De tteii èr lltiiMHitas
INZONDERHEID OP HET PLATTELAND.
DOOR
L. H. F. A. FAURE,
Predikant te Rheden.
(Uitgegeven ten voordeele der Weesinrichting te Neerbosch.)
NIJMEGEN. - P. J. M1LBORN.
Neerbosch. â Snelpersdruk der Weesinrichtin^.
VOORREDE.
De volgende bladzijden bevatten den zakelijken inhoud eener voordracht, die ik op uitnoodiging van Br. Van 't Linden-hout hij gelegenheid van de driedaagsche conferentie te Neerbosch (van 14â17 Sept.) had willen houden.
Eene tijdelijke ongesteldheid maakte de uitvoering van dat voornemen onmogelijk.
Toch meende ik niet te mogen verzwijgen luat ik met eigen oogen van dit voortreffelijk werk heb gezien, en nam dus dankbaar het aanbod om deze ervaringen langs anderen weg mede te deelen aan.
De uitgave geschiedt geheel ten voordeele der l-Veesinrichting. Moge het dubbele doel dat de schrijver zich daarmede voorstelt -worden bereikt; en het geschriftje niet slechts een stoffelijke bate voor de weezen maar ook voor het daarin behandelde liefdewerk eenige vrucht opleveren.
Van onzen Heiland lezen wij dat âHij het land doorging goeddoende.quot; Deernis vervulde Hem met al het lijden dat Hem omringde. Hij weende met de weenenden, Hij zuchtte met de zuchtenden, en overal waar Hij het land doorging liet Hij de sporen van Zijn verblijf in even zoovele teekenen Zijner erbarming achter.
En die zelfde Heiland is door den Heiligen Geest nog altijd persoonlijk in Zijne gemeente aanwezig. Hij zelf is het die nog immer in haar leeft en werkt.
Daarom moet ook in haar een volheid van liefde, van priesterlijk medelijden met alle ellende wonen, zooals de wereld die niet kent. De liefde der kinderen Gods moet tot die van de kinderen dezer eeuw staan als het origi-neele tot zijn copie; zij moet een waarachtig nieuw verschijnsel zijn in deze oude afgeleefde wereld. Helaas, wij weten hoe ver de gemeente in deze beneden hare roeping staat; ja, dikwijls zelfs beneden de kinderen dezer eeuw; hoe de zelfzucht onder ons nog een macht is; hoe ver het er nog af is, dat de zelfverloochening, meer nog de zelfopoffering van den gekruisigde de eenige drijfkracht
6
van al haar doen cn laten, haar spreken en handelen uitmaakt.
Toch is er in onze eeuw in deze een kentering ten goede openbaar; de kerk is tot het besef gekomen dat zij eene heilige roeping, eene dure verplichting heeft tegenover de lijdende wereld; zij is uit haar sluimering opgewekt, en begint de hand aan den ploeg te slaan. Onze eeuw is dc eeuw der christelijke philanthropic. Overal zien wij de vruchten dezer opwekking, maar een der schoonste, een die nergens rijpen kan dan op den bodem des geloofs; die niet slechts enkele offers maar het offer der geheele persoonlijkheid vraagt; die zich door hare veelzijdigheid en haar eigenaardig karakter van al de andere onderscheidt is wel het gemeente-diakonaat.
Het is over dit belangrijke deel van de inwendige zending onzer dagen dat ik een en ander onder de aandacht van alle belangstellende gemeenteleden, maar van mijne ambtsbroeders in het bijzonder, wensch te brengen.
Overwegen wij dan eerst wat het gemeente-diakonaat wil en hoe het werkt;
vervolgens welke beteekenis het heeft voor de liefdadigheid in het algemeen en voor de zielzorg in het bijzonder;
om ten slotte stil te staan bij de invoering in plaatselijke gemeenten en de algemeene uitbreiding dezer zaak.
