,/p/^
- /o^
rak 87 ^etvk
r.u EERE VAN
IET ALLERHEILIGSTE HART
JEZUS,
DOOR DEN A\
H. Kerkleeraar Alphonsus Maria de Liguori. ï
,!i
STICHTKR DER COMORgr. ATlB DES ALLE RH. VERLOSSERS.
P
Uit liet Italiaanscli vertaald
I
DOOR EEN
Pater dier Congregatie.
Achtste TJitf/avc.
t I
I-
JLPEN,
f OO 'N' Jf. ALHERTS amp; ZONEN'.
â¢1890. |
piP=»gt;jSr-8 ^ - -*
lt;â¦gt; I
Vak 87
TV O V E TV E
TER EERE VAX
HET ALLERHEILIGSTE HART
VAN
TT^TT^ I SNiHjr!M 'ANO'j
Jamp;AUS^ vouonau I
H. Kerkleeraar Alphonsus Maria de Liguori.
STICHTER nun CONORIOATIB DES 1LLERII. VERLOSSERS.^'
Uit het Italiaansch vertaald
Pater dier Congregatie. I
f
Acht sic Uitgave.
v.
Hgt;-;
GULPEN,
â¢SNKLI'KRSDRUK VAX M. ALBERTS ik ZONEN. 1890.
'i
Jï UI
TER El
IMPRIMATUR
P. J. H. BUSSEL, Can. Prof.
ad hoc delegatus. jjg
JRiircnmumXa: , '13 Maji lb81.
isro^EisrB
TER EERE VAN HEï Ff. HART VAN JEZUS.
Door don H. Alphonsus Maria do Liguori.
- N I
EERSTE DAG.
Het beminnelijk Hart van Jezus.
Wie zich in alles beminnelijk toont, doet zich noodzakelijk beminnen. O! zoo wij er op uit waren om al de schoone titels te kennen, die Jezus Christus kan doen gelden om bemind te worden, we zouden allen in de gelukkige noodzakelijkheid verkeeren van Hem lief te hebben, Inderdaad, welk hart is er onder alle harten te vinden dat beminnenswaardiger is dan Jezus'
Harte? dat Hart zoo rein, zoo heilig, zoo vol van liefde voor Goil en voor ons. Immers al zijne verlangens hebben geen ander voorwerp dan de ecro Gods cn ons welzijn. Ziedaar dat Hart, waarin God al zijn genoegen, al zijn behagen vindt! In dit Hart tronen allo volmaaktheden, alle deugden ; een allervurigste liefde, tegeljjk niet de diepst mogelijke nederigheid en hoogachting voor God, zijn Vader: eene algeheele beschaming over onze zonden, waarmede Hy beladen is, gevoegd bij een volslagen vertrouwen van den teederminnendsten Zoon; een allergrootste afschuw van onze zonden, gepaard met een levendig medelijdensgevoel van onze ellenden; eene allerhevigste smart, te zamen gaande met eene volmaakte gelijkvormigheid aan den goddeljjken wil. In Jezus vindt men dus alles, wat maar beminnenswaardig is.
Eenigen worden tot liefde jegens anderen getrokken door schoonheid, sommigen door onschuld, anderen door liefdadigheid, wederom andéren door godsdienstigheid. Gesteld nu, dat er een persoon bestond, in wien al deze en nog andere deugden vereenigd zijn, wie zou zoo iemand niet liefhebben? Zoo wij wisten, dat er ergens een buitengewoon schoon, nederig, lieftallig, godsdienstig, liefdevol, jegens een ieder zachtzinnig vorst leefde, een vorst die weldoet aan die hem kwaad doet, wij zouden hem liefhebben en ons zeiven niet kunnen weerhouden hem te beminnen, ook zonder hem te kennen of van hem gekend te zijn, en al hadden wij ook niets met hem te maken. En Jezus Christus dan, die al deze deugden in zich vereenigt en alle in een volmaakten graad, en die ons zoo teeder bemint, hoe is 't mogeljjk , dat lljj door de menschen slechts weinig bemind -wordt, en dat Hij niet het eenig voorwerp onzer liefde is?
O God , terwjjl Jezus alleen beminnenswaardig is en ons zoovele bljjken heeft gegeven van de liefde, die Hij ons toedraagt, schjjnt het als ware Hij ten onzen opzichte in de droevige onmogelijkheid van zich door ons te doen beminnen , als ware Hij onze liefde niet genoegzaam waardig! Ziedaar wat de Rosa's van Lima, de Catharina's van Genua , de Teresia s, de Maria Magdalena's van I'azzi tranen deed weenen. Deze ondankbaarheid der menschen overwegende, riepen zij al weenend uit: «De liefde wordt niet bemind, de liefde wordt niet bemind!quot;
Verzuchtingen en Gebeden.
Mjjn beminnelijke Verlosser, welk beminnenswaardiger voorwerp kon uw eeuwige Vader mij buiten U gebieden lief te hebben .' Gij zijt de schoonheid van het paradijs , gjj zijt de liefde uws Vaders, in uw Hart. hebben alle deugden hare woonplaats. O beminnelijk Hart van mijn Jezus, Gij hebt wel de liefde aller harten verdiend. Arm en ongelukkig het hart , dat U niet lief heeft! Zoo ongelukkig, o God, was
mijn hart gedurende al dien tjjd, dat liet U niet beminde. Maar ik wil niet langer zoo ongelukkig wezen. Ik bemin U, o mijn Jezus, en wil ü immer beminnen.
In vroegere dagen, o Heer, heb ik U vergeten; en wat toef ik thans? Zal ik wellicht wachten, totdat Gij wegens mijne ondankbaarheid U verplicht vindt, mij volslagen te vergeten en aan mijn lot over te laten ? Neen, mjjn dierbare Zaligmaker, neen. laat het niet toe. Gij zijt het voorwerp der liefde van een God, en Gjj zoudt niet het voorwerp zijn der liefde eens ellcndigen zondaars, geljjk ik ben. die door U zoozeer met goedheden overladen en bemind is geworden? O gchoone vlammen, die daar brandt in het minnend Hart van mijn Jezus,, welaan ontsteekt gij in mijn arm hart dat heilig en zalig vuur, dat Jezus uit den hemel op de aarde is komen ontstoken. Verteert c'n vernietigt al de onreine genegenheden, die in mijn hart wonen en het beletten geheel aan Hem te zijn. Geef, mjjn God, dat het niet leve, dan om U alleen lief te hebben, U alleen, mijn dierbare Zaligmaker. Heb ik U een tjjd lang miskend, weet thans, dat Gij mjjne eenige liefde zijt. Ik bemin U, ik bemin U, ik bemin U, en geen ander dan U wil ik beminnen. Mijn geliefde Heer, och weiger niet een hart aan te nemen, dat U beminnen wil, een hart, dat een tjjd lang U verdriet heeft aangedaan. Het zij U eene glorie, aan de engelen een hart te toonen, dat van liefde voor U gloeit, nadat het U een tjjd lang heeft gevlucht én versmaad.
