/
DE GEESTELIJKE ZIJDE
VAN DEN
ARBEID DER DIAKONIE1).
(Bijbelstudie over Col. 3 : 12â17.)
DOOK
Dr. F. W. MERENS.
Te midden van al de beroeringen, waardoor maatschappij en kerk worden geschokt, staat daar het werk der zending, ook der inwendige of binnenlandsche zending, en niet het minst der verpleging van armen, kranken, verlatenen, gevallenen en allerlei hulpbehoevenden, als een krachtig bewijs van den invloed des Evangelies, hetwelk beter dan alle vertoog in staat is, den onpartijdige van deszelfs waarheid en waarde te overtuigen. Juist dit moet ons evenwel te dieper doordringen van de hooge noodzakelijkheid om te zorgen, dat, terwijl zooveel door het vleesch ontreinigd wordt, ook dit zout niet onzout of smakeloos worde en het werk der christelijke Diakonie zijne kracht niet verlieze.
Hoe zullen wij daarvoor bewaard worden ? Hoe anders dan door ons voortdurend de heilige beteekenis onzer roeping in dezen voor oogen te stellen en ons te toetsen, in hoever wij daaraan beantwoorden? En hoe zullen wij dit kunnen dan door ook in dezen het woord Gods tot richtsnoer te nemen en te gaan tot de bron
1
Uitgesproken ter opening* van de eerste conferentie van Bestuurderen der Neder-landsche Diakonessenhuizen, gehouden te Utrecht, op 13 Mei jl. De aanhef is als van persoonlijken en plaatselijken aard weggelaten en hier en daar is eene kleine wijziging aangebracht.
Bouwsteenen IV IQ
F. W. MKUENS.
van goddelijke wijsheid, daar ons geopend, die steeds vloeien blijft en een zoo eindeloozen schat van leering, opwekking en terechtwijzing bevat?1) Wij vinden eene treffende karakterteekening dei-geestelijke zijde van den arbeid der Diakonie in de Apostolische woorden Col. 3 : 12 â 17, die ons alzoo ten leiddraad onzer overdenking daaromtrent kunnen verstrekken.
Laat ons aanvangen met eene opmerking ter voorkoming van misverstand. Wanneer Paulns liier het beeld gebruikt van een nieuw kleed, dat het oude vervangen moet (zie vs. 92, 10quot;), dan wil hij natuurlijk niet zeggen, dat de innerlijke bewegingen, waarvan hij vs. 12 spreekt, slechts uiterlijk, los als kleedereu om het lichaam heen geworpen, onze eigenlijke gestalte moeten verbergen, wat zich zelf zou weerspreken. Het afleggen van den ouden â en het aandoen van den nieuwen mensch is hein iets veel geeste-lijkers, â iets veel innigers. Maar het beeld, even als dat der krijgskleeding en wapenrusting (Eph. 6), is gebruikt, om het zichtbaar te voorschijn treden in eene waarneembare gestalte aan te duiden, aan bepaalde hoedanigheden herkenbaar. En dit op het voetspoor der vroegere prophetie en van den Heiland zeiven. Wij denken aanstonds aan den mantel des ijvers en het pantser der gerechtigheid van Jesaja 59 en aan het wisselkleed van den bruiloftsgast uit de bekende gelijkenis.
O
Is hier dus geen misverstand te vreezen, als zoude er slechts van een uiterlijk gewaad van vroomheid sprake zijn, dat met het innerlijk wezen des Christens niet zamenhangt, dan gevoelen wij, hoe de hier gegeven reeks van opwekkingen ons wijst op de innerlijke gesteldheid des geloovigen en op de openbaring daarvan bij zijnen arbeid. Maar dan blijkt het ons ook alras, hoe het daaromtrent hier gezegde zijne bijzondere toepassing vindt op den arbeid der dienende liefde in het werk der Diakonie. Geen wonder trouwens. Immers deze is de meest wezenlijke ,vervullingquot; (in bijbelschen zin) van het werk onzes Heilands, den dcaxovo? xaz izvyjiv â den dienaar bij uitnemendheid, gekomen ou Scaxovr,-ürjvac 'l/J.a diaxovrpa'. (niet om gediend te worden maar om te dienen). De arbeid der Diakonie is dienvolgens die der navolging
1
Het was op het uitgedrukt verlaugeu der vergaderde Zusterhuizen, dat de zameu-
2
heiligsten strijd mag vragen.
DE GEKSTELIJKE ZIJDE ENZ.
van Christus in den meest eigenlijken zin, waarin zij op aarde als hulpbetoon jegens vreemden, d. i. die ons niet door banden des bloeds of der vriendschap buitendien reeds lief zijn, mogelijk is. Alleen de liefde van Christus moet hier dringen, en wat aan elk een zijner discipelen wordt aanbevolen, geldt in verhoogden zin ieder, die als diaken of diakones zich wijdt aan een werk, waarin zich dat van Christus als dat der vrijwillig dienende liefde zoo duidelijk afspiegelt. Wat den Christen in het algemeen als vrucht zijns geloofs wordt voorgehouden, geldt zeker in het bijzonder hem, die in het werk der dienende liefde zijnen Heiland volgt.
