ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

CATECHISMUS

VAN HET

Bittere Lijden

EN IJK

GLORIEVOLLE VERRIJZENIS van onzen Heer JESUS CHRISTUS.

ocr page 4

impkimatuk;

Buscoduci, 30 Februarii 1891.

J. J. VERSÏEREEN, Rector, ad. hoc. delegatus.

ocr page 5

HET LIJDEN DES HEEREN.

I. De Doodstrijd.

1. Wanneer begon het smartvol lijden van Jesus'?

A. Donderdag-avond na het laatste Avondmaal.

2. Waar begon het lijden V

A. In den Hof van Gethsemani.

3. Waren alle apostelen getuigen van dat lijden in den Hof?

A. Neen: Petrus, Jacobus en Joannes mochten met Hem verder in den tuin gaan, doch de overigen moesten aan den ingang blijven wachten.

4. Welke vermaning gaf Jesus hun, toen Hij den Hof binnenging?

A, Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring vallet.

5. Wat heeft Jesus hier geleden?

A. Hij werd door angst en vrees bevangen. Hij begon te sidderen en te beven en eindelijk geraakte Hij in doodstrijd, terwijl zijn zweet werd als druppelen bloed, welke op den grond vielen.

6. Welk gebed storte Hij ouder dit lijden ?

^ A. Mijn vader, indien het mogelijk is laat deze Kelk (van lijden) van Mij voorbijgaan; doch niet mijn, maar nw wil geschiede.

7. Hoe dikwijls heeft Hij onder dit lijden zijn gebed herhaald ?

A. Driemaal.

8. Hoe gedroegen zich Petrus, Jacobus en Joannes, terwijl Jesus zoo bitter leed?

ocr page 6

— 4 —

A. In plaats van 1c waken eu to bidden, gelijk Jesus hun tot tweemaal had geboden, lagen zij te slapen.

9. Welke vermaning gaf Josus hun?

A. Waakt en bid, opdat gij niet in bekoring komt.

10. Hoe eindigde dit eerste lijden van Jesns?

A. Een engel des Heeren kwam hem versterken.

11. Waarom was Jeeus zoo bedroefd in den Hof? A. lo. Hot naderend lijden en de kruisdood daagden

in alle bijzonderheden voor zijnen geest op.

2o. Hij zag zich beladon met al de zonden dor wereld. 3o. Hij zag, dat zijn lijden en dood voor zoo volen vrnchteloos zou zijn.

12. Hoe moeten wij naar het voorbeeld van Josus bidden? A. lo. In do eenzaamheid, d. i. de verstrooingen

vermijden.

2o. Onderworpen aan Gods wil moeten wij Hom onzen nood openbaren.

3o. Met volharding.

•io. Onze vurigheid moet toenemen, naarmate do strijd zwaarder of de nood grooter wordt.

II. De Gevangenneming.

1. Waar is Josus gevangen genomen?

A. In don Hof van Gethsemani.

2. Door wie ?

A. Door eeno groote menigte soldaten en bedienden des hoogepriesters, die van lantaarnon en fakkels voorzien on met zwaarden en spiezen gewapend waren.

3. Door wion is Jesus verraden en aan deze lieden overgeleverd ?

A. Door een ontrouwen apostel Judas.

ocr page 7

— 5 —

4. Welke beloouiug badden de opperpriesters bem toegezegd ?

A. Dertig zilverlingen.

5. Welk teeken bad Judas aan de boude gegeven, om Jesus te kennen?

A. Dieu ik een kus zal sreven, bij is liet,!!

6. Welke liefdevolle woorden voegde Jesus den verrader toe, toen deze dit teeken bad gegeven?

A. „Vrieud, waartoe zijt gij gekomen, verraadt gij aldus den Zoon des menscben?quot;

7. Hebben de soldaten Jesus ua de aanwijzing van Judas dadelijk gebonden?

A. Neen, Jesus trad op ben toe cn vroeg bun: «Wien zoekt gij ?'' /, Jesus van Nazaretb,'' antwoordden zij, en toeu Jesus zeide: «Ik ben Het,quot; .stortte beel de bende achterover ter aarde neder.

8. Welk gebod gal bun Jesus toen de soldaten van den schrik waren bekomen ?

A. «Als ge mij zoekt, laat dezen (mijne leerlingen) gaan.''

9. Wildon de apostelen Jesus ook verdedigen?

A, Ja, Petrus sloeg zelfs met zijn zwaard een dienaar van don boogopriester, met name Mulcbus, bet rechteroor af. Docb Jesus berispte bom, raakte bet oor van den gewonde aan, en genas bet door een wonder.

10. Heeft Jesus zicb vrijwillig laten binden?

A. Ja, nadat bij eerst aan de bende bewezen bad, dat ze Hem vroeger niet badden kunnen gevangen ucmen, omdat Hij dit niet wilde, stak bij vrijwillig zijne banden uit en liet, zicb boeien.

11. Waar bleven toon de leerlingen?

A. Toen Jesus werd weggeleid, verlieten zij bem en namen de vluebt. Petrus met nog een anderen leerling volgde Jesus van verre.

ocr page 8

— 6 —

12. Wat was de reden van de lafheid der leerliugen ? A. Zij hadden in strijd met Jesus' vermaning het gebed en de waakzaamheid verwaarloosd.

III. Jesus bij Caïphas.

1. Voor wien is Jesns hot eerst gebracht?

A. Voor Annas.

3. Naar wien beeft de bende den Zaligmaker daarna gevoerd 'r

A. Naar Annas' schoonzoon, Caïphas, die voor dat jaar met de hoogepriesterlijke waardigheid was bekleed.

3. Wie waren in het huis van Caïphas bijeengekomen ?

A. De priesters, de schriftgeleerden en de ouderlingen;

in één woord: de Hooge Eaad der Joden was aldaar vergaderd.

4. Waarover ondervroeg Caïphas Jesus het eerst?

A. Over zijne leerlingen en over zijne leer.

5. Welk antwoord gal' de Verlosser op deze vragen?

A. Ik heb altoos in het openbaar geleerd, ondervraag degenen, die mij hebben gehoord.quot;

6. Welke mishandeling ontving hij op dit zachtmoedig antwoord?

A. Een dienaar van den hoogepriester gaf hem een geweldigen kaakslag, zeggende; «Moogt gij zulk antwoord aan den hoogepriester geven!quot;

9. Hoe gedroeg zich Jesus bij deze beleediging?

A. Hij zag den booswicht aan en voegde hem toe: ,/Heb ik kwalijk gesproken, bewijs het dan, doch heb ik goed geantwoord, waarom slaat ge mij aldus!quot;

8. Werd Jesus ook /jcschuldif/d voor den lloogen Haad?

A. Ja, de Priesters en heel de Raad zochten valsche getuigenissen tegen Hem.

ocr page 9

— 7 —

9 Waren deze beschuldigingeu gegrond?

A. Neen, geen enkele bezat eenigen schijn van waarheid en wat de eene inbracht, werd weder door anderen ontkend; zoodat do getuigenissen niet voldoende waren, om hem te veroordcelen.