Allerheiligste Maagd Maria, mjjne hoop, help mij. Bid Jezus, dat Hij mij door zjjne genade zoo make, als Hij mij wenscht te zien.
TWEEDE DAG.
Het minnend Hart van Jezus.
O, mochten wij de liefde begrijpen, die in Jezus' Harte voor ons brandt! Zoozeer heeft Hjj ons liefgehad, dat indien alle menschen, alle engelen en alle
heiligen al hunne krachten vereenigden, zij niet het duizendste deel der liefde, die Jezus ons toedraagt, bereiken zouden. Ihj bemint ons mateloos meer, dan wij ons zeiven beminnen, lljj heeft ons bemind tot overmaat toe. En inderdaad, is er wel grootere overmaat van liefde . dan dat een God sterft voor zijne schepselen? lljj heeft ons bemind tot de uiterste mogelijkheid ; «A'o di; zijnen (jcliefd Ie hebben â heeft Hij hm Icn iiilerste liefgehad.quot; ')
Immers, na ons eerst van eeuwigheid her bemind te hebben. zoodat er niet een oogenblik in de eeuwigheid geweest is, dat die God niet aan ons gedacht en niet elk onzer bemind heeft â »mul eeuwige liefde heb /'; n bemuid' ~) â is lljj ter onzer liefde nog mensch geworden, heeft lljj zich om onzent wille een smartvol leven en den kruisdood gekozen, lljj heeft ons derhalve meer bemind dan zijne eer. meer dan zijne rust, ja meer dan zijn leven. lljj heeft trouwens alles ten offer gebracht, om ons te doen zien, welke liefde Hij ons toedraagt. Is dat niet eene overmaat van liefde, die in allo eeuwigheid deengelen en liet paradijs verbaasd doet staan? Deze liefde heeft Hem er nog toe gebracht, met ons in bet Al-lerh. Sacrament te blijven als op een troon van liefde. Immers daar is Mij aanwezig onder de gedaante van een weinig brood, opgesloten in eene ciborie , waar Hij van al zijne majesteit schijnt ontdaan te wezen , zonder beweging en /.onder het gebruik der zinnen. Geene andere bezigheid schijnt lljj dus daar te hebben, dan de menschen te beminnen. De liefde maakt, dat men de aanhoudende tegenwoordigheid der geliefde personen verlangt te genieten. Welnu deze liefde en dit verlangen maakt, dat Jezus Christus met ons in het Allerh. Sacrament blijft. Slechts drh en dertig jaren onder de menschen hier op aarde verkeerd te hebben , was onzen minnenden Heer een te korte tijd. Om dan zijn wensch te bevredigen van immer met ons te zijn, achtte Hij het noodig , het
1) Jua. 13. 1. 2) Jercm. 31. 3.
grootste van al zijne wonderen te wrochten, de instelling namelijk van liet II. Sacrament des Altaars.
Maar hoe! het verlossingswerk was reeds voltooid, reeds waren de menschen met God verzoend: waartoe diende het, dat Jezns in dit Sacrament op aarde bleef.' O! omdat Hij zich niet van ons scheiden kan. verklarende, dat Hjj onder ons zijn genoegen vindt; daarom blijft Hij daar.
Die liefde heeft Hem nog bewogen . om zich tot voedsel onzer zielen te maken, om zich met ons te vereenigen en zjjn Hart met onze harten te vereenzelvigen. »JJie mijn vleesch cW en mijn bloed drinkt / blijft in mij en ik in hemquot; !) lt;⢠wonderwerk! O overmaat der goddelijke liefde! «Indien er iets was, dat mij betreffende het geheim van het II. Sacrament aan het wankelen zou kunnen brengen, zeide een dienaar Gods 2), het zou niet de twijfel wezen, hoe brood vleesch wordt, of hoe Jezus op meerdere plaatsen tegenwoordig is, of hoe Hij in zoo kleine ruimte geheel en al bevat wordt â want ik zou antwoorden, dat God alles kan: maar vraag ik mjjzelven af, hoe Hij er toe gekomen is uit liefde tot den mensch zich-zelven tot voedsel te geven , dan weet ik alleen te antwoorden, dat dit eene geloofswaarheid is, die mijn verstand te boven gaat, en dat men de liefde van Jezus niet begrijpen kan.'' O liefde van Jezus, doe U van de menschen kennen en doe U beriTm-nen!
Verzuchtingen en Gebeden.
lt;) aanbiddelijk Hart van mijn Jezus, Hart, dat van liefde tot de menschen vervoerd zijt. Hart dat opzettelijk geschapen zijt om de menschen te beminnen! hoe is 't mogelijk, dat Gij bij de menschen zoo weinig wederliefde vindt, zoozeer versmaad wordt Mjj ellendige, die ook een dier ondankbaren beu geweest, die U niet heb weten te beminnen! Vergeef mij, mijn Jezus, die groote zonde van ü niet bemind te hebben.
1} Joa. G. oquot;. 2) La Colomb. S. 20.
ü, die zoo beminnelijk zijt en mij zoozeer hebt liefgehad, dat Gij, om mij te verplichten U te beminnen, niet meer doen kondet. Ik besef, dat ik, om een tijd lang aan uwe liefde verzaakt te hebben , verdienen zou veroordeeld te worden U niet meer te kunnen beminnen. Maar neen, mijn dierbare Zaligmaker, geef mij liever alle andere straf, niet deze. Verleen mg de genade U te beminnen en straf mij dan . zooals Gij wilt. Doch hoe kan ik vreezen, dat Gij mij die straf zult opleggen, terwijl ik hoor, hoe Gij voortgaat mij het zoet, het dierbaar gebod aan te bevelen van U, mijn Heer en God, lief te hebben? »Gij zult den Heer, uwen God, beminnen uil geheel mv hart'1 ') Ja, mijn God, Gij wilt van mij bemind worden en ik wil U beminnen, ik wil zelfs niemand anders beminnen dan U, die mij zoo zeer bemind hebt. O liefde van mijn Jezus, Gij zijt mijne liefde. O van liefde gloeiend Hart van Jezus, ontvlam ook mijn hart. Gedoog niet, dat ik in het vervolg zelfs, één oogenblik behoeve to leven, beroofd van uwe liefde. Doe mij liever sterven, vernietig mij. Laat de wereld van zulk een schromelijke ondankbaarheid geen getuige zijn, dat ik, die zoozeer van U bemind word. na zoo vele genaden en verlichtingen van U ontvangen te hebben, opnieuw er toe overga uwe liefde te versmaden. Neen, mijn Jezus, gedoog dit niet. Ik hoop bjj het bloed, dat Gij voor mij vergoten hebt, dat ik U altoos zal beminnen en ook Gij altoos mij beminnen zult: dat de liefde tusschen mij en U in eeuwigheid niet meer onderbroken zal worden.
