- (u^
ADAM BEDE.
Adam Bedz.
J Israels del.
GEORGE ELIOT,
4 ;
Iâ»
A D A M B E D 1
VElVIAIilNG Vagt;.
â quot; o u v: B â ; . K E N H U F. T.
. Ir V 'xLRSO^.
ZESDf DRUK.
ST.'. gt;
â
'
:
i:c â¢: r
ö N E K. T. F. V I iiUTJ V,
UTRECHT
1
_
GEORGE ELIOT,
ADAM BEDE.
VERTALING VAN
Mevrouw BUSKEN HUET,
MET EENE VOOBKEDE VAN
UTPf
A C R
5831
Dr. A. PIERSON.
ZESDE DRUK,
MET DRIE STAALPLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN JOZEF ISRAELS.
BSBUOTHEEK DER KijKSUNIVEKSiTEIT
UTRECHT
S N E E K, J. F. VAN DEÃTEN.
INHOUD.
Biz.
VOORBEDE 13I.J DEN BEESTEN DRUK VAN DE NEDERLANDSCHE VER
TALING ..................................1
EERSTE BOEK.
DB TIMMERMANSWINKEL..........................9
DB OEFENING................18
NA DB PREEK................40
THUIS BN ZIJN HARTZEER.............47
DE RECTOR.................63
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS..........83
HET KARNHUIS................96
EEN ROEPING................102
HETTY'S WERBLD...............111
DINA BIJ LIJSBBTH...............119
IN HUIS..................132
IN HET BOSCH................142
AVOND IN HET BOSCH..............155
DE THUISKOMST................160
TWEE SLAAPKAMERS..............170
BEN HEILIG VOORNEMEN.............185
TWEEDE BOEK.
BEN UITVOERIGE TÃSSCHBNZIN...........200
INHOUD.
TE KEEK..................211
ADAM AAN HET WEEK..............236
ADAM 01' DE HOEVE..............244
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER..........264
DEEDE BOEK.
MEERDEEJARIG VERKLAARD............281
OP ETENSTIJD................293
TOASTEN..................298
VOLKSSPELEN.................307
HET BAL ....... ...........316
VIERDE BOEK.
EEN KEERPUNT................329
EEN HARDE KEUS...............342
DEN VOLGENDEN MORGEN.............351
OVERHANDIGD................359
IN HETTY'S SLAAPKAMER..... ........374
BEN PAK VAN BOERIN POYSERS HART.........385
NIEUWE HOOP...... ..........396
DE VERLOVING................404
GEHEIME ANGSTEN...............409
VIJFDE BOEK.
DE HEENREIS.................^16
DB TERUGREIS.................426
DE NAVRAAG.................440
TIJDINGEN..................455
DE BITTERE WATEREN STROOMEN..........464
DB AVOND VOOR HET VBEHOOR...........474
VI
INHOUD. VII
DE srOKGEN VAN HET VERHOOR...........479
DE UITSPRAAK................484
ARTHURS THUISKOMST..............492
IN DE GEVANGENIS...............501
UREN VAN SPANNING..............512
HET LAATSTE OOGENBLIK.............519
NOGMAALS IN HET BOSCH.............520
ZESDE BOEK.
OP DE HOEVE................532
IN DB DORPSWONING..............542
ZONDAGMORGEN................555
ADAM EN DINA................569
HET OOGSTFEEST...............578
DE ONTMOETING OP DEN HEUVEL..........593
BEN HUWELIJK INGEZEGEND............599
NASCHRIFT.................602
âIk houd Adam Bede voor een onsterfelijk boek; een der werken waarnaar het volgend geslacht de tweede helft der 19o eeuw beoordeelen zal.quot;
Cd. Busken Hu et, Litt. Fant. dl. 21.
VOORREDE BIJ DEN EERSTEN DRUK VAN DE NEDERLANDSCHE VERTALING.
't Is voor mij een aangename taak, adam bede bij mijne landge-nooten in te leiden.
Het dankbaar herdenken van de goede dagen en weken, die ik met dit geliefde boek lieb doorgebracht, maakt het mij bijna tot een plicht. Zou er geen plicht der dankbaarheid zijn jegens een goed boek? Al zijn we ook soms meer dan verzadigd van lezen en daardoor vrij onaandoenlijk, een werk als adam bede is nog iets anders dan:
âDe droom van een dag, in een oogwenk verhaald,
Een vogel die trippelt en wegvliegt,
Een roos die, gepinkt, ras verdort in de hand En sporeloos omkoomt, vertreden in 't zand. . . 1)
't is een gebeurtenis in ons leven, waarvan de indruk lang onvergetelijk blijft.
adam bede toch â 't boek wordt ons thans aangeboden in een nederduitsche vertaling, die het voorrecht bezit van zich niet te onderscheiden door hetgeen in ons vaderland vertaalde romans te dikwerf kenmerkt â adam bede maakt indruk door vorm en inhoud beide.
Als letterkundig voortbrengsel heeft deze roman groote waarde; 't geen den oppervlakkigen blik kan ontgaan, doch bij een herhaalde lezing â een moeite, die adam bede dubbel verdient en beloont â ieder duidelijk wordt.
1) De Musset. adam bede.
1
VOOKREDE.
Immers: kan iemand zich onkundig houden van liet talent, dat gevorderd wordt om te weeg te brengen hetgeen hier inderdaad teweeggebracht is ?
Wat wonder heeft dit boek verricht?
Aan geheel het beschaafd Europa heeft het belangstelling ingeboezemd voor 't geen, een vijftig jaar geleden, op een Engelsch dorp plaats greep in een timmermanswinkel, in een heldere boerderij, in een vredige pastorie. Geheel het beschaafd Europa heeft het gekluisterd aan het verhaal (ach, âeine alte Geschichtequot;) van een braven man, die arm was en een loszinnige man die rijk was; van een ondeugend meisje dat meer hield van fraaie oorringen dan van een edel hart en waar het dan ook niet goed mede afliep; en eindelijk van een vroom meisje met een stemmig kapje, Dina Morris geheeten, dat grooten en kleenen, rijken en armen, ondeugen-den en vromen, innig liefhad en kostelijk bepreekte.
Ik kan in oprechtheid de verzekering geven, dat dit het kort begrip is van het gansche boek; een boek waarop de voortreffelijkste tijdschriften van het buitenland met groote ingenomenheid de aandacht hunner lezers hebben gevestigd en waarvan Punch op het einde van 1859 geestig gezegd heeft: âDat het nog leeft, dat is zijn roem; want ware het te verscheuren geweest wij hadden het verscheurd.quot;
En waarmede is dit wonder verricht?
Vele en uitmuntend zijn de gaven, die aan de auteur ten dienste hebben gestaan. Deze roman, men kan er zeker van zijn, werd niet geschreven zonder dat de schrijfster bezat: de gave der opmerkzaamheid, sentimentaliteit van den echten stempel, een liefderijk hart en een verhevene godsdienstige denkwijze.
George Eliot heeft bij de waarneming der toestanden, die zij wilde teekenen, scherp gezien en alles gezien. Niets is ontsnapt aan haar blik. Hierdoor wordt ons reeds terstond de nuttelooze vermoeienis bespaard, die wij ons bij vele romans moeten getroosten, eer wij er in georiënteerd zijn; een vermoeienis, doorgaans karig beloond door de vrij eentonige verrassingen die ons gaandeweg te beurt vallen. Neen, de auteur grijpt ons dadelijk bij de hand en laat ons geen oogenblik in den blinde rondtasten. Nauwelijks hebben wij eenige bladzijden van het eerste deel gelezen, of wij weten voor welke hoofdgedachte onze aandacht geboeid, voor welk too-
II
VOOREEDE.
neel onze belangstelling gevraagd wordt. In 01 d Engeland zijn wij verplaatst; thuis zijn wij op het dorp, waar â een kleine, maar droevige afwezigheid uitgezonderd â wij ten einde toe verblijven ; bekend zijn wij er met den timmermansbaas en zijn domme vrouw; met den voornaamsten pachter en zijn handige vrouw; met den smid, met den herbergier, en van zeer nabij met den dominé. Niet minder dan al die goede vrienden, de laatste evenwel uitgezonderd, wachten wij nieuwsgierig op het Wesleyaan-sche preekstertje en op hetgeen ze ons in het open veld zal me-dedeelen. Want al aanstonds wordt het ons duidelijk: de opkomst van 't Methodisme te schetsen, de eerste indrukken weer te geven door deze richting teweeggebracht; aan te toonen over welke schatten van Christelijke vroomheid, liefde en vrede haar eerste verkondigers en belijders konden beschikken; ons tevens in staat te stellen tot een billijke waardeering van het betrekkelijk recht, hetwelk een bijna uitsluitend practische levensopvatting en een eerbiedwaardige verkleefdheid aan de kerkelijke overlevering zelfs tegenover de innigheid van het Methodisme blijven behouden: dat was wel in de eerste plaats het doel, waarmede deze schoone roman geschreven werd.
Was dit het doel van de auteur en wilde zij het niet door een betoog, maar door een verhaal bereiken, dan moesten zekere toestanden en karakters ons volkomen aanschouwelijk worden gemaakt. Dit is geschied: het geheim der aanschouwelijkheid is hier in al zijn omvang en diepte begrepen.
In den persoon van Dina Morris komt het Methodisme in aanraking eerst met de menigte; en wij zien de beminnelijke disci-pelinne van Christus ze ten beste hebben: haar onvermoeide welsprekendheid, die, vooral door hart en verbeelding bezield, medezondaren uit de duisternis wil brengen tot het gezegend rijk van vrede en licht; dan met bijzondere personen; en wij vinden Dina bezig met de woning van een arme weduwe op te knappen en vroolijk te maken, alzoo troostende een diep verslagen hart. Straks ontmoeten wij haar in het vertrekje van een ijdel ding, dat ze, o zoo ernstig en toch zoo vriendelijk waarschuwt voor de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens; nog later kunnen wij haar gebed afluisteren, als ze nederknielt met de eerste verstokte, maar onder den invloed harer liefde eindelijk verteederde zon-
1*
Ill
VOORREDE.
daresse. Het Methodisme, aldus aanschouwelijk gemaakt, verdedigt zich zelf tegen meer dan een onzinnige aanklacht.
In den persoon van Adam Bede wordt ons die edele richting ge-teekend, die in de gestrenge en nauwgezette vervulling van plicht en roeping het krachtigste geneesmiddel vindt tegen de kwalen der maatschappij, maar zelve door lijden gelouterd en medelijden-der moet worden gemaakt voor de menschelijke zwakheid, buiten welke zij somtijds rekent in haar voortvarenden ijver.
In den persoon van Mr. Irwine eindelijk aanschouwen wij het uitnemendste, dat geleverd kan worden door die stille, die conservatieve karakters, die geen opschudding maken, maar ook geen opwekking ten goede teweegbrengen; niettemin in eere moeten gehouden worden, daar zij door de gelijkmatigheid van hun leven en werken menig onrustig gemoed doen bedaren, menig stroef gelaat iets vriendelijker plooien.
Schoon alzoo denkbeelden van de verhevenste soort in dit boek zijn nedergelegd, blijven wij hier evenwel bewaard voor den weinig aantrekkelijken omgang met aangekleede begrippen. Het zijn levende wezens, die ons hier tegemoet treden. Ze zweven niet in de lucht, maar staan op vasten bodem; niet ergens, men weet niet juist waar, in het heelal, maar in een zeer bepaalde omgeving. Licht en schaduw is over die omgeving met zooveel s a-vante berekening verdeeld, dat de figuren, die op den voorgrond dienen te treden, overal helder uitkomen. Geene bijzonderheid is hier veronachtzaamd. Is het noodig, dan zal ook het kind in den tafelstoel, ook de hond van den schoolmeester, ook het kippenhok van de hoeve niet worden vergeten.
Niet weinig wordt tot de aanschouwelijkheid van het geheel bijgedragen door de sentimentaliteit van den echten stempel, die een tweede kenmerk is van dit boek. Mag de ware sentimentaliteit niet gehouden worden voor het talent dat ons leert, verband te vinden tusschen de stemming van ons gemoed en den toon, die in de natuur rondom ons heerscht?
Men durft dit talent nauwelijks meer loven, zoozeer heeft men er misbruik van gemaakt. Het zijn wellicht onze Duitsche naburen die de sentimentaliteit in een slechten reuk hebben gebracht. Maar waarlijk, men mag geen kwaad van haar spreken. Zij is de teerste dochter van de poëzie en, wel beschouwd, de jongste. Zoo
IV
vookeede.
men haar soms te veel lieeft aangehaald, is het haar schuld? Ik heb ze lief, al heeft ze met Werther de knoopen van een liverei-rok gekust. Wie is altijd verstandig'? Verstandig blijft ze evenwel onder de leiding van Adam Bede's biograaf; verstandig, maar daarom toch niet minder teeder en verteederend. Avondzon en morgenkoelte zijn niet vergeten, waar ze vermeld moesten worden om den indruk eener beschrijving te verhoogen, of de waarheid van een toestand onloochenbaar te maken. Onhandig is, dunkt mij, een roman, waarin nooit het zonnetje schijnt, waarin het nooit regent; nooit of nooit ter goeder ure. Menschen, bij wie het er volstrekt niet op aankomt, wat de melkboerin in den uchtend heeft te berichten : mooi weer, of slecht weer, zulke menschen zijn abstracte wezens, maar geen familie van ons, die bij voorbeeld een dubbele mate van geestkracht noodig hebben om goed gemutst te blijven wanneer dagen achtereen de nijdige vaderlandsche regen ons een 011-iiitstaanbare intimiteit oplegt met den vrind, die er ons tegen beschermen moet, maar op wien het Fransche spreekwoord zoo vaak van toepassing is: âle remède est pire que le mal.quot;
Wij zijn voortgekomen â en de schrijfster van ad am bede heeft het bedacht â uit het stof der aarde; het kan haar daarom niet meer onverschillig zijn hoe de oude moeder er uitziet. En 't is haar ook niet onverschillig. In haar boek is het altijd winter of zomer, lente of herst; de vogeltjes zingen of ze zwijgen, het beekje murmelt, de heuvel groent, de appelboomen bloeien, en de harmonie of de wanklank, die daaruit ontstaat ten opzichte van de gemoedsstemming der personen die ten tooneele verschijnen, wordt opgemerkt en beschreven. Zoo weten wij waar we zijn en met wie we te doen hebben; zoo blijft onze belangstelling levendig, want het â waarachtig menschelijke, de sentimentaliteit van den echten stempel, wordt nergens verloochend.
Bewonderenswaardig zijn dus de letterkundige gaven door de auteur aan den dag gelegd. Hoe ze schitteren, ze trekken onze aandacht evenwel niet af van de zedelijke hoedanigheden, die haar moeten sieren, uit wier pen adam bede is gevloeid.
Waarachtige menschenliefde behoort er toe in de eerste plaats. Klinke het vreemd: voor mij is zij een gevolg van waarachtige men-schenkennis. Geen enkel karakter wordt ons hier geschilderd, waarvoor wij niet sympathie, liefde of althans mededoogen kunnen ge-
v
voorrede.
voelen; een karakter dat louter ergernis of verontwaardiging opwekt, bestaat niet in de menschemvereld voor zoover de auteur van adam bede haar heeft waargenomen. Gelijk de groote Men-schenkenner tevens de vriend van zondaren is geweest, zoo moet grondige bekendheid met de wetten, die het zieleleven beheerschen, bij elk mildheid, vergevensgezindheid en verdraagzaamheid doen geboren worden. âDie alles weet te verklaren, vergeeft alles.quot; De ondervinding, die wij in het leven opdoen, bevestigt gedurig de waarheid van dit woord. Immers leert zij ons dat de beoordeeling van een karakter, als ze enkel ongunstig is, voor een groot gedeelte op rekening moet worden gesteld van de kortzichtigheid of liefdeloosheid van wie haar uitbrengt. Inderdaad, ik houd mij overtuigd, dat, zoo we onze verontwaardiging levendig houden voor de diabolische zonden van Farizeïsme en huichelarij, het woord overigens niet genoeg bedacht kan worden: âWie van u zonder zonde is, werpe den eersten steen.quot;
In die overtuiging worden wij door de lezing van adam bede versterkt. Onze bewondering en sympathie voor Dina Morris doet de schrijfster gedurig klimmen; toch doet zij ons Hetty, het ijdele en wereldsche kind, niet haten of den rug toekeeren. Den liefdegloed, dien het Methodisme ademt, leert zij ons steeds hooger waardee-ren; toch leert zij ons niet af te geven op de Episcopaalsche bedaardheid van den predikant Irwine. Opgetogen maakt ze ons over den fiinken Adam Bede; Seth Bede, den sukkel â den Schlemiel, zou Leopold Kompert hem genoemd hebben â leert ze ons evenwel niet verachten. En Arthur? O, de jonge edelman, die Hetty ongelukkig maakt, hij heeft een groote misdaad gepleegd; toch, kunt ge hem een booswicht schelden als ge hem ziet boeten lang en zwaar? Werd zijn liefste droom niet verstoord, toen alle uitzicht voor hem vervloog om ooit de afgod van zijne talrijke onder-hoorigen te worden?
Zoo verzoent ons dit boek met de menschenwereld waarin wij leven. Het toont ons opnieuw, dat menschenkennis nog iets anders is dan het bezit van een al mokkend bijeengebrachte verzameling van slechte streken en lage bedoelingen, bij tijd en wijle in onze medemenschen ontdekt. Zij geeft ons een ander doel aan de hand dan het zelfzuchtige doel, dat gewoonlijk met menschenkennis wordt beoogd. Immers daarom vooral koestert men gaarne een
yi
voorllede.
slechten dunk van den naaste, om toch vooral zijn dupe niet te worden. Alsof het niet oneindig beter ware, een goeden dunk van hem te hebben, en â nu ja ââ soms gevaar te loopen van dupe te zijn. Wie niemands dupe meent te zijn, is het toch van zich zelf.
Het is niet waarschijnlijk dat met de uitnemende gaven van geest en gemoed, nu reeds bij de auteur van adam bede ontdekt, een bekrompen godsdienstige denkwijze zou kunnen samengaan. Die gunstige onderstelling wordt door de werkelijkheid niet gelogenstraft. Zelden â ik meen nooit â las ik een werk, waarin godsdienstige verschijnselen uit zulk een verheven oogpunt werden beschouwd en beschreven. Buiten de verschillende godsdienstige sekten te staan, schijnt geen kunst; maar er zich boven te bevinden, dat is slechts aan weinigen gegeven.
Tot die weinigen behoort de schrijfster van dezen roman.
Tegenover een bekrompenheid, vooral vroeger in ons land zoo populair en zoo meedoogenloos in de keus harer slachtoffers, die een godsdienstige beweging als het Methodisme enkel aan geldzucht, eerbejag, geveinsdheid, in een woord aan de laagste bedoelingen kan toeschrijven; tegenover die kinderachtige vrees, die van Hildebrand haar doopnaam ontving; tegenover die hatelijke verdraagzaamheid en die overdrijving der gematigdheid, die nooit in staat is geweest te begrijpen of te waardeeren hetgeen ik zou willen noemen de ebullitiën van het Christelijk leven; tegenover dat zelfgenoegzaam rationalisme, dat de mystiek des harten en haar diepe waarheid als met voeten treedt; dat het zondaarsgeweten evenmin heilzaam verontrusten als afdoend vertroosten kan; dat iedere uiting der vroomheid aan zijn enge dogmatische beginselen en bepalingen toetst, of met de knipschaar van zijn abstracte logika kortwiekt; tegenover al dezen zegt de auteur van adam bede, in ons midden gesteld hebbende een Methodistisch meisje: âIndien gij niet wordt als dit kind van God, zult gij het Koninkrijk der Hemelen geenszins ingaan.quot;
âMoeten wij dan allen Methodisten worden?quot;
Ja, harden van hart en tragen van geest, ja!
Ach, in uw liberalistisch dogmatisme, bevangen geslacht, hoe lang zal die oneindige liefde nog met u zijn, die telkens opnieuw door haar kinderen gerechtvaardigd wordt!
vii
voobbede.
viii
Adam bede zij dan een boek dat niet ledig wederkeert tot Hem, van wien alle goede gave afkomstig is. Het doe velen verstaan wat ons tot discipelen maakt van den Heiland der wereld, die gekomen is om te dienen, om het verlorene te redden, om alle treu-rigen te troosten. Het zij een Christus-prediking in den vorm waarin onze tijd haar dringend noodig lieeft; een der dierbaarste belijdenisschriften, waarop alle vromen willen wijzen als op de welsprekende uitdrukking van hun allerheiligst geloof.
Van dat geloof, dat van heiligen moed, van nederige zelfverloochening, van het geduldig gedragen kruis, van allen en alles omvattende liefde de overwinning wacht eener wereld, die niet dan door dit geloof kan overwonnen worden.
A. PIEESON.
EERSTE BOEK.
HOOFDSTUK I.
DE TIMMERMANSWINKEL.
Met een enkelen droppel inkt tot tooverspiegel biedt de Egyptische waarzegger aan, voor elk die zulks begeert visioenen op te roepen uit het verre verleden. Dit, lezer, neem ik op mij te doen voor u. Met dezen droppel inkt aan de spits van mijn pen zal ik voor uwe verbeelding doen opdagen den ruimen timmermanswinkel van Mr. Jonathan Burger, timmerman en bouwmeester in het dorp Hayslope, zooals die winkel zich voordeed op den achttienden Juni van het jaar onzes Heeren 1799.
De volle middagzon bescheen de vijf werklieden aldaar, bezig met schaven en hameren aan deuren, aan vensterkozijnen en lambrizee-ringen. Een reuk van harstig dennenhout, opstijgend uit een deel planken, in piramide-vorm overeind gestapeld op de plaats buiten de openstaande deur, vermengde zich met den geur van de vlier-besbloemen, prijkend met haar zomersneeuw in de nabijheid vsn een raam aan den tegenovergestelden kant van het vertrek. De gloeiende zonnestralen speelden door de doorzichtige krullen heen, die wegstoven voor de vlijtige schaaf, en verhoogden den glans van de glad gewreven eikenhouten paneelen, in orde gerangschikt tegen den muur. Op een hoop van deze zachte krullen had een ruige, grijze herdershond zich een behaaglijk bed gemaakt. Hij lag met den neus tusschen de voorpooten, nu en dan de borstelige wenkbrauwen optrekkend, om een blik te werpen op den grootsten van de vijf werklieden, denzelfden die bezig was een paneel uit te snijden in het middelvak van een houten schoorsteenmantel. Denzelfden ook aan wien
DE TIMMERMANSWINKEL.
de krachtige basstem toebehoorde die, boven schaaf en hamer uit, het kerklied aanhief;
Waak op, mijn ziel, en, als het zonnelicht.
Doe iederen dag met nieuwen lust uw plicht!
De traagheid wijk' â
Hier moest een maat genomen worden met den duimstok, hetgeen de volle spanning van des werkmans aandacht vorderde' en het luid gezang ging over in een zacht gefluit. Doch een oogenblik later zong de fraaie basstem met vernieuwde geestdrift voort:
Uw handel, wandel, groot en klein,
Zij als het licht des daags zoo rein 1
Zulk een stem kon alleen voortkomen uit een breede borst, en deze breede borst behoorde aan een forsch gespierd man van nagenoeg zes voet lang, met een rug zoo vlak en een hoofd zoo welgeplaatst, dat, toen hij zich oprichtte om zijn werk op eenigen afstand te bezien, zijn houding denken deed aan die van een soldaat in het gelid. Die mouw, tot boven den elleboog opgestroopt, vertoonde een arm, die vermoedelijk de overwinning zou behalen in eiken strijd waarbij het aankwam op lichaamskracht; en toch scheen de lange, lenige hand, met haar breede vingertoppen, geschikt voor iederen kunstarbeid. Die hooge, forsche gestalte kenmerkt Adam Bede als een Sakser. Het gitzwart haar daarentegen, dubbel uitkomend door het contrast met de licht gekleurde papieren muts, en ook de scherpzinnige blik van de donkere oogen, schitterend onder de sterk ge-teekende, vooroverhangende, beweeglijke wenkbrauwen, duidden een vermenging aan met Keltisch bloed. Het was een groot en breed besneden aangezicht, zonder andere schoonheid in oogenblikken van rust, dan een uitdrukking van eerlijke en vriendelijke schranderheid.
De werkman aan zijn zijde is onmiskenbaar Adams broeder. Hij is bijna even lang; hij heeft denzelfden vorm van trekken, dezelfde kleur van haar en huid; maar die sterke familietrek doet het merkwaardig verschil van uitdrukking beide in gelaat en houding nog meer in het oog loopen. De breede schouders van Seth, dus luidt zijn doopnaam, staan eenigszins gebogen; zijn oogen zijn grijs; zijn wenkbrauwen komen minder vooruit en zijn rustiger dan die van zijn broeder; zijn blik, in plaats van levendig, is vertrouwend en zachtmoedig. Hij heeft zijn papieren muts afgeworpen, en gij ziet
10
DB TIMMERMANSWINKEL.
dat zijn haar niet zwaar en glad is als dat van Adam, maar dun en golvend. De sterke welving van den schedel, ver boven het voorhoofd uit, wordt er niet door verborgen.
De bedelaars op de straat twijfelden geen oogenblik of er viel van Seth iets te halen; Adam daarentegen spraken zij nauwelijks aan.
Eindelijk werd het vereenigd geluid der gereedschappen ea van Adams stem afgebroken door Seth die, zekere deur opheffend, waaraan hij ijverig had staan werken, haar tegen den muur plaatste en zei:
âZiezoo, mijn deur is klaar. Dat 's één ding.quot;
Al de werklieden zagen op. Jim Salt, een gezet, roodharig man, bekend onder den bijnaam van Rooden Jim, hield met schaven stil, en Adam zei tot Seth, met een scherpen blik van verwondering:
âHoudt gij uw deur voor af?quot;
âNatuurlijk,quot; zei Seth met even groote verwondering. âWat hapert er aan?quot;
Een luid gelach van de drie overige werklieden deed Seth verlegen rondzien. Adam lachte niet hardop mede; doch de beginselen van een glimlach speelden om zijn lippen toen hij zei, doch op zachter toon dan te voren;
âGij hebt de paneelen vergeten.quot;
Een nieuwe uitbarsting van gelach volgde, toen Seth de beide handen aan het hoofd sloeg en van verlegenheid kleurde tot onder het haar.
âMooie dingen,quot; juichte een klein manneke, bijgenaamd Dunne Ben, terwijl hij toeschoot en de deur aanvatte. âWij zullen haar ophangen aan het eind van den winkel en er boven schrijven: âSeth Bede den Methodist zijn werk.quot; Hier, Jim, geef den pot met rood eens aan.quot;
âMalligheid,quot; zei Adam. âLaat staan, Ben Cranage. Mogelijk schiet gij op een schoonen dag ook zulk een bok â dan zult gij niet lachen.quot;
âGeen nood, Adam. Het zal lang duren eer ik mijn hoofd vol heb met methodisterij,quot; zei Ben.
âWel mogelijk, maar het is dikwijls vol damp van brandewijn, en dat is ruim zoo erg.quot;
Ben echter was nu den âpot met roodquot; machtig geworden, en op het punt om een begin te maken met zijn opschrift, teekende hij, bij wijze van proefneming, een denkbeeldige S in de lucht.
âLaat staan, zult ge?quot; riep Adam, terwijl hij zijn gereedschap ne-
11
DE TIMMERMANSWINKEL.
derlei, op Ben toetrad, en diens rechterscliouder beetpakte. âLaat staan, of ik schud u de ziel uit het lijf.quot;
Ben rammelde in Adams ijzeren vuist, doch hij was van nature een driftig mannetje en wilde niet toegeven. Met de vrije hand rukte hij den kwast uit de machtelooze rechter, en maakte een beweging als om te schrijven met de linker. In een ommezien deed Adam hem zwenken, greep zijn anderen schouder, duwde hem voor zich uit, en hield hem tegen den muur vastgedrukt. Doch nu sprak Seth:
âLaat hem los, Adam, laat hem los. Ben meent het zoo kwaad niet. Hij heeft gelijk dat hij mij uitlacht, ik moet er zelf om lachen.quot;
âIk zal hem niet loslaten, voor hij belooft dat hij de deur met vrede laten zal,quot; zei Adam.
âKom Ben, mijn jongen,quot; zei Seth op overredenden toon, âlaten wij er geen ongenoegen om maken. Gij weet, Adam moet zijn zin hebben. Een grooten vrachtwagen te doen keeren in een nauw laantje, is onbegonnen werk. Zeg dat gij de deur met vrede zult laten, en daarmee uit.quot;
âIk ben niet bang voor Adam,quot; zei Ben, âmaar ik wil wel beloven, dat ik de deur met rust zal laten omdat gij het vraagt, Seth.quot;
âKomaan, dat is braaf van u, Ben,quot; zei Adam lachend, en liet hem los.
Allen keerden tot hun werk terug, maar Dunne Ben, het onderspit gedolven hebbende in den lichamelijken strijd, verkoos wederwraak te nemen van die vernedering door zijn meerderheid te too-nen in het vak van spotten en plagen.
âWaaraan dacht ge, Seth, toen gij het paneel vergat?quot; begon hij. âAan het lieve gezicht van het preekstertje, of aan haar preek?quot;
Kom haar maar eens hooren, Ben,quot; zei Seth op zachtmoedigen toon. âZij zal van avond preeken op het Groen. Misschien doet gij dan zelf wel iets op om over na te denken; iets beters dan die slechte liedjes waarop gij zoo verzot zijt. Mogelijk kwaamt gij thuis met een weinig godsdienst, en dat zou het beste daggeld zijn dat gij ooit verdiend hadt.quot;
âAlles op zijn tijd, Seth. Ik zal aan die dingen gaan denken tegen dat ik mijn huishouden opzet. Een vrijgezel heeft zoo'n zwaar daggeld niet van noode. Misschien doe ik het een en ander samen af: den godsdienst en het vrijen tegelijk, net als gij. Maar gij zoudt toch niet
12
DE TIMMERMANSWINKEL.
willen, dat ik mij op slag bekeerde, en u een vlieg afving, en liet mooie pveekstertje u voor den neus wegkaapte?quot;
âGeen nood, Ben; ik vrees dat wij haar geen van beiden krijgen '/uilen, gij noch ik. Kom haar alleen maar eens hooren, dan zult gij in vervolg van tijd zoo lichtvaardig niet over haar spreken.quot;
âWel, ik heb half plan eens een kijkje van haar te gaan nemen van avond; als er namelijk geen goed gezelschap is in den âBraambosch.'' Wat zal zij tot tekst hebben? Misschien kunt gij mij dat nu wel zeggen, Seth, voor het geval dat ik er niet in tijds bij was. Zal het zijn: âWat zijt gij uitgegaan te zien? Een profetes? Ja, zeg ik u, en meer dan een profetes â een bijzonder mooie jonge vrouw?quot;
âStil, Ben,quot; zei Adam eenigszins barsch, âlaat den Bijbel met rust.quot;
âWat, begint gij ook al om te keeren, Adam ? Ik dacht dat gij nog kort geleden het vrouwen-gepreek niet dulden kondt ?quot;
âNeen, ik begin niet om te keeren. Van vrouwen-gepreek heb ik niet gesproken. Ik zei dat gij den Bijbel met rust zoudt laten. Gij zijt immers een anekdotenboek rijk? Welnu, blijf dan met uw morsige vingers van den Bijbel af.quot;
âKijk, kijk, gij wordt al net zoo'n baas van een heilige als Seth in persoon. Ik wil wedden dat gij naar de preek gaat van avond. Gij zult een kostelijke figuur maken bij het gezang. Maar ik weet niet wat ds. Irwine zeggen zal als hij hoort dat zijn groote lieveling Adam Bede Methodist wordt.quot;
âBekommer u niet over mij, Ben. Ik word geen Methodist, zoo min als gij zelf, ofschoon er kans is dat gij iets ergers worden zult. Mijnheer Irwine heeft te veel verstand om er zich mede te bemoeien hoe de menschen voor zichzelven over den godsdienst denken. Dat is een zaak tusschen hen en God, heeft hij mij dikwijls gezegd.quot;
âJa wel, ja wel, maar met dat al heeft hij het op de Afgescheidenen toch niet erg verzien.quot;
âDat is wel mogelijk. Ik heb het evenmin verzien op het koppige bier van Jozef Tod, in den Braambosch; maar ik belet u daarom niet, er u aan te buiten te gaan.quot;
Een luid gelach begroette dezen zet van Adam, maar Seth zei zeer ernstig:
âNeen, neen, Adam, gij moet iemands godsdienst niet bij koppig
13
DE TIMMERMANSWINKEL.
bier vergelijken. Gij gelooft tocli wel dat de Afgescheidenen en de Methodisten in den grond evengoed gelijk hebben als de Ker-kelijken?quot;
âToch niet, Seth, mijn jongen; ik lach om niemands godsdienst. Laat ze doen naar hun geweten, zeg ik. Ik zou alleen denken dat het beter ware, zoo hun geweten hen dreef, in de Landskerk te blijven; daar is nog genoeg te leeren. En men kan ook wel al te geestelijk zijn. Wij moeten in deze wereld iets hebben buiten en behalve het Evangelie. Zie maar eens naar de kanalen, de waterleidingen, de werktuigen voor de steenkolenmijnen, en de molens van Arkwright daarginder te Cromford; om zulke dingen te maken moet een mensch buiten het Evangelie nog iets anders kennen, zou ik denken. Zal men sommige van die oefenaars gelooven, dan behoort iemand zijn gansche leven door niets uit te voeren, behalve zijn oogen toe te doen en zichzelven van binnen te bestu-deeren. Ik weet dat ons aller hart vol moet zijn van de liefde Gods, en de Bijbel is Gods woord. Maar wat zegt de Bijbel? Hij zegt dat God zijn geest zond in den werkman die den tabernakel bouwde, om hem al het snijwerk te laten maken en de delikate dingen. Volgens mij is de geest van God in alles en overal â in de week zoowel als op Zondag â en in de groote werken en uit-vindigen, en in de meetkunst, en in de werktuigkunde. En God helpt ons met onze hersenen en met onze handen evengoed als met onze zielen. En als een man een handje uit den mouw steekt, buiten de werkuren om; als hij een oven maakt voor zijn vrouw, om haar de moeite uit te winnen van naar de bakkerij te loopen; of als hij de spade steekt in zijn lapje grond, en twee aardappelen laat groeien in plaats van één, dan doet hij meer goed, en is even dicht bij God, als wanneer hij den een of anderen oefenaar naloopt en zit te bidden of te zuchten.quot;
âGoed gesproken, Adam,quot; zei Koode Jim, die had opgehouden met schaven, om zijn planken te verstellen terwijl Adam sprak; âdat is de beste preek die ik in langen tijd gehoord heb. Zij herinnert mij dat mijn vrouw al wel twaalf maanden geleden mij om een oven geplaagd heeft.'quot;
âGij hebt geen ongelijk. Adam,quot; merkte Seth ernstig aan. âMaar gij weet zelf dat het juist die oefenaars zijn, waarop gij zooveel te zeggen hebt, die menigen luiaard tot een arbeidzaam man
14
DE TIMMEKMANSWINKEL.
hebben gemaakt. Het zijn de oefenaars die bewerken dat de kroegen leeg loopen, en als een menscli godsdienst krijgt, zal hij er zijn werk niet minder goed om doen.quot;
âAlleen maar de paneelen uit de deuren weglaten tusschenbeide, nietwaar Seth ?quot; zei Dunne Ben.
âOch Ben, met die paneelen moogt gij mij plagen uw dagen lang. Maar daaraan liad de godsdienst geen schuld. De schuldige was Seth Bede, die al zijn leven een stoffel is geweest. Heeft de godsdienst hem niet kunnen genezen van die kwaal, des te slimmer voor hem.quot;
âStoor u niet aan mij, Seth,quot; zei Dunne Ben. âGij zijt een ronde, goedhartige kerel, paneelen of geen, gij stuift niet op bij iedere grap, zooals sommige leden van uwe familie doen, die misschien meer bij de hand zijn dan gij.quot;
âSeth, mijn jongen,quot; sprak Adam, geen acht slaande op dezen uitval tegen hemzelven, âgij moet mij niet kwalijk nemen wat ik daareven zei. Het was niet op u gemunt. Ieder heeft zijn eigen manier van de dingen in te zien; de een ziet ze zus, en de ander zoo.quot;
âNeen, neen, A.dam, gij meent het zoo kwaad niet,quot; zei Seth; âdat weet ik best. Gij zijt als Presto, uw hond, gij blaft wel eens tegen mij, maar een oogenblik daarna streelt gij mij weder de hand.quot;
Allen werkten hierop eenige minuten lang in stilte voort, tot de klok zes begon te slaan. Voor de eerste slag had uitgedreund, had Roode Jim zijn schaaf losgelaten en greep hij reeds naar zijn buis. Dunne Ben liet zijn schroef half ingedreven steken en wierp zijn schroevendraaier in de- mand. Stille Taft die, getrouw aan zijn bijnaam, gezwegen had gedurende het vorige gesprek, had zich opgericht en strekte de hand uit naar zijn papieren muts. Adam alleen ging voort met werken, alsof er niets gebeurd was. Maar bespeurend dat het gedruisch der gereedschappen had opgehouden,- keek hij op en zei op verontwaardigden toon:
âZie nu eens aan! Ik kan niet uitstaan dat een wakkere borst zijn gereedschappen neerwerpt op het oogenblik dat de klok begint te slaan, alsof hij geen smaak in zijn werk had en bang was een slag-te veel te doen.quot;
Seth zag een weinig verlegen en ging wat langzamer voort met de toebereidselen voor zijn vertrek, maar Stille Taft brak het zwijgen af en zei:
15
DE TIMMEEMANSWINKEL.
âJa, ja, Adam, gij praat zooals alle jonge mannen praten. Wees eenmaal zes en veertig zooals ik, in plaats van zeven en twintig, dan zult gij niet zoo gauw wezen om te werken voor niemendal.quot;
âMalligheid,quot; zei Adam, nog toornig. Mag ik vragen: wat doet het er toe hoe oud men is ? Gij wordt toch nog niet stijf, zou ik denken? Ik kan niet dulden dat een man zijn armen laat neervallen alsof hij er een kogel in had gekregen, voor de klok nog uitgeslagen heeft, alsof hij nooit een aasje trots of lust in zijn werk had gehad. Zelfs de slijpsteen draait nog wel een oogenblik voort, nadat men hem losgelaten heeft.quot;
âZoetjes aan, Adam,quot; riep Dunne Ben. âKunt gij een ander zijn gang niet laten gaan? Gij hadt straks heel wat te zeggen op de preekers, maar gij begint er nu zelf liefhebberij in te krijgen. Houdt gij meer van werken dan van pleizier maken, ik houd meer van pleizier maken dan van werken, en dat komt u net van pas. Zooveel te meer blijft er voor u te doen over.quot;
Met deze slotrede, die hij voor zeer afdoende scheen te houden, tilde Dunne Ben zijn gereedschapsmand op den schouder en verliet den winkel, snel gevolgd door Stillen Taft en Eooden Jim. Seth bleef nog dralen en keek opmerkzaam naar Adam, alsof hij verwachtte dat deze iets zeggen zou.
âGaat gij nog naar huis vóór de preek,quot; vroeg Adam opziende.
âNeen, ik heb mijn hoed en verdere spullen bij William Maskery gebracht. Ik zal denkelijk niet voor tien uur thuis komen. Misschien breng ik Dina Morris terug, als zij het hebben wil. Daar komt niemand met haar mede van boer Poyser, zooals gij weet.quot;
âDan zal ik moeder zeggen dat zij u niet wachten moet,quot; zei Adam.
âGaat gij zelf niet naar Poyser van avond?quot; vroeg Seth een weinig beschroomd, terwijl hij zich omkeerde om den winkel te verlaten.
âNeen, ik ga naar de avondschool.quot;
Tot hiertoe was Presto rustig uitgestrekt blijven liggen op zijn gemakkelijke legerstede, slechts nu en dan den kop opheffend en Adam opmerkzaam gadeslaand, toen hij gewaar werd dat de andere werklieden vertrokken. Doch zoodra Adam zijn duimstok in den zak stak, en zich het schootvel om het middel rolde, naderde hij en zag zijn meester geduldig wachtend in het gezicht. In-
16
DE TIMMERMANSWINKEL.
dien Presto een staart bezeten had, zou hij ongetwijfeld daarmede gekwispeld hebben; maar verstoken van dezen windwijzer zijner gemoedsbewegingen, zag hij zich, evenals menig waardiger personage, genoodzaakt ongevoeliger te schijnen dan de natuur hem gemaakt had.
âZoo, klaar voor de mand, Presto, hé?quot; zei Adam met dezelfde zachte stembuiging, als wanneer hij tot Seth sprak.
Presto sprong in de hoogte en deed een kort geblaf hooren, als om te zeggen: âNatuurlijk.quot; Arm dier, de rijkdom zijner woordenkeus had niet veel te beduiden.
De mand was die, welke op werkdagen Adams en Seths middagmaal bevatte; â en geen geestelijke, deelnemend aan een processie, kon bij mogelijkheid meer openbaar zich houden alsof hij niemand der voorbijgangers kende, dan Presto met zijn mand in den bek, voortloopende achter de hielen zijns meesters.
Toen hij den winkel verliet, sloot Adam de deur, nam er den sleutel uit en bracht die naar het huis aan den overkant van de houtplaats. Het was een laag huis met een vriendelijk, grijs, rieten dak en gepleisterde muren, dat er in het avondlicht prettig en aanlokkelijk uitzag. De in lood gevatte ruiten waren helder en smetteloos, en de stoep was zoo blank als witte kiezelsteen in het ebgetij. Op den drempel stond een zindelijke oude vrouw in een donker katoenen kleedje, met een rooden halsdoek om en een linnen muts op, het woord richtend tot eenige gespikkelde vogels, die zich tot haar aangetrokken schenen te gevoelen door een hersenschimmige hoop op koude aardappelen of wat gerst. Het gezicht der oude vrouw scheen eenigszins verduisterd te zijn, ten minste zij herkende Adam niet vóór hij tot haar zei: âHier is de sleutel, Dolly; wilt gij dien voor mij neerleggen in huis?quot;
âMet genoegen, maar zult gij niet binnenkomen, Adam? Juffrouw Mary is thuis en baas Burger komt zoo op het oogenblik terug; het zal hem genoegen doen zoo gij een stuk brood blijft eten, daar ben ik zeker van.quot;
âNeen, Dolly, dank u; ik moet naar huis. Goeden avond.quot;
Dicht gevolgd door Presto, haastte Adam zich met snelle schreden de werkplaats af, en den grooten weg langs, die uit het dorp voerde en in de richting der vallei benedenwaarts glooide. Aan den voet der helling hield een bejaard heer te paard, met een valies ach-
ADAM BEDE. 2
17
DE TIMMERMANSWINKEL.
ter zich vastgegespt, den teugel in toen Adam hem voorbijging, en keerde zich in den zadel om, ten einde nog een langen blik te werpen op den vorschen werkman met de papieren muts, de lederen broek, en de donkerblauwe geweven kousen.
Adam, onbewust van de bewondering die hij opwekte, stak nu de velden door, en borst naar hartelust uit in het lied dat hem den ganschen dag door het hoofd gespeeld had:
Uw handel, wandel, groot en klein,
Zij als het licht des daags zoo rein!
De Heer ziet in 't -verborgen,
Des nachts en in den morgen.
HOOFDSTUK IT.
DE OEFENING.
Omstreeks kwartier voor zeven heerschte er een buitengewone opgewondenheid in het dorp Hayslope. De gansche nederige straat langs, te beginnen van de herberg, het Wapen van Donnithorne, tot aan het hek van het kerkhof, waren de inwoners uit hunne huizen gelokt; blijkbaar door nog iets meer dan het genoegen van een luchtje te scheppen bij zonsondergang. De herberg âhet Wapen van Donnithornequot; stond aan den ingang van het dorp, en een kleine pachthoeve en hooischuur, die zich bezijden verhieven, aanduidend dat een goede strook lands aan de herberg in eigendom behoorde, beloofde den reiziger voedsel in overvloed voor hemzel-ven en voor zijn paard, tot troost voor de onwetendheid waarin het verweerde uithangbord hem liet ten aanzien van het blazoen, gevoerd door het oude geslacht van Donnithorne. Baas Casson, de kastelein, had sinds eenigen tijd in de deur gestaan met de handen in de zakken, heen- en terugwippend van zijn hielen op zijn tee-nen, en uitkijkend naar een stuk niet omheind land met een ahornboom in het midden, hetwelk hij wist de bestemmingsplaats te zijn van eenige mannen en vrouwen met strakke aangezichten, die hij bij tusschenpoozen had zien voorbijgaan.
De persoon van baas Casson was geenszins van die alledaagsche
18
DE OEFENING.
soort, die men zonder nadere beschrijving kon voorbijgaan. Op den eersten aanblik scheen hij uit twee sferen te zijn samengesteld, tot elkander in betrekking staande nagenoeg als de maan tot de aarde: in dezen zin dat de lager sfeer, op de gis, ongeveer dertien malen grooter mocht zijn dat de hoogere, welke laatste natuurlijk slechts de plaats vervulde van een satelliet of bijplaneet. Doch daar bleef de gelijkenis bij; want baas Cassons hoofd was in het minst geen melancholiek satelliet. Ook was het geen âgevlekte bolquot; zooals Milton zeer oneerbiedig de maan heeft genoemd. Integendeel, geen hoofd en aangezicht konden efi'ener en gezonder wezen. De uitdrukking, voornamelijk teweeggebracht door een paar dikke, roode koo-nen â zijnde de kleine verhevenheid en de kuiltjes, welke de neus en de oogen vormden, nauwelijks de vermelding waard â was die van lustige tevredenheid, alleen getemperd door zeker gevoel van eigenwaarde dat gewoonlijk in zijn houding en gebaren doorstraalde. Deze gewaarwording kon ternauwernood overdreven worden genoemd bij een man die vijftien jaren lang als hofmeester gediend had bij âde familiequot;, en die in zijn tegenwoordige voorname positie noodwendig veel in aanraking kwam met lieden van minder stand dan hij zelf. Zijn waardigheid in overeenstemming te brengen met de voldoening van zijn nieuwsgierigheid, door zich in persoon naar âhet Groenquot; te begeven, ziedaar het probleem waarover baas Cas-son gedurende de laatste vijf minuten bezig was te peinzen. Doch toen hij het gedeeltelijk had opgelost, en wel door de handen uit zijn zakken te voorschijn te halen en de duimen te steken in de armsgaten van zijn vest, alsook door het hoofd op zijde te houden en zich te wapenen met een schijn van laatdunkende onverschilligheid voor alles wat onder zijn aandacht komen mocht, werden zijne gedachten afgeleid door het naderen van denzelfden ruiter, dien wij niet lang geleden zagen stilhouden, teneinde nog een blik te werpen op onzen welgebouwden vriend Adam, en die nu opreed voor de deur van het Wapen van Donnithorne.
âMaak het hoofdstel los en geef hem wat te drinken, John,quot; zei de reiziger tot den stalknecht met de blauwe kiel, die van de werf was komen aanloopen op het geluid van hoefslagen.
âWel, kastelein, wat is er te doen in uw prettig dorp?quot; ging hij voort, afstijgend. âDaar schijnt wel een oploop te zijn.quot;
âEen oefening van de Methodisten, mijnheer. Het gerucht wil
2*
19
DE OEFENING.
dat er van avond op liet Groen een jonge vrouw zal preeken,quot; antwoordde baas Casson, blazend en kortademig en op eenigszins gemaakten toon. âVerkiest mijnbeer niet binnen te gaan en iets te gebruiken?quot;
âDank u, ik moet voort naar Drosseter. Ik verlang alleen water voor mijn paard. En wat zegt uw dominé wel, dat die jonge vrouw hier komt preeken in de schaduw van zijn neus?quot;
âDominé Irwine, mijnbeer, woont hier niet; hij woont te Broxton, aan den anderen kant van gindschen heuvel. De pastorie, hier, mijnbeer, is een vervallen gebouw, niet geschikt voor grootelui om in te wonen. Des Zondag-namiddags komt hij bier preeken en stalt dan zijn paard bij mij. Het is een jong grauwtje, mijnheer, en hij gaat er vlug mee overheen. Hij heeft altijd hier gestald, mijnheer, zoolang ik kastelein geweest ben van het Wapen van Donnithorne. Ik hoor bier niet thuis, dat zult u aan mijn spraak wel hooren, mijnheer. Het zijn wonderlijke praters hier te lande, mijnheer; de grootelui kunnen zij bijna niet verstaan. Ik werd opgebracht onder de grootelui, mijnheer, en ik heb hun spraak overgenomen toen ik nog maar een kleine jongen was. Wat denkt u wel dat het volk hier zegt voor âHeb je niet?quot; â de grootelui, zooals u weet, zeggen âHeb je niet?quot; â het volk hier zegt âHei je nie?quot; Dat is wat men noemt het diejelek dat hier gesproken wordt, mijnheer. Dat heb ik squire Donnithorne dikwijls hooren zeggen; het is het diejelek, zei hij.quot;
âJa, ja,quot; zei de vreemdeling glimlachend, âdat weet ik zeer goed. Maar gij hebt hier zeker niet veel Methodisten in dit boerenland? Ik zou zelfs gedacht hebben dat er bier geen enkele te vinden was. Gij zijt immers allen boeren? Op menschen als de boeren hebben de Methodisten gewoonlijk niet veel vat.quot;
âMet uw verlof, mijnheer, er zijn vrij wat handwerkslieden hier in den omtrek. Daar hebt gij baas Burger, aan wien de timmermanswinkel behoort daar aan den overkant, een man die heel wat gebouwen en reparaties aanneemt. En dan heeft u de steengroef, niet ver weg. Er is hier heel wat werk in deze streek, mijnheer. Er is een aardig clubje Methodisten te Treddleston â dat is de marktplaats, mijnheer, nagenoeg drie uur van hier â misschien is u er door gekomen. Er zijn er zeker wel een twintig nu op het Groen, die van Treddleston komen. Vandaar waait het over naar ons volk,
20
DB OEFENING.
ofschoon er in alles maar twee Methodisten op Hayslope zijn: William Maskeiy de wagenmaker en Seth Bede, een jonkman die bij den timmerman werkt.quot;
âZij, die de preek houden zal, komt dan zeker van Treddleston, nietwaar?quot;
âNeen, mijnheer, zij komt van Stonyshire, minstens tien uren hier vandaan. Maar zij is hier gelogeerd bij boer Poyser, op de hoeve van het heerenhuis: die schuren en groote noteboomen aan de linkerhand, mijnheer. Zij is een eigen nichtje van Poysers vrouw, en die menschen moeten er veel verdriet van hebben dat zij zich zoo dwaas aanstelt. Maar ik hoor, er is aan die Methodisten, wanneer het hun eenmaal in de bol geslagen is, geen houden. Er zijn er onder die heelendal het verstand verliezen bij hun gekwezel. Ofschoon, deze jonge vrouw moet er zeer bedaard uitzien, naar ik hoor; zelf heb ik haar niet gezien.quot;
âWel, ik wenschte dat ik tijd had om te wachten en haar te zien; maar ik moet verder. Ik heb een omweg gemaakt van wel twintig minuten, om een kijkje te nemen van die plaats in de vallei. Zij behoort zeker aan squire Donnithorne ?quot;
âJa, mijnheer, dat zijn de jachtgronden van Donnithorne. Mooi eikenhout, nietwaar, mijnheer? Ik dien de plaats wel te kennen, want ik ben er nagenoeg vijftien jaar hofmeester geweest. Kapitein Donnithorne is de erfgenaam, mijnheer; de kleinzoon van squire Donnithorne. Aanstaanden herfst wordt hij meerderjarig, mijnheer, en dan zal hier heel wat te doen zijn. Al het land in den omtrek komt hem toe, mijnheer, aan squire Donnithorne.quot;
âNu, het is een mooi plekje, dat moet er van gezegd zijn,quot; antwoordde de reiziger, te paard stijgend, âen men ziet hier een kloek soort van menschen. Een half uur geleden, voor ik den heuvel opreed, ben ik een jonkman tegengekomen, knapper dan ik er ooit een gezien heb; een timmerman: een langen, breedgeschouder-den knaap met zwart haar en zwarte oogen, marcheerend als een soldaat. Zulke knapen hebben wij van doen om de Franschen te kloppen.quot;
âO, mijnheer, dat was Adam Bede, wil ik wedden,â de zoon van Thias Bede â ieder kent hem hier in den omtrek. Het is een bijzonder knappe, oppassende knaap, en buitengewoon sterk. God beware me, meneer â neem mij niet kwalijk dat ik het woord
21
DE OEFENING.
gebruik â hij loopt veertien uren daags en tilt vrachten van ik weet niet hoeveel duizend pond. Hij is erg gezien bij de groote-lui, mijnheer. Kapitein Donnithorne en dominé Irwine hebben veel met hem op. Maar hij is een beetje kort aangebonden en opvliegend.quot;
âXu, goeden avond, kastelein, ik moet weg.quot;
âUw dienaar, mijnheer, goeden avond.quot;
De reiziger reed op snellen draf het dorp door, maar toen hij het Groen naderde, bleek de schoonheid van het uitzicht daar aan zijn rechterhand, bleek ook het zonderling contrast, gevormd door de groepjes boeren en het hoopje Methodisten bij den ahorn, en misschien meer nog het verlangen om de jonge preekster te zien, sterker te zijn dan de lust om zijn reis te bespoedigen. Hij hield stil.
Het Groen was gelegen aan het uiterst eind van het dorp, op het punt waar de weg zich in twee takken scheidde en in verschillende richtingen doorliep; de eene verder den heuvel op langs de kerk, de andere zachtkens kronkelend naar de vallei. Aan de eene zijde van het Groen, naar den kant van de kerk; verlengde zich de gebroken lijn van met riet bedekte hutten tot bijna aan den ingang van het kerkhof; maar aan den tegenovergestelden, noordwestelijken kant was niets dat het uitzicht belemmerde op de zacht-glooiende weiden der met hout bewassen vallei, en op de donkere massa's heuvelen in het verschiet. Het rijk en golvend district van Loamshire, waartoe Hayslope behoorde, grenst aan een dorre streek van Stonishire, zich aansluitende tegen de barre heuvelen van dat gewest, zooals men aan den arm van een langen, geme-lijken, norschen broeder eene jonge, bloeiende zuster ontmoet, en binnen twee of drie uur rijdens zag de reiziger zich uit een vlak landschap zonder boomen, doorsneden met groeven van kouden, harden, grijzen steen, verplaatst in een streek waar zijn pad voort-kronkelde onder het gewelf van schaduwrijke bosschen of over den top van glooiende heuvelen, gestoffeerd met meidoorn, hoog gras en golvend graan, en waar bij elke bocht in den weg een fraai oud landgoed hem verraste, schuilend in de vallei of kronend de helling, of eene boerenhofstede met haar lange reeks van schuren en gouden schelven, of een grijze toren uitkijkend tus-schen een liefelijke kleurenmengeling van boomen, dekriet en don-kerroode pannen. Een schilderijtje als dit laatste had den reiziger
22
DE OEFENING.
de kerk van Hayslope vertoond, toen hij in de richting der schoo-ne bovenlanden de zachte glooiing begon op te rijden; en nu, van zijn haltplaats bij het Groen, omvademde hij met één blik bijna alle kenmerkende schoonheden van dit heerlijke land. Hoog tegen den horizont aan, als reusachtige verschansingen, opgeworpen om dit gras- en korenland te beschutten tegen de hongerige winden van het Noorden, vertoonden zich de uitgestrekte, kegelvormige massa's heuvelen; niet ver genoeg verwijderd om zich te baden in geheimzinnig purper, maar met donkergroene glooiingen, alom bespikkeld met schapen, wier bewegingen men vermoeden, maar niet waarnemen kon ; dagelijks geliefkoosd door wisselende uren, maar aan die liefde niet beantwoordend door eenige verandering in hun voorkomen; steeds even bar en dor na den eersten morgenblos, na de gevleugelde glanzen van den April-middag en na den karmozijnen afscheidsgroet van de rijpende zomerzon. Iets lager dan de heuvelen, doch zich dicht daartegen aandringend, ontwaarde het oog een breede, dondere lijn van hellende bosschen, afgebroken door heldere vakken weide of bouwland; het groen der hoornen was niet verdicht tot het eenkleurig bladerengordijn van den vollen zomer, maar vertoonde nog de warme tinten van het jonge eikenloof en het teeder groen van esschen en linden. Dan volgde de vallei, waar de boomen zwaarder werden, als waren zij naar omlaag gelegen en hadden zij zich samengedrongen uit de onbezet gebleven vakken van de helling, teneinde beter te kunnen waken over het groote woonhuis, dat zijn torentjes verhief en zijn licht-blauwen zomerrook opzond tusschen hun takken en bladeren. Ongetwijfeld bevonden zich voor het gebouw een uitgestrekt grasperk en een kristalheldere vijver, maar de toenemende glooiing van de weide verhinderde den reiziger, deze van zijn standplaats te zien. In stede daarvan zag hij een niet minder liefelijken voorgrond: de vlakke zonnestralen liggend als doorschijnend goud op de zacht-kens wuivende sprietjes van het gepluimde gras, op de lange bladen van de roode zuring, en op de witte klokken der slingerplant, die zich heenwoelde om de dikke heggen. Het was dat tijdstip van den zomer, waarin het naderend geluid van het wetten der zeisen u een laatsten, langen blik doet werpen op de met bloemen doorvlochten trossen der weiden.
Nog andere schoonheden in het landschap zou hij hebben kun-
23
DB OEFENING.
24
nen ontdekken, indien hij zich een weinig in den zadel had omgekeerd en oostwaarts over de velden en de houtplaats van Jonathan Burger heen, had uitgezien naar de groene korenvelden en de noteboomen op de hoeve van het heerenhuis. Maar blijkbaar werd zijne belangstelling meer opgewekt door de levende groepjes menschen in zijne nabijheid. Alle leeftijden en geslachten uit het dorp waren daar tegenwoordig: van âouden vader Taftquot; af, een bijna toegevouwen grijsaard, maar taai genoeg, naar het scheen, om al leunende op zijn stok nog geruimen tijd op de been te blijven, tot aan de kleine kindertjes met de in hun effen linnen mutsjes vooroverhangende ronde hoofdjes toe. Nu en dan kwam er een nieuwe toeschouwer bij; een logge daglooner of zoo, die, na zijn avondeten gebruikt te hebben, de buitengewone vertooning kwam bezien met een tragen, druilerigen blik, bereid om aan te hooren al wat men goed zou vinden hem te vertellen tot verklaring van het feit, maar niet belangstellend genoeg om één enkele vraag te doen. Evenwel, allen droegen zorg zich gescheiden te houden van de Methodisten op het Groen, en zich niet te vermengen met het wachtend gehoor; want niet één van hen, of hij zou de beschuldiging ver van zich afgeworpen hebben, dat hij gekomen was om de , preek vrouwquot; te hooren; zij kwamen maar eens zien âwater aan de hand was.quot; De mannen verzamelden zich voornamelijk in de nabijheid van den smidswinkel. Doch meen niet dat zij op een hoopje bij elkander stonden. Boeren houden geen samenscholingen ; gefluister verstaan zij niet, en het schijnt hun even ondoenlijk hun stem te doen dalen, als een koe of een hert daartoe in staat is. De echte boer keert aan den persoon met wien hij spreekt den rug toe, werpt een vraag over zijn schouder henen, als ware hij van plan zich vóór het antwoord te verwijderen, en gaat een paar schreden achteruit wanneer de belangrijkheid van het gesprek haar toppunt bereikt. Het groepje voor den smidswinkel was dus volstrekt niet dicht opeengedrongen en vormde geen ondoorzichtig scherm voor Dirk Cranage, den smid zelve. Deze, met zijn zwarte, gespierde armen over elkander gekruist, stond geleund tegen den deurpost; nu en dan een buikenden lach doende hooren om zijn eigen geestigheden, waaraan hij klaarblijkelijk ver de voorkeur gaf boven de spotternijen van Dunnen Ben, die het genot van den Braambosch had opgegeven voor het vermaak van dezen nieuwen
DE OEFENING.
blik op het leven. Beide soorten van aardigheden werden intus-schen met gelijke minachting bejegend door baas Jozef Rann. Baas Banns lederen schootsvel en onderdrukte gemelijkheid kunnen niemand in twijfel laten of hij is de dorpsschoemnaker; doch het vooruitspringen van zijn kin en abdomen, en het wentelen van zijn duimen, zijn aanwijzingen van fijner soort, berekend om oningewijde vreemdelingen voor te bereiden op de ontdekking, dat zij zich bevinden in de tegenwoordigheid van een koster en voorzanger. âOude Jozep,quot; gelijk hij oneerbiediglijk door zijne buren wordt genoemd, bevindt zich in een staat van ziedenden toorn, doch hij heeft zijn lippen nog niet geopend, dan alleen om op een gesmoor-den bastoon, met het geluid van een violoncel die gestemd wordt, uit te roepen: âSihon, de koning der Amoriten: want Zijn genade duurt in eeuwigheid; en Og, de koning van Basan; want Zijn genade duurt in eeuwigheid; â een aanhaling die den lezer weinig toepasselijk zal schijnen op het tegenwoordig geval. Doch een volkomen wetenschap zal den logischen samenhang der dingen ook ditmaal aan den dag brengen. Baas Rann was inwendig ophoudende de waardigheid der Staatskerk in het aangezicht van deze schandelijke openbaring van het Methodisme, en daar deze waardigheid samenviel met zijn eigen welluidende voordracht van de antwoorden der Liturgie, bestond zijn protest niet onnatuurlijk in een aanhaling uit den psalm, dien hij den laatsten Zondag-namid-dag voorgelezen had.
De levendiger nieuwsgierigheid der vrouwen had haar voortgetogen tot aan den zoom van het Groen, waar zij de kwakerachtige kleedij en de vreemde manieren der vrouwelijke Methodisten meer op haar gemak konden gadeslaan. Onder den ahorn was een klein karretje geplaatst, afkomstig van den wagenmaker en bestemd om tot preekstoel te dienen; en om het karretje heen had men een paar banken en eenige stoelen gereed gezet. Eenige der Methodisten zaten daarop neder met gesloten oogen, als verzonken in gebed of overpeinzing. Anderen verkozen te blijven staan en hielden met een blik van treurig medelijden het aangezicht naar de dorpelingen gekeerd, grootelijks tot vermaak van Betsy Cranage, de welgedane dochter van den smid, onder haar buren bekend als âDirks Bettequot;, en die niet begreep waarom deze menschen zulke onooglijke gezichten tegen haar trokken. Dirks Bette was
25
DE OEFENING.
namelijk hunnerzijds het voorwerp van een bijzonder medelijden) omdat haar haren, achterovergekamd onder een muts die haar op de kruin van het hoofd zat, een sieraad lieten zien, waarop zij veel hoovaardiger was dan op haar roode wangen, te weten een paar groote ronde oorringen met valsche steenen omzet; een tooisel, veroordeeld niet alleen door de Methodisten, maar ook door haar eigen nichtje en naamgenoot âTimons Bettequot;, die vaak den niet onchristelijken wensch uitte dat het âmet die oorringenquot; goed afloopen mocht.
Timons Bette, ofschoon door haar bekenden nog steeds bij haar meisjesnaam genoemd, was niettemin sinds jaar en dag de vrouw van Eooden Jim en bezat, als aan een matrone voegde, een schoon stel kleinoodiën, van wie het voldoende zijn zal te vermelden het blok van een kind, dat zij op haar armen heen en weder wiegt, benevens een baas van een jongen van vijf jaren oud, met een kort broekje en roode beentjes en met een roestige, blikken melkkan om den hals, bij wijze van trommel, welk persoontje zeer zorgvuldig vermeden wordt door Dirks kleinen dashond. Deze jonge olijftak, bestempeld met den naam van Timons Bettes Ben, zijnde van een zeer onderzoekende geest, geenszins ingebonden door valsche bescheidenheid, had zich een weinig verder gewaagd dan de vrouwen en de andere kinderen en wandelde om de Methodisten heen, hen in het aangezicht kijkende met wijdgeopenden mond, en ter muzikale begeleiding met zijn stok tegen de melkkan slaande. Toen echter een der bejaarde vrouwen zich vooroverboog om haar hand op zijn schouder te leggen, als inleiding tot een ernstige vermaning, begon Timons Bettes Ben eerst krachtdadig met de vuist te werken, zette het daarna op een loopen, en zocht ten laatste een schuilplaats achter zijns vaders beenen.
âBengel,quot; zei Eoode Jim met eenigen vaderlijken trots, âals gij niet stilhoudt met dien stok, zal ik hem u afnemen. Wat hebt gij de menschen te stompen?quot;
âHier, geef mij den jongen maar eens, Jim,quot; zei Dirk Cranage; âik zal hem vastbinden en hem beslaan als ik de paarden doe. Wel, baas Casson,quot; ging hij voort, terwijl dit heerschap het groepje mannen naderde, âhoe maakt gij het van avond'? Komt gij helpen zuchten? Alle menschen zuchten, hoor ik, wanneer zij naaide Methodisten komen luisteren ? Ik ben van plan te zuchten zoo
26
DE OEFENING.
hard als uw koe verleden naclit, dan zal de preekster zich overtuigd houden dat ik op den goeden weg ben.quot;
âIk raad u geen gekheid te beginnen, Dirk,quot; zei baas Casson met eenige waardigheid; ,Peyser zou niet gaarne zien dat zijn vrouws nichtje oneerbiedig behandeld wierd, ook al staat het hem misschien minder aan dat zij uit preeken gaat.quot;
âEn zij ziet er aardig uit ook,quot; zei Dunne Ben. âIk keur goed dat er gepreekt wordt door mooie vrouwen; zij zullen mij veel spoediger bekeeren dan leelijke mannen. Het zou mij niet verwonderen zoo ik nog vóór zonsondergang Methodist werd en naar het preekstertje begon te vrijen, zooals Seth Bede.quot;
âSeth zoekt het een beetje te hoog, zou ik denken,quot; zei baas Casson. âDe familie van die vrouw zou ongaarne zien dat zij zich vergooide aan een timmermansknecht.quot;
âTutu!quot; riep Ben met een lang uitgehaalden triller in zijn stem, âwat heeft iemands familie daarmede te fnaken? Niemendal. Poysers vrouw mag vrij haar neus optrekken en verleden tijden vergeten; Dina Morris, zeggen ze, is al zoo arm als haar eigen tante ooit geweest is. Zij werkt op een fabriek, en heeft alle moeite om zich den mond open te houden. Een flink timmerman en Methodist in zijn hart, zooals Seth Bede, zou geen kwade partij voor haar zijn. Poyser is immers zoo ingenomen met Adam Bede alsof het zijn eigen neef was?quot;
âDat zegt niets! dat zegt niets!quot; zei baas Jozef Eann. âAdam en Seth zijn twee; gij moogt die beiden niet over denzelfden kam scheren.quot;
âWel mogelijk,quot; zei Dunne Ben minachtend, âmaar Seth is mijn man, al was hij dubbel en dwars een Methodist. En ik mag meepraten van Seth; want ik heb hem geplaagd zoolang wij samen op denzelfden winkel werken, en hij blijft voor mij zoo zachtzinnig als een lam. En een moedige knaap is hij bovendien. Toen wij den ouden boom in brand zagen staan, op den avond dat wij door het veld gingen, en allen dachten dat het een spook was, hield Seth zich doodbedaard en ging er op af zoo dapper als een generaal. Kijk, daar komt hij uit bij William Maskery, en daar hebt gij William ook; die ziet zoo zoetsappig, alsof hij geen spijker op den kop zou durven slaan uit vrees van het arme ding te bezeeren. En daar is de mooie preekster! Zoo waar ik leef,
27
DE OEFENING.
zij heeft haar hoed afgezet. Ik ga een beetje dichter bij staan.quot;
Verscheiden mannen volgden Bens voorbeeld, en de reiziger liet zijn paard voortstappen tot niet ver van het Groen, terwijl Dina, met eenigszins haastigen tred, haar metgezellen vooruit, zich naaide kar onder den ahorn begaf. Zoolang zij zich in de nabijheid van Seths hooge gestalte bevond, scheen zij klein, maar toen zij het karretje beklommen had en alleen stond, scheen zij langer dan de meeste vrouwen, ofschoon dit niet werkelijk het geval was; â doch deze indruk werd teweeggebracht door de slankheid van haar figuur en door de eenvoudige plooien van haar zwart gewaad. De vreemdeling was verrast toen hij haar zag naderen en de kar beklimmen â verrast niet zoo zeer door het vrouwelijk tengere van haar gestalte, als wel door de volstrekte afwezigheid van alle zelfbehagen in haar voorkomen. Hij had zich voorgesteld haar te zullen zien naderen met afgemeten tred en aangenomen deemoedige houding; reeds vooruit had hij geweten dat om haar mond een lachje van zelfbewuste heiligheid zou stralen, of anders een uitdrukking van bitterheid en verwijt. Hij kende slechts twee typen van Methodisten â de enthusiasten en de zwartgalligen. Dina daarentegen wandelde voort zoo eenvoudig alsof zij boodschappen ging doen, en scheen even onbewust van haar uiterlijk voorkomen als een opgeschoten jongen. Geen blos, geen gejaagdheid, niets tot aanduiding van: âIk weet wel dat gij mij mooi vindt, en te jong om te preeken;quot; geen op- of neerslaan der oogleden, geen sa-menklemmen der lippen, geen gebaar der armen, als om te zeggen: âMaar gij moet mij beschouwen als een heilige.quot; Zij hield geen boek in haar ontbloote handen, maar liet ze half gekruist voor zich nederhangen. Zoo stond zij en richtte hare grijze oogen op de schare. Geen scherpzinnigheid straalde uit de oogen; zij schenen meer liefde te laten uitstroomen dan opmerkingen te boekstaven ; zij hadden dien vochtigen blik, die aanduidt dat de geest vervuld is van hetgeen hij heeft mede te deelen, meer dan vatbaar voor indrukken van buiten. Met de linkerzijde stond zij gekeerd naar de ondergaande zon, én de geblade twijgen beschermden haar voor haar stralen; doch in dit getemperd licht schenen de teedere kleuren van haar aangezicht een stille levendigheid te bekomen, zooals de bloemen des avonds. Het was een klein, ovaal gelaat, gelijkmatig doorschijnend wit; de lijnen van wang en kin deden
28
DB OEFENING.
denken aan den omtrek van een ei; de lippen waren vol, maar vast opeengesloten, de neusvleugels fijn besneden, het voorhoofd recht en laag; daarboven verhief zich een gewelfde scheiding tus-schen glanzige lokken van bleekrossige kleur. Het haar was glad weggestreken achter de ooren en, met uitzondering van een paar vingers breedte boven het voorhoofd, bedekt door een kwakers-mutsje. De wenkbrauwen, van dezelfde kleur als het haar, waren volmaakt rechtlijnig en sterk gepenseeld; de wimpers, schoon niet donkerder van tint, lang en overvloedig; niets in haar was half uitgewischt, of was onvoltooid gebleven. Het was een dier lieve aangezichten, die u doet denken aan witte bloemen met lichte spranken van kleuren op de reine bladen. De oogen onderscheidden zich niet door bijzondere schoonheid, behalve die der uitdrukking; zij zagen er uit zoo eenvoudig, zoo oprecht, zoo vol ernstige liefde, dat elk dreigend barsch gezicht, elke lichtzinnige spot moest wegsmelten voor hun aanblik. Jozef Eann deed een lang aanhoudenden kuch hooren, alsof hij zich de keel schraapte om zijn geest tot een nieuw inzicht te brengen; Dirk Cranage lichtte zijn lederen pet op en krabde zich het hoofd; Dunne Ben verbaasde zich hoe Seth het hof durfde maken aan iemand zoo rein en verheven.
âEen lieve vrouw,quot; zei de vreemdeling bij zich zeiven, âmaar tien tegen een dat de natuur haar niet tot een oefenaarster bestemd heeft.quot;
Misschien behoorde hij tot hen die meenen dat de natuur de eigenschappen van een tooneeldichter bezit, en dat zij, met het welwillend doel om het der kunst en der zielkunde gemakkelijk te maken, haar karakter zoo inricht dat niemand er zich een oogen-blik in vergissen kan. Doch Dina begon te spreken.
âLieve vrienden,quot; zeide zij met eene heldere, maar niet luide stem, âlaat ons bidden om den zegen.quot;
Zij sloot de oogen, boog het hoofd voorover, en ging voort op denzelfden rustigen toon, als sprekende tot iemand in haar onmiddellijke nabijheid:
âVerlosser van zondaars! Toen een arme vrouw, met zonden beladen, uitging naar den put om water te halen, vond zij U zitten aan de bron. Zij kende ü niet; zij had ü niet gezocht; haar ziel was verduisterd; haar leven onheilig. Maar gij spraakt tot haar;
29
DE OEFENING.
Gij leerdet haar; Gij deedt haar gevoelen dat haar leven voor haar openlag, en toch waart Gij bereid haar dien zegen te geven, dien zij nooit gezocht had. Jezus! Gij zijt in ons midden tegenwoordig, en Gij kent alle menschen; indien er hier zijn, gelijk aan die arme vrouw â indien hun ziel verduisterd, hun leven onheilig is â indien zij niet zijn uitgegaan, zoekende U, niet begeerig zijn onderwezen te worden door U, doe met hen naar uw genade gelijk aan die eene. Spreek tot hen. Heer; open hun ooren voor mijn boodschap, maak hun zonden hun openbaar; doe hen dorsten naar de verlossing, die Gij te schenken bereid zijt.
âHeer, nog zijt Gij met uw volk, zij zien ü in hun nachtwaken, en hun harten zijn brandende in hen als Gij met hen spreekt op den weg. En Gij zijt dengenen nabij die U niet gekend hebben. Open hun oogen dat zij ü mogen zien â U zien, weenend over hen en zeggende: âGij wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebbenâ U zien, hangend aan het kruis en roepend: ,Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen;quot; â ü zien, zooals Gij zult komen in uw heerlijkheid, om hen te oordeelen ten laatsten dage. Amen.quot;
Dina opende de oogen weder en hield stil, henenziende naar de groep dorpelingen, die nu, eenigszins dichter bij, verzameld stonden aan haar rechterhand.
âLieve vrienden,quot; begon zij, haar stem een weinig verheffend, âgij zijt allen vaak te kerk geweest, en gij hebt zeker wel den leeraar deze woorden hooren lezen: âde geest des Heeren is op mg; omdat Hij mij gezalfd heeft om den armen het Evangelie te verkondigen.quot; Het was Jezus Christus die deze woorden sprak â Hij zeide gekomen te zijn om den armen het Evangelie te verkondigen. Ik weet niet of gij ooit veel over die woorden hebt nagedacht, maar ik zal u verhalen wanneer ik mij herinner ze voor het eerst gehoord te hebben. Het was op een avond evenals dezen, toen ik een klein meisje was. Mijn tante, die mij grootbracht, nam mij mede naar het gehoor van een vroom man. Hij predikte in het veld, juist zooals wij nu hier zijn. Ik herinner mij zijn gelaat zeer goed; hij was een hoog bejaard man, en droeg lange, witte haren; zijn stem was zeer zacht en schoon, niet gelijk aan éénige stem, die ik ooit te voren gehoord had. Ik was een klein meisje en wist nog bijna van niets, en deze oude man kwam mij voor een zoo
30
DB OEFENING.
geheel ander man te zijn dan ik vroeger ooit gezien had, dat ik dacht: hij kon wel uit den hemel zijn nedergedaald om voor ons te prediken. En ik vroeg: Tante, zal hij van avond naar den hemel teruggaan, zooals op de prent in den Bijbel?
âDie Godsman was de groote Wesley, die zijn leven doorbracht doende hetgeen onze gezegende Heer deed â het Evangelie prediken aan de armen â hij is ter ruste ingegaan nu acht jaar geleden. Jaren daarna kwam ik meer van hem te weten; maar ik was toen een dwaas, gedachteloos kind, en ik herinnerde mij slechts één ding van hetgeen hij ons in zijn preek verhaalde. Hij zei ons dat âEvangeliequot; beteekent, âblijde boodschapquot;. Het Evangelie, zooals gij weet, is hetgeen de Bijbel ons mededeelt omtrent God.
âBedenk nu eens! Jezus Christus is werkelijk uit den hemel nedergedaald, zooals ik, dwaas kind, dacht dat met den eerwaardigen prediker gebeurd was; en de reden, waarom hij op aarde kwam, was om een blijde boodschap over te brengen van God aan de armen. Welnu, gij en ik, lieve vienden, wij zijn arm. Wij zijn grootgebracht in armoedige hutten, werden gevoed met haverbrood en hebben karig geleefd. Wij zijn niet lang school geweest, hebben geene boeken gelezen, en weten schier niets, behalve van hetgeen voorvalt in onze onmiddellijke nabijheid. Wij zijn juist de soort van menschen, die eene blijde boodschap noodig heeft. Want wanneer het iemand voor den wind gaat, bekommert hij zich niet veel om nieuwstijdingen uit afgelegen plaatsen; maar wanneer een arme man of vrouw kommerlijk leeft, en hard werk heeft om aan het brood te komen, krijgt hij gaarne een brief, die hem het bericht brengt dat hij een vriend heeft die hem helpen wil. Ongetwijfeld is het ons niet mogelijk niets van God te weten, zelfs al hebben wij nooit gehoord van het Evangelie, van het goede nieuws dat de Verlosser ons gebracht heeft. Want wij weten dat alles van God komt. Zeggen wij niet bijna alle dagen: âDit en dat zal gebeuren als het God belieft,quot; en: âWij zullen spoedig hooitijd hebben, als het God belieft ons wat ruimer zonneschijn te geven.quot; Wij weten zeer goed dat wij geheel in Gods hand zijn; wij hebben onszelven niet ter wereld gebracht; wij kunnen onszelven niet in het leven houden; het daglicht, de wind, het koren, de koeien die ons melk geven â al wat wij hebben komt van God. En hij heeft ons een ziel gegeven, en heeft liefde gesteld tusschen ouders
31
DE OEFENING.
en kinderen, tusscben man en vrouw. Maar is dat alles wat wij noodig hebben te weten van God? Wij zien dat Hij groot is en machtig, en dat Hij doen kan wat Hij wil; ach, wij verliezen ons-zelven als worstelend in groote wateren, wanneer wij pogen te denken aan Hem.
âMaar misschien rijzen in onzen geest twijfelingen op als deze: Kan God wel veel acht slaan op ons, arme lieden? Misschien heeft hij de wereld gemaakt alleen voor de grooten, de wijzen en de rijken. Het kost Hem niet veel, onze handrol spijs en ons weinigje kleederen ons te verzekeren; maar hoe weten wij dat Hij om ons geeft, iets meer dan wij geven om de wormen en de dingen in den tuin; dat Hij ons verzorgt, beter dan wij onze wortelen en onze vruchten doen? Zal God voor ons zorgen wanneer wij sterven, en heeft Hij eenigen troost voor ons, wanneer wij stram en ziek en hulpeloos zijn? Misschien ook is Hij boos op ons; waarom anders komt de honigdauw, en de mislukte oogst, en de koorts, en allerhande moeite en verdriet? Want ons leven is vol kommer, en zoo God ons het goede schenkt, Hij schijnt insgelijks het kwade te zenden. Hoe staat het toch tusschen Hem en ons? Hoe, hoe hebben wij het met Hem? O, lieve vrienden! goed nieuws omtrent God, een goede en blijde boodschap van Hem, wij hebben haar bitter en bitter noodig, en wat beteekent alle ander goed nieuws, zoolang wij dit ééne niet hebben? Want aan al het andere komt een einde, en wanneer wij sterven, zullen wij het achterlaten. Maar God blijft, wanneer al het andere is voorbijgegaan. Wat zullen wij doen, zoo Hij onze vriend niet is?quot;
Toen verhaalde Dina hoe âhet goede nieuwsquot; aangebracht, en de gezindheid Gods jegens de armen openbaar geworden was in het leven van Jezus; vertoevend bij de nederigheid en bij de daden van barmhartigheid waarvan dit leven overvloeide.
âZoo ziet gij, lieve vrienden,quot; ging zij voort, âJezus bracht zijn dagen door, bijna uitsluitend met goed te doen aan arme lieden; hij predikte voor hen op de straten, hij maakte zich vrienden onder het arme werkvolk, onderwees hen, en gaf zich veel moeite voor hen. Niet dat hij geen goed deed aan de rijken ook; want hij was vol liefde voor alle menschen; hij zag alleen dat de armen zijn hulp het meest van noode hadden. Dus genas hij de lammen, de zieken en de blinden, en hij deed wonderen om de hongerigen te voeden, omdat
32
DE OEFENING.
hij, zoo was zijn zeggen, âmet ontferming bewogenquot; was; en hij was zeer vriendelijk voor de kleine kinderen, en troostte dezulken die hun vrienden verloren hadden, en sprak zeer meedoogend met arme zondaars die bedroefd waren over hunne zonden.
â0, zoudt gij zulk een man niet liefhebben, zoo gij hem zaagt? Zoo hij zich hier in dit dorp bevond? Welk een hart vol liefde moet het zijne niet zijn! Welk een vriend zou hij wezen om op te zoeken in verdriet! Hoe verrukkelijk moet het zijn, door hem te worden terechtgewezen!
âWelnu, lieve vrienden, wie was die man? Was hij alleen een goed man â een buitengewoon goed man, en niets meer â zooals onze lieve prediker Wesley, die ons ontnomen is? . . . Hij was de zoon van God â âhet beeld des Vadersquot; zegt de Bijbel; dat betee-kent; juist zooals God; die het begin en het einde van alle dingen is â de God dien wij van noode hebben te kennen. Al de liefde dus die Jezus den arme betoonde, is dezelfde liefde die God koestert voor ons. Wij kunnen begrijpen wat Jezus gevoelde, omdat Hij verscheen in een lichaam gelijk aan het onze, en omdat hij woorden sprak zooals wij met elkander spreken. Te voren waren wij bang te bedenken wie God was â de God, die de wereld maakte, en de lucht, en het onweder en den bliksem. Wij konden Hem nooit zien; wij konden alleen zien de dingen die Hij gemaakt had; en eenige van die dingen waren zeer vreeselijk, zoodat wij wel beven mochten wanneer wij aan Hem dachten. Maar onze gezegende Verlosser heeft ons getoond wie God is, en heeft dit gedaan op een wijze, die wij, onwetende menschen, kunnen begrijpen; hij heeft ons getoond waarmede Gods hart vervuld is, welke zijn gevoelen zijn jegens ons.
âMaar laat ons een weinig meer van nabij bezien waartoe Jezus op aarde kwam. Een ander maal zeide Hij: âIk ben gekomen om te zoeken en zalig te maken hetgeen verloren was,quot; en wederom een ander maal: âIk ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.quot;
Verlorenen! .... Zondaars! .... O, lieve vrienden, beduidt dat u en mij?quot;
Tot hiertoe was de vreemdeling, tegen zijn wil, als vastgeketend gebleven aan de plaats, als betooverd door de zachte trillende tonen van Dina's stem, in verscheidenheid van buiging gelijk aan de tonen van een schoon instrument, bespeeld met de onbewuste bedreven-
ADAM BEDE. 3
33
DE OEFENING.
heid van aangeboren muzikaal gevoel. De eenvoudige dingen die zij zeide, klonken als nieuwigheden, evenals een oude kerk-melodie ons vervult met friseh genot, wanneer wij haar hooren aanheffen door de zuivere stem van een jeugdigen koorknaap. De rustige diepte van overtuiging waarmede zij sprak, scheen een inwendig bewijs voor de waarheid van haar prediking. Hij zag dat zij haar hoorders geheel beheerschte. De dorpelingen waren haar dichter genaderd, en er lag nu enkel ernstige aandacht op aller gelaat. Zij sprak langzaam, ofschoon zeer vloeiend, dikwijls ophoudend na eene vraag, of bij een overgang van denkbeelden. Daar was geen verandering van houding, geen gebaren; de indruk van haar toespraak werd teweeggebracht enkel door de buiging van haar stem, en toen zij kwam tot de vraag: âWanneer wij sterven, zal God dan voor ons zorgen?quot; sprak zij die woorden uit op een toon van zoo klagende onrust, dat er tranen opwelden in eenige der hardvochtigste oogen. De vreemdeling had opgehouden te twijfelen, zooals hij aanvankelijk gedaan had, of zij in staat zou zijn de aandacht te boeien van de ruweren onder haar hoorders: doch nog was hij het met zich zeiven niet eens of zij de macht zou bezitten, hun meer heftige gemoedsbewegingen op te wekken, hetgeen toch ongetwijfeld het zegel drukken moest op haar roeping als Methodisten-predikster â toen zij kwam aan de woorden: âVerlorenen! Zondaars!quot; en er een groote verandering in haar stem en manieren plaats greep. Zij had lang adem gehaald voor dien uitroep, en een poos scheen zij geheel vervuld van onrustige gedachten, die op haar trekken te lezen stonden. Haar gelaat werd bleeker; de kringen onder hare oogen donkerder, zooals wanneer tranen opwellen zonder neder te rollen; en de zachte liefdevolle oogen namen een uitdrukking aan van ontzetting en medelijden, alsof zij plotseling een engel des verderfs was gewaar geworden, zwevend boven de hoofden van het volk. Haar stem werd bevend en beklemd, maar nog maakte zij geen enkel gebaar. Niets ongelijker aan de gewone type der dwepers dan Dina. Zij predikte niet zooals zij anderen hoorde prediken, maar sprak onmiddellijk uit de volheid van haar eigen gemoedsaandoeningen, naar de ingeving van haar eigen ongekunsteld geloof.
Nu echter werd zij medegesleept door een nieuwen stroom van gevoel. Haar wijze van doen werd minder kalm, haar uitspraak sneller en onrustiger; thans, nu zij poogde aan het volk zijn schuld
34
DE OEFENING.
te openbaren, hun eigenwillige verduistering, hun staat van ongehoorzaamheid jegens God â nu zij stilstond bij de verfoeilijkheid der zonde, bij de goddelijke heiligheid, bij het lijden van den Zaligmaker, waardoor een weg geopend was voor hun verlossing. Eindelijk scheen het alsof zij, in haar brandende begeerte om de verloren schapen terecht te brengen, niet tevreden kon zijn met hare hoorders toe te spreken als één lichaam. Zij wendde zich eerst tot den eenen, dan tot den anderen, hen met tranen smeekend zich tot God te bekeeren terwijl het nog tijd was; hun schilderend eerst de rampzaligheid hunner zielen, verloren in de zonde, zich voedend met den draf eener ellendige wereld, ver van haar God en Vader, en daarna den liefde van den Verlosser, die daar stond wachtend en wakend tot zij zouden terugkeeren.
Menige zucht en menig snik steeg op uit de borst harer mede-Methodisten ; doch de dorpsgeest vat niet licht vuur, en een weinig smeulende en onbestemde angst, die lichtelijk weder wegsterven kon, was de voornaamste uitwerking die Dina's prediking voor het tegenwoordige bij hen had teweeggebracht. Toch was niemand weggegaan behalve de kinderen en âoude vader Taft,quot; die, te doof om meer dan hier en daar een enkel woord op te vangen, een poosje te voren naar het hoekje van zijn haard teruggekeerd was. Dunne Ben was in het geheel niet op zijn gemak en wenschte bijna dat hij niet gekomen ware om naar Dina te luisteren; hij vreesde dat hetgeen zij zeide, hem op de een of andere wijs zou bijblijven en vervolgen. Toch, ondanks zichzelven, vond hij het aangenaam haar aan te zien en haar te hooren spreken, ofschoon hij ieder oogen-blik vreesde dat zij haar oogen op hem vestigen en hem in het bijzonder aanspreken zou. Reeds had zij het woord gericht tot Eooden Jim, die nu het kind hield om zijne vrouw af te lossen: en de kolossale weekhartige man had zich met de vuist een paar tranen afgewischt, onder schemerachtig voornemen dat hij in het vervolg een beter kerel wezen, minder naar de Braambosch gaan, en geregelder zijn Zondag vieren zou.
Vlak tegenover Eooden Jim stond Dirks Bette, die een buitengewone mate van kalmte en bedaardheid had aan den dag gelegd van het oogenblik af dat Dina begonnen was te spreken. Niet dat het onderwerp der rede aanstonds haar aandacht geboeid had, want /.ij was verloren in eene duistere bespiegeling over het genoegen
3*
35
DE OEFENING,
of de zelfvoldoening die er bij mogelijkheid konden gelegen zijn in het leven eener jonge vrouw met eene muts als die van Dina. Toen zij uit dit onderzoek niet langer wijs kon worden, ving zij aan Dina's neus, oogen en haren te bestudeeren, en te overleggen wat verkieslijker was: zulk een bleek gezicht te hebben, of dikke, roo-de koonen en ronde, zwarte oogen als de hare. Doch langzamerhand deed de invloed van den algemeenen ernst zich ook bij haar gevoelen, en zij begon te letten op hetgeen Dina zeide. De zachte tonen, de liefdevolle overreding roerden haar niet; doch toen de gestrenger aanklachten volgden, werd zij bang. De arme Betsy had steeds voor een ondeugend meisje te boek gestaan â dat wist zij zeer wel. quot;Was uitermate braaf te zijn werkelijk een ver-eischte, dan was zij buiten kijf op den slechten weg. Zij kon in de kerk den tekst niet zoo vlug opzoeken als Saartje Rann; menigmaal had zij gestotterd als zij de vragen opzei bij ds. Irwine, en deze kerkeliike tekortkomingen gingen gepaard met even groote slapheid in de zedigheid. Want Betsy behoorde ontegenzeglijk tot de klasse der weinig nauwgezette en lichtvaardige vrouwelijke karakters, en de gaande en komende man kon het altoos best met haar vinden. Van dit alles was zij zich over het geheel zeer wel bewust. Doch tot hiertoe had zij er zich niet bijzonder over geschaamd. Thans evenwel had zij een gewaarwording alsof de veldwachter haar was komen oppakken, om haar mede te nemen en haar voor het gerecht te brengen wegens een of ander misdrijf. Zij had een angstig gevoel dat God, dien zij altijd ver van haar verwijderd gedacht had, zeer dicht bij haar was, en datJezus, ofschoon zij hem niet zien kon, op niet zeer groo-ten afstand haar stond aan te staren. Want Dina had dat zekere geloof in de zichtbare tegenwoordigheid van Jezus, dat onder de Methodisten algemeen is, en met onwederstaanbare kracht deelde zij deze overtuiging aan hare hoorders mede. Zij deed hun gevoelen dat hij lichamelijk onder hen aanwezig was, en zich ieder oogenblik zou kunnen vertoonen op een wijze die berouw en een gevoel van boete in hun harten moest doen geboren worden.
âZiet!quot; riep zij uit, zich naar de linkerzijde keerend, de oogen gevestigd op een punt boven de hoofden van het volk â âziet, hoe onze gezegende Heer daar staat, en weent, en zijn armen uitstrekt naar u. Hoort wat hij zegt: âHoe dikwijls heb ik u willen
36
DE OEFENING.
bijeenvergaderen, gelijk een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gij hebt niet gewild! ...quot; â âEn gij hebt niet gewild!quot; herhaalde zij op een toon van klagend verwijt, met de oogen weder op het volk gericht. âZiet de teekenen der nagelen aan zijn geliefde handen en voeten. Uw zonden hebben die teekenen uitgegraven. O, hoe bleek en vermoeid ziet hij! Hij heeft den grooten strijd gestreden in den hof, toen zijn ziel uitermate bedroefd was tot den dood toe, en de groote droppelen zweets als bloed nedervielen op den grond. Zij spuwden op hem en sloegen hem, zij geeselden hem, zij bespotten hem, zij legden het zware kruis op zijn gekneusden schouder; toen nagelden zij hem vast-0, welk een pijn! Zijn lippen versmachtten van dorst, en nog bespotten zij hem in dezen zijn doodsangst. Toch, met die brandende lippen, bidt hij voor hen: âVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Toen overviel hem een afgrijselijke duisternis der ziele, en hij gevoelde wat zondaars gevoelen wanneer zij voor eeuwig zijn uitgesloten van Gods gemeenschap. Dat was de laatste droppel in den beker. âMijn God, mijn God!quot; riep hij uit, âwaarom hebt gij mij verlaten?quot;
âDat alles droeg hij voor u! Voor u â en nooit gedenkt gij zijner; voor u â en gij keert hem den rug toe, en gij bekommert er u niet over wat hij voor u heeft doorgestaan. Toch wordt hij niet moede voor u te arbeiden; hij bidt voor u aan de rechterhand Gods: âVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; En ook op deze aarde is hij; hij is onder ons: hij staat in uw midden dit eigen oogenblik; ik zie zijn verbrijzeld lichaam en zijn blik vol liefde.quot;
Hier wendde Dina zich tot Betsy Cranage, wier luchthartigheid en zichtbare ijdelheid haar met medelijden vervuld hadden.
âArm kind! arm kind! Hij smeekt u, en gij luistert niet naar hem. Gij denkt aan oorringen en fraaie rokken en mutsen, maar nooit denkt gij aan den Verlosser, die stierf om uw kostelijke ziel te redden. Uw wang zal eenmaal gerimpeld, uw haar vergrijsd, uw arm lichaam vermagerd zijn en waggelend! Dan zult gij aanvangen te gevoelen dat uw ziel niet behouden is; dan zult gij hebben te staan voor God, bekleed met uwe zonden, te staan met uw ledig hart, uw ijdele gedachten. En Jezus, die nu gereed staat u te helpen, zal u dan niet helpen. Gij woudt hem niet hebben voor quot;uw
37
DB OEFENING.
Verlosser; dan zal hij uw Rechter zijn. Nu ziet hij naar u met liefde en genade, en zegt: âKom tot mij, opdat gij het leven hebben moogt;quot; dan, dan zal hij zich van u afkeeren en.zeggen: âGa weg van mij in het eeuwige vuur!quot;
Arme Betsy's wijd geopende oogen begonnen zich met tranen te vullen, haar volle, roode wangen werden doodsbleek, en haar gelaat was verwrongen als dat van een klein kind vóór het in schreien uitbarst.
âAch, arm blind schepsel,quot; ging Dina voort, âdenk eens aan, indien met u gebeurde hetgeen geschied is met een dienstmaagd van God in de dagen harer ijdelheid. Zij dacht slechts aan haar kanten mutsen en bespaarde daarvoor al haar geld; geen oogenblik dacht zij hoe zij een rein hart en een vasten geest bekomen zou; zij wensch-te alleen maar, fraaier kanten te bezitten dan andere meisjes. En op zekeren dag, toen zij haar nieuwe muts opzette en in den spiegel keek, zag zij een bebloed gelaat, gekroond met doornen. Dat gelaat ziet u thans aanquot; â hier wees Dina naar een punt recht tegenover Betsy. â âAch, ruk die dwaasheden af, werp ze van u, als waren het bijtende adders! Zij bijten u â zij vergiftigen uwe ziel â zij sleuren u in een donkeren, bodemloozen put, waarin gij zult nederzinken voor eeuwig, altoos verder van God en van zijn licht!quot;
Betsy kon het niet langer uithouden; een groote vrees was over haar gekomen, en zich de ringen uit de ooren rukkend, wierp zij ze op den grond, overluid snikkend. Haar vader Dirk, ernstig beducht dat men 't ook op hem gemunt mocht hebben, en in dezen indruk op de wederspannige Betsy niets anders kunnende zien dan een wonder, liep haastig heen en zocht troost bij zijn aanbeeld. âHoef-ijzers moeten de menschen hebben, preek of geen; om een hoefijzer zal de duivel mij niet bij de kladden krijgen,quot; prevelde hij binnensmonds.
Maar nu begon Dina te spreken van de blijdschap die weggelegd is voor den boetvaardige, en beschreef op haar eenvoudige wijze den goddelijken vrede en de goddelijke vreugde waarmede de ziel van den geloovige vervuld wordt â hoe het bewustzijn van Gods liefde armoede in rijkdom verkeeren doet, en de ziel bevredigt, zoodat geen onrustige begeerte haar kwelt, geen vrees haar verschrikt; hoe ten laatste zelfs de lust tot zondigen wordt uitgedoofd, en de
38
DB OEFENING.
hemel op aarde een aanvang neemt, omdat geen wolken zich meer legeren tusschen de ziel en tusschen God, haar eeuwige zon.
âLieve vrienden,quot; sprak zij eindelijk, âbroeders en zusters, die ik liefheb als degenen voor wie mijn Heer gestorven is, gelooft mij, ik weet bij ondervinding hoe groot deze zegen is, en omdat ik het weet, wensch ik dat ook gij dien zegen genieten zult. Ik ben arm als gij; met handenarbeid moet ik in mijn onderhoud voorzien; maar geen lord of lady kan zoo gelukkig zijn als ik, indien zij de liefde Gods niet met zich omdragen in hun ziel. Bedenk wat het te zeggen is, niets te haten dan alleen de zonde; te zijn vol liefde voor elk schepsel; voor niets te vreezen; de zekerheid te hebben dat alles ten goede zal medewerken; geen smart te tellen, wetende dat onze Vader haar ons toezendt; te weten dat niets â neen, zelfs niet al werd de aarde verbrand tot asch, of al kwamen de wateren om ons te verdelgen â ons kan scheiden van den God die ons liefheeft, die onze ziel vervult met vrede en vreugde; niets, niets ter wereld, omdat wij verzekerd zijn dat al wat Hij wil heilig is, rechtvaardig en goed.
âLieve vrienden, komt en aanvaardt dezen zegen; hij wordt u aangeboden; het is de blijde boodschap die Jezus kwam verkondigen aan de armen. Het is niet met dien zegen als met de rijkdommen dezer wereld: hoe meer de één verkrijgt, hoe minder de overigen bekomen kunnen. Neen, God is onuitputtelijk; eindeloos is zijn liefde.
Geen plek waar haar stroom niét zijn wateren droeg,
Hij vloeit; vloeit voor mij, vloeit voor u.
Voor niemand te weinig, voor allen genoeg,
Genoeg voor altoos en voor nu.
Dina had minstens een uur lang gesproken, en het roode licht der ondergaande zou scheen een plechtig zegel op haar laatste woorden te drukken. De vreemdeling, die voor den gang barer rede een belangstelling had gevoeld als voor de ontwikkeling van een drama â want deze soort van betoovering ligt in elke oprechte en onvoorbedachte welsprekendheid^ dat zij het innerlijke drama openbaart van des sprekers eigene gemoedsbewegingen â wendde nu zijn paard om en vervolgde zijn weg, terwijl Dina sprak: âLaat ons zingen, lieve vrienden.'' En al den tijd dat hij langs het kronkelend
39
DE OEFENING.
pad de glooiing afreed, volgde hem rijzend en dalend met die zonderlinge wisseling van jubel en verslagenheid, die het kenmerk is van hunne liederen, de nagalm van het gezang der Methodisten.
HOOFDSTUK III.
NA DE PREEK.
Minder dan een uur later wandelde Seth Bede aan Dina's zijde langs het omheinde pad, dat de weiden en de groene korenvelden omzoomde tusschen het dorp en de hoeve van het heerenhuis. Dina had haar kleinen kwakerhoed weder afgezet en droeg dien in de hand, teneinde een vrijer genot van de koele avondlucht te hebben; en terwijl Seth naast haar voortging, met angstvalligheid aan iets denkend dat hij haar gaarne zeggen wilde, kon hij de uitdrukking harer gelaatstrekken gemakkelijk volgen. Het was een uitdrukking van onbewusten, kalmen ernst; een verzonken zijn in gedachten zonder betrekking op het tegenwoordig oogenblik of op haar eigen persoon; van alle uitdrukkingen des gelaats de meest ontmoedigende voor een minnaar. Haar gang zelfs was ontmoedigend; er was die rustige veerkracht in, die geen steun verlangt. Seth gevoelde dit half en half; hij sprak bij zich zeiven: âZij is te goed en te heilig voor éénig man, laat staan voor mij,quot; en de woorden die hij verzameld had in zijn hart, drongen achterwaarts nog vóór zij zijn lippen bereikten. Doch een andere gedachte gaf hem moed. âNiet één man zou haar meer kunnen liefhebben dan hij, of zou haar vrijer laten in het doen van het werk des Heeren.quot; Zij had nu een geruime poos gezwegen, sinds zij hadden opgehouden te spreken over Betsy Cranage. Dina scheen Seths tegenwoordigheid bijna vergeten te zijn, en haar tred werd zoo veel sneller, dat de gedachte, hoe zij binnen weinige minuten gaans de poort der hoeve zouden bereikt hebben, eindelijk aan Seth den moed gaf om te spreken.
âGij zijt dus vast besloten. Zaterdag naar Snowfield terug te keeren, Dina?quot;
âJa,quot; zei Dina bedaard, âik word daar geroepen. Mij werd in-
40
NA DE PREEK.
gegeven, terwijl ik in overpeinzing zat, verleden Zondag avond, dat zuster Allen, die aan een verval van krachten lijdt, mij noo-dig heeft. Even duidelijk als wij daar ginds dat dunne wolkje zien, zag ik haar magere, kleine hand zich opheifen en mij wenken. En dezen morgen, toen ik mijn Bijbel opensloeg om een aanwijzing te zoeken, waren de eerste woorden waar mijn oog op viel: âEn nadat wij het gezicht gezien hadden, poogden wij terstond te gaan naar Macedonië.quot; Ware het niet om die duidelijke verklaring van 's Heeren wil, ik zou ongaarne vertrekken, want mijn hart is bedroefd over mijn tante en haar kleinen en over dat arme verdoolde schaap, Hetty Sorrel. Sterk ben ik in den laatsten tijd getrokken geworden tot het gebed voor haar, en ik beschouw dit als een teeken dat er wellicht genade voor haar is weggelegd.quot;
âDat geve God,quot; zei Seth, âwant ik vrees dat Adam zoozeer het hart op haar gezet heeft, dat hij nooit aan een andere denken zal. En toch zou het mij zielsleed doen zoo hij haar trouwde, want ik kan niet gelooven dat zij hem gelukkig maken zal. Het is een groot wonder â hoe het hart van een man wordt heengetrokken naar één enkele vrouw onder al de overigen die hij ooit zag in de wereld, en hoe het hem gemakkelijker valt zeven jaren te werken voor die ééne, zooals Jakob voor Rachel deed, dan een andere vrouw te kiezen die hij slechts voor het vragen heeft. Ik denk dikwijls aan de woorden: âEn Jakob diende zeven jaren voor Rachel, en zij waren in zijn oogen als eenige dagen, omdat hij haar liefhad.quot; Ik weet dat die woorden zouden bewaarheid worden in mij, Dina, zoo het zijn kon dat gij mij hoop gaaft, u over zeven jaren de mijne te mogen noemen. Ik weet, gij meent dat een echtgenoot uwe gedachten te zeer zouden innemen, omdat Paulus zegt: âZij die trouwt, bekommert zich om de dingen dezer wereld, hoe zij haar man zal behagen;quot; en misschien vindt gij het al te vermetel dat ik er weder over durf spreken na hetgeen gij mij Zaterdag gezegd hebt. Maar ik heb er over zitten peinzen nacht en dag, en heb gebeden dat ik niet mocht verblind zijn door mijn eigen wenschen, denkend dat hetgeen alleen goed is voor mij ook goed moet wezen voor u. Ook schijnt het mij toe dat er meer teksten zijn aan te halen vóór ons huwelijk, dan gij er ooit tegen vinden zult. Want Paulus zegt zeer nadrukkelijk
41
NA DE PKEEK.
op een andere plaats: âIk wil dat de jonge vrouwen huwelijken, kinderen grootbrengen, het huis besturen, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven,quot; en elders: âTwee zijn beter dan één;quot; en dit geldt van het huwelijk zoowel als van andere dingen. Want wij zouden één hart en één geest zijn, Dina. Wij dienen beiden één en denzelfden Meester en streven naar dezelfde gave. Nooit zou ik de man zijn om van u iets te eischen dat u verhinderen zou, het werk te doen waartoe God u geroepen heeft. Ik zou alles inspannen, en arbeiden binnen en buitenshuis, om u des te meer vrijheid te verschaffen â meer dan gij thans hebben kunt, want nu moet gij voor uw eigen onderhoud zorgen, en ik ben sterk genoeg om voor ons beiden te werken.quot;
Nu Seth eenmaal begonnen was zijn zaak te bepleiten, ging hij ernstig, bijna haastig voort, uit vrees dat Dina zich een of ander beslissend woord zou laten ontvallen, voor dat hij al zijn drangredenen behoorlijk had voorgedragen. Zijn wangen kleurden terwijl hij voortging, zijn zachte, grijze oogen vulden zich met tranen, en zijn stem beefde toen hij den laatsten volzin had uitgesproken. Zij hadden een van die zeer nauwe doorgangen bereikt tussehen twee zware steenen palen in, welke oudtijds in Loam-shire den dienst van wegwijzer bewezen; Dina stond stil, en terwijl zij zich tot Seth keerde, sprak zij met haar teedere, maar zachte kalme stem:
âSeth Bede, ik dank u voor uw liefde voor mij, en indien ik aan eenig man denken kon anders dan als aan een broeder, geloof ik dat gij het zijn zoudt. Maar mijn hart is niet vrij om te huwen. Huwen is goed voor andere vrouwen, en het is een groote en heerlijke zaak, vrouw en moeder te zijn; maar ânaar de gave die God een iegelijken mensch gegeven heeft, en naar hetgeen waartoe de Heer een iegelijken mensch geroepen heeft, laat hem alzoo wandelen.quot; God heeft mij geroepen om anderen te dienen; niet om eigen smart of eigen vreugde te hebben, maar om mij te verblijden met wie zich verblijden, en met de weenenden te weenen. Hij heeft mij geroepen om zijn woord te verkondigen en Hij heeft mijn werk zeer gezegend. Het zou alleen op een zeer duidelijke aanwijzing zijn dat ik de broeders en zusters te Snow-field zou kunnen verlaten. Ze zijn weinig begunstigd met wereldsch
42
NA DE PREEK.
goed; de boomen zijn er zoo schaars in getal, dat een kind ze tellen kan, en het leven is er in den winter zeer hard voor de armen. Het werd mij gegeven, de kleine gemeente daar te helpen, te troosten, te versterken, en vele verdoolden terecht te brengen, en mijn ziel is vervuld van deze dingen van dat ik opsta totdat ik mij te rusten leg. Mijn leven is te kort en Gods werk mij te groot, dan dat ik er aan zou kunnen denken, een huis op te richten voor mij zelve in deze wereld. Ik ben niet doof gebleven voor uw woorden, Seth; want toen ik zag dat uw liefde mij geschonken was, dacht ik dat zulks een aanwijzing der Voorzienigheid kon zijn om mijn levensweg te veranderen, en dat wij met elkander moesten arbeiden; en ik stelde de zaak voor den Heer. Maar wanneer ik poogde mijn gedachten op het huwelijk te vestigen, en op ons samenleven, kwamen er altijd andere gedachten tusschenbeide; gedachten aan oogenblikken dat ik heb gebeden bij de zieken en de stervenden, aan de gelukkige uren die ik beleefde wanneer ik predikte, wanneer mijn hart vervuld was van liefde, en het woord mij overvloediglijk geschonken werd. En hoe vaak ik den Bijbel ook opende om een aanwijzing te vinden, altijd stuitte ik op een of ander duidelijk woord dat mij zeide: Deze is uw taak. Ik geloof wat gij zegt, Seth, dat gij trachten zoudt een hulp en geen hindernis bij mijn werk te zijn; maar ik zie dat ons huwelijk Gods wil niet is â Hij trekt mijn hart in een anderen weg. Ik wensch te leven en te sterven zonder man of kinderen. Er schijnt geen plaats te zijn in mijn ziel voor zorgen en vreezen omtrent mijzelve, zoozeer heeft het God behaagd, mijn hart te vervullen met de nooden en het lijden van zijn arm volk.
Seth was buiten staat te antwoorden en wandelde zwijgend voort. Eindelijk, toen zij bijna aan de poort van de werf genaderd waren, zei hij:
âWelaan, Dina, ik moet kracht zoeken om dit te dragen, en het te dulden als ziende den Onzienlijke. Maar nu gevoel ik hoe zwak mijn geloof is. Het is alsof ik mij, wanneer gij zult vertrokken zijn, nimmer weder in eenig ding zal kunnen verheugen. Wat ik voor u gevoel is, geloof ik, meer en grooter liefde voor een vrouw; want ik zou tevreden kunnen zijn zonder u te huwen, zoo ik gaan en te Snowfield kon wonen, en in uw nabijheid kon zijn. Ik hield mij verzekerd, dat de sterke liefde voor u, die God mij gegeven heeft, een
43
NA DE PREEK.
aanwijzing was voor ons beiden; maar het schijnt dat zij alleen dienen moest tot een beproeving voor mij. Misschien gevoel ik meer voor u dan ik behoorde te gevoelen voor eenig schepsel, want dikwijls kon ik niet nalaten van te zeggen, wat de Hymne zegt:
Verschijnt ze mij in den donkeren nacht,
Straks daagt mijn ochtendglans;
Ze is mijner ziele morgenster,
Haar zon aan mijnen trans.
Dat is misschien verkeerd en ik moet beter leeren. Maar gij zoudt toch niet boos op mij zijn, indien de zaken zoo liepen dat ik deze streek verlaten en te Snowfield kon gaan wonen?quot;
âNeen, Seth, maar ik raad u geduldig te wachten en niet lichtvaardig uw land en uw maagschap te verlaten. Doe niets zonder het duidelijk bevel des Heeren. Het is daar ginds een bar en vlak land, zeer ongelijk aan dit land Gosen, waaraan gij gewoon zijt. Wij moeten ons niet haasten, ons eigen lot te kiezen en te bepalen; wij moeten op leiding wachten.quot;
âMaar ik mag u toch schrijven, Dina, indien er iets was dat ik behoefte had u te zeggen?quot;
âJa zeker; laat het mij weten, zoo vaak gij in moeite zijt. In al mijn gebeden zal ik u gedenken.quot;
Zij hadden nu het hek van de hoeve bereikt, en Seth zeide: âIk ga niet naar binnen, Dina; vaarwel dus.quot; Hij hield op en aarzelde nadat zij hem haar hand gegeven had; toen ging hij voort: âMen kan niet weten, misschien zult gij de dingen over een poos anders beschouwen. Daar zou een nieuwe aanwijzing kunnen zijn.
âLaten wij dit daar, Seth. Men moet slechts één oogenblik tegelijk leven, zooals ik in een van vader Wesley's boeken gelezen heb. Het betaamt u noch mij, plannen te maken; gehoorzamen en vertrouwen, anders hebben wij niet te doen. Vaarwel.quot;
Dina drukte zijn hand met een eenigszins droevigen blik in haar liefdevolle oogen, en ging toen het hek door, terwijl Seth zich omkeerde om langzaam naar huis te wandelen. Maar in plaats van den naasten weg te nemen, verkoos hij terug te keeren langs dezelfde velden die hij reeds met Dina doorgegaan was, en ik durf gissen dat zijn blauwe linnen zakdoek doornat was van tranen, lang voor hij zich had kunnen opdringen dat het tijd was om moedig naar huis
44
NA DE PREEK.
te gaan. Hij was slechts drie en twintig jaren oud en was pas begonnen te leeren wat het is lief te hebben â lief te hebben met die vereering, waarmede een jonge man opziet naar de vrouw van wie hij gevoelt dat zij grooter en beter is dan hij zelf. Zulk een liefde is nauwlijks onderscheiden van godsdienstig gevoel. Welke diepe, heilige genegenheid was dit ooit? Hetzij de liefde voor vrouw of kind, voor kunst of voor muziek? Onze liefkoozingen, onze tee-dere woorden, onze stille verrukking onder den invloed eener ondergaande najaarszon, of van een koepeldak op hooge zuilen, of van een standbeeld vol kalme majesteit, of van eene symphonic van Beethoven, ze brengen met zich mede een gevoel als waren zij slechts golven en rimpels op het vlak van een onpeilbaren oceaan van liefde en schoonheid. Wanneer wij het diepst zijn ontroerd, gaat onze ontroering van woorden in stilzwijgen over; de springvloed onzer liefde overstelpt haar voorwerp en verliest zich in het gevoel eener goddelijke verborgenheid. En deze gezegende gave van den eeredienst der liefde, zij werd sinds de grondlegging der wereld aan een te groot aantal nederige handwerkslieden geschonken, dan dat wij ons zouden verwonderen haar ook aan te trelfen in de ziel van een Methodisten-timmerman, een halve eeuw geleden, in de dagen dat er nog een nagloed was achtergebleven van den tijd, toen Wesley en zijn medearbeiders zich voedden met de rozebottels en de doornbessen van Cornwallis, nadat zij de kracht van hun leden en longen hadden uitgeput met hun hemelsche boodschap aan de armen te brengen.
Die nagloed is sinds lang weggestorven, en de voorstelling die wij in onze verbeelding geneigd zijn ons van het Methodisme te vormen, is geenszins een amphitheater van groene heuvelen, of de diepe schaduw van een breedgebladerden wilden vijgeboom, waaronder een schaar van ruwe mannen en levensmoede vrouwen een geloof indronken dat voor hen de eerste beginselen der beschaving vertegenwoordigde, dat hun gedachten vastknoopte aan het verledene, hun verbeelding ophief boven de alledaagsche zorgen van hun eigen beperkt leven, en hun ziel vervulde met het gevoel eener mee-doogende, liefdevolle, oneindige Tegenwoordigheid, minzaam als de zomer voor den behoeftige zonder dak. Slechts al te waarschijnlijk beteekent voor velen van mijn lezers het woord Methodisme hetzelfde als een reeks bedompte gevels in modderige straten, en doet hen alleen denken aan sluikharige kruideniers, tafel-
45
NA DE PREEK.
schuimende oefenaars en schijnheilige bijbeltaal â de éénige elementen waaruit in menigen beschaafden kring het Methodisme geacht wordt samengesteld te zijn.
Dit zou mij leed doen; want ik heb geen recht te beweren, dat Seth Bede en Dina Morris iets anders waren dan Methodisten â wel geen Methodisten in den modernen stijl, die tijdschriften lezen en godsdienstoefening houden in kapellen met zuilen en gaanderijen; maar Methodisten van een zeer ouderwetsche soort. Zij geloofden in voortdurend plaatsgrijpende wonderen, in oogen-blikkelijke bekeeringen, in openbaringen door droomen en visioenen: zij trokken om het lot, en zochten goddelijke aanwijzingen door het openslaan van den Bijbel; zij dreven een soort van letterlijke schriftverklaring, rechtstreeks indruischend tegen de methode der beste commentaren, en het is mij niet mogelijk vol te houden dat hun stijl buitengemeen nauwkeurig of hun vorming uitermate veelzijdig was. Toch â zoo ik de geschiedenis van den godsdienst aandachtig gelezen heb â zijn geloof, hoop en liefde juist niet altijd in volkomen evenredigheid geweest met gehechtheid aan kerkelijke belijdenissen; en, de Hemel zij daarvoor geprezen! zeer verheven gevoelens kunnen gepaard gaan met zeer onbehouwen geloofsbegrippen. Het rauwe spek dat plompe Mieke uit haar mond bespaart voor haar buurmans kind âtegen de stuipenquot;, is buiten kijf een armzalig en niets afdoend geneesmiddel, doch de aandrang van buurvrouwelijke deelneming die haar dreef tot de daad â van deze edelmoedige opwelling straalt een weldadig licht af, dat nooit wordt uitgedoofd.
Deze dingen in aanmerking genomen, kunnen wij Dina en Seth ter nauwernood beneden onze aandacht rekenen, hoe gewoon wij ook zijn mogen om te schreien over de veel fatsoenlijker smarten van heldinnen met satijnen laarsjes en een crinoline, of van vurige paarden berijdende helden, zelf bereden door nog vuriger hartstochten.
Arme Seth! hij heeft nooit van zijn leven te paard gezeten, behalve eens, toen hij een heel kleine jongen was, en baas Jonathan Burger hem achterop nam met de aanmaning âzich goed vast te houden.quot; In plaats van uit te barsten in woeste aanklachten tegen God en zijn lot, neemt hij het besluit, terwijl hij huiswaarts wandelt onder den plechtigen sterrenhemel, zijn droef-
46
NA DE PREEK.
heid te onderdrukken, minder te haken naar de bevrediging van eigen wenschen, en meer voor anderen te leven, zooals Dina doet.
HOOFDSTUK IV.
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
Een groene vallei, doorsneden van een beek, bijna tot over-vloeiens toe vol door den kortelings gevallen regen, en omschaduwd door laag voorovergebogen wilgen. Over deze beek is eene plank gelegd, en over deze plank gaat Adam Bede met zijn vasten stap, dicht gevolgd door Presto met de mand. Klaarblijkelijk richt hij zijn schreden naar het met riet bedekte huis, met den stapel timmerhout bezijden, gelegen op omstreeks twintig ellen afstands tegen de glooiing van den overkant.
De deur van het huis staat open, en een bejaarde vrouw kijkt naar buiten. Doch zij is niet verzonken in rustige beschouwing van de avondzon. Zij heeft met haar verzwakte oogen de langzaam zich uitbreidende stip gadegeslagen die sinds de laatste twee minuten zeer duidelijk gebleken is haar lieveling Adam te zijn. Lijsbeth Bede heeft haar zoon lief met de liefde eener vrouw, wier eersteling haar werd geboren in den natijd van haar leven. Zij is een zorgvuldige, spaarzame, nog wakkere oude, zindelijk als een sneeuwvlok. Haar grijs haar is keurig achterwaarts gestreken onder een heldere linnen muts met zwart omboord; haar breede borst is bedekt door een dichtgeplooiden doek, en daaronder bespeurt gij een jak, gemaakt van blauw geruit linnen, om het middel dichtgeschoven, en neder-hangend tot aan de heupen over een tierentijnen rok van aanmerkelijke lengte. Want Lijsbeth is lang van gestalte, en ook in alle andere opzichten bestaat er een sterke gelijkenis tusschen haar en haar zoon Adam. Haar donkere oogen zijn tegenwoordig eenigszins verduisterd â misschien door overdaad van schreien â maar haar breedgeteekende wenkbrauwen zijn nog zwart, haar tanden gaaf) en zooals zij daar staat, snel en op het gevoel breiend, houdt zij zich eveti recht als wanneer zij met een tobbe water op het hoofd thuiskomt van de bron. Er bestaat gelijkenis tusschen moeder en zoon in het beloop hunner gestalte en in beider levendige en werkzame ge-
47
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
aardheid. Doch niet van haar heeft Adam zijn welvoorzien brein ge-erfd, noch ook die uitdrukking van edele schranderheid op het gelaat.
Er ligt dikwijls iets diep treurigs in de gelijkenis van bloedverwanten. De natuur, treurspel-dichteres die zij is, verbindt ons aan elkander naar het gebeente en de spieren, en maakt scheiding tus-schen ons naar het fijnere weefsel der hersenen; zij mengt verlangen en afkeer dooreen; zij knoopt ons met onze hartvezels vast aan personen, wier gemeenschap ons elk oogenblik doet rillen. Met denzelfden klank als de onze hooren wij gedachten uiten die wij verfoeien ; oogen â ach! zoo gelijk aan die onzer moeder â zien wij van ons afgewend in koele vervreemding; en onze jongste lieveling pijnigt ons met de houding en de manieren der zusters, van wie wij scheidden in bitterheid, jaren geleden. De vader, aan wie wij ons beste erfdeel verschuldigd zijn â ons wiskunstig instinct, ons levendig gevoel voor harmonie, de aangeboren vaardigheid van onze hand â vergalt ons het leven, en brengt schande over ons hoofd door overtredingen van iederen dag; de lang verloren moeder, wier gelaat wij beginnen te zien in den spiegel wanneer onze rimpels komen, kwelde eenmaal onze jonge zielen met haar lastig humeur en haar redeloos drijven.
Met de stem van zulk een teedere lastige moeder hoort gij Lijs-beth zeggen;
, Wel, mijn jongen, het is al over zevenen. Gij weet ook van geen uitscheiden. Gij verlangt hard naar uw avondeten, wil ik wedden. Waar is Seth? Naar de eene of andere preek, zeker?quot;
âSeth loopt in geen zeven slooten, moeder, wees daar gerust op. Maar waar is vader?quot; vroeg Adam snel, terwijl hij het huis binnenging en een blik wierp in het vertrek aan de linkerhand, dat tot werkplaats gebruikt werd. âHeeft hij de doodkist voor Tholer niet afgemaakt? Daar staat het hout nog, net zooals ik het van morgen gelaten heb.quot;
âDe kist gemaakt?quot; zei Lijsbeth, hem volgend en onafgebroken voortbreiend, ofschoon zij haar zoon zeer onrustig aanziet. âWel, mijn jongen, uw vader is van morgen naar Treddleston gegaan, en is nog niet terug. Ik vrees dat hij weer in den Omgevallen Wagen zit.quot;
Een diepe blos van toorn vloog snel over Adams gelaat. Hij zei
48
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
niets, maar trok zijn frak uit en begon zijn hemdsmouwen weder op te rollen.
âWat gaat gij doen, Adam?quot; vroeg de moeder met een blik en op een toon van vervaardheid. âGij zult tooh niet weer aan het werk gaan voordat gij uw avondeten gebruikt hebt?
Adam, te toornig om te spreken, trad de werkplaats binnen. Maar zijn moeder, haar breiwerk wegwerpend en hem nasnel-lend, greep zijn arm en zei op een toon van klagend verzet:
âNeen, mijn jongen, gij moogt niet aan den gang gaan zonder eten; ik heb aardappelen gebakken in vet, daar gij zooveel van houdt. Ik heb ze expres voor u klaar gemaakt. Eerst eten, kom.quot;
âKwel mij niet,quot; zei Adam onstuimig, haar van zich afschuddend, en een der planken grijpend die tegen den muur stonden. âWel moogt gij praten van avondeten, wanneer er beloofd is dat morgen ochtend te zeven uur de kist bezorgd zal wezen te Brox-ton. Ze behoorde er nu al te zijn, terwijl er nog geen spijker aan geslagen is. Mijn hart is te vol dan dat ik een beet zou kunnen doorslikken.quot;
âGij kunt de kist immers toch niet klaar krijgen,quot; zei Lijsbeth. âGij zult u doodwerken. De gansche nacht zou er mee gemoeid zijn.quot;
âWat raakt het hoeveel tijd er mee gemoeid is? Is de kist niet beloofd? Kan de man begraven worden zonder kist? Eer zou ik mijn rechterhand lam werken, dan op die manier de menschen met leugens te bedriegen. Ik word krankzinnig als ik er aan denk. Maar er moet een eind komen aan dezen gang van zaken. Lang genoeg heb ik verdragen.quot;
De arme Lijsbeth hoorde deze bedreiging niet voor de eerste maal en, ware zij wijs geweest, zij zou zijn heengegaan en niet hebben gesproken in het eerste uur. Doch een der lessen, die een vrouw slechts zelden leert, is: niet te spreken tegen een toorni-gen man. Lijsbeth zette zich op de schaafbank neder en begon te schreien, en toen zij genoeg geschreid had om haar stem zeer klagelijk te maken, barstte zij uit in woorden.
âNeen, mijn jongen, mijn jongen, gij moet niet weggaan en uw moeders hart breken, en uw vader aan zijn lot overlaten. Gij wilt toch niet dat zij mij naar het graf zullen dragen, zonder dat gij er bij zijt om achter mijn lijk te gaan? Ik zal niet rusten in
ADAM BEDE. 4
49
50 THUIS EN ZIJN HABTZBER.
mijn graf, als ik u niet gezien heb in mijn laatste oogenblik; en hoe zullen zij u laten weten dat ik op sterven lig, als gij gaat werken ver van hier, waar Seth u denkelijk wel zal volgen, terwijl uw vader niet in staat is de pen te houden omdat zijn hand zoo beeft, en daarenboven niet weet waar gij zijtV Gij moet uw vadei vergeven. Gij moet zoo bitter niet tegen hem zijn. Hij is een goed vader voor u geweest vóór hij aan den drank was. Hij is een knap werkman en heeft u uw ambacht geleerd, bedenk dat; en nooit heeft hij mij geslagen of gescholden â neen, zelfs niet als hg dronken was. Gij wilt toch niet dat hij in het weikhuis komen zal â uw eigen vader â hij, die zoo'n flink man en in alles bijna even knap was als gij zelf, vijf en twintig jaren geleden, toen gij een kind waart aan de borst?quot;
Lijsbeths stem werd luider en luider, en afgebroken door snikken, een soort van gejammer, tergender dan alle andere geluiden wanneer er waarachtige smart te dragen en dringend werk te verrichten is. Adam barstte ongeduldig los:
âMoeder, schrei niet en praat zoo niet. Heb ik buitendien niet al verdriet genoeg? Wat helpt het, mij dingen te vei tellen waaraan ik maar al te veel denk, en alle dagen? Als ik er niet aan dacht, waarom zou ik dan doen als ik doe, om den boel hiei bij elkaar te houden? Maar ik haat praatjes die tot niets leiden; ik bespaar mijn adem om te werken, liever dan om te piaten.
âIk weet wel dat gij doet wat niemand anders doen zou, mijn jongen. Maar gij zijt altijd zoo hard voor uw vader, Adam. Niets is te veel voor Seth; gij geeft mij kwaad bescheid als ik maaide kleinste aanmerking op den jongen maak. Maar tegen uw vader zijt gij altoos boos, meer dan tegen iemand anders.quot;
âDat is beter dan vriendelijke woorden te geven, en den boel in het honderd te laten loopen, zou ik denken, is het niet? Als ik niet oppaste, zou hij de laatste plank verkoopen, en het geld gaan verdrinken. Ik weet wel dat ik mijn plicht heb te vei-vullen jegens mijn vader; maar het is mijn plicht niet, hem aan te moedigen dat hij zich willens en wetens in het verderf stort. En wat heeft Seth daarmede te maken? De jongen doet geen kwaad, zoover ik weet. Maar laat mij nu met rust, moeder, dat ik kan voortgaan met mijn werk.quot;
Lijsbeth durfde geen woord meer zeggen, maar zij stond op en
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
riep Presto, met het plan, zich over Adams weigering omtrent het avondeten â zij had het opgezet in het liefdevol vooruitzicht van naar hem te kijken terwijl hij het gebruikte â zoo goed mogelijk te troosten, door aan Adams hond een dubbel rantsoen te geven. Maar Presto zag zijn meester aan met gefronste wenkbrauwen en gespitste ooren, niet wetend wat te denken van dezen buitengewonen loop van zaken; en ofschoon hij naar Lijsbeth omzag toen zij hem riep en hij zijne voorpooten onrustig bewoog, niet onbewust dat zij hem tot den maaltijd noodigde, toch was hij in tweestrijd en bleef recht overeind zitten, met de oogen weder onrustig op zijn meester gericht. Adam werd Presto's inwen-digen strijd gewaar, en ofschoon zijn toorn hem minder feeder dan gewoonlijk had gemaakt jegens zijn moeder, weerhield dit hem niet, van als naar gewoonte te zorgen voor zijn hond. Wij zijn geneigd vriendelijker te zijn jegens de dieren die ons liefhebben, dan jegens de vrouwen die ons liefhebben. Zou het wezen omdat de dieren stom zijn?
âGa, Presto, ga, mijn jongen,quot; zei Adam op een toon van aanmoedigend bevel; en Presto, zichtbaar in zijn schik dat plicht en genoegen dus samenvielen, volgde Lijsbeth naar de keuken.
Doch zoodra hij zijn avondeten had opgesmuld, keerde hij terug naar zijn meester, terwijl Lijsbeth alleen bleef zitten schreien over haar breiwerk. Vrouwen die nooit bitter of haatdragend zijn, zijn dikwerf het meest tot krakeelen geneigd, en indien Salomo zoo wijs was als hij den naam heeft geweest te zijn, houd ik mij verzekerd dat, toen hij een twistgierige vrouw vergeleek bij een gestadig droppelen van regen, hij geen helleveeg op het oog had, geen furie met lange nagels, vinnig en zelfzuchtig. Geloof mij, hij had veeleer een goed schepsel in den zin, die geen grooter vreugde kende dan het geluk harer lievelingen, wien zij het leven lastig maakte door alle lekkerbeetjes voor hen te besparen en voor zich zelve geen penning uit te geven. Een vrouw als Lijsbeth bijvoorbeeld â tevens geduldig en klaagziek, onzelfzuchtig en veeleischend, den ganschen langen dag broedend over hetgeen gisteren voorviel, en over hetgeen waarschijnlijk morgen gebeuren zal, en tot schreien gereed beide over het goede en het kwade. Maar een zeker ontzag mengde zich met haar afgodische liefde voor Adam, en wanneer hij zei: âLaat mij met rust,quot; was zij aanstonds tot zwijgen gebracht.
4*
51
g2 THUIS EN ZIJN HARTZEER.
Zoo o-inf'en de uren voorlnj onder het hardop tikken van de oude hangklok en het geluid van Adams gereedschappen. Eindeliik riep hij om licht en om een teug water â bier werd alleen op Zon- en feestdagen gedronken â en toen zij hem beide zaken bracht, waagde LijsbettT te zeggen; âUw eten staat nog altoos klaar, zoo ge
lust hebt.quot; .
âBlijf niet opzitten, moeder,quot; zei Adam op vriendelijken toon. Zijn toorn was geweken voor den arbeid. âIk zal vader helpen als hij thuis komt; misschien komt hij den ganschen nacht niet. Ik ben
rustiger wanneer gij te bed zijt.quot; ^ _
âNeen. ik zal opblijven tot Seth komt. Hij zal zich nu niet lang
meer laten wachten, denk ik.quot;
Het was toen over negenen op de klok, die altijd vóór was; en voor zij tien geslagen had, werd de klink opgelicht en Seth trad binnen. Hij had, onder het naderen, het geluid der gereedschappen gehoord.
âWel moeder,quot; zei hij, âhoe komt het dat vader nog zoo laat
werkt?quot; jj. âi
âHet is uw vader niet die aan het werk is â dat zoudt gij al
lang hebben kunnen weten zoo gij het hoofd minder vol met pree-
ken had â het is uw broeder die alles doet; want er is nooit iemand
anders bij do liand om wat uit te voeren.
Lijsbeth ging zoo voort, want zij was niet bang voor Seth, en
stortte gewoonlijk in zijn oor al de bezwaren uit, die onderdrukt
werden door het ontzag voor Adam. Seth had nooit in zijn leven
een hard woord tot zijn moeder gesproken, en bloode menschen
wreken in den regel hun gemelijkheid op de vriendelijken. Doch
Seth was met een bezorgden blik naar de werkplaats gegaan, en
zei: âHoe is het Adam? Wat, heeft vader de kist vergeten?quot;
âJa, jongen, de oude geschiedenis; maar ik zal haar wel klaar
krijgen,quot; zei Adam, opziend en een zijner heldere, levendige blikken
op zijn broeder werpend. âMaar wat scheelt u? Gij hebt verdriet.quot;
Seths oogen zagen rood, en er lag een diepe verslagenheid op zijn
zachtmoedig gelaat.
âJa, Adam, dat heb ik; maar ik moet dragen, en er is geen verhelpen aan. Dus zijt gij niet eens naar de school geweest?quot;
âNaar de school? Neen, dat werk kan wachten,quot; zei Adam, voort-
hamerend.
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
âNu mijn beurt, en ga gij naar bed,quot; zei Seth.
âNeen, nu ik eenmaal op gang ben, ga ik liever voort. Gij zult mij de kist naar Broxton helpen brengen als zij klaar is. Ik zal u roepen met het aanbreken van den dag. Ga uw avondeten gebruiken en doe de deur dicht dat ik moeders gepraat niet hoor.quot;
Seth wist dat Adam altoos meende hetgeen hij zei, en niet kon overreed worden anders te meenen. Dus keerde hij zich om, en begaf zich met een tamelijk bezwaard hart naar de keuken.
âAdam heeft nog geen stukje geproefd, sinds hij thuis gekomen is,quot; zei Lijsbeth. âGij hebt zeker uw avondeten gehad bij een van uwe Methodisten-vrienden?quot;
âNeen, moeder,quot; zei Seth, âik heb geen avondeten gehad.quot;
âKom dan,quot; zei Lijsbeth, âmaar eet niet van de aardappelen, want misschien zal Adam ze nog wel nemen als ik ze laat staan. Hij houdt van een hapje gebakken aardappelen met vet. Maar hij is zóó boos geweest en zóó uit zijn humeur, dat hij ze niet eten wou, schoon ik ze expres voor hem had klaar gemaakt. En hij heeft weer gedreigd om weg te gaan,quot; ging zij mokkend voort, âen ik geloof zeker dat hij het 's morgens vroeg nog eens doen zal vóór ik op ben, zonder dat ik het vooruit weet; en hij zal nooit terugkomen als hij eens weg is. En liever had ik nooit een zoon gehad als hij, niet te vergelijken met iemand anders kind in kunde en handigheid, en die zoo gezien is bij de groote lui, en zoo lang en zoo rechtop als een popel, dan dat ik van hem zou moeten scheiden om hem nooit weer te zien.quot;
âKom, moeder, pijnig u niet voor niet,quot; zei Seth troostend. âGij hebt niet half zooveel reden om te denken dat Adam zal wecrgaan,
O O '
als om te gelooven dat hij bij u blijven zal. Hij mag zoo iets zeggen wanneer hij boos is â en hij heeft aanleiding om boos te zijn somtijds â maar zijn hart zal hem nimmer loslaten. Bedenk eens hoe hij ons allen heeft bijgestaan toen het waarlijk zoo gemakkelijk niet was â zijn spaarpenningen gevend om mij vrij te koopen van den dienst, en van zijn eigen verdiensten hout koopend voor vader, terwijl hij zijn geld heel anders zou hebben kunnen gebruiken, en me-nig jong man in zijn plaats al lang getrouwd en gevestigd zou zijn geweest. Nooit zal hij omkeeren en zijn eigen werk stuk treden en hen verlaten die het zijn levensdoel geweest is bij te staan.quot;
53
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
âPraat mij niet van zijn trouwen,quot; zei Lijsbetli, opnieuw schreiend. âHij heeft zijn hart gezet op die Hetty Sorrel, die nooit een penning zal uitsparen, en die zijn oude moeder met den nek zal aanzien. En als ik dan denk dat hij Mary Burger zou kunnen krijgen, en compagnon worden, en een groote baas zijn met knechts onder zich, zooals baas Burger â Dolly heeft het my zoo dikwijls gezegd â zoo het niet was dat hij zijn hart gezet had op dat behaagziek ding, dat nooit meer dienst doen zal dan de anjelier daar tegen den muur. En hij, die zoo geleerd is in boeken en in teekenen, dat hij niet beter uit zijn oogen kijkt!
âMaar, moeder, gij weet wel, wij kunnen niet juist liefhebben wie anderen zouden goedvinden. God alleen kan het hart des men-schen neigen. Ik zelf zou hebben kunnen wenschen dat Adam een andere keus gedaan had; maar ik zal hem niet verwijten hetgeen hij niet helpen kan. En ik weet niet of hij niet zijn best doet er zich tegen te verzetten. Maar het is een zaak waarover hij niet gaarne wil gesprokenhebben; ik kan daarom niet anders doen dan den Heer bidden, hem te zegenen en te besturen.quot;
âJa, gij zijt gauw genoeg met bidden, maar ik zie niet dat gij met uw bidden veel vordert. Gij zult er geen dubbel daggeld mee verdienen. Nooit zullen de Methodisten half zooveel van u maken als uw broeder is, al maakten zij een oefenaar van u.
âGij hebt voor een deel gelijk, moeder,quot; zei Seth op een zacht-zinnigen toon. âAdam staat ver boven mij, en heeft meer gedaan voor mij dan ik ooit voor hem doen kan. God schenkt zijn gaven aan eiken mensch naar Hem goeddunkt. Maar gij moet het bidden niet geringschatten. Het gebed moge ons al geen geld opbrengen, maar het schenkt ons wat een mensch voor geen geld koo-pen kan â de kracht om rein te blijven van de zonde, en tevreden te zijn met Gods wil, wat hij ons ook toezendt. Als gij God woudt bidden om u te helpen, en op Zijn goedheid vertrouwen, zoudt ge u zoo ongerust niet maken over de dingen.quot;
âOngerust? Ik heb reden om ongerust te zijn. Aan u kan men zien wat het is om nooit ongerust te wezen. Gij zoudt al uw verdiensten weggeven, en nooit ongerust zijn, al hieldt gij niets ovei voor den kwaden dag. Als Adam zoo gerust geweest was als gij, zou hij nooit geld gehad hebben om voor u te betalen. Zijt niet bezorgd voor den dag van morgen! â zijt niet bezorgd! â zoo
54
THUIS EN ZIJN HARTZEEE.
roept gij altijd, en wat groeit er van? Dat Adam voor u moet zorgen.quot;
âDat zijn de woorden van den Bijbel, moeder,quot; zei Seth. âZij beduiden niet dat wij traag moeten zijn. Zij beduiden dat wij niet al te bezorgd moeten zijn of ons kwellen mogen over 't geen morgen zal gebeuren, maar dat wij onzen plicht moeten doen, en het overige aan God moeten overlaten.quot;
âJa, ja, zoo doet gij altijd; tien woorden van u zeiven bij één uit den Bijbel. Ik weet niet hoe gij er aan komt, dat âzijt niet bezorgd voor den dag van morgenquot; zooveel beteekenen zou als gij zegt. En daar de Bijbel zulk een dik boek is, en ge hem heel en al doorlezen kunt, en de keus hebt tusschen allerlei teksten, begrijp ik niet waarom gij geen beter woorden uitzoekt die niet zooveel meer beteekenen dan zij zeggen. Adam kiest zulke teksten niet; den tekst dien hij altijd aanhaalt kan ik begrijpen: âWie zich zelf helpt, dien helpt God.quot;quot;
âNeen, moeder,quot; zei Seth, âdat is geen tekst uit den Bijbel. Dat staat in een boek dat Adam opgedaan heeft aan een stalletje te Treddleston. Het werd geschreven door een wijs man, maar een man van de wereld, vrees ik. Evenwel, dat zeggen is gedeeltelijk waar, want de Bijbel leert ons dat wij Gods medearbeiders moeten zijn.quot;
âNu, hoe kan ik dat weten? Het klinkt als een tekst. Maar wat scheelt u, jongen? Gij hebt uw eten bijna niet aangeroerd. Gij zult het toch niet laten bij dat stukje haverbak? En gij ziet zoo wit als een sneetje versch spek. Wat scheelt er aan?quot;
âNiets van beteekenis, moeder; ik heb geen grooten honger. Ik zal nog eens naar Adam gaan kijken, en zien of hij mij wil laten voortgaan met de kist.quot;
âGij moet een kommetje warme soep nemen,quot; zei Lijsbeth, wier moederlijk gevoel nu de overhand kreeg op haar kijflust. âIk zal dadelijk een handjevol spaanders opgooien.quot;
âNeen, moeder, dank u; gij zijt wel goed,quot; zei Seth dankbaar, en aangemoedigd door dit blijk van teederheid, ging hij voort: âLaat mij even met u bidden voor vader en voor Adam en voor ons allen; dat zal u misschien meer troosten dan gij denkt.quot;
âNu, daar heb ik niets tegen.quot;
Lijsbeth, ofschoon in hare samenspraken met Seth altijd tot
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
tegenstribbelen geneigd, had toch een schemerachtig gevoel dat er een zekere troost en gerustheid gelegen was in zijn vroomheid, en dat de zijne haar op de eene of andere wijze onthief van de moeite om zich veel bezig te houden met de hare.
Dus knielden moeder en zoon te zamen neder, en Seth bad, bad voor den armen verdoolden vader, en voor degenen die om hem treurden thuis. En toen hij kwam aan de bede dat Adam nimmer mocht worden geroepen om zijn tenten op te slaan in een afgelegen land, maar dat zijn moeder mocht worden opgebeurd en vertroost door zijn tegenwoordigheid al de dagen van haar pelgrimstocht, vloeiden weder Lijsbeths allocs bereidwillige tranen, en zij snikte overluid.
Toen zij waren opgerezen, ging Seth weder naar Adam en zei; âKom, ga nu een paar uur liggen en laat mij onderwijl voortgaan.quot;
âNeen, Seth, neen. Maak dat moeder naar bed gaat en ga zelf ook.quot;
Intusschen had Lijsbethhaar oogen gedroogd en volgde nu Seth, iets tusschen de beide handen houdend. Het was de bruin-en-gele schotel, gevuld met in vet gebakken aardappelen en met de stukjes vleesch die zij er onder fijn gesneden had. Het waren dure tijden, waarin tarwebrood en versch vleesch lekkernijen waren voor de ambachtslieden. Zij zette den schotel eenigszins angstvallig op de bank naast Adam neder, en zei: âGij kunt er eens van pikken terwijl gij aan het werk zijt. Ik zal u nog een teug water halen.quot;
âDat is goed, moeder, heel graag,quot; zei Adam vriendelijk. âIk word erg dorstig.quot;
Binnen een half uur was alles rustig, geen geluid werd in het huis vernomen, behalve het hoorbaar tikken van de oude klok en het gedreun van Adams gereedschappen. De nacht was zeer stil. Toen Adam omstreeks twaalf uren de deur opende om naar buiten te zien, scheen zich niets te bewegen dan alleen de glanzige, flikkerende sterren; elk grassprietje sliep.
Door lichamelijke overijling en inspanning worden in den regel onze gedachten zoo goed als op genade overgeleverd aan ons gevoel en onze verbeelding; zoo was het ook dezen nacht met Adam. Terwijl zijn spieren lustig voortwerkten, scheen zijn geest even
56
THUIS EN ZIJN HARTZBEK.
lijdelijk als een toeschouwer bij een diorama. Tooneelen van het treurig verleden, en van de waarschijnlijk treurige toekomst zweefden hem voorbij en verdreven in snelle opeenvolging het een na het ander.
Hij zag hoe het morgen-ochtend zijn zou, wanneer hij de kist naar Broxton zou hebben gebracht en vandaar thuis zou gekomen zijn om te ontbijten. Naar alle gedachten zou zijn vader het vertrek inkomen, den blik zijns zoons uit schaamte mijdend â hij zou gaan zitten, en er ouder en wezenloozer uitzien dan den morgen tevoren; hij zou het hoofd laten hangen en staren op de tichels van den vloer. En Lijsbeth zou hem vragen hoe hij wel dacht dat de kist was gereed gekomen, terwijl hij weggeslopen was en zijn werk ongedaan gelaten had. Want Lijsbeth, ofschoon zij schreide over Adams gestrengheid jegens zijn vader, was altijd de eerste om het woord van verwijt uit te spreken.
âZoo zal het voortgaan, altijd erger en erger,quot; dacht Adam; âwanneer een mensch eenmaal begonnen is naar beneden te glijden, is het niet mogelijk opnieuw tegen den heuvel op te klauteren, of stil te blijven staan.quot; En daarop kwam hem de tijd weder voor den geest, dat hij een kleine jongen was en naast zijn vader placht te gaan, trotsch dat hij werd medegenomen naar het werk, en nog trotscher omdat hij zijn vader tegen zijn medewerklieden hoorde pochen âdat de kleine knaap een buitengewoon goed begrip van timmeren had.quot; Wat een knap, werkzaam man was zijn vader toen. Wanneer men Adam destijds vroeg, wiens zoontje hij was, antwoordde hij met een gevoel als ware hij een kind van gegoeden huize: Ik ben de zoon van Thias Bede.quot; Hij hield zich overtuigd dat iedereen Thias Bede kennen moest; had zijn vader niet het bewonderenswaardig duivenhok gemaakt op de pastorie te Broxton'? Dat waren gelukkige dagen, vooral toen Seth, die drie jaren jonger was dan hij, ook mede naar het werk begon te gaan, en Adam tegelijk onderwijzer en leerling werd. Toen evenwel kwamen de treurige tijden, toen Adam omstreeks vijftien jaren oud was, en Thias naar de herbergen begon te loopen en thuis Lijsbeth begon te schreien, en haar klachten uit te storten in de tegenwoordigheid harer zonen. Adam herinnerde zich nog zeer goed den nacht van foltering en schaamte, toen hij zijn vader voor het eerst verwilderd en woest gezien had, bij tusschenpoozen een dronkenmanslied uitgalmend aan
57
THUIS EN ZIJN HAKTZEER.
den arm zijner makkers van den Omgevallen Wagen. Eens, toen hij nog pas achttien jaren telde, was hij in de morgenschemering het huis uitgeloopen, met een blauw bundeltje over den schouder en zijn timmermansschrijfboek in den zak, op vastberaden toon tot zichzelven zeggend, dat hij de ellende thuis niet langer verduren kon â dat hij zou gaan en zijn fortuin beproeven, dat hij zijn stok overeind zou zetten bij iederen kruisweg en zijn schreden zou wenden naar het oord dat de nedervallende stok hem zou aanwijzen. Doch toen hij te Stoniton kwam, werd de gedachte aan zijn moeder en aan Seth, die nu alles alleen zouden moeten verduren zonder hem, hem al te drukkend, en zijn besluit wankelde. Hij kwam den volgenden dag terug, doch de angst en schrik zijner moeder gedurende die twee dagen hadden haar sinds dien tijd steeds vervolgd.
âNeen!quot; zei Adam tot zichzelven dezen nacht, âdat moet nimmer weer gebeuren. Het zou slechte rekening geven, indien mijn daden werden opgetrokken ten laatsten dage, en mijn arme oude moeder aan den verkeerden kant kwam te staan. Mijn rug is breed genoeg, en sterk bovendien; ik zou niet beter dan een lafaard wezen, zoo ik wegliep en al het verdriet te dragen gaf aan hen, die er niet half zoo goed tegen bestand zijn. âDe sterken moeten de tekortkomingen der zwakken dragen, en niet zichzelven te wille zijn.quot; Bij dien tekst is geen kaars noodig tot toelichting; hij schijnt vanzelf. Wie in dit leven dit of dat naloopt, alleen om de dingen aangenamer en gemakkelijker voor zichzelven te maken, is op den verkeerden weg zoo goed als tweemaal twee vier is. Laat een zeug haar neus steken in den trog en aan niets daarbuiten denken, maar wie een hart in het lijf heeft, kan geen rust hebben zoo hij zijn eigen bed maakt en de andren op de steenen laat slapen. Neen, neen, nooit zal ik het juk van mijn hals afschuiven en de vracht laten voortsleepen dooide zwakken. Vader is mij een bitter kruis, en zal dat misschien nog menig jaartje zoo blijven. Een kruis? Welnu, ik heb de noodige gezondheid, de noodige kracht en den noodigen moed om het te dragen.quot;
Op dit oogenblik werd een luide slag gegeven op de deur, als met em wilgetak, en Presto, in plaats van te blaffen, zooals men zou verv;acht hebben, deed een doordringend gehuil hooren. Adam, zeer verschrikt, begaf zich terstond naar voren en deed open. Er was niets te zien; alles was stil, als toen hij aan de deur had gestaan een oogenblik te voren. De bladeren bewogen zich niet, en het star-
58
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
renlicht bescheen de rustige velden aan beide zijden van de beek zonder eenig teeken van zichtbaar leven. Adam wandelde het huis rond, doch zag steeds niets, behalve een rat die wegschool in de houtloods toen hij voorbijging. Zeer verwonderd ging hij weder naar binnen. Het geluid was zoo bijzonder, dat, zoodra hij het hoorde, hem aanstonds het beeld voor den geest stond van een wilgetak, slaande tegen de deur. Hij kon niet nalaten een oogenblik te rillen, toen hij zich herinnerde hoe zijn moeder hem menigmaal verteld had van juist zulk een teeken, als zijnde de aanduiding van iemands dood. Adam was er de man niet naar om zonder grond bijgeloovig te zijn; maar in zijn aderen vloeide het bloed van den boer, zoo goed als dat van den handwerksman, en een boer kan evenmin nalaten te gelooven aan erfelijke sprookjes, als een paard kan nalaten te beven op het zien van een kameel. Daarenboven behoorde hij van nature tot de zoodanigen, die gelijktijdig nederig zijn waar het verborgenheden, en scherpzinnig waar het wetenschap geldt. Zijn afkeer van leerstellig kerkgeloof ontsproot uit de diepte van zijn eerbiedig ontzag, evenzeer als uit zijn krachtig gezond verstand, en dikwijls beteugelde hij Seths beredeneerde mystiek met te zeggen: âVriend, het is een groote verborgenheid, gij weet er niet van af.quot; En zoo geschiedde het dat Adam tegelijkertijd een onderzoeker en lichtgeloovig was. Indien ergens een nieuw gebouw ware ingestort, en men in zijn tegenwoordigheid beweerd had dat ziilks een oordeel des Hemels was, hij zou gezegd hebben: , Wel mogelijk, maar de muren en het dak droegen niet gelijk, anders zou het niet naar beneden gekomen zijn.quot; Toch geloofde hij aan droomen en voorteekenen, en, zooals gij ziet, hij huiverde op het denkbeeld van den slag met den wilgetak.
Doch het beste tegengif tegen zijn ingebeelde vrees was dicht bij de hand: de noodzakelijkheid om gereed te komen met de kist. Tien minuten lang weergalmde zijn hamer zoo onophoudelijk voort, dat alle andere geluiden, indien ze zich hadden doen hooren, er door gesmoord moesten worden. Echter, er kwam een oogenblik van stilte toen hij zijn duimstok moest gebruiken, en wederom werd de zonderlinge slag gehoord, en wederom huilde Presto. In een oogwenk tijds was Adam aan de deur; doch ook nu was alles stil, en het sterrenlicht toonde dat er niets te zien was, behalve het dikbedauwde gras voor de woning-.
O O
59
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
Een oogenblik dacht Adam met onrust aan zijn vader, doch in de laatste jaren was deze nog nooit met den donker van Tred-dleston teruggekomen, en er bestond alle reden om te gelooven dat hij op dit oogenblik zgn roes uitsliep in den Omgevallen Wagen. Daarenboven, Adams voorstelling van de toekomst was zoo onafscheidelijk verbonden met het pijnlijk beeld van zijn vader, dat de vrees voor een ongelukkig toeval, dat dezen overkomen kon, verbannen werd door de veel dieper bij hem wortelende vrees voor des ouden Thias steeds toenemende verdierlijking. De eerstvolgende zijner invallende gedachten deed hem zijn schoenen uittrekken en zachtjes naar boven gaan, om te luisteren aan de deuren der slaapvertrekken. Doch beider ademhaling, van zijn moeder en van Seth, was rustig en regelmatig.
Adam kwam beneden en ging weder aan het werk, tot zich-zelven zeggend: âIk doe de deur niet weer open. Het geeft niet, als men al naar buiten kijkt om een geluid te zien te krijgen. Het is mogelijk dat er buiten ons een onzichtbare wereld bestaat, maar het oor is vlugger dan het oog en vangt nu en dan een klank van daarginder op. Sommige menschen verbeelden zich dat zij er ook iets van te zien krijgen; maar dat zijn meestal lieden, wier oogen hun tot niet veel anders van dienst zijn. Te zien wanneer een loodlijn recht hangt en wanneer niet, houd ik voor beter dan een geest te zien.quot;
Zulke gedachten plegen sterker en sterker te worden naarmate de rijzende dag de kaarsen uitdooft en de vogels beginnen te zingen. Tegen dat het roode zonlicht begon te schijnen op de koperen nagels, die de voorletters van den naam des overledenen op het deksel van de doodkist vormden, loste elk nog overgebleven voorgevoel omtrent het geluid van den wilgetak zich op in de zelfvoldoening dat het werk gereed en de belofte nagekomen was. Het was niet noodig, Seth te roepen; reeds hoorde men hem boven stommelen, en weldra kwam hij beneden.
âKomaan, jongen,quot; zei Adam, toen Seth verscheen, âde kist is klaar, en we kunnen haar naar Broxton brengen en terug zijn vóór half zeven. Even een stukje haverbak, en dan voort.'
De kist werd weldra geladen op de breede schouders van het broederenpaar, en met Presto op de hielen, namen zij hun weg de kleine houtplaats af en de laan op achter het huis. Broxton was ge-
60
THUIS ES ZIJN HARTZEER.
legen omstreeks een half uur ver aan den anderen kant van de glooiing tegenover hen, en hun weg kronkelde liefelijk door lanen en velden, waar de bleeke kamperfoelie en de wilde rozen geurden aan de heggen, en de vogels kweelden en tjilpten in de hooge, dicht-gebladerde takken van eiken en olmen. Het was een vreemd samengestelde schilderij: de frissche jonkheid van den zomermorgen met zijn paradijsachtigen vrede en liefelijkheid, de forsche kracht van de beide broeders in hun afgedragen werkpak, en de lange kist op hun schouders. Hun laatste halt hielden zij voor de deur van een kleine hoeve, aan deze zijde van het dorp Broxton. Te zes uren was de taak volbracht, de kist dichtgespijkerd, en waren Adam en Seth op weg naar huis. Zij kozen een korter pad, dat hun leiden moest door de velden tot aan gene zijde van de beek tegenover het huis. Adam had niet aan Seth medegedeeld wat er 's nachts gebeurd was, doch de indruk, die het voorgevallene op hem had gemaakt, was nog levendig genoeg om hem te doen zeggen:
âSeth, mijn jongen, zoo vader nog niet thuis mocht zijn tegen den tijd dat wij zullen ontbeten hebben, was het, dunkt mij, niet kwaad zoo gij even naar Treddleston liept om eens naar hem te kijken; dan kunt gij meteen het koperdraad meebrengen dat ik van noode heb. Bekommer u niet over een schoft werk; dat halen wij wel in. Wat dunkt u?quot;
âHeel goed,quot; zei Seth. âMaar zie eens wat zware wolken er zijn komen opzetten sinds wij uitgegaan zijn. Ik vrees dat wij nog meer regen krijgen zullen. Het zal er treurig uitzien met het hooien als de velden weder overstroomd worden. De beek is eivol; nog één dag regen en de plank loopt onder; kan zullen we moeten omloo-pen, den groeten weg langs.quot;
Zij staken nu de vallei door, en kwamen aan de weide waar de beek doorheen stroomde.
âWat ligt daar tegen den wilg aan?quot; ging Seth voort, sneller doorstappend. Adams hart klopte hem in de keel; de onbestemde angst omtrent zijn vader was veranderd in groote vrees. Hij gaf Seth geen antwoord, maar snelde vooruit, voorafgegaan door Presto, die onrustig begon te blaffen, en binnen een paar tellens stond hij aan de brug,
Dit was dan hetgeen het voorteeken beduidde, en de grijze vader, van wien hij weinige uren te voren met zekere hardheid tot zich-
61
THUIS EN ZIJN HAKTZEEK.
zeiven had gezegd, dat hij ongetwijfeld in het leven zou blijven om hem een doorn te zijn in het vleesch, was misschien op dit oogen-blik worstelend geweest met den dood! Dit was de eerste gedachte die Adam door de ziel vloog, vóór hij tijd had de jaste grijpen en het groote zware lichaam uit het water op te halen. Seth was reeds bij de hand en hielp hem, en toen zij het lijk tegen den oever hadden opgetrokken, bleven de beide zonen gedurende de eerste oogenblik-ken op hun knieën liggen en blikten met stomme ontzetting in de glazige oogen, vergetend dat er moest gehandeld worden, alles vergetend, behalve dat hun vader dood vooi hen lag uitgestrekt. Adam
was de eerste die sprak.
âIk loop naar moeder,quot; zei hij, overluid fluisterend. âIn een
oogenblik ben ik terug.quot;
Arme Lijsbeth was druk bezig met het ontbijt voor haar zonen gereed te maken, en de soep stond reeds te stoomen op het vuur. Haar keuken zag steeds zoo rein als zilver; doch dezen morgen was zij er meer dan gewoonlyk op gesteld dat haard en ontbijttafel een vriendelijk en uitlokkend aanzien hebben mochten.
âDe jongens zullen mooi honger hebben,quot; zei zij half overluid, terwijl zij in de soep roerde. Het is een heel eind naar Broxton, en een schrale wind daar over den heuvel, en dan die zware kist. Alevel, die is nog zwaarder met arme Rob Tholer er in. Ik heb in elk geval van morgen een schepje soep meer gekookt dan gewoonlijk. Misschien komt vader ook, een beetje later. Niet dat hij veel soep zal eten. Hij drinkt voor een halven shilling drank en spaart voor een halven stuiver soep uit, dat is zijn mannier van geld opleggen, zooals ik hem al zoo dikwijls voorgehouden heb, en hem waarschijnlijk wel weer herinneren zal voor de dag om is. De arme man! hij hoort het bedaard genoeg aan, dat moet gezegd zijn.
Doch nu hoorde Lijsbeth den zwaren tred van iemand die in volle vaart over de plaats liep, en zich snel omkeerend naar de deur, zac zij Adam binnenkomen, zóó bleek en ontdaan, dat zij een luiden kreet slaakte en op hem toeschoot nog vóór hij tijd had om te spreken.
âStil, moeder,quot; zei Adam op eenigszins schorren toon, âschrik niet. Vader is in het water gevallen. Misschien brengen wij hem wel weer bij. Seth en ik zullen hem in huis halen. Krijg een laken en warm dat bij het vuur.quot;
62
THUIS EN ZIJN HARTZEER.
Adam was overtuigd dat zijn vader werkelijk dood was, doch wist dat er geen ander middel bestond om zijn moeders heftige jammerklachten te onderdrukken, dan haar iets te doen geven, waaraan het denkbeeld van hoop verbonden was.
Hij ijlde naar Seth terug, en somber zwijgend hieven de beide zonen den treurigen last van den grond. De wijdgeopende oogen waren grijs als die van Seth, en hadden eenmaal met zachten trots neer-geblikt op de jongens, voor wie Thias later het hoofd gebogen had in schaamte. Seth had voornamelijk een gevoel van ontzetting en bezorgdheid over dit plotseling oproepen van zijn vaders ziel. Adams geest daarentegen snelde terug naar het verledene, als gedragen op de vleugelen van erbarmen en mededoogen. Wanneer de dood gekomen is, de groote Verzoener, is het nooit onze teederheid die ons berouwt, maar onze ongevoeligheid.
HOOFDSTUK V.
DE RECTOR.
Vóór twaalven waren er eenige zware regenbuien gevallen, en het water stond in diepe geulen aan beide zijden van de kiezelpaden in den tuin van de pastorie te Broxton. De groote provincie-rozen waren deerlijk gehavend door den wind en afgevallen door den regen, en de zaadbloemen met haar tengere stelen lagen neergeslagen op den grond, besmet met slijk. Een treurige morgen; want bijna was de tijd daar dat de hooi-oogst een aanvang nemen zou, en in plaats daarvan zouden de velden nu waarschijnlijk onderloopen.
Doch de menschen die een aangenaam thuis hebben, weten daar binnen genietingen te vinden, waaraan zij nooit zouden denken tenzij om den regen. Ware het geen natte morgen geweest, ds. Irwine zou niet in de eetzaal gezeten hebben, schaak spelend met zijn moeder; en hij houdt genoeg, beide van zijn moeder en van het schaakspel, om met deze vereenigde hulp eenige bewolkte uren zeer genoegelijk door te komen. Laat mij u genoemde eetzaal binnenleiden, en u voorstellen den weleerwaarden heer Adolphus Irwine, Rector van Broxton, Vicaris van Hayslope, Vicaris van Bly-
63
DE RECTOR.
the; een man, wien liet den gestrengsten kerkhervormer moeite zou gekost hebben zuur aan te zien, ondanks deze drievoudige kerkelijke betrekking die hij in zijn persoon âcumuleerdequot;. Wij zullen binnengaan zonder gerucht te maken, en stilstaan in den deurpost zonder den glanzig bruinen jachthond te wekken die ligt uitgestrekt voor den haard, met haar twee jongen naast zich; of anders den sluimerenden mops, met zijn zwart snoetje in de lucht â het evenbeeld van den slaperigen president eener dommelige vergadering.
De kamer is hoog en ruim, met een groot, diep uitgebouwd raam aan het eene einde; de muren zijn nieuw, zooals gij ziet, en nog on-geschilderd; het ameublement daarentegen, ofschoon oorspronkelijk kostbaar, is oud en versleten, en geen overgordijnen hangen voor het raam. Het amarante kleed over de eettafel is kaal genoeg, ofschoon het aangenaam afsteekt tegen de doodsche klem-van den pleister aan de muren; maar op dit kleed staat een massief zilveren schenkblad en daarop een waterkaraf; deze karaf is van denzelfden vorm als twee grootere, uitgestald op een buffet, en in wier middelvak een adellijk wapen zichtbaar is. Gij vermoedt aanstonds dat de bewoners der kamer meer aanzienlijk bloed dan schatten geërfd hebben, en het zou u niet verwonderen zoo een fijnbe-sneden neusvleugel en bovenlip het gelaat van den heer Irwine kenmerkten. Doch voor het tegenwoordige kunnen wij alleen zien dat hij een breeden, vlakken rug rijk is, benevens een overvloed van gepoederd haar, alles achterwaarts gekamd en vastgebonden met een zwart lint, welk overblijfsel eener uitgeleefde mode aanduidt dat hij althans geen jeugdig man is. Zoo straks zal hij zich wellicht omkeeren, doch intusschen kunnen wij een blik werpen op de statige oude dame tegenover hem, zijn moeder, een schoone bejaarde brunette, wier schitterende gelaatskleur goed uitkomt bij de dichte plooien van zuiver witte batist en kant om haar hoofd en hals. Haar gestalte is even slank, en even sierlijk gevuld als een standbeeld van Ceres, en haar donker gelaat, met den fijnen Eo-meinschen neus, den dichtgesloten trotschen mond, en het kleine, vurige, zwarte oog, is zoo levendig en sarcastisch van uitdrukking, dat ge haar onwillekeurig een spel kaarten tusschen de handen schuift, en haar u voorstelt als een waarzegster. De kleine, bruine hand, waarmede zij op dit oogenblik de koningin opheft, is versierd
64
DE RECTOB.
met paarlen, diamanten en turkoizen, en een groote, zwarte sluier is zeer zorgvuldig gedrapeerd over den bol van haar muts, en valt in scherp contrast neder langs de witte plooien om haar hals. Het moet tijd kosten, deze bejaarde dame te kleeden iederen morgen. Doch het schijnt een wet der natuur dat zij aldus gekleed is. Kennelijk is zij een dier kinderen van koninklijken bloede, die nooit hebben getwijfeld aan hun droit divin, en nooit iemand hebben ontmoet die overmoedig genoeg was om onderzoek te doen naar de geldigheid van dit hun recht.
âDaar, vriend Dauphin, zeg mij eens hoe dat heet,quot; zei de vorstelijke oude dame, terwijl zij haar koningin zeer bedaard op de uitgekozen plaats zette en haar armen over elkander kruiste. âIk zou ongaarne een woord uitspreken dat u displeizier deed.quot;
âO gij Spaansch heidinnetje, gij tooverheksje. Hoe kan een ge-loovig Christen u ooit een spel afwinnen? Ik had het bord moeten besprenkelen met wijwater, vóór wij begonnen. Gij hebt deze partij met geen eerlijke middelen gewonnen. Houd u maar niet alsof____quot;
âJa, ja, dat hebben de verslagenen altoos gezegd, sprekend van hun overwinnaars. Maar zie, daar schijnt de zon op het bord, om u zoo noodig nog duidelijker te doen zien wat dwazen zet gij hebt gedaan met dien pion. Kom, willen we een nieuw spel beginnen, opdat ge revanche kunt nemen?quot;
âNeen, moeder, nu het begint op te klaren zal ik u overlaten aan uw eigen conscientie. Wij moeten een weinig in de modder gaan plassen, moeten wij niet, Juno?quot; Dit gold den bruinen jachthond, die opgesprongen was op het hooren van de stemmen en nu liefkoozend zijn neus liet rusten op zijn meesters been. âMaar ik moet eerst naar boven, eens naar Anna gaan zien. Daareven, juist toen ik gaan zou, werd ik weggeroepen naar Tholers begrafenis.quot;
âGij zult er niets aan hebben, kind; zij kan niet met u spreken. Katherina zegt dat zij een van haar hevigste buien van hoofdpijn heeft vandaag.quot;
âO, zij heeft daarom niet minder gaarne dat ik eens naar haar kom kijken; zoo ziek is zij nooit, dat een bezoek van mij haar onverschillig is.quot;
Indien u bij ondervinding bekend is hoe menigmaal het spreken der menschen niets is dan gewoonte, of dan een doellooze aandrift om iets te zeggen, zal u het bericht niet verwonderen dat deze zelf-
ADAM BEDE. 5
65
DE BECTOB.
de tegenwerping gemaakt, en dit zelfde antwoord ontvangen was vele honderd malen in den loop der vijftien jaren dat Ds. Irwine's zuster sukkelend geweest was. Bejaarde dames met juweelen, en die 's morgens lang werk hebben met zich te kleeden, gevoelen somtijds weinig sympathie voor ziekelijke dochters.
Doch vóór ds. Irwine nog de daad bij het woord gevoegd had, en terwijl zijn hand nog bezig was Juno's kop te streelen, verscheen de knecht aan de deur en zei: âMet uw verlof, mijnheer; Jozef Rann wenscht u te spreken, indien u geen belet heeft.quot;
âLaat hem binnen komen,quot; zei mevrouw Irwine, haar breiwerk opnemend. âIk mag altijd gaarne hooren wat vriend Eann te zeggen heeft. Hij zal wel morsige voeten hebben; laat hij ze afvegen, Carrol.quot;
Eenige oogenblikken later versoheen baas Rann aan de deur met buiging op buiging, eene onderdanigheid, die ver van verzoenend werkte op Mops. Deze deed een doordringend geblaf hooren en snelde de kamer door om verkenning te doen van 's vreemde-lings beenen, terwijl Juno's jongen baas Ranns uitstekende kuiten en geribde kousen uit een meer sensueel dan oorlogzuchtig oogpunt beschouwend, gromden en tegen hem aanbuitelden met groot genot. Intusschen wendde ds. Irwine zijn stoel om en zei:
âWel, Jozef, iets bijzonders te Hayslope, dat gij in dit regenachtige weer naar hier komt geloopen? Ga zitten, ga zitten. Stoor u niet aan de honden; gebruik gerust uw hielen, althans in het vriendelijke. Hier, Mops, kleine schelm!quot;
Het is zeer genoeglijk, sommige menschen zich te zien omkee-ren, even genoeglijk als een plotselinge stroom van warme lucht in den winter, of het flikkeren van een vlammend vuurtje in de kille schemering. Ds. Irwine was een dier menschen. Hij geleek op zijn moeder, doch in den trant als het gelaat van een gestorven of afwezig vriend, zooals onze liefde zich dat voorstelt, op den vriend zeiven gelijkt. De lijnen waren zachter, de glimlach guller, de uitdrukking hartelijker. Ware de omtrek minder fijn besneden geweest, men zou ds. Irwine's tronie âeen prettig gezichtquot; hebben kunnen noemen; doch prettig was het juiste woord niet voor de mengeling van goedheid en hoofschheid die er op stond uitgedrukt.
âDank u, eerwaarde,quot; antwoordde baas Eann met een poging
66
DE BECTOK.
om onbekommerd te schijnen omtrent zijn beenen, maar ze beurtelings schuddend om de jonge honden van zich af te houden. âIk zal blijven staan, met uw verlof, dat voegt mij beter. Ik hoop dat u zelf en mevrouw Invine welvarend zijt, en dat het met juifrouw Irwine â juffrouw Anna, nog al gaat.
âJa, Jozef, dank u. Gij ziet hoe voortreffelijk mijn moeder er uitziet. Zij maakt ons jongelieden beschaamd. Maar wat is er aan de hand?quot;
âIk moest te Broxton wezen om eenig werk af te leveren, mijnheer, en ik dacht dat het niet meer dan billijk was dat ik eens aankwam om u te laten weten wat er is voorgevallen op het dorp; dingen, zooals ik er van mijn leven niet heb zien gebeuren, niettegenstaande ik er nu toch met aanstaanden Thomasdag al bijna zestig jaar gewoond heb, en de tienden heb opgehaald voor ds. Bliek, vóór uw eerwaarde hier kwam, en tegenwoordig ben geweest bij alle huwelijken en alle begrafenissen, en gezongen heb in het koor lang voor Bartle Massey hier gekomen is â niemand weet waar vandaan â met zijn tweede-partij-zingen en zijn mooie melodieën, die iedereen in de war brengen behalve hem zeiven â want de menschen loopen tegenwoordig elkander al zingend na, als blatende schapen in de kooi. Ik weet wat een koster en voorzanger betaamt, en ik weet dat ik te kort zou doen aan mijn respect voor uw eerwaarde, en voor de kerk, en voor den koning, als ik zulke dingen liet begaan zonder spreken. Ze hebben mij overrompeld; ik heb er van te voren niets van geweten, en ik was zoo ontsteld, dat ik stond te kijken alsof ik mijn gereedschap verloren had. Ik heb gedurende den geheelen nacht niet meer dan vier uren geslapen, en wanneer ik sliep, werd ik vervolgd door de nachtmerrie, hetgeen mij nog veel meer vermoeide dan wakker liggen.quot;
âWat ter wereld is er dan gebeurd. Jozef?quot; Hebben de dieven weder aan het lood van het kerkdak gezeten?quot;
âDieven? Neen, mijnheer â en toch mag ik wel zeggen het z ij n dieven, en het is de kerk bestelen dat ze doen. Het zijn de Methodisten, en tenzij uw eerwaarde en zijn edele squire Donni-thorne er een woordje van zeggen en het verbieden, zullen ze weldra in de gemeente het hoogste woord hebben. Niet dat ik u de wet wil stellen, mijnheer, ik zal mij zeiven niet zoo ver vergeten van
5*
67
DB BECTOE.
wijs te willen zijn boven mijn meerderen. Doch wijs of onwijs, wat ik te zeggen heb, zeg ik â dat de jonge Methodisten vrouw, die bij boer Poyser gelogeerd is, gisteravond heeft staan preeken en bidden op het Groen, zoo zeker als ik hier nu voor uw eerwaarde sta.quot;
âGepreekt op het Groen,quot; zei ds. Irwine met een verwonderd, maar uiterst bedaard gezicht. âWat, dat blseke, mooie, jonge meisje dat ik bij Poyser gezien heb? Aan haar kleeding zag ik dat zij een Methodiste, een Kwakeres, of iets dergelijks moest zijn, maar ik wist niet dat zij een oefenaarster was.quot;
âHet is waar wat ik u zeg, mijnheer,quot; hernam baas Rann, zijn lippen plooiend in den vorm van sen halven cirkel, en lang genoeg zwijgend om aan drie uitroepingsteekens te doen denken. âZij preekte op het Groen, gisteravond, en zij pakte Dirks Bette zoo geducht aan, dat het meisje al den tijd tot nu toe van 'erzelve heeft gelegen.quot;
âNu, Betsy Cranage ziet er frisch en gezond uit, die zal wel weer bijkomen. Jozef. Zijn er buitendien nog andere menschen flauw gevallen?quot;
âNiet dat ik weet, mijnheer. Maar men kan niet weten wat gebeuren zal, als zulk gepreek moet blijven voortgaan alle weken â het zal niet om te harden zijn in het dorp. Want de Methodisten maken aan de menschen wijs dat als ze maar één slokje extra nemen, of 'reis een kleine verheuging aanhebben, ze naar de hel zullen varen, zoo zeker als ze eenmaal geboren werden. Ik ben geen drinkebroer of geen dronkaard â niemand kan dat van mij zeggen â maar ik mag wel een vierendeeltje met Paschen of Kersftijd, zooals niet meer dan natuurlijk is wanneer wij zingende de ronde doen langs de huizen en de menschen het ons presenteeren voor niemendal; of anders wanneer ik de belasting ophaal; ik houd van een kan bier onder het rooken van mijn pijp, en van een buurpraatje bij baas Casson nu en dan; want ik ben in de Landskerk grootgebracht. Godlof, en ben nu al twee en dertig jaar lang voorzanger geweest; ik dien dus wel te weten wat de godsdienst van de kerk is.quot;
âNu, wat is uw raad dan. Jozef? Wat dunkt u dat moest gedaan worden?quot;
âWel, uw eerwaarde, ik zou er niet vóór zijn iets te doen tegen de jonge vrouw. Ze is heel geschikt, zoo ze haar gepreek maar na-
68
DE KECTOR.
liet, en ik hoor buitendien dat ze spoedig naar haar eigen land zal terugkeeren. Ze is Poysers eigen nichtje, en ik zou niets onbetamelijks willen zeggen van de familie op de hoeve, want ik heb er schoenen aangemeten, groot en klein, al haast zoo lang als ik schoenmaker geweest ben. Maar daar hebt ge dien William Maskery, mijnheer, een woester Methodist dan er één leeft. Ik twijfel geen oogenblik of hij is het geweest die de jonge vrouw heeft aangezet om te preeken gisteravond, en hij zal nog andere lieden van Treddleston laten overkomen om te preeken, tenzij hij eens fiks op zijn plaats worde gezet. Mij dunkt, men moest hem laten weten dat hij gedaan zal krijgen met maken en repareeren van wagens en tuigen voor de kerk, laat staan dat hij geen huurder kan blijven van dat huis en erf dat het eigendom is van squire Donni-thorne.quot;
âMaar gij zegt zelf, Jozef, dat gij te voren nooit iemand op het Groen hebt hooren preeken, waarom denkt gij dan dat zij nu terug zullen komen? De Methodisten gaan niet preeken in dorjsjes zoo klein als Hayslope, waar zij nauwlijks een handvol daglooners vinden om naar hen te luisteren. Zij zouden bijna even goed op de heuvels te Binton kunnen gaan preeken. William Maskery is toch zelf geen oefenaar, wel?quot;
âNeen, mijnheer, hij is niet genoeg bij de hand om de woorden samen te voegen zonder een boek voor zich; hij zou blijven steken als een koe in de natte klei. Maar zijn tong is rad genoeg om onbetamelijk over zijn naasten te spreken. Hij zegt dat ik een blinde Parizeer ben. Foei, den Bijbel te durven gebruiken om er scheldnamen in te zoeken voor zijn ouderen en meerderen. En wat erger is, men heeft hem zich zeer onbehoorlijk hooren uitlaten over u. Ik zou menschen hier kunnen brengen die zouden kunnen bezweren dat hij u een âstommen hondquot; en een âluien herderquot; genoemd heeft. Vergeef mij dat ik zulke dingen overzeg.quot;
âGij deedt beter van niet, beter van niet. Jozef. Laat kwade woorden begraven worden zoo ras zij gesproken zijn. William Mas. kery zou een veel slechter mensch kunnen zijn dan hij is. Hij placht een onbehouwen deugniet van een dronkaard te wezen, die zijn werk verzuimde en zijn vrouw sloeg, zegt men; nu is hij ijverig en ingetogen, en hij en zijn vrouw zien er uit alsof zij het goed kunnen vinden samen. Indien gij mij eenig bewijs kunt leveren dat hij het
69
DE RECTOR.
â¢zijne buren lastig maakt, of op de een of andere wijs stoornis veroorzaakt, dan zal ik het mijn plicht rekenen als predikant en magistraat, tusschenbeide te komen. Maar het betaamt niet aan wijze menschen, zooals gij en ik, groote beweging te maken over kleinigheden, als dachten wij dat de kerk in gevaar was omdat William Maskery's tong een weinig dubbel slaat, of omdat een jonge vrouw een ernstig woord spreekt tot een handvol menschen op het Groen. Wij moeten âleven en laten levenquot;, Jozef, in den godsdienst zoowel als in andere dingen. Ga gij voort met als voorzanger en koster uw plicht te doen, gelijk voorheen, en maak steeds voor uw evenmensch zulke kostelijke zware schoenen als te voren; dan zullen de dingen zoo heel verkeerd niet loopen in Hayslope, wees daar gerust op.quot;
âHet is heel vriendelijk van uw eerwaarde, zoo te spreken, en ik gevoel wel, omdat u niet in de gemeente woont, dat er des te meer zorgen op mijn schouders rusten.quot;
âZeer zeker, en bedenk dat gij de Kerk niet in de schatting der lieden verlagen moogt door den schijn aan te nemen alsof een kleinigheid u voor haar bestaan deed beven. Jozef. Ik vertrouw daarom op uw gezond verstand, dat gij volstrekt geen acht zult slaan op hetgeen William Maskery zegt van u of van mij. Gij en uw buren kunt als goede Christenen voortgaan uw kan bier met mate te gebruiken, wanneer gij uw dagwerk hebt afgedaan, en zoo William Maskery zich niet bij u voegen wil, maar in plaats daarvan liever naar een bidstond te Treddleston gaat, laat hem met vrede; gij hebt er niet mede te maken, zoo lang hij u niet verhindert te doen wat gij verkiest. En wat aangaat of de menschen een los woord of wat van ons zeggen, daaraan moeten wij ons niet storen, evenmin als de oude toren er zich aan stoort dat de kraaien om hem heen krassen. William Maskery komt el-ken Zondag-namiddag te kerk, en houdt zijn wagenmakerij ijverig gaande in de week, en zoolang hij dat doet, moet men hem zijn gang laten gaan.quot;
âJawel, mijnheer, maar als hij te kerk komt, zit hij zijn hoofd te schudden en kijkt zoo zuur als azijn onder het zingen. Ik zou in staat zijn om hem een slag in zijn bakhuis te geven â God vergeve mij â en mevrouw Irwine en uw weleerwaarde â dat ik het woord gebruiken durf. En hij heeft gezegd dat ons kerkge-
70
DE RECTOR.
zang niet beter was dan het knetteren van doorntakken onder een ijzeren pot.quot;
âWel, dan heeft hij een slecht oor voor muziek, Jozef. Aan menschen met houten hoofden is geen goed te doen, zooals gij weet. De lieden te Hayslope zal hij niet tot zijn meening overhalen, indien gij slechts voortgaat met zingen zoo voortreffelijk als tot heden.quot;
âJa, mijnheer, maar het hart keert iemand toch om in het lijf wanneer men de Schrift zoo hoort misbruiken. Ik ken evengoed bijbelplaatsen van buiten als hij, en zou de Psalmen van het begin tot het einde kunnen opzeggen in mijn slaap, als men mij maar even aanstootte: maar ik zal mij wel wachten mij er van te bedienen als van mijn eigen spraak. Ik zou evengoed den avondmaals-beker kunnen meenemen naar huis en gebruiken hem bij mijn middag-eten.quot;
âDat is zeer juist aangemerkt, Jozef; maar, zooals ik begon te zeggen . .
Terwijl ds. Irwine sprak, hoorde men een geluid van laarzen en sporen op den steenen vloer van de vestibule, en Jozef Kann trad haastig weg uit den deurpost, om plaats te maken voor iemand die daar een oogenblik stilhield en met een heldere tenorstem vroeg:
âMag het peetekind binnenkomen?quot;
âKom binnen, Arthur, kom binnen,quot; antwoordde mevrouw Irwine op den diepen, halfmannelijken toon die eigen is aan deze krachtige oude dame; en binnen trad een jong edelman in rijgewaad, met den rechterarm in een zijden doek. Toen volgde die aangename verwarring van lachende uitroepen, en handen drukken, en âhoe gaat het u's?quot; vermengd met het vroolijk geblaf en gekwispelstaart van de kwispelstaartende en blaffende leden des gezins, hetwelk aanduidt dat bezoeker en huisgenooten met elkander op den besten voet verkeeren. De jonge edelman was Arthur Donnithorne, te Hayslope bekend onder den naam van âden Jongenheerquot;, âden Erfgenaamquot; en âden Kapiteinquot;. Hij was slechts kapitein bij de militie van Loamshire, doch in de oogen van de bewoners van Hayslope was hij een geheel ander kapitein dan alle mogelijke jongelieden van denzelfden rang in Zijner Majesteits leger; hij overscheen hen zooals de planeet Jupiter den Melkweg
71
DE RECTOR.
overschijnt. Wenscht gij nadere bijzonderlieden omtrent zijn uitzicht, roep dan voor uw geheugen terug dezen of genen jongen Engelschman, met blonden knevel, bruine lokken en frissche gelaatskleur, zooals gij er meer dan één hebt ontmoet in de een of andere vreemde stad buitenslands, en op wien gij trotsch waart omdat hij uw landgenoot was â welgekleed, welgemanierd, met fraaie witte handen, en er toch naar uitziende om zijn man te staan en hem desnoods ter aarde te werpen. Mijnerzijds zal ik mij niet aanstellen als een kleedermaker en uw verbeelding doo-den met het verschil van kostuum uit te meten, of stil te staan bij het gestreepte vest, den rok met lange panden, en de lange kaplaarzen.
Zich omkeerend om een stoel te krijgen, zei kapitein Donni-thorne: âMaar laat mij Jozef niet storen in zijn afdoening van zaken; hij heeft iets op het hart.quot;
âIk vraag uw edelachtbare nederig verschooning,quot; zei Jozef met een diepe buiging; âéén ding moet ik nog aan zijn eerwaarde berichten, dat ik anders bijna vergeten zou hebben.quot;
âVoor den dag er mee. Jozef, spoedig! zei ds. Irwine.
âWaarschijnlijk, mijnheer, hebt gij nog niet gehoord dat Thias Bede dood is â verdronken â dezen eigen morgen of waarschijnlijker van nacht, in de wilgenbeek, bij de brug recht tegenover zijn huis.quot;
âWat zegt gij daar?quot; riepen de beide heeren gelijktijdig, als stelden zij groot belang in deze mededeeling.
âEn Seth Bede is van ochtend bij mij geweest om mij te verzoeken aan uw eerwaarde te zeggen, dat zijn broeder Adam u vriendelijk vergunning vraagt, zijn vader te mogen begraven onder den Witten Hagedoorn, omdat zijn moeder haar hart op dat plekje gezet heeft, tengevolge van een droom, en zij zouden zei ven wel gekomen zijn om u dat te vragen, maar zij hadden het te druk met de lijkschouw als anderszins, en hun moeder is erg ongerust en wil volstrekt dat zij zich van dat plekje verzekeren zullen, uit vrees dat een ander haar vóór zal zijn. Zoo uw eerwaarde het goed vindt, zal ik hun mijn jongen zenden zoodra ik thuis kom; daarom ben ik zoo vrijpostig, u met dit verzoek lastig te vallen in tegenwoordigheid van zijn edelachtbare.quot;
. âZeker, Jozef, zeker, zij zullen het graf hebben. Ik zal zelf
72
DE RECTOR.
eens bij Adam aanrijden en zien hoe hij het heeft. Zend daarom niettemin uw jongen, en laat hem weten dat zij kunnen rekenen op het graf; ik mocht eens opgehouden worden. En nu, goeden morgen, Jozef, ga naar de keuken en vraag een glas bier.quot;
âArme oude Thias!quot; zei ds. Irwine, toen Jozef vertrokken was. âIk vrees dat de drank al zooveel schuld heeft aan zijn dood als de beek. Ik zou gaarne gezien hebben dat mijn vriend Adam op een minder smartelijke wijze ontheven ware geworden van zijn kruis. Die voortreifelijke knaap heeft gedurende de laatste vijf of zes jaren onafgebroken zijn best gedaan om zijn vader van het verderf te redden.quot;
âHet is een juweel van een kerel, die Adam,quot; zei kapitein Don-nithorne. âToen ik een kleine jongen was en Adam een lange knaap van vijftien jaar, en hij mij timmeren leerde, placht ik te denken dat, zoo ik ooit een rijke sultan werd, ik van Adam mijn Groot-vizier maken zou. En ik geloof dat hij die weelde zou gedragen hebben met even sterke beenen als de wijste man in de Oostersche geschiedenis. Zoo ik ooit een man word met een aantal bunders land in plaats van een armen drommel met verhypothekeerd zakgeld, zal Adam mijn rechterhand zijn. Hij en niemand anders zal mijn bosschen administreeren, en ik ben overtuigd dat hij er tweemaal het geld van zou maken dat mijn grootvader doet, met dien ellendigen ouden Satchell tot rentmeester, die net zooveel begrip van timmerhout heeft als een bejaarde snoek. Ik heb al een paar malen met mijn grootvader over dit onderwerp gesproken, maar om de een of andere reden mag hij Adam niet lijden, en zelf kan ik niets doen. Maar komaan, dominé, wat dunkt u van een ritje? Het is prachtig buiten, op dit oogenblik. Wij kunnen samen bij Adam aanrijden, zoo gij wilt, maar ik moet ook even op de hoeve wezen, om te zien naar de jonge honden die Poyser voor mij verzorgt.quot;
âGij moet blijven en eerst met ons dejeuneeren, Arthur, zei mevrouw Irwine. âHet is nagenoeg twee uur. Carrol zal zoo aanstonds komen klaarzetten.quot;
âIk moet ook op de hoeve wezen, zei ds. Irwine, om nog eens een kijkje te nemen van het kleine Methodistje dat daar gelogeerd is. Jozef vertelt mij dat zij op het Groen gepreekt heeft gisteravond.quot;
73
DE KECTOB.
.Waarlijk?quot; vroeg kapitein Donnithorne lachend. âNu, zij ziet er uit zoo onschuldig als een muisje. En toch is er iets bijzonders aan haar. Ik voelde mij duchtig bedremmeld de eerste maal dat ik haar zag: zij zat heengebogen over haar handwerk in den zonneschijn buiten de deur, toen ik de plaats opreed en, zonder op te merken dat zij een vreemde was, overluid vroeg; âIs Martin Poyser thuis?quot; Ik verklaar u, toen zij opkeek en mij aanzag en eenvoudig antwoordde: âHij is binnen, geloof ik, ik zal hem gaan roepen,quot; schaamde ik mij, zoo onbeleefd tegen haar geweest te zijn. Zij zag er uit als Sint Katherijne in kwakerkostuum. Het is een type van een gelaat dat men zelden ziet onder onze lagere klassen.quot;
âIk zou de jonge vrouw ook wel eens willen zien. Dauphin.quot; zei mevrouw Irwine. âLaat haar eens hier komen onder een of ander voorwendsel.quot;
âIk zou niet weten hoe dat te schikken, moeder; het zou mij kwalijk voegen een Methodisten-preekstertje te patroneeren, gesteld ook dat zij er in bewilligde gepatroneerd te worden door een luien herder, zooals William Maskery mij noemt. Gij hadt een beetje vroeger moeten komen, Arthur, om Jozefs aanklacht te hooren tegen zijn buurman William Maskery. De oude knaap wil dat ik den wagenmaker in den ban zal doen en hem voorts zal overleveren aan de civiele macht â dat wil zeggen aan uw grootvader â met verzoek hem uit zijn huis en erf te verjagen. Wilde ik mij met deze zaak bemoeien, ik zou een modelgeschiedenis kunnen leveren van haat en vervolging, zoo fraai als de Methodisten slechts kunnen wenschen voor het eerstvolgend nommer van hun tijdschrift. Het zou mij weinig moeite kosten, aan Dirk Cranage, en een half dozijn andere heethoofden, wijs te maken dat zij een uitmuntenden dienst aan de Landskerk zouden bewijzen door William Maskery met een eind touw en een hooivork het dorp uit te jagen, en had ik hun dan een halven sovereign gegeven om zich eens fiks te bedrinken na den arbeid, ik zou een kroon hebben gezet op een vertooning, prachtiger dan één van mijn geestelijke broeders in de laatste dertig jaren heeft aangericht.quot;
âHet is toch wezenlijk onbeschaamd van den man, u âeen luien schaapherderquot; en âeen stommen hondquot; te noemen,quot; zei mevrouw Irwine. âIk zou wel lust hebben hem dat te beletten. Gij zijt al te zachtmoedig. Dauphin.quot;
74
DE BECTOB.
âMaar, moeder, gij meent toch niet dat het een geschikt middel zijn zou om mijn waardigheid op te houden, indien ik mij ging verdedigen tegen de lastei-ingen van William Maskery? Daarenboven, ik ben nog niet zoo zeker dat het lasteringen z ij n. Ik b e n een luiaard, en begin schrikkelijk zwaar te worden in den zadel, laat staan dat ik tegenwoordig meer vermetsel en vertimmer dan mijn middelen gedoogen, zoodat ik bang ben voor den eersten bedelaar den besten die mij een halven shilling vraagt. Die magere stumpers van Methodisten, die meenen dat zij het menschdom kunnen helpen zich te bekeeren door 's morgens vóór hun dagwerk in de schemering te gaan staan preeken, moeten wel een min denkbeeld van mij hebben. Maar komaan, laat ons ontbijten. Komt Katherina niet beneden?quot;
âJuffrouw Katherina heeft Brigitta gelast haar ontbijt boven te brengen,quot; zei Carrol; âzij wilde juffrouw Anna niet alleen laten.quot;
âO, zeer goed. Laat Brigitta aan juffrouw Katherina zeggen dat ik zoo aanstonds boven kom om naar juffrouw Anna te zien. Gij kunt uw rechterarm nu weder goed gebruiken, nietwaar Arthur?quot; ging ds. Irwine voort, opmerkend dat kapitein Donnithorne zijn arm uit den doek genomen had.
âJa, vrij goed; maar Godwin staat er op dat ik hem gedurende eenigen tijd nog altijd in dien doek draag. Ik hoop niettemin in staat te zijn, tegen het begin van Augustus weder naar mijn regiment terug te keeren. Het is radeloos vervelend, 's zomers opgesloten te zitten op het kasteel, zonder te kunnen jagen of schieten en zoodoende 's avonds behoorlijk slaap te krijgen. Evenwel, den â SOsten Juli zullen de echo's ervan gewagen. Mijn grootvader heeft mij carte blanche gegeven voor deze enkele maal, en ik beloof u dat het feest de plechtigheid van het oogenblik zal evenaren. De wereld zal het groote tijdstip van mijn meerderjarigheid geen tweemaal beleven. Reken er op dat ik een indrukwek-kenden troon voor u oprichten zal, beste peetmoeder, of liever twee, één aan het einde van de laan en één in de balzaal. Dan kunt gij als een Olympische godin uit de hoogte op ons neder-zien.quot;
âIk zal mijn beste brocade voor den dag halen, dezelfde die ik heb aangehad toen gij gedoopt werdt, twintig jaren geleden,quot; zei mevrouw Irwine. âMij dunkt, ik zal uw arme moeder meenen te
75
DE RECTOR.
zien rondzweven in liaar wit kleedje, dat op mij dien dag bijna den indruk maakte van een lijkkleed; en het werd een lijkkleed, slechts drie maanden later. Uw mutsje en uw doopjapon werden met haar begraven in dezelfde kist. Daar had zij haar hart op gezet, het lieve schepseltje! Goddank dat gij naar de familie van uw moeder aardt, Arthur. Waart gij een nietig, teer, geel wormpje geweest, ik zou geen peet over u hebben willen wezen. Ik zou dan zeker geweest zijn dat er een Donnithorne uit u groeien moest. Maar gij waart zulk een luidruchtige schelm, met zulk een breed gezicht en zulke breede borst, dat ik wel wist dat er een Tradgett in u stak, met vleesch en bloed.quot;
âDaar zoudt gij u toch wel eens in kunnen vergist hebben, moeder,quot; zei ds. Irwine glimlachend. âHerinnert gij u hoe het was met Juno's laatste jongen? Een van hen geleek sprekend op zijn moeder, maar hij had toch een paar streken van zijn vader weg. De natuur is slim genoeg om zelfs u beet te nemen, wijze moeder.quot;
âGekheid, kind. De natuur maakt van haar leven geen windhond in den vorm van een kees. Gij zult mij nooit op den mouw spelden dat ik de menschen niet kennen kan aan hun uiterlijk. Zoo iemands uitzicht mij niet bevalt, wees verzekerd dat ik nimmer van hem houden zal. Ik wil niet omgaan met menschen die er leelijk en onaangenaam uitzien, evenmin als ik wil proeven uit een schotel die onoogelijk is toebereid. Doet de schotel mij walgen op het eerste gezicht, dan zeg ik: neem weg. Een leelijke oogopslag, als van een varken of een kabeljauw, maakt mij ziek. Het is als een onaangename lucht.quot;
âVan oogen gesproken,quot; zei kapitein Donnithorne, âdit doet mij denken aan een boek dat ik ontvangen heb en dat ik van plan was mede te brengen, peetmoeder. Het is dezer dagen medegeko-men in een pakje uit Londen. Ik weet dat gij veel houdt van vreemde toovergeschiedenissen. Het zijn gedichten, âLyrische Balladenquot; zoogenaamd; de meeste komen mij voor, onbeduidende rijmelarij te zijn; maar de allereerste is beter kost â âDe oude Zeemanquot;, zoo is de titel. Ik kon nauwelijks kop of staart aan de historie maken, maar het is een vreemd en treffend geval. Ik zal het u zenden. Er zijn in het pakje ook nog eenige andere boeken die gij misschien gaarne eens zoudt inzien, Irwinè â vlug-
76
DB RECTOR.
schriften over Antinomianisme en Evangelicalisme, of hoe ze hee-ten mogen. Ik weet niet hoe de man er aan komt, om mij zulke dingen te sturen. Ik heb hem geschreven, mij voortaan geen boek of vlugschrift te zenden, of wat het ook zijn moge, dat uitgaat op isme.quot;
âNu, ik kan niet zeggen dat ik zelf veel houd van ismen, maar ik wil de brochures toch wel eens doorbladeren; zij houden ons op de hoogte van hetgeen er omgaat. Ik heb nog een klein zaakje af te doen, Arthur,quot; ging ds. Irwine voort, opstaande om de kamer te verlaten, âen dan ben ik gereed om met u uit te gaan.quot;
De kleine zaak die ds. Irwine had af te doen, voerde hem naar boven langs de oude steenen trap â een gedeelte van het huis was zeer oud â en deed hem stils Laan voor een deur waaraan hij zacht aanklopte. âBinnen,quot; zei een vrouwenstem, en hij trad een kamer in,quot; zoo donker gemaakt door gordijnen en luiken, dat juffrouw Ka-therina, de tengere dame van middelbaren leeftijd die bij het bed stond, het noodige licht niet zou gehad hebben voor eenigen anderen arbeid dan voor het breiwerk naast haar op het kleine tafeltje. Doch op dit oogenblik deed zij iets dat slechts weinig licht ver-eischte â met verkoelende azijn bette zij het lijdende hoofd op het kussen. Het was een klein gelaat, het gelaat van de arme lijderes; misschien had het eenmaal een lieve uitdrukking gehad; thans evenwel zag het vervallen en bleek. Katherina naderde haar broeder en fluisterde: âSpreek niet tot haar; zij kan niet velen dat men haar toespreekt vandaag.quot; Anna's oogen waren gesloten en haar wenkbrauwen samengetrokken als in hevige pijn. Ds. Irwine trad naar het bed, nam een der tengere handjes tusschen de zijne, en kuste dat. Een zachte druk van de dunne vingers bewees hem dat de moeite, die hij zich gegeven had om de lijderes te komen bezoeken, niet onopgemerkt of onbeloond was gebleven- Nog een oogenblik bleef hij naar haar staan zien, keerde zich toen om, en verliet de kamer onhoorbaar zacht loopend â hij had zijn laarzen uit- en zijn pantoffels aangetrokken voor hij naar boven ging. Wie zich herinnert wat aantal dingen hij in dit leven heeft nagelaten te doen, zelfs wanneer het eigenbelang er in betrokken was, liever dan de moeite te nemen, zijn laarzen uit- of aan te trekken, zal deze laatste bijzonderheid niet onbeduidend noemen.
En dan, de zusters van ds. Irwine â elke dame van fatsoen tien
77
DE RECTOK.
