466
HET JANSENISME.
Eene vrucht van het Oud-Katholiek Congres,
- GEHOUDEN
te Rotterdam in Augustus 1894, GEPROEFD EN BEOORDEELD
DQOll
J. G. H. C. ESSINK,
Kanunnik en Plebaan van de Metropolitaankerk
TE
UTRECHT.
V\ UTRECHT,
\\ DEKKER' amp; VAN DE VEGT, Per. 18Ã5.
Vak 166
«U
HET JANSENISME.
Eene vrucht van het Oud-Katholiek Congres,
GEHOUDEN
te Rotterdam in Augustus 1894,
GEPROEFD EN BEOORDEELD
J. G. H. C. ESSINK,
Kanunnik en Plebaan van de Metfopolitaankerk
aasypfK' auKeuHT. â
y ? n £ c
UTRECHT.
lH03WJ.n uiopsiqs^y ^ BuiBi-aeaSA aqosib-jmn
UTRECHT,
DEKKER amp; VAN DE VEGT, 1895.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2192 3762
In den vorm van een brochuurtje werd mij eene vrucht van het oud-katholieke congres, in Augustus 11. te Botterdam gehouden, toegezonden.
Zou het de beste vrucht zijn van dat congres? â Men schijnt het daarvoor te houden, want het beste moet meestal als proeve dienst doen. Wat er ook van zij, ik heb geproefd en zal hier openhartig mijn oordeel wedergeven.
Het brochuurtje, getiteld âhet Jansenismequot; bevat eene rede van Dr. Reinkens , die tot inleiding en aanbeveling moet strekken van de volgende motie;
âDe ivoorden jansenist en jansenisme omvatten âgeenszins het begrip eener sekte. Het zijn namen âdoor de Jezuïeten uitgedacht en toegepast op hen, âdie de katholieke geloofs- en zedeleer tegen ver-rschillende, door hun sociëteit uitgevonden, leer-âstellingen verdedigen.quot;
De âvroomste richting in de Katholieke Kerkquot; welken titel de Jansenisten zich zoo gaarne laten aanleunen, de vroomste richting was niet gelukkig in de keuze van den pleitbezorger der voorgestelde motie.
Men vindt in de gansche rede van Dr. Reinkens geen zweem van die nederige bescheidenheid, die paupertas spiritus die de belofte heeft van het Kijk der hemelen. Zou er onder de vrome schare van aandachtige hoorders
4
geen enkele geweest zijn, die hoofdschuddend, al was het maar halfluid, gemompeld heeft: âNeen, Reinkens is onze man niet, hij behoort niet tot de kleenen aan wie de Vader zich zoo gaarne openbaart?
Ik heb den man niet gezien, toen hij zijne rede uitsprak, maar indien toon en gebaren overeenstemden met den inhoud der rede, ik geloof niet, dat ik zijn laatste woord had afgewacht. De verwaten en opgeblazen trotschheid eener zoogenaamde moderne wetenschap grijnst u bijkans uit ieder volzin tegen.
Hij begint met te zeggen dat het onnoodig is geschiedkundige bewijzen voor het goed recht der Jansenisten aan te halen. Ondanks de stofwolken, door de Jesuiten opgejaagd om de waarheid der geschiedenis in dikke duisternis te verbergen, is het hem gelukt de waarheid te achterhalen. Hij en zijne geestverwanten hebben onderzocht, hij zal zich eenvoudig bepalen de resultaten van dit onderzoek te decreteren. Die weigert voetstoots de voorgelegde resultaten aan te nemen is een boosaardige Jesuiet, of behoort tot de onwetende schare onder welke ook Pius IX een plaatsje wordt aangewezen.
Maar laat ons geduld oefenen en luisteren naar zijn wetenschappelijk pleidooi.
âBisschop Jansenius, zoo spreekt Reinkens, wilde geen âsekte stichten. Hij wilde de zedeleer van Augustinus âtegen die der Jesuiten verdedigen en handhaven. Als âgeleerde en ijverige vereerder van Augustinus, had hij âdiens geschriften wel tienmaal geheel doorlezen, ja zelfs âde geschriften tegen de pelagianen wel dertigmaal.
