daar.
Per.
VWcf64
^oiheak
......
IMPRIMATUR.
Rnraemiindae, IS Novembris 1898.
Dr. P. Mannens, Librorum Censor.
INLEIDING.
Wat was uwe ziel schoon, mijn kind, toen gij het H. Doopsel ontvangen hadt! schoon was zij als een engel des hemels ! Maar door de zonde hebt gij ze bevlekt. Zoudt gij uwe ziel niet willen was-schen en zuiveren? Een kleed wordt gewasschen in water; uwe ziel wordt gewasschen en gezuiverd in het sacrament der biecht. Als gij een goede biecht spreekt, mijn kind, dan worden uw zonden vergeven, en wordt uw ziel weer schoon als een engel des hemels. O! welk een groot geluk is het voor ons menschen, dat Christus het sacrament der biecht heeft ingesteld! Wees dus blijde dat gij biechten moogt; biecht altijd gaarne en bereid u rjoed voor, om het sacrament der biecht zoo waardig mogelijk te ontvangen.
-V. -
â 4 â
Wat moet men doen om goed te biechten ?
In den catechismus, mijn kind, staan vijf puntjes, die men moet in acht nemen, als men gaat biechten. Men moet: . 1°. Den II. Geest bidden om zijne genade.
Als gij gaat biechten, moet gij beginnen met eens goed te bidden. Waarom dat? Omdat gij, om goed te biechten, Gods hulp en genade noodig hebt. Hoe zult gij die genade van God verkrijgen? Wat doet de arme als hij brood noodig heeft? Hij gaat naar den rijke en vraagt het. Zoo moet ook gij, dooreen aandachtig gebed, van God de genade vragen, die gij noodig hebt om goed te biechten. Gij vindt in dit boekje een schoon voorbereidingsgebed; bid dat gebedje met vertrouwen en aandacht, als gij gaat biechten. Gij kunt echter ook andere gebeden verrichten b. v. eenige weesgegroetjes ter eere van de Moeder Gods. Als gij op den dag van biechten de H. Mis hoort, offer dan die H. Mis aan God op, om de genade teverkrijgen eene goede biecht te spreken.
II0. Naarstig zijn geweten onderzoeken.
Als gij gaat biechten, dan moet gij uw geweten onderzoeken d. w. z. gij moet eens nadenken over de zonden, die gij bedreven hebt, sedert de laatste goede biecht. Gij moet uw geweten naarstig onderzoeken d. w. z. gij moet ernstig, zorgvuldig nadenken over de bedreven zonden; want, indien men door groote nalatigheid in het gewetensonderzoek doodzonde vergeet te biechten, dan is de biecht ongeldig.
Gij moet, mijn kind, uw geweten ernstig maar niet angstvallig onderzoeken. Er zijn soms menschen, die hun geweten heel goed onderzocht hebben en toch altijd vreezen, dat ze nog iets mochten vergeten zijn. Zoo angstvallig moogt gij niet wezen, mijn kind. Onze Lieve Heer wil dat niet hebben. Als gij, na uw geweten ernstig onderzocht te hebben, de eene of andere zonde mocht vergeten zijn. dan is de biecht toch goed en ook de vergeten zonde wordt vergeven.
Gij moet, mijn kind, uw geweten ernstig onderzoeken maar niet lichtzinnig en oppervlakkig. Er zijn soms menschen. die veel zonden gedaan hebben en toch, om hun geweten te onderzoeken, denken zij slechts eenige oogenblikken na; wat zij zich nu toevallig herinneren.
dat biechten ze en zoo gebeurt het, dat ze allicht door eigen schuld zware zonden vergeten. Zooals die menschen het doen, moogt gij het ook niet doen, mijn kind. Onderzoek uw geweten ernstig maar niet angstvallig en ook niet lichtzinnig cn oppervlakkig
III. Goed berouw verwekken eu vast voornemen maken.
Het berouw is een leedwezen (droefenis) des harten, waardoor men zijne zonden verfoeit, met het vaste voornemen zijn leven te beteren. Gij hebt wel eens gehoord van den apostel Petrus. Petrus had den Heiland driemaal verloochend en daardoor zwaar gezondigd. Maar hij heeft over zijne zonden ook een goed berouw gehad. Toen hij inzag, hoe zwaar hij gezondigd had, begon hij bitter te weenen; hij was bedroefd omdat hij zonde gedaan had; het deed hem in zijn hart leed, gezondigd te hebben ; hij verfoeide zijne zonden, hij had er afschuw van ; hij wensch te van harte, de zonde niet gedaan te hebben. Petrus had ook het vaste voornemen zijn leven te beteren ; hij was vast besloten geen zonde meer te doen. Als iemand hem zou gevraagd hebben: Petrus, zult gij nog zonde doen ? dan
zou hij zeker geantwoord hebben: neen, liever wil ik sterven, dan nogmaals zonde doen. Zie, mijn kind. Petrus had berouw over zijne zonden ; hij had een goed berouw en daarom heeft Onze Lieve Heer hem de zonde vergeven. Ook gij, mijn kind, als gij gaat biechten, moet berouw hebben over uw zonden; gij moet een cjoed berouw hebben.
En hoe moet een goed berouw zijn? Het moet zijn 1° hovennatuurlijh; 2quot; bovenal; 3° algemeen; 4° oprecht.
1°. Uw berouw moet dus zijn bovennatuurlijk, d. w. z. gij moet uw zonden verfoeien niet alleen om eenig tijdelijk nadeel, maar uit een beweegreden, die het geloof ons leert.
Antiochus was een booze koning; hij had veel zonden gedaan. Hij werd aangegrepen door eene vreeselijke ziekte en toen deed het hem leed gezondigd te hebben. Maar waarom deed het hem leed? Het deed hem leed, niet omdat hij door de zonde God beleedigd had, maar enkel en alleen, omdat hij ziek geworden was.