O Maria, moeder der schoone liefde, gij, die Jezus zoozeer wenscht bemind te zien, bind en strengel mij vast aan uwen Zoon, maar strengel mij zoo vast, dat ik mij nooit meer van Hem gescheiden zie.
1
Matth. 22, 37.
DERDE DAG.
Het Hart van Jezus begeerig bemind te worden.
Jezus heeft ons niet noodig. Met of zonder onze liefde is Hjj even rijk en machtig; en toch, zegt do 11. Thomas, ') omdat Jezus Christus ons bemint, verlangt Hij zoozeer onzo liefde, als ware de mensch zijn God, en als hing zjjn geluk van dat des men-schen af. Do II. Man Job stond hierover verbaasd en zeide: » UV(( is de memch, dal Gij hem verheamp;iijkt? Of waarom stelt Gij uw harl op hem?quot; *) Weihoe? Een God verlangt en zoekt met zulken aandrang de liefde van oen wormâ Zoo God ons alleen luidde toegelaten Hein te beminnen, dit ware reeds eene groote gunst geweest. Een onderdaan, die tot zjjn koning zou zeggen; Heer, ik bemin ü, â zou doorgaan als een vermetele. Maar wat zou men zeggen, zoo de koning aan zjjn onderdaan zeide; Ik wil, dat gij mij bemint? â De vorsten dezer aarde dalen zoo laag niet af. Maar Jezus, die de Koning des hemels is, Hjj is het, die met zooveel nadruk om onze liefde vraagt: »Gij zult tloi Heer,uwen God, beminnen uit geheel me hart.quot; Met den grootsten aandrang vraagt Hij ons Hart; «Mijn :ooii, schenk tnij uw harlquot; ') En wordt Hij ooit uit eene ziel weggedreven, dan vertrekt Hij niet, maar plaatst zich buiten aan do deur des harten, en roept en klopt aan om binnen te komen. »//; sta au)i de deur en klop nan.'' 4) Hij smeekt haar hem open te doen. terwijl Hij haar zuster en bruid noemt; «Open mij, mijne zuster, mijne bruid.quot; 3) Kortom, Hij vindt er zijn lust in zich door ons bemind te zien. Hij is gansch getroost, wanneer eene ziel Hem zegt en Hem dikwerf herhaalt: «Mijn God! mijn Godl ik bemin U.quot; Dit alles is het gevolg der groote liefde, welke Hij ons toedraagt. Wie he
il Opsc. 63 c. 7. 2} Joli VII ; IT. 3) Prov. 23; 21). 4) Apoc, 3: 20. S) Cautie. S, 2. 4, 8.
â -10 â
mint, verlangt noodzakelijk bemind to worden. Hot hart vraagt liet hart. De liefde zoekt liefde. Daarom 4
alleen, zegt de li. Bernardus, bemint God, opdat Hij bemind worde.quot; *) Reeds vroeger had God zelf dit gezegd: » Wat vraagt de Heer, aw God, anders van ie, tenzij dat (jij Hem liefkebt'?quot; 1) Daarom doet Hij ons beseffen, dat Hij die herder is, die, na zijn verdwaald schaap te hebben weergevonden, allen samen-roejit om zich met Hem te troosten: »Verblijdt u met mij, want ik heb mijn verloren schaap wederr/evon- }:
den.quot; 3) Hij doet ons begrijpen, dat Hij die Vader is, die , wanneer een verloren zoon aan zijne voeten wederkeert, dezen niet slechts vergiffenis schenkt,
maar teederlijk omhelst. Hij verklaart ons, dat al wie Hem niet bemint, ter dood veroordeeld blijft; »Wie niet bemint, blijft in den dood.quot; 4) Maar al wie Hem liefheeft, houdt Hjj bij zich en neemt Hij aan tot den zijne: »Wie in de liefde blijft, blijft in God cn God in hem.quot; 5) Æ
Zullen nu zoo vele smeekingen, zoo vele aansporingen, zoo vele bedreigingen en beloften ons niet doen besluiten een God te beminnen, die zoo zeer wenscht van ons bemind te worden?
Verzuchtingen en Gebeden.
Mijn dierbare Verlosser, zal ik U met den H. Au-gustinus zeggen , Gij gebiedt mij U te beminnen en Gij dreigt mij met de hel, zoo ik U niet bemin; maar kan mij wel eene vervaarhjker hel, eene grootero ongenade treffen, dan van uwe liefde beroofd te zijn?
Wilt Gij mij derhalve vrees aanjagen, bedreig mij dan slechts, dat ik leven zal zonder U te beminnen;
deze bedreiging alleen zal mij meer doen schrikken dan duizend hellen. Zoo de verdoemden, o mijn God, '
te midden der helsche vlammen van uwe liefde konden gloeien, de hel zou een paradijs worden. Konden daarentegen de zaligen in den hemel U niet bemin-
1
S) Joa. 4. 16.
non. het paradijs zou oeno hol worden. Aldus sprak de II. Augustinus.
Ik weet wel, mijn beminde lieer, dat ik om mijne zonden verdiende, van uwe genade beroofd te worden en hierdoor veroordeeld, om U niet meer te kunnen beminnen. Maar ik hoor, dat Gjj voortgaat mjj te gebieden , dat ik U beminne. Ook voel ik in mij een groot verlangen om U lief te hebben. Dit mijn verlangen is eene gaaf uwer genade, (ijj zelf geeft mij dit. üeef mij nu ook nog de kracht om het uit te voeren, en maak, dat ik U in waarheid en uit ganscher harte voortaan zegge en immer herhale : Mijn God. ik bemin U, ik bemin U, ik bemin U. Gij verlangt mijne liefde , ik verlang de uwe.
Vergeet dus, o mjjn Jezus, alle leed, dat ik U voorheen heb aangedaan. Laten wij elkander steeds beminnen. Ik zal à niet los laten: laat ook Gij mij niet los. Gij zult mij altoos beminnen; ook ik zal U altoos beminnen. Mjjn dierbare Zaligmaker, uwe verdiensten zijn mijne hoop. Ach, doe TJ altoos beminnen cu doe U veel beminnen van een zondaar, die U veel hoeft bcleedigd.
