V:l ^ ■
if - 'V'
'
|
^ ' '• quot; ■ H: . ;• | |
|
sêgfesk^ | |
|
. A |
SËf'trr : • . - •• • ; • ' ■ V / . . ■ • •
'
' -quot;
■quot;* ' . ' '
'.; a 'V' :
|
'quot;• ' quot; | |
|
' | |
|
.' .'*• \ - | |
|
!. 1' ■'^J--' quot; . |
.
-
,V:*
V' ^/: '
^v';gt;v., ■:;■■gt;;.•:.: ;-■: quot; -v' ■ ;..7.:;; ■ -;■.
■
'M
I J
DE KINDEKEN IN DEN BIJBEL
X ^ \N4
: ■ . — ' '
\'00R ONZE KINDEREN GESCHETST
1» iQK
Ol'CrEDRAGEN AAN H. K. II. PRINSES WiLHELMIXA
dek Nederlanden.
Tweede, geïllustreerde Druk.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
a M S t e r d a m, VAN HOLKEMA amp; WARENDORE.
1
SNELPERSDRUK VAN H. C. A. TH I OIK, TK NUMElrEN.
opdracht aan h. k. h. i'rixses wilhel1i1xa der xi;i)i:ri.axdi-,x.
niadz
1. De eerste Kinderen....................................gt;
II. Ismaël................................................(gt;
III. Izak................................................10
IV. Ezau en Jakob................ ... 14
V. Jo/.ef en Benjamin...................
VI. De Kinderen van Joh....................................22
VII. Mirjam en .Mo/es......................................2^
VIII. Jefta's Dochter....................
IX. Simson.......................
X. Rut..................................................2,7
XI. Samuel.......................
XII. David................................................44
XIII. Absalom............................................-i
XIV. Melibozet............................................-(gt;
XV. Salomo's eerste Recht..................................(gt;2
XVI. Ifet Kind van Jerobeam................................OO
SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIKMK, IK NIJ.MEOEN.
OPDRACHT AAX H. K. H. I'RIXSES WILHELMIXA DER XEDERLAXDKX.
HET OUDE TESTAMEXT.
Blailz
I. Dc eerste Kinderen....................................^
II. Ismaël................................................(gt;
III. Izak................................................10
IV. Ezau en Jakob................ ... 14
V. Jozef en Benjamin......................................iS
VI. De Kinderen van Job....................................22
VI I. Mirjam en .Mozes......................................2;
VIII. Jefta's Dochter....................
IX. Simson..............................................33
X. Rut..................................................^
XI. Samuel..............................................40
XII. David................................................44
XIII. Absalom............................................-1
XIV. [Mefibozet............................................^(gt;
XV. Salomo's eerste Recht..................................(gt;2
XVI. Het Kind van Jeroboam................ (gt;(gt;
i N H( gt;ri).
Blad/.
XVJI. Het Zoontje der Weduwe te Zarfal......................70
XVIII. Obadja..............................................74
XIX. De Jongens uit Bet-El................................7«S
XX. Het Zoontje der Suniiniitische..........................«Si
XXI. Het hartelijke Dienstmeisje..............................«vgt;()
XXII. Een Koning van /even Jaren............................91
XXIII. Nog twee jeugdige Koningen............................lt;)(gt;
XXIV. Een nauwgezette Jongeling...............100
HET XI EU WK TESTAMENT.
I. Het Sehrijftafeitje van Zaeharias.............103
II. De Toekomst van een Kind..............110
III. Jezus' Geboorte...................113
IV. Grijsaard en Kind...................iiS
V. Doodsgevaar en Redding................121
VI. De twaalfjarige Jezus...............• . . I 2()
VII. Salomé.......................137
VIII. Jezus en de Kinderen.................144
IX. Spelende Kinderen...................147
X. De verloren Zoon...................152
XI. Zieke Kinderen....................159
XII. Jonge Dooden....................166
XIII. Tien Meisjes.....................175
XIV. Hosanna's in den Tempel...............181
XV. Twee Broeders....................1S7
XVI. Weenende Moeders..................191
XVII. Paulus en Timotheüs.................195
XVIH. Eutucluis......................200
XIX. Paulus' Xeef.......•............206
VI
(Stan
amp;yc lt;s7l . ^rinses ^/Pi/'/ie/nnna
i/er z)^ec/et/aiic/en.
(Taarnc wilde ik noy eens iets uit den Bijbel verhalen, en liefst aan L het eerst. Ik weet, dat onze lieve Koningin U graag uit den Bijbel leert, en ook Uw Koninklijke Vader het goedkeurt. Want alle boeken worden oud, maar de Bijbel blijft altijd jong.
De bijen lezen honig uit alle bloemen, en een vroom hart vindt overal het goede in den Bijbel. Wie dat nu vroeg leert en nog laat betracht, die blijft — zegt een Apostel — een kind in de boosheid, maar wordt in quot;t verstand volwassen.
Dat wenscht IT mijn gansche hart. De zon van uw tiende jaar ga vroolijk voor l op! Voor mij gaat zij reeds onder. Alaar 't is dezelfde zon, het licht van Gods Vaderliefde.
's-Ctravknhage, 31 Augustus 1889.
f're grijse Doopvadcr,
DE BIJBEL EX HET KIM).
Kinderen i boort naar Mij.
Spr. 7 ; quot;ja.
Ik heb u al zoo dikwijls bezocht en toegesproken, kinderen! maar nu kom ik met een groot boek in de hand. Gij kent het wel. liet is het beste boek, een Bijbel.
„Maar is die oude, deftige Bijbel dan een kinderboekje?quot; — Wel neen! dat is hij niet. Als uwe ouders met u in een winkel gaan, om voor u iets te koopen, dan is het daarom nog geen speelgoedwinkel. Allerlei is er in te koop, voor menschen en voor kinderen. Als gij in den winkel kondt kiezen, zoudt ge veel nemen op bet oog, wat u later niets nut is; zelfs wel eens gevaarlijk. Daarom kiezen vader en moeder voor u.
Zoo wil ik nu ook uit den Bijbel voor u kiezen. Er staat zoo heel veel in. Allen, die den Bijbel liefhebben, leeren er nog eiken dag uit, en de knapste menschen begrijpen niet al wat er in staat. Gij zoudt er lang in kunnen zoeken, eer gij vindt waar gij wat aan hebt. Daarom zal ik voor u zoeken.
DE HIJHKI. EN HET KIND.
Er komt in den Bijbel ook veel van kinderen voor. Dat zult gij 't liefste hooren. Ik zal daar dan maar van vertellen; en gij zult wel begrijpen, dat het niet enkel voor uw genoegen is, dat grootvader vertelt, maar om u tot God te brengen, als uw Hemclschen Vader, en tot Jezus, als den grooten Kindervriend. Begrijpt ge dat, zoo ben ik voldaan, •— en zeg nu alleen nog met den wijzen Salomo:
„Kinderen! hoort naar mij.quot;
\
A.
HET OUDE TESTAMENT.
I.
DE EERSTE KINDEREN.
Abel werd een schaapherder en Kaïn werd een landbouwer.
Gen. 4 : 2b.
Het moet mooi geweest zijn in dat paradijs, waarin Adam en Eva woonden. Prachtige bloemen en boomen, waarin de vogels zingen; en dan aan die boomen overvloed van vruchten, zoodat zij niet behoefden te werken voor den kost. Toch mis ik er wat: er waren geene kinderen, en die brengen leven en vroolijkhcid, ook al zijn ze soms lastig. Maar in 't paradijs waren ze niet. Adam en Eva waren zelf nog groote kinderen.
Maar toen zij van den verboden boom gegeten hadden en uit het paradijs verdreven waren, toen kregen zij kinderen, en het was hun troost en hulp: want er was heel wat te doen. God had 't wel gezegd! Zij zouden zich in 't zweet werken, eer ze hun brood aten.
Kaïn heette de oudste jongen, en Abel de tweede. „Nu had Kaïn een speelkameraad,quot; denkt gij. Maar er kwam niet veel van spelen in. Toen Kaïn nog een kleine jongen was, moest hij al met zijn vader meê in 't land. Spilden en ploegen hadden zij nog* niet. En zoo moesten zij met de hand of met een stok de harde kluiten breken, de steenen er uit zoeken, en den grond effen maken, om te zaaien en te planten. En zoo werd Kaïn een landbouwer.
Maar ook voor Abel was 't niet enkel kinderspel.
4 DE EERSTE KINDEREN.
Adam had eenigo schapen bijeeng-ebracht. Dat zijn nuttige dieren; zij geven melk en wol en lekker vleesch. En schapen zijn mak. M.ik, maar dom en onbeholpen daarbij. Zij verdwalen licht en leggen zich dan zoo maar neer. En als wolven of wilde honden ze aanvallen, kunnen zij zich niet verdedigen. Daarom moest de kleine Abel ze naar de weide en den waterput brengen, en de wilde dieren wegjagen. Zoo werd Abel een schaapherder.
's Avonds kwamen de jongens te huis, moe van 't werken en van 't loepen. Dan vertelde Adam van het paradijs. En Kaïn dacht: „Hadden vader en moeder maar niet van dien boom gegeten, dan behoefde ik zoo zwaar niet te werken!quot; Maar Abel zeide: „Wat is (rod toch goed, dat Hij ons nog zoo veel geeft!quot; En daarom hield moeder meer van dien lieven Abel, dan van den knor-rigen Kaïn.
Adam leerde zijnen kinderen ook. God te danken. En als dan 't koren rijp was en de schapen geschoren waren, werd er van alles wat op een altaar gelegd en verbrand, tot een geschenk aan God. Dat noemde men offeren. Maar het offer van den ondankbaren Kaïn nam God niet aan.
Dat maakte hem nijdig. Dat zijn offer door God werd geweigerd, zou hij zich nog niet zoo hebben aangetrokken; maar dat het offer van Abel was aangenomen, en deze ook door zijne ouders boven hem geprezen werd, dat kon hij niet verdragen.
Toch had God ook Kaïn lief. Hij zeide hem, dat hij maar beter op moest passen. Dan had hij, als de oudste, veel voor. Maar deed hij 't niet, — de zonde lag voor de deur.
Verstaat gij dat, kinderen? Waar leeuwen en tijgers
DE EERSTE KINDEREN. 5
en vergiftige slangen zijn, daar loeren zij in den donker, of de deur ook open gaat en zij binnen kunnen sluipen. Zoo loert de zonde op den mensch.
Ach! waarom luisterde Kaïn niet naar God ? Dan had hij de zonde buiten de deur gehouden. Maar hij bleef mokken en morren. En toen ze nu eens in 't veld waren, en misschien Abels schapen over het land van Kaïn liepen, of deze nog van 't offer sprak, toen stond Kaïn tegen zijn broeder Abel op, en daar hij veel sterker was, sloeg hij hem tot hij niet meer kon. AVant in zijne woede wist hij op zijn best, wat hij deed. A laar op eens staat hij stil. Bleek en bloedend ligt Abel daar, zonder zich te verroeren. Of Kaïn al roept, hij antwoordt niet. . . 11 ij heeft zijn broeder dood geslagen.
En al heeft God het hem ook vergeven, — met al zijne tranen, ja! met zijn eigen bloed kan hij Abel niet meer levend maken. En als hij dan dacht, hoe diep ongelukkig hij zijne ouders had gemaakt! Neen! hoe oud Kaïn geworden is, nooit heeft hij weêr een recht vroolijk oogenblik gehad.
Kinderen! houdt toch de zonde buiten de deur; weest niet jaloersch en afgunstig, want dat is ondank tegen God; en vecht nooit uit kwaadaardigheid en blinde woede. Alaar éen slag of wond soms, die u later bitter berouwen zou, als gij een broer of vriend hadt gedood, of voor zijn leven ongelukkig gemaakt.
De pijl keert tot den boog niet terug, noch de booze daad tot den mensch, die haar bedreef.
TI.
ISM A Ë L.
Sara zalt;* den zoon van Hagar spottende.
Gen. 21 -.9.
Xu zijn we in den Bijbel eenige bladzijden, maar in de geschiedenis meer dan tweeduizend jaar verder. In dien tijd is de zondvloed over de wereld gekomen, en alle menschen zijn verdronken, behalve Noach en zijn huisgezin. En toen er weer meer menschen op aarde kwamen, hebben zij den toren van Babel willen bouwen, om bijeen te blijven. Maar 't gelukte niet. God wilde, dat de menschen zich verstrooien zouden en heel de aarde bewonen. En toen ging het als met de eerste menschen-kinderen: de een werd een landbouwer, de ander een schaapherder.
Om weer van kinderen iets te hooren, moeten wij in de tent van zoo'n herder wezen. Maar niet zoo'n droo-merige herder, die bij een honderd schapen op de hei kousen loopt te breien. Neen! het was een onafhankelijk vorst, en hij bezat ook meer dan zijne duizenden schapen: kameelen, ossen, geiten, ezels, een heel leger, met knechts om er voor te zorgen. Allen woonden in tenten, omdat ze gedurig moesten opbreken, als 't gras afgeweid was en de waterputten leeg geput.
ISMAKL. 7
't Was geen onaardig leven. Vreedzaam en kalm, en gezond ook. En dan zoo rijk; braaf en vroom er bij. Wat kan men meer wenschcn?