Een dief was in de gevangenis gekomen, omdat hij gestolen had; nu deed het hem leed gestolen te hebben, enkel en alleen, omdat hij in de gevangenis
gekomen was. Het berouw van koning Antiochus, zoowel als dat van den dief was een natuurlijk berouw, en zulk een berouw is niet voldoende om vergiffenis der zonde te verkrijgen, want het berouw moet zijn bovennatuurlijk.
Petrus was bedroefd, het deed hem leed gezondigd te hebben. Waarom? Omdat hij door de zonde Gods rechtvaardige straften verdiend had en vooral, omdat hij door de zonde den goeden God beleedigd had. Zie, dat was een bovennatuurlijk berouw. Zoo is ook uw berouw bovennatuurlijk, als de zonden u leed zijn, omdat gij God beleedigd hebt, of omdat gij de hel of het vagevuur verdiend hebt, of omdat gij het recht op den Hemel verloren of uit eene andere beweegreden, die het geloof ons leert.
2'. Het berouw moet zijn bovenal, d.w.z. gij moet de zonde meer verfoeien dan elk ander kwaad.
Petrus verfoeide de zonde meer dan elk ander kwaad. Op bevel van een heidensch keizer is hij gekruisigd geworden, omdat hij een leerling was van Jesus Christus. Hij heeft zich liever 1 aten kruisigen dan God nog door eene doodzonde te beleedigen. Zoo verfoeide
â 9 â
Petrus de zonde meer dan elk ander kwaad, meer zelfs dan den smartelijken kruisdood.
Zoo moet ook gij mijn kind, de zonde meer verfoeien dan elk ander kwaad; gij moet ze verafschuwen als het grootste onheil en liever willen sterven dan eene doodzonde te begaan.
3°. Uw berouw moet zijn algemeen, (1 w.z. gij moet berouw hebben over ten minste alle doodzonden, die gij ongelukkig mocht begaan hebben. Petrus had verscheidene zware zonden begaan ; hij heeft ook berouw gehad over al die zonden.
Zoo moet ook gij, mijn kind, berouw hebben over ienmu^ie alle doodzonden. Wat baat het een mensch, die drie doodelijke wonden heeft, als hij maar van twee genezen wordt. Dan sterft hij immers toch aan de derde. Zoo baat het ook u niet, berouw te hebben over de eene of andere zonde, als gij niet berouw hebt over tenminste alle doodzonden. Is het berouw niet algemeen, dan wordt geene enkele zonde vergeven ; want dan is de biecht ongeldig.
Niet streng noodig, maar toch nuttig en heilzaam is het, ook berouw te hebben over de dagelijksche zonden. Daar
â 10 â
zijn veel brave kinderen, die nooit doodzonde gedaan hebben. Die moeten berouw hebben over tenminste een da-gelijksche zonde en over alle zonden van dezelfde soort; b. v. over al hun leugens of over al hun ongehoorzaamheden of over eene andere soort van dagelij ksche zonde. Beter is het natuurlijk, dat zij berouw hebben over alle hun dagelijksche zonden.
Zorg, mijn kind, berouw te hebben over ten minste alle doodzonden, die gij misschien mocht bedreven hebben; want anders ware de biecht ongeldig. Tracht ook berouw te hebben over alle dagelijksche zonden, opdat oök die u vergeven worden.
De drie eigenschappen van het berouw, over welke ik tot nu toe heb gesproken, zijn van zelf opgesloten inde akte van berouw, die gij in den catechismus geleerd hebt. Ais gij die akte bidt, dan is uw berouw bovennatuurlijk, bovenal en algemeen. Er is evenwel nog eene andere eigenschap, die uw berouw hebben moet, om een goed berouw te zijn, het moet namelijk
4°. oprecht zijn d. w. z. gij moet de zonde niet alleen met den mond, maar ook met het hart verfoeien. Het berouw
â li-
is immers een leedwezen des harten, een droefenis der ziel.
Petrus had een oprecht berouw; hij was over zijne zonden bedroefd in het hart, zóó bedroefd, dat bij de droefenis in zijn hart voelde en tranen van droefenis weende.
Om een goed, oprecht berouw te hebben, mijn kind, is het zeker niet noodig, dat gij, evenals Petrus, tranen van leedwezen weent; is 't zelfs niet noodig, dat gij, evenals hij het berouw in uw hart voelt. Het is evenwel niet voldoende, de akte van berouw enkel en alleen met den mond te bidden. Om een oprecht berouw te hebben, is het noodig, dat gij de zonde niet alleen met den mond, maar ook met hel hart verfoeit. Als gij met den mond zegt: âde zonden zijn mij leed,quot; dan moet het u in het hart zoo gemeend zijn.
Het berouw, mijn kind, \a allernoodzakelijkst, om vergiffenis der zonde te verkrijgen Zonder berouw geen vergiffenis. Zoo noodig als de oogen zijn om te zien, zoo noodig is het herouw om vergiffenis der zonde te krijgen. God heeft Petrus zijn zonden vergeven, omdat hij een goed berouw had; Judas heeft Hij ze niet vergeven, omdat deze
â 12 â
geen goed berouw had. Zoo zeker als het is, dat God den rouwmoedigen zondaar vergiffenis schenkt, zoo zeker is het ook, dat Hij den zondaar, die geen goed berouw heeft, de zonden niet vergeeft.
* *
Hoe zult cjc u met Gods genade tot een goed berouw opwekken? Er zijn menschen, die zich op een zeer lichtzinnige wijze tot de biecht voorbereiden. Zij denken eenige oogenblikken na over de zonden, die zij bedreven hebben, bidden gauw akte van berouw en gaan in den biechtstoel. Zoo lichtzinnig moogt gij het niet doen, mijn kind. Er zijn andere menschen, die wel lang, zelfs al te lang hun geweten onderzoeken; maar als het er op aankomt, een goed berouw te verwekken, dan bidden ze gauw de akte van berouw en gaan biechten. Zoo behoort gij het ook niet te doen.