Houden wij dit in het oog, dan vinden wij hier in de daad eene merkwaardige karakterschets der geestelijke zijde van den arbeid der Diakonie. Immers wij worden hier dan bepaald bij: het beginsel, dat aan dien arbeid ten grondslag ligt, de gemoedsgesteldheid, waarin wij daarbij moeten werkzaam zijn, de kracht, die ons daarin zal kunnen doen volharden, de middelen, door welke wij ons daartoe zullen kunnen sterken en de wijding, die ons daarbij steeds zal moeten kenmerken. 1. Welk is het beginsel, dat aan den arbeid der Christelijke Diakouie ten grondslag ligt en ons tot den arbeid der liefde moet dringen? Wij zijn, zegt de apostel vs. 12, ,uitverkorenen Gods, heiligen en beminden.quot; Uit de wereld, blind en dood, zoo als zij daar ligt, heeft ons God uitgelezen tot zijne kennis en tot zijnen dienst. Welk een grootsch en ontzaglijk voorrecht. Uit die wereld, â waartoe wij dus ook zeiven behoorden, â even blind en dood als zij, heeft ons God uitgelezen. En dus niet, omdat wij dit boven anderen waardig waren. Noch ook omdat wij zeiven dit begeerden. Want wij misten het rechte besef omtrent onze wezenlijke behoeften, al gevoelden wij dat er aan ons geluk iets ontbrak. God heeft er ons uitgetrokken en overgebracht tot zijne gemeenschap met degenen, die in zijn dienst hunne vreugde vinden. Hij heeft ons aan zijn dienst gewijd. Wij zijn heiligen d. i. personen, die aan zijn heiligen tempel verbonden zijn, die niet meer de zondige begeerlijkheden des vleesches en der oogen dienen gelijk de Heidenen of de kinderen der wereld, maar die in eene andere atmospheer hebben leeren ademen en leven, die zich in de huishouding der geestelijke dingen zijn gaan te huis voelen. En dat ten gevolge van de goddelijke liefde, die ens daartoe overbracht. Gods hart bleek ontsloten voor onzen nood en ellenden. Het bleek over ons uitgebreid in ontferming. Wij zijn beminden,
3
F. W. MERENS.
4
d. i. voorwerpen van Gods liefde. Wij gevoelen zeiven, dat er een goddelijk vaderhart voor ons klopt, en het doet ons goed op deze kille aarde ons aan de warmte van dat hart te verkwikken. Wij ervaren die liefde in hetgeen zijn Eeniggeborene, het levende beeld des Vaders, voor ons geworden is, gedaan heeft en blijft. AVelk eene volheid van genade en trouw in Hem, die reeds toen de wet door Mozes gegeven werd en bij al zijne vroegere âuitgangenquot; van den Vader in de dagen van ouds, voor menschen de onzichtbare bron was van licht en leven, maar bovenal, sinds Hij in mensche-lijk vleesch verscheen, de aanvang werd eener bedeeling van vertroosting en verlossing, die onze eindige gedachten overklimt. Nu schroomt Hij niet, als de nederige dienaar («Jtazovo?) van Jehova, zich zeiven te geven tot in den dood, diaken te worden in den meest volstrekten zin, om ons met de hoogste zegeningen te he-deelen en ons te bewijzen, hoe geen offer den Vader te groot is, als het op de redding van menschen aankomt. âEere in de hemelen Gode en op aarde hulde: in menschen welbehagenquot;!
Dit volmaakte werk der goddelijke diakonie of dienstbetooning ter behoudenis ligt aan alle christelijke diakonie onder menschen ten grondslag en moet bij de uitoefening daarvan de hoogste drijfveder zijn. Wij zijn door de goddelijke liefde uitgelezen tot zijne gemeenschap en dienst in zijnen tempel. Dit is onze eere, â ons voorrecht, â onze roem, al is het een roem in de genade alleen. Het verbindt ons in wederliefde aan den Vader en den Zoon beide. Wij gevoelen ons nu zedelijk gebonden. God met onze krachten en gaven te dienen, overal waar Hij onzen dienst gebruiken wil. Het wordt onze vreugd Hem te dienen. Wij verstaan het daarbij, dat het voor Gods geheiligde tempeldienaars roeping is, in alles Hem te dienen, ook waar wij menschen hulp verleenen. Dienstbetoon der liefde aan menschen (diakonie) wordt tempeldienst (liturgie). En onze liturgie moet diakonie worden, waar God er ons in het praktische leven toe roept. Hem en anderen te dienen. 1)
1) Aan beider verband doet ons Paulus denken als hij 2 Cor. 9 : 12 van den liefdedienst voor de armen onder de christelijke gemeente zegt: vde bediening dezes dienst^s (fj diaxovca rrfi XetToöpycaq raurrfi) vervult niet alleen de behoeften der heiligen maar brengt ook overvloedige dankzegging Gode te weegquot; â al doelt hij daar meer op de vrucht der liefdebetooning tot verheerlijking Gods in hen die dezen dienst van anderen ondervonden dan op het God verheerlijkend doel dergenen, die ze bewezen maar bij wie dit toch door hem kennelijk ondersteld wordt.
DE GEESTELIJKE ZIJDE ENZ
En dun vragen wij niet met het iutellectualistiscli dogmatisme, hoe te oordeelen over Gods verhouding tot beu, die niet blijken tot de uitgelezenen te behooren. om onze houding tegenover hen
O O O
daardoor te laten bepalen. Dan gaan wij niet uit de hoogte beslissen, dat God omtrent sommigen onverschillig is, noch de mogelijkheid betwisten dat in Gods verborgen raad nog veel ligt wat omgaat buiten den cirkel onzer beschouwing. Ach! had men er zich nooit aan gewaagd, âde diepten Gods, curieuselijk te onderzoeken.quot; Wij houden ons aan zijn woord: âalzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn Eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbequot; en aan,zijn gebod: ,predik het Evangeliequot; â de blijde boodschap der genade en des levens â âaan al het schepsel.quot; Dit is ons waarborg genoeg tegenover een God, die zeker ernstig meent, wat Hij zegt, dat Hij een hart heeft voor aller behoud. Wie zou het ook anders kunnen verwachten van een God, die er zeker geen behagen in hebben kan, dat iemand eindeloos blijft voortzondigen en die immers zonder aanzien des persoons oordeelt en dus niet willekeurig dezen van zich stooten zal terwijl Hij anderen uitleest, al is het dat niemand komt tot den Zoon tenzij de Vader, die dezen gezonden heeft, hem trekke.quot; Wij uitgelezenen moeten tot hen, die in de wereld zijn, uitgaan en ze onder de beademing des Woords en des Geestes trachten te brengen en allermeest ieder, die ons tegemoet gevoerd wordt, trachten te dienen door hun de heilige liefde Gods te prediken.
