ocr page 1

SOllKTSKN UIT DKN AT-IKll-OOiiljOU

ocr page 2
ocr page 3

SCHETSEN

UIT ÜKN

\TJEI l-OOH LOG

DOOK

J. P. SCHOEMAKER,

|u Liiitciuiiit-adjihljint «1«m Infiintci ic l.ij hel N. I.

TWEF.l )llt;; BUNDEL

KOTA-l'KTJOET — ULANG-l'KIA bAMALANÜAN — BATUE-1L1() — DOKKANG SËLEM I'O - ItO EN G — KROENG-KA15A EDI — KUTA-PAS1K

.I/cl schetskaartjcs

'S-G R AVKN1I AGE

W 1'. VAN' STOCKUM amp; ZOON i8yo

ocr page 4

«.iEUKUKT 15IJ I MC SWART liN ZOON.

ocr page 5

VOOR WO O R 1)

Ons „Vervolg op de schetsen uit den Atjch-oorlogquot;

leiden wij in met een welgemeende dankbetiiiging aan onze geachte kameraden, voor de zoo bereidivillig ons verstrekte gegevens tot het samenstellen van dezen uieinven bundel

| 1' SCIIOEMAKK R

ocr page 6
ocr page 7

DE VERKENNING VAN KOTA-PETJOET

Januari 1874

Wanneer wij , officieren , onder gezelligen kout met onze kameraden zijn aangezeten, dan valt, zooals te begrijpen is, meermalen het gesprek op den Atjeh-oorlog; dat veld van eer, waarop sinds 1873 zoovele dapperen van het Indische leger waardig strijden onder de „Oranjevaanquot;. Hoe verheugen wij ons dan, dezen of genen kameraad als een treffend voorbeeld van moedsbetoon te hooren roemen. Wij komen tevens tot de overtuiging hoevele heldendaden in allen eenvoud worden verricht; hoe weinig zij bekend zijn en hoe spoedig de vergetelheid haar sombere schaduw daarover uitspreidt. O! kon de faam die rondbazuinen, Nederland en ons Nederlandsch-ladisch leger ter eere en der nakomelingschap ten spoorslag en navolging van zoovele krijgmansdeugden! Onder de vele braven, die zich op het oorlogsterrein door hunne militaire deugden hebben weten te onderscheiden, tellen wij ook den kapitein der infanterie A. H. W. Scheuer.

Deze officier, wiens borst met het eere-metaal prijkt

11 1

ocr page 8

DE VKHKF.NN ING VAN KOTA-PETJOET

voor moed, beleid en trouw, wien twéé eervolle vermeldingen en de eeresabel ten deel vielen, behoort tot die mannen, wier krijgsmanshoedanigheden en ridderlijke aard hen tot een sieraad maken van het roemrijk Indisch officierencorps.

Reeds als jong officier maakte Scheuer den Atjeh-oorlog mede, en sinds heeft hij met onwrikbare volharding en onverdoofden moed een belangrijk deel bijgedragen tot den luister van onze dierbare Oranjevaan.

Uit dit zoo heldhaftig krijgsverleden willen wij eenige feiten in herinnering brengen.

Deel uitmakende van de expeditionaire macht onder generaal van Swieten , wist Scheuer zich reeds kort na het betreden van den vijandelijken bodem te onderscheiden, door met levensgevaar de vijandelijke versterking Kota-Petjoet te verkennen. Deze verkenning geschiedde op den 12n Januari 1874.

Ter verduidelijking van ons verhaal is het evenwel noodig, ook eene korte beschrijving te geven van de operatie onzer troepen tegen de voorwerken van den Kraton.

Nadat onze legerplaats te Penajong behoorlijk versterkt en door een vaste brug met de, aan den anderen oever van de Atjeh-rivier gelegen, kampong Diawa verbonden was, van waaruit een gemeenschapsweg voerde naar de door ons veroverde Missigit, besloot generaal van Swieten van uit deze stelling 's vijands hoofd versterking, des Sultans Kraton, aan te tasten.

Door veelvuldige verkenningen was ons de ligging van

ocr page 9

iJF. VERKENNING VAN KOÏA-PEÏ.JOET

den Kraton genoegzaam bekend; doch het terrein er om heen was zoo begroeid, dat noch van den Kraton, noch van de vóórwerken iets zichtbaar was. Een goed aanvalsplan vast te stellen mocht derhalve zeer moeilijk heeten; bij nauwkeurig en aanhoudend onderzoek slaagde men er echter eindelijk in — het was op den ioen Januari — door 't dichte geboomte een klein gedeelte van eene borstwering te onderscheiden, die, zooals later bleek, de noordwestsaillant van den Kraton was. In de Missigit werden toen eenige stukken zwaar geschut in batterij gebracht, die onophoudelijk op dat gedeelte van den Kraton beukten. De vijand beantwoordde dat vuur met levendigheid, doch met weinig succès; dat onze projectielen daarentegen hem veel nadeel berokkenden, bleek uit zijne pogingen om nog dienzelfden nacht (10 Januari) de Missigit te overrompelen. Begunstigd door eene diepe duisternis waren de Atjehers, met de vaardigheid, die katten plegen te bezitten, al kruipende onze versterking genaderd; doch de bezetting, die op hare hoede was, bereidde hun eene warme ontvangst.

Met ontzettend verlies werden zij teruggeslagen, verschillende soorten van wapen en stermgereed schappen in onze handen achterlatende. Zooals gezegd is, was ons van den Kraton slechts de ligging bekend, en mocht het zeker een gelukkig toeval genoemd worden, dat juist in deze dagen de onderwerping plaats vond van Toekoe-Nek, een van de voornaamste hoofden der IV Moekims. (li Januari).

Toekoe-Nek, wien het doel van den bevelhebber, namelijk het bemachtigen van den Kraton, bekend was,

3

ocr page 10

DE VERKENNING VAX KOTA-PETJOET

gaf, om zijne goede gezindheid te doen blijken, den raad, eerst den dusgenoemden Tanam te nemen.

Deze bestond uit eene aaneengeschakelde linie. die op ongeveer lOOO M. van onze legerplaats te Penajong verwijderd lag. Indien de Tanam eenmaal genomen was, dan was ook de Kraton zoo goed als in onze macht.

Tot de voornaamste werken der linie behoorden Kota-Rantang en Kota-Petjoet.

De eerste lag ten westen van den Kraton; door deze versterking te nemen , kwam ook de rivier Kroeng-Daroe, welke de oostzijde der linie besproeide en binnen den Kraton stroomde, in onze macht. Zuidelijk van Kota-Rantang bevond zich Kota-Petjoet, de vorstelijke begraafplaats, die, omringd door hooge en dikke muren, duchtig versterkt was en vele verdedigers telde.

Verder deelde Toekoe-Nek ons mede, dat de vijand het voornemen koesterde zwaar geschut in die voorwerken te plaatsen, om de Missigit te bombardeeren, zoodat van onze zijde besloten werd, reeds den volgenden dag (12 Januari) tegen den Tanam te opereeren.

De kolonel Schultze ontving alsnu de opdracht 'svijands voorwerken a tout prix te nemen. De troepen zijner brigade waren samengesteld uit het linkerhalf 9e bataljon infanterie, onder majoor Romswinckel, bijgenaamd den vechtmajoor; het linkerhalf I2e bataljon infanterie, onder majoor Luymes; eene compagnie mineurs en sappeurs, die aan het linkerhalf 9quot; bataljon, de aanvals-colonne , werd toegevoegd, en een detachement cavalerie.

Bij elke colonne werden twee stukken geschut en twee mortieren ingedeeld.

4

ocr page 11

DE VF.llKKXXIXO VAN KOT.V-PETJ O ET

Gedurende het ageeren zouden twee compagnieën van het rechterhalf I2e bataljon in zuidelijke richting van den Tanam doordringen en trachten, door schijnaanvallen, 's vijands aandacht af te leiden.

Tegen 4 uur in den morgen stonden de troepen reeds voor de Missigit geschaard, en wachten met ongeduld op het commando „voorwaartsquot;. Na door den brigadecommandant te zijn geïnspecteerd, stelden de colonnes zich in beweging. Alles geschiedde in de grootste stilte; de bevelen klonken schier onhoorbaar. De opmarsch had plaats in de open vlakte; maar niettegenstaande dat, bereikte men ruim halverwegen het doel van den tocht, zonder dat de vijand verontrust scheen; doch nauwelijks was het linkelhalf 9° bataljon een boschje langs getrokken , of uit de versterking Rantong werd het door een moorddadig vuur begroet.

Met de bedaarde onverschrokkenheid, onzen Nederlandsch Indischen troepen eigen, bleven de soldaten doonnarcheeren tot achter een in de nabijheid gelegen heuvel, die door het voorste peloton in verspreide orde beklommen werd ; spoedig volgde de artillerie, welke op deze hoogte in batterij kwam en een verdelgend vuur op den vijand opende.

Uitdagend heschen toen de Atjehers de roode vaan, zonder te bedenken, dat zij daardoor de ligging hunner verschansing verrieden.

Het linkerhalf I2e bataljon, dat het 9« op 500 passen gevolgd was, nam stelling in bovengenoemd boschje.

Van weerszijden ontwikkelde zich het vuur hoe langer hoe moorddadiger.

5

ocr page 12

DE VERKENNING VAN KOTA-PETJOET

Met gespannen aandacht richtten de officieren herhaaldelijk hunne veldkijkers op Kota-Rantang, en trachtten door de dikke wolken van kruitdamp heen te zien.

Door het gedonder van het geschut heen , hoorde men binnen de vijandelijke wallen aanhoudend het geluid van den tong-tong, vermoedelijk het signaal om van des Kratons bezetting versterking te vragen , althans onze tirailleurs, die inmiddels tot op 250 fi 300 passen geavanceerd waren, zagen de bonte hoofddeksels achter de verschansing steeds meerder worden en hiermede nam ook het vuur in hevigheid toe.

Driftig, doch zonder overhaasting, richtten en vuurden onze soldaten op die beweegbare bonte schijven, en nauwelijks zag men een waaghals zich boven de borstwering vertoonen, of een welgericht schot deed diens snoevende uitdaging verstommen. Zoo had de strijd reeds geruimen tijd geduurd, zonder evenwel den vijand tot wankelen te brengen. Toen werd besloten hem met de bajonet aan te grijpen; het linkerhalf 9e bataljon werd aangewezen om 's vijands stelling aan de linkerflank, en het linkerhalf I2e bataljon om die in het front te bestormen.

Onder het hevigste vuur rukten beide corpsen in de aangewezen richting om tot den bevolen aanval over te gaan.

Trots de vele terreinhindernissen en in weerwil van 's vijands kanon- en geweervuur, marcheerden zij in goede orde „voorwaartsquot;. Aan den boschrand gekomen, werd even stand gehouden om het vuur te beantwoorden, dat over de geheele vijandelijke linie aanhoudend toenam , naarmate onze troepen avanceerden..

6

ocr page 13

DF VERKENNING VAN KOTA-PETJOET

Toen men 's vijands positie tot op 50 passen genaderd was, weerklonk het signaal „attaqueerenquot;. Onder een luid „ hoera quot; beklommen onze soldaten de vijandelijke wallen en wierpen zich met onweerstaanbaar geweld op de verdedigers daarvan; de officieren stormden met opgeheven sabel ieder aan 't hoofd hunner afdeeling.

De Atjehers verdedigden zich heldhaftig; als razenden zwaaiden zij den klewang, maar toch waren zij niet bestand tegen het woedend opdringen onzer dapperen, die met de bajonet of de kolf van 't geweer alles overhoop wierpen, wat tegenstand bood. In een oogwenk waren ook de stukken vernageld, en toen de wind de wolken van kruitdamp had verdreven, zag men de Nederlandsche driekleur fier boven de versterking golven, en het „ Wilhelmus van Nassauenquot; der signaalhoorns, dat luid schetterend ver over de omliggende vlakten weerklonk, verkondigde, dat Rantang ons was.

Ofschoon door de vermeestering van Kota-Rantang een belangrijk punt in onze handen kwam, zoo was toch deze verovering zonder 't bezit van Kota-Petjoet van onvoldoende waarde.

Nadat de munitievoorraad van de ageerende brigade aangevuld was, rukten het linkerhalf I2e bataljon en een gedeelte van het linkerhalf 9e bataljon in zuidelijke richting verder voort, om Kota-Petjoet te bemachtigen; de rest der troepen werd als bezetting te Kota-Rantang achtergelaten.

Uithoofde van het zeer geaccidenteerd terrein was het niet mogelijk de juiste richting te volgen, zoodat aan luitenant Scheuer opgedragen werd het terrein te ver-

7

ocr page 14

OF, VF.llKF.NNlXG VAN KOTA-PF.TJOET

kennen. Weldra bracht hij 't bericht, eene plek gevonden te hebben van waar Kota-Petjoet te zien was

Majoor Luymes liet op de aangewezen plaats zijne colonne samentrekken en gaf aan majoor Romswinckel van het een en ander kennis, waarop deze zich bij het linkerhalf I2e bataljon aansloot.

Men stond nu op ongeveer 600 passen van Kota-Petjoet; de spitse toppen van een groot steenen monument waren duidelijk boven het groen der boornen zichtbaar. In die richting werd door onze artillerie terstond eene menigte granaten gezonden , wier uitwerking evenwel moeilijk was na te gaan. Het lag echter in den aard der zaak, dat men hier met infanterie ruim baan behoorde te maken; maar bij den eersten oogopslag werd men duidelijk gewaar, dat de natuur en de Atjehsche versterkingskunst ons zooveel hinderpalen in den weg legden, dat eene voonvaartsche beweging zonder bekendheid met het terrein weinig of geen resultaten zoude opleveren.

Eene verkenning van de sterkte was derhalve gebiedend noodig, ten einde, met eenige zekerheid van slagen, een plan van aanval te kunnen beramen.

Aan luitenant Scheuer werd opgedragen deze verkenning te leiden. Welnu, in dit blijk van vertrouwen gaf de chef reeds te kennen, welke waarde hij den nog jongen officier toekende.

„Mijnheer,quot; zoo sprak majoor Luymes, „ik draag u op met eenige vrijwilligers eene sluippatrouille te maken naar gindsche versterking; gij zult alle accessen nauwkeurig opnemen, en mij alle inlichtingen brengen, die de vermeestering van 's vijands positie kunnen bevorderen;

8

ocr page 15

JJE VERKENNING VAN KOÏA-PETJOF.T

de taak, die ik u opdraag, is moeilijk en gevaarvol, maar ik reken op uw beleid, en ben verzekerd van uwen moed.quot;

Tot eenig antwoord salueerde Scheuer met de sabel, doch in zijn fleren blik las men de belofte eener trouwe volbrenging van den hem opgedragen last.

Van de vrijwilligers, die zich aanmeldden om deel uit te maken der sluippatrouille, werden de volgenden aangewezen: sergeant Loisoder en de Inlandsche fusiliers Moelanie, Ketjil, Labarra en Sabban.

Deze flinke borsten, — ieder van hen had reeds meermalen getoond een echt soldatenhart te bezitten, — waren niet onbekend met het gevaar, waaraan zij zich blootstelden; de vijand toch vuurde uit alle richtingen, en overal op het terrein hadden zich zwermen Atjehers genesteld. aan wier scherpe oogen niet licht iets kon ontgaan.

Alvorens af te marcheeren, sprak Scheuer zijne manschappen met veel nadruk toe: „Soldatenquot;, zeide hij, „daar ginds in die vijandelijke versterking willen wij onze driekleur planten; daarom moeten en zullen wij haar gaan verkennen! Wij zijn slechts met ons zessen, en duizenden zullen ons wellicht den weg versperren; mannen, zult gij moed houden?'' Scheuer's brave gezellen antwoordden op deze vraag door met de képis te wuiven en een hoera aan te heffen. „Wij volgen u tot in den dood 1quot; verzekerden allen

Gebruik makende van de terreinsgesteldheid om zich zooveel mogelijk aan 't oog des vijands te onttrekken, bewoog de patrouille zich al kruipende voorwaarts. De le compagnie van het rechterhalf 9e bataljon onder kapitein van

9

ocr page 16

UE VERKENNING VAX KOTA-PEÏJOET

Schendel kreeg last haar op de rechterflank te dekken. Aan den boschrand gekomen, hield de patrouille halt; — terwijl overal de donderbussen knalden, en het terrein door kogels omgewoeld werd, heerschte hier eene verraderlijke stilte.

Na zijnen manschappen door teekens beduid te hebben onbeweeglijk te blijven liggen, richtte Scheuer zich ten halve op en gluurde rechts en links door het hooge gras; elke boom, elke struik werd nauwkeurig bespied, doch nergens glinsterde hem een geweerloop of een klewang tegen. Met de grootste inspanning bewoog zich de patrouille behoedzaam en stilzwijgend verder, telkens een oogenblik halt houdende om te luisteren en rond te kijken.

Op een pagger stuitende, ontdekte men door zijne openingen een tweeden pagger en tusschen beide in, een smal voetpad. Scheuer besloot na te gaan, waarheen dit voetpad voerde. Zonder de scherpe doornen te ontzien , die het vooruitdringen belemmerden, wrong men zich man vóór man door den eersten pagger. Tot zijne niet geringe teleurstelling bemerkte Scheuer, dat de compagnie van kapitein van Schendel langzaam retireerde; de gesteldheid van het terrein en de overmachtige vijand, welke het bezette, maakten aan deze compagnie de verdere uitvoering harer opdracht onmogelijk.

De toestand der patrouille werd daardoor meer dan hachelijk, doch men had eenmaal besloten niet terug te keeren vóórdat Kota-Petjoet verkend was, en met leeuwenmoed zou men de onderneming voortzetten.

Het voetpad volgende, dat zich tusschen meerdere paggers slingerde, kwam de patrouille aan een open

10

ocr page 17

DF. VERKENNING VAN K OT A-PET J O FT

gedeelte , vanwaar het terrein werd overzien. Voor hen uit bestond het grootendeels uit een grasvlakte, welke kleine, doch stevige paggers in eene aanéénschakeling van kleine vierkanten verdeelden.

Tevens ontdekte de patrouille, tot hare voldoening, dat zij zich op den eenigen weg bevond , waarlangs Kota-Petjoet te naderen was.

Was het laakbare zorgeloosheid der Atjehers om dezen zoo gevvichtigen doorgang onbewaakt te laten, of miskenden zij het beleid en den ondernemingsgeest onzer troepen ?

De patrouille sloop steeds verder; tot op 100 passen van de vijandelijke versterking teekenden zich aan den rechterkant van haren weg twee voetpaadjes.

Op elk dezer paadjes liet Scheuer een schildwacht achter (de fuseliers Labarra en Ketjil) met last hem terstond te waarschuwen, zoo er gevaar dreigde van in flank of rug te worden afgesneden, en , indien er geen mogelijkheid meer bestond om oogenblikkelijk terug te keeren , te trachten door de vijanden heen te sluipen en den colonne-commandant te rapporteeren omtremt hetgeen geschied was. Met het overige gedeelte sloop hij dicht langs de Daggers, steeds verder. Niet lang waren zij aldus vooruitgeschoven , toen zij voor de gesloten poort der versterking aankwamen. Daar binnen werden vele stemmen gehoord, doch er heerschte volslagen gebrek aan waakzaamheid; geen enkele post werd gezien

De muur der versterking volgende, ontdekte Scheuer zijwaarts vele kleine bentings, die alle door zeer moeilijk begaanbaar terrein omgeven waren, doch van de noordoosten zuidoostzijden wel konden genaderd worden.

ocr page 18

DE VERKENNING VAN KOTA-PETJOF.T

Juist had hij zijne waarneming volbracht, toen op de rechterkant een scherp gegil zich hooren liet; dit welbekend signaal der Atjehers, zoodra zij gevaar ontdekken, of de hunnen willen waarschuwen, had ook Ketjil vernomen. Door eene kleine terreinopening zag deze tegelijk eene massa vijanden, die allen in gebukte houding zoo snel mogelijk naderden.

De patrouille was verraden, dit begreep Ketjil, en ingevolge zijn last, spoedde hij zich naar den patrouillecommandant om hem met het gevaar bekend te maken, dat de patrouille dreigde.

In allerijl werd de terugmarsch aangenomen. De toestand was des te zorgwekkender, daar ook de bezetting van Kota-Petjoet zich in grooten getale op de muren vertoonde; zeker verkeerde zij in den waan door de geheele macht van generaal van Swieten omsingeld te zijn, doch het kleine getal Nederlandsche krijgers ziende, begon zij luidkeels te schreeuwen en de geweren af te schieten. Het grootste en bijna niet te ontkomen gevaar van zich door de aanrukkende bende den terugtochtsweg afgesneden te vinden, ontkwam de patrouille als door een wonder. Onbeschrijfelijk was de woede der Atjehers, toen zij, op het pad komende, de onzen niet tusschen zich en Kota-Petjoet zagen. Men moet de wreedheid en den bloeddorst van den vijand kennen, om te beseffen hoe groot zijne teleurstelling was! De donderbussen knalden en verscheidene kogels werden der patrouille nagezonden. Met geweldige sprongen trachtten eenigen der bende onze braven te bereiken of hen door eene omtrekkende beweging tusschen twee vuren te brengen. Maar Scheuer

12

ocr page 19

UE VERKENNING VAN KOTA-PETJOET

liet zich gelukkig niet tot een gevecht verleiden , ofschoon de kogels, die de patrouille om de ooren snorden, den strijdlust onzer manschappen wel opwekten.

Te vergeefs was de felle vervolging der Atjehers om de patrouille in hunne macht te krijgen: toen zij aan den boschrand kwamen, waren de onzen reeds in de wild dooreen groeiende struiken verdwenen.

Met ongeduld wachtten intusschen majoor Luymes en de andere krijgsmakkers op den uitslag der verkenning. Het dof geknal der donderbussen, dat in de richting van Kota-Petjoet vernomen werd, had niet weinig de ongerustheid opgewekt, en reeds maakte men zich gereed om de dappere patrouille ter hulp te snellen, toen Scheuer en de zijnen tusschen het hooge gras zichtbaar werden. Een daverend „hoeraquot; klonk hun ten welkomstgroet tegen, en de vreugde was algemeen, toen vernomen werd, dat de weg naar het arendsnest gevonden was.

Den vijand was het thans maar al te duidelijk, dat de in zijn oog onneembare versterking bedreigd werd. Talrijke benden beproefden de onzen in 't front en in de flank bezig te houden. Wij waren echter niet sterk genoeg om den steeds aangroeienden vijand het hoofd te bieden, zoodat naar de Missigit om versterking gezonden werd. Daarop verschenen vier compagniën infanterie met versnelden pas ter plaatse, en de Atjehers waren weldra genoodzaakt zich achter hunne bosschen terug te trekken. Nu kreeg het linkerhalf I2e bataljon last, recht op het doel af

13

ocr page 20

DE VERKENNING VANquot; KOTA-PETJOET

te gaan, namelijk tegen de kwestbare zijde van Kota-Petjoet op te rukken. Luitenant Scheuer werd als gids aangewezen om de colonne naar het zooeven ontdekte „point vulnerablequot; te geleiden; de overige corpsen zouden in noordelijke richting hunne aanvalslijnen kiezen. Met behulp onzer wakkere mineurs, die onder den hevigsten kogelregen de grootste koelbloedigheid aan den dag legden, werden de paggers omvergehaald en de weg verbreed. Zoodra een pagger vernield was, snelden onze tirailleurs naar den volgenden om den daarachter opgestelden vijand te verdrijven. De Atjehers vochten met wanhopigen moed ; bij eiken pagger begon het gevecht met vernieuwde hevigheid , doch niets was in staat onze opgewonden soldaten te weêrhouden; met de bajonet noodzaakten zij den vijand steeds tot wijken. Toen hij zich op eens van twee zijden bedreigd zag, verwekte dit zulk eene paniek bij den vijand, dat hij eensklaps hals over kop langs de hem bekende toegangen vluchtte om zich achter de wallen te dekken. Op de muren van Kota-Petjoet ontwaarden onze troepen echter weldra tal van voorvechters, die wild hunne klewangs zwaaiden. Maar zulk roekeloos zich blootstellen kwam hun duur genoeg te staan, want de meesten tuimelden, door onze geweerkogels getroffen, met uitgestrekte armen van de muren.

Naarmate onze mineurs vorderden met het opruimen der chicanes, naar die mate werd ook het geschreeuw en getier heviger bij de vijanden, die door hun Allah il Allah voorzeker den profeet smeekten, den kafirs het voortdringen te beletten.

Daar weerklonk het bekende signaal „attaqueerenquot;

14

ocr page 21

DE VERKENNING VAN KOTA-PETJOET

onzen ongeduldigen soldaten in de ooren. Onder een krachtig „hoeraquot; liep het gedeelte onder luitenant Scheuer de poort open en anderen beklommen de muren; een ieder trachtte het eerst in de versterking te zijn.

Het gevecht, dat daarbinnen plaats greep, was kort maar ontzettend; vuurwapens waren van geen nut meer; men vocht met bajonet, dolk en klewang. De Atjehers streden met wanhopigen moed, doch moesten ten slotte toch wijken voor den hevigen en on versaagden aanval onzer soldaten.

Bevreesd geheel omsingeld te zullen worden , ruimden de Atjehers eindelijk het veld, sprongen aan de achterzijde over de muren of trachten door kleine, ons onbekende , openingen te ontsnappen; velen dier vluchtelingen werden nog door onze geweerkogels doodelijk getroffen.

In onbeschrijfelijke wanorde zag men talrijke troepen zich met den looppas in de richting van den Kraton bewegen; het verlies van Kota-Petjoet, dat in heiligen reuk stond en als onneembaar beschouwd werd, had den vijand diep geschokt. De vele gesneuvelden, die hij in onze handen liet, en de groote bloedplassen op verschillende plaatsen, getuigden van het groote offer, dat om het behoud van dit „ palladiumquot; was gebracht.

Door de verovering van Kota-Rantang en Kota-Petjoet waren de twee belangrijkste voorwerken van den Kraton in ons bezit gekomen; dc andere verschansingen vielen ons nu dan ook zonder slag of stoot in handen, zoodat met meer zekerheid van slagen tegen den Kraton kon geopereerd worden.

De verovering van Kota-Petjoet mag zeker voor een groot

15

ocr page 22

l6 DE VF.KKKNXING VAX KÜT.V-PET.10ET

deel worden toegeschreven aan de uitstekende wij ze. waarop Scheuer zich van zijne zoo gevaarlijke taak kweet, en de stoutmoedigheid en volharding, waarmede hij die onder de ongunstigste omstandigheden tot het einde toe volbracht.

Genoemde officier werd voor dit stoutmoedig feit aanvankelijk slechts eervol vermeld, en evenzoo de dappere sergeant Loisoder.

De Inlandsche fuseliers Labarra, Ketjil, Sabban en Moelanie, werden bij besluit van 6 October 1874 begiftigd met de bronzen medaille voor moed, beleid en trouw.

Later ontving ook luitenant Scheuer voor dit feit, als welverdiende belooning, de „Militaire Willemsorde,quot; dat ridderkruis der dapperen.

ocr page 23

VEROVERING VAN BLANG-PRIA

'Juni 187S

Reeds sedert den aanvang van den Atjeh-oorlog hadden de bewoners van Gedong, een staatje, hetwelk deel uitmaakte van de federatie vanPasei, een vijandige houding tegenover onze Regeering aangenomen. Zoolang deze zich bepaalde tot het verleenen van personeele hulp aan de oorlogspartij van Groot-Atjeh, achtte ons bestuur het vooralsnog voldoende de kust van Gedong door een paar oorlogsschepen te doen observeeren; toen er echter gewelddadigheden werden gepleegd tegen onzen bondgenoot , den vorst van Edi, en zelfs onze versterking in dat gebied werd aangevallen, kreeg eene kolonne last zich naar Gedong te begeven, ten einde dat staatje te tuchtigen en aan ons gezag te onderwerpen (4 Juni 1878).

Deze colonne, onder den majoor der infanterie Perné, bleef niet in gebreke zich flink van hare taak te kwijten , en in menig bloedig gevecht leed de vijand gevoelige verliezen. Toch bleek het weldra, dat de onzen niet bij machte waren eene algeheele onderwerping tot stand te brengen, daar de strijdmiddelen, waarover majoor Perné

II 2

ocr page 24

jg DE VEROVERING VAN BLANG-PRIA

te beschikken had, ontoereikend waren om de talrijke en duchtig versterkte kampongs, waar zelfs elke woning als eene versterking was ingericht, te vermeesteren. De bevelhebber, kolonel van der Heyden, die met den stand van zaken in kennis werd gesteld, beval den majoor Perné zich voorloopig in diens stelling te handhaven, totdat er versterking zoude zijn gekomen. Gelijktijdig schreef hij den vorst van Gedong, dat de lankmoedigheid der Regeering ten einde was en dat, bij verdere weigering om ons gezag te erkennen — hem werd een^ultimatum daartoe gesteld — met de meeste gestrengheid tegen hem zoude gehandeld worden.

De Radja echter, onbuigzaam en krijgszuchtig van aard, maakte zich den hem vastgestelden tijd ten nutte, om zijn gebied nog meer te versterken en beproefde bovendien de omliggende staatjes mede tot de oorlogspartij over te halen.

Toen zulks aan kolonel van der Heyden ter oore kwam , nam deze doortastende veldheer een kort besluit. nog voordat het ultimatum verstreken was, vertrok hij met 5 compagnieën infanterie en de noodige artillerie van Oleh-leh ter versterking van de colonne Perné, ten einde tot de tuchtiging over te gaan.

Den 16 Juni 1878, te 2è uur in den namiddag, landden onze troepen nabij Kota-Kloembang. Terstond werd verder opgerukt naar de, door de colonne Perné bezette, versterking Kota-Karang, alwaar ten noordwesten daarvan, op een hoog en vlak terrein, nabij de Pasei-rivier, een

bivouak betrokken werd.

De toestand der ageerende troepen was verre van

ocr page 25

DE VEROVERING VAN BL.V.NG-PKIA

benijdenswaardig; de veepest, die te Gedong was uitgebroken, vergiftigde de lucht heinde en verre door talrijke krengen, die de rivier afdreven en overal op 't land verspreid lagen; aan het strand alleen, waar de onzen geland waren, trof men er ongeveer een 1500 tal aan, welke reeds in vergevorderden staat van ontbinding verkeerden; het putwater was bedorven door de daarin met opzet geworpen doode dieren, zoodat de marine, die het strand bewaakte, de colonne van drinkwater moest voorzien.

Nadat op den ij11 Juni de vivres en het bouwmaterieel ontscheept waren, werd terstond een aanvang gemaakt met het oprichten van loodsen ; en dank zij de voortvarendheid van den ln luitenant A, A, Veenhuyzen . die met de leiding daarvan belast was, konden de troepen reeds den daarop volgenden dag onder dak gebracht worden.

Ofschoon de colonne Perné nu aanmerkelijk versterkt was, toch overtrof Gedong's legermachc de onze nog wel vijfmaal in getalsterkte en had bovendien, door hare goed versterkte kampongs en een groot aantal bentings, zeer veel in haar voordeel.

Maar, telt de Nederlansch-Indische krijgsman het aantal zijner vijanden? Of heeft hij door groote dapperheid steeds de stoutmoedigsten en talrijksten voor zich doen wijken ?

Den iSquot; bleven onze troepen nog in 't bivouak. Die dag ging rustig voorbij , hoewel de vijand zich in onze onmiddelijke nabijheid ophield, en uit wraak de bevriende kampong Oler-Blang te vuur en te zwaard vernielde,

19

ocr page 26

DE VEROVERING VAN BLANG-PRIA

zooals dikke rookwolken en opstijgende vlammen bewezen De bewoners , van have en goed beroofd, zochten bescherming in onze legerplaats.— Om den vijand uit Oler-Blang te verdrijven werden nu in die richting eenige granaten geworpen. Wel verzocht de assistent-resident van Unen, den colonne-commandant naar die kampong ook eene verkenning te zenden, doch majoor Coblijn, die inmiddels het commando van den wegens ziekte geëvacueerden majoor Perné had overgenomen, meende aan dat verzoek geen gevolg te mogen geven, wilde hij den troep niet door kleine gevechten afmatten en alleen het hoofddoel van den tocht voor oogen houden. Onder Karei van der Heyden was het trouwens niet gebruikelijk zich te regelen naar de inzichten van een civiel ambtenaar; zulks ware den officieren als gebrek aan zelfstandigheid aangerekend geworden.

De dag liep ten einde en geen enkel vijandelijk schot was op het bivouak gelost; reeds verheugden zich onze troepen op een rustigen nacht, ten einde met frissche krachten den volgenden dag tegen 's vijands hoofdstelling Blang-Pria op te rukken, toen een der spionnen berichtte, dat in den nacht het bivouak zoude aangevallen worden.

Een nachtelijke aanval op een bivouak behoort tot de verschrikkelijkste gevechten, welke zich te velde kunnen voordoen; 't zijn van die moordtooneelen, die alle beschrijving te boven gaan, vooral zoo het den vijand gelukt, de wachten te overvallen en tot de slapende manschappen door te dringen.

Nauwelijks was het bericht bekend of terstond werden twéé compagnieën infanterie, met • compagnies-colonnes

20

ocr page 27

VF.ROVF.llIN'G VAK BLANG-PKIA

in bataüle, en ééne sectie artillerie daartusschen , achter de lijn der veldwachten geplaatst naar de zijde van waar de aanval verwacht werd.

De vuren in 't bivouak werden uitgedoofd; overal heerschte weldra eene geheimzinnige stilte en nauwelijks onderscheidde men den regelmatiger! pas der patrouilles, die zwijgend langs de postenketen zich voortbewogen. De manschappen lagen met het geweer in den arm op den grond uitgestrekt, om bij het ic alarmsignaal gereed te zijn. Zulk een slaap kan echter geen rust genoemd worden, integendeel, hij is zelfs zeer afmattend; het ruischen van den wind door de twijgen, het gefladder van een nachtvogel , ja, het minste geritsel doet telkens opschrikken, zoodat dit inspannend afwachten meer vermoeit, dan een geheele nacht wakens.

De nachtelijke aanval bleef echter achterwege. Waren wij verkeerd ingelicht, of hadden de, als hongerige jakhalzen rondsluipende, maraudeurs gezien, hoe voorbereid wij waren?

Om 3 uur in den morgen maakten onze troepen zich marschvaardig en wachten slechts op het bevel om zich in rij en gelid te scharen; nauwelijks was dit dan ook gegeven, of met wonderbare snelheid stonden infanterie, artillerie en ambulance op de aangewezen plaatsen.

De troep werd in drie colonnes gesplitst, die elkander op afstanden van 3 a 400 passen moesten volgen, en bestonden uit de volgende troepenmacht:

ie colonne: twee compagnieën infanterie.

2e colonne: (hoofdcolonne) vier compagnieën infanterie en de geheele artillerie, bestaande uit eene bespannen en eene onbespannen sectie en twee mortieren.

21

ocr page 28

V E110VERING \- AN 15L.V NG-PR1A

3e colonne: twee compagnieën infanterie.

Wijders werd bepaald, dat elke colonne voor dekking van haar front en flanken te zorgen had en zooveel mogelijk in compagnies-colonnes zouden manoeuvreeren , ten einde de formatie in carré te vergemakkelijken. Zoodra het terrein eene ontwikkeling in bataille toeliet, zoude de ie colonne den rechtervleugel, de hoofdcolonne het centrum en de 3e colonne den linkervleugel vormen.

Het was nog donker, toen de troep op marsch ging; alle omliggende kampongs lagen in een somber duister gehuld en zwijgend marcheerden de colonnes in zuidelijke richting naar Blang-Pria voort. Bij de eerste schemering van den dageraad bereikte men kampong Samoedra, welke terloops door de voorste colonne doorzocht en verlaten bevonden werd.

Uit deze kampong deboucheerende, kwam men op eene open vlakte, welke ten westen begrensd werd door de kampongs Lamtjot en Baijoe en ten oosten door Oler-Blang en Gedei-Gedong.

Op bedoelde vlakte gekomen, liet de commandant der voorste colonne zijn troep met breeder front oprukken, door ze met compagnies-colonnes in bataille te doen marcheeren. Zooveel mogelijk werd op de kampong-randen van Lamtjot en Baijoe aangehouden. Ter hoogte van laatstgenoemde kampong gekomen werd halt gemaakt en in carré en échelon de andere colonnes ingewacht. De 2e colonne stelde, op die vlakte gekomen, hare geheele artillerie in bataille op en dekte de flanken en den rug door vier compagnieën infanterie.

De 3e colonne maakte de achterhoede uit.

ocr page 29

VEROVKIIING VAN BLANG-PRIA

In deze formatie werd in zuidelijke richting gemarcheerd. Ofschoon kampong Baijoe zich onzijdig hield . werd zekerheidshalve éeue compagnie van de 3° colonne aangewezen om den troep aan die zijde tegen mogelijke vijandelijkheden van de bewoners te beveiligen. Tot nog toe was er geen schot gelost, doch nauwelijks was de voorste colonne ter hoogte van Oler-Blang gekomen , of een hevig vuur werd door den vijand geopend uit de aldaar aangelegde versterkingen. De eerste lilakogel trof den 2quot; luitenant Haupt in het achterhoofd en deed hem oogen-blikkelijk zielloos nederstorten.

Maakt zoo'n eerste slachtofifer steeds een diepen indruk, nog te meer was zulks het geval, nu het dezen officier gold, daar hij 's avonds te voren in 't bivouak zijnen kameraden voorspeld had , dat hem een der eerste kogels doodelijk zoude treffen.

's Vijands vuur werd gaandeweg heviger en in sommige oogenblikken dermate overstelpend, dat de colonnes moesten halt maken om het te beantwoorden. En voort ging het dan weer door den dichten kogelregel, en allengs teekende zich de weg met bloedige sporen.

De kalme onverschrokkenheid en zekerheid, waarmede op Blang-Pria werd gemarcheerd , scheen den vijand te verontrusten. Drommen Atjehers verlieten nu hunne stellingen nabij Oler-Blang en trachtten door schijnmanoeuvres- en klewang-aanvallen de onzen tot een aanval op Gedei-Gedong, (waar ten oosten een sterk voorwerk was aangebracht) uit te lokken. Met onstuimige woede stortten zij zich op de carre's , maar alvorens klewang en bajonet elkander kruisten, had ons geschut- en geweervuur hun groote verliezen toegebracht.

ocr page 30

VEROVERING VAN BLA.NG-1'Rl A

Zij gaven ech'.er den moed niet op; aanhoudend aangewakkerd door hunne priesters, drongen zij steeds op, en beproefden onzen opmarsch te bemoeilijken door den troep tot partiëele gevechten te verleiden. Maar in deze verwachting zagen de Atjehers zich teleurgesteld. Majoor Coblijn , die met de opperste leiding van den tocht belast was, wekte een ieders bewondering door de koelbloedigheid en beslistheid, waarmede hij zijne juiste bevelen gaf. Gevolgd door den dapperen luitenant Scheuer, die hem als adjudant was toegevoegd, zag men hem steeds daar, waar de strijd het hevigst was.

Door den grijzen kruitdamp heen onderscheidde men weldra den donkeren omtrek van Blang-Pria. In den zuidwesthoek dier kampong lag de hoofdversterking, boven wier wallen eene menigte vuurmonden in den zonneschijn schitterde. Spoedig zonden ook deze het moordend lood, en daarmede den dood in onze gelederen, en al bloediger werd de weg geteekend, dien de onzen aflegden.

Het gevecht, tot nog toe gevoerd, was slechts een voorspel van dat, hetwelk de verovering van Blang-Pria ten gevolge had.

Toen men ten westen daarvan gekomen was, werden twee stormcolonnes geformeerd, elk sterk 3 pelotons, waarbij eenige mineurs en sappeurs werden ingedeeld. Het Vaandel werd in 't midden geplaatst; fier wapperde het veldteeken boven de hoofden onzer dappere scharen.

In zoo menig gevecht had reeds deze oorlogsbanier van het I4e bataljon infanterie de zege behaald; op zoo menige vijandelijke borstwering was zij geplant geworden,

24

ocr page 31

VEROVERING VAN BLANG-PKIA

ook heden zou dit aan flarden geschoten oranje-doek de onzen ter overwinning voeren.

Het was een indrukwekkend, grootsch gezicht, de brigade met zooveel stoutmoedigheid en kalme doodsverachting thans op 's vijands hoofdstelling te zien aanmarcheeren. Niettegenstaande duizenden kogels den onzen werden toegezonden, werd de pas geen oogenblik vertraagd. Men kon het onze soldaten aanzien , dat de strijdlust in hun binnenste brande; het aanhoudend geschreeuw van den vijand, zijne wanhopige, doch woedende aanvallen met den klewang hadden reeds lang bij de onzen de begeerte opgewekt, met de bajonet er op in te stormen, maar de krijgstucht hield hen steeds in 't gelid. Op 200 passen voor Blang-Pria gekomen, dat geheel in vlam en rook gehuld was, werd door eene frontverandering het aanvalspunt zoodanig omgetrokken, dat beide stormcolonnes recht daarvoor kwamen te staan; de artillerie stelde zich daarachter in positie. Ten einde den vijand gedurende de omtrekkende beweging bezig te houden , namen twee com-pagniën stelling evenwijdig aan de westerface; de rest, zijnde twee compagniën der 3e colonne, bleef in reserve. Nu waren onze soldaten bijna niet meer te houden; met ongeduld verbeidden zij het bevel om te stormen.

De 2S luitenant Kalis, een nog jong officier, die het voorste peleton der linkerstormcolonne commandeerde, had alle zelfbeheersching noodig om zijn schier ontembaren moed in bedwang te houden. Majoor Coblijn zag dit , en liet, door luitenant Scheuer, aan dien officier weten, in geen geval tot de „attaque'' over te gaan voor en aleer het bevel daartoe gegeven was. Dit was noodig, want,

25

ocr page 32

VF.llOV KlUNi'. VAN HLANCi-PRIA

26

behalve dat de sterk bezette versterking vooraf door geschutvuur moest geteisterd worden, om de bestorming voor te bereiden, trokken talrijke en dichte drommen Atjehers in feestgewaad (vermoedelijk lieden uit Gedei-Gedong) in zuidwestelijke richting, met het kennelijk voornemen om de onzen in den rug aan te vallen, welke omstandigheid, onzerzijds , tot het nemen van bijzondere gevechtsdisposities noodzaakte. Het waren ernstige oogen-blikken. De vijand, niet begrijpende, waarom de onzen niet aanvielen en zulks toeschrijvende aan weifeling, werd overmoedig en vertoonde zich , onder het geschreeuw van „Allah il allah, Mohamed rasoel allahquot; in zijne volle lengte op de borstwering. Haat en fanatisme lagen op het gelaat der Atjehers te lezers, die, door opium tot den hoogsten graad van opgewondenheid gebracht, een troep bloeddorstige roofdieren geleken. Eindelijk klonk het signaal „attaqueeren.quot; Nauwelijks waren de tonen van dit meest opwekkend signaal in den strijd gegeven , of met al de onstuimigheid, die onze troepen bij de bestorming zoo kenmerkt, wierpen zij zich met gevelde bajonet naar voren; maar de bamboe-doerie-versperring stuitte voor een oogen-blik dien geweldigen storm. Kalis was de eerste, die op de borstwering stond; voordat zijne soldaten zich door de chicanes heengeworsteld hadden, was hij reeds handgemeen met een woesten hoop bloedgierige priesters. Met waren leeuwenmoed, den Nederlandschen officier eigen, vocht hij met sabel en revolver tegen dien sterken drom verdedigers ; juist op het oogenblik , dat zijn peleton als tijger-katten naar boven klauterde, viel deze officier, door kogels en klewanghouwen getroffen, achterover van de borst-

ocr page 33

V KRO V EKING VAN BLANO-PKIA

wering, en, helaas, het Indische leger telde dezen held minder.

Zóó viel reeds menig officier aan 't hoofd zijner afdeeling,

als hij die ten voorbeeld voorging; aan hun plicht getrouw,

den roem en de eer van het vaderland ten doel hebbende,

liepen zij met opgeheven hoofd, fier en frank den heldendood te gemoet. Is het wonder dat onze soldaten met zulke officieren steeds op de overwinning rekenen?

Kalis ziende vallen , stroomde Scheuer voorwaarts, vloog étc^n-.di. tegen de borstwering op en riep den soldaten toe hem te volgen. Zonder aarzelen wierpen zij zich boven gekomen van de wallen te midden der talrijke Atjehers, die op zoo'n onstuimigen aanval niet bedacht, een oogenblik achteruitweken. Maar het kleine troepje ziende, waren zij niet langer bevreesd en wilden toen de vermetelen te lijf: hen verjagen , verpletteren.

Ziet echter, hoe onze mannen den schok afwachten:

met „velt geweerquot; staan zij met den rug tegen de borstwering geleund en „handhavenquot;!

Menig Atjeher deinsde met bebloeden kop terug; tijd om de geweren te herladen was er niet, doch ook de kolfslagen waren doodend!

Op andere punten drongen nu de overige stormcolonnes eveneens binnen, en het vaandel, gedragen door den adjudant-onderofficier Koolhof, was spoedig op de borstwering geplant; er kwam een oogenblik, dat men in de versterking niets hoorde dan het gekletter der klewangs op de bajonetten ; men vocht man tegen man, borst aan borst.

Na een onbeschrijfelijk woedenden strijd met de blanke

27

ocr page 34

V K HOVERING VAN BLANG-PRIA

wapens, werd de vijand met de bajonet in een hoek gedreven. Velen gaven den strijd op en zochten een goed heenkomen

Een vijftigtal bleef standhouden; geen hunner wilde zich overgeven; liever werden zij tot den laatsten man neêrgehouwen dan in dezen heiligen oorlog de wapens voor de blanken neer te leggen.

Een berg van lijken en verminkte ledematen toonde kort daarop de plaats aan, waar deze hardnekkige verdedigers als mannen gevallen waren.

Met e'én Europeeschen en drie Inlandsche fusiliers wilde Scheuer nu de reduitstelling in den Z. W. saillant van 's vijands versterking binnendringen, toen hij door een gesmoord „ Allah-il-allah quot; gewaar werd, dat nog eene vrij talrijke bezetting zich daarin teruggetrokken had. Onverschrokken posteerde hij zich met zijne vier fusiliers voor het eenige acces en sommeerde de bezetting tot de overgave. „Legt de wapens neer en geeft u over, dan zal u geen leed geschieden,quot; riep Scheuer.

Tot antwoord trachtte de vijand met een stouten aanloop door het accès heen te komen en een aanval op de onzen te doen. Scheuer en de zijnen beletten echter den doorgang; met snelle, krachtige slagen wist de moedige luitenant lanspunten en klewangs te pareeren; de soldaten vuurden onophoudelijk en weldra lagen 17 lijken aan Scheuer's voeten; slechts aan twee Atjehers gelukte het, nog in den doodstrijd, aan twee Inlandsche fusiliers lichte klewangwonden toe te brengen.

De anderen, de onmogelijkheid ziende om de Neder-landsche krijgslieden tot wijken te dwingen of neer te

28

ocr page 35

VEROVERING VAN BLANG-PRIA

sabelen , zochten in hunne vertwijfeling een goed heenkomen over de wester- en zuiderface der versterking, maar te laat; de manschappen der reserve hadden zich zoodanig opgesteld, dat van ontkomen geen sprake was. En daar geen der Atjehers zich wilde overgeven, bleef er niets anders over dan hen neer te schieten.

De benting bood een ontzettend schouwspel; de grond was niet bezaaid, hij was bedekt met stapels van de lijken der gesneuvelde Atjehers. Onder deze telde men ook de Radja Laksamana van Passangan; de meesten waren priesters en voorname hoofden, aan hunne kleeding en sieraden duidelijk kenbaar.

Onze goedhartige soldaten waren aanstonds bereid den nog levenden hulp en lafenis te verleenen, doch die goede zorgen werden met ondank beantwoord; de stervende hand zocht nog naar lans of klewang, om, zelfs na den strijd, den blanken, den gehaten kafir te treffen.

Nadat de versterking genomen was, rukte een gedeelte der colonne kampong Blang-Pria binnen om ze van vijanden te zuiveren en werden er tevens maatregelen getroffen om zich tegen een onverhoedschen aanval des vijands te dekken. Kapitein Opscholten ontving opdracht om met twee compagnieën den zich op het terrein achter dijkjes en kampongranden opgestelden vijand te verdrijven. Overal op zijnen weg vond kapitein Opscholten den grond bedekt met lijken, weggeworpen wapens en eene menigte vaandels.

Veel tegenstand werd niet meer ondervonden, daar het grootste gedeelte der verstrooide benden bij de nadering onzer troepen in groote haast naar de, aan den vijand alleen bekende, schuilhoeken in het gebergte vluchtte.

29

ocr page 36

VEU0VE1UNG VAN BLANG-I'HIA

Vijftig woningen en tien gevulde rijstschuren werden aan de vlammen prijs gegeven. Sommigen zullen dit wellicht een ruw geweld noemen, maar erzijn oogenblikken in den oorlog, vooral in den Indischen, die zulke handelingen wettigen. Zij zijn dringend noodig om elk verzet bij den vijand voor goed te onderdrukken.

Dien dag verloor de vijand 600 man aan dooden , 16 lilas, 7 kanonnen, 76 klewangs, 84 geweren , 15 sabels en 10 vaandels.

Dit zeer belangrijk gevecht, hetwelk de volle nederlaag en de onderwerping van Gedong ten gevolge had, mag in officiëele geschriften of Indische bladen gemeld zijn, evenmin als aan eenig ander schoon wapenfeit hebben de Hollandsche illustraties daaraan eenige aandacht geschonken. Beschamend is het voor onze natie, dat een vreemde die taak overgenomen heeft; de „Illustrated London Newsquot; maakt in haar jaargang van 1878 met lof van dezen tocht gewag, als eene welverdiende hulde aan de dapperheid van het Indische leger.

De schitterende houding der troepen vinden wij als volgt, bij commandementsorder van 26 Juni 1878 No. 225 , door den bevelhebber geprezen:

„Gij hebt na een gevecht van één dag den vijand in zijne sterke stelling Blang-Pria, alwaar de élite van zijne benden verzameld was, aangetast en hem daaruit verdreven, en een verlies toegebracht van 600 dooden en gewonden , waarvan op de plaats der bestorming 188 lijken achterbleven.

Niettegenstaande de vijand bij duizendtallen sterk en de tegenstand hevig was, is het aan uw kalm beleid.

30

ocr page 37

DE VF.KOVK.IliNG VAN BLANG-l'UIA

volharding en moed te danken , dat hij ons zijne onderwerping heeft aangeboden.

Ik wensch u geluk met dit volkomen succes en betuig u allen en in de eerste plaats uwen beleidvollen aanvoerder, den majoor Coblijn, mijn welgemeenden dank voor hetgeen door u in zulk een kort tijdsverloop verricht is.

Ook bij dezen tocht zijn de door de marine bewezen diensten vele.

Hoewel zij zelf niet aan den strijd heeft deelgenomen, zoo heeft zij er veel toe bijgedragen , dat het succes in zulk een kort tijdsverloop verkregen werd , eensdeels door alle inspanning bij het em- en debarkement van onze troepen aan den dag te leggen, anderdeels door het bewaken van ons bivouak te Blangmeij door de bezetting der marine-landings-divisie, en het stationeeren van gewapende sloepen in de rivier, waardoor de landmacht in staat was gesteld met hare geheele macht tegen de vijandelijke stelling op te rukken.

Deze diensten kunnen door ons niet genoeg worden gewaardeerd.quot;

De Kolonel enz. [w, £•.) Van der Hevden.