Het gemeente-diakonaat is (gelijk Dr. Fliedner het uitdrukt) slechts een deel van het groote diakonessen-werk,
een tak van den boom, die op den bodem der Evangelische kerk geplant, en waaraan reeds menige kostelijke vrucht gegroeid is. Voor 55 jaren, onder veel tegenkanting en met zeer geringe hulpmiddelen, aangevangen heeft dit werk thans reeds eene schier ongeloofelijke uitbreiding verkregen. Het mosterdzaadje is tot een boom geworden, die zijn wortelen diep geschoten en zijn takken naar alle zijden uitgebreid heeft, en in welks schaduw duizenden, die onder de hitte des daags dreigden te bezwijken, verkwikking hebben gevonden. Hoeveel ellende is hier in 's Hee-ren naam niet verlicht. Hoevelen hebben daar een verpleging en verzorging gevonden, die zij elders vergeefs zouden hebben gezocht. Hoevele kranken en lijdenden hebben daar ervaren dat er in deze wereld van zelfzucht nog een macht der liefde arbeidt; hetzij dat ze zelve in het Diakonessen-huis werden opgenomen, hetzij dat de verpleging door de diakones in de eigen woning plaats had.
Maar hoeveel zegen van dit werk ook uitging, daar bleven tegenover iedere tien die er door gebaat werden wel tienduizend wien het nimmer bereikte.
Wilde het doel bereikt worden; wilde de gemeente van den barmhartigen Heiland de volle kracht der in haar wonende liefde ontwikkelen, dan moest der ellende niet slechts een toevluchtsoord geopend, maar zij moest in haar eigen kring opgezocht worden; â opgezocht overal waar zij zich openbaarde, üat besef drong in de harten door; en zoo groeide, onder de werking des Heiligen Geestes,
8
een nieuwe tak â de vruchtbaarste van alle â uit den moederstam. Er werd besloten diakonnessen .beschikbaar te stellen voor stad en land, overal waar dit begeerd zou worden, en voor zoover de krachten toereikten.
Deze, die den naam draagt van gemeente-diakones, woont op de plaats zelve, en gaande van huis tot huis verschaft zij hulp overal waar deze wordt ingeroepen. Zij doet dit in den ruimsten zin des woords; want al is en blijft de verpleging der kranken hoofdzaak, zoo ontwikkelt zich daaruit een gansche reeks van andere werkzaamheden. De gemeente-diakones verricht alles wat een vrouw kan doen om den nood te lenigen; zij arbeidt niet slechts ter genezing der kranken, maar ook (wat daarmede dikwijls zoo nauw samenhangt) ter verbinding van het verbrokene en ter wederbrenging van het afgedrevene en verlorene.
Hiermede verkrijgt dus het diakonessen-werk niet slechts grooter uitbreiding, maar neemt tevens, gelijk van zelf spreekt, eenigszins een ander karakter aan. Het laat zich in theorie niet vaststellen waar de grenzen van haar arbeidsveld liggen. Zij zelve moet den tact bezitten om uit te maken wat binnen het bereik harer krachten ter eener en binnen hare bevoegdheid ter anderer zijde valt. Zij heeft zich vrij te houden van al wat ook maar zweemt naar bemoeizucht. Zij moet steeds de dienende nooit of nimmer de heerschende zijn. Hare verschijning moet steeds zacht, bescheiden, kalm en liefelijk wezen; wat natuurlijk niet buitensluit dat zij met beslistheid mag optreden. Dit laatste is zelfs een dringend
9
vcreischte; te meer omdat zij meermalen niet ernst zal hebben te protesteeren tegen dwaze of zondige praktijken. Zij oefene evenwel geen ander gezag uit dan het gezag der liefde. Daarop komt het ten slotte aan, of zij inderdaad gedrongen wordt door de liefde van Christus; daarin draagt zij het richtsnoer harer handelingen met zich mee; want deze is het waarvan de apostel Paulus getuigt dal zij met ongcsc/nki hmulelt. Zoo is de diakones in den volsten zin des woords: âdc zusterquot; der gemeente: en grieft het haar inderdaad wanneer zij door onwetenden als âJuffrouwquot; wordt toegesproken.
