LIEDEBEN EN WIJZEN
164
.sparle,
quot;VOOR DE
NAAR
KEVELAEE.
P..5?S?,.C,
pen Vak
ui i liEGEVEN VOOR REKENING DER BROEDERSCHAP.
YYvyrrrYYrrY-rrx-a
fwWl
Groningen.
LIEDEREN EN WIJZEN
VOOR DE
GRONINGSCHE PROCESSIE
NAAR
KEVELAER.
1 ^
|
I
UITGEGEVEN VOOR REKENING DER BROEDERSCHAP.
IMPRIMATUR.
IJselmuiden, P. H. T. BRAAM,
22 Julii 1899. libr. censor.
VOORBERICHT.
De Broederschap van O. L. Vrouw van Kevelaer te Groningen en omstreken heeft ten doel, de verheerlijking van God te bevorderen door de vereering der allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, en door hare machtige voorspraak bij haren goddelijken Zoon Gods barmhartigheid en zegeningen te verwerven.
De leden der Broederschap beijveren zich de geboden Gods en der H. Kerk te onderhouden en, het voorbeeld van Maria navolgende, door een deugdzaam leven elkander te stichten.
Vooral zullen zij dit verheven doel trachten te bereiken door jaarlijks een pelgrimstocht naar Kevelaer te doen, om, afgezonderd van de wereld en aan de dagelijksche zorgen onttrokken , in dit bevoorrecht genade-oord over de belangen hunner zielen na te denken, de zonden te beweenen, troost in smart, hulp in den nood, allerlei gunsten door de voorbede van de Troosteres der bedrukten af te smeeken.
De pelgrims verplichten zich de voorgeschreven dagorde nauwgezet te onderhouden en zich op reis en vooral in Kevelaer ordelijk, ernstig, ingetogen en godvruchtig te gedragen.
N.B. De processie zal, als onvoorziene omstandigheden het niet beletten, jaarlijks vertrekken op den eersten Woensdag na het leest van Maria's tenhemelopneming.
Namens het Bestuur: W. F. ELS EN, Deken, President. J. F. W. KOENEN, Secretaris.
INHOUD.
No. 1. Bij het begin van den Pelgrimstocht . .... 5
â 2. Bg het ontdekken van Kevelaer........6
â 3. Litatinae Lauretanae bij het binnentrekken v. Kevelaer 8
quot; â 4. Pelgrimslied gedurende de Bedevaart......10
â 5. Liefdezacht tot het Kindje Jezus en Zijn H. Moeder 12
â 6. Salve Regina...............13
7. Ave maris stella..............14
â 8. âMaria te minnenquot;.............15
â 9. â0 Koningin vol Majesteit'quot;.........16
â 10. âMaria's naam zoo zoetquot;...........17
â 11. Maria's-tenheruelopneming..........17
â 12. Smeekzang tot Maria ... ........19
â 13. Ter eere van Maria.............21
â 14. Kinderen van Mariaquot;............22
â 15. Jubellied aan Maria Onbevlekt Ontvangen .... 24
â 16. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria......25
â 17. Het Wees Gegroet.............27
â 18. Loflied aan de H. Maagd Maria........28
â 19. Smeeklied om de bekeering van ons Vaderland . . 30
â 20. Avondgroet aan Maria............32
â 21. Afscheidslied te Kevelaer...........33
â 22. Hulde aan Maria..............35
â 23. Lied ter eere van den H. Joseph........36
â 24. St. Martinnslied..............37
â 25. Smeeklied voor de overledenen........39
â 26. Te Deum Laudamus............40
â 27. Adoro te.................41
â 28. Salve Regina...............42
â 29. Magnificat................44
,, 30. Ave Maria................46
â 31. Tantum ergo...............47
â 32. Laudate Dominum.............47
â 33. Miserere mei, Deus . ...........48
â 34. Litanie der H. Maagd Maria .... ... 50
No. 1. By het begin van den Pelgrimstocht.
Igll
k. â -
j I O, heil'-geMaagd Ma - ri - a, Wij ko-men hier te quot; ^ Om met een hart vol lief - de Te lo-ven U-wen
-0-
Naar Ke - ve - laer, o Moe - der! Trekt
saam. ) -vr- .
naam, (
on-ze scha-re voort. Daar hebt Gij,Troost der droe-ven, Zoo
|
1 me - nig beê ver - hoord. 2. Wij, Pelgrims, al te gader, Van 't Noorden opgegaan , Wij bidden: Zie uw kind'ren. Zie ons genadig aan; Wil ons gebed verhooren, Gestort uit vol gemoed; Met tranen in onze oogen Zoo vallen we u te voet. 3. Gij zijt de Koninginne Van heel het henielseh hof'. En al de zaal'ge koren Bezingen uwen lof; Bezingen, hoe uw bede Aan uwen Zoon behaagt. En hoe gij voor uw kindren Zijn schoonen hemel vraagt. |
4. Gij, toevlucht onzer zielen! Gij staat deu zondaar bij; Gij, troost in 'taavdsche lijden! Gij maakt de droeven blij; De dooven, kreup'leu, blinden, Zij hooien, zien ea gaan; Neen, nooit nog. trouwe Moeder! Riep men vergeefs u aan. 5. Want ü heeft God verkoren. Voor alle smet bewaard; Gij hebt, o Maagd en Moeder! Des Vaders Zoon gebaard; Gij Hem , door veertig eeuwen Met zooveel smart gewacht, Den Redder ons geschonken Van 'tzondigaardsch geslacht. |
6
|
6. Gij, reiner dan de zonne En blanker dan de maan! Zie ons, zoo vol van zonden, Zie ons ontfermend aan! Wii gaan te beêvaart henen Van hier naar Kevelaer: O, dat uw moederbede Voor onheil ons bewaar. |
7. Aan ü dan, heil'ge Moeder! Zij onzen tocht gewijd; Wil onze voorspraak wezen Tot in den jongsten strijd; Wil onze schreden leiden Op 's levens pelgrimsbaan, Bied ons en onze beden Uw' lieven Jezus aan. |
8.
Eu als wij wederkomen
Van 't oord, waar wij te zaam, O. allerliefste Moeder!
Verheffen gaan uw naam: Wil dan ook ons behoeden, Ons leiden aan uw hand, Dat wij in vrede keeren In 't dierbaar Vaderland.
No. 2. By het ontdekken van Kevelaer.
^ * N j * * I# ^ - U * ^
-w
1. Daar, broe-ders, daar rijst Ke-ve-laer, Het oord van zoo-veel ziels-vcr-lan-gen; üw liev'lings-steê, o pel-grimsschaar, Waar
li
â1-
aan uw oog ver-rukt blijft han-gen. H oopt,pel-gi iins,hoopt: want in dit oord Is reeds zoo me - nig beè ver-hoord, Zoo
ïÃÃÃjÃÃfe^i
me - nig gunst ont-van-gen!
Daar, daar werd op Maria's beê, Den smeekeling gena bewezen,
En hoeveel kranken tuigen meê Van 't reddingslicht hun daar verrezen! Hoopt, Pelgrims! hoopt: want in dit oord Is reeds zoo menig beê verhoord, Zoo menig kwaal genezen.
3.
Welaan dan. Pelgrims! oog en hart Daar tot uw Moeder opgeheven;
Was u haar naam ten troost in smart, Daar zal zij dubbel troost u geven.
Hoopt, Pelgrims! hoopt: want in dit oord Is reeds zoo menig beê verhoord. Zoo menig schuld vergeven.
