LEIDDRAAD
Dl A KON E SS EN W E RK.
DOOK
F. AAT. IvüEI^ElSrS.
UTRECHT. J. VAN BOEKHOVEN.
1SS7.
Stoomdruk van J. VAN BOEKHOVEN , Utrecht,
INHOUD.
Inleiding................................^ j_j
I. Geschiedenis van liet Diakonessenwerk.....§ 5â10.
II. Omvang en inrichting van liet Diakonessenwerk. § ]7 2S.
ITI. J)e Diakones als lid der Zusterschap..........() 2i) ii.
IV. De Diakones tegenover hare verpleegden .... § 43 54.
Slot..........^ Kr --
..................... 55â5 i.
LEIDDRAAD
BIJ
het oiÃmclt aan procfzusters In let iatowseweit
Inleiding.
§ i-
Begrip van Diakonie.
Diakonic beteekent dienst en volgens liet spraakgebruik des N. V. bepaaldelijk dienst der liefde, uitgeoefend niet in den qcesl der dienstbaarheid maar der vrije toewijding aan anderen uit liefde tot God geboren (Luc. 8 : 3; 10 ; 40; .Mat. 20 : 2()). In den wijdsten zin valt dus onder dit begrip ook de dienst der Evangelieprediking (Mand. G ; 4; 20 : 24); gelijk het woord diakonie ook in den zin van bediening of hedeeling gebruikt wordt (2 Cor. 3: 7â9). In het bijzonder evenwel is de uitdrukking: diakonie gangbaar geworden voor Christelijk dienstbetoon aan hulpbehoevenden (Hand. 6 : 1; 11 : 29).
§ 2.
Christelijk karakter der Diakonie.
Bij de Heidenen onbekend, die slechts van barmhartigheid uit eigenbelang wisten, hetzij uit eerzucht om zich
6
een naam te maken, hetzij uit nooddwang om opstand te voorkomen, â was zij in Israels wet als plicht der broederliefde (Lev. 19 : 18) en zelfs der vijandsliefde (Exod. 23 : 4, 5) opgenomen tegenover de kinderen des volks en inwonende vreemdelingen (Lev. 19 : 34; 24 : 22). Zij werd door den Heiland , die zelf het onvergelijkbaar hoogste voorbeeld van dienende liefde was (Mat. 20 : 28), als roeping tegenover allen voorgesteld {gelijkenis van den bannhartigen Samaritaan) en wordt door de aantrekkingskracht zijner liefde onder invloed des II. Geestes mogelijk als ofl'er van dankbare wederliefde jegens Hem (Mat. 25 : 40; Joh. 13 : 12-15 en vs. 34).
Schilfer Weibl. Diak. I. hl. 2 ühlhorn Christl. Liebes-thiitigkeit in der alten Kirche cap. 1, 2.
§ 3.
De Diakonie onder de eerste Christenen.
Zulks bleek, na den Hem gedurende zijne aardsche omwandeling bewezen liefdedienst der bekende vrouwen (I.uc. 8 : 1â3; 10 : 38), in dien der eerste Christenen jegens de hulpbehoevenden onder hen (Hand. 2 : 44,45; 4 ; 32â37), â een dienstbetoon, dat minder juist als goederengemeenschap wordt opgevat (5 : 4) daar hel Christendom niet den eigendom (12 : 12) maar de eigenliefde {A: quot;Ã2) bestrijdt, terwijl het treurig voorbeeld van Ananias en Sapphira bewijst, hoe buiten de werking des H. Geestes deze laatste al ras zich onder den schoonsten schijn weet te verbergen (5 : 3).
Sch. W. D. I bl. 3â5. Uhlh. Chr. L. cap. 3.
7
§ 4.
De Diakonie als Gemeente-ambt.
In uitgebreider zin is de Diakonie dus aller Christenen roeping. Gelijk echter nevens aller plicht om met den mond van Christus te getuigen een ambl des woords bestaat, door den Heiland zeiven ingesteld (Eph. 4 : li), zoo is er nevens den algemeenen Christenplicht der dienende liefde, uok een afzonderlijk umbl van liefdedienst, het Dinkonant, naar aanleiding van ontstane behoeften dooide Apostelen verordend (Hand. 0 : 1âü) en al spoedig in andere nieuw gestichte gemeenten als vaste instelling overgenomen (Phil. 1:1), welker ambtsdragers volgens Paulus aan bepaalde, door hem opgegeven vereischten moesten voldoen (I Tim. 3 : 8â10, 12, 13).
Sch. VV. D. I. bl. Gâ13,15â18. Uhlh. Chr. L. bl. 67â73.
I. Gescliiedcnis van liet Diakonessenwerk.
§ 5.
Ontstaan van Diakonessen.
Uit deze behoefte aan hulp werd ook al spoedig het vrouwelijk Diakonaat geboren, daar de vrouw, die aan hot predikambt geen deel hebben kan (i Cor. 14 : 34, 35; 1 Tim. '2 ; 12), in den arbeid der dienende liefde juist den kring vindt, waarin hare bijzondere krachten en gaven ten dienste des heiligdoms komen. Na het voorbeeld van zorgende liefde, door Tabitha gegeven, (Hand. 9 : 3t), 30), vinden wij sporen van gemeentelijken arbeid der vrouw in Paulus getuigenis omtrent Phoebe als Diakones
8
der gemeente van Kenclireën (Rom. 16 : 1, 2), wat het vermoeden versterkt, dat ook bij de 1 Tim. 3:11 nevens de Diakenen genoemde «vrouwen» aan gemeentediakonessen moet gedacht worden, die trouwens in een later geschrift (de apostolische constituties) in gelijk verband onder dienzelfden naam worden vermeld. Daarentegen schijnt 1 Tim. 5 : 9, 10 alleen van te ontvangen onderstand sprake te zijn (zie vs. 16).
Sch. W. D. I. bl. 14, 19-36. Uhlh. Chr. L. bl. 73,74 vooral de noot 5 bl. 396, 7. Dieckhoff Die Diakonissen der alten Kirche in Schilfers Monatschr. f. Diakonie 1877 bl. 290â293, 299â303. Meyer Commentar op 1 Tim. Inl. bl. 47 De Chr. Verpleegster, Maandbl. der Utr. Diac. Inr. le Jaarg. n0. 2. Merens «De Diakones» in het Tijdschrift Bouwsteenen. I. bl. 263â266.
§ 6.
Arbeid der oudste Diakonessen.
liet werk dezer oudste Diakonessen bestond in de eerste eeuwen der Christelijke Kerk blijkens de daarvan overige getuigenissen in het gadeslaan van de vrouwen bij den openbaren godsdienst en de opening, bewaking en sluiting der deuren, waardoor deze binnentraden, â het onderwijs aan vrouwelijke bekeerlingen en het noodig hulpbetoon bij haren doop, â het tegenwoordig zijn bij de kerkelijke huwelijksinzegening en het toezicht op het gedrag van jonge gehuwde vrouwen, -â het bezoeken en verplegen der arme en zieke vrouwen en weezen tot de gemeente be-hoorende, â en het aanbrengen van raad, troost, hulp en verkwikking aan gevangenen om des Evangelies wil, aan en van wie zij tijdingen overbrachten. Ein tweetal liarei',
9
naar het schijnt uit den slavenstand, werd in den aanvang der 2° eeuw onder keizer Trajanus door Plinius, stadhouder van Bithynië, op de pijnbank gebracht.
