«V
1 Petr. 3 ; 5.
TEMPELBOUW EN OFFERDIENST ONDER HET N. VERBOND.
(Toespraak by eene Conferentie van Bestuurders van Diakonessenhuizen).
DOOB
Dr. F. W. MERENS.
Wat willeu wij? wat kuunen wij? wat moeten wij? Ziedaar vragen, die zich bij gelegenbeden als deze telkens weder aan ons voordoen. Niet dat wij het antwoord daarop niet al weten. Maar wij begeeren, te midden van veelzijdigen arbeid onze indrukken nog eens te ververschen omtrent de heilige beteekenis onzer roeping en elkander de handen te sterken tot hare vervulling.
Laat ditmaal het u aangewezen woord van Petrus ons daarbij ten leiddraad zijn.
Hij spreekt hier van levende steenen. De Schrift bezigt op echt Oosterscbe wijze dikwijls beeldspraak. Daarbij komen soms uitdrukkingen voor, die met zich zeiven in strijd schijnen. Zoo noemt Paulus de gemeente geworteld als eene plant en opgebouwd als een huis. Dat is evenwel niet ongerijmd: want zij vertoont eigenschappen van beide. Hier schijnt het erger: want is er iets leven-loozer dan een steen? Toch zou ook hierover nog wel een en ander te zeggen zijn. De aanzienlijke boomen, die soms aan geheel versteenden bodem ontspruiten, wijzen op verborgen levenskiemen, die niet alleen overblijfsels zijn van vroegere toestanden, maar ook profetieën van een mogelijke toekomst, waarin op dien steengrond weder geheel iets anders zal te zien zijn. Holt niet een waterdroppel
DK. F. W. MERENS.
zelfs een steeu uit ? En hecht zich aan den steen ook niet het lieflijkst kruid? Zoo worden ook steenen harten door God herschapen tot bloeiende planten, die vrucht dragen voor zijn Koninkrijk.
Doch hierover spreken wij thans niet verder. De Christenen wordeu hier door Petrus hij steenen vergeleken. Wat wil hij daarmede? Zij moeten menschen zijn niet van steen â dan waren zij geen menschen â maar als steenen en wel om houwsteenen voor Gods tempel te zijn, van welken hun pnesterdienst zelf het wezen uitmaakt. In de daad hierin ligt eene gedachte â meer dan een gedachte en meer dan ééne gedachte, â die wij niet moeten voorbijzien. Tempelbouw en offerdienst onder het N. Verhond. Laat dit onderwerp ons aan de hand des Apostels eenige oogenblikken bezig houden.
Tot dien bouw zijn steenen noodig en wij moeten die steenen niet maar leveren en aanvoeren, maar zijn. Een steen doet ons denken aan iets massiefs, dat eenig gewicht heeft en draagkracht vertegenwoordigt. Wij moeten dus niet zijn als vederen, soortelijk lichter dan de lucht, waarin zij zweven. Ach', daar is in onze eeuw menigmaal een geest van oppervlakkigheid merkbaar â ook zelfs wel in Christelijk genaamde kringen, â die ons wel eens doet vragen: is hier niet veel meer iets vederachtigs â iets vlinderachtigs â merkbaar, hetgeen gemis aanduidt van het massief karakter van den bouwsteen? Met vederen bouwt men geen huis, laat staan een tempel Gods. Onze haastige, snelle eeuw wil ons met oppervlakkige godsdienstige indrukken te vreden stellen, omdat er te veel te doen ââ en daarom voor diepere opvattingen geen tijd is. En het gevolg zou zijn, dat er geene kracht van ons kon uitgaan, omdat wij zeiven maar al te licht zouden vervloeien of als stuifzand door den wind werden opgenomen.
Evenmin moeten wij aan hout, hooi of stoppelen gelijk zijn, waaraan een ander apostel in eene bekende plaats ons doet denken als tegenstelling van het massieve goud en wat er meê gelijk staat. Een huis van hout staat niet lang, en zelfs tusschen planken ingesloten, vormen hooi en stoppels geen muur. Aarde met stroo vermengd vormde in der tijd een goeden baksteen en houwsteenen voor Pharao's schatsteden, maar voor den tempel Gods is een andere steen noodig â minder bros, vaster, massiver, getrouwer!