Wegens de krijgsverrichtingen in Gedong werden door Z. M. onzen geëerbiedigden Koning, met de Militaire Willemsorde beloond;

De majoor der infanterie W. A. Coblijn, de kapitein der infanterie V. H. Götz, de luit. der inf. C. Ie Cocq d'Armaudville, en de adjudant-onderofficier G. Koolhof.

Aan den in luitenant der infanterie A. H. W. Scheuer werd de eeresabel met het gebruikelijk opschrift toegekend.

ocr page 38

VEROVERING VAN BLANG-PRIA

Eervol vermeld werden:

De ie luitenant der infanterie A. A. Veenhuizen, de 2e luitenant J. Arendsen de Wolff, de off. v. gezondheid 2e klasse C. M. Christensen, de ilt;: luitenant der artillerie T. W Tydeman, de adjudan;-onderoff. J. K. A. van Aarem, de sergeanten der artillerie J. H. J. Bitjardt,J. Koster en H. H. Haitjema, de sergeant-mineur J. Schulze, genaamd Garthe, de hospitaalsoldaat H. ter Haave, de Amboneesche fusilier Suitela en de Inlandsche fuselier Parwinodikromo.

De bronzen medaille voor moed en trouw werd toegekend aan den Amboneeschen fusilier E Kakisina.

Velen jaren zijn daarover heengegaan , menige wakkere borst heeft wellicht reeds sinds dien tijd opgehouden te kloppen. Mochten wij door dit feit te schetsen, hulde brengen aan de nog levende dapperen der Gedongsche expeditie, en het bewijs leveren, dat bij het Indisch leger de roem voor schoone daden, ook na den dood, blijft voortbestaan.

ocr page 39

DE EERSTE EXPEDITIE NAAR

SAMALANGAN 1S76

Aan de Noordkust van Sumatra strekt zich, over eene smalle strook land van ongeveer 7 uur lang en 2 uren breed, het rijkje van Samalangan uit. De vorst, alhoewel schatplichtig aan den sultan van Groot-Atjeh, regeerde voor 't overige geheel zelfstandig. Zijne onderdanen werden gerekend tot de dapperste en oorlogszuchtigste inboorlingen van Atjeh te behooren, en ten allen tijde hebben zij zich berucht gemaakt door strand-, zee- en menschenroof.

Toekoe-Tjihik, die destijds het bewind voerde, was door overmatig opiumgebruik zóózeer ontzenuwd, dat hij het gezag geheel in handen Het van zijne zuster Patjoet Melagoi, eene kloeke schrandere vrouw.

Haar haat tegen de Nederlanders was zoo groot, dat zij, teneinde de weerbare mannen tot den krijgsdienst te verplichten, eiken veldarbeid op straffe , van de gruwzaamste en onmenschelijkste wreedheden, verbood. Voortdurend werden onze vijanden op Groot-Atjeh door haar met geld, oorlogsmaterieel en krijgers bijgestaan, waar

ocr page 40

DE EERSTE EXPF.IMTIK

toe Samalangan door zijn rijken handel en zijne gunstige ligging ruimschoots in staat was.

In 1876 beproefde onze Regeering langs minnelijken weg Samalangan tot de erkenning harer opperheerschappij te brengen, doch het beantwoordde die voorstellen door op onze oorlogschepen te vuren , en vergreep zich dermate , dat het in de nabijheid onzer vlag de brutaalste zeerooverij pleegde.

Zulk een houding moest zelfs den lankmoedigen aard der Nederlanders tarten , en onze Regeering besloot, in het belang van het prestige en om de eer der Neder-landsche vlag te handhaven, Samalangan door wapengeweld tot rede te brengen.

De noodige terreinkennis tot het voeren van een zoo belangrijken veldtocht ontbrak ons echter geheel. Onze bekendheid met het land bepaalde zich slechts tot het vergezicht, dat de kuststreek, van de zee gezien , opleverde,-en derhalve achtte de militaire en civiele gezagvoerder van Atjeh, de generaal-majoor Diemont, het noodzakelijk om door verkenningen langs de kust, en het uitzenden van spionnen, eenige gegevens te verzamelen.

Dank zij de hulp van verdienstelijke zeeofficieren en civiele ambtenaren, alsmede der mondelinge inlichtingen van den Maleier Soetan Mabaradja, ontving de bevelhebber in betrekkelijk korten tijd vrij uitvoerige berichten, waarvan een rapport met terreinkaart werd samengesteld, welke naar het departement van oorlog werd opgezonden.

Nog vóór den aanvang der expeditie moest generaal Diemont echter wegens ziekte Atjeh verlaten , en gaf het

34

ocr page 41

NAAK SAMALANGAX

militair en civiel bevel over aan den kolonel K. van der Heyden, die tevens aangewezen werd om de operatie tegen Samalangan te leiden.

Begaafd met de voortreffelijkste militaire eigenschappen , bezield tevens met eene ijzeren wilskracht, was kolonel van der Heyden wel de veldheer, aan wien deze moeielijke onderneming mocht toevertrouwd worden.

Alvorens tot de operatie over te gaan, liet kolonel van der Heyden de kust nader verkennen door zijn stafofficier, den 1quot; luitenant L. F. A. Winckel, overeenkomstig wiens opnemingen het plan werd vastgesteld.

Volgens spionnenberichten hunkerden de Samalangers er naar, zich met de Nederlanders te meten, en de goed versterkte kust was het bewijs, dat zij op onze komst voorbereid waren.

Kolonel van der Heyden stelde hun geduld niet al te lang op de proef, want spoedig meldde een order, dat er tegen Samalangan zoude opgerukt worden , eene tijding , welke de troepen met geestdrift begroetten.

Van de landmacht werden voor deze expeditie aangewezen ;

het 2e, 3C en 8e bataljon; elk bataljon telde 3 compagnieën van 15° man (de 4e compagnie van elk bataljon bleef te Kotta-Radja als reserve achter); voorts: twee sectiën bergartillerie, één detachement genietroepen, de ambulance met het noodige hospitaalpersoneel, verder 700 dwangarbeiders voor het vervoer van munitie en vivres.

Van de marine namen, daaraan deel de volgende schepen : het Metalen Kruis, de Citadel van Antwerpen, de Sambas, de Banda, de Amboina, de Palembang, de

35

ocr page 42

DF. F.KKSTF. EXPEDITIE

Watergeus, de Samarang, de Borneo en de Sumatra.

Het bevel over dit eskader werd opgedragen aan den kapitein-luitenant ter zee van der Hegge-Spies.

De landingsdivisie der Marine, sterk 300 man, stond onder commando van den luitenant ter zee Uhlenbeck. In den morgen van den 8sten Augustus nam het embar-kement der troepen een aanvang, en tegen den avond ging men onder stoom. Het was een indrukwekkend schouwspel deze vloot te zien vertrekken; onwillekeurig moest men terugdenken aan de tijden, toen Neêrland's zeemacht den trots en den roem van ons volk uitmaakte.

's Anderen daags , tegen 11 uur, liet men het anker vallen voor de vlakte van Kiran, alwaar de vloot door schijn-manoeuvres den vijand in den waan bracht, dat op o-enoemde vlakte zoude geland worden. Inmiddels werd in eene gepantserde stoombarkas eene verkenning gedaan. Behalve de chef van den staf, majoor Meyer, namen aan die verkenning deel de majoor Palmer, van het Britsch-Indische leger, en de gids Soetan Maharadja.

Het was duidelijk zichtbaar, dat de vijand zich nabij Kiran achter duinen en kleine versterkingen had opgesteld.

Ongeveer 4000 M. ten Oosten van Kiran wees de gids, in de nabijheid van een bosch, eene landingsplaats aan, die naar zijne meening daarom geschikt was, omdat de vijand, — wetende, dat de Blanda's bij voorkeur in 't open veld strijden, — hen niet in de nabijheid van bosschen zal afwachten.

Kolonel van der Heyden, wien na afloop der verkenning, ('s avonds 7 uur) daarvan gerapporteerd werd, had geen bezwaar tegen het door den gids aangewezen punt, en

36

ocr page 43

NAAR 3A5IALA.NGAN

besloot den volgenden morgen aldaar een debarkement te beproeven.

De landing zoude in 4 liniën geschieden:

ie linie: de gewapende sloepen der marine.

2e linie: het S11 bataljon infanterie.

3e linie: de ambulance, genietroepen en de artillerie, linie: het 2C bataljon infanterie met den staf.

De sloepen der verschillende liniën waren door gekleurde vlaggen onderscheiden.

De deining was echter zoo hevig, dat het niet mogelijk was de bevolen maatregelen in hun geheel op te volgen; de orde was dan ook spoedig verbroken. Onder het oor-verdoovend geschutvuur der oorlogsschepen werd met inspanning van alle kracht naar de kust geroeid.

Op ongeveer IOC M. daarvan verwijderd, geraakte men in de volle branding: reusachtige golven vormden bergen en afgronden, tilden en slingerden onze vaartuigjes omhoog, of sloegen ze met geweld terug, terwijl de manschappen door het spattend schuim overdekt werden. Verscheidene sloepen kantelden om, eenige werden zelfs geheel verbrijzeld. Gelukkig wisten de drenkelingen zich te redden, door in de overgebleven vaartuigen te klauteren, of door naar het strand te zwemmen. Hoe nader bij de kust, hoe geweldiger de branding werd; het loeien en bruisen der golven verdoofde alle commando's.

Dank zij echter onzen wakkeren zeelieden, die met kalmen moed den reuzenstrijd tegen het woedende element volhielden, werd het strand ten laatste bereikt.

Druipnat en vermoeid landde daar het geheele 8e

37

ocr page 44

DE KERSTE EXPEDITIE

bataljon; toch stond het spoedig in slagorde en dekte het deharkement der overige troepen.

Weinig bekend is het, dat, hadde de landing een paar honderd meters verder plaats gehad, er vermoedelijk van de landingdivisie maar weinig zoude terecht gekomen zijn, daar op die hoogte eene reeks van gevaarlijke koraalbanken zich uitstrekt.

Inmiddels was de vijand in menigte op de vlakte van Kiran en nabij de Koeala Tamboera verzameld, doch kon, schoon hij onze bedoeling reeds begreep, de landing niet meer beletten.

Toen ook twee compagniën van het 2e bataljon aan land waren, rukte het 8e bataljon naar het voorgelegen bosch op, ten einde het daarachter gelegen terrein te verkennen. Door het bosch, dat ongeveer 500 M. diep was, liep een voetpad in zuidelijke richting; na dit een kwartier uurs gevolgd te hebben, kwam men voor eene opene vlakte.

Niets deed vermoeden, dat men hier op eene vijandelijke bende zoude stuiten. Maar de Atjehers van Samalangan schenen evenzoo bedreven in het leggen van hinderlagen als hunne stamverwanten van Groot-Atjeh.

Ternauwernood was de voortroep gedeboucheerd, of een hevig geweervuur begroette hem, en bijna gelijktijdig vielen een 40tal Atjehers, die zich achter struiken en bamboestoelen hadden opgesteld, de onzen met de klewang aan.

Deze aanvallers schenen zich ter dood gewijd te hebben, want hoewel zij door de onzen stout ontvangen werden, en reeds menige vijand door onze kogels getroffen was, bleef het gevecht verwoed aanhouden. De gekwetsten

3«

ocr page 45

NAAR SAMALANGAN

richtten zich weer moedig op, en wierpen zich met dezelfde wilde vaart op de bajonetten. Dit treffen, dat niet langer dan twee a drie minuten aanhield, kostte ons reeds 3 dooden en 9 gewonden, waaronder de luitenant B. M. Leussen. De vijand leed een verlies van acht dooden , behalve eene menigte gewonden , die hij meevoerde.

Toen het gros van het 8e bataljon ter hulpe aankwam, was het gevecht reeds geëindigd.

De vijand verzamelde zich nu in de nabijheid van kampong Pengilit-Toenong, omstreeks 500 M. zuidwaarts van de plaats, waar de troepen uit het bosch gedeboucheerd waren, weshalve de commandant carré liet formeeren om hem door welgerichte salvo's uit elkaar te jagen.

Namens den chef van den staf bracht luitenant Collard den last over, niet verder op te rukken en een bivouak te betrekken.

Majoor Meijer koos het zijne in een op 100 M. oostwaarts gelegen boschje van circa 40 M. breedte en 20 M. lengte. Zuidoostwaarts was het terrein geheel open en strekte zich uit tot kampong Pengilit hilir; ten zuiden en zuidwesten bestond het uit tegalvelden, waaromheen doode paggers, die, zooals later bleek, verscheidene ingravingen maskeerden. Voor een bivouak bood het boschje, dat uit middelmatig groote boomen en kreupelhout bestond, ruimte genoeg. Aan den rand werd zoo goed mogelijk eene versperring aangebracht van omgekapte boomen, doch wegens gebrek aan tijd kon men daaraan niet de noodige zorg besteden, zoodat de afsluiting zeer onvolledig was

Elke compagnie had hare eigene wacht, die ieder 12

39

ocr page 46

DE EERSTE i.Xl'ElllTI I

schildwachtten uitzette. Deze werden op ongeveer I M. afstands van elkaar geplaatst, zoodat het bivouak door 36 schildwachten werd bewaakt.

De manschappen waren vlak achter de schildwachten gelegerd; in het midden bivouakeerde de commandant; met hem zijn adjudant, de luitenant Winckel, benevens de controleur van Heuckelom, de officier van gezondheid van Kiersen, de opnemer van Acker en de ambulance.

Het 2e bataljon had zijn bivouak aan het strand opgeslagen en hield zich onledig met het aan wal brengen van munitie , drinkwater, vivres en kookgei eedschappen, een arbeid, die, door de hooge zeeën en de weinige beschikbare middelen, slechts langzaam vorderde, zoodat de duisternis reeds inviel, voordat het hoognoodige aanwezig was.

Het 8e bataljon b. v. kon slechts van één vat drinkwater voorzien worden, welk onontbeerlijk artikel aanstonds als een schat bewaard en zelfs door een schildwacht bewaakt werd. De soldaten versmachtten van dorst en wendden hunne blikken aanhoudend naar dat zoo kostbaar geworden vat met water, en telkens, wanneer de kraan slechts één enkelen droppel doorliet, gingen zij er om beurten met open mond onder liggen, teneinde dien be-geerig op te vangen, De dorst werd hun spoedig een ware Tantaluskwelling; maar toch morden zij niet, die braven, de officieren hadden het immers ook niet beter!

In den loop van den dag werden voor de bivouakstelling van het 8e bataljon, nabij kampong Pengilit eenige Atjehers ontwaard, met welke de controleur van Heuckelom, die zich in 't bivouak bevond, te vergeefs in aanraking trachtte

4°

ocr page 47

NAAR SAI.AMANGAN

te komen; evenmin gelukte dit den chef van den staf, die vergezeld van majoor Palmer, van het Britsch-Indisch leger, tot 's namiddags 5 uur in 't bivouak vertoefde.

Door een der gidsen werd nu een schrijven van den controleur op een bamboepagger gestoken, welke zich tusschen het bivouak en den vijand bevond. Nauwelijks hadden de Atjehers dit opgemerkt, of eenigen hunner kwamen vooruit om den brief te halen. Deze behelsde de mededeeling, dat de kampongs, welke onze troepen ongemoeid lieten, gespaard zouden blijven, en dat de hoofden, die met ons wenschten te onderhandelen, mits ongewapend, zouden toegelaten worden.

Omstreeks vier uur 's namiddags meldden zich drie Atjehers aan, die voorgaven afgevaardigden van den vorst van Samalangan te zijn; deze lieden hadden echter geen bewijs van volmacht, zoodat zij onverrichterzake teruggezonden werden.

Het werd nacht. Een onbestemd vermoeden van overvallen te zullen worden hield echter een ieder wakker tot laat na middernacht, doch toen het om het bivouak rustig bleef, legde het niet wachthebbend gedeelte zich voor en na ter ruste neder; het was 3? uur in den morgen.

De houtstapels om de legerplaats aangelegd, waren reeds tot asch vergaan; ook de drie scheepslantaarns waren bijna uitgebrand en wierpen nog slechts met korte flikkeringen een twijfelachtig licht. De vermoeide manschappen lagen spoedig in vasten slaap en bespeurden niet, hoe de grijze nevel, die zich van de kust landwaarts bewoog, hunne kleederen bevochtigde.

De officieren van de wacht liepen gestadig langs de

41

ocr page 48

ui; f.eüstf, kxi'editik

posten, en voortdurend wierpen zij en de schildwachten wantrouwende blikken naar het hooge gras, en trachtten , aandachtig luisterend, elk geluid op te vangen, doch niets werd gezien, en niets gehoord, dan het ruischen der zee en de regelmatig terugkeerende slagen der branding.

Evenwel, gedurende deze schijnbare rust, kroop eene groote bende Atjehers met meesterlijke behendigheid naar onze legerplaats, en, gedekt door het hooge gras, was zij reeds tot op 50 schreden ongemerkt genaderd, toen een , aan de noordelijke zijde geplaatste schildwacht, eenig geritsel meende te hooren en bijna gelijktijdig boven het struikgewas ontelbare koppen te voorschijn zag komen.

Alvorens hij tijd had een schot te lossen, werd het bivouak door een vijandelijk geweervuur gealarmeerd; gelijktijdig sprongen circa 500 Atjehers over de verhak-kingen heen, stortten zich, onder een doordringenden oorlogskreet op de onzen en drongen met opgeheven klewang tot binnen het bivouak door.

Deze aanval, even krachtig als onverwacht, veroorzaakte in den stikdonkeren nacht eene niet te beschrijven verwarring. Nog slaapdronken, als zij .varen, wisten de soldaten aanvankelijk niet, wat er gaande was, maar het Alla il Allah, maakte hun spoedig duidelijk, dat zij overrompeld waren.

De dwangarbeiders, die midden inliet bivouak gelegerd waren en het eerst aan de woedende slagen des vijands waren blootgesteld, vluchtten in alle richtingen en vermeerderden niet weinig de verwarring.

Weldra waren de soldaten met den vijand handgemeen;

42

ocr page 49

NAAR SAMALANGAX

onze Boegineezen hadden bijna allen het geweer weggeworpen en vielen de aanvallers met getrokken kapmes te lijf: dit gevecht van klewang tegen kapmes was verwoed, vreeselijk!

Een der Atjehsche hoofden, de hoogepriester Oelaina,eQ\\ reusachtig gebouwde kerel, was met den bloeddorst eens tijgers op den luitenant-adjudant Richelle toegesprongen en gaf hem een geweldigen houw op het hoofd. Gelukkig dat het metaal op den helmhoed van dien officier hem het leven redde; vóórdat de priester hem een tweeden slag kon toebrengen, had Richelle de sabel getrokken en spleet daarmeê diens gelaat nagenoeg in tweeën. Oelama stortte ter aarde, maar sprong terstond weder overeind, en sloeg toen, als razend, een paar soldaten neêr, die zich tusschen hem en den officier geworpen hadden.

Nogmaals geraakte Richelle handgemeen met den priester, toen zijn paarden-oppasser, de dwangarbeider Geppink, ter juister tijd ter hulp snelde, en den priester met de badeh-badeh den buik openreet.

De kapitein Lojinga had het te kwaad met een vijftal Atjehers.

Hij verdedigde zich als een wanhopige en sloeg met de sabel geweldig om zich heen.

Dit wapen werd echter spoedig stuk geslagen en vreeselijk gewond stortte hij neder.

Luitenant J. M. Ie Bron de Vexela, het gevaar ziende, waarin zijn compagnie's commandant verkeerde, ijlde naar hem toe, maar werd onderweg door een Atjeher aangevallen , dien hij echter spoedig onschadelijk maakte.

43

ocr page 50

DE EKRSTE EXPEDITIE

en snelde daarop weer vooruit. Na een der aanvallers van kapitein Lojinga doorstoken te hebben, raakte hij met een tweeden aan het worstelen. Gedurende dit worstelen struikelde le Bron over 't lijk van een Atjeher, viel achterover en verloor zijn sabel. Op hetzelfde oogenblik greep zijn tegenstander hem bij de keel, zetce de knie op zijne borst, en reeds voelde hij de punt eener rentjong tusschen de ribben steken, toen hij door luitenant Auffmorth ontzet werd.

Hoewel ongewapend (le Bron gunde zich den tijd niet naar zijn sabel te zoeken), snelde hij naar de plaats, waar hij kapitein Lojinga had zien vallen en geraakte wederom slaags met drie Atjehers.

Ongewapend als hij was, greep hij een der voorsten met de vuisten aan, en beproefde diens klewang te bemachtigen.

De Atjeher, een stevige kerel, gaf hem de handen vol, en wist zich ten laatste los te wringen; op hetzelfde oogenblik ontving le Bron een klewanghouw over het voorhoofd. Het bloed gudste hem over het gelaat en benam hem bijna het gezicht, maar le Bron gaf zich daarom niet gewonnen, greep zijn tegenstander bij de keel en worgde hem.

Gelukkig voor hem werd hij van de twee andere aanvallers, door tusschenkomst van luitenant Wijnmalen, bevrijd.

Andermaal begaf zich le Bron op weg om zijn kapitein te zoeken; helaas! hij vond hem, met talrijke wonden overdekt, nagenoeg onkenbaar in een plas bloed uitgestrekt, liggen.

44

ocr page 51

NAAR SAM ALAN GA N

Ten derden male werd le Bron aangevallen door twee Atjehers, maar hij verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, greep een op den grond liggend geweer en slingerde dit met zooveel kracht naar een der aanvallers, dat deze bewusteloos neerzeeg. De andere werd door luitenant Auffmorth afgemaakt.

De luitenant F. P. L. van Driel, die op het oogenblik van den aanval de wacht had, en zich flink in zijne stelling handhaafde, had in de duisternis het behoud van zijn leven aan eene toevallige omstandigheid te danken.

Op hetzelfde oogenblik, dat een Atjeher gereed stond hem een geduchten houw toe te brengen, begonnen de soldaten van zijn peloton te vuren, welk vuur hem den aanvallenden Atjeher deed ontdekken.

Van Driel had nog juist den tijd den slag te pareeren; de klewang gleed langs de sabel en verwondde hem licht aan het been; een vreeselijke houw van dien officier doodde den Atjeher op de plaats.

Bijzonder dapper stelde zich de Europeesche fuselier van Langhorst te weêr. In den slaap door de Atjehers overvallen, gelukte het hem een hunner bij de beenen te grijpen. Zich oprichtende, pakte hij dezen op en wierp hem als een kegelbal tusschen de anderen in; toen greep hij naar zijn geweer en sloeg met de kolf zoo geweldig om zich heen, dat weldra drie Atjehers met verbrijzelden schedel aan zijne voeten lagen.

Van alle zijden was het gevecht even ontzettend, en vele bebloede lijken lagen reeds ter aarde, alvorens het den officieren gelukte de orde eenigszins te herstellen. Zonder dat iemand er zich rekenschap van kon geven ,

45

ocr page 52

DF, EERSTE EXPEDITIE

was de troep, al worstelende en vechtende, westwaarts uit het bivouak gedrongen.

Onderwijl was de strijd minder geworden, en op een gegeven teeken stoof de vijand uit elkaar en verdween in het struikgewas

Toen het gevecht geëindigd was, werd appèl gehouden en den luitenant-adjudant Richelle opgedragen de namen der officieren af te roepen. Helaas! op vele soldatennamen bleef het „presentquot; achterwege, en bij het oproepen der namen van de kapiteins Lojinga en Jonker volgde een doodsche stilte: beiden waren gesneuveld.

Kapitein Jonker had, behalve eene menigte wonden, ook een houw over de borst, welke zijn horloge getroffen had, dat op 3 uur 37 min. was blijven stilstaan.

Dit nachtelijk gevecht kostte ons dure offers; we betreuren het, dat de duisternis zoo menige heldendaad onopgemerkt deed blijven, en dat zoovele brave krijgers den heldendood zijn gestorven , zonder dat wij van hunnen roem kunnen gewagen.

Omstreeks vijf uur in den morgen begon de vijand de onzen weêr te beschieten van achter een dooden pagger, welke 150 M. van de plaats stond, waar de troepen waren opgesteld. Ofschoon de soldaten allen op den grond lagen, werden toch nog eenigen gekwetst.

Zooals reeds gezegd is , was men gedurende het gevecht buiten het bivouak geraakt; de reserve-munitie , alsmede de verbandkisten, waren aldaar achtergebleven. De toestand der gewonden vereischte hulp, en ook de munitie-voorraad begon te minderen. Drie onverschrokken mannen, de korporaal der infanterie G. de Koning, alg.

46

ocr page 53

XAA.ll SAMAl.ANdAN

stamboek n0 60347 , de fusilier den Broeder, alg. stamboek 11° 67390, en de hoornblazer P. Hoofs, alg. stamboek n0 62635, boden zich aan, een en ander in het verlaten bivouak te halen, dat zij, behoedzaam over den grond kruipende, wisten te bereiken.

Het tooneel van den verwoeden strijd, kort te voren gevoerd , was nu stil en blijkbaar verlaten.

De vaag-invallende ochtendschemering teekende onduidelijk de omtrekken van eene menigte lijken ; vriend en vijand lagen door elkaar, het kreunen der stervenden en het kermen der zwaargewonden waren huiveringwekkend. Telkens stootten onze drie mannen op ontzielde lichamen ; de grond was glibberig van het nog warme bloed. Op sommige plaatsen, vooral aan de noordoostzijde, lagen de lijken als opgestapeld, meestal van den vijand, een bewijs, dat hij zich aan dien kant duchtig het hoofd gestooten had.

In alle richtingen werd het bivouak doorkruist; na lang tasten en zoeken vonden zij eindelijk de vaatjes patronen.

Alles meê te nemen was hun niet mogelijk en slechts één vaatje patronen werd meegevoerd. Deze dapperen zijn, naar wij vernamen, voor hunne onverschrokkenheid eervol vermeld, en. begiftigd met de gouden kroon, welke onderscheiding voorzeker ten volle verdiend was.

Nauwelijks bjgon het in 't oosten te lichten, of bij i'engilit-Toening ontdekte men eene groote vijandelijke macht, die zich in de richting der onzen voortbewoog.

In de voorste rijen bevonden zich in het wit gekleede voorvechters, die, onder het uitvoeren van een fantastischen dans, met wilde gebaren den hunnen moed trachtten in te boezemen.

47

ocr page 54

DF, EERSTE EXPEDITIE

De commandant van het 8e bataljon verbood zijnen manschappen vóór het commando te vuren. Met den vinger aan den trekker van 't geweer, verbeidden de soldaten vol ongeduld dat commando, en nauwelijks was het bevel daartoe uitgesproken, of de geweren ontbrandden, en uit 's vijands gelederen klonk een ontzettenden kreet. Verschrikt en in wanorde deinsden de voorvechters terug, en met hen week de geheele bende.

Te vergeefs beproefden eenige hoofden hunne krijgers tot een aanval te bewegen ; deze vergenoegden zich den onzen scheldwoorden toe te roepen , waarna zij voor dien dag voor goed verdwenen.

Tegen zes uur kwamen twee veldstukken van het strand-bivouak; bij de verschijning der artillerie werd zij luide toegejuicht.

Nadat het volkomen licht was geworden, keerde de troep naar het verlaten bivouak terug, waar het vreeselijke schouwspel hun een duidelijk overzicht aanbood van de treurige nachtelijke gebeurtenis.

Eene onbeschrijflijke gewaarwording van droefheid en woede tevens maakte zich van de onzen meester bij het aanschouwen van dat bloedig plekje gronds, waarop hunne ontzielde of gruwelijk verminkte kameraden verspreid lagen.

Behalve een getal van : 80 gewonden soldaten en dwangarbeiders, telden de onzen 12 gesneuvelden. Van de meesten was de schedel gekloofd en het aangezicht nagenoeg onkenbaar; overigens getuigden de houding, waarin zij gevonden werden , van een dapperen tegenstand en eene hardnekkige worsteling.

O O

De vijand had gedurende den nacht tijd gehad zijne

48

ocr page 55

N AA 11 SAM A LAN GA X

gewonden en een groot aantal gesneuvelden mee te voeren ; evenwel lagen er nog 58 dooden in het bivouak; ook zijne verliezen waren dus aanzienlijk.

In den loop van den morgen had de begrafenis plaats.

Maakt zulk eene plechtigheid steeds indruk, op het oorlogsveld is ze bovendien aandoenlijk door den stillen eenvoud, den somberen ernst en het algemeene medegevoel, dat betoond wordt bij deze laatste eer aan eenen makker, eenen krijgsbroeder bewezen. En zoo ook daalden de eerste offers van de Samalangsche expeditie onder weemoedige deelneming der wapenbroeders in hunne groeven neder.

Den volgenden nacht bivouakeerde het 8e bataljon op eene vlakte, ongeveer 100 M. van de vorige bivouak-stelling. Op de noordelijke face werden eenige stukken geschut opgesteld, terwijl het carré werd bewaakt door het geheele eerste gelid, dat daarna door het 2e gelid werd afgelost; de helft der manschappen hield dus voortdurend wacht. De vijand liet ons dien nacht ongemoeid.

Den twaalfden Augustus trok het 8e bataljon, ingevolge last van den bevelhebber, naar het strand terug en vereenigde zich met het 2e bataljon.

De bivouakstelling der thans vereenigde bataljons werd versterkt door tusschen palen liggende boomstammen en gestrande sloepen , en verder door versperringen, voldoende stormvrij gemaakt Bij dag bezetten 1 of 2 compagnieën het voorgelegen bosch (oude bivouakstelling van het 8e bataljon) ten einde den vijand te observeeren, en te beletten, dat hij zich in den omtrek nestelde. Hoewel de troepen van dezen observatiepost zich steeds zoo goed mogelijk bedekt opstelden, zoo kwamen zij toch nimmer in 't bivouak II 4

49

ocr page 56

DE EERSTE EXPEDITIE

terug zonder dooden en gewonden; geen wonder, dat die post bij de soldaten onder den naam van „moordkuilquot; bekend werd.

De zeemacht was inmiddels onafgebroken bezig om zooveel mogelijk munitie, vivres en drinkwater aan wal te brengen, welke arbeid tengevolge der zware branding ongelooflijke inspanning vorderde. Later werden kabeltouwen van boord naar den wal gespannen, hieraan de ijzeren kruitkisten der marine gehangen en zoo naar wal geschoven.

Nadat in het strandbivouak eene vrij voldoende hoeveelheid levensmiddelen en munitie was opgestapeld, werd dagelijks gearbeid aan de voltooiing der verschansing, die in den vorm eener lunette, hare flanken nagenoeg tot in zee uitstrekte.

Voorts werden aan het strand putten gegraven van I M. diepte, ten einde in de behoefte aan water te voorzien. Het water, dat men verkreeg en, scheikundig onderzocht, onschadelijk bevonden werd, had evenwel eene onooglijke kleur en kon slechts gebruikt worden tot koken.

De gemeenschap met de schepen was nog steeds moeilijk: de zee bleef onstuimig; golf op golf rolde met woest geweld naar het strand, en zelfs met de grootste inspanning was het ternauwernood mogelijk de troepen van het noodzakelijkste te voorzien.

Aan het debarkeeren van het 3C bataljon, dat aan boord was gebleven, viel vooreerst niet te denken; er kon van een aanvallend optreden dus almede geen sprake zijn.

Op den i6den, toen de zee minder hol stond, werd

5°

ocr page 57

NA.Vil S.VMALANGAN

van deze gunstige omstandigheid gebruik gemaakt om een gedeelte van het 3e bataljon, alsmede het berggeschut, te ontschepen.

Den volgenden morgen debarkeerde de kolonel met zijn staf en de rest der troepen.

Intusschen hadden het 2quot; en 8e bataljon zich onledig gehouden met het maken van kleine verkenningen , waarbij het wel eens tot eene ernstige schermutseling kwam.

De dapperheid des vijands, bij die gelegenheden betoond, bewees, dat onze troepen eene kranige tegenpartij hadden te kampen.

Alvoren's vijands hoofdstelling, de „baleiquot; (de vorstelijke verblijfplaats), te bemachtigen, besloot de opperbevelhebber eerst eene verkenning naar het binnenland en langs de kust te maken.

Volgens ingekomen berichten moest ook eerst de stelling aan de Koeala Tcmboea genomen worden, wilde men tot de „baleiquot; doordringen.

De positie aan de Koeala Toemboea, die door een uitgestrekten, dichten boschrand aan 't oog onttrokken was, lag aan het uiteinde van eene groote sawah, welke het strandbivouak ten zuiden begrensde.

Zulk eene stelling alleen in het front aan te grijpen, ware eene roekeloosheid geweest, daarom besloot kolonel van der Heyden den aanval van twéé zijden tegelijk te beproeven.

De verkenningen namen op den 19quot; Augustus een aanvang.

Het zoude ons te ver voeren, de verschillende verken-aino-en, welke slechts tot voorbereidingquot; der meer beslis-

Si

ocr page 58

DE EERSTE EXPEDITIE

sende gebeurtenis moesten leiden, breedvoerig te behandelen; wij zullen daarom volstaan met de mededeeling, dat de Koeala Toemboea, zoowel langs het zeestrand als door het binnenland, te bereiken was, en dus een aanval van twee kanten zeer goed kon geschieden.

De opperbevelhebber, bekend om zijne stoutmoedige voortvarendheid, besloot niet langer te dralen, maar door een snel en krachtig optreden zich van die stelling meester te maken.

Reeds den volgenden morgen (20 Augustus) stonden de troepen gereed om tegen den vijand op te rukken. In 't kort zij gezegd, dat de positie aan de Koeala-Toemboea, zoowel aan den rechter- als linkeroever der Koeala sterk bezet was. Er werd besloten eerst de versterkingen aan den rechteroever te nemen, om vervolgens, bij laagwater, die aan den linkeroever te bemachtigen De eerste colonne, onder den luitenant-kolonel Docters van Leeuwen, bestaande uit drie compagnieën van het 3e bataljon en één van het 8e bataljon infanterie, had de opdracht den aanval langs het zeestrand te beproeven. In verband met deze opdracht kreeg de marine last met vier oorlogsschepen een overstelpend vuur op de Koeala Toemboea te openen, terwijl twee schepen voor de colonne langs de kust zouden stoomen, om den opmarsch langs het strand te ondersteunen.

De 2e colonne, onder majoor van Dompseler, sterk drie compagnieën van het 2e bataljon infanterie en eene sectie artillerie, ontving het bevel de beweging der ie colonne te ondersteunen en hare route te nemen langs den reeds bekenden weg door het binnenland.

52

ocr page 59

NAAK SAMALANGAN

Het was vijf uur in den morgen, toen beide colonnes zich op marsch begaven en om half zeven stonden zij voor de vijandelijke stelling. Men had op eene geduchte tegenweer gerekend, doch tot aller groote verwondering vond men de linie Koeala Toemboea geheel verlaten. De 2t: colonne had namelijk deze stelling aan de landzijde omgetrokken en daardoor 's vijands terugtochtslijn bedreigd.

De vijand , wellicht geen kans ziende zijne positie te behouden, gaf haar daarom prijs. Deze verlaten positie bestond grootendeels uit aneengeschakelde loopgraven met bomvrije ingravingen.

De opperbevelhebber, die het noodig oordeelde, de Koeala in zijne macht te hebben, besloot dit punt te behouden. Den luitenant W. E. van Ingen werd daarom opgedragen onder dekking van een peloton infanterie, het aan den rechteroever «•elesjene bosch te verkennen en eene

o o

bivouakplaats uit te zoeken. Van Ingen stiet spoedig op eene aarden versterking. Voorzichtig naderde men haar, maar geen enkele schildwacht werd gezien, zelfs geen lanspunt was op te merken. Bij nadere verkenning bleek zij ontruimd te zijn.

Het was eene stevige benting in den vorm van eene vierkante redoute, waarvan de borstwering 2 M. hoog en i M. breed was en deze voorzien van bamboe-kokers tot schietgaten.

De opperbevelhebber, hiermede in kennis gesteld, zond terstond een detachement mineurs om het veldwerk te slechten. Na aankomst van dezen troep zette van Ingen zijne verkenning verder voort. Langs den rechteroever van de Koeala gekomen, werd een voetpad aangetroffen,

53

ocr page 60

DE EERSTE EXPEDITIE

dat men insloeg, en in vele kronkelingen, tusschen boomen en allerlei struikgewas, naar eene vrij aanzienlijke woning leidde. Geheel eenzaam stond zij daar te midden van reusachtige waringins en verscheidene andere schaduwrijke boomen. Ook deze woning was verlaten. Dit huis, de „Roemah-Sentotquot; genaamd, behoorde aan den vorst van Samalangan en was daar ter plaatse opgericht voor de inning der belastingen.

Nabij het gebouw waren, aan weerskanten van het voetpad, diepe ingravingen gemaakt, die het pad geheel beheerschten. In de nabijheid werd eene geschikte bi-vouakplaats gevonden en door de colonne Docters van Leeuwen betrokken; een gedeelte dier colonne bezette de Koeala.

Ten einde de „ Roemah-Sentotquot; met Koeala Toemboea te verbinden werd een weg door het bosch gekapt en beide positiën zoo goed mogelijk versterkt. Van het strand-bivouak werden tevens met den meesten spoed levensmiddelen aangevoerd, alsmede bouwstoffen tot het oprichten van munitie en vivres-magazijnen, barakken voor de zieken, enz. De andere colonne, welke het terrein aan den linkeroever van de rivier verkend had, keerde naar het strandbivouak terug; gedurende haren terugmarsch werd zij door den vijand hevig beschoten. In het voorbijgaan zij gezegd, dat de colonne-commandant door den gids een brief aan een boom deed ophangen, in welken brief aan de bevolking werd bekend gemaakt, dat de kampongs, waaruit geen tegenstand werd geboden, gespaard zouden blijven. Kolonel van der Heyden besloot nu het hoofdkwartier, in verband met de verdere operatiën ,

54

ocr page 61

NAAI!. SAMALANOAN

naar de Koeala Toemboea te verplaatsen. Alle voorraad werd daarom naar de nieuwe operatie-basis getransporteerd. Dank zij den ijver en de voortvarendheid van den in luitenant der genie J IT. ten Hoet, verrezen weldra de noodige logies voor de troepen, en werd tevens met inspanning van alle kracht gearbeid om de nieuwe stelling in een behoorlijken staat van tegenweer te brengen.

Uit een voorzorg werd ook de Roemah Sentot door versperringen in een voortreffelijk weerbaren toestand gebracht.

In den nacht van 20 op 21 Augustus naderde een drom Atjehers in stilte deze nieuwe stelling. De waakzaamheid onzer schildwachten verijdelde echter elke poging tot een aanval, en eenige kartetsen deden hen uit elkaar stuiven , doch nu bepaalden zij zich er toe de onzen uit loopgraven en struiken den geheelen nacht onafgebroken te beschieten.

Bij het aanbreken van den dag verzamelde zich eene sterke bende in de nabijgelegen zoutpannen; ook deze werd door ons geschut- en geweervuur zoodanig overstelpt, dat zij in overhaaste vlucht de wijk nam naar het voorgelegen bosch, in welks rand de bende zich weer verzamelde.

De kapitein H. E. Schoggers ontving last den vijand daaruit te verdrijven, en de verschansingen, welke dien nacht in het bosch waren opgeworpen, te nemen en te vernielen. Een peloton infanterie, onder den 2n luitenant Henning, en een detachement mineurs, werden tot dat doel onder zijne bevelen gesteld.

Te 9 uren ging kapitein Schoggers op marsch. Na een half uur het bosch doorkruist te hebben, ontwaarde

55

ocr page 62

UK EF.RSÏF, KXPEDITII

de spits eene aarden borstwering. Er heerschte eene levendige drukte bij den vijand en overal zag men de Atjehers aan de loopgraven arbeiden.

Behoedzaam naderde men de borstwering; reeds was de troep haar tot op een paar honderd schreden genaderd , toen de spits ontdekt werd.

Zonder zich lang te bedenken liet Schoggers den stormaanval blazen. Op dit signaal, dat steeds op onze dapperen eene electrieke uitwerking heeft, vielen onze soldaten den vijand onverschrokken te lijf. De Atjehers wachten den aanval vastberaden af en hielden moedig stand, maar de onzen grepen hen met de bajonet zoo onstuimig aan, dat de overblufte vijand verplicht was zijne verschansing te ontruimen. Kapitein Schoggers, die aan het hoofd van zijn handvol soldaten stormde , was de eerste in de vijandelijke benting; op hem volgde de luitenant Menning. Bijzonder onderscheidde zich de fuselier Schuller. Terwijl zijne kameraden met den vijand in een woedenden strijd gewikkeld waren, bespeurde Schuller, dat een gedeelte der bezetting door eene opening trachtte te ontkomen. Oogenblikkelijk ijlt hij derwaarts en plaats zich geheel alleen met geveld geweer voor die opening. Verwoed vielen een zestal Atjehers hem met den klewang aan. In weerwil van de overmacht week Schuller geen pas. Met de grootste behendigheid wist hij hunne slagen te pareeren en zijne stooten zoodanig toe te brengen, dat zij telkens een vijand doodden of verwondden.

Drie Atjehers werden door hem gedood en een vierde piet de vuist aangegrepen en gevangen gemaakt.

In dit gevecht leed de vijand een aanmerkelijk verlies:

56

ocr page 63

NAAI! SAMALANGAX

23 dooden liet hij in de versterking achter. Groot was de voorraad munitie en wapens, welke buit werd gemaakt. Nadat de mineurs de versterking geslecht en de hutten verbrand hadden, keerde het troepje naar het bivouak terug.

Den 2in Augustus werd onze stelling uit eene versterking aan de zoutpannen beschoten, maar onze vuurmonden bleven den vijand het antwoord niet schuldig en dwongen hem weldra de versterking te verlaten. De Atjehers lieten zich echter niet ontmoedigen en betwistten ons op bloedige wijze het terrein.

Den 22quot; Augustus werd onze stelling andermaal hevig aangevallen , doch telkens werden de aanvallers met kracht teruggeslagen. In weerwil van ons vernielend geschut- en geweervuur streden zij met eene hardnekkigheid, die bewondering afdwingt. Daar de vijand zich hoofdzakelijk in loograven en kuilen genesteld had, werd eene compagnie, onder kapitein Juda, uitgezonden om hem daaruit te verjagen, tevens om eenige kleine veldwerk en te nemen en te vernielen. Met veel beleid en dapperheid bracht kapitein Juda zijne opdracht ten einde.

Nadat de nieuwe operatie-basis van alles ruimschoots voorzien was, achtte kolonel van der Heyden het oogenblik gekomen om den vorst van Samalangan In diens schuilplaats aan te tasten.

Met was een hachelijk waagstuk, want 's vijands hoofdstelling was zeer sterk en telde duizende strijders; maar ondanks de overmacht der Atjehers, twijfelde de onversaagde bevelhebbber geen oogenblik aan den gelukkigen uitslag.

57

ocr page 64

ÜF. EEKSTK P.XL'KDITIF.

Men beschuldige dien genialen veldheer niet van lichtzinnige overschatting zijner strijdkrachten, want met zulke uitgelezen stafofficieren, bekwame kapiteins en dappere, goed geoefende soldaten, als hij ter zijner beschikking had, behoeft geen legeraanvoerder te schroomen aanvallend op te treden.

Den 26quot; Augustus bestemde kolonel van der Heyden ter uitvoering van zijne roemrijke onderneming.

Volgens bericht der spionnen was de „baleiquot; door sterke kampongs omgeven.

Om nu van de Koeala Toemboea tot 's vorsten verblijfplaats door te dringen, moesten eerst de kampongs Temboea en Temoelit genomen worden , waarom het aanvalsplan als volgt werd vastgesteld:

Eene colonne, onder majoor van Dompseler, sterk drie compagnieën van het 2C en twee compagnieën van het Se bataljon infanterie, 2 sectiën bergartillerie, ééne sectie genie-troepen en ambulance ontving de opdracht om door kampong Pengilit in zuidwestelijke richting naar kampong Temboea op te rukken en na verovering daarvan in westelijke richting naar de „baleiquot; door te dringen.

Eene andere colonne, onder den luitenant-kolonel Docters van Leeuwen, sterk twee compagnieën van het 3e bataljon infanterie, benevens ééne sectie bergartillerie en ambulance, moest kampong Temboea in 't front aanvallen en de ie colonne naar omstandigheden ondersteunen. De marine zoude den opmarsch der troepen steunen door de in zuidwestelijke richting gelegen kampongs met granaten te beschieten.

Omstreeks vier uur in den morgen van den 27quot; Augustus

ocr page 65

NAAR SAM.U.ANGAN

zette zich de colonne van Dompseler in beweging. De opperbevelhebber en de kapitein A. Prins, van den generalen staf, alsmede de majoor Palmer , van het Britsch-Indische leger, bevonden zich bij deze colonne.

De maan, die ongewoon helder scheen, begunstigde den opmarsch, welke in de grootste stilte geschiedde.

Den open gekapten weg volgende, bereikte de colonne de groote vlakte ten zuiden van Pengilit, zonder door den vijand opgemerkt te zijn. Op de vlakte werd een carré geformeerd met het geschut op de flanken, in welke formatie de colonne zuidwestelijk marcheerde.

Opmerkelijk was het, dat men tot nog toe niets van den vijand bespeurd had. Maar nauwelijks viel de schemering in, of aan de linkerflank werden verschillende kleine troepjes waargenomen, die zich met groote snelheid uit de kampong Temboea in oostelijke richting voortbewogen en achter struiken en terreingolvingen verdwenen.

Aanvankelijk meende men vluchtelingen te zien, doch spoedig bleek het, dat deze lieden, door onze komst verrast, in allerijl naar hunne loopgraven en tirailleur-putten snelden. De schoten uit hunne donderbussen lokten weldra eene menigte Atjehers op de vlakte, en het stout opdringen dezer lieden noodzaakte de colonne meermalen „ haltquot; te houden, ten einde hen door granaatkartetsen op eerbiedigen afstand te houden.

Aan het gevecht des vijands, dat zonder eenige orde geschiedde, was het te bespeuren, dat hij ons van deze zijde niet verwachtte.

Daar hij ons aan de linkerflank bleef verontrusten,

59

ocr page 66

I)F, EERSTE EXPEDITIE

werd kapitein J. L. Hamel aangewezen om met ééne compagnie de colonne aan die zijde te dekken, en den vijand zoo noodig met de bajonet aan te grijpen.

De Atjehers begrepen ten laatste ons plan en sloegen de beweging onzer troepen met zorg gade.

Verder in de zuidwestelijke richting doormarcheerende, kwam de colonne langs den noordelijken kampongrand en veranderde vervolgens van directie, om op eene hoogvlakte welke nabij den westelijken rand dier kampong gelegen was, stelling te nemen. Het was toen zes uur in den morgen. Van de hoogvlakte was het westelijk gelegen terrein geheel te overzien.

Men onderscheidde tal van vijandelijke werkjes, die onbezet waren. De vijand toch, de ligging onzer operatiebasis in aanmerking nemende, verwachte, dat wij onze route zouden maken over de vlakte ten noordoosten van kampong Temboea, en had daarom zijne werkjes naar die zijde gericht en aan den westkant opengelaten.

Door de colonne van Dompseler aan de westzijde, dus in den rug bedreigd , nam de vijand naar Temboea de wijk.

Weldra ontdekte men ook de colonne Docters van Leeuwen, die ten vijf ure van de Roemah-Sentot vertrokken was, en op 500 passen ten noorden van kampong Temboea in een boschrand, nabij het z. g. heilige graf van Tengkoe-di-Temboea gedekt was opgesteld.

Kolonel van der Heyden zond nu een zijner adjudanten, den luitenant Collard, naar den overste Docters van Leeuwen om het bevel over te brengen, terstond tot den frontaanval overtegaan.

Onmiddelijk liet deze het geschut bulderen en de

6o

ocr page 67

NAAK SAMALANOAN

infanterie sprongsgewijze voorwaarts gaan. Het uitdagende „mari, mariquot; (komt hier) der Atjehers deed onze soldaten hunkeren naar het teeken tot den stormaanval, en nauwelijks was dit dan ook gegeven, of als getergde leeuwen vielen zij de Atjehers vol woede aan.

De compagnie van kapitein Juda stormde aan 't hoofd.

Na den vijand van de bamboe-doerie versperring verdreven te hebben, stootte men op een aarden veldwerk. Het vuur , dat hieruit gegeven werd , was hevig , doch kon de dappere compagnie niet tot staan brengen. In weinige oogenblikken was de borstwering beklommen; de verdedigers werden grootendeels gedood of sloegen op de vlucht.

Eveneens werden op andere punten de verdedigingswerken na een scherp gevecht vermeesterd.

De vijand verliet zijne stelling en vluchtte in westelijke richting, alwaar hij eene 2= linie aangelegd had, bestaande uit verschillende kleine versterkingen, welke onderling door loopgraven verbonden waren. Kapitein H. E. Schoggers stelde zich nu aan de spits zijner compagnie om den vijand ook daaruit te verdrijven.

Onder een stortvloed van kogels liepen de manschappen storm op de versperde toegangen, wrongen zich door de zware paggers en stonden weldra op de borstwering der voorste verschansing. Na een kort, doch bloedig gevecht, moesten de Atjehers wijken voor den onover-winnelijken moed dezer braven.

Achtereenvolgens vielen de veldwerken in onze handen. De overwinning was nagenoeg door de bajonet beslist. Met een aanzienlijk verlies retireerde de vijand in allerijl naar de ten westen gelegen kampongs.

6l

ocr page 68

l)K EERSTi; EXPEDITIE

werd kapitein J. L. Hamel aangewezen om met ééne compagnie de colonne aan die zijde te dekken, en den vijand zoo noodig met de bajonet aan te grijpen.

De Atjehers begrepen ten laatste ons plan en sloegen de beweging onzer troepen met zorg gade.

Verder in de zuidwestelijke richting doormarcheerende, kwam de colonne langs den noordelijken kampongrand en veranderde vervolgens van directie, om op eene hoogvlakte welke nabij den westelijken rand dier kampong gelegen was, stelling te nemen. Het was toen zes uur in den morgen. Van de hoogvlakte was het westelijk gelegen terrein geheel te overzien.

Men onderscheidde tal van vijandelijke werkjes, die onbezet waren. De vijand toch, de ligging onzer operatiebasis in aanmerking nemende, verwachte, dat wij onze route zouden maken over de vlakte ten noordoosten van kampong Temboea, en had daarom zijne werkjes naar die zijde gericht en aan den westkant opengelaten.

Door de colonne van Dompseler aan de westzijde, dus in den rug bedreigd , nam de vijand naar Temboea de wijk.

Weldra ontdekte men ook de colonne Docters van Leeuwen, die ten vijf ure van de Roemah-Sentot vertrokken was, en op 500 passen ten noorden van kampong Temboea in een boschrand, nabij het z. g. heilige graf van Tengkoe-di-Temboea gedekt was opgesteld.

Kolonel van der Heyden zond nu een zijner adjudanten, den luitenant Collard, naar den overste Docters van Leeuwen om het bevel over te brengen, terstond tot den frontaanval overtegaan.

Onmiddelijk liet deze het geschut bulderen en de

6o

ocr page 69

NAAR SAMALAXGAX

infanterie sprongsgewijze voorwaarts gaan. Het uitdagende „mari, mariquot; (komt hier) der Atjehers deed onze soldaten hunkeren naar het teeken tot den stormaanval, en nauwelijks was dit dan ook gegeven, of als getergde leeuwen vielen zij de Atjehers vol woede aan.

De compagnie van kapitein Juda stormde aan 't hoofd.

Na den vijand van de bamboe-doerie versperring verdreven te hebben, stootte men op een aarden veldwerk. Het vuur , dat hieruit gegeven werd , was hevig , doch kon de dappere compagnie niet tot staan brengen. In weinige oogenblikken was de borstwering beklommen; de verdedigers werden grootendeels gedood of sloegen op de vlucht.

