ocr page 1

BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS

VAN DE

TB

UTRECHT.

DOOK

Jquot;-. Mv. Th. I I. b\ \0\X KM KMrtJ ) T J K.

'A

UITGEGEVEN MET ONDERSTEUNING VAN HET l'ROVINCUAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP

VAN KUNSTEN EN WETENSClliFPEN.

!-CVfi5'3 Si

LEIDEN - E. J. BRILL. quot; 1SS8.

ocr page 2
ocr page 3

J

0

ocr page 4
ocr page 5

BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS

VAN DE

KER8PELKEM VAN ST. JACOB TE UTRECHT.

ocr page 6
ocr page 7

BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS

van de

te

UTRECHT.

DOOR

.Jhr. Mgt;. Th. EL F. quot;VAjST ÜIEHvISUIJ K.

UITGEGEVEN MET ONDERSTEUNING VAN HET PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP

VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

LEIDEN — E. J. BRILL. 1888.

ocr page 8
ocr page 9

VOORREDE.

Toen ik voor eenige jaren de Geschiedenis van de Kerspelkerk van St. Jacob te Utrecht bewerkte, maakte ik gebruik van alle bronnen, welke destijds onder mijn bereik waren. Tot de onuitgegevens behoorden ook die, welke zich in het archief van de kerk zelve bevonden. Dit archief werd geacht alleen uit een aantal perkamenten brieven te bestaan, die in een muurkast der voormalige sacristie bewaard werden. Op volledigheid kon die verzameling geene aanspraak maken, daar vele documenten en hieronder ook de kerkmeestersrekeningen ontbraken, welke geacht werden verloren te zijn gegaan. Hoezeer ik het gemis van die gewichtige bescheiden ook gevoelde, begreep ik dat het mij niet van de behandeling van het onderwerp moest weerhouden, daar ik mij in staat zag met behulp van de aanwezige bouwstoffen toch eene uitgewerkte beschrijving van de geschiedenis der St. Jacobskerk te geven. Nadat mijne verhandeling in het licht was verschenen, werd de kerk in 1882 inwendig vernieuwd. Bij die gelegenheid werd in de vroegere gerwkamer of sacristie een houten beschot weggebroken, dat van moderne dagteekening was en strekken moest om een daarachter geplaatsten zoldertrap te verbergen. In dat beschot ontdekte men een stapel oude papieren en registers, die in een erbarmelijken toestand verkeerden. Door inwatering van het dak geheel doorweekt, waren die bescheiden bijna vergaan en meerendeels onleesbaar geworden. Naar het Rijksarchiefgebouw tijdelijk verplaatst, werden zij daar onder toezicht van den heer Archivaris gedroogd en in een zoo bruikbaar mogelijken toestand gebracht, waarna het verbleekte schrift door kunstmiddelen weder zichtbaar werd gemaakt. Over het algemeen leverden die maatregelen een betere uitkomst op, dan men aanvankelijk had verwacht. Meerdere documenten, die anders waardeloos zouden geacht zijn, konden nu te huis gebracht of ontcijferd worden. De collectie bleek hoofdzakelijk uit rekeningen, manualen en acquiten van kerkmeesters en den armenpot van St. Jacob te bestaan. Onder de kerkmeestersrekeningen waren ook die, welke aan de invoering der Hervorming voorafgingen, aanwezig. Eene min of meer doorloopende reeks kon daarvan niet gevormd worden, daar slechts enkele jaren waren bewaard gebleven. Vele waren slechts gedeeltelijk

ocr page 10

voorrede.

leesbaar of misten de eerste bladen, waarop de ontvangsten geschreven waren geweest i)- Met dat al hing de inhoud met het vroeger behandelde onderwerp zoo nauw samen, dat ik daarvan kennis meende te moeten nemen, waartoe ik door heeren kerkvoogden in staat werd gesteld, die mij de rekeningen welwillend ten gebruike afstonden. Daar het onderzoek tot niet onbelangrijke uitkomsten leidde, zag ik de wenschelijkheid in die bekend te maken en mijne mede-deelingen aan de Geschiedenis van de Kerspelkerk van St. Jacob toe te voegen. Dit geschiedt thans in eene verhandeling, welke als eene voortzetting van dat geschrift moet worden beschouwd en tot wier samenstelling ook gebruik is gemaakt van eenige bescheiden, waarop Mr. F. ridder van Rapp.-vrd mijne aandacht had gevestigd, toen hij ze bij het inventariseeren van het kerkelijk archief had aangetroffen. Omtrent het plan van bewerking behoef ik slechts in het licht te stellen, dat ik geen ander doel had dan mijne vroegere verhandeling aan te vullen. Daarom is ook hier dezelfde indeeling gevolgd. Waar de aanvulling niet zonder voorafgaande toelichting mogelijk was, heb ik somtijds het onderwerp opnieuw moeten behandelen. De rekeningen zelve zijn niet aan de verhandeling toegevoegd, daar zulke uitvoerige bijlagen aan het geschrift te grooten omvang zouden hebben gegeven. Ik achtte het alleen noodzakelijk den tekst van die posten mede te deelen, welke de „timmeringquot; der kerk tot in het jaar 1462 betroffen, opdat men de juistheid zou kunnen beoordeelen van hetgeen daaruit aangaande de bouwgeschiedenis der kerk in het eerste hoofdstuk wordt afgeleid. Naar ik hoop zal zich de gelegenheid voordoen het overige gedeeltp en de latere rekeningen elders uit te geven. Waar ik mijne bronnen niet heb aangehaald, is steeds van de rekeningen gebruik gemaakt.

Th. H. F. VAN RIEMSDIJK.

■1) Do oudste rekeningen, welke dagteekenon van het tijdperk, dat met liet sterfjaar van Duyfhuijs (1581) sluit, zijn van de jaren ■!384 (waaraan de ontvangsten ontbreken), i391, 1395, 1401* (zonder de uitgaven), 1404(?)*, zonder jaar* (tnsschen 1404 en 1415), zonder jaar (1415, zonder ontvangsten), 1416', 1417', 1419, 1421(?), 1423*, zonder jaar* (1420, waaraan de twee eerrte bladen der ontvangsten ontbreken), zonder jaar (1427, zonder de ontvangsten), 1428', 1430 (minuut), 1430', 1431, 1432, 1433', 1450, 1454, 1461, 1462, 1467, 1470', 1487 (minuut), 1488 (minuut), 1489 (minuut), 1492, 1494, 1495*, 1496*, 1497*, 1501, 1502, 1504, 1515, 1516, 1519, 1520. 1521, 1524*, 1528* (minuut), 1531, 1534, 1540, 1560/1*, 1566/7', 1570/1*, 1572/3*, 1574/5*, 1576/7* en 1580/1*. De met een * gemerkte zijn slechts gedeeltelijk leesbaar. Tot 1540 loopt het dienstjaar van Kerstmis tot Kerstmis; sedert 1560 van Martini tot Martini.

vi

ocr page 11

INHOUD.

HOOFDSTUK 1.

Het Kerkgebouw.

Waarin de verschillende verbouwingen moeten hebben bestaan, bl. 1. — Het koor en kruiswerk reeds vóór 1396 gebouwd bl. 1 — 2. — Het oude koor hierdoor vervangen bl. 2—3. — De zuidpauden van het oude kruiswerk en schip in 1423 tot het zuidpand van het tegenwoordige schip verbouwd bl. 3. — Het noordpand van het tegenwoordige schip treedt tusschen 1427 en 1430 in de plaats van de noordpanden van het oude kruiswerk en schip bl. 3—5. — De bogen tusschen de pijlers van het oude schip in 1432 verhoogd bl, 5. — De oude achterkerk blijft voorloopig in stand bl. 5. — Zij wordt omstreeks 1461 door de tegenwoordige achterkerk vervangen bl. 5—6. — De kerk toen ook gewelfd bl. 6. — De zijkooren, kapellen en andere bijgebouwen bl. 6 — 7. — Herstellingen van den toren bl. 7. — De kerkkappen vernieuwd bl. 7—8. — Houten torentje in 1450 op het kruiswerk gebouwd bl. 8.

HOOFDSTUK H.

De Inrichting en Uitrusting van het Kerkgebouw.

De indeeling der kerk bl. 9.

§ 1. Het Hoogkoor.

Het hoogaltaar en zijne uitrusting bl. 9—10. — De «hemeltquot; en het «ommelichtquot; bl. 10. — Het Sacramentshuis met muurschildering bl. 10—11. — De lichtkroon bl, 11 —12, — De beelden aan de pijlers bl, 12, — De geschilderde wijdingskruizen bl. 12, — Benoodigdheden voor den kerkdienst bl. 12—13, — Kostbaarheden, gereedschappen, kleeden, gewaden en boeken bl, 13—16, — De traliën van het koorhek in 1566 vervaardigd bl. 17. — Het beeld vau O, L, Vrouw in de zou bl, 17. — Kandelaars voor het hoogkoor bl, 17, (

§ 2, De Middelkërk,

De lichtkroon in het kruiswerk bl. 18. — Misklokje bl. 18, — Apostelbeelden aan de pijlers bl^lS. — Muurschilderingen op de pijlers bl. 18—19. — Vernieuwingen en herstellingen van het kerkorgel bl. 19—20, — De orgeldeuren in 1608 beschilderd bl. 20,

§ 3, De Achterkeuk, «.

De doopvont en het vontsaltaar bl. 20, — Muurschildering op den noordelijken torenwand bl, 20. — Het groote crucifix op den zuidelijken torenwand bl, 20—21. — Het H, graf daaronder bl, 21. — De vaste armenbroodtafel bl, 21. — Overzicht der reeds vroeger bekende glasramen van de kerk bl, 21, — Glasramen der kerk, in de rekeningen vermeld bl, 21—23. — De glasramen der achterkerk bl. 23—24.

ocr page 12

INHOUD.

§ 4. De zijpanden va.n het schip en kiujisweiik.

Overzicht der altaren in de kerk eu van de daaraan gevestigde broederschappen bl. 24—26. — Overzicht der in eu buiten de kerk aanwezige offerblokken bl. 26—27. — Overzicht van de broederscbaps- eu gildegraveu in de kerk bl. 27. — Het St. Elisabethsaltaar bl. 28. — Het St. Victorsaltaar bl. 28—29. — Het St. Joostaltaar bl. 29. — Het oude St. Nicolaasaltaar bl. 29. — Ander altaar bl. 29. — Het O. L. Vrouwe-altaar der zakkendragers bl. 29. — De gedenksteen in de nabijheid bl. 29. — De muurschildering op den boog tusschen kruiswerk en schip bl. 29—30. — De zuid- en noordportalen bl, 30. — Het St. Jacobs-altaar met muurschildering bl. 30. — Het orgel der O. L. Vrouwebroederscbap bl. 30.

§ 5. Het O. L. Vkouwekooh.

De vroegere St. Jacobskapel reeds in 1406 vermeld bl. 30. — Het St. Dionysiusbeeld bl. 31. — Het St. Petersbeeld bl. 31.

§ 6. Het H. Kruiskooe.

Graf der H. Kruisbroederschap bl. 31. — De glasramen bl. 31—32. — Het H. graf van Ansem Zalm bl. 32. — Kruisbeeld bl. 32—33.

§ 7. De Kapellen,

1. De O. L. Vrouwekapel naast de zuiddeur. — Ook als „roodequot; kapel bekend bl. 33, — In 1426 ingericht bl. 33—34.

2. De St. Nicolaaskapel. — Muurschildering aldaar bl. 34.

3. De St. Andrieskapel. — Boognissen aldaar bl. 34.

4. De St. Macbutuskapel. — St. Macbutusbeeld en blok bl. 34.

§ 8. De Token.

Oudste berichten over de klokken bl. 34—35. — Mislukte onderhandelingen over een nieuw uur- en speelwerk bl. 35—36.» —V-ervaardiging daarvan in 1648 bl. 36.

§ 9. Dk toestand na de zegepraal deu Heiivorming.

De kerkmeesters- eu potmeestersbanken bl. 36. — De lichtkronen bl. 36—37. — Blazoenen van stad en provincie bl. 37.

HOOFDSTUK III.

Het Kerspel en zijne Inrichting.

§ 1. De Cuheiten.

Door deu Domproost benoemd bl. 38. — Hunne inkomsten bl, 38—39. — Hunne verhouding tot de St. Corneliskapel in de Weerd bl. 39—40 — tot het St. Anthoniusgasthuis aan de Vecht bl. 40 — en tot het St. Maartensgasthuis bl. 40—41, — Voorgenomen splitsing der parochie bl. 41. — Het paard van de cureiten en kapellaans bl. 41.

§ 2. De Keük meesters.

„Goedsbuesberaderenquot; genoemd bl. 41. — Overzicht van de inkomsten der kerk bl. 41—43, _ De

„kassenquot; bl. 43, — In geschil met de cureiten over bet offerblok van St. Machutus bl. 43—44. — Hunne uitdeelingen van kleederen en schoenen bl. 44.

VIII

ocr page 13

INHOUD.

§ 3. De Küukdienaars.

Hun instructieboek bl. 44—45. — Inkomsten en bezoldigingen bl. 45.

§ 4. Dk Potmeesters.

Wat reeds over ben bekend was bl. 46. — Eaadsverordening van 1492 bl. 4(5. — De aalmoezen bl. 46. — De proven bl. 46—47. — De turfuitdeelingen bl. 47. — Hunne aanstelling en administratie bl. 47. — De later gestichte proven bl. 47.

§ 5. De Memorien.

ix

De koorgezellen doen de memorien gezameulijk bl. 47—48. — Deelgenootschap uan hunne presentien bl. 48. — Hun kameraar en zegel bl. 49. — Andere diensten door hen verricht bl. 49—50. — Verwante toestanden in de St. Maartenskerk te Tiel bl. 50. — De geestelijken dier kerk doen ook memorien en andere diensten bl. 50—51. — Het recht op de presentien aldaar bl. 51. — Hunne vereeuiging ontwikkelt zich tot eene corporatie bl. 51—52. — De zeven getijden bij hen ingevoerd bl. 52. — Hunne corporatie wordt aan een kapittel gelijk bl. 52 — 53. — Overeenkomst en verschil tusschen de Utrechtsche en Tielsche koorgezellen bl. 53. — De meraoriegoederen van St. Jacob na de Hervorming bl. 53—54.

Bijlage I—III. —

Bijlage A. — Uitgaven betreffende de timmering van de St. Jacobskerk, geboekt in de kerkmeesters-rekeningen van genoemde kerk bl. 55—69.

Oorkonden betrekkelijk de St. Jacobskerk bl. 70—74.

ocr page 14
ocr page 15

HOOFDSTUK I

HET KERKGEBOUW.

Voorzoover onze hulpmiddelen het toelieten, hebben wij in de Geschiedenis van de Kerspel-kerk van St. Jacob aangetoond, dat dit gebouw voor het eerst in 1173 voorkomt en dat van die constructie, welke in romaanschen stijl moet zijn opgetrokken geweest, geene herkenbare overblijfselen bewaard zijn gebleven. Dit oudste gebouw moet later door een ander vervangen zijn, dat ook thans bijna geheel verdwenen is en slechts voor een klein gedeelte in het tegenwoordige gebouw terug te vinden is. Uit de bouwkunstige gegevens, welke het laatste aanbiedt, kan men afleiden, dat de kerk, waarvan de tegenwoordige eene vergrooting is, den tegenwoordigen toren had en een laag, eenbeukig schip, dat reeds vroegtijdig met twee nog lagere en smalle zijbeuken vergroot moet zijn geworden. Hoever die kerk zich uitstrekte, of zij een kruiswerk had en of de zijbeuken om den toren heen doorliepen en, gelijk thans, eene achterkerk vormden, was ons onbekend. Wij konden alleen nagaan,

•v _

dat die oude kerk later op tweeërlei wijze vergroot moet zijn geworden:

1°. door den bouw van een geheel nieuw koor en kruiswerk;

2°. door de verbouwing van het schip, met behoud van den toren en de drie eerste paren vrijstaande pijlers, en den bouw der tegenwoordige achterkerk.

Wanneer die verschillende verbouwingen tot stand zijn gekomen, konden wij niet ophelderen. Nu wij echter in het bezit zijn van de kerkmeestersrekeningen, valt er, hoewel deze ver van talrijk en volledig zijn, eenig meer licht over de zaak 1).

In het jaar 1391 geschiedt er voor het eerst melding van het «Nieuwe Werk.quot; Dit bewijst, dat er toen reeds een gedeelte van de kerk verbouwd was. Waar dit te zoeken is, wordt duidelijk in. 1396, daar toen een graf werd overgedragen //in 't Nywe Were aen die zuytzide van der kerken inder capellen, daer theylighe cruys staetquot; s). Neemt men nu in aanmerking, dat die kapel moeilijk iets anders kan zijn dan de H. Kruiskapel, waarvan het H. Kruis- of zuidkoor eene vergrooting is,

1

1

De uitgaven, welke op de verbouwingen direct of indirect betrekking hebben, zijn onder bijlage A hierachter gevoegd.

ocr page 16

2

en dat dit koor zich aansluit bij het hoogkoor en kruiswerk, zoo wordt het meer dan waarschijnlijk, dat toen reeds het koor en kruiswerk verbouwd waren geworden. Indien dat laatste juist is, dan moet het verbouwde gedeelte de gansche breedte der kerk beslagen hebben. Dat dit werkelijk het geval was, blijkt uit de omstandigheid, dat er in 1399 een graf in het Nieuwe Werk was, dat ten noorden door den kerkmuur begrensd werd '). Het Nieuwe Werk strekte zich derhalve toen van het zuiden tot het noorden uit1).

Op welke plaats van de oude kerk het nieuwe koor en kruiswerk zijn opgetrokken, is ook met eenige zekerheid te bepalen. In 1415 stopte een leidekker de daken zoowel van het oude als van het nieuwe kruiswerk. Hieruit volgt, dat het oude kruiswerk ook na den bouw van het nieuwe bleef voortbestaan. Het laatste werd dus niet op de plaats van het eerste gesteld, maar het ligt voor de hand, dat het onmiddellijk daarvoor werd geplaatst. Het nieuwe kruiswerk werd derhalve gebouwd op de plaats waar men het oude koor had afgebroken. Beziet men onder dat daglicht den platten grond der tegenwoordige kerk, dan is daarop zonder veel moeite de afmeting der oudere kerk aan te wijzen. Zooals bekend is, zijn de toren en de drie paren van de daarop volgende pijlers die van de oude kerk. Daar bedoelde pijlers die zijn van het oude schip, zoo bepalen zij de breedte van de middenbeuk van dat oude schip. Dewijl nu het oude kruiswerk de breedte van die middenbeuk zal hebben gehad en oostwaarts begrensd werd door het tegenwoordige kruiswerk, zoo volgt daaruit, dat de transseptpijlers van de oude kerk ongeveer daar moeten hebben gestaan, waar zich nu het vierde paar pijlers bevindt, en dat het vijfde paar in het midden van het oude kruiswerk moet zijn gebouwd. De tegenwoordige transseptpijlers (blijkbaar uitgehakte muurstukken) zijn dan de hoekpunten, welke de muren van het oude kruiswerk met die van het oude koor hebben uitgemaakt. Ook is het zeer waarschijnlijk, dat het oude kruiswerk zich noord- en zuidwaarts tot aan de buitenmuren der tegenwoordige kerk heeft uitgestrekt. De rekening van 1415, waaruit wij deze bijzonderheden hebben afgeleid, is ook nog om een andere reden merkwaardig. Wij maken daaruit op, dat reeds toen de St. Jacobskapel bestond, die, zooals bekend is, ten noorden van het hoogkoor was gelegen en eerst

1

Het is niet onmogelijk, dat het nieuwe koor- en kruiswerk van nog oudere dagteekening zijn dan het einde der 14110eeuw. Zelfs zou uien kunnen aannemen, dat zij in 1334 zijn aangelegd. In het provinciaal archief te Utrecht berust eene rekening van Johannes Scopiensis ecclesiae episcopus in officio episcopali loopende van 20 Aug. 1334 tot 12 Mei 1335 en geschreven op eene perkam. rol. Deze prelaat oefende de functies van wijbisschop uit (men vergelijke het charter van 1365 bij VanMeurs, Gesch. eu Hcchtsontw. van Elburg bl. 174). Mr. S. Muller Fz. vestigde er mijne aandacht op, dat onder de ontvangsten tus-schen Sabt. post Assumpt. b. Arirg. en b. Pancratii 1334 de volgende post opgenomen is; »Item de consecratione trium altarium apud sanctum Jacobum XII tg nigr. Tur.quot;, terwijl onder de uitgaven vermeld wordt; gt;Jtem qui consecravit apud sanctum Jacobum II lt;{0 et x st. nig. Tur.quot; Daar geene plaats wordt opgegeven, moet hier de St. Jacobskerk te Utrecht bedoeld zijn. Hieruit blijkt derhalve, dat de wijbisschop in 1334 drie altaren in genoemde kerk liet wijden. Nu zijn er vóór 1373 slechts twee bijzondere altaren bekend, namelijk het H. Kruis- en het St. Nicolaasaltaar (Gesch. bl. 24, 57). Wij vermoeden daarom dat die twee en het hoogaltaar bedoeld zijn. Neemt men nu in aanmerking, dat die drie altaren reeds vóór 1334 bestonden, dan is bet niet onmogelijk, dat ze toen zijn gewijd , omdat ze op nieuw waren geplaatst wegens verbouwing van het gedeelte der kerk, waarin ze vroeger stonden. Is die gissing juist eu brengt men haar in verband met het feit, dat het koor en kruiswerk in het laatst der 14lt;lceeuw als het Nieuwe Werk schijnen te worden aangeduid, dun zou men hieruit kunnen afleiden, dat die gedeelten der kerk in 1334 zijn verbouwd geworden.

ocr page 17

3

later tot het O. L. Vrouwe- of noordkoor is verbouwd geworden. Het Nieuwe Werk bestond dus destijds uit het hoogkoor en kruiswerk en de noord- en zuidwaarts daarbij uitkomende St. Jacobs- en H. Kruiskapelleti, waarbij nog eene gerwkaraer te voegen is, die ook in diezelfde rekening wordt genoemd.

Niet lang na 1415 begon men het werk der verbouwing van de oude kerk voort te zetten. Blijkens de rekening van dat jaar werd er in 1428 eene belangrijke verbouwing ondernomen. Men kocht duizenden steenen aan, waaronder ook tufsteen, voorts leien en hout. Op Donderdag voor of na Dertiendag begon men het //wuift te breken van dat oude vvtlaetquot;. Er wordt vervolgens geregeld in daghuur gewerkt. In de vierde week na Beloken Paschen begon men //dat nie fondement te leggenquot;. De werkzaamheden worden tot in de 29e week na Beloken Paschen voortgezet. Ook wordt er steen gehouwen, zooals //wenglien (wangwerk), wellen, dacliist ende dubbel bulioenquot;. Bovendien werden er glazen gemaakt. Het werk; werd //geregeerdquot; of bestuurd door Willem van Boelre Brengt men die bijzonderheden in onderling verband, dan wordt het zeer waarschijnlijk, dat er toen een zijpand van het oude schip en denkelijk ook een zijpand van het oude kruiswerk is afgebroken en in plaats hiervan een van de zijpanden van het tegenwoordige schip gebouwd. Onder //wtlaetquot; toch meenen wij een uitbouwsel der kerk, dus een zijbeuk of zijpand te moeten verstaan1). Uit de rekening blijkt echter niet, of die verbouwing in het noorden of in het zuiden heeft plaats gehad.

Alle twijfel in dat opzicht wordt echter reeds door de rekening van 1420 weggenomen. Hierin is sprake van de plaatsing van een O. L. Vrouwebeeld in «Onser Vrouwen kapelquot; en van de inrichting, welke in verband hiermede aan die kapel werd gegeven. Daar hiermede de O. L. Vrouwekapel naast den zuidelijken ingang der kerk bedoeld moet zijn, zoo blijkt hieruit dat die kapel reeds toen bestond en, daar deze niet gesticht kon zijn, dan nadat het zuidpand van het tegenwoordige schip

• • • . w (

was opgetrokken, is het waarschijnlijk dat dit het gedeelte der kerk was, dat in 1423 tot stand is gekomen.

Niet lang nadat liet zuidelijk gedeelte der kerk verbouwd was geworden, nam men ook het noordelijke onder handen, Dit werk werd in de jaren 1427—1430 uitgevoerd. De rekeningen van kerkmeesters, welke over die jaren met uitzondering van 1429 bewaard zijn gebleven, toonen aan, dat toen het noordpand van het tegenwoordige schip gebouwd werd. Immers toen werd het uitlaat aan de noordzijde der kerk afgebroken en een nieuw uitlaat gebouwd. Dat onder dit oude uitlaat de noordpanden van het oude schip en kruiswerk verstaan moeten worden, kan men met voldoende zekerheid uit de navolgende werkzaamheden afleiden, die er toen werden verricht.

1°. Men groef //tlat fundament van den pylre aen dat oude cruyswarc aen die noortsyde van

1

»Wt-laet, velus, Proiectura , proiectum , a,ppendix aedificijquot;. Kiliaen, in voce.

ocr page 18

4

der kerckeu.quot; Daarna werkte een metselaar (Jan Noteboem) //aen den pylre aan die noertside van der kerckenquot; (1427). Die pijler kan de noordelijke van het oude kruiswerk zijn, maar waarschijnlijker is het nog, dat daarmede een beer bedoeld werd, die tegen den noordwesthoek van het oude kruiswerk was geplaatst, daar die verwijderd moest worden, opdat de grondslag voor den nieuwen buitenmuur kon worden gelegd.

2°. In de volgende week graaft men zes dagen lang wdat fundament aen die noertside vander kerckenquot; (1427). Vermoedelijk was dit de grondslag van den nieuwen buitenmuur der kerk.

3°. Een leidekker (Gheryt van Hollant) ontdekt //dat oude wtlaetquot; (1427, 1428). Hij haalde dus van het dak de leien af.

4°. Een timmerman (Henryc Gherytszoon in 1427 en Eliaes van den Zande in 1428) brak het uitlaat d. i. hij verwijderde de kap.

5°. Men breekt de muren van het uitlaat (l^S).

6°. Men maakt een beschot //bider dueren onder dat wtlaet aen der noertside van der kerckenquot; (1427). Denkelijk diende dat beschot om de aarde bij het uitgraven van het fondament tegen te houden.

7°. Men breekt lö lagen steen van het oude uitlaat onder de aarde (1428). Het fondament van het uitlaat werd dus afgebroken.

8°. Men koopt duizenden steenen aan (1427, 1428), ook 8 stukken //goelssteensquot; (l^B) *), leinagels (1427), 85 stukken kanthout (1428), dekplanken (1428), ook allerlei ijzerwerk (J428). Denkelijk diende dat materiaal om met het van het oude uitlaat afkomstige voor den nieuwen bouw aangewend te worden.

9°. Er wordt door een aantal werklieden geregeld in daghuur gearbeid (14;27, 1428, 1430).

10°. Men klopt steen tot cement (polver) otn daarmede de goten te metselen (1428).

11°. A.1 het hout wordt gezaagd, dat voor het nieuwe uitlaat benoodigd is (1428). Hieruit werd zeker de kap samengesteld.

12°. Met behulp van teen worden er planken in de glasvensters gebonden (1428). Die beschutting diende zeker om de vensters van het nieuwe uitlaat te sluiten, voordat daarin glasramen werden gesteld.

13°. Een metselaar (Jan Noteboem) dekt de 5 pijlers //van der kercken nije ware aen die noertzidequot; (1430). Die vijf pijlers moeten de beeren geweest zijn, welke den buitenmuur van het nieuwe uitlaat steunen.

li0. Men zet de vforraquot; of het traceerwerk van het venster boven de noorddeur (1430).

15°. Een leidekker (Gheryt van Hollant) dekt 18 roeden //op dat wtlaet aen der noertsyden van der kerekquot; (1430). In 1430 was dus het noordpand van het schip reeds onder dak, zoodat het met leien kon worden gedekt.

1) »Goels steenquot; is blijkbaar hetzelfde als »Goclel steenquot; of »6odersceyer steenquot; in de rekeningen van 1430—1440 van de Buurkerk voorkomende. Van Rappard, De Reken, van de kerkmeesters der Buurkerk in Bijdr. en Med. van het Hist. Genootsch. dl. Ill bl. 72, 77.

ocr page 19

5

Ook de rekeningen, die onmiddelijk op het jaar 1430 volgen, zijn bewaard gebleven, namelijk die van 1431, 1432 en 1433. Men kan daaruit opmaken, dat er toen niet meer gebouwd werd, zoodat het werk toen was afgeloopen. Slechts eenige op zich zelve staande werkzaamheden worden vermeld. Zoo blijkt het dat er toen reeds glasramen waren geplaatst. Immers in 1431 schafte men zich 57 windijzers ') aan voor de glazen, die aan de noordzijde van de kerk stonden. Denkelijk hadden die glazen reeds in het oude uitlaat gestaan. Een liet men echter in 1432 nieuw maken, namelijk dat waarin St. Christoffel, St. Cornelis en St. Anthonis te zamen in stonden afgebeeld.

In datzelfde jaar 1432 werd eene werkzaamheid verricht, die in het bijzonder onze aandacht verdient. Door een metselaar werden toen acht bogen in de kerk opgeslipt en naar behooren gemaakt en werd door hem tevens de //oude afterkerkequot; boven en beneden gewit.

Welke bogen bedoeld zijn, is niet moeilijk te bepalen. Zooals bekend is, zijn de 3 eerste paren pijlers, welke op den toren volgen, die van het oude schip en staat het vierde paar ongeveer daar waar de vroegere transseptpijlers moeten hebben gestaan. Genoemde pijlers, voor zoover zij op eene en dezelfde rij stonden, waren door bogen verbonden, namelijk door 4 in het zuiden en door 4 in het noorden, dus in het geheel door 8. Die bogen moeten uiterst laag zijn geweest,daar de zijpanden van het schip ook zeer laag moeten geweest zijn. Toen nu die uitlaten waren afgebroken en door nieuwe vervangen, die van gelijke hoogte waren als het middenpand van het schip, moet men het noodig geacht hebben de bogen tot hunne tegenwoordige hoogte uit te hakken. Waarschijnlijk wordt dit uithakken met het opslippen s) en maken bedoeld.

Merkwaardiger nog is de vermelding van de oude achterkerk. Hieruit blijkt in de eerste plaats, dat de uitlaten der oude kerk om den toren heen doorliepen en zoo eene achterkerk vormden en voorts dat de verbouwingen van 1423 en 142^—1430 zich niet voorbij het schip hebben uitgestrekt, zoodat de oude achterkerk in stand bleef. Een nader bewijs hiervan wordt ons door de rekening van 1433 geleverd. Gelijk thans schijnt de achterkerk toen drie westgevels te hebben gehad. Die, welke in het zuidwesten was gelegen, schijnt toen bouwvallig te zijn geweest. Daar het zich liet voorzien dat de achterkerk ook spoedig verbouwd zou worden, zal men het onnoodig geacht hebben dien te herstellen. Men liet den gevel aan de west- en zuidzijde van den toren daarom afbreken en in de plaats daarvan een houten beschot optrekken.

Volgens de rekeningen over die jaren had er in 1461 eu 1462 weder eene belangrijke verbouwing plaats. Allerlei materialen werden er toen aangekocht en er werd door een aantal werklieden onafgebroken in daghuur gearbeid. Nergens staat uitdrukkelijk vermeld, in welk gedeelte der kerk die werkzaamheden geschiedden, maar er komen eenige bijzonderheden voor, die vermoeden doen, dat de

1) Zulke windijzers zullen ook geweest zjjn de »yseren roeden, die in die vensteren gemaect syn, daer die glase in dienen sellenquot;, welke in 1437 aan de glasramen der Buurkerk werden aangebracht. Van Rappard, De rek. van de kerkmeesters der Buurkerk bl. 67.

2) De beteekenis van gt;-slippenquot; is reeds vroeger in het licht gesteld. Gesch. bl. 4 noot 9.

ocr page 20

6

vertirumering de achterkerk betrof. Immers de doopvont, die in de achterkerk moet hebben gestaan, werd overgedragen. Het zoogenaamde /'Weerdenaersglasquot;, dat achter den toren stond, werd gezet, nadat de //formquot; of het traceerwerk van het venster gehouwen was. Een ander beschilderd glasraam — het snijdersglas — werd ook geplaatst. Een waarschijnlijk onbeschilderd glas werd aan de noordzijde aangebracht. Meerdere vensters, die nog niet van glasramen waren voorzien, werden voorloopig met planken gedicht. Deze werkzaamheden moeten een gedeelte der kerk betroffen hebben, dat toen nog geheel nieuw was. Daar gebleken is, dat met uitzondering van de achterkerk, de geheele kerk reeds voor lang verbouwd was geworden, zoo kunnen die verrichtingen alleen op de achterkerk betrekking hebben gehad. Ook het crucifix, dat aan den toren hing, werd gerestaureerd, hetgeen ook op eene nieuwe inrichting van dit gedeelte der kerk doelt. Al deze maatregelen kunnen echter slechts een onderdeel der werkzaamheden hebben uitgemaakt. Wat er eigenlijk gedaan werd, kan niet in bijzonderheden worden nagegaan. Zeker is het alleen dat er gewelven werden gemetseld. Immers men zette den berg-vrede (een verplaatsbaren steiger) «dairmen op vvulff'dequot;. De bogen, waarvan slechts die gedeelten, welke op de kapiteelen rustten, aanwezig zullen geweest zijn, werden //toegelegdquot;. Schijven werden aan de slotsteenen bevestigd. Eindelijk werden er 17 kruisribben met hare bogen in het gewelf ge-verwd en verlicht. Hieruit volgt dat de kruisgewelven gemaakt en geheel afgewerkt werden. Het is niet onmogelijk, dat zich die welving niet tot de achterkerk heeft bepaald, maar ook tot het schip uitgestrekt, dat tot aan dien tijd met houten zolderingen of gewelven kan zijn afgedekt geweest. Over het algemeen bekomt men door de rekeningen van 1461 en 1462 den indruk, dat zij ons geen overzicht geven van den geheelen bouw der achterkerk maar alleen van hare voltooiing, waartoe o. a. het welven en het plaatsen der glasramen moet hebben behoord. In ieder geval blijkt er uit, dat de nieuwe achterkerk niet lang voor het jaar 1461 tot stand gekomen moet zijn.