Daarom kan ook leisteen er niet voor dienen, waarop men wel
236
TEMPELBOUW EN OFFERDIENST ONDER HET N. VERBOND. 237
alles schrijven kan, maar die afschilfert, afbrokkelt en zich laat wegslaan. Wie uiet staat en staande blijft als er tegen geslagen wordt, wie ten slotte afbrokkelt en aan de wereld toegeeft en met haar medegaat, â al zou men den naam van dienaar of dienares des Hoeren op ons voorhoofd of kleed geschreven hebben, â die is geen bouwsteen voor 's Heereu tempel.
Br. en Z.! wij lijden, met uitzondering nu en dan van onze Heiden-zendelingen en van onze Middernachtzendeliugen, â in den regel geen vervolging ten bloede toe. Maar een duw en een stoot, een houw en een slag moeten wij kunnen velen. Zijn wij daartoe waarlijk sterk genoeg, massief genoeg, beginselvast genoeg, zoodat wij niet medegaan met eenigen wind van leer ofmeteenige tijdstrooming tot eenige wereldgelijkvormigheid? Elk spoor van wereldgelijkvormigheid wijst aan, dat er onder dien wereldschen vorm, â die nooit een bloote vorm is, â een stuk wereldsch wezen schuilt. Of waardoor heeft die vorm anders zoo groote aantrekkingskracht op ons, dat wij mede zweven of afbrokkelen en te ligt bevonden worden?
Maar moeten wij dan steenen zijn van liet zwaarste marmer of graniet, â wie durft zich daarmede vergelijken? Dat doet Petrus ook niet. Wij moeten eenvoudig steenen zijn, geene grondsteenen; maar â en hierop komt alles aan â gebouwd op den door God in Sion gelegden grondsteen (Jes. 28), die het fundament uitmaakt van den Godstempel en te gelijk de uiterste hoeksteen aan elke grens van den bouw, waar steen van de zwaarste soort noodig is. Die grondslag van den goddelijken bouw is in Christus vleesch geworden en, schoon Hij in die dagen nog veel erger miskend werd dan de bouwsteen des tempels na de ballingschap, die van de bouwlieden veracht werd, omdat zij er niets van dorsten hopen of wachten, â toch kan niemand een ander fundament leggen dan hetgeen door God zeiven gelegd en als zoodanig gewaarmerkt is, â het fundament, door apostelen en profeten verkondigd, waarvan J. 0. de uiterste hoeksteen is, die Christus, die bij God uitverkoren en dierbaar na zijne trouw tot in den dood door zijne opstanding uit den dood bewezen is te zijn de rots der eeuwen, die aan alle hoeken en over alle grondlijnen van den geestelyken bouw het fundament is en blijft, onwrikbaar vast en trouw, totdat de bouw voltooid is.
dr. f. w. merens.
Op dit vaste fundament Gods, steviger dan marmer en graniet, moet gij gebouwd zijn en dus â naar het eigenaardige van den Griekschen taalvorm, die in beiderlei ziu gebezigd wordt â uzelven laten bouwen door Gods liaiul, die u daartoe ook zelve in Zijn verborgen werkplaats van wie weet welke? steengroeve uitgegraven, behouwen en toebereid heeft (gelijk dit o. a. door den onden Kaapsehen Robertson voor jaren hier te lande zoo treffend werd ontwikkeld). Gij moet Hem dus als de bron en de woi'tel uwer kracht gelijk van uw geheele geestelijk bestaan erkennen. Trouwens, gij draagt den tempelmuur niet, maar het fundament draagt u en gij moet slechts vast en rechtstreeks op dien grondslag gezonken liggen en op de rechte wijze daarmede verbonden zijn. Wij zijn steenen, maar Hij is de steen. Wat wij zijn, zijn we door onze verwantschap met Hem en blijven we door onze gemeenschap met Hem. ij vermogen niets zonder en buiten Hem. En het moet dus uit zijn met alle vertrouwen op eigen deugdelijkheid, vastheid en kracht en onze gemeenschap met Christus moet ons boven alles en alles gelden.