Eveneens werden op andere punten de verdedigingswerken na een scherp gevecht vermeesterd.

De vijand verliet zijne stelling en vluchtte in westelijke richting, alwaar hij eene 2e linie aangelegd had, bestaande uit verschillende kleine versterkingen, welke onderling door loopgraven verbonden waren. Kapitein H. E. Schoggers stelde zich nu aan de spits zijner compagnie om den vijand ook daaruit te verdrijven.

Oü der een stortvloed van kogels liepen de manschappen storm op de versperde toegangen, wrongen zich door de zware paggers en stonden weldra op de borstwering der voorste verschansing. Na een kort, doch bloedig gevecht, moesten de Atjehers wijken voor den onover-winnelijken moed dezer braven.

Achtereenvolgens vielen de veldwerken in onze handen. De overwinning was nagenoeg door de bajonet beslist. Met een aanzienlijk verlies retireerde de vijand in allerijl naar de ten westen gelegen kampongs.

6l

ocr page 70

UK F.EKSTK KXI'F.UITIK

Een hunner voornaamste krijgsoversten had in dit gevecht den dood gevonden. Ofschoon de vijand vele gesneuvelde meevoerde, werden er nog 25 lijken gevonden. Na de vermeestering der 2t-■ linie was de kampong Temboea in onze macht; de zege kostte ons twaalf gewonden, onder welke de luitenants A. J. van Amstel en P J. C. van Mourik.

Onderwijl de colonne üocters van Leeuwen den vijand in het front aangreep, was de i0 colonne naar het zuidoostelijke punt van den kampongrand gemarcheerd om den vijand in den rug te nemen. De Atjehers neutraliseerden echter min of meer deze manoeuvre, door, zooals wij reeds zagen, in tijds uit de 2e linie te vluchten.

Het was zeven uur 's morgens, toen beide colonnes zich in den zuidoostelijken hoek van den kampongrand vereenigden. Na de vereeniging trok de colonne Docters van Leeuwen, den zuidelijken kampongrand volgende, in westelijke richting naar kampong Manei, welke eveneens moest genomen worden om het doel te bereiken. Terwijl deze colonne zich in beweging stelde, maakte de luitenantadjudant R, L. Kellermann, die tot de andere colonne behoorde, eene verkenning naar het zuidoostelijke gedeelte van de veroverde kampong, dat met een rechten hoek zuidwaarts afbuigt. Nauwelijks had hij dit bereikt, of hij ontdekte, op een plateau staande, een drom Atjehers, naar schatting 400 man, die uit een nabij gelegen bosch-rand deboucheerde en vervolgens de sawah overstak, blijkbaar met het voornemen om den colonne Docters van Leeuwen in de linkerflank aan te vallen. Terstond keerde Kellermann met een peloton infanterie terug en onthaalde de bende op eenige welgerichte salvo's.

62

ocr page 71

NA All SAMALANGAN

De luitenant der artillerie J. L. Granpré Molière, inmiddels door Kellerman gewaarschuwd, liet op 't plateau twéé stukken in batterij brengen. De bende op zulk eene ontvangst niet bedacht, sloeg eene andere richting in, doch kwam daardoor in het front der colonne Docters van Leeuwen, wier voortroep terstond het vuur opende en velen der verraste Atjehers in !t zand dêed bijten. Toen de voorste colonne uit de kampong Temboea op de vlakte gedeboucheercl was en ongeveer 300 M. in de bevolen richting gemarcheerd had, stelde zich ook de colonne van Dompseler in beweging. Beide colonnes marcheerden in evenwijdige strekking naar den oostelijken rand van kampong Manei.

Het gedeelte der sawah, hetwelk de colonne van Dompseler volgen moest, was echter zeer modderig en maakte den marsch moeielijk, vooral voor het geschut, zóó zelfs, dat de schietgestellen van de bergartillerie uit elkaar moesten genomen worden. Nog was men hiermede bezig, toen de gids berichtte, dat meer noordelijk een beter pad bestond, hetwelk rechtstreeks naar de balei voerde. De streek was den onzen volkomen onbekend, dus moest men zich 'geheel op den gids verlaten; er bestond echter geen reden diens mededeeling in twijfel te trekken, zoodat kolonel van der Heyden aan majoor van Dompseler bevel gaf met de colonne „rechtsomkeertquot; te maken.

In verband hiermede werd den kapitein van den staf Prins opgedragen, de colonne Docters van Leeuwen de order over te brengen om hare marschrichting te wijzigen en meer westwaarts aan te houden.

63

ocr page 72

UK KEUSÏK KXl'K DITIE

Werkelijk vond de ie colonne aan den oostelijken rand van den kampong Temboea een begaanbaar voetpad. Dit pad was aan weerszijden door een zwaar begroeid terrein begrensd; nadat men het ongeveer 500 passen in westelijke richting gevolgd had, bereikte men eene lagune, waarover een smalle, doch stevige bamboezen brug geslagen was.

De voortroep, onder luitenant F. W. Broker, van de compagnie Bode, werd vooruitgezonden om aan den anderen oever der lagune stelling te nemen, maar nauwelijks was het peleton Broker over de brug, of honderden geweren knalden uit een voorgelegen bam-boedoerie-rand

Broker liet onmiddelijk zijn peleton de knielende houding aannemen, waarna de manschappen het vuur openden.

Kolonel van der Heyden, die zich aan het hoofd der colonne bevond; gaf den luitenant der artillerie Granpré Molière last met zijn geschut in batterij te komen, en den boschrand met puntgranaten te beschieten.

Eenige passen achter het peleton Broker staande, volgde de bevelhebber met gespannen aandacht de uitwerking van het geschutvuur, toen hij op eenmaal de hand naar het voorhoofd bracht. Majoor van Dompseler, die inmiddels met den hoofdtroep aan de overzijde der lagune gekomen was, bemerkte deze beweging , waarop hij zich met zijn adjudant, den luitenant Keilerman , naar den opperbevelhebber spoedde. Naderbij gekomen zagen beide officieren, dat hij hevig bloedde. Een vijandelijke kogel had den kolonel in 't linkeroog getroffen.

64

ocr page 73

NAAR SAMALANGAN

Met bewonderenswaardige zelfbeheersching wist de energieke troepenaanvoerder zijne lichamelijke smart te onderdrukken.

Na door den majoor van Dompseler en diens adjudant naar den kampongrand te zijn gebracht, waar hij aan de zorgen van den officier van gezondheid Fischer werd toevertrouwd, waren des kolonels eerste woorden:

„Ik dank u, mijne heeren, maar gaat nu terstond naar uwe plaats.quot;

Majoor van Dompseler, vreezende, dat de verwonding van den opperbevelhebber een nadeeligen invloed op den troep mocht uitoefenen, gelastte den luitenantadjudant Kellermann de voorhoede te doen „avanceeren.quot; Daar het geraas van het geweervuur het commando zoude kunnen overstemmen, begaf Kellermann zich naar het peloton Broker, trok zijn sabel en stelde zich aan de spits dezer afdeeling, om haar den weg te wijzen. Broker en zijne manschappen begrepen het teeken. Met ongelooflijke onverschrokkenheid marcheerde de troep in versnelden pas, onder een moorddadig front- en flankvuur, over de ruim 320 M. breede en drassige vlakte. Eerst voor den bamboedoerirand , welke eene versperring bleek te zijn van de vijandelijke versterking Blang-Temoelit, werd halt gehouden. Inmiddels waren nog twéé compagnieën infanterie onder de kapiteins Bode en Bowles het voorste peloton gevolgd.

De versperring was ondoordringbaar. Doch zonder zich om het hevig vuur des onzichtbaren vijands te bekommeren, die zijne schoten „ a bout portantquot; loste, stond de dappere Broker op, wendde zich tot den luitenant-adjudant 11 S

65

ocr page 74

UE EERSTE EXPEDITIE

Kellermann, salueerde met de sabel en vroeg vergunning, eene omtrekkende beweging te mogen maken. Hij vroeg dit, in de hoop ergens eene opening aan te treffen. Met de grootste koelbloedigheid liep hij, gevolgd door eenige Afrikaansche soldaten, rakelings langs de versperring; maar nog geen 30 schreden verder trof een vijandelijke kogel dezen braven, veelbelovenden officier in het hart.

Kellermann hield twee soldaten bij zich om een gat in den pagger te doen kappen: beide soldaten sneuvelden, terwijl Kellermann, bij zijne poging om door de zware chicane heen te dringen, door een schot in den rechterpols gewond werd. Met moedig voorbeeld van dezen officier had echter de soldaten in geestdrift doen ontvlammen. Met ongemeene dapperheid beproefde nu de compagnie van kapitein Bode den stormloop te wagen, maar de versperring weerstond de krachtigste pogingen.

Toch gaf men den moed niet op, maar trachtte door, eene omtrekkende beweging te maken, den aanval op een ander punt te hervatten.

Eindelijk waren al de troepen op de vlakte gekomen. De luitenant-kolonel-Meyer, die, na de verwonding van den opperbevelhebber, het commando op zich genomen had. begaf zich naar voren om 's vijands positie nauwkeurig te verkennen.

Het bleek hem zeer spoedig, dat deze niet gemakkelijk te bestormen was. Ten einde de troepen tegen het moorddadig flankvuur te beveiligen, besloot de overste Meyer, om het vuur uit de omliggende boschjes, waar de vijand zich in de loopgraven en achter verhakkingen genesteld had, door ons geschut tot zwijgen te brengen. De artillerie

66

ocr page 75

NAAR SAMALANGAN

kweet zich flink van hare taak. Ofschoon reeds vele bedienings-manschappen gesneuveld waren en ook de commandant, de luitenant Grampré Molière, buiten gevecht gesteld was, bleef zij standvastig in hare stelling, en bedienden onze dappere kanonniers hunne stukken met eene kalmte en eene zekerheid, die allen lof verdienen.

De Atjehers bleven ons het vuur niet schuldig; vooral de versterking Temoelit deed een verpletterend vuur op de onzen neerkomen en 'svijands bentinggeleek een krater, die onophoudelijk vuur en vlam braakte. Boven de wolken van kruitdamp, waarin Temoelit gehuld was, golfde trotsch 'svijands roode vlag en spotte met de Hollandsche dapperheid.

De strijd werd hoe langer hoe heviger; 's vijands moordend lood veroorzaakte groote verliezen; het bloed vloeide bij stroomen; maar geen afdeeüng, welke aan terugtrekken dacht, geen soldaat, die van wijken wist. Na bovenmenschelijke inspanning gelukte het een peloton van de compagnie van de Pol door eene opening van den pagger nabij den noordoostelijken saillant door te dringen. Zonder aarzelen beklommen de stoutmoedige soldaten met hun pelotonscommandant, den luitenant Kalis, aan het hoofd, de loodrechte borstwering, doch nauwelijks waren ze boven gekomen, of zij werden voor een groot deel door 's vijands kogels getroffen en ter aarde geworpen, zoodat Kalis verplicht was de borstwering te verlaten. Kapitein van de Pol verdeelde nu zijne manschappen langs de noorder-face, met last aan hen, op eiken Atjeher te schieten, die het waagde zich boven de borstwering te vertoonen. Niettegenstaande ons geschutvuur de om-

67

ocr page 76

DE EERSTE EXPEDITIE

liggende boschbranden geducht teisterde, bleef de vijand daarin hardnekkig stand houden. Vooral uit de loopgraven en kleine werkjes in noordwestelijke richting werden de onzen het hevigst bestookt, waaruit de chef van den staf afleidde, dat de uitgang der versterking zich aan die zijde moest bevinden. Den luitenant Ponstij n werd daarom opgedragen met 30 man eene omtrekkende beweging naar die zijde te maken, tot de wester-face door te dringen en aldaar stand te houden. Kruipende en bukkende , trok Ponstijn met zijne sectie naar de bamboedoeri-versperring, maar de vijand , zijn toeleg begrijpende, richtte een levendig en welonderhouden vuur op dat troepje, zoodat Ponstijn weldra vele gewonden bekwam en onverrichter zake moest terugkeeren. Terwijl de compagnie van de Pol den vijand aan de noorder-face bezig hield, trachtten de luitenants Collard, Winckel en Richelle met 40 Europeanen en Afrikanen de ooster-face te beklimmen; doch het groot aantal verdedigers weerstond den kiach-tigsten aanloop; elke aanval werd met nadruk afgeweerd. Eveneens misluke een storm-aanval der le compagnie van het 2C bataljon. Majoor van Dompseler, die de attaque meê maakte en de zijnen moedig voorging, bekwam bij die gelegenheid een schot door beide wangen en een kogel door het rechter scheenbeen.

Door luitenant Richelle en den Europeeschen fuselier Schenk werd hij naar de ambulance gebracht. Voet voor voet moesten zij met den gewonde de 320 M. breede vlakte doorloopen, om de ambulance te bereiken; honderden kogels werden hun nagezonden. Richelle bekwam een kogel door de mouw, Schenk werd de ke'pi van

68

ocr page 77

NA A11 SAMALANOAX

het hoofd geschoten. Onze wakkere fuselier was in hooge mate verontwaardigd, omdat men zijn hoofddeksel beschadigd had, en zich met gebalde vuist omkeerende, riep hij: „wacht maar, canaille, ik kom straks terug.quot; Schenk hield woord en werd voor zijn moedig gedrag beloond met de Militaire Willemsorde.

De toestand onzer troepen, die hoofdzakelijk langs den berm der noorder- en ooster-face waren opgesteld, werd hoe langer hoe hachelijker. Van weerszijden streed men met ongemee ie hardnekkigheid, met evenveel standvastigheid en met gelijken roem. In de vijandelijke benting hoorde men onder het gebulder van het geschut en het geknetter der geweren het eentonig gezang van een Mo-hammedaansch gebed met het bekende refrein: „ Allah-il-allah.quot; Dit gebed uit den Koran was zeker dat der stervenden, om de verdedigers te herinneren aan het schoone paradijs van Mohammed, zoo zij hun leven in den strijd tegen de ongeloovigen ten offer brengen.

Zij begrepen, de Atjehers, dat de moed der onzen met een gunstig gevolg moest bekroond worden; en terecht, want onze soldaten, aangevuurd door de herinnering aan zoovele roemrijke veldtochten, aangemoedigd door het goede voorbeeld der dappere officieren en verlangend zich te wreken over de nachtelijke overrompeling, weken geen handbreed en besloten liever te sterven dan den moed op te geven.

In dit uiterste oogenblik gaf kapitein van de Pol nogmaals bevel om te stormen. Een opwekkende oorlogskreet der onzen beantwoordde dat bevel. Onheilspellend klonk hun hoera door de lucht en onder het geschetter

69

ocr page 78

DE EERSTE EXPEDITIE

der hoornsignalen beklommen zij met hunne gewone stoutmoedigheid de geduchte vijandelijke wallen.

Als een muur wachtten de Atjehers den aanval af en trachtten door hun vuur den woesten aanloop der Neder-landsche troepen tegen te houden. Maar de manschappen, voorgegaan door den kapitein van de Pol, de luitenants Kalis, Winckel, Richelle, Collard en Kuilman, wierpen zich met zooveel geweld op den vijand, dat hij wankelde. De een trachtte den anderen vóór te komen om het eerst in de benting te zijn; 't was een wedstrijd van dapperheden. Want ook de vijand vocht met wanhopigen moed: geen genade werd gevraagd, geen genade verleend.

In deze woedende worsteling poogden de Atjehers onze soldaten bij herhaling van de borstwering te dringen, maar telken reize werden zij door hunne bajonetten teruggeworpen.

Ten slotte moesten de Atjehers wijken voor de onoverwinnelijke dapperheid onzer troepen. De vijandelijke banier werd van de borstwering gerukt en onze oorlogsvaan in hare plaats op de wallen geplant.

Door eene opening in de zuider-face vluchtte de vijand in oostelijke richting door den kampong Temboea. Ook de Atjehers uit de nabij gelegen stellingen, de zoo sterke en bijna onneembare versterking in onze macht ziende, volgden de beweging hunner makkers en zochten een goed heenkomen.

In kampong Temboea was, sedert het begin van het gevecht, de ambulance opgesteld en wel op het pad, dat door de colonne gevolgd was bij haren opmarsch naar de vijandelijke versterking. De dekking, aanvankelijk

70

ocr page 79

NAAK SAMALAXGAN

eene compagnie sterk, was telkens bij gedeelten naar het gevecht gezonden , zoodat ten slotte slechts enkele genie-soldaten, een paar officiers-bedienden en eenige dwangarbeiders overbleven om de 40 a 50 geblesseerden te bewaken.

Nog onbekend met de verovering van Blang-Temoelit, zag men bij de ambulance den vluchtenden vijand voor eene bende aan, die op haar een aanval wilde doen.

De luitenants Albrecht en Kellermann (die inmiddels verbonden was), alsmede de controleur van Heuckelom, haastten zich alle weerbare mannen met de geweren der gewonden te wapenen. Men kan zich voorstellen, dat de dwangarbeiders, die alles behalve voortreffelijke schutters zijn, den vijand met eene zeer slechte losbranding begroetten.

De Atjehers door dit geweervuur tot staan gebracht, deinsden echter verschrikt terug; doch zich niet vervolgd ziende, (want onze troepen waren door de buitengewone inspanning daartoe niet in staat), herstelden zij zich spoedig e n beantwoordden het vuur van de ambulance met nadruk.

Het vuur des vijands nam langzamerhand zoo in hevigheid toe en kreeg zelfs zulk een dreigend aanzien, dat de opperbevelhebber zijn adjudant, den luitenant Fooi, naar den chef van den staf zond, om dezen van den toestand kennis te geven.

Pool kwam terug met het bericht, dat de kolonel en de ambulance op de vlakte kon komen, waarop de ambulance den kampong verliet.

Het viel den zwaar gewonden opperbevelhebber moeilijk op het drassig terrein te marcheeren. Luitenant Kellermann verzocht hem daarom liever te paard te stijgen,

71

ocr page 80

DE KEIISTI. EXPEDITIE

en, gesteund door dezen officier en den controleur van Heuckelom, reed nu den kolonel van der I leyden aan't hoofd der ambulance naar Temoelit. Luitenant Ponst ij n en de manschappen van zijn peleton, welke buiten de versterking stonden, waren de eersten, die den kolonel zagen en hem met een donderend ,,hoeraquot; begroetten. Op dit gejuich begaf de luitenant-kolonel Meyer zich naar voren en ging den opperbevelhebber tegemoet; toen , den helmhoed afnemend , zeide hij; „kolonel, Blang Temoelit is ons.quot;

Dit gedenkwaardig oogenblik heeft de schilder Garnier op doek vereeuwigd.

Hoe juichte het Indische leger, toen, als bij hooge uitzondering, eene episode uit zijne schitterendste krijgsbedrijven te Atjeh op doek vereeuwigd werd. Het aanvaardde deze hulde als eene waardeering zijner daden. Eenmaal, hoopte het, zou het schilderstuk een waardige tegenhanger geacht worden voor de schilderij van Djagaraga (Bali 1849) ter Koninklijke Militaire Academie, als eene blijvende herinnering voor toekomstige krijgsmakkers. Helaas, ons weinig enthusiastisch volk heeft aan dat schilderstuk, dat behalve Djagaraga het eenige is, dat van onze Nederlansch-Indische krijgsbedrijven spreekt, geen nationale waarde gehecht! Zoo is het doek eigendom geworden van een Italiaan, die er mede rondreist en het vertoont, niet in de hoedanigheid van een bij uitstek waardig gedenkstuk der eerste Samalangsche expeditie, doch als een bezienswaardig schilderstuk, waarvan het onderwerp van cosmopolitischen aard is.

Nu Neerland's krijgsbanier van Temoelit's wallen wapperde , waren de Samalangers ontmoedigd; geen enkele

72

ocr page 81

NAAR SAMALANGAX

poging werd door hen beproefd om de veroverde versterking te hernemen, zelfs geen schot meer op de onzen gelost. Terwijl onze troepen Blang-Toemoelit bezetten , vluchtte de geheele vijandelijke legermacht naar de „baleiquot;. Het verlies van zijne voornaamste stelling scheen den vijand van allen tegenstand te hebben doen afzien, want toen een gedeelte der colonne van Domp-seler den volgenden morgen, naar de ,.,baleiquot; oprukte en zich in kampong Roem vereenigde met de 2e collonne, die genoemden kampong gedurende het gevecht bij Temoelit bezet had gehouden , rapporteerde de luitenantkolonel Docters van Leeuwen aan den chef van den staf, dat, namens den vorst van Samalangan, eenige zendelingen zich bij hem hadden aangemeld, met verzoek om te onderhandelen en den zegevierenden opmarsch onzer troepen te doen staken. Als gemachtigde van den vorst meldde zich diens schoonzoon Tenkoe Maharadja Moeda.

Wetende, dat de nabijgelegen kampong Tangsoer aan de Samalanganrivier de rijkste marktplaats was en de rechten aldaar geheven werden, eischte de chef van den staf, dat de onderhandelingen aldaar zouden geopend worden. Het oogmerk van den overste Meyer was, deze plaats te bezetten, waardoor de geheele streek het best zoude beheerscht worden.

Wij zullen den loop der onderhandelingen niet volgen, en slechts vermelden, dat de vorst zich aan onze heerschappij onderwierp.

In tegenwoordigheid zijner rijksgrooten werd hem de Nederlandsche vlag uitgereikt, welke daarna op plechtige wijze geheschen werd en hoogwapperend der talrijke

73

ocr page 82

DE EERSTE EXPEDITIE NAAR, SAMALANGAN

schare verkondigden, dat Toekoe Thilik onzen geeërbie-digden Koning als heer en gebieder erkende.

Keerden onze troepen als overwinnaars terug uit den strijd tegen het zoo krijgshaftige Samalangan, menig braaf kameraad heeft die overwinning niet zijn bloed, met zijn leven gekocht. Eeren wij de nagedachtenis der gestorven helden en brengen wij hulde aan de deelge-nooten van dien roemvollen krijgstocht.

74

ocr page 83

DE TWEEDE EXPEDITIE NAAR SAMALANGAN 1880

AANLEIDING

Op den I3n Augustus 1877 heesch de vorst van Sama-langan de Nederlandsche vlag en teekende de akte van onderwerping, waartoe hij, na een hardnekkigen strijd, gedwongen was.

Ten einde te waken voor de behoorlijke nakoming dier akte, werd te Samalangan eene versterking opgericht en eene Nederlandsche bezetting achtergelaten. Ofschoon de bevolking zeer verbitterd was, hield zij zich rustig; maar de verraderlijke aanval op eene colonne in 1880 heeft bewezen, dat deze rust slechts geveinsd was.

Deze bezetting, sterk 1 officier en 65 man, onder bevel van den 2quot; luitenant Berghuis van Woortman, rukte, op den morgen van 30 Juni 1880, uit onze versterking Samalangan, ten einde eene militaire wandeling te maken. Tot dusverre waren die militaire marschen steeds gemaakt naar het landschap Djang Kaboeja , dat ongeveer één uur gaans van onze benting gelegen is. Daar men bij marschen

ocr page 84

UF, TWEEDE EXPEDITIE

in die richting steeds twee riviertjes moest overtrekken, die bij hoog water den tocht zeer moeilijk maakten — zoo zelfs, dat eens een fuselier zijn geweer verloor, toen hij zwemmende den overkant trachtte te bereiken — ontving die officier van zijn commandant, den kapitein Ebell, de order, de zuidelijke richting te volgen , aangezien daar geen rivieren of lagunes over te gaan waren en de sawah's (rijstvelden) droog stonden.

Luitenant Berghuis was eerst kort op dezen post en nog niet bekend met het terrein in den omtrek, waarom hem door den commandant de route werd aangegeven.

De marschrichting werd bepaald als volgt: uit de versterking in zuidwestelijke richting langs de randen der kampongs Kandang, Poetoes en Meden marcheeren, daarna in oostelijke richting wenden tot aan de Samalangan-rivier, vervolgens den rivierkant stroomafwaarts volgen en alzoo weder ten zuiden der benting terugkeeren.

Het spreekt vanzelf, dat die streek bekend stond, als te zijn bewoond door bevriende Atjehers. Anderhalf uur had de colonne reeds gemarcheerd, zonder aanleiding te hebben eenig verraad van de zijde der Atjehers te vermoeden. Een groot gedeelte was bezig aan den veldarbeid; en zij, aan wien inlichtingen gevraagd werden betreffende den te volgen weg, de terreinsgesteldheid enz., gaven met de meeste welwillendheid antwoord. Een hoofdman kwam zelfs uit zijne woning, toen de colonne voorbijtrok en knoopte met den officier een gesprek aan. Hij beweerde dat alles veilig en de bevolking ons gouvernement zeer genegen was. Tot 8 uur bleef de colonne doormarcheeren, waarna „haltquot; gehouden werd om te rusten. De troep rustte in

76

ocr page 85

NA All S AM AL ANG AN

denzelden marschvorm en met het geweer bij den voet; voorzichtigheidshalve werden een paar schildwachten uitgezet.

Ongeveer 10 minuten later rapporteerde de commandant der voorhoede, dat eenige Atjehers, wier aantal steeds toenam, gewapend met geweer en klewang, zich op de sawah, aan de overzijde van een riviertje (zijtak van de Samalangan-rivier) verzamelden.

Na zich persoonlijk van de juistheid van dit bericht te hebben overtuigd, besloot de luitenant den terugmarsch aan te nemen; doch nauwelijks had de troep 200 schreden afgelegd, of verscheidene schoten werden van de zijde der Atjehers op de onzen gelost. Berghuis, in de meening verkeerende, dat dit een op zich zelf staand feit was, waaraan het gros der bevolking geen schuld had, verbood ten strengste terug te vuren. Maar het vuur des vijands nam steeds in hevigheid toe; zelfs uit de woningen, werd et bont portant geschoten. De manschappen, onrustig geworden, maakten de pakjes patronen los. De voorgestelde marschroute kon nu onmogelijk verder gevolgd worden en de colonne-commandant besloot den kampong met versnelden pas door te trekken, om eene aan de westzijde gelegen sawah te bereiken, welke sawah door begroeid terrein van den kampong gescheiden was. De voorhoede kreeg dienovereenkomstig hare orders, terwijl de achterhoede , bestaande uit Europeanen en inlanders, gelast werd dicht op te sluiten en den steeds opdringenden vijand door welgerichte salvo's op een afstand te houden. De Atjehers, het plan van den troep begrijpende, lieten een gedeelte achter, om de onzen te vervolgen en spoedden

77

ocr page 86

DE TWEEDE EXPEDITIE

zich in allerijl naar voren, om de sawah het eerst te bereiken en deze colonne zoodoende het déboucheeren te beletten.

Het kostte den troep veel inspanning zich langs het modderige, smalle voetpad, dat bovendien op verschillende plaatsen versperd was, te bewegen, terwijl men door den spoed om de sawah te bereiken bijna geen tegenweer kon bieden. Gelukkig bereikte de voorhoede den uitgang van den kampong vóórdat de Atjehers op de sawah waren aangekomen. Alsnu werd „haltquot; gehouden om de overige manschappen in te wachten. Het getal vijanden was reeds tot pl. m. 200 geklommen en stond niet verder dan 300 passen van de colonne verwijderd. De achterhoede, inmiddels in gevecht gewikkeld, had moeite de aanvallers van zich af te houden.

Eindelijk gelukte het haar, zich met den troep te vereenigen en rapporteerde haar commandant aan luitenant Berghuis, dat de Europeesche fuseliers Haaf, stamboek n0 72217, en Dechamp, stamboek n0 77057 , door klewang-houwen afgemaakt en hunne lijken achtergelaten waren; een inlandsch fuselier was gewond. Onmiddellijk besloot de commandant terug te keeren, om, onder bescherming van het vuur van den hoofdtroep , de lijken der gesneuvelden te gaan halen ; maar reeds had eene sterke bende Atjehers post gevat tusschen de achterhoede en de plaats, waar de gesneuvelden lagen. Met het oog op de netelige positie, waarin zijne handvol strij' ; verkeerde, mocht de commandant zijn voornemen ni , ten uitvoer brengen. Immers zoude hij den troep aan een wissen dood blootgesteld hebben, want van alle kanten en uit de aangrenzende kampongs

78

ocr page 87

NA.AH SAMALANGAN

stroomden talrijke troepen Atjehers om de colonne te omsingelen.

Luitenant Berghuis verloor echter geen oogenblik zijne kalmte, en schoon jong in jaren , toonde hij een officier te zijn, die zijne zaken verstond. Ten einde den terugtocht behoorlijk te dekken, versterkte hij de achterhoede en verdeelde haar in twee groepen, elk ter sterkte van 12 man, en nam zelf het bevel op zich over dat gedeelte, hetwelk hij „en tirailleurquot; deed oplossen. De rest marcheerde gesloten uit de flank ongeveer 60 passen vooruit, en werd aangevoerd door den adjudant-onderofficier Scheltens. Langzaam en als 't ware kruipende moest deze terugtocht geschieden , want behalve twee zieken had de colonne drie gewonden, namelijk: Sedin, stamboek n0 6692, door een kogelwond; Ronoleksono, stamboek n0 S0068, door klewanghouwen op het achterhoofd en den rechterbovenarm; Zajo , stamboek n0 45S5 , door een kogel in den buik en in het linkerbeen.

Men had voor de gewonden geen tandoes (hangmatten) meegenomen, aangezien men op geen vijandelijkheden bedacht was.

Het was door den vijand zeer goed opgemerkt, waarom de colonne slechts langzaam kon retireeren; en de opgewondenheid der Atjehers, verzekerd als zij waren van de overwinning, is niet te beschrijven. Op beide flanken der colonne drongen zij voorwaarts en, voorafgegaan door hunne voorvechters , di ' chreeuwende een woesten krijgsdans uitvoerden, kwaï .n zij al nader en nader. Werkelijk meende de commandant een oogenblik, dat zijn troep verloren was. 't Was eene ijzingwekkende ge-

79

ocr page 88

DE TWEEDE EXPEDITIE

dachte, want de Atjeher stoort zich aan geen oorlogswetten, nog aan de wetten van eer en menschelijkheid, maar vermoordt en verminkt eiken vijand , die onder zijn bereik valt.

In deze kritieke oogenblikken drongen de soldaten er op aan, dat luitenant Berghuis de zieken en gewonden, die den marsch belemmerden, zoude doen doodschieten. Tot dit uiterste wilde hij echter zijne toestemming niet geven , maar bezwoer hen, liever tot den laatsten man te strijden. Een dubbel zware strijd voor luitenant Berghuis! Een overmachtige vijand, die steeds naderde en de vertwijfeling der soldaten om zich heen. Maar, moed en beleid verloor hij geen oogenblik, en zijne kracht en dat beleid brachten eindelijk den troep tot bezinning.

De gewonden en zieken werden verzameld en onder bedekking in veiligheid gebracht op een met boomen beplanten heuvel, welke ongeveer 600 passen vooruit lag.

Het geheel hield intusschen halt en formeerde carré met dubbele voorflank , waarna het eveneens naar den heuvel retireerde.

Deze terugtocht mag meesterlijk genoemd worden, want de vijand, alhoewel 150 passen verwijderd, werd door goed gerichtte schoten op eerbiedigen afstand gehouden. De voorvechters slaakten woeste kreten om hunne makkers tot een klewangaanval aan te moedigen, en waarlijk, één kwam reeds met zijn wapen zwaaiende op de voorhoede af, maar werd terstond onschadelijk gemaakt. Tegen zulk eene verpletterende overmacht was echter de kans op behoud gering en restte den commandant niets, dan zich zoolang mogelijk te verdedigen en tot den laatsten man toe te strijden.

So

ocr page 89

NAAR SAMALANGAN

Op zijn rechterflank maakte de vijand reeds aanstalten om den troep te omsingelen. toen hij eensklaps weifelde. Wat kon hiervan de reden zijn ? Even omziende zag hij in de verte bajonetten flikkeren. „Moed gehouden mannen,quot; riep hij zijne soldaten toe. „Wij krijgen hulp!quot; Inderdaad , het was kapitein Ebell, die met 20 man ter hulp snelde. De troep, die tot ontzet opdaagde, was wel niet talrijk, maar voldoende om bij den vijand den moed te doen zinken, en de colonne, die dc laatste krachten inspande, te redden.

Ten einde beter verband in 't verhaal te brengen, dienen wij te verklaren aan welk toeval die hulp te danken was.

Omstreeks acht uur van dien morgen ontving de waarnemende assistent-resident van onze vrouwelijke bondgenoot Patjoet-Meligoi, zuster van het hoofd van Sama-langan, het bericht, dat er noord westwaarts van hare woning vele schoten werden gehoord, en dat zij met zekerheid moest veronderstellen, dat de manschappen , die onder den 2n luitenant Berghuis eene militaire wandeling maakten, waren aangevallen.

Dit bericht hoorde ook de militaire commandant, kapitein Ebell, die juist bij dien ambtenaar was, en dewijl het bevestigd werd door schoten, die men, opmerkzaam luisterende, flauw kon hooren, zoo besloot kapitein Ebell terstond met de besciiikbare manschappen, circa 20 in aantal, één gids en de noodige ambulance, ter hulp te snellen.

Langs den rand van de kampongs Kandang en Petoes gaande, bespeurde hij in de verte de colonne van luitenant

II 6

8l

ocr page 90

DK TWFF.DF. EXPEDITIE

Berghuis door talrijke scharen Atjehers achtervolgd. In versnelden pas trachtte hij nu de colonne te bereiken.

Deze had inmiddels, dank zij der bereidvolle retraite, den heuvel weten te bereiken, waar de gewonden lagen; hier formeerde luitenant Berghuis carré en plaatste de gewonden en zieken in 't midden.

De munitie begon te minderen, zoodat het vuur van onze zijde slechts door eenige goede schutters onderhouden werd i en zoo moest men blijven stand houden tot er hulp kwam. De Inlandsche fuselier Zajo, n0 4585 gt; was inmiddels in 't carré onder de hevigste smarten bezweken ; door onvoldoende geneeskundige hulp en uitgeput door vermoeienis en bloedverlies, is de arme gewonde, onder het gekerm der anderen, gestorven.

Eindelijk had kapitein Ebell de colonne bereikt. Maar in welken treurigen toestand zag hij zijne soldaten terug! Soldaten, die eenige uren te voren nog zoo onberispelijk onder de wapens stonden.

Hun uniform was gescheurd en bespat door 't slijk; gelaat en handen zwart van den kruitdamp; enkelen zwaar gewond of dood en allen afgemat van den zwaren strijd.

Nadat de gewonden en zieken in de tandoes waren gelegd, werd de terugmarsch naar de benting aangenomen.

De vijand bleef de vervolging doorzetten , maar lang zoo krachtig niet meer; van lieverlede bleef hij meer en meer achter en hield eindelijk stand op meergenoemden heuvel. Verder door te dringen achtte hij onraadzaam, vooral ook uit vrees voor het geschutvuur van onze benting. De colonne had middelerwijl steeds oostwaarts aangehouden en kwam zoo doende in kampong Tandang,

82

ocr page 91

NAAR SAMALANGAN

die haar geheel aan het oog des vijands onttrok; tegen half elf uur bereikten de onzen de benting. Volgens ingewonnen berichten telde de vijand ongeveer 50 dooden en gewonden, en waren de eerste aanvallers zes lieden uit kampong Baté-hi, onder aanvoering van Nja Mander-hassa. Toen de eerste schoten vielen , kwam de bevolking der omliggende kampongs Merah Adan, Taloe-Missigit Bahroe en Meloen de aanvallers te hulp.

Het voorgevallene met de colonne Berghuis van Woort-man veroorzaakte te Kota-Radja veel sensatie, te meer daalde aanval op bevriend terrein plaats vond. Ten einde nu die kampongs voor het gepleegd verraad te tuchtigen, werd eene expeditionnaire colonne samengesteld , die onder bevel van den majoor Schmilau per Zr. Ms. stoomschip Soerabaja naar Samalangan werd overgebracht, en de 2e expeditie nam een aanvang.

BATOE-ILIQ

Den 14quot; Juli 1880 landde te Samalangan de expeditionnaire colonne onder majoor Schmilau, sterk 1200 man met 32 officieren en 2\ sectie artillerie. De ontscheping ging met veel moeilijkheden gepaard ; de hevige branding op de kust wierp de sloepen telkens terug, sloeg die aan stukken of deed ze vol water loopen. Maar onze officieren en soldaten lieten zich niet afschrikken; de meesten

83

ocr page 92

IJ F. TWEEDE EXPEDITIE

sprongen in de branding en zij, die niet zwemmen konden, werden door hunne kameraden door de schuimende golven getrokken, zoodat allen de kust bereikten, waar zij dooide bezetting van Samalangan met luid hoera werden begroet.

Den 15n Juli begon de operatie; deze was hoofdzakelijk gericht tegen den kampong Batoe-Iliq, in welken kampong de vijand eene onzaglijke benting en sterke liniën had gebouwd; stellingen, die cie geduchtste waren, welke ooit door den Atjeher zijn aangelegd. Waarom verzwegen onze bondgenooten Toekoe Tihik, vorst van Samalangan, en zijne zuster Patjoet Meligoi ons het bestaan dier versterkingen ? Of moesten wij gelooven , dat die eerst na den aanval op de colonne Berghuis van Woortman waren opgeworpen ? Zoo ja, dan verstaan de Atjehers de kunst om te tooveren.

's Morgens zes uur rukten de troepen uit het bivouak ; en na een marsch van f uur bereikten zij kampong Batoe-lliq. Hier had de vijand op een steilen heuvel, welke deel uitmaakte van eene bergreeks, zijne hoofd versterking gebouivd. Deze versterking had den vorm van eene vierkante redoute, waarvan de flanken opgezet waren uit twee wanden poloepoes (geklopte en gespleten bamboes), opgevuld met aarde en steen, waardoor bamboezen kokers tot schietgaten waren aangebracht. De stormvrijheid werd zeer verhoogd door eene zware en sterke bamboedoerihaag van 4- 7 M. breed, terwijl andere sterke verschansingen, op hooger gelegen heuvels, haar van alle zijden konden steunen.

Onze troepen, op de vlakte gekomen nabij 's vijands

84

ocr page 93

NAA.R SAM.VLANGAN

stellingen, werden zeer spoedig door een overstelpend vuur begroet. De artillerie kwam in batterij om dat vuur te beantwoorden, terwijl eene compagnie infanterie „en tirailleurquot; werd opgelost en sprongsgewijze avanceerde. Eene andere compagnie , die de voorhoede had geformeerd, kreeg last, de SamaJangan-rivier, welke langs 's vijands hoofd versterking stroomde, over te steken en eene omtrekkende beweging te maken, ten einde die versterking aan de achterzijde te naderen.

Ondanks eene hagelbui van kogels en schroot bleven de troepen onverschrokken avanceeren tot aan de versperring. Nu was het niet mogelijk verder door te dringen; de stevige bamboedoerihaag had zich door den tijd tot een ondoordringbaar bosch gevormd , waartusschen scherp aangepunte bamboes waren geplant. Zulk eene versperring is door geen geschutvuur te vernielen, noch door kapmessen op te ruimen.

Luitenant Verkuyl, een Europeesch onderofficier, en een fuselier was het gelukt, zich met bovenmenschelijke inspanning, aan de zuidzijde der benting, door de versperring te dringen, en een klein plateau te bereiken; maar op 't zelfde oogenblik werden beiden neergeschoten. Aan de westerface nabij 't zuider-saillant stond luitenant Le Maitre met zijne sectie en trachtte te vergeefs de breede haag met sabels en geweerkolven te doen vernielen. De onzen, die geheel weerloos stonden, verloren veel aan dooden en gewonden. Den Europeeschen sergeant Kalkman werd het linkerbeen door een lilakogcl verbrijzeld, en met hem werden nog zes fuseliers gewond en verscheidene gedood. Op het hooren van 't vreeselijk

ocr page 94

DK TWEEDE EXPEDITIE

vuren snelden de kapitein Neys, de luitenants Steinmetz, von Ernst en de adjudant-onderofficier Jobse met hunne manschappen naar voren om de kameraden te steunen. Eene menigte Atjehers, dit ziende, gunde zich nauwelijks den tijd hunne geweren te herladen en wierpen met zware steenen op de aanvallers. Luitenant von Ernst werd door een steenworp aan 't hoofd gewond en viel, een oogenblik bewusteloos, tegen den grond. Terwijl de stormcolonne met den vijand in actie was, werd de hoofdtroep, die inmiddels tot aan de rivier genaderd was, eensklaps door eene groote bende Atjehers, die zich achter de heuvels had opgesteld, met den klewang aangevallen, doch deze werden met zwaar verlies teruggeslagen. De strijd, die nu algemeen was, had voor de onzen het ontzaglijke nadeel, dat het terrein nergens tegen de moorddadige uitbarstingen van 's vijands geschut en geweervuur eenige dekking aanbood.

Aanhoudend verminderen onze gelederen, aanhoudend werden zij door de kleine reserve aangevuld. Nogmaals en nogmaals werd stormgeloopen, maar steeds werden onze dapperen genoodzaakt terug te trekken; de schitterendste infanterie-aanvallen vermochten niets tegen de zware versperringen en steile hoogten; het bleek niet mogelijk met zulk eene geringe macht deze geduchte stelling te vermeesteren en daarom besloot majoor Schmilau tot de retraite. Gedurende deze retraite werd het peloton van den luitenant le Maitre, dat een gedeelte der achterhoede uitmaakte en tevens tot dekking der gesneuvelden en gewonden diende, op de rechterflank met den klewang aangevallen. De gewonden zagen toen geen redding

86

ocr page 95

NAAK S.VMALANGAN

meer en de sergeant Kalkman verzocht om een geladen geweer, ten einde zich dood te schieten , liever dan den vijand levend in handen te vallen. Le Maitre wist zich echter flink te weren, en na een dapperen strijd sloeg men den vijand op de vlucht. Maar met moeite bereikte de achterhoede eindelijk de sawah, waar de hoofdtroep op haar wachtte. Na carré geformeerd te hebben , met artillerie en ambulance in 't midden , marcheerden de troepen langzaam noordwaarts langs kampong Merak; in dezen kampong werd „haltquot; gehouden om de dooden te begraven, en teeen kwart vóór nesren uur 's avonds kwam de colonne

o o

uitgeput en vermoeid in het bivouac terug.

De l6n Juli was een rustdag, maar op den I7en zoude men een tweeden aanval beproeven. De vorst va.n Sama-langan, die deze uitrukkende colonne begeleidde, trachtte haar in hinderlaag te lokken en door eene groote overmacht te doen omsingelen. Men had echter zijn toeleg in tijds ontdekt; onmiddelijk liet de colonne-commandant den terugtocht aannemen. Deze vorst van Samalangan werd nog dienzelfden dag in stilte opgelicht en den volgenden morgen per stoomboot „ Siakquot;, onder geleide van een officier en 25 man naar Kota-Radja vervoerd. Intusschen was het stoomschip „Zeemeeuw,quot; dat den 17° Juli met de zieken en gewonden naar Oleh-leh stoomde, reeds den l8n Juli terug en bracht 150 man aanvullingstroepen.

De colonne, die den 22n Juli andermaal uitrukte, was ditmaal voorzien van pekkransen, handgranaten , stormladders en dreggen met touwen om de versperring om te halen. De vijand, geducht bewapend en ruimschoots van munitie voorzien, hield zich achter zijne wallen schuil en

ocr page 96

UE TWEEDE EXPEDITIE

overstelpte de troepen met zijn vuur, maar was niet in staat onze gelederen in wanorde te brengen. Onverschrokken rukten de verschillende afdeelingen voorwaarts. Om half zeven uur viel van onze zijde het eerste schot en spoedig daarop donderde langs de geheele linie het artillerie- en infanterievuur op de vijandelijke stellingen.

De 2e compagnie, 3e bataillon, onder aanvoering van den kapitein Neys, met de luitenants von Ernst, le Maitre, Verschooff, Berghuis van Woortman (die op zijn verzoek den aanval meemaakte), en de ie compagnie I4e bataillon, onder bevel van den kapitein Haak van der Goes, met de luitenants Bode, Godin en van der Mark werden aangewezen , ten einde eene omtrekkende beweging te maken en de chicanes te vernielen. Na de Samalangan-rivier overgetrokken te hebben, marcheerden beide compagnieën zuidwaarts langs een voetpad naar de ter noordzijde van Batoe-Iliq gelegen heuvels en verdeelden zich aldaar in drie deelen. Langs verschillende wegen beproefden zij nu de vijandelijke hoofdversterking te naderen. De kapitein Willink Ketjen en de luitenant Jaeger (stafofficier) stonden met drie sectiën infanterie en reserve om den aanval te steunen.

Luitenant Verschooff, die den oostelijken saillant bereikte, werd spoedig door een kogel in den schouder getroffen. Van de westzijde naderden Berghuis van Woortman en von Ernst met de mineurs en eene sectie infanterie. Berghuis ging met zijne manschappen langs eèn smal voetpad naar boven, voorloopig onttrokken aan het gezicht des vijands, die voortdurend hevig op de aanrukkende troepen vuurde. Na eenigen tijd geklommen te

SS

ocr page 97

naar samalangan

hebben, kwam men op een klein plateau in 't gezicht der banting, en liet de luitenant zijne soldaten knielen achter een klein, zich aldaar bevindend epaulement en struikgewas.

Door het geaccidenteerd terrein was zijne sectie zeer verspreid geraakt. In een oogenblik, dat hij zich omkeerde om zijne manschappen te verzamelen en 't bevel te geven tot het wegkappen der bamboedoeri, ontving hij eene doordringende, in den rug uitkomende schotwond en viel hij achterover.

Men droeg hem uit het vuur naar een bamboestruik, waarachter reeds eenige gewonden lagen, onder welke luitenant Bode. De vijand had deze groep spoedig ontdekt en maakte haar tot een nieuw mikpunt. Met behulp van twee Amboineesche soldaten begaf luitenant Berghuis zich heuvelafwaarts. Onderweg ontmoette hem luitenant von Ernst; ook deze officier was kort te voren door een schampschot in 't been gewond , maar hielp zijn kameraad zooveel mogelijk en liet hem , in afwachting van de tandoes, in een verlaten schuurtje brengen. Hierin bevonden zich reeds meer gewonden, en onder dezen luitenant le Maitre met eene ernstige schotwond in de linkerknie. Deze officier, die met luitenant Godin aan de ooster-face zijne manschappen wilde voorgaan in 't wegruimen der versperring, werd aan het hoofd zijner soldaten getroffen en moest eveneens weggedragen worden. Ten einde de gewonden te beschermen , liet von Ernst, die zich weer naar het gevecht moest begeven, een korporaal en zes fusiliers achter en vorderde van dien korporaal zijn eerewoord , dat hij de geblesseerden niet zoude verlaten, wat

Sq

ocr page 98

DE TWEEDE EXPEDITIE

er ook gebeuren mocht, want buiten de versterking zwierven talrijke benden Atjehers rond, zoodat de mogelijkheid bestond door hen ontdekt te worden. De hoofdcolonne, die middelerwijl in 't front bleef ageeren, had ook te vergeefs getracht in de benting te dringen.

Driemaal werd er storm geloopen, maar de versperringen en steile hoogten bleven onoverkomelijke hinderpalen. Na eiken wanhopigen aanval onstonden breede openingen in de gelederen, maar met onverflauwden moed herzamelde men zich en opnieuw ging het dan weer in stormpas vooruit. De hoofdversterking was echter met zulk eene kleine macht niet te nemen, en met het oog op de reeds geleden verliezen, achtte majoor Schmilau het niet raadzaam het gevecht langer nutteloos voort te zetten. Van de officieren werden, behalve de reeds genoemden, nog gewond de luitenants Jaeger en Blauwenoord. Volgens ooggetuigen was de vijandelijke stelling slechts door eene legermacht van 16,000 man te nemen.

Ofschoon de hoofdversterking niet veroverd was, hadden onze troepen den vijand toch uit de meer achterwaarts gelegen posities weten te verdrijven en den kampong Batoe-Iliq getuchtigd. Het was echter voor onze dapperen eene groote teleurstelling, het gevecht te moeten afbreken, zonder de Oranjevaan op de vijandelijke wallen te hebben geplant. Moedig hadden zij zich echter gehouden en hun ouden roem gehandhaafd. Ofschoon het militair object (B.itoe-Iliq) niet vermeesterd was, zoo bleek toch uit alles, dat de vijanden ontzag hadden gekregen voor onze wapenen, en waagden zij het niet ons bivouak te alarmeeren. Hunne ontmoediging kon ook blijken uit de

90

ocr page 99

NAAR SAMALAXGAN

omstandigheid, dat Patjoet-Meligoi reeds den volgenden dag door middel van eenige zendelingen liet weten, den adsistent-resident gaarne te willen spreken, maar dat zij zelve niet durfde komen en derhalve beleefd verzocht, dat men haar in kampong Meden mocht bezoeken. Aan deze uitnoodiging voldeed deze ambtenaar (de heer Lange). Vergezeld van een gewapend detachement en eenige Atjehsche hoofden, begaf hij zich naar den aangewezen kampong , alwaar de vorstin met de vrouwen uit haar gevolg hem opwachtte.

Met herhaalde betuigingen van diep leedwezen omtrent het gebeurde , dat nog -aah haar , noch aan haren broeder Toekoe Thihik te wijten was (?), verklaarde zij alles te zullen aanwenden , om de zaken weer in het reine te brengen , want zij was zoo innig verknocht aan de Compagnie (d. i. het Gouvernement) enz. Ook betuigde zij haar dank, dat haar broeder weer naar Samalangan had mogen terugkeeren en beloofde aan de haar te stellen eischen te zullen voldoen.

De heer Lange gaf haar ten antwoord, dat zij den volgenden morgen (24 Juli) naar het bivouak kon komen om generaal van der Heyden, die den 22{-'n Juli te Samalangan was aangekomen, hare gevoelens kenbaar te maken, en dat haar broeder wel is waar te Samalangan terug was, maar eerst waarborgen moest stellen voor zijne goede gezindheid, alvorens hij vrijgelaten zou worden.

De vorstin beloofde zelve naar' Samalangan te gaan, om met generaal van der Heyden te spreken. Werkelijk verscheen zij den volgenden morgen om 10 uur, vergezeld van hare vrouwen en een groot en goed gewapend gevolg

91

ocr page 100

l)E nVI-EDE EXPEDITIE

aan de overzijde der rivier en verzocht om eene audientie bij den bevelhebber. Met de voornaamste der haar vergezellende hoofden, werd zij toegelaten. Haar werden door den bevelhebber de volgende voorwaarden gesteld: dat zij het noodige zoude verrichten om de vijandelijke hoofdstelling bij kampong Batoe-Iliq te doen ontruimen en te slechten: dat zij de aldaar of in de nabijheid der kampongs verzamelde benden , voor zoover die waren samengesteld uit lieden van Samalangan , naar hare haardsteden zoude doen terugkeeren; dat haar en haren broeder zes dagen gegeven werden om aan die voorwaarden te voldoen, gedurende welken tijd, onzerzijds, de vijandelijkheden zouden gestaakt worden. Ten einde haar van zijne goede gezindheid blijk te geven en tevens om haar in de gelegenheid te stellen aan bovengenoemde voorwaarden te voldoen, liet de bevelhebber de vier, in de nabijheid van Batoe-Iliq gekampeerde compagnieën infanterie met artillerie naar de benting Samalangan terugkeeren, waar deze troepen zich vereenigden met de colonne van overste Lubeck, die per stoomschip ,, Bandaquot; eenige dagen vroeger was aangekomen. Het bleek echter al zeer spoedig, dat noch de vorstin, noch haar broeder Toeko Thihik aan de gestelde voorwaarde konden of wilden voldoen; zij beweerden, dat de hoofdversterking door Habib Bramin en zijne bende bezet werd gehouden.