4.
Daar zal uw roepstem als weleer Door d'open hemel henen breken.
Daar zal uw Moeder, daar de Heer Genadig neerzien op uw smeeken.
Hoopt, Pelgrims! hoopt: want in dit oord Is reeds zoo menig beé verhoord, Zoo menig smart geweken.
5.
Komt, Pelgrims! op die heil'ge steé In diepen eerbied neergezegen:
Uw Moeder bidt er met u meê En lacht u uit haar woning tegen.
Hoopt, Pelgrims! hoopt: want in dit oord Is reeds zoo menig beê verhoord, Zoo menig heil herkregen.
8
No. 3. Litaniae Lauretanae bjj hel
i
Eenigen.
|
Kyrie e - - lei - son, |
Christe e - - lei - son, Fili, Eedemptor mundi Deus, |
C |
|
Pater de coelis Dens, |
sl | |
|
Sancta Trinitas, |
Uuns Deus, |
« Si |
|
Sancta Maria, |
Sancta Dei Genitris, |
Si |
|
Mater Christi, |
Mater divinae gratiae, |
M |
|
Mater castissima, |
Mater inviolata. |
M |
|
Mater amabilis, |
Mater admirabilis, |
M |
|
Mater Salvatoris, |
Virgo prudentissima. |
V |
|
Virgo praedieanda, |
Virgo potens. |
V |
|
Virgo fidelis. |
Speculum justitiae. |
Si |
|
Causa nostrae laetitiae, |
Vas spirituale. |
V |
|
Vas insigne devotionis, |
Rosa mystica. |
T |
|
Turris eburnea, |
Domus aurea, |
F |
|
Janua coeli, |
Stella matutina. |
S; |
|
Refugium peccatorum, |
Consolatrix afflictorum, |
A |
|
Begina Angelorum, |
Eegina patriarcharum, |
E |
|
Eegina Apostolorum, |
Eegina Martyrum, |
E |
|
Eegina Virginnm, |
Eegina Sanctorum omnium, |
B |
|
Eegina |
Sacratissimi Eosarii, |
B |
|
Agnus Dei, |
qui tollis |
P |
|
Agnus Dei, |
qui tollis |
P |
|
Agnus Dei, |
qui tollis |
P |
| |||||||||||||||||||
|
Ma - ri - a ! Wij bid - den U, ver - laat ons niet | |||||||||||||||||||
9
anae by het binnentrekken van Kevelaer.
Allen.
5^
Chri-ste au - di nos, Chri - ste ex-audinos. Ma-ri - a, Spiritus Sancte Deus, Miserere nobis Ma-ri-a,
Sancta Trinitas. ünus Deus, Miserere nobis. Ma-ri-a,
Sancta Virgo virginum, l q
Mater purissima,
Mater intemerata.
Mater creatoris,
Virgo veneranda,
Virgo clemens,
Sedes sapientiae,
Vas honorabile, \
Tunis Davidica,
Foederis area,
Salus infirmorum,
Auxilium Christianorum,
Regina Prophetarum,
Eegina Confessorum,
Regina sine labe originali coneepta, j Eegina sacratissimi Kosarii,
peccata mundi. Paree nobis Domine. Maria, enz.
peecata mundi, Exaudi nos Domine. Maria, enz.
peccata mundi, Miserere nobis. Maria, enz.
.1
â/5
=t=
amp;----(amp;-
in on-zen nood, o al - Ier - zui - ver - ste Maagd Ma-ri - a!
niet
10
No. 4. Pelgrimslied gedurende de Bedevaart.
1. Wij groe-ten ü, o zui-vre Maagd,Door wie ons't heillicht
^ , I quot; ' * gt; 1 ' * ⢠' \
3E
is ge-daagd; Wij groe - ten ü op u - wen troon, O
m
â¢
Moe-der van Gods een'-gen Zoon!
2. O reine Maagd! o ed'le bloem! Vol hemelgeur, der maagden roem! Als kristallijn, zoo schittrend rein, O smettelooze heilfontein!
3. O zetel, waar de Wijsheid straalt,
Waar 't eeuwig Woord is neêrgedaald. Die door Zijn geest de waarheid leert. En in Zijn kerk steeds triomfeert.
4. Geen wereld- of geen hellemacht.
Of wat er opstond uit don nacht.
Heeft ooit de waarheid haar ontroofd, Want Jezus blijft haar God'lijk Hoofd!
5. Gij zijt die onbevlekte Maagd,
Wier moederbeê aan God behaagt;
Die al verwinnend in den strijd
Der Kerk, een trouwe toevlucht zijt.
6. Gij, oorzaak onzer zielevreugd,
Wier komst heel de aarde heeft verheugd. Ontvang uit kinderlijk gemoed, O Moeder, onzen liefdegroet.
7. Beveel ons aan Uw God'lijk kind.
Dat ons ten eind' toe heeft bemind. Dat in den sniartelijksten dood.
Voor ons zijn laatste bloed vergoot.
11
0 Davids toren van ivoor!
Wijd schitt'rend in den zonnegloor,
Door Goddelijke hand gesticht.
Waar alle wapeninacbt voor zwicht.
Gij, Arke van het Nieuw Verbond! Op ü is mijne hoop gegrond; De Serafijnen daalden neer Om 't gulden Huis. van d'Opperheer.
O Hemelpoorte, rijk en schoon,
Door U kwam de ongeschapen Zoon. Hij, 't eeuwig Woord, Hij werd uw Kind. Zoo teeder heeft Hij ons bemind.
O Morgenstarre! lieflijk zacht,
Na zulk een eeuwenlangen nacht; Gij kondigt 't blijde heillicht aan Dat voor het aardrijk op zal gaan.
Gij, Toevlucht der verloren ziel. Die jammerlijk van God verviel, O Troosteres in allen nood!
Gij redt ons van den eeuw'gen dood.
O Hulp vau 't Christelijk gezin,
Gij aller Heil'gen Koningin!
Ach, toon in onzen jongsten strijd. Dat gij ons aller Moeder zijt.
Hoor, Moeder! met ons lot begaan,
Hoor de U gegeven kind'ren- aan; Uw Zoon heeft onze schuld geboet. Wees, goede Moeder! wees gegroet.
Gegroet, Gods Dochter, op Uw troon. Gij, Moeder van Gods eeuw'gen Zoon, Gij, Bruid van God den Heil'gen Geest, Die vóór en na zijt Maagd geweest
12
No. 5. Liefdezucht
tot het Kiurtje Jezus eu Z\jii DL Moeder.
Mel. van W. P. H. Jansen, Pr. ')
4=
o-'AâP-
=t=t=
1. Hoor, o Zee -te, On - ze groe-te. Die we ü, lie - ve
^--75~râ^---11;â^
-Gâ
Moe-der, bièn ; Toon ons ar - meu Toch er-bar-men,
Laat, Iaat ons uw Kind - je zien.
2. I 4.
|
Wil geheugen. Dat we brengen Rozenkrans en lofgedicht; Dat we waken, 't Harte maken |
Laat ons samen. Naar betamen Rozen vlechten tot een kroon, 't Hart, zoo louter Als op quot;t outer Toteenrustplaats voorUwWicht. 't Waslicht, wijden aan Uw Zoon. |
|
3. O die Zonne! Liefdebronne! Die gij als uw God bemint; Geeft, o reine! Ons dat kleine, Geef ook ons Uw Godlijk Kind. |
5. En Hem drukken Met verrukken. En Hem wiegen aan de borst. Die alleene Naar dat ééne. Lieve, kleine Kindje dorst. |
6.