Hiermede meenen wij ons onderzoek van de kerkmeestersrekeningen, voor zoover het de bouwgeschiedenis der kerk betreft, te kunnen besluiten. Het resultaat, waartoe het geleid heeft, blijkt niet zonder gewicht te zijn. Moesten wij bij onze vroegere behandeling van dat onderwerp ons tot gissingen bepalen, gegrond op de gegevens, die het gebouw zelf oplevert, thans hebben wij die vermoedens in de rekeningen bevestigd gevonden en kunnen wij de tijdstippen van de verschillende verbouwingen met meer of minder zekerheid vaststellen. Het koor en kruiswerk zijn waarschijnlijk in den loop der veertiende eeuw gesticht en het schip en de achterkerk tusschen 1423 en 1461 langzamerhand tot stand gekomen.

Overbodig zou het zijn hier nog lang over den lateren aanbouw der kapellen en zijkooren uit te weiden, daar de rekeningen hieromtrent geene nieuwe bijzonderheden aan het licht brengen. Wij herinneren er slechts aan, dat de St. Nicolaaskapel in 1476 naast den zuidelijken ingang der kerk werd gesticht en de St. Andrieskapel in 1492 naast het zuidpand van het kruiswerk is opgetrokken. Wanneer het zuid- of H. Kruiskoor is gesticht, blijft onzeker. Zeker heeft het eene kleinere kapel — de H. Kruiskapel — vervangen. In ieder geval moet die verbouwing voor 1498 hebben plaats gehad , daar het blijkens het nog voorhanden bestek van dat jaar als model diende voor het noodkoor, dat

■

ocr page 21

7

toen in plaats van de kleinere St. Jacobskapel werd opgetrokken. Zooals bekend is, noemde uien dit koor het O. L. Vrouwekoor naar het altaar en de broederschap van O. L. Vrouwe ter nood Gods, die daarin werden gevestigd. De St. Machutuskapel, als tegen den noordwand der achterkerk uitkomende, moet na de verbouwing van dit gedeelte der kerk zijn ontstaan. De tegenwoordige gervvkamer moet blijkens bouwkunstige gegevens tegen het zuidkoor zijn aangebouwd, toen dit reeds een tijd lang had bestaan. Zoo is ook het gebouwtje, dat achter het hoog- en noordkoor uitkomt, van jongere dagtee-ning dan het laatste. Wij hebben vroeger aangenomen, dat dit de kerkekamer is geweest. Dit mag echter betwijfeld worden, daar men in 1598 bij de opsomming van de bijgebouwen der kerk melding vindt van twee sacristieën en eene kerkekamer Zijn er werkelijk twee gerwkamers geweest, dan zal men ze beide toch in de nabijheid van het koor moeten zoeken en dan ligt het voor de hand ook dit kleine gebouwtje voor eene sacristie te houden. In de rekeningen van 1415, 1461, 1470 en 1501 wordt ook eene liberij vermeld, die wij later niet meer aangeduid vinden. Dit moet weder eene andere constructie zijn geweest dan het bedoelde gebouwtje, daar het laatste eerst na 1498 gesticht kan zijn. Die liberij schijnt in 1598 niet meer te hebben bestaan. Waar bevond zich dan de kerkekamer, die wij in dat jaar vermeld vinden. Wy kunnen op die vraag niet met zekerheid antwoorden, maar ver-oorlooven ons toch eene gissing. Op de afbeelding van de St, Jacobskerk in den Tegenwoordigen Staat van Utrecht ziet men ten zuiden van de kerk een huisje met trapgevel, dat door een moderner gebouw met de gerwkamer is verbonden. Het is niet onmogelijk, dat. dit huisje de kerkekamer is geweest.

Wij behooren nu nog een oogenblik bij den toren stil te staan. In 1515 werd op de spits een nieuw ijzeren kruis geplaatst, dat aanmerkelijk kleiner was dan het oude, daar het laatste 474 ^ en het eerste 192 'ffi woog. Dirc Bertoudszoon verwde het rood, evenals den pijnappel, en verguldde den weerhaan. In 15GÜ/1 werd op den toren een nieuwe kap geplaatst, waartoe waarschijnlijk die van het Vrouweklooster nabij de Bileft als model heeft gediend, daar kerkmeesters daarheen trokken om die te bezien, waarna zij den toren van de St. Jacobskerk op een //boeck ofte planckquot; lieten afschilderen. Zooals bekend is, leed de toren erge schade bij het beleg van Vredenburg in 1576, toen de Utrecht-sche burgers van daar uit den vijand bestookten1). Blijkens de rekening over 1576/7 werden er dan ook belangrijke herstellingen aangebracht, die zoowel het metselwerk als de kap betroffen. Voor de kap werd gebruik gemaakt van het houtwerk, dat van het gesloopte kasteel afkomstig was en voordat doel door gecommitteerden uit de Staten beschikbaar werd gesteld. De architectonische versieringen, bestaande in //foeyenquot; (trans) en lijsten, werden door Jacob Colijnss. in steen gehouwen.

Het was echter niet alleen de toren, die onder het beleg had geleden, ook de kappen dei-kerk in de onmiddellijke nabijheid waren sterk beschadigd geworden. Zij waren door de Spanjaarden

1

Gesch. bl. 8, 9.

ocr page 22

8

van het gebouw afgeschoten en nedergestort. Dit geldt van de kap aan de zuidzijde van den toren en van die, welke zich tusschen den toren en den westelijken middengevel der kerk bevond. In dien ontredderden toestand verkeerde dat gedeelte der kerk nog op het einde der löquot;16 eeuw. Het bestek, volgens hetwelk het houtwerk der nieuwe kappen moest worden gemaakt, is niet meer aanwezig, maar wel dat, waarnaar deze met leien moesten worden gedekt. Dit laatste werk werd op 8 Maart 1599 aangenomen door den leidekker Cornelis Peterszoon voor de som van 1125 Karolus guldens1).

Ten slotte verdient het de aandacht, dat er in 1450 een houten torentje, dat met leien gedekt werd, vervaardigd is. Denkelijk stond het midden op het kruiswerk, waar de nokken van de drie kerkdaken zich bij elkander aansloten. Het werd voorzien van een ijzeren pijnappel, een kruis en een weerhaan, die verguld werd. Ook versierde men het met 6 verguld koperen St. Jacobsschelpen.

1

Het bestek is in het archief der St. Jacobskerk aanwezig. Behalve om de bijzonderheden van technisohen aard is het niet onbelangrijk ■wegens de afmetingen, die daarin zijn opgegeven.

De kap aan de zuidzijde van den toren -was lang omtrent 60 voeten en hoog 33 voeten, elke zijde uitmakende 10 roeden en omtrent 20 voeten.

De andere kap ten westen van den toren was lang omtrent 26 voeten en hoog omtrent 84 voeten, elke zijde uitmakende omtrent 4 J roeden en 2 voeten.

ocr page 23

HOOFDSTUK II.

DE INRICHTING EN UITRUSTING VAN

HET KERKGEBOUW.

Vestigt men zijne aandacht op de inrichting en uitrusting van het kerkgebouw, dan komt voor die beschouwing het eerst datgene in aanmerking, wat op den paroohialen kerkdienst betrekking had, en daarna hetgeen de bijzondere altaren betrof met de broederschaps- en gildeperken, welke zich daarbij aansloten. Daar het eerste zich hoofdzakelijk in het hoogkoor, de middelkerk en achterkerk ') bevond, en de zijpanden van het schip en kruiswerk, de zijkooren en de kapellen vooral door het laatste werden ingenomen, zoo zullen wij die deelen der kerk in de aangegeven volgorde behandelen, evenals dit ree^.jn de Geschiedenis van de Kerspelkerk van St. Jacob is gedaan.

§ 1. HET HOOGKOOR.

Het hoogaltaar was, zooals van zelfs spreekt, het belangrijkste monument, dat in het hoogkoor was te vinden. Hieromtrent was ons weinig bekend en ook de later ontdekte bronnen brengen niet veel nieuws aan het licht. Wij wisten reeds, dat op het hoogaltaar een altaarstuk of tafel was geplaatst, dat die tafel waarschijnlijk uit beeldwerk bestond, met deuren kon worden afgesloten en tevens zekere verplaatsbare beelden bevatte, die vermoedelijk van edel metaal waren. In of nabij het hoogaltaar zochten wij de wcasse mitten heilichdomquot; of de reliekenkas1). Deze karige gegevens kunnen met behulp van de kerkmeestersrekeningen slechts gebrekkig worden aangevuld. Het blijkt namelijk dat het steenen altaar vensters had. Immers in 1415 werd er tien voet hardsteen gebezigd aan de vensters achter onder het hoogaltaar. Nadat de werkzaamheden waren afgeloopen, werd de tafel tweemaal op- en afgezet, voordat zij op het altaar waterpas stond. Waartoe die vensters gediend hebben, kunnen wij niet met zekerheid aantoonen. Het is echter niet onwaarschijnlijk dat de reliekenkas hetzij

1

Qesch. bl. 13, 14,

ocr page 24

10

onder het altaarblad in de tumba, hetzij in eene steenen verhevenheid achter het altaar wiis geplaatst en de vensters moesten dienen oui haar zichtbaar te doen zijn. Welke heiligen de verplaatsbare beelden voorstelden, die in de tafel werden bewaard, was ons tot nog toe onbekend. Wij wisten alleen, dat ze in de processie van St. Jacobsdag op kleine draagbaren (//burrigenquot;) werden rondgevoerd Thans echter blijkt het, dat in zulk eene processie, in 1501 gehouden, de beelden van O. L. Vrouw, St. Jacob en St. Cordula, evenals de reliekenkas, ieder door twee priesters, werden gedragen. Het waren dus die beelden, welke los in de tafel waren geplaatst. In 1391 werd aan het houtwerk van en op zijde van de tafel gewerkt door zekeren Jacob den Neven, die toen ook aan den tabernakel voor St Geertruid arbeidde, üf dat beeld tot de tafel heeft behoord, is echter onzeker. Toen de werkzaamheden waren geëindigd , werd de tafel door Michiel Salm //verlichtquot;. In latere jaren werd de tafel geregeld door een schilder schoon gehouden , waarvoor deze op Kerstavond telkens een flesch wijn bekwam. Onder die schilders komen voor: Dirk Bertoutszoon in 1419, Dirk Zas in 1423 en 1428 en Aernt Claeszoon in 1433, 14t)0 en 1454.

Op het altaar onder de tafel stond een houten bord, dat in 1384 vervaardigd werd en in 1501 door den sehilder Dirck Heynricszoon gestoffeerd werd.

Voor het altaar hing een kleed van linnen laken, dat in 1391 vervaardigd en door Michiel Salm verlicht werd.

Op het altaarblad stond eene lade, in 1450 vervaardigd en denkelijk tot de bewaring van kaarsen bestemd.

Voor het altaar hingen roode gordijnen, die men in 149(5 liet maken.

Evenals de meeste andere altaren had het hoogaltaar eene overhuiving of //heaielf'. Deze schijnt van het gewelf te hebben afgehangen. Immers in 1492, toen meester Ewout //dat hemelt int choerquot; verguldde, werden er twee rollen (katrollen) vopt hemeltquot; aangebracht. Of er eenig verband is geweest tusschen die overhuiving en het //om melicht dat om den hogen outaer staetquot; vermogen wij niet op te helderen. Reeds vroeger is dat onimelicht uitvoerig besproken 2). Met komt ook in de rekeningen van 1421 en 1487 voor, waaruit blijkt, dat daarop 8 kaarsen, ieder van een half mark was, konden worden gebrand.

In 1415 leverde Jan van der Weyde een lint, dat voor het hoogaltaar gehangen werd en waarin //Jhesus Mariaquot; stond.

Na het hoogaltaar verdient het sacraments huis in de eerste plaats onze aandacht. Dit monument komt reeds in 1416 voor. Waar het stond, is met zekerheid uit het volgende af te leiden. In het hoogkoor bevond zich een venster, waarbij of waartegen het geplaatst was en dat vermoedelijk om die reden blind was. Toen het noordkoor in 1498 werd gebouwd, werd dat venster uitgebroken1), hetgeen bewijst dat het achter den achtersten noord pijler van het koor heeft gestaan, waar de sporen

2) Gesch. bl. 15.

1

Gesch. Bijl. XXX.

ocr page 25

11

van dat venster nog duidelijk zijn waar te nemen. Met die plaatsing staat de muurschildering in verband, die in 1882 onder het aangrenzende venster der koorsluiting ontbloot is geworden en thans nog aanwezig is. Deze stelt een levensgrooten engel voor, staande en aanziende, met het gelaat een weinig rechts gewend. Zijne vleugels zijn bijzonder groot en met roode en pauwenvederen afgezet. Van het hoofd hangen lange haren af, terwijl op het voorhoofd een gouden kruis is bevestigd. Hij draagt een groen kleed, waarover een lichtgroene mantel is geplooid, die met een breeden gouden (okerkleurigen) rand is afgezet en op de borst gesloten is door middel van een schuins geplaatst vierkant voorwerp eveneens van goud of okerkleurig en met een borstbeeld, binnen een cirkel geplaatst, versierd. In de rechterhand houdt hij een gouden (okerkleurig) koord, waaraan vermoedelijk een wie-rooksvat bevestigd is geweest, en in de linker een zeer lange vlammende toorts. Aan zijne rechterzijde bevindt zich in den muur een vierkant gat, waarin een kastje moet zijn geweest, en aan zijne linkerzijde bevinden zich de overblijfsels van een steenen wijwaterbakje.

Het sacramentshuis onderging in 145Ü eene vernieuwing of belangrijke herstelling, waartoe gelden werden opgezameld. Dat werk werd door //Meister Jacopquot; verricht. In 1492 werd het van boven door meester Ewout verguld en gevernist en in 1521 door Evert Stael «gerenoveerdquot;, bij welke gelegenheid het verzet of verplaatst werd. Daar het laatste door een timmerman geschiedde, moet het van hout zijn geweest. Ook had het versieringen in koperwerk, daar het evenals de doopvont in 1500/1 geschuurd werd. Blijkbaar is het bij den beeldenstorm van 1566 vernield geworden. Daar er nu eene waardige bewaarplaats van het sacrament ontbrak, bracht men in dat jaar het naar het hoogaltaar over. Men sloot het daarin af met een deurtje, dat men daartoe liet maken en vervolgens beschilderd heeft. Bij die nieuwe inrichting behoorde ook een glasraam met zeven houten kaarsen. Die plaatsing was slechts eene voorloopige, daar men in 1571 een nieuw sacramentshuis liet maken. Dit werk werd aan den steenhouwer Jacob Colijnszoon de Nolen opgedragen Op 21 Aug. 1571 werd de eerste steen gelegd en in 1572/3 verguldde men de traliën, zoodat het toen reeds voltooid was.

Gelijk dit in andere kerken gebruikelijk was, placht men ook hier door het branden van kaarsen het //lichaam des Heerenquot; te vereeren. Men plaatste die op een kroon, welke in 1492 aangekocht

1) Deze Jacob was denkelijk een met Mr. Colijn van Utrecht of Eamerik, die in 1543 — 1545 den fraaien schoorsteen op het Raadhuis te Kampen beeldhouwde (Nanninga Uitterdijk Aanteekeningen betr. het oude raadhuis te Kampen in Bijdr. tot de Gesch. van Overijssel dl. VIII bl. 47, 62, 66, 70 en 72), met Colijn den beeldsnijder, die in 1544—1545 in de Buurkerk werkzaam was, met Jacob de Nole, die in 1568—1569 het sacramentshuis in de Buurkerk voltooide, met Jacob Colijn. die omstreeks 1580 het patroon voor de graftombe van bisschop Frederik van Tantenburg maakte, en met Jacob Colijn, die de graftombe van Govert van Reede in de kerk te Amerotgen vervaardigde (Kramm, Vervolg op Immerzeel, bl. 257, 1203). Het bleek ons hierboven reeds bl. 7, dat onze Jacob ook in 1576 den torentrans der St. Jacobskerk bewerkte. Tot zijn geslacht, misschien tot zijne afstammelingen, behoorden Willem, die voor 1631 overleed, en diens zoon Jacob Colyn de Nole, die in dat jaar uitlandig was (Obreen's Archief voor Nederl. kuntsgesch. dl. V bl. 338), voorts Robert, Johan en Andries Colijns de Nole, die in het begin der ndquot; eeuw te Antwerpen als beeldhouwers werkzaam waren. (Marchal, Mémoire sur la sculpture aux Pays-Bas pendant les XVII0 et XVIII» siècles in Tome XLI der Mémoires couronnés publiés par l'Académie Royale de Belgique 2° partie p. 57, 59). Gelijktijdig met de Colijns de Nole bloeide te Mecbelen een beeldhouwersgeslacht Colijns, waarvan het beroemdste lid Alexander Colijns was, die zich vooral door de basreliëfs van het graf van keizer Maximiliaan te Innsprück naam heeft gemaakt. (Neeffs, Histoire de la peinture et de la sculpture a Mulines, t. I p. 20, 303, t. II p. 74 et suiv.).

ocr page 26

12

werd en denkelijk van gesmeed ijzer was, daar zij door een slotenmaker geleverd werd. üeze werd voor het sacramentshuis opgehangen. Ook bediende men zich van stokken, waarop de kaarsen gezet werden en die in 1494 door meester Ewout gestoffeerd werden. Waarschijnlijk werden die in de processies gebruikt.

De beelden, welke in het hoogkoor gestaan hebben, moeten aan de beide achterpijlers bevestigd zijn geweest. Immers daar heeft uien in 1882 de tapijtschilderingen ontdekt, waartegen zij geplaatst waren. Een St. Petrusbeeld ^ op het hoogkoor bestond in 1496. Men placht daarvoor geregeld kaarsen te branden. Bij den beeldenstorm zal dit beeld evenals de overige wel vernield zijn geworden. Toen Jacob Colijnszoon den bouw van het nieuwe sacramentshuis in 1571 ondernam, verbond hij zich ook vier beelden en vier tabernakels te leveren, die in het hoogkoor geplaatst zouden worden. Dien arbeid voltooide hij in 1574/5, bij welke gelegenheid men aan zijne beide zoontjes //na oude heerkomen en manierquot; een drinkgeld gaf.

Op den zuidelijken achterpijler van het hoogkoor bevond zich een wijdingskruis. In het jaar 1882 zijn twee zulke kruisen ontdekt geworden, die over elkander heen waren geschilderd. Zij waren op de witte kalkbekleeding met zwarte kleur afgezet en stelden binnen een cirkel een gelijkarmig leliekruis voor.

Daar aan het hoogaltaar de '/parochialequot; mis gecelebreerd werd, was het hoogkoor vooral de plaats, waar de cureiten en de hun ondergeschikte geestelijken en dienaars gebruik maakten van het gereedschap en de andere voorwerpen, die voor den kerkdienst bestemd waren. Gelijk bekend is, stonden die onder het beheer van kerkmeesters en was hunne bewaring aan de kosters toevertrouwd 1). Het was ons niet gelukt daarvan een overzicht te geven en ook thans is het niet mogelijk dit met eenige volledigheid te doen, daar de weinig talrijke kerkmeestersrekeningen zeer onvoldoende gegevens aan het licht brengen. In deze bronnen worden echter vele voorwerpen genoemd, omtrent wier aard en bestemming geen twijfel kan bestaan, en, daar deze opgaven niet onbelangrijk zijn, meenen wij, ofschoon zij niet het gemis van een volledigen inventaris kunnen vergoeden, toch met een enkel woord daarop de aandacht te moeten vestigen.

Om in de behoeften van den kerkdienst en van de zielzorg te voorzien bekostigden kerkmeesters steeds al hetgeen door de cureiten bij de dagelijksche waarneming van hunne plichten verbruikt werd. Hiertoe behoorden :

1°. de hostiën , zoowel het zoogenaamde //klein broodquot;, dat bij het celebreeren der mis geconsacreerd werd, als het //groot broodquot;, dat bij de communie werd uitgedeeld.

2°. de wijn. De wijn kwam niet alleen bij de mis te pas, maar ook, ongeconsacreerd, bij de communie. Uit de verbruikte hoeveelheden kan men afleiden, dat er vooral //gemundigdquot; werd op de

1

üesoh. bl. 16.

ocr page 27

1.3

hoogtijden van Kerstmis, Paschen (namelijk op Witten Donderdag, Paaschavond , Paaschdag en Maandag na Paschen), Pinksteren en Maria Hemelvaart. Sedert 1450 wordt ook Allerheiligen vermeld. De talrijkste communicanten verschenen op Paschen, slechts weinige op andere hoogtijden: op Kerstmis meer dan bij de overige feesten.

3°. de olie. In de eerste plaats komt de heilige olie in aanmerking, die voor het h. oliesel, den doop enz. was bestemd. Voor de priesters der gansche diocees werd die door den Bisschop in de Domkerk op Witten Donderdag gewijd ^ Een der geestelijken van de St. Jacobskerk ging die op genoemden dag afhalen' en voorzag zich dan tevens van de boomwol, waarmede de plaatsen, waar de zieke met de olie gezalfd was, weder afgeveegd werden. Behalve deze olijfolie gebruikte men ook raap-of hennepolie. Deze werd in de lampen gebrand.

4°. de wierook, die meestal uit Keulen, Antwerpen ot eenige andere voorname handelsplaats afkomstig was.

5°. de was, waarvan de kaarsen en tortisen gemaakt werden.

In verband met die verbruikbare stoffen moeten wij het gereedschap beschouwen, waarin zij bewaard werden of dat op de eene of andere wijze bij den altaardienst en bij de bediening der sacramenten te pas kwam. Wij vermelden daarom hier:

1° de kelken en patenen. Daar met behulp van deze het misoffer werd opgedragen, waren zij van edel metaal. Wij vinden daaronder zilveren vergulde vermeld.

2°. de ciboriën, waarin men de geconsacreerde hostiën bewaarde.

Het schoone ciborie, waarin in 1450 een kristallen pijp gemaakt werd, zal wel den vorm van een monstrans gehad hebben. Kostbaar zal wel een ander geweest zijn, dat tegelijk met een kruis in 1417 vermist werd. Daar in hetzelfde jaar een venster in de'gerwkamer hersteld werd, is het waarschijnlijk, dat er inbraak in dat vertrek gepleegd was en men beide voorwerpen daaruit gestolen had. Men liet terstond bij de goudsmeden en lombarden van alle naburige steden onderzoek doen, of zij verkocht en verpand waren. Dat men in de l()de eeuw het sacrament in eene vergulde //arkequot; bewaarde, was ons reeds vroeger bekend8).

Herhaaldelijk moesten ook de ciboriën hersteld of vernieuwd worden, waarin de gewijde hostiën naar de woningen van hen werden vervoerd, die met de sacramenten der stervenden moesten worden bediend. Daarin bevonden zich zilveren lepeltjes (1419, 14(57).

3°. de bussen, waarin de h. olie naar de kranken werd overgebracht. Deze waren verguld en daarin waren ook lepels geplaatst (1421, 1467, 1489).

4°. de vaten met de h. olie, die bij den kinderdoop gebruikt werd. In 1432 had men er twee, die van edel metaal waren.

5°. de '/paessenquot; of kustafeltjes, die onder de mis gebruikt werden. In 1450 werden er vier gemaakt, die door den schilder Aernt Claeszoon gestoffeerd werden.

2) Oesch. bl. 14.

1) Moll, Kerkgesch. van Neclerl. dl. 11 St. 3 bl. 224, 225.

ocr page 28

14

(5°. een wierooksvat, dat in I4!)4 vermaakt werd.

7°. een wijwatersemmer, in 1431 vermeld, en een koperen wijwatersvat, dat in hetzelfde jaar geleverd werd en in de gerwkaraer hing.

8°. een schel, die op het hoogkoor hing en in 1492 en 151(5 door een nieuwe vervangen werd.

9°. ampullen of pullen, waarin olie of wijn bewaard werd (i4:-21, 1492, lö^l). In 1501 kocht men er zeven paar aan.

10°. schalen. In 1495 werd er een oude vermaakt en een nieuwe vervaardigd. Beide waren van zilver en verguld. Zulke schalen konden voor allerlei doeleinden bestemd zijn ').

I 1°. reliekenkassen. Van de groote reliekenkas is reeds melding gemaakt. Bovendien waren er meerdere kleinere kassen met //heiligdomquot; (14()7). Sommige overblijfsels van heiligen waren in monstransen ten toon gesteld. Zoo verzilverde de schilder Aernt Claeszoon in 1433 zulk een koperen monstrans. In hetzelfde jaar kocht men een zilveren, waarin een tand van St. Appollonia werd geplaatst.

12°. kandelaars en luchters.

De houten schaft, waarop de paaschkaars werd gesteld, heette de paaschboom en werd in 1384 door Herman Salm gevervvd De tortisen werden ook op schaften gesteld (1492). Op de altaren zette men somtijds ook houten blakers (1490). Koperen kandelaars waren talrijk,

13°. lampen. Men onderscheide de zoodanige, waarin het eeuwige licht voor het sacrament en de altaren brandde (1454, 1495,1502), en die, welke tot verlichting dienden. Deze laatste waren denkelijk van glas (15(30). Herhaaldelijk worden houten oliekruisen, somtijds in een groot aantal, opgenoemd, o. a. in 1391 en ook nog in 1572. In 1450 werden er achttien door Aernt Claeszoon gestoffeerd. Kunnen het kruisvormige lampen geweest zijn, die bij groote plechtigheden opgehangen werden ?

14°. kruisen en vanen. In de plechtige omgangen, vooral die, welke op de kruisdagen werden gehouden, placht men een processiekruis te dragen benevens twee kruisen, waaraan vanen of banieren waren gehecht. Men bewaarde ze achter het hoogaltaar, waar ze met krammen bevestigd waren (1450). In 1496 schafte men ze zich opnieuw aan. Men liet toen door een beeldsnijder een processiekruis en twee andere kruisen vervaardigen, die elk op stokken werden geplaatst. Aan de twee laatste werden vanen gehecht, hangende aan kleine stokjes, dus in den vorm van banieren. De vanen waren van zijde, van groen zijden franjes voorzien en werden door Willem Floriszoon beschilderd, die ook de drie kruisen verguldde en stoffeerde.

15°. altaarkleeden.

Van het antependium, in 1391 voor het hoogaltaar vervaardigd, is reeds melding gemaakt8). In 1482 liet men er een maken, dat op hoogtijden daarvoor gehangen werd. Het had boorden en 141/2 el franje. Ook de //dwalenquot;, die op het altaar gespreid werden, komen voor (14(52). Gordijnen

1

In de Buurkerk had men zilveren schalen, die bij het communiceeren werden gebruikt. Van Rappard, Rek. der Buurkerk in Bijdr. en mod. van het Hist. Gen. 1880 dl. Ill hl. 142.

ocr page 29

15

voor het altaar werden in 1415 //scietklederenquot; genoemd. Men liet er toen 4 voor de heide altaren beneden in de kerk maken. De handdoeken of «hantdwaelenquot;, waaraan de priesters hunne handen afdroogden, werden in 1495 ten getale van vier uit 8 el linnen laken vervaardigd1).

10°. kussens. Deze konden bestemd zijn voor een gestoelte, voor de voetbank bij het altaar om daarop te knielen, of voor het altaar zelf om het missaal daarop te leggen. In de rekeningen schijnen doorgaans zitkussens bedoeld te zijn. In 14S7 werden zij vernesteld en in 15(iü verleerd.

17°. kerkgewaden.

De voornaamste waren kappen, kasuifels en dienrokken, waarvan meerdere volledige stellen voorhanden waren, die in kleur en pracht verschilden naar den aard van de diensten, waarvoor zij bestemd waren. Hoe zij vervaardigd werden, kan bij sommige uit de rekeningen worden aangetoond. Zoo schafte men zich in 131J5 een kap aan, die uit S'/a el fluweel en ü1/, el kovellaken werd samengesteld , bezet werd met 51/4 el boorden en gevoerd met linnenlaken. Men versierde haar met zijden franjes en snoeren en met een knoop en 80 bellen van verguld zilver. In 1415 kocht men op de Ant-werpsche markt 3 damasten lakens, elk van 3 Brugsche ellen, en bovendien 2 Brugsche ellen om daarvan een kap, een kasuifel en twee rokken te laten maken. Toen men in 14Ü4 en 1495 een ander stel deed vervaardigen, schijnt de stof voorhanden of geschonken te zijn geweest. Zekere broeder Wouter maakte de kap, waarbij hij 10 el //bollekraenquot; (bougran of boucran in het Fransch) aanwendde, een soort van stijf linnen, dat tusschen de voering en de stof werd geplaatst om aan het gewaad meer stevigheid te geven. Ook aan die kap werden zijden franjes en snoeren benevens verguld zilveren bellen en een knoop aangebracht. Aan Jan Henrickszoon, borduurwerker te Amsterdam, werd het maken van de kasuifel opgedragen. Hij werkte daarop een kruis naar een patroon, dat door den schilder Willem Floriszoon was geleverd. Daarlangs bracht hij lijsten aan. Ook zette hij de boordey op de dienrokken. Omtrent de kap, die in 1432 voor de beste gold, vindt men vermeld, dat daaraan een //bruetsquot; hing. //Brutsenquot; of //britsenquot; komen in de latere middeleeuwen gedurig voor. Behoorden zij bij klee-dingstukken , dan waren het versiersels, die op de borst of op de mouw werden bevestigd2). AVerd eene koorkap, zooals hier, met eene brits versierd, dan was zij doorgaans van zilver of van verguld zilver en placht men haar achter aan dat kleedingstuk te hangen 3). Of //onser kercken brudtsquot;, die in 1496 vervaardigd werd, bij een koorkap heeft behoord, is aan twijfel onderhevig. Het blijkt namelijk, dat men ook zekere zilveren voorwerpen, waarmede men de sacramenten administreerde, //brissenquot; noemde. Eene groote zilveren brits werd in 1493 in de groote ark van de Nieuwe Kerk te Delft

1

Het »lavoei-quot; of'lampet bevond zich in de gerwkamer (1501).

2

Men zie de uitvoerige aanteekeningen bij Verwijs en Verdam, Middelned. Woordenb. in voce; Broke en Britse. Blijkens het hierna te veriuelcien Tielsche kerkregister bezat de St. Walburgskerk te Tiel iu 1571 meerdere brutsen; «Die grote broedse off voirspansel op die borst weecht in als ij pont min een loot. Die een cleyn broedse weecht xx loot. Die ander cleyn brodse weecht xxj 4 lootquot;.

3

Dit blijkt «it de door Mr. S. Muller Fz. aangehaalde plaats omtrent de koorkappen van de kanoniken van den Dom, gevoegd bij den «Inventaris van het goud- en zilverwerk der Utr. gestichten in 1578quot; door hem uitgegeven in het Archief van het Aartsbkdom Utrecht, dl. VII. bl. 297.

ocr page 30

16

geplaatst Misschien had de wbrudtsquot; van 149ö eene soortgelijke besteimuing. Zij was van verguld zilver.

Tot de kerkgewaden zijn ook de alven te rekenen. Een dezer werd in 1395 van laken gemaakt en daarop werden drie lelieën genaaid, üe snoeren, waarmede de geestelijken zich omgordden, werden in 1495 //schortsnoerenquot;, in 1515 //schortselenquot; en in 1570 //goltsnoerenquot; genoemd. Stolen en amicten komen in 1415 voor. In hetzelfde jaar treffen vvij de benaming //antvancquot; aan, zeker in de beteekenis van handvanen of manipels1).

18°. latrienen, lectrynen of lezenaars, van welke er een of twee op het koor stonden (1496, 1502).

19°. boeken.

Onder de boeken, die bij de kerkdiensten in gebruik waren, worden in 1404 vermeld: //missalen, gradaelen, antiffenaeren, lexionaeren en capittelaerenquot;. Later komen //soutersquot; (1450, 1494) voor, zangboeken, die op het orgel gebruikt werden (1488), //veersboekenquot; (1515) en //vesperboekenquot;.

Gedurig werden er zulke boeken vervaardigd of vermeerderde men hun inhoud door daaraan katerns van perkamenten bladen toe te voegen, die dan beschreven werden. Met dat schrijven hielden zich bezig de koster Florens in 1410 en 1421, Jacob Aelbertszoon in 1450, Jacob Passert in 1450, Roelof de Wit in 1450 en de koster Johannes in 1488 en 1489. Sommige van deze schrijvers legden zich ook op het verlichten toe. Toen Jacob Passert in 1450 een klein missaal schreef, maakte hij daarin ook 1200 roode letters en werd het daarin afgebeelde crucifix ook door hem verguld. Als binders, die de boeken inbonden of, zoo de band was losgeraakt of de inhoud vergroot, verbonden, komen voor Jan Meus in 1416, broeder Hartman de Jacobijn in 1431, Jan en Roelof de Wit (die tevens schreef) in 1450, de St. Hieronymusbroeders in 1488 en 1489 en Jan de boekbinder in de Catbarijnestraat in 156G/72).

Voordat wij van het hoogkoor afscheid nemen, behooren wij op de tralieën van het koorhek het oog te vestigen.

Voor ieder van de drie kooren staat een houten beschot, waarin koperen tralieën zijn aangebracht. Die van het noord- en zuidkoor zijn gelijkvormig en in gothischen stijl bewerkt en werden, zooals bekend is, in 1515 door Mr. Jan van ünde uit Mechelen vervaardigd3). Die van het hoogkoor geven renaissance-vormen te zien. Omtrent het tijdstip, waarop deze vervaardigd zijn, heerschte onzekerheid. In 1527 namen kerkmeesters geld op '/tot die nye metalen tralye voert choerquot; d. i. voor het hoogkoor. Dit zou doen vermoeden, dat de tegenwoordige tralieën toen zijn gezet, maar wij achtten het onwaarschijnlijk, omdat het nauwelijks denkbaar is, dat men nog geen tien jaren, nadat men de

1

3) Hoewel niet tot de boeken behoorende, die voor den kerkdienst werden gebruikt, wensohen wij hier ook melding temaken van het register, waarin de koster aanteekening hield van dc uiterste wilsbeschikkingen, die voor kerkelijke doeleinden werden gemaakt. Met dat testamentboek vergezelde hij den priester, welke uitging om de sacramenten der stervenden to bedienen. In 149C werd een nieuw zoodanig register aangelegd.