Br. en Z.! Dit is ons allen overbekend. Maar rekenen wij er altijd mede in ieder opzicht, bij elke moeielijkheid, in iederen strijd? En waken wij steeds tegen de listige omleidingen des boozen en van ons eigen hart, om ons van den grondsteen Christus af te laten schuiven, als waren we maar losse opgestapelde steenen,niet door het cement des geloofs met den grondsteen tot een muur verbonden ? Gelukte het den boozen vijand het cement los te woelen en ons van onze plaats te ligten, dan viel daarmede de muur nog niet â maar wu vielen en onze val ware groot, â en zeker onherstelbaar, indien niet de bouwheer tusschen beide kwam. Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. Kunnen wij blijvend de plaats in den tempelmuur innemen, waarvoor wij bestemd zijn?
Immers ook dit moeten wij willen, als wij goede bouwsteen zijn zullen. Ieder heeft zijne roeping. Het is één bouw. Maar de steenen zijn vele en onderscheiden. De hemelsche bouwheer wijst zelf door den loop der omstandigheden ons onze plaats in den tempelmuur aan.
Misschien valt deze niet of weinig in het oog. Maar ziet ge â wien het daarom nog te doen is â die is in het geheel geen goede
2S8
TEMPELBOUW EN OFFERDIENST ONDER HET N. VERBOND.
bouwsteen. Er zijn gebouwen, welker muren overpleisterd worden en daar ziet meu in liet geheel geen steenen. En de grondsteen ligt bij eiken bouw onder den beganen grond eu wordt dus nooit gezien, maar bewijst inmiddels zijne deugdelijkheid uit de kracht, waardoor hij den bouw blijft dragen en in stand houdt.
Is uwe plaats mijne Zuster! misschien op een klein zoldertje in een armen-woning, in een eng kantoortje voor administratie, of in keuken of provisiekamer, laat het schijnbaar kleinste u niet te gering zijn. Trouw in het kleine wordt door den Heer uwen God niet klein geacht. Eu het is de vraag niet of menschen, â misschien door misverstand zelfs nu de bouwlieden aan den Godstempel â u klein achten, maar of de bouwheer u geschikten steen acht voor zijn bouw. Hoe de bouwlieden zich kunnen vergissen, zagen wij reeds in de miskenning van de waarde des gewaardeerden, den welken de kinderen Israels zoo eindeloos veel te laag gewaardeerd hebben! Waardeer gij nu maar de plaats niet te laag, die n als steen in den muur is aangewezen. Eu reken er op dat u juist een gevaar dreigt als gij door uw zusterkleed te veel in het oog loopt en dit aanleiding worden kon tot hoovaardij bij begroetingen op de markten als een liefdezuster, die heiliger is dan een gewoon mensch. Ach! de duivel van het Phariseïsme verandert zich altijd in de gedaante van een Engel des lichts. Spoed u dan maar weer naar uw zolderkamertje of armenvertrek. Maar meen niet, dat ge ook daar veilig zijt voor alle verzoeking. Immers wij weten er alles van, hoe de dankbare betuigingen van lof over onzen arbeid, hoe goed gemeend en verblijdend op zich zelven, gevaarlijker kunnen worden dan de ondank dergeneu, die nooit te voldoen zijn, als we het namelijk een oogenblik gingen vergeten: alleen door de genade Gods ben ik wat ik ben.
Het is misschien daarom goed, dat steenen in den muur van den Godstempel, al rust de bouw niet op hen, toch heel wat krijgen te dragen. Zij hebben altijd anderen onmiddellijk naast en boven en onder zich, die door hunne eigenaardigheden ons tot oefenschool worden kunnen in het dragen en stille zijn. Steenen blijven op de hun aangewezen plaats liggen, ook als ze door andere steenen gedrukt en van boven en rondom op de hun eigen plaats geperst en geprest worden. De druk van boven zou daarbij zeker te zwaar worden, als de steen niet op zijne beurt op den grondslag
239
DK. F. W. MERENS.