âOfschoon geen geniale schepper van nieuwe denk-âbeelden, was Cornelius Jansenius bizonder bekwaam âom de kerkelijke overlevering in zich op te nemen.
âIn het wedergeven van de oude leer bezat hij groote âtrouw en nauwgezetheid van geweten, bij de opname âonvermoeide vlijt, waarmede hij tien, ja dertigmaal âhetzelfde bestudeerde. Zoo heeft hij in zijn âAugustinusquot; âwerkelijk slechts de getrouwe leer van dozen, voorde âKatholieke Kerk eeuwenlang als veiligen gids dienenden âkerkvader, voorgedragen tegen de ontaarding in de âzedenleer der Jesuiten.quot;
Zou Dr. Reinkens ook tien of dertigmaal èn de âAugustinusquot; van Jansenius èn de geschriften van den grooten kerkvader gelezen hebben. Beide diende hij toch grondig te kennen om zoo boud een oordeel uit te spreken ? Och, lieve lezer, aquila non capit muscas, de arend gaat niet op de vliegenjacht. Geniale denkers als Dr. Reinkens hebben met één blik alles gezien, opgemerkt en begrepen.
Tot bewijs, dat ik den kolossalen hoogmoed van Dr. Reinkens niet overschat, verzoek ik den lezer het volgende op te merken.
Nadat onze geleerde dokter gedrecreteerd heeft dat de Augustinus van Jansenius getrouw de leer wedergeeft van den grooten kerkvader, verklaart hij zonder blikken of blozen dat de Paus zich schuldig maakte aan ongehoorde aanmatiging toen hij, na langdurig onderzoek van Jansenius geschrift, als opperste leermeester dei-Kerk, krachtens zijn apostolisch ambt, verklaarde dat de vijf veroordeelde stellingen in het boek van Jansenius gevonden werden. Hij, Dr. Reinkens meent het recht te hebben de geheele leer van Augustinus in het boek van Jansenius te vinden; maar de Paus mag niet zonder ongehoorde aanmatiging de vijf veroordeelde stellingen daarin vinden en aanwijzen. Zoo zich ooit een kikvorsch heeft opgeblazen, dan zeker hier.
6
Kon de waanzinnige hoovaardij nog verder gaan? â Dr. Reinkens zal het ten minste beproeven.
Zooals wij gezien liebben, de dokter beweert in Jansenins een groote trouw en nauwgezetheid van geweten gevonden te hebben, hij doorgrondt dus harten en nieren. Onmiddelijk daarna verklaart hij, dat de Paus zich aan het menschelijk geslacht als doorgronder van harten en nieren heeft voorgesteld, omdat hij heeft verklaard dat de vijf veroordeelde stellingen volgens den door den schrijver bedoelden zin in het boek van Jan-senius gevonden worden! Neen, Heer Dokter niet het hart en de nieren van Jansenins worden doorgrond, maar het boek door hem geschreven. Daar wordt niet gezegd, dat Jansenins van plan was zijn boek uit te geven; daar wordt niet gezegd dat hij van plan was, zijne leer halstarrig staande te houden tegen de uitspraak der Kerk; daar wordt niet gezegd dat hij de geheele draagwijdte en al de gevolgen van zijne dwalingen begrepen heeft; geen woord wordt er gerept over zijne meer of minder goede trouw en nauwgezetheid van geweten. Neen, de Paus veroorloofde zich niet, wat gij u zeiven veroorlooft: een oordeel over het hart en de nieren van Jansenins. En hadt gij het hier maar bij gelaten, gij zoudt u nog kunnen verschoonen, omdat uw oordeel niet ongunstig was, maar denk eens aan uwe oordeelvellingen over harten en nieren der Jesuieten.
Zoolang het den schrijver niet geoorloofd is woorden te gebruiken om zijne gedachten te verbergen, zoolang zal ook de lezer wel het recht hebben de meening, de gedachten van den schrijver uit diens woorden op te maken. En zou de Paus dan het recht niet hebben te verklaren: dit is de beteekenis, de zin van des schrijvers woorden ?
