Irriestcrfccof
Uitlt
$lt; % liar. $
UitJt i(c WtftïiltJ,
4iUl3(ii3$r(iO|i uim ^ircfbt,
â¦
®e ucrfjcueufjtiit ttan fjcf
itci' ï^ifumc |®ef.
Ipse (ledit pastores ad constimmatlonem
Sanctorum.
Hij gaf herders ter voltooiing der Heiligen.
Eph. 4, 12
Doorluchtige Hoogwaardigheid, Hoog- en ZeerEer-waarde Heeren, Feestvierende Geloovigen!
Daar is een mensch op aarde, die geroepen is, de geestelijke belangen zijner broeders te bevorderen. Gelijk aan de Engelen, die den ladder van Jacob op en af klommen, belast hij zich met de wenschen en behoeften des volks, en legt die aan de voeten van den troon des Eeuwigen neder, van waar hij bijzondere gunsten, gaven en voorrechten doet nederdalen. Die mensch, welken God om zijne verhevene waardigheid verhoort, is de priester.
Daar is een mensch, die dagelijks het groote offer vernieuwt en toepast, dat bij den aanvang der wereld toegezegd en op Golgotha's heuvel werd voltrokken, en waarin God zijn welbehagen heeft. Die mensch is de priester.
Daar is een mensch, die met God samenwerkt in het belang van de zaligheid der zielen. Een mensch, die het zoenbloed van Jesus Christus door de Sacramenten op zijne broeders toepast; het woord Gods verkondigt, de zielen heiligt, voedt met het brood der
0e uci-fjüucnficiit ttfin fjcf pinc?fci*?cf|rtp itcp Dimmie p?cf.
Ipse dedit pastores ad consummationom
Sanctorum,
Hij gof herders ter voltooiing der Heiligen.
Eph. 4, 12
Doorluchtige Hoogwaardigheid, Hoog- en ZeerEer-waarde Heeren, Feestvierende Geloovigen!
Daar is een mensch op aarde, die geroepen is, de geestelijke belangen zijner broeders te bevorderen. Gelijk aan de Engelen, die den ladder van Jacob op en af klommen, belast hij zich met de wenschen en behoeften des volks, en legt die aan de voeten van den troon des Eeuwigen neder, van waar hij bijzondere gunsten, gaven en voorrechten doet nederdalen. Die mensch, welken God om zijne verhevene waardigheid verhoort, is de priester.
Daar is een mensch, die dagelijks het groote offer vernieuwt en toepast, dat bij den aanvang der wereld toegezegd en op Golgotha's heuvel werd voltrokken, en waarin God zijn welbehagen heeft. Die mensch is de priester.
Daar is een mensch, die met God samenwerkt in het belang van de zaligheid der zielen. Een mensch, die het zoenbloed van Jesus Christus door de Sacramenten op zijne broeders toepast; het woord Gods verkondigt, de zielen heiligt, voedt met het brood der
_ 4 -
wetenschap en der waarheid; die den mensch van den schoot zijner moeder af voor zijne rekening neemt en niet loslaat dan bij zijne intrede in de eeuwigheid; die de wieg zegent en het huwelijksbed, de doodsponde en het graf. Een mensch, die de zaden der bekeering in de harten der zondaren strooit, en de rechtvaardigen sterkt en steunt. Die mensch is de priester.
Daar is een mensch, die volgens zijn ambt verplicht is de belangen der zielen te behartigen, seffens ook de lichamelijke behoeften gadeslaat. Geen ellende welke hem ontgaat, geene smarten, die hij niet zoekt te lenigen, geene tranen, die hij niet poogt te drogen. Nee est qui se abscondat a calore ejus. En niets is voor zijn gloed verborgen. (Ps. 18, 7.) En die mensch is de priester.