Onbevlekte Maagd Maria, help mij, bid Jezus voor mjj.
VIERDE DAG.
Het bedroefd Hart van Jezus.
Onmogelijk te overwegen, hoezeer hier op aarde het Hart van Jezus ter onzer liefde is bedroefd geweest, zonder medelijden met hetzelve te gevoelen. Iljj zelf heeft ons te kennen gegeven, dat zijn Hart dermate van overgroote droefheid gedrukt was, dat deze alleen zou voldoende geweest zijn om Ilem het leven te benemen, en van loutere smart te doen sterven, hadde de kracht zijner Godheid niet door een mirakel den dood belet: «Mijne ziel is bedroefd tol den dood toe.quot; 1De grootste smart, die zoozeer het Hart van Jezus pijnigde, was evenwel niet hot zien dor folteringen en der verguizingen, welke Hom do menschen be-
1
Marc. lit 31.
â 12 â
roiddon, inaiir liet zien hunner ondankbaarheid tegenquot; over zijne matelooze liefde. 11 jj voorzag duidelijk al do zonden, die wij begaan zouden, na zoo vele smarten en een zoo bitteren en smaadvollen dood. Hij voorzag in 't bijzonder de schromelijke beleedigingen, die de menschen zijn aanbiddelijk Hart, dat Hij ons ten bewijze zijner toegenegenheid in hot allerheiligste Sacrament naliet, zouden aandoen. () God! en wat al onteeringen heeft Jezus Christus in dit Sacrament der liefde van wege de menschen moeten verduren! Deze heeft Hem met voeten vertrapt; gene op een vuilnishoop geworpen; een ander is er toe gekomen er eone hulde van te brengen dan den duivel. En evenwel weerhoudt hot gezicht van al die versma-dingen Hem niet, ons dit groot onderpand zijner liefde te laten. Hij haat de zonde met een oneindigen haat. Maar zijne liefde jegens ons schijnt don haat, dien Hij der zonde toedraagt, in Hom overmeesterd te hebben. Immers Hij getroost zich al die heiligschennissen toe te laten, liever dan de zielen, die Hem liefhebben , van deze goddelijke spjjze te beroovcn. En dit alles zal nog niet voldoende zijn om ons te doen besluiten een Hart te beminnen, dat ons dermate heeft liefgehad Of hoeft wellicht Jezus Christus er nog niet genoeg voor gedaan, om onze liefde voor zich te verdienen ? Zullen wij nog ondankbaar genoeg zijn, om Jezus op de altaren alleen te laten, gelijk do meeste menschen doen ! Zullen wij ons niet veeleer bij die weinige vrome zielen aansluiten, die Hem weten op prijs te stellen en van liefde wegsmelten, meer nog dan de waskaarsen, die rondom de heilige ciboriën branden? Jezus' Hart is daar brandende van liefde jegens ons, en wij zouden in Jezus' tegenwoordigheid niet branden van liefde jegens Hem.'
Verzuchtingen en Gebeden.
O mijn aanbiddelijke en dierbare Jezus, zie hier aan uwe voeten dengenen, die uw allerminzaamst Hart al te zeer bedroefd heeft O God. hoe heb ik
â 13 â
dat I larf, hetwelk mjj zoozeer heeft bemind, en niets gespaard heeft, om zich van mij te doen beminnen, zóó kannen kwellen! Doch troost U, durf ik U zeggen, mijn Zaligmaker. Weet, dat mijn hart, door uwe genade van uwe liefde getroffen, zulk een spijt gevoelt over het verdriet U aangedaan, dat liet van droefheid zou willen sterven. O, wie geeft mij, mijn Jezus, eene smart over mijne zonden gelijk aan die, welke Gij tijdens uw leven er over luidt'. Eeuwige Vader, ik offer U het leed en den afschuw, die uw Zoon over mijne zonden heeft gevoeld, en smeek U door dezelve mij zulk een groot leedwezen te geven over de beleedigingen, die ik U heb lyingedaan, dat ik daardoor immer in droefheid en smart blijve leven, steeds indachtig, hoe ik een tijd lang uw vriendschap versmaad heb. En Gij, mijn Jezus, geef mij van heden af zulk een afschuw van de zonde, dat deze mij zelfs de kleinste fouten doe verfoeien, aangespoord door de gedachte, dat zij U mishagen, U die niet verdient beleedigd te worden, noch weinig, noch veel, maar die veeleer eene eindelooze liefde verdient. Mijn geliefde lieer, ik verfoei thans alles, wat U mishaagt, en wil voortaan niets beminnen dan U alleen en datgene, â wat Gij bemint, llelp mij, geef mij kracht: geef mij de genade U, o mijn Jezus, aan te roepen en deze bede steeds te blijven herhalen ; «Mijn Jezus, geef mij uwe liefde, geef mij uwe liefde, geef mij uwe liefde.quot;
En gjj, allerheiligste Maagd Maria, verkrijg mij do genade van U steeds aan te roepen en U te zoggen: Mijne Moeder, doe mjj Jezus Christus beminnen!
VIJFDE DAG.
Het medelijdend Hart van Jezus.
Waar zullen wij ooit een hart kunnen vinden, dat meer medelijdend en teoder is. dat grooter mededoo-gen met onze ellenden heeft dan hot llart van Jezus ? Dat medelijden deed Hem uit don hemel op aarde dalen. Uit deed Hem zeggen, dat Hij die goede herder was, gekomen om zijn leven te geven tot redding
â li â
zijner schapen. Om ons zondaren vergiffenis te verwerven, hreft Hij zich niet ontzien, en zichzelven op het Kruis ton offer gebracht, teneinde door zijn lijden de straf' te voldoen, die ons toekwam. Dat medelijden, dat gevoel van erbarming doet Hom nu nog zeggen: oWauroni will i/ij slcnwi, huis van Israel'} Kcpi'l Irniy fii leeft.quot; ') Menschen, zegt Hij, mijne arme kinderen, waarom wilt gjj u verdoemen, door van mij weg te vluchten ? Ziet gij niet, dat, zoo gij u van mij verwijdert, gij den eeuwigen dood te gemoet loopt? Ik wil u niet verdoemd zien. Wanhoopt niet: keert terug, zoo dikwijls gij terugkeeren wilt, en gij zult hot leven wedervinden: »Keert terug en leeft.quot; Dat medelijden doet Hem nog zeggen, dat Hij die liefdevolle Vader is, die ofschoon IIjj zich van zjjn zoon versmaad ziet, dezen, wanneer hjj rouwmoedig wederkeert, niet ver-stooten kan, maar feeder omhelst, zonder nog aan al do ontvangen boloodigingen te denken: »//gt; zal aan al deszelfa onfjcrcchtighcden niet meer denken.quot; sj '/.oo handelen de menschen niet. Vergeven zij ook al, zij bewaren desniettemin de herinnering aan de ontvangen beleediging, en voelen zich aangespoord tot wraak. En wreken zij zich niet, wijl zij God vreezen, zij worden toch immer een grooten tegenzin gewaar, om met die personen, welke hun eenigen smaad hebben toegevoegd, om te gaan en te onderhandelen. Ach mijn Jezus, Gij vergeeft niet slechts aan de rouwmoedige zondaars, maar Gij weigert zelfs niet, U geheel aan hen te schenken gedurende dit leven in de H. Communie, en later in het ander leven in den hemel, door de mededeeling uwer glorie, zonder er den minsten weerzin in te gevoelen, diezelfde ziel, welke U beleedigd heeft, gedurende de gansche eeuwigheid te blijven omhelzen. Waar dan, o mijn dierbare Zaligmaker, zou men een beminnenswaardiger en medelijdender hart kunnen vindon dan het Uwe 7
1) Ezcch. 18. 31. 2} Ezecb, 18, !2.