Wat zult gij dan doen om een goed berouw in u op te luekken ? Het zal u gemakkelijk zijn, mijn kind, een goed berouw in u op te wekken, als gij eens goed tot Onzen Lieven Heer bidt, dat Hij u helpe met zijne genade; â als gij overdenkt en overweegt:
1°. Dat gij door de zonde het recht op
den Hemel verloren en de straffen der hel pf van het vagevuur verdiend hebt.
2°.' Dat gij door de zonde God, uw grootsten weldoener, uw liefdevollen Vader, beleedigd hebt.
3°. Dat gij door de zonde uwen lieven Jesus, die voor u aan het kruis gestorven is, ondankbaar geweest zijt.
Tot een goed berouw behoort ook het vaste voornemen zijn leven te beteren. Wat een vast voornemen is, zal ik u door een voorbeeldje duidelijk maken. Een kind was zijn ouders dikwijls ongehoorzaam geweest. Toen het erkend had hoeveel droefheid het hun veroorzaakte, deed het hem leed zoo ongehoorzaam geweest te zijn. Het ging naar moeder en zeide: lieve moeder, van nu af aan zal ik u niet meer bedroeven â¢. ik wil nu een gehoorzaam kind zijn. Kind, zoo vroeg moeder, is 't u van harte gemeend, wat ge daar zegt. Ja, moeder, zoo antwoordde het kind : dat is mij van harte gemeend. Zie, dat kind had het vaste voornemen, niet meer ongehoorzaam te zijn.
Zoo moet ook gij, als gij gaat biechten, het vaste voornemen, den ernstigen wil hebben om uw leven te beteren, d. w. z. gij moet vast besloten zijn ten
â H â
minste alle doodzonden te mijden en de middelen aan te wenden, die ter vermijding der doodzonde noodzakelijk zijn. Ook moet gij vast besloten zijn de naaste gelegenheid van zonde te vluchten.
Petrus had een goed berouw en een vast voornemen, om zijn leven te beteren. Hij was vast besloten, geen doodzonde meer te doen. Als iemand hem gevraagd had: Petrus, zult ge nog zonde doen ? dan zou hij zeker geantwoord hebben : dat zij verre van mij! neen, duizendmaal neen! ik wil en ik zal geen doodzonde meer doen; al moest ik den dood sterven. Zoo moet ook gij, mijn kind, vast besloten zijn, geen doodzonde meer te doen, en liever den dood willen sterven, dan God nogmaals door eene doodzonde te vergrammen.
Petrus was ook vast besloten de noo-dige middelen aan te wenden. Een der noodzakelijkste middelen om de zonde le vermijden is het vluchten der naaste gelegenheid. Petrus had zwaar gezondigd, doordat hij zich in een gevaarlijk gezelschap, dus in een naaste gelegenheid van zonde begeven had. Wat deed hij nu ? Hij vluchtte de naaste gelegenheid, hij ging weg uit dat gevaarlijk gezelschap. Zoo moet ook gij,
mijn kind, vast besloten zijn de naaste gelegenheid van zonde te vluchten.
In de akte van berouw bidt gij : Ik maak het vaste voornemen, voortaan niet meer te zondigen, alle gelegenheid van zonde te schuwen (mijden) onliever te sterven, dan U. (mijn God) nog te vergrammen. Als ge die woorden nu met den mond uitspreekt en ze u in het hart gemeend zijn, dan hebt gij het vaste voornemen uw leven te beteren.
Als gij veel van Onzen Lieven Heer houdt â en dat doet gij zeker â dan zult gij het vaste voornemen maken, niet alleen alle doodzonden, maar ook al\e dactelijksche zonden naar beste krachten te mijden. Immers de dagelijksche zonde is ook eene beleediging van God, en na de doodzonde is zij het grootste onheil, dat een mensch overkomen kan.
Petrus heeft zijn vast voornemen, zijn leven te beteren, goed gehouden. Hij heeft zijn Heiland nooit weer verloochend, en zich liever laten kruisigen, dan nog doodzonde te doen. Ook heeft hij uit liefde tot Jesus alle dagelijksche zonden zorgvuldig vermeden. Volg zijn voorbeeld na, mijn kind. Houd ook gij trouw uw vast voornemen. Doe nooit of nimmer doodzonde; â mijd ook zorg-
â 16 â
vuldig de dagelijksche zonden, uit liefde tot den lieven Jesus, die u zoozeer bemind heeft.
Mocht gij vroeger eigenzinnig en ongehoorzaam geweest zijn, wees van nu af volgzaam en gehoorzaam; â waart ge lui en traag, wees nu vlijtig en arbeidzaam ; â waart ge in de kerk oneerbiedig, wees er nu aandachtig en ingetogen ; â toondet gij u vroeger opvliegend en toornig, wees thans zachtmoedig van harte; â hebt ge vroeger soms gelogen en kleine zaken weggenomen, lieg van nu af nooit weer en neem nooit weer iets weg.
Gelukkig zijt gij, mijn kind, als gij er naar streeft, eiken dag braver en deugdzamer te worden; gelukkig, als gij met de jaren toeneemt aan wijsheid en genade bij God en de menschen. Dan zijt gij een lieveling van Jesusen eens ontvangt gij eene heerlijke kroon in den schoonen hemel.
IV. Zijne zonden biechten. Toen Christus het Sacrament der biecht instelde, heeft Hij bevolen, dat men zijne zonden moet biechten, om er vergifienis van te verkrijgen. Geen Paus of Bisschop, maar Christus heeft geboden, de zonden te biechten. Het gebod de zon-
â 17 â
den te biechten is dus niet een gebod der Kerk, maar een gebod van God.
