GEZANGEN
t-
OISTZER
VERZAMELD POOR
jiEN J^ATER JXEDEMPTORIST.
TWEEDE DRUK.
O-- BOZRG-,
AMSTERDAM,
1894,
IZVEIPIRirM^A.TTJR-
AMSTELODAMI, 5 Octobris 1890.
F. T. H. VAN 0GTR0P,
Libr. Cens.
Hum pcrmissu Snperiorum.
G-IEZ A-ISr G-Eisr
onzer
BROEDERSCHAPPEN.
VOORWOORD.
Onder dezen titel zijn bedoeld de Gezangen der H. Familie J. M. J., in al hare vertakkingen, de Broederschap van O. L. Vr. van Altijddurenden Bijstand en den H. Alphonsus Maria, eu andere door ons bestuurde broederschappen. (1)
De ruimte van dezen titel verklaart den omvang van het boekje, verklaart ook de keuze der teksten.
Het grootste gedeelte van de gezangen hieruit, die op O. L. Vr. betrekking hebben, werd voor een tweetal jaren uitgegeven onder den titel: »Gezangen voor de Bkoederschap van O. L. Vr. van Altijdd. Bijstand en den H. Alphonsus en verscheen niet in den handel. De 5000 exempl. dezer oplage vonden hun weg zonder advertentie of eenige reclame, binnen het kort bestek van één jaar.
(1) O. m. de E ere wacht van het Goddelijk Hart, de Mariaansche Broederschap, de H. Kindsheid enz.
VOORWOORD
Wat het karakter en de muzikale waarde dezer gezangen aangaat, zal men er groote verscheidenheid in vinden. De meeste zijn overoude wijzen, afstammend uit den bloeitijd van het kerkelijk lied. Ze zijn genomen uit de bekende verzamelingen van Mohr, Dreves, uit de zangboeken van Trier, Keulen , enz.
Andere zijn geheel nieuw, doch zullen zich, naar wij durven hopen, op verdienstelijke wijze daarbij aansluiten. (1)
Enkele gezangen en daaronder de meeste meerstemmige zijn niet onmiddellijk als volkszang gedacht. Zjj zijn opgenomen allereerst met het oog op meer geoefende koren, zooals bijna elke Congregatie er een bezit; en verder met de stille bedoeling daardoor het boekje gereeder toegang te openen tot den huiselijken kring. (2)
Ziedaar den omvang, het karakter en het meervoudig doel van dezen zangbundel.
De teksten der gezangen zijn, behalve de overbekende liederen der H. Familie, voor het meeren-
(1) Bedoeld zijn hier vooral de nummers: 1, 12, 25, 38, 45, 50, 51, 52, 53, 54, 79, 82, 95, 101, 105, 106, 108, 109, 112, 137, 138, 144, 145, welke wij alle aan denzelfden componist te danken hebben.
(2) De nummers: 32 , 33, 68, 71, 76 zijn uit M. Haller's Mariengarten, op. 32, uitgever Pustet. Regensburg. Het laatst aangewezen nummer is een letterlijke vertaling van het oorspronkelijke: Gebet %u Maria der immerwcihrendcn Hilfc. No. 77 is van bovenvermelden componist, terwijl 78 een wijziging is van het bekende Marialied ,,Wie der Mond.quot; No. 58 en 141 zijn van Carl Greitii, uit zyn 6 en 9 Marialiederen.
VI
VOORWOORD
deel overffenomen uit de »Volksmissionaris het handtwekje van O. L. Vr. van A. B , en dat van 0. L. Vr. in 't Zand, het Alphonsnsboekje en het Zangboekje »Laudate Dominum,quot; welk laatste de meeste teksten voor de patroonheiligen schonk. Eenige zijn geheel nieuw en verschijnen voor het eerst in dezen bundel.
De liederen, aan het dichterhart van den H. Alphonsas ontsproten, zijn daaraan te erkennen, dat de eerste woorden van den Italiaanschen tekst onder den titel geplaatst zijn.
Uit vreemden gaarde zijn wij eenige schoone nummers verschuldigd aan het welwillend verlof der respectieve auteurs en uitgevers. Wij laten de namen hier Volgen, niet alleen ter voldoening aan alle eischen van het recht, maar vooral om hun onzen verschuldigden dank te betoonen. N0 19. Eigendom van Ed. van Wees, Breda.
» 28. Dr. Schaepman.
» 31. Pierik, S. J.
» 60. Maandschrift »de Eozenkrans,quot; O. P.
f 66, 67. Uit »Omni Die,quot; van Wttste, S. J.
» 56, 93. Woorden van Mgr. van der Ploeg_ Eigendom van Van Leeuwen, Antiq. boekhand., Leiden.
» 70,71,72,76. Uit »Maria-Tuintje.quot; in cijfers van Pastoor Hens.
» 86. Agina, O. S. F.
vn
voorwoord
N0 87. P. Zwart, Pr,
» 98. Van Etten, O. S. A » 103. H. Familieblaadje.
» 111. Ejipink, Pr., uit 7 Communieliederen.
Van een paar nummers konden wij tot onzen spijt bet auteurschap niet acbterbalen.
Nog blijtt ons te verklaren over, waarom wij dezen bundel in den handel brengen. Het antwoord is kort en eenvoudig. Hooggewaardeerde Geestelijken, die reeds onze vroegere gezangen bij hunne Broederschappen invoerden, hebben ons daartoe het verlangen te kennen gegeven. Wij voldoen daaraan zeer gaarne en hopen, dat ze in steeds wijderen kring nuttig mogen werken.
Geloofd zij JEZUS en MARIA. Amsterdam, Rozenkraksfeest. 1890.
viii
2
ITquot;. 1. Kom, H. Geest.
Æ Refrein*
-y
Kom, heil' - g». Geest, daal in dit nur
-lê=^-4
1 I J I ⢠:» â¢
in oc-ze har - ten neer; ont-steek ze in lief - de-
4-#__
Ã=*
m
» ⢠â¢
___wr
,PZL___
vuur, out - steek ze iu lief - de - vuur.
n u 3 Coupletten.
1. Komt gij ouze oo - geu niet ver - licht-ten,
2. De hel al - leen kon niet qnshart vermau-nen;
3. Ver-licht ons hart door uwer wijs-heid stra-leu,
-y-
zt
ü
' ⢠» â¢
1. Dan dwa-len wij van 't wa - re -
2. Zij roept om hulp de list der we-reld aan;
3. Dan mis-sen wij het wa-re wei-zijn niet,
pad.
3
1. Geen mensch zoo wijs, die niet moest zwich - ten,
2. En meer dan dui-zend strikken zijn ge-span - nen:
3. Dan nim - mer doet de blin-de jeogd ons dwa - len.
f
iÃiSiüpgüii
1. Als gij aan zijn verstand uw licht onttrokken had. Kom etc.
2. Ach God! help ons op-dat wij niel vergaan.
3. Eu de oude dag kent dan ook geen verdriet.
m
N0. 2, Kom, H. Geest.
|
qzzâit #- |
|
l..rl
=1â
--v-
Va - der
--j-
â¡et den
i
en den Zooa;Ont-
â--0--1 âlt;5---â1
sleek ons hartin lief-de vuur, Vest daar-in
=±=â =1=4: ⢠⢠â¢
een eeuw - gen troon.
1
Kom Heil' - ge Geest, aan ga-ven rijk. God
4
2. Maak ü een woning in dat hart;
En daal er met uw gunsten neór:
Verdrijf daaruit wat aardsch mocht zijn: Verlaat, o God, ons nimmer meer.
3. O heil'ge Geest, wij smeeken U;
Keer liefd'rijk in ons smachtend hart; Want onze ziel verlangt naar ü.
Zij kent bij ü noch leed noch smart.
4. O heil'ge Geest, door uw gena
Delg onze zware zondenstraf;
Vergeef ons onze schulden groot,
Zend slechts een straal van licht ons af.
5. O kom, o kom Gods heil'ge Geest,
Zoo vurig tracht naar U mijn hart;
Tot U verzucht het mateloos,
Van uit dit droeve dal der smart.
6. O dat door uw goedgunstigheid
Een druppel troost ons hart verblijd':
Uw zoetigheid de ziel verheug';
Dan wordt ons 't hart van vreugd verwijd.
7. O Geest van zoetheid, heil'ge Geest,
Bewijs ons uw barmhartigheid,
En voer ons dwars door druk en nood, Tot Sions blijde zaligheid.
8. Daar loven we U van ganscher hart,
Voor eeuwig daar in Sions hof,
En danken uw barmhartigheid.
En zingen eeuwig uwen lof.
9. Stijg dan een lied van lof en eer
Van aard en hemel tot uw troon,
Waarop Gij zetelt, heil'ge Geest,
Eén met den Vader en den Zoon.
N0.3, Kom Schepper, kom, o Heil'ge Geest,
--------- #âeâ0
i
lil
1, Kom Schep-per, kom, o Heil'-ge Geest Be-
-=iâiâiâT
mi» 0
1=
--#-
zoek ous al van minst tot meest; Ver - vul met uw ge-
I I ^
na - den-kracht De har-ten door U voort-ge-bracht.
. Gij zijt de Trooster hoog geroemd, En wordt de Gave Gods genoemd, De levensbron , de liefdegloed , De zalving van 'toprecht gemoed.
. Gij zijt des Vaders rechterhand , De vinger en dat waardig pand , Dat hart en tong verrijkt en sterkt, En zevenvoudig wond'ren werkt.
. Geef dat uw licht de ziel bestraal. En dat uw liefde in 't harte daal, Die daar zoo zoet en krachtig werkt, Dat al wat zwak is wordt versterkt.
. Verdrijf den vijand van ons af.
Verleen genade in plaats van straf, Geleid ons langs de rechte baan, Opdat wij alle kwaad ontgaan.
^tr
6. Maak dat ons door U kenbaar zij
De Vader en de Zoon daarbjj, En dat wij U hun beider Geest Belijden, dienen onbevreesd.
7. Lof zij den Vader, lof den Zoon,
Die door zijn dood den dood verwon. Lof aan U die den Trooster zijt, Van nu af tot in eeuwigheid.
N0. 1 Lied onzer Broederschap.
-^füü
.-3 '
* 0 i
o drie - tal le - den ,
1. O Gods-ge - zin,
zM.
r
Die al-Ier hei - lig toon-beeld zijt. Wij ko-men
EfES
weer tot U ge-treden, Dieal-len ü zijn
-jâquot;i i-i ® » ^
toe - ge - wijd. Ver-gun dat we op uw st-uld - loos
zrzzö iEaziÃ
⢠«
â¢ââ¢ââ¢-
rt=t;=ztzd:
le-ven Eer-bie-dig on - ze blik-ken slaan; Om stil de deug-den na te stre-ven.
7
-.qâr|_j;d_ ⢠0 »
|
Waar-in gij ons zijt voor - ge - gaan. | ||||||
| ||||||
|
Waar-in gij ons zijt voor - ge - gaan. |
2. Wat reinheid, wat een hemelvrede !
Wat zachte rust van zaligheid!
Gedurig gaan èn oog èn bede Omhoog naar de Oppermajesteit. Wat ijver in uw plichtbetrachten Van d'eersten tot. den laatsten stond! Op God alleen zijn uw gedachten,
Nooit wijkt zijn lof uit hart en mond. (bis.)
3. O, dat wij dan, tot lid verheven
Van 't Allerheiligst Huisgezin
Naar hun drievoudig toonbeeld streven,
Van Vader- Moeder- kindermin!
Onze arbeid ook zij God geheiligd,
Op God zij altijd hart en oog;
De be6, die ons voor 't kwaad beveiligt.
Ga met hun lofgebed omhoog, {bis.)
4. O Jesus, God en mensch te gader!
Maria, reine Moedermaagd !
O Jozef 's Heeren Voedstervader!
Hoort wat dit broed'rental u vraagt, Laat ons u stil en trouw beminnen, Geliefde Vader, Moeder, Zoon!
Dat we eens met onze huisgezinnen ü eeuwig zien in 's Hemels woon. (Jts.)
8
N0. 5. U, Jozef! wijd ik mijnen zang
|
-p-Ttr® â- |
â i ^ ï |
|
-J J ⢠⢠|
SÃ3
::l=t
1. ü, Jo-zef! wijd ik mijnen zang, Ma - ri - a ziug ik
le-veuslang, U, Je-zus! mij-nen God en Heer, ü
m
Ã
=1=4
bo-ven-al zij eind'-loos eer. O Hei-lig Huis-
17' lâP
-SâO-gâ1-
id:
zin! Daar eer ik Jo-zef
in : Ik eer Ma-
=1=4
I
itrzln
ri - a Moeder - maagd; Met haar God-lijk
lllllillllli
Kind, Dat ons tee - der mint, En niets van
|
_ â 0â â |
3 T1 |
-1 « -H |
|
quot;vT â1---Lâ |
-Oâö- |
-J-ti |
ons dan lief-de vraagt.
2. Was ooit een huisgezin zoo groot En tegelijk in dieper nood,
Als 't Allerheiligst Huisgezin ? Dat boezemt troost bij 't lijden in! Ã heilig Huisgezin ! enz.
-4â|â-1-â
:±-
9
3. Was ooit een huisgezin op aard
Zoo lieilig, zoo onze eerbied waard? Het hoofd gebogen in het stof,
Zing ik dit heilig Drietal lof.
O heilig Huisgezin! enz.
4. Was ooit op aarde een huisgezin,
Zoo mild, zoo rijk aan menschenminï Ik werp daarom voor U, o Heer, Mij zelt als dankbaar offer neêr. O heilig Huisgezin! enz.
N0. 6. 0 Jozef! Voedstervader.
1. O .To-zef! Voedster-Va-der Van Je-zns on-zeu Heer. ire - den bid - dend na - der En
knie-le.ii voorUneer; Wantin uw Va-der - ar-men Draagt gij het god'-lijk Kind.'t Zal on - zer zich er-bar-men. Wijl 't uw ge - bed be - mint.
10
2. Wil Jozef voor ons wagen,
Dat wij in 's levens lot Ons naar zijn wil gedragen, Getrouw aan zijn gebod. Wil door uw beê verwerven, O trouwe toeverlaat.
Dat wij den hemel erven, Als eens ons sterfuur slaat.
3. Wij smeeken U te gader.
Patroon van Nederland,
Blijf Jozef, ons ten vader. Bescherm uw dierbaar pand. Vraag ons met Jezus Aioeder Zijn hulp in allen nood, En blijf ons trouw ten hoeder. Van nu tot in den dood.
be -
N-i
N0. 7. 0 groote Jozef.
±;
1. O groo - te
-4â
.a_ â¢----s-
Jo - zef! teer
i=FâREt-
|
mind, O Va - der van het godd'-lijk Kind. | ||||||||
| ||||||||
|
O Brui-de - gom der Moe - der- |
11
Hoor toch wat ü mijn har-te vraagt, O Va-der
teer, Van God den Heer!
2. Wen 'k U aanschouw, mijn schutspatroon,
En op uw armen, Godes Zoon,
Die U zijn lieven Vader heet,
Dan voel ik uitkomst in het leed: O Vader teêr, van God den Heer!
3. Of als ik slechts aan uwe zij
Uw bruide zie van smetten vry, Zoo teeder goed, hoe zou mijn hart Nog moed'loos worden in de smart? O Vader teör, van God den Heer!
4. Ik roep dan vol vertrouwen uit,
O Jozef bij uwe lieve bruid,
En bij uw Jezus, dien gij draagt;
Hoor toch wat ü mijn harte vraagt. O Vader teór, van God den Heer!
5. Bewaar gy toch ten allen tij'.
Mijn zwakke ziele zonden vrij;
O Jozef, sterk mijn brooze kracht, Met uw verheven vader-macht.
O Vader teör, van God den Heer!
6. En moge ik eenmaal Vader mijn.
Met O in Sions woning zijn;
Uw Bruid daar loven en uw Zoon, En eeuwig jub'len aan uw troon.
U Vader teêr, van God den Heer!
12
n-G---^1--lâfj-r I I -j-^-4-
ou - uit - spreek-lijk hebt be-mind. Heil'-ge Jo - zef,
ÃÃm^Ãm
zoo als Gij.
N0. 8. H. Jozef trouwe Hoeder.
13
2. Heil'ge Jozef, die uw' Jesus
In uw stulpje met u hadt,
Vaak van d' arbeid tot Hem opziend, Stil en innig hem aanbadt;
Heil'ge Jozef, vraag dat wij 1 ^ Jezus dienen, zoo als gij. J
3. Heil'ge Jozef, door Gods Zone
In uw need'rig werk verlicht.
Daar Maria 't oog vol liefde Op haar Kind en Bruigom richt: Vvaag dat in bun aanschijn wij ( ^ Ons verblijden, zoo als gij. I
4. Heil'ge Jozef, die in de armen
Van uw Brnid en Pleegkind stierft, En voor uw getrouwe liefde 't Loon der eeuwigheid verwierft: Heil'ge Jozef, vraag dat wij 1 ^ Zalig sterven, zoo als gij. i
14
N0. 9. Trouwe Hoeder van G-cds Moeder.
=1=
t=tt
1. Trou-we Hoeder vau Gods Moeder, Voedster - va - der
van Gods Zoon Weud uw oo-gen uit deu hoo-gen
Hoor ons smee-ken voor uw troon. Lnid ver - kon - de
=1=1=
ied'-re ston-de Van uw le - ven hier op aard,
ÃÃÃÃiE
It
⢠«
Dat het lij - den steeds ver - blij - den,
⢠»
Dat de smart steeds vreug-de baart.
15
O het griefde zoo uw liefde ,
Toen ge in angst aan scheiden dacht. Maar wat vreugde U verheugde,
Toen U de Engel uitkomst bracht! Jezus weent dan, 't Kindje steent dan Op wat stroo: wat boezemsmart!
Maar als de Englen 't loflied menglen , O dan juicht weer 't vaderhart. Ach , wat smarto brak U 't harte
Op uw vlucht met 't huploos Wicht: Maar d' ellende gaat ten enJe Als het beeld des afgods zwicht; En als 't keeren U komt deeren, Als Herodes Zoon ü kwelt,
Daalde weder de Engel neder, En heeft U gerustgesteld. Godsgetrouwe, welke rouwe,
Bij 't verliepen van uw Kind'.
Welke ontroering, zielsvervoering. Als Ge 't blijde wedervindt!
Zóó was lijden en verblijden,
Jozef steeds uw deel op aard; Wil dan geven, dat ons leven Ons een eeuw'ge vreugde baart!
16
N0. 10. Gaat allen tot Jozef.
l-rr^ l '-#
r
-f,
r
1. Gnat al-Ientot Jo-zef,den Va-derder
droef-heid, Hij
va - der - hart
ar - meu; Hij troost u
Eï=j=üi -I â*â-ââ¢-
1--T
le - nigt uw
sraart. Zijn
^i===^:
i
-F=:
^=±^-=i » » -
gloeit steeds van lief ea er - - bar-men; uw
ÃÃÃÃÃÃESÃïïi
m
t-
be-de zij vu-rig en kome uit hel hart.
2. Geen Engel werd ooit als St. Jozef verheven,
Tot Vader van Jezus kiest God zelf hem uit; Tot Bruidegom wordt hij Maria gegeven, Maria de vruchtbare maagd'lijke Bruid.
3. Maria en Jozef en 't Kind in hun midden,
Wat heerlijk, wat hemelsch verruk'lijk gezicht. Als Jozef het goddelijk Kind nu komt bidden, Verkrijgt hij zoo zeker, zoo spoedig, zoo liciit.
17
4. Hij heeft voor ons allen genade gevonden,
Vlucht daarom tot Jozef zoo goed en zoo rijk; Verbreek dan de onzalige keet'nen der zonden En weest den Gerechte, den Heil'ge gelijk.
5. Na hevigen strijd in dit aardsche gewemel,
Is vrede en ook eeuwig geluk u bereid; Met Jezus, Maria en Jozef ten Hemel, Van strijden en aardsche bekomm'ringbevrijd.
N0. 11. Wees gegroet op blijden toon.
| ||||||
|
1. Wees ge - groet op blij - den toon, Vl' . i |
trou - we hoe - der
Heil - ge Jo
zef
3S
zJipL
âIâ
⢠, 1 :
Van Gods mensch
=|:
SÃ
Van Ma - ri
-»r±Et;:
a zij-ne Moe-der. Heil-f
ge - wor - den Zoon
-3-
*0
zaï
ifcjEl
Jo - zef bid voor mij. Dat ik uw
be â
3E|ESÃ
scherm - ling zij.
18
2. God zag op uw eenvoud neer,
Schonk u immer meer genaden, Ja met u was steeds de Heer Op uw harde levenspaden.
Heil'ge Jozef, bid voor mij, Dat met mij ook Jezus zij.
3. Jozef, o wat heeft u God
Hoog gezegend, hoog verheven; Neen, zoo zegenrijk een lot Werd geen man hier ooit gegeven. Heil'ge Jozef, bid voor mij.
Dat ik ook gezegend zij.
4. Voedstervader van Gods Zoon,
Wil mij toch gena verwerven, Bid voor mij bij Jezus' troon Nu en in bet uur van sterven. Heil'ge Jozef, bid voor mij,
Dat ik sterve zoo als gij.
19
N0. 12. Sroote Jozef, zoon van David.
il
|
â Tl 1 quot;ii | |
|
1. Groot-te Jo-zef, zoon van Da-vid Schutsman van Ma- | ||||||
| ||||||
|
ri - a's eer Dien Je maag - de - lij - ke Moe-der |
Va-der noem-de van den Heer! Trou-we die-naar.
1--ï=J=i
-0- '
die aan 't hoofd stond Van Gods hei-lig huis-ge-ziu.
⢠-.
Wil voor mij ook im-mer zor-geu, Met uw heil - ge
Va-der-min. Wil voor mij ook im-mer zor-gen,
ES5
Met uw heil - ge Va . der - min.
20
2. Toen weleer op uwe reize,
Voor het stadje Bethlehem,
't Kindje Jezus werd geboren,
Droegt ge als vader zorg voor Hem. Legdet Hem met eigen handen Op het kleine stroobed neer;
Blijf Hem thans voor mij steeds bidden! ^ In zijn hooge hemelsfeer. j
3. Wie beschrijft uw leed en blijdschap,
Als gij 't twalefjarig Kind
In Jeruzalem gaat zoeken,
Tot gij 't eindelijk wedervindt;
Moog' ik Jezus nooit verliezen.
Sta mij door uw voorspraak bij;
Help mij rein en schuldloos wandlen 1 ^
Dan woont Jezus steeds bij mij. )
4. Door uw Jezus en Maria
In uw sterfuur bijgestaan,
Is uw heil'ge ziel van de aarde
Naar den hemel opgegaan:
Sta ook gij mij bij met Jezus,
En uw heil'ge echtgenoot,
Als ik huiv'rig voor Gods oordeel, 1 ^
Lig te worst'len met den dood. j
21
N0. 13. St. Jozef te Nazareth.
quot; 'SS s s:/ * « J *
1 1 'â r * ⢠' p rpl ^ 't Ge-heim uws le-vens
slui - erd aan mijn zin,
⢠J ⢠⢠» â
quot;ur
|
hier op aard, In 't hei-lig huis - ge - zin, In | ||||||||
| ||||||||
|
'thei - lig huis - ge - zin. |
2. Hoe zalig als in de ochtendstond,
Der hoem'len Koningin,
ü groetend met haar gouden mond, Trad uwe woning in. (bis)
3. Als Jezus, door den dageraad
Uit zoete rust gewekt,
ü tegenkwam met blij gelaat,
En de armpjes uitgestrekt, (bts)
4. Dan gingt gij de arme woning uit,
Ten arbeid, welgemoed ;
Voor zulk een Kind, voor zulk een Bruid
Was 't zwoegendst werk u zoet. (bis)
22
5. En als dan straks, met kleine schreCn,
üw godd'lijk Voedstervvicht
Op de arme timmerwerf verscheen,
Den blos op 't aangezicht, (bis)
6. Hoe glanst u dan het mann'lijk oog
Bij zulk een vadervreugd!
Wat danklied zoud uw hart omhoog,
Bij zooveel zielsgeneugt ? (bis)
7. En als gij weer aan 't sober maal
Vereend waart, blij te moö, Wat spraken dan, wat hemeltaal. De Maagd en 't Kind n toe? (bis)
8. Of steegt ge dan vereend, tot God,
De hoogste heem'len door,
Beluisterend in stil genot.
Den zang van 't eng'lenkoor ? (bis)
9. Weer gaat ge in 't brandend middaguur.
Ten arbeid, wel te moe.
En zwoegt, geblaakt van 't zonnevuur,
Tot aan de scheem'ring toe.
10. Blonk de avondster, dan keerdet gij
Van zwoegen afgemat,
Wat groete sprak de Maagd dan blij,
Als zij u tegentrad? (bis)
11. Dan lag reeds 't kind in zoete rust
En stilte heersehte in 't rond,
Daar de eng'lenwacht vol hemellust, Om de arme wiege stond, (bis)
12. Ge aanschouwdet daar dat blank gelaat,
Met morgenrood getint.
Ge knieldet zuchtend en aanbadt De Godheid in uw Kind. (bis)
23
18. En als ge straks na de avondbeê,
Zelf gingt ter ruste heen,
Dan waakt uw hart in 's Heeren vreë, Tot de ochtendster wéér scheen, {bis)
14. Zoo zijn uw dagen heengevloón,
In arbeid en gebed,
0 Voedstervader van Gods Zoon, In 't stille Nazareth, (bis)
15. O vlieden zoo in stillen vreö
Ook mijne dagen heen,
Tot God, na 's werelds zorg en wee,
Mij de eeuw'ge rust verleen! {bis)
16. O Jozef, zoo uw vaderhand
Slechts mijne schreden leidt.
Dan zing ik eens in 't vaderland, üw lof in eeuwigheid, {bis)
N0. 14. De zoete Namen.
24
2. Vreugd is 't daarboven, als wij hier loven
Jezus, Maria, Jozef!
In vreugd en smarte, zeg' steeds ons harte Jezus, Maria, Jozef!
3. Duivelen vluchten, als wij verzuchten:
Jezus, Maria, Jozef!
Engelen dalen, als wjj herhalen;
Jezus, Maria, Jozef!
4. Zingt met behagen, dan alle dagen :
Jezus, Maria, Jozef!
Wilt het herhalen, eindlooze malen; Jezus, Maria, Jozef!
5. Tot wij eens zingen, in beter kringen:
Jezus, Maria, Jozef!
Tot wij met d' engelen, 't zegelied meng'len Jezus, Maria, Jozef!
25
N0. 15. H. Drietal Wees gegroet.
-k
mi
i:
-te-
Naam van Je-zus, wees ge-groet Uit het v-ol-le
' ⢠#
Eu Ma - ri - a, naam zoo zoet.
-fâ1---â«-quot;-ir*quot;»-â;-
Jo - zef troost in smar-te: Hei-lig drie-tal,
^ !Æ' 't' *.*' 'J
wees ge - groet. Wees ge-groet, ge-groet te sa-men;
1
har - te,
;b=dz
Ã^=ferEi:tErEE-i=E
â1:=
ster-veud stij gen uit'tge-moed Nog die zoe - te
-iâi-
ztztjz
J2==^
=gt;=
0 '
=£=ns
Na - - men.
26
2. Zoekt de duivel ons ten val,
Spant de wereld samen, Wij herhalen, heilig tal, Uwo zoete namen:
Heilig drietal, enz.
3. Lacht der zinnen wellust toe
Om ons te beschamen;
Wij, wij zingen nimmer moe
Uwe zoete namen.
Heilig drietal, enz.
4. Jezus, Jozef, Moeder zoet,
Overdierbre namen ,
Heilig drietal, wees gegroet, Wees gegroet te samen. Heilig drietal, enz.
IT0. 16. Dauwt Heem'len uwen God en Heer.
J;
zrn
SSüf;
â1
u - wen God en Heer,
1. Dauwt Heem'-len
lliü
iüïi
Zend wol - ken den ge - rech-ten neer.
-0â#âlt;
EEEÃEEEEÃEl
zij de schoot der
Out - slo - ten
aard,
=fir-ï=t:
---
Die ou-zen God en Hei ⢠land baart!
27
Emmanael, ach toef niet meer En daal tot uwe kind'ren neêr; Nog treurt en klaagt en rouwt het al In 's werelds bitter tranendal.
Bezoek, o Vader, toch uw kroost En zend tot hen der beem'len troost; Zend Hem, die uit dit tranendal Als losprijs han verlossen zal.
Verhef U toch, o levenszon.
Ontsluit ü, onze levensbron, 0 Jezus, Jezus, God van God, Ontferm U over 's menschen lot.
Dan zingen wij des Heeren prijs, Dan wordt deez' aard een paradijs, Als Gij, o Jezus, met ons woont, En ons den weg des Hemels toont.
Ach! dauwt dan beem'len uwen Heer, Zendt wolken den gerechte neer, Ontsloten zij de schoot der aard. Die onzen God en Heiland baart!
28
N0. 17. Te Beth'lem is geboren.
--qâ1--q--=|â
m
=3=
r
r
1. Te Beth'- lem is ge - bo
ren Een
JâJ-
=g-^lâiâ
|rz:il=i|âjz -â'â»âj
______m__- � f .
r
U
|
T u ko - ren; De lief-lijk kin - de - lijn; Dat heb ik uit - ver-| j-vj--1 | , | )--J-n t:yz=?z=:^zpdz:?=:f-|z=ödErpzrE^d |
u zij - ne wil ik aT-j. 0 I I zijn. E- H=!= |
-r
l
1?
i
zijn.
zij-ne wil ik
I 1 I
ja, e - - ja, de
Het is een Kindje teeder,
Maar aller Heer en God:
Het daalde uit Sion neder, Uit meêiy met ons lot.
Eja, eja, meêlij met ons lot. 't Lacht ons met rozelippen En minlijke oogjes toe,
En laat dat woord ontglippen: »Weest menschen wel te moê ! quot; Eja, eja, weest menschen wel te moö!
2.
3.