Verzuchtingen en gebeden.
Medelijdend Hart vim mijn Jezus, erbarm U niijner, »Allerzoetste Jezus, ontferm U mijner.quot; [Jesxi dulcis-sime, miserere mei.) Ik zog liet thans, maar geef mij de genade, liet U altoos te zeggen : Allerzoetste Jezus, ontferm U -mijner. Ook vooraleer ik U belee-digde, o mijn Verlosser, verdiende ik gewis niet ééne der vele genaden, die Gij mij geschonken hebt. Gij toch hebt mij geschapen en mij zoovele verlichtingen gegeven, en dat alles zonder mijne verdiensten. Doch sedert ik ü beleedigde, heb ik niet alleen geene gunsten verdiend, maar ik verdiende van U verlaten te worden; ik verdiende de hel. Uw medelijden heeft bewerkt, dat Gij mij afgewasschen en mij ien tijde, dat ik in uwe ongenade was, het leven gespaard hebt. Uw medelijden heeft mij verlicht en tot vergiftenis uitgenoodigd, heeft mij droefheid over mijne zonden geschonken, alsook het verlangen om U te beminnen â en thans vertrouw ik, mij door uwe barmhartigheid in uwe genade te bevinden. Houd niet op, o mijn Jezus, mij uwe barmhartigheid te blijven bewijzen. De barmhartigheid, die ik U vraag, is, dat Gij mij het licht en de kracht verleent van U niet meer ondankbaar te wezen. Neen, mijne liefde, ik betuig niet te verdienen, dat Gij mij opnieuw vergeeft, zoo ik U wederom den rug zou keeren. Dit te vergen zou eene laatdunkendheid wezen, die U beletten zou, mij nog ooit barmhartigheid te toonen. Maar ook welke barmhartigheid zou ik nog van U te hopen hebben, indien ik, opnieuw ondankbaar wordende, uwe vriendschap ging versmaden en mij van U scheidde? Neen, mijn Jezus, ik bemin U en wil U altoos beminnen. Ziehier de barmhartigheid, welke ik van U verhoop en afsmeek: «Gedoog niet, dat ik van U gescheiden worde, godoog niet, dat ik van U gescheiden worde.' [Ne permiltus me separari a Te; nc permit tas me separari a Te.] Ook u smeek ik hierom, Maria mijne Moeder, gedoog niet, dat ik mij nog ooit van mijnen God scheide.
â 16 â
ZESDE DAG.
Het milddadig Hart van Jezus.
liet is eigen aan personen, die van natuur goedhartig zijn, dat zij allen zouden willen tevreden stellen, vooral de meest behoeftigen on bedroefden. Doch waar zal men ooit iemand vinden, beter van harte dan Jezus Christus ? Hij is immers de eindelooze goedheid, en heeft diensvoïgens een allervurigst verlangen ons zijne rijkdommen mede te deelen. »Hij Mij zijn de rijkdommen.om hen, die Mij liefhebben, te vetrijken.'quot; ') Het was om ons rjjk te maken, zegt de Apostel, dat Hij zich arm heeft gemaakt: uTenrji Hij rijk was, is lij om uwentwil arm rjeworden, opdat (jij door zijne armoede rijk zoadt wezen.quot; 1) Tot datzelfde doel heeft Hij onder ons willen blijven in het Allerh. Sacrament, waar lljj ten allen tijde aanwezig is, de handen vol genaden, (zoo toch zag Hem Pater Alvarez) om zo aan al. wie Hem komt bezoeken, uit te doelen, 't Is nog daarom, dat Hij zich zeiven geheel aan ons geeft inde 11. Communie. Hierdoor doet Hij ons verstaan, dat wijl Hij zelfs geheel zich zelven geeft, Hij zjjne goederen onmogelijk weigeren kan: »/foe heeft IJ ij otis ook niet alles met Hegt;n yesrhonkenquot; 3) In Jezus' Harte vinden wij derhalve alle goed. alle genaden, die wij verlangen. »Gy zljt in (dies rijk geworden in Hem.... zoodat u niets ontbreekt in ceniye (jenaile.quot; 4) Bedenken we verder wel, dat wij alle genaden, die we ontvangen hebben : verlossing, roeping, licht, vergiffenis, hulp om aan de bekoringen het hoofd te bieden, gelatenheid in tegenspoed, dat wij dat alles verschuldigd zijn aan het Hart van Jezus. Inderdaad zoo is het: â want zonder zijn bijstand waren wij niet in staat het minste goed te doen: ygt;/onder Mij kimt gij niets doen.quot; 5) En zoo gij voorheen nog niet meer genaden
1
ö) jon. 15, â¢$.
â 17 â
ontvangen hebt, zegt de Hoer, wijt hot Mij niet, maar wijt het u zeiven , daar gjj verzuimd hebt Mij dezelve te vragen: «Tot mi toe hebt gij nofi om niets jebeden... bidt en gij zult verkrijgen.quot; !) O hoe rijk en vrijgevig is het Hart van Jezus voor al, wie tot Hem om hulp gaat! «liijk over allen, die Hem aanroepen. 2) O wat al bewijzen van barmhartigheid ontvangen niet de zielen, welke er op uit zijne hulp te vragen aan Jezus Christus! zooals David zeido: nWant Gij, Fleer, zijl zoetaardig en zachtzinnig en vol barmhartigheid jegens allen, die U aanroepen.quot; 3)-Laten we ons dus altoos tot dit Hart wenden; laten we met vertrouwen vragen, en we zullen alles verkrijgen.