Ter toelichting van het voorgaande een enkel voorbeeld uit vele:
Daar is een armoedig dagloonersgezin, bestaande uit vader, moeder en een zeker aantal kinderen. De vrouw is sedert eenigen tijd lijdende, maar aangezien er niemand is die haar vervangen kan, houdt zij zich zoo lang mogelijk op de been; met een kloppend hoofd en loome leden sleept zij zich voort, totdat eindelijk de natuur, die niet vraagt naar âgelegen of ongelegen,quot; hare rechten laat gelden, en zij gedwongen wordt den strijd op te geven. Stel u thans de ellende voor, die deze gedwongen âwerkstakingquot; medebrengt. Zoo lang alles den geregelden gang volgt, sleepen duizenden een bestaan voort, waarvan zij die in zekere weelde leven zich geen flauw denkbeeld kunnen vormen en zij doen het dikwerf zonder morren; maar nauwelijks komt er een kink in den kabel of de toestand wordt inder-
IO
daad onhoudbaar. Tegen den kwaden dag zijn zij niet gewapend. Daar ligt dan de vrouw krank te bed; de man gaat met een zwaar hart vroegtijdig naar zijn werk; hoe krank zijn arme vrouw ook zij, van thuis blijven kan geen sprake zijn; hij kan de verdienste van geen enkelen dag missen, en thans kan hij dat minder dan ooit; hij moet haar dus achter- en aan de dikwijls twijfelachtige zorg van deze of gene buurvrouw overlaten. De kinderen gaan ongewasschen, half gekleed naar school en de arme moeder, zij moet het maar lijdelijk aanzien dat haar huishouden verloopt, zonder dat zij er iets tegen vermag te doen. Dat op zich zelf is reeds weinig bevorderlijk voor het herstel; want een zieke heeft kalmte noo-dig. Kalmte ja, â maar ook rust; en hoe zal zij die ter wereld verkrijgen? In dat kleine vertrek, somtijds eenige meters in het vierkant, het eenige dat het huisgezin bewoont, is geen sprake van rust. Ze hoort het stoeien en spelen, dikwerf het vechten der kinderen. Ze ziet het hoe er een te dicht bij de kachel komt, terwijl een ander elders kattekwaad uitvoert. Och lezer, dat zijn toestanden waar gij met uw stille, afgezonderde bovenkamer, waar geen dampende pot met âvoeder voor het varkenquot; de lucht staat te verderven (ik ben prozaïsch, maar poëzie en ellende zijn geen goede vrienden); gij met uw ruime kinder-kamer en uw dienend personeel; desnoods nog met een noodhulp, als het werk hun te veel wordt; dat zijn toestanden waarvan gij u geen denkbeeld kunt vormen. Maar die toestan-
den bestaan, en zijn zelfs schering en inslag in de onderste lagen der maatschappij. Dat is de ellende waarvan het nieuwsblad niet spreekt; â die stille ellende, die aan den wortel knaagt.
Hoe daarin verandering te brengen?
Wij antwoorden door het gemeente-diakonaat.
Daar is de zuster deze woning binnengetreden. Zij heeft de arme vrouw van frissche lakens voorzien en, als het winter is, dan heeft zij door haar voorspraak gezorgd dat die lompen, die oude rok, dat stuk duf riekend vloerkleed, waarmee de zieke zich had bedekt, door een doelmatige warme deken zijn vervangen. Zij heeft het bed opgeschud, de lijderes in eene gemakkelijke houding geplaatst, de wond (zoo hiervan sprake is) gezuiverd en het verband gelegd; â zij zorgt dat de voorschriften van den geneesheer getrouw worden nagekomen; op alle verschijnselen heeft zij acht gegeven; de temperatuur opgenomen; om straks den dokter de gegevens aan te bieden. En zoo is zij niet slechts de helpster der kranken, maar ook de rechterhand van den geneesheer. Helaas, dat de kleingeestige vrees om op de vingers te worden gezien en in hun zwakke zijde zich aan het kennersoog der diakones te vertoo-nen, meer dan een der vakmannen er toe brengt om deze helpende hand af te weren. Doch hiermede heeft de zuster haar liefdewerk nog niet afgedaan. Nu de zieke bezorgd is, worden de kinderen gewasschen, gekleed en met volle maag naar school gezonden. Dan wordt de bezem
12
ter hand genomen; de vloer wordt gedweild, de rommel opgeborgen. Niets is der diakones te min af. De liefde adelt eiken arbeid. Vóór haar vertrek wordt de buurvrouw verzocht een oog in het zeil te houden en de allernoodzakelijkste hulp tot haar terugkeer te verleenen. En als des middags de man te huis komt heeft alles een frisch en vriendelijk aanzien, zoo gansch anders dan toen hij de woning verliet. Het middagmaal, waarin hij anders zoo goed en zoo kwaad als het ging zelf moest voorzien, staat voor hem gereed. Met een verruimd hart keert hij naar zijn werk terug, want hij weet dat er t'huis in liefde voor zijn zieke wordt gezorgd.
