ocr page 1

Een leerling heet en ben ik slechu Eens wil ik meesier heeten,

God moet ^auurtoe mijn helper zij» Bit mag ik nooit vergeten;

God, die mijn den steeds bcsu Zoolang de dag levens duurt, Aan zijnen

Is aHes mij gelegen.

Naar het Duitsch.

KBRKELIJK GOEDGEKEURD.

ROERMOND. M, WATERREUS, DRUKKER amp; UITGEVIR

1893.

Pef-, ' 'lEES

Vak 164 JI MÉ

Mm

ocr page 2
ocr page 3

Een OMisMar Doekje voor leerlingen in ieder vat

naar het Duitsch

VAN

Insspfi gt;fentog.

jSrfirijoer oan bf „JianMoibing noor hen ^jr^nian.quot;

KKRKELIJK GOEDGEKEURD.

Liturgische (2SIgt;f|0Sgt;£)n9 A ar safe isd® m U C H T Volgnummer ^tbiiotiieek

ROERMOND M. WATERREUS, DRUKKER amp; UITGEVER

1892.

-e^/6 amp; tl

ocr page 4
ocr page 5

Geliefde Leerling T

'andelaar niet weet welken

moet inslaan, begroet hij

met vreugde den wegwijzer die hem in zijn onzekerheid te hulp komt. In zekeren zin zijt ook gij een wandelaar — wel is waar nog een kleine — maar toch: gij begint de reis door het leven, d. w.z.: terwijl gij tot nog toe steeds tehuis zijt geweest, krijgt gij nu omgang met geheel andere menschen. Bij uwe ouders, in den kring uwer familie, in het weeshuis en in de school ging alles veel huishoudelijker, veel gemoedelijker. Maar thans 7710et gij de ki7tderschoenen ttitwerpeTi, thans moet gij leeren een

ocr page 6

— 4 —

degelijk mensch, een degelijk gezel en later een degelijk meester in uw vak te worden. Dk nieuwe leven is voor u gelijk aan een geheel onbekende landstreek; gij ziet niets dan vreemde men-schen en vreemde gezichten. En goed beschouwd, hebt gij nog een grooten afstand te doorloopen, eer gij het gebracht hebt tot meester in een of ander handwerk.

Op dezen weg nu zou ik voor u gaarne een wegwijzer zijn — maar een levende wegwijzer. Het is maar spijtig, dat wij elkander niet kunnen zien, dat wij te zamen niet van mond tot mönd kunnen spreken 1 Ik zou u dan verschillende zaken beter kunnen zeggen want er bestaat een groot verschil tus-schen, of men iets hoort ofwel leest, en wanneer het gesprokene oprecht gemeend is en uit het hart komt, dringt het gewoonlijk ook tot het hart door. Ik kan mij echter, helaas, niet mondeling met u onderhouden; want het is mij niet mogelijk tot iederen leerling te gaan en hem te zeggen, wat ik gaarne zfggen wilde. Ik heb dus dit boekje géschreven, alleen om, tot uw eigen

ocr page 7

welzijn, u te zeggen wat mij op het hart ligt en U naar best vermogen den weg te wijzen. Let nu eens goed op, hoe ik mij ons gesprek voorstel 1 Ik verbeeld mij, dat gij voor mij staat en dat ik tot u spreek. Nu moet gij ook van uwen kant denken, dat gij voor mij staat en naar mij luistert. Mijn woord zal voor u dan zooveel zijn als de wegwijzer. Zij die u voorheen den weg wezen, uwe goede ouders, uwe zielzorgers en uw leermeesters zijn voor het meerendeel niet meer in uwe nabijheid. En mocht dit nog wel het geval zijn, dan vergeten zij het misschien toch u op dit of dat punt opmerkzaam te maken. Hierin nu moet dit boekje voorzien en vandaar, dat ik er den titel aan gegeven heb van: »Wegwijzer voor den leerling.quot;

Gij kunt het overal medenemen en zonder eenige moeite raadplegen. Dat gij het gelezene zoo goed mogelijk in uw geheugen moet prenten, behoef ik eigenlijk niet eens te zeggen. Maar gij moet er dan ook in lezen'. Als men een wegwijzer langs den weg ziet staan en

ocr page 8

— 6 —

niet weet welke richting men te volgen heeft, ziet men niet langs den wegwijzer heen maar men ziet dien aan; de wegwijzer staat daar niet voor niets.

Denk nu niet: ik zal mijzelven wel helpen, ik heb dat alles niet noodig. O neen, de knaap, de jongeling staat dikwijls op een kruisweg zonder te weten: waarheen ? Welke is de weg die naar de deugd, welke de weg die naar de ondeugd leidt? Waar gaat het naar den hemel, waar naar de hel? De toestand van den blinde naar de ziel is dikwijls veel gevaarlijker dan die van den blinde naar het lichaam. De laatste tast zorgvuldig om zich heen en schrijdt uiterst behoedzaam voort, terwijl hij die met geestelijke blindheid is geslagen, zich zeiven in den waan brengt, dat hij genoegzaam kan zien, wijl zijn lichamelijke oogen ongeschonden zijn, en zoo in dollen overmoed voortijlt om ten laatste neer te storten in den afgrond. Zoo zou het ook zeer gemakkelijk kunnen gaan met u, mijn lieve vriend, want in de jeugd is het gezichtsvermogen van den geest zwak en ondervinding

ocr page 9

hebt gij nog niet. Wel zijn er meerdere jongelieden, die zich inbeelden, dat zij verstand genoeg bezitten — maar het tegenovergestelde is veeleer waar. Eer zij het vermoeden, raken zij verward in de netten van andere slechte menschen. En dan worden die netten door bedorven kameraden dikwijls zoo dicht toegehaald, dat zij er niet meer uit kunnen; ik wil daarmede zeggen, dat dergelijke kameraden, den vriend dien zij tot het kwaad hebben verleid, door allerlei verderfelijke inblazingen en redeneeringen in de zonde gekluisterd trachten te houden. Als gij dus geen wegwijzer hebt, mijn waarde leerling, kunt gij u gemakkelijk verloopen, in kwade handen geraken en uw ondergang vinden.

Ten slotte nog deze opmerking: niet alle schoone wegen, voeren naar het doel. Voor uwen blik vertoont zich misschien een prachtige laan met heerlijke boomen of een andere verrukkelijk schoone wandelweg; maar — zij leiden niet naar de plaats waar gij heen wilt.

Neen, slechts langs dien eentonigen weg door het veld, of langs dat steile

ocr page 10

voetpad over den berg zult gij tot uw doel komen. Welken weg nu ingeslagen ? Gij zult zeggen: Wel, natuurlijk dien weg, die naar mijn doel voert, naar de plaats waar ik heen wil, al is hij ook nog zoo moeielijk te begaan.

Juist zoo gaat het in het leven. De weg naar het tijdelijk en eeuwig verderf is dikwijls zeer schoon om te zien en om te bewandelen, hij is breed en gemakkelijk, zeker, oppervlakkig en van den kant der zinnelijkheid beschouwd, gaat men in het begin daarop zeer gemakkelijk en aangenaam en snel vooruit. Maar, maar! — Waar leidt die weg heen?! — Waar vindt gij het einde er van? — Dat is het erge van de zaak. Daarentegen hoe steil, hoe afmattend, hoe hobbelig, hoe verdrietig is dikwijls de weg naar het tijdelijke en eeuwige geluk! En toch, en toch — dit is de ware weg, dien weg moet gij gaan.

Gij weet dus nu wat mijn boekje beoogt. Maak er een vlijtig gebruik van en laat het ook zien aan anderen; zorg echter dat gij het weer terugontvangt en bewaar het goed.

ocr page 11

Wat moet de jongen worden?

is de groote vraag, die ieder jaar gge in duizende familiën wordt gesteld, en voor den knaap, dien zij betreft, is zij een levensvraag. Om haar groot gewicht heeft men er zelfs boeken over geschreven.

Wat moet de jongen worden ? Eenigen antwoorden : hetzelfde, wat zijn vader is; maar er zijn niet weinig vaders, die zeggen: in ieder geval niet, wat ik ben! En in dienzelfden geest verzekeren vele handwerkslieden; alles wat hij wil, maar geen ambachtsman.

Ik zeg dit:

1 De neiging van den knaap moet voornamelijk den doorslag geven; want de neiging, de lust, de liefde tot een of ander vak overwint met gemak alle moeielijkbeden en geeft hoop, dat de knaap later in zijn vak zal uitmunten.

