |
2quot;,92 |
114quot;, 75 |
|
per drieh. |
1 ,56 |
1 ,28 |
CO quot;^1 |
0 ,58 |
1 ,40 |
|
Algebr. som |
22quot;,04 |
2 8quot;, 07 | |||
|
Constante fout | |||||
|
per hoek. |
H- |
0 ,13 |
|
0 ,36 | |
r som (sluitfouten) 2 . De middelbare fout van één hoek = y 3 x aantal driehâ ^
37
_ , , , 184,9382 â 74,7053
Delambre = |/ â-^ggâ = 1 .05; bij Méchain â [/ â^â = O ,98
259,6435
Te zamen 1/ -â â 1 .03. Wij hadden dus recht om boven
voor de nauwkeurigheid der hoekmetingen omstreeks 1quot; aan te nemen.
Het verschil tusschen Delambre en Méchain l) is gering, en men zou dus verwachten, dat de beide helften dezer meting in nauwkeurigheid ongeveer gelijk staan. Maar in de laatste jaren is onder leiding van Perrier de geheele meridiaan op nieuw gemeten. Over de uitkomsten is reeds medegedeeld (Comptes Rendus de 1'Académie, 1889, t. 108 p. 125) dat de uitkomsten van Méchain verrassend nauwkeurig zijn (de verschillen met de nieuwe meting bedragen nog niet 1/100 000), terwijl die van Delambre 1/14000 in positieven en 1/22000 in negatieven zin afwijken. Wij besluiten hieruit:
1° dat de nauwkeurigheid eener triangulatie met zekerheid alleen is te beoordeelen als men ze vergelijken kan met latere waarnemingen van ontwijfelbaar grootere juistheid. Voor het net van Krayenhoff bestaan dezulke nog niet.
2° dat een verstandige keuze tusschen de verschillende waarnemingen derzelfde grootheid een veel beter resultaat kan geven dan het strenge mathematische gemiddelde.
§ 16. Statistiek van het Net van Krayenhoff.
Wij laten bij de volgende beschouwingen buiten rekening: de sta-
') Er is nog dit verschil, dat Delambre met de grootst mogelijke eerlijkheid al zijne waarnemingen mededeelde, terwijl Méchain een belangrijk aantal verzweeg. Delambre was niet bepaald afkeerig van uitkiezen (ofschoon hij zich geschikt heeft naar de strenge regels der Commissie). âMais quel que soit le parti que Ton préfère il me semble qu'on doit tont publier.quot; â âQuand il s'agit d'observations qu'on n'a pas l'occasion de répéter k volonté l'astro-nome, qui est chargé d'une mission publique, doit au gouvernement qui l'a employé et è, tous les savans qui liront son ouvrage, le compte le plus scrupuleux de tout ce qu'il a observé. II peut avoir son advis et en exposer les raisons, mais il doit par une publication entière mettre ses lecteurs portée- de tirer de son travail toutes les conséquences aux quelles ce travail peut conduire.quot;
In Nederland schijnt men over dat uitvoerig publiceeren wel eens anders gedacht te hebben.
38
tions 's llagc observatorium (n0. 27*), Neuenhaus (nn. G3*), Gieten en Ter Apel, benevens de driehoeken nos. 31*, 70*, 135*, 143*, 143** en 156* (zie blz. 224, 241.)
Wij beschouwen de hoeken van tableau I met de aanvulling van blz. 224, noot ^ als grondslag, en verbeteren ^ daarom:
in tableau II: de hoek Zutphen in driehoek nquot;. 87 met â 0quot;,375; de hoeken Ballum in nn. 120 met 3quot;,497, in n0. 121 met â 5quot;,397, in nft. 127 met 2quot;,344;
in tableau III het spherisch exces van hoek Antwerpen in n0. 15 met â 0quot;,019.
Stations. Het net telt 111 stations. Krayenhoff heeft daarvoor zooveel mogelijk torens van kerken, kasteden enz. uitgezocht. Als standplaatsen dienden twee of meer punten van den omgang; de spits was het âpoint de mire.quot; Te Duinkerken, Rotterdam, Bent-heim en Leeuwarden werd op den toren een signaalmast geplaatst; te Harderwijk en Strakholt bovendien eene stelling voor het instrument. Op Vlieland was de vuurbaak, op den Biesselt (een heuvel 2 K.M. oost van het spoorstation Mook) de molen het richtpunt. Tegenwoordig geeft men aan signalen op den vasten grond de voorkeur boven torens, omdat zij een vaster standplaats opleveren en de gegevens voor het centreeren met meer zekerheid te verkrijgen zijn. Torens daarentegen zijn hooger dan signalen, van blijvender aard en dus geschikter voor latere aansluitingen; ook kunnen zij niet licht ongemerkt verplaatst worden.
Enkele malen waren signalen voor Krayenhoff echter onvermijdelijk (zie blz. 238), namelijk te Kijkduin en op de heuvels: Imbosch, Harikerberg, Hettenheuvel, Lemelerberg en Uelsen. Het waren eenvoudige driehoekige pyramiden, wier centrum door een zwaren steen in den bodem werd vastgelegd. De repetitiecirkel stond daarnevens op den grond. Op de Veluwe, een uur ten westen van het
') Kleine druk- en rekenfouten zijn er zeker nog onderscheidene meer. Ik bemerkte er o. a. in tabl. II n0. 92; in tabl. III nos. 1,59,69,129.
Cohen Stuart ontdekte door vergelijking van de manuscripten met tableau I, dat in dit laatste verbeterd moeten worden; hoek Ballum in driehoek n0.121 met â 2quot;,000; hoeken Midwolde in n0. 148 met 4- 0quot;,221, in n0. 149 met â 0quot;,119; hoeken Leer in n0. 148 met 0quot;,958 in n0. 149 met â 0'',958. Ik heb deze laatste verbeteringen niet opgenomen.
Loo 1) nabij de boerenwoning het Eerdgat genaamd, moest echter een stellaadje van 28 M. hoog gebouwd worden, en boven op dat wankele gevaarte werden op windstille dagen de hoeken tusschen de omliggende punten gemeten. Eene bijzondere merkwaardigheid was het signaal Robbezand, bestaande uit een zwaren paal, omhuld met manden en stroobossen, terwijl daarnevens een paalwoning voor het instrument was opgericht. Nooit te voren, en zoo ver ik weet, ook nooit daarna, heeft men midden in een vier meters diepe zee een driehoekspunt geconstrueerd. 2)
De lijst der stations vindt men op blz. 306 tegenover de kaart. Acht daarvan waren alleen richtpunten, geen standpunten. Bovendien zijn één hoek te Lommei en één hoek te Urk niet gemeten 3). In het geheel zijn dus 13 hoeken van het net geconcludeerd en 473 gemeten.
51 Stations zijn centrale punten, d. w. z. aan alle zijden door hoeken van het net omringd, 55 stations liggen aan de buitenzijde van het net en 5 omringen de zuiderzee. Hieruit volgt4), dat het net 1G2 driehoeken moet tellen.
Cohen Stuart heeft de hoeken verdeeld in drie soorten: a, de hoeken gemeten in 1802 â1808. c, de hoeken in 1810 te Leiden, Gouda, Dordrecht en 's Gravenhage gemeten (zie blz. 239). b, de overige hoeken in de jaren 1810 en 1811 gemeten (zie blz. 241, 242).
1
') Krayenhoff noemt dit station: Observatorium op de Veluwe. Voor de kortheid heb ik het Loo geheeten.
2
) Krayenhoff zegt, dat hij met den sextant in de hand, de zerk waardoor dit punt wordt bewaard, zonder moeite kon terug vinden.
3
:!) De reden voor Lommei is vermeld in Précis p. 86. Te Urk was de toren van Harderwijk, die zich tegen de duinen der veluwe projecteerde, niet zichtbaar.
4
'*) Men denke zich een net, waarvan de zijden elkander niet snijden, geprojecteerd op een plat vlak. Laat n het aantal hoekpunten zijn, waarvan x centrale punten, ij punten aan den omtrek van het net en s punten aan den omtrek van één ledige polygoon. Dan is de som der hoeken gelegen aan de punten der eerste soort â 180°. 2.v, die aan de punten der tweede soort 180° (ijâ2); die aan de punten der laatste soort 180° (s 2), te zamen 180° (2.r -t- ij -(--s) = 180c (2«âijâz). Bij het net van Krayenhoff is « â lil; ij = 55 â , z =: 5, dus 162 driehoeken. â Zie ook dit Tijdschrift 1889, blz. 133.
40 ( i ^
De hoeken a zijn belangrijk nauwkeuriger dan b. Er behooren
Stations: tot a 72
Hoeken: â 344
Driehoeken: â ^3' â gt;3quot; â 0 ; â 10 â 12 /fgt;/ 1 Jy
Rondmetingen. Om ieder der centrale punten ligt een veelhoek, het aantal stralen van dezen bedraagt: 4 te Assenede en te Strakholt; 5 op 21 stations; 6 op 18, 7 op 6, 8 op 2 stations en 9 teLemeler-berg en te Groningen. Bovendien heeft Krayenhoff op 22 stations te zamen 33 hoeken gemeten, die niet tot het net behooren en alleen dienden om aldaar den tour d' horizon vol te maken.1) De sluit-fouten dezer 73 rondmetingen met 419 hoeken zijn:
Positief Negatief
Aantal Som per Station Aantal Som per Station
20 15quot;,947 0quot;,797 7 3 ,826 0 ,547 2 1,137 0 ,5G8'-) 1 2,197 2,197 30 23 ,107 0 ,770 totaal voor 73 rondmetingen 71quot;,370 ot per rondmeting 0quot;,978.
Van de sluitfouten liggen 47 tusschen 0quot; en 1,quot; 14 tusschen 1quot; en 2quot;, 10 tusschen 2quot; en 3quot;. Embden is 3quot;,251. Naarden 3quot;,501.
Hoeken. Van de 480 hoeken der 162 driehoeken zijn negen kleiner dan 30°, n.1. in de driehoeken n2 41, 155, 10, 15,83, 141, 145, 139 en 91. Twee hiervan (in nos 15 en 141) hebben een nadeeligen invloed op de voortloopende berekening der zijden; de overige zeven zijn onschadelijk. De kleinste hoek (in n0 41) is 23057'.
Zijden. Het net telt 273 zijden, waarvan 21 éénzijdig gemeten zijn. Zij snijden elkander nergens, 55 liggen aan de buitenzijde van het net, 5 omsluiten de zuiderzee; 213 behooren tot twee driehoeken.
tot b 25 tot c 4 tot a b 2 1 tot a c 0 â 143 1 â19
|
a |
25 |
26quot;, 363 |
1quot;,055 |
|
b |
16 |
21 ,753 |
I ,360 |
|
c |
1 |
0 ,037 |
0 ,037 |
|
ab |
1 |
0 ,110 |
0 ,110 |
|
te zamen |
43 |
48 ,263 |
1 ,122 |
1
') Bovendien heeft Krayenhoff op sommige stations ook de som van twee hoeken gemeten, en b.v. te Brielle ter controle gebruikt. Maar wij hebben ze in onze statistiek niet opgenomen.
2
delde genomen van twee waarnemingen uit de jaren 1802 en 1810, die respectievelijk 43058'9quot;,275 en 2quot;,533 gaven.
(z^)
Ook hieruit volgt dat er 1G2 driehoeken moeten wezen. De beide kortste zijden (in drieh. n03 53 en 79) zijn 9,G23 K.M. lang. De langste zijde (in n0 15) is 50,721 K.M. Daarop volgt, in n0 87 een zijde van 45,885 K.M. Nog vier andere zijden, in n0316, 21, 49 en 103, zijn langer dan 40 K.M. Verder heeft men:
Lengten Buitenzijden Binnenzijden 9,623 K.M. 2 â
10â19 â 14 38
20â29 â 28 120
15 50
30â39 ,, 40â40 â â
50,721 â 1
te zamen 1504 K.M. Gemiddeld per zijde 25,07
5483 K.M. 25,74
Driehoeken. De 102 driehoeken zijn genummerd 2 â163; no. 1 is de noordelijkste driehoek van Delambre, door Krayenhofif als uitgangspunt gebruikt. 51 Dezer driehoeken hebben geen hoekpunten aan de buitenzijde van het net; 49 hebben één buitenhoekpunt; 4G hebben twee buitenhoekpunten (hiervan 8 zonder en 38 met ééne buitenzijde); 1G hebben drie buitenhoekpunten (hiervan 10 met éen en G met twee buitenzijden.)
De grootte der driehoeken beoordeelt men het gemakkelijkst naar hun spherisch exces. Dit bedraagt bij de berekeningen van Krayenhofif 1quot; voor een oppervlak van 19G,57 K.M2. De kleinste driehoek, n0. 53, heeft een spherisch exces van 0quot;,265; de grootste, n0 86, van 3quot;, 142. De driehoeken nos 16, 28, 49 en 87 hebben ieder een sph. exces van 2quot;,6.
41
De gezamenlijke lengte van alle zijden is G987 K.M. of de gemiddelde
lengte van eene 25593 M.
De diagonalen der zuiderzee zijn allen meer dan 40 K.M. lang.
zijde
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
en van het geheele net 42687,5 K.M2. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
42 (z/o)
Van 14(.l driehoeken zijn alle hoeken gemeten. In n0. 107 is de sluitfout 4- 7quot;,G52, maar het signaal te Kijkduin was ongemerkt verplaatst (Précis p. XXVIII, 103). Ook bij n0. 31, sluitfout â 5quot;,245, is een vergissing begaan. Wij tellen deze twee driehoeken dus niet mede. Dan hebben 78 driehoeken een sluitfout van 0quot;â1quot;;
tezamen 81
totaal voor 147 driehoeken 1G6quot;,142; per driehoek 1quot;,130.
Deze cijfers *) steunen op de berekening van het spherisch exces door Krayenhofï. Het is later herberekend door Cohen Stuart. Over de onnauwkeurigheden van beide, zie § 19.
Geographische ligging. Het net strekt zich uit van Mont-Cassel en Duinkerken tot Wangeroge en Stolham over 2059'33quot; breedte en 5059 1 8quot; lengte; de gemiddelde breedte is 52017'44quot; en de gemiddelde lengte 302' Oost van Parijs.
78 stations liggen in het tegenwoordige Koninkrijk der Nederlan-
44 van 1quot;â2quot;; 21 van 2quot;â3quot; en 4 3quot;â4quot;. Verder zijn de sluitfouten: Positief.
Aantal, Som. Per driehoek.
per driehoek. 1,028 1,700 1,387 0,882 1,263
') Ter vergelijking teekenen wij aan, dan onder de 115 driehoeken van Delambre et Méchain (zie blz. 264), vier voorkomen n03. 88, 87, 86 en 113) met een sph. exc. grooter dan 3quot;; de grootste is n0. 88 met 4quot;,15; de kleinste n0. 62 met 0quot;,23. Vijf hoeken (in nu3. 57, 54, 95, 61 en 68) zijn kleiner dan 30°; de kleinste in n0. 57 is 2208'. Eene zijde (in n0. 88) is 58269 M. lang; alle andere zijn korter dan 50 K.M. De kleinste, in nquot;. 62, is 8338 M.
Bij de Engelsche Triangulatie daarentegen zijn de zijden gemiddeld 54 K.M. lang. In Engelsch Indic is één (eenzijdig gemeten) zijde van 340 K.M. De grootste driehoeken zijn van 9 Sept.â18 Oct. 1879 gemeten tusschen Mul-hacen en Tetica in Spanje en Filhaoussen en Sabiha in Algerië. De zijden zijn; MT = 82827; ES = 105179; TS = 225712; TE = 257412; MS = 269847 en ME := 269927 M. Het spherisch exces van MFS = 70quot;,7; van den vierhoek 114quot;,2. De vierhoek komt overeen met Groningen, Terschelling, Maastricht, Bergen o. Z.
(nquot;s. 55, 121, 145, 148) van
N e er a t i e f.
Aantal. Som.
39quot;,05G 30 ,709 10 ,08G 3 ,530 83 ,381
53quot;,520 20 ,02G 6 ,045 3 ,170 82 ,761
0quot;,973 1 ,335 1 ,511
0 ,453
1 ,022
38 18 G 4 GG
a b
a b a c
oa 15
43 (V^
den, 18 in Duitschland, 15 in België en Frankrijk. Van de driehoeken liggen in:
Nederland: 109 geheel, 16 met twee hoekpunten, 12 metéén hoekpunt. Duitschland: 15 â G â â 9 â â
België en Fr.; 10 ,, G ,, â 7 â â
Van de 78 Nederlandsche stations behooren 54 tot a; 14 tot b; 4 tot c; 2 tot ab. 4 zijn niet bezocht. Van de 109 Nederlandsche driehoeken behooren G8 tot a; 19 tot b; 10 tot ab; 12 tot a c. Van de 1G bovenvermeld: 12 tot a; 4 tot b. Van de 12: tota 10; tot b 2.
De Nederlandsche stations strekken zich uit van Aardenburg tot Borkum en Onstwedde, over eene breedte van 2018'54quot; en eene lengte van 3o35'50quot;, terwijl de gemiddelde breedte is 52025'52quot; (3'20quot; benoorden Amsterdam) en de gemiddelde lengte 2054'49quot; Oost van Parijs (7'40quot; Oost van Utrecht). 1)
Algemeene vorm van het net. Uit al het bovenstaande volgt reeds, dat het net van Krayenhoff uitnemend gevormd is, zoo goed als geen enkel net van deze uitgebreidheid uit vroeger tijd, en slechts zeer weinige uit de laatste jaren. De driehoeken zijn in alle provinciën ongeveer even groot en de zijden hebben de meest geschikte lengte voor eene primaire triangulatie, die tevens tot grondslag eener secundaire moet dienen. Langere zijden zijn in Nederland ook niet te verkrijgen. De zijden snijden elkander nergens, diagonalen ontbreken, maar de 51 veelhoeken geven genoegzame contróle.
Het zwakste deel zijn de driehoeken nos 2â10; in het bijzonder zijn nos 3, 4 en 5 ongunstig van vorm. Krayenhoff zelf verklaart, dat hij deze keten gaarne anders hadde ingericht, maar âde omstandigheden van het terrein gedoogden geene andere schikking.quot; Eenige kruisingen ter controle waren hier zeer gewenscht; nog beter zou het geweest zijn als Krayenhoff ook de stations Kemmel, Kortrijk en Mont l'Enclus had bezocht. Maar zijn bijzonder doel was de topographic van de Noordelijke Nederlanden: secundaire waarnemingen zijn op de stations nquot;3 1â12 niet gedaan, en zijne choro-topo-graphische kaart gaat slechts tot Brugge. De keten van Duinkerken
') De breedten van Krayenhoff zijn nauwkeurig op 1quot; a 2quot;. De lengte van Duinkerken, door K.r. op 2'23quot; aangenomen, is 5quot;,5 minder.
44 (trij
tot Middelburg mat hij alleen om voorloopig te kunnen steunen op de waarnemingen van Delambre. In Nov. 1803 had Krayenhofif nog het vaste voornemen om zelf in Friesland van Jacobi tot L. Vrouwen Parochie in driehoek nquot; 121 een basis van 10 K.M. te meten, maar de omstandigheden hebben dit ten eenenmale verhinderd. In de jaren 1807 en 1810 stond de raadsman van Koning Lodewijk op een te slechten voet met de Fransche Regeering om haar basis-apparaat ter leen te kunnen vragen.
Maar overigens is het net op Nederlandsch grondgebied voortreffelijk ingericht. De acht niet bezochte stations liggen aan de buitenzijde van het net. Alleen Biesselt en Borkum hadden een weinig tot de nauwkeurigheid kunnen bijdragen.
Voorwaarden. Het driehoekennet van Krayenhoff telt p â 103 stations plus = 8, waar niet gemeten is; r â 252 wederkeerige richtingen en r' = 21 eenzijdige richtingen; h â 473 hoeken (benevens 33 om op 22 punten den tour d' horizon aan te vullen). Er zijn dus in het geheel IIâ2 {pâ2) =â 255 voorwaarden.
De h â 473 hoeken van het net bevatten 51 rondmetingen, behalve de 22 bovengenoemd, râp 1 = 150 is het aantal driehoeks- of veelhoeksvergelijkingen. Er zijn 149 driehoeken (nos 31 en 107 mede gerekend), waarin alle hoeken gemeten zijn, en de zuider-zee-vijfhoek, welks hoeken uit de omliggende driehoeken af te leiden zijn.
r r'â2 (/ -1- /gt;') 3 = 54 zijdenvergelijkingen. Er zijn 51 veelhoeken, die ieder met den sinusregel van Krayenhoff éene zijdenvergelijking geven. De overige drie liggen verborgen bij den zuider-zee-vijfhoek. De zijde Urk-Lemmer is uit Naarden-Utrecht te berekenen, zoowel oostelijk als westelijk omgaande. In het Précis Historique tableau II zijn dan ook 52 zijden langs twee wegen berekend (zie blz. 224).
Een vijfhoek is bepaald door 7 gegevens: van de zuiderzee zijn alle hoeken en alle zijden bekend, dus drie voorwaarden, n.1. ééne veelhoeksvergelijking en twee zijdenvergelijkingen. Berekent men hoek Harderwijk-Urk-Enkhuizen uit de driehoeken n0H. 97, 98, 99, 100 en 84, dan is de som der vijf hoeken volgens tableau I = 539059'58quot;,934; het spherisch exces (berekend met den kromtestraal volgens Krayenhoff) = Ãquot;,6G1 en de sluitfout alzoo â 7 quot;,727.
45 [ ^/3 )
Uit vier hoeken en drie der zijden kan men de beide andere zijden berekenen. Zie nader § 20.
Toen Krayenhofï zijn Précis Historique schreef, was Gauss nauwelijks met zijne publicaties over de methode der kleinste qua-draten begonnen. Het ligt voor de hand, dat Krayenhofïquot; van deze geen gebruik heeft gemaakt, Wel is het vreemd, dat noch de Gelder, Verdam 1) en Kaiser, noch Delprat, van Kerkwijk en van der Star deze methode op de metingen van Krayenhoff hebben toegepast. Dit is het eerst gedaan door Cohen Stuart in 1862.
Men kan de middelbare font van één hoek afleiden, zoowel uit de sluitfouten der rondmetincren al? uit die der driehoeken en ook
o
met den sinusregel van Krayenhoff uit ieder der 51 veelhoeken. Is t de sluitfout van één rondmeting, bestaande uit a hoeken, dan
is de m. f. van iederen hoek = V â. Is d de sluitfout van één J a
driehoek, dan is de ui. f. van ieder der drie hoeken â ^'2-
Is f het verschil der log. sin. van de linker en rechter basisboeken eens veelhoeks en fi de wortel uit de som van de qaadraten der verschillen van die log. sin. voor 1quot;, dan is de in. f. van één der
basisboeken = â (z'e biz. 23G).
Heeft men n rondmetingen, driehoeken ot veelhoeken, dan is de m. f. van één hoek, afgeleid uit:
de sluitfouten der n rondmetingen â m, = ^ ( â. Som â 1
amp; 1 a )
de sluitfouten der n driehoeken = m,2 â I/
Csw ^0m ^0
/1 s2 \
den sinusregel met «veelhoeken = m . = K I -. Som -r 1
ö quot; \u U2J
1
) Verdam heeft in zijn Methode der kleinste Quadraten, Groningen 1850 blz. 206â214 uitvoerig weergegeven wat Gauss over de veelhoeken om Leeuwarden en Drachten had gezegd, maar over de rest van het net niet gesproken.
2
Tijdschrift Kadaster 1889. 18
4-G (z?*/)
Colien Stuart 1) vindt op deze wijze voor het net van Krayenboff de volgende waarden:
|
Rondmetingen. |
D |
riehoeken. |
Veelhoeken 2) | |||||
|
11 |
a |
m, |
n |
m2 |
11 |
a j |
m, | |
|
a |
45 |
259 |
0quot;,532 |
93 |
0quot;,703 |
31 |
387 |
2quot;,()75 |
|
b |
23 |
132 |
0,618 |
33 |
1,052 |
9 |
102 |
3,353 |
|
c |
3 |
17 |
0,475 |
â |
â |
â |
â | |
|
a b |
2 |
10 |
1,555 |
10 |
2,403 |
6 |
72 |
4,596 |
|
a c |
â |
â |
11 |
0,G74 |
5 |
5G ; |
2,685 | |
Ik hecht aan de m. f. volgens de methode der kl. qu. berekend, niet de groote waarde, die zeer vele astronomen en geodeten er aan toeschrijven.
Zoodra het aantal voorwaarden klein is, heeft de in. f. volstrekt quot;â¢een beteekenis meer: één enkele groote sluitfout maakt al de andere
o 0
tot schand. B. v. voor de hoeken a b wordt m2 = 1 quot;,572 als men driehoek n0. 121 weglaat, en m., = 0quot;,975 zonder den veelhoek om Gouda.
Voor de hoeken a en b is het aantal voorwaarden vrij groot, en de verhouding hunner m. f. leert, dat de hoeken b veel minder nauwkeuriger zijn dan a. Krayenhoff had dit zelf (Précis p. XXIX, 12,30) reeds opgemerkt. De omstandigheid, dat m, lt; m., lt; m.,, is ook bij de triangulatien van den nieuwsten tijd een zeer gewoon verschijnsel.
') C. S. heeft hierbij de correcties, op blz. 266, noot ') vermeid, opgenomen, en voor m2 het spherisch exces nieuw berekend. Driehoek no. 31, die hij medetelt, heb ik weggelaten. De m. f. voor c, a b en a C heeft C. S. in zijne verhandeling niet medegedeeld.
-) In dit deel der tafel beteekent a' het aantal hoeken, dat voor de berekening van m3 in aanmerking komt. Dit is grooter dan het aantal basis-hoeken, want voor de veelhoeken om de stations nos 22, 23, 36, 60, 68, 69 en 74 heeft C. S. telkens twee hoeken b of C verworpen en berekend uit de omliggende hoeken a. In de veelhoeken om n03 25, 59 en 66 moest één basisboek en in die om n03 18, 34 en 89 moesten twee basisboeken geconcludeerd worden.
quot; CV')
% 17. Insiruincnten en waarnemingsinethodcn.
Krayenhofif heeft voor zijne primaire driehoeksmetingen, na het jaar 1800, uitsluitend gebruikt gemaakt van den repetitiecirkel volgens Borda. Van 1801â1808 gebruikte hij een exemplaar van dit instrument, dat door van Swinden uit Parijs was medegebracht (zie blz. 235.) In 1803 schreef hij:
âWij [n.l. Krayenhoff en de Gelder] bedienden ons van eenen zeer uitmuntenden gewerkten repetitiecirkel van Borda, door Lenoir [vervaardigd], hebbende 16 fransche duimen [== 433 m.M.] middenlijn binnen den verdeelden rand; en namen na eenige weinige proeven, daadlijk de methode aan; om tegelijk elk éénen der kijkers te behandelen, ten einde van het juist pointeeren der voorwerpen volkomen zeker te zijn, en de misslagen te ontgaan, welken niet zeldzaam voorvallen op zwakke en dreunende torenzolderingen, wanneer men zich namelijk, vooral bij het meten van groote hoeken, ten einde door de kijkers beurtelings te kunnen zien, van plaats veranderen moet. Bij deze voorzorge voegden wij nog eene andere, te weten om bij de herhaling van elke hoekmeting telkens van voorwerpen te verwisselen, waardoor men beoogde het verschil te middelen, dat uit de onderscheidene wijze van de voorwerpen te zien, welligt zou ontstaan kunnen.quot;
Dergelijke uitmuntende voorschriften geeft Krayenhoff ook in zijne Instructie voor de geographische Ingenieurs. Delambrc en Méchain observeerden in den regel alleen.
Op de meeste torens van de jaren 1810 en 1811 was geen ruimte genoeg voor dezen grooten cirkel en gebruikte Krayenhofif een kleineren, van 10 duim (271 m.M.) middellijn, vervaardigd door Bellet een der medewerkers van Delambre. De kijkers van dit nieuwe instrument waren veel korter en de kruisdraden bezaten een zeer hinderlijke parallaxis. Hieraan, en aan de laterale refractie, schrijft Kr. de geringere nauwkeurigheid der waarnemingen b toe (zie blz. 239).
Voor de breedtebepalingen te Amsterdam en te Jever bediende Kr. zich van een derden cirkel, middellijn 14 duim = 379 m.M., dien hij op eigen kosten door Lenoir had laten vervaardigen en die voortreffelijke niveaux bezat.
De repetitiecirkels bestonden uit een verdeelden cirkel en twee kijkers, de een B boven, de ander O onder den verdeelden rand. Men bracht den cirkel in het vlak gaande door het standpunt en de beide lichtstralen komende van de voorwerpen p en q. Nu wordt
4S (Z/^j
B op 0° gesteld en vastgezet; de cirkel gedraaid tot dat B op p gericht en daarna O op lt;7 gericht. De cirkel wordt nu weder gedraaid tot O op / gericht is en dan B losgemaakt en gedraaid tot hij Op q ingesteld is. Aan B zijn vier alhidaden met nonien verbonden; deze nu aflezende vindt men het dubbele bedrag van den hoek tusschen p en q. Zoo gaat men voort; na elke evene repetitie worden de nonien afgelezen (zie blz. 228). Bij de breedte bepalingen wordt de cirkel verticaal gesteld en in de plaats van kijker O komt een niveau. B wordt op 0° gebracht en door draaien van den cirkel op de ster gericht. Dan wordt het niveau horizontaal gesteld, vastgeklemd en de cirkel 180c in azimuth omgedraaid. De kijker B wijst nu naar de andere zijde van het zenith; men maakt B los, richt hem weder op de ster en leest de nonien af: deze geven den dubbelen zenithafstand.
Krayenhoff zegt niets over de inrichting zijner cirkels en ik weet niet waar of zij gebleven zijn 1) en of zij nog bestaan. Waarschijnlijk kwamen zij geheel overeen met die der fransche graadmeters. De twee van Delambre hadden 43 en 35 c.M. middellijn en waren centesimaal verdeeld in 0,1 gr. Ieder der vier nonien gaf direct 0,01 gr. â 32quot;,4 en bij schatting 8quot;. Eén der cirkels van Méchain was sexagesimaal verdeeld in 10 , met nonius op 30'. Die van Krayenhoff had waarschijnlijk nonien op 20quot;, want zijne aflezingen zijn bijna altijd op 5quot; afgerond. De groote cirkel van Delambre had kijkers met een brandpuntsafstand 21,2 duim = 574 m.M.; bij zijn kleinen cirkel waren de kruisdraden aanvankelijk ook slecht geplaatst, maar hij wist dit bezwaar te overwinnen (Precis p. XXIII; Base du S. M. II p. 228, 260, 272; I p. 114).
Op standplaatsen zoo weinig stevig, dat zij voor de tegenwoordige theodolieten onbruikbaar zijn, kon men met deze repetitiecirkels nog behoorlijke waarnemingen doen. Ook met de luchtsgesteld-heid nam men het zoo nauw niet als tegenwoordig. Schreiber, de Directeur der Preussische Landesaufnahme heeft verklaard, dat met
') âKrayenhoff bezat de volledigste verzameling van werktuigen tot het doen van natuurkundige proeven en waarnemingen van geheel ons vaderland. Een groot deel er van heeft hij omstreeks één jaar voor zijnen dood te Amsterdam publiek doen verkoopenquot; (v. d. Weijde).
49 ( Z/7 )
dc tegenwoordige werktuigen meer dan 1500 instellingen (die met het aflezen der mikroskopen ieder slechts ee'n minuut tijd kosten), slechts in zeer gunstige jaren mogelijk zijn. (Z. f. V. 1879, s. 105). Krayenhoff bracht het per jaar tot 8000 repetities en meer. Eén serie van gemiddeld ^0 repetities was binnen het uur afgeloopen. Den 4den Aug. 1811 werden te Westerstede van 's ochtends 71/., tot 's avonds G ure, 15 serieen gemeten. Niet zelden echter moest een serie na weinige repetities wegens de invallende duisternis, de regen, de heirook (deze was vooral hinderlijk te Oldeholtpade) enz. worden gestaakt. Zulke serieën deelt Kr. in zijne manuscripten even goed mede als andere, goed geslaagde, ofschoon hun bij het samenstellen van tableau I natuurlijk geen stemrecht gegeven kon worden.
Krayenhoff begon altijd met kijker B op 0° te stellen. Hij heeft dus niet getracht om door reïtereeren de verdeelingsfouten te elimi-neeren. Delambre deed dit wel bij de breedtebepalingen.
Krayenhoff heeft waarschijnlijk steeds alle vier nonien afgelezen, ofschoon de afzonderlijke aflezingen nergens vermeld worden. Het schijnt, dat de tusschenaflezingen even nauwkeurig werden verricht als de laatste (zie Breda, serie 1), maar zij werden alleen gebruikt om de regelmatigheid der meting te kunnen beoordeelen. Voor de definitieve uitkomst werd alleen de laatste aflezing door het aantal repetities gedeeld (zie blz. 228).
Welke nauwkeurigheid kon men met deze cirkels bereiken ? Volgens Delambre bedroegen de verdeelingsfouten (voor de vier nonien te zamen ?) omstreeks 12quot;, en de nauwkeurigheid der aflezing 3quot;. De fout van het instellen op een ster bedroeg wel 2quot;, en op een toren of signaal zeker even veel. Nemen wij eene serie van 20 repetities, dan is de m. f. der instellingen 2quot; ^ 40 = 13quot;. Dit gecombineerd met de verdeelings- en afleesfouten geeft voor het verschil der eerste en laatste aflezing een m. f. van V (122 2 X 32 160) = 18quot;, of de vi. f. der einduitkomst 0quot;,9 â¢). In de
') Deze berekening wijkt een weinig af van die, welke Bessel (Astron. Nachr. 1834, Bd. 11 s. 269) in een analoog geval opstelde. In dezelfde verhandeling heeft Bessel er de aandacht op gevestigd, dat men ook de tusschenaflezingen bij de repetitiemethode kan benuttigen. Maar tevens blijkt
ÃO {l/Sj
jaren 1802â180S werden voor eiken hoek gemiddeld bijna drie serieen gemeten en in 1810 en 1811 omstreeks vijf serieen. Er blijven, na aftrek der te verwerpen serieën, voor de metingen a niet veel meer dan twee per hoek over, dus de nauwkeurigheid van het gemiddelde omstreeks â 0quot;,6. Hierbij komen nog de fouten, buiten het instrument. De torens waren niet altijd geschikt voor scherpe instellingen de spitsen helden dikwijls over en vooral de schijngestalten door ongelijke verlichting moeten zeer hinderlijk geweest zijn. Deze laatste bezwaren vallen bijna 1) geheel weg, wanneer lampen of heliotropen de richtpunten zijn. Maar er moeten nog meer oorzaken van fouten wezen, anders zou men met de tegenwoordige hulpmiddelen gemakkelijk eene veel grootere nauwkeurigheid dan 0quot;,5 kunnen bereiken, en toch is deze slechts bij uitzondering overtroffen 2).
Vooreerst kan het instrument tot constante fouten aanleiding geven. Struve e. a. hebben bij hunne ïepetltictheodolieten het zooge-
1
) Gauss (Briefwcchsel mit Schumacher II, s. 30) ondervond, dat ook een heliotroop schijngestalten kan vertoonen; en Bessel verkoos voor afstanden beneden 30 k 40 K.M. signalen boven heliotropen (Gradmessung in Ostpreus-sen, s. 66).
2
) Het Wesernet, in 1886 en 1887 gemeten door de Preussische Landes-aufnahme, telt 38 drie- en veelhoeken, en de m. f. van één hoek uit hunne sluitfouten berekend is 0quot;.49. Bij twee driehoeken is de sluitfout grooter dan 2quot;. Onderzoekt men enkel de waarnemingen op één station verricht, dan is de m. f. veel kleiner, en zoodra zulk een net bij andere aangesloten moet worden, waren de correcties, die de hoeken ondergingen, veel grooter dan 0quot;,5. Vergelijk ook Jordan-Steppes I, s. 134â137. Zoodra de hoeken tot driehoeken verbonden worden, vertoonen zich fouten, die te voren niet opgemerkt werden, en door de âpolygonanschlussquot; komen er weder nieuwe fouten bij.