Toch wenschte Abraham nog moer. Hij en zijne vrouw Sara hadden nog nooit kinderen gehad; en zij werden nu zoo oud, dat er wel nooit meer komen zouden. Dat maakte vooral Sara neerslachtig en ongerust. Er waren toen veel roovers. Wat zou zij beginnen, als Abraham stierf en zij geen zoon had om haar te beschermen ? — Omdat dit wel meer gebeurde, was het gebruik, dat men dan nog een tweede vrouw nam, doorgaans een slavin.
Abraham zou dat niet gedaan hebben, als hij er Sara verdriet mee deed. Maar zij vroeg het hem zelf. Zij had een mooie slavin, die Hagar heette, en nu verzocht zij Abraham, om die ook te trouwen. De kinderen waren dan zoo goed als van haar.
En zoo werd Hagar, al bleef zij Sara's slavin. Abrahams tweede vrouw, en zij kreeg een zoontje, Ismaël genoemd.
Toen een Engel haar dit beloofde, had hij gezegd: „'t Zal een woudezel van een menschzijn.quot; Dat beloofde niet veel goeds: want de wilde ezel der woestijn is door geen mensch te temmen.
Maar toen Ismaël klein was, ging het. Hij had dan ook een goed leventje. Zijn vader had hem lief, als zijn eenig kind. Zijne moeder was trotsch op hem, en liet hem alles toe. En zelfs de oude Sara kon veel van hem verdragen. Als het maar goed uitkomt! 't Is geen geluk voor kinderen, als zij zoo toegegeven en bedorven worden.
En daar gebeurde nu, wat Ismaël nooit had gedroomd.
s
De oude Sara kreeg- ook nog- een zoontje; liet werd Izak genoemd. Xu waren de hekken verhangen. Abraham bleef wel goed voor hem; maar Sara liet hem loo-pen, en onder het werkvolk of voor vreemdelingen was hij maar een slavenkind. Waarlijk! ik krijg toch medelijden met Ismaël. Maar hij had zich moeten schikken en op al 't goede zien. Hij had toch nog veel boven de andere' slaven voor, en zijne moeder beminde hem nu nog meer. Doch hij deed het niet. Hij haatte dat lieve zachte kind, dat hem toch nooit kwaad had gedaan. Al weer die leelijke jaloerschheid!
Als de kinderen loopen en praten konden, in hun derde jaar, legde de vader een feestmaal aan. En Abraham liet 't nu eens recht goed zijn. Hoe gelukkig zat daar Sara met haar kind! Hagar en Ismaël zaten daar ook wel, wat achteraf, maar niemand keek er naar of sprak ze aan.
Izak is van daag alles. Hij loopt vrij rond, en pakt dezen of genen aan. Zoo kwam hij ook tot Ismaël; maar die duwde hem weg, en lachte om de oude vrouw, nog zoo grootsch op een klein kind. Sara hoort Izak huilen en ziet Ismaël spotten, terwijl Hagar 't aardig vindt en meelacht; en zij wordt woedend.
„Jaag die slavin met haar jongen 't huis uit!quot; zegt zij tot Abraham: „ Hij moet zich niet gaan verbeelden, dat hij erven zal met mijn zoon, met Izak.quot;
Dat bedroefde Abraham. Hij had zoo gaarne vrede in zijne tent, en zag wel, dat dit zóo niet gaan zou. Ook had Sara macht over Hagar, en kon haar zelfs verkoo-pen, als zij wilde. Alaar uit de deur zetten, met schande wegjagen, was haar genoeg.
1 SMAKT..
En zoo gebeurde het. Den volgenden morgen stond Abraham vroeg op, gaf J lagar brood en een lederen zak water: dat was veiliger dan eene kruik, die breken kan; en water is in de woestijn het leven. Abraham wees haar zeker ook wel den weg. Toen kuste hij Ismaël cn ging bedroefd naar zijne tent terug.
Maar Ismaël verzette zich gauw. Met boog en pijl dwaalde hij door de woestijn, zoodat zij geheel van den weg afraakten. En was hij warm cn moe, hij dronk maar volop, cn zijn moeder durfde hem niets weigeren ; tot hij voor dood onder de struiken lag, cn zijne moeder een eind verder, omdat zij haar kind niet kon zien sterven.
Maar God zag op den woesten knaap neder en had medelijden met hem. Een Engel wees Hagar een verborgen waterput. Ismaël dronk en werd weer krachtig, de woudezel der woestijn.
Ismaël spottende, - is dat de ware vroolijkheid? Kinderen ! lacht en spot, zooveel g-ij wilt, maar nooit met een boos hart. Als mijn broeder en ik, voor bijna tachtig jaren, elkander zoo voor den gek hielden en plaagden, kwam mijne lieve moeder tusschenbeidcn, cn zcide: »Kinderen! 't is nu genoeg; anders loopt 't nog op katjes-spel uit.quot; - En gij weet, wat dit is. Eerst de fluweelen pootjes, en als de kat nijdig wordt, de scherpe nagels, die er uit schieten. En die nagels doen zeer. Een vroolijk hart houdt ze binnen, om den ander g-een pijn te doen; maar nijd en afgunst doen ze er uit springen.
„Waar is het lam tot het brandoffer ?quot;
Gen. 22 :
Xadat die woudezel van een Ismaël weg was, had Izak het rustig'. „Moeders kindje,quot; zooals men zegt, en dat worden zelden sterke, moedige menschen. Izak werd dan ook een vreedzame herder. Maar ik geloof, dat hij den vrede bewaarde omdat hij bang was. Dat was bij zijn vader anders. Abraham was ook voor den vrede en had er alles voor over; maar als 't noodig was, kon hij vechten, dat beloof ik je !
Maar hoe stil Izaks leven daarheen ging, toch had hij eens, toen hij nog maar een opgeschoten jongen was, een boozen dag. Laat ik u dat eens vertellen.
Abraham was een vroom man. God sprak dikwijls met hem, en hij volgde altoos Gods woord. Daarop was hij uit zijns vaders huis naar dit vreemde land gereisd, en daarop was hij blijven vertrouwen, ook toen hij geen kinderen kreeg.
En nu wilde God nog eens en voor het laatst beproeven. of Abraham alles voor Hem over zou hebben, ook waar hij het meest van hield. En wat was dat ? Izak natuurlijk.
1ZAK.
Als dc menschen in dien ouden tijd God wilden aanbidden, dan maakten zij een altaar van steenen, legden daarop droog' hout, slachtten een lam of ander vee, en staken dan het hout in brand. Dat was zooveel als een geschenk aan God, en men noemde het offeren. De I leidenen offerden ook wel menschen, en doen dat nog, voor hunne afgoden. Maar God wilde dat niet.
Toch scheen God het nu te willen. Hij zeide tot Abraham : „Neem uw zoon. uw eenige, dien gij lief hebt, Izak, en ga heden naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, die Ik u zeggen zal.quot;
Maar dat is verschrikkelijk! Toch heeft Abraham de stem van God zelf gehoord. Die moet gehoorzaamd worden. Hij buigt het hoofd, en spreekt geen woord tegen. Dat hij er Sara niet over sprak, behoef ik u niet te zeggen. Eene moeder als zij zou 't bestorven hebben.
Daarom stond hij den volgenden morgen vroeg op, eer Sara bij de hand was. Dat was hij toch gewoon, en t verwonderde haar niet. Hij zadelde zijn ezel, kloofde droog hout, nam Izak en twee knechts mede, en zoo ging het op weg naar 't gebergte Moria.
Den derden dag zagen zij van verre de plaats, die God hom wees. Abraham klopte het hart, maar hij hield zich goed. De knechts liet hij met den ezel aan den voet van den berg; daar boven zou hij God aanbidden, en dan weer bij hen komen.
Nu ging het den berg op. Abraham had vuur gemaakt. Dat deed men met droog hout snel opeen te wrijven of te draaien, en zoo houtskool in brand te steken. Hij had ook een groot en scherp mes. Maar het hout legde
hij Izak op de schouders: want die was al een sterke jongen.
Zoo klommen zij met hun beiden den borg op. Abraham sprak geen woord; maar Izak vroeg: „Vader! zie, het vuur en 't hout hebben wij; maar waar is het lam ten brandoffer?quot; — Gij kunt begrijpen, hoe Abraham ontroerde ! Toch wil hij 't Izak nog niet zeggen. Deze was wel een gehoorzaam kind, maar ik sta er niet voor in, dat hij het hout niet zou neergeworpen hebben en wegge-loopen zou zijn. Daarom antwoordt Abraham alleen; „God zal Zich zelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon.quot; — Izak vroeg niet meer, en zoo gingen zij samen verder.
Boven op den berg gekomen, nam Abraham steenen, en bouwde daarvan een altaar. Toen schikte hij het hout er op. Daarna greep hij Izak, bond hem en legde hem op het hout. En de jongen is zoo verschrikt, dat hij daar ligt, eer hij 't weet of zich verdedigen kan. Toch zal hij wel geweend en gejammerd hebben.
En daar staat nu Abraham met het mes in de hand. O ! 't is verschrikkelijk ! Nog eens ziet hij naar den hemel. En daar is 't of de hemel zich opent. Een lieve Engel komt daaruit, en roept: »Abraham! Abraham! Doe den jongen geen kwaad. Want nu weet Ik, dat gij zelfs uw eenigen zoon Mij niet hebt onthouden.quot; — Dat is óok Gods stem, maar hoe heel anders als vóór drie dagen!
Of Abraham zijn Izak gauw losmaakte en aan zijn hart drukte! Maar wat ziet hij daarbij? Jawel! God zelf heeft zich een brandoffer bereid. Daar is een ram, een mannetjes-schaap, met zijn kromme horens in de struiken verward. Dezen nam Abraham, en offerde hem in
plaats van zijn zoon. En dien bergtop noemde hij: „De HEER zal het voorzienquot; ; en in zijn nageslacht bleef het een spreekwoord, bij de grootste nooden en gevaren: „Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden.quot;
IV.
EZ AU EX JAKOB.
Izak had Ezau lief, maar Rebekka had Jakob lief.
Gen. 25; 28.
Dat mag ik niet hooren, dat de vader het eene kind lief heeft, en de moeder het andere. Is 't nog een jongen en een meisje, dan hindert het minder. Voora.1 in dien ouden tijd deden de jongens opgeld, zooals men zegt. Maar twee jongens, en dan vader, die voor den een partij trekt, en moeder voor den ander, dat geeft nooit een goed huishouden.
Maar 't is waar ook: ik heb u eerst nog wat te vertellen, eer wij zoover zijn.
Izak was de lieveling van beide zijne ouders, maar hechtte toch vooral aan zijne moeder, en verlangde naar geen vrouw, zoolang Sara leefde. Maar toen zij stierf, was hij ontroostbaar, en zat gedurig weenende in moeders tent. Daarom vond Abraham het goed, dat hij nu trouwde. En weldra bracht hij Rebekka in zijns moeders tent, en hij had haar lief en was gelukkig met haar. Het was ook juist eene goede vrouw voor hem. Als Izak moedeloos was en niet wist, wat te doen, dan handelde Rebekka.
EZAU EN JAKOB.
Zij kregen maar ééns kinderen: twee te gelijk; en dat waren twee jongens: Ezau en Jakob. Al waren zij broers, en nog wel tweelingen, toch geleken zij niets op elkander : want Ezau, zegt de Bijbel, zag er, toen hij een klein kind was, uit als een haren kleed, een mantel van kemelshaar. Geen mooi kind! Dat groeide later wel wat bij; maar altijd bleef hij ruig en gespierd.
En vrij ruw en wToest was Ezau daarbij, al had hij geen kwaad hart. De schapen na te loopen, daar had hij g'een g-eduld voor. Hij werd een veldman, staat er: altoos rondzwervend in 't open veld of door de bosschen. En dan jagen, hoe stouter hoe beter! Want om enkel met knods of zwaard een leeuw of beer aan te vallen, toen men nog geen schietgeweer had, daar behoorde moed toe.
Dan was Jakob een heel andere jongen. Stil en trouw, altijd vroeg op en aan zijn werk, bracht hij de schapen ver van huis. Want, zegt de Bijbel, hij was een eenvoudig man, wonende in tenten.
En daardoor kwam nu ook de verschillende keus van vader en moeder. „Izak had Ezau lief: want het wildbraad was naar zijnen mondquot;. Wel foei! dat is kinderachtig. Omdat vader Izak gaarne eens herten, konijnen of faisanten at, daarom vond hij er niets in, dat Ezau 't herderswerk liet staan, om in veld en bosch te zwerven. En Jakob, die zoo trouw voor zijn vee zorgde, stond daarom bij zijn vader achter. Maar Rebekka was verstandiger. Zij begreep, dat zonder Jakobs zorg de kudde zou achteruit gaan; en zij kon ook met dezen stillen, hartelijken jongen beter overweg dan met dien ruwen knaap.