2. Reeds zijn wij als van zelf genaderd tot beschouwing van onze verhouding tegenover de menschen, met wie wij bij de uitoefening van het werk der dienende liefde in aanraking komen. In welke ge-
O O
moedsgesteldheid zullen wij daarbij tegenover ben moeten werkzaam zijn ? Of zou het gemoed daarbij onaandoenlijk kunnen blijven tegenover hunnen nood, en het beginsel van dankbare wederliefde jegens de door ons ondervonden goddelijke genade, dat ons drijft, kunnen zamengaan met een ambachtelijk en werktuigelijk verrichten van dien arbeid? Dit laatste zal ieder ontkennen, maar toch het is een gevaar bij dit werk, dat het slechts als een werk opgevat worde, waarom er wel op mag gewezen worden, hoe die opvatting met het wezen der diakonie in strijd is. Elke goede, nauwkeurige verpleegster is daarom nog geene diakones, al moet iedere diakones zeker eene goede nauwkeurige verpleegster zijn.
God heeft zich onzer erbarmd, innerlijk met ontferming over ons
F. W. MERBNS.
bewogen zijnde. Ook waar het onze verhouding geldt tot de voorwerpen onzer zorg, spreekt de apostel (altijd nog vs. 12) van ,innerlijke bewegingenquot; letterlijk van ,ingewandenquot; der bann-liartigheid, naar het spraakgebruik dier dagen, volgens hetwelk de ingewanden als de vermeende zetel der barmhartigheid voorkomen. Wordt de grootheid der goddelijke ontferming jegens ons gevoeld, dan eerst wordt ook ons eigen gemoed bewogen tot de ware ontferming.
En dit is nog iets anders dan de bewegelijke hartstochtelijkheid van een gemoed, waarvan slechts de oppervlakte is geroerd, gelijk het water door een ligte windvlaag, 't Moeten innerlijke bewegingen zijn, die het diepst des harten raken, al brengt de hier even noodzakelijke zelfbeheersching met zich, dat de uiterlijke kalmte bij het gadeslaan van de jarainerlijkste toestanden niet verstoord worde.
Maar het moeten bewegingen zijn van Zwwhartigheid, d. i., naaide erkende beteekenis dezer voorvoegsels, van i/Yprfhartiffheid.
O â O quot;
«'yrfhartigheid, van een hart dat zich verbreedt, zich verwijdt, zoodat het in tegenstelling van alle cHr/hartigheid zoovelen daarin bevatten kan d. i. zoo veler belangen op het harte dragen kan als er Gods voorzienig bestuur met ons in aanraking brengt. Gods hai-t is zoo wijd, dat 't allen bevat. Het onze, door zijne barmhartigheid getroffen, moet zoo wijd worden dat het die allen bevat, die Hij ons aan het hart legt.
Deze barmhartigheid moet zich dan openbaren in eene f/oeder-tierenheid, die gaarne in allerlei nood tusschenbeide komt, eene ootmoedigheid., die zich daarbij gaarne den geringsten dienst getroost en anderen zelfs de voeten wil wasschen, in eene zachtmoedigheid, die tegenover onheusche bejegening niet opstuift maar kalm weet te blijven, en in eene lanhnoedigheid (eigenlijk grootmoedigheid (/laxpofto/ua), die alles weet te verdragen en met zekeren koninklijken zin het onaangename weet klein te achten zonder kwaad met kwaad te vergelden om als de gelegenheid komt een woord op zijn pas te spreken om der waarheid wil, maar zoo dat men vóór alles tracht, het grootsche, elders (Rom. 12) door Paulus op den voorgrond gestelde beginsel in praktijk te brengen: âoverwin het kwaad door het goed'.
Welk eene oneindig rijke toepassing deze vermaningen vinden in het leven der dienende liefde, kunnen wij thans niet aanwijzen; en dit behoeft ook niet, zoo ieder deze toepassing slechts voor
6
DE GEESTELIJKE ZIJDE ENZ.
zich zeiven maakt. Dit zij alleen opgemerkt, dat wij hier eene dubbele reeks van toepassingen krijgen, eensdeels tegenover de verpleegden, die door hunnen nood, pijn, ouderdom of jeugd en allerlei omstandigheden dikwijls vele behoeften hebben, welke hindernissen in den weg leggen tegen eene kalme gemoedsgesteldheid bij degenen die ze dienen, daar de lijders ligt in verzoeking komen om dezen onbillijk en onheusch te bejegenen, â en anderdeels tegenover de overige leden eener zusterschap, die uit verschillende karakters is samengesteld, niet door den band des bloeds onderling verbonden maar die dagelijks op allerlei wijze met elkander in aanraking komen, zoodat dit ligtelijk aanleiding tot botsingen geven kan. Hier vooral komt de ootmoedigheid te pas, die zich niet laat voorstaan op eigen gaven, anderer meerderheid erkennen wil. zich gaarne onderwerpt en eene dienende stelling onder anderer toezicht niet wraakt. Evenzoo de zachtmoeAigheid en lankmoedigheid, die bij storing van den ouderlingen vrede zicii op de rechte wijze gedraagt en naar hetgeen (vs. 13) volgt elkander verdraagt d. i. de schaduwzijde van iemands karakter niet tot eene oorzaak misbruikt van onvriendelijke bejegening, die juist aanleiding geven zou om de schaduwzijde van het onze te doen uitkomen, maar âzoo iemand tegen iemand klacht heeftquot;, dezen weet te vergeven.