Welke zonden moet men biechten ? Men moet biechten alle doodzonden, die na het doopsel bedreven zijn en die men nog niet goed gebiecht heeft.
Men moet de doodzonden biechten met getal, d. w. z. men moet aangeven, hoe dikwijls men ze gedaan heeft. Weet men het juiste getal, dan moet men het juiste getal zeggen, b v.: weet men, dat men een doodzonde driemaal gedaan heeft, dan moet men biechten; ik heb die zonde driemaal gedaan. Als men het juiste getal niet weet, dan zegt men het naaste getal en voegt er bij : min of meer; b. v. als iemand niet weet, of hij eene doodzonde 3â4 of 5 maal gedaan heeft, dan kan bij biechten: ik heb die zonde min of meer viermaal gedaan; of ook kan hij zeggen ; ik heb die zonde ongeveer viermaal gedaan.
Men moet ook de omstandigheden biechten, welke de boosheid en de soort der zonde merkelijk veranderen.
Er zijn omstandigheden, welke aan de zonde niets veranderen. Of een diefstal gepleegd is des morgens of des avonds, is een omstandigheid, die aan de zonde niets verandert: zij maakt den diefstal
â 18 â
niet grooter of kleiner. Omstandigheden, ^ die aan de zonde niets veranderen, behoeft men niet te biechten.
Er zijn omstandigheden, die de zonde op geringe wijze veranderen ; b. v. als iemand heeft gelogen en door die leugen een geringe schade heeft aangericht. Ook die omstandigheden behoeft men niet te biechten.
Er zijn omstandigheden, welke de zonde merkelijk, grootelijks veranderen (veel grooter of veel kleiner maken').
Deze omstandigheden moet men biechten, b. v.: Heeft iemand gelogen en door zijn leugen groote schade aangericht, dan moet hij de omstandigheid, dat hij groote schade heeft aangericht, biechten. Heeft iemand in de kerk gestolen,
dan is het niet genoeg te zeggen : ik heb gestolen, maar hij moet er bijvoe- M gen, dat hij in een kerk gestolen heeft.
Biecht iemand: ik heb onzuivere gedachten gehad, dan moet hij er bij voegen of hij die onzuivere gedachten vrijwillig gehad, of getracht heeft ze te verwerpen. Heeft iemand bij vergissing of omdat hij ziek was op Vrijdag vleesch gegeten, dan behoeft hij eigenlijk niet te biechten, dat hij toen vleesch gegeten heeft. Biecht hij het toch, dan moet
â 19 â
hij er bijvoegen, dat hij het bij vergissing of omdat hij was heeft gedaan. Heeft iemand, omdat hij door cenc ge-xoichtige reden verhinderd was, op Zondag de H. Mis verzuimd, dan heeft hij eigenlijk niet noodig, dat verzuim te biechten. Doet hij het toch, dan moet hij er bijvoegen, dat hij om eene gewichtige reden verhinderd was, de H. Mis te hooren.
Mijn kind, het is niet altijd gemakkelijk te onderscheiden, of eene omstandigheid de zonde merkelijk verandert; daarom biecht de omstandigheden,welke u geivichtig toeschijnen.
Men is niet verplicht de dagelijksche zonden te biechten. Toch is het goed en voordeelig en daarom raadzaam zulks te doen, want de biecht is een gemakkelijk middel, om er vergiffenis van te verkrijgen.
i;. *
Is de biecht geldig oj ongeldig, als men een zonde uitgelaten heeft?
1». Als men een zonde, al was het ook een doodzonde, zonder zijn schuld in de biecht vergeten is, dan is de biecht toch geldig, en de vergeten doodzonde wordt met de anderen vergeven.
Iemand heeft b.v. zijn geweten erns-
â 20 â
lig onderzocht en alle zonden gebiecht, ^ die hij zich herinnerde; maar na de biecht valt hem in, dat hij deze of gene zware zonde toch nog vergeten is. Een ander heeft bij het gewetensonderzoek aan zijn zonde gedacht, maar in den biechtstoel vergeten ze te zeggen. Na k de biecht valt het hem in en hij zegt bij zich zeiven: nu ben ik die zonde toch nog vergeten. In beide gevallen is de zonde zonder schuld vergeten. De i biecht is dus goed; alle zonden, ook de vergeten doodzonde, zijn vergeven.
Wat moet evenwel zulk een mensch later doen? Hij moet in de eerstvol- v
gende biecht de vergeten doodzonde j.
biechten
2°. Als men een doodzonde door eigen schuld verzwegen heeft, dan is de biecht ongeldig en geen enkele zonde verge- i» ven. Wat meer is, men heeft nog een nieuwe doodzonde van heiligschennis begaan, omdat men een heilig Sacrament onwaardig ontvangen heeft. h
Wat moet echter iemand, die eene doodzonde door eigen schuld verzwegen heeft, later doen?
In de eerstvolgende biecht moet hij biechten: y
de verzwegen doodzonde.
â 21 â
de doodzonden, die hij in de ongeldige biecht reeds gebiecht had,
de doodzonden, die hij sedert dien tijd nog heeft begaan, in één woord, hij moet biechten alle doodzonden, gedaan sedert de laatste c/oede biecht.
3°. Als iemand dagelijksche zonden vergeten of verzwegen heeft, dan is zijn biecht toch geldig, want men is niet verplicht, de dagelijksche zonden te biechten.
Mijn kind, verzwijg toch nooii of mw-mer een doodzonde. Wat zou de duivel lachen als hij u daartoe brengen kon. Allicht fluistert hij u toe: hoe durft gij die zonde biechten? schaamt gij u niet ? Luister niet naar de verleidende stem van den boozen vijand, mijn kind. ?t Is wel een schande de zonde te doen, maar geen schande ze te biechten.