Maar Rebekka dacht ook aan de toekomst. Izak werd
15
EZ AU EN JAKOB.
blind en zwak, zoodat alios op Jakob aankwam. Toch zou Ezau, daar hij de oudste was, vaders zegen ontvangen, en na zijn dood aan 't hoofd van 't geheele herdersleger staan. En wat zou er dan van haar worden? Daar tobde zij over dag en nacht, en sprak er dikwijls Jakob over. Maar deze wist ook geen raad; want Ezau zijn eerstgeboorte-recht te ontnemen, daar moest men bij Izak niet mee aankomen.
Maar nu had er bij toeval, zooals wij menschen spreken, iets plaats, dat 't gemakkelijker maakte, dit doel te bereiken.
Jakob was ook daarin een eenvoudig man, dat als hij niet te huis was, hij zijn eigen pot kookte. Zoo had hij linzen, een soort van erwtjes, geplukt, en er moes van gemaakt. Juist zou hij gaan eten, als Ezau in zijne tent kwam binnenvallen, doodmoe en hongerig. Die schotel lachte hem aan. „Laat mij toch slorpen van dat roode daar; want ik ben moe!quot; — Zoo sprak hij tot Jakob, en deze dacht; „Nu of nooit.quot; „Graag!quot; zeide hij; „Ga uw gang maar. Doch verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorte. quot;
Eigenlijk kan men nooit verkoopen, dat men het eerstgeboren is. Dat blijft zoo. Die jonger is, haalt den oudste nooit in, zoolang deze ten minste leeft. Maar het recht van eerstgeboorte, dat is iets anders. Zoo zou een kroonprins er afstand van kunnen doen voor een jongeren broer, en de zoon van een herdervorst ook. Dan kreeg hij zijn aandeel van 't vee, en liet weiden en waterputten achter. Dat is 't wat Jakob wil.
„Daar zal Ezau zich wel eens op bedacht hebben,quot; denkt gij. Maar dan kent gij hem niet. I lij volgde altoos maar
17
zijn lust, zonder na te denken. „Wat, eerstgeboorte!quot; zeide hij: „Eiken dag kan mij een wild dier verscheuren op de jacht, en wat geeft 't dan?quot; — Jakob hield hem bij zijn woord. Ezau zwoer, dat 't voor zijn broeder wezen zou. En nu kreeg hij van alles, brood ook er bij, en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen : alzoo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
Eenigen tijd later zeide Izak tot Ezau, dat hij eens op de jacht moest gaan, wildbraad voor hem klaar maken, en dan bij hem komen om den zegen. Dat hoorde Rebekka, stelde listig Jakob in zijne plaats, en de blinde Izak merkte het niet. „Jakob heeft er toch immers recht op,quot; dacht zij. Maar dan was het eerlijker geweest, aan den ouden man te zeggen, diit Ezau al lang zijn eerstgeboorte had verkocht. Toen nu Ezau met het wildbraad aankwam, was de zegen al vergeven. En — zegt een Bijbelschijver — hij vond geen plaats van berouw, schoon hij die met tranen zocht.
Die spreuk moogt ge wel onthouden, 't Is als een kustlicht om niet te stranden, voor lichtzinnige en driftige menschen. Vergeving krijgt wel, die oprecht berouw heeft; maar wat gedaan is, maakt zelfs God niet ongedaan.
V
JOZEF EN BENJAMIN.
Als Jozefs broeders zagen, dat hun vader hem boveu al zijne broeders lief had, haatten zij hem.
Gen. 37 ; 4. ■
Wel had vader Jakob reden om Jozef lief te hebben. „Hij was hem een zoon des ouderdomsquot;, jonger dan tien andere zonen. En zijne moeder, Rachel, de liefste van Jakobs vrouwen, was gestorven toen de kleine Benjamin geboren werd. Trokken dus de anderen ver heen, om gras en water te zoeken voor hun vee, dan bleef Jozef meestal, met den kleinen Ben, zijn vader gezelschap houden.
Nu kwamen er eens vreemde kooplui, die mooie purperen stof te koop hadden. Jakob kocht er van, en maakte Jozef een mooien mantel. En de oudere broers hadden maar hun grof bruin herderskleed. Al was nu Jozef daar blij mee, wijs vind ik 't van vader Jakob niet, om zulk een onderscheid te maken. Zij deden toch het zwaarste werk. Daarom haatten zij Jozef, als hij met zijn mooien mantel pronkte.
En dan had Jozef eens een vreemden droom. Gij droomt ook wel, en als gij dan wakker wordt en 't vertelt, zegt
EZ AU EN JAKOB.
blind en zwak, zoodat alles op Jakob aankwam. Toch zou Ezau, daar hij de oudste was, vaders zegen ontvangen, en na zijn dood aan 't hoofd van't geheele herdersleger staan. En wat zou er dan van haar worden? Daar tobde zij over dag en nacht, en sprak er dikwijls Jakob over. Maar deze wist ook geen raad: want Ezau zijn eerstgeboorte-recht te ontnemen, daar moest men bij Izak niet mee aankomen.
Maar nu had er bij toeval, zooals wij menschen spreken, iets plaats, dat 't gemakkelijker maakte, dit doel te bereiken.
Jakob was ook daarin een eenvoudig man, dat als hij niet te huis was, hij zijn eigen pot kookte. Zoo had hij linzen, een soort van erwtjes, geplukt, en er moes van gemaakt. Juist zou hij gaan eten. als Ezau in zijne tent kwam binnenvallen, doodmoe en hongerig. Die schotel lachte hem aan. „Laat mij toch slorpen van dat roode daar: want ik ben moe!quot; — Zoo sprak hij tot Jakob, en deze dacht; „Nu of nooit.quot; „Graag!quot; zeide hij: „Ga uw gang maar. Doch verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorte. quot;
Eigenlijk kan men nooit verkoopen, dat men het eerst geboren is. Dat blijft zoo. Die jonger is, haalt den oudste nooit in, zoolang deze ten minste leeft. Maar het recht van eerstgeboorte, dat is iets anders. Zoo zou een kroonprins er afstand van kunnen doen voor een jongeren broer, en de zoon van een herdervorst ook. Dan kreeg hij zijn aandeel van 't vee, en liet weiden en waterputten achter. Dat is 't wat Jakob wil.
„Daar zal Ezau zich wel eens op bedacht hebben,quot; denkt gij. Maar dan kent gij hem niet. Hij volgde altoos maar
17
zijn lust, zonder na te denken. „Wat, eerstgeboorte!quot; zeide hij; „Eiken day kan mij een wild dier verscheuren op de jacht, en wat geeft 't dan?quot; — Jakob hield hem bij zijn woord. Ezau zwoer, dat 't voor zijn broeder wezen zou. En nu kreeg hij van alles, brood ook er bij, en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen : tilzoo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
Eenigen tijd later zeide Izak tot Ezau, dat hij eens op de jacht moest gaan, wildbraad voor hem klaar maken, en dan bij hem komen om den zegen. Dat hoorde Rebekka, stelde listig Jakob in zijne plaats, en de blinde Izak merkte het niet. „Jakob heeft er toch immers recht op,quot; dacht zij. Maar dan was het eerlijker geweest, aan den ouden man te zeggen, dat Ezau al lang zijn eerstgeboorte had verkocht. Toen nu Ezau met het wildbraad aankwam, was de zegen al vergeven. En — zegt een Bijbelschijver — hij vond geen plaats van berouw, schoon hij die met tranen zocht.
Die spreuk moogt ge wel onthouden, 't Is als een kustlicht om niet te stranden, voor lichtzinnige en driftige menschen. Vergeving krijgt wel, die oprecht berouw heeft; maar wat gedaan is, maakt zelfs (rod niet ongedaan.
V
Als Jozefs broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijne broeders lief had, haatten zij hem.
Gen. 3; : 4. .
Wel had vader Jakob reden om Jozef lief te hebben. „Hij was hem een zoon des ouderdomsquot;, jonger dan tien andere zonen. En zijne moeder, Rachel, de liefste van Jakobs vrouwen, was gestorven toen de kleine Benjamin geboren werd. Trokken dus de anderen ver heen, om gras en water te zoeken voor hun vee, dan bleef Jozef meestal, met den kleinen Ben, zijn vader gezelschap houden.
Nu kwamen er eens vreemde kooplui, die mooie purperen stof te koop hadden. Jakob kocht er van, en maakte Jozef een mooien mantel. En de oudere broers hadden maar hun grof bruin herderskleed. Al was nu Jozef daar blij mee, wijs vind ik 't van vader Jakob niet, om zulk een onderscheid te maken. Zij deden toch het zwaarste werk. Daarom haatten zij Jozef, als hij met zijn mooien mantel pronkte.
En dan had Jozef eens een vreemden droom. Gij droomt ook wel, en als gij dan wakker wordt en 't vertelt, zegt
JOZEF EN BENJAMIN.
moeder: „Kom, kind! droomen is bedrog-.quot; Maar dit was geen bedrog. Dat zien we later.
Maar wat droomde Jozef nu? Ik zal het u vertellen. Als de herders lang ergens bleven, zaaiden zij ook wel koren; en als het dan rijp was, werd het in bossen of schooven gebonden. Jozef droomde, dat hij dit met zijne broeders deed. Maar als zij ze nu overeind zetten, om in den wind te drogen, ging zijn schoof rechtop in 't midden staan, en die van zijne broeders stonden in 't rond en bogen, loen hij nu dit vertelde, werden zij boos, en zeiden: „Wat denk je wel? wij voor je buigen, en gij over ons heerschen?quot; — En zij haatten hem nog meer.
Nu gebeurde het daarna, in een drogen tijd van 't jaar, dat de tien broeders ver weg moesten gaan, om weide voor het vee te zoeken. Zij waren nu in de buurt van Sic.hem, en Jozef waarschuwde zijn vader, dat zijne broeders zich zoo gehaat hadden gemaakt, al vroeger, door met een valsche list in die stad te dringen, en er de menschen te vermoorden. Dit maakte vader Jakob ongerust, en toen zij zoo lang wegbleven, zond hij Jozef, om eens naar hen te gaan zien.
Te Sichem waren zij niet, maar een vreemde man wees Jozef den weg, dien zij waren opgegaan, en hij vond ze te Dothan. Daar hadden zij ook de meeste waterputten ledig gevonden, maar toch nog' genoeg water voor hun vee. Het werk was afgeloopen, en zij zetten zich bij elkander neder om te eten. Daar zien zij van verre Jozef aankomen. De zon schijnt op de mooie kleuren van zijn kleed. Dat maakt hen nog boozer. Simeon en Levi stoken de anderen op. „Kijkt eens!quot; roepen zij : „daar komt onze meester droomer aan. Nu zullen
20 JOZEF EN BENJAMIN.
wij hem dat droomen eens voor goed afleeren. Als wij hem dood slaan en in zoo'n drogen kuil werpen, kraait er geen haan naar.quot; — „Dat zullen we doen!quot; riepen allen, op den oudsten, Ruben, na: want hij hield ook wel niet van Jozef, maar wilde zijn grijzen vader dat verdriet besparen. En omdat hij nu alleen niet tegen allen op kon, stelde hij voor, om Jozef maar levend er in te gooien. Hij zeide niet, dat hij er hem dan 's avonds stil uit wou halen.
Zoo zou 't nu gebeuren. Zij grepen Jozef, toen hij vriendelijk goeden dag zeide, van alle kanten aan, rukten hem den mantel af, en of hij al kermde en smeekte, zij wierpen hem in een diepen^ kuil.
Dat kon Ruben niet langer aanzien, en hij ging weg. En de negen anderen? Die zetten zich rustig neer om brood te eten, en lachten nog, als zij Jozef hoorden kermen.
.Maar daar komt in de verte eene karavane kooplieden aan. Die doen handel in alles, en slavenhandel is het voordeeligste. Juda, die ook niet van de slechtsten was, stelde nu voor om Jozef te verkoopen. Dat deden zij, en den mooien mantel zonden zij, met bloed bevlekt, aan hun vader, alsof een wild dier hem had verscheurd ...
En dat waren broeders! Dat is heel anders dan de Psalm zegt: „Hoe zoet en lieflijk is 't, waar broeders samen wonen.quot; Booswichten waren het, zonder men-schelijk gevoel en zonder berouw.
-Meent gij dat? Ziet hen dan twintig jaren later zich voor Jozef buigen, dien zij niet herkennen als onderkoning van Egypte; en hoort hen zeggen tegen elkander.
JOZEF F.N BENJAMIN.
terwijl zij denken, dat die barsche man hen niet verstaat: „Dat overkomt ons om het kwaad, dat wij onzen broeder Jozef gedaan hebbenquot;; cn leert er uit, kinderen! dat het geweten niet zwijgt, ook lang daarna.
En dan kunnen wij er ook nog uit leeren, dat Jozef zoo knap en flink werd door veel te lijden. De kleine Benjamin bleef vaders kindje, maar ook meer niet.
VI.
DE KINDEREN VAN JOB.
„Och of ik nog was als in vorige dagen, toen de Almachtige nog met mij was, en mijne jongens rondom mij !quot;
Job 29 : 1—5.