240
van audere, lagere steenlagen rustte. Maar nu dit zoo is, heeft het geen bezwaar, indien we althans als goede massieve steen genoeg weerstandsvermogen hebben om audere steenen op te houden en onze eigen plaats te handhaven. Maar de hier in aanmerking komende steen schijnt â gelijk metaal â niet vrij van electrische eigenschappen , zoodat ook hier gelijknamige polen elkander af'stooten en ongelijkuamige elkaar aantrekken. Komen nu twee steeneu met elkaar in aanraking, dan kan dit in beide gevallen moeilijkheden ten gevolge hebben. Dit moet ons evenwel niet aanstonds nopen tot den wensch naar een andere plaats. Nog eens: steenen liggen stil en maken geen revolutie. Is onze aauvankelijke plaatsing werkelijk op den duur ongeschikt, dan blijkt dit wel en de bouwheer komt op zijn tijd den steen verleggen of wijst de bouwlieden in zijnen dienst aan, hoe het euvel te verhelpen. En anders moeten wij leereu bij ons eigen pak ook elkanders lasten mede te dragen. Willige knechten en maagden des Heeren leeren dit, in zoover het billijk van ze kan geeischt worden 1), terwijl zij rustig hunne van boven aangewezen plaats bij den bouw innemen. Maar de vraag komt hier met ernst tot ons allen: wilt gij dit? Wilt gij daarbij andere steenen naast u op hunne plaats duldenV â neen! dat niet alleen â wilt gij ze in hunne waarde erkennenV Zijn er, die u afstooten? waarom is dat zoo? Is ook eenzijdigheid bij n daarvan de oorzaak ? â Of omgekeerd â trekken ze u ook te sterk aan? Steenen kennen geen hartstochten. Het ligt broeiende hooi, â nog te meer met hout en stoppelen erbij â slaat soms in brand! Wij moeten een te massiven steenaard hebben om het hier toe te laten komen. Wij moeten zonder aanzien des persoons elkander leereu waardeeren en beoordeelen, onpartijdig, gelijk God zelf oordeelt naar een iegelijks werk!
Steenen zijn koud. Maar zij kunnen ook warm worden tot gloeihitte toe. /00 moeten ook wij vooral geen houden steen gelijk zijn. Warm voor den Heer en zijn werk â gloeiend van liefde voor den Heer en zijn dienst, â ja dat voegt zeker zijne knechten en maagden. Trouwens wij laten met Petrus het beeld van den steen
1) Naar Gal. C : 5 verdwijnt onze schuld niet, omdat die van anderen grooter is (zie vs. 4). Naar vs. 2 moeten wij deelen in anderer pijn over hunne schuld. Wij lijden dus onder beide.
TEMPELBOUW EN OFFERDIENST ONIJEK HET N. VERBOND.
nu vareu. De steeueu iu den muur vau den Godstempel zyu levende voorwerpen, niet ongevoelig â ook niet maar in stofl'elijken zin gevoelig voor licht en warmte gelijk de plant volgens de natuurwet, â uiet electriscli gevoelig, zoodat ze zamen een galvanische kolom of' electrische batterij zouden vormen, â maar geestelijk levende â elk voor zich en zamen voor den Heer, omdat zij leven door Hem.
Alles leeft aan dezen steen. En daarom worden de steenen zeiven bouwlieden aan den tempel, die al hun leden en krachten in den dienst van dien bouw besteden. Zij willen en moeten zijn medearbeiders Gods en Zijns Gezalfden. Immers zij worden van God gebouwd tot een geestelijk huis, een huisgezin van levende kinderen Gods, die Hem eeren en dienen. En zij trachten nu ook elkander op te bouwen in den geest en begeeren anderen tot leden van dat gezin gevormd te zien en als werktuigen in Gods hand mede te vormen. Schoon en heerlijk rijst alzoo des Heeren bouw naar zyn gemaakt bestek omhoog. Het zijn geen blinde, naakte of kale muren die hier worden opgetrokken. Het wordt naar het aanbiddelijk bestek des Bouwheers een welgevormd huis.
Volgons zekeren Duitschen Godgeleerde was het buitenwerk van den bouw met den len Christen-Pinksterdag voltooid en is de Bouwheer sinds aan het binnenwerk bezig. Hoe dit zij, zeker is aan dit laatste nog eindeloos veel te doen. Intusschen wij vorderen; al is het langzaam, misschien nog minder door den tegenstand van Samaritanen, Edomiten en Philistijnen, dan door eigen ongeloof en traagheid. Wij vorderen door en onder het bestuur des hemel-schen Bouwmeesters en het wordt een huis uiet van steen, maar een gezin van levende kinderen Gods, een huis in den geestelijken zin, waarin wij dat woord ook bezigen van de onzen naar het voorbeeld der H. Schrift, die van mannen spreekt die geloovig werden met geheel hun huis.