78
mijlen in den omtrek van Broxton zou het hebben kunnen getuigen -waren zulke onnoozele, onbeduidende vrouwen! Het was zonde dat de schoone en schrandere mevrouw Irwine zulke alledaagsehe dochters ter wereld gebracht had. Deze hoffelijke, bejaarde dame zelve â waarlijk, het was vele mijlen reizens waard haar te komen zien. in elk seizoen. Haar schoonheid, haar altoos heldere geestvermogens, haar voorvaderlijke deftigheid maakten haar tot een zeer behaaglijk onderwerp van gesprek, in welk voorrecht zij deelde met den gezondheidstoestand des Konings, met de fraaie nieuwe patronen der katoenen kleedjes, met de jongste tijdingen uit Egypte, en met lord Dacey's rechtsgeding, waarover de arme lady Dacey, zich doodkniesde. Maar aan niemand viel het ooit in, melding te maken van de juffrouwen Irwine, uitgezonderd aan de arme lieden in het dorp Broxton, die haar beschouwden als zeer ervaren in de medicijnen, en van haar spraken onder den algemeenen naam van âde dames.quot; Had iemand den ouden Job Dummilow gevraagd wie hem zijn flanellen borstrok gegeven had, hij zou geantwoord hebben: âde dames, verleden winter,quot; de weduwe Steene harerzijds roemde zeer âhet goedquot; dat de dames haar gegeven hadden tegen den hoest. Onder dezen toenaam werden zij tevens met uitstekend goed gevolg gebruikt als een middel tot beteugeling van weerbarstige kinderen, zoodat op het zien van arme Anna's bleek gelaat meer dan één kleine deugniet tot de schrikwekkende bewustheid kwam dat miss Anna bekend was met zijn onbetamelijkste gedragingen, en het juiste getal wist van de steentjes waarmede hij van plan was geweest boer Brittons eenden te molesteeren. Doch in de schatting van al degenen die haar in een minder fabelachtig licht beschouwden, was het bestaan van de juffrouwen Irwine een volmaakte overtolligheid; figuren die, in tegenspraak met alle regelen der kunst, het doek des levens vulden zonder behoorlijk effect. Had men Anna's chronische hoofdpijnen kunnen toeschrijven aan de roerende geschiedenis eener teleurgestelde liefde, zij zou er een zekere romantische belangwekkendheid bij gewonnen hebben; doch omtrent Anna was zulk een geschiedenis nooit bekend geweest en ook nooit uitgedacht geworden, en de openbare meening aangaande haar stemde getrouwelijk overeen met het feit, dat de beide zusters alleen daarom oude vrijsters waren geworden, omdat zij nooit een aannemelijk aanzoek ontvangen hadden.
DE HECTOR.
79
Desalniettemin â men vergeve ons deze paradox â het bestaan van onbeduidende lieden sleept in deze wereld zeer belangrijke gevolgen na zich. Men zou er van kunnen aantoonen dat het van invloed is op den prijs van het brood en op den stand der werk-loonen; dat het te voorschijn roept veel uitbarstingen van kwaad humeur bij de zelfzuchtigen, en veel opwellingen van edelmoedigheid bij de barmhartigen, en dat het, in nog veel andere opzichten, schier een hoofdrol speelt in de tragediën des levens. Had onze welgebouwde en teerhartige vriend, ds. Adolphus Irwine, niet te zorgen gehad voor deze twee hopeloos-ongehuwde zusters, zijn levenslot ware dan wellicht geheel anders uitgevallen. Waarschijnlijk zou hij dan een lieve vrouw getrouwd hebben in de dagen zijner jeugd, en op zijn tegenwoordigen leeftijd, nu zijn haren begonnen te grijzen onder het poeder, vader geweest zijn van kloeke zonen en bloeiende dochters â bezitter, om kort te gaan, van die zekere goederen, waarvan de mensch pleegt te gelooven dat zij hem zullen troosten van al den arbeid dien hij verricht onder de zon. Zooals de zaken stonden â want ondanks zijn drievoudige standplaats had hij niet meer dan zevenhonderd pond inkomen en zag hij geen middel om èn zijn weelderige moeder èn zijn ziekelijke zuster, niet te vergeten nog zijn andere zuster, zonder bijvoeglijk naamwoord, te onderhouden op den voet dien haar geboorte en vroegere gewoonten eischten, èn nog daarenboven te zorgen voor een eigen gezin â was hij, zooals men ziet, acht en veertig jaren oud geworden zonder te huwen; een zelfverloochening waarop hij zich weinig liet voorstaan, lachend zeggende, wanneer er in zijn tegenwoordigheid op gezinspeeld werd, dat zijn oudevrijersstaat de paspoort was voor eene menigte kleine losbandigheden, die een vrouw nooit in hem geduld zou hebben. En misschien was hij de éénige mensch op aarde die zijn zusters niet onbeduidend of overkompleet vond, want hij was een dier grootmoedige en liefdevolle naturen, die niet afweten van kleingeestigheid of wrok; een epicurist, zoo gij wilt, een man zonder geestdrift, zonder hooggespannen plichtsgevoel, maar niettemin, gelijk gij zaagt, fijngevoelig genoeg om onuitputtelijke deernis te betoonen met verborgen en eenzelvig lijden. Wat hem de hardvochtigheid zijner moeder ten aanzien van haar dochters onopgemerkt deed laten â een koelheid te treffender door het contrast dat zij vormde met de overdreven teederheid waarvan hijzelf
DB RECTOB.
het voorwerp was â was de grootmoedige aard zijner toegevendheid. Hij achtte het geen deugd, stuursch te zijn jegens onverbeterlijke gebreken.
Aanmerk den verschillenden indruk op u teweeggebracht door denzelfden man, naarmate gij èf aan zijn zijde wandelt in gemeenzaam gesprek, en ook wel hem gadeslaat in zijn huis, èf hem beschouwt uit een geschiedkundig oogpunt, en ook wel uit het oogpunt van zijn buurman den criticus, die meer een belichaamd systeem of een verpersoonlijkte meening in hem ziet dan een mensch. Ds. Eoe, de âreizende prediker,quot; gevestigd te Treddleston, had ook ds. Irwine medebegrepen in zeker algemeen verslag over den toestand der staats-kerkelijke geestelijkheid in zijn district, welke geestelijkheid hij beschreef als een stel mannen, overgegeven aan de begeerlijkheden des vleesches en aan de grootschheid des levens! jagend en schijfschietend en hun eigen woningen versierend; vragend: wat zullen wij eten en wat zullen wij drinken en waarmede zullen wij ons kleeden? Nalatig in de uitdeeling van het brood des levens aan hun kudden; predikende op zijn best een vlee-schelijke en zieldoodende moraal, en handeldrijvend in menschelijke zielen door geld te beuren voor de herderlijke bediening van gemeenten, de aangezichten van wier leden zij niet meer dan eenmaal in het jaar met eigen oogen aanschouwden. Ook de kerkelijke geschiedschrijver, wen bladerend in de parlementsverslagen uit datzelfde tijdperk, ontmoet daar Hoog-Edelmogende leden, vol ijver voor de Landskerk, vrij van iederen zweem van sympathie voor het âgeslacht der onzin-kramende Methodisten,quot; en hoort hen verklaringen afleggen, nauwelijks minder bedroevend dan die van ds. Roe. En zal ik de volle waarheid zeggen, zoo is het mij niet mogelijk te beweren dat ds. Irwine in alle opzichten gelasterd werd wanneer men bovenstaande classificatie ook op hem toepaste. Werkelijk waren zijn idealen niet van de verhevenste, was zijn kerkelijke geestdrift niet van de vurigste. Werd ik op denman af ondervraagd, ik zou genoodzaakt zijn te bekennen dat hij niet ernstig bekommerd was omtrent het zieleheil zijner gemeenteleden, en het enkel tijdverlies zou gerekend hebben âouden vader Taft,quot; of zelfs Dirk Cranage den smid te wijzen op de groote geloofswaarheden. Hij was niet gewoon zich theoretisch uit te drukken, anders zou hij misschien gezegd hebben, dat volgens hem de éénige gezonde vorm
80
DE RECTOR.
van godsdienst voor soortgelijke zielen die was van zekere onbestemde, maar krachtige gemoedsaandoeningen; aandoeningen die als een heiligende wijding uitvloeiden over familie-genegenheden en maatschappelijke plichten. De practijk des Doops scheen hem van meer gewicht dan het leerstuk dierzelfde plechtigheid, en hij achtte de godsdienstige indrukken, door de boeren medegedragen uit de kerk waar eenmaal hun vaderen aanbaden, of van het geheiligd lapje gronds waar dier gebeente rustte, zoo goed als volkomen onafhankelijk van het recht verstand van preek of liturgie. Blijkbaar was hij niet wat men in onze dagen een âernstigquot; man noemt. Hij hield meer van kerkelijke geschiedenis dan van godgeleerdheid, en zijn practische menschenkennis was veel uitgebreider dan zijn wetenschap der menschelijke meeningen. Hij was noch arbeidzaam, noch in het oog vallend gesteld op ontberingen, noch zeer mild met zijn aalmoezen, en in de leer, gelijk gij ziet, ver van streng. Zijn geestelijk gehemelte â het moet gezegd worden â was eenigs-zins heidensch ontwikkeld, en vond aan sommige plaatsen van Sophocles of Theocritus een geur en smaak, geheel ontbrekend aan alle mogelijke teksten van Amos of Jesaja. Maar zoo gij uw jongen jachthond voedt met rauw vleesch, hoe kan het u verwonderen dat de liefhebberij voor ongebraden patrijzen hem zijn leven lang bijblijft? Ds. Irwine's herinneringen nu van jeugdige geestdrift en eerzucht waren alle verbonden met onbijbelsche poëzie en onschriftuurlijke moraal.
Doch aan den anderen kant â want ik koester eene eenigszins partijdige genegenheid voor ds. Irwine's nagedachtenis â moei ik doen opmerken dat hij niet wraakzuchtig was â en sommige phi-lantropen zijn wraakzuchtig; niet onverdraagzaam â en het gerucht wil dat sommige ijverige theologen geenszins vrij zijn van dien blaam, en dat, hoewel hij waarschijnlijk zou geweigerd hebben zijn lichaam te geven om verbrand te worden voor welke publieke zaak ter wereld ook, en hoewel hij er ver af was, al zijn goederen den armen te schenken, hij niettemin die zekere liefde bezat welke somtijds heeft ontbroken aan sommige karakters van zeer verheven deugd. Hij was teerhartig voor de tekortkomingen van anderen, en dacht ongaarne kwaad. Een dier menschen was hij, en zij zijn niet de dichtstgezaaiden, wier goede zijden men alleen te weten komt wanneer men zich met hen verwijdert van het beurs-
ADAM BEDE. (3
81
DE KECTOR.
plein, van de balie, van het spreekgestoelte, wanneer men hen volgt naar hun eigen woningen, hoort welken toon zij aanslaan tegenover jong en oud binnen den kring hunner eigen haardsteden, en getuige is van hun bedachtzame zorg voor de alledaagsche behoeften van alledaagsche huisgenooten; huisgenooten, die al hun voorkomendheden opnemen als iets dat van zelf spreekt en vooral niet als stof voor een lofrede.
Zulke menschen, gelukkigerwijs, hebben geleefd in tijden waarin groote misbruiken heerschten; somtijds waren zij zeiven de levende vertegenwoordigers dier misbruiken. Deze gedachte moge ons troosten bij het opdoen van een tegenovergestelde ervaring â dat het namelijk somtijds veiliger is, groote hervormers van misbruiken niet verder te volgen dan tot aan den drempel van hun eigen woning.
Doch welk ook thans uw oordeel omtrent ds. Irwine zij, indien gij hem ontmoet hadt dien zekeren namiddag in Juni, zijn bles rijdend en met zijn honden huppelend aan zijn zijde â gezet van postuur, overeind in den zadel, een mannelijk voorkomen, met een goedhartig lachje om de fijnbesneden lippen zoo vaak hij sprak met zijn jeugdigen metgezel op de vurige bruine merrie â gij zoudt gevoeld hebben dat, hoe weinig zijn persoon ook overeenstemde met uw voorstelling van een herder en leeraar naaiden eisch, er daarentegen te grooter harmonie bestond tusschen hem en het vreedzaam landschap om hem heen.
Zie hen in het helder zonlicht, ieder oogenblik onderschept door rollende massa's wolken, de glooiing oprijden, aan den kant van Broxton, waar de populieren en olmen der pastorie hun slanke toppen verheffen tot boven het kleine witgepleisterde kerkje uit. Spoedig zullen de beide ruiters in de gemeente Hayslope aangekomen zijn. De grijze kerktoren en de daken der dorpswoningen liggen vóór hen aan de linkerhand; en verderop, aan de rechterzijde, onderscheiden zij reeds de schoorsteenen van de hoeve van het heerenhuis.
82
DE HOEVE VAN HET HEERENHl'IS.
HOOFDSTUK VI.
HE HOEVE VAN HET HEEKENHUIS.
Blijkbaar wordt dit hek nooit ontsloten, want hooge grasscheuten en breede bladen dolle-kervel groeien er dicht tegen aan, en het is zoo roestig dat, indien het geopend werd, de kracht die ver-eischt wierd om het op zijn hengsels te doen draaien, waarschijnlijk de ruw gemetselde balusters zou omverwerpen waartusschen het gevat is, tot groot verdriet van de twee zandsteenen leeuwinnen, die met niet te vertrouwen vriendelijkheid heengrijnzen over de wapenborden boven eiken baluster. Het zou weinig moeite kosten om, met behulp van de hier en daar uitspringende steenen aan de buitenzijde dier balusters heen te klimmen over den gemet-selden muur met zijn glooiende rollaag van boven. Doch met ons oog te brengen tot dicht voor de roestige ijzeren staven van het hek, kunnen wij genoeg van het huis zien, en zelfs, op de uiterste lijnen na, het geheele grasplein dat het omgeeft.
Het is een fraai, oud gebouw van roode klinkers, wier schelle kleur verzacht wordt door een bleeken, bestoven klimopstruik, die er zich met bevallige onregelmatigheid over heeft uitgespreid, als om de roode klinkers in vriendschappelijke overeenstemming te brengen met de versierselen van kalksteen aan de drie spitse gevels, de ramen en den deurpost. Doch de ramen zijn gevuld met houten ruiten, en de deur, naar ik vrees, verkeert in hetzelfde geval als het hek â zij wordt nooit geopend. Zoo al, hoe zou zij krijschen en krassen over den steenen drempel! Want zij is een stevige, zware, fraaie deur, en zij moet eenmaal gewoon zijn geweest met een welluidenden dreun toe te vallen achter den rug van een knecht in livrei, die daareven zijn meester en meesteres de plaats bad zien afrijden in hun eigen koets.
Doch voor het tegenwoordige zou men zich kunnen voorstellen dat het huis verkeerde in het eerste tijdperk van een rampzalig kanselarij-proces, en dat de vruchten van gindsche dubbele rij no-teboomen aan de rechterhand van het plein bestemd waren neder te vallen en weg te rotten in het gras â ware het niet dat wij
6*
83
DE HOEVE VAN HET HEEKENHUIS.
een zwaar geblaf van honden hoorden opstijgen uit de groote gebouwen aan de achterzijde. En nu komen de half gespeende kalven, die een beschutting gezocht hebben in de met plaggen overdekte schuur tegen den muur aan de linkerzijde, uit deze schuilplaats voor den dag, en loeien een onnoozel antwoord uit op het luidruchtige geblaf, ongetwijfeld in de onderstelling dat zooveel ge-druisch in verband moet staan met emmers melk.
Ja, het huis moet bewoond zijn, en wij zullen zien door wie. Want verbeelding heeft octrooi als luistervink, zij vreest geen honden, maar mag straffeloos over muren heenklimmen en door vensters heengluren. Breng uw gelaat voor een der glasruiten in het raam aan de rechterhand â wat ziet gij? Een ruime open haard met overvloed van roestig ijzerwerk, en een planken vloer; aan het andere einde stapels schapenvachten, in het midden van het vertrek eenio-e lederen korenzakken. Ziedaar het ameublement van de eetzaal. En wat ziet ge door het raam aan de linkerzijde? Verscheiden paardendekken, een vrouwenzadel, een spinnewiel, en een oude, wijdopenstaande lappendoos, tot den rand toe gevuld met gekleurde vodden. Nevens deze doos ligt een verminkte houten pop, sprekend een der schoonste overblijfselen van de Grieksche beeldhouwkunst, althans voor zoover betreft de volkomen afwezigheid van haar neus. Naast de pop staat een kinderstoeltje en ligt het eind van een langen, lederen jongenszweep.
De geschiedenis van het huis is nu openbaar. Het was eenmaal de verblijfplaats van een land-edelman, wiens geslacht, waarschijnlijk uitgegaan in enkele oude vrijsters, eindelijk samengesmolten was met quot;dat der Donnithornes. Het was eenmaal het heerenhuis â nu is het de hoeve daarvan. Gelijk alles verandert in kuststeden die eenmaal badplaatsen waren en nu havenplaatsen zijn creworden, waar de deftige straten thans stil en met gras begroeid, en daarentegen de dokken en pakhuizen druk en rumoerig zijn, zoo had ook het leven in deze woning zijn brandpunt verplaatst â het straalde niet meer uit van de gezelschapskamer, maar van de keuken en van de deel.
Overvloed van leven is daar, ofschoon dit de stilste tijd van het jaar is, even vóór den hooioogst; en de allerstilste tyd van den dag bovendien, want het is bij drieën volgens de zon, en over half' vier volgens de fraaie hangklok van boerin Poyser, die acht dagen
84
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS.
aan één stuk doorloopt. Doch wanneer de zon helder schijnt na den regen, is de bewustheid des levens in alle dingen machtiger dan gewoonlijk, en nu giet zij haar stralen uit, en doet vonken trillen tus-schen het beperelde stroo, en verlicht elk plekje frisch groen mos op de roode pannen van het afdak voor de koeien, en herschept â zelfs het modderige water, dat zich voortspoedt langs de greppel naar de sloot in een spiegel voor de eenden met hun gelen snavel, die deze gelegenheid waarnemen om eens te drinken, het ronde lichaam zoo diep mogelijk in het vocht gedompeld. Het is een concert van geluiden. De groote bulhond, aan een ketting vastgelegd tegen de stalling aan, ontsteekt in woedenden toorn tegen een haan die onvoorzichtig de opening van zijn hok dichter nadert dan behoort, en doet een heftig geblaf weergalmen, beantwoord door twee dashonden, opgesloten in den tegenoverliggen-den koestal. De oude hooggekamde hennen, verscholen tusschen het stroo met haar kiekens, laten een meewarig gekakel hooren wanneer de voortvluchtige haan zich bij haar voegt. Een zeug met haar biggen, allen zeer modderig van pooten en fraai gekruld van staart, werpt eenige kort afgebroken noten tusschenbeide, en onder dat alles onderscheidt een scherp luisterend oor het voortdurend gemurmel van menschen-stertimen.
Want de groote schuur-deuren staan wijd open, en mannen zijn daar bezig met het herstellen van het tuig, onder het oppertoezicht van baas Goby den zadelmaker, die hen onthaalt op het laatste nieuws van Treddleston. Het is ongetwijfeld een eenigszins ongelukkige dag, dien Allick, de schaapherder, heeft uitgekozen om de zadelmakers te hebben, want het is 's morgens nattig geweest, en boerin Poyser heeft zich vrij sterk uitgelaten over het ongerief der vuile voeten, door het buitengewoon aantal mannenschoenen in haar huis gebracht tegen etenstijd. Eigenlijk heeft zij haar gelijkmoedigheid op dit punt nog niet gansch terugbekomen, ofschoon er nu reeds nagenoeg drie uren na het middagmaal verloopen zijn, en de vloer weder volmaakt zindelijk is; even zindelijk als al het andere in dit wonderlijk huishoudvertrek, waar de eenige kans om een paar stofdeeltjes op te zamelen, zou gelegen zijn in te klimmen op de zoutkist, en den vinger te leggen op den hoogen schoorsteenmantel waar de glinsterende koperen kandelaars zomervacan-tie houden; want in dezen tijd van het jaar gaat natuurlijk ieder
85
DE HOEVE VAN HEI HEEKENHUIS.
naar bed terwijl het nog dag is, of ten minste licht genoeg om den omtrek van de dingen te kunnen onderscheiden, nadat men er zich de schenen aan gestooten heeft. Zeker nergens anders dan hier kon een eikenhouten klokkekast, of kon een eikenhouten tafel een der-gelijken glans verkregen hebben enkel door wrijven met de hand; echt en onvervalscht âelbogen-vernis,quot; zooals boerin Poyser het noemde, âwant boenwas of politoer had zij Godlof nooit in haar huis gehad.quot; Hetty Sorrel nam dikwijls de gelegenheid waar, wanneer haar tante de hielen had gelicht, om te gluren naar den aange-namen weerschijn van haar persoontje in die glad gewreven oppervlakten, want de eiken tafel was gewoonlijk opgeslagen bij wijze van vuurscherm, en diende meer tot sieraad dan tot gebruik, en naar hartelust kon zij zich spiegelen in de groote tinnen schotels, gerangschikt op de planken boven de lange dennenhouten eettafel, of in de platen van den haard, steeds blinkend als robijnen.
Alles zag er op zijn schitterendst uit op dit oogenblik. De zon scheen recht op de tinnen schotels, wier binnenzijden vroolijke lichtvlekken tooverden in het glanzig eikenhout en het blinkend koper â en op een nog liefelijker voorwerp dan deze; want een deel harer stralen vielen op Dina's fijnbesneden wang, en tintten haar bleekrood haar tot kastanjebruin, terwijl zij zat heengebogen over het zware huishoud-linnen dat zij verstelde voor haar tante. Green tooneel ware vreedzamer geweest, had niet boerin Poyser, die bezig was nog een paar stukken te strijken, overgebleven van de Maan-dagsche wasch, nu en dan met haar ijzer gerinkeld en heen en weder gedrenteld wanneer zij het wilde laten bekoelen, den leven-digen blik van haar blauwgrijs oog latende dwalen van de keuken naar het karnhuis, waar Hetty Sorrel bezig was de boter op te maken, en van het karnhuis naar de achterkeuken, waar Nancy het brood uit den oven nam. Meen daarom niet dat boerin Poyser er onaangenaam of vinnig uitzag. Zij was een knappe vrouw, niet meer dan acht en dertig jaren oud, met een fraaie gelaatskleur, met roodblond haar, vlug ter been, en welgebouwd. Het meest in het oogloopend gedeelte van haar kostuum was een breed geruit-linnen voorschoot, dat bijna reikte tot aan den zoom van haar rok. Niets daarentegen kon eenvoudiger zijn en minder de aandacht trekken dan haar muts en japon, want vrouwelijke ijdelheid, en
86
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS.
zin voor het fraaie ten kqste van het nuttige, waren dorens in haar oogen. De familie-gelijkenis tusschen haar en haar nichtje Dina Morris, met het contrast van uitdrukking, levendig bij haar, en bovennatuurlijk zacht hij Dina, zou aan een schilder een voortreffelijk type van een Martha en een Maria aan de hand hebben kunnen doen. Beider oogen hadden volmaakt dezelfde kleur, maar een doorslaand bewijs van het verschil hunner uitdrukking gaf het gedrag van Trip, den bruin-zwarten dashond, wanneer dit van alle kwaad verdachte dier zich onvoorzichtig blootstelde aan den ijzig kouden blik van boerin Poysers oog. De tong der boerin was niet minder scherp dan haar blik, en telkens wanneer een jonge deerne onder haar bereik kwam, scheen zij een halfvoltooide predikatie weder op te vatten, evenals een draaiorgel een deuntje weder aanvangt juist op het punt waar het dat heeft laten steken.
Het feit dat het karndag was, was een tweede reden waarom het lastig moest zijn de zadelmakers te hebben, en waarom, dientengevolge, boerin Poyser het noodig vond Molly, de huismeid, met buitengewone gestrengheid te bekijven. Naar allen schijn had Molly haar namiddagwerk voorbeeldig vlug afgedaan, had zich met grooten spoed âwat opgeknapt,quot; en kwam nu onderdanig vragen of zij voor haarzelve kon gaan zitten spinnen tot melktijd. Doch juist dit onberispelijk gedrag, meende de boerin, verborg een geheim toegeven aan onbetamelijke wenschen, welke omstandigheid zij thans nader in het licht stelde en met snerpende welsprekendheid voor Molly's oogen ontleedde.
âSpinnen? Nu nog fraaier. Gij zoudt niet gaan spinnen, wil ik wedden, zoo ik u uw eigen gang liet gaan. Nooit van mijn leven heb ik zulke lichtzinnige schepsels gezien. Een deerne van uw jaren die bij een half dozijn mannen wil gaan zitten. Als ik u geweest was, ik zou mij geschaamd hebben om de woorden over mijn lippen te laten komen. En dat gij, die al sedert Sint-Michielsdag hier op de hoeve zijt, en die ik te Treddleston gehuurd heb zonder niet zóóveel getuigen te vragen. Ik wil maar zeggen dat gij er dankbaar voor moest zijn op zulk een manier in een ordentelijk huis te zijn gekomen. En van werken, toen gij hier kwaamt, wist gij omtrent zooveel af als mijn oude slof. Een onnoozeler en onhandiger wezen heb ik nooit bijgewoond, dat weet gij zelf. Ik zou wel eens
87
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS.
willen vernemen wie een vloer had leeren schrobben. Gij liet immers al het vuil in de hoeken zitten. Niemand zou gelooven dat gij onder Christenmenschen grootgebracht waart. En spinnen â dat heeft u al meer geld gekost dan uw gansche huur bedraagt, zooveel vlrs hebt gij bedorven om het te leeren. Gij moest van deze dingen diep doordrongen zijn, en niet loopen gapen en rondkijken alsof gij geen tien kondt tellen. De wol kammen voor de zadelmakers. Daar zoudt gij wel ooren naar hebben, is het niet zoo? Zoo zijt gij altemaal â dat is de weg dien gij allen op wilt, regelrecht naar uw verderf. Gij zijt niet tevreden voor gij een vrijer hebt, even onnoozel als gij zelf. Gij rekent alles gewonnen als gij maar getrouwd zijt, en een stoel met drij pooten hebt om op te zitten, en op zijn best een deken om u te warmen, en voor uw middagmaal een brokje haverbak, waar drie kinderen naar staan te watertanden.quot;
âIk wou niet bij de zadelmakers gaan zitten,quot; zei Molly, klagend en geheel ter neder gedrukt door deze donkere schildering van haar toekomst. âBij boer Ottley moesten wij altijd de wol voor hem kammen, en daarom alleen heb ik het u straks gevraagd. Van mijn leven zal ik geen oog meer naar de zadelmakers opslaan; ik mag een zoutpilaar worden als ik het doe.quot;
âBoer Ottley, och kom. Gij hebt mooi praten van wat boer Ottley doet. De boerin daar had misschien graag haar vloer vol vuile voeten van de zadelmakers. Weet ik het? 't Is niet te zeggen wat de menschen al niet graag hebben â men hoort van zulke wonderlijke dingen. Ik heb nooit een meid in mijn huis gekregen die wist wat schoonmaken was. Ik geloof zoowaar dat het mensch-dom leeft als de varkens. Daar hebt gij Betty, die melkmeid was te Trent voor zij bij mij kwam. Zij zou de kazen hebben laten liggen van het eene eind van de week tot het andere, zonder ze om te kee-ren, en op de planken in het karnhuis zou ik mijn naam hebben kunnen schrijven, toen ik voor de eerste reis beneden kwam na mijn ziekte; â een ontsteking, zooals de dokter zei, en dat het een zegen was dat ik er zoo was afgekomen. En dat gij nu nog niet beter weet, Molly, nadat gij negen maanden hier aan huis geweest zijt en vermaand zijt geworden in overvloed. Wat staat gij daar te kijken alsof gij uw oortje versnoept hadt, in plaats van uw spinnewiel voor den dag te halen? Gij hebt een fraaie manier van spinnen in uw tusschentijd.quot;
88
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS.
âMoetje, mijn ijzertje is heelemaal koud, wil u het eens op liet vuur zetten om te wurmen, blief?quot;
Het kleine tjilpende stemmetje, dat dit verzoek uitbracht, was afkomstig van een kleine meid, tusschen de drie en vier jaren oud, met glanzig goudgeel haar, die, gezeten op een hoogen stoel aan het eind van de strijktafel, met haar klein, dik vuistje het handvatsel van een strijkijzertje met moeite.omklemde, en lapjes uitstreek met een ijver, die haar noodzaakte haar klein rood tongetje uit te steken zoover als de natuur slechts gedoogde.
âKoud? Is het, mijn snoesje met uw lief gezicht?quot; zei boerin Poyser, die met opmerkelijke vaardigheid wist over te gaan van den officieeleu berispenden toon in dien van teederheid of vriend-schappelijken kout. âLaat maar. Moeder heeft nu gedaan met strijken. Zij gaat het strijkgoed wegzetten.quot;
âMoetje, ik wou graag naar de schuur gaan bij Tommy, om naar de zadelmakers te kijken.quot;
âNeen, neen, neen, Totty zou natte voetjes krijgen,quot; zei de moeder, haar strijkijzer wegzettend. âGa naar het karnhuis, en kijk hoe nicht Hetty de boter maakt.quot;
âIk wou een stukje koek,quot; zei Totty, die een ganschen voorraad zeer verschillende vragen scheen te bezitten, tegelijkertijd het oogen-blik waarnemend dat zij niets om handen had om haar vingertjes te steken in een kom met stijfsel en die omver te trekken, zoodat de inhoud nagenoeg volkomen op de strijkdeken werd uitgestort.
âHeb ik ooit van mijn leven zoo iets bijgewoond!quot; kreet boerin Poyser, naar de tafel snellend toen haar oog op den hemelsblaiiwen stroom gevallen was. âDat kind voert altijd kattekwaad uit, als men zijn rug maar gekeerd heeft. Wat moest ik u doen, kleine stou-tert van een meid?quot;
Totty intnsschen, met groote behendigheid uit haar stoel geklommen, was reeds op een waggelend drafje, en met een spek-nekje, zoo blank als van een speenvarkentje, in aftocht naar het karnhuis.
Nadat de stijfsel met Molly's hulp opgenomen en het strijkgoed weggezet was, nam boerin Poyser haar breiwerk op, dat steeds voor de hand lag en haar lievelingswerk was, omdat zij het werk-tniglijk kon voortzetten terwijl zij heen en weder liep. Ditmaal
89
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS.
echter zette zij zich neder op een stoel tegenover Dina. die zij peinzend aanzag, al voortbreiend aan haar grijze wollen kous.
âGij lijkt precies op uw tante Judith, Dina, wanneer gij zit te naaien. Ik zou mij bijkans kunnen voorstellen dat ik dertig jaar jonger was, en een klein meisje thuis, kijkend naar Judith, als zij aan haar werk zat, nadat het huiswerk was afgedaan. Alleen maar, het was een klein hokje, dat van vader, en geen groot druk huis, dat vuil wordt in den eenen hoek zoo gauw gij den anderen schoon hebt. Maar ondanks dat zou ik mij kunnen voorstellen dat gij uw tante Judith waart; 'er haar alleen was donkerder dan het uwe, en zij was forscher en breeder in de schouders. Judith en mij kon men altijd samen vinden, ofschoon zij zulk een vreemde manier van doen had, maar uw moeder en zij konden nooit met elkander overweg. Och, uw moeder dacht weinig dat zij een dochter krijgen zou als twee droppelen water op Judith gelijkend, en dat zij het kind zou achterlaten als wees, en dat Judith voor haar zorgen zou, en haar met den paplepel zou groot, brengen, als zij in haar graf zou liggen te Stoniton. Dat heb ik altijd ter eere van Judith gezegd: zij was steeds bereid zich met een pond te belasten, om aan een ander de moeite te besparen van een ons te dragen. En zoo is zij geweest zoolang ik haar gekend heb. Ik kon niet zien dat het eenig verschil in haar maakte toen zij Methodist werd; zij sprak alleen een beetje anders, en droeg een andere soort van muts, maar voor zichzelve heeft zij nooit een penny uitgegeven om meer dan knapjes voor den dag te komen.quot;
âZij was een gezegende vrouw,quot; zei Dina. âGod had haar een liefhebbende, onzelfzuchtige natuur geschonken, en Hij volmaakte dien aanleg door zijn genade. En zij hield veel van u, tante Rachel. Ik heb haar dikwijls op dezelfde wijs van u hooren spreken als gij nu van haar doet. Toen zij die gevaarlijke ziekte had, en ik nog maar elf jaar oud was, placht zij te zeggen: âGij zult een vriendin op aarde hebben in uw tante Rachel, indien ik van u weggenomen word, want zij heeft een goed hart.quot; En dat heb ik ondervonden.quot;
âIk zou niet weten hoe, mgn kind; iedereen zou gaarne iets voor u doen, dunkt mij, maar gij zijt als de vogeltjes in de lucht, die leven niemand weet hoe. Ik zou mij gelukkig rekenen, indien ik voor u zorgen kon als een moeders zuster, zoo gij maar hier in deze
90
DE HOEVE YAK HET HEERENHUIS.
streek woudt wonen, waar huisvesting en voedsel in overvloed te vinden is voor menschen en dieren, en waar men niet leeft 02) naakte heuvelen, als kippen op een kiezelgrond. En dan zoudt ge een ordentelijk man kunnen trouwen; gij zoudt er aan eiken vinger één kunnen krijgen, als gij dat preeken maar woudt nalaten, dat erger is dan al wat uw tante Judith ooit gedaan heeft. En zelfs als gij Seth Bede trouwdet, die maar een arme stoffel van een Methodist is, en zeker nooit een penny zal opsparen, weet ik dat uw oom u zou helpen aan een varken, en denkelijk wel aan een koe, want hij is altijd goed geweest voor mijn familie, al zijn zij allen arm, en heeft steeds zijn huis voor hen opengezet; en ik ben overtuigd dat hij evenvee! voor u doen zou als voor Hetty, ofschoon zij zijn eigen nichtje is. En er is linnen genoeg in huis dat ik zou kunnen afstaan, want ik bezit gansche hoopen bedde-, tafel-, en handdoeken-goed dat nog ongenaaid ligt. Daar is een stuk bed-delinnen dat ik u zou kunnen geven, gesponnen door scheele Kitty â zij was een buitengewoon goede spinster, hoewel zij scheel zag en de kinderen haar niet mochten lijden; â en, zooals gij weet, er wordt altijd voortgesponnen, en het nieuwe linnen wordt twee -maal zoo gauw gemaakt als het oude slijt. Maar het helpt niet of men al praat, zoo gij u toch niet wilt laten overhalen en u niet wilt vestigen als een verstandige vrouw, in plaats van uzelve af te sloven met preeken en rondloopen, en eiken penny weg te geven dien gij verdient, zoodat gij niets overhoudt tegen ziekte. Ik geloof zoowaar dat al uw schatten op de wereld, bij elkander in een bundeltje gepakt, niet grooter zijn dan een dubbele kaas, en waarom? Omdat gij u dingen in het hoofd hebt gezet omtrent den godsdienst, die niet in den Catechismus of in het Gebedenboek staan.quot;
âMaar geen dingen die niet in den Bijbel staan, tante.quot;
âJa, dingen die niet in den Bijbel staan ook,quot; hernam de boerin, eenigszins scherp; âwaarom anders zouden zij, die best weten wat in den Bijbel staat â de dominé's, en menschen die niets anders te doen hebben dan in den Bijbel te studeeren â waarom zouden zij niet doen evenals gij ? Maar wat dat betreft, als ieder doen wilde als gij, zou de wereld spoedig op een eind loopen. Zoo ieder zijn best deed om te leven zonder huis en haard, en met sober eten en drinken, en altijd preekte dat men de dingen dezer wereld behoort
91
DE HOEVE VAN HET HEEKENHUIS.
te achten als slijk, zooals gij zegt, zou ik wel eens willen weten waar men met liet puik van het vee, en het koren, en de beste zoetemelksche kazen heen moest? Iedereen zou brood van zemelen willen bakken, en de een zou den ander naloopen om hem of haar te bepreeken, in plaats van de kinderen groot te brengen en iets op te leggen als een appeltje voor de dorst. Het is klaar dat zulk een wijze van zien en doen de ware godsdienst niet kan zijn.quot;
âNeen, lieve tante, gij hebt mij nooit hooren zeggen dat alle menschen geroepen zijn om hun werk en hun gezin te verlaten. Het is behoorlijk dat het land geploegd en bezaaid, en het kostelijke koren ingezameld worde, en dat men acht geve op de dingen dezer wereld; het is ook goed dat men zich in zijn kinderen ver-heuge en voor hen zorge, zoo dit geschiedt in de vreeze des Heeren, en men den nood hnnner zielen niet vergeet om de zorg voor hun lichaam. Allen kunnen wij dienaren Gods zijn, welk ook ons levenslot wezen moge; maar Hij heeft ons verschillende soorten van arbeid gegeven, naarmate van onze geschiktheid en onze roeping. Ik kan evenmin nalaten te doen wat in mijn vermogen is voor de zielen van anderen, als gij kunt nalaten op te vliegen van uw stoel wanneer gij Totty hoort schreien aan de anderen kant van het huis. Haar stemmetje zou u door de ziel gaan, gij zoudt denken dat het lieve kind in gevaar of in benauwdheid was, en gij zoudt geen rust hebben zoo gij niet voortmaaktet om haar te helpen en te troosten.quot;
âOch,quot; zei de boerin ongeduldig opstaande en naar de deur gaande, âhet zou geen verandering maken, al praatte ik met u uren lang. Gij zoudt mij ten slotte altijd hetzelfde antwoord geven. Ik zou evengoed met de vlietende beek kunnen redeneeren, en haar heeten stil te staan.quot;
De zandgrond buiten de keuken was nu nagenoeg droog. Derhalve kon thans boerin Poyser daar zeer gevoeglijk staan kijken naar hetgeen er omging op de werf, terwijl de grijze wollen kous intusschen steeds aangroeide onder haar handen. Doch zij had nauwelijks vijf minuten zoo gestaan, of zij kwam weder binnen en zei op een eenigszins gejaagden en verschrikten toon tot Dina:
âDaar komen zoowaar kapitein Donnithorne en ds. Irwine de
92
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS.
werf op. Ik zou er mijn leven onder durven verwedden dat zij komen spreken over uw preeken op het Groen, Dina. Gij moet ze zelf' maar te woord staan, ik doe geen mond open. Ik heb al genoeg gezegd van de schande die gij over uw ooms familie brengt. Het zou mij niet kunnen schelen zoo gij Poysers eigen nichtje waart. Gelijk met zijn eigen neus, zoo moet een mensch het ook zien te stellen met zijn eigen familie â liet is zijn vleesch en bloed. Maar dat een nichtje van mij oorzaak is dat mijn man van zijn boerderij wordt gezet â en ik die hem niets heb aangebracht dan mijn spaarpenningen.quot;
âNeen, lieve tante Rachel,quot; zei Dina zachtzinnig, âgij hebt geen reden voor die vrees. Ik ben zeker dat geen kwaad zal komen over u en oom en de kinderen door hetgeen ik gedaan heb. Ik heb r.iet gepreekt zonder bestiering.quot;
âBestiering! Ik weet zeer goed wat gij meent met uw bestieringen,quot; zei de boerin snel en met gejaagdheid voortbreiend. âWanneer gij de een of ander extra-gril in het hoofd hebt, noemt gij dat âeen bestiering,quot; en niemand kan u onder zulke omstandigheden van de dingen afbrengen. Dan ziet gij er uit als het beeld buiten de kerk te Treddleston, dat de menschen aankijkt en glimlacht, om het even of het mooi weer is of regent. Gij plaagt mij meer dan mijn geduld.quot;
Op dit oogenblik waren de beide heeren de werf genaderd en stegen van het paard; het was duidelijk dat zij voornemens waren binnen te komen. Boerin Poyser begaf zich naar de deur om hen te ontvangen, diep neigend en min of meer bevend, half van toorn tegen Dina, en half uit vrees dat zij zelve zich bij deze gelegenheid niet behoorlijk gedragen zou. Want in gindsche dagen gevoelde zelfs de onafhankelijkste landman zich bekropen door stil ontzag op het gezicht van den adel, zooals men van ouds zich op de teenen verhief om. de goden te zien voorbijgaan in menschelijke gestalte.
âWel, boerin Poyser, hoe hebt gij het na dezen buiigen morgen'? vroeg ds. Irwine met zijn gewone statige hartelijkheid. âOnze voeten zijn kurkdroog, wij zullen uw schoonen vloer niet vuil maken.quot;
âO, mijnheer, spreek daar niet van,quot; zei de boerin. âWilt u en de kaptein zoo goed zijn in de voorkamer te gaan?quot;
93
DE HOEVE VAN HET HEERENHUIS.
âNeen waarlijk, dank u, boerin Poyser,quot; zei de kapitein, nieuwsgierig de keuken rondkijkend, alsof zijn oogen iets zochten dat hij niet vinden kon. âIk ben zeer gesteld op uw keuken. Aangenamer vertrek kan ik mij niet herinneren ooit gezien te hebben. Ik zou wenschen dat elke pachtersvrouw uw keuken kwam bezichtigen en er een voorbeeld aan nam.quot;
âU is wel goed, mijnheer. Wees zoo vriendelijk een stoel te nemen,quot; zei de boerin, eenigszins gerustgesteld door dit koiiiplinient en door des kapiteins blijkbaar goed humeur, maar nog steeds ernstig naar ds. Irwine heenziende, die, gelijk zij opmerkte, naar Dina keek en deze naderde.
âPoyser is niet thuis, is het wel?': vroeg kapitein Donnithorne, zich nederzettend op een plaats vanwaar hij, de korte gang door, in het openstaand karnhuis gluren kon.
âNeen, mijnheer, dat is hij net niet; hij is naar Eoster gegaan, om met mynheer West, den makelaar, te spreken over de wol. Maar vader is daar ginder in de schuur, mijnheer; zoo hij u van dienst kon wezen. . .
âNeen, dank u; ik zal maar eens even naar de honden gaan zien en een boodschap betreffende hen achterlaten aan uw schaapherder. Een anderen keer kom ik terug om met uw man te spreken; ik moet hem raadplegen over paarden. Weet gij ook wanneer hij waarschijnlijk thuis zal wezen?quot;
âWel, mijnheer, u kunt hem moeielijk misloopen, of het moest zijn op Tre'lstonschen marktdag â ieder Vrijdag, zooals u weet. Want wanneer hij hier of daar op de hoeve is, kunnen wij hem in een oogwenk laten halen. Waren wij de buitengronden slechts kwijt, wij zouden geen enkelen afgelegen akker meer bezitten, en dat zou een uitkomst wezen, want als er eens een of ander hier gebeurt, zal men telkens zien dat Poyser juist naar de buitengronden is. Als ze kunnen, loopen de dingen een mensch altoos iegen, en het ligt buitendien niet in de rede een deel bouwland te hebben in de eene streek, en al het overige in een andere.quot;
âJa, die gronden zouden veel natuurlijker bij Choyce's hoeve behooren, vooral daar hij weiland noodig heeft, en gij daarvan overvloed hebt. Toch zou ik denken dat de uwe de schoonste pacht is van het landgoed, en zoudt gij wel gelooven, boerin Poyser, als ik ging trouwen en mij vestigen dat ik wel lust zou hebben u hier van
94
DB HOEVE VAN HET HEERENHÃIS.
daan te jagen, en zelf in dit fraaie, oude huis te komen wonen?quot;
,0, mijnheer,quot; antwoordde zij eenigszins verschrikt, âdat zou u niet bevallen. Boeren is geld in den zak steken met de rechterhand en het er weder uithalen met de linker. Zoo ver mijn ondervinding strekt, is boeren zooveel als anderen aan het brood helpen, terwijl men zich zichzelven en de kinderen met een droog korstje moet geneeren. Niet dat u zijn zou als een arm man die zijn eigen onderhoud verdienen moet; u zou met boeren zooveel geld kunnen vermorsen als u maar verkoos, maar in geld vermorsen steekt geen aardigheid, zou ik denken, ofschoon ik verneem dat de grootelui te Londen er mede spelen alsof het niets was. Mijn man heeft op de markt gehoord dat de zoon van Lord Dacey duizenden en duizenden heett verloren aan den Prins van Wales, en zij zeggen dat My-lady haar juweelen zal verpanden om voor hem te betalen. Maar daar weet u-zelf meer van dan ik, mijnheer. Wat daarentegen het boeren betreft, ik kan niet gelooven dat het u bevallen zou, mijnheer. Dit huis â u zou er in vergaan van den tocht; de vloeren zijn boven mooi verrot, en wat aangaat de ratten in den kelder, die zijn niet te tellen.quot;
âWel, dat is een vreeselijk tafereel, boerin Poyser. Mij dunkt, ik zou u een dienst doen met u van hier te verdrijven. Doch daar is weinig nood voor. Ik zal nog wel niet trouwen inde eerste twintig jaren, voor ik een dikke mijnheer ben van veertig, en mijn grootvader zou zich nooit willen ontdoen van zulke goede pachters als gij zijt.quot;
âNu, mijnheer, als gij zoo gunstig denkt over Poyser als pachter, dan wenschte ik dat u een goed woord wou doen om nieuwe hekken voor de Vijf Heiningen. Mijn man heeft om die hekken gevraagd en gevraagd tot hij het moe is, en dat als men bedenkt wat hij voor de hoeve gedaan heeft, en dat hem nooit een penning is geschonken, kwaad noch goed jaar! En al dikwijls en dikwijls heb ik aan mijn man gezegd: ik ben overtuigd als kap'tein Donnithorne er iets aan doen kon, dan zou het zoo niet wezen. Niet dat ik oneerbiedig zou durven spreken van de macht die over ons gesteld is, maar het is somtijds meer dan vleesch en bloed dragen kunnen, te werken en te zeulen van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en geen oog toe te doen als men in bed ligt, tobbend of de kaas ook zwellen kan, of de koeien bijgeval ontijdig kalven zullen, of de tarwe weer groen zal worden in de schoof. En met dat al, aan het eind van het jaar is het of men
95
DE HOEVE VAN HET HEEKENHUIS.
een bruilofspartij had klaargemaakt voor een ander, en voor zijn eigen moeite zich mag vergenoegen met den reuk.quot;
Eenmaal van wal gestoken, zeilde boerin Poyser steeds door, zonder zich te laten weerhouden door haar aanvankelijk ontzag voor haar meerderen naar de wereld. Het vertrouwen door haar gesteld in haar eigen gave van redeneering was een drijfkracht, die allen tegenstand overwon.
âIk vrees dat ik meer kwaad dan goed doen zou, indien ik over de hekken sprak, boerin Poyser,quot; zei de kapitein, âofschoon ik u verzeker, dat ik op mijn grootvaders goederen voor geen mensch liever een goed woord zou doen dan voor uw man. Ik weet dat zijn hoeve beter in orde is dan één andere, tien mijlen in den omtrek, en wat de keuken betreft,quot; voegde hij er glimlachend bij, âik geloof niet dat er in het gansche koninkrijk één bestaat die tegen haar aan kan. Maar zeg eens, ik heb nooit uw karnhuis gezien; ik moet uw karnhuis zien, boerin Poyser.quot;
âWezenlijk, mijnheer, het karnhuis is in geen staat dat u het zien kunt. Hetty is druk bezig met de boter, want er is laat gekarnd en ik zou mij schamen er u te brengen.quot; Dit zei boerin Poyser blozend, in het geloof dat de kapitein werkelijk belang stelde in haar melktesten, en hij zijn oordeel over haar persoon zou laten afhangen van het aanzien van haar karnhuis.
âO, ik twijfel niet of alles is voortreffelijk in orde. Breng er mij heen,quot; zei de kapitein, zelf voorgaande, terwijl de boerin hem volgde.
HOOFDSTUK VIL
HET KARNHUIS.
Ongetwijfeld was het karnhuis de moeite waard gezien te worden; een tooneel om het heimwee naar te krijgen in heete en stoffige straten â zoo koel, zoo rein, zulk een frissche geur van versch geperste kaas, van toebereide boter, van houten vaten, steed badend in zuiver water; zulke zachte kleurschakeeringen van rood aardewerk en stroomen witten room, van bruin hout en glanzig tin, van grijzen zandsteen en schitterend oranjekleurig roest op de ijzeren gewichten en haken en scharnieren. Doch
96
HET KARNHUIS.
men ontvangt slechts een zeer flauwen indruk van al zulke bijzonderheden, wanneer zij de omgeving uitmaken van een verleidelijk mooi meisje van zeventien jaren, staande op kleine tripjes, terwijl zij haar arm, met kuiltjes in de ellebogen, liefelijk buigt om een pond boter uit de schaal te lichten.
Hetty bloosde als een donkere roos toen kapitein Donnithorne het karnhuis binnentrad en haar aansprak. Volstrekt geen bedremmelde blos evenwel, want glimlachjes en kuiltjes in de wangen, en vonkjes van onder lange, donkere, krullende wimpers gingen er alle te zamen mede gepaard; en terwijl haar tante met hem sprak over de geringe hoevèelheid melk die kon worden gebezigd voor boter en kaas zoolang de kalven niet gespeend waren, en over de grooter hoeveelheid minder soort van melk die geleverd werd door de âkorthorensche,quot; onlangs op de proef genomen, benevens over andere zaken, belangrijk voor een jongen edelman, die eenmaal landheer wezen zou, kneedde Hetty met veel zelfbe-heersching en behaagzucht haar pond boter en wierp het over de eene hand in de andere, zich schelms bewust dat geene wending van haar hoofdje onopgemerkt bleef.
Er zijn verschillende soorten van bevalligheid, die mannen zich doen aanstellen als dwazen in onderscheiden graad: te beginnen met razernij en te eindigen met idiotisme. Doch er bestaat één soort van schoonheid, die naar het schijnt er op is ingericht om de hoofden op hol te brengen niet-alleen van mannen maar van alle redelijke zoogdieren, vrouwen niet uitgezonderd. Het is een schoonheid als die van jonge poesjes, of van kleine donzige eendjes, die liefelijk kabbelende geluiden maken, of van kleine kindertjes, die even beginnen te babbelen en met zelfbewustzijn ondeugendheid uit te voeren â¢â een schoonheid waarop men nimmer boos kan worden, maar die men lust zou hebben tot gruis te knijpen, uit onvermogen om zich rekenschap te geven van den zielstoestand waarin zij ons verplaatst. Dus was de schoonheid van Hetty Sorrel.
Haar tante, boerin Poyser, die beweerde alle uiterlijke schoonheid te verachten, en de gestrengste van alle vrouwelijke mentors heette, keek onophoudelijk en steelsgewijs naar Hetty's bekoorlijkheden, ondanks zichzelve daardoor betooverd, en na het toedienen van een predikatie, die natuurlijk voortvloeide uit bezorgd-
ADAM BEDE. 7
97
HET KARNHÃIS.
lieid voor het welzijn van haar mans nichtje â die geen eigen moeder had om haar te beknorren, het arme kind â moest zij dikwijls aan Poyser bekennen, wanneer zij buiten het bereik van Hetty's ooren waren, dat zij vast geloofde dat âhoe ondeugender die kleine heks was, zij er te liever om uitzag.quot;
Het baat mij niet of ik u verhaal dat Hetty's wang geleek naar een rozenblad, dat er kuiltjes speelden om haar kersroode lippen, dat haar groote donkere oogen een zachte schalksheid verborgen onder hun lange wimpers, en dat haar golvend haar, ofschoon weggestreken onder de ronde muts terwijl zij aan het werk was, in fijne donkere krullen uit dien schuilhoek te voorschijn kwam en wiegelde over de kleine, blanke schelpjes, die wij Hetty's ooren noemen zullen. Het baat niet u te zeggen hoe liefelijk de lijn was gevormd door haar rozerood-en-witten doek, weggestoken in haar laag, donkerbruin lijfje, of hoe de linnen âboterboe-zel,quot; met zijn overslag, waardig scheen om door hertoginnen in fluweel te worden nagemaakt â zoo bekoorlijk waren de plooien waarin die boezelaar nederviel! â of hoe haar bruine kousen, en haar schoenen met gespen en dikke zolen al de lompheid misten die hun ongetwijfeld eigen moest zijn overal elders dan aan Hetty's voet en enkel. Het zou alles niet baten, tenzij gijzelf een vrouw ontmoet hebt die op u den indruk maakte, door Hetty teweeggebracht op wie haar aanschouwde. Anders, of riept gij het beeld van de liefelijkste der vrouwen op, zij zou volstrekt niet gelijken naar dit verleidelijk jong en donzig boerinnetje. Ik zou al de goddelijke bekoorlijkheden van een helderen lentedag kunnen opsommen â doch zoo gij nooit in uw leven buiten uzelven zijt geraakt met uw oogen blind te staren op den omhoogstijgenden leeuwerik, of met te dwalen door de stille lanen wanneer de pas geopende bloesems ze sieren met een heilige, zwijgende schoonheid als van een zuilengalerij, van welk nut zou mijn beredeneerde catalogus u zijn? Nimmer zou ik u kunnen doen gevoelen wat ik bedoel met een helderen lentedag. Hetty was een lente-schoonheid; haar schoonheid was die van jonge, dartele wezens, weelderig gevormd, vol guitenstreken u om den tuin leidend door een val-schen schijn van onschuld â de onschuld bijvoorbeeld van een fraai jong kalf met een kolder voor den kop, dat, lust gevoelend in een wandeling buiten het hek, u dwingt tot een vermoeienden wedloop
98
HET KAKNHUIS.
over heggen en door greppels, en eindelijk tot staan komt in liet midden van een waterplas.
En een meisje dat bezig is boter te maken, wordt gedwongen tot de bevalligste houdingen en de liefelijkste bewegingen â bewegingen van heen en weder werpen, die een bekoorlijke ronding aan den arm geven, benevens een schuinsche richting aan den vollen blanken hals, bewegingen van zachtjes kloppen en rollen met de palm van de hand, die onmogelijk kunnen worden ten uitvoer gebracht zonder ernstige medewerking van het vooruitstekend mondje of van de donkere oogen. En de boter-zelf schijnt een bekoorlijkheid te meer te verleenen â zij is zoo zuiver, zij riekt zoo overheerlijk, zij glijdt uit den vorm zoo schoon en vast van oppervlakte als marmer in een bleekgeel licht! Daarenboven, Hetty was bijzonder ervaren in het boter maken; dit was het éénige werk dat zij verrichten kon zonder dat haar tante noodig oordeelde de gebruikelijke critiek te oefenen, en zij kweet er zich van met al de bevalligheid, eigen aan meesterschap over den vorm.
,Ik hoop dat gij u gereed zult houden voor zekeren grooten feestdag op den SOsten Juli, boerin Poyser,quot; zei kapitein Donnithorne, toen hij het karnhuis genoegzaam bewonderd en tusschen de bedrijven onderscheiden meeningen had geopperd omtrent Zweedsche rapen en korthoornige koeien. âGij weet wat er te gebeuren staat, en ik reken er op dat gij behooren zult tot de gasten die het vroegst komen en het laatst blijven. Wilt gij mij uw hand toezeggen voor twee dansen, nichtje Hetty? Zoo ik thans uw woord niet krijg, zal ik weinig kans hebben, want al de knapste jonge pachters zullen wel hun best doen om zich van u te verzekeren.quot; Hetty glimlachte en bloosde, maar voor zij kon antwoorden, kwam boerin Poyser tus-schenbeiden, geërgerd door het denkbeeld-alleen dat de jonker bij iemand zou moeten achterstaan.
âHet is waarlijk heel vriendelijk van u, mijnheer, zooveel acht op haar te slaan. En ik ben overtuigd, wanneer het u behagen mocht met haar te dansen, dat zij trotsch en dankbaar wezen zal, al moest zij voor het overige ook den ganschen avond stilzitten.quot;
âO neen, neen, dat zou al te wreed zijn voor de andere jonge knapen die dansen kunnen. Maar gij zult mij twee dansen beloven, zult gij niet?quot; ging de jonker voort, vast besloten dat Hetty hem aankijken en tot hem spreken zou.
99
^00 HET KARNHÃIS.
Hetty maakte een allerliefste kleine nijging, en zei, terwijl zij naar hem opzag met een half blooden, half behaagzieken blik:
âOm u te dienen, mijnheer.quot;
âEn gij moet al uw kinderen medebrengen, hoort gij, boerin Poyser?0 Uw kleine ïotty zoowel als de jongens. Al de kinderen moeten dien dag op de plaats wezen; al degenen die knappe jonge mannen en vrouwen zullen zijn wanneer ik een oude mijnheer
zal wezen met een kaal hoofd.quot;
âO hemel, dat zal nog lang duren!quot; riep boerin Poyser, vol verbazing dat de jonge edelman zoo lichtvaardig over zichzelven sprak en bedenkend hoe groote belangstelling haar man zou too-nen als zij hem dit merkwaardig staaltje van adellijke geestigheid zou oververtellen. De jonker ging door voor iemand die âaltijd vol gekheid was,quot; en maakte zich algemeen zeer bemind door zijn gemeenzame manieren. Alle pachters hielden zich verzekerd dat de zaken heel anders gaan zouden wanneer hij eenmaal de teugels in handen kreeg â men verwachtte omstreeks dien tijd een fabelachtigen overvloed van nieuwe hekken, vrij gebruik van zandsteen en dividenden van tien percent. ^
âMaar waar zit Totty?quot; vroeg hij. âIk moet haar even zien.quot;
âHetty, waar is de kleine?quot; vroeg boerin Poyser. âZij is zooeven hier heen gegaan.quot;
âIk weet het niet. Zij zal in de brouwerij gegaan zijn bij Nancy,
denk ik.quot;
De trotsche moeder, buiten staat de verzoeking te wederstaan van Totty te vertoonen, ging terstond naar de achterkeuken om haar te zoeken, echter niet zonder vrees dat er iets mocht gebeurd zijn waardoor Totty's persoontje of kostuum ongeschikt voor de
voorstelling zou geworden zgn.
En brengt gi) zelf de boter naar de markt wanneer gij haar gemaakt hebt?quot; vroeg de jonker intusschen aan Hetty.
O neen, mijnheer, niet als het zulk een zware vracht is; ik ben niet sterk genoeg om haar te dragen. Allick neemt ze mede te paard.quot;
Neen, uw mooie armen zijn ook niet voor zulke zware lasten gemaakt.' Maar gij gaat toch wel eens wandelen met deze heerlijke avonden, doet gij niet? Waarom doet gij niet eens een wandelingetje op de plaats, nu het groen zoo lief is? Ik zie u bijna nooit ergens dan alleen thuis of in de kerk.quot;
HET KABNHUIS.
âTante heeft niet graag dat ik uit wandelen ga, wanneer ik niet ergens naar toe moet,quot; zei Hetty. âMaar ik kom toch wel nu en dan door de plaats.quot;
âEn komt gij nooit bij juffrouw Best, de huishoudster? Eens, geloof ik, heb ik u bij haar gezien.quot;
âHet is niet naar juffrouw Best, maar naar juffrouw Pomfret, de kamenier, dat ik somtijds heenga. Zij leert mij de maassteek en het kantdichten. Ik ga morgen bij haar theedrinken.quot;
De reden waarom er gelegenheid geweest was tot dit tête a t ê t e kan men alleen te weten komen door een blik in de achterkeuken, waar Totty ontdekt was, bezig met een verdoold geraakt blauwsel-dotje tegen haar neus te wrijven, en terzelfder tijd eenige droppels indigo te laten nedervallen op haar schoon namiddag-boe-zelaartje. Doch nu verscheen zij aan haar moeders hand â het puntje van haar neus eenigszins glimmend ten gevolge van het zoo-even in allerijl aangewende zeepsop.
âHier is zij!quot; zei de kapitein, haar optillend en op de lage stee-nen bank plaatsend. âHier is Totty! Hoe heet zij eigenlijk ? Zij werd toch zeker geen Totty gedooptquot;?
âO, mijnheer, wij radbraken haar naam bedroefd. Charlotte is haar doopnaam, een gewone naam in de familie Peyser; de grootmoeder van mijn man heette Charlotte. In den beginne noemden wij haar Lotty, en sinds is Lotty veranderd in Totty. Het heeft eigenlijk meer van den naam van een hond dan van een Christenkind.quot;
âTotty is een uitmuntende naam. Net een meisje om Totty te heeten. Heeft zij een zak aan?quot; vroeg de kapitein, in zijn eigen vestzakken tastend.
Totty lichtte dadelijk met groote deftigheid haar jurkje op, en liet een klein, rozerood zakje zien, voor het oogenblik verkeerend in een staat van volstrekte platheid.
âHeb er niets in,quot; zei zij, terwijl zeer ernstig op het zakje ne-derzag.
âNiet? Hoe jammer van zoo'n mooien zak! Nu, ik geloof dat ik wat in den mijnen heb dat er aardig in rammelen zal. Ja waarlijk, daar vind ik vijf kleine, ronde, zilveren dingetjes; en hoor eens wat een mooi geluid zij maken in Totty's rozerooden zak.quot; Hier schudde hij den zak met de vijf halve shillings er in, en Totty liet haar
101
HET KAENHÃIS.
tandjes zien en frommelde haar neusje in elkander uit overmaat van pleizier; maar vermoedend dat er niets meer te verdienen viel door langer te blijven, sprong zij van de bank en liep heen om haar zakje ten aanhoore van Nancy te laten rammelen, terwijl haar moeder haar nariep: âSchaamt gij u niet, ondeugend ding, den kap'tein niet te bedanken voor wat hij u gegeven heeft? Het is heel vriendelijk van u, mijnheer, maar zij is schandelijk bedorven; haarvader wil niet dat men haar iets weigeren zal, en zij is niet te regeeren. Het is de jongste, en het eenige meisje.quot;
âO, zij is een aardig, klein, vet molletje; ik wou niet dat zij anders was. Maar ik moet nu gaan, want ik vrees dat de Rector op mij wacht.quot;
Met een âgoeden dag,quot; een minzamen blik en een knikje voor Hetty, verliet Arthur het karnhuis. De Eector had zooveel belangstelling gevoeld in zijn gesprek met Dina, dat hij niet zou hebben gewenscht het eerder af te breken. Gij zult zoo dadelijk vernemen over welk onderwerp het geloopen had.
HOOFDSTUK VIII.
EEN KOEPING.
Dina, die opgestaan was toen de heeren binnenkwamen, maar nog altijd het laken vasthield dat zij verstelde, neeg eerbiedig toen zij ds. Irwine haar aanzien en haar naderen zag. Hij had nog nooit met haar gesproken, zij had hem nog nooit aanschouwd van aangezicht tot aangezicht, en haar eerste gedachte, terwijl haar oogen de zijne ontmoetten, was: âWelk een gunstig voorkomen. O, dat het goede zaad in deze aarde vallen mocht, het zou zeker rijke vruchten voortbrengen.quot; De aangename indruk scheen wederkeerig te zijn, want ds. Irwine boog voor haar met even welwillenden eerbied, als ware zij de meest voorname dame van zijn kennis geweest.
âGij zijt maar voor een poos in deze streek, meen ik?quot; waren sijn eerste woorden, terwijl hij zich tegenover haar nederzette.
âJa, mijnheer, ik kom van Snowfield in Stonyshire. Maar mijn
102
BEN ROEPING.
tante was zoo vriendelijk te verlangen, dat ik hier wat zou komen uitrusten van mijn werk daarginds, omdat ik ziek geweest ben; daarom noodigde zij mij uit, eenigen tijd bij haar te komen.quot;
âO, ik herinner mij Snowfield zeer goed; eens ben ik in de gelegenheid geweest er heen te gaan. Het is een barre, schrale plaats. Men bouwde er toen een katoenfabriek, maar dat is lang geleden. De plaats moet zeer veranderd zijn door de drukte die de fabriek er heeft aangebracht?quot;
âVeranderd is zij, in zoover de fabriek er menschen heeft heengetrokken die in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, en het daardoor met de winkeliers beter gaat. Ik werk er zelve en heb reden tot dankbaarheid, want ik verdien er mijn brood, en meer dan mijn brood. Maar het is toch een schrale plaats, zooals u wèl zegt, mijnheer â zeer verschillend van deze streek.quot;
âGij hebt daar zeker betrekkingen wonen, zoodat gij aan de plaats als aan uw huis gehecht zijt?quot;
âIk heb er vroeger een tante gehad; zij bracht mij groot, want ik was een wees. Maar zij werd weggenomen nu voor zeven jaren, en ik heb geen andere familie, zoover ik weet, dan tante Poyser, die zeer goed voor mij is en gaarne zou willen dat ik mij in deze streek kwam nederzetten, dat ongetwijfeld een goed land is, waar men ruim zijn brood heeft. Maar ik voel geen vrijheid, Snowfield te verlaten.
âGij hebt daar zeker een aantal godsdienstige vrienden en gezellen; gij zijt Methodist, een Wesleyaansche, naar het mij voorkomt?quot;
âJa, mijnheer. Mijn tante te Snowfield behoorde tot het Genootschap, en ik heb reden om dankbaar te wezen voor de voorrechten die ik daardoor genoten heb van mijn vroegste kindsheid af.quot;
âEn hebt gij al sedert lang de gewoonte van preeken gehad? â Ik heb gehoord dat gij gisteravond te Hayslope gepreekt hebt.quot;
âIk heb den arbeid aanvaard vier jaren geleden, mijnheer, op mijn een-en-twintigste jaar.quot;
âUw genootschap keurt dus het preeken van vrouwen goed?quot;
âHet verbiedt zulks niet, mijnheer, wanneer zij een duidelijke roeping voor dien arbeid hebben, en wanneer haar bediening bekrachtigd wordt door de bekeering van zondaars en de vertroos-
103
EEN KOEPING.
ting van het volk Gods. Mistress Fletcher, van wie gij wellicht zult gehoord hebben, was geloof ik de eerste vrouw in het genootschap die preekte, vóór zij gehuwd was en toen zij nog Miss Bosanquet heette; en vader Wesley keurde zelf goed dat zij den arbeid ondernam. Zij bezat groote gaven, en er zijn nog veel anderen nu in leven die kostbare medehelpsters zijn voor de broeders en leeraars. Ik heb vernomen dat eenige stemmen in het genootschap zich in den laatsten tijd daartegen hebben doen hooren; maar ik kan niet anders denken of zij zullen er weinig tegen vermogen. Het staat niet aan de menschen, kanalen te graven voor den geest Gods, zooals zij er graven voor de waterleidingen en te zeggen: âVloei hier, maar ginder niet!quot;quot;
âDoch vreest gij niet eenig gevaar voor uwe geloofsgenooten â ik wil daarmede niet zeggen dat het zoo zijn zou met u, verre van dien â vindt gij niet dat somtijds beiden, mannen en vrouwen, zich inbeelden kanalen te zijn voor Gods geest, en het geheel mis hebben, zoodat zij een werk aanvangen waarvoor zij niet berekend zijn, en de heilige dingen in minachting brengen?quot;
âOngetwijfeld, dat geschiedt somtijds; want er zijn slechten onder ons geweest die getracht hebben de broederen te bedriegen, en sommigen zijn er die zich zeiven bedriegen. Maar wij zijn niet zonder tucht of onderlinge bestraffing om deze dingen tegen te gaan. Er wordt stiptelijk orde gehouden onder ons, en de broeders en zusters waken over elkanders zielen, als moetende daarvan verantwoording doen. Zij gaan niet elk zijn eigen weg en zeggen: ben ik mijns broeders hoeder?quot;
âEn vertel mij eens â zoo ik het vragen mag, en ik stel er wezenlijk belang in het te weten â hoe zijt gij het eerst gekomen op het denkbeeld van te preeken?quot;
âIk dacht er eigenlijk in het geheel niet over, mijnheer, maar van mijn zestiende jaar af was ik gewoon geweest met de kleine kinderen om te gaan en hen te onderwijzen, en somtijds was mgn hart verruimd om te spreken in de school, en ik werd dikwerf sterk gedrongen tot bidden met de zieken. Maar tot preeken had ik geen roeping gevoeld; want wanneer ik niet krachtig word opgewekt, ben ik zeer geneigd neder te zitten, teruggetrokken in mij zelve. Ik verbeeld mij dat ik den ganschen dag zou kunnen zitten zwijgen met de gedachte aan God heenvloeiend over mijn
104
EEN KOEPING.
ziel â zooals de kiezelsteenen in de Wilgenbeek. Onze gedachten zijn zoo groot, nietwaar, mijnheer'? Zij schijnen over ons hoofd te stroomen als een diepe vloed; en het is mijn aard, de plaats waar ik ben en alles om mij heen te vergeten, en mijzelve te verliezen in gedachten, waarvan ik onbekwaam ben rekenschap te geven; want ik zou er met geen woorden zoomin een begin als een einde aan kunnen maken. Dus was mijn aard, zoolang ik mij herinneren kan. Maar somtijds scheen het, alsof de drang tot spreken over mij kwam buiten mijn eigen wilsvermogen om. Mij werden dan woorden geschonken die kwamen en stroomden â zooals tranen komen, omdat ons hart vol is en wij het niet verhinderen kunnen. Steeds waren dit tijden van groeten zegen voor mijzelve, ofschoon ik nooit gedacht had dat hetzelfde mij zou kunnen overkomen in tegenwoordigheid van een groote vergadering. Maar wij worden voortgeleid, nietwaar, als kleine kinderen langs een weg dien wij niet kennen. Ik werd geheel onvoorbereid tot optreden geroepen, en sinds dat oogenblik heb ik nooit getwijfeld omtrent de taak die mij was opgelegd.quot;
âMaar vertel mij eens de omstandigheden âjuist zooals het was, den eersten dag dat gij begont te preeken.quot;
âHet was op een Zondag dat ik met broeder Marlowe, een Snowfieldsch prediker, medewandelde naar Hetton-Deeps â een dorp waarin de menschen hun bestaan vinden met te werken in de loodmijnen, en waar geen kerk noch prediker is; zij zijn er als schapen zonder herder. Hetton is meer dan twaalf mijlen van Snowfield gelegen; dus vertrokken wij 's morgens vroeg, want het was zomer, en ik had een wonderbaar sterk gevoel van de Goddelijke liefde terwijl wij de heuvelen overwandelden. Zooals gij weet, mijnheer, zijn daar geen boomen zooals hier, die de lucht kleiner doen schijnen, maar men ziet er de hemelen uitgespannen als een tent, en men voelt er den Eeuwigen arm om zich henen. Doch voor wij te Hetton kwamen, werd broeder Marlowe overvallen door een duizeling, die hem deed vreezen dat hij neder zou storten. Want hij overwerkte zich bedroefd, op zijn hooge jaren, met waken en bidden en rondloopen, vele mijlen ver, om het woord te prediken, zoowel als met zijn ambacht. Hij was linnenwever. En toen wij in het dorp kwamen, wachtte het volk hem op, want hij had tijd en plaats vooraf bepaald toen hij daar de laatste maal geweest
105
EEN ROEPING.
was, en zij die begeerig waren liet woord des Levens te lioo-ren, waren vergaderd op een plekje, waar de hutten het dichtst opeen stonden, ten einde anderen aan te lokken insgelijks te komen. Maar hij voelde zich niet in staat te spreken, en was genoodzaakt zich neder te leggen in de eerste hut de beste die wij bereikten. Ik ging dit aan het volk zeggen, denkend dat wij ons in een der huisjes zouden vereenigen, en dat ik voor hen zou lezen en bidden. Maar toen ik langs de hutten ging, en de oude bevende vrouwen aan de deuren zag, en de hartvochtige blikken der mannen, even weinig vervuld met het aanschouwen van den Sabbath-morgen, als waren zij stomme runderen geweest die nooit naar den hemel hadden opgezien, voelde ik een diepe ontroering in mijn ziel, en ik beefde als werd ik aangegrepen door een machtigen geest die mijn zwak lichaam was ingevaren. En ik begaf mij naar de plaats waar de kleine gemeente bijeenvergaderd was en stapte op den lagen muur die gebouwd was langs de groene helling der heuvelen, en sprak de woorden die mij overvloediglijk geschonken werden. En allen verzamelden zich om mij heen uit de hutten, en velen weenden over hun zonden en werden sinds dat oogenblik aan den Heer toegevoegd. Zoo was het begin van mijn werk, mijnheer, en sinds dien tijd heb ik altijd door gepredikt.quot;
Dina had haar laken laten vallen gedurende dit verhaal, dat zij mededeelde op haar gewone eenvoudige wijze, maar op dien oprechten, duidelijk verstaanbaren, trillenden toon, waarmede zij steeds haar gehoor beheerschte. Zij bukte zich om haar naaiwerk op te rapen en ging met den arbeid voort als daareven. Ds. Irwine's belangstelling was grootelijks opgewekt. Hij prevelde binnensmonds: âDie hier den psedagoog ging spelen, zou een groote wijsneus zijn; evengoed zou men de boomen de les kunnen lezen, omdat zij groeien elk naar hun eigen vorm.quot;
âEn voelt gij nooit eenige verlegenheid door het bewustzijn van uw jonge jaren, en dat gij een bevallige jonge vrouw zijt, op wie de oogen der mannen gevestigd zijn?quot; vroeg hij overluid.
âNeen, mijnheer, daar is in mij geen plaats voor zulke gevoelens, en ik geloof ook niet dat men ooit acht slaat op hetgeen u bedoelt. Ik geloof, wanneer God zijn tegenwoordigheid doet gevoelen door middel van ons, dat wij dan zijn als het brandende braambosch in de woestijn. Mozes sloeg er geen acht op, welk soort van hout het
106
EEN KOEPING.
braambosch was â hij zag enkel de heerlijkheid des Heeren. Ik heb gepreekt voor het ruwste, onwetendste volk dat te vinden is in de omstreken van Snowfield â mannen met een hardvochtig en ruw uitzicht, maar zij hebben mij nooit een onbeleefd woord toegevoegd, en mij dikwerf vriendelijk bedankt, terwijl zij voor mij uit den weg gingen om mij midden door hen heen te laten.quot;
âDat wil ik gelooven, gaarne gelooven,quot; zei ds. Irwine met nadruk. âEn wat dacht gij van uw hoorders gisteravond? Waren zij stil en oplettend?quot;
âZeer stil, mijnheer, maar ik kon geen teeken van groote ontroering bij hen waarnemen, uitgezonderd bij een jong meisje, Betsy Cranage genaamd, tot wie mijn hart sterk getrokken werd zoo ras mijn oog viel op haar bloeiende jeugd, overgegeven aan dwaasheid en ijdelheid. Later heb ik afzonderlijk met haar gesproken en gebeden, en ik vertrouw dat haar hart getroffen is. Maar ik heb opgemerkt dat in deze dorpen, waar het volk een rustig leven leidt midden in de groene weiden en de stille wateren, het land bebouwend en het vee verzorgend, groote onvatbaarheid heerscht voor het Woord, geheel anders dan in de groote steden, zooals Leeds, waar ik eenmaal heen ben geweest met een heilige vrouw, die daar gewoonlijk optreedt. Het is wonderlijk hoe rijk de zie-lenoogst is in die hoog bemuurde straten, waar men schijnt te wandelen als op de binnenplaats van een gevangenis, en waar het oor wordt verdoofd door de geluiden van allerlei wereldschen arbeid. Misschien komt het verschil hier vandaan, dat de blijde boodschap het liefelijkst klinkt waar het leven donker en een moeite is, en dat de ziel meer hongert al naarmate het lichaam zwaarder smarten lijdt.quot;
âTen minste, onze landbouwers zijn niet licht opgewekt. Zij nemen het leven bijna even kalm op, als de runderen en de schapen. Maar wij hebben toch eenige knappe werklieden hier in den omtrek. Gij kent zeker de Bedes? Seth Bede, onder anderen, is Methodist.quot;
âJa, ik ken Seth Bede zeer goed, en zijn broeder Adam ook een weinig. Seth is een begenadigd jonkman, oprecht en onbesproken, en Adam is als aartsvader Jozef, wat betreft zijn groote bekwaamheid en kennis, en de goedheid die hij betoont aan zijn broeder en ouders.quot;
107
EEN BOEPING.
âMisschien weet gij nog niet welk verdriet hun juist getroffen heeft? Hun vader, Thias Bede, is verdronken in de Wilgenheek dezen nacht, niet ver van zijn eigen huis. Ik ga zoo aanstonds eens naar Adam zien.quot;
,Ach, hun arme oude moeder!quot; zei Dina, terwijl zij de handen liet zinken en voor zich uitzag met een medelijdenden blik, alsof zij het voorwerp harer deelneming in den geest aanschouwde. âIk moet gaan en hooren of ik haar ook van dienst kan wezen.
Toen zij opstond en haar werk begon op te vouwen, kwam kapitein Donnithorne, nadat hij alle schijnbaar redelijke voorwendsels om bij de melktesten te blijven had uitgeput, uit het karnhuis te voorschijn, gevolgd door boerin Poyser. Ds. Irwine stond nu insgelijks op, en Dina naderend, stak hij haar de hand toe en zei:
âWees gegroet. Ik hoor dat gij spoedig vertrekt, maar dit zal wel niet de laatste maal zijn dat gij uw tante een bezoek brengt. Wij zullen elkander wederzien, hoop ik.quot;
Zijn hartelijkheid jegens Dina stelde boerin Poyser geheel gerust, en haar gelaat stond vroolijker dan gewoonlijk, toen zij zeide:
âIk heb nog niet gevraagd naar mevrouw Irwine en de dames, mijnheer; ik hoop dat zij welvarend zijn?quot;
âDank u, boerin Poyser; alleen juffrouw Anna heeft haar gewone hoofdpijn van daag. Laat mij niet vergeten u te zeggen dat de heerlijke roomkaas, die gij ons laatst gezonden hebt, ons allen goed gesmaakt heeft; aan mijne moeder vooral.
âDat doet mij pleizier, mijnheer. Ik maak er zelden een, maar ik herinnerde mij dat mevrouw Irwine er veel van houdt. Wees zoo goed haar mijn kompliment te doen, en aan juffrouw Katha-rina, en juffrouw Anna. Zij zijn in lang niet eens naar mijn kippen komen kijken; ik heb tegenwoordig mooie gespikkelde kuikentjes, zwart en wit; juffrouw Katharina zou er misschien gaarne eenige van onder de hare hebben.quot;
âGoed, ik zal het haar zeggen; zij moet ze eens komen zien. Goeden dag,quot; zei de Rector, te paard stijgend.
âRijd maar zachtjes op, Irwine,quot; zei kapitein Donnithorne, insgelijks opstijgend. âIn een paar minuten haal ik u in. Ik moet even met den schaapherder spreken over de jonge honden. Goeden dag, boerin Poyser, zeg aan uw man dat ik spoedig terugkom om eens lang en breed met hem te praten.quot;
108
EEN KOEPING.
Boerin Poyser neeg eerbiedig en zag de paarden na tot zij verdwenen van de werf, onder groote opgewondenheid van den kant der biggen en kippen, en te midden der woedende verontwaardiging van den bulhond, die een tarantelladans uitvoerde zoo levendig en hartstochtelijk, dat zijn ketting ieder oogenblik aan stukken dreigde te breken. Boerin Poysers hart ontlook bij deze luidruchtige beweging; het was een nieuwe verzekering dat de hoeve wel bewaakt werd, en dat niemand hier ongemerkt kon binnensluipen. En niet voordat het hek achter kapitein Donnithorne toegevallen was, keerde zij naar de keuken terug, waar Dina stond met haar hoed in de hand, haar tante opwachtend vóór zij zich naar Lijsbeth Bede's woning begaf.
Boerin Poyser evenwel, ofschoon zij den hoed opmerkte, wachtte met aanmerkingen te maken tot zij zich het hart had ontlast van haar verwondering over ds. Irwine's gedrag.
âWel, de dominé was dus niet boos op u? Wat heeft hij u gezegd, Dina? Heeft hij niet geknord over uwpreeken op het Groen?quot;
âNeen, tante, hij was volstrekt niet boos; hij was heel vriendelijk tegen mij. Ik werd sterk heengetrokken om tot hem te spreken, waarom weet ik waarlijk niet, want ik had altijd aan hem gedacht als aan een wereldsch Sadduceër. Maar zijn uitzicht is zoo aangenaam als een zomersche morgen.quot;
âAangenaam! en wat hadt gij gedacht dat het zijn zou, anders dan aangenaam?quot; vroeg boerin Poyser ongeduldig haar breien hervattend. âDat zou ik meenen dat zijn uitzicht aangenaam is! een geboren edelman, met zoo'n beeld van een moeder. Gij zoudt het land kunnen rondreizen, zonder ergens haars gelijke te vinden; zes en zestig jaar. Het doet een mensch goed, zoo'n man op den preekstoel te zien des Zondags! Zooals ik dikwijls aan Poyser zeg, het is of men een rijke tarweoogst voor oogen heeft, of een wei met schoone melkkoeien er in; het geeft u een gevoel dat alle dingen goed gaan in de wereld. Maar zulke schepsels, als gij Methodisten naloopt â ik kijk even lief naar een troep runderen met uitstekende ribben op een verwaarloosd stuk weiland. Mooi volkje om aan de menschen te verkondigen wat recht en krom is. Zij zien er uit, als hadden zij van hun leven nooit iets anders geproefd dan zwoerd van spek en zuur brood. Maar wat heeft ds. Irwine gezegd van uw dwazen streek om op het Groen te preeken?quot;
109
EEN ROEPING.
âHij zei alleen dat hij er van gehoord had; ongenoegen scheen hij er volstrekt niet over te gevoelen. Maar, lieve tante; denk daar nu niet meer aan. Hij vertelde mij iets dat u zeker verdriet zal doen, evenals mij. Thias Bede is gisteren nacht in de Wilgenbeek verdronken, en ik denk dat oude Lijsbeth grootelijks behoefte aan troost zal hebben. Misschien kan ik haar van dienst zijn; daarom heb ik mijn hoed gehaald en wilde er heen gaan.quot;
,Braaf zoo, braaf zoo. Maar gij moet eerst een kopje thee hebben, kind,quot; zei boerin Poyser, eensklaps vallend uit grondtoon B, met vijf scherpe tonen, in den milden en hartelijken C. âHet water kookt â binnen een minuut ben ik klaar, de anderen komen zoo op het oogenblik ook. Ik vind heel goed dat gij de oude vrouw eens gaat opzoeken. Methodist of niet, gij zijt een van die men-schen die altijd welkom zijn wanneer men verdriet heeft. Wat dat betreft, het onderscheid zit in het bloed, in de klei waaruit de men-schen gekneed zijn. Sommige kaas wordt gemaakt van afgeroomde en andere kaas van versche melk â geef ze welken naam gij wilt, gij kunt ze uit elkander kennen aan het gezicht en aan den reuk. Wat Thias Bede aangaat, hij is beter uit de wereld dan er in â God vergeve mij dat ik het zeggen durf. De laatste tien jaren heeft hij alevel niet veel anders gedaan dan verdriet gebracht over de zijnen. Mij dunkt, gij moest een fleschje rum bij u steken voor de oude vrouw; ik wed dat zij nog geen drupje heeft geproefd om zich een weinig op te beuren aan den binnenkant. Ga zitten, kind, en houd uw gemak; geen voet zult gij verzetten voor gij een kopje thee hebt gehad, reken daarop.quot;
Gedurende het laatste gedeelte van deze toespraak was boerin Poyser bezig geweest het theegoed van de plank te krijgen, en bevond zich nu op weg naar de kast om het brood te halen, op de hielen gevolgd door Totty, die was komen aangeloopen op het geluid der kopjes, toen Hetty uit het karnhuis trad, haar vermoeide armen een weinig rust gevend door ze op te heffen en de beide handen tegen haar achterhoofd samen te vouwen.
,Molly,quot; zei zij op eenigszins kwijnenden toon, âloop eens even heen en haal mij een handjevol zuringbladeu; de boter is klaar om te worden ingepakt.quot;
âHoort gij wat er gebeurd is, Hetty?quot; vroeg haar tante.
âNeen, hoe zou ik?quot; was haar antwoord, spijtig genoeg.
110
een koeping.
âGij zoudt er u niet zwaar om bekommeren, wil ik wedden, al hadt gij het gehoord; gij zijt een veel te groote ijdeltuit om er bijzonder aan te hechten of iemand dood is; gij zult niettemin twee uur boven blijven met u te kleeden. Ieder ander dan gij zou zich zulke dingen ten minste aantrekken wanneer zij iemand overkomen die aan u denkt â meer dan gij verdient. Maar Adam Bede en zijn gansche geslacht zou kunnen verdrinken zonder dat het u aandeed; â een minuut later stondt gij weer als van ouds voor den spiegel te pronken.quot;
âAdam Bede â verdronken?quot; vroeg Hetty, terwijl zij haar armen liet vallen en er eenigszins verbijsterd uitzag, maar tevens vermoedde dat haar tante als gewoonlijk de zaken overdreef, met een doel van onderwijzing en vermaning.
âNeen, lieve, neen,quot; zei Dina vriendelijk, want boerin Poyser was doorgegaan naar de kast zonder zich te verwaardigen haar nichtje vollediger in te lichten. âAdam niet, Adams vader, de oude man is omgekomen. Hij is van nacht verdronken in de Wilgenbeek. Ds. Irwine heeft het mij daareven verteld.quot;
âHoe vreeselijk,quot; zei Hetty, en keek ernstig, maar niet bijster aangedaan; en toen Molly nu met de zuringbladen binnenkwam, nam zij die zwijgend van haar aan en keerde naar het karnhuis terug, zonder verdere navraag te doen.
HOOFDSTUK IX.
hetty's wereld.
Hetty, vrees ik, terwijl zij de breede bladen schikte, waartusschen de bleeke, geurige boter uitkwam als het bakkruidje in zijn nestje van groen, dacht veel meer en langer aan de blikken die jonker Donnithorne op haar geworpen had, dan aan Adam en diens verdriet. Heldere, bewonderende blikken van een schoonen. jongen edelman met blanke handen, een gouden horloge-ketting, nu en dan m uniform, een hoogen rang en onmetelijke rijkdommen â deze waren de warme stralen die arme Hetty's hartje deden trillen, en
Ill
hetty's wereld.
die het zijn dwaze, kleine orgeldeuntjes telkens deden spelen en nogmaals overspelen. Wij vernemen niet dat het standbeeld van Memnon zijn muziek deed hooren onder het ruischen van een machtigen wind, of in antwoord op eenigen anderen invloed, goddelijk of men-schelijk, behalve dien van zekere vluchtige morgen-zonnestralen. Zoo moeten wij ook leeren ons te schikken naar de ontdekking, dat enkele dier vernuftig samengestelde instrumenten, bijgenaamd men-schenzielen, slechts een zeer beperkt aantal melodieën rijk zijn, en volstrekt niet trillen onder aandoeningen, die anderen vervullen zouden met juichende verrukking of bittere smart.
Hetty was volkomen vertrouwd met de gedachte, dat de men-schen gaarne naar haar keken. Zij was niet blind voor de omstandigheid dat de jonge Lukas Britton, van Broxton, Zondagnamiddag te Hayslope ter kerk kwam enkel met het doel om haar te zien; en dat hij nog veel meer bepaald werk van haar zou gemaakt hebben, indien haar oom Poyser, die geen groote gedachte had van een jonkman, wiens vaders land zoo slecht in orde was als dat van den ouden Lukas Britton, haar tante niet had verboden, hem door eeni-gerlei beleefdheid zijdelings aan te moedigen. Zij wist ook dat baas Craig, de tuinman van het kasteel, tot over de ooren verliefd op haar was, en in den laatsten tijd dienaangaande onmiskenbare belijdenissen had gedaan in de vorm van suikerzoete aardbeziën en onovertrefbare doperwten. Nog beter wist zij dat Adam Bede â de kloeke, flinke, knappe, brave Adam Bede â die zoo groot gezag had bij de lieden om haar henen, en dien haar oom altijd met zooveel genoegen 's avonds zag binnenkomen, zeggende dat âAdam een veel beter blik had op de dingen dan menigeen die zich zijn meerdere waandequot; â zij wist dat deze Adam, die dikwerf eenigs-zins kortaf en hooghartig was omtrent andere menschen, en nimmer zeer geneigd de meisjes na te loopen, elk oogenblik kon worden gebracht tót blozen en verbleeken door een woord of een blik van haar. Hetty's sfeer van vergelijking was ver van uitgebreid; doch zij kon niet nalaten op te merken dat Adam in de ware beteekenis van het woord een man was; dat hij altijd wist hoe te oordeelen over de dingen; dat hij haar oom had gewezen hoe de loods te stutten, en dat hij de gebroken karn in een ommezien had gerepareerd; dat hij met een enkelen blik de waarde kon bepalen van een omgewaaiden noteboom, kon aanwijzen waar
112
hetty's wereld.
de vocht in de muren vandaan kwam, en wat men moest doen om de ratten te verdrijven; dat hij een fraaie hand schreef die men gemakkelijk lezen kon, en uit het hoofd rekende â een mate van bekwaamheid, geheel onbekend onder de rijkste boeren dier landstreek. In 't minst niet zooals die lompe Lukas Britton, die, toen zij eens den ganschen weg van Broxton naar Hayslope naast hem had gewandeld, de stilte enkel had verbroken door aan te merken âdat de grijze gans broeisch geworden was.quot; En wat baas Craig aangaat, zeker, hij was een ordentelijk mensch, maar had ingezakte knieën en een zonderlinge manier van door zijn neus te praten: daarenboven was hij, volgens de gunstigste onderstelling, reeds een heel eind op weg naar de veertig.
Hetty was overtuigd dat haar oom gaarne zag dat zij Adam aanmoedigde, en dat het hem genoegen zou doen indien zij hem trouwde. Want in die dagen bestond er nog geen scherpe afscheiding tusschen den boer en den fatsoenlijken ambachtsman, en aan den huiselijken haard zoowel als in de herberg kon men beiden hun kan ale vinden drinken; den boer in het geheim bewustzijn van zijn kapitaal en van zijn invloed op de gemeentezaken, dat ruimschoots opwoog tegen zijn in het oogloopende minderheid in de conversatie. Martin Poyser was geen voorstander van de herberg, maar hij hield van een vriendschappelijk praatje thuis, bij een kan eigen gebrouwen bier, en hoewel het streelend was, de wet voor te schrijven aan den een of anderen dommen buurman, die niet wist hoe best partij te trekken van zijn hoeve, het was ook een aangename afwisseling, iets te leeren van een kundigen knaap als Adam Bede. Dientengevolge was Adam gedurende de drie laatste jaren â sinds hij het opzicht had gehad over het bouwen van de nieuwe schuur â altijd welkom geweest op de hoeve, vooral 's winter-avonds, wanneer de geheele familie, meester én meesteres, kinderen en dienstboden, vergaderd waren in de roemrijke keuken, op gepasten afstand van het vlammend vuur. En sinds twee jaren op zijn minst was Hetty gewoon geweest haar oom te hooren zeggen: âAdam Bede mag op het oogenblik werken om loon, maar eens zal hij zelf baas zijn, zoo zeker als ik hier op mijn stoel zit. Baas Burger heeft groot gelijk dat hij hem tot zijn compagnon wil maken, en hem zijn dochter ten huwelijk wil geven, zoo het waar is wat men vertelt; de vrouw die hem trouwt zal goed af wezen, het moge dan zijn met
adam bede. 8
113
hetty's wereld.
Vrouwedag of met St. Micliiel;quot; een opmerking, die steeds door boerin Poysers hartelijkste instemming gevolgd werd. âOch,quot; mocht deze dan zeggen, âhet is alles mooi en goed een kant en klaar rijken man te trouwen, maar het zou kunnen gebeuren, dat de man kant en klaar een zot bleek te wezen; en het helpt niet uw zak met geld te vullen, zoo er een gat in de punt is waar het uitloopt. Gij hebt er niet aan, te zitten in een sjees op veeren van uw eigen, zoo gij een lomperd tot voerman hebt; meteen gooit hij u in de sloot. Ik heb altijd gezegd: ik zou geen man willen trouwen waar geen goeden kop op zat; want wat baat het of een vrouw al zelf knap 'er verstand heeft, zoo zij verbonden is aan een gek dien iedereen uitlacht? Zij zou zich evengoed mooi kunnen aankleeden om achterste voren op een ezel te gaan zitten.quot;
Deze beschouwingen, ofschoon beeldsprakig, drukten boerin Poysers meening omtrent Adam voldoende duidelijk uit, en ofschoon zij en haar man de zaak wellicht uit een ander oogpunt zouden hebben bezien, indien Hetty hun eigen dochter ware geweest, het bleek genoegzaam dat een huwelijk tusschen Adam en het arme nichtje hun zeer zou hebben aangestaan. Wat anders toch zou er van Hetty hebben kunnen groeien dan een dienstbode onder vreemden, indien haar oom haar niet tot zich genomen en haar opgeleid had tot huishoudster bij haar tante, wier gezondheid sinds de geboorte van Totty haar geen anderen arbeid veroorloofd had dan het toezicht te houden over de dienstboden en de kinderen ? Doch Hetty had Adam nooit eenige bepaalde aanmoediging gegeven. Zelfs in zulke oogenblikken, waarin zij zich het meest bewust was van zijne meerderheid boven haar andere bewonderaars, had zij zich zelve nooit kunnen verzoenen met het denkbeeld van zijn hand te aanvaarden. Zij vond het aangenaam te gevoelen dat zij dezen sterken, ontwikkelden, scherpzinnigen man in haar macht had, en zou verontwaardigd geweest zijn, indien hij het geringste teeken had gegeven van onder het juk harer behaagzieke dwingelandij te willen wegslippen en zich te hechten aan de zachtzinnige Marie Burger, die dankbaar zou geweest zijn voor het minste blijk van oplettendheid van zijnentwege. âDie Mary Burger met haar bleek gezicht! Als zij een rozerood lint aandeed, zag zij zoo geel als een boterbloem, en 'er haar hing zoo sluik als een streng garen.quot; En altijd wanneer Adam eenige weken van de hoeve wegbleef, en op de een of andere wijze
114
hbtty's wereld.
teekenen gaf van weerstand te bieden aan een hartstocht dien hij een dwaasheid achtte, droeg Hetty er zorg voor, hem opnieuw in hare netten te verstrikken door een weinig voorgewende verslagenheid en blooheid, alsof zij leed onder zijn veronachtzaming. Maar Adam te trouwen â dat was een gansch andere zaak! Niets ter wereld zou haar daartoe verlokken. Haar wang kleurde nooit één tintje donkerder wanneer zijn naam genoemd werd; zij voelde geen zachte trilling als zij hem zag voorbijgaan op den kiezel weg langs het venster, of wanneer hij haar onverwacht tegenkwam op het voetpad door de weide. Rustte zijn oog op haar, dan gevoelde zij niets dan een koelen triomf dat hij haar liefhad, en geen blik zou slaan op Mary Burger. Evenmin als een geschilderde zon de lentesappen in de fijne vezelen der planten in beweging kan brengen, evenmin kon hij in haar die aandoeningen opwekken die de zoete betoovering van jeugdige liefde uitmaken. Zij zag in hem hetgeen hij was â een armejongen, belast met het onderhoud van bejaarde ouders en die, gedurende langen tijd nog, niet in staat zijn zou haar zelfs het weinigje weelde te verschaffen waaraan zij in haar ooms huis gewoon was. En Hetty's droomen waren altegader droomen van weelde: te zitten in-een kamer met een tapijt, en altijd witte kousen te dragen; fraaie, groote oorringen rijk te zijn, zooals toen in de mode waren; Nottinghamsche kant om den hals van haar japon; iets te hebben om haar zakdoek lekker te doen ruiken, zooals de zakdoek van miss Lydia Donnithorne, wanneer zij dien uittrok 's Zondags in de kerk; en ook nog, niet verplicht te zijn om vroeg op te staan of zich door wien ook te laten beknorren. Zij dacht: ware Adam rijk geweest en had hij haar dit alles kunnen verschaffen, dan zou zij hem juist lief genoeg gehad hebben om hem te trouwen.
Doch sinds de laatste weken had een andere invloed zich bij Hetty doen gevoelen: iets schemerachtigs, iets onbestemds, dat niet den vorm aannam van bepaalde hoop of vooruitzichten, maar iets dat een aangenaam bedwelmende uitwerking teweegbracht, zoodat Hetty over den bodem ging en haar werk deed als in een droom, onbewust van gewicht of inspanning; iets dat haar alle dingen deed zien als door een zachten, vloeibaren sluier, alsof zij niet leefde in deze tastbare wereld van kalk en steen, maar in eene verheerlijkte, zooals de zon ons voortoovert in het water.
8*
115
hetty's wekeld.
Hetty was gewaar geworden dat jonkheer Arthur Donnithorne zich vrij wat moeite getroostte voor de kans van haar te zien te krijgen; dat hij in de kerk zich altijd zóó plaatste dat hij het beste gezicht op haar had, hetzij zij zat of stond; dat hij altijd de eene of andere reden wist te bedenken om een bezoek te brengen op de hoeve, en steeds iets uitvond om te maken dat zij met hem sprak en naar hem keek. Voor het tegenwoordige had het arme kind geen voorstelling dat de jonge landheer immer haar minnaar zou kunnen wezen, even weinig als de mooie bakkersdochter, aan wie bij zijn intocht een jong keizer in de dichte menigte een keizerlijken, maar bewonderenden glimlach gunt, zich voorstelt dat zij tot keizerin zal verheven worden. Maar de bakkers-dochter gaat naar huis, en droomt van den schoonen, jongen keizer en weegt misschien het meel verkeerd, terwijl zij bedenkt welk een hemelsch lot het wezen zou, hem tot echtgenoot te hebben. Evenzoo was er een gelaat en tegenwoordigheid die Hetty vervolgden in nachtelijke en overdaagsche droomen. Zacht fonkelende blikken waren tot haar doorgedrongen, en hadden haar leven als overgoten met een vreemdsoortigen, maar zoeten en smachtenden onlust. De oogen waaruit die blikken straalden, waren, het is zoo, niet half zoo schoon als die van Adam, die haar somtijds aanzagen met een droevig smeekende teederheid. Daarentegen hadden zij een zeer bereidvaardig medium gevonden in Het-ty°s dwaze kleine verbeelding, terwijl Adams oogen onbekwaam waren, dezen dampkring te doorboren. Drie weken lang, op zijn minst, had haar innerlijk leven bestaan uit bijna niets anders dan het nogmaals doorleven in herinnering van de blikken en de woorden die Arthur tot haar gericht had â uit weinig anders dan het zich weder te binnen brengen van het gevoel, waarmede zij zijn stem hoorde buiten het huis, en hem zag binnenkomen, en zich bewust werd dat zijn oogen op haar gevestigd waren, en daarna gevoelde dat een ranke gestalte, die op haar nederzag met oogen die haar schenen aan te roeren, naderkwam in kleederen van fijne stof en met een geur als de geuren van een bloemtum op de wieken van den avondwind. Dwaze gedachten, zooals gij ziet, zeer ongelijk aan de liefde der meisjes van achttien jaren in dezen onzen tijd. Maar gij moet bedenken, al deze dingen zijn geschied nagenoeg zestig jaren geleden, en Hetty had volstrekt geen opvoeding gehad â een
iietty's wereld.
eenvoudig boeren-meisje, voor wie een edelman met blanke handen even verblindend was als een God van den Olympus. Tot biertoe had zij de toekomst niet verder ingezien dan tot de volgende maal dat kapitein Donnithorne op de hoeve verschijnen, of tot den volgenden Zondag wanneer zij hem in de kerk zien zou. Doch nu dacht zij, dat hij misschien zijn best zou doen, haar te ontmoeten wanneer zij naar het kasteel ging, morgen. Gesteld dat hij met haar sprak, en een eindweegs met haar opwandelde daar niemand bij was. Dit was nog nooit gebeurd, en nu was haar verbeelding, in-plaats van het verledene op te roepen, bezig met uit te vinden wat morgen gebeuren zou â waar ergens in de plaats zij hem naar zich zou zien toekomen â hoe zij haar nieuw rozerood lint zou omstrikken dat hij nog nooit gezien had â wat hij zeggen zou om te maken dei zij zijn blik beantwoordde â zijn blik, dien zij zou overleven in haar gedachten, telkens en telkens weder, gedurende het overige van den dag.
Hoe was het mogelijk dat in dezen gemoedstoestand Hetty eenig gevoel had van Adams verdriet, of er lang over dacht dat de arme oude Thias verdronken was? Jonge zielen, verkeer end in een waanzin zoo zoet als den haren, zijn even onmeewarig als vlinders die met kleine teugen bezig zijn nektar te drinken; zij zijn onontvankelijk gemaakt voor alle andere indrukken door een slagboom van droomen â door onzichtbare blikken en ontastbare armen.
Terwijl Hetty's handen bezig waren met de boter in te pakken, en haar hoofd vervuld was met deze voorstellingen omtrent den grooten dag van morgen, hield ook Arthur Donnithorne, rijdend aan de zijde van ds. Irwine in de richting der Wilgenbeek, zich met zekere onbestemde uitzichten bezig, vloeiend als een verborgen stroom door zijn ziel, terwijl hij luisterde naar ds. Irwine's verslag van het gesprek met Dina; uitzichten, onbestemd en toch bepaald genoeg om hem eenigszins verlegen te maken toen ds. Irwine zei:
âWat heeft u zoo bekoord in boerin Poysers karnhuis, Arthur? Zijt gij een liefhebber geworden van vochtige steenen vloeren en melktesten?quot;
Arthur kende den Rector te goed om te meenen dat een uitvlucht baten zou; hij zei daarom met zijne gewone openhartigheid;
âNeen, ik ging eens kijken naar het mooie botermaakstertje.
117
HETTY S WERELD.
Hetty Sorrel. Zij is volmaakt eene Hebe, en zoo ik kunstenaar was, zou ik haar uitschilderen. Het is wonderlijk zulke knappe meisjes als men hier onder de boeren-dochters vindt, terwijl toch de mannen zoo lomp en grof zijn. Dat gemeene ronde in de purperen gezichten der mannen â niets dan wangen zonder trekken, zooals bij Martin Poyser â vertoont zich bij de vrouwelijke leden van het gezin als het bekoorlijkste type dat men zich voorstellen kan.
âNu, ik heb er niets tegen dat gij Hetty beschouwt met een kunstenaarsblik, maar gij moogtmij haar ijdelheid niet voeden, en haar kopje opvullen met het denkbeeld dat zij een schoonheid van gewicht is, verleidelijk voor groote heeren. Anders zoudt gij haar bederven als de aanstaande vrouw van haar man â van den eerzamen Craig bijvoorbeeld, dien ik vriendelijke blikken op haar heb zien werpen. Het kleine ding schijnt toch reeds inbeelding genoeg te hebben om een man zoo ongelukkig te maken, als volgens de wetten der natuur een eenvoudig echtgenoot worden moet, wanneer hij een schoonheid trouwt. Van trouwen gesproken, ik hoop dat onze vriend Adam zich vestigen zal, nu de arme oude man heengegaan is. Hij zal in het vervolg alleen zijn moeder hebben te onderhouden, en uit een gezegde dat de oude Jonathan zich liet ontvallen terwijl ik met hem sprak, heb ik opgemaakt dat er zekere genegenheid bestaat tusschen hem en dat zedige meisje, Mary Burger. Maar toen ik er iets van aan Adam zeide, keek hij bedrukt en bracht het gesprek op iets anders. Ik onderstel dat de vrijerij niet vlot, of dat misschien Adam zich stil houdt tot hij in beter doen is. Hij heeft onafhankelijkheid van karakter genoeg voor twee â wat te veel hooghartigheid misschien, zoo er iets op hem zou zijn aan te merken.''
âDat zou een uitmuntende partij zijn voor Adam. Hij zou den ouden Burger opvolgen, en van diens timmermanswinkel een mooie zaak maken, daar sta ik borg voor. Ik zou hem gaarne goed gevestigd zien in deze gemeente. Wij zouden te zamen plannen zonder eind kunnen maken tot verbetering en reparaties. Het meisje heb ik nooit gezien â ik heb ten minste nooit naar haar gekeken.quot;
âGij moet eens naar haar zien Zondag in de kerk â zij zit met haar vader aan den linkerkant van het voorlezersbankje. Gij hebt dan meteen niet noodig zoo druk naar Hetty Sorrel te kijken. Wanneer ik vooruit weet dat ik een verïeidelijken hond niet koopen kan
118
hetty's wereld.
omdat hij mij te duur is, sla ik geen acht op het dier; want anders, als hij grooten zin in mij kreeg en mij met vriendelijke oogen aankeek, zou de strijd tusschen cijferkunde en begeerlijkheid wel eens hinderlijk zwaar kunnen worden. Ik laat mij op mijn wijsheid op dat punt eenigszins voorstaan, Arthur, en als een oud vrijer, wien zulke wijsheid weinig geld kost, geef ik haar u bij deze gelegenheid present.quot;
âDank u. Zij zal mij wellicht te eeniger tijd van goeden dienst zijn, ofschoon ik niet weet dat ik haar op dit oogenblik behoef. Hemel, wat is de bee'k een geducht eind overgestroomd. Zoo wij eens doordraafden nu wij de glooiing achter den rug hebben?quot;
Hierin ligt het groote voordeel van een samenspraak te paard! men kan haar elk oogenblik doen overgaan in een draf of galop. In den zadel zou men zelfs aan den vasthoudenden Socrates hebben kunnen ontkomen. De beide vrienden waren ontslagen van de verplichting, het gesprek verder voort te zetten, tot zij de laan opreden achter Adams woning.
HOOFDSTUK X.
dina bij lijsbeth.
Omstreeks, vijf uur kwam Lijsbeth beneden met een grooten sleutel in de hand: het was de sleutel van de kamer waar het lijk van haar echtgenoot lag. Gedurende den ganschen dag, uitgezonderd de tijdelijke uitbarstingen van haar jammer en smart, was zij onophoudelijk in beweging geweest en had de eerste plichten aan haren doode vervuld met dat ontzag en die nauwgezetheid, welke men aan godsdienstige plechtigheden wijdt. Zij had haar kleinen voorraad wit gebleekt linnen voor den dag gehaald, dat zij reeds sinds lange jaren had ter zijde gelegd voor dit jongst gebruik. Het was alsof het gister was; en toch lagen vele zomers tusschenbeide, dat zij Thias had gezegd waar zij dit linnen geborgen had, opdat hij het zou kunnen vinden wanneer z ij kwam te sterven; want zij was de oudste. Toen was een andere arbeid gevolgd; die van met angstvallige zindelijkheid elk voorwerp in de gewijde kamer te reinigen
119
DINA BIJ LIJSBETH.
en elk spoor van gewonen dagelijkschen arbeid uit het vertrek te verwijderen. Het kleine venster, dat tot dusver ongehinderd het maanlicht in vriezende winternachten, of in den warmen zomer de rijzende zonnestralen had laten binnenstroomen op den slapenden handwerksman, moest nu worden omfloerst met een helder wit laken ; want de slaap welke Thias thans sliep, is even heilig onder naakte sparren als in geplafonneerde huizen. Zelfs had Lijsbeth een lang verzuimd en onmerkbaar scheurtje in de geruite bedgordijnen dichtgenaaid; de oogenblikken waren nu weinig in getal en kostbaar, waarin zij in staat zijn zou, hare kleine diensten van eerbied en liefde te bewijzen aan het roerloos lijk, waaraan zij bij al haar overleggingen altoos nog zekeren graad van zelfbewustzijn toeschreef. Onze dooden zijn eerst waarlijk dood wanneer wij hen vergeten hebben; vóór dien tijd kunnen zij door ons beleedigd, door ons gekwetst worden; zij weten ons naberouw, weten ons pijnlijk bewustzijn dat hun plaats ledig is; zij tellen de kussen die wij drukken op de kleinste reliek die aan hun tegenwoordigheid herinnert. En de bejaarde dorpelinge, meer dan iemand anders, verkeert in het geloof dat haar dooden van alles kennis dragen. Een betamelijke begrafenis voor haarzelve: daaraan had Lijsbeth gedacht en daarvoor had zij gespaard vele jaren achtereen, met een onbestemde verwachting dat zij kennis hebben zou van het oogenblik waarop zij naar het kerkhof gedragen zou worden, gevolgd door haar man en beide zonen. En thans had zij een gevoel alsof de grootste taak van haar leven bestond in toe te zien dat Thias fatsoenlijk begraven werd vóór haar, onder den witten haagdoorn, denzelfden waaronder zij eens, in een droom, zelve gemeend had in de kist te liggen, terwijl zij niettemin de zon zag schijnen en de witte bloesems rook; de eigen bloesems die in dichte menigte den doorn overdekten op dien zekeren Zondag, dat zij haar eersten kerkgang had gedaan na Adams geboorte.
Maar nu had zij alles verricht wat heden kon worden gedaan in de kamer van den doode â eigenhandig had zij het gedaan, met de hulp nu en dan van hare zonen, wanneer er iets te tillen viel. Want zij wilde niemand laten halen om haar bij te staan uit het dorp; zij hield niet van vrouwelijke buren in het gemeen, en haar lieveling Dolly, de oude huishoudster van baas Burger, die haar een bezoek van rouwbeklag was komen brengen zoodra zij Thias' dood verno-
120
DINA BIJ LIJSBETH.
men had, w/is te slecht van gezicht om hier van grooten dienst te kunnen wezen. Zij had de deur gesloten en hield nu den sleutel in de hand, terwijl zij zich uitgeput nederwierp op een stoel, verdwaald en verschoven midden in het vertrek, waar zij op gewone tijden nimmer zou hebben kunnen besluiten zich neder te zetten. Er was niets aan de keuken gedaan dien dag; zij was bezoedeld met slijkerige voetstappen, en onordelijk door de kleederen en andere voorwerpen, die hier en daar verspreid lagen waar zij niet behoorden. Maar hetgeen op alle andere tijden onvereenigbaar geweest ware met Lijsbeths gewoonte van orde en zindelijkheid, kwam haar nu voor, juist te zijn zooals het behoorde. Het was billijk dat de dingen er vreemd, onordelijk, droefgeestig uitzagen, nu de oude man aan zijn eind gekomen was op zoo droevige wijs. Het mocht in de keuken niet schijnen alsof er niets gebeurd was. Adam, uitgeput door de drukte en de inspanning van den dag, na het harde nachtwerk dat hij verricht had, was in slaap gevallen op de bank in de werkplaats, en Seth was in de achterkeuken bezig een vuurtje te bouwen van spaanders, teneinde water aan de kook te maken, en zijn moeder over te halen een kopje thee te drinken, een weelde die zij zich zelden veroorloofde.
Er was niemand in de keuken toen Lijsbeth binnenkwam en zich op den stoel nederwierp. Zij zag rond met starende oogen naar het slijk en de wanorde, treurig beschenen door de namiddagzon. Het schouwspel was in volmaakte overeenstemming met de droevige verwarring in haar eigen geest â de verwarring eener plotselinge smart, wanneer de arme ziel gelijkt op iemand die slapend wordt nedergelegd tusschen de ruïnen van een groote, vreemde stad, en daarna ontwaakt in droevige verbazing, niet wetend of de dag aanbreekt dan wel de avond valt â niet wetend waarom of vanwaar deze treurige verlatenheid gekomen is, of waarom hij zelf zich in haar midden bevindt.
Op een anderen tijd zou Lijsbeths eerste gedachte geweest zijn: âWaar is Adam?quot; Doch de plotselinge dood van haar echtgenoot had aan dezen wederom de eerste plaats gegeven in haar genegenheid, de plaats die hij had bekleed nu zes en twintig jaren geleden. Zij had zijn fouten vergeten, zooals wij het verdriet vergeten van onze vervlogen kindsheid; zij dacht aan niets dan aan de vriendelijkheid van den jongen echtgenoot en aan het geduld
121
DINA BIJ LIJSBETH.
van den ouden man. Haar oogen bleven starend ronddwalen tot Seth. binnenkwam, die eenige der verspreide voorwerpen begon bijeen te rapen, en aanving het kleine, ronde tafeltje op te ruimen om er de thee voor zijn moeder op gereed te zetten.
âWat gaat gij doen?quot; vroeg zij eenigszins spijtig.
âGij moet een kopje thee gebruiken, moeder,quot; antwoordde Seth op teederen toon. âDat zal u goed doen en ik zal den boel hier een weinig opredderen, en maken dat het huis er een beetje gezellig uitziet.quot;
âGezellig! Hoe kunt gij praten van de dingen er gezellig te laten uitzien? Laat staan, laat staan! Daar is langer geen gezelligheid voor mij,quot; ging zij voort, terwijl de tranen te voorschijn kwamen nu zij begon te spreken; âgeen gezelligheid, nu uw arme vader is heengegaan, wiens goed ik heb gewasschen en heel gehouden, en voor wien ik den pot heb gekookt, en die altijd zoo tevreden was met al wat ik voor hem deed, en die zoo handig placht te wezen en het werk voor mij waarnam als ik ziek lei of het kind lastig was, en die bier en brood voor mij klaarmaakte en mij boven bracht zoo trotsch als een prins, en den jongen, die zoo zwaar was als twee andere, vijf mijlen ver droeg zonder een oogenblik te pruttelen, den ganschen weg tot Warston Wake toe, omdat ik mijn zuster wou gaan zien, die stierf in dat zelfde jaar, met Kerstmis. En dat hij moest verdrinken in de beek, dezelfde beek dien wij overgingen op den dag dat wij trouwden en samen thuiskwamen; en hij had een aantal planken getimmerd om mijn potten en pannen op te zetten, en liet ze mij zien, zoo trotsch als een prins, omdat hij wist dat het mij pleizier zou doen. En dat hij moest sterven, en ik het niet weten, maar in mijn bed liggen slapen, alsof ik niet om hem gaf. Ach, dat ik dit heb moeten beleven! wij die eenmaal een jong paar waren, en dachten dat het ons zoo goed zou gaan als wij getrouwd waren. Laat staan, laat staan, jongen ! Ik wil geen thee hebben; het is mij om het even of krijg ik nooit eten of drinken weer. Als het eene eind van de brug invalt, waartoe zal het andere dan blijven staan? Misschien sterf ik wel, en volg mijn man in het graf. Wie zal zeggen of hij mij niet noo-dig heeft?quot;
Hier brak Lijsbeth uit in snikken, zich voor- en achterwaarts wiegend op haar stoel. Seth, altijd bedeesd in zijn gedrag omtrent
122
DINA BIJ L1JSBETH.
haar, bedeesd door het bewustzijn dat hij geen invloed op haar had, voelde hoe noodeloos het zou zijn haar te willen overhalen of tot bedaren te willen brengen, alvorens deze uitbarsting voorbij was. Hij vergenoegde zich dus met het vuur in de achterkeuken op te stoken en zijn vaders goed op te vouwen, dat daar had hangen drogen sinds den morgen, geen beweging willende maken in het vertrek waar zijn moeder zat en beducht, haar daardoor nog meer op te winden.
Doch nadat Lijsbeth eenige minuten lang had zitten snikken en heen en weder wiegen, hield zij plotseling stil, en zei overluid tot zich zelve:
âIk ga eens naar Adam kijken, want ik weet niet waar hij gebleven is. Hij moet met mij naar boven gaan voor het donker wordt, want de oogenblikken dat men het lijk nog zien kan, zijn zoo goed als geteld.
Seth hoorde dit, en weder in de keuken komend toen zijn moeder van haar stoel opstond, zei hij:
âAdam is in slaap gevallen in de werkplaats, moeder. Gij deedt beter hem niet te wekken. Hij is uitgeput van werken en verdriet.quot;
âHem wekken? Wie gaat hem wekken? Ik zal hem niet wakker maken door naar hem te kijken. Ik heb den jongen al in geen twee uur gezien â ik had bijna vergeten dat hij was opgegroeid tot een man â van een klein kind dat hij was toen zijn vader hem op den arm droeg.quot;
Adam was gezeten op een ruwe bank, het hoofd ondersteund door zijn arm, die van den schouder tot den elleboog leunde op de lange schaafbank midden in de werkplaats. Het scheen dat hij zich. had nedergezet om een oogenblik te rusten, en dat hij in dezelfde houding van droef en,moe gepeins in slaap gevallen was. Zijn gelaat, ongewasschen sinds gisteren, zag bleek en klam; zijn haar hing in wanorde over zijn voorhoofd; zijn gesloten oogen hadden dat in-gezonkene, dat de vrucht is van waken en verdriet. Zijn wenkbrauwen waren te zamen getrokken, en over zijn gelaat lei een uitdrukking van vermoeidheid en smart. Presto was blijkbaar niet op zijn gemak. Hij zat overeind met den neus op zijn meesters uitgestrekt been, den tijd doorbrengend met te likken aan de hand die lusteloos naar beneden hing, en met al luisterend op te kijken naar de
123
n 1 -ââ
F
124 DINA BIJ LIJSBETH.
deur. Het arme dier was hongerig en onrustig, maar wilde zijn meester niet verlaten, en wachtte ongeduldig naar eenige verande- z;j ring in het tooneel. Het was tengevolge van deze gevoelens aan Presto's kant, dat, toen Lijsbeth de werkplaats binnentrad en Adam m naderde zoo stil zij kon, haar voornemen om hem niet te wekken ^ aanstonds verijdeld werd; want Presto's opgewondenheid was te groot om zich te kunnen lucht geven anders dan in een korten, lui- ^ den blaf, en in een oogenblik opende Adam de oogen en zag zijn (]( moeder voor zich staan. Dit gezicht was nagenoeg hetzelfde als dat in zijn droomen, want zijn slaap was niet veel anders geweest dan j[ een nogmaals doorleven, als iu koortsig ijlen, van al wat sinds den Sj dageraad was voorgevallen, en het beeld zijner moeder met haar (jj gemelijk verdriet was hem al slapend nabij gebleven. Het voor-naamste onderscheid tusschen de werkelijkheid en het visioen was, n dat in zijn droomen Hetty hem onophoudelijk omgaf, lichamelijk te- n genwoordig, zich op zonderlinge wijze als medespeelster mengend d in tooneelen, waarmede zij niets te maken had. Zij was zelfs bij de w Wilgenbeek; zij maakte zijn moeder korzelig door- in huis te komen, en hij ontmoette haar met haar nette kleeding door en door k nat, toen hij in den regen naar Treddleston ging om den lijkschou- } wer te verwittigen van het gebeurde. Maar waar of wanneer Hetty 1 1; kwam, was hij zeker dat zijn moeder weldra zou volgen, en toen hij r de oogen opende, verwonderde het hem niet, Lijsbeth voor zich te , c zien staan. s âOch, mijn jongen, mijn jongen!quot; barstte Lijsbeth dadelijk uit z met vernieuwd gejammer â want de smart in haar eerste opwel- ( ling gevoelt behoefte om haar wee en haar klachten in verband te 1 brengen met elke verandering van tooneel of toevallig bijkomende j omstandigheid â ânu hebt gij niemand meer dan uw oude moe- (
der om u te plagen en u tot last te wezen. Uw vader zal u niet meer boos maken, en uw moeder mag hem nu wel volgen â hoe eer hoe beter â want ik ben nu voor niemand meer tot iets nut-De eene oude rok is goed om de andere op te lappen, maar dat is ook het eenige waar zij toe deugt. Gij zult voortaan liever een eigen vrouw hebben om uw goed heel te houden en den pot voor u te koken, liever dan uw oude moeder. En ik zal niets wezen dan een overlast, gezeten in het hoekje van den haard.quot; -â Adam schoof onrustig heen en weder; hij vreesde, meer dan eenig ding,
DINA BIJ LIJSBETH.
zijn moeder van Hetty te hooren spreken. â âMaar zoo uw vader was blijven leven, zou hij niet gewild hebben dat ik plaats maakte voor een ander, want hij zou niet buiten mij gekund hebben, evenmin als de eene helft van de schaar buiten de andere helft kan. Och men had ons samen moeten wegdragen! Dan zou ik dezen dag niet beleefd hebben, en één begrafenis zou voldoende geweest zijn voor ons beiden.quot;
Hier hield Lijsbeth op, en Adam zat neder in pijnlijk stilzwijgen. Hij kon heden niet anders dan met teederheid tegen zijn moeder spreken, maar tevens kon hij niet anders dan boos worden over dit beklag. Het was niet mogelijk voor de arme Lijsbeth, te weten hoezeer zij Adam griefde, evenmin als het een gewonden hond mogelijk is te weten in welke mate zijn gekerm de zenuwen zijns meesters aandoet. Zooals alle klagende vrouwen, klaagde zij in de hoop van vertroost te worden, en toen Adam geen antwoord gaf, was dit slechts een prikkel te meer om nog bitterder te klagen.
âIk weet wel dat gij het beter zonder mij zoudt stellen, dan kondt gij gaan waar gij wildet, en trouwen met wie gij verkoost. Maar ik zal er niets teggen zeggen, wie gij ook in huis moogt brengen; ik zal mijn mond niet opendoen om één aanmerking te maken. Want als de menschen oud worden en tot niets meer deugen, mogen zij blij zijn als zij een stuk brood krijgen en een schepje soep, al moeten zij er ook kwade woorden bij doorslikken. En zoo gij uw hart gezet hebt op een meisje dat u niets aanbrengen en alles verkwisten zal, terwijl gij andere meisjes zoudt hebben kunnen krijgen die u zouden gemaakt hebben tot een man in goeden doen, ik zal er geen aanmerking op maken nu uw vader dood en verdronken is; want ik ben niets meer dan een oud handvat waar het lemmet uit verdwenen is.quot;
Adam, buiten staat dit langer te verduren, stond zwijgend van de bank op, en ging uit de werkplaats naar de keuken. Doch Lijsbeth volgde hem.
âGij wilt dus niet naar boven gaan om uw vader te zien? Ik heb alles in orde gebracht, en het zal hem pleizer doen dat gij naar hem komt kijken, want hij was altijd zoo in zijn schik wanneer gij vriendelijk tegen hem waart.quot;
Adam keerde zich eensklaps om en zei: âJa, moeder, laat ons naar boven gaan. Kom, Seth, gaan wij samen.quot;
125
DIKA BIJ LIJSBETH.
Zij gingen naar boven en gedurende vijf minuten lieerschte er diepe stilte. Toen werd de sleutel weder omgedraaid en er was een geluid van voetstappen op de trap. Docli Adam kwam niet weder beneden; bij was te afgetobd en te uitgeput om zijn moeders twistzieke smart langer aan te hooren, en ging op zijn bed liggen. Zoodra Lijsbeth harerzijds in de keuken was binnengekomen, zette zij zich neder, wierp haar voorschoot over haar hoofd, en begon te schreien en te kreunen en zich te wiegen gelijk te voren. Seth dacht: âZij zal langzamerhand wel tot bedaren komen, nu wij boven geweest zijn,quot; en hij ging weder naar de achterkeuken om zijn vuurtje aan te houden, hopend haar nu welhaast te kunnen bewegen een kopje thee te nemen.
Lijsbeth had zich eenige minuten lang op deze wijze zitten heen en weder wiegen, met elke voorwaartsche beweging van haar lichaam een zacht gekreun doende hooren, toen zij voelde hoe een hand zachtkens op de hare werd gelegd en zij een welluidende stem hoorde zeggen: âLieve zuster, de Heer heeft mij gezonden om te zien of ik u tot troost kon wezen.quot;
Lijsbeth hield stil in een luisterende houding, zonder haar voorschoot voor haar gelaat weg te nemen. De stem was haar vreemd. Kon het de geest barer zuster wezen, tot haar wedergekeerd na zooveel jaren? Zij beefde, en durfde niet opzien.
Dina, van oordeel dat reeds dit oogenblik van verwondering in zich zelf een verlichting was voor de bedroefde vrouw, voegde er vooreerst niets meer bij, doch nam bedaard haar hoed af; daarna Seth, die op de klank van haar stem met een kloppend hart was binnengekomen, wenkend te zwijgen, legde zij de eene hand op den rug van Lijsbeths stoel en boog zich over haar her en, opdat zij mocht weten dat zich in haar nabijheid iemand bevond die het hartelijk met haar meende.
Langzaam trok Lijsbeth haar voorschoot neder, en beschroomd opende zij haar verduisterde, donkerkleurige oogen. In het eerst zag zij niets dan een gelaat, een rein, bleek gelaat, met liefdevolle, grijze oogen â het was haar geheel onbekend. Haar verwondering nam toe; misschien was het een engel. Doch op hetzelfde oogenblik had Dina wederom haar hand op Lijsbeths hand gelegd, en de oude vrouw zag neder. Het was een veel kleiner hand dan de hare, maar zij was tenger noch blank; want Dina had van haar leven geen
126
DINA BIJ LIJSBEIH.
handschoen gedragen, en haar hand toonde de sporen van den arbeid dien zij had verricht van hare kindsheid af. Gedurende een oogenblik keek Lijsbeth ernstig naar de vreemde hand, entoen, haar oogen weder op Dina's gelaat vestigend, zei zij met eene opflikkering van goeden moed, doch op den toon der verwondering:
âGij zijt geen dame, gij zijt een vrouw die werkt voor haar brood !quot;
âJa, ik ben Dina Morris, en ik werk in de katoenfabriek, wanneer ik thuis ben.quot;
âO zoo!quot; zei Lijsbeth langzaam en nog steeds verwonderd; âgij kwaamt binnen zoo onhoorbaar als de schaduw op den muur, en spraakt zoo zacht aan mijn oor dat ik u voor een geest hield. Gij lijkt op den engel bij het graf in Adams nieuwen bijbel.quot;
âIk kom van de hoeve. Gij kent boerin Peyser â zij is mijn tante, en zij heeft gehoord van uwe groote droefheid, en ik ben gekomen om te zien of ik u van dienst kan wezen in uw verdriet; want ik ken uw zonen Adam en Seth, en ik weet dat gij geen dochter hebt, en toen de predikant van de plaats mij vertelde dat de hand des Heeren zwaar op u was, ging mijn hart tot u uit, en ik voelde mij gedrongen tot u te komen, en u te zijn in de plaats van een dochter in deze smart, als gij mij wilt toelaten zoo te zijn en te doen.quot;
âO, nu weet ik wie gij zijt, gij zijt een Metdodist, zooals Seth; hij heeft mij van u verteld,quot; zei Lijsbeth spijtig, terwijl haar overweldigend gevoel van droefheid wederkeerde nu hare verwondering voorbij was. âGij zult gaan betoogen dat verdriet een goed ding is, zooals hij altijd doet. Maar waar dient het toe, daarover met mij te praten? Gij kunt met praten de smart niet minder maken. Nooit zal ik gelooven dat het beter voor mij is, dat mijn oude man niet in zijn bed is gestorven, zoo hij dan sterven moest, beter dan zoo de dominé voor hem had gebeden, en ik bij hem had gezeten â- hem toefluisterend dat hij de kwade woorden niet meer moest gedenken, die ik hem wel eens gegeven heb, wanneer ik boos was â en ik hem een schepje soep aan den mond had gebracht, zoo lang hij een schepje soep kon doorkrijgen. Maar o, te sterven in het steenkoude water, zoo dicht by huis, en zonder dat ik er iets van wist; en dat ik sliep, alsof hij niet meer betrekking op mij had dan een landlooper, gekomen niemand weet van waar!quot;
127
DINA BIJ LIJSBETH.
Hier begon Lijsbeth weder te schreien en zich heen en weder te wiegen. Dina zei:
âJa, lieve vriendin, uw beproeving is groot. Het zou hardheid van hart verraden, te zeggen dat uw smart niet zwaar is om te dragen. God heeft mij niet gezonden om uw droefheid licht te rekenen, maar om met u te treuren, zoo gij mij dit vergunnen wilt. Indien gij de tafel hadt aangericht voor een feest, en vroo-lijk waart met uw vrienden, zoudt gij het hupsch vinden, mij te laten komen om aan te zitten en mij met u te verheugen; want gij zoudt meenen dat ik gaarne al dat goeds met u deelen zou. Maar ik zou liever deelen in uw moeite en in uw arbeid, en het zou mij harder vallen zoo gij mij dat weigerdet. Gij zult mij toch niet wegzenden? Gij zijt niet boos omdat ik gekomen ben?quot;
âNeen, neen, boos! Wie zegt dat ik boos ben? Het was goed van u, te komen. En Seth, waarom zorgt gij niet dat zij thee krijgt? Gij hadt zulk een haast ze voor mij te zetten, voor mij die ze niet noodig heb, en gij denkt er niet aan ze gereed te maken voor wie haar behoeven. Ga zitten, ga zitten. Ik dank u vriendelijk voor uw komst, want het is geen pleiziertochtje, het natte veld door te wandelen om een oude vrouw te komen zien als ik... . Neen, ik heb geen dochter van mijzelve -â heb er nooit een gehad â en dat spijt mij niet, want meisjes zijn toch maar stumpers. Ik had altijd veel liever jongens, die zioh zelf kunnen redden. En als de jongens trouwen â zal ik dochters genoeg hebben, over-genoeg misschien. Maar zet gij nu thee naar uw eigen smaak, want ik kan niet proeven vandaag. Het is mij hetzelfde wat ik doorkrijg â het smaakt alles naar verdriet.quot;
Dina droeg zorg, niet te verraden dat zij reeds thee gedronken had en nam Lijsbeths uitnoodiging zeer bereidwillig aan, in de hoop dat zij zoo doende de oude vrouw bewegen zou, de spijs en drank te gebruiken die zij zoozeer behoefde na een dag van hard werken en langdurig vasten.
Seth was zoo gelukkig nu Dina in huis was, dat hij niet kon nalaten te denken dat haar tegenwoordigheid waard was gekocht te worden voor een leven van elkander onophoudelijk opvolgende smarten; maar het oogenblik daarna verweet hij zich die gedachte â het was bijna alsof hij zich verheugde in zijn vaders droevi-
128
DINA BIJ LIJSBETH.
gen dood. En toch, de vreugde van met Dina te zijn, zou en moest triomfeeren; het was als de invloed van het klimaat, dien geen weerstand overwinnen kan. En dat gevoel stortte zich uit zelfs over zijn gelaat, zoodat het de aandacht van zijn moeder trok, terwijl zij haar kopje thee dronk.
âGij moogt wel zeggen dat verdriet een goed ding is, Seth! gij gedijt er van. Gij ziet er uit alsof gij van kommer en zorg niet meer afwist dan toen gij een klein kindje waart, wakker liggend in uw wieg. Want gij laagt altijd stil, met uw oogjes open, terwijl Adam daarentegen nooit een minuut stil wou liggen als hij wakker was. Gij zijt altoos geweest als een zak meel waarin men met geen mogelijkheid een deuk kan duwen. Wat dat aangaat, uw vader was er net zoo een. En gij ook ziet er eveneens uitquot; â hier wendde Lijsbetli zich tot Dina. â âHet komt zeker omdat gij een Methodist zijt. Niet dat ik het in u wil afkeuren, want gij hebt geen reden om verdrietig te wezen. En toch ziet gij er uit, alsof gij bedroefd waart ook. Nu, zoo de Methodisten smaak hebben in verdriet, dan hebben zij kans dat het hun goed gaat in deze wereld. Jammer dat zij alleen niet al het verdriet hebben, en het overnemen van hen wien het niet aanstaat. Ik zou er hun een overvloed van hebben kunnen bezorgen. Toen ik mijn ouden man nog had, werd ik geplaagd van den morgen tot den avond, en nu hij dood is, zou ik graag het ergste van voren afaan nog eens overleven.quot;
âJa,quot; zei Dina, zorgdragend Lijsbeths gevoel niet te wederstreven ; want haar vast vertrouwen op een goddelijke leiding in al haar doen en spreken vond steeds een uitweg in dien fijnen, vrouwelijken tact, die de vrucht is van levendige en hulpvaardige sympathie â âo ja; ik herinner mij ook, toen mijn tante stierf, dat ik verlangde naar het treurig geluid van haar kuch des nachts, in plaats van de stilte die volgde toen zij was heengegaan. Maar nu, lieve vriendin, neem nog dit kopje thee, en eet nog een stukje.quot;
âWat,quot; zei Lijsbeth, het kopje opnemend en op minder krege-len toon, âhadt gij dan geen vader en moeder dat gij zoo bedroefd waart over uw tante?quot;
âNeen, ik heb noch vader, noch moeder ooit gekend; mijn tante bracht mij groot van een klein kind af. Zij had zelve geen kinderen, want zij was nooit getrouwd geweest, en zij bracht mij
ADAM BEDE. 9
129
DINA BIJ LIJSBETH.
groot met evenveel teederheid alsof ik haar eigen docliter geweest was.quot;
âWel, zij heeft zeker heel wat moeite gehad, wil ik wedden, met u op te voeden van den paplepel af, en dat voor een vrouw alleen â verlaten lammetjes worden niet gemakkelijk in het leven gehouden. Maar gij zijt vast nooit lastig geweest, want gij ziet er uit alsof gij van uw leven niet boos waart. Maar wat deedt gij toen uw tante stierf, en waarom kwaamt gij niet in deze streek wonen, daar toch ook boerin Poyser uw tante is?quot;
Dina, ziende dat Lijsbetbs aandacht opgewekt was, vertelde haaide geschiedenis van haar jeugdig leven â hoe zij was grootgebracht bij zwaar werk, en wat soort van plaats Snowfield was, en hoeveel menschen daar een moeilijk leven leidden â al de bijzonderheden van welke zij meende dat zij Lijsbeth eenig belang inboezemen konden. De oude vrouw luisterde, en vergat korzelig te wezen, onbewust gekomen onder den verzachtenden invloed van Dina's gelaat en stem. Na een poosje liet zij zich overhalen om de keuken te laten opknappen, want Dina stond hierop, meenende dat het gevoel van orde en rust om haar heen, Lijsbeth zou doen neigen om mede in te stemmen in het gebed dat zij verlangde uit te storten aan haar zijde. Seth ging intusschen weg om hout te kloven, want hij vermoedde dat Dina gaarne alleen zou worden gelaten met zijn moeder.
Lijsbeth sloeg haar gade terwijl zij zich heen en weder bewoog op haar eigen stille, vlugge wijze, en zei eindelijk: âGij hebt er slag van, den boel op te knappen. Ik zou u wel voor mijn dochter willen hebben; gij zoudt het loon van de jongens niet doorbrengen in weelde en mooie kleederen. Gij zijt niet zooals de meisjes in deze streken. Het volk van Snowfield is zeker zeer verschillend van het volk hier?quot;
âZij leiden een zeer verschillend leven over het gemeen,quot; zei Dina; âzij hebben ander werk â eenigen in de fabriek en velen in de mijnen, op de dorpen in den omtrek. Maar het hart van de menschen is overal hetzelfde, en daar, evengoed als overal elders, vindt men kinderen dezer wereld en kinderen des lichts. Maar wij hebben daarginds veel meer Methodisten dan hier zijn.quot;
âWel, ik wist niet dat de Methodisten waren zooals gij. Daar hebt gij William Maskery's vrouw, van wie men zegt dat zij een
130
DINA BIJ LIJSBBTH.
erge Methodist is. Alles behalve een toeschietend gezicht. Ik kijk even lief naar een padde. Maar wat u betreft, ik geloof dat ik het aangenaam, zou vinden als gij hier wondt blijven slapen; het zou mij pleizier doen u morgen ochtend over den vloer te zien. Maar misschien wacht men u bij boer Poyser?quot;
âNeen,quot; zei Dina, âmen wacht mij niet, en ik wil graag blijven zoo gij mij het vergunt.quot;
âEr is plaats voor u; ik heb mijn bed opgemaakt op het kleine kamertje boven de achterkeuken, en gij kunt bij mij slapen. Ik wil u gaarne bij mij hebben om met u te kunnen spreken van nacht; want gij hebt een aardige manier van praten. Het doet mij denken aan de zwaluwen die onder het dak nestelden verleden jaar, wanneer zij 's morgens in de vroegte zachtjes begonnen te zingen. Och, mijn oude man hield zooveel van de vogels. Adam ook. Maar zij zijn niet teruggekomen dit jaar. Misschien zijn zij ook dood.quot;
âKijk,quot; zei Dina, ânu ziet de keuken er netjes uit, en nu, lieve moeder â want ik ben uw dochter van avond, zooals gij weet â zou ik graag willen dat gij uw gelaat gingt wasschen en een schoo-ne muts opzetten. Herinnert gij u wat David deed, toen God zijn kind van hem wegnam ? Terwijl het kind nog leefde, vastte hij en bad dat God het sparen mocht, en hij wilde eten noch drinken, maar lag op den grond den ganschen nacht smeekende God om den wille van het kind. Maar toen hij wist dat het kind dood was, stond hij op van den grond en wiesch en zalfde zich, en veranderde van kleeding, en at en dronk; en toen men hem vroeg hoe het kwam dat hij scheen te hebben opgehouden met treuren nu het kind dood was, zei hij; Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zeide: Wie weet, de Heer zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve. Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.quot;
â0, dat is een waar woord!quot; zei Lijsbeth. âJa, mijn oude man zal niet tot mij wederkomen, maar ik zal tot hem gaan â hoe eer zoo beter. Welaan, gij moogt met mij doen zooals gij verkiest; er is een schoone'muts in de lade, en ik zal in de achterkeuken gaan en mijn aangezicht wasschen. En Seth, gij kunt nu Adams nieuwen bijbel met de platen er in van boven halen, en zij zal ons een hoofd-
9*
131
DINA BIJ LIJSBETE.
stuk voorlezen. Die woorden bevallen mij â ik zal tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.quot;
Dina en Seth beiden zonden inwendig hun dankzeggingen op voor de meerdere zielsrust die over Lijsbeth gekomen was. Juist dit had Dina willen teweegbrengen door haar stille sympathie en volstrekte onthouding van alle vermaning. Van haar vroegste jeugd af had zij ondervinding van zieken en treurenden, van door armoede en onwetendheid verharde en saamgekrompen zielen; zoo had zij dien fijnen blik verkregen in de wijze waarop dezulken best konden worden bewogen tot het bereidwillig aannemen van woorden van troost of waarschuwing. Zooals Dina het uitdrukte, âzij was nooit aan zich zelve overgelaten; maar het werd haar gegeven wanneer zij moest spreken en wanneer zwijgen.quot; En komen wij niet allen hierin overeen, dat wij aan een snel invallende gedachte of aan een edele opwelling den naam van ingeving schenken? Zelfs na de scherpzinnigste onzer ontledingen van het zielsgeding zijn wij genoodzaakt te bekennen, als Dina deed, dat al onze verhevenste gedachten en al onze beste daden een âgavequot; zijn.
En zoo was daar ernstig gebed â was daar geloof, hoop en liefde, zich uitstortend dien avond in de kleine keuken. En over arme, oude, korzele Lijsbeth, zonder dat zij een enkel denkbeeld duidelijk vatte, zonder dat zij een bepaalden cirkel van godsdienstige gemoedsbeweging doorliep, kwam een onbestemd gevoel van teederheid en liefde, een gevoel van iets goeds, liggend beneden en boven dit tranendal des levens. Begrijpen kon zij het lijden niet, maar voor het oogenblik, onder den verzachtenden invloed van Dina's geest, besefte zij dat zij geduldig zijn moest en stil.
HOOFDSTUK XI.
IN HUIS.
Het was nog slechts half vijf den volgenden morgen, toen Dina, vermoeid van het wakker liggen, luisterend naar de vogels, en het toenemen van het daglicht gadeslaand door het kleine dak-
132
l?T v i r-l.l Li : - ; ' â¢
â vj'quot;lozeâ '. ) â -.viord--â¢*) v-ilIon tnij â¢-'t. -k'-u; â â ,-
j ⢠⢠â .. - iv* )'â '.-i1 il.quot;
i)ina 'i; Seth. i.ridfu xoiidf-: . n.-. idighun dankv.. â gt; â â
,
â
.. hoiH: 'U; \V:gt;,i vue^'-i,
.â ,ii ond.- .-vir,'!!-. r; . ; :-i : â¢;'-.iuremlen, vau i',r; . â iir-^ -a
â
â
â
â
hierin oy; ' :m. dat â v;. n -â 1 snel inw nvic gticU^htt.' ót . ;â n n. f-dole op-.'.â¢â¢fUi'.ig d i naam van ingeving schonkenquot; Zel;V na «'/⢠herpzinnigste oevx-i ontledbigen yan tnt zielsgeding zijn v. ii go-'i/.aak; 'a b'ca'enii^u, ais l.tira dp-d. .dal al oiv/.e vei'hevs-.usti â Tedi.cliten en al onze beste 'daden een .gave- zijn.
En zoo was daar ernstig gebed â was daar geloof, hoop en liefde, zich -uitstortend dien' nvonJ in de kl'-uie keuken. Er ovf-r :vi; ,. ;.:, i,or/i'l.- , , zonder dat /ij - en nnlcel dt - â : i
duidelijk vatte, zonder dat ;ij een bepaalden cirkel van godsdien-.
â â
p:- bce-ea dit tranendal des levens, begrijpen kon zij höi iijdt-n nie:, maar voor het e veabUL ender dei. vérzachtenden invloed van Dina's geest, besefte .;i| dat /-.j geónldii' zijn woest en stil.
i ',0:11 I 'STi K XI.
in huis.
v.-,-'iir.c-!d v a» bi t- ^.â¢r-V.T Ini-if-ownd i!:tar d- v â¢-'fl- en
hi v. toene-n»-!! d-iglic;^ gadeslaand du-.a- het klem.- dak-
IN HUIS.
venster, opstond en zich stil begon aan te kleeden, teneinde Lijs-beth niet te storen. Doch reeds was er iemand anders op in huis, die naar beneden was gekomen, voorafgegaan door Presto. De trippelende tred van den hond was een zeker teeken dat het Adam was die naar beneden ging; maar Dina wist dit niet, en vermoedde dat het Seth zou wezen, omdat deze haar verteld had dat Adam den vorigen nacht was opgebleven om te waken. Seth echter was pas wakker geworden op het geluid van de opengaande deur. De opwekkende invloed van den vorigen dag, ten slotte verhoogd door Dina's onverwachte tegenwoordigheid, had bij hem geen terugwerking ondergaan door lichamelijke vermoeidheid, want hij had zijn gewone taak, zwaar dagwerk, niet verricht. Toen hij dus naar bed ging, was het eerst na menig uur afmattend en onrustig wakker liggens dat de sluimering hem overviel, gevolgd door een vaster morgenslaap dan anders bij hem het geval was.
Adam daarentegen was verfrischt door zijn langdurige rust, en met zijn gewonen weerzin tegen alle lijdelijkheid, verlangde hij den nieuwen dag te beginnen en zijn droefheid te onderdrukken door zijn sterken wil en zijn sterken arm. De witte nachtdauw lag uitgespreid over de vallei, het zou een heldere, warme dag zijn, en hij was voornemens weder naar zijn werk te gaan onmiddellijk na het ontbijt.
âGeen ding is ondraaglijk zoo lang men werken kan,quot; zei hij tot zichzelven; âde natuur der dingen verandert niet, al schijnt het ook alsof uw eigen leven niets dan verandering ware. Het kwadraat van vier is zestien, en men moet zijn hefboom verlengen naarmate van het te tillen gewicht; dat blijft waar, hetzij een mensch rampzalig, hetzij hij gelukkig is, en de groote zegen van den arbeid is, dat hij ons noodzaakt in te grijpen in dingen buiten ons eigen lot om.quot;
Terwijl hij het koude water over zijn hoofd en zijn gelaat deed heenstroomen, voelde hij zich wederom geheel zichzelven; en met zijn zwarte oogen, zoo levendig als ooit, en zijn dik, zwart haar, glinsterend van het frissche bad, begaf hij zich naar de werkplaats om hout uit te zoeken voor zijn vaders kist, met het voornemen dat hij en Seth het zouden medenemen naar Jonathan Burger, om de kist daar te laten maken door een der werklieden, opdat zijn
133
IN HTTIS.
moeder niets mocht zien of hooven van het verrichten dier treurige taak aan huis.
Juist had hij zich naar de werkplaats begeven, toen zijn geoefend oor een lichten voetstap waarnam op de trap â kennelijk een anderen voetstap dan van zijn moeder. Hij lag te bed en sliep toen Dina 's avonds gekomen was, en was daarom nieuwsgierig wiens stap dit wezen kon. Een dwaze gedachte kwam in hem op, en ontroerde hem ten zeerste. Zoo het Hetty eens ware! Zij was de laatste die naar alle gedachten in huis kon wezen. En toch had hij geen lust om te gaan zien en het onomstootelijk bewijs te erlangen dat het iemand anders was. Hij boog zich over een plank die hij juist had aangegrepen, luisterend naar een geluid, door zijn verbeelding zoo liefelijk uitgelegd, dat het schrander, krachtig gelaat zich overdekte met een blos van beschroomde teederheid. De lichte tred bewoog zich door de keuken, gevolgd door het geluid van den schuier ^ nauwelijks meer gerucht makend dan het lichtste windje dat de bladeren voortdrijft langs het stoffig voetpad, en Adam zag in den geest een gelaat met kuiltjes in de wangen, met schitterend donkere oogen en schelmsche lachjes dien schuier volgen met den blik, en een rond figuurtje eenigszins voorovergebogen den steel besturen. Wel een zeer dwaze gedachte! â het kon Hetty niet zijn; doch het éénig middel om zich deze dwaasheid uit het hoofd te zetten, bestond in te gaan zien wie het was, want hoe langer hij stond te luisteren, hoe meer het gelooven overtuiging werd. Hij liet de plank los en liep naar de keukendeur.
âHoe vaart gij, Adam Bede?quot; zei Dina met haar kalme, trillende stem, ophoudend met vegen en haar zachte ernstige oogen op hem vestigend. âIk hoop dat gij zijt uitgerust en u weer sterk voelt om den last en de hitte van den dag te dragen?quot;
Dit was ontwaken in het maanlicht, na gedroomd te hebben van zonneschijn. Adam had Dina verscheiden malen gezien, doch steeds op de hoeve, waar hij zich niet levendig bewust was van de tegenwoordheid van andere vrouwen buiten Hetty; en ook niet ter wille van zijn broeder had hij haar tot hiertoe met bijzondere aandacht gadegeslagen, want eerst sinds den laatsten dag of twee was hij begonnen te vermoeden dat Seth haar meer dan gaarne lijden mocht. Doch nu maakte haar slank figuur, haar eenvoudig zwart kleedje en haar bleek, rustig gelaat op hem den
134
IN HUIS.
kraehtigen indruk, die eigen is aan de werkelijkheid in tegenstelling met de opgewekte verbeelding. In de eerste oogenblikken gaf hij geen antwoord, maar zag haar aan met den scherpen, onderzoekenden blik, dien men slaat op een voorwerp dat plotseling onze belangstelling begint op te wekken. Voor de eerste reis in haar leven voelde Dina zich pijnlijk verlegen. Er was in den donkeren, doordringenden blik van dezen sterken man iets zeer verschillends van de zachtheid en beschroomdheid van zijn broeder Seth. Een flauw blosje bedekte haar gelaat, en werd donkerder toen zij het voelde opkomen en er zich over verwonderde. Deze blos wekte Adam uit zijne gedachteloosheid op.
âIk was geheel verrast u te zien. Hoe vriendelijk van u, mijn moeder in haar rouw te komen opzoeken,quot; zei hij op zachten, dankbaren toon, want zijn vlugge geest doorzag terstond de aanleiding van Dina's tegenwoordigheid. âIk hoop dat mijn moeder zich dankbaar toonde dat gij hier waart?quot; voegde hij er bij, eenigszins bezorgd over de ontvangst die aan Dina mocht te beurt gevallen zijn.
âJa,quot; zei Dina, haar werk hervattend, âzij scheen zeer opgebeurd na een oogenblik van bevreemding, en zij heeft van nacht bij tusschenpoozen goed gerust. Zij was vast in slaap toen ik haar verliet.quot;
âWie heeft de tijding gebracht op de hoeve?quot; vroeg Adam, met zijn gedachten terugkeerende naar een zekere persoon aldaar. Hij was nieuwsgierig of zij bijgeval eenig leedwezen betoond had.
âMijnheer Irwine, de predikant, vertelde mij het treurige nieuws. Mijn tante was zeer begaan met uw moeder, en zag met genoegen dat ik naar haar toeging; en mijn oom zal er vast ook zeer mede begaan wezen, nu hij het gehoord heeft; gisteren was hij den ganschen dag te Rosseter. Zij zullen naar u verlangen zoo ras gij tijd hebt om te komen, want er is niemand op de hoeve die er zich niet in verheugt, u te zien.quot;
Dina, met haar buitengewone gave van divinatie, wist zeer goed dat Adam verlangend was te hooren of Hetty iets gezegd had omtrent hun verdriet. Zij was te onkreukbaar waarheidlievend om uit welwillendheid een onwaarheid te verzinnen, doch zij was er in geslaagd iets te zeggen waarin Hetty stilzwijgend mede be-
135
IN HUIS.
grepen was. Het is aan de liefde eigen, zichzelve willens en wetens te bedriegen, zooals een kind dat in zijn eeniglieid verstoppertje speelt; zij stelt zich tevreden met verzekeringen waaraan zij in den grond van haar hart niet gelooft. Adam vond hetgeen Dina gezegd had zoo liefelijk, dat zijn geest terstond vervuld was van het nieuw bezoek dat hij op de hoeve zou brengen, wanneer Hetty misschien vriendelijker jegens hem zou zijn dan zij te voren ooit geweest was.
âMaar zelve zult gij daar niet lang meer zijn?quot; vroeg hij aan Dina.
âNeen, ik keer Zaterdag naar Snowfield terug, en ik zal vroeg moeten vertrekken naar Treddleston, om in tijds te zijn voor de Oakbourner diligence. Daarom moet ik van avond naar de hoeve, om den laatsten dag met tante en de kinderen door te brengen. Maar ik kan hier den ganschen dag blijven, zoo uw moeder zulks verlangt; haar hart scheen zich tot mij te neigen gister avond.quot;
âO, dan zal zij u zeker noodig hebben vandaag. Als moeder in het begin met de menschen ingenomen is, gaat zij ongetwijfeld veel van hen houden; maar, zonderling genoeg, jonge vrouwen zijn haar een gruwel, ofschoon,quot; zei Adam glimlachend, âde omstandigheid dat zij niet houdt van andere jonge vrouwen, geen reden is waarom zij niet van u zou houden.quot;
Tot hiertoe was Presto in onverstoorbaar stilzwijgen bij dit gesprek tegenwoordig geweest, recht overeind gezeten, nu eens opziend naar het gelaat van zijn meester, dan weder Dina's bewegingen naar rechts en links volgend met de oogen. Het vriendelijk lachje waarmede Adam de laatste woorden uitsprak, was blijkbaar beslissend voor Presto ten aanzien van het licht waarin de vreemdelinge behoorde beschouwd te worden, en toen zij zich omkeerde, nadat zij haar schuier had weggezet, stapte hij naar haar toe en wreef op vriendschappelijke wijze zijn neus tegen haar hand.
âGij ziet. Presto heet u welkom,quot; zei Adam, âen hij is anders niet toeschietelijk voor vreemden.quot;
âArme hond,quot; zei Dina, zijn ruige, grijze vacht liefkoozend. âIk heb zonderlinge denkbeelden omtrent die stomme schepsels. Ik verbeeld mij dat zij gaarne spreken zouden en dat het hun verdriet doet, dit niet te kunnen. Ik kan niet nalaten, begaan te
136
IN HUIS.
zijn met de honden, ofschoon zij dat wellicht niet noodig hebben. Maar misschien gaat er wel meer in hen om dan zij ons kunnen doen verstaan. Ook wij kunnen niet zeggen wat wij voelen, met geen vloed van woorden.quot;
Seth kwam beneden, en zag met genoegen wat Adam zich met Dina onderhield. Adam mocht wel weten hoeveel beter zij was dan andere vrouwen. Maar na een korten moi'gengroet troonde zijn broeder hem met zich naar de werkplaats, om hem te raadplegen over de kist, en Dina ging voort met haar werk.
Omstreeks zes uren zaten allen aan het ontbijt, met Lijsbetb er bij, in een keuken zoo helder als zijzelve haar zou kunnen gemaakt hebben. Het raam en de deur stonden open, en de morgenlucht droeg een geur van kamperfoelie, tym en wilde rozen met zich naar binnen van het lapje tuin bezijden de kleine woning. Dina ging vooreerst niet zitten, maar liep heen en weder om de anderen te dienen van de warme soep en het geroosterd haver-brood, die zij had gereed gemaakt zooals moeder en zonen gewoon waren; want zij had Seth verzocht, haar haarklein te zeggen wat Lijsbetb hun tot ontbijt gaf. Deze was tot hiertoe buitengewoon stil geweest, als behoefde zij eenigen tijd om haar gedachten te regelen naar de vreemde omstandigheid dat zij heden naar beneden kwam als een dame, al haar werk gedaan vond en stil nederzat om zich te laten bedienen. Deze ongewone gewaarwording scheen de herinnering aan haar verdriet voor een wijl te verbannen. Eindelijk, nadat zij van de soep geproefd had, brak zij het stilzwijgen af:
âDie soep zou navraag kunnen lijden,quot; zei zij tot Dina; âik kan haar eten zonder den minsten weerzin. Een beetje dikker had geen kwaad gekund. Zelf doe ik er ook altijd een takje kruizemunt in; maar hoe wist gij dat? De jongens zullen waarschijnlijk wel niemand vinden die de soep voor hen zal koken zooals ik deed; misschien krijgen zij in het geheel geen soep. Maar met u zou het wel gaan, met een beetje terechtwijzing; want gij zijt vroeg bij de hand 's morgens, en hebt een lichten gang, en voor een noodhulp hebt gij het huis bijzonder netjes opgeknapt.quot;
âNoodhulp, moeder?quot; zei Adam. âWel, mij dunkt het huis ziet er prachtig uit. Ik zou niet weten hoe het er anders moest uitzien.quot;
137
IN HUIS.
âZoudt gij niet weten? Neen, hoe zoudt gij? De mannen kunnen nooit zien of de vloer schoon is opgedweild, dan of de kat hem schoon heeft gelikt. Maar gij zult het wel leeren als gij aangebrande soep te eten krijgt, zooals naar alle gedachten wel gebeuren zal als ik er niet meer ben om voor u te koken. Dan zult gij inzien, dat uw moeder toch nog ergens goed voor was.quot;
,Dina,quot; zei Seth, âkom nu ook zitten en ontbijten. Wij zijn allen gediend.quot;
âJa, kom zitten â toe kom,quot; zei Lijsbeth, âen eet een stukje; dat zal geen overdaad zijn, na anderhalf uur op de been te zijn geweest. Kom dan,quot; voegde zij er bij op een toon van klagende genegenheid, terwijl Dina zich naast haar nederzette. âHet zal mij spijten als gij weggaat; maar gij kunt zeker niet lang meer blijven. Met u zou ik het beter kunnen vinden in huis dan met iemand anders.quot;
âIk blijf tot van avond zoo gij het verlangt,quot; zei Dina. âIk zou wel langer blijven, maar ik ga Zaterdag naar Snowfield terug en moet morgen bij mijn tante zijn.quot;
âOch, ik zou maar nooit naar dat land teruggaan. Mijn oude man kwam van den kant van Stonyshire, maar hij verliet de streek toen hij nog jong was, en hij had gelijk. Er was geen hout, zei hij, en 't zou een slecht land voor een timmerman geweest zijn.quot;
âJa,quot; zei Adam. Ik herinner mij dat vader mij vertelde, toen ik een kleine jongen was, dat zoo hij ooit van woonplaats veranderde, hij zich naar het zuiden zou begeven. Maar daaromtrent zou ik nog zoo vastbesloten niet zijn. Bartle Massey zegt â en hij kent het zuiden â dat de noordsche mannen een schooner ras zijn dan de zuidelijke, met helderder hoofden en sterker lichamen, en veel grooter van stuk. En dan zegt hij, sommige van die landen zijn zoo vlak als de palm van mijn hand, en men kan er niets zien op een afstand zonder in de boomen te klauteren. Dat zou ik niet kunnen uithouden. Ik ga gaarne naar mijn werk langs een weg die mij over een heuvel voert, en zie gaarne de velden mijlen ver om mij heen uitgestrekt liggen, met hier en daar een brug, of een stad, of een torenspitsje. Zoodoende gevoelt men dat de wereld groot is, en dat er ook nog andere menschen hun hoofden en handen gebruiken dan wij zeiven.quot;
Mij zijn de heuvelen het liefst,quot; zei Seth, âwanneer de wolken
138
IN HOIS.
boven hun toppen zweven, en men de zon ziet schijnen op een verren afstand, over den weg van Loamford, zooals ik het in den laatsten tijd dikwijls gezien heb op stormachtige dagen. Dan verbeeld ik mij den hemel te zien overal waar vreugde en zonneschijn is, al is dit leven donker en bewolkt.quot;
O, ik heb Stonyshire lief, zei Dina; âik zou niet wenschen mijn aangezicht te keeren naar de streken waar men rijk is in koren en vee, en de grond overal gemakkelijker te bebouwen, en mijn rug te wenden naar de heuvelen, waar het arme volk zulk een hard leven leidt, en waar de menschen hun dagen slijten in de mijnen, gebannen van het zonlicht. Het is een groote zegen op een guren kouden dag, wanneer de wolken donker nederhangen over de heuvelen, Gods liefde te voelen in de ziel, en haar te brengen in. de eenzame naakte steenen huizen, waar niets anders is om de arme menschen te troosten.quot;
âAlles goed en wel,quot; zei Lijsbeth, âvoor iemand als gij, die lijkt naar de sneeuwklokjes: dagen en nachten bleven zij in het leven, nadat ik ze geplukt had, met niets dan een drupje water en een straaltje licht. Maar hongerige menschen deden beter het hongerige land te verlaten. Dat zouden alvast zooveel monden minder zijn voor het schaarsche brood. Maar,quot; ging zij voort, Adam aanziende, âpraat gij niet van noordwaarts te gaan, of zuidwaarts te gaan, en uw vader en moeder op het kerkhof achter te laten, en heen te trekken naar een land dat gij niet kent. Ik zal niet rusten in mijn graf zoo ik u Zondags niet op het kerkhof zie.quot;
âVrees niet, moeder,quot; zei Adam. âZoo ik niet vast besloten had niet te gaan, zou ik reeds lang vertrokken zijn.quot;
Zijn ontbijt was nu afgeloopen, en hij stond op terwijl hij nog sprak.
âWat gaat gij doen?quot; vroeg Lijsbeth. âBeginnen aan uw vaders kist?quot;
âNeen, moeder,quot; zei Adam, âwij zullen het hout naar het dorp brengen en de kist daar laten maken.quot;
âNeen, mijn jongen, neen,quot; barstte Lijsbeth uit op heftig jammerenden toon. G-ij zult uw vaders kist toch door niemand anders laten maken dan gijzelf? Wie zou haar zoo goed kunnen maken als gij? En uw vader wist wat goed werk was. Hij, die een zoon had, de roem van het dorp en van gansch Treddleston ook, om zijn kunde.quot;
139
IN HUIS.
âZeer wel, moeder; zoo het mv begeerte is, zal ik de kist thuis maken. Maar ik dacht dat gij niet gaarne het kloppen van den hamer hooren zoudt.quot;
âEn waarom zou ik niet? Het behoort gedaan te worden. Wat heeft âgaarnequot; daarmede te maken? Men heeft in deze wereld alleen de keus tusschen dingen die men âongaarnequot; ziet en hoort. Voor iemand die geen eetlust heeft is de eene bete zoo goed als de andere. Het moet uw eerste werk zijn van morgen. Niemand mag de kist aanraken, behalve gij.quot;
Adams oogen ontmoetten die van Seth, welke nadenkend van Dina naar hem henen dwaalden.
âNeen, moeder,quot; zei hij, âik geef mijn toestemming niet, of Seth, zoo de kist hier aan huis gemaakt wordt, moet medehelpen. Voor den middag ga ik naar het dorp â Baas Burger zal verlangen mij te spreken; â Seth zal thuis blijven en aan de kist beginnen. Ik kan met den middag terug zijn; dan zal hij gaan.quot;
âNeen, neen,quot; hield Lijsbeth vol, en begon te schreien. âIk heb er mijn hart op gezet dat gij uw vaders kist maken zult. Gij zijt ook zoo koppig en meesterachtig; nooit wilt gij doen wat uw moeder verlangt. Gij waart dikwijls boos op uw vader toen hij nog in leven was, zooveel te beter moet gij voor hem zijn nu hij is heengegaan. Het zou hem niet zijn ingevallen de kist te laten maken door Seth.quot;
âSpreek niet langer tegen, Adam, niet langer tegen,quot; zei Seth zachtmoedig, ofschoon men aan zijn stem kon hooren dat hij met eenige inspanning sprak. âMoeder heeft gelijk. Ik ga naar den winkel, en blijf gij thuis.quot;
Hij begaf zich terstond naar de werkplaats, gevolgd door Adam, terwijl Lijsbeth, onwillekeurig haar^oude gewoonten volgend, het ontbijt begon weg te ruimen, alsof zij niet wilde dat Dina langer haar plaats bekleeden zou. Dina zei niets, doch maakte voor het tegenwoordige van deze gelegenheid gebruik om de beide broeders stil naar de werkplaats te volgen.
Eeeds hadden zij hun schootsvellen voor en hun papieren mutsen op, en Adam leunde met zijn linkerhand op Seths schouder, terwijl hij met den hamer in de rechter heenwees naar eenige planken die zij te zamen in oogenschouw namen. Zij hielden den rug gekeerd naar de deur waardoor Dina binnentrad, en deze
140
IN HUIS.
kwam zoo zacht de werkplaats in, dat zij haar tegenwoordigheid niet bespeurden tot zij haar hoorden zeggen: âSethBede!quot; Seth schrikte, en beiden keerden zich om. Dina, die Adams tegenwoordigheid niet scheen op te merken, vestigde haar oogen op Seths gelaat, met kalme vriendelijkheid tot hem zeggende:
âIk neem geen afscheid van u. Ik zal u wederzien wanneer gij van den winkel terugkomt. Zoo ik maar voor donker op de hoeve ben, is het tijds genoeg.quot;
âDank u, Dina; ik zou gaarne nog eens met u naar huis wandelen. Het is misschien de laatste maal.quot;
Er was eenige beving in Seths stem. Dina stak hem de hand toe en zei: âGij zult vandaag liefelijken vrede hebben in uw ziel, Seth, voor uw teederheid en uw geduld met uw oude moeder.quot;
Zij keerde zich om en verliet de werkplaats even snel en even stil als zij gekomen was. Adam had haar nauwkeurig gadegeslagen al dien tijd, maar zij had hem niet aangezien. Zoo ras zij verdwenen was, zei hij:
âHet verwondert mij niet dat gij haar liefhebt, Seth. Zij heeft een gelaat als een lelie.quot;
De ziel van Seth stroomde naar zijn lippen en oogen. Nog nooit had hij zijn geheim aan Adam bekend, maar het was nu met een zoet gevoel van verlichting dat hij antwoordde:
âJa, Adam, ik heb haar lief â te lief, vrees ik. Maar zij heeft mij niet lief, jongen, of alleen zooals het eene kind van God het andere lief heeft. Zij zal nimmer eenig man liefhebben als haar echtgenoot, daar houd ik het voor.quot;
âNeen, jongen, daar valt niets van te zeggen; gij moet den moed niet verliezen. Zij is gekneed uit beter deeg dan de meeste vrouwen, dat blijkt genoeg. Maar zoo zij beter is dan haars gelijken in andere dingen, kan ik niet gelooven dat zij bij de anderen zal achterstaan in liefde.quot;
Er werd verder niets gezegd. Seth ging naar het dorp, en Adam begon aan de kist.
âGod helpe den knaap en mij ook,quot; dacht hij, terwijl hij de plank ophief. âHet ziet er wel naar uit alsof het leven een harde dobber voor ons wezen zal â zwaar werk, binnen en buiten. Het is een vreemd ding wanneer men bedenkt hoe een man, die een stoel kan optillen met zijn tanden, en vijftig mijlen afleggen aan
141
IN HUIS.
een stuk, hoe zulk een kerel beeft, bloost en verbleekt op den aanblik van een enkele vrouw uit de honderdduizend. Het is een verborgenheid die niemand verklaren kan. Doch verklaren kan men evenmin hoe het zaad een plantje wordt.quot;
HOOFDSTUK XII.
IN HET BOSCH.
Dienzelfden Donderdag morgen liep Arthur Donnithorne heen en weder in zijn kleedkamer. Zijn welgemaakte Britsche persoon werd naar alle zijden teruggekaatst door de ouderwetsche spiegels, en uit de vakken van het donker olijfkleurig tapijtwerk aan den wand staarden de dochter van Pharao en haar maagden, die liever voor het kind Mozes hadden moeten zorgen, hem verwonderd in het gezicht. Hij hield krijgsraad met zichzelven, en op het oogenblik dat zijn knecht hem den zwart-zijden doek over den schouder bond, waren zijn overleggingen uitgeloopen op een goed en rond besluit;
âIk ben van plan, voor een week of daaromtrent naar Eagle-dale te gaan om te visschen,quot; zei hij overluid. âIk zal u medene-men, Pym, en dezen morgen vertrekken; houd u dus gereed tegen half twaalf.quot;
Het zacht geneurie, dat hem in het opmaken van dit raadsbesluit behulpzaam was geweest, ging thans over in de luidste tonen van zijn heldere tenor-stem, en de gang, terwijl hij die doorging, weergalmde van zijn geliefkoosde aria uit de opera de Bedelaars. âAls het hart van den mensch door de zorg is beklemd.. .Geen krijgshaftige melodie. Toch voelde Arthur zich zeer krijgshaftig gestemd terwijl hij zich naar de stallen begaf om zijn orders te geven omtrent de paarden. De goedkeuring van zijn eigen geweten was hem onmisbaar, en deze goedkeuring was niet voor niet te verkrijgen; zij moest met inspanning van alle krachten verdiend worden. Nog nooit had bij die goedkeuring verbeurd, en hij stelde een aanmerkelijk vertrouwen in zijn eigen kwaliteiten. Geen
142
IN HET BOSCH.
jong mensch kon zijn fouten met meer openhartigheid bekennen: openhartigheid was een van zijn lievelingsdeugden; en hoe kan de openhartigheid eens menschen in al haar luister worden gekend, indien hij niet van eenige fouten te vertellen heeft? Maar hij had de streelende overtuiging dat zijn fouten alle van een zeer edel-moedigen aard waren â onstuimig, hartstochtelijk, als van een leeuw; nooit sluipend, listig, kruipend. Het was Arthur Donni-thorne onmogelijk iets laags, iets lafs, iets wreeds te doen. âNeen! ik ben een ongelukkige hals als het er op aan komt mij in ongelegenheden te wikkelen; maar ik draag altijd zorg dat het pak op mijn eigen schouders nederkomt.quot; Ongelukkigerwijze is aan ongelegenheden geen ingeschapen poëtische rechtvaardigheid eigen, en het gebeurt somtijds dat zij prozaïsch en stijfhoofdig weigeren haar nadeeügste gevolgen te doen nederkomen op den hoofd-overtre-der, in spijt van diens luid uitgesproken wenschen. Het was enkel tengevolge van dit gebrek in den loop der dingen, dat Arthur steeds ook nog iemand anders in moeite had gebracht behalve zichzelven. Doch wat hij verder ook wezen mocht, hij was goedhartig, en al zijn vergezichten van de toekomst, wanneer hij in het bezit van het landgoed komen zou, waren gestoffeerd met welvarende en tevreden pachters, die hun landheer aanbaden; hun landheer, die een model zou wezen van een Engelsch gentleman â het huis ingericht in den onberispelijksten stijl, alles elegantie en fijne smaak â een vroolijke huishouding â de fraaiste stoeterij in Loamshire â een beurs geopend voor alle publieke belangen â in het kort, alles zoo verschillend mogelijk van hetgeen nu verbonden was aan den naam van Donnithorne. En een der eerste daden die hij zou verrichten in genoemde toekomst was, het inkomen van ds. Irwine als predikant van Hayslope te verhoogen, zoodat hij rijtuig houden kon voor zijn moeder en zusters. Zijn hartelijke toegenegenheid voor den Rector dagteekende van den tijd dat hij nog jurkjes en broekjes droeg. Het was een genegenheid, half kinderlijk, half broederlijk; broederlijk genoeg om het gezelschap van Irwine te doen verkiezen boven dat van de meeste jongere menschen, en voldoende kinderlijk om hem te doen terugdeinzen voor daden waardoor hij Irwine's afkeuring zou beloopen hebben.
Gij ziet, Arthur Donnithorne was een âhupsclie jongen;quot; â al
143
IN HET BOSCH.
zijn academie-vrienden oordeelden zoo. Hij kon het niet aanzien dat iemand ongelukkig was; hij zou, zelfs in zijn booste buien, bedroefd zijn geweest indien zijn grootvader eenig leed ware geschied; en tante Lydia zelve had haar aandeel in de hem eigen teergevoeligheid omtrent het vrouwelijk geslacht in het algemeen. Of hij altijd zelf-beheersching genoeg zou bezitten om zoo onschadelijk en weldenkend te zijn als zijn goed hart hem deed wenschen, was een vraag welke nog niemand ten zijnen nadeele had beantwoord; hij was nog eerst een-en-twintig jaren oud, bedenk dit wel, en wij doen niet al te nauw onderzoek naar karakter en beginselen, waar sprake is van een schoonen edelmoedigen jongen man, die eenmaal rijkdommen genoeg zal bezitten om tal van kleine feilen te bedekken; â die, wanneer hij door woest rijden iemands beenen breken mocht, in staat zal zijn hem een goed pensioen te geven ; of indien het hem mocht overkomen, een vrouwenleven van zijn schoonste kroon te berooven, dit vergrijp goed zalmaken met kostbare bonbons, door hem zelf ingepakt en eigenhandig aan de beleedigde partij geadresseerd. Het zou belachelijk zijn indien wij in dergelijke gevallen wilden snuffelen en ontleden, als deden wij onderzoek naar het karakter van een boekhouder. Wij gebruiken ronde, algemeene, fatsoenlijke benamingen voor een jong mensch van geboorte en fortuin, en de dames, met dat fijn instinct 't welk haar geslacht onderscheidt, zien aanstonds dat Arthur Donnithorne bij uitnemendheid comme-il-faut is. De kans bestaat dat hij het leven door zal komen zonder iemand te ergeren; een schip geschikt om zee te bouwen, en dat niemand weigeren zou tegen schade te waarborgen. Echter, schepen staan bloot aan toevallige beproevingen, waardoor somtijds in hun samenstelling een of ander gebrek openbaar, en op schrikwekkende wijze openbaar wordt, dat men nooit zou ontdekt hebben in stil water; en menige âhupsche jongenquot; heeft door een treurige samenloop van omstandigheden, aan de maatschappij een diergelijke teleurstelling gebaard.
Maar wij hebben geen goeden grond, ongunstige voorspellingen te doen ten aanzien van Arthur Donnithorne, die zich dezen morgen in staat toont tot het nemen van een voorzichtig besluit overeenkomstig de stem des gewetens. Ãén ding is duidelijk: Natuur heeft zorg gedragen dat hij nimmer ver zal afdwalen met volkomen zielerust en zelfvoldoening. Nooit zal hij verder gaan dan zekere
144
IN HET BOSCH.
grenslanden der zonde, waar hij steeds zal worden ontrust door waarschuwingen, afkomstig van deze zijde der linie. Hij zal nooit een hoveling der ondeugd worden, of haar ordelint in zijn knoopsgat dragen.
Het was omstreeks tien uren,' en de zon scheen prachtig; alles zag er liefelijker uit na den regen van gister. Het is aangenaam, op zulk een morgen langs een effen kiezelpad te wandelen, op weg naar de stallen, en peinzend op een uitstapje. Maar de reuk dei-stallen, die, bij een gewonen staat van zaken, moest behooren tot de dingen welke een verzachtenden invloed oefenen op iemands stemming, bracht voor Arthur altijd eenigen wrevel met zich. Hij kon zijn zin niet krijgen in de stallen. Alles was daar op de karig-ste manier ingericht. Zijn grootvader stond er op, als eersten stalknecht te behouden een ouden lummel, dien geen hefboom ter wereld uit zijn vaste gewoonten kon lichten, en wien men toeliet een stel ruwe knapen uit Loamshire als zijn onderhoorigen te huren; een waarvan kortelings de deugdelijkheid van een nieuwe scheerschaar had gekeurd door een kale plek te knippen op den rug van Arthurs bruine merrie. Zoo iets is natuurlijk verbitterend. Verdrietelijkheden in huis zijn nog te dulden, maar dat u de stal gemaakt wordt tot een tooneel van ergernis en afkeer, is meer dan vleesch en .bloed langen tijd verdragen kunnen zonder overhelling tot menschenhaat.
Het houterig en diep gerimpeld gelaat van den ouden John was bet eerste voorwerp dat Arthurs oog ontmoette, toen hij de plaats voor de stallen optrad; bet bedierf in zijn oor den goeden klank van het geblaf der twee bloedhonden die daar de wacht hielden. Steeds kostte het hem moeite, tegenover den ouden domoor zijn ongeduld meester te blijven.
âGij moet Meg voor mij doen zadelen en haar laten voorbrengen om half twaalf, en terzelfder tijd heb ik Rattler noodig voor Pym. Hoort gij?quot;
âJa, ik hoor het, ik hoor het, kap'tein,quot; zei oude John, zeer langzaam, zijn jongen meester in den stal volgend. John beschouwde een jongen meester als den natuurlijken vijand van een ouden dienaar, en jongelieden in 't algemeen als armzalige bestuurders van de zaken dezer wereld.
Arthur ging binnen om Meg even op den hals te kloppen, zoo
ADAM BEDE. 10
145
IN HET BOSCH.
weinig mogelijk in de stallen rondziende, teneinde niet uit zijn humeur te geraken voor het ontbijt. Het fraaie dier stond in een der binnenstallen, en wendde, toen haar meester haar op zijde trad, den schoonen hals. Kleine Trot, een tenger patrijshondje, Megs onafscheidelijke gezellin in den stal, lag op zijn gemak in elkander gerold op haar rug.
âZoo Meg, mijn mooi meisje,quot; zei Arthur, haar op den nek kloppend, âwij zullen een aardig toertje maken van morgen.quot;
âMet uw verlof, uw edelheid, dat zal niet gaan,quot; zei John.
âMet gaan? Waarom niet?quot;
âWel, omdat ze kreupel is.quot;
âKreupel? Loop rondom! Wat meent gij?quot;
âDe jongen heeft haar te dicht bij Daltons paarden gebracht; een van hen is op haar losgebroken, en zij is gekneusd aan het voorbeen.quot;
De oordeelkundige geschiedschrijver onthoudt zich van met juistheid mede te deelen wat daarna voorviel. Gij begrijpt dat er vrij wat krachtige taal werd gesproken, ondermengd met kalmeeren-de âho, Meg, ho'squot; terwijl het been onderzocht werd; ook dat John er bijstond met evenveel aandoening als ware hij een kunstig uitgesneden wingert-houten wandelstok geweest; en dat Arthur Don-nithorne het ijzeren hek van het park doorging zonder te zingen, zooals straks.
Hij achtte zich uitermate teleurgesteld en tegengewerkt. Er waren geen andere paarden in den stal voor hem en zijn bediende, behalve Meg en Rattler. Het was tergend, en dat juist nu, nu hij voor een paar weken uit den weg wilde zijn. Het scheen onbetamelijk dat de Voorzienigheid zulk een samenloop van omstandigheden gedoogde. Opgesloten te zitten op het kasteel met een gebroken arm, terwijl de andere officieren van zijn regiment zich koninklijk amuseerden te Windsor; opgesloten met zijn grootvader, die voor hem dezelfde soort van genegenheid had als voor zijn perkamenten oorkonden â en zich elk oogenblik te moeten ergeren over de inrichting van huis en landgoed. In zulke omstandigheden moet een mensch natuurlijk in een slecht humeur geraken, en trachten zijn wrevel te boven te komen door de een of ander buitengewone inspanning. âSalkeld zou alle dagen een flesch port gedronken hebben,quot; prevelde Arthur binnensmonds.
146
IN HET BOSCH.
âmaar daar ben ik niet tegen opgewassen. Welnu, als ik dan niet naar Eagledale gaan kan, dan zal ik van morgen een toertje op Rattler naar Norburne maken, en bij mijn vriend Gawaine gaan dejeuneeren.quot;
Onder de oppervlakte van dit uitgesproken besluit school een ander, onuitgesproken. Zoo hij ontbeet bij Gawaine en nog een weinig bleef praten, zou hij niet voor bij vijven weder het kasteel naderen, als wanneer Hetty veilig in de kamer bij de huishoudster zitten zou; en wanneer zij vertrok om naar huis te gaan zou het tijd zijn dat hij zijn slaapje deed na den eten, en op die wijze zou hij haar gansch en al uit den weg blijven. Er zou werkelijk geen kwaad gestoken hebben in een vriendelijk woord of wat tegen het kleine ding, en één half uur naar Hetty te kijken was hem meer waard dan een dozijn quadrilles met een dozijn balzaal-schoonen. Maar misschien was het beter dat hij geen acht meer op haar sloeg; het mocht haar verkeerde denkbeelden in het hoofd brengen, in den trant, als waarop Irwine gezinspeeld had, ofschoon Arthur, wat hem betrof, dacht dat meisjes volstrekt niet zoo teerhartig of lichtgedeerd waren, integendeel, hij had ze over het al-meen dubbel zoo koel en onkwetsbaar bevonden als hij zelf was. Wat betreft eenig wezenlijk gevaar voor Hetty, daarvan kon geen sprake zijn; Arthur Donnithorne stond met volmaakt goed vertrouwen voor zich zeiven in.
Dus zag de middagzon van twaalven hem naar Norburne galop-peeren, en bij geluk lag de weide van Halsell op zijn weg; zij bood eenige mooie sprongen aan voor Rattler. Niets geschikter om een boozen geest uit te drijven dan met paard en al heen te springen over struiken en slooten, en het wekt inderdaad bevreemding, dat de Centauren, ondanks hun groote voorrechten in dit opzicht, zulk een slechte reputatie hebben achtergelaten in de geschiedenis.
Misschien zal men na dit een en ander met verwondering hoo-ren dat, hoewel Gawaine thuis was, de wijzer van de klok op het voorplein nauwlijks de laatste één van de drie had doen zichtbaar worden, toen Arthur de poort weder binnenreed, van den hijgenden Rattler afsteeg, en zich naar huis begaf om haastig iets te gebruiken. Doch ik voor mij geloof dat er voor en na Arthur Donnithorne veel menschen bestaan hebben, die een langen weg hebben afgelegd, teneinde zekere ontmoeting te vermijden, en die
10*
147
IN HET BOSCH.
daarna haastig zijn teruggegaloppeerd, uit vrees dat zij diezelfde ontmoeting zouden misloopen. De geliefkoosde krijgslist onzer hartstochten is, dat zij den aftocht veinzen te blazen, en ons eensklaps aanvallen op het oogenblik dat wij ons verzekerd houden dat de overwinning zich aan onze zijde bevindt.
âDe kap'tein heeft gereden als de duivel,quot; zei Dalton de koetsier, wiens persoon uitkwam en haut relief terwijl hij zijn pijp stond te rooken tegen den stalmuur, toen John den Rattler binnenbracht.
âEn ik wou dat hij den duivel tot stalknecht kreeg,quot; pruttelde John.
âIn dat geval zou hij een veel beminnelijker stalknecht hebben dan nu, merkte Dalton aan, welke aardigheid hem zoo geestig toescheen dat, toen hij alleen gebleven was, hij voortging bij tus-schenpoozen zijn pijp uit den mond te nemen, en knipoogjes te geven aan een denkbeeldig gehoor, en genoeglijk te schudden van een stillen inwendigen lach, in den geest het gesprek tusschen John en hem van het begin tot het slot herhalend, teneinde het later met den vereischten nadruk te kunnen voordragen in de keuken.
Toen Arthur, nadat hij iets gebruikt had, weder naar boven en naar zijn kleedkamer gmg, kon het niet andeis of de beraadslaging, welke hij vroeger op den dag daar ter plaatse met zichzelven had crehouden, moest hem weder voor den geest komen. Doch het was hem onmogelijk, thans bij deze herinnering stil te staan â onmogelijk, de gevoelens en overdenkingen zich weder voor den geest te brengen die toen zoo beslissend voor hem geweest waren; evenmin ab het hem mogelijk was den bijzonderen geur der ochtendlucht weder op te roepen die hem had verfrischt toen hij 's mor-o-ens vroeg het venster opende. De begeerte om Hetty te zien was teruggesneld als een kwalijk afgeleide stroom; hij was zelf ver-baascT over de kracht waarmede deze onbeduidende gril hem aangreep. Zelfs beefde hij eenigszins terwijl hij zijn haren schuierde â och kom, dat kwam van het snelle rijden. Het was alleen omdat hij een ernstige zaak had gemaakt van een nietigheid, dooier over na te denken alsof zij van eenig gewicht was. Hij zou zich verstrooien met heden eens naar Hetty te kijken, en daarna zich de gansche zaak uitliet hoofd stellen. Het was alles Irwine's schuld:
148
IN HET BOSCH.
âZoo Ir wine niets gezegd had, zou ik niet half zooveel over Hetty gedacht hebben als over het kreupele been van Meg.quot; Evenwel, het was juist een dag om een weinig te luieren in de hermitage. Hij zou daar dr. Moor's Zeluco gaan zitten uitlezen voor etenstijd. De hermitage stond in het Dennenbosch; dien weg moest Hetty bepaald langs komen op haar wandeling van de hoeve naar het kasteel. Niets kon dus eenvoudiger en natuurlijker zijn; Hetty te ontmoeten was enkel een bijkomende omstandigheid, niet het doel van zijn wandeling.
Arthurs schaduw zweefde eenigszins sneller door de krachtige eiken van het park dan men zou kunnen verwachten van de schaduw van een vermoeid man op een warmen namiddag, en het was nauwelijks vier uur toen hij zich bevond voor het smalle, hooge ijzeren hek, dat toegang verleende tot het verrukkelijk schoone woud met zijn tallooze paden, dat de eene zijde van het kasteel omzoomde, en dat genaamd werd het Dennenbosch, niet omdat er veel, maar weinig dennen waren. Het was een woud van beuken en linden, met hier en daar een lichte berk met zilveren stam â juist een soort van woud meest bezocht door de nimfen. Gij ziet haar blanke leden, van de zon beschenen, door de takken glanzen, of uitkijken van achter den liefelijk statigen omtrek eener hooge linde; gij hoort haar zachtvloeienden lach â maar indien gij gluurt met een al te nieuwsgierig en heiligschennend oog, verdwijnen zij achter de bontgevlekte beuken, en doen u gelooven dat haar stem niets was dan een vlietend beekje; misschien ook veranderen zij zich in in een bruingeel eekhorentje, dat wegvlucht en u uitlacht van den hoogsten tak van den hoogsten boom. Geen bosch met afgemeten grasperken en glad gerolde kiezelpaden, maar met smalle, kronkelende, geestige lanen, omzoomd door hier en daar een strookje tenger mos â paden die er uitzien als waren zij gemaakt dooiden vrijen wil van de boomen en van het kreupelhout, eerbiedig ter wederzijde wijkend, om ruim baan te maken voor de rijzige koningin der nimfen met haar blanke voeten.
Het was langs het breedste dezer paden dat Arthur Donnithorne voortging, onder een gewelf van linden en beuken. Het was een stille namiddag â het gouden licht rustte kwijnend op de toppen der boomen, slechts nu en dan nederwaarts blikkend op het purperen voetpad en zijn bemosten zoom; een dier namiddagen waarop
149
IN HET BOSCH.
het noodlot zijn onverschillig en onheilspellend gelaat hult in een geheimzinnig stralenden sluier, en ons omarmt met warme, donzige vleugelen, en ons vergiftigt met een adem, geurig van viooltjes. Arthur ging onbezorgd voorwaarts met zijn boek onder den arm, maar niet starend vóór zich op den grond, zooals peinzende men-schen gewoon zijn. Hij kon zijn oogen niet afhouden van de verwijderde bocht in den weg, waarlangs zeer zeker weldra een klein figuurtje verschijnen zou. Ha, daar komt zij! Eerst een helder gekleurd vlek, als een Indische vogel onder de takken; toen een trippelend postuurtje met een ronden hoed op het hoofd en een mandje onder den arm; daarna een diep blozend, bijna verschrikt, maar helder glimlachend meisje, nijgend met een beschroomden en toch gelukkigen blik, toen Arthur haar naderde. Zoo Arthur tijd had gehad om over iets na te denken, zou hij het vreemd gevonden hebben dat ook hij zekere verlegenheid bespeurde en zich bewust was insgelijks te blozen â in één woord, dat hij zoo bedeesd er uitzag en zich voelde als ware hij bij verrasssing overvallen, in plaats van te zien gebeuren juist hetgeen hij verwachtte. Arme wezentjes! Jammer dat zij niet nog altoos in den gulden tijd dei-kindsheid leefden. Zij zouden dan tegenover elkander gestaan hebben van aangezicht tot aangezicht, elkander hebben aangestaard met bloode genegenheid, elkander een vlinderkusje hebben afgevangen, en eindelijk zijn heengeloopen om samen te gaan spelen. En Arthur zou naar huis gekeerd zijn naar zijn ledikant met zijden gordijnen, en Hetty naar haar peluw en overtrek van eigen gesponnen linnen, en beiden zouden geslapen hebben zonder droo-men, en den volgenden dag zouden zij zich nauwlijks bewust zijn geweest van dien van gisteren.
Arthur keerde zich om en wandelde aan Hetty's zijde voort, zonder reden daarvoor te geven. Zij waren alleen, voor de eerste maal. Welk een overweldigend oogenblik is dat eerste samenzijn! De eerste twee of drie minuten durfde hij letterlijk niet opzien naar dat kleine botermaakstertje. Wat Hetty aangaat, haar voeten rustten op een wolk en zij werd voortgedragen door zwoele zefirs. Zij had haar rozenroode linten vergeten; zij was zich van haar lichaam even weinig bewust als ware haar kinderlijke ziel gevaren in een waterlelie, rustend op een vloeibaar bed, en gekoesterd door de stralen der zomerzon. Het moge tegenstrijdig
150
IN HET BOSCH.
schijnen, Arthur verzamelde niettemin uit zijn eigen bedeesdheid een zekere onbezorgdheid en vertrouwen; het was een geheel andere gemoedstoestand dan hij verwacht had bij zulk een ontmoeting met Hetty, en hoezeer ook vervuld van onbestemd gevoel, er was in deze oogenblikken van stilzwijgen plaats voor de gedachte dat zijn vorige beraadslagingen en bezwaren overtollig geweest waren.
âGij hebt groot gelijk dezen weg te kiezen om naar het kasteel te komen,quot; zei hij eindelijk, op Hetty nederziende; âhij is veel mooier en ook veel korter dan die langs de rasters.quot;
âJa, mijnheer,quot; antwoordde Hetty met bevende, bijna fluisterende stem. Zij wist volstrekt niet hoe te spreken tegen een groot heer als Arthur, en haar ijdelheid maakte haar des te ingetogener.
âKomt gij alle weken naar juffrouw Pomfret?quot;
âJa, mijnheer, eiken Donderdag; alleen dan niet wanneer zij met miss Donnithorne uitgaat.quot;
âEn zij is bezig u iets te leeren, nietwaar?quot;
âJa, mijnheer, kantdichten, dat zij buitenslands geleerd heeft, en kousen mazen â het ziet er net uit als de breisteek, en gij kunt niet zien dat de kous versteld is. Ook leert zij mij knippen.quot;
âWat, gaat gij kamenier worden?quot;
âHoe eer, zoo liever, mijnheer,quot; was het antwoord. Hetty sprak nu hoorbaarder, maar nog steeds eenigszins bevend; zij dacht dat kapitein Donnithorne haar misschien even dom vond als zij Lu-kas Britton.
âJuffrouw Pomfret wacht u zeker in den regel omstreeks dezen tijd?quot;
âZij wacht mij tegen vier uur. Ik ben wat laat vandaag, omdat tante mij niet missen kon; maar de bepaalde tijd is vier uur. Dan schiet er nog eenige tijd over vóór miss Donnithorne schelt.quot;
âZoo, dan moet ik u niet langer ophouden; anders liet ik u gaarne de hermitage eens zien. Hebt gij haar ooit gezien?quot;
âNeen, mijnheer.quot;
âDit is de gewone weg. Maar wij moeten nu niet gaan. Ik zal haar u een ander maal laten zien, zoo gij ten minste lust hebt.quot;
âHeel veel, mijnheer.quot;
151
IN HET BOSCH.
âKomt gij altijd dezen weg terug 's avonds, of zijt gij bang op zulk een eenzaam pad?quot;
,0 neen, mijnheer, liet wordt nooit laat; ik ga altijd heen omstreeks acht uur, en dan is het 's avonds in dit seizoen nog bijna dag. Tante zou boos zijn zoo ik niet vóór negenen thuis was.quot;
âMisschien brengt Craig de tuinman u wel thuis?quot;
Een diepe blos bedekte Hetty's gelaat en hals. âZeker niet, dat heeft hij nooit gedaan, ik zou het niet willen hebben; ik houd niet van hem,quot; zei zij haastig, en de tranen der ergernis waren zoo snel gekomen dat, voor zij met spreken gedaan had, een glanzige droppel langs haar gloeiende wangen nedervloeide. Toen voelde zij zich doodelijk beschaamd omdat zij schreide, en voor één enkel lang oogenblik was haar geluk gansch verstoord. Maar het volgende oogenblik voelde zij een arm om zich heengeslagen, en een zachte stem zeide:
âMaar, Hetty, waarom schreit gij? Ik wilde u niet kwellen. Ik zou voor alles ter wereld u niet willen kwellen, mijn klein bloempje. Kom, schrei niet; zie mij aan, anders zal ik denken dat gij mij niet vergeven wilt.quot;
Arthur had zijn hand gelegd op den zachten arm die het dichtst bij hem was, en boog zich tot Hetty neder met een vleienden en troonenden blik. Hetty sloeg haar lange bedauwde wimpers op en ontmoette de oogen die op haar waren gericht met een zoete, beschroomde, smeekende uitdrukking. Die drie minuten, welk een lang tijdsverloop waren zij voor hen, terwijl hun oogen elkander ontmoetten, en zijn arm haar omklemde. De liefde is zulk een eenvoudige zaak wanneer men slechts een-en-twintig zomers telt en een lief meisje vun zeventien jaren beeft onder onzen blik, als ware zij een knopje dat voor de eerste reis met wondervolle verrukking zijn hartje opent voor den morgen. Zulke jonge zielen zonder rimpels buigen zich naar elkander toe als twee fluweelen perziken, dons tegen dons; zij smelten samen even gemakkelijk als twee beekjes, tevreden indien zij zich slechts mogen vereenigen en hunne steeds ineenvloeiende kronkelingen mogen doen murmelen in de dicht gebladerde schuilhoekjes. Terwijl Arthur in Hetty's donkere, smeekende oogen staarde, maakte het voor hem geen verschil welk soort van Engelsch zij sprak; en zelfs indien hoepelrokken en poeder in de mode geweest wa-
152
IN HEÃ BOSCH.
ren, zou hij hoogstwaarschijnlijk op dit oogenblik zich niet bewust zijn geweest dat deze teekenen van hoogere beschaving aan Hetty ontbraken.
Maar verschrikt en met kloppende harten lieten zij elkander los: er was iets op den grond gevallen met een ratelend ge-druisch. Het was Hetty's mandje. Al haar klein vrouwelijk naai-gereedschap lag verstrooid op het pad, en daaronder meer dan één voorwerp met opmerkelijk rolvermogen begiftigd. Er was veel te doen met oprapen, en geen woord werd gesproken; doch toen Arthur haar het mandje weder over den arm hing, bespeurde het arme kind een zonderlinge verandering in zijn blikken en manieren. Hij drukte haar even de hand en zei met een blik en op een toon die haar bijna ijskoud voorkwamen;
âIk heb u gehinderd. Ik mag u niet langer ophouden. Men wacht u op het kasteel. Goeden dag.quot;
Zonder te wachten dat zij antwoordde, keerde hij zich van haar af en snelde terug naar het pad dat naar de hermitage heenleidde. Hetty vervolgde haar weg in een wonderlijken droom, die scheen te zijn begonnen in bedwelmende verrukking, en die nu overging in teleurstelling en droefheid. Zou hij haar wederom tegenkomen als zij naar huis ging? Waarom had hij gesproken bijna alsof hij misnoegd op haar wasquot;? Waarom was hij zoo plotseling weggeloopen? Zij schreide, nauwelijks wetend om welke reden.
Ook Arthur was zeer onrustig, maar zijn gevoelens werden bestuurd door helderder bewustzijn van den toestand. Hij liep in allerijl naar de hermitage, die in het hart van het bosch stond, ontsloot de deur met een haastigen ruk, sloeg haar achter zich dicht, wierp Zeluco in den verst afgelegen hoek, en zijn rechterhand in den zak stekend, wandelde hij eerst vier of vijf malen de beperkte lengte van het vertrek op en neder, en zette zich daarna met opzet op een ongezellige stijve manier op de sofa, zooals meermalen gebeurt wanneer wij niet wenschen ons over te geven aan ons gevoel.
Hij was op weg verliefd te worden op Hetty â zooveel was hem duidelijk. Hij was bereid alle andere dingen als niets te achten â onverschillig hoe kostbaar â teneinde zich te kunnen overgeven aan het verrukkelijk gevoel dat zich daareven aan hem ontdekt had. Het hielp niet, de zaak langer te bemantelen â zij
153
IN HET BOSCH.
zouden te veel Vcan elkander gaan liouden, zoo hij voortging zicli met haar in te laten â en wat zou er van komen'? Binnen weinige weken moest hij vertrekken, en het kleine ding zou rampzalig wezen. Hij moest haar niet weder alleen zien; hij moest haar vermijden. Hoe dwaas van hem, terug te komen van Gawaine!
Hij stond op en wierp het raam open: de liefelijke adem van den namiddag stroomde naar binnen en tegelijk de gezonde geur dei-dennen, die een kring vormden om de hermitage. De zwoele lucht deed geen goed aan zijn genomen besluit, terwijl hij uit het raam leunde en staarde in het gebladerd verschiet. Maar hij beschouwde thans zijn besluit als voldoende vastgesteld; het was nu overbodig langer met zichzelven te beraadslagen. Hij had zich voorgenomen, Hetty niet weder te ontmoeten, en nu mocht hij zich wel overgeven aan de gedachte, hoe onbeschrijfelijk aangenaam het wezen zou, indien de omstandigheden anders waren â hoe heerlijk het zou geweest zijn, haar dezen avond weder te ontmoeten als zij terug zou komen, zijn arm weder om haar heen te slaan, en te staren in het lief gezicht. Hij was nieuwsgierig of het lieve kleine schepseltje ook aan hem dacht â twintig tegen een van ja. Hoe schoon waren haar oogen met de tranen op de wimpers! Hij zou voor een keer zijn hart wenschen op te halen met een ganschen dag naar die oogen te kijken, en hij moest haar wederzien; hij moest haar zien, eenvoudig om eiken valschen indruk weg te nemen dien zijn gedrag van daareven op haar mocht gemaakt hebben. Hij zou bedaard en vriendelijk tegen haar zijn â om te verhinderen dat zij naar huis ging met haar hoofd vol dwaze inbeeldingen. Ja, alles wel beschouwd was dit het beste wat hij doen kon.
Het duurde lang â meer dan een uur â voor Arthurs overpeinzingen bij dit punt waren aangeland; doch eenmaal zoover gevorderd, kon hij niet langer op de hermitage blijven. De iijd tot hij Hetty zien zou, moest worden doorgebracht met afleiding zoeken en in beweging zijn. Daarenboven was het reeds laat genoeg om zich voor het middagmaal te gaan kleeden. Zijn grootvaders etenstijd was zes uur.
154
AVOND IN HET BOSCH.
HOOFDSTUK XIII.
AVOND IN HET BOSCH.