Die arme Job! Daar zit hij nu op den aschhoop, doodarm en vol zweren. Aan zijne vrouw heeft hij ook niet veel. Dat dwaze mensch zegt: „Praat maar niet meer van (rod; Hij hoort u toch niet. Ga liggen en sterf.quot; -En dan die oude en wijze vrienden, die Job vertellen, dat hij zeker zoo braaf niet geweest is als hij scheen, en nu voor zijn zonde wordt gestraft. Dat kan hij niet uithouden, en nu wordt de geduldige Job ongeduldig, en zegt hun goed de waarheid. Maar als zij zwijgen, denkt hij weer aan vroeger en beter dagen, toen God hem nog zegende en zijne kinders hem omringden.
Van die kinderen weten wij niet veel, maar wat wij weten, trekt ons aan. Het waren zeven zoons en drie dochters, en allen waren zij even hartelijk en lief met elkander en luisterden naar de lessen van hun braven vader. En toen zij nu grooter werden en elk in zijn eigen huis woonde, toen gaven de broeders nooit eene
DE KINDERENjvAN JOB.
partij, of allen waren samen, en hunne zusters werden ook gevraagd.
Het zal misschien, zooals daar te land gebruik is, met den oogst geweest zijn of na het scheren der schapen, dat die maaltijden rond gingen, van den oudste tot den jongste. Job zelf zat er niet mee aan: want hij wilde de jonge lieden gaarne vrij en vroolijk laten. Maar als de maaltijden rond waren geweest, elk zijn beurt, dan riep vader Job al zijne kinderen bij zich aan huis, en zeide: „Kinderen! als men goed wijn drinkt en vroolijk is, wordt God wel eens vergeten, of iets gezegd dat niet goed is. Daarom moest gij morgen ochtend hier allen bijeenkomen. Dan zal ik voor ieder een offer slachten, om het bij God weer goed te maken.quot; — Zoo deed hij, en de kinderen baden daarbij, dat God hun elk onbezonnen woord zou vergeven. En God zag uit den hemel op dat gelukkige huisgezin neder.
Maar o ! wat kan het ongeluk spoedig ons overvallen, en hoe weinig kunnen wij daarom bouwen op ons geluk! Daar zaten zij weer zoo hartelijk en gezellig bijeen in het huis van den oudsten zoon. Juist dronken zij na het eten nog vroolijk een beker wijn, en zongen en juichten, toen opeens een wervelwind uit de woestijn opkwam, en alles om en om draaide en neersloeg wat hem tegenkwam. Daar draait ook 't huis, waar de maaltijd is, van zijn grondslag af; het wordt opgetild en omvergeworpen, en krakend valt het op Jobs kinderen neer. Toen hij dat hoorde, nadat hij op dien eigen dag reeds al zijn vee had verloren, sprak Job deze schoone woorden: „De MEER heeft gegeven en de HEER heeft genomen: de naam des I1EEREX zij geloofd!quot;
23
DE- KINDEREN VAN JOB.
Neen ! het was voor die brave kinderen niet ongelukkig-, dat zij zoo te zamen stierven. God had in den hemel voor hen een beter huis. Maar voor den vader was het 't grootste ongeluk, dat hem kon overkomen: zoo al zijne kinderen opeens en zonder afscheid weg. Daar moest men een Job voor wezen, om dan nog te zeggen: „De naam des HEEREX zij geloofd!quot;
Nog gebeurt het niet zelden, dat ouders hunne kinderen verliezen, het een na het ander. Zelfs kan de bliksem door de gesloten vensters doordringen en een geheel huisgezin dooden. En wie er overblijft, zou haast vragen: „Waarom dat, o mijn God?quot; Maar op dat waarom volgt geen daarom. God geeft 't ons zonder antwoord terug, omdat de mensch zoo iets niet vragen mag. God geeft het leven en God neemt het ons weer af, óf oud óf jong; en wij moeten g'elooven, dat Hij het altoos met wijsheid en uit liefde doet.
24
VII.
Zij legde hem in een kistje, en zijne zuster stelde zich van verre.
Exod. 2 : 3, 4.
■ Het is nog donker, en zwart het water van den Nijl, maar ginds over de zandwoestijn henen, ziet men de toppen der pyramiden al lichten, en het wild gedierte keert weder in zijne holen.
Wie is die vrouw, die daar haastig nadert, en voorzichtig omkijkt, of haar ook iemand bespiedt? Een opschietend meisje heeft ze bij zich, en deze helpt haar om beurten een kistje dragen. Wat er in ligt? — Een kind, dat de moeder wegbrengt; ongelukkige moeder!
Ja! wel is het een ongelukkige tijd voor moeders. Laat ik u dat eens vertellen.
Jozef had zijn vader en zijne broeders, met al hun vee en hunne knechten, bij zich in Egypte laten komen. Daar hadden zij het goed, en verlangden niet meer naar de weiden van Kanaan; en daar Jakob ook den naam van Israël droeg, noemen wij hen van nu af, en nog, Israëlieten. Maar de Egyptenaars noemden ze Hebreen; dat is; „menschen van den overkantquot; .
MIRJAM EN MÜZE:
Zij waren in den beginne gul en gastvrij voor die vreemden, omdat Jozef zooveel goeds g-edaan had aan Egypte. Maar alles verandert met den tijd: andere men-schen, andere zeden. De Israëlieten namen sterk toe, en er kwamen andere Koningen, die Jozef niet gekend hadden. Zij zeiden: „AVat doen die vreemde menschen in ons land? Wij zullen er slaven van maken.quot; En zij lieten ze zwaar werken. In dat heete land, op den brandenden zandgrond, moesten zij voor een gloeienden oven staan, om steenen te bakken.
Xog was de Koning Farao, die toen regeerde, niet tevreden. De Israëlieten kregen veel kinderen, en hij werd bang, dat de jongens nog eens tegen hem zouden opstaan. Daarom zeide hij tegen de bakers: „Laat de meisjes leven, maar vermoordt de jongens.quot; Maar die brave vrouwen deden 't niet: zulke onnoozele kinderen!
Toen gaf de Koning order aan 't geheele volk: „Als gij hoort, dat daar een kind gekomen is bij de Israëlieten, en 't is een zoontje, werpt hem in den Nijl.quot; En daar in den Xijl eten de krokodillen ze in éenen hap op: want die hebben een bek en tanden om van te schrikken.
Ook die moeder, die wij daar zoo voorzichtig zien heen sluipen, heeft een jongetje bij zich in dat kistje. De arme moeder ! Drie maanden lang heeft zij 't stil verborgen, omdat het zoo'n gezond en mooi kind was. Maar de Egypte-naars zochten huis aan huis. Buurvrouwen, van wie kinderen verdronken waren, praatten er ook al over. Waarom zou Jochehed haar kind houden, en zij niet? O, die lee-lijke jaloerschheid!
Wat zal zij doen ? Haar man, Amram, weet geen
20
De koningsdochter vindt Mozes.
MIRJAM EN MOZES.
raad, maar cene moeder wel. Er is niet veel hout in Egypte, maar in de rivier groeide veel en sterk riet. Uit de binnenbast werd het oudste papier gemaakt: daarom noemt men het papyrus of papierriet. Maar de buitenbast is sterk genoeg- om er spanen doozen van te maken. Zulk een doos nam zij voor het kind, en maakte die met lijm en pek waterdicht. Nu kuste zij het kind en kuste het nog eens, nadat zij t gezoogd had, en legde het, nat van hare tranen, in het kistje. Toen sloot zij het dicht: want zij had er een stevig dekseltje op gemaakt tegen de krokodillen, maar zoo dat 't slapend kind niet stikken kon. En dat is nu hot kistje, dat ze vroeg in den morgen zoo voorzichtig samen dragen, Mirjam en hare moeder, om het in de rivier den Xijl te leggen.
„In de rivier? Maar dan moest het kind toch verdrinken.quot; — Xeen, kinderen! want hier was een stille inham van den Nijl, waar men veilig baden kon. De rijkste dames maakten daar gebruik van: want in die heete landen neemt ieder 's morgens een frisch bad. Licht, dat iemand het kind vond, en er medelijden mee had. En anders, — het moest toch sterven!
Aan den kant gekomen, schoof Jochebed het kistje op het water. Het dreef goed. En nu waadde zij nog een eind het water in, en duwde het kistje voort, tot het in een veiligen hoek tusschen de biezen lag, zoodat het niet door den stroom kon afdrijven. Toen bad zij, dat (-rod haar liefkind beschermen zou tegen die booze krokodillen en nog boozer Egyptcnaars, en zij ging naar huis. AA ant men zou licht haar er op aangezien hebben, als zij zoo schreiende naar haar kind stond te kijken.
Maar Mirjam trok minder de aandacht, 't Was een flinke
MIRJAM EX MO/ES.
meid, cn zij bleef, een heel eind verder, om te zien, wat er van haar broertje worden zou. Ik verbeeld mij, dat zij wat waschgoed had meegebracht, en daar nu maar wat stond te plassen. Daar keek niemand naar.
Daar komt een groote optocht aan. 't Is een Prinses, de eigen dochter van dien boezen Koning Farao. Nu klopte Mirjam het hart, dat zij 't voelen kon, en zij sloop ongemerkt al dichter bij. Daar gaat de Prinses het water in. Enkele vrouwen met haar, terwijl andere aan den kant op de kleederen passen.
Maar opeens kijkt de Prinses op. 't Is of er iets leeft tusschen de biezen: want juist werd het kind wakker. Ja waarlijk! daar ziet zij iets op het water bewegen. De golfjes wiegen den kleine. En ze zendt eene van hare vrouwen verder het water in. Die stuwt het kistje naar het land, en intusschen kleedt de Prinses zich weder aan. Mirjam komt al nader cn nader. Het kistje staat op den kant. Nieuwsgierig maakt de Koningsdochter zelve het deksel open, en toen zij het lieve kind zag, zeide zij: „Dat is zeker een jongetje van die arme 1 Icbreën, waarvan er al zoo velen verdronken zijn.quot; — Het kind, dat honger kreeg, schreide, en ook de Prinses kwamen van medelijden de tranen in de oogen.
Mirjam, die dat alles zag en hoorde, zou wel hebben willen juichen van blijdschap; maar zij hield zich goed, ging vrijmoedig naar de Prinses toe, cn vroeg beleefd: „Wil ik ook heen gaan, en zoeken u eene vrouw uit die Hebreen, om het kind te zoogen ? Ik weet er wel eene, die pas haar kind verloren heeft.quot;
„Goed, lief kind!quot; was 't antwoord: „Maar doe het dan gauw.quot;
MIRJAM EN MOZF.S.
En of Mirjam 't gauw deed! Ik verbeeld mij, dat ik haar zie loopen. Zoodra zij uit het gezicht dier vrouwen was, die daar wandelden langs het strand, zal zij wel vroolijk gesprongen hebben. Zij kon het er op zijn best uitbrengen. „Aioeder! moeder! kom toch gauw mee. De Prinses! . . . Zij wacht. . . Broertje is gevonden, gered.
Maar er was geen tijd om lang te praten. Moeder begreep het terstond, en had maar moeite, hare tranen in te houden. Want, kinderen! men kan ook van blijdschap schreien.
Toen nu Farao's dochter hetzelfde meisje met eene vromv zag terugkomen, zeide zij tot deze: „Wilt gij dit kind voor mij opvoeden? Ik hoor, dat gij het uwe verloren hebt. En gij behoeft het niet voor niet te doen. Ik zal er u goed voor betalen.quot; — Dat zij ja zeide, zal ik u wel niet behoeven te zeggen, en evenmin, dat zij het loon niet mocht weigeren, om zich niet te verraden.
Dat zal een feest in 't huis van Amram zijn geweest! Maar in stilte, 's avonds laat, als al de buren sliepen. Hoe zullen zij toen den goeden God niet hebben gedankt, die 't kind beschermde, en zal de moeder ook Mirjam wel hebben gekust, omdat zij 't zoo goed had aangelegd.
Zoo was 't kind weer bij zijn eigen ouders, en nu buiten gevaar. Toen hij groot genoeg was, bracht zijne moeder hem naar de Prinses, die zeker wel eens was komen kijken. Zij had schik in den lieven jongen, liet hem alles leeren, en noemde hem Mozes, dat in 't Egyptisch beteekent: „Uit het water gehaald.quot;
En dat is nu de beroemde Mozes, die naderhand de Israëlieten uit Egypte heeft verlost.
VIII.
JEFTA'S DOCHTER.
Zijne dochter ging uit hem te gemoet, met trommelen en reien.
Richt. II ; 34.
Arm kind, die daar uwen vader, na zijn roemrijke overwinning, te gemoet trekt met uwe speelmakkers, met muziek en reien dans en vroolijk gezang!
Arm kind! En waarom? Weet gij 't niet, kinderen.-' Hoort dan.
Nadat de Israëlieten weer in Kanaan gevestigd waren, regeerde elke stam en iedere stad zich zelf, en stonden zij daardoor nog al eens aan vijandige invallen bloot. Maar dan stonden er mannen op, die zich aan het hoofd van het volk stelden, de vijanden versloegen, en Richters of redders genoemd werden.
Zulk een richter was Jefta. Maar daarom nog geen beschaafd, verlicht godsdienstig mensch. Want eigenlijk was hij maar een rooverhoofdman. Wanneer iemand, die van zijn erfdeel beroofd werd, zich met andere vermetele mannen tot eene rooverbende vereenigde en de karavanen plunderde, werd dit „leven op zijn zwaardquot; geen schande geacht.
jefta's dochter.