Zoo moet dan bij ons alles leven zijn, gelijk in een huisgezin van levenden. Maar daarmede is ook alle knechtelijk eu ambachtelijk of werktuigelijk dienstbetoon uitgesloten, dat nog weer aan levenlooze steen en blinde muren doet deuken. Noemen wij ons werktuigen in 'sHeeren hand, wij bedoelen daarmede geen arbeid zoo als die der machine in de fabriek, maar de vrije werkzaamheid der liefde uit den geloove. De liefde Gods, die zich over ons
BOUWSTFENEN XIII. 10
241
DR. F. W. MEHENS.
ontfermde, toeu wij stceuen harteu haddeu, ontgloeit ons tot deu arbeid der liefde voor Hem. die ons eerst heeft liefgehad en zijn eigeu Zoon niet spaarde, â tot liefde evenzeer jegens dezen, die zich zelven niet en niets spaarde, maar zich voor ons overgaf tot in onzen bitteren zondaarsdood. En deze liefde dringt ons, om niet meer ons zelven te leven, niet voor eigeu eer en stoffelijke winst te arbeiden, maar ons aan zijnen dienst te wijden, hoewel wij bij dien afstand in hooger zin niets verliezen, maar alleen winnen.
Leeft zoo ook bij ons waarlijk reeds alles â en alles voor Hem r* Is ons gansche huis van den H. Geest vervuld, gelijk op deu Pinksterdag het geheele huis waar zij zaten? Zijn er geen verstramde leden des huizes, die meer naslepen dan medearbeideu, die meer op auderer leven medeteereu dan zelven leven, maar dan ook dreigen aan de tering â aan uittering te gaan sterven, daar alles hier op persoonlijk leven eu gemeenschap met de bron des levens aankomt'r1 En als er storingen zijn in de levensuitingen des huisge-zins of der enkele leden, â zijn wij ijverig in het naspeuren van de oorzaken, zonder dat dit door de drukten van deu arbeid wordt voorbijgezien? Gevoelen wij ouze roeping, om zelven zoo levend en waakzaam te blijven, dat wij het overige kunnen versterkeu, dat sterven zou?
Wanneer zal dit alles mogelijk blijken ? Als wij ons steeds teu volle bewust zijn, een heilig priesterdom uit te maken, aan's Heeren dienst gewijd. Het huisgezin vau levende kinderen Gods, dat Hij zich teu tempel opbouwt, wordt uu voor ons oog weder tot een gebouw, maar waarin die kinderen Gods als priesters Hem gewijd geestelijke offers brengen vau gebed eu liefdedienst.
Het is meermalen opgemerkt: een offer is een vrijwillige gave. En zoo komt het hier dan toch teu slotte weder op geven aan? Zeker: maar hoe geheel anders dan bij de wereld? De gunst der wereld en barer goden moet eerst gekocht worden eu komt ons daarna duur te staan. Want de smarten dergenen, die zich door hun gaven een zoodanigen afgod koopeu, worden naar Ps. 16 : 3 vermenigvuldigd, terwijl hare priesters ons met de bloedzuiger uit 't Spreukenboek steeds blijven toeroepen: geef, geef. Maar welk een grootsche en treffende gedachte: wij hebben met een God te doen, die niet begint met gaven voor zich te eischen, maar die ons allereerst toeroept: neemt, eet, laat uwe ziel zich in vettig-
242
TEMPELBOUW EN OFFERDIENST ONDER HET N. VERBOND. 243
heid verlustigen, koopt â doch zonder geld en zonder prijs. Want Ik geef en vergeef om niet. Dat is het heerlijk Evangelie Br. en Z.! ons ter verkondiging aan armen en kranken en schuldigen gelijk wij zei ven toevertrouwd. Eu als die zelfde God dan zegt: âZoon, dochter! al het mijne is het uwe, geef mij nu uw hartquot;, klaagt gij dan over onrecht en duurte van den prijs , door uwen God gesteld ?