Het geval wilde dat juffrouw Pomfret een kleine woordenwisseling had gehad met juffrouw Best de huishoudster â een omstandigheid die voor Hetty twee hoogst gelukkige gevolgen had. Zij was oorzaak dat juffrouw Pomfret zich de thee liet bovenbrengen op haar kamer, en wekte in deze voorbeeldige kamenier een zoo levendige herinnering op aan vroegere wendingen in het gedrag van juffrouw Best, en aan samenspraken waarin juffrouw Best genoodzaakt was geweest vlag en wimpel te strijken voor juffrouw Pomfret, dat Hetty niet meer tegenwoordigheid van geest behoefde dan noodig was om haar naald te gebruiken, en nu en dan een âjaquot; of' âneenquot; uit te spreken. Zij zou haar hoed wel een weinig vroeger dan gewoonlijk hebben willen opzetten, maar zij had aan kapitein Donnithorne verteld, dat zij gewoonlijk omstreeks acht uur vertrok, en indien hij eens naar het bosch ging, hopend haar te zien, en zij was weg! Zou hij komen? Haar vlinderzieltje zweefde heen en weder van de stellige herinnering naar de onzekere verwachting. Eindelijk wees de minuutwijzer op de ouder-wetsche koperen klok kwartier vóór achten, en er bestond alle reden om te meenen dat het tijd was om te vertrekken. Zelfs juffrouw Pomfret, ofschoon haar geest door gansch andere gedachten werd afgeleid, kon niet nalaten in het meisje iets op te merken dat naar een nieuwen luister van schoonheid geleek, terwijl zij haar hoed vaststrikte voor den spiegel.
âDat kind wordt bij den dag mooier, geloof ik,quot; was haar inwendig uitgesproken oordeel. âJammer genoeg. Des te minder kans heeft zij op een plaats â en op een man. Knappe verstandige mannen houden niet van zulke mooie vrouwen. Toen ik een meisje was, werd er meer werk van mij gemaakt dan indien ik zoo heel mooi geweest was. Toch heeft zij reden om mij dankbaar te wezen dat ik haar iets leer om haar brood mede te verdienen, behalve boerenwerk. Men heeft altoos gezegd dat ik goedhartig was â en dat is de waarheid, tot mijn schade, helaas! Anders zouden er
155
AVOND IN HET BOSCH.
hier in huis niet wezen die over mij regeerden in de huishoudkamer.quot;
Hetty spoedde zich door het kleine gedeelte van den bloemtuin dat zij oversteken moest, vreezend baas Craig te ontmoeten, dien zij te nauwernood beleefd zou hebben kunnen toespreken. Hoezeer gevoelde zij zich verlicht toen zij veilig was aangeland onder de eiken en de varens van het park! Zelfs toen schrikte zrj nog telkens op, evenals de herten die vloden op haar nadering. Zij dacht niet aan het avondlicht dat zachtkens rustte op de met gras begroeide lanen tusschen de varens, en dat de schoonheid van het groen nog zichtbaarder maakte dan zij geweest was onder den overstelpenden gloed der middagstralen. Zij dacht aan niets tegenwoordigs. Zij zag alleen iets dat mogelijk kon wezen: jonkheer Donnithorne haar wederom tegemoet komend in het Dennenbosch. Dus was de voorgrond van Hetty's schilderij; daarachter lag iets schitterend nevelachtigs â dagen die niet zijn zouden zooals de vorige dagen van haar leven geweest waren. Het was als ware zij de geliefde van een Riviergod, ieder oogenblik in aantocht om haar met zich mede te nemen naar zijn wondervolle staatsie-zalen onder een hemel van golven. Men kon niet weten wat gebeuren zou sinds die vreemde betooverende verrukking gekomen was. Indien een koffer vol kant en satijn en juweelen haar ware toegezonden door een onbekende hand, wat anders zou zij in dat geval hebben kunnen denken dan dat haar lot een verandering stond te ondergaan en dat morgen een nog bedwelmender vreugde haar overkomen zou? Hetty had nooit een roman gelezen; indien zij er een in handen gekregen had, vrees ik dat zij de woorden niet zou begrepen hebben: hoe kon zij dan een vorm vinden voor haar eigen verwachtingen? Zij waren even vormloos als de zoete smachtende geuren in den tuin van het kasteel, die voorbij haar waren heengezweefd toen zij het hek doorging.
Zij is nu gekomen aan een ander hek, dat toegang verleent tot het Dennenbosch. Zij betreedt het woud. Het is daar reeds schemerdonker, en met eiken stap wordt de vrees in haar hart killer. Zoo hij niet kwam! Welk een akelig denkbeeld â het bosch aan de andere zijde uit te komen op den open weg, zonder hem gezien te hebben! Zij bereikt de eerste bocht in het pad naar de hermitage, langzaam voortgaand â hij is daar niet. Zij haat den jongen haas
156
AVOND IN HET BOSCH.
die over het voetpad loopt; zij haat alles wat niet het voorwerp is van haar begeeren. Zij wandelt voort, gelukkig wanneer zij komt aan een kromming in den weg. Misschien is hij daarachter. Neen. Zij begint te schreien. Haar hart is zeer vol. De tranen staan in haar oogen. Zij geeft een luiden snik, terwijl de hoeken van haar mond trillen en de droppels nederrollen.
Zij weet niet dat er nog een andere bocht is bij de hermitage, dat zij zich daar vlak bij bevindt en dat Arthur Donnithorne slechts een paar schreden van haar verwijderd is, vervuld van één enkele gedachte, een gedachte waarvan zij-alleen liet voorwerp is. Hij zal Hetty wederzien â en dat is zijn verlangen, sinds de drie laatste uren tot een koortsigen dorst geklommen. Niet, natuurlijk, om tot haar te spreken op de liefkoozende wijze als waartoe hij onvoorzichtig vervallen was vóór etenstijd, maar om alles weder bij haar in orde te brengen door een minzaamheid, die het voorkomen hebben zou van een vriendschappelijke beleefdheid en haar zou verhinderen zich te verwijderen met verkeerde denkbeelden omtrent hun weder-zijdsche betrekking.
Zoo Hetty geweten had dat hij daar was, zou zij niet geschreid hebben â en dit ware te wenschen geweest. Arthur zou dan misschien zoo wijs gehandeld hebben als zijn voornemen was. Doch in haar onwetendheid verschrikte zij toen hij verscheen aan het andere einde van de zijlaan, en zag naar hem op met twee groote tranen, nederrollend langs haar wangen. Hoe kon hij anders dan zacht tot haar spreken, als tot een schoonoogig patrijshondje met een doorn in zijn pootje.
âHeeft iets u schrik aangejaagd, Hetty? Hebt gij iets in het bosch gezien? Wees niet bang â ik zal op u passen.quot;
Hetty bloosde diep; zij wist niet of zij gelukkig of rampzalig was. Wederom te schreien â wat dachten heeren wel van meisjes die altoos schreien? Zij voelde zich buiten staat zelfs âneenquot; te zeggen, en kon alleen haar oogen van hem afwenden en de tranen van haar wangen wisschen. Niet evenwel zonder dat een groote droppel nederviel op haar rozenroode linten, dat wist zij zeer goed.
âKom, wees weer vroolijk, lach eens tegen mij, en vertel mij wat er gebeurd is. Kom, vertel het mij.quot;
Hetty keerde het hoofd om en fluisterde; âIk dacht dat gij niet komen zoudt,quot; en kreeg langzaam moed om haar oogen tot hem
157
AVOND IN HET BOSCH.
op te heffen. Die blik was te veel; hij moest oogen gehad hebben van Egyptisch graniet, om niet slechts al te vriendelijk terug te kijken.
âMijn klein verschrikt vogeltje! mijn bedauwd roosje! mijn dwaas kindje! Gij zult nu niet weder schreien, nu ik bij u ben, zult gij wel?quot;
O, hij weet volstrekt niet wat hij zegt! Dit wilde hij niet zeggen. Zijn arm wordt weder om haar middel geslagen, hij omklemt haar vaster, hij buigt zijn gelaat dichter en dichter neder naar die ronde wang, zijn lippen ontmoeten die pruilende kin-derlipjes, en voor een lang oogenblik is er geen tijd meer. Hij moge een herder zijn van Arcadië, hij moge de eerste jongeling wezen kussende het eerste meisje â hij moge Eros-zelf zijn, zijn dorst lesschend aan de lippen van Psyche â het is alles eenerlei.
Vele minuten volgden waarin niet gesproken werd. Zij wandelden voort met kloppende harten, tot zij kwamen in het gezicht van het hek, aan de andere zijde van het bosch. Toen zagen zij elkander aan. Doch niet meer zooals zij vroeger gedaan hadden, want in hun oogen was de herinnering aan een kus.
Maar reeds had iets bitters zich begonnen te mengen in de fontein der liefelijkheden; reeds was Arthur onrustig. Hij maakte zijn arm van Hetty's middel los, en zei:
âHier zijn wij bijna aan het eind van het bosch. Ik ben nieuwsgierig hoe laat het is,quot; voegde hij er bij, zijn horloge uithalend. âTwintig minuten over achten â maar mijn horloge is voor. Evenwel, ik moest nu liever niet verder met u medegaan. Trippel gauw voort met uw kleine voetjes, en maak dat gij veilig thuiskomt. Dag, mijn kind.quot;
Hij vatte haar hand en zag haar aan, half treurig, half met een gedwongen lachje. Hetty's oogen schenen hem te smeeken nog niet heen te gaan, maar hij streelde haar wang en zei wederom: âDag, mijn kind.quot; Zij was genoodzaakt zich van hem af te keeren en voort te gaan.
Wat Arthur betreft, hij snelde door het bosch terug, als wilde hij een groote ruimte stellen tusschen zichzelven en Hetty. Hij wilde niet weder naar de hermitage gaan; hij herinnerde zich hoe hij daar met zich zeiven gestreden had vóór den eten, en hoe het was.
158
AVOND IN IIKT BOSCH.
uitgeloopen op niets â op erger dan niets. Hij stapte recht door naar het kasteel, blijde het bosch uit te komen, ongetwijfeld de wijkplaats van zijn boezen genius. Die beuken en liefelijke linden
â er was iets ontzenuwends reeds in hun aanblik-alleen; de krachtige, knoestige, oude eiken bogen zich minder smachtend heen over zijn hoofd â hun gezicht moest een mensch nieuwe geestkracht geven. Arthur verloor zich tusschen de nauwe openingen in de varens, omdolend zonder een uitweg te zoeken, tot de schemering bijkans nacht werd onder de dichte takken, en de haas die over het voetpad sprong eer zwart dan bruin scheen.
Hij was veel sterker aangedaan dan hij 's morgens was geweest; het was alsof zijn paard had geweigerd een sprong te doen en hem zijn meesterschap had durven betwisten. Hij was misnoegd op zich-zelven, gejaagd, vernederd. Zoo ras hij zijn aandacht bepaalde bij de waarschijnlijke gevolgen van elk toegeven aan de gevoelens die hem dien dag hadden verrast â van een voortdurende verstandhouding met Hetty, van een aangrijpen van elke gelegenheid tot kleine liefkoozingen, in den trant als waartoe hij heden reeds vervallen was â weigerde hij te gelooven dat zulk een toekomst mogelijk was voor hem. Minnekoozen met Hetty was een gansch andere zaak dan minnekoozen met een mooi meisje van zijn eigen rang
â waarvan men wist dat alles slechts tijdverdrijf was aan beide zijden. Maar van dit kleine ding zou aanstonds kwaad worden gesproken, indien men haar bij toeval met hem zag wandelen. En dan die voortreffelijke lieden, de Poysers, in wier oogen een goede naam even kostbaar was als had het beste bloed van het land hun door de aderen gevloeid â hij zou zichzelven haten indien hij zulk een schandaal aanrichtte op het landgoed dat eenmaal het zijne wezen zou, en onder pachters door wie hij bovenal wenschte geëerbiedigd te worden. Hij kon evenmin gelooven dat hij zoozeer in zijn eigen achting dalen, als dat hij beide zijn bee-nen breken en zijn geheel volgend leven op krukken loopen zou. Hij kon zichzelven aan zichzelven niet voorstellen in dien toestand
â het was te afschuwelijk, het aardde te weinig naar hem.
En zelfs indien niemand anders er iets van wist zouden zij elkander toch te lief kunnen krijgen, en niets dan een smartelijke scheiding kon in éénig geval het besluit der geschiedenis zijn. Geen edelman, uitgezonderd in romancen en balladen, kon het
159
AVOND IN HET BOSOH.
nichtje van een pachter huwen. Er moest terstond een eind aan de gansche zaak komen. Het was al te dwaas.
En toch was hij dien morgen zoo vast besloten geweest vóór hij naar Gawaine ging, en terwijl hij daar was, had een zeker iets zich van hem meester gemaakt en hem terug doen galoppeeren. Het scheen dat hij niet zoo volkomen op zijn eigen besluit kon vertrouwen als hij gemeend had. Hij wenschte bijna dat hij weder pijn in den arm krijgen mocht; dan zou hij aan niets anders denken dan aan de verplichting om bevrijd te zijn van zijn leed. Men kon niet weten welk een opwelling zich morgen weder van hem meester maken zou in deze verwenschte plaats, waar niets was om hem dringend bezig te houden den ganschen langen dag. Wat kon hij doen om zich te vrijwaren voor deze dwaasheid?
Er was slechts één hulpmiddel. Hij zou naar Irwine gaan â hem alles bekennen. Eeeds door haar over te vertellen, zou de zaak hem onbeduidend voorkomen; de verzoeking zou wijken, gelijk de betoovering van teedere woorden verdwijnt wanneer men ze verhaalt aan onverschilligen. In alle opzichten zou het hem goed doen, alles aan Irwine te verhalen. Zijn eerste werk morgen na het ontbijt zou wezen, naar de pastorie van Broxton te rijden.
Zoo ras Arthur tot dit besluit gekomen was, begon hij te bedenken langs welk pad hij naar huis zou terugkeer en en koos daartoe den kortsten weg. Hij was overtuigd dat hij nu slapen zou â er was genoeg gebeurd om hem af te matten, en er bestond langer geen noodzakelijkheid om te denken.
HOOFDSTUK XIV.
DE THUISKOMST.
Tijdens dit afscheid plaats greep in het woud, werd er ook afscheid genomen in de timmermans-woning, en Lijsbeth had met Adam aan de deur gestaan, haar oude oogen uitkijkend, teneinde een laatste glimpje op te vangen van Seth en Dina, terwijl dezen de tegenovergelegen glooiing opwandelden.
160
DE THUISKOMST.
âHelaas, ik zie haai' tegen mijn zin vertrekken,quot; zei zij tot Adam, toen beiden het huis weder binnentraden. âIk zou haar gaarne bij mij gehouden hebben tot ik stierf, en bij mijn ouden man ging nederliggen. Zij zou mij het sterven gemakkelijker maken â zij spreekt zoo zacht en loopt zoo stil. Haast zou ik er een eed op durven doen dat die plaat in uw nieuwen bijbel naar haar gemaakt is â de engel zittend op den grooten steen bij het graf. Ik zou er niet tegen gehad hebben een dochter thuis te krijgen zooals zij; maar de knappe meisjes trouwt niemand.quot;
,Nu, moeder, ik hoop dat gij haar mettertijd tot dochter krijgen zult; Seth heeft haar lief, en ik hoop dat zij vroeger of later Seth insgelijks lief zal krijgen.quot;
âWat helpt het daarvan te praten'? Zij houdt niet van Seth. Zij gaat weg, twintig mijlen van hier. Hoe zal zij hem lief krijgen? Dat zou ik wel eens willen weten. Evenmin als de koek rijst zonder gist. Dat hadden uw cijferboeken u anders moeten leeren, dunkt mij: anders kondt gij wel gewoon drukwerk lezen, zooals Seth doet.quot;
âNeen, moeder,quot; zei Adam lachend, de cijfers vertellen ons vrij wat, en wij zouden het niet ver brengen zonder; maar over de hartsgeheimen der menschen verspreiden zij weinig licht. Om die te berekenen wordt meer vereischt. Maar Seth is de goedhartigste knaap die ooit een hamer hanteerde, en heeft kostelijk zijn verstand. En hij ziet er goed uit ook. Daarenboven denkt hij eveneens als Dina. Hij verdient dat hij haar krijgt; ofschoon het niet valt te ontkennen dat de natuur in haar een meesterstuk geleverd heeft. Zulke vrouwen formeert zij niet alle dagen.quot;
âJa, gij neemt het altoos op voor uw broeder. Zoo zijt gij altijd geweest sinds gij kleine kinderen waart. Gij woudt alles met hem deelen. Maar wat zou Seth nu reeds trouwen? Hij is nog geen drie-en-twintig jaar oud. Het was beter dat hij eerst wat leerde sparen. En wat betreft haar te verdienen â zij is twee jaar ouder dan Seth; zij is bijna even oud als gij. Maar zoo gaat het in de wereld: de menschen kiezen altijd hun eigen contrarie, of zij bij elkander moesten gezocht worden als spek â een stukje goed vleesch en een strookje zwoerd.quot;
Voor den vrouwelijken geest, in sommigen zijner luimen, be-
ADAM BEDE. 11
161
DE THUISKOMST.
komen de dingen die zouden kunnen zijn een tijdelijke bekoorlijkheid door de vergelijking met hetgeen is, en daar Adam zelf niet verlangde Dina te trouwen, was Lijsbeth eenigszins wrevelig op dit punt â even wrevelig als zij geweest ware indien hij had begeerd haar te huwen en zichzelf op die wijze van Mary Burger en van de compagnieschap beroofd had, niet minder feitelijk dan door een huwelijk met Hetty.
Het was over half negen dat Adam en zijn moeder aldus te zamen spraken, zoodat, toen Hetty omstreeks tien minuten later de bocht van de laan bereikte, die naar het hek van de hoeve leidde, zij Dina en Seth van den tegenovergestelden kant zag aankomen en hen inwachtte. Zij, evenals Hetty, hadden hun wandeling langzaam voortgezet, want Dina trachtte in deze laatste oogenblik-ken woorden van troost en bemoediging tot Seth te spreken. Maar toen zij Hetty zagen, stonden zij stil en gaven elkaar de hand. Seth keerde terug naar huis, en Dina bleef alleen.
âSeth Bede zou u zijn komen toespreken, lieve,quot; zeide zij, naar Hetty toetredend, âmaar hij heeft veel verdriet van avond.quot;
Hetty antwoordde met een afgebroken lachje, als wist zij niet juist wat Dina bedoelde. Een zonderling contrast! die schitterende en geheel met zichzelve ingenomen lieftalligheid, aangestaard door het kalm en medelijdend gelaat van Dina met dien open blik, die aanduidde hoezeer haar hart niet leefde in eigen lieveling-gedachten, maar in gevoelens die het wenschte te deelen met allen. Hetty hield van Dina zooveel als zij ooit van eenige vrouw gehouden had; hoe was het mogelijk, anders dan liefde te gevoelen voor iemand die steeds een vriendelijk woord voor haar sprak, wanneer de tante haar beknorde, en die immer bereid was haar van Totty te bevrijden â kleine vervelende Totty, waar iedereen zoo gek mede was, en waaraan zij, Hetty, niets bijzonders zien kon? Dina had nooit één woord van verwijt of afkeuring tot Hetty gericht, zoolang haar bezoek op de hoeve geduurd had. Zij had vaak en ernstig met haar gesproken; maar dit deerde Hetty niet of weinig, want zij luisterde er niet naar. En wat Dina ook zeggen mocht, zij eindigde bijna altoos met Hetty's wang te streelen, en haar te vragen of zij ook iets voor haar verstellen kon. Dina was haar een raadsel. Hetty beschouwde haar ongeveer op dezelfde wijze als een vogeltje in een kooi, dat niet anders kan dan trippelen van het
162
DE THUISKOMST.
eene stokje naar het andere, geacht kan worden omhoog te zien naar de vlucht van de zwaluw of het opstijgen van den leeuwrik.
Doch zij vermoeide zich niet met zulke raadsels op te lossen, evenmin als zij zich er over bekommerde te weten wat de platen beteekenden in Bunyans Rei ze naar de Eeuwigheid, of in den ouden folio bijbel, waarmede Marty en Tommy haar altoos plaagden des Zondags.
Dina nam Hetty's hand en legde die onder haar eigen arm.
âGij ziet er zeer gelukkig uit van avond, liefkind,quot; zeide zij. âIk zal dikwijls aan u denken wanneer ik te Snowfield ben en uw gelaat voor mij zien zooals het nu is. Het is vreemd â somtijds, wanneer ik geheel alleen ben, in mijn kamer gezeten met gesloten oogen, of wandelend over de heuvelen, verschijnen mij de personen die ik heb gezien en gesproken, al is het slechts gedurende weinige dagen, en ik hoor hun stemmen en zie hun blikken en bewegingen bijna duidelijker dan ooit het geval was toen zij werkelijk bij mij waren en ik hen met de hand bereiken kon. En dan wordt mijn hart tot hen heengetrokken, en ik deel in hun lot alsof het mijn eigen was, en troost mij door het over te geven in de handen des Heeren en te berusten in zijn liefde, voor hen zoowel als voor mij.quot;
Zij hield een oogenblik stil, maar Hetty antwoordde niet.
âHet is een kostelijke tijd voor mij geweest,quot; ging Dina voort, âgisteravond en van daag â twee zulke goede zonen te zien als Adam en Seth Bede. Zij zijn zoo teeder en vol zorgen voor hun oude moeder. En zij heeft mij verteld wat Adam gedaan heeft, veel jaren lang, om zijn vader en zijn broeder te ondersteunen. Het is wonderlijk welk een geest van wijsheid en kennis hij bezit, en hoe bereid hij is, al zijn meerderheid te gebruiken ten voordeele van de zwakkeren. En ik ben overtuigd dat hij ook den geest der liefde heeft. Ik heb meermalen opgemerkt, onder mijn eigen volk rondom Snowfield, dat de sterke mannen dikwijls de zachtste zijn voor de vrouwen en de kinderen; en het is een lief gezicht, hen de kindertjes te zien dragen alsof zij niet zwaarder wogen dan vogeltjes. En de kleine kinderen schijnen altijd den sterken arm het meest van allen lief te hebben. Ik ben zeker dat het evenzoo met Adam Bede wezen zou. Gij ook niet, Hetty?quot;
«â¢Ta,' zei Hetty afgetrokken; want haar gedachten hadden al dien
11*
163
DE THUISKOMST.
tijd in het boscli gedwaald, en het zou haar moeite gekost hebben, te zeggen wat zij toestemde. Dina zag dat zij niet geneigd was tot 'praten, doch de tijd om meer te zeggen zou niettemin ontbroken hebben, want zij waren nu gekomen aan het hek van de werf.
De stille schemering, met haar wegstervend rood in het westen en haar weinige flauwe als met moeite doorbrekende stenen, lustte op de werf, waar geen geluid vernomen werd behalve het stampvoeten van de karrepaarden in den stal. Het was nagenoeg twintig minuten na zonsondergang; het gevogelte was altegader in rust, en de bulhond lag uitgestrekt op het stroo buiten zijn hok, met den bruin en zwartgevlekten dashond naast zich, toen het dichtslaan van het hek hen stoorde en hen deed aanslaan, als goede wachters, zonder eenige bepaalde wetenschap van de reden waarom.
Het geblaf bleef niet zonder uitwerking in huis, want toen Dina en Hetty naderden, werd de ingang van de deur versperd door een gezette gestalte met een rood gelaat en donkere oogen; een gelaat, desnoods in staat er zeer scherpzinnig en somtijds ongenaakbaar uit te zien op marktdagen, maar dat nu een overwegende namiddag-uitdrukking van opgeruimde goedhartigheid vertoonde. Het is bekend dat er groote geleerden waren, meedoogenloos hardvochtig in hun critiek van anderer lieden geleerdheid, en toch van een inschikkelijke en toegevende natuur in het huiselijk leven; en mij is verhaald van een beroemd taalkundige, die zijn vrouws tweelingen wiegde met de linkerhand terwijl hij met de rechter den bijtensten spot toewierp aan een tegenstander, door wien grove onwetendheid aan den dag was gelegd in het Hebreeuwsch. Zwakheden en dwalingen moeten worden vergeven â helaas, ieder van ons heeft de zijne â maar de man die een verkeerd inzicht heeft in het belangrijk onderwerp der Hebreeuwsche punctuatie, moet worden behandeld als de vijand van zijn geslacht. Dezelfde soort van tegenstrijdige vermenging deed zich voor in Maitin Poysei. Hij was van een zoo uitnemende natuur, dat hij vriendelijkei en eei-biediger dan ooit te voren jegens zijn ouden vader geweest was, sinds deze hem al zijn bezittingen geschonken had; en niemand oordeelde over zijn naasten in alle persoonlijke aangelegenheden liefderijker dan hij. Doch voor een pachter zooals bijvoorbeeld Lukas Britton, wiens braaklanden veronachtzaamd werden, die
164
'i
DE THUISKOMST.
de eerste grondbeginselen niet kende van slooten graven en rasters stellen, die zeer weinig oordeel aan den dag legde in den aankoop van stalvoedering, was Martin Poyser even hard en even onverbiddelijk als de noord-oostenwind. Lukas Britton kon geen enkele aanmerking maken, zelfs niet op het weder, of Martin Poyser ontdekte daarin een terugslag van die oppervlakkigheid en alge-meene onwetendheid, zicht- en tastbaar in al de handelingen van dien boer. Het was hem hatelijk, te aanschouwen hoe de kerel de tinnen kan aan den mond bracht voor de toonbank van den ,Royal Georgequot; op marktdagen; en hem te zien aankomen aan de andere zijde van den weg, bracht een uitdrukking van gestrengheid en berisping in zijn zwarte oogen, hemelsbreed verschillend van den vaderlijken blik dien hij op zijn beide nichtjes wierp toen zij de deur naderden. Boer Poyser had zijn avondpijp gerookt, en hield nu de handen in de zakken, als zijnde dit de alleen overschietende bezigheid voor een mensch die opblijft nadat het dagwerk is afgedaan.
âWel, meisjes, gij komt vrij laat van avond,quot; zei hij, terwijl zij het kleine hekje naderden dat naar den linkerweg leidde. âMoeder maakt zich ongerust over u, en de kleine is ongesteld. En hoe hebt gij vrouw Bede verlaten, Dina? Is zij erg bedroefd over den ouden man? Hij is haar de laatste vijfjaren bitter en bitter tot overlast geweest.quot;
âZij was aanvankelijk zeer bedroefd over zijn verlies,quot; antwoordde Dina, âmaar zij scheen meer getroost van daag. Haar zoon Adam is den geheelen dag thuis gebleven, arbeidend aan zijn vaders kist, en zij heeft hem gaarne bij zich. Bijna den ganschen dag heeft zij mij van hem gesproken. Zij heeft een liefdevol hart, ofschoon zeer geneigd tot tobben en angstig vreezen. Ik wenschte dat zij een vaster steun had om haar te troosten in haar ouderdom.quot;
âAdam is een vaste steun genoeg,quot; zei boer Poyser, Dina's wensch verkeerd begrijpend. âEr is geen nood of hij zal goed geven als hij gedorscht wordt. Hij is niet van die menschen van veel stroo en weinig graan. Ik wil er voor instaan dat hij een goed zoon zijn zal tot het laatst toe. Heeft hij niet gezegd dat hij ons spoedig eens zal komen opzoeken? Maar kom binnen,quot; voegde hij er bij, plaats voor haar makend; ik moet u niet langer staande houden.quot;
De hooge gebouwen rondom de plaats sloten een goed deel
165
DB THUISKOMST.
van het daglicht buiten, maar het groote venster liet licht in overvloed binnenstroomen om de keuken tot in elk hoekje te kunnen zien.
Boerin Poyser, gezeten in een Amerikaanschen wiegstoel, afkomstig uit de âzijkamer aan de rechterhand,quot; poogde Totty in slaap te sussen. Maar Totty had geen lust tot slapen, en toen haar nichtjes binnenkwamen, richtte zij zich op en vertoonde een paar gloeiende wangen, schijnbaar nog dikker dan over dag, nu zij werden ingesloten door het strookje van haar linnen nachtmutsje.
In den grooten leunstoel met den rug van gevlochten twijg zat in het linkerhoekje van den schoorsteen Martin Poyser, de vader, een krachtig, maar ingedroogd en verbleekt evenbeeld van zijn kolossalen zoon, met het hoofd een weinig voorover en met de ellebogen achterwaarts geschoven, om het voorste gedeelte van den arm op de leuning van zijn stoel te kunnen laten rusten. Zijn blauwe zakdoek lag over zijn knieën uitgespreid, en hij nam hetgeen om hem voorviel waar met dien bedaarden en als vooruitstekenden blik van den gezonden ouderdom, die, los van alle belangstelling in het inwendig drama, de verdwaalde spelden opspoort, der lieden bewegingen volgt met een hardnekkigheid, hopeloos en doelloos, de vlam gadeslaat of de zonnevlekjes op den muur, de tichels telt in den vloer, zelfs met de oogen den wijzer nagaat van de klok en zich vermaakt met naar een kadans te zoeken in dier eentonig getik.
âWelk een ontijd is dat om thuis te komen, Hetty,quot; zei vrouw Poyser. âKijk eens op de klok, met verlof; het is ruim en breed over half negen, en ik heb de meisjes al een half uur geleden naar bed gezonden. Laat genoeg, zullen zij ten minste tegen half vijf opstaan, om de flesschen voor de maaiers te vullen en het brood te bakken. En dat lieve kind hier, dat de koorts heeft, geloof ik, en zoo klaar wakker is als op etenstijd. Niemand om mij te helpen haar 'er drankje in te geven, behalve uw oom. Daar is heel wat mede te doen geweest. De helft is op haar nachtjapon gemorst, en zij heeft er niet meer van binnengekregen dan noodig is om haar meer kwaad dan goed te doen. Maar menschen die niet gaarne diensten bewijzen, hebben altijd het geluk uit den weg te zijn als er iets om handen is,quot;
âIk ben vóór achten heengegaan, tante,quot; zei Hetty geraakt en
166
DE THUISKOMST.
haar hoofdje achteroverwerpend. âMaar deze klok is zooveel vóór bij de klok op het kasteel, dat het nooit te berekenen is hoe laat het zal zgn wanneer ik thuiskom.quot;
âWat? Zoudt gij soms willen dat wij de klok gelijk zett'en met die van de grootelui, zoudt gij; en blijven opzitten om kaarsen te verbranden, en in bed blijven liggen tot de zon u stoofde als de komkommers in de kast? Ik zou toch denken dat de klok vandaag niet voor het eerst voorgezet was.
De waarheid was dat Hetty werkelijk het verschil van de klokken vergeten had toen zij aan kapitein Donnithorne vertelde dat zij tegen acht uur vertrok, en dit, gevoegd bij haar vertraagde wandeling, was oorzaak dat zij nagenoeg een uur later thuiskwam dan gewoonlijk. Doch op dit oogenblik werd haar tantes aandacht van dit teeder onderwerp afgetrokken door Totty, die, opmerkend dat de komst van haar nichtjes niets bijzonder aangenaams voor haar zelve bleek met zich te brengen, op een luidruchtige manier âmoetje, moetjequot; begon te roepen.
âNu dan, mijn lievertje, moeder is bij 'er, moeder zal niet van 'er weggaan. Totty moet een zoet kindje wezen en nu gaan slapen,quot; zei boerin Poyser, achterover leunend en met den stoel wiegend, terwijl zij poogde Totty's hoofdje tegen zich aan te vleien. Maar Totty schreeuwde slechts te luider en riep: âNiet wiegen!quot; Dus ging de moeder, met dat wonderlijk geduld dat de liefde schenkt zelfs aan de heftigste karakters, weder overeind zitten, en drukte haar wang tegen het linnen nachtmutsje aan, en kuste het strookje, en vergat Hetty langer te beknorren.
âKom, Hetty,quot; zei Martin Poyser op verzoenenden toon, âkrijg uw avondeten uit de kast, want alles is al opgeborgen; en dan kunt gij de kleine nemen terwijl uw tante zich ontkleedt, want zij wil niet in bed blijven liggen zonder haar moeder. En gij zult ook wel een stukje willen eten, Dina; gij hebt daar binder misschien niet veel gebruikt.quot;
âNeen, dank u, oom,quot; zei Dina; âik heb een goed maal gedaan voor ik vertrok; vrouw Bede wilde volstrekt een ketelkoek voor mij koken.quot;
âIk heb geen avondeten noodig,quot; zei Hetty, haar hoed afzettend, nik kan nu Totty wel houden, als tante blieft.quot;
âKom, wat is dat voor gekheid?quot; zei boerin Poyser. âDenkt gij
167
DE THUISKOMST.
dat gij leven kunt zonder eten, en uw maag vullen met roode linten op uw hoofd te steken? Ga aanstonds uw avondeten halen, kind; er is in de vliegenkast een lekker stuk koude pudding â daar gij zooveel van houdt.quot;
Hetty gaf toe door zwijgend naar de provisiekamer te gaan, en de boerin ging voort, sprekend tot Dina:
âGa zitten, lieve, en doe toch eens eenmaal alsof gij wist wat gemak is in de wereld. Naar uw uitblijven te oordeelen, verbeeld ik mij dat de oude vrouw blij was u te zien.quot;
âZij scheen het ten laatste aangenaam te vinden mij daar te hebben; maar haar zoons zeggen dat zij over het algemeen niet houdt van jonge vrouwen om zich heen, en ik dacht eerst dat zij boos op mij was.quot;
âO wee, dat ziet er slecht uit wanneer oude lieden niet van de jonge houden,quot; zei oude Martin, zijn hoofd nog langer voorover buigend, als bestudeerde hij het patroon van de vierkante tichels.
âJa, het is boos leven in een hoenderhok voor wie bang zijn voor ongedierte,quot; zei boerin Poyser. âWij zijn allen jong geweest op onze beurt, zou ik denken, tot ons geluk of ongeluk.quot;
âMaar zij moet leeren zich te gewennen aan jonge vrouwen,quot; zei Martin junior, âwant men kan toch niet vergen dat Adam en Seth vrijgezel zullen blijven nog tien jaren lang om hun moeder te pleizieren. Dat zou onredelijk zijn. Het is niet recht, voor oud noch jong, voorwaarden te maken, enkel en alleen tot eigen profijt. Wat goed is voor den een, is op den langen duur ook goed voor den ander. Ik houd er niet van dat jonge lieden trouwen voor zij het onderscheid kennen tusschen een appel en een krabbe; maar men kan ook te lang wachten.quot;
âZeker,quot; zei de boerin, âwie zijn etenstijd laat voorbijgaan, dien zal het middagmaal ten laatste tegenstaan. Hij zit en draait met zijn vork, en eindigt met niet te eten. Hij geeft de schuld aan de spijzen, maar de schuld ligt aan zijn eigen maag.quot;
Hetty kwam nu uit de provisikamer terug en zei: âIk kan Totty nu wel nemen, als gij wilt, tante.quot;
âKom Kachel,quot; zei boer Poyser, toen zijn vrouw aarzelde, ziende dat Totty zich eindelijk rustig had neergevleid, âlaat Hetty haar nu naar boven brengen, terwijl gij u uitkleedt. Gij zijt vermoeid. Gij zult weder pijn in de zijde krijgen.quot;
168
DE THUISKOMST.
âNu, zij kan haar houden, zoo het kind bij haar wezen wil,quot; zei de boerin.
Hetty ging dicht bij den wiegstoel staan, zonder haar gewonen glimlach, en zonder een enkele poging om Totty tot zich te lokken, eenvoudig wachtend tot haar tante haar het kind zou overgeven.
âWilt gij naar nicht Hetty gaan, mijn lievertje, terwijl moeder zich klaar maakt om in bed te komen? Dan mag Totty bij moeder in bed kruipen, en daar den heelen nacht slapen.quot;
Voor haar moeder had uitgesproken, had Totty reeds op onmiskenbare wijze haar antwoord gegeven, en wel door haar wenkbrauwen samen te trekken, haar kleine tandjes op haar onderlip te zetten, en zich voorover te buigen, teneinde Hetty met al haar kracht een slag op den arm te geven. Daarna, zonder te spreken, nestelde zij zich weder tegen haar moeder aan.
âHei hei,quot; zei boer Poyser, terwijl Hetty er bij stond zonder zich te verroeren, âniet bij nicht Hetty gaan? Dat is het werk van een klein kindje. Totty is een groote meid en geen klein kindje.quot;
âEr is niet tegen te praten,quot; zei de moeder. âZij heeft altijd tegen Hetty, wanneer zij ongesteld is. Misschien wil zij wel bij Dina wezen.quot;
Dina, nadat zij haar hoed en doek had afgedaan, had zich bedaard op den achtergrond nedergezet, zich niet willende indringen tusschen Hetty en hetgeen werd beschouwd als Hetty's persoonlijk werk. Doch nu trad zij voorwaarts, en de handen uitstekend, zei zij; âKom, Totty, kom, laat Dina haar boven brengen, samen met moeder. Die arme lieve moeder, zij is zoo moe â zij wil zoo graag naar bed.quot;
Totty keerde haar gezichtje naar Dina, zag haar een oogenblik aan, hief zich toen op, stak de armpjes uit, en liet zich door Dina van haar moeders schoot tillen. Hetty keerde zich om, zonder zich in het minst gekrenkt te toonen, en haar hoed van de tafel nemend; stond zij onverschillig te wachten of men haar bevelen zou nog iets te doen.
âGij kunt nu de deur wel sluiten, Poyser; Alick is reeds lang binnen,quot; zei de boerin, opstaand als ware het haar een verlichting, haar lagen stoel te verlaten. âGeef mij de zwavelstokken eens van de plank, Hetty; ik moet nachtlicht hebben in mijn kamer. Kom, vader.quot;
169
DB THUISKOMST.
De zware houten grendels werden nu op de huisdeuren geschoven. Oude Martin maakte toebereidselen om naar boven te gaan, en wel door zijn blauwen zakdoek op te nemen en zijn note-boomen stok met den glimmenden knop uit den hoek te krijgen. Boerin Poyser ging vooruit, gevolgd door den grootvader, en door Dina met Totty op den arm â allen naar bed stappend met de schemering, evenals de vogeltjes. De boerin keek in het voorbijgaan nog even in de kamer waar haar beide jongens sliepen, om hun roode ronde wangen op het kussen te zien prijken en een oogenblik te luisteren naar hun geregelde ademhaling.
,Kom, Hetty, ga naar bed,quot; zei haar oom op liefderijken toon, terwijl hij zich omkeerde om de trap op te gaan. âGij zijt niet opzettelijk laat thuis gekomen, dat geloof ik wel; maar uw tante heeft een vermoeienden dag gehad van daag. Goeden nacht, mijn kind, slaap gerust.
HOOFDSTUK XV.
TWEE SLAAPKAMERS.
Hetty en Dina sliepen beiden op de tweede verdieping, in schaars gemeubelde kamers, zonder blinden tot wering van het licht, dat nu nieuwe kracht ontleende van de opkomende maan â meer kracht dan noodig was om Hetty in staat te stellen zich te bewegen en te ontkleeden met volkomen gemak. Zij kon zeer goed de knoppen onderscheiden van de oude geschilderde linnenpers waaraan zij haar hoed en japon had opgehangen; zij kon den kop zien van elke speld op haar roodlakensch speldenkussen; zij kon haar beeld in den spiegel zien, zoo duidelijk als noodig was, aangezien zij niets had te doen dan haar haren te schuieren en haar nachtmuts op te zetten. Een wonderlijke oude spiegel! Hetty maakte er zich boos om, bijna iederen keer dat zij zich kleedde. In zijn tijd was het een fraaie spiegel geweest, naar alle waarschijnlijkheid door de familie Poyser aangekocht een kwart eeuw geleden, op deze of gene verkooping van een fatsoenlijken inboedel. Zelfs nu zou een uitdrager er nog iets op kunnen bie-
170
TWEE SIAAPKAMBRS.
â
thoniehouten voety.uk, wel voo- .dec van laadjes, ..nc openpiu-â
â niitsehieter;, n dat men vi ;i /(;.⢠moeite bohoi-tle ie V»quot;gt; vl' de V.P.iïd i;;, ie i : \v: - ; rlt;-
van een k ; â n ! .!r.toj- véferz;-1!!, \gt; â 1 ; .v - ,â -j. .v.-x-ra* b vjork'-iii.'--. aa;i /y:! jon;;-' r/k Ai'.;.: : ; : â
!
's â vrijvquot;! er ooH af â â lerijgeji .Tt ook dit, lt;ü quot; hij s plaai.^
â '. h voor- en .u^hi â â¢r .'-riarts te bewe^ep, itjif O'.1, re: srond. â â
. .1 id in ei vv-i â ; . ...ny: zir.icr, i. ! t â ; ⢠oi ;
â at' kaptiW. Eü de k. 'as iu bet y ⢠â
ii èiiialle, oiuie. b-uk â â â¢.â gt; 4, h-'i on! j. 'J,.- .
loppen dedv: haa, pijn aan e- 'r 1 rsir|.r a.ak by c- r â kom - â . .'ri M-
zich door niets r ui d,; L.ivueii.i.^r ! sn' .-r religie af-â u Hetty v.-yr, dezen ave .cl nug n eer lt;⢠n ge^. onlijk o]i â â â adorer vorm van eember.-tt .ycüteld.
. haar japon uit-en li^.ir .viit(v' quot;ï -!â gt;..r..
sieutel uit den r- : â :
; rop Dn' â .0lt; . : â ; .
â een p - ki'
.' - , â oeilt ... l /t . : .â ;i: .1' ;
:u- 'â 'ii zwavelstok, sloeg uur. â â â «:.!.! di kaai - â
' .'ij â de i. dt â k v.iig :-.en klein sc:i:;iii;quot;'gs-3pie-â
i. i â¢â¢ :â i r. Sj!
ooe.'.iblik :n, glimlaciiend en . i ';. ; â r Ir, d t â l.quot;i uaarea i -der, en nam ha r : â â¢
laden. Zij zou baar har- a 1 ; y.iri .
ep de sclüid ' i k . .
gedaan, n
als. Het wa â ⢠:-â .!
lt;'â njde-acbü;,. â . .⢠⢠v
⢠nedrai.'-n-1 . : . â ^ - icli-
, d; .. op de : .i â â¢. Het re-
171
TWEE SLAAPKAMERS.
den. Hij zat vol gevlekt en verweerd goud; hij had een massief mahoniehouten voetstuk, wel voorzien van laadjes, die opengingen met een ruk, en den inhoud uit de achterste hoeken deden vooruitschieten, zonder dat men zich de moeite behoefde te geven er de hand naar uit te steken; bovenal, hij was aan weerszijde van een koperen luster voorzien, waarborg van een aristocratisch voorkomen tot aan zijn jongsten snik. Maar Hetty had er tegen dat de spiegel bezaaid was met tallooze doife plekjes, door geen wrijven er ooit af te krijgen, en ook dit, dat hij, in plaats van zich voor- en achterwaarts te bewegen, stijf overeind stond, zoodat zij maar één enkelen goeden blik kon machtig worden op haar hoofd en hals, en wel door te gaan zitten op een lagen stoel voor haar kaptafel. En de kaptafel was in het geheel geen kaptafel, maar een smalle, oude, buikige latafel, het onhandigste ding van de wereld om voor te gaan zitten; want de groote, vooruitspringende koperen knoppen deden haar pijn aan de knieën, en nooit kon zij volkomen op haar gemak bij den spiegel komen. Doch devote aanbidders laten zich door niets van de waarneming hunner religie afbrengen, en Hetty was dezen avond nog meer dan gewoonlijk op haar bijzonderen vorm van eeredienst gesteld.
Nadat zij haar japon uit- en haar witten halsdoek had afgedaan, kreeg zij een sleutel uit den grooten zak die buiten op haar onderrok hing, daarop ontsloot zij een van de onderste laden der latafel, haalde daaruit een paar kleine eindjes waskaars te voorschijn â in het geheim te Treddleston gekocht â en plantte ze in de koperen lusters. Zij nam een zwavelstok, sloeg vuur, en stak de kaarsen aan. Eindelijk kwam uit de lade ook nog een klein schellings-spie-geltje te voorschijn met een rood randje en zonder vlekjes. Nadat zij zich had nedergezet, bekeek zij zich allereerst in dit spiegeltje. Zij gluurde er een oogenblik in, glimlachend en met het hoofd op zijde gewend, legde het daarna neder, en nam haar kam en schuier uit een der bovenste laden. Zij zou haar haren losmaken en zich kappen zooals de dame op de schilderij in miss Donnithorne's kleedkamer. Dit was spoedig gedaan, en de donkere blauw-zwarte krullen vielen neder op haar hals. Het was geen dik, zwaar, gewoon golvend haar, maar zacht en zijde-achtig, en overal waar het er kans toe zag, in fijne kleine krullen nederkrinkelend. Maarzij schoof alles achterwaarts' om gekapt te zijn als de dame op de schilderij. Het ge-
171
TWEE SLAAPKAMERS.
heel vormde een donkeren sluier, die haar ronden witten hals sierlijk deed uitkomen. Daarna legde zij kam en schuier neder, en bezag zich, met de armen over elkander geslagen, insgelijks als de dame op de schilderij. Zelfs de gevlekte spiegel kon niet anders dan een liefelijk beeld terugkaatsen, en het schaadde niet aan de liefelijkheid van dit beeld, dat Hetty geen korset van wit satijn droeg â de gewone dracht van romanheldinnen, naar ik verneem â maar een van zware donkergroene stof.
Zonder twijfel, zij was een mooi meisje; kapitein Donnithorne vond het ook; mooier dan eenig meisje te Hayslope â mooier dan alle dames die zij ooit op het kasteel gezien had â het scheen waarlijk wel alsof groote dames meestal oud en leelrjk waren â en mooier dan Emily Bacon, de dochter van den molenaar, bijgenaamd de Bloem van Treddleston. Daarbij beschouwde Hetty zich dezen avond met een geheel ander gevoel dan zij ooit te voren gedaan had. Er was een onzichtbaar toeschouwer tegenwoordig, wiens oogen op haar rustten als de morgenstond op de bloemen. Zijn zachte stem zei ze nogmaals en nogmaals over al de liefelijke dingen die zij in het bosch gehoord had; zijn arm was om haar heen geslagen; de zachte rozengeur van zijn haren omgaf haar nog. Zelfs de ijdelste vrouw is zich van haar schoonheid nooit volkomen bewust, voor zij wordt geliefd door den man die haar eigen hartstocht heeft opgewekt.
Doch Hetty scheen van meening te zijn dat aan haar toilet nog iets ontbrak; zij stond althans op en kreeg een oude zwarte kanten pelerine uit de pers, en een paar groote oorbellen uit dezelfde gewijde lade waaruit de kaarsen waren gekomen. Het was een oude, overoude pelerine, vol scheuren; maar zij zou goed staan, geplooid om haar schouders, en zou de blankheid van haar bovenarm voordeelig doen uitkomen. De kleine ringetjes die zij in haar ooren droeg â o, wat had haar tante geknord dat zij zich gaatjes had laten priemen in de ooren! â zou zij eruit nemen en in hun plaats zich met die groote hangers tooien. Zij waren slechts van gekleurd glas, in verguld koperen kassen gevat; doch voor iemand die niet wist waarvan zij gemaakt waren, geleken zij sprekend op echte damesoorbellen. En zoo zette zij zich weder voor den spiegel, met de groote hangers in haar ooren, en met de zwarte kanten pelerine om haar schouders. Zij blikte neder op haar armen: de fraaiste armen die men zien kon, althans
172
TWEE SLAAPKAMERS.
tot een weinig beneden den elleboog. Zij waren blank en mollig, met kuiltjes er in, evenals in haar wangen. Doch omstreeks den pols, dacht zij met spijt, waren zij ruw van het botermaken, en ander werk, door geen lady's ooit verricht.
Kapitein Donnithorne zou niet goedvinden dat zij voortging met handenarbeid te verrichten â hij zou haar gaarne in mooie kleederen zien, met dunne schoentjes en witte kousen, mogelijk wel met zijden klinkjes er in; want hij moest haar zeer liefhebben â¢â niemand anders had ooit aldus zijn arm om haar geslagen en haar gekust als hij. Hij zou haar willen trouwen, zou een lady van haar maken. Zij kon zich zoo iets ter nauwernood voorstellen â maar toch, hoe zou het anders kunnen gaan? Haar trouwen in het geheim, zooals mijnheer James, de bediende van den dokter, 's dokters nichtje getrouwd had: niemand was er achter gekomen dan langen tijd daarna, en toen hielp geen booswezen meer. De dokter had het alles aan tante Poyser verteld, daar Hetty bij was. Zij wist niet hoe het gaan zou, maar dit stond vast, dat men er den ouden Heer nimmer iets van vertellen kon; want Hetty was op het punt flauw te vallen van ontzetting en schrik telkens als zij hem tegenkwam in de plaats. Zij verbeeldde zich dat hij als een grijsaard uit den grond te voorschijn gekomen was; zij kon zich niet voorstellen dat hij ooit jong was geweest zooals andere menschen â hij was altijd de oude Heer geweest, voor wien iedereen bang was. Xeen, het was niet mogelijk, te voorzien hoe het gaan zou. Maar kapitein Donnithorne zou wel weten hoe; hij was een groot heer, en kon in alles zijn zin krijgen, en koopen wat hij verkoos. In elk geval zou alles wat vroeger geweest was voor goed tot het verledene behooren. Waarschijnlijk zou zij eenmaal een groote dame wezen, en in haar koets rijden, en zich tegen etenstijd kleeden in brocade, met veeren in het haar. Haar japon zou langs den grond slepen, zooals de japonnen van miss Lydia en lady Dacey toen zij haar op zekeren avond naar het salon zag gaan, terwijl zij gluurde door een klein venster op het portaal. Maar zij zou niet oud en leelijk zijn zooals miss Lydia, ot dik en vet als lady Dacey, maar bijzonder mooi, gekapt op allerlei manieren, nu eens in het rozerood gekleed, dan weder in het wit â⢠zij wist al niet wat zij het mooist vond â en Mary Burger en al de anderen zouden haar misschien zien uitgaan in
173
TWEE SLAAPKAMERS.
haar rijtuig â of liever, zij zouden er van h o o r e n; want het was onmogelijk zich voor te stellen dat deze dingen zouden gebeuren te Hayslope, binnen het bereik van tantes oog. Onder het denken aan al die pracht stond Hetty op van haar stoel en sleepte zoodoende met de punt van haar pelerine den kleinen spiegel in het roode lijstje af, zoodat hij met een tamelijk luiden slag op den grond viel; maar zij was te zeer vervuld met haar gezichten en visioenen om het gevallen voorwerp op te rapen. Zij ontstelde even, en begon toen met de statigheid van een duifje de kamer op en neder te wandelen, in haar donkergroen korset, met de oude zwarte kanten pelerine om haar schouders, en de groote glazen hangers in haar ooren.
Hoe smakelijk zag het poesje er uit in haar wonderlijken tooi! Geen dwaasheid ter wereld was vergeeflijker dan die van thans op haar te verheven. Haar gelaat en figuurtje zijn zoo minzaam, zoo kinderlijk gebogen van lijnen; de fijne donkere krullen vallen zoo bekoorlijk neder om haar ooren en langs haar hals; haar groote donkere oogen met de lange zwarte wimpers doen u zoo zonderling ontroeren, als staarde er u de geest eener geboeide bayadère uit aan.
0, welk een prijs behaalt de man die een bruid wint zoo liefelijk als Hetty! Hoe benijden hem de op het bruiloftsmaal genoo-digde vrienden, als zij haar zien hangen aan zijn arm in haar witte kant en oranjebloesem. Het lieve, jonge, ronde, zachte, buigzame wezentje! Vast is haar hart even zacht, haar humeur even gelijkmatig, haar karakter even volgzaam. Zoo immer in dit huwelijk iets verkeerd gaat, moet de schuld liggen aan den man â dat spreekt. Hij kan van haar maken wat hij wil. En zoo denkt de minnaar-zelf ook. De kleine lieveling heeft hem zoo lief, haar kleine ijdelheden zijn zoo betooverend, hij zou niet willen dat zij een greintje wijzer was. Die poesjes-achtige blikken en bewegingen, ziedaar juist wat men behoeft om van zijn huis een paradijs te maken. Elk man onder zulke omstandigheden waant zich een groot gelaatkundige. De natuur, dit weet hij, heeft een taal op haar eigen hand, waarvan zij zich bedient met onkreukbare waarheidsliefde, en hij houdt zichzelven voor een ingewijde in die spraak. Het karakter zijner bruid heeft de natuur hem afgeteekend in de volmaakte lijnen van haar wang, lip en kin; in haar oogleden zoo fijn als rozebladen; in de lange gekrulde wimpers, het evenbeeld van
174
TWEE SLAAPKAMERS.
de stamina der bloemen; in de donkere vochtige diepte van die â¢wondervolle oogen. Hoe lief zal zij zijn kinderen hebben! Zij zelve is bijna een kind, en de kleine doorschijnend rozeroode wezentjes zullen haar omgeven als bloesemknoppen de groote ontloken bloem. Met een goedhartigen glimlach zal de echtgenoot het aanzien, in staat, zoo vaak hij zulks verkiest, zich in het heiligdom zijner wijsheid terug te trekken. Vol eerbied zal zijn vrouw derwaarts opzien en nimmer beproeven de gordijn omhoog te heffen. Het is een huwelijk zooals zij werden gesloten in de gouden eeuw, toen alle mannen wijs en sterk waren, en alle vrouwen liefelijk en vol liefde.
Het was nagenoeg op deze wijze dat onze vriend Adam Bede over Hetty dacht; slechts bracht hij zijn gedachten onder andere woorden. Wanneer zij hem bijwijlen met koele ijdelheid bejegende, zei hij tot zichzelven: het komt enkel omdat zij mij niet lief genoeg heeft. Hij was overtuigd dat haar liefde, wanneer zij die eenmaal wegschonk, het kostbaarste zijn moest dat een man op aarde bezitten kon. Alvorens gij Adam veracht om dit zijn gebrek aan doorzicht, wees zoo goed uzelven af te vragen of gij ooit geneigd waart het kwade te gelooven van een schoone vrouw; of gij ooit, zonder tastbare en onomstootelijke bewijzen, het kwade kondt gelooven van die ééne boven alle schoone vrouwen die u betoo-verd had. Neen, lieden die van donzige perziken houden, denken ongaarne aan de ruwe pit, en stooten er zich somtijds zeer onzacht de tanden aan.
Ook Arthur Donnithorne koesterde ongeveer dezelfde meening omtrent Hetty, namelijk voor zoover hij opzettelijk over haar aard had nagedacht. Hij hield zich overtuigd dat zij een lief schepseltje was, gevoelig en goed. De man die den wondervol sidderenden hartstocht opwekt van een jong meisje, denkt altijd dat zij gevoelig is, en wanneer het hem gebeurt in de toekomst te staren, kunt gij er op aan dat hij zichzelven haar uit beginsel met teeder-heid ziet bejegenen, omdat het lieve kind zoo innig aan hem verkleefd is. God heeft de lieve vrouwen dus gemaakt en â het komt te stade in geval van ziekte.
Alles wel beschouwd, geloof ik dat zelfs de wijste onder ons somtijds op die wijze wordt bedrogen, en beter of slechter over de menschen denkt dan zij verdienen. De natuur heeft haar eigen taal, en zij is niet onwaarheidlievend; maar wij kennen nog niet al
175
TWEE SLAAPKAMEBS.
de kronkelwegen van haar woordvoeging, en wanneer wij haastig lezen, kan het licht gebeuren dat wij haar ware bedoeling averechts verstaan. Het is mij onmogelijk, niet eenigen adel van ziel te verwachten achter een diep grijs oog met lange donkere wimpers, in spijt van zekere ondervinding, die mij bewezen heeft dat zulk een oog gepaard kan gaan met valschheid, oneerlijkheid en domheid. Doch wanneer ik bijwijlen door de terugwerking van mijn afkeer, mijn heil heb gezocht bij schelvischoogen, is de uitslag onrustbarend gelijkluidend geweest. Men begint ten laatste te vermoeden dat er geen wederkeerige betrekking hoegenaamd bestaat tusschen karakters en wimpers; of anders, dat de wimpers het karakter aanduiden van de grootmoeder der schoone â iets dat over het geheel van minder belang voor den tijdgenoot is.
Schooner wimpers dan die van Hetty waren er niet, en op dit oogenblik, terwijl zij met de statigheid eener duif door de kamer wandelt, en rechts en links op haar schouders nederziet, afgezet door de scherpe lijn der oude zwarte kant, komt de donkere franje volmaakt goed uit tegen haar rozeroode wang. Het zijn slechts onbepaalde voorstellingen die haar beperkte verbeelding zich van de toekomst maken kan; maar van elk tooneel is zij de fraai gekleeds hoofdpersoon. Kapitein Donnithorne is dicht bij haar, met den arm om haar middel geslagen, haar kussend misschien, en alle andere meisjes bewonderen en benijden haar â in de eerste plaats Mary Burger, wier nieuw katoenen kleedje jammerlijk afsteekt bij Hetty's prachtig toilet. Mengt zich in dezen droom der toekomst de een of andere zoete of weemoedige herinnering; een liefdevolle gedachte aan haar tweede ouders; aan de kinderen die zij heeft helpen grootbrengen; aan deze of gene jeugdige gezellin; aan een lievelingsdier; aan de een of andere reliek van haar eigen kindsheid? Niets van dien aard. Sommige planten hebben te nauwer-nood wortelen â gij kunt ze naar goedvinden uitrukken uit hun geboortehoekje in rots of muur, en ze heenhangen over uw eigen fraaien bloempot; zij zullen er niet minder tierig om bloeien. Hetty zou haar geheel vervlogen leven hebben kunnen uitwisschen, zonder er zich over te bekreunen of zij er ooit weder aan herinnerd werd. Ik geloof niet dat zij veel gevoelde voor het oude huis, of dat zij van het Sint-Joriskruid, of van de herfstrozen in den tuin een zier meer hield dan van andere bloemen â misschien minder.
176
TWEE SLAAPKAMERS.
177
Het was verbazend hoe weinig oplettendheden zij aan haar oom bewees, die een goed vader voor haar geweest was. Het viel haar nauwelijks in, hem zijn pijp aan te geven op het oogenblik zelf dat het haar gezegd werd, of er moest bij toeval een bezoeker tegenwoordig zyn, die haar beter zien kon wanneer zij voor den haard heenliep. Hetty begreep niet hoe men veel houden kon van men-schen op zekeren leeftijd. En wat die vervelende kinderen betreft, Marty, Tommy, Totty â zij waren de huisplaag van haar leven; even lastig als gonzende insecten die ons komen steken op een heeten dag, wanneer wij niets zoo zeer verlangen als dat men ons met rust laat. Marty, de oudste was een pasgeboren kindje, toen zij op de hoeve haar intrek nam; de kinderen die voor hem geboren waren, waren gestorven, en zoo had Hetty ze alle drie, den een na den ander, zien trippelen aan haar zijde in het weiland, of spelen om haar schoot op regenachtige dagen in de half ledige kamers van het oude groote huis. Van de jongens was zij nu af; maar Totty was en bleef haar eeuwigdurend kruis, erger dan de anderen ooit geweest waren, omdat er meer werk van haar gemaakt werd. En dan was er geen eind aan het vervaardigen en onderhouden van hun kleertjes. Hetty zou gaarne vernomen hebben dat zij nooit weder een kind te zien zou krijgen; kinderen waren erger dan de vieze jonge lammeren die de schaapherder in huis placht te brengen in den lammertijd â vroeger of later raakte men de lammeren althans nog kwijt. Wat de jonge kuikens en kalkoenen aangaat, Hetty zou liet woord âbroeienquot; hebben gehaat en verafschuwd, had tante Poyser haar niet weten te verlokken, goede zorg voor het gevogelte te dragen, door haar de opbrengst van één uit elk broeisel te belooven. De ronde donzige kiekentjes, uitkijkend van onder de vleugels hunner moeder, hadden Hetty nooit eenig genoegen geschonken â deze was de soort van schoonheid niet die haar aantrok. Haar trok slechts aan de schoonheid van de nieuwe zaakjes die zij voor haarzelve koopen zou op de Tred-dlestonsche kermis voor het geld dat de kiekentjes zouden opbrengen. En toch zag zij er zoo lief, zoo bekoorlijk uit, wanneer zij zich bukte om het geweekte brood onder de hoendermand te leggen, dat men zeer scherpziende moest zijn om zoo groote onverschilligheid in haar te vermoeden. Molly de werkmeid, met haar wipneus en haar uitstekende kaken, was wezenlijk een meisje met een tee-ADAM BEDE. 12
TWEE SLAAPKAMERS.
der hart en, zooals boerin Poyser zei, een moeder voor het gevogelte; maar haar onnoozel gezicht liet zweem noch schaduw van dit moederlijk gevoel doorschemeren, evenmin als een bruin-aardewerksche pot het licht laat doordringen van de lamp die in haar binnenste brandt.
Meest zijn het vrouwelijke oogen die het eerst de zedelijke gebreken bespeuren, verborgen onder het âaanminnig bedrogquot; dei-schoonheid. Verwonder u dus niet dat boerin Poyser, met haar scherpzinnigheid en veelvuldige gelegenheid tot het maken van opmerkingen, vrij juist berekend had wat men van Hetty mocht verwachten in zake van gevoel, en in oogenblikken van verontwaardiging had zij met haar man dit onderwerp somtijds met groote openhartigheid besproken.
âZij is niet beter dan een pauw, die op den muur zou heen en weder stappen en met zijn staart pronken in de zon, al lag de gansche gemeente op sterven. Er is niets dat haar aan het hart gaat, zelfs niet toen wij dachten dat Totty in den put gevallen was. Het is om te ijzen als men er aan denkt, het lieve engeltje. Wij vonden haar met haar schoentjes in den modder steken, en schreiend dat het hart er ons van brak. Maar Hetty gaf er niet om, dat kon ik haar aanzien, alhoewel zij voor het kind heeft moeten zorgen sinds het een zuigeling was. Haar hart is zoo hard als een keisteen.quot;
âNeen, neen,quot; zei boer Poyser, âgij moet Hetty niet te streng beoordeelen. De jonge meisjes zijn als het onrijpe graan; er zal mettertijd goed meel van komen, maar zij zijn nu nog wat groen. Gij zult zien, het zal met Hetty wel losloopen als zij een goed man en kinderen van haar eigen heeft.quot;
âIk wil niet hard zijn voor het meisje. Zij heeft een stel vlugge vingers aan het lijf, en kan zich nuttig genoeg maken als zij verkiest, en ik zou haar met de boter zeer missen, want zij heeft een koele hand. Doch dat doet er alles niets toe. Ik heb getracht het mijne te doen voor een nichtje van u, en dat heb ik ook gedaan, want ik heb haar alles geleerd wat tot de boerderij behoort, en haar plicht heb ik haar dikwijls genoeg voorgehouden, ofschoon de hemel weet dat de adem mij dikwijls tekort schiet, en die pijn op de borst mij somtijds vreesehjk kwelt. Ik mocht wel het dubbel van mijn krachten hebben, met drie zulke meisjes in huis om aan
178
TWEE SLAAPKAMERS.
het werk te houden. Gebraden vleesch op drie vuren te gelijk. Pas hebt gij het een bedropen, of het andere brandt aan.
Hetty had genoeg ontzag voor haar tante om ter wille van deze zooveel van haar ijdelheid te verbergen als zonder te groote offers geschieden kon. Zij kon de verzoeking niet wederstaan om haar geld te verkwisten aan kleine zaken van weelde die tante Poyser veroordeelde, maar zij zou niettemin gestorven zijn van schaamte, spijt en schrik, zoo tante op dit oogenblik de kamerdeur geopend had, en haar had zien heen en weder wandelen bij haar brandende eindjes kaars, met haar pelerine en oorhangers. Om zulke overrompelingen te voorkomen, schoof zij steeds den grendel op de deur, en ook dezen avond had zij niet verzuimd dit te doen. Juist van pas, want er werd zacht aangeklopt, en Hetty, met een bonzend hart, snelde toe om de kaarsen uit te dooven en ze in de lade te werpen. Zij durfde niet laten wachten tot zij ook haar oorbellen had afgedaan, doch zij maakte althans haar pelerine los en liet die op den grond vallen voordró zich het zachte tikje wederom hooren deed. Wij zullen te weten komen wie aldus behoedzaam aanklopte, indien wij Hetty voor een korte poos verlaten en naar Dina te-rugkeeren, toen zij Totty in haar moeders arm had nedergelegd en boven was gekomen op haar eigen slaapkamer, naast die van Hetty.
Dina had het raam van deze slaapkamer bij uitstek lief. Gelegen op de tweede verdieping van het hooge huis, bood zij een uitgestrekt vergezicht aan over de velden. De dikte van den muur vormde aan den voet van het raam een natuurlijk balkon, waarop Dina veilig haar stoel kon plaatsen, en het eerste wat zij deed, toen zij de kamer binnenkwam, was ook thans zich op dien stoel neder te zetten, en uit te zien naar gindsche vreedzame velden, waarboven de groote maan opkwam, achter de rij olmboomen. Het meest van al hield zij van de weide waarin de melkkoeien lagen en daarna van het hooiland waar het half gemaaide gras m smalle zilverachtige lijnen nederlag. Haar hart was zeer vol, want nog slechts één enkele nacht â en zij zou die velden in langen tijd niet wederzien. Doch niet aan het verlaten van dit oord dacht zij het meest. Voor haar had het barre Snowfield minstens dezelfde bekoorlijkheden. Maar zij dacht aan zooveel goede menschen, wier lot zij zich gewend had ter harte te nemen in
12*
179
TWEE SLAAPKAMERS.
180
deze vreedzame velden, en die nu voor altoos een plaats zouden bekleeden in haar liefdevolle herinnering-alleen. Zij dacht aan den strijd en de moeite die hen wellicht wachtten gedurende het overige van hun levensreis, wanneer zij van hen zou gescheiden wezen, onbekend met hun lot; en de drang dezer gedachte werd weldra zoo sterk, dat het genot van de stille weiden in het maanlicht er voor haar door gestoord werd. Het contrast was te groot. Zij sloot de oogen, teneinde des te inniger de tegenwoordigheid te gevoelen eener Liefde en eener Sympathie, dieper en teederder dan werd uitgeademd door uitspansel of aarde. Zoo was dikwerf Dina's wijze van bidden in de eenzaamheid: eenvoudig de oogen te sluiten, en zich omvademd te gevoelen door de Goddelijke tegenwoordigheid. Langzamerhand smolten dan haar angst, haar bange vreezen voor anderen weg als ijskristallen in een warmen Oceaan. Zoo had zij gezeten, onbeweeglijk, met de handen gekruist in haar schoot en het bleeke licht rustend op haar kalm gelaat, ten minste tien minuten lang, toen zij opschrikte door een luiden slag, waarschijnlijk iets in Hetty's kamer dat op den grond viel. Doch evenals alle geluiden die ons oor treifen wanneer wij afgetrokken zijn, had ook dit geen duidelijker karakter, maar was alleen schel en vreemd, zoodat zij niet zeker wist of zij goed had gehoord. Zij stond op en luisterde, doch alles bleef stil; zij dacht dat Hetty onder het naar bed gaan een of ander voorwerp had omgestooten. Zij begon zich langzamerhand te ontkleeden, doch naar aanleiding van haar gissingen omtrent het geluid, bepaalden haar gedachten zich op Hetty: dat lieve jonge schepsel, met het leven en al zijne beproevingen voor zich â de heilige dagelijk-sche plichten der vrouw en moeder â en met haar geest zoo geheel onvoorbereid, alleen hangend aan kleine, dwaze, zelfzuchtige genoegens, zooals een kind dat zijn speelgoed liefkoost bij den aanvang eener lange afmattende reis, waarop het honger en koude en duisternis te verduren zal hebben. Dina's bezorgdheid voor Hetty was dubbel groot, omdat zij de warme belangstelling van Seth in het lot zijns broeders deelde, en zij niet tot het besluit gekomen was dat Hetty niet genoeg van Adam hield om hem te trouwen. Te duidelijk zag zij de afwezigheid van alle warme, zich overgevende liefde in Hetty's natuur, om de koelheid van haar gedrag jegens Adam te beschouwen als een aanwijzing dat hij de
TWEE SLAAPKAMERS.
man niet was dien zij tot echtgenoot wenschen zou. En deze leegte in Hetty's karakter, in plaats van Dina's afkeer op te wekken, roerde haar slechts tot medelijden; het lieve gezicht en figuurtje trokken haar aan, zooals de schoonheid een reinen en teederen geest zonder zelfzuchtige jaloezie niet nalaten kan te doen. Hetty's schoonheid â zij was in Dina's oog een kostelijke gave des Hemels, waardoor de hulpbehoevendheid, de zonde, de ellende waarmede zij gepaard ging slechts te roerender uitkwamen, evenals de kanker in een lelie-witten bloesemknop treuriger is om aan te zien dan in gewoon onkruid.
Toen Dina zich ontkleed en haar nachtgewaad had aangedaan, had dit gevoel omtrent Hetty een pijnlijke levendigheid bij haar bekomen. Haar verbeelding had een doornig kreupelbosch in het aanzien geroepen, waarin zij het arme meisje zag voorttobben, gewond en bebloed, met tranen omziend naar een uitkomst die zich niet op deed. Dit was de gewone wijze waarop Dina's verbeelding en Dina's sympathie op elkander terugwerkten, de een de andere verhoogend. Zij gevoelde een sterk verlangen om tot Hetty te gaan en al de woorden van teedere waarschuwing die in haar ziel opwelden uit te storten in Hetty's oor. Doch misschien sliep Hetty reeds. Dina luisterde aan het beschot: steeds hoorde zij eenig geritsel, waaruit zij opmaakte dat Hetty nog niet te bed was. Nog aarzelde zij. Zij was niet geheel zeker dat een goddelijke leiding haar dreef; de stem die haar vermaande tot Hetty te gaan was niet sterker dan de andere stem, die haar zeide dat Hetty vermoeid was, en dat nu tot haar te gaan, op dit ongelegen oogenblik, haar het hart slechts te moedwilliger zou doen sluiten. Dina was niet tevreden of zij moest een stelliger bestiering ervaren dan de inwendige stemmen. De maan scheen helder genoeg om, indien zij haar bijbel opensloeg, den tekst te kunnen onderscheiden en te weten wat deze haar beval. Zij kende het aangezicht van elke bladzijde, en kon, zonder het opschrift of het cijfer te zien, zeggen welk boek zij voor zich had, somtijds welk hoofdstuk. Het was een kleine, lijvige bijbel, bijna geheel bol op snede van het onophoudelijk gebruik. Dina lei het boek dwars in de vensterbank, waar het licht het sterkst was, en opende het met den voorsten vinger. De eerste woorden waarop haar blik viel waren die bovenaan de linker bladzijde: âEn er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende
181
TWEE SLAAPKAMERS.
om den hals van Paulus, kusten hem.quot; Dit was Dina genoeg. Zij had het boek opengeslagen ter plaatse van het beroemde afscheid te Efeze, toen Paulus zich gedrongen had gevoeld, zijn hart uit te storten in een laatste waarschuwing en vermaning. Zij aarzelde niet langer, maar haar eigen deur zachtjes openend ging zij en tikte aan die van Hetty. Wij weten dat zij tweemaal aantikken moest, omdat Hetty de lichten moest uitdooven en haar zwarte kanten pelerine moest afwerpen; maar terstond na het tweede tikken werd de deur geopend. Dina vroeg: âMag ik binnenkomen, Hetty?quot; en Hetty, zonder te spreken, want zij was verlegen en verdrietig, opende de deur een weinig verder en liet haar binnen.
Wel vormden die beide gestalten een zonderling contrast, zichtbaar zelfs in de halve avondschemering en halven maneschijn. Hetty met wangen en oogen gloeiend en schitterend van het denkbeeldig drama dat zij gespeeld had, met haar schoonen blooten hals en onbedekte armen, met haar haren in liefelijk golvende verwarring nederhangend op haar rug, met de bellen in haar ooren. Dina, gehuld in haar lang wit nachtgewaad, met haar bleek gezicht, waarop onderdrukte aandoening te lezen stond â bijna een schoon lijk waarin de ziel is wedergekeerd, vervuld met de kennis van verhevener geheimen en van een hooger liefde. Zij waren ongeveer van dezelfde lengte; alleen was Dina blijkbaar een weinig grooter, toen zij haar arm om Hetty's middel sloeg en haar op het voorhoofd kuste.
âIk wist dat gij nog niet te bed waart, lieve,quot; zei zij met haar minzame heldere stem, die evenwel Hetty zenuwachtig maakte, omdat zij met haar eigen spijtige verdrietigheid samenklonk als harpmuziek met rinkelende ketenen. âIk hoorde u beweging maken, en ik verlangde u van avond nog eens te spreken. Dit is op een na de laatste avond dien ik hier doorbrengen zal, en wellicht is ons morgen de gelegenheid benomen om met elkander te zijn. Mag ik een weinig bij u blijven zitten terwijl gij uw haar losmaakt.quot;
âO, ja,quot; zei Hetty, zich haastig omkeerend en haar den anderen stoel toeschuivend, verheugd dat Dina haar oorbellen niet scheen te hebben opgemerkt.
Dina zette zich neder, en Hetty begon haar haren te schuierenvoor zij ze vastmaakte, met dien schijn van overdreven onachtzaam, heid die eigen is aan verlegenheid. Doch de uitdrukking van Dina's
182
TWEE SLAAPKAMERS.
oogen stelde haar langzamerhand gerust; zij schenen onbewust van alle kleine bijzonderheden.
âLieve Hetty,quot; zeide zij, âmij is dezen avond de gedachte in de ziel gelegd dat gij te eeniger tijd verdriet mocht krijgen. Verdriet is voor ons allen weggelegd hier beneden, en er komt een tijd dat wij behoefte hebben aan meer troost en hulp dan de dingen dezer aarde in staat zijn te geven. Ik wilde u zeggen, indien gij ooit verdriet hebt en behoefte gevoelt aan een vriendin die altijd voor u voelen en u liefhebben zal, dat gij zulk een vriendin bezit in Uina Morris te Snowfield; en zoo gij tot haar komt of om haar zendt, zal zij nooit dezen avond vergeten, noch de woorden die zij nu tot u spreekt. Zult gij dat onthouden, Hetty?quot;
âJa,quot; zei Hetty, eenigszins verschrikt. âMaar waarom denkt gij dat ik verdriet zal krijgen? Weet gij van iets?quot;
Hetty had zich nedergezet terwijl zij haar nachtmuts vastknoopte, en Dina boog zich voorover en vatte haar handen terwijl zij antwoordde:
âOmdat, lieve, verdriet ons aller deel is in dit leven. Wij zetten ons hart op dingen waarvan het Gods wil niet is dat wij ze bekomen zullen, en dan treuren wij. De personen die wij liefhebben worden ons ontnomen, en niets verheugt ons langer omdat zij niet bij ons zijn. Ziekte overvalt ons, en wij bezwijken onder den last van onze zwakke lichamen. Wij dwalen, en handelen verkeerd, en brengen wee over onszelven en over onze medemenschen. Er wordt geen man noch vrouw geboren in deze wereld aan wie niet eenige dezer bezoekingen overkomen, en daarom gevoel ik dat iets daarvan ook eenmaal uw deel zal zijn; en ik wensch voor u, dat gij in de dagen uwer jeugd kracht moogt zoeken bij uw Hemelschen Vader, opdat gij een steun moogt hebben die u niet begeven zal in de dagen des kwaads.quot;
Dina zweeg en liet Hetty's handen los om haar niet te hinderen. Hetty zat doodstil. Zij vond in zichzelve geen weerklank op Dina's bezorgde liefde; maar Dina's woorden, uitgesproken met plechtige en diepgevoelde duidelijkheid, overgoten haar met kille vrees. Haar blos stierf bijna tot bleekheid weg; zij gevoelde die zekere vreesachtigheid der weelderige naturen, op genieten belust, die terugbeven reeds voor de vermelding van het lijden. Dina zag de uitwerking die zij had teweeggebracht, en haar teeder dringende bede
183
TWEE SLAAPKAMERS.
â werd nog ernstiger; zoolang tot Hetty, vervuld van een onbestem-den angst dat eenig groot ongeval haar overkomen zou, begon te schreien.
Wij zijn gewoon te beweren dat, terwijl de lagere natuur de hoo-gere nooit begrijpt, de hoogere daarentegen de lagere met één blik doorgrondt. Doch ik geloof dat de hoogere natuur leeren moet dit doorzicht te v e r k r ij g e n, evenals wij in 't gemeen de kunst van zien moeten aanleeren door menige harde ondervinding, dikwerf met kneuzingen en wonden, doordat wij de dingen vaak bij het verkeerde eind aanvatten, en onzer horizont ruimer wanen dan hij is. Dina had Hetty te voren nooit in dezer voege aangedaan gezien, en met haar gewone liefderijk vertrouwende hoop, meende zij dat Hetty's ontroering de vrucht was eener goddelijke aandrift. Zij kuste het snikkende meisje, en begon met haar te schreien van dankbare vreugde. Doch Hetty verkeerde slechts in dien staat van opgewondenheid, waarin geen rekening te maken valt welken keer van het eene oogenblik tot het andere iemands gemoedsbewegingen nemen zullen, en voor de eerste maal werd zij wrevelig onder Dina's liefkoozingen. Zij stootte haar ongeduldig van zich af, en zei met de snikkende stem van een kind;
âPraat zoo niet tegen mij, Dina. Waarom komt gij mij bang maken? Ik heb u nooit iets in den weg gelegd. Waarom laat gij mij niet met vrede?quot;
Arme Dina gevoelde een steek in het hart. Zij was te verstandig om vol te houden, en zei alleen op zachten toon: âJa, lieve, gij zijt vermoeid, ik zal u niet langer hinderen. Maak dat gij spoedig in bed komt. Goeden nacht.quot;
Zij ging de kamer uit, bijna even stil en snel als ware zij een geest geweest; doch aan haar eigen bed genaderd, wierp zij zich op de knieën, en stortte in diepe stilte al het hartstochtelijk erbarmen uit dat haar ziel vervulde.
Wat Hetty betreft, weldra was zij weder in het bosch â haar wakende droomen vloeiden samen met de slapende, de laatsten nauwlijks gebrokener of verwarder dan de eersten.
184
EEN HEILIG VOORNEMEN.
HOOFDSTUK XVI.
EEN HEILIG VOORNEMEN.
Arthur Donnithorne, gij herinnert u, heeft een verbond aangegaan met zichzelven dat hij dezen Vrijdagmorgen ds. Irwine zal gaan bezoeken, en hij is zoo vroeg op en bezig met zich te kleeden, dat hij besluit om voor het ontbijt te gaan in plaats van daarna. De Eector, dit vreet hij, ontbijt alleen, omstreeks halt' tien, daalde vrouwelijke leden van het gezin haar eigen ontbijtuur hebben. Arthur zal dus een morgentoertje maken den heuvel over, en met ds. Irwine gaan ontbijten. Onder den maaltijd komt men het gemakkelijkst met de dingen voor den dag.
Beschaving en vooruitgang hebben een ontbijt of middagmaal gemaakt tot een geleidelijken en aangenamen plaatsvervanger van verreweg omslachtiger en afschrikkende!- plechtigheden. Onze zonden zien er veel minder somber uit zoodra onze biechtvader ze aanhoort onder het genot van zijn eitje en zijn kop koffie. Wij zijn ons duidelijker bewust van de omstandigheid, dat in onze verlichte eeuw geen sprake meer zijn kan van harde boetedoeningen voor welopgevoede heeren, en dat geen doodzonde onbestaanbaar is met trek in versche waterbroodjes. Een aanslag op onze beurs, die in barbaarscher tijden gemaakt ware onder den plompen vorm van een pistoolschot, is een beschaafde en glimlachende daad geworden, nu hij is omgevormd in het verzoek om eenig geld te leen, gedaan bij wijze van tusschenzin tusschen ons tweede of derde glas madera.
Toch bezaten de oude strenge vormen dit voordeel, dat zij u door een zekere uitwendige daad dwongen om ter zake te komen. Brengt gij eenmaal uw mond voor het eene eind eener opening in een steenen muur, en weet gij dat zich aan den anderen kant een luisterend oor bevindt, dan is er meer kans dat gij zeggen zult het-geen gij zijt komen zeggen, dan zoo gij met de beenen op uw gemak uitgestrekt zit onder een mahoniehouten tafel, tegenover een disehgenoot die niet verwonderd zijn zal zoo gij hem niets bijzonders mede te deelen hebt.
Toch is Arthur Donnithorne, terwijl hij in den morgenzon door
185
EEN HEILIG VOOKNEMEN.
de lieve kronkelende lanen rijdt, oprecht van plan, zijn hart voor den Rector uit te storten; en het eigenaardig geluid van de zeis, terwijl hij de hooilanden langs rijdt, klinkt hem des te aangenamer in de ooren, nu hij dit goede voornemen heeft opgevat. Met genoegen bespeurt hij dat het belooft vast weder te zullen worden voor den hooitijd, wat de pachters gevreesd hadden van niet, en er is iets zoo weldadigs in het deelen eener vreugde, die algemeen en niet slechts persoonlijk is, dat deze herinnering aan den hooioogst terugwerkte op zijn eigen gemoedstoestand en hem het volvoeren van zijn genomen besluit gemakkelijker deed schijnen. Een stedeling meent wellicht dat zulke invloeden alleen ondervonden worden in kinderboekjes, doch wie leeft in de velden en tusschen de heggen, weet dat het onmogelijk is, op den duur ongevoelig te blijven voor de eenvoudige genietingen der natuur.
Arthur had de laatste woningen van Hayslope achter den rug en naderde de naar Broxton gekeerde zijde van den heuvel, toen hij, bij een bocht in den weg, omstreeks honderd ellen voor zich uit, een gestalte ontwaarde die het niet mogelijk zou zijn geweest voor iemand anders dan Adam Bede aan te zien, zelfs al ware zij door geen grijzen, kortstaart-herdershond op de hielen gevolgd geweest. Adam stapte voort met zijn gewonen snellen pas, en Arthur zette zijn paard aan om hem in te halen. Want hij gevoelde nog te veel van zijn jongens-vriendschap voor Adam om de gelegenheid tot een praatje ongebruikt te laten voorbijgaan. Ik zal daarom evenwel niet zeggen dat zijn genegenheid voor held Adam niet voor een deel haar sterkte ontleende aan zijn lust om den beschermheer te spelen; onze vriend Arthur toch deed gaarne alle dingen hupsch, en zag gaarne dat men de hupschheid zijner daden erkende.
Adam keek om op het hooren van den versnelden hoefslagklank en wachtte den ruiter af, terwijl hij zijn papieren muts met een verheugd herkenningslachje van het hoofd nam. Na zijn eigen broeder Seth zou Adam voor Arthur Donnithorne meer gedaan hebben dan voor eenig jong mensch ter wereld. Er was ternauwernood één voorwerp dat hij niet liever zou hebben verloren dan den tweevoetsduimstok, dien hij steeds in den zak droeg â een geschenk van Arthur, gekocht voor diens eigen zakgeld, toen hij een blonde krul-lebol van elf jaren was, en zich Adams lessen in het timmeren en draaien zoozeer ten nutte gemaakt had, dat hij alle vrouwelijke le-
186
EEN HEILIG VOORNEMEN.
187
den des gezins lastig viel met geschenken van overbodige garen-winders en noodelooze breitobbetjes. Destijds was Adam werkelijk trotsch op den kleinen jonker, en dit gevoel had zich slechts in geringe mate gewijzigd sinds de blonde krullebol was opgegroeid tot den geknevelden jonkman. Adam, ik beken het, gevoelde veel voor rang en geboorte. Voor ieder die grooter voorrechten bezat dan hijzelf toonde hij zonder terughouding een daaraan evenredige mate van onderdanigheid. Hij was geen politicus van de straat, geen schooier met democratische utopiën, maar eenvoudig een forsche, knappe timmerman met een bepaalde overhelling tot huldebetoon, die hem bereid deed zijn, alle gestelde machten te eerbiedigen, zoolang tot hij zeer duidelijke gronden zag om haar rechtmatigheid in twijfel te trekken. Maatschappelijke hervormings-theorieën hield hij er niet op na; maar hij zag dat vrij wat nadeel werd aangericht door het bouwen met te jong hout â door onwetende menschen in fraaie kleederen, die zonder genoegzame kennis van zaken plannen maakten voor buitenplaatsen en winkelhuizen â¢â door slordigen sclirijnwerkersarbeid, of door overijlde contracten, aan wier bepalingen men zich niet houden kon zonder een der beide partijen ongelukkig te maken; en hij was, wat hem betrof, vast besloten, deze dingen te keer gaan. Op deze en dergelijke punten zou hij zijn meening hebben volgehouden tegen den grootsten landeigenaar van Laomshire of Stonyshire. Maar hij gevoelde tevens dat hij al wat daarbuiten lag, liever moest overlaten aan menschen van meer kennis dan hij. Hij zag zonneklaar dat de bosschen op het landgoed ellendig beheerd werden, en dat de pachterswoningen zich in een staat van schandelijk verval bevonden, en indien de oude heer Don-nithorne hem had gevraagd naar de gevolgen van dit slecht bestuur, zou hij zonder aarzelen zijn meening gezegd hebben. Doch niettemin zou de aandrang tot eerbied jegens een âedelmanquot; zich door dat alles heen krachtig in hem hebben doen gevoelen. Het woord âedelmanquot; bezat voor Adam tooverkracht, en âhij kon den man niet uitstaan, die waande zich zeker aanzien te geven door onbescheidenheid jegens zijn meerderen.quot; Ik moet nogmaals herinneren dat Adam, den timmerman, het bloed van den boer dooide aderen vloeide, en dat sinds Adams jeugd, nu een halve eeuw geleden, enkele zijner eigenaardigheden den lezer waarschijnlijk ouderwetsch zullen voorkomen.
EEN HEILIG VOORNEMEN.
Ten aanzien van den jonker werd deze instinctmatige vereering van Adams zijde nog verhoogd door kinderlijke herinneringen en persoonlijke genegenheid, en het was derhalve geen wonder dat hij Arthurs goede hoedanigheden veel hooger aansloeg, en veel meer gewicht hechtte aan diens geringste handelingen, dan indien Arthur een gewoon werkman ware geweest zooals hijzelf. Hij was overtuigd dat voor gansch Hayslope een schoone dag zou aanbreken, wanneer de jonker in het bezit zou komen van het landgoed â hij had zulk een edelmoedig, openhartig karakter en zulk een buitengewoon goed begrip omtrent verbeteringen en reparaties, vooral in aanmerking genomen dat hij nog niet eens meerderjarig was. Zoo jong! Er straalde dus eerbied en genegenheid tevens uit den glimlach waarmede hij zijn papieren muts aflichtte toen Arthur Donnithorne hem achterop reed.
âWelzoo, Adam, hoe gaat het u?quot; zei Arthur, hem de hand toestekend. Aan niet één der pachters gaf hij ooit de hand, en Adam was diep doordrongen van de eer die hem te beurt viel. âAls ik uw rug maar zie, durf ik er een eed op doen dat gij het zijt. Het is nog altijd dezelfde rug waarop gij mij placht te dragen â alleen breeder. Herinnert gij u?quot;
,Jawel, mijnheer, ik herinner het mij best. Het zou er slecht uitzien zoo mannen zich niet meer herinnerden wat zij zeiden en deden toen zij jongens waren. Op die wijze zouden wij met onze oude vrienden doen als met de nieuwe.quot;
âGij zijt zeker op weg naar Broxton?quot; zei Arthur, zijn paard latende stappen terwijl Adam aan zijne zijde voortwandelde. âGaat gij naar de pastorie?quot;
âNeen, mijnheer, ik ga eens kijken naar de schuur van boer Bradwell. Men vreest dat de zwaarte van het dak de muren naar buiten zal doen uitwijken en ik ga den boel eens opnemen voor wij het hout en de werklieden zenden.quot;
âIk geloof dat baas Burger tegenwoordig bijna alles aan u toevertrouwt, doet hij niet? Hij zal u eerlang tot zijn compagnon nemen, wed ik. Zoo hij wijs is, doet hij het zeker.quot;
âNeen, mijnheer, ik zie niet in dat hij dan beter af zou wezen. Een meesterknecht, zoo hij ten minste een geweten heeft en lust in zijn werk, zal de belangen van den baas evengoed behartigen als een compagnon zou doen. Ik zou geen duit overhebben voor
188
EEN HEILIG VOORNEMEN.
een man die een spijker lamlendig inslaat, alleen omdat hij er geen extra loon voor krijgt.quot;
âDat weet ik, Adam; ik weet dat gij even hard voor hem werkt alsof het voor uzelven was. Maar gij zoudt meer invloed hebben dan nu, en de zaak op een beter voet kunnen brengen misschien. De oude man zal zijn zaken toch eenmaal aan kant moeten doen, want hij heeft geen zoon. Hij wacht zeker op een schoonzoon die in staat is ze over te nemen. Maar ik geloof dat hij wat inhalig valt â waarschijnlijk verlangt hij iemand die eenig geld in de zaak kan steken. Ware ik niet zoo arm als een kerkrat, ik zou gaarne op die wijs een sommetje uitzetten, om u op het landgoed gevestigd te zien. Ik ben overtuigd dat ik er later zelf bij winnen zou. Maar misschien kom ik binnen een paar jaren in beter doen. Mijn inkomen wordt verhoogd nu ik meerderjarig sta te worden, en wanneer ik een paar schulden zal hebben afbetaald, heb ik de handen ruim.quot;
âDat is recht vriendelijk van u gesproken, mijnheer, en ik ben niet ondankbaar. Maarquot; â ging Adam op vasten toon voort â âik zou niet gaarne aanbiedingen aan baas Burger doen, en ook niet gaarne zien dat anderen ze voor mij deden. Ik zie niet in hoe ik zijn compagnon zou kunnen worden. Wilde hij de zaak vroeger of later overdoen, dat zou een ander geval wezen. Dan zou ik gaarne eenig geld opnemen tegen behoorlijke interest, want ik ben zeker dat ik in staat zijn zou, mijn schuld af te doen.quot;
âZeer goed, Adam,quot; zei Arthur, zich herinnerend wat ds. Irwine hem gezegd had van een vermoedelijken hinderpaal in de liefdesbetrekking tusschen Adam en Mary Burger; âwij zullen er voor het tegenwoordige niet meer van spreken. Wanneer wordt uw vader begraven?quot;
âZondag, mijnheer; mijnheer Irwine zal er wat vroeger om overkomen. Ik zal blij zijn als het voorbij is; misschien wordt moeder dan rustiger. Het doet zeer aan het hart, oude lieden te zien lijden; zij kunnen hun verdiet niet door inspanning te boven komen, en de nieuwe lente doet geen nieuwe loten uitschieten uit den vermolmden stam.quot;
âJa, gij hebt in uw leven al rijkelijk uw deel gehad van kommer en verdriet, Adam. Ik geloof dat gij nooit lichtzinnig of luchthartig geweest zijt, zooals andere jongelieden. Gij zijt altijd gebukt gegaan onder de een of andere zorg, nietwaar?quot;
189
EEN HEILIG VOORNEMEN.
âNu ja, mijnheer, maar dat zegt niet veel. Zijn wij menschen, en gevoelen wij als menschen, dan moeten wij ook lijden als menschen. Wij kunnen niet doen zooals de vogeltjes, die uit het nest vliegen zoo ras zij de vleugelen kunnen reppen, en hun familie niet kennen wanneer zij haar terugzien, en die alle jaren een nieuw gezin krijgen. Ik heb genoeg genoten om er dankbaar voor te wezen. Gezondheid en kracht heb ik in overvloed gekregen; ook verstand om mij lust te doen behouden in mijn werk, en ik reken het voor een grooten zegen dat ik naar Bartle Massey's avondschool heb kunnen gaan. Hij heeft mij dingen geleerd die ik zonder hem nooit zou zijn te weten gekomen.quot;
âWat een forsche kerel zijt gij toch, Adam!quot; zei Arthur na een pauze, waarin hij peinzend had zitten staren op den kloeken man die aan zijn zijde voortwandelde. âIk zou de meeste jongelieden te Exford best aankunnen, en toch zou ik er niet veel van navertellen, geloof ik, zoo ik met u vechten moest.quot;
O '
âDe hemel geve, dat zoo iets nooit gebeure, mijnheer,quot; zei Adam naar Arthur opziende en glimlachend. âIk heb meermalen gevochten voor de aardigheid, maar ik heb het nooit weder gedaan sinds ik oorzaak was dat arme Gil Tranter veertien dagen lang het bed moest houden. Ik wil nooit weder vechten met iemand, of het moest met een schurk zijn. Als men te doen heeft met een knaap, die noch schaamte noch geweten heeft tot zelfbeteugeling, moet men zien hoever men het brengen kan met hem een paar blauwe oogen te geven.quot;
Arthur lachte niet, want hij werd afgeleid door een gedachte die hem zeggen deed:
âIk verbeeld mij, Adam, dat gij nooit strijd hebt met uzelven. lederen wensch, waarvan gij niet volkomen zeker waart dat het goed zijn zou dien in te willigen, zoudt gij kunnen onderdrukken, geloof ik, even gemakkelijk als gij een dronkaard zoudt nedervellen die twist met u zocht. Ik bedoel, gij zijt zeker nooit besluiteloos, en neemt u nooit voor iets na te laten, terwijl gij niettemin eindigt het toch te doen?quot;
âWel,quot; zei Adam langzaam, na een oogenblik aarzelens â âneen, ik herinner mij niet dat ik ooit zoo zwak geweest ben, wanneer ik namelijk, zooals u zegt, eenmaal tot de overtuiging was gekomen dat iets niet goed was. Ik heb geen smaak meer in de dingen, wan-
190
EEN HEILIG VOORNEMEN.
neer ik eenmaal weet dat ik geen gerust geweten hebben zou na ze gedaan te hebben. Al van den tijd af dat ik een som kon optrekken, -heb ik ingezien dat men nooit iets verkeerds kan doen zonder meer kwaad en verdriet in de wereld te brengen dan iemand berekenen kan. Het is er mede als met timmermans-broddelwerk â geen mensch kan het einde zien van het kwaad dat er uit zal voortkomen. En men komt niet in de wereld om zijn mede-schepselen slechter in plaats van beter te maken. Maar er is onderscheid tus-schen de dingen die de menschen verkeerd noemen. Ik zal geen zonde roepen bij eiken dwazen zet, of bij de een of andere dommigheid waartoe een mensch vervalt, zooals in den regel de Afgescheidenen doen. Ieder moet voor zichzelven weten of een grap al dan niet waard is dat men er een paar builen om oploopt. Maar het valt niet in mijn aard, besluiteloos te wezen. Mijn fout, geloof ik, ligt juist in den tegenovergestelden kant. Als ik eens iets gezegd heb, al is het ook maar tot mijzelven, valt het mij moeielijk er op terug te komen.
âJa, dat is juist wat ik van u verwachtte,quot; zei Arthur. âGij hebt een ijzeren wil, zoowel als een ijzeren arm. Maar hoe vast iemands besluit ook wezen moge, het kost hem somtijds veel het ten uitvoer te brengen. Wij kunnen ons heilig voornemen, geen kersen te plukken en kunnen onze handen diep in onze zakken houden, maar wij kunnen onzen mond niet beletten er naar te watertanden.quot;
âDat is waar, mijnheer; maar het best van allen is, onszelven in te prenten dat er veel dingen zijn daar wij buiten kunnen in deze wereld. Het leven is geen Treddlestonsche kermis, waar de menschen heengaan om wat moois te zien en zich een presentje te koo-pen. Wie zich dat verbeeldt, dien zal de ondervinding spoedig anders leeren. Maar ik kon wel nalaten zoo tot u te spreken; u weet het beter dan ik het zelf weet.quot;
âDaar ben ik zoo zeker niet van, Adam. Gij hebt vier of vijf jaren meer ondervinding dan ik, en ik geloof dat uw ambacht eene betere school voor u geweest is dan de akademie voor mij.quot;
âWel, mijnheer, gij schijnt over de akademie te denken eenigs-zms op dezelfde wijze als Bartle Massey doet. De akademie, zegt hij, maakt van de menschen anders niet dan blazen â dingen die alleen deugen om de specie waarmede men ze vult te ontvangen en te bewaren. Maar hij heeft een tong zoo scherp als een mes, Bartle; van
191
EEN HEILIG VOORNEMEN.
alle hout maakt hij snijwerk. Doch hier zijn wij aan den dwarsweg, mijnheer. Gaat u naar de pastorie, dan moet ik hier afscheid van u nemen.quot;
âGoeden dag, Adam, goeden dag.quot;
Arthur gaf bij het hek van de pastorie zijn paard aan den stalknecht, en wandelde alleen langs de kiezellaan naar de tuindeur. Hij wist dat de Bector gewoon was in zijn studeerkamer te ontbijten, en de studeerkamer was gelegen aan de linkerzijde van die deur tegenover de eetzaal. Het was een smalle, lange kamer, be-hoorende tot het oude- gedeelte van het huis â half verduisterd door de sombere banden van de langs de muren gerangschikte boeken. Toch zag zij er dezen morgen zeer gezellig uit, toen Arthur het open venster naderde. Want de morgenzon viel schuins op de groote glazen kom met goudvischjes, die op een guéridon stond voor de gedekte ontbijttafel van den vrijgezel, en naast deze ontbijttafel vertoonde zich een groep die elk andere kamer aanlokkelijk zou hebben gemaakt. In den karmozijn-rooden damasten leuningstoel zat ds. Irwine, stralend en frisch gelijk steeds na zijn morgentoilet; zijn fraai gevormde, mollige, blanke hand speelde met het krullend haar van Juno's rug, en dicht bij Juno's staart, die zich heen en weder bewoog in stil moederlijk genot, rolden de twee bruine jonge honden over elkander heen in een opgewonden duo van oorverdoovende geluiden. Op een kussen niet ver van daar zat Mops, gelijk een ongehuwde dame op deze gemeenzaamheden nederziende als op even zoovele dierlijke zwakheden, waarvan zij haar best deed zoo min mogelijk notitie te nemen. Op de tafel bij den elleboog van ds. Irwine, lag het eerste deel van den iEschylus van Foulis, aan Arthur zeer goed van aanzien bekend, en uit de zilveren koffiekan, welke Carrol juist binnenbracht, ontsnapte een geurige stoom, waardoor de kroon werd opgezet aan de heerlijkheid van het celibatairs-ontbijt.
âBravo, Arthur, gij zijt een man. Gij komt net van pas,quot; zei ds. Irwine, terwijl Arthur standhield en binnenstapte over den lagen vensterdrempel. â Carrol, wij zullen nog eenige eieren en wat koffie noodig hebben; en hebt gij niet wat koud gevogelte bij die ham? Kijk, dat is als in oude dagen, Arthur; het is wel vijf jaren geleden dat gij het laatst bij mij ontbeten hebt.quot;
âHet was een verleidelijke morgen tot een toertje voor het ont-
192
EEN HEILIG VOORNEMEN.
bijt,quot; zei Arthur, âen in vroeger tijd, toen ik nog les bij u nam, placht ik altoos gaarne met u te ontbijten. Mijn grootvader is in den regel nog eenige graden koeler bij het ontbijt dan op elk ander uur van den dag. Ik geloof dat zijn morgenbad hem kwaad doet.quot;
Arthur droeg zorg, te doen gevoelen dat hij niet met eenig bepaald oogmerk kwam. Zoo ras bevond hij zich niet in de tegenwoordigheid van ds. Irwine, of het schenken van zijn vertrouwen, dat hem eerst zoo gemakkelijk was voorgekomen, scheen hem plotseling toe de moeielijkste zaak ter wereld te zijn, en op het oogen-blik dat hij zijn vriend de hand schudde, beschouwde hij zijn voornemen in een geheel nieuw licht. Hoe kon hij Irwine een juist denkbeeld geven van zijn toestand, zonder hem van de tooneeltjes in het bosch te vertellen; en hoe kon hij die vertellen zonder zich bespottelijk te maken? En dan zijn zwakheid om terug te komen van Gawaine, en juist het tegenovergestelde te doen van hetgeen hij voornemens was geweest. Irwine zou hem een karakterloozen jongen vinden, zijn gansche volgend leven door. Evenwel, het hooge woord moest er op ongezochte wijze uit; wellicht gaf het gesprek er aanleiding toe.
âHet ontbijt-uurtje is mijn lievelingsuur,quot; zei ds. Irwine. âDe geest ligt dan nog niet bedolven onder het stof, en hij weerkaatst de dingen als in een klaren spiegel. Ik heb altijd een classiek auteur bij mij aan het ontbijt, en zoozeer geniet ik van de bladzijden die ik dan lees, dat ik mij eiken morgen begin te verbeelden dat ik waarlijk nog eens lust in studeer en zal krijgen. Maar dan komt Dent en brengt een armen kerel voor die een haas heeft gekeeld, en heb ik mij heengeworsteld door mijn ârechterlijk ambtquot; zooals Carroll het noemt, dan krijg ik lust in een ritje, en op den terugtocht ontmoet ik den meester van het werkhuis, die een lange geschiedenis weet te vertellen van oproerige bedelaars. Zoo gaat de dag voorbij, en als de avond komt, ben ik altijd dezelfde trage Irwine. Daarenboven, een mensch heeft behoefte aan den prikkel der sympathie, en dien heb ik nooit gehad sinds de arme D' Oyley Treddleston heeft verlaten. Zoo gij uw hart op de boeken hadt gezet, deugniet, zou ik in het verschiet een aangenamer toekomst gehad hebben. Maar geleerdheid behoort niet tot uw familie-zwakken.quot;
âNeen, waarlijk niet. Het is al veel zoo ik mij nog een weinig onbruikbaar latijn herinneren kan, genoeg om over een jaar zes
ADAM BEDE. 13
193
EEN HEILIG VOOBNEMEN.
zeven mijn intreêrede in het Parlement mede te versieren. Gras ingens iterabimus as quo r, en nog een paar dergelijke stukjes en brokjes zullen mij misschien wel bijblijven; en ik zal er mijn politiek naar schikken dat ik ze te pas breng. Maar ik geloof niet dat de kennis der classieken een dringende behoefte is voor een landedelman. Het dunkt mij wel zoo goed dat hij kennis heeft van bouwen. Ik heb in den laatsten tijd de boeken van uw vriend Arthur Young gelezen, en er is niets dat ik liever zou willen dan eenige zijner denkbeelden in praktijk te brengen. De pachters zou ik een beter gebruik van hun land willen leeren maken. Zooals Young zegt, een woeste streek, alom overdekt met dezelfde sombere tint, zou ik hen willen leeren omscheppen in een vriendelijke landouw, afgewisseld met korenvelden en weilanden. Mijn grootvader zal mij nooit eenige macht schenken zoolang hij leeft, maar niets zou mij aangenamer zijn dan de zorg op mij te nemen voor dat gedeelte van het goed dat in Stonyshire ligt â 't verkeert in een treurigen staat â en daar verbeteringen aan te brengen, en te galoppeeren van het een eind naar het andere, om overal het opzicht te houden. Ik zou al de landbouwers willen kennen, en hen te mijner eere de hand aan den hoed zien brengen met een weiwillenden blik.quot;
âBravo, Arthur, een man die geen gevoel heeft voor de classieken, zou voor zijn komst in deze wereld geen betere verontschuldiging kunnen aanvoeren dan dat hij de hoeveelheid voedsel vermeerdert tot onderhoud van de geleerden â en van de Rectors die de geleerden op prijs weten te stellen. En wanneer gij uw loopbaan van model-landheer aanvangt, dan moge ik nog lang leven om er getuige van te zijn. Gij zult tot voltooiing der schilderij een statigen rector noodig hebben om zijn deel te erlangen van al de achting en eerbied die gij zult oogsten voor uw inspanning. Alleen maar, reken niet al te zeer op de welwillendheid die gij dientengevolge ondervinden zult. Ik ben niet zeker dat de menschen het meest houden van hen die hun van dienst trachten te zijn. Gij weet dat Gawaine zich den vloek van de gansche buurt op den hals heeft gehaald om dat rasterwerk. Gij moet het goed met uzelven eens wezen wat gij beoogt â populair zijn of nuttig zijn â anders zoudt gij beide wel eens kunnen misloopen.quot;
âO, Gawaine is ruw in zijn manieren; hij maakt zich niet per-
194
EEN HEILIG VOORNEMEN.
soonlijk aangenaam bij zijn pachters. Ik geloof niet dat er iets is dat men door vriendelijkheid niet van de menschen gedaan kan krijgen. Wat mij betreft, ik zou niet kunnen leven in een omgeving waar ik niet geacht en bemind was. Mij hier onder de pachters te bewegen, is voor mij een waar genot. Zij schijnen mij allen recht genegen te zijn. Het dunkt mij niet langer geleden dan gisteren dat ik een kleine jongen was, rijdend op een hitje zoo groot als een schaap. En zoo men goede schikkingen met hen maakte, en hun woningen in orde hield, zou men hen wel kunnen bewegen, een beter systeem van bouwen in te voeren, hoe dom ze anders ook zijn mogen.quot;
âEn dan, draag zorg, niet verliefd te worden op een vrouw die u niet past; een vrouw bijvoorbeeld die onophoudelijk uw beurs zou uitputten en u zuinig zou maken tegen wil en dank. Mijn moeder en ik hebben een kleine woordenwisseling over u somtijds. Zij zegt: ,Ik voorspel omtrent Arthur niets, voor ik de vrouw gezien heb waarop hij verliefd wordt.quot; Zij denkt dat uw uitverkorene u zal regeeren zooals de maan het getij. Maar ik voel mij verplicht, het voor u op te nemen; in uw kwaliteit van voormalig leerling, gij begrijpt, en ik houd vol dat gij van een minder waterachtige natuur zijt. Pas dus op dat gij mijn oordeel niet te schande maakt.quot;
Arthur voelde zich onrustig onder deze toespraak; de meening van de scherpzinnige oude mevrouw Irwine omtrent hem had op hem de uitwerking van een slecht voorteeken. Gewis, zulks was een nieuwe reden tot volharding in zijn voornemen en om tegen zich-zelven op zijn hoede te zijn. Evenwel, op deze hoogte van het gesprek voelde hij een toenemenden onlust om zijn geschiedenis met Hetty te vertellen. Hij had een voor alle indrukken zeer gevoelig karakter, en teerde voor een goed deel op anderer meeningen en gevoelens omtrent hemzelven. Het feit-alleen dat hij zich bevond in tegenwoordigheid van een vertrouwd vriend, die in het minst niet vermoedde dat hij zulk een ernstigen inwendigen strijd had te strijden als hij hem kwam toevertrouwen, deed zijn eigen geloof in den ernst van dien strijd eenigszins wankelen. Het was, alles wel beschouwd, toch niet iets om veel beweging van te maken; en wat kon Irwine voor hern doen dat hij zelf niet doen kon? Hij zou naar Eagledale gaan in spijt van Megs kreupel voorbeen; hij zou Rattler nemen, en Pym zoo goed en kwaad hij kon op den ouden
13*
195
EEN HEILIG VOORNEMEN.
knol laten volgen. Zoo dacht hij, en deed suiker in zijn koffie; maar het oogenblik daarna, terwijl hij het kopje aan zijn lippen bracht, herinnerde hij zich hoe vast hij den vorigen avond had besloten, alles aan Irwine te vertellen. Neen, hij zou niet weder wankelen â dezen keer zou hij doen wat hij van plan was te doen. Dienstig zou het daarom wezen, den persoonlijken toon van het gesprek niet geheel te laten varen. Geraakten zij op onverschillige onderwerpen, dan zou de moeielijkheid slechts toenemen. Geen aanmerkelijke pauze was noodig geweest voor dezen loop en terugloop van zijn gevoel, toen hij antwoordde:
âMaar ik kan dat eigenlijk geen bewijs vinden tegen iemands karakter, dat hij aanleg heeft zich te laten overmeesteren door liefde voor een vrouw. Een goed gestel is geen waarborg tegen de kinderziekte of tegen eenige andere onvermijdelijke kwaal. Iemand kan zeer standvastig zijn in andere zaken, en toch verkeeren onder een soort van betoovering ten opzichte der vrouwen.quot;
âJa, maar tusschen liefde en kinderziekte, of welke andere betoovering ook, bestaat dit onderscheid â dat zoo gij de ziekte in een vroeger periode ontwaart en een verandering van lucht beproeft, er alle kans bestaat dat gij geheel vrij zult loopen, zonder eenige verdere verergering der symptomen. En dan, men kan zich zeiven zekere heilzame tegengiften toedienen. Men kan zich de onaangename gevolgen der dingen voor den geest brengen. Dat is zooveel als een zwartgemaakt glas waardoor men de schitterende schoone aanstaart en haar ware gedaante ziet; ofschoon ik vrees dat het zwarte glas niet altijd bij de hand zal wezen juist op het oogenblik dat het 't meest noodig zal zijn. Ja, ik geloof dat zelfs iemand die doorkneed is met de kennis der classieken, zou worden verlokt tot een onvoorzichtig huwelijk, in spijt van de waarschuwingen aan zijn adres in het koor van den Prometheus.quot;
Het was slechts een zeer flauw lachje dat Arthur over het gelaat zweefde, en in plaats van ds. Irwine's schertsenden toon na te volgen, zei hij zeer ernstig; âJa, dat is het ergst van al. Het is radeloos tergend, dat wij na al onze overleggingen en kalme besluiten toch worden geregeerd door luimen die wij niet vooruit kunnen berekenen. Ik geloof niet dat het billijk is, iemand sterk te veroor-deelen indien hij ongelukkig zulke dingen doet in spijt van zijn goede voornemens.
196
EEN HEILIQ VOORNEMEN.
âO zoo! maar de luimen liggen in zijn aard, mijn jongen, evenzeer als zijn overleggingen, en nog bepaalder zelfs. Niemand doet ooit iets tegen zijn natuur in. Ieder draagt in zich de kiem ook van zijne hem minst eigenaardige daden, en zoo wij, hoogwijze menschen, ons bij deze of gene bijzondere gelegenheid als groote dwazen aanstellen, moeten wij de rechtmatige gevolgtrekking dulden, dat zich onder ons onsje wijsheid eenige greinen onverstand bevinden.quot;
âNu ja, maar men kan tot sommige dingen worden verleid door een samenloop van omstandigheden; dingen die men anders nooit zou hebben gedaan.quot;
âZeker, een man kan wel niet een banknoot stelen indien de banknoot niet binnen het bereik van zijn vingers ligt. Maar hij zal ons niet wijs maken dat hij een eerlijk man is, omdat hij begint te jammeren dat hij de banknoot op zijn weg ontmoette.quot;
âMaar gij vindt toch iemand die strijdt tegen de een of andere verzoeking, waarvoor hij eindelijk bezwijkt, niet zoo schuldig als iemand die in het geheel niet strijdt?quot;
âNeen, mijn jongen, ik beklaag hem al naarmate hij heeft gestreden ; want naar dien strijd meet ik het inwendig lijden af dat volgen zal, en dat de schrikkelijkste vorm is waaronder de Nemesis zich voordoet. Gevolgen zijn meedoogenloos. Onze daden sleepen baar eigen vreeselijke gevolgen na zich, geheel onafhankelijk van alle dobberingen die kunnen zijn voorafgegaan â gevolgen die zich zelden alleen tot onszelven bepalen. En het verstandigst is dat wij onzen geest van die gewisheid doordringen, liever dan na te gaan welke verontschuldigingen wij voor ons gedrag zouden kunnen aanvoeren. Maar ik heb u nooit zoo geneigd gezien tot zedekundige vertoogen, Arthur? Is het een persoonlijk gevaar waarover gij dus in het algemeen philosofeert?quot;
Onder het doen van deze vraag schoof ds. Irwine zijn bord op zijde, leunde achterover in zijn stoel en keek Arthur strak aan. Hij vermoedde werkelijk dat Arthur wenschte hem iets te vertellen, en wilde hem den weg effenen door een rechtstreeksche vraag. Maar hij had het mis. Plotseling en onwillekeurig op het stuk zijner voorgenomen bekentenis gebracht, deinsde Arthur terug, en voelde zich minder dan ooit tot biechten geneigd. Het gesprek had een ernstiger wending genomen dan zijn plan was geweest â dat
197
BEN HEILIG VOORNEMEN.
zou Irwine geheel van het spoor brengen. Irwine zou denken dat hij een diepen hartstocht voor Hetty koesterde, wat het geval niet was. Hij gevoelde dat hij klem-de, en werd wrevelig over zijn jongensachtigheid.
,0 neen, geen gevaar,quot; zei hij zoo onverschillig als hij kon. âIk weet niet dat ik meer aanleg heb tot besluiteloosheid dan een ander; slechts zijn er nu en dan kleine voorvallen, die u doen denken aan hetgeen zou kunnen gebeuren in het vervolg.quot;
Had een zekere beweegreden de hand in dit terugdeinzen van Arthur, een beweegreden, aan hemzelven onbekend en door wier toedoen hij als door een achterdeur ontsnapte? Het gaat met de zaken van ons gemoed nagenoeg eveneens als met die van den Staat; veel geschiedt door agenten die de hooge regeering niet erkent. Ook in werktuigen, geloof ik, is dikwijls een klein onopgemerkt rad, dat een hoofdrol speelt in het zwaaien der groote en in oog loopende. Misschien was op dit oogenblik zulk een niet-erkende agent in Arthurs gemoed aan het werk â misschien was het de vrees dat de daad zijner eenmaal aan den Rector gedane bekentenis later een bron van kwelling voor hem worden zou, ingeval hij eens niet in staat ware zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen. Ik durf niet beweren dat het niet zoo was. De mensche-lijke ziel is een zeer ingewikkelde zaak.
De gedachte aan Hetty was ds. Irwine door het hoofd gegaan terwijl hij Arthur vragend aanzag; maar diens ontkennend, onverschillig antwoord bevestigde hem in de meening die onmiddellijk daarna bij hem opkwam â dat er van dien kant niets ernstigs kon te vreezen zijn. Er bestond geen waarschijnlijkheid dat Arthur haar ooit zag behalve in de kerk, of thuis onder het oog van boerin Poyser, en de wenk, die hij kortelings haar aangaande aan Arthur gegeven had, had geen ernstiger oogmerk gehad dan hem te verhinderen zooveel acht op haar te slaan als de ijdelheid van het nufje opwekken, en op die wijze stoornis zou kunnen brengen in het landelijk drama van haar leven. Arthur zou zich weldra bij zijn regiment voegen en ver uit de buurt zijn; neen, er kon van dien kant geen gevaar bestaan, zelfs al had Arthurs karakter een minder krachtigen waarborg opgeleverd. Zijn eerlijk en beschermziek roemen in de welwillendheid en hoogachting van ieder om hem henen was een schild tegen dwaze en romaneske avonturen, hoe-
198
EEN HEILIG VOORNEMEN.
veel te meer tegen alle lager soort van dwaasheid. Indien er ook al iets op Arthurs hart gelegen had gedurende het voorgaand gesprek, het was duidelijk dat hij niet wenschte in bijzonderheden te treden, en ds. Irwine was te kiesch om zelfs uit vriendschap nieuwsgierigheid te laten blijken. Hij bespeurde dat een verandering van onderwerp aangenaam zou wezen, en zei:
,Zeg eens, Arthur, bij gelegenheid van uw kolonels verjaardag waren er eenige verlichte chasinetten die veel effect maakten, ter eere van Britannië, van Pitt, van de militie van Loamshire, en bovenal van den âedelmoedigen jongeling,quot; den held van het feest. Zoudt gij ook niet zoo iets kunnen bewerkstelligen om onze zwakke hoofden op stelten te brengen?quot;
De gelegenheid was gevloden. Gedurende Arthurs aarzelingen dreef het koord, waaraan hij zich zou hebben kunnen vastklemmen, weg â hij moest nu vertrouwen op zijn eigen zwemkunst.
Tien minuten later werd ds. Irwine voor zaken weggeroepen, en Arthur, afscheid van hem nemend, steeg te paard met een gevoel van onvoldaanheid, dat hij trachtte te stillen door het besluit om binnen een uur tijds naar Eagledale te vertrekken.
199
TWEEDE BOEK.
HOOFDSTUK XVII.
EEK UITVOERIGE TUSSCHENZIN.
âNu, die Rector van Broxton is niet veel beter dan een heiden,quot; hoor ik een mijner lezeressen uitroepen. âHoeveel stichte-lijker zou het geweest zijn bijaldien gij hem tot Arthur een recht Christelijk woord hadt doen spreken. Gij zoudt hem de schoonste dingen in den mond hebben kunnen leggen â even stichtelijk alsof men een preek las.quot;
Ongetwijfeld zou ik dat hebben kunnen doen, lieve vitster, indien ik een romanschrijver van goeden huize was, niet gehouden om natuur en waarheid slaafs achterna te kruipen, maar bij machte om de dingen voor te stellen gelijk ze nooit geweest zijn en nimmer zijn zullen. Dan, natuurlijk, zouden mijn karakters geheel overeenkomen met mijn eigen smaak. Ik zou het onbe-rispelijkste type van een geestelijke gekozen hebben, en hem bij alle gelegenheden de keur van mijn eigen denkbeelden in den mond hebben gelegd. Maar gij moet sinds lang hebben opgemerkt dat mijn roeping van een veel minder verheven soort is, en dat ik niet meer doe dan een getrouw verslag geven van de menschen en de dingen zooals zij zich in mijn geest hebben afgespiegeld. De spiegel is ongetwijfeld gebrekkig, de omtrekken somtijds mistee-kend, de weerkaatsing wel eens flauw en verward; toch voel ik mij in gemoede verplicht, u zoo nauwkeurig mogelijk te verhalen welke die weerkaatsing is, even gemoedelijk alsof ik gezeten ware op de bank der getuigen in een gehoorzaal en onder eedsverband mijn onderrindingen moest mededeelen.
EEN UITVOERIGE TÃSSCHENZIN. 201
Zestig jaren geleden â een lange tijd; geen wonder dat de dingen tegenwoordig anders toegaan â waren niet alle geestelijken even zooveel mannen vol ijver. Er is inderdaad aanleiding te gelooven, dat het getal ijverige geestelijken destijds klein was en waarschijnlijk is het, zoo een van deze kleine minderheid in het jaar 1799 predikant van Hayslope en Broxton geweest was, dat gij van hem niet meer zoudt gehouden hebben, dan gij nu van ds. Ir-wine houdt. Tien tegen een dat gij hem een smakeloos, onbescheiden, methodistisch man gevonden hadt. Het gebeurt zeer zelden dat de werkelijkheid dat juiste mikpunt treft, waarop onze verlichte denkbeelden en onze verfijnde smaak onafgebroken het oog gevestigd houden. Gij zult misschien zeggen: âWelnu, sier de werkelijkheid dan een weinig op; breng haar in overeenstemming met dat beter inzicht dat het ons voorrecht is te bezitten. De wereld is niet dat wij wenschten dat zij ware; schilder haar een weinig bij, met een smaakvol penseel, en doe ons gelooven dat zij geenszins dat verwarde en ingewikkelde ding is dat men denkt. Laat alle menschen met onberispelijke grondbeginselen ook onberispelijk handelen. Laat uw slechte karakters onveranderlijk den verkeerden weg opgaan en uw deugdzame steeds den goeden. Dan kunnen wij met een oogopslag zien wien wij moeten veroordeelen, wien wij behooren te prijzen. Dan zullen wij in staat zijn te bewonderen zonder de minste verstoring onzer vooringenomenheid; wij zullen haten en verachten met die juistheid en dat overleg, die eigen zijn aan een onwankelbaar zelfvertrouwen.quot;
Maar wat zult gij dan aanvangen, lieve vriendin, met het gemeentelid dat uw echtgenoot tegenwerkt in het Consistorie? â Met uw nieuw beroepen predikant, wiens manier van preeken in uw oogen bedroevend afsteekt bij die van zijn betreurden voorganger? â Met de eerlijke dienstmaagd die u kwelt met haar eene gebrek? â Met uw buurvrouw, mistress Green, die wezenlijk lief voor u was gedurende uw laatste ziekte, maar die heel veel onaardige dingen van u verteld heeft nadat gij beter werdt? â Wat van uw voortreffelijken echtgenoot in persoon, die behalve nog andere lastige gewoonten, ook die heeft van zijn voeten niet af te vegen? Deze mede-stervelingen, de een voor, de andere na, moeten worden genomen zooals zij zijn; gij kunt hun scheeve neuzen niet
EEN UITVOERIGE TÃSSCHENZIN.
recht zetten, hun vernuft niet opscherpen, hun karakter niet veranderen, en het zijn juist deze lieden in wier gezelschap gij uw leven slijt â- die gij moet leeren dulden, beklagen en liefhebben; het zijn deze min of meer leelijke, domme, onstandvastige menschen, wier opwellingen van goedheid gij in staat moet zijn te bewonderen â van wie gij de best mogelijke verwachtingen koesteren, met wie gij het meest mogelijk geduld oefenen moet. En ik voor mij, zoo ik de keus had, zou ik dien romanschrijver van goeden huize niet wezen willen, in staat een wereld te scheppen zoo geheel anders en zoo oneindig veel beter dan die waarin wij des morgens opstaan om onzen dagelijkschen arbeid te hervatten, dat gij gevaar liept een hardvochtiger of koeler blik te werpen op de scoffige straten en alledaagsche groene velden â op de levende mannen en vrouwen, die onder uw onverschilligheid koud, of door uw vooroordeelen gekwetst, en daar- ⢠entegen vervroolijkt en voortgeholpen kunnen worden door uw medegevoel, uw verdraagzaamheid, uw openhartige en manmoedige billijkheid.
Zoo stel ik mij dan tevreden met mijn eenvoudige geschiedenis te vertellen, en doe geen poging om de zaken er beter te doen uitzien dan zij deden; voor geen ding bevreesd dan alleen voor onwaarheid, waarvoor wij, ondanks alle inspanning, steeds te vreezen hebben. Het is zoo gemakkelijk onwaar en zoo moeielijk waarachtig te wezen. Het penseel schetst met een gevoel van aangename zelfvoldoening het beeld van een draak â hoe langer de klauwen en hoe breeder de vleugelen, zoo liever; maar die bewonderenswaardige gemakkelijkheid, die wij voor een teeken van genie aanzagen, laten ons menigwerf in den steek wanneer wij een wezenlijken en niet overdreven leeuw moeten afbeelden. Onderzoek uw woorden goed, en gij zult gewaarworden dat, zonder de minste aanleiding om onoprecht te wezen, het zeer moeielijk is de volle waarheid te zeggen, zelfs omtrent uw eigen gevoelen des oogenbliks â veel moeielijker dan om daaromtrent iets fraais voor te dragen dat niet de volle waarheid is.
Met het oog op deze zeldzame en kostelijke hoedanigheid dei-waarheidsliefde schep ik behagen in menig voortbrengsel der oude Hollandsche schilderschool, dat door hooggestemde zielen wordt veracht. Ik vind grooter bron van zoete sympathie in die getrouwe voorstellingen van een eentonig, nederig bestaan, dat het deel ge-
202
BEN UITVOERIGE TUSSCHENZIN.
weest is van zoovelen mijner mede-stervelingen, dan in een leven of van weelde of van volstrekte armoede, of van tragisch lijden of van wereldkundige daden. Zonder weerzin wend ik mij van engelen en serafijnen, van profeten, sibyllen, en heldhaftige krijgslieden naar gindsche oude vrouw, heengebogen over een bloempot of gezeten aan haar eenzamen maaltijd, terwijl de middagzon, verzacht misschien door een sluier van bladeren, valt op haar neepjesmuts en even den rand verlicht van haar spinnewiel en haar steenen kruik, en al die goedkoope en alledaagsche dingen, die voor haar even zooveel kostbare levensbehoeften zijn: â of ook, ik wend mij tot die boeren-bruiloft, gevierd tusschen vier bruine muren, waar een onhandig bruidegom den dans opent met een hooggeschouderde bruid, waar ouden van dagen en vrienden van middelbaren leeftijd toekijken; lieden met zeer onregelmatige neuzen en lippen, en niet onmogelijk met een bierkan in de hand, maar daarentegen met een uitdrukking van onmiskenbare tevredenheid en goedhartigheid op het gelaat. âFoei,quot; zegt mijn idealistische vriend, âwelke alledaagsche bijzonderheden! Wat heeft men er aan, zich zooveel moeite te geven tot het nauwkeurig voorstellen van een oud vrouwtje of van een partij lompe vlegels? Welke lage sferen des levens! â wat een ruw en leelijk volk!quot;
Maar, lieve hemel, de dingen kunnen toch wel beminnelijk wezen, al zijn ze niet mooi, zou ik hopen? Ik ben volstrekt niet zeker dat de meerderheid van het menschelijk geslacht niet te allen tijde leelijk geweest is, en zelfs onder die âkoningen van hun geslacht,quot; de zonen van Brittanje, zijn ingedrongen aangezichten, slechtge-vormde neusvleugels, en een min heldere gelaatskleur volstrekt geen bevreemding wekkende uitzonderingen. En toch wordt er een aanzienlijke mate familie-liefde onder ons aangetroffen. Ik heb een paar vrienden, op wier voorhoofden de krullende lok van Apollo ontegenzeggelijk een lachveroorzakend figuur maken zou, en toch, ik weet het, teedere harten hebben voor hen geklopt, en hun miniatuur-portretjes â geflatteerd en niettemin onbevallig â worden in het geheim door moederlijke lippen gekust. Ik heb menige voortreffelijke matrone gekend, die zelfs in haar beste dagen onmogelijk schoon kon geweest zijn: toch had zij een pakje geel geworden billets doux in een ontoegankelijk laadje, en drukten lieve kinderen zoentjes op haar bleeke wang. En ik geloof
203
EEN UITVOERIGE TUSSCUENZIN.
dat er een aantal jonge helden geweest zijn van minder dan middelbare lengte en met twijfelachtige baarden, die voor vast verzekerden dat zij nooit een vrouw zouden kunnen liefhebben of zij moest voor het minst een Diana zijn, en die ik niettemin op middelbaren leeftijd gansch rustig gehuwd en gehuisvest heb gevonden met een vrouw die ietwat óverzwikte. Ja, en goddank, het menschelijk gevoel is, als de machtige rivieren, des aardrijks zegen ; het wacht niet op schoonheid â het stroomt voort met on-wederstaanbare kracht en voert de schoonheid met zich mede op den rug.
Alle eer en eerbied worde toegebracht aan het goddelijk schoon van den vorm! Laat ons het kweeken met al ons vermogen, in mannen, vrouwen, kinderen â in onze hoven en in onze huizen. Maar laat ons ook liefhebben die andere schoonheid, niet gelegen in eenige verborgenheid van evenredigheden, maar in die van innige menschelijke sympathie. Schilder ons een engel, zoo gij kunt, in golvend violetkleurig gewaad, en met een aangezicht, bleek van hemelsch licht; nog liever, schilder ons een madonna, den zachten blik naar boven en de armen uitgebreid naar d^ heerlijkheid G-ods. Maar spaar ons al zulke regelen van aesthetiek, waardoor uit het rijksgebied der kunst zouden worden uitgebannen die oude vrouwen, wortelen schrapend met haar vereelte handen, die zware, plompe mannen, feestdag houdend in een vunzige herberg; die ronde ruggen en domme, verweerde aangezichten, die in den loop der week over de spade waren heengebogen en den ruwen arbeid dezer wereld verrichten; die binnenhuizen met hun tinnen pannen, hun bruine kruiken, hun ruige honden, hun risten uien. Er zijn in deze wereld, er zijn zooveel van die alle-daagsche, onbeschaafde lieden, die niet afweten van schilderachtige of sentimenteele smarten. Het is zoo noodig dat wij telkens aan hun bestaan herinnerd worden. Het zou anders kunnen gebeuren dat wij hen gansch en al uit onzen godsdienst en uit onze wijsbegeerte wegdachten, en dat wij verheven theorieën smeedden enkel geschikt voor een wereld van uitersten. Daarom, laat de kunst ons ten eeuwigen dage hunner indachtig maken, moge het ons nimmer aan kunstenaars ontbreken die den liefdevollen arbeid van een gansch leven besteden aan de getrouwe voorstelling van alledaagsche dingen â kunstenaars, die het schoone in deze alle-
204
EEN UITVOERIGE TUSSCHENZIN.
daagsheden weten op te merken, en die er behagen in scheppen, te doen uitkomen hoe vriendelijk het licht des hemels ook op dezen nedervalt. Er zijn slechts weinig profeten in de wereld, weinig goddelijk schoone vrouwen, weinig helden. Het is mij niet mogelijk, al mijn liefde en al mijn bewondering aan deze zeldzaamheden weg te schenken; ik heb een aanmerkelijk deel van die gevoelens noodig ten behoeve mijner alledaagsche medemenschen, voornamelijk ten behoeve dier enkelen op den voorgrond van de groote menigte wier aangezichten ik ken, wier handen ik druk, voor wie het mijn plicht is, plaats te maken met vriendelijke hoffelijkheid. Ook schilderachtige lazeroni en romantische misdadigers zijn er niet half zooveel als gewone handwerklieden, die hun eigen brood verdienen en het doorsnijden met hun eigen zakmes, slecht maar recht. Het is noo-diger dat ik een sprank van sympathie bezitte voor den burgerman die mijn suiker afweegt met een kwalijk bij elkander gekozen das en vest, dan voor den prachtigsten deugniet ter wereld in een rooden mantel met een groene pluim op het hoofd â noodiger dat mijn hart kloppe van liefdevolle bewondering voor een klein trekje van vriendelijke goedheid in de zeer onvolmaakte menschen die met mij om denzelfden haard gezeten zijn of in het karakter van den leeraar mijner gemeente, die misschien wat al te gezet en ook in andere opzichten verre is van een Oberlin of een Tillotson te zijn, dan voor de daden van helden die ik nimmer zal kennen dan alleen van hooren zeggen, of voor het verhevenste type van clericale deugd dat eenig romanschrijver ooit verdicht heeft.
En zoo keer ik terug tot ds. Irwine, wien ik wensch dat gij van harte zult liefhebben, hoever hij ook moge staan beneden de eischen door u gesteld aan het kerkelijk karakter. Misschien oordeelt gij dat hij niet was â wat hij had behooren te zijn â een levend betoog van den zegen eener nationale kerk? Maar ik voor mij ben daar nog zoo zeker niet van; ten minste, ik weet dat de lieden te Broxton en te Hayslope met groot leedwezen van hun predikant zouden gescheiden zijn, en dat de meeste aangezichten opklaarden wanneer hij naderde. En zoo lang men niet zal bewezen hebben dat haat beter is voor de ziel dan liefde, moet ik blijven gelooven dat de invloed van ds. Irwine in zijne gemeente een heilzamer invloed was dan die van den ijverigen ds. Ryde, zijn opvolger twintig jaren later, toen ds. Irwine tot zijne vaderen vergaderd was. Het is waar.
205
EEN UITVOERIGE TÃSSCHENZIN.
206
ds. Ryde drukte met allen nadruk op de leer der hervorming, bezocht zijn gemeenteleden in hun huizen, en was zeer gestreng omtrent alle afdwalingen des vleesches â zelfs maakte hij een eind aan de ommegangen der koorzangers op Kerstmis, op grond dat zij aanleiding gaven tot dronkenschap en tot een lichtvaardig gebruik van het heilige. Maar van Adam Bede, met wien ik op zijn ouden dag over deze dingen sprak, heb ik vernomen dat zelden een geestelijke minder gelukkig was in het winnen van de harten zijner gemeenteleden dan ds. Ryde. Hij deelde hun veel begrippen mede omtrent de leer, zoodac onder de vijftig kerkgangers er nauwelijks een was die het zuiver Evangelie niet langzamerhand begon te onderscheiden van het onzuivere, zoo goed als ware hij een geboren en weionderwezen Afgescheidene geweest; en eenigen tijd na zijne komst werd men werkelijk een bepaalde godsdienstige opwekking gewaar in deze stille, landelijke streek. âMaar,quot; zei Adam, âik heb duidelijk ingezien, reeds toen ik nog pas een aankomende jongen was, dat godsdienst iets anders is dan begrippen-alleen. Geen begrippen leiden de menschen tot het betrachten van het goede, maar gevoelens. Het is met de begrippen in den godsdienst gelegen als met de meetkunst â iemand kan in staat zijn een stelling uit te werken uit zijn hoofd, terwijl hij bij het vuur zit en zijn pijp rookt; maar wanneer hij een machine of een gebouw heeft te maken, moet hij een besluit nemen en een vasten wil hebben, en iets anders liefhebben behalve zgn eigen gemak. Althans, de gemeente eindigde met minder trouw op te komen, en sprak ten slotte met minachting van ds. Eyde. Ik geloof dat hij het in den grond goed meende, maar, ziet gij, hij had een lastig humeur en begon de arbeiders te beknibbelen die voor hem werkten; en zij konden zijn preeken niet meer verteren, gekruid als zij voortaan waren met die saus. Ook wilde hij overal in de gemeente den rechter spelen en de menschen straffen voor hun verkeerdheden; hij veegde hun van den preekstoel den mantel uit als een dweper, en toch kon hij de Afgescheidenen niet dulden, en was vrij wat heftiger tegen hen ingenomen dan ds. Irwine. En dan kon hij niet toe met zijn inkomen, en scheen hij in het begin te denken dat hij met zeshonderd pond 's jaars een man kon zijn als squire Donnithorne: treurige misvatting, waartoe ik jonge predikanten dikwijls heb zien
EEN UITVOERIGE TÃSSCHBNZIN.
vervallen als zij plotseling een vaste plaats kregen. Op een afstand had men nog al hooge gedachten van ds. Ryde, geloof ik, en hij schreef boeken; maar wat betreft cijferen en menschenken-nis, daaromtrent was hij zoo onwetend als een jong vrouwtje. Hij was zeer bedreven in de leerstukken, en noemde ze de bolwerken der Hervorming; maar die soort van geleerdheid, die de menschen dwaas en onredelijk laat in zaken, heb ik altoos gewantrouwd. Ds. Irwine maakte daarin met hem een hemelsbreed verschil: hij was zoo vlug! â hij begreep u in een oogenblik; en hij was zeer kundig in het bouwen, en wist een goed stuk handwerk naar waarde te schatten. En hij was even beleefd tegen de pachters, de oude vrouwen en de daglooners als tegen den adel. Hij bemoeide zich nooit met een andermans zaken, en schold niet, en speelde den paus niet. O, hij was de knapste man dien gij ooit gezien hebt, en zoo vriendelijk tegen zijn moeder en zijn zusters. Die arme, ziekelijke miss Anna â aan niemand ter wereld scheen hij zooveel te denken als aan haar. Er was geen schepsel in de gemeente dat een woord tegen hem zou hebben weten in te brengen, en zijn dienstboden bleven bij hem tot zij zoo oud en gebrekkig werden dat hij andere moest huren om hun werk te doen.quot;
âWel,quot; zei ik âdat was een voortreffelijke manier van preeken door de week; maar ik wil wedden, zoo uw oude vriend Irwine in het leven terugkeerde en toekomenden Zondag op den kansel stond, dat gij u na al uw loftuitingen een weinig schamen zoudt over zijn pr eekmethode.quot;
âNeen, neen,quot; zei Adam, zijn breede borst vooruitstekend en zich achterover werpend in zijn stoel, als maakte hij zich gereed, alle euvele gevolgtrekkingen van zich af te weren, âniemand heeft mij ooit hooren zeggen dat ds. Irwine een groot prediker was. Hij drong niet door tot de diepste zielservaringen, en ik weet dat er in ons inwendig leven veel is dat men niet kan afmeten met den vierhoek, en zeggen: âdoe dit en dat zal volgen,quot; of âdoe dat en dit zal volgen.quot; Er gaan dingen om in de ziel, en er zijn oogenblikken in het leven, dat het gevoel zich in u verheft als een geweldig gedreven wind, zooals de Schrift zegt; dingen die ons leven om zoo te spreken in tweef-'n scheiden, zoodat men op zichzelven nederziet alsof het iemand anders ware. Zulke dingen kunnen niet worden
207
EEN UITVOERIGE TUSSCHENZIN.
afgedaan met een âdoe ditquot; of een âdoe dat,quot; en in zooverre ben ik het eens met den besten Methodist dien gij immer vinden zult. Ik leer er uit dat er eindelooze hoogten en diepten in den godsdienst zijn. Het helpt niet er veel over te praten. Men voelt ze allen. Ds. Irwine drong niet door tot deze dingen; hij hield korte zedepreken, en daar bleef het bij. Maar aan den anderen kant, hij handelde naar zijn woorden; hij deed niet alsof hij zooveel anders was dan andere menschen een dag van de zeven, en de zes overige huns gelijke. En hij maakte zich geacht en bemind bij de lieden, en dat was beter dan hun de gal te doen overloopen door al te veel bemoeizucht. Boerin Poyser placht te zeggen â gij weet, zij had altijd haar eigen oordeel over de menschen en de dingen â ds. Irwine, zei zij, is als een maal gezond voedsel; hij doet u goed zonder dat gij er aan denkt, daarentegen is ds. Ryde als een apothekerdrankje: hij laat u rillen en leelijke gezichten trekken, en bij slot van rekening blijft gij die gij waart.quot;
âMaar preekte ds. Ryde niet veel meer over dat geestelijke in den godsdienst waarvan gij spreekt, Adam? Zat er in zijn preeken niet oneindig meer dan in die van ds. Irwine?quot;
âOch, dat weet ik al niet. Hij preekte veel over de leerstukken. Maar al sinds mijn jeugd heb ik ingezien dat godsdienst en leerstukken twee zijn. Een leerstuk, dunkt mij, is zooveel als het vinden van een naam voor onze gevoelens; men kan er over meespreken zonder ze ooit zelf te hebben ervaren, evenals iemand van gereedschappen spreken kan zonder dat hij ze ooit gezien, veel minder gehanteerd heeft. Ik heb in mijn tijd veel gehoord van de leer, want ik was gewoon met Seth naar de Afgescheiden preekers te gaan, toen ik een knaap van omstreeks zeventien was, en destijds brak ik mij vrij wat het hoofd met de Arminianen en de Calvinisten. De Wesleyanen, zooals gij weet, zijn warme Arminianen, en Seth, die nooit iets hards verdragen kon, en altijd het beste hoopte, was van den beginne af aan op de hand der Wesleyanen; maar ik voor mij meende hier en daar eenige leemten in hun denkbeelden te bespeuren en geraakte daarover in twist met een der hoofdleiders te Treddleston. Ik viel hem zoo duchtig op het lijf, eerst van den eenen en toen van den anderen kant, dat hij eindelijk zei: âJonkman, het is de Duivel die uw trots en uw waanwijsheid gebruikt als een wapen tegen den eenvoud der waarheid.quot; Ik kon
208
EEN UITVOERIGE TÃSSCHENZIN.
toen niet nalaten te lachen, maar onder het naar huis gaan dacht ik, dat, welbezien, de man zoo gansch en al geen ongelijk had. Ik begreep dat al dat wikken en wegen van hetgeen deze tekst beduidt en die tekst beteekent, en of de menschen worden verlost door Gods genade of dat er een onsje van hun eigen vrijen wil bij komt, niets hoegenaamd te maken heeft met den waren godsdienst. Men kan over die dingen uren lang doorpraten, en zal er slechts te ingebeelder en te verwaander door worden. En daarom besloot ik nergens anders dan naar de Landskerk te gaan, en niemand te hooren dan ds. Irwine, want hij zei niets dat niet goed was en dat den man die het betrachtte niet wijzer1 maken moest. En ik vond het beter voor mijn ziel, nederig te blijven staan voor de verborgenheden van Gods handelingen, en niet te kakelen over dingen die ik toch niet begrijpen kon. Welbeschouwd zijn het toch altemaal kinderachtige quaesties, want wat bezitten wij, inwendig of uitwendig, dat God ons niet gegeven heeft? Hebben wij een vasten wil ten goede. Hij was het die ons dien gaf, zou ik denken, middellijk of onmiddellijk; maar ik zie tevens duidelijk in dat er zonder vasten wil nimmer iets van ons terecht komt. En dat is mij genoeg.quot;
Adam, zooals gij ziet, was een warm bewonderaar, misschien een partijdig voorspreker van ds. Irwine, zooals, gelukkigerwijze, sommigen van ons steeds zijn en blijven wanneer het menschen geldt die wij gemeenzaam hebben gekend. Ongetwijfeld zal hierop met minachting worden nedergezien door die meer verheven geesten die smachten naar het ideale, die worden terneder gedrukt door het bewustzijn dat hun genegenheden van te uitgelezen aard zijn om onder hun alledaagsche medemenschen een voorwerp te vinden harer waardig. Meer dan eens werd ik vereerd met het vertrouwen van sommige dier uitgezochte naturen, en heb bevonden dat zij altegader samenstemmen in deze ervaring, dat de groote menschen hier op aarde te hoog worden gewaardeerd en dat de kleinen onverdraaglijk zijn; of wel, dat zoo gij immer een vrouw zoudt willen liefhebben zonder vroeg of laat op uw liefde als op een dwaasheid terug te zien, zij sterven moet terwijl gij haar het hof maakt; en ook, dat zoo gij het minste geloof wilt behouden in de menschelijke heldhaftigheid, gij nimmer een pelgrimstocht moet maken om een held te gaan zien. Ik beken dat mij dikwerf
ADAM BEDE. 14
209
EEN UITVOERIGE lUSSCHESZIN.
210
de zedelijke moed heeft ontbroken om aan deze fijnbeschaafde en sclierpzinnige heeren te bekennen hetgeen mijn eigen ervaring mij daaromtrent geleerd heeft. Dikwijls, naar ik vrees, heb ik geglimlacht met schijnheilige instemming, en heb hen onthaald op een of ander puntig gezegde over de vluchtigheid onzer hersenschimmen; een gezegde zooals ieder, die slechts eenigszins bekend is met de Fransche litteratuur, er altijd en aanstonds bij de hand heeft. De omgang der menschen onderling â heeft, geloof ik, een wijs man aangemerktâis niet altoos even oprecht. Ik wil daarom bij deze gele. genheid mijn geweten zuiveren, en verklaren, dat ik van mijn leven bewegingen van zeer enthusiastische bewondering heb gevoeld voor oude heeren die allerinfaamst Engelsch spraken, wel eens lastig waren van humeur, en zich nooit hadden bewogen in hooger sfeer dan die van gemeente-opzichter, en dat het middel, waardoor ik ben gekomen tot de overtuiging dat de menschelijke natuur beminnelijk is â het middel, waardoor ik iets heb leeren verstaan van haar roerend treurspel, van haar verheven mysteriën â is geweest, veel te leven onder meer of minder alledaagsche, ietwat vulgaire lieden, van wie gij wellicht niets bijzonders hooren zoudt indien gij onderzoek naar hen deedt in de buurt waar zij gewoond hebben. Tien tegen een dat de kleine winkeliers in hun nabijheid geen zier opmerkenswaardigs in hen zagen. Want ik heb deze niet verwerpelijke ontdekking gedaan, dat de uitgelezen naturen, die smachten naar het ideale, en noch in pantalons noch in crinolines iets vinden verheven genoeg om hun bewondering of liefde af te dwingen, op dit punt ganschelijk sympathiseeren met de kleine winkeliers en huns gelijken. Ik heb bijvoorbeeld den waard uit âDe Koningseik,quot; die gewoon was blikken vol van de uiterste minachting te slaan op zijn buren in het dorp Shepperton, zijn oordeel over de lieden in zijn eigen gemeente â en hij kende geen andere â in deze woorden en met nadruk hooren uitspreken: âJa, mijnheer, ik heb het dikwijls gezegd, en ik moet het weder zeggen, het is een armzalig troepje in deze gemeente â een armzalig troepje, mijnheer, groot en klein.quot; Hij verbeeldde zich, geloof ik, dat hij zoo kon verhuizen naar een andere gemeente, hij daar wellicht minder verachtelijke buren vinden zou; en werkelijk verplaatste hij zich later naar âHet Zwijnshoofd,quot; waar hij goede zaken deed in de achterstraat van een naburige marktstad. Doch zie, vreemd genoeg,
EEN UITVOEEIGE TUSSCHBNZIN.
hij heeft de lieden in die achterstraat bevonden te zijn van volmaakt denzelfden stempel als de inwoners van Shepperton â âeen armzalig troepje, mijnheer, groot en klein; en die om een volle kan brandewijn komen, zijn geen haar beter dan die hun borreltje in eenvoud aan de toonbank drinken â een armzalig troepje.quot;
HOOFDSTUK XVIII.
TE KERK.
,Hetty, Hetty, weet gij niet dat de kerk begint om twee uur, en dat het reeds over half is? Hebt gij niets beters te doen op dezen gezegenden Zondag â Thias Bede wordt van daag ter aarde besteld, verdronken in het hartje van den nacht; op zichzelf meer dan genoeg om iemand een rilling op het lijf te jagen â niets beters te doen als u op te tooien als voor een bruiloft, in plaats van voor een begrafenis?quot;
âMaar, tante,quot; zei Hetty, âik kan niet zoo gauw gereed zijn als de anderen, wanneer ik eerst Totty klaar moet maken. En ik had zoo'n moeite om haar stil te laten staan.quot;
Hetty kwam de trap af en boerin Poyser, met haar eenvou-digen hoed en omslagdoek om, stond beneden. Zoo ooit een meisje er heeft uitgezien alsof zij van rozen gemaakt was, dan was het Hetty met haar Zondagschen hoed en in haar Zondagsch kleedje. Want haar hoed was opgemaakt met rozerood, en haar kleedje had rozeroode moesjes, gesprenkeld op een witten grond. Er was niets dan rozerood en wit aan en om haar henen, behalve haar donker haar en donkere oogen en haar kleine met gespen versierde schoentjes. Boerin Poyser werd knorrig op zichzelve dat zij nauwelijks bekwaam was een glimlach te onderdrukken â zijn niet alle stervelingen geneigd te glimlachen op het gezicht van lieve, zachte wezentjes? Zonder spreken keerde zij zich dus om, en voegde zich bij het groepje buiten, gevolgd door Hetty, wier hart zoo hevig klopte bij de gedachte aan zeker iemand die zij in de kerk hoopte te zien, dat zij te nauwernood den grond voelde waarop zij liep.
En nu zette de kleine optocht zich in beweging. Boer Poyser
14*
211
TE KERK.
had zijn lichtbruin Zondagspak aan, met een vest van rood en groen. Een groen horloge-lint, met een kornalijnen zegel er aan bevestigd, hing als een dieplood af van dat zekere voorgebergte waaromstreeks zijn horlogezakje zich bevond. Een zijden zakdoek, geel van tint, was om zijn hals gestrikt, en uitmuntende grijze geribde kousen, door zijn huisvrouw eigenhandig gebreid, deden zijn welgevormd been voordeelig uitkomen. Boer Poyser vond geen reden zich te schamen voor zijn been; veeleer vermoedde hij dat het toenemend misbruik van kaplaarzen en andere modes, strekkend om de benedendeelen van het menschelijk lichaam onzichtbaar te maken, zijn oorsprong had in de verbastering der menschelijke kuit. Nog minder reden had hij om zich te schamen voor zijn rond opgeruimd gezicht, een type van goed humeur, toen hij zeide: âKom, Hetty â kom, kleintjes,quot; en zijn vrouw den arm gevend, voorop wandelde het hek door en de plaats over.
De dus aangesproken âkleintjesquot; waren Marty en Tommy, jongens van negen en zeven jaren, gestoken in Manchester rokbuis-jes en korte broekjes, opgeluisterd door roode wangen en zwarte oogen; huns vaders evenbeelden gelijk kleine olifanten van een grooten. Tusschen deze beide in ging Hetty, en achteraan kwam de geduldige Molly, wier taak was om Totty te dragen over de plaats en over alle plassen op den weg; want Totty, die zeer voorspoedig van de haar dreigende koorts herrezen was, had er op gestaan, heden mede te gaan naar de kerk, en bovenal haar rood-en-zwart kettinkje om te hebben, boven haar kraagje. En menigvuldig waren dezen middag de plassen waarover zij moest heengedragen worden, want 's morgens waren er zware regenbuien gevallen, ofschoon de wolken op dit oogenblik waren weggedreven en in hooge zilveren massa's aan den horizont lagen opgestapeld.
Gij zoudt aan uw hart hebben gevoeld dat het Zondag was, zelfs al waart gij niet meer dan wakker geworden op de werf. De hanen en hennen schenen het te weten en deden hoogstens een zacht kirrend geluid hooren; de bulhond zelfs zag er minder woest uit, en zou tevreden zijn geweest met een kleiner beet dan gewoonlijk. De zonnestralen schenen alles op te roepen tot de rust in stede van tot den arbeid: zeiven lagen zij te sluimeren op de met mos begroeide koeien-loods, en op de groep eenden, bij elkander scholend met hun snavel verborgen onder hun vleugelen; en op de oude
212
TE KERK.
zwarte zeug, behaaglijk uitgestrekt op het stroo, terwijl haar grootste big een begeerlijke springmatras vond op zijn moeders vette ribben; en op Alick, den schaapherder, in zijn nieuwen kiel, die een onrustig dutje deed, half zittend, hall' staand op de trap van den korenzolder, Alick was van oordeel dat kerkgaan, evenals meer andere weelden, niet iets was dat een schaapherder zich dikwerf kon veroorlooven, wanneer hij namelijk het weder en de ooilammetjes ter harte nam. âNaar de kerk? Neen â ik heb op 't oogenblik iets anders aan mijn hoofd,quot; was een antwoord dat hij dikwijls gaf op een toon zoo vol beteekenis, dat alle verdere vragen er door werden afgesneden. Ik ben overtuigd dat Alick met zijn zeggen niets oneerbiedigs bedoelde: integendeel, ik meen te weten dat zijn geest nog speculatief noch sceptisch van aard was, en hij zou om niets ter wereld de kerk hebben verzuimd op Kersttijd, Paschen of Pinksteren. Maar hij was in het gemeen van oordeel dat handelingen van openbaren eeredienst en verdere kerkelijke plechtigheden, gelijk meer andere onproductieve bezigheden, bestemd waren voor lieden met overvloed van tijd.
âDaar staat vader aan het hek,quot; zei Martin Poyser. âHij zal ons willen nakijken door het veld. Het is verwonderlijk zulke goede oogen als hij nog heeft, op zijn vijf-en-zeventigste jaar.quot;
âIk voor mij heb al dikwijls gedacht, het gaat met oude men-schen als met kleine kindertjes,quot; zei boerin Poyser, âze zijn tevreden zoo ze maar kijken, het doet er niet toe naar wat. Het is alsof de goede God ze op die manier zoet houdt, tot zij gaan slapen.quot;
Oude Martin maakte het hek los toen hij den familiestoet naderen zag, en hield het wijd open, geleund op zijn stok â in zijn schik dat hij dezen schijn van arbeid nog verrichten kon: want zooals alle oude menschen, wier leven al werkend doorgebracht werd, deed het hem genoegen te denken dat hij nog tot iets nuttig was â dat de uien beter groeiden in den tuin omdat hij bij het zaaien tegenwoordig was geweest â en dat de koeien beter zouden gemelkt worden, wanneer hij des Zondag-namiddags uit de kerk thuis bleef om er een oogje op te houden. Op feestdagen ging hij geregeld te kerk, doch minder regelmatig op andere tijden. Was het des Zondags vochtig weder, of plaagde hem de rheumatiek, dan bleef hij thuis en las tot zijn stichting de drie eerste kapittels van Genesis.
213
TE KERK.
âZij zullen Thias Bede in den grond hebben voor gij op het kerkhof komt,quot; zei hij, toen zijn zoon naderde. âZij zouden het beter hebben getroffen zoo zij hem in den voormiddag hadden begraven, terwijl het regende. Het ziet er niet naar uit alsof er nu nog een droppel vallen zal, en de maan licht daarginder als een bootje aan den wal, ziet gij wel? Een vast teeken van mooi weer. Er zijn van die teekenen waarop men niet aan kan; maar dit gaat altijd door.quot;
âJa, ja,quot; zei de zoon, âik hoop dat wij het nu droog zullen houden.quot;
âLuistert naar wat de dominé zegt, luistert naar wat de dominé zegt, jongens,quot; zei grootvader tot de zwartoogige knapen met hun korte broekjes. Zij droegen kennis van ettelijke knikkers in hun zakken, en hadden plan, deze een weinig te hanteeren onder de preek.
âDag 'ootepa,quot; zei Totty. âIkke naar de kerk ga. âIkke mijn ketting om heb. Wou graag een pepermentje hebben.quot;
Ootepa, schuddend van lachen om de âoolijke slimme deerne,quot; bracht langzaam zijn stok over naar de linkerhand waarmede hij het hek openhield, en stak even langzaam zijn rechtervinger in het vestjeszakje waarop Totty's oogen met een vertrouwenden blik van blijde hoop gevestigd waren.
En toen zij allen gepasseerd waren, leunde de oude man weder over het hek, en zag hen na terwijl zij de laan doorgingen langs de heg en daarna door het hek aan den anderen kant, tot zij verdwenen achter een bocht van de heining. Want in die dagen stonden overal heggen op de velden, zelfs op de beter bestuurde pachthoeven, en op dezen namiddag spreidden de wilde rozen haar licht-roode kronen uit, de nachtschade schitterde in haar gele en pur-pere glorie, de bleeke kamperfoelie keek uit den top van een hulst-boschje op de voorbijgangers neder, en over dit alles wierpen essche- of wilde vijgeboomen bij afwisseling hun schaduwen op het pad.
Aan andere hekken verwijlden kennissen die terzijde moesten gaan om hen voorbij te laten. Voor het eene een gedeelte van de koeien der hoeve, achter elkander, en allen even traag van verstand om te begrijpen dat hun breede lichamen het menschdom in den weg stonden. Over de leuning van het andere stond de
214
TE KERK.
merrie heen te kijken, en naast haar het leverkleurig veulen met het hoofd gekeerd naar zijn moeders zijde, blijkbaar nog eenigs-zins verlegen met zijn eigen langbeenig bestaan. Dit gansche gedeelte van den weg liep door boer Poysers eigen velden, tot waar zij de groote heirbaan bereikten die naar het dorp leidde, en Poyser wierp onder het voortgaan een scherpen blik op het vee en den oogst, terwijl zijn vrouw gereed was met een vluchtigen commentaar op ieder voorwerp dat hun onder het oog kwam. De vrouw die een pachthoeve bestuurt brengt zelve een goed deel van het pachtgeld op; het is niet meer dan billijk dat zij haar meening in het midden brengt omtrent vee en veeteelt â een oefening die haar verstand zoodanig scherpt, dat zij zich in staat gevoelt haar man in veel andere zaken met haar raad bij te staan.
âDaar hebt gij de korthoren Solly,quot; zei zij, en haar oog viel op het zachtmoedige dier dat lag te herkauwen en haar aanzag met een slaperig oog. âIk kan de koe niet langer uitstaan, en ik herhaal nog eens wat ik al drie weken geleden gezegd heb: hoe eer wij van haar afkomen des te beter. De kleine gele geeft niet half zooveel melk en toch heb ik wel tweemaal zooveel boter van haar.quot;
âGij denkt er anders over dan de vrouwen in het algemeen,quot; zei boer Poyser; âzij hebben juist graag de korthorens, omdat zij zooveel melk geven. Boerin Chowne bijvoorbeeld wil niet dat haar man andere koopen zal.quot;
âAlsof het iets te beduiden had wat boerin Chowne zegt! â Een goed zachtzinnig schepsel, met evenveel verstand als een vink. Zij is in staat een grove zeef te gebruiken om de reuzel door te hijgen, en verwonderd te staan kijken wanneer de vezels van dezelfde gelegenheid gebruik maken. Ik heb van haar genoeg gezien om mij te wachten dat ik ooit weder een meid van haar neem. Alles is bij het goede mensch onderst boven. Gij kunt niet zien, als gij er binnenkomt, of het Maandag of Vrijdag is; de wasch over den vloer tot aan het eind van de week. En wat haar kaas betreft, ik weet van goeder hand dat ze gerezen is als een brood in een blikken trommel, verleden jaar. En dan geeft ze de schuld aan het weer, net als iemand die op zijn hoofd gaat staan en volhoudt dat de schuld ligt aan zijn laarzen.quot;
âNu, Chowne heeft lust Solly te koopen; wij kunnen haar dus
215
TE KERK.
kwijt raken, zoo gij wilt,quot; zei boer Poyser, in stilte trotsch op zijn vrouws ervarenheid in Het berekenen van tweemaal twee. Want reeds had hij op de laatste marktdagen herhaaldelijk op haar goed inzicht gepocht, juist met betrekking tot de korthorens.
âNu, die een zieltje nemen kon tot vrouw, kan de korthorens er veilig bij opkoopen. Of is het niet om 't even voor iemand die zijn hoofd in een moeras steekt, of zijn beenen al dan niet volgen'? Van beenen gesproken, daar voor u stappen een paar!quot; ging boerin Poyser voort, terwijl Totty, die door Molly op den grond was gezet nu de weg droog was, vocrtwaggelde voor haar vader en moeder uit. âHet is een schilderij! Zij zal precies naar haar vader aarden, met haar langen voet.quot;
âJa, zij zal er eentje wezen zooals Hetty, eer het tien jaar verder is; maar zij heeft uw kleur van oogen. Ik herinner mij geen enkel blauw oog in mijn gansche familie. Mijn moeder had oogen als kolen zoo zwart, net als die van Hetty.quot;
âHet kind zal er niet minder om wezen al heeft ze iets dat niet precies is zooals bij Hetty. Ik verlang niet dat zij zoo heel mooi zal worden. Ofschoon, er zijn menschen met blond haar en blauwe oogen even mooi als die met zwarte. Zoo Dina een weinig meer kleur had, en niet verkoos dien Methodisten-vogelverschrikker op haar hoofd te zetten, zou ieder haar even mooi vinden als Hetty.
âNeen, neen,quot; zei boer Poyser met eenigen minachtenden nadruk, âgij weet niet wat een mooie vrouw is. Nooit zullen de mannen Dina naloopen zooals zij Hetty doen.quot;
âAlsof het iets uitmaakte wie door de mannen worden nage-loopen! 't Is duidelijk genoeg op wie hun keus valt, te oordeelen naar de stumpers van vrouwen die zij ten huwelijk vragen; eindjes gazen lint, die tot niets deugen als de kleur er uit is.quot;
âNu, nu, gij zult toch niet zeggen dat ik niet wist te kiezen toen ik u trouwde,quot; zei boei' Poyser, die gewoon was alle kleine huiselijke onaangenaamheden met dergelijke complimentjes af te maken; âen gij waart wel tweemaal zoo mollig als Dina, tien jaar geleden.quot;
âIk heb nooit beweerd dat een vrouw leelijk moet wezen om een goede huisvrouw te zijn. Daar hebt gij de vrouw van Chowne, ze is leelijk genoeg om de melk van schrik te doen verzuren â en op die wijs het stremsel uit te sparen; maar iets anders uitwin-
216
TE KEBK.
nen zal zij van haar leven niet. Doch wat Dina betreft, het arme kind, er is niet veel kans dat zij mollig zal worden, zoolang zij haar maal doet met brood en water, om des te meer aan de armen te kunnen geven. Zij bracht mij somtijds buiten mijzelve, en zooals ik haar zei, zij handelde recht tegen de Schrift in. Want de Schrift zegt: âHeb uw naaste lief als uzelve,quot; maar ik zei haar: âZoo gij uw naasten niet liever hadt dan uzelve, Dina, zoudt gij bedroefd weinig voor hen doen. Een half gevulde maag was dan volgens u genoeg voor hen.quot; Ik zou wel eens willen weten waar zij nu was, op dezen gezegenden Zondag! â ik wil wedden dat zij zit bij die zieke vrouw, om wier wille zij ons zoo onverwachts verlaten heeft.quot;
âHoe jammer dat zij zich zulke dwaasheden in het hoofd haalt. Zij bad immers gerust den ganschen zomer bij ons kunnen blijven, en tweemaal meer kunnen eten dan zij behoefde, zonder dat iemand het miste. Zij maakte niet de minste beweging in huis, en zat zoo stil aan haar naaiwerk als een vogeltje op een nest. Bovendien was zij bij uitstek vlug om op te staan en eens iets aan te reiken. Als Hetty trouwt, zoudt gij dan Dina niet op den duur bij u willen hebben?quot;
âHet helpt niet daarover te denken,quot; zei de boerin. âEven goed als Dina, zou men een zwaluw kunnen verzoeken hier rustig bij ons te komen wonen, zooals alle andere menschen doen. Zoo iets haar daartoe had kunnen bewegen, ik zou haar bewogen hebben. Uren lang heb ik met haar gesproken, en haar beknord ook; want zij is mijn eigen zusters kind en het betaamt mij voor haar te doen wat ik kan. Maar och, het arme schepseltje, zoo gauw zij ons âgoeden dagquot; had gezegd, en in den wagen zat, en naar mij omkeek met haar bleek gezicht, dat er uitziet alsof haar tante Judith uit den hemel was teruggekeerd, dacht ik met schrik aan de terechtwijzing die ik haar gegeven had. Want somtijds is het toch alsof zij-alleen het rechte van de dingen weet, en niemand anders. Maar nooit zal ik toegeven dat dit komt omdat zij Methodist is, evenmin als dat een wit kalf wit is omdat het uit denzelfden emmer drinkt met een zwart.quot;
âNeen,quot; zei boer Poyser op een toon zoo na grenzend aan gebrom als zijn goedhartigheid gedoogde, âik ben niet ingenomen met de Methodisten. Het zijn enkel kooplui die Methodisten wor-
217
TE KEKK.
den. Nergens zal men een pachter vinden met dergelijke grillen behept. Mogelijk nog een ambachtsman hier of daar, die niet over-knap in zijn werk is, zooals Seth Bede. Maar gij ziet, Adam, die een der helderste koppen hier uit den omtrek is, die weet wel beter. Hij is een goed Kerkman, anders zou ik hem niet aanmoedigen als Hetty's aanstaande.quot;
âGroote goedheid,quot; riep boerin Poyer, die had omgekeken terwijl haar man sprak, âzie eens naar Molly met de jongens! Heel aan het andere eind van het veld. Hoe kondt gij hen met mogelijkheid zoo laten begaan, Hetty? Men zou evengoed een standbeeld op de kinderen kunnen laten passen. Loop terug en zeg hun dat zij zich reppen.quot;
Poyser en zijn vrouw waren nu gekomen aan het eind van het tweede veld; zij plaatsten nu Totty op den top van een der groote steenen die de grenspalen uitmaakten van het eigenlijk Loam-shire, en wachtten de achterblijvers af, terwijl Totty zelf behaaglijk opmerkte: âDie stoute, stoute jongens â ikke zoet.quot;
De waarheid was dat deze Zondagswandeling door de velden een aanleiding was tot groote opgewondenheid voor Marty en Tommy, die overal in de heggen zich een nieuw drama zagen ontwikkelen, en zich evenmin konden onthouden van stil te staan en toe te kijken als twee das- en speurhonden zouden hebben kunnen doen. Marty was zeker dat hij een vlasvink in de takken van den grooten esscheboom zag, en terwijl hij daarnaar gluurde, miste hij het gezicht van een bunsing met een witte borst die over het pad was heengeloopen, en met veel vuur door den kleinen Tommy beschreven werd. Daarna was er weder een klein groenvinkje, pas in de veertjes, en fladderend over den grond, zoodat niets gemakkelijker scheen dan het te vangen, tot het besloot weg te kruipen achter de braambessestruiken. Hetty was niet te bewegen, eenige aandacht aan deze dingen te schenken, reden waarom Molly, om haar altijd levendige sympathie, telkens door de jongens als getuige werd opgeroepen. Zij keek met open mond, zoo vaak het haar werd bevolen, en zei: âGrut!quot; telkens als men verwachtte dat zij zich verwonderen zou.
Toen Hetty was teruggeloopen en hun had toegeroepen dat tante boos was, repte Molly zich voort met eenige ongerustheid, doch Marty liep vooruit, roepend: âWij hebben het nest van het korhoen
218
TE KEEK.
gevonden, moeder!quot; met het instinctmatig vertrouwen dat men-schen die goede tijding brengen nooit iets misdaan hebben.
âOch kom,quot; zei boerin Poyser, werkelijk alle tucht vergetend onder den invloed dezer aangename verrassing, âdat is een knappe jongen; en waar is het dan?quot;
âBeneden in zoo'n diep gat onder de heg! Ik zag het eerst toen ik naar de groenvink keek. Zij zat op het nest.quot;
âGij hebt haar toch niet aan het schrikken gemaakt?quot; zei de moeder, âanders zal zij het verlaten.quot;
âNeen, ik ging heel stil weg, en heb het Molly ingefluisterd â nietwaar, Molly?quot;
âGoed, goed, komt nu voort,quot; zei boerin Poyser, âen stapt voor vader en moeder met uw zusje aan de hand. Loopt recht voor uw voeten. Zoete jongens kijken naar geen vogeltjes op Zondag.quot;
âMaar, moeder,quot; zei Marty, âu heeft gezegd dat u een halve kroon zoudt geven aan wie het nest van het korhoen vond. Mag ik nu de de halve kroon niet hebben om in mijn spaarpot te doen?quot;
âWij zullen eens zien, mijn ventje; stap nu maar goed door als een knappe jongen.quot;
De ouders wisselden een beteekenisvollen blik van genoegen over de schranderheid van hun eerstgeborene; maar op Tommy's rond aangezicht legerde zich een wolk.
âMoeder,quot; zei hij, half schreiend, âMarty heeft zooveel meer geld in zijn spaarpot dan ik.quot;
âMoetje, ikke ook een halve kroon hebben in mijn spaarpot,quot; zei Totty.
âStil, stil, stil,quot; zei de moeder, âwie heeft ooit van zulke stoute kinderen gehoord? Geen van u krijgt ooit weer zijn spaarpot te zien, zoo gij iiu niet voortmaakt en zorgt dat gij in de kerk komt.quot;
Deze krachtige bedreiging had de gewenschte uitwerking, en de twee laatste velden door trippelden de drie paar kleine beentjes voorwaarts zonder ernstige stoornis, in weerwil van een kleinen vijver met donderpadden, anders gezegd âdomkoppen,quot; waarnaar de knapen begeerige blikken sloegen.
Het vochtige hooi, dat morgen opnieuw gekeerd en uitgespreid moest worden, was geen genoeglijk gezicht voor boer Poyser, die gedurende den hooi- en korenoogst dikwijls eenigen zielestrijd te
219
TE KERK.
doorworstelen had ten aanzien van het nut van den sabbath; maar geen verzoeking zou hem des Zondags hebben kunnen bewegen akkerwerk te verrichten, al was het ook nog zoo vroeg in den morgen ; want waren de ossen van Michiel Holdsworth niet aamechtig neergevallen, terwijl hij ploegde op Goeden Vrijdag? Wel een bewijs dat werken op heilige dagen niet goed kan zijn, en met geen kwaad, hiertoe was Martin Poyser bij zichzelven vast besloten, wilde hij iets te maken hebben. Dus verdiend geld kon nimmer gedijen, meende hij.
âHet doet iemands vingers jeuken om te gaan hooien nu de zon zoo lekker schijnt,quot; merkte hij aan, terwijl men door de Groote Weide ging. âMaar wie verdienen wil tegen zijn geweten, is een zot. Daar hebt gij Jim Wakefield, denzelfden dien zij âJonker Wakefield'' plachten te noemen, hij werkte des Zondags evengoed als in de week, en stoorde zich aan slecht noch braaf, alsof er God noch Duivel bestond. En hoe is het hem vergaan? Den laatsten marktdag heb ik hem zelf zien loopen met een mand sinaasappelen.quot;
âZeer zeker,quot; zei boerin Poyser met nadruk, âwiens lokaas slecht-zijn is, die kan rekenen op een kwade vangst. Het geld dat op die wijs wordt gewonnen, brandt gaten in iemands zak. Ik zou aan onze jongens geen stuiver willen nalaten die niet eerlijk verdiend was. En wat het weer betreft, er is er Een boven die het zendt, en wij moeten er ons naar schikken, en het is niet half zoo'n plaag als de meiden.quot;
Niettegenstaande het geleden oponthoud had de voortreffelijke gewoonte van boerin Poysers klok om den tijd altoos een weinig vooruit te loopen, gemaakt dat zij in het dorp waren toen het nog slechts kwartier voor tweeën was, ofschoon reeds bijna allen, die plan hadden den dienst bij te wonen, binnen de hekken van het kerkhof verzameld waren. Zij die thuis bleven, waren voor. namelijk moeders, zooals Tims Bette, die in de deur van haar woning stond met haar kindje aan de borst, overtuigd â gelijk alle vrouwen in een dergelijke positie overtuigd zijn â dat men verder niets van haar eischen kan.
Het was niet enkel om naar de begrafenis van Thias Bede te zien, dat de lieden op het kerkhof geschaard stonden zoo langen tijd voor de dienst begon â het was zoo hun vaste gewoonte. De vrouwen, het is waar, gingen meestentijds terstond de kerk binnen,
220
TE KERK.
en de pachter-echtgenooten spraken zachtjes onder elkander over den rug der hooge banken heen, de een over haar ziekten, de andere over den geringen baat dien zij gevonden had bij âhet ffoedquot; van den dokter, de derde over lindebloesem en andere huis-
O '
middeltjes ver verkieslijk boven geleerde medicijnen. Zij spraken over de dienstboden, en baar toenemende buitensporigheid in het eischen van hooge loonen, terwijl de hoedanigheid barer diensten van jaar tot jaar verminderde en er tegenwoordig niet één meisje was dat men kon vertrouwen verder dan men haar zag. Zij spraken over den slechten prijs dien baas Dingall, de grossier te Tred-dleston, voor de boter betaalde, en den redelijken twijfel dien men gerechtigd was te koesteren omtrent 's mans moraliteit, niettegenstaande juffrouw Dingall verklaard werd een knappe vrouw te zijn, en allen met haar te doen hadden omdat zij zulk een goed slag van mensch was. Intusschen bleven de mannen buiten, en nauwelijks een enkele onder hen, uitgezonderd de koorzangers, die al neuriënd een gedeeltelijke repetitie moesten houden, kwam in de kerk voor ds. Irwine den stoel beklommen had. Zij vonden geen reden tot grooter haast â wat zouden zij in de kerk uitrichten voor den dienst? â en zagen niet in dat eenige macht in het heelal hun ten kwade kon duiden dat zij buiten bleven om een weinig over âzakenquot; te spreken.
Dirk Cranage ziet er uit als een nieuwe kennis. Hij draagt zijn schoon gewasschen Zondags-gezicht, hetzelfde dat zijn kleindochtertje niet aan kan zien zonder tegen hem te schreeuwen als tegen een vreemde. Maar een geoefend oog zou aanstonds den dorpssmid hebben herkend aan den nederigen eerbied waarmede hij zijn hoed afnam en zijn haren gladstreek voor de pachters. Want Dirk placht te zeggen dat ambachtslieden de kaars moesten vasthouden voor een personage van wien men beweert dat hij even zwart ziet als Dirk-zelf in de week; met welk een schijnbaar zeer onbetamelijk beginsel van levensgedrag hij echter, alles wel beschouwd, meer een deugdzamen dan een oneerlijken stelregel bedoelde: dat namelijk menschen die paarden te beslaan hebben, met achting moeten behandeld worden. Dirk en de ruwere werklieden hielden zich op een afstand van het graf, terwijl het werk dei-begrafenis zijn voortgang had; maar Roode Jiir. en verscheiden arbeiders stonden met ontbloote hoofden om den kuil, als mede-
221
TE KEEK.
treurend met de moeder en de zonen. Anderen plaatsten zich tus-sehen beiden, nu eens de groep bij het graf gadeslaand, dan weder luisterend naar het gesprek van de pachters, die bij de kerkdeur geschaard stonden, en bij wie zich nu Martin Poyser voegde, terwijl zijn familie de kerk binnentrad. Aan den uitersten omtrek van dit groepje stond baas Casson, de waard uit het Wapen van Donnithorne, in zijn indrukwekkende houding â dat is te zeggen, met den voorvinger van zijn rechterhand tusschen de knoopen van zijn vest, zijn linkerhand in zgn broekzak, en zijn hoofd sterk overhangend naar een zijde, over het geheel met het aanzien van een acteur, aan wien niet meer dan een rol van enkele volzinnen werd toevertrouwd, maar die gevoelt dat de toeschouwers duidelijk inzien hoe geschikt hij wezen zou om de leiding van het geheele too-neelstuk op zich te nemen; een zonderling contrast met den ouden Jonathan Burger, die, met de handen op den rug, voorovergebogen stond te kuchen van het asthma, met inwendige minachting voor alle wetenschap die niets rendeerde. Men sprak op eenigszins zachter toon dan gewoonlijk, tot fluisteren genoopt door de stem van ds. Irwine, die het slotgebed van het begrafenisformulier las. Zij hadden allen een woord van medelijden voor den armen Thias Bede overgehad, maar waren nu gekomen op een onderwerp dat hen nader aan het hart ging, namelijk hun eigen grieven tegen Satchell, den zaakgelastigde van hun landheer, die de rol van rentmeester vervulde voor zoover de oude heer Donnithorne die zelf niet waarnam. Want deze edelman was onedel genoeg, zelf zijn pachtgelden te innen en akkoord te maken omtrent den prijs van zijn eigen timmerhout. Dit onderwerp van gesprek was een reden te meer tot fluisteren, aangezien Satchell in persoon ieder oogenblik kon komen opdagen langs den straatweg, gaande naar de kerkdeur. En weldra volgde er volkomen stilte, want de stem van ds. Irwine liet zich niet meer hooren, en de mannenkring om den witten hagedoorn begaf zich in kleine groepjes naar de kerk.
Allen traden ter zijde en stonden met de hoeden in de hand terwijl ds. Irwine voorbijging. Adam en Seth volgden met hun moeder tusschen hen in; want Jozua Eann vervulde de betrekking van doodgraver zoowel als die van voorzanger, en was nog niet gereed om den predikant naar de sakristij te volgen. Maar er was een korte pauze alvorens de treurenden verder gingen: Lijsbeth
222
TE KERK.
toch had zich omgekeerd om nog een blik op het graf te werpen. Ach, er was niets dan de bruine aarde onder den witten doorn! Toch schreide zij heden minder overvloedig dan zij nog gedaan had sinds haar echtgenoots dood; met haar smart vermengde zich een ongewoon gevoel van eigen belangrijkheid, omdat zij âeen begrafenisquot; had, en omdat ds. Irwine een afzonderlijken dienst deed voor haar man; en daarenboven, zij wist dat zoo aanstonds de lijkpsalm te zijner eer zou worden aangeheven. Zij voelde dezen tegenprikkel tegen haar smart nog sterker, nu zij met haar zonen naar de kerkdeur voortwandelde en zij de vriendelijk medelijdende groeten harer mededorpelingen opmerkte.
Moeder en zonen traden de kerk binnen, en een voor een volgden degenen die zich nog buiten bevonden, ofschoon enkelen nog bleven dralen. Het gezicht van squire Donnithorne's rijtuig, dat langzaam den heuvel opreed, deed hen misschien gevoelen dat zij zich niet behoefden te haasten.
Maar nu deed het geluid der bassons en klephorens zich vernemen; de avondzang, het gewone openingslied der godsdienstoefening, was begonnen, en ieder moest nu binnengaan en zich naar zijn plaats begeven.
Ik zal niet zeggen dat het inwendige van de kerk te Hayslope merkwaardig was om eenige andere reden dan om den grijzen ouderdom van haar eikenhouten zitplaatsen â meest groote, vierkante banken, op rijen geschaard aan weerszijden van het smalle schip. Het is waar, het kerkje was rein van de nieuwmodische schandvlek van galerijen. In het koor waren twee nauwe, afzonderlijke banken, midden in de rij aan de rechterhand, zoodat Jo-zua Eann weinig moeite had om, als eerste bas, zijn plaats in te nomen onder de zangers, en onmiddellijk na het gezang naar zijn katheder terug te keeren. De preekstoel en de katheder, oud en grauw als de banken, stonden aan de eene zijde van den boog die leidde naar den Chancel, die insgelijks zijn grijze, vierkante banken had voor squire Donnithorne's familie en dienstboden, Toch verzeker ik u dat deze grijze banken, gevoegd bij de witgepleisterde muren, een zeer aangenamen toon gaven aan het ne-derig gebouw, en zeer wel overeenstemden met de roode gezichten en schitterende vesten der mannen. En te midden van dit
223
TE KERK.
wit en grijs, ontbrak het aan geen warme tinten in de richting van den Chancel, want zoowel de preekstoel als de bank van squire Donnithorne waren bekleed met fraaie kussens van karmozijnrood laken, en, tot sluiting van het perspectief, was er een karmozijnen altaarkleed, met gouden stralen, geborduurd door miss Lydia's eigen hand.
Maar zelfs zonder het karmozijnroode laken zou de indruk verwarmend en opwekkend geweest zijn, toen ds. Irwine den preekstoel beklommen had en liefderijk op de schare der eenvoudigen nederzag â op de geharde mannen van jaren, met gebogen knieën en schouders misschien, maar met nog kracht genoeg om de heggen te snoeien of de daken te dekken; op de hooge, forsche gestalten en grove bronzen gelaatstrekken der steenhouwers en timmerlieden; op het half dozijn welgestelde pachters en hun familiën, met aangezichten zoo rond als bellefleuren, en op de zindelijke oude vrouwen, meestal vrouwen van arbeiders, met het helderwitte randje harer mutsen uitkomend van onder haar zwarte hoeden, en met haar verweerde armen, bloot van den elleboog af en lijdelijk over de borst gekruist. Want niet een van deze oudjes had een boek â waarom ook zouden zij? â geen van haar kon lezen. Maar zij konden enkele âgoede woordenquot; uit het hoofd, en haar verdorde lippen bewogen zich nu en dan in stilte terwijl zij den dienst volgden, wel zonder eenig duidelijk begrip van zin, maar met een eenvoudig geloof in zijn heilzame werking tot afwering van alle kwaad en tot vermenigvuldiging van zegen. Alle aangezichten waren nu zichtbaar, want allen stonden op â de kleine kinderen op de zitplaatsen heenkijkend over den hoogen rand der banken â terwijl de avondzang van den goeden, ouden bisschop Ken werd aangeheven, gezet op een dier opwekkelijke psalm-melodieën wier toon schijnt uitgestorven met het laatste geslacht van predikanten en voorzangers. Melodieën sterven uit, gelijk de fluit van god Pan, met de ooren die ze liefhebben en er naar luisteren. Adam bevond zich heden niet op zijn gewone plaats onder de zangers, want hij zat bij zijn moeder en Seth, en merkte met bevreemding op dat Bartle Massey insgelijks afwezig was â een buitenkansje voor baas Eann, die nu zijn basgeluiden met des te nadrukkelijker zelfbehagen uitstiet en, met een meer dan gewone mate van gestrengheid in zijn blikken, over zijn
224
TE KERK.
bril heen den wederspannigen William Maskery in het aangezicht staarde.
Wees zoo goed en stel u ds. Irwine voor, rond- en nederziende op dit tooneel, in zijn ruime, witte toga, die hem zoo goed stond, met zijn gepoederd haar achterwaarts gekapt, zijn schitterend bruine gelaatskleur en zijn fijnbesneden neusvleugels en bovenlip. Er was een zekere kracht in dat liefderijk en toch scherpzinnig gelaat, gelijk in elk menschelijk aangezicht waaruit een edele ziel u tegenstraalt. En over dat alles henen stroomde de heerlijke Junizon door de oude vensters met hun onregelmatige vakjes van geel, rood en blauw, die liefelijk gekleurde tinten wierpen op den muur aan den overkant.
Ik geloof dat ds. Irwine's blikken, terwijl hij stond en rondzag, heden een oogenblik langer dan gewoonlijk bleven rusten op de vierkante bank, bezet door Martin Poyser en diens gezin. En er was nog een ander paar donkere oogen voor wie het onmogelijk was niet derwaarts te dwalen, en te rusten op dat rond figuurtje van rozerood en wit. Maar Hetty was zich op dat oogenblik van niet een enkelen blik bewust â zij was verdiept in de gedachte dat Arthur Donnithorne welhaast in de kerk komen zou, want het rijtuig moest op dit oogenblik ongetwijfeld voor de kerkdeur staan. Zij had hem in het geheel niet wedergezien sinds zij afscheid van hem had genomen des Donderdag-avonds, in het bosch, en o hoe lang was haar de tijd gevallen! Alle dingen waren sinds dien avond gegaan als altoos: de wonderen toen geschied hadden geen verdere gevolgen gehad: reeds waren zij als een droom. Toen zij de kerkdeur hoorde opengaan, klopte haar hart zoo hevig dat zij niet durfde opzien. Zij gevoelde dat haar tante neeg; zij neeg zelve. Dat moest de oude heer Donnithorne wezen â hij ging altoos voorop â de gerimpelde, kleine, oude man, rondglurend met zijn bijziende oogen naar de buigende en nijgende gemeente. Daarna was zij zich bewust dat miss Lydia voorbijging, en ofschoon Hetty anders zoo gaarne keek naar miss Lydia's nieuwmodisch hoedje, in den vorm van een kolenemmer met een krans van roosjes er om, het hoedje liet haar koud. Maar er volgde geen nijging meer na deze; zij was zeker dat niets anders de deur van de bank voorbijging als de zwarte hoed van de huishoudster, en de mooie, strooien hoed van de kamenier, die eenmaal aan miss Lydia had toebehoord, en daar-
ADAM BEDE. 15
225
TE KERK.
na de gepoederde hoofden van den hofmeester en de lakeien. Neen, hij was er niet; toch zou zij nu eens kijken â het kon zijn dat zij zich vergist had â want zij had Immers nog niet rondgezien? Zij sloeg dus de oogen op en keek beschroomd naar de roode kussens der bank In de Chancel: â daar was niemand dan de oude heer Donnl-thorne, die zijn bril afveegde met zijn witten zakdoek, en miss Ly-dla, die het groote gebedenboek opensloeg, verguld op snede. De kille teleurstelling was te hard om te dragen; zij gevoelde dat zij bleek werd, dat haar lippen beefden; zij was op het punt van te schreien. En Indien, wat zou zij aanvangen? Ieder zou de reden gissen van haar tranen; allen zouden weten dat zy schreide omdat Arthur er niet was. En baas Cralg, met de vreemde kasbloem In zijn knoopsgat, zat haar aan te staren, dat wist zij. Het duurde vreeselijk lang voor de Schuldbelijdenis een aanvang nam en zij knielen kon. Toen evenwel moesten twee groote tranen nedervallen, die echter niemand opmerkte behalve de goedhartige Molly, want haar oom en tante knielden met de ruggen naar haar toegekeerd. Molly, bulten staat zich voor tranen In de kerk eenlge andere oorzaak te denken als flauwvallen, een euvel, haar bij overlevering In onbestemde omtrekken bekend, kreeg uit haar zak een koddig, plat, blauw reukfleschje, en na veel getob met het kurkje, duwde zij het nauwe halsje onder Hetty's neus. âHet ruikt niet, fluisterde zij, meenend dat de groote voortreffelijkheid van oud reukwerk boven nieuw hierin gelegen was: goeddoen, zonder de menschen in den neus te knijpen. Hetty stiet het fleschje korzelig weg, maar deze kleine opwelling van boos humeur deed wat het reukwerk niet zou hebben kunnen doen â zij stelde haar In staat haar tranen af te wlsschen, en al haar krachten In te spannen om geen nieuwe te storten. Hetty bezat een zekere kracht In haar klein, ijdel karakter: zij zou liever alles verdragen hebben dan te worden uitgelachen, of nagewezen te worden anders dan met een uitdrukking van bewondering. Zij zou haar eigen nagels gedrukt hebben In haar teeder vleesch, liever dan aan de menschen een geheim te verraden waarvan zij niet wilde dat zij het wisten.
Welk een afwisseling was er In haar onrustige gedachten en gevoelens, terwijl ds. Irwlne de plechtige Absolutie uitsprak voor haar doove ooren,en gedurende alle volgende gebeden! Toorn grensde van zeer nabij aan haar teleurstelling en behield spoedig de over-
226
TE KEKK.
hand op de gezonde redenen die haar beperkt vernuft wist uit te denken om Arthurs afwezigheid te vergoelijken, in de onderstelling dat hij wezenlijk gaarne zou gekomen zijn, wezenlijk verlangde haar te zien. En op het oogenblik dat zij werktuiglijk van haar knieën oprees, omdat al de overigen opstonden, was de kleur op haar wangen teruggekeerd. Zelfs met een verhoogden gloed, want zij hield kleine, inwendige toespraken tot zichzelve, zeggende dat zij Arthur haatte omdat hij haar dit verdriet berokkende â zij wensehte dat hij ook leed. En toch, terwijl deze zelfzuchtige gedachten haar ziel in opstand brachten, waren haar oogen nedergeslagen op het gebedenboek, en de oogleden met hun donkere franje zagen er uit zoo minzaam als ooit. Dus oordeelde althans Adam Bede, toen hij onder het opstaan een oogwenk tijds den blik op haar sloeg.
Doch Adams denken aan Hetty maakte hem niet doof voor den dienst, veeleer smolt die gedachte bij hem samen met de andere heilige gevoelens, door dezen kerkgang bij hem opgewekt, zooals een zeker bewustzijn van ons geheele verleden en van onze mogelijke toekomst pleegt samen te smelten met de oogenblikken waarin wij diep gevoelen. En voor Adam was deze godsdienstoefening de beste uitweg dien hij zou hebben kunnen vinden tot ontboezeming zijner gemengde gewaarwordingen van berouw, hoop en onderwerping. Die smeekgebeden om hulp, afgewisseld door uitstortingen van geloof en godverheerlijking â die herhaalde antwoorden en die gemeenzame toon der korte zaligsprekingen â dit alles sprak tot zijn gemoed zooals geen andere vorm van aanbidding zou hebben kunnen doen, evenals in de schatting der Christenen van den ouden tijd, van hun kindsheid af gewoon te aanbidden in katakomben, het toortslicht en de lange schaduwen een volmaakter teeken der Goddelijke tegenwoordigheid moeten geweest zijn dan het heidensch daglicht in de straten. Het geheim onzer aandoeningen ligt nimmer in het naakte voorwerp-zelf, maar in zijn teedere betrekking op ons eigen verleden. Geen wonder dat dit geheim den niet-medegevoelenden opmerker ontsnapt; hij zou even goed den bril kunnen opzetten om zich van de geur eener bloem te vergewissen.
Doch er bestond een reden waarom zelfs een toevallig bezoeker van de kerk te Hay slope den dienst aldaar indrukwekkender zou gevonden hebben dan op de meeste dorpen in het koninkrijk
15*
227
TE KEKK.
â een reden die, ik ben ervan overtuigd, mijn lezers ver zijn van te bevroeden. Het was het voorlezen van onzen goeden vriend Jozef Rann. Waar deze eerzame schoenmaker zijn manier van lezen opgedaan had, is een geheim gebleven zelfs voor zijn vertrouwdste bekenden. Ik geloof dat hij haar voornamelijk aan de natuur-zelve te danken had. Zij had iets van haar muziek uitgestort in deze eerlijke, bekrompen ziel, gelijk van haar bekend is dat zij meermalen deed in even enge zielen als de zijne. Zeker is het dat zij hem een fraaie basstem en een muzikaal oor geschonken had; doch ik durf niet zeggen of deze voldoende waren geweest om hem dien vollen, zangerigen toon in te geven, waarop hij de antwoorden uitsprak. Zijn manier om uit een rijken, diepen forto over te gaan in een zachte, meewarige kadans, een kadans die op het einde van het laatste woord wegstierf in een flauwen weergalm, gelijk aan de natrillingen eener schoone violoncel, kan ik om haar krachtigen, kalmen weemoed bij niets beters vergelijken dan bij de ruischende tonen van den herfstwind door de twijgen. Het moge vreemd schijnen, aldus te spreken over het lezen van een dorpsvoorzanger, een man met een roestigen bril, stoppelig haar, een groot achterhoofd en puntige kruin. Maar zoo is en doet de natuur: zij duldt dat een edelman met vorstelijk gelaat en allerhande verheven sentimenten, erbarmelijk uit de maat zingt, en zonder dat hijzelf zich hiervan in het minst bewust is, terwijl zij zorg draagt dat gindsche lomperd met kwalijk ontwikkelde hersenen, die in het hoekje eener herberg een straatdeun zit te neuriën, zoo welluidend en zuiver zingt als een vogel in het woud.
Jozef-zelf was minder trotsch op zijn lezen dan op zijn zingen, en het was steeds met een verhoogd gevoel van zijn eigen gewicht, dat hij zich van den katheder naar het koor begaf. Heden nog meer dan anders. Het was een bijzondere gelegenheid. Een oud man, gemeenzaam bekend in de gansche gemeente, was onverwachts een treurigen dood gestorven â elders dan in zijn eigen bed, de pijnlijkste aller omstandigheden in de schatting van den boer â en nu moest de lijkpsalm gezongen worden ter herinnering aan zijn plotseling verscheiden. Daarenboven, Bartle Massey was niet te kerk, en het effect van Jozefs stem in het koor had geen verduistering te vreezen. Het lied was gezet in een plechti-
228
TE KERK.
gen moltoon. Er trilt in deze oude psalm-melodieën menige zuolit, menige snik, en de woorden:
Gij spoelt ons weg als met een slag des golfs.
Wij gaan voorbij gelijk een droom des nachts,
schenen toepasselijker dan gewoonlijk, in verband met het sterven van den armen Thias. Moeder en zonen luisterden, elk met eigenaardige aandoeningen. Lijsbeth had een onbestemd gevoel dat de psalm haar man goeddeed; het lied maakte een deel uit van die âknappequot; begrafenis, die zij het grooter zonde zou gerekend hebben hem te onthouden, dan hem menigen ongelukkigen dag te bezorgen gedurende zijn leven. Hoe meer er van haar man gezegd, hoe meer er voor hem gedaan werd, hoe veiliger hij wezen zou. Dus was arme Lijsbeths onberedeneerde wijze van te gevoelen dat menschelijke liefde en menschelijk mededoogen een grond van vertrouwen opleveren in een Andere liefde. Seth, die licht aangedaan was, stortte tranen, en trachtte zich te herinneren, zooals hij onophoudelijk gepoogd had te doen sedert zijn vaders dood, al hetgeen hij ooit gehoord of gelezen had van de mogelijkheid dat een enkel oogenblik van bewustzijn, in de laatste ure, ook een oogenblik van vergiifenis en verzoening kan wezen. Stond het niet geschreven in den psalm-zelf die door de gemeente werd aangeheven, dat de Goddelijke handelingen niet worden gemeten of beperkt door den tijd? Adam had nooit moeite gehad een psalm mede te zingen. Vrij wat zorgen en verdriet had hij gekend sinds hij een knaap was, maar deze was de eerste smart die zijn stem deed nokken; en, vreemd genoeg, deze smart werd veroorzaakt doordat de voornaamste aanleiding der zorgen en van dat verdriet voor altoos van zijn zijde was weggenomen. Hij had zijn vader de hand niet kunnen drukken voor zij scheidden, en zeggen: âVader, gij weet het, alles was in orde tusschen ons; ik heb nooit vergeten wat ik als jongen u verschuldigd was; gij vergeeft mij indien ik nu en dan te driftig en te haastig geweest ben!quot; Adam dacht heden weinig of niet aan het harde werk en aan de spaarpenningen die hij aan zijn vader had verspild: zijn gedachten waren onophoudelijk bezig met hetgeen de oude man moest gevoeld hebben in oogenblikken van vernedering, wanneer hij zijn hoofd had gebogen voor de bestraffingen van zijn zoon. Worden de uitbarstingen onzer verontwaardiging met onderwor-
229
TE KERK.
pen stilzwijgen verdragen, dan zijn wij geneigd naderhand te twijfelen, zoo niet aan onze billijkheid, althans aan onze edelmoedigheid: hoeveel te meer wanneer het voorwerp van onzen toorn de eeuwige rust is ingegaan, en zijn of haar gelaat, toen wij het voor de laatste maal aanschouwden, overtogen was met de matte en weerlooze uitdrukking des doods.
,Helaas, altoos hen ik te hard geweest,quot; zei Adam tot zich-zelven. âHet is een groot gebrek in mij dat ik zoo driftig en ongeduldig word wanneer de menschen verkeerd handelen. Mijn hart sluit zich voor hen en ik kan er mijzelven niet toe brengen om hun te vergeven. Ik zie en weet dat mijn fierheid grooter is dan mijn liefde; want ik kon gemakkelijker duizend hamerslagen voor mijn vader doen, dan er mijzelven toe bewegen, hem een vriendelijk woord toe te spreken. En hoogmoed en toorn hielpen ijverig mede aan de hamerslagen. Altoos heeft de duivel de hand in al ons doen en laten; in hetgeen wij onze plichten noemen zoowel als in onze zonden. Het beste dat ik mijn gansche leven gedaan heb, bestond misschien in te doen wat mij het lichtst van allen viel. Ik heb altoos minder moeite gehad te werken dan stil te zitten; maar de groote kunst zou in mijn geval geweest zijn, mijn eigen wil en humeur te beheerschen, en te strijden tegen mijn trots. Op dit oogen-blik verbeeld ik mij, zoo ik vader van avond thuis vond zitten, dat ik anders en beter handelen zou; maar men kan niet weten, â misschien zou niets een les voor ons zijn indien de leering niet te laat kwam. Het is niet meer dan billijk dat wij gevoelen hoe het leven een som is die niemand tweemalen kan overmaken. Wezenlijk herstel van bedreven kwaad is er niet in deze wereld, evenmin als men een verkeerde aftrekking kan verbeteren door een juiste deeling.quot;
Dit was de grondtoon waartoe Adams gedachten onophoudelijk waren teruggekeerd sedert zijn vaders dood, en de plechtige klaagtoon van den lijkpsalm was slechts een uitwendige invloed waardoor de oude gedachten met nieuwe kracht verlevendigd werden. Zulk een invloed van buiten was ook het onderwerp door ds. Ir-wine gekozen, met betrekking op de begrafenis van Thias. Hij sprak kort en eenvoudig over de woorden: âIn het midden des levens zijn wij in den doodquot; â hoe het tegenwoordig oogenblik alles is wat wij het onze kunnen noemen tot het doen van werken der
230
TE KEKK.
barmhartigheid, der rechtvaardigheid, der teederheid jegens de onzen. Oude waarheden altemaal â maar hetgeen wij voor de meest versleten waarheid hielden, wordt ons de nieuwste en indrukwekkendste van alle in de week, waarin onze oogen hebben gestaard op het doode aangezicht van een dergenen die een deel uitmaakte van ons eigen bestaan. Of zegt mij, wanneer men ons een juisten indruk geven wil van de felheid van een nieuw ontdekt en helder licht, laat men het dan niet vallen op de gemeenzaamste voorwerpen, teneinde ons in staat te stellen, de kracht van het licht af te meten naar onze des te levendiger herinnering aan het voormalige halfdonker?
Toen kwam het uitspreken van den zegen, het oogenblik waarop de steeds verheven woorden: âDe vrede Gods die alle verstand te boven gaatquot; schenen samen te vloeien met de kalme namiddagzonnestralen op de gebogen hoofden der gemeente; toen stonden allen bedaard op van hun zitplaatsen; de moeders strikten de hoedjes vast van de kleine meisjes die onder de preek in slaap gevallen waren, de vaders zochten de gebedenboeken by elkander, en de gansche schare stroomde uit door het gewelfd kerkportaal naar het groene kerkhof. Daar vingen zij hun vriendschappelijke buurpraatjes aan, en verrichtten hun eenvoudige plichtplegingen, en deden hun uitnoodigingen voor 's avonds op de thee; want des Zondags was ieder bereid een gast te ontvangen â elk stak dien dag in zijn beste kleederen en in zijn best humeur.
Boer Poyser en zijn vrouw stonden een oogenblik stil aan de kerkdeur; zij wachtten op Adam, ongaarne willende vertrekken voor zij een vriendelijk woord tot de weduwe en haar zonen gesproken hadden.