Een krachtig optreden onzerzijds werd dus gebiedend. Met eene macht van 900 man, benevens zes stukken geschut, rukte generaal van der Heyden op 1 Augustus, des morgens vijf uur, weer tegen Batoe-Iliq op. Den geheelen dag beukten onze kanonnen op de geduchte hoofdstelling

93

ocr page 101

NAAK SAMALANGAN

des vijands; bij herhaling werd weer storm geloopen en met een niets ontzienden moed waren onze troepen steeds voorwaarts gerukt; de officieren gaven het voorbeeld. Maar wat vermochten onze braven tegen zulk eene verpletterende overmacht des vijands en zijne onneembare heuvelbenting ? Slechts eenmaal was het der artillerie gelukt bres te schieten, maar terstond had ook weer de vijand de opening gesloten. De dag neigde reeds ten avond, en nog steeds lag Batoe-Iliq dreigend op de onneembare hoogte en slingerde zijn vreeselijk vuur op de onzen. Het geluk bleef zich hechten aan de roode vanen der Atjehers. Dit was de eerste maal, dat de vijand zich kon beroemen de Oranjebanier te hebben getard. Eere, wien eere toekomt, want volmondig moeten wij erkennen, dat ook de Atjehers met leeuwenmoed en groote doodsverachting gestreden hebben.

Het was zeven uur 's avonds, toen de troepen bevel kregen terug te trekken, daar generaal van der Heyden niet langer zijne soldaten wilde prijsgeven; want reeds te veel offers waren hier gebracht. De bevelhebber had alles beproefd, wat in zijn macht was; hij zelf moedigde door woord en voorbeeld de troepen aan en gaf zich bloot als de minste zijner soldaten, maar . . . „contre la force il n'y pas de résistance.quot;

Het was niet mogelijk de geleden verliezen aan te vullen; want van waar moesten er troepen ontboden worden? De verschillende linies te Atjeh mochten niette veel ontbloot worden ; Java, evenals de andere bezittingen, allen hadden hun contingent ruimschoots geleverd, toen zij van hunne onvoldoende strijdkrachten (het Indische leger

93

ocr page 102

DF, TWEEDE EXPEDITIE

werd reeds vóór den Atjeh-oorlog te zwak bevonden) ruim een vierde aan den Atjeh-oorlog afstonden. En dus was terugtrekken een noodzakelijk kwaad.

Telde het Indische leger in stede van bataljons even zoovele regimenten, generaal van der Heyden zou voorzeker het gevechtsterrein van Samalangan niet verlaten hebben, voordat Batoe-Iliq ons was.

Op den in Augustus verloren de onzen aan dooden en gewonden 70 man ; onder de gewonden telde men: de kapiteins Bouman en Lubtow, de luitenants Steinmetz, Eisma en Bakker.

De adjudant-onderofficier Luisoder en Jobse, werden mede gekwetst, en beiden zijn later overleden ten gevolge der bekomen wonden.

94

Na overleg met de officieren en bevriende Atjehsche hoofden werd door den bevelhebber besloten zich te bepalen bij het platschieten van Batoe-Iliq. En hiermede eindigde de tweede Samalangsche expeditie, die, ofschoon voor de onzen minder gelukkig, opnieuw heeft bewezen, dat het Indische leger den naam verdient van te zijn: „een dapper leger.quot;

Het zij ons vergund aan het slot van deze schets te melden, dat de, bij de tweede Samalangsche expeditie gekwetste officieren, allen hersteld zijn. De luitenants Maitre en Berghuis van Woortman w^den echter door de bekomen wonden ongeschikt voor verdere militaire diensten, en moesten, hoe noode ook, het Indische leger,

ocr page 103

NAAR SAM Al.AXGAN

95

welks lief en leed zij zoo gaarne deelden, vaarwel zeggen. Maar voor beide officieren mag het een roem zijn te hebben gestreden en geleden voor het Vaderland, dat hun immer dankbaar zal zijn voor de aan den lande bewezen diensten.

ocr page 104

TRANSPORT— EN PATROUILLE-

GEVECHTEN 1876, 18S4

Onder de meldenswaardige voorbeelden van moed, trouw en plichtsbetrachting, door onze wakkere krijgers te Atjeh aan den dag gelegd, mogen wij ook die niet vergeten, welke zij betoonden bij de kleine doch zeer bloedige en moorddadige gevechten, die plaats grepen bij plotselinge overrompelingen der Atjehsche guerillabenden op onze patrouilles en transporten.

Het is bekend hoe de Atjeher, na in 't open veld tegenover ons zijne minderheid gevoeld te hebben, zich schadeloos stelde door onze kleine detachementen te overvallen, eene handeling waartoe het bergachtig land met zijne uitgestrekte bosschen en vele lagunes zich bij uitnemendheid leent. De ondervinding heeft bewezen, dat de vijand ons daarmee ontzettende verliezen heeft toegebracht; en , al mochten die overrompelingen ieder op zichzelf van weinig beteekenis geweest zijn, hare gezamenlijke gevolgen hebben toch grootendeels aanleiding gegeven tot het in 't leven roepen van de tegenwoordige „geconcentreerde stelling.quot;

Uit de talrijke voorbeelden van het meest verheven

ocr page 105

TRANSPORT- EN PATROUILLE-GEVECHTEN

moedsbetoon bij dergelijke gelegenheden door onze onderofficieren en soldaten aan den dag gelegd, zullen wij er hier eenige onder de aandacht brengen en dan reeds dadelijk dit zeggen , dat, al mochten de verrassende en onstuimige aanvallen des vijands, die uit zijne hinderlagen de onzen met bliksemsnelheid te lijf viel, de manschappen eene enkele maal in verwarring gebracht hebben, toch over 't algemeen de koelbloedige en vastberaden aard van den Nederlandsch-Indischen krijgsman zich nimmer verloochende.

Ten tijde der gebeurtenis, welke wij te dezer plaatse schetsen , telde de noordoostelijke linie onder hare posten ook de versterking Oleh-Karang.

Deze lag te midden eener zich verre uitstrekkende sawah, tusschen de posten Lampong en Pango.

Het was eene stevige benting, boven wier palissadeering van klapperstammen de mondingen van eenige kanonnen onheilspellend op de ongeveer 300 passen ten oosten gelegen vijandelijke kampongranden Lamkopang en Roem-pit gaapten.

Geen der posten van de noordoostelijke linie had zooveel overlast van den vijand als deze versterking; dikwijls moest het geschut spreken om de dolle opgewondenheid der menigte uit den vijandelijken boschrand tot zwijgen te brengen, die scheldend en tierend hare donderbussen afschoot en de soldaten tartte de kampongs te naderen, niet denkende hoe spoedig de zegekreten der onzen ook in hunne bosschen zouden weergalmen.

Door de waakzaamheid der bezetting steeds verhinderd onzen post te overompelen , lagen de Atjehers aanhoudend

97

ocr page 106

EN PATROUILLE-GEVECHTEN

98

TRANSPORT

als roofdieren op den loer om de kleine detachementen te overvallen, die van dezen post uitgezonden werden om de transporten te dekken, of die eene verkenning der omstreken ten doel hadden. Afgrijselijk bloedige gevechten hadden dan ook meermalen plaats; vooral de verlaten kampongs, ten westen van Oleh-Karang gelegen, waren dikwijls het hoofdtooneel van 's vijands vermetele overrompelingen.

Door die kampongs leidde een voetpad naar onze versterking Kata Alam, destijds de eenige gemeenschap tusschen Oleh Karang en dien post.

Daar te Kota Alam de uit het hoofdkwartier aangebrachte vivres en oorlogsbehoeften voor de bezetting van Oleh Karang in ontvangst genomen werden, kon het niet anders, of de transporten passeerden steeds dienzelfden weg. De Atjeher was daardoor ruimschoots in de gelegenheid zijne wreedaardige sluipmoorden op onze dapperen te volvoeren en die kampongs hadden dan ook weldra eene treurige vermaardheid gekregen. Hoe behoedzaam de marsch ook werd volvoerd, de vijand was steeds in het voordeel, want de weelderige tropische plantengroei had de verlaten kampongs spoedig weder tot een ondoordringbaar bosch gemaakt. Waar de blik zich ook wendde, overal ontwaarde men zware boomen, breede bamboedoeri-stoelen, hoog en dicht struikgewas, ontelbare begroeide grafheuvels met eigenaardige steenen monumentjes en stevige paggers, die allen geschikte hinderlagen aanboden voor den loerenden Atjeher.

Ongeveer een kwartier uurs van Kota Alam kwam bedoeld voetpad langs den rechteroever der Atjehrivier

ocr page 107

TRANSPORT- F.N PATROUILLE-GEVECHTEN

uit, en vormde een gedeelte van den smallen weg, welke Kota-Alam met Pango (rechter nevenpost van Oleh-Karang) verbond.

Alen meene echter niet, dat de veiligheid op dezen weg beter gesteld was. De aanhoudende aanvallen op onze kleinere afdeelingen, afgrijselijke moorden op onze soldatenvrouwen en kinderen, die, onvoorzichtig genoeg, vaak zonder escorte dezen weg aflegden om ter markt te gaan, noodzaakten ons steeds met den vinger aan den trekker van het geweer te marcheeren, op elk struikje te letten en alle hoeken en gaten van den , aan den weg grenzenden, boschrand nauwkeurig in 't oog te houden.

Eene patrouille van 25 man, die deze voorzorgsmaatregelen verzuimde, keerde, op enkele manschappen na, niet meer in de gelederen terug. Terwijl de vijand de hoofden der verslagenen als zegeteeken in de nabijheid van onzen Pango op staken plaatste, liet hij de rompen, afschuwelijk verminkt, op den weg liggen.

Is het wonder, dat onze troepen bij het aanschouwen van dergelijke tooneelen, bij het vinden der zoo gruwelijk geschonden lijken hunner makkers , bij de eerste gelegenheid de beste, alles zonder genade over den klink jagen?

De overrompeling van zulk een transport en het moedig gedrag der onzen, bij die gelegenheid aan den dag gelegd, willen wij in 't kort laten volgen.

Op den i6n April 1876 vertrok een convooi van 22 ongewapende Inlandsche militairen, geëscorteerd door 10 gewapende Europeesche fuseliers, van Oleh-Karang naar Kota Alam om aldaar bouwmaterialen in ontvangst te nemen.

Met vorschenden blik had men de voorgelegen vijan-

99

ocr page 108

EN P.VTROU ILL F.-G KV IXHTEN

IOO

TRANSPORT

delijke boschranden bespied, of soms de Atjehsche wachtposten den afmarsch hadden opgemerkt-, doch de nevel, die boven bosch en bergen hing, belette iets te onderscheiden. Aan den boschrand gekomen, hield de troep halt om zich te vergewissen of er geen onraad was; doch alles was doodstil. Het is trouwens te Atjeh eene zeldzaamheid in den vroegen morgen op vijandelijke benden te stuiten; wellicht moet de reden hiervan gezocht worden in de gewoonte van den Atjeher, fanatiek Maho-medaan, om bij zonsopgang zich in 't gebed te verdiepen.

Onder behoorlijke veiligheidsmaatregelen werd de marsch door den beruchten kampong ondernomen: de ongewapenden marcheerden in 't midden, gedekt door eene voor- en achterhoede, en zonder wederwaardigheden bereikte het detachement de versterking Kota Alam.

Deze marsch was echter niet onopgemerkt gebleven. Eenige maraudeurs van kampong Lamkapang, die van hunne nachtelijke rooftochten huiswaarts keerden, hadden het detachement gezien; het groot aantal ongewapenden was hunner aandacht niet ontgaan, en dat deze manschappen tot de bezetting van Oleh-Karang behoorden en lang denzelfden weg zouden terugkeeren, was licht te bevroeden.

Om kampong Lamkapang te bereiken en de hunnen te waarschuwen, moesten de maraudeurs wel is waar de sawah oversteken, doch daar eene diepe, droge sloot door die sawah naar den kampong voerde, was het zeer gemakkelijk zulks te doen zonder door de schildwachten van Oleh Karang of Pango opgemerkt te worden. Gelukkig werd later deze dusgenoemde maraudeursweg

ocr page 109

transport- ex p vtroi illf.-gevfxhtex

door de onzen ontdekt en in den vervolge streng geobserveerd.

Na ontvangst der bouwmaterialen werd, omstreeks IO uur, de terugmarsch naar Oleh Karang aangenomen. Een gewapend escorte van vier Europeesche militairen, onder bevel van een ïnlandsch onderofficier, liep aan het hoofd der met materialen beladen Inlandsche fuseliers. Zes gewapende Europeanen, onder welke de sergeant Fabel, commandant van het transport, dekten den rug.

Het grootste gedeelte van den weg was reeds afgelegd, en nog slechts een iooo meters scheidden het transport van de benting, toen het eensklaps op de rechterflank door een regen van kogels werd begroet, waarna een 50tal Atjehers uit het struikgewas, als eene windvlaag, onder hun wilden oorlogskreet, den troep met den klewang overviel.

De ongewapenden hadden , weerloos als zij waren , door den plotselingen aanval alle bedachtzaamheid en overleg verloren, ontdeden zich van hunne vracht en drongen verward op elkaar, toen een donderend „haltquot; van den sergeant Fabel hen nog t'jdig tot bezinning bracht. Gelijktijdig riep hij den Inlandschen sergeant, die zich met zijne vier ge wapenden terstond voor de ongewapenden had geplaatst, toe, om met het transport de wijk te nemen naar Oleh Karang. Hij zelf bleef met zijne achterhoede moedig standhouden tegen de tiendubbele overmacht, om den aftocht van het transport zooveel mogelijk te dekken. De dapperen , die zich met den moedigen sergeant Fabel den dood wijdden om hunne kameraden te redden, zijn; de Europeesche fuseliers Muller, Couweiaars, Roels, Schoonhoed en Krakeel.

ioi

ocr page 110

TRANSPORT- 15X PATROUILLE-GEVECHTEN

De Atjehers, door hunne overmacht zeker van de overwinning, meenden zonder veel moeite deze braven, die hun den weg versperden, neer te hakken; maar onze helden lieten zich niet door het moordgeschrei der bloeddorstige bende afschrikken. Vol vertrouwen op hun flinken sergeant , wachtten zij vastberaden den aanval af. De in dolle drift stormende Atjehers werden eerst op een salvo onthaald en vervolgens met de bajonnet afgewacht. Bloedig was het eerste treffen, waarbij aan onzen kant terstond de Europeesche fuselier Muller sneuvelde. De sergeant Fabel werd gelijktijdig door drie Atjehers aangevallen; twee zijner aanvallers had hij reeds gedood, maar terwijl hij het geweer velde om den derden aan de bajonnet te rijgen, doorboorde deze hem niet een lans den rechterarm. Het geweer ontviel den heldhaftigen onderofficier en door verschillende lanssteken in borst en zijde getroffen stortte hij ter aarde, onder het vallen den zijnen nog toeroepende: „Niet wijken kameraden, houdt moedquot;. De Europeesche fuselier Schoonhoed zag den sergeant vallen, sprong naar voren om hem te beschermen, doch struikelde over het lijk eens Atjehers en werd zelf zwaar gewond

Couwelaars, door acht Atjehers omringd, deed wonderen van dapperheid; drie zijner bespringers had hij reeds doodgeschoten maar de overigen drongen -zoo sterk op, dat hij zijn geweer niet meer gebruiken kon; nu trok hij zijn kapmes, maar slaan was hem niet mogelijk; van alle kanten door den klewang bedreigd, kon hij slechts de slagen pareeren, totdat een duchtige houw op het voorhoofd den reeds buiten adem zijnden fuselier wankelen deed; nog spande hij zijne laatste krachten in en wierp

102

ocr page 111

EN PATROUILLE-OF.VECHTEN

103

TRANSPORT

zich op een Atjeher, greep hem bij de keel en trachtte stervende dezen nog te worgen.

Roels had het niet minder zwaar te verantwoorden. Na zijn geweer afgeschoten te hebben, gebruikte hij het als een knods en deed menigen aanvaller met gebroken schedel en schouder in het zand bijten, doch een lanssteek in de zijde en een klewanghouw over den arm maakte ook hem weerloos. Jubelend sloot de kring zijner aanvallers zich nauwer om hem heen; reeds flikkerde eene menigte klewangs om hem aan stukken te hakken, toen zijn kameraad Krakeel over de lijken der door hem verslagen Atjehers sprong, daarbij met het geweer als een razende om zich heen sloeg en zich voor den gevallen Roels plaatste.

Op eens richtten zich de wapens naar Krakeel; de eenige, die zich nog weren kon. „Nu gij, blanke hondquot;, riepen de Atjehers.

Tegen een boom geleund vocht hij als een leeuw.

Schieten kon hij niet meer, maar met de bajonet verdedigde hij zich met evenveel behendigheid als moed. Het was den Atjehers niet mogelijk den blanken hond aan 't lijf te komen.

Maar de tijgeraard van den Atjeher moest eindelijk over zooveel dapperheid toch zegevieren; een der aanvallers was het gelukt, door het struikgewas gedekt, den boom van achteren te naderen en Krakeel in den rug een gevaarlijken steek toe te brengen. Krakeel beantwoordde dien met een geweldigen schop, gaf zich daardoor bloot en viel, op zes plaatsen gewond, op zijn kameraad Roels.

ocr page 112

TRANSPORT- EN PATROUILLE-GEVECHTEN

De Atjehers, door hunne overmacht zeker van de overwinning, meenden zonder veel moeite deze braven, die hun den weg versperden, neer te hakken; maar onze helden lieten zich niet door het moordgeschrei der bloeddorstige bende afschrikken. Vol vertrouwen op hun flinken sergeant , wachtten zij vastberaden den aanval af. De in dolle drift stormende Atjehers werden eerst op een salvo onthaald en vervolgens met de bajonnet afgewacht. Bloedig was het eerste treffen, waarbij aan onzen kant terstond de Europeesche fuselier Muller sneuvelde. De sergeant Fabel werd gelijktijdig door drie Atjehers aangevallen; twee zijner aanvallers had hij reeds gedood, maar terwijl hij het geweer velde om den derden aan de bajonnet te rijgen, doorboorde deze hem met een lans den rechterarm. Het geweer ontviel den heldhaftigen onderofficier en door verschillende lanssteken in borst en zijde getroffen stortte hij ter aarde, onder het vallen den zijnen nog toeroepende; „Niet wijken kameraden, houdt moed quot;. De Europeesche fuselier Schoonhoed zag den sergeant vallen, sprong naar voren om hem te beschermen, doch struikelde over het lijk eens Atjehers en werd zelf zwaar gewond

Couwelaars, door acht Atjehers omringd, deed wonderen van dapperheid; drie zijner bespringers had hij reeds doodgeschoten maar de overigen drongen -zoo sterk op, dat hij zijn geweer niet meer gebruiken kon; nu trok hij zijn kapmes, maar slaan was hem niet mogelijk; van alle kanten door den klewang bedreigd, kon hij slechts de slagen pareeren, totdat een duchtige houw op het voorhoofd den reeds buiten adem zijnden fuselier wankelen deed; nog spande hij zijne laatste krachten in en wierp

102

ocr page 113

TRANSPORT- EN PATROUILLE-GEVECHTEN

zich op een Atjeher, greep hem bij de keel en trachtte stervende dezen nog te worgen.

Reels had het niet minder zwaar te verantwoorden. Na zijn geweer afgeschoten te hebben, gebruikte hij het als een knods en deed menigen aanvaller met gebroken schedel en schouder in het zand bijten, doch een lanssteek in de zijde en een klewanghouw over den arm maakte ook hem weerloos. Jubelend sloot de kring zijner aanvallers zich nauwer om hem heen; reeds flikkerde eene menigte klewangs om hem aan stukken te hakken, toen zijn kameraad Krakeel over de lijken der door hem verslagen Atjehers sprong, daarbij met het geweer als een razende om zich heen sloeg en zich voor den gevallen Roels plaatste.

Op eens richtten zich de wapens naar Krakeel; de eenige, die zich nog weren kon. „Nu gij, blanke hondquot;, riepen de Atjehers.

Tegen een boom geleund vocht hij als een leeuw.

Schieten kon hij niet meer, maar met de bajonet verdedigde hij zich met evenveel behendigheid als moed. Het was den Atjehers niet mogelijk den blanken hond aan 't lijf te komen.

Maar de tijgeraard van den Atjeher moest eindelijk over zooveel dapperheid toch zegevieren; een der aanvallers was het gelukt, door het struikgewas gedekt, den boom van achteren te naderen en Krakeel in den rug een gevaarlijken steek toe te brengen. Krakeel beantwoordde dien met een geweldigen schop, gaf zich daardoor bloot en viel, op zes plaatsen gewond, op zijn kameraad Roels.

I03

ocr page 114

1K.VNSF0RT- KN I'ATROUILLK-C.EVECIITEX

Juist op dit moment verscheen eene ter hulp gezonden patrouille van Oleh Karang.

De gereede slag der opgeheven klewangs werd door de aankomende patrouille als 't ware met de bajonet opgevangen ; onze soldaten gunden zich niet den tijd om te vuren , doch met geveld geweer en onder kreten van woede stormden zij op den vijand aan. Niettegenstaande de Atjehers veel sterker in aantal waren, waagde zij het niet den aanval af te wachten , maar vluchtten in alle richtingen door het hooo-e struikgewas, zes gesneuvelden en eene

O O ' O

menigte donderbussen en klewangs in handen der onzen achterlatende.

De sergeant Fabel en de fusilier Schoonhoed waren bewusteloos en werden met de gesneuvelden naar Oleh-Karang getransporteerd.

Roels en Krakeel hadden zich weer opgericht en liepen, gesteund door hunne kameraden, langzaam naar de

o o

versterking.

De voorhoede had bij den eersten aanloop ook twee gewonden bekomen, doch was overigens in goede orde op de benting teruggetrokken, dank zij hunnen braven makkers.

Of de gewonden gelukkig herstelden en of wij hen nog bij het leger tellen, is ons, helaas, niet bekend; doch laten wij den gesneuvelden Muller en Couwelaars een „ruste in vredequot; toeroepen en den nog levenden in gedachte de hand drukken, als blijk van waardeering en hoogachting voor zooveel edele zelfopoffering en moedsbetoon.

Een ieder is het bekend, hoe onder het bestuur van

104

ocr page 115

TRANSPORT- EN' PATROL'ILLF-GEVECHTEN

generaal van der Heyden het grootste gedeelte van Atjeh aan de voeten lag van dien veldheer, den veroveraar der XXII en XXVI Moekims, den held van Saraalangan! In 1S81 werd Atjeh rijp bevonden voor den vredestoestand, en de mare verspreidde zich, dat een burger-gouverneur, de heer Pruys van der Hoeven, de teugels van het bewind zoude overnemen. Aldus geschiedde op den 6n April van dat jaar.

Doch, had de Atjeher zich uit vrees en onmacht gebukt onder het ijzeren militair beheer van generaal van der Heyden, nu de vredeswetten waren afgekondigd, vertoonde hij zich in al de verachtelijkheid van zijn laag-hartigen en verradelijken aard; de klewang werd weer ontbloot en naar hartelust werd door hem gemoord, geroofd en geplunderd. De burger-gouverneur, de man des vredes, waarschijnlijk onbekend met den trouwe-loozen volksaard des vijands, was van meening, dat geduld en goedertierenheid zouden zegevieren en eischte handhaving der vredeswetten. Was het voor het leger reeds een doorn in 't oog, instede van ondercommando van een generaal te staan, die het steeds ter overwinning had geleid, voortaan de bevelen van een burger-gouverneur te moeten opvolgen, nog grooter was de weerzin, toen het lijdelijk moest toezien, hoe zijne krijgers niet meer den eervollen dood op het slagveld stierven, maar aan verraderlijke sluipmoorden blootstonden, zonder dat het den onzen vergund was, de hand zelfs maar aan het gevest van het zwaard te slaan. Maar de gehoorzaamheid aan het eenmaal gegeven bevel is eene der schoonste soldatendeugden; niets mag den krijgsman, hoe strijdig

ocr page 116

io6 TR.\XSPORT- KX PATROUILLE-GEVECHTEN

zulk bevel ook met zijne eigene inzichten of persoonlijke

belangen wezen zou, van dien plicht doen afwijken.

«' *

Onder de vele aanslagen op de onzen gedurende het burger-bestuur gepleegd, schetsen wij de navolgende gebeurtenis, omdat daarin ten duidelijkste het verraad en de ontrouw des vijands bewezen worden.

Op den morgen van den 29quot; Juli 1884, ontving de commandant van Tjot-Goé, de kapitein de Riel, het bericht van den 2n luitenant Doerleben, die met 25 bajon-netten een vivrestransport van Lambaroe naar Tjot-Goé had geëscorteerd, dat dekplanken van de 2e brug voorbij diens post door kwaadwilligen (zoo heette de vijand in dien tijd) waren afgebroken en overal op den weg verspreid lagen. Eene patrouille van 25 bajonetten, onder bevel van een officier, alsmede drie ongewapende manschappen , voorzien van de noodige gereedschappen, werden terstond in die richting uitgezonden, om de aangerichte schade aan de brug te herstellen.

Bij aankomst aan bovenbedoelde brug, liet de commandant de^patrouille den Europeeschen sergeant de Boer met acht fuseliers op 150 passen postvatten, om het voorgelegen terrein te observeeren; de rest bleef achter om de werklieden te beschermen.

Gedurende de werkzaamheden kwamen bij afwisseling drie Atjehers uit den nabijgelegen en met ons bevrienden kampong Léhé naar de brug staan kijken.

Deze, naar de oorzaak der vernieling ondervraagd, gaven zeer ontwijkende antwoorden: overigens gedroegen

ocr page 117

TRANSPORT- KS PATROLquot;ILLF.-GEVECHTEN

zij zich vriendschappelijk en haalden zelfs voor de manschappen eenige klappers uit de boomen. De commandant der patrouille, een jong officier, wiens ondervinding op het Atjehsche oorlogsveld nog gering was, gevoelde zich in de nabijheid der bevriende kampongs zóó veilig, dat hij last gaf de geweren te ontladen Zulk een bevel streed wel is waar tegen allen regel en velerlei ondervinding, doch ter verontschuldiging van den officier zij gezegd, dat hij eerst korten tijd in Atjeh was.

Het vooruitgeschoven gedeelte, onder sergeant de Boer, werd eveneens van de brug toegeroepen om de geweren te ontladen. Maar het bevel kwam dien onderofficier vreemd voor, en hij meende daarom, dat deze last slechts de manschappen der wacht betrof, niet de vier uitgezette posten. Verplicht zijnde nu en dan die posten langs te gaan, vond hij hierin eene voldoende reden ook zijn geweer niet te ontladen.

Gedurende de werkzaamheden viel niets bijzonders voor en na afloop werd de terugmarsch naar Tjot-Goé aanvaard , ongelukkiger wijs zonder de geweren te herladen of eenigen anderen veiligheidsmaatregel in acht te nemen.

In een vredestoestand , te midden eener bevriende streek, vond de patrouille-commandant dergelijke voorzorg overbodig; helaas, zijn goed vertrouwen op de eerlijkheid der bevriende Atjehers had vreeselijke gevolgen.

Vijf geweren evenwel hadden nog patronen in den bak; het waren die van den sergeant de Boer en de vier schildwachten.

Opzettelijk vergaten dezen hun geweer te ontladen.

Na omstreeks 5 a 600 passen gemarcheerd te hebben,

IQ/

ocr page 118

TRANSPORT- F.N PATROl'ïI-1»E-GEVECHTi:N

zag sergeant de Boer vijf bewoners van kampong Lehé de aan dien kampong grenzende sawah oversteken en de patrouille tegemoet komen Hij maakte den commandant daarop opmerkzaam met te zeggen: „ Luitenant, ik geloof dat ginds de baardman komt, de Atjeher, die u dagelijks in de benting atap en bamboe levert.quot;

Toekoe-Iman-Hab werd n. 1. door de soldaten, die elk bekend Atjehhoofd met een bijnaam vereerden, de baardman genoemd. Dir hoofd kwam nu rechtstreeks op den officier toe en gaf hem, terwijl hij den troep met bespiedenden blik overzag, al buigende en zeer vriendelijk lachende, de hand. De luitenant, die als waarnemend genie-officier te Tjot-Goé, dikwijls met den leverancier van atap en bamboe in aanraking kwam, en zelfs, zooals beweerd wordt, wel eens in diens kampong als gast ontvangen werd, vond deze ontmoeting niet bevreemdend , en liet de patrouille halthouden, om te weten, wat de Iman te berichten had. De vraag of de kwaadwilligen, die de brug hadden afgebroken, hem bekend waren, beantwoordde de Atjeher ontkennend, bewerende, dat hij het geval eerst voor eenige oogenblikken vernam en op weg was, om er zelf onderzoek naar te doen.

Gedurende dat gesprek vernam sergeant de Boer eensklaps het gedruisch van vele voetstappen op de ie brug, die ongeveer 150 passen verder lag, doch door eene buiging van den weg, niet zichtbaar was. Kort daarop zag hij een veertigtal Atjehers met klewang en badeh-badeh gewapend, die zeer ordelijk in twee gelederen en met vasten bedaarden tred naderden.

„Zie eens, luitenant, w-at een verdacht troepje daar

IOS

ocr page 119

TRANSPORT- EN PATUOUILLK-GF.VECHTEN

nadert,quot; riep de Boer. De patrouille-commandant, even het hoofd omwendende, antwoordde: „het zijn volgelingen van Toekoe Hab, die, naar ik weet, vergunning hebben heden ter varkensjacht te gaan.quot;

Toen deze lieden de manschappen tot op 15 schreden genaderd waren, liet Hab eensklaps een doordringenden gil hooren, waarna de bende zich met een vreeselijk geschreeuw op de patrouille stortte. De uitwerking van dien aanval op de argelooze soldaten, die rustig met het „geweer overquot; op twee gelederen stonden, was ontzettend. In weinige oogenblikken lagen er 17 dooden en gewonden in een bloedstroom badende ter aarde.

Wat een geluk, dat enkele geweren geladen waren, de slachting ware anders volkomen geweest. De Boer, die bij de ontmoeting van Iman Hab reeds aanstonds argwaan koesterde, hield hem voortdurend in 't oog.

Diens onrustige blik deed hem besluiten het geweer zoodanig te omvatten, dat hij het terstond ter verdediging kon aanwenden. Nauwelijks was dan ook het sein tot den aanval gegeven of de Boer velde het geweer en schoot, zonder te kunnen aanleggen, een aanvaller, ,,a bout portantquot; neer en doorstak vervolgens een tweeden met de bajonet. Eveneens handelde de dappere infanterist ie klasse Djamidin; daardoor wonnen beiden, die naast elkaar stonden, eenige ruimte, zoodat zij niet, zooals hunne ongelukkige kameraden, overhoop geworpen en als weerloozen aan stukken gehouwen werden De patrouillecommandant had reeds bij 't begin van den aanval van zijn vriend Hab een zoo hevigen slag op 't hoofd gekregen, dat hij bewusteloos in elkaar zakte.

ICQ

ocr page 120

TRANSPORT- Ell PAT HOU I I,LF-GF, VEC HÏEN

Op den linkervleugel bevonden zich de drie fuseliers, die, evenals de Boer en Djamidin, hun geweer niet hadden ontladen, namelijk: Leonard, Simon en Ruskus.

Ofschoon door den plotselingen aanval verrast, wisten zij de eerste slagen te pareeren en door sprongen te ontwijken; toen legden zij aan, en drie Atjehers waren buiten gevecht gesteld. Aan die zijde verloor de aanval eenigs-zins in onstuimigheid, zoodat onze dapperen gelegenheid hadden hunne geweren te herladen en op de bende te vuren, die zich thans verderop als een troep razenden, met verdubbelde woede, op de Boer en Djamidin wierp.

Telkens en telkens beproefden de stoutmoedigsten der Atjehers den aanval, maar steeds werden zij teruggeworpen ; de voorsten werden dood geschoten en de volgenden met de bajonet afgemaakt. Het was te vergeefs, dat de vóórvechters door oorlogskreten de hunnen aanmoedigden tot eene algemeene attaque; de verslagen lijken der Atjehers voor de voeten der beide Neder-landsch-Indische krijgslieden, bewezen genoegzaam, dat die kloeke, forschgebouwde blanke krijger met kalme, vastberaden houding en diens tengere, doch niet minder moedige bruine makker, met het geweer nog menigen aanval konden trotseeren en velen hunner zouden dooden , vóór zij verslagen waren. Geen van beiden was ook nog maar ée'n pas geweken. Zij stonden, als de eik in den storm, te midden hunner gesneuvelde en gewonde kameraden: noch de woedende kreten des vijands, noch het gejammer der gewonden, noch het gekreun der stervenden waren bij machte hun de tegenwoordigheid van geest te doen verliezen.

IIO

ocr page 121

TRANSPORT- EK PATllOUTLLE-GEVECHTEN

„Sergeant, verlaat ons nietquot;, smeekten aanhoudend de gewonden. De Europeesche korporaal Couturier, wiens rechter schouder verbrijzeld was, en die behalve twee duchtige houwen over den rechter arm nog twee klewangslagen in den nek bekomen had, was kruipende den onderofficier genaderd en verzocht dezen met zwakke stem: „Om Gods wil, sergeant, laat mijn lijk niet in handen dier barbaren.quot;

De kranige sergeant antwoordde , dat hij tot den laatsten ademtocht zijne kameraden zoude verdedigen.

De Atjehers, door de onverschrokken houding van de Boer en Djamidin aan 't weifelen gebracht, leden ook gevoelige verliezen door de welgerichte schoten van Leonard, Simon en Ruskus, die zich, al vechtende, weer aan elkaar hadden kunnen sluiten. De vijand trok terug en stelde zich achter verschillende terreinvoorwerpen bedekt op. Nu had de Boer even den tijd een blik om zich heen te werpen en bespeurde, dat de plaats, waar hij stond geen dekking in den rug aanbood. Eene krijgslist bij den vijand vermoedende, besloot hij tot den, nabij den weg gelegen bamboedoeriestoel terug te trekken. Na Djamidin gewaarschuwd te hebben, gingen beiden, achterwaarts marcheerende, langzaam eenige passen achteruit. Onder het terugtreden viel de Boer achterover op een, in de hooge alang-alang gelegen klapperstam. Zich terstond oprichtende, zag hij vijf Atjehers, die, door eene omtrekkende beweging door het struikgewas, hem in den rug hadden willen aanvallen, zijwaarts uit het hooge gras opspringen ; de breede klewang schitterde en onder het uitroepen van „Allah il allah ' trachtten

I I I

ocr page 122

TRANSPORT- ENquot; PATROUILLE-GEVECHTEN

zij met geweldige sprongen onze twee dapperen te bereiken.

Maar zij waren op hunne hoede, onze wakkere kameraden ! Drie der vermetele Atjehers werden door hunne schoten zoo juist getroffen, dat zij voor goed bleven liggen; de twee anderen verdwenen daarop nog sneller dan zij gekomen waren.

Van dit oogenblik maakten onze beide kranige kerels gebruik om hunne nieuwe stelling in te nemen, waarheen zich ook de fuseliers Simon , Leonard en Ruskus met den looppas begaven.

Met vereenigde krachten werd nu de vijand beschoten , die zich in de nabijheid genesteld had. Het vuur der onzen scheen hem dan ook te machtig te worden, want weldra zag men den Atjeher, de een voor, de ander na, naar den kampong trekken, welke beweging in eene algemeene vlucht overging, toen in de verte het hoorngeschal de nadering van troepen aankondigde.

Het was een detachement uit Tjot-Goé, dat naderde: het aanhoudend vuren had de opmerkzaamheid der bezetting getrokken , wier commandant thans met een detachement aanrukte om de patrouille te ontzetten.

Nadat de Boer zich vergewist had, dat de Atjehers het terrein ontruimd hadden , ging hij het gevechtsterrein over, om naar de gevallen kameraden te zien. Welkeen treurig tafereel aanschouwde hij! Waar zijn blik ook viel, overal dooden en gewonden, overal bloedende lichamen, die de afgrijselijkste wonden vertoonden.

Onder de gewonden telde men ook fuselier Sidin. Deze fuselier, die bij den aanval slechts eene zaag in handen

112

ocr page 123

TRANSPORT- EN PATROUILLE-GEVECHTEN

had, wist hiermede viermaal een klewanghouw te paree-ren, wat telkens een stuk van de zaag kostte.

Bij den vijfden slag werd zijne rechterhand geheel afgekapt; met de linkerhand greep Sidin nu naar het wapen van zijn tegenstander, maar dit boette hij met het verlies van die hand. Elke edelmoedige vijand zou den ongewapende gespaard hebben; de Atjeher kende echter geen medelijden: nog 27 zware en lichte verwondingen bracht hij den weerloozen Sidin toe; maar toch heeft de ongelukkige geen angstkreet geslaakt, ofschoon hij geen oogenblik het bewustzijn verloor.

Nog waren de Boer en de zijnen bezig de gewonden zooveel mogelijk te verzorgen, toen kapitein de Riel met eene sterke patrouille ter plaatse verscheen. Ook Lambaroe, opmerkzaam geworden door het schieten , had eene colonne uitgezonden en daaraan den officier van gezondheid de Cock toegevoegd. Aanstonds toog deze aan't werk en had waarlijk de handen vol; diep en breed waren de klewang-wonden; het schouwspel was ijselijk en, helaas, meer dan één der geblesseerden was reeds onder de hevigste pijnen bezweken, vóór hem de noodige hulp kon verleend worden.

Terwijl de treurige stoet der 17 dooden en zwaar gewonden langzaam naar Tjot-Goé toog, rukte de colonne Lambaroe met versnelden pas den kampong Lehé binnen. Onze soldaten tintelden van woede over het snood verraad van de bevriende „kwaadwilligenquot;. „Geen genade voor die schurken, dood aan die verradersquot;, riepen zij elkaar in de gelederen toe.

Maar de kampongbewoners hadden het blinken der bajonnetten gezien en zich tijdig uit de voeten gemaakt.

II 8

quot;J

ocr page 124

114 TRANSPOET- EN PATROUILLE-GEVECHTEN

Gaarne hadden onze fuseliers den rijken kampong der bevrienden aan de vlammen prijs gegeven, doch men was in vredestijd, en zonder hoog bevel was zoo iets ten strengste verboden.

Ook Toekoe Hab volvoerde straffeloos zijn verraad. Reeds driemaal bleek zijn trouweloosheid, maar telkens kwam hij, na zich eenigen tijd schuil gehouden te hebben, als een berouwhebbend zondaar terug, en werd dan maar weer in genade aangenomen. Heeft men hem ten vierden male nogmaals vergiffenis geschonken?

's Middags was de geheele bezetting van Tjot-Goé in diepen rouw; de „treurmarschquot; klaagde in somberen roffel over het verlies van vele dapperen, en toen de zon ten ondergang neigde, beschenen hare laatste stralen negen versche grafheuvels van vermoorde krijgers. Op de eenvoudige houten kruisjes las men de namen van:

Korporaal Couturier.

Europeesche fuselier Hoppenbrouwer,

id Huibers.

id van den Heuvel.

id Zweerman.

id Houben.

Inlandsche fuselier Kassan.

T-/ id Trodrono.

id Darsa.

Van de gewonden bleven eenigen voor altoos verminkt ; zoo bij voorbeeld de inlandsche fuselier Sidin, die het gebruik zijner handen mist, en thans zijne verdere levensdagen te Samarang in gedwongen werkeloosheid doorbrengt.

Het moedig gedrag van den Europeeschen sergeant de

ocr page 125

TRANSPORT- EN PATROUILLE-GEVECHTEN I I 5

Boer en den fuselier Djamidin, gaf den commandant van het leger aanleiding hen bij Z. M. onzen geëerbiedigden Koning voor eene belooning voor te dragen. Bij Koninklijk Besluit van 15 Mei 1885, n0 16, ontvingen zij die belooning, welke hun door de handen van hunnen corpscommandant werd uitgereikt. Sergeant de Boer werd Ridder der Militaire Willemsorde, vierde klasse, en fuselier Djamidin begiftigd met de Medaille voor moed en trouw.

De Europeesche fuseliers Simon, Leonard en Ruskus, die zich mede dapper hielden en hun sergeant trouw gesteund hebben, werden eervol vermeld.

Eere deze dapperen!

ocr page 126

DE CONTRA-GUERILLA IN DE NOORDOOSTER LINIE TE ATJEH

1879

De lange duur van den Atjeh-oorlog stemt menigeen tot nadenken en spoort wel eens aan, op middelen te wijzen, waarvan men onderstelt, dat ze het spoedig be-eindigen van dien oorlog ten gevolge kunnen hebben.

Als een afdoende taktiek wordt, tegenover de guerilla der Atjehers, een contra-guerilla zeer aangeprezen. Maar dit middel kon bij sommigen geen bijval vinden, daar zij het Indisch leger niet geschikt achten om den kleinen oorlog (guerilla) te voeren. Hierover in krijgskundige beschouwingen te treden, is niet onze bedoeling. Wij weten, dat in het jaar 1879, onder den generaal K. van der Heyden aan enkele mobiele colonnes, handelingen werden opgedragen, die den kleinen oorlog het meest nabij komen , en wij willen , door het schetsen van eenige merkwaardige feiten, die daarbij plaats vonden. aantoo-nen, hoe het ons Indisch leger niet aan de geschiktheid ontbreekt, ja dat het, mits onder vaardige leiding, onder

ocr page 127

BE 1MAN VAN BHAMA

zijne krijgslieden zelfs de beste krachten telt, om met succès de contra-guerilla te beproeven.

I. DE IMAN VAN BRAMA

I879

De Iman van Brama, een der voornaamste hoofden van de XXVI Moekims, had voortdurend voor onze zegevierende bajonnetten moeten wijken; zijne benden, bij herhaling verslagen en uiteengedreven, waren geheel ontmoedigd. Om tijd te winnen en zijn krachten te herstellen, nam hij het meer beproefde middel der Atjehers te baat: hij veinsde onze vriend te zullen worden en in onderhandeling te willen treden. Als een der oudste hoofden, tevens met het priesterlijk gezag bekleed, had de Iman van Brama geen geringen invloed; zijne volgelingen hadden in hem een onbeperkt vertrouwen , want, schoon oud in jaren, zijn geest bleef steeds helder en zijn hart moedig. Aan een patriarchaal voorkomen paarde hij de fiere houding eens krijgsmans. Het was een krachtig grijsaard met scherpgeteekend gelaat; zijn hoog voorhoofd, waarop twee diepe rimpels naar boven liepen , teekende wilskracht, terwijl zijne donkere, diepliggende oogen list en slimheid uitdrukten; zijn doorzicht werd overal bewonderd en zijne godsvrucht geprezen; geen wonder dus, dat het civiel bestuur zeer ingenomen was met het bericht, dat deze zoo populaire Iman zich bereid verklaarde, met de Compagnie te willen onderhandelen. Maar te vergeefs wachtte de heer Kamp,

117

ocr page 128

T)R IMAM

controleur der noordooster-linie, op dezen hoofdman. Werd er om opheldering gevraagd, zoo ontving men steeds verontschuldigingen; dan was hij ziek, of moest in deze of geene Missigit de leer van den profeet verkondigen; eene andere maal, beweerde hij te oud en te zwak te zijn om den langen weg af te leggen; kortom, de Iman zocht voortdurend uitvluchten. Zoo stonden de zaken, toen de heer Kamp, wegens ziekte van Tjadé overgeplaatst, vervangen werd door den kapitein der infanterie Halewijn, die tijdelijk met het waarnemen van het civiel gezag in de noordooster-linie belast werd.

Ook kapitein Halewijn beproefde vruchteloos den Iman tot eene samenkomst te bewegen. Lankmoedigheid tegenover den Iman leidde tot niets, dit zag de kapitein zeer goed in, en hij besloot de zaak op militaire wijze uit te maken, d. w. z. niet met veel praten, maar door handelen. Zoo ontstond het plan den Iman op te lichten.

Het waagstuk mag stout heeten, maar welke krijgsman deinst voor stoutheid terug? Voorzeker niet de kapitein Halewijn. Doch voor en aleer aan zijn plan uitvoering te geven, moesten noodwendig eenige inlichtingen ingewonnen worden, want evenveel voorzichtigheid eischte de voorbereiding, als de uitvoering voortvarendheid. Te Tjadé bevond zich onder onze gidsen de Atjeher Nja-Joesoef, die, uit de XXVI Moekims afkomstig, bij den beruchten hoofdman moest gediend hebben; diens inlichtingen werden ingewonnen. Toen hem vragen werden gesteld betreffende de ligging van den kampong, de richting der wegen en de beschrijving der woning van den Iman, raadde Nja-Joesoef welk plan er bestond, en zijn gelaat teekende eene boos-

118

ocr page 129

VAN BR AM A

aardige uitdrukking. „De kerel denkt ons een kool te stoven, of wel hij is des Iman's doodvijand,quot; zoo dacht kapitein Halewijn.

„Kent gij den Iman?quot; was verder de vraag.

„ Heer, zoude ik hem niet kennen, die mij ongelukkig maakte en mijne bloedverwanten vervolgde!quot; En uit het verhaal van zijne lijdensgeschiedenis bleek duidelijk, dat de Iman van Brama niet tot de vrienden van onzen gids behoorde, wat in deze omstandigheden voor ons van veel gewicht was.

De kapitein maakt den linie-commandant bekend met het doel van zijne onderneming; maar het plan wordt, om weinige kans van slagen, niet gereedelijk aangenomen. Kapitein Halewijn weet echter de bezwaren spoedig uit den weg te ruimen, niet ten onrechte bewerende, dat zwakheid tegenover dien Atjeher zeer ernstige gevolgen kon hebben.

Op den 4cn April 1879 had het, zoo weinig bekend, maar niettemin belangrijk en merkwaardig feit plaats, en opende het de reeks van stoute ondernemingen van dezen even beleidvollen als dapperen officier, 's Avonds te zeven uur vertrok kapitein Halewijn uit Tjadé met een detachement sterk twee luitenants (Kleian en Puffius), twee onderofficieren, vijftig minderen en vier dwangarbeiders met twee brancards naar Lamnja, alwaar men tegen negen uur onder een stortbui aankwam. Te Lamnja werd de troep versterkt met een Europeesch en een Inlandseh onderofficier en twaalf fuseliers, en daarna in vier sectiën gesplitst; elk officier kreeg het bevel over twee sectiën; twee onderofficieren en zes fuseliers werden aangewezen als voorwacht,

119

ocr page 130

DE IMAN

waarbij de gidsen Nja-Achniat en Nja-Joesoef werden ingedeeld.

De manschappen, waaruit dit detachement bestond, waren wel ferme en voor die onderneming uitgezochte soldaten, maar hunnen aanvoerder en den officieren waren ze onbekend En toch, hoe noodzakelijk^ is het bij dergelijke omstandigheden, dat officieren en minderen elkander kennen. Te Atjch moest echter, uit gebrek aan troepen, menigmaal van dit stelsel afgeweken worden ; en is het daarom dubbel te waardeeren, dat de Indische soldaat steeds zoo flink zijn plicht weet te doen.

Kampong Brama lag slechts een goed uur gaans van onze benting Lamnja, waarom besloten werd den afmarsch zóó te regelen, dat men bij de morgenschemering aldaar zou aankomen, om de wegen , huizen en verdere terrein-voorwerpen beter te kunnen onderscheiden. Bij het aankondigen van het vierde morgenuur marcheerde de colonne met den commandant en de gidsen aan het hoofd, uit Lamnja. De grootste stilte was aanbevolen en onder geen voorwendsel mocht gevuurd worden. De rivier bij het ooster-bastion werd eerst doorwaad en na hare kronkelingen ongeveer 500 passen gevolgd te hebben, sloeg men in oostelijke richting een voetpad in. De regen, die tot laat in den nacht aanhield, had dit pad week en glibberig gemaakt, en slechts met moeite ging de marsch op dezen ruwen weg voort. Reeds een uur was verstreken en nog was kampong Brama niet zichtbaar; kapitein Halewijn kreeg wantrouwen in zijnen gids en onwillekeurig zocht zijne hand naar den revolver. Dit ontging Nja-Joesoef niet; „Laat dat, Heer,quot; zeide hij, „Nja Joesoef is geen ver-

I 20

ocr page 131

VAN HHAMA

rader en binnen Het kwartier zijt gij in den kampong.quot;

Daar donderde het morgenschot. Van de reede van Olehleh rolde het over de vlakte, en de bergen weerkaatste het in een dof gedreun. „Hoort gij Heer,quot; riep Nja Joesoef angstig, ,, spoeden wij ons Brama te bereiken vóór het dag wordt, anders zijn wij verloren!quot;

In korte oogenblikken was de achterkant van den kampong bereikt; een sterke pagger sloot eiken toegang af, en zonder den gids hadden de onzen lang moeten zoeken. Nu werd halt gehouden om de orde in de gelederen te herstellen, terwijl Nja-Joesoef den kapitein een paar passen verder bracht, en hem op een donkeren hoek wees, waarachter des Iman's woning moest staan. Met de meeste omzichtigheid trok men in die richting vooruit; zonder gedruisch te maken had men den hoek bereikt.

Aan dezen kant was een ingang, die men argeloos had laten openstaan, zoo weinig bestond het vermoeden, dat de Nederlandsche krijgslieden tot hier zouden doordringen.

Geen geluid van menschelijke stemmen werd gehoord; de geheele omgeving scheen dus nog in diepe rust. De rechterkant en voorzijde van de woning werden aanstonds door het eerste peloton bezet, doch op het oogenblik, dat luitenant Kleian het volgende peloton wenkte om de beweging te volgen en dan den linker achterkant af te zetten, hoorde hij eensklaps gedruisch achter zich ; omziende ontdekte hij in een wachthuisje, dat geheel verborgen was achter de dicht overhangende takken van een warinm'n,

O '

eenige Atjehers, die van de baleh-baleh (brits) opsprongen en hunne klewangs trokken. Kleian had nog juist den tijd , zijn commandant te waarschuwen en een duchtigen houw

121

ocr page 132

DE IM.VN

te pareeren; met eene behendigheid en eene kracht, zooals alleen het grootste levensgevaar den mensch geven kan, wist kapitein Halewijn een ander Atjeher, die hem aanviel, zoo'n hevigen vuistslag tusschen de oogen toe te brengen, dat deze waggelend neêrviel. Intusschen waren een zestal forsche Europeesche fuseliers bijgesprongen en hadden zich op de wacht geworpen, haar ontwapend en geboeid. Onder bedreiging hen overhoop te zullen steken, indien zij eenig gerucht maakten , werden de gevangenen in handen gesteld van den luitenant Puffius, die met eenige manschappen den ingang bewaakte. Toen de woning van den Iman omsingeld en het erf aan alle kanten afgesloten was, omklemde kapitein Halewijn vaster zijn sabel en schoof den revolver naar voren. Het verblijf van den Iman tot aan de trap naderende, riep hij met plechtigen ernst:

„Iman van Brama, de kapitein Halewijn, controleur der noordooster linie, spreekt tot u. Hij komt u halen, wee u, zoo gij niet volgt!quot;

Eene doodsche stilte was het eenige antwoord. Verschillende gedachten schoten den onverschrokken officier op dit oogenblik door het hoofd en een plotselinge achterdocht ontwaakte in hem. Was de Iman gewaarschuwd, school niet eene talrijke menigte in die woning, gereed tot een bloedig gevecht ?

Nogmaals werd de Iman gesommeerd en ditmaal bedreigd met het inbrandsteken van zijne woning, zoo hij weerstand bood. Daar kraakte de bamboezen deur, en op den drempel verscheen de hooge, nog rechte gestalte van den grijsaard. „Hier ben ik, heer kapiteinquot;, stamelde hij , en met samengeperste lippen en afgemeten schreden kwam hij

122

ocr page 133

VAN BKAMA

de trap af. Tot voor den kapitein genaderd, boog hij in deemoedige houding, vouwde beide handen boven het hoofd, en bad op zijne knieën om genade. „Hoera!quot; was de zegekreet der soldaten , die hunne vreugde niet wisten te bedwingen.