En dan sluiten Alles buiten.
Om met Hem alleen te zijn;
En te geven Heel ons leven,
Alles aan dat Kindekijn.
') Met toestemming van den componist overgenomen uit âMaria-liederen van wijlen Mgr. P. v. d. Ploegquot;, Van Leeuwen, Leiden.
ia
No. 6. Salve Retina.
i
g â¢
j I Ge-groetzijt Gij, o Ko-nin-gin, o Ma-ri - a,
i-n - a, I
Des he-melshoo-geRijks-vor-stin! Al - le-lu-ja! (
jÃ
âK-
Looft. Haar, gii Che - ru - bun ! n ,
J r) ⢠, tt â¢â¢ q i - » f woet nu u-we
rryst Haar, gy fee - ra-phim! \
-St
U .11
i
hi: ?
|
Alleluja! Looft Haar, gij Cherubim! enz. 3. Gij, onze hoop, ons leven zoet, O Maria! [groet! 1 Looft Haar, gij Cherubim! enz. 4. Tot U richt zich de droeve klacht O Maria ! Van Eva's jammervol geslacht. Alleluja! Looft Haar, gij Cherubim! enz. Ko-nin-gin! Sal-ve, Sal-ve, Sal - ve Ke - gi-na! 2. 5. O Moeder der barmhartigheid, | TotUdan stijgt ons klaaggeschal, O Maria! ' O Maria! Van liefde vol en teederheid! Van uit dit aardsohe tranendal. |
Alleluja! Looft Haar, gij Cherubim! enz. 6. 0 Mid'lares, sla van omhoog . O Maria! Wees, Moedermaagd, van ons ge- Op onze ellende uw minlijk oog. Alleluja! Alleluja! Looft Haar, gij Cherubim! enz. 7. En toon ons eens bij onzen dood, O Maria! De heil'ge vrucht van uwen schoot. Alleluja! Looft Haar, gij Cherubim! enz. |
8.
0 Maagd, zoo minlijk en zoo zoet, 0 Maria!
Wees duizendmaal van ons gegroet!
Alleluja !
Looft Haar, gij Cherubim ! enz.
14
No. 7. Ave maris Stella.
- groet, Gij ster-re van het meer! Ver-he-ven Moe-der van den Heer, En al-toos Maagd, Gij He-mel-
ï^ c.: » I '.J *] 'J ' ] J f- ~
poort! Die ons 't ver - bei - de heil be - schoort.
2. Wat Gabriel U heeft verkond,
Neem 'i Ave van zijn englenmond.
Keer Era's naam ton zegengroct,
Dat ge ons in vrede vest en hoedt.
3. Wil zondaars van hun boei ontslaan,
Breng voor de blinden 't heillicht aan. Verdrijf ons kwaad met alle straf.
Smeek al het goede voor ons af.
4. O toon ons, dat gij Moeder zijt.
Dat Hij, die zich uw Zoon belijdt,
Door ü eens tot ons heil gebaard.
Door ü ook ons gebed aanvaard'.
5. Der Maagden zonderlinge bloem, Zachtmoedige! der zachten roem ,
Tk bid, dat ge onze schuldboei slaakt, Zachtmoedig ons en zuiver maakt.
6. Verleen een reine levensbaan.
Beveilig 't pad waarop wij gaan ,
Opdat wij, Jezus ziend', verheugd
Te zaam steeds juichen in Zijn vreugd.
15
7. Zij God den Vader lof en eer. Met Christus, d'allerhoogsten Heer; Zà de eigen roem den Geest bereid, Den Drie ééne eer in eeuwigheid.
No 8. âMaria te minnenquot; *).
Ma - ri - a, Mijn Moe-der, U wijd ik mijn hart, Aan
±
«
=1=;
I O
a te min-nen Wat za - lig ge-not! is on - ze Moe-der, De Moe-dér van God !
I ' » I It
In vreugd en in smart.
. | I « « â¢'
U mij-ne
â0â#-: I i lief-de
|
Gij helpt uwe kind'ren In droefheid en strijd Met machtige bede O Moeder, altijd. Maria, enz. |
3. Het schijnschoon der wereld Verblindt ons gezicht , Doch steeds wijst üw liefde Op 't hemelsche licht. Maria, enz. |
Het zoete der aarde
Verlokt onzen geest Gij geeft ons de zoetheid Van 't hemelsche feest.
Maria, enz.
') Met toestemming van den WelEerw. Heer Fr. Eppink, overge-nornen uit zijn âLooft den Heer!quot; Dekker amp; Van de Vegt, Utrecht.
16
No. 9. â0 Koningin vol Majesteitquot; 1).
if'' .1' â
-I.
-0â\
1. 0 Ko-ning-in vol ma-je-steit,
-râ â¢--1---gt;â£gt;--
a! Gij trou-we hulp der Ohris-ten-heid,Ma-ri -
qurâI-
i
i
Zie ons om uw le-ger-vaan, Ster-ke Vrou-we,
ih-h
voer ons aan. O, leer ons lij-den En help ons strij -
.H' :|
»
-â¬=t=
den. Ju al-len nood, Tot in den dood, Ma - ri
|
2. O goed, o heilig Moederhart, Maria! Gij leedt voor ons zoo bittre Maria! [smart. Laat die droeve folterpijn, Niet voor ons verloren zijn. O, leer enz. 3. |
4. Uw voet heeft Satans kop Maria! [verplet, üvv zege ons van den dood Maria! [gered, Zie, do vijand valt weer aan; Kom opnieuw zijn trots verslaan, O, leer enz. 5. |
O Ster der zee in onweersnacht, O Maagd, ontvangen zonder
Maria! 1 Maria! [smet,
Verblijd ons door uw stralen- Verhoor ons vurig smeekgebed, Maria! [pracht, Maria!
Geef uw kindren nieuwen moed, Als de storm hen vreezen doet. O, leer enz.
Krijgsheldin door Jezus sterk. Schenk de zege aan Jezus' Kerk, O, leer enz.
1
Met toestemming van den WelEerw. Heer Fr. Eppink, overgenomen uit zijn âLooft den Heer!quot; Dekker S: Van de Vegt, Utrecht.
17
53
No. 10. âMaria's naam zoo zoetquot; *).
1. Ma - ri - a's naam zoo zoet; Staat diep in ons ge-
^=f
-r
moed, Blijft daar ge - schre-ven : Is ons ten al - len
lt;5-
I . â ~N'
'U * 'I
tijd Een wa-pen in den strijd Op dood en le - ven.
|
2. O teed're Moedermaagd Hoor, wat ons hart U vraagt, Verhoor ons smeeken: Wil voor ons op Uw troon, Bij God, Uw lieven Zoon, Goedgunstig spreken. |
3. Als Satan ons bekoort, En tot het kwade spoort, Toori dan erbarmen. Versterk ons door Uw kracht. En steun ons door Uw macht, Wil U ontfermen. |
4.
Blijf trouw aan onze zij Sta met Uw liefde ons bij,
In 't uur van scheiden. Wil moeder aan uw hand Naar 't hemelsch vaderland Uw kindr'en leiden.
No. 11. Maria-tenhemelopneming'.
-iâ\â«
Wie, wie zie ik op-waarts zwe-ven. Van het zon - ne-Van eenkroon-ge-stern-teom-ge-ven. Dat haar om het
â l
quot;) Met toestemming van den WelEerw. Heer Fr. Eppink overgenomen uit zijn âLooft den Heerquot; Dekker amp; Van de Vegt, Utrecht.