51 (twj
naamde glijden opgemerkt, waardoor dc uitkomsten te klein moeten worden. Naar de meening van Bessel behoeft een goed vervaardigd instrument dit gebrek niet te bezitten. Gauss ondervond het in de laatste jaren zijner meting, toen het instrument wat uitgesleten was. Of de repetitieezr^/j deze constante fout ook bezaten, valt moeielijk uit te maken. Bij de waarnemingen van Delambre (zie biz. 2G4), is de constante fout uit de sluitfouten der driehoeken afgeleid â üquot;,13; bij Mechain = 0quot;,36, bij Krayenhoff â 0quot;,001 en bij Krayenhoff uit de rondmetingen -t- 0quot;,0G. Het is dus niet waarschijnlijk, dat bij de cirkels van den laatste de hoeken met deze glijdingsfout behept waren. Het bezit van twee kijkers belioedt voor onderscheidene fouten, waaraan theodolieten wel onderhevig kunnen zijn, en die door de bewegelijkheid van den pijler, den limbus enz. veroorzaakt worden.
Een bron van fouten, onafhankelijk van het instrument, is de zij-delingsche straalbreking. Over dit onderwerp wordt zeer ongelijk geoordeeld. Gauss was in 1825, na zijne metingen in O. Friesland, volkomen overtuigd van het bestaan der laterale refractie. Struve heeft ze in 1829 willen berekenen, Jordan heeft haar bestaan krachtig verdedigd. Daarentegen steekt Schreiber er den draak mede, en beschouwt ze alleen als een uitvlucht en zondenbok voor slechte waarnemers. Perrier bemerkte er niets van bij zijne vizierstralen van 270 K.M.
Er kan dunkt mij geen redelijken twijfel aan wezen, of zijdeling-sche lichtbreking bestaat. Een verschillende dichtheid (drukking en temperatuur) der lucht in horizontalen zin komt gewoonlijk voor. Geheel locale onregelmatigheden door schoorsteenen, zandvlakten enz. kunnen de afwijking zeer groot maken. De beelden van torens ver-toonen volgens Delambre meermalen de wonderlijkste verschuivingen. Baeyer bemerkte belangrijke zijdelingsche afwijkingen van heliotropenlicht. Hiertegen kan men zeggen; ik observeer alleen als de luchtsgesteldheid gunstig is, en als de beelden rustig en scherp zijn, zal er ook wel geen laterale refractie wezen; of: dc afwijkingen vallen even dikwijls in den eenen als in den anderen zin uit en verdwijnen dus uit het gemiddelde. M. i. verdiende de zijdelingsche straalbreking een veel nauwkeuriger en uitvoeriger studie, dan haar tot nog toe ten deel is gevallen. Maar het onderzoek naar
52
verborgen fouten is moeielijk, tijdroovend, weinig loonend en daarom wordt er in de meeste wetenschappen weinig aan gedaan.
Het N.O. van ons land geeft tot laterale refractie in het bijzonder veel aanleiding: Gauss en ook onze ingenieurs te Uithuizermeeden hebben het ondervonden. Nu geeft men dikwijls aan Struve de eer, dat hij het eerst op de laterale refractie gewezen heeft, ofschoon ik uit zijne waarnemingen die met den besten wil niet kan afleiden. Daarom is het noodig nog eens duidelijk te zeggen, dat Krayenhoff zeer beslist het bestaan er van heeft aangenomen (Précis p. 12, 30) en er â m. i. niet ten onrechte â een deel der fouten van zijne waarnemingen b aan toeschreef. Delambre had geen bepaald oordeel over deze zaak uitgesproken (Base I p. 106, 159).
Een belangrijk en vaak zeer moeielijk deel der geodesische waarnemingen, is het centrceren. Delambre was de eerste, die hierbij naar eene groote nauwkeurigheid streefde. De handelwijze van Krayenhoff blijkt uit het voorbeeld in de Instructie en in Pre'cis p. 18 et 21. Hij bepaalde de afmetingen van den torenomgang en nam het midden daarvan als het centrum aan. Maar in vele gevallen lag de torenspits niet verticaal boven dit centrum, en reeds in 1803 klaagt Krayenhoff dat dit een zeer merkbare bron van fouten is. De repetitiecirkel was echter geen geschikt instrument om deze overhelling der spits in richting en grootte te bepalen en ik heb niet kunnen vinden, dat Kr. er ooit eene correctie voor aangebracht heeft. Toen de theodoliet in gebruik kwam, ging dit beter; de tegenwoordige methode (quot;meten van een kleine basis buiten den toren) is geloof ik het eerst door Schumacher (1817) toegepast (Briefwechsel mit Gauss I 13G, 14(), II 2(J), en ook door Gauss en Bessel gebruikt. Hoe groot de fouten bij Kray. waren kan ik niet beoordeelen; Gauss vermoedde te Jever één meter! maar omdat de geheele excentriciteit in dit station slechts 3 Meters bedroeg, is een zoo groote fout ondenkbaar. Volgens Cohen Stuart heeft Kr. bij de centreeringsberekeningen dikwijls kleine rekenfouten begaan (zie blz. 260 noot).
Een kleine bron van fouten, eigenaardig aan den repetitiecirkel, wordt door Krayenhoff niet vermeld. De onderste kijker van dit instrument is excentrisch bevestigd, bij den cirkel van Mechain 20 ijmeri â iö in M. rechts van de as. Is deze kijker gericht op het
53 (llt;91)
linker voorwerp en dit a K.M. verwijderd, dan zal de hoek 9quot;,3/a te groot gevonden worden, en is de kijker op het rechter voorwerp gericht, Dquot;, 3/a' te klein. Na een even aantal repetities is de
In den regel zal hij alzoo zeer klein
geweest zijn, voor den hoek Amsterdam in driehoek no. 64, b.v. 0 ', 13. Deze excentriciteit heeft geen invloed op de sluitfoutcn der rondmetingen en der driehoeken, maar wel is zij zeer merkbaar in de zijdenvergelijkingen.
Voor de azimutbepalingen volgde Krayenhoff tot 1810 de methode van Delambre: meten van den hoek tusschen een toren en de zon. Deze scheeve hoek werd tot den horizon herleid; het azimut der zon volgde uit het tijdstip der waarneming. Zeer nauwkeurig was deze methode niet en zij veronderstelt groote vaardigheid bij den waarnemer en nauwkeurige kennis van de straalbreking. Kray. heeft een groot aantal van deze waarnemingen gedaan, o. a. op den Hettenheuvel, maar ze ten slotte allen verworpen. Te Amsterdam en te Jever gebruikte hij een grooten kijker, draaibaar om een horizontale as; deze wordt gericht op het aardsche voorwerp, dan hooger gericht en de tijd bepaald, waarop de zon door de verticaal van dat voorwerp gaat. Deze methode, door Kr. zelf uitgedacht, is goed gevonden, maar staat toch verre ten achter bij de tegenwoordige handelwijzen, (afkomstig van Roy) waarbij men op de sterren (meestal de poolster) richt. Maar de kijkers van Kr. waren te zwak om bij dag de poolster te kunnen zien, en bij nacht zou een lamp op het aardsche voorwerp noodig geweest zijn. Ook was de plaats der poolster 4s en die der zon slechts 0S,67 onzeker.
I3 fout in den waarnemingstijd geeft met de zon reeds 10quot; fout in het azimut, en dus is het niet te verwonderen, dat de waarnemingen van Krayenhoff onderling een enkele maal 30quot; tot 60quot; afwijken.
§18. Astronomische Uitkomsten van Krayenhoff. Nauwkeurigheid der hedendaagsehe Waarnemingen.
Vóór Méchain et Delambre mat men de poolshoogte (breedte) met behulp van groote quadranten en reusachtige sectors. De Fransche
54 (^)
astronomen voerden den repetitiecirkel in, welke een tijd lang op het vaste land van Europa zeer in aanzien was, maar in Engeland nimmer bijval gevonden heeft. In Engeland gebruikte men den zenith-sector van Ramsden, welk instrument als het wonder van zijn tijd is geroemd. Toen door Reichenbach te München, Repsold te Hamburg, e. a. de kunst om nauwkeurige randverdeelingen te maken tot een groote hoogte was gebracht, werd de repetitiecirkel ook op het vaste land vervangen door het universaalinstrument en den meridiaancirkel.
In het eerste vierendeel dezer eeuw was de poolshoogte der beroemdste observatoria nog één of meer seconden onzeker 1). Zoo werd voor de breedte van Greenwich â âune des plus sures que 1'on connaisse dans 1'univers entierquot; â in 1810 olo28 40quot; aangenomen en thans heet zij 38quot;,3. Parijs heette in 1810: 48o50 14quot;; thans 11quot;,5. Voor Göttingen vond Gauss in 1820 51o3r50quot;,0 en in 1828 47quot;,85; thans 48quot;,43. Zelfs Königsberg, waar de groote Bessel waarnam, is niet onveranderd gebleven: in 1815 heet het, dat men met 54o42'50quot;,0 âgewiss ist nicht 1/4quot; zu irrenquot;, in 1820 vindt dezelfde onovertroffen nauwkeurige waarnemer 50quot;,7.
In Nederland heeft men bijna 100 jaren lang geteerd op de bepalingen van Cassini. In 1801 vond Triesnecker 2) doorberekening van de beste toen bekende waarnemingen voor de breedte en lengte, te Leiden, obs. br. 52o8'30quot;, thans 9'27quot;; lengte 20B'14quot;, thans 8 50quot;, voor die te Utrecht, domtoren br. 5205'4r, thans 28quot;; lengte 2C44 23quot;, thans 47'3quot;.
In 1803 bewees Krayenhoff door zijne bepaling, dat de breedte van het observatorium te Utrecht 18quot; kleiner was dan men toen aannam. Zie ook blz. 232.
Krayenhoff ging aanvankelijk uit van de breedte van Duinkerken en het azimut te Watten, beide in 179G en 1793 door Delambre bepaald. Tableau IV van het Précis berust op deze twee gegevens. Hij beschouwde zijn eigen bepalingen oorspronkelijk alleen als con-
') Door Zach is dit uitvoerig en bij herhaling aangetoond, o. a. : Monat-liche Correspondenz ISOi, Bd 9 s. 270â285 en Correspondance Astronomi-que 1823 t. 8 p. 32 en t. 11 p. 30.
â ) Allg. Geographische Ephemeriden, 1803, Bd 11 s. 658. Zie ook Mo-natl. Corr. 1803, 8, s. 503, 352.
55 (zlt;r3 ]
trólemiddel voor de nauwkeurigheid der triangulatie, Zij waren vrij talrijk, maar slechts weinige er van zijn tot ons gekomen. In het Précis worden de waarnemingen te Amsterdam en te Jever uitvoerig beschreven. In de verhandeling van het jaar 1803 vermeldt Krayen-hoff de uitkomst voor 's Gravenhage observatorium (later Paleis van den Kroonprins) en de vier serieën te Utrecht. Hij heeft bij bijna al deze bepalingen den zenithsafstand van de poolster in bovenste of onderste culminatie genieten. De uitkomsten van Delambre en Krayenhoff waren:
56 (Zcwj
|
CC |
lO |
t^. |
CO | ||||||||
|
^â1 |
LO |
oo |
O |
0 |
1 |
O | |||||
|
J |
O |
O |
co |
CO |
*â |
co |
iO | ||||
|
j, - |
*~ |
- |
CV-. |
^ quot; |
quot; |
-* |
*~ |
- | |||
|
©q |
Tâl |
G^l |
CO |
0 |
0 |
cc |
LO |
-^-1 | |||
|
©q |
G^l | ||||||||||
|
CM |
O |
GV1 |
t^- | ||||||||
|
Tâ |
lgt;. |
cv. |
co |
0 | |||||||
|
O |
0 |
CO |
CO |
co |
0 |
CO | |||||
|
v. ^ |
*⢠|
- |
CV. |
V. quot; |
quot; |
â¢* |
* |
â¢* |
quot; | ||
|
CO |
CO |
co |
Ggt;1 |
Ã-O |
LO | ||||||
|
H |
â |
CO |
co |
co |
G1 | ||||||
|
C/2 - | |||||||||||
|
cc |
lgt;. |
O | |||||||||
|
S |
lO |
0 |
10 |
â â |
ZD | ||||||
|
O |
O G^l |
0 |
CO |
0^ |
co^ |
ïO | |||||
|
LO |
LO |
0 |
0 |
0quot; |
0quot; | ||||||
|
1 |
1 |
1 |
1 | ||||||||
|
10 |
IC |
CO | |||||||||
|
amp; quot;C |
cc |
r-H |
*^r |
â1 | |||||||
|
£ |
CO |
«râ |
co |
1^ |
0.^ | ||||||
|
o O |
(X |
!gt;. |
OS |
IC |
5. â¢quot;⢠| ||||||
|
^ *quot; |
quot; |
quot; |
quot; |
0 |
0 |
co |
co | ||||
|
CO |
'P-I |
Ci |
co |
co |
G-l |
CM | |||||
|
*-H |
l-H |
Glt;1 | |||||||||
|
Gl |
co | ||||||||||
|
O |
0 |
0 |
0 | ||||||||
|
^â( |
LQ |
CM |
co | ||||||||
|
LO |
LQ |
LO |
LO | ||||||||
|
^J |
O |
O |
0 |
0 |
0 |
0 |
O | ||||
|
ZL, |
O |
O |
O |
IJ |
CO |
GS1 |
G1 |
r-H | |||
|
^ cfi |
gt; |
CO |
G1 |
CM | |||||||
|
^ quot;d | |||||||||||
|
lt;J .I |
LO |
O |
X |
0 O |
co |
O | |||||
|
o |
N | ||||||||||
|
rJi | |||||||||||
|
⢠|
Vi | ||||||||||
|
â â g |
O O | ||||||||||
|
,5 |
v- |
pq | |||||||||
|
.a |
O -4-» |
o O |
O 4-gt; |
O | |||||||
|
5 |
tn |
j; |
C/3 |
tn |
p |
O | |||||
|
O |
c |
'o | |||||||||
|
o |
O |
.âr |
r |
0 |
O |
lt;0 | |||||
|
O |
PH |
Ph |
NT | ||||||||
|
ïn |
Qgt; | ||||||||||
|
co |
CO |
_ | |||||||||
|
0 |
0 |
*-H | |||||||||
|
co |
cc |
X |
CC | ||||||||
|
^-H | |||||||||||
|
1 1 | |||||||||||
|
»-5 |
O |
p |
r- |
p |
4-J |
(J |
. â |
j-j | |||
|
D H Q |
Igt;. |
4-J |
§ 1^. |
O |
lt;ü Q |
1) |
OH O m |
X | |||
|
Jan. |
rt cd S |
Jan. |
0 cc |
\ CM |
rM CO CM |
-4-J Q-t 0 co |
O. lt; |
bi lt; |
Aiig. | ||
|
â | |||||||||||
|
CO |
- | ||||||||||
|
H | |||||||||||
|
lt;J | |||||||||||
|
lt; Oh Q Z |
c O 1â« O V |
«o -| |
e, obs. |
4-»quot; |
E 03 -O |
«O lt;! |
- | ||||
|
CO |
rgt;. |
t/) |
(J |
O -4-J |
- | ||||||
|
.s '5 |
cd E |
O Vn 4-J |
CO |
Jcvei | |||||||
|
Q |
1 |
jn |
£gt; |
lt; |
57 (MS')
Het gemiddelde voor Duinkerken is 14quot;,73; de reductie op het driehoekspunt â 5quot;,34, dus dit punt 5102'!)quot;,4; maar naar gelang der straalbreking, die men veronderstelt, is de uitkomst 8quot;,69 tot 11'. Krayenhoff nam 8quot;,73; Bessel in 1S41 : 8quot;,85; Delambre zelf 9quot;,2. Bepalingen van den nieuwsten tijd gaven 8quot;,9 1).
Uit de driehoeken nos 31 en 31* blijkt, dat het observatorium te 's Hage 242 M. â 7quot;,82 noord en 353 M. oost van den toren ligt.
De waarnemingen te Utrecht waren door de Gelder onjuist berekend (zie blz. 234); ik neem de uitkomst der herberekening van Zach en Burg. De waarneming van 28 Maart was, door het ongunstige weder, minder goed gelukt. De Domtoren ligt 1 Gquot;J93 ten noorden van het toenmalige observatorium (zie blz. 232).
Voor Amsterdam 3) en Jcver heb ik de middelbare fout van de gemiddelden berekend. De herleiding tot het driehoekspunt bedraagt te Amsterdam 3,792 M. = â 0 ,1224 en te Jever 8,787 M. = â 0quot;,284.
De bepalingen van het azimut Watten-Gravelines door Delambre in Juni 1793 bestaan uit 10 serieen van 128 repetities (benevens 4 verworpen serieen). De grootste onderlinge afwijking is 18quot;.
De bepalingen van Krayenhoff voor het azimut Amsterdamâ Utrecht in April 1811 werden verricht op 9 dagen met te zamen 48 waarnemingen (benevens 5 die verworpen zijn). De uitkomst was 332041 19quot;,94 in. Æ. ± 3quot;,28. Max. van ée'n waarneming 42'2quot;; min. 40'44quot;. Te Jever werden voor het azimut van Varel in Aug. en Sept. 1811 op 8 dagen 46 waarnemingen verricht (en 16 verworpen). Uitkomst 321o20'34 ,905 w. f. ± 3 ,02. Max. 21'13quot;; min. 20'3quot;.
') Delambre zelf was over zijne waarnemingen te Duinkerken weinig tevreden, en verklaarde: Abrégé d'Astronomie, 1813, p. 606: la latitude de Dun-kerque m'a toujours paru la moins süre des cinq.
!) In de âLevensbijzonderhedenquot;, blz. 365 schrijft Kr.: âin de maand Februari van 1839 heeft hij aan de Hollandsche M'J van Wetenschappen te Haarlem eene mededeeling ingezonden, betreffende de geographische ligging van Amsterdam, door hem in 1811 ten nauwkeurigste en strengste bepaald. Dit stuk werd niet alleen met welgevallen ontvangen, maar is ook besloten, om hetzelve in de werken der M'J op te nemen en te doen drukken.quot;
Ik kan deze verhandeling in de werken der M'J niet vinden.
ÃS j
Ten einde de nauwkeurigheid der uitkomsten van Krayenhoff te beoordeelen, moeten wij ze vergelijken met latere bepalingen van onbetwist grootere zekerheid. De instrumenten van den nieuweren tijd zijn van veel betere kijkers en randverdeelingen voorzien dan die van Kr. Ook zijn de sterreplaatsen veel nauwkeuriger bekend dan te zijner tijd. De in. f. van een breedtebepaling is dikwijls kleiner dan 0' ,1, en ook de declinatie van een ster schijnt op een klein deel van een secunde na, nauwkeurig, maar de ware onzekerheid is veel grooter. Zoodra twee of drie verschillende methoden worden aangewend, wijken de uitkomsten niet zelden zoo onrustbarend veel van elkander af, dat men geneigd is om te vragen of de hooggeroemde nauwkeurigheid der sterrekundige bepalingen begint en eindigt met de berekening der kj. f. van één reeks 1).
Voor de bepaling der poolshoogte van een plaats zijn vooral drie methoden in gebruik: A zenithsafstanden van sterren in of bij den meridiaan, genomen met een meridiaankijker of een universaal instrument; B waarnemingen met een passage instrument in den eersten verticaal (de groote cirkel oost-zenith-west) en C meten van het verschil der zenithsafstanden van twee sterren (methode Horrebow-Talcott) 2). In Pruissen en enkele andere landen heeft men voor
1
') De sterrekundigen berekenen gewoonlijk de zoogenaamde waarschijnlijke fout van hunne uitkomsten. Deze w. f. heeft het voordeel van slechts 0,6745 der zoogen, middelbare fout te wezen. Volgens de theorie van Gauss moet men één tegen één kunnen wedden, dat de fout van het resultaat niet grooter is dan de w. f. De kans dat de fout 2, 3, 4 of 5 maal de w. f. bedraagt, moet wezen: ln/rl6, 1jis. 1of '/i'iss-
2
) Misschien wenschen enkele lezers eene korte omschrijving dezer drie methoden. De declinatie van een ster (complement van haar afstand tot de pool) zij lt;5; de zenithsafstand bij de onderste culminatie noemen wij o; die bij de bovenste culminatie z als zij aan de noordzijde, z' als zij aan de zuidzijde plaats vindt. lt;p is de poolshoogte van het station. Dan vindt men: uit ééne culmininatie: y â H â c of 'J' .s' of = 180c â '5 â o. j
5!» (W)
vele plaatsen meer dan één methode (meestal A en B) gevolgd. En nu verschillen de uitkomsten gewoonlijk geweldig veel. Uit talrijke voorbeelden ^ kies ik drie bepalingen uit den allerlaatsten tijd, die door de meest geoefende waarnemers, met de voortreffelijkste instrumenten verricht zijn:
Jauerling in 18SS: A 4So20,20quot;,S()7 iv. f. ± 0quot;,070. B 21 quot;,315 tv. f. 0quot;,089. Rauenberg (bij Berlijn) in 188C; A 52027'12quot;,4S. B 11quot;,84. C ir.SO. in 1887 A 12quot;,G4. Kiel (sterrewacht) in 1887: A 54o20'29quot;,05. B 38quot;,52. C !27quot;)99.
Over Jauerling zegt Tinter (April 1889): âDie Differenz 0quot;,508, ein Ergebniss, welches bekanntlich auf vielen Stationen aufgetreten ist, und dessen Ursache noch nicht mit Bestimmtheit angegeben werden kannquot;. Voor Rauenberg (het geodesisch centraalstation van Duitschland) zegt Helmert (Dec. 1887): bij B en C zijn dezelfde sterren waargenomen; hun verschil met A âweist aufsystematischen Fehler der Sternörter hinquot;. Het is waar, dat twee waarnemers voor de declinatie van een zelfde ster wel eens 1quot; verschillen, maar de uitkomsten te Kiel, met dezelfde instrumenten als te Rauenberg, toonen dat er nog andere oorzaken wezen moeten. En daar men in elk geval niet weet welke sterreplaatsen goed, welke fout bepaald zijn, is men met deze uitvlucht niet veel verder gekomen.
dan zullen de boldriehoeken Z P S en Z P S' gelijk en gelijkvormig zijn en een rechten hoek hebben in Z. De hoek Z P S = / (in graden), en dus Cos P = tg ZP. Cotg S P of Cos / = Cotg (p. Cotg lt;5, alzoo tg ^ = tg 'J / Cos t . . . methode B.
Voor A kan men alle sterren (ook de zon) gebruiken. Voor B en C neemt men sterren met kleinen zenithsafstand. Bij B en C hangt alles af van de juiste kennis van Bij A kan men 8 elimineeren, maar heeft men te kampen met alle moeielijkheden, welke het meten van groote verticale hoeken medebrengt, zooals buiging, refractie, verdeelingsfouten, ongelijke temperatuur, enz.
Methode A is reeds eeuwen lang in gebruik en werd door Snellius en Krayenhoff gevolgd; B is in 1824 door Bessel ingevoerd; C komt in de laatste jaren in de gunst.
l) De voorbeelden zijn ontleend aan de officieele verslagen, voorkomende in de jaarlijks verschijnende: Verhandlungen der Internationalen Erdmessung en aan de lijsten door Prof. Bakhuijzen in 18S3 en 1887 voor deze Verhandlungen samengesteld.
60 (w)
Niet beter is het gesteld met de azimut bepalingen. Slechts enkele malen zijn hierbij twee methoden gebruikt, maar dan ook vertoonden zich belangrijke verschillen voor. Het azimut Kielâ Hohenhorst vond men in 1887 op twee manieren: 1 G6047'37quot;,63 en 36',88. Dit is een goede overeenstemming; meermalen wijken twee uitkomsten eenige secunden van elkander af. Het azimut Rauen-bergâGlienick was door Baeyer in 1859 â 178012'35quot;,8 ze», Æ. 0 quot;,32 gevonden, en in 1886 vindt men 39quot;7. Het azimut LommeiâCamp vond Houzeau = 20o45'17 quot;,6 en terzelfder tijd Adan = 27quot;,0.
Natuurlijk mag men nu ook geen onbepaald vertrouwen schenken aan die breedte- of azimutbepalingen, waarbij twee methoden ongeveer dezelfde uitkomst gaven of waarbij slechts één methode gebruikt is.
De sterrekundigen leggen zich met een verbazende lankmoedigheid bij deze verschillen neer. Twintig jaren geleden trokken zij reeds de aandacht, maar zeer weinig verneemt men van pogingen om hunnen oorzaak uit te vinden. Men is op de oude wijze voortgegaan, en heeft een paar honderd nieuwe breedtebepalingen uitgevoerd, die niet beter sluiten dan de vroegere. In April 1862, op de eerste bijeenkomst der Europeesche Graadmeting te Berlijn, schatten de astronomen de âdurchschnittliche Fehler einer PohlhöheâBestimmung auf Yg sec.quot; Men kan niet in ernst beweeren, dat tegenwoordig eene grootere zekerheid bereikt is. Na eenig gegoochel met de methode der kleinste quadraten 1) ziet de w. f. der einduitkomst er overigens klein genoeg uit. B. v. Voor het azimut te Lommei, bovengenoemd 21'',5 ± ()quot;,6. De breedte van Fichtelberg (Saksen) werd gevonden: A 50o25'47quot;,75 ± 0,19 en later 47quot;,91 ± 0,17;
') Hoe Kaiser zijn w. Æ. berekend heeft, zegt hij niet. Leveren twee serieën, volgens dezelfde of verschillende methode, de uitkomsten « rt / en
1 1
l) ± q, dan nemen vele astronomen als eindresultaat ^ (a b) ± ^
^ 2 J
V P: 4- q2; anderen echter |(Z (« â l) ^ ^ | ± /2 -I- q2-
De eersten moeten dus veronderstellen, dat de beide serieën gelijke en tegen-
1
gestelde constante fouten = (a â bezaten, de anderen dat deze con-
p- qquot;1-
stante fouten (a â U) â,â,-» en (a â 1)â*â,âi zijn. De eerste ver-
v ' pl q- P' q
onderstelling is geheel willekeurig; de tweede zonder twijfel onjuist.
61 (ZcPq j
B 46quot;,74 ± 0,14: Einduitkomst 47quot;,47 ± 0,10. Het azimut Leiden â Delft, in JuliâOct. 1870 door Becker in twee serieen, ieder van 6 waarnemingen, bepaald was 2amp;0G' 57quot;,87 ± Ã,5i22 en 56quot;,59 ± 0,346; eindresultaat volgens Kaiser en v. d. Sande Bakhuijzen 57quot;,50 ± 0,18.
In de derde plaats de lengtebepalingen. Het verschil van den sterretijd der beide stations op hetzelfde oogenblik, is hun verschil in lengte. Die tijd bepaalt men door sterwaarnemingen, hetzij in den meridiaan, hetzij in den eersten verticaal. Bovendien moet er een signaal gegeven worden, dat op beide stations ter zelfder tijd waargenomen wordt. Vroeger gebruikte men hiervoor eclipsen, sterbedekkingen door de maan, enz.; voor korte afstanden ook bus-kruitontbrandingen op een tusschengelegen punt. In 1879 is het lengteverschil TeticaâM.Sabiha (zie blz. 270) bepaald door signalen met electrisch licht. Maar sedert 1850 worden bijna uitsluitend telegraphische seinen aangewend, en deze bezitten een veel grootere nauwkeurigheid dan men noodig heeft. Want het zwakke punt der lengtebepalingen is de waarneming en electrische opteekening van het oogenblik, waarop een ster achter de draden van een kijker voorbijgaat, welke waarnemingen dienen tot bepaling van den gang en stand van het uurwerk. Bij deze laatste waarnemingen komt de zoogenaamde persoonlijke fout in het spel. Ieder mensch, ook de meest geoefende sterrekundige, zal dien doorgang van de ster iets vroeger of later aanteekenen, dan hij werkelijk plaats heeft. En deze persoonlijke fout is niet altijd even groot; de gezondheidstoestand van den waarnemer, zijn vermoeidheid, de helderheid der ster, de snelheid en richting harer beweging, de aard van den kijker, enz. hebben er invloed op. Eene herhaalde en zorgvuldige bepaling van het verschil der p. f. der beide waarnemers, verwisseling van stations met medenemen van hun instrument, zijn de voorzorgen, die echter niet zelden onvoldoende zijn in acht genomen. Eu geheel vrij maken van de veranderlijkheid der p. f. kan men zich toch niet. B. v. het lengteverschil Leidenâ-Bonn, is in Mei/Juni 1870 op 10 dagen bepaald. Het resultaat was 10m263,841 w. f. ± 0,017. De beide sterrekundigen: Valentiner en Albrecht waren uitnemende waarnemers; Kaiser beschouwde hunne bepalingen als voortreffelijk, en toch verschillen de beide laatste dagen nog Os,235, en zou de Tijdschrift Kadaster 1889. 19
G2 (xCj o ]
uitkomst 3GS,817 geweest zijn, als de eerste en de laatste dag weggelaten waren.
Maar gelukkig bestaat er voor de lengtebepalingen een controle, die de poolshoogten en azimuts missen. Voor de laatste twee staat elk station op zich zelf; bij lengtebepalingen kan men gesloten drie-of veelhoeken vormen, waarin de som van de lengteverschillen der zijden = 0 moet wezen. In 1887 waren 239 lengtebepalingen tus-schen ± 125 stations volbracht; er moeten dus omstreeks 115 sluit-fouten gevormd kunnen worden. Het zou een kleine moeite wezen om deze op te maken, en geen groot werk om ze voorloopig te ' x- vereffenen. Maar te vergeefs zoekt men dit in de verslagen der Internationalen Erdmessung. Slechts kleine groepen zijn vereffend. Elf lengtebepalingen in Oost-Duitschland, bijna allen door dezelfde waarnemers uitgevoerd, met 5 sluitfouten gaven een m. f. van 0S,03 voor ééne bepaling Deze uitkomst wijst weder op verborgen fouten, want de w. f. der afzonderlijke bepalingen wisselde tusschen 0S,013 en 0S,007.
Nog drie voorbeelden, hoe weinig beteekenis de w. f. van een lengtebepaling heeft. In 1887 werd gevonden: MemelâKönigs-berg = 2m14s, 228 J. ± O5,012; GoldapâMemel â 4m463,9 87 ± 0,010; GoldapâKönigsberg â 7quot;1113,147 ± 0,009. Alzoo de sluitfout 0S,0G8, en de ware m.f. van één bepaling ± 0a,039. â Voor den vierhoek Parijs, Lyon, Génève, Neufchatel zijn de w. f. G, 14, 14 en 15 duizendste secunden, en de sluitfout â 0S)43. In 1885 werd daarom ParijsâLyon op nieuw bepaald, en 0s, 765 grooter gevonden dan vroeger; nu is de sluitfout dus 03,335. â Het lengteverschil BerlijnâParijs is in April en Juni 1877 gelijktijdig door twee commissies bepaald; de Fransche commissie vond 44m13s,99, de Duitsche 44,quot;133,8G w. f. ± 0^,005.
De onzekerheid van één lengtebepaling is dus zeker niet kleiner dan 0S,03 = 0 ,45. Door een vereffening, als boven bedoeld, kan de nauwkeurigheid zeker aanmerkelijk grooter worden.
Wanneer later de vraag behandeld wordt: is de triangulatie van Krayenhoff voldoende voor een graadmeting, dan mogen wij op onze breedte de tegenwoordige onzekerheid der breedtebepalingen op ongeveer 0quot;,3, die der lengteverschillen op 05,03 stellen, dat is voor beide 9 a 10 meters.
63 [zy lt;)
Voor wij de astronomische uitkomsten van Kr. met de latere bepalingen vergelijken, moeten wij nog twee zaken aanstippen. Ten eerste: is de poolshoogte van een plaats op aarde constant of is zij aan veranderingen onderhevig? Groote seculaire veranderingen zijn te Parijs, Greenwich en Kopenhagen niet opgemerkt; op den Pulkowa bij Petersburg kwam men tot het besluit, dat de poolshoogte aldaar met 1quot; per eeuw afnam. Kleine veranderingen heeft men dikwijls meenen te vinden; volgens enkele sterrekundigen is er zelfs een dagelijksche schommeling van 0quot;,2. In 1883 werd besloten om over deze zaak onderzoekingen in te stellen, maar in 1888 bleek er nog zoowat niets voor gedaan te wezen. ')
Ten tweede: Alle nieuwere bepalingen in Nederland zijn op andere standpunten dan die van Kr. gedaan. Alleen te Utrecht is de afstand zeer klein. Wij hebben (biz. 2G2) reeds opgemerkt, dat de geoïde dikwijls aanmerkelijk van een ellipsoïde afwijkt. In den laat-sten tijd heeft Helmert hierover belangrijke studiën in het licht gegeven (die mij bij het schrijven van § 15 nog onbekend waren). Sedert lang weet men dat in bergachtige landen: in de Krim, den Kaukasus, bij de Alpen, de Harz enz. groote loodafwijkingen voorkomen, maar ook in vlakke landen, b.v. bij Moskow en in de Vereenigde Staten zijn deze waargenomen. Het nieuwste voorbeeld is uit de omgeving van Berlijn. De bepalingen van 1886 en 1887 gaven o. a.:
| |||||||||||||||||||||||||||
|
Bij afstanden gelijk Amsterdam-Leiden zijn afwijkingen van eenige secunden dus niet onmogelijk. | |||||||||||||||||||||||||||
') Men moet hierbij onderscheiden: veranderingen van de ligging der as in de aarde en veranderingen van den verticaal op één plaats.
Het was den wensch van Kaiser (Annalen II s. 46) om deze questie uit te maken door ieder jaar in Leiden een volledige bepaling der poolshoogte te verrichten. Maar die wensch is niet vervuld.
64
Voor eenige plaatsen in den omtrek van Nederland zijn de afwijkingen volgens Helmert, in breedte: Parijs 1 ,7; Duinkerken 1,8; Nieuwpoort 1,3; Lommei G,0; Dangast (bij Varel) 4,1; Wangeroge -f- 3,1; Helgoland 0,3. In lengte (Parijs â 0): Duinkerken â 5quot;,3; Nieuwpoort â 4quot;,4; Helgoland â 2quot;,7.
Deze afwijkingen zijn de verschillen: directe waarneming minus de ligging berekend met de aardafmetingen van Clarke (zie biz. 2G2).
Wegens de groote afwijking te Lommei gevonden, heeft Helmert meermalen den wensch geuit, dat op denzelfden meridiaan in Nederland eenige breedtebepalingen verricht zouden worden Vervuld is die wensch nog niet; 's Bosch, Stavoren en Terschelling zouden anders in aanmerking komen.
|
De breedtebepalingen in Nederland, na Krayenhoff uitgevoerd, zijn: 1) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De Oude Sterrewacht te Leiden lag volgens Oudemans 98,2 M. â 3quot;,18 noord en 414,5 M. = 21quot;,80 west van de saaihal (het drie-hoekspunt van Kr.). De afstand O.St. tot den meridiaancirkel der nieuwe sterrewacht wordt nergens opgegeven2); volgens de platte
') Kaiser; Astron. Nachr. Bd. 17 s. 100; 18 s. S. â Oudemans: Dissertatie 1852 p. 89,110. Kam en van Hennekeler: Annalen der Sternwarte, Bd. 2 s. 110â118. â Schroeder v. d. Kolk (zie blz. 232): Verslagen K. A. v. W. 1859, deel 9 blz. 199. â Blauw: Astron. Nachr. 101 s. 171 â v. d. Willigen: Letterbode 1852 a blz. 53 en een (mij niet bekend) boek: Bepaling der poolshoogte voor Deventer door V. S. M. v. d. Willigen. Dev. 1852. quaito.