29
fik daalde voor u neder
»En nam uw schuld op mjj;
»Mijn Vader roept u weder »Naar 's Hemels feestgetij.quot;
Eja, eja, naar 's Hemels feestgetij.
Dus Kindje juicht mijn harte En wil ü minnen teêr,
In vreugde en ook in smarte. En immer meer en meer.
Eja, eja, en immer meer en meer.
't Zal naar uw liefde streven.
Zooveel het streven mag;
't Zal U zich zei ven geven.
En wat het geven mag.
Eja, eja, en wat het geven mag.
Dan moog ik in uw woning,
O Jezus, eeuwig lang Ook zingen ter belooning.
Voor U een jubelzang.
Eja, eja, voor U een jubelzang.
30
N0. 18. Stille Nacht, heilvolle Nacht.
i r i p i r ii
1. Stil - le nacht; Heilvolle nacht, Nacht vol
fTquot; r quot;f i ^ i
pracht, Die ons bracht Den ver - los - ser van
\ y \ r ii r P i
't mensch-lijk ge - slacht, 't Kind reeds eeu-wen zoo
i^i f f f ^
vu - rig ver - wacht; Dat ons zoo goe-dig toe -
2. Godd'lijk Kind, liefdevol Kind,
Dat ons mint, dat ons bindt Door uw liefde, die alles verwint, In geen liefde haar wederga vindt, Immer vergevingsgezind! (his.)
31
3. Kindje lief, Kindje zoo zoet,
Hoogste goed, zie, ik spoed
Mij ter kribbe en ik val u te voet, Gij versmaadt geen vermorzeld gemoed. Kindje zoo goedig, gegroet! (bis)
N0. 19. Arme Jezvn in uw leven.
piSÃigliÃi
1. Ar-me Je-zus! in, uw le - ven Voorbeeld van vol -
---1--u--1--------Tâ|-Ã-
â-jr-- -4-â^---1----1â1-
maakt ge - luk. Leer ons dat voor ons op aar - de Licht uw last is, zoel uw juk. Ar-me Je-zus!
Ã
geef dat wij Arm va'i geest zijn zoo als Gij,
a
⢠«
Ar-me Je zus geef dat wij Arm »an geest zijn
m
zoo als Gij.
32
Arme Jezus! die in ai-moG Werdt gebaard te Bethleöm, En tevreden uwe moeder Volgdet naar Jeruzalem!
Arme Jezus! geef dat wij 1 ^ Zoo tevreden zijn als Gij. J Arme Jezus! die met Jozef
Werkzaam waart te Nazareth,
Op zijn wenken altijd lettend,
Op nw arbeid nauwgezet!
Arme Jezus! geef dat wij (
Moedig werken zoo als Gij. i Arme Jezus! die tot vrienden Arme visschers hebt gezocht;
Geef dat wij aan geld of grootheid Nooit op aarde zijn verknocht.
Arme Jezus! geef dat wij I ^
De armoö minnen zoo als Gij. J Arme Jezus! ach, wij bidden
Geef ons slechts ons daaglijks brood! Maak ons rijk in eer en deugden, Arm maar eerlijk tot den dood!
Arme Jezus! geef dat wij 1 Heilig sterven zoo als Gij. J
33
N0. 20. Jezus' liefde voor de zielen.
O felice chi giimger potesse.
|
-*=quot;â 1. O God wat is de measch ge - luk - kig! | |||||||||||||||
| |||||||||||||||
|
Die ster-ven mag van lief-de - smart Voor Je - zns, die in liefde en schoon-heid | |||||||||||||||
| ||||||||||
|
Elk an - dre liefde en schoon - heid tart. |
2. üit liefde voor zijn arme scheps'len
Neemt Jezus alle vormen aan,
Om ze aan zijn godd'lijk Hart, te boeien, En in een liefdeband te slaan.
3. Hij 't godd'lijk Woord daalt neêr op aarde
En ziet als kind het levenslicht, De Liefde komt om liefde smeeken.
Zoet schreiend als een hulploos wicht,
4. Dan als een arm en schoone jong'ling,
Neemt Hij een needrig handwerk aan. Vindt in eon lage werkmanswoning. Hard zwoegend, zijn gering bestaan.
34
5 Ten laatste toont Hij zich aan allen Als oproerling geboeid, gesard, En eindigt zoo zijn pijnlijk leven, Gedompeld in een zee van smart.
6. Nu, onder schijn van brood verborgen,
Breidt Hij nog steeds zijn armen uit Naar ied're ziel die tot Hem ijlend, Hem volgen wil als zijne bruid.
7. O zwijg dan, zwijg, gjj valsche wereld,
Verwacht geen liefde meer van mij; Een ander heeft mijn hart veroverd, Meer min'lijk, meer getrouw dan gij!
N0. 21. Lijdenslied.
1. O Hartom on - ze zon den, Zoo uiterst diep ge-hoond, O Hart zoo vol van won-den, Met
Hgquot; . . 1â1=f=3^=p^-ââ^q=q
door nen wreed ge - kroond ! U ko - men wij ver -
35
| ||||
|
ee - ren, U, god - lijk Hart vol smart: Be |
1---#-l_#-0 ----l-ö?-
m
±
mind, o lie - ve Je zus, zij steeds uw hei-lig Hart!
2. O Hart, op 't kruis doorstoken,
Uit loutre liefdegloed.
Dat eens voor ons gebroken, Sinds reinigt door uw bloed, U komen wij bedanken,
Voor zooveel liefdesmart:
Bemind, o lieve Jezus,
Zij steeds uw heilig Hart!
3. O Hart, nog steeds vergeten,
Door zielen zonder tal,
Nog zóó van-een-gereten,
Door veler zondenval,
U komen wij vertroosten Voor zooveel smaad en smart; Bemind, o lieve Jezus,
Zij steeds uw heilig Hart!
r -
36
N0. 22. Sitio: Ik heb dorst!
|
1. Hij liet het hocfd reeds han - gen Op de af-ge-mat-te borst: Het doods-bleek kleurt de | ||||||||||||
| ||||||||||||
|
wan - gen Van 's He-mels Op - per - vorst; Dan klaagt Hij vol ver - lan-gen, Zijn fel-lcn dorst. Zijn |
| ||||
|
fel - len dorst. |
2. 'k Heb dorst 1 Wat storm van plagen,
O eind'loos minnend Hart,
Hebt Gij zoo stil gedragen. Wat schande en smaad getart! Van waar uw pijnlijk klagen, In lichter smart? (his)
3. Ach wist gij, wat zoo griefde
Het Hart van uwen Heer!
Hoe wreed mij 't staal doorkliefde,
37
'k Wenscli duizend wonden meer; Mijn lijden is mijn liefde,
Oneindig teer. (bis)
Zij , groeiend alle stonden
Brengt mij in stervensnood; Zij perst uit mijne wonden , Die drupp'len , bloedig rood.
Niets kan haar gloed verkonden: Ze is eind'loos groot, (bis) Wat baat, of ge op mijn klagen Me één enk'len druppel biedt ? Zal die de vlam vertragen , Die door mijn boezem schiet ? O mensch , gij kent mijn plage , Mijn dorsten niet. (bis)
Al brak de zee haar stranden Ter laafnis van haar Vorst, Al brak de vloed zijn banden , Dien 't zwerk der heem'len torst Nog zou de vlamme branden In mijne borst, (bis)
Mijn vlamme brandt daar binnen , Mijn hart kwijnt door haar gloed ; O mensch , om u te minnen Stortte ik mijn hartebloed;
Ik dorst naar 't wederminnen Van uw gemoed, (bis)
Daarvoor heb ik geleden
Mijn smarten eind'loos groot, Daarvoor heb ik gestreden In harden stervensnood;
Daarom voor 't laatst gebeden , Nog in den dood. (bis)
38
9. O Hart, van liefde dronken, Is dit uw laatste beö? Deel dan uw liefdevonken Ons ijskoud harte meê ! U is ons hart geschonken. Ach, sterf in vretS! (bis)
N0. 23. Het is volbracht!
Sinds drie be-nauw-de ston - den Hangt 't GocT-lijk Of-fer - lam Aan 'fc kruis, waar op 't de
| ||||||
|
zon - den der we - reld boe - ten kwam; Het bloed der o-pen won-den Kleurt de of-fer-stam, Kleurt de of-fer stam. |
3d
De dag hield op te blinken En zonk in sombren nacht,
Toen 't lam het hoofd liet zinken ; In ongekende kracht Van 't krais het woord deed klinken : »Het is volbracht!quot; (bis) Volbracht is 't werk der liefde In lijden, lang en hard; Wat lijdenswee ooit griefde Met scherpen smaad en smart, Wat zwaard ooit boezem kliefde, 't Drong door zijn hart. (bis) ^Volbracht 1quot; zoo klinkt in glorie 1 In forschen koningschreeuw, Het lied der kiuisvictorie Van Juda's sterken Leeuw, Beheerscher der historie Van eeuw tot eeuw. (bis)
Tot 's werelds verste palen Bolt dondrend de echo voort; In 's hemels hoogste zalen Is 't stervend woord gehoord ; De afgronden ook herhalen 't Ontzaglijk woord, (bis) Hij slaat nog eens ten hoogen Zijn blikken naamloos teer.
Weer heeft Hij 't hoofd gebogen, Droef naakt de dood zijn Heer. Nu sluit Hij stervend de oogen, â Hij is niet meer! (bis) ^Volbracht!quot; Daar stort doorstoken De hel vorst van zijn troon;
Zijn scepter is verbroken,
40
Ter aarde ligt zijn kroon;
Zijn vonnis is gesproken Van eeuwgen hoon. (bis)
Zie, 't aardrijk treedt herboren üit Christus' hartebloed, Als Koningsbruid verkoren,
Haar redder te gamoet;
Haar strekken de englenkoren Ten bruiloftstoet, {bis) ^Volbracht!quot; als wierookwalmen, Steeg 't Offer naar Gods troon; De hemelen weergalmen, 't Triomflied van Gods Zoon; Gods engel vlecht uit palmen Zijn zegekroon, (bis) Wat lichtgloed komt daar zweven Langs de uitgeblonken sfeer? De God van dood en leven Blikt op het aardrijk neer; Hij kent, aan 't kruis geheven, Zijn dierb'ren weer. (6ü) Hij ziet heel de aard' bedropen Met Jezus' kostbaar bloed; Hij sluit de heemlen open , De schuld is uitgeboet; De wereld blikt vol hope Naar 't eeuwig goed. (bis. Ver wijkt van de aard het duister Nu God haar tegenlacht; Omstraald van hooger luister Treedt ze uit haar langen nacht Eén lied van zege ruischt er: )gt;Het is volbracht!quot; (bis)
41
N0. 2i. Hier, hier zegeviert uw liefde.
1. Hier, hier ze - ge-viert uw lief - de, Brandt zij in haar
iÃSiiÃigg
~âiâ
hoog-steó gloed; Hier ontwaakt gij, Zoe - te Je-zus.
Door uw schich ten't koudst ge-moed. Al - le har-ten,
al - le ta len Mo gen 't eeu- wig laid her-ha-len
m »
Wees ge â ze gend zon-der end, Je-zus in
----1â!--4.
Sa ⢠era ⢠ment I
42
2. Hier, hier blijft Gij, zoete Heiland;
Uw beminden steeds nabij.
Opdat slechts uw minnend Harte Hunne hoop en toevlucht zij;
Hier verzacht uw teed're liefde 't Lijden dat ons harte griefde : Wees gezegend zonder end,
Jezus in mv Sacrament!
3. Wie er zucht op 's levens reize,
Afgemat door langen strijd, Kom' zich aan den maaltijd zetten, Dien uw liefde hier bereidt!
Waar Ge ü zelve schenkt tot spijze En ter laaf'nis op de reize :
Wees gezegend zonder end,
Jezus in uw Sacrament!
N0.25. Mijn ziel wat toeft gij op deez' stonde.
Anima mia, che fai ?
Mijn ziel, wat toeft gij op deez'ston-de, Be-min die
| ||||
|
Het is uw |
zijn lief - de biedt;
Tm
⢠â¢
43
==l=T7^Ã=iir=; â0âé ' éâ hâ
^1=0=
i
God, die smeekt om lief - de, En gij, o
m
_(S--0*
0 ' *
inensch, gij schenkt ze niet ?
2. O zie, van liefde voor ü gloeiend
Verwijlt uw Jezus hier op aard; Het opperst Goed, 't oneindig Wezen, Wordt onder schijn van brood bewaard.
3. Om zich geheel aan U te schenken,
Noodt Jezus u ten vriendendisch, En spijst u met zijn godlijk Lichaam, Dat u het Brood des levens is.
4. En gij, mijn hart, bij zulke vlammen
Ontsteekt gij niet in liefdegloed?
Mijn ziel, gij geeft u niet gewonnen, Bij zulk een liefdesovervloed?
5. Ja, geef u over, min uw Jezus,
Die al uw liefde waardig is;
Hij schenkt zich weg als pand van liefde,
Als voedsel aan zijn heil'gen disch.
44
N0. 26. O Brood des levens!
-si-
O pane del cielo. ^=T=i
j J O brood des le - vens! kost-bre spij-ze! quot; ^ Die hier mijn God op wond'- re wij - ze
.jf _p_y:: -Jâ
O bo - ven al - les dier-bre schat, V q w-1j ^ In schijn van brood ge - heel be - vat; ^
^:Egz3z:jEg=§=j=jâ
min - nen, U aan - - bid-den, O Je - zus,
I
oâ-si-Je - zus, maat-loos zoet! Wat blijft Gij liefd'-rijk
Frj~dquot;ri=^::PT=p=it=Tri h:
in ons mid-den En spijst ons met uw
Vleeech en Bloed.
45
O hartversterkend brood des levens, Wat feestdisch hebt gij mii bereid! O onderpand en voorsmaak tevens Van 't leven der onsterflijkheid!
Ik leef niet, ik, o neen, mijn leven.
Mijn God, mijn goede God zijt gij; Gij hebt mij 't leven hier gegeven, Gij voedt, versterkt en zaligt mij.
O mijn beminnelijke goedheid,
Die met geweid mij overmant.
Mijn hart, in liefdevolle zoetheid, Omstrengelt met onbreekbren band! O liefde zoet! ü zij mijn leven,
Altoos, altoos, blijf ik ü bij ;
Gij hebt ü zelf aan mij gegeven : Aanvaard, o God, aanvaard ook mij. TJ zal ik zien in 't zalig Eden, Van aangezicht tot aangezicht, Om U daar door alle eeuwigheden Te minnen in uw glorielicht.
Ja zeker, 'k hoop U daar te aanschouwen, Mijn God, die in mijn binnenst leeft! Mag ik den Hemel niet vertrouwen Van Hem die mij zich zeiven geeft?
44
N0. 26- O Brood des levens!
O pane del cielo.
-i-f-jâij
=t:
^--4â«iâ»i-
j brood des le - vens! kost-bre spij-ze!
^ Die hier mijn God op wond'-re wij - ze
ï=
O bo - ven al - les dier-bre schat, ^ ^ w.j In schijn van brood ge - heel be - vat; (
min - nen, U aan -
,=4=io=tl^
bid-den, O Je-zus,
-t=--
Je - zus, maat-loos zoet! Wat blijft Gij üefd'-rijk
in ons mid-den En spijst ons met uw
3=-' '] ^ |
Sâiârj--D
--O-5)
Vleesch eu Bloed.
45
O hartversterkend brood des levens, Wat feestdiscli hebt gij mii bereid! O onderpand en voorsmaak tevens Van 't leven der onsterflijkheid!
Ik leef niet, ik, o neen, mijn leven,
Mijn God, mijn goede God zijt gij; Gij hebt mij 't leven hier gegeven, Gij voedt, versterkt en zaligt mij.
O mijn beminnelijke goedheid.
Die met geweld mij overmant,
Mijn hart, in liefdevolle zoetheid, Omstrengelt met onbreekbren band! O liefde zoet! ü zij mijn leven,
Altoos, altoos, bliif ik ü bij;
Gij hebt ü zelf aan mij gegeven : Aanvaard, o God, aanvaard ook mij. TJ zal ik zien in 't zalig Eden, Van aangezicht tot aangezicht. Om U daar door alle eeuwigheden Te minnen in uw glorielioht.
Ja zeker, 'k hoop U daar te aanschouwen. Mijn God, die in mijn binnenst leeft! Mag ik den Hemel niet vertrouwen Van Hem die mij zich zeiven geeft?
46
N0. 27. Na de H Communie.
-J--1--1--
Jtzfâ^
C
1. Wil nu 't lied der lief-de zin - gen,
iï-1--1---
« «
Breek mijn ziel in zan - gen nit. Nu gij Hem, dien 's He-melskrin-gen Niet om-Tat-ten, in u sluit.
i
1
' 0
0 »
* #â0
'k Heb den-ge - ne dan ge - von - den, Dien al-leen mijn
=1â#âi J |=iâ1-4- ^ 1 =r|-r^
ziel bemint. Ach, geen tong zal 'tooit ver-kon-den.
Ã8E-.
0â*
' -iâ
quot;Wquot;
Wat een hart in
Je - zus vindt.
47
Groote God, Gij, Gij de mijne,
En ik arme, de uwe, Heer,
Neen geen dood, geen hel, geen pijne, Neen geen wereld scheidt ons meer. Ja, wel is de Beker heerlijk,
Die mijn ziel nu dronken maakt;
Zoete Spijze , hoe begeerlijk ,
Slechts door 't rein gemoed gesmaakt 1
Kostbre Vrucht van 't hemelscli Eden, Reeds in 't aardsch voorafgebeeld,
Manna, vol van zoetigheden, Dat onsterflijk leven teelt.
Kostbre Wijn, bij stroomen vloeiend Van Calvaries kraishoutstam,
't Hart verkwikkend, 't hart ontgloeiend, 't Al verteerend door uw vlam!
'k Leef, niet meer door eigen leven Jezus, Jezus leeft in mij,
Aan mij zelf en de aarde ontheven,
Vier ik 's hemels hooggetij.
'k Voel een zee mijn ziel doorbruischen, Waar mijn leven in verzwindt,
'k Hoor nu de eeuw'ge zangen ruischen, Of mijn zaligheid begint.
Heer, wat zal ik wedergeven Voor die liefde oneindig groot?
Niets toch is 't, als 'k bloed en leven. Heel mij zelf ten oifer bood.
Spreek, o Heer , uw dienaar luistert, Spreek, o Heer, wat vordert Gij ? 'k Hoor uw stem, die zachtkens fluistert Dierbre ziel, bemint gij mij?
48
6. Ach, Gij weet het, God mijns harten, U is heel mijn hart gewijd;
U, mijn liefde in vreugd en smarten U, mijn ziel in eeuwigheid.
Dierbre Jezus, nog één bede Voor dat ik uw huis verlaat,
Laat mijn ziel uw zoeten vrede, Hoed mij toch voor alle kwaad.
A-
N0. 28. Mijn Jezus, ik wil U alleen.
3^
1. Mijn Je-zus ik wil ü al-leen, Waar Gij ook wilt, ik
Lfej i i jU-j-TipT» r\
volg uw scbreên, In bit-tre smart, bij fel-len spot, Is
ü be - ha-gen mij ge-not. Ik vol-ge uw wen-ken
---0â * -j
ri=zai=
3
ÃiÃ^Ã
meer en meer. Ver - vnl me een weosch slechts.
±üâ
riÃ
-w
lie-ye Heer, Dat lo-ven tol zijn laat sten slag. Uw
_r--0â^---1 lt;----
zlzzz^z -tlâ
⢠«
Sa - era-ment mijn har - te mag.
49
Mijn Jezus, ik wil U alleen,
Naar ü gaat al mijn vreugde heen;
Neem 't beste, 't liefste weg van mij, Mijn bloedend harte volgt U blij;
En is dan alles heengegaan,
Met meerder drang roep ik U aan : Dat loven tot zijn laatsten slag, Dw Sacrament mijn harte mag.
Mijn Jezus, ik wil ü alleen,
⢠Wilt Gij mij krank, ik ben tevreön,
Wilt Gij mij arm, ik dank ü weer,
Wilt Gij me in pijnen, U zij eer,
Wilt Gij mij lijdend onverpoosd,
Sla toe, o Heer, ik ben getroost, Nu loven tot zijn laatsten slag, Uw Sacrament mijn harte mag.
Mijn Jezus,, ik wil U alleen.
Geen droom van weelde lokt mij heen, Noch aller wereld ijdelheid,
Niets dat mij van uw altaar scheidt; Gij zjjt mijn liefde, schoon en groot, Niets scheidt ons, niets, geen smart, geen dood, Zoo bij den laatsten, feilen slag. Uw Sacrament mijn harte mag.
50
5. Mijn Jezus, ik wil U alleen,
En nu en in alle eeuwigheön.
Wat trekt mijn ziele hemelwaart?
Geen glorie met genot gepaard,
Maar Gij, mijn Heer, mijn heil, mijn God ;
Mijn zaligheid in 't lijdenslot.
Nu loven tot den laatsten slag,
Uw Sacrament mijn harte mag.
N0. 29. Gegroet o Wonden van den Heer.
1. Ge - groet o Wod - den van den 2 Geen ster straalt met zoo held' - ren
Heer, O lief-de - pan - den, eind'-loos schijn Geen roos noch bal - sem geurt zoo
®EEg^f^$EEEÃEElE5EEiEE$^Eti
teer. Waar-uit de niet te stremmen vloed Ons fijn. Geen keur-ge steent heeft uw waar - dij, Geen
j j rOTtüyjLzg
toe-stroomt uit zijn pur - per bloed.
ho - nig iamp; zoo zoet als gij.
51
3. Gjj zijt de blijde en open poort
Van onzer zielen toevluchtsoord,
Waar nooit hoe fel zij ook bespringt Des vijands woede binnendringt.
4. O Jezus in den hof ontkleed,
Wie telt de slagen die Gij leedt. Wie telt de drupplen van het bloed. Dat uw verscheuring stroomen doet!
5. Dat voorhoofd ach, zoo lief en schoon.
Doorsteekt de scherpe doornenkroon. En om de stompe nagels bloedt Een breede wond in hand en voet.
6. En als in liefde maat'loos groot.
Hij 't leven prijs laat aan den dood. Wordt door de lans zijn hart doorboord, En vloeit er bloed en water voort.
7. Komt snelt dan allen toe, die met
De schuld des doods u ziet besmet ;
Want wie in 't heilbad van Gods Zoon Zich aiwascht, wordt weer blank en schoon.
8. Hem, die aan 's Vaders zijde troont,
Zij eeuw'ge dankbaarheid betoond. Hem, die ons vrijkocht door zijn bloed, En door zijn Geest volharden doet.
52
Nquot;. 30. Voor Jezus' Harte zinge.
±
' » m 0
1-
1. Voor Je-zus' Far - te zin - ge Mijn
^ipÃpjigÃpÃg
^Ieej-hâ Ã-
ziel in rein ge - neogt; Door al - le wol-ken
3=i=i3=S
-dn
-{â - \--
drin - ge de lui - de toon der vrengd; Ge -eerd ten al - len tij - de Zij Je - zns'hei-lig
i=iö
hart! Dat al-Ier hart zich wij - de. Aan't Hart vol liefde en
smart, Aan 'tHart vol lief-deen smart.
53
2. O Hart voor mij gebroken,
üit louter liefdupijn,
Om mijne schuld doorstoken,
Mocht Gij mijn redder zijn.
Geëerd ten allen tijde,
Zij Jezus' heilig Hart,
Dat aller hart zich wijde,
Aan 't Hart vol liefde en smart, (bis)
3. Uit breede Hartskwetsure
Sprong water, heilig bloed,
Hoe rijk stroomt sinds die ure Ons uw genadevloed.
Geëerd ten allen tijde.
Zij Jezus' heilig Hart,
Dat aller hart zich wijde,
Aan 't Hart vol liefde en smart, {bis)
4. Heer Jezus ééne bede,
Slechts ééne, gun ze mij :
Kuim mij een zoete stede In uw doorboorde zij.
Geëerd ten allen tijde,
Zij Jezus' heilig Hart,
Dat aller hart zich wijde,
Aan 't Hart vol liefde en smart, (bis)
54
N0. 31. Zegezang op het Goddelijk Hart!
-«-i
e
'^r: :.;U ; :| : g
1. Welkeen schouw-spel! 't Hart der har ten
r-j I Iquot; .
'sEeuw-^en Va-ders eeuw-ge Zoon, In een
bfezz:
ï-=Ft
SÃÃ
zee van smaad en smar-ten Op het schand-lijk
kruis ten toon. Waar zijn haat-ren Hem om -
/TN
schaat'-ren Met een storm van spot en hoon.
Waar zijn haat'-ren Hem om - schaaf-ren
^Eg=3E
m ^ .i
Met een storm van spot en hoon.
55
2. Waar dat Hart tot zeven malen
Uit zijn rijkste schatten nam :
Zeven paarlen, zeven stralen Van zjjn goddelijke vlam , Liefdetolken , alle volken gt;
Koepend tot zijn kruishout stam. j
3. Waar dat Hart een viertal vlieten
Over Golgotha en de aard Uit zijn diepste voort ziet schieten Meer dan paradijzen waard,
Sinds zijn Handen 't kruis omspanden,
Dat een eeuwig Eden baart.
t. } bis-
| bis.
i. Waar dat Hart in 't eind gebroken Door zijn namelooze smart,
Ja, tot op den grond doorstoken. Des Gerechtsten rechten tart,
En die rechten komt bevechten Met die eeuw'ge wond in 't hart 5. Welk een schouwspel! God der liefde! Wie vergeet het nog voortaan,
Sinds de speer uw boezem kliefde, En uw Hart bleef open staan ,
Om te ontvangen, die 't verlangen 1 Er voor eeuwig in te gaan! i ' '
56
Slotcouplet.
6. Ik ver - lang het, ik be-geer het, ja, ik
^â4
»^g w--âi -----
wil, ik moet het Heer! Sterk dat wenschen
ÃriglSEiÃiii
rzttr-
1
en ver-meer het; Maar ik hid het en he -
=!==lq=
(Moetik le-ven laat mij ge - ven, Hart voor zweer ⢠⢠â¢
Y-^oetik lij-den, laat mij strij-den. Al - toos
Harten ira mermeer; Moetik le ven, laat mij moe-dig, al-toos meer; Moet ik ster-ven, doe mij
i
ge-ven Hart voor Hart, en immer meer. er ven,'t Hart dat ik al - leen be - geer.
57
N0. 32. Somber woud, dat door uw zwijgen.
Selva romita e oscuqa.
1. Som-ber woud. dat door uw zwij gen Schijnt te
treu-ren om mijn smart; Lui - ster naar mijn boe-zem-hij-gen Naar den klaag toon van mijn hart.
Ej^=ücjâjcpj==i-J
---#tâ#â!â*â#- 9 ij# --Hâ
2. Hoor toch naar mijn ziels ge - flui ster, Breng mijn
bang ge-moed tot rust Laat mij in nween-zaam
#-------' oâs) --
dni â ster Droe-vig zijn naar har - te - last.
58
3. Ja, mijn tranen zullen vlieden,
Tolken van mijn diepe smart;
Tot ik u, o zielsgenieten !
Weer mag drukken aan mgn hart.
4. Ach, waar hebt gij n verscholen,
Jezus, die mijn hart verwondt?
Moet ik hulpeloos dan dolen , Ver van u, op vreemden grond?
5. Waar, waar bleef dat zoet verleden,
Toen mijn God als speelgenoot. Mij een stroom van zaligheden Troostend in het harte goot?
6. Als hij in mijn slaap van liefde
Met zijn pijlen tot mij kwam; Mij dan eerst het hart doorgriefde En 't zich dan ten aandeel nam?
7. Als ik teedere zuchten slakend.
Minnend beemd en woud doorliep. En steeds feller voor hem blakend, Meer en meer om liefde riep?
8. Ach wat storm is opgestoken,
Na dien vrede kalm en zacht 1 Is dan 't hemellicht gedoken In een bangen zwarten nacht?
9. Waar ik ook mijn blikken wende,
Angst en droefheid grijpt mij aan; 'k Zie een toekomst vol ellende Sidderend voor mij open gaan. 10. Eenzaam ben ik dan verlaten,
Wreed van Jezus losgerukt, Wat kan menschentroost toch baten Aan mijn hart zoo diep bedrukt?
59
11. 'k Voel den dood mij steeds benauwen
En toch velt hij mij niet neer, Nergens, waar ik rond mag schouwen Nergens vind ik uitkomst meer.
12. Van mjjn Jezus gansch begeven,
Wil ik vluchten... maar waarheen? Daar de leidstar van mijn leven Uit het starend oog verdween.
13. Toef, mijn Jezus, toef niet langer,
Eenzaam zit ik hier terneer,
Immer wordt mij 't harte banger, Troostloos zucht het immer meer.
14. Word verzoend, mijn zieleweelde.
Ach, ik leed reeds lang genoeg, Dat uw hand die wonden heelde , Die uw liefde me eenmaal sloeg ?
15. Mag ik niet de reden wraken,
Die u van mij vluchten deed;
Toch zal ik den band nooit slaken; Door uw liefde mij gesmeed.
16. Ja, mocht gij mij van u drijven,
Smaaddet gij mijn droeve beön: Ik zal eeuwig bij u blijven.
Eeuwig, eeuwig de mve alleen.
17. Ja, ik min u, schoon ge uwe blikken.
Thans vijandig op mij slaat;
Vlucht, ja vlucht, toch zal uiijn snikken U steeds volgen, waar ge ook gaat.
60
N0. 33. Waar ben ik! in wat heerlijk Eden!
Dove mi trovo ! deh qual è questa.