Feestvierende Priester ⢠Aartsbisschop! Op dezen heu-gelijken dag, dat Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid het zilveren jubelfeest viert, en mij de hooge eer is te beurt gevallen een stichtend woord, U ter eere en ter verhooging der feestvreugde der zoo talrijk saamgestroomde Geloovigen, bij deze zoo grootsche plechtigheid te spreken, wil ik trachten een schets te geven van de hooge waardigheid en het verheven karakter van den priester, van den priester - bisschop, in wien het meest volmaakt, het meest verheven die waardigheid en dat karakter uitschitteren.
Dit onderwerp. Aandachtige Toehoorders, meen ik, zal geschikt zijn, om te verhoogen nog het Zilveren Priesterfeest van den hoogvereerden Jubilaris.
De verhevenheid van het priesterschap is dus de stof dezer rede.
De priester is verheven; I. om zijne macht; en II. om zijne iveldaden.
Van uwe aandacht verzekerd, vraag ik alleen een
- 5 -
klein gebed, opdat Gods zegen mijne woorden moge heiligen.
L Het priesterschap is de oudste en eerbiedwaardigste stand; zijne verhevenheid overtreft alle grootheid, is het toppunt en de kroon van al het verhevene. De H. Chrysostomus heeft een geheel boek geschreven over de voortreffelijkheid en verheven waardigheid van het Priesterschap.
Al dadelijk bij de wieg der menschheid ontmoeten wij den priester in den zoon van onzen stamvader. Abel bracht den Heer een offer, waarop God met welgevallen nederzag. Noach bouwde een altaar en offerde een brandoffer, en de Heer ontwaarde de geurwalmen en was verzoend. Ook de Patriarch Abraham richtte een altaar op ter plaatse, waar God hem was verschenen, en te Bethel, waar hij zijne tenten opsloeg, alsook op de vlakte van Mamre en op den berg Moria; en God sprak met hem als de eene vriend tot den andere. Zoo deden ook de overige Patriarchen. Vorsten van hun huis, waren zij boven alles priester van den Allerhoogste; eene waardigheid, die wij zoo zeer zien uitblinken in Melchisedech, van wien de Schrift zegt, dat hij brood en wijn offerde, want hij was priester van God, den Allerhoogste.
Gaat tot de volkeren der grijze oudheid, en gij vindt den priester zoowel bij de meest beschaafden als bij de wilden der onherbergzame en donkere woestenijen ; allen hadden hunne altaren, offers en priesters. Het priesterschap genoot steeds de meeste achting en onderscheiding, het heiligde koningen en volkeren, en de orakels der Godheid werden, (zoo geloofde men), vaak aan hetzelve medegedeeld en toevertrouwd.
Wat zal ik zeggen van de grootheid van het pries-
- 6 -
terschap in de Oude Wet? Het was in de handen van den Hoogepriester, dat God de genade der verzoening en elke uitspraak en raadgeving nederlegde. Hem alleen was het vergund, het Allerheiligste des Tempels binnen te treden, en daar staande den naam Jehovah uit te spreken en aan te roepen. Den priester was het woord der onderwijzing en der wet toevertrouwd, alsook de opdracht der offers, een voorrecht dat de koningen zelfs niet bezaten. Dezen ontleenden hunne macht, troon en schepter aan de altaren, aan wier dienst slechts priesters waren verbonden. Eens trad een koning het Heiligdom binnen, om den offerdienst te verrichten en op staanden voet werd hij geslagen met eene verschrikkelijke melaatschheid. (Parilip. 26.)
Dat was het priesterschap der oudheid; door God zelf in de Wet van Moses ingesteld, en door nooddwang aan het hart der Heidenen ontsproten. Ik zeg nooddwang, want het is een kreet der natuur, om eenen God te erkennen en dien God door altaren, offers en priesters te verheerlijken. Zonder offers geen ware godsvereering, zonder priesters geen offers.