Daarbij werden echter van lieverlede eerbare «weduwen» of ongehuwde vrouwen van leeftijd tot vrouwelijke gemeente-oudsten gekozen , onder wier toezicht de jongere als dienende zusters schijnen te hebben gearbeid, zoodat in de verdere schriften der 2e en 3n eeuw slechts van weduwen en niet van Diakonessen gesproken wordt.
Sch. W. D. I. bl. 37â 40 , 43 Uhlh. Chr. L. bl. 159â 162, 169â171 Dieckh. Diak. bl. 294â299, 348â350, 396â398. De Chr. Verpl. 1° Jaarg. nn. 2. Merens, De Diak. bl. 266-268.
§ 7.
Bloei van het Diakonessen-ambt.
Terwijl deze opzieneressen reeds in den derde eeuw door misbruik, van hare stelling gemaakt, hare plaats in het bestuur der gemeente van lieverlede weder verloren, treden de gemeentelijke Diakonessen weder op den voorgrond, die dooi' hare diaHciidc betrekking minder tot misbruiken aanleiding gaven en door de in den geest des tijds liggende vrijwillige verplichting tot een ongehuwd leven reeds op jeugdiger leeftijd zich tot dezen arbeid aanbevalen. Van enkele uitnemenden onder haar zijn ons de namen en geschiedenis bekend, zooals van Macrina, Pentadia en Olympias, allen uit de 4e eeuw, de beide laatsten te Constantinopel, alwaar toen eene welgeordende, vrouwelijke gemeente-Diakonie bestond.
Sch. W. D. I. bl. 40â57. Uhlh. Chr. L. bl. 162â169, 260, 299âlt;307. Dieckh. Diak. bl.350â357. Kaiserw. Armen-
10
u. Krankenfreund 4856 nn. 2. De Chr. Verpl. leJ. g. nn. 3. Merens De D. bl. 268â271.
§ 8.
Verval van het Diakonessen-ambt.
[Iet zinkend geloofsleven en de ongunst der tijden gedurende de nu gevolgde groote volksverhuizing. die de openbare werkzaamheid der vrouw belemmerde en de destijds heerschende neiging tot kloosterlijke afzondering bevorderde, deed echter sinds de 5e eeuw bet diakonessen-ambt aan een langzaam verval ter prooi worden en zich oplossen in het Nonnenwezen, hoezeer nog enkele sporen van vrouwelijke armen- en krankenzorg zich voordoen, zoo als in het stift op den Odilienberg bij Straatsburg in de 7e eeuw. Bij de latere Bagijnen (sinds de 12e eeuw) en bij de zusters des gemeenen levens (sinds de 14°) treedt de krankenverpleging meer op als middel tot onderhouding van een bespiegelend leven.
Sch. AV, D. I. bl. 57 v., 63-66. Neander Kerkgesch. Nederd. Vertaling lil. bl. 228-230. Herzog Real-Encycl. Art.: Diakonissen bl. 368 ff. Der Odilienberg im Elsass, in Allgem. Conserv. Monatschr. Dec. 1880. Kaiserw. A. u. Kr. fi. 1859 n0. 1. De Chr. Verpl. lc Jrg. nquot;. 4; 9e Jrg. nn. 7.
§ 9-
Diakonessenwerk in de Luthersche kerk.
Terwijl wij reeds in de 15e eeuw bij de Roheemsche broeders de instelling van vrouwelijke gemeente-oudsten terugvinden, die zich ook met de verzorging van armen, kranken en kinderen bezig hielden, draagt de Luthersche
11
kerkhervorming der lGe eeuw de sporen van pogingen tot herstel van gemeentelijken Diakonessenarbeid, zoo als uit de kerkorden van sommige Westphaalsche gemeenten (Herford en Minden) en de inrichting van sommige luthersch geworden vrouwen-kloosters (Keppel bij Siegen en Wals-dorf in Nassau) blijkt. De ongunst der tijden bracht het evenwel niet tot uitvoering van hetgeen door Luther zeiven zeer was aangeprezen.
Sch. W. 1). I. bl. 59âG2 ,â 67â70. Kaisserw. A. u. Kr. fr. 1870 bl. 36 ff. (Keppel); 1864, bl. 4 ff., 134 fï. (Walsdorf.) De Chr. Verpl. le Jrg. n0. 5, 6. Merens De D. bl. 274 v.
§ 10.
Diakonessenwerk in de Gereformeerde kerk.
In de Gereformeerde kerken vinden wij behalve den arbeid van Margaretha Blaarer te Constanz en de instellinsr
^ O
der Jonkvrouwen van Barmhartigheid te Sedan, ook bij de Nederlandsche uitgewekenen te Wesel een begin van herstel van het vrouwelijk gemeente-diakonaat. Schoon op meer dan eene Synode ten onzent besproken, kwam het echter alleen te Amsterdam tot eene blijvende gemeente-instelling van dien aard, welke tot het eind der vorige eeuw aldaar heeft voortgeduurd. Ook bij de Engelsche Nonconformisten en bij de Nederlandsche Doopsgezinden zijn de sporen van dergelijke instellingen, sch ion in geringen omvang, merkbaar.
Sch. W. D. I. bl. 71â74. Kaisersw. A. u. Kr. fr. 1849 nquot;. 4. (Sedan). De Chr. Verpl. 1cJrg. nn. 5, 7, 8. Merens, De D. bl. 275â277. Merens, Zur Geschichte der weibl. Diak. in d. Niederl. in Schilfers Monatschr. Febr. 1881.
i'2
§ H.
Liefdearbeid in de R. Cath. kerk.
Daarentegen verkreeg de vrouwelijke liefdewerkzaamheid in de Roomsche kerk eene groote uitbreiding door de orde der barmhartige zusters van Vineentius de Paula, in 1633 gesticht, in welke geene nonnen-gelofte noch verbintenis voor het leven wordt afgelegil, en door die der Nonnen van St. Borromeo, welke van 1652 dagteekent, waarbij zich andere kleinere voegden, laatstelijk die der Calvarien-Vrouwen in Frankrijk. welke allen gezamenlijk een tal van uitnemende ijverige arbeidsters in den geest harer kerk voor armen-, kranken-, ongelukkigen- en kinderverzorging hebben opgeleverd, die bij duizenden te tellen zijn.
Herz. R. Ene. Art.: «Schwester (Barmherzige)» en «Vineentius de P.» De Chr. Verpl. 7e .Irg. nquot;. 6 (over A. d. Lasaulx nn. 7, 8); 12° .Irg. nn. 11, 12.
§ 12.
Pogingen tot herstel van het Diakonessenambt in de 19c eeuw.
Reeds was op voorstel van Graaf van Zinzendorf in 1745 bij de grootendeels van de Boheemsche broeders afstammende Hernhutters de instelling van gemeente-diakonessen vernieuwd, toen na de vrijheidsoorlogen aan het begin der 19e eeuw, die vele vrouwen-vereenigingen voor armen en krankenzorg in het leven riepen, â verschillende stemmen zich deden hooren voor het herstel van het Diakonessenambt in de kerken der Hervorming. De verschillende beraadslagingen van Pastor Klünne bij Wesel (omstr. 1820), den beroemden Duitschen staatsman von Stein, Amaliu Siveking, die zich te Hamburg aan vrouwelijke
-13
liefdezorg wijdde doch dooi- de uitbarsting der Cholera in 1831 verhinderd werd met deze zaak zich verder in te laten, Graaf von der Recke Vohnerstein, den stichter dei-eerste Duitsche reddinghuizen en anderen, en de gunstige gezindheid van den toenmaligen Pruissischen Koning en van meer dan ééne Vorstin uit zijn huis bleven echter voor 's hands zonder uitwerking.