18
*=^i==F=^3^==j=â»âJ j ^ gâ!
Iicht om-vloeid I ^ , , ,
voor-hoofd gloeit 1 -len dar *te quot; len en ^11'61quot;611
ff r r ^ * I * T~^i ^=5=^
E-den's bloe-men voor haar voet, Waar zij on-der
^ ^ ^ 'i-T r | Jâlt;l~ j ^ ||
'tblij ge-lei-en Naar haar Wel - be - min-de spoedt.
2. 't Is de Maagd van God verkoren,
Door der vad'ren stem voorzeid,
Die uit Davids stam geboren,
Eeuwen zuchtend was verbeid;
Zij, na zooveel bange jaren,
Zij, moest in een herderstal,
't Wichtje door een wonder baren,
Dat de God was van 't heelal.
3. Blij dan zij haar lof gezongen!
Van geslachte tot geslacht Worde door ontelb're tongen
's Werelds dank haar toegebracht:
Zij, zij is het, die aan de aarde
Heil en vrede wedergaf:
Want het Wichtje, dat zij baarde,
Sloeg ons Satans kluisters af.
4. O dat we immer met vertrouwen,
In het leven, in den dood ,
Opwaarts naar Maria schouwen,
Die haar kind'ren nooit verstoot;
Waar Gods Eng'len neêrgebogen
Staan om d'eeuvvigen glorietoon,
Deelt zij Jezus' rijks vermogen,
En beveelt ze ons aan haar Zoon.
â¢-
19
5. Luide moet ons lied dan rijzen
Om de glorie, die haar kroont, Luide Jezus' liefde prijzen,
Die oneindig haar beloont.
Heden dan met d'Eng'lenkringen
Juichen wij, vervoerd van min ; Maar, nog aardsche bannelingen, Roepen we ook haar voorspraak in.
No. 12. Smeekzang tot Maria.
Emiyen. Allen.
1. 0, Gij uw glo-rie in-ge-gaan, 0 Ko-nin-gin, o Eenigen. Allen.
Ko-nin-gin! Hoor'csmeeken u - wer kin-drenaan, 0
Ko-nin-gin Ma - - ri - a.
2.
Bid voor de Kerk, voor Jezus' Bruid
O Koningin, o Koningin!
Straal' Zijne glorie in haar uit; O Koningin Maria!
3.
Bid voor 't beminde Hoofd der Kerk,
O Koningin, o Koningin! Dat Jezus hem verlichte en sterk', O Koningin Maria!
20
4.
Bid , dat uw Zoon de Herderschaar, O Koningin, o Koningin!
In Zijn getrouwen dienst bewaar, O Koningin Maria!
5.
Bid, dat hun kudde tot hun vreugd, O Koningin, o Koningin !
Moog bloeien, groeien in de deugd, O Koningin Maria!
6.
Bid, dat geen Christenvorst of staat, O Koningin, o Koningin!
Aan 't heil van Kerk of zielen schaad', O Koningin Maria!
Weer, Moeder! alle zonde en strat,
O Koningin , o Koningin !
Weer alle geesels van ons af, O Koningin Maria!
8.
Bid, bid voor ons in allen nood ,
O Koningin, o Koningin! En blijf ons bij tot in den dood, O Koningin Maria!
21
No. 13. Ter eere van Maria. -
I O beeld van'treinste le-ven, Ma-ri - a, Jo-zefs bruid!\ 'Zoo wij ons hart U ge-ven, Gij deelt uw gunsten uit. J
I I ; 1âr » I I
# | gt; « ^ #|« ^ ⢠| -r
Ach dat ik U be-min-ne In blijd-schap en in smart; Druk ^ '* 'l= ' ' *' ' '
diep mijn Ko - nin-gin-ne! üw beelt'-nis in mijn hart.
2. O Jozefs Bruid, mijn Moeder!
Mijn trouwe toeverlaat!
Werd niet uw Zoon mijn Broeder,
Die nooit uw beö versmaadt?
Ach, dat ik U beminne,
In blijdschap en in smart;
Druk diep mijn Koninginne!
D beelt'nis in mijn hart.
3. Ach, was ik rein van zonden,
O vlekkelooze Maagd!
Ik zou uw lof verkonden
Gelijk het ü behaagt.
Ach, dat ik ü beminne,
In blijdschap en in smart;
Druk diep mijn Koninginne!
U beelt'nis in mijn hart.
4. 'k Zou met uw trouwe scharen,
En 'tjuichend hemelheer,
Mijn dankend loflied paren,
En jub'len u ter eer.
Ach, dat ik U beminne,
In blijdschap en in smart;
Druk diep mijn Koninginne!
Uw beelt'nis in mijn hart.
22
5. Helaas! hoe moet ik klagen,
Dat ik onwaardig menscb, U zoo niet kan behagen,
Als ik het vurig wensch. Ach, dat ik ü beminne,
In blijdschap en in smart; Druk diep mijn Koninginne! Uw beelt'nis in mijn hart.
6. Maar 'k wil mij alle dagen,
Mijn Moeder! U ter eer, Godvruchtiger gedragen,
En dienen mijnen Heer. Ach. dat ik ü beminne,
In vreugde en in smart; Druk diep mijn Koninginne! Uw beelt'nis in mijn hart.
No. 14. âKindren van Maria.quot;
.' -â¢1^' I
*) Met toestemming van den componist overgenomen uit âMaria-liederen van wijlen Mgr. P. v. d. Ploegquot;, V. Leeuwen, Leiden.
23
Zoon en Heer, Daalt Zijn lief-deen vre - - de
de har - ten neer.
2. Kindren van Maria!
Op uw Pelgrimsbaan,
Heft, nu 't Alleluja,
Heft uw loflied aan.
's Vijands legerscharen
Vlieden vol van schrik;
Ons blijft zij bewaren Met haar Moederblik.
3. Kindren van Maria!
Op uw pelgrimsbaan,
Heft nu 't Alleluja,
Heft uw loflied aan.
Haar zijn wij gegeven,
Toen haar Jezus stierf,
En ons 't eeuwig leven Door zijn dood verwierf.
4. Kindren van Maria!
Op uw pelgrimsbaan ,
Heft nu 'tAlleluja,
Heft uw loflied aan.
Roept op al uw wegen ,
Eoept uw Moeder in:
Nooit, neen, zonder zegen Laat zij haar gezin.
5. Kindren van Maria!
Op uw pelgrimsbaan,
Heft nu 't Alleluja,
Heft uw loflied aan.
Moeder! blijf ons leiden
Naar de hemelwoon;
Breng ons bij 't verscheiden Tot uw God en Zoon.
24
No. 15. Jubellied aan Maria Onbevlekte Ontvangren.
Mel. van M. J. A. Lans, Pr. quot;)
Fz. 3 ~ i H i ! Jâi -ri-
-w,
1. Lie - ve Moe-der van den Heer! Laat ons om uw
. t ® # i ' I - f I = ' I
ze - tel drin-gen, Laat uw kind'-ren U ter eer, ^'t Ziel-ver ~-~ruk-kend feest - liedquot; zin - gen;'t Moet weer-
| f ' 1 - ' : 1 I = I ^ 1 'tl
_
klin-ken luid en blij: Moe-der, on-be-vlekt zijt gij!
2. 't Heeft reeds 't wijde wereldrond,
En herscheppend overklonken, 't Woord door Pius' mond verkond ; En uw kind'ren vreugdedronken, Jub'len op uw feestgetij: Moeder, onbevlekt zijt gij!