10. Welke besehuldiging brachten eindelijk twee getuigen tegen Hem in?

A. Jesus zou hebben gezegd, ik kan den tempel Gods afbreken en dien in drie dagen weder ophouwen.

11. Antwoordde de Zaligmaker ook op deze aanklacht?

A. Neen, Hij zweeg.

12. Had Hij dergelijke woorden vroeger werkelijk gebezigd ?

A. Ja, Hij had gezegd: Breek dezen tempel af, en in drie dagen zal ik hein oprichten ; maar Hij had niet van den tempel te Jenisalem gesproken, maar van den tempel zijns lichaams, en daardoor voorspeld, dat Hij den derden dag zou verrijzen uit het graf.

§ 2.

1. Welke vraag stelde de opperpriester aan Jesus?

A. i/Zijt gij de Christus?1'

2. Wat beteekenen die woorden?

A. „Zijt gij de beloofde Messias?quot;

3. Wat antwoordde de Zaligmaker op die vraag?

A. „Indien ik het u zeg, zult gij mij niet gelooven, eu

als ik u eeu vraag voorstel, zult gij mij niet antwoorden, noch vrijlaten. Nochtans zal weldra de Zoon des menschen aan de rechterhand van den almachtigen God zitten.quot;

4. AVelk gevolg had dit antwoord des Heeren?

A. Allen vroegen: „Zijt gij dan de Zoon Gods?quot; En de hoogepriester sprak plechtig: ;/Ik bezweer u bij den levenden God, ons te zeggen of gij de Christus, de Zoon Gods zijt.quot;

ocr page 10

— 8 —

5. Wat zeide t.oou JesusV

A. nDat hen ik. Voorwaar ik zeg u. eens zult gij den Zoou des mensehen zien zitten aan do rechterhand van den almaebtigen God en gij zult hem eens zien komen op de wolken des hemels.

6. Welk schouwspel greep er toen plaats?

A. De opperpriester scheurde zijne kleederen en riep uit: „Hij heeft God gelasterd, wij hebben geen getuigen meer uoodig. Wat dunkt u?quot; En allen gaven ten antwoord: «Hij is des doods schuldig!quot;

7* Welk lijden beeft Josus toen ondergaan V

A. De soldaten en Joden bespotten Hem, spuwden Hem in Zijn heilig aangezicht, gaven Hem kaakslagen, bonden Hom een doek voor de oogen en zeiden: «zeg ons nu eens, Christus, Zoon Gods, wie u heeft geslagen.// En op nog andere wijzen werd Hij beleedigd en mishandeld.

8. Waarom heeft dus de Hooge Eaad der Joden den Zaligmaker ter dood veroordeeld'?

A. Omdat Jesus beleed, dat Hij was de Zoon Gods, de Christus, de Messias.

IV. Val cn bekeering van Petrus

1. Waar bevond zich Petrus, toen Jesus voor den Hoogen llaad werd ondervraagd?

A. Hij zat in hot voorhof van Caïphas' huis en warmde zich bij het vuur.

2. Heeft Petrus zijnen Meester voor deze rechtbank niet verdedigd?

A. Integendeel hjj heeft Hem tot driemaal toe verloochend.

3. Waarin bestond deze verloochening'?

A. Uit vrees verklaarde hij uitdrukkelijk, dat hij geeu

ocr page 11

— 9 —

leerling van Jesus was eu hom zelfs niet eens kende-

4. liad de Zaligmaker dit vroeger aan Petrus voorspeld? A. Ja, Jesus had gezegd: „lier de haan tweemaal

zal kraaien, zult gij Mij driemaal verloochenen.quot;

5. Wie bracht hem (ot do eerste verloochening?

A. De deurbervaarster. Zij zag hem aan en zeide lot de omstanders: „Deze was ook hij Jesns.quot;

fi. Wat antwoordde Petrus hierop?

A. „Vrouw, ik ken hem niet., ik vvtet niet wat gij zeggen wilt.quot;

7. Wie brachten hem tot de tweede verloochening? A. Petrus stond op en ging naar het voorhof; daar

kraaide de haan. Bij het uilgaan zag hem eene dienstmeid en zeide: „Deze hoorde ook bij Jesus.quot; Een andere voegde kort daarna hem toe: „Gij hoort ook bij dat volk.quot; Toen hij weer binnenkwam riepen allen die daar waren: „Zijt gij ook geen leerling van Hem?quot;

8. Hoe gedroeg zich Petrus toen?

A. Hü ontkende onder eed, dat hij een leerling van Jesns was en sprak: ,Jk ken dien man nivtquot;

9. Wan neer verloochende hij Jesus de derde maal? A. Een uur daarna.

10. Wie gaven hiertoe de aanleiding?

A. Een nabestaande van Malclms dien Petrus het ooi-had afgehouwen, erkende hem en zeide: „Ik heb u met Jesus in den Hof gezien,quot; en de omstanders bevestigden : „üw spraak zelfs verraadt u, gij zjjr, een Galileër.quot;

11. Hoe viel Petrus voor den derden keer?

A. Hij loochende het wederom eu begon zich zeiven te vervloeken en te zweren dat hij Jesns niet kende. 13. Op welke wijze kwam Petrus tot bekeering? A. De haan kraaide voor de tweede maal. Jesus keerde zich om en zag Petrus aan. Petrus blik ontmoette dien van den Zaligmaker en nu herinnerde zich de apostel

ocr page 12

— lO-

de voorspelling des Heeren: „Eer de haan tweemaal zal kraaien, zult, gij my driemaal verloochenen.quot;

13. Wanneer heeft zich Petrus bekeerd?

A. Hij ging aanstonds naar buiten, verborg zijn aangezicht en weende bitter.

14. Wat heeft Petrus zoo diep doen vallen?

A. 1°. Het vermetel vertrouwen op zijn eigen krachten.

2°. Het verwaarloozen van het gebed.

3°. Het slecht gezelschap, waarin hij zich had begeven.

15. Wat leert ons de val van Petrus?

A. 1°. Vreezen voor onze zwakheid.

2°. Bidden vóór en in de bekoring.

3°. De gelegenheden vau zonde, vooral de slechte gezelschappen vluchten.

16. Wat, leert ons de hekeering van Petrus?

A. 1°. Gods Barmhartigheid jegens de zondaren.

20. De bekeering niet lang uit te stellen, maar aanstonds door een oprecht, berouw zich met God te verzoenen.

3°. De gelegenheid, die ons tot zonde heeft, gebracht, te verlaten en baar nimmer weer op te zoeken.