2 Als de zoon het handwerk of het beroep zijns vaders kiest, dan is die keuze zeer dikwijls gelukkig te noemen.

ocr page 12

— 10 —

Het zit dan reeds eenigszins in het bloed. Maar gevoelt de knaap daartoe volstrekt geen neiging, dan moet men hem er ook niet toe dwingen. Afkeer van zijn vak, zou hem kunnen maken tot een ledigganger en een doorbrenger. Met bepaald dwaze neigingen van den knaap kan natuurlijkerwijze geen rekening worden gehouden. Het is echter niet zelden de schuld van de vaders zeiven, dat hun bedrijf den knapen een afkeer inboezemt. Zij toonen hun immers daarvan bijna nooit iets anders dan de donkerste schaduwzijden.

3. Op den bodem van ieder handwerk is nog altijd goud te vinden. En zoo er geen goud te vinden is, dan toch zeker nog zilver en zilver is ook iets waard.

4. Heeft de leerling na rijp overleg een beroep gekozen, dan moet hij dit niet licht met een ander verwisselen, en den meester, bij wien hij in de leer is gegaan, niet om de geringste aanleiding verlaten. Heeft hij echter om gewichtige redenen eenmaal verwisseld, dan moet hij op zijn hoede zijn, dit voor de tweede maal te doen.

ocr page 13

II

Begin met GocLT

fjjp.tt is een overoud en gulden spreek-woord, dat met onuitwischbare letters in ieders geheugen moest opge-teekend staan:jjp.tt is een overoud en gulden spreek-woord, dat met onuitwischbare letters in ieders geheugen moest opge-teekend staan:

»Begin en eindig steeds met God, »Gezegend is uw levenslot.quot; *)

Teeken dit versje aan, maar vooral, schrijf het diep in uw hart. Begin alles met God, voltrek alles met God, besluit alles met God. Begin met Hem iederen dag en ieder werk. Op onze rijksdaalders staat gestempeld: God zij met ons. Ofschoon gij waarschijnlijk nog weinig met rijksdaalders hebt omgegaan, zult gij dit toch wel eens daarop hebben gelezen. Indien gij dit woord gemakkelijker kunt onthouden dan het versje, is het even goed, mits gij er slechts naar handelt.

Begin dus ook uwe leerjaren met God.

Ontvang bijzonder tot dit doel de H.

i) Indien gij iets van liet Latijn kent, Jaat ik het voor u in die taal hier volgen* »Omnia cum Deo, nihil sine eo.quot;

ocr page 14

12

H. Sacramenten en wijd zoo geheel uwen leertijd toe aan God, den Heer. Kunt gij wel een beter begin maken? Als gij dat gedaan hebt, ga dan met volle gerustheid op uw doei aan, d. w. z. naar uwen meester. En wanneer gij zóó, frisch en blank naar lichaam en ziel, bij hem komt, zal hij u met een vriendelijk oog aanzien en bij zich zeiven denken: die jongen bevalt mijl Want gij moet wel weten, dat God, indien gij br?af en van goeden wille zijt, het hart van den meester goedgunstig voor u stemt, evenals Hij het hart van Putiphar vervulde van welwillende gevoelens jegens den jeugdigen Joseph. De godsdienst is immers het schoonste en beste, wat wij menschen bezitten. Als wij den godsdienst niet hadden, zou het ongelukkig met ons gesteld zijn, dan waren wij rampzalige wezens. Aan den godsdienst moet gij vasthouden, het moge gaan hoe het wil; gij zult er u zonder eenigen twijfel wèl bij bevinden. Want zooals men soms wel met recht hoort opmerken; .de goede God laat bij den mensch het water wel eens tot aan, maar nooit

ocr page 15

— 13 —

over de lippen komen. Alleen de godsdienst is reeds op zich zelf schoon en zegenrijk, wijl hij ons hart vervult met waren vrede en ons opvoert tot den oneindig schoonen God.

En al lagen daar nu bergen van goud en zilver, zij beteekenen niets in vergelijking van het heilig geloof en van den godsdienst; en al zouden vader en moeder u verder niets hebben medegegeven dan dit laatste, dan zoudt gij hun reeds daarom alleen tot uwen dood toe dankbaar moeten zijn; want zij hebben u daardoor een grooten schat medegegeven, meer dan de geheele wereld u geven kan.

Jesus, de goddelijke Heiland, is de beste Meester, de Meester boven alle meesters. Ga dus eerst tot Hem, den allerhoogsten en besten Meester en daarna tot uwen aardschen meester; maar den hcmelschen Meester moogt gij nooit vergeten. Hij moet u boven den aardschen gaan; nimmer moogt gij ter wille van den aardschen meester iets doen, wat den Goddelijken Meester mishaagt. Gij begrijpt wel, hoe ik dat bedoel.

ocr page 16

— 14 —

Aan Godes zegen Is 't al gelegen,

zeg1: een versje.

Nader, als het u mogelijk is, om de vier of zes weken tot de H.H. Sacramenten. Gaat dit een enkele maal niet wegens het werk, doe het dan den volgenden Zondag.

ocr page 17

Laat het Kind Jezus uw voorbeeld zijn.

Sissen hemelsche zegen zal op uwe leer-VTSi jaren rusten, geliefde leerling, indien gij het Goddelijke Kind tot uw voorbeeld neemt in alle deugden, maar bijzonder in den arbeid en den ijver. Toen Hij nauwelijks uwen leeftijd had bereikt, stond Hij van 's morgens vroeg tut 's avonds laat in de werkplaats van zijn pleegvader. In zijn machtige en heilige hand hield Hij de zaag, den hamer en den beitel. Welk een hand was dat? De hand van Hem, die hemel en aarde heeft geschapen.

ocr page 18

— i6 —

Leer daaruit het volgende:

i. Als de Zoon Gods zich vernedert tot den arbeid en een handwerk uitoefent, worden beide daardoor verheven en geadeld. Stel u eens voor, dat de koning van het land voor zijn vergenoeging het schrijnwerkers- of schoenmakersvak ging leeren; dan zouden alle schrijnwerkers en schoenmakers zich ten hoogste vereerd gevoelen. Zoo ook is de geheele handwerksstand hoogverheven, wijl de eeuwige Zoon Gods, na zijne menschwording zich gewaardigde handwerksman te worden.

Daardoor heeft de Zoon Gods den handwerksstand en den lichamelijken arbeid gezegend en geheiligd, en daardoor deelt ook gij in Zijnen zegen.

3. Het Goddelijk Kind was van denzelfden leeftijd als gij en had een lichaam gelijk gij. Vraag uzelven nu eens af: Wat zou Hij doen, als Hij op dit oogen-blik hier op het werk mijn plaats vervulde? Ik denk, dat hij niet ledig zou zou staan, dat hij niet ruw zoude lachen of uitgelaten zou zijn. Met de grootste stiptheid zou Hij gehoorzamen en alles

ocr page 19

— 17 —

zoo volmaakt mogelijk verrichten. Welnu, geliefde leerling, doe gij eveneens!

Maria moet uwe Moeder zijn.

^aBfie allerheiligste Maagd Maria was de moeder van den eersten Christen-leerling; want de eerste Christenleerling was haar Goddelijken Zoon zelf. Ofschoon hij als Gori alles wist en kon, wilde Hij toch den uitwendigen schijn aannemen van een leerling. Daardoor zijn alle handwerksleerlingen aan Maria toegewijd en aan haar moederlijke bescherming aanbevolen. Zij heeft hen allen lief, zij heeft dus ook tl lief. Maar dan moet gij u haar liefde ook waardig maken, d. w. z. braaf zijn en godsdienstig en vlijtig. Bid het Onze Vader en het Wees Gegroet steeds aandachtig. Draag ook een medailje ter eere der heilige Moeder Gods of laat u inschrijven in het Broederschap van het Scapulier van den berg Carmel.

ocr page 20

— i8 —

Sint Joseph zij uw schutspatroon.

wordt in het bijzonder beschouwd ïdfyF en vereerd als patroon d. w. z. als beschermer van den handwerksstand, wijl hij timmerman was en met Christus arbeidde voor het dagelijksch brood. Vereer ook gij hem en smeek hem om zijn bescherming en voorbede.

Heb ook eerbied voor uwen Engelbewaarder.

CTiïoen gij gedoopt werdt, ging de öSK gouden poort des Hemels open en daalde een der verheven hemelvorsten, een Engel Gods, naar de aarde neder, om u op uwen levensweg te geleiden en te beschermen. Als gij vlijtig tot hem bidt, zal hij voor u een onzichtbare gids zijni gelijk de aartsengel Raphael voor den godvreezenden Tobias een zichtbare gids was. Zijt gij in nood en gevaar, hij kan u redden gelijk een Engel den

ocr page 21

— 19 —

heiligen Petrus redde uit ketenen en boeien. Toen gij nog een klein manneke waart, vouwde uwe moeder reeds uw handjes en leerde u bidden:

Liefd'rijke Engel, eed':e wacht,

Die bij dagen en bij nacht Overal mijn ziel bevrijdt En mij sterkt in bangen strijd.

Als het op een scheiden gaat En Gods oordeel voor mij staat Als de dood mij zal genaken.