2

Het »miraeriaelquot;, dat in 1416 verbonden werd, kan een ander register geweest ziju, wellicht dat, waarin de bezittingen en giftbrieven van de kerk waren afgeschreven.

3

Gesch, bl. 56, 61, 329

ocr page 31

17

gothisehe tralieën der zijhekken had gegoten, die voor het middenhek in renaissancestijl vervaardigd zou hebben. Op grond hiervan namen wij aan, of dat aan het voornemen, dat in 1537 bestond, eerst in veel lateren tijd uitvoering is gegeven öf dat er werkelijk in 1527 een traliewerk is gemaakt en dit later door het tegenwoordige is vervangen1). Later kwamen wij van dat denkbeeld terug, toen het bekend werd, dat Mr. Jan van Ende reeds in 1519 een traliewerk in renaissancestijl onder het orgel der Domkerk had aangebracht. Om die reden hielden wij het voor zeer goed mogelijk, dat het middenhek in 1527 met de tegenwoordige renaissance-tralieën is versierd 2). Bij onderzoek van de kerkmeesters-rekeningen is thans echter gebleken, dat een van onze vroegere gissingen de juiste is. Het tegenwoordige traliewerk dagteekent eerst van lööO. Volgens de rekening van dat jaar leverde Jan de Clerck, geelgieter te Antwerpen, het koperen //kalomwerckquot; voor het hoogkoor naar het patroon, dat hij zelf gesneden had. Vermoedelijk zijn die tralieën in de plaats getreden van andere, die in den beeldenstorm waren vernield. Die vroegere tralieën kunnen zeer goed in 1527 gesteld zijn geworden en zullen toen wel in denzelfden geest als die der zijhekken zijn uitgevoerd.

Het hek van het hoogkoor maakt in het midden een voorsprong, die door een zoldering is afgedekt. Waartoe die voorsprong gediend heeft, was ons onbekend. Alleen scheen ons de gissing geoorloofd, dat daarop een triomfkruis was geplaatst3). Dat vermoeden blijkt thans ongegrond te zijn. Volgens de rekeningen bevond zich voor het hoogkoor een O. L. Vrouwebeeld //hangende in de zonquot;. Het werd in 1520 door //Dire in Rutenberchquot; hersteld en zal in den beeldenstorm van 1566 wei vernield zijn geworden. Later toch werd het beeld van O. L. Vrouw //in de zonquot; op nieuw gehangen, hetwelk wel een nieuw beeld zal geweest zijn. Dit geschiedde in 1572/3, nadat het door Gerrit Splintersz met //gebruyneert goutquot;••gestoffeerd was geworden. Het kunstwerk zal wel een in een stralenkrans gehuld Mariabeeld zijn geweest, gelijkvormig aan dat, hetwelk thans nog in de kerk te Calcar te zien is. Vermoedelijk hing het boven den voorsprong, zoodat daarop geen triomfkruis kan hebben gestaan.

Voor het hoogkoor bevonden zich koperen kandelaars, waarop dagelijks, des morgens gedurende de eerste mis en des avonds onder het lof, kaarsen werden gebrand. Vermoedelijk waren deze op het koorhek geplaatst. Vier-en-twintig weduwen, die in het kerspel woonden, bekostigden die kaarsen, door hiervoor per hoofd 20 stuivers in het eene en 10 stuivers in het andere jaar bij te dragen, maar in 1570/1 hield men daarmede op, daar het in onbruik begon te geraken.

§2. DE MIDDELKERK,

Het middenpand van kruiswerk en schip stond als de middelkerk bekend. Daar vereenigden zich de parochianen bij voorkeur, wanneer zij den dienst aan het hoogaltaar bijwoonden of het sermoen bij den preekstoel, welke in die ruimte geplaatst was, aanhoorden.

3

1

Gesch. bl, 18.

ocr page 32

IS

Reeds vroeger 1) waren wij van oordeel, dat de lichtkroon, die altijd in de kerk aanwezig was en onder het beheer van kerkmeesters stond, in het middenpand van het kruiswerk heeft gehangen. Dat vermoeden wordt thans door de kerkmeestersrekeningen bevestigd. In 1574/5 kocht men van Alijt van Dorsschen, weduwe van Gerrit Rijckss. van Noerden, een metalen (geelkoperen) kroon met zestien pijpen, welke gehangen werd voor O. L. Vrouw woort hooch choorquot;. Daar gebleken is, dat voor het hoogkoor het beeld van Maria //in de zonquot; geplaatst was, zoo moet die kroon in het midden van het kruiswerk gesteld zijn geweest. Denkelijk kwam zij in de plaats van de vroegere, die in den beeldenstorm vernield zal zijn geworden.

In het kruiswerk hing ook een misklokje, dat in 1410 vermeld wordt. Denkelijk bevond het zich in of onder het torentje, dat, gelijk wij vermoedden ^), boven het middenpand van het kruiswerk stond.

Het is bekend, dat de twaalf pijlers van het schip met de beelden der apostelen moeten hebben geprijkt. ïn de rekeningen worden die beelden voor het eerst in 1494 genoemd, terwijl in 1501 blijkt dat daaronder blakers waren gesteld, waarop kaarsen werden gebrand. Daar die beelden gepolychromeerd waren, vermoedden wij, dat het gedeelte der pijlers, waartegen zij geplaatst waren, met een achtergrond in schilderwerk versierd is geweest 3). In 1882, toen de kerk van hare kalkbekleeding werd ontdaan, bleek die gissing waarheid te bevatten. Immers op iederen pijler kwam een langwerpig vierkant tapijt met randen in schilderwerk voor. Op diezelfde pijlers, een weinig lager, vertoonden zich ook andere schilderingen, welke alle figuren voorstelden. Slechts de volgende waren duidelijk te onderscheiden :

1°. op de oostzijde van den noordelijken transseptpijler: staande Christusfiguur, aanziende, doch met de oogen een weinig zijdelings^ft^yid, in wit kleed, de rechterhand (zonder litteeken) zegenend voor de borst houdende.

2quot;. op de oostzijde van den zuidelijken transseptpijler; Johannes de Dooper, staande, aanziende, het gelaat forsch van uitdrukking, met baard. Hij is gekleed in een geelachtig gewaad, denkelijk een kemelshuid, waarvan de staart tusschen de beenen van den heilige hangt. In de linkerhand houdt hij een boek, waarop een liggend lam: de rechterhand is voor de borst over het'lam uitgestrekt. De figuur is in een boomrijk landschap geplaatst *).

3°. op de oostzijde van den derden noordelijken vrijstaanden pijler, van den toren af gerekend: onder een gothisch baldakijn een staande figuur, aanziende, met bruinen vlasbaard, geheel in een blauw ondergewaad en rooden mantel, lezende in een boek, dat hij in de rechterband heeft en met de linkerhand openhoudt. Denkelijk is die heilige de evangelist Mattheus.

4°. op de oostzijde van den zuidelijken pijler daartegenover: onder een gothisch baldakijn een aanziende figuur, staande op een vloer van zwarte en witte steenen, gekleed in een blauw gewaad en

1) Gesch. bl. 19. 2) Zie hierboven bl. 8. 3) Gesch. bl. 19.

4) Blijkbaar heeft die schildering met het daar tegenover geplaatste St. Jansaltaar in verband gestaan. Gesch. bl. 33.

ocr page 33

19

een gouden kelk in gothischen stijl in de hand houdende. Vermoedelijk wordt hierdoor de evangelist Johannes voorgesteld.

Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor dat de pijlers met die figuurschilderingen versierd zijn geweest, voordat daaraan de apostelbeelden geplaatst zijn geworden.

Reeds sedert het begin van de 15de eeuw was het kerkorgel tegen den oost wand des torens geplaatst. Bijzonderheden daaromtrent waren ons uit den tijd vóór de kerkhervorming nagenoeg on-bekend. Alleen wisten wij, dat men in 1504 geld opnam tot het maken van een nieuw orgel, hetwelk in 1509 door Mr. Geert, orgelmaker, voltooid werd

Thans blijkt het, dat men reeds in 1427 achter aan den toren een nieuw orgel had laten plaatsen, hetwelk geleverd werd door den orgelmaker Jan Ryem, die daarvoor het oude orgel met toebehooren bekwam en bovendien 78 gulden. De zoldering, waarop dat instrument gesteld werd, werd toen ook vernieuwd, de orgeldeuren werden van het noodige ijzerwerk voorzien en de achtergrond, waartegen het geplaatst werd, door Herman de Ruter beschilderd.

Voor het orgel, dat in 1509 tot stand kwam, werden reeds in 1502 gelden opgezameld. In 1504 maakte men met de werkzaamheden tot zijne plaatsing een aanvang. Het werd toen door Dirc Heynriczoon aan den voet met wblau lasuyrquot; afgezet.

In 1500/1 achtte men het noodig belangrijke herstellingen aan te brengen. Dit werk werd door den orgelmaker Mr. Jan Roes uitgevoerd en door Mr. Jan van den Bos (denkelijk organist te 's Hertogenbosch) en Mr. Peter, organist van de kerk van Oudmunster, als deskundigen opgenomen.

Het instrument werd in orde gehouden of geaccordeerd door Gijsbert Talp in 1404, 1419 en 1433, door Jannes Ryem in 1428, 1430—1433, 1450 en 1454 en door Beernt uten Englie in 1574/5. _____ .

Hoe het orgel in 1579 beschadigd en in 1587 hersteld werd, is reeds vroeger aangetoond 1), zoodat wij op die zaak niet behoeven terug te komen. Met is echter hier de plaats op eene vernieuwing de aandacht te vestigen, die tot nog toe onbekend was gebleven.

Blijkens de in het archief van de St. Jacobskerk aanwezige stukken verbonden zich op 28 September 1009 de orgelmakers Mr. Dirk Peters de Swart en Mr. Jacob Jans jegens kerkmeesters het kerkorgel te herstellen voor de som van 540 Karolus guldens volgens een uitvoerig bestek, waaruit blijkt dat het eene verbetering van het instrument gold. Ook namen zij op zich het werk van het kleine orgel (blijkbaar het voormalige orgel der O. L. Vrouwe broederschap 3)) na te zien en de pijpen, die uit de gaten geraakt waren, weder sprekende te maken. De herstellingswerken aan het groote orgel kwamen bij gedeelten in 1610 en 1612 tot stand; die aan het kleine eerst in 1614. Telkens werden zij door Mr. Peter wten Bogaert, organist van de St. Pieters- en Nicolaaskerken, en Mr. Anthonius Wyborch, organist der Domkerk, als deskundigen, onderzocht en goedgekeurd. Nadat de

1

Gesch. bl. 20—22.

ocr page 34

20

werkzaamheden waren afgeloopen, verbonden zich de beide aannemers de twee orgels te accordeeren volgens het oude gebruik, waarvoor zij tien jaren lang 8 gulden 10 stuivers 'sjaars zouden genieten Deze overeenkomst dagteekent van 10 Februari 1614.

Gelijktijdig met de vernieuwing van het groote kerkorgel lieten kerkmeesters de beide zijden van het positief met vier deuren versieren. Een kistemaker vervaardigde daartoe vier ramen, die met 15 el linnendoek bekleed werden. Het schilderwerk werd daarop door Roelof van Zyll voor 55 gulden aangebracht1). Het zijn waarschijnlijk die deuren, welke tot op heden bewaard zijn gebleven2).

§ 3. ü E A C H T E R K E R K.

De ruimte bezijden en achter den toren maakt een zeker geheel op zich zelve uit. Zooals gebleken is, bestond er reeds voor de verbouwing omstreeks 1460 zulk eene achterkerk, wier inrichting-wel niet veel van die der latere constructie zal hebben verschild.

In die achterkerk, en wel bepaaldelijk in het noordelijk gedeelte, hebben wij de doopvont gezocht 3). In 1391 werd de vont gewijd, zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat er toen een nieuwe werd gemaakt. Bij de verbouwing der achterkerk onderging zij in 1461 eene verplaatsing. In lateren tijd blijkt het dat zij van metaal was, daar zij toen werd geschuurd.

Het Vontsaltaar, dat bij de doopvont moet hebben gestaan, was naar alle waarschijnlijkheid aar. St. Leonard gewijd4). Toen de oude achterkerk nog bestond, schijnt het zich in eene kapel te hebben bevonden, waarin zeker ook de doopvont geplaatst zal zijn geweest. Immers in 1454 werd er voor St, Leonard een eiken rib gemaakt, waarop de kaarsen gesteld moesten worden, die men aan den heilige offerde. Zulk een rib heeft men moeilijk ergens anders dan voor den ingang eener kapel kunnen aanbrengen. Ook werd er toen voor St. Leonard een ijzeren tralie geplaatst.

Op den noordelijken torenwand was vroeger eene bijna geheel vergane muurschildering te onderscheiden, die bij de geheele wegruiming van de kalk in 1882 beter zichtbaar is geworden. Zij bleek de stigmatisatie van den H. Franciscus voor te stellen. In het midden stond Christus aan het kruis, uit wiens wonden bloedstralen vloeiden naar de handen en voeten van den heilige, die aan de rechterzijde van den Heiland met uitgestrekte armen achterover ter aarde lag. Ook kwam er toen onder het tweede noordelijke venster eene schildering voor den dag, vrouwelijke heiligen in extatische houding naar boven ziende voorstellende, waarschijnlijk in verband met hetgeen op het geschilderd glasraam daarboven afgebeeld is geweest.

Gaat men tot de beschouwing van het zuidelijk deel der achterkerk over, dan verdient in de eerste plaats het groote crucifix onze aandacht, hetwelk daar aan den torenwand bevestigd is ge-

2) Gesch. bl. 22.

1

Kerkmeeetersrekening van Murtini 1608—1609.

2

3) Gesch. bl. 22. 4) Gesch. bl. 22.

ocr page 35

21

weest1). In 1461, denkelijk bij de verbouwing der achterkerk, werd het vermaakt en geverwd en in het volgende jaar sneed men lovers en andere versieringen aan het overstek, dat zich boven dat kruisbeeld aan den toren bevond. Denkelijk was dat overstek een houten baldakijn, üe opening van den torenmuur onder de plaats, waar zich het crucifix heeft bevonden, is naar onze gissing voor een heilig graf bestemd geweesta). Dat vermoeden wordt thans door de rekeningen bevestigd. Volgens die van 1467 bevond er zich een klein offerblok //neffen dat heilige cruys ende dat heilige graftquot;. Kruis en graf waren derhalve in elkanders onmiddellijke nabijheid.

Wij wisten, dat, nadat de St. Jacobskerk voor den Hervormden eeredienst was ingericht, er een vaste armen brood tafel bestond en deze tegen den zuidwand van den toren geplaatst was. In het onzekere verkeerden wij alleen, of er zulk eene vaste tafel ook vóór dien tijd bestond1). Alle twijfel wordt dienaangaande opgeheven door de rekening van 1560/1, volgens welke er een graf verkocht werd, //leggende onder den armen pot haer tafel daer zy dat broot den armen deylenquot;.

In de vensters der achterkerk stonden glasramen, die meerendeels, zoo niet alle, voorstellingen in schilderwerk te zien gaven. Ten einde hunne plaatsing eenigszins te kunnen bepalen, is het noodig eerst te onderzoeken, welke glasramen er voor de Hervorming in de kerk aanwezig zijn geweest en daarna bij die van de achterkerk meer in het bijzonder stil te staan. Vooraf meenen wij er aan te moeten herinneren, wat ons reeds aangaande de glasramen uit dat vroegere tijdperk gebleken was. Volgens de ons bekende gegevens stond er:

1°. in het noord- of O. L. Vrouwe-koor:

a. een glasraam van de O. L. Vrouwe broederschap.

b. een glasraam door den Domproost geschonken in 1509/10.

c. een glasraam door Jan van Wee of Weede geschonken in 1512/3''j.

2° in het noorden van hel kruiswerk: een glasraam met de wapens en kwartieren der geslachten van Culenborch en Bueren 2).

3°. in het noorden van het schip: een glasraam, dat den kruisdragenden Christus en, als den schenker daarvan, bisschop iVederik van Tautenburg voorsteldequot;).

4°. in het zuiden van het kruiswerk: een glasraam met de afbeelding van een mannelijken geestelijke en de kwartieren van Soudenbalch 7).

5°. in de St. Andrieskapel: een glasraam van het Duitsche Huis8).

6°. in het zuiden van het schip: een glasraam met de afbeelding van de zeven keurvorsten, in 1458 door de Hanse geschonken 9).

Volgens de rekening van 1496, werden er in dat jaar aan nagenoeg alle glasramen der kerk

1

1) Gesoh. bl. '23. 2) tiesch. bl. 23. 3) Geach. bl. 24.

2

Gesch. bl. 80. 6) Gescü. bl. 80. 7) Gesch. bl. 80.

ocr page 36

23

zekere herstellingen aangebracht. Een zestiental worden daarin achtereenvolgens opgenoemd. Daarna wordt vermeld, dat er aan de tien glazen aan de noordzijde 30 stuivers was besteed. Hieruit volgt, dat de afzonderlijk genoemde glazen iiiet in het noorden hebben gestaan. Beziet men de lijst nauwkeurig, dan fclijkt het, dat die glazen in de volgorde hunner plaatsing worden opgesomd en wel van het westen langs de zuidzijde naar het oosten. De eerste hebben ongetwijfeld in de achterkerk en de laatste in het zuidkoor gestaan. Wij worden derhalve door die opgave omtrent de plaatsing van ieder glas nauwkeurig ingelicht en zullen ze opsommen in de volgorde, die door de rekening wordt aangegeven :

1°. het //Weerdenaersglasquot; — denkelijk aan de westzijde rechts naast den ingang.

2°. liet //wantsnijdersglasquot; — denkelijk aan de westzijde boven den ingang.

8°. het //brouwersglasquot; — denkelijk aan de westzijde links naast den ingang.

40, het //weversglasquot; — denkelijk in het eerste venster aan de zuidzijde.

5°. het //glas neffen 't heyllich graftquot;' — denkelijk in het tweede venster aan de zuidzijde tegenover het crucifix en heilig graf.

6°. het //glas naest die rode capellquot; — denkelijk in het derde venster aan de zuidzijde naast de O. L. Vrouwekapel.

7°. het //glas inde rode capellquot; — denkelijk in de O. L. Vrouwekapel.

8°. het //glas boven die zuytdoerquot;.

9°. het quot;glas in sunte Nyclaes cappellquot;.

10°. het //glas van Brederodequot; — denkelijk in het venster links naast de St. Nicolaaskapel.

11°. het //glas van bisschop Davidtquot; — blijkbaar van bisschop David van Bourgondië, denkelijk in het venster rechts naast de St. Andrieskapel.

12°. het //glas van de Oesterlincxquot; — denkelijk in de St. Andriesk^el.

13°. //lieer Evert Zoudenbalcs glasquot; — denkelijk in het zuiden van het kruiswerk.

14°. //Jan Dirckss. glasquot; — denkelijk in het venster rechts der koorsluiting van het zuidkoor.

15°. het //glas van de cmysbroedersquot; — denkelijk in het middenvenster der koorsluiting van het zuidkoor.

16°. het //glas boven dat heylicli graft' van Ansem Zalmquot; — denkelijk in het venster links der koorsluiting van het zuidkoor,

Toetst men deze plaatsbepalingen aan hetgeen wij omtrent de glasramen der kerk reeds wisten, dan blijkt tusschen beide in zoover overeenstemming te bestaan, dat in het zuiden van het kruiswerk zich het glas van Soudenbalch bevond. Maar er is ook één verschilpunt. Tot nog toe hadden wij aangenomen, dat in de St. Andrieskapel een glasraam van het Duitsche Huis was geplaatst en in een venster van het zuidpand var het schip dat van de Oosterlingen of de Hanse voorkwam. In de medegedeelde lijst wordt echter alleen het glas der Oosterlingen vermeld, dat wij in de St. Andrieskapel te huis hebben gebracht. Waarschijnlijk laat zich die tegenstrijdigheid op de volgende wijze verklaren. Dat er in de St. Andrieskapel een jjlas van het Duitsche Huis bestond, was ons bekend uit den

ocr page 37

23

fundatiebrief van 1492 dier kapel. Dat charter is echter niet meer in originali voorhanden, maar een afschrift, dat daarvan in de zeventiende eeuw is gemaakt. Wellicht heeft er in het oorspronkelijke '/Duytsche Hansenquot; gestaan en heeft de afschrijver dit als //Duitscher Huysenquot; gelezen. Volgens die verklaring zou er dan geen glas van het Duitsche Huis hebben bestaan en dat van de Hanse zeer goed in de St. Andrieskapel gesteld kunnen zijn geworden.

De rekeningen brengen slechts weinige andere glasramen aan het licht, dan die in de meergemelde lijst van 1496 zijn opgegeven. Alleen de volgende worden uitdrukkelijk aangeduid:

1°. het glas //daer sinte Christoffels, sinte Cornelis ende sinte Anthonis te samen in staenquot;, hetwelk men in 1482 liet maken en denkelijk plaatste in den noordwand van het schip 'j. Het werd door den glazenmaker Yzebrant voor 72 gulden geleverd.

2°. het //glas van Burenquot;, dat in 1501 vermeld wordt en blijkbaar hetzelfde was als dat, waarop de kwartieren van Culenborch en Buren waren afgebeeld en dat in den noordwand van het kruiswerk stond 1).

3°. het //louwersglasquot; dat eveneens in 1501 vermeld wordt en waarschijnlijk stond in de nabijheid van het altaar van het louwersgild, welks standplaats onbekend is.

4°. een glasraam, dat in 1501 door den schout van Utrecht was geschonken. Deze schijnt als model een glas in de Kerk te Oudenbosch te hebben aangewezen. Immers kerkmeesters reisden met den schout en een glazenmaker naar die plaats om het te bezien. In 1501 vervulde Jan over de Vecht de functie van schout en werd in het volgende jaar door «jongequot; Bernt Proeys opgevolgd 2).

Bovendien kunnen we nog mededeelen, dat er in 1540 aan de noordzijde drie nieuwe glasramen waren, die dus niet lang voor dien tijd vervaardigd moeten zijn.

Wij behooren thans -meep opzettelijk bij eenige glasramen der achterkerk stil te staan. Zooals gebleken is, moeten de zes eerste van de hierboVsq^medegedeelde lijst van 1406 aan de west-en zuidzijde van dat gedeelte der kerk aanwezig geweest zijn.

Het eerst wordt het //Weerdenaersglasquot; genoemd. Dit is blijkbaar het //glas after den toernquot;, dat men in 1462 bij de verbouwing der achterkerk liet maken. Met bestond uit 12(5 voet //gescreven werckquot; en 135 voet //vvitwerkquot;, zoodat de beschilderde en onbeschilderde gedeelten ongeveer van gelijke grootte moeten zijn geweest. Het kostte 55 gulden, waarin de buren in de Weerd 41 gulden en 4 kromstaarten hebben bijgedragen. Vermoedelijk heeft men het op grond hiervan het vWeerdenaers-glasquot; genoèmd.

Bij de verbouwing der achterkerk in 1461 werd ook het wsnijdersglasquot; gezet 4). Of dit raam te onderscheiden is van het wantsnijdersglas, dat in de lijst van 1496 voorkomt, durven wij niet te beslissen. Zeker is het, dat er te Utrecht zoowel een snijders- als een wantsnijdersgild heeft bestaan en bovendien eene corporatie der oudewantsnijders.

4) Zie hierboven bl. 6.

1

1) Zie hierboven bl. 5. 2) Zie hierboven bl. 21.

2

Men zie de regeeringslijst bij Van de Water. Groot Utr. Placcaatb. dl. III. bl, 159.

ocr page 38

u

In 1450 komt het wolleweversglas voor. Blijkbaar is dit het vveversglas, hierboven in de lijst van 1496 vermeld. Er bestond te Utrecht zoowel een wollewevers- als een linnenweversgild. Daar het laatste een perk in de St. Jacobskerk bezat, zou men bij het weversglas aan laatstgenoemde corporatie kunnen denken. Met zal echter later blijken, dat zij dat perk eerst na de Hervorming bekomen heeft, zoodat er geen grond is om de identiteit van wevers- en wolleweversglas te betwijfelen. Daar de achter-kerk eerst na 1450 verbouwd werd, moet dit glas van de oude naar de nieuwe constructie zijn overgebracht.

Opmerkelijk is het dat de gilden der wantsnijders, brouwers, wollewevers en brouwers, voor zoover ons bekend is, geeue perken in de St. Jacobskerk hadden en toch door het schenken van glasramen tot opluistering van dat gebouw hebben bijgedragen.

§ 4. DE ZIJPANDEN V A. N HET SCHIP EN KRUISWERK.

Hebben wij ons tot nog toe met de inrichting en uitrusting van het kerkgebouw bezig gehóuden , voor zoover zij hoofdzakelijk op den parochialen kerkdienst betrekking had, zoo behooren wij thans meer uitsluitend onze aandacht te vestigen op de bijzondere altaren en de broederschaps- en gildeperken, die zich hierbij aansloten. Die altaren waren voornamelijk in de zijpanden van het schip en kruiswerk en in de zijkooren en kapellen geplaatst. Tot recht verstand van hetgeed daaromtrent zal worden medegedeeld zal het nuttig zijn ons in herinnering te brengen, wat ons vroeger reeds omtrent de altaren der St. Jacobskerk en de in dat gebouw gevestigde corporaties bekend was geworden.

Behalve het hoogaltaar komen het eerst het St. Nicolaasaltaar in 1301 en het Heilig Kruisaltaar in 1322 voor, die lang de twee eenige bijzondere altaren schijnen te zijn geweest. Terwijl langzamerhand het St. Nicolaasaltaar weder verdwijnt, wordt het O. L. Vrouwealtaar voor het eerst in 1373 vermeld'). De overige altaren komen niet voor de 15e en löc eeuw voor. In dat latere tijdperk waren de volgende bekend:

1°. het hoogaltaar op het hoogkoor. Hieraan was denkelijk de Sacramentsbroederschap gevestigd a).

2°. het St. Peters- en Paulusaltaar 3).

3°. het St. Jansaltaar aan den zuidelijken voorpijler van het koorquot;).

4°. het St. Joostaltaar met de St. Joost broederschap 1).

5°. het St. Elisabethsaltaar aan den noordelijken transseptpijler of eersten noordelijken pijler van het schip, van het kruiswerk af gerekend. Hieraan de St. Elisabethsbroederschap quot;).

6°. het St. Victorsaltaar in het noorden, denkelijk aan den tweeden noordelijken pijler van het schip, van het kruiswerk af gerekend. Hieraan het molenaarsgild 7).

1

3) Gescb. bl. 31. 4) Gesch. bl. 31, 33. 5) Gesch. bl. 31, 32.

ocr page 39

25

7°. het St. Stevensaltaar met de St. Stevensbroederschap 1).

8°. het O. L Vrouwe-altaar recht tegenover de St. Andrieskapel, dus aan den zuidelijken trans-septpijler of eersten pijler van het schip, van het kruiswerk af gerekend. Hieraan vermoedelijk het zakkendragersgild s).

9°. het St. Salvatorsaltaar 3).

10°. het St. Agatha-altaar 4).

11°. het St. Barbara-altaar tegen den westelijken buitenwand van den toren. Hieraan de St. Barbarabroederschap 5).

12°. het St. Anthonisaltaar tegen den westelijken buitenwand van den toren. Hieraan de St. Anthonisbroederschap 6).

13°. het St. Leonardsaltaar, denkelijk een met het Vontsaltaar, blijkbaar bij de doopvont in de achterkerk 7).

14°. het St. Jacobsaltaar, eerst in de St. Jacobskapel en later in het noordpand van het kruiswerk. Hieraan de St. Jacobsbroederschap 8).

15°. het O. L. Vrouwe-altaar ter nood Gods, eerst in het noordpand van het kruiswerk en later in het noord- of O. L. Vrouwe-koor. Hieraan de O. L. Vrouwe-broederschap ter nood Gods 0)

1(5°. het St. Catharina- en Agatha-altaar in de H. Kruiskapel of het H. Kruis- of zuidkoor. Hieraan de H. Kruisbroederschap lu).

17°. het altaar in het noorden van het H. Kruiskooi* 2).

18°. het altaar in de O. L. Vrouwekapel naast de zuiddeur i2).

19°. het altaar in de St. Nicolaaskapel l3).

20°. het altaar in de St. Andrieskapel 14).

21°. het altaar in de St. Machutuskapel, waaraan eerst de schuitenvoerders gevestigd waren , die zich later verplaatsten naar een altaar in het noorden van het schip 15).

Opk komt nog voor het louwers-altaar of het altaar, waaraan het louwersgild gevestigd was l6). Misschien was het een der opgenoemde altaren.

Behalve de opgenoemde broederschappen bestond er ook de St. Anna-, Hubert- en Erasmus-broederschap, gewoonlijk de St. Hubertsbroederschap genaamd. Deze had haar graf onder het kruisgewelf van het zuidpand van het schip, ^uitkomende aan de zuiddeur. Daar zal ook ergens het altaar zijn geweest, waaraan zij gevestigd was. Eerst was aangenomen, dat op die plaats het linnenwevers-gild zijn perk had gehad, maar later is gebleken, dat die corporatie voor de Hervorming in de St. Nicolaaskerk gevestigd was en eerst in 1603 vier graven van de St. Hubertsbroederschap in de

2) Gesch. bl. 31, 33, 33, 34. (i) Gesch. bl. 26.

9) Gesch. bl. 40, 53. 12) Gesch. bl. 61.

15) Gesch. bl. 32, 38, 65.

4) Gesch. bl. 31.

3) Gesch. bl. 31. 7) Gesch. bl. 22, 23. 10) Gesch. bl. 57. 13) Gesch. bl. 62. 16) Gesch. bl. 32.


1

Gesch. bl. 31.

5) Gesch. bl. 28.

8) Gesch. bl. 32, 40, 52.

2

Gesch. bl. 57.

14) Gesch. bl. 64.

ocr page 40

26

St. Jacobskerk heeft aangekocht, zoodat zij toen eerst tot die kerk in betrekking is gekomen '). Uit eene later gevonden acte blijkt thans, dat het gild reeds in 1596 acht grafsteden aan de zuidzijde der kerk bekomen heeft 8). Deze werden later met de andere vier tot een kelder verbouwd 3).

Evenals elders bestond ook in de St. Jacobskerk het gebruik van bij zekere beelden offerblokken te plaatsen, waarin de geloovigen uit devotie voor de heiligen, welke door die beelden werden voorgesteld, hunne gaven wierpen, üe meeste dezer beelden stonden op altaren in de kerk. De opbrengst van de blokken verviel aan de kerk en werd door kerkmeesters in hunne rekeningen verantwoord. De posten, hierop betrekkelijk, zijn niet onbelangrijk, wanneer ze in verband met de aanwezige altaren worden beschouwd. Bij de offerblokken in de kerk vindt men ook melding gemaakt van die, welke bij zekere //huiskensquot; of kapelletjes daarbuiten binnen de parochie waren gesteld, waarin zich ook heiligenbeelden bevonden. Deze kapelletjes, waarin het beeld achter een glasraam prijkte, werden ook door kerkmeesters onderhouden. Wij laten hier eenige opgaven der offerblokken uit verschillende tijdperken volgen, waaruit blijken zal, dat hun getal tamelijk afwisselend is geweest.

In 1395 :

1°. voor St. Germeyn (St. Germanus).

2°. voor O. L. Vrouw ter nood Gods, dus voor het altaar van dien naam.

3°. voor St. Nicolaas voor de Weerdpoort.

Tusschen 1428 en 1433:

1°. bij het wijwatervat aan den pilaar. Misschien was dat blok aan den eersten pijler ten oosten van den toren bevestigd, waar het tegenover de zuiddeur stond. Aan dienzelfden pijler bevindt zich thans nog het blok van den armenpot met het paneeltje met schilderwerk van 1069, dat daarop betrekking heeft 4). Blijkens geschilderde versieringen, die boven dat paneeltje op den pijler ontdekt zijn geworden, moet er reeds in de middeleeuwen zulk een paneeltje op die plaats bevestigd zijn geweest. Toen het wijwatervat na de Hervorming was verwijderd, kan het blok door kerkmeesters aan den armenpot zijn afgestaan.

•2°. voor St. Cornells en St. Anthonis. Die beelden stonden, gelijk later blijken zal, op het St. Victorsaltaar.

3°. voor O. L. Vrouwe ter noods Gods.

4°. voor de H. Kruiskapel.

5°. voor St. Remey (St. Remigius).

6°. voor St. Aachten en Apollonia, gewoonlijk het St. Aachtenblok genoemd Gelijk later zal worden aangetoond, stonden die beelden op het St. Joostaltaar,

7°. voor O. L. Vrouw in de kapel naast de zuiddeur.

8°. voor St. Nicolaas voor de Weerdpoort.

1) Gesch. bl. 32, 33, 35, 195. 2) Acte van 8 April 1596 in het archief der St. Jacobskerk.

3) Gesch. bl. 195. 4) Gesch. bl. 81.

ocr page 41

27

9°. voor St. Ewoud op de V echt.

10°. voor O, L. Vrouw op de St. Jacobsbrug.

11°. in de St. Catharynepoort.

In de tweede helft der hït10 eeuw:

1°. bij het wijwatervat aan den pilaar (1492).

2°. voor de H. Kruiskapel (1492).

3°. voor het heilige graf (1450, 1492).

4°. voor St. Brigitta (14(57, 1492).

5°. voor St. Geroen (1492).

6°. voor St. Anthonis (1492).

7°. voor St. Machutus (1492).

In de tweede helft der 16de eeuw:

1°. //te midswegen in de kerkquot; (1474/5) * denkelijk hetzelfde als bij het wijwatervat aan den pilaar. 2°. voor St. Machutus (1574/5).

Dragen deze bijzonderheden aangaande de offerblokken tot onze kennis van de vroegere inrichting der kerk bij, een overzicht van de in de kerk gevestigde corporaties bekomen wij door de rekeningen waar de ontvangst van de grafopeningeri verantwoord wordt. Hieruit blijkt toch , dat de volgende broederschaps- en gildegraven in de St. Jacobskerk hebben bestaan :

1°. van de St. Joostbroederschap sedert 1432.

2°. van de 11. Kruisbroederschap sedert 1432.

3°. van het inolenaarsgild sedert 1432. ..........

4°. van de St. Anthouisbroederschap sedert 1450.

5°. van de O. L. Vrouwebroederschap sedert 1450.

6°. van de St. Stevensbroederschap sedert 1488.