Sch. W. ü. I. hl. 75 -80. K. A. u. Kr. fr., 1865. n0. 2 bl. 37 iï. (Klöune) 1859 nquot;. h bi. 11 ff. (A.. Siveking). De Clir. Verpl. 1° Jrg. nquot;. 9, 10.
§ 13.
De Diakonessen-inrichting van Fliedner.
Inmiddels had Theodor Fliedner (geb. 1800), sinds 18'22 Pastor te Kaiserswerth bij Düsseldorf, op eene collecte-ieis de Doopsgezinde Diakonessen in Nederland leeren kennen en kwam hij, in 1833 door zijn arbeid in de gevangenis te Düsseldorf genoopt om enkele ontslagenen een toevluchtsoord te openen, tot overtuiging de hand aan het werk te moeten slaan tot het zoeken van vrouwelijke hulp ter voorziening in allerlei maatschappelijke nooden , die zich voordeden. Hij begreep echter tevens, dat tot behoorlijke uitoefening van het Diakonessenwerk aan allerlei hulpbehoevenden, eene Inrichting zou noodig zijn, waarin zij, die er zich aan wijdden, opleiding en vorming daartoe konden erlangen en een tehuis konden vinden om er als zusters zamentewonen. Na vergeefsche pogingen bij anderen richtte hij zelf zulk een huis op in de plaats zijner woning en opende door verbinding met de Evangelische landskerk tevens de gelegenheid tot herstelling van het gemeentelijk Diakonessen-ambt.
14
Sch. W. D. I. 5. De Chr.Verpl. leJrg. n0. H , 12. Oost-meyer Th. Fl. Een held der Evangelisatie. Kirberger 1866. Georg Fliedner. Th. Fl. Kurzer Abrisz. s. Lebens u. Wirkens. 1886.
§ 14.
Voortzetting van dit werk.
Ongeveer gelijktijdig met Fliedner of kort na hem hielden zich ook anderen als Gossner te Berlijn, Haerter te Straatsburg, Vermeil te Parijs, Germond in Waadtland, Fröhlich te Dresden, Anna Henriette Swellengrebel te Utrecht en Daendlicker Wurstenberger te Bern met de oprichting van gestichten voor vrouwelijken liefdedienst bezig, terwijl de zorg des Pruisschen Konings Friedrich Wilhelm IV zijne hoofdstad met de koninklijk toegeruste Inrichting Bethaniën verrijkte, die in haren Director Ferdinand Schultz een man van buitengewone bekwaamheid tot leider verkreeg. Ook Pastor Löhe van Neuendettelsau in Beyeren, schoon door hoog Luthersche gevoelens zich onderscheidende , verdient onder de mannen van invloed op dit gebied vermelding.
Gossner Sch.W. D. 1. bl. 101-108 Chr.Verpl. 7° Jrg. n0. 4, 5. Haerter » » » ® 108â118 » » 4C » 4,5,7,8. Vermeil » gt;' » 139â143 » » ® ® H» 12. Germond » » » 144 f. » » » » 9,10. Fröhlich » » » » 137 A. H. Sw. » » » » 148 D.Wurstenb. » » » 145
Schultz » » » 118â127 » » 5° » 4,5 en 3.
Jrg. bl. 47.
Löhe » » » 127â136 » » 6° » 6,7.
§ 15.
Statistiek van dit werk in Duitschland.
Vooral op Duitschen bodem heeft het Diakonessenwerk in steeds uitgebreider kringen worte! geschoten, zoodal uit meer dan 30 moederinrichtingen door ongeveer 5000 zusters aan armen en kranken, ook in burgerlijke krankeninrichtin-gen , en voorts aan kinderen (grootere en kleinere, ook door middel van de bewaarschool), aan weezen, dienstboden, gevallenen, gevangenen, hier en daar ook aan idioten, krankzinnigen, epileptischen en zenuwlijders hulp wordt geboden, terwijl in sommige Inrichtingen een deel der zusterschap voor het onderwijs wordt opgeleid.
De Kaiserswerther-Inrichüng heeft hare vertakkingen ook buiten Duitschland tot in het verre Oosten onder het gebied van Turkije.
DisselhofT Jubilate! Denkschrift zur Jubelfeier enz. bl. 31â314. Chr. Verpl. 7e Jrg. nquot;. 1.
§ 10.
Statistiek van dit werk buiten Duitschland.
[n Zwitserland, de Scandinavische landen en de Russische Oostzeeprovinciën beweegt zich deze Christelijke liefde-werkzaamheid ongeveer in dezelfde vormen als in Duitschland. In Nederland beperkt zich de Diakonessenai beid meer tot enkele takken van liefdewerk, vooral krankenzorg en kinderopvoeding. De oudere Parijsche Inrichting houdt zich met veelzijdigen arbeid bezig, terwijl de jongere Luthersche Inrichting aldaar zich vooral aan gemeente-verpleging wijdt. In Engeland bestaat een aantal deels Bisschoppelijke, aan bepaalde Bisdommen verbonden, â
K)
deels particuliere Inrichtingen, van welke zich echter slechts een tweetal aan den Kaiserswerther-Bond heeft aangesloten, die den band tusschen verschillende inrichtingen levendig houdt. De Bisschoppelijke Inrichting te Londen mag een voorbeeld heeten van de rechte verhouding tusschen eene Diakonesseninnchting en het Kerkbestuur. Men telt buiten het Duitsche Rijk meer dan 20 moederinrichtingen, die aan den Kaiserswerther-Bond zijn aangesloten, met omstreeks 1500 zusters.
Statistiek Chr. Verpl. 7e Jrg. n0. 3, 4; 14® Jrg. nn. 3. Disselh. Jubilate bl. 314 enz.; over Engeland K. A. u. Kr.fr. 1873 bl. 19; 1876 bl. S'i; over den Kaiserswerther-bond Chr. Verpl. 2e Jrg. n0. 7; 14e Jrg. n0. 4.
II. Omvang en inrichting van liet Diako-
nesscnwerk.
§17-
De eerste en de tegenwoordige Diakonessen.
liet valt niet te ontkennen, dat er een aanmerkelijk onderscheid bestaat tusschen de Diakonessen der oudste Kerk, die zonder voorafgaande opleiding, in hare woonplaats en van uit hare eigene familiewoning nevens allerlei anderen arbeid maar met eene onrniddelijke gemeentelijke aanstelling zich aan het liefdewerk wijdden, âen de tegenwoordige Diakonessen, die tot eene zusterschap in een gemeenschappelijk moederhuis vereenigd, dikwijls naar elders gezonden worden en steeds met geheele overgave van zich zelve al haren tijd en krachten aan dat werk
17
wijden, om waar zij in den gemeentelijken dienst gebezigd worden óf lid der zusterschap te blijven óf voor rekening der plaatselijke gemeente te komen , aan welke zij dan voor goed worden afgestaan.
Seh. VV. D. I. bi. 166. Chr. Verpl. 14e Jrg. n0. B.
§ 18.
Voordeelen der tegenwoordige inrichting.