!) Wat zeer vreemd is. Kaiser geeft: Astron. Nachr. Bd. 60 s. 284 een verschil van 7quot;,1 in breedte en 03,62 zz; 9quot;,3 in lengte, wat met zijn platte grond in Bd. 1 der Annalen niet te rijmen is. Krayenhoff geeft (Letterbode 1804 a blz. 240) voor het verschil Saaihal â O.St.: 3quot;;11 en 22quot;,09. Twee hoeken, door Kr. op de O.St. gemeten vindt men in het Tijdschrift ter Bevordering der Mathematische Wetenschappen, Furnierend 1828 blz. 46 en 104.
V .,5'
:A.gt;txgt;c''
(?féy -f. JJ? /j .*lt;?*.
(xV)
65
grond ligt de M.C. 231 M. = 7'',47 zuid en 130 M. = 6quot;,84 west van het torentje, waar Oudemans observeerde. De overeenkomst van diens uitkomsten met de zeer talrijke en nauwkeurige bepalingen van Kam en van Hennekeler is dus prachtig. a
Het Universaal Instrument van Blauw stond 0quot;,19 zuid van den Mer. Kijker en 18quot;,79 zuid van den Domtoren. Het verschil tusschen Blauw en v. d Kolk bedraagt dus 0quot;,7 en wordt door Prof, Oudemans aan de onzekerheid van de declinatiën van de gebruikte sterren toegeschreven. De standplaats van v. d. Willigen (Athenaeum) lag 0quot;,34 noord van den toren, die volgens de M.B. op 52015'8quot;,12 ligt.
De breedte der Saaihal te Leiden is dus volgens Kam = 520(.j'24'',i25 en die des Domtorens te Utrecht volgens Blauw = 5!205'28quot;,43, volgens v. d. Kolk = 29quot;, 13. Het geodesisch breedteverschil van Saaihal en Domtoren bedraagt 3'o5quot;,38.
Uit de gegevens van Kr., met de constanten van Clarke, volgt voor het verschil in breedte: Amsterdam W.T. â Saaihal â 13'6quot;,51, AmsterdamâUtrecht D.T. = 17'1quot;,89, Saaihalâ's Hage kerktoren = 4'43quot;,22. Wij hebben dus:
's Hage Obs. volgens Kr. 5204'49quot;,52 ] berek. uit Kam's bepaling 48quot;;85 Utrecht Obs, â ,. 52t5'll'',6 â â BI.11quot;,5 (uit v.d. K 12quot;,2 ) Utrecht D.T. ,, ,, 5205'29quot;,3 â â BI. 28quot;,43 (uit v.d. K.29quot;,13) Amsterdam W.T. â ,. 52ü22'30quot;,13 | ,. ,. Kam 30quot;,76 (uitBl. 30quot;,32) Het geodesisch verschil JeverâDangast is mij onbekend. Het grootste dezer verschillen is -4- 0quot;,87. Oudemans oordeelde in 1852 een verschil van 4- 0quot;,85 wel verklaarbaar uit onjuistheden in de sterreplaatsen. Men zou er de onzekerheid der refractie bij kunnen noemen.
Het azimut door Krayenhoff te Amsterdam gemeten, is schitterend bevestigd door de bepaling van Prof. Oudemans. l) Deze vond in 1879/80 voor het azimut Utrecht--Amersfoort 2 48022'45quot;,76 m, f. ± 0quot;,3. Hiervan afgetrokken de hoek AmersfoortâUtrechtâAmsterdam, die in tableau I = 95o30'5quot;,961 en in tabl. III vereffend is tot 4quot;,750 komt voor het azimut UtrechtâAmsterdam 152o52'39quot;,80 (of 41quot;,01) en hieruit voor het azimut Amsterdam âUtrecht 332041'23quot; (of 24quot;), terwijl Kr. 20quot; m.f. ± 3quot; had gevonden. Dit zou zelfs
') Publications de la commission géodésique néerlandaise, n0.1, La Haije 1881.
66 (Z';-]
voor twee bepalingen van den tegenwoordigen tijd een voldoende overeenstemming mogen heeten.
Uitgaande van het azimut Wattenâ Duinkerken, berekende Krayen-hoff via de stations nos. 3, 5, 7, 10, 15, 18, 23, 33 en 36 het azimut UtrechtâAmersfoort op 248022'42'',123. Bij deze berekeningen worden 28 hoeken gebruikt, en toch is het verschil met Oudemans slechts 3quot;,6. Berekend met de constanten van Clarke zou het verschil bijna nul wezen. Deze 28 hoeken hebben bij de vereffening veranderingen ondergaan, welker algebraïsche som -I- 0'',6 bedraagt, en tenzij men de overeenstemming aan een toeval wil wijten, moeten deze hoeken en hunne vereffeningen dus aan Krayenhoff zeer goed gelukt zijn.
Gauss !) heeft voor het azimut BremerleheâVarel opgegeven 58015'58quot;,861; hieruit heb ik voor het azimut JeverâVarel berekend 321o20'35quot;,5 terwijl Krayenhoff 34quot;)9 ± 3quot; vond. Daar het azimut van Gauss waarschijnlijk niet direct gemeten is, maar afgeleid was uit bepalingen te Hamburg of Göttlngen, hecht ik aan de volkomen overeenstemming hier minder waarde, dan voor Amsterdam.
In de tabellen der Internationalen Gradmessung, 1883, (zie blz. 287) vindt men nog opgegeven: Leiden (Observatoire) â Delft â 2807'36quot;,54 w. f. ± 0quot;,18. Daar men dit cijfer dus allicht voor vertrouwbaar zou houden, moeten wij over deze bepaling in eenige bijzonderheden treden. De uitkomst der metingen van Becker is op blz. 289 vermeld. Kaiser wenschte die te herleiden tot den grooten koepel van het observatorium, die 10,070 M. noord en 9,225 M. oost van liet standpunt van Becker gelegen is, hetwelk zelf 1,98 M. zuid en 5,34 M. oost van den meridiaancirkel lag. Daarvoor moest de afstand van Delft bekend zijn. Zoowel uit de secundaire metingen van Krayenhoff (zie blz. 229) als uit de coördinaten der Meetkunstige Beschrijving vindt men zonder moeite: Delft NK â Leiden Saaihal = 18375 M., en daaruit Delft -â standpunt Becker = 17994 M. De reductie op den koepel bedraagt dus 38quot;,84 benevens-f-0quot;,38 voor de convergentie der meridianen, en de uitkomst is alzoo 2807'36quot;,72.
Kaiser1) ging op de volgende wijze te werk. In het jaarboekje
1
) Annalen der Sternwarte in Leiden 1870, Pgt;d. 2 s. [220].
67 (1f/r]
van Lobatto (1826) vond hij voor dc geographischc ligging van Delft 52o0'48quot; en 2cr31quot;,5 O van Parijs; op de topographische kaart las hij af; 52o0'46quot; en STSOquot;. De ligging van het observatorium, volgens de eigen waarnemingen van Kaiser en zijne medewerkers, was 52o9'20quot; en 208'44'' (?), en zoo besloot Kaiser: dat het verschil in breedte 8'32quot; of 8'34quot; en dat in lengte 7'12quot;,5 of 7'14quot; is (âalso die Charte in Uebereinstimmung mit Lobatto'5). Uit deze verschillen berekent Kaiser nu, met de constanten van Bessel, den afstand van DelftâBecker = I 7905,8 M, Maar het berekende azimut sluit niet met het gemeten, âund die Entfernung zwischen dem Thunn von Delft und der Drehkuppel der Sternwarte ist auf 100 M. unsicher gebiieben.quot; 2)
Uit de geographische coördinaten van Krayenhoff (Topographische Waarnemingen) en die der M. B. is de afstand LeidenâDelft vrij nauwkeurig te berekenen, maar natuurlijk moet men dan: 1° ook voor Leiden de br. en 1. van Kr. aannemen, en 2° rekenen met de aard-afmetingen die Kr. gebruikte.
Kaiser vond voor de herleiding tot den Koepel alzoo -t- 39quot;,04 met eene onzekerheid van ± 0,23. De convergentie der meridianen heeft hij vergeten. Zijn resultaat had moeten luiden: 2807'36quot;,92 ± 0quot;,29.
Het is moeielijk om bij de berekening van een azimut meer soorten van fouten te begaan. Maar ook de bepaling zelf is niet geheel vertrouwbaar. 1° was het geen gelukkig denkbeeld om een standpunt te kiezen, dat van buiten nergens zichtbaar is. 2° men richtte op de zonnestralen, die door den vergulden bol van den toren te Delft werden teruggekaatst. Noch de middellijn, noch de rondheid van dien bol zijn voldoende bepaald. 3° de toren is later door den bliksem getroffen en hersteld; in 1881 rekende men daarom een nieuwe bepaling noodig (Publications etc 1. p. 1). 4° Prof. Bakhuijzen bemerkte spoedig na zijn komst in Leiden (1873;, dat het universaal-instrument van Becker een gebrek bezat, hetwelk reeds in 1860 bestaan moet hebben, en dat âhet azimut van Delft door die fout vele secunden onjuist kan zijn, en dus noodzakelijk moet herhaald wordenquot;. 2)
1
) Verslag van den staat der sterrenwacht te Leiden, 1872/3 blz. 16,18. â
2
') Zou men in het buitenland werkelijk geloofd hebben, dat de afstand tussehen twee der oudste steden van Holland in het jaar Onzes Heeren 1870 nog 100 M. onzeker was?
68 (Ijé )
Al was dus dit azimut aan het primaire net van Krayenhoff ver- 1
bonden, zou men er geen vertrouwen in kunnen stellen, zoolang de bovengenoemde bedenkingen niet zijn weggenomen. Voor de secundaire meting van Kr. is het een aardige bevestiging (zie blz. 229).
Lengtebepalingen. Die van Krayenhoff zelf waren van geen belang (zie blz. 238). In 1803 vond J. C. A. Wagner1) uit cene waarneming der zonsverduistering van 17 Aug. 1803, dat het observatorium te Utrecht llm82,S oost van Parijs lag, dus de Domtoren 11â¢^,3,
dat is Is meer dan tegenwoordig aangenomen wordt. Den Isten Nov. 1806 is het lengteverschil Amsterdam W.T. â Utrecht obs.
bepaald. 3) Moll ontstak op den toren van Loenen buskruitseinen (telkens 60 gram), die te Amsterdam door Keyser (zie blz. 232), te Utrecht door van Beeck Calkoen werden waargenomen. Het lengteverschil werd bij vijf bepalingen gevonden: 56s,9; 57,4; 56,8; 56,8 en 56,8, gemiddeld 56s,9 wat 04,3 grooter is dan de geodesische bepaling van Krayenhoff in het jaar 1803. Men was van plan om nog meer zulke bepalingen tusschen andere plaatsen te doen, maar daartoe is het niet gekomen. Ik zie ook niet in welk nut ze in een vlak land als het onze konden hebben.
Kaiser3) vond in 1829/32 uit 43 bedekkingen van 10 sterren door de maan voor de lengte der oude sterrevvacht Sm35s,97 iv. f- ± 0S,19 O. van Parijs, en hieruit volgt voor den meridiaancirkel der nieuwe sterrewacht Sm35sgt;51. Tegenwoordig neemt men 8m353,22 aan.
Kaiser liet niet na om op te merken, dat zijne uitkomst zeer goed met de geodesische bepaling van Krayenhoff overeenkwam.
Sedert het jaar 1867 zijn een aantal telegraphische lengtebepalingen te Leiden uitgevoerd. Voor het lengteverschil met den meridiaancirkel der nieuwe sterrewacht is gevonden:
Jaar. Leiden tot: Lengteverschil en to./'. Waarnemers;
1867 Göttingen 21mó0s,108 ± 0S,022 Kam en v. H. â Albrecht.
Leipzig 31 37 ,679 ± 0,04 â â â Valentiner.
1
') Monatliehe Correspondenz von Zach, Bd. 8 s. 352; Bi. 9 s. 335.
2
) Alg. K. en Letterbode 1836 a blz. 379. Memoirs Royal Astron. Society
3
) Alg. Konat. en Letterbode 1807 a blz. 21. Calkoen beschreef de bepaling en is in den war met den Domtoren en het Observatorium. Zie ook Letterbode 1824 a blz. 373.
4
w. f. van één bepaling is 1quot;,26. Het max. is 39s,47, het min. 32s,07.
69
1867 Dangast 14m34s,529 Kam en v. H. â Tietjen.
1868 Brussel O 27 ,44 ± 0 ,027 Kam â E. Quetelet.
1870 Bonn 10 27 ,006 ± 0 ,017 Valentiner â Albrecht.
1880 Greenwich 17 56 ,30 (voorloopig) H.G. en E.F.v.d.Sande Bakhuijzen. 1884 Parijs 8 35 ,213 ± 0 ,011 Prof. Bakhuijzen â Bassot.
De eerste drie zijn gelijktijdige bepalingen. Göttingen is niet geheel zeker. Greenwich en Parijs zijn nog niet in bijzonderheden gepubliceerd. Voor Parijs geeft het Fransche bericht 8m35s,222.
Men kan uit deze bepalingen ook de lengteverschillen der buiten-landsche plaatsen afleiden, en deze vergelijken met de directe bepalingen:
LeipzigâBonn 21m10s,673; gevonden in 1864: 10s,69. ATerschil â 0S,02 BrusselâGreenwich 17 28 .86; ,, ,. 1853: 28 ,9 ,, 0,0 BonnâGreenwich 28 23 ,306' ,, 1864: 23 ,31 ,, 0,00
Bonn âParijs 19 2,219; â â 1877: 2,261 â â0,042
ParijsâGreenwich 9 21,087; â ,. 1872; 21,00 â 0,087 De sluitfouten zijn dus zeer bevredigend, want ParijsâGreenwich is of zal worden overgedaan.
Loodafwijkingen in Nederland. De meridiaan van Parijs is door Cassini ingevoerd; hij loopt over het observatorium en op den Mont-martre plaatste Cassini een meridiaanteeken, 0,3 M, = 0quot;,02 oost daarvan Duinkerken ligt volgens Delambre 0o2'22quot;,7 oostelijk van dit teeken. Krayenhoff (Précis p. 34,150) nam aan S'SB'^OG â 99,533 (Kr. zegt ten onrechte 93,/i-6()7). Hiervan uitgaande berekende de Gelder het geodesisch lengteverschil van alle andere primaire punten, volgens de aardafmetingen van van Swinden. In 1827 werd alles herberekend met de constanten van Puissant. Voor eenige punten heb ik hieruit de lengte volgens Clarke berekend. Uitgaande van Duinkerken 2'22quot;,72 heeft men:
Met de constanten van v. Swinden. Puissant. Clarke (zie blz. 262). Leiden, Saaihal 209'22quot;,43 19quot;,90 17quot;,48 '
Utrecht, Domtoren 2 47 10,62 7 ,29 4 ,15 Jever, Kasteel 5 33 70,1 63 ,3 57 ,0
Leiden, meridiaancirkel, is dus geodesisch 208'48quot;,84 = 8m35s,26, ol slechts 0S,04 meer dan de telegraphische bepaling gegeven heeft.
') La Meridienne vérifiée. Paris 1744. p. 277 et LVI, Dit teeken wordt la pyramide de Montrnartre geheeten. Voor de lengte van üainkerken vond Cassini III ook 2'23quot;.
68 (If 6)
Al was dus dit azimut aan het primaire net van Krayenhoff verbonden, zou men er geen vertrouwen in kunnen stellen, zoolang de bovengenoemde bedenkingen niet zijn weggenomen. Voor de secundaire meting van Kr. is het een aardige bevestiging (zie blz. 229).
Lengtebepalingen. Die van Krayenhoff zelf waren van geen belang (zie blz. 238). In 1803 vond J. C. A. Wagner1) uit eene waarneming der zonsverduistering van 17 Aug. 1803, dat het observatorium te Utrecht rim8a,8 oost van Parijs lag, dus de Domtoren 1 l^Q8,3, dat is Is meer dan tegenwoordig aangenomen wordt. Den Isten Nov. 1806 is het lengteverschil Amsterdam W.T. â Utrecht obs. bepaald. 2) Moll ontstak op den toren van Loenen buskruitseinen (telkens 60 gram), die te Amsterdam door Keyser (zie blz. 232), te Utrecht door van Beeck Calkoen werden waargenomen. Het lengteverschil werd bij vijf bepalingen gevonden: 56s,9; 57,4; 56,8; 56,8 en 56,8, gemiddeld 56s,9 wat 03,3 grooter is dan de geodesische bepaling van Krayenhoff in het jaar 1803. Men was van plan om nog meer zulke bepalingen tusschen andere plaatsen te doen, maar daartoe is het niet gekomen. Ik zie ook niet in welk nut ze in een vlak land als het onze konden hebben.
Kaiser4) vond in 1829/32 uit 43 bedekkingen van 10 sterren dooide maan voor de lengte der oude sterrewacht Sm35s,97 iv. /. ±0M9 O. van Parijs, en hieruit volgt voor den meridiaancirkel der nieuwe sterrewacht Sm35s,51. Tegenwoordig neemt men 8m35s,22 aan. Kaiser liet niet na om op te merken, dat zijne uitkomst zeer goed met de geodesische bepaling van Krayenhoff overeenkwam.
Sedert het jaar 1867 zijn een aantal telegraphische lengtebepalingen te Leiden uitgevoerd. Voor het lengteverschil met den meridiaancirkel der nieuwe sterrewacht is gevonden:
Jaar. Leiden tot: Lengteverschil en re/./'. Waarnemers:
1867 Göttingen 21m50s,l08 ± 0S,022 Kam en v. H. â Albrecht.
Leipzig 31 37 ,679 ± ü ,04 â â â Yalentiner.
1
') Monatliche Correspondenz von Zach, Bd. 8 s. 352; BJ. 9 s, 335.
2
) Alg. Konst. en Letierbode 1807 a blz. 21. Calkoen beschreef de be
3
Alg. K. en Letterbode 1836 a blz. 379. Memoirs Royal Astron. Society
4
paling en is in den war met den Domtoren en het Observatorium. Zie ook
69
1867 Dangast 14Iquot;34S,529 Kam en v. H. â Tietjen.
1868 Brussel O 27 ,44 ± 0 ,027 Kam â E. Quetelet.
1870 Bonn. 10 27 ,006 ± 0 ,017 Valentiner â Albrecht.
1880 Greenwich 17 50,30 (voorloopig) H.G. en E.F.v.d.Sande Bakhuijzen. 1884 Parijs 8 35 ,2L3 ± 0,011 Prof. Bakhuijzen â Bassot.
De eerste drie zijn gelijktijdige bepalingen. Göttingcn is niet geheel zeker. Greenwich en Parijs zijn nog niet in bijzonderheden gepubliceerd. Voor Parijs geeft het Fransche bericht 8n'35s,222.
Men kan uit deze bepalingen ook de lengteverschilleh der buiten-landsche plaatsen afleiden, en deze vergelijken met de directe bepalingen :
LeipzigâBonn 21m10,673; gevonden in 1864: 10s,69.Verschil â 0S,02 BrusselâGreenwich 17 28 .86; ,, 1853: 28 ,9 ,, 0,0
BonnâGreenwich 28 23 ,306; â ,. 1864: 23 ,31 ,, 0,00 Bonn âParijs 19 2,219; â â 1877: 2,261 â â0,042
ParijsâGreenwich 9 21,087; â ,. 1872; 21,00 â 0,087 De sluitfouten zijn dus zeer bevredigend, want ParijsâGreenwich is of zal worden overgedaan.
Loodafivijkingen in Nederland. De meridiaan van Parijs is door Cassini ingevoerd; hij loopt over het observatorium en op den Mont-martre plaatste Cassini een meridiaanteeken, 0,3 M. = 0quot;,02 oost daarvan Duinkerken ligt volgens Delambre 0C2'22quot;,7 oostelijk van dit teeken. Krayenhoff (Pre'cis p. 34,150) nam aan 2'23quot;,00 â 9S,533 (Kr. zegt ten onrechte 9S,4667). Hiervan uitgaande berekende de Gelder het geodesisch lengteverschil van alle andere primaire punten, volgens de aardafmetingen van van Swinden. In 1827 werd alles herberekend met de constanten van Puissant. Voor eenige punten heb ik hieruit de lengte volgens Clarke berekend. Uitgaande van Duinkerken 2'22quot;,72 heeft men;
Met de constanten van v. Swinden. Puissant. Clarke (zie blz. 262). Leiden, Saaihal 209'22quot;,43 19quot;,90 17quot;,48 '
Utrecht, Domtoren 2 47 10,62 7 ,29 4 ,15 Jever, Kasteel 5 33 70,1 63 ,3 57 ,0
Leiden, meridiaancirkel, is dus geodesisch 208 48quot;J84 â 8m35s,26, ot' slechts 0S,04 meer dan de telegraphische bepaling gegeven heeft.
') La Meridienne vérifiée. Paris 1744. p. 277 et LVI. Dit teeken wordt la pyramide de Montrnartre geheeten. Voor de lengte van Duinkerken vond Cassini III ook 2'23quot;.
70 (xfjÃà ï
Er is alzoo geen merkbare loodafwijking in lengte tusschen Leiden en Parijs; de lengte van Duinkerken vond Y. Villarceauin 1863 telegraphisch = 9^,17 = 217 ,5, of 5quot;,2 minder dan het geodesisch resultaat van Delambre.
Ook de loodafwijkingen in breedte zijn niet groot. Neemt men voor de breedte van Duinkerken met Krayenhoff 5102'8quot;,73 aan, dan heeft men:
|
Met de constanten van v. Sw. |
Puiss. |
Clarke. |
Astronomische Bep. |
Astr.-Cl. | |
|
Leiden, Saaihal |
52° 9'23quot;,4 |
22quot;,6 |
21quot;,9 |
24quot;,25 Kam. |
2quot;,4 |
|
Utrecht, Domtoren |
52 5 27 ,9 |
27 ,1 |
26 ,5 |
28 ,4 BI. |
- - 1 ,9 |
|
's Hage, groote Kerk T. |
52 4 40 ,0 |
39 ,3 |
38 ,6 |
41 ,7 Kr. |
3 ,1 |
|
Amsterdam, W. T. |
52 22 30 ,2 |
29 ,2 |
28 ,4 |
30 ,1 Kr. |
-f- 1 ,8 |
|
Jever, Kasteel |
53 34 23 ,4 |
21 ,8 |
20 ,1 |
to CO |
3 ,3 |
Maar in het systeem van Clarke bezit Duinkerken = 5102'Squot;,73, zelf reeds een loodafwijking van lquot;,ü; de geheele loodafwijking in breedte van Leiden in dit systeem bedraagt alzoo 4quot;,0 en die van Jever 4quot;,9. Dit laatste stemt vrij goed overeen met de uitkomsten van Helmert op blz. -292 vermeld. Maar, gelijk deze geleerde opmerkt: âdie Kenntniss einer grosseren Anzahl von Lothab-weicliungen in Holland vviire für das genauere Studium dieser Thatsachen sehr erwünschtquot;.
§ 19. De Berekening van het Net.
Krayenhoff heeft voor al zijne berekeningen gebruik gemaakt van de methoden, formules en tafels van Delambre, (zie blz. 226, 259). Men moet tot het werk van den franschen geleerde: Base du Systeme métrique, opklimmen om de uitkomsten van Kr. goed te verstaan. Het zou niet moeilijk wezen om voorbeelden aan te halen, dat bekende binnen- en buitenlandsche geleerden het Précis niet juist begrepen hebben.
De reductie der hoeken tot den horizon en dc koorden. Brengen
') Y. Villarceau: Comptes Rendus de l'Académie, 1866 t 62, p. 807.
wij twee verticale vlakken door het standpunt van den waarnemer en de beide signalen (of torenspitsen), welker hoek men meten wil. De lichtstralen, die van de signalen tot den repetitiecirkel komen, liggen in die vlakken, maar zijn geen rechte lijnen, doch cirkelbogen met een radius, welke omstreeks 7 maal die der aarde bedraagt. De lichtstralen maken, als zij den waarnemer bereiken, hoeken van OCT H en 90° h met den verticaal en onderling een hoek A. Met den repetitiecirkel, evenals met den sextant, meet men onmiddellijk A; twee nieuwe serieen, met den cirkel verticaal gesteld, geven H en h (zie blz, 228). De âherleiding tot den horizonquot; is de berekening van den standhoek der beide vlakken (A ,r), uit de hoeken A, H en h. Volgens de formules van Delambre is: xquot; = n Sin 2 ^ (// li), tg i. A â (/'. Sin 2 i (// â li). Cotg ^ A ... (1)
Met een theodoliet meet men hock (A 4- x) direct.
Men projecteert nu den hoek (A .v) op het zeeoppervlak (de geoïde), d. w. z. men zoekt den spherischen hoek tusschen de beide lijnen, waarin de verticale vlakken dit zeeoppervlak snijden. Is dit zeeoppervlak een zuivere bol, en staat de verticaal der waarnemingsplaats loodrecht op dit boloppervlak, dan blijft de geprojecteerde hoek gelijk aan (A -I- x).
De geoïde is echter een ellipsoïde met onregelmatigheden. De geprojecteerde hoek is dus in het algemeen niet gelijk aan (A -f- x). Bessel, Gauss, Helmert, hebben dit vraagstuk uitvoerig onderzocht en veel talent is aan de behandeling besteed. De spheroïdische berekening der driehoeken moge theoretisch een belangrijk onderwerp zijn, in de praktijk is zij volkomen overbodig. Het vlak gebracht door de verticaal van station C en het station D, valt niet samen met het vlak door de verticaal van D en het station C. Maar de hoek dezer âGegenvisurenquot; is uiterst klein; voor geen der zijden van Krayenhoff bereikt hij 0'',01.
Delambre had dit vraagstuk wel niet volledig doorgewerkt, maar toch voldoende bekeken om te kunnen verzekeren, dat deze correctie verwaarloosd kan worden (Base II p. 689).
Wij mogen dus de drie hoeken van een driehoek projecteeren op een bol, die genoegzaam identisch is met het zeeoppervlak tusschen de hoekpunten. Bij de berekening kan men nu: öf van spherische trigonometrie gebruik maken, of de stelling van Legendre
72 (lOO j
/
toepassen (dat een platte driehoek, welks zijden gelijk zijn aan de bogen van den boldriehoek, hoeken bezit gelijk aan die van den boldriehoek, ieder verminderd met '/3 van het spherisch exces), öf de spherische hoeken, dat zijn de hoeken tusschen de raaklijnen aan de bogen, herleiden tot de koordenhoeken. Delambre heeft achtereenvolgens naar alle drie methoden gerekend, maar verkoos ten slotte de eerste. Tegenwoordig rekent men meestal volgens Legendre. Krayenhoff gebruikte de koordenmethode. Besse! 1) en andere duitsche geleerden hebben deze sterk afgekeurd, en zij is thans bijna geheel verlaten. Voor Kr. kan er geen enkele reden bestaan hebben om ze te verwerpen; integendeel zij is bij de voortloopende berekening der driehoeken de allereenvoudigste, zoodra eenmaal de herleiding tot de koorden is uitgevoerd.
De koordendriehoek is een gewone platte driehoek, maar zijne zijden zijn allen kleiner dan de bogen van den spherischen driehoek. Delambre gaf voor de herleiding der hoeken tot de koorden de formule:
â /' = [(P Q)2. tg â A â (P - Qj2. Cotg ± A]. (gt;quot;/16 R2 ... (2) waarin P en Q de lengten van twee zijden, A de ingesloten hoek en R de straal van den aardbol. De koordenhoek is dus A ~h xquot; - yquot;. 2). Delambre gaf drie tafels; no. I van Sin 2 y[H ± li)] no. II van
(- V en no. IV van nquot; tg j. A en nquot; Cotgi A. De v 4 R / ^ 0 - s 53:1
correcties x en y vindt men daaruit door vier vermenigvuldigingen en twee aftrekkingen. Krayenhoff noemt de waarden uit de tafels nüs I en II facteurs, en die uit n0. IV : O.
De vergelijkingen voor x en y zijn slechts benaderingen en kunnen bij driehoeken van gewone grootte een paar honderdste secunden onjuist wezen. Bovendien zijn dc tafels van Delambre in
') Astron. Nachr. 1822, Bd 1 s. 90. Briefwechsel mit Gauss s. 398. âDie Chordenmethode ist mir höchst widerlich; sie ist so unelegant wie möglich.quot; Vergeten wij niet, dat Bessel en Gauss altijd met groot genoegen aanmerkingen op Delambre en andere fransehe geleerden maakten.
!) â yquot; is somtijds positief, o. a. in de driehoeken n0. 15 en 155 van Krayenhoff en n03 23 en 63 van Delambre. â Kr. reduceerde eerst zijn hoeken tot het centrum en berekende dan x en y. Streng genomen moet eerst x berekend worden, dan centreeren en eindelijk y gezocht worden.
73 (iól )
te weinig decimalen berekend om 0quot;,01 zeker te geven, al waren de vergelijkingen streng nauwkeurig. Aan Delambre was dit niet onbekend, maar hij verwaarloosde dikwijls correcties van minder dan 0quot;,05. Krayenhofif schijnt het niet opgemerkt te hebben.
Voor de berekening van y moet een bepaalde waarde aan R gegeven worden. Delambre nam een bol aan, waarvan 1°= 57020 toises (dus R = 6367512 M.), omdat dit ongeveer de gemiddelde lengte van een meridiaangraad bij zijne meting was. Juister is het om niet den kromtestraal des meridiaans, maar den zoogenaamden gemiddelden kromtestraal van Gauss (1828) x â b j \ â e* Sin2 B (zie blz. 261) te gebruiken. Het was zonder twijfel een fout van Krayenhofl' om de R van Delambre aan te nemen, maar hard kan men hem hierover niet vallen als men ziet, dat Bessel tot twee malen toe1) in dit opzicht een veel grootere onjuistheid begaan heeft.
Delambre en Krayenhoff noemen y het spherisch exces van één hoek. De drie correcties y voor de drie hoeken van een driehoek moeten te zamen gelijk zijn aan het sph. exc. (van den driehoek « = P. O Sin A. (/'/2 r2.
Krayenhoff heeft het sph. exc. van iederen hoek tweemalen berekend. De y der eerste berekening vindt men in tableau I; de uitkomsten der tweede berekening in tabl. III. Beide berekeningen verschillen dikwijls vrij belangrijk en zijn meermalen lang niet juist. Cohen Stuart heeft voor alle driehoeken « opnieuw berekend (zie blz. 270), en daarbij r = 6382200 M aangenomen «zijnde het [meetkundig] midden tusschen den kromtestraal van den meridiaan
') Bessel toch nam de straal van den aequator voor den gemiddelden kromtestraal. Bij de graadmeting in Oostpruissen (s. 253, 145) stelde hij r z=: Ã37CÃ23 M., in de meening, dat dit de a van Delambre (zie blz. 262) was. Hij had dus Base du systèrne métrique, tome 3, niet goed begrepen. Bessel geeft daardoor aan zijn zuidelijksten driehoek een sph. exc. dat 0quot;,019 te groot is. Om een dergelijke reden is het sph. exc. van driehoek n0. 15 in zijne herberekening der fransche graadmeting (Astr. Nachr. 1841, Bd 19 s. 104) 0quot;,05 te klein. Deze onjuistheden zijn niet gering te noemen als men bedenkt, dat Bessel zijne uitkomsten in 0quot;,0001 berekende, en zelfs het eenvoudige theorema van Legendre niet nauwkeurig genoeg oordeelde. De berekeningen der beide driehoeksnetten van Bessel sluiten dan ook niet volkomen, hetgeen zeker eer aan de genoemde onjuistheden mag toegeschreven worden, dan aan de oorzaak die Bessel vermoedt.
74 fjfz)
en dien van de daarop loodrechte verticale doorsnede voor de breedte 51o30quot;'. Waarschijnlijk heeft C. S. hierbij de constanten van Bessel bedoeld; met deze (zie blz. 562) is voor B = 51o30' r = G382170 M. Strikt genomen moet men eiken driehoek berekenen met den kromtestraal van zijn eigen breedte (de gemiddelde breedte der drie hoekpunten), en dit kost ook volstrekt niet meer moeite; het verschil is overigens zeer klein en bedraagt tus-schen de driehoeken nos. 2 en 163 van Kr. slechts 0,0006 £.
Als voorbeeld nemen wij den grootsten driehoek , n0. 86, van Krayenhoff; de gemiddelde breedte is 52025'; de log. van 1/2 P. Q. Sin A = 8,7933609. De volgende lijst geeft de waarden van y volgens de tableaux van Krayenhoff en volgens de vergel. (2) met de R == G367512, die aan de tafels van Delambre ten grondslag ligt. Daarnevens een tafeltje der gemiddelde kromtestralen op 52025' volgens de constanten van blz. 262, en die op 51o30' volgens C. St. en volgens Bessel; met het sph. exc. van driehoek n0. 86 volgens ieder dezer kromtestralen.
|
Tabl. |
Con |
£ voor | |||||
|
HOEKPUNT. |
Tabl. I. |
III, |
Vergel. (2) |
stanten. |
B |
r |
no. 8G. |
|
Leo |
0quot;,922 |
0quot;,908 |
0quot;,942 |
v. Svv. |
52025' |
638 0Gü7 |
3quot;,1482 |
|
Lemelerberg |
0 ,924 |
0 ,910 |
0 ,909 |
P.-K. |
// |
2203 |
66 |
|
Campen |
1 ,344 |
1 ,324 |
1 ,356 |
Bess. |
'/ |
2834 |
60 |
|
Cl. |
n |
3788 |
51 | ||||
|
Som y |
3 ,190 3 ,142 |
3 ,207 | |||||
|
Moest wezen, met R van Del. |
3quot;,1612 |
C. St. |
51o30' |
638 2200 |
3quot;,1466 | ||
|
Fout der vergel. (2) |
0,046 |
Bess. |
2170 |
67 | |||
Geen dezer verschillen bereikt 0quot;,07, en zij zijn dus volkomen onschadelijk, maar wij merken toch op, dat Krayenhoff twee malen slecht gerekend heeft, en dat C. St. dus wèl heeft gedaan met e voor alle driehoeken nieuw te berekenen. Des niettegenstaande blijft het een fout van C. St. om de r van 51o30' als de gemiddelde kromtestraal voor alle driehoeken te gebruiken.
Krayenhoff heeft voortdurend met duizendste deelea van secunden gerekend. Tegenwoordig zou men dit niet meer kunnen nalaten,
75 (SV ij
zonder gevaar om van oppervlakkigheid beschuldigd te worden. Maar vóór Kr. bestond die affectatie van nauwkeurigheid nog niet. Delam-bre gaf de 0quot;,01 opdat de 0quot;,1 zeker zouden wezen; ook tegenwoordig zou men hiermede nog ruimschoots kunnen volstaan. De 0quot;,001 hebben geen ander nut, dan dat zij den rekenarbeid zeer vergrooten en de publicatie vertragen. Om drie redenen is bij Kr. het gebruik van de 0quot;,001 af te keuren. 1° de nauwkeurigheid der hoekmetingen bedroeg nog lang niet 0quot;,1, en de decimaal
behoort bij uitkomsten, die men publiceert, vrij zeker te wezen. 2° Kr. heeft voor de herleidingen x en y de tafels van Delambre gebruikt. Nu hij de derde decimaal wenschte te kennen, had hij direct naar de vergel. (1) en (2) moeten rekenen (hetwelk ook volstrekt niet omslachtiger is), en zelfs dan zou voor vele hoeken de 0quot;,Ã1 onzeker blijven. 3° Kr. gebruikte log. sin. van 7 decimalen, waarschijnlijk die van Gallet. Bij hoeken grooter dan 30° (zie blz. 2G8) kunnen deze op niet meer dan 0quot;,03 nauwkeurig zijn; bij een hoek van 60° geven zij nauwelijks de 0quot;,1. â Om dezelfde reden had Kr. in tableaux II en III bij de zijden (zie blz. 224) de c.M, en m.M. als onzeker kunnen weglaten. Bij de berekeningen gebruikt men toch altijd de log. en bij een zijde van 25 K.M. is 0,000 000 1 in de log. reeds 6 m.M.