Blijf ook dan mij trouw bewaken.

Bidt gij dit gebedje nog steeds? Gij hebt het noodig om bescherming te erlangen naar lichaam en ziel. Eenige jaren geleden viel een kind van de derde verdieping over de leuning van den trap, naar beneden; het bleef met zijn kleedje onder aan den arm van een gaskroon hangen en was gered. Zou het niet waarschijnlijk aan zijn bewaaréngel zijn behoud te danken hebben gehad?

Vereer ook uwen patroonheilige, die u eveneens bij den H. Doop tot beschermer en ten voorbeeld gegeven is. Roep hem des morgens en des avonds aan met een korte verzuchting. Lees

ocr page 22

20

het leven van dien heilige, leer zijne deugden kennen en volg hem na.

Bid en WerkT

j^fl'en gouden spreuk! Men kan haar niet hoog genoeg schatten; want zij besluit in zich alle levenswijsheid; wie haar gedurende zijn leven in beoefening brengt, hij is een volmaakt Christen en een volmaakt mensch. Eigenlijk moest deze kleine spreuk, sierlijk op papier geschilderd of fijn op zijde gestikt in een schoone omlijsting hangen in iedere werkplaats en in iedere fabriek. Kunt ge teekenen? teeken haar dan eens netjes met groote, smaakvolle letters en zet haar, als gij kunt, ook in kleuren. Maar vooral: grif haar diep in uw hart, daar moet zij op bijzondere wijze schitteren en vonkelen.

Bid! Bid aandachtig en godvruchtig! Rammel het gebed niet gedachteloos af. Bid gaarne, laat het gebed voor u een aangename plicht en een vreugde zijn. Vergeet uw morgen- en avondgebed

ocr page 23

niet, bid voor en na het eten en maak vooral het heilig kruisteeken steeds op passende en waardige wijze. Er zijn er niet weinigen, die het slechts ter sluiks en met zekere schaamte maken, vooral wanneer zij bij Protestanten zijn; anderen doen alsof zij een vraagteeken over zich zeiven maken. Nu — het is best mogelijk dat men achter hun geloof en geloofsmoed inderdaad een vraagteeken kan zetten. Maar £7/moet het kruisteeken altijd open en onbeschroomd maken, ook al zijt gij bij een protes-tantschen meester; hij zal daartegen geen bezwaar hebben.

Gedraag u bij de godsdienstoefening in de kerk steeds waardig en ingetogen. Laat u bezielen door een ware godsvrucht; uw houding beantwoorde steeds aan de hooge waardigheid van het huis Gods. Lig niet te luieren in de achterste banken, sta niet in een hoek, niet onder het koor, niet bij de deur. Daar is gewoonlijk de plaats van degenen, die te laat komen — het laatst er in, het eerst er uit! Hang niet tegen den muur of tegen een pilaar, alsof gij ge-

ocr page 24

— 22

vaar loopt van om te vallen, en kijk niet rechts en links: de kerk is geen theater. Zie naar het altaar of in uw boek.

Werk ! Het plantje, dat pas zijn hoofdje uit den grond opsteekt, begint langzamerhand grooter en grooter te worden, het werkt en werkt en zuigt het sap uit den grond, het wast en groeit en wordt ten slotte een schoone, een prachtige vruchtboom, die een rijkdom van ooft afwerpt; zoo is dat plantje niet eensklaps geworden, maar door voort-durenden arbeid.

Zulk een plantje zijt ook gij thans nog, maar door den arbeid wordt gij krachtiger naar lichaam en ziel en ten laatste een degelijk mensch. Werk daarom onverdroten voort. Bedenk het wel, dat de arbeid het leven zoet maakt en dat de luiaard in alles een onbeschrijfelijke, een doodelijke verveling ondervindt. En bleef het daar slechts bij! Die niet arbeidzaam is, wordt zoo gemakkelijk de prooi van het kwaad; er komen dan gaten in den dijk. Ledigheid is des duivels oorkussen, de dagdieven behooren tot zijn beste vrienden.

ocr page 25

— 33 —

Bid en werk! Uw werken moet tegelijkertijd bidden zijn. Hoe is dat mogelijk? Door de goede meening. Gij moet al uw arbeid aan God opdragen. Maak daarom iederen morgen de goede meening, om — naar het voorschrift van den apostel Paulus — alles te doen ter eere Gods.

Voor Jezus vang ik heden aan Voor Hem moet alles goed gedaan.

Hier wil ik u ook herinneren aan deze twee schoone spreuken; »De hand bij den arbeid, het hart bij God. — God zegene het eerzame handwerk!quot;

Wees dus vlijtig T

®:k kom nog eens terug op hetgeen ik gezegd heb over den arbeid. Zeer zeker! Wees vlijtig en laat u niet zoo aandrijven. Wek u zeiven op en heb lust en ijver tot den arbeid. Weet gij, wien men drijven moet? Zie eens rondom u op de straat. Daar ontmoet gij soms grijze dieren met lange ooren en

ocr page 26

— 24 —

dezt dieren laten zich gaarne voortdrijven. De muziek, die zij van tijd tot tijd maken, is zeer merkwaardig, zij bestaat slechts uit twee noten en twee letters. En die twee letters, die zij slechts zingen, de I en de A halen zij herhaaldelijk uit. Welnu, gij moet hen noch in hunne muziek, noch in hun manier van doen navolgen, gij moogt u niet, gelijk die dieren, tot het werk laten aandrijven. Dieren moeten gedwongen worden, maar de verstandige mensch moet uit eigen besef ijverig en vlijtig zijn.

Gij hebt misschien gelachen toen ik van die twee welbekende letters sprak. Ja, wij lachen, als wij den ezel zijn twee letters hooren uitstooten. Van een nachtigaal heeft hij niet veel. En toch — hij draagt op zijn rug het kruis, hij is een nuttig dier en torscht geduldig zware lasten. Zelfs aan den ezel de eere, die hem toekomt! Zoo moet ook gij

Geduldig zijn

edurende uwe leerjaren, den last en de moeielijkheden van dien tijd

ocr page 27

— 25 —

met liefde op u nemen. Als de meester een tafel wil fabriceeren moet er aan het hout gezaagd, geschaafd en gehamerd worden. Zoo moet hij ook handelen met u, wil er iets goeds van u komen. Daarom moet gij u iets laten welgevallen en niet aanstonds ontevreden en brommerig worden, als niet alles naar uw wensch en verlangen gaat. Niemand heeft op aarde een paradijs en het Luilekkerhand met zijn suikerbergen, honingbronnen en wijnrivieren bestaat alleen in de verbeelding en is niets dan een grauwe nevel. Wien vliegen de gebraden vogels in den mond ? Ieder heeft zijn last en zijn kruis, de een heeft een groot, de ander een klein. En uw kruis, geliefde leerling, is volstrekt niet het grootste.

Ik kom nog eens terug op den ezel. De twee letters, die hij zingt — hij doet ten minste, alsof hij ze zingen wil — moet ook gij uitspreken, maar gij moet de I de A met elkander verbinden, dan wordt het »Ia.quot; Wat bedoel ik daarmede? Dit;

ocr page 28

20 —

Gij moet gehoorzaam zijnl

de meester u iets zegt of beveelt, moet gij niet »neen,quot; maar »jaquot; denken, d. w. z. gij moet gewillig zijn en niet een brommerig gezicht zetten als een onweer. Gij moet ook niet »neenquot; zeggen, maar »ja.quot; d. w. z. gij moet doen, wat hij beveelt. Er zijn leerlingen, die, als de meester iets beveelt, wel »jaquot; zeggen, maar er toch niet naar doen. Op dat »jaquot; moet de daad volgen. In één woord: gij moet gehoorzamen met het hart en met de daad. Een gewillige gehoorzaamheid van uwen kant stemt ook uwen meester gunstig en maakt hem jegens u welgezind. Wil de gehoorzaamheid zijn zooals zij behoort te zijn, dan moet zij drie eigenschappen hebben: zij moet bereidvaardig, stipt en blijmoedig zijn.

Zij moet bereidvaardig zijn. Het is niet genoeg als een patroon of meester van zijn ondergeschikten kan zeggen: Als de bel gaat om te eten, zijn zij al len aanstonds bij de hand. Neen, op ieder woord van den meester moet gij

ocr page 29

— 27 —

onmiddelijk gereed zijn. Gij moogt niet lang wachten en talmen, niet lang staan droomen. Wees flink en rap en zet uw ledematen ving in beweging, gij zijt nog jong. De meester moet zijn genoegen in ii vinden, hij moet zien dat er leven en ijver in u woont, hij moet kunnen zeggen; die jongen is zoo vlug als een haas, hem kan ik gebruiken, het werk gaat hem vlot van de hand.