Welverre echter van in dezen veranderden toestand eene afkeuringwaardige ontaarding te zien , moeten wij hierin veeleer eene door den aard des werks en de behoeften der maatschappij geboden ontwikkeling erkennen, zonder daarom elke uitoefening van Christelijke liefdewerkzaamheid aan de thans bestaande, trouwens hier en daar onderling verschillende vormen gebonden te willen achten. Voor de meeste takken van dezen liefdedienst is het noodzakelijk of zeer wenschelijk, dat niet slechts de ledige tijd maar de geheele levenskracht daaraan gewijd worde en zulks met behoorlijke vorming in eene Inrichting door middel van daar aanwezige of van daar uit bereikbare hulpbehoevende voorwerpen zeiven, terwijl deze oefenschool in de vrije gehoorzaamheid van den dienst der liefde den zusters tevens een veilig en vriendelijk te huis biedt, waar zij als kinderen in een moederhuis zonder zorg voor haar levensonderhoud haren arbeid blijmoedig kunnen verrichten.
Sch. W. D. I. bl. 167,168. Chr. Verpl. 2° Jrg. nn. 5,6, 9.
§ 19.
Verband tusschen de Inrichting en de Kerk.
Het denkbeeld eener welgeordende Christelijke Diako-nessenwet kzaamheid wordt evenwel niet volledig verwezen-
2
18
lijkt zonder een band met de kerk of met eene plaatselijke gemeente, zoodat de gemeente-Diakonessen door deze laatste worden aangesteld en de vormscholen hetzij door de lands-kerk zelve hetzij in overeenstemming met haar worden bestuurd en onderhouden. Deze band met de kerk geeft aan het werk een hechteren grondslag en waarborg van duurzaamheid dan door bijzondere vereenigingen kan gegeven worden en aan de Diakones zelve een krachtiger bewustzijn van tot zoodanig ambt van God geroepen te zijn.
Sch. W. D. III. bl. 61 , 62. Chr. Verpl. 2« Jrg. nQ. 3, 4.
§ 20.
Belang van het vrouwelijk gemeente-Diakonaat.
Behalve de verpleging van ernstige en langdurige krankheden en de behandeling van andere hulpbehoevenden in het Moederhuis zelf, treedt dus ook bij het tegenwoordig Diakonessenwerk nog steeds de gemeente-Diakonie op den voorgrond, waartoe de plaatselijke roepende gemeente in haar midden den zusteren eene kleine nederzetting met de noodige hulpmiddelen tot verrichting van haren arbeid aan armen en kranken bereiden moet. In verband met Broederen-Diakenen waar deze bestaan werkzaam, moeten de gemeente-Diakonessen die deelen van armen- en kranken-zorg overnemen , die uit den aard der zaak beter aan de vrouwelijke hand zijn toevertrouwd, terwijl de moederinrichtingen gaarne voor de plaatselijke gemeenten Diako-nessen zullen vormen en opleiden wanneer haar daaitoe vrouwelijke gemeenteleden in genoegzaam aantal worden toevertrouwd. Van eene welingerichte vrouwelijke gemeente-
19
Diakonie levert Mühlhausen in den Elsasz een schoon voorbeeld.
Sch. W. D. I. bl. 166, II. 6. Chr. Verpl. 2e Jrg. n0. 3,4; 14e Jrg. nn. 6,7. Over Mühih. Sch. W. D. 11. bl. 181 ff.
§ 21.
Wenschelijke inrichting der overige takken.
De arbeid aan verwaarloosden, weczen , idioten, krankzinnigen, gevangenen, gevallenen en andere hulpbehoevenden laat zich niet zoo plaatselijk regelen, maar de landskerk, die zich deze toch evenzeer moet aantrekken, kon hier en daar naai- gelang van omstandigheden bijzondere zelfstandige inrichtingen of afdeelingen van bestaande inrichtingen tot dit doel oprichten en in stand houden, of van het particulier initiatief van anderen in dezen gebruik maken en ze met zusters bezetten, terwijl de behartiging van de godsdienstige belangen der gevangenen altijd in overeenstemming met den staat zal moeten geschieden. De zaak van het onderwijs dient onzes inziens als niet behoorende tot de leniging van eenigen nood van den kring van het Diako-nessenwerk te worden afgezonderd.
Chr. Verpl. 2e Jrg. n0. I, 2.
§ 22.
Lichaams- en zielszorg.
Terwijl de verschillende takken der Diakonessen-werkzaamheid op menigerlei wijze in elkander grijpen, staat in de meeste het lichamelijk hulpbetoon meer op den voorgrond dan de zedelijke redding, die daarentegen bij verwaarloosden, kinderen, gevallenen en gevangenen hoofdzaak is. Toch is
20
overal het voorwerp der christelijke liefdewerkzaamheid de geheele mensch naar lichaam en geest. Zonder zielszorg bestaat er ook geene volledige verzorging van het lichaam (Mt. 9; 1, 2; 5: 29, 30; 16: 26; Joh. 6: 27), daar de zielstemming van het hoogstr; belang is voor de gezondheid des liehaams. Maar bovenal is de waarde der ziel en de beteekenis van 's menschen eeuwig bestaan hier heslis-stnd. De nauwkeurige behandeling der verpleegden naar het lichaam behoeft daaronder geen schade te lijden en mag dit niet.
Sch. W. D. 11. bl. 156â164. Chr. Vei pl. 3e Jrg. n0.2â4. § 23.
Beginselen der Diakones.
Zal de Christelijke verzorging der verpleegden naar lichaam en ziel beide volledig tot haar recht komen, dan moet de Diakones tot geheel haren arbeid gedreven worden dooide begeerte im daarin vrijwillig haren Heer en Heiland te dienen. Het moet haar dus niet te doen zijn om eene kostwinning met van lieverlede vermeerderend loon, noch om eene fatsoenlijk geachte stelling in de maatschappij noch ook om beveiliging tegen de moeielijkheden eener onaangename omgeving of der verzoekingen en afleidingen der wereld, als ware de iJiakonessenarbeid daartegen een afdoend wapen. Evenmin is bij haar meewarigheid met noodlijdenden of natuurlijke neiging tot het werk der verpleging of verzorging voldoende.
Sch. W. D. I. bl. 169â172; IH. bl.24â27. Löhe'sLeit-faden N. D. Corresp. Bl. 1876 § 8. Merens Antw. aan Dr. W. M. Gunning, Uit liefde of als broodwinning, Stemm.
21
v. W. en Vr. 1877. Paul Sick Die Krankenpfl. in ihrer Be-gründung auf Gesundheidslehre, Stuttgart 1884. bl.35â38.
§ 24.
Vrijwilligheid harer keuze.
Evenmin als het leeraarambt kan de Diakonessen-werk-zaamheid aan iemand als plichtmatig worden voorgeschreven. L)e leiding der levensomstandigheden in verband met karakter, opvoeding en neiging moet tot vrijwillige keuze daarvan brengen en na behoorlijke beproeving van gaven en krachten tot liet innerlijk bewustzijn leiden, dat men van Godswege tot dit werk geroepen is. Bij het alles beheerschend beginsel der liefde tot Christus dient dus te worden gelet op vrijheid van familiebanden, die andere werkzaamheden ten plicht kunnen maken, en op de pei soonlijke hoedanigheden, die in de Diakones vereischt worden.
Löhe Leitf. § 9. Sick Kpfl. bl. G9-78.
§ 25.
Vereischten der Diakones.