Do bewoners van het overjorclaansche, door de Ammonieten bedreigd, vroegen daarom Jefta, om zich aan hun hoofd te stellen. Hij nam dit aan, en deed, vóór hij ten strijde trok, de dwaze gelofte; „Indien Gij, o God! de kinderen Ammons ganschelijk in mijne hand zult geven, zoo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij te gemoet zal uitgaan, als ik met vrede wederkeer, dat zal voor IJ zijn, en ik zal het offeren ten brandoffer. quot; — Ivan men dwazer bedenken? \\ ist hij dan zoo woinii^ van zijnen godsdienst, dat hij door een menschenoffer God een dienst meende te doen? Maar wij hooren het ook aan zijne onderhandeling met don Koning dor Ammonieten. Jeho\ ah, Israels God, staat bij hom weinig hooger dan Kamos, do God dor kinderen Ammons, wien ook menschonoffers werden gebracht.
Maar wat hij allerminst had gedacht, gebeurde. Jefta had maar éen kind, een aankomend meisje. Als eeno echte Israölietische droeg zij roem op don heldenmoed van haren vader, en wilde hom oene verrassing bereiden. Niets wetende van zijne dwaze gelofte, sprak zij mot hare vriendinnen af, hem mot zang en dans in te halen. Do meisjes vergaderden aan zijn huis, en trokken van daar in dansende reien, mot muziek en zang, don overwinnaar te gemoet, zijne dochter aan het hoofd. Maar Jefta, als hij haar zag, scheurde zijne kleoderon en verhaalde haar van zijne gelofte, waarvan hij „niet kon teruggaan.quot;
\\ ij zouden zeggen : hij kon en moest teruggaan. Geen moord op zijn onschuldig kind ! Zulk een offer kon Gode niet aangenaam zijn. Maar de oudheid redeneerde anders. Eeno gelofte stond mot den zwaarston eed gelijk. Die haar niet letterlijk vervulde, had vloek en verderf te vree-
3'
J EFT A'S DOCHTER.
zen. Jcfta's dochter heeft niet anders geleerd, en het goede kind wil geen oordeel over haren vader en haar volk brengen. Zij onderwerpt zich niet alleen, maar verheugt zich, dat door zulk een offer zoo roemrijke overwinning is behaald. Alleen verzoekt zij twee maanden uitstel, om met hare vriendinnen in 't gebergte klaagliederen te zingen op haar vroegen dood. En t werd een gebruik onder de dochters van Israël, om ieder jaar vier dagen in 't gebergte jcfta's dochter te gaan beweenen.
En al denken wij nu geheel anders, de brave dochter verdiende die tranen wel.
IX.
S I M S O X.
Dat jongske werd groot, en de Heer zegende het.
Richt. 13 : 241';.
Hij werd groot, 't jongske, ja! en sterk ook. Dat vooral heeft zijn naam beroemd gemaakt. »Zoo wijs als Salomoquot; en „zoo sterk als Simsonquot; is een spreekwoord geworden ; maar het eerste is beter dan het laatste.
Het was een vreemde tijd, waarin Simson leefde. De Israelieten woonden in 't land Kanailn naar de twaalf stammen, afkomstig van Jakobs twaalf zonen; en menigmaal liet de eene stam den anderen aan zijn lot over, zonder hem te helpen. Dat ondervonden vooral de zuidelijke stammen Juda en Dan, die van de Filistijnen aan den zeekant veel te lijden hadden. Zij betaalden dan liever een jaarlijksche schatting, om maar vrede te hebben ; zoo bang waren zij voor die Filistijnen. Simson moest de eerste wezen, die hun een schrik aanjoeg, zooals David de laatste, die hen geheel ten onder bracht.
En hoe deed Simson dat? Ik zou haast zeggen : als een kwajongen, 't Zijn ten minste meer jongensstreken, dan heldendaden van een man. Alles deed hij alleen en ongewapend, enkel door zijne verbazende kracht.
3
34
Als hij oud g-enoegquot; is, gaat hij een meisje zoeken, en — hoe zonderling! — juist eene Filistijnsche. Onderweg komt hem een brullende jonge leeuw te gemoet. Maar Simson grijpt hem bij de manen en scheurt hem den muil vaneen, dat 't roofdier dood neervalt. Eenigen tijd later kwam hij weer dien weg langs, en zag in 't geraamte een zwTerm bijen genesteld. Hij nam er honigraten van en zoog ze uit. Daarop gaf hij aan zijn bruiloftsgasten het raadsel op; „Spijs ging uit van den eter, en zoetigheid van den sterkequot;. Alleen door verraad van zijn bruid konden de Filistijnen het raden, en Simson verliet haar.
Later wilde hij tot haar wederkeeren, en vond ze met een ander getrouwd; en om zich te wreken, ving hij drie honderd vossen of sjakals, bond ze twee aan twee, met een fakkel aan de staarten, en jaagde ze daarop door het staande koren der Filistijnen, dat het alles verbrandde.
Zoo ging hij voort met hen te plagen, waagde zich onbevreesd in hun midden en versloeg er velen. Maar de Israëlieten waren daarmede niet gediend. Hij liet zich daarom vrijwillig binden en aan de Filistijnen overleveren, die niet minder dan duizend man op hem afzonden. Maar opeens rukt hij de touwen stuk, grijpt het kakebeen van een dooden ezel, en verslaat ze allen.
Zoo liet hij in een Filistijnsche stad zich opsluiten, maar stond 's nachts op, rukte de houten deuren der poort uit hare hengsels en bracht ze boven op den berg.
Maar de kruik gaat zoo lang te water tot zij zinkt. Eene schoone Filistijnsche vrouw, Delila, wist eindelijk
SIMSON.
uit hem te krijgen, hoe hij zou kunnen overwonnen worden. Op hem rustte de zoogenaamde Nazireërs-gelofte. Nooit nog was zijn haar gesneden. Als dit geschiedde, zou hij zijne bovenmenschelijke kracht verliezen. Toen hij haar dit geheim verklaard had, legde Simson zijn hoofd in haren schoot en zij zong hem in slaap. Arme Simson, voor duizend Filistijnen niet bang, en zoo zwak voor eene vrouw! Zijn prachtig haar werd hem afgesneden in den slaap, en om hem voor altijd weerloos te maken, de oogen hem uitgestoken.
Nog eens, arme Simson! Met koperen ketenen geboeid, werd hij weggeleid, en moest den handmolen draaien in de gevangenis.
Maar nog eens keerde zijne kracht terug. De Filistijnen kwamen in den tempel bijeen, en offerden en juichten voor hunnen God Dagon, machtiger — meenden zij -— dan Israels God, omdat hij hun Simson had overgeleverd. Nu riep 't volk om den blinden reus, en hij werd uit de gevangenis gehaald, om voor hen te spelen. Simson stond daarbij tusschen de twee pilaren, waar het gebouw op rustte, zoodat allen hem konden zien. Dat was een pret voor die trotsche Filistijnen! Toen zij er eindelijk genoeg van hadden, vroeg Simson aan den jongen, die den armen blindeman geleidde, om hem naar die pilaren te brengen, dat hij ze betasten kon en er tegen leunen. De tempel was vol, dat wist Simson, en op het dak zelf waren drie duizend menschen. Hij g'evoelde met zijne haren zijne kracht weer aangroeien. Wraak was zijne eenige gedachte, en hij bad er God om. Toen kromde hij den rug, en rukte met al zijne kracht aan de twee pilaren, waar hij tusschen stond. Zij bogen, het overladen dak kraakte, alles stortte
SIMSON.
in of werd bedolven; ook Simson, terwijl hij uitriep: „Mijne ziele sterve met de Filistijnen !»
Zoo stierf een vermetele waaghals. Hij zou zoo niet gestorven zijn, als hij anders had geleefd.
X.
R U T.
„Uw volk is mijn volk cn uw God mijn God.quot;
Ruth i : i6£.
Xcon! ik kan u niet overslaan, lieve Rut! al zijt g-e eigenlijk geen kind meer, vrouw en zelfs weduwe. Alaar de meisjes trouwen daar zoo vroeg, al op haar twaalfde jaar. En alles is zoo recht eenvoudig en kinderlijk aan Rut, dat ik haar nog wel tot de kinderen rekenen mag.
Maar ik moet u dat alles nog vertellen, en begin met het akelige woord: „Er was hongersnood in't land.quot; Dat kent gij niet, kinderen. Ik heb er wel iets van gezien, als de aardappelen mislukt waren in den zomer; of in den winter, toen er nog geen spoor was, en wegen cn vaarten gestremd waren; maar toch zóo niet als in die ooster-sche landen. Aardappelen kende men nog niet; het koren groeide er doorgaans in overvloed; maar kwam er geen regen, of werd alles door sprinkhanen verwoest, dan groeide er ook niets, en er was honger in 't kind: want niet alle menschen hadden geld, om als vader Jakob het koren op ezels uit een ver land te laten halen. En dan, wat gaf dat nog? Daarom deed Elimelech, een landman te Betlehem, hetzelfde wat vader Jakob ten laatste gedaan
38
had: hij ging naar een ander land, waar koren was.
Elimelech had bij zijne vrouw Naomi twee zonen; die gingen mede en trouwden in het land dor Moabieten, nadat hun vader kort na zijne aankomst gestorven was. Toch leefde Naomi met hare zonen gelukkig, in de hoop van naar hun eigen akkers terug te keeren, als de hongersnood in Kanaan voorbij was.
Maar een tweede en derde ramp volgde. Naomi's zonen stierven ook, en er bleven drie weduwen achter. Van man en kinderen beroofd, verlangde Naomi naar Betle-hem, waar nu weer een rijke oogst te veld stond, terug te keeren. Wel hielden hare schoondochters veel van de oude vrouw, maar het was beter, dat dezen tot haar eigen geslacht wederkeerden, dan dat zij met haar armoede leden. Zij zelve zou haar eind wel halen. Zij verlangde niets anders meer, dan om te sterven bij haar vaders en moeders graf.
De eene liet zich overhalen, omhelsde hare schoonmoeder nog- eens en ging weenende weg; maar de andere liet zich niet wegzenden, en deze was Rut. En van haar is nu dat schoone woord: „Waar gij henen gaat, zal ik ook henen gaan; uw volk is mijn volk en uw God mijn God.quot;
Rut had in dit vrome huisgezin een vreedzamer volk en een beter God leeren kennen, dan die der Moabieten. Want Boaz prijst haar later, omdat zij „onder de vleugelen van Israels God haar toevlucht was komen nemen.quot; Zij kon bij geen heidensche moeder meer terugkeeren, voor geen afgod knielen, en ook de vrome oude niet van gebrek laten omkomen.
Men kwam te Betlehem, toen juist de oogst begon, en
Rut ging koren lezen op het veld. Het was geene kleinigheid voor eene burgerdochter, die het zoo veel beter gewend was! Van den morgen tot den avond in de gloeiende zon gebukt achter de maaiers te gaan. om enkele halmen, die hun ontvallen waren of overgeslagen, op te rapen. En dan 's avonds, als zij stikte van den dorst, haar schoofjes uit te slaan met een stok, om de gerst of tarwe te huis te brengen. Anderen sloegen wel eens over of kwamen later, maar Rut nooit. Ieder kende op dat veld de ijverige Moabietische arenleesstcr. Zoo leerde ook de landeigenaar JBoaz haar kennen; en toen deze ten laatste haar trouwde, had Naomi weer een onbezorgden en vroolijken ouderdom.
Hoe vele kinderen doen voor hun eigen ouders niet, wat Rut deed voor hare schoonmoeder, en noemen zich dan nog Christenen. Kinderen, die dit leest! vergeet toch het vijfde Gebod niet. Daar ligt zegen in.
XL
„Ik heb hem den HEER overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; want ik heb hem van den HEER gebeden.'
t Sam. i : 28.
De Israëlieten woonden nog altijd in 't l.and Kanaan, en richters verlosten hen van hunne vijanden. Maar hij, die toen richter werd genoemd, vocht voor zijn volk niet: want het was de hoog-epriester Eli, die te Silo bij den tabernakel woonde. Hij was een goed man, of eigenlijk niet goed, omdat hij al te g'oed was. En vooral wanneer vader en moeder dat zijn, is het een ongeluk voor de kinderen.
Eli had twee zonen, en dat waren ruwe, slechte men-schen. Daar hun vader hoogepriester was, waren zij priesters, en moesten voor de offeranden zorgen. Wie nu een kalf of lam offerde, gaf daarvan den priester zijn bepaalde deel, verbrandde ingewand en vet op 't altaar, en maakte van 't vleesch een maaltijd. Maar Eli's zonen lieten maar alles weghalen, wat hun lustte, en aten en dronken wijn met allerlei slecht volk. En Eli had hun altijd maar toegegeven; en nu hij oud werd, kon hij er niets meer tegen doen.
SAMUEL.