Maar wat is die kreet van de ruwe menschennatuur, wat zijn de door God bevolen offers in de Oude Wet tegen de offers van het Christendom, en de priesters der oudheid tegen de priesters der Nieuwe Wet! Als de zon opgaat, verdwijnen de sterren, hoezeer zij ook bij nachtelijken hemel vaak onze aandacht wekken. Zoo verstoven ook de offers van den voortijd als sche-merglansen voor het morgenrood van de zon des Christendoms, dat de wereld verlicht.
Het was eeuwigheid! God was, en buiten God was er niets; maar ziet; de Godheid wekt leven in den afgrond des niets. Het woord â fiat â klinkt in de ruimte en de aarde is geschapen. Ook de mensch wordt
- 7 -
geschapen en als de zichtbare vertegenwoordiger dei-Godheid hier op dit benedenrond aangesteld, met de glorievolle bestemming, om den scheppenden God te bezitten in de eeuwigheid. Dan, helaas, daar komt de verleider hem van zijne grootheid en zijn geluk beroven en in het verderf storten. Hij heeft gezondigd, de arme mensch, en verzwonden is zijn geluk en grootheid. Niemand kan zijn ongeluk lenigen en herstellen. Hij zelf kan niets doen ter zijner verzoening met God; geen Engel zelfs kan hem redden. Zoo zult gij dan, o mensch, pronkstuk der schepping, in het verderf verzinken en eeuwig verloren gaan! Gij, die heerscht over alles wat op aarde is, en met de snelheid van den bliksem uwe gedachten plant van den eenen uithoek der aarde tot den andere? â Neen, duizendmaal neen! Want er staat geschreven: Sie enim Deus delexit mundum, ut F ilium suum unigenitum daret; ut omnis qui credit in eum, non pereat, sed haheat vitam aeter-nam. Want zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verloren ga, maar het eeuwig leven hehbe. (Joan. 3, 16.) Het ongeschapen Woord daalde neder: Et verhum caro factum est. (Joan. 1, 14.) Drie en dertig jaren bracht de Zoon Gods in de grootste zelfopoffering op aarde door, en toen de door God vastgestelde tijd daar was, werd Hij als eene andere Isaak op het altaar der verzoening geworpen en aan het kruishout vastgeklonken, waaraan Hij na drie uren van ongekende marteling den geest gaf, na vooraf der wereld verzekerd te hebben, dat alles was volbracht. Ja, het offer was volbracht; de Godheid was bevredigd en het menschdom hersteld in zijne gerechtigheid met hoop en uitzicht op een eeuwig leven. Zoo ging Jesus als Hoogepriester het heiligdom in, om
daar eene eeuwige verlossing te bewerken.
Jesus was echter niet slechts priester, toen Hij aan het kruis hing en stierf, geheel zijn leven was eene hoogpriesterlijke acte van zelfopoffering ter verzoening en verlossing. Van de krib tot aan zijn graf zijn al zijne handelingen berekend op de glorie van zijnen Vader en de verzoening des menschdoras. De woorden, die Hij spreekt, de voorbeelden, die Hij geeft, de wonderen, die Hij verricht, de smarten, die Hij lijdt, alles in één woord maakt deel uit van het groote offer, dat Hij op Golgotha's heuvel heeft volbracht.