Wel kan het in sommige gevallen om der waarheid wil plicht zijn vóór de openbare betuiging van geschonken vergiffenis belijdenis van schuld te eischen. Er zijn echter andere gevallen, waarin men den broeder tegen zich ziet zondigen en waarbij de gelegenheid en de christelijke wijsheid niet dulden, de schuld hem aan te wijzen en met hem te bespreken, zoodat het althans voor 's hands bij eene vergeving van die schuld in het hart moet blijven. Van verloochening van eenig beginsel of laagheid door men-schenvrees of behaagzucht is hier dus geene sprake, maar de apostel, die zelf van de stedelijke overheid te Philippi voldoening eischte voor den smaad en het onrecht in hem het Evangelie aangedaan (Hand. 16: 37), wil dat wij noch in alles op ons persoonlijk recht zullen staan, noch ook andersoortig onrecht voortdurend als eene oorzaak van persoonlijke vete zullen laten inwoeke-ren, waarom wij tegenover anderen met bitterheid zouden vervuld zijn of in eene onwelwillende verhouding verkeeren.
In het oog vallend is het, dat de Apostel hier bepaaldelijk het voorbeeld van Christus vergevensgezindheid jegens de Colossers hun voorhoudt, wat niet volkomen hetzelfde is als hetgeen Eph.
7
F. W. MKRENS.
4; 32 voorkomt: .vergeeft elkander, gelijkerwijs ook God in Chr. ulieden vergeven heeftquot;. Daar wordt op de verzoening des men-schen met God door Christus in het algemeen gedoeld. Hier heeft de Apostel, naar het schijnt, meer het oog op de, ware het ook slechts tijdelijke en voorbijgaande, persoonlijke heleedigingen, den Heiland door hen in hun ongeloof en wederstand tegen het Evangelie aangedaan. Hoe menig woord van spotternij of vijandschap, in hunne toch niet schuldelooze onwetendheid tegen den Heiland geuit, was hun vergeven zonder dat deze het met iets anders vergolden had dan met nieuwe bewijzen zijner volhardende liefde, als Hij voortging met onder hen het Evangelie der behoudenis te doen verkondigen, totdat de ijskorst hunuer harten smolt en zij zich gewonnen gaven. Ook Hij was begonnen met âhet kwaad te overwinnen door het goed''. Het is de schoonste zegepraal!
3. Ieder gevoelt echter, dat ons hier een oefenschool van zelfverloochening en voortdurend sterven aan alle valsche eerzucht en op den voorgrond stellen van eigen recht en zin geopend wordt, bij den erkenden tegenstand der nog voortlevende overblijfselen des zondigen wezens en zijner begeerlijkheden, voor den aanvankelijk vernieuwden mensch zelfs zwaar en bang. Wij behoeven niet in voorbeelden aan te wijzen wat ieders ervaring hem zegt omtrent zooveel wat te verdragen en te vergeven valt, en hoe tegenover menige klacht voortdurend zachtmoedigheid en lankmoedigheid, tegenover allerlei moeielijke verhoudingen eene groote mate van barmhartigheid en ootmoedigheid wordt vereischt. Welke zal de kracht zijn, door welke wij in dezen strijd zullen kunnen volharden? Het vele, dat hier is geëischt, heeft in de daad één beginsel, waaruit het voortkomt en dat, waar het leeft en levend gehouden wordt, ook het andere voortbrengt. Het wordt door Paulus (vs. 14) aangegeven op eene wijze, die bij oppervlakkige beschouwing eenige verwondering wekt.
Laat ons aanstonds opmerken, dat hij ook hier bij het beeld der kleeding blijft en dat dus voor het âboven'1 onzer vertaling liever moet gelezen worden âover.quot; Over al die kleedij van ootmoed, zachtmoedigheid en vergevensgezindheid heen, (doet aan) de liefde. Maar ook dan blijft het de vraag, hoe Paulus het zich dan nu heeft voorgesteld. Is dan de liefde het opperkleed, dat gezien wordt, terwijl daaronder de vergevensgezindheid en zachtmoedigheid en verdraagzaamheid en wat verder genoemd wordt, verborgen is? Men gevoelt, zoo geeft het geen goeden zin, maar men zou
8
Ã)K GEESTELIJKE ZIJDE ENZ.
dan veeleer het omgekeerde verwachten, zoodat aan de liefde als het meest principieele de naaste plaats aan den inwendigen mensch gegeven ware. Maar de apostel verklaart zelf zijn beeld door de bijvoeging; ,dewelke (namelijk: de liefde) de band is der volmaaktheid,quot; eene uitdrukking op zicli zelve ook nog niet zoo aanstonds volkomen klaar, maar die ons toch dadelijk aan den bij de kleeding dier dagen veel beteekenenden gordel doet denken, die de kleediugstnkken te zamen bond en deed sluiten.
Reeds de Pythagoraeers noemden de vriendschap âden band aller deugden,quot; (auvSetr/iov Tzavrwv zcuv dpETojv). Wat wil nu de apostel met deze uitdrukking: band der volmaaktheid? Er kunnen bij iemand losse, op zich zelf goede, natuurlijke karaktertrekken bestaan, die in sommige gevallen hunne werking doen gevoelen maar evenwel geen waarborg bieden, dat niet in andere gevallen de verzoeking te sterk zal worden. De natuurlijke deugd des on-herboren menschen begeeft hem als de verzoeking zwaar wordt. De zachtzinnigste mensch kan, getergd wordende, zoo hij niet door hooger beginsel gedreven wordt, zijn geduld verliezen en in het tegendeel uitbreken. Dit hooger beginsel moet de band zijn, die alle genoemde deugden bestendigt, zoodat zij blijvend hare werking uitoefenen zonder te begeven. Maar ook de eéue deugd is geen waarborg voor de andere. De zachtmoedige, die onaangenaamheden vreest, is daarom nog niet waarlijk ootmoedig en vergevensgezind maar kan wel eene groote mate van hooghartigheid bezitten en met bitteren wrok bezield blijven, al valt hij nimmer uit in bittere woorden. De barmhartige, die gul genoeg is, om, waar hij kan, te geven, is daarom nog niet altijd zachtmoedig en ootmoedig maar kan misschien wederkeerig zijne eischen stellen en zich op hetgeen hij is laten voorstaan. Er moet een hooger beginsel zijn dat alle vroeger genoemde deugden gelijkelijk voortbrengt en tot eene eenheid verbindt, zoodat zij een wel sluitend geheel vormen.