7°. van de St. Barbarabroederschap sedert 1494.

8°. van het zakkendragersgild sedert 1495.

9°. van de St. Elisabethsbroederschap sedert 1495.

10°. van de St. Jacobsbroederschap sedert 1515.

11°. van de St. Annabroederschap (denkelijk een met de St. Hubertsbroederschap) sedert 1515.

12°. van het louwersgild sedert 1520.

13°. van de schuitenvoerders sedert 1540.

14°. van de Sacramentsbroederscbap sedert 1574/5.

Hoe volledig ook deze lijst schijnt te zijn, is het te betreuren, dat er slechts zoo weinige kerkmeestersrekeningen bewaard gebleven zijn, daar, zoo die talrijker waren, wij nauwkeuriger zouden kunnen aangeven, wanneer die graven voor het eerst voorkomen, hetgeen ons in staat zou stellen met vrij groote zekerheid de tijdstippen te bepalen, waarop de verschillende corporaties zich in de kerk gevestigd hebben.

ocr page 42

28

Na deze algemeene beschouwingen beliooren wij thans meer opzettelijk bij eenige altaren in de zijpanden van het schip en kruiswerk stil te staan.

Men begrijpt dat het St. Elisabethsaltaar, dat tegen den noordelijken transseplpijler steunde, en liet St. Victorsaltaar, dat vermoedelijk aan den pijler daarachter bevestigd was, die standplaatsen niet kunnen hebben bekomen dan nadat het noordpand van het schip omstreeks 14ü() gebouwd was geworden , daar voor dien tijd die pijlers nog niet aanwezig waren '), Dat zij gelijktijdig met die verbouwing daar geplaatst zijn geworden, is zeer waarschijnlijk.

Het St. Elisabethsaltaar stond ook als het altaar der twaalf apostelen bekend '*). In 1433, dus terstond na de verbouwing, werd op dat //apostelen outaerquot; een nieuw beeld van St. Jacob gesteld. Hieruit blijkt dus, dat men zich toen met de uitrusting van het altaar bezig hield, hetgeen met zijne plaatsing kan hebben samengehangen. Hoe het verder werd versierd, blijft ons onbekend. Alleen kunnen wij nagaan, dat daarbij ook engelenbeelden werden geplaatst.

Het St. Victorsaltaar was aan St. Victor, St. Cornelis en St. Anthonis gewijd 3). Tijdens de verbouwing werd ook dit altaar onder handen genomen, zoodat het waarschijnlijk is, dat men het toen op zijne latere plaats heeft gesteld. Immers Luytkyn de beeldsnijder maakte of vermaakte in 1431 de beelden van de drie genoemde heiligen, welke vervolgens door den schilder Jan van Huemen gestoffeerd werden.

Dit altaar werd ook wel naar St. Cornelis en St. Anthonis genoemd. Immers het daarbij aanwezige offerblok, dat wij in 1432 aangeduid vinden als //Sinte Cornelis ende Sinte Anthonys bloc dat voer Sinte Victoer staetquot;, heette in 1431) liet //bloec dat voer Sinte Cornelys ende voer Sinte Antonys outaer staetquot; '). In 142^ schijnt het altaar als dat van Sint Anthonis vermeld te zijn geworden. Toen er later een ander St. Anthonisaltaar achter den toren werd gesticht, schijnt voor het hier bedoelde de benaming naar St. Victor gebruikelijker te zijn geworden.

Voor de verbouwing moet het altaar reeds in de kerk hebben gestaan. Waar het zich bevond, is echter onbekend. Zeker is het alleen, dat het toen ook tegen een pijler steunde. Zijne uitrusting werd in 1415 geheel veranderd. Een steenhouwer //verhieuwquot; toen het steenwerk, waarop het St. An-thonisbeeld stond, en verzette het. Tot opsiering van het altaar werd een oude tafel aangewend, die door een timmerman korter werd gemaakt. Godevaert van der Helle, blijkbaar een houtsnijder, was toen ook werkzaam. Hij vervaardigde den tabernakel boven het St. Antonisbeeld en bracht hoogjes (//heckettenquot;, arquetten) en een kruis in genoemde tafel aan. Daarna verfde de schilder Dirk Ber-toudszocn de tafel op nieuw, voorzag de daarin aanwezige beelden van schilderwerk en paste diezelfde bewerking toe op het St. Anthonisbeeld met den tabernakel en den pijler, waartegen dat alles was geplaatst. Bij die gelegenheid maakte een timmerman uit sparren en wagenschot een //raamtquot;, dat hij voor het altaar stelde, denkelijk opdat men daarop kaarsen zou kunnen plaatsen. Ook werd voor het altaar een blaker bevestigd.

1) Zie hierboven bl. 3. 2) Gesch. bl. 37. 3) Gesch. bl. 37.

4) Het blok stond in een kist, die in 1428 van een nieuw slot werd voorzien.

ocr page 43

29

Reeds vroeger is er op gewezen, dat men in 1432 een glasraam liet maken, waarop St. Chris-tottel, St. Cornelis en St. Anthonis waren afgebeeld, en dat het in een venster van het nieuwe noord-pand van het schip geplaatst moet zijn geworden '). In verband met de voorstelling, die het te zien gaf, hebben wij het zeker in de nabijheid van het St. Victorsaltaar te zoeken.

Met waren niet alleen de altaren van St. Elisabeth en Victor, die tijdens de verbouwing van de noordzijde van het schip werden versierd of gerestaureerd, ook bij eenige andere had dit plaats, zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat zij zich voor of na dat tijdstip in dat gedeelte der kerk hebben bevonden. Zoo werkte Luytüyn Peterss. de beeldsnijder in 1433 aan de beelden, die op het St. Joost-altaar waren geplaatst, namelijk die van St. Aachten en St. Apollonia en van de vier //mannekensquot;, die bij het beeld van St. Joost stonden. De schilder Aernt Claess. maakte ze daarna schoon en stof-leerde ze. Het St. Nicolaasaltaar, dat later niet meer voorkomt, werd toen ook gerestaureerd. Inuners de schilder Jan van Huemen herstelde in 1431 wat er gebroken was aan de daarop voorkomende voorstelling van O. L, Vrouw met de drie koningen en stoffeerde die. Een derde altaar schijnt bedoeld te zijn, waar vermeld wordt, dat Aernt Claess. in 1433 de beelden van St. Koryn (Quirinus^, St. Remey en St. Mach ut us polychromeerde. Boven het beeld van St. Remey prijkte dat van St. Chris-totiel. Immers Aernt Claeszoon maakte en stoffeerde in 1431 St. Christoffel, //die boven Sinte Retneye staetquot;, nadat men voor dat beeld gelden had ingezameld. Daar Aernt Claeszoon een schilder was, zal hij het slechts gepolychromeerd hebben. Het beeld zelf zal wel door een ander geleverd zijn geweest.

In het zuidpand van het schip bevond zich, gelijk bekend is, aan den transseptpijler een altaar van O. L. Vrouw, Wij vinden dat het eerst vermeld in 1423 tijdens den bouw van het zuidpand van het schip, bij welke gelegenheid het eerst aan dien pijler bevestigd kan zijn go (Vonten. Ons vermoeden, dat dit altaar in gebruik was bij het zakkendragersgild, blijkt juist te zijn, daar de blaker, die toen bij het altaar aan den pijler bevestigd werd, //der pijnre blakerquot; genoemd wordt.

Bij het verwijderen van de daarop aanwezige kalklaag in 1882, is tegenover dat altaar op den buitenwand van het gerwkamertje der St. Andrieskapel een gedenksteen aan het licht gekomen, waarop een opschrift was uitgebeiteld, dat van boven geheel en van onderen op vele plaatsen vergaan is. Toch kon men uit het overgeblevene genoegzaam opmaken, dat het de fundatie van verschillende inemoriën vermeldde, gesticht door Reyer Willemsz. en zijne huisvrouw Margriet Willem Kroken dochter. Hiertoe behoorde ook eene lezende mis, in 14()() door hen gesticht op het altaar der pijnrebroeder-schap, dus op het O. L. Vrouwe-altaar in de onmiddelijke nabijheid, hetgeen verklaart, waarom de gedenksteen op die plaats gesteld is geworden s).

In 1882 is op het westelijk muurvlak van den boog, die het zuidpand van het schip van het

1) Zie hierboven bl. 5.

2) De inhoud van den brief, -welke die fundatie bevat, is in de Gesch. van de Kerspelkerk van St. Jacob onder Bijl. XVIII medegedeeld. Een latere stichtingsbrief van 1479 is in het derde deel van het Archief voor het aartsbisdom Utrecht uitgegeven. Uit het slot van het opschriit blijkt, dat Reyer op 13 Juni 1490 overleed. De sterfdatum van zijne vrouw is niet ingevuld.

ocr page 44

30

kruiswerk afscheidt, eene schildering ontbloot geworden, die een gezicht op de stad Utrecht voorstelde, denkelijk bij de VVeerd

De zuid- en noordportalen der kerk kunnen natuurlijk niet van oudere dagteekening zijn dan de tegenwoordige zijpanden van het schip. De zuiddeur van de oude kerk was niet beelden versierd Aan de boven- en benedenzijde, dus aan beide zijden, prijkte een beeld van O, L. Vrouw en aan de deur zelve een beeld van St. Jacob. Dit drietal werd in 1410 door den schilder Dirk Ber-toutszoon schoon gemaakt. 01quot; zij na de verbouwing naar de nieuwe zuiddeur zijn overgebracht, is onbekend.

Tegen den oostwand van het noordpand van het kruiswerk stond het St. Jacobsaltaar, dat ongeveer op die plaats het O. L. Vrouwe-altaar ter nood Gods op het einde der eeuw vervangen heeft. De aan het altaar gevestigde St. Jacobsbroederschap bestond uit hen, die eene bedevaart naar het graf van St. Jacob te Compostella in Gallicië hadden gedaan. Blijkbaar heeft hierop eene kleine muurschildering betrekking, die in 1882 op het aangrenzende gedeelte van den noordwand van het kruiswerk ontdekt is geworden. Deze stelde eene graftombe voor met nissen, waarin heiligenbeelden waren geplaatst. Aan het hoofdeinde zweefde een engeltje. Meer was er niet te onderscheiden.

Reeds vroeger is aangetoond, dat het orgel van de O. L. Vrouwebroederschap in den noordwesthoek van het kruiswerk moet hebben gestaan. Sedert 1511 had de broederschap geen eigen organist meer, maar zorgden kerkmeesters voor het orgelspel, dat zich onder hare diensten liet hoo-ren s). Wij kunnen hieruit veilig afleiden, dat het broederschapsorgel toen onder het beheer van kerkmeesters is gekomen. Denkelijk was dit het kleine orgel, waarvoor kerkmeesters later zorg droegen en dat na de Hervorming in het zuidelijk gedeelte van het kruiswerk heeft gestaan. Toen het groote orgel in 15(50/1 door den orgelmaker Mr. Jan Roes hersteld werd, nam hij ook het kleine orgel onderhanden. Welke werkzaamheden daaraan in 1(509 zijn verricht, is reeds vroeger medegedeeld

§ 5. HET O. L. V R O ü W E K O O R.

Het noord- of O. L. Vrouwekoor is, zooals bekend is, in 1408 gebouwd in plaats van de kleinere St. Jacobskapel, welke daar vroeger stond. Het altaar, in die kapel aanwezig, zou volgens de vroeger medegedeelde gegevens niet lang voor 1422 gewijd zijn geworden *). Thans blijkt echter, dat kapel en altaar reeds in 1400 voorkomen In 1415 zette een steenhouwer (Hubrecht Danielss.) voor de kapel een traliewerk en werd een ijzeren blaker ook voor die kapel aangebracht.

1) Eene reproductie is thans in het Stedelijk Museum aanwezig.

2) Gesch. hl. 54. 3) Zie hierboven bl. 19. 4) Gesch. bl. 5 en 52.

5) Een pleehtbrief van Sint Eemysavond 1406 van den navolgenden inhoud is in de minuutrekening van kerkmeesters van 1487 afgeschreven; »Allen den ghenen, die desen brief sellen alen of horen leysen, doen wy verstaen, Scoute ende Scepene der stat van Vtrecht, dat voor ons quarn int gherechte joffrou Lyabet van Koelhorst ende verplach op hore husinghe ende hoestede, ghelegen in die Wiestege, daer zi nv in woent, daer Willam die Roede ende Barbara sjjn wylï bouen nast ghele-

ocr page 45

31

Omtrent de uitrusting van het O. L. Vrouwekoor, dat vroeger zoo uitvoerig behandeld is', valt niet veel nieuws mede te deelen. In 1497, dus ongeveer in denzelfden tijd, waarin dat. koor gebouwd werd, werd het kapiteel vervaardigd, waarop het beeld van Sint üionys stond. Het is niet oninoge-lijk, dat dit beeld in het nieuwe noordkoor werd .geplaatst, misschien tusschen de twee vensters van den noordwand tegen het geschilderde tapijt dat zich aldaar bevindt.

Neemt men in aanmerking, dat in het zuidkoor twee altaren aanwezig waren, waarvan een in liet noorden stond, waarschijnlijk tegen den pijler, die het hoogkoor van het zuidkoor scheidt, dan is het niet onwaarschijnlijk, dat er in het noordkoor ook twee altaren zijn geweest, nl. het O. L. Vrouvve-altaar en een ander, dat tegen den pijler tusschen het hoogkoor en het noordkoor geplaatst kan zijn geweest. Misschien was dit het St. Peters- en Paulusaltaar, dat wij nog niet te huis hebben kunnen brengen. Immers bij de behandeling van het hoogkoor hebben wij van een St. Petersbeeld in verband met het koor melding gevonden. Dat beeld kan zeer goed boven een altaar hebben gestaan en dan is de gissing niet te gewaagd, dat het op het hier bedoelde betrekking had.

§ (i. HET H. KRUISKOOK.

Van de inrichting en uitrusting van het H. Kruis- of zuidkoor is reeds vroeger eene beschrijving gegeven, waaraan thans nog het een en ander kan worden toegevoegd.

Gelijk bekend is, was in dat koor de H. Kruisbroederschap gevestigd. Van haar graf hadden wij in hare rekeningen geene melding gevonden 2). Uit die van kerkmeesters blijkt echter, dat zij er een gehad heelt 3) en tevens wanneer zij het verkregen heeft. Immers in I431 kocht de broederschap van de kerk //die twe graven, die voir des heylichs cruys outaer leggen inder capellenquot;. Dit belet natuurlijk niet, dat zij op die plaats reeds vroeger andere grafsteden kan hebben gehad , aan welke die twee kunnen zijn toegevoegd.

Van de 10 glasramen, die wij in 1496 achtereenvolgens opgenoemd vonden, meenden wij de drie laatste in het H. Kruiskoor te moeten zoeken 4), namelijk:

1°. //elan Dircs glasquot;.

2°. het //glas vande crujsbroedersquot;.

3°. het //glas boven dat h. graff van Ansem Zalmquot;.

Hoewel er ook aan de zuidzijde vensters boven de aangrenzende gerwkamer voorkomen , mee-nen wij, dat hiermede die der koorsluiting van het zuidkoor bedoeld zijn, omdat deze juist drie vensters heeft. In het midden zal wel het glasraam van de //cruysbroedersquot; of van de H. Kruisbroedergen is ende heneden Lourens vten Broeck, na liore doet Peter van Snellenberch tot behoef Sint Jacobs outaer, ghelegen inder capellen inder kerken tot Sinte Jacops t'Utrecht, enen nyen Gelressche gulden, neghen boddragera of x Wlemsche plachken voer eiken gulden , jaerlix ewighe renten , te betalen die ene helfte tot Paesschen nv naestcomende ende die ander helfte tot Sinte Vic-toers misse, daer nastcomende , ende alsoe woert jarliix eweliken. Int jaer ons Heren dusent vier hondert ende ses op Sinte Remysavont.quot;

1) Zie Gesch. bl. 57. 2) Gesch. bl. 59. 3) Zie hierboven bl. 27. 4) Zie hierboven bl, 22.

ocr page 46

32

schap hebben geslaan, rechts daarnaast dat van Jan üircs en links dat boven het heilige «raf

10 OO

van Ansem Zalm.

Jan Dircs was vermoedelijk de echtgenoot van Margriet, die als weduwe in 1476 de St. Nico-laaskapel stichtte *) en wier zoon Dirk in 141)2 de stichter was van de St. Andrieskapel a). Wij moeten dus aannemen, dat hij zijne vrouw en zijn zoon in het opluisteren van de kerk is voorgegaan en het bedoelde glas op die plaats heeft laten maken.

Ansem Zalm was de schoonzoon van Margriet 1). Hij had in 1484 eene vicarie gesticht in de St Nicolaaskapel, maar deze was later overgebracht naar het altaar bezijden het hoogkoor in de H. Kruiskapel of' het H. Kruiskoor, welk altaar waarschijnlijk geplaatst was tegen den achterpijler, die dat zijkoor van het hoogkoor scheidde 2). Uit de vermelding van het glasraam zou men moeten opmaken, dat hij ook een heilig graf heeft gesticht en dat dit geplaatst was tegen den linkerwand der koorsluiting, dus in de onmiddellijke nabijheid van het altaar. Dat het zich werkelijk daar bevonden heeft, kan met genoegzame zekerheid uit het volgende worden afgeleid. Het had ons reeds vroeger getroffen, dat de linkerwand der koorsluiting onder het venster geen hoog tot muursparing heeft, en hadden gemeend dit hierdoor te moeten verklaren, dat in den muur een beer van het hoogkoor is opgenomen 5). Dit is echter niet de eenige reden geweest. Bij de verwijdering van de kalklaag is in 1882 gebleken, dat zich in den muur eene halfronde boogvormige opening bevond, die zich van den grond tot op de halve hoogte van de wandvlakte uitstrekte 6). In die opening, welke later met een muurtje is gedicht geworden, heeft ongetwijfeld het heilige graf gestaan. Rechts daarboven was eene halfronde nis aanwezig, die waarschijnlijk eenig beeldwerk heeft bevat. Met behulp van de rekeningen kan men vrij nauwkeurig het tijdstip bepalen, waarop men dat graf heeft laten maken. Blijkens die van 1494 ontvingen kerkmeesters eene kleine geldsom voor het bezegelen van een brief betreffende het heilig graf in het H. Kruiskoor. Waarschijnlijk zal dat stuk de acte zijn geweest, waarbij zij tot de stichting verlof hebben gegeven.

Van oudsher prijkte er in de H. Kruiskapel, die later door het )]. Kruiskoor vervangen is, een kruisbeeld, want reeds in 1396 werd dit onderdeel van de kerk aangeduid als de kapel, waarin bet H. Kruis stond 7). Het genoot daar zeker eene bijzondere vereering in verband met de miraku-leuze verschijning van den gekruisten Heiland gedurende een gevecht, dat tusschen de Utrechtsche burgers en den heer van Lichtenberch in 1305 geleverd werd en dat door het wonder ten voordeele van de eersten beslist zou zijn geworden, van welk voorval eene schilderij, in de kapel hangende, de herinnering bewaarde 8). Dit kruis zouden wij gaarne voor het crucifix willen houden, dat in de rekening van 1454 vermeld wordt, hoewel daarin niet opgegeven wordt, waar het zich bevond. Men schijnt het toen verplaatst en in verband daarmede veranderd te hebben. Denkelijk had het tot nog

1

6) Tot vervaardiging daarvan heeft men een gedeelte van den ingemetselden beer van het hoogkoor moeten uithakken.

2

7) Zie hierboven bl. 1. 8) Gesch. bl. 58.

ocr page 47

33

toe aan den muur gehangen en was liet daarom van achteren vlak. Blijkbaar wenschte men het nu zoo te plaatsen, dat het van alle kanten zichtbaar werd, om welke reden het nu van achteren bewerkt moest worden. Men droeg althans aan Herman van Homen op het door te werken of door te snijden. Dit werk nain hij in twee gedeelten aan. Eerst sneed hij het kruis met de beelden door, inet welke beelden wel die van Maria en Johannes bedoeld zullen zijn, die ter weerszijden aan den voet van het kruis zullen hebben gestaan. Daarna werkte hij //dat edeomquot; door en bovendien de rozen, die in de kroonlijst aan den rand van het kruis prijkten1). Toen die werkzaamheden geëindigd waren, schafte men zich een balk aan, hieuw de gaten uit, waarin de uiteinden van den balk bevestigd werden, wond het kruis op den balk en verbond het door middel van een ijzeren keten (veter) aan het kerkgewelf. Eindelijk werd de balk door Gijsbert van Homen gestotteerd, terwijl er tevens voor het kruis een kroon werd gehangen. Het is onmogelijk met zekerheid de plaats te bepalen, die het crucifix toen bekomen heeft. Het waarschijnlijkst is, dat de balk met het kruis voor de 11. Kruiskapel is aangebracht. Ook later bevond zich daar een crucifix met beelden, hetwelk in 1542 vervaardigd was 2) en een ouder kruis kan hebben vervangen.

§ 7. ÜE KAPELLEN.

1. De O. L. Vrouwekapel naast de zuiddeur. — Deze kapel stond ook als de roode kapel bekend •■,), denkelijk om den rooden achtergrond der muurschilderingen, waarmede zij versierd was. Ook komt in 149() de benaming van //juffrouw Kanen kapelquot; voor.

Hare stichting dagteekent waarschijnlijk van de verbouwing van het zuidpand van het schip in 1423 4). Spoedig daarna, in 142(5, werd zij voor het gebruik in orde gemaakt. Het altaar was toen reeds quot;aanwezig. Van den meergenoemden beeldsnijder Lutken kocht men voor 00 Beiersche guldens een houten O. L. Vrouwebeeld, dat groot geweest moet zijn, daar het door vier mannen moest worden gedragen. Ten einde het zich te kunnen aanschaffen had men vele giften ingezameld, die waarschijnlijk door aflaten waren verkregen. Alvorens het in de kapel te plaatsen, stelde men het buiten de kerk ten toon, om de milddadigheid der geloovigen op te wekken. Het stond daar op een aflaatskist, waarbij men zitting nam op een gestoelte, om de offers in ontvangst te nemen. Daarna werd het beeld in plechtigen omgang naar de kapel gebracht, terwijl zich pijpers lieten hooren. Het werd gezet boven het altaar in eene kas, die met deuren kon worden gesloten en door Lutken van boven en van onderen vermaakt of versierd werd. Een ijzeren blaker werd daarvoor geplaatst.

5

1

»Herman van Homen vanden crws metten beelden also het staet sonder iserwerc wtghenomen dat edeom doer te snyden ende die rosen die aenden cruus in de cronesen syn xx Ryns gul. facit xlviij gul. x. cr. — Dat edeom doer te werken met den rosen facit iij gul. vj cr.quot; Met cronesenquot; zullen wel »kornissenquot; bedoeld zijn, dat volgens Kiliaen taenia beteekent. »Dat edeom' schijnt onverklaarbaar. Onwillekeurig denkt men aan eenen foutieve spelling van »dat Te DeunT'. In het Fransch, wanneer het bekende kerklied bedoeld wordt, spreekt men Te Deum als Te Deorn uit. Wat Te Deum hier zou kunnen beteekenen, is echter ver van duidelijk.

2

Gesch. bl. 60. 3) Zie hierboven bl. 22. 4) Zie hierboven bl. 3,

ocr page 48

34

In de nabijheid stond een offerblok. Een timmerman vervaardigde een rek om daarop kaarsen te offeren en tevens eene lade, waarin ze bewaard konden worden. Ook maakte hij een balans met weegschalen , waarin kinderen zich lieten wegen, terwijl hun gewicht in koorn of andere landbouwproducten ten behoeve van de L. Vrouw werd afgestaan. In het volgende jaar, namelijk in werd de kas

met toebehooren door den schilder Dirk Zasse gestoffeerd.

2. De iS(. Nicolaaskapel. — In 1S82 is gebleken, dat de groote vlakke nis op den oostelijken wand bedekt was met eene muurschildering, die tot achtergrond moest dienen voor het beeld, dat boven het altaar was geplaatst. Zij stelde een langwerpig vierkant tapijt voor, dat van boven door een zwevenden engel werd vastgehouden.

3. De St. Andricslcapel. — Hierin zijn in 1882 twee toegemetselde boognissen gevonden.

4. De Sl. Machutuskapel. — Deze kapel kan natuurlijk niet ouder zijn dan de verbouwing der achterkerk, welke, zooals aangetoond is, omtrent 14öü moet hebben plaats gehad '). Het altaar moet in 1521 gewijd zijn. Drie jaren later werd het gebruik daarvan aan de schuitenvoerders toegestaan, die het echter weder spoedig verlaten hebben 8). In 1540 bracht Evert Hermanss. aan de kas, waarin het St. Machutusbeeld stond, herstellingen aan. Doch reeds lang te voren vinden wij van zulk een beeld melding gemaakt ') en zoo ook van het blok, dat zich daarbij bevond. In 1501 stelde men boven het blok een bord of tafereel, dat door den schilder Willem Floriszoon gestoffeerd werd. Men las er op in groote letters: //Hier in salmen werpen die offerande van Synt Machuytquot; 1).

§ 8. DE TOREN.

Toen wij vroeger den inwendigen toestand van den toren hebben nagegaan, vestigden wij onze aandacht voornamelijk op de daarin aanwezige klokken. Het bleek ons, dat daarin op het einde der 15do eeuw gelijktijdig minstens een zestal heeft gehangen. De kerk zelve was aan God, Maria en den apostel Jacobus gewijd. In verband hiermede heetten de drie voornaamste luiklokken: Salvator, Maria en Jacob. Voorts waren er eene priem- en eene brandklok en bovendien eene uurklok. Omtrent den ouderdom dezer klokken konden wij niets met zekerheid vaststellen. Alleen wisten wij, dat de nog aanwezige Salvator in 1487 door Stephanus Butendijck gegoten moet zijn 2).

De kerkmeestersrekeningen hebben omtrent de geschiedenis der klokken slechts weinig aan het licht gebracht. In die, welke vermoedelijk van 1404 dagteekent, komt de uurklok voor het eerst voor. In eene latere, welke voor 1415 moet zijn opgemaakt, wordt de priemklok genoemd. Het blijkt dat men toen twee groote klokken heeft aangekocht, hetgeen der kerk op groote kosten kwam te staan, die grootendeels uit een hoofdelijken omslag over de parochianen of uit vrijwillige bijdragen zijn bestreden. Een dezer moet eene Mariaklok zijn geweest. De brandklok wordt voor het eerst in

1

Dit blijH uit de hierna te vermelden memorie, door kerkmeesters bij bet Hof ingediend in het proces, door hen over dat blok tegen de pastoors gevoerd. 5) Geach. bl. 66.

2

gt;

ocr page 49

35

1416 vermeld. Men ontdeed zich in 1433 van eene oude klok, die 1928 ie woog en door Willam Butemlijc vergoten werd, welke eene nieuwe ter zwaarte van 1621 in de plaats leverde. In 15ÜI maakte men een nieuw uurwerk en besloot men tevens het houtwerk, waaraan de klokken hingen, te vernieuwen naar de wijze, waarop dit te Amersfoort in den O. L. Vrouwetoren was ingericht, hetwelk daartoe in oogenschouw werd genomen. Men achtte het in 1504 weder noodig zich van een nieuwe klok te voorzien. Ten huize van heer Geryt Soudenbalch kocht men toen //die byscops clockquot;, welke vermoedelijk eene nieuwe Mariaklok was, daar in hetzelfde jaar eene verteering voorkomt, toen kerkmeesters in de herberg //den Hulc op Onse Vrouwe clocke satenquot;.

Aangaande de pogingen, die kerkmeesters in 1631 vruchteloos aanwendden, om den St. Jacobs-toren van een nieuw uur- of speelwerk te voorzien 1), kunnen nog eenige wetenswaardigheden worden medegedeeld.

Op 1 Juni 1629 werden kerkmeesters door het stadsbestuur gemachtigd om penningen op te nemen tot het maken van uurwijzers aan den toren. Hierdoor zagen zij zich in staat op 20 November 1629 met Frederick Coenraadszoon Moll te Vianen een contract te sluiten, waarbij deze zich verbond het uurwerk en de wijzers te leveren. Toen hieraan uitvoering was gegeven, berichtten kerkmeesters in het volgende jaar aan Gedeputeerde Staten , dat zij vier borden met uurwijzers hadden laten maken en thans klokken behoefden om een voorslag samen te stellen, waartoe zij gaarne de klokken uit het St. Catharyne convent zouden leenen. Dit verzoek werd hun op 22 Juli 1630 ingewilligd onder voorwaarde, dat zij in den toren van het convent drie andere klokken zouden hangen. Bovendien lieten kerkmeesters nog vier andere klokken door Alardus van Meurs, klokgieter te Utrecht, vervaardigen, die op 10 Maart 1631 werden opgeleverd, daar de bekende musicus Jacob van Eyck ze als deskundige toen goedkeurde. Intusschen waren kerkmeesters met Mr. Johan Carlier, horlogemaker te Zwolle, in overleg getreden en droegen zij hem bij contract van 30 December 1630 op het speelwerk te maken, //verdeelt in vier partijen, het speelwerck met een geheel en half uyr mitsgaders een gaende werek, de ton groet ten minsten int cruys 7 voeten binnen swercxquot;, alles naar het fatsoen van het horloge te Middelburg. Hij zou op de hand 3000 gulden ontvangen, gelijke som als hij het werk half voltooid had, en de overige penningen bij de oplevering en tot het stellen van cautie verplicht zijn. Üe aanbesteding werd op 17 Januari 1631 door het stadsbestuur goedgekeurd. Carlier zag zich eerst niet in staat om de cautie te stellen, maar haalde eindelijk Eusebius Borchart Bentinck en Bernhardt Bentinck, proost van Deventer, over om eene acte van borgtocht van 6 Febr. 1631 te teekenen. Kerkmeesters betaalden hem daarna op 17 Maart 1631 den eersten termijn van 3600 gulden uit. Carlier liet echter niets van zich hooren. Kerkmeesters schreven hem daarom in September 1633 aan en, toen dit niet hielp, wendde zich de stadsregeering tot den Zwolschen magistraat, die hem vroeger had aanbevolen. Deze meldde, dat Carlier, om het werk te bevorderen, naar //Suyrlandtquot; (in het land van der Mark) was getrokken, maar daar in den oorlog van zijn ijzerwerk beroofd was. Hierdoor

1

Gesch. bl. 67.

ocr page 50

36

was het werk vertraagd. Thans echter had hij een nieuwe» molen in Drenthe op de nieuwe vaart van den heer van Echten opgericht, waar hij ijverig aan den arbeid was. Toen daarvan geene resultaten werden gezien, machtigde de Utrechtsche stadsregeering kerkmeesters op 12 April 1634omeene rechtsvervolging tegen hem in te stellen. Later wendden zij zich tot de borgen , die eene gerechtelijke acte op 28 Maart 1G3G lieten opmaken, waarbij Carlier aannam binnen eene maand met zijne knechts naar Utrecht te gaan en daar te blijven tot het werk voltooid was. Ook thans bleef Carlier weder in gebreke. Hieruit nam men aanleiding om in het volgende jaar de Bentinck's voor het gerecht te Zwolle aan te spreken en tot restitutie van de betaalde 3600 gulden aan te manen. Aan dat proces werd een einde gemaakt door een accoord, waarbij gedaagden beloofden 2000 gulden te betalen, waarvoor jonker Henrick Schaep, //domheerquot; van St. Marie, zich borg stelde

Daar ten gevolge van deze mislukte pogingen de St. Jacobskerk niet in het bezit van het ver-langde speelwerk kwam, droeg men de vervaardiging daarvan in 164S aan Jan Backer van Cal te Nijmegen op z). Deze kwam zijne verplichtingen beter na, zoodat hij in 1652 geheel werd afbetaald'). Het speelwerk werd daarop nog van de noodige klokken voorzien, die in hetzelfde jaar werden gehangen 1). Grootendeels blijken die te zijn geleverd door den vermaarden Franpois Hemony 2).

Het beier werk of carillon werd in IG70 nog met een zevental kleine klokken vermeerderd quot;). Ook die waren door de Hemony's vervaardigd en werden in 1668 door Pieter Hemony uit Amsterdam afgezonden ').

§ 9. DE TOESTAND NA ü E ZEGEPRAAL DER HERVORMING.

Nadat de kerk voor de behoeften van den hervormden eeredienst was ingericht, bezat zij eene uitrusting, die aan haar doel beantwoordde en tot^Tanliet einde der zeventiende eeuw in meer dan een opzicht sierlijk was. Wij hebben dit reeds vroeger breedvoerig aangetoond en hebben hierbij nog slechts eenige bijzonderheden te voegen, welke meerendeels aan de latere kerkmeestersrekeningen ontleend zijn.

Tegenover den preekstoel bevinden zich, ieder aan een pijler, twee gestoelten, welke blijkbaar uit de l?110 eeuw dagteekenen. Het eene is de Kerkmeesters-, het andere de Potmeestersbank 3). Beide zijn naar alle waarschijnlijkheid in 1(521 vervaardigd. Immers toen ontving de schrijnwerker Peter Cornelis 350 gulden voor de twee gestoelten, die hij in de kerk gemaakt had. De bekende schilder, meester Joost Cornelis Droochsloot, teekende en verguldde de letters van de opschriften, die boven die twee banken zijn aangebracht.

Van de koperen lichtkronen, die na de Hervorming in de kerk gehangen hebben, zijn slechts

1

Gesch. bl. 67. 5) Kerkmeestersrekening als voren. 6) Gesch. bl. 67.

2

7) Uit het begeleidend schrijven van 1 December 1668 aan den burgemeester Booth schijnt te blijken, dat zij door zijn overleden broeder waren gegoten. Zij wogen te zamen 356 quot;B. Stedelijk archief. 8) Gesch. bl. 71.

ocr page 51

37

de schilden of cartouches bewaard gebleven, die daaraan waren bevestigd. Blijkens de daarop voorkomende opschriften, moeten er drie kronen op kosten van de kerk zijn gemaakt, namelijk in 1030, 1635 en 1645 Die van het laatstgenoemde jaar werd door den kopergieter Jan üop geleverd en woog 31 tj. Het nog aanwezige kroonschild werd door den //antycqsnyderquot; Gerrit van Voorst gesneden. Iets ouder was de inandemakersgilüekroon, welke bezet was met drie schilden, die het jaar 1G32 aangeven 2). Met bestek, waarnaar zij gemaakt werd, is nog aanwezig Op de navolgende voorwaarden verbond zich Eppe van der Arck op 10 Maart 1(532 haar aan het gild te leveren. Üe kroon moest even groot en van hetzelfde fatsoen zijn als die, welke aan de noordzijde naast het koor hing. Zij moest 200 u; wegen en van goed zuiver koper zijn, waaronder geene andere spijs gesmolten mocht worden. De klooten moesten hol zijn. Het gild zou de ijzeren spil, waaraan de kroon moest hangen, leveren. De aannemer zou als versiering drie schilden aanbrengen, waarvan het gild het patroon zou aangeven. Dit alles moest 70 gulden kosten.