Maar ook na zijn dood blijft Jesus Hoogepriester. Tu es sacerdos in aeternum. Gij zijt Hoogepriester tot het einde der wereld. â De Verlosser leefde niet slechts voor ruim achttien honderd jaren, zoodat wij ons Zijner als een geschiedkundig persoon herinneren, neen, Jesus leeft in de door Hem gestichte Kerk voort, en doet zulks op eene aanschouwelijke wijze kond in het H. Misoffer, in het Sacrament des Altaars. Hij is de blijvende leeraar en verkondiger des woords; in het Doopsel neemt Hij voortdurend nieuwe leden in zijne Kerk op; in het Sacrament der Biecht vergeeft Hij de zonden; sterkt de opkomende jeugd in het H. Vormsel met de kracht zijns Geestes; ademt den bruidegom en de bruid eene hoogere beschouwing in van het echtelijke leven; vereenigt zich innig onder de gedaante van brood met allen, die het eeuwig leven willen te gemoet treden; troost de stervenden in het H. Oliesel, en stelt in de priesterwijding de personen aan, waardoor Hij dit alles blijvend tot stand brengt. Zoo ontwikkelt Christus, onder aardschen sluier verborgen, zijn hier op aarde begonnen arbeid voort, en offert zich steeds als zoenoffer van het menschdom zijnen hemelschen Vader op. Tu es sacerdos in aeternum se'
cunclum ordinem Melchisedech. Gij zijt Priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech. (Ps. 109, 5.)
En nu roep ik u allen op, om met mij de grootheid en de verhevenheid te bewonderen van den priesterlijken stand, waardoor Jesus voortdurend priesterschap mogelijk en uitvoerbaar wordt. De priester is de plaatsbekleeder van Jesus Christus, de uitdeeler Zijner geheimen; hij is het orgaan waardoor Jesus verlossingswerk wordt ten uitvoer gebracht; hij is het kanaal, dat aan de bron van Jesus zelfopofferende liefde ontspringt, en in breede stroomen de zegeningen en genaden over het menschdom uitstort. Men beschouwe ons als dienaren en uitdeelers van Gods geheimen. (1 Cor. 4, 1.)
Voorwaar, welke menschentong is in staat de waardigheid van den priester uit te spreken 1 Groot was Moses, die met een enkel woord de wateren der Roode Zee vaneen scheidde, en tusschen de watermuren heen de Israëlieten droogvoets naar het beloofde land geleidde. Groot was Josuë, die tot de zon sprak: sta stil. En wien de zon gehoorzaamde. Groot was de eerste mensch, die als koning der aarde over alles heerschte. â Maar daar is een mensch nog grooter, een mensch, die alle dagen de poorten des hemels opent, en tot den Zoon van den almachtigen God spreekt: kom af van uwen troon, kom af. En aan de stem van dezen mensch gehoorzamende verlaat het Woord Gods zijn troon, en komt onder de gedaante van brood en wijn op het altaar tegenwoordig, zoodat die mensch in zekeren zin tot den Zoon Gods zou kunnen spreken; Films mens es Tu, ego hodie genui Te! â En die mensch is de priester.
De priester is niet slechts machtig in den hemel, hij is het ook op aarde. â De mensch valt soms,
- 10 -
helaas, in zonde en in de macht van den helschen vijand. Dat is voorzeker het grootste ongeluk, dat hem kan treffen. Want daardoor verliest hij de heiligraa-kende genade en het recht op den hemel, en stort zich in het eeuwig verderf. Ongelukkige! Wie kan u redden? Wie de kluisters verbreken, die u boeien?
â Zijt getroost! In het huis Gods bestaat een tribunaal; op dit tribunaal zetelt als rechter een mensch met eene macht, die zelfs aan de Engelen niet is gegeven ; hij is de plaatsvervanger van Jesus Christus, en is bekleed met de ingewanden zijner liefde en medelijden. Die rechter spreekt den zondaar troostvolle woorden toe, en zegt: mijn zoon, mijn dierbare zoon! Gij hebt gezondigd, en de zonde heeft diepe wonden geslagen in uwe ziel, maar wanhoop niet; sla op uw zondig hart, verneder u voor den Heer, uwen God; en het zoenbloed van Jesus zal uwe ziel reinigen. In den naam van Hem, die mij met de verhevenste macht heelt bekleed : Ego ahsolvo tn â ik ontbind u van moe zonden. En op dien eigen stond worden zijne kluisters vaneen gereten; de hel sluit zich onder zijne voeten; de hemelen openen zich, en de menschenziel treedt gerechtvaardigd uit het bad van boetvaardigheid te voorschijn. Wie is de mensch, die dat wonder wrochtte?