V. Judas.

1. Is Jesns, nadat Hij door den Hnogen Raad veroordeeld was, dadelijk ter dood gebracht?

A. Neen.

2. Waarom niet?

A. Omdat de Joden zonder de tusschenkomst van den Romeinschen landvoogd geen doodvonnissen mochten uitvoeren.

3. Voor wiens rechtbank hebben zij den Zaligmaker dan gebracht?

A. Voor de rechtbank van Pilatus.

ocr page 13

— 11 —

4. Hoe gedroeg zich Judas, toen hij zag, dat Jesus door den Hoogen Raad was veroordeeld?

A. Hij liep naar den tempel, trof daar nog eenige priesters en ouderlingen aanenzeide: «Ik heb gezondigd en onschuldig bloed overgeleverd!quot;

5. Welk antwoord ontving hij van hen?

A. „Wat gaat ons dat aan; dat is uwe zaak!quot;

6. Wat heeft hij gedaan met het geld, dat hjj voor het plegen van zijn verraad van de priesters had ontvangen ?

A. Hij hooft do dertig zilverlingen in den tempel weggeworpen

7. Wat hebben de priesters met dit geld gedaan?

A. Zij hebben daarvoor van eenen pottenbakker een

stnk grond gekocht, om tot begraafplaats van vreemdelingen te dienon.

8. Waarom werd het geld tot dit doel gebruikt?

A. De schijnheiligen durfden deze som niet in de offer' kist van den tempel werpen, omdat het bloedgeld was.

9. Hoe noemde van nu af het volk dezen akker?

A. ,Dou bloedakker.

20. Heeft Judas zich bekeerd?

A. Neen, hij is tot wanhoop gevallen.

11. Hoe is hij gestorven?

A Hij heeft den tempel verlaten en zich met eeneu strop verhangen. Toen zijn lichaam daarna voorover op den grond viel, barstte het midden door en al zijne ingewanden werden uitgestort.

12. Wat leert ons vooral de geschiedenis van Judas?

A. 1°. Hoever een verkeerde drift den mensch kan

voeren.

2°. Dat de verhevenheid der roeping don mensch niet vrijwaart tegen don val.

ocr page 14

— 12 —

VI. Jesus voor Pilatus

1. Wie was Pontius Pilatus?

A. De landvoogd van Judea, diu in naam van den Romeinsclien keizer dit wingewest bestuurde.

3. Waarom gingen de Joden niet met Jesus de gerechtzaal van Pilatus binnen?

A. Uit vrees, dat zij door het binnengaan der woning ■van een heiden onrein zouden worden en onwaardig, om het paaFchlam te eten.

3. Wat blijkt uit deze handeling der Joden?

A. Hunne schijnheiligheid; zij vreesden, onrein volgens de wet te zullen worden en vreesden niet, eenen onschuldige te laten ter dood veroordeelen.

4. Was Pilatus aanstonds bereid, op verzoek der Joden Jezus te veroordeelen?

A. Neen, hij vroeg welke beschuldigingen zij tegen Jesus hadden in te brengen.

5. Welk onbeschaamd antwoord gaven zij op deze billijke vraag?

A. „Als hij geen misdadiger was, zouden wij hom u niet overleveren.quot;

6. Was de landvoogd met dit antwoord tevreden?

A. Neen. „Neemt hem zelf, zeide hij, en oordeelt

hem volgens uwe wet.quot;

7. Welke beschuldigingen brachten zij nu tegen Jesus in?

A. lu. Hij verleidt het volk.

2°. Hij verbiedt deu cijnspenniDg aan den keizer te betalen

3°. Hij noemt zich Christus, don koning.

1. Welke vragen stelde Pilatus den Zaligmaker, toen hij Hem in do rechtzaal bij zich had geroepen, en welke antwoorden gaf hem Jesus?

ocr page 15

A. 1°. „Zijt Gij ile koning dei' Joden?quot;

Jesus antwoordde: „Mijn rijk is niet van deze wereld, indien het van deze wereld was, zouden mijne dienaren voor mij strijden, opdat ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd.quot;

3°. ,,Zijt Gij een koning?quot;

„Ja, daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis van de waarheid te geven. Al wie van de waarheid is, hoort Mijne stem.quot;

3°. Wat is de waarheid?

Het antwoord op deze vraag wachtte Pilatus niet af.

9. Wat deed Pilatus na dit kort verhoor.

A. Hij ging tot de Joden enzeide: //Ik vind in dezen mensch geen schuld.quot;

lü. Hebben de Joden Jesus toen opnieuw beschuldigd?

A. Ja, van vele zaken.

11. Heeft de Zaligmaker deze beschuldigingen weerlegd?

A. Neen, Jesus zweeg en gaf zelfs den landvoogd geen antwoord meer op zijn vragen.

VII. Jesus voor Herodes.

1. Welk middel gebruikte Pilatus nu, om van Jesus en van de Joden te worden ontslagen?

A. Hij zond den Zaligmaker naar Herodes.

Wie was deze Hei odes P

A. Herodes Antipas, de zoon van Herodes den Grooteu; hij was viervorst van Galilea en Perea.

3. Waaruit blijkt zijne wreedheid?

A. Hieruit, dat hij den H. Joannes den Dooper in de gevangenis had onthoofd.

4. Waarom bevond hij zich thans te Jeruzalem? A. Om het paaschfeest te vieren.

ocr page 16

5. Waardoor kwam Pilalus op de gedachte den Zaligmaker naar Horodes te zenden?

A. Hij vernam, dat Jesus Galileör was en dat tot het reohtsgebied van Herodes behoorde.

6. Waarom was Herodes verblijd, toen hij Jesus zag? A. Hij had veel vau Jesus booren spreken en hij

hoopte, thans een mirakel door hem te zien verriebten.

7. Hoe gedroeg zich de Goddelijke Verlosser tegenover Herodes?

A. Deze stelde Jesus vele vragen, doch de Zaligmaker keurde hem geen enkel antwoord waardig.

8. Hebben de priesters hem ook voor deze rechtbank beschuldigd?

A. Ja, zij bleven Jesus ook hier hardnekkig aanklagen.

9. Welk lijden heeft Christus van Herodes verduurd? A. Herodus met zijne lijfwacht beeft den Verlosser

bespot, en hem met een wit kleed omhangen tot Pilatus teruggezonden.

10. Hoe waren Pilatus en Herodes jegens elkander gezind?

A. Zij waren vroeger vijanden, doeh Herodes getroffen door de eer, welke Pilatus hem hier bewees, werd van toen af zijn vriend.

VIII. Jesus andermaal voor Pilatus.

1. Welke middelen bezigde Pilatus na Jesus terugkeer van Herodes, om de Joden tevreden te stellen en Christus de vrijheid te schenken?

A. 1°. Meermalen verklaarde hij, dat Jesus onschuldig was.

2°. Hij gaf het volk, de keuze om Jesus ofBarabbas vrij te laten.

ocr page 17

3°. Hij liet Jesus geeselen.