„ Stilte! stilte!quot; riepen officieren en onderofficieren , maar het was te laat. Uit den slaap gewekt door den bekenden oorlogskreet der onzen , stormden de bewoners der omliggende woningen naar buiten. Verbazing en schrik vertoonden zich op aller gelaat. Zij waanden zich verloren en gillend vluchtten velen den kampong uit. Door plotselinge vrees overvallen, dacht geen hunner er aan, het alarmsignaal te slaan.

„Iman van Brama, sta opquot; gebood kapitein Halewijn. „ U zij vergiffenis geschonken, doch gij volgt ons.quot;

Op een gegeven teeken naderden twee dwangarbeiders met een draagstoel, waarin de gevangene werd uitgenoo-digd plaats te nemen. Zijne vrouwen en kinderen liepen handen wringend om hem heen, denkende, dat zijn laatste uur geslagen had, want wat wisten zij van genade?

Een jong meisje , zijne kleindochter, wierp zich met een doordringenden kreet op de soldaten, doch de Iman trok haar tot zich en trachtte zijne beminde kleindochter door teedere woorden tot kalmte te brengen. Weenend verborg zij haar gelaat tusschen de plooien van zijn wit opperkleed, en wendde elk oogenblik hare schoone, betraande oogen smeekend tot den kapitein. De kinderlijke liefde, die uit geheel hare houding sprak, de smartelijke uitdrukking, die uit hare oogen straalde , wekten zoowel bij soldaten alsofficieren een innig medelijden.

123

ocr page 134

DE I M AN

„Iman van Brama, zeg aan uwe kleindochter, dat u geen leed zal geschieden, de blanda's zijn grootmoedig en vergunnen haar u te volgen.quot;

„Heb dank. Heerquot; antwoordde de grijsaard, maar van onder zijne grijze wenkbrauwen schoot hij een blik vol haat op de onzen, en zijne onderwerping was als die van een gevangen tijger.

Nadat de Iman in den draagstoel had plaats genomen, werd de terugmarsch aanvaard. Toen de bevolking haar hoofd tusschen de bajonetten zag wegvoeren, week hare besluiteloosheid. De tong-tong deed zich nu krachtig hooren , en weldra klonk dit alarmsignaal ook in de omliggende kampongs. Met versnelden pas ging de troep denzelfden weg terug, maar nauwelijks eenige honderden schreden verder, of uit verschillende kampongranden knalden ontelbare schoten schielijk achter elkaar. Zonder hierop acht te geven, vervolgde de colonne haren weg, achtervolgd door drommen Atjehers, die brullend en tierend hunne veilige schuilplaatsen verlieten en roekeloos opdrongen. Ook op de flanken vertoonde zich eene groote menigte vijanden, om den onzen den terugtocht afte-snijden. Het werd hoog tijd, die bruine duivels van zich af te houden , en eenige goedgerichte salvo's bewezen hun, dat de blanda's geen scherts verstaan. De achterhoede vooral had cene zware taak te vervullen ; maar de krachtige houding der colonne noopte den vijand eindelijk tot stilstaan. Te vergeefs trachtten de voorvechters hunne makkers door opgewonden woorden en gebaren tot een klewangaanval aan te moedigen, de Atjehers zagen maar al te goed in, dat zulk eene vermetelheid hun slecht

124

ocr page 135

VAN BRAMA

zou bekomen. Allengs bleven zij achter, en staakten tenslotte voorgoed hunne pogingen om den Iman te ontzetten.

Tegen zeven uur bereikte men Lamnja; de bezettingstond met geladen stukken in alarmstelling, om. zoo noodig, den terugtocht der colonne te dekken. Tijdens een kort oponthoud werden de manschappen aldaar door de officieren op wijn onthaald. Terwijl de marsch verder naar Tjadé werd voortgezet, kondigden uit Lamnja, volgens afspraak, drie kanonschoten den linie-commandant het welslagen der onderneming aan. De geheele bezetting van Tjadé, met de muziek aan het hoofd, verzamelde zich voor de poort, en nauwelijks was de dappere colonne in het gezicht, of de plechtige tonen van het „Wien Neêrlandsch bloed quot; deden zich hooren. Op de binnenplaats der versterking schaarde nu kapitein Halewijn zijn troep in orde van bataille; de linie-commandant, gevolgd door zijne officieren, naderde het front, en in warme bewoordingen prees hij het beleid van den kapitein en dat der officieren; betuigde den manschappen zijne tevredenheid over hun moedig gedrag, en wees er op, hoe zij alweder getoond hadden, dat Nederland met recht roem mag dragen op het Indische leger. Hij eindigde zijne toespraak met een „Leve de Koningquot;, waarmede de geheele bezetting onder een donderend „hoeraquot; instemde.

Omtrent het verdere kunnen we kort zijn; wij behoeven slechts te melden, dat na deze gebeurtenis de schrik velen Imans en Hoeloebalangs om het hart sloeg, en zij veel handelbaarder werden. Twee zoons van den Iman van Brama, hoofden van kampongs, maakten eenige dagen later hunne opwachting bij den kapitein Halewijn, ten

125

ocr page 136

DE TOCHT

einde over de invrijheidstelling van hun vader te onderhandelen. Het waren flinke mannen, krijgshaftig van uiterlijk en met beschaafde manieren.

Die onderhandelingen hadden echter, zoo wij ons niet vergissen, geen bevredigende uitkomst, daar hun vader, de Iman van Brama, om bijzondere redenen, op last van het civiel bestuur, naar Tjilatjap werd verbannen, en kort daarop aan de aldaar inheemsche koorts bezweek.

II. DE TOGHT NAAR DOERANG

Wij schreven het jaar 1879; het gedeelte van de bevolking der XXVI Moekims was tot geene toenadering te bewegen; de gesteldheid van den bodem en de gemakkelijke wijze, waarop zij zich van buiten van wapens en munitie kon voorzien, sterkte haar in een hardnekkig verzet. Vruchteloos waren de onderhandelingen van den kapitein Halewijn, waarnemend controleur der noordoostelijke linie, met den Panglima der Moekims, Srie-Moeda, meer bekend onder den naam van Toekoe-Tjoet-Lamreng, die, overigens zeer vredelievend van aard, geheel onder den invloed stond der oorlogspartij, waarvan zijn schoonvader, Toekoe-Moeda-Toengkoep, de ziel was.

Eindelijk ontving de kapitein-contröleur in April 1879 het bericht, dat te Toengkoep eenige hoofden zouden vergaderen om over de voorwaarden der onderwerping te beraadslagen. Dit bericht werd door Toekoe-Tjoet bevestigd , die tevens uit naam der hoofden het verzoek deed, het vuren in de noordooster-linie gedurende 4 dagen te staken, opdat de vergadering niet gestoord zoude worden.

126

ocr page 137

NAAR DOEEANS

Daar men vertrouwde op de verzekeringen van dezen voornamen hoofdman, werd het verzoek ingewilligd, en men verheugde zich er over, dat de gespannen verhouding tot eene vredelievende oplossing zou geraken. Maar de leugenachtige aard der Atjehers verloochende zich ook nu niet. Instede van te Toengkoep te vergaderen, maakten zij misbruik van ons vertrouwen en gebruikten dien tijd om eenige ijzeren kanonnen, die in een put van het geslechte Lampong geborgen waren, op te delven en deze in positie te stellen tegenover onze posten der noordoostelijke linie.

Voorwaar, eene moeilijke taak voor den ridderlijken Nederlandschen officier om, tegenover zulk gespuis, als diplomatiek agent op te treden. Het geduld van den kapitein-controleur Halewijn was echter uitgeput; te lang, meende hij, had men de aanmatigende houding der Atjehers moeten verdragen. Wie zal het hem euvel duiden, dat hij, verontwaardigd over zooveel verraad, eindelijk het voorstel deed, de Missigit Lambaroe en Toengkoep door eene nachtelijke coup-de-main te nemen, ten einde die plaatsen voor de toekomst als schuilplaats voor den vijand onschadelijk te maken. Helaas, generaal van der Heyden kon, met het oog op de operatiën in de XXII Moekims, geen troepen missen en mocht, hoe gaarne ook, aan dit voorstel zijne goedkeuring niet hechten. Intusschen werd er voorloopig bepaald, den kampong Doerang, gelegen bij het Pedro-punt, bij verrassing te nemen en te verbranden, om later ook de kampongs Landoeng en Kroeëng-Raja hetzelfde lot te doen ondergaan. Te Doerang en Kroeëng-Raja namelijk

127

ocr page 138

DE TOCHT

werden, niettegenstaande de blokkade, voortdurend groote hoeveelheden levensmiddelen en krijgsbehoeften ontscheept, welke meestal in kleine prauwen werden aangebracht en van daar hun weg vonden in de XXII en XXVI Moekims. Langdoeng was het tusschenstation, van waar een pad in zuidelijke richting over de Gé Goedja naar de XXII Moekims loopt.

Kort voordat er van eene onderneming naar Doerang sprake was, rapporteerde de commandant van Koewala Loe, dat op een nacht in de maand April, een klein stoomschip nabij het Pedró-punt goederen had ontscheept, welke goederen door de bewoners van kampong Doerang in ontvangst waren genomen.

Onze spionnen bevestigden dit bericht en verzekerden tevens, dat Doerang groote magazijnen bezat, waarin, behalve mondbehoeften, ook veel kruit en lood geborgen waren. Deze mededeeling gaf den doorslag, om zulk een smokkeloord ten spoedigste te verdelgen. Aan kapitein Halewijn werd overgelaten den dag voor deze onderneming te bepalen.

Zij had, met evenveel beleid als moed, in den nacht van 16 op 17 Mei, plaats. Omstreeks half zes uur 's avonds van dien dag arriveerde kapitein Halewijn te Tiade, alwaar de manschappen, welke aan dezen tocht zouden deelnemen, eerst na het sluiten der poort van het plan verwittigd werden. Het detachement bestond uit 80 bajonetten meteen adjudant, dienstdoend officier, van den Waarden, den officier van gezondheid van Dam, twee vertrouwde gidsen en kapitein Halewijn tot commandant. Het weêr begunstigde dezen nachtelijken tocht, de regen viel bij stroomen; de

128

ocr page 139

NAAR DOERANG

wind huilde en gierde , en speelde tergend met de takken der boomen, die krakend heen en weêr schudden; geen ster fonkelde aan den donkeren hemel; slechts nu en dan verlichtte een bliksemstraal den zandweg, welken de troep volgde om Koewala-Loé te bereiken. Met recht mocht verondersteld worden, dat geen vijandelijke marau-deurs zich bij zulk weêr op het pad zouden wagen , zoodat de colonne, niettegenstaande de gewisselde signalen met andere posten, kans had ongemerkt te Koewala-Loé aan te komen.

Na een half uur gaans bereikte men de lagune, gelegen bij Koewala-Gighen ; de regen had deze doen zwellen en het stinkend moeras wierp, door den hevigen wind bewogen, zijne golfjes buiten den oever; de gidsen toonden een waadbaar gedeelte en, dit gevolgd hebbende, kwam men behouden aan den overkant. De kleêren waren stijf van de modder en aan de naakte beenen der Inlandsche soldaten kleefden eene menigte bloedzuigers.

Hoe moeielijk echter de tocht zich in den beginne liet aanzien, onze soldaten waren vol moed en met koortsig ongeduld vervolgden zij den lastigen weg. De marsch werd langs de posten der noordoostelijke linie voortgezet; te Kadjoe stelden zich de tweede luitenant Hekkingmetzo bajonetten en te Lamnja de tweede luitenant Schutter met 15 bajonetten, mede onder bevel van kapitein Halewijn. Van Lamnja werd de tocht steeds moeilijker. Nu eens moest men over omgevallen boomstammen klauteren, dan weer zich een weg banen door stekelige slingerplanten. Zonder verontrust te worden, bereikte men eindelijk tegen middernacht Koewala-Loé, alwaar halt gehouden werd, 11 9

129

ocr page 140

DE TOCHT

om de wapens in orde te maken en te rusten. Om half vier stond de colonne weêr aangetreden , en telde thans, behalve de reeds genoemde officieren, 3 hoornblazers, 85 bajonetten en twee tandoes met het noodige ambulance-personeel. Ieder man was voorzien van 80 patronen ; reserve-munitie werd niet meegenomen. Vóór den afmarsch richtte kapitein Halewijn het woord tot zijne handvol strijders. Met de hem eigen korte, doch krachtige krijgsmanstaai, maakte hij de manschappen met het doel der onderneming bekend, wees hen op de noodzakelijkheid goed op de commando's te letten en drong er vooral op aan, spaarzaam te zijn met de patronen, daar munitie-verspilling op den geheelen ondergang der patrouille kon uitloopen.

De colonne werd in vier sectiën gesplitst en de marsch-vorm bepaald als volgt:

eene sectie als voorhoede onder den tweeden luitenant Schutter;

twee sectiën als hoofdtroep onder den tweeden luitenant Hekking, en de rest, als achterhoede , onder den adjudant onderofficier, dienstdoend-officier, van der Waarden.

De commandant hield zich bij den hoofdtroep, en de onderlinge afstand werd bepaald op 15 passen. Een detachement ter sterkte van 20 bajonetten, van de bezetting van Kwala-Loe, onder een beproefd onderofficier, volgde de colonne op eenigen afstand om haar in den rug te dekken.

De regen had inmiddels opgehouden, en eene diepe stilte verving het geraas van den storm. Haastig stapten de manschappen voort op den smallen weg, welke in zuidelijke richting langs de helling der Glé-datoe-Trya loopt.

ocr page 141

MAAR DOERANGr

Na een marsch van een half uur was het voetpad bereikt, dat Lambaroe Angen met Doerang verbindt. Het tot dekking behoorende detachement werd hier achtergelaten en bedekt opgesteld.

De colonne vervolgde haar weg langs een voetpad, dat, door zwaar kreupelhout begrensd, zoo smal was, dat slechts op één gelid kon gemarcheerd worden. Op de rechterflank had men het gebergte, dat zich in de duisternis als eene vormlooze massa vertoonde. Als nachtelijke schaduwen gleden onze soldaten door het bosch; het afgevallen loof der boomen verdoofde eiken voetstap, en behalve het geschreeuw van een enkelen vogel, die uit zijn slaap opschrikte, of het gehuil van wilde dieren in de verte, was ailes stil in de omgeving.

Nu en dan werd halt gehouden om de gelederen te doen opsluiten; de commando's klonken schier onhoorbaar en de grootste oplettendheid werd in acht genomen. Tegen den morgen werd het bosch al ijler en ijler, en zag men op vele plaatsen sporen van olifanten. Weldra ontwaarde men ook de lagune, waar Doerang moest gelegen zijn. Menig hart klopte nu sneller, want het doel van den tocht was welhaast bereik. Elk besefte, dat het welslagen der stoute onderneming slechts van aller koelbloedigheid en voortvarendheid athing. Op een teeken van den commandant hield de colonne halt, en verborg zich achter het struikgewas. Vergezeld van den luitenant Schutter en de spits, begaf kapitein Halewijn zich naar den boschrand. Voorzichtig slopen zij nader, en de struiken terzijde buigende, werd de rand bereikt, alwaar, op ongeveer 200 passen vooruit, Doerang zichtbaar was. De kam-

ocr page 142

DE TOCHT

pong lag achter een 50 meter breeden arm der lagune

Intusschen was het dag geworden. In de lagune, die door de opkomende zon als met glinsterende vonken was bestrooid, baadden zich vrouwen en kinderen, die vroolijk en onbezorgd in het rond plasten. Aan den anderen oever sloegen eenige Atjehers dit spel met welgevallen gade; een tiental visschers togen met hunne netten naar zee; alles ademde hier rust en vrede. Geen dier moedige zonen van het gebergte scheen zich bewust, dat het uur der wrake eindelijk geslagen had. Daar richtten drie Atjehers, waaronder één gewapend, hunne schreden naar het woud. „ Nu zult je 't hebben,quot; mompelden onze soldaten, legden den vinger aan den trekker van het geweer, en volgden met ingehouden adem de bewegingen hunner officieren. Zonder erg naderden de drie Atjehers, toen zij eensklaps boven het struikgewas de gebaarde en uitdagende tronies onzer soldaten ontdekten. Tot geen geluid of beweging in staat, stonden zij daar een oogenblik verlamd van schrik; hun gezicht drukte de grootste ontzetting uit. Eindelijk, als uit een droom ontwakende, loste de gewapende Atjeher in het wild een schot en alle drie verdwenen luid schreeuwende in het kreupelhout.

Luitenant Schuttter kreeg last, met de voorhoede te stormen, en aan de oostzijde positie te vatten; de adjudant, dienstdoend-officier, van der Waarden, met de 2e sectie, zou volgen en in de kampong stelling nemen, en de luitenant Hekking met de overige manschapen en de ambulance den ingang bezetten.

„Zuinig zijn met de munitie,quot; was tevens het waarschuwend bevel van den commandant. Met bliksemsnelheid

132

ocr page 143

NAAR DOF. RANG

sprong nu de troep naar voren, stortte zich in de lagune en in den looppas bestormde hij den kampong.

Door angst en schrik voortgejaagd, vluchtten de vrouwen met loshangend haar, hare naakte kinderen met zich voerende, het geberte in; de mannen snelden huiswaarts om zich te wapenen. Intusschen werden de voorgeschreven bevelen door de verschillende afdeelingen met juistheid uitgevoerd. Bij de nadering der troepen deed zich in de kampong de bekende oorlogskreet hooren, doch dit teeken tot den strijd bracht maar weinigen tot bezinning; door een panischen schrik overvallen , vluchtten allen naar het gebergte. Slechts een klein gedeelte had tijd en moed om den ingang te verdedigen. Na een kort doch hevig gevecht met de voorhoede, sloegen ook zij met achterlating van 5 gesneuvelden , op de vlucht. Het werk der vernieling nam thans een aanvang; pakhuizen, gevuld met rijst, peper, zout, suiker en scheepsbe-noodigheden, werden eene prooi der vlammen. Wapenmagazijnen werden vernield. Snel greep de brand om zich heen en weldra verkondigden de hoog opstijgende rookzuilen aan de verschillende posten der noord-oostelijke linie het welslagen der onderneming.

Doerang was vernield en den vijand eene belangrijke schade toegebracht. Nadat de kampong verwoest was, werd een peloton onder luitenant Schutter aangewezen om bij de langune post te vatten , de vaartuigen te vernielen en den toegang tot het gebergte te observeeren.

Met het andere peloton begaf kapitein Halewijn zich nu naar zee, waar drie groote prauwen onbruikbaar werden gemaakt. De vijand, die zich eenigzins hersteld had,

133

ocr page 144

DE TOCHT NAAR DOF.llASG

trachtte dit echter te beletten door een hevig vuur te openen op de onzen. Door het schieten en de rookzuilen opmerkzaam gemaakt, waren de kampongs op den been gekomen; in het gebergte weerklonk de koehoorn en alle weerbare mannen trokken ten strijde.

Talrijke groepen Atjehers stormden nu te zamen en drongen onder een wild geschreeuw naar voren, om den terugkeerenden troep te achtervolgen en honderden kogels werden den onzen achterna gezonden. Onder eene hevige schermutseling bereikte men Koewala-Loé , waar men tegen tien uur aankwam. Na een paar uren rust, keerden officieren en manschappen naar hun garnizoen terug.

De vernieling van Doerang zal wellicht voor hen, die het Indische leger zoo gaarne van snoode buitensporigheden en gruwelen beschuldigen , een feit te meer zijn , waarmede zij hunne bewering denken te staven. Door hen , die onbekend zijn met gebiedend noodzakelijke oorlogshandelingen , die het spoedig ten einde brengen van een krijg ten doel hebben, worden die handelingen scheef beoordeeld en, helaas, maar al te dikwijls ten onrechte veroordeeld. Komt de Indische manier van oorlogvoeren niet overeen met de hedendaagsche Europeesche beginselen , men bedenke, dat men hier tegenover een vijand staat, die ridderlijkheid met sluw verraad en woordschending beantwoordt, en.....,, a chaque mal propre

remède.quot;

Niettegenstaande de ruwe vergelijking van den Indischen krijgsman met Barbaren, Turco's, Barschi Boezoeks en wat dies meer zij, mag toch een ieder zich koen laten inschrijven op de rol van het Indische leger, en het zich

134

ocr page 145

S KLKM PO-BOEN G

steeds als eene eer aanrekenen, eenmaal te hebben gediend onder de zoo fiere, zoo waardig wapperende driekleur onzer koloniën.

III. SELEMPO-BOEM G

Van de bevolking der XXVI Moekims waren de bewoners van kampong Lamrong ons het best gezind, alhoewel zij, uit vrees voor de oorlogspartij, van hunne gezindheid geene blijken durfden geven, te meer daar de houding der daarneven liggende kampongs Loengi en Roempit hoogst twijfelachtig bleef. Bovengenoemde kampongs lagen tegenover onze benting Oleh-Karang en waren door een drooge sawah van circa 800 M. daarvan gescheiden. Van de versterking gezien, strekte zich de kampongrand uit zoover het oog reikte; huizen waren niet te onderscheiden, verborgen als zij lagen achter den weelderigen rijkdom van den Indischen plantengroei; hooge bergen sloten den gezichteinder af. Den kalmen toeschouwer bood dit landschap een schilderachtig tafereel aan, doch te Oleh-Karang wist men maar al te goed, dat de engel des vredes hier zijn palmtak niet zwaaide, want de rookwolkjes en het doffe knallen van geweren achter pagger en boschrand zeiden heel wat anders. Het was generaal K. van der Heyden bekend, dat het hoofd van Lamrong, Toekoe Lemboe, ons vriendschappelijk gezind mocht heten, en daar Lamrong tevens de bakermat was van den panglima der XXVI Moekims, zoo hoopte

135

ocr page 146

SELK.MPO-BOENG

de bevelhebber, door bemiddeling van Toekoe Lemboe met den pangijma in aanraking te komen. Om de toenadering te vergemakkelijken en van de goede gezindheid der bewoners van Lamrong voordeel te trekken, werd op den 26° April 1879kapitein Halewijn, fungeerend civiel-gezaghebber der noordoostelijke linie, naar Oleh-Karang overgeplaatst, met last tevens aldaar het commando der 4e compagnie van kapitein Bindervoet van Nahuys over te nemen , die wegens ziekte naar de ambulance vertrok.

Het was een kranige troep, die 4e compagnie, 3quot; gar-nizoens-bataillon; een werkzaam aandeel had zij genomen aan de krijgsverrichtingen tegen Bakramat, Selempo-Boeng, Saloe, bij het veroveren der geduchte vijandelijke versterking Lamjong enz.

Gedurende deze tochten , die zij als mobiele colonne meêmaakte, en waarbij zij dikwijls geheel op eigen hand opereerde, heeft de 4e compagnie zich niet alleen onderscheiden door groote dapperheid en doodsverachting, maar ook door den goeden geest, dien zij steeds wist te handhaven. Onder den dichtsten kogelregen zongen de manschappen de vroolijkste soldatenliederen, en tegen hunne bajonet-aanvallen waren zelfs de dapperste Atjehsche benden niet bestand. In dien tijd was het geene zeldzaamheid zulke flinke colonnes aan te treffen, maar toen mocht men ook den vijand onder de oogen zien. De werkeloosheid echter, waartoe de invoering van het civiel bestuur het leger dwong, ja zelfs het terugschieten om politieke redenen verbood, bracht een gevoeligen knak aan den krijgshaftigen en onovertroffen militairen geest onzer wakkere krijgers toe

136

ocr page 147

SF.LF.MPO-BOEN'G

De eenvouditre soldaat toch bekommert zich om ween

O O

politieke redenen, en verdiept zich daarin niet; zoolang de kogels hem om de ooren fluiten, al zijn die ook maar van kwaadwilligen, denkt hij zich in vollen oorlog; geen wonder dus dat de bruinverweerde gezichten ontevredenheid uitdrukten in deze gedwongen machteloosheid. Bij elk schot uit de verraderlijke kampongranden , wendden de manschappen woeste blikken in die richting en balden hunne vuisten. Troffen die schoten een kameraad, dan snelden zij naar de geweerrakken, maar één wenk, één blik der officieren, was voldoende hen te herinneren aan het verbod van te vuren, maar de zelfverloochening',

o '

dien braven opgelegd, was groot.

Haasten wij ons echter te melden, dat aan zulken onhoud-baren toestand later een einde kwam , en verhalen wij liever hoe de 4e compagnie zich opnieuw onder kapitein Halewijn wist te onderscheiden bij de overrompeling der vijandelijke versterking Selempoe Boeng. Het voornemen bestond om een inval te doen in de XXVI Moekims; maar omdat ons van die streek zoo weinig bekend was, vond de commandant der noordooster-linie het van zeer veel gewicht, in de nabijgelegen Blang-Bintang eene benting te bouwen, welke tot steunpunt voor de ageerende troepen moest dienen Toen nu door onze spionnen gemeld werd, dat achter kampong Lam-pong, nabij Selempoe-Boeng, door de Atjehers eene versterking was opgeworpen om ons den weg naar de XXVI Moekims te versperren, wees kapitein Halewijn er op, hoe juist die vijandelijke benting in onze handen eene uitmuntende verbindingspost en steunpunt zoude

137

ocr page 148

SKLEMPO-BOENG

zijn gedurende de voorgenomen operatiën , en besloot hij verder de versterking bij verrassing te nemen. Kapitein Halewijn , die aan eene bewonderenswaardige vermetelheid een zeldzaam beleid paarde, was wel de man aan wien eene dergelijke onderneming mocht worden toevertrouwd , en een officier, die alle eigenschappen in zich vereenigt, om tegen de Atjehers met succes een contra-guerilla-oorlog te voeren.

Was hij in de noordooster-linie de schrik van den vijand, bij de bevriende kampongs daarentegen was hij zeer in aanzien, vooral door zijn tact om met die lieden om te gaan; van hunne vriendschap verzekerd, maakte hij een ruim gebruik van de gelegenheden om zich van de handelingen des vijands op de hoogte te stellen. Toekoe Lemboe was zijn voornaamste berichtgever, maar uit vrees voor het hoofd der oorlogspartij, den beruchten Toekoe Iman Longbatta, moest deze, zoo er iets te melden was, steeds de duisternis afwachten, om kapitein Halewijn te spreken Op een nacht kwam hij bleek en ontdaan zich aanmelden: kapong Lamrong had hare gezindheid verraden en de Toekoe Iman Longbatta legde een ieder, die met ons heulde, het hoofd voor de voeten.

Eene patrouille uit Oeh-Karong was namelijk dien dag, gedurende hare verkenningstochten den kampong te dicht genaderd en de Lamrongers, die niet op haar gevuurd hadden, omdat zij gaarne onze vrienden bleven, waren daardoor in verdenking gekomen. Uit naam der kampongbewoners verzocht hij geen patrouilles meer uit te zenden. Dit verzoek kon echter, met het oog op de

138

ocr page 149

SELEIIPO-BOENG

terreinverkenningen, door kapitein Halewijn niet ingewilligd worden. Eene list was spoedig verzonnen; er werd afgesproken, dat kampong Lamrong in den vervolge, bij nadering van den troep, alarm zoude maken en op hem schieten; de onzen zouden dit flink beantwoorden. Men hield zich trouw aan deze afspraak, doch van weêrszijden

richtte men.....op de toppen der boomen. Deze list

gelukte volkomen en bracht de oorslogspartij geheel op een dwaalspoor.

De vijandelijke kampongs, achter Lamrong gelegen, begonnen daardoor minder waakzaamheid te ontwikkelen; met zulk een goed verdedigd vóórwerk als Lamrong, bestond er geen vrees voor eene overrompeling. Maar al te spoedig zouden zij hunne nalatigheid duur bekoopen.

De vijandelijke benting Selempo-Boeng, aanvankelijk zoo sterk bezet, werd nu slechts bewaakt door eene wacht van 50 Atjehers, die 's nachts verblijf hield in woningen, welke circa 40 meter van die benting gelegen waren.

Toen op den iquot; Juni 1879 Toekoe Lemboe zich weer kwam melden, besloot kapitein Halewijn de versterking dien nacht te nemen en verzocht hem den onzen tot gids te dienen.

De Atjeher sprong op, als raakte hem een gloeiend ijzer; de grootste schrik teekende zich op zijn gelaat. Neen, alles wilde hij voor de blanda's wagen, maar zulk een levensgevaarlijken dienst durfde hij niet op zich nemen.

Hij beschreef de gevaren aan zulk eene onderneming verbonden, en wendde al zijne welsprekendheid aan.

139

ocr page 150

SELEM PO-BOENG

om kapitein Halewijn van zijn voornemen te doen afzien. „Wat houdt u terug?quot; vroeg deze, „mijne dapperen kennen geen vrees, en zoo gij inderdaad onze vriend zijt, weigert gij geen dienst.quot;

Toekoe-Lemboe dacht een oogenblik na, en gaf zich gewonnen. Een goed glas wijn, hem aangeboden, en dat hij zich ondanks het verbod van den profeet naar behooren liet smaken , hielp hem alras, alle verdere angstige gedachten te onderdrukken.

Om half elf nam de tocht een aanvang. Luitenant Roersch, alsmede de adjudant-onderofficier van Osch, werd bij de colonne, die 60 bajonetten sterk was, ingedeeld.

De troep werd verdeeld in 3 sectiën, en strenge orders werden gegeven omtrent de in acht te nemen maatregelen; de grootste stilte werd aanbevolen en het schieten mocht alleen op commando geschieden. Zoo men op rondzwervende maraudeurs stiet, moesten deze met de bajonet onschadelijk gemaakt worden. Met kapitein Halewijn bevonden zich Toekoe Lemboe, twee zijner volgelingen, en Nja-Joesoep, aan het hoofd der colonne.

De nacht was zoo donker, dat men nauwlijks zijn vóórman onderscheiden kon; maar de marsch over de sawah werd ongestoord volbracht. Aan den kampong-rand gekomen, moest een voetpad gevolgd worden, dat zich in grillige bochten door de kampongs Loengie, Lamrong en Roempit kronkelde en langs eene menigte huizen liep.

Hoe dieper men doordrong, hoe zwarter en donkerder de nacht het groen der boomen kleurde. De troep

I40

ocr page 151

SF.LEMPO-BOEKG

vorderde slechts langzaam, want telkens moest halt gehouden worden om de versperringen op te ruimen, die zoo talrijk waren, dat het niet doenlijk was zonder gedruisch voort te gaan. Nauwelijks was men 300 passen doorgedrongen, of tot overmaat van ramp ontwaarde men, dat de achterste sectie, onder den adjudant-onder-officier van Osch, verdwaald was.

De toestand werd daardoor meer dan hachelijk. Door het woedend geblaf van honden, dat zich gelijktijdig deed hooren, vreesde men, dat die sectie ontdekt was.

Een beklemmend gevoel overviel den commandant en zijne officieren, want zoo van Osch zich verraden had, zoude dit aanleiding geven tot een verward schieten, dat de noodlottigste gevolgen kon veroorzaken.

Terstond werden eenige gidsen uitgezonden om de verdwaalde afdeeling op te sporen en terug te brengen. Onderwijl liet kapitein Halewijn zijne manschappen nederhurken.

Na verloop van een half uur, welken tijd men in de grootste spanning doorbracht, kwamen de uitgezonden gidsen met de 3e sectie terug; deze, bemerkende, dat zij een verkeerd pad gevolgd had, was naar de sawah teruggekeerd om aldaar stelling te nemen. Ten einde dergelijke voorvallen voor het verdere van den tocht te voorkomen, werd bevolen, dat de verschillende afdeelingen opgesloten zouden blijven; men hoopte op die wijze de voeling beter te onderhouden. De troep vervolgde den marsch langs de huizen der vijandelijke Atjehers; bijna tastend moest de weg gezocht worden. Maar hoe voorzichtig ook gemarcheerd werd, het dof gedruisch van

141

ocr page 152

SKLKM quot;O-BOENG

voetstappen, het kraken van brekende takken, konden niet vermeden worden en troffen het scherp gehoor der bewoners , waarvan sommigen zich aan den ingang hunner woningen vertoonden. Maar zoodra knarste eene deur, of de troep hield halt en verborg zich achter paggers en struiken. Alsof ze zich van niets bewust waren, stapten Toekoe Lemboe met de zijnen, onder het voeren van luide gesprekken, voort, richtten tot de kampongbewoners het woord en wisten dezer reeds opgewekten achterdocht geheel weg te nemen. Wat Toekoe Lemboe zeide en welke verklaring hij gaf van zijne aanwezigheid werd door de onzen niet verstaan , daar de Atjehsche taal gebezigd werd, maar wij mogen gelooven, dat hij een geslepen kerel was, daar geen Atjeher eenig wantrouwen deed blijken.

Intusschen kan men nagaan in welke spanning de onzen steeds den uitslag zijner woorden afwachtten.

Met het geweer vast in de vuist gesloten, waren zij gereed om op het eerste commando van de bajonet gebruik te maken.

Deze manoeuvre herhaalde zich zoo dikwijls, dat de colonne slechts zeer langzaam vorderde. Met schrik hoorde kapitein Hale wijn, dat Oleh-Karang reeds het eerste uur na middernacht op de metalen klok aangaf en hij bevond zich nog te midden der uitgestrekte vijandelijke linie!

Er werd besloten een anderen weg te zoeken: want niettegenstaande de bedachtzame tegenwoordigheid van geest der officieren, was het niet mogelijk, het hoorbaar strijken langs de, op het voetpad groeiende, struiken te

142

ocr page 153

SELF.MPO-BOEXG

vermijden. Gelukkigerwijs vond men spoedig een weg, die in oostelijke richting leidde en van lieverlede beter werd, zoodat men tegen half twee Blang Tanah bereikte. Hier stond het terrein grootendeels onder water, en men besloot daarom den boschrand te volgen.

Maar, o schrik, in die richting ontwaarde men tusschen het geboomte tal van lichtjes, die zich onregelmatig heen en weêr bewogen. Vermoedelijk waren het visschers die, zooals gewoonlijk, licht met zich voeren. „Haltquot;, klonk zacht het bevel, dat van sectie tot sectie werd overgebracht.

Snel wierp de troep zich plat ter aarde en verborg zich achter struiken en boomen.

De teleurstelling der soldaten was groot; door een onderdrukt mompelen gaven zij lucht aan hun misnoegen.

Na zooveel hinderpalen te hebben uit den weg geruimd , toch hun doel verijdeld te zien, bracht hun soldatengemoed in opstand.

Een minder loffelijk verlangen om die visschers te lijf te gaan, ten einde zich daardoor te verlossen van de spanning der laatste uren, kwam bij hen op, maar, hun plicht indachtig, wachtten zij geduldig de beslissing der officieren af.

De gidsen werden geraadpleegd, en Nja-Joesoef, die op kondschap ging, kwam spoedig met het bericht terug-dat de lichtjes niet anders waren dan vuurvliegen; de nabijgelegen moerassen maakten zulks begrijpelijk. „Verd... beestenquot;! bromden de soldaten.

En weer bewoog zich de troep stil voorwaarts, in de hoop geen verder oponthoud meer te zullen ondervinden.

143

ocr page 154

SELKMPO-BOENG

De maan was inmiddels opgekomen en overstroomde met haar vreedzaam licht het geheele landschap, waardoor de verschillende terrein-voorwerpen beter te onderscheiden waren. Ongeveer 10 minuien kon de colonne zoo gemarcheerd hebben, toen de spits op eenige honderden schreden van de te volgen richting een dak boven een pisangboom gewaar werd; een kort heesch geblaf deed vermoeden, dat men zich andermaal op bewoond terrein bevond. Toekoe Lemboe verzekerde echter, dat het dak, hetwelk men zag, dat van eene verlaten woning was. Zekerheidshalve werd één onderofficier met twee soldaten aangewezen om het terrein te verkennen en het huis te doorzoeken. Volgen wij deze patrouille op hare verkenning.

Met eene behendigheid, die men, zij het ook ten onrechte, wel eens aan onze Europeesche soldaten ontzegt, sloop de sergeant, en kort achter hem de twee fuseliers, door het hooggras en wildhout. Geen takje, dat onder hunne voeten brak; geen twijg bewoog zich door hunne aanraking. Een enkele eendvogel vloog luidschreeuwend omhoog, maar er zou eene grootere gave van opmerking dan waarover zelfs de scherpzinnigste Atjeher beschikt, toe behooren , om daarin iets buitengewoons te zien , want immers in de moerassen scholen tal van leguanen en slangen, die dat wild opmaken.

Op het voorbeeld van den sergeant hadden de manschappen der patrouille hunne kepi zoodanig met bladeren omwonden, dat zij het hoofd boven de struiken konden brengen, zonder vrees zich te verraden. Open plekken werden zorgvuldig vermeden, en sprongsgewijze van den

144

ocr page 155

SELEMPO-BOENG

eenen boom naar den anderen gaande, naderden zij de woning tot op 25 passen. Twee, drie minuten bleven zij onbeweeglijk liggen om in de schaduw der, langs de woning geplante, pisangboomen het huis te bespieden. Aan eenige staken hingen de vischnetten te drogen. De sergeant wees er naar, als wilde hij zeggen: „opgepast, die voorwerpen hebben eigenaars, die wellicht in het huis zijn.quot; De woning was op palen gebouwd, en stond ongeveer li M. boven den grond. De patrouille verborg zich daar onder; een aarden kookpot, die in den weg stond, werd bij ongeluk gebroken; men spitste de ooren of de bewoners daardoor gewekt waren, doch vernam noch gestommel, noch het regelmatig ademhalen van slapende menschen. Maar deze wetenschap was den patrouillecommandant niet voldoende, hij wilde ook, ingevolge opdracht, het huis doorzoeken.

Na de beide manschappen aan de trap geposteerd te hebben, beklom hij deze en tastte, op het voorportaal gekomen, in de gleuf van het afdak om zich te overtuigen , of daarin wapens geborgen waren. De Atjehers zijn gewoon hunne wapens onder het afdak boven de trap te bergen, om onder het afdalen tegelijkertijd er naar te grijpen, zoodat zij, zelfs bij eene onverhoedsche overvalling, nog tijd hebben zich te wapenen.

Scheuren in den wand en de openingen in het dak, lieten genoegzaam het maanlicht door om het inwendige van de woning op te nemen. De beide kamers, waaruit zij bestond, waren volkomen leeg.

Het terrein in den omtrek werd tot op ongeveer 50 passen doorzocht, en toen keerde de patrouille snel terug om II IO

145

ocr page 156

SELEMPO-BOEN'G

den commandant omtrent hare bevinding te rapporteeren.

„Voorwaarts,quot; beval de kapitein. Er was geen tijd meer te verliezen, en onder de woning werd de colonne verzameld, in afwachting dat de benting door de gidsen zou verkend worden. Deze bevond zich in de nabijheid, zooals Toekoe Lemboe verklaarde, en werkelijk zag men ongeveer 30c passen verder tusschen het geboomte het moeraswater glinsteren, waarachter Selempo-Boeng lag.

Voordat de gidsen zich van den hun opgedragen last gingen kwijten, verzocht kapitein Halewijn aan het hoofd van Lamrong alles nauwkeurig op te nemen, en vooral na te gaan, welke wegen toegang verleenden tot de benting; mocht de versterking bezet zijn en hij verhinderd wezen hiervan tijdig kennis te geven, dan zou het driemaal herhaald geluid van een uil den commandant voldoende inlichten, en zou de benting met geweld binnengedrongen worden.

„Ik weet het, Heer,quot; zeide Toekoe Lemboe, „Uwe krijgslieden deinzen niet terug voor de gapende monden der donderbussen, noch wijken zij voor den klewang, maar bedenk, de Atjehers zijn hier even talrijk als de boomen des wouds.quot;

„Ga, Toekoe Lemboe,quot; antwoordde de kapitein, „onze soldaten zijn niet gewoon huune vijanden te tellen.quot;

De gidsen lieten niet lang op zich wachten en meldden, dat de benting niet bezet was; twéé verschillende wegen leidden er heen: de eene liep langs de wachthuizen van een bewoonden kampong en werd bestreken door het geschut van Selempo-Boeng; de andere kwam uit op de linkerface dier versterking, waarvoor net 50 M.

146

ocr page 157

SELEMPO-BOENG

breede moeras zich uitstrekte. Kapitein Halewij n koos den laatsten, als zijnde de meest veilige. Ofschoon de niededeeling der gidsen overeenkomstig de waarheid kon zijn, werd toch besloten, de voorzichtigheid niet uit het oog te verliezen.

Toen de colonne het moeras tot op 50 passen genaderd was, ontvingen de luitenant Roersch en de adjudantonderofficier van Osch het bevel met hunne afdeelingen halt te houden. Met de overige manschappen wenschte de kapitein persoonlijk de sterkte te verkennen , hoofdzakelijk om te onderzoeken of de stelling geschikt was om bezet te worden. Het was een kritiek oogenblik; door het onvermijdelijk geplas in het water, kon de vijand ieder oogenblik gealarmeerd worden. Maar kapitein Halewijn vertrouwde op de bekende dapperheid en het beleid van luitenant Roersch, die wel wist, dat hij bij een mogelijk ontwaken van den vijand eene gewichtige taak zou te vervullen hebben.

Vóór het moeras werden 8 man in observatie achtergelaten, en met 12 anderen rukte de kapitein vooruit. Het water reikte den mannen tot aan de borst. Zoo voorzichtig mogelijk trachtte men de benting te naderen; boven de borstwering in den saillant, stak een vuurmond dreigend zijn grooten, plompen kop uit. Eindelijk was de voet der borstwering bereikt. Om den commandant geschaard, hield een ieder zich doodstil en luisterde met ingehouden ;,dem. Verscheidene minuten verstreken ; in de versterking heerschte eene sombere stilte. — Wij zullen de verschillende gewaarwordingen, in die oogenblikken door het kleine troepje doorleefd, niet beschrijven; hoewel de gidsen

147

ocr page 158

SELEMPO-BOENG

verzekerden, dat de positie niet bezet was, kon de doodsche stilte evengoed een krijgslist zijn.

Kapitein Halewijn gaf zijn' manschappen door een teeken te kennen, niet van plaats te veranderen, en klauterde, door Nja-Joesoefgevolgd, tegen de borstwering op. Vast tegen den rand gedrukt en het hoofd langzaam vooruitbrengende, wierp hij een blik naar binnen. In de hoeken vertoonden zich schaduwen, maar nergens eenig leven. Nja-Joesoef aanstootende, beduidde hij dezen , dat hij met zijn scherpen blik eens moest komen helpen zien. Nja-Joesoef rekte zich uit als eene slang en zich halverwege over den rand buigende, zag hij voorzichtig om zich heen.

Hij schudde ontkennend het hoofd, ten teeken, dat hij niets verdachts opmerkte.

Haastig sprongen nu allen in de benting; men vond inderdaad geen levend wezen.

De versterking bestond uit een flèche van 8 M. face met gesloten keelborstwering, waarin de poort was aangebracht. Deze stond open en kwam uit op het niet geinondeerd gedeelte van het terrein. Het eenige voetpad leidde naar de woningen, waarin de Atjehsche wacht zich ter ruste in de armen van Morpheus vlijde.

De sterkte was slechts bewapend met een ijzeren 7 c.M., die in den saillant op eene houten stelling in batterij stond.

Wegens de kleine binnenruimte en het gebrek aan drinkwater, was de positie niet geschikt voor eene bezetting, weshalve besloten werd haar te verlaten. Ontstemd gaf kapitein Halewijn daartoe bevel.

Een soldaat, wiens eereteeken op de borst den veteraan

148

ocr page 159

SRLKMPO-BOF.NG

aanduidde, verzocht, te 11 minste het geschut als zegeteeken te mogen meêvoeren. „ Na zoo'n vervloekten weg te hebben afgelegd, mogen de Atjehers wel weten, dat we hier geweest zijn,quot; zeide hij. Deze zelfvoldoening gunde kapitein Halewijn zijne soldaten gaarne.

Met veel moeite werd het geschut van de stelling gelicht en over de borstwering getild. Op de stelling schreef Nja-Joesoef met een stuk kalk, dat hij in eene sirihdoos vond, in groot Atjesch letterschrift: „Halewijnquot;, opdat de vijand zou weten, dat de contróleur der noordoosterlinie de vermetele was, die tot hier was doorgedrongen, trots hunne versterkte kampongs.

Nu was het zaak met spoed uit dit wespennest te geraken; maar het stuk geschut belemmerde den niarsch. Herhaaldelijk wendde kapitein Halewijn zich om, teneinde, bij eene mogelijke vervolging, tijdig zijne maatregelen te nemen.

De soldaten deelde echter niet de bezorgdheid van hun aanvoerder, er waren zelfs van meening, dat het nu tijd werd, om een robbertje te vechten, niet beseffende hoe groot de verantwoording was, die op de officieren drukte. Onbekommerd plasten zij door het water en hoopten . door het geweld, dat zij maakten, de opmerkzaamheid des vijands op te wekken.

Toen zij aangemaand werden wat voorzichtiger te zijn , lieten zij, als bij ongeluk, het kanon te water vallen. Woedend richtte de commandant tot de vermetelen eenige dreigende woorden, en verzekerde het geschut te zullen achter laten, wanneer zij niet nalieten, met opzet de aandacht te trekken „Ellendige slaapkoppen, die

149

ocr page 160

SF.LEMPO-IiOF.NG

Atjehers!quot; mompelden onze fuseliers tusschen de tanden.

Aan den overkant van het moeras vereenigde zich de colonne en trok zoo spoedig mogelijk terug. Eerst werd de boschrand gevolgd tot aan den verbranden en verlaten kampong Lampakang, daarna sloeg men een voetpad in , dat op de Sawah nabij onze benting Pango uitkwam, en was, na een marsch van zes of zeven uur te hebben afgelegd , tegen vier uur in den morgen te Oleh-Karang terug.

Aan het gejuich der achtergebleven kameraden scheen geen einde te komen, vooral toen het stuk geschut, als eene blijvende herrinnering aan den tocht, voor den vlagge-stok werd geplaatst. Met roem mocht daarop gewezen worden, want men had het gehaald in de 2e linie der vijandelijke stelling!

De woede der Atjehers, toen zij ontdekten wie in hunne versterking geweest was, is niet te beschrijven. Reeds bij het schemeren van den dag, bevonden zich velen van hen aan den boschrand tegenover Oleh-Karang , en onder het lossen hunner donderbussen, schreeuwden zij: „Aalewijn! verdoemde kafir, christenhondquot; enz. en riepen de wraak van Mohamed over den kapitein in. Hunne woede vermeerderde niet weinig, toen zij dooide soldaten uitgefloten werden, en dezen het niet der moeite waard vonden hunne schoten te beantwoorden.

Ofschoon deze onderneming, zooals vele andere, nauwlijks de aandacht trekt, waren de gevolgen toch zeer belangrijk.

De Iman van Longbatta was zeer verstoord op Pang-Saman , Nja-Hassan en Hadjie-Ibrahim, aan wie de bewaking van Selempo-Boeng was toevertrouwd, en geraakte in onmin met den Panglima der XXVI Moekims ,

ocr page 161

SELEMPO-BOENG

wien verweten werd, dat zijn volk met de Nederlanders heulde en hun den weg had gewezen naar de vijandelijke linie. — Twist en tweedracht ontstond onder de hoofden der oorlogspartij, en dat wij hiermede ons voordeel deden, spreekt van zelf.

Meer dergelijke tochten ondernamen de mobiele colonnes der Noordoostelijke linie in 1879, onder de kapiteins Yssel de Schepper, Carlier, de luitenants Steinmetz, Geluk, de Brauw, Ebell, Godin en anderen.

Wij vermeenen echter in de beschrijving der bovengenoemde feiten reeds genoegzaam te hebben aangetoond, welke deugdelijkheid het Indische leger bezit, als het er op aankomt, tegenover de guerilla der Atjehers, eene contra-guerilla te stellen.

ocr page 162

DE INSLUITING VAN

KROENG—RABA 1878

Nabij de Kroeng-Raba-baai, niet ver van de plaats, waar de rivier van dien naam, tusschen rotsen en klippen door, haar water in zee stort, verhief zich te midden van ontelbare dorre zandheuvels onze versterking Kroeng-Raba, die in 1876 werd opgericht, om de met ons bevriende bevolking der IV en VI Moekims te beschermen tegen de moord- en roofzieke guerillabende van den beruchten Toekoe Thihik, tevens om de nabijgelegen bergpassen Beradin en Glitaroem te observeeren.

Deze post, vervaardigd van klapperstammen, had den vorm eener vierkante redoute met twee over elkaar liggende cirkelbastions, elk bewapend met een getrokken 8 cM. De Ooster- en Wester-face waren ieder 51 M. en de beide andere ieder 42,50 M. lang.

Eenzaam lag zij daar op het uiterste punt onzer toenmalige Westerlinie, en uitgezonderd een bamboedoeri-boschje aan de riviermonding, was alles in den omtrek dor en zanderig.

Het bestendig ruischen der zee , wier golven zich tegen de rotsen braken, gaf aan het geheel iets droefgeestig eentonigs. Geene oorlogsboot, die het waagde deze kust

ocr page 163

UE INSLUITING VAX KIIOENG-RABA

te genaken; slechts enkele drieste Atjehsche smokkel-prauwen zag men van tijd tot tijd in de eindelooze zee als kleine zwarte stippen zich beurtelings op de golven verheffen en weer neerzinken, om ginder, aan het strand, in de verte, in de ons onbekende kreken te verdwijnen.

Overbodig er van te gewagen, dat het behoud dezer zoo afgelegen versterking, meer dan van eenige andere, geheel toevertrouwd was aan het beleid en den moed van haren commandant, en de trouwe plichtsbetrachting der soldaten.

Habib Abdul Rachman, de Arabische gelukzoeker, slaagde er meer en meer in eene bende fanatieke aanhangers om zich heen te scharen, die tegen ons verschillende plannen beraamden. In de eerste dagen van Juni 1878 waren de berichten van onrustigen aard, en werkelijk werd de postenlinie op vele plaatsen door den vijand gealarmeerd, ja zelfs dreef hij de stoutheid zoover, dat hij een aanval deed op het dwangarbeiders-hospitaal te Panteh-Perak, nabij den Kraton.

Het trof al zeer slecht, dat in dien tijd ook van Edi zeer ongunstige rapporten inkwamen. Gedong, bijgestaan door andere staatjes, had onze nederzetting aldaar aangevallen, zoodat de bevelhebber, kolonel van der Heyden, het noodzakelijk achtte met een gedeelte zijner troepen derwaarts te trekken om de vijandiggezinde vorsten eene gevoelige les te geven. — Was het Habib, die hier de hand in het spel had, teneinde onze macht op Groot-Atjeh te verdeelen? Men mag zulks gereedelijk aannemen, want na het vertrek van den bevelhebber verscheen

153

ocr page 164

DE INSLUITING VAN KROENG-BABA

hij met eene troepenmacht van 2000 man bij Lepong, ten zuiden van Kroeng-Raba.

Daags te voren, 17 Juni, had hij 400 man in de kloof van Glitaroem geposteerd. En voorzeker waren het lieden uit deze bende, die ten zuidwesten van de benting Kroeng-Raba, in den nacht van 17 op 18 Juni, eenige salvo's losten. De post werd hierdoor verontrust en wierp in die richting eenige lichtkogels, zonder echter van de aanwezigheid des vijands iets naders te ontdekken. Maar wie achter de zandheuvels had kunnen zien , zoude de donkere gestalten opgemerkt hebben, die, plat op den grond, geduldig het uitbranden der lichtkogels afwachtten om dan ongezien verder te sluipen.