Een ander voorbeeld. Daar is een kranke, die trots alle zorg en hulp toch zal worden opgeroepen. Er moet gewaakt worden; de man kan het niet doen, want doodelijk vermoeid is hij van zijn dagwerk te huis gekomen. Daar is het alweer de zuster, die haar post bij de stervende inneemt. Zij zorgt dat de droge lippen telkens gelaafd worden; zij spreekt vriendelijke woorden van vertroosting, en brengt de kranke den eenigen troost in leven en in sterven. Maar ze doet nog meer dan dat; nimmer zit zij met de handen over elkaar; in de oogenblikken terwijl de zieke sluimert is zij nog bezig. De kleeren der kinderen worden voor den dag gehaald en versteld; daar wordt geknipt, gelapt of van het oude wat nieuws gemaakt.
Maar niet alleen aan de ziekbedden, niet alleen waar ernstige krankheid is, doch overal waar haar hulp, zij
T3
het ook om een kleinigheid, wordt ingeroepen verschijnt zij:1) bij den een is het kind wat hangerig; een ander heeft zich verwond of bezeerd; en zoo weet zij door tijdige hulp of door met nadruk naar den geneesheer te verwijzen dikwijls ernstige krankheid te voorkomen. Dergelijke gevallen komen herhaaldelijk voor. Elders weer tracht zij de volwassen dochter uit een arm gezin in een goeden dienst te brengen; of wel zij is bij de welgestelden de voorspraak van hen die in nood verkeeren. In één woord: zij is zuster, de zuster van allen. Zij leeft met de menschen, vooral met de armen, mede. Zoo weet zij door daden het vertrouwen te winnen, dat wij, met de beste bedoelingen, nimmer verwerven zullen. Moeders raadplegen haar over de huishouding, over de kinderen, over alles en nog wat. Vooral voor de jongere meisjes der gemeente tracht zij eene oudere zuster te zijn. Deze vereenigt zij op een vasten avond in de week aan hare woning, of anders in een geschikt lokaal. Dan zitten zij allen aan een lange tafel gezellig bijeen; daar wordt dan voor de armen en zieken gewerkt. Allerlei kleedingstukken, die bij het opruimen van oud goed haar door dezen en genen ter hand zijn gesteld, worden hier voor de betrokken personen pasklaar gemaakt. En niets is zoo oud en versleten of de diakones weet er nog wel raad mee. Zoo leeren de jongedochters der ge-
1
Zij verleent deze niet slechts aan Protestanten, maar ook aan Roomsch-Ka-tholieken en Joden; altijd voor /.oever de omvang van haar arbeidsveld dit toelaat.
14
meente ook eens de handen uit de mouw steken, om in den nood rondom haar te helpen voorzien. Bovendien vormt deze arbeid tevens een uitnemende cursus in handwerken; vooral in die soort van handwerken die haar later als prae-tische huismoeders zelve zoo uitnemend te pas zullen komen. Op die vereenigingen wordt gezongen en voorgelezen en komen de jonge meisjes onder den besten invloed dien wij voor haar wenschen kunnen.
Ziedaar lezer, wat het gcmcentcdiaknnaat wil en hoe het werkt.
Wellicht meent iemand uwer: maar als zij haar taak zoo in de deelen opvat, dan is zij toch niet in staat die in haar geheel na te komen! En toch doet zij dat. Het is onbegrijpelijk hoeveel de diakones soms verricht; â inderdaad de liefde is vindingrijk; zij vindt gelegenheid om allen te helpen, maar zij woekert dan ook met den tijd. Ik herhaal, op geen anderen bodem dan op dien des geloofs kan een werk van zóóveel, zóó voortdurende zelfverloochening waarlijk bloeien.