â De priester. â Is er een grooter macht en verhevener waardigheid op aarde? ~ Het vermogen, om van een zondaar een rechtvaardige te maken, zegt de H. Augustinus, is grooter dan de macht, om hemel en aarde te scheppen.
Ik verwonder mij daarom niet, dat Jesus tot zijne Leerlingen de verhevene woorden heeft gesproken. Die u hoort, hoort Mij; die u veracht, veracht Mij. (Luc. 10, 16.) En tot de volkeren der aarde de waarschuwende woorden door God zijn gericht: Wacht u icel,
- 11, -
de gezalfden des Heeren aan te randen. (Ps. 104-, 15.)
Groot en verheven is dus de priester om zijne macht, maar bovendien om zijne weldaden, zooals wij nog in ons tweede deel zullen zien.
II. De priester is niet alleen groot en verheven door zijne macht, hij is het ook door zijne weldaden. Trouwens hij is een weldoener, 1. door zijne gebeden-, 2. door zijne leer; en 3. door zijne liefde.
1. De zonde, helaas, is algemeen in de wereld. Slaat den blik om u, overal treedt zij u spottend te gemoet. Zij vertoont zich op het bleeke gelaat van den verwelkten jongeling, en in de lichtzinnige blikken der jonge dochter; schreit uit de tranen der onderdrukte weduwen en weezen, ontzenuwt den man, en stort den grijsaard van afgrond tot afgrond. â O, mijn God! waarom zendt Gij uwe bliksemschichten niet af, of doet de aarde opensplijten? - O, gelukkig voor de zondige aarde! Er is een rnensch, die den gruwel dei-verwoesting, die de wraak Gods tegenhoudt. Er is een offeraar, die alomme eiken dag, elk uur, ja, zelfs meer dan elke minuut het onbloedige zoenoffer, dat eens op Golgotha's kruin bloedig werd voltrokken, den hemel-schen Vader voor de zondige wereld opdraagt, en door dat offer, dagelijks duizenden malen herhaald, wordt de wraak Gods tegengehouden, en daalt in plaats van straf zegen en genade van den hemel af. â En wie is die mensch, wie die offeraa.r ? De priester.
2. De wereld is gelijk aan eene groote woestijn. Duizenden kronkelpaden en dwaalwegen kruisen zich en doen de reizigers dolen en tot den afgrond henen leiden. Elk menschenkind is gehouden deze gevaarlijke woestijn door te trekken. Waar komt hij van daan? Waar gaat hij heen? Welken weg moet hij bewande-
- 12 -
len ? Ach, bijna zeker zal hij dwalen en verloren gaan! - Neen, Christenen, neen, zoolang Jesus Kerk staat, neen; want de priester neemt den jeugdigen wandelaar bij de hand, trekt met hem door de woestijn dei-wereld, en verlaat hem niet voor dat hij in zekerheid is gebracht. â Zietdaar, wat de priester bereid is te doen in het bijzondere; zietdaar, hetgeen hij gedaan heeft voor het menschdom in het algemeen, dat als een groote blinde verdwaald was geraakt in de groote woestijn der wereld. Trouwens de priester heeft den mensch van zijne dwalingen verlost en van zijne blindheid genezen, waarvan hij het droevig slachtoffer was geworden. Hij heeft hem van zijn barbaarschheid bevrijd en tot een menschwaardig bestaan teruggebracht. En nog ten huldigen dage klinkt het priesterwoord in de meest verwijderde oorden van den aardbol. Gaat en onderwijst alle volkeren; zoo had Jesus gesproken; en de Apostelen gingen uit, om Jesus liefde- en vre-deleer te verkondigen. Dat voetspoor volgen nog steeds de priesters, die goed en bloed veil hebben, om aan de wilde volkenstammen het Evangelium te verkondigen, en aldus ontelbaren hunne knieën leeren buigen voor het kruis en zijne liefdeleer, en erkennen Jesus, den Zoon Gods, als Verlosser der wereld.