Al mogen wij in dit opzicht de handelwijze van Kr. afkeuren, te luide durven wij het niet doen, nu tegenwoordig het verwaarloozen van 0'',005 haast een heiligschennis gelijkt. Kr. was eenvoudig, op dit slechte pad, zijn tijd vooruit. Zie blz. 8 bij Snellius.
Voor de berekening der driehoekszijden is een grondlijn noodig. Als zoodanig diende (zie blz. 272) de zijde (koorde) Duinkerken-Montcassel log â 4,4386781 '), die Delambre, door tusschenkomst van 25 driehoeken, uit de basis bij Melun (zie blz. 259) had afgeleid. Uit de nieuwe meting van Perrier (zie blz. 265) zou volgen,
') Het is wel vreemd, dat Kr. driehoek n0. 1 van Delambre in tableaux II en Hl onjuist weergegeven heeft. In alle kolommen zijn fouten./'be sph. excessen moesten heeten 0quot;,340; 0quot;,464! en 0quot;,390. De log sin. hoek Duinkerken 9,8263731; de log. zijde Watten-Cassel â 4,2811846; de zijde Duin-kerken-Cassel = 27458,580. De sluitfout van dezen driehoek was 1quot;,19.
Maar de log. in den tekst genoemd, en waar alles op aankomt, is goed.
gt; /â quot;gt; amp; / f j /, i i si, -w, Cj t9 2- amp; quot; ^
70 ^ 30^)
dat de noordelijkste zijden van Delambre omstreeks Viooooü te lang zijn.
Van Duinkerken tot Aardenburg-Gent vormen de driehoeken een enkelvoudige keten; met deze zijde begint de triangulatie van Nederland, en deze zijde is dus de eigenlijke basis van Kr. voor zoover ons land betreft (zie blz. 271). Ik weet geen nieuwe vertrouwbare bepaling van dezen afstand.
De driehoeken, die Kr. in tableaux II en III beschrijft (zie blz. 324), zijn alzoo platte koordendriehoeken, waarvan de hoekpunten op zeehoogte liggen. Zijn net is dus een deel van een veelvlakkig lichaam, beschreven in de geoïde. Deze hoekpunten zijn natuurlijk onzichtbaar; geschikt om op te richten zijn alleen de toppunten der torens en signalen. Liggen deze T en / meters boven het zeeoppervlak, en is a âla distancequot; uit tableau III, dan is de rechtlijnige
afstand der toppen -^. a -t- â-langer dan a. Voor de
â¢2 r 2 a
zijde Utrecht-Amsterdam is T â 100, ^ â 80 M., a â 35518, en
het verschil 501 - - 6 = 507 m.M., alzoo niet zonder beteekenis.
Het is dus vreemd, dat Kr. niet de hoogte der toppunten boven
den grond en boven de zee opgeeft (zie Précis p. 15). Delambre
had dit wel gedaan.
Het verschil in lengte tusschen boog en koorde = «3/24ri! = lmm,022 de verlenging eener zijde bij hare verplaatsing van het zeeoppervlak tot de hoogte h â h.ajr â lmm,567 z. h, en de diepte waartoe de koorde onder het zeeoppervlak daalt a 2/8r = 195S,u.m^2. 2 is de lengte der zijde a in myriameters.
Het net van Krayenhoff is definitief berekend in 1810â1812 en deze berekeningen zijn in hun geheel later nimmer gecontroleerd. In 1827 verbeterde men alleen de drukfouten der eerste editie (zie blz. 223), doch niet de berekening zelf. Zoo bleven b. v. de sphe-rische excessen onveranderd, ofschoon voor tableau V andere aard-afmetingen aangenomen werden. Evenzoo hebben de bewerkers der Meetkunstige Beschrijving geen tittel of jota in de tafels van Kr. durven veranderen, en zij hebben zelfs niet opgemerkt, dat er een verschil bestaat tusschen de zijden (koorden) van Kr. en de zijden (bogen) der M. B. Zie b. v. de secundaire driehoek H 135 en de bijlagen 1 en 2.
77 (2lt;,6')
Kleine rekenfouten zijn er in tableau III zeker nog een groot aantal (b. v. voor de zijde Imbosch-Zutphen), maar liet is niet waarschijnlijk, dat zinstorende fouten van eenig belang in de editie van 1gt;S27 overgebleven zijn.
Wegens den te gr ooien omvang der verhandeling zullen § 20â24, het critiseh gedeelte, in den volgenden jaargang verschijnen.
BIJ DE KAAET.
De stations van Krayenhofif zijn door een cirkeltje aangeduid, en hunne namen met staande letter gedrukt. De stations der aangrenzende trian-gulatiën van Tranchot, Erzey en Gauss door een punt en cursieve letter.
In de volgende lijst zijn de rangnummers en namen der stations van Krayenhofif opgegeven. Een cijfer tusscben ( ) duidt aan, dat op zulk een station zoovele extra hoeken gemeten zijn, die niet tot het primaire driehoekennet behooren en alleen dienden om aldaar den tour d'horizon vol te maken (zie biz. 2G8). Over den aard der stations en signalen, zie biz. 2GC).
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De spelling der namen in deze lijst is volgens de choro-topographische kaart van Krayenhofif. (Zie blz. 242/3). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
craadmetingen
in Nederland.
Ill KrAYKMIOKF 1802-1811.
/fquot;
Midalnndo
^ /IÂ¥lA-D
\ /VV
\ / Lewwnrden^
^lielandW^ 119
, X
/ llo/\ H»ilinireu^^ / / / ' \ 111 / 1 - u- / OoaUindeo2^ , ^ /
.⢠\ ) âlt;3^KoM»ei«flt;kgt;d ' â
yuTAquot;; I msI gt;s-
ino/\ a \
K â¢âââ OsQoatfrlaiid | jtl4 \
' V z' \ y â--AyStavoreri â ,
, -lt;gt;----Jjr^Iedptttlik \ V /09
AllcroaarV X-u..â
v Kor/rt/Jr
i' Ton ff er
.M* E R 2E Y 1815-1830
^ 'Aiidenfivi
quot; Mint / 'Enr/n-r
NERENBURGER 18 52
Schaal -
2 000 OOO
33°
4-
Kijkrti
OVERZICHT VAN DE GRAADMETINGEN IN NEDERLAND
DOOR
Dr. J. D. van der Plaats.
(Vervolg van Jaargang V, blz. 305).
Hoofdstuk III. Krayenhoff.
In jaargang V, afleveringen 5 en 6, van dit Tijdschrift heb ik de eerste twee deelen (het historisch en het beschrijvend gedeelte) eener studie over de triangulatie van Krayenhoff medegedeeld. De materialen voor het derde of critisch gedeelte waren toen reeds bijeengebracht, maar het heeft lang geduurd eer ik tijd en rust kon vinden om het voor den druk gereed te maken. Ik verzoek den lezer verschooning voor dat uitstel. In het volgende moet ik zeer dikwijls naar jaarg. V en de kaart van afl. 6 verwijzen. Later zal ik eene lijst van errata en aanvullingen voor mijn geheele werk geven; eene meer uitvoerige verbetering van § 19 volgt reeds thans.
INHOUD.
§ 19, Naschrift. § 20. De vereffening van het net. De sinusregel van Krayenhoff. Aanhangsel: over den Zuiderzee-Vijfhoek. § 21. Geschriften en Critieken over Krayenhoff, nos. 1â6. § 22. De veroordeeling door Cohen Stuart en Kaiser. § 23. Ons eindoordeel over de meting van Krayenhoff.
Naschrift van % 19. Over het spherisch exces van boldriehoeken. Op blz. 302 van jaargang V is het spherisch exces van hoek Loo in driehoek n0. 8G â 0,quot;942 berekend en tengevolge daarvan aan de vergelijking (2) eene onnauwkeurigheid van 0,quot;04G toegeschreven (zie ook blz. 300). Dit moet luiden »= 0,quot;897, eu de vergelijking
GG
van Delmnhre geeft de spherisehe excessen van meetbare driehoeken met eene nauwkeurigheid, die niets te wensehen overlaat\ Het zij mij daarom vergund om de reductie van spherisehe hoeken tot koordenhoeken hier nog eens te bespreken. De genoemde flater was mij des te onaangenamer, omdat ik het onderstaande reeds lang te voren had uitgewerkt.
Zij ABC een boldriehoek met zijn koordendriehoek; M het middelpunt van den omgeschreven cirkel en O zijn pool {het snijpimt van het boloppcrvlak en de loodlijn in M op den 'koordendriehoek opgericht). Laat uit M loodlijnen M D en M G op de koorden A B en AC neer, en uit O de bogen O D' en O G loodrecht op de bogen AB en A C. Dan hebben de bolvierhoek A D' O G' en de platte vierhoek A D M G ieder twee rechte hoeken, terwijl de platte hoek D M G gelijk is aan den spherischen hoek D' O G' (want de raaklijnen in O aan de bogen O D' en O G' zijn evenwijdig aan D M en G M). De som der hoeken van A D' O G is 360 E; die van A D M G is 3G0o. Het verschil y van den spherischen hoek A en den koordenhoek A is dus streng gelijk E, dat is het spherisch exces (of den inhoud) van den bolvierhoek A D' O G. Bij meetbare driehoeken mag men hiervoor ook I â de inhoud van den platten vierhoek nemen, het verschil bedraagt hoogstens 0quot;,001.
Nu is I â é P. Cot. B i c2. Cot. C=ib* Cot. (BâC) â i c2 Cot. (B-C) = TV (^âc2) [Cot. i (B-C) â tg § (B-C)] = ^ (^ ^)2 tg è A - ïV (bâc) 2Cot. § A....................(2).
Want h2 Sin.2 C Sin. (BâC) â c2 Sin.2 B Sin. (BâC) of b2 [Cot. BâCot. (BâC)] = â c2 [Cot. C Cot. (BâC)].
Deze vergel. (2) stemt overeen met die van Delambre in Jrg. V blz. 300 gegeven.
Verder is ook:
I = f Z12 Cot. B J c2 Cot. C â-â- (Sin. B Cos B Sin. C
5 8 Sin. B Sin C v
Cos. C)-lbc Sin. A Cos (BâC) =lbc Sin. A (1 Cot. BCot. C) â ' * Sin. B Sin C
i 6 (1 Cot. B Cot. C)......................(3)
waarin â de inhoud of spherisch exces van den geheelen driehoek ABC.
67
De vergelijkingen (2) en (3) zijn ook uit elkander af te leiden,1) dus even nauwkeurig en voor de allergrootste driehoeken (zie blz. 270) volkomen voldoende.
Het spherisch exces y van hoek A is dus gelijk aan den inhoud van den aangrenzenden vierhoek. Is B of C stomp, dan ligt M buiten den driehoek, en vindt men gemakkelijk, dat y niet meer gelijk is aan de som der driehoeken AMD en A MG maar aan hun verschil. Daarom kan y ook negatief zijn, zoodra een der andere hoeken stomp is, en kan y s worden zoodra A zelf stomp is.
Uit vergel. (3) volgt: y - ie --f°S' Jif Tquot;^-t , en dus is:
Cos. (BâC) Cos. A
j'gt; «als A gt; 120° of als A = 120° en B gt; C.
Æ = « als A = 120° en B â C.
y = 5 £ als A â 90°.
y = o. als BâC = 90°.
y â negatief, als BâG gt; 90° of C lt; 45° â i A of B gt; 135° â JA.
Verder merken wij op, dat voor eiken boldriehoek de bekende formule geldt:
Sin.2 \a- â Cos- (SâA) CoSi S - S'quot;- (A e). Sin A ^ , f_ Sin. B Sin. C Sin. A. Sin. B Sin. C
Omdat de koorde B C â 2 Sin. ^ a, is dus streng juist:
koorden A B2: A C2: B C2 = Sin. C. Sin. (Câ \«): Sin B. Sin. (Bâ| e): Sin A. Sin (Aâ| «)........................(4).
En onder verwaarloozing der termen met e2:
koorden AB : AC : BC = Sin. (Câi «): Sin. (Bâi i) : Sin. (Aâ | e) .(5)
Deze laaste evenredigheid heet het theorema van Grunert, naar den wiskundige, die ze in 1855 langs een vrij omslachtigen wegheeft afgeleid. Ik kan niet inzien, waarom dit theorema voor de berekening der koorden de voorkeur zou verdienen boven het werken met de koordenhoeken. De berekening der laatste volgens (3) kost voor eiken driehoek slechts weinige minuten. Vergel. (2) is even nauw-
') Vergel. (3) is ook onmiddelijk uit de figuur af te leiden. Drieh. AGD = i s en MOD = AGD x Cot. B. Cot. C, dus I = i s (1 -f- Cot. B Cot. C). Ik heb ook een meetkunstig bewijs voor vergel. (2), maar dat is minder eenvoudig. Men kan ook (3) uit (5) afleiden.
G8
keurig, maar veel minder gemakkelijk tenzij men de hoeken B en C niet kent.
Uit vergel. (4) vindt men ook het theorema van Legendre: Koorde .r4 = 1G sin. 4§ ^ = 4 (1 âcos. x) 2= G â 8 cos 2 cos. 2 Ontwikkel Cos. x in een reeks, dan:
Koorde ,r4 = ,r4 â \ x6 4- -gs xs â .r10 enz.
en Sin. x â x â \ x'6 â söVo erjZ-
r koorde ,r4_ , . j 7 j â â
of ââ-â x' i 2? o % quot;lt;!gt;o4- mo enz.
om x
waaruit:
,,, koorden4_ , , r, , io ___
ââ--£ 72o ^ ïiïT^^o enz,
Sm x
Verwaarloost men ^Iö-s-'5, dan is:
koorde ar4 â Bgr3. Sin. Met vergel. (4) komt dus:
boogen a3: : c3 = Sin. A. Sin.2 (Aâi £) â Sin. B. Sin,2 (B â 5 : Sin. C Sin.2 (Câf).
Of met vervvaarloozing der hoogere machten, wier afleiding te ver zou voeren, a: b: c â Sin. (Aâi c): Sin. (Bâi e) : Sin. (Câ3- f).
Wij vatten nu den draad onzer beschouwing en over Krayenhoff weer op.
§ 8. vereffening van het Net. De Sinusregel van Krayenhoff.
Zoodra voor een net of keten van driehoeken met n hoekpunten meer dan 2nâ4 hoeken gemeten zijn, stuit men op tegenstrijdigheden. De som der hoeken om een centraalpunt zal verschillen van 360°; de som der drie hoeken van één driehoek zal niet juist 180° £ wezen; voor de zelfde zijde geeft de berekening langs verschillende wegen ongelijke uitkomsten.
De berekening van één driehoek is niet mogelijk, zoolang de som der drie hoeken niet vereffend is. Aan deze soort van voorwaarden is dan ook bij alle graadmetingen en triangulatiën voldaan, en hetzij op het praktische gevoel, hetzij volgens een vasten regel (zie jrg. V blz. 21, 260) heeft men aan de hoeken de noodige wijzigingen aangebracht. Ook de zijdenvergelijkingen (behalve die welke verborgen liggen in een ledigen veelhoek) kan men niet over het hoofd zien.
69
S n e 11 i u s deed dan ook reeds een keus tusschen de beide uitkomsten voor eéne zijde, of rekende verder met het gemiddelde. De latere graadmeters: Maupertuis, Lacaille, Cassini, maakten het zich gemakkelijker. Zij berekenden den afstand der eindpunten van het geheele net langs twee of meer reeksen van driehoeken, en vergeleken het gemiddelde dezer einduitkomsten met de astronomische waarnemingen. Maar omtrent het aantal der zijdenvergelijkingen hadden zij geen begrip. Dit aantal is vier bij de graadmeting in Lapland, en toch zegt Maupertuis (La figure de la terre, 1738 p. 72), dat zijn net âdonnait des combinaisons ou suites de triangles sans nombre. Nous poussames la patience jusqu' a cal-culer 12 de ces suites. La plus grande difference était de 54 toisesquot;, Natuurlijk knnnen slechts vijf dezer âsuitesquot; onderling onafhankelijk geweest zijn, en het is wel vreemd, dat noch de geniale Glairaut noch één der andere wiskundigen van dien tijd dit heeft opgemerkt.
Het net van D e 1 a m b r e levert ook enkele zijdenvergelijkingen. Voor de zijde Béthune-Fiess vindt hij drie verschillende uitkomsten; voor V. Bretonneux-Amiens twee uitkomsten; voor V. Bretonneux-Arvillers eveneens twee. De beide laatste verschillen 0,55 M. of x/z0^, maar van eene vereffening is geen sprake.
De sluitfouten van rondmetingen schijnen minder in het oog te vallen, dan de beide andere soorten van voorwaarden. S n e 11 i u s heeft ze geheel voorbijgezien. Maupertuis heeft op geen zijner beide centrale punten den tourd'horizon volgemeten, en in zijn vereffend net heeft Horrilakero een sluitfout van â 5quot;, De fouten die Delambre heeft laten staan zijn reeds Jaarg. V blz. 263 noot 2) vermeld.
Ook in de Geodesie van P u i s s a n t, het standaardwerk van het begin dezer eeuw, vind ik niet aangegeven hoe men een net van driehoeken sluitende moet maken. De eenige vereffening, die D e-1 a m b r e noodig achtte was: overeenstemming te brengen tusschen de beide bases (zie blz. 259), die door GO driehoeken gescheiden waren. De basis van Perpignan, berekend uit die van M e 1 u n, was 0,3 M. of V.ioiso kleiner dan de directe meting. Delambre vermeerderde daarom twee hoeken van eiken driehoek met 0quot;,05 en verminderde de derde met 0quot;, 1, waardoor een volkomen overeen-
70
stemming verkregen werd. L a c a i 11 e had vroeger op een dergelijke wijze zijne bases in harmonie gebracht, maar correcties van 5quot; noodig gehad.
Zoolang aan de drie soorten van voorwaarden niet is voldaan, is een net van driehoeken geen meetkunstig mogelijke figuur. Zeer treffend spreken de franschen daarom van «rendre géometrique le réseauquot;. Hoe weinig men in het eerste vierendeel dezer eeuw daaraan dacht, volgt uit een opmerking van B e s s e 1 (Briefwechsel mit Gauss s 468 brief van 12 Dec. 1826) âsonderbar ist und bleibt doch, dass niemand daran gedacht hat, dass die Dreiecksnetze we-nigstens mögliche Figuren geben müssenquot;. Bess el kende dus het werk van Krayenhoff niet, ofschoon Gauss er hem meermalen over geschreven had.
Krayenhoff was de eerste, die duidelijk inzag, dat aan dezen eisch voldaan moest worden Hij zou volkomen te verontschuldigen geweest zijn, wanneer hij, evenals zijne voorgangers, de kleine sluit-fouten der rondmetingen en de kleine verschillen voor de waarden van één zijde, eenvoudig had laten staan, Maar hij heeft de moeie-lijkheden, aan eene vereffening verbonden, niet ontloopen doch opgelost. Allereerst was het noodig om de zijdenvergelijkingen in een geschikten trigonometrischen vorm te brengen. Krayenhoff vond voor dit doel een theorema, hetwelk zoo eenvoudig, volledig en elegant is, dat men nog altijd geen beteren vorm kent.
Onze Nederlandsche geodeten verbinden aan het prohlema der vier punten den naam van Snelhus; zij behoorden â en met meer recht nog â aan den Sinusregel den naam van Krayenhoff
In het buitenland geeft men Gauss de eer ervan1); ook deze geleerde, die blijkens zijne brieven het Précis Historique veel nauwkeuriger heeft bestudeerd, dan men uit zijne verhandelingen zou afleiden, heeft dus nagelaten om de hulde zijner leerlingen aan het juiste adres te brengen.
') Ch. L. Ger ling gaf in 1843 met steun van zijn leermeester Gauss het eerste leerboek uit over de methode der kl. Qu. toegepast op de geodesie. In dit werk: die Ausgleichungsrechnungen der praktischen Geometrie, Hamburg 1843, vindt men s. 286 over de zijdenvergelijkingen bij âCentral systemequot;; âdie Gleichung stellt sich am übersichtlichsten in dervon Gauss eingeführten Form darquot;.' Zie ook s. XI, 198, 277, 282, 285.
71
De vereffeningswijze, welke tegenwoordig gevolgd wordt, bestaat uit twee afdeelingen.
Ten eerste worden uit alle waarnemingen op één station verricht, de meest waarschijnlijke waarden der hoeken of richtingen, welke in dit station samen komen, afgeleid. Bessel en Baeyer gaven aan elke richting haar eigen gewicht: hunne berekening was zeer omslachtig. Schreiber heeft hunne methode van waarnemen en berekenen krachtig bestreden. Hij meet alleen hoeken tusschen de verschillende vizierstralen, twee aan twee in alle mogelijke combinaties genomen, en bereikt daardoor voor alle richtingen op alle stations hetzelfde gewicht. Het meten van vele richtingen in ééne serie wordt door Schreiber op praktische gronden afgekeurd, en het toekennen van ongelijke gewichten aan de verschillende richtingen als illusoir beschouwd. Gauss zelf, de vader der nieuwere methoden, mat op elk station niet volgens een vast plan, maar zoo lang en in zoo vele combinaties, totdat hij van oordeel was, dat elke richting voldoende bepaald was (Z. f. V. 1879 s. 141; 1885 s. 203.)
Ten tweede worden deze richtingen tot een net verbonden. Daartoe stelt men de driehoeks- en zijdenvergelijkingen op, en past de methode der kl. Ou, toe, waardoor op éénmaal aan alle voorwaarden voldaan wordt. Maar groote driehoekennetten kan men niet in eens verel-fenen; meer dan 50 a 100 vergelijkingen kunnen moeielijk in ééne berekening worden opgenomen. Vereffent men zulke groote netten (b. v. het Engelsche met 482 drie- en veelhoeks- en 438 zijdenvergelijkingen) bij gedeelten, dan is het hoogst moeielijk om eene aansluiting te verkrijgen, waarbij niet sommige richtingen onrechtvaardig veel gewijzigd moeten worden (Anschlusszwang).
Bij het vereffenen volgens richtingen vervallen de horizonvergelijkingen. Deze komen wel in aanmerking bij het vereffenen volgens de hoeken, eene methode, die in de eerste helft dezer eeuw in Zuid-Duitschland nog veelvuldig gebruikt werd.
Krayenhoff kon de methode der kleinste quadraten nog niet toepassen; hij heeft daarentegen een ruim gebruik gemaakt van het praktische gevoel. Deze âintellectueele vereffeningquot; staat bij de streng mathemathische ten achter wat de onrïubbelzinnigheid der methode en der uitkomsten betreft. Alles hangt af van den practischen blik des waarnemers en den tact des berekenaars. Altijd blijft het
72
onzekere gevoel over, dat men op eene andere wijze misschien nog I (6
nader bij de waarheid zou gekomen zijn. Maar daar tegenover 1 lo staat, dat de hedendaagsche mathematische methode geen of weinig
rekening houdt met al die omstandigheden, welke niet scherp in 1 ei
cijfers uit te drukken zijn, en welker verwaarloozing een goed waar- 1 tc
nemer toch zeer onbehagelijk aandoet. 1 n
o
1°. K r a y e n h o ff had allereerst zijn tableau I samen te stellen. 1 v
Bijna altijd 1) bestonden voor eiken hoek twee en meer serieën, en 1 S
dus even zoovele uitkomsten. Maar aangezien in zijne registers I g
ook de slechte en mislukte serieën trouw zijn opgenomen, zou het 1 s
strijden met alle verstandige waarnemingskunst om uit die serieën I I
het eenvoudige gemiddelde te nemen. Niet weinige, vooral van de 1 c
stations b (zie Jrg. V, 2G7) moesten onbepaald verworpen worden, I
en van de overige konden sommige als minder vertrouwbaar dan de 1 S
rest beschouwd worden. K r a y e n h o f f grondde zijn oordeel 1° op 1 1
de regelmatigheid der repetitien, dat is op de uitkomsten na 2, 4. 6 1 \
enz. herhalingen (zie blz. 228); 2°. op de meer of minder gunstige 1 c omstandigheden gedurende de waarneming: de verlichting, windkracht,
weersgesteldheid, scherpheid der beelden enz. Deze lieten dikwijls 1 1
zooveel te wenschen over, dat men met de tegenwoordige theodo- 1 (
lieten en heliotropen aan geen waarnemen gedacht zou hebben. 1 i Tegenwoordig beproeft men slechts gedurende een klein deel van 1 1
den dag om primaire hoekmetingen te doen, en gaan soms weken voorbij, dat geen enkele bruikbare uitkomst verkregen wordt2). Krayenhoff was in zijn tijd veel te beperkt (zie bl. 239/40) om op deze wijze te kunnen afwachten. Bij hem kan men allerminst aannemen, gelijk B e s s e 1 (Gradmessung in Ostpreussen, s.
1
') Te Nieuwkoop vertoefde Krayenhoff slechts één dag, en is voor ieder der 5 hoeken slechts één serie gemeten. De sluitfout dezer rond-meting is -f- 2quot;,361.
2
) Zie verslag der Graadmetingscommissie over 1887 (dit Tijdschrift IV, 116) âgedurende zes weken bleven de beide ingenieurs in Finsterwolde zonder dat het mogelijk was eenige meting aldaar te verrichtenquot;. In 1888 zijn slechts drie stations afgedaan. Krayenhoff mat in de eerste twee jaren bijna 200 hoeken, dat is de helft van het geheele Nederlandsche net.
73
(67) âdass die Anstellung einer Beobachtung selbst als die Aner-kennung hinreichend günstiger ausserer Umstande an zu sehen istquot;.
Krayenhoff begon op alle uren van den dag te meten, zoodra er maar eenige kans op succes was: natuurlijk werd hij dikwijls teleurgesteld, (zie blz. 277) Om dezelfde redenen is ook het aantal repetities voor één serie en het aantal serieen voor één hoek vrij ongelijk. Krayenho ff bleef op een station, totdat het hem voorkwam dat elke hoek voldoende was waargenomen. Cohen Stuart1) heeft hem dit âgemis aan éénheid en regelquot; zeer kwalijk genomen, en keurt ook af dat âveelvuldig de zelfde hoek in verscheidene onmiddelijk op elkaar volgende reeksen gemeten werd.quot; Dit âveelvuldigquot; is niet juist; zie Jrg. V blz. 275. âWij hoorden reeds, dat Gauss evenzoo handelde. Bij B e s s e 1 had G. St. hetzelfde âgemisquot; kunnen opmerken. Schreiber (Z. f. V 1878 s. 230, 231) deelt mede, dat bij de Preussische Landestriangulation âin der Regel mehrere Satze eines und desselben Winkels ohne Unterbrechung, verschiedene quot;Winkel desselben Station aber meistens an verschie-denen Tagen beobachtet sindquot;.
Krayenhoff deed dus uit de verschillende scrieën voor één hoek eene kezize. Daarmede betrad hij, gelijk reeds Delambre (Pr. Hist. p. XXV) opmerkte, een gevaarlijk pad. In den tegenwoor-digen tijd, nu de leider der triangulatie in den regel niet zelf de metingen uitvoert, nu de eigenlijke waarnemers dikwijls als een deel der meetwerktuigen worden beschouwd, moet de instructie wel een bepaald patroon voorschrijven, van hetwelk zij bij de metingen en berekeningen niet mogen afwijken. En hoe het er dan nog door âWarten, Verwerfen und Wiederhoienquot; achter de schermen uitziet; hoe de waarnemer zijn âgeodatisches Gewissen erheblich belastet fühlen muss durch das Bewustsein der Art des Zustandekommens seiner Beo-bachtungenquot;; hoe menig âCriticus sich entsetzen würde vvenn er Alles wüsste was er eben nicht weissquot;, heeft Schreiber ons in een zijner merkwaardige opstellen (Z. f. V. 1879 s. Ill; 1878 s. 227) verraden. Ook de Nederlandsche geodeten van den nieuwsten tijd hebben
') F. Kaiser en L. Cohen Stuart: De Eischen der medewerking aan de ontworpen graadmeting in Midden-Europa, voor het Koningrijk der Nederlanden. 18(54, blz. 28.
74
er geen bezwaar in gezien om lange reeksen van waarnemingen te verwerpen en te herhalen, enkel omdat de uitkomst niet bevredigend was (Uitkomsten der Rijkswaterpassing 1888, biz. VII). En dat de omstandigheden ook volgens hen recht kunnen geven om aan sommige waarnemingen een geringer gewicht toe te kennen, zien wij aan de primaire hoekmetingen in het jaar 1888 te Uithuizer-meden verricht (dit Tijdschrift V blz. 167). De reden waarom men meestal aan elke waarneming hetzelfde gewicht toekent, is niet de overtuiging, dat zij werkelijk allen even goed zijn, maar dat het onmogelijk is om de meerdere of mindere waarde in cijfers uit te drukken. Waar dit wel mogelijk scheen, zooals uit het aantal en verloop der repetition, is het dan ook door B e s s e 1 wel gedaan.
⢠Dat Krayenhoff het rekenkunstig gemiddelde van alle serieën, '' ' goed of slecht, had moeten aannemen, is eene meening zoo zonderling, dat zeker geen van zijne tijdgenooten ze deelde, en die wij dan ' ook niet nader zouden behandelen, als zij niet de grondslag uit-~ s f maakte, waarop Cohen Stuart het werk van Krayenhoff heeft lof veroordeeld.
C. St. verklaarde, dat de âde waarde, die voor ieder der hoeken als de eigenlijke einduitkomst der meting gelden moet, het [rekenkunstig] midden is uit de uitkomsten van al de afzonderlijke reeksenquot;. Hij heeft deze meening niet nader verdedigd of toegelicht, maar als een axioma aan zijn betoog vooropgesteld, en daardoor anderen verleid om ze zonder onderzoek aan te nemen. Het eenige argument van C. St. is âhet feit bij zijn onderzoek weder ten volle gebleken, dat metingen onder ongunstige omstandigheden volbragt, doorgaans minder dan men geneigd is te vermoeden, in nauwkeurigheid, bij die onder de meest gunstige omstandigheden verricht, behoeven achter te staan.quot;
Het zou nutteloos zijn om te onderzoeken, wat C. St. hier met âfeitquot; bedoelt. ') Maar liever dan cene onvruchtbare polemiek over
') Waarschijnlijk dacht C. St. hier aan eene opmerking van Bessel (Gradmessung in Ostpreussen s. G7.) Overigens blijkt uit de werken van Bessel voldoende, dat hij niet van de meening van C. St. was. Gauss verwierp ook dikwijls geheele serieön (Z. f. V. 1885, s. 203). In Engeland werd eene waarneming verworpen als âThe observer has made a remark to
75
woorden en beginselen, geven wij eenige voorbeelden op goed geluk af gekozen uit de manuscripten van Krayenhoff.
Ballum, serie N0. 24, 10 repetities. Ciel couvert; les objets dis-paraissent. 93/4 uur 's avonds.
La Haye, No. 1, 14 rep. Le vent trop fort empêche de finir cette serie.
La Haye No. 4, 20 rep. Vent tres fort et nuisible. Observation douteuse.
Dordrecht No. 9. Le crépuscule fait disparaitre les objets. Observation douteuse.
Leide No. 1, 24 rep. Le clocher d'Harlem éclaire' et tres faible. Obs. douteuse.
Leide No, 3. L'aile d'un moulin couvre a moitié la tour de Nieuwkoop et rend 1'observation difficile. On a tres peu de confiance en cette série.
Hettenheuvel No. 12. Objets tres visibles, bonne observation. Maar de uitkomsten der 24 repetities klimmen voortdurend van 29'ö7quot;,3 tot 30'23quot;,3. Vijf andere goed overeenstemmende serieën voor den zelfden hoek gaven 30'12quot;23G.
Amsterdam No. 13. âDe voorwerpen zeer onduidelijk en Utrecht nauwelijks zichtbaar; op repetitie 10 begint het te regenen; en de waarneming wordt wegens het slechte weder, dat de geheele dag duurde, gestaakt. Te verwerpen.quot; (Instructie voor de geographische Ingenieurs bijlage I).
Al deze waarnemingen zijn door C. St. behouden. Maar hij heeft zijn beginsel niet streng kunnen volhouden. Twaalf serieën zijn ook door hem verworpen; Assenede No. 1 en Willemstad No. 1 omdat Krayenhoff vermeldt, dat er tegen den kijker gestooten is. Maar Middelburg No. 6 met dezelfde aanteekening, heeft C. St. behouden. Zierikzee Nos. \ en 2, Hondscote No. 5, Leiden No. 19, Oldeholtpade No. 18, verwierp C. St. waarschijnlijk alleen omdat zij belangrijk afwijken.
Krayenhoff heeft in zijne âInstructiequot; gelast, dat men een
the effect, that it ought to be rejectedquot; (Principal Triangulation p. 67). Zie ook van Swinden, quot;Volmaakte Maaten biz. 133 en Precis p. XIII. Geen enkele waarnemer zal de verklaring van C. St. in hare consequenties beamen.
76
station nooit moet verlaten, zonder zeker te weten, dat de tour d'horizon behoorlijk sluit. Het is dus niet onwaarschijnlijk, dat hij zelf bij het uitkiezen der seriën ook lette op die voorwaarde, en als het overige gelijk stond, de serieën verkoos, waardoor de rondmeting en de driehoeken het beste sloten. Dit wordt thans â en terecht â afgekeurd; in Krayenhoff's tijd meende men het te mogen doen. Men denke ook niet, dat door het verwerpen de genoemde sluitfouten altijd kleiner werden; in een aantal gevallen is het omgekeerde waar, b. v. bij de rondmetingen op de stations Nos. 18, 23, 30, 41, 8G, 89, 93, 103 en bij de driehoeken Nos. 18, 30, 42,44, 56, 60, 63, 66, 68, 69, 76, 80, 81, 83, 88, 116, 120, 121, 126, 139, 140, 157, 160.
C. St. noemt de uitkomsten afgeleid uit alle serieën: de hoeken ontleend aan de registers. Wij geven hier een lijstje hoe vele malen met deze hoeken de sluitsommen der rondmetingen en driehoeken gelijk, grooter of kleiner uitvallen als met de hoeken van tableau I:
|
Hoeken. |
RONDMETINGEN. |
DRIEHOEKEN. | ||||
|
Gelijk. |
Kleiner. |
Grooter. |
Gelijk. |
Kleiner. |
Grooter. | |
|
a |
19 |
4 |
22 |
46 |
13 |
34 |
|
b |
0 |
4 |
19 q |
0 |
O |
28 |
|
a b |
1 |
â |
0 1 |
0 |
3 |
7 |
|
a c |
â |
â |
â |
3 |
2 |
7 |
C. St. noemt A2 het verschil tusschen de hoeken uit tableau I minus die ontleend aan de registers. Hoe groot dit verschil is, leert deze lijst:
77
|
Op de |
Aantal hoeken |
cn verschil /^2. |
Totaal. | ||
|
Stations: |
Onveranderd. |
oquot;-r |
1quot;â2quot; |
meer dan 2quot; | |
|
No. 1 â 10 , 11-20 â 21-30 , 31-40 , 41-50 â 51âGO , Gl-70 , 71-80 , 81â00 â UIâ103 |
21 20 32 42 38 4G 42 30 11 0 |
5 8 0 4 4 1 4 0 15 |
2 3 3 7 7 4 1 7 10 12 |
i i 5 6 2 1 2 G 27 35 |
29 41 40 CO 51 55 46 47 57 71 |
|
u b c |
2G8 25 7 |
32 27 5 |
30 23 3 |
14 G8 4- |
344 143 19 |
|
Te zamen |
300 |
G4 |
5G |
8G |
506 |
Wij zien hieruit, dat bij de metingen a het verwerpen van seriëen slechts betrekkelijk weinige hoeken belangrijk veranderd heeft, maar daarentegen bij de metingen b voor de meeste hoeken ée'n of meer serieën verworpen zijn. Krayenhofï had dit zelf reeds gezegd (Précis p, 13). Volgens C. St. zouden sommige hoeken b tot 17quot; toe veranderd moeten worden! Als Kr. in 1810 en 1811 meer kieskeurig ware geweest in de omstandigheden, die hij voor waarnemen geschikt rekende, dan waren een groot aantal dezer slechte serieën achterwege gebleven, en de einduitkomsten even goed gebleven. Maar hij heeft geen enkel uur, waarin misschien een goede waarneming te doen was, willen laten voorbijgaan, zonder dit ten minste te beproeven.