Wij meenen daarom de uitdrukking: âband der volkomenheidquot; zoo te moeten verklaren, dat de hier bedoelde band die volkomenheid te weeg hrenyt, (de zoogenaamde genetivns causae). Die band moet dus werkelijk nog bij al het andere bijkomen (in het beeld der kleeding; over al het andere als sluitmiddel worden aangedaan), opdat het blijvend en volledig zij.
Als zoodanige band der deugden wordt dan hier door Paulus de Uefde genoemd. In welken zin? Meent hij nu weder de liefde jegens God, die ons in Christus eerst heeft lief gehad, gelijk die als het be-
9
10 F. W. MERBNS.
ginsel van alle liefdebetoon in den aanvang door hem is ondersteld en aangewezen? Maar hij heeft hier kennelijk het oog op de verhouding tnsschen ons en de voorwerpen onzer liefdezorg. Hij denkt hier aan de ontferming jegens menschen, die van onze wederliefde jegens God de vrucht moet zijn. Hier, waar van onderlinge verhoudingen tusschen menschen gesproken is, kan het enkele woord âliefdequot; (zonder nadere aanduiding van haar voorwerp) dus niet anders dan van liefde tot menschen verklaard worden. Is er dan zachtmoedigheid, barmhartigheid enz. mogelijk zonder liefde ? Reeds merkten wij op, er is eene zachtmoedigheid, die als natuurlijke karaktertrek haren grond kan hebben in vrees en meer zwakheid dan liefde aanduidt. Zoo is ook alle ootmoed en nederigheid nog geene liefde. Er kan bij iemand zekere schuchterheid en vrees bestaan, om op den voorgrond te treden, misschien (maar ook al niet altijd) in verband met eene levendige, op zich zelf beschouwd goede erkenning van eigen geringheid, die nog iets anders is dan liefde, al dringt zij hem, de laagste plaats in te nemen en al maakt zij gewillig om anderen de voeten te wasschen. Er is eene barmhartigheid, die behoefte heeft aan zeker veld tot ontplooiing van de beschikbare krachten tot weldoen, waarbij men meer de voldoening aan zekere neiging om anderen aan zich te verbinden op het oog heeft dan hen zeiven in hunne smart te vertroosten, en die dus ook al weer iets anders is dan liefde. Nu moge men antwoorden, dat dit ook geene ware barmhartigheid is. Het zij zoo; het is evenwel eene soort van barmhartigheid, waarbij zich werkelijk het hart verbreedt, om anderer nood te gedenken, hoewel ook de zelfzucht den diepsten grond daarvan uitmaakt, evenals liet toch nederigheid heeten kan, als men zich uit erkentenis van geringe kracht op den achtergrond houdt, hoewel ook dit met een verborgen wensch des hoogmoeds gepaard kan gaan dat anderen ons juist nu te meer op den voorgrond zullen stellen. Het hart des menschen is arglistiger dan eenig ding en wie zal het kennen?
Hij zal het leeren kennen, die zich in de hier ons door Paulus ontsloten leerschool begeven wil der onderscheiding tusschen deugd en deugd, die het van hem leeren wil dat alle hier genoemde deugden van meerder of minder zelfopoffering nog geene liefde aanwijzen in den waren zin, en dat het op deze boven alles aankomt, op de liefde, door welke men zich zeiven vergeet en alleen aan anderen denkt. Inderdaad het duurt zoo lang, eer het eigen ik niet langer onder alles bij ons inkruipt en het is zoo noodig, vooral
DK GEESTELIJKE ZT.IDE ENZ. 1 1
wanneer ons de menschen over onze liefde prijzen, telkens weder ons zeiven te onderzoeken, hoe het met de zuiverheid onzer liefde jegens menschen staat, die van onze wederliefde jegens God de vrucht zijn moet.
Natuurlijk is hier dan ook eene liefde bedoeld, die allen omvat, met wie wij in aanraking komen. Het is de dya-ij (liefde in het algemeen), niet de tpdaSsktpia (broederzin onder de geloovigen onderling), die hier de band der volkomenheid genoemd wordt. De christelijke ontferming strekt zich niet alleen uit tot de broeders in deu geloove maar tot allen. Evenwel kan toegestemd, dat hier gelijk Eph. 4 ; 2 in de eerste plaats aan der Christenen liefde onder elkander gedacht is, in welke zij ook elkander (zoo goed als allen) achtten en waardeerden als schepselen Gods des hemelschen Vaders, die reeds als zoodanig op hunne toegenegenheid aanspraak hadden, ook afgezien van den nauweren band, die ze onderling door gemeenschappelijk geloof verbond.
Maar ook deze onderlinge band in Christus bracht er het zijne aan toe om hen in staat te stellen onderling en jegens allen vriendelijk en liefderijk gezind te zijn. Immers (vs. 15) spreekt Paulus van den vrede Gods, of gelijk hier schijnt te moeten gelezen worden âvan Christus,quot; die hun deel was, d. i. van het heil, de zaligheid door Christus tewreeg gebracht, en hier naar een gewoon spraakgebruik als vrede voorgesteld, omdat de vrucht daarvan die heilige kalmte is in ons gemoed, welke veroorzaakt is door het bewustzijn van gered en dus veilig te wezen. Hoe denken wij hier niet als van zelf aan de roerende en toch het hart meer dan iets anders stillende afscheidswoorden des Heilands: Vrede laat ik u, mijnen vrede (den âvrede van Christusquot;) geef ik u. Uw harte worde niet ontroerd, noch zij niet versaagd! (Joh. 14:27).