Verzuchtingen en Gebeden.
Ach, mijn Jezus, Gij bobt niet geaarzeld uw bloed en leven voor mij prijs te geven: en ik zou aarzelen U mijn ellendig hart te schenken? Neen, mijn dierbare Verlosser, ik offer het U gansch, ik schenk U geheel mijn wil. Aanvaard denzelven en beschik er over naar uw welgevallen. Ik heb niets, on vermag ook niets; ik heb alleen dit hart, mij door U geschonken, en waarvan mij niemand berooven kan. Mijne goederen, mijn bloed, mijn leven kan men mij ontnemen, maar niet dit hart. Met dit hart kan ik U liefhebben; met dit hart wil ik U liefhebben. Welaan, o mijn God, leer mij mijzelven geheel verloochenen. Leer mij, wat ik doen moet om tot uwe zuivere liefde te geraken, waartoe uwe goedheid mij het verlangen heeft ingegeven. Ik voel in mij een vastbesloten wil om U te behagen; maar van U verwacht ik en smeek ik den bijstand af, om dat besluit uit te voeren. Aan U de taak, o minnend Hart van Jezus, mijn arm hart, dat U vroeger zoo ondankbaar en door eigen schuld van uwe liefde
i) Jo.1. 2ö. 14. 2) Hum. Ill, 12. 3} Ps. 83. S.
18 â
verstoken was, geheel tot het uwe te maken. Geef, dat dit mijn hart geheel gloeien moge voor ü, geljjk het uwe gloeit voor mij: geef, dat mijn wil geheel met den uwen vereenigd zjj. zoodat ik slechts datgene wille, wat Gij wilt, en van stonde aan uw heilige wil de regel worde van al mjjne handelingen, van al mjjne gedachten, van al mijne verlangens. Ik hoop, Heer, dat Gjj mij uwe genade niet weigeren zult, om mijn besluit, dat ik heden voor uwe voeten maak, ton uitvoer te brengen , het besluit namelijk van alles, wat Gjj omtrent mij en mijne belangen beschikken zult. zoowel tijdens mijn leven als bjj mijn sterven, in vrede aan te nemen. Zalig gjj, o onbevlekte Maria , gij wier hart immer en in alles met Jezus Hart overeenstemde I Verwerf' mij , mjjne iSloeder, dat ik voortaan niets anders wille noch â wensche, dan wat Jezus wil en gij wilt.
ZEVENDE DAG.
Het dankbaar Hart van Jezus.
Zóó dankbaar is het Hart van Jezus, dat Hij aan leder onzer werken, hoe klein ook, wanneer Hij ziet, dat wjj het te zijner liefde verrichten, aan het geringste woordje te zijner eer gesproken, aan iedere vrijwillige gedachte, die Hem genoegen geeft, eene «igene belooning schenkt. Hij is zelfs zoo dankbaar, dat Hij altoos honderd voor één geeft: »Hij zal hon-flerdvoudig ontvangen.quot; 1) Wanneer de mensehen dankbaar zijn en zjj eenige hun bewezen weldaad vergelden, zoo vergelden zjj slechts éénmaal. Zij maken zich, gelijk men pleegt te zeggen, van de verplichting af en denken er vervolgens niet meer aan. Zoo handelt .lezus Christus niet met ons. Elke goede daad, die wjj verrichten, om Hem genoegen te doen, â beloont Hij niet alleen honderdvoudig in dit leven, snaar in 't ander leven beloont Hij ze nog onein-
lt;) Malh, 19. 29.
â -19 â
lt;ligo malen ieder oogenblik , gedurende de geheelo eeuwigheid. Kn wie zal dan zorgeloos genoeg zjjn om niet alles te doon , wat lijj kan. ten einde dit zoo dankbaar Hart tevreden te stellen? Maar, o (lod , hoe leggen er zich de menschen op toe om Jezus Christus genoegen te geven? Laat ik beter zeggen; hoe kunnen wij toch zoo ondankbaar zijn ten opzichte van dezen onzen Zaligmaker? Iladde Hij slechts een enkelen druppel bloeds vergoten, een enkelen traan voor onze zaligheid gestort, dan zelfs zouden wij Hem oneindige verplichtingen hebben. Immers die bloeddruppel, die traan zelfs , zou bij God van oneindige waarde zjjn geweest, voldoende om ons alle soorten van genaden te doen erlangen. Doch Jezus heeft al do oogenblikken zjjns levens voor ons willen besteden, hoeft ons al zijne verdiensten willen schenken, al zijne smarten en versmadingen, al zijn bloed en zelfs zijn leven. Wij hebben derhalve niet slechts ééne , maar ontelbare verplichtingen om Hem te beminnen. Helaas! wij zjjn zelfs dankbaar jegens dieren. Een hond, die ons eenig teeken van genegenheid geeft, dwingt ons als bet ware hem te beminnen. Hoe kunnen wij dan zóó ondankbaar wezen jegens God ? De weldaden van dezen God schijnen ten aanzien der menschen van natuur te veranderen en mishandelingen te worden, daar zjj in stede van dankbaarheid en liefde, niet anders te weeg brengen dan beleedigingen en versmadingen. Verlicht deze ondankbaren . o Heer, opdat zij do liefde erkennen, die Gij hun toedraagt.
Verzuchtingen en G-ebeden.
O mijne geliefde Jezus, ziehier den ondankbare aan uwe voeten. Ik ben wel erkentelijk geweest jegens de schepselen ! doch jegens U alleen ben ik ondankbaar geweest, jegens Ã, zeg ik, die voor mij gestorven zijt en niets méér doen kondet. om mij te verplichten U lief te hebben. Wat mij troost en bemoedigt, is, dat ik te doen heb met een oneindig
â 20 â
goed en vergevensgezind Hart, dat openljjk verklaart al do beleedigingen eens zondaara, die berouw heeft en bemint, te zullen vergeten.
Mijn dierbare Jezus, weleer heb ik U beleedigd en versmaad. Maar thans bemin ik U boven alles, meer dan mij zeiven. Zeg mij, wat Gij van mij wilt; ik bon ten volle bereid het met de hulp uwer genade te doen. Ik geloof, dat Gij mij geschapen hebt, dat Gij ter mijner liefde uw bloed en uw leven hebt gegeven. Ik geloof nog, dat Gij voor mij U zeiven in het Allerh. Sacrament hebt nagelaten. Ik dank U, mijne liefde! O gedoog niet, dat ik ondanks zoo vele weldaden en blijken uwer liefde, later nog ooit ondankbaar worde. Bind en hecht mij vast aan uw Hart, en laat niet toe, dat ik in het leven, hetwelk mij overblijft, U nog ooit misnoegen en verdriet veroorzake. Genoeg, mijn Jezus, heb ik U beleedigd, thans wil ik U beminnen. Och! konden mjjn vorige jaren eens wederkeeren! Maar neen, die koeren niet weder, en het leven, dat mij overbljjft, zal kort van duur zijn. Doch kort of lang, mijn (iod, den tijd, die mij overblijft, wil ik gansch besteden, om U te beminnen, U mjjn opperste Goed, die eene eeuwige en oneindige liefde verdient.