---!=p | | | p-|
1. Waar ben ik! in wat heer-lijk E-den?
|
k-^âs=^z Pâ0 I I Wat lief-lijk zach - te '.-i: ' i l 1 ^ ^ |
0=3 =P- ! P len - te - lucht Door - |
:=!=
I I
5fe=^:
quot;t quot; r
;ââJâI *âTââ¢âëj-â0âI
P - r
za - lig - - he - den
^3
bal - semt mij met
1=±Z
|
V En doet mij ba - den |
P ^ I nngt? in ge - |
2. Wie heeft mij in die lust-pri - ee - len,
61
ttqz--âjrr^n-⢠«--# 1 f _ »^0---li
pii r ^ u f
In dien ge - slo - ten tuin ge - - bracht,
^^r^Frrfquot; -r-rrt-r
Waar lea - te - ze phyrs 't har - te stree - lea,
râfi--j-
pâ
Met bloe-sem - geu - ren rijk be-vracht?
3. In zoete sluimring mag ik rusten,
Bij 't kweelen van der vooglen lied. Verdwijn, o wereld, met uw lusten, Ach stoor mijn stillen vrede niet.
4. Ik ben door liefde gansch bevangen
Neen, schijnschoon dat de wereld biedt, Niet langer blijft het aan u hangen. Het hart dat Godes troost geniet.
5. Ja, zonder vunr voel ik mij branden.
Ik ben gewond, maar zonder schicht, Ik ben geboeid, maar zonder banden, In 't duister vind ik eeuwig licht.
6. Door duizend ketenen gebonden,
Voel 'k duizend pijlen in mijn hart; 'k Ben overdekt met liefdewonden: â Wie de oorzaak zij dier liefdesmart?
62
7. Ik voel luij leven, sterven tevens,
Ik leef, al stervend van genot: O vreugde niet voor duizend levens Verwisselde ik mijn zalig lot.
8. Ik wensch in eenzaamheid te zwijgen,
'k Wil spreken over teedre min;
'k Wil rusten, 'k wil naar boven stijgen Naar liefdes einddoel en begin !
9. Ben 'k eenzaam in gebed verzonken,
Dan is mijn ziel het minst alleen; Heelt mij de liefde vastgeklonken. Dan stijg ik vrij ten hemel heen.
10. Ik zoek verneedring â wordt verheven,
'k Laat alles staan -â vindt alles weer; Van 's werelds schijngenot begeven Geniet ik duizend vreugden meer.
11. Ik kwijn, en altijd wil ik kwijnen.
Ik wensch een vuur, dat mij verteer, 'k Wil leven â wil van de aard verdwijnen Mijn God, Gij weet wat ik begeer !
12. Ik min, maar doelloos is mijn minnen.
Ik zoek, maar zonder dat ik vind. Slechts dit verkondt een stem daarbinnen; sEen maatloos Goed is 't dat gij mint.quot;
13. O gij door liefde Gods gewonden,
O zegt mij welke leniging,
Gij in uw krankheid hebt gevonden
Bij 't vlijmen van die liefdekling.
14. Maar niemand hoort mijn boezemhijgen,
En gij, naar wien mijn ziele smacht, Hoe hooger mijne zuchten stijgen. Te minder hoort Gij naar mijn klacht.
15. O liefde, die mij kwaamt doorboren
O zeg mij, zeg mij, wie gij zijt?
63
Laat éénmaal slechts uw stemme hooren, Slechts eenmaal, en ik sterf verblijd.
16. Mijn Jezus, sta mij toe te klagen:
Weet Ge alles en mijn liefde niet? Hoe kunt Gij dan mijn hart zóó plagen, Dat zich zoo dringend aan U biedt?
17. Ik voel mijn hart van liefde sterven,
En Gij bemint mij ook zoo zeer; Waarom dan moet ik eenzaam zwerven, Daar ik van droefenis verteer?
18. Ach wreede minnaar ! Doch, o Heere,
Wat zeg ik? Duizendmalen neen? Gij weet toch, dat ik niets begeere Dan uwen wil â en dien alléén.
19. Mijn God! uw liefde doet mij ijlen.
Mijn geest en woorden zijn verward; Gewond door uwe scherpe pijlen,
Ben ik als dwaas van liefdesmart.
20. O God, met eeuwge schoonheid pralend,
Wien 'k eenig, eenig minnen zal, O zon, van vuurge liefde stralend,
Mijn levensbron, mijn vreugd, mijn al!
21. O zeg mij, kostbaarste aller schatten,
Hoe zich uw liefde loonen laat; Wat liefde kan mijn hart bevatten, Waarmee ik de uwe gansch verzaad?
22. Zoo ik in vuurgloed zou verkwijnen
De zwaarste kruisen foor u droeg, Of wegkroop in de felste pijnen, Eu stierve... ' t ware niet genoeg.
23. En nu, daar woorden mij begeven. 1
Hoor nog mijn laatste hartentoon: I jj-Mijn God, ik schenk U goed en leven, ( * U minnen zij mijn eenigst loon! J
64
N0t 34. quot;Wereld! 'k wil U niet behooren.
Mondo, piu per me non sei.
Gij be - hoort ook mij niet meer; Al mija
f=jr-â|-T~i=^=q
lief - de en ziels - ver - lan - gen zijn voor
h§Ã|3^g=|iiii|
Je - zns mij - nen Heer!
2. Zijne weergalooze goedheid
Heeft mijn ziel en hart geroofd,
En uw liefde, o ijd'le wereld,
Is voor eeuwig uitgedoofd.
3. O mijn Jezus, mijn beminde,
Van wiens liefde 'l hart mij trilt,
Neen ik wensch geen andren Bruigom, 'k Volg U, leid mij, waar gjj wilt.
65
4. Neen, ik kan niet langer leven
Zonder U, mijn hoogste goed;
Want de keten uwer liefde Bindt voor altijd mijn gemoed.
5. Neon, ik zal ü nooit verlaten,
Jezus, neem mij tot uw bruid; Eens gewond door uwe liefde,
Blijf ik eeuwig u ten buit.
6. Ik verdien niet ü te minnen,
Ik uw snood, ondankbaar kind : Maar Gij zijt het overwaardig Dat geheel mijn ziel U mint.
7. Jezus, geet mij uwe liefde
Wijl ik anders niets begeer,
En ik smeek slechts tot belooning, Dat mijn liefde steeds vermeer.
8. Uwe vreugd is ook mijn vreugde,
O mijn Al, mijn schoonste God! Ja, uw heilig welbehagen Ts mijn hoogste zielsgenot.
9. Kom, o Jezns, wond mijn harte
Dat toch U alleen behoort,
Doe mij kwijnen, doe mij sterven Van uw liefdeschicht doorboord. 10. Ja, ik min U, o mijn Bruigom, 'k Wil U minnen immer meer: En te sterven voor uw liefde, Is het hoogst wat ik begeer.
4
66
N0. 35. De H. Wil van God.
II tuo gusto, o non il mio.
ÃÃi=i£
=0=
wsmm
niet deu mij - nen
rzrrqö-t
1. U - wen wil, en
â¢â,
Min ik slechts in U, mijn God; Wat nw goed-heid 1«=^ â â ⢠' !
m=?Ã
zal be - ha - gen Dat al - leen is mijn ge ⢠not.
Refrein.
O wat lief-de zijt gij waar-dig, Drie-werf heir* ge
f5=ï=l=^
;|,p=V=:t: ^rf==;(55==Da-
wil van God! O wat lief-de zijt gij waar-dig,
Drie-werf heil'- ge wil van God I
0 -* ---\
±=±=*=±:
,
⢠⢠»
m
O wat lief-de rts
7t J J F3âI gt; I-
67
Gij verkeert het kruis in blijdschap, Gij verzoet den bitt'ren dood, Die zich nauw met U vereenigt Kent geen kruis, geen hangen nood.
O wat liefde enz.
Gij verzaadt de schoone zielen, Die daarboven met ü zijn;
Zonder ü was ook de hemel Slechts een oord van folterpijn.
O wat liefde enz.
Mocht met ü ook de verdoemde Zich vereenen in zijn rouw, Hellesmart werd hetnelblijdschap, 't Hellevuur werd hemeldauw.
O wat liefde enz.
Mocht ik gansch met U vereend zijn, Als ik uit dit leven scheid;
Zoo te sterven is geen sterven, Leven is 't, in eeuwigheid.
O wat liefde enz.
(J dan schenk ik heel mijn leven,
U zij 't minnend hart gewijd, U mijn Jezus, slechts uw Harte Zij mijn liefde voor altijd.
O wat liefde enz.
U alleen wil ik behagen
In mijn lijden, in mijn vreugd, Wat aan U behaagt, mijn liefde, Dat alleen maakt mij verblijd.
O wat liefde enz.
68
N0. 36. Lieve Moeder van den Heer.
1. Lie-ve Moe - der van den Heer! Laat ons
$
-dz
⢠»
ze - tel drin - gen; Laat uw
kin - dren ü ter eer 't Ziel - ver - rak - kend
=1=
feest-lied zin-gen; 't Moet weer-klin-ken laid en
t
⢠»
t
p-e-t-
blij: Moe-der, on - be-vlekt zijt Gij!
't Heeft reeds 't wijde wereldrond En herscheppend overklonken, 't Woord door Pius' mond verkond: En uw kindren vreugdedronken Jnblen op uw feestgetij;
Moeder, onbevlekt zijt gij!
Neen, dat loflied zwijgt niet meer; Tot aan 's werelds verste palen Zullen met het hemelsch heer Al uw kindren 't luid herhalen, 't Woord van 't zalig jubeltij: Moeder, onbevlekt zijt gij!
69
4. En we voegen dank en bee
Bij de blijde feestgezangen: Wie, wie dankt niet met ons mee Voor al 't heil door U ontvangen In het zalig jnbeltij,
Moeder, onbevlekt zijt gij!
5. Zonnezuivre Moedermaagd!
Om de glorie u gegeven,
Hoor ook wat ons hart u vraagt: Dat wij na een schuldloos leven Eeuwig jublen aan uw zij:
Moeder, onbevlekt zijt gij!
6. Lieve Moeder van den Heer,
Zie van uit de hemelkringen Op uw kind goedgunstig neer. Dat zijn loflied u komt zingen: U, u is m^n hart gewijd.
Goede Moeder, voor altijd,
7. O wat blijdschap, wat genot
Komt mijn minnend hart ontvonken. Peinzend op het zalig lot,
U voor de eeuwigheid geschonken, Moeder met uw God en Zoon Jublend op een glorietroon.
8. In des hemels zaalge vreugd,
Boven 't Englenkoor verheven , Smaakt uw ziel het zoetst geneugt', Dat ooit schepsel werd gegeven. Dank zij de eeuwge Majesteit, Moeder, voor uw heerlijkheid.
70
9. Toch, wat heil uw Hart doorvliet' In des hemels vreugdegaarde, Gij vergeet uw kindren niet In de woestenij der aarde: Moeder, leid mij aan uw hand Naar het eeuwig Vaderland.
N. 37. Pius sprak van Petrus' rots.
frïïT. i rtj-tjrrtri-T-H
1. Pi -us sprak vaa Pe - trus'rots; Wees ge-
- Ãi ïamp;B
=i=t
=4
ze-gend. Wees ge-pre-zen. On - be - vlek-te
Moe - der Gods! Sinds is 't Ju-bel - tij
±EP4=[=
a eJ
-(9â0-
re - zen : Ju-blenddan ons lied ge - wijd à die
. ;U
-(S-s-
=t=l=
rt=t=3
O-
de On-be - vlek - te zijt, Jn-blend dau ons lied ge-
Ãi@i
-'Aâö-quot; öint:
I '⢠r!quot;
wijd U, die de On - be - vlek - te. zijt.
71
Bij die zilvren Jubelkvoon Juichen alle hemelingen,
Moeten de Englen om uw troon, Koningin, het loflied zingen:
't Zij geloofd ten allen tijd, Dat gij de Onbevlekte zijt.
En dat lied herhalen luid Alle zielen die nog boeten, 't Dringt den lijdenskerker uit, Om u jubelend te groeten:
't Zij geloofd enz.
U, de vreugde, de eer, de trots Aller Christ'nen die hier strijden, Onbevlekte Moeder Gods,
Blijven wij ons loflied wijden: 't Zij geloofd enz.
Allerreinste Koningin,
Vrij van alle smet ontvangen, Moeder Gods en Rijksvorstin, Moeder hoor ons aller zangen: 't Zij geloofd enz.
72
N0. 38. Daar klinkt langs aard en hemeltin.
1. Daar klinkt langs aar-de en he - mei - tin Een bree - de juich - toon he-nen ; Ma - ri - a 's he-mels Ko - nin-gin, is op on-ze aard' ver - sche-nen Ma-ri - a, Moe - der van Gods Zoon, Zoo zingt met de En glen-ko-ren. Heel de aar-de op blij-den
^iÃi^ÃgS;i^j=j=si^p
ju - bel-toon, Ma - ri - a is ge - bo - ren.
73
Maria, die den zwarten nacht
Verdrijit van 's werelds kimmen, Die ons ontweldigt aan de macht Der schrikbre helleschimmen.
Maria, Christus' Morgenster, Verblijdt reeds de aardsche transen ; Haar luister kondigt ons van ver De Zon van hooger glansen. Gegroet Maria, op onze aard,
Niet lang meer zal zij treuren, Nu wordt zij weer een rozengaard, Vol zoete hemelgeuren! Ã Morgenster! O Dageraad! Wil nimmer meer verdwijnen, Tol dat de laatste stonde slaat, En de eeuw'ge Zon zal schijnen.
74
Nquot;. 39. Maria, sprak Gods Engel.
1. Ma - ri - a, sprak Gods Eu - gel, Met
een ver-rakt ge - moed 11a - ri - a, vol ge
3rjF
» 0 â¢
-d-
â±=i=\ât-
na - de, Ma - ri - a, wees ge - groet! Ma -
4
iö
- J J | | 4â
-# w I-1-1?--l--#â«âpâ
ri - a wij ook roe - pen, Met zui - vren lief - de -
4âtq
⢠»
t=t:
**â
gloed,quot; Ma - ri - a . naam zoo mach - tig; Ma â
âr
3=\=i=l=$=\=f-
1
mâ*--0âh-alâ1
ri - a, wees ge - groet I'
75
2.
Cw naam is als een balsem In alle levenssmart,
Hij kalmt en zalft en lenigt De diepste wond van 't hart. Maria, wij ook roepen, enz. Uw naam is als een honig, Zoo hemelsch en zoo zoet; Ontsteekt de koudste harten In feilen liefdegloed.
Maria, wij ook roepen, enz. Uw naam is groot en machtig. Geen wapen is zoo fel; De duivel vlucht bij 't hooren, Vlucht naar het diepst der hel. Maria, wij ook roepen, enz.
* »
N0. lO. Op onze L, Vr. Visitatie.
j-tr
1. Ma-ri-a blij te moe, Toog naar Ja-dso-a
-eâ^â0â-
4:=t=l
3.
4.
dal; Want
toe; Zij
èl
t
quot;I--1-
toog langs berg en
ÃëÃÃÃ
Go - des stem be - val; Ga Moe-der van miju
â*quot;
Zoon, Naar Za - cha - ri - as woon.
76
Zij gaat haar God ter eer, En ducht geen moeite meer; Want op haars harten troon Draagt zij Gods een'gen Zoon, En gansch een Eng'lenschaar Aanbidden Hem met haar.
En nederig van zin
Treedt zij de woning in, En brengt vol liefdegloed Elizabeth heur groet.
En roept van God den Heer Een stroom van gaven neer.
Dan toeft zij langen tijd,
En dient en zwoegt met vlijt, De Maagd en Moeder saam. Wier hoog verheven naam Van nu af klinken zal In jubelend gesehal.
O nooit volprezen Maagd,
Hoor wat mijn bede u vraagt; Kom, Moeder, met uw Zoon Ook in mijns harten woon, En stort er met uw groet Ook uw genadevloed.
77
Nquot;. 11. Maria's Wiegezang.
Fermarouo e cieli.
1. Het he - mei-koor staak-te zijn ju - bleud ak -
^ ⢠fi'»;l' â .1
koord. De «tem van Ma - ri - a werd im - mers ge
| ||||||||||
|
hoord, De Maagd als eeü ater-re Zoo schit - te - rend |
schooD, Zingt, stra - lend van vreng-de. Op
god - lij - ken toon.
2. Gij slaapt nu mijn engel, mijn kind en mijn God!
Gij slaapt en ik sterve van Moedergenot,
Al luikt Ge in uw sluimring uw oogjes zoo zoet; Uw adem, mijn liev'ling, ontgloeit mijn gemoed.
3. Ach, maken me' uw oogjes gesloten reeds blij!
Wat vreugd zal 't dan wezen, als ze opzien naar mij! Uw wangetjes van rozen ontstelen mij 'thurt; O God, zie ik sterf nog van minnende smart,
4. Uw liefelijk mondje, o 't trekt mij zoo aan!
Vergeef mij, mijn Liev'ling, ik kan niet weerstaan! Zij zwijgt, drukt haar kindje aan 't harte, o zoo dicht En kust vol ontroering dat godlijk gezicht.
78
't Ontwaakt na en opent zijn oogjes zoo zacht.
En staart dan zoo minzaam naar Moeder en lacht, O God! voor die Moeder die blik, dat gezicht Zijn pijlen, zijn dolken op 't harte gericht!
Mijn ziel hoe gy gloeit niet voor Moeder en Zoon? Gij blijft nog hardvochtig bij 't schouwspel zoo schoon. Wat toeft ge, wat ziut ge ? hetaardsche is slechts schijn. Beslis r.u, uw liefde, voor wien zal ze zijnV O God'lijke schoonheid, ik minde u te laat!
Doch, 'k zweer dat nu eeuwig mijn hart voor u slaat! Ja. 't Kind en de Moeder, de Moeder en 'tKind, De roos en de lelie, weest beiden bemind! De plant en de vrucht, de vracht eu de bloem, Zij eenig mijn liefde, mijn vreugde, mijn roem. Ik wensch geeu genoegens, geen schatten, geen kroon; U minnen is alles, u minnen mijn loon!
5.
2.
6.
3.
N0. 42. 0 Hart, o allerdroevigst Hart.
79
Haar schuldloos Kind zoo wreed gedood Bedekt met wonden bloedig rood, Zag zij aan 't vloekhout hangen; Van welk een smart Werd toen het Hart,
Het Moederhart bevangen!
Als zelfs de zon geen licht rceer geeft, De steenrots splijt en de aarde beeft En klagend schijnt te stenen; Wie zou dan niet Om 't groot verdriet Van Jezus' Moeder weenen?
Wij bidden u, o vlekloos Hart,
Bij al uw leed, bij al uw smart. Om Jezus' dood en lijden:
Leer ons getrouw.
Om uwen rouw Het pad der monden mijden.
80
N0. 43. Maria's vreugde (Paschen.)
Ã
=f=q=_-^=q£f^â
Ejâjâ*â*zziE
1. Komt, laat ons jub'-len voor den Heer, Al-
-:-h T__|---1-
⢠»
0 *
⢠⢠'
le - la - ja! Ma - ri - a klaagt en weeotnietmew; Al-
le - lu - ja! De he - mei is weer klaar en rein, Al -
m
1
*» t**
le-lu-jal Blij straalt de lie-ve zon - ne-sehijn. AI â
Ie-In-ja, AI - le-ln-ja, Al ⢠Ie-In-ja, Al-
Uppl
le - lu - ja!
81
Waar is, o blij en vreugdvol hart, Alleluja!
Waar is nu al uw leed en smart0
Alleluja 1 Verdwenen is zij voor altijd.
Alleluja!
Gij jubelt nu in eeuwigheid.
Alleluja!
Zeg mij, Maria, zeg het mij;
Alleluja!
Wat maakt uw hart zoo overblij? Alleluja!
Mijn Zoon verrees nu van den dood; Alleluja!
Dat maakt mijn vreugde thans zoo groot. Alleluja!
O ja, verheug u, Moedermaagd,
Alleluja!
Maar hoor ook wat ons hart n vraagt: Alleluja!
Geef, dat wij ook van zonden rein.
Alleluja!
Met u voor altijd blijde zijn.
Alleluja!
82
N0. 44. Maria's sterfuur.
Lodiamo can tan do.
Ãi=i
1. Ge - voe-leus, ge - dach ten , Ont-weld aan mijn
ziel Juicht blij, schoon Ma - ri - a Ons he-denont-
i=üÃi
1
=tb=ï
:j=
viel. Ja juicht voor Ma ⢠ri ⢠a. En
:^fESE-jEajgE^g:
Je - zus haar kind ; De Zoon en de Moe - der zijn
II
eeu - wig be - mind.
2. Komt prijzen wij jub'lend, Bezingen wij luid,
Gods minlijke Moeder,
Gods Dochter, Gods Bruid. Ja, juicht voor Maria, enz-
83
Na Jezus' verscheiden,
Haar leven, haar lust,
Toen smachtte ook Maria Naar de eeuwige rust. Ja, juicht voor Maria, enz^
Zoo kwijnt ook de lelie Met neerhangend hoofd, Te midden der doornen Van 't zonlicht beroofd. Ja, juicht voor Maria, enz.
Toen zocht steeds heur harte Vereeniging met God,
Toen smeekte zij needrig Den dood als haar lot. Ja, juicht voor Maria, enz.
Haar dierbare Bruigom Verhoorde die bee, En noodt haar te rusten In eeuwigen vree. Ja, juicht voor Maria, enz.
Daar treedt met iijn zeissen De dood ijlings aan.
Maar blijft vóór Maria Bewegeloos staan. Ja, juicht voor Maria, enz.
84
8. Dan rept zich de liefde,
Op vleug'len zoo licht, En richt op heur harte Een dood'lijken schicht. Ja, jnicht voor Maria, enz,
9. Die schicht heeft getroffen;
Zie, kwijnend van min. Slaapt blijde Maria Ter zaligheid in.
Ja, juicht voor Maria, enz.
10. De sneeuwwitte duive
Neemt haastig haar vlucht. En Jezus, Hij draagt haar In 't hemelsch genucht. Ja, juicht voor Maria, enz,
11. Daar hoog in den hemel,
O schoone Vorstin,
Naamt gij naast uw Jezus üw machtzetel in.
Ja, juicht voor Maria, enz.
12. Vergeet daar, o Moeder,
Mij zondaar, toch niet; Geef, dat ik Gods liefde Meer liefde steeds biedt. Ja, juicht voor Maria, enz.
85
N0. 45. Maria's Hemelvaart.
Al cielo, alma mia.
I ^ tï 1 I I 7 1 1 lJ
1. Ten He-mei met Ma - ri - a! Ten
r vU â* - - *â0âr----bââ' -âiââ #â|âJ
I l i U I f-1 r
1
He-mël met baar Zoon! Waar Moe - der thans ge -kroond wordt met d'eenw-ge glo - rie - kroon, Zie de En-glen aan haar zij - de. Rond ha-ren He-mei-troon, Daar ze - telt Zij nn blij - de Naast
I r-flâ---
r i 1 Je - zus ha - ren Zoon.
86
2. Helaas, wat bitter scheiden!
Wat diepe zielesmart!
Kan ik nog troost verbeiden Of vreugde voor mijn hart? O ja, schoon hoog verheven, Schoon 's Hemels Koningin, Toch blijft zjj om ons zweven Met teed're moedermin.
3. Neen, neen, haar dierb're kind'ren
Vergeet Maria niet:
Zij zal 't gevaar vermiud'ren. Ons troosten in 't verdriet. Bescherm dan Koninginne, Uw kind'ren hier op aard; Dan zullen wij u loven Eens rond uw troon geschaard.
N0. 45. Zie uit het hoogst der heem'len.
Dal tuo celesto trono.
S=|ig=^S=gg=j=Ãl
3
1. Zie uit het hoogst der Heem-len, Nog
I
|
Â¥ 9 slechts een en - kien keer. Ma - ri - a, zoet - ste | ||||||||
| ||||||||
|
Moe-der Op u - we kin-dren neer. Want | ||||||||
87
â ^.Z=^=Z\=iZ
ja uw Moe-der har - te is met ons leed be
--l-as-Hâï--1--1-----1--:1- -j--^
quot;It
-dr-j=:j=|^=gâfL£ Y---slt;â âaâ*â---P-
gaan; Nooit riep ver-geefs een zon-daar, U
j-r-l
lie - ve Moe - der aan.
2. Wij zijn de doodstraf schuldig,
Wjj hebben God vergramd;
Zijn hart vaneen gereten,
Zijn gramschap fel ontvlamd;
Doch Gij, Gij kunt ons redden, Uw beê wordt steeds verhoord, Spreek , Moeder vol ontferming , Bij God één enkel woord.
3. Toon, toon Hem slechts uw smarten,
Die Ge onder 't kruishout leedt, Toen gij uit lout're liefde Met Jezus voor ons streedt; Dan kan u God niets weig'ren , Schenkt Hij de schulden kwijt. En Moeder, wij beloven 't, Wij minnen U altjjd.
88
H0. 47. Segroet Maria op uw troon.
51=3
le-lu-ja Jub-beldano Che-rn-bijn,
|
⢠- o Zingt haar lof o Se raphijn, Groetuwhe-mel ko-nin-gin | ||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||
|
Sal-re, Sal-ve, Sal-ve, Re - gi - na. | ||||||||||||||||||||||||||||
m
2. O Moeder van barmhartigheid, Ave Maria.
Gij die den rijksten glans verspreidt, Alleluja. Jubel dan, o Cherubijn, enz.
3. Op wie zich trouw uw kind verlaat, Ave Maria.
Die ook den zondaar niet versmaadt, Alleluja. Jubel dan, o Cherubijn, enz.
4. Gij die zoo hoog gezegend zijt, Ave Maria.
Wees onze bijstand t' allen tijd. Alleluja. Jubel dan, o Cherubijn, enz.
Al
i
* * r
V ^
89
K0. 48. Verheft in blijde zangen.
1. Ver - heft in blij-de za:i-gen Ma - ri - a's eer en
lof, God heeft haar hoog ver - he - ven in
m
IT
-kâ
'S he â mels glo - rie - hof. Hei-li - ge Ma - ri - a.
=to:
i ⢠1
3=ï
i; Jâjz
±=sb
».»
|
:r±= |
| ||||||||
|
-j-- | |||||||||
Hei-li-ge Ma-ri - a! On - ze troost, On-ze vreugd.
Wees ge â loofd in eeu - wig-heid.
2. O Koningin der Maagden;
0 Moeder van Gods Zoon! Wij snellen met vertrouwen Tot uw genadetroon.
Heilige Maria, enz.
3. Gij zijt de steun der zondaars
De hulp in allen nood, Bewaar ons, uwe kind'ren. Van ied'ren kwaden dood. Heilige Maria, enz.
90
4. Gij zetelt in den Hemel
Als 's Hemels Koningin; Voer ons, o goede Moeder, Ook eens dien hemel in. Heilige Maria, enz.
N0. 49. quot;Wees gegroet, o zuivre Maagd.
âó â
1. Wees ge-groet o zui - vre Maagd, Die ons al-Ier
be - de vraagt; Wees ge-groet, Ma - ri - a!
â â ï=\=l-
-f-m-
=t:
» 0 ' *
O Ma-ri - a vol ge-na-de. Maak, dat ons geen
-0-# 9 1-~[-
-1â1-
* m
vij - aud scha de; Wees ge - groet, Ma - ri - a!
2. Gij zijt schooner dan de zon,
Gij ons aller levensbron;
Wees gegroet, Maria 1 Moeder Gods, zoo hoog verheven, 'kWensch, ü prijzend voort te leven; Wees gegroet, Maria!
91
Bronwel aller lieflijkheid,
Gij schenkt vreugd ten allen tijd; Wees gegroet, Maria!
Met uw hulp blijft Ge ons omringen; Moeder, 'k wil het blijven zingen: Wees gegroet, Maria!
O Maria, zuiv're Maagd,
Hoor toch wat ons hart ü vraagt; Wees gegroet, Maria!
Bid voor ons, dat na dit leven God zija Hemel ons mag geven: Wees gegroet, Maria!
4.
?d.
i
-Ier
N0. 50. Wees gegroet, o Koninginne.
1. Wees ge-groet, o Ko-nin-gin-ne, Moeder van de
Jzâidzrfc
is
geen
* 9
rein-ste min ne, Die ge-baard hebt 't hoogste goed.
sven;
Maagd en Moeder, wees ge-groet! Maagd en Moeder,
!quot;i-
wees ge - groet!
92
Wees gegroet, o Levensader,
Dochter vac den boogsten Vader, Bruid des geestes, wonderzoet, Maagd en Moeder, wees gegroet! (his) Wees gegroet, o Eoem der vrouwen, Leliebloeme der landouwen, Vreugde van der heil'gen stoet. Maagd en Moeder, wees gegroet! (bis) Wees gegroet, o Gods vriendinne, Uitverkoren van 't beginne,
In het goddelijk gemoed,
Maagd en Moeder, wees gegroet, (bis) Wees gegroet, o Koninginne,
Die de slang mocht overwinnen En verplett'ren met uw voet, Maagd en Moeder, wees gegroet, (bis) Wees gegroet, door onze beden.
Help ons steeds in tegenheden, Houd ons voor 't gevaar behoed, Maagd en Moeder, wees gegroet, (bis) Wees gegroet, als we eenmaal sterven. Help ons dan gena verwerven Bij den God van majesteit.
Wees gegroet in eeuwigheid! (his)
93
N0. 51. Kent Gij den wensch mijns harten?
Sai che vogl'io, Dolce Maria ?
|
1. Kent gij den wensch mijns har - ten Ma -ri-a zoet! Ik wenach voor U te bran - den van | ||||||
| ||||||
|
lief-de-gloed. Ik wensch aan u - we zij - de als kind te staan, Neem, schoo-ne ko - nin - |
gin - ne, mij zon - daar aan.
2. En gij, o geur'ge roze, zeg nu ook gij,
Al wat uw Moederharte verlangt van mij. Aan schatten, lieve Moeder, ben ik niet rijk, Maar zie, hier i? mijn harte als liefdeblijk.
3. Doch gij o hartenroofster, naamt reeds dit hart:
üw liefde deed dit kwijnen van liefdesmart. Bescherm mij, goede Moeder, in allen nood, Tot 'k eeuwig ü kom prijzen na mijnen dood.
94
N0. 52. O Gij mijn schoon© hope.
O bella mia speraoza.