De Diakones dient te bezitten een gezond en krachtig lichaamsgestel, een voor verstandelijke ontwikkeling vatbare geest, een oprecht en vast karakter, een nederige, niet ijverzuchtige inborst, een vrolijk humeur en een onbesproken wandel. Voorts is in haar hoogst wenschelijk onpartijdigheid en wijsheid in den omgang en dient zij zich te onderscheiden door barmhartigheid, vriendelijkheid, verdraagzaamheid, bescheidenheid, lankmoedigheid, stilzwijgendheid, opmerkzaamheid, nauwkeurigheid en reinheid, terwijl vrijwillige
22
en blijmoedige onderwerping aan degenen, die over haar gesteld zijn, voor den geregelden loop der werkzaamheid een hoofdvereischte moet heeten.
Sch. W. D. III. 27â83,107â112. Sick Kpfl. bl. 78â107.
§ *5.
Proeftijd.
Ter beproeving van de aanwezigheid dezer vereischten is een proeftijd noodig, gedurende welken de proefzusters onder het oog van oudere zusters in de Inrichting werkzaam zijn. Zelfs is het dienstig gebleken aan dien eigenlijken proeftijd een korter tijdvak van wederzijdsche kennismaking (voorproef) te doen voorafgaan, tijdens hetwelk zij, die zich aanmelden, voor eigen rekening in de Inrichting vertoeven ter wegneming van misverstand en vooroordeel en ter voorkoming van teleurstelling. In sommige Inrichtingen kunnen zij , die op den duur of lichamelijk te zwak of naar den geest niet genoeg ontwikkeld blijken doch welwillend en geschikt zijn tot gedeeltelijk hul|ibetoon, als «Helpster» in de Inrichting werkzaam blijven , zonder dat deze zich tot levenslang onderhoud tegenover haar verbindt.
Sch. W. D. III. bl. 64, 65. Chr. Verpl. 2« Jrg. n0. 10.
§ 27.
Verhouding tusschen de Diakones en de Inrichting.
De Inrichting waarborgt aan de ingezegende Diakones levenslang genot van de voorrechten aan hare betrekking
23
verbonden, tenzij zij om wangedrag of wat er mede gelijk staat moest worden ontslagen. De Diakones blijlt daarentegen harerzijds steeds vrij hare betrekking optezeggen. De maatschappelijke verhoudingen, die daartoe leiden kunnen, moeten echter, zal hare verbintenis oprecht zijn, tijdens de aanvaarding van hare taak niet te voorzien geweest zijn. Ook zal de echte Diakones deze niet zonder billijke oorzaak b. v. om een blooten wensch van familieleden naar haar gezelschap of huiselijk hulpbetoon laten varen. Kranken-verpleging bij ouders wordt zoo mogelijk door de Inrichting toegestaan. Rij huwelijksaanvragen dient men zich wel bewust te worden, dat dezelfde hand, die tot het Diako-nessenwetk geleid heeft, thans een anderen werkkring aanwijst.
Sch. W. D. III. bl, 9, 10, 13â15, 53â61, 112â119, 121â123. Chr. Verpl. 2« Jrg. nn. 9, 11.
§ 28.
Kleeding der Diakones.
Hoewel de kleeding niemand tot Diakones maakt en terwijl alles hierin dient vermeden wat opzien baart en de ijdelheid prikkelt of een waan van kloosterachtige heiligheid zou voeden , is eene vaste en den zusters der-zelfde, Inrichting gemeenschappelijke kleeding zoowel tegen over de grillige dwingelandij der afwisselende mode als in verband met onderling verschil in stand tusschen de zusters alleszins noodzakelijk te achten. De hierdoor spoedig onderkende Diakones wordt alzoo bovendien te eer een voorwerp van vertrouwen, terwijl het haar veeltijds vrijwaart voor onaangename bejegening, als hare roeping haar
24
noodzaakt tegenwoordig te zijn, waar zij buitendien niet zou komen.
Sch. W. D. III. bl. 86â88. Chr. Verpl. 3^ Jrg. n0. 5.
III. De Diakones als lid der Zusterscliap.
§ 29.
Roeping der Diakones als ongehuwde vrouw.
De Diakones moet steeds bedenken, dat haar ongehuwde staat moet gepaaid gaan met groote reinheid des harten, die niet zonder waken en bidden bewaard wordt. Immers hare roeping brengt haar in toestanden en verhoudingen vol van bijzondere verzoekingen en gevaren , waartegen zij door geene uiterlijke verordeningen kan beveiligd worden. Haar ambt en kleeding kunnen en moeten echter voor haar en hare omgeving eene voortdurende herinnering zijn aan den ernst en de eischen harer roeping en beide zullen haar tot bescherming zijn, als en zoolang zij aan deze innerlijk getrouw is.
Sch. W. D. III. bl. 119, 120.
§ 30.
De Diakones en de Besturende Zuster.
Hoewel bij de verdeeling van den arbeid zoo veel doenlijk met de bijzondere gaven en geschiktheid der zusters wordt rekening gehouden, moet de Diakones gereed en willig zijn , elke haar opgedragen taak te vervullen en de gelegenheid tot voortdurende oefening in verschillenden arbeid ,
25
haar daarbij gegeven, zich voortdurend ten nutte zoeken te maken. De regeling van den arbeid is daartoe opgedragen aan eene Besturende Zuster, die, zelve lid dei-Zusterschap, over de Diakonessen een moederlijk toezicht tracht uitteoefenen, terwijl dezen bij ontstane moeielijk-heden haar in eenvoud en vertrouwen moeten raadplegen in stede van door ontijdige klachten aan medediakonessen of proefzusters ontstemming en verwarring aantebrengen. De overtuiging moet bij de zusters leven, dat de Besturende Zuster bij haar beleid door den Fleer zeiven bestuurd wordt, waartoe zij een voorwerp van haar dagelijksch gebed behoort te wezen.
Sch. W. D, III. bl. 10,17. Chr. Verpl. 2eJrg. nquot;. 8,12; 3e Jrg. nquot;. 9.
§ 31
De Diakones en de geneesheer.
De Diakones is gehouden in de behandeling der kranken den geneesheer stipt te gehoorzamen. Zij mag dus niet achter hem om geheime of huismiddelen toedienen , welke de werking der door hem verordende geneesmiddelen kunnen storen. Zij moet getrouw met hetgeen zij bij de kranken opmerkt en voor den geneesheer van belang kan zijn, hem in kennis stellen en bedenken, dat zij door voortdurend gadeslaan van de lijders zich van hunnen toestand in sommige opzichten beter kan vergewissen dan de geneesheer, die hen slechts voor een oogenblik beziet. Zij moet het vertrouwen in den geneesheer bij de lijders zoeken te sterken en zich van aanmerkingen op zijne handelswijze onthouden. Natuurlijk is het haar geoorloofd, wanneer zij meent, dat de geneesheer iets vergeet of verordent wat
26
in de gegeven omstandigheiien schadelijk zou zijn, dezen hierover afzonderlijk te ondervragen. Zij moet hem open belijden wat zij mocht verzuimd of verkeerd gedaan hebben, opdat de schade, hiervan te duchten, zoo haast mogelijk moge kunnen afgewend worden. Oprechtheid sterkt ook in dezen het vertrouwen ; immers de arts moet weten , dat hij op de verpleegster aan kan. Overigens heeft de Diakones tegenover hem de houding aantenemen, die aan hare stelling voegt, zoodat zij zich niet vertrouwelijk of kameraadschappelijk maar waardig tegenover hem gedragen moet.
Sch. W. D. III. hl. 127. Sick. Kpfl. bl. 109âlil.
§ 32.
De Diakones en de Evangeliedienaar.