Uw gehoorzaamheid moet stipt zijn, d. w. z. gij moet alles doen juist zooals het u bevolen is, en niet anders. Het staat u niet vrij te handelen naar uw eigen goeddunken, neen, wat de meester verlangt, dat is het waaraan gij u te houden hebt. Gij kunt u later ook niet verontschuldigen met te zeggen: Ik meende — ik dacht, dat ik het zoo en zoo moest maken. Als gij iets niet verstaan of begrepen hebt, ofwel twijfelt, moet gij aanstonds vrijmoedig vragen; Meester, hoe moet ik dit of dat doen? Ik heb het r.iet goed begrepen. Eenigen brengen allerlei verontschuldigingen aan, wijl zij bet slechts half of in het geheel niet begrepen hebben. Zulke verent-

ocr page 30

— a8 —

schuldigingen zijn van geen waarde, zij hadden het maar moeten vragen. Uw gehoorzaamheid moet blijmoedig zijn, zij moet voortkomen uit het hart, zoodat gij, hetgeen u bevolen is, gaarne en met liefde doet. Pruilen staat niet voor een jongmensch. Steun ook niet eerst, gelijk een locomotief, voordat zij in gang komt. Ook hier geldt het woord der H. Schrift: »God bemint den blijden gever.quot; Voorzeker, hij die blijmoedig gehoorzaamt, is «bemind bij God en bij de menschen.quot;

Prent dit versje in uw geheugen:

• Gehoorzaamheid is 's leerlings plicht,)

»Wat hij met blij gemoed verricht,

• Slaagt immer wel en valt hem licht.quot;

En een ander versje luidt:

• Pruilen, brommen, morren staat • Leelijk op een jong gelaat.quot;

Ook jegens de vrouw van den meester en jegens de gezellen moet gij gehoorzaam en vriendelijk zijn; gij weet immers dat dit de wil is van den meester.

Mocht u echter iets zondigs worden bevolen, wanneer en door wien ook, hetzij dat het in strijd is^met de gebo-

ocr page 31

— 29 —

den Gods of met de geboden der H. Kerk, in ieder geval, indien het is tegen uw geweten, dan moogt gij daaraan natuurlijk geen gehoor geven, dan geldt het woord der H. Schrift; gt;Men moet aan God meer gehoorzamen dan aan de menschen.quot; Dan moet gij vriendelijk zeggen: Dat mag ik niet doen, dat is zonde. En als u meermalen iets dergelijks zou bevolen worden, moet gij uwe ouders aanstonds daarvan in kennis stellen met hen daarover spreken of er over schrijven.

Doe ook gaarne, wat een der gezellen zegt en verlangt. Hij weet meer dan gij en bekleedt bij u de plaats van den meester. Maar nooit moogt gij om zijnentwille iets doen, wat verkeerd is. Bijv* gij moogt tegen den wil van den meester in geen sterken drank voor hem halen, of uw hulp leenen tot andere afkeurenswaardige dingen. Maar overigens moet gij trachten, in alles, wat geoorloofd is, hem van dienst te zijn.

Tot een blijmoedige gehoorzaamheid moet u — afgezien daarvan, dat het

ocr page 32

_ 30 —

een heilige plicht is — ook nog de volgende overweging aanzetten:

Wie zijt gij, wat wilt gij?

gkplfjvv naam zegt, wie gij zijt en wat Hgl:' gij wilt. Gij zijt een leerling. Denk daar wel om! De leeraar, de meester geeft onderricht, maar de leerling ont-vangt onderricht. Gij hebt dus te leeren. Wel zegt men: Wie moet leeren? Iedereen. Zeer zeker; ieder, ook als is hij reeds meester, moet zich toch nog steeds meer en meer in zijn vak bekwamen, zelfs de geleerde moet voortdurend nog leeren. Maar gij, beste jongen, verstaat van het vak, hetwelk gij gekozen hebt, nog volstrekt niets, of ten minste zeer weinig. Als ge pas in de leer komt, noemen ze u een nieuweling en borstelen u van tijd tot tijd den mantel eens uit. Wees daarom levendig doordrongen van de gedachte dat gij moet leeren. Dan zijt een heel eind op weg en kan er iets degelijks van u komen. En dat zèd ook wel met Gods hulp. Ik zeg: met Gods hulp; want deze hebben wij

ocr page 33

— 3i —

altijd en voor alles noodig. Vooral hebt gij daaraan behoefte, als ge weinig aanleg, weinig begaafdheid bezit. De een heeft van nature minder, de andere meer moeite. Verkeert gij in het laatste geval, wil het niet goed vooruit met u, bid dan tot God, dat Hij u verlichte en helpe. De groote heilige Albertus Magnus, een der beroemdste leeraren en natuuronderzoekers van zijn tijd — hij was professor in Keulen — had in zijn jeugd niet veel aanleg; hij wilde de studie dan ook reeds laten varen. Maar door een verschijning der H. Moeder Gods werd hij bemoedigd en steeg tot zulk een hoogte in de wetenschap, dat men hem later kortweg den philosooph, d. w. z. den wijze, den geleerde noemde. Studeeren of zich toeleggen op een handwerk is voor God gelijk, en of de studenten hun boeken onder den arm hebben, en gij uw ar-beidsgereedschappen in uw hand draagt, dat blijft voor Hem hetzelfde. Als de jonge studenten hun potsierlijke roode mutsjes met witte sterren op hebben, terwijl gij uw werkschort of schootsvel

ocr page 34

— 32 —

voor hebt, geef ik aan dit laatste boven het eerste de voorkeur. Het komt er in de wereld niet op aan, wie het meeste opzien baart, maar wèl wie het degelijkst en prijzenswaardigst is. Indien gij dus in uw vak met moeielijkheden te kampen hebt, richt uw blik dan naar God. Hoop op den Heer, Hij zal alles goed maken, indien gij zijn hulp inroept. Maar nog eens: hetzij gij weinig of veel moeite hebt, ik houd vol, dat gij steeds moet denken, dat gij een leerling zijt en weinig kennis bezit. Er was eens een dienstmeisje, dat zich verhuren wilde. De mevrouw vroeg haar, wat zij kon. gt;Ik kan nietsquot; was het antwoord. »Met hair zal het wel lukken,quot; dacht de huisvrouw; gt;al de anderen die hier komen, pochen op hetgeen zij kunnen en als het er op aan komt, kunnen zij niets; maar deze, die zegt, dat zij niets kan, geeft daardoor het bewijs, dat zij iets wil leeren, men ziet, dat het haar ernst is. En zoo was het ook. Dus, geliefde leerling, denk er aan, dat gij nog een groote portie onwetendheid bezit. Leer daarom gaarne, leer ijverig, leer

ocr page 35

— 33 —

veel, leer met God! Maar vooral, en dit is van gewicht, leer

Met volharding T

^O^jKat staat gij daar naar [de lucht WUk te kijken, mijn jongen? Denkt gij aan huis? Aan vader en moeder? Ja, daar was het heel wat aangenamer en gemoedelijker. Ge zijt misschien een echt troetelkindje geweest en hebt somtijds wellicht een extra klontje suiker van moeder gekregen. Dat is nu uit. Of droomt ge misschien van uwe broers, van Frans en Willem, die nog tehuis zijn en thans kunnen spelen, terwijl gij u moet inspannen en afsloven? Die goede tijd is voorbij. Het gaat thans niet speelsgewijze, de meester steekt er den gek niet mede en gij moet er aan. Dat kunt ge u zei ven nog steeds moeielijk in het hoofd zetten, want het bevalt u niet; gij krijgt van tijd tot tijd misschien ook geheel verkeerde gedachten over den meester. Maar dat alles helpt niet, gij moet doorwerken en doorwerken met stalen volharding, als gij ten minste

ocr page 36

wilt dat er iets degelijks van u komt en gij iets leert:

Den grondslag voor de deugd

Moet gij leggen in uw jeugd.

Er zijn sommige leerlingen die spoedig in hun ijver verslappen en het hoofd laten hangen, omdat het in hun eerste leerjaar niet goed vlotten wil. Maar gij moet volhouden! In den eersten tijd heeft iedereen, die iets leeren wil, met moeielijkheden te kampen, maar later gaat het gemakkelijker. Het rechte begrip en de vaardigheid komen eerst met den tijd.

Om u tot volharding aan te zetten, wil ik u eens een oud stukje verhalen. Een zeker man droeg iederen dag gedurende eenige minuten een kalf op zijn schouders en bleef dit getrouw volhouden. Het kalf bleef echter geen kalf, maar werd een rund en later een os. Het beest groeide iederen dag onbeduidend, en vandaar dat de man het door dagelijksche oefening zoover bracht, dat hij eerst het kalf, vervolgens het rund en ten slotte tot verbazing van het publiek, den zwaren os met gemak

ocr page 37

— 35 -

droeg. — Begrijpt gij de les die in dit verhaaltje ligt opgesloten? Volhard, volhard onophoudelijk, dan zal ten slotte ook het zware u licht vallen.