âGij moet maar goeden moed houden, vrouw Bede,quot; zei boerin Poyser, terwijl zij samen voortwandelden: âechtgenooten moeten tevreden zijn wanneer zij elkander hebben mogen behouden tot hun kinderen zijn opgegroeid en hun haren samen vergrijsden.quot;
âJa, ja,quot; zei boer Poyser, âzij zullen dan niet lang naar elkander hebben te wachten. En gij, gij hebt de twee knapste zonen uit den geheelen omtrek; geen wonder, want ik herinner mij den armen Thias als den schoonsten en breedst geschouder-den knaap dien men met oogen zien kon; en gijzelve, vrouw
231
TB KERK.
Bede, uw rug is rechter dan van de lielft der jonge vrouwen tegenwoordig.quot;
âOch,quot; zei Lijsbeth, â't is een schrale troost voor den schotel, nog sterk te zijn als hij in tweeën is gebroken. Hoe eer men mij onder den doorn legt, hoe beter. Ik ben nu niemand meer van nut.quot;
Adam sloeg nooit acht op de kleine, onrechtvaardige klachten zijner moeder, maar Seth zei: âNeen, moeder, dat moogt gij niet zeggen. Uw zonen krijgen nimmermeer een tweede moeder zooals gij.quot;
âDat is waar, jongen, dat is waar,quot; zei boer Poyer, âen het is verkeerd ons aan de droefheid over te geven, vrouw Bede, net als dat de kinderen schreien omdat de ouders hun iets afnemen. Er is er Een boven, die beter weet dan wij.quot;
âOch,quot; zei boerin Poyser, âhet is een ongelukkig werk, altijd de dooden boven de levenden te trekken. Wij zullen allen eenmaal sterven, zou ik denken â het zou beter zijn, zoo de men-schen werk van ons maakten voor dien tijd, in plaats van er mede te beginnen als wij heen zijn gegaan. Het geeft weinig of men de bloemkool van het vorig jaar al begiet.quot;
âWel, Adam,quot; zei boer Poyser, gevoelend dat de woorden zijner vrouw, als naar gewoonte, eer snijdend dan verzachtend waren, en dat het goed zijn zou van onderwerp te veranderen, âgij zult ons nu eens weder komen opzoeken, hoop ik. Ik heb in zoolang niet eens met u gepraat, en mijn vrouw verlangt dat gij eens komt zien wat er aan te vangen is met haar beste spinnewiel â het is gebroken. Een mooi karweitje voor u â de draaibank zal er bij te pas komen. Grij komt zoo gauw als gij kunt, nietwaar?quot;
Boer Poyser stond stil en keek rond terwijl hij sprak, als om te zien waar Hetty was, want de kinderen liepen vooruit. Hetty was niet zonder gezelschap, en zij had daarenboven meer rozerood en wit aan haar persoontje dan ooit; want in haar hand hield zij de vreemde rood-en-witte kasplant, met een heelen langen naam â een Schotschen naam, dacht zij, omdat de menschen zeiden dat baas Craig, de tuinman, een Schot was. Adam nam de gelegenheid waar om insgelijks rond te kijken, en ik ben overtuigd dat gij niet van hem zult eischen dat hij grooten spijt gevoelde omdat op Hetty's gelaat een pruilende uitdrukking viel waar te ne-
232
TE KERK.
men, terwijl zij luisterde naar het gebabbel van den tuinman. Toch was zij in de diepte van haar hart blijde, baas Craig naast zich te hebben, want zij hoopte van hem te vernemen waarom Arthur niet te kerk gekomen was. Niet dat zij het zou hebben willen vragen, maar zij hoopte dat de mededeeling vanzelf komen zou, want baas Craig, als een man van in eigen oogen meer dan gewoon kaliber, deed zeer gaarne mededeelingen.
Baas Craig werd zelden gewaar of zijn toespraak of zijn beleefdheden al dan niet koel opgenomen werden. Zelfs zeer edeldenken-de en zeer weinig bekrompen menschen zijn onbekwaam, hun gezichteinder verder uit te breiden dan binnen zekere grenzen, en niemand onzer kan zich rekenschap geven van den indruk dien wij maken op Braziliaansche apen met zwakke hersenen â⢠licht mogelijk dat zij niets bijzonders in ons zien. Daarenboven, baas Craig was een man van zeer kalme hartstochten, en reeds sinds tien jaren aarzelend tusschen de betrekkelijke voordeelen, verbonden aan den huwelijken staat of aan dien van vrijgezel. Nu en dan, wanneer hij een weinig opgewekt was door een extra-glas grog, had men hem wel is waar van Hetty hooren zeggen dat âde deerne er nog zoo kwaad niet uitzag,quot; en dat een man âwel erger kiezen kon dan haar;quot; maar bij feestelijke gelegenheden is men geneigd zich sterker iiit te drukken dan gewoonlijk.quot;
Martin Poyser hield baas Craig in eere, als een man âknap in zijn vakquot; en die uitgebreide kennis bezat van gronden en bemesting; maar hij was een minder groote gunsteling van de boerin, die meer dan eens in vertrouwen tot haar echtgenoot gezegd had: âGij zijt zeer ingenomen met Craig, maar ik voor mij vind dat hij veel heeft van een haan die denkt dat de zon is opgekomen alleen om hem te hooren kraaien.quot; â Voor het overige was baas Craig een achtenswaardig hovenier, en het was niet zonder reden dat hij goede gedachten van zichzelven koesterde. Hij had ook hooge schouders en hooge kaakbeenderen, en liet het hoofd voorover hangen, terwijl hij voortliep met de handen in zijn broekzakken. Ik geloof dat zijn stamboom-alleen het voorrecht had Schotsch te wezen, en niet zijn opvoeding; want behalve dat hij sterk brauw-de, verschilde zijn taal weinig van die van het volk van Loam-shire om hem henen. Maar alle tuinlieden zijn Schotten, zooals alle Fransche onderwijzers Parijzenaars zijn.
233
TE KEEK.
âWel, boer Poyser,quot; zei hij, voordat de goede, langzame pachter tijd had om te spreken, âgij zult morgen uw hooi niet binnenhalen, denk ik: het weerglas staat op âveranderlijk,quot; en gij kunt mij op mijn woord gelooven dat er nog stortbuien zullen vallen voor wij vier-en-twintig uur verder zijn. Gij ziet die donkerblauwe wolk daar boven den horizon wel â gij weet immers wat ik bedoel met den horizon, waar het land en de lucht elkander schijnen te ontmoeten?quot;
âJa, ja, ik zie de wolk,quot; zei boer Poyser, horizon of niet. Vlak boven het braakland van Mike Holdswordth; leelijk braakland ook.quot;
âNu, let op mijn woorden. Die wolk zal zich uitbreiden over den hemel, bijna even snel als gij een stuk zeildoek uitspant over uw hooischelven. Het aanzien van de lucht bestudeerd te hebben is geen kinderwerk. De weerkundige almanakken zullen mij niet veel leeren; maar er zijn vrij wat dingen die ik hun zou kunnen doen opmerken, zoo zij mij raadpleegden. En hoe gaat het ü, boerin Poyser? â Denkend over het plukken van de roode bessen, vermoed ik. Gij zult wijs doen met ze te plukken voor zij overrijp zijn, met zulk weder als wij te wachten hebben. Hoe vaart gij, vrouw Bede?quot; ging baas Craig voort, zonder tusschenpoozen, en terwijl hij meteen Adam en Seth toeknikte. âIk hoop dat de spinazie en de kruisbessen, die ik u laatst met Chester zond, goed zullen gesmaakt hebben? Als gij groenten noodig hebt in uw verdriet, weet gij waar gij ze bekomen kunt. Het is genoeg bekend dat ik geen ander mans goed weggeef; want als ik het groote huis heb voorzien, is de tuin verder mijn eigen zaak, en de oude heer zou niet licht een ander vinden, geschikt om dat te ondernemen, en niet velen die zouden willen ook. Maar ik maak goede rekening, dat kan ik u zeggen; ik krijg het geld wel terug dat ik aan mijnheer betaal. Ik zou wel eens willen zien dat een van die hee-ren, die den almanak maken, zoover vooruit zagen als ik doe elk jaar.quot;
âZij zien toch nog al goed vooruit,quot; zei boer Poyser, met het hoofd op zijde gewend, en sprekend op een eenigszins zachten, eerbiedigen toon. âWat kon beter uitkomen dan dat plaatje van den haan met de groote sporen, wiens kop werd afgeslagen door een groot anker, en van den brand, en van de schepen op den achter-
234
TE KERK.
grond? Nu, dat plaatje werd voor Kersttijd gemaakt, en toch is het uitgekomen, zoo zeker als de Bijbel. Ziet gij, de haan betee-kende Frankrijk, en het anker Nelson â en dat hebben zij ons vooruit voorspeld.quot;
âPu-u-u!quot; zei baas Craig. âMen behoeft niet ver vooruit te zien om te weten dat de Engelschen de Franschen kloppen zullen. Ik weet immers van goederhand dat een Franschman die vijf voet haalt al een heele kerel is ? En waar leven zij van ? Meest van lepelkost. Ik heb iemand gekend wiens vader bijzondere kennis aan de Franschen had. Ik zou wel eens willen weten wat die sprinkhanen zouden uitrichten tegen zulke knappe kerels als onze jonge kapitein Arthur. Een Franschman zou verbaasd zijn als hij hem maar zag; zijn arm is dikker dan een Franschman om zijn middel, wil ik wedden; want zij pennen zich in met corsetten, en dat valt hun gemakkelijk genoeg, want er zit van binnen niemendal in.quot;
âWaar is de kapitein, dat hij niet te kerk was?quot; zei Adam. âIk heb hem Vrijdag gesproken, maar hij zei niets van zijn vertrek.quot;
â0, hij is niet verder dan Eagledale, om wat te visschen; binnen weinige dagen zal hij wel terug zijn, want zijn tegenwoordigheid wordt vereiseht bij alle schikkingen en toebereidselen voor zijn meerderjarigheid op den dertigsten Juli. Maar hij gaat graag eens een poosje weg, nu en dan. Hij en de oude heer passen bij elkaar als nachtvorst en bloesems.quot;
Baas Craig glimlachte en knipoogde langzaam terwijl hij deze laatste opmerking maakte; maar het onderwerp werd niet verder uitgesponnen, want men was nu gekomen aan den dwarsweg, waar Adam en het overig gezelschap scheiden moesten. De tuinman zon dezelfde richting hebben moeten volgen, zoo hij niet een uitnoodi-ging voor de thee van boer Poyser aangenomen had. Boerin Foyser ondersteunde het verzoek uit plichtgevoel, want zij zoii het groote schande gerekend hebben, haar buren niet gul te ontvangen in haar huis: persoonlijke ingenomenheid of het tegendeel mocht zich volstrekt niet moeien met deze heilige gewoonte. Daarenboven, baas Craig was altijd overvloeiend van beleefdheid geweest voorde familie op de hoeve, en boerin Poyser verklaarde met de hand op het hart dat zij niets op hem te zeggen had, âen dat het alleen jammer was dat men hem niet voor de tweede maal kon laten uitbroeden, een weinig anders dan de eerste reis.quot;
235
TE KERK.
Zoo gingen Adam en Seth, met hun moeder tusschen hen beiden in, den kronkelenden weg langs, die glooiend afliep naar de vallei, en dan weder hoogerop naar het oude huis, waar droevige herinnering thans de plaats had ingenomen van lange, lange onrast â waar Adam nimmer weder zou behoeven te vragen als hij binnenkwam: âIs vader er niet?quot;
En het andere gezin, met baas Craig tot gast, keerde terug naaide aangename gezellige keuken op de hoeve van het heerenhuis â allen met vrede in het hart, behalve Hetty, die nu wist waar Arthur heengegaan was, maar zich daardoor des te verwarder en te onrustiger gestemd gevoelde. Want zijn afwezigheid scheen geheel vrijwillig te zijn; hij had niet behoeven te gaan â hij zou niet gegaan zijn zoo hij verlangd had haar terug te zien. Zij had een duldeloos gevoel dat nimmer eenig levenslot haar meer gelukkig zou kunnen maken zoo haar visioen van Donderdagavond onvervuld bleef, en op dit oogenblik van kille, barre, wintersche teleurstelling en vertwijfeling zag zij naar de kans om weder bij Arthur te zijn, om zijn liefdevollen blik te ontmoeten, om zijn zoete woorden te hooren, uit met dat vurig verlangen, dat men niet oneigenaardig âden smartelijken groeitijdquot; der liefde zou kunnen noemen.
HOOFDSTUK XIX.
ADAM AAN HET WERK.
Niettegenstaande de profetie van baas Craig, verspreidde zich de donkerblauwe wolk zonder dreigende gevolgen na zich te sleepen. âHet weder,quot; zooals hij den volgenden morgen opmerkte â âhet wederquot; ziet gij, is een kitteloorig ding waarop men niet bouwen kan; een dwaas zal het raden terwijl een wijs man het mis heeft; zoo komen de almanakken aan hun crediet. Het is een van die wisselvallige zaken waarmede de gekken fortuin maken.quot;
Dit onordelijk gedrag van het weder evenwel kon in Hayslope aan niemand mishagen behalve aan baas Craig. Alle handen moesten dezen morgen aan het werk in de weiden zoo ras de dauw was
236
ADAM AAN HET WEEK.
opgetrokken; op elke hoeve verrichtten de vrouw en de dochters dubbel werk, opdat de arbeidsters bij het hooien zouden kunnen helpen, en terwijl Adam door de lanen liep met de gereedschaps-mand op den schouder, hoorde hij het geluid van vroolijk gepraat en hartelijk gelach van achter de heggen opgaan. Het vroolijk gepraat van hooiers is het aardigst op een afstand. Evenals die zekere bellen om den hals der koeien, is het van nabij een eenigszins ruw geluid, en doet somtijds het oor pijnlijk aan; doch in de verte vermengt het zich liefelijk met de andere vreugdevolle geluiden dei-natuur. De spieren der menschen bewegen zich gemakkelijker wanneer hun zielen vroolijke muziek maken, al is dan ook hun vroo-lijkheid van een ietwat grove soort, geheel anders als de vroolijk-heid der kleine vogels.
En misschien is geen enkel oogenblik van een zomerschen dag opwekkender dan dat, waarop de zon begint te triomfeeren over de frischheid van den morgen â wanneer er nog even een klein koeltje over is, om onder den verrukkenden invloed der warmte de afmatting te weren. De reden waarom Adam op dezen tijd dooide lanen wandelde, was dat hij voor het overige van den dag werk had op een buitenplaats, omstreeks drie mijlen verder gelegen, die moest worden in orde gebracht voor den zoon van een naburig landeigenaar; en hij was vroeg in den morgen bezig geweest met het opladen van paneelen en deuren, en schoorsteenmantels op een wagen die hem thans voorging, terwijl Jonathan-zelf te paard was uitgereden om de komst van den wagen af te wachten en de werklieden terecht te wijzen.
Deze kleine wandeling was een uitspanning voor Adam, en onwillekeurig geraakte hij onder de betoovering van het oogenblik. Het was zomermorgen in zijn hart, en hij zag Hetty in den zonneschijn ; een zonneschijn zonder flikkeringen â met schuine stralen trillend tusschen de teedere schaduwen der bladeren. Hij dacht, toen hij haar gisteren de hand toestak bij het uitgaan der kerk, dat op haar gelaat een tintje van meewarige vriendelijkheid lag uitgespreid, zooals hij te voren nooit daarin had opgemerkt, en hij hield dit voor een teeken dat zij eenige sympathie gevoelde voor het leed zijner familie. Arme man! dit meewarig tintje had een geheel andere oorzaak; maar hoe kon hij dat weten'? Wij staren op het eene kleine vrouwengelaat dat wij liefhebben, zooals wij
237
ADAM AAN HET WERK.
staren op het gelaat der moeder-aarde, en zien daarin alle soorten van antwoorden op onze eigene begeerten. Het was onmogelijk voor Adam, niet in te zien dat hetgeen in die week geschied was hem het vooruitzicht op een huwelijk nader gebracht had. Tot hiertoe had hij levendig gevoeld dat een ander man zou kunnen tusschenbeiden komen en bezit nemen van Hetty's hart en hand, terwijl hijzelf zich nog bevond in omstandigheden die hem weerhielden haar te vragen. Zelfs indien hij een sterke hoop had gevoed dat zij hem liefhad â en zijn hoop was lang niet sterk â zou hij te diep gebukt zijn gegaan onder andere plichten om te voorzien in een âthuisquot; voor hemzelven en Hetty â een thuis als waarmede hij kon verwachten dat zij tevreden zou zijn na den overvloed en de geriefelijkheden waaraan zij gewoon was op de hoeve. Zooals alle sterke naturen, had Adam vertrouwen in zijn bekwaamheid om iets tot stand te brengen in de toekomst; maar hij was te kalm berekenend van aard om de zwarigheden, die zich zouden opdoen, gering te schatten. En het zou zoo lang duren! En daar was Hetty, hangend als een roodwangig fruit over den muur van den boomgaard, in het gezicht van iedereen, en iedereen moest naar haar watertanden! Zeker, zoo zij hem heel liefhad, zou zij wel op hem willen wachten. Maar had zij hem lief? Zijn hoop was nooit zoo hoog gerezen dat hij het haar had durven vragen. Hij was scherpzinnig genoeg om op te merken dat haar oom en tante de zaak gaarne zien zouden, en zonder deze aanmoediging zou hij nooit hebben volhard in zijne bezoeken op de hoeve; maar omtrent de gevoelens van Hetty-zelve was het onmogelijk, andere dan zeer wisselvallige gevolgtrekkingen te maken. Zij was als een klein poesje, en had voor ieder die haar naderde dezelfde verleidelijke lieve blikjes ten beste, die niets beduidden.
Maar nu, nu kon hij niet nalaten tot zichzelven te zeggen dat het zwaarste gedeelte van zijn last weggenomen was; dat zelfs nog voor het eind van een volgend jaar zijn omstandigheden zoo zouden kunnen veranderen, dat hij aan een huwelijk zou mogen denken. Het zou altoos een harde strijd zijn met zijn moeder, dat wist hij; zij zou jaloersch zijn van welke vrouw hij ook kiezen mocht, en zij was in het bijzonder ingenomen tegen Hetty â misschien om geen andere reden dan omdat zij vermoedde dat Hetty de vrouw was die hij reeds had gekozen. Het zou nimmer gaan.
238
ADAM AAN HET WERK.
dacht hij, dat zijn moeder met hem in hetzelfde huis bleef wonen wanneer hij getrouwd was; en toch, hoe hard zou zij het vinden wanneer hij haar verzocht hem te verlaten! Ja, hij zou vrij wat moeielijkheden hebben te doorworstelen met de oude vrouw; maar dit was een geval waarin hij haar de sterkte van zijn wil moest doen gevoelen. Wat hemzelven aanging, hij zou het aangenaam gevonden hebben zoo zij allen bij elkander waren blijven wonen tot ook Seth getrouwd was; zij zouden zelfs een weinig bij het oude huis hebben kunnen bijbouwen om wat meer ruimte te maken. Het zou hem leed doen âvan den jongen te scheiden;quot; zij waren hoogstens één dag van elkander verwijderd geweest sedert hun geboorte.
Maar nauwelijks betrapte Adam zijn verbeelding op haar verre vlucht, beschikkingen makend voor een onzekere toekomst, of hij beteugelde zichzelven. âEen mooi gebouw dat ik bezig ben op te trekken, zonder steenen of timmerhout. Ik ben al op de vliering, en heb zelfs het fondament nog niet uitgegraven.quot; Wanneer Adam sterk overtuigd was van eenige waarheid, nam deze in zijn geest den vorm van een beginsel aan; het was een wetenschap waarnaar gehandeld moest worden, evenals naar de wetenschap dat vocht roest veroorzaakt. Misschien lag hierin het geheim van de hardheid waarvan hij zich beschuldigd had; hij had te weinig medegevoel met de zwakheid die daalt in spijt van de voorziene gevolgen. Hoe zullen wij, zonder dit medegevoel, genoeg geduld en liefde verzamelen voor onze struikelende en vallende metgezellen op de lange, wisselvallige reis? Slechts op ééne wijze kan een vastberaden, sterke ziel dit leeren â door de vezelen van het hart zoo vast te woelen om de zwakken en de dwalenden heen, dat men niet alleen de uitwendige gevolgen van hun dwaling, maar ook hun innerlijk lijden âmedemaakt.quot; Dit is een lange en harde les, en Adam had voor het tegenwoordige nog slechts het alphabet van dit lesboek geleerd in den plotselingen dood van zijn vader â een gebeurtenis die, door al hetgeen zijn verontwaardiging had opgewekt, in een oogenblik te vernietigen, eensklaps een stroom had doen opwellen van gedachten en herinneringen aan hetgeen zijn medelijden en zijne teederheid had behooren op te wekken.
Maar het was Adams kracht, niet zijn daarmede in verband staande hardheid, die invloed oefende op zijn overpeinzingen van
239
ADAM AAN HET WERK.
240
dezen morgen. Sinds lang was hij met zichzelven eens geworden dat het verkeerd en dwaas van hem wezen zou, een jong, bloeiend meisje te trouwen, zoolang hij geen ander vooruitzicht had dan toenemende armoede bij een aangroeiend gezin. En zijn spaarpenningen waren zoo dikwijls aangesproken geworden â behalve de schrikkelijke bres daarin geschoten door Seths plaatsvervanger voor de militie â dat hij geen geld genoeg in kas had om zelfs een zeer klein woninkje te meubelen en nog iets weg te leggen voor den kwaden dag. Hij had goede hoop dat hij weldra âvaster in zijn schoenen zou staan,quot; maar hij kon niet berusten bij een onbestemd vertrouwen in zijn arm en in zijn hoofd; hij moest bepaalde plannen hebben, en die terstond ten uitvoer brengen. Aan een compagnieschap met Jonathan Burger viel voor het oogenblik niet te denken â daaraan waren stilzwijgende voorwaarden verbonden die hij niet kon aannemen; maar Adam dacht dat Seth en hij wel een kleine zaak voor henzelven zouden kunnen drijven buiten hun knechtsarbeid om, door zich een niet al te grooten voorraad fijn hout aan te schaffen, en daarvan eenige artikelen huisraad te maken, waarvoor Adams vernuft de grootste verscheidenheid wist uit te denken. Seth zou meer kunnen verdienen door aan verschillende karreweitjes te arbeiden onder Adams opzicht, dan met zijn tegenwoordig knechtswerk; en Adam zou in zijn tusschenuren al het fijne werk doen dat bijzondere zorg vereischte. Het geld, op deze wijze gewonnen, gevoegd bij het goede loon dat hij verdiende als meesterknecht, zou hen weldra in staat stellen vooruit te komen in de wereld, zoo spaarzaam als zij nu voortaan allen zouden leven. Zoo haast dit plannetje in zijn geest vastgesteld was, hield hij zich bezig met nauwkeurige berekeningen omtrent het hout dat gekocht moest worden, en het stuk huisraad dat men het eerst onderhanden nemen zou â een keukenkast van zijn eigen vinding, met zulk een vernuftige aanwending van schuifdeuren en sloten, zulke gemakkelijke hoekjes om kleine proviand in te bergen, en daarbij zoo evenredig van vorm voor het oog, dat elke goede huisvrouw er over in verrukking geraken, en alle graden van smachtend verlangen doorloopen zou tot haar man beloofde haar de kast te zullen koopen. Adam stelde zich boerin Poyser voor, de kast in oogen-schouw nemend met haar scherpen blik, en vergeefs trachtend eenig gebrek te ontdekken; en, natuurlijk, dicht bij boerin Poyser
ADAM AAN HET WERK.
stond Hetty, en van overleggingen en becijferingen werd Adam wederom weggetooverd naar droomen en hopen. Ja, hij zou haar dezen avond gaan zien â het was al zoo lang geleden dat hij niet op de hoeve geweest was. Hij zou gaarne naar de avondschool gegaan zijn, om te zien waarom Bartle Massey gisteren weggebleven was uit de kerk; want hij vreesde dat zijn oude vriend ziek mocht zijn; maar zoo hij de beide bezoeken niet op denzelfden avond doen kon, moest dit laatste tot morgen worden uitgesteld. De begeerte om bij Hetty te zijn en haar eens weder te spreken, was te sterk.
Terwijl hij dit besluit nam, naderde hij het doel van zijn wandeling en hoorde hij het geluid van de hamers, bezig met het oude huis op te knappen. De klank van werktuigen is voor een knap werkman, die zijn vak liefheeft, als de eerste streken van een orkest voor een violist die zijn partij moet spelen in de ouverture; de sterke zenuwen beginnen als naar gewoonte te trillen, en wTat een oogenblik te voren vreugde was, of spijt, of eerzucht, gaat onopgemerkt over in geestkracht. Elke hartstocht wordt kracht, wanneer hij een uitweg vindt uit de beperkte ruimte van ons eigen levenslot in den arbeid van onzen rechterarm, in de behendigheid van onze rechterhand, of in de stille, scheppende werkzaamheid van onzen geest. Sla Adam gade gedurende het overige van den dag, zooals hij daar staat op den steiger met een tweevoets duimstok in de hand, zacht fluitend, terwijl hij er over nadenkt hoe de een of andere moeielijkheid in een dwarsbalk of in een vensterkozijn te overwinnen; of als hij een der jongere werklieden op zijde schuift en diens plaats inneemt om een vracht hout op te tillen, zeggend: âLaat staan, jongen! er zit nog geen pit genoeg in je gebeente;quot; of als hij zijn levendig zwart oog vestigt op een werkman aan de andere zijde van het vertrek, en hem waarschuwt dat zijn afstanden niet juist genomen zijn. Sla dezen breedgeschouderden man gade, met de ontbloots gespierde armen, met het dikke, zwarte haar, dooreen gestreken als betreden weidegras telkens wanneer hij zijn papieren muts afneemt; en met zijn zware barytonstem nu en dan uitbarstend in een luide en plechtige psalm-melodie, alsof hij een uitweg zocht voor een overvloed van kracht, en een oogenblik later zichzelven weder in de rede vallend, zichtbaar achterhaald en verrast door een gedachte die niet in overeenstemming was met zijn lied. Misschien, ADAM BEDE. 16
241
ADAM AAN HET WEBK.
zoo gij niet reeds in het geheim waart ingewijd geweest, zoudt gij niet hebben vermoed welke treurige herinneringen, hoeveel warme genegenheid, welk rusteloos teedere hoop er schuilden in dat athletisch lichaam met de geschonden nagels; in dien onbe-schaafden man, wiens kennis der lyrische poëzie niet verder reikte dan zijn psalmboek en hier en daar een enkele Hymne; die zoo goed als niets afwist van de ongewijde geschiedenis, en voor wien de beweging en de gedaante der aarde, de verandering dei-jaargetijden in dat verre land der verborgenheden lagen, waarvan halve kennis de omtrekken meer doet vermoeden dan zij -ze openbaart. Adam had vrij wat moeite en arbeid te besteden gehad in zijn tusschentijd, om te weten te komen hetgeen hij wist, buiten de geheimen van zijn ambacht, en om zich die bedrevenheid eigen te maken in werktuig- en meet- en materialenkunde, die hem gemakkelijk werd gemaakt door zijn gelukkigen aanleg â vrij wat arbeid om bet meesterschap te verkrijgen over zijn pen, en een duidelijke hand te schrijven, en te spellen zonder andere fouten te maken dan zulke die inderdaad minder voor rekening van den speller dan van het onredelijk karakter der spelkunst komen, en om daarenboven zijn muziek-noten en het partijzingen te leeren. Behalve dit alles had hij zijn Bijbel gelezen, met inbegrip der Apocryphe boeken; voorts den ,Almanak van den armen Richard.quot; âHeilig leven en stervenquot; van Taylor, âdes Pelgrims reize naar de Eeuwigheidquot; van Bunyan, benevens diens Leven en âHeiligen Oorlogquot;; verder een goed deel van den Dictionnaire van Bailey, â Valentyn en Ursyn,quot; en fragmenten van een âGeschiedenis van Babylon,quot; die Bartle Massey hem geleend had. Hij zou nog veel meer boeken van Bartle Massey hebben kunnen bekomen, maar hij had geen tijd om âgewonen drukquot; te lezen, zooals Lijsbeth het noemde, zoo volhandig had hij het met rechtlijnig teekenen in alle vrije oogenblikken die hij niet tot timmeren gebruikte.
Adam, zooals gij ziet, was volstrekt geen soort van wonderman, en ook, eigenlijk gezegd, geen genie. Toch wil ik niet beweren dat hij een alledaagsch karakter was onder de werklieden, en het zou volstrekt geen juiste gevolgtrekking zijn, zoo gij u voorsteldet dat de eerste de beste man, dien gij ontmoeten mocht met een gereed-schapsmand over den schouder en een papieren muts op het hoofd.
2-12
ADAM AAN HET WERK.
243
het krachtig geweten en het krachtig gezond verstand, de vatbaarheid en de zelfbeheersehing van onzen vriend Adam bezat. Hij was geen man waarnaar men de groote menigte afmeten kon. Toch vindt men menschen zooals hij, hier en daar, in elk geslacht van onze werklieden ten platten lande â met erfelijke genegenheden, gevoed door een eenvoudig familieleven van gemeenschappelijke behoeften en gemeenschappelijke vlijt, en met erfelijke geestvermogens, geoefend door vernuftigen en onverschrokken arbeid. Zij komen vooruit in het leven, zelden als genieën, meestal als eerlijke werkzame menschen, toegerust met de bekwaamheid en den wil om de taak die voor hen ligt naar eisch te volbrengen. Hun leven wekt geen verstaanbare echo buiten de streek waar zij wonen, maar bijna altijd zult gij ergens een goed eind puin- of straatweg vinden, een flink gebouw, deze of gene nuttige aanwending van een vergeten watervermogen, deze of gene verbetering in den landbouw, deze of gene hervorming van plaatselijke misbruiken, waaraan hun namen verbonden blijven twee of drie geslachten lang. Hun bazen werden rijker dan zij; de arbeid hunner handen heeft zich goed gehouden, en de arbeid hunner hersenen heeft de handen van anderen wel en gelukkig bestuurd. In hun jeugd droegen zij bombazijnen mouwvesten of papieren mutsen; werkbuizen, zwart van kolengruis of besmoezeld met lijm en roode verf; in hun ouderdom worden hun grijze haren gezien op de eereplaatsen in de kerken en op de markt; en gezeten om den vroolijken haard op winteravonden, verhalen zij met welgevallen aan hun warm gekleede zonen en dochteren, hoe blijde zij waren toen zij voor het eerst twee penny's daags verdienden. Anderen zijn er die arm sterven en in de week nimmer het werkmansbuis afleggen; zij hebben de kunst niet verstaan om in goeden doen te geraken. Maar zij zijn mannen van vertrouwen, en wanneer zij sterven voor zij niet meer kunnen, is het als ware er een belangrijke schroef losgeraakt in de een of andere nuttige machine. De meester dien zij dienden vraagt: âWaar vind ik huns gelijke?quot;
16*
ADAM OP DB HOEVE.
HOOFDSTUK XX.
ADAM OP DE HOEVE.
Adam keerde van zijn werk terug in den ledigen wagen; â dit was de reden dat hij tijd had gehad zich te verkleeden, en gereed was naar de hoeve te gaan, toen bet nog slechts kwartier voor zevenen was.
âWaarom hebt gij uw Zondagsche kleeren aan?quot; vroeg Lijsbeth klagend, toen hij uitgedost beneden kwam. âGij gaat toch niet. naar de school met uw besten rok aan het lijf?quot;
âNeen, moeder,quot; zei Adam bedaard. âIk ga naar boer Poyser op de hoeve: maar misschien ga ik daarna naar de school. Wees daarom niet verwonderd zoo het wat laat wordt. Binnen een half uur zal Seth thuis wezen â hij is maar even naar het dorp gegaan; heb dus geen zorg.quot;
âHé, en waarom hebt gij uw beste pak aan om naar de hoeve te gaan? De Poysers hebben het u immers gisteren zien aanhebben? Wat beduidt het, te doen alsof het Zondag was midden in de week? Ge moest geen omgang willen houden met menschen die u liever niet in uw werkpak zien.quot;
âDag, moeder, ik heb geen tijd,quot; zei Adam, terwijl hij zijn hoed opzette en de deur uitging.
Maar nauwlijks had hij eenige weinige schreden gedaan, of Lijsbeth werd onrustig omdat zij hem boos gemaakt had. Het geheim van haar verzet tegen de beste kleederen lag natuurlijk in haar vermoeden dat zij voor den dag waren gehaald ter wille van Hetty; maar dieper dan haar gemelijkheid school de wensch dat haar zoon haar mocht liefhebben. Zij snelde hem dus na, en lei haar hand op zijn arm, nog voor hij de helft van het glooiend pad naar de beek had afgelegd. âNeen, jongen,quot; sprak zij, âgij moogt niet heengaan en boos wezen op uw moeder, terwijl de arme vrouw niets te doen heeft als alleen te zitten en aan u te denken.quot;
âNeen, neen, moeder,quot; zei Adam ernstig, en stilstaand terwijl hij den arm op haar schouder lei: âIk ben niet boos. Maar ik wenschte, ter wille van uzelve, dat gij er meer genoegen mede kondt
244
ADAM OP DE HOEVE.
nemen mij te laten doen hetgeen waarop ik eenmaal mijn hart gezet heb. Ik zal nimmer anders dan een goed zoon voor u zijn, zoolang wij leven. Maar een mensch heeft nog andere gevoelens behalve die welke hij verschuldigd is aan zijn vader en aan zijn moeder, en gij moet niet naar lichaam en ziel over mij willen heerschen. Gij moet wel weten dat ik niet voor u zal wijken, wanneer ik recht heb mijn zin te doen. Laat er ons dus niet meer over spreken.quot;
âWel,quot; zei Lijsbeth, niet begeerend te toonen dat zij de ware bedoeling van Adams woorden begreep, âen wie zou u liever in uw beste kleeren zien dan uw eigen moeder'? En wanneer gij uw aangezicht gewasschen hebt zoo schoon als de gladde, witte kiezelsteentjes, en uw haar zoo netjes gekamd is, en uw oogen zoo schitteren â waar anders zou uw oude moeder dan half zoo lief naar kijken? Wat mij betreft, gij moogt uw Zondagsche pak aantrekken wanneer gij verkiest â ik zal er u van mijn leven niet weder lastig over vallen.quot;
âAl wel, al wel, dag moeder,quot; zei Adam, haar een kus gevend en zich voortspoedend. Hij zag wel dat er geen ander middel was om een eind aan het gesprek te krijgen. Lijsbeth stond stil waar zij stond, haar oogen met de hand overschaduwend otn hem na te kijken tot hij uit het gezicht was.' Zij besefte ten volle de gansche bedoeling van Adams woorden, en toen zij hem uit het oog verloren had en langzaam naar huis terugkeerde, zeide zij overluid tot zich-zelve â want zoo had zij zich aangewend te doen in de lange dagen wanneer haar man en haar zonen naar hun werk waren: âJa, hij zal mij komen vertellen dat hij haar binnenkort in huis hoopt te brengen en zij zal den baas over mij spelen, en ik zal misschien moeten aanzien dat zij de beste schalen met blauwe randen gebruikt, en ze aan stuk breekt, ofschoon er nooit een van gebroken is sinds mijn oude man en ik ze gekocht hebben, nu haast twintig jaar geleden toekomende Pinksterdag. Ja!quot; ging zij nog luider voort, terwijl zij haar breiwerk van de tafel opnam, âmaar zij zal nooit de kousen van den jongen breien, en ze niet aanbreien ook, zoolang ik leef; en wanneer ik dood ben, zal hij inzien dat niemand ze hem ooit zoo net van pas zal breien als zijn oude moeder deed. Zij weet zeker niet af van minderen, en van den hiel zetten, en zij zal zulke lange teenen breien dat hij niet in zijn laars zal kunnen. Dat komt er van als men zulke jonge deernen trouwt. Ik was de dertig
245
ADAM OP DE HOEVE.
voorbij, en vader ook, toen wij een paar werden, en dat was nog jong genoeg. Als zij dertig is, zal ze een ongelukkige tobster wezen, met dat jonge trouwen, voordat de kies van verstand nog doorgekomen is.quot;
Adam wandelde zoo stevig door dat hij aan het bek van de werf was gekomen nog voor het zeven uur geslagen had. Martin Peyser en grootvader waren nog niet teruggekeerd van het veld; iedereen was op het veld, zelfs de bruin-en-zwarte das; niemand hield wacht op de werf behalve de bulhond, en toen Adam de huisdeur bereikte, die wijd openstond, zag hij dat de heldere, zindelijke keuken ledig was. Maar hij giste waar boerin Poyser, en nog iemand anders, zouden te vinden zijn, niet ver van daar. Hij klopte dus aan en vroeg met luide stem; âIs boerin Poyser thuis?quot;
âKom binnen, meester Bede, kom binnen,quot; riep de boerin uit het karnhuis. âMeester Bede,quot; altijd gaf zij Adam dezen titel wanneer zij hem in huis ontving, âgij moogt vrij in het karnhuis komen, zoo gij wilt, want ik kan op dit oogenblik niet van de kaas af.quot;
Adam begaf zich naar het karnhuis, waar boerin Poyser en Nancy bezig waren de eerste avondkaas te persen.
âGij zoudt wel denken dat gij in een uitgestorven woning kwaamt,quot; zei de boerin, terwijl hij in den deurpost staan bleef; âzij zijn allen naar het veld, maar mijn man zal zeker spoedig thuiskomen, want zij laten het hooi van nacht op hoopen staan, om het morgen ochtend vroegtijdig binnen te halen. Ik ben genoodzaakt geweest Nancy thuis te houden, omdat Hetty van avond de roode bessen moest plukken; de vruchten worden altoos rijp op ongelegen tijden, als iedereen de handen vol heeft. En aan de kinderen kan men het pluKken niet toevertrouwen, want zij steken meer bessen in hun mond dan in de mand; d» wespen zouden het hun nauwlijks verbeteren.quot;
Adam brandde van verlangen, te zeggen âdat hij maar in den tuin zou gaan tot boer Poyser kwam,quot; maar hij had den moed niet. Dus zei hij alleen: âIk kon wel eens naar uw spinnewiel zien, en kijken wat er aan te doen is. Misschien staat het ergens waar ik het vinden kan?quot;
âNeen, ik heb het weggezet in de zijkamer aan de rechterhand ; maar laat het maar staan tot ikzelve het kan halen om u de kwaal te toonen. Gij zoudt mij genoegen doen, zoo gij nu
246
ADAM Or DE HOEVE.
naar den tuin woudt gaan, en aan Hetty zeggen dat zij Totty binnenzendt. Het kind zal aanstonds naar huis komen wanneer het haar gelast wordt, daarvan ben ik zeker, en Hetty laat haar vast te veel bessen eten. Gij zult mij zeer verplichten, meester Bede, met haar bij mij te zenden. Onze bonte roos staat overheerlijk te bloeien in den tuin â die zult gij ook wel eens willen zien. Maar misschien wilt gij eerst wel een napje wei drinken; ik weet, gij houdt van wei, zooals de meeste menschen doen die haar niet behoeven uit te persen.quot;
âHeel gaarne, boerin Poyser,quot; zei Adam; âeen teugje wei is altijd een traktatie voor mij. Liever alle dagen wei dan alle dagen bier.quot;
âJa, ja,quot; zei de boerin, een kleine, witte kom krijgend, die op de plank stond en haar in de weitobbe doopend; âwarm brood ruikt lekker in ieders neus behalve in dien van den bakker. De dames Irwine zeggen altoos: âO, boerin Poyser, ik benijd u uw karnhuis, en ik benijd u uw kuikens, en wat een heerlijk ding is toch zulk een boerderij!quot; Maar ik zeg: Jawel, een boerderij is een best ding voor wie haar zien aan den buitenkant, en niet afweten van het getob en gezwoeg en gezweet dat er aan vast is om aan de binnenzijde den boel in orde te houden.quot;
âNeen, boerin Poyser, gij zoudt toch niet gaarne elders willen leven als op uw boerderij, gij die haar zoo goed weet te besturen,quot; zei Adam, ile kom aannemend; âen is iets aangenamer voor het oog dan een schoone melkkoe, staande tot aan hare knieën in het hooge gras, en de melk schuimend in den emmer, en de versche boter gereed voor de markt, en de kalven, en de hoenders? Op uw gezondheid, boerin Poyser, en dat gij altijd de kracht moogt hebben om het oog te houden op uw eigen karnhuis, en een voorbeeld te geven aan alle pachtersvrouwen in den omtrek.quot;
Re boerin was niet te betrappen op de zwakheid van te glimlachen om een compliment, maar een stil welbehagen verspreidde zich over haar gelaat als een doorbrekende zonnestraal en gaf een zachter glans dan gewoonlijk aan haar blauwgrijs oog, terwijl zij Adam aanzag die zijn wei dronk. Ach, het is alsof ik die wei op dit oogenblik met mijn lippen proef â met een geur zoo fijn, dat men haar nauwlijks van reukwerk zou onderscheiden, en zoo stree-lend warm, dat zij iemands verbeelding overgiet met een stillen,
247
ADAM OP DE HOEVE.
zaligen droomlust. Ik hoor de lichte kadans van het droppelend vocht in mijn ooren ruischen, vermengd met het tjilpen van een vogeltje buiten het koperdraden traliewerk voor het raam â het raam dat op den tuin uitziet, en dat overschaduwd is door groote provincie-rozen.
âNog een weinig, meester Bede?quot; vroeg boerin Poyser, toen Adam de kom nederzette.
âNeen, dank u. Ik zal nu naar den tuin gaan, en de kleine meid binnensturen.quot;
âWees zoo goed, ja; en zeg haar dat zij bij haar moeder komt in het karnhuis.quot;
Adam ging de open plaats langs, voor de hooischelven bestemd doch waar zich op dit oogenblik geen schelven bevonden, naar het kleine houten hekje dat toegang verleende tot den tuin â weleer de keurig onderhouden moestuin eener buitenplaats; thans, behalve den knappen, gemetselden muur met arduinsteenen kap, die langs den eenen kant liep, een echte boerentuin, met door weer en wind het gansche jaar heenbloeiende bloemen, met ongesnoeide vrucht-boomen, met keukengroenten en achteloozen en half verwaarloosden overvloed door elkander groeiend. In dat blad- en bloem- en struikrijk jaargetijde naar iemand in zulk een tuin te zoeken, was zoo goed als verstoppertje te spelen. Hooge dahlia's, sedert kort aan het bloeien en de oogen verblindend met hun rood en wit en geel; late seringen en provincie-rozen, breed uitgegroeid en wanordelijk uit gebrek aan verpleging; groene muren, bedekt met purperen boonen en tweede erwten; een boschje hazelnoten aan den eenen kant, en aan den anderen een uitgestrekten appelboom met een ledigen cirkel onder zijn laag afhangende takken â men vond er van alles. Maar wat beduiden een paar ledige plekjes? De tuin was zoo groot. Er was altijd overvloed van groote boonen â negen of tien van Adams wijde stappen waren noodig om het einde te bereiken van het ongemaaide graspad dat er langs liep, en wat andere groenten betreft, daarvoor was zooveel ruimte over, dat ieder jaar bij de verwisseling van grond hier of daar een plek openbleef. Zelfs de rozestruiken, waarvoor Adam stilstond om een roos te plukken, schenen in het wild te groeien; zij waren aan kleine boschjes bij elkander geplant, en prijkten op dit oogenblik met wijd uitgespreide bladeren, meest alle van die rood-en-wit gestreepte soort,
248
ADAM OP DE HOEVE.
wier naam dagteekent van de samensmelting der beide huizen van York en Lancaster. Adam was wijs genoeg, een volle provincieroos te kiezen, door haar schitterende, doch geurlooze geburinnen half verdrongen en slechts even zichtbaar. Hij hield haar in de hand â hij dacht meer op zijn gemak te zullen zijn indien hij iets in de hand had â terwijl hij naar het achtereind van den tuin voortwandelde, waar hij zich herinnerde dat de besseboompjes op rijen stonden, niet ver van het groote iepen prieel.
Maar hij was nog niet veel verder gekomen dan de rozen, toen hij een boom hoorde schudden en een jongensstem vernam, roepend:
âNu, Totty, houd uw boezeltje dan op â daar is een heele boel.quot;
De stem kwam uit de takken van een grooten kerseboom, waarin Adam zonder moeite een klein persoontje gewaar werd in een blauwen kiel, gemakkelijk neergehurkt in het hoekje waar de meeste kersen bloosden. Ongetwijfeld was Totty beneden, achter het scherm van doperwten. Al zijn leven â met haar hoed hangend op haar rug, en haar dik gezichtje, vreeselijk besmeerd met het roode sap, opgeheven naar den boom, terwijl zij de ronde opening van haar mondje en haar rood bevlekt boezeltje ophield om de toegezegde lading te ontvangen. Het spijt mij dat ik het zeggen moet, doch meer dan de helft der nedervallende kersen waren hard en geel, in plaats van sappig en rood, doch Totty verspilde geen tijd in nuttelooze klachten, en was reeds bezig de derde der sappigsten op te zuigen, toen Adam zei; âZie zoo, nu hebt gij uw kersen, Totty. Loop er nu gauw mede naar huis, naar uw moeder â zij roept u â zij is in het karnhuis. Loop hard, als een zoete meid.quot;
Hij tilde haar op in zijn sterken arm en kuste haar terwijl hij sprak, welke plichtpleging door Totty werd aangemerkt als een vervelende stoornis te midden van het kersen eten, en toen hij haar nederzette, trippelde zij zwijgend voort naar huis, op haar kersen zuigend onder het gaan.
âTommy, jongen, pas op dat men niet op u schiet als op een kleinen roofvogel,quot; zeide Adam, terwijl hij naar de besseboomen voortwandelde.
Hij onderscheidde een groote mand aan het eind van de rij; Hetty kon dus niet ver meer af wezen, en Adam had een gevoel
249
ADAM OP DE HOEVE.
alsof zij reeds naar hem keek. Evenwel, toen hij dien hoek omsloeg, stond zij met den rug naar hem toe, zich bukkend om de laag nederhangende vruchten te plukken. Vreemd dat zij hem niet had hooren komen! Misschien was het doordat zij de bladeren deed ritselen. Zij schrikte toen zij bemerkte dat iemand in de nabijheid was â schrikte zoo hevig dat zij de kom met bessen vallen liet, en toen zij zag dat het Adam was, werd zij van bleek gloeiend rood. Deze blos deed zijn hart kloppen van nieuw geluk. Hetty had te voren nooit gebloosd wanneer zij hem zag.
âIk heb u doen schrikken,quot; zei hij, met een verrukkelijk gevoel, dat het er niet op aankwam hoe hij zich uitdrukte, nu Hetty hetzelfde scheen te gevoelen als hij; âlaat mij de bessen oprapen.quot;
Dit was spoedig gedaan, want zij waren op een grooten hoop in het gras gevallen, en Adam, toen hij opstond en haar de kom teruggaf, keek haar recht in de oogen met die ingetogen tee-derheid die eigen is aan de eerste oogenblikken van hoopvolle liefde.
Hetty wendde de oogen niet af; haar blos was verdwenen en zij ontmoette zijn blik met een rustige treurigheid, die Adam tevreden stelde, omdat het vorige zoo iets geheel anders was als hetgeen hij ooit te voren in haar gezien had.
âEr zijn niet veel bessen meer te plukken,quot; zei zij, ik zal zoo aanstonds gedaan hebben.quot;
âIk zal u helpen,quot; zei Adam, en hij haalde de groote mand, reeds bijna vol, en zette haar dicht bij hen neder.
Geen woord werd verder gesproken terwijl zij de bessen plukten. Adams hart was te bezig om te kunnen spreken, en hij dacht dat Hetty wist al wat er in dat hart omging. Zij was dan toch niet onverschillig voor zijn tegenwoordigheid; zij had gebloosd toen zij hem zag, en dan â er was zoo iets treurigs in haar, dat liefde moest aanduiden, omdat het 't tegenovergestelde was van haar gewone zijn, dat dikwerf op hem den indruk gemaakt had van onverschilligheid. En ongemerkt kon hij onophoudelijk naar haar kijken, terwijl zij zich over de struiken heenboog, en de schuine stralen van de avondzon heendrongen door de dichte twijgen van de appelboomen, en rustten op haar rooden wang en hals, als waren ook zij verliefd op haar. Dit was voor Adam het
250
ADAM OP DE HOEVE.
oogenblik dat een man liet minst kan vergeten in zijn volgend leven â het oogenblik wanneer hij gelooft dat de eerste vrouw die hij ooit heeft liefgehad door een nauw merkbaar iets, door een woord, een stembuiging, een blik, het trillen van lip of ooglid, verraadt dat zij ten minste aanvangt ook hem lief te krijgen. Het teeken is flauw, nauwlijks te onderscheiden voor oog of oor â hij zou het aan niemand kunnen beschrijven â het is niet meer dan de zachte aanraking van een donzen veertje. Toch schijnt het zijn geheele wezen veranderd te hebben; zijn onrustig verlangen is overgegaan in een verrukkelijk vergeten van alles behalve het tegenwoordig oogenblik. Zeer veel van onze eerste blijdschap wordt geheel weggevaagd uit ons geheugen; wij kunnen ons nooit de vreugde herinneren waarmede wij ons hoofd ne-dervleiden aan de borst onzer moeder, of paard reden op den rug van onzen vader. Ongetwijfeld, die vreugde werd in onze natuur opgenomen, gelijk het zonlicht van langverleden morgens opgenomen is in de zoete weekheid van den abrikoos; maar zij is voor altoos uit onze voorstelling verdwenen, en wij kunnen slechts âgeloovenquot; aan de vreugde der kindsheid. Het eerste blijde oogenblik in onze eerste liefde daarentegen is een visioen, dat levenslang tot ons wederkeert. Het brengt een trilling van levendig en eigenaardig gevoel met zich, als de terugkeerende gewaarwording van een liefelijken geur, ingeademd in een langverleden, gelukkig uur. Het is een herinnering die iets teeders geeft aan onze tee-derheid zelve, die voedsel is voor den waanzin der jaloezie, en de laatste bitterheid toevoegt aan den doodsangst der wanhoop.
Hetty, zich vooroverbuigend over de roode trossen; de schuine zonnestralen heendringend door het scherm der appel-twijgen; de lange, dichtbegroeide tuin op den achtergrond; zijn eigen gevoel terwijl hij naar haar keek, en dacht dat het niet noodig was dat zij samen spraken â Adam herinnerde zich dat alles tot het laatste oogenblik zijns levens.
En Hetty ? Gij weet dat Adam zich in haar vergiste. Gelijk aan menig ander man gebeurd en overkomen is, hij dacht dat de teekenen van liefde, gewijd aan een derde, teekenen van liefde waren voor hemzelven. Toen Adam haar ongemerkt naderde, was zij als gewoonlijk verdiept in gedachten over en gissingen omtrent Arthurs mogelijke terugkomst; de klank van den voetstap van elk
251
ADAM OP DE HOEVE.
ander man zou haar juist op dezelfde wijze hebben aangedaan â zij zou gevoeld hebben dat het Arthur wezen kon voor zij tijd had om op te kijken, en het bloed dat van haar wang wegvloeide in de ontroering van dat oogenblikkelijk gevoel, het zou zijn teruggestroomd op het zien van ieder ander even goed als op het zien van Adam. Hij vergiste zich niet hierin, dat er een verandering over haar gekomen was; de angsten en vreezen van een eersten hartstocht, die haar beroerden, waren sterker geworden dan haar ijdelheid. Zij hadden haar voor de eerste maal dat besef van afhankelijkheid van een anders gevoelens geschonken, dat den hulpbehoevenden en naar hulp uitzienden vrouwelijken geest wakker maakt, zelfs in het meest alledaagsche meisje, en dat in haar een gevoeligheid schept voor vriendelijke woorden, waarvoor zij anders geheel koud bleef. Voor de eerste maal gevoelde Hetty dat er voor haar iets liefelijks was in Adams beschroomde, doch mannelijke teeder-heid; zij had behoefte, met minzaamheid bejegend te worden. â⢠O, het was zeer hard, deze leegte van afwezigheid, van stilzwijgen, van schijnbare onverschilligheid te dragen, na die oogenblikken van vurige liefde! Zij was niet bang dat Adam haar zou kwellen met minnekoozerij of vleiende praatjes, zooals haar andere bewonderaars â hij was altijd zoo ingetogen jegens haar geweest; â zonder eenige vrees kon zij het bewustzijn genieten dat deze krachtige man haar liefhad en in haar nabijheid was. Het kwam haar slechts niet voor den geest dat Adam insgelijks te beklagen was â dat ook Adam eenmaal zou moeten lijden.
Hetty, gelijk bekend is, was niet de eerste vrouw die vriendelijker werd jegens den man die haar te vergeefs liefhad, sinds zij zelve begonnen was een ander lief te hebben. Het was een oude geschiedenis. Doch Adam kende deze geschiedenis niet, en zoo dronk hij de zoete begoocheling met lange teugen in.
âZoo zal het wel gaan,quot; zei Hetty na een poos. âTante heeft gezegd dat ik nog wat aan de boompjes laten moest. Ik zal ze nu binnenbrengen.quot;
âGoed dat ik gekomen ben om de mand te dragen,quot; zei Adam, âwant zij zou te zwaar geweest zijn voor uw zwakke armpjes.quot;
âNeen, ik zou haar wel hebben kunnen dragen met beide handen.quot;
âO, zeker wel,quot; zei Adam glimlachend, âen zoudt zoo lang on-
252
ADAM OP DE HOEVE.
derweg zijn gebleven als een kleine mier die een rups draagt. Hebt gij ze nooit gezien, die tengere diertjes, met pakken op den rug viermalen grooter dan zijzelve?quot;
âNeen,quot; zei Hetty onverschillig, en volstrekt niet begeerig naar verdere inlichting omtrent de moeielijkheden, verbonden aan het mierenleven.
âO, ik heb ze dikwijls gadegeslagen toen ik een kleine jongen was. Maar nu, ziet gij, nu kan ik de mand met den eenen arm dragen, alsof het een ledige notedop was, en den anderen arm kan ik u geven om op te steunen. Wilt gij niet? Zulke groote armen als de mijne zijn gemaakt voor kleine armen als de uwe, om op te rusten.quot;
Hetty glimlachte flauw, en lei haar arm in den zijnen. Adam zag op haar neder, maar haar oogen waren droomerig afgewend naar den anderen kant van den tuin.
âZijt gij ooit te Eagledale geweest?quot; vroeg zij, terwijl zij langzaam voortwandelden.
âJa,quot; zei Adam, blijde dat zij hem een vraag omtrent hemzelven deed, âtien jaren geleden, toen ik een aankomende jongen was, ging ik met vader naar een zeker werk daar zien. Het is een wonderlijk oord â rotsen en holen zooals gij van uw leven nooit meer hebt gezien. Ik had nooit een goed denkbeeld van rotsen, voordat ik daar geweest was.quot;
âHoeveel tijd heeft men noodig om er heen te gaan?quot;
âWij hebben er nagenoeg twee dagen over gewandeld. Maar het is maar een dagreis voor iemand die een goed paard heeft. De kapitein zal er wel binnen de negen of tien uur wezen, wil ik wed. den; hij is zulk een best ruiter. En het zou mij niet verwonderen zoo hij morgen reeds terug was; hij is veel te bedrijvig om lang op die eenzame plaats te blijven, en geheel alleen, want er is niets als een klein herbergje in dat gedeelte waarheen hij gegaan is om te visschen. Ik wenschte dat het landgoed in zijn handen kwam; dat zou een best ding voor hem wezen, want het zou hem vrij wat te doen geven, en hij zou de zaken behartigen ook, al is hij nog zoo jong; hij heeft een beter begrip van de dingen dan menig man die tweemaal zoo oud is. Hij heeft mij laatst een mooi aanbod gedaan; hij wilde mij geld leenen om zaken te beginnen, en wanneer het eenmaal zoover kwam, zou ik liever hem tot schuldeischer hebben dan iemand anders.quot;
253
ADAM OP DE HOEVE.
Anne Adam gevoelde aandrang om over Arthur te spreken, wijl hij dacht dat Hetty het aangenaam zou vinden, te weten dat de jonker zoo bereid was om hem te bevoordeelen; deze omstandigheid stond in verband met zijn vooruitzichten voor de toekomst, en hij wenschte dat die vooruitzichten veelbelovend mochten zijn in haar oogen. En waar was het dat Hetty luisterde met een belangstelling, die een nieuw licht in haar blik en bijkans een lachje op haar lippen bracht.
âWat staan de rozen mooi,quot; ging Adam voort, terwijl hij stilhield om naar de bloemen te zien. âKijk, ik heb de mooiste gediefd, maar niet met het doel om haar zelf te behouden. Ik vind de elfen roode met haar fijne, groene blaadjes fraaier dan de bonte, gij ook niet?quot;
Hij zette de mand neder, en nam de roos uit zijn knoopsgat.
âZij ruikt overheerlijk,quot; zei hij, âsteek haar tusschen den band van uw boezel, dan kunt gij haar naderhand in het water zetten. Het zou jammer wezen haar te laten verwelken.quot;
Hetty nam de roos aan, glimlachend op de aangename gedachte dat Arthur zoo spoedig zou kunnen terugkomen als hij slechts verlangde. Een straal van hoop en geluk viel in haar ziel, en met een plotselingen aanval van vroolijkheid, deed zij wat zij te voren dikwijls gedaan had â zij stak de roos in haar lokken, een weinig boven het linker oor. De teedere bewondering in Adams gelaat werd overschaduwd door een onwillekeurig gevoel van weerzin. Hetty's liefde tot opschik was juist hetgeen zijn moeder het meest tegen haar innemen zou, en hemzelf mishaagde die lust â in zoover iets wat haar betrof ooit in staat zijn kon hem te mishagen.
âO,quot; zei hij, ânu doet gij zooals de dames op de schilderijen, daarginder op het kasteel; meest allen hebben zij bloemen of vee-ren of gouden dingen in het haar; maar ik zie ze toch niet gaarne. Zij herinneren mij altijd aan de geschilderde vrouwen buiten op de kermistenten te Treddleston. Wat zou een vrouw ooit beter kunnen tooien dan haar eigen haar, wanneer het krult zooals het uwe? Als een vrouw jong en mooi is, dunkt mij dat zij er beter uitziet naarmate zij eenvoudiger gekleed is. Daar hebt gij Dina Morris: ziet zij er niet heel lief uit, al draagt zij zulk een eenvoudige muts en japon? Het komt mij voor dat een vrouwen gezichtje geen bloe-
254
ADAM OP DE HOEVE.
men noodig heeft; het is zelf als een bloem. Het uwe althans.quot;
,0, heel goed,quot; zei Hetty plagend en met een pruilend lipje, terwijl zij de roos uit haar lokken nam. âIk zal een muts als die van Dina opzetten als wij thuis komen; dan kunt gij zien of die mij beter staat. Zij heeft er een achtergelaten â er is dus een model bij de hand.quot;
âNeen, neen, ik verlang niet dat gij een Methodisten-muts zult dragen, zooals die van Dina. Het is stellig een zeer leelijke muts, en vroeger dacht ik, wanneer ik haar hier zag, dat het dwaas van haar was, zich zoo anders te kleeden als andere menschen. Ik heb haar eigenlijk nooit goed opgemerkt voor zij verleden week bij mijne moeder kwam, doch toen vond ik dat de muts bij haar gelaat voegde, zocals het kopje van den eikel bij den eikel past. Maar gij hebt een ander soort van gelaat, en ik zie u het liefst zooals gij nu zijt, zonder iets anders dan uw eigen natuurlijk gezicht. Het is er mede als met een man die een lied zingt en goed zingt; het geluid van rinkelende bellen kan er zonder schade bij gemist worden.quot;
Hij nam haar arm en lei dien weder in den zijnen. Hij vreesde dat zij hem verdenken zou van haar de les te hebben willen lezen, en verbeeldde zich, zooals wij allen geneigd zijn te doen, dat zij de gedachten, die hij slechts half uitgesproken had, alle had geraden. En hetgeen hij meest vreesde was, dat een wolk zou komen ne-derstrijken over het geluk van dezen avond. Voor niets ter wereld zou hij Hetty van zijn hartstocht hebben willen spreken voordat deze aanvankelijke vriendelijkheid jegens hem zou zijn overgegaan in onmiskenbare liefde. In zijn verbeelding zag hij lange jaren van zijn volgend leven voor zich uitgestrekt, gezegend met het recht, Hetty de zijne te noemen; voor het tegenwoordige kon hij met zeer weinig tevreden zijn. Hij nam dus de mand met roode en witte bessen weder op, en zij wandelden voort naar huis.
Het tooneel aldaar was geheel veranderd sinds het half uur dat Adam in den tuin had doorgebracht. De werf was nu vol leven. Marty liet de kakelende ganzen door het hek binnen en plaagde ondeugend den gent door tegen hem te sissen. De deur van den graanzolder knarste op haar hengsels toen Alick haar sloot, nadat hij het koren uitgedeeld had. De paarden werden buiten gebracht om te drinken, onder zoo vele âHot! Hei's!quot; van Tim, den wagen-
255
ADAM OP DE HOEVE.
knecht, alsof de zware dieren, die hun zachtmoedige, verstandige koppen naar den grond gebogen hielden en hun ruige pooten doodbedaard verplaatsten, anders in het wilde zouden voortgeloopen zijn. Iedereen was van het veld teruggekomen, en toen Hetty en Adam de keuken binnentraden, was boer Poyser gezeten in den driehoekigen stoel, en de grootvader in den grooten armstoel tegenover hem, toeziend met blijde verwachting terwijl het avondeten op de eiken tafel werd opgezet. Boerin Poyser had zelf het tafellaken gespreid een â tafellaken van eigengesponnen linnen met een glanzig geruit patroon, en van een aangename witachtig-bruine kleur zooals alle verstandige huisvrouwen gaarne zagen â niet van dat gebleekte âwinkel-voddengoed,quot; dat in een oogenblik met gaten viel, maar kostelgk eigengesponnen, in staat minstens twee geslachten te duren. Het koude kalfvleesch, de frissche salade, de gevulde varkensrib waren wel geschikt om hongerige mannen, die omstreeks half één voor het laatst gegeten hadden, te doen watertanden. Op de groote dennenhouten tafel tegen den muur stonden helder geschuurde tinnen borden en lepels en kannen gereed voor Alick en zijn metgezellen, want de meester en zijn bedienden gebruikten hun avondeten niet ver van elkander, hetgeen des te gemakkelijker was, omdat indien aan boer Poyser een opmerking omtrent het werk voor morgen inviel, Alick bij de hand was om naar hem te luisteren.
âWel, Adam, blij dat ik u zie,quot; zei de boer. âZoo, hebt gij Hetty geholpen aan het bessen plukken? Kom, ga zitten, ga zitten. Wel, het is vast niet minder dan drie weken geleden dat gij uw laatste stuk brood bij ons gegeten hebt; en de vrouw schaft juist een kostelijke gevulde rib. Ik ben blij dat gij gekomen zijt.quot;
âHetty,quot; zei boerin Poyser, terwijl zij in de mand met bessen keek om te zien of de vruchten mooi en groot waren, âloop gauw naar boven, en zend Molly beneden. Zij brengt Totty naar bed, en moet bier tappen, want Nancy is nog bezig in het karnhuis. Zorg gij dus voor het kind. Maar waarom hebt gij haar met Tommy van u laten wegloopen, en haar zooveel vruchten laten eten dat zij geen stukje brood of vleesch naar binnen krijgen kon?quot;
Dit werd gezegd op zachter toon dan gewoonlijk, terwijl boer Poyser met Adam sprak; want de boerin handelde strikt en nauwgezet naar haar eigen regelen van betamelijkheid, en zij was van
256
ADAM OP DE HOEVE.
oordeel dat een jong meisje niet scherp mocht worden terecht gewezen in de tegenwoordigheid van een fatsoenlijk man die haar het hof maakte. Dat zou niet eerlijk wezen. Elke vrouw was jong op haar beurt en had haar kansen op een huwelijk, en het was een punt van eer voor andere vrouwen, reeds gehuwd, deze kansen niet in den weg te zijn â evenals een koopvrouw die haar eieren heeft verkocht niet mag beproeven een andere koopvrouw van een klant te berooven.
Hetty, het niet gemakkelijk vindend een antwoord te geven op haar tantes vraag, repte zich naar boven, en boerin Poyser ging naar buiten om Marty en Tommy op te zoeken en hen binnen te roepen.
Weldra waren allen gezeten â de beide knapen met hun rozenwangen ieder aan een zijde hunner bleeke moeder; een plaats werd opengelaten voor Hetty tusschen Adam en haar oom. Alick was insgelijks binnengekomen en zat in zijn hoek, met zijn zakmes koude groote boonen etend uit een wijden schotel; boonen, die hij zoo geurig van smaak vond, dat hij ze niet zou hebben willen verruilen voor de schoonste ananas.
âWat een tijd heeft dat meisje noodig om bier te tappen,quot; zei boerin Poyser, terwijl zij van de gevulde rib ronddiende. âIk denk dat zij de kruik onder het vat gezet en vergeten heeft de kraan open te draaien. Niets zoo dwaas of men kan het van de deernen verwachten. Zij hangen den ketel ledig over het vuur en gaan over een uur eens kijken of het water kookt.quot;
âZij tapt voor het volk ook,quot; zei boer Poyser. Gij hadt haar moeten zeggen dat zij onze kruik eerst boven bracht.quot;
âHaar zeggen?quot; hernam de boerin; âja, ik zou al den adem uit mijn longen kunnen verspillen en er den blaasbalg nog bij kunnen nemen, zoo ik aan die meisjes wilde vertellen al wat haar eigen slimheid haar niet zegt. Meester Bede, zult gij nog wat azijn op uw salade gebruiken? Nu, gij hebt gelijk van niet. Het bederft den smaak van de rib, naar mijn inzien. Waar de geur van het vleesch uit het olie- en azijnstel komen moet, daar is het er bitter mede gesteld. Sommige menschen maken slechte boter en rekenen op de kracht van het zout tot redres.quot;
Hier werd boerin Poysers aandacht afgeleid door de verschijning van Molly, een groote kruik torsend, twee kleine kroezen, en
ADAM BEDE. 17
257
ADAM OP DE HOEVE.
vier schenkkannen vol ale of licht bier â een opmerkelijk voorbeeld van het grijpvennogen der menschelijke vingeren. Arme Molly's mond stond eenigszins wijder open dan gewoonlijk, terwijl zij voortliep met de oogen op de dubbele vracht vaatwerk in haar handen, geheel onbewust van de uitdrukking in de blikken harer meesteres.
Molly, ik heb toch nooit uws gelijke gezien. Als ik denk aan uw arme moeder, een weduwvrouw, en dat ik u heb genomen zoo goed als zonder getuigen, en hoe dikwijls en dikwijls ik u al gezegd heb . . .
Molly had het weerlicht niet opgemerkt â des te heviger trof haar de donderslag. Met een onbestemd gevoel van gejaagdheid dat zij zich in een of ander opzicht anders behoorde te gedragen dan zij deed, verhaastte zij eenigszins haar stap in de richting der verwijderde dennenhouten tafel waar zij haar kannen rekende neder te zetten â raakte met haar voet verward in haar voorschoot, waarvan de band losgeraakt was, en viel met een slag en een plomp voorover, in een poel van bier. Er volgde een giegelende uitbarsting van den kant van Marty en Tommy, en een ernstig âHeisa!quot; van boer Poyser, die zich op onaangename wijze verstoken zag van de teug waarop hij rekende.
âDaar hebt ge het nu al!quot; hernam de boerin op snijdenden toon, terwijl zij opstond en naar de kast ging, en Molly, met een uitdrukking van wanhoop op het gelaat, de scherven aardewerk begon op te ruimen. âIk heb u herhaaldelijk gezegd dat dit er van komen zou, en er gaat een maand van uw loon mede heen, en meer, om die kruik terug te koopen; een kruik die ik al wel tien jaar in mijn huis heb gehad zonder dat er iets aan gekomen is. Het aantal vaatwerk dat gij hebt gebroken sinds gij hier in huis zijt, zou zelfs een dominé zich doen vergeten â de hemel vergeve mij dat ik het zeg. Was het kokend, ongegest bier uit den koperen ketel geweest, het zou denzelfden weg zijn opgegaan. Gij zoudt u gebrand hebben; misschien voor geheel uw volgend leven verminkt geweest zijn. Want geen mensch kan zeggen wat er nog van u groeien zal, zoo gij op die manier voortgaat. Men zou zoo waar gaan denken dat gij de Sint-Vitusdans hadt, te rekenen naar de dingen die gij op den grond gooit. Jammer dat de scherven niet voor uw neus opgestapeld worden â dan zoudt gij eens zien. Ofschoon, er is noch veel te zien noch veel te hooren dat ooit indruk
258
ADAM OP DE HOEVE.
op maken zal â het lijkt wel of gij van tichelsteen gebakken zijt.quot;
Anne Molly's tranen vloten onderwijl in overvloed, en in haar wanhoop over de snelle beweging van den bierstroom in de richting van Alicks beenen gebruikte zij haar voorschoot als een dweil, terwijl boerin Poyser, de kast openend, een doordringenden blik op haar wierp.
âOch,quot; ging zij voort, âschrei maar niet; hoe meer vocht gij maakt, hoe meer er te dweilen valt. Alleen uw eigen onbezonnenheid heeft schuld, zeg ik u. Geen mensch zou immers iets breken, zoo hij de dingen maar goed aanpakte? Maar lieden met houten hersenen moesten ook niets dan houten voorwerpen hanteeren. Nu dien ik de bruin-en-witte kruik wel te nemen, die van het jaar nog geen drie malen gebruikt is, en zelf mede naar den kelder te gaan, waar ik misschien den dood zal opdoen, of voor het minst een ontsteking in de ingewanden . . . .quot;
De boerin had zich van de kast afgekeerd met de bruin-en-witte kruik in haar hand, toen haar oog viel op iets aan het andere eind van de keuken. Misschien kwam het dat zij reeds zenuwachtig en bevend was en dat uit dien hoofde de verschijning een zoo sterke uitwerking op haar had; misschien ook is kruiken-breken, als andere misdaden, een besmettelijk euvel. Wat hiervan zij, zij staarde, en staarde, als een geestenziener, en de kostbare bruin-en-witte kruik viel op den grond, voor eeuwig scheidend van haar tuit en oor.
âHeeft men ooit zoo iets gezien!quot; zei zij op plotseling ingehouden toon, nadat zij een oogenblik een verwarden blik om zich heen geslagen had, de kamer rond. âDe kruiken zijn betooverd, daar houd ik het voor. Het komt van die nestige verglaasde ooren â die glijden u uit de hand als een slak.quot;
âNu, gij hebt u met uw eigen zweep in het gezicht geslagen,quot; zei haar man, die thans met de jongens medelachte.
âHet is makkelijk toekijken en meesmuilen,quot; hernam de boerin, âmaar er zijn tijden dat het vaatwerk schijnt te leven, en iemand uit de hand vliegt als een vogel. Het is als glas somtijds; het barst terwijl het stilstaat. Wat breken moet, zal breken, want i'k heb van mijn leven geen stuk laten vallen omdat ik het niet goed vasthield. Anders zou ik niet al die jai-en het aardewerk hebben
17*
259
ADAM OP DE HOEVE.
behouden, dat ik gekocht heb in mijn eigen bruidsdagen. En, Hetty, zijt gij dol? Wat beduidt het in dat costuum beneden te komen, en iemand te doen denken dat er een spook door het huis wandelt?quot;
Een nieuwe uitbarstig van gelach, terwijl boerin Poyser sprak, werd veroorzaakt niet zoozeer door haar plotseling opgekomen fa-taliteitsgeloof ten aanzien van het breken der kruiken, als wel door de vreemde verschijning van Hetty, die haar tante aan het schrikken had gebracht. De kleine nuf had een zwarte japon van boerin Poyser gevonden en hoog om haar hals vastgespeld, opdat zij zou zweemen naar een japon van Dina; had haar haren zoo glad gekamd als mogelijk was, en een van Dina's mutsen met hoogen bol en zonder strook opgezet. De herinnering aan Dina's bleek, ernstig gelaat en zachte, grijze oogen, opgewekt door het gezicht van de japon en de muts, maakte inderdaad het onverwachte schouwspel van Hetty's ronde, rozeroode wangen en schalksche, donkere oogen lachverwekkend. De jongens vlogen van hun stoelen op en sprongen handenklappend om haar heen, en zelfs Alick schudde van een onhoorbaren lach, terwijl hij opkeek van zijn bord met boonen. Onder bedekking van het gedruisch, begaf de vrouw des huizes zich naar de achterkeuken om Nancy naar den kelder te zenden met de groote tinnen maat, die althans geen gevaar van betoovering liep.
âWel, Hetty, kind, zijt gij Methodist geworden?quot; zei boer Poyser met dien rustigen, genotvollen lach die alleen aan gezette men-schen eigen is. âGij moet een vrij wat langer gezicht zetten, zoo gij het met eere wezen wilt; moet zij niet, Adam? Hoe kwaamt gij er toe om die dingen aan te doen, hé?quot;
, Adam zei dat hij Dina's muts en japon mooier vond dan de mijne,quot; antwoordde Hetty, zich preutsch nederzettend. âHij zegt dat de menschen er beter uitzien in leelijke kleederen.quot;
âNeen, neen,quot; zei Adam, haar met bewondering aanstarend, âik heb alleen gezegd dat zij Dina goed stonden. Maar zoo ik gezegd had dat gij er lief in zoudt uitzien, zou ik niet meer dan de waarheid gesproken hebben.quot;
Gij dacht zeker dat Hetty een spook was, deedt gij niet?quot; sprak boer Poyser tot zijn vrouw, die op dit oogenblik terugkwam en haar stoel weder innam. âGij zaagt zoo wit als een doek.quot;
260
ADAM OP DE HOEVE.
âHet doet er niet toe hoe ik er uitzag,quot; antwoordde zij; âkruiken worden niet weder heel door iemands uitzicht, en door lachen evenmin, of ik heb het mis. Meester Bede, het spijt mij dat gij zoo lang op uw ale hebt moeten wachten, maar hij komt zoo aanstonds. Doe alsof gij thuis waart, en neem wat koude aardappelen; ik weet, dat is een lievelingskost van u. Tommy, ik zend u op staanden voet naar bed, zoo gij niet uitscheidt met lachen. Wat is zoo belachelijk, mag ik weten? Ik zou eer kunnen schreien dan lachen om die muts van dat arme kind, en ik weet er die liever moesten zorgen dat zij naar haar geleken in nog andere opzichten dan in het fatsoen van haar muts. Het betaamt niemand in dit huis den spot te drijven met mijn zusters kind, dat pas van ons weggegaan is. Het ging mij aan het hart, van haar te scheiden. Een ding weet ik, zoo er verdriet over ons dak moest komen, en ik het bed moest houden, of de kinderen stierven â niemand weet vooruit wat gebeuren kan â of de sterfte keerde terug onder het vee, en alles ging achteruit â dan zouden wij blij mogen wezen, zeg ik, zoo wij Dina's muts weder te zien kregen, met strook of zonder. Zij is een van die schepseltjes, die er het helderst uitzien op regenachtige dagen, en die een mensch het meest liefhebben wanneer hij er het hardst behoefte aan heeft.quot;
Boerin Poyser, gelijk gij ziet, was zich bewust dat niets zoo geschikt is om het komische te verjagen als het overdreven tragische.
Tommy, die van een aandoenlijk gestel en doodelijk van zijn moeder was â daarenboven had hij door overmaat van kerseneten zijn gevoel thans minder in bedwang dan gewoonlijk â was zoo aangedaan door het vreeselijk tafereel dat zij had opgehangen van de mogelijke toekomst, dat hij begon te schreien, en de goedhartige vader, toegevend voor alle zwakheden, uitgenomen die van achte-looze pachters, zei tot Hetty:
âGij moest die spullen liever uittrekken, mijn kind; het hindert uw tante, ze te zien.quot;
Hetty ging weder naar boven, en de verschijning van het bier gaf een aangename afleiding, want Adam moest zijn oordeel zeggen over het nieuwe brouwsel, dat niet anders dan vleiend voor boerin Poyser wezen kon, en toen volgde een uiteenzetting van de geheimen van goed brouwsel, hoe dwaas het was karig te wezen met âhoppen,quot; en hoe twijfelachtig voor een pachter de bezuini-
261
ADAM OP DE HOEVE.
ging mocht heeten van eigengemaakte mout. Boerin Poyser vond zoo menigmaal gelegenheid, zich met nadruk over dit en dergelijke onderwerpen uit te laten, dat toen het avondeten afgeloopen, de bierkan nogmaals gevuld, en haar mans pijp aangestoken was, zij van nieuws in haar best humeur was gekomen, en zich bereid toonde op Adams verzoek het spinnewiel voor den dag te halen, teneinde het door hem te laten onderzoeken.
âZoo,quot; zei Adam, het spinnewiel nauwkeurig beschouwend, âhier ontbreekt een stuk fijn draaiwerk. Het is een mooi wiel. Ik moet het hebben aan den winkel op het dorp, en het daar repareeren, want ik heb geen afzonderlijke gelegenheid tot draaien. Zoo gij het wilt bezorgen bij baas Burger aan huis, zal ik het omstreeks Woensdag wel voor u in orde hebben. Ik heb er al over gedacht,quot; ging hij voort, boer Poyser aanziende, âthuis een betere gelegenheid te vinden voor stukken fijn kabinetwerk. Ik heb veel zulke dingen gemaakt in verloren uren, en zij zijn voordeelig, want er gaat meer arbeidsloon aan dan materialen. Ik zal zien dat wij op die wijze, Seth en ik, een zaak voor eigen rekening beginnen; ik ken een koopman te Rosseter, die alles nemen zou wat wij maakten, behalve nog hetgeen ons zou besteld worden in den omtrek.quot;
Boer Poyser luisterde met belangstelling naar een plan, dat Adam een stap nader brengen zou tot den rang van âbaas,quot; en boerin Poyser schonk haar goedkeuring aan het ontwerp eener beweegbare keukenkast, waarin alle kruidenierswaren, het 'ingelegde zuur, het aardewerk en het tafelgoed met de uiterste beknoptheid en zonder verwarring zouden kunnen geborgen worden. Hetty, wederom in haar eigen kleeding, met haar halsdoek een weinig achteruit geschoven op dezen warmen avond, was gezeten bij het venster, waar Adam haar uitmuntend zien kon, en hield zich onledig met aalbessen af te stroopen. En zoo ging de tijd aangenaam voorbij, tot Adam opstond. Hij werd verzocht spoedig terug te komen, maar niet om ditmaal langer te blijven, want in dezen drukken tijd van het jaar wilden verstandige menschen de kans niet loo-pen van slaperig te zijn omstreeks vijf uur in den morgen.
âIk stap nog een eindje door,quot; zei Adam, âen zal eens naar meester Massey gaan kijken; hij was gisteren niet te kerk, en ik heb hem in geen week gezien. Ik kan mij niet herinneren hem vroeger ooit in de kerk gemist te hebben.quot;
262
ADAM OP DE HOEVE.
,'t Is zoo,quot; zei boer Poyser, âwij hebben niets van hem gehoord. De jongens hebben vacantie, wij kunnen er dus niets van zeggen.quot;
âMaar gij denkt er toch niet aan, nog op dit late avond-uur te gaan?quot; zei- boerin Poyser, haar breiwerk oprollend.
âO, meester Massey zit laat op,quot; zei Adam, âen de avondschool is nog niet uit. Enkele mannen komen niet voor heel laat; zij hebben zoo'n eind te loopen. En Bartle zelf gaat nooit naar bed voor na elven.quot;
âDan zou ik hem niet voor mijn kostganger willen hebben,quot; zei de boerin; âzoo'n man die overal kaarsvet morst, zoodat men gevaar loopt den dag te beginnen met op den neus te vallen.quot;
âJa, elf uur is laat â erg laat,quot; zei oude Martin. âIk heb nooit zoo laat opgezeten van m ij n leven, of het moest zijn op een bruiloft, of een doopmaal, of met kermis, of met den oogst. Elf uur is laat.quot;
âWel, ik zit wel eens tot na twaalven op,quot; zei Adam lachend, âevenwel niet om extra te eten of te drinken, maar om extra te werken. Goeden nacht, boerin Poyser, goeden nacht, Hetty.quot;
Hetty kon slechts glimlachen, niet Adams hand drukken, want de hare waren rood en vochtig van het bessensap; maar al de overigen schudden hartelijk de breede palm die hun werd toegestoken, en zeiden: âKom gauw weerom!quot;
âDenk eens aan,quot; zei boer Poyser, toen Adam den straatweg was opgegaan, âop te blijven tot na twaalven om extra werk te doen! Gij zult niet veel jonge mannen van zes-en-twintig vinden, die in zijn schaduw kunnen staan. Zoo gij Adam tot man krijgen kunt, Hetty, zult gij op een goeden dag in uw eigen sjees op veeren rijden, daar sta ik u borg voor.quot;
Hetty stak op dit oogenblik het vertrek door met de bessen; dus kon haar oom niet zien hoe zij haar neusje optrok terwijl zij hem antwoordde. Inderdaad, in de gegeven omstandigheden scheen rijden in een sjees op veeren haar een tamelijk armoedige lotsbedeeling.
263
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
HOOFDSTUK XXI.
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
Het huis van Bartle Massey behoorde tot een groep verspreide woningen, gelegen aan den zoom eener gemeente-weide, doorsneden door den weg naar Treddleston. Adam bereikte het, een kwartier nadat hij de hoeve verlaten had. En toen hij zijn hand op de kruk van de deur lei, kon hij door het raam zonder gordijnen zien dat acht of negen hoofden waren heengebogen over de lessenaars, verlicht door dunne eindjes kaars.
Toen hij binnentrad, was de leesles aan den gang, en Bartle Massey verwelkomde hem met een knikje, hem vrijlatend plaats te nemen waar hij verkoos. Hij was dezen avond niet gekomen om les te nemen, en zijn geest was te zeer vervuld met zijn eigen zaken, te zeer met de twee laatste uren die hij in Hetty's tegenwoordigheid had doorgebracht, om zich, tot de school uit was, te kunnen bezighouden met een boek. Hij zette zich dus in een hoek neder en zag toe. Het was een tooneel dat Adam sinds jaren bijna wekelijks aanschouwd had. Elke krulletter op de geplakte schrijftafel van Bartle Massey's eigen maaksel â de tafel hing in een lijst boven de kruin van den schoolmeester, als om den geest van zijn leerlingen tot een steeds verheven ideaal te dienen â kende hij uit het hoofd. Hij kende de ruggen van alle boeken op de plank, in de breedte bevestigd aan den gewitkalkten muur boven de spijkers voor de leien. Hij wist nauwkeurig hoeveel korrels verloren waren geraakt uit de aar Turkschè tarwe die aan den zolder hing. Reeds voor lang had hij zijn verbeelding ondervraagd hoe de bos lederachtig zeewier er wel mocht hebben uitgezien en mocht gegroeid zijn in haar natuurlijk element, en van de plaats waar hij zat, kon hij zoomin thans als vroeger wijs worden uit de kaart van Engeland aan den muur tegenover hem; zij had door ouderdom een fraaie, geelbruine kleur bekomen, eenigszins naderend aan die van een goed doorgerookte meerschuimen pijp. Ook de voorstelling die thans gegeven werd, was hem gemeenzaam, bijna even gemeenzaam als het tooneel zelf. Toch had de gewoonte hem niet geheel onverschillig
264
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
gemaakt, en zelfs in zijn tegenwoordige in zicli zeiven gekeerde stemming gevoelde Adam een opwelling van het oude kameraads-gevoel, op het zien dier forsche mannen met pen of potlood tus-schen de door inspanning krampachtig saamgetrokken vingers, of zich nederig heenwerkend door hun leesles.
De leesklasse, nu gezeten op de bank tegenover den lessenaar van den meester, bestond uit de drie allerachterlijkste leerlingen. Adam zou zulks geraden hebben reeds door een blik op het gelaat van Bartle Massey, terwijl deze over zijn bril heenkeek â gesehoven op het puntje van zijn neus, als in dit oogenblik op non-activiteit. Dat gelaat vertoonde zijn zachtste uitdrukking; de grijze, borstelige wenkbrauwen teekenden hun hoogsten graad van medegevoel en vriendelijkheid, en de mond, gewoonlijk vast samen-geklemd, was ontspannen en als ieder oogenblik gereed, den leerling met een woord of lettergreep op den weg te helpen. Deze zachte uitdrukking van het gelaat was te opmerkelijker omdat de neus van den schoolmeester â een onregelmatig arendsfatsoen, eenigszins naar één kant verwrongen â een tamelijk schrikwekkend voorkomen had, en omdat zijn voorhoofd daarenboven die zekere strakheid vertoonde, die onwillekeurig denken doet aan een levendig en ongeduldig temperament; de blauwe aderen stonden gespannen als koorden onder de doorschijnend gele huid. Geen enkel dun plekje hier of daar gaf aan dit vrees-inboezemend voorhoofd een minder stroeve uitdrukking, doch het grijze, borstelige haar, afgesneden tot op duimslengte, stond er recht overeind omheen in even dichte rijen als ooit te voren.
âNeen, Bill, neen,quot; was Bartle bezig te zeggen, terwijl hij Adam toeknikte, âbegin dat nog eens, dan zal het u misschien invallen hoe d,r,o,o,g, moet worden uitgesproken. Het is dezelfde les van verleden week, zooals gij weet.quot;
âBillquot; was een kloeke knaap van vier-en-twintig, een uitmuntend steenzager van beroep, die met zijn handwerk evenveel verdienen kon als ieder ander op zijn jaren; maar leeslesjes van eenlettergrepige woorden schenen hem niettemin ruim zoo zwaar te vallen als de zwaarste steen, ooit door hem gezaagd. âDe letters,quot; klaagde hij, âleken zoo bijzonder veel de een op de ander; men kon ze niet uit elkaar houden.quot; Het steenzagersvak heeft dan ook niet te maken met onderscheidingen zoo fijn als die tusschen een
265
ADAM OP DB HOEVE.
ging mocht heeten van eigengemaakte mout. Boerin Poyser vond zoo menigmaal gelegenheid, zich met nadruk over dit en dergelijke onderwerpen uit te laten, dat toen het avondeten afgeloopen, de bierkan nogmaals gevuld, en haar mans pijp aangestoken was, zij van nieuws in haar best humeur was gekomen, en zich bereid toonde op Adams verzoek het spinnewiel voor den dag te halen, teneinde het door hem te laten onderzoeken.
âZoo,quot; zei Adam, het spinnewiel nauwkeurig beschouwend, âhier ontbreekt een stuk fijn draaiwerk. Het is een mooi wiel. Ik moet het hebben aan den winkel op het dorp, en het daar repareeren, want ik heb geen afzonderlijke gelegenheid tot draaien. Zoo gij het wilt bezorgen bij baas Burger aan huis, zal ik het omstreeks Woensdag wel voor u in orde hebben. Ik heb er al over gedacht,quot; ging hij voort, boer Poyser aanziende, ;;thuis een betere gelegenheid te vinden voor stukken fijn kabinetwerk. Ik heb veel zulke dingen gemaakt in verloren uren, en zij zijn voordeelig, want er gaat meer arbeidsloon aan dan materialen. Ik zal zien dat wij op die wijze, Seth en ik, een zaak voor eigen rekening beginnen; ik ken een koopman te Rosseter, die alles nemen zou wat wij maakten, behalve nog hetgeen ons zou besteld worden in den omtrek.quot;
Boer Poyser luisterde met belangstelling naar een plan, dat Adam een stap nader brengen zou tot den rang van âbaas,quot; en boerin Poyser schonk haar goedkeuring aan het ontwerp eener beweegbare keukenkast, waarin alle kruidenierswaren, het ingelegde zuur, het aardewerk en het tafelgoed met de uiterste beknoptheid en zonder verwarring zouden kunnen geborgen worden. Hetty, wederom in haar eigen kleeding, met haar halsdoek een weinig achteruit geschoven op dezen warmen avond, was gezeten bij het venster, waar Adam haar uitmuntend zien kon, en hield zich onledig met aalbessen af te stroopen. En zoo ging de tijd aangenaam voorbij, tot Adam opstond. Hij werd verzocht spoedig terug te komen, maar niet om ditmaal langer te blijven, want in dezen drukken tijd van het jaar wilden verstandige menschen de kans nietloo-pen van slaperig te zijn omstreeks vijf uur in den morgen.
âIk stap nog een eindje door,quot; zei Adam, âen zal eens naar meester Massey gaan kijken; hij was gisteren niet te kerk, en ik heb hem in geen week gezien. Ik kan mij niet herinneren hem vroeger ooit in de kerk gemist te hebben.quot;
262
ADAM OP DE HOEVE.
â't Is zoo,quot; zei boer Poyser, âwij hebben niets van hem gehoord. De jongens hebben vacantia, wij kunnen er dus niets van zeggen.quot;
âMaar gij denkt er toch niet aan, nog op dit late avond-uur te gaan?quot; zei- boerin Poyser, haar breiwerk oprollend.
,0, meester Massey zit laat op,quot; zei Adam, âen de avondschool is nog niet uit. Enkele mannen komen niet voor heel laat; zij hebben zoo'n eind te loopen. En Bartle zelf gaat nooit naar bed voor na elven.quot;
âDan zou ik hem niet voor mijn kostganger willen hebben,quot; zei de boerin; âzoo'n man die overal kaarsvet morst, zoodat men gevaar loopt den dag te beginnen met op den neus te vallen.quot;
âJa, elf uur is laat â erg laat,quot; zei oude Martin. âIk heb nooit zoo laat opgezeten van mijn leven, of het moest zijn op een bruiloft, of een doopmaal, of met kermis, of met den oogst. Elf uur is laat.quot;
âWel, ik zit wel eens tot na twaalven op,quot; zei Adam lachend, âevenwel niet om extra te eten of te drinken, maar om extra te werken. Goeden nacht, boerin Poyser, goeden nacht, Hetty.quot;
Hetty kon slechts glimlachen, niet Adams hand drukken, want de hare waren rood en vochtig van het bessensap; maar al de overigen schudden hartelijk de breede palm die hun werd toegestoken, en zeiden: âKom gauw weerom!quot;
âDenk eens aan,quot; zei boer Poyser, toen Adam den straatweg was opgegaan, âop te blijven tot na twaalven om extra werk te doen! Gij zult niet veel jonge mannen van zes-en-twintig vinden, die in zijn schaduw kunnen staan. Zoo gij Adam tot man krijgen kunt, Hetty, zult gij op een goeden dag in uw eigen sjees op veeren rijden, daar sta ik u borg voor.quot;
Hetty stak op dit oogenblik het vertrek door met de bessen; dus kon haar oom niet zien hoe zij haar neusje optrok terwijl zij hem antwoordde. Inderdaad, in de gegeven omstandigheden scheen rijden in een sjees op veeren haar een tamelijk armoedige lotsbedeeling.
263
1
264 DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
HOOFDSTUK XXI.
l
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTEE.
Het huis van Bartle Massey behoorde tot een groep verspreide woningen, gelegen aan den zoom eener gemeente-weide, doorsneden door den weg naar Treddleston. Adam bereikte het, een kwartier nadat hij de hoeve verlaten had. En toen hij zijn hand op de kruk van de deur lei, kon hij door het raam zonder gordijnen zien dat acht of negen hoofden waren heengebogen over de lessenaars, verlicht door dunne eindjes kaars.
Toen hij binnentrad, was de leesles aan den gang, en Bartle Massey verwelkomde hem met een knikje, hem vrijlatend plaats te nemen waar hij verkoos. Hij was dezen avond niet gekomen om les te nemen, en zijn geest was te zeer vervuld met zijn eigen zaken, te zeer met de twee laatste uren die hij in Hetty's tegenwoordigheid had doorgebracht, om zich, tot de school uit was, te kunnen bezighouden met een boek. Hij zette zich dus in een hoek neder en zag toe. Het was een tooneel dat Adam sinds jaren bijna wekelijks aanschouwd had. Elke krulletter op de geplakte schrijftafel van Bartle Massey's eigen maaksel â de tafel hing in een lijst boven de kruin van den schoolmeester, als om den geest van zijn leerlingen tot een steeds verheven ideaal te dienen â kende hij uit het hoofd. Hij kende de ruggen van alle boeken op de plank, in de breedte bevestigd aan den gewitkalkten muur boven de spijkers voor de leien. Hij wist nauwkeurig hoeveel korrels verloren waren geraakt uit de aar Turkschè tarwe die aan den zolder hing. Reeds voor lang had hij zijn verbeelding ondervraagd hoe de bos lederachtig zeewier er wel mocht hebben uitgezien en mocht gegroeid zijn in haar natuurlijk element, en van de plaats waar hij zat, kon hij zoomin thans als vroeger wijs worden uit de kaart van Engeland aan den muur tegenover hem; zij had door ouderdom een fraaie, geelbruine kleur bekomen, eenigszins naderend aan die van een goed doorgerookte meerschuimen pijp. Ook de voorstelling die thans gegeven werd, was hem gemeenzaam, bijna even gemeenzaam als het tooneel zelf. Toch had de gewoonte hem niet geheel onverschillig
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTEK.
gemaakt, en zelfs in zijn tegenwoordige in zich zeiven gekeerde stemming gevoelde Adam een opwelling van het oude kameraads-gevoel, op het zien dier forsche mannen met pen of potlood tus-schen de door inspanning krampachtig saamgetrokken vingers, of zich nederig heenwerkend door hun leesles.
De leesklasse, nu gezeten op de bank tegenover den lessenaar van den meester, bestond uit de drie allerachterlijkste leerlingen. Adam zou zulks geraden hebben reeds door een blik op het gelaat van Bartle Massey, terwijl deze over zijn bril heenkeek â geschoven op het puntje van zijn neus, als in dit oogenblik op non-activiteit. Dat gelaat vertoonde zijn zachtste uitdrukking; de grijze, borstelige wenkbrauwen teekenden hun hoogsten graad van medegevoel en vriendelijkheid, en de mond, gewoonlijk vast samen-geklemd, was ontspannen en als ieder oogenblik gereed, den leerling met een woord of lettergreep op den weg te helpen. Deze zachte uitdrukking van het gelaat was te opmerkelijker omdat de neus van den schoolmeester â een onregelmatig arendsfatsoen, eenigszins naar één kant verwrongen â een tamelijk schrikwekkend voorkomen had, en omdat zijn voorhoofd daarenboven die zekere strakheid vertoonde, die onwillekeurig denken doet aan een levendig en ongeduldig temperament; de blauwe aderen stonden gespannen als koorden onder de doorschijnend gele huid. Geen enkel dun plekje hier of daar gaf aan dit vrees-inboezemend voorhoofd een minder stroeve uitdrukking, doch het grijze, borstelige haar, afgesneden tot op duimslengte, stond er recht overeind omheen in even dichte rijen als ooit te voren.
âNeen, Bill, neen,quot; was Bartle bezig te zeggen, terwijl hij Adam toeknikte, âbegin dat nog eens, dan zal het u misschien invallen hoe d,r,o,o,g, moet worden uitgesproken. Het is dezelfde les van verleden week, zooals gij weet.quot;
âBillquot; was een kloeke knaap van vier-en-twintig, een uitmuntend steenzager van beroep, die met zijn handwerk evenveel verdienen kon als ieder ander op zijn jaren; maar leeslesjes van eenlettergrepige woorden schenen hem niettemin ruim zoo zwaar te vallen als de zwaarste steen, ooit door hem gezaagd. âDe letters,quot; klaagde hij, âleken zoo bijzonder veel de een op de ander; men kon ze niet uit elkaar houden.quot; Het steenzagersvak heeft dan ook niet te maken met onderscheidingen zoo fijn als die tusschen een
265
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTEE.
letter met haar staart in de lucht en een letter met haar staart naar den grond. Maar Bill was vast besloten om te leeren lezen, en dit besluit was voornamelijk op twee redenen gegrond. Vooreerst hierop, dat Tom Hazelow, zijn neef, âuit het handjequot; lezen kon wat men hem voorlei, in druk of in schrift, en Tom had hem een eigenhandigen brief gezonden van twintig mijlen ver, met bericht dat het hem uitmuntend ging in de wereld, en dat hij een opzichtersplaats gekregen had. Ten andere hierop, dat Sam Philips, die met hem zaagde, lezen had geleerd op zijn twintigste jaar, en wat zulk een klein kereltje als Sam Philips kon doen, meende Bill, dat kon hij zelf ook; of was hij niet sterk genoeg om Sam Philips desgevraagd te kneden tot weeke klei? Daar zat hij dus, wijzend met zijn breeden vinger naar drie woorden tegelijk, en met het hoofd naar eene zijde gewend, teneinde dat zekere woord uit het groepje, dat moest ontcijferd worden, des te beter in het oog te houden. De mate van kennis die Bartle Massey moest bezitten, was, meende Bill, iets zoo onbestemds en uitgebreids, dat zijn verbeelding er voor terugdeinsde. Nauwlijks zou hij hebben durven loochenen dat de schoolmeester de hand had in de regelmatige wederkomst van het daglicht en in de veranderingen van het weder.
De man, naast Bill gezeten, was van een zeer verschillend type, een Methodisten steenbakker die, na dertig jaren van zijn leven te hebben doorgebracht ten volle tevreden met zijn onwetendheid, kortelings âgodsdienst gekregen had,quot; en daarbij de begeerte om den Bijbel te lezen. Maar ook voor hem was het leeren een moeie-lijke zaak, en op zijn weg naar school dien avond had hij, als naar gewoonte, opzettelijk een gebed gedaan om Hooger hulp, op grond dat hij deze harde taak had ondernomen met het oog alleen op de zaligheid zijner ziel â om namelijk een grooter aantal teksten en gezangen machtig te worden, tot verbanning van booze herinneringen of van verzoekingen tot terugstorting in kwade gewoonten van weleer; met korter woorden, tot bezwering van den duivel. Want de steenbakker was een berucht strooper geweest, en werd verdacht, ofschoon er geen afdoende bewijzen tegen hem waren in te leveren, de man te zijn die een naburig koddebeier in het been geschoten had. Wat hiervan wezen mocht, zeker is het dat kort na het bedoelde voorval, dat plaats greep gelijktijdig met de komst van een Methodistisch âopwekkerquot; te Treddleston, men
266
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTEE.
een groote verandering in den steenbakker bespeurd had, en ofschoon hij in den omtrek steeds bekend bleef onder zijn ouden bijnaam van âTom Zwavel,quot; was er niets waarvan hij voortaan zulk een afgrijzen had als van alle verdere gemeenschap met deze kwalijk riekende grondstof. Hij was een breed geschouderd man met een vurig temperament, dat hem geschikter maakte tot het in zich opnemen van godsdienstige voorstellingen, dan het hem van dienst was bij de droge inspanning tot het verkrijgen van de uitsluitend menschelijke wetenschap des alphabets. Werkelijk was hij in zijn besluit reeds een weinig aan het wankelen gebracht dooreen broeder-Methodist, die hein verzekerd had dat de letter slechts een hinderpaal was voor den geest, en hem zijn vrees had betuigd dat hij, Tom, te begeerig haakte naar de kennis die opgeblazen maakt.
De derde eerstbeginnende was een veel meer belovend leerling. Hij was een lang, maar tenger en mager man, bijna even oud als Tom Zwavel, met een zeer bleek gelaat en donkerblauwe handen. Hij was een verver van beroep, die, onder het indompelen van eigen-gesponnen wol en oude-vrouwenrokken, geprikkeld was geworden tot den lust om meer te weten van de geheimen der kleuren. Reeds had hij in den omtrek een grooten naam als verver, en had het er op gezet een middel te ontdekken tot vermindering der onkosten van karmozijn en vermiljoen. De drogist te Treddleston had hem op het denkbeeld gebracht dat hij zich vrij wat moeite en uitgaven zou kunnen besparen, indien hij er in slaagde te leeren lezen; reden waarom hij begonnen was zijn vrije uren aan de avondschool te geven, vastbesloten, zijn ,kleinen jongenquot; naar meester Massey's dagschool te zenden zoodra hij slechts eenigszins de jaren hebben zou.
Het was een aandoenlijk schouwspel, deze drie groote mannen, met de teekenen van hun zwaren arbeid in geheel hun voorkomen uitgedrukt, angstvallig heengebogen te zien over hun leerboekjes, en hen met moeite te hooren ontcijferen: âHet gras is groen.quot; âHet hout is droog.quot; âHet graan is rijp â een zeer moeie-lijke les om door te komen na zooveel gemakkelijker kolommen van enkele woordjes, allen aan elkander gelijk, behalve de voorste letter. Het was bijna alsof drie onbeschaafde dieren nederige pogingen aanwendden om zich te verheifen tot den rang van men-
267
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
schen. En dit trof de gevoeligste zenuw in Bartle Massey's natuur, want zulke volwassen kinderen als deze waren de eenige leerlingen voor wie hij geen gestrenge bijnamen kende of geen geluiden van ongeduld ten beste had. Zijn humeur was niet onverstoorbaar, en bij de zangoefeningen was het duidelijk, dat geduldig zijn nimmer een lichte deugd voor hem wezen kon; maar dezen avond, terwijl hij over zijn bril heenkijkt naar Bill Downes, den steenzager, die zijn hoofd op zijde houdt met een radeloos gevoel van verlegenheid ten overstaan der letters d,r,o,o,g, laten zijn oogen hun zachtst en meest bemoedigend licht uitstralen.
Na de leesles kwamen twee jongelieden, tusschen de zestien en negentien jaren oud, met rekeningen van denkbeeldige goederen; sommen die zij op hun leien hadden zitten uitschrijven, en die zij nu verzocht werden uit te rekenen âvoor de vuistquot; â een proef die zij doorstonden met een zoo gebrekkig gevolg, dat Bartle Mas-sey, wiens oogen, door zijn bril heen, gedurende de laatste minuten onheilspellend op hen gevestigd waren geweest, eindelijk uitbarstte. De toon zijner stem was bitter en schril, en tusschen elke zinsnede viel hij zichzelven in de rede en stampte op den grond met een knoestigen stok die tusschen zijn beenen stond.
âHet is duidelijk. Gij weet er geen zier meer van dan veertien dagen geleden, en ik zal u zeggen waar dat vandaan komt. Gij wilt rekenen leeren: dat is goed en wel. Maar gij denkt dat al wat gij te doen hebt om rekenen te leeren, is, bij mij te komen en sommen te maken voor een uur of zoo, twee of drie malen in de week; en nauwelijks hebt gij uw petten opgezet en zijt de deur uitgegaan, of gij veegt de gemaakte sommen u weder glad uit het hoofd. Gij loopt te fluiten, en bekommert u net zooveel om uw gedachten als waren uw hoofden straatgeuten, waar alle vuilnis, dat er toevallig voor komt, doorheen mag spoelen. Zit er bijgeval een goede gedachte in, zij wordt er in een oogenblik weer uitgewas-schen. Gij denkt dat kennis voor een prikje te krijgen is â gij komt en betaalt Bartle Massey zes penny's in de week, en denkt dat Bartle Massey u knap zal maken in het rekenen, zonder dat gij u verder eenige moeite geeft. Maar laat ik u één ding zeggen: kennis is voor geen hal ven shilling te koop. Wilt gij sommen leeren maken, dan moet gij ze overwerken in uw hoofd, en er uw gedachten bij houden. Niets is er waar niet een som van te ma-
268
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
ken is, niets waar geen getallen in schuilen â zelfs in een zot. Zeg bij u zeiven; ,Ik ben een zot, en Jack is een zot; zoo mijn zot hoofd vier pond woog, en dat van Jack drie pond, drie ons, drie lood, hoeveel stuivers gewicht zou mijn hoofd dan zwaarder zijn dan het hoofd van Jack?quot; Iemand die er zijn hart op gezet had rekenen te leeren, zou sommen voor zichzelven maken en die uitwerken in zijn bol. Zat hij schoenen te lappen, hij zou zijn steken tellen bij vijven te gelijk, en een zekeren prijs voor iederen steek bepalen: bijvoorbeeld een halven cent, en dan zien hoeveel geld hij kon verdienen in een uur, en daarna zichzelven afvragen hoeveel hij naar die berekening zou kunnen verdienen in een dag. en dan hoeveel tien werklieden zouden verdienen die in deze verhouding werkten drie, twintig, honderd jaren lang â en onderwijl zou zijn naald niet minder snel gaan dan zoo hij van zijn hoofd een danshuis voor den duivel maakte. Maar het eind van de geschiedenis is â dat ik niemand op mijn avondschool wil hebben die niet even hard zijn best doet om te leeren hetgeen waarvoor hij hier komt, als hij zijn best doen zou om te kruipen uit een donker gat in het heldere daglicht. Ik zal geen mensch wegzenden omdat hij dom is. Zoo Billi Taft, de idioot, lezen wou leeren, zou ik niet weigeren hem te onderwijzen. Maar ik zal geen kostelijke wetenschap verdoen aan lieden die meenen dat zij haar voor een penny of wat kunnen koopen en met zich kunnen meenemen naar huis, als een lood snuif. Komt dus nooit terug zoo gij niet bewijzen kunt dat gij hebt gewerkt met uw eigen hoofden, in plaats van te denken dat gij het mijne kunt betalen om voor u het werk te doen. Meer heb ik niet te zeggen.quot;
Onder het uitspreken dezer slotwoorden stampte Bartle Massey harder dan ooit met zijn knoestigen stok, en de onthutste knapen slopen weg met een pruilend gezicht. De andere leerlingen hadden gelukkig slechts hun schrijfboeken te laten zien, voorstellend onderscheidene graden van kalligraphische ontwikkeling, van hanepooten af tot middelgroot en klein toe; en eenvoudige penne-streken, hoe krom en verdraaid ook, waren minder ondraaglijk voor Bartle dan slecht gemaakt rekenwerk. Hij was een weinig ge-strenger dan gewoonlijk voor de Z's van Jacob Storey. Arme Jakob had een pagina vol Z's geschreven met de koppen naar den verkeerden kant, en was zich schemerachtig bewust dat er âeen baga-
269
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
tel aan haperde.quot; Maar tot zijn verontschuldiging merkte hij aan, dat de Z een letter was die men niet alle dagen noodig had, en die alleen bestond âom een slot te maken aan het alphabet, ofschoon naar zijn inzien een en-zoo-voort (amp;) evengoed zou hebben kunnen dienen.
Eindelijk hadden alle leerlingen hun hoeden gekregen en âgoeden avondquot; gewenscht, en Adam, de kleine gewoonten van zijn ouden meester kennend, stond op en vroeg: âZal ik de kaarsen uitdoen?quot;
âJa, mijn jongen, ja! alle, op deze eene na, die ik zalmedenemen naar achter. Sluit ook even de buitendeur, gij zijt er toch vlak bij,quot; zei Bartle, terwijl hij aan zijn stok de vereischte richting gaf om hem van dienst te zijn bij het afstijgen van zijn stoel. Zoodra hij op den grond stond, werd het duidelijk waartoe de stok noodig was â het linkerbeen was aanmerkelijk korter dan het rechter. Maar ofschoon kreupel, de schoolmeester was zoo vlug, dat men zijn gebrek te nauwernood een ongeluk kon noemen, en zoo gij hem zich badt zien reppen het schoolvertrek door en den drempel van zijn keuken op, zoudt gij wellicht hebben begrepen waarom de stoute jongens 's meesters stap somtijds vatbaar rekenden voor onbepaalde versnelling, en gevoelden dat hij en zijn stok hen zouden kunnen inhalen zelfs in hun gezwindsten loop.
Op het oogenblik dat hij aan de keukendeur verscheen, deed zich een zacht gekreun in het boekje van den schoorsteen hooren, en een bruin en geel gekleurde teef, van dat deftig ras met korte pooten en een lang lijf, waaraan het voorgeslacht, in de werktuigkunde onervaren, weleer den naam van âbraadspittenquot; gaf, kwam langs den vloer gekropen, kwispelstaartend en bij eiken stap aarzelend, als ware haar genegenheid pijnlijk verdeeld tusschen de mand in het hoekje van den schoorsteen en den meester, dien zij het niet van zich verkrijgen kon niet te verwelkomen.
âZoo, Fik, zoo, hoe gaat het met de kleintjes?quot; vroeg de schoolmeester, en hij haastte zich naar den hoek van den schoorsteen, en hield de kaars boven de lage mand, waar twee schier nog stekeblinde jonge honden, uit een nest van flanel en wol, hun kopjes ophieven naar het licht. Fik kon niet zonder pijnlijke opgewondenheid aanzien dat zelfs haar meester naar hen keek; zij sprong de mand het eene oogenblik in, het andere weder uit en stelde zicb over bet gemeen recht dwaas en vrouwelijk aan, ofschoon zij voort-
270
DE AVONDSCHOOL EV DE MEESTEE.
durend even wijs keek als een dwerg met een groot, oudaclitig hoofd en lichaam, rustend op de allerkortste beentjes.
âWel, wel, hebt gij u in de kindertjes gezet, meester Massey?quot; vroeg Adam glimlachend, terwijl hij de keuken binnentrad. âHoe zit dat? Ik dacht dat zulks hier aan huis bij de wet verboden was.quot;
âBij de wet? Wat baten alle wetten wanneer men eenmaal dwaas genoeg is geweest een vrouw in huis te halen?quot; zei Bartle, zich met eenige bitterheid van de mand afkeerend. Steeds noemde hij Fik een vrouw, en scheen gansch en al te zijn vergeten dat hij zoo sprekend zich figuurlijk uitdrukte. âZoo ik van te voren geweten had dat Fik een vrouw was, zou ik de jongens nooit verhinderd hebben haar te verdrinken. Maar toen ik haar eenmaal voor mijn rekening genomen had, was is genoodzaakt haar te houden. En nu ziet gij waartoe zij mij gebracht heeft, de slimme, schijnheilige deerne,quot;
â Bartle sprak deze laatste woorden uit op een krijschenden toon van verwijt, en zag Fik aan, die haar hoofd liet hangen en haar oogen naar hem ophief met een levendig gevoel van diepe schande
â âhet zoo te maken dat zij in de kraam kwam, en nog wel op Zondag onder kerktijd. Herhaaldelijk heb ik gewenscht een blauwbaard te zijn; ik zou met één koord de moeder en haar gebroed geworgd hebben.quot;
âIk ben blij dat niets ergers u uit de kerk gehouden heeft,quot; zei Adam. âIk vreesde dat gij voor de eerste maal in uw leven ziek zoudt zijn. En het speet mij inzonderheid dat gij gister niet te kerk waart.quot;
âJa, mijn jongen, ik weet waarom, ik weet waarom,quot; zei Bartle, vriendelijk naar Adam toegaand en zijn hand op diens schouders leggend, bijna even hoog als zijn eigen hoofd. âGij hebt een zwa-ren gang te gaan gehad, sinds ik u het laatst zag â een zwaren gang. Maar ik hoop dat de betere tijden voor u in aantocht zijn. Ik kan u wat nieuws vertellen. Maar eerst moet ik mijn avondeten krijgen, want ik heb honger, ik heb honger. Ga zitten, ga zitten.quot;
Bartle ging naar zijn provisiekast en kreeg daaruit een uitmuntend huisbakken brood; want zijn eenige buitensporigheid in deze dure tijden was, dat hij eenmaal daags brood at in plaats van haver-bak; een weelde die hij rechtvaardigde door aan te merken, dat een schoolmeester hersenen noodig heeft, en dat haverbak meer
271
DB AVONDSCHOOL EK DE MEESTER.
kraakbeen dan hersenen maakt. Daarna volgde een liter bier, met schuim gekroond. Hij plaatste een en ander op de ronde tafel, die voor zijn armstoel stond in het hoekje van den schoorsteen, met de mand van Pik aan de eene zijde, en een vensterbank, waarin een kleine stapel boeken, aan den anderen kant. De tafel was, zoo zindelijk als ware Fik een voortreffelijke huishoudster geweest met een geruiten boezelaar voor; evenzoo de met tichels ingelegde vloer. Desgelijks waren de gesneden eikenhouten pers, tafels en stoelen â voorwerpen, die in onze dagen tot hoogen prijs zouden aangekocht worden voor aristocratische woningen, maar die Bartle, in dit tijdperk der spinnekop-pooten en ingelegde cupido's, machtig was geworden âvoor een zuur gezichtquot; â zoo vrij van stof als wezen kon op het einde van een heeten zomerdag.
âKom aan, mijn jongen, schuif bij, schuif bij. Wij zullen over geen zaken spreken voor wij gegeten hebben. Niemand is wijs met een leege maag. Maar,quot; zei Bartle, weder van zijn stoel opstaand, âFik moet ook haar avondeten hebben, het ongeluk! ofschoon zij het alleen gebruiken zal tot voeding van haar overcomplete jongen. Zoo zijn de vrouwen â zij hebben geen hersenen te verplegen, en dus verkeert al haar voedsel in lijvigheid of in kinderen.
Hij kreeg uit de kast een schotel met kliekjes, waarop Fik terstond de oogen vestigde. En zij sprong uit haar mand om ze op te bikken met den meesten haast.
âIk heb al gegeten, meester Massey,quot; zei Adam, âen ik zal mij dus vergenoegen met toe te zien. Ik kom van de hoeve, waar de tafel des avonds altoos bijtijds wordt gedekt, zooals gij weet; de Foyers blijven niet zoo laat op als gij.quot;
âIk weet van hun opstaan en naar bed gaan weinig af,quot; zei Bartle droogjes, zijn brood snijdend zonder op te zien tegen de korst. âDat is een huis waar ik zelden kom, schoon ik veel van de jongens houd en Martin Foyser een goede kerel is. Er zijn mij daar te veel vrouwen over den vloer, ik haat den klank van vrouwenstemmen; zij zijn altoos aan het brommen of aan het gillen. Boerin Foyser hoort men steeds boven alles uit, als een klarinet, en wat de jonge deernen betreft, ik kijk even zoo graag naar regenwormen. Ik weet immers best wat er van groeien zal â stekende muggen. Hier, mijn jongen, drink een glas ale; het is voor u getapt.quot;
272
DB AVONDSCHOOL EN DE MEESTEE.
âNeen, meester Massey,quot; zei Adam, die de kwade luim van zijn vriend dezen avond ernstiger opvatte dan gewoonlijk, âgij moet niet zoo hard oordeelen over de wezentjes die God geschapen heeft om onze gezellinnen te zijn. Een ambachtsman zonder vrouw om voor het huishouden te zorgen, en den pot te koken, en den boel zindelijk en knap te houden, zou er slecht aan toe wezen.quot;
âMalligheid! De onzinnigste leugen die een verstandig man als gij ooit geloofd heeft, is dat een vrouw het huis knap houdt. Het is een verzinsel, uitgedacht omdat de vrouwen er nu eenmaal zijn, en toch voor haar iets moet gevonden worden om te doen. Ik zeg u, er is niets te verrichten onder de zon, of een man kan het beter doen dan een vrouw, behalve kinderen krijgen, waar zij nog daarenboven zulk een ellendige manier op hebben, dat het maar beter zou zijn geweest indien ook dat aan de mannen overgelaten was. Luister: een vrouw zal iedere week van haar leven brood bakken, en nimmer tot het inzicht komen dat hoe heeter de oven, hoe korter de baktijd is. Een vrouw zal alle dagen uw pap koken, twintig jaar lang, en er nimmer aan denken de juiste evenredigheid af te meten van meel en melk â een beetje meer of minder, denkt zij, doet er niet toe; de pap moet dus nu en dan niet deugen, en als zij niet deugt, scheelt er iets aan het meel, of aan de melk, of aan het water. Zie naar mij! ik bak mijn eigen brood, en er is geen onderscheid tusschen het eene baksel en het andere, van het begin van het jaar tot aan het einde. Maar had ik behalve Fik nog een andere vrouw in huis, ik zou onzen lieven Heer moeten bidden om geduld telkens als het brood tets was. En wat de zindelijkheid betreft, mijn huis is zindelijker dan eenig huis in de gemeente, ofschoon de helft vol vrouwen zit. De jongen van William Baker komt mij 's morgens helpen, en wij maken zonder de minste opschudding in een uur tijds meer schoon dan alle vrouwen in drie, in weerwil dat zij gansche emmers water over uw enkels doen stroomen, en tang en pook en haardijzer den halven dag midden in de kamer laten staan, zoodat men er zich de scheenen blauw tegen loopt. Vertel mij niet dat God zulke schepsels gemaakt heeft om ons tot gezellinnen te zijn! Ik wil niet zeggen of God kan Eva wel gemaakt hebben tot een gezellin voor Adam in het paradijs â daar viel geen pot te bederven, en er was daar geen andere vrouw voor Eva om mee te kakelen en kwaad te brouwen, of-ADAM BEDE. 18
273
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTEE.
sclioon gij weet hoe zij zicli aanstelde, de eerste gelegenheid de beste. Maar het is een goddeloos, het is een onschriftmatig oordeel, te zeggen dat een vrouw in den tegenwoordigen tijd een zegen is voor een man; gij zoudt evengoed kunnen zeggen dat adders en wespen, en evers en wilde dieren een zegen zijn, terwijl zij in waarheid rampen zijn, onafscheidelijk van den staat van beproeving hier beneden; rampen, die het een mensch betaamt zich zooveel mogelijk van het lijf te houden gedurende dit leven, in de hoop er ganschelijk van bevrijd te zullen worden in een volgend â er ganschelijk van bevrijd te zullen worden in een volgend.quot;
Bartle was onder het uitspreken dezer smaadrede zoo opgewonden en toornig geworden, dat hij zijn avondeten had vergeten, en zijn mes enkel gebruikte om met het hecht op de tafel te slaan. Maar tegen het einde werden de slagen zoo heftig en veelvuldig, en zijn stem zoo driftig, dat Fik het plicht rekende, uit haar mand te springen en zacht te blaffen.
âStil, Fik!quot; knorde Bartle, zich naar haar toekeerend. âGij zijt als de rest van het vrouwendom, altijd meepraten voor gij weet waarover.quot;
Fik keerde in ootmoed weder naar haar mand terug, en haar meester zette zijn avondmaal voort onder een stilzwijgen, dat Adam niet verkoos af te breken. Hij wist dat de oude man in een betere luim zou geraken, wanneer hij eenmaal zijn brood gegeten en zijn pijp zou hebben aangestoken. Adam was gewoon, hem op die wijs te hooren spreken, maar had nooit genoeg van Bartle's levensgeschiedenis kunnen te weten komen om te oordeelen of zijn begrippen omtrent huiselijk geluk al dan niet op ondervinding steunden. Op dit punt was Bartle doofstom, en zelfs was het een geheim waar hij had gewoond, voor hij, nu twintig jaren geleden, ten zegen der boeren en der handwerkslieden uit den omtrek, zich onder hen als schoolmeester gevestigd had. Indien men hem met een vraag, of ook slechts met een halve vraag op dit onderwerp bracht, antwoordde Bartle altijd; âO, ik heb veel plaatsen gezien â ik ben veel in het Zuiden geweestquot; â en de lieden van Loam-shire zouden even licht gevraagd hebben naar den naam van een stad of een dorp in Afrika als in âhet Zuiden.quot;
âKomaan nu, mijn jongen,quot; zei Bartle eindelijk, toen hij zijn tweeden kroes ale ingeschonken en zijn pijp aangestoken had â
274
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
âkomaan, nu willen wij eens over iets praten. Maar vertel mij eerst, hebt gij geen bijzonder nieuws gehoord vandaag?quot;
âNeen,quot; zei Adam, âniet voor zoover ik mij herinneren kan.quot;
âJa, zij zullen het stilhouden, zij zullen het stilhouden. Maar ik ben er bij toeval achter gekomen, en het is nieuws dat van belang zou kunnen wezen voor u, Adam, of ik weet geen onderscheid meer tusschen een vierkanten- en een kubieken-voet.quot;
Hier deed Bartle eenige heftige en snelle halen aan zijn pijp, terwijl hij Adam ernstig aankeek. Ongeduldige en praatzieke mannen hebben nooit den slag hun pijpen aan te houden met zacht afgemeten trekjes; ieder oogenblik laten zij haar nagenoeg uitgaan, en straffen haar daarna voor deze hun nalatigheid. Eindelijk zei hij:
âSatchell heeft een beroerte gehad. Ik weet het van den jongen die naar Treddleston gezonden is om den dokter, van morgen voor zevenen. Hij is een goed eind in de zestig, zooals gij weet; niet denkelijk dat hij er van opkomt.quot;
âNu,quot; zei Adam, âik geloof dat er meer vreugde dan droefheid zijn zou in de gemeente, wanneer hij kwam te vallen. Hij is een zelfzuchtig, onruststokend, kwaadwillig man; maar alles wel beschouwd, is er toch niemand aan wien hij zooveel nadeel heeft berokkend als aan den ouden heer. Ofschoon de squire zelf te ver-oordeelen is â zulk een domoor als Satchell te maken tot zijn al-gemeenen zaakgelastigde, om de kosten van een behoorlijken rentmeester uit te sparen. En ik wed dat hij meer verloren heeft met het slechte bestuur van de bosschen, dan noodig zou zijn om er twee rentmeesters op na te houden. Als hij komt te vallen, is het te hopen dat hij vervangen zal worden door een geschikter man; maar ik zie niet in hoe dat eenig verschil zou kunnen maken voor mij.quot;
âIk zie dat wel, ik zie dat wel,quot; zei Bartle, âen nog anderen buiten mij ook. De kapitein wordt spoedig meerderjarig â dat weet gij evengoed als ik â en het is te denken dat hij nu toch wel een weinig meer stem in de zaken krijgen zal. En ik weet en dat weet gij ook, hoe de wensch van den kapitein zijn zou omtrent de bosschen, zoo zich een goede gelegenheid aanbood om daarin verandering te maken. Hij heeft gezegd en herhaald ten aanhoore van onderscheiden menschen dat, zoo het van hem afhing, hij u morgen
18*
275
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTEE.
zou aanstellen tot opzichter over de bosschen. Carroll, de bediende van ds. Irwine, heeft het hem zelf tot den dominé hooren zeggen, een dag of wat geleden. Carroll kwam even inloopen, terwijl wij Zaterdagavond onze pijp rookten bij Casson, en hij vertelde het ons, en zoo vaak iemand een goed woord voor u doen wil, is de dominé gereed het te ondersteunen, daar sta ik u borg voor. Er werd heel wat over heen en weer gepraat bij Casson, dat kan ik u zeggen: er waren er ook die hun aanmerkingen op u hadden; want als de grauwtjes beginnen te zingen, behoef ik u niet te vertellen welke aria.quot;
âZoo, en hebben zij daarover gesproken in tegenwoordigheid van baas Burger?quot; vroeg Adam; âof was die er niet, Zaterdag?quot;
âHij was weg toen Carroll kwam, en Casson â altoos er op uit om de menschen tegen te spreken, zooals gij weet â wilde dat Burger het bestuur over de bosschen krijgen zou. Een zelfstandig man, zei hij, âmet een bijna zestigjarige ondervinding van timmerhout. Adam Bede zou tevreden mogen zijn met een opzichtersbaantje onder baas Burger. Maar het is niet te denken dat de squire een jongmensch zal aanstellen, terwijl er ouderen en beteren bij de hand zijn!quot; Maar ik zei, âdat is een mooie inval van u, Casson! Burger is immers de man die hout koopen moet; zoudt gij hem de bosschen in handen willen geven en hem zijn eigen koopen laten sluiten? Ik denk niet dat gij uw klanten zeiven den prijs van hun ale of porter laat bepalen, doet gij wel? En wat ouderdom betreft, de waarde daarvan hangt af van de hoedanigheid van het vocht. Het is genoeg bekend wie de spil is waarom de gansche zaak van baas Burger draait.quot;
âIk dank u voor uw voorspraak, meester Massey, zei Adam. âMaar met dat al, Casson had voor deze eene maal gelijk. Er is niet veel waarschijnlijkheid dat de oude squire er immer in zal toestemmen, mij te gebruiken; ik heb hem beleedigd, nu omstreeks twee jaren geleden, en dat heeft hij mij nooit vergeven.quot;
âZoo, wat was dat? Daar hebt gy mij nooit iets van verteld,quot; zei Bartle.
âOch, het had niet veel om het lijf. Ik had een raam gemaakt voor een geborduurd vuurscherm van miss Lydia â zij gebruikt altoos haar borduurwerk om er een of ander meubel van te laten maken â en zij had mij bijzondere orders gegeven voor dat vuur-
276
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
277
scherm, en er was een gepraat en een gemeet over geweest alsof wij plannen maakten voor een huis. Evenwel, het was een stak fijn werk, en ik had er liefhebberij in. Maar gij weet, die kleine treuzelige dingen nemen veel tijd weg. Ik werkte er aan in mijn tusschenuren â dikwijls laat in den nacht â en ik moest herhaaldelijk naar Treddleston gaan om kleine koperen spijkertjes en dergelijke snuisterijen, en ik draaide zelf de knopjes en de pooten, en sneed het lofwerk uit, naar een keurig geteekend model. Ik was er dan ook bijzonder over tevreden toen het klaar was. En toen ik het thuis bezorgde, liet miss Lydia mij verzoeken, het ding in haar salon te brengen, omdat zij mij aanwijzingen wilde doen omtrent het inzetten van het werk â prachtig borduurwerk, Jakob en Rachel elkander kussend midden tusschen de schapen; net een schilderij â en de oude squire zat daar ook, want hij zit meest altoos bij haar. Nu, zij was uitermate in haar schik met het raam, en toen begeerde zij te weten wat zij mij schuldig was. Ik sloeg er maar niet een slag in â gij weet, dat is mijn gewoonte niet; ik had alles nauwkeurig becijferd, ofschoon ik geen rekening had geschreven, en ik zei: een pond en dertien shillings. Daarmede was ik betaald voor mijn materialen en voor mijn werk, maar volstrekt niet te ruim. Hierop keek de oude heer op, gluurde op zijn gewone manier naar het raam, en zei: âEen pond en dertien shillings voor een nest als dat! lieve, zoo gij uw geld wilt verkwisten aan zulke dingen, waarom koopt gij ze dan niet te Kosseter, in plaats van den dubbelen prijs te betalen voor lomp werk hier op het dorp ? Zulke dingen zijn geen werk voor een timmerman zooals Adam. Geef hem een guinje, meer niet.quot; Nu, ik denk dat miss Lydia geloofde wat hij haar vei'telde, en zij is ook al niet bijster los van het geld â in den grond geen kwade vrouw, maar hij heeft haar altijd onder den duim gehouden. Zij begon heen en weder te draaien met haar beurs, en werd zoo rood als het lint om haar hals. Maar ik maakte een buiging en zei: âDank u, miss, ik zal u het raam present geven, zoo gij dat verkiest. Ik heb een behoorlijken prijs voor mijn werk gesteld, en ik weet dat het goed gemaakt is; en ik weet ook, met verlof van zijn edelheid, dat u zoo'n scherm te Rosseter niet onder de twee guinjes zoudt koopen. Ik ben bereid u mijnwerk te schenken â ik heb het in mijn vrijen tijd gemaakt, en niemand heeft er zich mede
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTEK.
te bemoeien buiten mij; maar als ik betaald word, kan ik geen minderen prijs aannemen dan dien ik vroeg; dat zou gelijk staan met de bekentenis dat ik u overvraagd had. Met uw verlof, miss, ik wensch u goeden morgen.quot; Ik maakte een buiging, en was de kamer uit voor zij tijd had er iets bij te voegen; zij stond met de beurs in de hand, en keek tamelijk verlegen. Mijn bedoeling was niet, oneerbiedig te wezen, en ik sprak zoo beleefd als mij mogelijk was, maar ik kan voor niemand uit den weg gaan die zou willen beweren dat ik hem overvraag. En 's avonds bracht de knecht mij de een pond dertien shillings in een papiertje gewikkeld. Maar ik heb duidelijk gemerkt dat de oude heer mij sinds dien tijd niet kan uitstaan.quot;
âWaarschijnlijk, waarschijnlijk.quot; zei Bartle peinzend. âDe eenige manier om hem over te halen, zou wezen, hem aan het verstand te brengen, dat zijn eigenbelang het medebrengt, en dat kan de kapitein doen â dat kan de kapitein doen.quot;
âDaar ben ik niet van overtuigd,quot; zei Adam; âde oude squire is slim genoeg, maar er wordt iets anders vereischt behalve slimheid om de menschen te doen inzien wat hun belang is op den langen weg. Daartoe wordt eenige nauwgezetheid van geweten en geloof in recht en onrecht vereischt. Gij zult den ouden heer niet licht aan het verstand brengen dat hij evenveel zou winnen met recht door zee, als door om te gaan met listen en streken. En daarenboven, ik heb niet veel lust om onder hem te werken, ik verlang niet te twisten met welken edelman ook, inzonderheid niet met een ouden edelman van in de tachtig, en ik weet wel dat wij niet lang in vrede met elkander overweg zouden kunnen. Was de kapitein meester van het goed, dat zou een verschil maken; hij handelt naar zijn geweten en heeft een vasten wil om het goede te doen; en liever dan voor iemand ter wereld, werkte ik voor hem.quot;
âNu, nu, mijn jongen, als de Portuin bij u aanklopt, steek dan het hoofd niet uit het raam en roep haar niet toe, dat zij zich liever moest bemoeien met haar eigen zaken, dat heb ik u maar te zeggen. Gij moet leeren overweg te kunnen met even en oneven in de wereld, zoowel als in het rekenen. Ik zeg u wat ik u tien jaren geleden zei, toen gij den jongen Mike Holdsworth af-kloptet, omdat hij een valschen halven shilling wilde uitgeven.
278
DE AVONDSCHOOL EN DE MEESTER.
voor gij wist of hij het uit gekheid of in ernst deed â gij zijt driftig en trotsch, en te zeer geneigd uw tanden te laten zien aan lieden die niet naar uw smaak zijn. Voor mij kan het geen kwaad, een beetje heftig en hardnekkig te wezen â ik ben een oude schoolmeester, en heb niet noodig een sportje hooger te klimmen. Maar waartoe dient al de tijd dien ik heb verspild met u schrijven te leeren, en geographie, en meetkunde, zoo gij niet vooruitkomt in de wereld, en den lieden toont dat er nog eenig voordeel in steekt, een kop op de' schouders te hebben, in plaats van een knolradijs? Zijt gij van plan uw neus op te trekken voor elke goede gelegenheid, omdat er een zeker luchtje aan is dat niemand er aan ontdekt behalve gijzelf? Dat ware even dwaas als die andere meening van u, dat een vrouw onontbeerlijk zijn zou voor een werkman. Onzin en mallepraat! â onzin en mallepraat! Laat dat over aan de zotten, die het nooit verder konden brengen dan een enkelvoudige optellingssom. Enkelvoudige optellingssommen genoeg in de wereld! Voeg een zot bij een anderen zot, en in zes jaren tijd nog zes andere zotten er bij â zij behooren allen tot dezelfde soort. Of zij dik of dun zijn, het blijft zonder invloed op de som!quot;
Onder deze vrij verhitte aanbeveling van de deugd der kalmte en der bescheidenheid was de pijp uitgegaan, en nu bestond de slag op de vuurpijl van Bartle's rede hierin, dat hij vol woede een zwavelstok deed ontvlammen, waarna hij voortrookte met grimmige vastberadenheid en met het oog steeds op Adam gevestigd, die zijn best deed niet te lachen.
âEr is veel waars in hetgeen gij zegt, meester Massey,quot; begon Adam, toen hij zich weder ten volle ernstig voelde; âveel waars, zooals altijd. Maar gij zult toegeven, dat ik niet voort mag bou-men op kansen, die misschien nooit zullen verwezenlijkt worden. Wat mij te doen staat is, te werken met de gereedschappen en de materialen die mij ten dienste staan. Doet een goede kans zich voor, dan zal ik denken aan hetgeen gij mij gezegd hebt; maar tot dien tijd moet ik vertrouwen op mijn eigen handen en mijn eigen hersenen. Ik ben bezig aan een plannetje voor Seth en mij, om ons namelijk voor eigen rekening een weinig in het kabinet-werk te steken en op die manier een paar pond extra te verdienen. Maar het wordt intusschen laat, het zal wel naar elven loopen eer ik
279
DE AVONDSCHOOL EN DB MEESTER.
tlrnis ben, en moeder ligt misschien wakker â zij is tegenwoordig onrustiger dan anders. Ik zal u dus goeden nacht wenschen.quot;
âZoo, zoo, men zal u uitgeleide doen tot aan het hek; het is een heerlijke avond,quot; zei Bartle, zijn stok opnemend. Dadelijk was Fik op de been, en zwijgend wandelden de drie naar buiten in het star-relicht, langs Bartle's aardappelbedden, naar het kleine hekje.
âKom naar de muziek luisteren Vrijdag avond, zoo gij kunt, mijn jongen,quot; zei de oude man, terwijl hij het hek achter Adam sloot en er overheen leunde.
âGaarne,quot; zei Adam, voortgaande in de richting van den straatweg. Hij was het eenige voorwerp dat zich bewoog op de ruime weide. De twee grijze ezels, vlak voor de bremstruiken, stonden even roerloos stil als beelden van kalksteen â even stil als het armoedig stulpje met het grijze rieten dak een weinig verderop. Bartle hield het oog gevestigd op de zich voortbewegende gedaante, tot zij in de duisternis verdween, terwijl Fik, als met een verdeeld gemoed twee malen naar huis was teruggeloopen om als in een tus-schenzin een likje toe te dienen aan haar jongen.
âJa, ja,quot; prevelde de schoolmeester, terwijl Adam verdween, âdaar gaat gij, trotsch voortstappend â trotsch voortstappend; maar gij zoudt niet wezen wat gij zijt, zoo gij niet een weinig van den ouden, kreupelen Bartle onder uw hoed hadt. Het sterkste kalf heeft iets noodig om aan te zuigen. Een aantal van die forsche, werkzame knapen zouden nooit hun ABC hebben geleerd, zoo Bartle Massey er niet geweest was. Nu Fik, nu Fik, dwaas schepsel, wat is er, wat is er? Moet ik in huis, moet ik? Och ja, ik zal vooi'taan geen eigen wil meer hebben. En wat moet ik met die jongen aanvangen wanneer zij tweemaal zoo groot zullen zijn als gg? â want ik ben zoo goed als zeker dat die lompe bulhond van William Baker en niemand anders hun vader is â is hij niet, hé, sluwe feeks?quot; â Hier liet Fik den staart tusschen de pooten hangen en liep vooruit naar huis. Er worden bijwijlen onderwerpen aangeroerd, waar geen welopgevoede dame naar luistert. â
âMaar wat baat het of men al praat tegen een vrouw die kleintjes heeft?quot; ging Bartle voort. âGeen geweten meer â geen geweten â alles melk geworden!quot;
280
DERDE BOEK.
HOOFDSTUK XXII.
MEERDERJARIG VERKLAARD.
De dertigste Juli was gekomen, een van dat half dozijn warme dagen te midden van een regenachtigen Engelschen zomer somtijds. Water was er gedurende de laatste drie of vier dagen niet gevallen, en het weder was volmaakt voor den tijd van het jaar. Er lag minder stof dan gewoonlijk op de donkergroene heggen en op de wilde kamille die den zoom van den weg met haar starren bezaaide. Toch was het gras droog genoeg voor kleine kinderen om in te rollen, en nergens wolken, behalve alleen een lange streep van lichte, donzige golfjes, hoog en hooger in het ver verwijderd blauw der lucht. Volmaakt weder voor een buitenpartij in Juli, doch zeker niet de beste tijd van het jaar om in geboren te worden. De natuur schijnt op dat oogenblik een brandende pauze in te stellen â al de liefste bloemen zijn verdwenen; de aantrekkelijke tijd van jeugdige ontwikkeling en schemerachtige hoop is voorbij; de tijd van den oogst en der inzameling is nog niet gekomen, en wij beven voor de mogelijke stormen die de kostbare vrucht zouden kunnen vernielen onder het rijpen. Alle wouden hebben dezelfde donkergroene kleur, de zwaargela-den hooiwagens kruipen niet meer door de lanen, haar geurigen afval rondstrooiend op de braambesstruiken; de weiden zijn dikwerf een weinig verschroeid, ofschoon het koren zijn laatste prachtgewaad van rood en goud nog niet heeft aangetogen; lammeren en kalven zijn alle sporen van onschuldige dartelheid kwijt; ze zijn domme jonge schapen en koeien geworden. Maar het is een tijd van rust op de hoeven, die pauze tusschen hooi- en koren-
MEERDERJARIG VERKLAARD.
oogst, en dus oordeelden de pachters en arbeiders van Hayslope en Broxton dat het uitmuntend gezien was van den kapitein, meerderjarig te worden juist omstreeks den tijd dat zij met onverdeelden geest zich konden wijden aan de geuren van het groote vat ale, gebrouwen in den herfst na de geboorte van den âerfgenaamquot; en dat moest opgestoken worden op zijn een-en-twintigsten jaardag. Reeds vroegtijdig had dezen morgen de lucht weergalmd van het vroolijk gelui der klokken, en ieder had zich gehaast het noodige werk te doen voor twaalven, het tijdstip waarop men zich gereed moest maken om naar het kasteel te gaan.
De middagzon stroomde Hetty's slaapkamer binnen, en er waren geen blinden om den gloed te temperen waarmede haar stralen ne-derschoten op haar hoofd, terwijl zij zichzelve beschouwde in den ouden verweerden spiegel. Nochtans, deze was de eenige spiegel waarin zij haar hals en armen zien kon, want in het kleiner spiegeltje dat zij van den muur had genomen in de kamer naast de hare â de kamer waar Dina geslapen had â kon zij niet lager zien dan haar kinnetje en dat schoone gedeelte van haar hals, waar de ronding van haar wang samensmolt met de ronde lijn van haar nek, overschaduwd door fijne donkere krulletjes. En heden dacht zij meer dan anders aan haar hals en armen, want zij zou dezen avond dansen zonder halsdoek, en zij was gister bezig geweest haar witte japon met rozeroode moesjes te veranderen, zoodat zij lange en korte mouwen hebben kon naar willekeur. Zij was nu gekleed juist zooals zij 's avonds zijn zou, met om den hals van haar japon een strook âechtequot; kant, die haar tante haar geleend had voor deze geheel eenige gelegenheid, maar zonder eenig ander sieraad hoegenaamd; zelfs had zij de kleine ronde oorringetjes, die zij anders alle dagen droeg, uit de ooren genomen. Maar het scheen, er moest nog iets aan haar toilet verricht worden voor zij haar lange mouwen aan- en haar halsdoek omdeed, bestemd om op den dag gedragen te worden; want zij ontsluit de lade waarin haar persoonlijke eigendommen en schatten verborgen waren. Het is meer dan een maand geleden sinds wij haar die lade zagen opendoen; en zij behelst thans nieuwe schatten, zooveel kostbaarder dan de oude, dat deze in een hoek geworpen zijn. Hetty zou thans niet gaarne de groote oorhangers van gekleurd glas in haar ooren hebben gehangen, want zie, zij bezit een mooi stel gouden, met paarlen en
282
MEERDERJARIG VERKLAARD.
granaten, keurig geschikt in een net doosje met wit satijn gevoerd. Hoe verrukkelijk, dit kleine doosje voor den dag te halen en de oorringetjes te bekijken! Redeneer niet, mijn wijsgeerige lezer; zeg niet dat Hetty, om haar bijzondere schoonheid, weten moest dat het niets afdeed of zij sieraden droeg of niet, en dat te kijken naar een stel oorringetjes, die zij onmogelijk dragen kon elders als op haar slaapkamer, buitendien nauwelijks een genoegen heeten mocht, aangezien toch de ijdelheid haar beste voedsel trekt uit den indruk, op anderen teweeggebracht. Nimmer zult gij het vrouwelijk karakter leeren begrijpen indien gij voortgaat zoo uiterst rationeel te zijn. Tracht u liever van alle rationeele vooroordeelen te ontdoen, als waart gij bezig het zieleleven van een kanarievogeltje te bestudeeren, en sla enkel de bewegingen gade van dit mooie ronde schepseltje, terwijl zij haar hoofdje op zijde houdt en onbewust glimlacht tegen de kleine oorbellen in hun nestje van wit satijn. O zoo, denkt gij, zij glimlacht ter liefde van den persoon die ze haar gegeven heeft, en haar gedachten snellen terug naar het oogenblik dat het geschenk haar werd ter hand gesteld. Neen, want waarom zou zij in dat geval liever oorringen hebben gekregen dan iets anders? En ik weet zeker dat zij naar oorringen had verlangd, meer dan naar eenig ander sieraad.
âDie kleine, kleine oortjes!quot; had Arthur op zekeren avond gezegd, zich houdend alsof hij er in kneep, terwijl Hetty zonder hoed naast hem zat op het gras. âIk wou dat ik een paar mooie oorringetjes had,quot; had zij terstond geantwoord, bijna voor zij wist wat zij zeide â de wensch lag op het uiterste tipje harer lippen; hij moest er wel over heen fladderen bij den minsten ademtocht. En den volgenden dag â pas een week geleden â was Arthur naar Rosseter gedraafd om ze te koopen. Die kleine wensch, zoo naïef uitgesproken, scheen hem het liefste trekje van kinderlijkheid dat mogelijk was â nooit had hij vroeger zoo iets liefs gehoord; en hij had het doosje in een aantal papieren gewikkeld, om te zien hoe Hetty het zou uitpakken met toenemende nieuwsgierigheid, tot eindelijk haar oogen hun nieuwe verrukking lieten stralen in de zijne.
Neen, zij dacht niet allermeest aan den gever toen zij glimlachte tegen de oorringen; want daar neemt zij ze uit het doosje, niet om ze aan haar lippen te drukken, maar om ze in haar ooren te be-
283
MEERDER JARIG VERKLAARD.
vestigen â voor een oogenblikje slechts, om te zien hoe lief zij staan, terwijl zij er naar kijkt in den spiegel tegen den muur, met haar kopje eerst naar den eenen en dan naar den anderen kant, als een luisterend vogeltje. Wie haar aanziet, voelt al zijn wijsheid omtrent ringen en oorringen zich in de schoenen zinken. Waartoe anders die fijne pareltjes en steentjes, zoo niet voor zulke oortjes? Zelfs het kleine ronde gaatje dat zij nalaten, nu zij er uitgenomen zijn, kan men niet leelijk vinden; waternimfen wellicht, en dergelijke lieve schepseltjes zonder zielen, dragen van nature zulke ronde gaatjes in de ooren om juweelen in te hangen. En tot die wezentjes moet Hetty behooren; het is èl te pijnlijk, in te denken dat zij een vrouw is, met het lot eener vrouw in het vooruitzicht â een vrouw die in jeugdige onwetendheid een teeder webbe van dwaasheid en ijdele verwachting spint, dat zich eenmaal om haalbeen zal wikkelen, en haar zal omkleven als een uit wraakzucht vergiftigd gewaad, en eensklaps haar spelend en fladderend vlinder-bestaan zal doen verkeeren in een leven van diep menschelijke ziele-lijden.
Maar zij kan de oorringen niet lang aanhouden, anders zou zij haar oom en tante moeten laten wachten. Zij legt ze haastig weder in het doosje en sluit ze weg. Eenmaal zal zij de oorringen mogen dragen die zij verkiest, en reeds leeft zij in een onzichtbare wereld van schitterende toiletten, doorschijnend gaas, zacht satijn en fluweel, zooals de kamenier op het kasteel haar heeft laten zien in miss Lydia's kabinet; zij voelt de braceletten om haar polsen en treedt over een zacht tapijt voor een grooten spiegel. Maar zij heeft nog iets in de lade, dat zij wel wagen kan heden aan te doen, want zij kan het hangen aan de ketting van donkerbruine kralen, die zij tot hiertoe bij alle feestelijke gelegenheden gedragen heeft, met een klein plat reukfleschje aan het eind onder haar japonnetje gestopt; en zij moet haar bruine kralen aandoen â haar hals zou er anders zoo kaal uitzien. Het medaillon was Hetty minder dierbaar dan de oorringen, ofschoon het een mooi medaillon was, met geëmailleerde bloemen aan de achterzijde en een fraaien, gouden rand om het glas, waaronder een lichtbruine, zachtgolvende lok, den achtergrond vormend voor twee fijne, donkere krulletjes. Zij moest het onder haar japon dragen, en niemand zou het zien. Maar Hetty had nog een hartstocht, slechts een weinig minder sterk
284
MEERDERJARIG VERKLAARD.
dan haar liefde tot opschik, en die andere hartstocht deed haar het medaillon gaarne dragen, zelfs verscholen aan haar borst. Zij zou het iederen dag gedragen hebben, had zij zich slechts durven wagen aan haar tantes informatiën naar de reden van het lint om haar hals. De ketting was niet bijzonder lang, zoodat het medaillon slechts even onder het lijfje van haar japon reikte. En nu had zij niets meer aan of om te doen behalve haar lange mouwen en haar nieuwen tullen halsdoek; toen zette zij haar strooien hoed op, die voor dezen dag was opgemaakt met wit lint, in plaats van het roze-roode dat een weinig geleden had van de Juli-zon. Die hoed was de bittere droppel in Hetty's vreugdebeker van heden, want hij was niet fonkelnieuw â iedereen zou zien dat hij eenigszins verbrand afstak tegen het witte lint â en Mary Burger, daar was zij zeker van, zou wel een nieuwen hoed of muts ophebben. Tot haar troost keek zij naar haar fijne, witte, katoenen kousen; deze waren inderdaad keurig netjes, en zij had er bijna al haar spaargeld aan uitgegeven. Hetty's droomen voor de toekomst konden haar niet ongevoelig maken voor de triomfen des oogenbliks. Zeker, Kapitein Donnithorne had haar zoo vurig lief, dat hij er niet aan denken zou naar anderen te kijken; maar die anderen wisten niet hoe lief hij haar had, en zij had geen lust, er in hun oogen eenvoudig of onbeduidend uit te zien, zelfs niet voor een korten tijd.
Het geheele gezelschap was in de keuken verzameld toen Hetty beneden kwam, allen natuurlijk in hun Zondagsche kleederen, en de klokken hadden dien morgen zoo duchtig gebengeld ter eere van des kapiteins een en twintigsten jaardag, en al het werk was zoo vroeg gedaan, dat Marty en Tommy niet ten volle verzekerd waren in hun gemoed, voor de moeder hun verklaard had dat kerkgaan niet behoorde tot de feestelijkheden van den dag. Boer Poyser had een oogenblik in bedenking gegeven, het huis te sluiten en aan zijn lot over te laten, âwantquot; zei hij, âgeen nood dat iemand zal inbreken â iedereen zal op het kasteel wezen, de dieven inkluis. Zoo wij het huis sluiten, dan kan al het volk vrijaf hebben; het is een dag dien zij geen tweemalen beleven zullen.quot; Maaide boerin antwoordde met groote vastberadenheid: âNooit heb ik het huis aan zijn eigen lot overgelaten sinds ik er meesteres in ben, en ik zal dat nimmer doen. Er hebben zich in deze week genoeg landloopers met verdachte gezichten in den omtrek der plaats
285
JIEERDEKJARIG VERKLAARD.
vertoond, om onze laatste ham en onzen laatsten lepel mede te pakken. Zij liggen onder één deken, al die landloopers; liet is een zegen dat zij niet reeds gekomen zijn, en de honden hebben vergiftigd, en ons allen vermoord in ons bed, eer wij het wisten, den een of anderen Vrijdag nacht, wanneer wij het geld in huis hebben om het werkvolk te betalen. Buitendien weten de landloopers opperbest waar wij heengaan, evengoed als wij zeiven het weten; heeft de Nikker iets in den zin, dat kunt gij er op aan dat hij de middelen vinden zal om het uit te voeren.quot;
âOns vermoorden in ons bed, malligheid,quot; zei boer Poyser. âHeb ik dan geen geweer in onze kamer, en is uw oor niet zoo fijn, dat gij een muis zoudt hooren knagen aan het spek? Hoewel, zoo gij vreest niet op uw gemak te zullen zijn, dan kan Alick thuis blijven in den voormiddag, en Tim tegen vijf uur terugkomen om Alick zijn beurt te geven. ZTj kunnen den bulhond loslaten voor het geval dat iemand kwaad zou willen uitrichten, en behalve hem is Alicks hond er nog, die gauw genoeg de tanten in een land-looper zet wanneer zijn meester hem een wenk geeft.quot;
De boerin nam dit vergelijk aan, maar achtte het noodig, zooveel doenlijk alles te sluiten en te grendelen; en thans, op het laatste oogenblik voor het vertrek, was Nancy de melkmeid bezig de keukenluiken te voorzien, ofschoon er reden was te denken dat dit raam, als gelegen onder het onmiddellijk toezicht van Alick en de honden, het minst van alle gevaar liep te worden uitgekozen bij een mogelijke poging tot inbraak.
De overdekte kar, zonder veeren, stond gereed voor het gan-sche gezin, behalve de knechts. Boer Poyser en de grootvader zaten op de voorste bank, en van binnen was plaats voor alle vrouwen en voor de kinderen. Hoe voller de kar, hoe beter; des te minder zou men te lijden hebben van het stooten, en Nancy's breede gestalte en dikke armen waren een uitmuntend kussen om op neder te komen. Doch boer Poyser liet zijn paard niet meer dan stappen, teneinde er op dezen warmen dag zoo min mogelijk nood van stooten wezen mocht. Er was dus gelegenheid om groeten en korte opmerkingen te wisselen met de voetgangers die, dezelfde richting volgend, den weg tusschen de groene weiden en de gele graanvelden stoffeerden met beweegbare beeldjes in heldere kleuren â een purperood vest van dezelfde tint als de papavers, die in wat al
286
MEERDER J AKIG VERKLAARD.
te grooten getale met haar kopjes knikten tusschen het koren, of een donkerblauwe das met lange punten wapperend over een fon-kelnieuwen witten kiel. Gansch Broxton en ganseh Hayslope werden op het kasteel verwacht, om zich te vermaken ter eere van âden erfgenaam,quot; en de oude mannen en vrouwen, die sinds de laatste twintig jaren den heuvel aan deze zijde niet zoo ver waren afgedwaald, zouden, op voorstel van ds. Irwine, van Broxton en Hayslope in een der pachters-wagens aangevoerd worden. De kerkklokken waren nu opnieuw begonnen te luiden â voor de laatste maal, waarna de klokkeluiders op hun beurt naar beneden zouden komen om deel te nemen aan het feest, en nog voor de klokken hadden opgehouden, hoorde men andere muziek naderen, zoodat zelfs Oude Bruin, boer Poysers nuchter karrepaard, de ooren begon te spitsen. Het waren de leden der âSteenzagers- Vereeniging,quot; die zich in al hun glorie hadden uitgedost, dat is te zeggen, met hemelsblauwe sjerpen en korenblauwe strikken. Zij voeren hun banier met zich mede, waarop het motto prijkte: âDe broederlijke liefde blijve,quot; cirkelvormig geborduurd om een geschilderde steengroef.
De karren mochten natuurlijk de plaats van het kasteel niet oprijden. Ieder moest afstappen buiten de hekken, en alle rijtuigen werden teruggezonden.
âKijk, het kasteel ziet er uit als een kermis,quot; zei boerin Poyser, terwijl zij van de kar afstapte en de verspreide groepjes onder de eiken zag, en naar de jongens keek die in den heeten zonneschijn heen en weder liepen om den hoogen kokanjemast op te nemen, van wiens top wapperende kleedingstukken hingen, die tot prijzen dienen moesten, voor de beste klimmers. âIk zou niet gedacht hebben dat er zooveel menschen woonden in de beide gemeenten. Lieve hemel, welk een hitte buiten de schaduw! Kom hier, Totty, anders zal uw gezichtje vol bladers branden. Ze hadden het eten wel kunnen koken in die open ruimte, en het vuur kunnen uitwinnen. Ik ga naar de kamer van juffrouw Best en blijf daar wat zitten.quot;
âWacht even, wacht even,quot; zei haar man. Daar komt het rijtuig aan met de oude luidjes. Zulk een gezicht bekomt men niet licht voor de tweede reis: ze te zien klimmen uit den wagen en gezamenlijk voortwandelen. Er zijn er bij die gij in hun jeugd hebt gekend, nietwaar, vader?quot;
287
MEEKDERJAKIG VERKLAARD.
âJa, ja,quot; zei oude Martin, langzaam in de schaduw der portierswoning voortstappend, vanwaar hij het bejaard gezelschap kon zien afstijgen. âIk herinner mij hoe Jacob Taft vijftig mijlen ver de Schotsche rebellen naliep, toen zij van Stoniton terugkwamen.quot;
Hij meende nog een jongeling te zijn, met een lang leven in het verschiet, toen hij den patriarch van Hayslope, ouden vader Taft, van den wagen zag afklimmen en naar hem zag toekomen, met zijn bruine slaapmuts op, en leunend op zijn twee stokken.
âWel, meester Taft,quot; kreet oude Martin op zijn hoogsten toon â want hoewel hij wist dat de oude man stokdoof was, kon hij toch den betamenden groet niet achterwege laten â âgij houdt u kras. Gij kunt nog meedoen vandaag, al hebt gij de negentig en meer dan de negentig al achter den rug.quot;
âüw dienaar, uw dienaar,quot; zei vader Taft met bevende stem, bespeurend dat hij in gezelschap was.
De bejaarde groep, onder de hoede van zonen en dochteren, zelf reeds bedaagd en grijs, wandelde langs den minst kronkelenden rijweg naar het kasteel, waar een afzonderlijke tafel voor hen aangericht was, terwijl de familie Poyser wijselijk over het gras onder de schaduw der groote boomen voortdrentelde, echter niet buiten het gezicht van het front des kasteels, met zijn glooiend terras en zijn bloembedden, of van de fraaigestreepte linnen tent aan den zoom van het terras, geflankeerd door twee grooter tenten aan elke zijde van de open groene ruimte, waar de volksspelen zouden gehouden worden. Het huis ware niet meer geweest dan een smakeloos vierkant gebouw uit den tijd van koningin Anna, zoo het zich niet aan het eene eind had aangesloten aan het overblijfsel eener Gothische abdij, op dezelfde wijze als men somtijds een nieuwe hoeve ziet verrijzen, hoog en statig, aan het einde van een rij lager en ouder boerenwoningen. De fraaie antieke abdij stond een weinig achterwaarts, in de schaduw van hooge beuken; maar de zon bescheen thans den nog hoogeren en meer vooruitkomenden gevel alle blinden waren gesloten, en het huis scheen te slapen in de heete middagzon. Hetty werd bedroefd als zij het aanzag; Arthur moest ergens in de achtervertrekken zijn, met het voorname gezelschap; ergens waar hij onmogelijk kon weten dat zij aangekomen was, en nog in geen langen, langen tijd zou zij hem te zien krijgen
288
MEEKDEKJARIG VERKLAARD.
â niet voor na het eten, wanneer hij, zeide men, komen zou om een aanspraak te doen.
Hetty's gissingen waren gedeeltelijk onjuist. Geen voornaam gezelschap was daarbinnen, behalve de Irwines, wien men het rijtuig had gezonden, en Arthur was op dat oogenblik niet in een achterkamer, maar wandelde met den Eector door de ruime steenen vertrekken der abdij, waar lange tafels waren aangericht voor alle kleine burgers en ambachtslieden. En een schoone jonge zoon van Brittanje was hij op dezen dag, ten hoogste opgewonden, en gekleed in een lichtblauw jasje, allerlaatst model â den arm niet langer in een doek. En daarbij, hij zag er zoo open en rechtschapen uit. Doch rechtschapen lieden hebben hun geheimen, en geheimen laten geen rimpels na op jeugdige voorhoofden.
âOp mijn woord,quot; zei hij, terwijl zij de koele kloostervertrekken binnentraden, âik geloof dat de kleine burgers er het best aan toe zijn; deze kloosterkamers zijn een uitmuntende eetzaal op een warmen dag. Die raad van u was kostelijk, Irwine, omtrent het middagmaal; alles zoo ordelijk en gezellig mogelijk, maar alleen voor de onderhoorigen; vooral omdat ik toch eigenlijk slechts over een beperkte som te beschikken had. Want ofschoon mijn grootvader sprak van carte blanche, toen het er op aan kwam, was hij niet te bewegen mij ten volle te vertrouwen.quot;
âLaat u dat niet spijten; gij zult op deze bedaarde manier veel meer genoegen geven,quot; zei ds. Irwine. âIn zulk soort van zaken verwart men altoos vrijgevigheid met zwelgerij en wanorde. Het klinkt heel fraai, wanneer men hoort: er werden met huid en haar zooveel ossen en schapen gebraden, en wie verkoos, kon komen eten; maar bij slot van rekening heeft meestal niemand een aangenaam maal gehad. Geeft men het volk omstreeks het midden van den dag goede spijs en een matige hoeveelheid ale, dan zijn zij in staat, zich naderhand te vermaken, als het koeler wordt. Het is niet te voorkomen dat enkelen te veel krijgen tegen den avond; maar dronkenschap en duisternis gaan beter samen dan dronkenschap en daglicht.quot;
âNu, ik wil hopen dat het los zal loopen. Ik heb het volk van Treddleston uit de voeten gehouden door hun een feest te geven in de stad, en ik heb Casson en Adam Bede, en nog een paar andere brave knapen aangesteld om toe te zien bij het uit-
ADAM BEDE. 19
289
MEERDERJARIG VERKLAARD.
deelen van de ale in de tenten, en om te zorgen dat er geen buitensporigheden gepleegd worden. Kom, laat ons nu naar boven gaan, en werpen wij een blik op de eettafels voor de pachters.quot;
Zij gingen de steenen trap op, die zonder kronkelingen naar de lange, breede zaal boven de kloosterkamers leidde, een zaal wer-waarts de drie laatste geslachten der Donnithornes alle oude, stoffige schildergen hadden gebannen â beschimmelde portretten van koningin Elizabeth en haar hofdames, generaal Monk met zijn uitgestoken oog, Daniël in dikke duisternis onder de leeuwen, en Julius Cesar, te paard, met een krommen neus en een lauwerkroon, en met een exemplaar zijner Commentariën in de hand.
âWat een kostelijk ding dat men dit gedeelte van de oude abdij in wezen heeft gelaten,quot; zei Arthur. âZoo ik hier immer meester word, zal ik die gaanderij in orde doen brengen in renaissancestijl; wij hebben geen kamer in het gansche huis een derde zoo ruim. De tweede kamer is voor de pachtersvrouwen en kinderen. Juffrouw Best zei dat het voor de moeders en de kinderen aangenamer zijn zou, bij elkander te wezen. Ik was vast besloten omtrent de kinderen en wilde er geheel en al een familiefeest van maken. Ik zal voor die jongens en meisjes mettertijd âde oude heerquot; zijn, en zij zullen aan hun kinderen vertellen hoe veel knapper jonge borst ik was dan mijn eigen zoon. Er is een tafel voor de vrouwen en kinderen beneden ook. Maar gij zult alles zien; gij komt immers met mij mede na het diner?quot;
âJa zeker,quot; zei ds. Irwine; âik zou uw toast aan de pachters, den eerstgeborene uwer feestdronken, niet gaarne missen.quot;
âEr zal nog iets anders wezen dat gij gaarne hooren zult,quot; zei Arthur. âLaat ons naar de boekerij gaan, dan zal ik u alles vertellen, terwijl grootvader met de dames in het salon is. Iets dat u verrassen zal,quot; ging hij voort, terwijl zij zich nederzetten. âGrootvader heeft toch eindelijk toegegeven.quot;
âWat, met betrekking tot Adam?quot;
âJuist; ik zou al eens naar u toegereden zijn om het u te vertellen, maar ik had het te druk. Zooals ik u vroeger gezegd heb, ik had het geheel opgegeven, over die zaak met hem te spreken â ik hield het voor een hopeloos geval; maar gister morgen verzocht hij mij hier bij hem te komen voor ik uitging, en verbaasde mij door de mededeeling, dat hij omtrent alle te maken schik-
290
MEERDERJARIG VERKLAARD.
kingen, in verband met de gebrekkelijkheid van den ouden Sat-chell, tot een besluit gekomen, en voornemens was, Adam voortaan te gebruiken als opzichter over de bosschen, met een salaris van een guinje 's weeks en bet vrij gebruik van een paard dat hier stallen zal. Het fijne van de zaak, geloof ik, is dat hij van den beginne af heeft ingezien dat het een voordeelig plan zijn zou; maar hij had een bijzonderen tegenzin omtrent Adam te overwinnen â en daarenboven, de omstandigheid alleen dat ik iets voorstel, is gewoonlijk voldoende om hem van de dingen te doen afzien. Zijn doen en laten is vol van de zonderlingste tegenstrijdigheden. Ik weet, hij is van voornemen, mij alles na te laten wat hij heeft bespaard, en het is meer dan waarschijnlijk dat hij mijn arme tante Lydia, die haar leven lang zijn slavin geweest is, zal afschepen met één vijfhonderd pond 's jaars, enkel met het doel om mij des te meer te geven; en toch verbeeld ik mij somtijds dat hij mij bepaald haat omdat ik zijn erfgenaam ben. Brak ik den hals, hij zou dat, geloof ik, beschouwen als het grootste ongeluk dat hem kon overkomen, en toch schijnt het hem een genoegen te zijn, mijn leven te maken tot een aaneenschakeling van kleine verdrietelijkheden.quot;
âOch, mijn jongen, de vrouwenliefde-alleen is geen dmspmrnt: spm-zooals de oude Aeschylus het noemt. Er is vrij wat âliefdelooze liefdequot; in deze wereld, ook onder het mannelijk geslacht. Maar vertel mij van Adam. Heeft hij de betrekking aangenomen? Ik zie niet in dat zij hem veel meer voordeel zal aanbrengen dan zijn tegenwoordig bestaan, ofschoon zij hem zeker veel meer vrijen tijd zal laten.quot;
âIk was er niet zeker van, toen ik eerst met hem sprak, en hij scheen aanvankelijk te aarzelen. Zijn bezwaar was, hij meende niet in staat te zullen zijn om mijn grootvader te voldoen. Maar ik verzocht hem, als een persoonlijke gunst aan mij, zich door geen enkele reden te laten weerhouden, om de plaats aan te nemen, zoo de betrekking zelve hem inderdaad begeerlijk voorkwam. En hij verzekerde mij dat hij haar hoogst gaarne vervullen zou â het zou een groote stap voorwaarts voor hem wezen, en hem in staat stellen te doen, wat hij reeds zoo lang heeft ge-wenscht â ophouden te werken voor baas Burger. Hij zegt dat hij tijd in overvloed zal hebben om een kleine zaak voor eigen
19*
291
MEERDERJARIG VERKLAARD.
rekening te beheeren, die hij en Seth samen drijven zullen, en die hij misschien mettertijd zal kunnen uitbreiden. Dus heeft hij ten laatste toegegeven, en ik heb het zoo geschikt, dat hij vandaag met de pachters aan dezelfde tafel eten zal. Mijn voornemen is, hun de benoeming zelf mede te deelen en hen te verzoeken, op Adams gezondheid te drinken â een kleine vertooning ter eere van mijn vriend Adam. Hij is een voortreffelijke kerel, en met blijdschap grijp ik de gelegenheid aan om openlijk te doen blijken dat ik hem daarvoor houd.quot;
âEene vertooning, waarbij mijn vriend Arthur zich vleit een belangrijke rol te zullen spelen,quot; zei ds. Irwine met een glimlach. Maar toen hij bemerkte hoe Arthur kleurde, ging hij zachter voort: âMijn rol, zooals gij weet, is bij voorkeur die van den ouden vrijer, die niets bewonderenswaardigs in jongelieden ziet. Ik beken niet gaarne, dat ik trotsch ben op mijn leerling wanneer hij loffelijke dingen doet. Maar voor een enkele maal wil ik eens den goeden ouden heer spelen en uw toast op Adam ondersteunen. Heeft uw grootvader ook op het andere punt toegegeven, en een fatsoenlijk man tot rentmeester aangesteld?quot;
âWel neen,quot; zei Arthur, ongeduldig van zijn stoel opstaand en de kamer doorwandelend met de handen in de zakken. âHij heeft een of ander plan in het hoofd om de hoeve van het kasteel te verhuren, en een bepaling te maken omtrent het leveren van boter en melk voor de huishouding. Doch ik vraag er liefst niet naar â het maakt mij te boos. Ik geloof dat hij zelf alle zaken wil waarnemen en niets dat naar een rentmeester zweemt in zgn dienst wil hebben. Het is met dat al verbazend, zulk een mate van geestkracht als hij bezit.quot;
âKomaan, laat ons nu naar de dames gaan,quot; zei ds. Irwine, insgelijks opstaand. âIk verlang aan mijn moeder te vertellen welk een prachtigen troon gij voor haar hebt opgericht onder de tent.quot;
âEn wij moeten gaan koffiedrinken ook,quot; zei Arthur. âHet moet twee uur zijn, want daar luidt de bel voor het middagmaal der pachters.quot;
292
OP ETENSTIJD.
HOOFDSTUK XXIII.
OP ETENSTIJD.
Toen Adam hoorde dat hij boven eten zou, was het denkbeeld om aldus verheven te worden boven zijn moeder en Seth, die het middagmaal beneden in de kloosterkamers gebruiken zouden, hem eerst onaangenaam. Doch Mills, de hofmeester, verzekerde hem dat kapitein Donnithorne bijzondere orders daaromtrent gegeven had en dat hij ontevreden zijn zou indien Adam wegbleef.
Adam knikte en begaf zich naar Seth, die op eenige schreden af-stands stond. âSeth, mijn jongen,quot; zei hij, âde kapitein heeft mij laten aanzeggen dat ik boven eten moet â hij wenscht het bepaald, zegt Mills; het zou dus niet goed van mij zijn niet te gaan. Maar ik zit niet gaarne hooger dan gij en moeder, alsof ik beter ware dan mijn eigen vleesch en bloed. Gij zult het niet onvriendelijk vinden, hoop ik?quot;
âNeen, jongen, neen,quot; antwoordde Seth; âuw eer is onze eer, en zoo men u achting bewijst, zij is het loon van uw eigen verdien, sten. Hoe verder ik u boven mij zie, hoe beter, zoo gij slechts een broeder voor mij blijft. Het is een gevolg van uw aanstellling als opzichter over de bosschen en niet meer dan billijk. Het is een betrekking van vertrouwen, en gij zijt nu geen gewoon ambachtsman meer.quot;
âMaar,quot; zei Adam, âniemand weet er nog een woord van. Ik heb baas Burger nog geen kennis gegeven van mijn voornemen om hem te verlaten, en ik zou het niet gaarne aan iemand anders vertellen voor hij het weet, want hij zal er tamelijk verstoord om wezen, vrees ik. Men zal verwonderd zijn, mij daar te zien, en waarschijnlijk zal men de reden gissen en vragen doen; want in de laatste drie weken is er veel over heen en weder gepraat dat ik de plaats krijgen zou.quot;
âWelnu, gij kunt zeggen dat men u heeft bevolen boven te gaan, zonder opgaaf van reden. Dat is de waarheid. En moeder zal er trotsch en blij om wezen. Laat ons het haar gaan vertellen.quot;
Adam was niet de eenige die genoodigd was boven te komen op
293
OP ETENSTIJD.
andere gronden dan het geldelijke belang, waarvoor hij stond uitgetrokken op de jaarlijksche pachtrol. Er waren ook nog andere lieden in de twee gemeenten die hun waardigheid niet ontleenden aan hun rijkdom; tot dezen behoorde Bartle Massey. Zijn kreupele gang was op dezen dag nog langzamer dan gewoonlijk; Adam bleef dus achter toen de bel luidde voor het middagmaal, teneinde gezamenlijk met zijn ouden vriend te kunnen gaan; want hij was niet onbeschroomd genoeg om zich bij deze gelegenheid opelijk aan te sluiten bij de familie Poyser. Kansen om zich aan Hetty's zijde te doen vinden, zouden zich genoeg opdoen in den loop van den dag, en Adam stelde zich daarmede tevreden; want hij wilde alle aanleiding vermijden om met Hetty âgeplaagdquot; te worden. Deze kolossale, openhartige, onverschrokken man was zeer bloode en overdreven geheimzinnig, wat zijn liefde betrof.
âZoo, meester Massey,quot; zei Adam, toen Bartle naderde, âik ga vandaag met u mede boven eten; de kapitein heeft het mij gelast.quot;
âHo, ho,quot; zei Bartle, stilstaand, met de eene hand op den rug. âDan is er wat in den wind â dan is er wat in den wind. Is er iets uitgelekt van 't geen de oude heer voornemens is te doen?quot;
âNu ja,quot; zei Adam; âik zal u zeggen wat ik er van weet; want ik geloof dat gij zwijgen kunt wanneer het u gevraagd wordt, en ik hoop dat gij er geen woord van zult spreken voor het algemeen bekend is, want ik heb bijzondere redenen om te wenschen dat de zaak een geheim blijft.quot;
âVertrouw op mij, mijn jongen, vertrouw op mij. Ik heb geen vrouw die mij mijn geheimen ontwringt en daarna de deur uitloopt om ze rond te kakelen ten aanhoore van al wie luisteren wil. Is iemand te vertrouwen, dan is het een vrijgezel, een vrijgezel.quot;
âWelnu dan, het is gister bepaald dat ik het bestuur over de bosschen in handen krijg. De kapitein liet mij roepen om mij de betrekking aan te bieden, toen ik hier was om naar de palen en-zoo-voort te zien, en ik heb haar aangenomen. Maar zoo iemand daarboven er u naar vraagt, zult gij mij verplichten er geen acht op te slaan, en het gesprek op iets anders te brengen. Doch reppen wij ons, want wij zijn zoo goed als de laatsten.quot;
294
OP ETENSTIJD.
âHeb maar geen zorg; ik weet wat mij te doen staat,quot; zei Bartle voortgaand; âdat nieuws zal een goede saus bij mijn middagmaal wezen. Ja, ja, mijn jongen, gij zult vooruitkomen in de wereld. Ik wil wedden tegen wie maar wil, en om al wat men wil, dat er in den ganschen omtrek geen tweede oog gevonden wordt zoo juist van blik, of geen tweede hoofd zoo vlug in het rekenen als het uwe, en gij hebt goed onderwijs gehad â goed onderwijs.quot;
Toen zij boven kwamen, was de vraag aan de orde, door Arthur onbeslist gelaten, wie der mannelijke gasten tot president en wie tot vice-president benoemd zou worden; Adams binnenkomen ging dus onopgemerkt voorbij.
âHet spreekt als een boek,quot; was baas Casson bezig te zeggen, âdat vader Poyser, als de oudste van het hier aanwezig gezelschap, aan het hoogereind zitten moet. Ik ben niet voor niet vijftien jaar hofmeester geweest, dat ik niet zou geleerd hebben hoe het behoort toe te gaan aan tafel.quot;
âNeen, neen,quot; zei oude Martin, âik heb de zaken aan mijn zoon overgedaan, ik ben geen pachter meer; laat mijn zoon mijn plaats vervangen. De oude lieden hebben hun beurt gehad, zij moeten ruim-baan maken voor de jonge.quot;
âIk zou van meening zijn dat de grootste pachter de meeste rechten had, meer dan de oudste,quot; zei Lukas Britton, juist niet verzot op zijn stekeligen confrater Poyser: âboer Holdsworth hier pacht meer land dan iemand anders op het goed.quot;
âWel zeker,quot; zei Poyser de zoon, âlaat ons vaststellen dat de man die het slechtste land heeft bovenaan zitten zal; dan behoeft niemand jaloersch te wezen van hem, aan wien die eer te beurt valt.quot;
âHa, hier is meester Massey,quot; zei baas Craig, die als onzijdige in het geval alleen belang had bij een vergelijk; âde schoolmeester behoort in staat te zijn ons te zeggen wat rechtmatig is. Wie moet boven aan tafel zitten, meester Massey?quot;
âWel, de breedste man,quot; zei Bartle; âdan zit hij niemand in den weg. En op een na de breedste moet aan het lager einde zitten.quot;
Deze gelukkige beslechting van den twist deed een algemeen gelach ontstaan â een aardigheid van minder soort ware daartoe reeds voldoende geweest. Baas Casson echter oordeelde het niet
295
OP ETENSTIJD.
overeenkomstig zijn waardigheid en meerdere wereldkennis, mede te lachen voor het uitkwam dat hij gekozen was als op een na de breedste. Martin Poyser de zoon, als de breedste, zou president wezen, en baas Casson, als op een na de breedste, vice-president.
Ten gevolge van deze schikking viel Adam, die natuurlijk aan het lager eind van de tafel gezeten was, terstond in het oog aan baas Casson, die tot hiertoe te zeer bezig was geweest met de quaestie van het presidentschap om zijn binnenkomen op te merken. Baas Casson, naar wij vernomen hebben, hield Adam voor iemand die âover het paard getild en niet op zijn mond gevallen was;quot; hij vond dat de grootelui veel te veel beweging maakten van den jongen timmerman. Zij maakten immers geen beweging van baas Casson, al was deze een uimuntend hofmeester geweest vijftien jaren lang?
âNu, meester Bede, gij behoort tot die menschen die snel naar boven klimmen,quot; zei hij, toen Adam zich nederzette. âGij hebt vroeger nooit hier gegeten, voor zoover ik mij herinneren kan.quot;
âNeen, baas Casson,quot; zei Adam met krachtige stem, zoodat hij langs de gansche tafel kon gehoord worden; âik heb hier vroeger nooit gegeten, maar ik kom op bevel van kapitein Donnithorne, en hoop dat mijn tegenwoordigheid niemand onaangenaam zal wezen.quot;
âNeen, neen,quot; zeiden verscheidene stemmen tegelijk; âwij zijn blij dat gij gekomen zijt. Wie heeft er iets tegen?quot;
âEn na den eten zult gij eens voor ons zingen van âOver de heuvels en ver van hier,quot; zult gij niet?quot; vroeg boer Chowne. âDat is mijn lievelingslied.quot;
âBah!quot; zei baas Craig, âdie deuu komt in geen vergelijking bij de Schotsche liedjes. Zelf heb ik nooit gezongen; ik had wel wat anders te doen. Van iemand die de namen en den aard der planten in â zijn hoofd moet hebben, is het niet te vergen dat hij nog een hoekje zal openhouden om liedjes in te bergen.
âMaar een verre neef van mij, een veehandelaar, had bijzonder slag om Schotsche liedjes te onthouden. Hij had ook niets anders om handen.quot;
âSchotsche liedjes!quot; zei Bartle Massey op minachtenden toon; âik heb Schotsche liedjes in overvloed gehoord om er voor de rest van mijn leven genoeg van te hebben. Zij deugen tot niets als om vogels te verschrikken â dat is te zeggen, de Engelsche vogels.
296
OP ETENSTIJD.
want de Sehotsche zingen misscliien zeiven Schotsch. Geef aan de jongens in het veld een doedelzak in plaats van een ratel, en voor mijn rekening dat het koren veilig wezen zal.quot;
âJa, men vindt altoos lieden die pleizier hebben dingen gering te schatten waarvan zij weinig afweten,quot; zei baas Craig.
âSehotsche liedjes zijn net kijvende en teemende vrouwen,quot; ging Bartle voort, zonder zich te verwaardigen, acht te slaan op de aanmerking van den tuinman. âZij herhalen en herhalen altoos weder hetzelfde en komen nimmer tot een verstandig besluit. Ieder Schotsch liedje lijkt wel een vraag aan iemand zoo doof als oude Taft; een antwoord krijgt men niet te hooren.quot;
Adam was er in zoo ver niet rouwig om, in de buurt van baas Casson te zitten, omdat deze plaats hem in staat stelde Hetty te zien, die niet ver van hem af gezeten was aan de andere tafel. Hetty evenwel had zijn tegenwoordigheid zelfs nog niet eenmaal opgemerkt, want zij lette toornig op Totty, die maar niet wilde nalaten haar voetjes op de bank te trekken â naar de wijsheid der oudheid â en zoodoende stofvlekken dreigde te maken op Hetty's kleedje van rozerood en wit. Pas waren de kleine, dikke beentjes door Hetty naar de laagte geduwd, of zij kwamen weder naar boven, want Totty's oogen waren te druk bezig met staren op de groote schotels, om te zien waar de plumpudding stond, dan dat zij denken kon aan haar onderdanen. Hetty verloor haar geduld, en eindelijk zei zij, met gefronste wenkbrauwen, een pruilend lipje, en opkomende tranen: âOch lieve tante, verbied toch Totty eens als 't u blieft. Zij wil niet laten haar voeten op te tillen en mijn japon vuil te maken.quot;
âWat doet het lieve kind? Zij kan het u ook nooit naar den zin maken,quot; zei de moeder. âLaat haar naast mij komen zitten; ik kan het wel met haar vinden.quot;
Adam keek naar Hetty en zag het gefronste voorhoofd, het pruilend lipje en de donkere oogen, die grooter schenen te worden door opkomende tranen van verdriet. Stille Mary Burger, die dichtbij genoeg zat om op te merken dat Hetty knorrig was en dat Adams oogen op haar gevestigd waren, dacht dat een verstandig man als hij nu wel tot nadenken zou komen over de geringe waarde van uiterlijke schoonheid in vrouwen met een slecht humeur. Mary was een goed meisje, dat volstrekt niet toegaf aan
297
OP ETENSTIJD.
boosaardige gevoelens; maar zij redeneerde bij zichzelve, dat nu Hetty eenmaal een slecht humeur had, het beter was dat Adam het wist. En had Hetty een alledaagsch gezichtje gehad, dan was het ook volkomen waar dat zij er op dit oogenblik zeer leelijk en onbeminnelijk zou hebben uitgezien; niemand zou alsdan in hot minst hebben misgetast in zijn oordeel over haar karakter. Maar er was wezenlijk iets recht bekoorlijks in haar lichtgeraaktheid. Haar toorn geleek veel meer naar onschuldig verdriet dan naar slecht humeur, en de gestrenge Adam gevoelde geen opwelling van ai-keuring. Hij ondervond alleen een soort van vermakelijk medelijden, als ware zij een poesje geweest dat een hoog ruggetje zette, of een vogeltje dat dikke veertjes maakte. Hij wist niet recht wat haar op dit oogenblik hinderde, maar hij gevoelde en moest gevoelen dat zij het liefste schepseltje op aarde was, en dat, hing het van hem af, haar nimmer weder eenig ding ter wereld kwellen zou. Juist nadat Totty vertrokken was, ontmoette haar oog het zijne, en een harer glanzigste lachjes speelde haar om de lippen terwijl zij hem toeknikte. Louter coquetterie; zij wist dat Mary Burger naar hem keek. Maar Hetty's glimlachje smaakte Adam als kruidenwijn.
HOOFDSTUK XXIV.
TOASTEN.
Nadat het middagmaal afgeloopen was en de eerste kroezen van het groote feestvat bovengebracht waren, werd er plaats gemaakt voor den breeden Martin Poyser aan de eene zijde der tafel, en twee stoelen werden geplaatst aan het hooger einde. Men had zeer nauwkeurig bepaald wat Poyser zeggen moest wanneer de jonker binnenkwam, en gedurende de laatste vijf minuten had hij in staat van afgetrokkenheid verkeerd, de oogen gevestigd op de donkere schilderij tegenover hem, en de handen onledig met het losse geld en andere artikelen in zijn broekzakken.
Toen de jonker binnenkwam, met ds. Irwine aan zijne zijde, stond elk op, en dit oogenblik van hulde vleide Arthur zeer. Hij
298
TOASTEN.
voelde gaarne zijn eigen gewicht; en daarenboven, hij stelde de welwillendheid dezer lieden op hoogen prijs. Het deed hem genoegen, te zien dat zij een persoonlijke en hartelijke genegenheid voor hem koesterden. Deze aangename gewaarwording stond met ronde woorden op zijn gelaat te lezen, toen hij zei:
âMijn grootvader en ik hopen dat al onze vrienden hier zich hun middagmaal goed hebben laten smaken, en dat het brouwsel van mijn geboortedag hun wel bekomen moge; ds. Irwine en ik komen er u een proefje van vragen, en ik twijfel niet of hetgeen de Eector met ons mededoet, zal er ons slechts te welgevalliger om zijn.quot;
Aller oogen waren nu op boer Poyser gevestigd, die, de handen steeds bezig in zijn monsterzakken, met al de bedaardheid eener langzaam slaande klok aldus begon; âKapitein, mijn buren hebben mij opgedragen, bij deze gelegenheid het woord voor hen te voeren, want waar allen ongeveer hetzelfde denken, is één zegsman zoo goed als twintig. En ofschoon er misschien verschil van meening onder ons bestaat over vele zaken â de een bebouwt het land zus, de andere zoo, en ik zal mij wel wachten, iemands handelwijze te beoordeelen behalve de mijne â ik wil dan zeggen, wij zijn allen één van geest waar het onzen jonker geldt. Wij hebben u bijkans allen gekend toen gij nog niet meer dan een klein kereltje waart, en er is ons omtrent u nooit iets ter oore gekomen dat niet goed en eerlijk was. Gij spreekt hupsch en handelt hupsch, en met vreugde zien wij uit naar het oogen-blik dat gij onze landheer worden zult, want wij houden ons overtuigd dat gij aan ieder recht zult laten wedervaren, en, voor zoover het van u afhangt, niemands brood verbitteren zult. Dat is wat ik meen, en dat is wat wij allen meenen, en als iemand gezegd heeft wat hij meent, doet hij wijs het er bij te laten: want de ale zal er niet beter op worden, met hem lang te laten staan. Hoe hij ons smaakt, kan ik nog niet zeggen, want wij waren overeengekomen, hem niet te proeven voor en aleer wij er tegelijk uw gezondheid mede konden drinken. Maar het middagmaal was goed, en zoo het iemand niet gesmaakt heeft, de schuld ligt alleen aan zijn eigen binnenste. En wat de tegenwoordigheid van den Rector betreft, zijn eerwaarde weet dat hij overal in de gemeente welkom is, en ik hoop, en dat hopen wij allen, dat hij zal leven tot wij zei-
299
TOASTEN.
ven oude lieden en onze jongens volwassen mannen â en uwe edelheid een man met een eigen gezin zal geworden zijn. Ik heb niets meer te zeggen voor het tegenwoordige; en dus zullen wij de gezondheid van onzen jonker drinken â drie maal drie malen!quot;
Hierop volgde een daverend gejuich, handgeklap, geklink, gerammel en gestamp, met overvloedige da capo's ondermengd, aangenamer dan de verhevenste muziek in de ooren van hem, die een diergelijke hulde voor de eerste reis in zijn leven ontvangt. Arthur voelde eenige gewetensknaging onder de aanspraak van boer Poyser; maar de pijn was niet hevig genoeg om het genoegen van den lof, die men hem schonk, te vernietigen. Verdiende hij niet bij slot van rekening hetgeen van hem gezegd werd? Indien er in zijn gedrag al iets wezen mocht dat Poyser niet aangenaam ware geweest, zoo hij het geweten had, waar is de man wiens gedrag een overnauwkeurig onderzoek kan doorstaan? Poyser zou het naar alle gedachten wel niet te weten komen, en, alles wel beschouwd, wat had hij dan toch gedaan? Misschien was hij een weinig te ver gegaan in zijn huldebetoon, maar ieder ander zou in zijn plaats veel slechter gehandeld hebben; en kwaad zou er niet van komen â kwaad kón er niet van komen, want de eerste maal dat hij weder alleen met Hetty zou zijn, zou hij haar beduiden dat zij niet aan hem denken en het voorgevallene niet te ernstig moest opnemen. Gij ziet, Arthur had behoefte, verzoend te zijn met zich-zelven; onaangename gedachten moesten worden verbannen door goede voornemens voor de toekomst, en zulke voornemens laten zich zoo schielijk vormen, dat hij tijd had, onrustig en weder bedaard te worden, nog voordat de langzame aanspraak van boer Poyser geëindigd was; en toen het oogenblik voor hem gekomen was om zelf te spreken, was hij volkomen op zijn gemak.
âIk dank u, mijn goede buren en vrienden,quot; zei Arthur, âvoorde goede meening omtrent mij, en voor de welwillendheid der ge. voelens jegens mij, door boer Poyser daareven uitgesproken in uw naam en de zijnen. Het staat menschelijker wijze te voorzien dat ik mettertijd uw landheer worden zal; het is dan ook op grond van die verwachting dat mijn grootvader heeft begeerd, dat ik dezen dag vieren en mij heden aan u vertoonen zou; en ik zie naar die betrekking uit, niet alleen als naar een bron van macht en genoegen voor mij zeiven, maar als een middel om mijn buren van
300
TOASTEN.
nut te kunnen zijn. Nauwlijks betaamt het een zoo jong mensch als mij over den landbouw te spreken met lieden als gij, die meest allen zooveel ouder en menschen van ondervinding zijt. Toch heb ik mij met dergelijke zaken veel beziggehouden, en er zooveel van geleerd als de gelegenheid veroorloofde; en wanneer door den loop der dingen het goed eenmaal in mijn handen komt, zal het mijn oprechte begeerte wezen, aan mijn pachters al die gemakken te verschaffen die een landheer geven kan, door hun land te verbeteren en te trachten een geschikter wijze van bebouwen in te voeren. Het zal mijn lust zijn, door al mijne eerzame pachters beschouwd te worden als hun beste vriend, en niets zou mij gelukkiger maken dan eiken man op het goed te mogen achten en door hem wederkeerig geacht te mogen worden. Voor het tegenwoordige past het mij niet in bijzonderheden te treden; ik kom alleen uw goeden dunk omtrent mij met de verzekering tegemoet, dat mijn eigen hoop met de uwe samenstemt â dat ik wensch te doen hetgeen gij van mij verwacht, en ik ben het volkomen met boer Poyser eens, dat wanneer iemand gezegd heeft wat hij meent, hij wijs doet verder te zwijgen. Maar aan het genoegen dat ik zal smaken wanneer gij allen mijn gezondheid drinkt, zou iets ontbreken, zoo wij niet eerst de gezondheid van mijn grootvader dronken, die de plaats van vader en moeder te mijnen aanzien heeft vervuld. Laat ons dus heden voor alle dingen gezamenlijk zijn gezondheid drinken, nu hij begeerd heeft dat ik in uw midden zou verschijnen als de toekomstige vertegenwoordiger van zijn naam en geslacht.quot;
Misschien was ds. Irwine de eenige, die de hoffelijkheid waarmede Arthur aldus zijn grootvaders gezondheid instelde volkomen begreep en goedkeurde. De jonker, zoo meenden de pachters, wist zeer goed dat zij den ouden squire verfoeiden, en boerin Poyser zei âdat de kapitein liever niet had moeten roeren in een ketel met bier-azijn.quot; De geest van den landman vat niet licht de teeder-heden van den goeden smaak. Doch men kon niet weigeren den toast te drinken, en nadat zulks geschied was, ging Arthur voort:
âIk dank u, beiden voor mijn grootvader en voor mijzelven, en nu is er nog iets dat ik u wensch te zeggen, in de hoop dat gij mijn vreugde over deze gebeurtenis deelen moogt, zooals ik geloof dat gij doen zult. Er is ongetwijfeld niemand aan dezen disch die geen
301
TOASTEN.
achting, en er zijn er zeer zeker velen die hartelijke genegenheid koesteren voor mijn vriend Adam Bede. Aan elk in dezen omtrek is het wel bekend, dat er op niemands woord vaster staat kan worden gemaakt dan op het zijne; dat zoo hij op zich neemt iets te doen, hij het goed doet, en dat hij even getrouw is in de behartiging der belangen van anderen als van zichzelven. Ik ben er trotsch op te kunnen zeggen, dat ik reeds als knaap veel van Adam hield, en ik heb mijn oude vriendschap voor hem nooit verloren â een bewijs, geloof ik, dat ik een braven kerel weet te waardee-ren. Sinds lang is 't mijn wensch geweest, dat hem het bestuur zou worden opgedragen over de bosschen op het goed, een zaak van groot aanbelang; ik heb dit gewenscht niet alleen omdat ik zulke hooge gedachten van zijn karakter koester, maar omdat hij de kennis en de bekwaamheid bezit die hem voor die betrekking geschikt maken. En het verheugt mij u te kunnen zeggen dat dit insgelijks mijn grootvaders wensch is; het is beslist dat Adam het opzicht zal bekomen over de bosschen â een verandering die, ik ben daar zeker van, zeer ten voordeele zal zijn van het goed, en ik hoop dat gij zoo aanstonds met mij op zijn gezondheid drinken, en hem al den voorspoed toewenschen zult die hij zoo ruimschoots verdient. Maar een nog ouder vriend van mij dan Adam Bede is hier tegenwoordig â ik behoef u niet te zeggen dat ik ds. Irwine bedoel. Ik ben overtuigd dat gij het met mij eens zijt dat niemands gezondheid door ons mag gedronken worden voor de zijne. Ik weet, allen hebt gij reden hem lief te hebben; maar niemand zijner gemeenteleden heeft daarvoor zooveel reden als ik. Komt, vult uw glazen, en drinken wij op onzen voortreffelijken Rector â driemaal drie malen!quot;
De toast werd gedronken met al de geestdrift die aan den voor-gaanden had ontbroken, en zeker was het 't schilderachtigst oogen-blik der gansche vertooning, toen ds. Irwine opstond om te spreken en alle aangezichten in de zaal zich naar hem toekeerden. Het gedistingeerde zijner trekken liep veel meer in het oog dan die van Arthur, vergeleken met de aangezichten der lieden die hem omringden. Arthurs gelaat was van een veel gewoner Britsche soort, en de glans zijner nieuwmodische kleederen kwam in smaak meer overeen met het costuum der jonge boeren, meer dan het gepoederd haar van ds. Irwine, of van diens zeer zindelijke, maar tevens
302
TOASTEN.
zichtbaar veelgedragen rok, zijn lievelingskleedingsiuk bij plechtige gelegenheden; want zijner was het ondoorgrondelijk geheim, nooit of nimmer een rok te dragen die den indruk maakte van nieuw te zijn.
âDit is bijlang niet de eerste reis,quot; zei hij, âdat ik mijne gemeenteleden heb te danken voor de bewijzen hunner welwillendheid, mij geschonken; maar goede verstandhouding behoort tot de zaken, die hoe ouder zij worden, des te kostelijker zijn. Onze aangename samenkomst van heden toch is een bewijs, dat wanneer goede dingen meerderjarig worden en een lange toekomst beloven, er reden is zich te verheugen, en de betrekking tusschen ons als'leeraar en gemeenteleden werd meerderjarig nu voor twee jaren. Het is drie en twintig jaar geleden dat ik het eerst in uw midden kwam, en ik zie hier menig welgebouwd jong man, zoowel als menige bloeiende jonge vrouw, die mij op ver na zoo genoegelijk niet nakeken toen ik hen doopte, als ik met vreugde ontwaar dat zij mij nu doen. Maar ik ben zeker, dat het niemand zal verwonderen wanneer ik u zeg, dat er onder al deze jonge mannen geen is in wien ik grooter belang stel dan in mijn vriend Arthur Donnithorne, denzelfden voor wien gij zoo even uw hartelijke genegenheid hebt uitgedrukt. Ik had het genoegen, zijn voogd te wezen verscheiden jaren lang, en heb natuurlijk meer gelegenheid gehad hem van nabij te leeren kennen dan iemand der hier aanwezigen, en ik gevoel eenigen trots, niet minder dan vreugd, wanneer ik u de verzekering geef, dat ik in uw hooggespannen verwachting omtrent hem ten volle deel, alsook in het vertrouwen dat gij stelt in zijn geschiktheid als uw landheer â een voortreffelijk landheer â wanneer de tijd voor hem zal aangebroken zijn om die gewichtige betrekking in uw midden te aanvaarden. Hij en ik, wij denken eenstemmig omtrent alle punten, waaromtrent een man die naar de vijftig loopt eenstemmig denken kan met een jongmensch van een-en-twintig. Daar juist heeft hij een meening geuit waarin ik van harte deel, en ik zou niet gaarne de gelegenheid laten voorbijgaan zulks te kennen te geven. Die meening â het is zijn waardeering van en zijn achting voor Adam Bede. Aan hooggeplaatste personen wordt natuurlijk in deze wereld meer gedacht, van hen wordt meer gesproken, en aan hun deugden wordt meer lof toegezwaaid dan te beurt valt aan dezulken die hun leven slijten onder nederi-
303-
TOASTEN.
gen en alledaagschen arbeid; maar ieder weldenkende weet hoe noodzakelijk die nederige alledaagsche arbeid, en van hoeveel gewicht het voor ons is dat hij goed verricht worde. En ik ben het met mijn vriend jonker Arthur Donnithorne eens, dat wanneer iemand, wiens stand en plicht hem roepen tot diergelijken arbeid, een karakter toont te bezitten dat hem tot een sieraad zou maken van eiken kring, diens verdiensten behooren erkend te worden. Hij behoort tot hen wien eer toekomt, en het moet zijn vrienden een genoegen wezen, hem eer te bewijzen. Ik ken Adam Bede van nabij â ik weet wat hij is als werkman, ik weet ook wat hij geweest quot;is als zoon en broeder â en ik zeg niet meer dan de eenvoudige waarheid, wanneer ik verklaar, aan niemand meer hoogachting toe te dragen dan aan hem. Maar ik spreek u van geen vreemdeling; sommigen uwer behooren tot zijn vertrouwde vrienden, en ik geloof dat elk der hier aanwezigen genoeg van hem weet om van harte in te stemmen met dezen dronk â op het welzijn van Adam Bede!quot;
Ds. Irwine zweeg, Arthur sprong op, en zijn glas vullend, riep hij: âEen volle beker ter eere van Adam Bede; lang moge hij leven, en mogen zijn zonen hem gelijken, beide naar hart en hoofd!quot;
Geen toehoorder, zelfs Bartle Massey niet, was zoo opgetogen over dezen toast als boer Poyser. âZwaar werkquot; was zijn eerste toespraak voor hem geweest, en gaarne zou hij wederom zijn opgesprongen om aanstonds een tweede en betere te beginnen. Doch hij wist dat zulks tegen alle regelen zou hebben aangedruischt. Onder deze omstandigheden vond hij dus een uitweg voor zijn gevoel, door zijn ale buitengewoon schielijk uit te drinken en zijn geledigd glas neder te zetten met een zwaai van den arm en een luiden slag. Mochten Jonathan Burger en eenige anderen zich ook minder op hun gemak gevoelen bij deze gelegenheid, zij deden hun best er zoo vergenoegd mogelijk uit te zien, en dus werd de toast met schijnbaar eenstemmige bereidwilligheid gedronken.
Adam zag eenigszins bleeker dan gewoonlijk toen hij opstond om zijn vrienden te bedanken. Hij was zeer aangedaan door deze openbare hulde â en niet onnatuurlijk, want hij bevond zich in de tegenwoordigheid van zijn gansche kleine wereld, en deze wereld stond als één man op om hem eer te bewijzen. Maar hij was niet
304
TOASTEN.
bloode om te spreken, want noch kleingeestige ijdelheid, noch gebrek aan woorden belemmerden zijn spraak. Onhandig noch verlegen, stond hij in zijn gewone vaste houding, rechtop, het hoofd een weinig achterover, de handen volmaakt stil; met die ruwe waardigheid over zich, die eigen is aan schrandere, eerlijke, kloek gebouwde werklieden, die nooit in onzekerheid verkeeren omtrent hetgeen hun in de wereld te doen staat.