Petrus deed slecht, den Heiland te verloochenen, maar het zal hem in alle eeuwigheid tot eer strekken, door een stroom van tranen zijn zonden beleden te hebben. Nog fluistert u de booze vijand wellicht toe; wat zal de biechtvader denken, als gij de zonde biecht ? Wat de biechtvader denken zal? Hij zal denken; dat kind wil weer goed maken, wat het verkeerd gedaan heeft.
â 22 â
Hij zal zich verblijden en verheugen, ti de zonden te kunnen vergeven, en hij zal ii niet minder achten en liefhebben.
Mijn kind, als het u hard valt, de zonden te biechten, bedenk dan 1° dat de priester in den biechtstoel genoemd wordt biechtertrfer. J a als een vader zal hij u met liefde opnemen, met goedheid aanhooren en met blijdschap de zonden vergeven. Bedenk 2° dat de biechtvader tot eeuwig stilzwijgen verplicht is. Wat gij hem zegt, neemt hij met zich in 't graf en liever zal hij, evenals de H. Joannes Nepomucenns, den dood sterven, dan de minste zonde, die gij hem gebiecht hebt, bekend te maken.
Denk verder mijn kind: Als ik een doodzonde verzwijg, dan is mijne biecht ongeldig â geen enkele mijner zonden vergeven â nog eene nieuwe zware zonde van heiligschennis begaan. Het ware mij duizendmaal beter niet te biechten dan slecht te biechten. Als ik een doodzonde verzwijg, dan zal ik mij na de biecht ongelukkig gevoelen; andere kinderen, die goed gebiecht hebben , zullen blijde en tevreden zijn en ik zal bedroefd en ongerust zijn , omdat ik slecht gebiecht heb. Als ik
- 23 â
een doodzonde verzwijg, dan moet ik eeuwig branden in de hel en ten jong-sten dage zal die verzwegen zonde, tot mijn grootste schande, aan alle men-schen bekend gemaakt worden.
0! hoe menige ziel is thans in de hel, in het eeuwige vuur, in de eeuwige smarten, omdat zij hier op aarde doodzonde verzwegen heeft.
Verzwijg toch nooit of nimmer een doodzonde, mijn kind. Mocht do booze vijand u ooit daartoe willen verleiden, denk dan na over hetgeen, ik u zooeven gezegd heb en bid eenige weesgegroetjes ter eere van uwe goede Moeder Maria. Zij zal u helpen, de zonden oprecht te biechten.
Wanneer gij uwe zonden biecht, spreek dan zacht, maar toch zoo duidelijk, dat de biechtvader u kan verstaan. Hoort gij toevallig iets uit de biecht van een ander, dan zijt gij streng verplicht, het gehoorde geheim te houden. Luister opmerkzaam naar de vermaningen van den biechtvader en neem ze ter harte; antwoord ootmoedig op zijn vragen. Spreek niet met andere kinderen over hetgeen de biechtvader ü gezegd of gevraagd heeft, maar bewaar dat voor u alleen.
â 24 â
V. Zijn peiiitpiitio volbrengen. De
penitentie is het een of ander goed werk b. v. een gebed, door den biechtvader aan het biechtkind opgelegd, tot verbetering van het leven en tot afboeting der tijdelijke zon den straffen. Verricht uw penitentie aandachtig en wel als '
het eenigszins mogelijk is, dadelijk na de biecht, voordat gij de kerk verlaat.
I. Voorbereidingsgebed. ^
O mijn God, ik wil thans het heilig Sacrament der biecht ontvangen; help mij met uwe genade om goed te biechten. Kom heilige Geest, laat mij erkennen, hoe dikwijls en hoe zwaar ik gezondigd heb; geef mij een waar berouw over mijne zonden en een vast voornemen mijn leven te beteren; sta mij bij, dat ik oprecht biechte en niets | verzwijge, wat ik biechten moet.
Maria, mijne Moeder, bid voor mij ; H. Engelbewaarder, bid ook gij voor mij, opdat ik een goede biecht moge spreken. Amen.
II. (Gewetensonderzoek.
Vraag u af: wanneer heb ik den laat-sten keer gebiecht?
Heb ik in mijn vorige biecht geen K' doodzonde verzwegen?
â 25 -
Heb ik mijn penitentie verricht?
De meeste der hierna genoemde zonden zijn hij kinderen gewoonlijk slechts dage-lijksche zonden. Wat op bijzondere wijze gedrukt is, kan al licht doodwonde zijn. Onderzoek nu uw geweten ernstig, vooral over de doodzonden, die gij misschien mocht gedaan hebben, maar denk ook ernstig na over de bedreven dagelijksche zonden.
lste gebod.
Heb ib mijn dagelijksche gebeden dikwijls verzuimd ?
Heb ik mijn gebeden zonder aandacht verricht?
Heb ik mijnen catechismus ook geleerd?
Heb ik misschien zonder voldoende reden den catechismus verzuimd ?
Ben ik hoovaaardig geweest?
2de gebod.
Heb ik den naam van God, den naam van Jesus of andere heilige namen lichtzinnig en oneerbiedig uitgesproken ?
Heb ik vloekwoorden gezegd?
Heb ik lichtzinnig zonder goede reden gezworen?
3'ie gebod.
Heh ik op Zondag of een geboden feestdag door eigen schuld de H. Mis verzuimd?
Ben ik door mijn schuld, op Zondag of geboden feestdag te laat in de H. Mis gekomen ? Ben ik veel te laat gekomen ?
Heb ik mij in de kerk oneerbiedig gedragen ? (gepraat, gelacben, gespeeld rond gekeken).
Heb ik op Zondag of geboden feestdag, zonder noodzakelijkheid, slaafschen arbeid verricht?
4dl' gebod.
Ben ik jegens mijn ouders en oversten ongehoorzaam geweest ?
Heb ik ze bedroefd ?