Ik heb een leerling gekend, die het eene ambacht na het andere aanvatte, en het scheelde niet veel, of hij was een echte leeglooper geworden. Menigeen legt reeds in zijn leer- en gezellen-jaren den grond tot latere zwendelarij. Die vlijtig werkt, goed oppast en volhardt, krijgt behagen in zijn vak. En dan komt weer de spreuk tot haar recht:

Lust en liefde voor een ding Maakt de moeite steeds gering.

ocr page 38

Wees opgeruimd en vriendelijkT

W?' 'j moet een vroolijk humeur hebben, m geliefde leerling! Hebt gij wel eens gehoord van een knorrepot? Er zijn menschen, die zoo knorrig en kniesoorig zijn, dat zelfs een vlieg tegen den muur hun ergernis geeft. Gij moet vooral zorgen, zulk een knorrepot en kniesoor niet te worden. Daartoe helpt u vooral de godsvrucht en een goed geweten. Eenigen meenen, dat godvruchtig zijn zooveel beteekent als een druiloor zijn. O neen, juist degene, die godvruchtig en deugdzaam is en een goed geweten heeft, kan waarlijk vroolijk en opge-

ocr page 39

— 37 —

ruimd zijn. Vroolijk zijn in zware zonden is losbandigheid. Merk dus wel op, dat braafheid en vroolijkheid bij elkaar beboeren. De vroolijkheid is ook weer dienstig tot de deugd; want in troebel water is het voor den duivel goed vis-schen.

Wees ook vriendelijk jegens iedereen, vooral jegens uwen meester, jegens de kinderen. Zij allen moeten u liefhebben om uw vriendelijkheid en gaarne met u omgaan. Zulk een vriendelijkheid en vroolijkheid strekt een jongen man zeer tot aanbeveling. Eenigen zetten voortdurend een gezicht alsof zij in een zuren appel hebben gebeten hebben, of spreken zoo erbarmelijk en bedremmeld, alsof zijn geen tien kunnen tellen. Dat strekt in het geheel niet tot aanbeveling. Tot zulk een leerling moet de meester voortdurend zeggen: Jongen, doe den mond open, ik kan u niet verstaan. En wat het ergste is, als de meester hen dan een weinig op hun plaats wil zetten, klagen zij aanstonds bij andere men-schen of bij hunne ouders: de meester bromt altijd zoo op mij. Daar zijt gij

ocr page 40

_ 38 -

zelf de schuld van, mijn jongen! Het is waar: de meester moet geduld met u hebben, maar gij moet u ook flink en ferm uitdrukken en met zekere vrijmoedigheid spreken. Strijd en twist niet met de kinderen van het huis of met de jongens in de buurt; laat de laat-sten op de straat loopen. Wees toegevend, daarmede komt gij het verst. Hetzelfde geldt van uwe medeleerlingen, als die er zijn. lederen medeleerling moet gij beschouwen als een geliefden vriend, als een broeder, wel te verstaan, indien hij braaf is.

Wees oprecht en lieg niet!

gq^foe schoon is toch de deugd van JalOF oprechtheid! Gij moet een eerlijk en oprecht hart hebben, d. w. z. juist spreken zooals gij denkt. Menschen, die zich daaraan houden, worden algemeen bemind; men bemerkt en zegt het ook spoedig: dat zijn lieden, zonder valschheid in hun karakter.

Daarom: lieg niet, wees niet achter-

ocr page 41

houdend, niet huichelachtig, niet listig. Leugenachtige lippen zijn den Heer een gruwel; leugenachtige, arglistige men-schen zijn bij iedereen gehaat. Gij wilt zeker toch niet gaarne voor een leugenaar te boek staan? En wie is het wel, die zich genoodzaakt gevoelt, te liegen? Hij wiens gedachten en woorden boos zijn, of die een fout begaan, een bok geschoten heeft. Het is nochtans bekend, dat de leugens korte beenen hebben, dat wil zeggen, men heeft den leugenaar en den huichelaar spoedig ontmaskerd. Zoo iemand windt en draait zich in zijn eigen woorden, dat hij er niet meer uit kan, hij loopt zich vast in een hollen weg, en wordt op zijn leugens betrapt. En wie eens gelogen heeft, dien gelooft men niet, zelfs al spreekt hij ook de waarheid. Hebt gij misdaan, beken dan liever uw fout en draag nederig de schaamte en de straf; want dat is heilzaam voor u en honderdmaal beter dan wanneer gij liegt. Zelfs de braafste en geleerdste menschen doen soms een misstap.

ocr page 42

— 40 —

Wees uwen meester dankbaar.

ij moet uwen meester voor alles hartelijk dankbaar zijn, want hij heeft veel last met U, meer dan gij meent. Waarom zijt gij heden zoo wrevelig en brommerig, mijn jongen; waarom wilt gij van dankbaarheid jegens uwen meester niets hooren? Wat scheelt u? Ha, ik bemerk het reeds, gij hebt van uwen meester straf gekregen! En waarom? — Kom, voor den dag er mede! Maar niet liegen! — »Ik ben te lang uitgebleven, het was daarbuiten zulk een mooie ijsbaan.quot; — Is dat alles? — »Ik ben lui geweest; Karei heeft mij een leesboek geleend met roovergeschie-denissen; die heb ik gelezen, terwijl de meester uit was.quot; — Anders niets? — »Ja — ik heb niet opgelet en het werk, waarmede ik bezig was, bedorven, en toen de meester boos werd, ben ik brutaal geweest.quot; — Ha zoo! Ën toen hebt gij gekregen wat gij verdiend hadt, een pak slaag. Nu is mij de zaak duidelijk: de meester heeft gedaan, wat hij doen moest, het zou jammer geweest zijn als

ocr page 43

hij niet zoo gedaan had. Gij moet uwen meester voor dat pak slaag zelfs bedanken, hij heeft het goed met u gemeend en loffelijk gehandeld. Zonder slaag wordt, in den regel, niemand groot. Het is wel waar: als leerling moest gij eigenlijk geen slaag meer krijgen. Maar als het eens een enkele maal gebeurt, dan weet gij nu wat gij er van te denken hebt, en gij moet niet vergeten, dat men ouders, leeraars en meesters, ook voor de strengheid die zij oefenen, dankbaarheid verschuldigd is.

Beste vriend, de harde slagen,

Die een goede hand u gaf,

Houden u op 't pad des levens Van veel kwaad en onheil af.

Daarom, blijf steeds blij te moê Zelfs de Schrift beveelt de roê.

»0quot; riep eens een moordenaar uit, die aan de galg stond, »ware mijn moeder toch strenger voor mij geweest, toen ik een knaap was, hadde zij mij toch ernstig gestraft! Maar zij liet mij loopen en doen wat ik wilde; dat is de oorzaak van mijn ongeluk geweest.

Wij hebben zooeven gesproken van een leesboek. Het is mogelijk, dat zulke

ocr page 44

— 42 —

boeken geheel onschuldig zijn; doch het kan ook voorkomen, dat zij niet zoo goed en niet zoo onschuldig zijn, maar allerlei zotteklap bevatten. De ridder-roover- en moordgeschiedenissen zijn gewoonlijk van weinig beteekenis, 't is veelal oude kost, die daarenboven nog een bedenkelijke, gevaarlijke zijde heeft, en alleen aantrekkelijkheid bezit voor ruwe, onbeschaafde gemoederen. En gij hebt toch ook het plan niet om ridder of roover of moordenaar te worden. Leg daarom dergelijke vodden op zij en, hebt gij den tijd om te lezen, lees dan passende en goede boeken. Maar een leerling heeft daarvoor meestal niet veel gelegenheid. In ieder geval zijn onderrichtende boeken beter dan boeken met niets dan verhaaltjes.

Laat u niet verleiden tot het kwaad. I

AO^ooals ik reeds heb te kennen f;e-;!|Oj geven, kan het gemakkelijk gebeuren, dat men gedurende den leertijd, in

ocr page 45

— 43 —

den vreemde, met allerlei slechte jongens in aanraking komt. Misschien kent gij er zulke wel op het werk, in den winkel, of op de straat. Laat u nooit door hen op eenige wijze tot het kwaad verleiden! Vermijd hen zorgvuldig, want het zijn rotte appelen en zij steken de andere aan. Als zij ongepaste woorden spreken, geef er dan geen acht op; slaan zij misschien ook schandelijke en onkuische taal uit, en willen zij ondanks uw aanmerkingen en berispingen daarmede niet ophouden, ontvlucht zulke jongens dan als de pest. Eenigen bedrijven zelfs schandelijke dingen. Dergelijke booswichten moet gij vrijmoedig bij uwen meester bekend maken, evenals de godvruchtige Joseph zijn broeders wegens een leelijke zonde aanklaagde bij zijn vader, — of zeg het aan uwe ouders, of schrijf het hun en wees niet bang. Hetzij de booswicht een leerling of een gezel is, dat blijft hetzelfde; heb een afschuw van zulke dingen.