Wat de hoeken a betreft, had Krayenhoff voorzeker beter gedaan met nog spaarzamer in het verwerpen te wezen, en te handelen gelijk in 1808 (Instructie), toen van de 19 serieën te Amsterdam alleen n0. 13 (hierboven op blz. 75) genoemd, verworpen
78
werd, terwijl in Précis p. 18â20 er vijf verworpen zijn1). Maar nimmer mag gezegd worden, dat Krayenhoff van zijne handelwijze een geheim heeft gemaakt: juist het voorbeeld Amsterdam, waarvan alle détails reeds in 1808 gepubliceerd waren, brengt den nauwlettenden lezer geheel op de hoogte van K r a y e n h o ff's manier van handelen (zie verder Jrg. V blz. 226/7). Aangenomen, dat Krayenhoff bij het verwerpen te ver is gegaan, dan zuas zijne handelwijze zonder twijfel toch nog beter, dan die welke C. St. voor dc eenig juiste verklaart. 2)
Alzoo werd tableau I van het Précis historique opgemaakt. De hoeken a zijn op weinig na de zuivere uitkomsten der waarnemingen.
De 506 hoeken hebben geenszins allen gelijk gewicht. Niet alleen zijn de hoeken b veel minder vertrouwbaar dan a, maar dikwijls zijn zelfs de hoeken op één station gemeten, niet allen met dezelfde nauwkeurigheid bepaald.
2°. Thans moest het net vereffend worden. K r a y e n ho ff begon met eiken driehoek afzonderlijk sluitende te maken. De strenge mathematicus zegt, dat daartoe de sluitfout over de drie hoeken gelijkelijk verdeeld moet worden. Kr. oordeelde terecht, dat er doorgaans voldoende redenen waren om sommige hoeken meer, andere minder of in 't geheel niet te wijzigen. Uit tableau II blijkt, welke hoeken in één driehoek gewijzigd zijn.
1
') K ray e n h o ftquot; is zich dus in zijne appreciatie niet steeds gelijk gebleven, en men zou denken dat het oudere oordeel, in 1808 spoediger na de metingen, meer kans heeft om juist geweest te zijn dan dat van 1812. De zelfde minder gunstige opmerking geldt ook voor eenige hoeken, die in de Letterbode van iSOi anders luiden dan in het Précis. Maai de rekenwijzen van de Gelder waren in i8o3 ook niet altijd juist (zie Jrg. V, blz. 234 en 285).
2
) Ook de heer Roegholt (dit Tijdschrift 1888 blz. 14) verklaart: Het is volstrekt niet bewezen, dat de door C. St. berekende hoeken dichter bij de ware komen, dan die welke in tableau I vermeld zijn.
79
|
Gewijzigd in tableau II van eiken driehoek. |
AANTAL DRIEHOEKEN, b i a c I a b Totaal. |
47 13
4 2 28
30
3
10
96 13 81) 3 29
Slechts één hoek.
Twee hoeken ieder evenveel.
â ,, ongelijk veel. Drie hoeken ongelijk veel â ,, ieder evenveel.
a en c b
tableau I tableau II tableau I
2G 21 4
G 10 5
G 5 3
â 2 1
tableau II 2 6 1 1 3
0quot;â1quot;
1quot;â2quot;
2quot;_3quot;
3quot;â4quot; 4quot;â5quot;, 2
De grootste verandering van één hoek a was Lemelerberg driehoek No. 88, = â 2quot;,440; van één hoek b Beilen No. 134 = 2quot;,924.
Met deze voorloopig vereffende driehoeken konden uit de grondlijn DuinkerkenâMontcassel (Jrg. V blz. 303) alle zijden berekend worden.
Voor 52 zijden verkreeg K. daarbij verschillende uitkomsten (zie blz. 224 en 272). Het is ondenkbaar, dat hij bij het opmaken van tableau I of de voorloopige vereffening van tableau II op die verschillen heeft gelet, en daarom zijn die zijdenvergelijkingen den hesten maatstaf ter beoordeeling van de nauwkeurigheid zijner tnt-komsten. Op de kaart (bij Jrg. V, Aflevering 0) is door lijnen
1
Hieronder nos. 87 en 120, bij welke Kr. de bedoeling had om slechts één hoek te veranderen.
Bij deze eerste vereffening heeft Kr. niet op de voorwaarde van
De sluitfouten der rondmetingen van
tableau I werden dus door tableau II veranderd. Alleen te Imbosch bleven alle hoeken gelijk; te Hoogstraten werd de sluitfout nul. Voor 23 stations a en c en voor 8 stations b werd de sluitfout grooter; voor 14 a en c en 5 b werd zij kleiner.
De sluitfouten der rondmetingen zijn (vergelijk Jrg. V biz. 2G8):
80
|
(zie biz. 224) aangegeven in welke opvolging K r a y e n h o f f de driehoeken berekende. Nevensgaande tafel geeft een overzicht der gevonden verschillen in millimeters en in millioenste deelen. Zijdenvergelijkingen van het Préois Historique. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
A en B Nos. der driehoeken met de gemeenschappelijke zijde. A2 en B2 lengten dier zijde volgens tableau II; A3 en B3 lengten volgens tableau III. *In het Précis niet jö opgegeven. Zie ook Jrg. V, blz. 224. Al dadelijk ontvangen wij een gunstig denkbeeld van de nauwkeurigheid door de verrassend kleine verschillen voor de zijden LemmerâUrk 98/99 en OldenzaalâBentheim 77/91. Al had Kr. zijn werk onwillekeurig geflatteerd, dan zou hij toch deze overeenstemming niet hebben kunnen voorzien. Het betrekkelijk bedrag der 52 verschillen is; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
81
raillioonston bij alle driehoeken bij nos. 1â124,
Het gemiddelde van alle verschillen is 24,1 mill, dat van de 39 verschillen der laatste kolom 18,3 mill. Zeven van die verschillen zijn grootcr dan den meter en worden, Précis p. 30, uitdrukkelijk vermeld. De aansluiting nos. 131/2 daaronder vertoont een verschil van 32 mill. Grooter dan 40 mill., ofschoon kleiner dan 1 meter, zijn ook nog de ver-schillen nos. 69/70, 108/9, 46/7, 94/5 en 125/132.
VOi'l In 1864 besloot de Allgemeine Gradmessungs-conferenz in Berlin dass alle Angaben van Langen, deren wahrscheinliche Fehler 1/25000 nicht übersteigen. für den Zweck der Mitteleuropiiischen Gradmessung tmbcdingt brauchbar sind.quot;
Bij K r a y e n h o ff overtreffen de verschillen, behalve in het Noordoosten, slechts zelden 1/25000. De eenige vraag is nu slechts nog : hebben deze fouten zich kunnen ophoopen, zoodat de verst-afgelegen zijden zeer onjuist zijn? Met zekerheid is dit niet te zeggen, zoolang er geen basis gemeten is.
3°. Bij alle vroegere triangulaties werd de berekening met het samenstellen eener lijst als die van tableau II voor afgeloopen beschouwd. Inderdaad zijn de uitkomsten van Krayenhoff door de definitieve vereffening waarschijnlijk niet veel dichter bij de waarheid gekomen Ook over de vereffening der netten van later tijd (b. v. dat van Bess el) zou men dikwijls kunnen zeggen, dat de winst in nauwkeurigheid lang niet tegen den rcusachtigen reken-arbeid opweegt.
Maar door die vereffening na te laten, ontstaat de onaangename toestand, dat men voor elke zijde langs verschillende wegen steeds verschillende uitkomsten verkrijgt, en de waarde die men aanneemt afhangt van de reeks driehoeken, welke men toevallig voor de berekening gekozen heeft.
Het vraagstuk, waar Krayenhoff voor stond, was echter oogen-schijnlijk niet gemakkelijk op te lossen, en had zonder twijfel reeds meer dan e'én geode icus afgeschrikt. Kr. kwam op het uitnemende
|
0â10 |
16 |
15 |
|
10â20 |
13 |
11 |
|
20â30 |
5 |
3 |
|
30â40 |
7 |
5 |
|
40â50 |
6 |
3 |
|
50â60 |
4 |
2 |
|
125 |
1 |
0 |
200*
47o 570
AW
82
denkbeeld om de zijdenvergelijking in een log. sinus-vergelijking om te zetten, en alleen daardoor werd de vereffening mogelijk. Het theorema, waarvan hij gebruik maakte, luidt met zijn eigen woorden (Précis p. 30) aldus: j'ai fait, a chaque tour d'horison, l'addition des loga-rithmes des sinus des angles inverses ou opposes der triangles dont il est compose, ayant leurs sommets au centre de la station: les sommes de ces deux séries de logarithmes doivent nécessairement étre égales, et cc qui diffère doit être considéré comme erreur.quot; Krayenhoff en Delambre noemden dit ,,le thorème des angles inverses.quot; Wij behooren het den sinusregel van Krayenhoff te noemen.
Deze stelling zelf was voor eiken scholier, die de eerste beginselen der trigonometrie kent, gemakkelijk te vinden en te bewijzen, Kr. vond het dan ook niet noodig om een bewijs te geven. âII suppose le theorème sans l'énoncerquot; zegt Delambre; eerst op diens verzoek werd in een noot het bewijs medegedeeld en tevens uitgebreid tot spherische driehoeken. Ook was Kr. terstond bereid om te erkennen, dat de zelfde stelling reeds vroeger door C a r n o t') was gevonden (Précis p. XXVI.)
De groote stap was echter; deze Stelling uit te kiezen en toe te passen in de geodesie. Zij is voor alle soorten van zijdenvergelijkingen voldoende, ook voor ledige veelhoeken, en levert steeds den meest nauwkeurigen vorm waarin die vergelijkingen kunnen worden neergeschreven 2)
') L. N. M. Carnot (1753 â 1823), fransch officier âl'organisateur de la victoire do 1793/4quot;; in 1813 gouverneur van Antwerpen; een der uitnemendste meetkundigen van zijn tijd; grootvader van den tegenwoordigen president de la R. F. In 1803 verscheen zijn werk: Géométrie de Position (bijna 500 p. quarto), waarin meer dan 1000 stellingen voorkomen. Op p. 301 (n0 250, fig. 95) wordt het gewone bewijs voor den sinusregel bij platte driehoeken gegeven. Zeer waarschijnlijk zal men deze stelling ook wel bij oudere schrijvers kunnen opsporen. Kr. vond ze zelfstandig. Uit een brief van kolonel van U ten hove, dd. 8 Juni 1814, behoorende tot de Leidsche manuscripten, bleek mij, dat Kr. die stelling wel eens tot oefening aan zijne officieren te bewijzen gaf.
2) Zie W. Jordan: Handbuch der Vermessnngskunde, 1888, Bd. Is. 193. In de praktijk der methode kl. Qu. neemt men bij een vierhoek met
83
Terwijl het vereffenen van één of weinige veelhoeken niet zwaar is, wordt het overzicht zeer moeielijk, wanneer een groot aantal veelhoeken in elkander grijpen. De methode der ld. Qu. leidt reeds bij 2 veelhoeken tot eene berekening, die eenige bladzijden vult, en zou voor het net van Krayenhoffin zijn geheel, onuitvoerbaar zijn. Prof. Schels geeft in zijn leerboek: Landmeten en Waterpassen, 1881 § 136 eene methode, die voor een net van eenige uitgebreidheid volkomen onbruikbaar is, en zelfs bij zijn voorbeeld (fig. 97) tot veel te groote wijzigingen in de laatste driehoeken zou leiden.
Krayenhoff is zonder een vasten regel, alleen op Jiet prac-tische gevoel, te werk gegaan. Hij nam onderscheidene veelhoeken te gelijk onder handen en lette vooral op de registers zijner metingen om te beoordeelen welke veranderingen de hoeken mochten ondergaan, zonder met de waarnemingen in strijd te geraken. Het zeer ongelijke gewicht der hoeken kwam hierbij tot zijn recht.
In vele gevallen zal Kr. niet terstond de geschikste veranderingen gevonden hebben; talrijk waren de combinaties, die hij naging (Précis p. XV, XXVI, 33) en soms zal het geduld hem wel ontbroken hebben om steeds weer nieuwe wijzigingen te beproeven.
Niet zelden zal hij zich hebben neergelegd bij wijzigingen, die niet geheel naar zijn zin waren. In vele gevallen zou men met veel kleiner veranderingen de veelhoeken sluitende hebben kunnen maken. Ook dit heeft Krayenhoff niet verzwegen: als voorbeeld geeft hij den veelhoek om Breda, die in tableau II een sluitfout in de log sin van 0,0000022 bezat. Bij de vereffening zijn 6 hoeken onveranderd gebleven en aan de log. sin. der overige veranderingen van â 25, 16, 13, â 9, â 8 en drie malen 1 aangebracht De vereffening was zoo lastig omdat daarbij tevens op de voorwaarden der rondmetingen en der driehoeksvergelijkingen gelet moest worden.
Uit de tafel van blz. 80 blijkt verder, dat na het ^calcul définitif'' van tableau III voor de beide waarden der 52 zijden in de meeste gevallen nog verschillende uitkomsten zijn blijven staan. Het verschil bedroeg (vergelijk Précis p. XXIX, 33) in m.M. en log. 7° dec.:
twee diagonalen voor de eenvoudigheid der berekening dikwijls een minder gunstige vergelijking.
84
|
0 mM. bij 13 |
zijden. |
in den log, 0 bij 15 |
zijden. |
Bij driehoeken ^ en | |||
|
1â5 â |
9 |
li |
li |
1 22 |
ii |
41/53 is de log der gemeen | |
|
5 |
-10 â |
17 |
ii |
2 10 |
3) |
schappelijke zijde gelijk maar | |
|
10 |
â20 â |
7 |
ii |
ii |
4 1 |
ii |
de lengte is 1 mM. ver |
|
20 |
O CO 1 |
3 |
ii |
}) |
5 1 |
schillend opgegeven. | |
|
30 |
O 1 |
2 |
i^ |
ii |
7 2 |
Ti |
De meeste veelhoeken slui |
|
43 â |
1 |
ii |
8 1 |
11 |
ten dan ook niet. De | ||
sluitfout der log. sin. is het grootst bij de veelhoeken om Beilen (9 eenheden der zevende decimaal) en om Holwierda (8 eenheden.) Van praktische beteekenis zijn deze verschillen niet. Het grootste bedraagt nog niet Vsooooo gt; ^113 minder dan de onzekerheid der allernauwkeurigste metingen van den nieuwsten tijd.
K r a y e n h o fï is er dus in geslaagd om zijn net zoo goed als volkomen te vereffenen. De veranderingen, die hij daarbij voor de hoeken noodig had, alzoo tableau I minus tableau III waren:
Deze veranderingen werden,
|
Nquot; Stations. Aantal hoeken bij de vereffening veranderd. 0quot;â1quot; ' | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
droegen van tableau II tot III: |
gelijk wij reeds zagen in twee tempos aangebracht: van tabl. 1quot;â2quot; |2quot;ofmeer I t0t n en van II tot III. Door de laatste veranderingen werden ook de zijden in lengte gewijzigd. In de driehoeken Nos. 2â46 zijn die wijzigingen steeds zeer gering geweest, op twee (nos 30 en 43) na minder dan 0,25 M. In 38 driehoeken is eene zijde 0,5â1 M veranderd; in 18 driehoeken (4a en 14b) bedroeg de verandering 1 M of meer. Alleen in driehoek n0 127 overtreffende veranderingen 2 meter.
De veranderingen der zijden tusschen stations a, b enz. be
85
Slotsom. K r a y e n h o ff 's werk is het eerste voorbeeld eener nauwkeurige primaire triangulatie, die zich over een geheel land uitbreidt. Het is tevens de eerste, die behoorlijk en volledig vereffend is. K r a y e n h o ff vereffende als een denkend ' observator, niet als een ma
chinale rekenaar. Hij moest steunen op het praktische gevoel, en ik geloof, dat dit hem in verreweg de meeste gevallen op den juisten weg heeft geholpen. Eene nieuwe vereffening van al zijne waarnemingen zou een reusachtig rekenwerk zijn en niet tot uitkomsten leiden, waarvan met vertrouwen gezegd kon worden, dat zij aanmerkelijk juister zijn dan die van tableau III in het Précis Historique.
AANHANGSEL.
Slechts in e'e'n deel van het net is de vereffening van K r a y e n-h o f f onvolledig geweest, namelijk voor den Zuiderzee-vijfhoek. Wij bespreken dezen daarom meer in bijzonderheden (zie V blz. 272) Men vindt uit de gegevens van het Précis Historique:
| ||||||||||||||||||||||||
|
te zamen 208 47 18 |
|
Volgens |
Tableau I. |
Tableau II. |
Tableau III. |
log. der zijden (koorden) Tableau II. III. | ||
|
,/ Enkhuizen |
11502G'25quot;,149 |
27quot;,290 |
31quot;,004 |
EnâEd. |
4,4318.173 |
.381 |
|
lt;/ Edam |
124 1 2,G85 |
3 ,441 |
8 ,650 |
EdâN. |
4,4039.545 |
.619 |
|
Naarden |
9G 57 58,153 |
52 ,980 |
53 ,942 |
NâH. |
4.4987.155 |
.302 |
|
,/ Harderwijk |
98 5 34,514 |
33 ,90G |
29 ,913 |
11âU. |
4,5427.734 |
.764 |
|
ZUrk |
105 28 58,433 |
59 ,110 |
63 ,228 |
UâEn |
4,3191.526 |
.639 |
|
539c5!)'58quot;,934 â7 quot;,734 Som Sluitfout |
56quot;,727 â9quot;,941 |
GGquot;,737 0quot;,0G9 |
Sph. Exc. met de R van Delambre(bl. 301) = Gquot;,GG8. |
Trekken wij de diagonalen, dan ontstaan er tien driehoeken. De vijf, hier onder in de eerste kolom geplaatst, die elk gevormd zijn door twee zijden en één diagonaal van den vijfhoek, kan men direct berekenen. Daardoor worden tevens de hoeken der andere vijf
86
6 U: :
f/ /! â
|
driehoeken (gevormd door ééne zijde en twee diagonalen) bekend; uit die hoeken en de vijfhoekszijde zijn de twee diagonalen nog eens te berekenen. Met de gegevens van tableau III vindt men dan: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De hoeken van Nos. 1â5 sluiten met het sph. exc. volgens D e 1 a m b r eâK rayenhoff (zie V blz. 301).
De Nos. 6â10 hebben elk een sluitfout van 0quot;,069 (zie bov.)^
De log. van een zijde {boog) is (zie blz. 304) Mod. grooter
dan de log. koorde, (log. Mod,/24 R2 = 4,650â20). De laatste twee decimalen der secunden hebben geen beteekenis; ook kan de zevende decimaal der log. ééne eenheid fout wezen.
Nu ziet men terstond, dat de hoeken der driehoeken en van den vijfhoek volgens tableau III op 0quot;,069 na, een bedrag dat verwaarloosd mag worden, sluiten, maar dat men voor de diagonalen meermalen drie verschillende waarden vindt.
Nemen wij de driehoeken Nos. lt 3 en 6. Dan zijn de beide uitkomsten voor Ed.âH. volkomen gelijk, maar die voor Ed.âU. verschillen 0,0000125 in de log. of 1,2 meters in lengte.
87
Een vijfhoek, waarvan de vijf hoeken en de vijf zijden bekend zijn, heeft drie voorwaarden: ééne hoek-en twee zijdenvergelijkingen. Aan de hoekvergelijking is in tableau III vrij goed voldaan, aan eóne zijdenvergelijking is streng voldaan maar aan de tweede volstrekt niet.
Ik durf niet gissen, hoe Krayenhoff den vijfhoek berekend heeft, en waardoor het komt, dat hij ééne zijdenvergelijking over het hoofd heeft gezien 1), terwijl hij de andere wel in aanmerking genomen heeft. Allen wil ik aangeven hoe ook hier zijn sinus-regel geheel voldoende geweest ware voor eene volledige vereffening.
Men berekene driehoeken Nos. 1 en 3 met de hoeken van tableau I en de zijden van tableau II:
|
Harderw. |
36° 4'20quot;,575 |
4,4039545 |
Edam |
27°37'18quot;,834 |
4,3191526 |
|
1 Naarden |
96 57 58 ,153 |
4,6312863 |
3 Enkhuiz |
115 26 25 ,149 |
4,6086822 |
|
Edam |
47 043 ,290 |
4,4987154 |
Urk. |
36 5617 ,312 |
4,4318173 |
En hiermede volgen voor drieh. No. G de hoeken Edam 49o23'0quot;,561 ; Urk 68032 41quot;, 121 en Harderwijk 6204'13quot;,939: sluitfout â 7quot;,734.
Met deze driehoeken en de omliggende heeft men nu om elk hoekpunt van den vijfhoek, een veelhoek waarop de sinusregel toe te passen is.
Voor de veelhoeken om Naarden en Enkhuizen is aan dien regel natuurlijk reeds voldaan. Voor de veelhoeken om Edam, Urk en Harderwijk vindt men met de hoeken van tabl. II de log. sin. sluitfout respectievelijk 72, â 313 en â58 eenheden der 7° decimaal; met de hoeken van tabl. III â 125, 123 en nul. Het zou aan Krayenhoff wel niet moeielijk gevallen zijn om ook de veelhoeken om Edam en Urk sluitende te maken. Misschien heeft hij ze wel gezien, maar ten slotte vergeten, doch het is vreemd dat nog niemand op deze vergissing opmerkzaam gemaakt heeft.
') Wij kunnen hem hierover niet te hard vallen, als wij bedenken dat Gauss in 1835 (zie General bericht Europ. Gradmessung 1865 s. 22) ten dienste der triangulatie van Oldenburg 21 vereffende driehoeken publiceerde, die een ledigen zevenhoek omsluiten, en dat deze zevenhoek een sluitfout van â 14quot;,9 vertoont! Het schijnt dat men eerst zeer laat op de voorwaarden verborgen in een ledigen veelhoek (kranzsystem) opmerkzaam is geworden. (Zie Astr. Nachr. 1808 Bd. 71 s. 145).
88
§ 21. Geschriften en Critieken over KraycnJwff.
Wij bespreken in deze § in chronologische volgorde: J. B. J. De-lambre (1813); J. H. van Svvinden (1813); J. F. L. Schroder (1820); C. F. Gauss (1823â182G); generaal G. A. Nerenburger (1856) en de Meetkunstige Beschrijving (1861); terwijl § 22 geheel gewijd is aan de critiek van L. Cohen Stuart en F. Kaiser (1864).
1. Delambre had van 1792 â1799 met Méchain (f i804) de beroemde graadmeting volbracht, die zooveel mogelijk aan K r a y e n-h o ff tot model strekte. Biot en Arago breidden deze meting in 1806/8 uit tot Formentera.
Krayenhoff was 9 Dec. 1811 tot correspondant de la classe des sciences physiques et mathematiques de l'Institut de France benoemd. Den 21 Dcc. kwam hij op verzoek van keizer Napoleon te Parijs. Zijn lidmaatschap van het Comité des Fortifications liet hem genoeg vrijen tijd om het Précis Historique op te stellen, dat onderteekend is: Paris le 1 Mai 1812. Vóór hij de registers van zijne metingen aan het dépót général de la guerre afgaf, toonde hij ze aan Delambre, die een aantal uren besteedde met ze te doorloopen. De verhandeling zelf bood Kr. aan het Institut ter beoordeeling aan, en eene commissie, bestaande uit Beautemps-Beaupré, Biot, Arago en Delambre bracht den 22 Maart 1813 een uitvoerig verslag uit. Dit rapport is geheel door Delambre geschreven, met nous wordt daarin alleen hijzelf bedoeld. Biot en Arago waren zeker volkomen bevoegd om een zelfstandig oordeel uit te brengen, maar zij hebben dit uitsluitend aan Delambre overgelaten.
Delambre geeft een uitstekend overzicht van de geschiedenis en het verloop der metingen, van de registers, van de vereffeningsmethode en van de uitkomsten. Zijne conclusie is âAinsi nous pensons que M. le général Krayenhoff a droit aux éloges de la classe et a la reconnaissance des savants.quot; D elambre onderteekent: Secrétaire perpétuel, chevalier de 1'empire. Hij heeft het waarschijnlijk niet gepast gevonden om het werk van een medelid van het institut, van een generaal, die bij den Keizer in hoogen gunst stond, anders dan hoffelijk en welwillend te bespreken. Maar hij merkt toch op, dat het verwerpen van die serieën, welke als
89
minder goed gelukt beschouwd moeten worden, aanleiding kan geven tot partijdigheid, en dat de verschillen tusschen de waarden voor ééne zijde langs verschillende wegen verkregen, bij Kr. grooter zijn, dan men uit de sluitfouten der hoeken zou verwacht hebben. De statistieken der rondmetingen en der driehoeksvergelijkingen, welke D e-1 a m b r e geeft, bevatten, vreemd genoeg, eenige rekenfouten. D e-1 a m b r e verklaart, dat nies diffc'rentes séries nous ont paru avoir tout l'accord que l'on peut attendre d'un observateur qui est de bonne foi et qui n'a point alteré ses observations.quot;
De critiek van Delambre gaat niet diep, en de oppervlakkige lezer ziet er bijna niets dan lof in.
2. van Swinden. K r ay e n h o ff kwam 12 Mei 1812 in Amsterdam terug. Hij was bij de oprichting van het Kon. Ned. Instituut van Wetenschappen Mei 1808) tot lid daarvan benoemd, en bood nu zijn Précis historique ook aan dit Genootschap ter beoordeeling aan. Den 13 Mei 1813 bracht van Swinden het rapport uit. Dit is mede onderteekend door Jakob Florijn (1751 â1818, een verdienstelijk beoefenaar der wis- en zeevaartkunde) en door G. Vrolik (1775â1859, genees- en plantkundige) als secretaris der klasse. Het is zeer onwaarschijnlijk, dat F 1 o r ij n iets tot het rapport heeft bijgedragen.
Het verslag van van S w i n d e n is bijna even lang als dat van D e 1 a m b r e, maar veel minder zaakrijk en op sommige punten zeer onnauwkeurig. In sierlijk fransch, hier en daar met academische krullen, geeft onze landgenoot een populair overzicht van K r a y e n-h o ff s bepalingen en methoden, en men treft daarin menige opmerking aan, die de generaal niet gaarne onderteekend zou hebben. Zoo b. v. dat men zeker is, dat alle hoeken binnen 1quot; nauwkeurig gemeten zijn; dat het net 1G3 driehoeken telt, dat 1/0000 verschil bij de zijdenberekening maar een kleinigheid is; dat âl'accord parfait de tous les parties du tableau lil démontre l'exactitude de toute 1'operationquot;, enz. Zijne statistiek der driehoeksvergelijkingen is geheel foutief; de breedte van Jever is onvolledig weergegeven. Het slot is een hooggestemde lofspraak op het werk van K r a y e n h o ff.
Van S wind.en was zonder twijfel in staat geweest om eene behoorlijke kritiek te leveren. Maar bij rekende dit zeker niet ge-wenscht. Van den aanvang af was hij de raadgever van Kr. geweest;
90
alleen door zijne voorspraak was de uitvoering mogelijk geworden (zie Jrg. V blz. 283/5). Hij had het werk in zijne wording stap voor stap kunnen volgen, doch waarschijnlijk heeft hij het Précis hislorique niet op zijn gemak doorgelezen. 1)
Van S w i n d e n's rapport is een sierlijk compliment, waarin waarheid en verdichting fraai zijn dooreen geweven. Krayenhoff rekende het zeker overbodig om de fouten daaruit te releveeren, aangezien ieder opmerkzaam lezer ze zelf moest vinden. Hij kon niet verwachten, dat zijne landgenooten een halve eeuw lang zoo slecht zouden lezen, en hunne studie van het Précis zich zou bepalen tot de beide rapporten in de inleiding en de eindresultaten in tableau III.
3. Schroder (1774â1845), een duitscher van geboorte, kwam in 1788 op een handelskantoor te Amsterdam, maar toonde weldra meer lust in de studie en werd na de hoogescholen van Amsterdam en Halle bezocht te hebben, proponent bij het Luthersche Genootschap en huiprediker te Amsterdam. Hij had zich onder leiding van van S winden ook op de exacte natuurwetenschappen toegelegd, en zoo was het mogelijk dat hij opeens benoemd werd tot Directeur van de studiën der adelborsten te Hellevoet, vervolgens van het instituut te Fijenoord later tc Enkhuizen. In 1812 was hij privaat-onderwijzer te Rotterdam en in 1815 werd hij hoogleeraar in de wiskunde en bespiegelende wijsbegeerte te Utrecht (zie J. Dou-wes: de wijsgeer Schroder. Groningen 1870).
Het zwaartepunt van Schröders werkkring lag in de wijsbegeerte ; zijn mathematisch onderwijs, hoe mild uitgedeeld, klom niet tot een zeer hoog peil, zeide zijn leerling H a rting (Voorheen en thans, Utrecht 1878 blz. 14/15). Toch schreef hij nog altijd veel over wiskunde, en was een voornaam medewerker voor den Ahnanak ten dienste der Zeelieden, uitgegeven op last van Z. M. den Koning. In dien almanak voor het jaar 1821 (verschenen te Amsterdam 1820)
') Nog een argument hiervoor vind ik in het voorlreffelijk boek van S w i n d e n: Grondbeginsels der Meetkunde, 2e druk, 1S1C blz. 501, waar men de stelling vindt, dat in een spherischen driehoek de spherische hoek altijd grooter is dan de koordenhoek (dezelfde onjuistheid beging reeds Simon Stevin). In Krayenhoff's driehoeken Nos. 15 en 155 had van S w i n d e n voorbeelden van het tegendeel kunnen opmerken.
91
komt onder n0. 54 op blz. 347â392 een uitvoerig stuk voor: âover de trigonometersche meting van een land, met toepassing op de meting door den generaal Krayenhoff gedaanquot; (herdruk in âBerichten en Verhandelingen over eenige onderwerpen der zeevaart door J. F. L. Schroder, Amsterdam 1840, deel II). De theorie der triangulatie wordt daarin breedvoerig en oppervlakkig besproken. Onderscheidene opmerkingen van Schroder zijn niet juist, b. v. dat slechts éen der hoeken kleiner dan 30° is (blz. 356), dat de tour d'horizon te Amsterdam niet sluit (blz. 389), enz.
Maar wij missen in dit opstel die overdreven, onberedeneerde loftuitingen, waarmede Krayenhoff zoo dikwijls is belast, en vinden daartegen op blz. 383 twee opmerkingen, die meer waard zijn dan het geheele verslag van S w i n d e n, nml. 1° de wenschelijk-heid om alle waarnemingen zoo volledig mogelijk in details te pu-bliceeren, en 2° dat de prachtige overeenkomst tusschen gemeten en berekend azimut en breedte te Amsterdam en te Jever wel alleen aan het toeval is te wijten.
Schroder eindigt met den wensch, dat zeeofficieren hunne secundaire metingen zullen aansluiten bij de primaire punten van Krayenhoff.
4 Gauss (1777â1859), wellicht de grootste duitsche wiskundige dezer eeuw, was sedert 1807 hoogleeraar in de wis- en sterrekunde te Göttingen. Zijn vriend Schumacher te Altona was in 1817 met eene graadmeting in Denemarken begonnen, en na drie jaar onderhandelens werd Gauss tot eene triangulatie van Hannover gemachtigd. In 1822, 1823 en 1824 mat hij 26 driehoeken van Inselsberg tot Hamburg, en verbond daardoor de sterrewachten van Göttingen en Altona, die op 14 meters na in eene meridiaan bleken te liggen. In 1824 en 1825 breidde hij het net uit van Hamburg tot Jever; daarna werd onder zijne leiding eene triangulatie van geheel Hannover en Oldenburg uitgevoerd. Gauss, die het anderen zeer kwalijk nam als zij hunne geodetische waarnemingen niet zeer uitvoerig publiceerden â heeft echter over dit alles bijna niets in het licht gegeven. Men hield het langen tijd voor een buitengewoon voortreffelijk werk, totdat een tiental jaren geleden de Preussische Landesaufnahme, die alle manuscripten van Gauss hierover bezit, een nauwkeurig onderzoek instelde. Het werk bleek toen onbruik-
92
baar te wezen: de configuratie van het net was voorbeeldig slecht, de punten niet vastgelegd, de meetboekjes onduidelijk, de waarnemingen van zeer ongelijke waarde. De triangulatie na 1825 was buitengewoon onnauwkeurig 1). De basis van Braak, door Schuin a c h e r in tegenwoordigheid van Gauss gemeten en door den laatste als uiterst nauwkeurig geroemd, is gebleken 1/20000 fout te wezen.
Desniettegenstaande dagteekent van de Hannoveraansche graadmeting een nieuw tijdperk in de ontwikkeling der geodesie. Gauss kwam op in 1821 het denkbeeld van den heliotroop2) en in 1821, 1823 en 1828 verschenen de drie deelen der Theoria Combinationis observationum crroribus minimis obnoxiae 3) (theorie van de combinatie
1
') De Landesaufnahme heeft altijd met groote pieteit en terughouding over de metingen van Gauss gesproken, maar tusschen de regels door leest men onbepaalde afkeuring (Z f. V. 1885 s. 114, 129, 152/4, 171, 179, 183, 203, 206, 228, 240, enz.) Zelfs de primaire driehoeken van Gauss heeft men niet willen of durven publiceeren. Een geheel nieuwe triangulatie van Hannover, waar de Nederlandsche van Prof. S c h o 1 s bij zal aansluiten, is reeds voltooid. Zie ook jrg. V, blz. 241 noot.
2
) Opmerkelijk blijft het, dat Gauss zelf er niet in slaagde om aan dit instrument een eenvoudige inrichting te geven. Zoodra Bertram, Rep-sold en Struve er zich mede bezig hielden, ontstonden de tegenwoordige praktische werktuigjes. Op de tentoonstelling van Nov. 1889 was de helio-staat van 's Gravesande ingezonden (zie jrg. VI, blz. 42). Het is daarom niet overbodig op te merken, dat dit instrument reeds vóór 's Gravesande bekend was, onbruikbaar zou wezen bij geodesische metingen en niets gemeen heeft met het denkbeeld van Gauss.
3
) Gauss moest tegen zijn zin (zie Briefwechsel mit Schumacher IV s. 437) deze verhandelingen in de latijnsche taal schrijven, maar zij zijn vertaald: in 1855 in het Fransch door Bertrand en in 1887 in het Duitsch door Börsch und Simon. Aan deze laatste ontbreken de hoog noodige aanteekeningen, toelichtingen en figuren. Gauss besteedde zeer veel moeite aan den wetenschappelijken vorm zijne verhandelingen en was zeer boos op B e s s e 1 toen deze hem aanraadde om liever meer uit den schat zijner geniale denkbeelden mede te deelen al moest de vorm er onder lijden. Gauss schreef slechts voor geleerden; hij meende dat men de wetenschap niet moest verlagen door ze onder ieders bereik te brengen, en hij is dan ook zeer moeielijk te begrijpen. Curiosum: Gaus dacht dat een man van Kr.'s rang het predicaat von (in het latijn de) toekwam, en daarom vindt men in duitsche werken onzen landgenoot meermalen de Krayenhoff genoemd.