âIk ben gansch verrast,quot; zei hij. âIk had zoo iets niet verwacht. Het is oneindig meer dan ik verdien. Maar des te meer reden van dankbaarheid heb ik aan u, kapitein, en aanu, ds. Irwine, en al mijn vrienden hier, die mijn gezondheid gedronken en mij het goede hebben toegewenscht. Oneerlijk zou het van mij zijn, te zeggen dat ik de goede meening die gij omtrent mij koestert in geen enkel opzicht verdien; het zou een schrale lof wezen, te beweren dat gij, die mij al die jaren hebt gekend, geen doorzicht genoeg zoudt bezitten om uit te vinden waaraan gij u ten mijnen aanzien te houden hebt. Het werk dat ik doe, zoo meent gij, doe ik goed en naar behooren, mijn loon moge groot zijn of klein, en dat is waar. Ik zou mij schamen voor u te staan zoo het anders ware. Maar het komt mij voor dat zulks niet meer dan plicht is, een plicht waar niemand zich op mag verhoovaardigen; en ik gevoel diep en ten volle dat ik nooit iets meer heb gedaan dan mijn plicht; want wij mogen uitrichten zooveel wij willen, er is niemand of hij maakt slechts gebruik van den geest en de vermogens die hem geschonken zijn. Deze vriendelijkheid van u, hiervan ben ik overtuigd, is dus geen schuld die gij mij afbetaalt â zij is een vrije gift, en als zoodanig neem ik haar dankbaar aan. En wat aangaat de nieuwe betrekking die ik op mij genomen heb, ik zal er alleen van zeggen dat ik haar heb aanvaard op verzoek van kapitein Donnithorne, en dat ik trachten zal, aan diens verwachtingen te voldoen. Een beter lot begeer ik niet dan onder hem te arbeiden, en te weten dat terwijl ik mijn eigen brood verdien, zijn belangen door mij behartigd worden. Want ik houd hem voor een dier edellieden, die begeeren te doen wat recht is, en die de wereld een weinig beter wenschen achter te laten dan zij haar vonden, hetgeen naar mijn inzien elkeen doen kan, hij zij een edelman of niet, hij zette een goed werk op touw en vinde daartoe het geld gereed, of hij verrichte dat werk met zijn eigen handen. Het staat mij niet vrij meer te zeggen van ADAM BEDE. 20
305
TOASTEN.
hetgeen ik voor hem gevoel; door mijn daden hoop ik het te toonen gedurende het overige van mijn leven.quot;
Het oordeel over Adams rede was zeer verschillend. Eenigen dei-vrouwen fluisterden elkander toe dat hij zich niet dankbaar genoeg betoonde, en dat zijn aanspraak zoo hooghartig was als er slechts eenigszins door kon; de meeste mannen daarentegen waren van oordeel dat hij niet gepaster zou hebben kunnen spreken, en dat, zoo één, Adam een wakkere borst was. Terwijl dergelijke aanmerkingen gewisseld werden, vermengd met nieuwsgierige gissingen naar hetgeen de oude squire zou aanvangen met de opengevallen betrekking van schout, en of hij al dan niet een rentmeester zou aanstellen â waren de beide heeren opgestaan, en deden de ronde der tafel waaraan de vrouwen en kinderen zaten. Hier natuurlijk zag men geen koppige ale, maar wijn en toespijs â tintelenden bessenwijn voor de jeugd en een weinig goeden sherry voor de moeders. Boerin Poyser zat aan het hooger eind van deze tafel, en Totty had nu post gevat op haar schoot, bezig haar klein neusje te verstoppen in een wijnglas en jacht makend op de stukjes noot die daarin dreven.
âHoe vaart gij, boerin Poyser?quot; vroeg Arthur. âDeed het u geen genoegen, uw man daareven zulk een goed woord te hooren spreken?quot;
âAch, mijnheer, de mannen zijn meestal zoo zwaar van tong â men is verplicht een gedeelte hunner meening te raden, evenals bij de stomme schepselen.quot;
âWat, denkt gij dat gij het hem verbeterd zoudt hebben?quot; vroeg ds. Irwine lachend.
âWanneer ik iets te zeggen heb, mijnheer, kan ik gewoonlijk de woorden wel vinden, Goddank. Niet dat ik daarom aanmerking zou willen maken op mijn man; want al is hij een man van weinig woorden, hij doet zijn woord gestand.quot;
âPrettiger gezelschap heb ik nooit bijeen gezien,quot; zei Arthur, rondziend naar de kinderen met hun appelronde gezichtjes. âMijn tante en de dames Irwine zullen zoo aanstonds hier komen. Zij waren bevreesd voor het gedruisch der toasten, maar het zou doodjammer zijn zoo zij u niet aan tafel gezien hadden.quot;
Hij ging voort, sprekend met de moeder, en de kinderen liefkoo-zend, terwijl ds. Irwine zich vergenoegde met stil te blijven staan
306
TOASTEN.
en op een afstand te knikken, opdat niemands aandacht mocht worden afgeleid van den jonker, den held van den dag. Arthur waagde het niet, bij Hetty stil te houden^ maar boog slechts toen hij aan den overkant voorbijging. Het dwaze kind voelde haar hartje zwellen van misnoegen, want waar is de vrouw die ooit voldaan was met schijnbare veronachtzaming, zelfs wanneer zij weet dat deze het masker is van liefde ? Hetty vreesde dat dit de ongelukkigste dag worden zou dien zij in lang beleefd had. Er viel heden een straal van kil daglicht en kille werkelijkheid op haar droom. Arthur, die haar weinige oogenblikken te voren zoo nabij had geschenen, was nu van haar gescheiden â evenals de held eener processie gescheiden is van den geringen toeschouwer onder de menigte.
HOOFDSTUK XXV.
VOLKSSPELEN.
De groote dans zou niet beginnen voor acht uur; maar waren er meisjes of knapen die reeds vroeger wenschten te dansen in het lommer op het gras â overal was muziek bij de hand. De leden der âSteenzagers-Vereenigingquot; â waren zij niet in staat uitmuntende hoepsa's, schotschedrie's en horrelpijpen te spelen ? Daarenboven was er een groot orkest gehuurd van Rosseter, welks leden met hun zonderlinge blaasinstrumenten en bolle wangen, reeds op zichzelf een bron van vermaak opleverden voor de kleinere jongens en meisjes. Om niet te spreken van Jozef Ranns strijkvedel, waarvan hij â edelmoedige voorzorg â zich voorzien had, voor het geval dat er iemand mocht gevonden worden, ontwikkeld genoeg van smaak om bij voorkeur te dansen op de maat van dit instrument alleen.
Toen intusschen de zon de groote open ruimte voor het huis verlaten had, vingen de spelen aan. Gelijk van zelf spreekt, waren er goed ingezeepte mastboomen, te beklimmen door grooter en kleiner jongens; wedrennen voor oude vrouwen; wedrennen in zakken; zware gewichten, te tillen door de sterksten onder de mannen en een lange lijst van uitdagingen als: zooveel passen mogelijk af te leggen hup-
20*
307
VOLKSSPELEN.
pelend op één been, en andere eerzuchtige krachtsinspanningen van dien aard â uitdagingen, waaromtrent algemeen werd aangemerkt dat Dunne Ben, âde vlugste spring in 't veld uit den ganschen omtrek,quot; hoogstwaarschijnlijk den palm der overwinning wegdragen â¢zou. Hetgeen de kroon zette op alles: er zou ook een ezel-wedren zijn â die verhevenste van alle wedloopen, geschoeid op de leest van dit grootste aller socialistische beginselen: een iegelijk porre den ezel zijns buurmans, en de wederspannigste der ezelen zal overwinnaar zijn.
En even na vieren werd mevrouw Irwine, in haar damast satijnen pronkgewaad met juweelen en zwarte kant, door Arthur naar buiten en naar haar zetel onder de gestreepte tent geleid, waar zij de prijzen aan de overwinnaars uitreiken zou. De bezadigde en in alles betamelijke miss Lydia had verzocht, deze koninklijke waardigheid te mogen overdragen aan de vorstelijke oude dame, en Arthur was recht gelukkig met deze gelegenheid om aan zijner peettantes hoffelijken smaak te kunnen voldoen.
De oude heer Donnithorne, de keurig nette, de geparfumeerde, de uitgebloeide grijsaard, geleidde miss Irwine met afgemeten en zuurzoete beleefdheid; de heer Gawaine bracht miss Lydia op, koel en stijf van uitzicht in haar elegante japon van perzikbloesemde zijde, en ds. Irwine kwam achteraan met bleeke zuster Anna aan den arm. Behalve den heer Gawaine was heden geen enkel vriend der familie genoodigd. Morgen zou er een groot gastmaal zijn voor den adel der nabuurschap, doch dezen dag werden alle krachten in beslag genomen door de feestviering der onderhoorigen.
Tegenover de tent liep een sloot, waardoor het veld gescheiden werd van het terras; doch een tijdelijke brug, over dit water heen-geworpen, verleende aan de overwinnaars den toegang tot de vierschaar, en de groepjes staande of hier en daar op banken gezeten, strekten zich uit aan beide zijden van de open ruimte, van de witte tenten af tot aan de sloot.
âOp mijn woord, een fraai gezicht,quot; zei de oude dame met haar schoone altstem, toen zij gezeten was en nederzag op het vroolijk tooneel met zijn donkeren achtergrond; âen het zal wel de laatste feestdag zijn dien ik beleef, of gij moest u reppen, Arthur, en spoedig trouwen. Maar zorg dat gij een bekoorlijke bruid kiest, anders sterf ik liever zonder haar te zien.quot;
308
VOLKSSPELEN.
âGij zijt zoo schrikkelijk veeleisahend, lieve peettante,quot; zei Arthur; âik vrees dat mijn keus u nimmer zal voldoen.quot;
âDat is zoo; geen vergiffenis indien de bruid niet schoon is. Met lievigheid alleen kan ik het niet stellen. Altoos is lievigheid de uitvlucht die men bedenkt om het bestaan van onooglijke vrouwen te vergoelijken. En onnoozel mag zij ook niet wezen â dat zou niet gaan. Want gij hebt leiding noodig, en een onnoozele vrouw kan u niet leiden. Wie is die lange, jonge man, Dauphin, met dat zachtzinnig gelaat? Daar ginds â met den hoed af; dezelfde die zich zoo bezorgd toont voor die lange, oude vrouw aan zijn zijde â zijn moeder, natuurlijk. Dat mag ik gaarne zien.quot;
âKent gij hem niet, moeder?quot; vroeg ds. Irwine. âHet is Seth Bede, de broeder van Adam â een Methodist, maar een voortreffelijke jongen. Arme Seth, hij heeft er in den laatsten tijd bitter bedrukt uitgezien. Ik dacht, tengevolge van het droevig uiteinde zijns vaders. Maar ik hoor van Jozef Rann, dat Seth zijn zinnen heeft gezet op dat lieve Methodisten-preekstertje, dat omtrent een maand geleden hier was, en ik vermoed dat zij hem geweigerd heeft.quot;
âO, ik herinner mij van haar gehoord te hebben. Maar er is geen eind hier aan de menschen die mij vreemd zijn; zij zijn volwassen en oud geworden sinds ik gewoon was uit te gaan.quot;
âHoe uitmuntend is uw gezicht, mevrouw!quot; zei de oude heer Donnithorne, die een dubbelen lorgnon voor zijn oogen hield. âOp zoo verren afstand de uitdrukking te onderscheiden op het gelaat van dien jongen man! Voor mij is dat gelaat slechts een onzekere, schemerachtige vlek. Maar ik zou het van u winnen, geloof ik, zoo het aankwam op zien van nabij. Ik lees kleinen druk zonder bril.quot;
âJa, mijn lieve mijnheer, gij zijt begonnen met zeer bijziende te zijn, en bijziende oogen houden zich altoos het best. Ik heb een zeer sterken bril noodig om te kunnen lezen, maar ik geloof dat mijn oogen gaandeweg beter worden om de voorwerpen op een afstand te zien. Zoo ik nog vijftig jaar leven kon, zou ik denkelijk blind zijn voor al wat niet buiten het gezicht van andere menschen valt, zooals iemand die in een put is niet anders ziet als de sterren.quot;
âZie,quot; zei Arthur, âde oude vroiiwen zijn gereed om haar wedloop te beginnen. Op wie houdt gij het, Grawaine?quot;
309
VOLKSSPELEN.
âOp die met haar lange beenen. Tenzij zij meer dan eens van wal steken â dan zou de kleine, magere het wel kunnen winnen.quot;
âDaar zijn de Poysers, moeder, niet veraf aan de rechterhand,quot; zei miss Irwine. âBoerin Poyser kijkt naar u. Groet haar eens.quot;
âZeker zal ik dat,quot; zei de oude dame, beleefd buigend voor boerin Poyser. âEen vrouw die mij zulke uitmuntende roomkaas zendt, moet niet veronachtzaamd worden. Lieve hemel, wat een dik kind heeft zij op den schoot! Maar wie is dat mooie meisje met die donkere oogen?quot;
âDat is Hetty Sorrel,quot; zei miss Lydia Donnithorne, âhet nichtje van Martin Poyser â een heel knap meisje, er. dat er goed uitziet. Mijn kamenier heeft haar onderwezen in het fijne naaiwerk, en zij heeft een kant van mij zeer knapjes gedicht â zeer knapjes.quot;
âZij heeft al wel zes of zeven jaren bij de Poysers gewoond, moeder; gij moet haar meermalen gezien hebben,quot; zei miss Irwine.
âNeen, ik heb haar nooit gezien, kind, ten minste niet zooals zij nu is,quot; zei mevrouw Irwine, steeds naar Hetty kijkend. âEr goed uitzien! Zij is een volmaakte schoonheid, zeg ik u. Ik heb nooit zoo iets liefs gezien sinds mijn jonge jaren. Hoe jammer dat zulke schoonheden versmeten worden aan de boeren, terwijl men ze zoo uitmuntend zou kunnen gebruiken onder goede familiën zonder fortuin! Haar aanstaande man, wed ik, zou haar even mooi gevonden hebben, zoo zij ronde oogen en rood haar had gehad.quot;
Arthur durfde zijn oogen niet naar Hetty keeren terwijl mevrouw Irwine over haar sprak. Hij veinsde niet te hooren en bezig te zijn met iets aan den tegenovergestelden kant. Maar hij zag haar zoo duidelijk als iets, ook zonder naar haar te zien; zag haar schooner dan ooit, omdat hij haar schoonheid hoorde prijzen; want het oordeel van anderen, dit weten wij, was voor Arthurs gevoelens als een vadeiiandsch klimaat; het was de lucht waarin zij het weligst tierden en snelst groeiden. Ja, zij was in staat iemand het hoofd op hol te brengen; elk ander man in zijn plaats zou hetzelfde gevoeld en gedaan hebben. En haar, ondanks dit alles, niettemin op te geven â gelijk hij besloten was te doen â zou een daad zijn waarop hij zijn gansch volgend leven door altoos met trots zou mogen terugzien.
âNeen, moeder,quot; zei ds. Irwine, met terugslag op haar laatste woorden, âdat ben ik niet met u eens. Het volk is zoo dom niet als
310
VOLKSSPELEN.
gij u verbeeldt. De eenigste man, mits hij een grein verstand en gevoel heeft, is zich bewust van het verschil tusschen een bevallige, slanke vrouw en een plompe. Zelfs dieren voelen tot op zekere hoogte dat onderscheid tusschen beiden. De man moge even onbekwaam zijn als het dier om rekenschap te geven van den invloed eener hoogere orde van schoonheid, hij ondervindt dien invloed niettemin.quot;
âLieve hemel, Dauphin, wat weet een oud vrijer zooals gij van zulke dingen af?quot;
âO, dat is een dier zaken waarin oude vrijers wijzer zijn dan getrouwde mannen; zij hebben den tijd voor algemeene beschouwingen. Een fijn vrouwenkenner moet nooit zijn oordeel gevangen geven door één vrouw de zijne te heeten. Maar, ten voorbeelde van hetgeen ik zei, het mooie Methodisten-preekstertje, dat ik daareven noemde, heeft mij verteld dat zij meermalen is opgetreden voor de ruwste mijnwerkers, en dat zij nooit anders dan met de meeste achting en vriendelijkheid door hen bejegend is geworden. Het komt â ofschoon zij dat zelve niet weet â omdat er iets zoo liefelijks, zoo teeders, iets zoo reins in haar is. Er zweven om zulk een vrouw âgeuren uit den hemel,quot; waarvoor zelfs de ruwste kerel jiiet ongevoelig is.quot;
âHier komt een uitgezocht exemplaar van het vrouwendom of anders van het maagdendom, aangestapt om een prijs te ontvangen, geloof ik,quot; zei de heer Gawaine. âHet moet een van de wed-loopsters in zakken wezen, die reeds aan den gang waren voor wij kwamen.
Het bewuste âexemplaar des vrouwendomsquot; was onze oude kennis Betsy Cranage, anders gezegd Dirks Bette, wier bolle, roode wangen en opgezette persoonlijkheid zulk een vermeerdering van kleur hadden ondergaan dat, bad zij een bewoneres des hemels moeten voorstellen, niemand deze rol beter zou hebben kunnen vervullen dan zij. Betsy, tot ons leedwezen zij het gezegd, was na Dina's vertrek weder tot haar oorringen teruggekeerd, en voor het overige uitgemonsterd met alle pronkjuweelen die zij had weten machtig te worden. Had iemand in Betsy's hart kunnen lezen, hij zou getroffen zijn geweest door de sprekende gelijkenis tusschen haar kleine droomen en begeerten en die van Hetty. Voor zoover het vrouwelijk gevoel betrof, zou het voordeel mis-
311
VOLKSSPELEN.
schien geweest zijn aan den kant van Betsy. Maar uiterlijk, ziet gij, was het verschil zoo verbazend groot! Betsy zou men om de ooren hebben willen geven, en Hetty zou men verlangd hebben te kussen.
Twee dingen hadden Betsy verleid tot deelneming aan den ver-hittenden wedloop; gedeeltelijk heidensche lichtzinnigheid, gedeeltelijk het uitzicht op den prijs. Men had haar gezegd dat er mantels en andere fraaie kleedingstukken als prijzen waren uitgeloofd, en zij naderde de tent, zich verkoelend met haar zakdoek, maar met den gloed der opgetogenheid fonkelend in haar ronde oogen.
âHier is de prijs voor den eersten wedloop in zakken,quot; zei miss Lydia, een groot pak opnemend van de tafel waarop de prijzen bij elkander lagen, en dit aan mevrouw Irwine overreikend toen Betsy naderde: âeen heerlijke kamelotten japon en een stuk flanel.quot;
âGij hebt zeker niet gedacht dat zij, aan wie de prijs ten deel zou vallen, zoo jong zou wezen, tante?quot; zei Arthur. âZoudt gij niet iets anders kunnen vinden voor dit meisje, en die leelijke japon bewaren voor een der oudere vrouwen?quot;
âIk heb alleen nuttige en duurzame dingen gekocht,quot; zei miss Lydia, haar eigen kanten in orde schikkend; âde gedachte zou niet in mij opkomen, den lust tot opschik aan te moedigen in jonge vrouwen van die klasse. Er is een scharlaken mantel bij, maar dien heb ik bestemd voor de oude vrouw die den prijs be. haalt.quot;
Deze stemmige taal van miss Lydia deed een ietwat spotachtige trek op het gelaat van mevrouw Irwine ontstaan, terwijl zij Arthur aanzag en Betsy onder een vloed van nijgingen naderde tot haar troon.
âBetsy Cranage, moeder,quot; zei ds. Irwine op vriendelijken toon, âde dochter van Dirk Cranage. Gij herinnert u Dirk Cranage, den smid?quot;
âWel zeker,quot; zei mevrouw Irwine. âKijk, Betsy, hier is uw prijs â uitmuntende warme zaken voor den winter. Gij hebt ze in dit warme weder in het zweet uws aanschijns verdiend.quot;
Betsy liet haar lip hangen op het zien van de leelijke, zware japon â die daarenboven zoo heet en onaangenaam voelde op dezen Juli-dag, en daarbij was het zulk een groot, onooglijk pak-
312
VOLKSSPELEN.
ket om te dragen! Zij neeg weder, zonder op te zien en met een toenemende beving van haar mond en blies toen den aftocht.
âArm kind,quot; zei Arthur, âik geloof dat zij teleurgesteld is. Ik wenschte om harentwil dat het iets geweest was meer naar haar smaak.quot;
âZij is een meisje dat er zeer vroolijk uitziet,quot; merkte miss Ly-dia aan. âVolstrekt niet iemand die ik zou willen aanmoedigen.quot;
Arthur beloofde zichzelven, in stilte aan Betsy een geschenk in geld te doen, voor de dag om was, opdat zij iets zou kunnen koopen overeenkomstig haar eigen zin; maar zij, onkundig van den troost, haar aldus toegedacht, begaf zich ter zijde van het grasperk, waar zij kon gezien worden uit de tent, en het afschuwelijk pak onder een boom werpend, begon zij te schreien â onder de bedrijven ten voorwerp van de juichende euvelmoed der kleine jongens. In dezen toestand werd zij opgemerkt door haar stemmige naamgenoot en nichtje van moederszijde, die, juist de handen vrijhebbend â zij had haar kind toevertrouwd aan de zorg van haar man â aanstonds op haar afkwam.
âWat scheelt u?quot; zei Bette de matrone, het pak opnemend en onderzoekend. âGij hebt u zeker halfdood geloopen met dien dwazen wedren. En dan geven ze u nog gansche ellen kamelot en flanel, die men liever had moeten bewaren voor die verstandig genoeg zijn om zulke dwaasheden na te laten. Gij kunt mij die kamelot wel geven om kielen van te maken voor de jongens â een slecht hart hebt gij nooit gehad. Bette; dat heb ik nooit van u gezegd.quot;
âGij kunt den heelen boel wel nemen, voor mijn part, quot;zei Bette de maagd met een verdrietig gebaar. En zij begon haar tranen af te drogen en weder een weinig op haar verhaal te komen.
âNu, zoo gij het kwijt wilt zijn, ik kan het best gebruiken,quot; zei de belangelooze nicht, snel wegloopend met haar pak, uit vrees dat Dirks Bette zich zou bedenken.
Maar deze jonge deerne met haar vooruitstekende jukbeenderen was gezegend met een veerkrachtigen geest die haar voor mokken bewaarde, en op het oogenblik dat de ezel-ren het toppunt zijner belangrijkheid bereikt had, was haar teleurstelling gansch en al ondergegaan in het opwekkend genot dat zij zich-
313
VOLKSSPELEN.
zelve verschafte door den laatsten ezel aan te hitsen en moed in te spreken, terwijl de jongens het argument der stokslagen toepasten. Maar de kracht van den geest der ezelen ligt in het volgen der richting zelve, die rechtstreeks indruischt tegen het beloop der aangevoerde argumenten, waartoe, wel beschouwd, een even groote mate van denkkracht wordt vereischt als voor het tegenovergestelde, en de ezel in quaestie bewees de uitnemenheid zijner vermogens door onbeweeglijk stil te blijven staan juist op het oogenblik dat de slagen het dichtst nedervielen. Groot was het gejuich der menigte, stralend de glimlach van Bill Downes den steenzager, tevens den gelukkigen berijder van dit voortreffelijk dier, dat kalm en stokstijf pal stond in de hitte zelve van zijn triomf.
Arthur had in persoon voor de prijzen der mannen gezorgd, en Bill werd gelukkig gemaakt met een dier prachtige zakmessen vol gemakken â tevens handzaagje en kurkentrekker â wier bezitter zelfs op een onbewoond eiland zich niet gansch en al verlaten kan gevoelen. Nauwelijks was hij van de tent teruggekeerd met zijn prijs in de hand, of kenbaar werd gemaakt dat Dunne Ben voornemens was, vóór de heeren en dames aan tafel gingen, het gezelschap te onthalen op een geïmproviseerde en koste-looze voorstelling, te weten een horrelpijp. De hoofdgedachte van dezen solo-dans was natuurlijk niet nieuw; maar de danser had die gedachte op een zoo bijzondere en veelzijdige manier uitgebreid, dat niemand hem den lof der oorspronkelijkheid onthouden kon. Dunne Bens ijdelheid op zijn dansen â een talent dat grooten indruk teweegbracht op iedere jaarlijksche kermis â had slechts een weinig prikkelens noodig gehad â in de gedaante eener buitengewone hoeveelheid goeden ale â om hem te overtuigen dat zijn uitvoering van de horrelpijp het adellijk gezelschap in opgetogenheid moest brengen; en hij was bepaald aangemoedigd in dit denkbeeld door Jozef Rann, die aanmerkte dat het niet meer dan plicht was, iets ten pleiziere van den jonker te doen, die zooveel voor hèn gedaan had. Gij zult u minder verwonderen over deze meening in zoo deftig een persoon, wanneer gij vermeent dat Ben aan baas Rann had verzocht, hem op de viool te accompagneeren, en Jozef was overtuigd dat de muziek goed zou weten te maken hetgeen wellicht aan den dans ontbreken mocht. Adam Bede, die tegen-
314
VOIiKSSPELEN.
woordig was in een der groote tenten, alwaar het plan besproken werd, gaf aan Ben te verstaan dat hij beter deed met zich niet aan te stellen als een dwaas â een aanmerking die Bens besluit onmiddellijk vestigde. Hij verkoos niet iets na te laten enkel omdat Adam Bede er den neus voor optrok.
âWat is dat? Wat is dat?quot; vroeg de oudeheer Donnithorne. âIs dat een beschikking van u, Arthur? Daar komt de koster met zijn viool, en een boerenbruigom met een ruiker in zijn knoopsgat.quot;
âNeen,quot; zei Arthur, âik weet er niets van. Hemelsche goedheid, hij gaat dansen! Het is een van de timmerlieden â ik herinner mij op dit oogenblik zijn naam niet.quot;
âHet is Ben Cranage â Dunne Ben, zooals zij hem noemen,quot; zei ds. Irwine, âeenigszins een loshoofd, geloof ik. Anna, lieve zuster, ik voorzie dat het gekras op die viool u hinderen zal. Gij wordt moede; laat mij u binnenbrengen, dan kunt gij wat rusten tot etenstijd.
Miss Anna stond toestemmend op, en de goede broeder geleidde haar weg, terwijl Jozef tot inleiding inmiddels âDe witte kokardequot; ten gehoore bracht, waaruit hij voornemens was verscheidene andere melodieën, door overgangen die zijn juist gehoor hem werkelijk met eenig talent deden uitvoeren, gaandeweg te ontwikkelen. Het zou meer geweest zijn dan hij kon dragen, had hij geweten dat de algemeene aandacht zoozeer werd ingenomen door het dansen van Ben, dat niemand veel acht sloeg op de muziek.
Hebt gij ooit een heuschelijken Engelschen boer een solo-dans zien uitvoeren? Wellicht kent gij alleen den ballet-boer, glimlachend als een vroolijk provinciaal van aardewerk, met bevallige wendingen van de heup en nog innemender wendingen van het hoofd. Zoo ja, dan weet gij evenveel van de werkelijkheid als de âVogelen-walsquot; u van het gezang der vogelen leert. Dunne Ben glimlachte nooit; hij keek even ernstig als een dansende aap â even ernstig als een empirisch wijsgeer, bezig met op den persoon van zich-zelven waarnemingen te doen van de mate der schuddingen en van de verscheidenheid der boekvormen die de menschelijke ledematen vatbaar zijn aan te nemen.
Om het kwalijk onderdrukt gelach in de gestreepte tent zooveel mogelijk goed te maken, klapte Arthur onophoudelijk in de handen en riep âBravo!quot; Maar Ben telde een bewonderaar, wiens oogen
315
VOLKSSPELEN.
zijn bewegingen volgden met een ernst, even volkomen als den zijnen. Het was Martin Poyser, op een bank gezeten, met Tommy staande tusschen zijn knieën.
âWat zegt gij er van?quot; vroeg hij zijn vrouw. âHij danst zoo volkomen in de maat als het speelwerk van een klok. Ik placht zelf een goed danser te wezen, toen ik nog zoo zwaar niet was; maar het had geen handwater bij de manier van Ben.quot;
âHet komt er weinig op aan hoe het met zijn ledematen gesteld is, dunkt mij,quot; antwoordde de boerin. âZijn bovenverdieping is in elk geval kwalijk gestoffeerd; anders zou hij hier niet staan huppelen en stampen als een dolle sprinkhaan voor het amusement van de groote lui. Zij kunnen zich niet houden van het lachen, dat zie ik best.quot;
âNu, nu, zooveel te beter, zij hebben er schik in,quot; zei boer Poyser, die niet licht de zaken van den ongunstigen kant bezag. âMaar zij staan op; vast om aan tafel te gaan. Wij moesten een weinig rondwandelen, vindt gij niet, en eens zien waar Adam Bede zit? Hij is een oogje gaan houden op het drinken en zoo voort; ik denk dat hij nog niet veel pleizier heeft gehad.
HOOFDSTUK XXVI.
HET BAL.
Arthur had de vestibule tot balzaal gekozen; zeer wijs, want geen der andere kamers was zoo koel, of bood het voorrecht aan van wijd openslaande deuren op den tuin en van een vrijen toegang tot de andere vertrekken. Het is waar, een steenen vloer is niet het aangenaamst om op te dansen; maar kennen de meeste gasten niet bij ervaring het genot van een Kerstdans op vierkante keu-kentichels? Het was een dier vestibules, waarbij de omringende vertrekken kleedkamers gelijken, versierd aan het hoog plafond met engelen van pleister en trompetten en bloemkransen, en aan de muren met groote medaillons, waarin bustes van verschillende helden, afgewisseld door nissen met beelden. Juist een zaal om getooid te worden met bloemen en vlaggen en groen, en baas Craig was
316
tIET BAL.
er trotsch op geweest, bij deze gelegenheid zijn goeden smaak en zijn kasplanten te vertoonen. De breede treden van de steenen trap waren bedekt met kussens om tot zitplaatsen te dienen voor de kinderen, die met dienstmeisjes tot half negen zouden blijven om naar het dansen te zien; en daar er alleen gedanst zou worden door de pachters, was er plaats in overvloed voor iedereen. Bekoorlijk waren de lichten, verscholen in ballons van gekleurd papier en opgehangen in het groen, en de vrouwen en dochters der pachters, toen zij naar binnen gluurden, meenden dat men zich niets prach-tigers denken kon. Nu wisten zij in welk soort van kamers koningen en koninginnen leefden, en in gedachten sloegen zij een medelijdenden blik op verre bloedverwanten en kennissen, verstoken van deze schoone gelegenheid om te weten te komen hoe de dingen toegaan in de groote wereld. De lampen waren reeds aangestoken, schoon de zon nog niet lang was ondergegaan, en buiten heerschte dat kalme licht, waarin men de voorwerpen duidelijker meent te zien dan zelfs op den vollen dag.
Het was een liefelijk tooneel buitenshuis. De pachters en hun gezinnen wandelden het grasperk op en neder, tusschen de bloemen en de heesters, of langs den breeden, rechten weg, loopend van het front aan den oostkant, waar een tapijt van fluweelachtig gras zich aan weerszijde uitspreidde, hier en daar versierd door een donkeren ceder met nederhangende takken, of door een grooten pijnboom in pyramide-vorm, wiens waaiers, aan de punten getooid met een franje van lichter groen, den grond raakten. De groepjes dorpelingen in het park werden langzamerhand minder talrijk. De jongeren voelden zich aangetrokken door de lichten die begonnen te schijnen door de vensters der abdij, waar hun balzaal wezen zou, en eenigen der bedaagden oordeelden dat het oogenblik naderde om stil naar huis te gaan. Daaronder was Lijsbeth Bede, en Seth ging met haar â- niet enkel uit kinderlijke welvoeglijkheid, want ook zijn geweten liet hem niet toe deel te nemen aan den dans. Het was eenigszins een droefgeestige dag geweest voor Seth; nooit had Dina meer voortdurend in zijn herinnering geleefd dan in deze omgeving, waar alles zoo ongelijk was aan haar. Hij zag haar des te duidelijker voor zich, naarmate hij langer had gestaard op de ge-dachtelooze aangezichten en de kleurige kleedjes der jonge vrouwen â evenals men op een tentoonstelling de schoonheid en de
317
HET BAL.
grootheid eener geschilderde madonna beter gevoelt, wanneer zij voor een oogenblik onzichtbaar werd door een atledaagsch aangezicht in een hoed met linten. Maar deze tegenwoordigheid van Dina in den geest maakte hem slechts te duldzamer in het verdragen van zijn moeders humeur, die sinds het laatste uur hoe langer zoo kregeler geworden was. Arme Lijsbeth leed aan een vreemde tegenstrijdigheid van gevoelens. Haar trots en vreugde over de hulde, aan haar lieveling Adam betoond, begonnen onder te gaan in den strijd tegen jaloezie en gemelijkheid, bij haar opgewekt toen Adam haar kwam vertellen dat kapitein Donnithorne hem gelast had zich te voegen bij de dansers in de vestibule. Adam geraakte meer en meer uit haar bereik; zij wenschte al haar geleden verdriet terug â Adam bekommerde zich destijds meer om hetgeen zijn moeder zeide en deed.
âGij hebt mooi praten van dansen,quot; sprak zij, terwijl uw vader nog geen vijf weken in zijn graf ligt. Ik wenschte dat ik naast hem lag, liever dan over te blijven om boven den grond aan vroo-lijker menschen in den weg te zijn.quot;
âNeen, zoo moet gij de zaak niet beschouwen, moeder,quot; zei Adam, vast besloten, heden vriendelijk jegens haar te zijn. âIk heb geen plan om te dansen; ik zal alleen toekijken. En nu de kapitein begeert dat ik er bij zal wezen, zou ik den schijn hebben het beter te willen weten dan hij, indien ik zeide dat ik liever niet blijven wilde. En gij weet hoe vriendelijk hij voor mij geweest is vandaag.quot;
âNu, gij moet doen zooals gij wilt; uw oude moeder heeft geen recht u in iets te hinderen. Zij is niet meer dan de gebersten groene bast, en gij zijt haar ontvallen als de rijpe noot.quot;
âWelaan dan, moeder,quot; zei Adam, âik zal aan den kapitein gaan zeggen dat het u hinderen zou indien ik bleef, en dat ik daarom liever naar huis wil gaan; dan zal hij het wel niet kwalijk nemen, en ik ben bereid met u te vertrekken.quot; Hij zei dit met eenige inspanning, want hij verlangde wezenlijk, dezen avond in de nabijheid van Hetty te zijn.
âNeen, neen, ik wil niet dat gij zoo doen zult â de jonker zou boos worden. Ga en doe wat hij u bevolen heeft; Seth en ik zullen naar huis gaan. Ik weet immers dat het een groote eer voor u is, zoo opgemerkt te worden â en wie zou daar trotscher op wezen
318
HET BAL.
dan uw moeder ? Heeft zij niet de zorg gehad van u op te voeden en alles voor u te doen sinds al die jaren?quot;
âNu, goeden dag dan, moeder â goeden dag, mijn jongen â denk om Presto als gij thuiskomt,quot; zei Adam, zich keerend naar het hek der wandeltuinen, waar hij hoopte zich bij de Poysers te kunnen voegen; want hij was den ganschen namiddag zoo druk bezig geweest, dat de tijd hem ontbroken had, Hetty toe te spreken. Weldra ontdekte zijn oog een verwijderd groepje â het rechte groepje, dat wist hij â naar het kasteel terugkeerend langs den breeden kiezelweg, en hij snelde hen te gemoet.
âZoo, Adam, blij dat ik u weder eens onder de oogen krijg,quot; zei boer Poyser, die Totty op den arm droeg. âNu gaat ge toch ook eens een weinig pleizier nemen, hoop ik, nu al uw werk afgedaan is ? En hier is Hetty, die haar woord heeft gegeven aan dansers zonder tal. Daar juist heb ik haar gevraagd of zij u geen dans heeft beloofd, en zij zegt van neen.quot;
âIk dacht van avond niet te dansen,quot; zei Adam, in zijn hart reeds verzocht toen hij Hetty aanzag.
âGekheid!quot; zei boer Poyser. âIedereen zal immers dansen van avond, met uitzondering alleen van den ouden squire en van mevrouw Irwine. Juffrouw Best heeft ons verteld dat miss Lydia en miss Irwine dansen zullen, en de jonker zal mijn vrouw vragen voor de eerste quadrille, om het bal te openen; zij zal dus genoodzaakt zijn te dansen, ofschoon zij het heeft opgegeven al sinds Kerstmis vóór de geboorte van de kleine meid. Het zou schande zijn zoo gij stil zat, Adam; zulk een knappe jonge kerel en een danser zoo goed als de beste.quot;
âNeen, neen,quot; zei boerin Poyser, âdat zou niet passen. Dansen is onwijs, dat weet ik wel: maar wie voor alle dingen uit den weg wil gaan omdat ze niet wijzer zijn, brengt het niet ver in deze wereld. Als de soep klaar is, moet men haar eten, met brei en al; anders moet men haar laten staan.quot;
âAls Hetty dan met mij dansen wil,quot; zei Adam, bezwijkend voor boerin Poysers redeneering of voor iets anders, âzal ik haar om den dans vragen dien zij vrij heeft.quot;
âIk heb geen danser voor den vierden dans,quot; zei Hetty; âdien zal ik u geven, zoo gij wilt.quot;
âGoed,quot; zei boer Poyser; âmaar gij moet ook met den eersten
319
HET BAL.
dans meedoen, Adam; anders zal het zoo vreemd staan. Er is een overvloed van lieve danseressen om uit te kiezen, en het is hard voor de meisjes wanneer de mannen staan te kijken en haar niet vragen.quot;
Adam gevoelde de juistheid van boer Poysers redeneering; het zou niet passen met niemand te dansen buiten Hetty. En zich herinnerend dat Jonathan Burger eenige reden had om zich heden gekwetst te voelen, besloot hij Mary te verzoeken, den eersten dans met hem te dansen.
âDaar slaat de groote klok acht,quot; zei boer Poyser; nu moeten wij zorgen binnen te komen, anders zullen de oude heer en de dames ons voor zijn, en dat zou geen houding hebben.quot;
Toen zij de vestibule binnengetreden waren, en de drie kinderen onder Molly's opzicht waren nedergezet op de trap, werden de dubbele deuren van het salon opengeslagen, en Arthur trad binnen in zijn uniform. Hij leidde mevrouw Irwine op en bracht haar naar een met tapijtwerk bedekte en met kasplanten versierde verhevenheid, waar zij met miss Anna en den ouden heer Donni-thorne plaats zou nemen om naar het dansen te zien, zooals de koningen en koninginnen op het tooneel. Arthur had zijn uniform aangedaan âom de pachters te pleizieren,quot; zooals hij zei, die evenveel ontzag hadden voor zijn militaire waardigheid als ware hij een eerste minister geweest. Hij had er niet tegen, hun op die wijze genoegen te geven; de uniform stond hem goed.
De oude squire, voor hij plaats nam, wandelde de vestibule rond om de pachters te begroeten en een praatje te maken met hun vrouwen. Hij was steeds beleefd, maar na lang aarzelen waren de pachters gewaar geworden dat deze beleefdheid een teeken van hardvochtigheid was. Het werd opgemerkt dat hij zijn meeste complimentjes dezen avond aan boerin Poyser wijdde; hij vroeg zeer omstandig naar haar gezondheid, ried haar aan zich in navolging van hemzelven te versterken met koud water, en zich van alle medicijnen te onthouden. Boerin Poyser neeg en dankte hem met groote zelfbeheersching; maar toen hij was doorgegaan, beet zij haar man in het oor; âIk verwed mijn hoofd dat hij het een of ander tegen ons in het schild voert. Als de Nikker kwispelstaart is er altijd iets aan het handje.quot; Boer Poyser had geen tijd tot antwoorden, want nu naderde Arthur en zei: âBoerin Poyser, ik kom
320
HET BAL.
uw hand vragen voor den eersten dans; en gij, boer Poyser, sta toe dat ik u naar mijn tante geleide; zij wensclit u tot cavalier.quot;
De bleeke wang der boerin bloosde van zenuwachtige aandoening over de buitengewone eer die haar te beurt viel, toen Arthur haar naar het hooger eind der danszaal geleidde; doch haaiman, bij wien een extra glas het oud vertrouwen in zijn goed uiterlijk en in zijn vaardigheid als danser van nieuws verlevendigd had, stapte zelfgenoegzaam naast hen voort, zich in stilte vleiend dat miss Lydia van haar leven geen danser had gehad, in staat haar van den grond te lichten zoo hoog als hij voornemens was te doen. Teneinde de eer, aan de beide gemeenten bewezen, gelijkelijk te verdeden, danste miss Irwine met Lukas Britton, den grootsten pachter van Broxton, en de heer Gawaine met Brittons vrouw. Ds. Irwine, nadat hij zijn zuster haar had aangewezen, was naar de abdijzaal gegaan, overeenkomstig een met Arthur gemaakte afspraak, teneinde toe te zien hoe het met de vroolijkheid der handwerkslieden gesteld was. Intusschen hadden alle paren, ook zij aan wie geen bijzondere onderscheiding was te beurt gevallen, hun plaatsen ingenomen: Hetty werd opgeleid door den onvermijdelijken baas Craig, Mary Burger door Adam, en nu ruischte de muziek, en de wereldberoemde quadrille, die voortreffelijkste aller dansen, ving aan.
Jammer dat het geen houten vloer was! Geen tromgeroffel had alsdan kunnen halen bij het rhytmisch gestamp der dikke schoenen. Dat vroolijk gestamp, dat bevallig knikken met het hoofd, dat zwierig aanbieden van de hand â waar ziet men ze heden ten dage? Dat eenvoudig dansen van hooggekleede huismoeders, voor een oogenblik de zorg voor huishouding en melkerij van zich afschuddend, zich haar jeugd herinnerend zonder zich jeugdiger voor te doen dan zij zijn, niet jaloersch, maar trotsch op de jonge meisjes aan haar zijde â die feestelijke levendigheid van gezette huisvaders, kleine komplimentjes makend aan hun vrouwen, alsof de dagen der eerste kennismaking waren teruggekeerd â die jongens en meisjes, een weinig onhandig met elkander omspringend en niet wetend wat zij elkander zeggen zullen â het zou een welkome afwisseling zijn, nu en dan zulk een schouwspel bij te wonen â in de plaats dier uitgesneden japonnen en groote halsboorden, dier critische blikken tot monstering van elkanders toilet,
ADAM BEDE. 21
321
HET BAL.
en dier dubbelzinnige glimlachjes van geblaseerde heeren in gelakte laarzen.
Er was slechts één ding dat Martin Poysers genoegen in dezen dans verminderde, en wel dat hij telkens in onmiddellijke aanraking kwam met Lukas Britten, den slordigen pachter. Hij dacht er over, eenige koelheid aan den dag te leggen onder het kruisen der handen; doch aangezien miss Irwine insgelijk tegenover hem stond, naast den aanstootelijken Lukas, vreesde hij dat zijn ijskoude blikken het bloed mochten doen stollen van den verkeerden persoon. Hij stelde dus in 's hemels naam zijn gelaat in handen der vroolijkheid, door geen zedelijke gispingen in haar eenheid gestoord.
Hoe klopte Hetty's hart toen Arthur haar naderde! Hij had haar nauwelijks aangezien dezen dag; nu moest hij haar hand vatten. Zou hij die hand drukken; zou hij haar aanzien? Zij meende te gaan schreien zoo hij haar niet eenig teeken van liefde gaf. Daar was hij nu â hij had haar hand gevat â ja hij drukte die. Zij werd bleek toen zij een oogenblik naar hem opzag en zijn oogen ontmoette, voor de dans hen scheidde. Dat bleek gelaat trok Arthur als de aanvang eener doffe smart, die zich als aan hem vastklemde, al moest hij dansen, glimlachen, schertsen, altoos door. Zoo zou Hetty er uitzien wanneer hij haar vertelde hetgeen hij haar te zeggen had, en dat zou hij niet kunnen dragen â hij zou zwak wezen en weder toegeven. Hetty's blik beteekende werkelijk minder dan hij dacht; die blik was slechts het uiterlijk teeken van een strijd in haar binnenste tusschen den wensch dat hij haar eenig liefdeblijk geven, en de vrees dat zij dien wensch aan anderen verraden zou. Maar Hetty's gelaat sprak een taal, verhevener dan haar gevoelens. Er zijn aangezichten waarop de natuur een uitdrukking en aandoening legt die niet het uitsluitend eigendom zijn dier ééne menschenziel, wier gemoedsleven zij verraden, maar die de vreugde en de smart uitspreken van gansche geslachten â oogen die gewagen van diepe liefde, een liefde die ongetwijfeld ergens geleefd heeft en nog leeft, maar niet gepaard met deze oogen â misschien gepaard met doffe oogen zonder uitdrukking; evenals de taal eener natie tintelen kan van een poëzie waarvan de lippen die haar spreken niets gevoelen of bespeuren. Die blik van Hetty benauwde Arthur; maar deze vrees ging vergezeld van een trillend welbehagen, een welbehagen dat hij zichzelven niet bekennen
322
HET BAL,
durfde: het bewustzijn dat zij hem te lief had. Een harde taak wachtte hem, want hij gevoelde zich op dit oogenblik in staat, drie jaren van zijn jeugdig leven af te staan voor het geluk van zonder gewetensknaging te kunnen toegeven aan zijn hartstocht voor Hetty.
Deze waren zijn tegenstrijdige gedachten toen hij boerin Poyser, die van vermoeidheid hijgde en in stilte beloofde dat rechter noch magistraat haar zou bewegen ten tweeden male te dansen, wegleidde om een weinig uit te rusten in de eetzaal, waar het souper was gereed gezet voor de gasten om gebruikt te worden wanneer en zooals men verkoos.
âIk heb Hetty verzocht te onthoadcn dat zij met u dansen moet, mijnheer,quot; zei de goede, onschuldige vrouw; âzij is zulk een gedachteloos kind; zij zou haar woord geven voor dans op dans. Daarom heb ik haar gezegd, niet te veel te beloven.quot;
âDank u, boerin Poyser,quot; zei Arthur, niet zonder eenige popeling des harten. âGa een oogenblik zitten in dezen gemakkelijken stoel; hier is Mills om u te bedienen naar uw smaak.quot;
Hij snelde weg naar een andere bedaagde danseres, want eerst moest aan de getrouwde vrouwen de betamende hulde bewezen zijn voor hij een der jongere vragen kon, en de quadrilles, en het gestamp, en de bevallige knikjes, en het zwieren der handen, alles ging vroolijk zijn gang.
Eindelijk was de tijd gekomen voor den vierden dans â dien dans waarnaar de krachtige, ernstige Adam even vurig had verlangd als ware hij een saletjonker van achttien jaren met fijne handjes geweest; want in ons aller eerste liefde komen sterke familietrekken voor, en Adam had Hetty's hand nauwlijks ooit aangeraakt dan bij een vluchtigen groet â had te voren slechts een enkele maal met haar gedanst. Zijn oogen hadden haar in spijt van hemzelven overal gevolgd dezen avond, en telkens dieper teugen van liefde hadden zij ingedronken. Zij gedroeg zich zoo goed, zoo bedaard, vond hij; zij scheen volstrekt niet te coquetteeren ; zij glimlachte minder dan gewoonlijk; zij was als gehuld in een waas van liefelijke droefgeestigheid. âGod zegene haar!quot; zei hij bij zich-zelven; âware een sterke arm om voor haar te werken en een warm hart om haar lief te hebben daartoe in staat, ik zou haar leven tot een gelukkig leven maken.quot;
âEn dan, dan werd hij overvallen door verrukkelijke gedachten;
21*
323
HET HAL.
hoe hij thuis zou komen van zijn werk, en Hetty aan zijn zijde zou tronen, en zou voelen hoe haar wang zachtkens tegen de zijne leunde â tot hij vergat waar hij zich bevond, en de muziek in zijn oor evengoed een nederplassende stortregen, of het geschuifel dei-voeten een ruischende stormwind had kunnen zijn.
Maar nu was de derde dans geëindigd, en hij mocht haar naderen en hare hand vragen. Zij bevond zich aan het verst verwijderd einde van de vestibule, bij de trap, in fluisterend gesprek met Molly, die haar juist de slapende Totty in den arm had gelegd, voor zij de hoeden en doeken ging halen. Boerin Poyser had de twee jongens medegenomen naar de eetzaal om hun een stuk taart te geven voor zij in de kar naar huis reden met grootvader, en Molly zou zoo spoedig mogelijk volgen.
âLaat mij maar houden,quot; zei Adam, terwijl Molly naar boven liep; âkinderen zijn zoo zwaar als zij slapen.quot;
Hetty was blijde met deze verlichting, want Totty op den arm te houden, staande, behoorde volstrekt niet tot haar bijzondere liefhebberijen. Maar deze tweede overdracht had tot ongelukkig gevolg dat Totty wakker werd, en in lichtgeraaktheid bij een ontijdig ontwaken gaf Totty aan geen kind van haar leeftijd iets toe. Terwijl Hetty nog bezig was haar in Adams arm te plaatsen en den haren nauwelijks had weggetrokken, opende Totty de oogen en deed aanstonds met haar linker vuistje een aanval op Adams arm; tevens pakte zij met haar rechter het snoer bruine kralen om Hetty's hals. Het medaillon fonkelde uit zijn schuilplaats te voorschijn, het oogenblik daarop was de ketting gebroken, en Hetty zag in wanhoop kralen en medaillon in een wijden kring op den grond verspreid liggen.
âMijn medaillon! mijn medaillon!quot; riep zij luid en angstig fluisterend tot Adam; âlaat de kralen maar liggen!quot;
Adam had reeds gezien waar het medaillon nederviel, want het had zijn aandacht getrokken toen het uit haar japon te voorschijn kwam. Het was gevallen op de losse houten stellage waarop de muzikanten zaten, niet op den steenen vloer, en toen Adam het opraapte, zag hij het glas en daaronder de donkere en lichte haarlokken. Het was met dien kant naar boven gevallen; het glas was dus niet gebroken. Hij keerde het om in zijn hand, en bezag de ge-emailleerde gouden achterzijde.
324
HET BAL.
âHet is niet beschadigd,quot; zei hij, terwijl hij het aan Hetty overreikte, die niet in staat was het aan te nemen omdat zij haar beide handen noodig had om Totty te houden.
âO, het komt er niet op aan, het kan mij niet schelen,quot; zei Hetty, die bleek gezien had en nu rood zag.
âNiet schelen?quot; zei Adam ernstig. âGij scheent daareven zeer verschrikt. Ik zal het vasthouden tot gij met Totty gereed zijt,quot; ging hij voort, bedaard de hand om het versiersel sluitend, opdat zij niet denken mocht dat hij vvenschte er nogmaals naar te kijken.
Op dit oogenblik kwam Molly met hoed en doek, en zoodra zij Totty had overgenomen, stelde hij het medaillon aan Hetty ter hand. Zij nam het met een schijn van onverschilligheid aan, en stak het in den zak; in haar hart wrevelig en knorrig op Adam dat hij het medaillon gezien had, maar nu vast besloten, geen verdere teekenen van onrust te geven.
âKijk,quot; zei zij, âde dansers kiezen elk hun plaats; laat ons gaan.quot;
Adam gaf zwijgend toe. Een schemerachtige onrust had zich van hem meester gemaakt. Had Hetty een minnaar waarvan hij niet afwist? â Want niet een van haar betrekkingen, dit wist hij zeker, zou haar een medaillon geven zooals dit, en niet een van haar bewonderaars, met wie hij bekend was, verkeerde met haar op den voet van erkenden minnaar, zooals het geval zijn moest met den gever van het medaillon. Adam verloor zich in eindelooze gissingen omtrent den persoon op wien zijn vrees zich vestigen moest-Doch te vergeefs. Hij gevoelde alleen met bittere smart dat er iets was in Hetty's leven waarvan hij zich geen rekenschap kon geven, dat, terwijl hij zichzelven had gevleid met de hoop dat zij hem langzamerhand zou leeren liefhebben, zij reeds een ander liefhad. Het genoegen van den dans met Hetty was vervlogen; zijn oogen, wanneer zij op haar rustten, hadden een zekere onrustig vragende uitdrukking; hij kon niets bedenken om tot haar te zeggen, en ook zij was uit haar humeur, en had geen lust tot praten. Beiden waren tevreden dat de dans ten einde was.
Adam had besloten niet langer te blijven; niemand had hem noodig, en niemand zou opmerken of hij wegsloop. Zoodra hij buiten was, begon hij met zijn gewonen snellen pas te loopen, bezig met de smartelijke gedachte dat de quot;herinnering aan dezen
325
HET BAL.
326
dag, zoo eervol en veelbelovend voor hem, voor altoos vergiftigd was. Plotseling, toen hij de plaats bijna doorgewandeld had, stond hij stil; een straal van verlevendigde hoop viel in zijn hart. Misschien stelde hij zich aan als een groote dwaas, en maakte hij veel misbaar om een kleinigheid. Hetty, in haar voorliefde voor opschik, had wellicht zelf het medaillon gekocht. Het zag er daarvoor wel een weinig kostbaar uit â het zweemde naar de dingen in wit satijnen doosjes in den grooten juwelierswinkel te Ros-seter. Maar Adams voorstellingen omtrent de waarde van zulke voorwerpen waren zeer gebrekkig, en hij dacht dat het zeker niet meer dan een guinje kosten kon. Waarschijnlijk had Hetty dit sommetje juist in haar spaarpot gehad, en, men kon niet weten, misschien was zij kinderachtig genoeg geweest, het op die wijs te besteden; zij was nog zulk een jong poppetje, en zij hield eenmaal zooveel van opschik! Maar dan, waarom was zij eerst zoo geschrikt en zoo veranderd van kleur, en had zij zich naderhand gehouden als gaf zij er niet om? O, dat was omdat zij zich schaamde toen hij zag dat zij zulk een mooi medaillon bezat â zij gevoelde wel dat het verkeerd van haar was, haar geld aan zulke dingen te verkwisten, en zij wist ook dat Adam tegen allen opschik was. Het was een bewijs dat zij zich aantrok wat hij gaarne zag en wat niet. Uit zijn stilzwijgen en zijn daarop gevolgden ernst moest zij hebben opgemerkt dat hij zeer ontevreden op haar was, dat hij aanleg had ruw en streng omtrent haar zwakheden te wezen. En terwijl hij bedaarder voortwandelde, als terend op het overschot zijner hoop, was zijn eenige vrees dat hij zich gedragen had op een wijze die Hetty's gevoel jegens hem zou doen verkoelen. Want deze laatste beschouwing van de zaak moest de ware zijn. Hoe kon Hetty een verklaarden minnaar hebben, hem geheel onbekend? Nooit was zij langer dan een dag buiten haar ooms huis; zij kon geen kennissen hebben die daar niet kwamen, en geen vertrouwelijken omgang die verborgen bleef voor haar oom en tante. Het ware dwaasheid, te meenen dat het medaillon haar door een minnaar geschonken was. Het kleine krulletje donker haar was ongetwijfeld van haarzelve; omtrent het lichte haar daaronder kon hij nauwlijks iets gissen, want hij had het niet duidelijk gezien. Misschien was het een lok van haar vader of haar moeder, beiden gestorven toen zij nog een kind was; en het
HET BAL,
was slechts natuurlijk dat zij een weinig van haar eigen haar daarbij had ingesloten.
En zoo ging Adam getroost naar bed, na zich met eigen hand een webbe van waarschijnlijkheden gesponnen te hebben â het geschiktste aller vuurschermen die een wijs mensch plaatsen kan tus-schen zichzelven en de verzengende waarheid. Zijn laatste wakende gedachten smolten samen met een droom: dat hij weder met Hetty op de hoeve was en dat hij haar vergiftenis vroeg omdat hij zoo koel en stil geweest was.
En terwijl hij dit droomde, leidde Arthur onze Hetty ten dans, en fluisterde haar in op een haastigen toon: âOvermorgen tegen zeven uur ben ik in het bosch; kom zoo vroeg gij kunt. En Hetty's dwaze vreugde en hoop, weggevlucht voor een korte poos, verjaagd door een kleinigheid, keerden nu als op vleugelen terug, onbewust van het dreigend gevaar. Voor de eerste maal op dien langen dag was zij gelukkig; zij wenschte dat deze dans uren duren mocht. Arthur wenschte het ook: het was de laatste zwakheid waaraan hij zou toegeven â en nooit smacht men verrukkelijker onder den invloed van een hartstocht, dan wanneer men bij zichzelven heeft voorgenomen, hem morgen aan den dag te onderdrukken.
Maar boerin Poysers wenschen waren hiermede in lijnrechte tegenspraak, want haar geest was vervuld met sombere voorgevoelens van vertraging in de kaasproductie op morgen, tengevolge van het laat uitblijven op heden. Nu Hetty haar plicht gedaan en een dans met den jonker gedanst had, moest boer Poyser gaan zien of de kar teruggekomen was om hen te halen; want het was half elf. En hoewel Poyser een goed woord deed, en beweerde dat het geen houding hebben zou, indien zij de eersten waren om te vertrekken, de boerin was onwrikbaar op dit punt, âhouding of geen houding.quot;
âWat, reeds vertrekken, boerin Poyser?quot; zei de oude heer Don-nithorne, toen zij haar nijging kwam maken en afscheid kwam nemen; âik had gedacht dat niet één van onze gasten ons zou verlaten vóór elven; mevrouw Irwine en ik, die bejaarde lieden zijn, hebben plan tot zoo laat te blijven kijken naar het dansen.quot;
âJa, uwe Edelheid, voor grootelui schikt zich dat opperbest, op te blijven bij kunstlicht â hun weegt geen kaas op het hart. Het is voor ons al laat genoeg, en men kan niet aan de koeien laten
327
HET BAL.
weten dat zij morgenochtend vroeg niet noodig moeten hebben gemolken te worden. Zoo uw Edelheid dus de goedheid wil hebben ons te verontschuldigen, zullen wij zoo vrij zijn ons compliment te maken.quot;
âHé,quot; zei zij tot haar man, toen de kar met hen wegreed, ânog liever brouwdag en waschdag tegelijk dan zoo'n dag van pleizier! Geen werk zoo vermoeiend als rond te slenteren en te staan gapen, en niet recht te weten wat men aan zal vangen met den tijd; den mond in een lachende plooi als een kruidenier op marktdag, uit vrees dat de menschen u niet beleefd genoeg zullen vinden. En als het voorbij is, heeft men niets te vertoonen, of het moest zijn een geel gezicht van de vreemde dingen die men gegeten en gedronken heeft.quot;
âNeen, neen,quot; zei boer Poyser, die in zijn best humeur en doordrongen was van het hoog gewicht van dezen feestdag, âeen kleine uitspanning nu en dan is heilzaam voor u. Gij danst zoo goed als eene. Geen vrouw in de gemeente, wil ik wedden, met een kleiner voet of fijner enkel dan gij. En het was een groote eer dat de jonker u het eerst vroeg â vermoedelijk uithoofde ik de tafel gepresideerd en de aanspraak gedaan had. En Hetty ook â zij althans heeft van haar leven zulk een danser niet gehad. Dat moogt gij naderhand vertellen, Hetty, als gij een oud moedertje zult geworden zijn â hoe gij met den jonker gedanst hebt op het feest ter eere van zijn een-en-twintigsten jaardag.quot;
328
VIERDE BOEK.
HOOFDSTUK XXVII.
EEN KEERPUNT.
Het was in de tweede helft van Augustus â ongeveer drie we-
O O
ken na het groote feest. Met de inzameling der tarwe was in de noordelijke deelen van ons Loamshire een aanvang gemaakt, maaide oogst scheen nog vertraagd te zullen worden door de zware regens, die overstroomingen veroorzaakten en veel schade aanrichtten in de gansche streek. Over dit laatste ongemak hadden de pachters van Broxton en Hayslope, op hun welgelegen hooge landerijen en in hun valleien met beekjes doorsneden, niet te klagen gehad, en daar ik niet mag beweren dat zij pachters waren zoo voorbeeldig, dat zij het algemeen welzijn meer liefhadden dan hun eigen belang, begrijpt men dat zij niet zeer verslagen waren over het snelle rijzen van den prijs van het brood, zoolang er hoop bestond dat zij hun eigen koren onbeschadigd zouden binnenhalen. En een dag zonneschijn nu en dan, van opdrogenden wind vergezeld, vleide deze hoop.
Een van deze dagen was de achttiende Angustus. De zonneschijn blonk glanziger in aller oogen, vergeleken bij de somberheid die voorafgegaan was. Statige wolkgevaarten werden door het blauwe luchtruim voortgejaagd, en de groote, bolvormige heuvelen achter het kasteel schenen te leven onder de vluchtige schaduwen die er overheen vlogen. De zon was voor een oogenblik verscholen, en daarna braken haar stralen weder verwarmend door, als een terug-keerende vreugde; bladeren, nog geheel groen, werden door den wind van de heggen afgescheurd; rondom de pachthoeven hoorde
BEN KEERPUNT.
men een geluid van toeslaande deuren; de appelen vielen in den boomgaard, en de manen der paarden, grazend aan de groene zoomen der lanen of op de open weide, woeien hun in het aangezicht. En toch scheen de wind slechts een deel uit te maken van de alge-meene vroolijkheid; want de zon scheen. Een heerlijke dag voor de kinderen. Zij liepen, en beproefden met hunne stemmetjes den wind te overschreeuwen. En ook de volwassen mensehen waren welsre-moed, en geneigd te gelooven in nog schooner dagen, wanneer de wind zou gaan liggen. Indien slechts het graan niet reeds zoo rijp was dat het zijn hulsel geblazen en als ontijdig zaaisel op den grond uitgestrooid wierd!
Toch was dit een dag waarop evengoed een doodelijke smart iemand kon overvallen. Want indien het waar is dat de natuur in zekere oogenblikken een voorgevoel schijnt te bezitten omtrent het lot van dezen of genen, moet het dan niet evenzeer waar zijn dat zij zich om het lot van anderen niet bekreunt'? Want er is niet één uur dat niet tevens blijdschap en wanhoop baart; geen schitterende morgen, die geen nieuwe weeën aanbrengt aan den troosteloos bedroefde, zoowel als versche kracht aan het genie en aan de liefde. Wij zijn zoo talrijk, en ons lot is zoo verschillend â wat wonder dat de stemming der natuur dikwijls scherp contrasteert met de groote gebeurtenissen van ons leven? Wij zijn kinderen van een groot gezin, en moeten leeren â gelijk zulke kinderen doen â niet te verwachten dat er veel notitie zal genomen worden van ons verdriet, â wij moeten tevreden leeren zijn met weinig oppassing en weinig liefkoozing, en er elkander slechts te naarstiger om helpen.
Het was een drukke dag voor Adam, die in den laatsten tijd bijna dubbelen arbeid verricht had; want hij ging voort als meesterknecht te werken bij Jonathan Burger, zoolang tot een geschikt persoon zich zou voordoen aan wien die betrekking kon worden toevertrouwd, en Jonathan maakte geen haast met het vinden van dien persoon. Maar hij had zijn extra werk welgemoed verricht, want hij was weder vol hoop omtrent Hetty. Telkens als hij haar na den grooten feestdag ontmoet had, was het hem voorgekomen dat zij haar best deed, zich steeds vriendelijker jegens hem te gedragen, als wilde zij hem doen verstaan, dat zij zijn stilzwijgendheid en koelheid gedurende den dans vergeven had.
330
EEN KEERPUNT.
Hij had haar nooit weder van het medaillon gesproken, al te gelukkig dat zij weder tegen hem glimlachte â nog gelukkiger omdat hij een zekere ingetogenheid in haar opmerkte, die hij voor een teeken hield van toenemende vrouwelijke teederheid en ernst. âOch,quot; dacht hij telkens en telkens weder, âzij is nog pas zeventien; zij zal bedaard genoeg zijn over een poos. En haar tante zegt immers altijd dat zij zoo knap is voor haar werk? Zij zal mettertijd nog een vrouwtje worden, waartegen moeder niets zal in te brengen hebben.quot; Het is waar, hij had haar sinds den dag van het groote feest slechts twee malen in haar eigen huis gezien, want op zekeren Zondag, toen hij plan had na kerktijd een bezoek te brengen op de hoeve, had Hetty zich gevoegd bij het gezelschap der voorname bedienden van het kasteel en was met hen mede naar huis gegaan â bijna alsof zij geneigd was, baas Craig aan te moedigen. âZij raakt al te veel ingenomen met die lieden in de huishoudkamer,quot; merkte boerin Poyser aan. âIk voor mij heb die grootelui's dienstbaren nooit mogen lijden. Meestentijds doen zij u denken aan vette schoothondjes. Zij deugen niet om aan te slaan, en zij deugen niet om geslacht te worden. Enkel goed voor den pronk.quot; â En op een anderen avond was zij naar Treddleston gegaan om eenige dingen te koopen, ofschoon, toen hij naar huis terugkeerde, hij haar tot zijn groote verwondering zag heenstappen over een slagboom in een geheel andere richting dan de Treddleston-sche. Maar toen hij haar haastig tegemoet ging, was zij zeer vriendelijk, en toen hij haar tot aan het hek begeleid had, verzocht zij hem nog een oogenblik binnen te komen. Zij was, op haar terugtocht van Treddleston, een weinig dieper de velden ingestapt omdat zij geen lust had reeds naar huis te gaan; het was zoo lief buiten, en tante maakte altijd zoo'n beweging wanneer zij eens wilde gaan wandelen. âToe, kom met mij binnen!quot; zei zij, toen hij haar de hand geven wilde tot afscheid bij het hek, en dat was meer dan hij kon wederstaan. Hij ging dus binnen, en boerin Poyser bepaalde zich tot een vluchtige aanmerking over Hetty's uitblijven, terwijl Hetty, die er ternedergeslagen had uitgezien toen hij haar ontmoette, glimlachte en babbelde en allen met buitengewone vlugheid bediende.
Dit was de laatste maal dat hij haar gezien had; maar hij zou het er op aanleggen, morgen tijd te vinden voor een bezoek op de hoeve.
331
EEN KEERPUNT.
Heden, wist hij, was haar dag om naar het kasteel te gaan, uithoofde van haar naailes hij de kamenier; hij zou dus dezen avond zooveel werk mogelijk afdoen, om den volgenden vrij te wezen.
Een der karreweien waarover Adam het toezicht had, bestond in een zeker aantal reparatiën aan de slothoeve â zoo noemde men de hoeve bij het kasteel, in onderscheiding van de hoeve door de Poysers gepacht â die tot hiertoe door Satchell was bewoond geweest, maar waarvan men zei dat de oude squire haar zou verhuren aan een fraai gekleed heer met kaplaarzen, die men op zekeren dag derwaarts had zien rijden. Alleen de wensch om een huurder te vinden, maakte het verklaarbaar dat de zuinige squire reparatiën liet verrichten, ofschoon het Zaterdagavond-gezelschap bij baas Cas-son, onder het gebruikelijk pijpje, eenstemmig van oordeel was dat geen man, die zijn vijf zinnen bij elkander had, de slothoeve huren zou, of er moest een weinig meer bouwland aan verbonden worden. Wat hiervan zijn mocht, er kwam bevel dat de reparatiën met den meesten spoed moesten volvoerd worden, en Adam, handelend in naam van baas Burger, zette de zaak met zijn gewonen ijver door. Maar heden, door andere bezigheden elders opgehouden, was het hem niet mogelijk geweest, voor laat in den namiddag naar de slothoeve te gaan, en toen ontdekte hij dat een oud dakwerk, dat hij gemeend had te kunnen laten staan, geheel verzakt was. Het was duidelijk dat er met dit gedeelte van het gebouw niets aan te vangen was zonder het tot den grond toe af te breken, en aanstonds vormde zich in Adams geest een plan tot herbouw; gemakkelijke koeienloodsen en schaapskooien, benevens een schuur voor gereedschap; alles zonder groote kosten van materialen. Nadat de werklieden heengegaan waren, zette hij zich dus neder, haalde zijn zakboekje te voorschijn, en hield zich bezig met het schetsen van een plan en het opmaken der onkosten, met het oogmerk, dit den volgenden ochtend aan baas Burger te vertoonen, en dezen aan te zetten dat hij zou trachten den squire over te halen. âWat, goedsquot; van de dingen te maken, hoe klein de zaak ook wezen mocht, was altoos een genot voor Adam, en hij zat op een blok, met zijn boek rustend op een schaafbank, nu en dan zacht fluitend, en het hoofd met een nauw merkbaar lachje van zelfvoldoening op zijde gekeerd â van trots daarbenevens, want hield Adam veel van een goed stuk werk, hij mocht ook gaarne denken:
332
EEN KEERPUNT.
âIk heb het gemaakt.quot; En wellicht zijn de eenige inenschen, die deze zwakheid niet kennen, dezulke die niet een enkel gewrocht het hunne kunnen noemen. Het was bijna zeven uur voor hij gedaan en zijn buis weder aangetrokken had, en toen hij een laat-sten blik in het rond wierp, bespeurde hij dat Seth, die dezen dag hier gewerkt had, zijn mand met gereedschap achtergelaten had. âKijk, de jongen heeft zijn gereedschap vergeten,quot; dacht Adam, âen morgen moet hij aan den winkel werken. Geen groo-ter droomer dan hij; hij zou zijn eigen hoofd vergeten, zoo het los op den romp stond. Gelukkig dat ik de spullen gezien heb; ik zal ze mede naar huis nemen.quot;
De gebouwen der slothoeve lagen aan het eene uiterste van de plaats, nagenoeg tien minuten gaans verwijderd van de abdij. Adam was te paard herwaarts gekomen, voornemens naar de stallen terug te rijden en daar zijn beestje te bezorgen op zijn weg naar huis. Bij de stallen ontmoette hij baas Craig, die was komen zien naar het nieuwe rijpaard van den kapitein, waarop deze overmorgen zou wegrijden. Baas Craig hield hem staande en verhaalde hem dat alle bedienden zich zouden verzamelen aan het hek van het voorplein om den jonker goede reis te wenschen bij zijn vertrek, zoodat, toen Adam eindelijk de plaats inwandelde, en voortstapte met de gereedschapsmand op den schouder, de zon reeds op het punt was onder te gaan, schuine purperen stralen wierp tusschen de groote stammen der oude eiken, en elk open plekje gronds tintte met een fonkelenden gloed, als juweelen uitgestrooid op het gras. De wind was nu gaan liggen, en slechts een zacht koeltje bewoog de fijn geaderde bladeren. Wie den ganschen dag in huis gezeten had, zou nu lust hebben gevoeld tot een wandeling. Doch Adam was heden lang genoeg in de open lucht geweest om zijn weg naar huis zooveel mogelijk te bekorten, en het viel hem in dat hij zulks zou kunnen doen, door de plaats dwars over te steken en door het boschje te gaan, waar hij in jaren niet geweest was. Hij repte zich dus de plaats door, snel voortstappend langs de smalle paden tusschen de varenstruiken, op de hielen door Presto gevolgd, den stap niet vertragend om de prachtige wisselingen van het licht gade te slaan â daaraan ter nauwernood denkend â en toch de tegenwoordigheid van dat licht gevoelend in den vorm van zekere kalme, zalige stemming, die zich met den stroom zijner werkdag-
333
BEN KEERPUNT.
overpeinzingen vermengde. Kon hij nalaten den invloed dier tegenwoordigheid te ondervinden? Zelfs de herten ondervonden haar, en waren nog bedeesder dan anders.
Adams gedachten keerden terug tot hetgeen baas Craig hem gezegd had omtrent Arthur Donnithorne. In zijn verbeelding zag hij den kapitein vertrekken, en de veranderingen die zouden kunnen plaats grijpen voor hij wederkwam. Daarna verwijlden zij vol liefde bij de oude tooneelen hunner jongensvriendschap en vermeiden zich in de opsomming van Arthurs goede hoedanigheden, Adams trots, zooals ieder onzer trotsch is op de deugden van den meerdere die ons eert. Het geluk eener natuur als die van Adam, met haar groote behoefte aan liefhebben en vereeren, hangt voor een goed deel af van hetgeen zij kan gelooven en gevoelen omtrent anderen. En hij bezat geen ideale wereld van gestorven helden; hij wist weinig af van het leven der menschen die tot het verledene behoorden; de voorwerpen zijner liefdevolle bewondering, hij moest ze vinden onder degenen die onmiddellijk onder zijn bereik waren. Deze genoeglijke gedachten aan Arthur brachten een zachter uitdrukking dan gewoonlijk op zijn schrander, forsch gelaat, en misschien was dit de reden dat, toen hij het oude groene hek opende dat naar het boschje leidde, Adam een oogenblik stilstond om Presto op den rug te kloppen en hem een vriendelijk woordje toe te spreken.
Na dit kort oponthoud stapte hij weder voort langs het breede kronkelpad door het boschje. Welke grootsche beuken! Eenschoone boom ging bij Adam boven alles. Visschers zien het scherpst op zee; zoo was Adams gave van waarneming best tehuis in de tegenwoordigheid van boomen. Hij bewaarde huilquot;gedaante in zijn geheugen â evenals een schilder met alle vlekken en knoesten aan hun tronk, met alle bochten en hoeken in hun takken, en dikwijls had hij op een haar de hoogte en dikte van een stam al toeziend berekend. Geen wonder dat niettegenstaande hij verlangde voort te komen, hij niet kon nalaten met aandacht stil te staan tegenover een buitengewoon grooten beuk voor zich uit, bij een kromming in den weg, en zich te overtuigen dat het geen twee boomen waren, tot een te zamen gegroeid, maar werkelijk slechts een. Gedurende al het overige van zijn leven herinnerde hij zich dat oogenblik, toen hij rustig den beuk onderzocht, zooals iemand zich het laatste
334
EEN KEERPUNT.
glimpje herinnert van het huis waarin hij zijn jeugd doorbracht, alvorens de weg zich kromde en hij het huis nooit wederzag. De beuk stond aan de laatste bocht, waar het boschje eindigde in een gewelfd pad van takken, dat westwaarts leidde, in de richting der ondergaande zon, en toen Adam zich van den boom afwendde om zijn wandeling te hervatten, viel zijn oog op twee gestalten, nagenoeg twintig schreden van hem af.
Hij bleef staan, even roerloos, schier even bleek als een beeld. De beide gestalten stonden tegenover elkander, met de handen ineengelegd, op het punt van scheiden, en terwijl zij zich voorover bogen om elkander te kussen, kwam Presto, die in het kreupelhout had rondgeloopen, te voorschijn, kreeg hen in het oog, en deed een luiden blaf hooren. Zij scheidden met schrik â de eene snelde door het hek het boschje uit; de andere, zich omkeerend, kwam langzaam, bijna drentelend, op Adam af, die daar nog stond, roerloos en bleek, de hand vaster klemmend om den stok waarmede hij de ge-reedschapsmand over den schouder droeg, en de naderende gestalte opnemend met oogen waarin verbazing welhaast overging in woede.
Arthur Donnithorne zag er verhit en opgewonden uit; hij had gepoogd, onaangename gevoelens draaglijker te maken door aan tafel een weinig meer wijn te drinken dan gewoonlijk en hij bevond zich nog voldoende onder dien opwekkenden invloed om deze zijn ongewenschte ontmoeting met Adam minder zwaar te tillen dan hij anders zou gedaan hebben. Alles wel beschouwd, dacht hij, was het een geluk dat Adam, en niet iemand anders, Hetty en hem te zamen gezien had; hij was een verstandige knaap, hij zou hen niet verklikken. Arthur hield zich overtuigd dat hij zich met een grap van de zaak afmaken en alltft zou kunnen verklaren. En zoo drentelde hij voort met kunstmatige onbezorgdheid â het aangezicht in gloed, met zijn gekleeden rok van fijn laken, met zijn schitterend linnen, met de blanke handen vol juweelen half verborgen in zijn vestzakken, alles beschenen door het zonderling avondlicht, opgevangen door de lichte wolken tot hoog in de lucht, en vandaar uitgegoten op de bovenste takken der boomen.
Adam stond nog roerloos, en zag hem aan terwijl hij naderde. Hij begreep nu alles â het medaillon, en al het andere dat hem vroeger onverklaarbaar voorgekomen was. Een schel en verzengend licht toonde hem het verborgen letterschrift dat aan het ver-
335
EEN KEERPUNT.
leden een zoo geheel andere beteekenis gaf. Had hij één spier bewogen, hij zou als een tijger op Arthur losgesprongen zijn. Doch onder de tegenstrijdige gemoedsbewegingen die de lange oogenblik-ken vulden, had hij tot zichzelven gezegd dat hij aan geen hartstocht zou toegeven; hij zou alleen zeggen wat waarheid was. Hij stond, als versteend door een onzichtbare macht, maar die macht was de sterkte van zijn eigen wil.
âWel, Adam,quot; zei Arthur, âgij hebt naar de mooie, oude beuken staan kijken, nietwaar? Toch mag de bijl ze niet te na komen ; dit is een heilig plekje. Ik liep de kleine, mooie Hetty Sorrel achterop, gaande naar mijn burchtslot â de hermitage daar. Zij mag niet zoo laat alleen langs deze wegen gaan. Daarom bracht ik haar tot aan het hek, en vroeg een zoentje voor de moeite. Maar ik moet maken dat ik thuis kom; deze laan is t'oeivochtig. Goeden avond, Adam; ik zie u morgen â¢â om afscheid te nemen, zooals gij weet.quot;
Arthur was te zeer afgeleid door de rol die hij zelf speelde om zich volkomen bewust te zijn van de uitdrukking in Adams gelaat. Hij zag Adam niet in het gezicht, maar keek onachtzaam rond naar de boomen, en tilde den eenen voet even op om naar de zool van zijn laars te zien. Hij vond niet noodig meer te zeggen; hij had zand genoeg gestrooid in Adams eerlijke oogen, en terwijl hij de laatste woorden sprak, wandelde hij voort.
âEen oogenblik, mijnheer,quot; zei Adam op strengen en gebiedenden toon, zonder zich om te keeren. âIk heb u een paar woorden te zeggen.quot;
Arthur stond verwonderd stil. Lichtgeraakte menschen zijn gevoeliger voor een verandering van toon dan voor onvoorziene woorden, en Arthurs lichtgeraaktheid was die eener tevens warme en ijdele natuur. Hij was nog meer verwonderd, toen hij zag dat Adam zich niet verroerd had, maar met den rug naar hem toe stond, als gebood hij hem terug te keeren. Wat kon hij bedoelen? Ging hij een ernstige zaak maken van deze kleinigheid ? De drommel mocht hem halen! Arthur gevoelde dat hij boos werd. Een karakter dat bij voorkeur anderen onder zijn bescherming neemt, heeft altoos ook een minder edele zijde, en in Arthurs verwarde gewaarwordingen van wrevel en onrust mengde zich het denkbeeld dat iemand, aan wieli hij zooveel gunst bewezen had als Adam, zich
336
EEN KEERPUNT.
het recht niet mocht aanmatigen, zijn gedrag te beoordeelen. Toch voelde hij zich overheerseht â gelijk hij, die ongelijk heeft, zich steeds overheerseht gevoelt door den persoon, wiens oordeel bij hem weegt. In spijt van trots en drift was er evenveel schroom als toorn in zijn stem toen hij zei:
âWat meent gij, Adam?quot;
âIk meen, mijnheer,quot; antwoordde Adam op denzelfden harden toon, en nog steeds zonder zich om te keeren, âik meen, mijnheer, dat gij mij niet bedriegen kunt met uw luchthartige woorden. Het is heden niet de eerste maal dat gij Hetty Sorrel in dit boschje hebt ontmoet, en niet de eerste maal dat gij haar gekust hebt!quot;
Arthur verkeerde in pijnlijke onzekerheid in hoever Adam sprak met wetenschap of slechts op vermoeden. En deze onzekerheid, die hem belette een voorzichtig antwoord te geven, vermeerderde zijn wrevel. Hij zei op luiden, scherpen toon:
âWelnu, vriend, wat zou dat?quot;
âGij hebt dan, in plaats van te handelen als de oprechte, eerlijke man, waarvoor ik u hield, de rol gespeeld van een zelfzuch-tigen, lichtzinnigen schurk. Gij weet evengoed als ik wat er van groeit, wanneer een jong edelman een meisje als Hetty kust, en haar het hof maakt, en haar geschenken geeft die zij voor andere lieden verbergt. Ik herhaal, gij speelt de rol van een zelfzuchtigen, lichtzinnigen schurk, al snijdt het mij door het hart zoo te spreken, en al miste ik liever mijn rechterhand.quot;
âLaat mij u iets zeggen, Adam,quot; zei Arthur, zijn klimmenden toorn breidelend en pogend tot den onbezorgden toon van daareven terug te keeren. âGij zijt niet alleen verduiveld onbeschaamd, maar praat daarenboven onzin. De mooie meisjes zijn minder dwaas dan gij, en beelden zich niet in, wanneer een edelman haar schoonheid bewondert en haar eenige oplettendheid bewijst, dat hij daarom juist iets kwaads in den zin moet hebben. Elk man coquetteert gaarne met een mooi meisje, en elk mooi meisje heeft gaarne dat men met haar coquetteert. Hoe grooter de afstand is tusschen hen, hoe minder kwaad het kan; er is dan geen nood dat zij zichzelve iets zal verbeelden.quot;
âIk weet niet wat gij bedoelt met coquetteeren,quot; zei Adam, âmaar zoo gij daaronder verstaat, u tegenover een vrouw te gedra-
ADAM DEDE. 22
337
EEN KEERPUNT.
leden een zoo geheel andere beteekenis gaf. Had hij één spier bewogen, hij zou als een tijger op Arthur losgesprongen zijn. Doch onder de tegenstrijdige gemoedsbewegingen die de lange oogenblik-ken vulden, had hij tot zichzelven gezegd dat hij aan geen hartstocht zou toegeven; hij zou alleen zeggen wat waarheid was. Hij stond, als versteend door een onzichtbare macht, maar die macht was de sterkte van zijn eigen wil.
âWel, Adam,quot; zei Arthur, âgij hebt naar de mooie, oude beuken staan kijken, nietwaar? Toch mag de bijl ze niet te na komen ; dit is een heilig plekje. Ik liep de kleine, mooie Hetty Sorrel achterop, gaande naar mijn burchtslot â de hermitage daar. Zij mag niet zoo laat alleen langs deze wegen gaan. Daarom bracht ik haar tot aan het hek, en vroeg een zoentje voor de moeite. Maar ik moet maken dat ik thuis kom; deze laan is foeivochtig. Goeden avond, Adam; ik zie u morgen â om afscheid te nemen, zooals gij weet.quot;
Arthur was te zeer afgeleid door de rol die hij zelf speelde om zich volkomen bewust te zijn van de uitdrukking in Adams gelaat. Hij zag Adam niet in het gezicht, maar keek onachtzaam rond naar de boomen, en tilde den eenen voet even op om naar de zool van zijn laars te zien. Hij vond niet noodig meer te zeggen; hij had zand genoeg gestrooid in Adams eerlijke oogen, en terwijl hij de laatste woorden sprak, wandelde hij voort.
âEen oogenblik, mijnheer,quot; zei Adam op strengen en gebiedenden toon, zonder zich om te keeren. âIk heb u een paar woorden te zeggen.quot;
Arthur stond verwonderd stil. Lichtgeraakte menschen zijn gevoeliger voor een verandering van toon dan voor onvoorziene woorden, en Arthurs lichtgeraaktheid was die eener tevens warme en ijdele natuur. Hij was nog meer verwonderd, toen hij zag dat Adam zich niet verroerd had, maar met den rug naar hem toe stond, als gebood hij hem terug te keeren. Wat kon hij bedoelen? Ging hij een ernstige zaak maken van deze kleinigheid ? De drommel mocht hem halen! Arthur gevoelde dat hij boos werd. Een karakter dat bij voorkeur anderen onder zijn bescherming neemt, heeft altoos ook een minder edele zijde, en in Arthurs verwarde gewaarwordingen van wrevel en onrust mengde zich het denkbeeld dat iemand, aan wieft hij zooveel gunst bewezen had als Adam, zich
336
EEN KEERPUNT,
het recht niet mocht aanmatigen, zijn gedrag te beoordeelen. Toch voelde hij zich overheerscht â gelijk hij, die ongelijk heeft, zich steeds overheerscht gevoelt door den persoon, wiens oordeel bij hem weegt. In spijt van trots en drift was er evenveel schroom als toorn in zijn stem toen hij zei:
âWat meent gij, Adam?quot;
âIk meen, mijnheer,quot; antwoordde Adam op denzelfden harden toon, en nog steeds zonder zich om te keeren, âik meen, mijnheer, dat gij mij niet bedriegen kunt met uw luchthartige woorden. Het is heden niet de eerste maal dat gij Hetty Sorrel in dit boschje hebt ontmoet, en niet de eerste maal dat gij haar gekust hebt!quot;
Arthur verkeerde in pijnlijke onzekerheid in hoever Adam sprak met wetenschap of slechts op vermoeden. En deze onzekerheid, die hem belette een voorzichtig antwoord te geven, vermeerderde zijn wrevel. Hij zei op luiden, scherpen toon:
âWelnu, vriend, wat zou dat?quot;
âGij hebt dan, in plaats van te handelen als de oprechte, eerlijke man, waarvoor ik u hield, de rol gespeeld van een zelfzuch-tigen, lichtzinnigen schurk. Gij weet evengoed als ik wat er van groeit, wanneer een jong edelman een meisje als Hetty kust, en haar het hof maakt, en haar geschenken geeft die zij voor andere lieden verbergt. Ik herhaal, gij speelt de rol van een zelfzuchtigen, lichtzinnigen schurk, al snijdt het mij door het hart zoo te spreken, en al miste ik liever mijn rechterhand.quot;
âLaat mij u iets zeggen, Adam,quot; zei Arthur, zijn klimmenden toorn breidelend en pogend tot den onbezorgden toon van daareven terug te keeren. âGij zijt niet alleen verduiveld onbeschaamd, maar praat daarenboven onzin. De mooie meisjes zijn minder dwaas dan gij, en beelden zich niet in, wanneer een edelman haar schoonheid bewondert en haar eenige oplettendheid bewijst, dat hij daarom juist iets kwaads in den zin moet hebben. Elk man coquetteert gaarne met een mooi meisje, en elk mooi meisje heeft gaarne dat men met haar coquetteert. Hoe grooter de afstand is tusschen hen, hoe minder kwaad het kan; er is dan geen nood dat zij zichzelve iets zal verbeelden.quot;
âIk weet niet wat gij bedoelt met coquetteeren,quot; zei Adam, âmaar zoo gij daaronder verstaat, u tegenover een vrouw te gedra-
ADAM BEDE. 22
337
EEN KEERPUNT.
gen alsof gij haar liefhadt, terwijl gij haar intusschen niet lief-hebt, dan zeg ik dat zulks niet is de handelwijs van een eerlijk man, en wat niet eerlijk is baart kwaad. Ik ben geen dwaas, en gij zijt geen dwaas, en gij weet beter dan gij spreekt. Gij weet zeer goed dat uw gedrag omtrent Hetty niet alom bekend zou kunnen worden zonder dat zij haar goeden naam verloor, en er schande en kommer wierd gebracht over haar en de haren. En al hadt gij niets kwaads bedoeld met uw kussen en uw geschenken, wat zou dat? Andere lieden zullen niet gelooven dat gij niets kwaads bedoeld hebt. En vertel mij niet dat Hetty zichzelve niets inbeeldt. Ik zeg u dat gij haar hart zoozeer hebt vervuld met de gedachte aan u, dat haar leven er misschien nu reeds door vergiftigd is; nimmer zal zij den man liefhebben die misschien een goed echtgenoot voor haar zou geweest zijn.quot;
Arthur gevoelde zich, terwijl Adam sprak, plotseling verlicht; hij bespeurde dat Adam niet nauwkeurig kennis droeg van het voorgevallene, en dat geen onherstelbaar kwaad aangericht was door de ongelukkige ontmoeting van dezen avond. Adam kon nog bedrogen worden. De oprechte Arthur had zichzelven gebracht in een toestand, waarin behendig liegen zijn eenige hoop was. Deze hoop stilde zijn toorn een weinig.
,Welnu, Adam,quot; zei hij op een toon van vriendschappelijk toegeven, âmisschien hebt gij gelijk; misschien ben ik in mijne oplettendheden voor het mooie kleine ding te ver gegaan, toen ik haar om een zoentje plaagde nu en dan. Zulk een ernstige, bedaarde knaap als gij, begrijpt de verzoeking tot zulke kleinigheden niet. Wees verzekerd, ik zou voor niets ter wereld moeite of verdriet willen brengen over haar of over de Poysers. Maar ik geloof dat gij de zaak wat heel ernstig inziet. Gij weet, ik sta op het punt van te vertrekken; misslagen als deze zal ik dus wel niet weder begaan. Maar laat ons elkander goeden avond wenschen en niet meer over het geval spreken. De gansche zaak zal weldra vergeten zijn.quot;
âNeen, bij God!quot; barstte Adam los met niet langer te onderdrukken woede, en hij wierp de gereedschapsmand op den grond, en trad voorwaarts tot hij recht tegenover Arthur stond. Al zijn jaloezie, al zijn gevoel van persoonlijke beleediging', die hij tot hiertoe getracht had te onderdrukken, waren nu in opstand gekomen
338
EEN KEERPUNT.
en overmeesterden hem. Wie van ons, in de eerste oogenblikken eener vlijmende smart, heeft ooit erkend dat de medemensch, door wiens tusschenkomst ons die smart werd aangedaan, niet voornemens was ons te kwetsen? In ons instinctmatig verzet tegen het lijden zijn wij van nieuws kinderen, en eisehen een verantwoordelijken wil om onze woede aan te koelen. Op dit oogenblik kon Adam enkel gevoelen dat Hetty hem ontstolen was â verraderlijk ontstolen door den man op wien hij vertrouwd had, en hij stond vlak voor Arthur, hem aanstarend met woeste oogen, met bleeke lippen en saamgeklemde vuisten, terwijl de harde toon, waarop hij tot hiertoe zichzelven gedwongen had, aan niet meer lucht te geven dan aan een gevoel van rechtmatige verontwaardiging, overging in een hol en gejaagd stemgeluid, dat zijn lichaam deed schudden terwijl hij sprak.quot;
âNeen, het zal niet spoedig vergeten zijn dat gij u ingedrongen hebt tusschen haar en mij, mij, die zij anders wellicht zou hebben liefgekregen; â het zal niet spoedig vergeten zijn dat gij diefstal gepleegd hebt aan mijn geluk, terwijl ik u hield voor mijn besten vriend, voor een edeldenkend man, iemand voor wien te werken mijn trots was. Gij hebt haar gekust, en geen kwaad bedoeld, zegt gij? Ik heb haar van mijn leven niet gekust; maar jaren lang zou ik gewerkt en gezwoegd hebben voor het recht om haar te kussen. Gij telt dat niet. Gij bedenkt niet, dat gij iets doet dat anderen benadeelen kan; zoo gij maar uw kleine genoegens hebt daar geen kwaad in steekt. Ik versmaad uw gunsten; gij zijt de man niet waarvoor ik u hield. Nimmer zal ik u weder als mijn vriend beschouwen. Liever wilde ik dat gij u gedroegt als mijn vijand. Verweer u op staanden voet â een andere vergoeding kunt gij mij niet geven.quot;
De arme Adam, beheerscht door een woede zonder anderen uitweg als dezen, trok de frak uit en wierp de muts ter aarde, te zeer verblind door hartstocht, om de verandering op te merken die in Arthur had plaats gegrepen terwijl hij sprak. Arthurs lippen waren nu even bleek als die van Adam, zijn hart klopte hevig. De ontdekking dat Adam Hetty liefhad, was een schok die hem in dit oogenblik aan zichzelven openbaarde in het licht van Adams verontwaardiging, en hem diens lijden te beschouwen gaf niet enkel als een gevolg, maar als een deel van zijn misslag. Adams woor-
22*
339
340 een keerpunt.
den van haat en verachting â de eerste die hij ooit uit zijn mond vernomen had â waren als gloeiende schichten, onuitwischbare
merkteekenen inbrandend in zijn gemoed. Alle vergoelijkende zelf-
verschooning - ze schiet zelden tekort zoolang anderen ons eerbiedigen â begaf hem voor een oogenblik, en hij stond van aangezicht tot aangezicht voor het eerste groote kwaad dat hij tot hiertoe bedreven had. Hij was slechts een-en-twintig jaren oud â en drie maanden geleden - neen, veel later nog - was het zijn trots o-eweest, te denken dat niemand ooit gerechtigd zou zijn hem iets te verwijten. Zijn eerste opwelling, indien daar tijd voor geweest ware, zou misschien geweest zijn, woorden van verzoening te spreken; maar zoodra Adam zijn frak en muts had af- en weggeworpen, werd deze gewaar dat Arthur daar stond, bleek en sprakeloos, nog' steeds met de handen in zijn vestzakken.
Wat,quot; zei hij, âwilt gij niet met mij vechten gelijk een man betaamt' Gij weet wel dat ik niet zal toeslaan terwijl gij zoo staat.quot; ' ,Ga uit den weg, Adam,quot; zei Arthur, âik wil niet met u vech-
^Neen,quot; zei Adam met bitterheid, âgij wilt niet met mij vechten â waarom niet? Gij houdt mij voor een kerel uit het volk,
dien ffij straffeloos kunt beleedigen.quot;
âIk heb u nooit willen beleedigen,quot; zei Arthur met vernieuwden toorn. âIk wist niet dat gij haar liefhadt.quot;
Maar gij hebt gemaakt dat zij u liefheeft,quot; zei Adam. âbij zijt een dubbelhartige kerel â nimmer geloof ik weder een woord van
hetgeen gij zegt.quot;
âGa uit den weg, zeg ik u,quot; riep Arthur woedend, âof het zal ons
beiden berouwen.quot; , ,. ,
Neen,quot; zei Adam met afgebroken stem, âwaarachtig, ik zal niet weggaan'voor ik met u gevochten heb. Wilt gij nog meer scheldnamen' Ik veracht u, lafaard, ellendeling die gij zijt!quot;
In een oogenblik was de kleur op Arthurs gelaat teruggekeerd; zijn blanke rechterhand klemde zich samen, en met de snelheid van den bliksem viel een slag die Adam achterwaarts deed tuimelen Hij was nu even opgewonden als Adam zelf, en de beide mannen, den gemoedsstrijd die was voorafgegaan vergetend, vochten nu met de instinctmatige woede van panters in de toenemende schemering, nog verdonkerd door de boomen. De edelman met
EEN KEERPUNT.
de blanke handen was in alle opzichten, min de kracht, tegen den werkman opgewassen, en Arthurs behendigheid in het afweren der slagen stelde hem in staat den strijd geruitnen tijd te rekken. Maar tusschen ongewapende mannen is de overwinning aan den sterke, mits de sterke geen onhandige zij, en Arthur moest even onvermijdelijk vallen onder een goed aankomenden slag van Adam, als een stalen roede ten laatste gebroken wordt door een ijzeren bout. Weldra kwam die slag, en Arthur stortte neder met het hoofd in een varenstruik, zoodat Adam alleen de donkere massa van zijn lichaam onderscheiden kon.
Hij wachtte in de halve duisternis tot Arthur zou opstaan. De slag â die slag waarin hij al de kracht van zijn zenuwen en spieren gelegd had â hij was toegediend â en welk goed was daarmede verrichtquot;? Wat had hij met vechten gedaan? Slechts aan zijn eigen hartstocht voldoening verschaft; slechts wraak genomen over een persoonlijke beleediging. Hetty had hij niet gered, het verledene niet veranderd â daar stond het gelijk het geweest was, ongewijzigd, en hij walgde van de ijdelheid zijner eigen woede.
Doch waarom stond Arthur niet op? Hij lag volkomen roerloos, en de tijd viel Adam lang. . . Groote God! was de slag te hevig geweest? Adam huiverde op de gedachte aan zijn eigen kracht, terwijl hij met deze opkomende vrees in het hart naast Arthur nederknielde en diens hoofd van tusschen de varens ophief. Er was geen teeken van leven, de oogen gesloten, de tanden op elkander geklemd. De ontzetting die Adam bekroop, overmeesterde hem en drong haar schijn als een wezenlijkheid aan hem op. Slechts voor dit ééne had hij gevoel; de lijkkleur op Arthurs trekken, en hijzelf machteloos daar tegenover staande. Hij bewoog noch verroerde zich, en knielde toen op den grond â als een beeld der wanhoop starend op een beeld des doods.
341
EEN HARDE KEUS.
HOOFDSTUK XXVIII.
EEN HARDE KEUS.
Inderdaad duurde het slechts enkele minuten â ofschoon Adam altoos beweerde dat het veel langer had geduurd â voor hij een zweem van terugkeerend bewustzijn gewaar werd in Arthurs gelaat en een huivering door diens leden loopen zag. De onuitsprekelijke vreugd die zijn ziel overstroomde, voerde een opwelling der oude genegenheid met zich.
âGevoelt gij pijn, mijnheer?quot;' vroeg hij teeder, Arthurs das losmakend.
Arthur vestigde de oogen op Adam met een onzekeren blik; daarop volgde een eenigszins verschrikte beweging, veroorzaakt door den schok der weder ontwakende herinnering. Maar hij rilde slechts opnieuw, zonder te spreken.
âHebt gij u bezeerd, mijnheer?' vroeg Adam weder, met iets bevends in zijn stem.
Arthur bracht zijn hand aan de knoopen van zijn vest, en toen Adam dit had losgemaakt, haalde hij dieper adem. âLeg mijn hootd neder,quot; zeide hij met zwak geluid, âen haal mg eenig water, zoo gij kunt.quot;
Adam legde zijn hoofd weder zachtjes op de varens neder. Daarop nam hij de gereedschappen uit de mand en repte zich naar den zoom van het boschje die het naast aan het kasteel grensde en waar aan den voet der glooiing een beekje stroomde.
Toen hij terugkeerde met de mand, overvloedig lekkend, maar nog halfvol, zag Arthur hem met eenigszins kennelijker bewustzijn aan.
âKunt gij een weinig uit uw hand drinken, mijnheer?quot; vroeg Adam, nederknielend om Arthurs hoofd op te beuren.
âNeen,quot; zei Arthur; âdoop mijn das in het water en bet mijn hoofd.quot;
Het water scheen hem goed te doen, want hij hief zich een weinig hooger op, rustend op Adams arm.
âVoelt gij u inwendig gekwetst, mijnheer?quot; vroeg Adam weder.
342
EEN HABDE KEUS.
âNeen â niet gekwetst,quot; zei Arthur nog zeer flauw, maar afgemat.quot;
Na een poos zei hij: âIk vermoed dat ik van mijzelven gevallen ben, toen de slag mij omverwierp.quot;
âGoddank ja, mijnheer,quot; zei Adam. âIk vreesde erger.quot;
âWat, dacht gij dat het met mij gedaan was? Kom, help mij op de been.quot;
âIk voel een sterke beving en duizeligheid,quot; zei Arthur, terwijl hij overeind rees en leunde op Adams arm; âde slag moet aangekomen zijn als een stormram. Ik geloof niet dat ik alleen kan gaan.quot;
âLeun op mij, mijnheer; ik zal u thuis brengen,quot; zei Adam. Of wilt gij nog een weinig blijven zitten, op mijn frak hier? Dan zal ik u ondersteunen. Misschien voelt gij u over eenige minuten beter.quot;
âNeen,quot; zei Arthur. âIk zal naar de hermitage gaan â ik geloof dat ik daar een weinig brandewijn heb. Er loopt een korter weg naar toe, een weinig verderop, bij het hek. Help mij slechts voort.quot;
Zij wandelden langzaam op, herhaaldelijk stilstaand, maar zonder opnieuw te spreken. In de eerste oogenblikken van Arthurs wederkeerend bewustzijn, was beider volle aandacht op het tegenwoordige gericht geweest; maar een des te levendiger herinnering aan het voorafgaande tooneel was daarop gevolgd. Het was bijna donker in het nauwe pad tusschen de boomen; maar binnen den cirkel van dennen om de hermitage was gelegenheid voor het wassend maanlicht om de vensters binnen te dringen. Hun stap was onhoorbaar op het dikke tapijt van sparrenaalden, en de uitwendige stilte scheen hun bewustzyn van het gebeurde nog te verhoogen, toen Arthur den sleutel uit den zak haalde en dien aan Adam gaf, opdat deze de deur voor hem zou openen. Adam had vroeger niet geweten dat Arthur de hermitage gemeubeld en haar ingericht had tot zijn persoonlijk verblijf, en het was hem geen geringe verrassing, toen hij de deur opendeed, een gezellige kamer aan te treffen die alle kenteekenen droear van veelvuldi? bezoek.
Arthur liet Adams arm los en viel op de sofa neder. âGij zult mijn jachtflesch wel ergens vinden,quot; zei hij. âEen lederen koker met een flesch en een glas er in.quot;
343
EEN HAEDE KEUS.
Het duurde niet lang of Adam had den koker gevonden. âEr is maar zeer weinig brandewijn in, mijnheer,quot; zei hij, de flesch omkeerend boven het glas; âop zijn best dit kleine glaasje vol.quot;
âNu, geef maar op,quot; zei Arthur op den klagenden toon van lichamelijke gedruktheid. Toen hij eenige teugen genomen had, vroeg Adam weder: âWas het niet beter dat ik naar huis liep, om nog wat brandewijn te halen? Ik kan gauw genoeg heen en terug zijn. Het zal een zware wandeling voor u zijn, zoo gij vooraf niet iets neemt om u op te wekken.quot;
âJa â ga. Maar zeg niet dat ik ongesteld ben. Zoek naar mijn knecht, Pym, en laat die het noodige vragen aan Mills, maar zonder te zeggen dat ik op de hermitage ben. Haal ook wat water.quot;
Voor Adam was het een verlichting, iets te doen te hebben â voor beiden een verlichting, een poos van elkander gescheiden te wezen. Maar Adams snelle tred kon de felle pijn des naden-kens niet stillen â kon niet verhinderen dat hij het saamgeperste lijden van het jongst en rampzalig uur nogmaals doorleefde en in het licht van de gansche nieuwe, treurige toekomst overzag.
Nadat Adam was heengegaan, lag Arthur eenige minuten stil; toen rees hij met moeite van de sofa op en keek behoedzaam rond, in de gebroken stralen van het maanlicht naar iets zoekend. Het was een klein stukje waskaars dat onder een verwarde verzameling schrijf- en teekengereedschap lag. Nog langer moest hij zoeken naar een middel om de kaars aan te steken, en toen dit gedaan was, ging hij behoedzaam de kamer rond, als wenschte hij zich te vergewissen van de aanwezigheid of afwezigheid van zeker iets. Eindelijk vond hij een klein voorwerp, dat hij eerst in den zak stak. maar daarna, zich bedacht hebbend, weder daaruit te voorschijn haalde en diep wegstopte onder in een mand met scheurpapier. Het was een klein, rozerood halsdoekje. Hij zette de kaars op de tafel en viel weder op de sofa neder, geheel uitgeput.
Toen Adam met het gehaalde terugkeerde, deed zijn binnenkomen Arthur uit een sluimering ontwaken.
âVoortreffelijk,quot; zei Arthur; âik heb erg behoefte aan brandewijn en aan levenskracht.quot;
âHet verheugt mij te zien dat gij licht hebt, mijnheer,quot; zei
344
EEN HARDE KEUS.
Adam. âIk bedacht daar reeds dat ik wel een lantaarn had mogen vragen.quot;
âNeen, neen, de kaars zal het wel uithouden â ik zal spoedig naar huis kunnen loopen.quot;
âIk kan niet vertrekken voor ik u in veiligheid heb gezien, mijnheer,quot; zei Adam aarzelend.
âNeen, het is beter dat gij blijft â ga zitten.quot;
Adam zette zich neder en zij zaten tegenover elkander, onrustig zwijgend, terwijl Arthur met langzame teugen brandewijn en water dronk, zichtbaar met opwekkend gevolg. Hij lag minder lijdelijk neder, en scheen minder overweldigd door lichamelijke pijn. Adam sloeg deze verschijnselen nauwkeurig gade, en naarmate zijn onrust over Arthurs toestand bedaarde, voelde hij nadrukkelijker een ongeduld, bij ervaring bekend aan ieder, wiens rechtmatige verontwaardiging voor een poos geschorst werd door den lichame-lijken toestand des schuldigen. Toch lag hem nog iets op het hart dat eerst moest worden afgedaan voor hij tot berispen kon overgaan; te bekennen wat er onrechtvaardigs geweest was in zijn eigen woorden. Misschien verlangde hij te meer deze bekentenis te doen, om daarna aan zijn verontwaardiging opnieuw den teugel te mogen vieren, en toen hij bemerkte dat Arthur weder geheel en al was bijgekomen, kwamen en gingen telkens weder de woorden over zijn lippen, ingetoomd door de gedachte dat het wellicht beter ware, alles tot morgen uit te stellen. Zoolang zij zwegen, zagen zij elkander niet aan, en Adam had een voorgevoel dat, indien zij begonnen te spreken alsof zij zich het verledene herinnerden â indien zij elkander aanzagen met volkomen bewustheid, zij van nieuws vuur zouden moeten vatten. Zoo zaten zij zwijgend, tot het eind waskaars laag in de pijp blikkerde, terwijl het stilzwijgen steeds ondraaglijker voor Adam werd. Arthur had zich eerst nog een weinig brandewijn en water ingeschonken, en daarna den arm onder het hoofd geplaatst en het eene been opgetrokken. Hij lag dus nu in eene zeer ongedwongen en gemakkelijke houding; voor Adam een onwederstaanbare verzoeking om onder woorden te brengen hetgeen hij op het hart had.
âGij komt weder meer tot uzelven, mijnheer,quot; zei hij, terwijl de kaars uitging en zij half voor elkander verborgen waren in het onzeker maanlicht.
345
EEN HARDE KEUS.
, Ja, maar tot groote inspanning ben ik nog buiten staat â ik gevoel mij loom en heb geen lust mij te bewegen; maar ik zal naar huis gaan wanneer ik deze dosis gebruikt heb.quot;
Een kleine pauze volgde voordat Adam zei:
âMijn drift heeft mij overmeesterd, en ik heb dingen gezegd die onwaar waren. Ik had geen recht om te spreken alsof gij mij willens en met opzet een beleediging hadt aangedaan. Gij waart niet in de mogelijkheid alles te weten; hetgeen ik voor haar gevoelde, heb ik steeds zoo geheim mogelijk gehouden.quot;
Hij hield wederom op en ging toen voort:
âEn misschien heb ik u te hard beoordeeld â het ligt in mijn aard, hard te zijn, en misschien is er meer onnadenkendheid in uw gedrag geweest dan ik mogelijk zou geacht hebben in een man met een gemoed en een geweten. Wij zijn niet allen uit een vorm gegoten, en licht beoordeelen wij elkander verkeerd. God weet dat mijn grootste vreugde wezen zou, het beste van u te denken.quot;
Arthur verlangde naar huis te gaan zonder verdere samenspre-king â naar den geest was hij te pijnlijk verlegen, en naar het lichaam te zwak, om dezen avond breede verklaringen te wenschen. Toch was het hem een verlichting dat Adam het onderwerp opnieuw aanroerde, en dat op een wijze die voor hem het minst moeie-lijk te beantwoorden was. Arthur bevond zich in den ongelukkigen toestand van een rond en edelaardig man die een dwaling heeft begaan, waarvan misleiding het noodzakelijk gevolg schijnt te moeten zijn. De natuurlijke aandrang om waarheid voor waarheid te geven, vertrouwen te beantwoorden met openhartigheid, moest worden onderdrukt; â plicht was een quaestie van taktiek geworden. Zijn daad werkte op hem terug â overheerschte hem reeds als een tiran, en dwong hem een richting te volgen, die lijnrecht inliep tegen zijn gewone gevoelens. Het eenig doel dat hij nu scheen te moeten najagen was: Adam zoo volkomen mogelijk te misleiden; hem over hemzelven beter te doen denken dan hij verdiende. En toen hij hoorde hoe eerlijk een gedeelte der beschuldiging werd ingetrokken â toen hij de treurige klacht vernam waarmede Adam eindigde â was hij verplicht zich te verheugen over de overblijfselen van onwetend vertrouwen, waarvan die woorden getuigden. Hij antwoordde niet aanstonds, want hij moest omzichtig zijn, niet openhartig.
346
EEN HARDE KEUS.
, Spreek niet meer van onzen toorn, Adam,quot; zei hij eindelijk zeer langzaam, want de inspanning tot spreken was hem onaangenaam. âIk vergeef u uw onbillijkheid van het oogenblik â zij was geheel natuurlijk, in aanmerking genomen de zeer overdreven voorstellingen die u door het hoofd speelden. Wij zullen, hoop ik, in het vervolg geen minder goede vrienden zyn, omdat wij met elkander gevochten hebben. Gij zijt meester van het slagveld gebleven, en zoo moest het zijn, want van ons beiden was het grootste ongelijk aan mijne zijde. Kom, laat ons elkaar de hand geven.quot;
Arthur stak zijn hand uit, maar Adam bewoog zich niet.
âIk zou daarop niet gaarne âneenquot; zeggen, mijnheer,quot; zei hij âmaar ik kan u de hand niet geven, voor het duidelijk is gebleken wat wij daarmede bedoelen. Ik had ongelijk toen ik sprak alsof gij mij willens en wetens een beleediging hadt aangedaan; maar ik had geen ongelijk in hetgeen ik vroeger zeide van uw gedrag omtrent Hetty, en ik kan u de hand niet geven, ten teeken dat ik u van nieuws als mijn vriend beschouw, voor gij u duidelijker hebt verklaard.quot;
Arthur verkropte trots en wrevel en trok zijn hand terug. Hij zweeg eenige oogenblikken, en zei toen zoo onverschillig als hij kon:
âIk weet niet wat gij bedoelt met een duidelijke verklaring, Adam. Ik heb u reeds gezegd dat gij te ernstig denkt over een kleine coquetterie. Maar al mocht gij gelijk hebben en daarin eenig gevaar gelegen zijn â welnu, ik vertrek Zaterdag, en daarmede zal alles uit zijn. Wat betreft het verdriet, dat deze zaak u heeft aangedaan, het doet mij van harte leed. Meer kan ik niet zeggen.quot;
Adam zei niets, maar rees van zijn stoel en bleef staan met het aangezicht gekeerd naar een der vensters, als zag hij naar de donkere denneboomen, buiten in het maanlicht; doch werkelijk was hij zich van niets bewust als van den strijd in zijn binnenste. Nu hielp het niet, zijn genomen besluit om niet te spreken voor morgen; hij moest spreken, daar en thans. Maar verscheiden minuten verliepen voor hij zich omkeerde en Arthur naderde, staande en op hem nederziend terwijl de ander bleef liggen.
âHet is beter dat ik ronduit spreek,quot; zei hij met zichtbare inspanning, âofschoon het mij moeite kost. Gij ziet, mijnheer, deze zaak is geen kleinigheid voor mij, wat zij ook wezen moge voor
347
EEN HARDE KEUS.
u. Tk behoor niet tot die mannen die hun hof kunnen gaan maken eerst aan de eene vrouw en dan aan de andere, en die denken dat het niet veel afdoet wie van haar hij neemt. De liefde, die ik voor Hetty voel is een andere soort van liefde; een liefde waarvan ik geloof dat niemand haar kan begrijpen, als alleen zy, die haar zelf eenmaal gevoelden â en God die haar mij schonk. Zij is mij meer dan alles; alles, op mijn goeden naam en mijn geweten na. En indien het waar is wat gij daar straks hebt gezegd â indien het maar beuzelen en coquetteeren geweest is, zooals gij het noemt, waaraan een eind zal kunnen worden gemaakt door uw vertrek â welnu, dan zal ik wachten, en hopen dat haar hart zich eindelijk tot mij neigen zal. Ik kan niet denken dat gij onwaarheid spreken zoudt, en ik zal u op uw woord gelooven, hoe ongunstig de schijn ook zij.quot;
âGij zoudt Hetty beleedigen meer dan mij, zoo gij aan mijn woorden geen geloof sloegt,quot; zei Arthur, bijna heftig van de sofa opspringend en een paar schreden voorwaarts doende. Maar aanstonds wierp hij zich weder in een stoel neder, op zwakker toon voortgaand: âGij schijnt te vergeten dat gij door mij te verdenken een blaam werpt op haar.quot;
âNeen, mijnheer,quot; zei Adam op kalmer toon, als ware hij half gerustgesteld â want hij was te rond van aard om onderscheid te maken tusschen een rechtstreekschen leugen en een slinkschen. â âNeen, mynheer, de zaken staan niet gelijk tusschen Hetty en u. Gij, gij handelt met open oogen, goed of verkeerd; maar hoe kunt gij weten wat in haar hart omgaat? Zij is niet veel meer dan een kind â een kind dat elk man, wien een geweten in de borst klopt, zich moest gehouden voelen te eerbiedigen. En wat gij ook zeggen moogt, ik ben zeker dat gij haar rust verstoord hebt. Ik weet dat zij haar hart op u heeft gezet, want vele dingen zijn mij nu helder die ik vroeger niet begreep. Maar gij schijnt er u weinig om te bekreunen wat zij voelen moge â daaraan denkt gij niet.quot;
âGod in den hemel, laat mij alleen, Adam!quot; barstte Arthur onstuimig los. âIk gevoel het genoeg zonder dat gij mij kwelt.quot;
Nauwelijks waren de woorden hem ontsnapt, of hij zag zijn onberadenheid in.
âNu dan, wanneer gij het voelt,quot; hernam Adam driftig, âwanneer gij voelt dat gij valsche voorstellingen in haar hart kunt heb-
348
EEN HARDE KEUS.
ben opgewekt en haar misschien hebt doen gelooven aan een liefde die gij intusschen niet ernstig meendet, dan vorder ik van u dit: â ik spreek niet voor mijzelven, maar voor haar. Ik vorder dat gij haar voor uw vertrek de oogen opent. Gij vertrekt niet voor goed, en zoo gij haar achterlaat met de gedachte in het hoofd dat gij hetzelfde voor haar gevoelt al zij voor u, zal zij naar u hunkeren, en het kwaad zal steeds verergeren. Nu zal het haar misschien een oogenblik pijn doen, maar haar veel lijden besparen in de toekomst. Ik vorder dat gij een brief schrijft â ik zal zorgdragen dat haar die gewordt, daar kunt gij gerust op zijn. Zeg haar de waarheid, en beschuldig uzelven van u tegenover een jonge vrouw, die uws gelijke niet was, anders te hebben gedragen dan gij moest. Ik spreek zonder omwegen, mijnheer. Maar ik kan niet anders spreken. Buiten mij kan niemand in dezen Hetty's belangen waarborgen.quot;
â Ik kan immers doen wat ik noodig acht in dit geval,quot; zei Arthur, meer en meer gepijnigd door een mengeling van wanhoop en verlegenheid, âzonder u bepaalde beloften te doen? Ik zal alle maatregelen nemen die ik gepast zal achten.quot;
âNeen,quot; zei Adam kortaf en op vastberaden toon, âzoo kan het niet gaan. Ik moet weten wat grond ik onder de voeten heb. Ik moet zeker zijn dat gij een eind hebt gemaakt â aan hetgeen nooit tot een begin had moeten komen. Ik vergeet niet wat u toekomt als edelman, maar in deze zaak staan wij tot elkander als man tegen man, en ik mag niet toegeven.quot;
Het duurde eenige oogenblikken voor het antwoord kwam. Toen zei Arthur: âMorgen zal ik met u spreken. Thans kan ik het niet langer uithouden; ik ben ziek.quot; Dit zeggende stond hij op en greep naar zijn muts, alsof hij voornemens was te gaan.
âGij zult haar niet wederzien!quot; riep Adam uit met een opwelling van terugkeerenden toorn en argwaan, en hij trad naar de deur en plaatste zich met den rug daartegen. âZeg dat zij nimmer mijn vrouw worden kan â zeg dat gij mij voorgelogen hebt â- of beloof mij wat ik vroeg!quot;
Onder het stellen dezer keus stond Adam als een onverbiddelijk noodlot voor Arthur, die een paar schreden nader was gekomen en nu stilhield, flauw om het hart, geschokt, krank naar ziel en lichaam. Beiden vonden hem lang, dien innerlijken strijd
349
EEN HARDE KEDS.
van Arthur; toen zei hij op afmattenden toon: âIk beloof; laat mij gaan.quot;
Adam verliet zijn plaats voor de deur en opende die; maar toen Arthur den drempel overschreed, trad hij opnieuw naar voren en plaatste zich bij den deurpost.
âGij zijt niet wel genoeg om alleen te gaan, mijnheer,quot; zei Adam. âLeun weder op mijn arm.quot;
Arthur gaf geen antwoord en liep voort, door Adam gevolgd. Maar na een paar schreden stond hij wederom stil en zei op koelen toon: , Ik vrees dat ik u nogmaals lastig zal moeten vallen. Het wordt laat, en misschien is het huis reeds in opstand over mijn uitblijven.
Adam gaf hem den arm, en zonder een woord te spreken wandelden zij voort tot zij kwamen aan de plaats waar de mand en het gereedschap lagen.
âIk moet het gereedschap oprapen, mijnheer,quot; zei Adam. âHet is van mijn broeder. Ik vrees dat het anders roesten zou. Wees zoo goed een oogenblik te wachten.quot;
Arthur stond stil zonder te spreken, en er werd verder geen woord tusschen hen gewisseld tot zij den zij-ingang bereikten, waar hij hoopte binnen te komen zonder door iemand gezien te worden. Toen zeide hij: âDank u; ik behoef u thans geen verdere moeite te geven.quot;
âHoe laat zal het u morgen schikken my te spreken, mijnheer ?quot; vroeg Adam.
âGij kunt naar mij vragen tegen vijf uur,quot; zei Arthur; âniet vroeger.quot;
âGoeden nacht, mijnheer,quot; zei Adam. Maar hij vernam geen antwoord; Arthur was het huis binnengegaan.
350
DEN VOLGENDEN MORGEN.
HOOFDSTUK XXIX.
DEN VOLGENDEN MORGEN.
Arthur bracht geen slapeloozen nacht door. Want de slaap komt tot de verslagenen van harte â zoo de verslagenen slechts vermoeid genoeg zijn. Maar te zeven uren schelde hij en verbaasde Pym door de mededeeling dat hij wilde opstaan, en dat zijn ontbijt hem te acht uren moest gebracht worden.
âEn zorg dat de merrie gezadeld worde tegen half negen, en zeg aan mijn grootvader, als hij beneden komt, dat ik mij van morgen beter gevoel en een toertje ben gaan rijden.quot;
Hij had een uur wakker gelegen, en kon het in bed niet langer houden. In bed wordt de dag van gister ons te benauwd: zoo men slechts op kan staan, al is het ook om niet meer dan te rooken of te neuriën, heeft men een tegenwoordig bij de hand dat eenigen weerstand biedt aan het verledene â gewaarwordingen die zich verzetten tegen onverbiddelijke herinneringen. En indien men immer op den inval kwam, eene statistiek der menschelijke gevoelens op te maken, zou het ongetwijfeld blijken dat naberouw, zelfverwijt en gekwetste trots minder zwaar bij landedellieden wegen in den jachttijd, dan laat in het voorjaar of des zomers. Arthur gevoelde dat hij te paard meer mans zou zijn. Zelfs de tegenwoordigheid van Pym, die hem met den gewonen eerbied bediende, was een geruststelling na de tooneelen van gister. Door zijn gevoeligheid toch voor het oordeel van anderen had Arthurs zelfbehagen, bij het verlies van Adams achting, een schok bekomen, die hem overgoot met een gevoel als ware hij in aller oogen gezonken, evenals een plotselinge inval van schrik voor den een of anderen wezenlijken nood een zenuwachtige vrouw doet huiveren voor de minste schrede, omdat al haar gewaarwordingen overgoten zijn met een gevoel van naderend gevaar.
Arthur, gelijk wij weten, was liefhebbend van aard. Vriendelijke daden gingen hern even gemakkelijk van de hand als slechte gewoonten; beide kwamen voort uit zijn zwakheden en goede hoedanigheden, uit zijn egoïsme en uit zijn medegevoel. Hij kon geen
351
DEN VOLGENDEN MOBGEN.
352
lijden zien, en zag gaarne dankbare blikken op hem stralen, als op iemand die het geluk van anderen bevorderde. Als knaap van zeven jaren schopte hij op zekeren dag, uit louter lust tot schoppen, een aarden pan met brei omver, toebehoorend aan een ouden tuinman, zonder te bedenken dat het het middagmaal was van den ouden man. Maar zoodra hij dit vernam, haalde hij zijn geliefkoosd zilveren potlood en een mes met zilveren heft uit den zak en bood hem die aan tot vergoeding. Steeds was hij dezelfde Arthur gebleven, er op uit, elke beleediging te doen vergeten door weldaden. Indien er eenige bitterheid schuilde in zijn natuur, kon zich die alleen vertoonen tegenover den zoodanige, die weigerde zich met hem te verzoenen. En misschien was de tijd gekomen dat er iets van die bitterheid zou komen opwellen. In het eerste oogenbhk, toen hij Ontdekte dat met zijn betrekking tot Hetty Adams geluk op het spel stond, had Arthur eenige smart van zelfverwijt gevoeld. Had de mogelijkheid bestaan om Adam tienvoudig vergoeding te schenken â waren giften en geschenken, of eenige andere edelmoedige daad in staat geweest, Adam tevreden te stellen en hem Arthur wederom als zyn weldoener te doen beschouwen, deze zou niet slechts zonder aarzelen alles hebben aangewend wat in zijn vermogen was, maar hij zou zich juist daardoor nog nauwer aan Adam hebben verbonden gevoeld, en zou nooit moede zijn geworden, het bedreven kwaad telkens weder te herstellen. Maar Adam kon geen genoegdoening aannemen; zijn lijden kon niet verzacht worden; zijn achting en genegenheid konden niet worden herwonnen door de eene of andere gezwinde daad van boete en berouw. Hij stond daar als een onwrikbare slagboom, waartegen aeen duwen baatte; als een verpersoonlijking van datgene waaraan Arthur de meeste moeite had te gelooven - het onherstelbare van zijn eigen verkeerdheden. De woorden van minachting, de weigering om hem de hand te geven, de heerschappij over hem aangenomen bij hun laatste gesprek in de hermitage - bovenal de bewustheid van te zijn nedergeveld, iets waarmede geen man zich ooit volkomen verzoent, zelfs niet onder de eervolste omstandigheden â kwelden hem met een bittere smart, sterker dan gewe-tensknaoing. Arthur zou zichzelven zoo gaarne hebben opgedron-aen datquot;hij geen kwaad had gedaan! En indien niemand hem het tegendeel verkondigd had, zou hij zichzelven slechts des te beter
DEN VOLGENDEN MORGEN.
hebben kunnen overreden. Zelden gelukt het aan Nemesis, zich een zwaard te smeden uit ons geweten â uit het lijden dat wij gevoelen over het lijden dat wij veroorzaakten; zeldzaam is daarbinnen metaal genoeg aanwezig tot het vervaardigen van een bruikbaar wapen. Ons zedelijk gevoel maakt zich de manieren van goed gezelschap eigen; het glimlacht wanneer anderen glimlachen. Maar wanneer eenig onbeschaafd persoon ruwe namen geeft aan onze daden, is het geneigd partij tegen ons te trekken. En zoo was het met Arthur. Adams oordeel over hem, Adams beleedigende woorden verstoorden de redeneeringen waarmede hij zichzelven in slaap suste.
Niet dat Arthur gerust geweest was voor Adams ontdekking. Strijd en goede voornemens waren overgegaan in gewetensknaging en zielsangst. Het smartte hem om Hetty, het smartte hem om hem-zelven, dat hij haar moest achterlaten. Steeds, zoowel wanneer hij goede voornemens vormde als wanneer hij ze ontrouw werd, had hij als over zijn hartstocht heengezien; had hij begrepen dat scheiding eerlang het einde wezen zou. Maar hij was van nature te vurig en te teeder om niet onder deze scheiding te lijden, en ten opzichte van Hetty was hij met onrust vervuld. Hij had ontdekt in welken waan zij leefde â dat zij een groote dame worden zou, gekleed in zijde en satijn, en toen hij het eerst met haar gesproken had over zijn vertrek, had zij hem bevend gevraagd haar mede te nemen en haar te trouwen. Het was deze pijnlijke wetenschap die den scherp-sten prikkel had gegeven aan Adams verwijtingen. Hij had niet een enkel woord gesproken met het oogmerk om haar te bedriegen ; haar droom was gesponnen enkel uit de draden harer eigen kinderlijke verbeelding, maar hij was genoodzaakt, zichzelven te bekennen dat die droom ook voor de helft uit z ij n daden gesponnen was. En, wat het kwaad verergerde, hij had dezen avond de gansche waarheid niet aan Hetty durven mededeelen; hij was genoodzaakt geweest, haar gerust te stellen met teedere hoopvolle woorden, wilde hij haar niet tot heftige droefheid zien vervallen. Hij voelde den toestand diep; voelde de smart van het lieve kind in het tegenwoordig oogenblik, en dacht met klimmenden angst aan de mogelijke standvastigheid harer gevoelens in de toekomst. Dit was de eenige scherpe punt die zich in zijn vleesch drong; alle andere kon hij afweren door goed vertrouwen en zelfoverre-ADAM BEDE. 23
353
DEN VOLGENDEN MORGEN.
dino-. De gansche zaak was geheim gebleven; de Poysers hadden creeti zweem van achterdocht. Niemand, behalve Adam, wist iets van het voorgevallene; het was niet waarschijnlijk dat iemand anders er iets van zou weten; want Arthur had Hetty op het hart gedrukt, dat het aUernoodlottigst wezen zou, indien door woord of blik verraden werd dat de minste vertrouwelijkheid tusschen hen bestaan had; en Adam, die hun geheim kende, zou hun eer behulpzaam zijn om het te bewaren dan het te verraden. Zeker, het was een ongelukkig geval; maar waartoe zou het dienen, de zaak erger te maken dan zij was door hersenschimmige overdrijving, ofquot;voorgevoelens van kwaad dat misschien voor altoos zou uitblijven?0 Hetty's tijdelijk verdriet â dit was het ergste wat er van komen kon; vastberaden wendde hij de oogen af van alle booze âevolgen die niet volkomen onvermijdelijk waren. Maar, â maar hetzelfde verdriet zou Hetty hebben kunnen overkomen op een andere wijze, zoo niet op deze. En misschien zou hij later m staat zijn, veel voor haar te doen, en alle tranen te vergoeden die zij nu 'om hem storten mocht. Het voorrecht zijner goede zorgen voor haar in later jaren zou zij te danken hebben aan de smart die zij nu leed. Zoo komt het goede uit het kwade voort. Hoe wonderbaar
fraai wordt toch alles bestuurd!
Hebt gij lust te vragen of dit dezelfde Arthur wezen kon die twee maanden geleden dat kiesch en levendig eergevoel bezat dat zelfs huivert om een meening te kwetsen, en zich tot alle feitelijke beleedigingen volstrekt onbekwaam acht? â dezelfde, die de achtinw voor eigen ik een hooger rechtbank oordeelde te zijn dan eeni^e0uitwendige meening? Dezelfde, ik verzeker het u; alleen onder verschillende omstandigheden. Onze daden determineeren ons evenzeer als wij onze daden, en voor wij de loop van in- en uitwendige omstandigheden kennen die iemands daden schuldig en laakbaar doet zijn, zou het beter wezen, onszelven geen oordeel aan te matigen over zijn karakter. Er ligt in onze daden een geduchte drijfkracht, een macht die den eerlijken man eerst tot een bedrieger maken en hem daarna met die verandering verzoenen kan; en zulks omdat de tweede verkeerdheid zich aan hem voordoet als het eenig uitvoerbare goede. t)e daad die, voor zij begaan werd, beschouwd werd met het gezonde zielsoog â een samenstel van
o-ezond verstand en onbedorven gevoel - wordt naderhand bezien
Ã
DEN VOLGENDEN MORGEN.
door de lens van spitsvondige vergoelijking, waardoor de dingen die men anders schoon en leelijk noemt, het voorkomen aannemen van ongeveer tot dezelfde klasse te behooren. Europa schikt zich naar het fait accompli; desgelijks de bijzondere persoon â tot de minnelijke schikking verstoord wordt door een stuipachtige wraakoefening.
Niemand kan ontkomen aan deze verontreinigende uitwerking der beleediging van zijn eigen gevoel van recht, en de uitwerking was te sterker bij Arthur, juist tengevolge van die behoefte aan achting voor zichzelven, die, zoolang zijn geweten in rust was, zijn beste schild was geweest. Zelfbeschuldiging was hem te pijnlijk â hij kon haar niet verdragen. Hij moest zichzelven overreden dat hij niet al te zeer te laken was geweest; zelfs beklaagde hij zich reeds dat de noodzakelijkheid hem opgelegd was, Adam te bedriegen; het was een handelwijs zoo gansch in strijd met zijn gewoon karakter. Maar deze was de eenige ware weg en zijn eenige toevlucht.
Intusschen, waarin hij ook mocht gedwaald hebben, hij was dientengevolge hoogst rampzalig; rampzalig om Hetty; rampzalig vanwege den brief dien hij beloofd had te zullen schrijven, en die hem op het eene oogenblik toescheen een barbaarschheid, op het andere misschien het grootste bewijs van liefde te zijn dat hij haar geven kon. En, tusschen al dit heen en weder denken door, welde telkens een plotselinge aandrift tot hartstochtelijke trotseering van alle gevolgen bij hem op. Hij zou Hetty wegvoeren; alle verdere bedenkingen mocht de â halen!
In dezen gemoedstoestand werden de vier muren van zijn kamer hem een ondraaglijke gevangenis. Zij schenen de gansche schaar zijner strijdige gedachten en tegen elkander indruischende gevoelens â waarvan enkele ongetwijfeld zouden verwaaien in de open lucht â tegen hem aan te dringen en op hem neder te drukken. Hij kon nog slechts over een paar uren tijds beschikken om zijn besluit vast te stellen, en hij moest kalm en helder worden. Eenmaal gezeten op den rug van Meg, in de frissche lucht van dien schoonen morgen, zou hij den toestand beter kunnen overzien.
Het fraaie dier boog haar glanzigen nek in den zonneschijn, en woelde het kiezelzand om, en beefde van genot, toen haar meester haar den neus streelde, en haar op den rug klopte, en haar toe-
23*
355
DEN VOLGENDEN MORGEN.
sprak op nog hartelijker toon dan gewoonlijk. Hij had haar dubbel lief omdat zij niet afwist van zijn geheimen. Maar Meg was evengoed bekend met haar meesters zielstoestand als anderen van haar sekse bekend zijn met den zielstoestand der fraaie, jonge heeren omtrent wie haar hartjes zich bevinden in een staat van sidderende hoop.
Arthur draafde door, vijf mijlen ver voorbij het kasteel, tot hij kwam aan den voet van een heuvel, waar boomen noch heggen den weg vernauwden. Toen liet hij den teugel glijden op den nek van Meg, en zette er zich toe, een besluit te nemen.
Hetty wist dat hun ontmoeting van gisteren de laatste zijn moest voor Arthurs vertrek; gelegenheid voor nog een andere was het hun niet mogelijk te vinden, zonder achterdocht op te wekken. En zij was als een verschrikt kind, buiten staat aan iets te denken, alleen in staat te schreien, wanneer er van scheiden gesproken werd, en dan haar gelaat op te heffen om haar tranen te laten wegkussen. Hij kon niets anders doen dan sussen en troosten, tot zij den ouden droom weder voortdroomde. Een briet ware het hardhandigste aller middelen om haar te wekken! Toch was er waarheid in hetgeen Adam zei â dat hij haar zou redden van langer zelfmisleiding, die erger zou kunnen wezen dan een felle, plotselinge pijn. En het was de eenige manier om Adam tevreden te stellen, die om meer dan een reden moest tevreden gesteld worden. Had hij haar slechts weder kunnen zien en spreken! Maar dat was onmogelijk; een doornige heg van hinderpalen scheidde hen, en iedere onvoorzichtigheid kon noodlottig worden. En zelfs indien hij haar kon wederzien, wat goeds zou het uitwerken? Hij zou slechts dubbel lijden door het zien van haar smart en door de herinnering daaraan later. Van hem gescheiden, was zij omgeven van alle mogelijke drangredenen tot zelfbeheersching.
Op dit oogenblik schoot een plotselinge vrees als een schaduw langs zijn verbeelding â de vrees dat zij in haar smart zichzelve te kort zou doen, en als op de hielen dier ééne vrees volgde een andere, die de schaduw nog donkerder maakte. Maar beide vreezen schudde hij af met de kracht der jeugd en der hoop. Welke grond was er voor eene zoo sombere schildering der toekomst? Was de kans niet even groot dat het tegenovergestelde geschieden zou? Arthur maakte zichzelven wijs dat het onrechtvaardig ware indien de Zaak
356
DEN VOLGENDEN MOKGBN.
ongelukkig afliep â hij had nooit met voorbedachten rade iets gedaan dat zijn geweten afkeurde â hij was er door de omstandigheden toe gebracht. En hij koesterde een soort van blind vertrouwen dat de Voorzienigheid hem als een goeden jongen aanmerken, en niet hard behandelen zou.
In ieder geval, hij kon niet voorkomen wat nu gebeuren moest. Al wat hij doen kon was, voor het tegenwoordige de beste gedragslijn te volgen. En hij overreedde zichzelven dat die gedragslijn bestond, in den weg te effenen tusschen Adam en Hetty. Haar hart zou zich werkelijk na zekeren tijd tot Adam kunnen neigen, zooals hij gezegd had, en in dat geval zou er geen groot kwaad zijn geschied, omdat het nog altijd Adams vurige wensch bleef, haar tot vrouw te hebben. Zeker, Adam werd zoodoende bedrogen â bedrogen op een wijze die Arthur ten diepste zou belee-digd hebben, indien iets dergelijks aan hemzelven ware geschied. Deze bedenking benevelde het troostrijk vooruitzicht. Arthurs eigen wangen gloeiden op die gedachte, half van schaamte, half van spijt. Maar wat kon hij doen in zulk een moeielijke keus? Zijn eer gebood hem, geen woord te zeggen dat Hetty kon belee-digen; zijn eerste plicht was, haar te beschermen. Nooit zou hij ter wille van zichzelven een onwaarheid gezegd of bedrieglijk gehandeld hebben. Goede God, hoe ellendig dwaas van hem, zichzelven aldus in het nauw te hebben gebracht! En toch, zoo iemand ooit verontschuldigingen kon aanvoeren, hij kon het. â Jammer dat de gevolgen onzer daden niet door min of meer aannemelijke verontschuldigingen, maar door onze daden-zelven bepaald worden.
Welaan, de brief moest geschreven worden; dit was het eenige middel om tot een oplossing te geraken. De tranen kwamen Arthur in de oogen toen hij zich Hetty voorstelde, den brief lezend; maar zou hijzelf niet bijna evenveel te lijden hebben onder het schrijven? Voorwaar, hij maakte het zich niet gemakkelijk, en deze gedachte hielp hem zijn besluit nemen. Nooit zou hij in koelen bloede een stap hebben kunnen doen die aan een ander smart veroorzaakte en hemzelven met rust liet. Zelfs een opwelling van jaloezie, bij de gedachte dat hij Hetty moest afstaan aan Adam, werkte mede om hem diets te maken dat hij een offer brengen
ging.
357
DEN VOLGENDEN MORGEN.
Eenmaal tot dit besluit gekomen, wendde hij den teugel en keerde op een kleinen draf naar huis terug. Het eerste wat hij doen zou, was, den brief schrijven; het overige van den dag zou worden zoekgebracht met andere zaken; hij zou geen tijd hebben om achterwaarts te zien. Gelukkig kwamen Irwine en Gawaine dien middag eten, en den volgenden dag te twaalf uur zou hij het kasteel mijlen ver achter zich gelaten hebben. In deze voortdurende bedrijvigheid lag eenige zekerheid tegen den onweder-staanbaren lust die zich van hem zou kunnen meester maken om naar Hetty terug te snellen, en haar eenig dolzinnig voorstel te doen dat alles omver zou werpen. Sneller en sneller draafde de verstandige Meg, op elk klein teeken van haar berijder, tot de draf overging in een vluggen galop.
âIk dacht dat de jonker gister avond ziek geworden was,quot; zei knorrige oude John, de stalknecht. âHij heeft van morgen gereden alsof de merrie in tweeën moest.quot;
âMisschien juist een van de verschijnselen, John, zei de koddige koetsier, âmen kan niet weten.quot;
âDan wou ik dat men hem voor zijn straf een flinke portie bloed aftapte,quot; zei John op barschen toon.
Adam was vroegtijdig op het kasteel geweest om te hooren hoe het Arthur ging, en was van alle onrust met betrekking tot de gevolgen van den slag bekomen, toen hij vernam dat de jonker was gaan rijden. Met slaan van vijven kwam hij terug, en liet zich bij Arthur aandienen. Weinige oogenblikken daarna kwam Pym beneden met een brief in de hand en gaf dien aan Adam, zeggende dat de kapitein het te druk had om hem te spreken en dat al wat hij te zeggen had in den brief te lezen stond. De brief was geadresseerd aan Adam, maar deze opende hem niet voor hij het kasteel weder verlaten had. Hij bevatte een inliggenden brief, verzegeld, aan Hetty's adres. Op de binnenzijde van den omslag las Adam:
âIn den ingeslotene heb ik alles geschreven wat gij wenscht. Ik laat het aan u over te beslissen of het beter is den brief aan Hetty ter hand te stellen, dan wel hem aan mij terug te geven. Vraag uzelven nogmaals af, of gij niet een maatregel neemt die haar meer verdriet zal doen dan zoo gij eenvoudig zweegt.
âHet is niet noodig dat wij elkander thans wederzien. Over
358
DEN VOLGENDEN MOEGEN.
eenige maanden zullen wij daartoe wederzijds in een betere stemming zijn.quot;
,A. D.quot;
âMisschien heeft hij gelijk dat hij mij niet zien wil,quot; dacht Adam. âHet leidt tot niets, elkander te ontmoeten om nog meer harde woorden te spreken; evenmin leidt het tot iets, elkander de hand te geven en te zeggen dat wij weder vrienden zijn. Wij zijn geen vrienden, en het is beter er den schijn niet van aan te nemen. Ik weet, het is onze plicht te vergeven; maar naar mijn inzien kan zulks alleen beteekenen dat men alle gedachten aan wraak behoort te laten varen; het kan nimmer beteekenen dat men zijn oude gevoelens opnieuw moet koesteren; dat is niet mogelijk. Hij is niet meer dezelfde man voor mij, en ik kan niet hetzelfde voor hem gevoelen. God vergeve het mij, ik weet niet of er iemand is voor wien ik hetzelfde gevoel als voorheen! Het is mij als had ik mijn bestek opgemaakt naar een verkeerd uitgangspunt, en als moest ik van voren af aan alles weder overdoen.quot;
Maar de vraag omtrent het afgeven van den brief aan Hetty nam weldra alle Adams gedachten in. Arthur had zichzelven eenige verlichting bezorgd door de beslissing der zaak, in gezelschap eener waarschuwing, aan Adam over te doen, en Adam, die niet licht aarzelde, aarzelde thans. Hij besloot den weg dien hij zou hebben in te slaan, al tastend te zoeken â dat is, zich zoo goed mogelijk te vergewissen omtrent Hetty's gemoedstoestand, voor hij er toe overging haar den brief te overhandigen.
HOOFDSTUK XXX.
OVERHANDIGD.
Den volgenden Zondag bij het uitgaan der kerk voegde Adam zich bij de Poysers, hopend op een uitnoodiging om met hen naar huis te gaan. Hij had Arthurs brief in den zak, en zag met verlangen uit naar een gelegenheid om Hetty onder vier oogen te spreken. In de kerk had hij haar gelaat niet kunnen zien, want
359
OVERHANDIGD.
zij was van zitplaats veranderd. En toen hij haar naderde om haar de hand te geven, waren hare manieren aarzelend en gedwongen. Dit had hij verwacht, want het was de eerste reis dat zij hem ontmoette sinds zij wist, dat hij haar met Arthur gezien had in het boschje.
âKomaan, gij gaat immers met ons mede, Adam?quot; zei boer Poyser, toen zij aan den dwarsweg kwamen, en zoodra zij in het veld gekomen waren, waagde Adam het haar den arm aan te bieden. De kinderen schonken hun weldra gelegenheid, een weinig achteraf te blijven, waarop Adam zei;
âKunt gij het niet zoo schikken dat ik van avond een weinig met u in den tuin wandel, als het goed weer blijft, Hetty? Er is iets waarover ik u spreken wilde.quot;
âGaarne,quot; antwoordde Hetty. Werkelijk verlangde zij even sterk als Adam-zelf naar een onderhoud met hem; zij was nieuwsgierig te weten wat hij dacht van Arthur en haar. Hij moest gezien hebben dat zij elkander kusten, dit wist zij; maar zij had geen hoogte van het tooneel dat daarna had plaats gegrepen tusschen Arthur en Adam. Haar eerste gevoel was geweest dat Adam heel boos op haar zijn, en het misschien aan haar oom en tante vertellen zou; maar het kwam haar niet in de gedachten dat hij iets zou durven zeggen tegen kapitein Donnithorne. Het was haar een verlichting dat hij zich heden zoo vriendelijk jegens haar gedroeg, en dat hij wenschte haar alleen te spreken; want toen zij bemerkte dat hij met hen naar huis ging, had zij gebeefd op de gedachte dat hij het misschien juist zou âgaan vertellen.quot; Maar nu hij haar-zelve wilde spreken, zou zij vernemen wat hij dacht, en wat hij van plan was te doen. Zij koesterde een zeker vertrouwen, dat zij hem zou kunnen overreden, niets te doen dat zij niet gaarne had; misschien zelfs zou zij hem kunnen doen gelooven dat zij Arthur niet liefhad, en zoolang Adam dacht dat er eenige hoop voor hem bestond dat zij hem lief kreeg, zou hij doen wat zij liefst wilde; dat wist zij wel. Daarenboven, zij moest voortgaan met Adam schijnbaar aan te moedigen; anders zouden haar oom en tante boos worden en vermoeden dat zij een geheimen minnaar had.
Hetty's kleine hersentjes hielden zich onledig met deze overleggingen terwijl zij aan Adams arm hing, en met âjaquot; of âneenquot; antwoordde op zijn vluchtige opmerkingen omtrent het groot aantal
360
OVERHANDIGD.
361
lijsterbessen voor de vogels in den volgenden winter, en omtrent de laag nederhangende wolken, die te nauwernood den regen zouden ophouden tot morgen. En toen zij haar oom en tante hadden ingehaald, kon zij aan haar gedachten ongestoord voortspinnen, want boer Poyser was vaa oordeel dat, al mocht een jong man gaarne met het meisje waarnaar hij vrijde aan den arm wandelen, het hem toch niet ongevallig wezen kon, onderwijl eens een verstandig woord te spreken over zaken, en wat hemzelven betrof, hij was nieuwsgierig naar het jongste nieuws omtrent de slothoeve. Gedurende het overige van de wandeling dus hield hij Adam aan de praat, en Hetty smeedde haar plannetjes, en regelde haar kleine tooneeltjes van listige voorkomendheid, terwijl zij langs de heggen wandelde, geleund op den arm van den eerlijken Adam, zoo goed als de elegantst gekleede coquette in haar eenzaam boudoir. Want het is verwonderlijk zoo volmaakt de overleggingen eener landelijke schoone met dikke schoenen aan de voeten, indien zij slechts gevoelloos genoeg is van hart, kunnen gelijken naar die eener dame van de groote wereld, gecrinoliniceerd en al, die de uiterste krachten van haar beschaafden geest inspant tot oplossing van het vraagstuk: hoe zal ik deze en die onbetamelijke dingen doen zonder mijn goeden naam in de waagschaal te stellen? Misschien was de gelijkenis niet minder treffend omdat Hetty zich intusschen zeer ongelukkig gevoelde. De scheiding van Arthur veroorzaakte haar een dubbele smart; met den storm van hartstocht en ijdelheid vermengde zich een schemerachtige en onbepaalde vrees dat de toekomst iets geheel anders zou kunnen baren dan zij gedroomd had. Zij klemde zich vast aan de troost- en hoopvolle woorden, door Arthur bij hun laatste samenkomst gesproken: âMet Kerstmis kom ik terug, en dan zullen wij zien.quot; Zij klemde zich vast aan het geloof dat hij haar zoo liefhad, zoo lief, dat hij nimmer gelukkig wezen zou zonder haar, en steeds troetelde zij haar geheim ââ dat zij bemind werd door een groot heer â met bevredigende ijdelheid, als iets dat haar verhief ver boven alle meisjes van haar kennis. Maar de onzekerheid der toekomst, mogelijkheden die zij niet wist onder welken vorm te brengen, begonnen haar neder te drukken als de onzichtbare zwaarte der lucht; zij was alleen op het kleine eiland harer droomen en om zich heen bespeurde zij slechts de donkere, onbekende wateren, waarop Arthur verdwenen
OVERHANDIGD.
was. Zij kon nu niet langer moed scheppen door vooruit te staren, maar alleen door achterwaarts te zien en haar vertrouwen te vestigen op vervlogen woorden en verleden liefkoozingen. Maar sinds Donderdagavond was haïir onbestemde onrust bijna geheel ondergegaan in de meer bepaalde vrees dat Adam aan haar oom en tante zou mededeelen wat hij wist, en zijn onverwacht voorstel om haar alleen te spreken, had aan haar gedachten een nieuwe richting gegeven. Zij was begeerig, gebruik te maken van de goede gelegenheid van dezen avond, en na de thee, toen de jongens naar den tuin gingen en Totty verzocht, hen te mogen volgen, zei Hetty met een bereidvaardigheid die boerin Boyser verbaasde: âIk zal met haar meegaan, tante.quot;
Het scheen volstrekt geen verwondering te baren dat Adam verklaarde insgelijks te willen gaan, en weldra bleven Hetty en hij alleen in de laan bij de hazelnootboomen, terwijl de jongens elders bezig waren, groote onrijpe noten op te rapen voor een gebruikelijk spelletje, en Totty hen stond aan te staren met een uitdrukking van wezenlooze diepzinnigheid als op een poppen-aangezichtje. Het was kort geleden â nauwlijks twee maanden â sinds Adams ziel was vervuld geweest met zoete hoop, toen hij aan Hetty's zijde verwijlde in dezen zelfden tuin. De herinnering aan dat too-neel was hem dikwijls nabij geweest sinds Donderdagavond; het zonlicht door de twijgen der appelboomen, de roode trossen, Hetty's liefelijke blos. Die herinnering keerde nu terug, te zeer ongelegener tijd, op dezen treurigen Zondagavond met de laag nederhangende wolken; maar hij trachtte haar te onderdrukken, opdat niet de een of andere aandoening hem nopen mocht meer te zeggen dan om Hetty's bestwil noodig was.
âNa hetgeen ik Donderdagavond gezien heb, Hetty,quot; begon hij, âzult gij, hetgeen ik nu zeggen ga, niet te vrij vinden. Indien gij bemind werdt door een man die u tot zijn vrouw wenschte te maken, en ik wist dat gij hem insgelijks liefhadt en hem zoudt willen nemen, zou ik geen recht hebben, mij de minste aanmerking te veroorloven; maar nu ik zie dat gij wordt bemind door een edelman, die u nimmer kan trouwen, en die er niet aan denkt u te trouwen, voel ik mij verplicht, tusschenbeiden te komen. Ik kan niet spreken met hen die de plaats uwer ouders bekleeden; dat zou meer opschudding geven dan noodig is.quot;
362
OVERHANDIGD.
Adams woorden namen een deel van Hetty's vreezen weg, maar zij hadden tevens een beteekenis die haar met toenemend voorgevoel van onheil vervulde. Zij zag bleek en beefde, en toch zou zij Adam toornig hebben tegengesproken, zoo zij haar gevoelens slechts had durven verraden. Maar zij zweeg.
,Gij zijt immers nog zoo jong, Hetty,quot; ging hij bijna teeder voort, âen gij weet er nog niet veel van hoe het in de wereld toegaat. Het is billijk dat ik doe wat in mijn vermogen is om te beletten, dat gij ongelukkig wordt uit onwetendheid omtrent hetgeen waartoe gij gebracht wordt. Zoo anderen als ik kennis droegen van uwe samenkomsten met een edelman, en van de fraaie geschenken die gij van hem ontvangen hebt, zouden zij niet veel wonders van u vertellen, en gij zoudt uw goeden naam verliezen. En daarenboven, wanneer gij uw hart wegschenkt aan een man die u nimmer zal kunnen trouwen en geen zorg voor u zal kunnen dragen uw gansche leven door, zal dit naderhand een bron van groot verdriet voor u zijn.quot;
Adam zweeg en zag Hetty aan, die blad aan blad van de hazelnoten plukte en ze verfromde in haar hand. Hare kleine plannen en vooruitbedachte gezegden waren, als een slecht van buiten geleerde les, haar een voor een ontgaan onder de vreeselijke ontroering, teweeggebracht door Adams woorden. Er lag in hun kalme gewisheid een wreede kracht, die haar teedere verwachting en inbeeldingen als dreigde aan te grijpen en te vermorselen. Zij zou zich tegen die woorden hebben willen verzetten â zij zou ze ver van zich hebben willen afduwen met toornige tegenspraak; maar haar vast besluit om te verbergen wat zij gevoelde, heheerschte haar nog. Hetgeen zij zeide was thans enkel het opvolgen van een blinden aandrang, want zij was buiten staat, de uitwerking harer woorden te berekenen.
âGij hebt geen recht te zeggen dat ik hem liefheb,quot; zeide zij zacht, maar driftig, terwijl zij wederom een blad afplukte en dat vernielde. Zij was zeer schoon in haar bleekheid en ontroering, met haar groote, donkere, kinderlijke oogen, en haar korte ademhaling; korter dan gewoonlijk. Adams hart schreide over haar terwijl hij haar aanzag. Ach, had hij haar slechts kunnen troosten en tevreden stellen, en haar van deze smart ontheffen; bezat hij slechts eenige kracht tot redding van haar arm en onrustig hart, zooals
363
OVERHANDIGD.
hij haar leven zou hebben gered in het aangezicht van elk gevaar!
âIk vrees dat het zoo is, Hetty,quot; zei hij op teederen toon; âwant ik kan niet gelooven dat gij u, door wien ook, in de eenzaamheid zoudt laten kussen, en een gouden medaillon met zijn eigen haar van hem zoudt aannemen, en af en toe naar het boschje zoudt gaan opzettelijk om hem te ontmoeten, zonder dat gij hem liefhadt. Ik veroordeel u niet; want ik weet wel dat het met een kleinigheid zal begonnen zijn, zoolang tot gij niet meer bij machte waart er u aan te onttrekken. Hem veroordeel ik, omdat hij op die wijs uw liefde stal, terwijl hij wist dat hij u nimmer de ware vergoeding zou kunnen schenken. Hij heeft zich met u vermaakt, heeft u als een stuk speelgoed gebruikt, en heeft niet over u gewaakt zooals een man betaamde.quot;
âNiet zoo; hij heeft mij wel degelijk lief; ik weet het beter dan gij,quot; barstte Hetty uit. Alles was vergeten, behalve de smart en den toorn over Adams woorden.
âNeen, Hetty,quot; zei Adam, âwant zoo hij u waarlijk liefhad, zou hij nooit zoo gehandeld hebben. Zelf heeft hij mij gezegd dat hij niets bedoelde met zijn kussen en geschenken, en hij wilde mij wijs maken dat gij er eveneens zoo over dacht. Maar dat weet ik beter. Ik kan niet anders dan gelooven of gij waart overtuigd dat hij u lief genoeg had om te trouwen, al was hij een edelman. En daarom moet ik er u over spreken, Hetty â uit vrees dat gij anders uzelve bedriegen zoudt. Zij is hem nooit in het hoofd gekomen, de gedachte om u te trouwen.quot;
âHoe weet gij dat? Hoe durft gij dat zeggen?quot; riep Hetty bevend en stilstaand. De geduchte overtuiging van Adams toon deed haar rillen van vrees. Zij had geen tegenwoordigheid van geest genoeg om te bedenken dat Arthur zijn redenen kon gehad hebben om de waarheid voor Adam te verbergen. Haar woorden en blikken waren voldoende om Adams besluit te vestigen; hij moest haar den brief geven.
âMisschien is het u onmogelijk mij te gelooven, Hetty, omdat gij te goed over hem denkt â omdat gij u verbeeldt dat hij meer van u houdt, dan werkelijk het geval is. Maar ik heb een brief in mijn zak, door hemzelven geschreven met het doel dat ik u dien overhandigen zou. Ik heb den brief niet gelezen, maar hij beweert dat hij u daarin de waarheid heeft gezegd. Voor ik u evenwel den
364
OVEEHANDIGD.
brief geef, bedenk u wel, Hetty, en laat de inbond u niet te zeer nederdrnkken. Het zou niet goed voor u geweest zijn, zoo hij de dwaasheid bad willen begaan van u te trouwen; gij zoudt ten slotte tocb niet gelukkig met hem worden.quot;
Hetty zei niets; haar hoop herleefde toen zij boorde van een brief dien Adam niet gelezen had. Daarin zouden geheel andere dingen staan dan hij zich verbeeldde.
Adam haalde den brief te voorschijn, maar hield dien nog altoos in de hand, terwijl hij zeide op teeder smeekenden toon:
âDraag mij geen kwaad hart toe, Hetty, omdat ik het werktuig ben waardoor deze smart u treft. God weet dat ik om ze u te besparen nog veel zwaarder zou hebben willen lijden, en gaarne. En bedenk het wel â er is geen mensch buiten mij die iets van deze zaak af weet, en ik zal voor u zorgen alsof ik uw broeder ware. Voor mij zijt gij dezelfde gebleven die gij altijd waart; want ik geloof niet dat gij kwaad hebt gedaan met kennis van zaken.quot;
Hetty had baar band op den brief gelegd, maar Adam liet niet los voor hij uitgesproken had. Zij sloeg geen acht op hetgeen hij zeide â zij had niet geluisterd; maar toen hij den brief eindelijk losliet, stak zij dien in haar zak, zonder hem te openen, en begon toen sneller voort te wandelen, alsof zij wenschte naar huis te gaan.
Gij hebt gelijk dat gij hem op dit oogenblik niet leest,quot; zei Adam. âLees hem wanneer gij alleen zijt. Maar blijf nog een oogenblik hier, en laat ons de kinderen roepen; gij ziet er zoo bleek en ontdaan uit; misschien zou uw tante het opmerken.quot;
Hetty hoorde de waarschuwing. Zij herinnerde baar de noodzakelijkheid om haar aangeboren gave tot verbeling van haar ware gevoelens thans tot het uiterste in te spannen, een gaaf die haar onder den schok van Adams woorden voor een deel had begeven. En zij had den brief in haar zak: zij was zeker dat die brief haar troosten zou, in spijt van Adam. Zij snelde weg om Totty op te zoeken, en spoedig kwam zij terug met een herleefd blosje op de wangen en met Totty aan de hand, die een zuur gezichtje zette, omdat zij genoodzaakt was geweest een onrijpen appel weg te werpen waarin zij haar kleine tandjes gezet had.
âZijt gij daar, Totty?quot; riep Adam. âKom eens op mijn schouder
365
OVERHANDIGD.
rijden â o zoo hoog! Gij zult aan de toppen van de boomenraken.quot;
Welk klein kind weigerde ooit zich te laten troosten door het heerlijk gevoel van met kracht te worden aangegrepen en in de hoogte geheven? Ganymedes schreide niet, geloof ik, toen de arend hem wegdroeg en hem eindelijk, wie weet, nederzette op Jupiters schouder. Totty glimlachte welbehaaglijk uit haar veilige hoogte; een liefelijk gezicht in de oogen der moeder, die in de huisdeur stond en Adam naderen zag met zijn kleinen last.
âMijn lieveling met uw vriendelijk gezichtje,quot; zeide zij, terwijl de innigheid harer moederlijke teederheid haar levendig oog met een uitdrukking van zachtheid vulde, en Totty zich voorover boog en de armpjes naar haar uitstak. Zij had in deze stemming geen oogen voor Hetty, en zei alleen, zonder haar aan te zien: âGa wat bier tappen, Hetty; de meisjes zijn beiden bezig met de kaas.quot;
Toen het bier getapt en haar ooms pijp aangestoken was, moest Totty naar bed geholpen, en weder naar beneden worden gebracht in haar nachtjapon, omdat zij goed vond te schreien in plaats van te slapen. Daarna moest het avondeten worden opgezet, en Hetty steeds bij de hand zijn om te dienen. Adam bleef zoolang tot hij wist dat boerin Poyser verwachtte dat hij vertrekken zou, terwijl hij zijn gesprek met haar en haar man zooveel mogelijk zonder ophouden aan den gang hield, teneinde Hetty meer rust te laten. Hij treuzelde, want hij wenschte met eigen oogen te zien dat zij dezen avond goed doorkwam, en het deed hem genoegen op te merken, dat zij zooveel zelfbeheersching aan den dag lei. Hij wist dat zij geen tijd had gehad om den brief te lezen, maar hij wist niet dat zij werd staande gehouden door de geheime hoop, dat die brief alles zou tegenspreken wat hij gezegd had. Het viel hem hard, haar te verlaten â hard, te denken dat er dagen zouden ver-loopen voor hij wist hoe zij haar leed torste en droeg. Maar eindelijk moest hij gaan, en al wat hij do#n kon bij het âgoeden avondquot; wenschen, was, zachtjes haar hand te drukken, en te hopen dat zij dien handdruk zou beschouwen als een teeken dat, zoo zijn liefde immer een toevlucht voor haar wezen kon, die liefde steeds dezelfde bleef. Hoe bezig waren onder het naar huis gaan zijn gedachten met te zoeken naar weemoedige verontschuldigingen voor haar dwaasheid; met al haar zwakheden toe te schrijven aan de behoefte naar liefde in haar feeder hart; met Arthur te veroordee-
366
OVERHANDIGD.
len, steeds minder geneigd te erkennen, dat ook diens gedrag kon verontschuldigd worden! Zijn verbittering over Hetty's lijden â te zamen met het bewustzijn dat zij mogelijk voor altoos buiten zijn bereik geplaatst was â maakte hem doof voor elke pleitrede ten gunste van den zoogenaamden vriend die deze ellende had teweeggebracht. Adam was een schrandere, eerlijke jongen â een voortreffelijke knaap voorwaar, naar ziel zoowel als naar lichaam. Maar zoo Aristides de Rechtvaardige ooit verliefd en jaloersch geweest is, dan was Aristides op dat oogenblik niet volkomen grootmoedig. En ik mag niet beweren dat Adam in deze smartvolle dagen niets anders gevoelde dan rechtmatige verontwaardiging en liefdevol medelijden. Hij was tot bitterheid toe jaloersch, en in dezelfde mate als zijn liefde hem toegevender maakte in zijn oordeel over Hetty, vond die bitterheid een uitweg in zijn stemming omtrent Arthur.
âHet was niet meer dan natuurlijk dat haar hoofdje op hol raakte,quot; dacht hij, âwanneer zoo'n edelman, met zijn fraaie kleederen, zijn witte handen, en met die gemakkelijkheid van spreken, die aan de grootelui eigen is, haar zijn aandacht schonk en haar stoutmoedig naderde, op een wijs als geen man doen kon die slechts haars gelijke was, en het zal te bezien staan of zij naderhand wel immer een burgerjongen zal kunnen liefhebben.quot; Hij kon niet nalaten zijn eigen handen uit zijn zakken te halen en ze te bezien â met haar vereelte palmen en afgebroken nagels. âIk ben een onbeschaafde kerel van top tot teen; nu ik er over denk, zou ik waarlijk ook niet weten wat een vrouw al veel in mij liefhebben zou, en toch, het zou mij geen groote moeite hebben gekost een andere vrouw te vinden, zoo ik mijn hart niet gezet had op haar. Maar het doet er weinig toe wat andere vrouwen van mij denken, zoo zij mij niet liefhebben kan. Misschien zou zij mij kunnen liefhebben, evengoed als elk ander man â er is hier in den omtrek niemand dien ik vreezen zou â ware hij zich niet tusschen ons komen indringen; maar nu moet ik wel onuitstaanbaar zijn in haar oogen, omdat ik zoo verschil met hem. En toch, men kan niet weten â misschien keert zij om als een blad, wanneer zij ontdekt dat hij met haar gespeeld heeft. Misschien leert zij nog eenmaal een man waardeeren die dankbaar zou zijn, zoo hij voor het leven aan haar verbonden was. Maar ik moet het nemen zooals het is â ik be-
367
OVERHANDIGD.
hoor erkentelijk te wezen dat het niet erger geweest is; en ik ben de eenige niet die het moet zien te stellen in dit leven zonder overloop van geluk. Er is menig goed werk gedaan met een bedroefd hart. Het is Gods wil, dat moet ons genoeg zijn. Al suften wij er over ons leven lang, wij zouden toch niet beter weten dan Hij, hoe de dingen behooren toe te gaan. De lust in mijn werk zou mij ongetwijfeld zoo goed als vergaan zijn, zoo ik had moeten beleven dat zij tot kommer en schande gebracht was, en dat door den man aan wien ik vroeger nooit zonder trots kon denken. Nu dit mij bespaard werd, heb ik geen recht tot klagen. Wanneer iemand gezond van lijf en leden is, kan hij hier en daar wel een bluts en een schram verduren.quot;
Terwijl Adam bij dit punt zijner overdenking over een slagboom heenstapte, ontwaarde hij iemand die voor hem uit het veld overstak. Hij herkende Seth, die van een avondoefening naar huis terugkeerde, en haastte zich hem in te halen.
âIk dacht dat gij mij voor zoudt zijn geweest,quot; zei hij, toen Seth zich omkeerde om hem in te wachten, âwant ik ben later dan gewoonlijk van avond.quot;
âEn ik ben ook later dan ik gedacht had. Na de oefening raakte ik in gesprek met John Barnes, die onlangs verklaard heeft te ver-keeren in de statie der volmaaktheid, en ik had hem een paar vragen te doen omtrent zijne bevindingen. Een van die onderwerpen waarbij men onwillekeurig al verder en verder gaat en van het een op het ander komt â geen gebaande weg.quot;
Gedurende twee of drie minuten wandelden zij in stilte samen voort. Adam had geen lust zich te verdiepen in de subtiliteiten van godsdienstige bevinding, maar wel om een paar woorden van broederlijke genegenheid en vertrouwen te wisselen met Seth. Slechts zeldzaam gevoelde hij die behoefte, hoe lief de broeders elkaar anders ook hadden. Zij spraken bijna nooit over hun persoonlijke zaken, of gingen verder dan een zinspeling op hun huiselijke zorgen. Adam van nature achterhoudend in alle dingen des gevoels, en Seth ondervond een zekere bedeesdheid tegenover zijn meer practischen broeder.
âSeth, mijn jongen,quot; zei Adam, terwijl hij den arm op zijn broeders schouders lei, âhebt gij iets gehoord van Dina Morris sinds haar vertrek?quot;
368
OVERHANDIGD. 369
âJa,quot; antwoordde Seth. âZij zei mij dat ik haar over een poosje schrijven mocht hoe het ons ging, en hoe moeder haar leed droeg. Voor een veertien dagen heb ik haar dus geschreven, en haar verteld dat gij een andere betrekking hadt gekregen, en dat moeder minder ontevreden was, en verleden Woensdag, toen ik aan het postkantoor te Treddleston ging hooren, vond ik een brief van haar. Ik dacht wel dat gij lust zoudt hebben om hem te lezen â⢠maar ik sprak er niet van, omdat gij zoo vervuld scheent te zijn met andere dingen. Hij is heel gemakkelijk te lezen â zij schrijft ongeloofelijk duidelijk voor een vrouw.quot;
Seth had den brief uit zijn zak gehaald en stak dien Adam toe, en deze zeide, terwijl hij den brief aannam:
âJa, jongen, ik heb dezer dagen een zwaar pak te dragen â gij moet het mij niet ten kwade duiden zoo ik wat stiller en geme-lijker ben dan gewoonlijk. Het verdriet maakt mij daarom niet losser van u. Gij weet wel dat wij elkander tot den einde toe zullen aanhangen.quot;
âIk duid u niets ten kwade, Adam; ik weet zeer goed hoe het komt, zoo gij nu en dan een weinig kortaf tegen mij zijt.quot;
âDaar doet moeder de deur open om naar ons uit te zien,quot; zei Adam, terwijl zij de glooiing opwandelden. âZij heeft weder als naar gewoonte in donker gezeten. Wel, Presto, wel, blij dat gij mij ziet?quot;
Lijsbeth ging snel weder naar binnen en ontstak een kaars, want zij had het welkom geritsel der voetstappen op het gras gehoord, nog voor Presto vroolijk aansloeg.
âZijt gij daar, mijn jongens? Van mijn leven is de tijd mij niet zoo lang gevallen als dezen gezegenden Zondagavond. Wat hebt gij zoo laat uitgevoerd met u beiden?quot;
âGij moest niet in den donker zitten, moeder,quot; zei Adam; âdat maakt den tijd langer.quot;
âEn waarom zou ik een kaars verbranden op Zondag, wanneer ik alleen in huis ben en het zonde heeten zou een steekje te breien? Het daglicht duurt voor mij lang genoeg om te zitten turen in boeken die ik toch niet lezen kan. Een fraaie tijdkorting, kostelijke kaarsen te zitten verdoen! Maar wie van u beiden verlangt zijn eten te hebben? Gij moet of uitgehongerd of verzadigd zijn zoo laat in den avond.quot;
ADAM BEDE. 24
I
i
OVERHANDIGD,
âIk heb honger, moeder,quot; zei Seth, terwijl hij zich nederzette aan de kleine tafel, die reeds gedekt had gestaan toen het nog dag was.
âIk heb mijn avondeten gehad,quot; zei Adam. âHier, Presto,quot; voegde hij er bij, een kouden aardappel van de tafel nemend en den grijzen kop streelend die naar hem opzag.
âGij behoeft den hond niets te geven,quot; zei Lijsbeth; âik heb goed voor hem gezorgd. Geen nood dat ik hem zal vergeten als hij van u drieën de eenige is dien ik te zien krijg.quot;
âKom dan, Presto,quot; zei Adam, âwij gaan naar bed. Goeden nacht, moeder, ik ben erg vermoeid.quot;
âWat scheelt hem toch naar gij weet?quot; vroeg Lijsbeth aan Seth) toen Adam naar boven was gegaan. âHij is als een wandelende doode sinds een paar dagen â zoo neergedrukt. In den voormiddag, nadat gij waart heengegaan, vond ik hem zitten zonder iets uit te voeren â zelfs geen boek voor zich.quot;
âEr komt op het oogenblik zwaar werk voor zijn rekening, moeder,quot; zei Seth, âen ik geloof dat er iets is waarover hij tobt. Doe maar alsof gij het niet merkt, want het hindert hem wanneer gij er op let. Wees zoo vriendelijk tegen hem als gij maar kunt, moeder, en zeg niets dat hem zou kunnen kwellen.quot;
âWat praat gij toch dat ik hem kwellen zou? En wat zou ik anders tegen hem zijn dan vriendelijk? Ik zal hem morgen ochtend een ketelkoek koken voor zijn ontbijt.quot;
Adam had zijn jas en vest losgeknoopt, en las Dina's brief bij het licht zijner smeerkaars.
âLieve broeder Seth! â Uw brief is tegen mijn wil drie dagen aan het postkantoor blijven liggen, omdat ik geen geld genoeg had om de port te betalen, want het is een tijd van algemeene ziekte hier, na de vele regens die wij gehad hebben, regens of de sluizen des hemels wederom geopend waren, en in zulk een tijd iederen dag eenig geld te sparen, wanneer er zoovelen zijn die dringend behoefte hebben aan alles, zou een gebrek aan vertrouwen toonen, evenals het sparen der manna in de woestijn. Ik spreek hiervan, omdat ik ongaarne zien zou dat gij mij voor traag in het antwoorden hieldt, of meenen zoudt dat ik mij slechts half verheug in uw blijdschap over den tijdelijken voorspoed van uw broeder Adam.
370
OVERHANDIGD.
De eerbied en liefde die gij hem toedraagt, zijn niet meer dan beta-mend; want God heeft hem groote gaven geschonken, en hij gebruikt die evenals de aartsvader Jozef, die, ofschoon verheven in macht en aanzien, evenwel met teederheid verlangde naar zijn vader en jongeren broeder.
âMijn hart wordt heengetrokken tot uw oude moeder sinds het mij vergund was bij haar te zijn in de dagen harer droefheid. Spreek haar van mij, en zeg haar dat zij dikwijls in mijn gedachten leeft, 's avonds wanneer ik in de schemering zit, zooals ik deed toen ik bij haar was, en wij elkander bij de hand hielden en ik de troostwoorden sprak die mij geschonken werden. Een gezegende tijd, nietwaar, Seth, wanneer het uitwendig licht verbleekt, en het lichaam een weinig vermoeid is van arbeid en inspanning? Dan schijnt het inwendig licht des te helderder, en wij hebben een dieper gevoel van gedragen te worden door de kracht Gods. Ik zit op mijn stoel in de donkere kamer en sluit mijn oogen, en het is alsof ik uit het lichaam verscheiden ben, en nimmermeer eenige behoefte gevoelen zal. Al dezelfde bezwaren en kommer en blindheid en zonde, die ik heb aanschouwd en waarover ik bereid was te wee-nen â ja, al den zielsangst van de kinderen der menschen, die somtijds op mij nederdaalt en mij omgeeft als een plotselinge duisternis â alles kan ik in zulke oogenblikken dragen; dragen met vrijwillige smart, als droeg ik mijn deel van het kruis des Heeren. Want ik voel het, o ik voel het, de oneindige Liefde is ook een lijden â ja, in de volheid der kennis lijdt zij, zucht zij, treurt zij, en het is blinde zelfzucht, bevrijd te willen wezen van de smart waaronder de gansche schepping zucht en in barendsnood is. Voorwaar, het is geen zegen, ontheven te zijn van smart, zoolang er smart en zonde in de wereld is; de smart is dan een deel der liefde, en de liefde zoekt haar niet van zich af te schudden. Het is niet de geest alleen die mij dit leert â ik zie het in het gansche werk en woord des Evangelies. Is er niet een Voorspraak in den hemel? Leeft daar niet de Man der Smarte in het gekruisigd lichaam waarmede hij ten hemel voer? En is hij niet één met de oneindige Liefde-zelve, zooals onze liefde één is met onze smart?
âDeze gedachten zijn in mij vermenigvuldigd geworden in den laatsten tijd, en met vernieuwde klaarheid heb ik de beteekenis dezer woorden begrepen: âZoo iemand mij liefheeft, die neme zijn
' 24*
371
OVERHANDIGD.
kruis op.quot; Ik heb hierover hoeren uitweiden, alsof daarmede werd bedoeld het lijden en de vervolgingen waaraan wij ons blootstellen door onze belijdenis van den naam van Jezus. Maar dat is, dunkt mij, een bekrompen denkbeeld. Het ware kruis van den Verlosser was de zonde en de kommer dezer wereld â deze waren het die Hem op het hart wogen â en dat is het kruis dat wij met Hem dragen moeten, de beker die wij met Hem behooren te ledigen, indien wij eenig deel wensehen te hebben aan die goddelijke liefde van Hem, die één is met zijn lijden.
âWat aangaat mijn uitwendig loc, waarnaar gij vraagt, ik heb beide, nooddruft en overvloed. Voortdurend heb ik werk gehad op de fabriek, ofschoon eenige anderen voor een tijdlang naar huis gezonden zijn, en mijn lichaam wordt uitermate bekrachtigd, zoodat ik weinig vermoeidheid gevoel zelfs na lang wandelen en spreken. Hetgeen gij mij zegt van uw voornemen om voortdurend te blijven in uw geboorteplaats, bij uw moeder en broeder, bewijst mij dat gij door een goeden geest geleid wordt; uw lot is u daar duidelijk aangewezen, en elders een grooter zegen te gaan zoeken, zou zijn een valsch offer op den altaar te leggen en te verwachten dat de hemel het ontsteken zal. Mijn werk en mijn vreugd is tusschen deze heuvelen, en somtijds vrees ik al te zeer verkleefd te zijn aan mijn leven onder de menschen hier, en tegen te zullen streven indien ik weggeroepen wierd.
âIk was dankbaar voor uw berichten omtrent de vrienden op de hoeve. Want schoon ik hun, overeenkomstig het verlangen mijner tante, een brief gezonden heb nadat ik hier was teruggekeerd van mijn verblijf in hun midden, heb ik nog geen antwoord van hen bekomen. Tante is geen groote schrijfster, en zij heeft voor iederen dag genoeg aan haar huiswerk, want zij is zwak naar het lichaam. Mijn hart hangt aan haar en aan de kinderen, als aan die mij van allen het naast zyn naar het vleesch; het hangt aan allen in dat huis. Onophoudelijk word ik in den slaap tot hen heengevoerd ; zelfs te midden van mijn werk, of onder het houden eener toespraak, dringt dikwijls de gedachte aan hen zich aan mij op als verkeerden zij in kommer en lijden, doch zonder dat ik licht in de duisternis zie. Misschien een aanwijzing; maar ik wacht op onderrichting. Allen zijn wel zegt gij.
nWij zullen, vertrouw ik, elkander wederzien in het lichaam â
372
OVERHANDIGD.
ofschoon mogelijk nog in geen langen tijd, want de broeders en zusters te Leeds verlangen zeer naar een bezoek van mij in hun midden, zoodra mij weder een deur geopend wordt om Snowfield voor een tijd te verlaten.
âVaarwel, lieve broeder â en toch niet vaarwel. Want de kinderen Gods, zij wien het vergund werd elkander van aangezicht tot aangezicht te zien en gemeenschap met elkander te oefenen en denzelfden geest in elkander te voelen werken, kunnen nimmermeer gescheiden worden, ook niet al scheiden hen de heuvelen. Hun zielen hebben zich door die gemeenschap voor altoos verruimd, en in hun gedachten voeren zij elkander onophoudelijk nieuwe levenskrachten tegemoet. Uw getrouwe zuster en medearbeidster in Christus,
âDina Morris.quot;
âIk kan niet zoo klein schrijven als gij doet, en mijn pen vordert slechts langzaam. Daarom moet ik kort zijn, en zeg maar weinig van hetgeen ik op het hart heb. Groet uw moeder mijnentwege met een kus. Zij verzocht mij tot tweemalen toe haar te kussen voor wij scheidden.quot;
Adam had den brief weder dichtgevouwen, en hij zat peinzend en met het hoofd op den arm aan het hoofdeneind van zijn bed, toen Seth bovenkwam.
âHebt gij den brief gelezen?quot; vroeg Seth.
âJa,quot; zei Adam, âIk weet niet wat ik van haar en van haar brief zou gedacht hebben zoo ik haar nooit gezien had; waarschijnlijk zou het denkbeeld eener preekster mij hatelijk geweest zijn. Maar zij behoort tot die menschen die u dwingen te gelooven, dat alles wat zij doen en zeggen goed is, en onder het lezen van den brief was het mij alsof ik haar zag en hoorde spreken. Vreemd, zoo klaar als ik mij haar aangezicht en stem herinner. Zij zou u hoogst gelukkig maken, Seth; juist een vrouw voor u.quot;
âLaat er mij niet aan denken,quot; zei Seth terneergeslagen. âZij sprak zoo bepaald, en zij is er de vrouw niet naar om het eene te zeggen en het andere te meenen.quot;
âNeen, maar haar gevoelens kunnen veranderen. Een vrouw kan
373
overhandigd.
trapsgewijs leeren liefhebben â het beste vuur vlamt niet het spoedigst ojJ. Gij moest haar eens gaan zien voor een keer; ik zal het er naar schikken dat gij drie of vier dagen achtereen afwezig kunt blijven, en het zou niet meer dan een goede wandeling voor u zijn â tusschen de twintig en dertig mijlen.quot;
âIk zou haar in elk geval gaarne wederzien, zoo het haar niet mishaagde dat ik kwam,quot; zei Seth.
âHet zal haar niet mishagen,quot; zei Adam met nadruk, terwijl hij opstond en zich van zijn jas ontdeed. âHet zou een groot geluk zijn voor ons allen zoo zij u nemen wilde, want moeder was zoo ontzaglijk met haar ingenomen en scheen zoo gaarne met haar te zijn.quot;
,Ja,quot; zei Seth eenigszins aarzelend, âen Dina houdt veel van Hetty ook; zij denkt gedurig aan haar.quot;
Adam gaf hierop geen bescheid, en een âgoeden nachtquot; was het eenige woord dat verder tusschen de broeders gewisseld werd.
HOOFDSTUK XXXI.
in hetty's slaapkamer.
Het was niet langer licht genoeg om naar bed te gaan zonder kaars, zelfs niet in boerin Poysers huishouden; toen Hetty dus eindelijk naar haar slaapkamer toog, even nadat Adam vertrokken was, nam zij er een mede en grendelde de deur achter zich dicht.
Nu zou zij den brief lezen. Die moest â die kon niet anders dan troost aanbrengen. Hoe zou Adam de waarheid hebben kunnen weten? Het was slechts natuurlijk dat hij sprak gelijk hij deed.
Zij zette de kaars neder, en kreeg den brief uit haar zak. Er was een zachte rozengeur aan het papier, hetgeen haar een gevoel gaf alsof Arthur dicht bij haar was. Zij bracht hem aan haar lippen, en een stroom van herinneringen verdreef voor een oogen-blik iedere vrees. Niettemin begon haar hart te trillen, en haar hand te beven, toen zij het zegel verbrak. Zij las langzaam; het was voor haar niet gemakkelijk, het schrift te lezen van een beschaafd man, ofschoon Arthur zich had ingespannen om duidelijk te schrijven.
374
in hetty's slaapkamer.
âLiefste Hetty! â Ik heb waarheid gesproken toen ik zeide dat ik u liefhad, en nimmer zal ik onze liefde vergeten. Ik zal uw trouwe vriend zijn, mijn leven lang, en ik hoop u dit te toonen op allerhande wijzen. Indien ik in dezen brief iets zeg dat u smart, geloof niet dat zulks voortkomt uit gebrek aan liefde of teederheid jegens u, want er is niets dat ik voor u niet zou willen doen indien ik wist dat het wezenlijk tot uw welzijn strekte. Ik kan de gedachte niet uitstaan dat mijn kleine Hetty tranen stort en dat ik niet bij haar ben om ze weg te kussen, en zoo ik alleen gehoor gaf aan mijn eigen lust, zou ik op dit oogenblik met haar zijn, in plaats van haar te schrijven. Het valt mij zeer hard van haar te scheiden â nog harder, woorden op papier te stellen die onvriendelijk kunnen schijnen, ofschoon zij uit de meeste waarachtige teederheid ontspruiten.
âLieve, lieve Hetty! hoe zoet onze liefde mij ook geweest zij, hoe zoet het mij ook ware u altijd lief te hebben, ik gevoel dat het beter voor ons beiden zou geweest zijn indien wij dat geluk nooit gesmaakt hadden en dat het mijn plicht is, u te verzoeken mij zoo weinig lief te hebben, en zoo weinig aan mij te denken als gij slechts kunt. De schuld ligt geheel aan mij; want ofschoon ik buiten staat was weerstand te bieden aan mijn verlangen om bij u te wezen, zoo gevoelde ik toch door alles heen dat uw gehechtheid aan mij u smart zou kunnen veroorzaken. Ik had de aandrift van mijn gevoel behooren te wederstaan. Ik zou dat gedaan hebben, zoo ik een beter man ware dan ik ben. Maar thans, nu ik het verledene niet meer veranderen kan, is het mijn plicht u te behoeden voor elk leed dat ik bij machte ben te voorkomen. En ik gevoel dat het een groot ongeluk wezen zou voor u, indien uw genegenheid zoozeer op mij gevestigd bleef, dat gij niet kondt denken aan eenig ander man, in staat u door zijn liefde gelukkiger te maken dan ik immer zou kunnen doen, en dat gij voortgingt met in de toekomst uit te zien naar iets dat met geen mogelijkheid immer gebeuren kan. Want, lieve Hetty, indien ik deed hetgeen waarvan gij eenmaal gesproken hebt en u tot mijn vrouw maakte, zou ik iets doen waarvan gij later zelve zoudt gevoelen dat het slechts diende om u rampzalig te maken in plaats van gelukkig. Ik ben overtuigd dat gij nimmer gelukkig zijn kunt dan met een man van uw eigen stand, en indien ik u op dit oogenblik trouwde, zou ik slechts een
375
in hbtty's slaapkamer.
nieuw kwaad voegen bij al liet andere dat ik reeds begaan heb, behalve dat ik zou handelen tegen mijn plicht in al mijn andere levensbetrekkingen. Gij kunt u, lieve Hetty, geen voorstelling maken van de wereld waarin ik iederen dag verkeeren moet, en weldra zoudt gij mij niet langer liefhebben, omdat er zoo weinig zijn zou waarin wij zouden overeenkomen.
âNu ik u niet trouwen kan, moeten wij scheiden â wij moeten ons best doen, niet langer voor elkander te gevoelen wat twee gelieven voelen. Ik ben hoogst ongelukkig terwijl ik u dit zeg, maar het mag niet anders zijn. Wees boos op mij, mijn liefje, ik verdien het, maar geloof niet dat ik immer onverschillig voor u worden zal â dat ik u niet dankbaar zal wezen â dat ik mij niet altijd myn kleine Hetty zal herinneren, en zoo u onvoorziens eenig leed overkomen mocht, vertrouw dan dat ik alles zal doen wat in mijn vermogen is.
âIk heb u gezegd waar gij uw brief moet adresseeren zoo gij noodig hebt mij te schrijven, maar ik zal het adres hier nog eens onder stellen voor het geval dat gij het mocht vergeten hebben. Schrijf niet, indien er niet iets is dat ik werkelijk voor u doen kan, want, lieve Hetty, wij moeten trachten zoo min mogelijk aan elkaar te denken. Vergeef mij, en tracht al wat mij betreft te vergeten, behalve dat ik zijn zal, zoolang ik leef, uw toegenegen vriend
âArthur Donnithorne.quot;
Langzaam had Hetty dezen brief gelezen, en toen zij opzag, was daar in den ouden spiegel de weerkaatsing van een doodsbleek gelaat â een marmerwit gelaat met ronde, kinderlijke vormen, maar met de uitdrukking van een droeviger dan kindersmart. Hetty zag het gelaat niet â zij zag niets â zij gevoelde alleen dat zij koud en ziek en bevend was. De brief rilde en ritselde in haar hand. Zij lei hem neder. Het was een akelig gevoel â die koude en dat beven; het verdreef tot zelfs de zielesmart waaruit het ontsproot, en Hetty stond op om een warmen schoudermantel te krijgen uit haar kleerkast, wikkelde zich daarin, en zat neder alsof warm te worden haar eenige behoefte was. Een oogenblik later nam zij den brief op met vaster hand en begon dien opnieuw door te lezen. Ditmaal vingen de tranen aan te vlieten â groote stroomende tranen, die haar
376
in hetty's slaapkamer.
oogen verblindden en het papier bevlekten. Zij voelde niets, behalve dat Arthur wreed was â wreed om zoo te schrijven, wreed dat hij haar niet trouwde. Redenen waarom hij haar niet zou kunnen trouwen, bestonden er voor haar niet. Hoe kon zij gelooven aan eenige ellende, voorkomend uit de vervulling van juist al datgene waarnaar zij had verlangd en waarvan zij had gedroomd? Zij had geen verstand genoeg om zich een begrip te vormen van hetgeen waarin die ellende bestaan zou.
Toen zij den brief nederwierp, zag zij met een glimp haar gelaat in den spiegel, nu rood van het schreien en nat van tranen; het was bijna als een vriendin aan wie zij haar nood mocht klagen; â die medelijden met haar hebben zou. Zij leunde voorover op haar ellebogen, en staarde in die donkere, overvloeiende oogen, en op dien bevenden mond, en zag hoe de tranen dichter en dichter kwamen opwellen, en hoe haar mond zich begon te verwringen door het stuipachtig snikken.
Het ineenstorten van haar kleine wereld van droomen, de verpletterende slag, toegebracht aan haar nieuwgeboren hartstocht, troffen haar genot- en weelde-zieke natuur met een alles overweldigende smart, die allen drang tot weerstand bieden vernietigde en haar toorn verdaagde. Zij zat te snikken tot de kaars uitging, wierp zich op het bed zonder zich te ontkleeden, en ging slapen.
Een flauwe schemering heerschte in de kamer toen Hetty, even na vier uur, ontwaakte; ontwaakte met een onbestemd gevoel van rampzaligheid, welks oorzaak haar trapsgewijs duidelijker werd naarmate zij de voorwerpen om zich heen in het onzekere licht beter begon te onderscheiden. En toen kwam de schrikverwekkende gedachte, dat zij haar ellende in het aangezicht van den aanbrekenden dag zou moeten verbergen zoowel als dragen. Zij kon niet langer blijven liggen, zij stond op en ging naar de tafel â daar lag de brief; zij opende de lade met hare schatten â daar lagen de oorringen en het medaillon â de teekenen van heel haar kortstondig geluk â het teeken van de levenslange vreugdeloosheid die volgen zou. Terwijl zij de kleinoodiën beschouwde, eenmaal zooteeder aangestaard en aangeroerd als de eerstelingen van haar toekomstig paradijs van kostbaarheden, doorleefde zij nogmaals de oogenblikken toen zij haar geschonken werden â geschonken met zulke teedere liefkoozingen, zulke wonderlijk zoete woorden, zulke stralende blik-
377
in hetty's slaapkamer.
378
ken, die haar vervulden met een betooverende en wegsleepende verrassing â het was alles zooveel liever dan zij ooit gedacht had dat iets wezen kon. En diezelfde Arthur, die haar zoo had toegesproken en haar zoo had aangezien â die op dit oogenblik haar nabij was â wiens arm zij om zich heen geslagen voelde â wiens wang als tegen de hare aangedrukt was â wiens adem-zelf haar beroerde â was de wreede, wreede Arthur die dien brief geschreven had; dien brief dien zij van de tafel greep en in elkander frommelde, en dien zij weder openvouwde om hem nogmaals te lezen. De half be-wustelooze toestand waarin haar geest verkeerde, en die het gevolg was van het hevig schreien van den afgeloopen nacht, was oorzaak dat zij het noodzakelijk keurde, den brief nogmaals in te zien, om zich te overtuigen of haar rampzalige gedachten inderdaad werkelijkheid waren â of de brief inderdaad zoo wreed was. Zij moest hem dicht bij het venster houden, anders kon zij hem niet lezen in het onbestemde licht! Ja! hij was erger â hij was nog wreeder. Toornig frommelde zij hem weder in elkander. Zij haatte den schrijver juist omdat zij hem aanhing met al haar liefde â met al de jongemeisjes-hartstocht en ijdelheid die haar liefde uitmaakten. Zij had geene tranen dezen morgen. Zij had ze allen vergoten den vo-rigen avond, en nu ervoer zij dat zeker onuitgeschreid ochtend-lijden, hetwelk erger is dan de eerste schok, omdat het de toekomst in zich besluit zoowel als het tegenwoordige. Eiken volgenden morgen, zoover haar verbeelding zich uitstrekte, zou zij moeten opstaan en gevoelen dat voor haar de dag geen vreugde had. Want er is geen wanhoop zoo volkomen als die ontstaat in de eerste oogen-blikken van onze eerste groote smart, wanneer wij nog niet weten wat het is, geleden te hebben en vertroost te zijn geworden, wanhopig te zijn geweest en de hoop te hebben teruggevonden. Toen Hetty zich lusteloos begon te ontdoen van de kleederen die zij den ganschen nacht had aangehad, teneinde zich te wasschen en haar haren in orde te brengen, had zij een vlijmend gevoel dat haar leven op dezelfde wijs zou voortgaan; zij zou altijd dingen doen waarin zij geen lust had, opstaan tot het verrichten der oude dagtaak, menschen zien om wie zij zich niet bekreunde, naar de kerk, naar Treddleston gaan, thee gaan drinken bij juffrouw Best, zonder een enkele gelukkige gedachte met zich om te dragen. Want haar kortstondig, vergiftigd genot had al de kleine vreugden, die eenmaal
in hetty's slaapkameit.
de poëzie van haar leven hadden uitgemaakt, voor goed bedorven â de nieuwe japon met Treddlestonsche kermis, de visite bij boer Britton op kermistijd te Broxton, de minnaars die zij nog langen tijd met âneenquot; zou plagen, en het vooruitzicht van de bruiloft die eindelijk komen zou â bij welke gelegenheid zij een zijden japon en een aantal andere kleederen tegelijk zou krijgen. Al deze dingen waren nu flauw en vreugdeloos voor haar; alles zou vermoeiing en verveling wezen, en voor immer moest zij een onlesehbaren dorst en een hopeloos verlangen met zich omdragen.
Halverwege haar lusteloos ontkleeden hield zij een oogenblik oP en leunde tegen de donkere oude linnen-pers. Haar hals en armen waren bloot; haar lokken hingen neder in fijne krullen, en waren even schoon als dien avond, twee maanden geleden, toen zij deze slaapkamer op en neder wandelde met wangen gloeiend van ijdel-heid en hoop. Nu dacht zij niet aan haar hals en armen; haar eigen schoonheid was haar onverschillig. Haar oogen dwaalden treurig door de sombere oude kamer, en staarden daarna gedachteloos op den wassenden dageraad. Zweefde een herinnering aan Dina haar voor den geest? aan dier onheilspellende woorden die haar boos hadden gemaakt â aan dier liefderijk verzoek om aan haar te denken als aan een vriendin in den nood? Neen, de indruk was te flauw geweest om zich te kunnen verlevendigen. De liefde en troost, welke Dina haar zou hebben kunnen schenken, waren voor Hetty dezen morgen even onverschillig als het andere, min haar verbrijzelde hartstocht. Zij dacht slechts aan dit ééne: dat zij onmogelijk hier kon blijven en voortgaan met het vroegere leven; gemakkelijker zou zij een geheel nieuwen toestand kunnen dragen dan terug te zinken in den ouden cirkel van alle dagen hetzelfde. Liefst zou zij dienzelfden morgen wegloopen en nimmer weder een der oude aangezichten terugzien. Maar Hetty was er geen karakter naar om moeielijkheden te trotseeren â om het gemeenzame te durven loslaten, en blindelings toe te loopen op deze of gene onbekende toekomst. Haar karakter was weelderig en ijdel, niet hartstochtelijk, en indien zij immer tot een gewelddadigen stap kwam, zou het moeten wezen onder de aandrift van zielsangst. Haar gedachten vonden niet veel plaats om rond te dolen in den engen kring harer verbeelding, en weldra was zij het met zichzelve eens omtrent het eenige dat zij doen kon om ontslagen'te worden van haar
379
in hetty's slaapkamee.
vorig leven; zij zou haar oom verzoeken, haar kamenier te laten worden. De kamenier van miss Lydia zou haar wel helpen ergens een plaats te vinden, zoo zij slechts wist dat Hetty zeker was van haar ooms toestemming.
Toen zij hierover had nagedacht, bond zij haar krullen op en begon zich te wasschen; het kwam haar nu minder onmogelijk voor, naar beneden te gaan en te beproeven of zij doen en zijn kon zooals gewoonlijk. Zij zou het haar oom nog heden vragen. Hetty's bloeiende gezondheid zou veel zielelijden kunnen dragen even bitter als haar op dit oogenblik griefde, voor en aleer er eenig merkbaar spoor op haar uiterlijk voorkomen van achterbleef, en toen zij, even net als gewoonlijk, gekleed was in haar werkpakje, met het haar opgestreken onder haar klein mutsje, zou een onverschillig opmerker getroffen zijn geweest door de jeugdige rondheid van haar wang en hals, en door de donkere tint harer oogen en wimpers, meer dan door eenig merkbaar teeken van droefheid op haar gelaat. Maar toen zij den saamgefromden brief opnam en dien in haar lade borg om hem voor aller blikken weg te sluiten, toen drongen bittere, brandende tranen zich met geweld in haar oogen, tranen zon dei-verlichting van smart, zooals de groote nedervloeiende droppelen van den vorigen avond. Zij wischte ze snel af; zij mocht niet schreien overdag; niemand zou ontdekken hoe rampzalig zij was, niemand weten dat zij in eenig opzicht was teleurgesteld, en de gedachte dat de oogen van haar oom en tante op haar rusten zouden, schonk haar die zelfbeheersching, die menigmaal gepaard gaat met groote vrees. Want naar de mogelijkheid dat dezen immer zouden te weten komen hetgeen geschied was, zag Hetty uit met denzelfden angst waarmede de zieke en afgematte gevangene denkt aan den mogelijken worgpaal. Zij zouden haar gedrag schandelijk vinden en schande was onuitstaanbaar. Zoo redeneerde het geweten van arme kleine Hetty.
Zij sloot haar lade af, en begaf zich aan haar morgenwerk.
's Avonds, toen boer Poyser bezig was zijn pijp te rooken, en zijn goedhartigheid derhalve haar hoogsten trap bereikt had, greep Hetty de gelegenheid aan dat haar tante voor een oogenblik afwezig was.
âOom, u moest mij als 't u blieft laten gaan dienen als kamenier.quot;
380
in hetty's slaapkamer.
Boer Poyser nam de pijp uit den mond en zag Hetty eenige oogenblikken met zachtzinnige verwondering aan. Zij was bezig met naaien en ging ijverig voort aan haar werk.
âWelnu, komaan, wie heeft u dat in het hoofd gebracht mijn kind?quot; zei hij eindelijk, na een krachtigen haal tot pijp- en zelfbehoud.
âIk zou het graag willen â ik zou liever kamenier zijn dan boerenwerk doen.quot;
âNeen, neen, dat verbeeldt gij u maar omdat gij het vak niet kent. Het zou niet half zoo goed voor uw gezondheid wezen, en ook niet voor uw volgend geluk. Ik zou graag zien dat gij bij ons bleeft tot gij een geschikten man zult gevonden hebben. Gij zijt mijn eigen nichtje, en ik zou niet verkiezen dat gij dienen gingt, al was het in het gezin van een edelman, zoolang ik een thuis voor u heb.quot;
Boer Poyser hield op, en deed eenige halen aan zijn pijp.
âIk houd van naaien,quot; zei Hetty, âen ik zou goed loon krijgen.quot;
âHeeft uw tante het wat erg met u gemaakt?quot; vroeg haar oom, zonder acht te slaan op de gronden die Hetty verder aanvoerde. âGij moet u dat niet aantrekken, mijn kind â dat doet zij voor uw welzijn. Tantes die u niet in den bloede bestaan en die voor u doen zouden hetgeen zij voor u heeft gedaan, zijn er niet veel.quot;
âNeen, het is niet om tante,quot; zei Hetty; âmaar het werk zou mij beter bevallen.quot;
âHet was zeer nuttig voor u, iets van dit werk te leeren â en gewillig heb ik mijn toestemming geschonken, toen juffrouw Pomfret bereid was u onderwijs te geven. Want overkwam ons iets, dan is het goed dat u de handen niet verkeerd staan voor allerlei werk. Maar het is nooit mijn plan geweest dat gij zoudt gaan dienen, mijn kind. Zoolang iemand heugt, heeft mijn familie haar eigen stuk brood en kaas gegeten; hebben zij niet, vader? Gij zoudt immers niet willen dat uw kleinkind ging dienen om loon?quot;
âNeen,quot; zei oude Martin met een uithaal, als om het woord tevens bitter en ontkennend te doen klinken, terwijl hij voorover leunde en op den grond staarde. âMaar de deerne aardt naar haar moeder. Aan die ook had ik de handen vol om haar in huis te houden, en zij trouwde tegen mijn zin â een kerel met maar een koppel vee, terwijl er wel tien op de hoeve hadden behooren te
381
in hetty's slaapkamer.
wezen. Geen wonder dat zij stierf voor zij dertig was. Aan een ontsteking.quot;
Zelden sprak de oude man zoolang achtereen; maar zijn zoons vraag was als een droog stuk brandhout op de heete aseh van een ouden ongebluschten wrok komen te vallen, een wrok die den grootvader altijd onverschilliger omtrent Hetty gemaakt had dan omtrent de kinderen van zijn zoon. Haar moeders vermogen was verteerd geworden door dien loshoofd van een Sorrel, en Hetty had Sorrels bloed in de aderen.