3. Neen, dat loflied zwijgt niet meer:
Tot aan 's werelds verste palen , Zullen met het hemelsch heer Al uw kind'ren 't luid herhalen, 't Woord van 't zalig jubeltij: Moeder, onbevlekt zijt gij!
*) Met toestemming van ilen componist overgenomen uit âMaria-liederen van wijlen Mgr. P. v. d. Ploegquot;, V. Leeuwen, Leiden.
25
4. Ed we voegen dank en beö
Aan de blijde feestgezangen; Wie, wie dankt niet met ons mee Voor al 't heil door (J ontvangen , In het zalig jubeltij;
Moeder, onbevlekt zijt gij!
5. Zonnezuiv're Moedermaagd!
Om de glorie ü gegeven.
Hoor ook wat ons hart u vraagt: Dat we na een schuldloos leven Eeuwig jub'leu aan uw zij: Moeder, onbevlekt zijt gij!
No. 16. De Onbevlekte Ontvang-enis van Maria.
Mel. van M. J. A. Lans, Pr. ')
~ W
1. Laat mij nog een lof-zang wek-ken, Schoon-ste! wie de
â es J ^
aat u:
m
he-mel mint; Blan-ke le-lie zon-der vlek-ken, Ko - ze die geen weêr-ga vindt; Hel-d're ster aan 'she-mels kim-men.
Smet-te - loo-ze mor-gen-gloor! Laat mijn zang-toon
- = I = - -g J 3 * 1 = ' # J ^ : v
tot U klim-men. Bloem van Ju - da's maag-den - koor.
') Met toestemming van den componist overgenomen uit âMaria-liederen van wijlen Mgr. R v. Ploegquot;, V. Leeuwen, Leiden.
26
ü mocht nooit bet vonnis treffen,
Dat er kleeft aan 't aardsch geslacht. God wilde u den vloek ontheffen, Die ons doemt in Satans macht. Hij, die vóór alle eeuw regeerde,
Heer van leven is en dood,
Hij was 't, die zijn Moeder eerde,
Toen zij werd in Anna's schoot.
3.
Haar zou d'eeuwige Geest omzweven, En zijn Bruid mocht niet bevlekt, In wie Hij den God van 't Leven Eens het aardsche leven wekt. Goddelijk, Drieüenig wezen!
Vader, Zoon en Heil'ge Geest! Eeuwig zij de gunst geprezen,
Die gij aan dit kind beweest.
4.
Satan sloeg in nieuwe woede
Toen bij 't vreemd geheimnis zag, En zijn nederlaag vermoedde
üit Maria's woldingsdag.
Was hij nimmer nog geweken,
Greep hij 't kiemend leven aan:
Hier, hier is zijn macht bezweken,
Hier hem d' eerste buit ontgaan.
5.
God van eindeloos ontfermen!
Zie ons aan met vaderoog;
Wil voor Satan ons beschermen, Die ons vaak aan ü onttoog;
En Gij, Moeder, vol genade!
Die de helslang hebt verplet,
Vraag, dat ons geen zonde schade, Maagd, ontvangen vrij van smet.
27
No. 17. Het Wees Gegroet.
Mel. van M. J. A. Lans, Pr. quot;) 1. Wees ge-groet op kin-der-toon , Wees ge-groet Ma-
ri - a, Moe - der Van Gods Eén - ge - bo - ren Zoon,
,j_ .1 .Ml
U zij ook mijn lied ge - wijd!
2.
Allo gunst vondt gij bij God,
Alle volheid van genaden; Ach, zij ook zijn gunstgenot
Mij ten troost op 's levens paden! Moeder Gods! o bid voor mij, Dat ik Hem gevallig zij.
3.
Met u is uw God en Heer!
Wie zou u geen glorie geven? O, mocbt ik ook Hem ter eer.
Altijd in zijn liefde leven ! Bid , Maria! bid voor mij,
Dat dit al mijn streven zij.
*) Met toestemming van den componist overgenomen uit âMaria-liederen van wijlen Mgr. P. v. d. Ploegquot;, V. Leeuwen, Leiden.
28
4. Wie zal ous uw heil'ge jeugd,
Wie, gezegengste alle vrouwen ! Vol genade en vol van deugd,
Al uw heerlijkheid ontvouwen? Bid , Maria! bid voor mij, Dat ook ik gezegend zij.
5. Ja, dat mij uw God en Zoon,
Aller Zaligmaker, zegen'! Stroom zijn liefde en gunstbetoon Op uw smeekgebed mij tegen! Moeder Gods! o bid voor mij, Dat uw Zoon mijn Jezus zij.
6. Lieve Moeder, o mijn vreugd.
Bid voor mij en bid voor allen. Die door godsvrucht, reine deugd,
Streven naar uw welgevallen; Bid voor ons in allen nood,
En in 't uur van onzen dood.
Alien.
No 18. Loflied aan de H. Maag-d Maria.
m Eenic/en.
H
-0â»
-0---0-
- â
1. Ã He-mel-ko-nin - gin ! Ik zing met hart en zin : Ge-
Kenigen.
groet zijt gij, Ma - ri - a. Ge-groet zijt gij. Ma - ri - a! Wat
-t~0---O
Allen.
heil heeft niet voor de aard , Dat he-mel-woord ge-baard: Ge-
^-0-0-* 0-S-
groet zijt gij Ma - ri - a. Ge-groet zijt gij Ma - ri - a!
29
De heimacht stond ontsteld, Toen u Gods Engel meldt:
Gegroet zijt gij, Maria! (his.) Die groet had het begin Van 's werelds redding in ; Gegroet zijt gij, Maria! (bis.)
Daarom zong luid en blijd', De Kerk ten allen tijd :
Gegroet zijt gij, Maria! (bis.) Nog zingt in vreugd en smart Elk dankbaar kinderhart: Gegroet zijt gij, Maria! (bis.)
Ja, Moeder van Gods Zoon! Wie juicht niet op dien toon;
Gegroet zijt gij, Maria! (bis.) De hemel gaat ons voor,
Daar zingt heel 't Englenkoor; Gegroet zijt gij, Maria! {bis.)
En wij in 't aardsche stof, Wij zingen tot uw lof:
Gegroet zijt gij, Maria! (bis.) Als satan ons bekoort. Wij spreken 't machtig woord: Gegroet zijt gij. Maria! (bis.)
En luid in allen nood,
Roep ik tot in den dood,
Gegroet zijt gij. Maria, [bis.) En lig ik stervend neer, Dan zucht ik nog te meer; Gegroet zijt gij. Maria! (bis.)
En stervend bidt uw kind, Dat eeuwig u bemint:
Gegroet zijt gij. Maria! (bis.) O dan in 's Hemels stee, Dan juich ik eeuwig meê: Gegroet zijt gij, Maria! (bis.)
30
No. 19. Smeeklied om de bekeering: van ons Vaderland.
Me!, van W. P. H. Jansen, Pr. *)
=i
-3âf-
f j -es * I P-
1. O Moe - der-maagd! wat is 'tons zoet. Te zin-gen
^-----------r^[
t-M 1 -
J-
^ * i r
tot uw lof; Wat vreugd voor 't kin-der - lijk ge-moed, En voor des he - mels hof. Ach! hoe ver-
langt de lief - de-brand, Die on-ze ziel ver - slindt, Dat
i I
» 4 aâi-------w-âi i : 4âiât-
ons dier-baar Va - der-land Door al - len
ge in
i
wordt be - mind.