Maria, mijne Moeder, duld niet, dat ik nog ooit ondankbaar zij jegens uwen Zoon : bid Jezus voor mij.
ACHTSTE DAG.
Het versmade Hart van Jezus.
Er bestaat geen grooter smart voor een hart, dat bemint, dan zijne liefde versmaad te zien. Die smart is des te grootor, wanneer de bewijzen, die men van zijne liefde gegeven heeft, groot geweest zijn, en eene groote ondankbaarheid daar tegenover staat. I.aat alle menschen aan al hunne bezittingen vaarwel zeggen en in eene wildernis gaan leven, zich voeden met kruiden, op den blooten grond slapen, door boetplegingen zich uitmergelen en eindeljjk zich om liet loven laten brengen voor Jezus Christus;
â 21 â
welke wedervergelding zou dit wezen voor de smarten, het bloed, het loven, dat de eeuwige Zoon van God ter hunner liefde heeft veil gehad ? Zouden we ons ook ieder oogenblik ter dood laten brengen, we zouden voorwaar niet eens voor het kleinste deeltje de liefde terug betalen, die Jezus Christus ons bewezen heeft niet zich aan ons in het Allerh. Sacrament te schenken. Een God verbergt zich daar onder de gedaante van een weinig brood, en maakt zich het voedsel van zijn eigen schepsel!
Maar, o God, welke vergelding en erkentelijkheid betuigen de menschen aan Jezus Christus Ja, welke ? Mishandelingen, versmading zijner geboden en zijner leer, zulke onteeringen, dat zij hunnen vijand, hunnen slaaf of den grootsten ellendeling dor aarde dusdanige niet zouden aandoen. En zouden wij nu aan nl de mishandelingen, die Jezus Christus ontvangen heeft en nog dagelijks ontvangt , zonder hartzeer kunnen denken ? Moeten wij niet trachten door onze liefde de onmetelijke liefde van zijn goddelijk Hart te betalen, van dat Hart, dat in het Allerh. Sacrament nog altijd van dezelfde liefde jegens ons brandt, dat nog altijd verlangt, ons zijne goederen mode te deelon en zich zelf geheel aan ons te geven, dat nog altijd bereid is ons op te nomen, zoo dikwijls als wij daar heen gaan ? 11 Hem , dir. tol Mij kom!, zal Ik niet huilen werpenquot; !) Wij zijn er gewoon aan geworden te hooren spreken van schepping , van menschwor-ding, van verlossing, van Jezus in een stal geboren, van Jezus aan het kruis gestorven. O God, wisten wij , dat een ander raensch ons ook slechts ééne enkele dezer weldaden bewezen had, wij zouden ons niet kunnen weerhouden hem lief te hebben. Op God alleen schijnt (om zoo te spreken) het droevig lot te drukken , dat , ofschoon Hij niets onbeproefd heeft gelaten, om zich van de menschen te doen beminnen, Hij er niet in slagen kan. Ja, in plaats van bemind te worden, ziet Hij zich versmaad en verstooten.
I) Joa. 6, 37.
â 22 â
De oorzaak van dit alles is, dat de mensclien do liefde van hunnen God uit het oog verliezen.
Verzuchtingen en Gebeden.
O Hart van mjjn Jezus , afgrond van barmhartigheid en liefde, hoe komt het, dat ik bjj hot zien dei-goedheid , die Gij mij betoond hebt en mijner ondankbaarheid, niet sterf en niet van smart verga.' Gjj, mijn Zaligmaker, na mij het bestaan te hebben geschonken, hebt mij nog al uw bloed en uw leven gegeven, en U ter mijner liefde overgeleverd aan do versmadingen en den dood. Hiermede nog niet tevreden. hebt Gij het middel uitgevonden om à zeiven dagelijks voor mij in de 11. Mis te slachtofferen, U vrijw illig blootstellend aan de onteeringen , die Gij in dit Sacrament van liefde zoudt moeten ondergaan, en die Gij vooruit gekend hebt. ü God, hoo kan ik mij herinneren zoo ondankbaar jegens U te zijn, zonder van schaamte te sterven Maak een einde, o Heer, aan mijne ondankbaarheden door mjjn hart met uwe liefde te treffen en mjj geheel den uwe to maken. Herinner U het bloed en do tranon, die Gij voor mij vergoten hebt, en vergeef mij. Ach, laat deze uwe zoo groote smarten voor mjj niet verloren zijn ! Ofschoon Gij zaagt, hoe ondankbaar en hoezeer ik uwe liefde onwaardig was, hebt Gij toch niet opgehouden mij lief te hebben, al beminde ik U ook niet, en al verlangde ik zelfs niet eens door U bemind te worden. Hoeveel meer dus moet ik nu niet op uwe liefde vertrouwen , nu ik niets anders wil, noch wensch dan U te beminnen en van U bemind te worden! Welaan , bevredig dezen mijnen wensch ten volle, of laat ik juister spreken, bevredig uwen wensch; want Gij zelf hebt mij dien ingegeven. Geef, dat deze dag de dag mijner algeheele bekeering zij, zoodat ik beginne U te beminnen, om nimmer moer op te houden U, opperste Goed, lief te hebben. Geef, dat ik in alles aan mij zeiven sterve. om voor U alleen te leven, cn altoos van liefde tot U te branden.
O Maria, uw hart was dat zalig altaar, waarop liet vuur der goddelijke liefde aanhoudend brandde. Mijne dierbare Moeder, maak mij aan u gelijk. Vraag dezo genade voor mij aan uwen Zoon, die er genoegen in heeft u te eeren, door u niets te weigeren van al wat gij Hem vraagt.
NEGENDE DAG.
Het getrouwe Hart van Jezus.