Eenige leerlingen verzuimen des Zondags de H. Mis; zij willen deelgenooten hebben in hunne zonde en blaz#n u

ocr page 46

— 44 —

in het oor, dat gij met hen mede zult gaan. Doe het niet! Neem een voorbeeld aan uwen meester, hij gaat naar de kerk en bidt; hij is een handwerksman, die alle achting verdient, vol godsdienst en godsvrucht, verstandig in raad en daad; de godsvrucht heeft hem zegen aangebracht. Nog eens, neem een voorbeeld aan hem en druk zijne voetstappen. Als uw meester en zijn vrouw zien, dat gij een goede jongen zijt, dat gij gaarne naar de kerk gaat, gaarne leert en gehoorzaamt, houden zij nog eens zooveel van u — dan zijt gij bij hen als een kind in huis en zijn zij voor u zoo goed als vader en moeder.

En als een andere jongen u zegt: neem een stuk leer van uwen meester weg en geef het mij, ik zou er mij gaarne een riem uit snijden, antwoord hem dan: »Daar zal ik wel voor oppassen, dat mag ik zonder verlof niet doen, maar ik wil den meester er wel om vragen.quot; Dan is het goed. En al wordt die jongen daarom ook boos op u, bekommer u daarover volstrekt niet. God zal alles weer goed maken.

ocr page 47

— 45 —

Piet, Frans of Willem hier uit de buurt, zijn misschien ook geen passende omgang voor u, het zijn wilde jongens en zij hebben een brutalen mond; daarom zijn de andere jongens bang voor hen. Aanstonds beginnen zij te twisten, als men niet wil, wat zij willen. Des Zondags staan zij voor alle winkels te gapen, met de handen in hun broekzakken. Altijd hebben zij sigaren en geld. Hoe komen zij toch aan dat geld?! Ga niet met die losse jongens om — ik ben bang, dat zij u bederven.

ocr page 48

Wees op uwe hoedel

f/^ftchoon ik hier en daar reeds enkele piyl waarschuwingen heb gegeven, wil ik toch een afzonderlijk hoofdstukje schrijven en daarenboven als titel plaatsen: wees op uwe hoede!

Wees op uwe hoede voor den hoogmoed en de verwaandheid! Wees niet trotsch op het vermogen uwer ouders, op uw lichaam, op uwe kleederen, op het weinigje kennis, hetwelk gij bezit. Men vindt menschen, die zoo dwaas zijn, dat zij zich zelfs heel wat inbeelden om hun neus.

ocr page 49

— 47 —

Wees op uwe hoede voor de onkuisch-heid. Dit is een ongelukkig, een verderfelijk kwaad. Het vleit en verlokt de jongelieden, maar het einde er van is ellende en ongeluk. Vlucht voor dat kwaad als voor de pest. Als de pest in het land komt, overvalt allen een vreeselijke schrik, alles vlucht in doo-delijken angst. Zóó moet gij vluchten voor dat kwaad, want het is nog veel verderfelijker.

Wees op uwe hoede voor nijd en afgunst. Uit haat, nijd en afgunst speelt de een den ander dikwijls een leelijken trek. Bah! Welk een bewijs van een lage ziel!

Wees op uwe hoede voor oneerlijkheid. Ook voor geen stuiver moogt gij uwen meester of iemand anders bedriegen, en evenmin tegen den wil of buiten weten \,in den meester iets weggeven uit den winkel, als gij daarin moet oppassen. Hebt gij geld gevonden, zeg dan: Ik heb geld gevonden, aan wien behoort dit toe? Bezorgt gij afgewerkte zaken naar de klanten van uwen meesster en geven zij u een drinkgeld, dan

ocr page 50

- 4« —

kunt gij dit behouden.

Wees op uwe hoede voor de jenever. Dat is geen drank voor u. Als een der gezellen u daarvan te drinken wil geven, zeg dan; Dank u, ik drink daar niet van, vader en moeder willen het niet hebben. En als zij u daarom uitlachen, denk dan bij uzelven: »Daar geef ik niets om. Het is mij niet waard, dat ik er iets tegen zeg.quot;

De deugd der bescheidenheid

^B^-oet ik u op geheel bijzondere wijze aanbevelen. Vooral den knaap en den jongeling past een bescheiden gedrag. Het is een dwaling van zeer veel menschen, te gelooven, dat zij door brutaliteit, ongemanierdheid en pocherij op anderen indruk maken en zichzelven daarmede voordeel doen. Neen, door degelijke bekwaamheii komt men tot zijn doel en de bescheidenheid moet daarmede verbonden zijn. De heilige Thomas van Aquine, die groote geleerde, was in de school uiterst stil en bescheiden,

ocr page 51

— 49 —

zoodat zijn medescholieren hem schertsenderwijze den «stommen osquot; noemden. Maar de heilige Albertus Magnus, zijn leermeester, ktnde hem beter; hij zeide: Wacht maar eens, deze «stomme osquot; zal de heele wereld nog eens vervullen door zijn gebrul.quot; En zoo geschiedde het ook. Toen hij niet lang daarna optrad bij een openlijk examen, stonden allen verbaasd over zijn machtige wetenschap. Wees dus ook gij ijverig en bescheiden.

Vermijd alle ongepaste vrijpostigheid en aanmatiging. Tehuis, aan tafel, gedurende den maaltijd, bij vreemden, in uwen omgang, in uwe woorden, wees overal en jegens een ieder bescheiden.

Tracht zooveel mogelijk kennis te verzamelen.

esteed al uwen ijver op de vorming van uwen geest. Als ge de kennis, die gij op school hebt opgedaan, niet tracht te vermeerderen en de gaven van uwen geest niet ontwikkelt,

ocr page 52

— 5° —

dan gaat gij achteruit. Op de eerste plaats moet gij vooruitgaan in de kennis van den godsdienst; aan den godsdienst en den catechismus hebt gij behoefte in uw leven en bij uwen dood. Wees daarom aandachtig in de predi-catie en in de christelijke leering.

Ook moet gij uw best doen, zoowel om schoon als om recht te leeren schrijven. Tracht u een duidelijke en nette hand eigen te maken, dat staat goed voor een ambachtsman. Het maakt geen gunstigen indruk als een brief of een rekening wemelt en krioelt van fouten. —. Kunt gij ook een klein opstel schrijven en een fatsoenlijken brief in elkaar zetten? Zijl gij beslagen in het rekenen? Wat wil een ambachtsman uitrichten, die niet kan rekenen ? — Het is ook een groote voldoening, als men ziet, dat leerlingen eenigszins op de hoogte zijn van het teekenen; men krijgt dan respect voor hen. Oefen u in het rechtlijnig- en handteekenen — welk een schoon tijdverdrijf des avonds of des Zondags! — Een weinig aardrijkskunde zal u ook geen kwaad doen.

ocr page 53

— gi —

Wees in de zondagsschool, in uwe vereeniging of congregatie en in den omgang met uws gelijken, ingetogen en zoek uw roem er niet in, de grootste lummel te zijn van allen, of voortdurend het hoogste woord te hebben. Zij, die altijd een groeten mond opzetten, hebben volstrekt niet altijd de meest ontwikkelde hersens en het grootste verstand; het zijn gewoonlijk pochhanzen en oppervlakkige menschen. Die veel en goed denkt, is doorgaans bedaard en bescheiden in zijn optreden.

Hoe is het met de kennis van uw moedertaal?

3/pN ij wilt toch met hart en ziel Hol-aUgf lander zijn? Maar dan mot-t gij ook uw moedertaal behoorlijk kannen spreken. Waartoe hebt gij anders zoolang op de schoolbanken gezeten? Lees tot dat doel ook goede boeken (maar; goede boeken, begrijpt gij mij?) en leer op Hollandsche manier denken, op Hol-landsche manier spreken en — op Hol-

ocr page 54

— S2 —

landsche manier handelen 1 — op oud-Hollandsche manier, met die oud-Hol-landsche eerlijkheid, rondborstigheid en trouw. Zeer velen spreken een fijn en beschaafd Hollandsch, maar handelen volstrekt niet als onze vrome, vroede vrije vaderen.

Wien en hoe moet iK groeten?

$jiP roet een ieder, die er recht op heeft door u gegroet te worden, op passende wijze; degenen, die hooger geplaatst zijn dan gij, door behoorlijk uw muts, uw pet of (als gij er reeds een hebt) uw hoed af te nemen. Zijt gij met iemand nader in kennis dan kunt gij er ook bijvoegen: »Goeden morgen, mijnheer, goeden morgen mevrouw,quot; of iets dergelijks. Eenigen doen alsof hun de muts op het hoofd vastgenageld zat. Of zouden zij misschien bang zijn dat het weinige verstand, hetwelk zij nog over hebben, wegvliegen zal? Een spreekwoord zegt: Met den hoed in de hand, komt men door het gansche land.

ocr page 55

— 53 —

Ook behoort gij voor uwe meederen op te staan, evenals de kinderen in de school, wanneer er bezoekers komen.