2.
Gedenk niet, Moeder! wat al smaad
ü hier is toegebracht;
Is toch niet veel bij veler kwaad,
Wat hunne schuld verzacht? Is door uw Zoon , ook hun ten zoen,
De smeekbeö niet geschied; âVergeef hun. Vader, wat zij doen, Ach neen , ze weten 't nietquot;.
') Met toestemming van den componist overgenomen uit âMaria-liederen van wijlen Mgr. P. van der Ploegquot;, Van Leeuwen, Leiden.
31
O Moeder van barmhartigheid !
Gedenk het bij den Heer,
Wat glorie hier U werd bereid,
En oprijst meer en meer;
Klonk niet weleer uw naam alom
Door alle stad en veld?
Wordt nu in huis en heiligdom Niet luid uw lof vermeld?
4.
Gedenk, hoe Jezus' dierb're Bruid,
Zijn Kerk, door u bemind, D toezingt, dat ge eeuw in eeuw uit.
De ketterij verwint ;
O vraag dan, dat wie hier ook dwaal',
Door Gods gena verlicht.
Zich bij dien zachten liefdestraal Tot ü, o Moeder! richt.
5.
Gij, die zoovelen hebt gered,
Voer, om uw Moedernaam ,
Voer allen hier, door uw gebed.
Tot ééne kudde saam;
O geef aan allen, zooals wij,
Te zingen tot uw lof Hier, Moeder, op uw feestgetij En dan in 's hemels hof.
32
No. 20. Avondgroet aan Maria.
=1=3
1-!:
m
-0âI-
f»
=^=i±i
^ ( Ma - ri - a's beeld te mid-den Van vroo-lijk flikk'rend ( Het noodt ons hier te bid-den, Bij 't al-taar, haar ge-
SS
stidit' ^omt, l^at Qns tot liaar ij - len. Lof zin-gend daar ver-
5 1 ? I '=13
wij - len, Ma - ri - a, Ma-ri - a. Moeder! ze-gen ons.
|
2. Komt, nèg een kinderbede, Maria toegebracht! En dan in 's Heeren vrede, Den slaap weer ingewacht. Gerust en wel te moede, Vertrouwend op haar hoede, Maria, Maria, Moeder! zegen ons. |
3. Wij bidden u te gader. Bij 't einde van deez' dag. Vraag Moeder, onzen Vader, Wiens wakend oog ons zag. Dat Hij ons kwaad verschoone. Het goede ons eenmaal loone, Maria , Maria, Moeder ! bid voor ons. |
4.
Beveilig uwe kind'ren ,
O Moeder! dezen nacht; Dan zal geen kwaad ons hind'ren.
Dan is ons slapen zacht; Dan ziet ge ons morgen weder, O Moeder , goed en teeder!
Maria, Maria ,
Moeder! wees gegroet.
33
No, 21 Afscheidslied te Kevelaer.
Ei ï
' - «
â «.
( Vaar-wel, vaar-wel, wij schci-dcn, Vaarwel, o Ke - ve-( Kon zij hier lau-ger bei-dcu, Nogbleefdepel-grims-
1 ï f; ⢠*
« *
i -
-iâ^
sc'b'i-ir j Maar, Moeder Gods, blgf Gij, De trou-wc pelgrims-
bij! Maar,Moe-dor Gods, blijft Gij de trou-we pelgrims l)ij!
2.
Docb schoon wij huiswaarts streven.
Wij laten 't harte daar:
Zoo zoet is 't ons te leven, In 't vriendelijk Kevelaer.
Maar, Moeder Gods, enz.
3.
Wij zullen 't luid verkonden,
In 't vaderland gekeerd,
Hoe daar uit duizend monden Gods Moeder wordt vereerd.
Maar, Moedor Gods, enz.
a
34
4.
Door onze vaderdreveu
W eerkliuke 't pelgrimslied ; En^ neeo , zoolang wij leven ,
Zwijge onze lofzang niet. Maar, Moeder Gods, enz.
5.
Mocht aller hart ontgloeien,
Maria! in mv min , De godsvrucht tot u bloeien
In 't Christen huisgezin! Maar, Moeder Gods, enz.
6.
Vaarwel, vaarwel, wij scheidea
O dierbaar Kevelaer!
Moog God ons hier weer leiden, ^ Te beêvaart, 'tander jaar! Ln, Moeder Gods, blijf gij,
Blijf uwe pelgrims bij.
35
No. 22. Hulde aan Maria.
'I-. i.. . ; ;: ^
j1 â¢* *
*â«
1. Aan U, o Moe-der, ver-be-ven. Aan U zij het ju-blend
è* â â __
\j 'â: â---,-*-
lied ; Gij schenkt den kost - baar - sten ze - gen, Dien
r:'U -i
dequot;of he - mei biedt! Gij hebt ons hier ver-
»r-.. I lt; ii â¢â¢ » I : j Ij * «quot;j
be - de Tot Je - zus u-wen Zoon, En brengt ons al - Ier a ^ lt;
ee - nigd Om uw ge-na-de-troon, En brengt ons al-Ier
-1--St---
⢠*L.
-TT- »
2. üe vreugdzangen weerklinken
O O
Uw zegen brengt blijdschap aan,
Uw zegen brengt ons den hemel,
Op deze pelgrimsbaan.
Gij zijt een moeder, teeder
In blijdschap en in smart.
En moeder zoo als geene
Voor 't minnend kinderhart, (bi-s.)
be - de Tot Je - zus u - wen Zoon.
dr
* '0
é ' '
fi r
3*
36
3. O Moeder, blijf met uw zegen Uw dierbare kind'ren bij ,
Voer hen ter eeuwige vreugde, Ten zalig feestgetij;
Daar danken onze zangen ü. Moeder, zoo bemind,
Daar kroont uw moederliefde Het trouw Mariakind. (bis.)
No. 23. Lied ter eere van den H. Joseph.
J .
1. Heil U, o trouwe Hoe - der Van Je-zus,'tgodlijk Kind. En
1 â»â
:t-* i I
âr
lï
=p:
van Zijn heil-ge Moe-der,Door ons zoo teêr be - mind. Een
^1-7 -
lied zij U ge-zon-gen, Uw wak-ki-e zorgten loon, Een
lied aan 'tbart ont-spron-gen op on - be-dwing-bren toon !
|
2. O Joseph! Voedstervader Van Jezus onzen Heer. Wij treden biddend nader Eu knielen voor U neer; Want in uw Vaderarmen Draagt gij het go dl ijk Kind, 't Zal onzer zich erbarmen Wijl 't uw gebed bemint. |
Wil Joseph voor ons vragen, Dat wij in 's levens lot Ons naar zijn wil gedragen, Getrouw aan zijn gebod. Wil door uw beé verwerven , O trouwe toeverlaat. Dat wij den hemel erven. Als eens ons sterfuur slaat. |
37
4.
Wij suieeken ü te gader, Patroon van Nederland.
Blijf Joseph, ons ten Vader,
Bescherm uw dierbaar pand. Vraag ons met Jezus moeder
Zijn hulp in allen nood. En blijf ons trouw ten hoeder, Van nu tot in den dood.
No. 24. St. Maptinuslied.
.1.
I. Zie uit uw hoo - gen vre - de, Mar - ti - nus! op ons
ï
l
neer.
Ons hart brengt met zijn be - de ü Refrein.
ï-
staam'-lend lof en eer.
Leid ons aan uw hand, O heil'-ge schuts-pa-
Bid voor stad en land.