4°. Hij vertoonde hem bebloed en met doornen gekroond aan het volk, om het tot medelijden op te wekken.

2. Wie was Barabbas?

A. Een beruchte moordenaar, die bij een oproer in de stad een manslag had gepleegd.

3. Waarom stelde Pilatus Jesus naast Barabbas?

A. Het was de gewoonte, bij gelegenheid van het Paaschfeest aan eeneu gevangene, volgens de keuze der Joden, de vrijheid terug te geven. Nu dacht Pilatus, dat het volk toch liever Jesus zou vrijgelaten zien dan een beruchten moordenaar.

4. Wien koos het volk?

A. Opgeruid door de priesters en ouderlingen schreeuwden de Joden; «Laat Barabbas los, weg met Jesus, op liet kruis met hem!

5. Door wie is de landvoogd nog gewaarschuwd, den Zaligmaker niet te veroordeelen ?

A. Door zijne huisvrouw, die hem liet zeggen; //Bemoei u niet met dezen rechtvaardige, want ik heb dezen nacht in een droomgezicht veel om hem geleden.quot;

6. Tot welke onrechtvaardigheid besloot hij, na de vrijstelling van Barabbas?

A. Hij liet Jesus geeselen.

7. Welk lijden heeft Christus na de geeseling verduurd?

A. De heele krijgsbende werd in de voorzaal geroepen,

en daar hebben de soldaten;

1° Jesus ontkleed en met oen ouden purperen mantel omhangen.

2° Hem eene kroon van doornen op het boofd gedrukt.

3° Hem een rietstok als schepter iu de hand gegeven.

4° Hem kaakslagen toegebracht, in het aangezicht gespuwd en met het riet op zijne doornen kroon geslagen.

5° Zij knielden spottend voor Hem en begroetten

ocr page 18

— 16 —

hem: «Wees gegroet, koning der Joden!quot;

8. Op welkn wijze trachtte Pilatus het volk tot medelijden jegens den Zaligmaker op te wekken?

A. Hij vertoonde Hem, bebloed eu gekroond, met dien spotmantel omhangen aan het volk enzeide;

//Ziet den mensch.quot;

9. Wat beduiden deze woorden?

A. Ziet, Jesus is voldoende gestraft, geeft hem nu de vrijheid, eischt zijnen dood niet.quot;

10. Welken indruk maakte dit vertooneu des Heeren op het volk ?

A. Zoodra zij hom zagen, schreeuwden de Joden: «Kruis hem, kruis hem!quot;

11. Op welke wijze trachtten de priesters Pilatus het oodvonnis nu af te dwingen ?

A. Zij riepen: 1°. «Hij heeft zich uitgegeven voor Gods Zoon; daarom moet Hij volgens Onze Wet sterven.''

2°. //Als gij hem vrijlaat, zult gij geen vriend van den keizer blijven,quot;

12. Waardoor bewees Pilalus, dat hij in Jesus iets bovennatuurlijks vermoedde?

A. Hij vroeg den Zaligmaker: «Van waar zijt gij!quot; En Jesus gaf hem te kennen, dat Pilatus geen macht over hem zou hebben, indien deze uit den Hemel hem niet ware gegeven.

13. Welke waren do laatste zwakke pogingen van Pilatus, om voor Jesus de vrijheid te verkrijgen?

A. 1°. Op zijn rechterstoel gezeten, sprak hij tot de Joden: //Ziethier uwen koning! Moet ik uwen koning kruisigen?quot;

De opperpriesters antwoordden: //Wij erkennen geen koning buiten den keizer.quot;

20. Hij wies plechtig zijne handen ten aanschouwe

ocr page 19

— 17 —

van heel het volk au zeide: «Ik ben aan het bloed van dezen rechtvaardige onschuldig, gij moet het zeiven verantwoorden.quot;

Al het volk riep: «Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!quot;

14. Waarom werd Jesns dus ook door Püatus ter dood veroordeeld?

A. Omdat hij had beleden, dat hij de Zoon Gods, de Messias, de Christus was.

IX De Kruisiging.

§: 1.

1. Waar is Jesus gekruisigd?

A. Op den berg van Calvarie, die op korten afstand van de stad lag.

2. Hoe heeft Jesus den wc-g naar de gerechtsplaats afgelegd ?

A. Nadat de soldaten Christus zijn eigen kleederen weer aangetrokken en hem het kruis op de schouders hadden gelegd, heeft hij dit zelf naar den Calvarieberg gedragen.

3. Hoe dikwijls is Jesus onder zijn kruis gevallen?

A. Driemaal.

4. Wien hebben de soldaten gedwongen om Jesus te helpen in het dragen van zijn kruis ?

A. Simon van Cyrenen, die juist van het veld kwam.

5. Wie hebben Jesus op den kruisweg beweend en getroost ?

A. Zijne Heilige Moeder; de H. Veronica, die zijn bebloed gelaat met eenen doek reinigde; en vele vrouwen

ocr page 20

— 18 —

van Jeruzalem, die hem onder het storten van tranen beklaagden.

6. Met welke woorden troostte Jesus de vrouwen van Jeruzalem?

A. «Weent niet over mij, maar over n zeiven en over uwe kinderen; want indien zij dit aan het groene hout doen (aan mij, den rechtvaardige) wat zal dan aan liet dorre (aan den zondaar) geschieden?

7. Hoe is Jesus gekruisigd?

A. Op den berg aangekomen boden de soldaten hem wijn met mirre vermengd aan; Jesus proefde dien, maar dronk er niet van. Daarna rukten zij hem de kleederen uit, nagelden zijne handen en voeten aan het kruishout en hingen hem tusschen twee moordenaars, die dezelfde straf ondergingen.

8. Hoe luidde het opschrift boven Jesus' kruis?

A. Jesus van Nazareth, Koning der Joden. Het was geschreven in drie talen: in het Hebreeuwsch, in het Grieksch en in het Latijn.

9. Welke verandering wilden de priesters in dit opschrift hebben gebracht, en met welk gevolg?

A. Zij vroegen Pilatus, dat hij deze woorden zou schrijven : „ Hij heeft yezeyd, dat hij tras (Jesus van Nazareth, Koning der Joden.) Doch Pilatus gaf hun ten antwoord: «Wat ik heb geschreven, blijft geschreven.quot;

10. Wat is er geschied met de kleederen van Jesus?

A. L)e soldaten, die met de kruisiging waren belast,

maakten er vier deelen van, voor ieder hunner één, doch om de lijfrok, die zonder naad, uit één stuk was geweven, wierpen zij het lot.

11. Wie hebben Jesus, toen hij aan het kruis hing, nog bespot?

A. 1°. ,De soldaten.

2°. De opperpriesters en schriftgeleerden.

ocr page 21

19 —

3°. Het volk.

quot;i0. Vele voorbijgangers.