7
Was de Jansenistische spitsvondigheid met hare onderscheiding van qnaestio juris en facti eene gangbare munt, wat zou er terechtkomen van het leergezag der Kerk? Geene dwaling was aan te wijzen, ieder ketter kon zich verschuilen achter den uitvlucht: men verstaat, men begrijpt mij niet, ik bedoel geheel iets anders, dan men meent, men vat mijne woorden niet. Wij lezen in de gelijkenis van het onkruid en de tarwe, (Dr. Reinkens kent haar zoo goed, zooals ook blijkt uit zijne rede) dat de vijand zijn onkruid zaaide, terwijl de menschen sliepen. Waarom hij het juist in die oogen-blikken deed wordt niet vermeld, iedereen begrijpt dat ook wel. Bij nacht te werken is echter niet pleizierig, had hij ongestoord zijn onkruid kunnen zaaien, terwijl de menschen wakker waren, hij zou het zeker gedaan hebben. Daarom is het zoo gemakkelijk te verklaren, waarom de volgelingen van Jansenius en ook anderen zich zoo gaarne verschuilen achter diepzinnige woorden die zij allen verstaan en waarover niemand een oordeel mag vellen. Dit eens toegestaan zijnde, kan ook bij dag-het onkruid gezaaid worden. Niemand kan hen dan van verkeerdheid beschuldigen, en opgeroepen om eene of andere dwaling te herroepen of af te zweren, zij zouden desnoods zweren, maar in den zin door hen bedoeld. Kortom, tarwe en onkruid zouden niet meer te onderscheiden zijn, zooals dat geschiedde in de gelijkenis.
Jansenius, zegt Dr. Reinkens, wilde geen sekte stichten. Volkomen waar. Maar de aanhangers en volgelingen van Jansenius hebben het gedaan. Wel wil ik aannemen, dat zij het liever niet gedaan hadden. G-aarne waren zij in den schoot der Kerk gebleven als de vroomste richting der Kerk, waarvoor zij zich in allen ootmoed hielden. Leerstoelen aan Seminarieën en
8
Universiteiten, Bisschoppelijke zetels zouden zij niet hebben versmaad al zou het ook alleen geAveest zijn om het onkruid in meer uitgebreiden kring te zaaien. Zelfs zouden zij bereid gevonden zijn om de kleinen hun brood te breken en aldus hunne meeningen overal wortel te doen schieten en hunne vroomheid in en buiten de kloostergemeenten te doen bloeien.
Maar zulke verlangens en aspiratieën zijn volstrekt niet ongewoon. Men vond ze reeds bij de Arianen, gezwegen nog van vroegere ketterijen. De Arianen zouden de Kerk nooit verlaten hebben, indien zij niet door de kerkvergadering van Nicea waren uitgenoodigd om zich te onderwerpen of heen te gaan. Zelfs was eene uitnoodiging niet eens voldoende om hen tot heengaan te bewegen. Wat een kabaal maakte zij niet om hunne plaaté in de Kerk te behouden. Welk een geweld hebben zij niet gepleegd om bisschoppelijke zetels te bemachtigen. Nestorianen, Eutychianen, Pelagianen, die na hen kwamen, handelden niet anders. Zelfs Luther zoude wel te vinden zijn geweest en was niet heengegaan, indien hij maar vrij zijn onkruid had kunnen zaaien.
De volgelingen van Jansenius vertoonden dus niets nieuws, toen zij alle pogingen aanwendden om in de Kerk te blijven, misschien waren zij iets spitsvondiger in de keuze hunner middelen. Maar de hatelijke bul Unigenitus maakte ook de nieuwe middelen onbruikbaar en dwong de aanhangers van Jansenius zich in oprechtheid te onderwerpen of den 'schoot der Kerk te verlaten. Zij onderwierpen zich niet en geraakten buiten den schoot der Kerk. Zij mogen er nu over treuren, dat de Kerk daardoor hare vroomste richting verloren heeft; feiten zijn brutaal, daaraan is niets te doen.