Het spreekt van zelf dat ik mij bij de toelichting van dezen arbeid heb moeten bepalen tot het doen van enkele grepen; opdat gij daarover nadenkende uzelven eenig denkbeeld van het geheel zoudt kunnen maken.
âEx ungue leonem.quot; Genoeg, hoop ik, om te overtuigen van het hooge gewicht dezer zaak; om te doen zien hoe hier de eisch der christelijke barmhartigheid: âNiemand zoeke dat zijns zelfs is, maar een iegelijk zoeke dat des anderen isquot; wordt geïllustreerd. Doch niet alleen om hetgeen zij zelve is
15
verdient zij den steun der gansche gemeente, maar ook om den invloed dien zij op andere levenskringen oefent.
Uct gemecntc-diaconaat is van groote betcckcnis voor de liefdadigheid in het algemeen en voor de zielzorg in het bijzonder.
Vooreerst prikkelt de zuster door haar voorbeeld. Die ook maar eenigszins ontvankelijk is voor dergelijke indrukken zal, ziende wat de liefde in één menschenhart vermag, zichzelven afvragen; âen ik, wat doe ik nu voor mijnen naaste?quot; Hij zal tot de slotsom komen dat de enkele aalmoes die hij aan de deur geeft, de enkele contributie die op deze of gene lijst achter zijn naam prijkt, en waarin dikwijls zooveel meer zelfzucht dan zelfverloochening
schuilt, nog heel wat anders is dan wat hij hier ziet doen
#
en zeker in de verste verte niet gelijkt naar een betrachten van het apostolisch woord: âde liefde zoekt wat des anderen is.quot; De trage buurvrouw, die de zuster dag aan dag in de woning naast haar ziet binnengaan, om daar gansch belangeloos, een werk der liefde te verrichten, zal zich schamen over haar eigen gemakzucht en gebrek aan liefde. Zij zal ook eens âaanloopenquot; om te zien of zij de zuster een handje kan helpen. Zij zal een deel van de zorg der kinderen op zich nemen, een stukske meer wasschen dan zij gewoon is te doen, een maaltje meer opzetten dan zij voor haar eigen huishouden pleegt te doen. En de naaste familie, die misschien eens een enkelen keer naaide zieke kwam omzien, zal bij de vermaning der zuster de
i6
oogcn neerslaan, omdat de boetpredikster door haar eigen optreden zich het recht heeft verworven om te bestraffen, la lezer â een goede liefdezuster moet somtijds duchtig de waarheid zeggen, en het is opmerkelijk hoe goed men het doorgaans van haar verdraagt.
De arbeid der diakones is een arbeid die slapenden wekt; hij roept ons toe; âGeef niet slechts uw geld, uw oude kleedingstukken, uw bijdrage in melk, soep of eieren â maar geef uzelven! Ga ook gij eens naar de ellende in haren eigen kring, en breng er bovenal den troost eener waarachtige deelneming.
Doch ook in anderen zin heeft dit werk beteekenis voor de liefdadigheid.
Deze werkt, schoon met de beste bedoelingen, dikwerr eer schadelijk dan goed en bevordert de ellende wel eens meer dan dat ze haar bestrijdt. O, er wordt soms op zoo onverstandige wijze gegeven, omdat men zich niet voldoende op de hoogte heeft gesteld en menigmaal ook niet heeft kunnen stellen.
De een ontvangt soms van tien verschillende personen en dus te veel; terwijl een ander, die een minder algemeene gunsteling of een minder geroutineerd bedelaar is weinig of niets ontvangt; terwijl hij het toch dikwijls niet minder verdient en ook niet minder behoeft. Wat wordt van de goedgeefsche gezindheid van dezen of genen niet menigmaal op de schandelijkste wijze misbruik gemaakt!
P
I?
Lezer, dit zijn klachten die ieder onzer gehoord en ook zelf geuit heeft, niet waar? Moe dikwijls hebben we ons zeiven niet afgevraagd wat toch te doen om aan deze wantoestanden een einde te maken, zonder daarom in het minst de barmhartigheid prijs te geven. Men heeft er van alles op verzonnen; zonder evenwel de baat er bij te vinden die men wenschte. Welnu lezer, de meest practische oplossing van deze kwestie is: âde arbeid der gemeente-diakonesquot;. Ik zeg niet dat daarmede aan den wantoestand paal en perk wordt gesteld; dat ware al te naief; maar wel meen ik dat wij, vooral op hel phitteland, zoodoende op een veel beteren weg gekomen zijn.