Die vrede (zoo staat er letterlijk bij Paulus) âzij prijsuitdeeler in uwe harten.quot; Het beeld is, gelijk meermalen bij Paulus, ontleend aan den kampstrijd der Grieken, waarin aan het eind de kamprichter den prijs uitdeelde aan den overwinnaar. Het wil dus zeggen: de vrede, door Christus bij u teweeg gebracht, schenke u het bewustzijn uwer zegepraal in uwe harten. Gij zijt, overwinnaar in den grooten strijd tegen wereld, zonde en dood. Laat dit blij en kalm besef u kracht schenken tot elke opoffering en zelf verloochening, die van u gevraagd wordt. Gij zijt overwinnaar en bezitter van den hoogsten prijs. Daarby is al het andere klein. Wat geeft gij er om'^ Is het niet kinderachtig, als de zoodanigen
12 F. W. MERENS.
nog niet weten zich zeiven te verloochenen en gering te schatten, wanneer de strijd eens wat lang duurt of wat heet wordt, waarin onze hoogmoed wordt gekwetst, (wat kan er beter zijn dan juist dit?) en onze eigenzinnigheid en zelfzucht vernederd? Zoowel als de liefde voor auderen moet ook de vrede van Christus, liet blij besef uwer overwinning in en door Hem u daarover heen helpen, en de kracht worden, waardoor gij in den strijd kunt volharden.
Tot dien vrede van Christus, zoo voegt hjj er bij, zijt gij geroepen in één lichaam {i-j év. rrugt;rmri), terwijl gij deel uitmaakt van het ééne lichaam van Christus, d. i. zijne gemeente, die zich niet u daarin beroemt. Eu dan volgt de vermaning, die in onze overzetting luidt; âweest dankbaar.quot; In ieder geval dient hier voor âweest,quot; in de plaats gesteld: , wordt.'' Het volgende woord (etj/a^foror) komt in het Nieuwe Testament nergens elders voor. Bij de klassieke schrijvers vindt men het ook en vooral, gelijk het voorvoegsel (co) reeds doet verwachten, in den zin van: welgemoed, aangenaam gestemd en daardoor vriendelijk, beminnelijk. Beschouwen wij het in verband met het voorafgaande, dan krijgen wij voor ons den indruk, dat de apostel zal bedoeld hebben: wordt welgemoed d. i. wordt door dankbare blijdschap over de geheel eenige beteekenis uwer voorrechten aangenaam en vriendelijk gestemd jegens hen, over wie gij anders reden van klachten zoudt hebben. Zoowel de oorspronkelijke beteekenis van liet gebruikte woord als die van het daarbij gevoegde werkwoord worden komen onzes inziens zoo het best tot haar recht. De apostel gaat dan in dezelfde lijn voort; de erkentenis der onderlinge hooge voorrechten, waaraan zij als leden van Christus lichaam deel hadden, moest de onvriendelijke stemming wegnemen, die anders door menigerlei oorzaak bij hen bestaan kon. Eene opwekking om dankbaar aan God te worden voor de hun bekende voorrechten komt ons daarentegen hier minder natuurlijk-voor.
4. Wel moet intusschen het besef aangaande onze voorrechten voortdurend bij ons verlevendigd worden, zoo wij in den strijd tegen allerlei verkeerde hartstochten zullen kunnen stand houden. Gewis, daar is vooral onder den arbeid der dienende liefde veel dat tot de zondige aarde ons aftrekt, waarop onze voet staat en waardoor die besmet wordt, zoodat wij noodig hebben telkens weder onze eigene voeten te wasschen, terwijl wij het in anderen zin anderen doen. Wie gevoelt niet, tegenover de invloeden des aanstroomenden waters uit de fonteinen Gods de ebbende kracht
DE GEESTEU.ILK ZIJDE ENZ.
der zinnelijke dingen! Wij hebben behoefte aan telkens nieuwe stroomen des levenden waters, en telkens nieuwe teugen uit die bron. Daarom gaat de Apostel voort (vs. 1G); âhet woord van Christus wone rijkelijk in u,quot; vinde voortdurend eene ruime plaats in uwen kring, d. i. dus: doordringe allereerst gausch en al uwe harten. Dat heerlijk Evangelie, door Christus verkondigd en dat tevens Hemzelven tot middelpunt heeft, moet ons hart doordringen. En zoo druk mag het dus ook in een Diakonessenhuis niet zijn, dat er op den duur geen tijd zou overblijven voor bijbelonderzoek en nadenken over hetgeen het woord ons over onze roeping leert en tot toetsing van ons zelven daaraan. Er komen tijden, waarop daarvoor gevaar dreigt, als alles door zich opeenhoopenden arbeid (naar de uitdrukking eener Darmstadter zuster in een brief) in âjachttempoquot; geschieden moet. Dit tempo mag slechts temporeel gevolgd worden en dient getemperd te worden om plaats te maken voor kalmer stemming, opdat men zich zelven niet voorbij loope en het gehalte des werks geene schade lijde, gelijk onfeilbaar geschiedt, waar op den duur de gedachten alleen op het werk en niet naar boven gericht kunnen zijn noch naar binnen, en het woord slechts een karige plaats in het hart zou overhouden, als ware het in een hoek gedrongen.