5°. Een der moordenaars, die naast hem hing. 12. Waarin vooral bestond deze bespotting?

A. Zij dreven den spot mot zijne Almacht, met zijne Godheid, zij zeiden o. a.: //Indien Gij Gods Zoon zijt, kom dan van het kruis.quot;

//Anderen heeft hij gered, zich zelf redden, kan hij niet.quot; Enz.

1. Hoevele woorcfejiheett Jesns aan het kruis gesproken?

A. Zeven.

2. Welk was het eerste woord.'

A. Eene bede voor Zijne vijanden: nVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

3. Het tweede ?

A. Hij sprak dit tot den goeden moordenaar, die den kwaden moordenaar over zijne spotternij berispte en tot Jesus bad; //Heer, wees mij gedachtig, als Gij in Uw rijk zult ziju gekomen.quot; Jesus antwoordde hem: «Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.//

•4 Het derde woord?

A. Tot zijne Moeder sprak hij: Vrouw, ziedaar uw Zoon.quot; en tot Joannes: nZoon, ziedaar uwe Moeder.quot;

5. Welk was Zijn vierde woord?

A. „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.quot;

6. En het vijfde?

A. a Ik heb dorst.quot;

En het zesde?

A. ullet is volbracht.quot;

7. Hoe luidde zijn laatste u-oord?

ocr page 22

A. Vader, in uwe Juinden beveel ik mijnen geest.quot;

8. Wanneer is hij gestorven?

A. Vrijdag na den middag, omtrent drie uur.

9. Welke woudereu hadden er plaats bij den dood des Heereu?

A. 1°. Een dikke duisternis bedekte de aarde gedurende drie uren en de zou verduisterde.

2°. Het voorhangsel des tempels scheurde open vau boven tot beneden.

3°. Do aarde beefde.

4°. De steenrotsen barstten.

5°. De graven openden zich.

10. Wie beleden op het zien dezer tcekeneu de Godheid van Christus ?

A. 1°. De hoofdman en zij, die bij hem stonden, zeggende: //hij was de zoon Gods.quot;

2° De menigte, die bevende op de borst sloeg en stil uit een ging.

X. De Begrafenis.

1. Waren vele van Jesus vrienden getuigen geweest van zijnen dood op den Calvarieberg?

A. Zeer velen, onder anderen : Maria Magdaleua, Maria, do moeder van Jacobus den mindere; Salome, de moeder der kindereu van Zebedeus.

2. Welk verzoek richtten de Joden na den dood van Christus tot den landvoogd?

A. Dat hij den gekruisten de beenderen zou laten breken en hem van het kruis afnemen.

3. Waarom vroegen zij dit?

A. Omdat het door de Joodsche Wet was verboden,

ocr page 23

dat er den volgenden Sabbat nog lichamen aan het kruis hingen.

4. Waarom hebben de soldaten de beenderen van Jesus niet gebroken, gelijk zij dit bij de twee moordenaars wel deden ?

A. Omdat zij zagen dat Jesus reeds was gestorven.

5. Wat deed echter een der soldaten, om met meer zekerheid den dood van Christus te kunnen getuigen?

A. Hij doorstak de zijde van Jesus met zijne lans en toen hij ze terugtrok, vloeide er bloed en ivater uit de zijdewonde.

6. Wanneer is Jesus begraven?

A. Tegen den avond van den goeden'Vrijdag.

7. Wie heeft aan Pilatus verzocht om het goddelijk lichaam te mogen begraven ? ^

A. Jozef van Arimathea, een zeer rijk man, raadsheer en in het geheim leerling van Jesus.

8. Stond Pilatus dit aanstonds af?

A. Ja, toen hij den hoofdman had ontboden en van dezen vernam, dat Jesus waarlijk gestorven was.

9. Wie was Jozef behulpzaam bij de begrafenis?

A. Nicodemus, ook een raadsheer, die reeds lang in Jesus geloofde.

10. Waar hebbeu zij het lichaam des Heeren begraven?

A. In een nieuw steenen graf, waarin nog geen lijk

was begraven; dit behoorde aan Jozef van Arimathea en was gelegen in zijnen tuin, niet ver van den Calvarieberg verwijderd.

11. Hoe hebben zij Jesus begraven?

A. Zij hebben het goddelijk lichaam gebalsemd, in linnen doeken gewikkeld, in het graf gelegd en den ingang hiertoe met eenen zwaren steen gesloten.

12. Waarom vroegen de priesters aan Pilatus, dat hij eene militaire wacht bij het graf zou plaatsen?

ocr page 24

A. Uit vrees, dat de leerliugeu het lichaam zouden weghalen en tot het valk zouden zeggen; (/Hij is verrezen,quot;

8. Heeft Pilatus dit verzoek toegestaan?

A. Ja, Pilatus zeide: gij hebt zelf eene wacht, laat die het graf bewaken.quot;

Ié. Hebben de priesters dit gedaan'?

A. Ja, zij verzegelden den steen, welke den toegang tot het graf afsloot en plaatsten daarbij eene wacht van soldaten.

DE VERRIJZENIS DES HEEREN.

1. De ontdekking der Verrijzenis.

1. Wanneer is Christus verrezen?

A. Des Zondags morgeus bij den opgang der zou.

2. Met welke omstandigheden ging die verrijzenis gepaard ?

A. Na de opstanding des Heeren uit het graf ontstond er een geweldige aardbeving. Een engel daalde van den hemel neder, wentelde den steen van het graf en plaatste zich op denzelven. De soldaten vielen van schrik als dood ter aarde.

3. Welke vrouwen hebben het eerst de verrijzenis des Heeren ontdekt?

A. Maria Magdalena — Maria, de moeder van Jacobus — en Salome.

4. Waarom kwamen zij naar het graf?

A. Zij hadden des Vrijdags avonds specerijen gekocht en wilden nu het goddelijk Lichaam gaan balsemen.

5. Waarvoor waren zij ouderweg bezorgd?

A. Dat zij den zwareu steen niet van het graf zouden kuuneu wentelen.

ocr page 25

— 23 —

6. Wat ontdekten zij, bij het graf komende?

A. Dat de steeu was afgewenteld en dat het goddelijk Lichaam daaruit was verdwenen.

7. Wat deed Magdalena na deze ontdekking?

A. Zij liep aanstonds alleen naar Jeruzalem terug en ging aan Petrus en Joannes boodschappen: „Zij hebben den Heer weggenomen en wij weten niet, waar zij hem gelegd hebben.quot; Hierna keerde zij naar het graf terug.

8. ^'elke verschijning kregen de andere vrouwen, toen Magdalena was heengegaan 'i

A. Zij zagen twee engelen, in witte kleederen gehuld. Een dezer sprak haar toe: „Vreest niet; ik weet, dat gijJesus, die gekruisigd is, zoekt;.... Hij is hier niet. Hij is verrezen, gelijk hij heett voorzegd. Komt en ziet de plaats, waar hij «elegen heett.