Daar zit de oude man in een gemakkelijken stoel vóór den tabernakel. Jong-ere menschen gebruikten geen stoelen. Hij was ernstig en treurig: want hij wist wel, dat het daar binnen niet eerbiedig en vroom toeging. Daar komt al weder eene vrouw, die vóór den tabernakel neervalt, en binnensmonds prevelt: zoo ten minste, dat Eli haar niet kan verstaan: want oude lieden hooren zoo scherp niet meer. Hij kon niet anders denken, dan dat zij dronken was. Een dronken man is al erg genoeg, maar eene vrouw dronken, dat is om van te walgen! „Mensch !quot; zeide Eli ongeduldig: „hoe lang zult ge u daar dronken aanstellen? Ga weg, en slaap uit.quot; — En hij dacht zeker: „Ook al een van die gemeene wijven, daar mijn zoons mee omgaan!quot;
Maar hoe gansch anders klonk hem het antwoord: „Tk heb niets gedronken. Heer! maar ik heb met bittere tranen gebeden tot God. Want ik heb een braven man, maar geen kind, en daarom word ik bespot.quot; — Zoo sprak Hanna, en Eli troostte haar; en zij beloofde, als zij een zoon kreeg, dat die voor den godsdienst en voor den hoogepriester leven zou.
En toen zij nu het volgend jaar een zoontje kreeg, noemde zij hem Samu-El, dat in 't Hollandsch beteekent: „afgebeden van Godquot;, en zoodra 't kind groot genoeg was, bracht zij hem bij Eli.
Die lieve jongen, even vroom als zijne ouders, was een troost voor den ouden man, die zag dat het hoe langer zoo slechter ging met zijne zonen, en zijne vriendelijke woorden niets hielpen. 'Overdag deed Samuel alles voor Eli: want diens gezicht werd al slechter; en 's nachts sliep hij dicht bij hem. En hoe vast een jong mensch
4'
4 2 SAMUEL.
slaapt, als Eli zijn naam maar noemde, sprong hij op en stond voor het bed van den ouden man. Maar met die slechte zonen van Eli bemoeide Samuel zich in 't geheel niet, en zij keken ook niet naar den half blinden vader om.
Zoo werd hij eens wakker vroegquot; in den morgen, daar hij geroepen werd. Het was nog donker, en 't kon niet wezen, om nu al de nachtlampen in 't heiligdom uit te doen. Toch hoorde hij duidelijk zijn naam, antwoordde: „Ja! hier ben ik!quot; en sprong terstond uit zijn bed. In een wip stond hij voor het bed van Eli, en zei de; „Hier ben ik, vader! Gij hebt mij immers geroepen?quot; — „Gij vergist u,quot; was 't antwoord, „ik heb u niet geroepen ; ga maar weer spoedig liggen.quot;
En Samuel ging weer naar bed, maar op zijn best was hij opnieuw ingeslapen, of hij hoorde weder zijn naam en liep naar Eli, En toen dit nu voor de derde maal gebeurde, zeide Eli; Dat is de stem van God. Als gij die nog eens hoort, kom dan niet bij mij, maar zeg: „Spreek op, HEER! uw knecht hoort.quot;quot;
Zoo deed Samuel, toen nog eens, en tweemaal achter elkander, zijn naam werd geroepen. Maar vroolijk was het eerste woord van God tot den jeugdigen profeet niet. »God zou een ding doen in Israël, waarvan die't hoorden beide ooren zouden klinken. Dewijl Eli's zonen een vloek legden op den tabernakel, en hun vader hen daarom niet zuur had aangezien, zou zijn huis worden uitgeroeid,quot;
De arme jongen beefde op die boodschap. Hij legde zich weer stil in zijn bed, maar kon niet meer inslapen. Toen het morgen werd, zette hij de deuren van het huis des HEEREX open. Maar Eli durfde hij niets zeggen ; tot deze hem riep, en er op aandrong: „Wat is het
SAMUEL.
woord, dat God tot u gesproken heeft ? Verberg het toe h niet, geen enkel woord. Ik bezweer het u.quot; — En als nu Samuel bevende alles heeft verhaald, — want zwijgen kon hij wel, maar liegen niet, — toen zeide Eli: „Hij is de HEER. Hij doe, wat goed is in Zijne oogen.quot;
Zoo wachtte de zwakke oude man lijdelijk af, wat er gebeuren zou. Er kwam weer oorlog met de Filistijnen, zijne zonen namen de arke des verbonds mede uit den tabernakel, en Eli belette het hun niet. Met een benauwd hart liet hij een stoel voor zich aan den weg zetten. Hij kon wel niets meer zien, maar luisterde scherp of er ook nieuws kwam van het slagveld. „Wat is er, wat is er toch ?quot; vroeg hij, toen hij een luid gejammer hoorde. En de vluchteling, die de tijding aanbracht, ging tot hem en zeide; „Israël is verslagen, uwe beide zonen zijn gedood, de ark is door de Filistijnen genomen !quot; Toen hij nu dit laatste hoorde: de arke Gods, de heilige verbondskist, die den tabernakel niet verlaten mocht, in'svijands handen, toen viel hij van zijn stoel en stierf, acht en negentig jaren oud.
Maar intusschen, zegt de geschiedenis, werd Samuel groot, en de HEER was met hem, en gansch Israël erkende hem als een profeet; en niet alleen profeet, maar ook richter, de laatste en beste van allen, die Israël van zijne vijanden verloste en zijne twee eerste Koningen zalfde.
Den eersten, Saul, zal ik maar voorbijgaan. Wel staat er van hem, dat hij een schoon jongeling was, een hoofd grooter dan al het volk, maar iets kinderlijks zie ik in hem niet. Maar van den tweeden mogen wij niet zwijgen.
43
XII.
„Dc jongste weidt de schapen.
I Sam. 16 : n.
Saul eerst verlegen met de onverwachte eer om Koning tc worden over Israël, werd later zoo willekeurig en zoo jaloersch, dat God Samuel naar Betlehem zond, om een der zonen van Izaï tot Koning tc zalven. Wie het
was, zou God hem later wel zeggen.
Toen nu dc profeet bij Izaï kwam, zeidc hij, dat hij al zijne zonen wel eens zien wilde. Als hij nu den oudsten zoon zag, zeide hij bij zich zelf: „Die is 't zeker, zoo schoon en zoo groot!quot; maar eene stem in zijn hart antwoordde: „De mensch ziet aan, wat voor oogen is, maar
dc HEER ziet 't hart aan.quot;
Zoo gingen er zeven broeders hem voorbij, maar gedurig zeide die stem van God in zijn hart; „Deze is t niet! zoodat hij eindelijk aan Izaï vroeg : „Zijn ze dat allen-„De jongste is nog over,quot; was het antwoord: „en zie! hij weidt de schapen.quot; En toen deze nu van het veld geroepen werd, toen zag Samuel een blozenden jongen met sprekende oogen, dien hij niet verkozen zou hebben om aan 't hoofd van een volk te staan. Maar God had hem verkozen. Hij die niet aanziet wat voor oogen.
DAVID, 45
maar wat in het hart is; en Samuel zalfde hem, als den toekomstigfen Koning van Israël, al zou het lang duren eer hij het werd.
M aar al was David nu de jongste en paste op de schapen, daarom was hij nog geen schaap van een jongen. Het lijkt er niet naar. Hoe teeder en blozend hij er uitziet, er zit een moedig hart in. En dat was wel noo-dig ook.
Eens zat hij rustig op een heuvel, om de wacht te houden over zijne schapen. Hij had een slinger bij zich, en kon er goed mee mikken. Als nu een schaap wat ver afweek, kreeg het een steentje op zijn neus, en kwam weer bij de kudde. Ook had hij een scherp gepunten herdersstaf. Opeens komt daar ver uit de struiken een leeuw. Hij heeft zijn prooi al uitgezocht onder de schapen, zet zich op de achterpootên, kwispelt met den staart, en met een geweldigen sprong heeft hij 't arme schaap in de klauwen. Doch even vlug is David opgesprongen, hem achterna. Hij geeft hem een geduchten slag met zijn stok, zoodat de leeuw het schaap uit zijn muil laat vallen, en als 't woeste dier nu tegen hem zelf opstaat, vat David hem bij den baard en slaat hem dood. En toen hij nu ook een beer zóo gedood had, ging ieder voor den jongen herder op zij: daar zat moed in!
Maar 't was geen ruwe woestheid, zooals van Ismaël, dien God zelf een ontembaren woudezel had genoemd ; zijn hand tegen allen, en aller hand tegen hem. David had veel gevoel en zong gaarne, vooral tot eer van God. En niet alleen bespeelde hij de herdersfluit, maar hij had ook een harp gemaakt met snaren ; en als hij daarop speelde en ten hemel opzag in 't midden zijner schapen,
wat zou hij meer verlangen ? Dat Samuel hem gezalfd had, hij wist misschien nog niet eens recht, wat dit
beduidde, cn dacht er weinig meeraan, vergenoegd en tevreden. De geest Gods was op hem. en die geest is vrede.
Maar Saul had dien geest verloren, was onrustig en soms woedend. In zulke wilde buien kon misschien de muziek hem bedaren. Althans Sauls knechten raadden liet hem aan. Daar nu David als een harpspeler bekend was, werd hij geroepen. En terwijl hij speelde, bedaarde Saul. Maar later keerde hij weer naar zijne schapen terug.
Opnieuw brak de oorlog uit met de Filistijnen. Davids drie oudste broeders waren in het leger. Toen hij nu weken lang niets van hen hoorde, zeide Izaï tot zijn jong-sten; „Xeem eene maat geroost koren mee en deze tien brooden, en breng ze spoedig naar uwe broeders in 't leger. Maar deze tien melkkaasjes geeft gij aan den kom-mandant; en keer dan terug met bericht van uwe broeders, en een pand, dat gij bij hen zijt geweest.quot; Want brieven schrijven kon iedereen zoo maar niet, vooral in 't leger.
David stond den volgenden morgen heel vroeg op, beval de schapen aan zijn trouwsten herder, en nam zijne pakken zelf op: want hij was jong en sterk. Maar toen hij nu in 't leger kwam, terwijl er juist alarm geblazen werd, gaf hij alles zoo lang aan de wacht te bewaren: want daar moest hij bij zijn. Kunt ge u dat met verbeelden, jongens?
Een mooi gezicht, al die tenten en die soldaten m slagorde! Maar daar komt de Filistijnsche reus Goliat, en daagt de Israëlieten uit, of er iemand is, die tegen hem durft vechten. En wat doen de Israëlieten? Loopen,
DAVID.
loopen wat zij kunnen, naar hunne tenten. Dat zijn dappere soldaten!
Maar het was ook wel een kerel om bang van tc wezen. Langquot;, zeker wel acht of negen voet, en geheel in 't koper geharnast; een scherp zwaard op zij en een piek als een weversboom. Toch kon David 't niet verdragen, dat zoo'n heiden zijn volk en zijnen God bespotte. En men vertelde hem, dat koning Saul veel geld beloofd had aan den man, die Goliat zou verslaan, en hem zijne dochter tot vrouw wilde geven. Maar niemand durfde.
Toen nu David daar zoo met dezen en genen over praatte, hoorde hem zijn oudste broeder. Dat was ook een groot en stevig man, maar den reus durfde hij niet aan. Daarom werd hij boos, en zeide: „Wat doet gij hier? Aan wien hebt gij uwe schaapjes achtergelaten? Ik weet wel, hoe vermetel en brutaal gij zijt. Gij. hebt maar een boodschap gezocht, om hier naar ons gevecht te komen kijken.quot;
„Nu, nu!quot; zei David; „wat kwaad heb ik daaraan gedaan?quot; En hij ging verder: want hij wilde met zijn broeder geen twist hebben.
Toen zeide men het Saul: „Daar is een jonge herder in 't leger gekomen, en die zou wel tegen den Filistijn durven vechten.quot; — En de Koning dacht: „Dien kunnen wij er licht aan wagen. Wordt hij overwonnen, dat is geen schande voor het leger.quot;
Saul liet hem dan roepen. Maar toen David van den leeuw en den beer vertelde, kreeg hij toch meer achting voor hem, en deed hem zijn harnas aan, zette zijn helm hem op 't hoofd, en gordde hem zijn zwaard aan. Maar
47
48 DAVID.
Saul was veel grooter, en David ook dat soldatenpak
niet gewend. Hij struikelde over zijn eigen zwaard. Daarom verzocht hij. maar te mogen gaan zooals hij was, met staf en slinger. Maar dezen keer zocht hij in de beek vijf zware en gladde steenen, en woog ze op de hand. Toen stak hij ze in zijn herderstasch, en ging moedig op
den Filistijn los.
Deze kwam, met een wapendrager, die zijn schild droeg, voor zich, en keek met verachting naar beneden, naar dien blozenden jongen. „Wat?quot; zeide hij: „ben ik een hond, dat gij met een stok naar mij toekomt .J A\ acht maar ! ik zal u aan mijn piek rijgen, en do wolven en gieren zullen je vleesch eten.quot;
David bleef hem het antwoord niet schuldig, en de Filistijn, die de kracht van den slinger niet kende, schoof zijn helm op en stapte op David toe. Maar deze, Nlug als de wind, springt vooruit, grijpt in zijn tasch, draait zijn slinger, en daar vliegt een zware steen vlak op zijn voorhoofd, in zijn voorhoofd zelfs, en de reus ploft voorover. En David springt boven op hem, trekt het zwaard uit zijne scheede, en hakt Goliat met zijn eigen
zwaard het hoofd af.