Evenzoo moet de Diakones den Evangeliedienaar ter zijde staan, waar het den geestelijken toestand harer verpleegden geldt. De voortdurende omgang met deze en de graad van vertrouwelijkheid, die zich dikwijls tusschen lijders en verpleegsters ontwikkelt, maakt deze daarbij veel geschikter dan iemand anders om hen te leeren kennen, den weg tot hun hart te vinden en den dienaar des woords den weg te wijzen ten opzichte van hunne persoonlijke behoeften , al blijft deze geroepen om zijnerzijds-zelfstandig den lijder waartenemen en naar zijn inzicht te behandelen.
Sick. Kpfl. bl. iöâ50, 68 , 108, 9. Chr. Verpl. 3e Jrg. n0. 4.
§ 33.
Verschil in stand en gaven.
Hoewel liet verschil in stand tusschen de Diakonessen eener zelfde Inrichting, ook afgezien van de onheilige ijver-
27
zucht, die in de wereld buiten Christus gevonden wordt, zijne eigenaardige moeielijkheden met zich brengt, zoo is het toch alleszins wenschelijk, dat eene Diakonessen-inrich-ting nevens eene meerderheid van zusters uit den huigeren dienstbaren stand , wier lichaamsbouw en gewoonte aan zwaarderen handenarbeid eigenaardige voordeelen plegen opteleveren, ook een zeker aantal zusters telle van hoogeren stand en meerdere geestesontwikkeling, die voor verpleging bij meer aanzienlijken en voor het bestuur over zelfstandige gedeelten der Inrichting dikwijls meerdere geschiktheid hebben en op de overigen door hare meerdere beschaving en begaafdheid een gunstigen invloed kunnen uitoefenen, terwijl zij omgekeerd door de ovei igen tot dienstvaardigheid en lichamelijke krachtsontwikkeling kunnen worden geprikkeld.
Chr. Verpl. 2e Jrg. nquot;. 9.
§ 34.
Roeping der meer begaafde Zusters.
De meer begaafde zusters moeten op de overigen niet uit de hoogte nederzien noch zekere rechten willen laten gelden, die met de eenheid der zusterschap in strijd zijn in eene Inrichting, waar allen gelijkelijk van deze haar onderhoud ontvangen, al staat het meer vermogenden natuurlijk vrij het hunne geheel of ten deele der Inrichting als gave terugteschenken. Zij moeten bereid zijn, wanneer dit noodig is, met de anderen allerlei werk te verrichten, al wordt dit van haar niet gevergd wanneer anderen het even goed of beter kunnen verrichten en er voor meer ontwikkelden ander werk is wat de overigen niet of minder goed kunnen verrichten.
Chr. Verpl. 3« Jrg. n0. 6.
28
§ 35.
Roeping der minder begaafde Zusters.
De minder begaafde zusters moeten zich naar de anderen zoeken te richten zonder hare vormen kunstmatig nate-bootsen. Zij moeten van haar trachten overtenemen wat in haren stand daarvan past. Zij moeten bij de verdeeling van den arbeid niet in alles met haar gelijkgesteld willen worden, waar dit door den trap barer vorming onmogelijk is. Maar zij mogen haren zusterlijken omgang gebruiken tot hare ontwikkeling en oefening in hetgeen haar voor de vervulling harer taak te geschikter kan maken, zoodat zij overeenkomstig haren aanleg geleidelijk kunnen opklimmen tot hetgeen waartoe zij vatbaar zijn.
Chr. Verpl. 3e Jrg. n0. 6.
§ 36.
De oudere en jongere zusters onderling.
Hoewel allen in eene Diakonessen-inrichting zusters zijn, zoo brengt het verschil in leeftijd en ervaring tusschen de ouderen en jongeren met zich, dat de eersten door de laatsten tot zekere hoogte als hare voorgangsters moeten beschouwd worden, hetgeen tegenover diegenen, die als ware moeders met teederheid en trouw werkzaam zijn, niet moeielijk valt. Terwijl de ouderen door voorkomende vriendelijkheid de nieuw aankomenden hebben te winnen, kunnen dezen natuurlijk niet aanstonds dezelfde mate van vertrouwelijkheid voor zich eischen, die een veeljarig samenzijn doet ontstaan, maar de jongeren moeten door dienstvaardigheid en trouw zich de achting en vriendschap der ouderen verwerven.
Chr. Verpl. 3° Jrg. nn. 10.
29
§ 37.
Verschil in karakter en denkwijze.
Een niet te miskennen gevaar voor de eenheid der zusterschap ontspruit uit het verschil van karakter en denkwijze dat tusschen de Diakonessen onderling bestaan kan. Wat zich niet door kalme bespreking met waardering van elkanders ondersteld Christelijk beginsel tot éénheid laat brengen, moet niet tot eene oorzaak van voortdurende verbittering worden. Opgemerkte verkeerdheden moeten in den geest der zachtmoedigheid worden onder het oog gebracht en niet achter den rug der schuldige met anderen worden besproken dan om zich te beraden hoe best den weg tot hare terechtwijzing te vinden. Voorts moeten de zusters elkanders fouten en gebreken dragen in erkentenis van hetgeen zij op hare beurt anderen te dragen geven; zij moeten in stede van elkander uit de hoogte te oordeelen, streng zijn omtrent zich zeiven, zich niet aan den omgang der zusterschap onttrekken om de aanwezigheid van deze of gene min aantrekkelijke persoonlijkheden en geen vol-komener toestand in eene Inrichting willen verwezenlijkt zien dan daar met den aard der omstandigheden bestaanbaar is.
Wenken voor Diakonessen uit Bielefeld, bl. 9 vv. Sch. W. D. III. bl. 90â102, 104â106. Chr. Verpl. 3e Jrg. nn. 7.
§ 38.
Klubgeest.
Grooter moeielijkheden baart nog de soms zich voordoende hartstochtelijke onderlinge toegenegenheid van zusters,
30
die elkander in alles voortrekken en voorspreken en meer voor elkander dan voor haren arbeid en de Inrichting dreigen te gaan leven, waarvan dan weder bij anderen onheilige naijver, onderlinge bespieding en wantrouwen de vrucht zijn, totdat misschien na een tijd van nauwe vriendschap de verhoudingen zich gaan wijzigen of omkeeren. Hoewel nu geene warme vriendschappelijke gevoelens voor iemand ter wille der Inrichting behoeven verstikt ot verloochend te worden, zoo is het tegenover bovengenoemde gevaren toch wenschelijk, dat men zich ook hier wete te beheerschen en steeds bovenal zijne roeping voor oogen houde om in Christus allen lieftehebben en allei lasten te dragen, gelijk dit in oene aaneengeslotene zusterschap in weerwil van allerlei verschil door eenheid van geloof en keuze mogelijk is.
Sch. W. D. III. bl. 103. Chr. Verpl. 3« Jrg. n0. 7, 8.
§ 39.
De Diakones tegenover niet-leden der zusterschap.
De Diakones moet zich zorgvuldig wachten, in het bijzijn van dienstbaren, helpsters, nieuw aangekomene proefzusters of vreemden, hetzij lijders of bezoekers, aanmerkingen te maken op den gang des werks, de handelingen des bestuurs of der besturende zuster of van andere zusters, aan wie een deel der Inrichting kan zijn toevertrouwd, zoodat daardoor de achting voor deregelen der Inrichting of liet gezag der besturenden werd ondermijnd. Voorkomende opmerkingen over naar het inzicht der zusters aantebrengen verbeteringen mogen door haar aan het oordeel der besturende zuster onderworpen worden en opgemerkte misgrepen in de uitoefening van den arbeid
31
moeten, waar vriendelijke terechtwijzing niet baten mocht, aan de besturende zuster worden geopenbaard met de mcdedeeiing aan den schuldige, dat men zich hiertoe verplicht ziet.