Er moet ook tijd zijn oin âelkander in alle wijsheid te leeren en te vermanen,quot; natuurlijk uit en naar het woord als de bron dier wijsheid, door de ervaringen des levens in steeds ruimer toepassing begrepen. Zoowel leering tot ontwikkeling des geestelijken verstands als vermaning ter aanwending van het geleerde op het zedelijk bestaan moet uit dat woord voortdurend worden geput. Maar in alle wijsheid d. i. met den rechten tact, om het op de bestaande omstandigheden toe te passen en naar alle behoeften aan te wenden, zoodat het geen dorre schrift- of lettergeleerdheid is, die aan de getuigenis Gods wordt ontleend maar eene theologie op den man af, die hart en conscientie raakt, des noodig het hart doorboort als een tweesnijdend zwaard en de conscientie wakker schudt, waar ze dreigde in te slapen. Onze theologie moet eene anthropologische strekking hebben, onze godgeleerdheid moet de strekking hebben om den mensch zich zelven recht te leeren kennen, opdat de mensch Gods in waarheid van Gods adem bezield (OeoKveoaTog) zij.
En dan komt het bij ons onder die bezieling en beademing Gods tot hetgeen er naar Paulus bij moet: bij de leering en vermaning
13
14 F. W. JIEREiNS.
moet gezongen worden. O, de zang verlevendigt het hart! Het lied kan niet gemist worden. Hoe vele booze geesten vluchten niet voor het lied, dat het hart boven het stof verheft. Wat moet er gezongen worden? ,Psalmenquot; d. i. godsdienstige gezangen, die. zoo als de Psalmen Israels, Gods lof en wat daarmede in betrekking staat, tot onderwerp hebben, en ook, gelijk in de gemeente van Corinthe (zie 1 Cor. 14 : 26) door geestelijk daartoe begaafden nog geïmproviseerd of gedicht worden. Die liederen worden verder nog als lofliederen gekenmerkt, hymnen ter eere Gods gezongen. {Het dubbele en in onze vertaling ontbrak hier waarschijnlijk in den grondtekst). Evenwel niet elke Psalm of lied is in den meest eigenlijken zin een loflied. Er kunnen ook smartkreeten, klaag-toonen, schuldbelijdenissen, gebeden uit de diepte in voorkomen, gelijk wij die uit de Psalmen des O. Verbonds kennen. Het moeten evenwel altijd geesteliike liederen, oden, zijn, die de ziel verheffen boven den kring van het stof. Er zijn Psalmen mogelijk uit de diepte maar zij moeten opzien naar de hoogte.
Immers het moet altijd zijn een zingen ,den Heere,quot; niet om de muziek, die wel middel maar geen einddoel wezen mag. Het moet echter wel een gezang âmet aangenaamheidquot; zijn, liefelijk en welluidend van toon en het onderwerp waardig, maar vooral goed gemeend, een zingen âin het hart,quot; dat wil niet zeggen zonder gebruik van het stemgeluid, maar zoo dat waarlijk het hart mede zingt. Laat ons bij ons zingen aan dit een en ander denken en de beteekenis van zoodanig zingen in onzen redenerenden tijd vol controversen niet voorbij zien. Het behoort mede tot de middelen, waardoor het geestelijk leven moet onderhouden worden, opdat het niet kwijne. De leering en vermaning, uit het woord met alle wijsheid aangebracht, moet als het ware besproeid worden met het geestelijk lied, opdat zij in alle frischheid hare werking bij ons hebben.
Dat het gebed, â de ademtocht des geestelijken levens, â en de gemeenschap des avondmaals hier niet opzettelijk genoemd worden, is zeker niet daaraan toe te schrijven, dat beider hooge waarde door den apostel zou zijn voorbij gezien. Hij spreekt van het gebed in het volgend hoofdstuk (vs. 2) en de avondmaalviering maakte veel te zeer een grondbestanddeel uit der christelijke zamen-komsten, dan dat de verzwijging hiervan tot zoodanige meening aanleiding had kunnen geven. Dit zwijgen bewijst omgekeerd veeleer hoe noodeloos het toen was, daarover in dit verband op-
DK GEESTELIJKE ZIJDE ENZ.
zettelljk te spreken en dient te gelijk ter onzer eigene beschaming opgemerkt, in zoover wij, deze ,plechtigheidquot; in een nymbus van gewaande heiligheid als verbergende, daardoor maar al te zeer toonen in den regel beneden den trap van geestelijke wijding te leven, die men te recht gevoelt dat bij die verkondiging van des Heeren dood voegt, maar die niet bereikt wordt, door uit gebrek aan die wijding zich daarvan te onthouden, maar door zich rekenschap te geven van de heilige beteekenis onzer voorrechten en in die erkentenis ten avondmaal te komen en telkens weder te komen, opdat alzoo met het geestelijk leven ook die gewijde stemming gevoed worde, welke daaraan past.
5. Eu dit brengt ons van zelf tot het slotwoord van 's apostels vermaning. Over geheel den arbeid der dienende liefde moet, gelijk over geheel het Christelijk leven, die eigenaardige wijding liggen, welke de vrucht is van nauwe gemeenschap met den Heer. âAl wat gij doet met woorden of met werken,quot; â want ook woorden zijn daden â en â vergete het niemand â van elk ijdel woord zullen wij rekenschap geven, â âdoet het alles in den naam des Heeren Jezus.quot; (vs. 17).