Tot de versieringen, die men na de Hervorming aanbracht, moet men ook de wapens rekenen, die boven de zijingangen op de binnenwanden der kerk geschilderd waren. In het zuiden bevond zich het blazoen van de provincie en in het noorden dat van de stad.

3) Archief der St. Jacobskerk.

2) Gesch. bl. 72.

1) Gesch. bl. 71.

ocr page 52

HOOFDSTUK III.

HET KERSPEL EN ZIJNE INRICHTING.

M. ÜE CU REIT EN.

De cureiten waren de twee priesters, die niet de zielzorg in het kerspel van St. Jacob waren belast. Evenals die van de drie andere kerspelkerken werden zij door den Domproosi benoemd, die ze aan den Archidiaken presenteerde. De goederen der kerk, die voor hun onderhoud waren bestemd, kwamen den Domproost toe, die hun alleen een gedeelte daarvan toelegde, dat van ouds daarvoor bestemd was. Zoo stellen de statuten van het Domkapittel de zaak voor '), die echter van het kapittel in plaats van den Domproost melding maken. Uit de rekeningen van den Domproost blijkt verdér, dat de cureiten der vier kerspelkerken jaarlijks eene vaste som aan dien prelaat uitkeerden. Volgens de oudste rekening over 1393—1394 bedroeg die rente voor de cureiten van de Buurkerk 18 ie, van de St. Jacobskerk 8 'a- van de St. Nicolaaskerk 0 u* en van de St. Geertruidakerk eveneens 6 Alleen omtrent de rente ten laste van de cureiten van de St. Nicolaaskerk is ons iets nader bekend. Toen de Domproost die kerk met de opbrengst daarvan in 1250 aan het Duitsche Huis overdroeg, bedong hij dat hem jaarlijks (5 Utrechtsche ponden zouden worden uitgekeerd 2). Hieruit volgt, dat de Domproost aan het Duitsche Huis het bezit van de kerk heeft afgestaan en dat die corporatie of de geestelijken, die zij met de zielzorg belastte, voor de voordeelen, welke hun de bediening opleverde, eene vaste som betaalden. Het is niet onmogelijk , dat de Domproost op eene dergelijke wijze ten opzichte van de andere kerspelkerken handelde, door van de cureiten, die hij daarin aanstelde, eene soortgelijke uitkeering af te vorderen.

Buiten de goederen, door den Domproost aan de cureiten toebedeeld, bestond de hoofdbron hunner inkomsten uit de oblaties of offers, die door de parochianen onder de mis op het altaar werden gebracht, en verder uit de vrijwillige gaven, die zij bij het verrichten van hunne ambtelijke en priesterlijke werkzaamheden ontvingen. In verband hiermede hadden zij ook het bezit van vaste inkomsten verkregen. Men rekene hiertoe de recognities, waartegen men hunne aanspraken had afgekocht

2) Gesch. bl. 107,

i) Geach. bl. 106.

ocr page 53

39

op hetgeen in klooster- en gasthuiskerken door parochianen geofferd werd of daar voor hunne begrafenis ontvangen was. Bovendien hadden meerdere ingezetenen hun goederen geschonken onder beding, dat zij daarvoor hunne eeuwige memorie of andere vaste diensten zouden doen. Daar cureiten twee in getal waren, werden de voordeden, die zij genoten, in twee gelijke porties verdeeld ïoen het cureit-schap verviel, bleven er van het vroegere inkomen alleen de goederen over, waaruit de vaste inkomsten werden getrokken. Men noemde ze de goederen van de beide portieën der pastorie 1). Bij den overgang van de St. Jacobskerk in het uitsluitend bezit der Hervormden was er nog maar een oureit of pastoor van St. Jacob, namelijk heer Johan van Halier, daar zijn ambtgenoot Duyfhuys reeds vroeger als hervormd predikant was opgetreden. Het is niet bekend, welke beschikking er toen over de pastoriegoederen is genomen. Zeker is het, dat kerkmeesters later beweerden, dat de stadsregeering hun vergund had ze bij de goederen van de kerk te voegen en dat zij zich werkelijk in het bezit daarvan hebben gesteld. De rechtmatigheid hiervan werd door Van Maller betwist, totdat kerkmeesters in 1592 een vergelijk met hem sloten. Hierbij zag hij ten voordeele van de kerk van zijne aanspraken af en ontving hij eene lijfrente van 5 gulden 'sjaars als vergoeding voor de acht laatste jaren, gedurende welke hij van het genot van zijne portie verstoken was geweest. Bij hetzelfde verdrag werd beslist, dat de goederen van zekere vicarie op het St. Catharina- en Agatha-altaar, waarvan de collatie aan de pastoors toekwam, aan de kerk zouden vervallen 2). Blijkens eenige nog voorhanden rekeningen werden de pastoriegoederen in het vervolg ten bate van de kerk door denzelfden rentmeester geadministreerd, die ook de memoriegoederen onder zijn beheer had, totdat die werkzaamheid door de stadsregeering in IÜ29 aan kerkmeesters werd opgedragen 4).

Toen wij bij eene vroegere gelegenheid de bevoegdheden der cureiten meer opzettelijk beschouwden, vestigden wij onze aandacht meer bepaaldelijk op de verhouding van de St. Jacobskerk tot de kapellen, die op het gebied der parochie zijn verrezen 6). De hiervan gegevene schets kan thans met eenige niet onbelangrijke bijzonderheden worden aangevuld.

Het was ons reeds bekend, dat er zich in de Weerd eene kapel bevond, waarbij een priester resideerde, die, van het viaticum en de heilige olie voorzien, namens de cureiten de bewoners van die voorstad met de sacramenten bediende. De juiste ligging dier kapel konden wij niet met zekerheid aanwijzen. Alleen maakten wij van eene gissing melding, volgens welke de tegenwoordige oud-katholieke kerk in de Weerd op hare plaats zou zijn gebouwd 8). Thans blijkt echter dat vermoeden ongegrond te zijn. De bedoelde kapel was de St. Corneliskapel, die blijkens de kerkmeestersrekeningen in de nauwste betrekking stond tot de St. Jacobskerk. Zij was aan den Singel ter noordwestzijde van de stad gelegen 7). In 1428 werd zij verbouwd, of liever, er werd sen geheel nieuwe kapel opgetrokken met eene aangrenzende kamer, die waarschijnlijk bestemd was tot woning voor den kapellaan. Met behulp

1

4) Acte van burgemeesteren van 28 Dec. 1629 in het archief der St. Jacobskerk. 5) Gosch. bl. 109—119.

2

6) Gesch. bl. 115. 7) Van der Monde, Utrecht en derzelver fraaije omstreken, bl. 35.

ocr page 54

40

van hetgeen in de rekeningen omtrent die vertimmering is geboekt, kan men zich van de inrichting dier nieuwe constructie een goed denkbeeld vormen. Voor het onderhoud en de uitrusting der kapel werd door kerkmeesters zorg gedragen, die ook de diensten bekostigden, welke daarin wekelijks werden verricht. De onvangsten en uitgaven hierop betrekkelijk zijn in de rekeningen doorgaans afzonderlijk geboekt.

De St. Corneliskapel is ongetwijfeld door het parochiaal bestuur zelf gesticht geworden, omdat zij als eene hulp- of filiaalkapel van de kerspelkerk aan te uierken is. Wilde men in het kerspel andere kapellen bouwen, dan plachten cureiten en kerkmeesters zich daartegen te verzetten, uit vrees voor verkorting van de rechten der parochiekerk. Dit geschiedde onder anderen ook in 1450, toen aan het St.-Antoniusgasthuis aan de Vecht eene kapel verbonden werd. Daar tot de pastoriegoederen eene rente van 2 keurvorster guldens gerekend werd, welke door dat gasthuis werd betaald, zoo vermoedden wij, dat de kerk later met het gasthuis in eene schikking getreden is. ') Dit blijkt dan ook het geval te zijn geweest. In 1494 sloten cureiten en kerkmeesters met de St.-Antoniusbroederschap, aan wie de kapel toekwam, een verdrag, waarbij in hoofdzaak het volgende werd bepaald. De broederschap mocht in de kapel dagelijks mis laten doen behalve op Zondagen en de voornaamste hoogtijden. Ook zou men daarin niet mogen begraven, begangenis doen, bruiloften houden of kraamvrouwen inleiden. Daar er krachtens pauselijke bullen op vijf dagen van het jaar aflaten te verdienen waren, zouden de cureiten die telkens op den voorafgaanden Zondag in de kerspelkerk bekend maken. Op den dag zeiven zou een hunner kapellaans in de kapel de hoogmis komen zingen en na den middag een sermoen houden. De broederschap was gerechtigd tot alle offers met uitzondering echter van die, welke op die aflaatsdagen onder de hoogmis op het hoogaltaar werden gebracht, daar die aan de pastoors vervielen. Voor de concessies, die bij dat verdrag werden gedaan, zou de broederschap aan iederen pastoor I Rijnsgulden 's jaars betalen en aan kerkmeesters te zamen hetzelfde bedrag.1) Deze uit-keering werd geregeld aan cureiten uitbetaald, maar sedert 1540 bleef de broederschap in gebreke kerkmeesters te voldoen. Deze stelden daarop eene vordering in voor het stadsgerecht, dat bij sententie van HJ Maart 1580 de broederschap tot betaling veroordeelde op grond van het hierboven gemelde verdrag van 1494.3)

Wij hebben vroeger een breedvoerig verhaal gedaan van de hoogloopende twisten, die er in 1478 tusschen de stad en de Bisschop aijn ontstaan, toen er bij het St.-Maartensgasthuis eene kerk was gebouwd. Men hoopte toen door die stichting eene splitsing van het St.-Jacobskerspel tot stand te brengen. Die toeleg echter mislukte. Hoe daarna de verhouding tot het nieuwe gebouw geregeld is, was ons niet gebleken. Ook thans is dit niet met zekerheid bekend, maar er bestaan toch eenige gegevens, op grond waarvan men aannemen kan, dat de zaak ongeveer op dezelfde wijze als bij het St.-Anthoniegasthuis beslist is geworden. Immers volgens de rekeningen van kerkmeesters en van

4) Gesch. bl. 113-119.

1

3) Sententie van het Stadsgerecht van 19 Maart 1580, in het archief der St.-Jacobskerk.

ocr page 55

41

de pastoriegoederen moest het St.-Maartensgasthuis zoowel aan kerkmeesters als aan cureiten eene jaarlijksche rente betalen. Het is dus waarschijnlijk dat er met de beheerders der gasthuiskerk een verdrag gesloten is en bij die gelegenheid de renten gevestigd zijn. Toen kapelmeesters der St.-Maar-tenskapel in 1530 weigerden aan de pastoors hunne rente uit te betalen , maakten de laatsten daarop als hunne kerkelijke gerechtigheid aanspraak en beriepen zich daartoe op eene vroeger gesloten vconcordie.quot; De zaak diende voor den Officiaal van den Domproost, die de pastoors in het gelijk stelde. Om van dat vonnis executie te bekomen, wendden de pastoors zich tot het Hof overeenkomstig de concordaten, die tusschen den keizer en de geestelijkheid waren gemaakt. Nadat genoemd college ook van het proces kennis genomen had, decerneerde het op 29 October 1538 letteren van executie.')

Nog tot in den laatsten tijd van haar bestaan deed men pogingen om de uitgestrekte parochie van St.-Jacob te splitsen. Blijkens hunne rekeningen hadden kerkmeesters in 1560 een proces te voeren tegen die van St.-Maartensdijk //om dat sy een prochykercke souden willen maecken.quot; Of hiermede het dorp St.-Maartensdijk wordt bedoeld, is echter twijfelachtig, daar de kerk van dat dorp vermoedelijk toen reeds parochiale rechten had. Men zal hier wel te denken hebben aan de bewoners van dat gedeelte van het St.-Jacobskerspel, dat aan dat van St.-Maartensdijk grensde. Reeds in 1467 had men getracht van de daar gelegene Blauwkapel eene parochiekerk te maken.s)

Wegens den grooten omvang van het St.-Jacobskerspel, dat zich tot ver buiten de stadsvrijheid uitstrekte, reden de cureiten of hunne kapellaans te paard, wanneer zij hunne parochianen op ver afgelegen plaatsen bezochten om hen met de laatste sacramenten te bedienen. Op dezelfde wijze ging men ook in het St.-l\icolaaskerspel te werk.1) Dat paard, gewoonlijk «Bontquot; genaamd, werd door kerkmeesters aangekocht (1419) en onderhouden (1395), die den priester ook van rijlaarzen (1450) en van een buidel, waarin het sacrament werd medegevoerd (1407), voorzagen.

§ 2. DE KERKMEESTERS.

In een der oudste charters van de St. Jacobskerk wordt reeds van vier kerkmeesters melding gemaakt. Dit stuk dagteekent van 1328 '). Eigenaardig is de benaming van //goedshuesberaderenquot;, waaronder zij daarin zijn aangeduid.

Toen vroeger de werkkring van kerkmeesters behandeld is, hebben wij ook hun geldelijk beheer nagegaan, hetgeen ons aanleiding gaf iets omtrent de inkomsten der kerk mede te deelen. Volgens de bekende gegevens bestonden de bezittingen der kerk hoofdzakelijk uit landen, erven, huizen enz. en renten van allerlei aard, zooals erf-, los- en lijfrenten, oudeigens enz. Bovendien ontvingen kerkmeesters eenige inkomsten, die voortsproten uit het recht, dat geheven werd voor het gebruik van de kerkpel bij de begrafenissen en voor het openen van de graven. Eindelijk maakten zij aan-

6

1

Gesch. bl. 105. 4) Charter van Vrijdag na St.-Laurens 1328 in het archief der St.-Jacobskerk.

ocr page 56

42

spraak op al hetgeen uit eigen beweging in de kerk gegeven of geschonken werd met uitzondering van de offers, die op de altaren onder de mis gebracht werden, en de almoezen voor de armen Uit de kerkmeestersrekeningen blijkt thans dat die opsomming vrij volledig is. Dit zal men kunnen afleiden uit het navolgende overzicht, dat wij aan de rekening van 1395 ontleenen, omdat zij eene der oudste is en tevens zeer doelmatig is ingericht.

Tot de inkomsten der kerk behoorden:

1° al hetgeen gebeden was met den '/napquot;, d. i. de opbrengst van de collecte, die door kerkmeesters ten behoeve van de kerk gehouden werd. üie inzameling geschiedde, wanneer de parochianen in het gebouw bijeenkwamen om de kerkdiensten bij te wonen 2), De opbrengst was vrij aanzienlijk. In 1395 bedroeg zij 327 cu. Verreweg het meest werd er in den Paaschtijd gebeurd,

2°, hetgeen gestort was in de offerblokken , die voor de beelden en altaren in de kerk en voor eenige kapelletjes in en buiten de stad in het kerspel waren geplaatst'). Het bedrag daarvan was gering.

3°. de opbrengst van de //zekere rentenquot;. Hieronder verstond men de huur en pacht der aan de kerk toekomende vaste goederen, benevens de eigenlijke renten, in geld of natura. In 1395 ontving men iets meer dan 2!J() is. De los- en lijfrenten werden eerst in latere jaren gevestigd.

4U. het geschonkene bij testament.

De gelden en kostbaarheden, die aan de kerk werden vermaakt, waren somtijds zeer talrijk, vooral dan wanneer de kerk vergroot of versierd moest worden. Gelijk reeds bekend is, ging het testamentboek telkens mede, wanneer een kranke met de laatste sacramenten werd bediend 4).

5°. hetgeen men hief voor het gebruik van de kerkpel.

Reeds vroeger is de aard van dat recht meer opzettelijk beschreven. Wat men voor het beluiden der dooden betaalde, werd onder eene andere afdeeling geboekt.

0°. hetgeen betaald werd voor het openen van een graf.

Zooals bekend is, wisselde het bedrag bij verloop van tijd nog al eens af. Het verkoopen van grafsteden was ook een middel om de kerkelijke finantiën te verbeteren.

7°. de was, die aan de kerk gegeven werd door hen, die bij openbare veiling zekere tienden hadden gepacht.

Die tienden behoorden denkelijk niet aan de kerk, althans niet meer in 1395, toen de rekening werd opgemaakt, want van een blok heet het, dat het tienden waren van den heer van Abcoude. Waar de tienden gelegen waren, wordt niet vermeld. In latere rekeningen komt deze ontvangst niet meer voor.

8°. allerhande onzekere gelden of inkomsten.

Hiertoe rekende men niet alleen al hetgeen uitdrukkelijk ten voordeele van de kerk werd afgestaan, maar ook de giften van hen, die bij altaren, heiligenbeelden, reliekenkassen enz. door het

1) Gesch. bl. 122—125. 2) Die collecte met den nap of met het bekkentje werd in 1581 afgeschaft. Zie Gesch. bl. 139. 8) Zie hierboven bl. 26. 4) Zie hierboven bl. 16, noot 3.

ocr page 57

43

schenken van gelden, kostbaarheden, landbouwvoortbrengselen enz. hunne devotie hadden betoond. Zoo komt onder deze atdeeling der rekeningen herhaaldelijk de ontvangst van koorn voor, dat het gewicht vertegenwoordigde van mannen, vrouwen of kinderen, die zich voor de altaren van O. L. Vrouw hadden laten wegen.

9°. de opbrengst van de //kassen.quot;

Onder dat opschrift vindt men steeds een zeker aantal //kassenquot; vermeld met de opgave van eene kleine geldsom, die bij ieder dezer is gevoegd. Het eerst komen voor:

a. de St.-Hubertskas tusschen I3S4: en 1527.

b. de St.-Anthoniskas 1384—15iö.

c. de St.-Corneliskas 1395—151().

d. de St-Maartenskas 1395 —1527.

Daarna worden geregeld ook de volgende genoemd:

e. de O. L. Vrouwekas, soms met de bijvoeging: //met de XII apostelen,quot; 1419—1540.

ƒ de Sacramentskas; ook wel met de bijvoeging: //van Maarsenquot;, 1417—1527.

g. de St .-E wonds kas, 1417 —1516.

h. de St.-Quirynskas , 1450—1540.

Bij uitzondering ontmoet men:

i. de kas van het li. Kruis van Maarsen en St.-Remein in 1420.

k. de kas van de H. Drievuldigheid in 1495, in het volgende jaar //dat afflaet van de Triniteytquot; genoemd.

Dikwijls brengen die kassen, ieder in hetzelfde jaar, een gelijk bedrag op.

Het is niet recht duidelijk wat met die posten bedoeld wordt. Het ligt voor de hand ajjn meerdere reliekenkassen en eene sacramentskas te denken. Verder is het aannemelijk, dat bij die kassen gelden ontvangen zijn en een zeker gedeelte daarvan aan de St.-Jacobskerk wordt uitgekeerd. Dat de kassen zich niet in die kerk bevonden, is zoo goed als zeker. Van drie dezer blijkt het uitdrukkelijk, dat zij te Maarsen te huis behooren. Bovendien komen die kassen ook alle in de rekeningen van de Buurkerk voor1), waaruit dus volgt, dat ook die kerk in de opbrengst dier kassen deelde en beide kerken tot de kassen in dezelfde verhouding stonden. Op grond hiervan is het waarschijnlijk,, dat zij in kerken of kapellen buiten het gebied der stedelijke parochies werden bewaard. Waarom echter voor die kassen aan de stedelijke parochiekerken uitkeeringen moesten worden gedaan, gevoelen wij ons niet in staat op te helderen.

Wordt door de kerkmeestersrekeningen bevestigd wat ons reeds vroeger gebleken was, dat namelijk kerkmeesters gerechtigd waren tot alles wat in de kerk gegeven werd, op dien regel bestond echter de gewichtige uitzondering, dat aan cureiten alle offers toekwamen, die gedurende het bedienen

1

Van Rappard, De rekeningen van de kerkmeesters der Buurkerk te Utrecht in de 15e eeuw iu.Bijdr. en Meded. van het Utr. Hist. Genootsch. dl. 111 bl. 44.

ocr page 58

44

van missen op de altaren werden gebracht.l) Al waren cureiten en kerkmeesters het over dat beginsel eens, het gaf in zijne toepassing toch aanleiding tot moeilijkheden. Bekend is het, welke geschillen er ontstaan zijn over de gelden, die bij het communiceeren in de kerk op de communiebanken werden gelegd. Men kwam in 1565 tot een vergelijk, waarbij de rechtsvraag niet beslist werd.2) Uit de kerkmeestersrekeningen blijkt, dat men daarover reeds in 15G0 voor den Officiaal van den Domproost geprocedeerd had. Een ander geschil had op het volgende betrekking. Bij het altaar van St.-Maclmtus bevond zich een offerblok, waarin de geloovigen, die het altaar visiteerden, hunne gaven wierpen. Üe opbrengst, hiervan kwam, evenals van alle dergelijke offerblokken , aan kerkmeesters toe. De pastoors en kapellaans haalden echter gedurig zulke lieden over om hun die gelden te schenken, omdat zij er recht op meenden te hebben in verband met de missen, die zij aan het altaar deden. Naar aanleiding hiervan kwam men tot een vergelijk, waarbij bepaald werd, dat alles wat bij het altaar van St.-Maclmtus gegeven werd en dus ook wat men den pastoors en kapellaans ter hand stelde gestoken zou worden in het blok , welks inhoud half en half tusschen kerkmeesters en pastoors verdeeld zou worden, waartoe het met 2 sleutels geopend zou worden, waarvan ieder van beide partijen er een zou bewaren. Toen echter de pastoors de gelden, die op het misboek gelegd of hun op andere wijze gegeven werden, niet in het blok wierpen, kwamen de kerkmeesters hiertegen op en daagden hen met de kapellaans voor het Hof, dat na de mondelinge pleidooien partijen beval te schrijven bij memorie. Aan de minuut der door kerkmeesters ingediende memorie zijn de hierboven medegedeelde bijzonderheden ontleend.s) Hoe en wanneer dc zaak werd afgedaan, is ons echter onbekend.

Het kwam ons waarschijnlijk voor, dat, wanneer kerkmeesters zich met armenzorg inlieten, dit het gevolg was van bijzondere stichtingen.') Hunne rekeningen schijnen dit te bevestigen.

Van oudsher — reeds in 1891 — deelden zij jaarlijks een vast getal schoenen aan de armen uit, namelijk 16 paar voor mannen en 16 paar voor vrouwen. Sedert 1492, nadat de stichting van Alijt, vrouw van Jolian Brabant in werking was getreden, besteedden zij jaarlijks bovendien 7 Rijns-gulden om daarvoor schoenen en hozen te laten maken. Denkelijk werden er met die som 16 paalschoenen en een laken voor de hozen bekostigd, want in 1560/1 liet men in het geheel 48 paalschoenen vervaardigen en kocht men een Utrechtsch wwitquot; aan. Na de stichting van Elisabeth van Oostrum van 1576 deelde men daarenboven nog 13 el wit laken uit.

M- DE KERKDIENAARS.

De voornaamste kerkdienaars waren de beide kosters, de schoolmeester, de schout en de doodgraver.

Vroeger reeds hebben wij van de werkzaamheden dier beambten eene uitvoerige beschrijving

4) Gesch. bl 127.

1) Gesch. bl. 125. 2) Gesch. bl. 126.

3) Deze minuut berust in het archief der St.-Jacobskerk.

ocr page 59

45

gegeven. ') Hunne instructies, die in de //Geschiedenis van de kerspelkork van St.-Jacobquot; in haar geheel zijn afgedrukt, waren ons bewaard gebleven in een perkamenten register, dat, gelijk nu uit de kerkmeestersrekeningen blijkt, in 1570 door den schrijver Cornelis Peters werd samengesteld.

Door gemelde rekeningen wordt bovendien ons vermoeden bevestigd, dat de kerkdienaars oorspronkelijk geene vaste bezoldigingen genoten. Alleen werden hun door kerkmeesters enkele belooningen in wijn of geld toegekend. Voor het overige moesten zij in hun onderhoud voorzien uit de profijten, welke de waarneming hunner plichten opleverde, en uit milde bijdragen van de parochianen. Daarentegen blijkt onze vroegere gissing, dat aan de kosterij geene vaste inkomsten waren verbonden s), niet geheel juist te zijn. De kosters bezaten zekere goederen, vermoedelijk ten gevolge van bijzondere stichtingen. Zoo stond jonkvrouw Geryt Vranck Godevaerts zoons weduwe in 14ü2 eene jaarlijksche rente uit een huis aan de beide kosters ten behoeve van de kosterij af, onder voorwaarde dat zij in het vervolg dagelijks ten 12 ure driemaal kleppen zouden met de groote klok en daarna te I of 12 ure de klok overluiden.1) De schoolmeester verkreeg eerst in den loop der l(ide eeuw eene vaste jaarwedde van 12 gulden (15()(i/7). In 1570 beklaagde zich mr. Huich Janszoon ,. de toenmalige schoolmeester, bij kerkmeesters en gemeene buren van het kerspel, dat hij weinig profijt van het schoolgeld had, daar er maar een klein aantal kinderen ter school ging wegens het slechte //regimentquot;, dat daar vroeger had geheerscht, en ook omdat een zekere Ryck Ryckenss. op het kerkhof eene school geopend had. Hem werd op grond hiervan eene toelage van (5 Karolusguldens verstrekt.

Wat den organist betreft, ook deze ontving van kerkmeesters geene vaste jaarwedde. Het is niet duidelijk, hoe deze in zijn levensonderhoud moest voorzien. Wellicht genoot hij vrijwillige bijdragen van de parochianen, zooals ook de kosters plachten in te zamelen. Bovendien liet hij zich dooide broederschappen betalen voor het orgelspel, dat hij gedurende hare diensten liet hooren. Blijkens de kerkmeestersrekeningen bekwam hij eerst ointreeks 1515 eene vaste bezoldiging. Naar het schijnt, moest hij daarvoor ook den zang van de broederschapsdiensten begeleiden, want die corporaties plachten destijds aan kerkmeesters te betalen wat zij voor het gebruik van het orgel schuldig waren. De bezoldiging klom van 2 Karolusgulden per maand tot 55 gulden 'sjaars. In 1573 gaf de organist mr. Henrick Corneliszoon te kennen, dat hij van 1563 tot 1573 de kerk voor niet meer dan 55 gulden bediend had. Zijne jaarwedde werd later tot 120 gulden verhoogd.2) Jaarlijks, acht of veertien dagen na Martini, moest de organist voor kerkmeesters verschijnen en hun zijn dienst en sleutels aanbieden. Zoo dat aanbod niet werd aangenomen, kon hij zijne functies blijven uitoefenen3).

1

4) Na zijn dood werd mr. Jacob Thysz. Perrens in 1607 of 1608 tot organist'op diezelfde jaarwedde aangenomen. Vermoedelijk werd deze weder opgevolgd door mr. Jan Meertenss. van Gladbeeck, die in 1631 met 180 gulden 'sjaars beloond werd.

2

Hetzelfde bedrag ontving Gysbert Spruyt in 1643. Deze werd in het volgende jaar door mr. Hendrick van Marlen of Merlen vervangen, ten wiens behoeve de bezoldiging later tot 200 gulden is verhoogd. Hem volgde in 1655 of 1656 mr. Gerrit van der Horst. Kerkmeestersrekeningen van de aangehaalde jaren.

3

Blijkens de ongedagteekende minuut-conditiea, waarop van-Gladbeeck tot organist werd aangenomen. Archief der St. Jacobskerk.

ocr page 60

46

§ 4, D E P O T M E E S T Ë R S.

Ofschoon reeds vroeger aangetoond is, hoe de armenzorg van het St.-Jacobskerspel onder afzonderlijk beheer is gebracht en de werkkring der arm verzorgers geregeld was1), meenen wij die zaak op nieuw te moeten behandelen, daar wij in het bezit gekomen zijn van een document, dat van den oorspronkelijken toestand dier organisatie eene zeer duidelijke voorstelling geeft. Het was ons reeds bekend, dat de stedelijke raad in 1470 eene verordening maakte over de aalmoezen, die men des Zondags onder of na het sermoen met het bord collecteerde in de St -Jacobskerk. Volgons die regeling-moesten kerkmeesters minstens vier gegoede bewoners van het St.-Jacobskerspel afvaardigen, van welke er een meer bepaaldelijk met de gadering, bewaring en uitdeeling der aalmoezen was belast. Hiervan moest hij na ieder vierendeel jaars rekening doen en binnen het eerste kwartaal van het volgende jaar ook van de zekere renten, zoowel van die, welke er nu reeds waren, als van die, welke later geschonken zouden worden. Die rekeningen zouden worden afgehoord door zijne medegezellen en afgevaardigden van kerkmeesters. Ofschoon dit in de verordening niet is uitgedrukt, stonden de bedoelde goede mannen als potbroeders, later als potmeesters van St.-Jacob bekend. Met behulp van een schilderstuk van het jaar 15(52 hebben wij getracht van de armenzorg, zooals zij werkelijk werd uitgeoefend, een denkbeeld te geven. Wij kunnen dit thans veel beter doen door van den inhoud van eene raadsverordening, die tot het jaar 1492 opklimt2), gebruik te maken.

De aalmoezen werden, zooals bekend is, door de potbroeders gecollecteerd met een bordje des Zondags onder of na het sermoen. Ook geschiedde dit op St.-Jacobsdag, O. L. Vrouwe Hemelvaart en voorts op de vier hoogtijden en op den kermisdag, even dikwijls als kerkmeesters dan met den nap ten behoeve van de kerk plachten te collectecren. Blijkbaar voegde men bij die gelden ook de penningen, die in een aflaatsblok of aflaatskist werden geworpen. Die aalmoezen werden in de woningen der huisarmen van het kerspel uitgedeeld en wel uitsluitend aan kraamvrouwen en anderen, die bedlegerig waren. Uitdrukkelijk werden de armen uitgezonderd, «die de groote potbroeders genieten.quot; Zooals reeds aangetoond is 3), werden met die groote polbroeders zekere personen bedoeld, die ook voor de huisarmen collecteerden maar hunne werkzaamheid over de gansche stad uitstrekten en haar denkelijk van stadswege verrichtten. Omtrent de behoeftigen, welke die bedeeling genoten, was in 44^9 de beschikking genomen, dat hunne nalatenschap verviel aan de andere armen, die op dezelfde wijze werden bedeeld 4). Op grond van die bevoorrechting waren die armen van de bedeeling van het St.-Jacobskerspel uitgesloten. Ook konden, zooals van zelfs sprak, bedelaars daarop geene aanspraak maken, zoowel die, wier namen op den preekstoel waren bekend gemaakt, als alle andere, die //int openbaer om haer broot gaen.quot;

Een ander middel van bedeeling bestond in de zoogenaamde '/proven.quot; Des Zondags stond er

1

Geech. bl. 135, 136. 2) Bjjlage I hierachter. 3) Gesch. bl. 134.

2

4) Men zie het raadsbesluit van Woensdag na St.-Jansdag 1439 in Dodt's archief dl. V bl. ÜOó.

ocr page 61

47

onder de hoogmis in het kruiswerk eene tafel, waarop schotels waren geplaatst, die na afloop van den dienst aan de rechthebbende armen werden uitgereikt. Die schotels waren 30 in getal. In ieder bevond zich een brood van IVg pond weitemeel, een half merk boter en de waarde in geld van een mengelen bier. Tn den vastentijd werd de boter vervangen door twee haringen, waarbij men I mengelen bier voegde. In plaats van op den Zondag van Paschen uit te deelen deed men dit op Goeden Vrijdag. Men gaf dan in de plaats van het gewone een //mandaetsquot; brood. I) Deze proven werden steeds aan dezelfde personen gegeven. Wilde men een anderen arme daarmede begiftigen, dan waarschuuwde men hem, die haar tot nog toe had gehad, door de laatste uitdeeling der prove zonder schotel te doen.

Bovendien hielden de potbroeders nog eene bedeeling, eenmaal 'sjaars, omstreeks St.-Lucia, en wel van brandstoffen. Hiertoe werden 10 schouwen turf aangekocht.

Potbroeders werden evenals vroeger door kerkmeesters aangesteld, blijkbaar voor den tijd van één jaar. Jaarlijks moesten zij op St.-Pontiaansdag of den voorafgaanden Zondag hunne sleutels aan kerkmeesters aanbieden. Werden die niet aangenomen, dan zetten zij hunne functien voort. De namen der nieuwbenoemden werden van den preekstoel afgekondigd.

De werkzaamheden waren zoodanig verdeeld, dat een hunner het geldelijk beheer voerde, waarom hij dan ook den «buidelquot; bewaarde. Groote schulden mocht hij niet maken dan in overleg mei de twee oudste kerkmeesters. De potbroeders legden binnen het eerste vierendeel jaars na hunne aftreding hunne rekening aan kerkmeesters over. ** '

Karakteristiek is het voorschrift, dat vrouwen zich niet met armenzorg luochten inlaten.

Hoe er later ook proven bij schenking of making van particulieren zijn ingesteld, hoe de uitdeeling daarvan bij die stichtingen geregeld werd en hoe haar aantal mettertijd steeds toenam, zoodat er sedert 1537 ook proven op gewone dagen in de week ontstonden, is reeds vroeger uitvoerig beschreven. 9)

^ 5. DE M E M O R I E N.

De cureiten en vicarissen waren krachtens bijzondere stichtingen gehouden op gezette tijden gezamenlijk de memorie van afgestorvenen te doen tegen het genot van vaste inkomsten, welke dooide stichters waren aangewezen. Waar zij zulke werkzaamheden op zich namen, traden zij als een aaneengesloten geheel op onder de benaming van cureiten en gemeene gezellen, die gerent zijn in de St.-Jacobskerk, of van gemeene koorgezellen. Tot die koorgezellen of chori socii rekende men ook de kapellaans en de kosters.3) Volgens het gewone gebruik, dat in de kerk werd gevolgd, bestond die

•1) Onder mandatum verstond men de plechtigheid der voetwasaohing, die op Witten Donderdag geschiedde. Denkelijk waren mandaatsbroden de zoodanige, welke bij die gelegenheid in de Domkerk aan de armen werden uitgereikt. Moll, dl. Ill at. II bl. 226.