-
ü
jr
te
» * -f â¢
r r f i
I I I
1. O Gij miju schoone ho-pe, Mijn lief-de zoet en
4-
-oâëâ#-T
* â¦
, i t 1 1 r r
blij. Mijn le-ven en mijn vreugde. Ma - ri - a, dat zijt
i r gt; t t
i i
|
«_L_^ ^ t l_ I gij. Denk |
=4 iâiâi-fdr'. I I ik aan U i I roep Ma - ri |
Hâ--4â
m
^=\z *»
i
t t r
i i 1
ik ü hoop - vol aan. Dan voel ik straks van
r-g-idz fâf
=1-
âi-
r£|=^£l=t
4-
⢠â¢
f -y â
I I f
I
u 1 I
vreng - de Miju har-te snei-ler slaan.
95
2. Wordt mijne ziel verduisterd
Door donk're zorg of smart, Dan drijft uw naam, Maria, Dien nevel uit mijn hart. Gij zijt de lieve sterre,
Die 's werelds zee verlicht En 't bootje mijner ziele Naar veil'ge haven richt.
3. Gedekt door uwen mantel,
Verborgen in uw schoot. Wil ik mijn leven slijten. Wacht ik gerust den dood. Want als ik in uw liefde Uit deze wereld scheid, Dan wacht mij na dit leven De zaalge eeuwigheid.
4. Omketen dan mijn harte,
O minnelijke Vrouw; Gevangen in uw liefde,
Blijf het u eeuwig trouw. Zoo is mijn hart het uwe. En niet het mijne meer; Aanvaard het, schenk het Jesus, Ik wil het nimmer weer.
96
Nquot;. 53. Bergen, Dalen, Heuvelklingen. 3. zi:
Su lodate o valli, 0 monti.
Hl.. * Bg'jïïXI J T
ir tr
1. Ber-geo, da-len heu - vel-klin-gen Wilt om
4. G
f?-2
strijd het lof-lied zin-gen van de vlek-
quot;jj/i' r [HF
5.
â#
â/-
loo-ze Maagd I Veld en woud en geur - ge
EZ:
bloe-men Komt uw Ko - niu ⢠gin ⢠ne roe men
quot;fc---T-TT---K-
7.
w.'j' ;. ^1
Die de kroon der schoon-heid draagt.
2. Beekjes met het ruischend klaatren Van uw zilverreine waatren Zingt haar teed're hartemin! Vogelties op nieuwe wijzen Moet uw lied ten hemel rijzen, Ze is toch ook uw Koningin.
*
97
Zingt dan luide scheps'len allen Laat het over 't aardrijk schallen Moedermaagd, wat zijt gij schoon!
Hoog zij God de Heer verheven Die n 't aanzijn heeft gegeven,
ü zelfs uitkoos tot zijn woon.
Gouden zon aan 's Hemels transen,
Wat kan halen bij de glansen,
Die uw liefdevuur verspreidt!
Zil'vren Maan, met zachten luister Straalt gij in ons zondig duister.
Door uw hemelzaiverheid.
. Schoonste Koos, die door uw geuren,
't Flauwst gemoed weer op kunt beuren Schattenrijke Bloesempracht!
Blanke Lelie, zonder vlekken Steeds blijft ge aller oogen trekken. Altijd zuiver, altijd zacht.
6 Maar wat bij uw schoonheidbloeien Ook Gods oog op ü blijft boeien Bind'loos ook Gods Hart verblijdt: â Machtigste aller stervelingen Wie ook de Eng'len juichend zingen, â 'tls uw diepe needrigheid!
7. Maagd vol schoonheid in Gods oogen. Toonbeeld van Gods alvermogen Moeder van een god'lijk kind.
Zoetste, teederste van allen Zie mij aan uw voeten vallen,
Geef, 'dat ook mijn hart u mint.
98
2. A
N0. 54. O Crij schoone, die de krone.
3. ^
ȉ '---
1. O, Gij schoo - ne, die de kro - ne
Als de Maagd der Maag den spant. Nooit ont
3=3=^^
-iâ
4.
waar - de men op aar - de, Schoo ⢠ner schep - sel
5.
Si
uit Gods hand. Lief - lijk - he - den als uit E- den
-|--,i-»â|gâpjâ--0-
0---1---------
Stra - len op nw aan - ge - zicht; Lui-ster - rij-ker,
0*
JtÃ=±
-0âJ 0 O-H
God-ge - lij-ker Schoon-heid zag nooit sterf-Iijk licht.
99
Als van verre een tweelingsterre Zijn uw oogen zoo vol gloed,
Daar hun lichten als twee schichten Dringen door het hardst gemoed.
Paarlen sling'ren om uw ving'ren Schitterend van diamant.
En de schatten die ze omvatten,
Deelt ge aan elk met milde hand.
Voor uw trone hemelschoone Buigen hemel, hel en aard; O Vorstinne, die vol minne.
Zelfs den zondaar nog bewaart.
Wanneer stralen me in Gods zalen Uw verruk'lrjkheden toe!
God, wanneer toch, och, wanneer toch Vlieg ik tot haar, wachtens moê? D' ouden vijand door uw bijstand Werd zoo menig ziel ontrukt;
Blijf 't verhoeden, trots zijn woeden, Dat mijn ziel voor satan bukt.
Lof en zegen klink' ons tegen,
Die ons zulk een Moeder schonk;
Liefde en eere God den Heere,
Door wiens macht haar schoonheid blonk. Laat ons zingen, stervelingen :
Eeuwig leev' Maria's naam!
Eeuwig noemen , eeuwig roemen,
Jezus en Maria saam !
Laat ons zingen, stervelingen:
Eeuwig leev' Maria's naam;
Eeuwig noemen, eeuwig roemen,
Jezus en Maria saam !
100
2. O
N0. 55. Salve Eegina.
-0â*---#-
£3-
1. Ge - groet, o he - mels - ko - nin - gin, o
e-r-f-
1^1
i
3. V
i
iâjâj-
4. 5
i
'âi-
-tt
=t::â
Ma - ri - a! Der men - schen hulp en
5.
â1-ziels-vrien-din o
1-^ 11 'i
-Fâ#-
6.
Ma - ri - a!
Sii
i
i r i
7.
Wees blij. o Eng'-Ien-rij, En't Heilgenkoor daar-bij.
^-TB-
Sal - ve,
t=^
Looft haar in het feest - ge - tij !
Sal-ve, Sal - ve Re - gi - na !
101
2. O Moeder der barmhartigheid, o Maria!
Der menschen hulp en zoetigheid, o Maria! Wees blij , o Eng'lenrij, enz.
3. Wij, kind'ren Eva's, smeeken luid, o Maria!
En zien naar u om voorspraak uit, o Maria! Wees blij, o Eng'lenrij, enz.
4. Zie, wat al tranen zonder tal, o Maria!
Steeds vloeien in dit jammerdal, o Maria! Wees blij, o Eng'lenrij, enz.
5. Zie Moeder, hier uw kind'ren staan, o Maria 1
En neem hun beden gunstig aan, o Maria! Wees blij , o Eng'lenrij , enz.
6. Zie vol erbarmen op ons neer, o Maria!
Van uit de hooge hemelsfeer, o Maria! Wees blij, o Eng'lenrij, enz.
7. En toon ons eens door deugd bereid, o Maria!
Uw Zoon den Heer der heerlijkheid, o Maria! Wees blij, o Eng'lenrij, enz.
8. En als ge ons voor Gods vierschaar ziet, o Maria â¢
Ach, Moeder, dan verlaat ons niet, o MariaI Wees blij, o Eng'lenrij, enz.
102
N0. 55. Wonder van gloriepraoht.
Azzjâip:ÃEj^i=S â #
1, Won - der van glo - rie pracht! Won der van
-#-
=E
-iâ ia
moe - der macht! Liefd'-rijke aan - miu - ni - i
ik-
| ||||||
|
he-mel-sche Vrouw! Wie ik ten ceuw'-gen tijd -tt- |
H
â¢--
Uit heel mijn hart mij wijd; Wie ik en
te
â#â0ây-Mâ
EÃEamp;lEE
li-chaamen ziel toe - ver - trouw; Goed, bloed en
â Ãâ-^^=1=
izdi
le - ven Wil ik n
|
- ven; Al wat | ||||||
|
heb en ben, geef ik u nu,'k Geef het vol
103
^Ej=|=|=:
vreug-de, Ma - ri - a! aan U.
2. Schuld'loos geborene,
Eenig verkorene,
Gij, tot Gods Dochter en Moeder en Bruid!
In al de maagdenrrj,
Blonk niet de reinste als gij;
Zelf koos de Heer u ten tempel zich uit;
Gij, vlekkelooze
Lelie en Eoze,
Pronk dezer aarde en der hemelenkroon ! Hemel en aard' biön u hulde op uw troon.
3. Gij trouwgeblevene,
En hoog-verhevene,
Gij, onze Leidster! gij licht op ons néér; Glories omwemelen Hoog in de hemelen
ü als het naast bij den troon van uw Heer! Gij, door uw zoetheid.
Toonbeeld van goedheid,
»Moeder der liefde en genadequot; is uw lof; Zóó groet ii de aarde en het hemelsche hof-
104
Gij, uw God barende,
Voedend bewarende.
Moeder in vreugden en smarten zoo rijk, Was er ooit schuldige U, zoo geduldige
Schuld'looze Moeder! in lijden gelijk? Gij, uitgelezen.
Zalig geprezen.
Moeder en Maagd! geheel zuiver van smet, Gij zijt de Moeder, die zondaren redt. Altijd zachtmoedige,
Minlijke en goedige
Moeder van God, van genade vervuld:
Wil ach ons, zondigen,
Wil ons verkondigen,
Namens uw Zoon, de vergeving der schuld;
Wil bij 't verscheiden,
Wil ons geleiden;
Pleit bij des Rechters zoo vrees'lijken troon, Pleit voor ons, Moeder! bij Jezus, uw Zoon.
105
N0. 57. 0 Koningin, vol Majesteit. (A)
:±z
1. O Ko - nin gin vol Ma - jes - teit. Ma
-öâ-----------^
4_
-itâ
i
a! Gij trou we hulp der Chri-sten-heid Ma -
hj^ J^Jl:g3=j=^^=yf:i_j j i]
Zie ons voor uw le - ger - vaan
_ft___
......â¢- â¢ââ¢â«
Ster-ke Vron-we, Voer ons aan; O help ons
strij-den In al - le tij-den, In al - len nood. Tot
1 il
in den dood, Ma - ri - - - a!
106
N0. 58. 0 Koningin, vol Majesteit. (B)
li Solo. ÃÃü
Chor.
» â¢
| | P -y ⦠-Sr I r^f
1 1 i i f F f
5Ã
* m-
».
1. O Ko-nin-giu vol Ma-jes-teit, Ma - ri
»-
I
nr
a! Gij trou - we hulp der Chris-ten-heid Ma-
Sl-
«f I
Zie ons voor uw le-ger-vaan
f
r
f Chor.
1-1--*--1--p-t-f--* Ã-0
i r r r 1,1 1
1 1 1 1 p
Ster - ke Vrouw-we, Voer ons aan : O help ons
±=q=
=1=^
-r
I
fll
-Pâtâquot;â?-
strij - den in al - le tij - - - den. In
107
al - len nood. Tot in den dood, Ma - ri - - a !
2. O goed, o heilig Moederhart, Maria!
Gij leedt voor ons zoo bitt're smart, Maria! Laat die droeve folterpijn Niet voor ons verloren zijn.
O help ons strijden enz.
3. O sterke zee in de onweersnacht, Maria!
Verblijdt ons door uw stralenpracht, Maria! Geef uw kind'ren nieuwen moed,
Als de storm hen vreezen doet.
O help ons strijden enz.
4. üw voet heeft Satans kop verplet, Maria!
üw zege ons van den dood gered, Maria! Zie, de vijand valt weer aan;
Kom op nieuw zijn trots verslaan. O help ons strijden enz.
5. O Maagd ontvangen zonder smet, Maria!
Verhoor ons vurig smeekgebed, Maria! Strijdheldin door Jezus sterk.
Schenk de zege aan Jezus' Kerk.
O help ons strijden enz.
108
N0. 59. 0 Maria, vol genaden.
1. O Ma-ri-a, vol ge-na - de. Hoor ons smeeken
Se
-0â#â«
ia dit uur Vooruw kind'-ren, die zoo lij-den
In het vrees-lijk va-ge-vunr; Geef hen door uw
Moe-der-bee üe eeuw'ge rust en zaal'-gen vreê
2. O wat troost geeft reeds uw name
Hem, wien felle smarte deert. Als hij in zijn bitter lijden Zich vertrouwvol tot ü keert; Breng dan Moeder troost ook aan Hun, die zóó in smart vergaan.
3. Ja voor hen hebt Ge ook geleden.
Toen Gij onder 't kruishout stondt. Daar met felle smart gestreden In uw hart zoo diep gewond;
Deel hun die verdiensten meö Geef hon rust en zaalgen vreê.
⢠m
109
4. Moeder, Troosteres der droeven,
Spreek voor hen een enkel woord, Help die zoo uw hulp behoeven In dat smartvol traoenoord; üw verlangen is gebod Bij uw Zoon, uw Heer en God.
5. Moeder, nimmer is 't vernomen.
Dat uw hulp niet ijlings kwam, Als in ziels- of lichaamslijden. Men zijn toevlucht tot u nam; Ach verlos dan van hun pijn Moeder, die uw kind'ren zijn.
N0. 60. quot;Wat zijt gij schoon.
-t-
EEE
^=3
Jâ4r.
1. Wat zijt Gij schoon, o Moe - der-maagd, Ma-
'2
a I Wier hoofd de kroon der rein - heid
draagt. Ma-ri - - a! Wees dui-zend - maal van
ons ge-groet. Ver-he-ven Ma-ged won-der-zoet, Ma-
*
irrst
ri - a. Ma - ri - a. Ma - ri
110
2. Als maan en sterren zijt gij schoon, Maria!
En vol van genade door uw Zoon, Maria! Wees duizendmaal van ons gegroet, Verheven Maged wonderzoet,
Maria, Maria, Maria!
3. Gij zijt de vreugd van 't Hemelhof, Maria!
Het keurjuweel van 't aardsche stof, Maria! U loven aarde en hemel saam,
En alles zingt uw heil'gen naam ,
Maria , Maria , Maria !
4. Verwerf ons na den harden strijd, Maria!
Dat we eens van 't aardsche stof bevrijd, Maria! ü loven in Gods hemelwoon.
Geschaard om uw genadetroon.
Maria , Maria , Maria I
N0. 61. Liefdeontboezeming tot Maria.
=1=^-
Ill
gâ^ H
winnen. Hoe zon-dig hij ook lot haar ze - tel ge-
;±:
^ ; f G-#-â¢L
Ij-
naakt. Wel troont zij in 't hoog ste der he-me-len
^=i
ïmmm
bo-gen Als al - Ier ge-bied ster, be-kleed met Gods
-iüS=
=1=
-1=.
⢠:
id:
rus-ten op ie-derhaar lie-fe-lij-
macht: Toch
M=A-=-=Aâ
ï
-T=eâ»-e5E3
ke oo - gen, Die hier naar de he - mei - sche
schoon-heid rer - smacht, Die hier naar de
t
he - mei - sche schoon-heid ver - smacht, die
.âq. i-Ã-
Eto-
Ã
--1-1--cs
4:
hier naar de he mel-sche schoon heid ver-smacht.
112
2. Zij rainlijke Maged, zoo zuiver, zoo edel!
Zij dochter van God aan Gods liefde verloofd. De kroon van Gods moeder omstraalt haren schedel, Zij heeft ook mijn hart door haar schoonheid geroofd. O mocht dan haar name vol zoetheid en leven Weerklinken langs berg en langs heuvel en dal I O mocht heel de wereld door liefde gedreven,
Haar goedheid verkonden met daavrend geschal!
3. Ja mocht zij bevrijd door Maria's victorie,
Haar juichtonen pareu aan 't hemelsche koor :
Zij Jezus aanbidding, Maria zij glorie!
Hun beiden zij liefde gansch d' eeuwigheid doorl
Laat andren het schijnschoon der wereld bejagen,
Zich wentlen in 't slijk dat de hartstochten streelt:
Mijn hart vindt alleen in Maria behagen.
Wie God zelfs bemint als zijn treffelijkst beeld.
4. O Roofster der harten, vol liefde, vol zoetheid,
Maria, o strek uwe hand naar mij uit,
En werp om mijn harte den strik uwer goedheid, Ontruk het mijn boezem, uw liefde ten buit! Doortintel mijn hart met dien vuurgloed der minne, Die U, o mijn Moeder voor Jezns verteert! En maak dat mijn liefde, o gij Liefdevorstinne, Mijn liefde voor Jezus en U steeds vermeert.
N0. 62. Hoe klopt het blijde harte nu.
zt
«
1. Hoe klopt het blij - de har-te nu O Ma-
â tt-1-----------(-H--r----H-â¢
M--1--1-------1--1--H---i-fâI----1--1â
ri-a! Hoe prijst en aard en he - mei u,
113
Moe der zijn, Groo-ters heeft God niet ver - wekt.
2. Hoe schoon uw schreden na te gaan, o Maria!
O Vorstendochter op uw baan, o Maria! Zegen, vrede, heil en licht,
Straalt ons van uw aangezicht,
't Woord der schrift wordt als de dag Ons zoo klaar, eeuwig waar. Wat profetenoog ooit zag.
3. Dien gij, o Maged, hebt gebaard, o Maria!
Hij schiep den hemel, draagt deez aard, o Maria I
Gij Maria, zijt de troon
Van Gods eengeboren Zoon,
Van gena zjjt gij vervuld
En in u zien wij nu
Jezus voor ons oog onthuld.
G
114
4. O lenig onze zondesmart, o Maria!
En geef ons .lezus aan het hart, o Maria!
Den Verlosser, 't zoete Kind,
Toon dat ge ons als Moeder nnnt.
Gij zoo mild, zoo zacht, zoo zoet.
Moeder zijn. Moeder mijn,
Die zoo vlamt van liefdegloed!
ITquot;. 63. Alle dagen met behagen.
lt; *â3-
I
-j:
:=l=
1. Al - Ie da ⢠gen met be - ha - gen,
i
Zingt voor'she mels ko nin-gin Wilt haar prij zen en be - wij - zen u - we tee â dre kin - der - min. Komt haar ee ren, haar, des Hee ren Voe der en ge -
lief-de Bruid, Komt haar groe-ten voor haar voe ten
o-----.âr
a
33
.0â0 - | j,
:t=t==.EE^EB:
Met uw lof - zang breed en luid.
115
2. Wie vergaarde ooit op aarde
Zooveel gunsten, zooveel deugd ?
Wien bekroonde, wien beloonde God met zooveel zaalge vreugd? Smettelooze Hemelroze,
Lelie door geen vlek besmet,
Wil toch geven, dat ons leven Steeds getrouw zij aan Gods wet.
3. Wil Gol vragen, alle dagen.
Dat ik Hem gehoorzaam zij;
En mijn plichten moog verrichten Immer goedig, immer blij;
Laat mij smaken de vermaken Van een zuiver minnend hart, Kom mij sterken bij mijn werken, Schenk mij troost bij leed of smart, â¢i. Gij, die 'k blijde, immer wijde
Heel mijn leven, al mijn deugd; Doe mij erven, bij mijn sterven 't Eeuwig leven, d' eeuw'ge vreugd; Wil toch spreken , wil toch smceken, Moeder, bij uw lieven Zoon,
'k Zal daarboven u dan loven, Eeuwig, voor uw glorietroon.
116
N0. 64. Gegroet, o Maria.
Ge - groet, oMa-ri-a, O Moe - der en
tn | | -l=t:
âI---1âXT-UâJ--i-j-iâ0-J-4â|
Maagd, Die hier in uw beeltnis, de liefde aan ons
^-^=1ââ0âr-'r*-0-*ââ-1â*
TâOâr-----I---r---i-----!â â' ----⢠- â
=1:
i=H
2. Uehoud nis der kranken , uw macht is zoo groot.
Hier schonkt gij bevrijding van ziekten en dood. O blijf onze bijstand in ziekten, in pijn. Dan zullen wij. Moeder, de nwen steeds zijn.
3. Gij, troost der bedroefden, die hier bij uw beeld
Zoo menigen lijder zijn hartewond heelt;
Ja troost ook ons allen in druk en in smart; Wij schenken, o Moeder, u eenwig ons hart.
4. Gij toevlucht der zondaars, tot hulp steeds bereid,
Wat hebt gij hier velen van zonden bevrijd. Verwerf ons vergiff'nis door boete en berouw. Dan blijven wij immer in liefde getrouw.
5. Ja, hulp aller Christ'nen , gij machtige Maagd,
Hoor, wat u hier smeekend het kinderhart vraagt: Snel steeds ons ter hulp, als de hel ons bekoort. Dan zetten we eens eeuwig ons loflied voort.
117
Nquot;. 65. Gegroet, o Koningin.
0 '
⢠^
1. Ge - groet, o Ko-nin-gin, O Ma-ged, die ik
- 1=â«-
±E5z.
iü
zittiz
O bron, die lief - de spreidt, O
4
--^--1
stroom van za-lig - heid, O puik der eDg'-len -
/TS
* »
=t^I
dn
a
âC?
rei O
Ma - ri -
2. O schoone dageraad,
Die nimmermeer vergaat, Gij geeft aan ons die zon, Der gunsten mildste bron, Der wereld troost en heil: O Maria!
3. O mijn verholen roos,
O bloem die God verkoos, O lelie van het dal, O sieraad van 't heelal, Wel hem die u behaagt, O Maria!
^2=1=:
118
O Maged, teer bemind,
Daar God zijn vreugde in vindt O Godes Moeder gij Zijt tevens smettenvrij,
In de eind'looze eeuwigheid, O Maria!
Schenkt u de gnnst van God Een zoo verheven lot,
O wees dan t' allen tijd Van mij gebenedgd,
Naar uw verhevenheid, O Maria!
Door gansuh mijn leven heen Wijd ik mij u alleen, O 'k loof n dag aan dag, Zoo veel ik loven mag, ü Maagd zoo teer bemind. O Maria!
Beveel dan van uw troon Ons allen aan uw Zoon; O smeek zijn gunst ons af. Bevrijd ons van de straf, Verdiend door zondenschuld, O Maria!
En als mijn sterfuur slaat, En 't oordeel voor mij staat, O sta mij dan toch bij;
Leid mij aan uwe zij In 't hemelsch vaderland. O Maria!
119
N0. 66. Kinderen van Maria.
-I -]^ -|
m
-dâ
1. Kin-dreu van Ma - ri a, Ziiiquot;t haar lof om
iH
⢠' '-i
0-
strijd; 't Is de maand, uw Moe der Lief de - vol ge-
SttâI--1â1--1--!---iâi---1--1---1--1---iââ ââi
vijd. Ziet haar vlekloos Har - te Gloeit van moe der-
0 '
-Iâ1-= ^
Al - les wil Ze u
-t==--f
â
scheu - ken.
m
z\z-
Vraagt met kin - der - ziu. Al - les wil Ze u
schen-ken. Vraagt met kiu - der - zin.
2. Kind'ren van Maria,
Zingt haar lof om strijd; 't Is de maand, uw Moeder Liefdevol gewijd.
Uit haar open handen Stroomt een zegenvloed, Danwt de zoetste balsem
bis.
In 't bedrukt gemoed. J
120
3. Kind'ren van Maria,
Zingt haar lof om strijd; 't Is de maand, uw Moeder Liefdevol gewijd.
Vraagt, gij zult verkrijgen, Want de Moedermaagd Weigert in de Meimaand 1 Niets wat gij haar vraagt./ ls'
N0. 67. quot;Wat spreiden die lichten
|
Wat sprei-den die lich-ten een heer - lij-ken | ||||||||||
| ||||||||||
|
glans. Wat vormen die bloe-men een lief-lij-keu krans, Wat |
wordt er een pracht en een luis - ter ont - plooit. Ter
i;
33
q«=r-
t=
=t
ü
ee - re der Vron-we, Met zou-licht ge - tooid.
2. Er klinkt over d'aarde een juichtoon, een lied ; Het stijgt door de wolken in 't starrengebied; Het dringt tot de koren, der hemelen door: De zaligen zingen ons feestlied in koor.
121
3. Gegroet gij, o vlekloos ontvangene Maagd,
Die eenig volkomen aan God hebt behaagd, Gegroet gij, o Lelie van doornen omringd , Hoor 't lied dat het hart uwer kindren u zingt.
4. Tot God stijgt die juichtoon van lof en van dank,
Om Jezus, om Hem is die Lelie zoo blank; Ons lied moge klinken Maria ter eer; Ons loflied verheerlijkt haar Zoon, onzen Heer.
âÃ-
zoet in d'oo-ren Van
N0. 68. 0 Naam! zoo zoet in de ooren. (1)
|Ã^5tel;£g3^
1. O Naam!
:E=B
wie Ma-ri - a mint, O Naam! zoo in - nig
z-tz-£^0-1
V'
-yâh-
dier-baar Aan 't har - te van uw kind... Geef
-----------y--
dat uw Naam, Ma - ri - a, steeds in mijn zie - le
⢠â¢
â¢Â»
leef', En ster - vend op mijn lip - pen uw
---0* 0-
--1--]â
'7*.
Naam O Moe-der, zweef'.
(1) Als Volkslied neme meu wijze No. 45.
122
O Naam! die de Onbevlekte In al haar grootheid prijst, O Naam! die op de Moeder Der zeven smarten wijst.
Geef dat enz.
O Naam! die ons de liefde Der Lieve Vrouwe noemt, O Naam! die 't alvermogen Der Koninginne roemt.
Geef dat enz.
O krijgsleus in het strijden O hulpkreet in den nood; O Onderpand der zege In leven en in dood!
3.
Geef dat enz.
N0. 69. De gulden Rozenkrans.
123
De bloemkens in dien krans,
Zijn immer frisoh van glans,
Zijn rozenrood en blauw en blank; Hun naam is lofgezang.
De roode kleur duidt smart.
De witte vreugde in 't hart. De blauwe spreekt van Majesteit En hemelzaligbeid.
0 Maged liefdewaard,
Gij zijt die rozengaard;
O plant in ons ook bloemkens schoon, En vlecht ze u tot een kroon.
0 klokje dat er groeit In 't paradijs en bloeit,
Wij smeeken u, wees onze vreugd, O geef ons uw geneugt.
0 roze purperrood,
Help ons in allen nood,
Wij smeeken bij uw hartepijn,
O wil tot troost ons zijn.
Viooltje hemelblauw.
Besproeit met morgendauw, Wij smeeken bij uw Majesteit,
Voer ons ter zaligheid.
O Moeder vol gena.,
Bewaar mij, eer 'b verga,
Ik smeek het door uw rozenkrans. Wees mij een sterke schans.
Beveel mij aan uw Zoon ,
Wasch mijne zonden schoon.
Ik smeek u. Moeder, hoor die bcö, Voer mij naar 's hemels steê.
124
1. ü Ro - zen-krans be - min ik Reeds van mijn vroeg-ste jeugd, Ik zal U nooit ver-la - ten, In droef-heid of in vrengd; Tot het
n jy_,________,__T_t_____u.
oo - gen - blik van mijn laat - sten snik. Bij
dag, bij nacht blijft Gij, O Ro zen krans mij bij.
2. O Rozenkrans, ik eer u,
Verheven hemelspand,
Dat we aan Maria danken, Aan hare Moederhand;
Moeder van den Heer,
U zij dank en eer,
Voor 'tgroote liefdeblijk, Aan hemelgunsten rijk.
N0. 70. U Eozenkrans bemin ik.
125
O Rozenkrans hoe lieflijk, Hoe wonderschoon zijt gij, Hoe geurig zijn nw rozen, Wat deugden melden zij;
O hoe wonderzoet Klinkt uw wees gegroet; Hoe dikwijls ook gehoord Steeds klinkt het zoet dat woord.
O Krans met uw geheimen Der liefde van mijn God,
ü wil ik vaak beschouwen, Verzonken in genot;
Leer mij onzen Heer Minnen meer en meer.
En prent diep in mijn hart Uw glorie, vreugde en smart.
Eens, als ik lig te sterven.
Zal ik met klamme hand,
U met uw kruisje omvatten, O heerlijk Hemelpand;
Ook zult gij mijn lijk,
Dierbaar liefdeblijk,
Dat mij mijn Moeder gaf. Nog volgen in het graf.
Maria ééne bede,
O weiger mij die niet:
Gij gaaft me een krans op aarde. Die nimmer mij verliet;
Schenk mij nog een krans, Schitt'rend en vol glans;
Schenk mij dat liefdeblijk Eens in het Hemelrijk.
126
i
N0. 71. Smeekzang voor de Eerk.
i p ^ i i ^ y f
1. Ro-zen-krans-Ko-nin-gin! lu vroe-g're tij - den
/â -v
stondt Gij zoo dikwijls de Kerk bij in't strij-den,
1 \) y \
Schonkt Gij reeds me-nigmaal Aan haar de ze - ge-praal
^ r r ^ ^ r r i
Help haar nu ook bij 't strij - den.
2. Rozenkrans-Koningin 1 wil als te voren
Nu de gebeden der Kerk weer verhooren; Overal bidt zij thans ijv'rig den Rozenkrans; Wil haar nu ook verhooren. i
3. Rozenkrans-Koningin ! hoor onze bede:
Schenk aan de Kerk nu de vrijheid, den vrede; Bloeie zij overal, groeie ze in ledental;
Schenk haar vrijheid en vrede.
127
N0. 72. Smeekzang voor den Paus,
1. Ro-zen-krans - Ko-nin-gin, vol lief-de eu macht;
^â|_|_Jrrj=ztrf=qq:q r i ; / : . ,
Toon ca uw Moe - der-min, Toon na aw kracht.