15
Bij deze uitdrukking voelen wij westerlingen niet dadelijk wat zij in den mond eens oosterlings beteekent. Wij moeten er ons aan gewennen, ook in dezen het bijbelsch spraakgebruik te verstaan. Het beteekent niet: op last of bevel van iemand {uit naam van iemand)'). Iemands naam kenmerkt zijn eigenaardig wezen of persoonlijkheid, â dat wat hem van ieder ander onderscheidt. In iemands naam iets te doen, is dus het te doen als of hij zelf het deed, zoodat wij ons daarbij als het ware in zijne persoonlijkheid verplaatsen en het doen in zijn geest, in zijn kracht, in en door zijne gemeenschap, die tot zoodanig handelen beslist noodzakelijke voorwaarde is. Het is dus nog iets meer dan alleen naar zijn voorbeeld. Immers deze opvatting miskent de nauwe aanraking tusschen ons en hem, in wiens naam wij handelen en door wiens adem wij daarbij moeten bezield wezen, zoodat het niet maar een uitwendig nadoen of naspreken is, maar vrucht van zijn invloed, die ons als van zelf dringt om ook zoo te spreken en te handelen. Het moet één geest zijn, die hem en ons bezielt maar
i) Zie slechts Mt. 10 : 41, Mr. 9 ; 4-1, welke laatste plaats tevens de verklaring-der uitdrukking reeds eenigszins bevat: iemand te ontvangen in Jezus naam, is, hem op te nemen zoo als deze het doen zou, om zijne betrekking tot Hem.
râ
16
F. W. MEKENS.
omdat die van hem in ons uitgaat. Wat in Hem waarachtig is, dat zij liet ook in u, schrijft Johannes in zijn brief met het oog op den eenen Waarachtige, die boven allen is. Dan spreken en handelen wij in zijnen naam. En dan ligt ook over ons spreken en handelen dezelfde goddelijke wijding, die wij in Hem waarnemen.
Dan zullen wij ook bij alles eindigen in âdankzegging Gode.quot; die ook onze âVaderquot; is, maar altijd weder âdoor Hem,quot; den Heiland als onzen middelaar, die de betrekking tnsschen ons en den Vader onderhoudt. Alles moet eindigen in Hem, die de oorsprong van alles is, uit wien, door wien, en tot wien alle dingen zijn. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid voor den uitnemenden rijkdom zijner genade! Onze arbeid, in het bijzonder die der dienende liefde, moet een voortdurend dankoffer zijn, welks liefelijke geur opstijgt tot des Vaders troon, maar waarvan dat wat er geinen leven aan bijzet, de vrucht is van het werk des Zoons in onze harten, zoodat de Vader (om het beeld voort te zetten) iu die geuren de ademtochten speurt van den geest des Zoons, in wiens naam onze arbeid geschiedt. Zoo ontvangt de Vader terug, wat Hij in den Zoon ons gaf, maar omgezet in vruchten van het leven der nieuwe menschheid, door Christus geboren. Het zijn de ademtochten des levens van Christus, zijnen geloovigen ingestort, die thans weer opstijgen, den Vader tot heerlijkheid, door den Zoon, die de middelaar is dezer nieuwe schepping!
Wordt onze arbeid steeds zoo door ons opgevat? Doen wij al wat wij doen met woorden of met werken in den naam van Christus, in zijnen geest en in zijne kracht, door onze gemeenschap met Hem? Doen of zeggen wij niets in weerwil van â in tegenspraak met deze onze gemeenschap aan Hem ? Ontbreekt het ons nimmer aan die heilige wijding, die over al onze woorden en werken verspreid moet liggen ? Behoeven wij in het geheel niet te vragen naar de echtheid onzer gemeenschap met Hem? â Zoo niet, hoe staat het dan met den wasdom onzes geloofslevens? met de liefde, die er de vrucht van zijn moet, met de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, die nog iets anders zijn dan tijdelijke, uiterlijke aandoeningen, â en met wat hier verder genoemd werd? Leeft de vrede van Christus zoo in ons, dat wij de overtuiging in ons omdragen onzer zegepraal en alzoo moed ontvangen in den strijd? Woont het woord Gods rijkelijk in ons, en laten wij ons voort-
17
durend daardoor leeren en vermanen in alle wijsheid ? Wordt ook het godepfewijd lied niet vergeten? Zie, dit alles moet er toe hij-dragen om ons die innerlijke wijding en zalving aan te brengen, door welke wij niet verlegen behoeven te staan bij de Catechismusvraag uit den 12en Zondag: âwaarom wordt gij een Christen genaamd?quot; noch bij het antwoord: âomdat ik zijner zalving deelachtig ben en mij zeiven tot een levend dankoffer Hem offere.quot; Daaraan moet vooral in dezen zoo diep ernstigen tijd de wereld bekennen, dat het Christendom geene fictie, geene uitvinding van menschelijke wijsheid is. Zij moet in ons zien gezalfden met een anderen geest dan die in haar zelve is, en zij moet niet kunnen zeggen van de Christenen: .zij doen alles gelijk wijvooral niet: âzij twisten onder elkander nog erger dan wij.''
Maar het moet vooral eene geestelijke, innerlijke wijding zijn, die uit onzen arbeid spreekt, geen uiterlijk gewaad van vrome woorden of doode vormen. Deze wijding moet blijken uit onze toewijdinq aan den arbeid. Het moet blijken, dat wij de dingen anders en beter kunnen doen dan bloote loondienaars, omdat wij door edeler, hooger motiven gedreven worden, ook niet maar door eene valsche eerzucht, die het om een grooten naam te doen is, maar ons de handen in den schoot doet leggen, als er geene eer met het werk te behalen is, maar door de liefde, die ons liet kleinste niet te gering doet achten zoo min als het zwaarste te moeielijk, in den geest van Hem, die een oog had zoowel voor de tranen eener weduwe als voor den nood van geheel zijn volk, die Hem zei ven tranen ontlokte.
Tot zoodanig een arbeid willen wij de handen moedig ia één slaan, het oog op het woord, â naar binnen en op den Heer, â en onderling één in Hem, als die hetzelfde wit bedoelen Hij zelf, die zijne knechten en maagden in dezen arbeid stelde, of op eeni-gerlei wijze daaraan verbond, zie voortdurend met het oog zijner ontferming op ons neder om ons daartoe te sterken en te schragen en zalve ons met zijnen Heiligen Geest!