Nu hun aanvoerder dood is, vluchten de Filistijnen, en krijgen de Israëlieten weer moed. Na de overwinning hielden de vrouwen en meisjes in al de steden der Israëlieten optochten, om Saul en David in te halen, met trommels en fluiten, zang en reiendans, en overal
werd gezongen;
Saul heeft zijn duizenden verslagen,
En David zijne tienduizenden.
En toen Saul dat hoorde, was 't of er een vergif-
DAV1I).
tis^o adder in zijn hart sloop. Hoe onyolukkiy is toch een jaloersch mensch! Van dat oogenblik af had hij rust noch duur meer; en toen David nog eens voor hem op de harp speelde om hem te bedaren, wierp Saul een spies naar hem. Maar David zag het en sprong op zij, en de spies bleef in den muur zitten.
\ an dat oogenblik af moest David vluchten en in de woestijn zwerven, gedurig door Saul vervolgd, tot hij eindelijk Koning werd. Maar de brave Jonatan, Sauls zoon, bleef Davids vriend, al verloor hij nooit den eerbied voor zijn vader. Rn nu zou ik van Jonatan u gaarne meer zeggen ; maar ik heb hem niet als kind gekend. En wilde ik alles vertellen, wat we van Eavid en Jonatan, die trouwe vrienden, weten, en vooral van Davids latere regeering, het zou een boek vol worden.
Dit alleen wil ik er nog van zeggen: Het was een groote verandering, van herdersknaap een beroemde held. de machtigste Koning van het Oosten. Wat zal hij gelukkig zijn geweest! Denkt gij dat, kinderen? Wel, ik geloof, toen hij in't midden zijner schapen zong: „O HEER, onze Heer! hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde! Als ik uw hemel aanzie, maan en sterren, die Gij gemaakt hebt, wat is de mensch, dat Gij zijns gedenkt?quot; (Ps. 8) voen hij dat zong bij de harp, tegen het vallen van den avond, zonder smart, zonder zorg en zonder zonde, was hij gelukkiger dan op zijn prachtigen troon.
Er is een heel oud liedje, achter sommige psalmboeken berijmd, dat David zelf wel niet gemaakt zal hebben, maar dat het zoo geheel uitdrukt, hoe die gelukkige jeugd hem nooit uit de gedachte was. Het begint:
49
DAVID.
Ik was een jongeling,
Nog teeder en gering,
Bij broedren laag geacht.
Men had mij in het veld
Tot herder aangesteld;
Daar hield ik steeds de wacht
En weidde 't wollig vee.
Toen maakte ik wel te vreê
Een harp met eigen handen;
Ik greep het snarentuig,
'k Zong psalmen. — Van 't gejuich
Weergalmden onze landen.
Zoekt dan, kinderen! uw geluk in de grootheid niet.
5°
XIII.
A B S A L O M.
In gansch Israël was geen man, zoo schoon als Absalom.
2 Sam. 14 : 2 5lt;7.
Al weet ik eigenlijk van Absalom in zijne jengd even weinig als van Jonatan, een ding kan ik u toch zeggen ; dat hij een mooie jongen was met een flinken krullebol. Anders had hij naderhand nooit de mooiste man in Israël kunnen worden; en zijn haar zoo lang en zwaar, dat als het eens op 't jaar afgesneden werd, het voor de zeldzaamheid werd gewogen.
Ik heb altoos medelijden met leelijke kinderen. Niemand kijkt ze aan, of het mocht de moeder wezen, voor wie haar eigen kind altijd mooi genoeg is. Maar door anderen wordt het leelijke kind dikwijls bespot of nageroepen. O foei! zij kunnen het immers niet helpen? Eén dingquot; is daarbij gelukkig: leelijke menschen — en kinderen ook — weten het doorgaans zelf niet. Al kijken zij dagelijks in den spiegel, zij zijn aan hun eigen gezicht gewend en vinden het zoo afzichtelijk niet. Ja! meer dan eens heb ik hen aanmerking hooren maken op de lee-lijkheid van anderen.
Maar weten de leelijken het niet, de mooien weten het
ABSALOM.
wel. Als zij nog klein zijn, wordt het hun dikwijls genoeg gezegd; en worden zij grooter, clan ziet ieder er hen op aan.
Maar is 't nu waarlijk een geluk, zoo mooi te wezen ? Een genoegen is het zeker; want ieder haalt gaarne mooie kinderen aan, en al is het niet rechtvaardig, zij krijgen dikwijls het meest. Een genoegen is het, en de meisjes vooral zijn er wel eens ijdel en grootsch op, en worden door velen bewonderd. Een genoegen, ja! maar genoegen is nog niet altijd geluk. Onthoudt dat goed, kinderen. Het kan u veel meer te pas komen dan gij nu nog denkt.
Maar van Absalom gesproken, hij was zeker van kindsaf ijdel en trotsch, omdat hij zoo mooi was. Zijn vader -dat weet gij zeker — was koning David. Hij ha d dus al wat een kind hebben kan, en zijne moeder zal hem wel bedorven hebben. De andere vrouwen van David hadden ook wel kinderen, maar die waren zoo mooi niet als Absalom en zijne zuster.
Die zuster werd eens zwaar mishandeld door haar halven broeder Amnon. Als Absalom nu rondborstig geweest was en moedig er bij, zou hij op Amnon aangevallen zijn. Maar hij was valsch en laf. Twee jaren lang hield hij zich, alsof hij 't zich volstrekt niet aantrok. Toen niemand er meer aan dacht, vroeg hij al zijn broers op zijne buitenplaats, en daar liet hij door zijn knechts Amnon vermoorden. Zoo was de wraak van Absalom !
Hij vluchtte nu naar zijn grootvader, en bleef daar drie jaren. Toen begon David weer naar hem te verlangen. Hij keerde terug en zijn goede vader vergaf hem alles.
Was hij daar dankbaar voor.-' Dat zult gij hooren.
Ik zeide u al, dat Absalom zoo ijdcl was, omdat men hem van jongsaf zoo mooi gevonden had. Zoo schafte hij zich nu wagen en paarden aan, dat buiten den oorlog zeld zaam was, en liet vijftig mannen voor zich uitloopen, om toch te laten zien: Absalom komt. En zij behoefden niet eens hard te loopen: zoo slecht waren de straten en wegen.
Ma ar 't was niet enkel om te pronken. Absalom had nog- slechter plannen. Eiken morgen vroeg was hij aan de poort. Wie van buiten kwam, om bij den Koning recht te zoeken, sprak hij vriendelijk aan, en liet hem zijn gansche zaak vertellen. En dan was 't; „Gij hebt volkomen gelijk, maar bij mijn vader zult gij geen gehoor vinden. Hij wordt te oud. Was ik maar rechter in 't land!quot; — En als dan die menschen hem dankten en diep voor hem bogen, als 's Konings zoon, dan stak bij zijne hand uit en omhelsde en kuste hen. En zoo — zegt de Hijbel — stal Absalom het hart van de mannen Israels; het hart, dat zijn vader toekwam. O die valsche Absalom! En nog merkte David er niets van.
Toen hij nu eindelijk zijne kans schoon zag, liet hij zich te Hebron tot Koning uitroepen. En David, anders zoo dapper, verloor allen moed, en vluchtte al weenende uit Jeruzalem. Maar zijne vrienden verloren den moed niet. De Koning wilde niet vechten tegen zijn zoon, schoon hij nog soldaten genoeg had om het te wagen. Daarom verzonnen zii een list.
Enkelen bleven in de stad, alsof zij zich aan den nieuwen Koning onderwierpen. Zij kenden Absalom, die, bij al zijne slechtheid en slimheid, door mooie praatjes te vangen was. Zijn raadsman, Achitofel, die even slim als
ABSALOM.
slecht was, wilde David dadelijk najagen en dooden; maar Husaï, Davids trouwe vriend, raadde dat af. „Neen! nu nog niet,quot; zeide hij tot Absalom: „nu's Konings lijfwacht verbitterd en woedend is, als eene berin van hare jongen beroofd. Neen! eerst geheel 't volk gewapend en Absalom zelf aan 't hoofd. Als de dauw op het veld, zullen ze dan op David en de zijnen vallen. ...quot;
O die dwaze Absalom! Dat alles geloofde hij, omdat 't zijne ij delheid streelde. Zoo had David tijd om te vluchten, en een leger bijeen te brengen van zijn oude en trouwe soldaten. En gij weet den afloop immers ? Absalom werd verslagen, en terwijl hij door een dicht bosch vluchtte, raakte hij met hoofd en haren in de takken bekneld, terwijl zijn muilezel onder hem door wegliep, en gemakkelijk kon men hem dooden. Zoo werd David weer Koning.
Nu zal hij wel blij geweest zijn, van zoo'n door en door slechten zoon verlost.... Denkt gij dat, kinderen ? Maar dan kent gij het vaderhart niet. Met moeite hield men David terug, toen zijn leger uittrok. Waarom? Hij wilde Absalom sparen en hem alles vergeven. „Handelt wat zachtkens met den jongeling, met Absalom!quot; was zijn laatste bevel vóór 't gevecht. En na de overwinning klaagt hij; „Mijn zoon Absalom! Och, dat ik voor u gestorven ware; Absalom, mijn zoon, mijn zoon!quot;
Als ik nu nog eens terug zie, welk een verschil tus-schen Saul en David, tusschen Jonatan en Absalom ! Dc trouwe Jonatan, die tot 't laatste oogenblik bij zijn vader bleef en hem verdedigde, al had Saul nog zoo slecht gedaan; en Absalom, die zijn goeden vader vermoorden wil, om zelf Koning te worden. Van Jonatan is een
54
ABSALOM.
schoone klaagzang over, door zijn trouwen vriend David gemaakt; maar Absalom liet niets na als een pilaar, waaraan hij zijn naam gaf, omdat hij geen zoons had. Die naam mocht niet vergeten worden. En hij is niet vergeten en zal het nooit worden: — geen van beide broeder-moorders, Kaïn en Absalom. En met Kaïn kunnen wij nog medelijden hebben, maar met Absalom niet.
XIV
M E F I B O Z E T.
„Daar is nog éen zoon van Jonatan, die geslagen is aan beide voeten.quot;
2 Sam. 9:3^.
Ik zeide, dat van Jonatan een mooie lijkzang van David overbleef; maar er was toch nog meer over: ook een kind, zoon van den kroonprins, zooals wij hem nu zouden noemen „de erfprinsquot;. En toch dacht niemand er aan, om hem Koning te maken in Sauls plaats. En waarom niet? Zie hem maar eens, den armen jongen. Eerst vijf jaren oud, strompelde hij op stok of kruk voort, zwaar mank aan beide voetjes.
Toch was hij niet al tij d zoo gebrekkig geweest. Op zijn vijfden verjaardag sprong hij nog vroolijk in 't rond, en klauterde als een vlugge knaap. Maar een enkele val kan lang heug-en. Daar weet ik van mede te spreken. En zijn schuld was 't niet.
Toen hij vijf jaar oud werd, was hij wel vroolijk en speelde als een jongen, terwijl zijne voedster op hem paste; maar hij merkte toch wel, dat alle menschen zoo bedrukt keken, en zoo druk met elkander praatten.
En daar opeens daar komt een man aanloopen, doodmoe, met stof en slijk bedekt, zonder wapens, en achter
MEFIHOZET.
hem nog een cn nog- een; en zij roepen de verschrikte vrouwen en kinderen toe: „Vlucht wat gij vluchten kunt! De Filistijnen hebben ons verslagen, en Koning Saul gedood, en Jonatan met zijne twee broeders ook!quot;
- (rij kunt begrijpen, hoe Mefïbczet's voedster schrikte. En 't kind zelf begreep het nog maar half, maar schreide toch ook mee, toen de voedster hem in de armen nam en weenende zeide: „Arme jongen! nu zult gij uw vader en grootvader nooit wederzien.quot;
Maar ze geeft zich geen tijd tot schreien en klagen, de goede vrouw, liet kind moet zij redden: want zeker zullen de filistijnen het, als een Koning'skind, niet sparen, h.n nu gaat het zooals altoos, wanneer de eenige gedachte „vluchten! vluchten! is. Kr is dan geen overleg of nadenken meer. Daar t kind niet hard genoeg loopen kon, nam de voedster hem op on droeg' hem, zoo vlug zij maar kon, naar de Jordaantoe: want eerst aan den overkant waren zij veilig. Zoo ging het buiten adem over steenen en door struiken heen. Door de haast vergeet zij naar hare voeten te kijken on 't kind goed vast te houden. ... Daar ligt de arme knaap en schreeuwt van pijn. Ze had hem laten vallen, en zoo was hem de lende verzwikt, dat hij niet kon opstaan. Dat was wel, zooals 't oude spreekwoord zegt: „lloe meer haast, hoe minder spoed.quot;
Weenende nam de voedster hem op, en droeg hem op beide armen de Jordaan over. Daar werd hij door een braven herder opgenomen, en leerde langzamerhand weer een beetje loopen, maar moeielijk en waggelend en op een stokje, geslagen aan beide voeten. Weinig menschen wisten, dat hij daar schuilde; en die het wisten, vertelden
MEFIBOZET.
het niet. Want bij die wreede Oostersche volken gebeurt het nnlt;r menigmaal, dat de nieuwe Koning het geheele geslacht van den voorgaanden laat vermoorden. Dan kan er niemand meer aanspraak maken op den troon.