9. Welken last droeg de engel haar op'r

A. «Gaat aan de leerlingen en aan Petrus zeggen, dat Hij verrezen is, en Hjj zal hen voorgaan naar Galilea, daar zullen zij Hom zien.quot;

10. Hoe volbrachten de vrouwen deze opdracht?

A. Zij liepen ijlings naar Jeruzalem om de leerlingen met deze boodschap te verblijden.

II. Petrus en Joannes bij het graf.

1. Van wie ontvingen Petrus en Joannes de tijding dat het Lichaam des Heeren uit het graf was verdwenen ?

A. Van Maria Magdalena.

3, Zijn zij aanstonds naar het graf gegaan?

A. Johannes was Petrus vooruit geloopen en kwam het eerst aan: hij boog zich voorover, keek in het graf, doch ging de grot niet verder in. Hierop kwam Petrus in het graf.

ocr page 26

— 24 —

o. Wat zagen loen beiden?

A. Zij zagen de doeken, waarin bet Licbaam was gewikkeld geweest, afzonderlijk liggen en den hoofddoek ter zijde in een gerold.

4. Hoe waren zij over deze bevinding gestemd?

A. Verward en bedroefd gingen zij heen, want zij verstonden de Schriftuur nog niet, waar zij zegt, dat Christus van den dood moest verrijzen.

5. Aan wie is Jesus na zijne verrijzenis het eerst verschenen ?

A. Ofschoon de H. Schrift ons dit niet verhaalt, is toch bet gevoelen van vele H. Vaders, dat Jesus bet eerst zich aan Zijne Moeder heeft vertoond.

6. Koevele verschijningen worden in de H. Schrift vermeld ?

A. Tien: Vijf op den dag der verrijzenis zeiven en vijf by latere gelegenheden.

7; Aan wie verscheen Jesus op den dag der verrijzenis ?

' A. 1°. Aan Maria Magdolena.

2°. Aan de andere vrouwen.

o0. Aan Simon Petrus.

4°. Aan de leerlingen op den weg naar Emmaüs.

50. Aan de vergaderde leerlingen, bij welke Thomas niet aanwezig was.

8. Aan wie is Hij naderhand noch verschenen ?

A. 1°. Aan de leerlingen, toen Thomas tegenwoordig was.

3quot;. Aan Petrus en zes anderen, toen zij aan het visschen waren op het meer van Tiberias.

3°. Aan meer dan vijf honderd broeders in Galilea.

4°. Aan Jacobus.

h. Aan de elf apostelen.

ocr page 27

Ill Eerste verschijning.

1. Aan wie versoheen Jesus het eerst na do ontdekking der verrijzenis?

A. Aan Maria Magdaleua.

2. Wanneer?

A. Toen zij teruggekeerd uit Jerusalem l)ij het graf stond te weenen.

3. Wie zag zij in het graf zitten?

A. Twee engelen in witte kleederen; eenen aan het hoofd- den anderen aan het voeteinde des grafs.

4. Wat vroegen haar de engelen en welk antwoord ontvingen zij van haar?

Zij zeiden: «Vrouw, waarom weent gij?quot;

Maria gaf ten antwoord: Omdat zij mijnen Heer hebben weggenomen en ik niet weet, waar zij Hem gelegd hebben.quot;

5. Hoe vertoonde zich Jesus toen aan haar?

A. Terwijl zij nog sprak, keerde zij zich om en zag Jesus staan; maar zij wist niet, dat Hij het was.

G. Waarom herkende zij Jesus niet?

A. Omdat Hij de gedaante van eenen hovenier had aangenomen.

7. Hoe sprak zij Jesus aan ?

A. «Heer, indien gij Hem weggenomen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem neergelegd hebt en ik zal Hem terug gaan halen.quot;

8. Waaraan herkende zij den Zaligmaker?

A. Hij noemde haar bij den naam: nMariaquot; — Aanbiddend viel zij aan Zijne voeten neer onder den uitroep: n Mijn Meester

9. Welken last gaf Jesus haar?

A. «Ga en zeg aan mijne broeders, dat ik verrezen

ocr page 28

— 26 —

quot;ben eu dat ik spoedig zal opklimmen tot mijnen eu hunueu Vader.quot;

10. Hoe vervulde zij dezen last'?

A. Vol vreugde liep zij naar de stad en verhaalde aan de treurende leerlingen de verschijning des Heeren.

11. Schonken zij geloof aau Maria's woorden?

A. Neen, zij konden niet gelooven, dat Jesus verrezen en haar verschenen was.

!V Tweede verschijning.

1. Wanneer verscheen Josus aan de vrouwen?

A. Toen zij onderweg waren, om op last der engelen, ■die haar bij het graf waren verschenen, dit visioen aau de apostelen te gaan mededeelen.

2. Hoe verscheen Jesus haar?

A. Hij kwam haar te gemoet en sprak haar toe; ,„W ees gegroet.quot;

3. Op welke wijze betoonden de gelukkige vrouwen haren eerbied ?

A. Buiten zich zeiven van vreugde, vielen zij op de knieën, omarmden Jesus' voeten en aanbaden Hem.

4. Welken last ontvingen zij nu van Jesus ?

A. Zegt aau mijne broeders, dat zij naar Galilea gaan, daar zullen ze mij zien.quot;

5. Sloegen de apostelen ook aan haar geloof?

A. Neen, hare woorden waren voor hen als een droom en zij geloofden haar niet.

V. De Soldaten.

1. Hoe gedroegen zich do soldaten, toen zij de teekenen na Jesus' verrijzenis zagen?

A. Verschrikt door de verschijning des engels,

ocr page 29

liepen zij vol angst naar de stad e7i brachten aan de opperpriesters de boodschap der verrijzenis.

3. Twijfelen de opperpriesters aan de waarheid van het verhaal der soldaten?

A. Neen, volstrekt niet.

3. Wat deden zij, na de soldaten ondervraagd te hebben?

A. Zij belegden eene vergadering met de ouderlingen

des volks, om 'te beraadslagen, hoe zij zich uit deze moeilijkheid zouden redden.