93
van waarnemingen zoodat de kleinste fouten overblijven) In het laatste deel, supplementum geheeten, § 22â25 vindt men de toepassing van de methode der kleinste quadraten op de geodesie. Gauss bespreekt hier de drie soorten van voorwaarden, welke Krayenhoff reeds voor hem gebruikt had 1) (zie blz. 70). Vervolgens geeft Gauss twee voorbeelden. In het eerste worden de twee veelhoeken om Leeuwarden en Drachten uit het net van Kr. vereffend; in het tweede behandelt hij 7 driehoeken van zijn eigen graadmeting. Bij het eerste voorbeeld vindt Gauss voor de m f van ieder der 27 hoeken 2quot;,744; bij het tweede voor de m f van ieder der 18 richtingen 0quot;,419. Om het netje van Krayenhoff sluitend te maken, bracht Gauss veranderingen in de hoeken aan, waarvan de som der kwadraten = 97,9 is, terwijl voor de veranderingen van Kr. zelf die som = 341,4 is 2).
Gauss had de gewoonte om zelf zijne werken in de Göttingische Gelehrte Anzeigen te bespreken. Het overzicht van het supplementum theoriae combinationis â Anzeigen 25 Sept, 1826 â eindigt s. i526 met eene periode, die belangrijk genoeg is om ze in haar geheel weer te geven.
âAllein sowohl die sichere Würdigung, als die vollkommenste Benutzung der Messungen ist nur dan möglich, wenn sie in reiner Autenthicitat und Vollstandigkeit vorliegen, und es ware daher sehr zn wünschen, dass alle grosseren auf besondere Genauigkeit Anspruch machenden Messungen dieser Art [namelijk de trigonometrische] immer mit aller nöthigen Ausführlichkeit bekannt gemacht werden möchten. Nur zu gewöhnlich ist das Gegentheil, wc nur Endresultate für die einzelnen gemessenen Winkel mitgetheilt werden. Wenn solche Endresultate nach richtigen Grundsatzen gebildet werden, in-dem man durchaus alle einzelnen Beobachtungsreihen, die nicht einen durchaus unstatthaften Fehler gewiss enthalten, dazu concurriren lasst, so ist der
1
) Gauss schrijft voor om bij de zij den vergelijkingen van eiken hoek eerst Vs van het spherischexces af te trekken. Dit is natuurlijk onnoodig, gelijk Krayenhoff en Schroder reeds gezegd hadden. Ook H e 1 in e r t Ausgleichungs-rechnung s. 188 en Cohen Stuart rekenden direct met de spherische hoeken.
2
J) Gauss had hierbij wei mogen opmerken, dat deze vergelijking partijdig is, omdat Krayenhoff bij zijne vereffening ook op de omliggende veelhoeken had te letten.
94
Nachtheil freilich lange nicht so gross, als wenn man etwa nur diej enigen Reihen beibehalt, die am besten zu den nahe liegenden Prüfungsmitteln passen, welche die Summen der Winkel jedes Dreicks und die Summen der Horizontalwinkel um jeden Punkt herum darbieten. Wo dies durchaus verwerfliche Verfahren angewandt ist, sei es aus Unbekanntschaft mit den wahrea Grudsatzen einer richtigen Theorie, oder aus dem geheimen Wunsche, den Messungen das Ansehen grösserer Genauigkeit zu geben, geht der Maass-stab zu einer gerechten Würdigung der Bobachtungen und der aus ihnen abzuleitenden Resultate verloren; die gevvöhnliche Prüfung nach dea Winkel-suramen in den einzelnen Dreiecke und bei den Punkten, wo die gemessenen Winkel den ganzen Horizont umfassen, scheint dann eine Genauigkeit der Messungen zu beweisen, von der sie vielleicht sehr weit entfernt sind, und wenn andere Prüfungsmittel, durch die Seitenverhaltnisse in geschlossenen Polygonen oder durch Diagonalrichtungen, vorhanden sind, werden diese die Gewissheit des Daseins von viel grösseren Fehlern verrathen. Umgekehrt aber, wenn die zuletzt erwahnte Voraussetzung stattfindet, und das Aus-gleichen der Beobachtungen in Beziehung auf die Prüfungsmittel ohne die sicheren Vorschriften der Wahrscheinlichkeitsrechnung versucht ist, wo es immer ein Herumtappen im Dunkeln bleiben muss, und grössere, oft viel grössere, Correctionen herbeiführt, als nöthig sind, kann leicht dadurch ein zu ungünstiges Urtheil über die Messungen veranlasst werden. Dieze Be-merkungen zeigen die Wichtigkeit sowohl einer hinlanglich ausführlichen Bekanntmachung, als einer auf strenge Principien gegründeten mathematischen Combination der geodatischen Messungen.quot;
Uit het verband blijkt duidelijk, dat Gauss hierbij in het bijzonder aan Krayenhoff dacht, maar hij schijnt eene reden gehad te hebben om dezen niet openlijk aan te vallen 1). Zonder omwegen sprak Gauss zijn ongunstig oordeel over Kr. uit in vertrouwelijke brieven aan Schumacher en Bessel en in rapporten aan de Hannoveraansche Regeering (zie Z. f. V. 1S85 s. 173, 187). B. v. aan Schumacher: âdie Verknüpfung mit der Gradmessung von D el am b re ist desto besser je weniger Krayen-hoffsche Zwischendreiecke nöthig sind. Denn unter uns, ich finde aus der Prüfung derselben, dass sie zum Theil lange, lange nicht so genau sind als sie beim ersten Amblik scheinen (20 Dec.
') Gauss heeft in Anzeige 27 Febr. 1830, over de graadmeting van Carlini en Plana, aan deze geleerden openlijk hetzelfde verweten, wat aan Kr. slechts indirect is toegediend.
95
1823)quot;. Hij grondt dit oordeel op de âungeheurequot; veranderingen in de hoeken, die bij de vereffening van het net door Kr. zijn aangebracht, b. v. te Leer, Pilsum en Onstwedde. Tusschcn Bent-heim en Duinkerken zijn deze veranderingen kleiner, maar stijgen toch te Lemerlerberg tot 2quot;,9. Alzoo besluit G auss: Kr. heeft niet op een goede manier vereffend, of de hoeken van tableau I zijn âparteiisch gewahlt,'' âDas vorige unter uns.quot; Herhaaldelijk schreef Gauss aan Schumacher (3 Maart 1824) en Bessel(12 Maart 1826): âKrayenhoffs südlichere Messungen sind besser und eine Verbindung meiner Dreiecke über das Osnabrüksche nach Bentheim vvürde ohne Zweifel zuverlassigere Resultate geben können.quot; Gauss had echter tot die laatste metingen geen lust.
Ik geloof, dat de volgende gebeurtenis tot de weinig nobele handelwijze van Gauss heeft bijgedragen. In de Correspondance Astronomique de Zach, 1824 t. x p. 164 had een ongenoemde het volgende gezegd:
âLes points trigonometriques entre Hamburg et Celle sent trés mal choisis, quoiqu'il faille convenir que ce terrain est trés chicaneur. On aurait du ériger des tours d'observaiion. Selon mon avis la triangulation du général Krayeuhoff me semble sous tous les rapports la plus parfaite: les triangles sont la plupart équilateraux, ni trop grands ni trop petits, et ferment un réseau parfaitement polygonique, qui s'étend sur tout le pays; toutes les autres opérations que Je connais manquent de cette polygonalité, et par conséquent d'un controle indispensable.quot;
Dit oordeel over Gauss meting stemt geheel overeen met dat der preusische Landesaufnahme (S c h r e i b c r, G a e d e). Waarschijnlijk gevoelde Gauss zelf de juistheid er van, maar daarom was hij dubbel gepiqueerd. Aan B e s s e 1 schrijft hij (15 Jan. 1825):
âIch kann mich ünmoglich entschliessen mich einen solchen arroganten Menschen gegenüber zu stellen, dessen ganze Weisheit darin zu bestehen scheint, den Werth eines Dreieckssystem nach den Vorkommen von spitzen Winkeln zu beurtheilen.quot; Ja, schrijft B e s s e 1 terug, maar als Gij niet antwoordt zullen anderen denken, dat de opmerking juist is. En nu, in plaats van flink weg zijn eigen meting te verdedigen, maakt Gauss indirect of in vertrouwelijke stukken het werk van Krayenhoff verdacht. Hij bestudeert het Précis historique en zoekt de beide veelhoeken uit,
90
die onder alle 51 de grootste sluitfouten in de zijdenvergelijkingen bezitten , veelhoeken op welker buitengewone gebreken K r a y e n-hoff zelf (Precis p. 30) gewezen had. Tegenover deze stelt hij een vijfhoek van zijn eigen net, welke twee zijdenvergelijkingen heeft, die toevallig bijna volmaakt sluiten. Gauss had natuurlijk ook die veelhoeken van Krayenhoff, welke direct tegen de Hannoveraansche graadmeting aanliggen, berekend, en wist dus zeer goed, dat voor de veelhoeken om Aurich, Strakholt, Uelsen, Olden-zaal en Lemelerberg een veel kleiner m f der hoeken gevonden wordt. Om dit duidelijk te doen uitkomen heb ik de m f van één hoek afzonderlijk uit de rondmetingen (m1), de driehoeks vergelijkingen (m2) en de zijdenvergelijkingen (m..), zie Jrg. V blz. 273) berekend voor de veelhoeken om:
|
Leeuwarden en Drachten m1 |
~ 0quot;,71 m2 |
co s O !l |
- 6quot;,63. |
|
Aurich en Strakholt |
0 ,76 |
0 ,76 |
1 ,34. |
|
Uelsen en Oldenzaal |
0 ,25 |
0 ,30 |
1 ,14. |
|
Uelsen en Lemelerberg |
0 ,125 |
0 ,51 |
0 ,19. |
|
Vijfhoek van Gauss |
â |
O O |
0 ,07. |
Gauss had het recht, ja wellicht de plicht, om de metingen van Krayenhoff aan critiek te onderwerpen. Maar hij had dit moeten doen in het openbaar, niet in vertrouwelijke brieven aan mannen van invloed doch met Kr's werk onbekend. Hij had eene onpartijdige beoordeeling moeten leveren, niet opzettelijk de slechtste driehoeken van Krayenhoff stellen tegenover de beste van zijn eigen. Maar geschiedenis is dikwijls gerechtigheid. Gauss, die voor de praktijk der triangulatie evenmin geschikt was als voor college geven, heeft om een luttele som gelds te verdienen (Brief-wechsel mit Bessel, s. 428/9) zich twintig jaren lang met dat werk bezwaard en ten slotte het geheel onbevredigend achtergelaten.
§ 23 van het supplementum Theoriae combinationis (gepubliceerd in 1828) had ten doel om het werk van Krayenhoff in een slechten roep te brengen (zie o. a. Briefwechsel mit Bessel 20 Nov. 1826 en Z f. V. 1885 s. 173, 187), en dit is Gauss in het buitenland volkomen gelukt. Men kent daar Krayenhoff alleen door Gauss, (zie Jordan's Handbuch). Schmidt, een leerling van Gauss, Airy, Bessel en later Clarke hebben de nederlandsche meting niet gebruikt bij hunne berekeningen van de grootte en gedaante der aarde.
97
En welken indruk maakte dit alles in Nederland? Krayenhoff de zeventigjarige, had in 1828 wel te veel andere beslommeringen (zie Jrg. V bldz. 220) om het zich aan te trekken. De Gelder, die er ten onrechte aanspraak op maakte van het wetenschappelijk hoofd der meting geweest te zijn, was verdiept in vruchtelooze bemoeiingen betreffende het industrieel onderwijs. De eerste, die er notitie van nam, was Verdam, die in zijn âMethode der kleinste Ouadraten, Groningen 1850, blz. 206â214quot; uitvoerig weergaf, wat Gauss over de veelhoeken om Leeuwarden en Drachten gezegd had. Natuurlijk moest zulks een Nederlander prikkelen om na te gaan of dit ook op de andere deelen van het net toepasselijk was. Maar V e r d a m heeft dit niet gedaan, en de beroemde wiskundige zegt met verbazende leukheid dat âde bedoeling van Gauss niet was noch kon zijn om door de aanwijzing der verschillen het vertrouwen op de uitkomsten van Krayenhoff te verzwakkenquot;.
Dertien jaren later verscheen de critiek van Cohen Stuart, in het geschrift boven op blz. 73 noot genoemd. Ofschoon deze geheel volgens de voorschriften van Gauss heeft heeft gewerkt, vermeldt hij alleen in een noot (blz. 32), dat Gauss de veelhoeken om Leeuwarden en Drachten behandeld heeft. En wat in die noot verder staat, doet vermoeden dat G. St. het door hem aangehaalde niet opmerkzaam gelezen heeft.
Cohen Stuart en Kaiser zeggen in 1864; âdat de arbeid van Krayenhoff zoo langen tijd den meest onbepaalden lof mocht inoogstenquot;; âdie metingen bezitten geenszins de nauwkeurigheid, die haar steeds werden toegekend (blz. 8, 20,). Was dan aan beiden het supplementum theoriae combinationis en de briefwisseling van Gauss en Schumacher (gedrukt in 1860 en aanwezig in de bibliotheek der sterrenwacht te Leiden) onbekend?
In die Briefwechsel (II, s. 29) deelt Gauss mede, dat hij voor den hoek VarelâJeverâEsens 152022'36,quot;585 heeft gevonden, en zeker is, niet 1quot; fout te wezen. Uit tableau I van Krayenhoff volgt voor dien hoek 21 quot;,675, en Gauss vermoedt dat Kr. één meter fout begaan had bij het centreeren. Maar uit Z. f. V. 1885 s. 206 blijkt, dat die hoek van Gauss bij de vereffening 36quot; kleiner is geworden, terwijl K r a y e n h o f f bij zijne vereffening slechts tot 21 quot;,249 daalde.
98
Dc verwarring is hier blijkbaar aan de zijde van Gauss.
In het Generalbcricht über die mitteleuropaische Gradmessung für das Jahr 1865 s. 22 is een brief van Gauss dd. 13 April 1834 afgedrukt, handelende over zijne driehoeken in Oldenburg. Daarin worden dc lengten van eenige zijden in toises gegeven. Vergelijkt men deze met tableau III van Krayenhoff, dan vindt men;
VarelâJever: volgens Gauss 24883,7 M. GâKr. â â 1,1 M.
VarelâWesterstede J everâWesterstcdc JeverâAurich
20867,9 â
85060.8 â
80289.9 â 26876,5 â 32081,5 â
1,3 â
- 0,2 â
- 0,1 â
0,1 â
1gt;1 51
LeerâAurich LeerâW esterstede
Alleen de eerste zijde is door Gauss zelf bepaald; de anderen volgen uit dc metingen van zijn adsistent Hartman n. De verschillen zijn niet groot, maar de identiteit der punten is niet bewezen en dc onnauwkeurigheid der duitsche metingen op deze plaatsen is door de Landesaufname (zie boven) duidelijk aangetoond.
De zijde BentheimâKirch-Hescpc was door Krayenhoff voor de aansluiting met Hannover bestemd. De afstand dezer twee punten berekend uit het coördinaten-verzeichniss van Gauss (Werke IV s 428, 430) verschilt ± 50 M. met de uitkomst van Kr. Men bedenke hierbij dat dit Verzeichniss vele schrijffouten bevat, en dat de punten van Gauss niet ondubbelzinnig zijn aangeduid.
Eene vergelijking der astronomische uitkomsten van Gauss is reeds Jrg, V blz. 294 gegeven. Als men de hoeken en zijden van Gauss kon vertrouwen zou het bovenstaande eene uitnemende controle voor Kr. wezen. Ik durf er nu alleen uit te besluiten, dat ook de meest N.O. zijden van Kr. slechts geringe fouten bezitten.
5. Nerenburger. Onmiddellijk nadat de Belgische Provinciën zich van de Noordelijke Nederlanden hadden afgescheiden, werd aldaar het Dépót de la Guerre opgericht (26 Jan. 1831). Deze instelling had, gelijk haar beroemde naamgenoot in Frankrijk, tot taak eene nauwkeurige topographische opname van het rijk. In 1889 werd hare organisatie belangrijk uitgebreid en in 1851 begon zij onder leiding van generaal Nerenburger (1804â1809, een Amsterdammer van geboorte) eene geheele zelfstandige primaire triangulatie, waarvan de waarnemingen in 1878 geëindigd waren, en die 84
99
punten telt, In 1852 werd een basis bij Lommei, in 1853 een bij Ostende gemeten, beide met het beroemde apparaat van B e s s e 1. In 185G begon Nerenburger de verkregen uitkomsten te publiceeren. ,,Sur les iriangulations, qui out été faites en Belgique anterieurement a 1830quot;, is de titel zijner eerste verhandeling1), en wat men daarin vindt over Krayenhoff is ook voor ons van belang.
Nerenburger stelt voorop, dat de verschillen tusschen de geodesische en de astronomische waarnemingen, dat de sluitfouten der rondmetingen en der driehoeksvergelijkingen bij Krayenhoff ongeloofelijk klein zijn. âCette etonnante exactitude n'est pas seu-lement illusoire; elle denature l'oeuvre, elle en altcre la valeurquot;. Wat N. over de vereffening schrijft, is minder juist. Hij vermeldt hoe Kr. daarbij den sinusregel had toegepast, en laat dan volgen: ,,Or on sait aujourd'hui, que pour rendre rigoureusement géométrique un réseau de triangles, la condition exprimée par ce théoreme est nécessaire, mais quelle est insuffisante. II convient de réaliser encore une autre condition, déduite de cette circonstance, que le rayon visuel dirigé d'un sommet vers un autre sommet, et le rayon inverse constituent une seul et méme droite.quot; N. wil er overigens aan Kr. geen verwijt van maken, dat hij die tweede voorwaarde niet vervuld heeft, want zij is âd'invention toute modernequot;. Zie daar drie leelijke flaters. N. ziet hier (en ook op andere plaatsen van zijne verhandeling) over het hoofd, dat de driehoeken van Kr. allen koordendriehoeken zijn. N. bedoelt, dat de geodetische lijn van dubbele kromming is, en dat de normaalvlakken gebracht door het begin en het einde van een vizierstraal wegens de ellipsoïdische gedaante der aarde niet volkomen samenvallen. Dit feit is juist, maar het was aan Delambre geenszins onbekend (zie Jrg. V blz. 299), en deze wist dat het verschil verre binnen de waarnemingsfouten valt, zoodat men er niet verder op behoeft te letten. Gauss, Bessel, Cohen Stuart, Helmert dachten er niet anders over.2)
') Bulletins de 1'Académie Royale de Belgique, 1856, tome 236 p. 430 â479, in het bijzonder p. 441, 448, 450, 475. Verder Bulletins 1857,1.1 p. 326, 333 en 1880 t. 50 p. 75, 260.
!) Ja, wanneer men rekent met log. van elf decimalen, gelijk N. deed, is het verschil merkbaar, maar welk verstandig waarnemer doet dat ?
100
N. beweert niet geheel ten onrechte, dat men geene triangulatie naar juistheid kan beoordeelen, als zij niet door eene latere meer nauwkeurige meting is gecontroleerd. Hij vergelijkt daarom driehoek No, 6 van Krayenhoff met de resultaten door hem zeiven uit de basis van Ostende afgeleid, en vindt dat de zijden tegenover de punten Ostende, Bruges en Dixmude bij Kr. respectievelijk 1,06, 0,38 en 1,4 i meter te klein zijn. En hiermede rekent N. zijne critiek voor afgeloopen: de uitkomsten van Kr. zijn alleen voldoende voor een topographische kaart.
N. vergat hierbij twee zaken. 1° Kr. mat geene zijden maar hoeken. 2°. de lengten der genoemde zijden volgens het Depót Beige waren geenszins definitief, want zij moesten reeds in het volgende jaar respectievelijk met 0,65; 0,35 en 0,32 meter vergroot worden, zonder dat hiervoor eenige reden is opgegeven. Uit de opgaven van N. volgt voor de spherische hoeken van genoemden driehoek:
N. in 1856 N. in 1857. Kr. 1802.
Ostende 93057'48quot;,S 51quot;,0 52quot;,2
Dixmude 42° 7'57quot;,2 56quot;, 1 50quot;,7
Bruges 43054'15quot;,2' 14quot;,1 18quot;,2
Het spherisch exces is 1quot;,2. De sluitfout bij Kr. â 0quot;,1. De hoeken van N. zijn reeds vereffend; uit latere opgaven blijkt, dat zij daartoe ieder met 0quot;,25 verminderd zijn.
Het blijkt nergens uit, dat N. zich overtuigd heeft van de identiteit zijner hoekpunten met die van Kr., en ik durf dus geene gevolgtrekking uit de bovengenoemde verschillen trekken. Natuurlijk is ook één driehoek niet voldoende om het geheele net van onzen landgenoot te beoordeelen. In eene latere Belgische publicatie van 1881 vond ik nog negen andere driehoeken, welke gelijknamig zijn met die van Kr. Ik zal ze in § 23 bespreken en vermeld nu alleen, dat de verschillen der hoeken nergens zoo groot zijn als voor driehoek No. 6.
De verhandeling van Nerenburger is onbegrijpelijkervvijze in ons land langen tijd onopgemerkt gebleven. Cohen Stuart1)
J) C. St. haalt geheel verkeerde pag. van Bulletins de l'Acad 1856 en 1857 aan; hij neemt een drukfout van N. in de lengte der zijde DixmudeâBruges
101
kreeg er eerst kennis van, nadat zijn eigen onderzoek reeds was afgeloopen, en oordeelde de uitkomsten voor Krayenhoff zeer ongunstig, met het voorbehoud âdat de definitieve opgave (1857) van het Depót de la Guerre met slechts onbeteekenende fouten aangedaan en zij ook volkomen met die van het Précis historique vergelijkbaar zijn. Een en ander mag ter nauwernood betwijfeld wordenquot; In plaats van de door mij onderstreepte volzin had C. St, moeten zeggen; âmij ontbreken de gegevens om dit te beoordeelenquot;.
6. Meetkunstige beschrijving van het koningrijk der Nederlanden, uitgegeven op last van het Ministerie van Oorlog door het topographisch bureau, in 18G1. Zonder naam van den schrijver, (zie blz. 8.) De eerste bladzijden van dit bekende werk bevatten eene lofrede op de triangulatie van Krayenhoff, welke getrokken is uit de rapporten van Delambre en van S winden. Men heeft niet eens de moeite gedaan om deze van cijferfouten te verbeteren en er nog eene fraaie vergissing aan toegevoegd. Sprekende over âde geringe afwijkingen van de som der drie hoeken van eiken primairen driehoek van 180°quot;, zegt de schrijver: â13 zijn geheel onbeduidendquot;. Hij schijnt dus niet opgemerkt te hebben, dat in ieder dezer 13 driehoeken één hoek niet gemeten vcas! De breedten en de azimuts voor Amsterdam en Jever, volgende uit de geode-sische gegevens, zijn niet juist weergegeven. Van hetgeen Gauss en Nerenburger hadden gezegd is geen notitie genomen, ofschoon N. zijn gegevens ten deele van het Nederlandsche Ministerie van Oorlog had ontvangen.
In Jrg. V blz, 304 is reeds eene andere slordigheid van deüf. B. vermeld, en in § 24 zullen wij dit werk nog iets nader beschouwen.
onveranderd over, en hij berekent de hoeken van driehoek No. 6 nog eens uit de zijden. Dit laatste was geheel onnoodig, aangezien N. ook de hoeken opgeeft en deze verschillen tot 0quot;,085 met de berekening van C. St.
Wordt vervolgd.
OVERZICHT VAN DE GRAADMETINGEN IN NEDERLAND
DOOR
Dr. J. D. van der Plaats.
{Vervolg van Jaargang VII, bh. 101).
Hoofdstuk III. Krayenhoff.
{Slot)
§ 22. De veroordeeling door Cohen Stuart en Kaiser.
Wij zijn met ons overzicht genaderd tot de meest uitvoerige en nauwkeurige der eritieken, die over Krayenhoff zijn verschenen. Deze beoordeeling is geschreven door twee geleerden, die als de hoogste autoriteiten op hun gebied mogen beschouwd worden. Hun oordeel was vernietigend: het werk van TLrayenhoff werd als onbruikbaar veroordeeld, en wat erger is: zijn goede trouw als waar-nerner is verdacht gemaakt. Meer dan een vierde eeuw is sedert verloopen; zoover ik weet heeft iedereen zich stilzwijgend of uitdrukkelijk bij dit vonnis neergelegd.
Maar op het gebied der wetenschap geldt geen verjaring. En daarom wenschen wij thans nog cassatie van dit vonnis te bepleiten, omdat het naar onze zienswijze ^partijdig en eenzijdig is, omdat Jiet op verkeerde rechtsbeginselen en onjuiste overwegingen benist.quot;
Lewis Cohen Stuart, geboren 11 Juli 1827, had in 1850 de colleges van Kaiser en Verdam gevolgd en was in 1851 tot leeraar in de geodesie en de wiskunde aan de Kon. Akademie te Delft benoemd. Toen deze inrichting gereorganiseerd werd tot eene Polytechnische School (1 Juli 1804), werd Stuart Directeur-Hoogleeraar, maar hij bleef de genoemde vakken onderwijzen. De laatste jaren van zijn leven besteedde hij bovenal aan zijne water-
no
passing, maar hij sticrt (24 Juli 1878) voor dat dit beroemde werk voltooid was.
In Juli 18G1 richtte de Pruisische Regeering tot de Nederlandsche de uitnoodiging om deel te nemen aan de graadmeting in Midden-Europa, welke generaal B a e y e r had ontworpen. Hierover werd het advies van Prof. Kaiser gevraagd. In de eerste plaats moest overwogen worden, in hoeverre de triangulatie van Krayenhoff geschikt was om in die graadmeting opgenomen te worden. Kaiser erkende ronduit, dat hij, overhoopt met andere bezigheden, het werk van Kr. ânimmer tot een voorwerp eener opzettelijke studie gesteld en daardoor, wat bevoegde geleerden hieromtrent hadden verklaard, op goed geloof aangenomen hadquot; (blz. 8 van het werk op blz. 73 noot 1) aangehaald). Ook later heeft Kaiser zich met de geodesie van Nederland niet bekend gemaakt (vergelijk Jrg. V, blz. 294/5). Hij wendde zich dus tot Stuart. Stuart had aanvankelijk hetzelfde gunstige âoordeelquot; (blz. 9) over Kr. als Kaiser. Dit klinkt vreemder. De rapporten van D e 1 a m b r e en van S w i n d e n mogen voldoende zijn voor een goed geloovige; het oordeel van een deskundige behoorde op nader studie te berusten. De waarheid zal wel zijn, dat Stuart reeds 10 jaren onderwijs in de geodesie had gegeven, vóór hij er toe overging om het Précis historique nauwkeurig te lezen.
B a e y e r wenschte, dat het net van Krayenhoff volgens de nieuwere methoden vereffend zou worden (1. c. blz. 7). Om te beoordeelen of dit noodzakelijk was, ging Stuart op verzoek van Kaiser na, welke veranderingen Kr. bij de vereffening der hoeken van tableau I tot III had aangebracht. Hij bemerkte natuurlijk spoedig, dat deze veranderingen in vele gevallen, vooral in het N.O. deel van het net, belangrijk grooter zijn, dan de methode der kl. Ou. zou eischen. Gauss had dit 35 jaren vroeger reeds zeer duidelijk te kennen gegeven. Vervolgens berekende Stuart de middelbare fout mL voor de hoeken van tableau I uit de tours d'horizon op 73 stations; daarna de vi. f. m., uit de 148 driehoeksvergelijkingen. Voor dit laatste moest het spherisch exces opnieuw berekend worden (zie § 19), want dit wordt, gelijk Gauss reeds opmerkte, door Kr. dikwijls onjuist opgegeven. In de derde plaats werd de sinusregel van Kr. op 50 veelhoeken toegepast en ook
Ill
daaruit de vi. f. nij van één hoek afgeleid. Stuart heeft hierbij de hoekmetingen verdeeld in a, b en c. (Zie Jrg, V, blz. 267, 274).
Stuart voerde dus uit, wat Gauss reeds aangeduid had. Hiertoe waren noch groote âdiepzinnigheid (Kaiser 1. c. blz. 10)'' noch zeer ingewikkelde en uitvoerige berekeningen noodig. Ieder, die met een log. tafel weet om te gaan, kon ze in céne week uitvoeren.
Het groote verschil tusschen in2 en m, maakte Stuart
wantrouwend. Hij begon daarop de manuscripten der triangulatie ') te bestudeeren (1. c. blz. 27), en stelde als een axioma voorop, dat het gemiddelde van alle waarnemingen, goed of slecht, voor de ware uitkomst der metingen moest gelden. Ik heb in § 20 uitvoerig aangetoond hoe onjuist dit beginsel is.
Met deze âhoeken volgens de registers der metingenquot; werden nij, m^, en m., opnieuw berekend. Men vindt dan natuurlijk geheel andere waarden (vergelijk Jrg. V, blz. 274).
|
Soort van |
m, volgens: |
m2 volgens: |
ma volgens: | |||
|
hoeken. |
Tableau I. |
Registers. |
Tableau I. |
Registers. |
Tableau I. |
Registers. |
|
a |
0quot;,532 |
1quot;,G57 |
0quot;,703 |
1quot;,088 |
2quot;,075 |
2quot;,437 |
|
b |
0 ,018 |
3 ,644 |
1 ,052 |
4 ,186 |
3 ,353 |
5quot;,237 |
|
c |
0 ,475 |
3 ,550 |
â |
â |
â |
â |
|
a b |
1 ,555 |
1 ,356 |
2 ,403 |
1 ,963 |
4 ,596 |
0 ,535 |
|
a c |
â |
â |
0 ,074 |
1 ,216 |
2 ,085 |
3 ,269 |
Wij kunnen deze verschillen nog duidelijker maken door op te geven hoe dikwijls de sluitfout 0quot;, 1quot;, 2quot; enz. bedraagt volgens tableau I (Kr.) en volgens de Registers (C. S.)
') Stuart heeft de octavo-deeltjes uit Leiden en de folio-deelen uit Amsterdam (zie Jrg. V blz. 227) gebruikt. De talrijke aanteekeningen met potlood, van zijne hand, die daarin voorkomen, bewijzen dat hij ze zorgvuldig nagegaan heeft.
110
passing-, maar hij stierl (34 Juli 1878) voor dat dit beroemde werk voltooid was.
In Juli 18G1 richtte de Pruisische Regeering tot de Nederlandsche de uitnoodiging om deel te nemen aan de graadmeting in Midden-Europa, welke generaal 13 a e y e r had ontworpen. Hierover werd het advies van Prof. Kaiser gevraagd. In de eerste plaats moest overwogen worden, in hoeverre de triangulatie van Krayenhoff geschikt was om in die graadmeting opgenomen te worden. Kaiser erkende ronduit, dat hij, overhoopt met andere bezigheden, het werk van Kr. ânimmer tot een voorwerp eener opzettelijke studie gesteld en daardoor, wat bevoegde geleerden hieromtrent hadden verklaard, op goed geloof aangenomen hadquot; (blz. 8 van het werk op blz. 73 noot 1) aangehaald). Ook later heeft Kaiser zich met de geodesie van Nederland niet bekend gemaakt (vergelijk Jrg. V, blz. 294/5). Hij wendde zich dus tot Stuart. Stuart had aanvankelijk hetzelfde gunstige âoordeelquot; (blz. 9) over Kr. als Kaiser. Dit klinkt vreemder. De rapporten van Delambre en van S w i n d e n mogen voldoende zijn voor een goed geloovige; het oordeel van een deskundige behoorde op nader studie te berusten. De waarheid zal wel zijn, dat Stuart reeds 10 jaren onderwijs in de geodesie had gegeven, vóór hij er toe overging om het Précis historique nauwkeurig te lezen.
B a e y e r wenschte, dat het net van Krayenhoff volgens de nieuwere methoden vereffend zou worden (1. c. blz. 7). Om te beoordeelen of dit noodzakelijk was, ging Stuart op verzoek van Kaiser na, welke veranderingen Kr. bij de vereffening der hoeken van tableau I tot III had aangebracht. Hij bemerkte natuurlijk spoedig, dat deze veranderingen in vele gevallen, vooral in het N.O. deel van het net, belangrijk grooter zijn, dan de methode der kl. Ou. zou eischen. Gauss had dit 35 jaren vroeger reeds zeer duidelijk te kennen gegeven. Vervolgens berekende Stuart de middelbare fout m1 voor de hoeken van tableau I uit de tours d'horizon op 73 stations; daarna de m.f. m2 uit de 148 driehoeksvergelijkingen. Voor dit laatste moest het spherisch exces opnieuw berekend worden (zie § 19), want dit wordt, gelijk Gauss reeds opmerkte, door Kr. dikwijls onjuist opgegeven. In de derde plaats werd de sinusregel van Kr. op 50 veelhoeken toegepast en ook
Ill
daaruit de m. f. nig van één hoek afgeleid. Stuart heeft hierbij de hoekmetingen verdeeld in a, b en c. (Zie Jrg. V, blz. 267, 274).
Stuart voerde dus uit, wat Gauss reeds aangeduid had. Hiertoe waren noch groote âdiepzinnigheid (Kaiser 1. c. blz. 10)quot; noch zeer ingewikkelde en uitvoerige berekeningen noodig. Ieder, die met een log. tafel weet om te gaan, kon ze in ééne week uitvoeren.
Het groote verschil tusschen nij, m2 en m, maakte Stuart wantrouwend. Hij begon daarop de manuscripten der triangulatie 1) te bestudeeren (1. c. blz. 27), en stelde als een axioma voorop, dat het gemiddelde van alle waarnemingen, goed of slecht, voor de ware uitkomst der metingen moest gelden. Ik heb in § 20 uitvoerig aangetoond hoe onjuist dit beginsel is.
Met deze âhoeken volgens de registers der metingenquot; werden nij, HL, en nig opnieuw berekend. Men vindt dan natuurlijk geheel andere waarden (vergelijk Jrg. V, blz. 274).
|
Soort van |
m! volgens: |
m2 volgens; |
nis volgens: | |||
|
hoeken. |
Tableau I. |
Registers. |
Tableau I. |
Registers. |
Tableau I. |
Registers. |
|
a |
0quot;,o32 |
r',057 |
CO O igt;. ö |
1quot;,088 |
2quot;,675 |
!gt;⢠CO |
|
b |
0 ,618 |
co quot;as |
1 ,052 |
4 ,186 |
3 ,353 |
5quot;,237 |
|
c |
0 ,475 |
3 ,550 |
â |
â |
â |
â |
|
a b |
1 ,555 |
1 ,356 |
fc© O co |
1 ,963 |
4 ,596 |
6 ,535 |
|
a c |
â |
â |
0 ,674 |
1 ,216 |
2 ,685 |
3 ,269 |
Wij kunnen deze verschillen nog duidelijker maken door op te geven hoe dikwijls de sluitfout 0quot;, 1quot;, 2quot; enz. bedraagt volgens tableau I (Kr.) en volgens de Registers (C. S.)
0 Stuart heeft de octavo-deeltjes uit Leiden en de folio-deelen uit Amsterdam (zie Jrg. V blz. 227) gebruikt. De talrijke aanteekeningen met potlood, van zijne hand, die daarin voorkomen, bewijzen dat hij ze zorgvuldig nagegaan heeft.
112
|
RONDMETINGEN. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
113
|
VEELHOEKEN. | ||||||||||
|
rtij. |
a |
a c |
a b |
Totaal. | ||||||
|
Kr. |
C. S. |
Kr. |
C.S. |
Kr. |
C. S. |
Kr. |
C. S. |
Kr. |
C. S. | |
|
0quot;â1quot; |
9 |
10 |
3 |
0 |
1 |
1 |
2 |
2 |
15 |
13 |
|
1 â2 |
12 |
12 |
3 |
1 |
1 |
â |
2 |
2 |
18 |
15 |
|
2 â3 |
1 |
1 |
â |
2 |
â |
1 |
â |
â |
l |
4 |
|
3 â4 |
6 |
G |
â |
2 |
1 |
â |
â |
â |
7 |
8 |
|
4 â5 |
â |
â |
1 |
3 |
â |
1 |
â |
â |
1 |
4 |
|
5 âG |
2 |
â |
1 |
â |
1 |
1 |
1 |
â |
5 |
1 |
|
G â7 |
1 |
2 |
1 |
â |
2 |
â |
--- |
1 |
4 |
3 |
|
7 â13 |
â |
â |
â |
2 |
â |
2 |
â |
â |
â |
4 |
|
31 |
31 |
9 |
10 |
G |
G |
5 |
5 |
51 |
52 | |
Hooren wij eerst welke gevolgtrekkingen Cohen Stuart uit deze cijfers afleidt. Hij verklaart, dat bij waarnemingen eerlijk uitgevoerd en eerlijk weergegeven nij, mâ en m, gelijk moeten zijn. Aangezien dit bij Krayenhoff's meting volstrekt niet het geval is, geeft Stuart te kennen, dat Kr. zijne metingen heeft geflatteerd.