Heb ik hun schimpnamen gegeven?
Heb ik hun kwaad toegewenscht ?
Heb ik mij verzet, wanneer ze mij straften ?
Heb ik voor hen langen tijd niet gebeden ?
Ben ik in de school ongehoorzaam geweest ?
Heh ik tegen het gebod der Kerk op verboden dagen vleesch gegeten?
â 27 â
5de gebod.
Heb ik met anderen getwist? anderen geslagen? hun scheldnamen gegeven? hun kwaad toegewenscht?
Ben ik toornig, nijdig en afgunstig geweest ?
Heb ik anderen gehaat?
Ben ik onmatig geweest in eten en drinken ?
Heb ik anderen tot zonde verleid? Tot zware zonde?
6de en 9d,! gebod.
Alle zonden teyen het zesde en negende gebod kunnen gemakkelijk doodzonden zijn. Wees vooral op dit punt zeer oprecht, en vraag den biechtvader om raad, als gij twijfelt of iets zonde is.
Heb ik mij vrijwillig opgehouden in onzuivere gedachten ?
Heb ik onzuivere dingen willen zien of doen ?
Heb ik vrijwillig naar onzuivere dingen gezien?
Heb ik onzuivere taal gesproken of onbetamelijke liederen gezongen?
Heb ik onzuivere taal gaarne aangehoord ?
Heb ik onzuivere dingen gelezen ?
Heb ik onzuivere handelingen gedaan ? alleen of met anderen ?
â 28 â
7d,! en 10de gebod.
Heb ik gesnoept?
Heb ik bij mijn ouders of bij anderen gestolen? (hoeveel).
Heb ik geld achtergehouden ?
Heb ik anderen schade toegevoegd?
Heb ik gevonden zaken ook teruggegeven ?
Heb ik den wil gehad te stelen ?
Heb ik anderen helpen stelen?
8stc gebod.
Heb ik gelogen ?
Heb ik onbekende fouten van den naaste zonder noodzakelijkheid verder verteld ?
Heb ik van anderen kwaad verteld dat zij niet bedreven hadden? {groot kwaad ?) ,
Als gij eene zware zonde mocht gedaan hebben, die hier niet genoemd is, dan moet gij ze toch biechten.
3
III. Berouw.
Nadat gij over uw zonden ernstig nagedacht hebt, tracht dan een goed berouw te verwekken. Dit is allernoodzakelijkst,
want zonder goed berouiv geen vergiffenis
â 29 â
der zonde. Om c/ms een goed berouw in inv hart op te wekken, overdenk en over-iveeg:
1°. W at gij door de zonde verloren hebt.
2°. Wat straf gij door de zonde verdiend hebt.
3°. Watquot; goeds God u heeft bewezen.
4°. Wat Jesus voor u heeft geleden.
1°. Wat verliest men door de zonde? Door de doodzonde verliest men het recht op den schoonen hemel. In den hemel zijn de engelen en heiligen. Zij zijn daar onuitsprekelijk gelukkig; daar is smart noch lijden, maar eeuwige vreugde en zaligheid. Wat hebt gij oneindig veel verloren, mijn kind, als gij doodzonde gedaan hebt. Veel meer dan al het goud en goed der aarde. Zouden u dan de zonden niet leed zijn, omdat gij daardoor den schoonen hemel verloren hebt'? Zoudt ge dan de zonde niet verafschuwen om het recht op den schoonen hemel terug te krijgen?
2°. Wat straf verdient men door de zonde. Door de doodzonde verdient men de eeuwige straffen der hel. Hoe verschrikkelijk lijden daar de duivels en verdoemden, in het eeuwige vuur, in die eeuwige smarten. Door de dage-
â 30 â
lijksche zonden verdient men de straffen des vagevuurs. In het vagevuur lijden de zielen, meer dan hier op aarde een raensch lijden kan. Hoezeer,
mijn kind, moet gij de zonde verfoeien, waardoor gij zoo strenge straffen verdiend hebtl Als God u in staat van zonde had laten sterven, waar zou dan uwe arme ziel zijn? Zeker in het vagevuur, misschien zelfs in de hel. Maar God heeft u tijd gelaten om de zonde te biechten; Hij wil ze u vergeven. O, hoe goed is God jegens u! Gij neemt zeker het vaste besluit Hem niet meer te beleedigen. Zeker zijn u de zonden van ganscher harte leed, omdat gij daardoor de straffen der hel of het vagevuur verdiend hebt.
3o. IVat goeds heeft God u bewezen? Hij is uw grootste weldoener. Hij amp; heeft u geschapen, verlost en geheiligd. Hij gaf u het leven een ziel en lichaam, verstand en vrijen wil, gezondheid, voedsel en kleeding. Hij gaf u goede , ouders om u te verzorgen, een engel, om u te bewaren, Maria, om uw Moeder te zijn. In het heilig Doopsel gaf Hij u het ware geloof en de heiligma-kende genade en nam u aan als zijn jr kind. Hoeveel andere weldaden heeft
I
â 31 â
God ii bewezen. Zij zijn talrijk als de sterren des hemels. Ieder oogenblik van uw leven is een geschenk zijner goedheid. Had een mensch u maar het duizendste deel van al die weldaden bewezen, zoudt ge hem dan niet dankbaar zijn ? zoudt gij u niet wachten, hem te beleedigen? zoudt ge er geen smart over gevoelen hem beleedigd te hebben? Hoeveel te meer moet het u dan smarten, den goeden God beleedigd te hebben. Hij toch is uw grootste Weldoener, uw liefdevolste Vader. Welk een ondankbaar kind zoudt gij zijn indien grij Hem nog wildet beleedigen.