O hoe getrouw is het schoone Hart van Jezus Christus jegens hen, die Hij tot zijne heilige liefde roept! »11 {j, dii' ii geroepen heeft. Is fietrouw en zal lirl nuk doen.quot; â ) (iods getrouwheid wekt in ons het vertrouwen op van alles te verhopen, al verdienen we ook niets. Zoo wij God uit ons hart mochten verdreven hebben, laten wij Hem de deur wederom openen, en Hij zal terstond weder binnen komen, volgens zijne eigene belofte: «Zoo iemand... mij dc deur zal openen, ik zal lol hem inkomen, en mei hem maallijd houden.quot; ') Indien wij genaden verlangen, laten wij zo dan in Jezus' naam aan God vragen, en Jezus heeft ons beloofd, dat wij ze verkrijgen zullen: »Indien gij den Vader om iels in mijnen naam zult bidden, Hij zal hel u geven.quot;3) Zijn wc bekoord, laten we op zjjne verdiensten vertrouwen, en Hij zal niet dulden, dat onze vijanden ons boven onze krachten bevechten; ygt;God nu ia getrouw en Hij zal niet loei alen, dal gij beproefd wordt boven uw vermogen.quot; 1) O, wat is men ei-beter aan mot Ood dan met de menschen 1 Hoe vaak beloven niet de menschen, en doen zjj bun woord niet gestand, ofwel, omdat zjj liegen bij quot;t beloven, ofwel, omdat zij na hunne belofte van wil veranderen ! »Hod is niet gelijk de mensch, (zegt de 11. Geest) dal Hij zon liegen, noch gelijk de Zoon des menschen, dat Hij veranderen zou.quot; 3) God kan aan
1
1 riicss. 5, 2i, S) Apor. »0, 3) Joa. 16. S3. 4) 1 Cor. 10, 13.
zijne gedane beloften niet ontrouw wezen, dewijl Hij niet liegen kun, als zijnde de Waarheid zelve, iljj kan evenmin van wil veranderen, omdat alles, wat Hij wil, rechtvaardig en juist is. Hij heeft dan beloofd een ieder, die tot Mem komt, op te nemen, hulp te verleonen aan eeu ieder, die ze Hem vraagt, te beminnen al wie Hem bemint: en nu zou Hjj dit niet doen ? »Hij heeft clan (/esproken, en Hij zou lui niet doen') O waren wij God trouw, gelijk Hij ons trouw is! Wij, hoe menigmaal hebben wij Hem vroeger beloofd, Hem toe te behooren. Hem te dienen en te beminnen 1 En later hebben wij Hem verraden, ons aan zijn dienst onttrokken, en ons zeiven als slaven aan den duivel verkocht. Laten wij Hem derhalve smeeken, ons de kracht te geven, van Hem in het toekomende getrouw te zijn. O wat zullen we gelukkig zijn, zoo wij Jezus Christus in de weinige zaken, die Hij ons gebiedt te doen, getrouw blijven! Ook Hjj zal getrouw zijn door ons boven alle maat te beloonen, en ons doen hooren, wat Hij zijnen trouwen dienaren beloofd heeft: «Zeer â¢wel, gij yoede en getrouwe dienstknecht, omdat gij over weinig gelronw zijl geweest, zal ik u over veel stellen : ga in lot de vreugde des Heeren.quot; 2j
Verzuchtingen en Gebeden.
Mijn dierbare Verlosser, o ware ik U trouw gebleven, gelijk Gij trouw geweest zijt jegens mij! Zoo menigmaal ik U mijn hart geopend hebt, zijt Gij binnengetreden, om mij te vergeven en in uwe genade op te nemen. Zoo vaak ik tot U riep, zijt Gij komen aansnellen, om mij te helpen. Gij zijt getrouw geweest jegens mij; maar ik, ik bon al te ontrouw jegens U geweest. Ik heb U beloofd U te dienen, en heb daarna onnoemelijke malen U den rug toe-gekoerd. Ik heb U mijne liefde beloofd, en die later U zoo menigwerf geweigerd, alsof Gij, mijn God, die
1) Num. 11. 19. 2) Mallli. 25, 23.
mij goscliajwn en verlost hebt. minder verdiendet bemind te worden, dan de schepselen en mijne ellendige voldoeningen. om welke ik ü verlaten heb. Mijn Jezus, vergeef mij. Ik erken mijne ondankbaarheid en verfoei ze. Ik erken, dat Gij eene oneindige goedheid zijt, die eene oneindige liefde verdient, vooral van mij, dien (iij in weerwil der vele belee-digingen, die ik U heb aangedaan, zoozeer bemind hebt. Wee mij, zoo ik verdoemd ga De genaden, welke Gjj mij geschonken en de blijken van bijzondere genegenheid, die Gij mij gegeven hebt, ze zouden, o God, de bel mijner hel wezen. O neen, mjjne liefde, erbarm U mijner. Gedoog niet, dat ik U opnieuw verlate en dan in de hel. waartoe ik verdienen zou gedoemd te worden, moete voortgaan door be-leedigingen en haat de liefde te betalen, die Gjj mij hebt toegedragen. Welaan, liefdevol en getrouw Hart van Jezus, ontvlam mij voor ü. gelijk Gij brandt voor mij. Mij dunkt, mijn Jezus, dat ik U thans bemin, maar ik bemin I weinig. Geef, dat ik U veel be-minne en Ij tot mijn dood getrouw zij. Deze genade vraag ik U, tegelijk met de genade van die steeds te bljjven verzoeken. Laat mij sterven, alvorens ik U^)pnieuw verraden zou.
O Maria, mijne moeder, help mij om uw Zoon getrouw te zijn.
AKTE VAN TOEWIJDING
VAN
ÃET IH.
Mijn beminnelijke Josus, hoe zou ik durven weigeren mij aan U te schenken, daar Gij mij uw eigen lichaam, uw bloed, uw Hart Ja geheel U zeiven ten geschenke hebt gegevenIk geef mij zeiven geheel nan 1' over. Ik offer l geheel mijn wil, gelief dien
â '26 â
te aanvaarden en er over te beschikken volgens goedvinden.
Ik bezit niets en vermag niets; maar ik heb een hart, dat (jjj mij bebt gegeven en dat niemand mij rooven kan. Met dat bart kan ik U beminnen , met dat bart wil ik U beminnen. Docli om U te beminnen, beb ik uwen bijstand noodig en dezen vraag ik U. (iij. 6 minnend llavt van Jezus, moet maken, dnt mijn arm bart U gansch toebehoore, dat hart, hetwelk voorheen uwe liefde met zooveel ondankbaar-beid betaald heeft. Moge dan mijn hart geheel vuur worden voor U, geljjk het uwe geheel vuur is voor mij ! Moge ik U voortaan zoo onverdeeld aanbangen, dat uw heilige wil de eenige regel worde van al mijne gedachten , van al mjjne verlangens , van al mjjne handelingen!
O onbevlekte Maagd Maria I gij wier hart altoos volmaakt overeenstemde met Jezus' Hart, verwerf mij de genade van voortaan niets anders meer te willen en te verlangen, dan wat Jezus wil en gij wilt. Amen.
O