âArm schepseltje, arm schepseltje!quot; zei Martin de zoon, wien het speet deze smartelijke herinnering te hebben opgewekt. âHet ging haar niet voor den wind. Maar Hetty heeft kans een knappen, degelijken man te krijgen, zoo goed als eenig meisje in den omtrek.quot;
Nadat hij dezen veelbeteekenenden wenk had gegeven, verviel boer Poyser wederom tot rooken en stilzwijgen, het oog op Hetty gevestigd, om te zien of zij niet eenig teeken zou geven dat zij haar onberaden wensch had opgegeven. Maar in plaats daarvan, begon Hetty ondanks zichzelve te schreien, half uit boosheid over de weigering, half door de ingehouden droefheid van den dag.
âHola, hola!quot; zei boer Poyser, haar schertsend tot bedaren willende brengen, âlaat ons niet gaan schreien. Schreien is goed voor wie geen thuiskomen hebben, niet voor degenen die hun thuis wen-schen te ontloopen. Wat denkt gij er van?quot; ging hij voort tot zijn vrouw, die nu de keuken weder binnentrad, breiende, en met een snelheid alsof die beweging een onwederstaanbare lichaamsfunctie was, evenals voor een krabbe het in- en uittrekken van haar voelhorens.
âWat ik denk'? â Wel, ik denk dat ons gevogelte wel zal gestolen wezen voor de week vier-en-twintig uur ouder is, doordien de juffer daarginds de hokken op het nachtslot vergeet te doen. Wat is er nu aan de hand, Hetty? Waar schreit gij om?quot;
âOch, zij wou gaan dienen als kamenier,quot; zei boer Poyser, âen ik heb haar verteld dat wij wel beter voor haar zorgen konden.quot;
âIk dacht al dat zij de een of andere gril in het hoofd had. Geen mond heeft zij opengedaan, den ganschen dag niet. Dat komt van dat loopen naar het kasteel, dat wij dwaas genoeg zijn geweest haar toe te staan. Zij denkt dat zij een beter leven hebben zou dan bij haar bloedverwanten, die haar hebben opgevoed van dat zij
382
in hetty's slaapkamee.
niet grooter dan Marty was af. Zij denkt dat kamenier te wezen hetzelfde is, wil ik wedden, als mooier kleeren te dragen dan waarvoor zij in de wieg gelegd werd. Aan niets anders denkt zij, van den morgen tot den avond, dan aan de prullen die zij zal kunnen machtig worden om zich mee op te schikken. Ik heb haar al dikwijls gevraagd of zij niet liever een vogelverschrikker zou worden, dan kon zij van prullen aan elkander hangen. Nimmer zal ik er in toestemmen dat zij gaat dienen als kamenier; tenminste niet zoolang zij goede vrienden heeft om voor haar te zorgen, tot zij iemand beters trouwt dan zoo'n lakei, die noch een burgerman noch een mijnheer is en die wel het vette der aarde wil genieten, maar naar alle gedachten met de handen onder zijn rokspanden zal staan toekijken en afwachten dat zijn vrouw het werk voor hem doet.quot;
âJa, ja,quot; zei boer Poyser, âwij moeten een knapper man voor haar hebben dan zoo een. Kom, meiske, houd op met schreien en ga naar bed. Ik zal beter voor u zorgen dan u als kamenier te laten optrekken. Laat ons er niet meer van hooren.quot;
Toen Hetty naar boven was gegaan, zei hij:
âIk kan mij niet begrijpen waarom zij ons zou willen verlaten; ik dacht dat zij zin in Adam Bede had gekregen. Het kwam mij zoo voor in den laatsten tijd.quot;
âOch, geen mensch kan ooit weten waar zij haar zinnen op gezet heeft; de dingen hebben evenveel vat op haar als op een ge-droogden kapucijner. Ik geloof dat Molly â die anders mijn geduld genoeg op de proef stelt, wat dat betreft â ik geloof dat de deerne er meer weet van zou hebben zoo zij ons en de kinderen moest verlaten, schoon zij met aanstaanden Sint-Michiel nog maar een jaar bij ons aan huis zal zijn geweest, dan Hetty. Die lust om kamenier te worden heeft zij opgedaan onder de dienstboden van het kasteel. Wij hadden vooruit wel kunnen bedenken waartoe het leiden zou, toen wij haar dat fijne werk lieten leeren. Maar ik zal daar spoedig een stokje voor steken.quot;
âHet zou u toch ook spijten van haar te scheiden, of het moest zijn om haar bestwil,quot; zei boer Poyser. âZij is u van dienst in het werk.quot;
âSpijten? ja, ik houd meer van haar dan zij verdient â kleine hardvochtige heks als zij is, ons zoo te willen laten zitten. Het spreekt van zelf dat ik haar niet al die jaren aan huis heb kunnen
383
in hetty's slaapkamer.
hebben, en niet alles voor haar heb kunnen doen, en haar niet behoorlijk heb kunnen onderwijzen, zonder van haar te gaan houden. Heb ik daarginds niet een stapel gesponnen garen liggen, en denk ik niet telkens dat het zal kunnen dienen voor linnen- en tafelgoed als zij trouwen gaat? En verbeeld ik mij niet dat zij bij ons in de gemeente zal blijven, en nooit van onder onze oogen vandaan zal gaan'? Zottin die ik ben, nooit moest ik aan haar denken! Ze is niet veel beter dan een kers met een harden steen van binnen.quot;
âNeen, neen, gij moet zooveel beweging niet maken om een kleinigheid,quot; zei boer Poyser op kalmeerenden toon. âZij houdt veel van ons, daar ben ik zeker van, maar ze is jong, en haalt zich dingen in het hoofd waarvan zij zich niet juist rekenschap weet te geven. Zulke jonge deerntjes springen wel meer uit den band, zonder zelf te weten waarom.quot;
De antwoorden van haar oom hadden op Hetty evenwel geen andere uitwerking gehad dan dat zij haar teleurstelden en haar aan het schreien brachten. Zij wist zeer goed wien hij op het oog had, toen hij toespelingen maakte op een huwelijk en op een knappen, degelijken man, en toen zij op haar slaapkamer gekomen was, vertoonde zich aan haar geest de mogelijkheid van een huwelijk met Adam in een geheel nieuw licht. Bij zielen zonder krachtige sympathieën, zielen waarin geen boven alles zich verheffend gevoel van plicht woont, niets waaraan de geslingerde natuur zich kan vastklemmen, niets waarmede zij zich kan wapenen tot rustig dulden en dragen, is een van de eerste uitwerkselen der smart een wanhopig tasten in den blinde naar het doet niet welke daad, die in den aanwezigen toestand verandering brengen zal. Arme Hetty's inzicht in de gevolgen der dingen, dat nooit verder was gegaan dan een bekrompen en willekeurig uitrekenen van eigen te wachten genoegens of eigen te wachten verdriet, was nu ten eenenmalen verduisterd door haar alles voorbijziende verbittering onder den indruk van het lijden des oogenbliks, en zij was bereid tot het plegen van een dier stuipachtige, ongemotiveerde daden, waardoor-ongelukkige mannen en vrouwen zich uit een tijdelijke smart in de armen eener levenslange ellende storten.
Waarom zou zij Adam niet trouwen? Het kon haar niet schelen wat zij deed, mits het verandering brachtin haar leven. Zij geloofde vast dat hij haar nog altoos gaarne nemen zou; verdere ge-
384
in hetty's slaapkamer.
dachten omtrent Adams belangen in deze zaak waren nooit bij haar opgerezen.
âVreemd!quot; zegt gij misschien, deze plotselinge drang tot een stap, die in haar tegenwoordige gemoedsstemming haar het meest van al afkeer moest inboezemen, en dat reeds in den tweeden nacht van haar droefheid!quot;
Gewis, de daden eener kleine alledaagsche ziel, zooals die van Hetty, wanneer zij worstelt met het ernstig, treurig levenslot der menschenkinderen, zijn vreemd. Evenzoo de bewegingen van een klein vaartuig, zonder ballast heen en weder geslingerd op een onstuimige zee. Hoe lief zag het er uit, met zijn half wit, half bruin gekleurd zeil, in den zonneschijn voor anker liggend in de stille baai I
âKome de schade voor rekening van den man die het vaartuig losmaakte van zijn anker.quot;
Echter zal daarmede het vaartuig niet gered zijn â het lieve kleine ding, naar het scheen tot levenslange vroolijkheid geschapen.
HOOFDSTUK XXXII.
een pak van boerin poysers hart.
Den volgenden Zaterdag-avond was in het Wapen van Donni-thorne het gesprek bij uitstek levendig, en wel in verband met een gebeurtenis van dien eigen morgen: te weten niet meer of minder dan een tweede verschijning van den netgekleeden persoon met kaplaarzen, die door sommigen gezegd werd een eenvoudig pachter te zijn, in onderhandeling over de slothoeve, en die volgens anderen de toekomstige rentmeester was. Daarentegen was hij volgens baas Casson-zelf, oog- en oorgetuige van 's vreemdelings bezoek â de herbergier zei dit op een toon van diepe minachting â geen haalbeter dan een baljuw, in denzelfden trant als voorheen de oude Satchell geweest was. Het feit dat baas Casson den vreemdeling gezien had, werd door niemand ontkend; niet een der aanwezigen trok zijn getuigenis dienaangaande in twijfel; desniettemin adam bede. 25
385
EEN PAK VAN BOERIN POYSEBS HAKT.
bracht hij een gansche reeks bevestigende omstandigheden te berde.
âIk zag hem,quot; zei hij, âmet mijn eigen oogen; ik zag hem den weg afkomen, daarginder bij de knotwilgen; ik zag den man en zijn paard. Net precies had ik mijn pintje genomen â het was half elf in den voormiddag, het gewone uur waarop ik mijn pintje neem, met klokslag â en ik zei aan Hannes, die kwam aangereden op zijn karretje: âHannes,quot; zei ik, âzoo je op je tellen past, kun je vandaag een mooien slag slaan met den gerstenoogst,quot; en zoo sprekend draai ik mij om en steek de steenen plaats over in de richting van den Treddlestonschen straatweg, en juist als ik bij den dikken esscheboom kom, zie ik man en paard komen aangereden. â Ik mag doodblijven als ik ze niet zag komen aangereden. En ik stond stil, en wachtte tot hij binnen het bereik van mijn stem kwam, en zei: âGoeden morgen mijnheer,quot; want ik was nieuwsgierig zijn spraak te vernemen, om te weten of hij al dan niet uit deze streek afkomstig was. Zoo zei ik dan: âGoeden morgen, mijnheer, mooi weertje van daag voor den gerstenoogst. Als het lukken wil, zal er voor den avond een heel partijtje zijn binnengehaald.quot; En hij antwoordde: âWel mogelijk,quot; antwoordde hij, âmen kan niet weten.quot; En van dat oogenblik af wist ikquot; â hier gaf baas Casson een knipje met het oog en deed verstaan dat hij den vermeenden vreemdeling aanstonds aan zijn âdiejelektquot; herkend had voor een Loamshire-landsman â ik wist van dat oogenblik af dat hij niet precies honderd mijlen hier vandaan woonde. Ik ben zeker dat hij mij voor een raren Engelschman hield, zooals de lui hier in Loamshire altoos doen, wanneer iemand zich van de rechte uitspraak bedient.quot;
âDe rechte uitspraak!quot; riep Bartle Massey op minachtenden toon. âUw uitspraak heeft net zooveel van de rechte, als varkens-geknor van een solo op de dwarsfluit.quot;
âDat weet ik al niet,quot; antwoordde baas Casson met een ietwat nijdigen glimlach. âIk zou denken dat een man, die van kindsbeen af onder de grootelui heeft verkeerd, al haast evenveel verstand van de rechte uitspraak heeft als een schoolmeester.quot;
âNeen, vriend, neen,quot; zei Bartle op spottend vertroostenden toon. âIn uw eigen mond is uw uitspraak de rechte, ja. Evenzoo de uitspraak van boer Mikes geit, als ze be-e-e zegt. Het beest zou zijn natuur verloochenen indien het een ander geluid maakte.quot;
386
BEN PAK VAN BOEKIN POYSBRS HART.
Daar de rest van het gezelschap uit louter Loamshire-bewoners bestond, waren de lachers alles behalve in grooten getale op baas Cassons hand, en hij keerde wijsheidshalve tot de hoofdquaestie terug, die, welverre van op dezen eenen avond te zijn afgehandeld, den volgenden dag op het kerkhof, voor den aanvang der godsdienstoefening, van nieuws in behandeling genomen werd, en wel, gelijk het met nieuwtjes pleegt te gaan, des te levendiger uithoofde van de tegenwoordigheid eens nieuwen toehoorders. Deze nieuwe toehoorder was Martin Poyser, die, naar het zeggen zijner vrouw, âniet gewoon was mee te doen met dien troep bij Casson, altemaal drinkebroers met roode neuzen, en met gezichten zoo wijs als een kabeljauw die zijn nichtje ten doop houdt.quot;
Het was waarschijnlijk tengevolge van het gesprek, bij het uitgaan der kerk door haar met haar man over den tot zooveel gissingen aanleiding gevenden vreemdeling gehouden, dat juist deze aan boerin Poyser aanstonds weder in de gedachten kwam, toen zij een paar dagen later, in de huisdeur staande met haar breiwerk, in het heerlijk rustuurtje, dat zij zichzelve gunnen kon nadat de mid-dagschoonmaak afgeloopen was, den ouden squire de werf zag oprijden, gezeten op zijn zwarten pony en gevolgd door John den stalknecht. Later haalde zij altijd als een opmerkelijk voorgevoel aan â en werkelijk stak er meer achter dan haar eigen bijzonder scherp doorzicht â dat op het oogenblik toen de oude heer zijn oogen op haar sloeg, zij bij zichzelve gezegd had: âIk wil wedden dat hij komt spreken over dien man die de slothoeve wil pachten, en dat hij Poyser iets voor niet wil laten doen. Maar Poyser is niet wijs als hij het doet.quot;
Buiten twijfel was er iets vreemds aan de lucht, want de bezoeken van den ouden squire bij zijn pachters waren zeldzaam, en ofschoon boerin Poyser gedurende de laatste twaalf maanden menige denkbeeldige rede had gehouden â redenen van meer beteekenis dun men met het bloote oor hooren kon â redenen die zij vast besloten was, hem te doen aanhooren de eerste reis de beste dat hij binnen de hekken van haar mans hoeve verscheen â waren die aanspraken steeds denkbeeldig gebleven.
âGoeden dag, boerin Poyser,quot; zei de oude heer, met zijn bijziende oogen naar haar glurend â een manier van aankijken die, zooals boerin Poyser aanmerkte, haar altijd krieuwelig deed worden:
25*
387
EEN PAK VAN BOERIN POYSERS HART.
âhet was alsof hij de menschen voor insecten aanzag, en zich gereed maakte ze op zijn nagel plat te drukken.quot;
âToch zei zij: üw onderdanige dienaresse, mijnheer,quot; en neeg eerbiedig terwijl zij hem naderde; want zij was er de vrouw niet naar om zich zonder ernstige uitdaging tegenover haar meerderen te misdragen en aldus den. Catechismus te trotseeren.
âIs uw echtgenoot thuis, boerin Poyser?quot;
âJa, mijnheer; hij is maar op de hooiwerf. Ik zal hem dadelijk laten roepen; wees zoo goed af te stijgen en binnen te komen.quot;
âDat zal ik gaarne doen. Ik wenschte hem over een kleine zaak te spreken, maar gijzelve zijt daarin evenzeer betrokken als hij, zoo niet meer. Ik moet ook uw oordeel vernemen.quot;
âHetty, loop schielijk heen en zeg aan uw oom dat hij thuis komt,quot; zei boerin Poyser, terwijl zij het huis binnentraden; en de oude heer maakte een diepe buiging in antwoord op Hetty's nijging, terwijl Totty, zich bewust een boezelaartje aan te hebben dat met aalbessennat bevlekt was, haar aangezichtje verborg tegen de klok en steelsgewijs rondgluurde.
âWat een fraaie oude keuken is dit!quot; zei squire Donnithorne] met bewondering rondziend. Hij sprak altijd op denzelfden bedaarden, afgepast beleefden toon, hetzij zijn woorden suikerzoet of bitter en venijnig waren. âEn gij houdt haar keurig zindelijk, boerin Poyser. Gij moet weten, ik heb met deze hofstede meer op dan met eenige andere op het goed.quot;
âNu, mijnheer, zoo zij u zoo na aan het hart ligt, zou het mij genoegen doen indien er eens eenige reparaties verricht wierden, want de betimmering is in zulk een staat dat wij bijna door de ratten en muizen opgegeten worden. En de kelder! gij kunt er tot over de knieën in het water staan, zoo gij lust hebt even naar beneden te loopen: maar misschien wilt gij mij liever op mijn woord gelooven. Wees zoo goed en ga zitten, mijnheer.quot;
âNog niet, ik moet eerst uw karnhuis zien. Ik heb het in geen jaren gezien, en ik hoor overal van uw prachtige boter en kaas,quot; zei de squire, zich met de uiterste beleefdheid volmaakt onkundig houdend van ieder punt waaromtrent hij en boerin Poyser het mogelijk oneens zouden kunnen zijn. âIk geloof dat ik de deur daar zie openstaan; gij moet u niet verbazen zoo ik een begeerigen blik werp op uw room en boter. Ik twijfel of de room en boter van
388
EEN PAK VAN BOERIN POYSERS HART.
boerin Satchell de vergelijking met de uwe zouden kunnen doorstaan.quot;
âDat zou ik niet kunnen zeggen, mijnheer. Ik zie zelden boter van een ander, ofschoon er sommige boter is die men niet noodig heeft te zien â de lucht is genoeg.quot;
,Voortreffelijk, voortreffelijk,quot; zei squire Donnithorne, rondziend in den vochtigen tempel der zindelijkheid, maar zich dicht bij de deur houdend. âMijn ontbijt zou mij ongetwijfeld beter smaken zoo ik wist dat de boter en de room uit dit karnhuis kwamen. Dank u, het is wezenlijk een aangenaam gezicht. Ongelukkigerwijs maakt mijn lichte overhelling tot rheumatiek mij bevreesd voor vocht, ik zal even gaan zitten in uw gezellige keuken. â Zoo, Poyser, hoe gaat het? Midden in de bezigheid, zie ik, zooals gewoonlijk. Ik ben eens naar uw vrouws fraai karnhuis wezen zien â de knapste pachtersvrouw uit de gansche gemeente, is zij niet?
âBoer Poyser was juist binnengekomen in zijn hemdsmouwen en loshangend vest, het gelaat een tintje rooder dan gewoonlijk vanwege de inspanning van het hooistouwen. Terwijl hij daar rood en rond en glimmend voor den kleinen, verschrompelden ouden edelman stond, geleek hij een tentoonstellingsappel naast een in het zand verdroogde krabbe.
âWees zoo goed dezen stoel te nemen, mijnheer,quot; zei hij, zijn vaders armstoel een weinig vooruitschuivend; âhij is heel gemakkelijk.quot;
âNeen, dank u, ik gebruik nooit gemakkelijke stoelen,quot; zei de oude edelman, zich op een kleinen stoel nederzettend bij de deur. âGij moet weten, boerin Poyser â gaat zitten, asjeblieft, beiden â ik ben sinds eenigen tijd ver van tevreden geweest over de wijze waarop boerin Satchell haar hoeve bestuurt. Ik geloof niet dat zij er zulk een goede manier op heeft als gij.quot;
âDaar zou ik waarlijk niets van kunnen zeggen, mijnheer,quot; zei boerin Poyser op stuggen toon, haar breiwerk op- en weder losrol-lend en ijskoud uit het raam turend, terwijl zij vlak tegenover den squire bleef staan. Poyser mocht gaan zitten zoo hij verkoos â zij zou niet gaan zitten, als liet zij zich inpakken door zulk een mooiprater. Boer Poyser, die zich voelde en er uitzag als het tegenovergestelde van ijskoud, nam plaats in zijn driekanten stoel.
âEn, Poyser, nu Satchell heeft uitgediend, ben ik voornemens de slothoeve aan een knappen pachter te verhuren. Ik ben het moede.
389
EEN PAK VAN BOERIN POYSERS HART.
langer een boerderij voor eigen rekening te houden â in zulke gevallen wordt er voor niets behoorlijk zorg gedragen, zooals gij weet. Een bekwaam rentmeester is moeielijk te vinden, en mij dunkt dat gij en ik, Poyser, en uw uitmuntende vrouw, dientengevolge wel in een schikking zouden kunnen treden, die op ons gezamenlijk voordeel zou uitloopen.quot;
âO,quot; zei boer Poyser met goedhartige stugheid van begrip ten opzichte van den aard der schikking.
âAls ik ook een woordje zeggen mag, mijnheer,quot; zei boerin Poyser, nadat zij op haar man een medelijdenden blik had geslagen van wege zijn zachtmoedigheid, âgij weet vast beter dan ik, maar ik zie niet in wat wij met de slothoeve te maken hebben â wij hebben overgenoeg te doen met onze eigene boerderij. Dat een knap man zich in de gemeente denkt te komen neerzetten, hoor ik met pleizier â⢠daar niet van; er zijn er in den laatsten tijd ingehaald die niet veel navraag konden lijden in dat opzicht.quot;
âGij zult in boer Thurle een uitmuntenden buurman vinden, iemand dien gij blij zijn zult genoegen te hebben gedaan door te bewilligen in het kleine plan dat ik u kom voorslaan, te meer daar ik vertrouw dat het evenzeer in uw voordeel zal blijken te wezen als in het zijne.quot;
âWaarlijk, mijnheer, als het iets in ons voordeel is, zal zulks het eerste aanbod van dien aard zijn waarvan ik ooit gehoord heb. Ik zeg maar, om in deze wereld voordeelen te bekomen, is het zaak ze te nemen; men kan lang wachten voor zij u thuis gebracht worden.quot;
âDe zaak is, Poyser,quot; zei de squire, zich houdend alsof hij naar boerin Poysers theorie over wereldschen voorspoed niet geluisterd had, âer is meer wei- en minder bouwland aan de slothoeve dan met Thurle's plannen strookt â zelfs wil hij de pacht alleen aanvaarden onder voorwaarde dat daarin verandering worde gebracht; zijn vrouw, schijnt het, is niet zulk een knappe botermaakster als de uwe. En nu bestaat het plan waarover ik denk in het bewerkstelligen van een kleine ruiling. Zoo gij de vier weiden hadt, zoudt gij uwe melkerij aanmerkelijk kunnen uitbreiden, hetgeen niet dan voordeelig kan zijn onder uw vrouws bestuur, en ik zou u verzoeken, boerin Poyser, mijn huis te voorzien van melk, room en boter, tegen de marktprijzen. Aan den anderen kant, Poyser, zoudt gij
390
EEN PAK VAN BOBBIN POYSBBS HABT.
aan Thurle de laag- en hooglanden kunnen afstaan, hetgeen inderdaad, met onze natte zomers, een goede ruil voor u wezen zou. Men waagt veel minder met wei- dan met bouwland.quot;
Boer Poyser leunde voorover met de ellebogen op de knieën, het hoofd op zijde en de lippen stijf op elkander gedrukt â schijnbaar verdiept in de poging om zijn vingertoppen bij elkander te brengen op zoodanige wijze dat zij met volmaakte nauwkeurigheid de ribben van een schip nabootsten. Hij was een veel te scherpzinnig man om niet aanstonds de gansche zaak te doorzien en niet volkomen goed te weten hoe zijn vrouw er over dacht; maar hij gaf ongaarne onaangename antwoorden. Wanneer het niet bepaald pachterswerk gold, willigde hij alzoo liever in dan twistte maken, en in ieder geval, deze zaak ging zijn vrouw meer aan dan hemzelven. Na eenige oogenblikken stilzwijgen zag hij dus naar haar op, en zei zachtzinnig: âWat dunkt u, vrouw?quot;
Boerin Poyser had met koelen ernst de oogen op haar man gevestigd gehouden, zoolang hij zweeg; maar nu wendde zij haar hoofd met fierheid om, keek ijskoud naar het dak van de koeien-schuur aan den overkant, en haar breiwerk met de losse naald op elkander stekend, hield zij het vastgeklemd tusschen haar saamge-vouwen handen.
âWat mij dunkt? Wel, mij dunkt dat gij kunt doen wat gij wilt wat betreft het afstaan van uw bouwland voor de pachttijd om is dat niet wezen zal voor aanstaanden Sint-Michiel een jaar; maar ik, ik verkies geen meer karnwerk op mij te nemen, noch ter liefde van een ander, noch om geld, en hier is, zoover ik zien kan, van geld noch liefde sprake; alleen van de liefde van anderen voor ziehzelven, en van geld dat te land zal komen in anderer lieden zakken. Ik weet wel dat er zijn die landeigenaars geboren worden, en anderen die geboren worden om het land met hun zweet te bemesten,quot; â hier hield boerin Poyser even op om adem te scheppen â âen ik weet dat de plicht is van een Christenmensch om zich aan zijn meerderen te onderwerpen voor zooveel vleesch en bloed het dragen kunnen; maar ik wil geen martelares van mijzelve maken, en mij aftobben tot vel over been, en mijzelve half doodbeulen alsof ik een boterkarn was, voor niet één landheer in Engeland, al ware hij koning George in persoon.quot;
âNeen, neen, mijn lieve boerin Poyser, zeker niet,quot; zei de squire.
391
r
EEN PAK VAN BOERIN POYSERS HAKT.
nog vertrouwend op zijn eigene gaven van overreding, âgij moet u niet overwerken; maar zoudt gij niet denken dat uw werk op die wijs eer verminderd dan vermeerderd zou worden? Er is zooveel melk noodig op het kasteel, dat gij niet veel meer boter en kaas zult te maken hebben dan nu het geval is, en ik meen dat het ver-koopen van de melk-zelve het voordeeligst uitkomt, is het zoo niet?quot;
âJa, dat is waar,quot; zei boer Poyser, buiten staat zijn meening achter te houden waar het een vraag van voordeelig boeren gold, en vergetend dat de quaestie in dat geval geen zuiver algemeene quaes-tie was.
âZeker,quot; zei vrouw Poyser op bitteren toon, haar hoofd halverwege naar haar man keerend en starend op den ledigen armstoel â âvoor mannen die zitten te keuvelen in het hoekje van den haard is het zeker gemakkelijk, aan anderen te willen wijs maken dat de dingen gaan zullen alsof zij gesmeerd waren. Als men een pudding kon maken door te zitten suffen over het beslag, zouden we zonder veel moeite aan ons eten komen. Wie waarborgt mij dat er op den duur navraag zijn zal naar melk? Wie verzekert mij dat de leverantie aan het kasteel niet zal worden aanbesteed voor wij zes maanden verder zijn? Dan kon ik 's nachts wakker liggen met tachtig pinten melk op mgn hart! De grossier te Treddleston zal niet meer boter nemen, laat staan er voor betalen. Varkens zullen wij moeten mesten, tot wij genoodzaakt zijn, den slachter op onze knieën te smeeken, ze voor de helft van ons af te koopen; de andere helft verliezen wij aan de mazelen. En dan daarenboven het halen en brengen van de melk, waar minstens een halve dag werk mee gemoeid zou zijn voor een man en een paard â die kleine onkosten moeten zeker uit de winst worden bestreden, moeten zij niet? Zoowaar, men heeft lieden die desnoods met een zeef onder de pomp zouden gaan staan, in de hoop haar vol water naar huis te zullen dragen.quot;
âDie moeielijkheid â ik meen omtrent het halen en brengen â zal niet voor u bestaan, boerin Poyser,quot; zei de squire, die meende dat dit treden in bijzonderheden van vrouw Poysers kant een verwijderde neiging aanduidde om tot een vergelijk te komen â âdat zal Bethel geregeld doen met paard en kar.quot;
âO, mijnheer, ik vraag wel excuus, ik ben nooit gewoon geweest
392
j
in
I
KEN PAK VAN BOERIN POYSEKS HAKT.
dat grootelui's dienstbaren op mijn achterplaats heen en weder liepen, en vrijden naar mijn beide meisjes tegelijk, en haar ophielden met de handen in de zijden om te luisteren naar allerlei praatjes, terwijl zij behoorden op haar knieën te liggen bij haar schuurwerk-Moeten wij ten gronde gaan, het zal niet geschieden doordien onze achterkeuken wordt omgeschapen in een gelagkamer.quot;
âWelnu, Poyser,quot; zei de oude heer, van taktiek veranderend en zich houdend alsof boerin Poyser zich plotseling aan de onderhandelingen had onttrokken en de kamer verlaten had, âgij kunt ook de vier weiden tot mestland maken. Ik kan lichtelijk in een andere schikking treden omtrent de leverantie voor mijn huis. En ik zal bij voorkomende gelegenheden uw bereidwilligheid in het believen van uw landheer zoowel als van uw buurman niet vergeten. Ik weet dat het u aangenaam zijn zal, uw pacht voor drie jaren vernieuwd te zien, wanneer de tegenwoordige verstreken zal zijn, en aan den anderen kant, ik ben overtuigd dat Thurle, die over eenig kapitaal te beschikken heeft, bij voorkeur de beide hoeven voor zijn rekening zou nemen, om reden dat zij zoo bijzonder goed te zamen kunnen beheerd worden. Maar ik zou ongaarne scheiden van een ouden pachter zooals gij.quot;
Reeds de omstandigheid dat zij op zoodanige wijze van de onderhandelingen werd uitgesloten, ware voldoende geweest om boerin Poysers verbittering tot het uiterste te doen stijgen, zelfs zonder de bijkomende slotbedreiging. Haar man, wezenlijk ontrust door de gedachte dat zij de oude plaats zouden moeten verlaten waar hij was geboren en opgevoed â want hij achtte squire Donnithorne tot vrij wel alle dingen in staat â ving zijn zachtmoedige tegenspraak, tot verklaring van de bezwaren die het voor hem zou inhebben om meer vee te koopen en te verkoopen, aan met een weifelend: âMet uw welnemen, mijnheer, mij dunkt dat er wel iets hards in isquot;. . . . toen boerin Poyser, met het wanhopig besluit om ten minste ditmaal ronduit te zeggen wat zij op het hart had, al zou het ook aanzeggingen, om de hofstede te verlaten, stroomen en regenen, en al bleef er geen andere uitkomst dan het werkhuis over, aldus inviel en losbarstte:
âHoor eens, mijnheer, zoo ik ten minste een woordje mede spreken mag â en al ben ik maar een vrouw, en al zijn er die de vrouwen voor dwaas genoeg houden om te staan toekijken wanneer de
393
EEN PAK VAN BOERIN POYSERS HAKT.
mannen bezig zijn haar zielen te verpanden en te verkoopen â ik heb recht van spreken, want ik verdien zelve een kwart van de pacht en help het andere kwart uitsparen â ik zeg dan, als boer Thurle zooveel lust heeft, hoeven van u te pachten, dat het jammer zijn zou als hij de onze niet nam, en eens probeerde of hij kon leven in een huis dat ten prooi is aan al de plagen van Egypte â de kelder vol water, padden en kikkers bij dozijnen de trappen ophuppelend, de vloeren verrot, ratten en muizen die te gast gaan op elk korstje kaas, en boven onze hoofden heen en weder kuieren wanneer wij in ons bed liggen, tot wij ieder oogenblik denken dat zij ons levend opvreten zullen â en wel is het een bijzondere bewaring dat de kinderen niet al lang opgevreten zijn. Ik zou wel eens willen weten of er buiten Poyser een andere pachter zou zijn te vinden, tevreden met de reparaties als die wij van u bekomen â te weten wanneer de muren op het omvallen staan â en dan nog met bidden en smeeken, en met zelf de helft te betalen. Ik zou willen weten wie anders genoegen nemen zou met op lasten te zitten zoo zwaar, dat het veel is zoo hij genoeg van zijn land trekt om de pacht te betalen, al is hij begonnen met eerst zijn eigen geld in den grond te steken. Probeer veilig of gij een vreemdeling kunt vinden die zulk een leven zal willen leiden. Waarom houdt een mijt van verrotte kaas? Omdat ze er bij geboren en groot gebracht is, daarom alleen, zou ik denken. Gij moogt wegloopen voor mijn woorden, mijnheerquot;.... aldus ging boerin Poyser voort, den squire tot buiten de deur volgend â want na de eerste oogenblikken van verbijsterde verwondering was hij opgestaan, en glimlachend en met de hand naar haar wuivend zijn paard gaan opzoeken. Maar het was hem onmogelijk aanstonds weg te komen, want John leidde den pony op en neder op de werf, en was op eenigen afstand van de huisdeur toen zijn meester hem wenkte.
âGij moogt voor mijn woorden wegloopen, mijnheer, en onder de hand booze plannen gaan uitspinnen om ons te benadeelen â want de Nikker is uw vriend, dat weet ik, al loopt het getal uwer vrienden niet over â maar ik zeg u eens voor al, dat wij geen stomme schepselen zijn, veroordeeld om te worden mishandeld en uitgemergeld door de zoodanigen die de zweep in handen hebben; en waarom uitgemergeld? Omdat zij geen verstand genoeg bezitten om de lus los te maken. En zoo ik de eenige ben die overluid zegt wat zij
394
EEN PAK VAN BOERIN POYSERS HART.
meent, er zijn er een boel die eveneens denken, zoowel in deze gemeente als hier allernaast; uw naam riekt niet veel beter dan een zwavelstok in jan-en-allemans neus â twee of drie oude stumpers uitgezonderd misschien, aan wie gij voor de zaligheid van uw ziel een lapje flanel en een lepeltje soep laat uitdeelen. En misschien hebt gij gelijk er niet meer aan te besteden, want met al uw schrapen en óverleggen zal bij slot van rekening uw ziel het ellendigste kapitaaltje wezen dat gij ooit hebt uitgezuinigd.quot;
Er zijn gelegenheden waarbij twee dienstmeisjes en een wagenknecht een schrikwekkend gehoor kunnen vormen, en toen de squire wegreed op zijn zwarten pony, was zelfs zijn aangeleerde bijziendheid onvoldoende om hem te verbergen dat Molly, en Nancy, en Tim op geringen afstand stonden te grinniken van genoegen. Misschien verdacht hij zuren, ouden John, van desgelijks te zitten grinniken achter hem â hetgeen werkelijk het geval was. Intusschen werkten de bulhond, de patrijshond, Alicks herdershond en de gent, blafiend en kwakend op veiligen afstand van 's pony's beenen, het hoofddenkbeeld van boerin Poysers solo verder uit onder den vorm van een indrukwekkend kwartet.
Zoo ras echter boerin Poyser het paard had zien verdwijnen, wendde zij zich om, wierp der twee lachzieke deernen een blik toe die haar onmiddellijk naar de achterkeuken dreef, en de losse naald uit haar breiwerk trekkend, hervatte zij haar arbeid met de gewone snelheid en keerde in huis teruar.
âNu is het hooge woord er uit,quot; zei boer Poyser, een weinig verschrikt en ontrust, maar niet zonder eenig triomfantelijk welbehagen in zijn vrouws ontboezeming.
âHet is er uit,quot; zei boerin Poyser, âmaar ik heb gezegd wat ik op het hart had, en dat zal mij rust geven mijn dagen lang. Men heeft niets aan zijn leven, wanneer men zijn gevoel steeds dichtge-kurkt moet houden en genoodzaakt is, zijn gedachten enkel steels-gewijs te laten doorzijpelen, als een lek vat. Wat ik gezegd heb, zal mij niet berouwen, al werd ik zoo oud als de oude squire in persoon, en dat is niet waarschijnlijk â want het lijkt wel dat dezulken, die men hier beneden desnoods zou kunnen missen, ook de eeni-gen zijn waar men in de andere wereld niet op gesteld is.quot;
âMaar gij zoudt toch niet gaarne de oude plaats verlaten, aanstaanden Sint-Michiel over een jaar,quot; zei boer Poyser, âen naar
395
BEN PAK VAN BOERIN POYSBRS HART.
een vreemde gemeente gaan waar gij niemand kent. Het zal ons beiden hard vallen, en aan vader ook.quot;
âTobben helpt niet; er kan veel gebeuren tusschen nu en aanstaanden Sint-Michiel over een jaar. Misschien is voor dien tijd de kapitein wel heer van het goed â men kan niet weten,quot; zei boerin Poyser, geneigd de voorhanden moeielijkheid, die haar eigen verdiende loon en niet de schuld van anderen was, uit dien hoofde in een buitengewoon troostrijk daglicht te beschouwen.
âZoowaar, ik houd van geen tobben,quot; zei boer Poyser, uit zijn driekanten stoel opstaand en langzaam naar de deur tredend, âmaar het zou mij moeite doen de oude plaats te verlaten, en de gemeente waarin ik werd geboren en opgevoed, en vader vóór mij. Wij zouden onze wortels hier achterlaten, vrees ik, en elders nimmer tieren.quot;
HOOFDSTUK XXXIII.
NIEUWE HOOP.
Eindelijk was al de gerst binnengehaald, en de oogstmaaltijden gingen hun gang, zonder dat er gewacht werd op de onooglijke, zwarte boonen. Appelen en noten werden ingezameld en in de provisiekamers geborgen, de geur der wei verdween uit de hoeven, en de reuk van versch gebrouwen bier nam zijn plaats in. De wouden achter het kasteel, en al het hoog geboomte vertoonden zich in plechtstatigen hoftooi onder den laag nederhangenden hemel. Sint-Michiel was in het land gekomen met zijn manden vol geurige, purperen pruimen, met zijn bleeker purperen madeliefjes, en zijn boerenjongens en meisjes die hun diensten verlieten, of nieuwe diensten zochten, en voortstapten langs de smalle, kronkelende paden tusschen de gele heggen, met hun bundeltjes onder den arm. Maar ofschoon Sint-Michiel gekomen was, boer Thurle, de zeer gewensch-te pachter, verscheen niet op de slothoeve, en de oude squire was eindelijk genoodzaakt geweest, een nieuwen rentmeester aan te stellen. In beide gemeenten was het aan ieder bekend, dat het plan van den ouden heer mislukt was, omdat de Poysers geweigerd had-
396
NIEUWE HOOP.
den zich âte laten beetnemen,quot; en boerin Poysers uitbarsting werd in alle hoeven besproken met een vuur, dat steeds aanwakkerde door veelvuldig blazen. Dat âNapjequot; uit Egypte was teruggekeerd, was vergelijkenderwijs een onbelangrijk nieuws, en dat de Fran-schen in Italië tot den aftocht waren gedwongen, was niets in vergelijking van den aftocht dien boerin Poyser den ouden squire had doen blazen. In elke woning zijner gemeente had ds. Irwine verslag gekregen van het gebeurde â alleen niet op het kasteel. Daar hij evenwel met bewonderenswaardige behendigheid steeds iederen twist met squire Donnithorne vermeden had, moest hij zich het genoegen ontzeggen met iemand ter wereld, behalve zijn moeder, te lachen om het dwaze figuur des ouden heers. Mevrouw Irwine verklaarde dat, zoo zij rijk was, het haar lust zou zijn boerin Poyser levenslang van een pensioen te verzekeren; zelfs wilde zij de boerin op de pastorie genoodigd hebben, teneinde uit haar eigen mond een verslag van het tooneel te hooren.
âNeen, neen, moeder,quot; zei ds. Irwine, âhet is van boerin Poysers kant een kleine onregelmatige rechtspleging geweest; maar een over-heids persoon als ik moet geen onregelmatige rechtsplegingen aanmoedigen. Er moet niet worden uitgestrooid dat ik kennis van dien twist gedragen heb; anders loop ik gevaar, den geringen invloed ten goede, dien ik nog op den ouden man heb, voor altoos te verliezen.quot;
âNu, ik houd van die vrouw, nog meer van haar dan van haar roomkazen,quot; zei mevrouw Irwine. âZij heeft geest voor drie mannen tegelijk, met haar bleek gezicht, en zij is geducht scherp bovendien.quot;
âScherp? Ja, haar tong is als een aangezet scheermes. En zij is daarbij volkomen oorspronkelijk in haar manier van spreken; een dier ongeletterde vernuften die een gansche landstreek van spreekwoorden helpen voorzien. Ik heb u verteld hoe uitmuntend goed zij Craig heeft gekarakteriseerd â een haan die zich verbeeldt, dat de zon is opgegaan om hem te hooren kraaien. Op mijn woord, een volledige fabel van iEsopus in één volzin.quot;
âMaar het zou er leelijk uitzien zoo de oude heer hen van de hoeve joeg den volgenden Sint-Michiel, hé?quot; zei mevrouw Irwine.
âO, dat mag niet gebeuren, en Poyser is zulk een goed pachter dat Donnithorne zich wel tweemaal bedenken, en de bittere pil liever slikken zal dan hem wegjagen. Mocht hij hen niettemin
397
NIEUWE HOOP.
waarschuwen tegen Vrouwendag, dan zullen Arthur en ik hemel en aarde bewegen om hem te verbidden. Zulke oude gemeenteleden als zij mogen niet naar elders gaan.
âOch, wie weet wat er nog gebeurt voor Vrouwendag,quot; zei mevrouw Irwine. âHet trof mij op den dag van Arthurs feest dat de oude heer er merkelijk vervallen uitzag; nu, hij is drie-en-tachtig. Wezenlijk een onbetamelijke leeftijd. Alleen vrouwen hebben het recht, zoo oud te worden.quot;
âAls zij oude vrijers tot zonen hebben die rampzalig zouden wezen zonder haar,quot; antwoordde ds. Irwine lachend en zijn moeders hand kussend.
Evenzoo boerin Poyser. Had haar man somtijds sombere voorgevoelens omtrent Vrouwendag en het opzeggen der pacht, zij weerde die af met: âMen kan niet weten wat er nog gebeurt voor Vrouwendag,quot; een dier onwedersprekelijke algemeenheden die gewoonlijk dienen moeten tot voertuig van de een of andere allesbehalve onwedersprekelijke meening. Doch het zou waarlijk te veel van de menschelijke natuur gevergd zijn, indien men het misdadig en strafbaar keurde dat iemand zich den dood zelfs van den koning als mogelijk dacht, wanneer zijne majesteit den leeftijd van drie-entachtig jaren heeft bereikt. Nauwlijks zullen de vasthoudendsten onder de Britten op zulke harde voorwaarden goede onderdanen mogen heeten.
Uitgenomen deze sombere voorgevoelens gingen de zaken in het gezin Poyser vrij wel haar gewonen gang. De boerin meende verblijdende vorderingen in Hetty op te merken. Zeker, het meisje werd al stiller en stiller, en somtijds was het alsof men haar de woorden met geweld uit de keel moest wringen; maar zij dacht veel minder aan haar kleeding, en deed haar werk met ijver, zonder praatjes. Vreemd dat zij tegenwoordig nooit lust tot uitgaan had â integendeel, men kon er haar zelfs bijna niet toe bewegen, en toen haar tante een speldje stak voor de wekelijksche lessen in het fijne naaiwerk op het kasteel, droeg zij dit zonder pruttelen of pruilen. Het moest dan toch waar zijn dat zij eindelijk haar hart aan Adam geschonken had, en haar plotselinge inval om kamenier te worden, moest veroorzaakt zijn door den een of anderen kleinen twist, het een of ander misverstand tusschen hen, dat nu voorbijgedreven was. Want vertoonde Adam zich op de hoeve, dan
398
NIEUWE HOOP.
| scheen Hetty vroolijker te zijn en meer te spreken dan anders, of-S schoon zij bijna onvriendelijk was wanneer baas Craig of een harer overige aanbidders daar een bezoek aflegde.
Adam-zelf sloeg haar in den beginne gade met bevenden angst, welke angst eerlang plaats maakte voor verwondering en zoete hoop. Vijf dagen nadat hij Arthurs brief overhandigd had, had hij het gewaagd, wederom naar de hoeve te gaan â niet zonder vrees dat het gezicht van zijn persoon Hetty pijnlijk zou aandoen. Zij was niet in de keuken toen hij binnenkwam, en hij zat een paar minuten lang te praten met boer en boerin Poyser, vervuld met de sombere verwachting dat zij hem het. volgend oogenblik zouden mededeelen dat Hetty ziek was. Weldra naderde een lichte hem welbekende tred, en toen boerin Poyser zei: âKom, Hetty, waar hebt gij gezeten?quot; was Adam genoodzaakt zich om te keeren, ofschoon hij vreesde de verandering te aanschouwen die in haar voorkomen moest hebben plaats gehad. Bijna was hij opgesprongen van verbazing toen hij haar zag glimlachen alsof zij blijde was hem te zien. Bij den eersten aanblik zag zij er uit als altijd; alleen had zij haar muts op, hetgeen hij vroeger nooit gezien had als hij 's avonds kwam. Doch toen hij nogmaals naar haar blikte, terwijl zij dooide keuken dribbelde of aan haar werk zat, was er verandering te bespeuren. Haar wangen waren even zacht rozerood als altoos, en zij glimlachte even vaak als zij in den laatsten tijd gedaan had, maar er was, dacht Adam, iets anders in haar oogen, in de uitdrukking van haar gelaat, in al haar bewegingen, iets scherper ge-teekends, iets minder kinderlijks. âArm kind,quot; zei hij bij zichzelven, âde reden ligt voor de hand. Het is omdat zij haar eerste harte-leed heeft geleden. Maar zij heeft de noodige geestkracht om het te dragen. God zij gedankt!quot;
Toen de weken voorbijgingen en zij steeds vergenoegd scheen wanneer zij hem zag â haar lief gezicht tot hem opheffend alsof zij hem wilde te kennen geven, dat zij blijde was dat hij kwam â en haar arbeid verrichtend op dezelfde rustige wijs, zonder eenig teeken van verdriet te geven â begon hij te gelooven dat haar gevoel voor Arthur veel minder diep was geweest dan hij zich in zijn eerste verontwaardiging en ontroering had voorgesteld, en dat zij in staat was geworden aan haar meisjesachtige inbeelding dat Arthur haar liefhad en baar trouwen zou, te denken als aan een
399
NIEUWE HOOP.
dwaasheid waarvan zij in tijds genezen was. En misschien was het zooals hij somtijds in oogenblikken van bemoediging gehoopt had dat het zijn zou: haar hart neigde zich met des te meer warmte naar den man van wien zij wist dat hij haar ernstig liefhad.
Mogelijk denkt gij dat Adam in deze zijn verklaringen van Hetty's gedrag al zeer weinig scherpzinnigheid aan den dag lei, en dat het in ieder geval zeer onbetamelijk was van een verstandig man, zich te gedragen gelijk hij deed â verliefd te worden op een meisje met inderdaad geen andere aanbeveling dan haar schoonheid, aan dat meisje denkbeeldige deugden toe te schrijven, zich te vernederen door haar getrouw te blijven nadat zij haar liefde had weggeschonken aan een ander man, en te zitten wachten op een vriendelijken blik van haar zooals een geduldige hond bevend zit te wachten tot zijn meester het oog op hem laat vallen. Maar laat ons bedenken dat het moeilijk is, bij een zoo ingewikkelde zaak als de menschelijke natuur, regels zonder uitzonderingen te vinden. Natuurlijk ik weet wel dat, in den regel, verstandige mannen verliefd worden op de verstandigste vrouwen van hun kennis, dat zij alle mogelijke bedriegerijtjes van behaagzieke schoonen aanstonds of weldra doorzien; dat zij zich nooit inbeelden dat men hen liefheeft wanneer zulks het geval niet is ; dat zij ophouden lief te hebben bij alle gelegenheden waarin zulks door de omstandigheden geëischt wordt, en dat zij de vrouw huwen die in alle opzichten het meest voor hen geschikt is â zoo zelfs dat zij de goedkeuring wegdragen van alle ongehuwde dames uit de buurt. Maar zelfs op dezen regel zal men in den loop der eeuwen nu en dan een uitzondering zien plaats grijpen, en mijn vriend Adam was zulk een uitzondering. Wat mij persoonlijk betreft, ik heb daarom voor hem volstrekt niet minder achting, ja ik geloof dat de diepe liefde die hij gevoelde voor het lieve, ronde, zwartoogige rozeknopje, bijgenaamd Hetty, van wier inwendig bestaan hij inderdaad zeer onkundig was, voortkwam uit de kracht zelf zijner natuur en niet uit eenige daarmede onbestaanbare zwakheid. Is er, bidden wij u, eeni-ge zwakheid in gelegen, te worden weggesleept door uitnemende muziek? â Te gevoelen hoe haar wonderbare harmonieën de fijnste snaren onzer ziel roeren, die teedere levenszenuwen waar geen geheugen toe kan doordringen; te gevoelen hoe zij ons gansche bestaan, verleden en tegenwoordig, in een onuitsprekelijke trilling
400
pi i'
1
'in»quot;
NIEUWE HOOP. 401
samenbinden; hoe zij in een enkel oogenblik ons doen wegsmelten in ai de teederheid en al de liefde die verbrokkeld liggen tusschen de doorgetobde jaren; hoe zij in een opwelling van heldhaftigen moed of van manmoedige onderwerping al de harde lessen der zelfverloochenende en dienende liefde samentrekken, onze tegenwoordige vreugde doen ineenvloeien met onze verledene smart, en onze smart des oogenbliks met al onze voorbijgegane vreugden? Zoo niet, dan is er ook geen zwakheid in gelegen, evenzoo te worden weggesleept door de uitnemende lijnen van een vrouwenwang en hals en armen; door de vochtige diepte van haar fluweelen oogen, of haar lieve, kinderlijk vooruitstekende lipjes. Want de schoonheid eener bevallige vrouw is als muziek â wat kan men meer zeggen? De schoonheid drukt veel meer en veel verhevener dingen uit dan eigen zijn aan de eene vrouwenziel wier omhulsel zij is; evenals de woorden van het genie een veel verder reikende betee-kenis hebben dan de gedachte die ze ingaf. Het is meer dan de liefde eener vrouw die ons aandoet in vrouwenoogen â het schijnt een machtige, ver verwijderde liefde, die ons nabij gekomen is en deze bijzondere gedaante heeft aangenomen en ons daaruit toespreekt; de ronde hals, de poezele arm roeren ons door nog iets meer dan hun schoonheid â door hun nauwe verwantschap met al wat wij ooit hebben gekend van teederheid en vrede. De edelste naturen zien dit o n p e r s o o n 1 ij k e in de schoonheid het duidelijkst en klaarst â niemand ontkent dat er heeren zijn met knevels, geverfde en vervelooze, die van deze dingen niets ontwaren â en uit dien hoofde zijn de edelste naturen dikwijls het meest verblind ten aanzien van het karakter dier ééne vrouwenziel om wie de schoonheid haar mantel heeft geslagen. Vandaar, vrees ik, dat het treurspel des fnenschelijken levens nog lang op denzelfden voet zal worden voortgespeeld, in spijt van alle mogelijke zede-meesters, die wellicht gereed zijn met de wijste voorschriften tot voorkoming van dergelijke misvattingen.
Onze goede Adam had geen fraaie woorden tot zijn dienst waarin hij zijn gevoel voor Hetty zou hebben kunnen uitdrukken; hij kon niet, gelijk wij daareven deden, het mysterie vermommen achter een schijn van wetenschap; wij hoorden het, hij noemde zijn liefde ronduit een verborgenheid. Hij wist alleen dat het gezicht van Hetty en de gedachte aan haar hem ten diepste bewoog; dat
ADAM BEDE. 26
NIEUWE HOOP.
de springveer van alle liefde en teederheid in hem, van al zijn geloof en al zijn moed, door deze gedachte als in spanning gebracht werd. Hoe kon hij zich haar voorstellen bekrompen, zelfzuchtig, hardvochtig? Hij boetseerde de ziel, waarin hij geloofde, uit de stof zijner eigene ziel, en de zijne was grootmoedig, onzelfzuchtig, tee-der.
De hoop die hij voedde omtrent Hetty, verzachtte een weinig zijn gevoeligheid jegens Arthur. Diens voorkomendheden voor Hetty moesten wel zeer weinig te beduiden hebben gehad; zij waren en bleven altijd misplaatst, en een man in Arthurs omstandigheden had zich nooit op die wijze mogen toegeven; maar er moest toch iets luchthartigs in hun beider verkeer zijn geweest, dat hem waarschijnlijk blind had gemaakt voor het dreigend gevaar, en verhinderd had dat zijn vleierijen een sterken indruk maakten op Hetty's hart. Al naarmate deze nieuwe belofte van geluk aan Adams horizont verrees, begonnen zijn verontwaardiging en ijverzucht uit te sterven. Hetty was niet ongelukkig gemaakt; hij geloofde bijna dat zij hem onverdeeld liefhad, en somtijds vloog de gedachte hem door het hoofd dat zijn vriendschap voor Arthur, die een oogenblik voor eeuwig dood had geschenen, in later jaren nog weder zou kunnen opleven, en dat hij geen âvaarwelquot; zou behoeven te zeggen aan de groote oude bosschen, maar ze te meer zou liefhebben omdat zij toebehoorden aan Arthur. Want deze nieuwe belofte van geluk oefende een bedwelmenden invloed op den bedaarden Adam, die al zijn leven gewoon was geweest aan groote moeie-lijkheden en aan zeer matige vooruitzichten. Wachtte hem dan waarlijk nog een vriendelijk lot? Dat scheen zoo; want tegen het einde van November was Jonathan Burger er eindelijk toe gekomen, ziende dat hij Adam niet kon doen vervangen, dezen een aandeel aan te bieden in de zaak, zonder andere voorwaarde dan dat hij zou voortgaan al zijn krachten aan haar te wijden, en zou afzien van het plan, iets te beginnen voor eigen rekening. Schoonzoon of niet, Adam had zich te onmisbaar gemaakt om van hem te kunnen scheiden, en het werk dat hij verrichtte met zijn hoofd was voor Burger van zooveel meer gewicht dan zijn bedrevenheid in allen handenarbeid, dat het de waarde der diensten die hij bewees weinig verminderde, toen Adam het bestuur der bosschen op zich nam, en wat betrof de onderhandelingen over het timmerhout van
402
NIEUWE HOOP.
den squire, daarbij kon immers gemakkelijk de tusschenkomst van een derden persoon ingeroepen worden? Adam zag zich hier een steeds breeder weg geopend tot voorspoedigen arbeid, arbeid zooals hij dien had verlangd reeds sinds hij een knaap was; het zou nog kunnen gebeuren dat hij een brug bouwde, of een stadhuis, of een fabriek, want hij had altijd bij zichzelven gezegd dat Jonathan Burgers zaak een eikel was die de vader kon worden van een grooten boom. Hij sloeg dus toe en keerde naar huis, de ziel vervuld met gelukkige visioenen, waarin â mijn schoone lezeres zal zich misschien ergeren wanneer ik het zeg â het beeld van Hetty glimlachend heen en weder zweefde over plannen van houtbereiding bijna zonder onkosten, over berekeningen om de duizend steenen zooveel goedkooper te bekomen door middel van waterwegen, en over een geliefkoosd plan om daken en muren te versterken door een bijzonderen vorm van ijzeren gebinten. Wat zou dat? Adams hart ging op in zulke zaken, en onze liefde is saamgeweven met onze geestdrift, zooals de electriciteit saamgeweven is met de lucht en onmerkbaar die kracht verduizendvoudigt.
Adam zou nu in staat zijn een eigen huis te betrekken, en voor zijn moeder kunnen zorgen in het oude; zijn goede vooruitzichten zouden hem veroorloven, spoedig te trouwen, en zoo Dina er toe kon besluiten de vrouw van Seth te worden, zou hun moeder er misschien minder tegen hebben om van Adam gescheiden te leven. Maar hij drukte zichzelven op het hart dat hij niet wilde haasten â hij zou Hetty's gevoel voor hem niet op de proef stellen, voor het tijd had gehad krachtig en standvastig te worden. Evenwel, morgen, na kerktijd, zou hij naar de hoeve gaan, en aan de vrienden daar het nieuws vertellen. Aan boer Poyser, dit wist hij vast, zou deze tijding meer pleizier doen dan een banknoot van vijf pond, en hij zou in de gelegenheid zijn te zien of Hetty's oogen straalden wanneer zij er van hoorde. De maanden moesten kort vallen met al hetgeen waarmede hij zijn geest kon bezighouden, en die dwaze drift, die hem in den laatsten tijd overmeesterd had, mocht hem niet tot overijlde woorden vervoeren. En toch, toen hij thuis kwam, en aan zijn moeder de goede tijding mededeelde, en zijn avondeten gebruikte, terwijl zij bijna zat te schreien van vreugde en begeerde dat hij ter eere van zijn goed fortuin het dubbele eten zou van gewoonlijk, kon hij niet nalaten
26*
403
l
|
NIEUWE HOOP.
haar zachtjes op de aanstaande verandering voor te bereiden, door haar te herinneren dat het oude huis te klein was dan dat zij er op den duur allen gezamenlijk in konden blijven wonen.
HOOFDSTUK XXXIV.
DE VERLOVING.
Het was een droge Zondag, en inderdaad aangenaam weder voor den 2den November. Er was geen zonneschijn, maar de wolken dreven hoog in de lucht en de wind was zoo stil dat de gele bladeren, die van de olmenheggen nederzegen, moesten afvallen louter omdat zij vergaan waren. Ondanks dit zachte weder ging boerin Poyser niet te kerk, want zij had een ernstige koude gevat, die niet veronachtzaamd mocht worden; nog slechts twee winters geleden had zij weken lang het bed moeten houden om een diergelijke gevatte koude, en omdat zijn vrouw niet te kerk ging, was boer Poyser van oordeel dat het, alles wel beschouwd, beter was dat hij desgelijks thuisbleef en âhaar gezelschap hield.quot; Misschien zou het hem moeielijk gevallen zijn, de ware reden op te geven die hem dit besluit deed nemen, maar aan alle lieden van ervaring is het welbekend, dat onze meest onwankelbare overtuigingen dikwerf afhankelijk zijn van onnaspeurlijke indrukken, om welke te verklaren woorden een veel te onhandig middel zijn. Wat hiervan wezen mocht, van de familie Poyser ging dien namiddag niemand te kerk behalve Hetty en de jongens; toch was Adam stoutmoedig genoeg om zich na kerktijd bij hen te voegen, en te zeggen dat hij met hen naar huis zou wandelen, ofschoon hij den ganschen weg over door het dorp zich voornamelijk scheen bezig te houden met Marty en Tommy, hun verhalend van de eekhorentjes in Binton Coppice, en belovend dat hij bij de eerste gelegenheid de beste hun den weg derwaarts wijzen zou. Maar toen zij in de velden kwamen, zei hij tot de jongens: âLaat nu eens zien wie van u beiden het hardst loopen kan! Hij die het eerst aan het hek van de hoeve is, zal het eerst met mij naar Binton Coppice gaan op den ezel. Maar Tommy moet een eind voor hebben tot aan den eersten boom, omdat hij de kleinste is.quot;
404
DB VERLOVING.
Adam had zich vroeger nooit zoo onmiskenbaar als een minnaar gedragen. Zoo ras de beide jongens waren afgetrokken, zag hij op Hetty neder en zei: âWilt gij mij niet vasthouden, Hetty?quot; op zulk een smeekenden toon, alsof hij het reeds eenmaal gevraagd en zij het toen geweigerd had. Hetty zag hem glimlachend aan en legde haar arm in den zijnen. Haar kostte het niets, haar arm in dien van Adam te leggen, maar zij wist dat het iets was waarop hij zeer gesteld was, en zij verlangde dat hij er op gesteld zou wezen. Haar hart klopte niet sneller, en zij keek naar de halfnaakte heggen en het omgeploegde veld met hetzelfde gevoel van gedrukte lusteloosheid als te voren. Maar Adam wist te nauwernood dat hij liep; hij dacht dat Hetty voelen moest dat hij haar arm zachtjes tegen den zijnen drukte; woorden vloten naar zijn lippen die hij niet durfde uitspreken â woorden die hij besloten had nog niet uit spreken, en dus zweeg hij, een weide lang. Het kalm geduld waarmede hij eenmaal naar Hetty's liefde gewacht had, tevreden reeds met haar tegenwoordigheid-alleen en met de gedachte aan de toekomst, had hem begeven sinds dien vreeselijken schok nu bijna drie maanden geleden. De angsten dei-jaloezie hadden nieuwe rusteloosheid aan zijn hartstocht bijgezet, hadden vrees en onzekerheid bijna te zwaar gemaakt om te dragen. Maar al mocht hij Hetty niet van zijn liefde spreken, hij zou haar toch van zijn nieuwe vooruitzichten verhalen, en zien of dit haar genoegen deed. Toen hij dus genoegzaam meester van zich-zelven was om te kunnen spreken, zei hij:
âIk ga uw oom een nieuwtje mededeelen dat hem verrassen zal, Hetty, en ik denk dat het hem genoegen doen zal het te hooren ook.quot;
âWat dan?quot; zei Hetty onverschillig.
âWel, baas Burger heeft mij een aandeel in zijn zaken aangeboden, en ik zal dien voorslag aannemen.quot;
Er had een verandering plaats op Hetty's gelaat, doch die zeker niet teweeggebracht werd door eenigen aangenamen indruk tengevolge van dit nieuws. Inderdaad, zij gevoelde een opwelling van spijt en schrik, want zij had haar öom zoo dikwijls hooren beweren dat Adam Mary Burger en een aandeel in de zaak zou kunnen krijgen wanneer hij slechts verkoos, dat zij beide denkbeelden nu vereenzelvigde en de gedachte haar aanstonds inviel, dat Adam haar opgegeven had om hetgeen tusschen haar en Arthur gebeurd
405
DE VERLOVING.
was, en zich tot Mary Burger had gewend. Bij deze gedachte, en voor zij tijd had zich eenige reden te herinneren waarom zij niet juist kon zijn, ontwaarde zij een nieuw gevoel van verlatenheid en teleurstelling: het eenige uitzicht â de eenige persoon â⢠waarop haar ziel in haar doffe lusteloosheid gesteund had, was haar ontgleden, en een gevoel van wrevelig verdriet vulde haar oogen met tranen. Die oogen, zij waren naar den grond geslagen; maar Adam zag haar gelaat, zag de tranen, en voor hij de woorden â Hetty, lieve Hetty, waarom schreit gij?quot; uitgesproken had, had zijn vurige, driftige verbeelding alle mogelijke oorzaken doorloopen, en was eindelijk blijven staan bij de half ware. Hetty dacht dat hij Mary Burger huwen zou â het deed haar geen genoegen dat hij trouwen ging â misschien deed het haar geen genoegen dat hij iemand anders trouwde dan haarzelve? Alle behoedzaamheid was weggevaagd â er bestond langer geen reden voor, en Adam kon niets anders gevoelen dan bevende vreugd. Hij boog zich tot haar neder en nam haar hand, terwijl hij zeide:
âNu zou ik wel kunnen trouwen, Hetty â ik zou nu een vrouw kunnen onderhouden zooals het behoort, maar ik zal nimmer trouwen zoo gij mij niet hebben wilt.quot;
Hetty zag tot hem op en lachte door haar tranen heen â zooals zij tot Arthur had gedaan dien eersten avond in het bosch, toen zij dacht dat hij niet komen zou, en hij evenwel kwam. Het was een zwakker verlichting, een zwakker triomf dien zij nu gevoelde, maaide groote, donkere oogen en de liefelijke lippen waren zoo schoon als ooit, misschien schooner, want Hetty's voorkomen had iets meer weelderigs en vrouwelijks bekomen in den laatsten tijd. Adam kon nauwelijks gelooven aan het geluk van dat oogenblik. Zijn rechterhand hield haar linker omvat en hij drukte haar arm dicht tegen zijn hart terwijl hij zich tot haar voorover boog.
âHebt gij mij waarlijk lief, Hetty? Wilt gij mijn eigen vrouw zijn, en mij liefhebben, en voor mij zorgen zoolang ik leef?quot;
Hetty sprak niet, maar Adams gelaat was dicht naar het hare heengebogen en zij legde haar kleine, ronde wang tegen de zijne, als een poesje. Zij had behoefte geliefkoosd te worden â behoefte zich te gevoelen alsof Arthur weder bij haar was.
Wat bekommerde Adam zich na dezen om woorden? En nauwelijks spraken zij tot elkander gedurende het overige van hun wande-
406
DE VERLOVING.
ling. Hij zei alleen: âIk mag het immers wel aan uw oom en tante vertellen, mag ik niet, Hetty?quot; en zij zeide: âJa.quot;
De roode gloed van het haardvuur op de hoeve verlichtte vroolijke aangezichten dien avond, toen Hetty naar boven gegaan was, en Adam de gelegenheid waarnam om aan boer en boerin Poyser en aan den grootvader te verhalen dat hij nu kans zag een vrouw te onderhouden, en dat Hetty er in had toegestemd hem tot man te nemen.
âIk hoop dat gij er niet tegen hebt dat zij mij tot echtgenoot krijgt,quot; zei Adam; âvoor het oogenblik ben ik nog maar een arme jongen, maar haar zal niets ontbreken dat ik haar door werken verschaffen kan.quot;
âEr tegen hebben?quot; zei boer Poyser, terwijl de grootvader zich voorover boog en zijn lang gerekt âneen, neenquot; uitbracht. âWat zouden wij er tegen hebben, jonkman? Wat doet het er toe dat gij nu betrekkelijk nog arm zijt? Er ligt kapitaal in uw hoofd zooals er kapitaal ligt in het bezaaide veld, maar het moet zijn tijd hebben. Gij hebt genoeg om mede te beginnen, en wij kunnen u wel in het huishouden zetten. Gij hebt veeren en linnen genoeg â in overvloed, nietwaar?quot;
Deze vraag werd natuurlijk gericht tot boerin Poyser, die in een warmen omslagdoek gewikkeld zat en te heesch was om met haar gewone snelheid te kunnen spreken.
Eerst knikte zij met nadruk, maar was weldra buiten staat de verzoeking te wederstaan om zich duidelijker te verklaren.
âHet zou er mooi uitzien zoo ik geen veeren en geen linnen had,quot; zei ze met schorre stem, âik die nooit een vogel verkoop zonder dat hij vooraf geplukt is, en terwijl het wiel hier snort alle dagen van de week.quot;
âKom, mijn kind,quot; zei boer Poyser, toen Hetty beneden kwam, âkom en geef ons een kus en laat ons u gelukwenschen.quot;
Hetty ging, zeer bedaard, en kuste den forschen, goedigen man.
âDaar!quot; zei hij, haar op den rug kloppend, âga en kus ook uw tante en uw grootvader. Ik verlang u gevestigd te zien alsof gij mijn eigen dochter waart, en zoo denkt uw tante er ook over, wil ik wedden, want zij heeft nu zeven jaar lang met u gedaan, Hetty, alsof gij haar eigen kind waart. Komaan, komaan nu,quot; ging hij vroolijk voort, zoo ras Hetty haar tante en den ouden
407
DB VERLOVING.
man gekust had. âAdam verlangt ook naar een zoentje, wil ik wedden, en hij heeft er nu recht op.quot;
Hetty keerde zich glimlachend af naar haar ledigen stoel.
âKom, Adam, neem er dan een,quot; hield boer Peyser vol, âanders zijt gij maar een halve kerel.quot;
Adam stond op, blozend als een klein meisje â groote, forsche knaap die hij was â en zijn arm om Hetty heenslaande, boog hij zich en kuste zachtjes haar lippen.
Het was een liefelijk tooneel in het roode licht van den haard, want er waren geen kaarsen aangestoken; waartoe zou dat dienen, terwijl het vuur zoo helder brandde en weerkaatst werd door al het blinkend koper en het gladgewreven eikenhout? Niemand behoefde te werken op Zondagavond. Zelfs Hetty gevoelde iets dat naar tevredenheid zweemde te midden van zooveel liefde. Adams genegenheid voor haar, Adams liefkoozingen wekten geen hartstocht bij haar op, waren niet langer genoeg om haar ijdelheid te voldoen, maar zij waren het beste dat het leven haar nu aanbood â zij beloofden haar eenige verandering.
Een groote discussie werd gehouden voor Adam vertrok over de mogelijkheid om een geschikte woning voor hen te vinden. Er was geen huis ledig behalve dat naast William Maskery, en dat was nu te klein voor Adam. Boer Poyser hield vol dat het best zou zijn indien Seth en zijn moeder verhuisden en Adam in het oude huis lieten, dat na eenigen tijd zou kunnen vergroot worden; want er was plaats in overvloed op de houtwerf en in den tuin; maar Adam had er tegen, zijn moeder te verdrijven.
âNu, nu,quot; zei boer Poyser eindelijk, âwij behoeven ook van avond niet alles te bepalen. Wij moeten tijd nemen om te overleggen. Gij kunt toch aan geen trouwen denken voor Paschen. Ik ben niet voor lang vrijen, maar men moet ten minste tijd hebben om den boel in orde te brengen.quot;
âJa, wel zeker,quot; zei boerin Poyser, âChristen-menschen kunnen niet trouwen als de koekoeken, zou ik denken.quot;
âHet wordt mij toch wat benauwd om het hart,quot; zei boer Poyser, wanneer ik bedenk dat wij misschien aanzegging zullen krijgen om de plaats te verlaten, en genoodzaakt zullen zijn een hoeve te nemen twintig mijlen hier vandaan.quot;
âOch,quot; zei de oude man, op den vloer starend en zijn handen
408
DE VBHLOVING.
op en neder beurend, terwijl zijn arm op de leuning van den stoel rustte, âhet zal een bedroefde geschiedenis zijn wanneer ik de oude plek moet verlaten, en begraven worden in een vreemde gemeente. En dan zult gij misschien de dubbele kosten te betalen hebben,quot; voegde hij er bij, tot zijn zoon opziende.
âKom, vader, gij moet niet zuchten voor den tijd,quot; zei Martin de jonge. âMisschien komt de kapitein thuis en maakt onze zaak goed bij den ouden heer. Daar hoop ik op, want ik weet dat de kapitein aan de menschen recht laat wedervaren waar en wanneer hij kan.quot;
HOOFDSTUK XXXV.
GEHEIME ANGSTEN.
Het was een drukke tijd voor Adam â de tijd tusschen het begin van November en het begin van Februari, en hij kon Hetty slechts zelden zien behalve op Zondag. Maar toch een gelukkige tijd, want hij voerde hem dagelijks nader tot Maart, wanneer zij trouwen zouden, en allerlei kleine toebereidselen voor de nieuwe huishouding kenmerkten de nadering van den lang verbeiden dag. Twee nieuwe kamers waren âbijgetrokkenquot; bij het oude huis, want zijn moeder en Seth zouden, alles welbezien, bij hen blijven inwonen. Lijsbeth had zoo bedroefd geschreid op het denkbeeld, Adam te moeten verlaten, dat hij naar Hetty gegaan was en haar gevraagd had of zij, ter liefde van hem, geduld zou willen hebben met zijn moeders humeur en met haar zou willen samenwonen. Tot zijn onuitsprekelijke blijdschap had Hetty gezegd: âJa, het is mij om het even of zij bij ons woont of niet.quot; Hetty's geest was op dat oogenblik gedrukt door een grooter bezwaar dan het humeur van de arme Lijsbeth; zij kon zich om deze kleinigheid niet bekommeren. Zoo werd Adam getroost van zijn teleurstelling toen Seth van zijn reisje naar Snowfield teruggekomen was en gezegd had: âEr was niets aan te doen â Dina's hart was niet geneigd tot het huwelijk.quot; Want toen hij aan zijn moeder vertelde dat Hetty bereid was om met haar samen te wonen en zij nu niet behoefden te scheiden,
409
GEHEIME ANGSTEN.
antwoordde zij op meer tevreden toon dan waarop hij haar had hooren spreken sinds het bepaald was dat hij zou gaan trouwen: âGoed, mijn jongen, ik zal zoo stil zijn als de oude poes, en nooit ander werk willen doen dan het slobbetjeswerk, waarin zij geen lust zal hebben. En dan behoeven wij de borden en de andere dingen niet te deelen, die naast elkander op de plank gestaan hebben al voor gij geboren werdt.quot;
Er was slechts ééne wolk die nu en dan heendreef voorbij den zonneschijn waarin Adam leefde: Hetty scheen ongelukkig somtijds. Maar op al zijn angstig teedere vragen antwoordde zij met de verzekering dat zij volkomen tevreden was en niets anders begeerde; en den volgenden keer dat hij haar zag was zij levendiger dan ooit. Het kon wezen dat zij wat afgetobd was door werk en beslommeringen; want even na Kersttijd had boerin Poyser weder een koude gevat, die een ontsteking teweeggebracht had, en deze ziekte had haar de geheele maand Januari in haar kamer opgesloten gehouden. Hetty moest beneden voor alles zorgen, en had daarbij nog half de plaats van Molly te vervullen, terwijl dit goede meisje haar meesteres oppaste, en zij scheen zich zoo geheel aan haar nieuwe bezigheden over te geven, en werkte met zulk een â haar anders vreemde â ernstige vastberadenheid, dat boer Poyser dikwijls aan Adam verzekerde dat zij hem ongetwijfeld wilde laten zien welk een knap huishoudstertje hij tot vrouw kreeg; maar âhij vreesde dat het meiske zich overwerkte â zij moest een weinig rust nemen als haar tante beneden kwam.quot;
Deze zeer gewenschte gebeurtenis, het benedenkomen van boerin Poyser, viel voor in het eerste gedeelte van Februari, toen het zachte weder het laatste plekje sneeuw op de heuvelen van Bin-ton smelten deed. Op een van deze dagen, kort nadat haar tante beneden gekomen was, ging Hetty naar Treddleston om voor haar uitzet eenige zaken te koopen die nog ontbraken, een verzuim waarover boerin Poyser haar beknord had, zeggend: âIk kan wel zien dat het geen dingen zijn om buitenop te hangen; dan zoudt gij ze wel spoediger gekocht hebben.quot;
Het was omstreeks tien uren in den morgen toen Hetty vertrok, en de lichte rijp, die de heggen in den vroegen ochtend van witte knevelbaarden voorzien had, was verdwenen, toen aan den onbewolkten hemel de zon verrees. Heldere Februari-dagen oefe-
410
GEHEIME ANGSTEN.
nen op ons een zoeter betoovering van blijde hoop dan eenige andere tijd van het jaar. Met genot staat men stil in de zachte zonnestralen, en kijkt over de heggen naar het geduldig ploegpaard dat zich omkeert aan het eind der voren, en denkt na over het schoo-ne jaar dat in zijn gansche lengte voor ons ligt. De vogelen schijnen iets dergelijks te gevoelen; hun tonen zijn even helder als de heldere lucht. Er zijn geen bladen aan boomen of heggen, maar hoe groen is het gras der weiden! en ook het donkere purperen bruin der omgeploegde aarde en der naakte takken, ook dat is schoon. Welk een vroolijk oord schijnt onze wereld hier beneden, als men heenrijdt door de valleien en over de heuvelen! Meermalen heb ik dit gedacht wanneer, in vreemde landen, waar de velden en de wouden mij aan ons Engelsch Loamshire deden denken â de grond met evenveel zorg bebouwd, de bosschen afgolvend langs de zachte glooiingen naar de groene weiden â ik aan den zoom van den weg een voorwerp ontwaarde, waardoor mij herinnerd werd dat ik niet in Loamshire was; het beeld van een groote stervenssmart â de stervenssmart van het Kruis. Dat teeken â het stond misschien naast een struik in vollen bloemendos, of in den hellen zonneschijn bij het korenveld, of bij een dwarspad in het bosch waarachter een beekje murmelde, en zeker, wanneer een vreemdeling nederdaalde in deze wereld, onbekend met de geschiedenis van het menschelijk levenslot, dan zou dit beeld der smart hem ongetwijfeld zeer misplaatst voorkomen te midden dier vreugdevolle natuur. Hij zou niet weten dat wellicht, verborgen achter de appelbloesem, of tusschen het gouden koren, of onder de beschermende takken van het woud, een menschelijk hart van wanhoop samenkromp; misschien een jong, bloeiend meisje, dat niet weet waarheen zich te wenden om een schuilplaats te zoeken tegen de naderende schande; even onkundig van dit ons aardsche leven als een onnoozel verdoold lam, met den vallenden nacht steeds verder afdwalend langs de eenzame heide, en dat niettemin den wrangsten dronk uit de kelk van 's levens bitterheden proeft.
Zulke dingen liggen somtijds verscholen tusschen de zonnige velden; en het gefluister van zeker murmelend beekje, wanneer gij dicht bij zeker plekje kwaamt, achter zeker klein boschje zou zich voor uw oor kunnen vermengen met het snikken der menschelijke vertwijfeling. Geen wonder dat op den bodem van 's menschen gods-
411
GEHEIME ANGSTEN.
dienst een groote mate van weemoed en droefheid ligt; geen wonder dat hij een Lijdenden God behoeft.
Hetty, met haar roeden mantel om, haar warmen hoed op en haar mandje aan den arm, slaat het pad in naar een hek bezijden den Treddlestonschen weg, maar niet om te meer genot te hebben van den zonneschijn, of om met blijde hoop te denken aan het lange ontluikende jaar. Zij is zich te nauwernood bewust dat de zon schijnt. En haar hoop â indien zij sinds weken op iets ter wereld gehoopt heeft, het is geweest op iets waarvoor zijzelve rilt en terugbeeft. Zij verlangt enkel van den groeten weg af te komen, om langzamer te kunnen gaan, en zich niet meer te bekommeren te hebben over de uitdrukking van haar gelaat, terwijl zij zich met pijnlijke gedachten bezighoudt; en door dit hek kan zij een pad bereiken door de velden, achter de dikke, dichte heggen. Haar oogen dwalen zonder iets te zien over de weiden, als de oogen eener verlatene) eener huis- en havelooze, een voorwerp van niemands liefde, niet als van de verloofde bruid van een braaf en teeder man. Maar er zijn geen tranen in haar oogen; al haar tranen heeft zij uitgeschreid in den akeligen nacht voor zij slapen ging. Bij den velgenden slagboom verdeelt zich het pad; twee wegen liggen voor haar â een langs de heggen, die haar eindelijk weder naar den groeten weg te. rug zal voeren, de andere deer de velden, die haar langs een veel groeter omweg naar de Lage Gronden zal heenleiden, waar zij niemand zien zal. Dezen kiest zij, en versnelt eenigszins haar tred, als dacht zij plotseling aan zeker voorwerp, waardig dat zij er zich héén spoedde. Weldra is zij in de Lage Gronden gekomen, waar de groene zeden langzaam naar beneden glooien, en zij verlaat den vlakken bodem om de glooiing te volgen. Verderop in de laagte ontwaart men een greepje beomen, en derwaarts richt zij haar schreden. Neen, het is geen greepje beemen, maar een donkere, halfverborgen vijver, zoo vol van den winterregen, dat de onderste takken der vlierstruiken een goed eind beneden de oppervlakte van het water hangen. Zij zet zich op den met gras begroeiden kant neder, leunend tegen den hellenden stam van den groeten eik die heenhangt over den donkeren vijver. Menigen nacht in de afgeloopen maand heeft zij aan dezen vijver gedacht; eindelijk is zij naar hem komen zien. Zij vouwt de handen samen op haar knieën, en buigt zich voorover, en staart ernstig in het water, als poogde zij te gissen welk
412
GEHEIME ANGSTEN.
soort van bed dit wezen zou voor haar jonge en poezele leden.
Neen, zij heeft den moed niet om in het koude waterbed te springen, en al had zij den moed, men zou haar daar kunnen vinden â men zou kunnen ontdekken waarom zij zich verdronken had. Slechts één uitweg staat voor haar open; zij moet vluchten, ergens heen waar men haar niet vinden kan.
Na het eerste ontwaken van haar grooten angst, eenige weken na haar verloving met Adam, had zij gewacht en gewacht, in de blinde, onbestemde hoop dat er iets gebeuren zou om haar te bevrijden van haar doodelijke vrees: maar zij kon nu niet langer wachten. Al de krachten harer natuur had zij saamgetrokken in de eene poging om alles verborgen te houden, en met onwederstaanbaren schrik was zij teruggedeinsd voor eiken stap waarvan ontdekking van haar rampzalig geheim het einde wezen kon. Telkens wanneer de gedachte om aan Arthur te schrijven zich aan haar voorgedaan had, had zij die teruggedrongen; hij kon niets voor haar doen om haar te beveiligen tegen ontdekking en minachting van den kant van betrekkingen en buren die, nu haar luchtkasteelen verdwenen waren, wederom haar gansche wereld uitmaakten. Haar verbeelding spiegelde haar langer geen geluk aan Arthurs zijde voor, want hij kon niets doen om haar trots te bevredigen of dien te sussen. Neen, er zou iets anders gebeuren â er moest iets gebeuren â om haar van dezen angst te bevrijden. In jeugdige, kinderlijke, onwetende zielen heerscht meestentijds zulk een blind vertrouwen op de een of ander onbestemde uitkomst: het is even moeielijk voor een knaap of een meisje te gelooven dat eenig groot ongeluk hun werkelijk overkomen zal, als te gelooven dat zij sterven moeten.
Doch nu, nu drong haar de noodzakelijkheid â nu was de tijd van haar huwelijk nabij â zij vond niet langer rust bij haar blind vertrouwen. Zij moest wegloopen; zij moest zich ergens gaan verbergen, waar geen bekende oogen haar konden gadeslaan; en te midden der verschrikkingen, die van zulk een vlucht onafscheidelijk waren, werd de mogelijkheid om Arthur op te zoeken een denkbeeld dat eenigen troost aanbracht. Zij gevoelde zich nu zoo hulpeloos, zoo geheel buiten staat zich haar toekomst verder voor te stellen, dat het vooruitzicht van hem voor haar te laten zorgen in zichzelf een verlichting was, sterker dan haar trots. Terwijl zij ne-derzat bij den vijver, rillend op den aanblik van het donkere, kou-
413
GEHEIME ANGSTEN.
de water, was de hoop dat hij haar met teederheid ontvangen â dat hij haar verzorgen en voor haar overleggen zou â als een gevoel van koesterende warmte dat haar tijdelijk voor al het andere ongevoelig maakte; en zij begon nu aan niets anders te denken dan aan het plan om weg te komen.
Korten tijd geleden had zij een brief van Dina gehad, vol vriendelijke woorden met betrekking tot haar aanstaand huwelijk, waarvan zij door Seth had gehoord; en toen Hetty dien brief aan haar oom voorgelezen had, had hij gezegd: âIk zou wel willen dat Dina nu terugkwam; zij zou een steun zijn voor uw tante als gij vertrekt. Hoe zoudt gij er over denken, mijn kind, om eens naar haar toe te gaan, zoo gauw gij hier gemist kunt worden, en haar over te halen met u terug te komen? Misschien zoudt gij haar kunnen bepraten door te zeggen dat haar tante haar wezenlijk noodig heeft, ook al schrijft zij dat het haar niet mogelijk is te komen.quot; Hetty vond de gedachte om naar Snowfield te gaan niet aangenaam; zij verlangde niet naar Dina, en zei dus enkel: âHet is zoo ver, oom.quot; Maar nu bedacht zij dat dit voorgesteld bezoek een goed voorwendsel wezen zou voor haar vertrek. Zij zou aan haar tante zeggen, als zij weder thuis zou zijn gekomen, dat zij toch wel lust zou hebben om voor acht of tien dagen naar Snowfield te gaan. En dan, wanneer zij te Stoniton kwam, waar niemand haar kende, zou zij vragen naar de diligence die haar op den weg naar Windsor brengen moest. Arthur was te Windsor en zij wilde naar hèm toe.
Zoodra Hetty omtrent dit plan besloten was, stond zij op van haar zitplaats aan den met gras begroeiden vijverkant, hing haar mandje aan den arm, en sloeg den weg in naar Treddleston; want zij wilde het bruidsgoed koopen waarvoor zij uitgegaan was, ofschoon zij het nimmer zou noodig hebben. Zij moest zorgvuldig vermijden, eenigen argwaan te doen ontstaan dat zij voornemens was weg te loopen.
Boerin Poyser was zeer aangenaam verrast dat Hetty naar Dina wenschte te gaan en haar wilde bewegen om over te komen voor de bruiloft. Hoe eer zij ging hoe beter, nu het weder zoo gunstig was, en Adam, toen hij in den loop van den avond aankwam, zei, dat zoo Hetty morgen vertrekken kon, hij het er op schikken zou dat hij haar naar Treddleston bracht en zorgen dat zij veilig in de diligence naar Stoniton kwam.
414
GEHEIME ANGSTEN.
âIk wenschte dat ik met u gaan kon om op u te passen, Hetty,quot; zei hij, den volgenden morgen, leunend over het portier; âmaar gij blijft toch niet veel langer weg dan een week, nietwaar? â De tijd zal mij zoo lang vallen.quot;
Hij zag haar teeder aan, en zijn krachtige hand hield de hare omvat. Hetty had een gevoel van bescherming in zijn tegenwoordigheid â zij was daar nu aan gewoon; had zij het verledene slechts ongedaan kunnen maken, en nooit eenige andere liefde gekend dan haar rustige genegenheid voor Adam! De tranen kwamen haar in de oogen toen zij hem den laatsten blik toewierp.
âGod zegene haar voor haar liefde,quot; zei Adam, terwijl hij den weg naar zijn werk weder insloeg, met Presto dicht achter zich aan.
Maar Hetty's tranen vloten niet om Adam â niet om den slag die hem treffen zou wanneer hij vernemen zou dat zij voor altoos van hem gevloden was. Zij werden geschreid om de ellende van haar eigen lot â dat haar wegvoerde, van dezen braven, teederen man, die bereid was zijn gansche leven voor haar op te offeren, en dat haar, als een arme, hulpelooze smeekeling, opdrong aan dien anderen man, die het als een ramp zou beschouwen dat zij genoodzaakt was haar toevlucht bij hem te zoeken.
Omstreeks drie uren in den namiddag van dienzelfden dag, toen Hetty gezeten was op de diligence, die haar, zooals men zeide, naar Leicester brengen moest â nog slechts een gedeelte van den langen, langen weg naar Windsor â had zij een voorgevoel dat het einde dier rampzalige reis wellicht het begin van nieuwe ellende wezen zou.
Toch, Arthur was te Windsor; hij zou zeker niet boos op haar zijn. Al had hij haar ook niet meer even lief als voorheen, hij had beloofd, goed voor haar te zullen wezen.
415
VIJFDE BOEK.
HOOFDSTUK XXXVI.
DB HEENREIS.
Een lange, eenzame reis, met droefheid in het hart, die wegvoert van het gemeenzame en heenglijdt naar het onbekende: wel is dit een harde, treurige zaak, zelfs voor den rijke, den sterke, den welonderwezene; een harde zaak, zelfs wanneer plichtsgevoel ons roept, en wij niet worden voortgedreven door den angst.
Wat moest zulk een reis dan niet voor Hetty wezen? Met haar onnoozele, haar bekrompen gedachten, niet langer zich verliezend in onbestemde hoop, maar nedergedrukt door een bepaalde vrees; telkens en telkens weder denzelfden kring van herinneringen doorloopend â zich telkens en altoos weder dezelfde nevelachtige beelden scheppend van hetgeen komen zou â in deze gansche wijde wereld niets ziende dan de kleine geschiedenis van haar eigen genoegens en haar eigen smart; met zoo weinig geld in haar beursje, en voor zich uit zulk een langen, moeielijken weg. Kon zij niet allerwege den vrachtprijs der diligences bekostigen â en zij was overtuigd van niet, want de reis naar Stoniton was veel duurder geweest dan zij gedacht had â dan schoot er niet anders over dan te rekenen op vrachtkarren en langzaam voortkruipende wagens, en welk een lange tijd zou moeten verloopen voor zij het einde harer reis bereikte! De dikke, oude koetsier van Oakbourne had, toen hij zulk een schoon, jong vrouwtje ontwaarde tusschen de reizigers bovenop, haar uitgenoodigd naast hem te komen zitten, en gevoelend dat het hem als man en als koetsier betaamde, het gesprek met een geestigheid te openen, legde hij, zoo schielijk zij de keien achter den rug hadden, zich op de uitvinding toe van eene
DB HEENREIS.
die in alle opzichten gepast zou wezen. Na verscheiden oefeningen met de zweep en meer dan een schelmschen blik op Hetty, verhief hij zijn lippen boven den rand zijner bouffante en zei:
âHij zal wel bijna zes voet halen, wil ik wedden? Beken het maar.quot;
,Wie?quot; vroeg Hetty, eenigszins verschrikt.
âNu, het liefje dat gij achter hebt gelaten, of anders het liefje dat gij nareist â wie van de twee?quot;
Hetty voelde dat haar gelaat eerst gloeide en daarna bleek werd. Zij dacht dat die koetsier iets van haar weten moest. Hij moest Adam kennen, en zou hem vertellen waar zij heengegaan was, want lieden die op het land wonen, kunnen moeielijk gelooven dat degenen die de aandacht tot zich trekken in hun eigen gemeente ook niet overal elders bekend zijn, en even moeielijk was het voor Hetty te begrijpen dat een toevallig gesproken woord juist op haar eigen omstandigheden passen kon. Zij was te verschrikt om te kunnen antwoorden.
Nu, nu!quot; zei de koetsier, bemerkend dat zijn aardigheid niet zoo goed nedergekomen was als hij verwacht had, âgij moet het niet te ernstig opnemen; zoo hij u slecht behandeld heeft, neem een ander. Zulk een mooi meisje als gij kan alle dagen een vrijer krijgen.quot;
Hetty's vrees bedaarde langzamerhand, toen zij gewaar werd dat de koetsier geen verdere toespelingen maakte op haar eigen aangelegenheden ; toch weerhield het haar hem te vragen, welke plaatsen zij moest doortrekken op haar weg naar Windsor. Zij vertelde hem dat zij niet verder dan even buiten Stoniton ging, en toen zij afstapte aan de herberg waar de diligence aankwam, spoedde zij zich voort met haar mandje naar een ander gedeelte der stad. Bij het beramen van haar plan om naar Windsor te gaan, had zij geen andere moeilijkheden voorzien dan die van weg te komen, en nadat zij dit bezwaar had overwonnen door haar voorgesteld bezoek aan Dina, waren haar gedachten heengesneld naar de ontmoeting met Arthur, en naar de vraag hoe hij zich jegens haar gedragen zou â in het geheel niet stilstaand bij mogelijke ongevallen op den weg. Zij was te volslagen onbekend met het reizen om zich iets van de daaraan verbonden bijzonderheden te kunnen voorstellen, en met haar ganschen voorraad geld â haar drie guinjes â in den ADAM BEDE. 27
417
DE HEENREIS.
zak, rekende zij zich ruim genoeg voorzien. Niet voor dat zij ondervond hoeveel het haar kostte om te Stoniton te komen, begon zij ongerust te worden over de reis, en toen, voor de eerste maal, gevoelde zij haar onwetendheid ten aanzien van de plaatsen die zij moest doortrekken op haar weg. Nedergedrukt door deze nieuwe onrust, wandelde zij door de norsche straten van Stoniton, en trad eindelijk een kleine, geringe herberg binnen, in de hoop daar een goedkoop nachtverblijf te zullen vinden. Hier vroeg zij aan den waard of hij ook wist welke plaatsen zij door moest trekken om te Windsor te komen.
âJa, dat kan ik niet zoo precies zeggen. Windsor moet niet ver van Londen liggen, want het is de plaats waar de koning woont,quot; was het antwoord. âIn ieder geval zoudt gij het best doen met van hier naar Ashby te gaan â dat ligt zuidelijk. Maar tusschen hier en Londen, voor zoover ik weet, liggen evenveel plaatsen als er huizen in Stoniton staan. Ik ben nooit zelf een groot reiziger geweest. Maar hoe komt een jonge vrouw zooals gij op den inval, zulk een reis alleen te doen?quot;
âIk ga naar mijn broeder â hij ligt in garnizoen te Windsor,quot; zei Hetty, verschrikt door den onderzoekenden blik van den waard. âHet is mij te duur om met de diligence te gaan; zoudt gij denken dat er een kar ging naar Ashby, morgen?quot;
âWel mogelijk dat er karren zijn, zoo men maar kon te weten komen waar zij afrijden; maar gij zoudt de stad kunnen afloopen voor gij dat uitvondt. Het best is dat gij maar opwandelt, in de hoop dat de een of andere voerman u inhaalt.quot;
Elk zijner woorden zonk neder en woog als lood op Hetty's gemoed. Langzaam zag zij nu de reis zich voor haar uitstrekken; zelfs om naar Ashby te komen, scheen groote moeite in te hebben ; misschien ging er wel de gansche dag mede heen, en dit was nog niets vergeleken bij het overige van de reis. Maar het moest geschieden â zij moest naar Arthur; o hoe snakte zij er naar, weder bij iemand te zijn die voor haar zorgen zou! Zij die 's morgens nooit was opgestaan zonder de zekerheid, bekende aangezichten te zullen zien, menschen op wie zij een erkend recht had; wier verste reis geweest was naar Eosseter, op het vrouwenzadel, met haar oom; wier gedachten zich steeds vermeid hadden in droomen van genot, omdat alle ernstige zaken des levens door
418
DE HEENREIS.
anderen voor haar beschikt werden: â dit onnoozele kiekentje, deze Hetty, die tot weinige maanden geleden geen andere smart had gekend dan dat zij aan Maiy Burger een nieuw lint benijdde, of dat zij beknord werd door haar tante omdat zij niet op Tot-ty paste, moest nu haar moeizamen weg in eenzaamheid afleggen, met haar vredig thuis voor altoos achter, en met niets dan een onzeker uitzicht op een verwijderde schuilplaats voor zich. Voor de eerste maal, terwijl zij dien nacht nederlag in het vreemde, harde bed, gevoelde zij nu dat haar thuis een gelukkig thuis geweest was, dat haar oom zeer goed voor haar placht te zijn, dat zij gaarne zou ontwaken en bevinden dat haar rustig lot te Hay-slope â te midden van voorwerpen en personen die zij kende, met haar meisjestrots op haar eenige beste japon en hoed, en met niets dat zij voor anderen behoefde te verbergen â dat dit alles een werkelijkheid, en dat geheel het koortsig leven, dat zij daarbuiten gekend had, een voorbijgaande nachtmerrie was. Zij dacht aan al hetgeen zij achtergelaten had met smachtenden spijt om haar zelfs wille: haar eigen ellende vervulde haar gansche hart; er was daar geen plaats voor de smart van anderen. En toch, vóór dien wreeden brief was Arthur zoo teeder en liefdevol geweest: de herinnering daaraan had nog een zekere bekoorlijkheid voor haar, ofschoon het niet meer was dan een verdoovenden drank die de pijn nog juist draaglijk maakte. Want Hetty kon zich in de toekomst geen ander dan een verborgen leven denken, en een verborgen leven, zelfs met liefde, zou niets bekoorlijks voor haar hebben, nog minder een leven met schande vermengd. Zij kende geen romans, en bezat zelve slechts een gering deel dier gevoelens die aan romans ten bron verstrekken, zoodat belezen dames misschien moeite zullen hebben, haar zielstoestand te begrijpen. Zij was te onwetend in alles, behalve de eenvoudige denkbeelden en gewoonten waarin zij grootgebracht was, om zich eenige meer bepaalde voorstelling van haar toekomst te kunnen vormen dan deze: dat Arthur op de een of andere wijs voor haar zorgen en haar beveiligen zou tegen toorn en minachting. Hij zou haar niet trouwen, geen groote dame van haar maken; en uitgezonderd deze twee, kon zij niets bedenken waarnaar zij met verlangen en eerzucht als naar een weldaad van hem zou kunnen uitzien.
Den volgenden morgen stond zij vroeg op, nam slechts eenig
27*
419
DE HEENREIS.
brood en melk voor haar ontbijt, en ondernam haar wandeling langs den weg naar Ashby onder een loodkleurigen hemel, met een smaller wordende streep geel als een beeld der verdwijnende hoop, aan den zoom des gezichteinders. Te midden van haar moedeloosheid' over de langdurigheid en de moeiehjkheid harer reis, vreesde zij allermeest haar geld te verteren, en zoo ontbloot te geraken dat zij bedelen moest; want Hetty bezat niet slechts den trots eener trotsche natuur, maar ook van een trotsche klasse â de klasse die het meest betaalt aan den armentaks, en die beeft op het denkbeeld van immer zelf iets van dien taks te genieten. Het was haar nog niet ingevallen dat zij geld zou kunnen maken van het medaillon en de oorringetjes die zij met zich droeg, en zij wendde al haar geringe cijferkunst en kennis van prijzen aan, om uit te rekenen hoeveel maaltijden en hoeveel tochten met rijtuigen lagen besloten in haar twee guinjes en haar zooveel shillings â die er zoo mistroostig uitzagen, als waren zij de bleeke asch dier andere schitterender muntstukken.
Gedurende de eerste weinige mijlen buiten Stoniton wandelde zij dapper voort, zich telkens een boom, of een hek, of een vooruitspringend boschje aan het verst verwijderd eind van den weg ten doel kiezend, en een flauwe blijdschap ervarend wanneer zij dit doel bereikt had. Maar toen zij den vierden mijlsteen naderde, den eersten dien zij bij toeval ontwaarde tusschen het lange gras bezijden den weg, en daarop las dat zij nog eerst vier mijlen dezerzijds Stoniton gevorderd was, begon haar de moed te ontzinken. Zij had nog slechts dit kleine eind weegs afgelegd, en voelde zich reeds vermoeid en bijna weder hongerig in de fijne morgenlucht, want hoewel Hetty gewoon was aan veel beweging en inspanning in huis, waren lange wandelingen haar vreemd, en deze brengen een geheel andere soort van vermoeidheid teweeg dan die van huishoudelijke bezigheden. Terwijl zij op den mijlsteen tuurde, voelde zij eenige droppels op haar gelaat vallen â het begon te regenen. Dit was een nieuwe ramp die haar treurige gedachten niet voorzien hadden, en gansch ternedergeslagen door deze plotselinge vermeerdering van haar last, zette zij zich op het dwarshout van een slagboom neder en begon zenuwachtig te snikken. Het begin van tegenspoed is als de eerste smaak van onrein voedsel â voor een oogenblik schijnt het ondraaglijk, en toch, als er niets anders is
420
DE HEENREIS.
om onzen honger te stillen, nemen wij een tweede bete en achten het mogelijk voort te gaan. Toen Hetty van haar uitbarsting en haar tranen eenigszins bekomen was, verzamelde zij haar zinkenden moed; het regende, en zij moest beproeven een dorpje te bereiken waar zij rusten en een onderkomen vinden kon. Terwijl zij zoo lusteloos voortwandelde, hoorde zij het rollen van zware wielen achter zich, een overdekte wagen naderde, langzaam voortkruipend en bestuurd door een loggen boer, die met zijn zweep klappend naast de paarden ging. Zij stond stil en wachtte, voornemens om, zoo de voerman er niet al te barsch uitzag, hem te vragen of hij haar wilde opnemen. Toen de wagen haar naderde, was de voerman een eind ten achter geraakt, maar zij ontwaarde iets voor in het groote voertuig dat haar moed gaf. Ieder ander oogenblik van haar leven zou zij het niet hebben opgemerkt, maar nu, aandoenlijker geworden door haar lijden, maakte dit voorwerp een sterken indruk op haar. Het was een klein wit-en-geel patrijshondje, dat op de voorbank van den wagen zat, met groote, beschroomde oogen en een onophoudelijk bevend lijfje, zooals de lezer bij sommige dier schepseltjes zelf meermalen zal hebben opgemerkt. Hetty hield niet van dieren, gelijk men weet, maar op dit oogenblik was het haar, alsof dit hulpelooze, bloode schepsel eenige verwantschap had met haar-zelve, en zonder zich van de reden duidelijk bewust te zijn, gevoelde zij minder schroom om den voerman, die thans te voorschijn kwam, toe te spreken â een breede, forsche man, met een zak over de schouders bij wijze van mantel of kraagjes.
âZoudt gij mij niet in uw wagen willen opnemen, zoo gij naar Ashby gaat?quot; vroeg Hetty. âIk zal er u voor betalen.quot;
âNu,quot; zei de kolossale man met dien langzaam doorbrekenden glimlach die eigen is aan grove aangezichten, âik kan u ook wel opnemen zonder er voor betaald te worden, zoo gij er niet tegen hebt, een weinig gedrongen te liggen boven op de balen wol. Waar komt gij van daan, en wat moet gij te Ashby doen?quot;
âIk kom van Stoniton, en moet een lange reis maken naar Windsor.quot;
âWaarvoor? Om een dienst, of waarvoor?quot;
âIk ga naar mijn broeder â die ligt daar in garnizoen.quot;
âNu, ik ga niet verder dan Leicester â en dat is al ver genoeg â maar ik zal u opnemen, zoo gij er niet tegen opziet wat lang
421
DE HEENREIS.
onderweg te zijn. De paarden zullen van uw gewicht niet meer bespeuren dan van dat kleine hondje daar, dat ik voor veertien dagen op den weg gevonden heb. Het was verloren, denk ik, en heeft al dien tijd zitten bibberen en beven. Geef mij zoolang uw mandje, en kom dan zelf hier aan den achterkant, dan zal ik er u in helpen.quot;
Neder te liggen op de balen wol, met een open reet tusschen de zeilen der huif om lucht binnen te laten, was nu weelde voor Hetty, en voor de helft versliep zij de uren, tot de voerman haar kwam vragen of zij niet af wilde stijgen âom wat te gebruikenquot;; hijzelf zou in deze herberg zijn middagmaal nemen. Laat in den nacht kwamen zij te Leicester aan, en zoo ging deze tweede dag van Hetty's reis voorbij. Zij had geen geld verteerd behalve hetgeen zij voor haar voedsel betaald had, maar zij gevoelde dat zij dit langzaam reizen geen tweeden dag zou kunnen uithouden, en in den morgen zocht zij haar weg naar een postwagen-bureau om inlichtingen te vragen omtrent den weg naar Windsor, en te onderzoeken of het haar al dan niet te veel zou kosten, een gedeelte van den afstand wederom met de diligence af te leggen. Ja, de afstand was te groot â de postwagens waren te duur â zij moest er van afzien; maar de bejaarde klerk in het bureau, geroerd door de uitdrukking van angst op haar schoon gelaat, schreef de namen der voornaamste plaatsen, die zij moest doortrekken, voor haar op. Dit was al de troost dien zij in Leicester vond; want de mannen staarden haar aan op de straten, en voor de eerste maal in haar leven wenschte Hetty dat niemand naar haar keek. Wederom hervatte zij haar wandeling, maar dezen dag was zij gelukkig, want weldra werd zij ingehaald door een vrachtkar die haar naar Hinckley bracht, en met behulp van een retour-chais met een dronken postiljon, die haar schrik aanjoeg â door te rijden in den trant als Jehu, den zoon van Nimsi, en die, achterover in den zadel geleund, haar op een stroom van kwinkslagen onthaalde â was zij vóór den nacht in het hart van het woudrijk Warwickshire, maar toch nog op een honderdtal mijlen afstands van Windsor, zooals men zei. O, hoe groot was de wereld, en hoe zwaar viel haar de taak, er den weg in te vinden! Bij vergissing ging zij naar Stratford-on-Avon; Stratford stond op haar lijstje, en men zei haar dat zij een goed eind van den rechten weg afgedwaald was. Niet voor den vijfden dag bereikte zij Stony Strat-
422
DE HEENREIS.
ford. Een reis van geen aanbelang wanneer men op de kaart ziet en in de schatting van hem die zich menig aangenaam toertje herinnert heen en weder naar de grazige oevers van den Avon. Maar hoe afmattend lang was dezelfde reis voor Hetty! Het was haar of dit land van vlakke velden en heggen, en spitse huizen, en dorpen en marktsteden â die in haar onverschillig oog alle volkomen op elkander geleken â nimmer eindigen zou; of zij haar leven lang hier voort zou moeten dolen, vermoeid wachtend aan tolhekken tot er een kar aankwam, om weldra te vernemen dat de kar slechts een klein eind ver ging â zeer klein â naar den molenaar, op een mijl afstands misschien, en zij verfoeide herbergen, waar zij voedsel moest koopen en vragen doen, omdat zij altijd vol mannen waren die haar aangaapten en op ruwe wijze met haar schertsten. Haar lichaam was ook zeer afgemat door deze nieuwe dagen van vermoeienis en angst; zij hadden haar bleeker gemaakt en grooter verval op haar wezen geteekend dan al de verholen angst dien zij thuis had uitgestaan. Toen zij eindelijk te Stony Stratford aankwam, waren haar ongeduld en haar vermoeidheid sterker dan haar zuinigheid; zij besloot het overige van den weg in den postwagen af te leggen, al moest het haar ook al haar overgebleven geld kosten. Te Windsor had zij niets van noode dan alleen Arthur te vinden. Toen zij de vracht voor de laatste diligence betaald had, had zij nog maar één shilling over, en toen zij afstapte aan den âGroenen Manquot; te Windsor, 's middags te twaalf uur op den zevenden dag, hongerig en flauw, naderde haar de conducteur, en verzocht haar om een fooitje. Zij stak haar hand in den zak, en haalde den shilling te voorschijn, doch met het gevoel van haar uitputting, en met de gedachte dat zij het laatste middel wegschonk om voedsel te bekomen â en zij had werkelijk voedsel noodig voor zij Arthur kon gaan opzoeken â kwamen ook de tranen. Terwijl zij hem den shilling toestak, hief zij haar donkere, bedauwde oogen op naar den conducteur en vroeg: âKunt gij mij zes stuivers teruggeven?quot;
âNeen, neen,quot; zei hij barsch, âhet komt er niet op aan; steek den shilling maar weer op.quot;
De waard van den âGroenen Manquot; had dicht genoeg in de nabijheid gestaan om getuige te zijn van dit tooneel, en hij was iemand, wiens goedhartigheid zoowel als zijn gansche persoon, door zijn doorvoedheid in een loffelijken toestand bewaard werd. En
423
DE HEENREIS.
het lief, betraand gezicht van Hetty zou de gevoelige zenuw geroerd hebben in het hart der meeste mannen.
âKom, jonge vrouw, kom binnen,quot; zei hij, âen neem een dropje van het een of ander; gij zijt doodaf, dat zie ik wel.quot;
Hij nam haar met zich mede naar de gelagkamer en zei tot zijn wederhelft: âHier, moeder, neem die jonge vrouw mede naar de woonkamer; zij is wat van haar streek,quot; â want Hetty's tranen vloten overvloedig. Het waren enkel tranen van zenuwachtigheid; zij meende dat er nu geen reden tot schreien was, en zij was verdrietig omdat zij te zwak en te vermoeid was om het te voorkomen. Zij was immers nu te Windsor, niet ver van Arthur!
Zij keek met begeerige, hongerige oogen naar het brood, het vleesch en het bier, dat de waardin haar voorzette, en eenige minuten lang vergat zij alles, in het streelend gevoel van haar honger te stillen en te bekomen van haar uitputting. De waardin zat tegenover haar terwijl zij at en zag baar ernstig aan. Geen wonder, Hetty had haar hoed afgezet en haar krullen vielen losjes neder; haar jeugdig, schoon gelaat was nog aantrekkelijker door de vermoeidheid die er op geteekend stond. Daarna dwaalden de oogen der goede vrouw naar haar figuur, dat Hetty in haar haastig kleeden onder weg de moeite niet genomen had te verbergen; en daarenboven, het oog van de vreemde ontdekt wat de gemeenzame en niets kwaads vermoedende blik van den huisgenoot onopgemerkt laat.
âGij zijt in geen staat om te reizen,quot; zei zij, en wierp, terwijl zij sprak, een blik op Hetty's hand waaraan geen ring te bespeuren was. âKomt gij van ver?quot;
âJa,quot; zei Hetty, door deze vraag tot meer zelfbeheersching aangespoord en zich beter gevoelend na het voedsel dat zij had gebruikt. âIk kom een heel eind hier vandaan, en het is een vermoeiende tocht. Maar ik ben nu beter. Zoudt gij mij kunnen zeggen hoe ik mijn weg moet nemen naar deze plaats? Dit zeggende kreeg Hetty een stukje papier uit den zak; het was het onderste gedeelte van Arthurs brief, waarop hij zijn adres geschreven had.
Terwijl zij nog sprak, was de waard binnengekomen, en was begonnen haar ernstig aan te zien zooals zijn vrouw gedaan had. Hij nam het strookje papier, dat Hetty hem over de tafel toestak, en las het adres.
424
DE HEENREIS.
âWat hebt gij aan dat huis te maken?quot; vroeg hij. Het ligt in den aard van herbergiers, en van alle lieden die zeiven geen dringende bezigheden hebben, om zooveel vragen mogelijk te doen, voor zij naricht geven.
âIk moet een heer spreken, die zich daar bevindt,quot; zei Hetty.
âMaar er is daar geen heer,quot; hernam de herbergier. âHet huis is gesloten â sinds veertien dagen gesloten. Welken heer moet gij spreken? Misschien kan ik u zeggen waar gij hem vinden kunt.quot;
âKapitein Donnithorne,quot; zei Hetty op bevenden toon, en haar hart begon pijnlijk te kloppen bij deze verijdeling harer hoop dat zij Arthur dadelijk vinden zou.
âKapitein Donnithorne? Wacht eens even,quot; zei de waard langzaam. âWas hij niet in de Loamshire-militie? Een rijzig, jong officier, met een fraaie gelaatskleur en rossige knevels â en had hij geen oppasser die Pym heette?quot;
âJuist,quot; zei Hetty; âgij kent hem â waar is hij?quot;
âEen heel aantal mijlen hier vandaan; de Loamshire-militie is naar Ierland overgeplaatst; sinds veertien dagen zijn zij vertrokken.quot;
âAl zijn leven! zij valt flauw,quot; zei de waardin, haastig toeschietend om Hetty te ondersteunen, die haar rampzalig bewustzijn verloren had en er uitzag als een schoone doode. Zij droegen haar naar de rustbank en maakten haar kleed los.
âDat is een leelijke geschiedenis, vrees ik,quot; zei de waard, terwijl hij eenig water binnenbracht.
âHet is zoo klaar als de dag welk soort van geschiedenis het is,quot; zei de vrouw. âZij is geen gewone luchtige deerne, dat zie ik wel. Zij ziet er uit als een fatsoenlijk boerenmeisje, en zij komt een heel eind hier vandaan, dat kan men aan haar spraak wel hooren. Zij praat in den trant als die stalknecht dien wij gehad hebben uit het Noorden: wij hebben nooit knapper jongen in huis gehad â het zijn allen knappe menschen in het noorden.quot;
âVan mijn leven heb ik geen schooner jonge vrouw gezien,quot; zei de echtgenoot; âzij ziet er uit als een altaarstuk. Het gaat iemand aan het hart haar aan te staren.quot;
âHet zou haar beter gediend hebben zoo zij wat minder mooi en wat oppassender van gedrag was geweest,quot; zei de waardin, die, naar de liefde ons gebiedt te onderstellen, zelve meer oppassend-
425
426 DE HEENREIS.
heid dan schoonheid bezat. âMaar zij komt weer bij. Haal nog een weinig water.quot;
HOOFDSTUK XXXVII.
DE TERUGREIS.
Gedurende het overige van den dag was Hetty te ziek om te antwoorden op hetgeen men haar zou hebben willen vragen â te ziek zelfs om zich een duidelijke voorstelling te kunnen maken van de rampen die haar dreigden. Zij gevoelde alleen dat al haar hoop vernietigd was, en dat zij, in stede van een schuilplaats gevonden te hebben, slechts gekomen was aan den zoom eener nieuwe wildernis, zonder doel voor zich uit. Het gevoel van lichamelijk lijden, in een goed bed, omringd van de zorgen der goedhartige waardin, was een soort van verlichting voor haar; een soortgelijke verlichting als de flauwe afmatting is die iemand noodzaakt zich in het zand te laten nedervallen, in plaats van voort te werken in de brandende zon.
Maar toen zij door slaap en rust de noodige kracht had terug-bekomen om al de scherpte van haar zielelijden te gevoelen â toen zij den volgenden morgen lag te staren op het klimmend daglicht, dat als een wreede meester haar kwam dwingen tot een nieuwen kring van hatelijken en hopeloozen arbeid â begon zij te denken aan hetgeen haar te doen stond; zich te herinneren dat al haar geld verteerd was; en het vooruitzicht van wederom te moeten ronddolen onder vreemden, vertoonde zich aan haar in het nieuwe licht, door de ondervinding van haar reis naar Windsor daarop geworpen. Maar welken weg kon zij inslaan? Een dienst aannemen kon zij niet, zelfs al had zij die kunnen vinden; niets dan het leven eener bedelaarster schoot voor haar over. Zij dacht aan zekere jonge vrouw die eens op een Zondag gevonden was leunend tegen den muur van het kerkgebouw te Hayslope, bijna dood van honger en koude â met een klein kindje in den schoot; men had zich de vrouw aangetrokken en zij was aan de armen vervallen. âDe armen!quot; Gij kunt u misschien nauwlijks voorstellen welken indruk dit woord op een geest als dien van Hetty maakte; zij, grootge-
DE TERUGREIS.
bracht onder lieden die eenigszins tot hardvochtigheid overhelden in hun gevoelens jegens de armen, lieden die leefden in het midden der velden, die weinig medelijden hadden met gebrek en lompen, die honger en naaktheid beschouwden als een blijk van luiheid en ondeugd, waardoor de gemeente bezwaard werd met lasten, niet als een hard en onvermijdelijk noodlot, gelijk zij somtijds schijnen in groote steden. Voor Hetty stonden âde armenquot; in schande bijna gelijk met de gevangenis, en iets van vreemden te vragen â te bedelen â behoorde tot denzelfden verren en afgrijselijken kring van duldelooze oneer, waarvan Hetty haar gansche leven had gedacht dat zij dien onmogelijk ooit zelve zou kunnen naderen. Maar nu kwam voor het eerst de herinnering aan die rampzalige vrouw â die zij, uit de kerk komend, zelve had zien inbrengen bij Jozef Rann â haar weder voor den geest met het verschrikkelijk bewustzijn, dat zeer weinig op dit oogenblik haar beveiligde voor hetzelfde lot. En de vrees voor lichamelijke ontbering vermengde zich met de vrees voor schande; want Hetty's natuur was weelderig â als van een weldoorvoed lievelingsdiertje met donzige vacht.
O, hoe smachtte zij er naar, weder terug te zijn in haar veilig thuis, geliefd en verzorgd gelijk zij immer geweest was! Het knorren van haar tante om kleinigheden zou nu als muziek geweest zijn in haar ooren: zij verlangde er naar; zij was gewoon het te hooren in een tijd toen zij slechts kleinigheden te verbergen had. Was het mogelijk? Kon zij dezelfde Hetty zijn die boter placht te maken in het karnhuis, terwijl de provincierozen door het venster gluurden â zij, een weggeloopene, voor wie haar vrienden de deur niet weder openen zouden, nederliggend in dit vreemde bed, met de wetenschap dat zij geen geld had om te betalen hetgeen zij genoot, en dat zij aan deze vreemdelingen eenige van de kleederen uit haar mandje zou moeten aanbieden? Op dit oogenblik dacht zij aan haar medaillon en oorringen, en ziende dat haar zak in haar nabijheid lag, trok zij dien naar zich toe, en spreidde den inhoud op haar bed voor zich uit. Daar waren ze â het medaillon en de oorringetjes in de kleine, met fluweel gevoerde doosjes, en daarnevens een mooie, zilveren vingerhoed, dien Adam haar gegeven had, met de woorden âvergeet mij nietquot; gegraveerd in den smallen rand een stalen beursje met haar eenigen shilling, en een klein, rood lederen portefeuilletje, vastgemaakt met een riempje. Die fraaie,
427
DE TERUGREIS.
kleine oorringen met hun fijne pareltjes en granaten, die zij met zoo groot verlangen had aangepast in den helderen zonneschijn van den 30sten Juli! Zij had geen lust ze nu aan te doen! haar hoofdje met de donkere krullen lag lusteloos achterover in het kussen, en de weedom, zichtbaar op haar voorhoofd en om haar oogen, was te diep en liet geen plaats voor eenig terugwenschen van het verledens. Toch bracht zij de handen aan haar ooren; doch het was omdat zich daarin dunne gouden ringetjes bevonden, die ook nog eenig geld waard moesten zijn. Ja, zij kon ongetwijfeld voor haar sieraden een aardig sommetje bekomen; die, welke Arthur haar gegeven had, moesten handen vol geld gekost hebben. De waard en waardin waren goed voor haar geweest â misschien zouden zij haar willen helpen, deze dingen te gelde te maken.
Maar dat geld zou niet lang strekken; wat zou zij doen wanneer het verteerd was? Waar zou zij heengaan? Het afschuwelijk vooruitzicht van gebrek en bedelen dreef haar een enkele maal tot de gedachte dat zij naar haar oom en tante terugkeeren en hen smee-ken zou, haar vergiffenis te schenken en medelijden met haar te hebben. Maar zij beefde voor dat denkbeeld weder terug, zooals zij zou zijn teruggebeefd voor gloeiend metaal; nimmer kon zij die schande verduren onder het oog van haar oom en tante, van Mary Burger, van de dienstboden op het kasteel, van de lieden te Brox-ton, van ieder die haar kende. Zij zouden nimmer weten wat haar overkomen was. Wat kon zij doen? Zij zou Windsor verlaten â terugreizen zooals zij in de laatste week gedaan had, en komen in de vlakke groene velden met de hooge heggen, waar niemand haar zien of kennen zou, en daar, misschien, wanneer haar niets anders te doen overschoot, zou zij moed krijgen zich te verdrinken in den een of anderen vijver als dien in de Lage Gronden. Ja, zij zou zoo spoedig mogelijk Windsor verlaten; zij wilde niet dat de menschen in de herberg iets van haar zouden te weten komen, zouden weten dat zij gekomen was om kapitein Donnithorne te zoeken ; zij moest een reden bedenken om hun te vertellen waarom zij naar hem gevraagd had.
Onder deze overleggingen begon zij haar kleinigheden weder in haar zak te pakken, met het plan om op te staan en zich te kleeden voordat de waardin bij haar kwam. Haar hand greep naar het rood lederen portefeuilletje, toen haar inviel dat ook daarin mis-
428
DB TERUGREIS.
schien zich iets bevinden kon dat zij vergeten had â iets waard om te verkoopen; want zonder te weten wat zij zou aanvangen met haar leven, zocht zij angstig naar de middelen om het zoo lang mogelijk te rekken, evenals wanneer wij vurig begeeren iets te vinden, wij geneigd zijn het te zoeken op hopelooze plaatsen. Neen, er was niets in behalve gewone naalden en spelden, en enkele gedroogde tulpebladen tusschen de papiertjes waarop zij haar kleine uitgaven aangeteekend had. Maar op een dier blaadjes stond een naam die, hoe dikwijls zij dien te voren ook gezien had, Hetty nu tegen schitterde als een thans voor het eerst opgemerkte wenk. De naam wasâ Dina Morris, Snowfield. Er stond een tekst boven geschreven, evenals de naam, door Dina's eigen hand, met het kleine potlood, op een avond dat zij bij elkander zaten en dat Hetty toevallig het rood lederen portefeuilletje opengeslagen voor zich had liggen. Den tekst las Hetty ditmaal niet; zij vestigde alleen haar aandacht op den naam. Nu, voor de eerste reis, herinnerde zij zich zonder onverschilligheid de hartelijke belangstelling die Dina haar betoond had, en die woorden van Dina in de slaapkamer â dat Hetty aan haar moest denken als aan een vriendin in den nood. Gesteld, zij ging naar Dina en verzocht deze haar te helpen? Dina dacht niet over de dingen zooals andere menschen; zij was voor Hetty een onverklaarbaar wezen; maar Hetty wist dat zij altoos vriendelijk was. Zij kon zich niet voorstellen dat Dina het gelaat van haar zou afwenden met norsch verwijt of minachting, dat Dina's stem willens kwaad van haar spreken, of dat zij zich in haar ellende als in een straf verheugen zou. Dina scheen niet te behoo-ren tot die wereld van Hetty, wier blik zij vreesde, als een verterend vuur. Maar Hetty schrikte zelfs voor een bede en een bekentenis aan haar; zij kon niet van zichzelve verkrijgen te zeggen; âIk zal naar Dina gaan;quot; zij dacht alleen aan deze toevlucht als aan een mogelijkheid, ingeval zij geen moed zou hebben zich van kant te maken.
De goede waardin was verbaasd toen zij Hetty even na haar-zelve beneden zag komen, keurig gekleed, en kalm en bedaard van uitzicht. Hetty verhaalde haar dat zij dezen morgen volmaakt wel was; zij was alleen zeer vermoeid en afgemat geweest van de reis, want zij was een heel eind ver gekomen om onderzoek te doen naar haar broeder die weggeloopen was; men dacht dat hij dienst
429
DE TEKÃGEEIS.
genomen had, en dat kapitein Donnithorne wel iets van hem wéten zou, want deze was in vroeger tijd zeer vriendelijk voor haar broeder geweest. Het was een vreemde geschiedenis, en de waardin keek ongeloovig terwijl Hetty haar die opdischte; maar er lag dezen morgen een kalme vastberadenheid in haar doen en laten, zoo verschillend van haar hulpelooze neerslachtigheid van gister, dat de waardin niet wist, welke aanmerkingen te maken zonder den schijn op zich te laden van te willen doordringen in zaken die haar niet aangingen. Zij noodigde haar enkel om te zamen met hen te ontbijten, en onder het ontbijt haalde Hetty haar oorringetjes en haar medaillon te voorschijn, en vroeg den waard of hij haar kon helpen ze tot geld te maken; de reis, zeide zij, had haar veel meer gekost dan zij gedacht had, en nu had zij geen geld om naar haar vrienden terug te keeren, hetgeen zij terstond doen wilde.
Het was niet voor de eerste maal dat de waardin de sieraden zag, want zij had den inhoud van Hetty's zak gisteren onderzocht, en zij en haar echtgenoot hadden breedvoerig gesproken over de omstandigheid dat een boerenmeisje zulke fraaie zaken bezat, nog sterker overtuigd dan te voren dat Hetty schandelijk misleid moest zijn geworden door den mooien, jongen officier.
âJa,quot; zei de waard, toen Hetty de kostbare kleinigheden voor hem uitgespreid had, âwij zouden ze naar den goudsmid kunnen brengen, want er woont er hier een in de buurt; maar, lieve hemel, men zal u niet het kwart geven van hetgeen de dingen waard zijn. En gij zult er zeker niet gaarne afstand van doen?quot; voegde hij er bij, haar uitvorschend aanziende.
âO, dat kan mij niet schelen,quot; zei Hetty haastig, âzoo ik maar geld bekom voor de terugreis.quot;
âEn zij zouden misschien denken dat de dingen gestolen waren, omdat gij ze wilt verkoopen,quot; ging hij voort; âwant jonge vrouwen zooals gij bezitten gewoonlijk zulke kostbaarheden niet.quot;
Het bloed stroomde als vuur naar Hetty's wangen. âIk behoor aan ordentelijke menschen,quot; antwoordde zij: âik ben geen dief.quot;
âNeen, dat zijt gij niet, daar ben ik zeker van,quot; zei de waardin, âen gij hadt niet noodig dat te zeggen,quot; haar man verontwaardigd aanziende. âZij heeft de dingen ten geschenke gekregen, dat is duidelijk.quot;
âIk meende niet te zeggen dat ik zoo dacht,quot; zei de echtgenoot,
430
DE TERUGREIS.
zich verontschuldigend, âmaar ik zei dat de goudsmid het zou kunnen denken, en dat hij er daarom niet veel geld voor bieden zou.quot;
âWel,quot; zei de vrouw, âzoo gij dan zelf eens eenig geld op de dingen voorschoot? Wil zij ze dan later lossen, nadat zij thuis zal gekomen zijn, dan kan zij dat doen. Maar zoo wij na twee maanden niets van haar hoorden, zouden wij recht hebben er mede te doen naar welgevallen.quot;
Ik wil niet beweren dat, bij dit voorstel om de zaak te schikken, de waardin volstrekt niet dacht aan de mogelijke belooning voor haar goedhartigheid, bestaande in het eindelijk bezit van het medaillon en de oorringen; werkelijk toch was de voorstelling van den indruk dien deze in dat geval zouden teweegbrengen op den geest van de vrouw van den kruidenier, haar vriendin en mededingster, reeds met merkwaardige levendigheid in haar vlugge verbeelding opgerezen. De waard nam de sieraden van de tafel op en stak de lippen peinzend vooruit. Hij gunde Hetty alles goeds, ongetwijfeld; maar, eilieve, hoevelen van degenen, die u alles goeds wenschen, zouden weigeren een kleinigheid aan u te verdienen? Uw hospita is oprecht aangedaan omdat zij afscheid van u nemen moet; zij acht u hoog, en zal zich werkelijk verheugen zoo alle andere menschen edelmoedig jegens u zijn; maar te zelfder tijd overhandigt zij u een strook papier, waarop zij u den hoogst mogelijken koers van kost en kamerhuur in rekening brengt.
âHoeveel geld hebt gij noodig om thuis te komen, jonge vrouw?quot; zei eindelijk de man die haar alles goeds toewenschte.
âDrie guinjes,quot; antwoordde Hetty, zich bepalend tot de som waarmede zij vertrokken was, bij gebrek aan eenigen anderen maatstaf en bevreesd te veel te vragen.
âNu, wij hebben er niet tegen u drie guinjes voor te schieten,quot; zei de waard; âen zoo gij mij het geld wilt overmaken, en het goud terugwenscht, dan staat het in uwe macht, zooals gij weet. De âGroene Manquot; zal niet wegloopen.quot;
âO ja, ik zal zeer tevreden zijn zoo gij mij die geeft,quot; zei Hetty, verlicht door de gedachte dat zij niet naar den goudsmid behoefde te gaan om te worden aangestaard en uitgevraagd.
âMaar zoo gij de dingen terug wilt hebben, moet gij niet lang wachten met schrijven,quot; zei de waardin; âwant wanneer twee maan-
431
DE TERUGREIS.
den zullen verloopen zijn, zullen wij uw stilzwijgen als een teeken beschouwen dat gij, er van afziet.quot;
âZeer goed,quot; zei Hetty onverschillig.
Man en vrouw beiden waren even tevreden met deze schikkincr. De man dacht, zoo de sieraden niet gelost werden, dat hij er goede zaken mede zou kunnen doen door ze met zich naar Londen te nemen en ze daar te verkoopen; en de vrouw, dat zij den goeden man zou overhalen om ze haar te laten behouden. En zij hielpen Hetty uit den nood, het arme kind â een mooi, ordentelijk jong vrouwtje, kennelijk in treurige verlegenheid. Zij weigerden iets aan te nemen voor hun voedsel en logies; het was tot haar dienst geweest. En te elf uren zei Hetty hun âgoeden dagquot; met dezelfde bedaarde vastberadenheid waarvan zij den geheelen morgen den schijn behouden had, plaats nemend op den postwagen, die haar twintig mijlen zou terugvoeren op den weg waarlangs zij gekomen was.
Er is een kracht tot zelfbeheersching die bewijst dat de laatste hoop verdwenen is. De wanhoop steunt evenmin op anderen als de volmaakte tevredenheid; en is de wanhoop eenmaal daar, dan wordt de fierheid niet langer aan het wankelen gebracht door het gevoel van afhankelijkheid.
Hetty gevoelde dat niemand haar bevrijden kon van de rampen die haar het leven hatelijk zouden maken; en niemand, sprak zij tot zichzelve, zou immer haar ellende en haar vernedering kennen. Neen, zij zou haar hart voor niemand uitstorten, zelfs niet voor Dina; zij zou wegdolen uit ieders oog, en zich verdrinken waar niemand haar lijk vinden kon, en geen mensch zou weten wat er van haar geworden was.
Toen zij van den postwagen afstapte, begon zij weder te wandelen en voor een prijsje mede te rijden in vrachtkarren, en zich goedkoop voedsel te verschaffen, voortgaand zonder bepaald doel en toch door een zonderlinge betoovering denzelfden weg nemend dien zij gekomen was, ofschoon het besluit bij haar vaststond om niet naar haar eigen land terug te keeren. Misschien was het omdat zij haar keus bepaald had op de grasrijke velden van Warwickshire, met hun dichte, door boomen gestutte heggen, die een schuilplaats aanboden zelfs in dit bladerloos seizoen. Zij ging langzamer dan zij gekomen was, dikwijls over de hekken klimmend en uren lang nederzittend onder de heggen, voor zich uit starend met wezen-
432
DE TERUGREIS.
looze, schoone oogen; zich verbeeldend dat zij zich bevond aan den rand van een verborgen vijver, beneden in de diepte, zooals die in de Lage Gronden; nieuwsgierig of het bijzonder akelig moest zijn, zich te verdrinken, of er iets ergers was na den dood dan hetgeen zij vreesde in het leven. De leerstellingen van den godsdienst hadden geen vat gehad op Hetty's geest; zij was een dier talrijke menschen, die door peetvaders en peetmoeders ten doop gehouden werden, hun catechismus leerden, als lidmaten bevestigd werden, eiken Zondag naar de kerk gingen, en desniettemin voor de praktijk, tot levensmoed of doodsvertrouwen, nooit een enkel Christelijk denkbeeld of een enkel Christelijk gevoel tot het hunne gemaakt hebben. Men zou haar gedachten gedurende deze rampzalige dagen misduiden, indien men meende dat zij onder den invloed stonden hetzij van godsdienstige vrees, hetzij van godsdienstige hoop.
Zij besloot weder naar Stratford-on-Avon te gaan, waar zij te voren bij vergissing geweest was; want zij herinnerde zich eenige grasrijke velden op haar vorigen tocht derwaarts â velden, waarin zij dacht dat zij wellicht juist zulk een vijver zou aantreffen als haar voor den geest zweefde. Toch had zij nog zorg voor haar geld; zij droeg haar mandje met zich: de dood scheen nog ver af, en de liefde voor het leven was zoo diep bij haar ingeworteld! Zij hunkerde naar voedsel en rust â en snelde voort om ze te bekomen op hetzelfde oogen-blik dat zij zich den oever voorstelde vanwaar zij den dood in de armen zou springen. Reeds vijf dagen waren verloopen sinds zij Windsor verlaten had, want zij dwaalde altoos verder voort, steeds alle samenspreking of uitvorschende blikken vermijdend, en haar voorkomen van trotsche onafhankelijkheid hernemend wanneer zij door anderen opgemerkt werd. Zij koos zich een zuinig, maar betamelijk logies voor den nacht, kleedde zich des morgens knapjes aan, en ging bedaard op weg, of bleef schuilen wanneer het regende, alsof zij een gelukkig leven te koesteren had.
En toch, zelfs in haar meest zelfbewuste oogenblikken, was haar gelaat treurig verschillend van dat, hetwelk haarzelve weleer uit den ouden, verweerden spiegel, of dat anderen toegelachen had wanneer zij haar met bewondering aanstaarden. Een harde, zelfs woeste blik was in haar oogen gekomen, ofschoon hun wimpers even lang waren als te voren en zij al hun donkere klaarheid behouden hadden. En de wang werd nu nooit door lachende kuiltjes gegroefd.
ADAM BEDE. 28
433
DB TERDGRBIS.
Het was dezelfde ronde, donzige, kinderlijke schoonheid, maar met alle liefde en alle geloof in liefde daaruit verdwenen â te weemoediger door haar schoonheid zelve, zooals dat verwonderlijke Medusagelaat met de hartstochtelijke lippen zonder hartstocht.
Eindelijk bevond zij zich in de velden waarvan zij gedroomd had, op een lang, nauw voetpad dat naar een woud geleidde. Zoo er een vijver was in dat woud! Hij zou beter verborgen zijn dan een in de velden. Neen, het was geen woud; slechts een woeste uitgestrektheid, waarin weleer grintkuilen gegraven waren, die hoogten en diepten hadden nagelaten, nu begroeid met kreupelhout en laag geboomte Zij dwaalde op en neder, zich verbeeldend dat er water stond in elke diepte voor haar uit, tot haar leden vermoeid waren en zij nederzat om te rusten. De namiddag was ver gevorderd, en de loodkleurige lucht werd donkerder, alsof de zon daarachter onderging. Na een oogenblik schrikte Hetty weder op, gevoelend dat de duisternis weldra komen zou; zij moest het vinden van den vijver uitstellen tot morgen, en zich haasten een schuilplaats te zoeken voor den nacht. Zij was geheel verdwaald in de velden, en geen dorp noch huis was in het gezicht; doch daar ginds, op den hoek van die weide, was een opening in de heggen; het land scheen eenigszins af te glooien en twee hoornen bogen zich tot elkander over de opening heen. Hetty's hart bonsde toen zij bedacht dat daar een vijver wezen moest. Met loome schreden wandelde zij er heen, over het met struiken doorgroeide gras. Haar lippen waren bleek, zij beefde over haar gansche lichaam; het scheen alsof de vijver gekomen was in weerwil van haarzelve, in plaats van het voorwerp te zijn van haar eigen zoeken.
Daar was hij, zwart onder den donkeren hemel; geen beweging, geen geluid in de nabijheid. Zij zette haar mandje neder, en zonk toen zelve op het gras neder, bevend. De vijver had nu zijn winter-stand; ten tijde dat het water zakken zou, zooals zij zich herinnerde dat des zomers gebeurde met de vijvers te Hayslope, zou niemand haar misvormd lijk kunnen herkennen. Doch haar mandje â ook dit moest zij verbergen; zij moest het in het water werpen â het eerst vol steenen laden en het er dan in werpen. Zij stond op om steenen te zoeken, en bracht er weldra vijf of zes bijeen, die zij naast haar mandje op den grond legde; daarna zette zij zich weder neder. Het was niet noodig zich te reppen â zij
434
DE TERUGREIS.
had den ganschen nacht tot haar dienst om zich te verdrinken. Zij zat met haar elleboog op het mandje geleund. Zij was ver-, moeid, hongerig. Er waren eenige kleine broodjes in het mandje â drie, waarvan zij zich voorzien had op de plaats waar zij baai-laatste middagmaal had gebruikt. Zij haalde ze nu te voorschijn en at ze gretig op, en zat toen weder stil, starend in den vijver. Het streelend gevoel van bevredigden honger dat zich van haar meester maakte, in deze onbeweeglijke, droomerige houding, bracht slaperigheid teweeg, en eindelijk zonk haar hoofd op haar knieën. Zij was vast in slaap.
Toen zij ontwaakte, was het volkomen donker, en zij gevoelde zich kil en koud. Zij was bang voor deze duisternis â bang voor den langen nacht in het verschiet. Kon zij zich slechts in het water werpen! Neen, nog niet. Zij begon op en neder te wandelen om weder warm te worden, alsof zij dan meer moed zou hebben. O, hoe lang viel de tijd in het donker! De helder vlammende haard, en de warmte, en de stemmen van thuis â het veilig opstaan en naar bed gaan â de bekende velden, de bekende menschen, de zon- en feestdagen met hun eenvoudige vreugden, fraaie kleederen en feestelijke maaltijden â al de liefelijkheden van haar jong bestaan zweefden haar nu voorbij, en zij scheen er de armen naar uit te strekken over een groote klove heen. Zij klemde de tanden op elkander toen zij aan Arthur dacht; zij vloekte hem, zonder te weten wat haar vloeken teweeg brengen zou; zij wenschte dat ook hij eenmaal verlatenheid kennen mocht, en koude, en een leven van schande waaraan hij geen einde zou durven maken door den dood.
Haar afschuw van deze kilte, en duisternis, en eenzaamheid â buiten alle menschelijk bereik â werd met elke lange minuut groo-ter; het scheen reeds bijna alsof zij dood was en wist dat zij dood was en terug verlangde naar het leven. Maar neen, zij leefde nog; zij had den vreeselijken sprong nog niet gedaan. Zij gevoelde een vreemde tegenstrijdige gewaarwording van rampzaligheid en verrukking; van rampzaligheid, omdat zij den dood niet in het aangezicht durfde zien; van verrukking omdat zij nog in het leven was â omdat zij licht en warmte nog weder zou kunnen onderkennen. Zij liep op en neder om zich te verwarmen, en begon iets te onderscheiden van de voorwerpen om haar heen, nu haar oogen gewenden aan den nacht, de donkere lijn van de heg, de snelle be-
28*
435
DE TERUGREIS.
436
weging van een of ander levend wezen â misschien een veldmuis â voortschietend over het gras. Zij had niet langer een gevoel alsof de duisternis haar insloot. Zij dacht dat zij wel door het veld terug zou kunnen wandelen, en over het hek komen, en dan â in het eerste daaraan grenzend veld meende zij zich te herinneren dat zich een hut van heideplaggen bevond, bij een schaapskooi. Zoo zij die hut bereiken kon, zou zij het warmer hebben; zij kon den nacht daar doorbrengen, want dat deed Alick ook, te Hayslope, in den lammertijd. De gedachte aan deze hut bracht de opgewektheid van een vooruitzicht met zich; zij nam haar mandje op en wandelde door het veld. Maar het duurde eenigen tijd voor zij in te goede richting was naar het hek. De inspanning, en de verplich-ding om te zoeken naar het hek, waren evenwel een prikkel voor haar en verminderden de akeligheid van duisternis en eenzaamheid. Er waren schapen in het aangrenzend veld; zij deed een groepje opschrikken toen zij haar mandje nederzette en over het hek klom, en het geritsel van hun bewegingen deed haar goed, want het gaf haar de verzekering dat haar gissing juist geweest was; dit was het veld waar zij de hut gezien had, want het was het veld waaide schapen waren. Zoo zij rechts aanhield van het pad, zou zij de hut vinden. Zij bereikte het tegenover liggend hek, en zocht tastend haar weg langs de latten, en desgelijks langs de latten van de schaapskooi, tot haar hand het prikkelen van den stekeligen wand gewaar werd. Verrukkelijk gevoel! Zij had de schuilplaats gevonden. Wederom zocht zij, al tastend langs de ruwe heideplanten, haar weg naar de deur, en duwde die open. Het was een kwa-lijkriekend en bedompt verblijf, maar warm, en er lag stroo op den grond. Hetty zonk op het stroo neder met een gevoel van ontkoming. Tranen welden op â zij had anders geen tranen gestort sinds zij Windsor verlaten had â tranen en snikken van zenuwachtige vreugde omdat zij nog in het bezit was van haar leven, omdat zij nog op de welbekende aarde was, met de schapen bij zich. Zelfs het besef van het bestaan van haar eigen lichaam was haar een genot: zij sloeg haar mouwen op, en kuste haar armen met hartstochtelijke levensliefde. Weldra overstelpten haar de warmte en de vermoeidheid te midden van haar snikken, en zij verviel ieder oogenblik in een korte dommeling, zich verbeeldend dat zij zich weder aan den rand van den vijver bevond, en dan ontwakend met
DE TERUGREIS,
een kreet, niet wetend waar zij was. Maar eindelijk overviel haar een diepe slaap zonder droomen; haar hoofd, beveiligd door haar hoed, vond een rustplaats tegen den ruwen wand, en de arme ziel, heen en weder geslingerd tusschen twee gelijke vreezen, vond de eenige rust die zij vinden kon â den vrede der bewusteloosheid.
Helaas, die verlichting zou eindigen op het oogenblik-zelf dat zij een aanvang nam. Het scheen Hetty toe alsof de dommelige droomen van daareven slechts hadden plaats gemaakt voor een anderen droom â dat zij in de hut was, en haar tante over haar heengebogen stond met een licht in de hand. Zij beefde onder haar tantes blik, en opende de oogen. Er brandde geen kaars, maar er was licht in de hut â het licht van den vroegen morgen door de open deur. En er was een gelaat dat op haar nederzag; maar het was een onbekend gelaat, behoorend aan een bejaard man in een kiel.
âWel, wat doet gij hier, jonge vrouw?quot; vroeg hij norsch.
, Hetty beefde nog sterker, onder deze werkelijke vrees en schande, dan zij gedaan had in haar vluchtigen droom onder haar tante's blikken. Zij gevoelde dat zij reeds een landloopster geworden was â men had haar slapend gevonden op deze plaats. Doch in weerwil van haar beven, was zij zoo begeerig om den man rekenschap te geven van haar tegenwoordigheid aldaar, dat zij dadelijk woorden vond.
âIk ben verdwaald,quot; zei zij. âIk ben op reis â naar het Noorden, en ik dwaalde van den rechten weg af in de velden, en werd door de duisternis overvallen. Kunt gij mij ook een pad wijzen naar het naaste dorp?quot;
Zij stond op terwijl zij sprak, en tastte naar den rand van haar hoed om dien recht te buigen, en greep toen haar mandje.
De man zag haar eenige seconden lang aan met een tragen, sle-penden blik, zonder haar antwoord te geven. Toen keerde hij zich om en wendde zich naar de deur van de hut; maar niet voor hij daar gekomen was stond hij stil en, haar over den schouder aanziend, zei hij:
âJawel, ik kan u den weg naar Norton wijzen, zoo gij wilt. Maar wat doet gij van den grooten weg af?quot; voegde hij er bij op een toon van barsche berisping. âHet zal nog slecht met u afloopen, zoo gij niet oppast.quot;
âJa,quot; zei Hetty, âik zal het niet weer doen. Ik zal den weg
437
DE TERUGREIS.
volgen, zoo gij zoo goed wilt zijn mij te wijzen hoe ik hem vinden kan.quot;
âWaarom blijft gij niet waar handwijzers staan, en menschen zijn om den goeden weg te vragen?quot; vroeg de man op nog barscher toon. âIedereen zal u voor een krankzinnige houden.quot;
Hetty was bang voor den barschen ouden man en nog banger voor zijn laatste beweren, dat zij er uitzag als een krankzinnige. Terwijl zij hem buiten de hut volgde, kwam zij op de gedachte, hem een halven shilling te geven voor zijn moeite; dan zou hij niet langer denken dat zij krankzinnig was. Toen hij stilstond om haar den weg te wijzen, stak zij haar hand in den zak om den halven shilling gereed te houden, en toen hij zich omkeerde zonder goeden morgen te zeggen, hield zij hem het geld voor en zei: âDank u; wees zoo goed en neem dit voor uw moeite.quot;
Hij keek langzaam naar den halven shilling, en zei toen; âIk heb uw geld niet van noode. Gij deedt beter er behoorlijk op te passen, anders zal het u nog ontstolen worden, zoo gij voortgaat met door de velden te zwerven als een gek mensch.quot;
De man verliet haar zonder verder iets te zeggen, en Hetty begaf zich op weg. Een nieuwe dag was verrezen, en zij moest voort-dwalen. Het hielp niet of zij er al aan dacht zich te verdrinken â zij kon niet; tenminste niet zoolang zij nog geld genoeg overhad om voedsel te koopen, en kracht om verder te reizen. Maar het voorgevallene bij haar ontwaken dezen morgen verhoogde haar angst tegen den tijd dat haar geld geheel verteerd zou wezen; zij zou dan haar mandje en haar kleederen moeten verkoopen, en werkelijk het voorkomen hebben van een landloopster of een krankzinnige, zooals de man gezegd had. De hartstochtelijke levenslust, dien zij des nachts gevoeld had, nadat zij ontkomen was aan den oever van den zwarten, kouden dood in den vijver, was nu verdwenen. Het leven thans bij daglicht, onder den indruk van den strengen, verwonderden blik van dien man, was even verschrikkelijk als de dood â erger nog; het was een verschrikking waaraan zij zich voelde vastgeketend, waarvoor zij terugbeefde en nogmaals beefde, zooals zij deed voor den zwarten vijver, doch waartegen zij geen schuilplaats vinden kon.
Zij kreeg haar geld uit haar beursje en telde het; zij bezat nog twee-en-twintig shillings. Hiervan kon zij nog vele dagen lang leven.
438
DE TERUGREIS.
of wel, het zou haar in staat stellen sneller voort te reizen naar Stonyshife, onder het bereik van Dina. De gedachte aan Dina drong zich nu sterker aan haar op, sinds de ondervinding van den afge-loopen nacht het gezicht van den vijver verjaagd had uit haar sidderende verbeelding. Indien het alleen te doen ware geweest om naar Dina te gaan â indien niemand behalve Dina het had behoeven te weten â zou Hetty het besluit genomen hebben om zich tot haar te wenden. De zachte stem, de medelijdende oogen zouden haar hebben aangetrokken. Maar naderhand moesten de andere menschen het weten, en zij kon zich evenmin in de armen dier schande storten als in de armen van den dood. Voort moest zij wandelen, altoos voort, en wachten tot zij al dieper zinkend den moed bekomen zou, die haar nu nog ontbrak. Misschien zou de dood tot haar komen, want met iederen dag was zij minder en minder in staat om de vermoeienissen van den tocht te dragen. En toch â zoo vreemd werkt onze ziel en trekt ons door een geheime begeerte juist naar het doelwit heen dat wij het meest van allen vreezen â toen Hetty wederom uit Norton vertrok, vroeg zij den kortsten weg noordelijk naar Stonyshire en volgde dien den gan-schen dag.
Arme dolende Hetty â met het rond en kinderlijk gelaat â met de verstokte, liefdelooze, wanhopige ziel die er den voorbijganger uit tegenstraalde â met het enge gemoed en de bekrompen gedachten, waarin geen plaats was behalve alleen voor haar eigen smart, en die de bitterheid dier smart daarom slechts des te dieper proefden! Mijn hart weent over haar terwijl ik haar zie voortzwoe-gen op haar vermoeide voeten, of haar gezeten zie op een kar wezenloos starend op den weg voor zich uit, er niet aan denkend en er zich niet om bekommerend waar die weg henenleidt, tot de honger komt en haar doet wenschen dat er in de nabijheid een dorp wezen mag.
Wat zal het einde zijn â het einde van haar doelloos zwerven, uitgesloten van alle liefde, alleen uit trots niet doodelijk onverschillig omtrent al wat haar medemenschen doen en denken, alleen zich aan het leven vastklemmend zooals het op de jacht gewonde dier?
God beware u en mij dat wij ooit oorzaak worden van zulk onzalig lijden!
439
DE NAVRAAG.
HOOFDSTUK XXXVIII.
DE NAVRAAG.
De eerste tien dagen na Hetty's vertrek gingen voor de familie op de hoeve, en voor Adam onder zijn dagelijksclien arbeid, even rustig voorbij als alle andere. Men had verwacht dat Hetty op zijn minst een week of tien dagen zou uitblijven; misschien iets langer, ingeval Dina met haar medekwam, omdat in dit geval het een of ander haar te Snowfield zou kunnen ophouden. Maar toen er veertien dagen voorbijgegaan waren, begon men er zich eenigszins over te verwonderen dat Hetty niet terugkwam; het verblijf bij Dina moest haar zeker aangenamer zijn gevallen dan iemand zou gedacht hebben. Adam, van zijn kant, begon met ongeduld naar haar te verlangen, en hij besloot, zoo zij den volgenden dag â Zaterdag â niet verscheen. Zondag op weg te gaan om haar af te halen. Er reed geen postwagen op Zondag, maar indien hij voor zonsopgang vertrok, en misschien een eind weegs kon mederijden met een vrachtkar, zou hij nog tijdig genoeg te Snowfield aankomen om Hetty den volgenden dag terug te brengen â Dina insgelijks, voor het geval dat zij medekwam. Het werd hoog tijd dat Hetty naar huis terugkeerde, en hij zou er zijn Maandag aan geven om haar tot geleide te kunnen verstrekken.
Zijn plan werd volkomen goedgekeurd op de hoeve, toen hij daar Zaterdagavond heenging. Boerin Poyser verzocht hem nadrukkelijk, niet zonder Hetty terug te keeren, want zij was reeds veel te lang weggebleven, in aanmerking genomen de vele zaken die nog voor de helft van Maart in orde moesten gebracht worden, en een week was dan toch ook voldoende wanneer men van huis ging voor zijn gezondheid. Wat Dina betrof, boerin Poyser had weinig hoop dat zij haar zouden overhalen, of zij moesten haar aan het verstand weten te brengen dat de lieden te Hayslope dubbel zoo diep in de ellende staken als die te Snowfield. âOfschoon,quot; zei de boerin bij wijze van slotrede, âgij haar desnoods zoudt kunnen herinneren dat zij maar ééne tante meer op de wereld overheeft, en dat d i e uitgeteerd is tot een schim en er bijvoegen dat wij met aanstaanden Sint-Michiel misschien twintig mijlen van
440
DE NAVRAAG.
hier zullen zitten, en sterven zullen aan een hartkwaal onder vreemd volk, en de kinderen vader- en moederloos zullen achterlaten.quot;
âNu, nu,quot; zei haar man, die ontegenzeglijk het voorkomen had van iemand met een gaaf hart, âzoo erg is het niet. Gij ziet er tegenwoordig uitmuntend uit, en komt aan met den dag. Maar het zou mij pleizier doen zoo Dina kwam, want zij zou u van dienst zijn met de kleintjes; zij mochten haar bijzonder graag lijden.quot;
Zondag dus, met het aanbreken van den dag, vertrok Adam. Seth wandelde nagenoeg de twee eerste mijlen met hem mede; want de gedachte aan Snowfield, en de mogelijkheid dat Dina terug zou komen, maakten hem onrustig, en de wandeling met Adam in de frissche morgenlucht, beiden in hun zondagspak, droeg er toe bij, hem een gevoel van zondagskalmte te doen gevoelen. Het was de laatste morgen in Februari, met een laag nederhangende, grijze lucht, en een dunnen sluier van rijp over de groene zoomen van den weg en aan de donkerbruine heggen. Zij hoorden het gemurmel van de volle beek die zich voortspoedde langs den heuvel, en het zacht getjilp van de vroege vogeltjes. Want zij wandelden zwijgend voort, ofschoon met een weldadig gevoel van gezelligheid.
âGoeden dag, jongen,quot; zei Adam, zijn hand op Seths schouder leggend, en hem met hartelijkheid aanziend toen zij op het punt van scheiden waren, âik wenschte dat gij den ganschen weg met mij medegingt, even gelukkig als ik.quot;
âIk ben tevreden, Adam, ik ben tevreden,quot; zei Seth opgeruimd. âIk word een oude vrijer, en zal stoeien met uw kinderen.quot;
Zij namen afscheid, en Seth wandelde langzaam naar huis, half overluid een zijner geliefkoosde gezangen neuriënd â hij hield veel van gezangen:
Donker bleef de lichte morgen,
Straalde Uw zon niet op mijn pad;
Duister bleven al mijn wegen,
Zoo gij, Heere, mij vergat;
Zoo me Uw goedheid niet. Uw licht.
Scheen in hart en aangezicht.
O, bestraal mijn ziele dan.
En doorboor de mist der zonde.
En verdrijf mijn ongeloof,
441
DE NAVRAAG.
Evangelie-morgenstonde!
Tot uw volle middaggloed Mij van liefde blaken doet.
Adam stapte veel gezwinder door dan Seth, en wie dien morgen omstreeks zonsopgang den weg van Oakbourne afkwam, moet een genoeglijk schouwspel hebben beleefd aan den groot en, breed-geschouderden man, voortmarcheerend met een houding zoo rechtop en flink als van den besten soldaat, de levendige vroolijke oogen gericht naar de blauwe heuvelen die zich aan den horizont begonnen te vertoonen. Zelden, gedurende Adams leven, was zijn gelaat zoo volkomen onbeneveld geweest als dezen morgen, en deze onbezorgdheid, zooals gewoonlijk het geval is bij vindingrijke geesten, maakte hem te opmerkzamer op de voorwerpen om hem henen, en te vatbaarder om uit die voorwerpen wenken op te zamelen voor zijn eigen lievelingsplannen en vernuftige uitvindingen. Zijn gelukkige liefde â de wetenschap dat elk zijner schreden hem dichter en dichter bracht bij Hetty, die weldra de zijne wezen zou â was voor zijn gedachten hetgeen de liefelijke morgenlucht was voor zijn gemoed; zij gaf hem een gewaarwording van welbehagen dat hem de inspanning tot een genot maakte. Telkens welde er in zijn borst een stroom van inniger gevoel voor haar op, van een gevoel dat alle andere beelden buiten Hetty's beeld verdreef, en onafscheidelijk daarvan vloeide een stroom van dankbare verwondering dat al dit geluk zijn deel was â dat er in dit ons menschelijk leven zulke liefelijke oogenblikken konden zijn. Want onze vriend Adam had een vromen geest, ofschoon hij misschien eenigszins ongeduldig was in het verdragen van vrome woorden, eu zijn teergevoeligheid grensde van zeer nabij aan zijn godsdienstigheid, zoodat men de eene moeielijk kon aanroeren zonder de andere op te wekken. Maar nadat eenmaal het gevoel aldus den vrijen loop gehad en zich uitgestort had, keerden de bedrijvige gedachten met verdubbelde kracht terug, en dezen morgen hield hij zich onledig met plannen tot verbetering der straatwegen, zeer gebrekkig in deze gansche streek, en met de berekening van het nut dat door een enkel landedelman zou kunnen gesticht worden, wanneer hij er zich op toelegde om de wegen in zijn eigen district bruikbaar te maken.
Zij schenen een korte wandeling, de tien mijlen van Hayslope naar Oakbourne, het lieve stadje in het gezicht der blauwe heuve-
442
DE NAVRAAG.
len, waar hij ontbeet. Daarna werd de streek steeds bar en barder, geen glooiende wouden meer, geen breedgetakte boomen naast talrijke woningen, geen dichtbegroeide heggen, maar grijze steenen muren, de schrale weiden in vakken afdeelend, en armoedige, ver van elkander staande grijze, steenen huizen op ongelijke landen, waar vroeger mijnen geweest waren, doch nu niet meer.
âEen mager land,quot; zei Adam bij zichzelven. âLiever dan hier te wonen, ging ik naar het Zuiden, waar men zegt dat het zoo vlak is als mijn hand; ofschoon, zoo Dina bij voorkeur leeft in een land waar zij zooveel mogelijk tot troost kan zijn voor de menschen, dan heeft zij gelijk dat zij hier blijft; zij moet hier den indruk maken van regelrecht uit den hemel te komen, zooals de engelen in de woestijn, om de arme, hongerige stakkers van voedsel te voorzien.quot; En toen hij eindelijk in het gezicht van Snowfield kwam, maakte hij de opmerking dat de stad er uitzag alsof zij goed âkleurdequot; bij het landschap, hoewel de stroom die de vallei doorsneed, waar de groote fabriek stond, een aangename groene tint aan de lager gelegen velden schonk. Snowfield lag bar, steenachtig, onbeschut, tegen de helling van een steilen heuvel; doch Adam wandelde niet door tot aan de stad, want Seth had hem uitgelegd waar hij Dina vinden kon. Het was in een huisje, met een rieten dak buiten de stad, op geringen afstand van de fabriek â een oud huisje bezijden den weg, met een klein lapje aardappelengrond er voor. Hier woonde Dina, te zamen met een bejaard paar; en indien zij en Hetty misschien waren uitgegaan, kon Adam daar vernemen waar zij waren heengetogen, of tegen welk uur zij thuis gewacht werden. Misschien was Dina hier of daar een oefening gaan houden, en had zij Hetty achtergelaten. Adam kon niet nalaten dit te hopen, en toen hij het huisje herkende, bezijden den weg voor zich uit, straalde zijn gelaat van dien onwillekeurigen glimlach die eigen is aan de verwachting van naderende vreugd.
Hij verhaastte zijn schreden, het smalle klinkerpad langs, dat naar de deur geleidde en klopte aan. Er werd opengedaan door een zeer zindelijke, oude vrouw met een van zenuwachtigheid min of meer schuddend hoofd.
âIs Dina Morris thuis?quot; vroeg Adam.
âWat blieft? . . . Neen,quot; zei de oude vrouw, tegen den langen vreemdeling opziende met een verwondering, die haar spraak nog
443
DE NAVRA4G.
langzamer maakte dan gewoonlijk. âWees zoo goed binnen te komen,quot; voegde zij er bij, zich uit den deurpost verwijderende, alsof zij zich iets herinnerde. âGij zijt zeker de broeder van den jongen man die onlangs hier geweest is, nietwaar?quot;
âJa,quot; zei Adam, binnentredend. âDat was Seth Bede. Ik ben zijn broeder Adam. Hij heeft mij verzocht, zijn groeten over te brengen aan u en aan uw braven man.quot;
âDank u; bij gelegenheid de groeten terug, als ik u verzoeken mag; hij was een vriendelijk jong mensch. En gij lijkt op hem, maar in het donkere. Ga zitten in den leunstoel. Mijn man is nog niet van de oefening thuisgekomen.quot;
Adam ging geduldig zitten. Hij wilde de bevende oude vrouw niet met vragen overstelpen, maar wierp een begeerigen blik op de smalle wenteltrap in den hoek van het vertrek; want hij onderstelde de mogelijkheid dat Hetty zijn stem gehoord had en beneden komen zou.
âGij komt dus Dina Morris opzoeken?quot; zei de oude vrouw vlak voor hem staande. âGij wist dus niet dat zij van huis was?quot;
âNeen,quot; zei Adam, âmaar ik dacht wel dat zij afwezig zou zijn, met den Zondag. Maar de andere jonge vrouw â is zij thuis, of is zij met Dina medegegaan?quot;
De oude zag Adam verbijsterd aan.
âMet haar medegegaan?quot; vroeg zij. âWel, Dina is naar Leeds gegaan, een groote stad zooals gij misschien weten zult, waar er velen wonen van 's Heeren volk. Zij is verleden Vrijdag voor veertien dagen vertrokken, men heeft haar het geld voor de reis overgemaakt. Hier kunt gij haar kamertje zien,quot; ging zij voort, een deur openend, en niet bemerkend welken indruk haar woorden op Adam maakten. Hij stond op en volgde haar en wierp een gretiger: blik in de kleine kamer, met het kleine, smalle bed, het portret van Wesley aan den wand, en den kleinen stapel boeken op den groo-ten bijbel. Hij had een onzinnige hoop gekoesterd dat Hetty daar wezen zou. Hij kon niet spreken, het eerste oogenblik nadat hij gezien had dat de kamer ledig was; een onbepaalde vrees had zich van hem meester gemaakt â er moest Hetty iets overkomen zijn op reis. En toch, de oude vrouw was zoo traag van spraak en begrip, dat het nog mogelijk was dat Hetty zich niettemin te Snow-field bevond.
444
DE NAVRAAG.
âHet is jammer dat gij liet niet geweten hebt,quot; zei zij. âZijt gij van uw dorp gekomen expres om haar te zien?quot;
âMaar Hetty, Hetty Sorrel, ' zei Adam plotseling, âwaar is zij?quot;
âIk ken niemand van dien naam,quot; zei de oude vrouw verwonderd. âIs het iemand van wie gij gehoord hebt dat zij zich te Snow-field bevindt?quot;
âIs er geen jonge vrouw hier gekomen â heel jong en mooi â Vrijdag voor veertien dagen, om Dina Morris op te zoeken?quot;
âNeen, ik heb geen jonge vrouw gezien.quot;
âBedenk u eens goed; zijt gij er wel zeker van? Een jong meisje, achttien jaar oud,, met donkere oogen en krullend haar, een rooden mantel om, en een mandje aan den arm. Eens gezien, moet haar voorkomen u zyn bijgebleven.quot;
âNeen; Vrijdag voor veertien dagen â den dag dat Dina vertrok â toen is er niemand geweest. Er heeft niemand navraag naar haar gedaan, behalve gij op dit oogenblik, want alle menschen hier weten dat zij vertrokken is. Och hemel, hemel, wat scheelt er aan?quot;
De oude vrouw had de vale bleekheid der vrees zich zien uitspreiden over Adams gelaat. Maar hij was niet bedwelmd of verward ; hij dacht met inspanning na, waar hij onderzoek zou kunnen doen naar Hetty.
âZooals ik zeide, een jonge vrouw uit ons dorp is Vrijdag voor veertien dagen van daar vertrokken om Dina op te zoeken. Ik kom haar halen. Ik vrees dat haar iets overkomen is. Ik kan mij niet langer ophouden. Gegroet.quot;
Hij spoedde zich de woning uit, en de oude vrouw volgde hem tot aan het hek, en keek hem treurig na met haar schuddend hoofd, terwijl hij bijna voortholde naar de stad. Hij wilde onderzoek doen op de plaats waar de diligence van Oakbourne stilhield.
Neen! geen jonge vrouw in den trant als Hetty was daar geweest. Was er eenig ongeluk gebeurd met den wagen, veertien dagen geleden? Neen, en er reed geen diligence om hem dien dag naar Oakbourne terug te brengen. Goed, dan zou hij loopen; hij kon daar niet blijven, in een staat van doodelijke werkeloosheid. Maar de waard, ziende dat Adam in groote ongerustheid verkeerde, en zich het voorval aantrekkend met al de gretigheid van iemand die een groot deel van zijn tijd doorbrengt met te staren in een onverbeterlijk eentonige straat, de handen in den zak, bood aan, hem
445
DE NAVRAAG.
naar Oakbourne terug te brengen in zijn eigen tentwagentje, denzelfden avond nog. Het was nog geen vijf uur; Adam had dus tijd in overvloed om zijn middagmaal te gebruiken en nog voor tienen te Oakbourne aan te komen. De waard verzekerde hem dat hij werkelijk te Oakboure wezen moest en dat hij even goed dien eigen avond gaan kon; dan had hij den ganschen Maandag tot zijn dienst. Adam, na vergeefsche pogingen om iets te eten, stak eenig voedsel bij zich, dronk een teug ale, en verklaarde zich bereid om te vertrekken. Toen zij het huisje naderden, viel het hem in dat hij wel zou doen met aan de oude vrouw te vragen waar Dina in Leeds te beschrijven was; kwam men in ongelegenheid op de hoeve â hij durfde de mogelijkheid zichzelven slechts half bekennen â dan zouden de Poysers misschien gaarne om Dina zenden. Maar Dina had geen adres achtergelaten, en de oude vrouw, die een slecht geheugen voor namen had, kon zich den naam niet herinneren der ,uitverkorenequot; bij wie Dina te Leeds gehuisvest was.
Gedurende die lange, lange reis in den tentwagen was er tijd voor allerlei vermoedens van kwellende vrees en worstelende hoop. Onder den eersten schok der ontdekking dat Hetty niet te Snow-field geweest was, had de gedachte aan Arthur als een scherpe pijl Adams gemoed doorvlijmd; maar gedurende eenigen tijd deed hij zijn best, dit denkbeeld uit zijn geest te verbannen, door zich allerlei andere mogelijkheden voor te stellen tot verklaring van het ontrustend feit, geheel afgescheiden van deze ondraaglijke gedachte. Er moest eenig ongeluk gebeurd zijn; Hetty was door een zonderlingen samenloop van omstandigheden in een verkeerde Oakbourn-sche diligence terecht gekomen; zij was ziek geworden, en wilde aan haar vrienden geen schrik aanjagen door het hun te laten weten. Maar dit brooze weefsel van onwaarschijnlijkheden werd weldra vaneengescheurd door de meest bepaalde en doodelijkste angsten. Hetty had zichzelve misleid, toen zij meende hem te kunnen liefhebben en huwen; zij had altoos Arthur liefgehad, en nu, in de wanhoop van hun naderend huwelijk, was zij weggeloopen. En zij was naar hem toegegaan. De oude verontwaardiging en ijverzucht waakten weder op, en scherpten het vermoeden dat Arthur val-schelijk gehandeld had â aan Hetty had geschreven â haar had verleid om bij hem te komen â ten slotte toch niet willend dat zij aan een anderen man zou toebehooren dan hemzelven. Misschien
446
DE NAVRAAG.
was het gansche plan door hem beraamd, en had hij haar aanwijzingen gedaan hoe hem naar Ierland te volgen â want Adam wist dat Arthur drie weken geleden derwaarts gegaan was; hij had het kort te voren op het kasteel gehoord. Elke treurige blik van Hetty, sinds haar verloving met hem kwam Adam nu weder voor den geest; en dat met al de overdrijving van smartelijk terugzien. Hij was dwaselijk vol hoop en vertrouwen geweest. Het arme kind had misschien gedurende langen tijd haar eigen hart niet doorzien; had gedacht dat zij Arthur wel zou kunnen vergeten; had zich voor een oogenblik heengetrokken gevoeld naar den man die haar de bescherming eener trouwe liefde aanbood. Hij kon het denkbeeld niet dulden, haar te veroordeelen; zij had nooit bedoeld, hem deze vreeselijke smart aan te doen. De blaam rustte geheel en alleen op den man die zelfzuchtig met haar hart had gespeeld â die haar misschien met overleg weggelokt had.
Te Ãakbourne herinnerde zich de stalknecht in den âKoningseikquot; dat een dergelijke jonge vrouw, als Adam hem beschreef, omstreeks veertien dagen geleden met de diligence van Treddleston gekomen was â hij zou zulk een mooi meisje zoo licht niet vergeten â hij was zeker dat zij niet met de Buxtonsche diligence medegegaan was, die over Snowfield reed, maar had haar uit het oog verloren terwijl hij de paarden verzorgde, en haar in het geheel niet wedergezien. Adam begaf zich daarop rechtstreeks naar het huis waar de wagen van Stoniton afreed; Stoniton was voor Hetty de aangewezen plaats om zich het eerst van alle heen te begeven, wat ook verder haar doel mocht zijn; want waarschijnlijk zou zij zich toch wel niet dan op de voornaamste postwegen hebben durven wagen. Ook hier had men haar opgemerkt, en men herinnerde zich dat zij op den bok bij den koetsier gezeten had; maar men kon den koetsier niet spreken, omdat een ander de laatste drie of vier dagen voor hem gereden had; waarschijnlijk zou hij te Stoniton te vinden zijn, zoo men navraag deed in de herberg waar de wagen aankwam. Dus moest de gejaagde Adam met zijn diep harteleed noodwendig wachten en pogen te rusten tot morgen ochtend â neen tot elf uur, het uur waarop de wagen afreed.
Te Stoniton had een ander oponthoud plaats, want de oude koetsier die Hetty gereden had, zou niet in de stad komen voor laat
447
DE NAVRAAG.
in den avond. Toen hij kwam, herinnerde hij zich Hetty zeer goed, en ook zijn eigen geestigheid ten haren aanzien, die hij onophoudelijk aan Adam herhaalde, er even dikwijls bijvoegend dat er volgens hem iets bijzonders achter de zaak stak, omdat Hetty niet gelachen had toen hij haar had geplaagd. Maar hij verklaarde, evenals de lieden in de herberg gedaan hadden, dat hij haar uit het oog had verloren zoodra zij afgestapt was. Een gedeelte van den morgen ging voorbij met vragen in elk huis waar een wagen afreed
â alles vergeefs; want men weet dat Hetty niet uit Stoniton vertrok met den postwagen, maar te voet in het grauwe morgenlicht
â en daarna met te wandelen tot aan de eerste tolhekken op de verschillende wegen, in de flauwe hoop dat aldaar eenig spoor van haar zou te vinden zijn. Neen, zij was niet verder na te gaan, en Adams eerstvolgende zware taak was, naar huis terug te keeren, en de rampzalige tijding over te brengen naar de hoeve. Ten aanzien van hetgeen hij verder doen zou, was hij, te midden van de woeling der gedachten en gevoelens in zijn binnenste, terwijl hij heen en weder trok, tot een tweeledig, vast besluit gekomen. Zonder bepaalde noodzakelijkheid daartoe zou hij geen melding maken van Arthur Donnithorne's gedrag jegens Hetty; het was immers nog mogelijk dat Hetty terugkwam, en zoodanige mededeeling ware dan een beleediging of een verongelijking ten haren aanzien. Zoodra hij thuis zou zijn geweest, en al hetgeen noodzakelijk was voor zijne verdere afwezigheid in orde zou hebben gebracht, zou hij naar Ierland vertrekken; zoo hij onderweg geen spoor van Hetty ontdekte, zou hij recht door naar Arthur Donnithorne gaan, en zich overtuigen in hoever deze bekend was met haar handelingen. Herhaaldelijk drong de gedachte zich aan hem op dat hij ds. Irwine raadplegen moest, maar dit zou tot niets leiden, tenzij hij hem alles vertelde en óp die wijze Arthurs geheim verried. Het moge vreemd schijnen dat Adam bij zijn onophoudelijk denken over Hetty, in het geheel niet had stil gestaan bij de waarschijnlijkheid dat zij naar Windsor gegaan was, niet wetend dat Arthur zich daar niet meer bevond. Misschien was de reden deze, dat hij zich niet begrijpen kon hoe Hetty zich ongeroepen op genade aan Arthur overgeven zou; hij kon zich geen oorzaak denken, die haar tot zulk een stap dringen moest, na dien brief van de maand Augustus. Hem zweefden slechts twee mogelijkheden voor den geest: of Arthur had haar
448
DE NAVRAAG.
weder geschreven en haar weggetroond, of zij was eenvoudig gevlucht voor haar naderend huwelijk met hemzelven, omdat zij tot de overtuiging was gekomen dat zij hem toch niet lief genoeg had, en omdat zij vreesde voor den toorn harer vrienden, ingeval zij zich terugtrok.
Met dit besluit voor den geest, om namelijk onmiddellijk naar Arthur te gaan, was de gedachte dat hij twee dagen had verspild aan een onderzoek dat bijna vruchteloos gebleken was, voor Adam een marteling; en toch, daar hij aan de Poysers zijn meening niet wilde mededeelen ten opzichte van de plaats waar Hetty kon heengegaan zijn, of zijn voornemen om haar derwaarts te volgen, moest hij in staat zijn hun te zeggen dat hij haar spoor zooveel mogelijk gevolgd was.
Het was Dinsdag omstreeks middernacht toen Adam Treddleston bereikte, en ongenegen om zijn moeder en Seth in hun rust te storen of zich op dit uur aan hun vragen bloot te stellen, wierp hij zich, geheel gekleed als hij was, op een bed in den âOmgevallen Wagenquot; en viel van louter vermoeidheid in een vasten slaap. Niet langer dan vier uren evenwel duurde deze rust, want voor vijven was hij op weg naar huis, in het flauwe morgenlicht. Hij droeg steeds een sleutel van de werkplaats bij zich, zoodat hij de deur kon ontsluiten, en hij wenschte binnen te komen zonder zijn moeder te wekken, want hij wilde alles aanwenden wat hij kon om niet genoodzaakt te zijn, haar het nieuwe verdriet zelf te vertellen; hij wilde Seth verzoeken, het haar mede te deelen, wanneer het noo-dig zijn zou. Hij liep zachtjes de plaats over, en draaide even zachtjes den sleutel om in het slot, maar, zooals hij verwacht had, Presto, die in de werkplaats sliep, deed een luid geblaf hooren. Dit hield echter op toen de hond Adam zag, die den vinger tegen hem ophief om hem tot stilte aan te manen; en in zijn gedempte vreugde moest Presto tevreden zijn met zich het lijf tegen zijn meesters beenen te schuren.
Adam was te ziek van hart om op Presto's liefkoozingen acht te geven. Hij viel op de schaafbank neder, en staarde als versuft op het timmerhout en op de teekenen van arbeid om zich henen, nieuwsgierig of hij er immer weder toe zou komen, eenig genot in deze dingen te vinden, terwijl Presto, zich flauw bewust dat er iets aan zijn meester haperde, zijn ruigen, grijzen kop op Adams knie ADAM BEDE. 29
449
DE KAVRAAG.
lei, en zijn wenkbrauwen samentrok om naar hem op te zien. Tot hiertoe was Adam sinds Zondag namiddag voortdurend onder vreemde menschen en op vreemde plaatsen geweest, zonder eenige aanraking met de bijzonderheden van het dagelijksch leven, en nu hij bij het licht van dezen nieuwen morgen teruggekeerd was in zijn huis, en zich omgeven zag door de gemeenzame voorwerpen, die voor immer van hun aantrekkelijkheid beroofd schenen, drukte de werkelijkheid â de harde, onvermijdelijke werkelijkheid van zijn smart â hem met nieuw gewicht neder. Vlak tegenover hem stond een onafgewerkte latafel, die hij in zijn vrjje oogenblikken in elkander had gezet ten gebruike voor Hetty, als zijn huis het hare wezen zou.
Seth had Adam niet hooren binnenkomen, maar hij was wakker geworden door Presto's geblaf, en Adam hoorde hem in de kamer boven zich, bezig met zich te kleeden. Seths eerste gedachte was aan zijn broeder; hij zou dezen dag zeker thuiskomen, want morgen zou hij onmogelijk kunnen gemist worden aan den winkel; maar het was een aangename gedachte, dat hij nog een dag langer vrijaf had dan hij zich had voorgesteld. En Dina, zou zij mede-komen? Seth gevoelde dat zulks het grootste geluk zou zijn dat hij zich voor zichzelven denken kon, ofschoon hij geen hoop meer koesterde dat zij hem immer lief genoeg zou hebben om hem te trouwen; maar hij had dikwijls bij zichzelven gezegd, dat het beter was Dina's vriend en broeder te wezen dan de echtgenoot van elke andere vrouw. Zoo hij slechts altijd in haar nabijheid wezen kon en niet zoo ver van haar af behoefde te wonen!
Hij kwam beneden en opende de tusschendeur die uit de keuken in de werkplaats geleidde, met het doel om Presto uit te laten, maar in den deurpost stond hij stil, roerloos van schrik op het zien van Adam, die ineengezakt nederzat op de schaafbank, bleek, ongeschoren, met ingezonken, wezenlooze oogen, bijna als een dronkaard in den morgen. Seth gevoelde oogenblikkelijk wat deze teekenen beduidden; geen dronkenschap, maar het een of ander groot onheil. Zonder spreken zag Adam tot hem op, en Seth trad voorwaarts naar de schaafbank, zelf bevend en slechts met moeite tot spreken in staat.
âGod zij ons genadig, Adam,quot; zei hij op zachten toon, zich op de bank naast Adam nederzettend, âwat scheelt er aan?quot;
450
DE NAVRAAG.
Adam was buiten staat te antwoorden; de sterke man, gewoon alle teekenen van verdiet te onderdrukken, had zijn hart voelen zwellen als dat van een kind bij deze eerste uiting van medegevoel. Zijn hoofd viel neder op Seths schouder en hij snikte.
Seth was nu op het ergste voorbereid; want hij had Adam, de herinneringen aan hun jongensjaren niet uitgezonderd, nooit zien schreien.
âDoodstijdingen, Adam? Is zij dood?quot; vroeg hij, op zachten toon, toen Adam het hoofd ophief en zich herstelde.
âNeen, jongen, maar zij is heengegaan â van ons heengegaan. Zij is in het geheel niet te Snowtield geweest. Dina is naar Leeds gegaan, verleden Vrijdag voor veertien dagen, denzelfden dag dat Hetty van hier vertrok. Ik kan niet ontdekken welken weg zij heeft genomen na haar aankomst te Stoniton.quot;
Seth zweeg van uiterste verbazing; hij kon geen reden vinden om Hetty's heengaan te verklaren.
âKunt gij gissen waarom zij het gedaan heeft?quot; vroeg hij eindelijk.
âZij moet mij niet lief gehad hebben; zij zag op tegen ons huwelijk naarmate het tijdstip naderde â¢â dat moet het wezen,quot; zei Adam. Hij was vast besloten, geen andere redenen op te geven.
âIk hoor moeder beweging maken,quot; zei Seth. âMoeten wij het haar zeggen?quot;
âNeen, nog niet,quot; zei Adam, van de bank opstaand en zich de haren van het voorhoofd strijkend, als om zichzelven tot moed aan te sporen. Ik kan niet hebben dat het hier nu reeds bekend wordt, en ik moet dadelijk weder op reis, zoodra ik in het dorp en op de hoeve zal geweest zijn. Ik kan u niet zeggen waar ik heenga, en gij moet haar vertellen dat ik van huis ben voor zaken, waarvan niemand iets weten mag. Ik ga mij wasschen en verkleeden.quot; Adam trad naar de deur van de werkplaats, maar na een paar schreden keerde hij zich om, en Seths blik met een kalmen, weemoedigen terugblik beantwoordend, zei hij; âIk moet al het geld uit het blikken doosje nemen, mijn jongen, maar zoo mij iets overkomt, is al het overige voor u om voor moeder te zorgen.quot;
Seth verbleekte en beefde; hij gevoelde dat een of ander vree-selijk geheim onder dit alles school. âBroeder,quot; zei hij zacht â hij noemde Adam nooit broeder dan alleen bij plechtige gelegen-
29*
451
DE NAVKAAG.
heden â âik geloof niet dat gij iets doen zult, waarop gij Gods zegen niet kunt â vragen?quot;
âNeen, jongen,quot; zei Adam, âvrees niet. Ik zal niets doen dan hetgeen een man betaamt.quot;
De gedachte dat, zoo hij zijn verdriet aan zijn moeder bekend maakte, zij hem slechts kwellen zou met woorden, half door onhandige liefde, half ingegeven door haar niet te verbergen triomf dat Hetty bij de uitkomst werkelijk gebleken was een ongeschikte vrouw voor hem te zijn â gelijk zij altijd had voorzien en voorzegd â schonk hem iets van zijn gewone vastberadenheid en zelf-beheersching terug. Hij had zich op zijn terugreis ongesteld gevoeld â vertelde hij haar toen zij beneden kwam â was om die reden den ganschen nacht te Treddleston gebleven, en zware hoofdpijn, die hem nog kwelde, verklaarde zijn bleekheid en gezwollen oogen.
Hij besloot in de eerste plaats naar het dorp te gaan, een uur aan zijn zaken te geven, en baas Burger te verwittigen dat hij genoodzaakt was, zich onmiddellijk op reis te begeven, hetgeen hij moest verzoeken voor een ieder geheim te houden; want hij wilde vermijden om tegen het ontbijtuur op de hoeve te verschijnen, als wanneer hij de kinderen en de dienstboden in de keuken bijeen vinden zou, en er zeker te hunnen aanhoore uitroepingen zouden worden gedaan over zijn terugkomen zonder Hetty. Hij wachtte dus tot de klok negen sloeg, voor hij de werkplaats in het dorp verliet en door de velden heen op weg ging naar de hoeve. Het was hem een groote verlichting, toén hij de omheining naderde, in de verte boer Poyser te zien aankomen; dit zou hem de pijnlijke moeite besparen van bij hem aan huis te gaan. Boer Poyser stapte wakker door op dezen Maartschen morgen, met een gevoel van voor-jaarsdmkte om het hart; hij was op weg om âhet oog van den meesterquot; te laten gaan over het beslaan van een nieuw wagenpaard, en droeg zijn spade met zich als een nuttig gezelschap op de wandeling. Zijn verwondering was groot toen hij Adam in het oog kreeg, maar hij was er de man niet naar om aan kwade voorgevoelens toe te geven.
âWelzoo, Adam, mijn jongen, waart gij daar? Zrjt gij al dien tijd weg geweest en hebt gij evenwel de meisjes niet meegebracht? Waar zijn zij?quot;
âNeen, ik heb ze niet meegebracht,quot; zei Adam, zich omkeerend.
452
DE NAVEAAG.
om aan te duiden dat hij met boer Poyser terug wilde wandelen.
âHoe nu,quot; zei Martin, Adam met scherper aandacht gadeslaand; âgij ziet er slecht uit. Is er iets gebeurd?quot;
âJa,quot; zei Adam met inspanning. âEr is een treurige zaak gebeurd. Ik heb Hetty niet te Snowfield gevonden.quot;
Boer Poysers goedhartig gelaat vertoonde teekenen van onbestemde verbazing. âHaar niet gevonden? Wat is haar overkomen?quot; vroeg hij, aanstonds denkend aan eenig lichamelijk ongeval.
âIk kan niet zeggen of haar iets overkomen is. Zij is in het geheel niet naar Snowfield gegaan; zij heeft plaats genomen op den wagen naar Stoniton, maar ik kan niet te weten komen wat er van haar geworden is nadat zij te Stoniton is aangekomen.quot;
âGij wilt toch niet zeggen dat zij weggeloopen is?quot; vroeg Martin stilstaand, zoo verwonderd en verbaasd dat de zaak geen gelegen, beid had zich vooralsnog als een ongeval aan hem voor te doen.
âIets anders kan zij niet gedaan hebben,quot; antwoordde Adam. âZij heeft, toen het er op aankwam, tegen ons huwelijk opgezien â zoo iets moet het zijn. Zij heeft zich in haar gevoelens vergist.quot;
Martin zweeg een paar minuten, starend op den grond, en de graszoden met zijn spade uitstekend, zonder te weten wat hij deed. Zijne gewone traagheid in het spreken verdubbelde steeds wanneer het onderwerp des gespreks pijnlijk was. Eindelijk keek hij op, zag Adam vlak in het gelaat en zei:
âDan verdiende zij niet u te hebben, mijn jongen. En ik zelf voel ook schuld, want zij was mijn nichtje, en ik ben er ook sterk voor geweest dat zij u trouwen zou. Ik kan het niet goed bij u maken, jongen â jammer genoeg; het is een zware slag voor u, zooveel is zeker.quot;
Adam kon niet antwoorden, en boer Poyser vervolgde, nadat zij een eind voortgewandeld waren:
â Zij is vast gaan beproeven of zij een dienst als kamenier kan krijgen; dat had zij zich in het hoofd gezet een half jaar geledenen wilde toen mijn toestemming hebben. Maar ik had te goede gedachten van haar,quot; voegde hij er bij, langzaam en treurig het hoofd schuddend â âte goede gedachten, dan dat zij zich zoo zou aanstellen, nadat zij u haar woord gegeven had en alles gereed was.quot;
Adam had allerlei redenen om deze onderstelling bij boer Poyser aan te moedigen, en hij deed zijn best om zelf te gelooven dat
453
DE NAVEAAG.
Martin wellicht gelijk had. Hij had immers de zekerheid niet dat zij naar Arthur gegaan was?
âHet is beter zooals het is,quot; zei hij, zoo bedaard hij kon, âingeval zij voelde dat zij mij niet lief kon hebben als haar man. Beter ten halve gekeerd dan geheel gedwaald. Ik hoop dat gij haar niet onvriendelijk zult aanzien als zij terugkomt, zooals mogelijk is, wanneer zij het moeielijk vindt om voort te komen buitenshuis.quot;
âIk kan haar niet weder aanzien met zulke goede oogen als te voren,quot; zei Martin vastberaden. Zij heeft u slecht behandeld, en ons allen daarbij. Maar, ik zal haar den rug niet toekeeren; zij is nog jong, en het is het eerste kwaad dat zij doet. Het zal een zware karwei voor mij zijn om het aan haar tante te vertellen. Waarom is Dina niet met u teruggekomen? â Zij had kunnen helpen om haar tante wat neer te zetten.quot;
âDina was niet te Snowiield. Zij was sinds veertien dagen naar Leeds gegaan, en ik kon van de oude vrouw geen aanwijzing bekomen waar zij zich te Leeds ophoudt, anders zou ik u haar adres hebben meegebracht.quot;
âZij deed vrij wat beter met bij haar eigen bloedverwanten te blijven,quot; zei boer Poyser verontwaardigd, âdan te gaan preeken onder vreemd volk hier en ginds.quot;
âIk moet u thans verlaten, boer Poyser,quot; zei Adam, âwant ik heb nog veel na te zien.quot;
âJa, het is best dat gij aan uw zaken gaat, en ik moet het geval aan mijn vrouw vertellen als ik thuis kom. Een heele karwei.quot;
Maar,quot; zei Adam, âik verzoek u dringend, het gebeurde een paar weken geheim te houden. Ik heb mijn moeder nog niets verteld, en men kan niet weten welken keer de zaken nemen kunnen.quot;
âJa, ja, hoe minder gepraat hoe beter. Wij behoeven niet te vertellen om welke reden de verbintenis verbroken werd, en misschien hooren wij spoedig iets van haar. Geef mij de hand, jongen; ik wou â dat ik het goed bij u maken kon.quot;
Er was op dit oogenblik iets in Martin Poysers keel dat hem die weinige woorden op vrij stooterige wijze deed uitbrengen. Toch wist Adam zooveel te beter wat ze beduidden, en de beide rechtschapen mannen drukten elkaar de hand, elkander wederzijds volkomen begrijpend.
454
DE NAVRAAG.
Er was nu niets meer dat Adam belette te vertrekken. Hij had aan Seth verzocht naar het kasteel te gaan, en daar de boodschap voor den squire te laten, dat Adam Bede genoodzaakt was ge. weest, plotseling op reis te gaan â en ditzelfde, maar ook niets meer, aan al degenen te zeggen die naar hem vragen mochten. Zoo de Poysers hoorden dat hij vertrokken was, zouden zij natuurlijk daaruit opmaken dat hij Hetty was gaan zoeken.
Hij was voornemens geweest, terstond na zijn bezoek op de hoeve op reis te gaan; doch nu deed dezelfde aandrang, dien hij vroeger herhaaldelijk ondervonden had â om naar ds. Irwine te gaan en dezen tot zijn vertrouwde te maken â zich van nieuws bij hem gevoelen met al de kracht eener laatste uitkomst. Hij stond op het punt een lange reis te aanvaarden â een moeielijke reis â over zee â en geen menschelijk wezen zou weten werwaarts hij gegaan was. Indien hem eens iets overkwam? Of wel, indien hij eens volstrekt vreemde hulp noodig had in het een of ander betreffende Hetty? Ds. Irwine was te vertrouwen, en het gevoel dat Adam deed huiveren om iets te vertellen dat haar geheim was, moest wijken voor de noodzakelijkheid dat er iemand was buiten hemzelven die haar in mogelijke uiterste omstandigheden zou kunnen verdedigen. Omtrent Arthur, zelfs al had hij geen nieuwe schuld op zich geladen, gevoelde Adam zich niet gehouden iets te verzwijgen wanneer Hetty's belangen hem tot spreken riepen.
âIk moet het doen,'' zei Adam, toen deze gedachten, vroeger verdeeld over de lange uren zijner treurige reis, zich nu in een enkel oogenblik aan hem opdrongen, als een golf die zich langzaam heeft opgestapeld; ârecht is recht. Ik kan niet langer alleen staan in deze zaak.quot;
HOOFDSTUK XXXIX.
TIJDINGEN.
Adam ging op Broxton af en wandelde met gezwinden pas voort, op zijn horloge ziende, uit vrees dat ds. Irwine reeds mocht uitge-
455
TIJDINGEN.
gaan zijn, op de jacht misschien. Vrees en haast te zamen hadden hem in een staat van groote opgewondenheid gebracht, toen hij het hek der pastorie bereikte; daarbuiten zag hij de diepe en versche sporen van hoeven in het kiezelzand.
Maar de hoeven liepen in de richting van het hek, niet omgekeerd, en ofschoon er een paard stond voor de staldeur, het was niet dat van ds. Irwine; het dier had klaarblijkelijk dezen morgen dienst gedaan, en moest toebehooren aan iemand die voor zaken gekomen was. Ds. Irwine was dus thuis; maar Adam kon nauwelijks adem en kalmte vinden om aan Carroll te zeggen dat hij diens meester wenschte te spreken. Het dubbele lijden van zekere en onzekere smart had den sterken man reeds aangegrepen. De kamerdienaar zag hem verwonderd aan, terwijl hij zich op de bank in de gang liet nedervallen en wezenloos op de klok aan den muur tegenover hem staarde; mijnheer had iemand bij zich, zei hij, maar hij hoorde de deur van de studeerkamer opengaan â de vreemdeling scheen te vertrekken en daar Adam haast had, zou hij het mijnheer dadelijk laten weten.
Adam zat te staroogen op de klok; de minuutwijzer repte zich de laatste vijf minuten voor tienen met een luiden, harden, onverschilligen tik, en Adam sloeg deze beweging gade en luisterde naar dezen klank, alsof er voor hem de een of andere reden bestond om ' zulks te doen. In onze oogenblikken van bitter lijden komen meestentijds dergelijke pauzen voor, wanneer ons bewustzijn verstompt is voor alles, uitgenomen voor enkele alledaagsche gewaarwordingen en gevoelens. Het is alsof halve waanzin ons rust is komen schenken van de herinneringen en vreezen, die ons weigerden te verlaten in onzen slaap. Carrolls terugkomst wekte Adam opnieuw tot het bewustzijn van den last dien hij te dragen had. Hij moest terstond in de studeerkamer komen. âIk kan mij niet begrijpen waarvoor die vreemde persoon hier gekomen is,quot; voegde de kamerdienaar er bij, louter uit lust om iets te zeggen, terwijl hij Adam naaide deur voorging; âhij is in de eetkamer gegaan. En mijnheer ziet er zoo vreemd uit â alsof hij geschrikt was.quot; Adam lette niet op deze woorden; hij kon zich niet bekommeren om andere zaken. Maar toen hij de studeerkamer binnentrad en ds. Irwine in het aangezicht zag, gevoelde hij oogenblikkehjk dat daarin een nieuwe uitdrukking gekomen was, zonderling verschillend van de warme
456
TIJDINGEN.
vriendelijkheid die er hem vroeger altijd uit tegemoet had gestraald. Op de tafel lag een open brief en ds. Irwine's hand rustte daarop, maar de veranderde blik dien hij op Adam sloeg, kon niet louter een gevolg daarvan zijn dat zijn hoofd vervuld was met een onaangename zaak, want hij keek onafgewend naar de deur, alsof Adams binnenkomen een oorzaak van pijnlijke onrust voor hem was.
âGij verlangt mij te spreken, Adam,quot; zei hij op dien zachten, gedwongen, bedaarden toon, dien iemand aanneemt wanneer hij het besluit heeft opgevat zijn onrust te onderdrukken. âGa hier zitten.quot; Hij wees naar een stoel vlak tegenover hem, op geen drie schreden afstands van den zijnen, en Adam zette zich neder met de gedachte dat dit koel gedrag van ds. Irwine een onverwachte moeielijkheid te meer toevoegde aan de mededeeling die hij te doen had. Maar wanneer Adam zich eenmaal tot iets gezet had, was hij er de man niet naar om zich zonder de dringendste redenen daarvan te laten afbrengen.
âIk kom tot u, mijnheer,quot; zei hij, âals tot een edelman tegen wien ik van al mijn meerderen het meest opzie. Ik heb u iets zeer smartelijks te zeggen â iets dat u leed zal doen te hooren, evenals het mij kost het u te vertellen. Maar zoo ik gewaag van kwaad dat anderen gedaan hebben, gij zult zien dat ik het niet deed voor ik daarvoor goede reden had.quot;
Ds. Irwine knikte langzaam, en Adam ging eenigszins aarzelend voort;
âGij weet, mijnheer, dat gij Hetty Sorrel en mij op den vijftienden van deze maand zoudt getrouwd hebben. Ik dacht dat zij mij liefhad, en ik was de gelukkigste man uit de gansche gemeente. Maar een vreeselijke slag heeft mij getroffen.quot;
Ds. Irwine schrikte als onwillekeurig van zijn stoel op, maar toen, als vast besloten zichzelven te beheerschen, ging hij naar het venster en keek naar buiten.
âZij is weggegaan, mijnheer, en wij weten niet waarheen. Zij zei-de ons dat zij naar Snowfield ging. Vrijdag voor veertien dagen, en ik ging verleden Zondag om haar terug te halen; maar zij is daar in het geheel niet geweest, en zij heeft plaats genomen op den wagen naar Stoniton â verder heb ik haar niet kunnen nasporen. Maar ik ben van zins een verre reis te ondernemen om
457
TIJDINGEN.
haar op te zoeken, en ik kan aan niemand behalve aan u toevertrouwen waar ik heenga.quot;
Ds. Irwine kwam terug van het venster en zette zich neder.
âKunt gij de reden niet gissen waarom zij heenging?quot; vroeg hij.
âZooveel is duidelijk, dat zij niet verlangde mij te trouwen,quot; antwoordde Adam. âZij zag er tegen op naarmate de tijd naderde. Maar dat is niet alles, vrees ik. Er is iets anders dat ik u vertellen moet, mijnheer. Er is iemand anders in betrokken buiten mij.quot;
Een zweem van iets â het leek op verlichting of vreugde â blonk op dit oogenblik henen door de hevige onrust op ds. Irwi-ne's gelaat. Adam had voor zich zitten staren op den grond en hield een oogenblik stil; de nu volgende woorden kostten hem oneindig veel. Maar toen hij voortging, hief hij het hoofd op en keek ds. Irwine strak in het gezicht. Datgene waartoe hij besloten wasr wilde hij doen zonder aarzelen.
âGij weet wie de man is, dien ik altijd als mijn grootsten vriend beschouwd heb,quot; zei hij, âvan wien ik trotsch was te denken dat ik mijn leven zou doorbrengen met voor hem te werken, en voor wien ik ditzelfde reeds gevoelde toen wij beiden nog knapen waren.quot;
Alsof alle zelfbeheersching hem begeven had, greep ds. Irwine Adams arm, die op de tafel lag en dien, vast omklemmend, als iemand die hevige pijn uitstaat, zei hij met bleeke lippen en op doffen, gejaagden toon: âNeen, Adam, neen â zeg dat niet, in Gods naam!quot;
Adam, verwonderd over de heftigheid van ds. Irwine's gevoel, had berouw over de woorden die over zijn lippen gekomen waren, en zat neder in treurig stilzwijgen. De greep om zijn arm werd langzamerhand losser, en ds. Irwine wierp zich achterover in zijn stoel, zeggend: âGa voort â ik moet het weten.quot;
âDiezelfde man speelde met Hetty's gevoel, en gedroeg zich jegens haar zooals hij geen recht had te doen jegens een meisje van haar stand â gaf haar geschenken, en had ontmoetingen met haar op zijn wandelingen. Ik ontdekte het eerst twee dagen voor zijn vertrek â ik vond hem toen, haar kussend, terwijl zij afscheid namen in het bosch. Er was destijds nog geen woord gewisseld tus-schen Hetty en mij, ofschoon ik haar reeds lang had liefgehad, het-
458
TIJDINGEN.
geen zij zeer goed wist. Maar ik verweet hem zijne verkeerde handelwijze ; er vielen woorden en slagen, en hij verzekerde mij daarna plechtig dat alles slechts spel geweest was, en niets dan een onschuldig tijdverdrijf. Ik deed hem een brief schrijven om aan Hetty te zeggen dat hij niets ernstigs bedoeld had, want ik zag duidelijk, mijnheer, aan veel dingen die ik vroeger niet begrepen had, dat hij zich meester had gemaakt van haar hart, en ik vreesde dat zij misschien zou voortgaan met aan hem te denken, en er nimmer toe zou kunnen komen om een anderen man lief te hebben die haar wenschte te trouwen. En ik gaf haar den brief, en na een poos scheen zij haar lot beter te dragen dan ik verwacht had ... en zij werd al vriendelijker en vriendelijker jegens mij . . . Ik ben overtuigd dat zij haar eigen gevoelens toen niet doorzag, en dat die haar eerst duidelijk werden toen het te laat was... Ik wil haar niet veroordeelen... ik kan niet gelooven dat zij plan had mij te misleiden. Ik had reden te denken dat zij mij liefhad, en â gij weet het overige, mijnheer. Maar ik vrees dat hij valsch met mij gehandeld heeft, en haar heeft weggelokt, en dat zij naar hem toegegaan is â en dit ga ik thans onderzoeken; want ik kan nimmer weder aan het werk gaan voor ik weet wat er van haar geworden is.quot;
Gedurende Adams mededeeling had ds. Irwine tijd gehad om van zijn ontroering te bekomen, in weerwil der smartelijkste gedachten die zich in menigte aan hem opdrongen. Bitter was voor hem thans de herinnering aan dien morgen, toen Arthur met hem ontbeten had, en toen het scheen alsof hij op het punt was hem een bekentenis te doen. En zoo hun gesprek destijds een andere wending had genomen. . . indien hijzelf minder geschroomd had door te dringen in de geheimen van anderen . . . het was wreed te denken hoe dun een weefsel verhinderd had, al deze zonde en ellende te voorkomen. Hij zag het geheele voorval nu in dat vreeselijke licht, dat door het tegenwoordige wordt uitgestort over het verledene. Maar elk ander gevoel dat zich aan hem opdrong, werd verdreven door medelijden, eerbiedig medelijden met den man die voor hem zat â reeds zoo diep gewond, en die met een treurig blinde onderwerping een onwezenlijke smart tegemoet ging op het oogenblik dat een werkelijke hem zoo nabij was; een smart te zeer verschillend van onze gewone beproevingen, dan dat hij haar ooit kon vermoed of
459
TIJDINGEN.
geducht hebben. Zijn eigen onrust werd gestild door dat zeker ontzag, dat ons overmeestert in tegenwoordigheid van een groot lijden; want de slag waarop hij Adam moest voorbereiden, stond hem reeds in al zijn klaarheid voor den geest. Wederom lei hij zijn hand op den arm die op de tafel lag, maar zeer zachtjes ditmaal, terwijl hij plechtig zei;
âAdam, mijn waarde vriend, gij hebt harde beproevingen gekend in uw leven. Gij weet de smart te dragen als een man evengoed als gij weet te handelen als een man; deze dubbele taak legt God ons in dit oogenblik op. Een zwaarder slag dan gij ooit gekend hebt zal u weldra treffen. Maar gij zijt niet schuldig â gij draagt het zwaarste lijden niet. God_ zij hem genadig die dit zwaarste te dragen heeft!quot;
De beide bleeke aangezichten zagen elkander aan; uit dat van Adam sprak een sidderend wachten, uit dat van ds. Irwine een aarzelend, huiverend medelijden. Maar hij ging voort:
,Ik heb dezen morgen tijding van Hetty gehad. Zij is niet naar hem toegegaan. Zij is in Stonyshire â te Stoniton.quot;
Adam vloog op van zijn stoel, alsof hij meende met een sprong naar haar te kunnen toesnellen. Doch ds. Irwine greep wederom zijn arm, en zei op overredenden toon: âWacht, Adam, wacht.quot; Toen ging Adam weder zitten.