Soli. ,
quot; I J J 1
r -r 1 ^ 1 1 T f 1 11
Moe-der de droefheid der Kerk is zoo groot. Red toch, ach
1 Tutti.
\% S f '!⢠; . 5I
1 t r r ' f f 1 1 1
red toch den Paus uit den nood. Moe-der de
--1-
r ^ i i f r i r r
droef-heid der Kerk is zoo groot; Red toch, ach
uit den nood.
red toch den Paus
128
2. Rozenkrans-Koningin, vol liefde en macht: Toon nu uw Moedermin, toon nu uw kracht. Moeder! ach maak toch den Paus weder vrij,! c-Dat hij niet langer gevangene zij. ( quot;
3. Rozenkrans-Koningin, vol liefde en macht; Toon nu uw Moedermin, toon nu uw kracht. Moeder! herstel weer den Paus op zijn troon, ( g-Schenk Hem toch weder zijn schepterenkroon ( ?
4. Rozenkrans-Koningin, vol liefde en macht, Toon nu uw Moedermin, toon nu uw kracht. Moeder, ach Moeder, verhoor ons gebed ; 1 j-Worde de wereld door Leo gered. J
H0. 73. Maria, zoete Moeder.
1. Ma - ri - a, zoe-te IVloe - der. Wier bijstand al - tijd
duurt: Wij naad'ren door uw lief - de, Eu goedheid aan - ge-
bi=p^T-Jâ
v»
vuurd. Uw Naam is on-ze ho - pe, Geen die zoo lief-lijk
âIâquot;Pfâ
klinkt, Uw beeld is on-ze sterre. Die ook in 't duister blinkt.
129
O Bijstand van den zieke, In 't lange en nijpend leed, O Bijstand voor den arme , Als hij geen uitkomst weet. O Bijstand van den droeve Dien 's levens last beknelt, O Bijstand van den zwakke. Als Satans nijd hem kwelt.
O Bijstand van den zondaar,
Die 's Heeren gramschap ducht, Als hij in 't uur der wroeging. Betrouwend tot U vlucht. O Bijstand aller harten,
Door de onschuld nog getooid; Zoo lang zij U beminnen, Verwelkt hun blankheid nooit.
Blijf onze troost in 't lijden, Ons uitzicht in den nood, Ons schild bij al ons strijden, Ons heil bij onzen dood.
Ontsluit ons eens den hemel, Uw woon en Jezus woon, En laat uw kind'ren rusten Voor eeuwig bij uw troon.
130
N0. 74. 't amp;etal van hen die lijden.
1. 't Ge-talvau heu die lij - den o Moe-der is zoo
groot; Wie meldt hun rust-loos strij - den, wie
Z^=3= =*-gt;=
ri - a. Ma - ri - a, Moe der sta ons bij.
2. Zoo velen voelen 't treffen
Van tegenspoed die drukt, En kunnen 't liooid niet hotten Door ramp op ramp gebukt; Gij , rijk aan mededoogen ,
Wordt door hun lot bewogen; Maria, Maria, Moeder sta ons bij.
3. In zuchten en in treuren,
Moet troostloos menigeen Zijn trage dagen sleuren, In onverpoosd geween;
meldt hun ban-gen nood ? Gij, steeds zoo zoet. zoo
Hll I ||l I I l|ll I I I
tee-der. Zie, Moe-der op hen ne - der Ma
dz:
=^-
â±
» »
-X=X-=-
131
Gg , vol van medelijden ,
Geef in M geween verblijden:
Maria, Maria, Moeder sta ons bij.
En wat al wreede plagen, Wat scbrikbre zondenstraf.
Moet gansch het volk niet dragen? Wend Gij Gods gramschap af; Schenk 't volk weer, door uw bedo Het heil van Godes vrede:
Maria, Maria, Moeder sta ons bij.
Trek milde zegeningen Op Gods gezalfden neer.
Die 's Heeren macht ontvingen, En ijvren voor zijn eer;
Laat niets hun arbeid hmdren, Door ben zijn wij uw kindren: Maria, Maria, Moeder sta ons bij.
Gezegendste aller vrouwen,
Moog 't vrouwelijk geslacht Haar godsvrucht steeds behouön, En stille deugdenpracht:
Leer, Moeder, in uw schreden Met reinen tred haar treden: Maria, Maria, Moeder sta ons bij.
Ja laat, ja laat op allen üw moederoog zoo zacht,
In zoete ontferming vallen; Eed allen door uw macht;
Toon , wat ge kunt daarboven , Voor wie uw grootheid loven: Maria, Maria, Moeder sta ons bij.
132
â 1=
N0. 75. Maria, vol genade.
1. Ma - ri - a, vol ge - na - den Gij,
t
----â⢠,-gt;â,
Moedertrouwen goed, Gij hebt ons hier ge-
Ã:
ff---ö-#--#quot;
-0--
roe-pen. Wij val - len U te voet. Zie
idz
Ã:q ⢠«
«r-;
:t=
=jiz^=q=ö=
é\ Jé
ons uw beeld om - rin - gen, Hoor ons uw goed-heid
£$=1â1-
^=j:
â¢
zin - gen. Ma - ri - a, O Ma - ri - a. Ma -
ri - a, sta ons bij Ma - ri - a, O Ma -
±
m
â jâ»---- öquot;
ri - a. Ma - ri - a sta ons bij!
133
Wij kwamen U aanschouwen Op uw genadentroon,
En smeeken met vertrouwen Tot U en uwen Zoon.
Wij leggen in uw harte Al onze zorg en smarte.
Maria, o Maria, Maria, sta ons bij. (bis) O, trek toch de arme zondaars Tot 't Hart van uwen Zoon En leid uw dierbre kindren Naar de eeuw'ge gloriekroon. Aan kranken en aan armen Toon altijd uw erbarmen.
Maria, o Maria, Maria, sta ons bij. (bis) Waar ergens op deez' aarde Een traan in de oogen blinkt,
Door kommer, angst of lijden Het hart de moed ontzinkt;
Leer daar gewillig dragen,
Leer lijden zonder klagen.
Maria, o Maria, Maria, sta ons bij. (bis) O Moeder, in het sterfuur Van onzen laatsten nood,
Help dan ons naar den hemel, Geef ons een zaalgen dood.
Laat ons als de oogen breken, Met hart en mond nog spreken: Maria, o Maria, Maria, sta ons bij! (bis)
134
N0. 76. Moeder Gods en Moeder mijn!
-Ã
1^,
3
-H-f-0â#H--sJ-*-
iègt;'.»;!? ïlt'lt'i li i i
1 I I gt; I I !_ I 1
wil ik Je a - we zijn, Bij mija ie - ven
r:T r t r ^ r
L 4quot;
rrst
r ^ r r r r ^ '
Moe-der Gods en Moe-der mijn! Al-tijd
UJ---,-----!__ _J_
f ^ f r f tf f fHf f
iu den dood, De uwe in ramp-spoed angst en nood;
jâu
|
i Welk een krnis mij |
i rr r 11 zij be - reid De uwe in r \ \ |
^-f^Vr fr quot; f i
tijd en een - wig - heid Moe - der Gods en
T1 i r r i
Moe - der mijn! Al -
1
tijd wil
ik de u -
135
VP
m . r: tsu ii
I #â I lil ; r
I
zijn
ill i | Moe-der ik hoop en ver - trouw op
U Tot U, o Moe-der, ver - zucht ik nu
âMâifer^_u
E^Ãige^iS
-|-
Moe-der vol goed-heid sta mij ter zij,
aâJ_J -._4_ __J. H- i
Bâ¢t-_=5rz=f:d=5r--=D=l=:: ât±i=J=td
t=5p±=d=[^
sta mij bij, o
--l^p..._rj_i----^
Moe - der zoo mach - tig
s? » i I 'l' S fi
I 1 | -#- (5 | I I I ^
' 1 1 1 1 I
Moe-der, o kom, help hid-deu mij 1 O Moe-der, o
jpi , I- i , 1 â â ' f I
kom, help strij-den mij. O Moe-der, o kom, help
SgiÃ
f-r-±Hâh
136
mrnmtm
1 I ii ^r
« â¢
-f
I
lij - den mij. O Moe-der, 0 kom en blijf bij
rjzz^-zh-
i ^ ^ 1 kunt mij wel hel-pen, o
nr
I ^
mij. Gij
^-ï^zz!â^zz^âgâ Ll I r Ij I Ij h
I I I p p I u ^
Mach - tig - ste, Gij znlt mij wel hel-pen, o
k=J^r-
'0:
:j=z;^=4s=.
ö:
n
I
h l_Mv
⢠â¢
U P
zÃiziÃz
I
krach-tig-ste Gij moet mij wel hel - pen, barm-
â^=s-q^=F=ö=t?âP=3
har-tig-ste; Gij zult mij ook hel - pen Trouw-
^ ^ N
.....'é--
~ 1 -_ oEfe
qE^^-h-1 p 'â^
har-tig-ste O
t=gzz:^-±-^n
1
» ' i !-
hâ»-h-h-'
Maagd vol ge-na-de en barm.
137
har - tig - heid, Gij toe-vlucht des zou-daars, die
? * J
tot ü schreit; 0 bij - stand der Christ'-nen ik
⢠â¢
I ^ i
troost mij na.
^ ^ . ,, ,, ^ ^ ^ p ^
roep tot U, Gij, troost der be - druk-ten ver -
[2âjâ-ftâiâiTr iquot;1âh ~x' i
Wie riep te ver geefs ooit om
-j1â-N-r-Jâ
1!
bij-stand U aan Nooit liet Gij een kind on-ver-^ /
n7. K ^ ^ tempo. ,
r=p-r---
r ' ' I p ^ I ^ f
hoord van U gaan : ik roep daar - om im ⢠mer bij
7
:q=rq3Dze
- i--y±.-r ^ quot;V'
I
L
138
r ^ i ^ i quot;jquot; ^ 1
bij-stand ge-reed ik roep vol ver-trou-wen by
--fi--'nâ-J^-jâs ----^ I
__^
ie - de - ren nood, Ma - ri - a helpt im - mer in
^ ^ Ty ^ ^ ^ ^ ^
ie - de-reo nood'kGe - loof dit,'k wil leven,'k wil
âfeSâi-ïïââjL«_(cr3
^ V Pf ^ ï %gt; ^ ^ ^
ster-ven daar op, Ma-ri-a neemt eens in den
139
he - mei mij op; Ma - ri - a neemt eens ia den j | h I W ril.
'£=x=t±£.
»â¢-gt; »-- T '- * ; -
I I 1 U M,
gt; v
he - mei mij op In den he - mei mij op.
=1=
I I
Tempo I.
ÃÃÃ
1 I I
Moe-der Gods en Moe-der mijn! Al - tijd
1 i i ii i r 1 1 T*r
wil ik de n - we zijn Bij mijn le-ven, In den
4~
rzt
\zzizzdz
irr
l i
dood, t)e nwe in ramp-spoed, angst en
nood!
i5 ril? r-T * i r r r
i Fr
Welk een kruis mij zij be - reid, De uwe in tijd en
140
t--dquot;
T
1 I 1 I
eeu - wig wil
I
--U -t3
ik de u - we zijn! Eeu - wig
clecresc. ril.
V
--
ï~£=tz
--n--
-gPH
quot;Iâr
- we
wil
ik de u
zijn 1
N0. 77. De beeltenis van 0. L. Vr. van Allijddurenden Bijstand,
n it He trein. Langzaam
zéitzi^izii^ihxzirzihrziöi^iizj^itih
ri ⢠a. Help im - mer tot den dood.
141
li 11 öOLl
Een beeld is mij in't hart ge - dre - ven. Een
O
rr-.-lr
Ma -
LH
zin - ne - beeld van al - len schat: Een
beeld zoo schoon als 't hart kon ge-ven. Als't
⢠I '-'IIS; i
al - Ier en - glen wijs ⢠heid had.
ti - a, Moe - der, enz.
2. Het is een beeld uit oude dagen,
Ontzaggelijk in wondermacht, Van Kreta's heuv'len heen gedragen Naar Kome, daar het schatten bracht. Maria, moeder enz.
3. Zoo vaak ik op dit beeld mag schouwen,
Mijn oog der beelt'nis oogen ziet: Dan spreekt mijn hart, wil toch vertrouwen, Maria, zij verlaat u niet.
Maria, Moeder enz.
142
4. Ja, 'tis uw beelt'nis, o mijn Moeder,
Die mild uw rijkste gaven deelt, üw kindren troost, en, zoete Moeder, Des harten diopste wonden heelt. Maria, Moeder, enz.
5. Ja, 'tis nw beeld, o reine vrouwe.
Zoo minnelijk, zoo teer bemind: Zoo moederzacht en zoo getrouwe Zelfs voor het verst verdoolde kind. Maria, Moeder enz.
6. 0 Moeder mijn, hoe zal 'k ü roemen,
U die U zelf een naam verkoort: »Geduur'ge hulpquot; zult gij mij noemen, Die nimmer beê liet onverhoord.
Maria, Moeder enz.
7. O Moeder vol van zoetigheden,
Uw naam is mij een onderpand. Ach hoor nu onze smeekgebeden,
Reik ons steeds steunend uwe hand. Maria, Moeder enz.
N0. 78. 0 Maria, die de beden.
143
bij, Zoet-ste Moe-der, Moe-der, sta ons bij.
E®iESERöfeö-iö3
^ ^ ^ ^ P V t
O Ma-ri-a, sta ons al - tijd bij! Zoet-ste
2. Sta ons bij, als ooit de keten
Van de zonde boeit 't geweten,
Slaak met spoed dien boei die knelt, Breek den band, die 't hart zoo kwelt. Zoetste Moeder, enz.
144
3. Sta ons bij, als 's werelds lagen
Nieuw gevaar voor ons doen dagen, Houd ons dan aan uwe hand, Op den weg naar 't vaderland. Zoetste Moeder, e\iz.
4. Sta ons bij, als 't lichaam lijden,
Pijnen , smarten moet bestrijden , Dat de tijden rustig zijn,
Tot ons d' eeuwigheid verschijn. Zoetste Moeder, enz.
5. Sta ons eind'lijk bij, uw kindren,
Als ons laatste krachten mindren, Laat ons dan door U bereid, Winnen 't loon der eeuwigheid. Zoetste Moeder, enz.
6. U zij aller lof beschoren
Jezus, uit de Maagd geboren, Met den Geest en Vader één,
Nu en door alle eeuwen heen. Zoetste Moeder, enz.
N0. 79. Alphonsus, die in 's hemels woon.
1. Al - phon - sus, die in 's he - mels woon Het
=i=e=
eeu - wig heil ge - niet. Ec im - mer met een
145
min-zaam oog. Nog op ons ne-der-ziet; Aaa-hoor ons üeed'-rig lof ge-zang Waar heel ons hart in spreekt; Het lied, dat u - we glo - rie zingt En om uw gun - sten smeekt
2. Gij troont nu onder 't eng'lenkoor,
Alphonsus, die op aard,
Door onschuld, door uw blanke deugd,
Het beeld eens engels waart;
Wij sraeeken ü, verkrijg voor ons
Dia blanke zuiverheid,
Opdat wij Hem behaaglijk zijn,
Die onder leliön weidt.
3. ü siert der Leeraars starrenkroon,
Die als een star bij nacht,
't Onwetend en verlaten volk Het licht van Christus bracht;
Geef dat op 's levens donker pad (Jw licht ons oog bestraal Opdat geen onzer op de reis Van 't pad des hemels dwaal.
146
Gij draagt den palm der martelaars,
Door uw geduld, uw moed In 't lange en folt'rond lijdenswee, Meer martelaar dan door 't bloed; Verkrijg ook ons die heldendeugd, Bij alle leed en kruis;
Dan voert ons 't lijden dezer aard Naar 't zalig Vaderhuis.
üw ijver voor des naasten heil Deed U Apostel zijn,
Gods liefde die uw hart verslond, Maakte ü een Seraphijn;
Ach deel ook onze harten mee Een vonkje van die vlam , Dat hemelsch vuur, dat Jezus zelf Up aarde brengen kwam.
Alphonsus, hoor de laatste beó Van ons uw kindren aan;
Als straks het uur van scheiden slaat, Wil ons ter zijde staan.
En zoo gij ons na 't stervensuur Den hemel binnen leidt,
5.
Dan zingen wij met de englen saam Uw lied in eeuwigheid.
N0. 80. 0 Alphonsus opgevaren.
'k--- i -1-
Ã
147
he mei woon, Zie uw kin-Jren thans zich scha-ren
gzlzzij-^â^=^|=[:E^gr:
Om nw aardscheu glo-rie-troon Va-der hoor ons need rig smee-ken, Wil voor ons ten bes-te'sprc-ken O Al - phon-sus, hoor die bee Deel ons 's He-mels
A^W=pj|=^=i==:
gun - sten mee.
2. Zie, wij vragen drie genaden Aan uw goedig vaderhart;
Niet in weelde en vreugd te baden,
Niet te leven vrij van smart;
Neen , wat de aard ons ook moog bieden Mits wij maar de zonden vlieden; O Alphonsus, enz.
148
3. Als wij U zien neergebogen
Voor Maria's minlijk beeld, In verrukking opgetogen Daar haar lach uw blikken streelt, O dan vragen hart en zinnen:
Leer ons ook die Moeder minnen ; O Alphonsus , enz.
4. Als ons oog U, droef van harte,
Daar voor Jezus kruisbeeld vindt, Waar gij klaagt om zooveel smarte: sOch, de liefde is niet bemind!quot; O dan vragen we oi die liefde; Ook ons hart zoo innig griefde; O Alphonsus, enz.
5. Komt gij aan ons oog verschijnen
Voor 't aanbidlijk Sacrament,
Met den gloed der Seraphijnen Liefde, die geen mate kent;
O dan vouwen wij de handen:
Mocht ook eens ons hart ontbranden, O Alphonsus, enz.
6. O Alphonsus! opgenomen
Thans in 't land van liefde en vreö, Badend in de liefdestroomen Van Gods grondelooze zee.
Voer ook ons, na 't blij verwinnen. De eeuwge vreugdezalen binnen. ⦠O Alphonsus, enz.
149
N0. 81. Wij zingen met een blij gemoed.
*⢠â¢
Wij zin ⢠gen met een blij ge - moed, Al -
:=i=n|=rji a-=Ãz=f~
phon-sus, u - wen lof. Een vreng-de ⢠lied doen
⢠r»
2=t=f=H=t:
we U ter eer Thans rij - zen uit het stof. Want
F -
âizr^â^
tzid
zoo - veel ja - ren troont gij reeds in
quot;t^EEÃE
. /I
r?--
Si - on's heil - ge woon En schit - tert om uw
1--âr-i
-* *â^-1
hei - lig hoofd de gou - den glo - rie - kroon.
150
2. Hoe heerlijk schittert thans dat hoofd,
Waar d' aureool om straalt,
Daar eens uw deugd glansde als de zon,
Die aan de transen praalt;
En onverminderd bleef uw drngd
Dat zonneheldre licht.
Waarnaar op 't donkre levenspad
Ons oog zich veilig richt.
3. Wat levensgeest bezielt die hand
Met haren gouden stift!
Eens schreef zij woorden heraelsschoon
In wonderschrift bij schrift.
Ook thans nog leert dat machtig woord
Der wereld christenheid,
En heeft een stroom van liefdevuur
In heel Gods Kerk verbreid.
4. Hoe eervol golft thans om uw leön
Het stemmig kloosterkleed,
Veracht weleer, nu d' eerlivrei
Van legioenen breed.
En met uw kleed daalde ook uw geest,
Alphonsus , in hun hart;
En in uw kracht heeft dit uw kroost,
Der jaren storm getart.
5. O, mogen we eens met u vereend,
In Sion's heil'ge woon,
Een krone dragen als gij draagt.
Een gouden gloriekroon.
Dan zingen wij met ü te zaftm
En met der Englen koor
Een zielsverrukkend zegelied,
Al de eeuwigheden door!
151
Nquot;. 32. O Alphonsus hoog verheven.
---------[_ âI--PjâI- â|--lt;---
--0â#-?-#â0-L-\---F----0â #âL----#-*J
I fj' i 1 1 ! i ( 7 f
1. O Al-phon-sus hoog ver-he-ven, Thans ter blij-de he - mei-woon; Door uw goed-heid aan - ge - dre - ven
âI-
â» ' â â»0 »ââamp;-\-0.â* ,-------
â r~T 1â^\~\
scha - ren wij ons om uw troon. Hoor ons 't blij-de ü
is
â¢m
-â mi------
â¢â¢
\quot;TT f tf'1 !'i 111^
lof - lied zin - gen , U Al-phon-sus toe-ge-wijd
r
w
â¡li
r i drin - gen,
het door
M oog
=i-*=7-_*= L »â! ⢠»# 'r* '
Ijl u D
j n_,_
de heem - len
^--,--l-Xj-râJ----^
j-^ * * * |- *â¢--*
Pii i
J I
God ver - blijdt.
I
Waar Gij U in
--J- ^
3ërr±l
152
2. O, hoe juichten de englenkoren
Op uw blij geboortefeest.
Toen ge als kind van God herboren, Uit het bad des doopsels reest! 't Onschuldskleed U toen geschonken Droegt gij tot uw laatsteu snik.
Immer heeft uw ziel geblonken.
Als in d' eersten oogenblik.
3. O wat godsvrucht à bezielde.
Als gij in uw prilste jeugd In Gods tempel nederknieldet,
Wars van 's werelds zingeneugt;
O, dan zagen de engelen neder.
Voor Gods hemeltroon geschaard. En dan groetten ze U zoo teeder. Engel op deez* droevige aard!
4. Als een stam vol knop en bloemen,
Droegt gij 's levens lentekroon , Hoordet gij uw schoonheid roemen Was uw toekomst heerlijk schoon ! De aarde zocht uw hart te winnen Voor haar vreugd, haar goud, haar eer, Maar Gods stem sprak U van binnen Van het heil uit hooger sfeer.
5. God deed ü aan 't aardsche sterven.
Gij verloort uw roemrijk pleit;
Grooter glorie zoudt gy erven Dan U de aard had toebereid.
Toen herhaaldet ge in uw smarte : âWereld, ach ik ken u nu.
Lieve Jezus, 'k geef miju harte Eeuwig onverdeeld aan U!quot;
6. En gij liet al 't aardsche varen
Jezus had uw hart geboeid! Gij verscheent aan Gods altaren Priester door zijne liefde ontgloeid, O wat vlam kwam U bezielen Voor de glorie van Gods huis.
Voor het heil der arme zielen. Vrijgekocht door Christus' kruis.
153
7. Toen verhieft ge 't kruis des Heeren,
Riept ge een schaar van priestren saam,
Om heel 't aardrijk te bekeeren
Door de kracht van Christus' naam.
Straks doorliept ge Napels' Staten
Met dat uitgelezen heer,
t'n voor 't volk het meest verlaten
Scheeu het licht van Jezus weer.
8. Hoe ontsteldet gij bij 't hooren
Dat de Paus door Gods gena U tot Bisschop had verkoren,
Bisschop van Sint Agatha;
Maar Gods geest deed H ontgloeien Voor die kerk voortaan uw bruid. Gij deed haar verjengdigd bloeien,
Dreeft alom den vijand uit.
9. Wie vermeldt wat leed U griefde
Op het einde van uw baan?
Jezus bood U in zijn liefde Slechts den kelk des tijdens aan, Eind'lijk zaagt ge uw Jezus komen Met der heemlen Koningin,
En door de eng'len opgenomen.
Voert gij blij den Hemel in.
10. O Alphonsus, al nw lijden
Is voor eeuwig nu voorbij.
Eeuwig moogt ge u thans verblijden In der heemleu hooggetij.
Vader, deuk nog aan ons armen.
Die ge iu 't dal der tranen liet.
Smeek bij God voor ons erbarmen, O verlaat uw kindren niet.
154
N0. 83. Alphonsus zag vol van erbarmen.
C
1. Al - phon-sp.s zag, vol van er - bar - men, On-
*
Â¥ 0
⢠a
tel-ba - re Christ-nen in nood. Hij hoor-de het
sehrei-en der armen, Die vroe-gen om 't he-mel-sche
M=tF
'Vp---1-^âr-aâI--1âHT-^P---o -mâ4^\
: ^5EÃizErtE=3
brood. Toen zwoer hij be - wo - gen, Hun tra-nen te
*- m
-=i=l=p
|
droo - gen, Hun red - der te zijn uit den dood, Hun | ||||||||
|
red - der te zijn uit den dood.
2. In 't needrig gewaad van Gods helden, Vol ijver het kruis op de borst,
Doortrekt hij de Napelsche velden, Als strijder voor Jezus zijn Vorst.
Niets kan hem beteuglen ,
Zijn ijver geeft vleuglen.
Terwijl hij naar zielen slechts dorst, {bis)
155
Fel blakert de zon door haar stralen De Napelsche kust in haar gloed.
Doch kan niet bij 't hemelvuur halen, Dat gloeit in Alphonsus gemoed :
Hij wordt nu gedreven Zich zeiven te geven,
Zijn ruste. zijn krachten , zijn bloed, {bis) Zijn woorden doorboren de harten,
Hij spreekt van Gods vreeslijk gericht; Hij spreekt hun van de eeuwige smarten, Van Jezus, hun liefde en hun licht;
En zie hoe de scharen Met siddring aanstaren D'Apostel met vlammend gezicht, (bis} Straks zit hij als biechtvader neder.
De leeuw is nu zacht als het lam. Hij spreekt nu zoo zalvend en teeder. Tot hem, die berouwvol daar kwam. Hij heelt nu de wonden.
Vergeeft hun de zonden.
Ontvonkt hun het hart door zijn vlam. (bis) Begeven hem eind'lijk de krachten,
Dan keert hij ter kloostercel weer;
Dan ligt hij in de eenzame nachten Voor 't kruis zijns Verlossers ter neer, Dan schijnt hij verzonken In God, en als dronken Van wellust uit hoogere sfeer! {bis) Nn groet hij zoo blij zijn Vorstinne,
Maria, de vlekkelooze Vrouw,
Hij scheukt haar zijn hajt en zijn minne, Hij zweert haar onschendbare trouw. Wat gloeit hem het harte Wat troost in de smarte Wat vloeit hier de hemelsche dauw. {bis) Komt blij weer de dageraad gloren,
Hij gordt dan ten strijde zich weer. Dan doet hij den wapenkreet hooren, Dan siddert heel 't duivelenheer!
En komt hem na 't strijden,
De zege verblijden ;
Aan Jezus alleen zij al de eer! {bis)
156
N0. 84. Wie veilig langs de rechte baan.
Wie vei - lig langs de rech - te baan, Ten hoo-gen he - mei op wil gaan. Hij leez' AI - phon sus
on-ver-moeid, De schrif-len nit uw pen ge-vloeid.
2. Als hemelhonig zijn zij zoet,
Zij schenken rust aan 't bang gemoed, En storten vaak in hart en zin Het vuur der heil'ge liefde ons in.
3. Wie schilderde ooit zoo zalvend schoon,
De lijdenswonden van den Zoon, Wie heeft ooit met begaafder mond Den lof der Moedermaagd verkond?
4. Komt allen, 't voedsel is bereid,
Voor ieder zonder onderscheid;
Geen zet zich aan deez' feestdisch neer, Die niet rechtschaapner wederkeer.
5. De kuischheid bloeit door hem op aard,
Hij heeft de zedeleer bewaard;
Hij is 't, dien de Verlosser schonk Tot hulp der eeuw, die reeds verzonk.
157
N0. 85. O Alphonsus, nieuwe sterre.
WÃm
---o-
1. O
Al - phon sus, nieu - we ster - re
blin kend aan der Heem-len - trans. Die het
aard rijk heinde en ver-re, Blijft ver-lich ten
üfr=I=ö=r:T=i=i^âij
:±
-gt-1
i
door uw glans. Die het aard-rijk heinde en
jMâ-t
i=t±3i
m
ver - re. Blijft ver - lich ten door uw glans.
2. Petrus scheepje volgt in 't varen
Veilig quot;t helderblinkend spoor,
Dat gij teekent op de baren, 1 Tnsscben rots en klippen door. J
3. Schoone ster, met gulden stralen.
Tintelend van booger gloed,
O wat warmte doet ge dalen | ^ In ons koud en droef gemoed! J
4. Zucht ons hart in druk en plagen,
Gij verheldert ons gezicht;
Komt de nacht des twijfels dagen , 1 ^
Gij bestraalt ons met nw licht. J
158
5. Wil de duizenden verlichten,
Die hier dwalen in deu nacht,
Wil hun wankle schreden richten, 1 Waar hen Jezus liefde wacht. Æ ,s'
6. Blijf aan onze transen flonkren.
Werp uw stralen op ons pad,
Tot onze aardsche zon verdonkre, quot;I ..
't Licht ons schijne in Sion's stad. j 1 '
7. Licht der geesten, vreugd der harten ,
Warmte van ons droef gemoed.
Straal der hoop in druk en smarten gt; 1 i-Nieuwe sterre, wees gegroet! j IS'
N0. 86. Alphonsus Maria.
1. Ziet, daar rijst het feest-lijk zonlicht Vau den glo-rie-rij - ken dag , Die den ij - ver - vol - len Leer - aar Naar den he - mei stij - gen zag; Die Al - phon-sus rijk in ja-ren, Eind'loos rij ker nog in deugd, 't Land der zaal'-geu zag be-tre-den, O ver-vloei-end van ge - neugt'.
159
In des levens schoonsten bloeitijd,
Door de wijsheid voorgelicht,
Heeft de rijk begaafde jong'ling 't Schuldloos oog tot God gericht; En des werelds roem versmadend Kiest hij in Gods heiligdom,
Voor Maria's lieve beelt'nis,
Jezus tot zijn bruidegom.
't Maagd'lijk hart van Christus' Moeder, Weggezonken in de smart,
Voed de vlam der heil'ge liefde In zijn overwegend hart.
't Is haar naam, die zoet als honig, Met zijn naam te zamen smelt,
En na honderd vruchtbre jaren Zijn historie ons vermeldt.
't Is haar naam, die ons den sleutel Van dat kostbaar leven geeft;
In de wond'ren zijner wijsheid Als der Wijsheid zetel leeft.
Zendt haar beeldt'nis gloriestralen Over haar Alphonsus af,
Ziet haar Heerlijkheden schitt'ren Over zijn verheerlijkt graf.