32=5=
« »
t
⢠H ' ;|
troon Naar 'sHe - mels Glo - rie-kroon. 2.
Gij deelt der armen smarte, Verhoort der armen beê;
Deel ons, zoo arm van harte
Gods rijkste gaven mee!
Refrein: Bid, enz.
38
3.
Gij roept in 't grat het leven Het leven keert er weer
Wil onzer zielen geven Het leven van den Heer.
Refrein: Bid, enz.
4.
Voor Jezus wilt gij lijden
Gij schroomt den arbeid niet!
Breng ons bij 't vvisslend strijden Den troost dien Jezus biedt.
Eefrein: Bid, enz.
5.
De duivel zelf moet wijken Hij vlucht met heel zijn macht
Laat ons ook niet bezwijken Geef ons Gods heil'ge kracht.
Refrein: Bid, enz.
6.
God zelf en d' Eng'len zweven Bij 't sterven u ter zij
Ach sta geheel het leven Met d' Eng'lenschaar ons bij.
Eefrein: Bid, enz.
7.
Wil lof den Vader geven
Den Zoon, den heil'gen Geest
Wier glorie van uw leven De glorie is geweest.
Refrein: Bid, enz.
39
No. 25. Smeeklied voor de overledenen.
1. O Ma - ri - a, vol ge - na - de, Hoor ons smee - ken
in dit uur Voor uw kind'-ren, die zoo lij-den
In het vrees'-lijk va - go - vuur; Geef hun door uw
moe - der - beè Zaal'- ge rust en he - mei-vree!
2.
O, hoe troostend klinkt uw Name
Hem, wien felle smarte deert. Als hy in zijn bitter lijden
Zich vertrouwvol tot ü koert; Breng dan, Moeder, laaf'nis aan Hun, die zóó in smart vergaan!
3.
Ook voor hen hebt Gij geleden ,
Toen Gij, met Uw Zoon gewond, Met Hem al zijn pijnen deelend,
Onder 't bloedend kruishout stond; Deel hun die verdiensten meê,
Geef hun rust en zaal'gen vreë.
40
4.
Moeder, Toevlucht der bedrukten ,
Spreek voor hen een enkel woord, Help hen, die uw hulp behoeven
In dat smartvol tranenoord; Wat Gij vraagt, dat is gebod Bij uw lieven Zoon en God.
5.
Moederlief! 't is nooit vernomen , Dat er geen verhooring kwam, Als in ziele- of lichaamslijden
Men tot ü zijn toevlucht nam; Ach, verlos dan van hun pijn, Moeder, die uw kind'ren zijn!
|
is uw ver - lâr r mo - gen. ü |
-4-1 zSz Voor uw No. 26. Te Deum Laudamus. -|âr * 1 é\0= 1. Groo - te God! U lo - ven wij. On - be - paald is Buigt zich 'taardrijk op - ge - to - gen. Gij be - stond voor |
j | || I I| Ij rj 71quot;^ * op - per - heer-schap - pij, i |
i|j
g;
-±
f é
zijt
ven-de eeuwig wat Gij zijt.
2. Alles heft een loflied aan Cherubijnen , Serafijnen , Duizenden Engelen die staan
Rond nvv troon om U te dienen Alles roept U nimmer moe,
Heilig , Heilig , Heilig , toe.
eè^eE
al-len tijd, Blij
41
3. Al wat op Uw vruchtbaar woord Groote God der legerscharen ! Uit het niet sprong dankbaar voort
Alle Scheps'len die ooit waren Hemel, Aarde en Oceaan Alles heft een danklied aan.
No. 27. Adoro te.
m .â . .-i
iSE
4r
I. Ad - ó - ro te de - vó - te. la-tens Dé - i - tas
Quae sub his fi - gü - ris ve - re la - ti - tas;
l J ijj
* * J
pp
bi se cor me - um to - turn sub - ji - cit,
au - ge fi-dem óm-ni-um in Te cre-dén-ti-nm. 2.
O memoriale mortis Domini,
Panis vivus vitam praestans hómini,
Praesta meae menti de te vivere,
Et te illi semper dulce sapere.
Ave Jesu, enz.
.. /U
z4
33
â¢ââ¢ââ¢---
Qui - a te con - tém - plans to - turn dé - fi - cit.
Efet
A - ve Je - su, pa - stor fi - dé - li - um! Ad
-I__1-
42
3.
Jesu, quam velatum nunc aspicio, Oro fiat illud, quod tam sitio: Ut te revelata cernens facie,
Visu sim beatus tuae glöriae. Ave Jesu, enz.
m
No. 28. Salve Regina.
Sal-ve Re - gi - - na, ma-ter mi - se - ri-cor-di - ae,
Ã
vi-ta, dul-cé-do, et spes no - - - stra, Sal - - ve.
Ad te cla - ma - nus éx - u - les fi - li - i E - vae.
Ad te sus - pi - ra - - mus ge - mén - tes et
,-^-0_________
Jf Tilt;-----
flen - - - tes in hac la - cri - ma - - rum
val - le. E - ja er - go ad - vo - ca - ta nos - tra
43
nos con - vér-te. Et Je - sum, be - ne-die-turn
44
2. Et ex - ultavit Spiritus - - - - - - me - us
3. Qui - a respéxit | humilitatem ancillae - - suae :
4. Qui - a fecit mihi magna | qui potens - - est,
5. Et mi - sericórdia ejus | a progénie in pro-géni - es,
6. Fe - cit poténtiam | in brachio - - - - su - o:
7. De - pó - suit | poténtes de - - - - - - se - de,
8. E - su - riéntes | implévit - - - - - - bo - nis,
9. Sus cé - pit Israiil | püerum ----- su - um,
10. Si - cut locütus est | ad patres - - - - no - stros,
11. Gló-ri-a Patri | et - -- -- -- - Fili - o,
12. Si - cut erat in prineipio | et nunc et - - sem - per,
No. 29. Mag-nificat.
i
li
2. in Deo salu ------- ta - ri me - o
3. ecce enim ex hoc] beatam me dicent
|
omnes gene - ra - ti - ó - nes. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
___J
46
No. 30. Ave Maria.
A - ve Ma - ri - - - - a gra-ti - a plé - na,
I , I , r
Do - mi - nus te - - - cum: be - ne - di - eta tu in
mu - li - é - ri - bus: et be - ne - dl - - etus
â__iz
_â-
fruc-tus ven - tris tn - - - - - 1 Je - sus.
,- I Jl
3= = p - ~ -
Sane - ta Ma - ri - - - a Ma - ter De - 1,
:__Jl
__ii
^ F =
^____ I
o - ra pro no-bis pec - - ea - to - rl-bus
nunc, et in ho - - ra mor - - tis
/â¢7S
no - - strae. A
47
*4
No. 31. Tantum Ergo.
1. Tan-tum ei*-go Sa - cra-mén-tum Ve - ne - ré-mur
2. Ge - ni - tó - ri, Ge - ni - to - quo Laus et ju - bi-
1. cér-nu - i: Et an - ti-quum do - cu - mén-tum
2. la - ti - o: Sa-lus ho - nor vir-tus quo-que
= =i= -.i quot; I^ ^l= =1= =^1
1. No - ve ce - dat ri - tu - i: Prae-stet fi - des sup-ple-
2. Sit et be-ne-dic-ti - o: Pro - ce dén-ti ab u
fct-
/
1. mén-tum Sén - su - um de - féc - tu - i.