Men heeft thans een persoon, die inderdaad op de hoogte is en tot wien men zich vervoegen kan, zoodat er vooreerst meer eenheid en orde in dien chaos komt en hetgegevene voorts beter doel treft. Als zoodanig is de gemeente-diakones inderdaad ook onmisbaar voor den diaken. Zij mag zich nimmer in zijne plaats stellen; veel minder hem tegenwerken door toch te geven, waar hij het, na behoorlijk onderzoek, niet geraden acht. Zij heeft als vrouw te zwijgen en mag het prestige van den diaken niet verwoesten. Maar hij van zijn kant mag wel toezien dat hij haar raad niet uit zekere koppigheid (op het land geen zeldzaam verschijnsel) gering schat. Evenmin mag hij uit gemakzucht zijn taak van zich afschuiven en alles maar aan de diako-nes overlaten. Hij is en blijft ten slotte als ambtsdrager de verantwoordelijke persoon. Als het goed zal wezen, dan
2
i8
moet de diakones de schakel zijn die de diakonie met de bedeelden in een levende gemeenschap vereenigt; waardoor de belangstelling bij diakenen wordt opgewekt en zij de dingen met andere oogen leeren inzien; waardoor ten slotte tusschen beide corporation (vergun mij deze uitdrukking) zekere voeling ontstaat. En wie, die op de hoogte der kerkelijke toestanden is, zal ontkennen dat hieraan schreiende behoefte bestaat? Doch niet alleen voor de particuliere en gemeentelijke liefdadigheid, ook voor de zielzorg is deze instel/iug van onschatbare beteekenis.
In de eerste plaats is de zuster in vele huisgezinnen de baanbreekster voor het evangelie. Hare roeping is zeer zeker niet die van den Herder en Leeraar; zij treedt niet op als Evangeliste; te minder omdat haar dit tot menig huis den toegang zou sluiten; maar wat haar woord niet doet dat verricht zij door de daad. Haar belangelooze toewijding breekt bij velen de doffe, koude, trage stemming des harten en neemt bij anderen de verbittering weg. Haar optreden is dikwijls in den geest van een zwijgenden Heiland, maar dan toch van den Heiland. Zoo gebeurt het menigmaal dat haar eene ongezochte gelegenheid geboden wordt om een enkel woord op zijn pas te zeggen. En dat is zeer zeker de gave der vrouw. Zij weet soms in een enkel goed gekozen, op het juiste oogenblik gesproken woord meer uit te werken dan wij met eene gansche redevoering; ook al weder omdat dit haar woord door hare daden wordt geruggesteund. Haar eigen liefde geeft haar
19
bij velen een zeker recht om te spreken over de liefde van Hem die gekomen is om kranken te genezen, bedroefden te vertroosten, het verbrokene te verbinden en het afge-drevene weder te brengen. Zij heeft die gelegenheid in de stille nachten, wanneer zij soms uren achtereen met man, vrouw of kinderen op de nadering des doods zit te wachten. Ach, dan gaat het meest wufte gemoed, althans voor een korte wijle, open voor dien cenigen troost in leven en in sterven. Zoo baant zij den weg voor den dienaar diens Heeren, en vindt hij straks een aanknoopingspunt voor het woord dat hij te brengen heeft. En dan welke kostelijke gelegenheden waar de harten zelve naar deze dingen uitgaan. Daar leest zij een hoofdstuk der Schrift, of een toepasselijk blaadje; of wel zij verhaalt wat haar in de prediking van den laatsten Zondag het meest als geëigend voor den kranke heeft getroffen. Zoo geschiedt het niet zelden dat haar zachte invloed menschen in de kerk brengt, die daar zoo goed als nimmer verschenen.