Op uw roemrijk eeuwgetijde,
Groote Leeraar in Gods Kerk , Smeeken onze dankbre harten: O bekroon uw levenswerk.
Schrijf den zoeten naam Maria, Die u zooveel gunsten bracht,
In de zielen harer kind'ren Met zijn zegenrijke kracht.
160
N0. 87. Heerlijk Napels, rijst uw zonne.-
-J-
Fizrfâfp-^zd 1. Heer-lijk Na - pels, rijst uw zon - re Uit den
i4' ^ /i-' /;i
* ^
hel dren ster rennacht. Heer-lijk straalt haar mid-dag-
/ ^ ^ j \
lui-ster In zijn on - be-wolk-te pracht, Maar een
ï=l-
|
- â-j-----K--k- | |
|
ifcamp;g |
zon, als d'aard ten ze - gen nit nw Tes - te ia op - ge-
___* h__I S h J I h
h. ra
;!-? ⢠-i
gaan; Heeft nooit in nw rijk ste da - gen Ain uw
Jâi--1-
I
I
. »
schoon ge - welf ge - staan.
161
In Alphonsus' leer en daden,
Blinkend van Gods eigen licht,
Eees een zon van liefde en waarheid Voor der volken aangezicht.
Bij wier gloed geen sterflijk leven Maar de onsterflijkheid ontsproot; In wier glans het oog geen schepping Maar den Schepper zelf genoot.
En geen nacht vervangt dien luister, En geen wolk bedekt dien gloed; Eeuwen, snelt voorbij, vernietigt, Wat ge op eigen baan ontmoet! Nimmer dooft ge Alphonsus glorie In uw delgend voetspoor uit;
Veilig staat ze in hooger kringen, Dan uw wentelspheer omsluit.
Leeraar, Gods gezant, bij de eeuwkroon Die uw groeten naam omstraalt, In wier licht Gods Kerk op aarde Jublend met u zegepraalt.
Zijn de klanken zwak en treurig Van ons staamlend vreugdelied;
Doch de smeekstem van uw kindren Vader, neen, versmaadt gij niet.
Laat de gloed van liefde en waarheid, 't Vuur door ü op aard gebracht. Altoos meer ons hart ontvlammen 't Sterken met zijn hemelkracht, Dat we in 't licht door U weldadig Op ons levenspad verspreid,
Wandlen, vrij van zonde en dwaling, Bloeien ter onsterflijkheid.
8
162
N0. 88. H, Jozef, (Patroon der Kerk )
Iep
Lnid klink'door heel het we - reld-rond Met
=öquot;
=1=14
=t
|
't blij - de he - mei - heer, Eeu lof ⢠ge - zang uit | ||||||
| ||||||
|
al - Ier mond O Jo - zef U ter eer, Want |
U, Ma - ri - a's brai - de - gom, Be - «cher-mer
i
I
±ÃZ
m
k
van Gods Zoon , Groet thans het Chris - ten -
±ÃZ
Â¥33
volk al-om Als Heil - gen Kerk ⢠pa - troon. Als ^--
Heil-gen Kerk-pa - troon.
163
2. O gij, eens zwoegend in een stulp
En toch zoo vorstlijk groot,
O reik der Kerk uw Vaderhulp In haar zoo grooten nood:
Die in Maria en Gods Zoon, De Kerk reeds hebt behoed, Gij Koninklijke Kerkpatroon,
Wees Jozef, wees gegroet, (bis)
3. O Jozef, heil'ge Schutspatroon,
Blijf steeds Gods Kerk nabij; Dat zij voor list, geweld en hoon Door U beveiligd zij.
Dan eenmaal na volbrachten strijd Door ü op aard behoed.
Herhalen wij in eeuwigheid,
Wees Jozef, wees gegroet, (bis)
N0. 89. H. Michael.
Je-zua, die ons 't le-ven deelt. Omringd van 't englen-koor dat blij uw wenk aan-staart, U lo-ven wij.
162
N0. 88. H. Jozef, (Patroon der Kerk.)
±ÃZ
Luid klink' door heel het we - reld-rond Met
't blij - de he - mei - heer, Eeu lof ⢠ge - zang nit
m
al - Ier mond O Jo - zef ü ter eer. Want
U, Ma - ri - a's bmi - de - gom, Be - !cher-mer
m=t-
|
van Gods Zoon , Groet thans het Chris - ten - | ||||||||
| ||||||||
|
volk al-om Als Heil - gen Kerk ⢠pa - troon. Als |
Heil-gen Kerk - pa - troon.
163
2. O gij, eens zwoegend in een stulp
En toch zoo vorstlijk groot,
O reik der Kerk uw Vaderhulp In haar zoo grooten nood:
Die in Maria en Gods Zoon, De Kerk reeds hebt behoed. Gij Koninklijke Kerkpatroon,
Wees Jozef, wees gegroet, (bis)
3. O Jozef, heil'ge Schutspatroon,
Blijf steeds Gods Kerk nabij; Dat zij voor list, geweld en hoon Door ü beveiligd zij.
Dan eenmaal na volbrachten strijd Door ü op aard behoed.
Herhalen wij in eeuwigheid,
Wees Jozef, wees gegroet, (bis)
N0. 89. H. Michael.
164
2. U dient de dichte en strijdb're drom
Van 't dnizendtallig eng'lendom;
Daar Michaël, Gods vaand'rig hier, Ten zege heft de kruisbanier.
3. Hij heeft, met 's Heeren kracht omgord,
Den draak in d'afgrond neergestort; Hij bliksemde uit den hemel neer Den trotschaard met zijn duiv'lenheer.
4. Komt, volgen wij dien fieren held,
Ten strijde tegen 't helsch geweld. Dan siert het Lam op 's hemels troon, Ons 't hoofd met de eeuw'ge gloriekroon.
zant.
m
N0. 90. H. Joannes de Dooper.
Jo - an - nes, 's Heer-ren boet - ge
Want Je - zus heeft met ei - gen mond Uw maat-loos
â eiââ¢H-gâ
hoo-gen lof - ver - kond.
165
Gij werdt gezuiverd van de schold,
En sprengt reeds op van vreugd vervuld, Terwijl D nog de moederschoot Vóór 's levens dageraad omsloot.
Eas toogt gij boetend ter woestijn,
Om er met God alleen te zijn Tot straks uw immer roepend woord, Door gansch Judea werd gehoord.
Gij wijkt voor vorst noch vorstenmacht, Als hij des Heeren wet verkracht, Gij valt voor 's wreedaards euvelmoed Zoo wint ge een kroon in 't eigen bloed.
Neen nimmer heeft er op deez' aard Een zoon der vrouw IJ evenaard,
ü, die des Heeren weg bereidt Tn 't doopsel der boetvaardigheid.
O Sint Joannes, boetgezant.
Baan ook ons pad naar 't Vaderland; Wij smeeken U, sta ons ter zij.
Maak ons van Satans listen vrij.
166
N0. 91. H. Petrus.
^lÃiÃ3=Ei^f:
i. Komt roe - pen wij Sint Pe - tru3 aan,
P
Die ons ten he - mei op doet gaan.
-ri-
Hem zijn de sleu-tels toe-be]- troawd. Op Hem heeft
^=±
zk
rj.
God zijn Kerk ge - bonwd.
2. Tot Petrus sprak des Heeren woord,
En 't werd al de eeuwen door gehoord: Geleid mijn lamm'ren over d' aard, Geleid mijn schaapkens hemel waart.
3. Sint Petrus is de hechte rots,
Waarop zy steunt de Kerke Gods. Gij zijt de rots, zoo sprak de Heer Ik leg in U den grondsteen neer.
4. Sint Petrus koos Gods raadsbesluit,
Tot eerste bij de twaalven uit
Hij droeg de macht, hij droeg de kroon,
En zetelde op des Heeren troon.
167
5. Thans zijt gij van ons heengespoed,
En juicht in 't rijk van overvloed; Daar looft gij Gode die U bood Den palmtak van den marteldood.
6. O hoor dan nu, hoe 't schaapje schreit,
Dat nog in 't dal der tranen weidt. Het roept tot U, verhoor ons beö, Geleid het in der heem'len stee.
N0. 92. H. Bonifacius.
idr
-0--j--1
1. Een juich - toon thans ge - he - ven Sint
|
Bo - ni - faas ter eer; Door lief ⢠de Gods ge â | ||||
| ||||
|
dre - ven Bracht hij ons Je - zus leer. Voor --1- |
Z,âiquot;ânz;quot;â-v.4---n--
ous toog hij ten strij-de En voer-de in bit - ter
---
lij - den Ons al - len tot den Heer.
168
2. Hij liet zijns vaders erven
En toog van Duitschland voort, Om zielen er te werven Voor 't Evangeliewoord,
En de afgoon zijn gevallen, En 't blijde zegenschallen Der Christ'nen wordt gehoord.
3. En na veel gaan en keeren
Gedacht hij Nederland;
Hij heeft het kruis des Heeren Alomme toen geplant,
Toen bloeiden er de deugden. Toen was het hemelvreugde In 't dierbaar Vaderland.
4. Hij heeft voor ons gestreden
Met duizendvoudennood, Hij heeft voor ons geleden Den bitt'ren marteldood;
Maar als de frissche regen Zoo werd zijn bloed een zegen Waaruit 't geloof ontsproot.
5. Thans dwalen gansche scharen
Zoo ver van Christus' leer; O puik der martelaren Voer gij hen allen weer; O moog, gelijk voor dezen, Gansch Nederland weêr wezen Getrouw aan God den Heer.
169
N0. 93. H. Willibrordus.
1. O Wil -11 - brord, die van om - hoog Ous
jâlquot;T â 11--1â-i!^rt:pj=i|=j=d \
^iz\z-^=^z^=^=Ã=r^4z^^=:zÃ]
ga slaat met be-schermend oog, Hoor 't nageslacht der
p^t^^^q-==:zip=|=i=i=r=|==tp4==p=t4q
1
vud'-ren aan, Met wie gij zelf hebt om - ge-gaan.
170
N0. 91. H. Aloysius van (Jonzaga.
i i i r i ii f T f i
1. Pronk-ja - weel der He-me - lin-gen. Sieraad van het
^pPJiiipÃÃ^p
r f f i tf1 1 1 ^ ' i
Eng'-len - hof. Gun ons dat wij kunst-loos zin-gen,
T r ' T 1 1 1 I I
Al - lo - y - si - us, uw lof! Door de Kerk zijt
r i â 1 r f r amp;'1 u r
ge ons ge - ge - ven. Als een voor-spraak bij Gods troon. En voor 't christ-lijk jeug - dig le - veu
^xTr--
Als een heil - ge Schuts-pa - troon.
171
Vlekloos waart ge altoos op aarde, Vlekloos van uw vroegste jeugd;
Niets bezat voor u meer waarde Dan de reine Christendeugd;
Ootmoed, kuischheid, trouw en liefde Sierden uwen hoogen stand;
Wat u lokte, wat u griefde, Gij bleeft aan Gods dienst verpand.
Met uw hart en ziel en zinnen Boven alles God alleen Trouw te dienen, trouw te minnen. Was uw wellust hier beneön.
Heel uw jeugdig, heilig leven Was gewijd aan de eer van God, En tot loon werd u gegeven Dat gij deelt in 't Bnglenlot.
Jezus' en Maria's namen
Vloeiden 't eerst uit uwen mond, En gij droegt ze in 't hart te zamen Tot uw laatsten levensstond.
O wij smeeken om uw leven.
Om uw trouw aan Jezus' leer. Gij, tot voorspraak ons gegeven, Bid voor ons bij onzen Heer.
172
N0. 95. H. Moeder Anna.
4»^^ ^ J ' 11? j
1. Sint An na, he-melsch groot. Wat draagt Gij iu uw
schoot Toch kos - te - lij - ke ro - ze 1 U koos des Hee-ren wenk te ba-ren het ge schenk der
^^=fepi=g=£p=E=i=i
Ma - ged nit ver - ko - zen.
2. O Boom van 't Paradijs
Wat hebt ge op wondre wijs Het leven ons gegeven!
Als Adams bittre schuld Het al met dood vervult,
Draagt gij een vrucht vol leven.
3. Gij hebt haar voortgebracht,
Aan wie de Heer zijn macht En wond'ren woü betuigen: Een zuiver maagdelijn,
En Moeder zal zjj zijn,
Daar de Engelen voor buigen.
4. Wat is het schoon uw kind.
Wat is 't van God bemind,
Die 't noemt zijn lieve Moeder 1 Wat is het rijk in macht,
Wat is het zoet en zacht!
Neen, nergens leeft er goeder!
173
5. O overzalig lot,
De Moeder van uw God Is uit uw schoot geboren! De Trooster koos ü uit Tot Moeder van de Bruid, Die Hij zich had verkoren!
6. Dies is mijn hart vol moed,
En roep ik: Moeder zoet, O treed gij tusschen beiden; O smeek Maria teér.
Dat zij mij tot den Heer In 't hemelrijk geleide.
N°. 96. H. Cecilia.
i
j»
⢠a
SEE
1. Heil ge Maagd Ce - ei - li - a I Pa-tro-nea-se
EÃ:
=1
-#v-
jL-it±±4
der Ko - ris ten, Voor-beeld van ge - loof en trouw
3=1-,
Waak zaam te - gen Sa-tana lis-ten, Sterk bij al -len
I
⢠m -n
ïisiïl
'V
4-
174
2. Gij, bekeerd tot Christus' Kerk,
Van zijn liefde heel doordrongen, Gij hebt 's Heeren roem en lof Bij bazuin en luit bezongen, En , hoe ook bekoord, gekweld, | ^ Jubelend Gods lof vermeld |
3. Wij ook danken 't waar Geloof
En nog meerdre gunstbewijzen, Aan den goeden , lieven God; Mogen wij Hem daarvoor prijzen Met zoo blijde erkent'lijkheid , 1 i ⢠Als Gij Hem hebt toebereid, j iS'
4. Gij, geaiarteld tol den dood,
Hebt des Heeren gunst geprezen; Geef dat wij geen ongeval,
Dat wij zelfs den dood niet vreezen, En met 's Heeren gunsten blij 1 ^ Leven, sterven zoo als Gij. J
5. Heil'ge Maagd Cecilia,
In den Hemel zijn uw zangen Door het koor der Heilgen Gods Met verrukking opgevangen; Opgevoerd tot 's Heeren troon 1 ^ Schonken ze U der Zaalgen kroon. J
6. Geef nu, Maagd en Mart'lares,
Dat ook onze jubelklanken Stijgen naar de Hemelzaal,
En wij Gode loven, danken Met het jub'lend Zaalgenkoor De eeuwigheid der eeuwen door. J
175
N0. 97. H. Barbara,
| ||||||||||||
|
Christ'-nen troa - we Pa - tro - nes Tn hup zoo |
| ||||||||||||||
|
ban-gen laat - sten strijd, U Ba - ba - ra ons | ||||||||||||||
I I r
1
0 Barbara, gedenk ook mij,
En sta mij in den doodstrijd bij.
Geef dat ik eens den dood begroet, Gesterkt door Jezus' Vleesch en Bloed.
176
N0. 98. H. Monika.
=l=t m m
1. Zoet ge Dotia't U te wij den, Mo-ni - ka, ons
m
0 -0 ' -y
⢠#
^Ei-EE^ »i '--^
êel - sten lof; En tot in - nig ziels ver - blij - den
* » 9
Ã
amp;
Geef ons An - gu ⢠sti-nas stof, Waar wij 't schoo-ne
»«
SI
|
feest-tij vie-ren van de moe-der en den zoon. | ||||||
| ||||||
|
Die ver-een de glau-sen sie-ren Op deze aar-de |
in Gods woon.
177
2. Ach, wat vloed van bitt're tranen
Stort uw droevig moederoog 1 Ach wat tal van vuur'ge beden Zendt uw zuchtend hart omhoog! Ach hoe zwoegt uw moederliefde Tot ge den verloren Zoon,
Overwonnen door genade,
Wedervoert; in 's Vaderswoon.
3. Juicht! de Zoon van zoo veel tranen
Wordt u, moeder, Zoon van vreugd! 't Is een blij, een heerlijk Paaschfeest, Dat uw minnend hart verheugt, Als door 't bad der weergeboorte Augustinus uit den dood Opstaat, om in 't heil te deelen. Dat uit Jezus' bloed ontsproot.
4. Stijgt nu, Monika, ten hemel!
Wat weerhoudt op aard u meer? Nu uw Zoon, bevrijd van banden, Gansch zich wijdt aan God zijn Heer. Bisschop, leeraar, ordestichter Stralend met des hemels glans,
Is voor u uw Augustinus De allerschoonste gloriekrans.
178
IT0. 99. H. Lidwina.
-h-tâI
9^râ0-
1. Dat al - le tong U roe - me, In
-I-
I
⢠â¢
ïsfe
zan-gen luid en blij. Lid - wi - na, schoon-ste
ig
t-i-ï
iân
bloe - me uit Hol-lands maag den - rij; Na
|
:=«-^--râ | |
|
-amp;-⢠: |
isfe
mm
't lang' en fol-t'rend lij - den. Met hel-den-moed door-
tquot;
⢠r
:=t:
staan. Het eeu - wi - ge ver - blij - den, ver
itâp heer-lijkt in - ge - gaan!
179
2. Lidwina, schoone Lelie
Als aan den voet van 't kruis, Toen 't lijdensevangelie Weerklonk in 's Heerenhuis, Ontbloeid in Schiedams muren , Of de eeuw'ge Bruidegom U merkte sinds die ure Ten langen marteldom.
3. Gij stond in 's levens morgen ,
Zoo rein, zoo blij te moè; Zoo lachend, vrij van zorgen Blonk U het leven toe,
Toen gij, den reinen boezem Van hooger vlam ontvonkt. Uw» maagdoms lentebloezem Den eeuw'gen Bruigom schonkt.
4. Dra zaagt ge in sombre smarte,
Uw vreugden ondergaau,
Bood U de Vriend uws harte Zijn lijdensbeker aan :
Aan 't smartbed vastgekluisterd Door lijden wreed en hard, Geschonden en ontluisterd. Een levend beeld der smart.
5. O wond're lijdeusplagen
In dagen zwart en bang, O angsten sinds gedragen In nachten droef en lang; Geslingerd door de golven In de afgrond neergemaald, In d' ijsb'ren nacht bedolven. Waarin geen ster meer straalt!
180
fl. Toen zocht nw stervend harte
Hem, die aan 't kruishout leed, lu eicd'loos hooger smarte Zijns Harten doodstrijd streed; Dien in Zijn lijdensstonde De Vader zelf verliet;
Gij zocht in Jezns' wonden Een schuiloord in 't verdriet.
7. O wond'ren van Gods liefde
In U sinds geopenbaard,
Toen door nw leven griefde. Als scherp geslepen zwaard, De straal uit Jezus' wonden. Toen gij met bloedig schrift Die teek'nen de eigen sionde Uw vleesch voelde ingegrift.
8. Hoe werd sinds 't kruis uw glorie.
Het kruis uw hooge kracht. Het kruis van de victorie Uw hoop in d' ijsb'ren nacht; Hoe maakte Hij U dronken Van hooger liefdegloed.
Die aan dat kruis geklonken Vergoot zijn kostbaar Bloed.
9. Straks daalde van haar trone
Der heem'len Koningin Bracht ze U der maagden krone, O fiere kruisheldin.
Gods Eng'len daalden blijde Naast uwe sponde neêr, U troostend in uw lijden Met woorden zoet en teer.
181
10. Straks brengen Seraphijnen
Uw purp'ren martelkrans; De laatste bloedvobijnen Ontbraken aan zijn glans;
Maar overdekt met wonden.
Door krijg'ren ruw en wreeil, Zaagt ge in die lijdensstonde Uw gloriekroon gereed.
11. In purp'ren glanzen lichtte
De dag nwa uitgangs aan. Uw laatste krachte zwichtte, In 't sleepend leed vergaan;
Beeds hadt ge in de arme woning Begroet nw Bruidegom, U noodigend ter kroning In 's hemels heiligdom. 13. In bittre stervenssmarte,
In liefdes jongste zucht.
Nam uit het brekend harte Uw ziel haar hemelvlucht: De hooge beem'len ruischten Van eng'letiharpgeluid Ter Bruiloft des Gekruisten Met zijn verkoren Bruid. 13. Lidwina schoonste Bloeme
Uit Hollands maagden rij.
Daar wij uw vreugden roemen In zangen zoet en blij,
Help ons door 't kruis verwinnen Op 's levens lijdensbaan,
Om eens bij U, heldinue. Ter glorie in te gaan.
182
N0. 100. Gelukz. Canisius.
m
1. Zaal' - ge Fe - trns, ging nw Moe-der Al te Vr
t-rrâT-t=i=ï==
i
U-
vroeg voor U naar God, Go - des Moe ⢠der
-f2âs:
nam heat plaats in, In Haarband be - rust-te uw
lot. Wijs-heid schonk Zij U tot leid - star.
m
Kracht om - kleed de uw teer ge - moed, Daar-om
-n-l-trâ I i i , U
n
=F
wijdt Gij Haar uw kuisch-heid 't Of - fer
-p--Gâ
rend aan nw groet.
183
Opgeleid tot hooger roeping
Kwijt Ge ü voor de heil'ge zaak, Sprekend, schrijvend, lijdend, zwoegend Onverdroten van uw taak;
Maar gedachtig, wie uw steun is. Wie op 'tdoornig pad U hoedt.
Stort Ge als pelgrim hij het outer Van Maria 't »Wees gegroet,quot;
Staan ook wij, uw beeld voor oogen, Trouw in dienst der Moedermaagd,
Doen wij, door uw beö geholpen. Wat haar lieven Zoon behaagt; Dan stroomt ook op onze hoofden Alle schat van hemelsch goed.
Blijft Haar onze tonge zeeg'nen Door 't vertrouwvol »Wees gegroet.quot;
184
N0. 101. Gelukz. Clemens.
33
1. Kij-ze thans, o zaal'-ge Cle-mens, 't Lof en
Ist
smeek-lied U ter eer; Hoog in 'a he-mela
P
:=t=--t=
glo - rie tro-nend Ziet gij gun - stig op ons
||jb=r , J i ^ J-n 14-j-^
i
neer. 'tMe-de - lij-den, dat U 't har - te
Hier voor el - ke smart ont - sloot. Blijft ü
4=i
vol - gen ook daar - bo - ven; Lief - de
sterft niet met den dood I
185
Waart gij groot reeds op deez' aarde, Grooter zijt ge in 's hemels woon; Wat al deugden, die als paarlen Schittren in uw gloriekroon!
't Vast geloof maakte ü Belijder; 't Lijden Christus' Martelaar,
Maagd , de lelieblanke reinheid , 't Woord, der Kerke steunpilaar.
Doch wie meldt uw liefde, o Clemens, Voor uw Jezus en zijn kruis.
Voor 't Altaargeheim der liefde. Voor de glorie van Gods huis? Wie uw kinderlijk vertrouwen Op Maria wonderzoet.
Uwen dorst naar 't heil der zielen, Vrijgekocht door Christus' bloed?
Tot, uw troon in Sions glorie Stijgt ons aller vuur'ge beé:
Deel van uw geloof, uw liefde, Clemens, ons een vonkje meö; Mogen wij steeds hier beneden 't Toonbeeld volgen uwer deugd, En dan eenmaal ook daarboven Met ü deelen de eeuwige vreugd!
Zaal'ge Clemens, hoor ons smeeken. Zingen, jublen ü ter eer:
Blik van uit den schoonen hemel, Welgevallig op ons neêr!
Blijf ons bijstaan, ons beschermen Door uw voorspraak bij Gods Zoon, Voer ons door den strijd des levens Veilig in der zaalgen woon!
9
186
N0. 102. De Angelus.
1. Ge - zant aan Ma - ri - a is de En - gel ge -
^=ï=tö==lâUj
'an-g
:^3=±.
⢠â¢
Hei |.
-oâ0----
weest; En Zij heeft ont-van-gen van den Heil'-gen
n Refrein.
i
geest. A - ve, A - ve Ma -ri-al A-ve, A-
ve, A - ve Ma - ri - a, A - ve !
2. Zie, sprak toen Maria,
Des Heeren dienstmaagd,
Het moge geschieden
Wat uw woord mij vraagt. Ave enz.
3. En Vleesch is geworden
Het Woord, God de Zoon,
En nam in ons midden Zijn blijvende woon. Ave enz,
4. Wil gij voor ons bidden,
Die God hebt gebaard.
Zoo worden wij Christus'
Beloften eens waard. Ave enz.
187
ee - nen In Roer-monils hei-lig - dom. Komt, gaan wij blij te moe - de Ver-trou-wend op haar
â*â*quot;lquot;fâ*â ^3
hoe - de, ter Bee-vaart, ter Bee vaart! Naar dat
Won - der - besld !
2. Wij gaan voor 't beeldje knielen,
Door liefde en hoop verblijd;
Toon, Moeder onzer zielen,
Toon dat gij Moeder zijt.
Laat Moeder, al ons lijden Verandren in verblijden. Ter Beevaart, enz.
N0. 103. Wij gaan ter beevaart henen.
188
3. Wij richten onze schreden
Naar dat genadenoord,
Waar zooveel duizend beden Sinds eeuwen zijn verhoord ! Daar blikt Maria teeder Op al haar kindren neder. Ter Beevaart, enz.
4. Daar deed den stervelingen
Maria mild en zacht,
Een heil'ge bron ontspringen, Beroemd door wonderkracht. Daar klinkt in blijde klanken Het dankbaar lied der kranken. Ter Beevaart, enz.
5. Daar roept zij tot haar kindren:
»Komt al die weent en zucht; ü zal geen leed meer hindren, Indien gij tot mij vlucht! Vertrouwt mij uwe smarten, Ik troost uw droeve harten.quot; Ter Beevaart, enz.
6. Dat elk van ons dan snelle
Naar dat gezegend pand;
Daar rijst de bidkapelle Der Lieve Vrouw in 't Zand. Die Moeder uitverkoren Deed ons haar stemme hooren: Ter Beevaart, enz.
7. Dus spoedt u, pelgrimsscharen,
Ter vrome beevaart heen.
Laat aardsche zorgen varen, En denkt aan God alleen. ' Komt, bidt daar vol vertrouwen De machtigste der vrouwen. Ter Beevaart, enz.
189
N0. 104. Onze Intenties.
-Met,
1. Wij ko-men U ver - ee - ren. Van ver-re uit het
z---0--1----±âsâeâ0--,
land. Hoor, eer wij we - der - kee - ren. Ons,
Refrein,
Ã
Lie-ve vrouw in 't Zand. O, zie met wel-be -
gen Gij, Moe - der op ons neer; Ver-
t=f-
t=t
⢠0
⢠#
ha
Ã'
1
Mâ0â0â#
0»
I: Hi-
i -n
krijg ons wat wij vra-gen Bij Christus, on-zen Heer.
2, Wij laten 't smeeklied riizen Tot voor Maria's troon,
Want alle gunstbewijzen Verkrijgt zij van haar Zoon. O, zie enz.
3 Onz' eerste bede stijge
Tot ü, Maagd , hemelvvaart,
Opdat Gods Kerk verkrijge
De rust en vrede op aard. O, zie enz
190
4. Bid voor den Heilgen Vader,
Ons dierbaar Opperhoofd,
Door list van den verrader Van rijk en kroon beroofd. O, zie enz.
5. Wij, kinderen, wij vragen
Uit 's harten liefdegloed,
God schenk' in al hun dagen Onz' ouders alle goed. O, zie enz,
6. En vriend en vijand tevens, i-
En allen ons verwant,
Leide op den weg des levens
Gods zegenende hand. O, zie enz. p.
7. Kom, Moeder, hen die lijden
In 't smartvol vagevuur,
Vertroosten en verblijden.
Verhaast hun reddingsunr! O, zie enz.
8. Aanschouw, o Godes Moeder,
Hoe elk U eere biedt.
Met Jezus, onzen Broeder;
Verlaat ook Neerland niet. O, zie enz.
9. Stijg' voor wie niet vermochten
ïe doen deez' bedevaart.
En ons gebed verzochten,
Een bede ook hemelwaart.
10. Maar, Koningin der Heilgen,
O, zegen ook deez' schaar;
Wil immer ons beveilgen In 't dreigend zielsgevaar.
11. Laat ons uw gunst verwerven
In 's levens bangsten nood;
O, zie enz.
O, zie enz.
Opdat wij eenmaal sterven Een goeden, zaalgen dood.
O, zie enz.
L
N0. 105. Bij het ::-.deren der Kapel.
^ I I J ^ ââhâ1=
--^-1---; ' »' â-l,--*-
quot;O*
1. Ziel, pelgrims, zie: . 'l ver-schiet, ver-rijst het
oord van ons vc- i'en Luid klinke thans ons
;'ijd-ste ju-bel - zan-gen!
2. Aan 't einde deze. oone laan,
Daar zullen wli Maria vinden;
Ziet reeds ha . 'iapelle staan,
Ginds in de sc we der linden.
3. Korat, trekt dar, . rt, het kruis in top,
Dat beeld van 'e, hoop en vrede,
Tot haar, die â den trotschen kop Der oude hel - beeft vertreden.
4. Gegroet dan, L Vronw in 'tZand,
Van verre hoe; al onze zangen!
Gegroet, o 1. .'rouw in 'tZand,
ü nadren wij : groot verlangen.
5. O dierbre Maagd van uw troon
Dan nu reed- cw kindren neder; U melden ree hemelboón; Uw kindren, ' .'er, komen weder.
192
2.
r
N0.106. Een lied van U, een lied voor U.
^ 'Tâ1-^=1â=l=f====F=^=]
=ö=
:E^EE?E^EiEr^:u:E*EE3
!⢠Een lied van U, eeu lied voor U, O
M-
3.