Die eerste stap buiten de Kerk, maakte hen echter
9
niet tot sekte. Ook als eenlingen konden zij dwalen. Zij konden ieder voor zich de gevolgen van hunne weerspannigheid dragen. Maar de menschelijke natuur is eenmaal zoo, zonder vereeniging met anderen kan de mensch niet leven. Daarenboven brachten zij hier te lande hun verzet tegen Rome nog over op een ander terrein. Willekeurig kozen zij zich een bisschoppelijk bestuur en richtten een eigen en van Rome onafhankelijk kerkgenootschap op. Dat aanhangers van geheime sekten ontkennen tot een sekte te behooren, dat heeft nog kans van slagen, maar men moet toch wat durven om zich geheel op zichtbare wijze volkomen af te scheiden en dan nog beweren, dat men geen sekte vormt.
Voor hetgeen nu volgt vraag ik des lezers bizondere aandacht, hij kan er uit leeren, hoe een geniaal mensch nieuwe ideeën schept zonder acht te geven op feiten en werkelijkheid. Nadat Dr. Reinkens gezegd heeft, dat de aanhangers en verdedigers van Jansenius geen sekte wilden vormen, laat hij er op volgen: âWanneer men âechter acht geeft op de neiging tot afscheiding, op den âbepaalden sektegeest, dan is die in geen kerk sterker âdan in de Roomsche Kerk, zooals zij in den loop der âmiddeleeuwen geworden is.quot; Kolossaal! niet waar? Ik zal hier niet het hart en de nieren van Dr. Reinkens doorgronden, ik zal geen kwade trouw veronderstellen, maar eene groote genialiteit, die hem boven de meest gewone werkelijkheid deed zweven, zoodat hij geheel en al de Concilieën van Mcea, Calcedonie, Ephese, Con-stantinopel enz. enz. van de oude geschiedenis uit het oog verliest, ja zelfs niet meer denkt aan den hem zoo door en door bekenden Augustinus en diens geschriften tegen de Manicheën, Donatisten, Arianen en Pelagianen.
Wanneer de Katholieke Kerk nu voortging steeds
10
tegen nieuwigheiclsverkondigers te waarschuwen en hen, wegens hardnekkig verzet, niet meer als de haren erkende, leverde zij het bewijs, dat zij ook in de middeleeuwen niet geslapen heeft, wanneer de vijand onkruid op den akker zaaide, het bewijs, dat zij ook toen onkruid van de tarwe wist te onderscheiden. Zij volbracht eenvoudig het bevel des Heeren: Leert hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Zij vergat niet wat de Heer gezegd had: Die naar de Kerk niet luistert houdt hem voor heiden en tollenaar. Gelijk de apostel Paulus zich bedroefde over de hardnekkigheid van vele zijner broeders naar het vleesch, treurt ook de Kerk over hen, die zij niet meer als de haren erkennen kan. Zij weet echter ook, dat er scheuringen en ketterijen zijn zullen tot den dag, waarop de Zoon des menschen zijne engelen zal zenden om alle ergernissen weg te nemen.
Om te bewijzen hoe verderfelijk de leerstellingen waren door de Jesuieten uitgevonden, beroept Dr. Reinkens zich op eenige algemeenheden, die niet te weerleggen zijn om de eenvoudige reden dat de stellingen geen gang hebben in de Kerk. Mochten zij eerlijk zijn aangegeven en werkelijk bij een of ander schrijver gevonden worden, dit geeft Dr. Reinkens geen recht ze aan de Sociëteit toe te schrijven.