4. Welk onzinnig besluit hebben zij daar genomen?

A. De soldaten eene som gelds te geven ; dan moesten

deze aan het volk zeggen: //Terwijl wij sliepen, hebben de leerlingen het lichaam weggenomen.quot;

5. Wat hadden de soldaten bij het verspreiden van deze leugen te vreezen ?

A. Dat zij door den Stadhouder zouden gestraft, worden, indien deze hoorde, dat zij op wacht geslapen hadden.

6. Hoe stelde de opperpriesters hen ouder dit opzicht gerust'?

A. Zjj zouden Pilatus wel tevreden stellen en zorgen, dat zij niet werden gestraft.

7. Hebben toen de soldaten het geld aangenomen en deze leugen trachten te verspreiden?

A. Ja.

S. Waarom was dit besluit der Joden dwaas en onzinnig ?

A. Wel, hoe konden zij slapende soldaten voor getuigen van den roof des Liehaams laten doorgaan? Hadden de soldaten geslapen, dan konden zij den ■/■oo/ niet getuigen — kouden zij den roof vel getuigen, dan hadden zij niet geslapen. Maar hadden zij niet geslapen, dan hadden zij zich togen den roof moeten verzetten.

ocr page 30

— 28 -

VI. Derde en vierde verschijning.

1. Wanneer verscheen Jesus aan do leerlingen fe Emmaüs?

A. Tegen den avond van den dag der verrijzenis.

2. Wie waren deze leerlingen ?

A. Cleopbas en nog een, die niet wordt genoemd.

3. Hoever lag Emmaüs van Jeruzalem V

A. Zestig stadiën, d. i. ongeveer twee en een half uur.

•i. Waarover waren zij samen in druk gesprek?

A. Over Jesus' lijden en sterven en over de geruchten zijner verrijzenis.

5. Hoe waren zij gestemd?

A. Zwaarmoedig, droevig en eenigszins wankelend in bun geloot, omdat Hij door de joden was ter dood gebracht en zij in drie dagen geen teeken van Hem met zekerheid hadden vernomen.

6. Hoe verscheen hun dc Zaligmaker?

A. Hij voegde zich onopgemerkt bij hen, knoopte een gesprek met hen aan en maakte hen uit de voorzeggingen der profeten duidelijk, dat dc Christus moest lijden en aldus zijn glorie binnengaan.

7. Herkenden zij den Zaligmaker niet?

A. Neen.

8. Hoe hield zich Christus, toen zij te Emmaüs kwamen ?

A. Alsof Hij nog verder wilde gaan.

9. Lieten de leerlingen Hem doorreizen?

A. Neen, zij verzochten Hem dringend: «Blijf bij ons, Heer, want de avond begint reeds te vallen.quot;

10. Waaraan hebben zij Jesus herkend?

A. Toen Hij met hen aan tafel zat, nam Hij het brood in Zijne handen, zegende bet, brak het en gaf het hun. Op dat oogenblik gingen hunne oogen open

ocr page 31

— 29 —

en zij herkenden Hem. Op denzelfden stond verdween Jesus uit hunne oogen.

11. Wat deden de twee leerlingen, nadat Jesus was verdwenen ?

A. Zij stonden dadelijk op, lippen naar Jerusalem terug, om aan do apostelen deze verschijning te gaan mededeelou.

13. Hoe werden zij door hen ontvangen?

A. Zij vor.den de apostelen en leerlingen vergaderd eu deze riepen hun reeds toe: «Nu is Jesus waarlijk verrezen en ook aan Simon verschenen.quot;

13. Wanneer is dus Jesus aan Simon Petrus verschenen ?

A. Ook op den dag zijner verrijzenis, na zijne verschijning aan Maria Magdalona eu de andere vrouwen.

VII Vijfde verschijning.

1. Wanneer had de vijfde verschijning plaats? A. Des Zondags avonds.

2. Aan wie is de Heer toen verschenen?

A. Aan de vergaderde leerling-en eu apostelen.

3. Hoe waren die vergaderd?

A. Uit vrees voor de joden hadden zij de deuren gesloten.

4. Hoe verscheen de Zaligmaker?

A. Op eens stond Hij in hun midden en zeide: «Vrede zij u, vreest niet, Ik beu het.''

5. Herkenden hem de leerlingen?

A. Neen, zij meenden, dat zij een geest zagen.

6. Waardoor bevestigde Jesus, dat Hij het werkelijk was?

ocr page 32

— 30 —

A. 1°. Hij toonde buu Zijno vijf heilige wonden en liet zich aanraken.

2°. Hij at in hunne tegenwoordigheid van een stuk gebraden visch en honigraat, die zij Hem hadden voorgezet.

7. Welk Sacrament heeft Jesus bij deze verschijning ingesteld ?

A. Het H. Sacrament der Biecht.

8. Op welke wijze en met welke woorden?

A. Hij sprak nogmaals: «Vrede zij uquot; Daarna vervolgde Hij: Gelijk de Vader mij heeft gezonden, zoo zend ik u.quot; Toen blies Hij over hen en zeide; wOnt-vang den H. Geest: aan wie gij de zonden zult hebben vergeven, hun zijn ze vei'geven en aan wie gij de zonden zult hebben gehouden, hun zijn ze gehouden.quot;

9. Welke apostel was 'bij deze verschijning niet tegenwoordig ?

A. Thomas, bijgenaamd Didymus.

10. Welk antwoord gaf Thomas toen de andere apostelen hem verhaalden, wat er gebeurd was?

A. Hij zou niet gelooven, dat Jesus verrezen was, voordat hij zelf de wonden der spijkers gezien en zijnen vinger iu die wonden, en zijne handen in Christus' zijde igelegd had.

VIII. Zesde verschijning.

1. Hoe lang bleef Thomas in zijn ongeloof?

A. Acht dagen.

2. Hoe werd hij tot het geloof aan de verrijzenis ■gebracht?

A. Toen de apostelen weder op dezelfde plaats vergaderd waren, waar Jesus vóór acht dagen hun verschenen was, stond Hij wederom eensklaps in het midden,

ocr page 33

liuc deu vrede toevvenschend. Nu was Thomas aanwezig,

3. Hoe toonde Jesus zijne Alwetendheid?

A. Hij riep Thomas bij zich en zeide: «Leg hier uwen vinger, en aanschouw mijno handen, en leg uwe hand in mijne zijde; en wees niet meer ongeloovig, maar geloovig.quot;

4. Voldeed de apostel aan die uitnoodiging en met welk gevolg?

A. Ja, met het gevolg dat hij in de verrijzenis geloofde, en belijdenis van Jesus godheid aflegde, uitroepende: «Mijn lieer en mijn God!quot;

5. Welk antwoord ontving hij van den Zaligmaker?

A. «Gij hebt geloofd, Thomas, omdat gij hebt gezien; zalig zijn zij, die niet gezien en toch geloofd hebben.//

IX Zevende verschijning.

1. Waar had do zevende verschijning plaats?

A. Bij het Meer van Tiberias, ook zee van Galilea-genaamd.

2. Aan wie verscheen Jesus daar?

A. Aan Petrus, Thomas, Joannes, Jacobus, Nathaniel en nog twee andere leerlingen, terwijl zij samen aan het visschen waren.

3. Hoe verscheen Hij?

A. Toen de morgen aanbrak, stond Hij op den oever en vroeg, of zij niet eenige toespijs hadden.

4. Welk antwoord kreeg Hij van hen?

A. Wij hebben niets. Zij hadden heel den nacht niets gevangen

5. Welken raad gaf Jesus hun ?

A. Dat zij het net aan den rechterkant van het schip zouden uitwerpen.

ocr page 34

— 32 —

6. Met welken uitslag volgden zij dezen raad?

A. Zij vingeu aanstonds zooveel visch, dat zij niet bij machte waren, het net op te trekken; ofschoon zij 153 visschen vingen, scheurde het net niet.