^5=1=
⢠»
i-ffrrtfâ*-r
lie ve Vrouw in 'tZand, Weer - klink' in vol-len
=1#
j
» «
==4=1= -j*--»â* â¢
Ju-bel-toon Door heel ons Ne-der-land! Eeu
y-
;4s=iquot;
ö
« *
* »
=!=t:f=t ⢠m \
lied van U, een lied voor U, Vol dank-bre lief-de en
ir^z:zi=^ï=i!=.fzz=Ã=fe;
----1_1----h-H-
y=
m
gloed, Dat u - we moe-der - lief - de prijst, En
1
m
lof-zingt Gij zijt goed!
193
Ja, goed zijt Gij! Goed waart Gij ons Voortdurend jaar op jaar,
Geen moeder was er beter ooit Voor hare kindrenschaar.
Wat in der eenwen loop verdween, Wat ook te niet mocht gaan:
üw harte bleef een moederhart, üw liefdetroon bleef staan.
Ja, goed zijt Gij! Voor allen goed! Zoo klinkt het wijd in 't rond;
Geen, die hier ooit nw voorspraak vroeg. En niet \iw macht verkondt. Uw moederbeê verdrijft de smart,
Weert ziekte en rampspoed af.
Wekt zondaars tot bekeering op,
Wekt dooden uit hun graf.
Ja, goed zijt Gij, en maatloos goed!
Zing dat, Mariastad,
Die u reeds zooveel eeuwen roemt Bewaarster van dien schat.
Zingt dat, gij pelgrims, toegestroomd Uit alle stad en land ,
Tuigt allen van de wondermacht Der Lieve Vrouw in 't Zand. Dus danken we ü, en zingen bljj Een lied vol liefde en gloed.
Daar wederliefde en dankbaarheid Ons harte kloppen doet;
Wij zingen van het liefdevuur.
Dat in uw boezem brandt,
Een lied van ü, een lied voor U, O Lieve Vrouw in 't Zand!
194
Nquot;. 107. De zoete lieve Vrouw van den Bosch.
ij i i ? V i rquot; h h
--hâK-
' .â
N-
1. Bos sche - naren, wilt niet zwij-gen laat uw
-Hu
i'r
::!
l.
--l_S---m-» -_l -M--M-(_âr.âJ
'⢠'* »
*»' t i ij r i
^ 1 1 ^ ^ 1 1
lied ten He-mel stij-gen'In uw grij-ze Her-tog-
:yi=___;1._^__._T__^,_4^1._^_
f
,»
u
r
stad Troont een beeld ver - maard door
'-fe
i r ^ i
wond-ren; Brussel borg weleer dien schat. Diende
-ytu_j_
r ^ 'v ^ r r ^ ^ r b
i
ïij - and wil-de plon-dren; 't was een tijd van
1
h-
mh:
^.....*:
bit - tre rouw Voor ouze eeu - wen - on - de
1
ij; rp p p i r
ves - te ; Maar zij kwam weer-om ten les - te :
öüffö--t--j----w--
ij 8 ! i p 'pb
P P
Oq - ze
kk
zoe - te lie - ve Vrouw! On-ze
i
:4=J==i:=z«7=)r±=; -«fâfâPâf-.®â
Tquot;P_P u Tquot;
zoe - te lie - ve Vtouw !
2. Wie beschrijft, wat zegeningen
Wij in haar kapel ontvingen,
Waar haar beeld zijn troon hernam ? Hier genas zoo menig lijder:
Hier, waar niemand vruchtloos kwam. Hier werd 't droevig harte blijder. Hier vond 't zondig hart berouw.
Hier vond 't bang gemoed weer vrede, Hier in deze heil'ge stede Onzer zoete Lieve vrouw!
3. Moeder, blijf ons steeds beschermen,
Over ons u steeds ontfermen. En verlaat ons nimmer meerl Weer van ons en onze kindren, Moeder altoos zoet en teêr.
Alles wat ons ooit kan hindren, Wij ook blijven u getrouw!
Ja, wij zweren 'taan nw voeten. Tot we u eens daarboven groeten, Onze zoete Lieve Vrouw!
192
N0.106. Een lied van U, een lied voor U.
=y_â
«⢠» â¢
iüpÃÃ
1* Een lied van U, eeu lied voor ü, O
wm
M-
t
lie ve VrouvT ia 'tZand, Weer - kliuk' in vol-leu
-SJ-
^ÃÃm
ju-bel-toon Door heel ons Ne-der - land! Een
i.=4s=!â
âI-----0âF-
Jj-
i=t
lied van U, een lied voor U, Vol dank-bre lief-de en
* » «-gFjE=g
-M-*
±:
t
gloed. Dat u - we moe der - lief - de prijst, En
lof-zingt Gij zijt goed!
193
Ja, goed zijt Gij! Goed waart Gij ons Voortdurend jaar op jaar,
Geen moeder was er beter ooit Voor hare kindrenschaar.
Wat in der eeuwen loop verdween, Wat ook te niet mocht gaan;
Uw harte bleef een moederhart, üw liefdetroon bleef staan.
Ja, goed zijt Gij! Voor allen goed! Zoo klinkt het wijd in 't rond;
Geen, die hier ooit uw voorspraak vroeg, En niet uw macht verkondt. Uw moederbeê verdrijft de smart.
Weert ziekte en rampspoed af,
Wekt zondaars tot bekeering op.
Wekt dooden uit hun graf.
Ja, goed zijt Gij, en maatloos goed!
Zing dat, Mariastad,
Die u reeds zooveel eeuwen roemt Bewaarster van dien schat.
Zingt dat, gij pelgrims, toegestroomd Uit alle stad en land,
Tuigt allen van de wondermacht Der Lieve Vrouw in 't Zand. Dus danken we U, en zingen bljj Een lied vol liefde en gloed.
Daar wederliefde en dankbaarheid Ons harte kloppen doet;
Wij zingen van het liefdevuur.
Dat in uw boezem brandt,
Een lied van ü, een lied voor ü, O Lieve Vrouw in 't Zand!
194
N0.107. De zoete lieve Vrouw van den Bosch.
|
naren, wilt niet -Jâ n#âJ r. i i ^ öiiippiiiiii u r i i ? ^ i r tf |, r 1. Bos scha 1»T- rT |
I ' quot;P P zwij-gen laat uw ____ i i fcquot;: -f-A -p-p- |
lied ten He-mel stij-gen'In uw grij-ze Her tog-
gz-*- - gt;
- rf: r r
P.â
ifi-ö; Tigt;lt;«
i
p pp ^ fâr-'-r-Jâ
vij - and wil-de plon-dren; 't was een tijd van
JA - - ^ i i.
3
tquot;
7quot;----Ãr^--mâârs--trJ---
r
bit - tre rouw Voor onze eeu - wen - on - de
â^ If 5
kwam weer-om ten les - te :
L-sqz--«âJâiâ0â«âC âPââ âlâ|âhââ
P 5 1 I Pr P
Oq - ze zoe - teOn-ze
||=l3sfetEJâ
-â¢=
zoe - te He - ve Vrouw 1
2, Wie beschrijft, wat zegeningen
Wij in haar kapel ontvingen,
Waar haar beeld zijn troon hernam? Hier genas zoo menig lijder:
Hier, waar niemand vruchtloos kwam. Hier werd 't droevig harte blijder, Hier vond 't zondig hart berouw,
Hier vond 't bang gemoed weer vrede. Hier in deze heil'ge stede Onzer zoete Lieve vrouw!
3. Moeder, blijf ons steeds beschermen,
Over ons u steeds ontfermen. En verlaat ons nimmer meer!
Weer van ons en onze kindren, Moeder altoos zoet en teêr.
Alles wat ons ooit kan hindren, Wij ook blijven u getrouw!
Ja, wij zweren 'taan uw voeten. Tot we u eens daarboven groeten, Onze zoete Lieve Vrouw!
196
N0. 108. Afscheidslied.
-P--#-0-
=1.1=
1. Vaar - wel! vaar-wel, wij schei-den, O
±1=1=.^
⢠»
U-
jÃ=t
lie-vc Vrouw in 't Zand. Maar 't har-te, dat we U
1=1=J=
mâ»-
wij-deu, Dat la - ten we U tot pand. Vaar -
.yt__
wel, o Maagd, zoo zoet. Die ons be - wa - ren
=1=
=1=*:
w
=t=l=
g=±=^EPi=-[==
moet. Vaar - wel, o Maagd, zoo zoet, die ons be-
Ã
wa - ren moet.
197
Wij zullen wijd in 't ronde,
Als wij zijn weer gekeerd,
Tot awen lof verkonden,
Hoe Gij hier wordt vereerd Vaarwel, enz.
Toen wij ter beóvaart togen,
Hoe blij was toen ons hart!
Nu blinkt in aller oogen De traan der scheidingssmart. Vaarwel, enz.
O! konden we onze wone,
O Lieve Vrouw in 't Zand,
Hier neerslaan om uw trone,
In dit gezegend land. Vaarwel, enz.
O ! Moedermaagd, wij groeten Nog eens uw beeltenis;
Wij leggen aan uw voeten,
Al wat ons dierbaar is. Vaarwel, enz.
Wij zullen in ons lijden Naar U onze oogen slaan;
O, wil ons dan verblijden,
Ons trouw ter zijde staan. Vaarwel, enz.
Geef, Moeder onzes Heeren,
Dat we ook het volgend jaar,
U hier weer komen eeren Met nog veel grooter schaar. Vaarwel, enz.
Vaarwel voor 't laatst, wij scheiden, O Lieve Vrouw in 'tZand!
Ach, blijf ons steeds geleiden,
Tot 't hemel sch Vaderland. Vaarwel, enz.
198
N0. 109. Het droevig Afscheid:
,,0 Moeder 't uur is daar.quot;
4â^--0 -----1quot;1--1----1â \- 0 â#â
2----x--p------a
1. Vaar - wel! vaar - wel wij schei - den! O
-ë-_
4
'fl
« ⢠â¢
rrzjâ-il.r^-iâ|
Moe-der,'t nur is daar; Wil Gij cms zelf ge-lei - den, Oos bij staan in't ge - vaar. Och hoe
s
ijP-h-t
z|=:ji=i===r=|=its=j5:
:Jii^=^=^=z=f5z^: âjâ* »
zwaar valt de smart Van U he ⢠nen te gaan, Maar U
qâq5r^=i|~a5ziq5p=rrpir^;q=q=|
rb:
bie-den we ons hart Ter ge - dach-te-nis aan Vaar-
ü
wel! Vaarwel wij schei-den, O Moe-der,'t uur is daar.
199
Wat ons deez' aard moog schenken, Des levens vreugde of smart: ü blijven wij gedenken,
Uw beeld straalt in ons hart O Gij Maged, zoo zoet,
Hoor ons laatste gebed: Och bewaar ons gemoed Steeds van zonden en smet. Vaarwel, em.
Vaarwel! vaarwel! wij wijden U 't droevig afscheidslied ; Ons blijf' de hoop verblijden Van 't weerzien in 't verschiet! In de tranen der smart. Aan onze oogen ontweid.
Blinkt een straal, die ons hart 't Blijde weerzien voorspelt. Vaarwel! enz.
Troost ons in al de ellenden Der aardsche pelgrimsreis.
En als de tocht zal enden.
Voer ons naar 't Paradijs.
Daar, o Moeder, zoo goed.
Daar ja zien wij n weer;
Neen, daar ducht ons gemoed Geene scheiding ooit meer. Vaarwel! enz.
200
N0. 110. Vaandellied.
ïâpi
~tJr
1. Om - hoogde Vaan! Klink' wijd de faam van
=l=t mâ«â
i~p~iââiâ
-|ââ¢âJâ*H
§ â¢
heil-ge Vaau! wij vol gen blij, Hoe lang de strijd ook
duur! O heil - ge Vaan! U vol - gen wij Tot
i
in ons ster - vens - uur.
Omhoog de Vaan! wat ons ook deert, fDat beeld zegt het zoo schoon): Wie hier dat Heilig Drietal eert, Vindt ginds het eeuwig loon! O heil'ge Vaan! em.
2.
201
Omhoog de Vaan, de heübanier! Omhoog in Godes naam!
Hoe prijkt zij thans in eedlen zwier, En roept ons allen saam!
O heil'ge Vaan! enz.
Omhoog die Vaan, dat meesterstuk Van Christelijke kunst!
Zij is het beeld van ons geluk. Het pand van 's hemelsch gunst. O heil'ge Vaan! enz.
Omhoog de Vaan! op, broeders, op! Ten heilgen strijd geschaard! Omhoog die Vaan, het kruis in top Zij maakt ons onvervaard.
O heil'ge Vaan ! enz.
Hoe Satan ook zijn lagen legt, Hoe vleesch en wereld strijdt. Die onder deze vane vecht, Hij zegeviert altijd!
O heil'ge Vaan! enz.
Omhoog de Vaan der Broederschap Omhoog, 'tis Onze Vaan! Ons licht zij voor bij iedren stap Op 's werelds duiatre baan I O heil'ge Vaan! enz.
Ons blijft zij 't liefdes-onderpand Van 't heilig Huisgezin,
Ons voert zij eens 't beloofde land, Den schoonen hemel in!
O heil'ge Vaan! enz.
202
N0. 111. Vernieuwing der Doopbeloften.
[^feeEÃirE^ \e*2'z=Ã\
heil - gen
1. 'k Zweer plech - tig op deez
-2;.T=!.~i4=i=tâl=li
stond,
kâ^=Z
ik zweer uit heel mijn har - te.
ffiii
0^â0
Trouw tot den dood mijn doop - ver ⢠bond
o-=*-smar - te;
Strijd ik met
In 'sle-vens vreugd, in
Ik ben een kind der Moe - der kerk; Strijd ik met
⢠»
baar dan ben ik sterk. Wijl zij den
-O^j- ö-dui - vel tar - te.
203
2. 'k Beleid één God, één van natuur,
Drievuldig in personen,
Die na een ernstig stervensuur Ons straffen zal of loonen, En Christus, 's Vaders een'ge Zoon, Godmensch, gestegen van zijn troon, Om onder ons te wonen,
3. 'k Verzaak aan satan en zijn bent.
En 's werelds duistre gangen, Wie Jezus' liefde en goedheid kent. Heeft maar één zielsvedangen: Hera, die den hemel ons ontsloot, Getrouw te volgen tot den dood, Hem immer aan te hangen.
N0. 112 Rust in vrede.
1. Kust in 'vre-de, dier-bre ^roequot;^er'rust tot
Zus ter,
=t:k 7
we-der-ziens in 't graf, 't Uur was daar, eu de Al be-hoe der sneed den draad uw le vens af. Maar wij
, j. Broe-der
blij-ven u ge - den-ken, u, die on-ze 2US ^er
204
waart; in onz* heil ge Con - gre ga - tie leeft gij voort nog op deez' aard, leeft gij voort nog op deez' aard.
2. Groote God, hoor onze zangen,
Hoor ons smeeken gunstig aan,
Gij vervult steeds ons verlangen,
Doe wat Ge altijd hebt gedaan.
Wij, wij willen hem (haar) bevrijden,
Om het Bloed van uwen Zoon,
Om zijn dood en bitter lijden,
Voer hem (haar) naar nw hemelwoon, (bis)
3. Ach! dat hij (zij), die hier U minde,
Hier ü diende ook onvermoeid,
U in Sion wedervinde.
Waar geen traan het oog ontvloeit.
Hoor hem (haar) klagen, hoor h. (h.) kermen
Lieve Jezus, God en Heer!
Wil ü over hem (haar) ontfermen,
Zie meedoogend op hem (haar) neer. (bis)
4. Toon, Maria, beste Moeder,
Dat ge uw kind'ren niet vergeet,
Bid voor hem (haar) den Albehoeder,
En verzacht het prangend leed.
Sla op hem (haar) de ontfermende oogen,
Die U, Moeder, eigen zijn,
Dat uw Jezus diep bewogen
Spoedig heele zijne (hare) pijn. {bis)
205
N0. IJ3. De Eeuwigheid.
1. O een - wig-heid, o een - wig-heid. Wat zijt gij lang, o eeu-wig-heid! Gij kent noch ein - de noch be-gin; Gij sluit noch grens noch ein den in, Bij U is tijd noch wis-se-ling, Te - rug-gaan noch ver-an-de-ring. O mensch ge-denk die eeu-wig-heid!
2. O eeuwigheid, o eeuwigheid,
Wat zijt gij lang, o eeuwigheid!
Tel dan de blaad'ren van het woud. De halmen, die ge op 't veld aanschouwt, Nog spreekt ge 't eeuwental niet uit, Die de eeuwigheid in zich omsluit, O mensch, gedenk die eeuwigheid 1
206
3. O eeuwigheid , o eeuwigheid ,
Wat zijt gij lang, o eeuwigheid!
En tel de stofkeus van het strand, Of al de druppels, die Gods hand In duizend zeeön heeft gestrooid,
Maar de eeuwigheid, neen, telt gij nooit. O mensch, gedenk die eeuwigheid!
4. O eeuwigheid , o eeuwigheid,
Wat zijt gij lang, o eeuwigheid! En toch wij spoeden nimmer moe,
Heur onbekende woning toe, Zoo duiz'lend snel gelijk de schicht, Door 't strak gespannen koord gericht. O mensch, gedenk die eeuwigheid!
5. O eeuwigheid , o eeuwigheid ,
Wat zijt gij lang, o eeuwigheid! O mensch die na zoo luttel tijd Ter eeuwigheid geroepen zijt,
ü is de keus, beslis uw lot.
Voor eeuwig jammer of genot. O mensch, gedenk die eeuwigheid!
N0. 114. Bij de Opdracht zijner Werken.
^4 ^
i 1 1 I I I I I f
en mijn lust. Dat zijn lof en roem ver - mee - re
207
1 1 Li I i f 1
Bij mijn ar-beid en mijn rust! Gansch wil ik aan
n J I I ^ I I ' I I I ! ^
God steeds ge-ven Ziel en li-chaam heel mijn le - ven
quot;Lfrrr-r- u'
Voor Hem wer-ken dag en nacht, Je-zus geef mij
âft0 â-------
[7 U i
daar - toe kracht!
2. Wil mij uwen zegen schenken, O Maria, sta mij bij,
Blijt toch immer mij gedenken, Dat mij God barmhartig zij.
In en uitgaan alle dagen,
Blijven ü steeds opgedragen,
Neem, zooals ik wensch, o Heer, Alles tot uw meerdere eer.
208
N0. 115. Vóór de Opdracht.
i J j-J . |--\âJâi
âji j=3
?=F-âl=~f=tquot;=i=?ï=Pâ^=3
r 1 I r I
i
=4=5=4::
l. Met blijd-schap stra-len - de oo - gen Van
IS
moe - der - lief - de teêr, Ziet, nit den
^=^=1=
âr=M£
I l ' I I T i I l
He - mei Ma - ri - a op u neèr; En
C J
fed j 1-
5 ; '
T
i
âi-A-Hâ
-#-0--1-
4-n
r-
'lil
noodt ü vol ver-blij - den U Haar als kind te
lil
wij-den, O Moe - der, O Moe - der, neem
âI-
m.
ziz
-U
r
als nw kind ons aan.
Ã
j-
' ij
^5=i»=
i
J
209
2, Wel hem, die van Maria,
Een kind mag zijn op aard, Wat vijand hem bestoke,
Door haar blijft hij bewaard. Nooit zal de helle deren Wie haar als Moeder eeren. O Moeder, enz.
3. Stort u dier goede Moeder
Dus, liefdevol aan 't hart, Dat niets u van haar scheide, In 't aardsche dal der smart, Zoo juicht ge ook eenmaal blijde, Daar boven aan haar zijde. O Moeder, enz.
-é-
rr r
T
i
N0. 116. Bij de Opdracht.
I f r
1. Geen gou - den kroon of schep - ter Be
T
it
-a- r i r r
Ti i i 1 i i
vre ⢠digt 's men-schen Hart, Wat hij ook moogquot; ge-
ö:
Si
f r r i r 7 r v r
nie - ten 't Ver - keert wel - dra in smart ïk
10
210
;r» s;; ⢠5 lt; si
⢠i
De schoonste bloem der velden Verdort en kwijnt al ras, Ook alle lichaamsgaven, Verwelken als het gras.
Ik wil Maria, enz. De vriendschap ook, hoe teeder, Hoe rein ook God die gaf, Is zelden slechts standvastig, En eens scheidt ons het graf. Ik wil Maria, enz.
Al wat deze aarde levert,
Het houdt niet eeuwig stand, En wie daarop zijn hoop bouwt. Bouwt slechts op stuivend zand. Ik wil Maria, enz.
Laat de aarde dan verand'ren, Uw hoop verandert niet; Een zalig, eeuwig leven.
Wenkt u reeds in 't verschiet. Ik wil Maria, enz.
3.
ö.
211
N0. 117. Na de Opdracht.
rq----1---
Tj
1. Ãet woord is dan ge - spro ken. Dat
⢠â¢
-娉
âr--r-9--y
i i i r gt;
mij aan Haar ver-bindt. Gods Moe-der, is mijn
--J-j--!
T r
xs ' i i
Tr
I
Moe-der. En ik, ik ben Haar kind. Zij
â#â*ââ2ââ|â|â f P i i i i i ^ r i
heeft haar Moe-der - ar - men Met teêr-heid uit - ge -
breid, Ik heb Haar mü ge - schon-ken. Het
J-
'-f
'JIiZ==MZIÃZZ=M=tZZÃâ
ZJ
hart vol dank - baar - heid.
212
2. O Moeder! aan wier harte
Dees vreugdevolle dag,
Mij met uw dierste kind'ren
Voor 't eerste rusten zag.
O geef dat ik toch nimmer
In 's levens heil of leed,
Waar ik ter aard' moog' zwerven,
Deez' schoonen stond vergeet.
3. O schut me op al mijn paden
Bn leid mij aan uw hand,
Door 's levens vreugde en smarte, Naar 't hemelsch Vaderland. Tk mocht op aard' U minnen,
Geef dat ik eens volblij Gods goedheid eeuwig love, O Moeder, aan uw zij!
N0. 118. Refrein voor den H. Kruisweg.
Caro Gesu, a morire.
| ||||||
|
1â11. Gij 12â14. Ge vangt ter mij - ner lief-de, Uw stor - ven mij ter lief ⢠de Zie |
bitt'-ren Kruia-weg aanj'kWil Je-zus, ü ter ik U, Je-zus, do; O God, ook ik wil
lief - de. Met ü ter kruis-dood gaan. ster - ven, 'k Wil ster - ven safim met U.
213
N0. 119. Voor het Peest der Kindsheid.
M ^ t 1 u r 1 LT
j ( Lie - ve Je - zus, hoor ons smee - ken, lui - ster ( Laat ons har - te tot D spre - ken. Deel daar
^iJpiÃÃÃi
i i r i i u i u
oaar der kin - cPren beê. ) â⢠â¢â¢ i i toe uw by - stand mee , ) Zle W1J Val quot; len
iâ(5---1âiâ|â|----1-----1---1âIm-iâIâI-âi
SÃSEif^E^#j3E$ES
^-r-r-F^-^-Q-f-Cr^r-r-r^
U te voet. Kind-je Je-zus, wees ge-groet,
F#=j=jâj=q=:MâTl i nj-#Qq i 1 1 ' U i 1 Lj1 ^
Zie wij ïal - len U te voet. Kind-je Je-zus,
rrrhi âü i i i wees ge - groet.
214
2. In de Kindsheid ingeschreven,
Onder uw gevolg geschaard, Kunnen we in ons jeugdig leven Nn reeds weldoen hier op aard. En dat, weldoen doet ons goed: 1 g-Kindje Jezus, wees gegroet! j f°quot;
3. 0 wij geven blij van harte
't Kleine giftje dat Gij vraagt; En dat Gij, de Troost in smarte, Naar het heidensch China draagt. Ja, wij geven blij te moed': 1 g-Kindje Jezus, wees gegroet! J ^
4. Zegen thans, o Vriend der kind'ren ,
Zegen deze kind'renschaar:
Laat den ijver niet vermind'ren Voor die arme kleinen daar.
Jezus lief, Gij zijt zoo goed, 1 5-Kindje Jezus, wees gegroet! J
N0. 120. Lied der Eerewacht.
A
|
1 |^| -rrr , i â 1 j ( Daalt 01a - laag, gij vre - des - en-glen, ( Wilt met ons uw to - nen men glen, | |||||||||||
| |||||||||||
|
Die de blij - de bood-schap bracht; ) T . , , Zingt het lied der Eer - re - wacht! ) aa e |
215
met ons ster - ve - Ha - gen. Lai - de door de
^^sgppÃa
wol - ken drill - gen: Hart van Je - zus , Hart zoo
zoet! Wees ge - dankt, be - mind, ge - groet I
2. Allerreinste Serapliijnen,
Die het goddlijk Hart zoo mint; En gij vuurge Cherabijnen,
Die daar uwe ruste vindt;
Doet voor ons den juichtoon rijzen, Leer ons toch de liefde prijzen:
Hart van Jezus, enz.
3. Ja, uw lof zal eeuwig schallen,
Godd'lijk en beminlijk: Hart!
Wat ons ook ten deel zal vallen, Eer of schande, vreugd of smart. Met het heir der hemollingen Blijven wij het eeuwig zingen:
Hart van Jezus, em.
216
IT0. 121. Avondbede.
amp;
M
FFF
2. Wij bidden u te gader,
Bij 't einde van deez' dag,
Vraag, Moeder, onzen Vader,
Wiens wakend oog ons zag.
Dat Hij ons kwaad verschoone, Het goede ons eenmaal loone;
Maria, Maria, Moeder! bid voor ons.
3. Beveilig uwe kindren ,
O Moeder, dezen nacht;
Dan zal geen kwaad ons hindren,
Dan is ons slapen zacht.
Dan ziet ge ons morgen weder,
O Moeder, goed en teeder!
Maria, Maria, Moeder! zegen ons!
217
N0. 122. Veni Creator. (A)
quot;-t
__t:-F3
1. Ve-ni, Cre - a - tor Spi - ri-tas, Men tes tu-
ó - rnm vi - si - ta, Im pie su - pér - na
=M===J:
la-
gra-ti-a, Quae tu cre - a - sti, pe - cto-ra.
i fesisssj
t !
A - - - - - men.
N0. 123. Veni Creator, (B)
jamp;EïpEgEïSjö
l-----t-i----# 5 #â #-1-iâF
I â #â I r â¢#â â #â
=y_-
i=|:
EE53 U
ns.
r-râh
Ve - ni, Cre ⢠a - tor Spi-ri - tua, men -
4-
ss
f T I I
Sf:-
1ârââ¢- h-
P?f
I I I f
tes tu-o-rum vi-si-ta, Im - pie su-per-na
I*
1
218
â0- I ^ f ^---#-«---1â----«-
gra - ti - a Quae tn cre-a - sti pe - cto ra.
2. Qui diceris Paraclitus,
Altissimi donum Dei Fons vivus, ignis, caritas, Et spiritalis nnctio.
3. Tu septiformis tnunere ,
Digitus Patérnae dexterae, Tu rite promissum Patris, Sermone ditans guttera.
4. Accende lumen sensibus,
Infunde amorem córdibus,
Infirma nostri corporis,
Virtiite firmans perpeti.
5. Hostem repellas lóngius,
Pacümque dones prótinus;
Ductore sic te praevio,
Vitémus omne nóxium.
6. Per te sciamus da Patrem,
Noscamus atque Filium,
Teque utriüsque Spiritum, Credamns omni témpore.
7. Deo Patri sit gloria,
Ejüsque soli Filio;
Cum Spiritu Paraclito,
Nunc et per omno saeculum.
8. Deo Patri sit gloria, (Paaschtijd.)
Et rilio, qui a mórtuis,
Sorrexit, ac Paraclito In saeculorum saecula.
Y. Emitte Spiritum tunm, et creabüntar. (Alleluja) B, Et renovabis faciem terrae. (Alleluja.)
219
N0. 124. Adoremus.
Ad - o - re-mus in ae - ter - - num
1
san-ctis-si - mum sa - era - men-tum.
Chorus.
Ad - o - re - mus.
- j-agâgL-u-z=iir[:âj
m.
Lau - da - te Dó - mi - num om - nes
ÃèÃ
gen - - tes, lau - da - te e - um om -
Chorus.
li
ii
nes po - pu - li. Ad - o - ré - mus.
Quó - ni - am cou - Ãr - ma - ta est su - per
220
ö-
itiâ
nos mi - se - ri - cor-di - a e - - jus;
et ve - ri - tas Ão - mi - ni ma ⢠net in
Chorus.
y=i-
si
ae - ter - - num. Ad - o - ré - mus. -C3-
Glo - ri - a Pa - tri, Glo - ri - a Fi
i=lz^t±t:
-^=r^é=~é^
li - o, Glo - ri - a Spi - ri - tu -
Chorus.
m
quot;di
z^~ssz:
San - - â cto. A - do - ré - mus.
gâ=^zâ=-
ï=t=t=--
Sic - ut e - rat in - prin - ci - pi - o, et
' ' BEEd^EE
nunc et sem - - per, et in sae -
^31
cu - la sae - cu - lo - rum. A - - men.
221
Chorus.
Ad - o - re - mus.
N0. 125. Adoro Te.
-fi-r-e-
il
di
ï=l=
1. Ad-o-ro te, de - vo - te, la tens De - i - tas.
t
i:
quae sub his fl - gu ris ve-re la - ti-tas;
:ö=±.
=1-
^ÃÃEÃÃS
ti - bi so cor me - nm to - urn sub - ji - cit;
I
=t=
qui-a te con-tem plans to-tumde - fi - cit;
M
s-_râ
|
A - ve J e - su, pas - tor fi - de - li - um; | ||||||||
| ||||||||
|
ad - au - ge fi - dem om - ni - um in te ere ⢠| ||||||||
den - li - am A - - men.
222
2. Visus, tactus, gustus in te fallitur Sed audita solo tuto créditur:
Credo, quidquid dixit Dei Filius Nil hoc verbo veritatis verius. Ave Jesu, enz.
3 In cruce latébat sola Déitas
At hic latet simul et humanitas: Ambo tarnen credens atque confitens, Peto, quod petivit latro póenitens. Ave Jesu, enz.