Chr. Verpl. 3° ,[rg. nn. 10. W. v. Diak. bl. 5 v.v.
§ 40.
Praatziekte en tijdverkwisting.
Overigens moeien allerlei onwelwillende praatzieke mededeelingen over in de Inrichting voorkomende zaken of gedachtenwisselingen over intieme verhoudingen tusschen verschillende leden der Inrichting of aldaar of elders verpleegden worden vermeden, even als het nieuwsgierig uitvragen van eene zuster over handelingen of inzichten van anderen in hare omgeving, waardoor wantrouwen of naijver kan worden opgewekt of gevoed , terwijl het overschot van tijd , wanneer zich dit te midden van doorgaands drukken arbeid voordoet , liever moet worden gebruikt tot opbouwing en zelfbeproeving of nuttig gesprek over hetgeen voor den arbeid te geschikter kan maken. In het bijzonder mag wat niet oirbaar is over hetgeen men in huisgezinnen der verpleegden heeft waargenomen of gehoord met niemand besproken worden dan, waar dit voor den arbeid noodig bleek, met de Besturende Zuster.
Chr. Verpl. 3e Jrg. n0. 10.
§ 41.
De Diakones tegenover de dienstboden.
Tegenover dienstboden vergete de Uiakones nooit, dat zij niet hare dienstelingen maar die der Inrichting zijn, zoodat zij zich niet boven haar op meestei achtige wijze
32
mag verheffen. Anderzijds heeft zij zich te wachten voor zoodanige kameraadschappelijkheid, waarbij zij soms min beschaafde vormen, spraak en uitdrukkingswijze van dienstboden zou overnemen. Zij mag geen onbehoorlijk verzuim onbestraft toelaten maar wachte zich van liet eindeloos berispen en vermanen wat eer verbittering dan verbetering aanbrengt. Ook hier handele zij in den geest der gematigdheid en der kracht, welke beide één zijn, en oefene zooveel mogelijk door de liefde haren invloed ten goede uit, opdat de dienstbode ook iets van de wijding en heiligen ernst verkrijge, waarin de Diakones werkzaam is.
Sch. W. D. Ill bl. 128.
§ 42.
Liefde voor de Inrichting.
De Diakones moet, naar mate zij meer met de Inrichting vertrouwd wordt, haar lief hebben en zich aan haar verbonden gevoelen, zoodat zij bij eene hartelijke verhouding tot de Besturende Zuster en oprechte hoogachting voor het Bestuur, ook met ijver en zorg hare belangen voorstaat, een goed gerucht van haar tracht te doen uitgaan en noodelooze uitgaven te haren laste vermijdt, zonder dat dit in eene ziekelijke partijdigheid voor haar omslaat, die onbillijkheid jegens andere Inrichtingen zou worden. Evenmin mag zij door noodeloos dienstbetoon zich op behaagzieke wijze in de gunst der Besturende Zuster of van anderen zoeken intedringen , maar moet veelmeer hare gehechtheid aan de Inrichting toonen door trouwe en stipte vervulling van haren arbeid onder dagelijksch gebed voor degenen, die aan de inrichting verbonden zijn.
Sch. W. D. III. bl. 123 ff. Wenken v. D. uit B. bl. 7.
33
IV. De Diakones tegenover liare verpleegden.
§ 43.
Haar invloed op hare verpleegden.
De Diakones moet door haren geheelen wandel haren verpleegden den indruk geven, dat geen zelfzucht of kwalijk geplaatste eerzucht maar liefdé haar drijft. Zij zal langs dien weg hun vertrouwen kunnen winnen en zich den weg banen om voor hen nuttig te zijn. Zij behoort daarbij het karakter en den zielstoestand harer verpleegden te bestuderen , opdat zij wete te rechter tijd het rechte woord tot hen te spieken Zij moet zich daarbij nauwkeurig rekenschap trachten te geven van den invloed hunner lichamelijke gesteldheid op het zieleleven , om ze niet verkeerd te be-oordeelen.
W. v. D. bl. 14, 19â23.
§ 44.
Onpartijdigheid tegenover verpleegden.
Zij wachte zich, in het algemeen voor alle partijdigheid ten gunste van deze of gene harer verpleegden, die bijzondere aantrekkelijkheid voor haar hebben of in bijzondere mate haar mededoogen opwekken en die daarom met betrekking tot voeding en verzorging of het bewijzen van kleine oplettendheden ligtelijk kunnen worden voortgetrokken , hetgeen de afgunst van anderen gaande maakt, die zich, ook waar hiertoe geen werkelijke grond aanwezig is, toch reeds ligtelijk miskend achten.
34
§ 45.
Zelfverloochening der Diakones.
De ware overgave des harten tot den dienst dor liefde zal de Diakones, al is het niet zonder strijd toch met vreugde in God, ook dan doen volharden, wanneer de haar aangewezen werkkring een tijdlang door eentoonigheid of schijnbare onbeduidendheid zich kenmerkt, haar met onaangename persoonlijkheden in aanraking brengt of haar aan onbillijke bejegening of beoordeeling ter prooi doet zijn. Zij moet zich deze dingen om des Heeren wil weten te getroosten en de daaruit voortkomende verzoekingen in zijne kracht bestrijden.
Sch. W. D. III. bl. 83â85.
§ 46.
De Diakones tegenover bevooroordeelden.
Zij moet bij hen, die niet gaarne van het Koningrijk Gods hooren met groote voorzichtigheid te werk gaan, de weldaden van Gods genade niet opdringen, den tijd en de gelegenheid afwachten, waarop zich de deur des harten opene, en ook waar dit nog niet plaats heeft, met dezelfde onverstoorbare lankmoedigheid als tegenover anderen werkzaam blijven om dooi' de daad zonder het woord te prediken, waar men dit laatste niet hooren wil. Zij moet daarbij het gebed niet vergeten , dat de Heer liet hart daarvoor opene en waar het mogelijk wordt op gepasten en duiJelijken toon een geschikt gedeelte der H. Schrift kunnen voorlezen.
W. v. Ã. bl. 26.
35
§ 47.
Vrees of overdreven dienstijver.
De Diakones moet niet schromen voor het gevaar van besmetting of tijdelijke krachtsoverspanning, wanneer zij in den weg der omstandigheden geroepen wordt, zich daaraan bloottestellen, wetende dat de Heer, haar God, alle dingen bestuurt en haar overal en onder alles bewaren kan. Maar zij moet het gevaar niet opzoeken noch daarin een overmoedig behagen scheppen noch ook in jeugdigen dienstijver zich in al erlei arbeid uitputten, die buiten haren kring ligt of hare klachten verre te boven gaat en haar in de toekomst voor hare roeping ongeschikt zou maken. W. v. D. bl. 14
§ 48.
De Diakones voorwerp van lof.