Wat zullen wij Hem dan geven? Iets van het onze? Ja voorwaar â ook dit mag waarlijk wel geschieden. Het is toch alles van Hem en in zekeren zin het zijne. Het werd onlangs hier in deze stad 1) door den waardigen voorganger eener zustergemeente met zooveel recht gezegd: âhet is al erg genoeg wanneer de Heer nog om een en ander van het onze vragen moet. Maar dat wil Hij ook al doen. Schamen wij ons nu althans, dat wij 't Hem weigeren zoudenquot;. â Maar iets van het onze is niet genoeg. Neen! wij moeten ons zelveu geven op die wijze en in dien vorm als door onzen aanleg, gaven en omstandigheden wordt aangegeven. âWat ik heb, dat geef ik U'quot;, â zoo is de Heer onze God tegenover ons voorgegaan en Hij schonk ons Zijn Eeniggeboren en met Hem al wat wij behoeven. âWat ik heb, dat geef ik Uquot; zoo sprak de Zoon den Vader na en Hij gaf zich zelveu voor ons over tot in den dood. âWat ik heb, dat geef ik Uquot;, zoo zegt de ware discipel met dezen zelfden Petrus, over wiens woord wij spreken, volgens Hand. 3 tot iederen kreupele en overal waar te helpen, waar iets te geven of te doen valt in Jezus Naam. Eu zoo oft'eren wij ons zeiven, d. i. onzen tijd en krachten â ons leven zelfs, waar het mocht noodig zijn om des Heeren wil.
Hebben wij reeds eenigszins geleerd Br. en Z. in dezen zin te geven wat we hebben? âWie geeft van 'tgeen hij heeft,is waardig dat hij leeftquot; zegt een wereldsch spreekwoord, maar de Christen is daarmede nog niet te vreden. Geeft gij reeds üzelven zonder omzien, zooals Paulus schrijft van discipelen, die zichzelven eerst den Heere gaven als een Hem welbehagelijke offerande en daarna aan het werk der bediening? Gevoelt gij dat Hij 't waard is, â alles waard is in dank voor zijne onuitsprekelijke gave? En maakt
1) Arnhem. Zie J. E. Schroder, Ev. Lulh. Prod, aldaar: « ilet werk der liefde in de gemeente naar Matth. 8 : 15!)». Bij H. B. Breijer, aldaar.
244
dit ook uw liefdewerk licht? O! als eens door bedenkingen des vleescbcs een of ander u zwaar valt, stel U den Heiland voor als den Hoogepriester onzer belijdenis en denk aan Zijne geheel eenige zelfofferande om uwentwil volbracht en gij schaamt u, als gebrek aan offervaardigheid u zou doen aarzelen.
Eu zoo worden onze offers, die wij Gode brengen, tevens bij den liefdearbeid ten zegen vcor anderen, en waar hare aantrekkingskracht op dezen uitgeoefend tevens onder 's Heeren zegen dient om anderer hart voor Christus te openen en ze voor Hem te winnen, daar verwezenlijken wij het denkbeeld der priesterschap ook in dezen zin , dat we als voorgangers van anderen hen tot Gods gemeenschap inleiden, gelijk de priesters voorgangers des volks en geheel Israël een priesterlijk volk voor de Heidenwereld zijn moesten. Wij weten bij ervaring, hoe moeielijk het vooral in dezen tijd is, den weg tot de harten te vinden. Zoo menigmaal is âde wandel zonder woordquot; het eenige wat ons rest, wanneer het ons zelfs niet gegund wordt het rechte woord naar wij meenden ter rechter tijd tot vermoeiden en treurenden te spreken. Maar neen! ook dan, wanneer ons de mond tegenover memchcn gesloten wordt, dan knielt de rechte priester in het huis Gods toch in de stilte der binnenkamer voor 's Heeren altaar neder om voor de verdoolde, afgedrevene, kranke en zwakke schapen, aan zijn zorg toevertrouwd, zoowel als voor zich zei ven met het oog op de hem noodige arbeidskracht Gods aangezicht te zoeken. Mijne Z.! wij begeeren bij U in't minst geen nonuenvroomheid. Daartoe is er veel te veel werks aan en in den tempel Gods. Maar de stille afzondering bij uw huisaltaar vergeet gij toch niet? Zij is zelfs niet alleen om uwer verpleegden wille noodig. Want wij kunnen ook voor ons zeiven de verversching onzer indrukken door de gebedsgemeenschap met den Heer niet missen. Eu hoe zult gij bovendien de vrijmoedigheid en takt hebben om, als de deur van een hart op een kier opengaat, aanstonds daar binnen te gaan met een woord uit het woord, als in Uzelven dat woord niet leeft door gemeenschap met den oversten Leidsman, die U het rechte woord op de lippen leggen moeten wil, maar het alleen kan, wanneer gij, met Hem levende, de mond des H. Geestes worden kunt, die in Zijn naam tot anderen spreekt.