âZij verkeert in een zeer betreurenswaardigen toestand â zoodat het erger voor u zal zijn haar te vinden, mijn arme vriend, dan indien gij haar voor altoos verloren hadt.quot;
Adams lippen bewogen zich krampachtig, maar er kwam geen geluid. Zij bewogen zich weder, en hij fluisterde: âVertel het mij.quot;
âMen heeft haar opgebracht. . . zij is in de gevangenis.quot;
Het was alsof een beleedigende slag in het aangezicht den geest van wederstand in Adam had doen terugkeeren. Het bloed stroomde naar zijn gelaat, en hij vroeg, luid en scherp: âWaarom?quot;
âOm een zware misdaad â den moord van haar kind.quot;
âHet kan niet zijn !quot; kreet Adam bijna, van zijn stoel opspringend, en een schrede doende naar de deur; maar hij keerde zich om, den rug tegen de boekenkast drukkend en ds. Irwine woest aanziend. âHet is niet mogelijk. Zij heeft nooit een kind gehad. Zij kan niet schuldig wezen. Wie zegt het?quot;
460
TIJDINGEN.
âGod geve dat zij onschuldig is, Adam! Wij kunnen nog hopen dat het zoo is.quot;
âMaar wie zegt dat zij schuldig is?quot; vroeg Adam heftig. âVertel mij alles.quot;
âHier is een brief van den overheidspersoon voor wien zij gebracht werd, en de gerechtsdienaar die haar aanhield wacht in de eetzaal. Zij wil haar naam niet noemen,quot; noch de plaats waar zij vandaan komt, maar ik vrees, ik vrees, dat er geen twijfel kan bestaan of het is Hetty. De beschrijving van haar persoon komt volmaakt overeen; alleen zegt men dat zij er zeer bleek en lijdend uitziet. Zij had een klein roodlederen portefeuilletje in haar zak, met twee namen er in geschreven â een aan het begin, âHetty Sorrel, Hayslope,quot; en de andere aan het einde, âDina Morris, Snowfield.quot; Zij wil niet zeggen welke van beide haar naam is. â Zij ontkent alles, en wil geen enkele vraag beantwoorden; en nu heeft men zich tot mij, als magistraat, gewend, opdat ik maatregelen nemen zou om mij van de identiteit van haar persoon te vergewissen, want men houdt het voor waarschijnlijk dat de naam die voor in het boekje staat haar eigen naam is.quot;
âMaar welk bewijs kunnen zij inbrengen tegen haar, indien het werkelijk Hetty is?quot; vroeg Adam, steeds heftig, met een inspanning die zijn gansche lichaam scheen te schokken. âIk wil het niet geloo-ven. Het kan niet zoo wezen. En dat niemand onzer er iets van zou geweten hebben!quot;
âVreeselijk bewijs dat zij in de verzoeking was de misdaad te begaan ; maar wij mogen nog hopen dat zij die niet werkelijk begaan heeft. Beproef dezen brief te lezen, Adam.quot;
Adam nam den brief in zijn bevende handen, en poogde er zijn oogen op te vestigen. Ds. Ir wine verliet intusschen de kamer om eenige bevelen te geven. Toen hij terugkwam, staarden Adams oogen nog steeds op de eerste bladzijde â hij kon niet lezen â hij kon de woorden niet samenvoegen, hun zin niet vatten. Eindelijk wierp hij den brief neder en balde de vuist.
âHet is zijn werk,quot; zei hij; âindien er een misdaad is gepleegd . . . zij komt voor zijn rekening, niet voor de hare. Hij leerde haar bedriegen â hij bedroog mij het eerst. Laat men hem voor het gerecht dagen â laat hem voor de rechtbank nevens haar gaan staan, en ik zal hun vertellen hoe hij zich meester maakte
461
TIJDINGEN.
van haar hart, en haar tot kwaad verleidde, en mij daarna voorloog. Moet h ij vrij komen, terwijl men al de straf legt op haar. . . zoo zwak en jong?quot;
Het beeld, door deze laatste woorden opgeroepen, gaf een nieuwe richting aan Adams hartstochtelijk gevoel. Hij zweeg, en staarde in den hoek der kamer alsof hij daar iets zag. Toen barstte hij weder uit op een toon van klagenden wanhoop:
âIk kan het niet dragen. . . O God, het is te hard, mij dit op te leggen â het is te hard, te moeten denken dat zij misdadig is.quot;
Ds. Irwine was zwijgend weder gaan zitten; hij was een te goed menschenkenner om voor het tegenwoordige aan troostwoorden te denken, en inderdaad, het gezicht van Adam, met dien zweem van plotselingen ouderdom die zich in oogenblikken van hevige gemoedsaandoening somtijds vertoont op zeer jeugdige gelaatstrekken â de droge huid waaruit alle bloedsomloop geweken scheen
â de diepe lijnen om den trillenden mond â de groeve in het voorhoofd â het gezicht van dien krachtigen man, verbrijzeld door den onzichtbaren slag der smart, roerde hem zoo diep, dat het niet gemakkelijk was te spreken. Een paar minuten lang stond Adam bewegingloos, wezenloos staroogend; in dat korte tijdsverloop doorleefde hij nog eenmaal de gansche geschiedenis zijner liefde.
âZij kan het niet gedaan hebben,quot; zei hij, nog zonder zijn oogen te bewegen, alsof hij tot zichzelven sprak; âhet was alleen vrees die het haar deed verbergen... ik vergeef haar dat zij mij misleidde ... ik vergeef u, Hetty. . . ook gij werdt misleid... gij hebt een zwaren strijd gehad, mijn arme Hetty. . . Maar zij zullen het mij nooit doen gelooven.quot;
Hij zweeg eenige oogenblikken, en zei toen woest en afgebroken;
âIk zal naar hem toegaan â ik zal hem brengen â ik zal hem haar toonen in haar ellende â hij zal haar zien tot hij het niet meer vergeten kan â dat gezicht zal hem vervolgen nacht en dag
â zoolang hij leeft zal het hem vervolgen â hij zal niet ontkomen met leugens dezen keer â ik zal hem halen, ik zal hem zelf medesleepen hier naar toe.quot;
Onder het gaan naar de deur van het vertrek stond Adam werk. tuiglijk stil en keek rond naar zijn hoed, gansch onbewust van de
462
TIJDINGEN.
plaats waar en van den persoon in wiens tegenwoordigheid hij zich bevond. Ds. Irwine was hem gevolgd en nam hem nu bij den arm, op bedaarden maar vasten toon tot hem zeggend;
âNeen, Adam, neen; gij wilt immers liever blijven om te zien wat er voor haar gedaan kan worden dan uit te gaan op nuttelooze wraak? De straf zal wel nederkomen zonder uw toedoen. Daarenboven, hij is niet langer in Ierland; hij moet op weg wezen naar huis â of zou het althans wezen, lang voor uw aankomst, want ik weet dat zijn grootvader minstens tien dagen geleden om hem geschreven heeft. Ga met mij mede naar Stoniton. Ik heb een paard voor u besteld, opdat gij met ons zoudt kunnen mederijden, zoodra gij wat bijgekomen zult zijn.quot;
Terwijl ds. Irwine sprak, ontwaakte Adam weder tot het bewustzijn van het tegenwoordig tooneel; hij streek zich de haren uit de oogen en luisterde.
âHerinner u,quot; ging ds. Irwine voort, âdat er anderen zijn aan wie gedacht en voor wie gehandeld moet worden behalve u, Adam; in de eerste plaats Hetty's vrienden, de goede Poysers, wie de slag heviger treffen zal dan ik mij durf voorstellen. Ik verwacht van uw geestkracht, Adam, van uw plichtgevoel jegens God en menschen â dat gij zult pogen te handelen, zoolang handelen nog van eenig nut kan wezen.quot;
Eigenlijk stelde ds. Irwine de reis naar Stoniton alleen voor ter wille van Adam zeiven. Beweging, met een doel in het vooruitzicht om naar te streven, was het beste middel om eenige reactie in het leven te roepen tegen de heftigheid van Adams lijden in deze eerste uren.
âGij wilt immers wel met mij naar Stoniton gaan, nietwaar, Adam?quot; vroeg hij weder, na een oogenblik zwijgens. âWij moeten onderzoeken of het werkelijk Hetty is die zich daar bevindt.quot;
âJa, mijnheer,quot; zei Adam. âIk zal doen wat gij rechtmatig oordeelt. Maar de lieden op de hoeve?quot;
âIk wil niet dat zij iets weten zullen voor ik terugkom om het zelf hun te vertellen. Ik zal dan zekerheid hebben aangaande zaken waaromtrent ik nu nog twijfel, en ik zal zoo spoedig mogelijk van Stoniton terugkeeren. Kom nu, de paarden zijn gereed.quot;
463
DE BITTERE WATEBEN STEOOMÃN.
HOOFDSTUK XL.
DE BITTERE WATEREN STROOMEN.
Ds. Irwine kwam dien nacht met postrijtuig uit Stoniton terug, en de eerste woorden die Carroll tot hem sprak, toen hij het huis binnentrad, waren: dat squire Donnithorne overleden was â dood gevonden in zijn bed omstreeks tien uur in den morgen â en dat mevrouw Irwine last gegeven had hem ta zeggen dat zij wakker wezen zou wanneer ds. Irwine thuiskwam, en dat zij hem verzocht niet naar bed te gaan voor hij bij haar geweest was.
âZoo, Dauphin,quot; zei mevrouw Irwine, toen de zoon haar kamer binnentrad, âzijt gij daar eindelijk? Het blijkt nu van achter dat de rusteloosheid en neerslachtigheid van den ouden heer, die hem zoo plotseling om Arthur deden zenden, toch werkelijk iets betee-kenden. Carroll heeft u zeker verteld dat Donnithorne dezen morgen dood gevonden is in zijn bed. Een andermaal zult gij nu aan mijn voorgevoelens eenig geloof hechten, hoop ik; ofschoon ik waarschijnlijk geen andere voorgevoelens meer hebben zal dan omtrent mijn eigen dood.quot;
âHoe heeft men gehandeld met Arthur?quot; vroeg ds. Irwine. âIs er iemand gezonden om hem op te wachten te Liverpool?quot;
âJa, Ralph was reeds vertrokken voor ons de tijding gebracht werd. Die lieve Arthur, ik zal dan toch nog beleven dat hij heer en meester is op het kasteel, en de belangen zijner onderhoorigen behartigt, edelmoedige knaap die hij is. Hij zal zoo gelukkig zijn als een koning.quot;
Ds. Irwine kon niet nalaten een flauwen zucht te slaken; hij was afgemat van onrust en inspanning en kon den toon van zijn moeders luchthartige woorden schier niet uitstaan.
âWaarover zijt gij zoo terneergeslagen, Dauphin? Is er eenig slecht nieuws? Of denkt gij aan hetgeen het voor Arthur inheeft om die verschrikkelijke lersche Zee over te steken in dezen tijd van het jaar?quot;
âNeen, moeder, daar denk ik niet aan, maar ik ben op het oogen-blik in geen stemming om mij te verheugen.quot;
464
DE BITTERE WATEREN STROOMEN.
âGij wordt gekweld door dat rechtsgeding waarvoor gij naar Stoniton geweest zijt. Wat is er toch aan de hand, dat gij mij niet vertellen kunt?quot;
âGij zult het later wel te weten komen, moeder. Het zou niet goed zijn zoo ik het u op dit oogenblik vertelde. Goeden nacht, gij zult nu den slaap wel kunnen vatten, nu alles om u heen stil geworden is.quot;
Ds. Irwine gaf zijn aanvankelijk voornemen, om Arthur een brief tegemoet te zenden, bij nader inzien op, en wel omdat het Arthurs terugkomst niet verhaasten zou; het bericht van den dood zijns grootvaders zou hem doen overkomen met allen mogelijken spoed. Hij mocht dus thans naar bed gaan en eenige noodzakelijke rust nemen voor de tijd aanbrak, de tijd voor den zwaren plicht, wanneer hij morgen het verpletterend nieuws op de hoeve en aan Adams woning zou hebben te brengen.
Adam zelf was niet van Stoniton teruggekomen, want ofschoon hij Hetty vreesde te zien, kon hij toch het denkbeeld niet verdragen, zich weder van haar te verwijderen.
âHet geeft niet, mijnheer,quot; zei hij tot den rector, â âhet geeft niet of ik al terugkeer. Ik kan toch niet weder aan het werk gaan terwijl zij hier is, en ik zou het gezicht van de dingen en de men-schen thuis niet kunnen uitstaan. Ik zal hier wel een kamer vinden vanwaar ik de muren der gevangenis kan zien, en misschien, langzamerhand, zal ik het kunnen dragen haar te zien.'quot;
Adam was niet geschokt in zijn geloof aan Hetty's onschuld met betrekking tot de misdaad waarvan zij beticht werd, want ds. Irwine, gevoelend dat het geloof aan haar schuld een verpletterende vermeerdering zijn zou van Adams last, had hem de feiten verzwegen die voor hemzelven geen hoop meer overlieten. Er bestond geen reden om den ganschen last op Adam te laten drukken, en ds. Irwine had bij het afscheid alleen gezegd: âZoo de bewijzen te sterk tegen haar getuigen, Adam, mogen wij nog hopen op gratie. Haar jeugd en andere omstandigheden zullen voor haar pleiten.quot;
âO ja, en het is billijk dat de menschen weten hoe zij werd verleid om den slechten weg op te gaan,quot; zei Adam met bitteren ernst. âHet is billijk dat zij weten dat het een groot heer was die haar liefde zocht, en haar het hoofd met verkeerde dingen vulde.
ADAM BEDE. 30
465
DE BITTERE WATEREN STROOMEN.
Gij zult er aan denken, mijnheer, dat gij beloofd hebt aan mijn moeder, en aan de lieden op de hoeve, te vertellen wie het was die haar tot het kwade bracht; anders zullen zij slechter van haar denken dan zij verdient. Gij zult haar benadeelen door hem te sparen, en ik houd hem voor den schuldigste voor God, laat zij gedaan hebben wat zij wil. Zoo gij hem spaart, zal ik hem ten toon stellen!quot;
âüw eisch dunkt mij billijk, Adam,quot; antwoordde ds. Irwine, âdoch wanneer gij tot meerder kalmte zult gekomen zijn, zal uw oordeel ovei' Arthur minder onbarmhartig wezen. Voor het oogen-hlik zeg ik verder niets, dan alleen dit, dat zijn straf aan andere handen toekomt dan de onze.quot;
Het viel ds. Irwine zwaar, te moeten vertellen, welk treurig aandeel Arthur droeg in deze geschiedenis van zonde en smart, â hij, die Arthur liefhad met vaderlijke genegenheid â die Arthur had liefgehad met vaderlijke trots. Maar hij voorzag dat het geheim toch eerlang bekend zou worden, zelfs afgezien van Adams vast besluit, omdat het nauwlijks te onderstellen was dat Hetty tot aan het eind in haar stijfhoofdig zwijgen volharden zou. Hij besloot, aan de Poysers niets te verhelen, maar hun terstond het ergste te zeggen, want er was geen tijd. om het onverwachte van het treurig nieuws weg te nemen. Hetty's zaak moest dienen in de voorjaarszittingen van het hof, en deze zouden de volgende week te Stoniton gehouden worden. Men kon te nauwernood hopen dat aan Martin Poyser het verdriet zou bespaard worden van als getuige te worden opgeroepen, en het was dus beter dat hij alles zoo vroeg mogelijk wist.
Donderdag morgen voor tienen was het gezin op de hoeve in rouw gedompeld ter zake van een ramp erger dan de dood. Het gevoel van familie-schande was te levendig, zelfs bij den goedhartigen Martin Poyser den zoon, om plaats te laten voor eenig medelijden met Hetty. Hij en zijn vader waren eenvoudige pachters, trotsch op hun onbevlekten naam, trotsch dat zij afstamden van een familie die het hoofd had bovengehouden en den rechten weg gegaan was zoolang haar naam in het kerkregister geboekt stond, en Hetty had schande over hen allen gebracht â onuitwischbare schande. Dit was het alles overheerschend gevoel in den geest van vader en zoon beiden â het snerpend bewustzijn van oneer, dat elke andere aandoening verstompte, en ds. Irwine was met verwondering getroffen,
466
DE BITTERE WATEREN STROOMEN.
toen hij bemerkte dat boerin Poyser minder gestreng oordeelde dan haar man. Wij staan dikwijls verbaasd over de gestrengheid van zachtzinnige menschen bij buitengewone gelegenheden; de reden is dat zachtzinnige menschen meest van allen geneigd zijn te buigen onder het juk van traditioneele indrukken
âIk ben bereid alles te betalen wat noodig is om haar los te koo-pen,quot; zei Martin, de zoon, toen ds. Irwine vertrokken was, terwijl de oude grootvader zat te schreien in den stoel tegenover hem, âmaar ik wil niet in haar nabijheid komen, en haar nimmer wederzien uit eigen vrijen wil. Zij heeft ons het brood verbitterd voor ons gansche leven lang, en wij zullen nimmer het hoofd weder kunnen ophouden, noch in deze gemeente, noch in eene andere. De dominé praat er van dat de menschen medelijden met ons hebben zullen, maar medelijden zal een schrale vergoeding voor ons wezen.quot;
âMedelijden?quot; zei de grootvader op scherpen toon. âIk heb tot hiertoe nooit iemands medelijden noodig gehad in mijn leven . . . en nu zal men een begin maken met uit de hoogte op mij neer te zien, nu ik, twee-en-zeventig geworden ben, verleden Sint-Thomasdag, ik die al de dragers en slippedragers voor mijn begrafenis hier in de gemeente te Broxton gekozen had . . . dat zal niet behoeven nu . . .ik moet naar het graf gedragen worden door vreemden.quot;'
âTob zoo niet, vader,quot; zei boerin Poyser, die zeer weinig gesproken had, bijna bevreesd voor de buitengewone vastberadenheid en hardvochtigheid van haar man. â Gij zult uwe kinderen immers bij n hebben? En wat betreft de jongens en de kleine, die zullen wel opgroeien in de nieuwe gemeente evengoed als in de oude.quot;
âJa, wij kunnen hier onmogelijk blijven,quot; zei boer Poyser, en bittere tranen vloeiden langzaam langs zijn ronde wangen neder. âWij dachten dat het er slecht zou uitzien zoo de oude squire ons de huur opzei met Vrouwendag, maar nu moet ik haar zelf opzeggen, en zien of er iemand te vinden is die zal willen overnemen hetgeen ik reeds in den grond gestoken heb â want ik verkies geen dag langer op het land van dien man te blijven dan hoog noodig is. En ik, die hem voor zulk een goed, oprecht jongmensch hield, van wien het mij verheugde dat hij onze landheer worden zon. Ik wil nooit mijn hoed weer voor hem afnemen, of met hem in dezelfde kerk zitten. . . met een man die schande heeft gebracht over fatsoenlijke lieden... en die zich hield alsof hij de vriend was van.
30*
467
408 BB BITTERE WATEREN STROOMEN.
iedereen... Die arme Adam... een mooie vriend is hij voor Adam geweest, met zijn aanspraken en fraaie praatjes, terwijl hij ondertusschen het leven van den knaap vergiftigde! Ook voor hem zal het al veel zijn, zoo hij hier op de plaats blijven kan.'
âEn dat gij voor de rechtbank komen moet om te bekennen dat gij haar oom zijt,quot; zei de oude man. âZij zullen het de kleine meidquot; nog naar het hoofd gooien, geen vier jaren oud als zij is â zij zullen het haar naar het hoofd gooien dat zij een nicht heeft gehad die terecht moest staan wegens moord.quot;
âDat zal dan hun eigen slechtheid wezen,quot; zei boerin Poyser met een zucht in haar stem. âMaar er is er Een hierboven die zorgen zal voor het onschuldige kind, of er is maar weinig waars wnn hetgeen ons in de kerk wordt voorgehouden. Het zal dubbel hard zijn te sterven en de kleinen achter te laten met niemand
om hen tot moeder te zijn.quot;
âWij hadden om Dina moeten zenden, zoo wij maar wisten waar zij is,quot; zei boer Poyser; âmaar Adam zei dat zij geen adres gelaten had van haar verblijf te Leeds.quot;
âZij is zeker bij die vrouw, die een vriendin was van haar tante Mary,quot; zei boerin Poyser, een weinig getroost door dezen wenk van haar man. âIk heb Dina dikwijls van haar hooren spreken, maar ik kan mij niet herinneren hoe zij haar noemde. Maar daar valt mij iets in â Seth Bede, die zal het waarschijnlijk wel weten, want zij is een oefenaarster die bij de Methodisten in groot aanzien staat.quot; , â . , T-, T1 Ik zal een boodschap naar Seth zenden, zei boer Poyser. âik
zalquot; Alick zenden om hem te verzoeken dat hij hier komt, of ons anders laat weten hoe de naam is van die vrouw; dan kunt gij alvast een brief gereed maken om naar Treddleston te zenden, zoodra wij het adres weten.quot; ,, , ,
Brieven schrijven geeft niet veel, wanneer men wenscht dat de menschen u zullen komen helpen in den nood,quot; zei boerin Poyser. âWie weet hoe lang de brief onderweg blijft en misschien krijgt
zij hem nooit.quot; t â¢â¢ i j.1 j v.
Voor Alick met de boodschap kwam, waren Lijsbeths gedachten insgelijks reeds naar Dina heengesneld, en zij had tot Seth ge-
0 Och, er is geen troost meer voor ons in deze wereld, of gij
DE BITTEBE WATEKEN STROOMEN.
moest Dina Morris kunnen overhalen om hier te komen, zooals zij deed toen mijn oude man stierf. Ik zou gaarne willen dat zij weelde keuken binnenkwam, en mij bij de hand nam, en met mij sprak; zij zou mij alles in het ware licht doen zien â misschien zou zij iets goeds bedenken in de hartbrekende ellende die over dien armen jongen gekomen is, een jongen die nooit van zijn leven het minste kwaad heeft gedaan, braver dan de braafste zoon in het gansche land. Och, mijn jongen . . . Adam, mijn arme jongen!quot;
âGij zoudt zeker niet gaarne hebben dat ik u alleen liet om Dina te gaan halen?quot; vroeg Seth, terwijl zijn moeder snikte en zich op haar stoel heen en weder wiegde.
âHaar halen?quot; vroeg Lijsbeth, opziend en voor een poos bedarend als een schreiend kind dat een troostvolle belofte hoort. âNaar welke plaats is zij heengegaan, zeggen ze ?quot;
âEen heel eind weg, moeder â naar Leeds, een groote stad. Maar ik zou in drie dagen terug kunnen wezen, zoo gij mij missen kondt.quot;
âNeen, neen, ik kan u niet missen. Gij moet naar uw broeder gaan zien, en mij komen vertellen hoe het met hem gaat. Ds. Ir-wine zei dat hij het mij zou komen zeggen, maar ik kan het niet zoo goed begrijpen wanneer hij het vertelt. Gij moet zelf gaan, nu Adam niet wil dat ik bij hem komen zal. Schrijf een brief aan Dina; kunt gij dat niet doen? Gij zijt anders vlug genoeg met schrijven als niemand u van noode heeft.quot;
âIk ben er niet zeker van waar zij zich ophoudt in die groote stad,quot; zei Seth. âZoo ik zelf ging, zou ik haar met rondvragen bij de leden van het genootschap wel vinden. Maar misschien, zoo ik buitenop zet âSarah Williamson, Methodisten-oefenaarster,quot; zal de brief haar wel in handen komen; want hoogstwaarschijnlijk is zij bij Sarah Williamson.quot;
Alick kwam nu met zijn boodschap, en Seth, hoorend dat boerin Poyser zelve aan Dina schreef, gaf zijn eigen voornemen om te schrijven op; maar hij ging naar de hoeve om alles te vertellen wat hij kon vermoeden omtrent het adres van den brief, en om hen te waarschuwen dat er wel eenig oponthoud in de bezorging zou kunnen plaats hebben, omdat hij geen juiste aanwijzing geven kon.
Nadat hij Lijsbeth verlaten had, was ds. Irwine naar Jonathan Burger gegaan, die ook recht had te weten waarom Adam voor
469
DE BITTEBB WATEREN STKOOMEN.
eenigen tijd waarschijnlijk van den winkel afwezig blijven zou, en voor zes uur dien zelfden avond waren er weinig lieden te Broxton en te Hayslope, die het treurig nieuws niet gehoord hadden. Ds. Irwine had Arthurs naam in Burgers tegenwoordigheid niet genoemd, en toch was de geschiedenis van zijn gedrag jegens Hetty, met al de donkere schaduwen, door de vreeselijke gevolgen daarop geworpen, aanstonds evengoed bekend als dat zijn grootvader overleden en hij heer van het landgoed geworden was. Want Martin Poyser vond geen reden, iets te verzwijgen tegenover een of twee van zijn buren, die het waagden hem op dezen eersten dag zijns ongeluks weemoedig de hand te komen schudden, en Carroll, die de ooren spitste bij al hetgeen op de pastorie voorviel, had een daaruit afgeleid verhaal van het gebeurde samengesteld, en vond weldra gelegenheden in overvloed om dit rond te venten.
Een van deze buren, die Martin Poyser kwamen opzoeken, en hem de hand drukten zonder gedurende de eerste minuten een woord te spreken, was Bartle Massey. Hij had zijn school gesloten en was op weg naar de pastorie, waar hij omstreeks half acht des avonds aankwam, en, zijn compliment verzoekend aan ds. Irwine, om vergeving vroeg dat hij hem op dit uur kwam storen; maar hij had iets bijzonders op het hart. Hij werd in de studeerkamer gelaten, waar ds. Irwine zich spoedig bij hem vervoegde.
âZoo, Bartle,quot; zei ds. Irwine, hem de hand toestekend. â Dus was niet zijn gewone manier om den schoolmeester te ontvangen; maar het lijden maakt al onze medelijders tevens tot onze gelijken. âGa zitten.quot;
âGij weet de reden van mijn komst evengoed als ikzelf, durf
ik zeggen,quot; zei Bartle.
âGij wenscht de waarheid te vernemen omtrent de treurige geschiedenis waarvan gij hebt gehoord . . . omtrent Hetty Sorrel ?
âNeen, mijnheer, wat ik wensch te weten is omtrent Adam Bede. Ik hoor dat gij hem te Stoniton gelaten hebt, en ik verzoek u mij de gunst te bewijzen, mij te vertellen hoe de knaap er zich onder houdt, en wat hij voornemens is te doen, want wat aangaat dat nest van rozerood-en-wit, dat men de moeite genomen heeft op te sluiten, ik geef om haar geen aangestoken appel â geen aangestoken appel â alleen maar voor zoover er goed oi kwaad uit haar kan voortkomen voor een eerlijk man â een knaap wiens
470
DE BITTERE WATEEEN STEOOMEN.
breinkas ik naar vermogen heb voorzien â vertrouwend dat hij mijn weinigje wetenschap een eind verder brengen zou in de wereld . . . Mijnheer, hij is in dit domme land mijn eenige leerling met den noodigen goeden wil en de noodige hersenen voor de wiskunde. En zoo hij niet zoo hard had moeten werken, de arme drommel, zou hij het tot de hoogere vakken gebracht hebben, en dan zouden deze dingen misschien nooit gebeurd zijn â misschien nooit gebeurd zijn.quot;
Bartle, verhit door de inspanning van hard loopen, was in een opgewonden gemoedstoestand en buiten staat zichzelven te bedwingen bij deze eerste gelegenheid om aan zijn gevoel lucht te geven. Maar bij hield nu stil om zijn vochtig voorhoofd, en waarschijnlijk ook zijn vochtige oogen, behoorlijk af te vegen.
âGij zult mij verschoonen, mijnheer,quot; zei hij, toen deze pauze hem tijd tot nadenken gegeven had, âdat ik zoo doordraaf op mijn eigen gevoel, net als mijn dwaze teef die zit te huilen in den storm, wanneer er niemand is die lust heeft om naar mij te luisteren. Ik ben gekomen om te hooren, niet om zelf te praten; doe mij het genoegen en vertel mij hoe de arme knaap het maakt.quot;
âDoe uzelven geen geweld aan, Bartle,quot; zei ds. Irwine. âOm u de waarheid te zeggen, ik bevind mij ongeveer in denzelfden toestand als gij op dit oogenblik; er gaat veel smartelijks in mij om, en ik heb groote moeite om gansch en al te zwijgen van mijn eigen verdriet en al mijn aandacht te schenken aan dat van anderen. Ik deel in uw bekommering omtrent Adam, ofschoon hij niet de eenige is wiens lijden in deze aangelegenheid mij ter harte gaat. Hij is voornemens te Stoniton te blijven tot Hetty's zaak gediend zal hebben ; dat zal waarschijnlijk morgen over een week gebeuren. Hij heeft een kamer gehuurd, en ik heb hem hierin aangemoedigd, omdat ik beter vind dat hij voor het tegenwoordige van huis verwijderd is; en, de arme jongen, hij gelooft nog steeds dat Hetty onschuldig is â hij wil al zijn moed verzamelen om haar te zien, zoo hg kan; ongaarne wil hij de plaats verlaten waar zij zich bevindt.quot;
âGelooft gij dan dat het schepsel schuldig is?quot; vroeg Bartle. âDenkt gij dat zij haar zullen ophangen?quot;
âIk vrees dat het slecht met haar afloopen zal; de bewijzen tegen haar zijn sterk. En een boos teeken is dat zij alles ontkent â ontkent dat zij een kind gehad heeft, in het aangezicht van de spre-
471
DE BITTERE WATEEEN STEOOMEN.
Gij zult er aan denken, inijnheer, dat gij beloofd hebt aan mijn moeder, en aan de lieden op de hoeve, te vertellen wie het was die haar tot het kwade bracht; anders zullen zij slechter van haar denken dan zij verdient. Gij zult haar benadeelen door hem te sparen, en ik houd hem voor den schuldigste voor God, laat zij gedaan hebben wat zij wil. Zoo gij hem spaart, zal ik hem ten toon stellen!quot;
âUw eisch dunkt mij billijk, Adam,quot; antwoordde ds. Irwine, âdoch wanneer gij tot meerder kalmte zult gekomen zijn, zal uw oordeel ovef Arthur minder onbarmhartig wezen. Voor het oogen-blik zeg ik verder niets, dan alleen dit, dat zijn straf aan andere handen toekomt dan de onze.quot;
Het viel ds. Irwine zwaar, te moeten vertellen, welk treurig aandeel Arthur droeg in deze geschiedenis van zonde en smart, â hij, die Arthur liefhad met vaderlijke genegenheid â die Arthur had liefgehad met vaderlijke trots. Maar hij voorzag dat het geheim toch eerlang bekend zou worden, zelfs afgezien van Adams vast besluit, omdat het nauwlijks te onderstellen was dat Hetty tot aan het eind in haar stijfhoofdig zwijgen volharden zou. Hij besloot, aan de Poysers niets te verhelen, maar hun terstond het ergste te zeggen, want er was geen tijd, om het onverwachte van het treurig nieuws weg te nemen. Hetty's zaak moest dienen in de voorjaarszittingen van het hof, en deze zouden de volgende week te Stoniton gehouden worden. Men kon te nauwernood hopen dat aan Martin Poyser het verdriet zou bespaard worden van als getuige te worden opgeroepen, en het was dus beter dat hij alles zoo vroeg mogelijk wist.
Donderdag morgen voor tienen was het gezin op de hoeve in rouw gedompeld ter zake van een ramp erger dan de dood. Het gevoel van familie-schande was te levendig, zelfs bij den goedhartigen Martin Poyser den zoon, om plaats te laten voor eenig medelijden met Hetty. Hij en zijn vader waren eenvoudige pachters, trotsch op hun onbevlekten naam, trotsch dat zij afstamden van een familie die het hoofd had bovengehouden en den rechten weg gegaan was zoolang haar naam in het kerkregister geboekt stond, en Hetty had schande over hen allen gebracht â onuitwischbare schande. Dit was het alles overheerschend gevoel in den geest van vader en zoon beiden â het snerpend bewustzijn van oneer, dat elke andere aandoening verstompte, en ds. Irwine was met verwondering getroffen.
466
DE BITTERE WATEREN STROOMEN.
toen hij bemerkte dat boerin Poyser minder gestreng oordeelde dan haar man. Wij staan dikwijls verbaasd over de gestrengheid van zachtzinnige menschen bij buitengewone gelegenheden; de reden is dat zachtzinnige menschen meest van allen geneigd zijn te buigen onder het juk van traditioneele indrukken
âIk ben bereid alles te betalen wat noodig is om haar los te koo-pen,quot; zei Martin, de zoon, toen ds. Irwine vertrokken was, terwijl de oude grootvader zat te schreien in den stoel tegenover hem, âmaar ik wil niet in haar nabijheid komen, en haar nimmer wederzien uit eigen vrijen wil. Zij heeft ons het brood verbitterd voor ons gansche leven lang, en wij zullen nimmer het hoofd weder kunnen ophouden, noch in deze gemeente, noch in eene andere. De dominé praat er van dat de menschen medelijden met ons hebben zullen, maar medelijden zal een schrale vergoeding voor ons wezen.quot;
âMedelijden?quot; zei de grootvader op scherpen toon. âIk heb tot hiertoe nooit iemands medelijden noodig gehad in mijn leven. . . en nu zal men een begin maken met uit de hoogte op mij neer te zien, nu ik, twee-en-zeventig geworden ben, verleden Sint-Thomasdag, ik die al de dragers en slippedragers voor mijn begrafenis hier in de gemeente te Broxton gekozen had . . . dat zal niet behoeven nu ... ik moet naar het graf gedragen worden door vreemden.quot;
âTob zoo niet, vader,quot; zei boerin Poyser, die zeer weinig gespro. ken had, bijna bevreesd voor de buitengewone vastberadenheid en hardvochtigheid van haar man. âGij zult uwe kinderen immers bij u hebben? En wat betreft de jongens en de kleine, die zullen wel opgroeien in de nieuwe gemeente evengoed als in de oude.quot;
âJa, wij kunnen hier onmogelijk blijven,quot; zei boer Poyser, en bittere tranen vloeiden langzaam langs zijn ronde wangen neder. âWij dachten dat het er slecht zou uitzien zoo de oude squire ons de huur opzei met Vrouwendag, maar nu moet ik haar zelf opzeggen, en zien of er iemand te vinden is die zal willen overnemen hetgeen ik reeds in den grond gestoken heb â want ik verkies geen dag langer op het land van dien man te blijven dan hoog noodig is. En ik, die hem voor zulk een goed, oprecht jongmensch hield, van wien het mij verheugde dat hij onze landheer worden zou. Ik wil nooit mijn hoed weer voor hem afnemen, of met hem in dezelfde kerk zitten. . . met een man die schande heeft gebracht over fatsoenlijke lieden ... en die zich hield alsof hij de vriend was van
30*
467
DB BITTEEB WATBEEN STEOOMEN.
iedereen ... Die arme Adam ... een mooie vriend is hij voor Adam geweest, met zijn aanspraken en fraaie praatjes, terwijl hij ondertusschen het leven van den knaap vergiftigde! Ook voor hem zal het al veel zijn, zoo hij hier op de plaats blijven kan.
âEn dat gij voor de rechtbank komen moet om te bekennen dat gij haar oom zijt,quot; zei de oude man. âZij zullen het de kleine meidquot; nog naar het hoofd gooien, geen vier jaren oud als zij is â zij zullen het haar naar het hoofd gooien dat zij een nicht heeft gehad die terecht moest staan wegens moord.quot;
âDat zal dan hun eigen slechtheid wezen,quot; zei boerin Foyser met een zucht in haar stem. âMaar er is er Een hierboven die zorgen zal voor het onschuldige kind, of er is maar weinig waars van hetgeen ons in de kerk wordt voorgehouden. Het zal dubbel hard zijn te sterven en de kleinen achter te laten met niemand
om hen tot moeder te zijn.quot;
âWij hadden om Dina moeten zenden, zoo wij maar wisten waar zij quot;is,quot; zei boer Foyser; âmaar Adam zei dat zij geen adres gelaten had van haar verblijf te Leeds.quot;
âZij is zeker bij die vrouw, die een vriendin was van haar tante Mary,quot; zei boerin Foyser, een weinig getroost door dezen wenk van haar man. âIk heb Dina dikwijls van haar hooren spreken, maar ik kan mij niet herinneren hoe zij haar noemde. Maar daar valt mij iets in â Seth Bede, die zal het waarschijnlijk wel weten, want zij is een oefenaarster die bij de Methodisten in groot aanzien staat.quot;
âIk zal een boodschap naar Seth zenden,quot; zei boer Foyser. âik zal' Alick zenden om hem te verzoeken dat hij hier komt, of ons anders laat weten hoe de naam is van die vrouw; dan kunt gij alvast een brief gereed maken om naar Treddleston te zenden, zoodra wij het adres weten.quot;
âBrieven schrijven geeft niet veel, wanneer men wenscht dat de menschen u zullen komen helpen in den nood,quot; zei boerin Foyser. âWie weet hoe lang de brief onderweg blijft en misschien krijgt
zij hem nooit.quot; T ^ j i
Voor Alick met de boodschap kwam, waren Lijsbeths gedachten insgelijks reeds naar Dina heengesneld, en zij had tot Seth ge-
° Och, er is geen troost meer voor ons in deze wereld, of gij
468
DE BITTEKE WATEREN STROOMEN.
moest Dina Morris kunnen overhalen om hier te komen, zooals zij deed toen mijn oude man stierf. Ik zou gaarne willen dat zij weelde keuken binnenkwam, en mij bij de hand nam, en met mij sprak; zij zou mij alles in het ware licht doen zien â misschien zou zij iets goeds bedenken in de hartbrekende ellende die over dien armen jongen gekomen is, een jongen die nooit van zijn leven het minste kwaad heeft gedaan, braver dan de braafste zoon in het ganscheland. Och, mijn jongen . . . Adam, mijn arme jongen!quot;
âGij zoudt zeker niet gaarne hebben dat ik u alleen liet om Dina te gaan halen?quot; vroeg Seth, terwijl zijn moeder snikte en zich op haar stoel heen en weder wiegde.
,Haar halen?quot; vroeg Lijsbeth, opziend en voor een poos bedarend als een schreiend kind dat een troostvolle belofte hoort. âNaar welke plaats is zij heengegaan, zeggen ze ?quot;
âEen heel eind weg, moeder â naar Leeds, een groote stad. Maar ik zou in drie dagen terug kunnen wezen, zoo gij mij missen kondt.quot;
âNeen, neen, ik kan u niet missen. Gij moet naar uw broeder gaan zien, en mij komen vertellen hoe het met hem gaat. Ds. Ir-wine zei dat hij het mij zou komen zeggen, maar ik kan het niet zoo goed begrijpen wanneer hij het vertelt. Gij moet zelf gaan, nu Adam niet wil dat ik bij hem komen zal. Schrijf een brief aan Dina; kunt gij dat niet doen ? Gij zijt anders vlug genoeg met schrijven als niemand u van noode heeft.quot;
âIk ben er niet zeker van waar zij zich ophoudt in die groote stad,quot; zei Seth. âZoo ik zelf ging, zou ik haar met rondvragen bij de leden van het genootschap wel vinden. Maar misschien, zoo ik buitenop zet âSarah Williamson, Methodisten-oefenaarster,quot; zal de brief haar wel in handen komen; want hoogstwaarschijnlijk is zij bij Sarah Williamson.quot;
Alick kwam nu met zijn boodschap, en Seth, hoorend dat boerin Poyser zelve aan Dina schreef, gaf zijn eigen voornemen om te schrijven op; maar hij ging naar de hoeve om alles te vertellen wat hij kon vermoeden omtrent het adres van den brief, en om hen te waarschuwen dat er wel eenig oponthoud in de bezorging zou kunnen plaats hebben, omdat hij geen juiste aanwijzing geven kon.
Nadat hij Lijsbeth verlaten had, was ds. Irwine naar Jonathan Burger gegaan, die ook recht had te weten waarom Adam voor
469
DE BITTERE WATEREN STUOOMEN.
eenigen tijd waarschijnlijk van den winkel afwezig blijven zou, en voor zes uur dien zelfden avond waren er weinig lieden te Broxton en te Hayslope, die het treurig nieuws niet gehoord hadden. Ds. Irwine had Arthurs naam in Burgers tegenwoordigheid niet genoemd, en toch was de geschiedenis van zijn gedrag jegens Hetty, met al de donkere schaduwen, door de vreeselijke gevolgen daarop geworpen, aanstonds evengoed bekend als dat zijn grootvader overleden en hij heer van het landgoed geworden was. Want Martin Poyser vond geen reden, iets te verzwijgen tegenover een of twee van zijn buren, die het waagden hem op dezen eersten dag zijns ongeluks weemoedig de hand te komen schudden, en Carroll, die de ooren spitste bij al hetgeen op de pastorie voorviel, had een daaruit afgeleid verhaal van het gebeurde samengesteld, en vond weldra gelegenheden in overvloed om dit rond te venten.
Een van deze buren, die Martin Poyser kwamen opzoeken, en hem de hand drukten zonder gedurende de eerste minuten een woord te spreken, was Bartle Massey. Hij had zijn school gesloten en was op weg naar de pastorie, waar hij omstreeks half acht des avonds aankwam, en, zijn compliment verzoekend aan ds. Irwine, om vergeving vroeg dat hij hem op dit uur kwam storen; maar hij had iets bijzonders op het hart. Hij werd in de studeerkamer gelaten, waar ds. Irwine zich spoedig bij hem vervoegde.
âZoo, Bartle,quot; zei ds. Irwine, hem de hand toestekend. â Dus was niet zijn gewone manier om den schoolmeester te ontvangen; maar het lijden maakt al onze medelijders tevens tot onze gelijken. âGa zitten.quot;
âGij weet de reden van mijn komst evengoed als ikzelf, durf ik zeggen,quot; zei Bartle.
âGij wenscht de waarheid te vernemen omtrent de treurige geschiedenis waarvan gij hebt gehoord . . . omtrent Hetty Sorrel?quot;
âNeen, mijnheer, wat ik wensch te weten is omtrent Adam Bede. Ik hoor dat gij hem te Stoniton gelaten hebt, en ik verzoek u mij de gunst te bewijzen, mij te vertellen hoe de knaap er zich onder houdt, en wat hij voornemens is te doen, want wat aangaat dat nest van rozerood-en-wit, dat men de moeite genomen heeft op te sluiten, ik geef om haar geen aangestoken appel â geen aangestoken appel â alleen maar voor zoover er goed of kwaad uit haar kan voortkomen voor een eerlijk man â een knaap wiens
470
DE BITTBEE WATEREN STROOMEN.
breinkas ik naar vermogen heb voorzien â vertrouwend dat hij mijn weinigje wetenschap een eind verder brengen zou in de wereld . . . Mijnheer, hij is in dit domme land mijn eenige leerling met den noodigen goeden wil en de noodige hersenen voor de wiskunde. En zoo hij niet zoo hard had moeten werken, de arme drommel, zou hij het tot de hoogere vakken gebracht hebben, en dan zouden deze dingen misschien nooit gebeurd zijn â misschien nooit gebeurd zijn.quot;
Bartle, verhit door de inspanning van hard loopen, was in een opgewonden gemoedstoestand en buiten staat zichzelven te bedwingen bij deze eerste gelegenheid om aan zijn gevoel lucht te geven. Maar hij hield nu stil om zijn vochtig voorhoofd, en waarschijnlijk ook zijn vochtige oogen, behoorlijk af te vegen.
âGij zult mij verschoonen, mijnheer,quot; zei hij, toen deze pauze hem tijd tot nadenken gegeven had, âdat ik zoo doordraaf op mijn eigen gevoel, net als mijn dwaze teef die zit te huilen in den storm, wanneer er niemand is die lust heeft om naar mij te luisteren. Ik ben gekomen om te hooren, niet om zelf te praten; doe mij het genoegen en vertel mij hoe de arme knaap het maakt.quot;
âDoe uzelven geen geweld aan, Bartle,quot; zei ds. Irwine. âOm u de waarheid te zeggen, ik bevind mij ongeveer in denzelfden toestand als gij op dit oogenblik; er gaat veel smartelijks in mij om, en ik heb groote moeite om gansch en al te zwijgen van mijn eigen verdriet en al mijn aandacht te schenken aan dat van anderen. Ik deel in uw bekommering omtrent Adam, ofschoon hij niet de eenige is wiens lijden in deze aangelegenheid mij ter harte gaat. Hij is voornemens te Stoniton te blijven tot Hetty's zaak gediend zal hebben ; dat zal waarschijnlijk morgen over een week gebeuren. Hij heeft een kamer gehuurd, en ik heb hem hierin aangemoedigd, omdat ik beter vind dat hij voor het tegenwoordige van huis verwijderd is; en, de arme jongen, hij gelooft nog steeds dat Hetty onschuldig is â hij wil al zijn moed verzamelen om haar te zien, zoo hij kan; ongaarne wil hij de plaats verlaten waar zij zich bevindt.quot;
âGelooft gij dan dat het schepsel schuldig is?quot; vroeg Bartle. âDenkt gij dat zij haar zullen ophangen?quot;
âIk vrees dat het slecht met haar afloopen zal; de bewijzen tegen haar zijn sterk. En een boos teeken is dat zij alles ontkent â ontkent dat zij een kind gehad heeft, in het aangezicht van de spre-
471
DE BITTERE WATEREN STBOOMEN.
kendste bewijzen. Ik heb haar zelf gezien en zij bewaarde tegenover mij een hardnekkig stilzwijgen; zij schrikte op als een verbijsterd dier toen zij my zag. Van mijn leven ben ik niet zoo getroffen geweest als door de verandering in haar voorkomen. Maar ik vertrouw dat wij, in het ergste geval, gratie voor haar bekomen zullen, ter wille van de onschuldigen die in de zaak betrokken zijn.quot;
âDwaasheid en onverstand!quot; riep Bai-tle in zijn drift, vergetend tot wien hij sprak. âIk vraag excuus, mijnheer; ik bedoel dat het dwaasheid en onverstand is voor de onschuldigen, het zich aan te trekken zoo zij opgehangen wierd. Wat mij betreft, ik houd ervoor dat hoe eer zulke vrouwen uit de wereld geholpen worden, des te beter, en de mannen die meededen om haar in het ongeluk te brengen, moesten, wat dat betreft, maar medetrekken. Welk goed zal het doen, zulk gebroed in het leven te houden? Zij eten het brood maar op dat redelijker wezens behoorde te voeden. Maar zoo Adam dwaas genoeg is om het zich aan te trekken, verkies ik niet dat hij meer lijden zal dan noodig is. . . Gaat hij er diep onder gebukt, die arme jongen?quot; voegde Bartle er bij, zijn bril voor den dag halend en dien opzettend, alsof hij zijn verbeelding wilde te hulp komen.
âJa, ik vrees dat de smart zeer diep bij hem gaat,quot; antwoordde ds. Irwine. âHij ziet er schrikkelijk ontdaan uit, en gister had hij nu en dan aanvallen van zekere heftigheid, die mij deden wenschen dat ik bij hem had kunnen blijven. Maar ik zal morgen weder naar Stoniton gaan, en ik heb vertrouwen genoeg in de kracht van Adams beginselen om te verwachten, dat hij in staat zal zijn het ergste te dragen zonder tot een onberaden stap gedreven te worden.quot;
Ds. Irwine, die in deze laatste woorden onwillekeurig zijn eigen gedachten uitte, meer dan hij Bartle Massey toesprak, zag de mogelijkheid voor zijn geest staan dat wraakzucht jegens Arthur â de vorm dien Adams wanhoop onophoudelijk aannam â hem een ontmoeting zou doen zoeken, die waarschijnlijk noodlottiger zou afloopen dan die in het bosch. Deze mogelijkheid verhoogde de onrust waarmede hij Arthurs komst tegemoet zag. Maar Bartle dacht dat ds. Irwine zinspeelde op zelfmoord, en zijn gelaat droeg de teekenen van nieuwen schrik.
âIk zal u zeggen wat ik mij in het hoofd gezet heb, mijnheer,quot; sprak hij, âen ik hoop dat gij het goed zult keuren. Ik heb plan mijn school te sluiten; als de jongens komen, moeten zij maar
472
DE BITTERE WATEREN STROOMEN.
weer heengaan, daar is niet aan bedorven, en ik zal naar Stoni-ton gaan en een oog op Adam houden tot het rechtsgeding voorbij is. Ik zal voorgeven dat ik gekomen ben om de zittingen van het hof bij te wonen, daar kan hij niet tegen hebben. Hoe denkt gij daarover, mijnheer?quot;
âWel,quot; antwoordde ds. Irwine eenigszins aarzelend, âdat zou zeker een wezenlijk voordeel opleveren ... en ik heb u lief om uw vriendschap voor hem, Bartle. Maar... gij gevoelt, gij moet voorzichtig zijn in hetgeen gij tot hem zegt. Ik vrees dat gij te weinig medegevoel hebt voor hetgeen gij noemt zijn zwakheid voor Hetty.quot;
âVertrouw op mij, mijnheer â vertrouw op mij. Ik weet wat gij bedoelt. Ikzelf ben ook een dwaas geweest in mijn tijd; maar dat blijft tusschen u en mij. Ik zal mij niet aan hem opdringen â alleen maar een oogje op hem houden, en toezien dat hij een weinigje goed voedsel neemt, en nu en dan een woordje in het midden brengen.quot;
âDan,quot; sprak ds. Irwine, een weinig gerustgesteld ten opzichte van Bartle's bescheidenheid, âgeloof ik dat gij een goede daad plegen zult, en het zou braaf zijn zoo gij aan Adams moeder en broeder deedt weten dat gij gaat.quot;
âJa, mijnheer, ja,quot; antwoordde Bartle, opstaand en zijn bril afnemend, âdat zal ik doen, dat zal ik doen, ofschoon zijn moeder een huilerig schepsel is â ik houd mij liefst uit haar nabijheid; evenwel, zij is een zindelijke vrouw, recht van lijf en leden, geen slons. Vaarwel, mijnheer; zeer verplicht voor den tijd dien gij mij afgestaan hebt. Gij zijt de vriend van elkeen in deze zaak â de vriend van elkeen. Het is een zware last die op uwe schouders drukt.quot;
âGoeden dag, Bartle; tot weerziens te Stoniton, zooals zeker het geval zal wezen.quot;
Bartle spoedde zich voort uit de pastorie, de voorkomende praatjes van Carroll vermijdend, terwijl hij op grammen toon tot Fik zei, wier pootjes naast hem voorttrippelden op het kiezelzand:
âNu zal ik nog genoodzaakt zijn u mee te nemen, nietswaardig vrouwspersoon. Gij zoudt u doodkniezen zoo ik u achterliet â dat zoudt gij immers ? En misschien worden opgepakt door den een of anderen landlooper, en gij zult in slecht gezelschap komen, daar
473
DE BITTERE WATEREN STROOMEN.
ben ik zeker van, en uw neus steken in allerlei hoeken en gaten waar gij niet te maken hebt; maar zoo gij onbetamelijke dingen doet, verloochen ik u â onthoud dit wel, mejuffrouw, onthoud dit wel!quot;
HOOFDSTUK XLI.
DE AVOND VOOR HET VERHOOR.
Een bovenkamer in een sombere straat van Stoniton, waarin twee bedden â het eene gespreid op den grond. Het is Donderdagavond tien uur, en de hooge muur tegenover het raam sluit het maanlicht buiten, dat anders om den voorrang zou hebben kunnen strijden met het licht van de eenige smeerkaars, waarbij Bartle Massey zich houdt alsof hij leest, terwijl hij in waarheid heenkijkt over zijn bril naar Adam Bede, die nevens het donkere venster gezeten is.
Men zou zonder kennisgeving nauwlijks geweten hebben dat het Adam was. Zijn aangezicht is mager geworden in de laatste week; hij heeft de ingezonken oogen, den veronachtzaamden baard van iemand, die zooeven van het ziekbed verrezen is. Zijn zwaar, donker haar hangt over zijn voorlioofd neder, en er leeft in hem geen lustige bedrijvigheid die hem noopt het weg te strijken, om de hem omringende voorwerpen des te beter te kunnen waarnemen. Zijn eene arm hangt over de leuning van den stoel heen, en hij schijnt te staren op zijn saamgevouwen handen. Een kloppen aan de deur wekt zijn aandacht.
âDaar is hij,quot; zei Bartle Massey, haastig opstaand en de deur openend. Het was ds. Irwine.
Adam stond uit instinctmatigen eerbied van zijn stoel op, toen ds. Irwine hem naderde en hem de hand drukte.
âIk kom laat, Adam,quot; sprak deze, zich nederzettend op den stoel, dien Bartle hem aanbood; âmaar ik ben later uit Broxton vertrokken dan mijn plan was, en ben onophoudelijk bezig geweest sinds mijn aankomst. Evenwel, ik heb nu alles afgedaan â al hetgeen van avond kon gedaan worden ten minste. Laat ons gaan zitten.quot;
Adam zette zich werktuiglijk neder op zijn stoel en Bartle, voor wien geen stoel over was, zat op den rand van het bed achter in de kamer.
474
DE AVOND VOOK HET VERHOOR.
âHebt gij haar gezien, mijnheer?quot; vroeg Adam bevend.
âJa, Adam; de predikant van de gevangenis en ik hebben haar beiden gezien dezen avond.quot;
âHebt gij haar ook gevraagd, mijnheer.... hebt gij iets van mij gezegd?quot;
âJa,quot; antwoordde ds. Irwine met eenige aarzeling; âik heb van u gesproken. Ik heb gezegd dat gij wenschtet haar te zien vóór het verhoor; zoo zij er namelijk in toestemde.quot;
Ds. Irwine hield stil; Adam zag hem aan met begeerige, vragende oogen.
âGij weet dat zij huivert om wien ook te zien, Adam. Gij zijt de eenige niet â zekere noodlottige invloed schijnt haar hart voor haar medeschepselen gesloten te hebben. Zij heeft nauwlijks iets anders dan âneenquot; gezegd tot den predikant of tot mij. Drie of vier dagen geleden, voor uw naam haar genoemd werd, toen ik haar vroeg of er niemand van haar familie was dien zij zou wen-schen te zien â aan wien zij haar hart zou kunnen openen, antwoordde zij met een hevige rilling: Zeg hun dat zij niet in mijn nabijheid komen â ik wil niemand van hen zien.quot;
Adam liet het hoofd wederom hangen en sprak niet. Eenige minuten lang duurde de stilte, daarna hervatte ds. Irwine:
âIk wil u niet gaarne raden tegen uw eigen gevoel, Adam, zoo het u sterk dringt haar morgen te gaan zien, zelfs zonder haar toestemming. Het is toch mogelijk, niettegenstaande den schijn van het tegendeel, dat de samenkomst haar gunstig zou kunnen stemmen. Maar tot mijn smart moet ik bekennen dat ik het nauwelijks durf hopen. Zij scheen niet aangedaan toen ik uw naam noemde; zij zei enkel âneenquot; op denzelfden kouden, onverzettelijken toon als altoos. En zoo de ontmoeting geen goede uitwerking op haar had, zou het slechts nutteloos lijden zijn voor u â ernstig lijden, vrees ik. Zij is zeer veranderd. .
Adam sprong van zijn stoel op en greep zijn hoed die op de tafel lag. Maar toen stond hij stil, en zag ds. Irwine aan alsof hij een vraag te doen had, die het hem moeite kostte uit te spreken. Bartle Massey stond langzaam op, draaide den sleutel om in het slot van de deur, en stak dien in den zak.
âIs hij teruggekomen?quot; vroeg Adam eindelijk.
âNeen, dat is hij niet,quot; antwoordde ds. Irwine bedaard. âLeg uw
475
DE AVOND VOOK HET VERHOOR.
hoed neder, Adam, of gij moest even met mij willen uitgaan om een luchtje te scheppen. Ik vrees dat gij niet uit geweest zijt vandaag.quot;
âGij behoeft mij niet te misleiden, mijnheer,quot; sprak Adam, ds. Irwine strak aanziend, en sprekend op een toon van toornige achterdocht. âGij behoeft niet bang voor mij te wezen. Ik eisch niets dan hetgeen recht is. Ik eisch dat hij zal voelen hetgeen zij gevoelt. Het is zijn werk... zij was een kind, waarvan het ieder aan het hart moest gaan haar slechts aan te zien . . . het kan mij niet schelen wat zij gedaan heeft ... hij heeft er haar toe gebracht. En hij zal het weten ... hij zal het voelen . . . indien er een rechtvaardig God is, zal hij voelen wat het zegt, een kind als zij tot zonde en ellende gebracht te hebben . . . .quot;
âIk misleid u niet, Adam,quot; zei ds. Irwine. âArthur Donnithorne is niet teruggekomen â was niet teruggekomen toen ik vertrok. Ik heb een brief voor hem achtergelaten; hij zal alles weten zoodra hij aankomt.quot;
âMaar gij bekommert er u niet over,quot; sprak Adam verontwaardigd. âGij denkt dat het er niet op aan komt dat zij daar nederligt in schande en ellende, en hij er niets van af weet â niets lijdt.quot;
âAdam, hij zal het weten â hij zal lijden, lang en bitter. Hij heeft een hart en een geweten; ik kan mij niet geheel in zijn karakter bedrogen hebben. Ik ben overtuigd â ik ben ten volle verzekerd dat hij niet voor de verzoeking zwichtte zonder strijd. Zwak moge hij wezen, maar hij is niet verhard of zelfzuchtig; ik ben overtuigd dat dit een schok wezen zal waarvan hij de gevolgen zal ondervinden zijn leven lang. Waarom hunkert gij zoo naar wraak? Geen martelingen zonder tal, die gij hem zoudt kunnen aandoen, zouden haar helpen.quot;
âNeen â o God, neen,quot; kermde Adam, weder op zijn stoel ne-derzinkend ; âjuist dat is de zwaarste vloek van allen . . . dat maakt den toestand zoo vreeselijk . . . het kan nimmer ongedaan gemaakt worden. Mijn arme Hetty. . . zij kan nimmer weer mijn lieve Hetty wezen. . . het schoonste schepsel dat God gemaakt had â met een glimlach tot mij opziend... Ik dacht dat zij mij liefhad... en goed was . . .quot;
Adams stem was langzamerhand tot een schor gefluister afgedaald, alsof hij alleen tot zichzelven sprak; maar nu zei hij eenklaps, ds. Irwine aanziend:
476
DE AVOND VOOK HET VERHOOR.
âMaar zij is niet zoo schuldig als men zegt? Dat gelooft gij niet, mijnheer? Zij kan het niet gedaan hebben.quot;
âDat zal men misschien nimmer met zekerheid komen te weten,quot; antwoordde ds. Irwine zachtmoedig. âIn dergelijke gevallen vormen wij dikwijls ons oordeel naar hetgeen sterke bewijzen schijnen, en toch, doordien ons de kennis van deze of gene kleine omstandigheid ontbreekt, is ons oordeel valsch. Maar het ergste aangenomen, gij hebt geen recht te zeggen dat de schuld van haar misdaad aan hem ligt, en dat hij de straf behoort te dragen. Het staat niet aan ons, menschen, elkander ons deel toe te wijzen van zedelijke schuld en vergelding. Het is ons onmogelijk, alle misvattingen te mijden, zelfs in de bepaling wie de pleger is eener enkele strafbare daad, en de vraag in hoeverre een mensch verantwoordelijk moet worden gerekend voor de onvoorziene gevolgen van zijn eigen daden, is een raadsel dat ons verdient te doen beven, wanneer wij pogen het op te lossen. De reeks van booze gevolgen die kunnen opgesloten liggen in een enkele daad van toegeven aan eigen lust, is een gedachte zoo ontzettend, dat zij waarlijk een minder aanmatigend gevoel in ons behoorde te wekken dan onberaden begeerte tot straifen. Gij hebt verstand genoeg om dit ten volle te beseften wanneer gij kalm zijt, Adam. Meen niet dat ik mij niet kan indenken in de wanhoop, die u tot dezen staat van wraakzuchtigen haat vervoert; maar bedenk dit: indien gij aan uw hartstocht gehoor gaaft â want het is hartstocht, en gij misleidt uzelven wanneer gij het rechtvaardig noemt â zou het u kunnen vergaan evenals Arthur. Neen, erger; ook u zou de hartstocht kunnen vervoeren tot het plegen eener afgrijselijke misdaad.quot;
âNeen â niet erger,quot; antwoordde Adam met bitterheid; âik geloof niet dat het erger is â ik zou liever het andere doen â ik zou liever een slechte daad begaan waarvoor ikzelf kon lijden, dan haar tot slechtheid gebracht hebben en dan staan toe te zien, terwijl men haar straft en mij met vrede laat, en dat alles ter wille van een weinig genot. â Had hij het hart van een man in het lijf gehad, hij zou zich de hand hebben moeten afkappen, liever dan haar uit te strekken naar de verboden vrucht. En alsof hij niet zou voorzien hebben hetgeen geschied is! Hij voorzag alles; hij had geen recht iets anders dan schade en schande voor haar aandeel te verwachten. En toen wilde hij het goed maken met leugens. Neen,
477
DE AVOND VOOR HET VERKOOK.
er zijn overvloed van misdrijven waarvoor de menschen worden opgehangen, maar die niet half zoo verachtelijk zijn; laat iemand doen wat hij wil, zoo hij weet dat hij de straf zelf moet dragen, is hij niet half zoo slecht als een lage, zelfzuchtige lafaard die het zichzelven gemakkelijk maakt, terwijl hij ondertusschen weet dat de straf iemand anders treffen zal.quot;
âDaarin misleidt gij uzelven gedeeltelijk weder, Adam. Er bestaat niet een soort van verkeerde daden, waarvoor iemand de straf alleen kan dragen; niemand kan zich in zichzelven opsluiten en zeggen dat het kwaad dat in hem is zich niet zal verbreiden. De levens der menschen zijn even ondeelbaar met elkander vermengd als de lucht die zij inademen; kwaad verbreidt zich even noodwendig als ziekte. Ik weet, ik gevoel, welke schrikkelijke mate van lijden deze zonde van Arthur over anderen gebracht heeft; maar evenzoo veroorzaakt elke zonde lijden aan anderen buiten en behalve aan hen die haar begaan. Een daad van wraakneming van uwen kant op Arthur, zou slechts een nieuw kwaad zijn, gevoegd bij dat waaronder wij reeds lijden; gij zoudt de straf niet alleen kunnen dragen; gij zoudt den diepsten kommer brengen over allen die u liefhebben. Gij zoudt een daad van blinde woede begaan hebben, die al de tegenwoordige ellende zou laten juist zooals zij is, en er nieuwe ellende aan zou toevoegen. Gij moogt mij vertellen dat gij op geen noodlottige daad van wraakzucht peinst; maar het gevoel dat uw binnenste op dit oogenblik vervult, is dat waaruit zulke daden geboren worden, en zoolang gij daaraan toegeeft, zoolang gij niet inziet dat uw hart te zetten op Arthurs pijniging wraakzucht is en geen rechtvaardigheid, verkeert gij in gevaar, te worden vervoerd tot een of ander schromelijk onrecht. Herinner u wat gij mij zelf gezegd hebt omtrent uw gevoelens, nadat gij dien slag hadt toegebracht aan Arthur in het bosch.quot;
Adam zweeg; de laatste woorden hadden een levendig beeld uit het verledene opgeroepen, en ds. Irwine liet hem aan zijn gedachten over, terwijl hij met Bartle Massey sprak over de begrafenis van den ouden heer Donnithorne en over andere onverschillige zaken. Maar eindelijk wendde Adam zich om en zei op zachter toon:
âIk heb niet gevraagd naar de familie op de hoeve, mijnheer. Zal boer Poyser komen?quot;
âHij is gekomen; hij is op dit oogenblik te Stoniton. Maar ik
478
DE AVOND VOOR HET VERHOOR.
kon hem niet aanraden u te gaan zien, Adam. Zijn eigen geest is zeer ontsteld, en het is beter dat hij wacht tot gij kalmer zijt.quot;
âIs Dina Morris op de hoeve aangekomen, mijnheer? Seth zei, dat zij om haar gezonden hadden.quot;
âNeen. Boer Poyser zeide mij dat zij niet gekomen was toen hij vertrok. Zij vreezen dat de brief haar niet geworden is. Zij schijnen het juiste adres niet te hebben.quot;
Adam zat een oogenblik na te denken, en zei toen:
âIk ben nieuwsgierig of Dina haar zou zijn gaan opzoeken. Maar misschien zouden de Poysers er zeer tegen geweest zijn, omdat zijzelven niet in haar nabijheid willen komen. Maar ik houd het er voor van ja, want de Methodisten zijn voorbeeldig in het bezoeken van gevangenen, en Seth zei, dat hij dacht dat zij het doen zou. Zij ging zeer zachtzinnig met haar om, Dina; ik zou wel eens willen weten of zij haar eenig goed gedaan heeft. Gij hebt haar nooit gezien, mijnheer, nietwaar?quot;
âJa wel, ik heb een gesprek met haar gehad â zij beviel mij zeer. En nu gij er van spreekt, ook ik zou wenschen dat zij kwam; mogelijk zou een zachtzinnige, teerhartige vrouw, zooals zij, Hetty kunnen bewegen haar hart te openen. De predikant der gevangenis is vrij ruw in zijn manieren.quot;
âMaar het helpt niet zoo zij niet komt,quot; sprak Adam treurig.
âHad ik er eer aan gedacht, ik zou maatregelen genomen hebben om haar uit te vinden,quot; antwoordde ds. Irwine; âmaar het is thans te laat, vrees ik . . . Nu, Adam, ik moet gaan. Poog wat uit te rusten van nacht. Ik zie u morgen ochtend vroeg terug.quot;
HOOFDSTUK XLII.
DE MORGEN VAN HET VERHOOR.
Den volgenden dag, omstreeks één uur, zat Adam alleen op zijn sombere bovenkamer; zijn horloge lag voor hem op de tafel, alsof hij bezig was de lange minuten te tellen. Hij droeg geen kennis van hetgeen waarschijnlijk door de getuigen bij het verhoor zou geopenbaard worden, want hij had niets willen weten van eenige bijzonderheid aangaande Hetty's gevangenneming en de tegen haar
479
DB MORGEN VAN HET VEBIIOOK.
ingediende beschuldiging. Deze moedige, werkzame man, die elk gevaar en eiken arbeid zou zijn tegemoet gesneld om Hetty te bevrijden van een gevreesd ongelijk of ongeluk, voelde zich buiten staat, onherstelbaar kwaad en lijden in bet aangezicht te zien. Dezelfde prikkelbaarheid, die een drijvende kracht zou geweest zijn, indien er eenige mogelijkheid tot handelen bestaan had, werd hulpelooze wanhoop, toen hij genoodzaakt was lijdelijk te blijven; of wel, zij zocht een werkdadigen uitweg in de gedachte: Arthur te doen boeten voor het door hem gepleegd onrecht. Krachtvolle naturen, bekwaam tot elke koene daad, zullen zich menigmaal af-keeren van een hopeloos lijden, alsof zij hardvochtig waren. Het is een alles overmeesterend gevoel van smart dat hen drijft. Zij deinzen terug uit een niet te bedwingen instinct, zooals zij zouden terugdeinzen voor een geeseling. Adam had zich gemeenzaam gemaakt met de gedachte van Hetty te zien, zoo zij er in wilde toestemmen hem bij zich toe te laten; zulk een ontmoeting, had hij gemeend, kon misschien goed voor haar wezen â zij zou er misschien toe kunnen bijdragen om die vreeselijke ongevoeligheid te doen wegsmelten, waarvan men hem verhaalde. Wanneer zij zag dat hij haar geen kwaad hart toedroeg om hetgeen zij hem had aangedaan, zou zij misschien haar gemoed voor hem openen. Maar dit besluit had een onnoemelijke inspanning gekost; hij beefde op de gedachte aan de verandering in haar gelaat, zooals een bloode vrouw beeft op de gedachte aan het mes van den wondheêler, en hij verkoos de lange uren van onzekerheid door te worstelen, liever dan tegemoet te gaan hetgeen hem een ondraaglijker pijniging scheen: het bijwonen van haar verhoor.
Diep, niet uit te spreken lijden kan met recht bij een doop vergeleken worden, een wedergeboorte, de inwijding in een nieuw leven. De kwellende herinneringen, de bittere spijt, het gefolterd medegevoel, het woest beroep op het Onzichtbaar Recht â al de hevige gemoedsbewegingen die de laatste dagen en nachten van de verloopen week gevuld hadden, en die zich nu als een voortgestuwde menigte samendrongen in de uren van dezen eenen morgen, deden Adam op de vervlogen jaren terugzien als waren zij een schemerachtig en sluimerend bestaan geweest, als ontwaakte hij eerst nu tot volkomen bewustzijn. Het kwam hem voor, als had hij het vroeger steeds als een lichte zaak beschouwd dat de
480
DB MORGEN VAN HET VERHOOR.
mensch lijden moet; als ware al hetgeen hijzelf' had doorgestaan en tot hiertoe smart genoemd had, slechts een oogenblikkelijke slag geweest, die nooit eenige belangrijke kneuzing had achtergelaten. Ja, diep lijden kan in korten tijd het werk van geheele jaren doen, en wel ons, zoo wij uit dien vuurdoop te voorschijn komen, vervuld met nieuw ontzag en nieuw medelijden!
âO God,quot; kermde Adam, terwijl hij op de tafel leunde en wezenloos op het horloge staarde, âen andere menschen hebben vroeger even zoo geleden... en arme, hulpelooze, jonge schepsels hebben geleden evenals zij . . . Nog zoo kort geleden zag zij er zoo gelukkig en zoo aanvallig uit. . . iedereen kussend, haar grootvader en de anderen, en een ieder wenschte haar geluk. . . o mijn arme, arme Hetty. . . denkt gij daar nu aan?quot;
Adam schrikte op en keek naar de deur. Fik was begonnen te janken, en het geluid van een stok en een kreupelen tred op de trap werd hoorbaar. Het was Bartle Massey, die terugkwam. Kon alles reeds gedaan en voorbij zijn?
Bartle kwam bedaard binnen, en naar Adam toegaand, drukte hij hem de hand, zeggende: âIk kom eens even naar u kijken, miin jongen, want men heeft de zaal voor een poos ontruimd.quot;
Adams hart klopte zoo hevig, dat hij niet in staat was te spreken â hij kon slechts den handdruk van zijn vriend met een wederdruk beantwoorden, en Bartle, den anderen stoel naar zich toetrekkend, ging tegenover hem zitten, hoed en bril afnemend.
âDat is mij vroeger nooit gebeurd,quot; merkte hij aan â âdat ik met mijn bril op uitgegaan ben; ik heb glad vergeten hem af te zetten.quot;
De oude man maakte deze onbeduidende aanmerking, omdat hij het voor beter hield, volstrekt geen acht te slaan op Adams gejaagdheid. Zonder dat het noodig was zulks te zeggen, zou Adam hieruit wel opmaken dat er voor het oogenblik niets beslissends mede te deelen was.
âEn nu,quot; sprak hij, wederom opstaand, âmoet ik zorgen dat gij een stukje van het brood en een weinig van den wijn krijgt dien ds-Irwine dezen morgen gezonden heeft. Hij zal- boos op mij zijn zoo gij er niets van gebruikt. Kom aan nu,quot; ging hij voort, de flesch en het brood voor den dag halend en een glas wijn inschenkend, âik moet ook een hapje en een slokje hebben. Drink een teugje met mij mede, mijn jongen â een teugje met mij mede.quot;
ADAM BEDE. 31
481
DE MOKGEN VAN HET VERHOOK.
Adam schoof het glas zachtjes weg en vroeg smeekend: âVertel er mij van, meester Massey â vertel er mij alles van. Was zij er? Zijn zij begonnen?quot;
âJa, mijn jongen, ja â zij zijn bezig geweest al den tijd dat ik weg geweest ben, maar het gaat langzaam, heel langzaam, en dan steekt de advocaat dien zij voor haar genomen hebben een spaak in het wiel, wanneer hij maar kan, en maakt grooten omslag met de getuigen van de tegenpartij te ondervragen en te twisten met de andere rechtsgeleerden. Dat is al wat hij kan doen voor het geld dat zij hem geven, en dat is een groote som â een groote som. Maaibij is een scherpzinnige knaap, met een oog dat in een oogenblik de netels uit het hooi zou opdelven. Zoo een mensch geen gevoel had, zou het een pleizier zijn om te luisteren naar hetgeen er omgaat aan het hof; maar een teeder hart maakt stomp. Ik zou er de cijfers voor altijd aan geven, zoo ik u maar eenig goed nieuws te brengen had, mijn arme jongen.quot;
âMaar schijnen de omstandigheden tegen haar te getuigen?quot; vroeg Adam. âVertel mij wat zij gezegd hebben. Ik moet het nu weten â ik moet weten wat men tegen haar inbrengt.quot;
âWelnu dan, de voornaamste getuige totnogtoe is de dokter geweest; behalve Martin Poyser â arme Martin. Iedereen in de zaal had medelijden met hem â het was als één snik, het geluid dat men hoorde toen hij weer beneden kwam. Het ergste was toen men hem verzocht de beschuldigde aan te zien. Het was een hard gelag, arme kerel â een hard gelag. Adam, mijn jongen, de slag treft hem zwaar, evenals u; gij moet armen Martin helpen; gij behoort moed te toonen. Drink een glas wijn, en toon mij dat gij u wilt gedragen als een man.quot;
Bartle had de rechte snaar getroffen. Adam nam stil en gehoorzaam het glas en dronk een weinig.
âVertel mij hoe zij er uitzag?quot; vroeg hij toen.
âVerschrikt, zeer verschrikt, toen men haar pas binnenbracht; het was haar eerste aanblik van de menigte en van den rechterarm schepseltje. En daar zijn een menigte zotte vrouwen met fraaie kleederen aan, met prullen om haar armen en pluimen op haar hoofden, nabij den rechter gezeten; men zou haast denken dat zij zich zoo hadden uitgedoscht om te dienen als vogelverschrikkers en waarschuwingen voor ons mannen, om ons nimmer weer
482
DE MORGEN VAN HET VEBHOOB.
met een vrouw in te laten; zij keken door haar glaasjes, en gluurden en fluisterden. Maar toen het eerste oogenblik voorbij was, stond zij als een marmerbeeld, strak neerziend op haar handen, alsof zij niets zag noch hoorde. Zij was zoo wit als een laken. Zij sprak niet toen haar gevraagd werd of zij zich âschuldigquot; of âniet schuldigquot; bekende, en men pleitte âniet schuldigquot; in haar plaats. Maar toen zij haar ooms naam hoorde, scheen er een rilling door haar leden te varen, en toen zij hem bevolen haar aan te zien, liet zij het hoofd op de borst zinken, en kromp ineen, en bedekte haar aangezicht met beide handen. Hij had moeite om te spreken, de arme man, zoo beefde zijn stem. En de advocaten â die er meestentijds uitzien zoo hard als spijkers â merkte ik, spaarden hem zooveel zij konden. Ds. Irwine plaatste zich naast hem, en ging met hem de zaal uit. Ja, ja, het is een heerlijk ding in een mensch zijn leven, in staat te wezen zijn evennaaste bij te staan en liem de hand te reiken in dergelijken nood.quot;
âGod zegene hem, en u ook, meester Massey,quot; sprak Adam zacht, zijn hand op Bartle's arm leggend.
âJa, ja, hij is uit goede specie gegoten, hij heeft den waren klank als men hem keurt, dat doet hij, onze dominé. Een man van verstand â die niet meer zegt dan noodig is. Hij behoort niet tot degenen die denken dat üij u troosten kunnen met mooie praatjes, alsof lieden die er bij staan te kijken beter wisten wat verdriet was, dan zij die het dragen moeten. Ik-zelf heb in mijn tijd met zulk volkje te doen gehad â in het Zuiden, toen ik ook in de zorgen was. Ds. Irwine moet straks insgelijks in het verhoor, ten haren voordeele natuurlijk, om getuigenis af te leggen omtrent haar karakter en opvoeding.quot;
âMaar de andere getuigen . . . heeft zij het hard te verantwoorden?quot; vroeg Adam. âWat denkt gij, meester Massey? Zeg mij de waarheid.quot;
âJa, mijn jongen, ja, de waarheid te zeggen is het best. Zij moet eindelijk toch aan het licht komen. Het getuigenis van den dokter is haar sterk tegen â sterk. Maar van het begin tot het einde is zij blijven ontkennen dat zij een kind heeft gehad; die arme onnoo-zele schepseltjes van vrouwen â zij hebben geen verstand om te begrijpen dat het niet helpt iets te ontkennen wanneer het bewezen is. Het zal de Jury tegen haar innemen, vrees ik, dat zij zoo
31*
483
DE MORGEN VAN HET VERHOOR.
stijfhoofdig is; zij zullen er haar te minder om aan de barmhartigheid aanbevelen, wanneer het vonnis ongunstig uitvalt. Maar ds. Irwine zal niets onbeproefd laten bij den rechter â daarop kunt gij staat maken, Adam.quot;
âStaat er niemand nevens haar in de zaal, die zich haar lot schijnt aan te trekken?quot; vroeg Adam.
âDe predikant van de gevangenis zit naast haar, maar hij is een gestreng man met een geslepen gezicht â van heel ander vleesch en bloed dan onze dominé. Ze zeggen dat de gevangenis-predikanten meest uit den zelfkant van de geestelijkheid gesneden worden.quot;
âÃén is er die daar op zijn plaats zou zijn,quot; sprak Adam met bitterheid. Daarna richtte hij zich op en staarde onafgewend uit het raam, blijkbaar eenig nieuw denkbeeld in zijn geest overwegend.
âMeester Massey,quot; zei hij eindelijk, zich het haar van het voorhoofd strijkend, âik ga met u terug. Ik zal in de zaal gaan. Het is lafhartig dat ik mij achter de schermen houd. Ik zal naast haar gaan staan â ik zal haar erkennen â al heeft zij mij misleid. Zij moesten haar niet verstooten â haar eigen vleesch en bloed. Wij bevelen de menschen aan Gods genade, en toonen er zelf geen. Ik ben somtijds hard geweest, ik wil nimmer weer hard zijn. Ik ga, meester Massey â ik ga met u mede.quot;
Er sprak een vastberadenheid uit Adams houding die Bartle zou weerhouden hebben zich te verzetten, zelfs al had hij dit wenschen te doen. Hij zei alleen;
âEet dan een stukje, en drink nog een teugje, Adam, ter liefde van mij. Wacht, ik moet eerst zelf een hapje nemen. Doe gij het ook.quot;
Geprikkeld door een besluit tot handelen, nam Adam een stuk brood en dronk een weinig wijn. Hij zag er vervallen en ongeschoren uit, evenals gister, maar hij stond weder rechtop en geleek eenigszins meer naar den Adam Bede van vroeger dagen.
HOOFDSTUK XLHI.
DE UITSPRAAK.
De voor dien dag tot een hof van justitie ingerichte plaats was een groote, oude zaal, later door een brand verwoest. Het middag-
484
DE UITSPRAAK.
licht, dat op de samengepakte massa menschenhoofden nederstroom-de, werd opgevangen en ingelaten door een reeks van hooge spitsboogvensters, gekleurd met de zachte tinten van oud beschilderd glas. Sombere, stoffige wapenrustingen hingen, als daarin uitgehouwen beeldwerk, af van de voorzijde der donkere, eikenhouten gaanderij aan het eene einde; en onder het breede kozijn van het groote Gothische venster, daartegenover, hing een gordijn van oud tapijtwerk, overdekt met weemoedig flauwgekleurde beelden, als een verwarde, nevelachtige droom van het verledene. Het was een plaats die gedurende het overige gedeelte van het jaar bewoond werd door de schimmen van gestorven koningen en koninginnen van onderscheiden levenslot, ongelukkige, onttroonde, gevangene; maar heden waren al die schimmen gevloden, en letterlijk niemand in de onmetelijke zaal gevoelde iets anders dan een levende smart, trillend in warme harten.
Maar het scheen als had die smart zich tot hiertoe nog slechts flauw doen gevoelen, nu men plotseling Adam Bede's hooge gestalte gewaar werd, plaats nemend ter zijde van de bank der beschuldigde. In het helle zonlicht van de groote zaal, onder de gladgeschoren aangezichten der andere mannen, waren de teekenen van lijden op zijn gelaat ontzettend, zelfs voor ds. Irwine, die hem het laatst gezien had in het weifelend licht van zijn kleine kamer; en de lieden van Hayslope, bij de terechtzitting tegenwoordig, en die op hun ouden dag de geschiedenis van Hetty Sorrel in het hoekje van den haard nog eens oververhaalden, verzuimden nooit er bij te voegen hoe het hen had aangegrepen toen Adam Bede, de arme man, een hoofd langer dan de meeste lieden om hem heen, de zaal was binnengetreden en plaats had genomen naast Hetty.
Maar Hetty zag hem niet. Zij stond in dezelfde houding als door Bartle Massey aan Adam beschreven was, de handen over elkaar gekruist, en de oogen op de handen geslagen. In de eerste oogenblikken had Adam niet naar haar durven zien, maar eindelijk, toen de aandacht van het hof door een of ander incident afgeleid was, keerde hij zijn gelaat naar haar zijde, met het vaste besluit om voor niets terug te deinzen.
Waarom vertelden de menschen dat zij zoo veranderd was? In het lijk dat wij lief heb ben is het de gelijkenis die wij zien â
485
DE UITSPRAAK.
het is de gelijkenis, die zich scherper doet gevoelen omdat iets anders was en niet meer is. Daar waren zij â het lief gelaat en de lieve nek, met de kleine donkere vlokjes, de lange, donkere wimpers, de ronde wang en de kinderlijke lippen; bleek en vermagerd â zeker â maar herinnerend aan Hetty, en aan Hetty alleen. Anderen vonden dat zij er uitzag alsof een daemon een verterenden blik op haar geslagen, de vrouwenziel in haar verwoest, en niets dan een wanhopig hardvochtige verstoktheid overgelaten had. Maar het moederhart, dat volmaaktste type van een leven dat opgaat in een ander leven â en daarin bestaat het innigst wezen van waarachtige menschelijke liefde â voelt de tegenwoordigheid van het geliefde kind zelfs in den gevallen en laaggezonken man, en voor Adam was deze bleeke en gevoellooze beschuldigde dezelfde Hetty die hem toegelachen had onder de takken der appelboomen â zij was het lijk van die Hetty die hij eerst niet in de oogen had durven zien van bedeesdheid, en van wie hij daarna de zijne niet meer had kunnen afwenden.
Maar nu hoorde hij iets dat hem drong te luisteren, en hem den starenden blik van Hetty deed afkeeren. In de getuigenbank bevond zich een vrouw, een vrouw van middelbaren leeftijd, die sprak met een vaste, duidelijke stem. Zij verklaarde:
âMijn naam is Sara Stone. Ik ben weduwe, en doe een winkeltje in tabak, snuif en thee, in de Kerksteeg te Stoniton. De beschuldigde is dezelfde jonge vrouw die Zaterdagavond, den zeven-en-twintigsten Februari, ziek en vermoeid van uitzicht, met een mandje aan haar arm, bij mij aan huis kwam en om een nachtverblijf vroeg. Zij had het huis voor een herberg aangezien, omdat er een uithangbord aan de deur was. En toen ik zei dat ik geen logement hield, begon de beschuldigde te schreien, en zei dat zij te vermoeid was om naar elders te gaan, en dat zij slechts voor één nacht een bed verlangde. En haar schoonheid en haar toestand, en iets fatsoenlijks in haar kleeding en manieren, en de nood waarin zij scheen te verkeer en, maakten dat ik het niet van mij verkrijgen kon haar terstond weg te zenden. Ik verzocht haar te gaan zitten, gaf haar een kopje thee, en vroeg haar waar zij heenging, en waar haar vrienden woonden. Zij zei dat zij naar huis ging, naar haar vrienden, pachters, zei zij, die een heel eind ver woonden, en zij had een groote reis moeten maken, die haar veel meer gekost had dan zij
486
DE UITSPRAAK.
verwacht had, zoodat zij nanwlijks eenig geld méér in haar zak had, en in geen logement durfde gaan waar zij veel zou moeten verteren. Zij was genoodzaakt geweest het meeste goed uit haar mandje te verkoopen, maar met dankbaarheid zon zij een shilling voor een slaapplaats geven. Ik zag geen reden waarom ik die jonge vrouw niet voor dien nacht zou innemen. Ik had maar een kamer, maar daarin waren twee bedden, en ik zei haar dat zij dien eenen nacht bij mij blijven kon. Ik dacht dat zij op den verkeerden weg gebracht en daardoor in ongelegenheid gekomen was, maar zoo zij naar haar vrienden ging, zou het een goed werk wezen, dacht ik, om haar van verder kwaad af te houden.quot;
De getuige verklaarde vervolgens dat in dien nacht een kind geboren was, en zij herkende de kinderkleedingstukken, die haar daarop vertoond werden, voor dezelfde waarin zij met eigen handen het kind gekleed had.
âDat is het kindergoed. Ik heb het zelf gemaakt en na de geboorte van mijn laatste kind bewaard. Ik deed wat ik kon voor het kind zoowel als voor de moeder. Of ik wilde of niet, ik moest hart hebben voor het kleine wurmpje en er zorg voor dragen. Ik zond niet om den dokter, dat scheen niet noodig. Toen het dag werd, zei ik aan de moeder dat zij mij den naam van haar vrienden opgeven moest en waar zij woonden, dat ik hun dan schrijven zou. Zij antwoordde dat zij later zelve schrijven zou, maar dien dag niet. Zij wilde van geen tegenspraak hooren, maar verkoos op te staan en zich te kleeden, ondanks al wat ik mocht inbrengen. Zij zei dg,t zij zich volkomen sterk genoeg voelde, en het was verbazend zooveel geestkracht als zij toonde. Maar ik was niet geheel zeker hoe ik met haar doen zou, en tegen den avond besloot ik, na de oefening, naar onzen dominé te gaan en er hem' over te spreken. Ik verliet het huis om half negen. Ik ging niet de winkeldeur, maar de achterdeur uit, die uitkomt in een nauw gangetje. Ik ben alleen huurster van de benedenverdieping' van het huis, en de keuken en de slaapkamer zien beide in het gangetje uit. Ik verliet de gevangene opzittend bij het vuur, met het kind op haar schoot. Zij had volstrekt niet geschreid of er bedroefd uitgezien, zooals den vorigen avond. Ik vond dat er iets vreemds in haar oogen was, en tegen den avond kreeg zij wat kleur. Ik vreesde voor koorts, en was voornemens een kennis van mij te gaan
487
BE UITSPRAAK.
halen, een vrouw van ondervinding, en die met mij mede te brengen in het terugkomen. Het was een zeer donkere avond. Ik maak-
O O
te de deur niet achter mij dicht â⢠er was geen slot op â zij had een klink met een grendel van binnen, en wanneer er niemand in huis was, ging ik anders altijd de winkeldeur uit. Maar ik dacht dat het geen kwaad kon, de deur voor die korte'oogenblikken ongesloten te laten. Ik bleef langer weg dan ik gedacht had, want ik moest wachten op de vrouw die met mij medekwam. Anderhalf uur verliepen voor wij terugkeerden, en toen wij binnentraden stond de kaars te branden op dezelfde plaats waar ik haar gelaten had, maar de beschuldigde en het kind waren beiden verdwenen. Zij had haar hoed en mantel medegenomen, maar de mand met het goed er in achtergelaten ... Ik schrikte vreeselijk, en was boos op haar omdat zij vertrokken was. Ik ging het niet aangeven, omdat ik geen gedachte had dat zij iets kwaads bedoelde, en ik wist dat zij geld in den zak had om voedsel en huisvesting te betalen. Ik wilde haar de gerechtsdienaar niet achterna zenden, want zij had recht om van mij weg te gaan zoo zij verkoos.quot;
De uitwerking van dit getuigenis op Adam was electriseerend; het gaf hem nieuwe kracht. Hetty kon niet schuldig wezen aan de misdaad â haar hart moest aan haar kindje gehangen hebben â waarom zou zij het anders hebben medegenomen? Zij had het immers achter kunnen laten? Het kleine schepseltje was een natuurlijken dood gestorven, en daarna had zij het verborgen; kinderen sterven zoo licht â en het was mogelijk dat de sterkste vermoedens aanwezig waren zonder eenig bewijs van schuld. Zijn geest was zoo bezig met denkbeeldige bewijsgronden tegen dergelijke vermoedens, dat hij niet kon luisteren naar het ondervragen van deze laatste getuige door Hetty's advocaat, die zonder 'goed gevolg de verklaring poogde te erlangen dat de gevangene eenige opwellingen van moederlijk gevoel betoond had jegens haar kind. Zoolang deze getuige onderzocht werd, stond Hetty even bewegingloos als te voren ; geen woord scheen haar oor te treifen. Maar het stemgeluid van den volgenden getuige deed een snaar trillen die nog gevoelig was; zij schrikte op en wierp een beangstigden blik op hem; maar aanstonds keerde zij het hoofd af, en staarde weder als te voren op haar handen. Deze getuige was een man, een ruwe boer. Hij sprak:
488
DE UITSPRAAK.
489
âMijn naam is John Olding. Ik ben arbeider en woon te Tredd's Hole, twee mijlen buiten Stoniton. Verleden Maandag een week, tegen één uur in den namiddag, ging ik naar het kreupelbosch van Hetton, en omstreeks een kwartier gaans van het kreupelbosch af zag ik de beschuldigde, met een rooden mantel om, zittend onder een aangebroken hooischelf, niet ver van den mijlpaal. Zij stond op toen zij mij zag, en deed alsof zij den anderen kant uitmoest. Het was een begaan pad door de velden, en dus niets vreemds daar een jonge vrouw te ontmoeten; maar zij viel mij op, omdat zij er bleek en verschrikt uitzag. Had zij zulke goede kleederen niet aangehad, ik zou haar voor een bedelaarster gehouden hebben. Zij maakte op mij den indruk van iemand die niet wel bij het hoofd is, maar dit ging mij niet aan. Ik stond haar een oogenblik na te kijken, maar zij liep rechtdoor zoolang zij in het gezicht was. Ik moest aan den anderen kant van het kreupelbosch wezen, om staken te halen. Er loopt een rechte weg door het bosch, en hier en daar zijn openingen, waar gekapt, maar het hakhout nog slechts voor een gedeelte opgeruimd is. Ik volgde den rechten weg niet geheel, maar halverwege ging ik bezijden af, en nam een korter pad naar de plaats waar ik wezen moest. Niet ver van den weg af was ik op een dei-open plaatsen gekomen, toen ik een zonderling gekreun hoorde. Ik herinnerde mij niet, ooit eenig dier zulk een geluid te hebben hoo-ren maken, maar ik had op dat oogenblik geen lust mij op te houden en er onderzoek naar te doen. Maar het hield steeds aan, en het kwam mij zoo vreemd voor op die plaats, dat ik niet kon nalaten stil te staan om er naar te kijken. Ik begon te bedenken dat er misschien eenig geld mede zou te verdienen zijn, zoo het iets vreemds was. Maar het kostte mij veel moeite, te ontdekken van welken kant het kwam, en een heele poos bleef ik opzien naar de takken. Toen meende ik weder dat het uit den grond kwam, waar een deel hakhout in den omtrek lei, en losse graszoden, en een paar stukken boomstam. Ik zocht daar tusschen, maar kon niets vinden, en eindelijk hield heï kreunen op. Ik moest het dus opgeven en ging mijns weegs. Maar toen ik denzelfden weg terugkwam, nagenoeg een uur later, kon ik niet nalaten mijn staken even neder te leggen, om nog eens te kijken. En juist toen ik mij bukte om de staken neder te leggen, zag ik iets vreemds, iets ronds en wits op den grond liggen, aan den voet van een hazelnoot naast mij. Ik
DE UITSPRAAK.
bukte mij op handen en knieën om het op te rapen, en zag dat het een kinderhandje was.quot;
Bij deze woorden doorliep een huivering de zaal. Hetty beefde zichtbaar; nu, voor de eerste reis, suheen zij te luisteren naar hetgeen het getuigenverhoor opleverde.
âEr was een hoop hakhout samengebracht juist op de plaats waaide grond om zoo te zeggen een hol vormde, onder den hazelnoot, en het handje stak tusschen het hakhout uit. Maar op een plaats was een opening gelaten, waardoor ik kon heenzien, en ik zag het hoofdje van een kind, en haastte mij om de zoden en de takken op te ruimen, en nam het kind er uit. Het had goede kleedjes aan, maar het lichaampje was koud en ik meende niet anders of het kind was dood. Ik haastte mij het bosch uit, en bracht het naar huis aan mijn vrouw. Zij zei dat het kind werkelijk dood was, en dat ik best zou doen met het naar het armhuis te brengen en den gerechtsdienaar te waarschuwen. En ik zei: âIk zou er mijn leven onder durven verwedden dat het 't kind van die jonge vrouw is, die ik tegenkwam toen ik naar het kreupelbosch ging.quot; Maar zij scheen gansch en al uit het oog verdwenen. En ik bracht het kind naar het armhuis van Hetton en deed mijn rapport aan den gerechtsdienaar, en wij gingen samen naar rechter Hardy. En daarna zochten wij naar de jonge vrouw tot den donker, en gingen het toen aangeven te Stoniton, opdat men haar zou aanhouden. En den volgenden morgen kwam een ander gerechtsdienaar bij mij, om met hem mede te gaan naar de plaats waar ik het kind gevonden had. En toen wij daar kwamen, zat daar de beschuldigde, geleund tegen den boom waaronder ik het kind gevonden had; zij gaf een gil toen zij ons zag, maar deed geen pogingen om zich te verwijderen. Een groot stuk brood lag op haar schoot.quot;
Adam had een flauwen kreet van wanhoop geslaakt, onderwijl deze getuige sprak. Zijn gelaat was verborgen tegen zijn arm, die rustte op de balustrade voor hem. Het was het toppunt zijns lij-dens; Hetty was schuldig, en in stilte bad hij tot God om uitkomst. Hij hoorde verder niets van hetgeen de onderscheiden getuigen verklaarden, en was onbewust van het oogenblik waarop de lange rij gesloten werd â onbewust dat ds. Irwine zich in de getuigenbank bevond om getuigenis af te leggen van Hetty's on-bevlekten naam in haar dorp en van de deugdzame opvoeding die
490
DE UITSPRAAK.
zij genoten had. Dit getuigenis kon geen invloed hebben op de uitspraak; maar het werd afgelegd als een onderdeel van dat verzoek om gratie dat haar eigen advocaat voor haar zoii hebben ingediend, ware het hem geoorloofd geweest voor haar te spreken â een voorrecht dat in die strenge dagen aan geen misdadigers toegestaan werd.
Eindelijk hief Adam het hoofd op, want er was een algemeene beweging om hem heen. De rechter had zich tot de Jury gewend, en deze verwijderde zich. Het beslissend oogenblik was niet ver meer. Adam voelde een huiverend afgrijzen, dat hem belette naar Hetty te zien; maar zij was sinds lang in haar wezenloos hardvochtige onverschilligheid teruggezonken. Aller oogen staarden onafgewend op haar; maar zij stond daar als een beeld van doffe wanhoop.
Een verward geluid van geschuifel, gefluister, en zacht gegons doorliep in deze tusschenpoos de zaal. De begeerte tot luisteren had opgehouden, en ieder had een oordeel of een meening zachtjes mede te deelen. Adam staarde wezenloos voor zich uit en zag de voorwerpen niet, onmiddellijk voor zijn oogen â den advokaat en de procureurs kalm te zamen sprekend als mannen van zaken, en ds. Irwine in ernstig gesprek fluisterend met den rechter; zag niet hoe ds. Irwine zich onrustig weder nederzette, en zijn hoofd treurig schudde wanneer iemand hem een vraag influisterde. Het stormde te heftig in Adams ziel dan dat hij ook uitwendige voorwerpen zou hebben kunnen waarnemen, voor hij door den een of anderen sterken schok gewekt werd.
Het duurde niet lang, nauwelijks meer dan een kwartier, voor de slag, ten teeken dat de Jury tot een beslissing was gekomen, voor aller ooren nederviel als een vermaning tot stilzwijgen. Zij is verheven â die plotselinge stilte eener groote menigte, waardoor verkondigd wordt dat slechts ééne ziel in allen trilt. Dieper en dieper scheen de stilte te worden, dieper dan de vallende nacht, terwijl de namen der gezworenen afgelezen werden, en de beschuldigde haar hand moest opsteken, en de Jury verzocht werd haar uitspraak mede te deelen.
âSchuldig.quot;
Het was de uitspraak die elkeen verwachtte; maar een zucht van teleurstelling rees uit enkele harten omdat zij niet gevolgd
491
DB UITSPRAAK.
werd door een aanbeveling aan de rechterlijke genade. Nog was de sympathie van liet hof niet met de beschuldigde; het onmen-schelijke van haar misdaad kwam nog scherper uit door haar hinderlijke onbuigzaamheid en haar hardnekkig stilzwijgen. Zelfs de uitspraak, in het oog van meer verwijderden, scheen haar niet aan te doen; maar wie zich in haar nabijheid bevonden, zagen dat zij beefde.
De stilte was minder hoorbaar totdat de rechter zijn zwarte barret opzette en de predikant der gevangenis, in zijn kerkelijk gewaad, achter hem opgemerkt werd. Toen werd zij weder dieper, nog voor de deurwaarder tijd had gehad haar te bevelen. Indien er eenig geluid vernomen werd, het moet het geluid zijn geweest van kloppende harten. De rechter sprak:
,Hester Sorrel. .
Het bloed vloog Hetty naar het aangezicht, en vloeide daarna weder terug, terwijl zij naar den rechter opzag en haar wijdgeopende oogen op hem gevestigd hield, als betooverd door vrees. Adam had het gelaat nog niet tot haar opgeheven ; een diep afgrijzen lag tusschen hem en haar, als een wijde kloof. Maar bij de woorden â âen alsdan te worden gestraft met den koorde tot er de dood op volgtquot; klonk een doordringende gil door de zaal. Het was Hetty's gil. Adam sprong overeind en strekte de armen naar haar uit; maar zijn armen konden haar niet bereiken. Zij was in zwijm gevallen en werd de zaal uitgedragen.
HOOFDSTUK XLIV.
ARTHURS THUISKOMST.
Toen Arthur Donnithorne te Liverpool landde en den brief van zijn tante Lydia las, die hem met korte woorden den dood van zijn grootvader meldde, was de eerste indruk dien hij daarvan ontving deze: âArme grootvader! Ik wenschte dat ik bij hem had kunnen zijn toen hij stierf. Misschien heeft hij in zijn laatste oogenblikken iets gevoeld of begeerd dat ik nu nimmer zal te weten komen. Het was een eenzame dood.quot;
Niemand kan met recht beweren dat zijn verdriet dieper ging dan
492
ARTHURS THUISKOMST.
493
dit. Medelijden en getemperde herinnering vervingen de plaats van den ouden weerzin; en tot zijn met de toekomst bezige gedachten, terwijl het postrijtuig hem snel heenvoerde naar het huis waar hij nu voortaan heer en meester wezen zou, behoorde ook een telkens vernieuwde poging om zich iets te binnen te brengen, waardoor hij zich indachtig zou kunnen betoonen aan de begeerten zijns grootvaders, zonder zijn eigen plannen tot verbetering van het lot der pachters daarom op te geven. Maar het ligt niet in de mensche-lijke natuur â alleen in de menschelijke aanmatiging â⢠dat een jongmensch als Arthur, met een voortreffelijk gestel en vol levenslust, met een goeden dunk van zichzelven, overtuigd dat anderen dien goeden dunk met hem deelen, en bezield met het ernstig voornemen om deze hun gunstige meening meer en meer te rechtvaardigen â het is niet mogelijk dat zulk een jongmensch, nauwlijks in het bezit gekomen van een kostelijk landgoed, tengevolge van den dood van een zeer oud man, van wien hij niet veel hield, iets gevoelt dat ten eenenmale verschilt van uitbundige vreugde. Nu ging zijn werkelijk leven een aanvang nemen, nu zou hij vrijheid en gelegenheid hebben tot handelen, en van beide zou hij gebruik weten te- maken. Hij zou aan het volk van Loamshire toonen welk een voortreffelijk landedelman hij was; deze loopbaan zou hij niet willen ruilen voor eenige andere onder de zon. Reeds voelde hij zich heenrijden over de heuvelen, in de frissche herfstlucht, het oog latende gaan over geliefkoosde plannen van droogmaking en omheining; dan weder, in de sombere morgenschemering, bewonderd als de beste ruiter op het beste paard ter jacht; geroemd op marktdagen als een onovertroffen landheer; langzamerhand speeches houdend aan verkiezingsdiners, en daarbij een bewonderenswaardige kennis van den landbouw aan den dag leggend; de beschermer van nieuwe ploegen en landbouwkundige werktuigen; de gestrenge berisper van nalatige landeigenaars, en bij dat alles de aangename man dien iedereen moest liefhebben â door gelukkige aangezichten begroet op zijn eigen landgoed, en op den besten voet met alle familiën in den omtrek. De Irwines zouden iedere week bij hem komen eten, en in hun eigen rijtuig; want op een uiterst kiesche wijze, door Arthur uit te denken, zou de bezitter der kerkelijke goederen van Hayslope er op aandringen een paar honderd pond meer aan den predikant uit te betalen, en zijn tante
ARTHURS THUISKOMST.
zou liet zooveel mogelijk naar haar zin hebben; zij zon op het kasteel blijven wonen, indien zij verkoos, ondanks haar oudevrijs-tersmanieren â tenminste tot hijzelf getrouwd zou zijn; en deze gebeurtenis school in een onzekeren achtergrond, want nog had Arthur de vrouw niet ontmoet, waardig de rol te vervullen van gemalin des voorbeeldigen landedelmans.
Deze waren hoofdzakelijk Arthurs gedachten, voor zoover iemands gedachten gedurende de lange uren van een reis kunnen worden saamgedrongen in eenige volzinnen, die slechts de naamlijst vormen der tooneelen van een lang panorama vol kleuren, vol bijzonderheden, vol leven. De gelukkige aangezichten waardoor Arthur zich zag begroeten, waren geen bleeke afgetrokkenheden, maar levende, blozende gezichten, hem sinds lang gemeenzaam bekend; Martin Poyser was daaronder â al de leden der familie Poyser.
Hoe? Ook Hetty?
Ja, want Arthur was gerust omtrent Hetty; niet gerust omtrent al het verledene, want hij ontwaarde steeds een zekere tinteling aan zijn ooren, wanneer hij aan dat tooneel met Adam van jongstleden Augustus dacht â maar gerust omtrent haar tegenwoordig lot. Ds. Irwine, die hem geregeld geschreven en hem op de hoogte gehouden had van al het nieuws omtrent bekende jslaatsen en personen, had hem voor omstreeks drie maanden gemeld dat Adam Bede trouwen ging, niet met Mary Burger, zooals hij had gedacht, maar met mooie Hetty Sorrel. Martin Poyser en Adam Bede beiden hadden de gansche geschiedenis aan ds. Irwine verteld â dat Adam Bede al sinds twee jaren tot over de ooren verliefd geweest was op Hetty, en dat het nu bepaald was dat zij zouden trouwen in Maart. Die reusachtige schelm van een Adam was dan toch teergevoeliger dan de rector gedacht had; het was wezenlijk een recht idyllisch liefdesgeschiedenisje, en ware het niet te lang om in een brief te vertellen, gaarne zou hij aan Arthur beschrijven met wat blozend gelaat, en in wat eenvoudige, krachtige bewoordingen de voortreffelijke, eerlijke knaap zijn geheim had geopenbaard. Hij wist dat het Arthur genoegen doen zou te vernemen, dat Adam zulk een geluk in het vooruitzicht had.
Ja waarlijk, toen Arthur dit gedeelte van den brief gelezen had, was het hem alsof het vertrek geen lucht genoeg bevatte om zijn nieuwen levenslust te verzadigen. Hij wierp de ramen open, snelde
494
AETHURS THUISKOMST.
de deur uit, in de Decemberlucht, en begroette ieder die hem aansprak met levendige vroolijklieid, alsof er tijdingen waren ontvangen van een nieuwe overwinning door Nelson behaald. Voor de eerste maal sinds hij te Windsor aangekomen was, verkeerde hij dien dag in echte, kinderlijke opgewondenheid; het loodzwaar gewicht dat hem had neergedrukt, was weggenomen, de kwellende vrees verdwenen. Hij dacht dat hij zijn verbittering jegens Adam nu wel zou kunnen overwinnen â hem de hand zou kunnen aanbieden, en hem verzoeken weder goede vrienden te zijn, in weerwil der pijnlijke herinnering die zijn ooren nog altijd deed gloeien. Hij was afgerost geworden, en iemand had hem genoodzaakt een leugen te verzinnen; wij mogen doen wat wij willen, zulke dingen laten een litteeken na. Maar indien Adam wederom dezelfde was als in oude dagen, dan wenschte Arthur insgelijks dezelfde te zijn, en Adam te verbinden aan zijn zaken en aan zijn toekomst, zooals hij begeerd had vóór die ver-wenschte ontmoeting in Augustus. Neen, hij zou veel meer voor Adam doen dan anders het geval zou geweest zijn, wanneer hij heer van het landgoed werd; Hetty's echtgenoot had een bijzondere aanspraak op hem â Hetty-zelve zou ondervinden dat elke smart, die zij in vroeger tijd door Arthurs toedoen geleden had, haar honderdvoudig vergoed werd. Want inderdaad, zij kon er niet veel van geweten hebben, blijkens haar zoo schielijk genomen besluit om Adam te trouwen.
Gij bemerkt duidelijk welk een soort van groep Adam en Hetty vormden in het panorama van Arthurs gedachten op zijn reis naar huis. Het was nu Maart; welhaast zouden zij getrouwd zijn; misschien waren zij reeds getrouwd. En nu was het werkelijk in zijn vermogen veel voor hen te doen. Zoete â zoete kleine Hetty! Het lieve poesje had niet half zooveel van hem gehouden als hij van haar; want hij was nog altoos een weinig doodelijk â was bijna nog bevreesd haar terug te zien â waarlijk, nog voor geen enkele vrouw had hij oogen gehad sinds hij van haar gescheiden was. Dat kleine figuurtje, zooals het naar hem toekwam in het boschje, die kinderlijke oogen met hun donkere franje, de lieve lipjes vooruitgestoken om hem te kussen â dit beeld was er niet flauwer op geworden in den loop der maanden. En zij zou er nog juist zoo uitzien. Het was niet mogelijk te berekenen hoe hun eerste ontmoeting afloopen zou; hij zou gewis beven. Vreemd, zoo lang als deze soort van invloed duurt, want zeker, hij was thans niet
495
ARTHURS THUISKOMST.
verliefd meer op Hetty; reeds sinds maanden had hij ernstig begeerd dat zij Adam huwen mocht, en op dit oogenblik was er niets dat hem gelukkiger maakte dan de gedachte aan hun huwelijk. Het was de overdrijvende uitwerking der verbeelding die zijn hart nog een weinig sneller deed kloppen wanneer hij aan haar dacht. Zoo hij het kleine ding terugzag gelijk zij werkelijk was, als Adams vrouw, gansch prozaïsch aan den arbeid in haar nieuwe woning, zou hij zich misschien verwonderen over de mogelijkheid van zijn vroegere gevoelens omtrent haar. De hemel zij gedankt dat het zoo goed afgeloopen was! Voortaan zou hij nu bezigheden genoeg aan de hand hebben om zijn leven geheel en al mede te vervullen, en zou hij langer geen gevaar loopen te vervallen tot nieuwe dwaasheden.
Een aangenaam geluid, het klappen van de zweep des postiljons! Een aangenaam gevoel, zoo snel en zoo gemakkelijk te worden voortgedreven door het Engelsch landschap, zoo gelijkend naar dat in den omtrek van zijn eigen woning, schoon minder bekoorlijk ! Hier een marktstad â volmaakt Treddleston bijna, waar het wapen van den heer van het naburig landgoed prijkte op het uithangbord van de voornaamste herberg; vervolgens niets dan heggen en velden, wier ligging in de buurt eener marktstad aangename gedachten wekte van hooge pacht. Vervolgens begon de landstreek een liefelijker aanzien te bekomen, de bosschen werden talrijker, en eindelijk keek een rood of wit gebouw neder van een matige hoogte, of liet zijn balustrade of schoorsteenen heenglu-ren door een bijna ondoorzichtige massa olm- en eikeboomen â een massa nu rood gekleurd door jonge knoppen. En dicht daarnevens lag het dorp; de kleine kerk met haar rood pannendak, nederig van voorkomen, zelfs tusschen de slecht geverfde, slecht onderhouden huizen in; de oude, groene grafsteenen omgeven van brandnetels; niets frisch en vroolijks dan alleen de kinderen, die met groote, ronde oogen keken naar den voorbijsnörrenden postwagen ; niets luidruchtigs of bedrijvigs dan alleen de rondloopen-de groote honden van twijfelachtig ras. Hoeveel fraaier dorp was Hayslope! En het zou niet veronachtzaamd worden zooals deze plaats; fiksche reparatiën zouden overal worden aangebracht aan de boerderijen en de dorpswoningen, en reizigers in postwagens, die den weg van Kosseter langs reden, zouden niets doen dan be-
496
ARTHURS THUISKOMST.
wonderen zoo ver hun oog reikte. En Adam Bede zou het opzicht hebben over alle verbouwingen, want hij had nu aandeel in Burgers affaire, en zoo hij wilde, zou Arthur eenig geld in de zaken steken, en den ouden man binnen een paar jaren uitkoopen. Een leelijke fout in Arthurs leven, dat geval van verleden zomer, maaide toekomst zou alles goedmaken. Anderen zouden een gevoel van wrok jegens Adam zijn blijven koesteren, maar dat zou hij niet â met een vasten wil zou hij al dergelijke kleingeestigheden te boven komen; want zeker, hij had groot ongelijk gehad, en ofschoon Adam ruw en heftig geweest was, de arme knaap was verliefd, en had wezenlijk reden tot verontwaardiging. Neen, Arthur droeg aan niet een enkel menschelijk wezen een kwaad hart toe; hij was gelukkig en zou ieder die onder zijn bereik kwam, gelukkig maken.
En daar was eindelijk het lieve, grijze Hayslope, het rustige, oude plaatsje, slapend tegen den heuvel in de late namiddagzon, en vlak daartegenover de breede schouders van Bintons heuvelen, daaronder het purperen bruin der glooiende bosschen, en eindelijk de bleeke gevel der Abdij, als verlangend uitziend tusschen de eikeboomen naar de terugkomst van den erfgenaam. âArme grootvader! daar ligt nu zijn lijk. Hij ook was eenmaal jong, en kwam in het bezit van het goed, en maakte plannen. Zoo gaat het in de wereld! Tante Lydia moet zich zeer verlaten gevoelen, arm schepsel; maar zij zal vertroeteld worden zooals zij zelve haar vetten Pido vertroetelt.quot;
Onrustig had men op het kasteel geluisterd naar het geluid dei-wielen van Arthurs rijtuig; want heden was het Vrijdag, en de begrafenis was reeds twee dagen uitgesteld. Voordat het rijtuig het kiezelzand van het voorplein opreed, waren alle bedienden van het huis reeds vergaderd om hem te ontvangen met een deftig en bescheiden welkom, gelijk aan den ingang van een sterfhuis betaamde. Een maand vroeger zou het hun misschien moeite hebben gekost, bij de aankomst van jonker Arthur, den erfgenaam, een passende treurigheid op hun gelaat te vertoonen; maar de harten van de oudste bedienden waren dien dag vervuld met een ander leed dan dat veroorzaakt werd door den dood van den ouden squire, en meer dan een onder hen, wetend wat er worden zou van Hetty Sorrel â mooie Hetty Sorrel â die zij alle weken plach-
ADAM BEDE. 32
497
ABTHURS THUISKOMST.
ten te zien, wensehte dat bij, evenals baas Craig, op twintig mijlen afstands wezen mocbt. Zij waren partijdig, gelijk bedienden die bun plaats liefhebben, partijdig zijn; zij waren niet geneigd de volle lengte en breedte van de gestrenge verontwaardiging der pachters jegens bem te deelen; eer geneigd verontschuldigingen voor hem te zoeken; doch dit nam niet weg dat de voornaamsten, die sinds jaren op een vriendschappelijken voet met de Poysers verkeerd hadden, niet konden nalaten te gevoelen dat de zoozeer ge-wenschte gebeurtenis van de optreding des jongen squire's van al haar geur en fleur beroofd was.
In Arthurs oog had het niets bevreemdends dat de bedienden er ernstig en treurig uitzagen; hijzelf was zeer aangedaan hen allen weder te zien, en te gevoelen dat er een nieuwe betrekking tusschen hem en hen ontstaan was. Het was een soort van pathetische gemoedsbeweging, met meer genot dan smart; misschien een der aangenaamste toestanden van een goedhartig man, zich bewust van de macht om aan zijn goedhartigheid bot te vieren. Zijn gemoed zwol van zoete aandoening toen hij zeide:
âEn, Mills, boe vaart mijn tante?quot;
Maar nu trad mijnbeer Bygate, de notaris, die van bet oogen-blik van bet sterven af in huis geweest was, voorwaarts om Arthur eerbiedig te begroeten en alle vragen te beantwoorden; en Arthur begaf zich met bem naar de boekenkamer, waar zijn tante hem wachtte. Tante Lydia was de eenige persoon in huis die niets afwist omtrent Hetty; haar droefheid als ongehuwde dochter was onvermengd met eenige andere zorg, buiten die voor de begrafenis en voor baar eigen toekomstig lot; en zij treurde op de wijze der vrouwen over den vader, die haar leven gewichtig had gemaakt, zooveel te meer, omdat zij half en half gevoelde dat er geen zeer zware rouw over bem gevoeld werd in de harten van anderen.
Maar Arthur kuste haar beschreid gelaat met meer teederheid dan bij te voren ooit gedaan had.
âLieve tante,quot; zei hij hartelijk, terwijl hij haar hand vasthield, âdw verlies is het grootst van allen, maar zeg mij wat ik kan doen om het u te vergoeden voor al het overige van uw leven.quot;
âHet was zoo plotseling en zoo schrikkelijk,quot; begon arme miss Lydia, haar kleine klaagliederen uitstortend; en Arthur zette zich
498
ARTHURS THUISKOMST.
neder om te luisteren met ongeduldig geduld. Toen er een pauze kwam, zei hij:
âTante lief, nu moet ik u voor een kwartier of daaromtrent verlaten, en even naar mijn eigen kamer gaan; dan kom ik terug en schenk aan alles mijn onverdeelde aandacht.quot;
âMijn kamer is zeker in orde, nietwaar, Mills?quot; vroeg hij aan den kamerdienaar, die met een verdeeld gemoed in de vestibule scheen heen en weder te loopen.
âJa, mijnheer, en er zijn brieven voor u; zij liggen alle op de schrijftafel in uw kleedkamer.quot;
Toen Arthur de kleine voorkamer binnentrad, de kleedkamer bijgenaamd, maar die hij werkelijk alleen gebruikte om zich op zijn gemak te zetten en te schrijven, wierp hij een vluchtigen blik op de tafel, en zag dat daarop verscheiden pakjes en brieven lagen; maar hij bevond zich in den onaangenamen stoffigen toestand van iemand die een lange, overhaaste reis afgelegd heeft, en, inderdaad, hij moest zich eei-st een weinig verfrisschen door eenige kleine zorgen aan zijn toilet te besteden voor hij zijn brieven las. Pym was bezig alles voor hem gereed te maken â en spoedig, aangenaam verfrischt, als gereed een nieuwen dag te beginnen, keerde hij naar de kleedkamer terug om zijn brieven te openen. De schuine stralen der namiddagzon vielen vlak in het raam, en toen Arthur zich nederzette in zijn fluweelen stoel, beschenen door hun liefelijke warmte, had hij dat rustig gevoel van welbehagen, dat gij en ik, mijn lezers, misschien insgelijks ontwaard hebben op een zonnigen namiddag, wanneer in de volheid van jeugd en gezondheid het leven ons een nieuwen horizont opende, en lange dagen van nuttige werkzaamheid zich voor ons uitstrekten als een liefelijke vlakte, die wij geen haast hadden te overzien, omdat zij rechts en links ons eigendom was.
De bovenste brief lag met het adres naar voren; hij was van ds. Irwine, dit zag Arthur terstond, en onder het adres was geschreven: âom onmiddellijk na aankomst overhandigd te worden.quot; Niets kon hem op dit oogenblik minder bevreemd hebben dan een brief van ds. Irwine; er was natuurlijk het een of ander waarvan Irwine hem wenschte te verwittigen nog voor het hun mogelijk zou zijn elkander te zien. Onder omstandigheden als deze was het gansch natuurlijk dat Irwine hem iets dringends had mede
32*
499
ARTHURS THUISKOMST.
te deelen. Arthur brak het zegel open onder het aangenaam gevoel, weldra den schrijver-zelven te zullen zien.
âIk zend u dezen brief om u bij uw aankomst te worden overhandigd, Arthur, omdat ik dan wellicht te Stoniton wezen zal, waaide vervulling mij wacht van den smartelijksten plicht die mij ooit werd opgelegd, en het is noodig dat gij zonder uitstel verneemt hetgeen ik u te zeggen heb.
â Ik voeg geen enkel woord van verwijt bij de straf die u treft; alles wat ik op dit oogenblik zou kunnen schrijven, zou flauw en onboteekenend afsteken bij de eenvoudige woorden waarin ik u mededeeling moet doen van de zaak gelijk zij is.
â Hetty Sorrel is in de gevangenis, en Vrijdag zal zij terechtstaan ter zake van kindermoord. . .quot;
Arthur las niet verder. Hij sprong van zijn stoel op, stond een oogenblik aangegrepen door hevige stuiptrekkingen, die zijn gan-sche lichaam deden trillen, alsof het leven hem ontvlood in vree-selijke hartkloppingen, maar was het oogenblik daarna de kamer reeds uitgesneld, steeds den brief vastgeklemd houdend â hij ijlde de gang door en de trap af naar de vestibule. Mills was daar nog; maar Arthur zag hem niet, terwijl hij hem voorbijsneldfi als een gejaagde, de vestibule door, naar buiten, het kiezelpad langs. De kamerdienaar rende hem achterna zoo hard zijn bejaarde bee-nen loopen konden; hij vermoedde, hij wist, werwaarts de jonge squire op weg was.
Toen Mills bij de stallen kwam, werd er een paard gezadeld en Arthur was bezig een poging te doen om het overige van den brief te lezen. Hij stak het papier driftig in den zak toen het paard voorgebracht werd, en op dit oogenblik viel zijn oog op het bezorgd gelaat van Mills.
âZeg hun dat ik vertrokken ben â vertrokken naar Stoniton,quot; sprak hij op doifen, gejaagden toon â sprong in den zadel en vertrok in galop.
500
IN DE GEVANGENIS.
HOOFDSTUK XLV.
IN DE GEVANGENIS.
Tegen zonsondergang op dienzelfden avond stond een bejaard lieer met den rug tegen den kleinen ingang der gevangenis te Stoniton geleund, met eenige woorden afscheid nemend van den zich verwij-derenden predikant. De predikant ging zijnsweegs, maar de bejaarde heer bleef staan, met neergeslagen oogen en peinzend zich de kin strijkend, toen hij uit zijn mijmering werd gewekt door een vriendelijke en heldere vrouwenstem, die vroeg:
âMag ik de gevangenis binnengaan, als 't u blieft?quot;
Hij wendde het hoofd om en zag de spreekster eenige oogenblik-ken in het gelaat zonder te antwoorden.
âIk heb u meer gezien,quot; sprak hij eindelijk. âHerinnert gij u de oefening op het Groen te Hayslope in Loamshire?quot;
âJa zeker, mijnheer. Is u de heer die bleef staan luisteren te paard?quot;
âJuist. Met welk oogmerk wilt gij in de gevangenis gaan?quot;
âIk wenschte Hetty Sorrel te bezoeken, de jonge vrouw die ter dood veroordeeld is â en bij haar te blijven, zoo het mij vergund wordt. Hebt gij iets te zeggen over de gevangenis, mijnheer?quot;
âJa; ik ben de magistraat, en kan toegang voor u verki-ijgen. Kent gij deze veroordeelde, Hetty Sorrel, van vroeger?quot;
âWij zijn bloedverwanten, mijnheer; mijn eigen tante is gehuwd met haar oom, Mai'tin Poyser. Maar ik was te Leeds, en heb van dezen grooten nood niet tijdig genoeg geweten om eerder dan heden hier te kunnen zijn. Ik smeek u, mijnheer, ter liefde van onzen Hemelschen Vader, mij bij haar te laten gaan en bij haar te laten blijven.quot;
âHoe wist gij dat zij ter dood veroordeeld was, zoo gij nu pas van Leeds gekomen zijt?quot;
âIk heb mijn oom gezien na het verhoor, mijnheer. Hij is nu naar zijn eigen huis teruggekeerd, en de arme zondares is van allen verlaten. Ik smeek u, vraag een verlof voor mij om tot haar te gaan.quot;
501
IN DE GEVANGENIS.
âWat? Hebt gij moed om den ganschen nacht in de gevangenis te blijven? Zij is zeer onhandelbaar, en wil ternauwernood antwoord geven indien men haar toespreekt.quot;
,0, mijnheer, misschien behaagt het God, haar hart nog te openen. Laat ons niet talmen.quot;
âKom dan,quot; zei de bejaarde heer, aanschellend en toegang verkrijgend ; âik weet dat gij een sleutel bezit om harten te ontsluiten.quot;
Zoo ras zij op de binnenplaats der gevangenis gekomen waren, deed Dina werktuiglijk haar hoed en doek af, uit oude gewoonte om zich daarvan te ontdoen wanneer zij predikte, of bad, of zieken bezocht, en toen zij de kamer van den cipier binnentraden, legde zij ze op een stoel neder zonder er bij te denken. Geen gejaagdheid was merkbaar in haar doen, maar een diepe, ingespannen kalmte, alsof, zelfs wanneer zij sprak, haar ziel in den gebede rustte op een on-zichtbaren steun.
Nadat hij met den cipier gesproken had, wendde de magistraat zich tot haar en zeide: âDe cipier zal u naar de cel der gevangene brengen en u daar laten voor den nacht, indien gij dat begeert; maar gij moogt geen licht hebben â zulks is tegen den regel. Mijn naam is kolonel Townley; zoo ik u in iets van dienst kan zijn, vraag den cipier dan om mijn adres, en kom tot mij. Ik stel belang in deze Hetty Sorrel, ter wille van dien voortrelfelijken knaap Adam Bede: toevallig zag ik hem te Hayslope op denzelfden avond dat ik u hoorde preeken, en ik herkende hem vandaag in de gerechtszaal, hoe ontdaan hij er ook uitzag.quot;
âO mijnheer, kunt gij mij iets omtrent hem mededeelen? Kunt gij mij zeggen waar hij gehuisvest is? Want mijn arme oom was te zeer terneergedrukt onder zijn verdriet om zich iets te herinneren.quot;
âHier dichtbij. Ds. Irwine heeft mij alles van hem verteld. Hij houdt zijn verblijf boven een blikslagers winkel, in de straat aan iiw rechterhand als gij met het gelaat naar de gevangenis gekeerd staat. Een oude schoolmeester houdt hem gezelschap. En nu, vaarwel ; ik wensch u een goeden uitslag.quot;
âVaarwel, mijnheer. Ik blijf u dankbaar.quot;
Terwijl Dina de binnenplaats der gevangenis met den cipier overstak, scheen het plechtig avondlicht de muren hooger te maken dan zij waren bij dag, en het liefelijk bleek gelaat onder het kapje
502
IN DE GEVANGENIS.
geleek meer dan ooit naar een witte bloem op dezen somberen achtergrond. De cipier keek haar al dien tijd van ter zijde aan, maar sprak geen woord; het was alsof hij gevoelde dat zijn eigen ruwe stem op dit oogenblik klinken zou als gekras. Hij stak een kaars aan, toen zij de donkere gang binnentraden die naar de cel der veroordeelde leidde, en zei toen op zijn beleefdsten toon: âHet zal wel bijna reeds donker zijn in de cel; maar ik kan een oogenblik met mijn licht hier blijven staan, zoo gij dat verlangt,quot;
âNeen, vriend, dank u,quot; antwoordde Dina. âIk wil liever alleen binnengaan.quot;
âZooals gij verkiest,quot; zei de cipier, den knarsenden sleutel in het slot omdraaiend, en de deur zoover openend als noodig was om Dina binnen te laten. Een lichtstraal van zijn lantaarn viel op den tegenover de deur gelegen hoek der cel, waar Hetty neder-zat op haar strooien matras, met het aangezicht verborgen tus. schen hare knieën. Het scheen dat zij sliep, en toch had het knarsen van het slot haar moeten wekken.
De deur werd weder gesloten, en het eenige licht in de cel was nu dat der avondlucht door het hooge, smalle tralievenster; juist genoeg om menschelijke aangezichten er bij te onderscheiden. Dina stond eenige oogenblikken stil, aarzelend of zij spreken zou, omdat Hetty wellicht sliep. Vol medelijden bleven haar oogen staren op den bewegingloozen vorm daar in den hoek. Toen sprak zij zachtjes:
â Hetty!quot;
Een lichte beweging was merkbaar in Hetty's gestalte â een trilling, zooals zou kunnen worden voortgebracht door een zwakken electrieken schok; maar zij zag niet op. Dina sprak weder, op een toon dien haar niet te onderdrukken ontroering een weinig krachtiger maakte dan de eerste reis:
âHetty. . . Dina is gekomen.quot;
Wederom doorliep een lichte trillende beweging Hetty's gestalte, en zonder haar gelaat te ontdekken hief zij haar hoofd een weinig op, alsof zij luisterde.
âHetty. . . Dina is gekomen.quot;
Na een oogenblik van stilte beurde Hetty het hoofd langzaam en beschroomd van haar knieën omhoog en richtte de oogen opwaarts. De beide bleeke aangezichten zagen elkander aan; het eene
503
IN DB GEVANGENIS.
met woeste, verstokte wanhoop er op uitgedrukt, het andere vol bedroefde, innige liefde. Onwillekeurig opende Dina haar armen en stak ze uit.
âKent gij mij niet, Hetty? Herinnert gij u Dina niet? Dacht gij niet dat ik tot u zou komen in den nood?quot;
Hetty hield haar oogen gevestigd op Dina's aangezicht â als een dier dat kijkt, en staart, en zich op een afstand houdt.
âIk ben gekomen om met u te zijn, Hetty â om u niet weder te verlaten â om uw zuster te wezen tot het einde toe.quot;
Langzaam, terwijl Dina sprak, stond Hetty op, deed een schrede voorwaarts, en lag in Dina's armen.
Zoo stonden zij een lange poos, want geen van beiden gevoelde aandrang tot scheiden. Hetty, zonder eenig duidelijk bewustzijn van de reden, waarom, klemde zich vast aan dit zeker iets dat de armen naar haar uitbreidde op het oogenblik dat zij reddeloos nederzonk in een afgrond van donkere wateren, en Dina ervoer een diepe vreugde over dit eerste bewijs, dat haar liefde welkom was aan de rampzalig verlorene. Het licht werd flauwer terwijl zij zoo stonden, en toen beiden zich eindelijk op de strooien matras nederzetten, waren de lijnen harer aangezichten schier uitgewischt.
Geen woord werd gesproken. Dina wachtte, hopend op een eerst en ongevraagd woord van Hetty's zijde; maar Hetty zat neder in altoos dezelfde sombere wanhoop, alleen de hand drukkend die de hare omvat hield, en met haar wang geleund tegen die van Dina Het was de menschelijke aanraking waaraan zij zich vastklemde, maar zij voelde zich niettemin in den afgrond der donkere wateren wegzinken.
Dina begon te twijfelen of Hetty bewustzijn had van de persoon die naast haar zat. Zij dacht dat lijden en vrees de arme zondares misschien van het verstand beroofd hadden. Maar het werd haar ingegeven, gelijk zij later zeide, dat zij met Gods werk niet moest jachten: âwij zijn meestentijds te haastig met spreken â als openbaarde God zich niet ook door ons zwijgend medegevoel, en als maakte Hij zijn liefde niet kenbaar door de onze heen.quot; Zij wist niet hoe lang zij zoo zaten, maar het werd donkerder en donkerder, tot er eindelijk niets dan een bleek plekje overbleef op den muur tegenover haar; al het overige was in duisternis gehuld. Maar zij gevoelde de tegenwoordigheid Gods meer en meer â ja, het was of
504
IN DE GEVANGENIS.
zij zelve er een deel van uitmaakte, alsof het Gods medelijden was dat in haar boezem klopte, en dat besloten was tot redding dezer hulpelooze. Ten laatste werd zij gedreven tot spreken, opdat zij weten zou in hoever Hetty besef had van haar toestand.
âHetty,quot; sprak zij zacht, âweet gij wie naast u zit?quot;
âJa,quot; antwoordde Hetty langzaam, âDina.quot;
âEn herinnert gij u den tijd toen wij samen waren op de hoeve, en dien nacht toen ik u verzocht aan mij te denken als aan een vriendin in den nood?quot;
âJa,quot; antwoordde Hetty. Toen, na een oogenblik zwijgens, voegde zij er bij: âMaar gij kunt niets voor mij doen. Gij kunt niets van hen gedaan krijgen. Maandag zullen zij mij ophangen â het is nu Yrijdag.quot;
Terwijl Hetty deze woorden sprak, drong zij zich huiverend tegen Dina aan.
âNeen, Hetty, van dien dood kan ik u niet redden. Maar is het lijden niet minder zwaar, wanneer gij iemand bij u hebt, die medelijden met u heeft â tot wie gij spreken kunt en zeggen wat er in uw hart omgaat?. . . Ja, Hetty, gij leunt tegen mij aan; gij zijt blij dat ik bij u ben.quot;
âGij zult mij niet verlaten, Dina? Gij zult dicht bij mij blijven?quot;
Neen, Hetty, ik zal u niet verlaten. Ik zal ten einde toe bij u blijven . . . Maar Hetty, er is nog iemand in deze cel behalve ik, zeer dicht bij u.quot;
Hetty vroeg met een angstig gefluister: âWie?quot;
âIemand die met u geweest is gedurende al uw uren van zonde en nood â die ieder uwer gedachten heeft gekend â gezien heeft waar gij heengingt, waar gij nederlaagt en weder opstondt, en al de daden die gij gepoogd hebt in duisternis te hullen. En Maandag, wanneer ik u niet volgen kan â wanneer mijn armen u niet meer bereiken kunnen â wanneer de dood ons zal gescheiden hebben â dan zal Hij, die nu met ons is, en alles weet, ook bij u zijn. Het maakt geen onderscheid â hetzij wij leven of sterven, wij zijn in tegenwoordigheid van God.quot;
âO Dina, zal niemand iets voor mij doen? Zullen zij mij zeker ophangen?. . . Niets zou mij kunnen schelen, zoo zij mij slechts lieten leven.quot;
âMijn arme Hetty, de dood is schrikkelijk voor u. Ik weet dat
505
IN DE GEVANGENIS.
hij schrikkelijk is. Maar zoo gij een vriend hadt om zorg voor u te dragen in den dood â in die andere wereld â iemand wiens liefde grooter is dan de mijne â die alles doen kan. . . Indien God onze Vader uw vriend was, en bereid om u van zonde en lijden te redden, zoodat gij nooit slechte gedachten noch bittere pijn meer kendet ? Zoo gij kondt gelooven dat hij u liefheeft en u helpen wil, zooals gij gelooft dat ik u liefheb en u helpen wil, dan zou het minder hard zijn Maandag te sterven, zou het niet?quot;
âMaar daar kan ik niets van weten,quot; zei Hetty in sombere droefheid.
âOmdat, Hetty, omdat gij uwe ziel voor Hem sluit, door uw pogingen om de waarheid te verhelen. Gods liefde en barmhartigheid vermogen alles door de vingeren te zien â onze onwetendheid, onze zwakheid, al het gruwelijke van onze goddeloosheden â alleen onze opzettelijke zonde niet, de zonde waaraan wij ons vasthouden en die wij niet willen opgeven. Gij gelooft in mijn liefde en in mijn medelijden met u, Hetty; maar zoo gij mij niet bij u toegelaten hadt, mij niet aangezien of niet tot mij gesproken hadt, zoudt gij mij de mogelijkheid hebben benomen u te helpen; ik zou mijn liefde niet hebben kunnen doen gevoelen; ik zou u niet hebben kunnen zeggen wat ik gevoelde voor u. Sluit niet aldus Gods liefde buiten, door u aan de zonde vast te houden . . . Hij kan u niet zegenen, zoolang er een enkele leugen in uw ziel overblijft; zijn vergevende genade kan u niet bereiken, tenzij gij uw hart voor Hem opent en zegt; âIk heb deze groote goddeloosheid bedreven; o God, red mij, reinig mij van de zonde.quot; Zoolang gij u aan ééne zonde blijft vasthouden en niet van haar scheiden wilt, zal zij u medesleepen en u rampzalig maken na den dood, zooals zij u heeft medegesleept en rampzalig gemaakt in deze wereld, mijn arme, arme Hetty. Van de zonde komt alle vrees, en duisternis, en wanhoop; licht en zegen gaan over ons op,.zoodra wij haar van ons afwerpen. God komt dan woning in onze zielen maken, en onderwijst ons, en brengt ons kracht en vrede. Werp haar thans van u af, Hetty â thans. Beken de goddeloosheid die gij bedreven hebt â de zonde waaraan gij u schuldig hebt gemaakt tegenover God, uw Hemelschen Vader. Laat ons samen ne-derknielen, want wij zijn in de tegenwoordigheid van God.quot;
Hetty gehoorzaamde aan Dina's aandrang en zonk op haar
506
IN DE GEVANGENIS.
knieën. Steeds hielden zij elkander bij de hand, en er was een lange stilte. Toen sprak Dina:
,Hetty, wij zijn geknield voor het aangezicht van God; Hij wacht dat gij de waarheid zeggen zult.quot;
Nog was er stilte. Eindelijk sprak Hetty op smeekenden toon: âDina . . . help mij ... Ik kan niet voelen zooals gij. . . mijn hart is zoo hard.quot;
Dina omvatte de hand die de hare omklemde, en haar gansche ziel lag in haar stem:
âJezus, alomtegenwoordige Verlosser! Gij hebt de diepte van alle lijden gekend, gij zijt uitgegaan in de buitenste duisternis, zijt zonder God geweest, en hebt den kreet der veriatenen geslaakt. Kom, Heer, en oogst te'dezer ure een deel van de vruchten uwer tranen en van uw smeekgebed; strek uw hand uit, o gij, die machtig zijt te verlossen wie gij wilt, en red deze verlorene. Haar ziel is in dikke duisternis gehuld, de boeien harer zonde houden haar omklemd, en zij kan niet opstaan om tot u te komen ; zij kan alleen gevoelen dat haar hart zoo hard en zij zoo hulpeloos is. Zij roept tot mij, uw machteloos schepsel. . . Verlosser, het is een roepen in den blinde tot u. Hoor dien kreet! Doorboor de duisternis! Zie haar aan met dien blik vol smart en liefde, dien gij op den apostel der verloochening wierpt, en vermurw haar steenen hart!
âZie, Heer â ik leid haar tot u, zooals weleer de zieken en hulpeloozen tot u gebracht werden, en gij genaast ze. Ik draag haar in mijn armen en breng haar naar u toe. Vrees en beving hebben haar bevangen, maar zij beeft alleen terug voor de smart en den dood des lichaams; stort uw geest der levendmaking over haar uit, en leg in haar een nieuwe vreeze â de vreeze harer zonde. Doe haar duchten, het voorwerp van uw vloek nog langer in haar boezem te verbergen; doe haar de tegenwoordigheid van den levenden God ervaren, die al het verledene kent en overziet, voor wien de duisternis is als de volle dag, die in dezen oogenblik, in deze elfde ure, wacht dat zij zich tot Hem keere, haar zonde belijde, zijn genade aanroepe â in dezen oogenblik, voor de nacht des doods komt, en de ure der vergiffenis voor eeuwig gevloden is, zooals de dag van gisteren die niet wederkomt.
507
IN DE GEVANGENIS.
âVerlosser! nog is liet tijd â tijd om deze arme ziel te behouden van de eeuwige duisternis. Ik geloof â ik geloof in uwe gren-zenlooze liefde. Wat is m ij n liefde of m ij n voorspraak ? Zij komen in de uwe om. Ik kan niet meer dan haar in mijn machte-looze armen klemmen, en met mijn machteloos medelijden haar dringen tot bekeering. Maar gij â gij kunt ademen over haar doo-de ziel, en zij zal verrijzen uit den sprakeloozen doodslaap.
âJa, Heer, ik zie u, komend en de duisternis verdrijvend, komend als de morgen, met genezing op uwe vleugelen. De teekenen van uw lijdenswee zijn leesbaar op uw gelaat â ik zie, ik zie dat gij machtig en bereid zijt haar te redden â dat gij haar niet voor eeuwig zult laten verderven.
âMachtige Verlosser, kom, laat deze doode uw stem vernemen; laat de oogen der blinde geopend worden; laat haar zien dat God haar nabij is; laat haar slechts voor dit ééne beven, voor de zonde die scheiding maakt tusschen haar en Hem. Verteeder dit harde hart, ontzegel de gesloten lippen, doe haar met haar gansche ziel uitroepen: Vader, ik heb gezondigd. .
âDina,quot; snikte Hetty, de armen om Dina's hals slaande, âik zal spreken ... ik zal alles vertellen ... ik zal niets meer verbergen.quot;
Maar tranen en snikken waren te hevig. Dina hief haar zachtjes van haar knieën op, en zette haar weder op de matras neder, zelve plaats nemend nevens haar. Het duurde geruimen tijd eer het stuipachtig snikken geheel bedaard was, en zelfs daarna zaten zij nog een wijl in de stilte en de duisternis neder, elkander bij de hand houdend. Eindelijk fluisterde Hetty;
âIk heb het gedaan, Dina. . . ik begroef het in het bosch . . . het kindje ... en het schreide ... ik hoorde het schreien . . . hoe ver ook weg. . . den ganschen nacht... en ik ging terug omdat het schreide.quot;
Zij hield op en sprak toen haastig, luider en op een toon van verontschuldiging:
âMaar ik dacht dat het misschien niet sterven zou â iemand zou het kunnen vinden. Ik heb het niet vermoord â niet zelf vermoord. Ik heb het daar neergelegd en heb het toegedekt, en toen ik terugkwam, was het weg. . . Het was omdat ik zoo ontzet-
508
IN DE GEVANGENIS.
tend ongelukkig was, Dina... ik wist niet waarheen. . . eerst beproefde ik mij zelve van het leven te berooven, maar kon niet. O, ik heb zoo mijn best gedaan om mij in den vijver te verdrinken, maar ik kon niet. Ik was naar Windsor gegaan â ik was weggeloopen â weet gij'? Ik ging hem zoeken, om voor mij te kunnen zorgen, en hij was vertrokken, en toen wist ik niet wat te doen. Ik kon niet naar huis terugkeeren â die gedachte kon ik niet uitstaan. Ik zou niemand hebben durven aanzien, zij zouden mij veracht hebben. Soms dacht ik aan u, en meende naar u toe te gaan, want ik kon niet gelooven dat gij hard tegen mij zijn, of schande over mij roepen zoudt. Maar dan, de anderen moesten het toch eindelijk ook te wetén komen, en dat kon ik niet dulden. Het was gedeeltelijk de gedachte aan u die mij naar Stoniton deed komen, en daarenboven vreesde ik zoo om rond te dolen tot ik een bedelaarster wezen en niets meer overhebben zou; somtijds kwam het mij voor, dat ik nog liever naar de hoeve moest terugkeeren. 0, het was zoo verschrikkelijk, Dina... ik was zoo ellendig. . . ik wenschte nooit te zijn geboren, nooit geleefd te hebben. Ik zou nimmer weder in de groene velden hebben willen gaan â ik haatte ze zoo in mijn ellende.quot;
Hetty hield weder een oogenblik op, alsof de herinnering aan het verledene haar het spreken belette.
âToen ging ik naar Stoniton, en begon angstig te worden dien nacht, omdat ik zoo dicht bij huis was. En toen werd het kindje geboren, op een oogenblik dat ik het niet verwachtte, en toen kwam de gedachte in mij op, dat ik mij van het kind moest ontdoen en weder naar huis terugkeeren. De gedachte kwam plotseling terwijl ik in bed lag, en zij werd al sterker en sterker. . . ik verlangde zoo naar huis ... ik kon het niet dragen zoo verlaten te zijn, en eindelijk te moeten bedelen van gebrek. En dit gaf mij kracht en vastberadenheid om op te staan en mij aan te kleeden. Ik voelde dat ik het doen moest... ik wist niet hoe . . . ik dacht dat ik een vijver zou zien te vinden zoo ik kon, zooals dien anderen, in den hoek van het veld, in donker. En toen de vrouw uitging, had ik een gevoel alsof ik sterk genoeg was om alles te volbrengen... Ik dacht van al mijn ellende bevrijd te kunnen worden en naar huis terug te kunnen keeren, en dat nooit iemand zou behoeven te weten waarom ik weggeloopen was. Ik
509
IN DB GEVANGENIS.
zette mijn hoed op en sloeg mijn doek om, en ging uit in de donkere straat, met het kind onder mijn mantel; en ik liep hard voort tot ik in een andere straat kwam, een heel eind verder, en daar was een herberg, waar ik iets warms om te drinken en een stuk brood vroeg. En ik liep steeds voort en voort, en voelde nauw-lijks den grond waarop ik ging, en het werd lichter, want de maan kwam op â o Dina, zij maakte mij zoo bang, toen zij mij voor het eerst aanzag van tusschen de wolken â zg had er nooit zoo uitgezien, en ik ging van den grooten weg af in de velden, want ik vreesde dat iemand mij zou tegenkomen in bet maanlicht. En ik kwam aan een hooischelf waarin ik meende te zullen kunnen nederliggen en mij warm houden den ganschen nacht. Er was een plaats in uitgestoken, waar ik mij een bed kon maken, en ik lag daar heel goed, en het kindje warm bij mij, en ik moet langen tijd geslapen hebben, want toen ik wakker werd, was het morgen, maar niet volkomen licht, en het kind schreide. En ik zag een bosch, een weinig verderop, eu ik dacht dat daar misschien een sloot of vijver wezen zou ... En het was nog zoo vroeg, dat ik het kind daar meende te kunnen verbergen en een heel eind weg te kunnen wezen voor de menschen op zouden zijn. En toen dacht ik aan naar huis gaan â ik zou mederijden, nu in de eene kar en dan in de andere, en zoo thuiskomen, en zeggen dat ik een dienst was gaan zoeken, maar er geen had kunnen vinden. Ik verlangde er zoo naar, Dina â ik verlangde zoo om veilig thuis te wezen. Ik weet zelve niet recht wat ik gevoelde voor het kind. Het was alsof ik het haatte â het was als een looden gewicht dat mij om den hals hing en toch drong zijn schreien mij door alles heen, en ik durfde niet kijken naar zijn kleine handjes en gezichtje. Maar ik ging voort in de richting van het bosch, en liep rond, maar zag geen water. . .quot;
Hetty rilde. Zij zweeg eenige oogenblikken, en toen zij weder begon was het fluisterend.
âIk kwam aan een plaats waar een aantal spaanders en graszoden lagen, en ik zette mij op den tronk van een boom neder, om te bedenken wat ik doen zou. En plotseling zag ik een groef onder een noteboom, als een klein graf. Als een bliksemstraal vloog mij de gedachte door het hoofd â dat ik het kind daar neder moest leggen en het bedekken met het gras en de spaan-
510
IN DE GEVANGENIS.
511
ders. Ik had geen moed het op een andere manier te dooden. En in een oogwenk was het gedaan, en o, het schreide zoo, Dina â ik kón het niet gansch en al bedekken â ik dacht dat er misschien wel iemand komen en er voor zorgen zou, en dat het dan niet zou sterven. En ik haastte mij het bosch uit, maar in-tusschen kon ik het steeds hooren schreien, en toen ik buiten in de velden kwam, was het alsof ik vastgehouden werd â ik kon niet weg, hoezeer ik het ook verlangde. En ik zette mij tegen de hooischelf neder om te zien of er iemand komen zou; ik was zeer hongerig, en had maar een korst brood meer over, maar ik kon niet weg. En na een lange poos â na veel uren kwam die man â- met zijn kiel, en hij keek zoo naar mij, dat ik bang werd, haastig opstond, en mij voortmaakte. Ik dacht dat hij naar het bosch ging, en misschien het kind vinden zou. En ik liep recht door tot ik aan een dorp kwam, ver weg van het bosch, en ik was ziek, en flauw, en bitter hongerig. Ik vond daar eenig eten, en kocht een brood. Maar ik durfde niet blijven. Ik hoorde het kind schreien, en dacht dat de andere menschen het eveneens hoorden â en ging voort. Maar ik was zoo vermoeid, en de avond begon te vallen. En eindelijk, bezijden den weg, daar stond een schuur â ver van alle huizen verwijderd â zooals de schuur in de weide van onze Abdy, en ik dacht: daar zal ik binnengaan, en er mij verbergen tusschen het hooi en stroo, en waarschijnlijk zou daar niemand komen. Ik ging er binnen, zij was halfvol bosschen stroo; en er was ook eenig hooi. En ik maakte mij een bed, zoover mogelijk achterin, waar niemand mij vinden kon; en ik was zoo zwak en vermoeid dat ik in slaap viel . . . Maar o, het schreien van het kind deed mij ontwaken, en ik dacht dat de man, die mij zoo had aangezien, gekomen was om mij op te brengen. Maar toch moet ik ten laatste langen tijd achtereen geslapen hebben, ofschoon ik er geen weet van had, want toen ik opstond en de schuur uitging, wist ik niet of het nacht of morgen was. Maar het was morgen, want het werd steeds lichter, en ik ging den weg terug dien ik gekomen was. Ik kon het niet laten, Dina; het was het schreien van het kind dat mij deed gaan, en toch was ik in doodsangst. Ik was overtuigd dat de man met de kiel mij zien zou, en dat hij wist dat ik het kind daar neergelegd had. Maar toch ging ik voort; ik dacht niet meer aan terug-
IN DE GEVANGENIS.
keeren naar huis â het was mij uit het hoofd gegaan. Ik zag niets dan die plaats in het bosch waar ik het kind begraven had . . . ik zie haar nu. 0 Dina, zal ik haar eeuwig zien?quot;
Hetty klemde zich aan Dina vast, en rilde weder. De stilte scheen lang te duren voor zij weder voortging.
âIk ontmoette niemand, want het was zeer vroeg, en ik kwam in het bosch ... Ik kende den weg naar het plaatsje . . . het plaatsje tegen den noteboom, en bij iederen voetstap kon ik het kind hooren schreien ... Ik dacht dat het leefde ... Ik weet niet of ik schrikte of mij verheugde ... ik weet niet wat ik gevoelde. Ik weet alleen dat ik in het bosch was, en het kind hoorde schreien. Ik weet niet wat ik gevoelde, tot ik zag dat het verdwenen was. En toch â toen ik het daar nederlegde, had ik ge-wenscht dat iemand het vinden zou en het mocht redden van den dood, maar toen ik zag dat het verdwenen was, werd ik gevoelloos als een steen, van vrees. Geen oogenblik dacht ik er aan, mij te verwijderen; ik gevoelde mij zoo zwak. Ik wist dat ik niet kon wegloopen, en dat ieder die mij zag zou afweten van het kind. Mijn hart werd als een steen, ik kon niets wenschen of aanvangen; het scheen alsof ik daar mijn leven lang zou blijven staan, en er nimmer eenige verandering komen zou. Maar zij kwamen en namen mij mede.quot;
Hetty zweeg; doch zij rilde weder, alsof er nog iets volgen moest, en Dina wachtte, want Hetty's hart was zoo vol dat de tranen moesten komen vóór de woorden. Eindelijk barstte zij snikkend uit:
âDina, denkt gij dat God dat schreien zal wegnemen, en het plaatsje in het bosch, nu ik alles verteld heb?quot;
âLaat ons bidden, arme verdoolde, laat ons nogmaals op onze knieën vallen, en bidden tot den God aller barmhartigheden.quot;
HOOFDSTUK XLVI.
UREN VAN SPANNING.
Des Zondags ochtends, toen de kerkklokken te Stoniton luidden voor den morgendienst, kwam Bartle na eene korte afwezigheid de kamer van Adam weder binnen, zeggend:
512
UREN VAN SPANNING.
, Adam, daar is iemand die n verlangt te spreken.quot;
Adam was met den rug naar de deur gezeten, maar hij vloog op en keerde zich dadelijk om, met een gloeiend gelaat en een ge-jaagden blik. Zijn aangezicht was nog magerder en meer vervallen dan wij het vroeger gezien hebben; maar hij was gewasschen en geschoren ter eere van den Sabbatdag.
âIs er eenig nieuws?quot; vroeg hij.
âHoud u bedaard, mijn jongen,quot; zei Bartle, âhoud u bedaard. Het is niet wat gij denkt; het is de jonge Methodistenvrouw uit de gevangenis. Zij staat beneden aan de trap, en wenscht te weten of het u gelegen komt haar te zien; want zij heeft u iets te zeggen omtrent die arme ongelukkige, maar zij wil niet binnenkomen zonder uw verlof, zegt zij. Zij dacht dat gij misschien liever bij haar zoudt komen om met haar te spreken. Die preek-sters zijn anders zoo bijster bescheiden niet,quot; prevelde Bartle bij zichzelven.
âVerzoek haar boven te komen,quot; antwoordde Adam.
Hij stond met zijn gelaat naar de deur gekeerd, en toen Dina binnentrad, en haar zachte, grijze oogen tot hem ophief, zag zij onmiddellijk de groote verandering die in hem plaats gegrepen had, sinds den dag dat zij tot den forschen man had opgezien in de woning zijner moeder. Er was iets bevends in haar heldere stem, toen zij haar hand in de zijne legde en sprak:
âWees getroost, Adam Bede, de Heer heeft haar niet verlaten.quot;
âDank u dat gij haar opgezocht hebt,quot; antwoordde Adam. âMeester Massey bracht mij gister de tijding dat gij gekomen waart.quot;
Meer kon geen van beiden zeggen; zwijgend stonden zij voor elkander, en ook Bartle Massey, die zijn bril opgezet had, scheen als betooverd terwijl hij Dina's gelaat beschouwde. Maar hij herstelde zich het eerst, en sprak: âGa zitten, jonge vrouw, ga zitten.quot; Hij schoof een stoel voor haar naar voren, en nam den terugtocht aan naar zijn oude plaats op den rand van het bed.
âVerplicht, mijn vriend, ik zal niet gaan zitten,quot; zei Dina, âwant ik moet zoo spoedig mogelijk weder voort; zij verzocht mij niet lang uit te blijven. Dat ik kwam, Adam Bede, was om u te verzoeken, de arme zondares te komen zien, en afscheid van haar
ADAM BEDE. 33
513
UREN VAN SPANNING.
te nemen. Zij wenscht u vergiffenis te vragen, en het is beter dat gij haar heden ziet dan morgen vroeg; de tijd zal dan kort wezen.quot;
Adam beefde, en zonk eindelijk weder op zijn stoel neder.
âHet zal niet gebeuren,quot; sprak hij, âhet zal uitgesteld worden â misschien komt er nog gratie. Ds. Irwine zei dat er hoop was; hij zei dat ik het niet behoefde op te geven.quot;
âDat denkbeeld is mij lief,quot; antwoordde Dina, terwijl haar oogen zich met tranen vulden. âHet zou vreeselijk zijn, indien haar ziel zoo overhaast moest scheiden.quot;
âDoch er gebeure wat gebeuren mag,quot; voegde zij er na een oogenblik bij, âgij zult immers komen en haar gelegenheid geven de woorden te spreken die zij op het hart heeft? Ofschoon haar arme ziel steeds in groote duisternis gedompeld is, en zij weinig-begrip heeft dan van de dingen des vleesches, haar verharding is geweken; zij is berouwvol â zij heeft mij alles bekend. De trots van haar hart is gebroken, en zij steunt op mijn hulp, en verlangt onderwijzing. Dit vervult mij met vertrouwen; want de broederen dwalen somtijds, zou ik vreezen, wanneer zij de goddelijke liefde afmeten naar de mate van de kennis des zondaars. Zij zal een brief schrijven aan de vrienden op de hoeve, dien ik overhandigen zal wanneer zij zal heengegaan zijn, en toen ik haar vertelde dat gij hier waart, zeidezij; âIk zou Adam gaarne goeden dag 'zeggen en hem vergiffenis vragen.quot; Gij zult komen, nietwaar, Adam?quot; Misschien wilt gij nu op het oogenblik wel met mij tot haar gaan.quot;
âIk kan niet,quot; antwoordde Adam; âik kan geen afscheid nemen zoolang er nog hoop is. Ik zit te luisteren, te luisteren â ik kan aan niets anders denken. Het kan niet waar zijn dat zij dien schandelijken dood sterven zal â ik kan mij dat denkbeeld niet eigen maken.quot;
Hij stond weder van zijn stoel op, en wendde den blik af naar het venster, terwijl Dina met medelijdend geduld bleef wachten. Na een paar minuten keerde hij zich om en zei:
âIk zal komen, Dina . . . morgen ochtend ... als het zijn moet. Misschien heb ik meer kracht om het te dragen, indien ik weet dat het moet. Zeg haar dat ik haar vergeef, zeg haar dat ik komen zal â in het uiterst oogenblik.quot;
514
UREN VAN SPANNING.
âIk wil u niet dringen tegen de stem van uw eigen hart,quot; zei Dina. âIk moet naar haar terug; want het is wonderlijk zooals zij thans aan mij hangt, en hoe ongeneigd zij daar even was, mij uit haar oogen te laten gaan. Zij placht mijn genegenheid nooit te beantwoorden, maar nu heeft het lijden haar het hart geopend. Vaarwel, Adam; onze Hemelsche Vader vertrooste u en schenke u kracht om alles te dragen.quot; Dina stak hem de hand toe en Adam drukte die zwijgend.
Bartle Massey was bezig op te staan om de sterk sluitende klink der deur voor haar op te lichten, maar voor hij zoover komen kon, had zij reeds vriendelijk gezegd: âVaarwel mijn vriend,quot; en was met haar lichten tred de trap reeds af.
âNu,quot; zei Bartle, den bril afzettend, en dien in den zak stekend, âzoo er vrouwen moeten zijn om ellende te brengen in de wereld, is het niet meer dan billijk dat er ook vrouwen zijn om de ellende weder goed te maken, en zoo een is zij â zoo een is zij. Jammer dat zij een Methodist is: maar vrouwen waar niets aan hapert, zijn er niet.quot;
Adam ging in het geheel niet naar bed dien nacht; de gejaagdheid der onzekerheid, klimmend met ieder uur dat hem nader bracht aan het gevreesde oogenblik, was te groot; en in weerwil van Adams smeeken, in weerwil zijner belofte dat hij volmaakt rustig wezen zou, waakte de schoolmeester insgelijks.
âWat zegt dat voor mij, mijn jongen,quot; vroeg Bartle, âeen nacht meer of minder? Ik zal spoedig lang genoeg liggen te slapen onder den grond. Laat mij u gezelschap houden in de booze dagen, zoo goed ik kan.quot;
Het was een lange, treurige nacht in die kleine kamer. Adam stond somtijds op en liep heen en weder in de korte ruimte tus-schen den eenen muur ea den anderen; dan ging hij weder zitten en verborg zijn gelaat, en geen geluid werd gehoord behalve het tikken van het horloge op de tafel, of het nedervallen van een uitgebrand stuk hout van het vuur dat de schoolmeester zorgvuldig onderhield. Somtijds barstte hij uit in heftige taal:
âHad ik slechts iets kunnen doen om haar te redden â zoo ik met alles te dragen slechts eenig goed had kunnen doen! . . . maar stil te moeten zitten, en het te weten, en niets uit te richten . . . het is hard voor een man om door te staan ... En te
33*
515
UREN VAN SPANNING.
moeten denken hoe het nu zou hebben kunnen wezen, indien hij niet tusschenbeiden gekomen was . . . o God, de eigen dag waarop wij zouden getrouwd zijn!quot;
âJa, mijn jongen,quot; zei Bartle met teederheid, âhet is hard, het is hard. Maar dit moet gij niet vergeten: toen gij haar dacht te trouwen, meendet gij dat het van binnen anders bij haar gesteld was. Gij dacht niet dat zij in korten tijd zoo hardvochtig zou hebben kunnen worden als gebleken is.quot;
âDat weet â dat weet ik,quot; zei Adam. âIk dacht dat zij lief en teeder van harte was, en niet liegen of bedrieglijk handelen kon. Hoe kon ik anders denken? En zoo hij nooit in haar nabijheid gekomen was, en ik haar getrouwd had, en goed voor haar geweest was, en zorg voor haar gedragen had, zou zij zeker nimmer iets slechts gedaan hebben. Wat had het beteekend, al had ik een weinig moeite met haar gehad? Het zou niet gehaald hebben bij dit.quot;
âMen kan niet weten, mijn jongen â men kan niet weten wat zou gebeurd zijn. Het lijden is nu hard voor u om te dragen; gij moet tijd hebben â tijd hebben. Maar ik geloof van u dat gij het te boven komen, en weder een man wezen zult; en misschien zal uit dit alles iets goeds voortkomen dat wij thans niet zien.quot;
âIets goeds voortkomen!quot; riep Adam hartstochtelijk. âDat verandert niets aan het kwaad van nu; haar ondergang is daarmede niet verholpen. Ik haat het gebeuzel over goedmaken, alsof alle dingen konden goedgemaakt worden. Men moest de menschen liever leeren inzien dat het kwaad dat zij uitrichten nimmer te verhelpen is. Wanneer iemand het geluk van een zijner medeschepselen verwoest heeft, heeft hij geen recht zich te troosten met de gedachte dat er iets goeds uit zal kunnen voortkomen: z ij n welzijn neemt haar schande en ellende niet weg.quot;
âNu, jongen, nu,quot; zei Bartle op zachten toon, in zonderling contrast met zijn gewone eigenzinnigheid en ongeduld onder tegenspraak, âhet is zeer waarschijnlijk dat ik onzin vertel; ik ben een oude stakkert, en het is jaren geleden dat ikzelf in den druk was. Ik geef u toe, het is gemakkelijk, redenen uit te denken waarom andere menschen geduld behooren te oefenen.quot;
âMeester Massey,quot; zei Adam berouwvol, âik ben driftig en opvliegend geweest. Dat hebt gij niet aan mij verdiend; maar gij moet het mij niet euvel duiden.quot;
516
UREN VAN SPANNING.
âIk niet jongen, ik niet.quot;
Zoo kroop de nacht in onrust om, tot de kille schemering en het dagend morgenlicht die zekere huiverige kalmte met zich voerden, waardoor men op den oever der wanhoop overvallen wordt. Weldra zou er geen onzekerheid meer wezen.
âLaat ons nu naar de gevangenis gaan, meester Massey,quot; sprak Adam, toen hij den wijzer van zijn horloge op zes zag staan.
âZoo er eenig nieuws gekomen is, zullen wij het daar hooren.quot;
Het volk was reeds op de been, zich snel voortbewegend in een en dezelfde richting langs de straten. Adam deed zijn best er niet aan te denken waar al deze menschen heengingen, terwijl zij hem voorbijsnelden gedurende den kleinen afstand die zijn woning van de poort der gevangenis scheidde. Hij was dankbaar toen deze poort hem binnen- en uitsloot van het gezicht der driftige menigte.
Neen, er was geen nieuws â geen gratie â geen schorsing.
Adam talmde op de plaats een half uur lang, voor hij het van zich kon verkrijgen aan Dina te laten weten dat hij gekomen was. Maar een stem trof zijn oor. Hij moest de woorden wel verstaan, of hij wilde of niet:
âOm half acht vertrekt de kar.quot;
Het moest dan worden uitgesproken â het laatst vaarwel; er was niets aan te keeren.
Tien minuten later bevond Adam zich aan de deur der cel. Dina had hem doen weten dat zij niet bij hem komen kon; zij kon Hetty geen oogenblik alleen laten. Maar zij had Hetty op de ontmoeting voorbereid.
Hij kon haar niet zien toen hij binnenkwam; want innerlijke gejaagdheid verlamde de werking zijner zintuigen, en de flauw verlichte cel scheen hem bijna donker. Een oogenblik nadat de deur achter hem gesloten was, stond hij daar, bevend en verstompt.
Maar hij begon door de schemering heen te zien â hij zag de donkere oogen nog eenmaal tot hem opgeslagen, maar zonder glimlach er in. O God, hoe treurig stonden zij! De laatste maal dat haar blik den zijnen ontmoet had, was geweest toen hij afscheid van haar nam; het hart vol blijde hoop der liefde; en zij hadden hem destijds aangezien met een betraand lachje uit een rooskleurig kinderlijk gelaat met kuiltjes in de wangen. Het gelaat was als marmer nu;
517
ÃBEN VAN SPANNING.
de lieve lippen waren bleek en half geopend, en zij trilden; de kuiltjes waren verdwenen â alle op één na, dat nooit verdween; en de oogen â⢠o, het ergste van alles was hun sprekende gelijkenis op die van Hetty. Het waren Hetty's oogen, hem aanstarend met dien droeven blik, alsof zij van de dooden tot hem wedergekeerd was om hem te verhalen van haar ellende.
Zij klemde zich aan Dina vast; haar wang leunde tegen die van Dina. Haar laatste hoop en laatste zwakke kracht scheen in die aanraking te wortelen, en de medelijdende liefde, stralend van Dina's gelaat, was als een zichtbare borg der Onzienlijke barmhartigheid.
Toen de treurige oogen elkander ontmoetten â toen Hetty en Adam elkander aanzagen, gevoelde ook zij de verandering die over hem gekomen was, en dit scheen haar met nieuwe vrees te vervullen. Het was de eerste maal dat zij iemand zag, wiens gelaat den omkeer in haar eigen lot scheen te weerkaatsen; Adam was haar een nieuw beeld van het vreeselijk verleden en het vreeselijk tegenwoordige. Zij beefde nog sterker toen zij hem aanzag:
âSpreek tot hem, Hetty,quot; zei Dina, âzeg hem wat gij op het hart hebt.quot;
Hetty gehoorzaamde haar als een klein kind.
âAdam. . . . het spijt mij zoo. ... ik heb mij zeer slecht jegens u gedragen .... wilt gij mij vergeven .... voor ik sterf?quot;
Adam antwoordde, halfsnikkende: âJa, ik vergeef u, Hetty; reeds lang heb ik u vergeven.quot;
Het was Adam geweest alsof zijn brein zou vaneenspatten van wanhopige smart toen hij Hetty's oogen voor het eerst ontmoette; maar het geluid van haar stem, onder het uiten dezer berouwvolle woorden, roerde een snaar bij hem aan die tot hiertoe minder gespannen geweest was â er was een gevoel van verlichting te midden van het ondraaglijke. De zeldzame tranen kwamen â⢠zij hadden niet gevloeid sinds zijn hoofd op Seth's schouder gerust had in het begin zijner smart.
Hetty maakte onwillekeurig eene beweging voorwaarts; iets van de liefde, te midden waarvan zij vroeger had geleefd, was haar nabijgekomen. Zij liet Dina's hand niet los, maar naderde Adam en vroeg beschroomd:
âWilt gij mij nog eenmaal kussen, Adam, al ben ik zoo slecht geweest?quot;
518
OREN VAN SPANNING.
Adam nam de bleeke, vermagerde hand die zij hem toestak in de zijne en zij kusten elkander â de onuitsprekelijk plechtige kus hij een levenslange scheiding.
âEn zeg hem,quot; sprak Hetty met eenigszins vaster stem, âzeg hem . . . want niemand anders kan het hem zeggen . . . dat ik hem ging zoeken, maar hem niet vond . . . Eens heb ik hem gehaat en hem gevloekt. . . maar Dina zegt dat ik hem vergeven moet... en ik doe mijn best. . . anders zal God mij ook niet vergeven.quot;
Er kwam nu beweging aan de deur der cel â de sleutel werd in het slot omgedraaid, en toen de deur openging, zag Adam daar verscheidene onduidelijke aangezichten; hij was te opgewonden om meer te zien â zelfs dat het aangezicht van ds. Irwine een daarvan was, zag hij niet. Hij gevoelde dat de laatste toebereidselen stonden gemaakt te worden, en dat hij niet langer blijven kon. Zwijgend werd er plaats voor hem gemaakt, en eenzaam keerde hy naar zijn kamer terug, het aan Bartle Massey overlatend om getuige te zijn van het einde.
HOOFDSTUK XLVII.
HET LAATSTE OOGENBLTK.
Het was een gezicht dat sommige lieden zich beter herinnerden dan hun eigen verdriet â het gezicht van dien grijzen, helderen morgen, toen de noodlottige kar, met de beide jonge vrouwen er op, werd bespeurd door de wachtend uitziende menigte, zich door haar drommen heen een doortocht klievend naar het afschuwelijk symbool van een voorbedachtelijk geweldigen dood.
Gansch Stoniton had gehoord van Dina Morris, de jonge Methodistenvrouw, die de hardnekkige boosdoenster tot bekentenis gebracht had, en men was even begeerig haar te zien als de ongelukkige Hetty-zelve.
Maar Dina was zich ter nauwernood van de tegenwoordigheid der menigte bewust. Toen Hetty de onmetelijke schare in de verte ontwaard had, had zij zich stuipachtig aan Dina vastgeklemd.
519
HET LAATSTE OOGENBLIK.
âSluit uw oogen, Hetty,quot; sprak Dina, en bidden wij zonder ophouden.quot;
En met een zachte stem, terwijl de kar langzaam door de starende menigte heenreed, stortte zij haar ziel uit met al de innigheid eener laatste worstelende voorbede â een bede voor het bevend schepsel dat haar omarmde en zich aan haar vastklemde, als aan het eenig zichtbaar teeken van erbarming en liefde.
Dina bespeurde niet dat er stilte heerschte onder de menigte, die haar aanstaarde met een soort van eerbiedig ontzag â zij was zich zelfs niet bewust hoe nabij zij waren aan de noodlottige plaats, toen de kar stilhield en zij achteruit deinsde, verschrikt door een luiden volkskreet, afgrijselijk in haar oor als een gehuil van vele duivelen. Hetty's gil mengde zich met den kreet der schare, en zij omarmden elkander met wederzijdsch afgrijzen.
Maar het was geen kreet van verwensching â geen gejoel van juichende boosaardigheid.
Het was een plotselinge vreugdekreet op het verschijnen van een ruiter, die de menigte uiteendreef in vollen galop. Het paard dampt en is afgemat, maar gehoorzaamt nog aan de wanhopige spoorslagen: des ruiters oogen staan als verglaasd van waanzin, en hij zag niets dan hetgeen voor anderen onzichtbaar was. Zie, hij heeft iets in de hand â hij houdt het in de hoogte als een sein.
De schout kent hem, het is Arthur Donnithorne, met Hetty's zuur verdiende vrijstelling van de doodstraf in de hand.
HOOFDSTUK XLVIII.
NOGMAALS IN HET BOSCH.
Den volgenden dag, 's avonds, wandelden twee mannen, ieder van een tegenovergesteld uitgangspunt, naar hetzelfde tooneel, derwaarts getrokken door een gemeenschappelijke herinnering. Het tooneel was het kleine bosch bij het kasteel van Donnithorne; de beide mannen weet gij.
De begrafenis van den ouden squire had dien morgen plaats gehad, het testament Was geopend, en nu, in het eerste oogenblik
520
NOGMAALS IN HET BOSCH.
dat hij vrij ademen kon, was Arthur Donnithorne een eenzame wandeling gaan doen, ten einde de nieuwe toekomst voor hem uit: vast in de oogen te zien, en zichzelven te versterken in een treurig, maar vast besluit. Hij meende dit nergens beter te kunnen doen dan in het boschje.
Ook Adam was Maandagavond van Stoniton teruggekomen, en heden had hij zijn woning niet verlaten dan alleen om naar de familie op de hoeve te gaan, en hun alles te vertellen waar ds. Irwine nog niet van gesproken had. Hij was met de Poysers overeengekomen dat hij hen volgen zou naar hun nieuwe woonplaats, waar die ook wezen mocht; want hij was voornemens het bestuur over de bosschen neder te leggen. Zoo schielijk als eenigszins kon, zou hij de compagnieschap met Jonathan Burger ontbinden, en zich met zijn moeder en Seth metterwoon vestigen in de nabijheid dier vrienden, aan wie hij zich door gemeenschappelijk lijden verbonden gevoelde.
âSeth en ik zullen wel werk vinden,quot; sprak hij. âWie ons ambacht verstaat, is overal thuis, en wij moeten van voren afaan beginnen. Moeder zal mij niet tegenwerken, want na mijn thuiskomst heeft zij mij gezegd, dat zij er vrede mede had in een andere gemeente begraven te worden, indien ik zulks wenschte en elders meer op mijn plaats meende te zullen zijn. Het is wondeiiijk hoe bedaard zij geworden is sinds ik teruggekomen ben. Het schijnt of de grootheid-zelve der smart haar rustig en kalm heeft gemaakt. Het zal ons allen beter zijn in een nieuwe streek; ofschoon er enkelen zijn van wie ik met moeite scheid. Maar van u en de uwen, boer Poyser, wil ik niet scheiden, zoo het van mij afhangt. Het verdriet heeft ons bloedverwanten gemaakt.quot;
âDat is zoo, mijn jongen,quot; antwoordde Martin. âWij zullen gaan waar wij den naam van dien man niet meer hooren zullen. Maar ik twijfel of wij wel immer ver genoeg kunnen gaan om te beletten dat de menschen er achter komen hoe er onder onze familie gevonden worden, die getransporteerd zijn over de zee, en, als het wèl was, hadden moeten opgehangen worden. Dat zal men ons voor de voeten werpen, en aan onze kinderen ook.quot;
Dit bezoek op de hoeve had lang geduurd en te veel gevergd van Adams geestkracht dan dat hij er aan denken kon nog andere personen te zien, of zijn oude bezigheden te hervatten voor morgen.
521
NOGMAALS IN HET BOSCH.
âMaar morgen,quot; sprak hij tot zichzelven, âtijg ik weder aan het werk. Misschien leer ik het weder liefkrijgen mettertijd; en of het mij aanstaat of niet, het is plicht.quot;
Deze avond was de laatste waarop hij aan zijn smart toegeven zou; de onzekerheid bestond nu niet langer, en het onveranderlijke moest gedragen worden. Hij had besloten, Arthur Donnithorne zoo mogelijk niet weder te zien. Hij had hem geen boodschap van Hetty over te brengen, want Hetty had Arthur gezien, en Adam wantrouwde zichzelven; hij had geleerd te vreezen voor de heftigheid van zijn eigen gevoel. Dat zekere woord van ds. Irwine â dat hij zich moest herinneren wat hij bij zichzelven ondervonden had, nadat hij den grooten slag aan Arthur had toegebracht in het bosch â was hem bijgebleven.
Deze gedachten aan Arthur, zooals alle gedachten waar men veel bij gevoelt, keerden onophoudelijk weder, en zij riepen steeds het beeld op van die plek in het boschje â die plek onder de koepelvormige takken, waar zijn oog gevallen was op de beide naar elkander toegebogen gestalten, en waar de plotselinge razernij der jaloezie hem overvallen was.
âIk ga er van avond voor het laatst nog eens heen,quot; sprak hij halfoverluid bij zichzelven; âhet zal mij goed doen; het zal mij nogmaals doen gevoelen wat ik ondervond, toen ik hem nedervelde. Ik besefte hoe armzalig en doelloos de daad was, zoodra ik haar begaan had; nog voor de gedachte mij overviel of hij wellicht dood was.quot;
Op deze wijze geschiedde het dat Arthur en Adam op hetzelfde oogenblik naar dezelfde plaats wandelden.
Adam had zijn werkpak nu weder aan â want met een gevoel van verlichting had hij zich van het andere ontdaan, zoodra hij thuis gekomen was; en zoo hij de gereedschapsmand op den schouder gedragen had, zou men hem met zijn bleek, vervallen gelaat hebben kunnen aanzien voor de schim van den Adam Bede, die het boschje was binnengetreden nu acht maanden geleden. Maar een gereedschapsmand had hij thans niet bij zich, en hij liep niet met zijn oude fiere houding, levendig om zich heen ziend; zijn handen waren verborgen in de zijzakken, en zijn oogen rustten meestentijds op den grond. Nog niet ver was hij het boschje ingewandeld, toen hij een oogenblik stilstond voor een beuk. Hij kende dien boom van
522
NOGMAALS IN HET BOSCH.
nabij; het was de grenspaal zijner jeugd â het teeken van den tijd waarop een deel zijner vroegste en krachtigste genegenheid hem begeven had. Hij hield zich overtuigd dat zij nimmer terugkeeren zou. En toch, op dit oogenblik welde een gevoel van sympathie bij hem op voor dien Arthur Donnithorne, in wien hij had geloofd tot op den stond dat hij dezen beuk genaderd was, nu acht maanden geleden. Het was als de genegenheid voor een doode; die Arthur leefde niet meer.
Hij werd gestoord door het geluid van naderende voetstappen; maar de beuk stond bij een kromming in den weg, en hij kon niet zien wie er aankwam, voor de hooge, slanke gestalte in zwaren rouw plotseling voor hem stond op slechts twee schreden afstands. Beiden verschrikten en zagen elkander zwijgend aan. Dikwerf, in de laatste veertien dagen, had Adam zichzelven even dicht als nu in Arthurs nabijheid gedacht, hem bestormend met woorden even verscheurend als de knagende stem des gewetens, en hem zijn rechtmatig aandeel in de ellende door hem teweeggebracht voor de voeten werpend. Maar zoo vaak hij zich die ontmoeting voorstelde, had hij Arthur steeds gezien zooals hij was op dien avond in het bosch; bloeiend, blozend, zorgeloos, luchthartig, en de gedaante voor hem trof hem door het lijden dat zij teekende. Adam wist wat lijden was â hij kon geen wreeden vinger leggen op de kwetsuur eens gewonden. Hij gevoelde geen boozen aandrang waaraan hij weerstand behoefde te bieden; zwijgen was plichtmatiger dan verwijten.
Arthur sprak het eerst.
âAdam,quot; zei hij bedaard, âhet is misschien goed dat wij elkander hier ontmoeten; want ik wenschte u te spreken. Ik zou u anders morgen om een onderhoud hebben laten verzoeken.quot;
Hij zweeg, maar Adam zei niets.
âIk weet dat het pijnlijk voor u is, mij te ontmoeten, Adam,'' ging Arthur voort, âmaar waarschijnlijk zal dit in jaren tijds niet andermaal gebeuren.quot;
âNeen, mijnheer,quot; antwoordde Adam koel, âditzelfde meende ik u morgen te schrijven; want het is beter dat alle betrekking tus-schen ons een einde neme en er iemand anders in mijn plaats aangesteld worde.quot;
Arthur gevoelde de scherpte van dit antwooi-d, en het was niet zonder inspanning dat hij voortging.
523
NOGMAALS IN HET BOSCH.
âHet was gedeeltelijk over deze zaak dat ik u wenschte te spreken. Ik verlang niet dat gij uw verontwaardiging jegens mij zult inbinden, en wil u ook niet verzoeken iets voor mij te doen. Ik wensch u alleen te vragen of gij mij helpen wilt, de booze gevolgen van een onherroepelijk verleden te temperen. Ik bedoel geen gevolgen die mijzelven, maar die anderen betreffen. Wat ik doen kan, is weinig, dit weet ik. Ik weet dat de ergste gevolgen blijven zullen; maar er kan toch iets gedaan worden, en gij kunt mij daarin behulpzaam zijn. Wilt gij geduldig naar mij luisteren?quot;
âJa, mijnheer,quot; antwoordde Adam na eenige aarzeling; âik ben bereid te hooren wat gij bedoelt. Zoo ik u in iets kan helpen, zal ik het doen. Toorn zou niets verhelpen, dat weet ik; daar hebben wij genoeg van gehad.quot;
âIk was op weg naar de hermitage,quot; sprak Arthur. âWilt gij daar een oogenblik bij mij komen zitten? Wij kunnen daar rustig praten.quot;
Niemand had de hermitage betreden sinds zij die te zamen verlaten hadden, want Arthur had den sleutel in zijn lessenaar weggesloten. En nu, toen hij de deur opende, bevond zich daar nog de in de pijp gebrande kaars; de stoel stond op dezelfde plaats waar Adam zich herinnerde gezeten te hebben; desgelijks de snipper-mand vol scheurpapier â en diep daar onder in, Arthur gevoelde het op hetzelfde oogenblik, lag het kleine rozeroode zijden doekje.
Het zou pijnlijk geweest zijn, hier weder binnen te treden, indien hun gedachten zeiven van daareven minder pijnlijk geweest waren.
Zij zetten zich tegenover elkander op de oude plaatsen neder en Arthur sprak: âIk vertrek, Adam; ik neem dienst bij het leger.quot;
Anne Arthur gevoelde dat dit bericht Adam behoorde te treffen â dat hij eenigen aandrang van sympathie jegens hem behoorde te gevoelen. Maar Adams lippen bleven vast op elkander gesloten, en de uitdrukking van zijn gelaat veranderde niet.
âHetgeen ik u wenschte te zeggen,quot; ging Arthur voor, is dit: een van de redenen die mij nopen te vertrekken is, dat niemand Hayslope, dat niemand zijn woonplaats verlate om mijnentwil. Ik zou daarvoor alles willen doen; er is geen offer dat ik niet bereid ben te brengen om te voorkomen, dat verder iemand eenig
524
NOGMAALS IN HET BOSCH.
nadeel ondervinde tengevolge van mijn â tengevolge van hetgeen geschied is.quot;
Arthurs woorden hadden juist de tegenovergestelde uitwerking van hetgeen hij zich voorgesteld had. Adam meende er in op te merken datzelfde denkbeeld van goedmaken ten aanzien van onherstelbaar kwaad, diezelfde geweten-sussende poging om het kwade dezelfde vruchten te doen voortbrengen als het goede, die meest van al zijn verontwaardiging opwekte. Pe aandrang om pijnlijke waarheden recht in het aangezicht te zien, was bij hem even groot, als bij Arthur de lust om er de oogen van af te wenden. Daarenboven bezat hij den waakzaraen, achterdochtigen trots eens armen in de tegenwoordigheid van een rijke.
Hij voelde zijn oude gestrengheid terugkeeren, terwijl hij sprak;
âDaartoe is de tijd voorbij, mijnheer. Men behoort offers te brengen om het kwaad te verhoeden; maar wanneer het kwaad gepleegd is, zullen offers het niet ongedaan maken. Heeft iemands gevoel een doodelijke wond bekomen, zulk een wond is met geen gunsten te genezen.quot;
âGunsten!quot; riep Arthur hartstochtelijk, âneen; hoe kunt gij meenen dat ik zulks bedoel? Maar de Poysers â ds. Irwine zegt mij dat zij van plan zijn de plaats te verlaten waar zij zoo veel jaren, gansche geslachten achtereen, gewoond hebben. Zijt gij niet van oordeel, evenals ds. Irwine, dat zoo men hen kon overhalen om het gevoel dat hen wegdrijft te onderdrukken, het in den grond der zaak beter voor hen wezen zou om te blijven op de oude plaats, onder de vrienden en buren van hun verleden?quot;
âDat is zoo,quot; antwoordde Adam koel. âMaar mijnheer, er zijn gevoelens die men niet zoo licht onderdrukt. Het zal Martin Poyser hard vallen om naar eene vreemde plaats te gaan, onder vreemde aangezichten, hij die hier op de hoeve grootgebracht is, en zijn vader voor hem; maar blijven zou nog harder wezen voor een man als hij. Ik zie niet in hoe de dingen anders te maken zijn dan hard. Er is een soort van kwaad, mijnheer, dat niet kan verholpen worden.quot;
Arthur zweeg eenige oogenblikken. In weerwil van andere en betere gevoelens, die dezen avond den boventoon in hem hadden, verhief zich zijn trots onder Adams wijze van met hem om te gaan. Leed hij dan zelf niet? Was ook hij niet verplicht zijn liefste voor-
525
NOGMAALS IN HET BOSCH.
uitzichten prijs te geven ? Het was nü gelijk voor acht maanden â Adam dwong Arthur het onherroepelijke zijner verkeerdheid dieper te gevoelen ; hij bood juist die soort van weerstand die het tergendst van al was voor een levendige, vurige natuur als die van Arthur. Maar zijn toorn werd ondergehouden door denzelfden invloed die Adams wrevel onderhield, toen zij elkander voor het eerst gadesloegen â door de teekenen van lijden op het aangezicht van een oud vriend. De korte worsteling eindigde in het gevoel dat hij veel van Adam verdragen kon â van Adam, voor wien hij de aanleiding geweest was tot zooveel lijden. Toch was er een zweem van doordrijvende en daardoor onmanlijke geraaktheid in zijn toon, toen hij sprak:
âMaar men kan bedreven kwaad erger maken door een onredelijk gedrag â door toe te geven aan toorn, en door aan dat gevoel voor het oogenblik te voldoen, in plaats van te bedenken welke de gevolgen daarvan zullen zgn in de toekomst.quot;
âIndien ik hier bleef en als landheer optrad,quot; voegde hij er na een oogenblik nog dringender bij â âindien ik mij niet bekommerde om hetgeen ik gedaan heb â om hetgeen waarvan ik de oorzaak geweest ben â dan zoudt gij eenige verontschuldiging hebben voor uw eigen heengaan en voor uw instemmen in het heengaan van anderen. Gij zoudt dan eenige verschooning kunnen aanvoeren voor uw poging om het kwaad te verergeren. Maar wanneer ik u zeg dat ik voor lange jaren wegga; wanneer gij weet wat dit voor mij te zeggen heeft, en hoe aan al mijn meest geliefkoosde plannen daardoor den bodem ingeslagen wordt â is het niet mogelijk voor een verstandig man, zooals gij, te gelooven dat er eenige wezenlijke grond bestaat voor de Poysers om te weigeren hier te blijven. Ik ken hun gevoeligheid op het punt van familie-eer. Ds. Irwine heeft mij alles gezegd; maar hij is van oordeel dat hij hen van het denkbeeld, als waren zij onteerd in de oogen hunner bekenden, en als konden zij op mijn landgoed niet blijven, wel zou kunnen afbrengen, zoo gij hem namelijk wildet bijstaan â zoo gij zelf wildet blijven en voortgaan met het bestuur over de oude bosschen op u te nemen.quot;
Arthur hield een oogenblik stil en voegde er toen vleiend bij:
âGij weet dat gij daarmede een goed werk zoudt doen, ook voor andere menschen buiten den eigenaar. En wie weet of zij niet
526
NOGMAALS IN HET BOSCH.
spoedig een beteren eigenaar zullen hebben, voor wien gij gaarne werken zult? Sterf ik, dan komt het landgoed in handen van mijn neef Tradgett. Hij is een goed man.quot;
Ondanks zichzelven was Adam geroerd; het was hem onmogelijk niet te gevoelen dat dit de stem was van den eerlijken, goedhar-tigen Arthur dien hij had liefgehad, en op wien hij trotsch geweest was in oude dagen; maar latere herinneringen konden niet uitgewischt worden. Hij zweeg; toch las Arthur een antwoord op zijn gelaat, dat hem bewoog met klimmenden ernst voort te gaan.
âEn dan, zoo gij er met de Poysers over spreken wildet â zoo gij de zaak woudt bepraten met ds. Irwine â hij is van plan u morgen te komen zien â en zoo gij dan uw drangredenen bij de zijne voegen wildet, om hen te bewegen niet te gaan... Ik weet natuurlijk dat zij geen gunsten van mij zouden willen aannemen; zoo iets bedoel ik in geenen deele; maar ik ben overtuigd dat zij ten slotte minder lijden zouden. Ds. Irwine denkt dat ook, en ds. Irwine zal het opperbestuur over het landgoed hebben â hij heeft er in toegestemd, dat op zich te nemen. Inderdaad zullen zij onder niemand staan dan onder een man dien zij liefhebben en hoogachten. Zoo zou het ook met u zijn, Adam, en alleen de begeerte om mij nog meer smart te veroorzaken, zou u kunnen drijven te vertrekken.quot;
Arthur zweeg weder een poos, en sprak toen met eenigszins hoorbare ontroering:
âEen ding weet ik: ik zou tegenover u anders handelen. Zoo gij in mijn plaats waart en ik in de uwe, zou ik beproeven u te helpen en in de gegeven omstandigheden doen wat ik konde.quot;
Adam schoof onrustig op zijn stoel heen en weder en tuurde op den grond; Arthur ging voort:
âMisschien hebt gij nooit iets gedaan in uw leven waarover gij naderhand bitter berouw hebt gehad, Adam; zoo dat het geval was, zoudt gij thans edelmoediger zijn. Gij zoudt dan weten dat het erger is vooi' mij dan voor u.quot;
Onder het uitspreken der laatste woorden stond Arthur van zijn stoel op en begaf zich naar een der vensters, naar buiten ziende en Adam den rug toekeerend, terwijl hij met hartstocht voortging: âHeb ook ik haar niet liefgehad ? Heb ik haar gisteren niet gezien ? Zal ik de gedachte aan haar niet met mij omdragen even-
527
NOGMAALS IN HET BOSCH.
goed als gij ? En denkt gij niet dat gij meer lijden zoudt, zoo gij schuldig waart?quot;
Er volgde eene stilte van onderscheiden minuten; want de strijd in Adams binnenste was niet zoo licht beslist. Toegevende naturen, wier gemoedsbewegingen weinig duurzaamheid bezitten, kunnen zich nauwlijks voorstellen hoeveel inwendigen tegenstand hij overwon, voor hij insgelijks van zijn stoel opstond en zich tot Arthur wendde. Arthur hoorde de beweging, en zich omkeerend, ontwaarde hij den droevigen, maar verzachten blik in Adams oog toen deze zeide: âHet is waar wat gij zegt, mijnheer; ik ben hard â dat ligt in mijn aard. Ik ben het altoos geweest. Ik was te hard voor mijn vader omdat hij verkeerd deed. Ik ben al mijn leven te hard geweest voor iedereen, behalve voor haar. Ik had een gevoel alsof niemand genoeg medelijden met haar had â haar lijden sneed mij zoo bitter door de ziel; en toen ik meende dat men op de hoeve te hard voor haar was, heb ik mijzelven beloofd, nimmer weder hard jegens iemand te zullen zijn. Maar door al te veel voor haar te gevoelen, ben ik misschien onbillijk geweest jegens u. Ik heb in mijn leven ondervonden wat het zegt, berouw te hebben en te weten dat iets te laat is; ik voelde dat ik onmeedoogend geweest was voor mijn vader, toen hij van mij was heengegaan â ik voel het nu nog, wanneer ik aan hem denk. Ik heb geen recht hardvochtig te zijn jegens hen, die verkeerd handelen en berouw toonen.quot;
Adam sprak deze woorden met de vaste, duidelijke stem van iemand, die besloten is niets ongezegd te laten van hetgeen hij te zeggen heeft; maar met meer aarzeling ging hij voort:
âEenmaal wilde ik u de hand niet geven, mijnheer, toen gij er mij om verzocht â maar zoo gij het nu doen wilt, hoewel ik toen weigerde. .
In een oogenblik lag Arthurs blanke hand in den breeden palm van Adam, en met deze daad welde van beide zijden een sterke stroom der oude genegenheid uit vroeger dagen op.
âAdam,quot; sprak Arthur, nu tot volle bekentenis genoopt, âhet zou nooit gebeurd zijn, had ik geweten dat gij haar liefhadt. Dat zou mij geholpen hebben in mijn strijd. En geloof mij, ik heb gestreden; het was nooit mijn voornemen, haar ongelukkig te maken. Naderhand misleidde ik u â en dat voerde van kwaad tot erger; maar ik dacht dat ik zoo moest handelen en hield het voor best.
528
NOGMAALS IN HET BOSCH.
En in dien brief verzocht ik haar, mij kennis te geven wanneer zij in ongelegenheid kwam; gelooft gij niet, dat ik, door haar ingelicht, zou gedaan hebben al wat in mijn vermogen was ? Maar van den beginne af handelde ik verkeerd, en een vreeselijk kwaad is daaruit voortgekomen. God weet dat ik mijn leven geven zou om het ongedaan te maken.quot;
Zij zetten zich weder tegenover elkander neder, en Adam vroeg schoorvoetend:
âHoe was zij toen gij haar verlaten hebt, mijnheer?quot;
âVraag er mij niet naar, Adam,quot; antwoordde Arthur; het is mij somtijds alsof ik krankzinnig worden zal door te denken aan haar uitzicht en aan hetgeen zij tot mij sprak, en dan, dat ik geen volle vergiffenis voor haar bekomen kon â dat ik haar niet kon redden van dat rampzalig lot, getransporteerd te worden â dat ik niets voor haar doen kan al die jaren: zij kan er onder bezwijken en nimmer van haar leven weder een oogenblik gelukkig zijn.quot;
âAch, mijnheer,quot; sprak Adam, voor het eerst zijn smai-t zich voelende oplossen in medegevoel voor Arthur, âgij en ik zullen dikwerf aan dezelfde zaak denken, wanneer wij ver van elkander-verwijderd zijn. Ik zal God bidden dat Hij u helpe, zooals ik Hem bid dat Hij het mij doe.quot;
âMaar die engelachtige vrouw â Dina Morris,quot; sprak Arthur, den loop zijner eigen gedachten volgend en den zin van Adams woorden niet vattend, âzij zegt dat zij bij haar blijven zal tot het laatste oogenblik â tot zij vertrekt, en het arme schepseltje hangt haar aan, alsof zij al haar troost in haar vond. Ik zou die vrouw kunnen aanbidden, ik zou niet weten wat te doen zoo zij er niet was. Adam, gij zult haar zien wanneer zij terugkomt; ik kon gister niets tot haar zeggen â niets van hetgeen ik voor haar gevoelde. Zeg haar,quot; ging Arthur voort, haastig, alsof hij de aandoening wilde verbergen waarmede hij sprak, terwijl hij zich van zijn ketting en horloge ontdeed â âzeg haar dat ik u verzocht heb, haar dit te geven als een aandenken aan mij â aan den man wiens eenige troost zij is wanneer ik denk aan ... Ik weet wel, zij geeft om zulke dingen niet â om niets dat ik haar zou kunnen schenken, uit liefde voor
de voorwerpen zeiven. Maar zij zal het horloge gebruiken _het
zal mij genoegen doen te denken dat zij het gebruikt.quot;
ADAM BEDE. 34
529
NOGMAALS IN HET BOSCH.
âIk zal het haar geven, mijnheer,quot; sprak Adam. âZij zei mij dat zij bij de familie op de hoeve zou terugkomen.quot;
âEn gij zult de Poysers overhalen om te blijven, Adam?quot; vroeg Arthur, herinnerd aan het onderwerp dat beiden vergeten hadden in de eerste gedachtenwisseling van verlevendigde vriendschap.
En hij ging voort: âGij zult zelf ook blijven, en ds. Irwine helpen in het aanbrengen van reparation en verbeteringen op het goed?quot;
âEr is iets, mijnheer, dat gij misschien niet in aanmerking neemt,quot; antwoordde Adam met aarzelende zachtheid, âen dat heeft mij daarom langer doen twijfelen dan ik had moeten doen. Ziet gij, het is met de Poysers gelijk het met mijzelven is; zoo wij blijven, is het in ons eigen wereldsch belang, en het heeft het voorkomen alsof wij het daarom deden. Ik weet dat zij dit gevoelen zullen, en ik kan niet nalaten daar ook iets van te gevoelen. Menschen met een eerlijken, onafhankelijken geest doen niet gaarne iets dat hun den schijn van laaghartigheid geeft.quot;
âMaar niemand die u kent zal zoo denken, Adam; dat is geen voldoende reden om u af te houden van een handelwijze die werkelijk edelmoediger en onbaatzuchtiger is dan de andere. En men zal weten â het zal overal bekend worden gemaakt, dat gij en de Poysers gebleven zijt op mijn verzoek. Adam, poog de dingen niet nog erger voor mij te maken dan zij reeds zijn; ik ben buitendien genoeg gestraft.quot;
âNeen, mijnheer, neen,quot; zei Adam, Arthur met treurige toegenegenheid aanziend. âGod verhoede dat ik de dingen erger voor u maken zou. Er zijn oogenblikken geweest dat ik wenschte het te kunnen doen, in mijn woede â maar toen dacht ik nog dat gij uw ongelijk niet diep genoeg gevoeldet. Ik zal blijven, mijnheer; ik zal doen al wat in mijn vermogen is. Het is het eenige wat mij nu overschiet â mijn werk naar behooren te verrichten, en voor hen die haar genieten kunnen de wereld een weinig beter te maken dan zij is.quot;
Arthur stond op.
âDan zullen wij nu afscheid nemen, Adam. Gij zult ds. Irwine morgen zien, en kunt dan over alles met hem raadplegen.quot;
âVertrekt gij zoo spoedig, mijnheer?quot;
,Zoo spoedig mogelijk â- nadat ik de noodige maatregelen zal
530
NOGMAALS IN HET BOSCH.
genomen hebben. Vaarwel, Adam. Ik zal aan u denken en mij u voorstellen wonend op de oude plaats.quot;
âVaarwel, mijnlieer. God zij met u.quot;
531
Nogmaals werden de handen gedrukt, en Adam verliet de hermitage met het gevoel, dat de smart draaglijker was geworden nu de haat geweken was.
Zoo ras Adam de deur achter zich toegetrokken had, snelde Arthur naar de snippermand en nam er het kleine rozeroode zijden doekje uit.
34*
ZESDE BOEK.
HOOFDSTUK XLIX.
OP DE HOEVE.
De eerste herfst-namiddagzon van het jaar 1801 â meer dan achtien maanden na de laatste ontmoeting van A.dam en Arthur in de hermitage â scheen op de werf der hoeve van het heerenhuis, en de bulhond verkeerde in een van zijn meest opgewonden oogen-blikken, want het was het uur waarop de koeien de werf opgedreven werden, teneinde de namiddag-melkkuur te ondergaan. Geen wonder dat de geduldige dieren in verwarring den verkeerden kant opliepen; want het schrikverwekkend geblaf van den bulhond was vermengd met nog andere geluiden op een afstand, waarvan de bloode vrouwelijke schepsels, met vergeeflijk bijgeloof, zich inbeeldden dat zij insgelijks betrekking hadden op de snelheid harer bewegingen â namelijk met het ontzaglijk klappen der zweep van den wagenknecht, het getier van zijn stem, en het geratel van den wagen die de werf verliet, ontladen van zijn gouden vracht.