2) Geseh. bl. 137 e. v.

8) De volgende benamingen komen voor:

De gemeene priesters, die in de kerk gerent zjjn, 1359 bij Matthaeus, Fundationea p. 175. — de priesters cureit en de gemeene gezellen priesters, charter van 1366. — curati et vicarii perpetui ac chorisooii parochialis ecclesie saneti Jacobi Tra-

ocr page 62

48

memorie in het aflezen van den preekstoel op iederen Zondag van den naam van den overledene uit de zielrol of het memorieboek, voordat er voor de zielsrust der afgestorvenen gebeden werd, en in het houden van het anniversarium of jaargetijde. Wanneer namelijk de dag aanbrak, waarop men jaarlijks den sterfdag herdacht, vereenigden de priesters zich op den voorafgaanden avond in de kerk tot het zingen van een vigilie, waarna men met het kruis naar het graf ging, dat met kaarsen omzet was en waar men op de uitgespreide pel wijwater sproeide, hetgeen men de visitatie of begangenis van het graf noemde. Op den volgenden morgen kwamen de koorgezellen weder bijeen om de hoogmis mede te zingen of een andere mis door een hunner te doen celebreeren, waarna zij het graf, evenals op den avond te voren geschied was, weder begingen. Met geldelijk bedrag, tot bekostiging van de memorie bestemd, werd zoowel des avonds als des morgens onder de priesters verdeeld. Daar hierin alleen de personen deelden, die den dienst werkelijk hadden verricht en daarbij tegenwoordig waren geweest, zoodat de portie van den afwezige aan de aanwezigen verviel, werden de deelen presentien genoemd.

üe memorien waren een bron van inkomsten, die bij verloop van tijd steeds grooter werd en vooral den geestelijken, die beneficien in de kerk bezaten, ten goede kwam. Groeide het aantal der beneficien bij de stichting van eene nieuwe vicarie aan, dan moesten de presentien, die tot nog toe genoten waren, kleiner worden, indien de nieuwe vicaris tot het deelgenootschap werd toegelaten. Begrijpelijk is het, dat de gemeene gezellen hem dat aandeel niet toekenden, dan zoo hun eene evenredige vergoeding werd aangeboden. Een geval van dien aard had in 1528 plaats. De priester Jan Henricksz. van Campen, vicaris aan het O. L. Vrouwealtaar, had geen deel aan de memoriën, denkelijk omdat zijne vicarie slechts voor korten tijd was ingesteld. Met de //heeren van de memoriequot; sloot hij ilaarom eene overeenkomst, waarbij hij voor zich en zijne opvolgers capax en deelachtig verklaard werd in de presentien en memorien, die gefundeerd waren of in het vervolg gesticht zouden worden, en hij wederkeerig tot vermeerdering van de memorie, met goedvinden van den collator, afstand deed van 7 hont lands tot de vicarie behoorende. Bleek het land geene 2 Hollandsc.he guldens 'sjaars waard te zijn, dan zou hij eene rente van zoodanig bedrag uit alle inkomsten der vicarie verzekeren. Wanneer later de vicaris of collator de inkomsten der memorie tot een evenredig bedrag mocht vermeerderen , dan zou het onroerend goed weder met de bezittingen der vicarie vereenigd worden. Nadat de Bisschop aan deze beschikking zijn goedkeuring had gegeven, voorkwam de vicaris alle eventueele moeilijkheden door het land voor 2 Hollandsche Rijnsguldens in pacht te nemen. ^

iectensis, charter van 1406. — de cureiten en de gemeene gezellen, charters van 1412 en 1454. — de cureiten en gemeene gezellen, die gerent zyn in de kerk, charters van 1425 en 1426 CGesch. bijl. X eu XI), 1453, 1456 en 1468. — de gemeene koorgezellen, charters van 1485 en 1486. — pastoren en kapellanen, vicarissen en koorgezellen, charter van 1523 (Gesch. bijl. XXXV). — pastoren en koorgezelleu tnemoristen, charter van 1528 (Bijl. III hierachter). — de gemeene vicarij koorgezellen gerent -wezende in de memorie, charter van 1534. — pastoren en gemeene vicarien, charter van 1544 (Geseh. bijl. XL). — pastoren en gemeen vicarien die gerent sijn in de eeuwige memorie, charter van 1545. — De charters berusten alle in het archief der St.-Jacobskerk.

1) Bjjlage III hierachter.

ocr page 63

4!)

De niemorien werden ingesteld bij een verdrag, dat door den stichter of diens erfgenamen met cureiten en gemeene gezellen gesloten werd en waarbij ter eene zijde vaste goederen of renten werden afgestaan en men ter andere zijde zich verbond de diensten te verrichten. De goederen en renten kwamen hierdoor naar alle waarschijnlijkheid in het bezit van bedoelde geestelijken en onder het beheer van een hunner als kameraar1), welke de presentien uitkeerde en vermoedelijk ook van zijne administratie rekening deed. Voor de brieven, welke op de gemeenschappelijke bezittingen en aangelegenheden betrekking hadden, gebruikten de koorgezellen een bijzonder zegel, dat als het //gemeen-heerenquot; of //memorie-zegelquot; bekend stond. Het stelde een St-Jacobsschelp voor met het omschrift in gothische minuskels: //S. curator, et. bntor. eccë. sci. iacobi. tiectensis.quot; 2) Meermalen week men bij het stichten van memorien van den gewonen weg af door zich niet direct tot cureiten en gemeene gezellen te wenden, maar van de tusschenkoinst van kerkmeesters (somtijds ook van eene broederschap) gebruik te maken. Men stond namelijk zekere goederen of renten aan de kerk af onder voorwaarde, dat kerkmeesters de memorie door de koorgezellen zouden laten doen en hun daaruit een vast geldelijk bedrag zouden uitkeeren. 3)

Behalve tot het houden van eigenlijke memorien waren cureiten en gemeene gezellen ook krachtens bijzondere stichtingen verplicht geworden zekere diensten of handelingen te verrichten, die aan de viering van zekere feest- en andere gedenkdagen meerderen luister moesten bijzetten. Hoewel het waarschijnlijk is, dat er meer zulke stichtingen hebben bestaan, zijn ons hiervan slechts twee voorbeelden bekend geworden, die nog wel van zeer jonge dagleekening zijn, zoodat het aannemelijk is dat zij betrekkelijk zeldzaam waren. De eene is van 1523 en de andere van 1544.4) Bij de eerste bepaalde de stichter, ^hsem Sahn, dat de priesters op het einde van de vasten drie sermoenen zouden houden, op Goeden Vrijdag en Paaschavond een kerklied voor het heilige graf aanheffen en op Hemel-

1

Dat de goederen in het bezit waren van de koorgezellen eu door hun kameraar beheerd werden, blijkt wel niet met zekerheid maar ia toch zeer waarschijnlijk. Hot feit dat die goederen hun overgedragen werden, stelt dit reeds eenigszins buiten twijfel. Wel zijn er slechts drie zulke overdrachten aanwezig, nameljjk in charters van 1400 die sabbatis post festum exal-tationis sanctae crucis, 1412 Maandag na St.-Johan te Midzomer en 1453 op O. L. Vrouwe-avond nativitas, maar er moeten er vroeger meer hebben bestaan. Blijkens andere charters kochten de koorgezellen vaste goederen aan en voerden zij daarover processen. Bovendien nemo men in aanmerking, dat na de hervorming de kameraar do goederen beheerde en dat nergens blijkt dat hem dat beheer toen eerst is opgedragen. Daar hij toen ook de pastoriegoederen administreerde, zoo is het niet onmogelijk, dat de pastoren hem ook vroeger met het beheer hunner porties hebben belast.

2

Gesch. hl. 108.

3

In de kerkmeestersrekeningen komen geregeld de uitgaven voor, die op bedoelde uitkeeringen betrekking hebben. Reeds in het begin der 15'llgt; eeuw had men die, welke voor zekere oude memorien werden gedaan, tot eene massa gebracht en boekte men die in een algemeenen post, welke 24 15 bedroeg. Bovendien werden er 5 andore afzonderlijk verantwoord, waarvan een, die van Henrick van Langerack, reeds in 1359 gevestigd was. Men zio den fundatiebrief bij Matthaeus. Fund. p. 175. In de rekening van 1426 vindon wij die memorien met 3 vermeerderd, in 1450 met 4, in 1454 met 2, in 1461 met 1 eu in 1467 weder met 1. In laatstgenoemd jaar vertegenwooordigden alle memorien een gezamenlijk bedrag van iets meer dan 17 gulden , welke som in de latere rekeningen in een algemeenen post verantwoord werd. Daar dat bedrag onveranderd bleef, zoo volgt hieruit, dat men bij latere stichtingen van jnemoiien niet meer van de tusschenkomst van kerkmeesters gebruik maakte. In 1515 was het bedrag 7 Rijnsgulden, terwijl tuaschon 1524 ea 1531 die post voor goed uit de rekeningen verdwijnt. Wat hiervan de reden is, blijkt niet.

4

Gesch. Bijlagen XXXV en XL. 7

ocr page 64

50

vaartsdag het ^gulden noenquot; zouden zingen. Krachtens de voorschriften, die in 1544 door Gijsbert van Heusden werden gegeven, moest er op Goeden Vrijdag en Paaschdag met behulp van het sacrament eene zinnebeeldige voorstelling van de begrafenis en opstanding van den Heiland worden gegeven en zou de officiant gedurende de hoogmissen op kerstnacht en kerstdag van de hulp van een diaken en subdiaken gebruik maken. De stichters stelden fondsen tot bekostiging van dat alles beschikbaar. Deze werden echter niet aan de gezellen afgestaan maar in het eerste geval aan kerkmeesters en in het andere aan de sacramentsbroederschap. Kerkmeesters en broederschap moesten hieruit eene vaste som aan den kameraar der gezellen uitkeeren, die haar naar de voorschriften der fundatie in porden verdeelde, welke als presentien aan de geestelijken werden uitbetaald, die de diensten hadden verricht.

In andere parochiekerken van het Sticht vindt men hieraan verwante toestanden terug. Vrij algemeen waren de pastoor en de beneficianten der kerk door bijzondere stichtingen met de memorie van afgestorvenen belast geworden. 1) Soms paarden zich hieraan andere diensten, evenals in de St.-Jacobskerk, ook door de particuliere devotie in het leven geroepen. Minder bekend is het echter, dat de stichtingen van die laatste soort in sommige kerken zoo talrijk waren, dat zich hieruit naast den gewonen parochialen kerkdienst een geregelde koordienst ontwikkelde, waarin de horae canonicae op de meeste feest- en heiligendagen werden gezongen. Het best is de geschiedenis hiervan in de %t.-Maartenskerk te Tiel na te gaan. Daar dit onderwerp hier te lande nog nooit opzettelijk onderzocht is, zoo meenen wij het hier eenigszins te moeten toelichten door van den ontwikkelingsgang, die zich in de Tielsche parochie heeft voorgedaan, een overzicht te geven. s)

De cureit van de parochiekerk van St.-Maarten en de vicarissen dier kerk en van de St.-Walburgskerk te Tiel2) waren evenals die van de St.-.Tacobskerk te Utrecht krachtens bijzondere stich-

1

Het onderwerp wordt het beat toegelicht door de helangiijke bescheiden, door den heer C. J. Gonnet medegedeeld in zijne gt;Vier Parochiën in de middeleeuwenquot; in de Bijdr. v. d. geaeh. v. h. bisdom Haarlem dl. V hl. 352, 372, dl. VI bl. 1, 4.

2

In de stad Tiel waren twee aanzienlijke kerken. De eene, welke de parochiekerk was, was aan St.-Maarten en de andere

ocr page 65

51

tingen gehouden gezamenlijk de memorien van afgestorvenen te doen. Ook hier bestonden die inetnorien uit vigiliën en zielmissen op het jaargetijde, waaraan de visitatie van het graf verbonden was. üe geestelijken vonden hunne belooning in vaste inkomsten, waarvan het bedrag bij iederen dienst onder de aanwezigen in gelijke porties verdeeld werd, waarom zij ook hier presentien genoemd werden. Bovendien was aan genoemde priesters bij zekere fundatiën de verplichting opgelegd om op sommige heiligendagen gezamenlijk de missen, metten en vespers mede te zingen of te zingen, waarvoor zij evenals bij de memorien ook presentien genoten. Tengevolge van dezen toestand hadden zij vele belangen gemeen en zagen zij de noodzakelijkheid in ze gemeenschappelijk te regelen. Vandaar dat zij in het jaar 14J7 statuten vaststelden, waaruit de hierboven medegedeelde bijzonderheden bekend zijn.

Daar er tusschen de vicarissen herhaaldelijk geschil over de presentien ontstond, maakten zij in 1432 nieuwe statuten. 1) Eene der merkwaardigste bepalingen is die, waarbij zij hunne verhouding regelden tot de vicarissen, die bij het stichten van nieuwe vicarien werden ingesteld. Men besliste dat deze geen deel zouden hebben aan de presentien, die tot nog toe waren genoten, dan zoo zij wederkeerig eene jaarlijksche rente ten voordeele van de gemeenschappelijke fondsen verzekerden. 8) Die rente werd op 4 Fransche gouden schilden bepaald, welk bedrag later, in 1558, tot 6 schilden verhoogd werd. Deze nieuwe statuten wekten groot ongenoegen op bij de Tielsche burgerij, die van oudsher vijandig tegen de geestelijkheid gezind was. De stadsregeering nam verscheidene besluiten, die zij van het stadhuis liet afkondigen en waarbij zij tegen de nieuwe regeling in verzet kwam. De twisten, hierdoor ontstaan, werden bij compromis aan de uitspraak van bisschop Sweder van Culenborch onderworpen, die blijkens eene notarieele acte, welke in hetzelfde jaar daarover werd opgemaakt, de geestelijken tegenover den stedelijken magistraat iu het gelijk stelde. Wat eerstgenoemden ten aanzien van de nieuwe vicarissen bepaald hadden werd uitdrukkelijk gehandhaafd. Hij beval tevens, dat er geene nieuwe vicarien zouden worden opgericht, dan die met een jaarlijksch inkomen van 20 gouden kroonen gedoteerd zouden zijn.

Reeds uit de statuten van 1433 blijkt, dat de vicarissen of chori socii der beide kerken toen reeds eene eigenlijke corporatie vormden. Gedurig hielden zij vergaderingen, welke congregationes genoemd werden. Daarin werden alle gemeenschappelijke belangen behandeld, ook die, welke niet direct op de memorien en diensten betrekking hadden, die zij te zaaien moesten houden. Zelfs omtrent de levenswijze en het gedrag werden er bepalingen gemaakt en straffen door het tijdelijk inhouden der presentien opgelegd. Eene vastere organisatie nog bekwam de vereeniging in 1518, toen er weder een aantal statuten werden vastgesteld. Hierbij werd een intreegeld gevorderd van ieder, die inet eene vicarie werd begiftigd en op die wijze onder de resideerende geestelijkheid van beide kerken werd

1

De aanbef en de eerste helft dier bepalingen zijn bijna letterlijk gelijk aan de statuten, welks in 1423 door de vicarissen van de St.-Maartenskerk te Arnhem waren vastgesteld. Zie van Heussen , Historia Episcopatuum torn. 1 der uitgave van 1732 fol. 271.

ocr page 66

52

opgenomen. Voor blijde inkomst moest deze 4 Rijnsgulden betalen, welk bedrag in 1558 tot (i Rijnsgulden klom. De //officiatiquot; en de vreemde priesters, die in de kerken heilige diensten wilden verrichten, moesten zich aan het gezag der corporatie onderwerpen. Stierf er een lid der vereeniging, dan moest zijn opvolger een jaar lang de diensten doen, waarvoor de presentien werden uitgekeerd, voordat hij in de laatste zou mogen deelen. Deze toch moesten gedurende dat jaar, als annus gratiae, aan de erfgenamen worden uitgekeerd. Herinnert deze bepaling aan een gebruik, dat ook bij de kapittels van kanoniken bestond, ook in de wijze, waarop de priesters in de kerk plaats namen, bestond er overeenkomst met het ceremonieel, dat in de collegiale kerken in zwang was. Zij zaten namelijk in //stallaquot; of gestoelten in het koor en lieten daar hun gezang onder de diensten hooren.

Langzamerhand was het inkomen der koorgezellen door nieuwe stichtingen belangrijk vermeerderd geworden. In verband hiermede waren de diensten ook zoozeer toegenomen, dat zich hieruit een geregelde koordienst ontwikkelde. Dit laatste was vooral te danken aan het testament van zekere Goese van den Bock, dat in 1557 ten uitvoer werd gelegd. 1) Waarschijnlijk nam men hieruit aanleiding om in het volgende jaar nieuwe statuten vast te stellen. Daar die alleen door de vicarissen der St.-Maar-tenskerk werden gemaakt, zoo moeten zij zich van die der St.-Walburgskerk hebben afgescheiden. Reeds was bij vroegere stichtingen bepaald, dat zij op zekere dagen van het jaar alle de horae canonicae — de zoogenaamde zeven getijden — zouden zingen. Thans werd het regel, dat dit op alle 52 Zondagen van het jaar geschiedde en bovendien op een zeker aantal feest- en heiligendagen. De hoogmissen werden doorgaans ook door hen medegezongen, waarbij dan sommigen onder hen tevens als diaken en subdiaken dienden. De tertiae, sextae en nonae werden zoodanig aan de mis en processie verbonden, dat, zoo men voor het begin der sextae verschenen was, men geacht werd al die diensten te hebben bijgewoond en dus recht te hebben op de presentien, die daarvoor werden uitgedeeld. De vicarissen plaatsten zich met den cureit aan het hoofd in twee koorgestoelten tegenover elkander. Ieder moest op zijne beurt een week lang de psalmen, antiphonen, responsoriën enz. intoneeren, welke plicht naar den ouderdom van den een op den ander overging. Het gebruik van den Gregori-aanschen zang was voorgeschreven, terwijl geen nieuwe vicaris tot de uitdeelingen werd toegelaten, dan zoo hij zich verbond de horae canonicae te lezen, zooals zij voor het ütrechtsche bisdom waren samengesteld.

Bij deze nieuwe statuten werden de oudere, voor zoover zij de onderlinge betrekkingen tusschen de koorgezellen regelden, vernieuwd en uitgebreid. Op de overtredingen werden thans doorgaans boeten gesteld. In de wijze van verdeeling der presentien werd geene verandering gemaakt. De overschietende gelden en hetgeen als blijde inkomst betaald was werden ook onder elkander verdeeld. De uitvaart van een hunner moest door alle priesters in rouwgewaad worden bijgewoond. Het lijk werd dan door de vier jongsten gedragen. In meerdere opzichten waren de leden aan het gezag en de rechtsmacht

1

Denkelijk was deze Goese of Goeswina van den Bock verwant aan Arnoldus Bock, die blijkens het kerkregister van 1542 tot 1554 pastoor te Tiel was en in laatstgenoemd jaar overleed.

ocr page 67

53

der vergadering onderworpen, die nu gewoonlijk het kapittel werd genoemd, onder welke benaming thans ook de vereeniging zelve werd aangeduid. De ledet» heetten in de wandeling //capittelair ende presentieheeren.quot;

Brengt men het medegedeelde in onderling verband, dan wordt het duidelijk, dat de vereeniging der Tielsche koorgezellen in menig opzicht op ee» kapittel van wereldlijke kanoniken geleek. Slechts langzamerhand had zij dat karakter verkregen. Oorspronkelijk toch had het gemeenschappelijk doen van de memorien op den voorgrond gestaan. Langzamerhand waren er ook andere diensten gesticht, waaronder het zingen van sommige getijden. Later zong men al de horae canonicae op sommige dagen en eindelijk geschiedde dit in den regel op alle die dagen, waarop de cureit de hoogmis placht te celehreeren. Nadat dit vroeger de meinorieën waren geweest , werd dus later een geregelde koordienst voor de vicarissen de hoofdzaak. Met dien overgang ging de organisatie van de vereenigde koorgezellen tot eene zelfstandige corporatie hand aan hand. Dat lichaam nam, wat zijne inrichting betreft, veel van de wereldlijke kapittels over. Het is duidelijk, dat in kerken, waarin de geestelijken zich op die wijze vereenigd hadden, het weinig moeite moest kosten de parochiale door eene collegiale inrichting te vervangen. Waarschijnlijk is aan dergelijke toestanden het ontstaan van meerdere kapittels toe te schrijven, die in de latere middeleeuwen in sommige kerspelkerken zijn ingesteld. In de St.-Jacobskerk heeft eene ontwikkeling, zooals wij hierboven omschreven hebben, niet plaats gehad. De vereeniging van cureiten en koorgezellen van St.-Jacob was wel aan die van de parochie van Tiel in oorsprong gelijk, maar voor hen bleef het gemeenschappelijk doen van de memorien de hoofdzaak; en zoo hun bij sommige stichtingen ook andere diensten werden opgelegd, had dit slechts bij uitzondering plaats en was hunne werkzaamheid in dat opzicht van niet veel beteekenis. Ook kan hunne vereeniging nauwelijks als eene zelfstandige corporatie worden beschouwd. Wij beschreven de conge-gratie van Tiel niet zoozeer om van die van St.-Jacob een denkbeeld te geven als wel om het verschil, dat er tusschen beiden later bestond, des te beter te doen uitkomen. Na deze toelichting meenen wij met een enkel woord nog te moeten aangeven, hoe de hand tusschen cureiten en gemeene gezellen der St.-Jacobskerk later is ten onder gegaan.

Toen de St.-Jacobskerk in het uitsluitend bezit der Hervormden kwam, vervielen natuurlijk de memorien en andere diensten, welke door cureiten en gemeene gezellen gemeenschappelijk moesten worden gedaan. De stadsregeering besloot de goederen, waaruit die werden bekostigd, aan de kerk te geven. Deze fondsen werden toen ge;ioemd de goederen staande tot de presentien der vicarien. In den loop van het jaar 1579 werden burgemeesters gemachtigd over die zaak met kerkmeesters in overleg te treden. Daarna werd ook de kameraar der presentien, Antonis van Zijll, gehoord. Eindelijk deed men ook op do charters en papieren, daarop betrekking hebbende, beslag leggen. Dit zal wel met de inbezitneming der goederen gepaard zijn gegaan. In het volgende jaar besliste men, dat de vicarissen hetzelfde bedrag zouden blijven ontvangen, dat zij tot nog toe hadden genoten, maar slechts per capita d. i. voorzoover hunne personen betrof, zoodat na hun dood die uitkeeringen zouden komen te vervallen. Aan de pastoors en de kosters, die ook deel hadden in de presentien, werd niets uit-

ocr page 68

54

betaald, omdat de predikanten evenals de kosters thans door de kerk bezoldigd werden.1) Na de inlijving bij de goederen der kerk lieten kerkmeesters de memoriegoederen door den vroegeren kameraar administreeren, die ook met het belieer der pastoriegoederen belast was. 2) Eenige rekeningen van hem en zijne opvolgers zijn tusschen ICOL en 1626 bewaard gebleven. 3) Men ziet daaruit dat aan de vicarissen jaarlijks uitkeeringen werden gedaan, die bij hun dood echter ophielden. Het batig slot werd door kerkmeesters in ontvangst genomen. Toen de in functie zijnde rentmeester was overleden, beslisten de burgemeesters als opperkerkmeesters in 1629 dat zijn beheer aan kerkmeesters zou zijn opgedragen. *) Van toen af werd vaji die goederen in de kerkmeestersrekening verantwoording gedaan.

1

Resoluties van den Raad 13 April, 1 Juli, 21 Aug., 29 Deo. 1579 en 12 Juli. 1580, vgl. VerLoren. Gesch. der vicarien

2

bl. 556 e. v. 2) Zie hierboven bl. 49 noot 1.

3

De rekeningen van 1601 en 1602 zijn aanwezig in het prov. archief. Zie Gesch. bl. 155. Die van 1604, 1605, 1608, 1609, 1615, 1617—1625, meerendeels zeer defect, in het archief der St-Jaoobskerk.

ocr page 69

BIJLAGE A.

UITGAVEN BETREFFENDE DE TIMMERING VAN DE ST.-JACOBSKERK, GEBOEKT IN DE KERKMEESTERSREKENINGEN VAN

GENOEMDE KERK.

1391.

Item ic ghaf Herman Vden van den pilernen te decken ende van der ghoete te legen op et nie were li te loen xij 16 ende van den neghelen xx wiit.

(1415). Zonder jaar

Item doe wy verdingheden dat krws van den toern te vermaken ende dat steigher te maken, dat men dat crws neder ende weder op te winden mocht, ende den ghesellen ghescenket, de aen dat crws wrochten ende aen dat steigher, cost te samen xxij 1|2 wit.

Item Henric Borre had mit sinen ghesellen van dat hy dat krws mit den weder haen droech wt der kerc inder waghen ende voert tot Gheryt van Brokelede, cost te samen vij ll2 wit.

Item Henric de Backer de tyramerraan had van dat hij dat oude crws van den toern wan ende dat nye weder op settede ende steigher scoet, so langhe dat de toern ghestoppet wert, coste samen xiiij gulden.

Item meister Symon had van iiij 12 aen......daer dat crws mede ghesloten werd aen den makelaer

maket vij wit. Item.....loetnaghelen de aen den toern.....worden vi wit. Item Jacob Vrederio

soen had van vi ^ loets vij ^ wit dat maket te samen .... wit.

. . . Item Dire van Tesselt de smit had van dat oude krws, dat op den toern staet ende woech iiij0 IC ende Ixxiij lt;10, des makede hy dat nye krws weder ende dat woech C ^ ende xcii 'ffi ende aen spikeren, daer dat krws mede ghenagelt was, ende den piinappel ende aan loet naghelen vij li; spikeren, dat wert gesleghen deen teghen ander ende noch wt dat crws in der waghen gheweghen (sic) wert ende Dire van Tesselt siin knapen inder S......ghescenket wtgheleyt alte samen xv wit.

Item Ghisebrecht van Hamelenberch de leydecker wrocht aen den toern v daghe ende Gheryt siin broeder wrocht aen den toern ij daghe ende hadden elx daghes xviij '/j wit, dat maket iiij gulden ende ix1^ wit, ende de knecht, de hem rescap dede, wrocht aen den toern vij daghen ende had elx daghes v wit, dat maket j gulden ende v wit, ende holpen dat crws op den toern setten ende stoppeden den toern van bouen tot beneden ende makede den toern de goet al om dich ende souderde de goet al dich al om den toern. It. noch .... Ghisebrecht van Hamelenberch.....sondeers xxij wit dat maket te samen.......ende vij wit.

Item Willam de Visscher siin soenen wrochten iij '/j dach mit hem derden ende hadden elx daghes xx wit ende stoppeden de kerc ende dat oude krwswerc ende dat nye krwswerc ende de wtlaten maket ij gulden ende x wit. Item noch had Willam vau M leynaghel x wit dat maket al te samen ij gulden ende xx wit.

ocr page 70

56

. . . Item Dire Bertoud soea had van den wederhaeu te vergulden ende van dat krws, dat bouen op den toern staet, ende van piin appel roet te verwen, dat maket al te .samen v gulden.

1421 (?)

Item van spikeren aen t oude crwswerc vij '/2 wit.

1423.

Wtgheuen vander tymmeringe.

Item gheg. Jan Lubbre .... van .... carren zants, coste elcke carrre . . . Maken xxviij gul. x wiit. Item gheg. Jan voersc. van xxj 'j^ steen coste elc [M] ij gul. vj wiit. Maken xlvij gul. ix wiit.

Item gheg. noch Jan van desen . . . steen opt kerchof te brenghen ende [vaa] teeken ghelde te samen xiij gul. viij wiit.

Item gheg. Rutgher van ij . steens; coste elc M ij gul. iiij wiit. Maken iiij gul. ende viij wiit.

Item gheg. Rutgher van desen voersc. ij51, steen opt kerchof te brenghen ende van teeken ghelde te samen . . . gul.

Item gheg. meister Aernt vanden Doem .... voeder Goels steens ....

Item gheg. Luutkiin, canonick tot sinte . . . ., van ix stucken duufsteen; elc stuc iij wiit. Maken xxvij wiit. Item gheg. Aernt .... van enen roden zeresteen .... gul.

Item gheg. Jan .... van .... van Ixxx loep callix; elc loep xij wiit. Maken xxxiiij gul.

Item gheg.....Ghisebrecht .... desen voersc. callick opt ker[cliof] te brenghen ij '/, gul.

Item gheg.....Janss. van 1 ballick (?)..., Maken xx gul.

Item (onleesbaar).

Item gheg. Willam die Ledeghe van .... loep calliicx, elc loep xi wiit. Maken xl gulden ij wiit. Item gheg. Gherlof Dircks van Ixix [loep] calliicx, elc loep x wiit. Maken xxiij gul.

Item gheg. Peter Ghisebrechts [van] dese xiix loep opt kerchof' te brengen i gul. i witten.

Item gheg. Harman van..........calliicx, elc loep.......xxxviii gul.

Item gheg. noch Harman van......callicx, elc ... . Maken . . . gul.

Item gheg. Peter Ghisebrechts van Ixxxi stwc .... ende vi wit. Maken .... gul.

Item noeh gheg. Peter voersc. van .... kanthout ....

Item gheg..........hout.....

Item . . . (onleesbaar).

Item gheg. Peter Ghisebrechts .... voirsc. canthout . . .

Item Jan Willams.....die houtzaghers.....voersc canthout . . . ende hadden daghes enen gul.

Maken . . .

Item glieg. Harman van . . . van iij '/2° waghen [scot?] . . .

Item gheg. Dire Hasaert van . . . waghen . . .

Item noch gheg. [van] xxiij '/2 waghen.....

Item gheg.....waghens . . .

Item . . . waghen . . .

(De vier volgende posten onleesbaar).

Item gheg. Willam die . . . leyen cost elc riist iij gul.....

Item gheg. Jan Pouwelss. vanden leien te tellen iij wiit iij . . .

Item gheg. . . . vanden leyen opt kerchof te brenghen Vj wiit.

Item gheg. den man, die op Willeius poert van Niewelt woent, van ij crodewaghen........

(De drie volgende posten onleesbaar).

Item noch gheg, . . . ende van teen ende van ij manden, samen j gul. i '/2 wiit.

Item gheg. een man in die Werde . . . latten . . .

ocr page 71

57

Item gheg. Andries......van ij vimmen riets, coste elcke vim . . .

(De zeven volgende posten onleesbaar).

Item . . . haeckeu, tie voir in den piiire . . . woeglieu xxxiij Va 'ffi-

Item . . . die inden . . . hangen entle ij iser . . . aen hanghen voir onse lieue Vrouwen outaer woeghen ... IS.

Item weghen die voersc. crammen ende haeken te samen ... lt;0! ende cost elc, I y wiit ende enen Hollans. Maken te samen ...

Item hadde noch Jan voerse. van . . . roeden, die ander glas .... woeghen . . .

Item . . . (onleesbaar).

Item hadde Jan voersc. van C ende xliiii Tl! spikeren: coste elc tÜ! ij '/2 • • • ende enen Hollans. Maken . . . gul. ix wiit.

(De vijf volgende posten onleesbaar).

Item gheg. . . . Craen van allen den glasen te maken . . . gul.

Item . . . (onleesbaar).

[Wtgbeuen] van allen dach[huereu].

Item des donderdaghes . . . Dertiendach . . . wuift te breken van den ouden wtlaet ende doe quamen dese te were.

(Op deze en de acht volgende bladzijden wordt wekelijks het bedrag verantwoord van hetgeen aan iederen werkman wegens dagloon werd uitbetaald).

De vierde weec na beloken paeaschen doe begonst men dat nie fondament te leggen ende doe quamen .. .

(Op deze en dertien volgende bladzijden wordt de verantwoording der daglooiien tot in de 29c week na Beloken Paschen voortgezet.)

Item gheg. Jan Noteboem, Jan die Wit, Jan . . . Gheriit Noteboem . . . van . . . zoe weugher, wellen, dacliist ende dubbel bulioen hoereu ... te samen ghehouwen . . . elcken stuuc . . . Maken te samen . ..

Item gheg. den . . . van allen den iaer xvi paer hanscoen, cost elc paer . . .

Item gheg. Willam van Boelre van dat hi der kereken weerc gheregiert heeft xxiii gul.

Zonder jaar. (1427).

Dit is wtghegeuen van der tymmeringhe van den jaer voersc.

Item ghegheuen Jan Lubbrechts soen voer iijM. steens, die hi ons leuerde op sinte Jacops kerchoef, elc M voer iij gulden ende voer iij wit, maken ix gulden ende ix wit.

Item noch ghegheuen Jan voirsc. voer Ixxxviij karren sants, coste elke karre x d., maken vij gulden ende x wit.

Item ghegheuen Kutgher voir Ixxv karren sants, coste elcke karre x d., maken vj gulden ende vij 12 wit.

Item ghegheuen Egbrecht van Gruenenberch voer een deel beslaghens moerters, die ic teghens hem coft voer x gulden.

Item ghegheuen Jan Willams soen, die karreman, van desen voirsc. moerter wt Egberts kelre voer der kereken loesse te brenghen xiiij wit.

Item ghegheuen Peter van Snellenberch voer een deel beslaghens moerters, die hi der kereken leende, daer ik Peter voirsc. weder voer gheleuert hebbe xxx [loep] kalx coste elc loep xv wit, maken sv gulden.

Item ghegheuen Florens den kalcmeter mit enen anderen man van desen voirsc. moerter wt Peters kelre inder kereke losse te brenghen j gulden.

Item ghegheuen om drie balken, die onder den orghel zolre legghen, ende om die plancken, die aen den solre ghebraken, vij gul. ende xv wit.

8

4

ocr page 72

58

Item ghegheueu Roelof vandea Zijl van ij stuckeu houts, daer dat ouerstap tende siute Jacobs steghe mede ghemaect is, ende die twee guetkijns voer der kercken portael, t samen voer xxiiij wit.