Maar zoo zullen dan â schoon ouder veel gebreks onze geestelijke offers Gode aangenaam kunnen zijn door Christus Jezus den
tempelbouw en offerdienst ondett het n. verbond.
eenigen volmaakte, in wien alleeu verzoeuing is ook voor het gebrekkige ouzer heiligste verrichtingen en gebeden zelve. Troostrijke gedachte, als wij over ons eigen gebedsleven en arbeid onvoldaan, zei ven voelen vergeving te behoeven van wege het gebrek aan ernst, levendigheid en innigheid onzer gemeenschap met den Heer, ook al behoeven wij door Gods genade onze oprechtheid niet te verdenken. De volmaakte gerechtigheid des Hoogepriesters vormt als één doorloopend Middelaarsgebed, voor de zijnen opgeofferd aan het Hoogaltaar van den Godstempel, waar Hij, aan het hoofd staande zijner onvolmaakte, maar vrijwillige priesterschaar, door zijne volmaaktheid al hun gebrek vergoedt.
Nog meer. Hij legt ons daar als de overste leidsman en voleinder des geloof's een geestelijk Te Deum, een geestelijk loflied op de lippen, dat door Hem die dood is geweest maar leeft ons voorgezongen, op geheel eenige wijze onzen moed ontvonkt in den strijd tegen onze eigen levenloosheid en ons tot krachtsbetoon sterkt in dien tegen wereld en zonde. En de Priesterschaar van I's. 110 in heilig feest- of altaarsieraad als een gewillig volk optrekkende in den geestelijken kamp achter den Priesterkoning naar de ordening van Melchizedek, herneemt den arbeid en sterkt zich de handen, waar zijne leden onderling elkander op Hem wijzen , als die vooraan getreden is, opdat wij Hem in den moed der hope zouden volgen.
Daartoe Br. en Z. kwamen wij immers ook thans weder herwaarts op. En daarom nog dit éene. Vergeten wij het nooit: het Priesterdom, waarvan Petrus spreekt, is geen veelheid van onzamenhan-gende éénlingen, geen opeenstapeling van losse bouwsteenen â het kwam straks reeds van een andere zijde ter sprake, maar naaide bedoeling Gods en zijns Gezalfden een aaneengesloten schare van te zamen biddende en offerende priesters in het Huis des Heeren, die ook zeiven zijner zalving deelachtig zijn en elkander moeten willen dienen en sterken door de liefde, en die hunne wijsheid en gaven ook door onderlinge samenwerking in éénen geest ten nutte van elkander en van het geheel der gemeente moeten aanleggen. (Ik denk hier aan het onderwijs van onzen catechismus over de gemeenschap der Heiligen). Laat ons dan, als een eenig man, onderling één in den Eene, die boven allen is, één in Heer, geloof en Doop, één in keuze, liefde en hoop, den
245
DR. F. W. MERENS.
246
arbeid voortzetten, sterk door de overtuiging, dat we deuzelfdeu strijd strijden onder denzelfden aanvoerder, die overwonnen heeft en zijne medestrijders tot de overwinning voert. En terwijl wij in zijne kracht, ieder op ons gebied en met onze krachten, doen wat de hand vindt, moge deze onze arbeid in den Godstempel zelf als een harmonisch loflied kunnen zijn voor des Heeren altaar, een lied dat ook der wereld in de ooren ruischt, niet als een holle, zinledige klank, maar als de vrucht van lippen, die zijnen Naam belijden, omdat, gelijk het leven toont, het hart Hem toebehoort en liefde weet te beoefenen, omdat Hij liefde is!