Doch ook in een ander opzicht is zij de rechterhand van den zielzorger. Hij ziet dikwerf door hare oogen. Zij geeft hem een blik in het inwendige van menig huisgezin en daardoor weer in menig hart. Door haar komt hij op de hoogte van hetgeen er zoo al in de gemeente omgaat; en wordt hij menigmaal opmerkzaam gemaakt op toestanden die hij zelf niet zou hebben ontdekt; want o, wij predikanten , wij zijn zoo dikwerf de dupe van een schoonen schijn, en omgekeerd beoordeelen wij de menschen niet zelden
20
slechter dan zij eigenlijk wel zijn. Het is onloochenbaar waar dat de oogen der vrouw dikwijls scherper zien dan de onze. Zij heeft meer dan wij de gave der intuïtie. Ik behoef mijn broeders collegas niet te zeggen van hoeveel belang dit kan zijn voor ons herderlijk werk. 1 let maakt dat wij regelrecht op den eigenlijken nood der ziel kunnen afgaan; dat wij minder in algemeenheden ons verliezen, maar meer bepaald naar de eigenaardige behoeften der betrokken personen kunnen spreken. En deze is ten sialic toch de hoogslc iveldaaa die een lijdende wereld kan worden bewezen. Deze is eigenlijk de barmhartigheid bij uitnemendheid, die alleen de gemeente van Jezus Christus oefenen kan.
Als dat nu waar is, lezer; als het gemeente-diakonaat waarlijk voor de schoone roeping van de kerk onzer dagen tegenover de nooden onzes tijds nieuwe wegen opent; wegen, waardoor haar doel beter wordt bereikt, dan is lid ook onze dure verplichting alle krachten in te spannen om het in werking te brengen. Over dit laatste gedeelte dezer verhandeling nog een enkel woord. Ik zou het willen noemen de toepassing op al het voorgaande.
Men heeft langen tijd in de meening verkeerd dat deze instelling slechts voor de steden dringend noodig zou zijn, omdat daar de ellende zoo schrikbarend vooi den dag komt. Op het platteland, zoo dacht men, is de nood niet zoo groot of dc enkele wclgestelden kunnen daai
21
door offervaardigheid en huisbezoek voor een goed deel in voorzien. Voor eene diakones kan daar doorgaans niet genoeg te doen zijn. Lezer, deze meening is beslist oppervlakkig. Toen in Rheden niet dit werk een begin zou worden gemaakt, werden deze zelfde bezwaren geopperd; maar die het op touw hadden gezet zijn er niettemin mede voortgegaan en.....wij kunnen Gode niet dankbaar genoeg
zijn dat het onder ons tot stand is gekomen. Aan arbeid heeft het der diakones hiér inderdaad niet ontbroken; getuige het laatste verslag van liet Protestantsch Diakonessen-Huis in Arnhem, waarvan de instelling alhier een filiaal uitmaakt. Het getal der bezoeken in één jaar bedroeg 3322, dat der verplegingen aan huis 2987, dat der nachtwaken 30. Deze cijfers spreken duidelijk genoeg. En overal waar het reeds ingevoerd werd kwam men tot de ontdekking in welken nood liet voorziet.
Eerst waar de barmhartigheid zich in hare volle kracht openbaart, eerst daar komt ook de eigenlijke ellende voor den dag. Was het niet evenzoo in de dagen van den Zoon des menschen? Geen enkel blad uit de geschiedenis gewaagt van zooveel ellende als er opgesomd wordt in dat drietal jaren van Zijn omwandeling op aarde. Vanwaar dit verschijnsel? Was de ellende dan vroeger zooveel minder? Ik geloof neen! Alleen het bleef verborgen, omdat er geen Helper, geen Redder uit den nood was.
En zoo ook nog: overal waar de Geest openbaar wordt van Hem, die het land doorging goeddoende, daar komen
22
ook de verminkten, kreupelen, kranken, ellendigen uit hun schuilhoeken te voorschijn.
Tracht het eens; al ware het maar als proef voor den tijd van één jaar; ik geef u de verzekering dat uwe diako-nes niet wegens gebrek aan werk mot de handen over elkaar zal neerzitten! Er zal veeleer behoefte ontstaan aan uitbreiding dan aan opheffing der zaak.
Maar het geld dan, dat er voor benoodigd is!