Die metingen zijn veel te onnauwkeurig om voor de nieuwe graadmeting in midden-Europa gebruikt te kunnen worden. Het is zelfs niet mogelijk om de nauwkeurigheid der metingen van Kr. te beoordeelen, noch om ze opnieuw te berekenen, aangezien zelfs de registers van Kr. niet de ongewijzigde uitkomsten van onderling onaihankelijke metingen zijn. Tot de kleine sluitfouten der rond-metingen kan Kr. te goeder trouw en onbewust van het weinig rationeele dier handelwijze gekomen zijn ; die der driehoeken blijft het echter hoogst moeilijk om bevredigend te verklaren.
Denken wij ons, dat (hetgeen niet onmogelijk ware geweest) deze critiek in 1818 was uitgesproken. Met innige verontwaardiging zou de zestigjarige generaal den belager zijner eer hebben geantwoord. âBeoordeel, ja veroordeel, mijne geodesische werken ; eerlijke critiek
114
is mij welkom, en ik zal antwoorden, inlichten en mijn werk verbeteren, zooveel ik kan. Maar tast mijn persoon niet aan. Zijt Gij een vreemdeling in de vaderlandsche geschiedenis der laatste 20 jaren, dat Gij mij tot zoo iets instaat rekent? Ik heb in mijne geschriften niets verzwegen, niets toe ot afgedaan bij de zuivere uitkomsten der waarnemingen. Ga heen en onderzoek de geschriften van anderen; toets mijn werk aan het hunne.quot;
Het oordeel van Stuart berust geheel op drie stellingen, door hem als axiomas vooropgesteld en niet nader toegelicht: 1° dat aan alle waarnemingen, goed of slecht, gelijk gewicht moet worden toegekend; 2° dat bij eerlijke waarnemingen nij = m2 = nij moet zijn; 3° dat constante fouten veeleer nij en mu dan nig zullen vergrooten.
De onjuistheid der eerste stelling hebben wij in § 20 uitvoerig en, naar wij hopen, afdoende in het licht gesteld. Dc tweede zou waarschijnlijk door de waarnemingen bevestigd worden als alle fouten toevallig van richting en toevallig van grootte waren. Maar een denkend observator weet wel beter. De geleerden, aan wie wij de beste metende proeven dezer eeuw danken : B e s s e 1 (slingerbepalingen), Regnault, Stas (atoomgewichten), B é n o i t en M a r e k (meter en kilogram) hebben duidelijk verklaard, dat overal en altijd de constante fouten het meest te vreezen zijn, omdat wij ze niet kennen of niet kunnen wegnemen. En wanneer die onderzoekers eene m f oi zu f berekenen voegen zij er uitdrukkelijk aan toe, dat deze hier en altijd een onjuist denkbeeld van de ware nauwkeurigheid geeft. Bij astronomische bepalingen, wij toonden het reeds in § 18 aan, is het niet anders. En zou men nu meenen, dat waarnemingen te velde, op torens of signalen, die doorgaans veel slechter gelegenheid tot juistheidsbepalingen aanbieden dan onze observatoria, laboratoria of cabinetten, dat bij die geodesische hoekwaarnemingen de constante fouten ontbreken omdat men ze niet ziet of kent ? âFür den Beobachter ist nichts schwieriger als die Umstande richtig zu beurtheilen, abzuwarten oder herbeizuführen, unter denen Beobach-tungen, die den Wahrscheinlichkeitsgesetzen folgen, gelingen,quot; heeft S chreiber (Z. f. V. 1878, s. 228) zoo terecht opgemerkt.
Velerlei kunnen de constante fouten bij Krayenhoff's metingen geweest zijn. In § 17 is hierover reeds gesproken. Hij was niet voorzien van geschikte instrumenten voor het centreeren. Hij heeft
115
doorgaans aan den torenomgang een regelmatigen vorm toegekend, dien deze dikwijls niet bezeten zal hebben. Somtijds, b.v. te Dokkum waren de centreerings-elementen zeer ingewikkeld. 10 cM. fout in de opvatting van het centrum kan 1quot; fout in den hoek veroorzaakt hebben. En de onderlinge ligging van richtpunt (torenspits) en centrum is door Kr. meestal niet behoorlijk vastgesteld : hij onderzocht alleen het verschil in hoogte, maar niet zelden zal de loodlijn uit het richtpunt een paar palmen buiten het aangenomen centrum gevallen zijn. Verder waren de schijngestalten der signalen zeer hinderlijk : de kijkers van den repetitiecircel waren te zwak om alleen op den stang, appel of kruis te richten. 1) Het aanzien van den geheelen torenspits, zijne verlichting, de achtergrond enz. moeten op de instelling van invloed geweest zijn. En al moge nu S chr e i b e r l.c. overdrijven, waar hij zegt: âbei einer ganz ohne Heliotropen beobachteten Richtung ist man vor einem constanten Fehler von mehreren Secunden selten sicher,quot; zonder twijfel is reeds door deze omstandigheid eene onzekerheid van 1quot; bij Kr. licht mogelijk geweest. Kr. zelf was bewust van het bestaan dezer fouten, en koos de eenige partij die hem overbleef: uitkiezen van die serieën, welke hij gevoelde, dat het best gelukt waren.
En nu zijn deze fouten, alle hoeken te zamen genomen, wel ongeveer even vaak in positieven als in negatieven zin uitgevallen, en dus over het gehecle net als toevallig aan te zien, maar ten opzichte van één veelhoek kunnen zij licht zich opgehoopt hebben. Sommige fouten, b.v. de exentriciteit van den ondersten kijker des repetitiecirkels (zie Jrg. V, blz. 281) hoopen zich altijd op; als deze slechts 0quot;,1 per hoek bedraagt, geeft zij bij een veelhoek van 8 zijden reeds 1113 = 0quot;,4.
Beschouwen wij al die constante fouten als toevallig, dan mogen wij hopen, dat zij in verschillende veelhoeken in tegengestelden zin gewerkt hebben, en op den afstand der eindpunten van liet net weinig invloed hadden, maar voor eiken veelhoek maken zij de;«. Æ.
') Prof. Oudemans kon in 1879/80 te Utrecht met een buitengewoon voortreffelijken kijker op het gunstigste uur van den dag, in den regel geene details van den torenspits te Amersfoort zien, en moest instellen op den 4 meters dikken myter.
HG
grooter, dan met de nauwkeurigheid van het geheel in overeenstemming zou zijn.
Stuart vindt het verschil tusschen nij en m, bij de hoeken a en b reeds niet zonder beteekenis voor de vertrouwbaarheid van tableau I, maar hij merkt toch op, dat fouten bij het centreeren en tengevolge der schijngestalten van de signalen meer invloed op m2 dan op trij zullen hebben. âAlle verdere redeneering is echter overbodig bij het aanzienlijk verschil van m3 met m2 en rrijquot; (blz. 26.)
Het is tegenwoordig van algemeene bekendheid, dat bij vele uitnemende triangulaties van den nieuweren tijd de m. f. afgeleid uit de waarnemingen op telkens een station (onze mj belangrijk kleiner is dan de vt. f. afgeleid uit de correcties noodig voor de vereffening van het net (onze m2 en m3). Moroczowicz, chef der Köninglich Preussische Landesaufnahme, gaf (Z f. V. 1877 s. 389â395) hierover eene beschouwing. Kwamen er geen nieuwe fouten bij, dan moest in het algemeen de grootere zijn, maar hij vindt bij 8 pruisische triangulaties, dat nij 1,5G maal zoo klein is, en bij 4 deensche 1) 1,98 maal zoo klein. Ook in andere landen is dit opgemerkt, b.v. in Zwitserland, dat door Kaiser aan Nederland als voorbeeld wordt geroemd, en bij het Rheinische Dreiecksnetz. 2)
Stuart kon van de zooeven genoemde uitkomsten geen kennis dragen en de vroegere duitsche en russische triangulaties zijn meerendeels zeer arm aan zijdenvergelijkingen. Maar hij kan niet onbekend geweest zijn met de engelsche metingen, beschreven in Account of the principal triangulation of the ordnance survey of Great Britain and Ireland, één deel 4° van 800 pp. met atlas van 28 plates, verschenen te London 1858 en te zamen gesteld door A. R. C 1 a r k e. Over de uitvoering van dit reuzenwerk is reeds in Jrg. V, blz. 258 iets gezegd. Behalve de daar genoemde groote theodoliet werden ook nog kleinere gebruikt, die minder nauwkeurige uitkomsten gaven. Men heeft echter op grond hiervan het net niet in twee deelen kunnen splitsen; b.v. fig. 21 bestaat uit 44 richtingen met kleine en 67 met groote instrumenten bepaald. Deze engelsche
1
') Bij twee later nog gepubliceerde deensche netten is de verhouding 1,852 en 2,654. Het maximum van allen is 3.08.
2
) Zie Z. f. V. 1884 s. 73. De verhouding van ni! tot mj.j is hier 1: 2,8.
117
triangulatie bestaat uit: A. het net der hoofddriehoeken, tellende 202 bezochte en 16 niet bezochte stations, 1554 richtingen l) (683 weder-keerige en 188 eenzijdige), dus 1352 hoeken; 463 driehoeken, 17 vierhoeken en 2 vijfhoeken waarvan alle hoeken bekend zijn, alzoo 482 drie- en veelhoeksvergelijkingen en 438 zijdenvergelijkingen. De berekening geschiedde volgens de methode der kl. Qu; daarbij werd dit net in 21 stukken (figuren) verdeeld en het gewicht van elke richting evenredig met het aantal instellingen aangenomen. B. 20 kleinere netten, tot verbinding van 5 der bases en der talrijke astronomische stations aan het hoofdnet. Onder deze 20 is een netje op het eiland Wight, met zijden van weinige hectometers lang, en waarvan de hoeken met betrekkelijk zeer geringe nauwkeurigheid gemeten zijn.
Deze britsche triangulatie lokt, door hare gedaante en uitgebreidheid, tot eene vergelijking met het werk van Krayenhoff uit. Cohen Stuart had niet mogen nalaten om aan te toonen, dat de stellingen waarvan hij uitgaat, den toets aan dit britsch net kunnen doorstaan. Laat ons nagaan, wat hij gevonden zou hebben.
Stationsvergelijkingen worden in het engclsche werk niet gegeven en zijn er ook niet uit af te leiden. Eene afzonderlijke berekening van m2 en m3 of van de m. Æ. uit beide te zamen, ontbreekt eveneens. Ik vind: som van de quadraten der sluitfouten van de 463 hoofddriehoeken 4961 Sec.2 Die der 17 vierhoeken 177 en die der 2 vijfhoeken 36,5. De m. f. van één hoek hieruit berekend is
^ (4961 «A X 177 4- V5 X 36,5) V144G - V 5quot;Vi44G = 1quot;,881.
De kleinere netten (Wight uitgezonderd) leveren, behalve 111 zijdenvergelijkingen, nog 96 driehoeksvergelijkingen: som qu. sluitfouten 2977. De 578 veelhoeksvergelijkingen geven dus
Het berekenen van m.j uit de 438 111 = 549 zijdenvergelij-kingen zou een taai werk zijn; ik heb dus den volgenden weg ingeslagen, die wel niet streng 2) is, maar in een paar uren
') Fig. 7 daarbij voor 82 richtingen gerekend, p. 337 en 877/8 worden er 84 genoemd, maar twee hiervan (Foula-Fair Isle) waren reeds in fig. 6 berekend. Nes. 1 en 7 uit fig. 6 zijn identisch met Nos. 80 en 84 uit fig. 7.
2) Om volkomen streng te zijn, had het geheele net in eens vereffend moeten wezen, en moest men het ongelijke gewicht der richtingen in aanmerking nemen.
116
grooter, dan met de nauwkeurigheid van het geheel in overeenstemming zou zijn.
Stuart vindt het verschil tusschen nij en m, bij de hoeken a en b reeds niet zonder beteekenis voor de vertrouwbaarheid van tableau I, maar hij merkt toch op, dat fouten bij het centreeren en tengevolge der schijngestalten van de signalen meer invloed op m2 dan op rrij zullen hebben. âAlle verdere redeneering is echter overbodig bij het aanzienlijk verschil van m3 met mu en m/' (biz. 2G.)
Het is tegenwoordig van algemeene bekendheid, dat bij vele uitnemende triangulaties van den nieuweren tijd de in. f. afgeleid uit de waarnemingen op telkens één station (onze Hij) belangrijk kleiner is dan de m. f. afgeleid uit de correcties noodig voor de vereffening van het net (onze en m3). Moroczowicz, chef der Köninglich Preussische Landesaufnahme, gaf (Z f. V. 1877 s. 389â395) hierover eene beschouwing. Kwamen er geen nieuwe fouten bij, dan moest in het algemeen it^ de grootere zijn, maar hij vindt bij 8 pruisische triangulaties, dat m, 1,5G maal zoo klein is, en bij 4 deensche ^ 1,98 maal zoo klein. Ook in andere landen is dit opgemerkt, b.v. in Zwitserland, dat door Kaiser aan Nederland als voorbeeld wordt geroemd, en bij het Rheinische Dreiecksnetz. 1)
Stuart kon van de zooeven genoemde uitkomsten geen kennis dragen en de vroegere duitsche en russische triangulaties zijn meerendeels zeer arm aan zijdenvergelijkingen. Maar hij kan niet onbekend geweest zijn met de engelsche metingen, beschreven in Account of the principal triangulation of the ordnance survey of Great Britain and Ireland, één deel 4° van 800 pp. met atlas van 28 plates, verschenen te London 1858 en te zamen gesteld door A. R. Clarke. Over de uitvoering van dit reuzenwerk is reeds in Jrg. V, biz. 258 iets gezegd. Behalve de daar genoemde groote theodoliet werden ook nog kleinere gebruikt, die minder nauwkeurige uitkomsten gaven. Men heeft echter op grond hiervan het net niet in twee deelen kunnen splitsen; b.v. fig. 21 bestaat uit 44 richtingen met kleine en G7 met groote instrumenten bepaald. Deze engelsche
1
) Zie Z. f. V. 1884 s. 73. De verhouding van mj tot mj,3 is hier 1; 2,8.
117
triangulatie bestaat uit: A. het net der hoofddriehoeken, tellende 202 bezochte en 16 niet bezochte stations, 1554 richtingen 1) (683 weder-keerige en 188 eenzijdige), dus 1352 hoeken; 463 driehoeken, 17 vierhoeken en 2 vijfhoeken waarvan alle hoeken bekend zijn, alzoo 482 drie- en veelhoeksvergelijkingen en 438 zijdenvergelijkingen. De berekening geschiedde volgens de methode der kl. Qu; daarbij werd dit net in 21 stukken (figuren) verdeeld en het gewicht van elke richting evenredig met het aantal instellingen aangenomen. B. 20 kleinere netten, tot verbinding van 5 der bases en der talrijke astronomische stations aan het hoofdnet. Onder deze 20 is een netje op het eiland Wight, met zijden van weinige hectometers lang, en waarvan de hoeken met betrekkelijk zeer geringe nauwkeurigheid gemeten zijn.
Deze britsche triangulatie lokt, door hare gedaante en uitgebreidheid, tot eene vergelijking met het werk van Krayenhoff uit. Cohen Stuart had niet mogen nalaten om aan te toonen, dat de stellingen waarvan hij uitgaat, den toets aan dit britsch net kunnen doorstaan. Laat ons nagaan, wat hij gevonden zou hebben.
Stationsvergelijkingen worden in het engelsche werk niet gegeven en zijn er ook niet uit af te leiden, Eene afzonderlijke berekening van hl, en in8 of van de m. Æ. uit beide te zamen, ontbreekt eveneens. Ik vind: som van de quadraten der sluitfouten van de 463 hoofddriehoeken 4961 Sec.2 Die der 17 vierhoeken 177 en die der 2 vijfhoeken 36,5. De m. f. van één hoek hieruit berekend is y (4961 -f- V* X 177 3/5 X 36,5) Vld4G = V 3116/144C = 1quot;,881.
De kleinere netten (Wight uitgezonderd) leveren, behalve 111 zijdenvergelijkingen, nog 96 driehoeksvergelijkingen: som qu. sluitfouten 2977. De 578 veelhoeksvergelijkingen geven dus
Het berekenen van reu uit de 438 111 = 549 zijdenvergelij-kingen zou een taai werk zijn; ik heb dus den volgenden weg ingeslagen, die wel niet streng 2) is, maar in een paar uren
1
') Fig. 7 daarbij voor 82 richtingen gerekend, p. 337 en 377/8 worden er 84 genoemd, maar twee hiervan (Foula-Fair Isle) waren reeds in fig. 6 berekend. Nos. 1 en 7 uit fig. 6 zijn identisch met Nos. 80 en 84 uit fig. 7.
2
) Om volkomen streng te zijn, had het geheele net in eens vereffend moeten wezen, en moest men het ongelijke gewicht der richtingen in aanmerking nemen.
lis
tot het doel voert. Op p. 414â41G vindt men voor elk station opgegeven de som van de qu. der correcties, die de richtingen tengevolge der netvereffening ondergingen. Door optellen vind ik: (Wight uitgesloten) :
1G74 richtingen met groote theodol. bepaald op 20Gpunt.: 410G,97 sec2. 242 â â kleine â â â 43 â 1741,83.
Totaal som quadraten 5848,8. Daar deze correcties het gevolg zijn van 920 -t- 207 â 1127 voorwaarden, is de m. f. van ééne richting V 5848,8/1 j27 = 2quot;,27 8 en dus de m. f. van één hoek = 3quot;,222.
De m. f. uit m3 en m.. te zamen is dus anderhalf malen zoo groot als m2 alleen, Waarschijnlijk zou m3 alleen dus ruim 4quot; bedragen, of m;j r=r ± 2 m2.
De wijze van critiek door Cohen Stuart op Krayenhoff toegepast, zou dus ook leiden tot verwerping der britsche triangulatie, ja deze laatste meting zou wegens de grootere in. f. nog slechter dan die van Kr. moeten heeten.
Niemand zal mij dus kwalijk nemen, als ik de gevolgtrekking omkeer, en beweer: dat de grondslagen van Stuarts critiek onjuist zijn, en zijn oordeel daarom valsch. Maar wel zal men Stuart euvel mogen duiden, dat hij verzuimd heeft om te onderzoeken of zijne grondstellingen wel met de praktische ervaring in overeenstemming waren. De waarschijnlijkheidsrekening is een te subtiele en abstracte wetenschap om hare resultaten voetstoots aan te nemen en toetsing aan de praktijk overbodig te achten, vooral wanneer de goede naam van een landgenoot er door aangetast wordt.
Ik erken gaarne, dat Stuart het gedrukte werk van Kr. en de manuscripten nauwkeurig onderzocht heeft. Maar daarom is het des te meer te betreuren, dat hij over onderscheidene punten niet in meer bijzonderheden is getreden. Ik heb zijne critiek wat de hoofdzaak betreft, hierboven weerlegd, en wil nu nog eenige kleinere opmerkingen over zijn geschrift laten volgen.
Blz. 22, regel 9 v. o. Bij het der triangulatie van Kr. komt
het wel degelijk aan op de onzekerheidin de absolute lengten der zijden.
Blz. 29, r. 13. Stuart schijnt eerst de repetities van Kr. volgens de methode van Bess el te hebben willen berekenen. Gauss (Brief-wechsel mit Schumacher IV, 219) oordeelde deze omslagtige handelwijze overbodig (zie Jrg, V blz. 277.)
119
Biz. 30, r. 15 v. o. voud moet heeten 2,24 tot 2,31 voud.
Biz. 31, noot. Op de zijdenvergelijkingen van den zuiderzee-vijfhoek maakt Stuart niet opmerkzaam.
Biz. 32. Een onbewezen en ongestaafde beschuldiging van oneerlijkheid bij het berekenen der astronomische waarnemingen.
Blz. 32 noot, r. 5. 6quot;,12, lees Gquot;,8G. Zie hierboven §21 blz. 97.
Blz. 36, r. 8. Stuart had over den hoek RotterdamâLeidenâ Gouda meer uitvoerig moeten spreken. Uit het weinige, dat hij er van zegt, verkrijgt de lezer een onjuisten indruk van de toedracht dezer meting. Zie Jrg. V blz. 268.
Blz. 36. Als slot zijner verhandeling zegt Stuart: mijne critiek âmag niet leiden tot miskenning van de wezenlijke en groote verdiensten van den arbeid van Kr. Zijne gebreken zijn voor een groot deel eigen aan hot toenmalig standpunt der geodesie, en verhinderen niet, dat die arbeid een voldoende grondslag is voor de geographic en de topographic van ons rijk, en als zoodanig steeds zijne waarde behouden zal.quot; De eerste volzin klinkt als ironie na de harde beschuldigingen die er aan voorafgaan. Het standpunt der geodesie is nooit geweest : oneerlijk te zijn, gelijk Stuart van Kr. laat vermoeden. Misschien eindigde Stuart met deze woorden om zich desnoods tegen het verwijt van hardvochtigheid te kunnen dekken. Hij had wel mogen opgeven, welke âgroote verdienstenquot; er na zijn afbrekende critiek nog overbleven.
De slotwoorden zouden haast doen denken, dat Stuart de Meetkunstige Beschrijving voor eene goed gelukte secundaire triangulatie hield, en zij zijn geheel in strijd met hetgeen enkele regels hooger staat, dat vele hoekpunten van Kr, geheel verloren gegaan of niet met voldoende Juistheid in de registers aangeduid zijn. Deze laatste aanval op de registers had wel met voorbeelden gestaafd moeten worden.
Blz. 38, laatste volzin, is onjuist. De Vi en [gt;2 op blz. 50, 52 en 53 hebben betrekking op de owverbeterde hoeken.
Blz. 60 â 62. Uit deze tabel IV blijkt, dat door de hoeken niet uit het Pre'cis maar aan de registers te ontleenen, meestal grooter wordt, en wel voor de veelhoeken a in 15 gevallen grooter, in 13 kleiner voor b 8 en 1, voor a b 5 en 1, voor a c 3 en 2. Het is vreemd, dat Stuart hieruit niet heeft bemerkt, hoezeer de hoeken b uit het Précis nauwkeuriger zijn dan die uit de registers.
120
De verhandeling van Stuart was bestemd voor de weinige beoefenaren der hoogere geodesie in ons land. Maar ofschoon Stuart verklaarde gaarne met de leiding eener nieuwe triangulatie belast te willen worden, vreesde hij om voor den dag te komen met zijne critiek, die tot die opdracht moest leiden. Kaiser, die hartelijk vvenschte dat Nederland onder de staten der Europeesche Graadmeting een schitterend figuur zou maken, en op wiens aansporing Stuart zijn werk had ondernomen, gaf daarom voor het groote publiek een kort overzicht der resultaten. âKrayenhoff heeft den regten weg niet bewandeldquot; (blz. 10), âzijne metingen zijn niet geschikt om in de graadmeting te worden opgenomenquot; (blz. 8), âhet meest eenvoudige blijk, dat die metingen ver verwijderd zijn van aan de eischen te beantwoorden, is dat onder de 33 driehoeken b volgens de registers er 22 een grootere sluitfout dan 3quot; bezittenquot; (blz. 10). Dit laatste is een zeer onvolledige en hoogst onbillijke voorstelling. Van die 33 driehoeken liggen er slechts 17 op Ne-derlandsch grondgebied en de hermeting der andere komt niet in aanmerking. Zij zijn bovendien geheel overbodig voor hetgeen Kaiser en Baeyer wenschten : de geodesische verbinding der sterrewacht te Leiden met die van Göttingen, Bonn en Brussel. Hiervoor komen alleen a en c in aanmerking, en over deze zegt Kaiser niets.
Verder geeft Kaiser te kennen, dat als wij niet zelf over Kray en h off een ongunstig oordeel uitspreken, dit op eene misschien onzachte wijze ons door vreemdelingen zal worden aangewezen. Kaiser wist dus niet, dat het buitenland de meting van Kr. nog steeds beoordeelde naar hetgeen Gauss er uit had medegedeeld, dat dit oordeel van den grooten Duitscher afgeleid was uit de twee allerslechtste veelhoeken en noch gunstig noch zacht luidde. Een nieuw onderzoek van een vreemdeling zou dus zeker het oordeel van het buitenland gunstiger hebben gemaakt.
Kaiser verklaart (blz. 4,8), dat zijn oordeel geheel en al rustte op het onderzoek van Stuart, en dat hij zelf nimmer eene opzettelijke studie der meting van Kr. gemaakt had. Maar Kaiser was een der weinigen, die over dat onderzoek een oordeel konden vellen; hij werd door de Regeering geroepen om haar over deze zaak in te lichten en had ze dus ook zelfstandig moeten overwegen.
121
Tot nog toe is geen enkele stem opgegaan, die de veroordeeling door Cohen Stuart en Kaiser te hard vond. Zoo er al iemand anders over gedacht heeft, men wachtte zich wel om tegen twee zulke beroemde en invloedrijke geleerden den strijd te aanvaarden. En ook na hun dood is dit niet geschied. Prof. S c h o 1 s heeft in zijne voordracht op het Congres te Leiden, 26 April 1889, (ziejrg. V blz. 131) Krayenhoff niet duidelijk in bescherming genomen Daarentegen heeft het groote publiek, voor zoover het in geodesie belang stelde, Krayenhoff sedert 1864 vrij wel als een slecht waarnemer en een knoeier beschouwd.
Den 15 Jan. 1864 overhandigde Stuart het verslag van zijn onderzoek aan Kaiser, en 30 Jan. 1864 hield de laatste in de Kon. Acad, van Wetenschappen daarover een voordracht. âUit de gestrenge critiek van Stuart is gebleken, dat de metingen van Kr. de nauwkeurigheid missen, die haar steeds toegekend is, en dat ons Vaderland niet op eene eervolle wijze aan de ontworpen groote graadmeting zoude kunnen medewerken, zonder eene gedeeltelijke vernieuwing dier metingenquot; 1), zoo luidde het eindoordeel. 28 Mei 1864 werd het âvertoog van Kaiser met bijlage van Stuartquot; der Academie aangeboden en weldra door deze uitgegeven.
De geleerde wereld werd verder ingelicht door Kaiser in de Gradmessungsconferenz van 17 Oct. 1864 te Berlijn. W i 11 s t e i n merkte terstond op, dat de Hannoveraansche officicieren reeds sedert lang de onnauwkeurigheid der metingen van Kr. hadden ondervonden. W i 11 s t e i n, die nota bene verklaarde, dat hij de manuscripten van Gauss nauwkeurig bestudeerd had, doelde hierbij op de Han-noveranische Landesaufnahme, die wat nauwkeurigheid betreft, niet in vergelijking mag komen met de driehoeken van Kr. (zie hierboven blz. 92, 98 en Z. f, V. 1885 s. 204).
In ons land werd aan Stuart groote hulde gebracht. 23 Nov. 1863, toen zijne onderzoekingen nog slechts bij geruchte bekend waren, werd hij op grond daarvan door de Leidsche Hoogeschool tot Doctor honoris causa bevorderd 2). Met de primaire triangulatie
1
') Versl. en Meded. 1864, deel 17 blz. 72, 205, 224. Jaarboek der Academie voor 1864 blz. 40, voor 1865 blz. 42.
2
) Zie zijn levensbericht door G. van D i e s e n. Jaarboek 1879 blz, 51.
123
heeft hij zich echter niet verder ingelaten, maar de laatste jaren van zijn leven bestuurde hij de namvkeurigheidswaterpassing, en toonde daarbij eene ongeëvenaarde nauwkeurigheid en meesterschap.
Kaiser zegt, dat het onderzoek van Stuart veel tijd en moeite kostte; van Diesen, dat hij er twee jaren aan besteedde. Dit laatste komt mij overdreven voor: de berekeningen konden in een paar weken uitgevoerd worden.
En thans onze slotsom over deze critiek. Het oordeel van Cohen Stuart berust op verkeerde grondslagen. Onjuist is het, dat aan alle waarnemingen van Krayenhoff gelijk gewicht moet toegekend worden; onjuist, dat constante fouten wel en m2 maar niet m3 kunnen vergrooten; onjuist, dat bij eerlijke waarnemingen nij = m., = moet zijn. Stuart heeft zijne dogma's uit de waarschijnlijkheidsrekening niet getoetst aan de ervaring b. v. aan de Britsche triangulatie. Zijne verdachtmaking der eerlijkheid van Krayenhoff doet pijnlijk aan.
Maar Stuart was de eerste, die het werk van Kr. uitvoerig en volledig onderzocht, en daarbij de denkbeelden van Gauss en B e s s e 1 in toepassing bracht, om niet enkel op de sluitsommen der rondmetingen en driehoeken af te gaan. Uit een zuiver wetenschappelijk oogpunt beschouw ik als het voornaamste in het werk van Stuart, dat hij m2 en m3 afzonderlijk berekende: eene handelwijze nog niet nagevolgd, maar die warme aanbeveling verdient; niet om op grond van m2 lt; m.. eene triangulatie af te keuren, maar om dat men daardoor verborgen fouten op het spoor komen kan.
§ 23. Ons eindoordeel over de meting van Krayenhoff.
J'ose dire pourtant que je n'ai mérité Ni eet excès d'honneur, ni cette indignité.
Brittannicus II, 3.
Dit motto zou Kr. mogen gebruiken, als hij thans nog een derde éditie van zijn Précis kon uitgeven.
Er is voor den criticus in de exacte natuurwetenschappen wellicht
Wat van Diesen hierover Stuart's critiek op Kr. zegt, is in meer dan één opzicht onjuist. â Kaiser noemt Stuart reeds in 18C2 Doctor, en Stuart schijnt niet geweten te hebben, dat Krayenhoff eerst in 1814 Luitenant-Generaal en in 1815 Baron is geworden.
123
geen moeielijker vaaagstuk dan de beoordeeling eener graadmeting. De geschiedenis der geodesie is rijk aan waarschuwende voorbeelden hoe onjuist het oordeel van tijdgenooten en nakomelingen kan zijn. De uitkomsten der graadmetingen van Gauss en Schumacher, eens als onovertrefbaar nauwkeurig beschouwd, worden thans als onbruikbaar verworpen. De meting van Delambre enMéchain heette eerst het hoogste, dat men mogt eischen; later is zij door Gauss en Bessel scherp beoordeeld en weinige jaren geleden hield men ze ook in Frankrijk voor geheel verouderd. De vernieuwde meting leidt echter tot het besluit: âque la différence entre la nouvelle méridienne et celle de Delambre et Méchain est au fond bien moindre qu'on aurait pu le supposerquot; (Bassot in Internationale Erdmessung 1888 p. 26).
Men heeft inderdaad al zeer weinig zekere middelen om de nauwkeurigheid der metingen en der uitkomsten te beoordeelen. Zelfs de overeenstemming met aangrenzende triangulaties is hiervoor niet afdoende. Door de Küstenvermessung van Baeyer werden de bases van Berlijn en Königsberg verbonden. De overeenstemming was volmaakt (0,0000003 verschil in den log.), maar tusschen de twee deelen der eerste basis bestaat reeds een log. sluitfout van 0,0000029. (Jordan Steppes I s. 43/4). Het eenige afdoende middel zou zijn: een nieuwe meting van onbetwist grootere nauwkeurigheid. En deze geeft in den regel alleen een zekere vergelijking voor den afstand der eindpunten; bij de enkele driehoeken stuit men te dikwijls op het bezwaar, dat de oude hoekpunten niet met juistheid terug te vinden zijn.
Wij zullen zoover ons dit mogelijk was, de uitkomsten van Krayenhoff met de latere metingen vergelijken.
De astronomisclie bepalingen der poolshoogte door Kr. stemmen met de latere metingen aan de sterrewachten te Leiden en Utrecht zoo voortreffelijk overeen als men slechts wenschen kan (zie dit Tijdschrift Jrg. V blz. 293). Het azimut door Kr. te Amsterdam gevonden, is schitterend bevestigd door dat van Oudemans (1880) te Utrecht. In deze opzichten vereischt zijn werk nog slechts aanvulling met nieuwe bepalingen in het noorden en oosten van ons land.
Eene basismeting heeft Kr. niet uitgevoerd (zie Jrg. V blz. 272) en de lengten van al zijne zijden berusten op de basis van M e 1 u n
124
die 25 driehoeken van de zijde DuinkerkenâCassel en 34 driehoeken van Aardenburg-Gent verwijderd is (zie Jrg. Vblz. 303). Wanneer al deze driehoeken gelijkzijdig waren en de m. f. van eiken hoek 1quot;, zou de m. f. der laatstgenoemde zijde reeds 1/40000 wezen 1). De fout kan dus wel Vaoooo zijn, maar is misschien ook niet meer dan Viooooo- Tusschen AardenburgâGent en Jever-Varel liggen nog eens 34 driehoeken.
De aansluiting in het N.O. met G a u ss is vrij goed (zie blz. 98), maar de basis van Schumacher en Gauss was slecht gemeten en de identiteit der hoekpunten van Kr. en G. is niet zeker. Evenmin is een geheel vertrouwbare vergelijking in het zuiden mogelijk. Uit de mededeelingen van Nerenburger in Bulletins de l'Acad. de Belgique 1857 p. 332/4 volgt:
De lengten van N. zijn berekend uit zijne basis van Ostende, met die van Lommei worden de laatste drie lengten V92000 grooter.
zijden {bogen) Kr. tableau JII. Kr.-N.
DuinkerkenâCassel 27458,GO GentâAntwerpen 50721,52 Antw.âHerenthals 30840,93 HerenthalsâLommei 33995,06
0;63M.
-h 0,03 1,09 â 0,46
Ofschoon deze waarden van N. niet de definitieve zijn, maken zij het toch waarschijnlijk, dat de zuidelijke zijden van Kr. niet ver van de juistheid zijn.
Onder de driehoeken, die in 1888 in Triangulation du Royaume de Belgique tome 3 p. 13 etc. zijn gepubliceerd, bevinden zich die wellicht identisch zijn met de nos. 7, 10, 11, 14, 15, 18, 19, 20, 21 van K r a y e n h o ff. De verschillen tusschen de op het station vereffende Belgische hoeken (angles réduits) en die van, Kr. tableau I zijn veel kleiner, dan bij driehoek n0. 6 boven op blz. 100 genoemd. Het grootste verschil vertoont hoek Hulst in n0. 15, namelijk Kr. 4quot;, 2 kleiner dan Belgie, maar bij dezen driehoek bedraagt de sluitfout der Belgische metingen ook 3quot;, 6.
Van af de zijde Aardenburg-Gent gaat de keten der driehoeken over tot een net, en de talrijke gevallen, waarin eene zijde langs
') Volgens Jordan, Handbuch III, s. 122, 129 is bij een keten van n gelijkzijdige driehoeken en een m. f. van /j. voor eiken hoek, de m. f. van de laatste zijde ten opzichte der eerste 0,00000390 n y «en die van den gebeden weg tusschen de eindpunten, dat is eene lengte van '/j n zijden, omstreeks 0,0000023 /i \/ n.
125
twee wegen berekend kon worden, geven wel geen zekerheid omtrent
de nauwkeurigheid, maar toch eene betere contróle dan alle beschou-ö»gt; 7
wingen aan de waarschijnlijkheidsrekening ontleend.