4. Plagas, sicut Thomas, non intueor,
Deum tarnen meum te confiteor; Fac, me tibi semper magis credere, In te spem habere, te diligere: Ave Jesu, enz.
5. O memoriale mortis Domini,
Panis vivus, vitam praestans hótnini. Praesta meae menti de te vivere Et te illi setcper dulce sapere: Ave Jesu, enz.
6. Pie Pelicane, Jesu Dómine,
Me imtniindum munda tuo sanguine. Cujus una stilla salvum facere Totum mundum quit ab omni scélere. Ave Jesu, enz.
7. Jesu, quem vektum nunc adspicio
Oro fiat illud, quod tam sitio:
Ut, te revelata cernens facie,
Visu sim beatus tuae gloriae. Ave Jesu, enz.
223
N0. 126. Borate.
-4
Refrein
:r|i
Eo-ra - te, coe - li dé - sa - per, et nu -
bes plu - ant jus - stum.
1T0. 127. Eesonet. (Kerstfeest.)
'Sëïs=0^SÃ
p-1 n- | | i r ,
1. Re-so-net in lau - di bus. Cum
i-^h-5=
â Tâp-Hâi r
$ f smU-3:. â¢:
1 i i 1 i 1 r i^ T
plau - si - bus Si-on cum fi - de - li-bus. Ap-
ti=dz=j,-=q=^srJ---1--L
ju-cundis
V---
=t=
T
pa-ru-it, Ap - pa - ru - it Qaem ge-nu-it Ma-
i__gt;____m - âi-
pj; 1 i ri r i 1 r
ra - it Quem
a, Ap-pa ru-it, Ap-pa
224
iâ
----: _
lil r fZj ~
ge - na-it Ma - ri - a.
2. Pueri concinite,
Nato Regi psallite, Voce pia dioite. Apparuit, etc
3. Sion lauda Dótninuno,
Salvatorem hotninum, Salvatorern criminum. Apparuit, etc.
4. Deo Patri gloria ,
Filio victoria,
Laus sancto Paraclito. Apparuit, etc.
N0. 128. Magnum nomen.
! I I r r T 1 IH_ I l
Quod annun - ti - a tum est per Ga-bri - el.
i tquot;quot;'quot; ' r ' r rquot;
Ho-di - e ap - pa - ra - it, ap - pa - ru - it in
225
III-! II i_ 1 1 ^ 1
Is - ra - el perMa-ri-am Vir-gi-nem in
trit i i gt; i r rr
Beth-Ie - hem. E-ja, E-ja! Vir-go De-um
rvy p r_p=pjr_,f_1--1â^â| \ p-1
|
ge-nu-it .si - cat di - vi - na vo-lu-it cle- | ||||||||
| ||||||||
men - ti - a! Gau - de - te, Gau - de - te,
^ f ^ i i 11 i i i t Chri-stns na - tas ho - di - e, Gau - de - te, Gau-
1 1 r rT^ I I i I 1 1 p
de - te exMa-ri-a Vir-gi-ne. Glo - ri -
I -gt;rr
a in ex - eel - sis Be - q.
226
N0. 129. Attende.
Refrein | iniqi
i
=j^szz®r--®.-®=amp;r=z®=^=®3
m
mun 4.
At - tea - de, Do - mi - ne, et mi - se - ré - re,
17â=^=^â=1= --
Qui - a pec - ca - vi - mus ti - bi.
N0. 130. Paroe Domini.
Refrein.
Par - ce Do - mi - ne, par - ce po - pu -
___
lo tu - o: ne in ae - ter-num i - ra-
sca - ris no - bis.
N0. 181. Miserere.
*
1. Miserere me - i De - us secundum magnam
S7S
i
roi - se - ri - córdi-am tu - am.
227
2. Ft secundum multitüdinem miserationum tuarum, dele iniquitatem raeam.
3 Araplius lava me ab iniquitate mea: et a peccato meo munda me.
4. Quuniam iniquitatem ineara ego cognosco: et peccatum meum contra me est semper.
5. Tibi soli peccavi, et malum coram te feci, ut justificéris in sermouibus tuis, et vincas, cum judicaris.
6. Ecce enim in iniquitatibus conceptus sum; et in peccatis concépit me mater mea.
7. Ecce enim veritatem dilexisti: incerta et occulta sapien-tiae tuae manifestasti mihi.
8. Asperges me hyssopo, et mundabor; lavabis me, et super uivem dealbabor.
9. Auditui meo dabisgaü lium etlaetitiam: et exultabunt ossa humiliata.
10. Avérte faciem tuam a peccatis meis : et omues iniquita-tes meas dele.
11. Cor mundum crea in me Dens : et spiritum rectum iunova in viscéribus meis.
12. Ne projicias me a facie tua: et spiritum sanctum tuum ne auferas a me.
13. Redde mihi laetitiam salutaris tui, et spiritu principali confirma me.
14. Docébo infquos vias tuas: et impii ad te convertentar.
15. Libera me de sanguinibus, Deus , Deus salutis meae : et exultabit lingua mea justitiam tuam.
16. Domine, labia mea aperies: et os meum annuntiabit laudem tuam.
17. Quóniam si voluisses sacrifi'cium, dedfssem ütique: holocaustis non delectaberis.
18. Sacrificium Deo spiritus contribulatus: cor contntum et humiliatum Deus non despicies.
19. Benigne fac Domine in bona voluntate tua Sion: ut aedificentur muri Jerusalem-
20. Tunc acceptabis sacrificium justit iae, oblationes et holo-cuusta: tunc impónent super altare tuum vitulos.
v. Requiem aetcruam dona eis Domine.
r, Et lux perpetua luceat eis.
v
228
N0. 132. De Proftmdis.
Tun. IV,
|
-T 'Tl ! I TTquot; I II | |
|
®r4 |
|
pro |
fundin clamavi.......... |
ad |
te |
Domi- |
ne : |
|
2. |
Fiant aures tuae......... |
in- |
ten- |
den- |
les', |
|
3. |
Si iniqaitates observa- |
ve- |
ris |
Domi- |
ne : |
|
4 |
Quia apud te propitia- |
ti- |
0 |
est: | |
|
5. |
Sustiimit anima mea in |
ver- |
bo |
e - |
jus; |
|
6. |
A cnstodia matutina us- |
que |
ad |
no - |
ctem |
|
7. |
Quia apud Dominum mi- |
se- |
ri- |
cordi- |
a: |
|
8. |
Et ipse redimet., ...... |
Is- |
ra- |
ël, | |
|
9. |
Requi - â |
em |
ae- |
ter - |
nam |
|
10. |
Et..................... |
lux |
per- |
petu- |
a. |
|
I u ,11,-' | ||
|
--1*1---- |
JâSi----i---hf- | |
|
rTO - â |
---«siâs | |
|
1. Domine, exau - - |
di |
vo- |
cem |
me- |
am. |
|
2. in vocem depreca - - - |
ti- |
o - |
nis |
me- |
ae. |
|
3. Domine......................... |
quis |
su- |
sti- |
ne - |
bit? |
|
4. et propter legem tuam snsti- |
nu |
i |
te |
Do- |
mme. |
|
5. speravit anima................ |
me - |
a |
in |
Do- |
mino. |
|
6. speret Is ...... |
ra - |
ël |
in |
Do- |
miuo. |
|
7. et copiosa apud............... |
e - |
um |
re |
dem- |
ptio. |
|
8. ex omnibus iniqui - - - |
ta |
ti- |
bus |
e - |
jus. |
|
9. do........ |
na |
e - |
is |
!)o- |
mine. |
|
10. lu........ |
e - |
is. |
^-=i=ïP3
Pa - ter 110 - ster.
229
Et lie nos inducas in tentati-o - men. Sed libera nos a ma - lo
A porta in - feri.
Erne Domine lt; an!mam e quot; J33' ( animas e - o - rum
Requiescat (cant) in pa - ce.
Domine, exaudi orationera me - am
Et clamor mens ad te ve - niat
Doiuinns vobiscum
Et cnm spirhn tno.
Amen.
Reqniem aeternara dona ei (els'! Do mine. Et lux perpetua luceat e - is.
N0. 133. Pie Jesu.
230
2. Pi - e Je ⢠sq. Do - - - - mi-ne, 2. do - na e - is re - - qui ⢠em. 3. Pi - e Je-so.Do - - - - mi-ne, 3. do - na e - is re - - qui-em. A - - - - men.
N0. 134. Jesu Salvator mundi.
m Voorz.
231
i
Mi - se - re - mi-ui me - i, sal - tem vos
a - mi - ci me - i, qui ⢠a ma - nus
roorz.
j_____
-ffââ¢âOâ-
Do - mi - nï te - ti - git me. Pel-li me-ae.
con-aDtnp-tia car - ni - bus ad - hae - sit os me-nm.
Koor. Voorn.
m
i
il
-0âISâOâ(S-
Mi - se - re - mi - ni me - i. Qua-re per--^â^â0â^ --I---
i-qui-mi-ni me si-cut Be-ua et car-ui-
bus me - is sa - tu - ra ⢠mi - ni. Koor, Miseremini mei, em*
232
N0. 135. Litaniae B. li. V.
| ||||
|
Ky-ri-e, e - lei - soa. Chri-ste, e - lei - son. |
H
Pater de coe-lis, De-us, mi - se re - re no - bis.
Fili,Redemptormuu-di. De-ns, mi - se-re ⢠re no - bis.
Spiritus San cte, De - ns, mi - se re - re no - bis.
Sancta Trinitas, u-nus De-us, mi-se-re-re no - bis.
O - ra pro no - bis.
Sancta Ma - ri - a,
Sancta Dei Geni - trix, Sancta Virgo virgi - num. Mater Cbri - sti,
Mater divinae grati - ae. Mater pu - rissi - ma, Mater ca - stissi - ma, Mater invio - la - ta, Mater inteme - ra - ta, Mater a - mabi - lis, Mater admi - rabi - lis. Mater Crea - to - ris, Mater Salva - to - ris.
a
233
ü
Virgo pruden - tissi - ma, Virgo vene - ran - da, Virgo praedi - can - da, Virgo po - tens,
Virgo cle - mens,
Virgo fi - - de - lis.
O - ra pro no - bis.
m
Specnlum ja - - ati - tiae, Sedes sapi - - en - tiae. Causa nostrae lae - ti - tiae, Vas spiritn - - a - le, Vas hono - - ra - bile, Vas insigne devoti - o - nis, Rosa my - stica,
Turris Da - - vi - dica.
O - ra pro do - bis.
Turris e Domus Foederis Janna
Stella matn Salns iofir
but - nea, au - rea, ar - ca, o.oe - li, ti - na, mo - rum.
Refuginm pecca - to - rum,
Consolatrix affli - cto - rum, »
Auxilium Christia - no - mm, »
Regina Ange - - lo - rum, »
Regina Patriar - cha - rum, »
Regina Prophe - ta - rum, »
Regina Aposto - lo - rum, »
Regina Mar - tyrum, »
Regina Confes - so - rum, »
Regina Vir - ginum, igt;
Regina Sanctorum o - mninm, »
Regina sine labe originali concépta, »
Regina Sacratissimi Rosa - rii, »
11
234
A-gnus De - i, qui toMis pec ca-la mun di.
3=
par - ce no-bis, Do-mi-ne. ex - au - di nos, Do - mi - ne. mi - se - ré - re no - bis.
N0. 136. Magnificat. (A)
Ton. vin.
| ||||||
|
1. Ma - gni - fl - cat anima me - a Domi-nnm |
|
. . . |
- q | |||
|
ïm -d ^ |
--1â1----- | |||
|
v iy ' |
| i | |||
|
2. Et |
ex - |
sultavit spiritus.................. |
me- |
us |
|
8. Qui |
- a |
respexit humilitatem aucillae... |
su - |
ae: |
|
4. Qui |
- a |
fecit mihi magna qui potens... |
est, | |
|
5. Et |
mi - |
sericordia ejus a progenie in pro- |
ge- |
nies |
|
6. Fe |
- cit |
potentiam in brachio............ |
SU - |
o; |
|
7. De |
- po- |
suit potent is de.................. |
se - |
de |
|
8. E - |
su - |
rientes implevit.................. |
bo- |
nis |
|
9. Sus |
- ce - |
pit Israel puerum............... |
su- |
um |
|
10. Sic |
- ut |
locutus est ad patres............ |
no - |
stros |
|
11. Glo |
- n - |
a Patri, et........................ |
Fili |
0 |
|
12. Sic |
ut |
erat in principio et nunc et... |
sem. |
per |
235
|
rsr q |
-1- |
âIâU | ||
|
-fir* -1 i |
-fâ^â | |||
|
\S]J |
â LI | |||
|
2. in Deo aalu - |
ta - |
ri |
me - |
0. |
|
g ( ecee enim ex hoe beatam | ||||
|
' (me dicent omnes gene- |
ra - |
ti - |
o - |
nes. |
|
â i. et sanctum . . - . |
no - |
men |
e - |
jus. |
|
5. timen - - - - - |
ti - |
bas |
e - |
um. |
|
6. dispersit superbos mente- |
cor- |
dis |
su - |
i. |
|
7. et exal |
ta - |
vit |
numi- |
les. |
|
8. et divites dimi - - - |
sit |
in - |
a - |
nes. |
|
9. recordatns misericor - - |
di - |
ae |
su - |
ae. |
|
10. Abraham et semini e - |
jus |
in |
saecu- |
la. |
|
11. et Spiri - - . . . |
tu - |
i |
San- |
cto. |
|
12. et iu saecula saecu - - |
lo - |
rum. |
A - |
men. |
236
N0. 137. Magnificat. (B)
Ton. vin.
1, Ma - gnificat
m
auima me - a Dorai-num.
|
iü 2. Et exsultavit. . . 4, Quia fecit mihi. . 6. Ficit potentiam in spi-ri - tus me - -ma-gna qui po - -bra-chi-o su - - |
I â â as: tens est: â â o: |
237
'
Â¥=Â¥
m
2. me â â â o. 4, e â â â jus.
8. a â â â nes, 10 sae â ca â la. 12. A â â â men.
238
N0. 138. Magnificat. (C)
Ã
Ton. VI.
Domi-natn.
1. Ma-gni - fi - cat aniuia me - a
Ã
|
se -su -Fi- | |||||||||||||||
|
3. Qai-a respexit bnmilitatera ancil-5. Et mi - sericordia ejas a progenie io
7. De-po - suit poteotes.......
9. Sas-ce - pit Israël poe - - -11. Glo-ri - a Patri.........
lae pro-de rnrn et
ae : nies de, urn, Ho,
8. et divites di â â â mi â 10. Abraham et semini . , . , e â 12. et in saecula saecu â â lo â
ri
N0. 139. Ave Maria stella.
1
1. A - ve ma - ris stel - la De - i
240
a I
3=±
m
Iü3
Te de-pre - ca - m nr, au-di nos. Et Fi - li-
üï
E3
3
o com - men - da nos, o Vir - go, Ma-
2. Snmens illud Ave
Gabrielis ore Funda nos in pace, Mutans Hevae nomen. Te deprecamur, enz.
3. Solve vincla reis
Profer lumen caecis Mala nostra pelle, Bona cuncta posce. Te deprecamur, enz.
4. Monstra te esse matrem,
Snmat per te preces Qui pro nobis natus Tulit esse tuus.
Te deprecamur, enz.
-
241
5. Virgo singularis
Inter omnes mitis Nos culpis solutos Mites fac et castos. Te deprecamur, enz.
6. Vitam praesta puram
Iter para tntum Ut videntes Jesum, Semper collaetemur. Te deprecamur, enz.
7. Sit laus Deo Patri,
Summo Christo decus. Spiritui Sancto,
Tribus honor unus. Te deprecamur, enz.
N». HO. Stabat Mater.
-4-
Sta - bat Ma - ter do - lo - ro -
~0z
^=4
Jux-ta cru-cem la - cry - mo - sa, Dum pen-
Zf^ÃZ
de - bat Fi - li - us.
242
|
Cnjus animam gementem, Contriatatam et dolentem, Pertrausivit gladias. O quam tristis et afflicta, Fuit illa beoedicta Mater Unigeniti! Qaae moerebat et dolebat Pia Mater dum videbat Nati poenas inclyti. Qais est homo, qui non fleret, Matrem Christi si videret In tanto snpplicio? Quis non posset contristari, Christi Matrem contemplari, Dolentem cum Filio? Pro peccatis suae gentis Vidit Jesum in tormentis Et flagellis subditum. Vidit suum dulcem Natum Moriendo desolatum, Dum emisit spiritum. Eja Mater, fons amoris, Me sentire vim doloris Fac, nt tecum Ingeam! Fac, ut ardeat cor meum In amaudo Cbristum Deum, Ut sibi complaceam. |
Sancta Mater, istud agas, Crncitixi fige plagas, Cordi meo valide. Tui Nati vnlnerati. Tam dignati pro me pati, Poenas mecum divide. Fac me tecum pie flere, Crucifixo condolere Donec ego vixero. Juxta crucem tecum stare, Et me tibi sociare In planctu deaidero. Virgo virginnm praeclara, Mibi jam non sis amara, Fac me tecum plangere. Fac, nt portem Christi mortem Passionis fac consortem. Et plagas recolere. Fac me plagis vulnerari, Fac me cruce inebriari Et cruore Filii. Flammis ne urar succensus. Per te, Virgo, sim defensns In die judicii. Christe, cum sit hinc exire, Da per Matrem me venire Ad palmam victoriae. |
Qnindo corpus morietnr, Fac, nt animae donetur Paradisi gloria. Amen,
243
N0. 141. O Sanctissima,
Soli. .
1 ^ -Uh-g 1
M
c
j h ! - 1 ». »- -s
|
1. O sane - tis - si - ma, o 4=HâI--râ. m |
pi - is - si - ma, , Cfior. mf r- |
I
a! O sanc-
dul - cis Vir - go Ma - ri
-1=V-
fffTr rn'
pi - is - si - ma, Jul - cis
'=^iâ(Z- '-l5-----â¢â0-
i i i r i
i 1 li te - me - ra
Ma - ter a-
Soli. |
P
ma - ta. in
^=it
âlt;9â4--
=l=±
i i
igzdn^â p' i
â i tis - si - ma, O
, sf
m
.1,
=^ï
:=S^-
1 i l I-
Vir - go Ma-:i
-ft--I^S-l---1-
t___
⢠â¢
⢠-*â
ta, O - ra.
244
2. Tu solatium, et refiigium, i
gt; bis.
Virgo mater Maria! J Quidquid optamus, Per te speramus. Ora, ora pro nobis, {his)
3. Ecce débiles, perquam flebiles, )
gt; bis.
Salva nos, o Maria! J
Tolle languores, sana dolores, Ora, ora pro nobis, (his)
245
N0. 142. Tantum Ergo. (A)
m
-A
-A-
Tan-tam er - go Sa - cramen - tum Ve - ne ⢠Ge - ni - to - ri Ge - ni - to - que Laus et
m
ê3
|
re-mnr eer-na - i. jn-bi - la - ti - o. |
Et aa - ti - qimtn do-Sa - las. ho - nor, vir- |
----^ ^ é--;
ca raeo-tam No - vo ce - dat ri ⢠ta - i, tas qooTque Sit et be - ne-di-cti-o.
-âit
±
Prae-stet fi - des sup-ple-raen - tam Sen - su - nm Pro - ce - den - ti ab u - tro - que com-par sit
ifcü
de - fe - ctu - i.
laa - da - ti - o. A - - men.
i
246
lTe. 143. Tantum Ergo, (f3)
m
3-
Tan -tum er - go Sa - era - meo-tnin Ve - De Ge - ni - to - ri Ge - ni - to - que Laas et
â J â -Q--wmJr-
®r_3=t
i=
m
re - mar eer - na - i. Et an - ti - qaam do - ca -ja - bi - la - ti - o. Sa - lus, bo - nor, vir- tns
men-11)01 No - vo ce â dat ri - ta - i; Prae-8tet qao-qae Sit et be - ne- di - eti - o; Pro - ce â¢
t-
ei o ^---^
fi - des sap - pie - men - tam Sen - sa - am de den - ti ab a - tro - qae Cora-par sit laa
Si
= ⢠=
fe - cta-i.
da - ti - o. A
1
«=4
247
N0. lii. Tantum Ergo. (C)
m
Tan-tam er - go Sa - era - men - tam Ge - ni - to - ri Ge - ni - to - qae
li
Ve - ne - re - mur eer - nu - i. Et an -Lans et jn - bi - la - ti - o. Sa - lus,
=1=
» â
ti - qunm do - ca - men - tam No - vo ho - nor, vir - tas qno - que Sit et
=t=pj=t
ce - dat ri - tn - i. Prae-stet fi - des be - ne - di - cti - o. Pro - ce - den - ti
$
snp - ple - men - tam Sen - sa - om de ab u - tro - que Com-par sit laa
J
kâ
fee â â ta - i da â â ti - o.
248
I
N0. 145. Tantum Ergo. (D)
|
'^ÃÃÃI: Tau - turn Ge - ni- (3e Stem ad lib ) »â » |
i-- Sa - cra-ri j Ge - oi- er - go |
' i =P men - turn to - que |
üS
|
ii? /t neet Ve Laus |
re - raar-ju - bi - |
üöt I nu ⢠ti ⢠1 t eer -la |
wm
⢠â¢
249
r=m~
Â¥
|
No - vo -Sit et ce â dat be â ne - ri di tu -cti - |
IT*-
|
âI-- 4 : -l---w-- | |||
|
HF 1 -i 1 1 Prae - stet Pro - ce - |
fi - des den - ti â¢Ã¶*- |
r « sup - ple-ab u - r |
1' n r1 men - turn tro - que |
|
iB: ^quot;r |
r-l- j |
M^ |
â1--1-^â |
|
t - |
âI---- |
^ p=t=i |
No. 24.
INHOUD. 25
_ 26.
27.
No. Bladz. 28.
1. Kom, H Geest............................................. 2 29.
2. Kom, H. Geest............................................. 3 30.
3. Kom, Schepper, kom, o H. Geest..................... 5 31.
4. Lied onzer Broederschap................................. 6 32.
5. ü Jozef I nijd ik mijnen zang........................ 8
6. O Jozef' Voedstervader................................. 9 33.
7. O groote Jozef............................................. 10
8. H. Jozef trouwe Hoeder................................. 12 34.
9. Trouwe Hoeder van Gods Moeder..................... 14
10. Gaat allen tot Jozef.................................... 16 35.
11. Wees gegroet op blijden toon........................ 17
12. Groote Jozef, zoon van David ........................ 19 36.
13. St. Jozef te Nazareth.................................... 21 gy
14. De zoete Namen.......................................... 23 3gi
15. H. Drietal Wees gegroet................................. 25 39.
16. Danwt Heem'len uwen God en Heer............... 26 40'
17. Te Beth'lem is geboren................................. 28 41.
18. Stille Nacht, heilvolle Nacht........................... 30
19. Arme Jezus in nw leven.............................. 31 ^ ^2lt;
20. Jezus' liefde voor de zielen.............................. 33
O felice chi giunger potesse.
21. Lijdenslied................................................ 34
22. Sitio: Ik heb dorst!.................................... 36 ^
23. Het ia volbracht!......................................... 88
_L
INHOUD.
No. Bladz.
24. Hier. hier zegeviert dw liefde ........................ 41
25. Mijn ziel wat toeft gij op deez' stonde............ 42
Anima mia, cbe fai?
26. O Brood des levens.................................... 44
O pane del cielo.
27. Na de H Communie.................................... 46
28. Mijn Jezns ik wil ü alleen........................... 48
29. Gegroet o Wonden van den Heer..................... 50
30. Voor Jezus Harte zinge................................. 52
31. Zegezang op het Goddelijk Hart!..................... 54
32. Somber woud, dat door nw zwijgen.................. 57
Selva romita e oscura.
83. Waar ben ik 1 in wat heerlijk Eden! ............... 60
Dove mi trovo! deh qual è questa.
34. Wereld! ik wil U niet behooren..................... 64
Mondo, piu per me non Bei.
35. De H. Wil van God.................................... 66
II tuo gusto, e non il mio.
86. Lieve Moeder van den Heer........................... 68
87. Pius sprak van Petrus' rots (O. Outv)............... 68
88. Daar klinkt langs aard en hemeltin (Maria Geb ) 73
89' Maria, sprak Gods Engel............................................................74 .
40' Op onze L. Vr. Visitatie..................................................................75
41' Maria's Wiegezang..............................................................................77
Fermarone e eiell.
42' O Hart, 0 allerdroevigst Hart................................................78
43' Maria's vreugde (Puschen)............................................................80
44' Maria's sterfuur.......................................... 82
Lodiamo cantando,
45* Maria's Hemelvaart...... ................................................................85
Al cielo, alma mia.
251
INHOUD.
No. Iliad/..
46. Zie nit het hoogst der heem'len..................... 86
Dal tuo celesto trono.
47. Gegroet Maria op uw troon......................................................88
48. Verheft in blijde zangen............................................................89
49. Wees gegroet, o znivere Maagd..........................................90
50. Wees gegroet, o Koninginne................................................93
51. Kent Gij den wensch mijns harten?..............................93
Sai che vogl'io, Dolce Maria?
52. O Gij mijn schoone hope............................................................94
O bella mia speranza.
63. Bergen , Dalen, Henvelklingen................................................96
Su lodate o valli, o monti.
54. O Gij schoone, die de krone................................................98
55. Salve Regina..........................................................................................100
56. Wonder van gloriepracht............................................................102
57. O Koningin, ?ol Majesteit (A) ..........................................105
58. O Koningin, vol Majesteit (B)..........................................106
59. O Maria, vol genaden (v. de geloovige zielen)... 108
60. Wat zijt Gij schoon........................................................................109
81. Liefdeontboezeming tot Maria................................................110
Vivo amante di quella signora.
62. Hoe klopt het blijde harte nu................................................112
63. Alle dagen met behagen.............................. 114
64. Gegroet, o Maria..............................................................................116
65. Gegroet, o Koningin........................................................................117
66. Kinderen van Maria........................................................................119
67. Wat spreiden die lichten............................................................120
68. O Naam ! zoo zoet in de ooren ..........................................121
69. De gulden Rozenkrans..................................................................122
70. U Rozenkrans bemin ik.............................. 124
71. Smeekzang voor de Kerk............................................................126
252
INHOUD. 253
Bladz-
Smeekzang voor den Paus....................................................127
Maria, zoete Moeder..................................................................128,
't Getal van hen die lijden......................................................13(^
Maria, vol genaden........................................................................13J,
Moeder Gods en Moeder mijn ! (Gebed)..................134-
De beeltenis van O. L. Vr. van Altijdd. Bijstand... 140,
O Maria, die de beden............................................................142
Alphonsns, die in *3 Hemels woon..............................144
O Alphonsns opgevaren............................................................146
Wij zingen met een blij gemoed ....................................149
O Alphonsns hoog verheven ................................................151
Alphonsns zag vol van erbarmen....................................154g
Wie veilig langs de rechte baan....................................15'
Alphonsns, nieuwe sterre......................................................15=
Alphonsns Maria..............................................................................15..
Heerlijk Napels, rijst uw zonne ....................................160
H. Jozef, (Patroon der Kerk)..........................................162
» Michaël..........................................................................................133
5 Joannes de Dooper............................................................164
» Petrus................................................................................................166
» Bonifacins....................................................................................167
» Willibrordns ..............................................................................169
» Aloysius van Gonzaga......................................................170
» Moeder Anna..............................................................................172
» Cecilia................................................................................................173
» Barbara ..........................................................................................175
» Mouika..........................................................................................176
» Lidwina ..........................................................................................178
Gelukz. Canisius..............................................................................182
Gelukz. Olemens..............................................................................184
De Angelus..........................................................................................186
|
idz. |
No. |
|
86 |
72. |
|
73. | |
|
74. | |
|
oo 89 |
75. |
|
90 |
76. |
|
93 |
77. |
|
93 |
78. |
|
79. | |
|
80. | |
|
94 |
' 81. |
|
82. | |
|
96 |
83. |
|
84. | |
|
98 |
1 85. |
|
00 |
86. |
|
02 |
â 87. |
|
05 |
88. |
|
06 |
89. |
|
08 |
90. |
|
09 |
91. |
|
10 |
92. |
|
93. | |
|
12 |
94. |
|
14 |
95. |
|
16 |
96. |
|
17 |
97. |
|
19 |
, 98- |
|
20 |
99. |
|
21 |
100. |
|
22 |
101. |
|
24 |
102. |
|
26 |
|
INHOUD. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
254
No.
03-
04-'5. 06-
07.
08.
109.
110. 111. 112. 113.
14.
5.
6. -7.
118.
119.
120. 121. 122.
123.
124.
125.
126.
127.
128.
129.
130. 181. 132.
inhoud, 255
No. Bladz.
138. Pie Jesn.................................................. 229
134. Jesa Salvator mnndi................................. 230
133. liitaniae B. M. V....................................... 232
136. Magnificat (A) (Ton. Vilt).......................... 234
137. Magnificat (B) (Tou. VIII 3 st.)................... 236
138. Magnificat (C) (Ton. VI, 3 st.)..................... 238
139 Ave Maria stella....................................... 238
140. Stabat Mater....................'......................... 241
141. Ã Sanctissima.......................................... 243
143. Tantum Ergo (A) (de Liturgische)............... 245
143. Tantnm Ergo (B).................................... 246
144. Tantum Ergo (C).................................... 247
145. Tantum Ergo (D) (2 en 3 st.) ..................... 248
quot;VERBETERIlSra-EIsr.
Bladz. 25. Slaat: | a b d
l Jo-zef troost
Lees: I a c d
' ^
Bladz. 48. Staat; 1 ' ^ g
gt; meer en meer Lees; J f a g
Bladz. 56. Staat: 1 a f e d [â im-mer meer
Lees: J age d
Bladz. 88. ' Staat: 1 g g a b [⢠Ma-ri - a op Lees -. ) g g h h
Bladz. 194. Staat; j d b f )â ten He-mel Lees : J c b f
1 1 11
' '/⢠-⢠â '/. ' y ⢠â¢â¢ â¢â¢ _
* ,
-v;