Ernstiger is wat Dr. Reinkens over Lodewijk XIV zegt, dien hij een model-kweekeling der Jesuieten noemt, omdat hij slechts Jesuieten tot biechtvaders zou gehad hebben. Wel weet ik dat Lodewijk geen model-christen is geweest, ik ben echter niet genoeg met het intieme leven van den Koning bekend om te weten welke biechtvaders hij gehad heeft. Maar aangenomen dat Dr. Reinkens hier eens de volle waarheid zegt, wat
11
volgt er dan uit Lodewijks voorkeur? â Ten tijde des Zaligmakers, werden de Phariseën die ondragelijke lasten op de schouders van anderen legden, lasten die zij zeiven niet met den vinger wilden aanraken, niet dooide zondaren opgezocht. Deze kwamen in menigte tot Jesus, zoodat de nijdige huichelaars zeiden: Ziet, Hij ontvangt de zondaren en eet met hen. De goede Verlosser wist wel, dat niet al de zondaren die Hem naderden tot bekeering zouden komen. Hij kende het uiteinde van Judas en toch verdroeg Hij den ongelukkige met de grootste liefde. Welk een zachtmoedigheid, hoe groot een geduld, welk een ootmoed en eene onuitsprekelijke liefde deed Jesus niet schitteren in Zijne woorden en daden, toen Hij de zondaren trok en met hen vriendelijk omging! Waarom zou het nu in de Jesuiten eene misdaad zijn, wanneer zij op het voorbeeld des Heeren, het geknakte riet niet breken en de nog rookende pit niet uitdooven?
O, het is zoo gemakkelijk te zeggen tot den zondaar: ga van mij, raak mij niet aan, want ik ben rein. Zondaren trekken, hen vriendelijk bejegenen ondanks de walging door hunne zonden opgewekt; zoolang plicht niet gebiedt voorzichtig zwijgen als diepe verontwaardiging zoo gaarne in bittere verwijtingen den mond zou openen, in geduld de geschikte tijden tot terechtwijzing afwachten, in groote behoedzaamheid zachte uitdrukkingen gebruiken wanneer men harde waarheden te zeggen heeft, zich blootstellen aan verdachtmakingen en lastertaal, teneinde het vertrouwen der zondaren te winnen, ondanks vele teleurstellingen steeds te blijven hopen tegen alle hoop, alles voor allen worden om allen voor Christus te winnen, dat is Jesus navolgen en dus den Jesuiet niet onwaardig.
12
Voor iemand, die de kracht kent van het biechtgeheim, wat ik toch van Dr. Reinkens moet veronderstellen , is het, op zijn zachtst genomen, zeer onedel te oordeelen over des biechtvaders woorden en handelingen. Wie zal ons zeggen welke betuigingen door Lodewijk in den biechtstoel zijn afgelegd, hoedanig zijn berouw en zijne voornemens waren en op welke wijze hij die in de biecht openbaarde. AVie zal ons zeggen hoe dikwijls hij zijn biechtvader heeft teleurgesteld, welke vermaningen en onderrichtingen hij in den biechtstoel ontvangen heeft, onder welke voorwaarden hem de absolutie geschonken is, en hoe dikwijls hem deze werd geweigerd.
Neen'niet de biechtstoel maar de predikstoel kan ons zeggen welke waarheden den koning werden voorgehouden. Ook onder de hofpredikers van Lodewijk vinden wij een Jesuiet. Heeft Dr. Reinkens de prachtige predikatiën van Bourdaloue ooit gelezen'? Ik geloof het niet, want dan zou hij den moed niet hebben aan de Jesuieten toe te schrijven de sprookjes Lodewijk in den mond gelegd.
Ook spreekt Dr. Reinkens nog over den H. Liguori en diens probabilisme. Het wil mij schijnen dat hij de geschriften van den heilige niet heeft gelezen. Het zou toch zoo goed voor hem wezen, indien hij besluiten kon ten minste te lezen de verhandeling, waarin de kerkleeraar zijn systeem over de probabiliteit uiteenzet en verdedigt. quot;Werd hij daardoor ook al niet voor het probabilisme gewonnen, hij kon er nog uit leeren, dat men ook zijne tegenstanders degelijke bewijsvoering en bescheiden welwillendheid schuldig is. Misschien zou hij zelfs tot de overtuiging komen, dat er nog wel in zijne geschriften, woorden, daden en gemoedstemming wat door hem moest veranderd worden om van een
13
biechtvader, die het probabilisme van de H. Liguori volgt, de absolutie te kunnen ontvangen.