2. tró - que Com -par - sit lau - da - ti - o. A - men.
$
No. 32. Laudate Dominum.
Lau - da - te Dominum omnes gen - tes:
laudaté eum om - nes po - pu - li.
Quóniam confirmata est super nos misericórdia éjus: et véritas Dómini manet in aetérnum.
Gloria Patri, et Filio, et Spi - ri - tui Sancto.
Sicut erat in principio et nunc, et semper, et in saecula saeculórum. Amen.
48
No. 33. Miserere mei, Deus.
|
Oude zangwijze. | ||||||
|
y L |
â|----- |
iââ |
--1â |
= | ||
|
fe? |
- ^ |
~ |
_ |
zz | ||
|
i. |
Mi - serére - - |
ui'' |
- i, |
De |
- us: | |
|
2. |
Et secundum multitü- | |||||
|
dinem | miserati- |
ó - |
nuni |
tua |
- rum. |
* | |
|
3. |
Am-plius lava me ab | |||||
|
iniqui- |
ta |
te |
me |
- a, |
* | |
|
4. |
Quó-niam iniquitatem | |||||
|
meam | |
e - |
go |
cognó |
- SCO, |
* | |
|
5. |
Ti - bi soli peccavi et |
v quot;quot; | ||||
|
malum |
co - |
ram |
te fe |
- ci, |
* | |
|
6. |
Ec - ce enitn | in ini- |
quot;â â' | ||||
|
quitatibus |
con - |
cê - |
ptus |
sum, |
* | |
|
7. |
Ec - ce enim | verita- | |||||
|
tem |
di - |
le - |
xi |
sti. |
* | |
|
8. |
A - spérges me hys- | |||||
|
sópo | |
et |
mun |
da |
- bor, |
* | |
|
9. |
Au-ditui meo dabis | |||||
|
gaudium | |
et |
Ise - |
titi |
- am, |
* | |
|
10. |
A - vérte faciem tu- |
Nâ' | ||||
|
am | a pec- |
ca - |
tis |
me |
- is, |
* | |
|
11. |
Cor mundum | crea - |
in |
me, |
De |
- us. |
* |
|
12. |
Ne projicias me | a - |
fa - |
cie |
tu |
- a. |
* |
|
13. |
Red-de mihi laetitiam | | |||||
|
salu- |
ta - |
ris |
tu |
- i, |
* | |
|
14. |
Do-cébo iniquos | - |
vi - |
as |
tu |
as. |
* |
|
15. |
Li - bera me de san- | |||||
|
guinibus, Deus, | | ||||||
|
Deus sa- |
lü - |
tis |
me |
- 86, |
* | |
|
16. |
Dó-mine, | labia - - |
me - |
a a |
- péri |
- es. |
* |
|
^â' | ||||||
49
1. secundum magnam mise- 2. dele ini - - - 3. et a pecca- - - - - 4. et peccatum meum | con- 5. ut justificéris , in sermo- nibus tuis et vincas 6. et in peccatis cencépit 7. incérta et occulta ,| sa- piéntse tuae mani- 8. lavabis me et super ni- 9. et exultabunt ossa 10. et omnes iniquita - - 11. et spiritum rectum innova in 12. et Spiritum sanctum tuum 13. et spiritu principa - - 14. et impii | ad - - - - 15. et excultabit lingua mea 16. et os meum j annuntia- |
- - ^ -II ri - córdi - am tu - am. qui - ta - tem me - am. to me - o munda me. tra me est sem - per. cum ju - di - ca ris. me ma - ter me - a. fe - sta - sti mi - hi. vem de - al - ba - bor. hu - mi - li - a - ta. tes me - as de - le. vi - scé-ribus me - is. ne au - feras a me. li con - fir - ma me. te con - ver - tén - tur. ju - sti - tiam tu - am. bit lau - dem tu - am. | ||||||
50
|
17. Quó - nam | si voluis- ses sacrificium. | de- 18. Sa - crificium Deo | spiritus eon- 19. Be - nigne fac Dómine,| in bona voluntate 20. Tunc acceptabis sacri ficium justitiae, | oblatiónes et 21. Glo - ria..... 22. Sic - ut erat in princi pio I et |
dis - sein üti - que, tri - bu - la - tus, tu - a Si - on, ho - lo - eau - sta, Fa - tri et Fili - o, nunc et sem - per, |
AVONDGEBED.
No. 34. Litanie der H. Maagd Maria.
|
Ueer, ontferm U onzer. â ^Cliristus, ontferm U onzer. Heer, ontferm U onzer. Christus, hoor ons. Christus, verhoor ons. God heraelsche Vader. â Ontferm U onzer. God Zoon, Verlosser der wereld. God H. Geest. H. Drievuldigheid, één God. H. Maria. â Bid voor ons. H. Moeder Gods. H. Maagd der maagden. Moeder van Christus. Moeder der goddelijke genade. Allerreinste Moeder. Allerzuiverste Moeder. Ongeschondene Moeder. |
Onbevlekte Moeder. Beminneliike Moeder. Wonderbare Moeder. Moeder des Scheppers. Moeder des Zaligmakers. Allervoorzichtigste Maagd. Eerwaardige Maagd. Lofwaardige Maagd. Machtige Maagd. Goedertierene Maagd. Getrouwe Maagd. Spiegel der gerechtigheid. Zetel der wijsheid. Oorzaak onzer blijdschap. Geestelijk vat. Eerwaardig vat. Uitnemend vat van godsvrucht. Geheimzinnige roos. Toren van David. |
51
de - le - ctabe - ris.
17, holocaust is |
uon
18. eoi- contritum ct hnini- : _
liatum, I De- ns, non de - spiel - os.
19. ut aedifieen - - - - fur inn - ri Je - rüsa - lem.
20. tnuc impónent super
alta- re tu - nm vitu - los.
21. et........Spi - ri - tui san - etc.
22. et in saecula I sac - - cu - ló - rum. A â men.
Ivoren toren.
Gulden huis.
Arke des Verbonds.
Deur des hemels. Morgenster.
Behoudenis dor krankon. Toevlucht der zondaren. Troosteres der bedrukten. Hulp des Christenen. Koningin der Engelen. Koningin der Aartsvaders. Koningin der l'rofeten. Koningin der Apostelen. Koningin der Martelaren. Koningin der Belijders.
Koningin der Maagden. Koningin van alle Heiligen. Koningin zonder vlek ontvan-gen.
Koningin van den allerheiligsten Rozenkrans. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. -- Spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. â Verhoor ons, Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. â Ontferm U onzer.
{Telkenmale 300 dagen aflaat.)
Onder uwe bescherming nomen wij onze toevlucht, o H. Moeder Gods; versmaad onze gebeden niet in onze nooden , maar verlos ons altijd van allo gevaren , o roemrijke en gezegende Maagd, onze Meesteres, onze Middelares, onze Voor-
52
spreekster; verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan mvei Zoon , vertoon ons aan uwen Zoon.
V. Bid voor ons, H. Moeder Gods;
E. Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.
LAAT ONS BIDDEN.
Wij bidden U, o Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des Engels do Menschwor-| ding van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijnl Lijden en Kruis tot de glorie der verrijzenis mogen gebracht worden. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
Vijfmaal het Onze Vader en vijfmaal het Wees gegroet, voor de bekeering der zondaren.
Oefening van Geloof, Hoop en Liefde.
Driemaal het Wees gegroet ter esre der Zuiverheid van Maria.
Een Onze Vader en Wees gegroet voor Z. H. den Paus,