Item gheglieuen Jan Ghisebrechts soen die houtvoerre van desen voirsc. hout, balken ende plaacken t samen op dat kerchof te brenghen vj wit.

Item gheglieuen Jan Ghisebrechts soen die smyt voer viij paer hancsel, daer die hecken mede ghehanghen sijn, cost elc paer vij Vï witten, maken ij gulden.

Item Jan voirsc. voer ij0 ende xxv naghelen, die daer toe ghemaect waren die hancsel aen die heeken mede te neghelen xiiij wit.

Item ghegheuen Jan voirsc. van iiij brecbielen ende van iiij hameren, die in onsen were ghebroken ende versleten waren, die hie weder makede ende verstaelde, ende van allen onseu ouden spikeren te rechtea ende te scharpen , van al tsamen ende mede van allen hameren ende breecijseren te scharpeu al tsameu ij gulden ende is-wit.

Item noch ghegheuen Jan voirsc. vander kercken hou ende van enen haec, daer men steen mede of pleghet te halen, ende van een paer hancsel, ij haeken, vj klincken , ij nvesen, ij ghespen, die aen die orghel dueren waren ghebesicht, costen al tsamen xxviij wit.

Item ghegheuen om ijM leynaghel, cost elc M xxj wit, maken j gulden ende xij wit.

Item ghegheuen Jan Ruyssche voer iiij vymmen were dacx, coste elc vyra j gulden, daer die schol ende der kercken kameren mede g , . . . t warden maken iij gulden ende xv wit.

Item ghegheuen om vijc ende iij verdeel teens, cost elc C iij wit, maken xxiij wit ende j doit.

Item ghegheuen ora j '/a0 lecgarden, costen elc 0 vj wit, maken ix wit.

Item ghegheuen om wat ryts , om wat latten, om wat zoeyen ende om wat pynnen , cost alt samen Ij gulden.

Item ghegheuen Dire Zassen van onser lieuer Vrouwenkassen ende dat daer toe hoert te stofferen alt samen Ij gulden.

Item ghegheuen Jan Ryem die orghelmaker voer die nye orghelen, die after aen den toern staen, daer heeft hi voer der kercken oude orghelen ende dat daertoe hoerde ende toe heeft Jan voirsc. Ixxviij gulden.

Item ghegheuen Herman die Ruter omdat hiet after den orghelen bemaelde, ij gulden ij wit.

Dit is wt ghegheuen van allen dachhueren ende aerbeit vanden iaer voirsc.

Item Willam Bollekijn ende Gheryt Bollekijn quamen te were des Manendaghes na sinte Jacops dach ende wrochten tsamen x roeden aender straten ende hadden van eiker roeden xix'fa wit, maken vj gulden ende xiiij '/2 wit.

Item Jan van Roeden halp Gheryt Bollekijn x daghe ende hadde des daghes x wit, maken iij gulden ende x wit.

Item Paesschere halp Willam Bollekijn enen dach ende hadde daer voer x wit.

Item Henric Gheryts soen die tymmerman quara te waerek inder seluer weke ende brac dat wtlaet ende makede alle die hecken voer die ouerstappeu vanden kerchof ende hadde daer voer te samen v gulden.

Item Willam Rodekyn quam te wereke inder seluer weke ende groef dat fundament vanden pijlre aen dat oude cruyswarc aen die noertsyde vander kercken ende groef mede die kule, daer dat karmer in verlycht wart, ende wrocht vj daghe ende hadde des daghes x wit, maken ij gulden.

Item Daem onsen doetgrauer halp Willam Rodekijn dit voirsc. ware grenen ende wrocht vj daghe ende hadde des daghes vij '/a wit, maect j gulden xv wit.

Item Goedekijn Spiker halp mede aen dit voirsc. were ende wrocht vj daghe ende hadde des daghes vVa wit, maect j gulden ende xv wit.

Item Jan Noteboem quam te werke inder seluer weke ende wrochte aen den pijlre aea die uoertside vander kercken ij daghe ende hadde des daghes xviij wit, maect j gulden ende vj wit.

Item Gh . . . . upperknecht halp Noteboem enen dach en hadde daer ....

Dese quamen te were die ander weke na sinte Jacobsdach.

Item Willam Rodekijn quam te werke ende groef dat fundament aen die noertside vander kercken ende wrochte vj daghe ende hadde des daghes x wit, maken ij gulden.

ocr page 73

59

Item Daem onse tloetgrauer holp Willam voersc. vj daghe emle des daghes vij '/a witten , inaect j gulden xv wit.

Item Jan Noteboem wrocht aen dit voirsc. fundament iij daghe ende hadde des daghes xviij wit, maect j gulden ende xiiiij wit.

Item Bruynken Noteboems upperknecht wrocht iij dughe ende hadde des daghes x wit, maect j gulden.

Item Henryc Gheryts quam te were ende wrocht aen den orghelen ende aen nyen ende beschoot mede bider dueren onder dat wtlaet aen die noertside vander kercke ende wrocht vj daghe ende hadde des daghes xij wit, maken ij gulden xij wit.

Item Willam die tymmerman wrocht aen dit voirsc. were vj daghe ende had daghes xij wit, maken ij gulden xij wit.

Item Gheryt van Hollant te waerc ende deckede aender kerckeu ende ondeckede dat wtlaet aeu die noertside vander kercken ende wrocht rait hem anderen vj daghe ende hadde daghes xx wit, maken iiij gulden.

Item Goedekijn Spiker wrocht vj daghe ende hadde daghes vij */2 wit, maect j gulden ende xv wit.

Item Jan van Diewen wrocht vj daghe ende had daghes ix wit, maect i gulden ende xxiiii wit.

Item Willam mitten baerde wrocht i dach ende . . . . v wit.

Dese quamen te ware die derde weke na siute Jacopsdach.

(Op deze en de vijf volgende bladzijden wordt tot in de achtste week na Maria Hemelvaart wekelijks het bedrag verantwoord van hetgeen aan iederen werkman wegens dagloon werd uitbetaald).

Item ghegheuen Jan Wouterss. den stroedecker van ij daghe, die hi deckede mit hem anderen aeu der scholen ende aen der kercken cameren ende had daghes mit hem anderen xxj wit maect j gulden ende xy wit.

1428.

God wouts nv ende altoes.

Dit is dat ic wtghegheven hebbe van den goeden sinte Jacops tiimmeringhe vanden iaer voersc.

Item gheg. heer Wlfaert vander Meer van iiyM ende vi '/2° steen , koste elc M ij '/2 . . . . Maken xi gul. xviij wit.

Item gheg. Jan Willamss. van desen voersc. iiij5'. ende vi '/j0 steen van her Wlfaerts huys op sinte Jacops [kerebof] te breughen endo had van elckeu . . . xv wit, maken ij gul. ende ix wit.

Item gheg. Jan Lubbrechtss. die steenbacker voer xixgt;r. steen, koste elc M iij gul., maken Ivij gul.

Item Jan voersc. van desen voersc xixM. steen uten nouen op sinte Jacops karchof te breughen endo hadde van elcken M xviij wit, maken xi gul. ende xij wit.

Item gheg. Peter Hubers zoen voer viij stucken Goels steen , koste elc stuk enen riinsschen gul., elcken riinsschen gul. gherekent voer iiij gul. ende vi wit, maken xxix gul. ende xij wit.

Item gheg. zes ghesellen, die desen voersc. steen uten scepe brochten roer der kareken loesse ende hadden daer van te samen . . .

Item gheg. een koepman van Vennen voer .... xviij loep kallicx, koste elc loep xv wit, maken lix gul.

Item gheg. Peter Ghisebrechts zoen van desen C ende xviij loep kallicx uten . . . inder kareken te brengen, ende bad daer van te samen v gul. v wit.

Item gheg. Claes die Goede voer CC loep kalliicx, koste elc loep int Sant te leueren xii Vj wit, maken Ixxxiij gul. ende x . . .

Item gheg. Jan Ghiisbrechts zoen ende is van Bruekelen voer Ixxv loep kallicx int Zant te leueren, koste elc loep xiiij wit, maken xxxv gul.

Item gheg. Willam van Welden voer xx loep kallicx, koste elc loep xviij wit, maken xij gul.

Item gheg. Peter Ghiisbrechts zoen van desen voersc. xx loep kallicx inder kareken te brengen xx wit.

Item gheg. Jan Lubbrechts zoen voer CCC ende xx karren zants, koste elcke karre x doytkiin maken xxvi gul. ende xx wit.

Item gheg. een koepman ende heet Jan Gheriits zoen ende is van Weespe voer Ixxxv stuckeu kauthout, die bi ons leuerde tot Maersscen ende had daer voer C ende xij gouden Beyers gul., elcken Beyers gul. ghe-

ocr page 74

(30

rekeut voer ij gul. ende xxvij wit, maken CCC gul, XKÜij gul. xxiiij wit, van deser scommeii of ghekort, dat in sinte Korneliis tiimmeriinghe gherekent hebbe, xliij gul. ende xv wit, soe bliuet dese somma vanden kantbout CC Ixxxi gul. ende ix wit.

Item glieg. Peter Ghisbrecbts zoen mit sinen ghesellen, die dit voersc. hout baelden tot Maerssen ende brochten mit iij scuten in die Weerde ende holpen uten scuten doen ende hadden daer voer iiij gul.

Item glieg. Jan Ghiisbrecbts zoen mit Yden zinen wiue ende Mi zinen stelle om dat si ons dit voersc. hout holpen halen in die Weerde ende'holpent ons brenghe op sint Jacops karchof ende hadden daer voer ij gul. ende vij Va wit-

Item gheg. Roelof vanden Ziille voer ij vierren sparren xviij wit.

Item gheg. den man, die op Willams poerte van Nieuelt woent, voir . . . xviij wit.

Item gheg. een koepman van Wesel voer . . . voet decplancken, die Tytnan die Haen ende Roelof vanden Ziille teghens den koeppman voersc. kochten totter karcken heb oef, ende kofften elc C voet voor ij gul. ende xviij wit, maken xxxvi gul. ende xi] wit. Van deser sommen af ghekort, dat ic ia sinte Korneliis tiimmeriinghe gherekent hebbe, v gul., so bliuet dese somme van deseu voirsc. plancken xxxi gul. ende xij wit.

Item gheg. iij ghesellen, die dese voersc. plancken uten scepe inder karcken brochten, ende hadden te samen ix wit.

Item gheg. der vrouwen, die voer die Wertpoert woent, voer viij wede bast, koste elcke wede vi wit, maken i gul. xviij wit.

Item gheg. Jau Scanders zoen voer die .... manden, daer men die steen op die solre mede want ende om den teen, daer men die plancken in die glasvensteren mede bant, te samen xxv wit.

Item gheg. Vranken die bontwarcker voer i Ifi ruesels, dat die tiimmerlude besicden , daertoe dat siit te doen hadden vij wit.

Item gheg. Jan Ghisbrechtss. die mitten stil pleghet te naren, omdat hi den kraen , daer men die balken ende ander hout mede op want inder karcken brocht ende omdat hien weder te buys brocht .... wit.

Item gheg. Jan Ghisbrecbts zoen den smit van dien dat ld gbeleuert heeft van grouen ware, dat aen der karcken . . . gebesicht is.

Item ix glas balken voeghen C Ixxx . . .

Item iij nye hoefde, die in iij ouden scaf . . . ghedaen waren , woegben xxxij IB.

Item ij nye anckeren voeghen xxxviij IC.

Item iiij liaecken, daer die noert karedoer aen. hanghet woeglien ix IC.

Item een nye hancsel ende ij oude hancsel aeu der zeluer dueren vermaket woeghen tesamen xi U.

Item die gbespen ende krammen, daermen die zeluer dueren mitten boem mede pleghet te scluten, woeghen x lt;[0.

Item die drie yser, die inder nyen forme legghen, die Claes van Boelre gheraaket heeft, woeghen xij®.

Item maket dit voersc. yserwarc altesamen CC xcvi lt;{1; ende coste elc tü iy wit, maket xxix gul. ende xviij wit.

It. noch gheg. Jan Ghisbrechtss. voersc. van allen den spikcren, die aeuden nyen ware ghebesiclit siin weghen altesamen xcij IC kost elc ^ iij 1/2 . . . . Maken . . . gul. xviij witt ij deyt.

Item gheg. Aernt Spruyt voer dat sclot ende die ij hancsel, die aender kiisten ziin, daer sinte .Antonns bloc in staet voer sint Antoniis outaer xij wit.

Item gheg. Jan Ghisbrechtss. voer den blaker, die voer sinte Antoniis staet voer den seluen outair i gul. ende xix wit.

Item gheg. Aernt Spruyt voer dat sclot te uermaken ende voer enen scloetel, dat in siinte Katerynen poert staet vi wit.

Somma . . . maket alte samen Tan allen reesscap als voersc. staet vij0 gul. xiij witten iy .. .

Dit is dat ic wt gbegeuen hebbe van allen dachbueren ende erbeyt, die aen sinte Jacops karc ghevrocht ziin van desen jaer voersc.

Item gheg. Jan Noteboem van xvi lagben steens, die bi brac onder der eerden vanden ouden wtlaet ende had van eiken lagben iiij Va witten, maken ij gul. xij wit.

ocr page 75

()1

Item Jacop Aerntss. wrocht iiij daghen aae Mitvasten ende v daghea na Beloken Paesschen , maken ix daghen ende had daghes viij wit, maken ij gul. ende xij wit.

Item Gheriit van Hollant quam te ware op sinte Marckus dach ende ondeckede dat oude wtlaot ende stoppede voert die karc ende den toern ende hadde daer voer also als dat Peter van Scnellenberch ende Willam Cluetiinc bedediinde x gul.

Item Eliaes vanden Zande quam te ware op sinte Marckus dach ende brae dat wtlaet ende wrocht v daghen ende had daghes xxi wit, maken iij gul. ende xv wit.

Item Claes vanden Zande wrocht ter zeluer tiit ende halp dat wtlaet breken v daghe ende had daghes xv wit, maken ij gul. xv wit.

Dese quamen te ware die vierde weec inder maent van Meye ende braken die mueren vanden wtlaet ende haelden steen of ende makeden steen seoeu.

(Op deze en de volgende zeventien bladzijden wordt tot in de achtste week na St.-Victor wekelijks het hedrag verantwoord van hetgeen aan iederen werkman wegens dagloon werd uitbetaald. De eenige post, waarin de aard van den verrichten arbeid wordt aangeduid, is in de vierde week na St.-Jacob: »Item Jan Bisscop ende Claes dopten vi tonnen poluers, daer die gueten of ghemaket ziin, ende hadden van eleker tonnen xi wit, maken ij gul. ende vi witquot;).

Item gheg. den houtzaghers van allen den hout tescniden, dat aeuden nyen wtlaet ghebesicht is, maken alte samen xiij gul.

Item gheg. Claes van .... forinen, daer dat . . . aers glas in staet, vander kereken reesscap ende hadde daer . . . voer ziinnen arbeyt iij Aernoldusgul., den Aernoldusgulden gherekeut voer xiiij . . . ., maken xi gul.....

Item noch gheg. Claes voersc. voer enen harseen, die ainden voersc. formen besichde, koste elc CE . . . Maken ....

Item gheg. Gherit van ïïollant bi Jacop Vrederiicx soen ende bi Willam Cluetiinc vander nederste gueten (?) bouen ziin dachhueren ende van die karc te stoppen ende hadde daervan te samen v gul. ende xix wit.

Somma van allen dachhueren eude arbeyts loen dat aen sinte Jaeops kareke ghevrocht is inden iaer voerscreuen, maken al te samen CCCC gul. Ixxxvi gul. xvi wit ende iij doiit.

Somma van allen sint Jacops tiinnneriingbe dachhueren ende arbeyts loen, maket alte samen

xic gul. Ixxxvi gul. xxviij wit ende ij doyt.

*

• ■ *

1430.

Dit [is]- wt ghegeuen van allerhande reesscap, die tot onser tiimmeriinghe ghebesicht is. (De vijf eerste posten onleesbaar).

Item gheg. Peter Ghisberss. voer . . . loep kallicx, koste elc loep . , ., maken xlvi gul. ende xxiiij wit.

Item gheg. . . . voer Ixiii loep kallicx [elc] loep xij wit, maken xxv gul. ende vi wit.

(De elf a dertien volgende posten onleesbaar).

Item gheg. . . . leyen ....

Item . . . (onleesbaar).

Item gheg. den zeluen . . . voer iiij voeder Goelscer steen, kost elc voeder viij gul. ende iiij '/2 wit, maken xxxij gul. ende xviij wit.

(De zeven a acht volgende posten onleesbaar).

Item gheg. Jan Noteboem voer xiij loep steens kalliics, daer hy der kapellen die guet ende die v piilre mede deckede van der kareken nye ware aen die noert zide , kost elc loep xxi wit mitten sciis ende mitten op draghen , maken ix gul. ende iij wit.

Item . . . (onleesbaar).

ocr page 76

62

Item Eliaes vanden Zantle, die heeft ghewrocht aeu onser karcken dit voersc. jaar aen die noertside van

onser karcken . . . daghen eude liaclde daghes i gul.....zoe heeft Eliaes voersc.....ix daghe ....

zo biiift dat Eliaes .... van hebben zei Ixvii daghen ....

(De drie volgende posten onleesbaar).

Item noch gheg. Jan Noteboem, Gheriit Noteboem ende Willam Ruyt te samen vander formen te maken ende te setten bonen die noert doereii . . . gul. ende vi wit.

Item . . . (onleesbaar).

Item gheg. . . . die voir Daeiu, die . . . dat oude wtlaet te breken iiij g . . .

(üe vier volgende posten onleesbaar).

Item .... voersc. van onser .... eude die loeden gueten .... te souderen, te samen vi gul.....witten.

Item gheg. Willam Rodekiiu ende Willam die Backer te samen van . . . loep kalliicx ende . . .

Item . . . (onleesbaar).

Item gheg. Gheriit van Ilollant van xviii roeden te decken op dat wtlaet aen die noertsyde vander karcken . . . ende hadde van elcke roede . . ., maken xlvi gul. ^

1431.

Item gegeuen Jan Noteboem voir xij loep calx, die aender kerken ghebesicht wert, coste elc loep xxj'/2 wit, maken viij gul. ende xviij wit.

Item gegeuen Geryt van Hollant mit tween knechten vanden leyen of te breken, die wy opden vleyschnys hadden , te samen iiij '/2 gul-

Item gegeuen Elyaes vanden Zande mit Olaes sinen soen van dat wagenscot of te breken vanden vleyschnys iij gul. ende xxj wit.

Item gegeuen Herman van Cuelen ende Coman die pynre, heet Voskijn, van dat wagenscot in onser kerken te brengen ende die leyen inder kerken buys bider scolen te samen een blynt scaep ende ij gul. ende xv wit.

Item gegeuen voir Ivij vvindyser aen die glaze die aeu die noertside vander kercken staen ij gul.

Item Jan Noteboem ende Willam Kuyt van een eynde fundaments wt te breken, dat aen die noertside in onser kerken lach j gul. xxiiij,

Item gegeuen Claes vander Loesdrecht ende Willam Rodekijn van ixM. steen scoen te maken ende hadden van elc M xij wit, maken iij gul. xviij wit.

Item gegeuen Rodekijn van dat fundament mitter erden weder te vullen dair .... gebroken was xxvij .. .

item gegeuen Gerijt Knijf van leyen ende van dat wagenscot, dat wy vanden vleyschnys hadden CCC TC, maken iijc gul. ende xv gul.

1432.

... It. gegheuen Ysebranfc de glazemaker van dat glas, daer sinte Xpistoffels, sinte Corners ende sint Anthonis te samen in staen, Ixxij gulden.

... It. gegheuen by Jan Noteboem voer xxiij loep calx, coste elc loep xxiiij wit, maken xviij gulden ende xij wit.

It. gegheuen een coepman van Broekele ende heet Jan Geryts soen voer Ixxx loep calx, coste elc loep xx il1 wit, maken liiij gul. ende xx wit.

It, gegheuen Jan Lubberts soen wyf voir Ixij karren zants, coste elke karre iij wit etule j doit, maken vj gulden ende xxij wit.

It. gegheuen Willam Rodekyn ende ij ander gesellen van xviij tonnen poluers te doppen ende hadden van eiker tonnen viij wit, maken iii) gul. ende xxiiij wit.

It. gegheuen Willam Ruyt eude Jan Willams soen van desen poluer op sinte Jacobs toren te dragen, dair men die guete mede makede, te samen ij gul.

It. gegheuen Jan Noteboem mit eenen anderen metselaer, doe hy sinte Jacobs toren onder die cappe scoeyde ende by die oude stenen guete wt brac ende die nywe guete van den plaester weder makede ende van allen dat anders op die tyt aenden toren te doen was ende badde dair of te samen viij Arnoldusgul., den Arnohlusgulden gerekent voer xiiij cromstert, maken xxij gul. ende xij wit.

ocr page 77

63

It. gegheuen Lambert onsen doetgrauer, Willam Ruyt een ketelboeter ende noeh ij antler opperknocbt, die steen, moerter eiule alle dingen opten toern brochten, dat men daar behoefde, doemen die cappe ouder-scoeyde ende een nye guete makede ende anders, dat daer op die tyt te doen was, ende hadden te samen xix gul.

It. gegheuen voer iiy ijseren oren, die aan ij tobben geslagen werden, daer men water, steen ende moerter mede opten toern want xxiiij wit.

It. gegheuen voer j Vi11 nywe steens iij gouden Arnoldusgul. Maket viij gul. xvj wit.

It. gegheuen Jan Noteboera van viij boghen in onser kerckeu op te slippen ende weder te maken op hoir behoren ende onse oude afterkerke bouen ende beneden te witten ende die scynckelen te granen ende alle die oude gate te stoppen ende hadde dair of te samen Ivj gouden Arnoldusgul., maken C Ixij gul. xij wit.

It. gegheuen van den steen scoen te maken, die wten bogen gebroken wert, te samen iiij gul.

It. gegheuen Huge van Breda ende Claes van Breda voer xxvij0 leynagel, coste elc 0 iij wit, maken ij gul. ende xxj wit.

It. gegheuen voer C sponnagel v wit.

It. gegheuen Geryt van Hollant van onsen toern ende onse kerck te stoppen te samen vij gul. ende xxvij wit.

It. gegheuen van der trappen, die aen den borchwal aen sinte Katrinen poort gemaket wert, merende van sinte Jacobs huyskyn dat by sinte Katrinenpoerte staet ende Jan Benscoop voertyts der kerken gegeuen heeft, x wit.

1433.

. . . Item gheg. Ghysbert vander Vliet, die glaessemaker, van alder karcken glasen, van Onser lieuer Vrouwen huyskiin op sinte Jacops brugghe, van sinter Claes huyskiin voer de Weertpoert, van sinte Ewouts [huyskiin] op die Veecht te stoppen ende te maken , dat daeraen te doen was ende hier van te samen ix gul. ende xxx wit.

Item gheg. den raau, die op Willams poerte van Nyeuelt woent, voer enen krodewaghen i gul. ende xviij wit.

Item gheg. Harman Claess. voer iij nye lederen, daer die of is beneden in die karcke, die ander bouen op dat wlft, die dierde bouen opten toern, kosten te samen iy gul. ende ix wit.

. . . Item gheg. Dire die erden pottemaker voer C ende Ixxxv lt;{8 loets, daer . . . guetten . . . onser karcken mede lenghede . . . dat water veerre vander kercken te leyden ....

Item gheg. . . . Jans Bolen poerte van vij yseren dumen in dese voerscr. vij guete ghebesicht ....

Item gheg. Gberyt van Hollant van v daghen die hi aen onse karcke .... ende mede dese voersc. vij guetten lenghede ende hadde daghes mit ....

Item gheg. Eliaes vanden Zande mit Clais zinen zoen vanden gheuel, die aent weest ende aen die zuyt siide vanden toren staet, neder te breken ende mitten boute weder te bescieten tesamen xij gul.

Item gheg. Lambert onsen dootgrauer. Jan Lubben ende Jacop Diircxs. vanden steen of te halen ende ouer te warpen ende meer dat op die tiit te doen was, doemen desen voerscr. gheuel brac ende weder bescoet ende hadden te samen v gul. ende xij wit.

Item een koepman ende heet Jan Gheriitss. ende is van Bruekelen voer . . . ende Iv loep kalliicx, koste elc loep xviij wit, maken xcvj gul.

Item gheg. Lambert onsen doetgrauer, Willam Ruyt ende Jacop Diircxs. van desen voersc. kalliic te besclaen ende op te warpen te samen vij gul. ende xviij wit.

Item gheg. Jan Noteboem van Koenraet Jacops Scoens muer neder te breken ende weder te maken xi gul.

Item . . . (onleesbaar).

Item gheg. Dire. Willamss. die steenbacker . . . koste elc M ... .

Item gheg. . . . voersc. . . . steen op sinte Jacops kerchof te brenghen. . . .

Item Willam van Boelre . . . ix voeder Goels , . , koste elc voeder ij Kiinsscbe gul. den Riins gul. gherekent . . . maken xcvij gul. ende v '/a wit.

... It. gheg. Henric Hazaert van den scijs van ix voeder Goelscer steen, maken i gul. ende xviij d.

ocr page 78

64

... It. gheg. voer liiij . . . kanthout, die ons Eliiaes vauden Zamle, .... van Ondekoep ende Roelof

vanden Ziil.....an desen kochten voer iijc gul. ende ....

It. gheg. enen sciipman van .... Gheriit Claess. van .... van Deueuter te brenghen tot Maerscen . . . It. noch gheg. desen voersc. sciipman, dat die stat van Deu.enter hadde van de . . . . daermen dit voersc. hout ....

It. gheg. die ghesellen die dit voersc. hout te water hrochten claerraent scepende te Deueuter ende te samen vi . . . .

It. gheg. Diirc van Hanenhroec van dit voersc. hout van Maerscen in die Weerde te brenghen ende hadde daer voer ....

It. gheg Jan Ghishertss. mit zinen stelle ende mit ij anderen .... dit voersc. hout uten Weerde op

sint Jacops kerchof te brenghen ende hadden te samen.....

It. gheg. van desen voersc. hout van sciisse, hoef Willam Gheriits ....

. . . It. gheg. Borekiin die uerklocmaker van den iseren boey voer dat scap in die gherwe kamer . . . . It. gheg. Jan Noteboera, Willam Ruy(t) . . . Rodekiin ende Bertelmeeus te samen van . . . fondament . . . . karcken aeu die z ... . omtriint iij graue lane ende dat fond . . , . iij piilre \vt te breken deu steen .... enen hoep te voeren ende die .... weder te vollen ende hadden te samen viij.....

1150.

Wtgeuen van dat nye toerntgen.

It. Geryt Kriec van vj houten vij gul. ende van wyncoep v cr.

It. van Willam Zoet iiij hout vj gul.

It. dit hout te brenghen, coste ix cr.

It. die houtsagers van iiij dage sagens , elx dages xij cr. facit iij gul. iij cr.

It. Heyn Reyners zu ij houten ij '/s gul.

It. Roeyken enen groten bale, dar men die span of snede v gul. ende iij oirt van j gul.

It. noch Roeyken van ij hout ende iij sparren tsamen xxiiij cr. facit i gul. ix er.

It. Geryt Zass van viij enkel sparren ende vij plancken aenden sleyger xxvj cr. facit j gul. vi cr.

It. Jan van Doem van vj wagescot duer gesaget, dat stuc v cr. facit j gul.

It. Claes Jan zoen ij wagescot v cr.

It. Vrederic Gysbert zoen j hout x cr.

It. noch Vrederic van ij plancken, dair men die sulre mede maecte int toerntgen x cr.

It. Geryt Zass vij plancken aenden steiger xvij cr. facit i gul. ij cr.

It. Jan onse smit van dat cruys opt toerntgen iij '/a guilt. Jans brueder vanden wederhaen i gul. xj cr.

It. den pynappel j gul.

It. Jan Dircs neue van Meerlo xxxiiij dach gewrocht elx dages vj Va cr. facit xv gul.

It. Heyn Deken xxxv dage gewrocht elx dages vj '/a cr. dair voir xv gul.

It. Thys de gheelgieter van zes scelpen gegoten aent toerntgen viij Vleems fae. x cr. iiij wit.

It. van loetwit ende verwen onder die Gaerde gecoft by Jan Claeszoeu xiij cr.

It. om Va boec gouts dat cruys mede te vergulden by Jan Claeszoeu . . . gul. iiij cr.

It. Dirc Gerstman van iiij dage hout opte trecken xv cr.

It. van ij ... .

It. Claes de . . . om latten aen de steyger.....

It. noch . . . blade gouts die scelpen mede te vergulden xvij '/2 cr. facit i gul. ij Vj cr.

It. Jan Claeszoen van dat cruys den pynappel, den wederhaen ende die scelpen te vergulden t samen ij gul. v cr.

It. Jan onse smit van iij bogel aent cruys viij cr.

ocr page 79

05

It. Volken den smit van spykeren t samen iij gul, viij '/2 cr.

It. Henric die leydecker vanden leyen aent toirntgen bouen ende beneden iiij R. gul. facit ix gul. iij cr. It. Jan Brabant om xvj wagescot ij R. gul. xix witte stuver voirden gul. facit iiij gul. vij cr. It. Lambert van Xancten ixM leynagel xc dopnagel, t samen na inhout synre cedel v V2 gul.

It. Peter van dat toerntgen te decken v R. gul. facit xj gul. x cr.

It.....den smit van hondert lt;10 . . . ende aen spyker t samen .... gul.

It. Jan Dircs neue iij Va dach aent toerntgen . . . een bort opte kirck t samen j '/2 gul-li Moerdrecht . . . van xiij lt;0! zoutluer.....cr.

It. van Diere ijc loets ende xxiiij lt;0!, dat hondert vj gul. facit t samen xiij gul. vj '/2 cr.

It. van Dirc ïaetz v ende viij lï loets aent toerntgen , ele hondert ij '/2 R gul. facit xxxij gul. viij cr.

It. van dat dit loet te wegen ende te vuereu iij '/2 cr.

It. Beernt tichgelaer synre dochter man vande steyger aent toerntgen te helpen breken '/-2 gul.

It. Jacop yserman van iiij dagen dat hi hout op halp trecken ende dragen j gul.

It. den gesellen geschenct te bier vij '/2 cr.

1454.

. . . Van Jan Jacopss, iiijc loots myn ij '/2 ® tot onsen eleynen toern elc C vj gul. myn j oert, facit xxij gul. xij cr. iiij wit.

dat loot te weghen vij wit.

• dat loot wter waghe totter kerc te brenghen j. cr.

Lambert Korstiaenss. van dat bi den cleyuen toern met loot besloech ende onse kevc stopte x daghe met sinen knecht eiken dach x V2 cr. facit vij gul.

Moerdrecht van sondeer iiij '/2 cr.

Van Claes Hughen soen iiijM leynaghel voer xxxj cr. ende ijc lootnaghel voer iij cr. facit ij gul. iiij cr.

1461.

(van afterwesen).

... It. gheg. Willam Otten soen van steen ende sant, dat men hem noch schuldich was iiij gul. vj cr.

It. gheg. Claes Symon soen den glaesmaker van dat glas aende noertsyde vander kerek x gul. xj cr. vj d.

It. gheg. Olaes Hughen soen van leynagel, stonden huten hoer rekenynge x '/2 cr.

It. gheg. Reynaer van Berrevelt van siin afterwesen 1 gul.

It. gheg. noch Reynaer voersc. xl ons heren Rodolplius gul. facit Ixxij gul.

It. gheg. noch Reynaer voerscr. x gul.

It. gheg. noch Reynaer voerscr. xx gul.

It. gheg. Gheryt d.e loetgyeter van syn afterwesen xxxv Riins gul. facit xciij gul. v cr.

It. gheg. Claes Hughen soen van siin leynagel xxxvij gul.

It. gheg. noch Reynaer van Berrevelt van iserwerek, dat Reynaer ende Aelbert hem sculdich ghebleuen waren buten hoir rekeninge, Ixxj IE werekx facit iij gul. xiiij or. v wit.

It. gheg. noch Reynaer van Berrevelt iij roeyen die Reynaer ende Aelbert hadden laten maken tot der lijberyen ende noch tegenwoerdich waren ende woghen Ixxv lt;3! elc v wit facit iiij gul. ij V2 cr.

It. gheg. Reynaer Willam soen van siin afterwesen, dat iay die kerc verleyt had xlj gul.

Wtgheuen van allen dinghen.

. . . It. gheg. Claes Hughen soen van ij51 groete leynagel ende j'/2*1 clein leynagel ....

It. gheg. Heinrijc Sander soen van xxvj 1ï loets, elc 41' v wit, dat men aen den toern ghebesicht heeft, facit j gul. v'/j cr. j witten.

9

ocr page 80

66

Item gheg. noch Heinric voirscr. van een half korf leyen, die op dat cruuswerc ghebesicht siin v cr. It, gheg. noch Heinric voirscr. van den toern ende die oude kerc te verdecken v gul.

... It. gheg. Ghysbert Goeyvaert soen vau die tymmeringe, die Aernt Claeas. an Galissen ghemaect had, vij Vj gul-

... It. gheg. den glaeamaker, die der snyder glas settede, te drincghelt iij cr.

Wtgheuen van der tymmeringe 1).

It. gheg. Willam Raescob ende Qoeyert onsen dootgreuer ende noch enen man vande steygheringhe of te nemen ende op te winnen vij cr.

It. gheg. Goeyert ende Willam voirsc. onder hem beyden van hout inde kerc vant kerchof te brengen I'/jCr. It. gheg. noch onder hem beyden voirsc. van hout inde kerc te halen tot Ghysbert Herdebol iiij'/i cr. It. gheg. van ij cannen biers die inde kerc ghedrouken worden vj'/j wit.

It. gheg. Jan van Bunnyc van dafc hy die berchvrede sette ende opwant inde kerc dairmen op wuifde j gul. It. gheg. Ghysbert Herdebol van j stuc houts xxiiij stuvers facit iij gul. iij cr.

It. gheg. noch Ghysbert voersc. van iij stuc houts, eic stuc j ons heren gul. lloedolphus gul. facit v gul. vj cr.

It. gheg, noch Ghysbert voersc. van j stuc houts ij gul.

It. gheg. noch Ghysbert voersc. van ij stuc houts, elc xviij cr. facit ij g. vj cr.

It. gheg. noch Ghysbert voersc. van ij stuc houts, elc stuc xiiij'/j stuver facit iij gul. xiij cr.