4°. Wat heeft Jesus voor v. go-leden ? Om dat eenigszins te beseffen, stel u Jesus voor aan het kruis. Hij hangt aan het kruis met doorboorde handen en voeten ; zijn hoofd is gekroond met spitse doornen; zijn lichaam is bedekt met bloed en wonden ; in de grootste smarten lijdt en sterft Hij uit liefde tot u. Zie, mijn kind, Jesus heeft voor de zonden der menschen, ook voor uwe zonden zooveel geleden Zoudt ge den gekruisigden Jesus nog willen beleedigen ? Doet liet ii niet van harte leed Hem, die voor u gestorven is, beleedigd te hebben ?
â 32 â
Nadat gij die puntjes overwogen hebt, bid langzaam en oplettend het volgend rouwmoedig gebed.
O, mijn God, zie aan uw voeten een arm en zondig kind, met een rouwmoedig hart voor u neergeknield. Als ik bedenk, dat ik door mijn zonden verdiend heb, te lijden in het vagevuur of misschien zelfs bij de duivels eeuwig te branden in de hel, dan wordt mijn hart vervuld met droefenis over de zonde, omdat ik daardoor uw rechtvaardige straffen heb verdiend. O God van lieide. Vader van barmhartigheid, vergeef mij mijne zonden ; ik zal u nimmer meer beleedigen.
God van goedheid,gij zijtmijn grootste weldoener. Van het begin mijns levens tot op dit oogenblik, hebt Gij mij overladen met weldaden. Al wat ik ben en wat ik heb is een gave uwer vaderlijke vrijgevigheid. Een hemel hebt Gij geschapen, om mij voor eeuwig gelukkig te maken. Gij zijt jegens mij zoo goed geweest en ik jegens U zoo ondankbaar; ik heb U zoo dikwijls beleedigd. O, had ik toch nooit gezondigd; ik haat en verafschuw al mijne zonden uit den grond mijns harten, omdat ik daardoor ü, mijn goeden God, mijn grootsten
â 33 -
Weldoener, mijn liefdevollen Vader, beleedigd heb. Van nu at zal ik U beminnen uit geheel mijn hart; ik zal trouw uw geboden onderhouden en U niet weer door de zonde beleedigen, maar altijd uit liefde tot U, die mij zoozeer bemind hebt, een braaf kind zijn.
Vader in den Hemel, eeuwige Majesteit! Gij zijt oneindig groot en ik ben armzalig, gering en nietig! Toch heb ik het gewaagd, U te beleedigen. Uit het diepste van mijn hart doet het mij leed, TJ, mijn God, de oneindige Majesteit, het hoogste Goed, dat ik boven alles bemin, beleedigd te hebben. Vergiffenis, o, mijn God! Ik arm, zondig kind smeek er U om. Liever wil ik sterven, dan nogmaals doodzonde te doen.
Lieve Jesus! Gij zijt op de aarde gekomen, Gij hebt geleden en zijt gestorven, om mij te verlossen en in den hemel te brengen. Gij hebt mij zoo innig lief gehad en ik heb U zoo bitter beleedigd. Hoe smart het mij, U bedroefd en beleedigd te hebben. Had ik toch nooit gezondigd en U altijd bemind. Ik bid U, lieve Jesus, vergeef mij mijn zonden; ik verafschuw ze als het grootste kwaad uit liefde tot U
- 34 â
en ik maak het vaste voornemen, U voortaan niet meer te beleedigen. Ik zal U altijd beminnen en alle gelegenheid van zonde mijden, om niet meer het ongeluk te hebben in zonde te vallen. Help mij, goede Jesus, met uwe genade, opdat ik altijd een braaf en onschuldig kind moge blijven. Amen.
Kortere akte van berouw.
Mijn Heer en mijn God, mijne zonden zijn mij leed uit den grond mijns harten, omdat ik daardoor uwe rechtvaardige straffen verdiend heb, en vooral omdat ik daardoor uwe goddelijke Majesteit en goedheid, die ik bovenal bemin, vergramd heb; ik haat en verzaak de zonden uit liefde tot U, en ik maak het vast voornemen,voortaan nooit meer te zondigen, alle gelegenheid van zonde te schuwen, eene rechtzinnige biecht te spreken en liever te sterven dan U nog te vergrammen. Amen.
IV. Biecht.
Wacht thans in;/e tog en aan den biechtstoel totdat het aan uic beurt is; praat en lach niet, maar bid den rozenkrans of andere gebeden. Is uw beurt gekomen, ga dan bedaard in den biechtstoel en
â 35 â
hniel ootmoedig neder om oprecht te biechten.
In den biechtstoel gekomen, maak het H Kruisteeken en hid dan de voor-biecht :
Ik belijd voor God almachtig, voor de heilige Maagd Maria, voor alle Heiligen en voor u Vader, dat ik veel gezondigd heb, met gedachten, woorden en werken, door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne allergrootste schuld. Mijne laatste biecht is geleden....
Belijd alsdan aan den biechtvader ootmoedig uwe zonden en na de zonden beleden te hebben, bid de nabiecht:
Deze en al mijne zonden, bekend of onbekend, zijn mij van harte leed, omdat ik God, dien ik bovenal bemin, daardoor vergramd heb ; ik beschuldig mij ervan en vraag de heilige absolutie en een zalige penitentie.
. Let nu op de vermaningen van den biechtvader, ga niet te vroeg uit den biechtstoel, maar wacht totdat hij de absolutie gegeven heeft en zegt'. Geloofd zy Jesus Christus. Terwijl hij u de absolutie geeft, bid nog eens akte van berouw.
â 36 â
V. Dankgebed en Penitentie.
0, mijn God, hoe groot is uw goedheid en biirmhartigheid. Gij hebt mij de zonden vergeven; ik ben weer Uw geliefd kind. Ik dank U van ganscher harte en uit dankbaarheid zal ik zorgvuldig alle zonden mijden. Zegen mij, mijn God, help mij met uwe genade, opdat ik nooit weer doodzonde doe. O, Jesus, ter wille van uw kostbaar bloed, help mij altijd een braaf kind te zijn. Laat mij liever in uw genade sterven, dan toe te laten, dat ik nog in zware zonde valle.