Ik zal u eens iets verhalen over dat groeten. Ik heb een zekeren beambte gekend, die aan een minister persoonlijk een gunst wilde vragen. In de gangen van het ministerie treft hij een man aan van kleine gestalte zonder eenig hoofddeksel. Hij meent een der ondergeschikten van het bureau voor zich te hebben, en gedraagt zich dientengevolge tegen over hem minder hoffelijk. Welk een schrik overviel hem, toen hij later zag, dat juist deze kleine man de minister zelf was! Hij dreigde van beschaming door den grond te zinken en stamelde woorden van verontschuldiging. Voor deze maal kwam hij er af met een weigering! — Laat dit voorbeeld u tot leering strekken en bedenk: dat het beter is, eens te veel dan eens te weinig gegroet te hebben.

ocr page 56

— 54 —

Hoe behoort de leerling zich tehuis te gedragen?

^TfcFebt gij in het huis van uwen mees-JsOyF ter eenige verkeerde gewoonten medegebracht, dan moet gij U die daar afwennen. Ziehier eenige regelen:

Sluit steeds de deuren, maar sla die niet achter u dicht — veeg, eer gij de kamer binnentreedt, op de voetmat uwe voeten af, vooral wanneer straten en wegen slijkerig zijn — houd in dj kamer uw muts of hoed niet op — verontreinig het vertrek op geenerlei wijze, bijv. door te spuwen — wees niet te te haastig, noch te langzaam — werp niets om — fluit niet in huis — lach niet te luid — wees voorzichtig met licht.

Eet en drink steeds op passende wijze en zonder gedruisch, men moet u bijv. niet hooren slurpen. — Blaas niet in de soep, om haar koud te maken — houd uw vork, mes en lepel niet in de hoogte — neem de vork en den mond niet te vol — zie anderen niet op hun bord — neem het grootste stuk van den schotel niet voor u zeiven — zijt

ocr page 57

gij klaar, leg vork en mes dan op het bord.

Wasch behalve uw gezicht ook steeds uw hals en ooren en zie er niet uit als een kolendrager. De meeste ambachtslieden en fabrieksarbeiders dragen min of meer de sporen van den arbeid, dien zij verrichten; daarvan spreek ik hier dus niet, dat behoort bij het werk, zoo bijv. smeden, schoorsteenvegers, slotenmakers en dergelijken. En als gij schrijnwerker zijt en des zondags de geele kleur met geen zeep van uwe vingers kunt krijgen, laat die dan gerust zitten, dat strekt u niet tot oneer. Eelt in de handen is een sieraad voor den arbeider en meer waard dan zijden handschoenen. — Heb, zoo mogelijk, steeds een zakdoek bij u.

Laat ook de gaten in uw werkpakje zoo spoedig mogelijk dichtnaaien. — Knoopen aanzetten, dit moet een handige leerling of gezel zelf kunnen.

ocr page 58

— S6 —

Hoe moet een leerling zich gedragen op de straat?

$JlS!|aak daarbuiten geen geweld en schreeuw niet als een wildeman; haal geen kwajongensstreken uit en laat karren en honden met rust. — Mag ik op de straat ook niet fluiten? vraagt gij. Heel fatsoenlijk is het wel niet, maar als gij het moeielijk kunt laten, fluit dan een nette en schoone melodie, maar liefst geen straatdeuntje; straatdeuntjes moet gij noch zingen noch fluiten, vooral niet als het onbetamelijke liedjes zijn. Die zulke liedjes zingt, werpt zijn fatsoen weg. En voor een straatjongen wilt gij toch niet aangezien worden.

Ik zou zoo gaarne... Ik had zoo gaarne... Ik wilde zoo gaarne.

^JKoet gij misschien niet zooals zeer Vjgü vele leerlingen ? Deze koesteren

ocr page 59

— 57 —

allerlei dwaze verlangens; zij denken bij zich zeiven:

»0 hoe gaarne zou ik gezel zijn, dan was mijn leertijd voorbij 1 Dan kon ik gaan, waar ik wilde.quot; Als gij uw hoofd met dergelijke vruchtelooze gedachten opvult, beste vriend, doet gij niet, wat gij juist doen moet. Zet die gedachten van u af. Of gij zoo denkt of niet, de tijd gaat daarom niet spoediger voorbij. Neen, hij gaat veel sneller, of liever, hij schijnt veel sneller te gaan, als gij uwen geest met alle kracht op den arbeid zet. — Een tweede verlangen is: «Hoe gaarne zou ik sigaren hebben om te rooken! Ja, beste jongen, dat brengt ook het geluk niet aan. Het staat belachelijk, als een ventje van 14 of 16 jaar reeds met een lange pijp in den mond als een vuurspuwende dwerg over de straat kuiert. Denkt gij misschien, dat de menschen u daarom z'ocir meer houden dan gij zijt? Integendeel, zij zien elkander met verwondering aan en denken: Hoe nu? Rookt die kleine kleuter al? En wat hebt gij voor dat tuig gegeven? Besteed uwe

ocr page 60

_ S8 -

stuivers toch beter?

»0, hoe gaarne zou ik naar de herberg gaanlquot; Zoo luidt gewoonlijk een derde wensch. Naar de herberg? Ja, en daar een pintje bier drinken. Beste vriend, gij behoort nog niet thuis in een herberg; gij kunt u zei ven ook op andere wijzen genoegen verschaffen. De herberg is voor groote menschen en niet voor knapen; gij heb nog niet eens een baard 1 En ook de grooten mogen niet te dikwijls naar de herberg gaan, anders wordt het voor hen gevaarlijk.

Ik zal u eens een goeden raad aan de hand doen: Als uw vader u bijv. een kwartje geeft, of gij krijgt van tijd tot tijd eenig drinkgeld, bespaar het dan, totdat gij een schoone passerdoos kunt koopen of een schrijfportefeuille of iets van dien aard. Heb daarin uw genoegen. En zie dè.n eens naar Anton en Willem, die met roode gezichten uit de herberg komen geslopen en angstig om zich heen gluren, of niemand van hunne bekenden hen bemerkt. En dan komen zij later bij u praten en pochen op hun heldendaad. Toon gij

ocr page 61

— 59 —

hun dan uw schoone passerdoos, waarvoor gij uw geld hebt opgespaard, en de schoone teekeningen, die gij hebt vervaardigd: dat is vrij wat meer waard.

Geliefde leerling, zet al die dwaze wenschen: »ik zou zoo gaarne... ik had zoo gaarne... ik wilde zoo gaarne..., — uit uw hoofd; zij zijn als de wind.

Sint JosefsgezeUen-Vereeniging.

(afdeeling : leerlingen.)

lt;SIj|l)estaat in een of andere plaats een dergelijke vereeniging, dan raad ik u aan tot haar toe te treden. Uw meester zal daar niets tegen hebben. Gij vindt er een geestelijke, die voor u een vriend en een vader, een leidsman en een leermeester tevens zal zijn. Hij is voor u veel meer dan dit boekje, hij is een levende wegwijzer. Ook krijgt gij daar omgang met jongelieden van eenzelfde gezindheid en streven als gij. De president of vice-president houdt een toespraak of onderrichting, er wordt

ocr page 62

— 6o —

gezongen, gespeeld, somtijds iets voorgedragen; de een treedt op met iets ernstigs, de ander met iets vroolijks, iets grappigs, en zoo wisselen ernst en scherts elkander af. En als men naar huis gaat, is men vroolijk en welgemoed.

Het zal u daar goed bevallen en ik twijfel i r niet aan, of gij zult het uur van zulk een vergadering met vreugde tegemoet zien. Ik geloof dat het in het belang is van den meester, als hij zijn leerlingen tot deire vereeniging laat toetreden. Want leerlingen die tot de leden behooren, zullen zeker knapen en jongelingen worden van goede zeden en goede vorming, zoodat de meesters en bazen hun niet telkens de les behoeven te lezen, of genoodzaakt worden tot dwangmiddelen over te gaan.