Het melken der koeien was een gezicht naar boerin Poysers hart, en op dit uur, in zachte dagen, stond zij gewoonlijk in de huisdeur-, met haar breiwerk in de handen, verdiept in rustige beschouwing, die slechts dan in levendiger belangstelling overging, wanneer op de ondeugende gele koe, die eenmaal een emmer vol kostelijke melk omvergeschopt had, de voorzorgsmaatregel werd toegepast van te worden vastgebonden aan de achterpooten.
Heden echter schonk boerin Poyser niet meer dan een verdeelde aandacht aan de komst der koeien, want zij was in levendige woordenwisseling met Dina, die, bezig met halsboorden te stikken voor boer Poyser, geduldig verdragen had, dat haar draad tot driemaal
OP DE HOEVE.
toe gebroken werd door Totty, die haar aan den arm trok met een onverwacht verzoek om toch eens naar âhet zoete kindjequot; te kijken; dat wil zeggen, naar een groote houten pop zonder beenen en met een lang lijf, wier kaal hoofd Totty, gezeten op haar klein stoeltje naast Dina, liefkoosde en met veel vuur aan haar dikke wangen drukte. Totty is sinds gij haar voor het eerst gezien hebt in uitgebreidheid toegenomen door meer dan twee jaren groeiens, en onder haar boezeltje draagt zij thans een zwarte jurk: boerin Poyser draagt insgelijks een zwarte japon, hetgeen de familie-gelijkenis tusschen haar en Dina schijnt te verhoogen. In andere opzichten is er weinig verandering merkbaar in onze oude vrienden, of in de gezellige keuken, schitterend van gewreven eikenhout en geschuurd koper.
âIk heb nooit iemand gezien zooals gij, Dina,quot; was boerin Poyser bezig te zeggen; âwanneer gij u eenmaal iets in het hoofd gezet hebt, is er aan u geen verwrikken of bewegen, evenmin als aan een vastgewortelden boom. Gij moogt zeggen wat gij wilt, ik houd dat voor geen godsdienst. Of zeg mij, de Bergrede, die gij zoo gaarne aan de jongens voorleest, waar anders handelt zij over dan over te doen hetgeen andere lieden van u verlangen? Was het iets onredelijks dat men van u vergde, bijvoorbeeld uw eigen mantel af te doen en dien weg te geven, of u in het aangezicht te laten slaan, gij zoudt vlug genoeg bij de hand wezen; alleen wanneer men van u verlangt wat in de rede ligt en u dienstig is, gaat gij stijfhoofdig den tegenovergestelden kant op.quot;
âNeen, lieve tante,quot; antwoordde Dina even glimlachend, terwijl zij met haar werk voortging, âgeloof mij, uw wensch zou een wet voor mij wezen, wanneer het niet iets betrof waarvan ik gevoel dat het verkeerd is.quot;
âVerkeerd! Gij maakt mij ongeduldig. Ik zou wel eens willen weten wat er verkeerds in is bij uw vrienden te blijven, die er te gelukkiger om zijn u bij zich te hebben en die gaarne voor u zorgen zouden, zelfs al was uw arbeid geen ruime vergoeding voor de kippetjes-beetjes die gij verorbert, of voor de vodjes waarmede gij u kleedt? En ik zou wel eens willen weten wie ter wereld gij gehouden zijt te helpen en te troosten, zoo niet uw eigen vleesch en bloed ââ en mij, uw eenige tante boven den grond, die nagenoeg eiken winter dien onze lieve Heer geeft, op den oever van het graf
533
OP DE HOEVE.
gebracht wordt. En daar hebt gij het kind naast u, wier klein hartje breken zal zoo gij vertrekt; en nog is haar grootvader geen jaar dood. En het is niet te zeggen hoe uw oom u missen zal â om zijn pijp aan te steken en door u bediend te worden, en dat, net nu ik u de boter toevertrouwen kan en ik de moeite gehad heb u te onderwijzen. En dan al het naaiwerk dat er nog te doen is; ik zal er een vreemde naaister voor moeten nemen uit Treddleston â al-temaal omdat gij verkiest terug te keeren naar dien barren hoop steenen, waar zelfs de kraaien geen lust hebben op neer te strijken.quot;
âLieve tante Eachel,quot; antwoordde Dir.a, tot boerin Poyser opziend, âhet is alleen uw vriendelijkheid die u doet zeggen dat gij mij noodig hebt. Werkelijk kunt gij mij op dit oogenblik zeer goed missen, want Nancy en Molly zijn handig in haar werk, en gij geniet nu door 's Heeren zegen een goede gezondheid, en oom heeft weder zijn oud vriendelijk aangezicht, en gij hebt buren en vrienden in aantal â en daaronder zijn er die oom dagelijks gezelschap komen houden. Waarlijk, gij zult mij niet missen. Te Snowfield daarentegen zijn broeders en zusters in grooten nood, die niets bezitten van al de genoeglijkheden die u omringen. Ik voel dat ik word teruggeroepen tot hen onder wie mijn plaats mij vroeger aangewezen werd; ik voel mij weder heengetrokken naar de heuvelen, waar de bediening van het woord des levens aan zondaars en ver-latenen mij ten zegen placht te zijn.quot;
âGij voelt! Ja,quot; antwoordde boerin Poyser, teruggekeetd van een tusschen de bedrijven op de koeien geworpen blik, âdat is de onveranderlijke reden waarmede ik afgescheept word, wanneer gij het er op gezet hebt iets te doen tegen mijn zin. Wat hebt gij noodig, voor grooter gehoor te preeken dan gij tegenwoordig doet? Gaat gij het land niet rond, de hemel weet waar, eiken Zondag preekende en biddende ? En zoo de aangezichten der landskerk-menschen er u te vroolijk uitzien, hebt gij dan geen Methodisten genoeg te Treddleston om te gaan bezoeken? En zijn er niet in deze gemeente die gij nu onder den duim hebt, maar die alle kans loopen wederom een verbond met den Booze aan te gaan zoodra gij uw hielen zult gelicht hebben ? Daar hebt gij Betsy Cranage â ik wed dat zij geen drie weken na uw vertrek alweder rondslentert in een nieuw jak; zij zal evenmin voortgaan op den goeden weg dien zij heeft ingesla-
534
OP DE HOEVE.
gen, als een hond zal opzitten en pootjes geven wanneer geen sterveling naar hem omziet. Maar de zielen van het volk in deze streek komen er vast minder op aan; anders zoudt gij wel blijven bij uw eigen tante, die waarlijk zoo braaf niet is of zij kan best velen dat gij haar een handje helpt om een weinig braver te worden.quot;
Op dit oogenblik was er een zeker iets in boerin Poysers stem dat zij niet opgemerkt wenschte te hebben; zij keerde zich dus haastig om, teneinde op de klok te zien en riep: âZie eens aan! het is theetyd, en zoo Martin op de werf is, zal hij wel een kopje willen. Hier, Totty, mijn kippetje, laat moeder u den hoed opzetten, dan gaat gij naar de werf, en kijk of vader daar is, en zeg hem dat hij niet heen moet gaan voor hij eerst een kopje thee is komen halen, en roep uw broertjes meteen.quot;
Totty trippelde weg met haar flaphoed op, terwijl boerin Poyser de blinkende eikenhouten tafel uittrok en de kopjes van de plank kreeg.
âGij beweert,quot; begon zij weder, âdat die Nancy en Molly knap in haar werk zijn â gij hebt mooi praten. Zij zijn allen eveneens, knap of dom â men kan ze geen minuut vertrouwen zoodra zij uit iemands oogen zijn. Altijd moet er iemand zijn die haar op de vingers kijkt, zullen zij aan haar werk blijven. En wanneer ik nu eens ziek word dezen winter, zooals den voorlaatsten, wie zal ze dan nagaan, zoo gij er niet zijt? En dat lieve kind daar â dat krijgt wis en zeker een ongeluk. Zij zullen haar in het vuur laten vallen, ol haar den ketel met kokend water zich over het lijf laten trekken, of haar een ander ongeluk laten krijgen, dat haar verminken zal voor haar leven, en het zal alles uw schuld zijn, Dina.quot;
âTante,quot; antwoordde Dina, âik beloof u dat ik in den loop van den winter terug zal komen zoo gij ziek wordt. Denk niet dat ik wegblijven zal wanneer gij mij werkelijk noodig hebt. Maar waarlijk, het is noodzakelijk voor mijn eigen ziel dat ik dit leven van gemak en weelde, waarin ik van alles te rijkelijk geniet, vaarwel zeg â dat ik ten minste voor een korten tijd vertrek. Niemand behalve ikzelf kan weten welke mijn inwendige behoeften, en welke aanvechtingen voor mij de gevaarlijkste zijn. Uw wensch dat ik zal blijven, is voor mij geen roepstem van plicht, waarnaar ik weiger te luisteren omdat zij niet met mijn eigen begeerten strookt; het is een verzoeking waaraan ik weerstand bieden moet, opdat de
535
01' DE HOEVE.
liefde voor het schepsel over mijn ziel geen sluier werpe, die het hemelsch licht buitensluit.quot;
âHet gaat mijn begrip te boven wat gij bedoelt met gemak en weelde,quot; zei boerin Poyser, brood snijdend. âHet is waar dat goed voedsel hier in overvloed voor u te bekomen is, en niemand zal ooit zeggen dat ik niet zorg voor meer dan genoeg; maar zijn er eens stukjes of brokjes die niemand anders verkiest te eten, dan kan men zeker zijn dat gij ze uitkipt. . . . Maar kijk, daar komt Adam Bede aangestapt, met de kleine op den arm. Ik ben nieuwsgierig waarom hij zoo vroeg komt.quot;
Boerin Poyser repte zich naar de deur om haar dochtertjein een nieuwe houding te zien, met liefde in de oogen en berisping op de lippen.
âFoei, schaam u, Totty! Groote meisjes van vijf jaren moesten zich schamen gedragen te worden. Foei, Adam, zij zal u den arm breken, zoo'n zware meid als zij; zet haar op den grond, foei!quot;
âNeen, neen,quot; antwoordde Adam, âik kan haar wel met mijn pink optillen, mijn arm komt er niet eens bij te pas.quot;
Totty, even onbekommerd om de op haar gemaakte aanmerkingen als een blank, vet, jong hondje, werd voor de keukendeur nedergezet, en de moeder gaf klem aan haar berisping door een stroom van kussen.
âGij zult wel verwonderd zijn, mij op dit uur van den dag te zien,quot; zei Adam.
âJa! maar kom binnen,quot; antwoordde boerin Poyser, plaats voor hem makend; âer is toch geen slecht nieuws, hoop ik?quot;
âNeen, volstrekt niet,quot; antwoordde Adam terwijl hij naar Dina toetrad en aan deze de hand reikte. Zij had haar werk neergelegd en stond onwillekeurig op toen hij haar naderde. Een flauw blosje stierf weg op haar bleeke wang, toen zij haar hand in de zijne lei en beschroomd tot hem opzag.
âHet is een boodschap aan u, Dina,quot; sprak Adam, kennelijk onbewust dat hij intusschen haar hand vasthield; âmoeder is een weinig ongesteld, en zij heeft er haar hart op gezet dat gij komen en van nacht bij haar blijven zoudt, zoo gij zoo vriendelijk zoudt willen zijn. Ik heb haar beloofd, het u te gaan vragen wanneer ik uit het dorp terugkwam. Zij overwerkt zich, en ik kan haar niet bewegen een meisje te nemen om haar te helpen. Ik weet niet wat er aan te doen.quot;
536
OP DE HOEVE.
Adam liet Dina's hand Jos toen hij met spreken geëindigd had en wachtte op een antwoord; maar voor Dina de lippen had geopend, riep boerin Poyser:
âZiedaar nu! Heb ik u niet gezegd dat er in deze gemeente men-schen genoeg waren om te helpen, zonder dat gij noodig hadt verder af te gaan? Daar hebt gij moeder Bede, die zoo oud en sukkelachtig wordt, als er aan toe; zij wil immers zoo goed als niemand in haar nabijheid dulden behalve u alleen? De lieden te Snowfield kunnen het op dit oogenblik beter zonder u stellen dan zij.quot;
âIk zal mijn hoed opzetten en terstond gaan, zoo gij niet vooraf iets anders te doen hebt, lieve tante,quot; antwoordde Dina, haar werk opvouwend.
âJa zeker, ik heb iets voor u te doen. Gij moet uw thee hebben, mijn kind; zij is juist klaar. Gij moet ook een kopje nemen, Adam, zoo gij ten minste geen al te groote haast hebt.quot;
âIk wil gaarne een kopje hebben, en daarna wandel ik met Dina op. Ik moet onmiddellijk naar huis, want ik heb een aantal taxaties van timmerhout op te teekenen.quot;
âZoo, Adam, mijn jongen, gij hier?quot; vroeg boer Poyser, warm en in zijn hemdsmouwen binnenkomend, met de beide zwartoogige knapen achter zich, nog steeds evenzeer hun vaders evenbeelden, als twee kleine olifantjes de evenbeelden zijn van een grooten. âVanwaar dat wij u te zien krijgen zoo lang voor avondetenstijd?quot;
âIk kwam mei een boodschap voor moeder,quot; antwoordde Adam. âZij heeft weder een aanval van haar oude kwaal, en wilde graag dat Dina kwam en een weinig bij haar bleef.quot;
âNu, aan uw moeder zullen wij haar een poosje afstaan,quot; zei boer Poyser, âmaar anders ook aan geen mensch, behalve aan haar man.quot;
âHaar man!quot; riep Marty, beland in het meest prozaïsch en let-terziftend tijdperk van den jongensleeftijd. âDina heeft geen man.quot;
âHaar afstaan?quot; sprak boerin Poyser, een kruidkoek op de tafel plaatsend en zich nederzettend om thee te schenken. âWij zullen haar wel moeten afstaan, naar het schijnt, en niet eens aan een man, maar aan haar eigen grillen. Tommy, wat voert gij uit met uw zusjes pop? Moet gij het kind lastig maken, terwijl zij zoet zou zijn zoo gij haar met vrede liet? Gij krijgt geen snipper van den koek zoo gij niet oppast.quot;
537
OP DE HOEVE.
Tommy, met ware broederlijke sympathie, vermaakte zich met Dolly's hemdje over haar kaal kopje heen te trekken, en haar verminkt lijfje aldus aan de algemeene minachting prijs te geven â een onbeschaamdheid die Totty door het harte sneed.
âWat denkt gij wel dat Dina mij heeft zitten vertellen na den eten?quot; ging boerin Poyser voort, haar man aanziend.
âJa, ik ben een stumper in het raden,quot; antwoordde boer Poyser.
âZij wil naar Snowfield terug, en in de fabriek gaan werken, en zich weder uithongeren, zooals zij vroeger placht te doen, als een ongelukkig schepsel dat aan niemand toekomt.quot;
Boer Poyser vond niet aanstonds woorden om zijn onaangename gewaarwording uit te drukken; hij keek alleen van zijn vrouw naar Dina, die zich nu naast Totty nedergezet had, als een bolwerk tegen broederlijke plaagzucht, en zich bezighield met de kinderen te bedienen. Had het in zijn aard gelegen, algemeene opmerkingen te maken, het zou hem zijn opgevallen dat er een verandering over Dina moest gekomen zijn, want zij placht anders nooit te kleuren; maar nu zag hij alleen, met de oogen zijns gelaats, dat er op dit oogenblik een blosje lag op het hare. Boer Poyser vond dat zij er te liever om uitzag; een blosje niet donkerder dan het blozen eener maandroos. Misschien kwam het omdat haar oom haar zoo strak aanzag, maar het kon ook van elders komen; want juist op dit oogenblik was Adam bezig met bedaarde verwondering te zeggen:
âWelzoo, ik had gehoopt dat Dina nu voor goed bij ons zou gebleven zijn? Ik dacht dat zij het denkbeeld had opgegeven om naar haar eigen land terug te keeren?quot;
âGij dacht! Ja,quot; antwoordde boerin Poyser, âen zoo zou iedereen gedacht hebben die zijn vijf zinnen bij elkaar heeft. Maar ik geloof dat men een Methodist moet z ij n om te weten wat een Methodist zal doe n. Het is kwalijk gissen wie en wat de vleder-muizen navliegen.quot;
âMaar, Dina, wat hebben wij u gedaan, dat gij ons verlaten wilt?quot; vroeg boer Poyser, nog altijd met zijn onaangeroerd kopje thee in de hand. âHet is bijna zoo goed of gij uw woord braakt; uw tante dacht niet anders of gij zoudt voortaan ons dak als uw thuis beschouwen.quot;
âNeen, oom,quot; antwoordde Dina met een poging om volmaakt
538
OP DE HOEVE.
kalm te blijven. âZoodra ik hier kwam, zei ik dat het slechts voor een tijd was, zoolang als ik mijn tante tot eenigen troost kon zijn.quot;
âZoo? En wie zegt dat gij opgehouden hebt mij ten troost te zijn?quot; vroeg boerin Poyser. âZoo gij geen plan hadt bij mij te blijven, hadt gij liever in het geheel niet moeten komen. Wie nooit een kussen bezeten heeft, mist er geen.quot;
âNeen, neen,quot; hernam boer Poyser, die tegen alle overdrijving was. âDat moet gij niet zeggen; het zou er zonder haar hier slecht uitgezien hebben, verleden Vrouwendag een jaar; daar moeten wij dankbaar voor zijn, of zij blijft of gaat. Maar ik begrijp niet waarvoor zij een goed thuiskomen verlaten wil, om terug te keeren naar een land waar de grond voor het meerendeel geen tien shillings het morgen waard is, pacht en winst dooreen.quot;
âWelnu, dat is juist de reden waarom zij gaan wil, voor zoo ver zij er namelijk reden van geven kan,quot; zei boerin Poyser. âZij beweert dat dit land te goed is, en dat er te veel te eten is, en dat de menschen er niet ongelukkig genoeg zijn. En zij vertrekt de volgende week; ik kan er haar niet van afbrengen, ik mag praten zooveel ik wil. Dat heeft men van die lieden met zachtzinnige aangezichten; men kan evenmin met haar redeneeren als men een peluw plat kan slaan met een stok, maar ik zeg dat het geen godsdienst is, zoo stijfhoofdig te wezen â is het wel, Adam?quot;
Adam bemerkte dat Dina er meer onthutst uitzag dan hij haar ooit te voren had zien ontroeren door eenig ding dat haarzelve betrof, en begeerig om haar zoo mogelijk te hulp te komen, antwoordde hij, haar met hartelijkheid aanziend:
âNeen, ik kan niets verkeerd zien in hetgeen Dina doet. Ik geloof dat haar gedachten beter zijn dan onze gissingen, ze mogen zijn wat ze willen. Ik zou haar dankbaar geweest zijn zoo zij bij ons gebleven was; maar indien zij goedvindt te gaan, zou ik haar niet willen terughouden, of het haar moeielijk willen maken door tegenwerpingen. Dat heeft zij niet aan ons verdiend.quot;
Zooals vaak gebeurt, de woorden, bestemd om Dina goed te doen, waren juist meer dan haar licht bewogen gevoel op dat oogenblik dragen kon. De tranen welden op in de grijze oogen, te snel om verborgen te kunnen worden, en zij stond haastig op, als ten teeken dat zij haar hoed ging halen.
539
OP DE HOEVE.
âMoeder, waarom schreit Dina?quot; vroeg Totty. âDina is niet stout, Dina is zoet.quot;
âGij zijt een weinig te ver gegaan,quot; zei boer Poyser tot zijn vrouw. âWij hebben geen recht te verhinderen dat zij doet hetgeen zij verkiest. Gij zoudt niet weinig boos op mij zijn, zoo ik de minste aanmerking maakte op haar doen of laten.quot;
âOmdat gij waarschijnlijk aanmerkingen zoudt maken zonder slot noch zin,quot; antwoordde boerin Poyser. âMaar hetgeen ik zeg, houdt steek, anders zou ik zwijgen. Zij die niet zoo veel van haar houden kunnen als haar eigen tante, hebben gemakkelijk praten. En nu ik zoo aan haar gewend wasl Wanneer zij weg is, zal ik een gevoel hebben als een pas geschoren schaap. Een gemeente te verlaten waar zij zoo gezien is! Daar hebt gij ds. Irwine; hij behandelt haar als een dame, al is zij een Methodist, en al heeft zij die preekgrillen in het hoofd; God vergeve mij zoo ik verkeerd doe met het zoo te noemen.quot;
âJa,quot; antwoordde boer Poyser, met een schelmschen blik, âmaar gij vertelt niet aan Adam hoe ds. Irwine u daarop laatst gediend heeft. De boerin zei, Adam, dat haar gepreek het eenige was dat in Dina viel af te keuren. Neen, zei ds. Irwine, dat moet gij niet in haar afkeuren, boerin Poyser; gij vergeet dat Dina geen man heeft om tegen te preeken. Ik wed dat Poyser menige goede preek van u moet aanhooren. Daar had de dominé u beet,quot; voegde boer Poyser er bij, onhoorbaar lachend. âIk vertelde het aan Bartle Massey en die had er ook schik in.quot;
âJa, veel graps is er niet noodig om de mannen aan het lachen te brengen, als zij elkander zitten aan te gapen met een pijp in den mond,quot; hernam boerin Poyser. âGingen de dingen naar Bartle Massey's zin, dan sprak geen sterveling van zich af dan hij-alleen. Reken er op, zoo de leverantie van ons menschen aanbesteed was aan den stroosnijder, niemand van ons die geen stroopop wezen zou. Totty, mijn kuikentje, loop eens naar boven, naar nicht Dina, en zie wat zij doet, en geef haar een lekker zoentje.quot;
Dit boodschapje werd verzonnen als een middel om zekere dreigende teekenen om de hoeken van Totty's mondje te bezweren; want Tommy, nu hij op geen koek meer hoopte, was bezig zijn oogleden met de voorste vingers op te lichten en de ballen zijner oogen in Totty's richting op een wijze aan het draaien te
540
OP DE HOEVE.
brengen, die door het arme kind onaangenaam personeel geoordeeld werd.
âGij zult het tegenwoordig wel volhandig hebben â nietwaar, Adam?quot; vroeg boer Poyser. âBurger gaat zoo hard achteruit met zijn asthma, dat het veel zal zijn zoo hij ooit weder de ronde doen kan.quot;
âJa, wij hebben vrij wat werk aan den winkel,quot; antwoordde Adam; âmet de reparaties op het landgoed, en de nieuwe huizen te Treddleston.quot;
âIk wed om een lief ding dat het nieuwe huis, dat Burger bezig is te bouwen op zijn eigen lapje grond, bestemd is voor hem-zel-ven en Mary,quot; ging boer Poyser voort. âHij zal denkelijk de zaken wel spoedig aan kant en ze u geheel overdoen, op voorwaarde van een jaarlijksche uitkeering. Eer wij twaalf maanden verder zijn, zien vrij u op den heuvel wonen.quot;
âWelnu,quot; antwoordde Adam, âik zoude zaak gaarne zelf in handen hebben. Niet dat ik er zoozeer naar verlang meer geld te verdienen ; wij hebben genoeg, en overvloed, voor ons beiden alleen en moeder; maar ik zou gaarne in alles mijn eigen zin doen, ik zou dan plannen ten uitvoer kunnen brengen waaraan ik nu niet denken kan.quot;
âGij kunt het opperbest vinden met den nieuwen rentmeester, dunkt mij ?quot; vroeg boer Poyser.
âJa wel, de man heeft volop gezond verstand; hij verstaat zich op het boeren â houdt de hand aan de droogmaking en zoo voorts â voortreffelijk. Gij moet den kant van Stonyshire eens uitgaan en zien welke veranderingen zij daar maken. Maar van bouwen heeft hij geen begrip. Het is een zeldzaamheid dat een persoon in meer dan een zaak goed slaagt. Men zou zeggen dat de menschen oogkleppen dragen evenals de paarden, en dat zij niets zien van hetgeen bezijden hen is. Daar hebt gij daarentegen ds. Irwine, die heeft meer verstand van bouwen dan de meeste architecten. Architecten zijn knappe heeren, maar de meesten weten geen schoorsteen zoo te plaatsen dat hij niet overhoop ligt met een deur. Ik voor mij houd het er voor dat een practisch bouwkundige, die een weinig smaak heeft, de beste architect is voor dagelijksche zaken, en ik ga met tienmaal meer pleizier het werk na wanneer ik zelf het plan gemaakt heb.quot;
Boer Poyser luisterde met bewonderende belangstelling naar
541
O!' DE HOEVE.
Adams uitweidingen over bouwen; maar wellicht herinnerden zij hem dat het bouwen van zijn eigen graanstapel reeds lang genoeg was voortgegaan buiten het toezicht van den meester, althans, toen Adam zweeg, stond hij op en sprak:
âNu, jongen, ik moet u groeten, want ik word gewacht op de werf.quot;
Adam verrees insgelijks van zijn stoel, want hij zag Dina binnenkomen met haar hoed op en een mandje in de hand, voorafgegaan door Totty.
âGij zijt gereed, zie ik, Dina,quot; sprak Adam; âlaat ons dan gaan, want hoe eer ik thuis ben, hoe beter.quot;
âMoeder,quot; zei Totty met haar fluitstemmetje, âDina zei haar gebedje op en schreide zoo.quot;
âStil, stil,quot; sprak de moeder, âkleine meisjes moeten haar mondje houden,quot; waarop de vader, schuddend van onhoorbaar lachen, Totty op de witte dennenhouten tafel zette en haar beval hem te kussen. Boer en boerin Poyser, zooals gij ziet, blonken niet uit door stipte beginselen van opvoedkunde.
âKom morgen terug, zoo moeder Bede u niet noodig heeft,quot; sprak boerin Poyser tot Dina; âmaar gij kunt natuurlijk blijven indien zij ziek is.quot;
En aldus, nadat men wederzijds afscheid van elkander genomen had, verlieten Dina en Adam te zamen de hoeve.
HOOFDSTUK L.
IN DE DORPSWONING.
Op de laan gekomen, bood Adam aan Dina den arm niet aan. Hij had zulks nog nooit gedaan, ofschoon zij menigmalen te zamen gewandeld hadden; want hij had opgemerkt dat zij nooit met Seth gearmd ging, en hij dacht dat leunen haar misschien niet aangenaam was. Zij wandelden dus afzonderlijk, schoon naast elkander, en de luifel van haar kleinen, zwarten hoed maakte haar gelaat voor hem onzichtbaar.
âGij kunt dus niet gelukkig zijn op de hoeve, Dina?quot; vroeg Adam met de kalme belangstelling van een broeder, die voor zich-
542
IN DB DORPSWONING.
â¢/elven niet in de zaak betrokken is. âHet is jammer, want zij houden veel van u.quot;
âGij weet wel, Adam, mijn hart is als het hunne, wat betreft mijn liefde voor hen en mijn belangstelling in hun welzijn; maar zij verkeeren niet in oogenblikkelijken nood; hun smarten zijn geheeld, en ik voel dat ik teruggeroepen word tot mijn vroegere taak, waarin ik een zegen vond dien ik gemist heb in den laat-sten tijd te midden van overvloedige wereldsche goederen. Ik weet dat het een ijdel streven is, te vlieden van de taak die God ons heeft aangewezen, teneinde elders een grooter zegen voor onze zielen te vinden, alsof wij zeiven de plaats konden kiezen waar de volheid der goddelijke tegenwoordigheid voor ons te vinden is, instede van haar te zoeken waar zij alleen kan gevonden worden: in liefdevolle gehoorzaamheid. Maar in dit geval, geloof ik, bezit ik een duidelijke aanwijzing dat mijn taak elders ligt â althans voorloopig. In volgende jaren, als de gezondheid mijner tante kwijnend mocht worden, of zij mij op eene andere wijze noodig hebben mocht, zal ik terugkomen.quot;
âGij weet het zelve best,quot; antwoordde Adam. âIk geloof niet dat gij tegen de begeerten in van hen die u liefhebben en die uw bloedverwanten zijn, zoudt handelen, zonder een goede en voor uw eigen geweten voldoende reden. Ik heb geen recht van mijn persoonlijk leedwezen te spreken; gij weet genoeg welke reden ik heb om u hooger te stellen dan al mijn andere vrienden; en indien het zoo had mogen zijn dat gij mijn zuster geworden waart en bij ons gewoond hadt ons leven lang, zou ik dat den grootsten zegen gerekend hebben die ons in de gegeven omstandigheden kon overkomen. Maar Seth zegt mij dat daar geen hoop op bestaat; gij en hij verschillen van gevoelen, en misschien ben ik onbescheiden door er over te spreken.quot;
Dina gaf geen antwoord, en zij wandelden eenige minuten lang in stilte voort tot zij aan den steenen grenspaal kwamen, alwaar, aangezien Adam was voorgegaan en zich nu omkeerde om haar de hand te reiken terwijl zij de buitengewoon hooge trede overstapte, zij hem niet kon verhinderen haar in het gelaat te zien. Dat gelaat trof hem ; want uit de grijze oogen, gewoonlijk zoo zacht en ernstig, schitterde de onrustige blik die onderdrukte aandoening vergezelt, en het lichte blosje op haar wangen, waarmede zij beneden
543
IN DE DOKPSWONING.
gekomen was, was nu verhoogd tot een donker rozerood. Zij zag er uit als ware zij slechts Dina's zuster. Adam zweeg eenige oogen-blikken, verwonderd en in gissingen verdiept en sprak toen:
âIk hoop dat ik u niet gekwetst heb, of u onaangenaam geweest ben door hetgeen ik heb gezegd, Dina; misschien was ik te vrijpostig. Ik heb geen andere wenschen dan hetgeen gij zelf voor het beste houdt; en zoo gij zulks noodzakelijk acht, is het mij wel dat gij dertig mijlen verder gaat wonen. Ik zal aan u denken evenveel als nu, want de gedachte aan u is samengegroeid met dingen die ik evenmin kan nalaten mij te herinneren, als ik mijn hart verhinderen kan te kloppen.quot;
Arme Adam! Zulke bokjes schieten soms de mannen. Dina antwoordde niet, maar een oogenblik later vroeg zij:
âHebt gij iets gehoord van dien armen jongen man, sinds wij het laatst van hem gesproken hebben?quot;
Dina sprak over Arthur nooit als op deze wijze; zijn beeld stond haar steeds voor den geest zooals zij hem in de gevangenis gezien had.
âJa,quot; antwoordde Adam. âDs. Irwine las mij gister een gedeelte uit een brief van hem voor. Het is vrij zeker, zegt men, dat wij weldra vrede krijgen zullen, ofschoon niemand gelooft dat hij van langen duur zal zijn; maar hij zegt dat hij niet voornemens is voorshands thuis te komen. Hij heeft er den moed nog niet toe, en het is beter voor anderen dat hij zich op een afstand houdt. Ds. Irwine is van oordeel dat hij gelijk heeft met nog niet te komen; het is een treurige brief. Hij vraagt naar u en naar de Poysers, gelijk hij altoos doet. Er is één gezegde in den brief dat mij zeer trof: âGij kunt u niet voorstellen,quot; zegt hij, âwelk een oud man ik mij voel; ik maak geen plannen meer. Het best ben ik in mijn schik met een goeden dagmarsch of een veldslag in het vooruitzicht.quot;
Hij is van een driftige, warme natuur, evenals Ezau, met wien ik steeds innig medelijden heb gehad,quot; antwoordde Dina. âDie ontmoeting tusschen de beide broeders, waarbij Ezau zoo liefhebbend en edelmoedig, en Jakob zoo bloode en wantrouwend is, niettegenstaande zijn verzekerdheid van de goddelijke gunst, heeft mij altijd diep getroffen. Inderdaad, somtijds ben ik in verzoeking geweest te zeggen dat Jakob een man was van een laag karakter. Maar dat is juist onze beproeving; wij moeten leeren het woede te zien te midden van veel dat onbeminnelijk is.quot;
O
544
IN DE DORPSWONING.
âNeen,quot; sprak Adam, âik lees in het Oude Testament het liefst van Mozes. Hij bracht een moeielijk werk goed tot stand en stierf toen anderen de vruchten van zijn arbeid zouden plukken; een mensch behoort clen moed te hebben zijn leven op die wijs te beschouwen, en te bedenken wat het geven zal na zijn dood. Goed gedaan werk blijft. Al is het maar het leggen van een vloer, de een of ander is er altijd mede gebaat wanneer het naar behooren gedaan wordt, buiten en behalve den man die het werk ten uitvoer brengt.
Het was beiden een verlichting te spreken over onderwerpen die hen niet persoonlijk betroffen en zij gingen op die wijs voort tot zij aan de brug over de Wilgenbeek kwamen, toen Adam zich omkeerde en uitriep:
âHa, daar is Seth! Ik dacht wel dat hij spoedig thuis zou komen. Weet hij van uw vertrek, Dina?quot;
âJa, ik heb het hem verleden Zondag medegedeeld.quot;
⢠Adam herinnerde zich nu dat Seth Zondagavond zeer terneergeslagen thuis gekomen was, een omstandigheid die bij hem zeer ongewoon geweest was in den laatsten tijd; want het geluk dat hij smaakte, nu hij Dina iedere week zag, scheen overvloedig te hebben opgewogen tegen de smart der zekerheid dat zij hem nimmer huwen zou. Dezen avond had hij zijn gewoon voorkomen van goedig sluimerende tevredenheid, tot hij dicht bij Dina kwam en de sporen van tranen ontwaarde op haar fijne oogleden en wimpers. Hij wierp een vluchtigen blik op zijn broeder; maar Adam was blijkbaar geheel vreemd aan den stroom der gemoedsbewegingen die Dina geschokt hadden; op zijn aangezicht lag dezelfde uitdrukking van onverstoorbare kalmte als altoos. Seth poogde Dina niet te doen bespeuren dat hij de droefheid op haar gelaat had opgemerkt, en zei enkel:
âIk ben dankbaar dat gij gekomen zijt, Dina, want moeder heeft naar u gehunkerd den ganschen dag. Het eerst waarvan zij sprak dezen morgen, was van u.quot;
Toen zij binnentraden, was Lijsbeth in haar armstoel gezeten, te vermoeid door het gereed zetten van het avondmaal, dat zij altijd lang te voren deed, om hen tot aan de deur tegemoet te gaan, zooals haar gewoonte was wanneer zij de naderende voetstappen hoorde.
ADAM BEDE. 35
545
IN DE DORPSWONING.
âKomaan, kind, zijt gij daar eindelijk,quot; sprak zij, toen Diua naar haar toetrad. âWat beduidt het dat gij mij een gansche week laat zitten, zonder eens naar mij te komen omzien?quot;
âLieve vriendin,quot; antwoordde Dina, haar hand vattend, âgij zijt ongesteld. Had ik het eer geweten, ik zou gekomen zijn.
âEn hoe zoudt gij dat weten, indien gij niet hier komt? De jongens weten alleen hetgeen ik hun vertel; zoolang men nog een hand uitsteken en een voet verzetten kan, denken de mannen dat een mensch frisch en gezond is. Maar mijn ziekte heeft niet veel te beduiden, alleen wat gevatte koude. En de jongens plagen mij zoo om iemand te nemen voor het werk â zij maken mij nog zieker met hun gepraat. Zoo gij hier kwaamt, en bij mij bleeft, zouden zij mij wel met rust laten. De Poysers kunnen u zoo hard niet van noode hebben als ik. Maar zet uw hoed af, en laat mij uw gezichtje zien.quot;
Dina wilde zich verwijderen, maar Lijsbeth hield haar vast, terwijl zij haar hoed afzette, en zag haar in het gelaat, zooals men ziet naar een pasgevallen sneeuwvlok, tot hernieuwing der oude indrukken van reinheid en liefelijkheid.
âWat scheelt er aan?quot; vroeg Lijsbeth verwonderd; âgij hebt geschreid.quot;
âHet is maar een voorbijgaand verdi'iet, antwoordde Dina, die niet wenschte, op dit oogenblik Lijsbeths tegenwerpingen uit te lokken door van haar voornemen te spreken om Hayslope te verlaten. âGij zult er wel spoedig van hooren â wij zullen er van avond over spreken. Ik blijf dezen nacht bij u.
Dit vooruitzicht bevredigde Lijsbeth, en zij had den ganschen avond tot haar dienst om met Dina alleen te praten; want gij herinnert u, er was een nieuwe kamer aangebouwd, bijna twee jaren geleden, in afwachting van een nieuw huisgenoot. En hier zat Adam altoos, wanneer hij te schrijven of plannen te maken had. Seth zat daar dezen avond ook, want hij wist dat zijn moeder Dina gaarne voor zich-alleen behouden zou.
Twee lieve schilderijen aan weerszijden van de gang der kleine woning. Aan den eenen kant zat de bieedgeschoudeide, foische, oude vrouw, met haar grof besneden trekken, in haar blauw jak en dichtgeplooiden doek, met de verduisterde, onrustige blikken voortdurend heengewend naar het leliën-gezichtje en het tenger figuurtje
546
IN DE DORPSWONING.
in de zwarte japon, dat zich of luchtig voortbewoog met hulpvaardige bedrijvigheid, of, dicht bij den armstoel der oude gezeten, haar gerimpelde hand vasthield en de oogen tot haar ophief om een taal te spreken die Lijsbeth veel beter verstond dan den Bijbel of het Gezangboek. Zij wilde bijna volstrekt niet naar het lezen luisteren dezen avond. âNeen, neen, doe het boek toe,quot; sprak zij. âWij moeten praten. Ik moet weten waarom gij geschreid hebt. Hebt gij ook al eigen verdriet, zooals andere menschen?quot;
Aan de andere zijde van de gang bevonden zich de beide broeders, zoo gelijkend te midden hunner ongelijkheid: Adam, met zijn saamgetrokken wenkbrauwen, zijn borstelig haar en krachtige, donkere gelaatskleur, verdiept in zijn berekeningen ; Seth, met zijn breede, grove trekken, de volmaakte copie van die zijns broeders, maar met dun. golvend, bruin haar en droomerige, blauwe oogen, even dikwerf onbestemd uit het venster kijkend als in zijn boek; ofschoon het een pas gekocht boek was: Wesley's verkort Leven van mevr. Guy on â voor hem een boek vol wonderen en belangrijke zaken. Seth had aan Adam gevraagd: âKan ik u ook aan iets helpen van avond, hier? Ik wil liever geen gedruiscli maken in den winkel.quot;
âDank u, jongen.quot; antwoordde Adam, âhet is alles werk dat ik zelf moet doen. Ga zitten lezen in uw nieuw boek.quot;
En herhaaldelijk, wanneer Seth het niet bespeurde, keek Adam. wanneer hij even ophield na het trekken van een lijn langs zijn liniaal, met een vriendelijk lachje in de oogen naar zijn broeder. Hij wist âdat de knaap gaarne zoo zat, vol gedachten waarvan hij zich geen rekenschap kon geven; zij leidden nooit tot iets, maar zij maakten hem gelukkig;quot; en in het laatste jaar of daaromtrent was Adam meer en meer toegevend voor Seth geworden. Het was een deel dier toenemende teedei'heid, ontsproten uit de smart die in hem nawerkte.
Want Adam, ofschoon gij hem geheel meester van zichzelven ziet, hard werkend en behagen scheppend in zijn werk, volgens zijn aangeboren, onveranderlijken aard, had zijn smart niet overleefd â had haar zich niet van het hart voelen glijden als een tijdelijke last, of was niet weder dezelfde geworden als voorheen. Is het zoo met iemand onzer? Dat verhoede God! Het zou een treurige vrucht van al ons lijden en strijden zijn. zoo wij aan het eind niets over-
547
IN DE DORPSWONING.
hielden dan ons eigen oude ik â zoo wij in staat waren terug te keeren tot de eigen blinde vooringenomenheden, de eigen oordeelvellingen vol dwaas zelfvertrouwen, de eigen lichtvaardige gedachten over menschelijk lijden, het eigen lichtzinnig gesnap ovei verwoeste menschenlevens, het eigen flauw bewustzijn van dien onbekende, dien wij in onze verlatenheid aanriepen met onuitsprekelijke verzuchtingen. Laat ons liever dankbaar wezen dat onze smart in ons voortleeft als een onverdelgbare kracht, slechts van vorm veranderend, gelijk krachten plegen te doen, en van lijden overgaand in medegevoel â het eenige schamele woord dat al onze beste levenswijsheid en al onze reinste liefde in zich besluit. Niet dat deze overgang van lijden tot medegevoel reeds volkomen had plaats gehad in Adam: nog een groot deel smarts bleef er overig, waarvan hij gevoelde dat het zou blijven bestaan zoo lang haar lijden niet tot de geschiedenis behoorde, maar een bestaande werkelijkheid was, waaraan hij moest denken en die zich vernieuwde met het rijzen van eiken nieuwen morgen. Maar wij raken gewend aan zedelijk zoowel als aan lichamelijk lijden, zonder daarom onze gevoeligheid er voor te verliezen; het wordt een der hebbelijkheden van ons leven, en wij hebben wat ons betreft opgehouden te gelooven aan de mogelijkheid eener volkomen bevrediging. De begeerte wordt tot onderwerping ingetoomd, en wij zijn tevreden met onzen dag wanneer het ons gelukt is, ons verdriet in stilte te dragen en te handelen alsof wij niet leden. Want het gevoel dat ons leven, onafhankelijk van ieder streven waarvan wij-zelven van ver of nabij het middelpunt zouden zijn, andere voorwerpen heeft om zich op te richten, zoowel tegenwoordige als afwezige, dit gevoel groeit onder zulke omstandigheden bij ons aan als een spier, waarop wij gedwongen worden te steunen en haar alzoo te oefenen.
Zoo was Adams gemoedstoestand in dit tweede najaar zijner smart. Gij weet, zijn werk had altijd een deel uitgemaakt van zijn godsdienst, en reeds zeer vroegtijdig was hij tot de klare bewustheid gekomen dat goed timmerwerk te leveren Gods wil â dat deze en geen andere de vorm was van Gods wil over hem persoonlijk. Maar geen zoom van liefelijke droomen omboorde thans voor hem dit land van alledaagsche werkelijkheid; geen feestdaghoogtijd halverwege de werkdagwereld; geen oogenblik in de verre toekomst, waarin de plicht zijn ijzeren handschoenen en borstkuras zou afleg-
548
IN DE DORPSWONING.
549
gen, om hem zaehtkens in zijn armen te sluiten. Hij kon zich geen andere voorstelling van de toekomst maken dan eene die samengesteld was uit dagen van hard werken, zooals hij tegenwoordig deed, met wekelijks toenemende tevredenheid en belangstelling in zijn arbeid. Liefde, dacht hij, kon voor hem nimmer iets anders zijn dan een levende herinnering â een afgehouwen lichaamsdeel, maar waarvan hij daarom het besef niet verloren had. Hij wist niet dat het genegenheidsvermogen tusschentijds steeds nieuws kracht in hem verkreeg; dat de nieuwe vatbaarheden, voor smartelijke ondervindingen gekocht, even zoovele vezelen waren waardoor het mogelijk, ja voor hem noodzakelijk werd, dat zijn natuur zich met een andere samenvlocht. Toch gevoelde hij dat gewone vriendschap en genegenheid grooter waarde voor hem hadden dan voorheen â dat hij aan zijn moeder en aan Seth inniger verkleefd was, en een onuitsprekelijke zelfvoldoening smaakte in het aanschouwen of uitdenken van de kleinste vermeerdering hunner blijdschap. Zoo ook de Poysers. Nauwlijks drie of vier dagen gingen voorbij of hij gevoelde behoefte hen te zien en vriendschappelijke woorden en blikken met hen te wisselen. Hij zou ditzelfde waarschijnlijk gevoeld hebben ook al ware Dina niet hij hen geweest; doch hij had slechts de eenvoudige waarheid gezegd, toen hij haar verzekerde dat hij haar hooger stelde dan al zijn andere vrienden op deze wereld. Kon ook iets natuurlijker zijn? Immers in de donkerste oogenblik-ken zijner herinnering scheen de gedachte aan haar als de eerste lichtstraal van terugkeerenden troost; de eerste sombere dagen op de hoeve waren door haar tegenwoordigheid langzaam in een liefelijk maanlicht verkeerd, en in zijn eigen woning desgelijks â want ieder vrij oogenblik had zij waargenomen om de arme Lijsbeth te komen troosten en opbeuren; Lijsbeth, die op bet gezicht van het door smart verteerd gelaat van haar lieveling Adam getroffen was geworden door een vrees zoo groot, dat zelfs haar kregelheid er door onderdrukt werd. Hij was gewoon geworden, wanneer hij naaide hoeve ging, haar vrije, rustige bewegingen, haar bevalligen, liefdevollen omgang met de kinderen gade te slaan; naar haar stem te luisteren als naar de tonen eener telkens wederkeerende muziek; te denken dat al wat zij zeide of deed volmaakt juist wras en niet beter zou hebben kunnen gezegd of gedaan worden. In spijt van zijn wijsheid kon hij haar over-toegeeflijkheid jegens de kin-
IN DE DORPSWONING.
deren niet afkeuren, die er in geslaagd waren, Dina de oefenaarster, voor wie menigmaal een kring van ruwe mannen een weinig gebeefd had, te herscheppen in een gedienstig huisslavinnetje; ofschoon Dina-zelve zich eenigszins schaamde over deze zwakheid, en eenigen inwendigen strijd had te strijden omdat zij was afgeweken van de voorschriften Salomo's. Ja, er was een ding dat beter had kannen zijn; zij had Seth kunnen liefhebben, en hem huwen. Hierin gevoelde hij zich een weinig teleurgesteld ter wille van zijn broeder; en hij kon niet nalaten met leedwezen te denken hoe Dina, als Seths vrouw, hun thuis zoo gelukkig zou gemaakt hebben als voor hen allen slechts mogelijk was â hoe zij het eenige wezen was dat de laatste levensdagen zijner moeder als in een rustigen slaap des vredes zou hebben kunnen zingen.
âHet is wonderlijk dat zij den knaap niet liefheeft, ' had Adam somtijds tot zichzelven gezegd; âwant ieder zou denken dat hij voor haar geknipt was. Maar haar hart is te zeer vervuld met andere zaken. Zij is een van die vrouwen die zich niet aangetrokken voelen door het denkbeeld van een eigen man en eigen kinderen. Zij denkt dat zij alsdan te zeer met haar persoonlijke belangen zou ingenomen zijn! en zij is zoo gewoon geweest te leven in het leed van anderen, dat zij de gedachte niet verdragen kan, haar hart voor hen te sluiten. Zij is gemaakt uit een andere stof dan de meeste vrouwen, dat heb ik sinds lang gemerkt. Zij is nooit meer op haar gemak dan wanneer zij anderen hulp biedt, en het huwelijk zou aan haar lievelingsgewoonten in den weg staan â dat is waar. Ik heb geen recht om door te draven en te denken dat het beter zijn zou indien Seth haar man geworden was, alsof ik wijzer was dan zij: â wijzer daarenboven dan God, want Hij heeft haar gemaakt zooals zij is, en dat is een der grootste zegeningen die ik ooit van Hem ondervond, en niet ik-alleen, maar ook anderen.'
Deze zelfberisping was Adam opnieuw voor den geest gekomen, toen hij uit Dina's gelaat opmaakte dat hij haar had gekwetst door te zinspelen op zijn wensch dat zij Seths hand mocht aangenomen hebben, en daarom poogde hij zijn vertrouwen op de rechtmatigheid van haar besluit â zijn onderwerping, ook indien zij noodig mocht oordeelen hen te verlaten, en op te houden anders dan in gedachten een deel uit te maken van hun leven â in de sterkste bewoordingen uit te drukken. Hij was overtuigd dat zij zeer wel
550
IN DB DORPSWONING.
wist wat het voor hem beteekende, haar voortdurend te zien â en met haar te spreken in de stille bewustheid van een groote weder-zijdsche herinnering. Het was niet mogelijk dat zij iets anders dan zelfopofferende genegenheid en eerbied zag in zijn verzekering dat hij berustte in haar heengaan; en toch bleef in zijn geest een onrustig gevoel hangen, dat hij zieh niet uitgedrukt had zooals het behoorde â dat, in ieder geval, Dina hem had misverstaan.
Dina moest den volgenden dag een weinig voor zonsopgang zijn opgestaan, ten minste omstreeks vijf uur was zij beneden. Seth insgelijks; want tengevolge van Lijsbeths hardnekkige weigering om vrouwelijke hulp in huis te nemen, was hij, zooals Adam het uitdrukte, âbijster handig geworden in het huishoudwerk,quot; teneinde zijn moeder al te groote vermoeienis te besparen; en ik hoop dat gij hem daarom niet van onmanlijkheid beschuldigen zult, evenmin als gij den dapperen kolonel Bath onmanlijk kunt gevonden hebben omdat hij gortwater kookte voor zijn zieke zuster. Adam, die laat opgezeten had voor zijn schrijfwerk, sliep nog, en zou, volgens Seth, waarschijnlijk niet veel voor het ontbijtuur beneden zijn. Hoe dikwijls Dina in de laatste achttien maanden Lijsbeth ook bezocht had; zij had bij haar aan huis niet geslapen sedert den dood van Thias, toen, zooals men zich herinnert, Lijsbeth haar netheid prees, en zelfs betrekkelgken lof toekende aan haar kookkunst. Maar in die lange tusschenruimte had Dina groote vorderingen gemaakt in huishoudelijke bedrevenheid, en dezen morgen, nu Seth er insgelijks was om te helpen, was zij er op gesteld, alles te brengen tot een graad van zindelijkheid en orde, waarover haar tante Poyser zelve tevreden zou geweest zijn. De netheid in huis was tegenwoordig ver van aan dien trap te reiken, want Lijsbeths rheu-matiek had haar gedwongen haar oude gewoonten van liefhebberij-schuren en wrijven op te geven. Toen de keuken naar haar zin was, begaf Dina zich naar de nieuwe kamer, waar Adam den avond te voren had zitten schrijven, om te zien of ook daar niet geschuierd of stof afgenomen moest worden. Zij opende het raam en liet de frissche morgenlucht binnenstroomen; ook de geuren van den eglan-tier, en de heldere, schuine stralen der vroege zon, die een lichtkrans vormden om haar bleek gelaat en goudblond haar, terwijl zij den langen stoffer in de hand hield en de kamer aanveegde, zingend bij zichzelve op zachten toon â als een dier liefelijke zomer-
551
552 IN D® DORPSWONING.
geluiden, waarnaar men ingespannen moet luisteren om ze te verstaan â een van Charles Wesley's liederen:
Straal van eeuwig Licht omlioog;
Bron, van liefdestroomen springend;
Wedergloed van 's Vaders oog.
Aarde en hemelen doordringend;
Jezus! 's moeden wandlaars rust.
Dierbaar moge uw juk mij wezen;
Dulden zij mijns levens lust,
Hein van liefde eu rein van vreezen.
Zeg aan 't bevend hart: âWees stil!quot;
Aan d' onstuim'gen hartstocht; âVrede!quot;
Alles buigt zich voor Uw wil;
Alles dient Uw oogmerk mede.
Zij zette den stoffer weg en nam den stofdoek ter hand; en zoo crjj ooit een huisgenoot van boerin Poyser geweest waart, zoudt gij weten hoe de stofdoek in Dina's hand zich weerde - hoe hij drong in alle hoekjes, en heenliep over eiken richel, zichtbaar ot onzichtbaar; hoe hij telkens, en telkens weder, rond eiken sport der stoelen ging, en rond eiken poot en over en onder alles dat op de tafel laf.quot;tof3'hij kwam aan Adams papieren en linialen, en den geopen-den lessenaar daarnevens. Dina nam stof af tot vlak daarlangs, en aarzelde toen, stilhoudend met een verlangenden, maar beschroom-den blik. Terwijl zij dus naar den kant van Adams lessenaar uitzag, hoorde zij Seths voetstap vlak achter de geopende deur, waarnaar zij den rug gekeerd hield, en vroeg, haar heldere sopraan-
stem een weinig verheffend:
âSeth, is uw broeder boos wanneer men aan zijn papieren raakt i ° Ja, heel boos, wanneer zij niet precies weder op dezelfde plaats gelegd worden,quot; antwoordde een diepe, zware stem; niet die van
Seth. 1 i. ⢠1
Het was of Dina onverwachts haar handen op een electneken
draad gelegd had; zij beefde als door een levendigen schok, en
was in het eerste oogenblik niet in staat iets anders te voelen dan
dit Toen werd zij gewaar dat haar wangen gloeiden, en durfde
niet omzien, maar stond stil, verdrietig dat zij niet vriendelijk en
natuurlijk goeden morgen zeggen kon. Toen Adam bespeurde dat
IN DE DORPSWONING.
zij niet omzag, om naar den glimlach op zijn gelaat te zien, vreesde hij dat zij zijn booze woorden voor meenens hield, en trad naar haar toe; nu moest zij hem wel aanzien.
âWelzoo, houdt gij mij voor een lastig man in huis, Dina?quot; vroeg hij glimlachend.quot;
ââNeen,quot; antwoordde Dina, beschroomd opziend, âdat niet. Maar het zou u uit uw humeur kunnen brengen, wanneer gij zaagt dat men zich met uw zaken had ingelaten; zelfs de man Mozes, zachtmoediger dan alle menschen op den aardbodem, was toornig somtijds.quot;
âKomaan dan,quot; zei Adam, haar vriendelijk aanziend, âik zal u helpen om alles weg te nemen en weder op zijn plaats te leggen, dan kan het niet verkeerd uitkomen. Gij begint naar uw tante te aarden in keurigheid, naar ik bemerk.quot;
Zij begonnen te zamen hun kleine taak; doch Dina had zich nog niet genoegzaam hersteld om de minste opmerking in het midden te kunnen brengen, en Adam zag haar onrustig aan. Dina had, meende hij, in den laatsten tijd iets in hem af te keuren gevonden; zij was niet zoo vriendelijk en openhartig jegens hem geweest als zij gewoon was. Hij verlangde dat zij hem eens aankeek, en het even aardig vond als hij, om dit half spelend werk te zamen te verrichten. Maar Dina keek hem niet aan; het kostte haar weinig moeite, de gelegenheden te vermijden om op te zien naar den langen man, en toen er eindelijk geen stof meer af te nemen viel, en er geen voorwendsel voor hem was om bij haar te blijven, kon hij het niet langer uithouden, maar vroeg op half smeekenden toon:
âDina, gij zijt toch niet misnoegd op mij om het een of ander, zijt gij wel ? Ik heb toch niets gezegd of gedaan dat u reden geeft boos op mij te wezen?quot;
Deze vraag verwonderde haar en schonk haar verlichting; zij gaf een nieuwen loop aan haar gedachten. Zij zag hem nu zeer ernstig aan, bijna met een opwelling van tranen, en antwoordde:
âWel neen, Adam, hoe kunt gij zoo iets denken?quot;
âIk kan niet dulden dat gij minder vriendschap voor mij gevoelen zoudt dan ik voor u,quot; antwoordde Adam. âEn gij weet niet welken prijs ik stel reeds op de gedachte aan u, Dina. Dat was hetgeen ik gisteren bedoelde, toen ik zei dat ik tevreden zijn zou wanneer gij weggingt, ingeval gij het noodig keurdet. Ik bedoelde, dat
553
~
554 IN DE DORPSWONING.
de gedachte aan u zoo groote waarde voor mij heeft, dat ik dankbaar behoorde te zijn en niet zou mogen morren, zelfs indien gij goedvondt van hier te gaan. Gij weet wel dat ik ongaarne afscheid van u neem, Dina?quot;
âJa, lieve vriend,quot; antwoordde Dina bevend, maar met een poging om kalm te zijn, âik weet dat gij mij een broederhart toedraagt, en dikwerf zullen wij in den geest te zamen zijn, maar ik word dezer dagen benauwd door velerlei verzoekingen; gij moet geen acht op mij slaan. Ik gevoel roeping, mijn bloedverwanten voor eeni-gen tijd te verlaten, maar het is tevens een beproeving; het vleesch is zwak.quot;
Adam zag dat het haai- pijnlijk viel antwoord te moeten geven.
âIk heb u gehinderd met over de zaak te spreken, Dina,quot; hernam hij; âik zal er niet meer op terugkomen. Laat ons gaan zien of Seth gereed is met het ontbijt.quot;
Een hoogst eenvoudig tooneel, lezer. Maar het is bijna zeker dat ook gij een enkele maal in uw leven verliefd zijt geweest -â misschien zelfs meer dan eens, al vindt gij het niet noodig dit aan al uw vrouwelijke vrienden te verklappen. Indien ja, dan zult gij de stamelende woordekens, de beschroomde blikken, de sidderende ontmoetingen, door wier tusschenkomst twee menschenhar-ten elkander trapsgewijs naderen als twee trillende regenbeekjes voor zij zich tot één vermengen â gij zult deze dingen evenmin onbeduidend noemen als gij de eerste teekenen der naderende lente onbeduidend keurt, al bestaan die slechts uit een zeker onbeschrijfelijk iets in de lucht en in het gezang der vogelen, of uit enkele schier onzichtbare tengere knopjes aan de twijgen der heggen. Die kleine woordekens en blikken maken een deel uit der ziele-spraak, en de keurigste taal, geloof ik, is hoofdzakelijk samengesteld uit een zeker aantal weinig indrukwekkende woorden, zooals âlicht,quot; âgeluid,quot; âstarren,quot; âmuziekquot; â woorden, inderdaad niet waardig dat men ze aanziet of er naar luistert, evenmin als âzaagselquot; of âkrullenquot;; alleenlijk, zij zijn bij toeval de teekenen van iets onuitsprekelijk groots en schoons. Ik ben van oordeel dat ook de liefde iets groots en schoons is; en indien gij dit met mij eens zijt, zullen ook de geringste harer teekenen geen krullen of zaagsel voor u zijn; veeleer zullen zij wezen als die kleine woordjes âlichtquot; en âmuziek,quot; en zullen de saamgerolde snaren van uw
IN DE DORPSWONING.
geheugen zachtkens doen trillen en zullen uw leven des oogenbliks tooien en verrijken met al het kostbaarste uit den schat van uw verleden.
HOOFDSTUK LI.
ZONDAGMORGEN.
Het was Lijsbeth niet mogelijk aan haar aanval van rheuma-tiek zulk een ernstig voorkomen te geven dat Dina er nog een nacht om van de hoeve bleef, nu zij vast besloten was haar tante zoo spoedig te verlaten; en tegen den avond moesten de vrienden scheiden. âVoor een langen tijd,quot; had Dina gezegd; want zij had haar besluit aan Lijsbeth medegedeeld.
âDan zal het wel voor mijn geheele leven zijn, en ik zal u wel nooit wederzien,quot; antwoordde Lijsbeth. âEen langen tijd! ik heb geen langen tijd meer te leven. En ik zal erger worden en sterven, en dan kunt gij niet bij mij komen, en ik zal op mijn doodsbed naar u verlangen.quot;
Dit was het thema geweest van haar gejammèr den ganschen dag; want Adam was van huis, en dus liet zij aan haar beklag den vrijen loop. Zij had de arme Dina gemarteld door telkens weder terug te komen op de vraag, waarom zij toch weg moest, en door te weigeren, de van Dina's zijde aangevoerde redenen voor geldig te erkennen, redenen die haar voorkwamen âenkel grillen en eigenzinnigheden te zijn,quot; en nog meer, door te betreuren dat Dina âgeen van de jongensquot; hebben en haar dochter niet worden wilde.
âMet Seth kondt gij het niet vinden,quot; sprak zij; âmisschien is hij niet knap genoeg voor u; maar hij zou heel goed voor u geweest zijn â hij is zoo handig als een meisje om den boel aan kant te maken als ik ongesteld ben, en hij houdt evenveel van den Bijbel en van oefeningen als gij-zelve. Maar wellicht zoudt gij liever een man hebben die niet zoo in alle opzichten uw evenbeeld is ; stroomende beeken hunkeren naar geen regen. Adam zou goed voor u geweest zijn â dat weet ik vast, en mettertijd zou hij u wel lief
555
ZONDAGMORGEN.
krijgen, zoo gij maar blijven woudt. Maar hij is even onbuigzaam als een ijzeren staaf; hij is tot niets te bewegen dan tot hetgeen hij zelf wil. Maar niemand zou zich voor zulk een man behoeven te schamen, ook de beste niet, zoo gezien en zoo knap is hij. En hij zou vol zorg en liefde wezen; het doet mij goed wanneer ik den jongen maar in de oogen zie, wanneer hij vriendelijk tegen mij is.quot;
Dina poogde aan Lijsbeths scherpste blikken en vragen te ontkomen, door zooveel mogelijk klein huiswerk te verrichten, dat haai vergunde heen en weder te blijven gaan, en zoodra Seth s avonds thuiskwam, maakte zij zich gereed om te vertrekken. Het greep Dina sterk aan, het laatst vaarwel te moeten uitspreken, en nog meer, toen zij omkeek op haar weg door de velden, te moeten zien dat de oude vrouw nog in de deur stond, haar nastarend tot zij een onmerkbaar vlekje moest geworden zijn voor de verduisterde oogen der bejaarde. âGod der liefde en des vredes, wees niet hen, bad Dina, toen zij van den laatsten grenspaal nog een blik achterwaarts wierp. âVerblijd hen naar de mate van de dagen waarin Gij hen bedroefdet en van de jaren waarin zij het kwade gezien hebben. Het is Uw wil dat ik van hen scheiden zal; laat mij geen anderen wil hebben dan den Uwen. '
Lijsbeth keerde eindelijk in huis terug, en zette zich in de werkplaats naast Seth neder, die daar bezig was eenige stukjes gedraaid hout, die hij te dien einde uit het dorp had medegebracht, samen te voegen tot een klein werkdoosje voor Dina, dat hij haai ten geschenke wilde geven voor haar vertrek.
âGij zult haar Zondag nog weerzien voor zij weggaat,' waren haar eerste woorden. âZoo gij wat meer bij de hand waart, zoudt gij haar Zondagavond nog wel even met u kunnen medebiengen, om mij nog eens te komen zien.'
âNeen, moeder,quot; antwoordde Seth; âDina zou uit zichzelve komen, zoo zij dit als haar plicht achtte. Het zou niet baten of ik haar al wilde overhalen. Zij is overtuigd dat het alleen zou dienen om u noodeloos te kwellen, zoo zij nogmaals terugkwam om u wederom vaarwel te zeggen.quot;
âEen ding weet ik, dat zij nooit zou weggaan, zoo Adam haar liefhad en haar trouwde; maar alles loopt ook tegen,quot; riep Lijsbeth met een opwelling van spijt.
Seth hield even stil en zag, met een lichten blos, zijn moeder
556
ZONDAGMORGEN.
aan. âWat! heeft zij iets van dien aard tot u gezegd, moeder?quot; vroeg hij zachter.
âGezegd? Neen, en zij zal niets zeggen ook. Alleen de mannen hebben noodig te wachten met iets te begrijpen tot men het hnn met woorden iiitduidt.quot;
âMaar waarom denkt gij dan zoo, moeder? Wat heeft u dit in het hoofd gebracht?quot;
âHet komt er niet op aan wat het mij in het hoofd gebracht heeft; mijn hoofd is zoo hol niet dat men er de dingen behoeft in te brengen. Ik weet dat zij hem liefheeft, zooals ik weet dat de wind binnenkomt door de deur, en dat is voldoende. En hij zou haar misschien wel willen trouwen, zoo hij slechts wist dat zij hem liefheeft; maar hij zal er nooit aan denken, wanneer iemand hem niet op de gedachte brengt.quot;
Het vermoeden zijner moeder omtrent Dina's genegenheid voor Adam, was voor Seth geen geheel en al vreemde gedachte, maar haar laatste woorden verontrustten hem. Hij vreesde dat zij zelve mocht ondernemen aan Adam de oogen te openen. Hij was niet volkomen zeker omtrent Dina's gevoelens, maar meende zeker te zijn omtrent die van Adam.
âNeen, moeder, neen,quot; sprak hij ernstig, âgij moet er niet aan denken, over zulke dingen met Adam te praten. Gij hebt geen recht te zeggen welke Dina's gevoelens zijn, zoo zij-zelve het u niet verteld heeft, en het zou alleen maar kwaad doen, zulke dingen aan Adam te zeggen. Hij voelt zich zeer dankbaar jegens Dina, en houdt veel van haar; maar er is niets in hem dat er aan denkt, haar tot zijn vrouw te maken, en ik geloof ook niet dat Dina hem zou willen trouwen.quot;
âOch wat!quot; antwoordde Lijsbeth ongeduldig. âDat denkt gij maar omdat zij ii niet hebben wou. U zal zij van haar leven tóch niet nemen; gij kondt haar dus wel aan uw broeder gunnen.
Dit deed Seth pijn. âMoeder,quot; antwoordde hij terechtwijzend, âdat moet gij niet van mij denken. Ik zou even dankbaar zijn haar tot zuster, als gij haar voor uw dochter te hebben. Voor mijzelven denk ik niet meer aan de zaak, en gij zult mij boos maken met ooit weder zoo te spreken.quot;
âNu, nu, dan moet gij mij ook niet uit mijn humeur brengen, door te zeggen dat de dingen niet zijn zooals ik beweer dat zij zijn.''
557
ZONDAGMORGEN.
âMaar, moeder,quot; antwoordde Seth, .gij zoudt Dina benadeelen door aan Adam te vertellen hetgeen gij van haar denkt. Het zou niets dan kwaad stichten; want het zou Adam slechts ongerust maken , wanneer hij niet hetzelfde voor haar gevoelt. En ik ben zoo goed als zeker dat dit laatste het geval is.quot;
âOch kom, vertel mij toch niet waarvan gij zoo goed als zeker zijt. Gij hebt geen verstand van hetgeen ik meen. Waarom gaat hij altijd naar de Poysers, zoo het niet is om haar te zien? Hij gaat tegenwoordig tweemalen tegen vroeger eens. Misschien weet hij-zelf niet dat het is uit verlangen naar haar. Hij weet ook niet dat ik zout in zijn soep doe, maar hij zou het gauw genoeg merken wanneer ik het zout voor een keer vergat. Hij zal nooit aan trouwen denken als men hem niet op de gedachte brengt, en zoo gij een beetje liefde hadt voor uw moeder, zoudt gij er hem toe aanzetten en niet toelaten dat zij uit mijn oogen ging, terwijl ik haar anders bij mij hebben kon om mij een rustig leven te bezoigen, voor ik ga liggen slapen naast mijn ouden man onder den witten doorn.quot;
âNeen, moeder,quot; antwoordde Seth, âgij moet niet denken dat ik het niet goed met u meen; maar ik zou tegen mijn geweten handelen, indien ik mij verstoutte te zeggen hoe Dina's gevoelens zijn. En daarenboven, ik geloof dat ik Adam zou grieven, wanneer ik in het algemeen met hem over een huwelijk sprak. Ik raad u, er van te zwijgen. Het is mogelijk dat gij u gansch en al omtrent Dina vergist; ja, te rekenen naar enkele woorden van haar, verleden Zondag, ben ik bijna zeker dat zij niet voornemens is te trouwen.quot;
Och kom, gij zijt al even eigenzinnig als de rest. Gold het iets dat ik liever niet gebeuren zag, dan zou het spoedig genoeg geschieden.
Met deze woorden stond Lijsbeth van de bank op, en verliet de werkplaats, Seth achterlatend in hevige onrust dat zij Adam zou lastig vallen met haar gedachten omtrent Dina. Na een poos troostte h^ zich met het denkbeeld dat Lijsbeth, sinds Adams geleden smart, zeer beducht geworden was om met hem te spreken over hartszaken en dat zij dit teederste aller onderwerpen te nauwer-nood zou durven aanroeren. En mocht zij het al ondernemen, dan hoopte hij dat Adam niet veel acht zou slaan op hetgeen zij zeide.
558
ZONDAGMORGEN.
Seth had goed gezien dat Lijsbeth in bedwang zou gehouden worden door beschroomdheid, en gedurende de drie eerstvolgende dagen waren de oogenblikken, waarin zij gelegenheid had Adam te spreken, te zeldzaam en te kort om haar in groote verzoeking te brengen. Doch in haar lange, eenzame uren was zij zoodanig vervuld met gedachten van leedwezen omtrent Dina en zat daarover zoo onafgebroken te broeden, dat deze gedachten weldra naderden aan dat zekere punt van onbedwingbare kracht, waarop denkbeelden en vogelen geneigd zijn de vleugelen uit te breiden, en tot niet geringe verbijstering van den toeschouwer, voor den dag te vliegen uit hun schuilplaats. En Zondagmorgen, toen Seth naar de kapel te Treddleston gegaan was, deed zich de gevaarlijke gelegenheid op.
Zondagmorgen was voor Lijsbeth het gelukkigste oogenblik van de geheele week; want daar er te Hayslope geen ochtend-godsdienstoefening gehouden werd, was Adam dan geregeld thuis, niets doende dan lezen, een bezigheid waarin zij het zonder onbescheidenheid wagen kon hem te storen. Daarenboven had zij des Zondags een beter middagmaal dan gewoonlijk voor haar zonen gereed te maken â zeer dikwijls alleen voor Adam en haarzelve, daar Seth menigmaal den geheelen dag afwezig bleef; en de geur van het gebraden vleesch over het heldere vuur in de zindelijke keuken, het vredig zondags-tikken van de hangklok, haar lieveling Adam in zijn beste kleederen bij haar gezeten, niets gewichtigs uitrichtend, zoodat zij gaan en met haar hand langs zijn haren strijken kon, wanneer zij verkoos, en zien hoe hij glimlachend tot haar opkeek, terwijl Presto, een weinig jaloersch, zijn neus tusschen hen in naar de hoogte stak â al deze dingen maakten het aardsch paradijs van arme Lijsbeth uit.
Het boek dat Adam Zondags las, was meestal zijn groote met platen versierde Bijbel, en dezen morgen lag die open voor hem op de ronde, witte vuurhouten tafel, in de keuken, want daar zat hij ondanks het vuur, omdat hij wist dat zijn moeder hem gaarne bij zich had; het was de eenige dag in de week dat hij haar op deze wijs believen kon. Het zou u goed gedaan hebben, Adam te zien zitten lezen in zijn Bijbel: door de week las hij er nooit in, en het boek was hem daardoor als een feestdagboek, dat bij hem de plaats verving van geschiedenis, levensbeschrijving, en poëzie. De
559
ZONDAGMORGEN.
âMaar, moeder,quot; antwoordde Seth, âgij zoudt Dina benadeelen door aan Adam te vertellen hetgeen gij van haar denkt. Het zou niets dan kwaad stichten; want het zou Adam slechts ongerust maken, wanneer hij niet hetzelfde voor haar gevoelt. En ik ben zoo goed als zeker dat dit laatste het geval is.quot;
âOch kom, vertel mij toch niet waarvan gij zoo goed als zeker zijt. Gij hebt geen verstand van hetgeen ik meen. Waarom gaat hij altijd naar de Poysers, zoo het niet is om haar te zien? Hij gaat tegenwoordig tweemalen tegen vroeger eens. Misschien weet hij-zelf niet dat het is uit verlangen naar haar. Hij weet ook niet dat ik zout in zijn soep doe, maar hij zou het gauw genoeg merken wanneer ik het zout voor een keer vergat. Hij zal nooit aan trouwen denken als men hem niet op de gedachte brengt, en zoo gij een beetje liefde hadt voor uw moeder, zoudt gij er hem toe aanzetten en niet toelaten dat zij uit mijn oogen ging, terwijl ik haar anders bij mij hebben kon om mij een rustig leven te bezorgen, voor ik ga liggen slapen naast mijn ouden man onder den witten doorn.quot;
âNeen, moeder,quot; antwoordde Seth, âgij moet niet denken dat ik het niet goed met u meen; maar ik zou tegen mijn geweten handelen, indien ik mij verstoutte te zeggen hoe Dina's gevoelens zijn. En daarenboven, ik geloof dat ik Adam zou grieven, wanneer ik in het algemeen met hem over een huwelijk sprak. Ik raad u, er van te zwijgen. Het is mogelijk dat gij u gansch en al omtrent üina vergist; ja, te rekenen naar enkele woorden van haar, verleden Zondag, ben ik bijna zeker dat zij niet voornemens is te trouwen.quot;
âOch kom, gij zijt al even eigenzinnig als de rest. Gold het iets dat ik liever niet gebeuren zag, dan zou het spoedig genoeg geschieden.
Met deze woorden stond Lijsbeth van de bank op, en verliet de werkplaats, Seth achterlatend in hevige onrust dat 7ij Adam zou lastig vallen met haar gedachten omtrent Dina. Na een poos troostte hi zich met het denkbeeld dat Lijsbeth, sinds Adams geleden smart, zeer beducht geworden was om met hem te spreken over hartszaken en dat zij dit teederste aller onderwerpen te nauwer-nood zou durven aanroeren. En mocht zij het al ondernemen, dan hoopte hij dat Adam niet veel acht zou slaan op hetgeen zij zeide.
558
ZONDAGMORGEN.
Seth had goed gezien dat Lijsbeth in bedwang zou gebonden worden door beschroomdheid, en gedurende de drie eerstvolgende dagen waren de oogenblikken, waarin zij gelegenheid had Adam te spreken, te zeldzaam en te kort om haar in groote verzoeking te brengen. Doch in haar lange, eenzame uren was zij zoodanig vervuld met gedachten van leedwezen omtrent Dina en zat daarover zoo onafgebroken te broeden, dat deze gedachten weldra naderden aan dat zekere punt van onbedwingbare kracht, waarop denkbeelden en vogelen geneigd zijn de vleugelen uit te breiden, en tot niet geringe verbijstering van den toeschouwer, voor den dag te vliegen uit hun schuilplaats. En Zondagmoi'gen, toen Seth naar de kapel te Treddleston gegaan was, deed zich de gevaarlijke gelegenheid op.
Zondagmorgen was voor Lijsbeth het gelukkigste oogenblik van de geheele week; want daar er te Hayslope geen ochtend-gods-dienstoefening gehouden werd, was Adam dan geregeld thuis, niets doende dan lezen, een bezigheid waarin zij het zonder onbescheidenheid wagen kon hem te storen. Daarenboven had zij des Zondags een beter middagmaal dan gewoonlijk voor haar zonen gereed te maken â zeer dikwijls alleen voor Adam en haarzelve, daar Seth menigmaal den geheelen dag afwezig bleef; en de geur van het gebraden vleesch over het heldere vuur in de zindelijke keuken, het vredig zondags-tikken van de hangklok, haar lieveling Adam in zijn beste kleederen bij haar gezeten, niets gewichtigs uitrichtend, zoodat zij gaan en met haar hand langs zijn haren strijken kon, wanneer zij verkoos, en zien hoe hij glimlachend tot haar opkeek, terwijl Presto, een weinig jaloersch, zijn neus tusschen hen in naar de hoogte stak â al deze dingen maakten het aardsch paradijs van arme Lijsbeth uit.
Het boek dat Adam Zondags las, was meestal zijn groote niet platen versierde Bijbel, en dezen morgen lag die open voor hem op de ronde, witte vuurhouten tafel, in de keuken, want daar zat hij ondanks het vuur, omdat hij wist dat zijn moeder hem gaarne bij zich had; het was de eenige dag in de week dat hij haar op deze wijs believen kon. Het zou u goed gedaan hebben, Adam te zien zitten lezen in zijn Bijbel; door de week las hij er nooit in, en het boek was hem daardoor als een feestdagboek, dat bij hem de plaats verving van geschiedenis, levensbeschrijving, en poëzie. De
559
ZONDAGMORGEN.
eene hand rustte tusschen de knoopen van het vest, de andere hield zich gereed de bladen om te slaan, en in den loop van den morgen zoudt gij menige verandering hebben waargenomen op zijn gelaat. Somtijds bewogen zich zijn lippen als tot spreken â het was wanneer hij aan een rede kwam waarvan hij zich kon voorstellen dat hij-zelf haar uitgesproken had, zooals Samuels afscheidsrede aan het volk; dan weder trokken zijn wenkbrauwen zich op, en de hoeken van zijn mond beefden van meewarige aandoening â het een of ander, de ontmoeting wellicht van den ouden Izak met zijn zoon, trof hem diep; op andere oogenblikken, wanneer bij las in het Nieuwe Testament, verspreidde zich over zijn gelaat een plechtige uitdrukking, en nu en dan bewoog hij het hoofd met ernstige toestem-mino-, of hief hij zijn hand even op en liet haar wederom zinken, en sommige ochtenden, wanneer hij in de Apocryphen las, waarvan hij veel hield, brachten de snedige wendingen van den Siracide een genoeglijken glimlach bij hem te voorschijn, terwijl hij zich tevens de vrijheid gunde om nu en dan van een Apocryphen-schrijver in inzicht te verschillen. Want Adam kende de negen-en-dertig Artikelen op zijn duimpje, gelijk een goed landskerkman betaamt.
Tn de oogenblikken die zij niet aan haar middagmaal behoefden te wijden, zat Lijsbeth steeds tegenover hem en sloeg hem gade, tot zij het niet langer kon uithouden zonder naar hem toe te gaan en hem te liefkoozen, ten einde zijn aandacht te trekken. Dezen ochtend las hij het Evangelie van Mattheus, en Lijsbeth had eenige minuten lang dicht bij hem gestaan, zijn haar gladstrijkend, glan-ziger dan gewoonlijk dezen morgen, en de groote bladen van het boek aanstarend, met stille verbazing over de verborgenheden der letters. Zij werd aangemoedigd om met haar liefkoozingen voort te gaan door dat, toen zij naar hem toeging, hij zich aanstonds achterover had geworpen in zijn stoel en haar vriendelijk had aangezien, zeggend;
âWel, moeder, gij ziet er goed en opgeruimd uit dezen morgen. Kijk, Presto verkiest dat ik hem ook zal aanzien. Hij kan niet velen dat ik meer van u houd dan van hem.quot; Lijsbeth zei niets, omdat zij zoo veel te zeggen had. En nu moest een nieuwe bladzijde worden omgeslagen, en die bladzijde was een plaat de plaat van den engel op den grooten steen die voor het graf gestaan had. Deze plaat was onafscheidelijk verbonden met eene van Lijsbeths her-
560
ik
ZONDAGMOEGEN. 561
inneringen; want aan het gelaat van dien engel had zij gedacht toen zij Dina het eerst gezien had. en zoodra Adam het blad had omgeslagen en het boek op zijde hield, ten einde te zamen den engel te bezien, riep zij; âDat is ze â dat is Dina.quot;
Adam glimlachte, en het gelaat van den engel aandachtiger beschouwende, antwoordde hij:
âHet lijkt wezenlijk een weinig naar haar; maar ik vind Dina mooier.quot;
âWel, als gij haar zoo mooi vindt, waarom hebt gij haar dan niet lief?quot;
Adam zag verwonderd op. âMaar, moeder, denkt gij dat ik Dina niet op prijs stel?quot;
âDat niet,quot; antwoordde Lijsbeth, bevreesd voor haar eigen heldenmoed, maar gevoelend dat zij het ijs gebroken had en dat, ei-mocht van komen wat wilde, de wateren nu stroomen moesten. âMaar wat helpt het, dingen op prijs te stellen die dertig mijlen ver van ons af zijn? Zoo gij haar lief genoeg hadt, zoudt gij haar niet laten gaan.quot;
âMaar ik heb geen recht het haar te verhinderen, wanneer zij het noodig oordeelt,quot; antwoordde Adam, in zijn boek ziende, alsof hij verlangde met lezen voort te gaan. Hij voorzag een stroom van tot niets leidende klachten. Lijsbeth ging weder in den stoel tegenover hem zitten, terwijl zij sprak:
,Maar zij zou het niet noodig oordeelen, zoo .gij niet zulk een dwarsdrijver waart.quot; Lijsbeth durfde nog niet verder gaan dan een onbestemden volzin.
âEen dwarsdrijver, moeder?quot; vroeg Adam, met eenige onrust opziend. âWat heb ik gedaan? Wat meent gij?quot;'
âOch, gij ziet ook nooit iets, of denkt nooit aan iets, behalve aan uw cijfers en uw werk,quot; zei Lijsbeth half schreiend. âDenkt gij zoo maar voort te kunnen gaan, uw leven lang, als waart gij zelf uit timmerhout gesneden? Wat zult gij beginnen wanneer uw moeder er niet meer zijn zal, en gij niemand hebben zult om te zorgen dat gij 's morgens ordentelijk iets te eten krijgt voor uw ontbijt?quot;
âWat hebt gij op het hart moeder?quot; vroeg Adam, wrevelig over dit geteem. âIk begrijp niet waar gij heenwilt. Is er iets dat ik voor u zou kunnen doen en niet doe?quot;
ADAM BEDE. 36
â¦
562 ZONDAGMORGEN.
âJa zeker is er iets. Gij kondt maken dat ik iemand bij mij had om mij een weinig te verlichten in het werk, en om mij op te passen als ik ongesteld ben, en voor mg te zorgen.quot;
âMaar, moeder, wiens schuld is het dat er geen knap loopmeisje in huis is om u bij te staan? Het is waarlijk mijn wensch niet dat gij u afslooft. Wij kunnen het betalen â dat heb ik u al zoo dikwijls gezegd. Het zou vrij wat beter voor ons wezen.quot;
âOch, het helpt niet te praten van knappe loopmeisjes, wanneer gij niemand anders weet dan de deernen hier uit het dorp, of iemand uit Treddleston, die ik nooit van mijn leven gezien heb. Liever zou ik het onmogelijke doen en voor mijn dood in de kist gaan liggen, dan er mij door die schepsels te laten inhelpen.quot;
Adam zweeg, en poogde met lezen voort te gaan. Dit was de uiterste grens der gestrengheid waarmede hij op Zondagmorgen zijn moeder behandelen kon. Maar Lijsbeth was nu te ver gegaan om zich in te houden, en na nauwlijks een minuut zwijgens begon zij weder.
âGij weet best wie ik gaarne in huis hebben zou. Die ik laat halen om mij gezelschap te houden, vloeien niet over, dunkt mij. En gij zijt haar dikwijls genoeg voor mij wezen roepen.quot;
âIk weet dat gij Dina bedoelt, moeder,quot; antwoordde Adam. âMaar gij moest liever uw hart niet zetten op dingen die evenwel niet gebeuren kunnen. Al had Dina te Hayslope willen blijven, het zou toch niet waarschijnlijk zijn dat zij haar tantes huis verlaten zou, waar zij als een dochter beschouwd wordt, en waaraan zij zich nauwer verbonden voelt dan aan ons. Had het mogen zijn dat zij de vrouw van Seth geworden was, dat zou een groote zegen voor ons geweest zijn, maar wij kunnen de dingen niet schikken zooals wij ze hebben willen in deze wereld. Gij zult het moeten zien te stellen zonder haar.quot;
âDat zou ik ook zien te doen, indien zij niet als geknipt was om üw vrouw te zijn, en nimmer zal ik ophouden te gelooven dat God haar met voordacht daartoe geschapen en hierheen gezonden heeft. Wat doet het er toe dat zij Methodist is? Eenmaal getrouwd, zou zij misschien wel veranderen.quot;
Adam wierp zich achterover in zijn stoel en zag zijn moeder aan. Hij begreep nu waarop zij gezinspeeld had, van den aanvang des gespreks af. Het was een van de onredelijkste, onuitvoerbaarste
ZONDAGMORGEN.
wenschen die zij ooit geuit had; maar in weerwil van zichzelven was hij getroffen door de volkomen nieuwheid van het denkbeeld. Het voornaamste punt waarop het aankwam was echter dat hij die gedachte zoo spoedig mogelijk uit zijn moeders geest verdreef.
,Moeder,quot; sprak hij ernstig, âgij praat wartaal. Laat mij nooit weer zulke dingen van u hoor en. Het is dwaasheid te spreken van hetgeen nimmer geschieden kan. Dina denkt aan geen trouwen; zij heeft haar hart gezet op een ander leven.quot;
âWel mogelijk,quot; antwoordde Lijsbeth ongeduldig, âen heel natuurlijk dat zij aan geen trouwen denkt, wanneer de man dien zij gaarne trouwen zou, de moeite niet neemt haar te vragen. Ik zou ook aan geen trouwen gedacht hebben zoo uw vader mij niet gevraagd had, en zij heeft u even lief als ik Thias had, arme man!quot;
Het bloed stroomde Adam naar het hoofd, en in de eerste oogen-blikken was hij zich niet bewust waar hij zich bevond. Zijn moeder en de keuken waren uit zijn gedachten verdwenen, en hij zag niets dan Dina's tot hem opgeheven gelaat. Het was als een verrijzenis zijner gestorven vreugde. Maar hij ontwaakte spoedig uit dien droom â het ontwaken was huiverig en treurig â want het zou zeer dwaas van hem geweest zijn, geloof te slaan aan zijn moeders woorden; zij had, zij kon geen reden hebben voor hetgeen zij gezegd had, hij voelde zich gedrongen, zijn ongeloof zoo nadrukkelijk mogelijk uit te spreken â misschien ten einde bewijzen uit te lokken, ingeval deze voorhanden waren.
âWaartoe zegt gij zulke dingen, moeder, wanneer gij er geen grond voor hebt? Gij weet niets dat u recht geeft zoo te spreken .quot;
âDan weet ik ook niets dat mij recht geeft te zeggen dat het jaar op zijn eind loopt, al is dat het eerste wat ik voel 's morgens bij het opstaan. Seth heeft zij niet lief, zou ik meenen, doet zij wel'? Hem begeert zij niet te trouwen? Maar ik zie dat zij zich jegens u anders gedraagt dan tegenover Seth. Of Seth in haar nabijheid komt, doet haar niet meer aan, dan indien het Presto was; maar wanneer gij naast haar gaat zitten aan het ontbijt en haar aanziet, beeft zij over haar gansche lijf. Gij denkt dat uw moeder van niets afweet, maar wees gerust, zij was er al voor gij werdt geboren.quot;
âMaar hoe kunt gij weten of dat beven een teeken van liefde is?quot; vroeg Adam onrustig.
563
36*
ZONDAGMORGEN.
âOch kom, en wat zou het anders beduiden? Geen haat, zou ik denken. En wat kan zij anders dan u liefhebben? Gij zijt geschapen voor een vrouwenhart â waar ergens vindt men een geschikter, knapper man? En wat zegt het dat zij een Methodist is? De pannekoeken smaken wel, al zit er een vlieg in de stroop.quot;
Adam had de beide handen in de zakken gestoken, en zag voor zich neder in het boek op de tafel, zonder de letters te zien. Hij beefde als een gouddelver, die de belofte van te zullen vinden voor zich ziet, maar in wiens geest op hetzelfde oogenblik een smartelijk visioen van teleurstelling verrijst. Hij kon op zijn moeders meening niet vertrouwen; zij had gezien wat zij wenschte te zien. En toch â en toch, nu het vermoeden eenmaal in hem gewekt was, herinnerde hij zich vele dingen, vele nauw merkbare dingen, dingen zooals het rimpelen van het water door een onnaspeurlijk koeltje, die hem voorkwamen eenigszins de bevestiging te zijn van de woorden zijner moeder.
Lijsbeth bemerkte dat hij getroffen was. Zij ging voort.
âEn gij zult zien dat gij niet op uw gemak zult wezen, wanneer zij eenmaal weg is. Gij houdt meer van haar dan gijzelf weet. üw oogen volgen haar overal, juist als die van Presto u.quot;
Adam kon niet langer stil blijven zitten. Hij stond op, haalde zijn hoed van boven, en begaf zich naar buiten in het veld.
Daar was het zonneschijn; die vroege herfstzon, waarvan wij gevoelen dat zij de zomerzon niet is, ook zonder te zien naar de gele tinten over de linde- en kastanjeboomen; zondagzonneschijn daarenboven, in wiens stralen voor den arbeidsman meer dan herfst-kalmte speelt; morgenzonneschijn, die de dauwkristallen eerbiedigt op de fijne herfstdraden in de schaduw der dichtbegroeide heggen.
Adam had behoefte aan dien kalmen invloed; hij was verbaasd over de mate waarin dit nieuwe denkbeeld van Dina's liefde hem overweldigd had; overweldigd met een macht, die alle andere gevoelens wijken deed voor de heftige begeerte om te weten of de gedachte waarheid was. Vreemd, dat tot op dit oogenblik de mogelijkheid dat zij elkander immer konden liefkrijgen hem nooit voor den geest gekomen was; immers hij twijfelde of aarzelde thans ten opzichte van zijn wenschen even weinig als de vogel, die heenvliegt naar de opening waardoor het daglicht schijnt en 's hemels adem binnendringt.
564
ZONDAGMORGEN.
De herfst- en zondagzonneschijn bracht hem tot bedaren; doch niet alzoo dat hij er met onderwerping door gewapend werd tegen de teleurstelling die hij ondervinden zou, indien zijn moeder, indien hij-zelf bleek zich in Dina te hebben vergist; neen, die zonneschijn schonk hem rust door stille aanmoediging zijner hoop. Dina's liefde geleek zoozeer naar die kalme najaarszon, dat beide hem toeschenen slechts één weldaad uit te maken, en hij in beide tegelijk geloofde. En Dina was zoozeer één geworden met de treurige herinnering aan zijn eersten hartstocht, dat hij die herinneringen niet vaarwel zei, maar ze veeleer opnieuw heiligde door Dina lief te hebben. Ja, zijn liefde voor haar had zich uit dat verleden ontwikkeld; zij was de middag van dien morgen.
Maar Seth? Zou het den jongen kwetsen? Niet denkbaar; want het scheen dat hij volkomen tevreden was geweest in den laatsten tijd, en zelfzuchtige jaloezie lag niet in zijn karakter; hij was nooit jaloersch geweest om zijn moeders voorkeur voor Adam. Maar had hij iets opgemerkt van hetgeen waarvan zijn moeder sprak? Adam verlangde dit te weten, want hij meende zich op Seths waarnemingen beter te kunnen verlaten dan op die zijner moeder. Hij moest Seth spreken voor hij naar Dina ging, en met dit voornemen begaf hij zich naar huis terug, en vroeg aan zijn moeder:
âHeeft Seth u iets gezegd omtrent den tijd van zijn thuiskomst? Zou hij thuis komen eten?quot;
âJa, jongen; het zou mij ten minste verwonderen zoo hij niet kwam. Hij is niet naar Treddleston gegaan. Hij is ergens anders oefening gaan honden.quot;
âKunt gij niet gissen waar hij heengegaan is?quot; vroeg Adam.
âNeen, maar hij gaat dikwijls naar het Haagje. Gij weet meer van zijn doen en laten dan ik.quot;
Adam had behoefte om Seth te zien en te spreken; maar hij moest zich tevreden stellen met de nabijgelegen velden te doorkruisen, in de hoop, hem op die wijze zoo spoedig mogelijk in het oog te zullen krijgen. In het eerste uur zou zulks het geval niet wezen, want Seth zou waarschijnlijk niet voor etenstijd â twaalf uur â thuiskomen. Maar Adam kon onmogelijk weder gaan zitten lezen; hij drentelde heen en weder langs de beek en stond geleund tegen de hekken. Levendig straalden zijn oogen, die op een duidelijk door hem onderscheiden voorwerp gericht schenen; maar dit voorwerp
565
ZONDAGMORGEN.
was noch de beek of de -wilgen, noch de velden of' de lucht,. Telkens en telkens weder werd zijn visioen afgebroken door opwellingen van bevreemding over de kracht van zijn eigen gevoel, over de kracht en minzaamheid tevens dezer nieuwe liefde â bijna als de bevreemding die iemand ontwaart over zijn toegenomen vaardigheid in een kunst die hij een tijdlang heeft laten rusten. Hoe mag het komen dat de dichters over het gemeen zooveel fraais gezegd hebben van onze eerste liefde, en zoo weinig van onze latere'? Zijn hun eerste gedichten hun beste ? Zouden niet veeleer zulke de beste zijn die uit hun rijper nadenken, hun rijker ondervinding, hun dieper genegenheden ontloken? De stem van den knaap, zuiver als de tonen eener fluit, heeft haar eigenaardige bekoorlijkheid; maar de volwassen man behoort voller en dieper akkoorden aan te slaan.
Eindelijk, daar was Seth, zichtbaar aan het verst verwijderd hek, en Adam haastte zich hem tegemoet. Seth was verwonderd en vermoedde aanstonds dat er iets bijzonders moest gebeurd zijn; maar toen Adam naderbij kwam, teekende diens gelaat ten duidelijkste dat het niets verontrustends was.
â Waar zijt gij geweest,quot; vroeg Adam, toen zij naast elkander voortgingen.
âIk ben naar het Haagje geweest,quot; antwoordde Seth. âDina heeft het Woord verkondigd aan een kleine schaar van toehoorders ten huize van Tom Zwavel, zooals hij in de wandeling heet. Het zijn lieden die bijna nooit ter kerk gaan â die van het Haagje â maar Dina willen zij wel komen hooren. Zij heeft met kracht gesproken dezen morgen, naar aanleiding van de woorden: âIk ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.quot; En er had een klein voorval plaats dat aardig was om aan te zien. Meestal brengen de vrouwen haar kinderen mede; maar vandaag was er een aardige krullebol van drie of vier jaar, dien ik vroeger nooit gezien had. Hij was de ondeugendheid-zelve in het begin, terwijl ik het gebed deed en onderwijl er gezongen werd; maar toen wij allen nederzaten en Dina begon te spreken, stond de jongen eensklaps doodstil, en begon haar aan te staren met een open mondje, en eindelijk liep hij weg van zijn moeder en ging naar Dina, en trok aan haar kleed als een klein hondje, dat zij acht op hem slaan zou. Dina tilde hem op, en zette hem
566
ZONDAGMOEGEN.
op haar schoot, terwijl zij voortging met spreken, en hij was zoo zoet als een engel tot hij van vermoeidheid in slaap viel â en de moeder het op een schreien zette.quot;
âHet zou jammer zijn zoo zij-zelve geen moeder werd,quot; antwoordde Adam, âzoo dol als de kinderen op haar zijn. Houdt gij het er voor dat zij bepaald tegen het huwelijk is, Seth? Denkt gij dat niets haar van gedachten zou kunnen doen veranderen?quot;
Er was iets bijzonders in zijn broeders toon, dat Seth een blik op Adams gelaat deed werpen voor hij antwoord gaf.
âIk zou verkeerd doen met te zeggen dat niets haar ooit van meening zou kunnen doen veranderen,quot; antwoordde Seth. âMaar zoo gij mij bedoelt, ik heb alle gedachten opgegeven dat zij ooit mijn vrouw zou kunnen worden. Zij noemt mij haar broeder, en dat is mij genoeg.quot;
âMaar denkt gij dat zij een ander ooit lief genoeg zou kunnen krijgen om hem te trouwen?quot; vroeg Adam, eenigszins bedremmeld.
âWel,quot; antwoordde Seth na eenig aarzelen, âin den laatsten tijd is het mij voorgekomen alsof dat wel het geval zou kunnen wezen ; maar Dina zal niet dulden dat de liefde tot het schepsel haar aftrekke van den weg dien zij meent dat God haar aangewezen heeft. Indien zij oordeelde dat de aanwijzing niet van Boven kwam, zou zij er zich niet door laten leiden. En hieromtrent scheen zij altijd ten volle verzekerd â dat haar roeping was anderen te dienen, en geen woning te maken voor zichzelve in deze wereld.quot;
âMaar ondersteld,quot; hernam Adam, ernstig, âondersteld dat er een man was die haar toeliet met dat alles voort te gaan, zonder haar in iets te hinderen â veel van hetgeen zij na doet, zou zij evengoed kunnen doen gehuwd als ongehuwd. Andere vrouwen van haar soort zijn getrouwd geweest â dat is te zeggen, geen vrouwen zooals zij in alle opzichten; maar vrouwen die preekten en de armen bezochten. Daar hebt gij bijvoorbeeld Mrs. Fletcher, van wie zij zoo dikwijls spreekt.quot;
Een nieuw licht was voor Seth opgegaan. Hij wendde zich om, en zijn hand op Adams schouder leggend, vroeg hij: âZoudt gij gaarne willen dat zij ü trouwde, broeder?quot;
Adam keek weifelend in Seths onderzoekend oog en antwoordde: âZou het u pijn doen zoo zij mij meer lief kreeg dan u?quot;
âNeen,quot; antwoordde Seth met warmte; âhoe kunt gij dat den-
567
ZONDAGMORGEN.
ken? Heb ik zoo weinig in uw leed gedeeld, dat ik in uw vreugde niet deelen zou?quot;
Eenige oogenblikken van stilte volgden, terwijl zij voortwandel-den; toen hernam Seth:
âHet is mij nooit voor den geest gekomen dat gij aan haar denken zoudt als uw vrouw.quot;
âMaar zal het ergens toe dienen aan haar te denken?quot; vroeg Adam. â âWat dunkt u? Moeder heeft mij door hetgeen zij mij dezen morgen heeft verteld zoover gebracht, dat ik niet meer weet hoe of wat. Zij zegt zeker te zijn dat Dina meer dan gewone genegenheid voor mij koestert, en mij wel tot haar man zou willen hebben. Maar ik ben bang dat moeder buiten haar boekje gaat. Ik zou gaarne weten of gij iets gemerkt hebt.quot;
âHet is een teeder punt,quot; antwoordde Seth, âen ik zou vreezen mij te vergissen; daarenboven, wij hebben geen recht ons in te laten met de gevoelens van anderen, zoolang zij-zelven ze ons niet mededeelen.quot;
Seth zweeg.
âMaar gij zoudt het haar kunnen vragen,quot; ging hij na een oogen-blik voort. âZij duidde het mij wel niet ten kwade dat ik haar vroeg, en gij hebt meer recht dan ik had; het eenige is dat gij niet tot het Genootschap behoort. Maar Dina houdt het niet met hen die het Genootschap zoo streng afgescheiden willen zien. Zij heeft er niet tegen, ook andere personen in het Genootschap op te nemen, mits ze geschikt zijn voor het Koninkrijk Gods. Eenige van de broederen te Treddleston zijn daarom misnoegd op haar.quot;
âWaar zal zij het overige van den dag doorbrengen?quot; vroeg Adam.
âZij heeft gezegd dat zij vandaag verder op de hoeve blijven zou,quot; antwoordde Seth, omdat het de laatste Zondag is van haar verblijf bij de Poysers, en zij zou de kinderen voorlezen uit den grooten Bijbel.quot;
Adam dacht â maar zei niet â âDan zal ik van middag naaide hoeve gaan, want ga ik naar de kerk, dan zijn mijn gedachten toch op den duur met haar bezig. De gemeente moet voor deze reis den lofzang zien te zingen zonder mij.quot;
568
ADAM EN DIN A.
HOOFDSTUK LIL
ADAM EN DINA.
Het was omstreeks drie uur toen Adam de werf optrad en Alick en de honden uit hun Zondagsdutje wekte. Alick zei dat iedereen naar de kerk was gegaan, behalve âde jonge juffrouwquot; ââ zoo noemde hij Dina; maar dit viel Adam juist niet uit de hand, ofschoon het âiedereen naar de kerkquot; zoo ruim genomen was dat ook Nancy, de melkmeid, er in was medebegrepen, wier dringende bezigheden niet zelden onvereenigbaar waren met kerkgaan.
Volmaakte stilte heerschte rondom het huis ; alle deuren waren gesloten, en zelfs de keien en de houten tonnen zagen er rustiger uit dan gewoonlijk. Adam hoorde het water zachtkens neerdruppelen uit de pomp â dat was het eenige geluid, en hij liet den klopper met zoo weinig gedruisch neervallen als hij kon, gelijk betaamde te midden der algemeene stilte.
De deur ging open, en Dina stond voor hem, sterk kleurend door de groote verrassing, Adam op dit uur te zien, een uur waarop zij wist dat zijn vaste gewoonte was de kerk te bezoeken. Gisteren zou hij haar zonder de minste moeite gezegd hebben: âIk kwam om u te zien, ik wist dat de anderen niet thuis waren.quot; Maar heden was er iets dat hem weerhield dit te zeggen, en zwijgend stak hij haaide hand toe. Geen van beiden sprak, en toch wenschten beiden te kunnen spreken, onderwijl Adam binnentrad, en zij zich nederzetten. Dina plaatste zich weder op den stoel dien zij zooeven had verlaten; hij stond aan den hoek der tafel bij het raam, en op de tafel lag een boek, maar het was niet opengeslagen; zij had volmaakt stil gezeten, starend op het kleine, helder vlammend vuurtje en den blinkenden haard. Adam zette zich tegenover haar neder in boer Poysers driekanten zetel.
âUw moeder is toch niet ingestort, Adam?quot; vroeg Dina, zich herstellend. âSeth verzekerde mij dezen morgen dat zij wel was.quot;
âNeen, zij is heel monter vandaag,quot; antwoordde Adam, gelukkig door de teekenen van Dina's ontroering, maar beschroomd.
âEr is niemand thuis, zooals gij ziet,quot; vervolgde Dina; âmaar
569
ADAM EN DINA.
gij zult wel willen wachten. Gij zijt zeker verhinderd geworden te kerk te gaan dezen middag?
âJa,quot; antwoordde Adam, en hield toen even op voor hij er bijvoegde: âIk dacht aan u â dat was de reden.quot;
Deze bekentenis was uiterst onhandig en ondoordacht, Adam gevoelde zulks; want hij meende dat Dina volkomen zou begrijpen wat hij bedoelde. Maar de openhartigheid zijner woorden was juist oorzaak dat zij ze vertolkte in een vernieuwde uitdrukking van zijn broederlijk leedwezen over haar vertrek, en zij antwoordde bedaard:
âWees in geen kommer of zorg te mijnen aanzien, Adam. Ik heb te Snowfield al het noodige, en meer dan dat. En mijn hart is rustig, want ik zoek mij-zelve niet met heen te gjaan.quot;
âMaar zoo de zaken anders waren, Dina?quot; vroeg Adam aarzelend â âzoo gij dingen wist die gij misschien nu niet weet . .
Dina zag hem vragend aan; maar instede van voort te gaan, kreeg hij een stoel en plaatste dien bij den hoek der tafel, waar zij zat. Zij was verwonderd, bevreesd â en een oogenblik daarna snelden haar gedachten terug naar het verledene. Had hij haar iets, te zeggen omtrent die ongelukkigen veraf, iets dat zij nog niet wist?
Adam zag haar aan: het was zoet in haar oogen te zien, die oogen vol onzelfzuchtige vragen; â voor een wijl vergat hij dat hij haar iets wilde zeggen, en dat het noodig was, haar uit te leggen wat hij bedoelde.
âDina,quot; zei hij plotseling, haar beide handen tusschen de zijne nemend, âik heb u lief met mijn gansche hart en met mijn gansche ziel. Naast God die mij geschapen heeft, heb ik u het liefst.quot;
Dina's lippen werden bleek, evenals haar wangen, en zij beefde van aandoening en vreugde. Haar handen waren koud als van een doode tusschen die van Adam. Zij kon ze niet wegnemen, omdat hij ze vasthield.
âZeg niet dat gij mij niet kunt liefhebben, Dina. Zeg niet dat wij scheiden moeten, en ons leven doorbrengen ver van elkander.quot;
Tranen welden op in Dina's oogen, en zij rolden neder voor zij kon antwoorden. Maar zij sprak bedaard en zacht.
âJa, Adam, wij moeten ons onderwerpen aan Hooger wil. Wij moeten scheiden.quot;
âNiet zoo gij mij liefhebt, Dina â niet zoo gij mij liefhebt,quot;
570
ADAM EN DINA.
antwoordde Adam hartstochtelijk. âZeg mij â zeg mij of gij m ij meer dan broederlijke liefde schenken kunt?quot;
Dina vertrouwde te volkomen op de aanwijzing Gods, om eenig doel te willen bereiken door misleiding of door verheling van de waarheid. Zij herstelde zich van den eersten schok der ontroering, en zag met haar eenvoudige, oprechte oogen Adam aan.
âJa, Adam, mijn hart wordt sterk tot u getrokken, en te rekenen naar mijn eigen inzicht, zoo ik geen duidelijke aanwijzing had van het tegendeel, zou het mij een geluk wezen bij u te zijn, en u alle dagen te dienen. Maar ik vrees dat ik vergeten zou, mij met anderen te verblijden en met hen te weenen; ja, ik vrees Gods tegenwoordigheid te zullen vergeten en geen andere liefde meer te zullen zoeken dan de uwe.quot;
Adam sprak niet aanstonds. In zalig zwijgen staarden zij elkander aan â want het eerste bewustzijn van wederkeerige liefde sluit elk ander gevoel buiten; het eischt de gansche ziel voor zich alleen.
âAls dat zoo is, Dina,quot; zei Adam eindelijk, âwat kan er dan tegen zijn dat wij elkander toebehooren en ons leven samen doorbrengen? Wie heeft deze groote liefde in onze harten gelegd? Kan iets heiliger wezen? Want wij kunnen God bidden steeds met ons te zijn, en wij zullen elkander helpen in alle goed. Ik zou er nimmer aan denken mij in te dringen tusschen God en u, en te zeggen dat gij dit of dat mocht doen en iets anders niet. Gij zoudt uw geweten volgen, evenals nu.quot;
âJa, Adam,quot; antwoordde Dina; âik weet, het huwelijk is een heilige staat voor hen die er waarlijk toe geroepen zijn en die zich tot niets anders heengetrokken voelen; maar van mijn kindsheid af ben ik een anderen weg uitgeleid; al mijn vrede en vreugde ben ik hieraan verschuldigd geweest, dat ik geen eigen leven had, geen behoeften, geen wenschen voor mij-zelve, en dat ik alleen in God leefde en in diegenen zijner schepselen, wier lijden en vreugde Hij mij gegeven had te kennen. Zeer gezegend zijn die jaren voor mij geweest, en ik voel dat ik door te luisteren naar een stem, die mij van den weg afriep, den rug zou wenden naar het licht dat mij tot hiertoe beschenen heeft, en dat duisternis en twijfel zich van mij zouden meester maken. Wij zouden elkander niet ten zegen kunnen zijn, Adam, indien er twijfel rees in mijn ziel, en indien ik, wanneer
571
ADAM EN DIN'A.
het te laat was, wederom begon te haken naar het beter deel dat mij geschonken werd en dat ik verstooten had.quot;
âMaar indien een nieuw gevoel uw hart is binnengedrongen, Dina, en gij mij zoo liefhebt dat gij liever met mij zoudt leven dan met wie ook, is dat niet een teeken dat gij wel doet met uw leven te veranderen? Maakt niet reeds uw liefde het u ten plicht, al bestond er buitendien niet een andere reden?quot;
âAdam, mijn hart is daaromtrent vol vragen. Want nu, sinds gij mij gesproken hebt van uw groote liefde voor mij, is hetgeen mij eerst helder was wederom donker geworden. Vroeger gevoelde ik dat mijn hart te sterk tot u getrokken werd, en dat uw hart niet was zooals het mijne, en de gedachte aan u had mijn ziel zoozeer overmeesterd, dat zij haar vrijheid verloren had, en zich vastgeklonken voelde aan een aardsche liefde, die mij met zelfzucht deed denken aan mijn eigen lot. Want bij al mijn andere genegenheden was ik altoos tevreden geweest ook met weinig wederliefde, of in het geheel geene; maar mijn hart begon te hunkeren naar een liefde van u, die aan de mijne beantwoordde. Ik twijfelde niet of ik moest daartegen strijden als tegen een groote verzoeking, en het gebod was niet dubbelzinnig: ik moest mij verwijderen.quot;
âMaar nu, lieve Dina, nu gij weet dat ik u liefheb, meer dan gij mij ... nu is alles anders. Gij zult nu aan geen heengaan denken, gij zult blijven, en mijn lieve vrouw wezen, en ik zal God danken voor het leven zooals vroeger nooit.quot;
âAdam, het is mij hard het oor te sluiten ... gij weet dat het hard is; maar een groote vreeze is op mij. Het is mij alsof gij uw armen naar mij uitstrekt, mij wenkend om te komen en een gemakkelijk leven met u te leiden, een leven van eigen genot, en alsof Jezus, de Man der Smarte, voor mij staat, en mij aanziet, wijzend op de zondaars, de lijdenden, de bedroefden. Dat gezicht heb ik telkens en telkens wedergezien, zoo vaak ik in de stille duisternis nederzat, en er is een groote angst over mij gekomen, dat ik onbarmhartig en zelfzoekend worden, en niet langer bereidvaardig het kruis van den Verlosser dragen zou.quot;
Dina had haar oogen gesloten, en een lichte huivering liep haar door de leden. âAdam,quot; ging zij voort, âgij zoudt niet willen dat wij ons geluk zochten langs den weg van eenigerlei ontrouw aan het licht dat in ons is; gij gelooft zoo min als ik, dat zulk een
572
ADA51 EN DINA.
geluk bestaanbaar zou zijn. In dat opzicht zijn wij liet eens.quot;
âJa, Dina,quot; antwoordde Adam treurig, ânimmer zal ik u dringen tot iets dat tegen uw geweten strijdt. Maar ik kan de hoop niet opgeven dat gij het anders zult leeren inzien. Ik geloof niet dat uw liefde voor mij uw hart zou sluiten; zij is iets dat wordt toegevoegd aan hetgeen gij vroeger bezat, niet iets dat daarvan afgenomen wordt; want mij dunkt dat het met geluk en liefde eveneens is gelegen als met verdriet â hoe meer verdriet men heeft gekend, des te beter kan men gevoelen wat het leven voor andere menschen is, of zou kunnen wezen, en men zal er slechts te tee-derder jegens hen om zijn, en te meer geneigd om hen te helpen. Hoe meer kundigheden iemand bezit, hoe beter hij zijn werk verricht, en zoo is het ook met onze genegenheden.quot;
âDina zweeg; haar oogen waren strak gevestigd op een voorwerp dat alleen zichtbaar was voor haarzelve.
Na een oogenblik ging Adam met zijn pleitrede voort:
âEn gij zult bijna evenveel kunnen doen als gij nu doet. Ik zal u niet vragen, des Zondags met mij naar de Landskerk te gaan; gij zult gaan waar gij wilt, onder het volk, en hen leeren. Want al houd ik het meest van de kerk, ik stel mijn ziel niet boven de uwe, alsof het u beter ware, mijn woorden te volgen dan de stem van uw eigen geweten. De zieken zult gij evengoed kunnen bijstaan als nu. en zult over meer middelen kunnen beschikken om hun kleine gemakken te bezorgen, en gij zult uwe dagen slijten te midden van al uw eigen vrienden die u liefhebben, en zult hen kunnen helpen en zult hen ten zegen zijn tot aan hun laatsten snik. Geloof mij, Dina, gij zult op die wijze even dicht bij God zijn, als wanneer gij in de eenzaamheid leeft en ver van mij.quot;
Dina gafgeen antwoord gedurende eenigentijd. Adam hield steeds haar handen vast, en zag haar aan met bijna bevende onrust, tot zij haar ernstige, liefdevolle oogen naar de zijne opsloeg, en op een eenigszins droevigen toon sprak:
âEr is waarheid in hetgeen gij zegt, Adam, en er zijn velen 071-der de dienstmaagden des Heeren met grooter zielskracht dan ik, die haar harten verruimd voelen door de zorg voor haar echtgenoot en haar gezin. Maar ik geloof niet dat het zoo wezen zou met mij; want sinds mijn genegenheden zich bovenmate hebben gevestigd op u, heb ik minder vreugde in God gehad; er was als
573
ADAM EN DINA.
verdeeldheid gekomen in mijn hart. En bedenk, Adam â het leven dat ik leidde is als een land dat ik met zegen heb betreden, van mijn kindsheid af, en indien ik al voor een oogenblik verlang de stem te volgen die mij roept naar een ander land dat ik niet ken, ik kan niet anders dan vreezen dat mijn ziel later zou omzien naar den vroegeren gezegenden staat dien ik verlaten had; en waar twijfel is, daar is de liefde niet volmaakt. Ik moet wachten op duidelijker leiding; ik moet van u weggaan, en wij moeten onszelven volkomen onderwerpen aan den wil Gods. Hij eischt somtijds dat wij ook natuurlijke en eerlijke genegenheden op het altaar leggen.quot;
Adam durfde niet verder pleiten, want de stem van Dina was niet die van grilligheid of onoprechtheid. Maar het viel hem hard; zijn oogen betrokken onderwijl hij haar aanzag.
âMaar het zou toch kunnen gebeuren dat gij er later vrede mee kreegt . . . dat gij vrijheid gevoeldet om tot mij weder te kee-ren, en wij nimmermeer behoefden te scheiden â nietwaar, Dina?quot;
âWij moeten ons onderwerpen, Adam. Mettertijd zal onze plicht ons duidelijk worden. Wanneer ik mijn vorig leven weder zal aangevangen hebben, ondervind ik misschien dat al deze nieuwe gedachten en wenschen verdwijnen en als dingen worden die nooit geweest zijn. Dan zal ik weten dat ik niet tot het huwelijk geroepen werd. Maar wij moeten wachten.quot;
âDina,quot; sprak Adam treurig, âgij kunt mij niet liefhebben zooals ik u liefheb, anders zoudt gij geen twijfel koesteren. Maar het is natuurlijk dat gij mij minder lief hebt; want ik ben niet zoo goed als gij. Ik kan niet twijfelen of ik wel vrijheid heb de beste van Gods gaven lief te hebben.quot;
âNeen, Adam; ik geloof dat mijn liefde voor u niet weinig groot is; want mijn hart wacht op uw woorden en uw blikken, zooals een klein kind op de hulp en de teederheid van den sterke wacht van wien het zich afhankelijk voelt. Had de gedachte aan u geringe macht over mij, ik zou niet vreezen dat zij een afgod wierd in den tempel. Maar gij zult mij sterken â¢â zult mij niet belemmeren in mijn pogingen om te gehoorzamen tot het uiterste.quot;
âLaat ons naar buiten gaan in den zonneschijn, Dina, en samen wandelen. Geen woord zal over mijn lippen komen dat u hinderlijk zou kunnen zijn.quot;
574
ADAM EN DIN A.
Zij gingftti naar buiten en wandelden naar het veld, waar zij de familie zouden ontmoeten bij haar terugkomst uit de kerk. Adam vroeg: âMag ik u een arm geven, Dina?quot; en zij nam zijn arm aan. Dit was de eenige verandering in hun gedrag jegens elkander, sinds zij laatst te zamen gewandeld hadden. Maar geene droefheid in het vooruitzicht van haar heengaan â bij de onzekerheid van den uitslag â kon Adam berooven van het zoet bewustzijn dat Dina hem liefhad. Hij vormde het voornemen, dien ganschen avond op de hoeve te blijven. Hij wilde in haar nabijheid zijn zoolang hg kon.
âKijk eens hier, daar komt Adam aan met Dina,quot; sprak boer Poyser, terwijl hij het hek van de laatste heining opende. âIk kon mij niet begrijpen, waarom hij niet in de kerk was. Raad eens,quot; voegde de goede Martin er bij, âwat mij daar juist in de gedachten springt?quot;
âIets dat geen verre sprong behoefde te doen, want gij hebt het vlak voor uw neus. Gij meent dat Adam zin heeft in Dina?quot;
âKijk, hadt gij dat al vroeger gemerkt?quot;
âZeker heb ik,quot; antwoordde boerin Poyser, die zoo mogelijk steeds den schijn vermeed van bij verrassing ingenomen te zijn. âIk ben niet van die menschen die de kat in het karnhuis zien en verwonderd vragen wat zij daar komt zoeken.quot;
âGij hebt er mij nooit een woord van gezegd.quot;
âNu, ik ben ook geen musschenmolentje, genoodzaakt om te ratelen bij iederen windvlaag. Ik kan zwijgen wanneer er geen nut steekt in praten.
âMaar Dina zal hem niet willen hebben, denkt gij wel?quot;
âNeen,quot; antwoordde boerin Poyser, niet genoeg voorbereid op een mogelijke verrassing; âzij zal nooit iemand trouwen die geen Methodist is of niet op krakken gaat.quot;
âHet zou toch aardig geweest zijn zoo zij een paar geworden waren,quot; antwoordde Martin, met het hoofd op zijde, als verdiept in zelf behaaglijke studie van zijn nieuwen inval. âHet zou u zeker ook pleizier gedaan hebben?quot;
âDat zou het. Dan zou ik de zekerheid hebben gehad, dat zij niet naar Snowfield ging, bijna dertig mijlen ver, terwijl ik geen schepsel hier heb om mij gezelschap te houden; niets dan buren die mij niet bestaan, en voor het meerendeel vrouwen aan wie ik
575
ADAM EN DINA.
mij schamen zou mijn gezicht te vertoonen, indien mijn karnhuis-goed er uitzag als het hare. Men behoeft niet te vragen hoe de sterke boter op de markt komt. Ja, plezier zou het mij doen zoo het arme schaap gevestigd was als een Christenmensch, met een eigen dak boven haar hoofd, en wij zouden liaar goed voorzien van linnen en van veeren; want ik heb haar even lief als mijn eigen kinderen. En het is zulk een rustig gevoel haar bij zich te hebben; zij is als de versch gevallen sneeuw, rein voor twee. Een mensch durft er een keer meer op zondigen met haar in huis.quot;
âDina,quot; riep Tommy, vooruitloopend om haar te verwelkomen, âmoeder zegt dat gij nooit iemand anders trouwen zult dan een Methodist op krukken. Wat een malloot zijt gij toch !quot; â na welke verklaring Tommy haar met beide armen omvatte, en aan haar zijde voortdanste met lastige teederheid.
âZoo, Adam, wij hebben u gemist bij het zingen vandaag; âhoe kwam dat?quot; vroeg boer Poyser.
âIk verlangde Dina te zien; haar vertrek is zoo dicht ophanden,quot; antwoordde Adam.
âJa jongen, dat is het. Ziet gg geen kans haar op de een of andere manier te bewegen om hier te blijven ? Weet gij geen goeden man voor haar, hier of daar in de gemeente ? Als gij dien vindt geven wij u absolutie dat gij de kerk verzuimd hebt. Maar in ieder geval, zij gaat niet heen voor oogstfeest. Woensdag; dan moet gij onze gast wezen. Bartle Massey komt, en misschien ook baas Craig. Gij komt immers om zeven uur ? Geen minuut later, verkiest de boerin.quot;
âJa,quot; antwoordde Adam, âik zal komen als ik vrij ben. Maar ik kan niet altoos van te voren zeggen wat ik doen zal, want dikwijls houdt het werk mij langer op dan ik gedacht had. Rekent gij te blijven tot aan het eind der week, Dina?quot;
âJa, ja,quot; riep boer Poyser, âwij laten haar niet eerder gaan.quot;
âZij heeft geen reden tot jachten,quot; merkte boerin Poyser aan. âDe schaarschte van levensmiddelen zal zoo spoedig niet aan een kant zijn, en waar niet te eten is, heeft de pot geen haast. Schaarschte is het eenige wat de menschen daarginds in overvloed hebben.quot;
Dina glimlachte, maar beloofde niet te zullen blijven, en men sprak over andere zaken gedurende het overige van de wandeling. Men stond stil in den zonneschijn om te kijken naar de groote kud-
576
ADAM EN DIN A.
de grazende ganzen, naar de nieuwgebouwde korenschuren, en naaiden verrassenden overvloed van vruchten aan den ouden pereboom. Nancy en Molly hadden zich reeds vooruit naar huis gespoed, zij aan zij, elk met een zorgvuldig in den zakdoek gewikkeld kerkboek in de hand, waarvan zij weinig meer lezen konden dan de kapitale letters en de Amens.
Alle vrijaf is drukte, vergeleken bij een zonnige wandeling door het veld na âde middagkerkquot; â zooals zulke wandelingen plachten te zijn in de rustige dagen van weleer, toen de trekschuit, slaperig voortglijdend door het kanaal, het nieuwst en verbazingwekkendst aller vervoermiddelen was; toen Zondagsche boeken meestal in bruin-lederen banden prijkten, en met opmerkelijke regelmatigheid s'teeds op eene en dezelfde plaats open vielen. âVrijafquot; is heengegaan â heengegaan waar de spinnewielen heengegaan zijn, en de pakpaarden, en de langzaam voortrollende wagens, en de marskramers die koopwaren aanboden aan de deuren, op zonnige namiddagen. Vindingrijke wijsgeeren zullen u misschien vertellen dat de groote roeping van den stoom, in onze dagen, is: vacantietijd te scheppen voor het menschdom. Geloof ze niet; de stoom schept een ijle ruimte waar bezige gedachten naar toe stroomen. Zelfs de lediggang heeft het tegenwoordig druk â druk met openbare vermakelijkheden, druk met pleiziertreinen, met tentoonstellingen, met boeiende tijdschriften en zenuwprikkelende romans ; druk zelfs met wetenschappelijke gesprekken en met vluchtige blikken in microscopen. Vrijaf, voorheen, was een gansch ander personage; hij las slechts één nieuwsblad, zonder hoofdartikel, en was vrij van die periodiciteit van gemoedsbewegingen, bij ons onder den naam van posttijd bekend. Hij was een rustig, eenigszins gezet oud heer, met een uitmuntende spijsvertering â kalm van begrip, door geen hypothesen gekweld; gelukkig in zijn onwetendheid met betrekking tot de oorzaken der dingen en de voorkeur gevend aan de dingen-zelve. Hij leefde meestentijds op het land, tusschen gezellige heerenhuizingen en hofsteden; hij drentelde gaarne op en neder langs den met vruchtboomen overdekten tuinmuur en verkwikte zich met den geur der abrikozen, door de morgenzon gestoofd, of zocht tegen den middag een schuilplaats onder de takken van den boomgaard,, omstreeks den tijd van het jaar dat de zomerperen afvielen. Hij wist van geen godsdienstoefeningen in de week, en vond er dé
ADAM BEDE. 37
577
578 ADAM EN DINA.
Zondagspreek niet slechter om iadien zij hem toeliet te slapen van tekst tot zegen; doch het meest hield hij van den namiddagdienst, omdat de formuliergebeden dan het kortst waren, en hij schaamde zich niet zulks te bekennen. Want hij had een rustig, opgeruimd âemoed, een gemoed met een breeden rug, zooals hij-zelf - met. onpasselijk tengevolge van allerhande twijfelingen, en gewetensbezwaren, en heimwee naar het hoogere. Het leven was hem geen taak, maar een postje; hij rammelde met de guinjes m zijn zak, at zijn middageten, en sliep den slaap der rechtvaardigen. Was hij zijn verplichtingen niet nagekomen door lederen Zondagnamiddag te kerk te gaan^ .
Deftio- oud heer! Valt hem niet hard, en oordeelt hem met naar
onzen modernen maatstaf. Hij was nooit in Exeter Hall geweest, had nooit een volksprediker gehoord, en moest zijn eersten bundel âStichtelijke Uren naar de behoeften van den tegen-woordigen tijdquot; nog altoos lezen.
HOOFDSTUK LUI.
HET OOGSTFEEST.
Toen Adam des Woensdags avonds, omstreeks zes uur, met zonsondergang huiswaarts keerde, zag hij de laatste wagenvracht gerst langs 0den kronkelenden weg naar de werf der hoeve rijden en hoorde hij het oogstlied âBinnen is zij, welkom thuis!quot; rijzen en dalen als een golvende stroom. Flauwer en flauwer, en steeds harmonischer door den toenemenden afstand, bereikte het wegvloeiend en stervend geluid zijn ooren nog, toen hij de Wilgenbeek naderde De lage en naar het westen trekkende zon scheen vlak op de toppen der Binton-heuvelen, en tintte de onergdenkende schapen tot Ranzige lichtvlekken; zij scheen ook op de vensters van Adams kleine woning, en deed zé blinken van een vlammenden o-loed schitterender dan dien van amber of amethyst. Meer behoefde niet om Adam te doen gevoelen, dat hij voortwandelde in een grooten, heiligen tempel, en dat het verwijderd gezang een
kerklied was.
HET OOGSTFEEST.
âWonderlijk,quot; dacht hij, âhoe dit geluid den indruk maken kan â van eene begrafenisklok bijna, hoewel het den vroolijksten tijd van het jaar heet uit te roepen, en den tijd wanneer de menschen het dankbaarst zijn bovendien. Het komt zeker doordien het ons ee-nigszins pijn doet, te denken dat iets in ons leven voorbij is, en omdat er op den bodem van al onze vreugden, welbeschouwd een begin van scheiding ligt. Het is er mede als met mijn gevoel voor Dina; ik zou nooit te weten zijn gekomen dat haar liefde eenmaal mijn grootste zegen wezen zou, indien hetgeen ik voor een zegen hield, mij niet ontscheurd geworden was, en mij niet gebracht had in grooter nood dan ooit te voren, zoodat ik hongeren en dorsten moest naar beter.quot;
Hij hoopte Dina dezen avond weder te zien, en vergunning te bekomen, haar tot Oakbourne te mogen vergezellen, en dan wilde hij haar verzoeken een tijd te bepalen, wanneer hij naar Snowfield mocht gaan, en vernemen of de blijde hoop, die hem onlangs geboren was, moest worden opgegeven â tegelijk met al het overige. Het werk dat hij thuis te verrichten had, behalve dat hij zich kleeden moest in Zondagsdos, maakte dat het zeven uur werd voor hij weder op weg was naar de hoeve, en het was onzeker of hij, ondanks zijn wijde en vlugge schreden, daar nog in tijds zou kunnen wezen voor het rundvleesch, dat op de plumpudding volgde; want boerin Poysers feestmaal zou met klokslag beginnen.
Groot was het gerammel van messen, koperen schotels en tinnen kannen, toen Adam de keuken binnentrad; maar geen begeleidend gemurmel van stemmen deed zich hooren nevens dit accompagnement; het eten van gebraden rundvleesch, volop en voor niet, was eene veel te ernstige bezigheid voor deze wakkere arbeiders, dan dat zij haar met verdeelde aandacht zouden hebben verricht, zelfs al hadden zij elkander iets te zeggen gehad â hetgeen het geval niet was; en boer Poyser, aan het boveneind der tafel gezeten, had het te druk met voorsnijden om te kunnen luisteren naar het eenzaam gesprek van Bartle Massey en baas Craig.
âHier, Adam,quot; zei boerin Poyser. die staande toezag dat Molly en Nancy de gasten naar eisch bedienden, âhier is een plaatsje voor u opengehouden, tusschen Bartle Massey en de jongens. Jammer genoeg dat gij niet komen kondt om de pudding te zien toen zij nog onaangebroken was.quot;
579
HET OOGSTFEEST.
Adam keek begeerig rond naar eene vierde vrouwelijke gestalte ; maar Dina was niet aan tafel. Hij schroomde min of meer naar haar te vragen; daarenboven, zijn aandacht werd in beslag genomen door de welkomstgroeten, en hij teerde op de hoop dat Dina niettemin in huis was, al had zij geen lust, feestelijkheden als deze bij te wonen op den avond voor haar vertrek.
Het was een weldadig gezicht â die tafel, met Martin Poysers opgeruimd gelaat en breede gestalte aan het boveneind, bezig zijn onderhoorigen voor te dienen van het geurig rundvleesch, en vergenoegd wanneer de ledige borden terugkwamen. Martin, ofschoon anders gezegend met een goeden eetlust, vergat werkelijk dezen avond zijn eigen deel â hij vond het te genoeglijk, tusschen de bedrijven van het voorsnijden in, eens rond te kijken en te zien hoe de anderen zich den warmen maaltijd lieten smaken; want het waren zonder uitzondering lieden die, alle dagen van het jaar, Kersttijd en de Zondagen uitgezonderd, hun middagmaal koud gebruikten, in allerijl, onder de heggen, en die hun bier dronken uit houten flesschen â met smaak gewis, doch met den mond ten hemel; een voor eenden zeer genoeglijke, maar voor menschelijke tweevoeters kwalijk berekende manier. Martin Poyser maakte zich een voorstelling van het genot dat zulke menschen vinden moesten in warm ossenvleesch en verschgebrouwen bier. Hij hield het hoofd op zijde, en de lippen stijf op elkander gedrukt, terwijl hij Bartle Massey een knipoogje gaf, en Tom Tholer, den humorist, gadesloeg, in de wandeling bekend als âUiigen Tomquot;, die zijn tweede bord vol vleesch in ontvangst nam. Een grijns van welbehagen verspreidde zich over Toms gelaat, toen het bord voor hem nedergezet, tusschen zijn mes en zijn vork in, die hij recht overeind hield, als waren het altaarkaarsen; maar het genot was te groot om te kunnen blijven smeulen in een grijns â weldra brak het los in een lang uitgehaald âha, ha!quot; gevolgd door een plotseling terugzinken in den uitersten ernst, terwijl het mes en de vork op hun prooi aanvielen. Martin Poysers breede persoon schudde van zijn ouderwetschen, onhoorbaren lach: hij keerde zich naar boerin Poyser, om te zien of ook zij Tom had opgemerkt, en de oogen van man en vrouw ontmoetten elkander met een blik van goedhartig vermaak.
âUiige Tomquot; was een groote lieveling op de hoeve, waar hij
580
HET OOGSTFEEST.
de rol vervulde van den middeleeuwschen nar, en zijn tekortkomingen als arbeidsman goedmaakte door zijn gevatheid in het antwoorden. Zijn kwinkslagen, stel ik mij voor, geleken die van den dorschvlegel, die wel meestal slechts in het wilde toeslaat, maar toch nu en dan een oorworm treft. Zijn geestigheden werden menigvuldig aangehaald bij het schaapscheren en in den hooitijd; maar ik onthoud mij van ze hier mede te deelen, uit vrees dat Toms humor blijken mocht te zijn als de humor van menigen nar, beroemd in den ouden tijd â te weten van eenigszins voorbijgaande waarde, zonder wortel in het dieper en voortdurend verband der dingen.
Tom uitgezonderd, was Martin Poyser eenigszins trotsch op zijn dienstboden en arbeiders, met zelfvoldoening indenkend dat geen ander stel op het landgoed hun loon zoo ten volle waardig waren als zij. Daar hebt gij Kester Bale bijvoorbeeld â Beale waarschijnlijk, indien men het doopregister opsloeg, maar men noemde hem Bale, en hij was zich van zijn recht op een vijfde letter niet bewust â den ouden man met den nauwsluitenden lederen pet, en met het netwerk van rimpels over het door de zon verbrand gelaat. Was er eenig man in Loamshire, die beter âhet fijnequot; wist van alle boerenwerk? Een dier onbetaalbare arbeiders, die niet alleen alles aandurven, maar die ook in alles wat zij aandurven, uitmunten. Het is waar, Kesters knieën waren tegenwoordig sterk buitenwaarts gebogen, en zijn gaan was een voortdurend nijgen, als behoorde hij tot de godvruchtigste der menschen â hetgeen ook werkelijk het geval was; doch de bekentenis moet er uit, dat het voorwerp zijner aanbidding zijn eigen bekwaamheid was, voor wier aangezicht hij inderdaad meer dan een godsdienstoefening verrichtte. Hij dekte altoos de schelven; want zoo hij in één ding uitmuntte meer dan in andere, het was in het rietdekken; en wanneer de laatste hand gelegd was aan het laatste afdak voor de hooi-stapels, deed Kester, wiens woning tamelijk ver van de hoeve lag, een wandeling naar de werf in zijn beste pak, op Zondagmorgen, en stond stil in de laan op behoorlijken afstand, om het werk zijner handen in oogenschouw te nemen â rondloopend, om iederen schelf van den besten kant te bezien. Als hij dus nijgend rondging, met de oogen opwaarts geslagen naar de strooien knoppen, voorstellend gouden globen op de toppen der schelven â en hun goud
581
HET OOGSTFEEST.
was inderdaad van de beste soort â men zou zich hebben kunnen verbeelden dat hij een daad van heidensche godsvereering pleegde. Kester was een oud vrijer en had den naam van kousen vol geld te bezitten, waarover boer Poyser, iederen betaaldag, een aardigheid ten beste had; geen nieuwe ontijdige aardigheid, maar een goede en oude, die reeds dikwerf te voren beproefd en deugdzaam bevonden was. âDe jonge boer is een vroolijke sinjeur,quot; merkte Kester dikwerf aan; want daar hij zijn loopbaan was begonnen als kraaienverschrikker in den dienst van op een na den laatsten Martin Poyser, kon hij nooit nalaten den regeerenden Martin als een jongeling te beschouwen. Ik schaam mij de vermelding van den ouden Kester niet; gij en ik, wij hebben groote verplichting aan de vereelte handen van dergelijke menschen â handen sinds lang tot stof vergaan en met den grond vermengd dien zij zoo getrouw bearbeidden, van de vrucht der aarde uitsparend wat zij konden en als hun eigen loon het karigst deel ontvangend.
Vervolgens, aan het eind van de tafel zijns meesters, zat Alick, de schaapherder en opzichter, met zijn rood gelaat en breede schouders, niet op den besten voet met den ouden Kester. Eigenlijk bepaalde hun omgang zich tot een grauw nu en dan; want ofschoon zij waarschijnlijk weinig verschilden in hun oordeel over het aanleggen van heggen en het graven van slooten, bestond er een groot verschil van meening tusschen hen met betrekking tot hun eigen verdiensten. Wanneer de herdersknapen ïityrus en Melibseus toevallig op dezelfde hoeve te zamen zijn, zijn zij niet sentimenteel beleefd jegens elkander. Alick had geenszins een zoeten mond, er lag gewoonlijk in zijn spreken iets van een grauw, en in zijn breedgeschouderde gestalte iets van de uitdrukking van den bulhond; â âMoei u niet met mij, en ik zal mij niet moeien met u;quot; maaibij zou een graankorrel in tweeën hebben gekapt, liever dan meer te nemen dan zijn rechtmatig deel. Omtrent het goed van zijn meester was hij even vasthoudend alsof het zijn persoonlijk eigendom geweest ware, en hij strooide karige handjesvol beschadigde gerst voor de kippen uit, omdat een groote handvol zijn verbeelding pijnlijk aandeed als een daad van roekeloosheid. Blijmoedige Tim, de wagenknecht, die hart voor zijn paarden had, koesterde eigenaardige grieven tegen Alick, ter zake van haver en haverrantsoen; â /ij spraken zelden tot elkaar, en keken elkander nooit aan, zelfs
582
HET OOGSTFEEST.
niet over hun schotel koude aardappelen; daar dit evenwel hun vaste manier van doen was tegenover de menschheid in het gemeen, zou het een gewaagde gevolgtrekking zijn, daaruit af te leiden dat hun buien van onvriendschappelijkheid anders dan voorbijtrekkend waren. Gij bemerkt, het karakter der landlieden van Hayslope was niet van die opene, vroolijke, gullachende soort, die in de meeste districten, welke door kunstenaars worden bezocht, heerschend schijnt te zijn. De zachte stralen van een glimlach braken zelden door op het gelaat dezer arbeiders, en zelden ontwaarde- men daarop iets dat het midden hield tusschen stompen ernst en luid geschater. Ook waren niet alle arbeiders even eerlijk als onze vriend Alick. Aan deze zelfde tafel, onder boer Poysers volk, bevindt zich de forsche Ben Tholoway, een onvermoeid werkman, maar meer dan eens betrapt terwijl hij bezig was zijn meesters koren weg te dragen in zijn eigen zakken: een daad â want Ben was geen wijsgeer â die moeielijk aan afgetrokkenheid van geest kon toegeschreven worden. Toch had zijn meester hem vergeven, en hem in zijn dienst gehouden; want de Tholoways hadden, sinds onheuglijke tijden, op het Haagje gewoond en steeds voor de Poysers gewerkt. En alles door elkander genomen was de maatschappij, durf ik zeggen, er niet minder goed aan toe dat Ben geene zes maanden tuchthuisstraf voor zijn misdaad kreeg! want zijn begrippen omtrent diefstal waren eng van grens, en het verbeterhuis zou die misschien slechts verruimd hebben. Wat hiervan zij, Ben at zijn gebraden rundvleesch dezen avond in het rustig bewustzijn sinds verleden jaar oogstfeest niets anders dan een weinig erwten en boonen gestolen te hebben, tot zaad voor zijn tuin, en hij meende in vollen ernst dat Alicks achterdochtig oog, dat hem steeds en overal volgde, een beleediging voor zijn onschuld was.
Maar nu â nu was het laatste stuk vleesch genuttigd; het tafellaken werd opgeruimd, en voor de blinkende schenkkannen, de schuimende, bruine kruiken, en de blinkende, koperen kandelaars â een genoegen om aan te zien â ontblootte zich een fraaie, breede, vuurhouten tafel. Nu zou de groote plechtigheid van den avond een aanvang nemen â het zingen van het oogstlied, waaraan ieder moest mededoen. Wilde men anders doen dan de anderen, men mocht het zingen op zijn eigen wijs; maar niemand mocht blij-
583
HET OOGSTFEEST.
ven zitten met gesloten lippen. Het tempo moest in drieën wezen, het overige was ad libitum.
Wat betreft den oorsprong van dit gezang â of liet in zijn natuurlijken staat ontsproten was uit het brein van eenig rhapso-dist, of dat het trapsgewijs volmaakt was geworden door een school of opeenvolging van rhapsodisten, weet ik niet. Het draagt een zekeren stempel van eenheid, van persoonlijk meer dan van collectief dichterlijk genie, die mij geneigd doet zijn, de eerste onderstelling aan te nemen; ofschoon ik niet blind ben voor de bedenking dat deze eenheid de vrucht kan geweest zijn van die eenstemmigheid der geesten, die een kenmerk was van het menschelijk denken in den ouden tijd, en die vreemd geworden is aan ons modern bewustzijn. Misschien zullen sommigen in de eerste strofe sporen meenen te ondekken van een verloren geraakten regel, dien latere rhapsodisten, minder levendig van verbeeldingskracht, hebben aangevuld door hun toevlucht te nemen tot het huismiddel eener herhaling. Anderen daarentegen zonden kunnen beweren dat aan deze herhaling een gelukkige oorspronkelijkheid eigen is, waarbij alleen de meest prozaïsche geesten ongevoelig kunnen blijven.
De plechtigheid, verbonden met het zingen, was een plechtigheid van drinken. Dit is misschien een treurig feit; doch gij weet, aan onze voorvaders valt niets te hervormen. Onder het eerste en tweede couplet, nadrukkelijk f o r t o gezongen, werd geen enkele kroes gevuld.
Lang, lang, lang moog hij leven.
Die ons onthaalt naar onz' zin;
Lang, lang, lang moog hij leven,
Onz' boer â âen onz' hoerin!
Laat, laat, laat alles hem lukken,
Alles en ongestoord;
Wij, wij, wij zijn zijn dienstlui En hij gebiedt ons als 't hoort.
Maar nu, even voor het derde couplet of koor, dat fortissimo gezongen werd, met begeleiding van luide slagen op de tafel, die de uitwerking deden van cymbalen en trommels tegelijk, werd Alicks kroes gevuld en moest hij dien ledigen voor het koor geëindigd had.
Drinkt dan, jongens, drinkt!
En laat geen dropje verloren gaan,
Of anders moet het van voren aan Zóó wil het de boer!
584
HET OOGSTFEEST.
Toen Alick deze proef van mannelijke vastheid van hand eervol doorgestaan had, was de beurt aan ouden Kester, zijn rechterbuurman, en zoo voort, tot ieder zijn eersten kroes onder bemoedigende toespraak van het koor leeggedronken had. Tom Saft, de schalk, droeg zorg, bij ongeluk een dropje te morsen; maar boerin Poyser â al te gedienstig, meende Tom â kwam tusschenbeide en deed hem de boete kwijtschelden.
Iemand buiten de deur zou niet in staat zijn geweest te begrijpen, waarom aan het âDrinkt dan, jongens, drinkt!quot; een zoo onmiddellijk en zoo dikwerf herhaald da capo te beurt viel; doch eenmaal binnengekomen, zou hij hebben opgemerkt dat alle aangezichten vooralsnog volkomen nuchter en de meesten zelfs ernstig stonden; gewoonte en betamelijkheid maakten dit bis-roepen aan het arbeidersgezelschap ten plicht, evenals onze welopgevoede dames en heeren plegen te glimlachen en te buigen over hun wijnglazen heen. Bartle Massey, een weinig teergevoelig van oorvlies, was reeds vroegtijdig en bij den aanvang der plechtigheid naar buiten gegaan, om te zien hoe het weder stond, en zijn beschouwing kwam niet tot een einde voor en aleer een stilte van volle vijf minuten hem verkondigd had dat âDrinkt dan, jongens, drinkt!quot; in de eerstvolgende twaalf maanden wel niet weder zou aangeheven worden â tot grooten spijt intusschen van Totty en de jongens; de stilte kwam hun machtig eentonig voor, inzonderheid na het vorstelijk dreunen van de tafel, waaraan Totty, gezeten op haar vaders knie, met haar onaanzienlijke kracht en haar onaanzienlijk vuistje medehielp wat zij kon.
Toen Bartle weder binnenkwam, scheen er daarentegen een algemeen verlangen naar solo-muziek ontstaan te zijn. Nancy verklaarde dat Tim de wagenknecht een liedje kende en dat hij, Tim, in den stal âkon loopen zingen als een leeuwerik,quot; waarop boer Poyser aanmoedigend sprak: âKom, Tim, jongen, laat eens hooren.quot; Tim keek verlegen, liet het hoofd op de borst hangen, en beweerde dat hij niet zingen kon; maar de aanmoedigende uitnoodiging van den gastheer werd de geheele tafel langs herhaald; het was een gelegenheid tot spreken; ieder kon nu zeggen âkom, Timquot; â behalve Alick die nooit toegaf aan ijdel en nutteloos spreken. Eindelijk begon Ben Tholoway, Tims naaste buurman, nadruk bij te zetten aan zijn toespraak, door duwtjes met den elleboog, waar-
585
HET OOGSTFEEST.
op Tim, korzelig wordend, uitriep: âLaat mij met rust, zeg ik je, of ik zal je een liedje laten zingen dat je niet bijster bevallen zal.quot;
Het geduld ook van den blijmoedigsten wagenknecht heeft zijn grenzen, en er viel bij Tim niet verder aan te dringen.
âNu dan, David, zing gij dan eens,quot; riep Ben, die toonen wilde dat hij door Tims afwijzing niet uit het veld geslagen was. âZing eens van âHet roosje zonder doornen.quot;
De liefhebber David was een jonge man met een uiterst boven-aardsch voorkomen, veeleer te wijten naar het scheen aan een buitengewonen graad van loenschheid, dan aan verhevenheid van ziel; want hij was niet onverschillig voor Bens noodiging, maar bloosde, en lachte, en wreef met zijn mouw langs zijn mond, op een wijze die als een teeken van bereidwilligheid aangemerkt werd. En gedurende eenigen tijd scheen het gezelschap zeer ernstig te begee-ren, Davids gezang te hooren. Maar te vergeefs. De lyrische stemming was en bleef nog steeds in den kelder, en zou voorloopig uit dien schuilhoek niet te voorschijn komen.
Intusschen had het gesprek aan het boveneind der tafel een politieke wending genomen. Baas Craig achtte het niet beneden zich, nu en dan over politiek te spreken, ofschoon hij zich meer op juistheid van blik dan op buitengemeene belezenheid liet voorstaan. Hij stond zooveel hooger dan de feiten, dat het voor hem inderdaad de moeite niet waard was ze te kennen.
âIk zelf lees de kranten niet,quot; merkte hij ditmaal aan, terwijl hij zijn pijp stopte, âofschoon ik ze zeer gemakkelijk zou kunnen lezen indien ik het verlangde, want Miss Liddy ontvangt ze en heeft er in een oogenblik mede gedaan. Maar daar hebt gij onzen Mills, die zit in het hoekje van den haard en leest kranten zoo goed als van den morgen tot den avond; en wanneer hij aan het eind gekomen is, is hij nog dommer dan toen hij begon. Hij is nu vol van dien vrede, waarover zoo druk gepraat wordt; hij heeft zitten lezen, lezen, en denkt dat hij er nu het fijne van weet. âMijn beste Mills,quot; heb ik hem gezegd, âgij hebt van deze zaak evenveel verstand als van hetgeen er omgaat in het hart van een aardappel. Ik zal u zeggen wat er van is: gij denkt dat Engeland er wèl bij varen zou, en ik spreek het niet tegen. Maar ik ben van meening dat er hier aan het roer van ons land mannen zitten die erger vijanden van onze welvaart zijn dan Napje en al de mesjeu's die hij in zijn
586
HET OOGSTFEEST.
staart voert; wat die mesjeu's betreft, die kunt gij bij halve dozijnen tegelijk aan een pin rijgen als even zoovele kikvorschen.
âJa, ja,quot; antwoordde boer Poyser, luisterend met een uitdrukking van diepen ernst en stichting op het gelaat, âze hebben van hun leven geen goed stuk rundvleesch gegeten. Meest kropsla.quot;
âEn, zei ik aan Mills,quot; ging baas Craig voort, âzoudt gij mij willen wijsmaken dat vreemdelingen, zooals zij, ons de helft van het kwaad zouden kunnen doen dat de ministers aanrichten met hun slechte regeering? Zoo koning George ze allen wegjoeg, en zelf regeerde, zou alles vanzelf weder in orde komen. Billy Pitt zou hij voor mijn part weer in dienst kunnen nemen, maar voor de rest zie ik niet in, met wat anders wij van noode hebben dan met den koning en met het parlement. Dat nest van ministers, daar zit 'em het kwaad, zeg ik u.quot;
âMooi praten,quot; merkte boerin Poyser aan, die nu naast haar echtgenoot gezeten was met Totty op den schoot â âgij hebt mooipraten. Als iedereen hooge laarzen draagt, is het moeielijk te zeggen wie van het gezelschap Bokspoot is.quot;
âEn wat dien vrede betreft,quot; hernam boer Poyser, zijn hoofd als in tweestrijd op zijde houdend, en een behoedzaam trekje aan zijn pijp doende tusschen eiken volzin in, âik weet het niet. De oorlog is geen kwaad ding voor het land, hoe anders zal men de artikelen prijzig houden'? Daarenboven, die Franschen zijn een goddeloos slag van volk, daar houd ik het voor; wat kan men beter doen dan ze afkloppen?quot;
Daarin hebt gij gedeeltelijk gelijk, Poyser,quot; antwoordde baas Craig, âmaar ik ben niet tegen den vrede â een mensch moet ook eens vacantie nemen. Wij kunnen hem verbreken wanneer wij willen, en ik ben niet bang voor Napje, al noemen ze hem nog zoo slim. Dat zei ik nog aan Mills van morgen. Goede genade, Mills begrijpt van Napje net zooveel als . . . Nu dan, ik vertelde hem in drie minuten tijds meer dan hij in het gansche jaar uit de kranten haalt. Ik zei: âBen ik, of ben ik geen tuinman die zijn werk verstaat ? Spreek op, Mills.quot; â âZeker, zijt gij, Craig,quot; was zijn antwoord â hij is geen kwade kerel, Mills, voor een kamerdienaar, maar zwak van hoofd. â âNu dan,quot; zei ik, âgij praat van Napje's slimheid, maar zou het mij tot iets baten, een knap tuinman te zijn, wanneer ik mij
587
HET OOGSTFEEST.
moest behelpen met een stuk moerassigen grond?quot; â .Neen,quot; zei hij. â âWelnu,quot; zei ik, âzoo en niet anders is het met Napje gesteld. Ik zal niet ontkennen dat hij in zijn soort een knappe kerel is, â geen Franschman van geboorte, naar ik hoor; â maar wat voert hij in zijn staart behalve mesjeu's?quot;
Baas Craig hield met indrukwekkenden blik een oogenblik stil na dit zegevierend proefje van Soeratischen redeneertrant, en. voegde er toen bij, terwijl hij bijna onstuimig met de vuist op de tafel sloeg:
âHet is gebeurd â en ik zou u de getuigen kunnen noemen, man en paard â dat toen er een soldaat vermist werd in een van hun regimenten infanterie, ze een grooten aap in het soldatenpak gestoken hebben; de uniform paste hem zoo volkomen als de schil om een peer, en geen vreemde zou den baviaan hebben kunnen onderkennen van de mesjeu's!quot;
âDenk nu eens aan!quot; riep boer Poyser, tevens getroffen door het politiek gewicht van het feit, en door âdeszelfsquot; belangrijkheid als anekdote uit de natuurlijke historie.
âKom, kom, Craig,quot; zei Adam, âdat is nu een weinig te kras. Dat gelooft gij zelf niet. Het zijn altemaal praatjes dat de Franschen zulke stumpers zijn. Ds. Irwine heeft ze in hun eigen land gezien, en hij zegt dat er vele knappe kerels onder loopen. En wat handenarbeid betreft, er zijn vrij wat zaken waarin wij een heel eind bij hen achterstaan. Het is dwaas, den vijand zoover beneden zich te stellen. Nelson en de zijnen zouden weinig eer hebben behaald met ze te kloppen, indien het zulk uitschot was als men beweert.quot;
Boer Poyser keek weifelend naar baas Craig, uit het veld geslagen door deze opeenstapeling van autoriteiten. Ds. Irwine's getuigenis kon niet in twijfel getrokken worden; maar, aan den anderen kant, Craig wist zijn weetje wel, en diens inzicht in de zaak was minder nieuw. Martin had tot hiertoe ânooit gehoordquot; dat de Franschen veel deugden. Baas Craigs eenig antwoord bestond evenwel in het drinken van een lange teug ale, en daarna in een aandachtige beschouwing van de evenredigheden van zijn been, dat hij te dien einde een weinig buitenwaarts keerde â toen Bartle Massey van den haard terugkwam, waar hij zwijgend zijn eerste pijp had staan rooken, en de stilte afbrak door te zeggen, terwijl hij zijn voorsten vinger in het tabakskistje stak en nogmaals stopte:
588
HET OOGSTFEEST.
âZeg eens, Adam,hoe kwam het dat gij Zondag niet te kerk waart ? Antwoord mij, deugniet. Het gezang leek nergens naar. Moet gij uw meester schande aandoen op zijn ouden dag?quot;
âNeen, meester Massey,quot; antwoordde Adam. âBoer en boerin Poyser kunnen u vertellen waar ik was. Niet in slecht gezelschap.quot;
âZij is vertrokken, Adam, naar Snowfield vertrokken,quot; viel boer Poyser in, voor het eerst in den loop van dezen avond aan Dina denkend. âIk dacht dat gij beter slag zoudt gehad hebben om haar over te halen. Zij was door niets te weerhouden, maar wilde gistermorgen volstrekt weg. De boerin heeft haar verdriet er over te nau-wernood kunnen verzetten. Ik houd het er voor dat Dina geen lust had om bij het oogstfeest tegenwoordig te zijn.quot;
Boerin Poyser had herhaaldelijk aan Dina gedacht sinds Adams komst, maar zij had âhet hart niet gehadquot; het slechte nieuws te vertellen.quot;
âWat!quot; riep Bartle Massey op een toon van walging. âWas er een vrouw in het spel? Dan geef ik u op, Adam.quot;
â Maar het is eene vrouw waarvan gij-zelf met lof gesproken hebt, Bartle,quot; zei boer Poyser. âKomaan nu, gij moogt niet achteruit krabbelen; eenmaal hebt gij gezegd dat de vrouwen nog zulk een slechte uitvinding niet zouden geweest zijn, indien ze allen waren als Dina.quot;
âIk meende haar stem, man â ik meende haar stem, dat was alles,quot; antwoordde Bartle. âHaar kan ik hooren spreken zonder lust te krijgen watjes in mijn ooren te stoppen. Voor de rest zal zij wel zijn als alle andere vrouwen, en denken dat met lang te pruilen en te drijnen tweemaal twee eindelijk vijf zal worden.quot;
âJa, ja,quot; antwoordde boerin Poyser, âwie sommige personen hoort redeneeren, zou denken dat de mannen bij de hand genoeg zijn om de korrels in een zak tarwe te tellen enkel door er aan te ruiken. Ze kunnen door een eikenhouten deur heenzien, dat kunnen ze. Dat zal de reden zijn dat ze zoo weinig zien van hetgeen aan dezen kant van de deur voorvalt.quot;
Martin Poyser schudde van een vergenoegden lach en knipoogde tegen Adam, als om te kennen te geven dat de schoolmeester er nu aan vast was.
âJa,quot; zei Bartle spottend, âde vrouwen zijn vlug genoeg â vlug
589
HET OOGSTFEEST.
genoeg. Zij vatten het fijne van de geschiedenis voor zij haar gehoord hebben, en kunnen een man vertellen wat hij denkt voor hij het zelf weet.quot;
âNatuurlijk,quot; antwoordde boerin Poyser, âwant de mannen zijn meestal zoo langzaam dat hun gedachten hen voorbijloopen; dan mogen zij ze vangen bij den staart. Ik kan de teen van een kous zetten in den tijd dien een man noodig heeft om zijn tong in gereedheid te brengen, en als hij eindelijk voor den dag komt met zijn rede, zal niemand er veel krachtige bouillon van koken. Over doode kuikens wordt het langst gebroed. Evenwel, ik zal niet ontkennen dat de vrouwen onnoozel zijn: onze lieve Heer schiep ze om te paren met de mannen.quot;
âParen!quot; riep Bartle, âja, zooals azijn paart met iemands tanden. Als een man spreekt, zal zijn vrouw het paren met een tegenspraak ; als hij trek heeft aan warm vleesch, zal zijn vrouw het paren met koud spek; .hij lacht, zij paart het met huilen. Ze paren bij elkander als de paardenvlieg bij het paard; haar venijn is juist het rechte om het dier mee te steken â om het dier mee te steken.quot;
âJa,quot; antwoordde boerin Poyser, âik weet wel van wie de mannen het meest houden â van een halfwijs, zachtzinnig schepsel dat als een geschilderde zon altoos maar tegen hen lacht, of zij recht of verkeerd doen, en dankje zegt voor een schop, en voorgeeft niet te weten of zij op haar hoofd of op haar voeten staat, tot haar man het haar zegt. Dat is het wat een man in een vrouw verlangt; hij wil zich verzekeren van één dwaas die hem vertellen zal dat hij wijs is. Maar sommige mannen kunnen het buiten dat wel stellen â zij hebben alléén groote gedachten genoeg van zichzelven. En zoo komen de oude vrijers in de wereld.quot;
âKomaan, Craig,quot; sprak boer Poyser plagend, âgij moet maken dat gij getrouwd komt, anders zult gij voor een ouden vrijer worden uitgemaakt, en gij ziet hoe de vrouwen dan over u denken.quot;
âWat mij betreft,quot; antwoordde baas Craig, die boerin Poyser te vriend wilde houden en geen geringen dunk koesterde van zijn eigen complimenten, âik mag wel een vrouw die bij de hand is, een vrouw die durft, een flinke vrouw.quot;
âDat ziet gij verkeerd in, Craig,quot; hernam Bartle droogjes, âdat ziet gij verkeerd in. Over uw groenten oordeelt gij naar een beter
590
HET OOGSTFEEST.
maatstaf; gij keurt de dingen naar hun stoffelijke waarde â naar him stoffelijke waarde. Gij hebt uw erwten niet lief om haar wortels, of uw knollen om haar bloemen. Welnu, ditzelfde moet gij ook op de vrouwen toepassen: of zij bij de hand zijn, geeft niet veel â geeft niet veel, maar als stumpers zijn er geen beter, rijp en geurig.
âWat zegt gij daarop?quot; vroeg boer Poyser, zich achterover in zijn stoel werpend en vroolijk omziend naar zijn vrouw.
âWat ik zeg!quot; antwoordde boerin Poyser met gevaarlijk vuur tintelend in haar oog, âwel, ik zeg dat de tong van sommige lieden als een klok is die altoos doorslaat, niet om te vertellen hoe laat het is, maar omdat er van binnen iets aan hapert . .
Boerin Poyser zou haar wederantwoord waarschijnlijk nog hoo-ger opgevoerd hebben, ware niet op dit oogenblik ieders aandacht afgeleid geworden naar het andere eind der tafel, waar de lyriek tot hiertoe beperkt binnen de grenzen van Davids neuriënd voorgedragen âRoosje zonder doornen,quot; langzamerhand een vrij samengesteld en oorverdoovend karakter had aangenomen. Tim, een zeer geringen dunk van Davids muzikale talenten koesterend, voelde zich gedrongen, diens flauw gegons te overstemmen door met kracht in te zetten van âDrie vroolijke maaiers;quot; maar David was niet zoo licht uit het veld geslagen en toonde zich bekwaam tot een aanmerkelijk crescendo. Een tijdlang bleef het onzeker of de Roos het niet ten laatste winnen zou van de Maaiers, toen oude Kester, met onbewogen en onbeweeglijk gelaat, plotseling een krakend deuntje deed hooren â als ware hij een wekker geweest voor wien het oogenblik gekomen was om af te loopen.
Het gezelschap aan Alicks eind der tafel zag in deze onderscheiden vormen van zangerig tijdverdrijf niets onnatuurlijks; muzikale vooroordeelen hadden zij niet; maar Bartle Massey lei zijn pijp neer en stak de vingers in zijn beide ooren; en Adam, die verlangd had weg te komen van het oogenblik af waarop hij gehoord had dat Dina niet op de hoeve was, stond op en zei dat hij naar huis moest.
âIk ga met u mede, jongen,quot; sprak Bartle, âik ga met u mede, vóór mijn ooren splijten.quot;
âIk zal mijn weg over het Haagje nemen, en u thuis brengen, zoo gij wilt, meester Massey,quot; antwoordde Adam.
591
HET OOGSTFEEST.
âUitmuntend,quot; zei Bartle, âdan kunnen wij eens een praatje maken; gij zijt tegenwoordig te vangen als een aal bij den staart.quot;
âHet is jammer dat gij niet nog even wacht,quot; sprak Martin Poy-ser. âHet feest is zoo meteen afgeloopen, want de boerin laat ze nooit langer dan tot tien uur blijven.quot;
Maar Adam was niet te bewegen; er werd dus afscheid genomen, en de beide vrienden ondernamen hun wandeling in den glans der starren.
âDie zottin van een Fik zit thuis wellicht om mij te janken,quot; begon Bartle. âIk durf haar nooit meenemen naar de hoeve, uit vrees dat boerin Poysers oog haar een beroerte op het lijf jaagt en de arme teef misschien haar leven lang aan de gevolgen kreupel gaat.quot;
âIk behoef Presto nooit weg te jagen,quot; antwoordde Adam lachend. âHij loopt altijd uit zichzelven terug, wanneer hij ziet dat ik de hoeve binnenga.quot;
âBegrepen,quot; hernam Bartle. âEen verschrikkelijke vrouw! van spelden gemaakt â van spelden. Maar ik zal het blijven houden op Martins hand â op Martins hand. En hij is geen vijand van spelden, de hemel beware mij! Een expresselijk er toe vervaardigd kussen.quot;
âMet dat al, zij is een door en door goedhartige vrouw,quot; antwoordde Adam, âen zoo oprecht als het zonlicht. Zij is een weinig barsch tegen honden die in haar huis willen komen, maar zoo het haar eigen honden waren, zou zij ze verzorgen en goed voeden. Al is haar tong scherp, haar hart is teeder, dat heb ik gezien in dagen van verdriet. Zij is een van die vrouwen die beter zijn dan haar woorden.quot;
âNu, nu,quot; zei Bartle, âik ontken niet dat de appel van binnen gaaf kan zijn, maar mijn tanden doen er zeer van â mijn tanden, doen er zeer van.quot;
592
DB ONTMOETING 01' DEN HEUVEL.
HOOFDSTUK LIV.
DE ONTMOETING OP DEN HEUVEL.
Adam bepreep de haastigheid van Dina's vertrek en leidde er meer hoop dan ontmoediging uit af. Zij vreesde dat de kracht harer liefde haar zou verhinderen te wachten en in oprechtheid te luisteren naar eene duidelijke aanwijzing van de stem in haar binnenste.
âIk wou dat ik haar verzocht had mij te schrijven,quot; dacht hij. âEn toch, ook dat zou haar een kleine stoornis kunnen wezen, misschien. Zij verlangt een poos in volkomen kalmte haar vorig leven te leiden. En ik heb geen recht, ongeduldig te zijn en haar met mijn wenschea lastig te vallen. Zij heeft mij gezegd hoe zij er over denkt, en zij is niet in staat anders te spreken dan zij meent. Ik zal geduldig wachten.quot;
Zoo was Adams wijs besluit, en gedurende de eerste twee of drie weken tierde het in alle weligheid; want het trok voedsel uit de herinnering van Dina's bekentenis op dien bewusten Zondagmiddag. Er ligt een verbazende opbeuringskracht in de eerste woorden van liefde. Maar tegen het midden van October begon het goede voornemen merkbaar te wankelen en dreigende teekenen van vermoeidheid te geven. De weken vielen buitengemeen lang. Dina moest nu toch meer dan tijd genoeg hebben gehad om tot klaarheid te komen. Laat een vrouw zeggen wat zij wil, wanneer zij eenmaal aan een man de verzekering heeft gegeven dat zij hem liefheeft, is hij een weinig te verhit, en een weinig te opgewonden door die eerste teug uit de kruik in haar hand, om zich zwaar te bekommeren om den smaak der volgende; hij gaat en drukt de aarde met een zeer veerkrach-tigen stap, en telt alle bezwaren licht. Maar die soort van gloed sterft uit; de herinnering verzwakt mettertijd, en is niet levendig genoeg om ons het hoofd omhoog te doen houden. Adam was niet langer zoo vol vertrouwen als hij geweest was: hij begon te vreezen dat misschien Dina's vorig leven te groote macht over haar had dan dat een nieuwe indruk daarover zou kunnen zegevieren. Had zij iets diergelijks niet gevoeld, zij zou hem ongetwijfeld geschreven hebben om hem een weinig moed in te spreken; maar het scheen
ADAM BEDE. 08
593
DE ONTMOETING OP DEN HEUVEL.
dat zij het noodig oordeelde hem te ontmoedigen. In gelijke mate als Adams vertrouwen nam ook Adams geduld af, en hij meende zelf te moeten schrijven; hij moest Dina verzoeken, hem niet langer dan noodig was in zijn pijnlijke onzekerheid te laten. Hij zat laat op voor een keer om haar een brief te schrijven, maar den volgenden morgen verbrandde hij dien, bevreesd voor de mogelijke gevolgen. Liever een ontmoedigend antwoord van haar eigen lippen dan door middel van een brief, want haar tegenwoordigheid verzoende hem met haar besluit.
Gij bemerkt hoe de zaken stonden: Adam hongerde naar het aangezicht van Dina, en wanneer deze soort van honger eenmaal een zekeren graad bereikt heeft, is een minnaar geneigd dien te willen stillen, ook al moest hij te dien einde zijn toekomst in de bank van leening brengen.
Maar welk kwaad kon hij aanrichten door naar Snowfield te gaan? Dina kon daarom niet misnoegd op hem wezen; zij had hem niet verboden te komen, zij moest voorzien dat hij eerlang verschijnen zou. Op den tweeden Zondag in October was deze beschouwing der zaak Adam zoo gemeenzaam geworden, dat hij reeds op weg was naar Snowfield; ditmaal te paard, want de uren waren tegenwoordig kostbaar, en hij had Jonathan Burgers jong bruintje geleend voor de reis.
Welke levendige herinneringen vergezelden hem op den weg! Hij was dikwijls heen en terug naar Oakbourne geweest sinds die eerste reis naar Snowfield, maar voorbij Oakbourne schenen de grijze stee-nen muren, het dorre land, de magere boomen, hem de geschiedenis van dat treurig verleden, die hij zoo goed uit het hoofd kende, opnieuw te verhalen. Doch geene geschiedenis is voor ons dezelfde nadat een zekere tijd er over heengegaan is; of liever, wij die haar lezen zijn dezelfde uitleggers niet meer, en op dezen morgen bracht Adam, rijdend door dit grijze landschap, nieuwe gedachten met zich mede, gedachten die een veranderde beteekenis gaven aan zijn geschiedenis van het verledene.
Een geest van lage zelfzucht is het, een godslasterlijke geest bijna, die zich verheugt en dankbaar is voor het overkomen kwaad dat een ander bestaan heeft verminkt of vernield, omdat het een bron werd van onvoorzien geluk voor ons-zelven. Adam kon nooit ophouden te treuren over die verborgenheid van menschelijke smart,
594
DB ONTMOETING OP DEN HEUVEL.
wier oevers hij van zoo nabij had aanschouwd; nooit kon hij God danken voor eens anders ellende. En indien ik-zelf mij, ter wille van Adam, in staat gevoelde tot die bekrompen vreugde, nog zou ik beseffen dat hij er de man niet naar was om in dat gevoel te deelen; hij zou er het hoofd over geschud en gezegd hebben: âKwaad is kwaad, en smart is smart, en het baat niet of gij ze inkleedt in andere woorden, hun wezen blijft hetzelfde. Niemand werd ten mijnen bate geschapen, en ik mag niet denken dat alles in orde is, indien de dingen slechts goed uitvallen voor mij.quot;
Maar het is niet onedel te gevoelen dat het rijker leven, ons eigendom geworden door een smartelijke ondervinding, niet te duur betaald werd met ons eigen persoonlijk deel van lijden; inderdaad, het is niet mogelijk anders te gevoelen, evenmin als een lijder aan het katarakt de pijnlijke operatie kan betreuren waardoor zijn verduisterd gezicht â hij zag de menschen wandelen als boomen â wederom in het bezit werd gesteld van het vermogen om duidelijke omtrekken en helder daglicht te zien. De ontwikkeling van hooger gevoel in ons is gelijk aan de ontwikkeling van onze kundigheden of talenten; zij voeren een besef van toegenomen kracht met zich. Wij kunnen evenmin wenschen terug te keeren tot een bekrompener sympathie, als een schilder of toonkunstenaar zou wenschen terug te kunnen keeren tot een gebrekkiger methode, of een wijsgeer tot zijn onvollediger formulen uit vroeger tijd.
Iets dat naar dit bewustzijn van verruimd zieleleven zweemde, droeg Adam met zich om, terwijl hij voortreed, vol levendige herinnering aan het verledene. Zijn gevoel voor Dina, het vooruitzicht, zijn leven aan haar zijde door te brengen, was het verwijderd en destijds ongeziene punt geweest, werwaarts die bittere reis naar Snowfield van voor achttien maanden hem heengeleid had. Hoe teeder en diep zijn liefde voor Hetty ook geweest was â zoo diep dat haar wortelen nimmer zouden worden uitgerukt â zijn liefde voor Dina was beter en dierbaarder; want zij was de bloem van dat voller leven, dat zich in hem ontwikkeld had door zijn kennismaking met hartverscheurend lijden. âHet is alsof het een nieuwe kracht voor mij is,quot; sprak hij bij zichzelven, âhaar lief te hebben, en te weten dat zij mij liefheeft. Ik zal tot haar opzien om mij te helpen het goede te doen. Want zij is beter dan ik â minder zelfzuchtig en minder trotsch. Er is in dat gevoel iets dat
38*
595
DE ONTMOETING OP DEN HEUVEL.
vrijmoedigheid geeft, alsof men onbescliroomder kan voortgaan wanneer men meer vertrouwen stelt in een ander dan in zieli-zelven. Ik heb altijd gemeend dat ik het beter wist dan de mijnen. Maar niet te kunnen verwachten dat zij, die iemand het naast zijn, hem bij voorkomende gelegenheid zullen bijstaan met een weinig meer licht dan hij in zijn eigen binnenste heeft, is toch eigenlijk geen leven.quot;
Het was over tweeën in den namiddag, toen Adam de grijze stad bezijden den heuvel in het oog kreeg en zoekend heenkeek naar de groene vallei beneden, om het eerste kijkje te hebben van het oude rieten dak bij de leelijke roode fabriek. Het landschap zag er in den zach-ten October-zonneschijn minder bar uit dan het gedaan had in den dorren tijd der vroege lente, en de eene groote bekoorlijkheid die het bezat en gemeen had met alle uitgestrekte vergezichten zonder hout â dat het namelijk den toeschouwer vervulde met een des te dieper gevoel van den gewelfden hemel daarboven â oefende, op dezen bijna onbewolkten dag, een vriendelijker, een zachter invloed dan gewoonlijk. Adams twijfelingen en vreezen smolten onder dezen invloed langzaam weg, evenals de dunne, webachtige wolkjes langzamerhand weggesmolten waren in het heldere blauw boven hem. Het was hem of hij Dina's zacht gelaat aanschouwde, hem aanziend â en door dien blik-alleen hem geruststellend omtrent al hetgeen hij wenschte te weten.
Hij verwachtte niet Dina thuis te vinden op dit uur, maar steeg van zijn paard, en bond het vast aan het kleine hek, om te vragen waar zij dien dag heengegaan was. Zijn welgevestigd voornemen was haar te volgen en haar thuis te brengen. Zij was naar Slomans End gegaan, een gehucht, bijna drie mijlen ver, aan gene zijde van den heuvel, dus vertelde hem de oude vrouw; zij was terstond na den ochtenddienst vertrokken, om volgens gewoonte oefening te houden in een hut aldaar. In de stad zou een kind hem den weg naar Slomans End kunnen uitduiden. Adam steeg dus weder te paard en reed naar de stad, afstappend aan de oude herberg, en daar een haastig middagmaal gebruikend in gezelschap van den praatzieken waard, aan wiens vriendschappelijke vragen en herinneringen hij blijde was zoo spoedig mogelijk te kunnen ontsnappen, om naar Slomans End te vertrekken. Hoeveel haast hij ook gemaakt had, was het bijna vier uur voor hij kon wegkomen, en hij
596
DE ONTMOETING OP DEN HEUVEL.
berekende dat Dina, het uur waarop zij vertrokken was in aanmerking genomen, welhaast op haar terugtocht zijn zou. Hij kon het kleine, grijze, armoedige gehucht, door geen hoornen beschut of verborgen, voor zich uit zien liggen, lang voor hij het bereikte, en toen hij naderkwam, kon hij het geluid onderscheiden van stemmen die een kerklied aanhieven. âMisschien is dat het laatste gezang voor men uiteengaat,quot; dacht Adam. âIk zal een eind teruggaan, en dan omkeeren om haar tegemoet te komen, een weinig verder van het dorp af.quot; Hij wandelde terug, bijna tot op den heuveltop, en zette zich neder op een lossen steen tegen den lagen muur, wachtend tot hij de kleine, stemmige gestalte het gehucht zou zien verlaten en den heuvel beklimmen. Hij koos deze plaats, zoo goed als op den top van den heuvel, omdat zij aan aller blikken onttogen was â geen huis, geen vee, zelfs geen herkauwend schaap in de nabijheid â geen ander tegenwoordig voorwerp als de zwijgende stralen en schaduwen, en de groote, alles omspannende hemel.
Zij bleef veel langer weg dan hij voorzien had; hij wachtte minstens een uur, naar haar uitziend en aan haar denkend, terwijl de namiddagschaduwen zich verlengden en het licht flauwer werd. Eindelijk zag hij de kleine gestalte in het zwart van tusschen de grijze huizen te voorschijn Komen en den voet des heuvels allengs naderen. Langzaam, dacht Adam; doch werkelijk wandelde Dina in haar gewonen pas, met lichten, rustigen tred. Zij begon nu het kronkelend pad te beklimmen, den heuvel op; maar Adam wilde zich nog niet in beweging zetten; hij wilde haar niet te spoedig ontmoeten; hij had er zijn hart op gezet, haar te ontmoeten in deze veilige eenzaamheid. En nu begon hij te vreezen dat hij haar verschrikken zou. âEvenwel,quot; dacht hij, âzij is niet iemand om van de dingen te schrikken; zij is altijd zoo kalm en bedaard alsof zij op alles voorbereid was.quot;
Waaraan dacht zij toen zij den heuvel beklom? Misschien had zij volkomen rust gevonden zonder hem, en had zij opgehouden de minste behoefte aan zijn liefde te gevoelen. . . Niemand onzer die niet beeft in de ure der beslissing; dan aarzelt de hoop en haar vleugels sidderen.
Eindelijk was zij zeer nabij gekomen, en Adam stond op van den steenen wal. Het toeval wilde dat juist op het oogenblik dat hij voorwaarts trad, Dina stilstond en zich omkeerde om een blik
597
DE ONTMOETING OP DEN HEUVEL.
te werpen op het dorp; wie staat niet stil en blikt terug onder het beklimmen van een heuvel! Adam verheugde er zich over, want met het fijn instinct eens minnaars gevoelde hij dat het voor haar het verkieslijkst was, zijn stem te hooren voor zij hem zag. Hij naderde haar tot op drie schreden afstands en zei toen: âDina!quot; Zij schrikte zonder om te zien, alsof het geluid van geen bepaalde plaats kwam. .Dina!quot; zei Adam weder. Hij wist zeer goed wat in haar ziel omging. Zij was zoo gewoon haar indrukken te beschouwen als zuiver geestelijke aandoeningen, dat zij niet omzag naar een stoffelijk-zichtbare begeleiding der stem.
Maar deze tweede reis keek zij om. En o, welk een blik van verlangende liefde sloegen de zachte, grijze oogen op een krachtigen, donkeroogigen man! Zij schrikte niet weder toen zij hem zag, maar naderde hem, zoodat zijn arm haar middel kon omvatten.
En zoo wandelden zij zwijgend voort, terwijl warme tranen ne-derdroppelden. Adam was gelukkig en zei niets. Dina sprak het eerst.
âAdam,quot; begon zij, âhet is Gods wil. Mijn hart is zoo verknocht aan het uwe, dat ik zonder u slechts een verdeeld leven leef. En op dit oogenblik, nu gij met mij zijt, en ik gevoel dat onze harten vervuld zijn met dezelfde liefde, bezit ik weder de volle kracht om alles te dragen en te doen naar den wil van onzen Hemelschen Vader.quot;
Adam stond stil en zag haar in de oprechte, liefdevolle oogen.
âDan zullen wij niet eer scheiden, Dina, voor de dood ons scheidt.quot;
En zij kusten elkander met innige blijdschap.
Wat grooter heil is daar voor twee menschenzielen, dan te gevoelen dat zij verbonden zijn voor het leven â om elkander te sterken onder allen arbeid, 'op elkander te steunen in eiken nood, elkander te dienen in ieder lijden â om in de laatste scheidingsure een te zijn met elkander in onuitgesproken en onuitsprekelijke herinnering aan het verledene?
598
EEN HUWELIJK INGEZEGEND.
HOOFDSTUK LV.
EEN HUWELIJK INGEZEGEND.
Iets meer dan een maand na de bewuste ontmoeting op den heuvel â op een nevelachtigen morgen in het laatst van November â werd het huwelijk van Adam en Dina voltrokken.
Het was een gebeurtenis waarover veel gesproken werd in het dorp. Al de knechts van Baas Burger kregen een dag vrijaf; die van boer Poyser desgelijks, en de meesten van hen die vrijaf hadden, verschenen in hun beste pak bij de trouwplechtigheid. Ik twijfel of er wel een inwoner van Hayslope was, in deze geschiedenis vermeld en op dien zekeren Novemberdag nog in de gemeente woonachtig, die zich niet èf in de kerk bevond, om Dina te zien trouwen, öf bij de kerkdeur, om hen te begroeten, wanneer zij die zouden uitkomen. Mevrouw Irwine en haar dochters wachtten aan het hek van het kerkhof in haar rijtuig â want zij hielden een rijtuig tegenwoordig â om aan bruid en bruidegom de hand te drukken en hen geluk te wenschen, en in miss Lydia Donnithorne's afwezigheid te Bath hadden juffrouw Best, heer Mills, en baas Craig het van hun plicht gerekend âde familiequot; van het kasteel te vertegenwoordigen. Het kerkhofpad was letterlijk afgezet met twee rijen bekende aangezichten, waaronder vele die Dina het eerst hadden gezien toen zij gepreekt had op het Groen, en geen wonder dat zij zulk een levendige belangstelling aan den dag legden op den morgen van haar huwelijk, want bij menschengeheugen had men te Hayslope van niets gehoord dat zweemde naar Dina en naar de geschiedenis die haar en Adam tot elkander gebracht had.
Betsy Cranage, met haar netste mutsje op en haar eenvoudigst japonnetje aan, schreide zonder zelve recht te weten waarom; want gelijk haar neef Dunne Ben, die naast haar stond, zeer gepast aanmerkte: Dina ging het land niet uit, en indien zij, Betty, verdrietig was, zou zij het best doen, met Dina's voorbeeld te volgen en een knappen jongen te trouwen, die haar gaarne hebben wou. Naast Betsy, even aan gene zijde van de kerkdeur, stonden de jeugdige Poysers, heenglurend om den hoek der banken, om een kijkje te
599
EEN HUWELIJK INGEZEGEND.
hebben van de geheimzinnige plechtigheid. Totty's gezichtje tee-kende buitengewone onrast; zij dacht dat nicht Dina bij haar terugkomst uit de kerk er oudachtig zou uitzien, want naar Totty's ondervinding waren geen getrouwde menschen ooit jong.
Ik benijd hun allen het tooneel dat zich aan hun oog vertoonde, toen de plechtigheid afgeloopen was en Adam zijn bruid uit de kerk leidde. Zij was niet in het zwart dezen morgen, want boerin Poyser had volstrekt niet willen gedoogen dat Dina door zulk een waagstuk zich ongelukken op den hals haalde, en zij had zelve den bruidstooi ten geschenke gegeven: effen grijs, ofschoon naar het gewone kwaker-model gemaakt; want op dit punt was Dina onhandelbaar. Zoo keek het leliën-gezichtje met liefelijken ernst uit een grijzen kwakerhoed, glimlachend noch blozend, maar met lipjes die een weinig beefden onder de overstelping van den geest met heilige gevoelens. Adam, terwijl hij haar arm aan het hart drukte, ging rechtop, als van cuds, met het hoofd een weinig achterover, als om de gansche wereld des te beter in de oogen te kunnen zien; evenwel niet omdat hij buitengewoon trotsch was dezen morgen, zooals bruidegoms anders gewoonlijk zijn â want zijn geluk was van een soort die niet vraagt naar de meening der menschen. Er was een lichte tint van droefheid in zijn diepe vreugde; Dina wist het, en het griefde haar niet.
Drie andere paren volgden de bruid en den bruidegom: eerst Martin Poyser, die er op dezen nevelachtigen morgen even vroolijk uitzag als een helder vuur, met stille Mary Burger aan den arm, het bruidsmeisje; dan volgde Seth, kalm gelukkig, den arm gevend aan boerin Poyser, en eindelijk Bartle Massey met Lijsbeth â Lijs-beth met een nieuwe japon aan en een nieuwen hoed op, te zeer vervuld van trots op haar zoon en van opgetogenheid over het bezit van de eenige schoondochter die zij ooit begeerd had, om voorwendselen tot klagen te vinden.
Bartle Massey had er op Adams aandringen in toegestemd, de huwelijksplechtigheid bij te wonen, steeds onder protest tegen het huwelijk in het algemeen, en het huwelijk van een verstandig man in het bijzonder. Toch plaagde boer Poyser hem na het bruiloftsmaal, dat hij in de kerkekamer de bruid een kusje meer gegeven had dan noodig geweest was.
Achter dit laatste paar kwam ds. Irwine, in zijn hart verheugd
600
EEN HUWELIJK INGEZEGEND.
over het goede werk dat hij dien morgen had mogen verrichten: het uitspreken van den huwelijkszegen over Adam en Dina. Want hij had Adam gezien in de oogenblikken van zijn bitterst lijden, en welken beteren oogst van dien smartelijken zaaitijd zou hij hebben kunnen wenschen dan dezen? De liefde, die hoop en troost gebracht had in het uur der wanhoop, die haar wog gevonden had tot de duistere cel der gevangenis en tot arme Hetty's nog duisterder gemoed â deze krachtige, teedere liefde zou Adams gezellin en helpster wezen tot in den dood.
Vele handen werden gedrukt, vergezeld van âGod zegene u'squot; en andere goede wenschen aan het hek van het kerkhof, waarop boer Poyser met buitengewone radheid van tong voor de overigen antwoordde, want hij had alle bruilofts-aardigheden bij de hand. En de vrouwen, merkte hij aan, waren op een bruiloftsdag tot niets in staat dan tot zenuwachtigheid. Zelfs boerin Poyser vertrouwde zichzelve niet genoeg om te durven spreken, toen de buren haaide hand gaven; en Lijsbeth begon te schreien in het aangezicht van den eersten den besten die haar vertelde dat zij weder jong werd.
Baas Jozef Eann, lijdend aan een kleinen aanval van rheuma-tiek, hielp niet bij het luiden der klokken dezen morgen, en met eenige minachting nederziend op deze louter officieuse gelukwen-schen, waarbij de officiëele medewerking van den koster niet ver-eischt werd, begon hij met zijn muzikale basstem te neuriën: âHoe goed, hoe liefelijk is 't,quot; bij wijze van prseludium tot het effect, dat hij aanstaanden Zondag dacht te weeg te brengen met den huwelijks-psalm.
âDat is een goed nieuwtje om Arthur mede op te vroolijken,quot; zei ds. Irwine tot zijn moeder, terwijl zij wegreden. âIk zal hem schrijven zoodra wij thuis komen.quot;
601
NASCHRIFT.
Het is omstreeks het einde van Juni 1807. Sinds een halt' uur en meer is de werkplaats gesloten op de timmerwerf van Adam Bede, vroeger die van Jonathan Burger, en het zachte avondlicht valt op het vriendelijk huis met de gewitte muren en op het zachtge-kleurd grijs rieten dak, bijna evenals het deed toen wij ei- Adam de sleutels zagen brengen op dien zekeren Juni-avond, acht jaar geleden.
Een ons bekende gestalte treedt juist de deur uit, haar oogen overschaduwend met de hand, terwijl zij uitziet naar een voorwerp in de verte; want de lichtstralen, nedervallend op haar witte muts zonder strook, en op haar licht goudblond haar, zijn verblindend. Maar nu keert zij haar gelaat van het zonlicht af en ziet naar de deur. Wij kunnen thans het bleek en lief gezicht op ons gemak opnemen â het is bijna niet veranderd â alleen een weinig voller geworden, in overeenstemming met de meer vrouwelijke gestalte, die nog altoos licht en vlug schijnt in het eenvoudig zwart gewaad.
âIk zie hem, Seth,quot; sprak Dina, terwijl zij het huis binnenkeek. âLaten wij hem tegemoet gaan. Kom, Lijsbeth, kom mee met moeder.quot;
Dit laatste gezegde werd aanstonds beantwoord door een klein, lief schepsel met licht goudblond haar en grijze oogen, iets meer dan vier jaar oud, dat zwijgend naar buiten kwam en haar handje lei in de hand van moeder.
âKom, oom Seth,quot; riep Dina.
âJa, ja, daar ben ik al,quot; antwoordde Seth van binnen, en een
NASCHRIFT.
oogenblik later verscheen hij, zich bukkend onder den deurpost, een hoofd grooter dan gewoonlijk door het zwarte kopje van een kloek tweejarig neefje, wiens verzoek om op ooms schouders te mogen zitten, eenig oponthoud veroorzaakt had,
âNeem hem liever op uw arm, Seth,quot; sprak Dina met een tee-deren blik op den forschen, zwartoogigen knaap. âHij hindert u op die manier.quot;
âNeen, neen, Addy rijdt gaarne op mijn schouder. Ik kan hem zoo wel een eind dragen.quot; Een goedheid waarvoor de jonge Addy zijn erkentelijkheid betuigde door met veelbelovende kracht en met beide hielen tegen oom Seths borst te trommelen.
Maar te wandelen naast Dina, en te worden geregeerd door Di-na's en Adam's kinderen, was oom Seths aardsche zaligheid.
âWaar hebt gij hem gezien?'' vroeg Seth, terwijl zij het nabijgelegen veld inwandelden. âIk zie hem nergens.quot;
âTusschen de heggen langs den weg,quot; antwoordde Dina. âIk heb zijn hoofd en zijn schouder gezien. Daar is hij weder.quot;
â Geen nood dat gij hem niet zien zoudt, indien hij in het gezicht is,quot; zei Seth glimlachend. âGij zijt zooals mijn lieve moeder placht te wezen. Zij stond altoos op den uitkijk naar Adam, en zag hem eer dan iemand anders, hoe dof haar oogen ook werden.quot;
âHij is langer weggebleven dan hij gedacht had,quot; sprak Dina, Arthurs horloge uit een klein zijzakje nemend en daarop ziende; âhet is bij zevenen.quot;
âJa, zij zullen elkander vrij wat te vertellen hebben gehad,quot; antwoordde Seth, âen de ontmoeting zal beiden zeer getroffen hebben. Het is nu al ruim zeven jaar dat zij elkander voor het laatst hebben gezien.quot;
âJa,quot; hernam Dina. âAdam was zeer aangedaan dezen morgen bij de gedachte aan de verandering die hij ontwaren zou in den armen jongen man, door de ziekte die hij heeft doorgestaan, zoowel als ten gevolge van de jaren die ons allen veranderd hebben. En de dood der arme zwerveling, juist op het oogenblik dat zij bij ons terugkomen zou, was voor hem van de eene smart in de andere.quot;
âKijk, Addy,quot; zei Seth, het knaapje nu tot op zijn arm latende zakken en op een punt in de verte wijzend, âdaar komt vader aan, bij den laatsten paal.quot;
Dina verhaastte haar schreden, en kleine Lijsbeth liep zoo hard
603
NASCHRIFT.
zij kon tot zij haars vaders been omvatte. Adam streelde haar kopje en tilde haar van den grond om haar te kussen; maar Dina, toen zij hem naderde, kon op zijn gelaat de sporen van aandoening zien, en zwijgend legde zij haar arm in den zijnen.
âZoo, jongske, moet ik u nemen?quot; vroeg hij met een poging tot glimlachen, toen Addy zijn armpjes naar hem uitstrekte â bereid, met de gewone ontrouw van kinderen, oom Seth onmiddellijk te laten varen, nu een begeerlijker personage bij de hand was.
âHet heeft mij zoo getroifen, Dina,quot; zei Adam eindelijk, terwijl zij voortwandelden.
âVondt gij hem erg veranderd?quot; vroeg Dina.
âWat zal ik zeggen, hij is veranderd en niet veranderd. Ik zou hem overal herkend hebben. Maar zijn kleur is veranderd, en hij ziet er slecht uit. De dokters zeggen evenwel, dat hij spoedig weder in orde wezen zou in de vaderlandsche lucht. Hij is gezond van harte; het is alleen de koorts, die hem zoo heeft doen vervallen. Maar hij spreekt nog als van ouds, en glimlachte tegen mij zooals hij deed toen hij een jongen was. Het is verwonderlijk dat hij er altijd eveneens heeft uitgezien wanneer hij glimlachte.quot;
âIk heb hem nooit zien glimlachen, de arme jonge man,quot; sprak Dina.
âMaar gij zult hem zien glimlachen, morgen,quot; antwoordde Adam. âHij vroeg naar u het eerst, zoodra hij een weinig tot zichzelven kwam en wij samen konden spreken. âIk hoop dat zij niet veranderd is,quot; zei hij; âik herinner mij haar gelaat zoo wel.quot; Ik zei van neen,quot; ging Adam voort, teeder nederblikkend in de oogen die naar de zijne waren opgeslagen, âalleen iets voller, zooals te verwachten is na zeven jaren. âIk mag haar morgen immers komen zien, mag ik niet?quot; vroeg hij, ik verlang zoo haar te vertellen hoe ik aan haar gedacht heb al die jaren.quot;
âHebt gij hem gezegd dat ik het horloge alle dagen gebruik?quot; vroeg Dina.
âDat heb ik, en wij spraken veel van u, want hij zegt dat hij nooit een vrouw heeft gezien zooals gij. âOp een schoonen dag word ik nog Methodist,quot; zei hij, âwanneer zij oefening houdt, buiten, en ik haar hooren ga.quot; Maar ik zei: âNeen, mijnheer, dat kunt gij niet doen, want de Conferentie heeft aan de vrouwen het pree-ken verboden. Dina heeft het dus gansch en al opgegeven, behalve
604
NASCHRIFT.
dat zij nu en dan de menschen eens gaat toespreken in hunne woningen.quot;quot;
^Ja,quot; zei Seth, die een aanmerking op dit punt niet onderdrukken kon, âhet was wel jammer dat de Conferentie zulks deed, en zoo Dina de zaak had ingezien als ik, zouden wij de Wesleyanen hebben verlaten, en ons hebben gevoegd bij een genootschap dat de Christelijke vrijheid aan geen banden legt.quot;
âNeen, jongen, neen,quot; antwoordde Adam, âzij had gelijk en gij ongelijk. Geen regel zoo wijs, die niet in het nadeel is van den een of ander. De meeste vrouwen doen meer kwaad dan goed met haar preeken â niet allen hebben Dina's gave of haar geest, dat heeft zij ingezien, en zij oordeelde? het van haar plicht, zelf het voorbeeld van onderwerping te geven, te meer omdat men haar in elk ander soort van onderwijs vrijlaat. En ik ben het met haar eens en keur goed wat zij deed.quot;
Seth zweeg. Dit was een blijvend punt van verschil, waarop zelden gezinspeeld werd, en Dina, die wenschte het onderwerp terstond te laten glippen, vroeg:
âHebt gij er aan gedacht, Adam, aan kolonel Donnithorne over te brengen hetgeen oom en tante Poyser u opgedragen hadden?quot;
âDat heb ik, en overmorgen gaat hij met ds. Irwine naar de hoeve. Ds. Irwine kwam binnen terwijl wij er samen over spraken, en hij wilde dat de kolonel morgen niemand zien zou dan u-alleen ; hij zei â en hij heeft gelijk â dat het voor hem niet deugt, zijn gevoel al te veel op te wekken door zooveel menschen achtereen te zien. âWij moeten u weer sterk en opgeruimd zien te krijgen, Arthur,quot; zei hij, âdat is het eerste wat gedaan moet worden, en daarna moogt gij uw eigen zin volgen. Maar tot zoolang blijft gij onder den duim van uw ouden voogd.quot; Ds. Irwine is vroolijk en opgewonden dat hij hem weer thuis heeft.quot;
Adam zweeg een poosje en vervolgde toen:
âHet sneed er diep in toen wij elkander ontmoetten. Hij had van arme Hetty's dood eerst gehoord door ds. Irwine, te Londen; want de brieven waren hem niet geworden onderweg. Het eerst wat hij zei, toen wij elkanders hand hadden gedrukt, was: âIk heb niets voor haar kunnen doen, Adam â zij heeft alleen lang genoeg geleefd om den vollen last van haar lijden te dragen â en ik had zoo gehoopt, in vervolg van tijd iets voor haar te zullen mogen doen.
605
1 -l é oZf~o
606 NASCHRIFT.
Maai- het was een waai- woord, dat woord van u: Er is kwaad dat nimmer goedgemaakt kan worden.quot; quot;
âKijk, daar komen boer en boerin Poyser het hek door,quot; zei Seth.
âJa waarlijk,quot; antwoordde Dina. âLoop, Lijsbeth, loop naar tante Poyser. Kom binnen, Adam, en rust een weinig uit; gij hebt een moeielijken dag gehad.quot; â¢
EINDE.
J. P. VAN DEUTEN te SNEEK, geeft mede uit:
FELIX DAMN:
DE BATA/VEN.
Historische Roman uit het tijdperk der Volksverhuizingen (A0 69n.Chr.), vertaald door Marie Ten Brink.
2 dln. in gr. 8vo. f 5,60.
Aanbevolen als: âEen der best geslaagde Romans van Felix Daim.quot;
â âIn één woord een schoon boek.quot; â âEen boeiend boek, vol poëzie.quot;
â âClaudius Civilis, de schoone historische figuur, wordt hier in zyn leven, strijden en sterven met levendige kleuren geschilderd.1' â âDeze Roman heeft bijzondere aantrekkelijkheid voor ons Nederlanders.quot; DE ONDERGANG DER WERELD. (A'J. 1000 n. Clir.) 2 dln.
gr. .......................f 4,90.
STRIJDENDE HARTSTOCHTEN. 1 dl. gr. 8vo. . . . â 2,75.
ATTILA. (Aquot; 453 n. Clir.) 2 dln. gr. 8vo........ 4,90.
TOT DEN DOOD GETROUW. (Tijdp. Karei de Groote.) 2de
druk. f 2,40; geb................... 2,90.
DE KRUISVAARDERS. (13e Eeuw.) 2de druk. Æ 2,40; geb. â 2,90.
MAX KRETZER:
EEN GESLOTEN KARAKTER.
Roman uit het Hoogd. vert. door F. Z. Mehler. 1 dl. gr. 8vo. / 2,50. âKretzer grijpt het gemoed aan, zooals een Dickens en Reuter dit deden.quot; WolïG. Kirchbach.
BAAS TIMPE. (Vert. F. Z. Mehler.) 1 dl. groot 8vo. . . f 2,80.
âDeze werken vau Max Kretzer zijn waard gelezen en herlezen te worden, omdat ze mooi en goed en waar nyn.quot; Portefeuille.
H. RIDER HAGGARD'S
CLEOPATRA,
bewerkt door H. Th. Chappuis. 2 dln. post 8vo. Æ 3,50; geb. Æ 3,90. Aanbevolen als: âEen zeer boeiend verhaal.quot; â âEen der beste Romans van Rider Haggard.quot; â âEen boek dat van evenveel scherpzinnigheid als goeden smaak getuigt.quot;
Walter Besant, VOOR GELOOF EN VRIJHEID. 2 dln. / 5,60.
E. Juneker, WERNER ELTZE. 3 dln......... 7,50.
Florence Marryat, NAAR VEILIGE REEDE. 2 dln. â 5,60. Wilhelm Jensen, KARIN VAN ZWEDEN......â 2,75.
Uitgaven van J. P. Van Druten te Sneek.
Wilh. Heimburg.
Liesje van den Lompenmolen. - Uit het Leven mijner Oude Vriendin. -Het Klooster Wendhusen. - Woudbloemen. - Haar eenige Broeder. -Een arm Meisje. - Voorheen.
7 dln., post 8°, 2de druk, a Æ 1,50, geb. f 2,00 per deel. Afzonderlijk id. id. a Æ 1,75, geb. Æ 2,25 per deel. âIn zulke boeken ligt opvoedende kracht en eene bron van degelijk genot.quot; Tijdspiegel.
Elisabeth Klee, PAULA'S LEVENSLENTE. 2de druk. Met 4 Ulustr. In post 8vo. f 1,80; geb. in prachtb. verg. op sneê . f 2,40. âDit boek wordt bij ons publiek geïntroduceerd met een aanbevelend woord van Georg Ebers. De beroemde schrijver beveelt het vooral aan als lectuur voor aankomende meisjes, maar wg gelooven dat het ook door ouderen met genoegen zal worden gelezen. Het beveelt zich als geschenk zéér aan. Huisvrouw.
Wladlmir Koroler ), VERHALEN UIT SIBERIB. JA.SCHKA DE KLOPPER - ARME MAKAR. Æ 1,25; geb. ...... Æ 1,75.
FRANK R. STOCKTON:
EEN MODERNE DIOGENES. 2 dln. post 8vo. f 3,50; geb. f 3,90. EEN LIEFDE IN VIRG1N1E. 2 dln. post 8vo. ,, 3,50; geb. â 3,90. ONS HUISHOUDEN OP ROERWIJK.1 dl. id. â 1,75; geb. â 2,25.
âKostelijke boeken voor allen, die behoefte hebben aan verfrissching van den geest, die zich aan gezonden humor willen verkwikken, of al is het maar wenschen te luisteren naar een geestigen, opgewekten verteller.quot; Nederland. TWEE AMERIKAANTJES OP REIS. Een boek voor Jongens.
1 dl. post 8vo f 1,50; geb...............f 1,90.
âEen Nederl. Jongen zal vreemd van al deze dingen opzien, maar bij het lezen zich kostelijk amuseeren.quot; Vaderland.