Den volgenden morgen ontving de commandant van Kroeng-Raba, de ie luitenant Collard , van den controleur van Swieten bericht, dat Habib een aanval op diens versterking zoude doen. Dienzelfden avond arriveerde luitenant Steenmeyer met eene patrouille van 25 man te Kroeng-Raba , en bracht namens den commandant der westerlinie de tijding, dat, volgens de mededeelingen der spionnen, de Atjehers in grooten getale in de bergpassen nabij den post gelegerd waren. Bovengemelde mededeelingen deden luitenant Collard besluiten, de patrouille Steenmeyer ter versterking aan te houden, waartoe hij van den liniecommandant de machtiging had verkregen. De sterkte van den post werd daardoor gebracht op;

3 officieren, 1 adjudant-onderofficier der artillerie, 87 minderen der infanterie,

12 kanoniers.

Aanstonds werden verschillende maatregelen getroffen

154

ocr page 165

DF. INSLUITING VAN KROENG-RABA 155

om den post in den besten staat van tegenweer te brengen. De commandant steunde echter meer op zijne soldaten dan op de palissadeering van klapperstammen, die, daar ze in twee jaren niet vernieuwd waren, voorzeker veel van hunne deugdelijkheid verloren hadden.

Den dag van den i8enging rustig voorbij , en tegen den avond werden slechts eenige zwakke schoten vernomen , zonder dat de juiste richting te bepalen was, maar in den nacht werd in noordwestelijke richting op de duinen beweging ontwaard. Een patrouille,den volgenden morgen langs het zeestrand tot aan 't gebergte ter verkenning uitgezonden , zag in het mulle zand duidelijk eene menigte versche voetsporen, die zich in de bergpassen verloren. Bij de kromming van een hollen weg, stiet zij eensklaps op een dertigtal Atjehers, die, als eene opgejaagde kudde , uiteen stoof en op de vlucht sloeg.

De soldaten hadden hen gaarne nagezeten, doch de omstandigheden gedoogden niet, dieper in het gebergte door te dringen. — Daar men de zekerheid had, dat de vijand die naburige streek druk bezocht, besteedde men zooveel mogelijk den dag aan het nazien en verbeteren der versperringen om de benting; de lantaarns werden in nau-weren kring om de palisadeering gebracht en haar aantal vermeerderd. — Den 20n hoorde men 's morgens hevig schieten in de richting van Boekit Seboen ; de dagelijksche patrouille naar dien post, ditmaal versterkt, slaagde er echter niet in iets van den vijand te ontdekken.

Controleur van Swieten, die in de nabijheid der benting Kroeng-Raba in eene door palissaden omgeven woning verblijf koos, meldde dien dag aan luitenant Collard , dat hij

ocr page 166

DE INSLUITING VAN KI10F.NG-R.VBA

naar Boekit Seboeu verhuisde en verzocht zijn personeel (politie, oppassers, schrijvers en dwangarbeiders) in dien versterking op te nemen en zijne goederen , zoo mogelijk , ook binnen te halen. Aan dit verzoek werd voldaan; daarna werd de palissadeering der controleurswoning zoover vernield, dat zij den vijand niet tot dekking kon dienen, noch ook in een nacht door hem te bereiken zou zijn.

De patrouille naar Boekit Seboen, den 2ln onder luitenant de Baer, rapporteerde bij hare terugkomst, dat zij op grooten afstand eene bende van, naar schatting 150, Atjehers naar den kant van Kroeng-Raba had zien marcheeren.

Door het geaccidenteerd terrein had de bezetting dezen troep niet opgemerkt, en ook dien dag bleef de post ongemoeid.

Welke plannen de vijand voor had, was uit zijne handelingen niet juist op te maken; weifelde hij, of moesten al deze demonstraties op verschillende plaatsen ons in 't onzekere brengen omtrent het ware aanvalspunt?

Den 22n, toen de bezetting van Kroeng-Raba in den ochtend bezig was met het herstellen der palissadeering aan de Westerface, ontdekten de schildwachten talrijke groepen Atjehers, die op de heuvels versterkingen opwierpen. Terstond wierp men eenige granaten, ten einde die werkzaamheden te beletten, en rukte eene patrouille onder luitenant Steenmeyer uit, die na een kort en hevig gevecht, waarbij wij een gewonde bekwamen, den vijand verjoeg.

Door een omweg langs de duinen kwam hij echter kort daarop in grootere massa opdagen, trok aan de noord-

156

ocr page 167

UE INSLUITING VAN KROENG-UABA

zijde de rivier over en bereikte de controleurswoning, die hij in brand stak. De commandant van Kroeng-Raba liet, bij het zien van zoo'n talrijk opdringenden vijand, terstond de poort sluiten en alarm blazen. Weldra sisten onze Beaumontkogels den Atjehers om de ooren , en toen ook de artillerie zich liet gelden, en met hare puntgra-naten groote openingen maakte in hunne gelederen , begon het zaak voor hen te worden, ten spoedigste teretireeren. — De vijand dekte zich nu achter de heuvels en breidde zich, door eene aanzienlijke macht versterkt, zoodanig over het terrein uit, dat de post geheel ingesloten was. Aan den ijver, waarmee hij verschansingen opwierp en loopgraven maakte, was het bovendien duidelijk blijkbaar, dat het nu in zijne bedoeling lag tot een geregeld beleg over te gaan.

Kroeng-Raba verkeerde in eene hachelijke positie; dit kon de commandant zich niet ontveinzen, en hij besloot dan ook den linie-commandant met den toestand in kennis te stellen. Een bevriend Atjeher, behoorende tot het personeel van controleur van Swieten, bood zich aan tot overbrenger van het bericht. Of deze Atjeher verraad pleegde, dan wel in 's vijands handen viel, is niet uitgemaakt, doch bedoeld bericht is nimmer terecht gekomen.

De nacht ging ongestoord voorbij, doch den daarop volgenden morgen , den 23quot;, toen de poort geopend werd, om de kookgereedschappen binnen te halen en de watervaten en leksteenen te vullen, opende de vijand een hevig vuur op den ingang, waardoor de mandoor der dwangarbeiders spoedig gewond werd.

Tegen acht uur sneuvelde de Inlandsche sergeant

157

ocr page 168

DE INSLUITING VAN KllOF.NG-BABA

Ressodjojo door een schot in het hoofd; zijn lijk moest binnen de versterking begraven worden.

In den loop van den dag meldde zich een Atjeher met de witte vlag aan, en bracht den commandant een brief van Habib, bevattende eene uitnoodiging om de benting te verlaten en in het open veld te strijden. Het antwoord luidde, dat geen Nederlandsch officier een hem toevertrouwden post verlaat, en dat dergelijke voorstellen tegen alle krijgsgebruik strijden.

's Vijands vuur hield tot 's middags half twee gestadig aan; daarna bepaalde hij zich bij enkele schoten om de onzen bezig te houden. Bij het ontsteken der lantaarns opende hij echter zoo'n aanhoudend vuur, dat de lampenist het zwaar te verantwoorden had. Het uithalen, inbrengen en aansteken der lantaarns had op andere dagen op ongelijke tijden plaats. Omstreeks acht uur staakten de belegeraars het schieten.

Het werd al donkerder en donkerker; op de berghelling flikkerden de bivouakvuren der Atjehers, en de hoogop-flikkerende vlammen beschenen verschillende groepen. De schildwachten tuurden en luisterden met inspanning, maar hoorden enkel het eentonig gezang (bidden) der Atjehers, dat dof en gedempt hunne ooren bereikte. „Als die kerels beginnen te janken,quot; riep een Euro-peesche schildwacht den passeerenden sergeant der ronde toe, „dan kunt ge er op aan, dat ze niets goeds in het schild voeren!quot;

Daar stijgen dikke rookwolken uit de keuken; knetterend slaan de vlammen opwaarts en beschijnen een troep Atjehers, die geen 20 passen van de noorderface, onder

158

ocr page 169

DE INSLUITING VAN KRO ENG-RA. HA

het roepen van allerlei bedreigingen , hunne donderbussen afschieten. Het afbellend terrein achter de keuken had de nadering dezer lieden onzichtbaar gemaakt, zoodat zij ongemerkt hun vernielingswerk konden volvoeren.

De bamboezen keuken was in korten tijd totaal afgebrand en ook de belendende loodsen en het geniemagazijn werden eene prooi der vlammen. Dreigende vonken zweefden en dansten over de versterking. Maar luitenant Collard „liet zich niet van de wijs brengenzooals zijne manschappen plachten te zeggen.

Terwijl de bezetting den vijand op een regen van kogels onthaalde, gaf hij bevelen tot blussching van den brand; Chineesche werklieden en dwangarbeiders moesten de daken beklimmen om de vonken uit te dooven en de gebouwen met natte zeilen en dekens te dekken.

Dank zij deze doeltreffende maatregelen bleef de post behouden, maar de watervoorraad was geheel verbruikt!

Nog dienzelfden nacht werd binnen de versterking een put gegraven, en mocht het gelukken op 4 M. diepte zuiver water te vinden.

Omstreeks drie uur in den morgen werd op het noordelijk, oostelijk en westelijk gedeelte der versterking een hevig vuur geopend, dat vooral op de gebouwen gemunt was. De zuiderface , waar eene vlakte voor lag, werd minder bestookt, daar de vijand zich op dat open terrein niet waagde. Aan de westzijde had hij op een hoogen heuvel twee lila's in batterij gesteld, die de noorderface geheel bestreken ; door het plaatsen eener travers werd echter dit kwaad eenigzins verholpen.

Onze artillerie beantwoordde op krachtige wijze 'svijands

159

ocr page 170

UE IN'SLL'ITING VAN K ROF.NG-RAT!A

vuur; aanhoudend rolden dikke rookwolken over de heuvels; ook de infanterie liet zich niet onbetuigd, en het donderde en knalde op vreeselijke wijze. Desniettemin hield de vijand zich in zijne stelling staande, en bleven de roode vanen op de omliggende heuvels wapperen; zelfs op de puinhoopen der nog smeulende controleurs-woning, woei aan den verkoolden vlaggestok onze vlag het onderste boven, en een menigte Atjehsche doeken uitdagend daar omheen. Maar met verbeten woede moest Habib zien, hoe fier ook onze vlag nog in de lucht wapperde boven Kroeng-Raba, dat hij reeds als eene prooi der vlammen zal beschouwd hebben.

Van eene hoogte tegenover de noorderface vestigde

O O O

hij zijne blikken op de kleine benting, die hem trotseerde, niettegenstaande zijne overmacht. Woest om zich ziende Pedireesche hulptroepen stonden om hem heen en wachtten met stijgend ongeduld , den ontblooten klewang in de hand, het bevel tot een stormaanval.

Doch Habib scheen bevreesd voor een échec, en beproefde liever een ander middel.

Nogmaals richtte hij een schrijven tot luitenant Collard; der bezetting bood hij vrijen aftocht, mits de benting vernield werd. — Het antwoord was, dat dergelijke voorstellen, strijdig met de Nederlandsche krijgsmanseer, niet meer ingewacht werden , en dat men , zelfs stervende, de versterking bleef verdedigen. — Nu werd het Habib duidelijk, dat hij palissaad voor palissaad zoude moeten vernielen, lijk op lijk stapelen en zelfs den laatsten Neder-landschen krijger neervellen , alvorens de door kruitdamp zwart geworden driekleur, te kunnen bemachtigen.

i6o

ocr page 171

DK INSLUITING VAN KROENG-KABA

De gong-gong werd geslagen om de hoofden te verzamelen, en Habib belegde een krijgsraad. Het eenparig oordeel was, dat de kafirs tot eiken prijs moesten verdelgd worden.

Pekkransen, stormladders, takkebossen , koehuiden enz^ alles werd in gereedheid gebracht. Nog waren zij daarmede bezig, toen zich in den glans der ondergaande zon een stoomschip vertoonde, en voordat de vurige schijf achter den horizon in de golven verdween, was de Nederlandsche oorlogsboot kenbaar.

Door vuurpijlen trachtte de versterking de aandacht te trekkken, en zag met vreugde het vaartuig steeds naderbij komen. — Zooals gezegd is, was de kust ongenaakbaar; toch zoude onze wakkere marine het landen beproeven. Reeds bij het eerste gloren van den volgenden dag, ontwaarde men haar moedigen strijd tegen de elementen. De sloepen schudden en kraakten in al haar voegen, en met onweerstaanbaar geweld sloeg de branding haar terug. Telkens en telkens weer beproefden onze oud-Hollandsche zeerobben tegen de golven op te werken, doch te vergeefs! Met wanhopige spijt moesten zij ten laatste hunne pogingen opgeven, en Kroen-Raba zag, teleurgesteld in de verwachte hulp, hunne sloepen steeds verder van het strand drijven.

Jubelend waren ook de Atjehers getuige van de machtelooze worsteling der zeelieden, en volgden met uitbundige kreten hun terugtocht.

Met vernieuwden moed bestookten zij weer onze versterking, die hun vuur gestadig beantwoordde. De benting geleek eene onweerswolk, waaruit het bliksemde en II 11

i6r

ocr page 172

DE INSLUITING VAN KUOENG-RABA

donderde; de aarde dreunde en de houten banketten trilden onder de voeten der soldaten.

Luitenant Collard bevond zich steeds daar, waar het gevaar het dreigendst was; schier uitgeput van vermoeienis en inspanning, wisten hij en de overige officieren zich door hunne wilskracht staande te houden, en gaven daardoor een goed voorbeeld aan de soldaten. Sedert den 2len hadden nu deze bijna onafgebroken de alarmstelling bezet; de zwakken stonden bijna slapende op het banket, maar telkens wist een bemoedigend woord der officieren hen als te electriseeren. Af en toe, wanneer de strijd in hevigheid afnam, werd eenige spijs genuttigd. Slechts eenmaal daags werd gekookt, daar dit niet zonder gevaar kon geschieden. De soort der spijzen bestond slechts uit rijst, gezouten visch en spek.

Na reeds vier dagen vruchteloos op ontzet gewacht te hebben , was dit wachten een duldeloos verlangen geworden. Aanhoudend richtte men de blikken naar den kant van Boekit Seboen om te zien, of er geen bajonetgeflikker te onderscheiden was, en al was ook de hoop uit het hart geweken, toch spraken de braven elkaar nog moed in. De officieren telden met bezorgdheid de laastovergebleven patronen, en berekenden hoe lang deze post, met zijn doorschoten en verbrokkelde palissadeering, nog te verdedigen zou zijn; ook de mond- en watervoorraad begon schrikbarend te minderen.

Daar klinkt eensklaps in de verte hoorngeschal, gepaard met het eigenaardig geknetter van salvo's, en waarin zich het donderen van geschutvuur mengde. Terzelfder tijd bespeurde men veel beweging bij de belegeraars. Zou de

102

ocr page 173

DE INSLUITING VAN KBOENG-KABA 163

langverbeide hulp dan eindelijk opdagen ? Goddank, tegen twaalf uur 's middags onderscheidde men de donkere uniformen der tirailleurs, en het steeds naderende hoorngeschal verwekte een nieuw leven bij de reeds uitgeputte bezetting.

Het was de colonne Coblijn, die tot ontzet opdaagde; eerst tegen vier uur bereikte zij de versterking, daar de vijand haar eiken duim gronds hardnekkig betwistte.

Het volgende diene ter verklaring, waarom Kroeng-Raba niet eerder ontzet werd.

Na het vertrek van den bevelhebber naar Gedong, ontving de luitenant-kolonel Docters van Leeuwen, chef van den staf, die als oudste officier tijdelijk het bevel voerde, het bericht, dat de vijand met eene sterke macht in de nabijheid onzer voorste liniën was gezien, dat eenige kampongs der ons bevriende Atjehers reeds door hem vernield waren, en hij zelfs het plan beraamde om den Kraton aan te vallen. Dit bericht werd bevestigd door de Atjehsche hoofden Toekoe Oemar en Toekoe Lampaser. die hun gebied waren ontvlucht en bij ons bescherming zochten.

De nog beschikbare troepen werden terstond op de meest bedreigde punten geplaatst, en in den Kraton werden de posten verdubbeld en meer geschut in batterij gebracht.

Op den 20equot; Juni drong de vijand met eene bende van lOOO man de aan ons onderworpen VI Moekims binnen , en in den nacht van 20 op 21 Juni deed hij een aanval op Penajong (bij den Kraton).

Toen nu op den 22en te Kota-Radja door spionnen de tijding gebracht werd, dat Kroeng-Raba ingesloten was, kon de waarnemende bevelvoerder geen voldoende

ocr page 174

OF. INSLUITING VAN KR.OENG-RABA

macht samenstellen om dien post ter hulp te komen, zonder het hoofdkwartier geheel van troepen te ontblooten. Z. M. oorlogsstoomer Watergeus kreeg derhalve bevel, naar de kust van Kroeng-Raba te stoomen en te trachten de bezetting aldaar te steunen en van levensmiddelen te voorzien. Het was dit oorlogsschip, hetwelk op den 24™ 's avonds gezien werd en den volgenden morgen te vergeefs eene landing beproefde.

Kolonel van der Heyden, die nog steeds te Gedong ageerde, den vijand overal voor zich uitjoeg en verschillende oproerige staatjes reeds getuchtigd en onderworpen had, ontving te midden zijner overwinningen van den luitenantkolonel Docteis van Leeuwen het verzoek met alle beschikbare troepen naar Groot-Atjeh terug te keeren, daar enze positie, door onvoldoende sterkte, aldaar onhoudbaar werd.

Reeds den 24°quot; waren alle troepen uit Gedong in het hoofdkwartier terug, en aanstonds werd eene colonne, groot 6 compagnieën infanterie, met de noodige artillerie en ambulance, onder majoor Coblijn uitgezonden,, om den vijand uit den westerlinie te verdrijven en Kroeng-Raba te ontzetten. Omstreeks 3 uur in den morgen van den 250'!, na het opkomen der maan, vertrok de colonne uit Kota-Radja. Op haar weg ondervond zij den hardnekkigsten tegenstand. De vijand had zich overal sterk genesteld; elke struik,' elke boschrand braakte dood en verderf in de gelederen der onzen. Trots de ontzettende overmacht des vijands, drong echter onze troep steeds voorwaarts, en verrichtte wonderen van dapperheid.

De Atjehers vochten niet minder moedig; stelling voor stelling moest als het ware met de bajonet genomen worden.

164

ocr page 175

UE INSLUITING VAN KIIOENG-UABA

Eerst laat in den middag bereikte men Kroeng-Raba. Hier spande de vijand alle kracht in, om ons den overtocht der rivier te beletten , doch te vergeefs.

De Atjehers, geen kans ziende de kleine colonne te verslaan, sloegen eindelijk op de vlucht, een groot aantal wapens en twee stukken geschut in onze handen achterlatende. Habib, die zulk een uitslag niet verwachtte, had reeds tijdig het hazenpad gekozen en vluchtte nr.ar de XXII Moekims, waar ook het overschot van zijn geslagen en verstrooid leger zich verzamelde.

Kroeng-Raba werd alzoo ontzet, en in stede van de roode vlaggen, zag men op de heuvels onze krijgsbanier, de glorierijke Oranjevaan, hare plooien ontrollen.

Hulde aan de dappere bezetting, die, met zooveel zielskracht en onverschrokken moed, aan Nederland's schoon devies „Je maintiendraiquot; getrouw bleef!

Hulde ook voor het roemrijke feit, waarmee zij de Indische krijgsgeschiedenis verrijkt heeft.

Luitenant Collard, de moedige, beleidvolle en trouwe commandant van Kroeng-Raba, ontving tot belooning zijner militaire deugden het ridderkruis der Militaire Willemsorde, dat voorzeker op zijne borst eene waardige en welverdiende plaats heeft.

ocr page 176

VRIJHEIDSZIN OF FANATISME?

Is de vrijheidszin bij den Atjeher grooter dan bij eenig ander volk van den Indischen Archipel, of zijn de moed en de volharding, waarmede hij den strijd tegen ons volhoudt , een uitvloeisel van zijne godsdienstige dweepzucht ?

„Prang-Sabil heilige oorlog, zoo noemt hij dien krijg. Hieruit zullen wij alzoo moeten afleiden , dat hij uit godsdienstzin , om nl. Allah welgevallig te zijn, om het paradijs te gewinnen, met zulk eene grenzenlooze doodsverachting tegen den blanke, den gehaten kafir, vecht.

Want die haat is zoo fel, zoo onverzoenlijk, dat zelfs vrouwen en meisjes er van doordrongen zijn en zich meermalen aan de heilige taak ten offer brengen.

Mars en Venus, van welken landaard ook, kunnen anders zeer goed samengaan. Alleen de Atjesche schoonen verfoeien de blanke zonen van den oorlogsgod. En zoo iets kan o. i. slechts uit fanatisme voortspruiten.

Wij noemen het fanatisme , dat, zooals bij de bestorming van Mibau in December 1875, jonge meisjes zich in de vlammen der brandende woningen wierpen, niettegenstaande zij overtuigd waren, dat hun door de onzen geen leed zoude geschieden.

ocr page 177

VRIJHEIDSZIN OF FANATISME?

Uit fanatisme strijden vrouwen als tijgerinnen in de gelederen der mannen , en door fanatisme is het, dat eene moeder, bij de gevechten te Edi, Mei 1889 , haar zuigeling aan de borst doorstak, toen zij zag , dat onze dappere Amboineesche soldaten meester waren van de Atjehsche stelling.

Doch welke de beweegreden moge zijn van zooveel moed en kalme doodsverachting, wij eeren die ook in onzen vijand. Uit de talrijke voorbeelden van ijver voor eene hun zoo heilige zaak als den „prang-sabilquot;, willen wij een enkel onder de aandacht brengen, zoowel om 't feit zelf, als om daaruit den volksaard van den Atjeher te doen kennen.

Onze troepen waren na een hardnekkigen, onstuimigen strijd de XXVI Moekims binnengedrongen en slaagde er in, een gedeelte dezer bevolking aan zich te onderwerpen.

Ten einde de bewoners van Pedir en Gighen te beletten hulp te verleenen aan de nog vijandige bevolking dezer streek, betrok de 3e mobiele colonne, onder kapitein Halewijn, thans majoor-commandant van het 6e bataljon infanterie, een bivouak bij Kroeng-Kali.

Aanhoudend werden talrijke patrouilles van dit bivouak naar het voorgelegen Barissan-gebergte uitgezonden, ten einde de bergpassen te observeeren en den vijand tot in zijne verst verwijderde schuilhoeken te vervolgen. Deze tochten in de wildernis en het woeste gebergte waren in de hoogste mate vermoeiend, ja afmattend en menige verwensching werd tegen den Atjeher losgelaten, wanneer

ZÓ/

ocr page 178

VKIJHEiaSZIN OF 1'ANATISME ?

onze soldaten te vergeefs zijn spoor trachten te volgen.

Eene dezer patrouilles, sterk 45 man, onder kapitein Halewijn en den 2n luitenant J Clerkx, ontdekte op den 2n Augustus 1879 in een der diepe ravijnen eene nederzetting van vijandelijke maraudeurs en omsingelde haar zoo plotseling, dat de verraste Atjehers door schrik en verwarring aan geen tegenweer dachten. Vijftien der beruchtste roovers werden gevangen genomen, waaronder drie hoofdmuitelingen: Nja-Braham, Nja-Bantan en Polok, die medeplichtig waren aan den moord op Ketjiek-Ma Arief, het ons bevriende hoofd van Kroeng-Kali.

Met hoeveel beleid en kalm overleg dit rooversnest ook omsingeld en ingesloten werd, aan twéé priesters gelukte het evenwel te ontsnappen, en eene achtervolging in dit woest gebergte leidde tot niets.

In het bivouak teruggekeerd, vernam kapitein Halewijn , dat Abdul Rachman, waarnemend hoofd van Kroeng-Kali, dien morgen verzuimd had zich te melden.

Deze Atjeher, dien men niet vertrouwde en deswege gaarne in 't oog hield , moest zich op last van den bivouak-commandant twéémalen daags melden. Het vermoeden kwam bij kapitein Hale wijn op , dat dit hoofd met de maraudeurs heulde, terwijl de arrestatie der genoemde hoofd-muitelingen in verband kon staan met diens wegblijven. Voorzeker was Abdul Rachman door de twéé ontsnapte priesters gewaarschuwd, en daar hij bevreesd was als medeplichtige verraden te zullen worden, hield hij zich nu schuil.

Abdul Rachman moest opgespoord worden, dit was het onwrikbaar voornemen van den voortvarenden kapitein Halewijn, die, gedurende zijn verblijf te Atjeh, de schrik

ocr page 179

VRIJHK1ÜSZIN OF FANATISME?

was van den vijand. Dag en nacht in de weer, was hij steeds daar, waar men hem 't minst verwachtte. Geen Atjeher in het omliggende vijandelijke gebied, die zich voor dien gevreesden kapitein, tevens waarnemend civiel ambtenaar, veilig achtte Heeft kapitein Halewijn door voortvarendheid, beleid en grenzenloozen moed geschitterd als commandant eener mobiele colonne, aan zijn helder doorzicht, zijne bedachtzaamheid en zijn krachtig optreden als civiel ambtenaar, danken wij de onderwerping van vele voorname Atjehhoofden.

De schildwacht „voor 't geweerquot; had op de metalen klok reeds het zesde avonduur aangegeven en nog was Abdul-Rachman niet verschenen. Op dit uur eindigde de dagdienst en werden de nachtposten uitgezet. De commandant, die dan nimmer naliet op dit tijdstip zijne ronde te doen, vestigde voor 't laatst een onderzoekenden blik op den voorliggenden kampong, die ongeveer 500 iVL voor 't bivouak lag en door eene sawah daarvan gescheiden was. Helder bescheen de ondergaande zon den donkergroenen boschrand, wiens scherpen omtrek zij met de schitterendste kleuren tooide.

Dicht tegen een boom geleund stond daar een Atjeher, die door den rooden sarong, welke hij om de heupen droeg, in 't oog viel. Daar Abdul Rachman steeds een dergelijk kleedingstuk van roode zijde droeg, veronderstelde kapitein Halewijn, dat het die Atjeher was; dit vermoeden bleek juist, want met behulp van een binocle was de persoon terstond te herkennen.

Ook Abdul Rachman had spoedig de kloeke gestalte van den bivouak-commandant opgemerkt.

I69

ocr page 180

VRIJHEIDSZIN OP FANATISME?

Zoo hij nog voornemeas was zich te komen melden, moet een plotseling opkomende vrees hem van besluit hebben doen veranderen, want eensklaps verdween hij in de richting van kampong Mahdé.

In dezen kampong, waarvan de bewoners voor het naderend wapengekletter onzer overwinnende troepen gevlucht waren, was volgens bericht, slechts één visschers-gezin achtergebleven. Onze spionnen verklaarden, dat bij deze visschers zich 's nachts veel kwaad volk ophield; klaarblijkelijk was ook Abdul Rachman in dien kampong eene schuilplaats gaan zoeken, vooral daar Mahdé, door moerassen en dichte bosschen omgeven . alleen te bereiken was door degenen, die goed bekend waren met de smalle, bijna onbegaanbare voetpaden, welke daarheen leiden.

Abdul Rachman rekende echter buiten den kapitein Halewijn , zoo hij meende in die wildernis niet achtervolgd te kunnen worden. Reeds denzelfden avond omstreeks 9 uur slopen 16 donkere gestalten uit het bivouak: het was eene patrouille onder kapitein Halewijn, die Abdul Rachman in kampong Mahdé zoude oplichten.

Aan den voorgelegen boschrand gekomen werd op eene veilige plaats „haltquot; gehouden, hoofdzakelijk, omdat men zich wilde vergewissen, of geen der rondzwervende maraudeurs den troep had opgemerkt.

Nadat men eenicre oogfenblikken in de struiken had

o o

gelegen en alles in den omtrek zonder gerucht bleef, werden de manschappen door een fluisterend „geettachtquot; gewaarschuwd op te staan, en vervolgens bekend gemaakt met het doel der onderneming.

De gids Nja Amat bekwam last de patrouille langs

I/O

ocr page 181

VRIJHEIDSZIN OF FANATISME?

den kortsten weg naar kampong Mahdé te brengen en haar de woning aan te wijzen, waar Abdul Rachman zich schuil hield.

Nauwelijks echter vernam de gids, dat het om Abdul Rachman te doen was, of hij begon te beven en verklaarde stotterend zich den weg niet meer te herinneren.

Kapitein Halewijn, die overtuigd was dat de gids onwaarheid sprak, dreigde hem te zullen neêrschieten, zoo hij het bevel niet terstond volbracht.

Niettegenstaande deze bedreiging bleef de gids in zijne weigering, om de patrouille te geleiden, volharden, en verklaarde zich liever te laten doodschieten dan Abdul Rachman te verraden.

Op 't punt de bedreiging ten uitvoer te brengen, bedacht kapitein Halewijn , dat er meer voordeel te behalen was met de reden van Amat's zonderling gedrag uit te vorschen en gelastte toen eenige soldaten, den gids naar het bivouak terug te brengen en Nja Joesoef te ontbieden, zoo deze reeds van Lambaroe mocht zijn teruggekeerd, waarheen hij dien dag met eene zending belast was.

Bij voorkeur liet kapitein Halewijn zich door hem vergezellen , want Nja Joesoef was een onzer vertrouwbaarste gidsen. Zijnen landslieden droeg hij een ingekankerden haat toe, wegens de mishandeling en de voortdurende vervolging, waaraan hij en zijne bloedverwanten vóór onze komst hadden blootgestaan; op zijne trouw viel dus wel te rekenen,

Na een half uur in spanning en ongeduld te hebben doorgebracht, klonk eindelijk in de verte Nja Joesoefs

171

ocr page 182

vrijheidszin of fanatisme?

herkenningsteeken, welk teeken door de patrouille herhaald werd , om de richting aan te duiden , waar zij zich bevond. Spoedig daarop meldde zich de gids bij den kapitein aan en gaf den raad een anderen weg in te slaan dan dien, welke door den kampong voert.

Wij zullen de patrouille op haren tocht naar Mahdé niet volgen , en slechts vermelden, dat zij , na een vermoeiden marsch, eerst laat in den nacht dien kampong bereikte.

Bij de eerste omheining werd „haltquot; gehouden.

Dicht tegen den pagger gedrukt en verborgen onder de wijd uitgespreide takken der boomen, trachtte men het terrein te bespieden en de verschillende geluiden, zoo eigen aan eene tropische wildernis, te onderscheiden.

Voor zooverre men in de duisternis kon nagaan, bestond Mahdé uit onaanzienlijke woningen, die meestal nabij de lagunes gebouwd waren; het terrein rondom was woest en gaf den kampong eerder het aanzien van een roovers-verblijf dan van een vreedzaam visschersdorpje. Eenzaam en eenigszins van de overige huizen afgezonderd stond de woning, waar Abdul Rachman eene wijkplaats had gezocht; 't was een klein doch stevig gebouw van bamboe en planken opgetrokken en, evenals elke Atjehsche woning, hoog op palen gebouwd. Slechts uit deze visscherswoning glinsterde den onzen een lichtje tegen.

Van de omheining, waar eene kleine opening toegang verleende naar den kampong, liep een smal, met dorre bladeren bedekt voetpad, naar de verdachte woning.

In den kampong, zoowel als in den omtrek, was alles rustig; alleen de bamboestammen, door den nachtwind

172

ocr page 183

VRIJHEIDSZIN OF FANATISME?

heen en weer geslingerd, deden een eigenaardig krakend geluid hooren. Ook in de lagune, wier waterspiegel zich donker afteekende, was het stil.

Geen licht van eene visschersprauw werd gezien, geen riemslag deed zich hooren; nergens eenig teeken van leven.

Een Europeesch sergeant kreeg last met twaalf man vooruit te gaan en de achterzijde van het huis te omsingelen . de overigen zouden met den kapitein op eenige passen afstands volgen en aan den trap post vatten.

De grootste omzichtigheid werd den soldaten aanbevolen.

Van boom tot boom en van struik tot struik voortgaande werd de aangewezen woning zonder stoornis bereikt; spoedig stond elk der manschappen op zijn post.

Nu zoude kapitein Halewijn met twee man naar boven gaan; maar nauwelijks had hij de eerste schrede op de oude, half vermolmde trap geplaatst of deze begon geweldig te kraken. Onder het uiten van eene verwensching, snelde hij naar boven , doch voor dat de ingang bereikt was, werd de deur geopend en op den drempel verscheen eene vrouw, met eene zevenarmige, koperen lamp in de handen.

„Tabehquot; (gegroet), klonk het zacht van hare lippen, maar hoe hevig ontstelde de Atjehsche, toen zij, in stede van een bekende te zien, de hooge, krijgshaftige.gestalte van den gevreesden kapitein Halewijn voor zich had. Maar zij herstelde zich spoedig en vroeg toen op trot-schen toon:

,, Wat verlangt de hoofdman der ongeloovigen, dat hij op dit nachtelijk uur mijne vreedzame woning binnenkomtquot;?

,, Ik zoek Abdul Rachman, wien gij eene schuilplaats verleend hebt,quot; was het korte antwoord.

173

ocr page 184

VRIJHEIDSZIN OF FANATISME?

„Gij zijt verkeerd ingelicht, blanda,quot; zeide zij, schamper lachende, en keek den officier daarbij met hare vurige, donkere oogen uitdagend aan.

Maar kapitein Halewijn liet zich niet door een paar schoone oogen bedriegen en haar zacht op zijde dringende , stapte hij de woning binnen; maar op hetzelfde oogenblik liet de Atjehsche met eene snelle tegenwoordigheid van geest de lamp vallen. Alen kan zich de woede en de teleurstelling van den officier voorstellen!

„Verwenschte helleveegquot;, donderde hij haar toe, „waart gij een man, uw lot ware spoedig beslist!quot;

Spoedig had echter een der soldaten eenige droge twijgen en klapperbladeren tot eene toorts samengebonden, en juist was hij gereed om hiermede naar boven te gaan, toen aan de achterzijde van de woning een hevig gekraak zich liet hooren, daarna vernam men een val, gevolgd door eenige geweerschoten.

Aanstonds snelde kapitein Halewijn, vergezeld van eenige soldaten, naar de achterkamer en liet de gesloten deur door kolfslagen openen; doch te laat, de vogel was gevlogen!

Op de baleh-baleh lagen twee geweren, twee klewangs, twee met arabische gewaden gevulde valiezen en een zijden pajong. De vluchteling had de omwanding van gevlochten bamboe doorgesneden en was door de gemaakte opening gesprongen en in de aangrenzende wildernis gevlucht. Door het leven aan de trap waren de manschappen, die de achterzijde van het huis moesten omsingelen in den waan gebracht, dat aan den voorkant gevaar dreigde en hadden hun post verlaten om hun commandant bij te springen. Toevallig echter hadden

174

ocr page 185

VRIJHEIDSZIN OF FANATISME?

eenige soldaten nog eene donkere gestalte zien vluchten en daarop geschoten.

„Vrouw, gij hebt mij misleid en Abdul Rachman ge-legendheid geschonken te ontvluchtenzeide kapitein Hale wijn vertoornd.

Nadat het gevaar voor dien Atjeher geweken was, verloor zij hare zelfbeheersching; snikkend viel zij den officier te voet en de handen tot hem opheffende bad zij om genade. Angstig en betooverend schoon , hield zij hare groote, vochtige oogen op den kapitein gevestigd, maar slechts een vertoornde blik gleed over de slanke, weelderige gestalten van deze wonderschoone vrouw.

„Sta op vrouwquot;, gebood hij ernstig en koel, „zeg mij waarheen is Abdul Rachman gevlucht.quot;

„Heerquot;, antwoordde zij vol waardigheid, „dood mij, maar dwing mij niet een dienaar des profeets aan de ongeloovigen te verraden,quot; en gelijktijdig de slendang van de schouders rukkende, ontblootte zij haren boezem, als gereed om eenen doodelijken stoot te ontvangen.

De heldere, roode vlam van de toorts wierp haar volle licht op dit eigenaardig tooneel.

Eene martelares gelijk, die zich voor hare zaak ter dood gaat wijden, stond deze jonge vrouw met opgeheven hoofd en van dweepzucht vlammende oogen te midden onzer gebaarde krijgers. Inderdaad, de groep was het penseel eens schilders overwaard.

„Vrouw,quot; zeide kapitein Halewijn geruststellend ,„wij zijn geen barbaren; de Nederlanders trekken slechts het zwaard tegen mannen en dooden niet om te moorden; van ons hebt gij niets te vreezen.quot;

ocr page 186

VHIJHEIUSZIN OF FANATISME?

Zwijgend hoorde de Atjesche hem aan; doch de blik, waarmede zij hem aanzag, verried nog steeds haar wantrouwen en onverzoenlijken haat.

Kapitein Halewijn, die het Atjehsche volk kende, bespeurde spoedig, dat deze vrouw zich eerder voor prang-sabilquot; zoude opofferen, dan voor de Compagnie te ijveren; immers, volgens hare priesters zullen de poorten van Mohamed's patadijs zich nooit ontsluiten voor degenen, die de vriendschap eens kafirs zoeken. Hij besloot dan ook geen woorden meer te verspillen en met spoed den terugmarsch aan te nemen, dewijl een langer oponthoud in deze buurt gevaarlijk kon worden.

Abdul Rachman scheen intusschen naar eenc andere streek gevlucht te zijn, want geen der talrijke patrouilles mocht er ooit in slagen zijn spoor te vinden.

Nja Joesoef boette twee jaren later met een afschuwelijken dood, de trouw , waarmede hij de Compagnie diende.

Aangetrokken door de bekoorlijkheden der schoone uit kampong Mahdé, waagde hij het nogmaals tot haar te gaan en trachtte haar te overreden met hem naar zijne kampong te vluchten. De dweepster echter doorstak met wreed genoegen het hart van haren aanbidder en wierp zijn aan stukken gehouwen lichaam den wilden honden ten prooi. Alzoo koelde zij haren haat tegen de ongeloovigen in dezen moord op hunnen dienaar.

Wij vragen, of kinderen uit zulke moeders geboren, ooit onze vrienden zullen worden!

176

ocr page 187

DK ATJEHERS ONDER HET CIVIEL

BESTUUR 1883

Hoe slecht beantwoordde de Atjeher aan de vredelievende bedoeling der pacificatie, die, nadat de geduchte XXII en XXVI Moekims onderworpen waren, in 1881 bij de invoering van het civiel bestuur werd afgekondigd.

Noch het bevorderen van zijn handel en landbouw, noch de eerbiediging van zijnen godsdienst (getuige de oprichting van een kostbaren Mohammedaanschen tempel te Kota Radja), noch de voordeelen, die vanzelf uit den vredestoestand voortsproten, konden hem verzoenen met de suprematie van den Nederlander, waaraan hij zich zoo noode had onderworpen.

Zijn trouwelooze en wraakgierige aard deed hem in ^ stilte naar de wapens grijpen, en toen wij, om vredes-wille, geen tegenweer boden, beschouwde hij zulks als vrees en onmacht, terwijl gaandeweg het verzet zoodanig in uitgebreidheid toenam, dat wij verplicht waren ons achter eene geconcentreerde stelling terug te trekken.

Achter deze gehate linie beschouwde het leger zich als gevangen. En wanneer de krijgers in gedwongen werkeloosheid den blik lieten gaan over het voorgelegen II 12

ocr page 188

BE AÏJEHERS ONDER

terrein, waar voorheen met opoffering van leven en bloed, onze vaan geplant werd, dan vroegen zij zich af, waarvoor dan Neêrland's zonen zoo leden en streden, nu dat duurgekochte land weêr prijsgegeven was. 's Avonds, als de omliggende kampongs in den donkeren nevel verdwenen , en in de nachtelijke stilte de jubelkreten der At-jehers, steeds stouter en spottender, tot hen doordrongen, dan kwamen de roemrijke dagen van weleer hun voor den geest, de dagen, toen in diezelfde kampongs hunne krijgstrompet weergalmde. In zulke oogenblikken verrezen uit het verleden de schimmen van zoovele gevallen helden, die allen schenen te vragen: „waarom moesten wij sneven?quot;

Na de invoering van het civiel bestuur bracht het leger eenige jaren in gedwongen werkeloosheid door; het zwaard roestte in de scheede; maar, gelukkig, de gedwongen rust deed de deugden van den Indischen soldaat niet verloren gaan. Nauwelijks weerklonk het „te wapenquot; of met dezelfde geestdrift schaarde hij zich om de Oranjevaan.

Dit „te wapenquot; werd uitgeroepen door den gouverneur Laging-Tobias, kort na zijn optreden (16 April 1883).

Het verzet des vijands had een ernstig karakter aangenomen. Verschillende bevriende hoofden, zooals: Tengkoe Sjech, Tjoet-Bantok, Tjoet-Mahomed , Toekoe-Oemar, Toekoe Ali en meer anderen vielen ons af en voegden zich bij de Kemala of oorlogspartij, die aanmerkelijk versterkt werd. De veiligheid onzer linie en die der getrouw gebleven landschappen werden meer en meer bedreigd. De herhaalde aanvallen op onze patrouilles en kleine detachementen, de invallen van verschillende benden binnen de bevriende kampongs, en het voortdurend be-

178

ocr page 189

HET CIVIEL BESTUUR

schieten onzer posten gaven genoegzaam te kennen, dat de vijand den vrede niet langer wenschte.

Noodzakelijk bleek het vooral de XXII Moekims van de talrijke, zich aldaar ophoudende, vijandelijke benden te zuiveren, en daarom werden er op den 2111 eenige mobiele colonnes samengesteld, ten einde in die streek teageeren.

Aan het hoofd van eene dier colonnes ontmoeten wij kapitein Scheuer. Diens operatie zullen wij volgen, als ons het meest bekend zijnde en om de uitnemende, zeldzame deugden, die daarbij werden aan den dag gelegd , het meest der vermelding waardig.

Van den militairen commandant te Anak-Galoeng, alwaar Scheuer in garnizoen lag, ontving hij den last om op den 20quot; Maart naar Tjot-Basetoel te marcheeren, ten einde op den volgenden dag deel te nemen aan de operatiën in de XXII Moekims.

Als operatie-terrein werd hem den kampong Temboh, ten noorden van Tjot-Basetoel, aangewezen, terwijl zijne bewegingen tactisch verband moesten houden met de handelingen der colonnes onder de kapiteins Keulmans en Boissevain, die in Lingon-besar ten oosten , en Djeroek ten noordoosten van Temboh, en met die van den kapitein Schultz, welke ten noordwesten daarvan zouden ageeren.

De colonne Scheuer was sterk:

3 luitenants;

4 hoornblazers;

1OO soldaten;

1 soldaat-verbandmeester;

20 dwangarbeiders met 6 tandoes (brancards).

179

ocr page 190

DE ATJEHEBS ONDER

De opmarsch naar Temboh geschiedde tegen zeven uur in den morgen van den 2in Maart. De marschvorm was met het oog op het terrein op twéé gelederen uit de flank; de voorste en achterste sectie, onder de luitenants Drijber en Romein, werden tot vóór- en achterhoede, en de beide middel-sectiën , waarachter de reserve-munitie (2400 scherpe patronen) en de tandoes volgde, tot hoofdtroep bestemd.

Na een marsch van veertig minuten was men den noordelijken kampongrand van Temboli tot op 100 passen genaderd; hier werd „haltquot; gehouden en na eene vluchtige terreinverkenning de volgende dispositie genomen.

De ie sectie onder luitenant Drijber en de 2e sectie onder luitenant Schreyner zouden den noordrand van den kampong bezetten, terwijl de 3e en 4° sectie, onder luitenant Romein, 50 passen achter de stelling, op een geschikt punt in reserve werden gehouden. De voor-deelen dezer stelling waren: goede aanleuning harer flanken en een ruim schootsveld op het object Oleh-oeh, waarop, door eene haaksche opstelling der voorste linie, concentrisch vuur kon worden aangebracht; een nadeel was echter, dat de troep wel aan het gezicht, maar niet aan het vuur des vijands onttrokken was.

Ternauwernood had de voorste linie stellino genomen

o o

en waren door kapitein Scheuer aanstalten gemaakt om het vóórterrein te verkennen , of een overstelpend vuur verried de aanwezigheid van een aanzienlijk aantal vijanden, die, voor zoover men kon nagaan, in eene vaste stelling op 200 passen van onze gevechtslinie genesteld waren.

i So

ocr page 191

HET CIVIEL BESTUUR

Het was toen ongeveer half acht in den morgen. A weerszijden ontspon zich een vuurgevecht, dat gaandeweg in hevigheid toenam. De onzen, niet gedekt tegen 's vijands vuur, leden aanmerkelijke verliezen. Vele strijders der voorste linie waren reeds terstond door het vernielend vuur buiten gevecht gesteld, zoodat Scheuer zich genoodzaakt zag ééne sectie der reserve te doen oprukken. Deze werd buiten den noordwestelijken kam-pongrand achter galangans (dijkjes) zoodanig opgesteld , dat zij de vijandelijke positie kon enfileeren.

Hoewel deze manoeuvre van invloed was op het vijandelijke vuur, zoo werd dit toch niet voldoende beheerscht, en bleef het moorddadig schieten van den goedgedekten vijand steeds aanhouden. In de voorste linie lagen spoedig luitenant Drijber en acht minderen buiten gevecht; ook kapitein Scheuer bekwam een schampschot, doch bleef, evenals Drijber, wiens schedel door een kogel getroffen was, niettemin zijn troep met de grootste bedaardheid en zelfbeheersching aanvoeren.

De tijdelijke afwezigheid van een voldoend aantal tandoes, deed zich zwaar gevoelen, omdat de gewonden daardoor geruimen tijd in de vuurlijn moesten blijven. De Europeesche fuselier Frankowack, algemeen stamboek n0 4596, was zoo zwaar gewond, dat hij wegens de hevige pijnen zijne smartkreten niet kon onderdrukken; te vreezen was het, dat dit hartverscheurend kermen de kalmte der in gevecht zijnde troepen in gevaar zoude brengen.

Hebben wij in onze voorgaande schetsen Scheuer leeren kennen als den moedige, den beleidvolle, den

181

ocr page 192

ÜE AÏJ KU KUS ON DE K

trouwe, hier blinkt hij uit door den allergrootsten eenvoud en door de liefde, die hij zijnen soldaten toedraagt.

De kalmte van den troep is hem alles waard: voor den gewonde is hij met medelijden begaan; voor beiden zal hij waken. Hij nadert Frankowack met het kennelijk voornemen hem zelf buiten het gevecht te dragen.

Sprakeloos, verbaasd staart de soldaat zijn kapitein aan en weigert. Zich aan zulk eene oneerbiedigheid schuldig te maken van zich door een officier te laten dragen!

Een krachtig „ik beveel hetquot; weerklonk, en we zien kapitein Scheuer, met den gewonden soldaat op den rug, de vuurlinie verlaten. Is er verhevener voorbeeld van kameraadschap denkbaar ?

Deze edele daad bracht den troep in geestdrift; het werd een wedijver, hoe zich waardig te toonen om onder zulk een aanvoerder te blijven strijden. De gewonden zelfs legden de wapens eerst dan neer, als zij door uitputting er toe gedwongen werden. Voorbeeldig gedroeg zich de Inlandsche fuselier Tjarta, algemeen stamboek n0 85666, die, schoon zwaar gewond, zoo lang mogelijk aan den strijd deelnam ; door bloedverlies verzwakt moest hij het eindelijk opgeven en kroop toen, op handen en voeten, zijn geweer meê sleepende naar de reserve; de gelegenheid om daarheen gedragen te worden stond hij aan een zijner kameraden af.

Bijzondere vermelding verdient ook het gedrag van den Europeeschen soldaat-verbandmeester W. Joosten, algemeen stamboek n0 /5/8. In het hevigst vuur bleef hij kalm en onverschrokken zijn plicht vervullen, en de voortvarendheid, waarmede hij in de moeielijkste omstan-

182

ocr page 193

HET CIVIEL HE STUUR

digheden zijn dienst verrichtte, heeft hij veel bijgedragen om het lot der gewonden te verzachten.

De voorste linie, die niettegenstaande de vele verliezen, zich met voorbeeldige koelbloedigheid staande hield, had intusschen hare munitie bijna verschoten; terstond werd de reserve-munitie naar voren gebracht en uitgereikt. Eene patrouille vertrok naar Tjot-Basetoel om aanvulling te verkrijgen en reeds drie kwartieruur later was zij met een grooten voorraad patronen weêr op het gevechtsterrein terug.

De strijd had ongeveer anderhalf uur geduurd, zonder dat men er in slaagde den vijand in diens hardnekkige verdediging aan het wankelen te brengen. Scheuer besloot derhalve de bajonet te laten beslissen. Luitenant Schreyner kreeg bevel om met zijn peloton te stormen.

De munitie zijner afdeeling, die tot op twee patronen per man was verminderd, werd aangevuld, de bajonet nog eens onderzocht, de patroontasch naar voren geschoven, en als een stormwind wierpen de soldaten zich bij het signaal ,, attaqueeren quot; op de rechterflank der vijandelijke stelling.

Binnen enkele minuten hadden zij de versterking bereikt , wrongen zich door de chicanes, klommen tegen de borstwering op en stortten zich op de Atjehers.

De Europeesche fuselier Kribbe, algemeen stamboek n0. 14516, was het eerst in de benting, waar hij zich onder de kreet „ Oranje boven! quot; te midden des vijands wierp.

De vijand, steunende op zijne overmacht, wachtte onverschrokken den aanval af; vreeselijk was het treffen

183

ocr page 194

DE ATJEHERS ONDER

met de blanke wapens. De voorste gelederen der Atjehers waren echter niet tegen de aanval bestand en weken achteruit; wederom door anderen naar voren gedrongen, moesten zij ten laatste onder kolfslagen en bajonetstooten bezwijken. Scheuer en Schreyner bleven inmiddels niet werkeloos; houwend en stekend velden zij menigen Atjeher; het gevecht binnen de benting was kort maar hevig, en het voordeel was ons, want onder de luide hoera's der soldaten klonken spoedig de vroolijke tonen van het „Wilhelmus van Nassauenquot;.

De vervolging des vijands kon slechts door ons vuur geschieden, aangezien onze troepen niet spoedig genoeg over de ruim 3 meter breede, en op vele plaatsen diepe, K.roeng-Ali-Sabang konden trekken, waarover het den vijand gelukte langs enkele pinangstammen in oostelijke richting te vluchten.

Het tactische verband der troepen werd ten spoedigste hersteld en de vijandelijke linie bezet en opgenomen. Deze linie bestond, behalve uit de door ons genomen hoofdversterking, uit 9 halve redouten van 10 M. in het vierkant, zonder keelsluiting. Zij waren op 20 schreden van elkaar gelegen met de vuurlijn naar het zuiden gekeerd. De facen waren ruim 1 M. hoog en 0.75 M dik, van klei opgeworpen en door zware planken en koehuiden tegen het indringen der kogels beveiligd.

Groote bloedplassen en eene menigte bloedsporen in de richting, waar de vijand aftrok, getuigden, dat hij zware verliezen leed.

De aanwezigheid van eene menigte hulzen voorBeaumont-geweren bevestigde het vermoeden, dat de Atjehers voor

184

ocr page 195

HET CIVIEL BESTUUR

een groot gedeelte met achterladers gewapend waren. Met den meesten spoed werden 's vijands werken omvergehaald, waana Scheuer met zijne colonne den zuidwestelijken rand van Oleh-oeh binnentrok, met het doel om den vijand, die, volgens bericht van twéé Atjehers uit kampong Temboh, zich vermoedelijk in de zich aldaar bevindende versterkingen had teruggetrokken, op te zoeken en te verdrijven.