Dit boekje moge u dus ook den weg wijzen naar de af deeling der leerlingen in de Sint-Jozefsgezellen-vereeniging en later, als gij uwe leerjaren doorloopen hebt, naar de afdeeling der gezellen. Ook kan de intrede in een of ander kerkelijk broederschap aan jongelieden niet genoeg worden aanbevolen.

ocr page 63

Een Marügeiimarilig woorije tot slot.

k heb u dan, geliefde leerling, den wegwijzer voor oogen gesteld. Ik heb het mijne gedaan, doe gij nu het uwe. Doen is moeielijker dan hoeren, maar onder zedelijk opzicht is het moeielijke ook doorgaans het beste. Laat u echter niet afschrikken, zie op naar den Hemel en roep ijverig den goeden God aan, opdat Hij u helpe. Mochten eenige vermaningen in mijn boekje voor dezen of genen niet passen, wijl hij van betere fnmilie is en verschillende zaken reeds kent, of wijl hij den cursus van het gymnasium geheel of gedeeltelijk heeft doorloopen en van het Fransch en het Latijn heeft geproefd, laat hij dan bedenken, dat ik geschreven heb voor duizende anderen, die zulk een vorming niet hebben genoten. Van vele men-schen bestaat overigens de vorming en ontwikkeling slechts in hunne verbeelding. Bovendien vindt iedere leerling, wie hij ook zij, daarin genoeg hetgeen hij op zich zeiven kan toepassen.

Maar misschien Js er ook deze of

ocr page 64

02

gene, die mijn geschriftje veracht en bij zich zeiven denkt: Het kan mij niet schelen, wat geef ik om dat ding? Voor dezulken wil ik een leerrijke geschiedenis hierbij voegen. Juist hetzelfde dachten eens eenige knapen en het verging hun daarom slecht. Luister: Een zeker graaf (ik geloof, dat het in Bohemen was,) een godsdienstig en vrijgevig man, meende het goed met de ouders en de kinderen in het dorp, waar zijn kasteel was gelegen. Eens toen de kinderen hun eerste H. Communie deden, noo-digde hij de knapen uit, op dien plechtigen dag bij hem in het kasteel aan tafel te komen eten. Maar zie, er kwam geen enkele, op één na; waarschijnlijk dachten de anderen: Het kan mij niet schelen! Wat geef ik er om? Verbaasd en ontevreden over het gedrag der anderen, ontving de graaf den éénen vriendelijk en plaatste hem bij zich aan tafel, er was echter voor alle knapen gedekt. Maar hoe opgetogen was de knaap, toen hij onder zijn servet een goudstuk vond. »Neem datquot; sprak de graaf gt;het behoort u toequot; De arme

ocr page 65

— 63 —

knaap kon van vreugde bijna niet eten. En toen hij gedaan had, sprak de graaf: Ditzelfde had ik aan allen toegedacht, maar het gaat zooals in het Evangelie geschreven staat: de genoodigden komen niet en laten mij links liggen; nu zult gij alken alles hebben, wat ik hun had toegedacht. En bij die woorden nam hij de servetten van al de borden, onder elk servet lag een goudstuk, en hij schonk al het geld aan den eenen knaap. Deze stond daar sprakeloos en overgelukkig. Niet waar? Wat zullen de anderen lange gezichten hebben getrokken? Niet weinigen zullen zich voor het hoofd hebben geslagen en gezegd: »Domkop, die ik was, waarom ben ook ik er niet heen gegaan? Maar — het was te laat. —

Geliefde leerling, ook ik noodig u uit, evenals de graaf. Mijn geschriftje is het bord met het servet, waaronder het goudstuk verborgen ligt, dat wil zeggen — uw geluk, uw tijdelijk en eeuwig geluk. Zeg daarom niet; Wat kan het mij schelen ? Want dan komt een ander, neemt deze blaadjes, leest ze, richt zijn

ocr page 66

02

gene, die mijn geschriftje veracht en bij zich zeiven denkt: Het kan mij niet schelen, wat geef ik om dat ding? Voor dezulken wil ik een leerrijke geschiedenis hierbij voegen. Juist hetzelfde dachten eens eenige knapen en het verging hun daarom slecht. Luister: Een zeker graaf (ik geloof, dat het in Bohemen was,) een godsdienstig en vrijgevig man, meende het goed met de ouders en de kinderen in het dorp, waar zijn kasteel was gelegen. Eens toen de kinderen hun eerste H. Communie deden, noo-digde hij de knapen uit, op dien plechtigen dag bij hem in het kasteel aan tafel te komen eten. Maar zie, er kwam geen enkele, op één na; waarschijnlijk dachten de anderen: Het kan mij niet schelen 1 Wat geef ik er om? Verbaasd en ontevreden over het gedrag der anderen, ontving de graaf den éénen vriendelijk en plaatste hem bij zich aan tafel, er was echter voor alle knapen gedekt. Maar hoe opgetogen was de knaap, toen hij onder zijn servet een goudstuk vond. »Neem datquot; sprak de graaf »het behoort u toequot; De arme

ocr page 67

— 63 —

knaap kon van vreugde bijna niet eten. En toen hij gedaan had, sprak de graaf: Ditzelfde had ik aan allen toegedacht, maar het gaat zooals in het Evangelie geschreven staat: de genoodigden komen niet en laten mij links liggen; nu zult gij alleen alles hebben, wat ik hun had toegedacht. En bij die woorden nam hij de servetten van al de borden, onder elk servet lag een goudstuk, en hij schonk al het geld aan den eenen knaap. Deze stond daar sprakeloos en overgelukkig. Niet waar f Wat zullen de anderen lange gezichten hebben getrokken? Niet weinigen zullen zich voor het hoofd hebben geslagen en gezegd: «Domkop, die ik was, waarom ben ook ik er niet heen gegaan? Maar — het was te laat. —

Geliefde leerling, ook ik noodig u uit, evenals de graaf. Mijn geschriftje is het bord met het servet, waaronder het goudstuk verborgen ligt, dat wil zeggen — uw geluk, uw tijdelijk en eeuwig geluk. Zeg daarom niet: Wat kan het mij schelen? Want dan komt een ander, neemt deze blaadjes, leest ze, richt zijn

ocr page 68

— 64 —

leven daarnaar in, vindt daardoor zijn geluk in dit leven en hiernamaals en wint u den prijs af. Wees daarom verstandig en doe uw best, een te zijn van die gelukkigen.

Imprimatur.

Rur.-emund.e, 10 Junii 1892.

P. J. H. RUSSEL, Can. theol., Librorum Censor.

ocr page 69
ocr page 70

■

Bij den Drukker amp; Uitgever M. WATERREUS te roerm is verschenen:

BIEOHTBOEEJE .

vom SetioslkiwiereD -

K e r k e Hj k Go e dg e ke ur d. — Prijs 7 x/2 cent.

Voorwoord.

yjn kindl Gij hebt voorzeker wel eens gehoord 1 amp; vroom en onschuldig de heilige Aloysins was, re-

___B» in zijn jeugd. Zóó vroom en onschuldig, dat hij l

alleen iedere doodzonde, maar zelfs iedere dagelijkschè zor vermeed. En toch, welk een voorbereiding besteedde hu i zijne biechten!

Als kind had hij een weinig kruit weggenomen vin soldaten zijns vaders en daarbij eenige onvoegzame woon gesproken, die hij van hen had gehoord en wier betéeke hij niet eens begreep. Deze fout — indien het ten min een fout geweest is — was voor hem een onuitputtelijke b: van droefheid. Met welk een ijver onderzocht ••ij, steeds 2 geweten voor de biecht; hoe trachtte hij zijii hart te vervul van een ware droefheid. Hij dacht veèl na over de hel het vagevuur, waar zoevele zielen branden om hunne zond hij beschouwde den goeden Zaligmaker aan het kruis, Ic zooveel smarten leed «h zooveel vreeselijke wonden ontvi voor onze zonden. En daarom betreurde hij uit geheel i hart zijn vroeger begane foiit.

Toen de dag was gekomen, waarop hij voor hét eerst het heilig Sacrament der Biecht zou naderen, woonde hij lt; morgens met groote godsvrucht de heilige Mis bij, om G nog eens inhig te smeeken, dat Hij hem zou helpen tot e goede biecht. Voordat hij den biechtstoel binnenging, verwei hij nog eens een hartelijk berouw orer zijn tekortkomi tegenover God, en ging daarna bedaarden eerbiedig d biechtstoel binnen om zijne belijdenis af te leggen. Zijn dro heid was daarbij zoo groot, dat hij niet vermocht te spreid maar machteloos neerzonk. Hij moest naar huis worden lt; dragen. Eerst den velgenden dag kon hij zijn biecht afiegfei Oprecht en duidelijk was zijn belijdknis. Aandachtig luister hij naar de vermaning des priesters. Hoe verheugd was ^ toen hij de heilige absolutie ontving! Hoe vurig bedankte , 'den goeden God na de biecht. Dagelijks maakte hij bij v .morgengebed het vaste voornemen God deor geen en1:* zonde, ook zelfs niet de geringste te beleedigen. quot;

Mijn.kind, als gij te biechten gaat denk dan alt;m het vv. beeld van den heiligen Aloysius en smeek hem, dat hij v. u van den goeden God de genade verkrijge, ook zoo go te biechten, als hij steeds gedaan heeft.