Al behoeft zij niet ongevoelig te zijn voor welgemeenden dank, dien zij als blijk van goddelijke goedkeuring op haren arbeid in eenvoudigheid mag aannemen, zoo moet zij toch in den lof van menschen een gevaar zien voor haren ootmoed en zelfkennis. Zij moet in het bijzonder waakzaam zijn, wanneer hare dienstvaardigheid of begaafdheid haar de vriendschap barer verpleegden verwerft en haar in familieverpleging genoegens der weelde worden opgedrongen, die haar voor den arbeid in de Inrichting of in mindere kringen de vreugde konden ontnemen. Zij mag dus ook van hare verpleegden geen geld of geschenken aannemen, maar moet voor elke dankgave, die men voor de verpleging offeren wil, naar de Inrichting verwijzen, welke zij dient.
Chr. Verpl. 3° Jrg. n0. 11, 12. W. v. D. bl. 25.
30
§ 49-
De Diakones tegenover armen.
Tegenover armen, in wier woningen schier alles ontbreekt, wat ter behoorlijke verpleging of verzorging noodig is, behoeft de Diakones eene bijzondere mate van geschiktheid om zich te kunnen behelpen en met gebrekkige mid delen in den bestaanden nood te kunnen voorzien. Zij moet den armen zeiven nooit doen gevoelen, hoezeer hunne ontberingen haar belemmeren, maar trachten in weerwil van deze ook daar met blijmoedigheid te arbeiden en die stemming ook bij de armen zeiven aankweeken, die dikwijls in eene verbitterde gemoedsgesteldheid verkeeren; zij moet daarbij het voorrecht niet voorbijzien de vriendin, raadsvrouwen steun te kunnen worden van hen, die dit boven anderen behoeven en tot wier hart men door meer dan elders gewaardeerd hulpbetoon soms te ligter den toegang vindt. Sch. W. D. II. 6.
§ 50.
De gemeente-Diakones.
Wordt aan eene Diakones eene eigenlijke gemeente-ver-pleging toevertrouwd, dan moet zij bovendien in staat zijn, de armen met raad en daad in de inrichting van het huisgezin te kunnen ter zijde staan, nauwkeurig zijn bij het inwinnen van berichten omtrent hen en hen niet schaden door ontijdige of ongepaste hulp. Zij moet daarbij alsdan ook zondagscholen en naaischolen kunnen leiden en verder alles kunnen doen, wat tot de vrouwelijke armenzorg behooit. Sch. W. 1). II. G.
37
§ 51.
Arbeid aan verwaarloosden.
Wordt eene Diakones ter redding van zedelijk verwaarloosden of gezonkenen in dienst gesteld , zij vergete nooit, dat wij allen zondaars zijn , die door Gods genade alleen kunnen behouden worden, en zie dus niet uit de hoogte op de slachtoffers der zonde neder. Zij rekene ecliter ook op de bedriegelijkheid en onbetrouwbaarheid der voorwerpen aan haar toezicht onderworpen, opdat zij zich niet late medeslepen tot kwalijk geplaatste toegevendheid of te groot vertrouwen.
Sch. W. D. II. 3. W. v. D. bl. 25.
§ 52.
Arbeid aan kinderen.
Hij kinderen dient de Diakones, aan wie ze ter verpleging of opvoeding worden toevertrouwd, doordrongen te zijn van hare roeping om nauwkeurig toetezien hun karakter niet op eenigerlei wijze te bederven maar ze steeds met omzichtigheid voortegaan , vreezende hun door woord of wandel een oorzaak van verzoeking te worden. Tegenover hen moet een moederlijk hart, dat hunne wenschen weet te raden, gepaard gaan meteen kinderlijken zin, door welken men met hen kan medeleven en medegevoelen.
Sch. W. D. II. 1, 2. W. v. D. bl. 24, 25.
§ 53.
Arbeid aan oude lieden.
Eene bijzondere mate van lankmoedigheid behoeft de Diakones bij de verzorging van oude lieden, die kwade
38
gewoonten en hebbelijkheden niet meer afleeren, hunne eigenaardige opvattingen en vooroordeelen niet licht opgeven en weinig hoop geven dat er eenige vrucht van den arbeid aan hen zal gezien worden. Toch hoopt de liefde alle dingen en is het noodig, dat hun toestand zoo dragelijk mogelijk gemaakt worde, terwijl het niet geheel onmogelijk is dat ook zij tot eenvoudig geloof overeenkomstig hunne vatbaarheid gebracht worden.
§ 54.
Arbeid in keuken-, wasch- en naaikamer.
Ook in keuken-, wasch- en naaikamer kan de Diakones zich een arbeidsveld gegeven zien, dat zij niet mag kleinachten, maar waarop zij even goed als op ander gebied den Heiland dienen kan. Ook die arbeid is onontbeerlijk en daarom van beteekenis. Geene Diakones mag zich ontslagen rekenen van den plicht om zich in allerlei vrouwelijke bezigheid te oefenen en anderen daartoe op te leiden. Zij toone zich daarbij eene verstandige, trouwe huisbezorgster, die bedenkt dat zij van alles, ook van de overgeschoten brokken, rekenschap geven zal.
W. v. D. bl. 24.
Slot.
§ 55.
Onderhoud van het eigen geestelijk leven.
Te midden van haren arbeid aan anderen moet de Diakones haar eigen geestelijk leven niet verwaarloozen.
39
Zij moet niet, als Martha bezig met veel dienens, den Mariazin verliezen , met welken zij aan 's Heilands voeten moet nederzitten, wat zoo dringend noodig is om niet liet werk op werktuigelijke wijze te gaan verrichten en stomp te worden tegenover den ernst des doods. Zij moet daarom voortdurend nauw nabij zich zelve leven en teeder van geweten oprecht met zich zelve trachten omtegaan en behalve deelneming aan huisselijke morgen- en avondaandachten, openbare eeredienst en avondmaalsviering, zooveel dit mogelijk is, â ook de eenzame gebedsgemeenschap met haren Heer en Heiland niet voorbijzien.
Sch. W. D. III. bl. 67â71, 134â137. W. v. D. bl. 15â17. Chr. Verpl. 3e .Irg. n0. 42; 7e Jrg. n0. 2.
§ 56.
Opteekening van ervaringen.
Het is niet onwenschehjk zoo de Diakones eene schriftelijke herinnering voor zich beware van hetgeen haar merkwaardigs wedervaren is en tot leering, beschaming, bemoediging of godsverheerlijking verstrekken kan. Ook onderlinge briefwisseling tusschen van elkander verwijderde zusters kan hare waarde hebben, mits zij niet ontaarde in mededeeling van onnutte bijzonderheden, die beter gezwegen werden, en alzoo het opbouwend karakter verlieze, dat nevens onschuldige persoonlijke mededeelingen de briefwisseling steèds moet dragen.
Löhe Leitfaden. § 17. Corresp. Bl. v. N. Dettelsau Mei 1877.
40
§ 57
De Diakones in verpozing en ouderdom.
Hoezeer der Diakones eene volharding past in haren arbeid die niet moede wordt, laten hare hchaamskrachten dikwijls niet toe voortdurend daarin bezig te zijn zonder e VTyd n Uitspanning, die haar aan deze of gene Plaa s van wege de Inrichting in of buiten den knng harer bloedverwanten verschaft wordt, en gedurende welke zy met
opbouwende en leerzame lectuur den geest verfrisschen kan Jok haar levensavond, waarin zij
als vroeger, kan evenwel aan nuttige bezigheid gewijd zijn, waarvan jongere zusters de vruchten kunnen plukken en oi^der welkeiT zij zelve .ie «re inw.cht âaene ha» Hee en Heiland komt om haar tot zich te nemen, opdat zij
ook zij waar Hij is!
Sch. W. D. III. 5.