Van den opmarsch werd kennis gegeven aan den militairen commandant van Tjot-Basetoel, opdat deze , zoo noodig, hiervan den opperbevelhebber kon rapporteeren.

De moed der Atjehers vvas heel wat gedaald; nauwelijks verried de flikkering der bajonetten de nadering van den troep, of het gros maakte „ rechts omkeertquot;, om zich door eene haastige vlucht te redden; slechts enkele kleine benden bleven een oogenblik moedig stand houden en beproefden de onzen door hun vuur tot staan te brengen, doch het vastberaden „ voorwaarts rukken quot; onzer dappere soldaten, dwong hen eveneens tot den terugtocht.

Nog vier kleine versterkingen van dezelfde soort als hierboven beschreven, werden door Scheuer genomen. Na het terrein van vijanden gezuiverd te hebben, werden de versterkingen vernield en drie groote, tot verdediging ingerichte woningen, aan de vlammen prijs gegeven, waarna de colonne in goede orde den terugmarsch naar Temboh aannam, om van daar, ingevolge schriftelijken last, verder op Tjot-Basetoel terug te trekken.

Trotsch op de overwinning toog men in opgewekte stemming op marsch. Aan den reeds lang gekoesterden wensch, om den Atjehers voor de ondergane vernedering

ocr page 196

IJE atjrhkks ondf.k

te straffen, was voldaan. Wegens gebrek aan tandoes kon deze marsch slechts langzaam geschieden, daar vele gewonden te voet moesten volgen. Op de meest lofwaardige wijze blonk in deze omstandigheden de kameraadschap bij het Indische leger uit; het belangloos hulpbetoon, dat vooral ten velde in al zijne reinheid aan den dag treedt. Eéne daad van edele zelfopoffering mogen wij hier niet verzwijgen.

De luitenant S. A. Drijber, die reeds bij den aanvang van het gevecht eene pijnlijke schotwond aan het hoofd bekwam, maar die niettegenstaande zijne zware verwonding, nog geruimen tijd zijne sectie met uitstekende dapperheid bleef aanvoeren, moest eindelijk het commando overgeven en volgde per tandoe de colonne naar Tjot-Basetoel.

Bezield met innige belangstelling voor zijne soldaten, richtte hij zich nu en dan op, om tot dezen en genen gewonde een opwekkend woord te richten. Daar ontwaart hij in zijne nabijheid een der geblesseerde soldaten, die te voet den marsch moest volgen. Zonder aarzelen stond hij zijn tandoe af aan zijn mindere; noch de weigering van den brave, noch diens verzekering, dat hij minder leed dan zijn officier, kon Drijber bewegen weer daarin plaats te nemen. Dit schoon bewijs van edele kameraadschap, den Nederlandschen officier waardig, verhoogde niet weinig de zedelijke kracht der overige gewonden; met geduld en lijdzaamheid verdroegen zij den pijnlijken en vermoeienden marsch en de gloeiende hitte.

Gewond waren:

de kapitein Scheuer (schampschot);

de 2C luitenant Drijber;

de Europeesche fuseliers: G. Heimerichs, nquot; 16276; M.

i86

ocr page 197

HET CIVIEL BESTUUR

Klein, n0 16863, M. Frankowack, nH 4596, W. Alaardt, n0 12241, W. Theunissen, n0 9191 ;

de inlandsche fuseliers : Sodipo, n0 8353, Tjarta, n0 85666, Podiwongso, n0 90406 , Djojo Taroeno, n0 6640, Sapidjan, n0 85760 en Setrowidjojo, n0 S1105.

Enkelen dezer gewonden werden voor den verderen dienst afgekeurd en keerden , met eervolle lidteekens overdekt, naar hunne woonplaatsen terug.

Op den 2in Maart 1884 werden door de verschillende colonnes 13 goed versterkte stellingen des vijandsgenomen.

Ofschoon te Atjeh de vredevlag woei, zoo aarzelen we toch niet, deze feiten, in de schaduw van dat vrede-verkondigend teeken bedreven, te rangschikken onder de „krijgsbedrijvenquot; van het dappere Indische leger.

ocr page 198

DE VELDTOCHT TEGEN EDI

Mei 1SS9

Edi is een staatje aan de oostkust van Atjeh. In 1874 stelde het zich uit eigen beweging onder Nederlandss opperheerschappij , en op den 6n Mei van dat jaar werd onze driekleur, in tegenwoordigheid van den luitenant ter zee ie klasse C. Bogaert, commandant van Z. M. stoomschip Timor, den controleur Kroesen, vele officieren , den vorst van Edi, diens grooten en eene talrijke bevolking, aldaar op plechtige wijze geheschen.

Onze regeering was voor het staatje eene vreedzame te noemen, en zijne belangen werden steeds voorgestaan en bevorderd. Toch, na gedurende vijftien jaren de voor-deelen des vredes genoten te hebben, kwam de trouwe-looze, verraderlijke aard der bevolking weêr te voorschijn, en zonder eenige aanleiding greep zij naar de wapens en lokte eene expeditie uit, die, schoon kort van duur, aan onze vaandels bloedig verdiende lauweren hechtte.

Deze expeditie, hoewel in het Indisch Militair Tijdschrift en in de dagbladen reeds beschreven, brengen wij gaarne nogmaals onder de aandacht, hoofdzakelijk om aan te toonen, dat noch de jaren van gedwongen werkeloosheid,

ocr page 199

DE VELDTOCHT TEGEN' EDI

waarin het Indische leger verkeerde, noch de lauwe houding van 't gros van het Nederlandsche volk ten opzichte van den Atjeh-krijg, noch de weinige waardeering, die het leger, trots zijne onverflauwde plichtsbetrachting, ondervindt, bij machte zijn geweest zijne fiere hoedanigheden te verzwakken. En toch, om onder zulke omstandigheden het hart nog van geestdrift te voelen kloppen, steeds met denzelfden onbezweken moed zich ten dood te wijden, ziet, daartoe is het niet voldoende, dat men den krijgsmansrok draagt, daartoe behoort men bovenal soldaat te zijn met hart en ziel; daartoe behoort een heldengeest, als die, waarvan het Indische leger zoo doordrongen is.

Alzoo, na vijftien jaren onder de schaduw van de Nederlandsche driekleur in welvaart en voorspoed te hebben geleefd, begon de ondankbare bevolking te Edi onze vlag te hoonen, onze opperheerschappij te miskennen.

Ons bestuur schreef aanvankelijk de minder vriendschappelijke houding van een deel der bevolking aan den invloed van enkele kwaadwilligen toe, doch spoedig bleek het dat men met een ernstig verzet te doen had.

Het was in de maand April 1889, dat een duizendtal Atjehers zich in den omtrek van het anders zoo rustige Edi had genesteld. Aanhoudend werden toen de patrouilles onder den 2n luitenant J. F. Cornelius, welke zich tusschen onze versterking en de Koeala bewogen , door den vijand met geweervuur begroet.

De commandant der versterking, begrijpende, dat de vijand eene onderneming tegen de benting op het oog had, droeg den in luitenant A. de Leur op, met eene patrouille, sterk één officier (Cornelius) en 41 minderen, de stelling

ocr page 200

DE VELDTOCHT

des vijands te verkennen en hem zoo mogelijk, daaruit te verdrijven. Tengevolge dezer opdracht, verliet de patrouille omstreeks 11 uur in den morgen van den ln Mei de versterking.

Nabij het noordoostelijk gelegen begroeid terrein gekomen , werd de troep, die, in twee sectien verdeeld was, „en tirailleurquot; opgelost; een gedeelte volgde als reserve.

Nauwkeurig werden eerst de peper- en andere, nabij den kampong gelegene; tuinen doorzocht; daarna kwam de patrouille op een alang-alangveld (terrein met hoog gras).

Het goudgele gras, waarop de zon stond te branden, reikte de manschappen tot aan de borst, en het was moeilijk door de dichte grashalmen iets te onderscheiden, maar dat de vijand hier schuilde, begreep een ieder. Ofschoon op de patrouille nog geen schot gelost was, en niets de onmiddelijke nabijheid des vijands verried, toch liet men zich door deze geveinsde rust niet verschalken.

Met de grootste bedachtzaamheid rukte de troep sprongsgewijze „voorwaartsquot;. Nauwelijks kon echter de voorste linie 50 schreden geavanceerd zijn, toen van alle kanten witte rookwolkjes boven de alang-alang dwarrelden en honderden geweerloopen hun moordend lood op onze manschappen wierpen: men was op de eerste vijandelijke linie gestuit.

De Atjehers hadden hier eene rij kuilen gegraven, welke omstreeks 1 M. diep cn breed , 2 a 3 M. lang waren en zoodanig aangelegd, dat de vijand ze van uit den boschrand en langs het zeestrand, kon bereiken; elk dier kuilen was bezet, door 7 a 8 Atjehers.

ocr page 201

TK(j EN £01

Dit plotseling vuur kon echter den troep niet in verwarring brengen. Na 's vijands vuur met twéé salvo's beantwoord te hebben, liet de onversaagde de Leur het signaal attaqueeren blazen, waarop de luitenant Cornelius naar voren sprong en met de voorste linie met „velt geweerquot; op den vijand stormde.

De Atjehers lieten niet na op de aanrukkende tirailleurs hunne geweren en donderbussen los te branden; gelukkig echter bracht hun vuur den onzen weinig nadeel toe.

De aanval geschiedde met de grootste onstuimigheid. In de eerste groep kuilen werd de vijand ,,a bout portantquot; neêrgeschoten of met de bajonet afgemaakt. Aangemoedigd door de officieren, drongen onze soldaten met vurigen ijver op de volgende rij kuilen. Maar de Atjehers waren tijdig daaruit te voorschijn gesprongen en snelden met opgeheven klewang den onzen te gemoet.

Dit treffen was vreeselijk! Terwijl de voorste gelederen handgemeen raakten, vuurde de reserve, die inmiddels was opgerukt, op de verdedigers der verder gelegene kuilen, die eveneens op den troep instormden. Met alle kracht werden de klewangaanvallen afceweerd. en weldra lagen de Atjehers als gemaaid tusschen de rijen kuilen.

Ongerekend de lijken die in de alang-alang lagen, had de vijand minstens reeds 20 dooden tusschen de kuilen.

Maar voor de patrouille was de strijd nog niet ge-eindigd. Het knallen der geweerschoten had de in het bosch gelegerde Atjehers naar het gevechtsterrein gelokt, en, gesteund door de verdedigers der meer achterwaarts gelegen kuilen, werd onze kleine troep weldra door eene nieuwe massa bedreigd. Moedig hielden de onzen stand

191

ocr page 202

DE VELDTOCHT

en zonder zich te verontrusten over 's vijands verpletterende overmacht, trachtten zij , door goed gemikte schoten, de aanvallers van zich af te houden.

De toestand der patrouille begon echter hachelijk te worden. Behalve dat de munitie begon te verminderen , (de meeste manschappen hadden nog slechts 5 a 6 patronen) telde zij vijf gewonden en één gesneuvelde (den Euro-peeschen fuselier de Bok).

Onder zulke omstandigheden den strijd vol te houden is doelloos, weshalve de Leur tot den terugtocht besloot.

Aan 's vijands zijde, waar voortdurend versche troepen de gelederen kwamen versterken, ging een woest gejuich op, toen hij zag, dat de patrouille moest wijken. Verschillende hoofden en voorvechters traden naar voren om door hun geschreeuw de Atjehers tot een klewang-aanval aan te moedigen , de groote hoop was echter niet geneigd zich zoo roekeloos bloot te stellen; de kloeke houding der patrouille maakte te veel indruk.

Het goede voorbeeld der officieren vooral wekte in deze netelige omstandigheden veel vertrouwen bij de manschappen; immers, Jan de Leur, zooals de soldaten den patrouille-commandant noemen, was er nog en die zou de kameraden wel uit het gedrang voeren. Het was ontegenzeggelijk eene zware taak, die de Leur was opgelegd, de taak, om met een handvol vermoeide soldaten een beleidvolle retraite te maken.

Maar den naam van flink troepenofficier, waarvoor hij steeds bekend stond, heeft de Leur hier op de meest schitterende manier gehandhaafd.

Niet minder heldhaftig gedroeg zich zijn jongere collega

192

ocr page 203

TKG F.N K1JI

Cornelius. Deze jonge officier, die zijn commandant krachtdadig ter zijde stond, toonde in alles het ware karakter van den Nederlandschen officier. Aan eene zeldzame koelbloedigheid paarde hij een kalm overleg en eene tegenwoordigheid van geest, die veel bijdroegen om de Leur's allermoeilijkste taak te verlichten.

Al dadelijk bij den eersten aanval, had Cornelius, nadat de zes schoten uit zijn revolver gelost waren, het geweer van een der gewonden gegrepen en hiermede menig aanvaller neergelegd. Ook bij de retraite gaf hij, zooals wij aanstonds zullen zien, blijken van groote onverschrokkenheid.

Nadat de gewonden achter de reserve gebracht waren , werd de terugtocht bevolen. Al vurende retireerden de tirailleurs op de vleugels der reserve , die, nadat het front vrij gemaakt was, eveneens het vuur opende. Met het oog op de gewonden kon slechts langzaam en sprongsgewijze geretireerd worden; maar dit geschiedde in twee gedeelten en in de beste orde.

Ten einde het lijk van den Europeeschen fuselier de Bok, die nabij de kuilen gevallen was, niet aan eene afschuwelijke verminking der Atjehers bloot te stellen, hield de luitenant Cornelius met de fuseliers Rovenne, Grond, Satroeno en Wongsosmito hardnekkig stand om eene tandoe af te wachten, waarin de gesneuvelde moest worden getransporteerd.

Ofschoon het gevaar, waaraan zij zich bloot stelden, groot was, aarzelden deze dapperen geen oogenblik om den gesneuvelden kameraad mee te voeren. Een hevig gevecht hadden zij te doorstaan voor en aleer het lijk in de tandoe kon gelegd worden. Vooral uit de kuilen , in welker

n 13

193

ocr page 204

ÜE VELDTOCHT

nabijheid de Bok gesneuveld was, werden Cornelius en de zijnen voortdurend beschoten, zoodat het noodig was eerst den vijand terug te drijven, voor men het lijk van den kameraad kon meevoeren. Gedurende dit gevecht werd de fuselier Rovenne gewond , doch als door een wonder bleven de anderen ongedeerd. Slechts de luitenant Cornelius bekwam een licht schampschot aan de hand. Pas voor pas, en steeds front makende naar den vijand, trachtte men den hoofdtroep te bereiken, die reeds 150 passen van hen verwijderd was. Door hunne juiste schoton en onverschrokken houding wisten Cornelius en zijne brave soldaten zich te redden uit het gevaar van omsingeld en afgesneden te worden De vijand, die zich schromelijk bedrogen zag, toen hij in dit troepje eene gemakkelijke prooi meende te hebben en woedend was over den hard-nekkigen wederstand der patrouille, begon, onder een woest getier, al meer en meer op te dringen.

Terwijl het getal vijanden steeds aangroeide, begon de gevechtskracht der onzen allengs te verminderen; weldra liepen de sectiën door elkaar, en, ondanks alle moeite der officieren, waren de manschappen door vermoeidheid niet langer in staat bij gedeelten terug te trekken.

Wie nog het best kon marcheeren en het geweer behoorlijk wist te hanteeren, nam de patronen over van de zwakkere kameraden, zoodat de retraite, in weerwil der ongunstige omstandigheden, zonder verwarring plaats greep

Om zooveel mogelijk geweren in actie te hebben, nam de Leur den gewonden Inlandschen fuselier Kromo-pawiro op de schouders, opdat de beide manschappen,

194

ocr page 205

TEG F.N i:m

die den gewonde ondersteund hadden, mede op den reeds dicht genaderden vijand konden vuren. Zoo geschiedde het dan ook, dat de Leur, ofschoon zelf vermoeid, den geblesseerde zoolang op zijne schouders torste, tot deze in eene der meegevoerde tandoe's kon gelegd worden.

De kans voor de patrouille om de versterking te bereiken, bleef intusschen zeer twijfelachtig.

Reeds menige ondervragende blik was in de richting van Edi geworpen, maar geen enkel signaal werd gehoord, geen enkele geweerloop gezien 1 De bemoedigende toespraken der officieren hielden echter de geestkracht van de manschappen staande.

En weêr was eene tandoe dringend noodig, daar een ander der gewonden niet langer marcheeren kon! Er schoot echter niets anders over dan de tandoe, waarin de gesneuvelde Europeesche fuselier cle Bok meegevoerd werd, voor den gewonde in te ruimen. Zou men den gesneuvelde nu in handen des vijands laten ?

Neen, het lijk van den kameraad wilde men niet aan eene afschuwelijke verminking prijs geven; men droeg het mede en verborg het later in een der tuinen. Steeds wanhopiger werd de toestand der uitgeputte patrouille, die zich slechts met alle inspanning en hoe langer hoe moeielijker voortsleepte.

Slechts een klein gedeelte was nog in staat aan den scheldenden en tierenden vijand het hoofd te bieden, maar ook deze enkelen konden niet dan met moeite het geweer gebruiken, daar velen brandwonden aan de handen hadden, tengevolge van het gloeiend worden van den geweerloop; maar de dapperen verkropten de pijn.

195

ocr page 206

DE VELDT0CH1

Allen versmachtten van dorst en hijgden naar adem: wel had het vreeselijk lijden nu zijn toppunt bereikt. De ondraaglijke hitte vooral, deed de laatste krachten der manschappen meer en meer afnemen. De hoop om den vijand van zich af te houden werd aldus steeds geringer,

In deze oogenblikken had de Leur, die overal zijne oogen liet gaan , eene sectie onder den luitenant Ostreig ontdekt.

Het geluid der geweerschoten had dus eindelijk de versterking bereikt.

„Houdt je ferm jongens, daar komt hulp,quot; klonk de stem van de Leur, die geen oogenblik zijne opgewektheid verloor, en, als met nieuwe krachten bezield, richtten de soldaten het hoofd op; die nog schieten kon en patronen had, vuurde met verdubbelden ijver op den dichten hoop Atjehers, zoodat elk schot een vijand velde.

De vijand, die de sectie Ostreig ook had zien naderen, wist echter van geen wijken , maar scheen nog een laatsten klewangaanval te willen beproeven, om de uitgeputte patrouille neer te sabelen.

Maar vóór hij dat besluit kon ten uitvoer brengen, deden de salvo's van de aanrukkende sectie de Atjehers door elkaar tuimelen en dwongen de onzen, door hun flink optreden, den vijand tot wijken. In eene voordeeligestelling geplaatst, dekten zij den verderen terugtocht der patrouille en eindelijk bereikte deze tegen twaalf uur de versterking.

Zoolang het gevecht duurde, had eene bewonderenswaardige geestkracht de patrouille staande gehouden, maar thans , nu het gevaar geweken was, viel de grootste helft der manschappen van uitputting neer.

Behalve de gesneuvelde fuselier de Bok, wiens lijk

196

ocr page 207

tkgkn f. [) i

door den sergeant-majoor Lodewijk met eenige manschappen werd teruggehaald, hadden de onzen vijf gewonden bekomen , namelijk de fuseliers Rovenne, Derie-mont, Nieman, Wagelaar en de Inlandsche fuselier Kro-mopavviro.

De Atjehers hadden echter grootere verliezen geleden. Alleen bij de kuilen lieten zij 20 lijken achter, en volgens gerucht zou de vijand, behalve eene menigte gewonden, nog 46 dooden gekregen hebben.

De verkenning had thans overtuigend bewezen, dat een talrijke en goed bewapende vijand de versterking Edi trachtte in te sluiten. Met het oog op het ernstige van dezen toestand, werd het garnizoen van Edi, op verzoek van den postcommandant, kapitein In 't Velt, door een officier en 25 schepelingen van het ter reede liggend oorlogschip Makasser, versterkt.

De generaal-majoor van Teyn, gouverneur van Atjeh en Onderhoorigheden, werd terstond met het gebeurde in kennis gesteld, en tot hem het verzoek gericht eene expeditionnaire macht te willen zenden, ten einde den vijand te verdrijven.

Naar aanleiding van dit verzoek werd de luitenant-kolonel H. I. L. de Bank Langenhorst aangewezen. om aan het hoofd eener expeditionnaire colonne naar Edi te vertrekken.

Deze colonne embarkeerde op den 4quot; Mei 1889, om hare bestemming te volgen en was samengesteld als volgt:

ixfaxïerie

3e Bataljon Staf

Luitenant-kolonel H. 1. L. Je Bank Langenhorst, commamlant,

197

ocr page 208

uk vf.ldtocut

le liiiteuaut-adjiiflaut I. H. M. E. Kohier;

•2e compasjiiie (Amlmiieezen):

Kayiitein (i. A. Hansen;

le luitenant H. W. Muller;

3e id. M. W. Bloemen Waauders:

2e id. .1. la Gordt Dillié;

142 onderofficieren en minderen;

4e compagnie (Europeanen);

Kapitein ï. P. Mollinger;

le luitenant J. 1. A. Gaade;

2e id. S. C. van Hattum;

2e id. H. van Bensekom;

150 onderofficieren en minderen.

arïillf.eie.

Commandant: !e luitenant H. E. P. B. C. Baermeijer van Barienhofen ;

17 onderofficieren en minderen

Genietroepen.

Commandant: lc luitenant N. llageman.

20 onderofficieren en minderen.

Geneeskundige dienst.

Officier vau gezondheid 2e klasse: H. G. Dumont; 26 hospitaalsoldaten.

Bovendien werden 133 dwangarbeiders bij de expedi-tionnaire colonne ingedeeld, tot het dragen van de reservemunitie en andere oorlogsmaterialen.

Groot was de geestdrift der troepen, toen de tijding hun gewerd, dat men zich eindelijk weer met den vijand ging meten.

Hoe werden de kameraden benijd, die den veldtocht zouden medemaken!

ocr page 209

TEGEN EDI

Eigenaardig vooral was de houding der Amboneezen van het 3= bataljon infanterie. Nauwelijks was de order bekend, of in hunne chambrées vormden zich verschillende groepen, in welker midden enkele, met eereteekens en termstreken versierde veteranen tot de jongere soldaten , waarvan de meesten ternauwernood den manne-lijken leeftijd hadden bereikt, het woord voerden.

,, Broeders van de 2e compagniezoo spraken zij,, „ morgen zal u het voorrecht te beurt vallen den vijand tegemoet te gaan; dit uitrukken is voor de meesten uwer de vuurdoop; hij zij u heilig! Boven onze bajonetten zal zich de oorlogsbanier van het 3e bataljon ontplooien. Aan dat van kogels doorboord vaandel prijkt de schitterende ster van „Moed, Beleid en Trouwquot;; deze onderscheiding schonk ons Z. M. Koning Willem III. Onder dat vaandel hebben uwe broeders in menig bloedig gevecht met roem gestreden, en menig hunner is daaronder met eere gebleven. Beschaamt nimmer de nagedachtenis dier helden, maar toont hunne waardige vervangers te zijn, door dezelfde deugden aan den dag te leggen als zij bezaten! Mannen, bedenkt dat gij soldaten, dat gij Amboneezen zijtquot;!

Getroffen door zulk eene taal, zwoer ieder voor zich-zelven een eed van trouw aan het vaandel, een eed van dapperheid aan de schimmen der, onder dat vaandel, gevallen helden. En op deze wijze leeft de goede geest onder onze Amboneezen steeds voort.

Want al heeft de oorlogszeis hen grootendeels weggemaaid; al heeft de berri-berri hunne gelederen schrikbarend gedund, zoodat van het oude, dappere 3e bataljon

199

ocr page 210

DF. VELDTOCHT

infanterie slechts enkele strijders zijn overgebleven, de ware krijgsmangeest is echter steeds bewaard gebleven, dank zij den ouderen kameraden, die ze in hunne gezangen doen voortleven en in hunne verhalen de schitterende wapenfeiten van het corps aanhoudend herdenken.

En men bedenke: bij een corps, waar men nooit nalaat de soldatendeugden te vermelden van hen , die het sieraad waren van het leger, daar zal ook steeds de dapperheid betracht, daar zal immer de eigenwaarde der manschappen opgewekt worden.

Kapitein Hansen, commandant der 2e compagnie Am-boneezen, die zulks volkomen besefte, en zelfs bij elke oefening niet naliet den geest van initiatief te kweeken , heeft de schoonste resultaten van zijne zorgen mogen aanschouwen en dankt den roem, waarmede hij en zijne officieren zich te Edi overlaadden , voor een deel aan de dapperheid zijner trouwe Amboneezen. Doch loopen wij de gebeurtenissen niet vooruit.

Op den 4quot; Mei werden de troepen van Kota Radja per stoomtram naar Oleh-Ieh overgebracht, om zich aldaar te embarkeeren. Zij werden ingescheept aan boord van de Gouvernement's stoomers Condor en Albatros, Z. M. stoomschip Makassar en de Gouverneur-Generaal van Lansbergen der Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij.

Den 5n Mei 'smorgens lieten de schepen het anker voor Edi vallen. Slechts aan een gedeelte der troepen gelukte het zich dien dag te ontschepen, want de zee, die onrustig was, werd hoe langer hoe onstuimiger. Hoog verhieven zich tegen den namiddag de witgekuifde golven en rolden met

200

ocr page 211

TEGEN EDI

zulk eene woeste vaart naar het strand, dat men niet zonder bekommering de sloepen naoogde, die het reeds ontscheepte gedeelte der troepen van het noodige moesten voorzien. Bergenhoog werden de sloepen door de golven opgetild, om weinige oogenblikken later met eene duizelingwekkende snelheid in de diepte teruggeworpen te worden ; elk oogen-blik scheen het, of zij door de golven zouden verzwolgen worden, maar de Oceaan had met Nederlandsche zeelieden te doen en onze zeerobben verstaan hun handwerk bij uitnemendheid.

Het gebarkeerde gedeelte bezette den niet ver van de landingsplaats gelegen kampong Koeala, die door sterke en breede grachten eene uitmuntende bivouakplaats aanbood. Tot ieders verwondering werd het bivouak niet verontrust; zelfs gedurende den nacht heerschte eene onbeschrijfelijke rust in den omtrek. Niets gaf 's vijands aanwezigheid te kennen, maar toen „het oog van den dagquot; aan den horizon verscheen, ontdekten de schildwachten door den lichten morgennevel verschillende gestalten, die in de richting der bosschen verdwenen.

Groote waakzaamheid onzerzijds en de onbekendheid met de sterkte van den troep, hadden den vijand waarschijnlijk teruggehouden , iets te ondernemen.

Het weer, dat den volgenden dag veel gunstiger was, gaf den aan boord gebleven troepen gelegenheid zich te ontschepen, zoodat de geheele expeditionnaire macht omstreeks half elf in den morgen aan wal was.

Na zijnen troep geïnspecteerd te hebben, liet de commandant , de luitenant-kolonel de Bank Langenhorst, zich de noodige inlichtingen geven door de officieren,

201

ocr page 212

UF. VELDTOCHT

die reeds den vorigen dag de kampong Koeala bezet en verkenningen gemaakt hadden. In het verhoogd schilderhuis, aan het strand . werden door hem, naar aanleiding der ingewonnen berichten, aan de verzamelde officieren de dispositiën voor het gevecht bekend gemaakt. Die berichten luidden onder meer, dat de Atjehers zich in loopgraven hadden genesteld langs den weg, welken de troepen moesten nemen om van de landingsplaats naar Edi te marcheeren.

Meer dan waarschijnlijk was het dus, dat de opmarsch zoude bemoeielijkt worden.

Met het oog hierop, bekwam de compagnie Hansen den last, om, langs het strand gaande, eene omtrekkende beweging te maken langs de rechterflank der vijandelijke stellingen, na welke omtrekking verband moest gehouden worden met de hoofdcolonne, die den grooten weg naar Edi zoude blijven volgen; de artillerie bleef bij de hoofdcolonne.

Om elf en een kwart uur stelden de troepen zich in beweging en elk gedeelte volgde in den voorloopigen gevechtsvorm de aangewezen route.

Op de rechterflank, gedekt door het hooge gras, marcheerde de 2e compagnie eerst langs het zeestrand. De golven, die gisteren zoo geweldig bruisten, spoelden nu zachtjes naar het strand en buitelden vroolijk kabbelend over de schoenen der manschappen.

Met gespannen opmerkzaamheid volgden de zee-officieren der verschillende oorlogsbooten door hunne kijkers de langs den zeeoever marcheerende compagnie; de kleine, doch vlugge en gespierde donkerbruine gestalten hadden

202

ocr page 213

TEGEN EDI

reeds aan de landingsplaats hunne belangstelling opgewekt, door de flinke houding in het gelid en de juiste uitvoering der gegeven commando's.

Was het reeds warm tijdens het debarkeeren. nu deed zich de hitte geweldig, ja, ondraaglijk gevoelen. Met hijgende borst en het voorhoofd druipend van het zweet, trok deze compagnie langs den ongemakkelijken weg voort, waar schuwe krabben voorzichtig weg kropen en opgeschrikte meeuwen heesch krijschend naar zee vlogen. Nauwelijks had men 3 a 400 schreden afgelegd, of, in zuidwestelijke richting, werden geweerschoten vernomen. Het was de 4* compagnie, die reeds met den vijand in een vuurgevecht was gewikkeld.

Instinctmatig versnelden de Amboneezen den pas en weken meer en meer van het strand af. Het was niet uit vrees voor de dartele golfjes, wier schuimend nat door hunne schoenzolen drong, neen, het was het verlangen om langs den kortsten weg de kameraden der 4e compagnie een handje te helpen.

Ongeduldig wendden zich hunne blikken naar den kapitein. Verlangend naar den strijd, zagen de jongere soldaten de oudere vragend aan , als wilden zij van deze weten, waarom men, in stede van ,, marcher au canonquot; voor ditmaal daarvan afweek.

Daar bewoog zich het hooge gras; was het door den wind? De sergeant-majoor Wolvekamp, algemeen stamboek nquot; 26592. commandant der achterste sectie, had spoedig de oorzaak ontdekt: het waren eenige Atjehers, vermoedelijk van een observatiepost, die door het alang-alangveld trachtten weg te sluipen. Na eenige goede

203

ocr page 214

Dl: VELDTOCHT

schutters te hebben aangewezen om op hen te vuren, ging Wolvekamp aan het hoofd zijner sectie tot de attaque over. Het was de geest van initiatief, door den commandant aangekweekt, die hier tot daden aanspoorde.

Had men getalmd, de Atjehers waren ontkomen en het gevecht zoude wellicht geheel anders zijn uitgevallen, terwijl nu het bericht van eene omtrekkende beweging onzerzijds den vijand niet gewerd. Twee der Atjehers ontsnapten, doch werden op den grooten weg naar Edi door de sectie van den iquot; luitenant Gaade, de achterhoede der hoofdcolonne, neergeschoten.

Door het vuren der 2e compagnie, was die sectie op de twee vluchtelingen opmerkzaam gemaakt.

Na dit incident klonk weldra het commando „voorwaarts, marschquot;, en voort ging de tocht weêr langs het strand. Nog 500 M verder, en de hooge stengels van een suikerrietveld onttrokken de compagnie aan het gezicht der oorlogsschepen; thans sloeg men de zuidelijke richting in.

De voorste sectie was in „gesloten groepenquot; opgelost, maar moest weldra „ de sectie hei stellen quot;, tengevolge van het begroeid terrein. De compagnie was evenwel op den goeden weg; eene onvoltooide en tevens onbezette tirailleurs-loopgraaf deed vermoeden, dat de vijand zijn rechtervleugel hier had willen verlengen. Kapitein Hansen besloot deswege de gevolgde richting te behouden.

Het terrein, waarop de compagnie daarna kwam, was klaarblijkelijk vroeger eene lagune, die langzamerhand is aangeslibd. Op den weeken bodem had zich door den tijd eene wildernis van boomen en struiken gevormd. Langs

204

ocr page 215

TEG KN F Dl

de stammen kronkelden zich lianen tot de kruin opwaarts, als zochten zij het zonlicht, hetwelk de, tot vollen wasdom geraakte boomen haar trachtten te betwisten. Verschillende wilde klimplanten omstrengelden de boomen , en hadden , aan stammen en takken zich vastgrijpende, ondoordringbare guirlandes gevormd, die den doortocht schier onmogelijk maakten Op dezen bodem, waar talrijke krabben en afzichtelijke kruipende dieren eene verblijfplaats hadden gezocht, aasden vreemdsoortige^ vliegen op rottende cadavers van krabben, en leefden myriaden van kwellende muskieten.

Een smal, glibberig pad, wellicht de eenige weg in deze rimboe, verleende ternauwernood een doorgang. Op verschillende plaatsen versperden omgevallen boomstammen den iveg, of belemmerden taaie twijgen den marsch op onrustbarende wijze. Slechts man voor man kon de colonne : ich op 't gladde pad voortbewegen, zoodat de compagnie, toen zij op één gelid was gekomen, eene lengte besloeg van 4 a 500 meter. Het was eene ontzettende ' gedachte voor den compagnie-commandant en de officieren, op zulk een terrein wellicht in eene hinderlaag te vallen. Geene zekerheid bestond er toch, dat de marsch langs het strand onopgemerkt was gebleven.

Met kolf, bajonet en sabel moest men zich op den slijkerigen weg in deze wildernis een doortocht banen; zij, die beproefden zich met geweld er doorheen te wringen. werden door de verradelijke takken en struiken als in de armen van een poliep omvat en moesten met medehulp der volgende kameraden uit het kluwen ontward worden.

205

ocr page 216

DE VELDTOCHT

Sluipende en bukkende werd de tochi voortgezet. Het was stil, verradelijk stil in de donkere rimboe.

Met een kloppend hart schreed een ieder langzaam voorwaarts.

In de verte klonken dof en onduidelijk de kanonschoten der bergstukken.

Was men zoo ver van de hoofdcolonne afgedwaald ?

Vol zorg bewogen zich de ofScieren in dit doolhof van boomen en struiken.

Het was, als stonden de planten hoe langer hoe dichter; elk oogenblik verwachtte men van achter de struiken eene losbranding van geweren, waar tegenover men hulpeloos zou staan , en waardoor men zoude geveld worden , zonder zelfs één vijand te zien. Welke vreeselijke gedachte voor een soldaat! Niet het gevecht, en zelfs niet de dood zal hem afschrikken , maar om zóó door een onzichtbaren vijand weerloos afgemaakt te worden, dit is niet het einde, dat een krijgsman zich droomt.

De weg werd slechter, naarmate men dieper doordrong, zoodat de kans, om zich tegen een aanvallenden vijand te verdedigen, steeds geringer werd.

Reeds maakte kapitein Hansen , die het niet verantwoord achtte hier langer te vertoeven , aanstalten om een andere richting in te slaan, toen hem door den commandant der voorste sectie, den 2e luitenant van Bloemen Waanders, gerapporteerd werd , dat er uitzicht bestond op een spoedig verlaten der rimboe. En werkelijk werd het bosch gaandeweg ijler.

Men hoorde nu duidelijk schieten , en, verder door marcheerende, ontdekte kapitein Hansen, die zich in-

206

ocr page 217

TEGKN EDI

middels bij de voorste sectie had gevoegd, op een 1 o-tal passen voor zich uit, den vijand, die druk bezig was de hoofdcolonne te beschieten.

Welk eene voldoening voor den commandant, te bemerken, dat men de juiste richting gevolgd had, want 50 a 60 schreden voor den boschrand bevond zich de rechtervleugel van 's vijands stelling.

De Atjehers hadden geheel hunne aandacht gewijd aan de troepen op den grooten weg en bemerkten dus niets van de omtrekkende beweging van de compagnie Hansen.

De positie dezer compagnie was evenwel niet zonder gevaar, aangezien de boschrand zoo begroeid was, dat hij nergens een geschikt deboucher aanbood ; slechts met twee man tegelijk kon men de wildernis verlaten.

Nu kwam het er op aan, den vijand door een verrassend en kloekmoedig optreden in verwarring te brengen en te verslaan. Haastig werd het volgende fluisterende gesprek tusschen den kapitein en luitenant van Bloemen Waanders gevoerd. (Beide officieren stonden slechts eenige passen van elkander, doch waren door het begroeid terrein geheel aan eikaars gezicht onttrokken.)

„Waanders, wij moeten er op in!quot;

„Goed, kapitein, zal ik maar vast beginnen.quot;

„Vooruit maar!quot;

Bij de laatste woorden duwde kapitein Hansen den voor hem staanden Amboneeschen fuselier Mait, algemeen stamboek n0 25969, door eene opening het bosch uit, volgde hem op den voet en liet toen een „ hoerahquot; hooren, hetwelk , door de geheele compagnie herhaald, zoo onstuiming klonk, dat de Atjehers, geheel uit het

207

ocr page 218

DE VFLUTOCHT

veld geslagen, een oogenblik het vuren staakten om te zien, welke vijand hen zoo plotseling uit de rimboe kwam overvallen.

Nu het aanvalsteeken eenmaal gegeven was, nu waren de Amboneezen niet meer te houden.

Achter den compagnies-commandant volgden de Ambo-neesche fuseliers Wattinury, algemeen stamboek n02Si3 en Mawanky, algemeen stamboek nquot; 84166. Onverschrokken stormde kapitein Hansen met deze fuseliers op de eerste groep kuilen, spoedig gevolgd door luitenant van Bloemen Waanders en den Europeeschen sergeant Brok, algemeen stamboek nquot; 2S24 en Desirat, algemeen stamboek n0 20807.

Voordat de geheele compagnie mee kon stormen, waren de bovengenoemden reeds op den vijand aangevallen. De attaque geschiedde zoo plotseling, dat slechts een klein getal Atjehers uit de voorste kuilen tijd had om het hazenpad te kiezen; in de voorste tirailleursputten werden allen met de bajonet afgemaakt, slechts enkelen neêrgeschoten.

De fuselier Mait raakte het eerst handgemeen met den vijand; aan den rand der voorste rij kuilen gekomen, legde hij zijn geweer aan en trok af, maar de patroon weigerde. Met een duivelschen grijns sprong de Atjeher, voor wien het schot bestemd was, uit den kuil en deed een geweldigen houw, dien Mait echter met het geweer wist te pareeren. Luitenant van Bloemen Waanders sprong nu zijn mindere bij en loste op den Atjeher een revolverschot, juist toen deze ten tweede maal de breede klewang ophief. Ofschoon aan het hoofd reeds door twee schoten

20S

ocr page 219
ocr page 220
ocr page 221

TEG F.N KDI

getroffen, bleef de Atjeher de klewang even woest hanteeren, totdat de inmiddels toegeschoten soldaten hem neérlegden.

Het gevecht werd spoedig algemeen. Nadat de bezetting der eerste groep kuilen a 1) gedood was, verzamelde kapitein Hansen een tiental manschappen om zich heen en snelde met den looppas verder.

Door de gesteldheid van het terrein was het niet mogelijk te ontdekken, waar de vijand zich genesteld had. De alang-alang was zoo dicht en hoog, dat de kuilen en loopgraven eerst op 3 a 4 passen afstands zichtbaar waren. Nergens te Atjeh zag men ooit zulke alang-alang-velden. De soldaten, naderhand over dit veld sprekende, zeiden: „de alang-alang kittelde ons in hals, mond, neus en ooren.quot; Bij zijne verdediging had de vijand op deze hooge alang-alang gerekend. Op een terrein, waar men a bout potirtant neergeschoten ^ of onverwachts door klewanghouwen kan afgemaakt worden, onverschrokken vooruit te gaan, dit getuigt van den grooten moed der manschappen; maar hoe kan 't anders, wanneer de compagnies-commandant in kloeke vastberadenheid zijne soldaten voorgaat en hen weet aan te wakkeren!

Het geluk dient den koenste, zegt het spreekwoord, en dit ondervond kapitein Hansen, want regelrecht met zijn troepje er op ingaande, ontdekte hij eene tweede, meer achterwaarts gelegene rij loopgraven b.

Eensklaps trad een Atjeher met opgeheven klewang uit het hooge gras te voorschijn en kwam op den kapitein af. De Amboneesche fuselier Kajoba, algemeen stamboek

209

1

Zie Schetskaart.

II 14

ocr page 222

DE VELDTOCHT

n0 28771, het gevaar ziende, waarin zijn commandant verkeerde, ging den Atjeher met bliksemsnelheid tegemoet, doorstak hem met de bajonet, maar ontving gelijktijdig den voor den kapitein bestemden houw op den linkerschouder. De taaie Atjeher, hoewel door den bajonetstoot doodelijk getroffen , gaf den strijd niet eerder op, dan nadat hij van kapitein Hansen nog een ducbtigen sabelhouw op 't hoofd had bekomen.

Bij de tweede rij kuilen b had nu een verwoed gevecht plaats. De Amboneesche fuselier Waëni, algemeen stamboek n° 28579, die met een vijand handgemeen raakte en zeer behendig diens geweldige klewanghouwen pareerde. doorstak zijn tegenstander met de bajonet; toen hij echter het geweer uit diens lichaam trok , greep de Atjeher er naar, en op onverklaarbare wijze liet de bajonet los. Waëni kreeg nu van den Atjeher een slag over de linkerhand en wellicht zou het niet daarbij zijn gebleven, zoo een kameraad niet tijdig ter hulp ware gesneld.

Inmiddels waren hier aan onze zijde successievelijk 10 a 15 man bijgekomen, zoodat van weerskanten de verhouding van het aantal strijders weinig verschilde. Ondanks den dapperen tegenstand werden de Atjehers allen gedood. Met welk eene bittere woede er gevochten werd, kan blijken uit het ieit, dat een der kuilen letterlijk opgevuld was met lijken.

Terwijl kapitein Hansen in het alang-alangveld met den vijand handgemeen raakte, had een gedeelte der manschappen van de le en 2e sectie onder de luitenants van Bloemen Waanders en la Gordt Dillié de groep kuilen c bestormd, waar de vijand den aanval niet afwachtte,

2IO

ocr page 223

TEGEN EOT

doch in zuidelijke richting vluchtte, een groot aantal wapens achterlatende. Door de aanwezige manschappen werd nu, onder leiding der beide genoemde officieren, een salvovuur geopend; dat evenwel spoedig werd gestaakt, op grond, dat men uit de voorgelegen klappertuinen , vlak bij onze versterking Edi, eveneens Atjehers zalt;j vluchten en men deze voor bevriende Inlanders aanzag.

«■3 O

Hoe kon men ook vermoeden, dat de vijand reeds zoo dicht nabij de ben ting genesteld was!

Intusschen waren de mineurs en de 3e sectie, onder luitenant Muller, ook uit het bosch gedeboucheerd. Het was den compagnies-commandant in de gegeven omstandigheden niet mogelijk geweest dien officier orders te geven , zoodat de 3e sectie in het gevecht ingreep, zonder daartoe het bevel ontvangen te hebben.

De manschappen voegden zich bij de kameraden, die bij de tweede en derde rij kuilen b en c stonden, of beschoten den uit rij e vurenden vijand. De grootste moeilijkheid was om te ontdekken of er nog meer kuilen bestonden en waar deze gelegen waren. De vijand bespaarde ons echter de moeite eener verkenning, door eensklaps ook uit de kuilen e te vuren. Een ieder maakte nu front naar die zijde om het vuur te beantwoorden. De schoten der goed gedekte Atjehers misten hunne uitwerking niet, zoodat onze Ambonneezen maar besloten door een bajonet-aanval daaraan een eind te maken.

Het gevecht, hetwelk alsnu van weerszijden plaats had, laat zich moeielijk beschrijven. Vriend en vijand raakten dooreen gemengd; het was een vreeselijke, een verwoede strijd van leven om leven; eene worsteling,

211

ocr page 224

DE VELDTOCHT

die over zege of nederlaag beslissen moest. Zelfs de gewonde soldaten, waaronder de Amboneesche fuselier Adjah, algemeen stamboek n0 9417, die kort te voren door een geweerkogel was getroffen, vochten meê.

Geweerschoten werden nu niet meer gehoord; in het geschreeuw en getier der strijders mengde zich slechts het gekletter der blanke wapens. Slechts korte oogen-blikken bleef de strijd onbeslist, toen hield alle krijgs-gedruisch op. Had men elkaar een oogenblik van rust gegund ? Zeer zeker niet; want eensklaps weergalmde een donderend „hoera!quot; de zegekreet der onzen! In deze vreeselijke slachting waren alle Atjehers bezweken.

Aan onze zijde waren velen gewond, doch men had geen gesneuvelden te betreuren.

Gedurende het gevecht bij d was de Amboneesche sergeant Toerang, algemeen stamboek n0 84911, met drie jonge soldaten, Popa, algemeen stamboek n0 8896, Habibie, algemeen stamboek na 16329 en Kamparang, algemeen stamboek nquot; 26537, 0P eige1,1 dunk vooruit gesneld naar de plaats, waarheen hij eenige Atjehers uit c had zien vluchten.

Vóór deze rij kuilen gekomen, enfileerde hij en zijne manschappen de stelling des vijands door een snelvuur en noodzaakte daardoor SO Atjehers tot de vlucht.

Het signaal „ophouden met vurenquot; en „verzamelenquot; riep de uiteengeraakte compagnie weêr bij elkaar. Punt c, waarheen zich kapitein Hansen na het laatste gevecht begeven had, werd als verzamelingspunt aangewezen.

Vermoeid en buiten adem kwamen de manschappen aan; er waren enkelen, die zelfs het bewustzijn verloren.

212

ocr page 225

TEGEN EDI

iets, wat niet te verwonderen is, na zoo'n vermoeienden marsch en het bloedig gevecht bij de ondraaglijke hitte, die er heerschte. Het ambulance-personeel beijverde zich inmiddels om de gewonden te verbinden.

Men verheugde zich reeds op eene volkomene overwinning, toen bij f boven de alang-alang, de bonte hoofddoeken der Atjehers zichtbaar werden. Wij moeten de dapperheid des vijands eeren, die , niettegenstaande hij telkens verslagen werd, steeds met denzelfden moed ons het terrein bleef betwisten.

Deze vermetelheid kwam hem echter duur te staan. De Amboneesche sergeant Karuwal, algemeen stamboek n0 80987, die den vijand het eerst ontdekte, verzamelde spoedig eenige manschappen om zich heen, waaronder de Ambonesche korporaals Jacobs, algemeen stamboek n0 72217 en Semallo, algemeen stamboek n0 11039, en den Amboneeschen fuselier Kabise, algemeen stamboek n0 15919; deze gingen de Atjehers vastberaden tegemoet. De klewang moest wederom voor de bajonet van den Ambonees wijken, en de Atjehers bekochten hunne waaghalzerij met den dood.

In het voorbijgaan zij hier gezegd, dat de Amboneezen bij dit gevecht getoond hebben, dat zij volkomen op de hoogte zijn van de bajonetschermkunst; de parades en stoeten werden meesterlijk uitgevoerd, en ontegenzeggelijk is de bajonet in hunne handen een even geducht wapen als de klewang in de vuist van den Atjeher.

Wederom klonk het signaal „verzamelenquot;, want de meeste soldaten, hoe vermoeid ook, waren weêr uit het gelid gesprongen om den sergeant Karuwal bij te staan.

213

ocr page 226

DE VELDTOCHT

Kapitein Hansen had bij deze gelegenheid alle geduld en veel bedaardheid noodig, om zijne door strijdlust als bedwelmde Amboneezen in de hand te houden.

Nauwelijks was echter de compagnie weer verzameld. of de vijand begon andermaal uit dezelfde richting te schieten. Geleid door den kruitdamp , die boven de alang-alang omhoog steeg, ging een groep der 4e sectie den onzichtbaren vijand tegemoet. De fuseliers Semoukel, algemeen stamboel: n0 8892. en Adja, algemeen stamboek n0 6415, ofschoon gewond en nog niet verbonden , gingen den troep, onder het uitvoeren van een wilden krijgsdans, vooraf. De opgewondenheid hunner makkers steeg hierdoor ten top.

De Moeka-matjan (tijgergezichten), zooals de Atjeher den Ambonees noemt, geleken toen in werkelijkheid bloedgierige tijgers. Het scheen den vijand niet langer raadzaam zich met hen te meten, zoodat, toen de sectie bij de kuilen e gekomen was, hij instede van strijders, slechts de lijken der kort te voren verslagene Atjehers vond Verder werd geen enkel schot meer op de colonne gelost. Dit was voor den troep eene verademing en schonk aan kapitein Hansen gelegenheid zijne gewonde manschappen te doen verbinden.

In geregelde orde kon nu de marsch naar Edi voortgezet worden. De achterste sectie was daarbij in tweeën gesplitst en maakte om beurten achterwaarts front, daar het terrein nog steeds een onverhoedschen aanval des vijands mogelijk maakte.

Op den grooten weg gekomen, ontmoette kapitein Hansen den colonne-kommandant, wien hij den gelukkigen uitslag der omtrekkende beweging meldde.

214

ocr page 227

ïtGEN F. Dl

Omstreeks twaalf en drie kwart uur bereikte de dappere 2e compagnie de benting Edi, alwaar kort te voren ook de hoofdcolonne was aangekomen. Deze was eveneens met succes opgetreden. In den beginne hevig beschoten uit de boschjes en loopgraven, heeft zij het vijandelijk vuur met zooveel nadruk beantwoord en werd zoo krachtdadig door de artillerie bijgestaan, dat de vijand veel afbreuk leed. Vooral in het front der stellingen gekomen, werd de voorhoede door een overstelpend vuur begroet, waarop eene sectie van luitenant van Beusekom tegen den in kuilen ingegraven vijand oprukte en hem met een verlies van 18 man tot den aftocht dwong. Gelijktijdig werd 's vijands aandacht door de 2C compagnie afgeleid. Met welk een goeden uitslag deze omtrekkende beweging werd volbracht, is reeds bekend.

De verliezen aan 's vijands zijde waren aanzienlijk; behalve een groot aantal dooden, in de kuilen afgemaakt, welke op een 40 a 50tal is geschat, telde de vijand eene menigte gewonden en werd een groote voorraad wapens door de onzen buit gemaakt.

Voorzeker mogen wij niet eindigen met de beschrijving van dit gevecht, alvorens te gewagen van het voorbeeldig gedrag der mineurs, die bij de 2e compagnie ingedeeld waren.

Vóór den afmarsch bekwamen zij van den luitenant Hageman der genie den last zich niet in den strijd te mengen, aangezien zij voor andere diensten noodig konden zijn.

De wapens mochten zij slecht tot zelfverdediging gebruiken.

215

ocr page 228

DE VELDTOCHT

Hoe dit bevel door de mineurs opgevolgd is geworden , moge hunne houding tijdens het gevecht getuigen.

Slechts weinige schreden stonden zij van de Amboneezen en Atjehers; de kogels sisten hen om de ooren en de vlam der donderbussen voelden zij in het gelaat. Toch bleven zij met den geladen revolver in de hand op de „plaats rustquot;. Is er verhevener moed, grooter zelfbeheer-sching en meer gehoorzaamheid denkbaar?

Kan men schooner voorbeeld van krijgstucht aanwijzen?

De namen dezer kloeke en goed gediciplineerde militairen zijn:

de Jong, algemeen stamboek n0 12S31, sergeant.

Pester, „ „ „ 1734, min. ie kl.

Van der Weerd ,, ,, ,, 15266, min. 2'' kl.

Mentotaroeno ,, „ ,, S641, min. iquot; kl.

Paradjo „ „ ,, 23547 . min. 2« kl.

Batjo ,1 v, „ 20337, min. 2C kl.

Den 7c Mei hielden de troepen rustdag en trachtte men inlichtingen in te winnen omtrent 's vijands sterkte, stellingen en voornemens.

Op dien dag werd de expeditionnaire macht nog versterkt door de ie compagnie van het 3e bataljon infanterie, welke per particulieren stoomer „Hak Cantonquot; en per gouvernements stoomschip „Zeemeeuwquot; van Oleh-leh naar Edi was overgevoerd.