Over de inleiding en verdediging der motie meen ik mijn gevoelen genoegzaam te hebben gezegd. Ten slotte nog een enkel woord over de motie zelve.
Dat het Jansenisme niet eene richting is in de Katholieke Kerk, maar wel degelijk eene sekte, meen ik duidelijk te hebben aangetoond. Welke naam zal aan de sekte gegeven worden ? Niet de naam van Jansenist zegt Dr. Reinkens, dan liever Augustinist. Maar het geldt hier niet de leer van Augustinus, dien ieder Katholiek veilig volgen kan, het geldt hier de leer van Jansenius in zijn boek neergelegd en veroordeeld. Maar Jansenlus heeft toch zoo dikwijls Augustinus gelezen en stelt den H. Kerkleeraar zoo ijverig op den voorgrond! Zullen wij Luther en zijne volgelingen âEvangelischquot; moeten noemen, omdat zij den mond vol hadden van het zuiver Evangelie? Daarenboven daar is niemand onder de Jansenisten sekte die het den grooten Kerkleeraar zal nazeggen; Roma locuta, causa finita. Rome heeft gesproken, derhalve is de zaak beslist.
Oud-roomsch dan? Deze naam past die sekte evenmin. De geest van den H. Willebrord en zijne h. opvolgers, hunne onderwerping aan Rome wordt niet bij de jansenisten gevonden. Daarenboven was de naam van oud-roomsch of oud-katholiek hun vroeger ook dierbaar, in de laatste tijden is hij zoo zeer verontreinigd door goddeloosheid, ongeloof en onverschilligheid, dat de sekte in haar eigen belang dien naam moest laten varen.
De naam van Jansenist is een eerlijke naam, even eerlijk als die van Calvinist en Lutheraan aan de volgelingen van Calvijn en Luther gegeven.
14
Die naam is niet door Jesuietische list, maar door de natuur der zaken ontstaan. Hij wijst op den oorsprong der sekte en legt hare geschiedenis bloot.
Ik ben geen Jesuiet en ook geen leerling der Jesuieten geweest, maar ondanks den afkeer, dien ik steeds voorde Jansenistische sekte koesterde, heeft de naam van Jansenist steeds eenige sympathie bij mij opgewekt voor allen, die tot de sekte behoorden. Die naam wees mij op hun punt van uitgang, herinnerde mij dat de verschilpunten zoo menigvuldig niet waren, en dus de terugkeer tot de Moederkerk niet zoo moeielijk voor hen zijn kan.
Neen 't is geen ironie, wanneer ik de sekte toeroep, behoudt den naam van Jansenist, hij zal u steeds naar uw oorsprong wijzen en misschien voor verdere afdwalingen behoeden; behoudt dien naam en gij zijt eerlijk ook voor de rechtbank der geschiedenis.
De Congressen van Zwitserland, Parijs en Rotterdam doen helaas vreezen, dat sommigen der sekte reeds diep in 't ongeloof verzonken zijn, maar ook dezen roep ik toe: weest eerlijk en behoudt den naam van Jansenist; gij zijt het schuldig aan uwe volgelingen, die ter goeder trouw van u de leer der vaderen vragen. Denkt aan het woord des Heeren: wee dengene, die een dezer kleinen verergert. Aanvaardt den naam van Jansenist, en keert terug van hen, met wie gij u reeds te veel hebt ingelaten. Zelfs de inleider en verdediger dei-motie, Dr. Reinkens, moet eenige achterdocht bij u opwekken. Al is hij geen listige Jesuiet, hij noemt zich de bisschop van een mengelmoes onder welke hij ook u gaarne verschijnen zag. Zou het wel alleen vriendelijkheid van hem zijn, wanneer hij u uwen stamboom wil doen verzaken en u met den naam van Jansenist ook de herinneringen aan uwen oorsprong wil
15
doen ontvallen? Als gij met een eerlijk gemoed den naam van Jansenist bewaart, dan kan die eerlijkheid de eerste stap worden van uw terugkeer tot de Moederkerk en verbaasd zoudt ge staan over de liefde, waarmede gij in haren schoot zoudt ontvangen worden.