3. Ja, Christenen, doorkruist de wereld en vraagt in steden en dorpen, wie de stichter, althans de medestichter is van de weldadige instellingen voor arme weduwen, ouderlooze kinderen en afgeleefde grijsaards? De priester. Daalt af in de hutten der armen en vraagt: wie brengt hier hulp? En het antwoord zal zijn: de priester of iemand door zijn woord bezield. Gaat tot de bedsponde van den zieke; wie is de vertroostende engel? De priester. En als zich voor u de poorten der eeuwigheid ontgrendelen, ook dan zal u de priester
- 13 -
niet verlaten, maar u in zijne gebeden en offeranden gedenken, om voor u ontferming van den Vader van barmhartigheid af te smeeken.
Zietdaar den priester der Nieuwe Wet. De wereld mag het erkennen of niet; de priester is het voetstuk der maatschappij, de staf des menschdoms, de reddende ark der liefde. Hij is, de bakermat der wetenschap en de bron der ware beschaving. En ofschoon hier of elders soms als wilde herten opgejaagd, houdt de door Jesus gevestigde priesterstand onwrikbaar vast op het aangewezen standpunt. Het kruis is zijn schepter, de zelfopoftering is zijne kroon. En wanneer de schepter op de eene plaats soms aan zijne handen ontglipt, blinkt de kroon daar ginds meer dan de stralen der morgenzon; niet ongelijk aan het avondrood, dat soms droef in 't Westen ondergaat, maar straks in schitterenden luister in het Oosten ter ochtendkim te voorschijn treedt. Ik hen met u cd de dagen tot aan de voleinding der eeuwen, heeft Jesus gezegd. Dat woord is de waarborg tegen den ondergang des Christendoms en zijner priesters. Mogen de vijanden ook listig samenspannen, Die, daar boven de sterren troont, lacht met hun ijdel pogen. Ik weet het, alles verandert en is aan afwisseling onderhevig en ten ondergang geneigd, maar Christus Kerk staat in ongerepten luister vast met haar door Jesus ingesteld priesterschap. Het zoenbloed van den Zoon Gods zal tot het einde dei-dagen aan den Vader van barmhartigheid door de priesters worden opgedragen, daar verhooring vinden en in ruime mate zegen en ontferming over de wereld, hoe zondig ook, doen nederdalen.
Zietdaar het priesterschap; zietdaar de verhevene waardigheid van den priester der Nieuwe Wet!
Ik ken de lasten en de plichten van het priester-
- 14 -
schap; zeker zij drukken, maar zij verhoogen ook de kracht en stalen het bloed, om met moed het hoofd opgeheven te houden, niet ongelijk aan de Spartanen, die in ontmoediging den hoogsten heldenmoed vertoonden. Hoog in de lucht verheft zich de adelaar; hij kan dat doen, omdat zijne reuzenvleugelen hem daartoe in staat stellen; zoo verheft zich ook de priester boven alle menschelijke hindernissen en de met zijne waardigheid verbonden lasten, zorgen en moeilijkheden, die ook hem gelijk zoo velen dikwerf teisteren; hij kan dat doen, gesterkt door de vele genaden, die de Algoede hem dagelijks bij het heilig offer van Gods Zoon zoo mildelijk geeft, en wijl hij niet hier maar naar gene zijde des grafs zijn oog heeft gericht, om daar eeuwig van zijn arbeid uit te rusten.