H. Maria, Moeder Gods en ook mijne Moeder, bewaar mij als uw kind H. Engelbewaarder, verlaat mij niet, maar wees mij altijd een trouw beschermer. Amen.
Bid thans aandachtig de penitentie, welke de biechtvader u heeft opgelegd.
Christelijke levensregelen.
Wilt gij een waarlijk christelijk leven leiden, breng dan het volgende in beoefening :
1. 's Morgens als de tijd van opstaan gekomen is, sta dadelijk op, maak het
teeken van het H. Kruis en verricht aandachtig uw morgengebed. Offer door eene goede meening arbeid en lijden van den dag aan God op. Verzuim uw morgengebed nooit. Verhef ook gedurende den dag van tijd tot tijd, uw hart tot God, vooral in oogenblikken van bekoringen of als de arbeid u zwaar valt. Vergeet niet te bidden voor en na uw maaltijden. Verricht aandachtig uw avondgebed. Onderzoek eenige oogenblikken uw geweten en verwek eene akte van berouw. Uw avondgebed met akte van berouw, verzuim het nooit. Blijf indachtig de schoone spreuk van een H. Kerkleeraar: Wie bidt, wordt zalig: wie niet bidt, gaat verloren.
II. Indien het u mogelijk is, ga eiken dag in de H. Mis; geen tijd is beter besteed. Wees eerbiedig en ingetogen in de kerk, want zij is het huis van God, het huis des gebeds.
III. Eer ouders en oversten en wees hun oTiderdanig want zij bekleeden Gods plaats. Neem tot voorbeeld den Heiland in het huisje van Nazareth; van Hem staat geschreven: Hij was hun onderdanig.
IV. Vervul trouw Aeplichten van uwen
â 38 â
staat: dat is het gemakkelijke en zekere middel om u te heiligen. Vlucht den lediggang, want hij is oorzaak van vele zonden. Verricht uw werk met goede meening opdat gij door uwen aard-schen arbeid een hemelschen loon moget verdienen. Bidden en arbeiden zij uw leus.
V. Verkwist uw geld niet door nut-telooze uitgaven; dan kunt gij des te rijkelijker geven voor armen en goede werken. Kleed u volgens uwen staat; onderwerp u niet aan alle grillen der mode maar bewaar in uwe kleeding eene christelijke eenvoudigheid. Wees matig in uwe maaltijden; wacht u vooral voor onmatigheid in het drinken.
VI. Gij moogt op gepasten tijd eene onschuldige uitspanning nemen. Wees echter niet genotzuchtig; houd maat in uwe uitspanningen en neem ze cp onschuldige wijze. Nooit verlate u de vreezedes Hee-ren bij uwe genoegens.
VIL Mijd gevaarlijke gezelschappen, en werp gevaarlijke boeken en geschriften van u weg als doodend gift. Wacht u voor liefdelooze en onbetamelijke gesprekken. Wees liefdevol en behulpzaam jegens uwe medemenschen vooral jegens uwe huisgenooten; verbitter hen het
leven niet en leef met hen in vrede en eendracht. Wees barmhartig en goedig jegens armen en behoeftigen. Zij zijn uw broeders en zusters in Christus.
VIII. Beschouw de wederwaardigheden des levens als beproevingen des Heeren, als kostbare geschenken van den he-melscben Vader. Draag ze met geduld en vereenig uw lijden met de smarten van den lijdenden Jesns; dan zullen de kwellingen dezer wereld u een bron van zaligheid en glorie in den hemel worden.
IX. Ontvang de H. Sacramenten dik-wijls b. v. eiken maand, ontvang ze met goede voorhereidiny. Hebt gij het ongeluk gehad in doodzonde te vallen, haast u dan een akte van volmaakt berouw te verwekken en stel de biecht niet lang uit.
X. De Zondag is een rustdag. Zeker moogt ge ook op Zondag een onschuldige uitspanning nemen waartoe ge op andere dagen misschien geen tijd hebt. Maakt evenwel den Zondag niet tot een dag van genotzucht nog veel minder tot een dag van uitspattingen en zonde; want de Zondag is vooral een heilige dag. Het is de dag des Heeren, een arbeidsdag voor den Hemel. Heilig
den Zondag door werken van godvruchtigheid en naastenliefde.
XT. Heb eene groote godsvrucht tot het H. Hart van Jesus; tot Maria uwe Moeder; tot den H. Joseph patroon van een zaligen dood; tot uwen H. Engelbewaarder en tot den Heiligen wiens naam gij draagt.
^Vrede over dengene, die deze christelijke levensregelen in beoefening zal gebracht hebben.
,
â
â .
Ui tg⢠ve van N. Alberts, Kerk rade.
A. Iloclistenbacli, De Heiligdommen teAken, n11J tscheid en CorneliemunstGr benevens die van S'. Servaas cn van O. L. Vronwe-kej-k te Maastricht (m. gravures) Æ0.30'
A. Mnytcn, A. Baumgarthcr, Loretnanscke LU tanie. in 59 Sonnetten . -0.50 (geb. in Luxe-band) . . .,1__
quot; â Paradffébloemefi^geb.iü h.Uii.)gt; {M© (geb. in Stempelband). . . 0.S5
^ Kath, Volks'Kalechismus:
le Geloofsleer i .... -1.30 5ie Zedenleer. . . . ^ . . 1.30 3e Leer der Genade . . - J.30 J. \an Werücll, Heil im Gebctc, (geb.) . 0.7?-
De ffraote Belofte, IL Communie der négen â achtereenvolgende eerste Vrijdagen der maand. 1000 st. il 4 - 100. st. fl 0.50'.