Ik erken, waarde lezer, dit bezwaar heeft meer grond dan het vorige, maar is toch minder groot dan gij misschien wel vermoedt. Als de noodigstc kosten voor het in werking stellen der zaak maar bestreden kunnen worden, laat dan uw scheepke maar gerust van stapel loopen. Hebt gij het eens in het vaarwater geholpen, dan helpt het voor een goed deel zich zelf wel verder. Met andere woorden: als het werk eens begonnen is, dan wordt het (dat kan niet anders) door de warme sympathie, die het bij alle weidenkenden opwekt, onderschept en voortgestuwd. Dan wil â â dan kan men het niet meer ontberen. Ik verklaar u maar niet te kunnen begrijpen hoe wij 't al die jaren zonder hebben kunnen stellen. Doch laat ons ook niet vragen hoeveel lijden er geleden, hoeveel bittere, bittere tranen er geschreid zijn, waar wij niets van weten; maar die ons â als discipelen van Jezus van Nazareth â in den grooten dag zijner toekomst, tot onze beschaming, zullen worden ge-oond.
Inderdaad, belijders van den Heiland, het is onze dure
23
plicht al het mogelijke ter invoering en algemeene uitbreiding dezer zaak te doen.
De groote moeilijkheid is echter: hoe komen wij aan ffc noodige krachten? Waar zullen wij genoeg jongedochters vinden, die bereid zijn hunne krachten en gaven in deze aan den dienst der gemeente te wijden? Die behalve een gezond en krachtig gestel (want dit is inderdaad voor dezen arbeid een onmisbaar vereischte) ook een gezond hart in zich omdragen; dat wil zeggen een hart vol geloof en liefde, waarin een gezonde frissche geest woont, vrij van alle preutschheid; een hart zóó rijk aan zelfopoffering dat zij eigen genot, eigen lust geheel kunnen opgeven om slechts in en voor anderen te leven? Want die het uit âliefhebberijquot; onderneemt, ach, zij zal zoo bitter teleurgesteld worden en eindigen met het op te geven. Daar zijn hiervan, helaas, voorbeelden genoeg. Neen, daarvoor is de taak te zwaar en op zich zelve verre van bekoorlijk. Het eischt eene overwinning op zich zelve om met de ellende in li are naaktste openbaring niet slechts nu en dan in vluchtige aanraking te komen, maar er geheel op in te gaan, er midden in te leven. De liefde moet groot en sterk genoeg zijn om ook âhet walgelijkequot; aan te kunnen.
Weet gij er zulken in uwe omgeving, die daar ledig rondgaan op de markt des levens; die met hun tijd geen raad weten; die uit gebrek aan bezigheid zichzelve en anderen dikwijls tot last zijn; â die daar zuchten om een taak,een
24
taak; .... o, zeg haar dat er voortreffelijk werk voor haar góreed ligt. Schilder haar het heerlijk werk der diakones voor oogen, maar .... doe het met ware kleuren, want zij moet wel weten wat zij doet. Zij moet de kosten berekenen voordat zij aan den torenbouw begint. Weet gij er een die gij gaarne in haar eigen woonplaats werkzaam zoudt zien, welnu, er bestaat gelegenheid haar daarvoor in het Diakonessen-Huis te doen opleiden. Vooral de ouders mogen wel toezien dat zij hunne dochters niet uit misplaatste teederheid terughouden, indien haar hart deze keuze doet. En wie weet of' er niet velen zullen zijn, die u later zullen danken dat gij haar voor een verbeuzeld leven hebt bewaard. Daarom zeg haar dat de taak wèl zeer zwaar is; dat zij wèl moet beginnen met alles er voor over te hebben, bovenal met zich zelve te verliezen; maar dat zij haar loon zal vinden in den dank van zoo menigen vader, zoo menige moeder, â in de liefde van eene gansche gemeente, â in de goedkeuring van haren Heer en Heiland. Zeg haar dat het een zware maar geen vreugdelooze taak is, omdat het gedaan wordt in naam van en voor haren Heiland; want Hij heeft gezegd.
â Wat gij aan dc unnstcn degt;' mijnen hebt gedaan, dal hebt gij mij gedaan.quot;
Hem gedaan! Goede Heiland, die voor ons aan het kruis hebt gehangen, wij danken u dat wij door dit heerlijk werk, hetzij door het te steunen of door onze persoonlijke krachten, iets voor u kunnen, iets voor ij mogen doen.