Doorluchtige Jubilaris! Gij zijt priester geworden; de God van alles wat leeft en is, die de ceders verheft en den hysoopstengel bloeien doet, heeft ü verheven tot de ontzaglijke waardigheid van het priester, schap. Vijf en twintig jaren van arbeid en zorgen en ware priesterdeugden zijn vervlogen sedert Gij door de hand des Bisschops het heiligdom zijt binnen geleid. Zeker, Gij wilt niet dat ik gewage van de werkzaamheden, ijver en zelfopoffering als Kapelaan, als Secretaris, als Pastoor aan den dag gelegd. Maar wat ieder weet, mag ik toch ook zeggen: Uw loopbaan moet in het oogvallend loffelijk zijn geweest, getuige de vreugdekreet, die in het geheele Aartsbisdom Utrecht gehoord werd, toen het Z. H. den Paus behaagde, U tot Wijbisschop en spoedig daarna tot Aartsbisschop van Utrecht te verheffen.
Hoogwaardige Jubilaris! Ik ben overtuigd dat met uwe verheffing de moeilijkheden en zorgen als het ware in grootte en vermeerdering gelijken tred hebben ge-
â 15 â
houden, en al is uwe verheffing op den stoel van den H. Willibrordus groot, de zorgen en arbeid voor de aan uwe hoede toevertrouwde Geioovigen niet minder groot mogen genoemd worden. G ij hebt dat zelf willen aanduiden, toen Gij in uw devies deedt schrijven : per viarn crucis; maar zooals het den priester betaamt, er onmiddellijk bijgevoegd â gaudens. Ja, voorzeker uwe verheffing gaat met vele moeilijkheden vergezeld, maar wanneer de â via crucis â U drukken wil, ga dan met moed â gaudens â de moeilijkheden te gemoet, en de God van alle gaven zal U steunen, aan wien Hij in zijne barmhartigheid de volheid van het priesterschap in de bisschopswijding verleende; Hij zal uwe kracht sterken en genade schenken, zoodat het â gaudens â zooals wij hopen, de â via crucis â (zoo ook niet geheel weggenomen), toch voor U zeer dragelijk zal doen zijn.
Hoogvereerde Jubilaris! Veroorloof mij dat ik het uitspreek: allen, aan uwe leiding toevertrouwd, vereeren U met ware liefde en genegenheid, en zijn overtuigd, dat Gij met de meeste zorg hun heil tracht te behartigen. Uit het vele goede door U reeds tot stand gebracht, wil ik slechts eene zaak in het midden brengen. Gij hebt met moed de Leo-stichting van uwen vromen Voorganger ter hand genomen; eene stichting welke een groote zegen zal zijn voor hulpbehoevende jongelingen. Geen twijfel of Gij zult dat Gesticht doen bloeien, maar wat ieder begrijpt, is, dat Gij daarvoor, zal het volmaakt aan zijn doel beantwoorden, den steun van ons Priesters en van de U toevertrouwde Geioovigen noodig hebt. Die stichting dagteekent van het gouden priesterfeest van uwen heiligen Voorganger; moge uw zilveren priesterfeest spoedig bekroond wor-
-IB-
den met de gelukkige voltooiing van het Leo-Gesticht, Dat geve God!
Geliefde Jubilaris! God zij met U! Hij spare nog tal van jaren uw kostbaar leven, tot luister van Utrechts Kerk, tot heil der aan uwe zorg toevertrouwde Geloovigen, tot troost en steun van allen die uwe vaderlijke hulp zullen behoeven. Leef lang en gelukkig, en even als Gij heden uw zilveren jubelfeest viert, zoo worde ook eens de gouden, en moge het zijn, de diamanten kroon des priesterschaps op uw eerbiedwaardig hoofd geplaatst, tot dat Gij als vermoeide reiziger den herdersstaf neerlegt, om tot een beter leven in te gaan, waar geen â via crucis â meer maar een eeuwig â gaudens - zijn zal. Amen.
NOTA. Deze preek, om bijzondere redenen niet voorgedragen, wordt TJZEerw. hiermede atingeboden. Mocht zij de lezing waard zijn. dan is de schrijver meer dan voldoende beloond.