It. gheg. Beer Jaus. van Ixxxiij loep calcx ele loep iiij'/a cr. facit xxiiij gul. xiij'/2 cr.

It. gheg. Willam Otten soen van xvM steens, elc dusent iij gul. iiij cr. facit xlix gul.

It. gheg. Goeyert ende Raescob van desen voersc. calc te beslaen, elc loep vij d. facit xx cr. . . . It. gheg. Jan van Bvnnic van een ghebint te maken ende vj boghen end» die kerc te scoren aende noertsyde facit samen iij'/2 gul.

It. gheg. Nannync de cnper van een ton te vermaken

It, gheg. om xj '/a voeder scoeliaerts steens, elc voeder xxij stuvers, facit xxxiy gul. xj cr.

It. gheg. vanden voerscr, steen op te dragen wt den sceep xj1^ cr,

. , . It. gheg. van ijouds steens opt kerchofï te brengen x cr.

It. gheg. Nannync de cuper van enen emmer te maken iij cr.

, . . It. gheg. Jan van Roerast van iij vierdeel estrycx v V2 cr.

It. gheg. van v loep calcx te beslaen vij'/3 wit.

It, gheg. van die vuont ouer te draghen ij cr. vj d.

It, gbeg. Pouwels Buus van Heinric de Hasen brieue te scryuen vij'/2 cr.

It. gheg. Beer Janss. van xlv loep calcx, eiken loep iiij'/g cr, facit xiy'/j gul.

It, gheg. noch Beer Janss. van x loep calcx, elc loep iiij'/2 cr. facit iij gul.

. . . It. gheg. Jan van Bunnyc van die berchvrede neder te leggen ende weder op te rechten iij gul. It. gheg. van x loep calcx te beslaen Goeyert ende noch eeu man xvij'/u wit.

It, gheg. van vj stuc houts tot Heinric Sander soens te halen, daïr die berchvrede op gheset wert xxij '/j wit.

It. gheg. Heynric Peter Tymansoens soen van een dusent steens ende dat opt kerckof te brengen coste iij gul. vij cr. vj d.

... It. gheg. van ij'V outs steens, v gul. xiiij cr.

• ... It. gheg. Peter Peter soen van Willam Otten soens wegben van steen vij2/^ gul.

1

Van de onder dit hoofd geboekte posten zijn alleen de uitgaven wegens dagloonen weggelaten. In het geheel werd in dag

2

cr. daags, door de opperknechts 216 dagen tegen 3 '/, a, 4 cr. daags, door den doodgraver 40 dagen tegen dezelfde belooning.

ocr page 81

67

... It. gheg. Goeyert ende Raescop van al dat hout, dair die berchvrede op staet, tot Heinric Sander soen te brenghen iij cr. ij wit.

It, gheg. Beer Jans, van ij loep calcx ix cr.

... It. gheg. Gheryt van Sulen van ijM steens, ele dusent xlix cr. facit vj gul. viij cr.

It. gheg. Beer Jans, van Ixxv loep calcx, ele loep iiij cr. j cert facit xxj gal. iij1^ cr. vj d.

It. gheg. vanden voirscr. calc te beslaen, ele loep vi d. facit xviij cr. iiij'/s wit.

It. gheg. Jan van Roemst vanden steen te maken dair (men) mede wuifde xiij gul.

It. gheg. den steenbackers te drincghelt ix wit.

It. gheg. noch te ghelage, doe wy mit Jan van Roemst ouerdroegheti wat Ly hebben soude van ele 0 steens te backen facit xvj wit.

It. gheg. Willam Otten soen van xSI steens, elc dusent iij gul. iij cr. j oert facit xxxij gul, ij1/» cr»

It. gheg. Beer Jan soen van xxj loep calcx, elc loep iiij cr, j oert, facit v gul. xiiij cr. vj d.

It, gheg. Gheryt vanquot; Sulen van iij51 steens, elc dusent iij gul. ij cr. facit ix gul vj cr.

It. gheg. van xxiiij loep calcx te beslaen, eiken loep vj cl. facit vj cr.

It. gheg. vanden voirscr. calc te siiften om mede te plaesteren v cr.

It. gheg. Beer Jans, van vj loep calcx, elc loep iiij cr. j oert facit j gul. x Vs cr.

It. gheg. van viij carren sants viij cr.

It. gheg. Glaes Gheryt Coenraet soen soen van een suef iiij cr.

It. gheg. Jan Herman soen van vj boghen te maken j gul. viij cr.

It. gheg, Goeyert onsen dootgreuer ende Vbstgen elc van ij dage van dat sy den steen haelden wt den ouen ende noch hout haelden inde karc, facit xvj cr.

It. gheg. den smyt van i vorm te beslaen, dir de steen in geformt wart iij cr.

It. gheg. Otte onsen meyster van dat hy die boghen toeleyde iiij1 2 cr.

It. gheg. Willam Borchgaerts. van manden te maken viij1,^ cr.

It. gheg. van bast iij'/g cr. ende van tobben te binden iij cr. j witten facit vj1^ cr. j witten.

... It. gheg. Beer Jans, van I loep calcx, eiken loep iiij cr. j oert facit xiiij g. ijVg cr.

It. gheg. vanden scyuen die aende slotsteen ghemaect siin iiij gul.

It. gheg, van xxviij carren sants xxviij cr. faoüTjgiÏÏ. xiij. cr.

It. gheg. van steen wt den water op te draghen inde kerc vj cr.

... It. gheg. van ruesel, dairmen dat windaes mede smeerde viij wit

... It, gheg. Ghysbert Hack den smit van iserwerek te maken iij cr.

It. gheg, van xxxv loep calcx te beslaen elc loep vj d. facit viij cr. iiij1^....

... It. gheg. Jan van Roemst van ijM wulfsteens ende iij vierdel, elc C jVg gul. facit xxx gul. xij cr. It. gheg. Jan voirscr. van dat hy viij0 steens op de werf bracht vij1^ cr.

It. gheg. Jan voirscr. van '/j0 plauusen iij cr.

It. gheg. Beer Janss. van xxv loep calcx, eiken loep iiij cr. j oert facit vij gul. vij1^ wit.

It. gheg. van ij isers, daer die preeckstoel op staet, woegen xxiiij Va ^ facit j gul. v1^ cr.

It. gheg. Gheryt van Sulen van sant dat hem van outs ghebrac ij gul. v . . .

It. gheg. Reynaer van Berrevelt van 'ffi werek ende van wiintroeyen ende van spiker tesamen v gul. v wit.

It. gheg. noch Reynaer voirscr. van spyker iij gul. xj cr.

It. gheg. vanden klepel te maken in Onser Vrouwenklock iiij gul.

It. gheg. Jan Herman soen onsen scykler iij gul.

It. gheg. Heinric Jan Lubbert s. van wegen Willam Ottens. van steen xvj ,,,.

It. gheg. Willam Otten soen 1I1 loep souts van xviij cr.

It. gheg. Jan Herman soen onsen scykler '/2 loep souts van xviij cr.

It. gheg, Heinric Spruut van enen reep daer die werkloc mede gaet facit ij gul. iiij cr.

... It. gheg. Jan Kriec van enen krodenwagen xij cr.

ocr page 82

68

1462.

Wtgheuen vander tymmeringe. ')

It. gheg. om xv hondert balyoen steens te houwen eade achtkants, elc C iiij cr. facit iiij gul.

It. noch gheg. van vc balyoen steens te houwen, elc C y'l3 cr. facit j gul. xij1/,, cr.

... It. gheg, Beer Jans, van 1 loep calcx, elc loep iiij cr. j eert, facit xiiij gul.

It. gheg. vande doer anden preeckstoel te maken vij cr.

It. gheg. van ii] vierdeel waghenscots ix Riins gul. j1/2 eert, facit xxv gul.

It. gheg. van dat voirscr. hout iu de kerc te brenghen iij'ja cr.

... It. gheg. enen vpperknecht die de leyen op droech v cr.

... It, gheg. van ij karren die den peyuin vant kerchof voerden j gul.

It. gheg. enen knecht, die den peyuin halp laden iij cr. vj d.

... It. gheg. Beer Jans, van ij loep calcx, ele loep iiij cr. j oert, facit viij 'l2 cr.

It. gheg. ij knechts, die mede wrochten aende mner inde Santstege v 1/3 cr.

... It. gheg. Heinric Sander soen van iij vierdeel waghenscots mit hoer beslach ix Riins gal. vij '/j stuver facit xxv gul.

It. gheg. noch Heinric voirscr. van ij balken iij Riins gul. facit viij gul.

It. gheg. Ghysbert Herdebol van ij stuc houts vij1^ gul. iij1/;) cr. vj d.

It. gheg. van dit voirscr. hout opt kerchof te brengen iiij cr.

It. gheg. Beer Jaus. van xxxvj loep calx, elke loep iiij cr. j oert facit x gul. . . cr. vj d.

It. gheg. vanden trap te maken anden preeckstoel xiij cr.

... It. gheg. Brant de cuper van een emmer te maken ij1^ cr.

It. gheg. Heinric Sander soen van iij voeder scoeliaerts steen, elc voder xxj stuvers, facit viij gul. vj cr. It. gheg. den houtsaghers van enen dach xij cr.

It, gheg, van Iv waghenscots te saghen, elke snede xj d. facit j gul. x cr.

It. gheg. van sant i gul.

It. gheg. Beer Jan soen van 1 loep calcx, elc loep iiij cr. j oert, facit xiiij gul.....

It. gheg. van xij carren sants xij cr.

It. gheg. Willam Otten soen den steenbacker van gherekent ghelt xviij gul.

It, gheg. van ij stuc steens op kerchof te brengen ij cr.

It. gheg, van 1 loep calcx te beslaen, elc loep vj d. facit xij1^ cr.

... It. gheg. om xij basten, elc x......

It. gheg. Coen de houtsagher van . . tlaghe saghers facit j gul. ix cr.

It. gheg. om een stuc houta ij gul. . . . cr. ende j cr. van brengen ij gul. j'/j cr.

It. gheg, van x ryst leyen inde kerc te brengen vij1^ cr.

It, gheg. Heinric onsen tymmermau ij Riins gul. ende noch v Eiins gul. ende noch vj Riins gal. facit xxxiiij gul. x cr. vati siin verdinc.

It. gheg. Koevoet van j1;^ dach des daghes xxij1^ wit facit v'/a cr. iij d.

It, gheg. Coen de houtsager van xxxiiij waghenscots j gul, 1/3 cr.

It. gheg. den cuper van xviij hoep iij cr.

It. gheg. van manden te maken j'/j cr.

It. gheg. Jacob Stael Euertsoen van weghen Heinric Sandersoen xv 'jx Riins gul. ende noch hem seluen iiij'/ï Riins gul. som sx gul, voirscr. facit Iiij gul. v cr.

1

Onder dit hoofd zijn ook de uitgaven wegens dagloonen weggelaten. Men betaalde 76'/, dagloonen van Ö1^ cr,aaiiOfcto j»onzen meester,quot; 99 dagloonen van T/2 cr. aan meesterknechts, 111 dagloonen van 3 è. 4 cr, aan opperknechts, 40 dngloouen van 7 cr. aan Wouter den steenhouwer, l'l2 dagloon van 10 cr, aan Splinter den steenhouwer, 37 dagloonen van 3 cr, aan den doodgraver en 45 dagloonen van 7'/2 wit aan Ottensoen.

ocr page 83

G9

... It. gheg. Wouter de steenhouwer van die form te hauwen inde toern glas iiij Rodolphus gul. facit rij gul. iij cr.

It. gheg. Willam Otten soen vau steen viij gul. ende van Euert Staels wegban viij gul. facit xvj gul. Et. gheg. Jan van Roemst van synen steen ij gul. ende van Euert Staels weghen ij'/j gul. facit iiij % gul. It. gheg. Goeyert onsen dootgreuer mit noch enen man van leyen ende van steen op te draghen vij or. j wittgem. It. gheg. van xv loep calcx te heslaen iij1 '2 cr. vj d.

It. gheg. Beer Jans, van xv loep calcx, elc loep iiij cr. j oert facit iiij gul. ij Va cr. vj d. . . . It. gheg. Claes Hughen soen van xxiiij11 leynagel, elc dusent vij'/a cr- fac^ • • • •

. . . It. gheg. van vij carren sants elc j cr. facit vij cr.

It. gheg. Beer Jan soen van ix loep calcx, elc loep iiij cr. j oert facit ij'/j g. iiij'/3 wit.

It. gheg. Beer Jan soen van xiiij loep calcx, elc loep iiij cr. j oert facit ....

... It. gheg. van een ton te bynden viij wit.

It. gheg. Jan van Roemst van steen viij1^ cr. vj d.

It. gheg. Gheryt van Velde van iij karren eerden iij cr.

It. gheg. Gheryt van Sulen van iiijM steens ende j carré sants, facit xiij g. iij cr.

It. gheg. vau y stuc steens .... stuvers facit iij gul. iij cr.

It. gheg. Saelmon ende Goeyert onsen dootgreuer van dat sy die glaesveinsteren toeluteden ij gul. vj cr. It. gheg. om teen ende lecgherden v cr.

It. gheg. Heinric Sander soen van een planck, die inde guet leyt vj cr. iiij wit.

It. gheg. Ghysbert de smit van wynt roeden int afterglas j gul. iij cr.

It. gheg. Olaes Hughen soen van iiij'lj51 leynaghel elc dusent vij1^ cr. facit ij gul iij cr. iiij1/^ wit. It. gheg. Gherbrant Jacohsoen van sperren, die Reynaer eude Aelbert hem ofgheleent hadden xxj stuvers facit ij gul. xij cr.

It. gheg. Heinric Sandersoen x Riins gul. facit xxvj g. x cr.

It. gheg. Heinric voirscr. ij mud roggen, elc van xvj cr. facit ij gul. ij cr.

It. gheg. noch Heinric voirscr. vande kerc to decken ix Rodolphus gul. facit xvj gul. iij cr.

It. gheg. meyster Claes de smit vanden clepel in onser Vrouwen clock te maken iij'/j gul. ij1^ cr. It. gheg. Heinric onsen tymmerman ende Jan Coenen soen van werck, dat sy ouer tverding ghemaect hebben iij gul.

It. gheg. om claeiusmeer dairmen ....

It, gheg. om iy carren aerden iiij cr.

It. gheg. den sloetmaker van sluetellen ende ander werck xiij . . .

It. gheg. om dack, dairmen die glase mede toelutede v cr.

It. gheg. Reynaer van Berrevelt van iserwerck, dat in dit heel jaer ghebesicht is facit Ixj gul.

It. gheg. Heinric onsen tymmerman xvj gul.

It. gheg. van deu loueren te snyden ende ander werck dat aendat ouersteck ghemaect is ouer dat cruse-ficx aeu deu toern facit iiij gul. xj cr. vj d.

It. gheg. om een bijl vj cr.

It. gheg. vandat glas after den toern van elke ix voet gescreuen wercx xx wit stuvers ende vant wib werck eiken voet ij cr. eude dair was ghescreuen werck C xxvj voet ende dat wit were was C xxxv voet ende die som vanden ghelde maect Iv gul. ende die buer inden Weerde hebben hier toe ghegeuen dat ghebuert is

xlj gal. iiij cr. mit den sulueren riem die Aechte van Blochouen dair toe besprack.......ij cussen dair

samen off quara viij'/j gul. eude ij cr. ende mit . . . nobel, die een ongeuoemt man gaf aldus soe heeft .... hier toe ghegeuen xiij gul. xj cr.

It. gheg. van xvij crusen mit horen boghen bouen in dat ghewulft te verwen ende te verlichten , elke cruus mit siin boghe enen Beyersgul. ende van sinte Antonisbeelt in sinte Cornelis capelle op de singhel v gul. facit xxxvj gul. xj cr.

It. gheg. Gheryt de loetghieter iij Riins gul. meer dan int ander boec ghescreuen staet fac. viij gul. It, gheg. Claes Hughen soen iij gul meer dan int ander boec ghescreuen staet facit iij gul.

ocr page 84

BIJLAGE I.

Dit nabescreuen ie d ordonnantie van den potbroers van St. Jacobakercke, by aut Eaedb ende nyuw gemaeot an0 xiiijc ende tseuentich ende na verbetert in Tielmana jaer, we)cke brieff is berustende onder die kercmeysters.

{Volgt de verordening, afgedrukt in de Geschiedenis van de Kerspelkerk van St. Jacob

te Utrecht, Bijlage XIX).

Noch zeeckere ordonnantie, by aut raedt ende nyuw ende mit die kercmeysters in Tielman Goossens tyden an0 xiiijc ende Ixxxxij geordonneert.

Item die potbroeders sellen alle jaer op Ste Pontiaens dach ofte sondaechs daervoer haer sluetelen den kercmeysters voer der kisten in den kercke presenteren ende nederleggen op die kist ende nemen se dan weder ende houden se tot datter ander gecoren syn ende die sellen syse dan ouergeuen. Ende ist dattet die oude blyuen, so moegen sy die sluetelen behouden.

Item ende als daer ander gecoren syn, so sal die een den budel bewaeren ende die sel besorgen wes men behoeuen sal van koorn, botter, opbueren ende uytgeuen wes den armen van node is, die ander sellen hem by-stant doen inder kercken mit den berde om te gaen ende die prouens helpen geuen ende oeck tot allen diensten daert van noode tot armen beboeff. Ende wie inder kercken onder den sermoen niet coiuen mach, diesalt den anderen te voren seggen, opdat die armen niet verachtert syn byden ommeganck mitten borde.

Item S' Jacobs dach, op Onser Vrouwen Assumptio dach ende op Korsdach, als die op geen sondachen comptT—ende voorts op die vier hoochtyden ende op den kercmissen dach so sal men mit die kercmeysters omme gaen, also rnenich werff als die kercmeysters omme gaen.

Item dese bewaerders en sellen oeck alleen niet beginnen te coopen noch te vercopen off te timmeren, daer sy enyge sonderlinge scult mede maecken, dan by rade van den twee autsten kercmeysters ende wat sculden, die also gemaect syn, die sellen die nacommers helpen dragen ende betalen off aen haer nemen.

Item alle die aelmissen, die men geefft, die sel men geuen in St Jacobs kerspel ende anders nergens ende dat sellen weseu cramen ende bedlegers, die sel men geuen vuyt den budel ende scryuent. Men en sal oicknie-raant geuen, die de groote potbroeders genieten, om reden van preuilegien, die sy hebben. Also wie haer pot genieten, die moeten al haer goet haeren poth laeten etc. Die en sel men niemandt geuen, die openbaer bede op die preeckstoel heeft off int openbaer om haer broot gaen.

Item also geringe als die potbroeders opten stoel off gecondicht syn, so sellen die oude liaer sluetelen des seluen dages ouerleueren in handen die nyuwen ende oec mede dat boeck mit alle die oude rekeningen, so mach die nyuwe weeten , wat hy manen off coopen off geuen mach.

Item voert so sellen alle jaer die potbroeders haer rekening doen voer die kercmeysters binnen dat eerste vierendeell jaers, dat sy offgegaen syn, ende leueren sculden ende onsculdea ouer. Ende wat sy te bouen syn, sellen sy ouer leueren ende wat sculden die gemaect syn als voerseyt is, daer sel men se off ontlasten.

Dit is vande Tafel.

Item inden eersten so en sal men voer die tafel niemandt geuen, dan alleen die prouens, die daertoe ge-ordonneert zijn.

ocr page 85

71

Item iaden eerstea sellea daer weesen dertieh prouens des soudachs opten tafel tot dertich brooden, daer doet men toe xl pont meels van goeden weyt, alst vauder molen compt, ende op elcke proue leyt men een halff merck botteren, een mingelen biers aen gelde, alle dinck tot vermoegeti ende goede verbeternisse by rade vanden kercmeysters.

Item in die vasten leyt men in elcke scottel twee goede harinck van den besten voer die botter ende dan een mingelen biers daerby ende wat vuyt den ouerloopt, dat selmen werpen in die kist sonder vuyt den borde yt te geuen.

Item opten Goeden Vrydach geeft men mandaets brooden onder dat ampt van der kercken, elcke mandaet sal weerdicb syn ten minsten een echt muters.

Item op den Paesdach en geeft men niet, want daer voer geeft men die mandaten opten Goeden Vrydach.

Item niemandt en sal men die prouen geuen, die men weet, dat int openbaer voer die husen om broot gaen, ten waer by sonderlinge saken dat mens te vreden waer.

Item so wie men die prouen geeft, die sel men altyt te voren seggen, dat men se hem weder nemen mach, als men wil, des en sellen sy hem dan niet beclagen, Ende als men se hem nemen wil, dan sel men hem die prouen geuen sonder scottel.

Item voorts sal men coopen alle jaer thien scouwen torffs ende wat in pacht hebben ende hem gegeuen wort dat vermeerdert den hoop, desen torfï sel men alle jaer deylen omtrent St(! Lucie.

Item tot alle desen dienst vanden armen ende tot alle dat den armen aengaet daer en sellen geen vrouwen hant aen slaen noch hem onderwynden dan alleen die mannen diet beuolen is etc.

Met eene hand der IGd6 eeuw geschreven. Op papier in het archief der St. Jucobskerk.

BIJLAGE II.

9 October 1494.

Wy meyster Coenraet Staell ende heeren Vrederyck Wtenham, cureyten, ende wy Tielman Hugenszoen, Ysbrant Janszoen, Jacob Willemszoen ende Mathys Mathyszoen, kerckmeysters inder tyt der kercken van sinte Jacops tUtrecht, optie een, ende wy Jan Reyerszoen ende Willem Diercszoen, procuratoers indertyt, ende voert die ghemeen brueders der bruederscap van sinte Anthonis van der capellen, gelegen buyten by Vtrecbt opt Hoghe lant aender Vechten, optie andere zyden, maken kondt ende kenlycken allen luden, alse dat wy voir ons ende voir onse nacomelingen mynlyken ende vrintlyken mit malcander overcomen syn in aire manyereu, als hier nae bescrenen staet: In den yersten soe sell die bruederscap voirscr. then ewighen dagen in der capellen voirs. dagelicx misse mogen laten doen, ombecroent ofte sonder enych weder seggen der cureyten ende kerckmeysters voirs. ende hoir nacomelingen , wtgesondert alle die sonnendagen doert geheell jair, Korssdach, Onser Lieuer Vrouwendach te Lichtmisse , Onser Lieuer Vrouwendach Annunciatie, die coemt in die vasten, Paeschdacb, Pinxsterdach, Onser Vrouwendach Assumptie, tsinte Jacopsdach, tsinte Jacobs kermissdach, Aire heyligen dach, Aire zielen dach en sel men in der capellen voirs. gheen misse doen. Oick soe en sel men inder capellen voirs, tot gheener tyt doden begrauen noch be-gangenissen doen noch oick gheen bndoften noch craemvrouwen inleyden. Voirt alsoe in de capellen voirs. grote gratiën ende offlaten the verdienen syn ende sonderlinge tot vyf tyden van den jair, als op sinte Anthonis dach, des dynxsdages na den heyligen Paeschdacb, des manendages na den heyligen Pynxsterdach, op sinte Victoirsdach ende op sinte Andriesdach, soe sellen die cureyten voirs., die indertyt wesen sullen, gehouden wesen, dat sy telken den sonnendage, die voir die voirscr. vyff dagen comen sellen, inder kercken sinte Jacobs voirs. smorgens inden sermoen den volck verkundigen sellen opten preeckstoell alsulke gracien ende offlaten, als inder capellen voirs. dan the verdienen sell wesen, nae vermogen der bullen, die dat bruederscap dair off heeft, ende all buyten der bruederscaps cost. Voirt soe sellen die cureyten ende horen capellanen altyt der brueder-

ocr page 86

72

scap geilachticb wesen ende allen testamenten proraeuieren ende vermanen om mede in den testament te staen. Voirt sob sellen die cureyten voirs. ende hoir nacomelingen altyt opten voirscreuen vyfF dagen, dattet offlaet inder capellen voirs. wesen sell, dair seynden horen capellaen, smorgens tusschen aclit eude neglien vrea, die dair die liomisse singen sell ende naeden middage een sermoen inder capellen doen. Eude dan soe sellen die pastoren hebben alsulck offer, als opten hogben outaer onder die bomisse dan comen sell, ende die bruederscap sell dair toe geueii den capellaen elcke reyse drie stuuers, ende liy sell suudages by die procuratoers blyuen eten. Voert soe sell die bruederscap voirs. hebben ende behouden then ewigen dagen alle alsulck offer , als inder capellen voirs. comen sell doert gebeell jair, wtgesondert den pastoren voirs. hoir offer opten voirscr. vyffi dagen opten boghen outaer onder die bomisse gelyck voirscr. is. Ende dair voir sell die bruederscap voirs. alle jair then ewigen dagen geuen elcke pastoer enen gouden Rynsche gulden ende die kerck van sinte Jacop oick enen gouden Rynsche gulden, beboudelyken ende mit sulken voirwairden, waert saeke dat die capelle voirs. tot enyge tyt verbrant ofte by last van oirloge off gebroken ofte verdoruen worde, ofte dat die bruederscap voirs. tot enyge tyt te nyt ghinge, dat God verhueden moet, soe en souden die cureyten nochte kercke voirs. van die voirscr. drie gouden Rynsche gulden jairlicx nyet hebben, ende soe soude die bruederscap, dier wylen dat die capelle verdoruen ofte dat die bruederscap the nyet ware, ontlast ende ongehouden wesen jairlicx die voirs. drie gouden Rynsche guldens te betalen, mer tot wat tyden dat die capelle wederom op gemaict, ofte dat die bruederscap weder in eren waer, soe datter dagelicx weder goedsdeinst in der capellen geschiede, soe soude die bruederscap voirs. dan voirtaen jairlicx weder die voirs. drie gouden Rynsche guldens wtreycken eude betalen, ende so sell desen brieff ende alle punten ende voirwairden hier inne begrepen weder in hoir volcomen-der macbt wesen ende blyuen then ewigen dagen. Ende heir mede sell oick alle twyst ende gescheell, dat sy onderlinge gehadt mogen hebben tot desen dagen toe, doot ende the nyet wesen, ende all misdaet vergeuen ende dair van geobsoluiert wesen sonder enygerbande argelist. Ende want wy cureyten ende kerckmeysters voirs. optie een, ende wy procuratoers ende gbemeen brueders der bruederscap voirscr. optie andere syden belyen ende bekennen, dat wy alle dese punten ende voirwairden voirs. mit malcandere mynlyken ende vrient-lyken ouercomen syn ende die malcandere voir ons ende voir onse nacomelingen afteruolgen, naegaen, houden ende voldoen willen, soe hebben wy cureyten voirs. onser curien segell ende wy kerckmeysters voirs. onser kercken segell wthangende aen desen brieff gedaen. Ende wy procuratoers ende gbemeen brueders der bruederscap voirscr. hebben gebeden Gheryt van Vien, schout opt Hoghe lant, ende Mathys Matbysz. desen brieff ouer ons the besegeleu mit horen segelen, want onse bruederscap op desen tyt seiner gbeen segell en heeft, dat wy Gheryt van Vien ende Mathys Matbysz. voirscr. ther beden den procuratoers ende gbemeen brueders der bruederscap voirscr. gbeern gedaen hebben thenen oirkoiule. Deser brieue syn twee alleen sprekende. Gegeuen int jair ons Heren duysent vier hondert vier ende tnegenticb op sinte Victoirs auondt.

V

Oorspronkelijk op perk. met drie zegels in groene was en een vierde, dat afgevallen is, hangende aan perk. strooken, in het archief der St. Jacobskerk.

BIJLAGE III.

18 Januari 1528.

Ic Jan Henricksz. van Campen, priester, vicarius van Onser Lieuer Vrouwe altair inder kerken van Sint Jacobs t Utrecht, gene mit consent Goyert die Coninck, als collator der seluer vicarie op Onser Lieuer Vrouwe altair voirscreuen, voir my ende mynen nacomelingen ende erffelicken, tot venneeringe der memorien inder seluer kercken van Sunt Jacob voerscreuen, soeuen hout lant myt allen hoeren toebeboeren, als die gelegen syn inden gerechte van Goy, toebehorende mynre vicarie voerscreuen, na wtwysinge segel ende brieue, die ick den pastoren ende heeren vanden memorie voirscreuen dairvoir geleuert heb ende den voirscreuen hee-ren die gerichtelicken opdragen sal, gelycken sulcx behoirlick is; ende dat dair omme, dat ick heer Jan als possessoir ende myne successoren der vicarien voirg. sullen ewelicken ende erfflicken capaces ende deelachtich

ocr page 87

73

wesen der presentien encle memorien, die gefundeert syn ende naeraaels gefundeert sellen werden inder voirgen. kercke van Sint Jacob, myt foirwairden: Wairt zaeke, dat dit voirgen. lant den pastoren ende den heeren vander memorien nyet en belieffden te holden voir twee gulden Hollants, twyntich Wtersche braspenningen voirden galden jairlicx, soe sal ick heer Jan voirscreuen als possessor der vicarien inder tyt ende mynen naco-melingen jairlicx geuen wt alle renten, toekomende der vicarien voirscreuen, die twee Hollantsche gulden die memorie op Sinte Martynsdach inden wynter offte bynnen veerthien dage dairna onbegrepen; ende wairt zake, dat ick ofte myne nacomelingeii dese twee gulden Hollants opten voirs. termyn nyet en betaelden, soe geuen wy over mits desen, dat die heeren van Sint Jacob voirgen. zeilen moegen aenspreken alle goederen, behorende aender vicarye voirscreuen, ter tyt toe, dat die twee gulden Hollants betaelt syn. Oick wairt zake, dat ick oiï mynen successoren off enige van den pastoiren ') ofte collatoren dese vicarie volden verbeteren ende maken die memorie die selue twee galden Hollants voirs. siaers, soe sal dat voirgen. lant vry, losch ende commerloes wederom ander voirscreuen myne vicarie comeu ende die bezitter der vicarie voirscreuen sal oick vry ende ontslegen wesen van die twee roirgen. gulden jaerlicx wt allen renten der vicaryen voirs. toebehoerende te geuen der memorien als bonen ende nochtants soe sal die vicarius ofte bezitter inder tyt altoes capax wesen der presentien ende memorien voirscreuen. Opdat dit vast ende stede bliue, soe heb ick heer Jan voirgen. als possessoir der voirgen. vicarie gebeden den weerdigen heeren Anthonis van Muers, procurator van Sint An-thonis, desen brieff ouer rny te willen bezegelen, twelck ick heer Anthonis voirscreuen ter bede heeren Johan voirscreuen geerne gedaan heb ende raynen zegel hier an gehangen. Ende ick Goyert die Coninck, collatoir inder tyt der voirscreuen ■vicarien, mynen zegel tot meere vesticbeyt oick aan desen brieff gehangen heb int jair ons Heeren dusent vyfl hondert ende acht ende twyntich den xviiiden dach in Januario. Bidden oetmoede-licken den hoichweerdigen, hoichgeboeren, vermoegenclen fursten ende heeren, heeren Henriek, palsgreue by Ryn, hertoge in Beyeren, elect ende confirmeert t Utrecht, onsen genedigen lieuen heeren, dat syn f. gen. dit willen approbieren , confirmieren ende laten transfixieren.

Naar het ooispronkelijke op perkament met twee zegels, het eene in roode en het andere in groene was , ieder hangende aan een doorgestoken perkamenten strook, in het archief der St. Jncobskerk.

8 Februari 1528.

Henricus, Palatinus Rheni comes et dux Bauarie, Dei et apostolice sedis gratia electus et confirmatus Traiectensis, notum facitnus vniuersis, quod ad humilem supplicationem dilecti nobis in Christo Johannis Hen-rici de Oampis, presbiteri, vicarii ecclesie nostre sancti Jacobi Traiectensis, tractatum siue concordiam omniaque alia et singula in litteris, quibus presentes nostre littere sunt transfixe, contenta, narrata et descripta ratifi-camus et approbamus illuraque, illam et ea auctoritate nostra ordinaria tenore presentium in Dei nomine con-firmamus, nostrarum testimonio litterarum. Datum nostro sub sigillo ad causas presentibus appenso anno Domiui millesirao quingentesimo vicesimo octauo, die vero meusis Februarii octaua.

(get.) Jo. de Goch. s, s. t.

Naax liet oorspronkelijke op perkament, met een zegel in rood was, hangende aan een uitgesneden strook; als transfix gehecht aan het vorige stuk.

18 Februari 1528.

Ick Jan Henrickss. vau Campen, priester, vicarius van Onser Lieuer Vrouwen altaer inder perrochy kercke van Sint Jacop tlltreckt, doe condt dat ick in enen ewigen pacht genomen ende ontvangen heb van

1) «pastoirenquot;, lees: «jjossessoirenquot;.

10

ocr page 88

den pastoren ende choergesellen, memoristen. van Sint Jacops kerck t Utrecht vors., die seuen hont lants, gelegen in gerichte van Goye, bescreueu indeu brieff, daer dese myn brieff doergesteken is, jaerlix ende alle jair voir twe Rinsche guldens Houllants geit, twyntich stuuer ver den gulden gerekent, daer acht eude twintich stuuers off maken eneu goeden gouden Coruorster gulden van gewichte, die ick ende mynen nacomelingeu der vors. vicarien possessoers den memoriemeesters inder tyt betalen sellen sinte Mertens misse inden wynter off binnen veertien dagen daer na onbegrepen synde. Ende waert sake, dat ick otf myn nacomelingen, possessoers , soe nyet en betaelden, soe sellen ick ende zy altyt suspendeert wesen ende bliuen vander memorien te participiren, soe lange als ick ende zy daer aff vol ende all betaelt sellen hebben. Dess toe oirconde, soe ick selffs geen zegell en heb, soe heb ick gebeden heeren Geryt Beyer, canoniek ten Doem tUtrecht, desen brieff ouer my myt zynen zegell te besegelen, twelck ic Geryt Beyer vors. gern ter begeerten van heer Jan Henrixss. vors. gedaeu heb, ende heb mynen zegel hier onder aen gehangen. Gegeuen int jair ons Heeren dusent vyff hondert acht ende twyntich opten achtiemlen dach in Fehruario.

Naar het oorspronkelijke op perkament met een zegel in rood was, hangende aan een uitgesneden strook, als transfix gehecht aan liet vorige stuk.

ocr page 89

n

ocr page 90
ocr page 91
ocr page 92