7. Wie der leerlingen herkenden Jeans?

A. Joannes. Het is de Heer, zeide hij tot Petrus.

8. Wat deed Petrus op het hooren dezer woorden?

A. Petrus sprong in het water en zwom naar den

oever.

9. Hoe kwamen do overige leerlingen tot Jesusr

A. Met huu schip, terwijl zij het net vol visschen voorttrokken.

10. Hoe ontving Jesus hen op den oever?

A. Een vuur was daar ontstoken en Jesus noodigde hen met Hem het ontbijt te gebruiken van brood en visch.

11. Welke vraag stelde Christus hier aan Petrus na het ontbijt? ,

A. Tot driemaal toe vroeg Hij hem,//Simeon, Joannes zoon, bemint gij mij?quot;

12. Welk antwoord gaf Petrus den Verlosser?

A. Tot tweemaal antwoordde hij: «Gij weet, lieer, dat ik U liefhebquot; en den derden keer voegde hij, in tranen losbarstende, er bij: «Heer, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U beminquot;.

13. Welke opdracht ontving hij na deze liefdebetuiging ?

A. Tweemaal sprak Christus: «hoed mijne lammeren,quot; en den derden keer zeide Hij: «hoed mijue schapen.quot;

14. Wat betcekenen deze woorden?

A. Hoed mijne gansche kudde. Ik draag u de zorg op over geheel de li. Kerk.

15. Werd Petrus door deze woorden als opperhoofd der H. Kerk aangesteld?

ocr page 35

— 33 —

A. Ja. Hier bevusligde Christus, wat Hij Petrus vroeger bad beloofd; Ik zal u de sleutels van bet hemelrijk geveuquot; ou //Gij zijt Petrus d. i. steenrots en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen.quot;

16. Welke voorzegging doet Jesus hierop aan Petrus? A. Dat bij voor bet geloof den marteldood zou

sterven.

17. Welke vraag stelde Petrus toen aan den Zaligmaker ?

A. Welken dood de beminde leerling Joannes zou sterven.

18. Welk antwoord ontving hij van den Zaligmaker ? A. Zoo wil ik, dat bij blijft, totdat ik kom, wat

gaat u dit aan? Wat u aangaat, volg mij.quot;

X. Achtste, negende en tiende.

1. Waar had de achtste verscbijning plaats?

A. In Galilea, op eenen berg.

2. Aan wien verscheen Hij aldaar?

A. Aan do elf leerlingen en Hij werd daar door meer dan 500 broeders gezien.

3. Welke woorden sprak Jesus bier tot Zijne Apostelen ?

A. Mij is alle macht gegeven in don Hemel on op aarde: gaat dus, onderwijst alle volkeren, doopt bon in don naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, leert bun alles onderhouden, wat ik u beb geboden en ik bon met u tot aan bot einde dor wereld.quot;

4. Aan wien is Jesus nog verschenen?

A. Aan den apostel Jacobus.

5. Wanneer had de laatste verschijning plaats?

A. Op den dag der Hemelvaart.

ocr page 36

— 34 —

6. Aan wie en waar ?

A.. Aan de apostelen, te Jeruzalem, terwijl zij in do zaal aan tafel zaten.

7. Wat openbaarde Jfsus hun bij deze verscliijning;' A. Hij wees nogmaals op hunne vorige ongeloovig-

heid, opende deu zin der profeten betrekkelijk de voorzeggingen over Zijn lijden, en voorspelde, dat zij hun zending door wonderen zouden bevestigen.

8. Welk gebod gaf Hij hun ten slotte?

A. Dat zij in de stad zouden blijven, totdat de H. Geest over hen zou zijn nedergedaald.

XL DE HEMELVAART DES HEEREN.

1. Wat deed Jesus op den dag Zijner hemelvaart?

A. Hij leidde Zijne apostelen uit Jerusalem naar

Bethanië en vervolgens steeg Hij met, hen den olyf-berg op.

2. Onder welke omstandigheden had daar de Hemelvaart plaats?

A. Jesus sprak Zijne laatste woorden tot de apostelen en terwijl Hij Zijne hand zegenend over hen uitstrekte, zagen zij Hem van de aarde opwaarts zweven, totdat eene wolk Hem aan hunne oogen onttrok.

3. Wie verschenen hun, toen zij nog ten Hemel stonden te staren.

A. Twee engelen, in witte kleederen gehuld.

4. Met welke woorden spraken de engelen de verbaasde apostelen toe ?

A. Mannen van Galilea, wat staat gij hier naar den hemel op te zien! Dien Jesus, dien gij ten hemel hebt zien opvaren, zal op dezelfde wijze wederkomen.quot;

ocr page 37

— 35 —

5. Wat deden de apostelen, toen de engelen waren verdwenen ?

A. Zij aanbaden hunnen Heer en keerden vol vreugde van den Olijfberg naar Jeruzalem terug.

XII. De Nederdaling van den H. GEEST.

1. Hoe hebben de apostelen zich tot de komst van den H. Geest voorbereid?

A. Zij vergaderden in de offerzaal en bezochten den tempel en volhardden allen eenparig in het gebed met Maria, de moeder van .Tesus, eu uog andere godvruchtige vrouwen en met de bloedverwanten van Jesus.

2. quot;Welk voorstel deed Petrus op een dier dagen van voorbereiding ?

A. Een nieuwen apostel re kiezen in plaats van Judas.

3. Wie werd gekozen ?

A. Mathias, die waarschijnlijk tot de 73 leerlingen van Jesus behoorde.

4. Hoe is hij gekozen?

A. Door de vergadering werden twee als daartoe geschikt voorgesteld: Jozef, die genaamd werd Barsabas eu den bijnaam droeg van de rechtvaardige, en Mathias. Na een .vurig gebed werd het lot geworpen dat op Mathias viel.

5. Wanneer daalde de H. Geest over de apostelen neer?

A. Op den 50n dag na de verrijzenis, den 1' n na de

Hemelvaart van Christus.

6. Hoe geschiedde dit?

ocr page 38

A. Toen de leerlingen in de zaal verslonden waren in het gebed, hoorde men plotseling een gedruisch aan den hemel als van een opkomenden zeer sterken wind, die het heele huis vervulde. Vurige tonyen verschenen hun en bleven boven de hoofden zweven. Allen werden met den H. Geest vervuld en begonnen verscheidene talen te spreken, zooals de H. Geest die ingaf.

7. Wanneer viert de H. Kerk de gedachtenis der nederdaling van den H. Geest?

A. Op Pinksterdag.

ocr page 39
ocr page 40