Het maakt al aanstonds een zeer gunstigen indruk, dat voor do zijde UrkâLemmer, die in tableau 11 langs twee geheel verschillende wegen berekend is (via Brielle, Haarlem, Medenblik door 23 drieh.; via Antwerpen, Rheenen, Meppel door 21 drieh.), de beide uitkomsten slechts 0,415 M. in lengte verschillen, en een kring van 43 driehoeken alzoo slechts een sluitfout van 0,0000082 in den log. vertoont. Al had Kr. zijne metingen onbewust geflatteerd, dan zou hij toch deze overeenstemming niet hebben kunnen voorzien. Volgens de waarschijnlijkheidsrekening zou bij een m. f. van 1quot; voor eiken hoek, de log. sluitfout reeds 0,0000113 bedragen. Voor de zijde OldenzaalâBentheim bedraagt het verschil 0,038 M. of log. sluitfout van 28 drieh. 0,0000011. In de tafel van biz, SO vindt men onderscheidene dergelijke zeer bevredigende contröles.
Nu is het nog altijd mogelijk, dat langs beide reeksen van driehoeken de fouten in denzelfden zin zich opgehoopt hebben, en dus beider einduitkomst belangrijk van de waarheid afwijkt. Maar aan deze gebeurlijkheid staan alle triangulaties bloot; de groote Anschluss-zwang, die men in Duitschland meermalen ondervonden heeft, bewijst, dat men uit de m. f. der hoeken geen zeker besluit kan trekken over de onnauwkeurigheid der zijden.
Er bestaat slechts één middel om zulk een ophooping van fouten op het spoor te komen en onschadelijk te maken: namelijk het meten van bases op niet te groote afstanden van elkander. Elke basis moet als grondslag der zijdenberekening zich niet verder uitstrekken dan tot op b. v. 10 driehoeken afstand van het basisnet. Zoo had Kr. drie basis, b. v. bij Leiden, Zutphen en Leeuwarden moeten meten, teneinde aan zijn werk volkomene zekerheid te geven. Had hij slechts het plan van 1803 kunnen volbrengen, in driehoek n0. 121 een basis van 10 K.M. gemeten, en alzoo de zijde Leeuwarden â Harlingen met eene nauwkeurigheid van Viooooo bepaald, dan reeds zou de onzekerheid in de lengten der zijden voor een groot deel van het net minder dan V20000 geworcicn zijn- Thans is het wel mogelijk, dat dit bedrag in het N.O. des nets overschreden is.
Het is zeer jammer, dat Moll (zie Jrg. V blz. 232), de leer-
12G
ling van D c 1 a m b r c. dc nauwkeurige waarnemer, bekend met alle hulpmiddelen der engelsche en fransche geleerden, nilt;^: in het eerste vierendeel dezer eeuw bij Utrecht een basis gemeten heeft. Toen 50 jaren na Kr. in 18G8/9 Stam kart eindelijk een basis in de Haarlemmermeer mat1), verzuimde hij om daaruit de zijden der driehoeken nos. 54 en 55 van Kr. af te leiden, hetgeen reeds een belangrijk hulpmiddel ter beoordeeling der absolute lengten bij Kr. geweest zou zijn.
De vereffening. Wij weten uit § 20 hoe Krayenhoff zijn net vereffend heeft. Daar zijne berekeningen in hun geheel later nimmer gecontroleerd zijn, staan in tableau II en III zeker nog een groot aantal kleine rekenfouten. Ik vond er b. v. tableau II nos. 3, C, 70, 92; tableau III n0». 1, 59, 69, 129. De spherische exessen zijn meest allen slecht berekend Deze te verbeteren en de hoeken, zijden en log. te controleeren zou slechts een paar weken vereischen. Zeer zeker zou men dan in tableau III een groot aantal kleine verbeteringen kunnen aanbrengen, maar waarschijnlijk zouden deze slechts onderdeelen van secunden en decimeters betreffen, dus grootheden waarvoor men toch niet in kan staan. Door die verbeteringen zouden de rondmetingen en zijdenvergelijkingen van het vereffende net niet meer volkomen sluiten, doch al weder zouden die sluitfouten onbe-teekenend klein zijn. Ook in andere triangulaties, b. v. die door Be ss el berekend, zijn kleine sluitfouten, maar niemand zal ze om die reden voor onbruikbaar verklaren. Toch zou het nuttig geweest zijn om bovengenoemde kleine arbeid te verrichten: dit verzuimd te hebben is eene der vele tekortkomingen van de Meetkunstige Beschrijving. (zie b v. blz. 56 van dat werk).
Generaal Ba eye r wenschte in 1861, dat de triangulatie van Kr. volgens de methode der kl. Qu. herberekend zou worden. Cohen Stuart, door Kaiser hierover geraadpleegd, kwam spoedig tot de overtuiging, dat âde hernieuwde berekening niet kon worden vermeden en dat de arbeid daaraan verbonden een paar rekenaars
') Zie Mededeelingen K. A. v. VV. 1869, III blz. 207. De ware lengte van deze basis is eerst in 1887 bekend geworden door de herberekening van Oudemans: deze vindt 5971,740 M. (Gradmessungsconferenz in Nizza, Annexe IV p. 3). Volgens dit Tijdschrift VI blz. 170 zal ten slotte die basis waarschijnlijk geheel ongebruikt blijven!
127
eenige jaren bezig zou houden''. Men verwachtte dus van eene vereffening volgens de methode der kl. Ou. aanmerkelijk juistere uitkomsten, dan die in tableau III van Kr. staan. De veranderingen in de hoeken van tableau I aan te brengen, zouden zeker belangrijk kleiner zijn dan bij Kr., maar voor de hoeken A toch niet dikwijls 1quot; er van verschillen. En het is de vraag of de daarmede berekende zijden werkelijk juister zouden wezen.
De methode der kl. Ou. is geen toovermiddel (zie Z. f. V. 1875 s. 19G). Jordan (Handbuch 1878, II s. 363) oordeelt voor graad-metingsdoeleinden eene aansluiting volgens ârohester Empiriequot; voldoende. Ook H e 1 m e r t verwacht geen wonderen van de m. d. kl. Ou. Waar men oude waarnemingen geheel onverwerkt vond, gelijk in Beieren en Engeland, is deze methode zeker te verkiezen boven elke andere. Wanneer echter reeds eene zorgvuldige vereffening heeft plaats gehad, zou de winst in den regel zeer klein zijn, gelijk B e s s e 1 bij de graadmeting van Barcelona tot Formentera ondervonden heeft.
Elke verandering in de uitkomsten van waarnemingen, die niet nit fouten van het instrument, uit de wijze van waarnemen enz. wordt afgeleid, is willekeurig. De methode der kleinste quadraten is een reglement voor die willekeur. Dit reglement is noodig om knoeien te voorkomen; aanbevelingswaardig omdat het dikwijls tot veranderingen in de richting der waarheid voert; verwerpelijk zoodra er groote constante fouten aanwezig zijn; bedriegelijk wanneer de waarschijnlijke forit als maat voor de bereikte nauwkeurigheid wordt beschouzvd. De uitstekendste waarnemers hebben over deze laatste opvatting altijd de schouders opgehaald, (zie blz. 114).
En wij moeten niet vergeten, dat de lengten der zijden het einddoel eener triangulatie zijn, en de hoeken slechts een onontbeerlijk hulpmiddel.1) Terecht zei Delambre (Base III p. 181): »on n'observe les angles que pour avoir les cótés, et quand ceux-ci sont d'une exactitude suffissante qu'importent les erreurs des anglesquot;. Het schijnt wel, dat Gauss, Bessel, Baeyer deze stelling omkeerden: zij hebben gestreefd naar en geroemd op een kleine
') Alleen voor het vergelijken van azimuts zijn de hoeken direct noodig Maar dit is het minst belangrijke doel eener graadmeting.
128
in. f. in de hoeken, maar de opmerking van S c h w e r d , dat op de nauwkeurigheid der zijden sommige hoeken weinig, andere veel invloed hebben, is hun niet duidelijk geworden.
Wij willen dus nagaan, welke veranderingen in de lengten der zijden door Kr. bij de definitieve vereffening zijn aangebracht. Op blz. 80, 85 is hiervan reeds een overzicht gegeven. Zuidelijk van de lijn Leiden, 's Bosch, Nijmegen, Boekholt, Bentheim is geen enkele zijde 0,5 M. veranderd. Evenmin is dit geschied bij de driehoeken n0. 1H3 en 147 en bij de veelhoeken om Sneek, Harikerberg en Imbosch. Daarentegen zijn al de zijden der drieh. nos. 47, 49 en 56 van 0,5â1,0 M. gewijzigd. In den keten der driehoeken, die van Aar-denberg tot Embden loopt, zijn 9 zijden van 0,5â 1 M. veranderd; al de andere minder dan 0,5 M. Van de 18 verschillen grooter dan 1 M. liggen er tien aan de buitenzijde van het net, en zijn dus bij de voortloopende berekening der zijden zonder beteekenis. Vier in drieh. n0. 80, 108, 128 en '151 hebben slechts geringen invloed op de omliggende driehoeken. Er blijven dus slechts over de zijden DokkumâGroningen, die 1,G19 M. verminderd en LeerâAurich; StrakholtâJever en WesterstedeâJever, die respectievelijk 1,201, 1,246 en 1,383 M. vergroot zijn.
Aangezien nu Krayenhoff bij het opmaken van tableau II niet gelet heeft op de zijden vergelijkingen, kan men dit tableau als de bruto-uitkomst zijner metingen beschouwen, waarvan de lengten dus evenveel kans hebben om te groot dan om te klein te wezen. En dan ziet men, dat bij de vereffening slechts xldeel der zijden meer dan 1 M. moest veranderd worden en geen der gewichtige zijden 1/20000 is gewijzigd.
Of bij eene vereffening volgens de methode der kl. Qu. de zijden nog minder veranderingen zouden behoeven, staat te bezien.
Afgezien van ophoopende fouten, die alleen bij een basis-meting aan het licht komen, is geen enkele gewichtige zijde van het net 1/2oono cn onder alle zijden is dit bedrag slechts 3 of 4 malen
overtroffen. Cohen Stuart (1. c. blz. 31) verklaarde dat âeene nieuwe vereffening bij de tegenstrijdigheid der uitspraken, waartoe de verschillende voorwaarden leiden, een geheel vergeef sche arbeid zou wezen.quot; Ik beweer dat die arbeid overbodig is, en haar nut geenzins in verhouding zou wezen tot het reusachtige rekenwerk daaraan verbonden.
129
Welke waarde bezit de triangulatie van Kr. tegenwoordig nog voor topographic, kadaster en graadmeting? Een belangrijk punt bij de beantwoording dezer vraag is, of zijne primaire punten voldoende bewaard gebleven zijn. De signalen Kijkduin en Imbosch bestonden reeds in 1815 niet meer (Precis p. 10). Volgens de Meetkunstige Beschrijving blz. 39 waren in 18G1 verloren: Ballum, Bisselt, Ha-rikerberg, Dokkum, Hoorn, Petten, Stavoren en Harderwijk. Het pleit niet voor den toestand der geodesie in ons land na Kr., dat men, toen verbouwing dreigde, niet intijds die punten heeft bewaard.
Kr. heeft in zijne manuscripten de torens, die hem tot standplaats dienden, Voldoende beschreven, maar aan het vastleggen dier primaire punten geen verdere moeite besteed (zie boven blz. 115). Andere geodeten uit de eerste helft dezer eeuw hebben dit evenzeer nagelaten; van de 32 punten van Gauss zijn in 1882 slechts 3 zeker teruggevonden (Z. f. V. 1885 s. 237). Stamkart, en in 1880 ook O u d e m a n s, hebben even als Kr. torens voor onveranderlijke punten beschouwd. Bij de overgroote meerderheid der stations van Kr. zal men wel niet meer dan 1/2 M. onzeker wezen, en bij de meesten nog minder. Voor de eindpunten eener graadmeting beteekent dit niets.
Het werk van Kr. is dus als grondslag voor de topographic en kadastrale metingen ruimschoots nauwkeurig. Maar ook voor eene graadmeting is het voldoende. In Jrg. V blz. 290 hebben wij betoogd, dat de astronomische waarnemingen eene onzekerheid bezitten van 9 a 10 M. (0S,03 in de lengte en 0quot;,3 in de poolshoogte). Het doel eener nieuwe graadmeting in Nederland was volgens Kaiser een geodesisch verband van Leiden met Belgie, Pruisen en Hannover. Nu zijn de afstanden van Leiden tot Antwerpen, Erkelenz, Bentheim en Midwolde respectievelijk 110, 150, 180 en 205 KM. zelfs de grootste dier afstanden zou een voortdurende fout van vereischen om de onzekerheid der astronomische bepalingen te bereiken.
Welke eischen stelde men voor 25 jaren aan eene triangulatie ten dienste der graadmeting? De verhandelingen der Europeesche Graad-metings-Congressen kunnen ons hierover inlichten.
Bij de voorlooptge beraadslagingen door de Commissarissen van Pruisen, Saksen en Oostenrijk, in April 18G2, werd de onzekerheid eener poolshoogte op 0quot;,3 â 10 M. geschat, en aangenomen dat de
130
breedte-stations 200 K. M. van elkander verwijderd zijn. âMan kam überein, die oben, für die astronomischen Bestimmungen ge-fundenen Fehlerhaftigkeit, d. h. 1/20000 tel der Lange, als die Grenze anzusehen, bis zu welcher altere Triangulationen benutzt werden können.
Dreiecksketten genügen, in denen die Fehler in der Summe der drei Winkel der Dreiecken 3quot; nicht, oder doch nur in Ausnahme-Fallen übersteigt.quot;
Voor een keten van 200 K. M. lengte zijn 20 primaire driehoeken zeker voldoende. Zijn deze gelijkzijdig en heeft de beginzijde een m. f. van 0,000040, dan kan elke hoek een m. f. van 3quot; hebben eer die afstand een m. f. van Vjonoo verkrijgt. De tweede der aangehaalde volzinnen stemt dus alleen met de eerste bij slecht gevormde ketens zonder contróles door zijdenvergelijkingen.
In de Erste allgemeine Conferenz, Oct. 1864, te Berlijn, s. 36 lezen wij hoe er gewaarschuwd werd nganze Vermessungs-Gebiete durch zu strenge Anforderungen auszuschliessen. Die Minimalforde-rungen werden dem Ausdrucke nach gemildert, und die Conferenz erklarl, dass alle Angaben von Langen, deren wahrscheinliche Fehler 1/25ooo nicht übersteigen, für den Zweck der mitteleuropaischen Grad-messung unhedingt brauchbar sindquot; De vroegere bepaling over de sluitsommen der driehoeken verviel.
Maar in de tweede Conferenz, Oct. 1867, s. 151, toonde Hansen aan, dat de ware nauwkeurigheid van triangulaties kleiner is dan men vroeger meende, en dus liet men den eisch van 1/25oofl ^611 slotte ook weer vallen.
Ik houd het er voor, dat tableau III van Kr. voldoet aan den eisch der Conferenz van 1864, en ben overtuigd dat door het meten van één basis hieromtrent zekerheid verkregen kon worden. 1) Bleek hierbij dat eenige der zijden van Kr. een constante lengtefout bezitten, dan was het zeer eenvoudig om ook de anderen daarnaar te verbeteren en dus zijn werk voor ecne graadmeting geschikt te maken.
1
) Men zou die basis b. v. hebben kunnen leggen in drieh. n0. 50, waarvan de hoekpunten wel ondubbelzinnig bewaard zijn gebleven, en die op den weg van Leiden naar Hannover en Pruisen lag.
131
De meting van Krayenhoff behoefde niet afgekeurd maar aangevuld te worden: aangevuld allereerst door een basis gelijk hij zelf gewenscht had. Ook eene nieuwe azimut-bepaling was noodig, aangezien de instrumenten en methoden tot dat doel sedert 1811 zeer veel verbeterd waren, en men dus kon vreezen, dat K r a y e n-h o f f's azimut te Amsterdam een belangrijke fout bezit. De meting van Oude mans in 1879/80 heeft overigens bewezen dat die vrees niet gegrond was. En in de derde plaats werd voor eene graadmeting vereiseht, dat een vijf of zestal nieuwe bepalingen van poolshoogten in ons land werden verricht. Leiden en Utrecht waren in 1864 reeds bepaald; Hulst, Nijmegen, Koevorden, Leeuwarden en misschien nog Holwierda kon een geoefend sterrekundige in één campagne daaraan toevoegen. Goede lengte-bepalingen bezat Nederland in 1864 nog geen enkele.
Zoodoende zou Nederland ook zonder nieuwe triangulatie in de rei der Europeesche staten nog geen slecht figuur maken. Natuurlijk dat het werk van Kr. niet die nauwkeurigheid en zekerheid bezit, welke bij de nieuwste Pruisische metingen bereikt is. Maar er zijn landen, die niemand onder de minder beschaafde rekent, met welke Nederland in goed gezelschap zou wezen, en die zich met geen betere triangulatie tevreden stellen. Wij noemen Beieren en Engeland.
Over de Beiersche triangulatie heeft Bauernfeind in de Conferenz van 1867 s. 23â33 medegedeeld, dat van de 437 driehoeken 35 niet volgemeten waren en 80 een grootere sluitfout dan 3quot; bezitten. Van 1233 hoeken, die tweemalen onafhankelijk van elkander gemeten zijn, stemden slechts bij 452 die beide bepalingen op 1quot; overeen. Het net was niet veretïend.
Bauernfeind drong sterk op een nieuwe graadmeting aan, maar de Regeering is hiertoe niet overgegaan. Jordan (Handbuch 1878 II s. 245) oordeelt die oude triangulatie »für Gradmessung-zwecke vollstiindig genügend und es ware eine ungeheure Arbeits-verschwendung gewesen, wenn lediglich dafür eine neue Trianguli-rung gemacht warequot;. De oude metingen zijn later door O r f f vereffend, Deze gebruikt 339 driehoeken, waarvan 108 een grootere sluitfout dan 3* bezaten. Zie verder Jordan Steppes I s. 202. Aan het Beiersche net zijn echter 3 bases, 12 poolshoogten en 11 azi-muts verbonden.
132
Bij hetgeen boven op blz. 117 reeds over de Engelsche triangulatie is gezegd, voegen wij nog, dat onder de 4-G3 hoofddriehoeken 1G0 een grootere sluitfout dan 3quot; bezitten (twee, in fig. 4 en 21 zelfs 11quot;). Onder de 96 drieh. der kleinere netten (Wight uitgezonderd) zijn 43 met een grootere sluitfout dan 3quot; en één van 21quot;, Er zijn echter 5 bruikbare bases, 35 poolshoogten en G1 azimuts aan verbonden.
Bedenken wij nu, dat het net van K r a y e n h o f f beter gevormd is dan die in Beieren en Engeland, zoo zal men moeten toestemmen dat na het meten van één of meer bases en van eenige poolshoogten en azimuts in Nederland, zijne triangulatie minstens even bruikbaar is als die der beide genoemde landen.
Toch heeft men het werk van Kr. ten eenenmale verworpen. Geen enkele stem heeft zich ten zijnen gunste doen hooren sedert de veroordeeling door Cohen Stuart, en Kaiser heeft niets onbeproefd gelaten om de regeering tot eene nieuwe meting te bewegen. Maar een noodlot heeft gerust op die nieuwe triangulatie. Eerst trok Stuart zich terug, toen weigerde Hoek zijne medewerking. In plaats van de zaak, die geen haast had, tot een gunstiger tijd uit te stellen, besloot Kuiser te kwader ure om Stamkart met de metingen te belasten. Deze was van 18o6â1881 ijverig bezig; drie stations behoefden nog slechts bezocht te worden, toen hij stierf. Maar in 1885 werd zijn werk voor nog minder goed dan dat van Kr. verklaard. Op krachtig aandringen van vijf beroemde vaderlandsche geleerden, stond de regeering opnieuw de noodige fondsen toe. In de eerste jaren had men al weder met veel tegenspoed te kampen; de campagne van 1887 was zelfs geheel vruchteloos. Eerst in 1888, toen niet meer de graadmeting maar de secundaire triangulatie hoofdzaak werd, gelukte het om eenige resultaten te verkrijgen. Ten behoeve dezer secundaire triangulatie is een nieuwe primaire driehoeksmeting noodig, en het spreekt van zelf, dat die laatste nog beter geschikt zal zijn voor eene graadmeting dan het net van Krayenhoff.
Wenden wij na de mislukte hermeting van Stamkart, na de onbillijke beoordeelingen van Stuart en Gauss, den blik op Krayenhoff terug.
Krayenhoff bezat een onverzettelijke wilskrachf en een groote
133
vaardigheid in het combineeren en uitvoeren van plannen. Hij was betraafd met een onbetwistbaar talent van waarnemen en had een helder inzicht in de eischen van een primair driehoekennet en zijne vereffening. Door dit alles is het hem gelukt om eene meting te volbrengen, die uitmunt boven al hare voorgangers, die eenig is in het eerste vierendeel dezer eeuw.
Ik heb dus niets terug te nemen van hetgeen ik in 1889 (blz. 217) aan het hoofd dezer verhandeling schreef. Het weinige, wat ik na dien tijd nog over Krayenhoff bewerkt heb, zou mijn oordeel eer gunstiger dan ongunstiger doen uitvallen.
Het is een aangename en dankbare taak om een landgenoot in zijn eer te herstellen en op zijne verdiensten het volle licht te laten vallen. Maar ik kom daardoor in tegenspraak met de uitdrukkelijke of stilzwijgende afkeuring van zijn werk door al de geleerden, die op den huidigen dag als autoriteiten op het gebied der geodesie in ons land bekend staan. Moge een van hen zich de moeite getroosten om, met betere gronden dan Cohen Stuart, ons duidelijk te maken wat er aan de triangulatie van Krayenhoff ontbreekt om ze voldoende te doen zijn voor eene graadmeting.
t C «d lt; lt;rc Cc
. Cf lt;- lt; c
lt;r c cc cc Cf C cc cc
c Cc t. cc . c clt; C lt;
c Cr
â ' c lt;?
lt; C
lt; SC lt;,
«r c ^
C -⢠C lt;lt;'
c 'lt;
C rc
C'lt;r c c quot; â lt;.
C C,
c lt;
C â lt;,c lt; r - gt; lt;
«f lt; cc c
cc lt;
cc c
Cf C « lt;
«â lt;; quot; lt;r
t cc
- cc â CC ' clt;r
lt; (C Cf
C cc CC
C i' C C ^
C' cc cc . C lt; lt; c.
5 lt; C.c r lt; Clt;r. ' cc c Cc ,
if Cr lt; (C CC ' ( lt; c Clt; c lt; cc lt; ^ cc lt;r
( cc r
c lt;t C ,
c C C 4
lt;JC cc f
Cc c v lt; Xfc Cc C
lt;C Cc c
lt;- C lt; lt; (
Cc cc c Clt; clt; c lt;J cc c Cc cc
lt;Zc ccc â
C cr
CT C(.C lt;
c cc c
C lt;c
u rr gt; cc
'.C ( c
C C
c C
'CC 'C c c C f C
. C ^ C 4 ' c c c lt;
r c c
' c « . lt;
c C r â
cc c c ci. ^
i'cccc
..'cc lt; (â¢c c
C( O-c c c :: c C .:
cCCC cc c «
CC C \ !â
^ C l' ; (Tree : c « C CC C Cc
: c cclt;
C (CC
Cc c C O Cf cc er lt;rrC
c. C ; f , c c c c: - c
C lt; (
( '''' «r c c â
C ' cc
lt; CC (
C vC CC' ⢠quot;'â¢lt; cc . ⢠r-, rc.
C a c CC C r ( .
' c c Cc C cc Ci c C C â lt; r cc c « c c cc C C CC Clt; C' ' c CCC' cc C CC c Cc -lt;r ' cc~ C Cc â C c ' . CC C c
cc C c C 1 V ' CC â c lt;
C CCc ' C C ^ c c c
cc c C ' C.c c
cc c lt; C c C â â
CC C ⢠C cC c c
CC C ! c CC c C c
c c c c C cc c lt;
CC C cd' CC C c
CC C C C c cc cc
cc cc c lt;c
CC CC C C clt;
CC C ( C lt;
CC C lt; * lt;C
f c.c c c c«r CC C C C cc '
CCC : ;
ca c-ccc
CCC C
ccc ccc
CCC
_ cc;
CCC
cc C C C
CC C Ccquot; ccc ccc
C CC lt; c
' CCC c Cv
CCC Cc ' C c c lt; ( \ ' ' Clt; â C c Cc cc c ( , :lt; v c c.lt; â c c c C c, r c c C cc-c C c f â c c C c
CC C c. .
CC C '
c lt;. c ' C c. C
lt; c c C c c
c c c
: C cc CC cc $C lt;( cc
; S C CC C 4
. c c cc clt;
cc C c cc cc
CC c C CC lt;
C c c lt;c «
c c C cc
Cc c lt;£; Cc c ^
C( C, ^ .
C^C c
Ccc â¢
cc c c:
Ccc C
c c lt;r
- lt; â C V.
^ quot; C' c cc C Cc
f c c ⢠C
C c c. Cc .1
c C( .,C' CC i
C C C cc' lt; 1 C C Cc,lt;
CCC cc (
Ccc lt; ( lt; Ccc C C' c « C lt; lt; C gt;
C c C CCc CC
lt;lc «ZC lt; c
lt;rc
cc
cc
' CCc ,
cc
Ccc
cc^
CC'-
CC'
Cc
1 cc lt;c Cc
C cc cc C C C 'C
â c C'.' c c C C 'C '
C CT C CcC C C c c c lt;r cc c -c c
c c c cc c C O '
CC c CCC CC C c
' . lt; C c CC' CCCC
C C C CC CC c C ' CC c C 'CCc CC c C
c C
c k
f' cc ''V
C cc
( v C C
CCC ccC
LCCC
f c
f CCccc Ccc lt;r a ,
rgt;/ â ' ^ « lt; cc
CV CCC cc' c
^ V^ccccc CC c (
C' c rr ï amp;S( C e r ( C fS^SCCC C CC . c
c «S5 crcc lt; r '
quot; 5gt;Cr ^CCC C lt;c
â 'c Cc c ace c c ^ Cc vC C'C 'CC
â c . CC cc lt;7c .c C c
lt;lt; 'gt; C lt;C. c lt;
^ CC Cc CC C C
^ c cc C C c c
cCquot; £ . V c lt;
^c c lt; c lt;r cc c c cc Ccc lt;r CC c c
5- S lt;gt; cc (c c c c S ? C c CC c cc
rr S 5 C CC C C
S c c Cc CCC C Ccc CC cCC. lt; c -S c c CC cc c c Ccc CC CCc
lt; C' C CC cc Cc
c C C' lt;£;- CCc
^ Cgt; V quot; . quot;U â {-lt;--
â C cc c lt;C' cc lt; v
cc cc c cc CC C c ^ c: c c^ « ^ c c
/ 5 C cc « lt; gt; cc lt; C CC C â¢clt; c
^ lt; 'C' «L C -C v
' ^ ^ 'CC C C C
' S S fC( c ^ c c.
/ * -CC lt;- CC ,
^ lt;r cc c c c Æ lt; CS c c c lt; 5 lt; c C C . ,
C lt; CC clt; ,
5 lt; C^c r'C Cc c
S ,clt;^ C ^ cc C
^ «: c c c x c
5 ^Cc cc CC c-
cCO c c cc C
^ ' %^lt; rC « quot; C lt; V1 ccCc C lt;C O' c lt;'
c cc C cc
xlt;lt;r«(r CT cc c cc
cc lt;rc
cc
^ c CC cc c c lt; cc cc cc CCC
^ C c C f
cc ccc
lt;lt; C.cc
Æ â cc lt;r cre
ccr f
1 cc c C
â¢. s CC Clt;- c
ccr clt;7 c : : CC CC cc
' cc cc lt;r
' - cc i
quot; cc «
fclt; cc C C'
Cl 'C C CC CC lt; ^
C ( _ ,c cc
' cc c C Cc C C c lt; 3 c c;c ccc CC CcC C Cc
c C C c cc lt; c C c -/ crc.ccc . C Cc
. c. C.C cc CC C' r clt;
' CCcccC - cc c â Clt;
C Ccc CC (CC c cc
v CC c C CC C CC(
lt; C.c C CC C cC
c cc c cc c c
c CCcC c CC C C 7
C Cc C c C, cc C (C
lt; cc lt; c cc c c c
C lt;CT c c; cc C Cc- -
C cc. c c CC C cc
c ccr f. lt; r c r
c C â .- c cc cc C C C
C C r ccc CC C Ccquot; lt;
C cc c c « lt;^cc c: cc lt;
' C CCC - CC' CCc C C. C Cc r ⢠lt; c- c cc r c, c
C. r ' ' c
C â C
^ c
' c lt; C
â ^v Vv
lt;C cc
'c cc . xc lt; lt; lt;
'C C ' lt;
lt;C C f lt;1 (
C lt; C c lt; C c
C C c c
c c c lt;
lt; CC
C C c lt;
c cc
5 c lt; c
C C C c
C CCC
c c c c
c cc c
ccc
c CCC C
ccc
Jlt; c c c
c ^ cc lt; lt;
: - cc cC C
C C CC lt; C C
Ccc c
C C c ' c C C C c lt;r c c c C c C C CV CC
? lt; cflt; lt; c lt;lt;
fl cr S C «
j1 lt; f( % C Cc c
; - cr c lt;'( f c rc a c -lt;VVc^
⢠| 'C f ^ f â¢
' ' -V /c
;lt;gt; rr cr . /gt; cc
(lt;r c c 0J f C cc- / V ^ cV C ^«r c A ⢠c lt; ^ 1 lt;â
^«rrTrrr 'c i
sr , ^ ( clt;r ,
lt;- ^ lt;lt; ( f , ^ .iâ¢.
^c ^ iec ( «c: C lt;r C ^cc r C ' ^ lt; «C . ; : # Ci
ï l
c / 5
I lt; ^
ir^ir
C / £ Cc c^-C t C cc f ^ c
c cc / - lt;
c ^ cr , ^ C
^ Vc^Vcr^-C Cr' r 'V- C
Cc ^ clt; gt; 5-y , ^ rr - ^ S
, lt;C rc C
C r? ^ r
C fr S. C , r
lt;r c, gt; c c.
^ C £ lt; clt; CC r v- gt; . C lt; c
CC c Vlt;; f c
c c c
lt; (,' i :
Tz
' 4; J
'T-
r * f
C / ^
«4 c clt;r
c Cc ^ c rc clt; c ^ ^
Cc f ^
^ C rr
C cr Æ C rc ,
S c rc lt;
V v ,
cquot;'/ r( ^::-
-,.- lt;- c * gt;/ lt; f
/ /i r c lt;r c c
C C lt;C
'lt; c ^ lt;
C ^
lt;
r
5 g
^C -r,
.5X co
; /lt; W,
c^
-, :lt;
^ lt; lt;r
(c c r cr r
1 ^ c , _fr lt;-
fc lt;r d
.CCcc
' r. lt;r
lt; lt;rc-c
â r? (or lt;(:
. . /c--
c cc
S CC Æ
^cc r
^Cc
r lt;r r { clt; c â¢
lt;C c
.ir lt;r .
Cr c rr
^ ' frcr.., ^ lt;gt; c, lt;
c ^ gt; ' - 1 lt;r
: c ^
/,lt;r'' lt;rquot;c^
lt; lt; C r- r v,,.'' : (' f
C; lt;: i
' â V
'â flt; 'â ,lt;⢠^ '
CC(. ^ '⢠lt;? f, ^ 1 lt;
^ â lt; 'r f CC , ,('
/ ^ v. -
r C CC lt;(
\ ( rf _gt;. v
lt;^lt;r
(r c5 f
c fCC? lt;9CC
lt;.m:i
mn
lt;. V
lt; c (( c c S C r c
c k c
r C r ( ;,.
lt;f cv
'C c ( cc r
Æ (C C
â '. lt;C c ' ' CC c
CC C «Z C «
c \ % %
â / /.:
^ Cc: lt;t
5«^ C r, CCf C rgt;
Crc .
rClt;( C 'c
r' lt; lt; --â , lt; ^ C c .
.c c- c r
( C r. . r.
( C CC S lt; c ^ .
C r
c c
gt;lt;' ,
/ f / .
C(flt; CO
rO:! COM
CCj 'Cd C^7 :
c cr
, lt; lt;3 lt;- CC 1 Cc ^ clt; lt;rc
cc
Cc 5(
^c
lt;V ^'.;'
'V'.
r / 1- r ^ lt; lt;
5 5( ^jCcc
V. «Vv.
^ c ( CTVc CV« C(;i C. lt; '' C â ' C f â¢
quot; ' 5-
lt; c lt;r
J.c â « CC'(r
c - r
C
V. lt;quot; ^ . v ^ lt; c
^ V S( iC-(-f lt;
r * ( 'C r (
c c lt;c c' -
'c gt; ^uco,
â lt;- c ^C c,', â¢
lt; C C lt;⢠⢠C lt;- :
lt;-c ^ 'lt; lt; â
⢠^ lt;r - - ^ quot;â lt;;lt;:
r c r « 1 C c v
â ⢠lt; v lt;C C (- .
â 'lt;( lt; -
'
' quot; cr c à ' quot;
Clt;r lt; lt; cr
' ^ rr S cgt;
' r Jgt; r lt; lt; lt;
cc ' ⢠C lt;?
cc
-C ^ cVcC
^ \ lt; C? \cc ^
:f
lt;3C lt; ,r ^ â lt;C C ^
«r gt; *r
c :c
'1 cc lC clt;
â lt;r
^ ^ c *
^ cV5/
* âlt; ifV â¢
' cy c ⢠lt; lt;
c
clt; l c
lt; I c
\c,v ^
^Vv'Cr
^Cr^f lt;lt;;
^'
^F r/' r
^Cr ^
vie rc r, rc
V ^
' r ,
c c
C c c' lt;
fc â ( c c
S C C
^ c C .. ^ c V
c lt;- ^ ^ CC ^
c? ^
^ c lt;r
lt; C cr r/ lt;:C cc CC
cc
' clt;
CC^CTV- r r c« lt;«: lt; gt;,
lt; C cr
c lt;lt;
5 C . rf /
5- C cc Cc
fi
T «r t c ' c
â ^ rquot;
, c lt;' V r ' lt;â 'c, c
'c r fc
' c r fV Cccr/ r CC r . r v v r lt;7 ,
Cïfr -1' c lt;-clt;- lt;: â ⢠* .
B Ifi
V lt;^V ,-C cc ^ gt; 4
r ' 'lt; '. ^ lt;£4. C â ,
â * â : ' lt; r ^ ?r
Cc (fâ ^ r «r lt;-,- gt; vc
if f(cfr
^ lt;c clt; cVc^ c?
r r C clt;: C^-C *â
r « Co- r V. ' 4 c «r *
C c «f r v C lt; (f f
C' rc? ,Cil ^ Cc lt; c lt; lt;
ft lt;r'W^ -/ â
lt; 't; â f C c-,,
-v y.'A lt; s sc .
',â /.' â lt;
1Cclt;r4gt; cc^
: lt; lt; '. lt;,lt; '
⢠â lt;C lt;r( c'
' C'^ V
' G c
; â
« : : lt; ;
amp; ,
^ C -
lt; c
lt;r c -c c CCquot; r
5 C vC .
CCrc .
Æ Cf^
lt; C f C
Æ Cr «r
A fit
ÃL
3 mmm %
â¢v
-. â - quot; '- l^'s'-il' â¢
â¢:.. .- â . JI ji
â â¢;;^^':?«i^.quot;-rt5-li-
â - m m.
^ - .' tl i
... V
): 'r '-:$ I ;. . :: ;: '- â quot; f 5
^ ïÃ,L IJ
- â _ - r ;,'Ã4'quot; â ';
Ir.
rAvx ^
* L
: . - t
li
f »quot;
; v
x £
â /V gt;gt;
^ V
\ i-k'
1 i®W: *
w
^Ttx
v ^
iji *
ev/^ f-
*,J- quot;
Â¥ ;
%â¢
v
\
-s. k J?
v*-
' !
k-quot; v ^ i