Deze compagnie, sterk 112 Europeesche onderofficieren en minderen, stond onder bevel van den kapitein T. C. v. Bijlevelt, terwijl daarbij waren ingedeeld de 2quot; luitenants L. de Roever Tromp en W. H. de Lussanet de la Sa-blonière.

2l6

ocr page 229

TEGEN EDI

Ten acht uur des voormiddags van den 7en Mei belegde de luitenant-kolonel de Bank Langenhorst eene vergadering, welke bijgewoond werd door den militairen commandant van Edi, kapitein In 't Velt, het hoofd van het civiel bestuur, den vorst van Edi en diens raadslieden.

Tot den vorst van Edi en de raadslieden werd onder meer ook de vraag gedaan, wat de bevolking aanleiding had gegeven tot den opstand, alsmede of het verzet tegen den vorst, dan wel tegen onze Regeering gericht was.

In plaats van deze vraag rechtstreeks te beantwoorden, verzochten de raadslieden een oogenblik afzonderlijk te mogen vergaderen ; dit verzoek werd hun niet geweigerd , doch het vertrouwen in zulke lieden zal daardoor wel aanmerkelijk verminderd zijn. De conferentie bleef, zooals te verwachten was, zeer onbevredigend. De vergaderden verklaarden niets met zekerheid te kunnen zeggen, daar zij eerst nog de hoofden zeiden te moeten raadplegen.

Voor het eerlijk soldatenhart van den overste de Bank Langenhorst zal het voorzeker hinderlijk zijn geweest, om, ter wille van politieke belangen, als ware hij een diplomaat, vertrouwen te veinzen tegenover dien troep huichelaars. Wellicht zal men, uit staatkundige belangen, ook het verdere onderzoek naar de reden van het verzet gestaakt hebben. Ofschoon het in de gegeven omstandigheden wel de wijste partij is, zoo is het toch te betreuren, dat wij te Atjeh zooveel toegevendheid moeten gebruiken.

De mededeelingen, welke ons in den avond van dien dag door den vorst en zijne raadsheeren gewerden, betreffende 'svijands positie, plannen en sterkte, waren niet alleen schaarsch, maar zij bleken ook onjuist te

217

ocr page 230

DE VELDTOCHT

zijn. Gelukkig dat wij, door tusschenkomst van onzen gids Mat-Said dienaangaande beter ingelicht werden, zoodat het operatieplan voor den volgenden dag nog tijdig kon gewijzigd worden.

Het scheen den Radja van Edi niet welgevallig te zijn, dat men onzerzijds de rust in zijn gebied zoo krachtdadig wilde herstellen; hij verzocht de wederspannige onderdanen met zijne getrouwen tot rede te mogen brengen, maar de overste de Bank Langenhorst,die des vorsten toeleg begreep, gaf hem te verstaan, dat hij zulks maar vroeger had behooren te doen.

Dat de hartstochtelijke ijver, die eensklaps in den vorst ontvlamde om den opstand zelf te dempen , diens houding nog verdachter maakte, behoeft geen betoog.

Den volgenden morgen (8 Mei) stelden zich de troepen in beweging.

Aan het hoofd marcheerde de ie compagnie van het 3e bataljon infanterie, daarna volgden de 2e en 4® compagnie van het corps; als reserve volgde een gedeelte der bezetting van Edi, onder commando van den kapitein In 't Velt. Eene sectie bergartillerie marcheerde tusschen de 2e en 4L' compagnie; de genietroepen en de ambulance bevonden zich tusschen de 4' compagnie en de reserve.

Ongerekend de voorste divisie en de reserve, welke met den marschveiligheidsdienst belast waren, bedroeg de onderlinge afstand der verschillende afdeelingen 25 passen.

Alles was nog in donkere schaduwen gehuld. Een reusachtige slang gelijk, die schuifelend zich over den met gras begroeiden weg voortbewoog, zoo trok de

2 IS

ocr page 231

TEGEN F.DI

colonne voorzichtig en gedruischioos den vijand tegemoet.

Tegen vijf en drie kwartieruur, werd op de brug over den eersten zijtak van de rivier Pedawa-Pontong bereikt. De aanbrekende dag had inmiddels het terrein genoegzaam verlicht om den omtrek te kunnen verkennen.

Geen der uitgezonden patrouilles bespeurde echter iets van den vijand, zoodat dan ook de marsch met den meesten spoed werd voortgezet.

De groote weg werd vervolgens verlaten om een voetpad in te slaan, dat in noordoostelijke richting naar 's vijands positie leidde.

Op dit pad marcheerde de troep op twee gelederen uit de flank, totdat men een open terrein bereikt had, waarna het voorste peloton der voorhoede zich in gesloten groepen oploste; op vijftig passen daarachter volgde het 2° peloton in open sectie-colonne.

De hoofdcolonne formeerde eveneens de open sectiecolonne.

Op eene terreinverhooging A gekomen, ontdekte de voorhoede vele Atjchers, maar voordat de onzen tijd hadden op hen te vuren, waren zij als bij tooverslag verdwenen; slechts enkele hoofden zag men boven de alang-alang uitsteken en zich met grooten spoed in noordoostelijke richting voortbewegen.

Men wist nu ongeveer, waar de vijand zich opgesteld had. Om hem uit zijne stelling te verdrijven kwam de artillerie in batterij en braakte haar vuur uit over den hardnekkigen tegenstander , die zich in loopgraven en kuilen gedekt had.

De Atjehers lieten dit schieten onbeantwoord; onze

219

ocr page 232

UE VELDTOCHT

granaten en granaatkartetsen waren te machtig en zij achtten het raadzaam hunne stellingen te verlaten. Onzerzijds werd het vuur gestaakt en de marsch kon, na dit kort oponthoud, wéér worden vervolgd; het was toen kwartier over zessen.

De ie compagnie ontwikkelde zich in gevechtsvorm met twee sectiën in gesloten groepen in de tirailleurslinie en twee sectiën als soutien. De 2e compagnie kreeg tot opdracht de i5 compagnie op den linkervleugel te verlengen ; een peloton , onder luitenant Muller, kwam daarop met gesloten groepen in de voorste linie, en het ander peloton, onder luitenant van Bloemen VVaanders, stelde zich op 50 M. daarachter, in sectiecolonne als soutien op. De 4e compagnie week noordwaarts uit, om de colonne tegen Aankaan vallen aan de linkerzijde te dekken.

In oostelijke richting ging men thans gezamenlijk vooruit. De directie werd genomen op een huisje Z, welks grauwe atappen dak duidelijk boven de alang-alang te onderscheiden was.

Het terrein tusschen A en B was begroeid met alang-alang van 1.5 M. hoogte. Ook noordwaarts was, behalve enkele boschjes en palmboomen, niets dan hoog gras te zien, waartusschen eenige huisjes verspreid lagen. Eene uitzondering hierop maakte het terrein C, dat bebouwd was met verschillende kruipplanten, zooals semangka, laboe en komkommer, afgewisseld door tabak en andere lage plantsoorten, die den bodem bedekten. Tusschen D en C kronkelde zich een beekje, welks oevers begroeid waren met hoog opgaand hout, en waarvan de takken reeds zoo laag bij den grond een aanvang namen, dat het

220

ocr page 233

NAAK EDI 221

terrein D, van uit het zuiden en westen gezien, het uiterlijk had van een dicht bosch In noordelijke richting aanschouwde het oog niets dan uitgestrekte wouden; daar achter verhief zich Atjeh's gebergte, welks omtrekken zich duidelijk tegen het donkerblauw des hemels afteekenden.

Gedurende den opmarsch werden de troepen niet beschoten, en toch bevond men zich, volgens de verklaring der gidsen, niet ver van 'svijands hoofdstelling. Door den Amboneeschen sergeant Karuwal, commandant der linkergroep van de tirailleurslinie, werd spoedig de aanwezigheid van eene bende Atjehcrs gesignaleerd.

Niet ver van den pepertuin B hield de colonne halt. De ie en 2li compagnie bekwamen de order om een oostelijken rand van dien tuin te bezetten. De 4C compagnie nam positie in E, de artillerie kwam links van de 4quot; compagnie in batterij. De reserve en de ambulance namen stelling ongeveer achter 't midden der genoemde divisiën. Nauwelijks waren de verschillende afdeelingen in beweging om de aangewezen punten te bezetten, of het knallen der geweerschoten bij de 4e compagnie kondigde den aanvang van den strijd aan. Nog was zij in een vuurgevecht gewikkeld met eene ten noorden van den pepertuin B gelegen bende, vermoedelijk dezelfde welke door sergeant Karuwal kort te voren was opgemerkt, toen zij plotseling op hare linkerflank door een hevigen kogelregel begroet werd. Daar dit vuur aanhield , achtte de commandant het noodzakelijk de 4C compagnie daarheen te doen front maken, ten einde den vijand van dien kant te verdrijven ; de arcillerie kreeg bevel den aanval te steunen. Van den vijand, die den troep onverpoosd bleef beschieten,

ocr page 234

1)F. VELDTOCHT

zag men niets. Alleen de kruitdamp wees de plaatsen aan , waar hij zijne stelling had, terwijl de talrijke kogels, die onze soldaten om de ooren suisden , op de meest afdoende wijze getuigden , dat men eene sterke macht tegenover zich had. Om de 4e compagnie te ondersteunen moest de 2(; compagnie eveneens naar de noordzijde front maken. De luitenant-adjudant Kohier rende naar den pepertuin om die order over te brengen, maar voordat kapitein Hansen aan den gegeven last kon voldoen, waren reeds 250 a 3°° Atjehers op de 4e compagnie ingestormd.

Deze compagnie was in de volmaakste orde in de bevolen richting (;—/£) opgerukt. De ie luitenant J. J. A. Gaade marcheerde met de voorste sectie in gesloten groepen aan het hoofd; de drie overige sectiën volgden in open sectie colonne op 25 a 30 passen daar achter. Bij k gekomen hield de 4e compagnie halt; de 2e sectie kreeg last, de gevechtslinie te verlengen en de 36 sectie om de haakstelling in te nemen. De sectiën waren nog in be-weging, toen onverwachts uit het hooge gras eene ontelbare menigte Atjehers uit de daarin gegraven kuilen opsprongen en zich onder een ontzettenden oorlogskreet met de klewang op de sectie Gaade stortten. Boven de alang-alang zag men nu niets dan eene onafzienbare reeks breede klewangs dreigend glinsteren.

Het hevig vuur der voorste sectie deed eene menigte der aanvallers in het zand bijten, doch was niet in staat den woesten aanloop des vijands te stuiten, die over hunne dooden en gewonden heen op de Kuropeanen instormden.

Moedig doorstond de sectie Gaade den schok; het

ocr page 235

TEGEN r,i)l

aantal ontroerde haar niet. Doch wat vermocht zij tegen zulk een overmacht ?

De Atjehers, die met groote behendigheid de klewang hanteeren, hakten als razenden er op in en binnen korten tijd lag het grootste gedeelte van Gaade's kleine troep tegen den grond, zoodat de overigen in verwarring op de achterste sectiën terugweken. Zooals wij gezien hebben, werd de 2e en 3e sectie gedurende het uitvoeren der bevolen beweging door dien aanval verrast, zoodat zij de aangewezen stelling niet meer konden bereiken. Uit vrees de sectie Gaade te treffen , durfde zij van de vuurwapens geen gebruik maaken; eveneens kon de artillerie geen vuur geven zonder eigen troepen te raken, en de reserve moest om dezelfde reden haar vuur staken.

Onder de anders zoo dappere Europeanen ontstond eene weifeling — vele jonge soldaten, nog nimmer in het vuur geweest en aan dergelijke onstuimige en onder woest gebrul uitgevoerde klewangaanvallen niet gewoon, verloren de tegenwoordigheid van geest, weken terug en sleepten onwillekeurig de andere manschappen mede. Vruchteloos waren de commando's der officieren; tevergeefs het goede voorbeeld , dat zij gaven; nutteloos het geroep der onderofficieren om stand te houden; de klank hunner stem werd verdoofd door het geschreeuw der steeds stouter en stouter opdringende Atjehers, die met woede om zich heen sloegen en weldra ook den zich dapper weerenden kapitein door een slag op het hoofd bewusteloos deden neêrvallen.

De 4e compagnie scheen reddeloos verloren; de vijand liet reeds een oorverdoovenden triumfkreet hooren, toen

ocr page 236

DE VELDTOCHT

in de verte de vreeselijke bajonetten der Amboneezen flikkerden.

Het was een peieton der 2e compagnie, onder den dapperen luitenant van Bloemen Waanders. Deze officier had, nadat het bevel door den luitenant Kohier was overgebracht , als commandant der soutien, de beweging van de voorste linie gevolgd, en kon van de plaats, waar hij stond, eerder den hachelijken toestand opmerken, waarin de 4° compagnie verkeerde. Zonder zich lang te bedenken en doordrongen van de noodzakelijkheid om snel en krachtig op te treden , commandeerde hij, zonder daartoe het bevel af te wachten, „Voorwaarts Amboneezen, attaqueerenquot;! Een „hoeraquot; was het antwoord , en vol ongeduld om hunne kameraden te helpen, stormden deze vlugge mannen als duivels op den vijand los.

Terwijl het peloton van van Bloemen Waanders met den looppas aanrukte, stonden luitenant Gaade, de korporaal Schordell, de Europeesche fuseliers Swier, van Dorp, Maale, Gabriels en de hoornblazer Kooistra te midden van een drom Atjehers met leeuwenmoed te strijden.

Luitenant Gaade bekwam, nadat hij reeds menigen aanvaller had geveld, een lanssteek in den buik. Niettegenstaande deze doodelijke wond, greep hij zijn reus-achtigen aanvaller bij den baard en doorstak hem met de sabel, doch viel op hetzelfde oogenblik op de lijken der door hem verslagen vijanden. Korporaal Schordell, die zijn geweer als een knods gebruikte, deed daarmede eene hageljacht van slagen op den koppen der Atjehers neérkomen en wist den vijand, dank zij zijner spierkracht, geruimen tijd van het lijf te houden. Menig

224

ocr page 237

êcUv

m

A 1*^1

ocr page 238
ocr page 239

TEGEX EDI

Atjehers lag reeds met verbrijzelden schede! vóór zijne voeten, toen het den talrijken vijand eindelijk gelukte, hem te treffen.

Vooreerst bekwam Schordell een geduchten klewang-houw over het hoofd.

Door bloedverlies uitgeput, vielen zijne slagen minder snel en krachtig; de Atjehers, die achter hem stonden, maakten van deze omstandigheid gebruik om hem andermaal eenige slagen op het hoofd toe te brengen Toen was hij buiten staat het geweer langer te hanteeren: maar toch , . . zijn leven wilde hij zoo duur mogelijk verkoopen. Zijne laatste krachten inspannende, ontrukte hij een Atjeher diens rentjong, reet hem daarmee den buik open en greep een anderen bij de keel en worgde dezen.

Men vond Schordell later met talrijke wonden overdekt (op het hoofd alleen had hij twintig klewanghouwen) bewusteloos tusschen eene menigte bloedige lijken des vijands; zijne linkerhand hield de keel van een Atjeher omklemd, de andere omvatte nog de greep van de rentjong en was geheel verborgen in het lichaam van den verslagen vijand. De edele held, die zijn officier niet had willen verlaten, overleed 'sanderen daags aan de bekomen wonden.

Wij weten niet of een vaderhart om hem treurt, en of niet misschien zijn dood door eene moeder beweend wordt; zeker is het echter, dat het Indische leger in hem een zijner dapperste helden verloren heeft. Reeds versierd met de Militaire Willemsorde 4'' klasse, is hij na zijn dood in de registers der kanselarij ingeschreven als ridder 3e klasse, eene onderscheiding, welke voor een militair, beneden II 15

ocr page 240

DE VELDTOCHT

den rang van hoofdofficier, tot de hooge, zeer hooge uitzonderingen behoort. Een bewijs van de uitnemendheid van Schordell's moed, dien onze Regeering nog na zijn dood heeft weten te eeren.

Ook de fuselier Maale, die zwaar gewond werd, en de andere reeds genoemde Europeesche fuselier, deden wonderen van dapperheid. Hoe zullen wij den woedenden kamp beschrijven dezer brave krijgers, die met zooveel moed, met zooveel doodsverachting tegen eene verpletterende overmacht streden ?

Ongetwijfeld zouden zij allen den heldendood gestorven zijn, waren de Amboneezen niet met hunne gewone voortvarendheid tusschenbeiden gesprongen. De onver-hoedsche aanval dezer dapperen, die als een wervelwind op den minstens vijfmaal sterkeren vijand aanvielen , deed de ontzettende overmacht wankelen: een niet minder krachtige aanval van het volgende peloton onder kapitein Hansen en luitenant Muller, dreef den vijand in verwarring op de vlucht in de richting van O. Na den terugtrek-kenden vijand eerst op een kogelregen onthaald te hebben, werd hij in versnelden pas achtervolgd.

De 4e compagnie had zich intusschen nabij den pisang-tuin spoedig hersteld.

Gedurende de vervolging stuitte de 2e compagnie op eene menigte kuilen en loopgraven, welke, hoe hardnekkig ook verdedigd, niet bestand waren tegen den aanval onzer opgewonden Amboneezen. Al deze kuilen en loopgraven werden achtereenvolgens genomen en de verdedigers over de kling gejaagd. Op twee gelederen in bataille stormden de Amboneezen steeds „voorwaartsquot;,

226

ocr page 241

TEGEN KOI

maar weldra belette een dichte kruitdamp iets te onderscheiden , zoodat kapitein Hansen vreesde, dat de vijand in massa daarvan zoude gebruik maken om een tegenaanval te beproeven. Doch de Atjehers waren te veel geschokt om zulk een waagstuk te ondernemen.

Het kostte kapitein Hansen veel moeite den on tembaren moed zijner soldaten te bedwingen. Eindelijk, nadat de hoornblazers bij herhaling, het signaal „haltquot; en ,, verzamelenquot; hadden geblazen, kwam de compagnie tot staan.

De compagnie was toen in punt O. gekomen, de richting, waarin de vijand gevlucht was. Alvorens de vervolging voort te zetten, besloot Kapitein Hansen zijne soldaten eerst tot adem te laten komen en de andere troepen in te wachten.

In den met zulk een gelukkigen uitslag bekroonden aanval op den vijand, hebben zich van de 2e compagnie vooral onderscheiden:

De Europeesche sergeanten Hornstra, algemeen stamboek n0 21191, Blans, algemeen stamboek nquot; 18114, Thiele, algemeen stamboek nquot; 7299 en Brok, algemeen stamboek n0 24690.

De Amboneesche sergeanten Karuwal, algemeen stamboek n0 80987 en Toerang n0 84911.

De Europeesche korporaals Feenstra, algemeen stamboek nu 19962 en Harcksen, algemeen stamboek n0 22241.

De Amboneesche korporaals Hooy, algemeen stamboek nu 83945 en Jacob, algemeen stamboek nquot; 72217.

De Amboneesche fuseliers Semoukil, algemeen stamboek n0 8892, Lise, algemeen stamboek nu 8538, Watti-

227

ocr page 242

1)F. VELDTOCHT

mury, algemeen stamboek nquot; 2813, Mamanky, algemeen stamboek n0 84266, Poyet, algemeen stamboek n0 79700, Lamber, algemeen stamboek n0 9347, Hatoesoepi, algemeen stamboek n0 92841 en Manusama, algemeen stamboek n0 12066.

De Amboneesche hoornblazers Haway, algemeen stamboek 11° 9381 en Solihat nquot; 2829.

Deze laatste, slechts met een kapmes gewapend, was voortdurend in de nabijheid van zijn kapitein om , zooals hij zich uitdrukte: ,,djaga badan kaptenquot; (voor het leven van den kapitein te waken).

Slechts één oogenblik week Solihat van de zijde des kapiteins; dit \\ras toen hij bij de vervolging des vijands een gewonden Europeeschen kameraad in de alang-alang ontdekte, die hulpeloos lag dood te bloeden. Uit eigen beweging gaf hij toen het signaal „voor den dokterquot; en redde alzoo het leven van den armen geblesseerde.

Bijzondere vermelding verdient het gedrag van de 41-sectie der 3e compagnie, onder sergeant-majoor Wolve-kamp, algemeen stamboek n0 26592,

Bij het deboucheeren der compagnie Hansen uit den pepertuin werd zij uit ƒ hevig beschoten.

De 4e sectie , die het eerst op de vlakte kwam , maakte daarop front naar het noorden £■ en deed, na eenige salvo's te hebben afgegeven, een aanval op den vijand in ƒ, die spoedig in de Pedawa-Pohtong verdween.

De Atjehers hadden zich, behalve in loopgraven en kuilen, achter een natuurlijken berm in den linker-rivier-oever opgesteld.

Op het zien der vervolgde, retireerende 4' compagnie,

228

ocr page 243

TEGEN E1)I

gelastte kapitein Hansen den sergeant-majoor Wolvekamp met één groep verder stand te houden; de andere groep werd bij het peloton Muller ingedeeld , die in den looppas de bedreigde Europeesche compagnie ter hulp snelde.

De vijand, die zich andermaal bij ƒ verzameld had, meende met deze groep gemakkelijk spel te hebben, trad opnieuw uit zijne gedekte stellingen te voorschijn en beproefde in grooten getale deze handvol ciapperen overhoop te werpen. Maar vastberaden en onbevreesd wachtte de kleine schaar den aanval af; geen duimbreed gronds week zij van hare plaats. Tevergeefs beproefden de Atjehers de gelederen door te breken.

Elke klewangaanval werd afgeslagen en kostte den vijand groote verliezen, want met veel zorg werd het vuur door Wolvekamp geleid en het richtte dan ook zulk eene verwoesting aan onder de dichte drommen Atjehers , dat zij het raadzaam achtten zich achter hunne stellingen terug te trekken. Wolvekamp besloot van dit gunstig oogenblik gebruik te maken om aanvallend op te treden.

Door de stoutmoedigheid der onzen verrast, week de vijand naar den rivierkant. Met de punt der bajonet dreven de dappere Amboneezen den vijand voor zich uit. Ten einde raad sprongen velen in de rivier en trachtten zwemmende zich te redden, maar de meesten verdronken. Een ander gedeelte vluchtte in noordwestelijke richting.

Het succes van deze groep was van grooten invloed. Welke vreeselijke gevolgen zoude het gehad hebben, wanneer het den vijand gelukt ware Wolvekamp en zijne dapperen neêr te sabelen! Aan de onwankelbare houding van deze groep is het te danken, dat de vijand de ter

229

ocr page 244

DE VKLUTOCHÏ

hulp snellende 2e compagnie niet in den rug kon bedreigen en dat hij geen Aankaan val kon doen op de ie compagnie (in den pepertuin B).

Wij vermoeden, dat het 's vijands aanvankelijk plan was, de onzen tot een aanval uit te lokken op hunne noordelijke stellingen , om zoodoende den in 't oosten verborgen Atjehers de gelegenheid te geven , de in den strijd gewikkelde troepen in de rechterflank aan te grijpen.

Dit vermoeden leiden wij af uit de omstandigheid, dat hij eerst het vuur uit het oosten op den troep opende, toen de 2e compagnie uit den tuin deboucheerde. Dit plan mislukte evenwel door ons standhouden in den pepertuin , waardoor hij bij een flankaanval zelf in den rug bedreigd zou zijn. Nu moest hij zich bepalen bij 't ophouden der 2e compagnie , ten einde haar te beletten ter ondersteuning der 4° compagnie op te rukken. Met een verlies van 280 man aan dooden en gewonden ontruimde de vijand zijne stellingen.

Met het oog op de gesteldheid van het terrein was het niet raadzaam de vervolging verder voort te zetten, weshalve besloten werd den terugmarsch aan te nemen.

Dit geschiedde in den carrévorm langs de op terreinschets aangegeven route; de artillerie, de genietroepen en de ambulance marcheerden binnen het carré'.

Eerst op den groot en weg werd de gewone marsch-vorm hersteld.

Om half tien des voormiddags was de colonne te Edi terug. De talrijke loopgraven en kuilen, die men gedurende den marsch voorbij ging, waren verlaten, hetgeen wel getuigt van eene volkomen overwinning der onzen.

230

ocr page 245

TEGEN F.DI

Men kan zich voorstellen met welk een krachtig en aanhoudend gejubel de troepen te Edi ontvangen werden. Vóór het inrukken had een eenvoudig, doch indrukwekkend huldeblijk plaats. De 4e compagnie n. 1. schaarde zich in bataille en presenteerde het geweer voor de haar voorbijtrekkende Amboneezen. Welk een trefiend, aangrijpend huldebetoon!

Het was een eerbewijs , dat van ridderlijken zin getuigde, dat hoogachting uitdrukte voor de dappere kameraden. In dit militair „salutquot; lag iets onbeschrijflijk verhevens, en onze Amboneezen , doordrongen als zij zijn van den waren krijgsmansgeest, zullen het ten volle hebben gewaardeerd. Twee maanden lang ging de 4e compagnie gebukt onder het leed, in een oogenblik van zwakheid den Atjeher den rug te hebben gekeerd; zij, die twéé dagen te voren den vijand in schrik en wanorde op de vlucht had gedreven!

Maar toen in Juli daaraanvolgend het 3® bataljon tegen de vijandelijke versterking Kota-Toeankoe oprukte, zwoer die compagnie te zullen overwinnen of sterven, en de dapperen hielden woord. Met bewonderenswaardigen heldenmoed beklommen zij de vijandelijke wallen , verwierven zich wel is waar, eene dure zege, maar hebben desniettemin bewezen nog waardig te zijn, te mogen meê-dingen naar het eeremetaal van Moed , beleid en trouw.quot;

Met het gevecht van 8 Mei was het verzet te Edi voor goed onderdrukt.

Bij verschillende verkenningen werd geen vijand meer gezien, zoodat het 3e bataljon en de overige troepen bij gedeelten naar Kota-Radja konden teruggezonden worden.

231

ocr page 246

DE VELDTOCHT TEGEN EDI

Onbekend met de verrichtingen van de verschillende afdeelingen in het bijzonder , zal er nog menig vermeldenswaardig feit bedreven zijn, dat wij stilzwijgend moesten voorbijgaan.

Doch over het algemeen is er reden om op de vraag of zulk vechten slechts een bloot gehoorzamen is aan het gegeven commando, te antwoorden: neen, dat is heldenmoed, dat is beleid, dat is trouw; en bij die soldatendeugden hebben nog de edelste zelfopoffering en kameraadschap uitgeblonken.

Zien wij niet hoe luitenant de Leur een gewonden fuselier zelf wegdraagt; hoe luitenant Cornelius en zijne dapperen met levensgevaar den vijand trotseeren om het lijk van een gesneuvelden kameraad mee te kunnen voeren ; hoe de trouwe Amboneesche fuselier Kajoba een geduchten klewanghouw voor zijn kapitein pareert en dien zelf ontvangt; hoe eindelijk de Amboneesche hoornblazer Solibat met zijn lichaam zijn commandant tot schild wil dienen?

Als een blijvend aandenken aan de gevechten te Edi mochten eenigen het schitterend eereteeken van „moed, beleid en trouwquot;, anderen eene eervolle vermelding ontvangen. Toch zullen er nog velen zijn, die teleurgesteld waren, en wellicht ten onrechte niet beloond werden naar hunne daden. Voor dezen mag het eene voldoening zijn van zichzelven te kunnen getuigen , dat zij hun plicht in de ruimste beteekenis hebben volbracht. Trouwens door alle krijgsmakkers van het Indische leger zal het hun steeds als eene eer aangerekend worden, dat zij in Mei 18S9 deelnamen aan den veldtocht tegen Edi.

332

ocr page 247
ocr page 248

3?ota ®x^gt;^V.

eutWL

euw

tjoty

lt;3c\\£möcilekó • ^

ocr page 249

DE VEROVERING VAN KOTA-PASIR

{MelaboeJi)

1889

Wat eene kleine afdeeling vermag onder aanvoering van een beleidvol officier, die onversaagd en doortastend optreedt, is op den 27en September 1889 te Malaboeh gebleken. Op dien dag overrompelde een handvol dapperen , onder aanvoering van den ien luitenant F. G. J. Bosschart, gedetacheerd officier van het Nederlandsche leger, de zeer sterke vijandelijke benting Kota-Pasir. Dit feit, dat weer ten duidelijkste bewijst, welk een overwicht op den Atjeher kan behaald worden, zoo men onzerzijds niet schroomt krachtig op te treden, kiezen wij tot onderwerp van onderstaande schets.

Melaboeh, vroeger meer bekend onder den naam van Analaboe, is eene landstreek in het noodwesten van Sumatra, ongeveer een dag stoomens van Groot-Atjeh.

Reeds bij den aanvang der 2e Atjeh-expeditie werd op deze kust door ons eene versterking opgericht, met het hoofddoel, den vijand te beletten langs deze zijde oorlogsmaterialen binnen te smokkelen. Het aanleggen dier ver-

ocr page 250

1)E VF.ROYF.IUNG

sterking moest wel met veel bezwaren zijn gepaard gegaan , want de zee had, als het ware, met den vijand een verbond gesloten, om de landing zooveel mogelijk te bemoeilijken. Gedurende het grootste gedeelte van het jaar staat op die kust eene hevige branding; met geweld storten zich de golven van den Indischen Oceaan op de menigte koraalriffen, en rollen in woeste vaart naar het strand, dat zij met schuim bedekken.

Het landschap biedt een prachtig panorama; overal ziet -men den weelderigsten plantengroei, vruchtbare akkers en uitgestrekte bosschen, en daarachter majestueuse bergen.

Toch lacht ons die streek niet toe, want in de schaduw van dat vriendelijk groen vond reeds menig braaf krijger zijn somber graf; de vuile dampen, die de lagune verspreiden , en de koele winden , welke uit zee waaien en een ondraaglijken stank van de koraalriffen met zich voeren, bezwangeren de lucht met giftige smetstoffen , zoodat het krachtigste gestel door moeraskoortsen verzwakt, soms geheel ondermijnd wordt. Eene plaatsing te Analaboe werd dan ook in vroegere jaren als een doodvonnis beschouwd, en onder de bezetting van dien post heeschte maar zelden eene opgewekte stemming.

Sinds eenige jaren echter is 't garnizoen naar eene nieuwe benting verplaatst, die, naar beweerd wordt, op een gezonder terrein gelegen is.

Met deze verplaatsing veranderde de naam van Analaboe in Melaboeh, waarschijnlijk om de treurige herinnering aan zoovele dooden , welke dien naam telkens terugroept, eenigszins op den achtergrond te brengen.

Evenals te Groot-Atjeh tegenover onze geconcentreerde

234

ocr page 251

VAN IvOTA-PASIR

linie, heeft de vijand ook te Melaboeh, niet ver van onzen post, eenige kleinere en grootere versterkingen opgeworpen, en 't groote dundoek met zijne gekruiste klewangs, wappert hoonend in de onmiddellijke nabijheid van onze fiere driekleur.

Toen de luitenant Bosschart als commandant van Melaboe optrad, was hem dat een doorn in het oog; aanstonds maakte hij dan ook het plan om te avond of morgen den vijand het bewijs te leveren, dat hij niet langer eene' Atjehvlag tegenover de onze dulden zou.

Als ee:i goed strategist stelde hij zich eerst nauwkeurig in kennis met het omliggend terrein; elk voetpad, elk terreinvoorwerp, ja, zelfs elke boom en struik werd verkend en in zijn geheugen geprent.

Eenvoudiger en veel gemakkelijker ware het voorzeker geweest, indien Bosschart zich door gidsen hadde laten inlichten, waartoe hem, als civiel gezaghebber, en dooide bekendheid met de hoofden der bevolking. de weg open stond; doch hij wist hoe weinig de Atjeher te vertrouwen is, en gaf deswege de voorkeur aan eigen waarnemingen.

Op den 2n September 1889 stierf plotseling het hoofd van Melaboeh. Terstond stelde Bosschart, goed bekend met het Arabisch letterschrift, zich in correspondentie met den pretendent, Tengkoe Mankoer.

Deze richtte hierop een schrijven tot de verschillende mindere hoofden , ten einde hunnen raad in te winnen.

Intusschen werd onze post meer dan ooit uit de vijandelijke stelling beschoten, en dit, gepaard aan de weifel-achtio-e houdinc van Tenskoe Mankoer. deed Bosschart

ocr page 252

Dl; V KROV KI! ING

besluiten een streep te zetten onder de onderhandelingen, en over te gaan tot het overrompelen van Kota-Pasir.

Aangezien op den 28quot; September eene transportboot Melaboeh zoude aandoen , bepaalde hij, zeer oordeelkundig, de uitvoering op den 27n, opdat bij déveine de nadeelige gevolgen zouden kunnen hersteld worden.

Bosschart kon het zich niet ontveinzen, dat de onderneming gewaagd en zeer gevaarlijk was, en dat hij zich eene zware verantwoording oplegde, doch zijn plan was goed beraamd; en welk flink, dapper officier voelt dan niet de kracht in zich om groote gevaren te trotseeren ? Waartoe anders draagt hij het zwaard aan de zijde, dan om het te gelegenertijd in de vuist te klemmen, en de eer van het vaderland te bevechten ?

Op den avond van 26 September besprak Bosschart voor het eerst het plan met zijn tweeden officier, den 2n luitenant de Lusanet de la Sablonière, en gaf vervolgens de order uit om de manschappen te half vier in den morgen te wekken; de réveille of eenig ander signaal mocht echter niet geblazen worden.

Te 4 uur stond de troep binnen de versterking gerangeerd, en was verdeeld in twee sectiën van ]6 en 17 man, waarbij werden ingedeeldéén korporaal en vier kanonniers met één mortier; één hospitaal-bediende met twee tandoes, voorts zes dwangarbeiders, die petroleum, spaden, schoppen, touwen en de verbandkist te dragen hadden.

Nadat de lantaarns buiten tie versterking waren uitgedoofd, ging de troep te half vijf op marsch. De 2e sectie , onder den sergeant-majoor Polling, en naast dezen de

236

ocr page 253

V.VN KOÏ.V-PASIB

sergeant Rumenper, marcheerde aan 't hoofd; daarachter de artillerie en de ambulance en vervolgens de ie sectie onder den 2n luitenant de Lussanet de la Sablonière, waarbij korporaal Bachman.

Uit vrees zich aan de kampongwacht te verraden , die zeker niet in gebreke zoude gebleven zijn hare landslieden te waarschuwen , werd de zuidelijke richting genomen, en langs het westerstrand gemarcheerd. Het geweldig brullen der branding verdoofde de voetstappen, en als even zoovele spookgestalten slopen de manschappen in de diepe duisternis zwijgend voorwaarts. Hun aller gedachte werd ingenomen door de naderende stoute onderneming, vol moed op den goeden uitslag daarvan.

Na ongeveer een afstand van 800 passen te hebben afgelegd, bereikte men het klapperbosch; daar, waar de rand bijna aan zee grenst, bevond zich een voetpad. Ofschoon het pikdonker was, had Bosschart, die het terrein volkomen kende, den smallen weg spoedig gevonden. Hier werd in twee gelederen uit de flank gemarcheerd ; arm aan arm en goed opgesloten volgden de soldaten den commandant, die zelf zijn troep tot gids diende; eene doodelijke stilte werd in achtgenomen.

Nabij 't schootsveld (900 passen) werd met sectiën in front gemarcheerd, terwijl de geweren omlaag werden gedragen. Het doel van den tocht was thans nabij; steeds duidelijker werden de donkere omtrekken der vijandelijke wallen zichtbaar; ieders hart klopte reeds sneller, en vaster omklemde de hand 't geweer.

Langzaam en voorzichtig rukte de troep voorwaarts. Spoedig stuitte men op de eerste loopgraaf, maar na eenig

237

ocr page 254

UK VF. 110VF.KING

zoeken vond Boschart den doorgang, die echter zóó smal was, dat men slechts man vóór man passeeren kon.

Weder opgemarcheerd , deed de commandant de voorste sectie de geweren laag vellen, want men bevond zich thans op gevaarlijk terrein.

Ook de 2e loopgraaf werd zonder stoornis bereikt. Het gewichtig oogenblik was aangebroken; hoofdzaak was 't nu de versterking, die ongeveer 180 passen verder lag; zoo voorzichtig mogelijk te naderen.

Deze korte afstand was moeielijk af te leggen; telkens verbrak eene dichte groep klapperboomen den opmarsch, en bij iedere schrede trapte men op dorre takken of stuitte men tegen boomwortels. Juist waren deze vele bezwaren overwonnen en had men de versperring der zuiderface bereikt, toen een schel hanengekraai zich in een kleine nevenbenting, nabij de oosterface deed hooren.

Welke teleurstelling! Zou deze haan voor de benting Kota-Pasir hetzelfde zijn , wat de ganzen voor het Romein-sche kapitool waren r Het antwoord hierop werd in adem-looze spanning verbeid, doch gelukkig, in de versterking bleef't rustig, en in de nevenbentings werd geen gerucht meer gehoord.

Er werd „haltquot; gehouden; de achterste sectie maakte ,, achterwaarts frontquot;, de tweede luitenant de la Sablonière nam tijdelijk het commando over, en Bosschart ging zelf de stelling verkennen.

Toen hij de positie zoo nauwkeurig mogelijk had opgenomen, keerde hij tot den troep terug, en geleidde de sectie van den sergeant-majoor Polling voorbij de noorder-face naar het strand, zoodat deze afdeeling, op ongeveer 40

ocr page 255

VAN KOT.V-PASI II

passen van de versterking geplaatst, zoowel de noorderals de westerface kon observeeren. Terwijl het voorste gelid last kreeg de poort (welke aan de noodzijde lag) te bewaken, maakte het achterste gelid front naar zee, om zoo noodig, eene opdagende vijandelijke bende uit de noordelijk gelegen beating Oedjong Kali, af te wijzen.

Daarna keerde Bosschart terug, en nam van de sectie de la Sablonière vier man af, welke onder korporaal Bachman vlak voor de poort geplaatst werden.

Luitenant de la Sablonière nam met den mortier en de ambulance positie tegenover de oosterface ; en de dekking maakte front naar eene tegenover die face gelegen kleine Atjehsche benting, ten einde deze behoorlijk in 't oog te houden.

Na de la Sablonière het punt te hebben aangewezen, waar eene bres moest gemaakt worden, begaf Bosschart zich weer naar het zeestrand.

De benting, welker facen ongeveer 3 5 a 40 passen lang waren, was omringd door een stevigen pagger van ongeveer 3 meter breedte , bestaande uit twee rijen levende boomen en zware takken, die è meter diep en i meter van elkaar stonden, onderling verbonden door sterke gordingen van zware bamboe-doerie, terwijl de ruimte tusschen beiden,eveneens opgevuld was met in elkaar gewerkte bamboe-doerie.

Tusschen de versperring en den hoofdwal, die 1.90 meter hoog was, had de versterking aan de noordoost- en zuidzijde nog eene aarden borstwering van 0.7 meter hoogte en 0.3 meter bovenbreedte; de gang, gevormd tusschen beide bostweringen, was van eene mansbreedte. De poort bestond uit eene smalle, zware deur, die correspondeerde

239

ocr page 256

DE VRROVKIUNG

met den ingang van een huis, waarvan de wanden werden gevormd door eene borstwering met steile taluds; de bovenbreedte, waarop het dak rustte, bedroeg 0.5 meter. Het terrein om de versterking was met scherpe randjoes van arèngpalm geplant; ook de wortels der klapperstammen en andere boomen waren aan de zijde, welke van de benting afgekeerd was, met dergelijke randjoes beplant, zoodat de aanvallers zich daarachter niet gedekt konden opstellen. Waarlijk, de Atjehers verstaan bij uitnemendheid de kunst om hunne verschansingen stormvrij te maken.

Het gedeelte der versperring, waarin eene bres zou gemaakt worden , werd met peteroleum begoten. Eensklaps steeg een roode vuurgloed opwaarts: helle vlammen verlichten den omtrek en de geweldigde hitte deed weldra de bamboe-doerie knallend uit elkaar springen. Dit geluid , niet ongelijk aan geweervuur, wekte de Atjehers uit hun vredigen slaap. Een panische schrik overviel de nalatige bezetting, die onder een woest gehuil naar de wapens greep, en in allerijl naar de poort snelde. Te vergeefs! Niet alleen vond zij deze bezet, maar de sectie Polling, die thans rechts daarvan stelling had genomen, en zoodanig was opgesteld, dat zij de binnenruimte bestreek, opende zulk een hevig vuur op de opening van 's vijands slaapvertrek, dat hij hals over kop rechtsomkeert maakte. Slechts enkele stoutmoedige verdedigers verspreiden zich achter de wallen en beantwoordden het vuur der onzen.

Bosschart bemerkte inmiddels, dat het vuur aan de bres niet veel vorderde, en beval nu den mortier voor de poort te plaatsen om deze door rolschoten te verbrijzelen.

De sectie de la Sablonière moest vooruit rukken, en

240

ocr page 257

VAK KOT A-PAS1H

in den pagger eene opening kappen; de ambulance-dekking bleef in hare stelling om het vuur te beantwoorden , dat uit den nevenbenting op die sectie gericht werd.

De Atjehers, van hun eersten schrik bekomen, vochten nu met den moed der vertwijfeling.

Door voortdurend salvo's af te geven, trok de sectie Polling het vuur des vijands tot zich , en gaf daardoor aan de sectie de la Sablonière gelegenheid kalm aan de bres door te werken. Bosschart, die met nauwlettendheid alles gadesloeg, wist door een goed voorbeeld de zijnen tot moed en volharding op te wekken. Het gevecht was nu in vollen gang; terwijl de salvo's van sectie Polling de binnenruimte der banting aanhoudend verlichtten, kraakte de deur onder de geweldige slagen van den mortier en knetterden aan 's vijands zijde de verwarde schoten van geweer en donderbus Te vergeefs echter beukte de mortier op de zware, stevige poort; onwrikbaar bleef zij in hare hengsels. ()ok de bres vorderde langzaam, niettegenstaande de la Sablonière met alle krachtsinspanning daaraan arbeidde. Tot dusverre was niemand der onzen door het vijandelijke lood gewond; nu echter trof het juister. De eerste, die viel, was de Inlandsche fuselier Ressasmito; op handen en voeten kroop hij naar zijn commandant om bij dezen te sterven; kort daarop sneuvelde de Inlandsche fuselier Sadek, die op den rechtervleugel der sectie Polling dood achterover stortte. Ook de Europeesche fuselier Bosert werd gewond , maar met mannelijke zelfbeheersching bleef iiij in het gelid; eerst na voor de tweede maal eene doodelijke schotwond bekomen te hebben, trad hij bedaard achteruit en legde zich achter zijne sectie neer.

241

ilt;

ocr page 258

1)1? VKROVKllING

Reeds zes granaten waren door de poort, zonder haar te doen wankelen of te verbrijzelen, waarop Bosschart, ongeduldig geworden, de daarvoor liggende bamboe-doerie weg trok, om de deur van nabij te onderzoeken. Toen het hem bleek, dat deze vooreerst niet te forceeren was , zond hij den mortier naar de ambulance-dekking en wapende de kanonniers met de geweren der gevallen soldaten. De toestand begon te nijpen , want niet alleen, dat elk oogenblik eene vijandelijke bende tot ontzet kon opdagen, maar ook de aanbrekende dag zoude onze geringe macht verraden.

Meer dan een half uur was reeds aan de bres gearbeid ; de munitie bij sectie Polling begon te minderen. Eindelijk viel een gedeelte van den pagger, dank zij den luitenant de la Sablonière, die onder den uitroep van „commandant, wij zijn erquot;, zich door de opening wrong, gevolgd door den koporaal Bachman en de overige manschappen zijner sectie.

Bosschart zond nu ook de andere sectie naar de bres en weldra was de gang bezet door onze manschappen, die, als om strijd, het eerst op de vijandelijke borstwering trachtten te komen. De sergeant-majoor Polling bleef met vier man de poort bewaken , om het ontsnappen aan die zijde te beletten.

Bosschart stelde zich met eenige soldaten bij de bres op, om, in geval van paniek of hulp van buiten, te kunnen bijspringen. De Atjehers, die het ontkomen dooide poort hadden opgegeven. beproefden nu over de wallen te ontsnappen, maar hij, die slechts even het hoofd boven de borstwering uitstak werd onvermijdelijk

242

ocr page 259

VAN KOTA-I'ASIK

neergeschoten. Ten einde raad vluchtten zij in hunne woning; om hen hieruit te verdrijven gelastteBosschart, het dak, dat gedeeltelijk op den hoofdwal rustte, in brand te steken.

Korporaal Bachman, één der eersten, die de borstwering beklommen had, nam die taak op zich. Met ware doodsverachting trotseerde hij de kogels, die de vijand, uit diens schuilhoek, op hem afzond. Na het dak zorgvuldig met petroleum bevochtigd te hebben, stak hij het in brand, joeg de hitte hem naar beneden, ook den Atjehers werd het in dien oven te warm; één hunner gelukte het op den wal te komen; woest met lans en klewang zwaaiende en onder het schreeuwen van Allah-il-Allah, wierp hij zich naar beneden, doch werd opgevangen in de bajonet van den Europeeschen fuselier Stromenger. Het tooneel, dat zich nu voordeed, was verschrikkelijk; de vijand, aan wanhoop ten prooi, liet een oorverdoovend gehuil hooren en drukte zich tegen de wallen om aldus bescherming te zoeken tegen het vuur der onzen. Ten einde het dak in zijn geheel in brand te steken, kreeg de dwangarbeider Si-Mardjan bevel, dit nogmaals met olie te drenken. Met snelheid lekten nu de vlammen om zich heen en breidden zich naar alle zijden uit. Weldra was dan ook het geheele dak eéne vuurmassa. In deze oogenblikken sprongen de la Sablonière, Bachman en eene menigte onzer wakkere soldaten in de versterking. „Voorwaarts, hoera!quot; riep de la Sablonière, en met een luiden zegekreet stormden de onzen op den vijand los. Een kort doch bloedig gevecht had nu plaats tusschen de wanhopige Atjehers, die met leeuwenmoed

-'43

ocr page 260

Dl VKItOVKKINM

/.ich verdedigden, en onze zoo lang getergde soldaten.

Gedurende dit gevecht dacht niemand aan schieten; het was een wild moorden met de blanke wapens; een strijd op leven en dood. Eindelijk verstomde het wapengekletter; de laatste Atjeher was geveld.

Nog was men bezig de wapens van den verslagen vijand te verzamelen , toen een vaatje buskruit nabij de brandende woning ontdekt werd; dichte vonken vielen er reeds omheen. Verrast deinsden onze soldaten terug en verlieten zoo spoedig mogelijk de benting , daar een langer verblijf levensgevaarlijk werd. Met een' vreeselijken slag, die de aarden wallen deed dreunen , ontbrandde het kruit en omhulde de veroverde benting met eene wolk vaiukruitdamp.

De overwinning was volkomen, en alzoo besloot Bosschart den terugmarsch aan te nemen De gesneuvelden en de zwaarst gewonden werden over de beide tandoes verdeeld ■ en men trok in geregelde orde op Melaboeh terug. Het was hoog tijd, want de dag was aangebroken en het morgenlicht verried aan de bezetting van de naastbij gelegen verschansingen, hoe gering het aantal vermetelen van de „Compagniequot; was, dat den aanslag gewaagd had.

De lafhartigen, die hunne makkers in het gevecht aan hun lot overlieten , beproefden thans den terugtocht der kleine colonne te bemoeilijken. Want van alle kanten daagden er gewapende Atjehers op; ook uit de benting Oedjong-Ivali verscheen een drom gewapende lieden , welke met tijgerwoede de handvol dapperen aanviel. Maar Bosschart verloochende zijne kloekheid ook hier niet; met kalmte nam hij zijne maatregelen en bereidde den aanvallers zulk eene warme ontvangst, dat deze op eerbiedigen afstand bleven.

244

ocr page 261

VAN KOTA-I'ASIK

Ofschoon dc onzen , dank zij den belcidvollen commandant, t(een ernsti^en aanval meer te cUichtcnhadden, zoo was het voor deze dapperen toch een blij gezicht, toen zij hun post weer in het ootj kregen. En toen nu ook de bevolking van den bevrienden kampong ter hulpe snelde, om , voor zooverre noodig, den terugtocht der onzen te dekken, staakte de vijand eene verdere vervolging.

Bij aankomst in de benting werd dc troep mei een uitbundig gejuich begroet. Allereerst werd thans voor de gewonden gezorgd. En het goede hart van on-ze brave soldaten liet zich bij deze gelegenheid weder niet onbetuigd; uit eigen beweging hielden de manschappen eene collecte voor de gewonde makkers, en van hunne armelijke spaarpenningen bracht de kleine bezetting zeventig gulden bij elkaar, waarvan , onder meer, ook de eenvoudige houten kruisen werden bekostigd, die de graven zouden aanwijzen van hunne gesneuvelde kameraden.

De gevolgen van de verovering van Ivota-Pasirwaren, zooals Bosschart terecht verwachtte, niet onbelangrijk.

Behalve dat de rust en de veiligheid niet meer verstoord werden, haastte zich Tengkoe-Mankoer de deputatie te-volgen, welke hem te Rigas moest halen. Zeer ootmoedig en onder betuiging zijner gehechtheid aan ons Gouvernement, stelde hij zich ter beschikking van den commandant van Melaboeh, en aanvaardde het bestuur dezer landstreek.

Op den 27quot; September 18S9 werd aldus te Melaboeh door eene schitterende overwinning op den vijand nogmaals bewezen, dat, hoe klein ons leger ook is, zijn overwicht op den Atjeher nog groot kan z-ijn

De eer van dit heldenfeit komt voorzeker allereerst

245

ocr page 262

DU VKIvOVKKINI. VAN KOTA-l'ASIK

toe aan het doortastend en energiek optreden van den commandant, den iquot; luitenant der infanterie Bosschart. In die eer mogen echter .zonder onderscheid, allen tieelen, die de onderneming door hun moedig gedrag deden welslagen.

En in de schaduw van Melaboeh's vriendelijk groen werden op dien dag de vier gesneuvelde krijgers ter ruste gelegd. Ditmaal waren het geene offers van kwaadaardige moeraskoortsen, maar dappere helden, gesneuveld voor de eer van de Nederlandsche driekleur !

„ Hunne assc/ic ruste in vrede.quot;

246

ocr page 263

NASCMR I FT

Evenals bij het naschrift van onzen eersten bundel schetsen, blijft het Indische lee^er den landgenoot het woord van Coen toeroepen:

„Ende dcsespcrcert niet!quot;

ocr page 264

1 NT HOUD

hhulz.

de vkiikrnning van kota-petjoet. ■Twuvari 1874 ... i

de verovering van bl.vng-pria. ./«Hi 1878 . ... XJ

de eerste expeditie naar samai.anoan. 18/6 .... 33 de tweede expeditie naar samai.angan. 188O.

A anleiding.............75

Batoc.-Iliq...............83

transport- en patrouiu.e-oevecuten. 18/6 , 1884 . 96 de contra-gueriu.a in de noord-ooster 1,1 n ie te at.ieii,

i879.

i l)c Imnn van Brama.........117

If Bk iocht naar Doeranr/.........126

III Selempo-Bomn...........135

DE INSLUITING VAN K ROK(JC-RA HA. 1878..........152

VRIJHEIDSZIN OP FANATISME?.........l66

DE ATJl'.IIERS ONDER HET CIVIEL BESTUUR. 1883 .... I77

de veldtocht tegen edi. 1889 {mft tmfc. KcJicUkaartjes) . .188 de verovering van kota-PAsiR {Mdahoeh). 1889

{inet schetskaarfj(i)............233

naschrift. . . ............247

ocr page 265
ocr page 266
ocr page 267
ocr page 268