Arme Mefibozet! — Weest toch voorzichtig, meisjes vooral! wanneer gij op nog kleiner kinderen passen moet, of er mede speelt, dat gij ze niet laat vallen, en zij soms voor heel hun leven ongelukkig worden.
Maar in Koning David had men zich toch vergist. Die dacht er niet aan, om Sauls geslacht uit te roeien, toen hij Koning werd in zijne plaats. Integendeel, toen hij al zijne vijanden overwonnen en een machtig Rijk gesticht had, dacht hij nog eens aan zijn trouwen vriend Jonatan, en liet Ziba, een ouden knecht van Saul, bij zich komen, om te hooren, of er nog kinderen of kleinkinderen van don vorigen Koning leefden, aan wie hij de vriendschap van Jonatan vergelden kon. Hij hoorde met blijdschap, dat Jonatan's zoon er nog was, en liet hem halen.
Mefibozet was vreesachtig, zooals meer gebrekkige
menschen en kinderen,die zich zeiven niet verdedigen kunnen. 1 lij dacht zeker niet, dat David het zoo goed meende, en viel bevend voor hem op de knieën. Maar David zeide: „Vrees niet, want ik zal zeker u weldoen, om uws vaders Jonatans wil. En ik zal u al de akkers van uw grootvader Saul geven, en gij zelf zult eiken middag aan mijne tafel eten.quot; — Want al de prinsen cn hunne kinderen woonden toen in het paleis van den Koning, of konden er ten minste eiken dag aan 's Konings tafel eten.
Zoo woonde dan nu Mcfibozet met vrouw en kind want hij was nu geen kind meer, al bleef hij klein -te Jeruzalem. En Ziba, met zijne vijftien zonen en twintig
MEFIBOZET. 59
knechts, bebouwde zijne akkers : want dat kon hij zelf niet, zoo gebrekkigquot; als hij was. Maar hij kreegquot; zijn deel van de opbrengst, en als hij bij Ziba at, zat hij daar als een prins.
Maar wie gebrekkigquot; is, mist niet alleen wat gezonden genieten, maar is ook in alles afhankelijk. Meiibozet kon niet uitgaan, wanneer Ziba hem zijn gezadelden ezel niet bracht, en hem daar op hielp.
Zoo gebeurde het ook bij den opstand van Absalom. Toen David vluchtte uit Jeruzalem, kwam Ziba hem achterop, en twee gezadelde ezels, die met 200 brooden, 100 rozijnen- en vijgenkoeken en een zak wijn beladen waren; dat kwam heel goed te pas bij de vlucht naar de woestijn. En om zich nu recht verdienstelijk te maken, zegt Ziba; »Ik ben maar alleen gekomen; want Mefibo-zet blijft te Jeruzalem, omdat hij denkt, dat ze hem nu Koning zullen maken, zooals zijn grootvader Saul was.quot;
O, die booze dienstknecht! Alles wat hij brengt, is van Mefibozets landerijen, en nu van hem nog kwaad te spreken! Hoe kan David dit gelooven ? De Israëlieten, die nog veel meer dan wij op de grootte en sterkte en het knappe postuur van een man zagen en daarom Absalom toejuichten, zouden dien armen gebrekkige Koningmaken, omdat zijn grootvader voor meer dan twintig jaren heel slecht en ongelukkig geregeerd heeft? Dat is immers al te dwaas ! Alaar David, voor zijn eigen zoon gevlucht, is zich zelf niet; en zegt: „Welnu, Ziba! als dat zoo is, neem gij dan alles, wat ik van Sauls erfenis aan Mefibozet had gegeven.quot; — En nu buigt Ziba zich diep en bedankt den Koning: want dat de zaak van Absalom door zijn eigen dwaasheid en ijdelheid mis zou loo-pen, had de slimme man zeker wel begrepen.
f-,0 MEFIBOZET.
iSIaar hoe is 't nu eigenlijk met Mefibozet ? Wel, Ziba is hem niet komen afhalen met een gezadelden ezel. En of hij meegegaan zou zijn, ik twijfel er nog aan. Hij behoorde wel tot het huis des Konings, en was het dus verplicht; maar wat kon hij David helpen, hij de mismaakte en zwakke kreupele man ? Hij zal wel wat opgezien hebben tegen die vlucht over berg en rots en m ier heen, die hem in zijne kindsche dagen zoo slecht bekomen was. Hij bleef dus te huis. Maar om toch tetoonen, dat hij tot Absaloms partij niet behoorde, liet hij — naar de gewoonte dor joden, als zij in den rouw zijn, zijn baard groeien, en had zijne voeten niet gewasschen en geen schoone kleederen aangetrokken. En toen nu Da\ id weder als Koning terugkeerde, kwam ook Mefibozet hem te gemoet.
„Waarom zijt gij niet met mij getogen ?quot; vroeg David. En hij antwoordde: „Mijn knecht heeft mij bedrogen. Ik zeide: Ik zal mij een ezel zadelen en daarop rijden en zoo tot den Koning trekken: want ik ben te gebrekkig om te loopen. En in plaats daarvan is Ziba heengegaan, en heeft mij valsch beschuldigd. Doch mijn heer de Koning is als een Engel Gods. Doe, wat goed is in uwe oogen. (Tij hebt mij aan uwe tafel doen eten. Wat heb ik nog
meer te vorderen?quot;
Gij merkt quot;t wel: Mefibozet heeft reeds alles gehoord. En David maakt er zich kort af met te zeggen: „Spreek over uwe zaken maar niet meer. Ik heb gezegd: Gij en Ziba, deelt het land.quot; — En Mefibozet antwoordt als een echte hoveling: „Al nam de Koning het geheel van mij weg, het is mij genoeg, dat hij in vrede tot zijn huis terugkeert.quot;
MEFIBOZKT.
En nu weten wij verder niets van Mefibozet. Al trok hij nu minder van zijne landerijen, hij zal wel geen gebrek geleden hebben, en aan 's Konings tafel zijn blijven eten. Rust en veiligheid was het eerste, wat de gebrekkige man verlangde.
Kinderen! zoo gij zelf gezond en sterk zijt, bespot en bedrieg de gebrekkigen niet. Dit is laf en onbarmhartig.
En zijn er soms gebrekkige kinderen, die dit lezen, ik heb diep medelijden met u; en dat medelijden van wie u liefhebben, maakt u 't leven toch aangenamer. En wil ik u nog eens iets zeggen ? Daar gij misschien ook bang en zwak zijt, en aan veel dingen niet kunt meedoen, zijt gij ook voor veel verzoeking bewaard. Zie ze eens naast elkander: Absalom en Mefibozet, een prachtigen palmboom en een krommen doornstruik. Als Mefibozet eens zoo mooi was geweest, gevleid en bedorven win kindsaf, zou hij misschien ook niet zoo ondankbaar en zoo boos zijn geworden, als Ziba hem beschreef?
XV
„Die is zijne moeder!quot;
i Kon. 3 : 2 7i.
Koning David werd oud en zwak, en lag meestal maar te bed. Het was dus te bezien, dat hij niet lang meer leven zou. Dat geeft in die Oostersche landen dikwijls veel verwarring', oproer en moord. Bij ons is het nauwkeurig bij de wet bepaald, wie Koning worden moet, wanneer de Koning of Koning'in sterft. De oudste zoon heet dan ook bij 't leven van zijn vader Kroonprins. Maar de Oostersche Vorsten, die zoo veel vrouwen en kinderen hebben, kiezen een hunner zonen uit, al is hij de oudste niet. \ ooral de moeder doet daar veel toe. En zoo had David Salomo verkozen, zoon van Batseba en door den wijzen profeet Nathan opgevoed.
Nu was er onder de oudere zonen éen, Adonia, van wien David ook altijd veel had gehouden; want de geschiedenis zegt, dat hij hem niet bedroefd had al zijne dagen en nooit gevraagd: „Waarom hebt gij dat zoo gedaan?quot; Wel, dat was een gelukkige jongen, denkt gij, die altijd maar doen mocht wat hij wilde. En ik zeg u, dat het heel ongelukkig was, en heel dwaas van zijn \ ader. Want nu begon hij even groote staatsie te voeren als vroe-
Hoe Salomo achter de waarheid kwam.
SALOMO S EERSTE RECHT.
ger zijn broeder Absalom, en wilde bij het leven van zijn vader al Koning- worden. Maar het gelukte niet, en hij mocht blij wezen, dat hij er het leven afbracht.
En waarom moest nu Salomo Koning worden ? Omdat hij zoo wijs was, en dit toonde door God om wijsheid te bidden bij het begin van zijne regeering; want die meent, dat hij al wijs genoeg is, die is het niet.
Van die wijsheid nu is het bewijs 't korte woord, dat hierboven staat: „Die is de moeder.quot;
Salomo had bij zijne inwijding gebeden: „Ik ben nog maar een jongeling; geef mij dan een verstandig hart, om uw volk te richten, verstandig onderscheidende tus-schen goed en kwaad.quot; En nauwelijks te Jeruzalem terug-gekeerd, kwam hem dit al spoedig te pas.
Alles, wat andere rechters niet konden uitmaken, kwam toen ter tijd voor den Koning, die, op zijn gouden troon gezeten, er een kort eind aan maakte.
Zoo kwamen er op zekeren morgen twee gemeene vrouwen. Zij hadden niet eens een eigen man en eigen huis, maar woonden samen. Terwijl zij daar nu stonden, de eene met een levend en de andere met een dood kind op den arm, deed zij, die het doode kind had, haar beklag.
„Wij wonen, o Koning! in éen huis, en daar kreeg ik een kind, een lief jongetje, en deze vrouw kort daarop ook. Wij waren maar samen in huis. Geen vreemde was er in; en zoo namen wij elk ons kind bij ons in bed.
„En nu is die vrouw zoo vast in slaap geraakt, dat zij op het kind lag en merkte 't niet. Toen zij nu midden in den nacht wakker werd, zagquot; zij, dat haar kind dood was, is stil opgestaan en heeft de kinderen geruild.
63
.AT.OMO'S EERSTE RECHT.
„Toen ik nu ook wakker werd, om mijn kind de borst te geven, zag ik. dat het dood was. Maar toon 't goed licht werd en de zon opging, bekeek ik 't eens goed. Het was mijn zoon niet. Zij heeft hem gestolen!quot;
De beroofde moeder had zich met moeite bedaard gehouden, om alles den Koning geregeld te vertellen ; maar toen de andere vrouw zeide: „Neen ! maar de levende is mijn zoon, de doode de uwe,quot; toen werd zij heviger; de andere gaf niet toe, en zoo stonden zij elkander voor leugenaarster en dievegge uit te maken.
Gij moet daarbij niet vergeten, dat het beiden jongens waren; en wij hebben al gezien, hoe de moeders daarop gesteld waren, terwijl zij de meisjes minder telden. Maar al had de arme vrouw, die haar beklag deed, recht, hoe zou zij 't bewijzen? Kleeren hadden die kleine kinderen 's nachts niet aan; en 't gezicht — och! wie kan daar onderscheid tusschen zien, als ze nog zoo klein zijn ? Dat kan de moeder alleen.
Intusschen moest er toch aan dat ja en neen een eind komen, en de Koning uitspraak doen.
Salomo zette dan een heel barsch gezicht, en zeide: „Wie zal dat gekibbel uitmaken? De eene zegt: De levende is mijn zoon, de doode de uwe; en de andere zegt; Neen, maar de doode is uw zoon, en de levende hoort mij toe. Ik wil rechtvaardig deelen. Haalt mij een zwaard.quot;
Het laatste werd natuurlijk tegen zijne dienaars gezegd, en zij waren in een oogenblik er mee terug, en een groot, scherp zwaard ook!
„Snijdt nu 't levende kind midden door,quot; beval Salomo: „en geeft ieder de helft.quot; — Het doode kind behoefde niet gedeeld te worden. Dat wilde niemand hebben.
SA LOMO'S EERSTE RECHT. (,r
Een woeste krijgsman, die dat in de wreede oorlogen van dien tijd misschien wel meer gedaan had, stond al klaar om het arme kindje bij 't beentje te grijpen, en zoo m éenen slag door midden teklooven; en de vrouw, die t hield, reikte het al aan. Alaar de andere werd doodelijk verschrikt, en viel voor den troon op de knieën, en bad; „O geef die vrouw mijn kind maar. Dood'ttoch niet!quot; Doch de andere zcide: „AVel zeker, zoo is het 't uwe noch 't mijne. Doorsnijdt 't maar.quot; — Die booze vrouw!
Maar Koning Salomo zeide: „Neemt haar't levende kind af, en doodt 't niet, maar geeft 't aan de eerste vrouw: die is de moeder!quot;
Gij kunt u verbeelden, hoe gelukkig de arme vrouw opeens was. De andere mocht nog blij zijn, dat de Koning haar stil liet heengaan, met nijd in 't hart. En allen, die 't hoorden, roemden Salomo's wijsheid.
o
XVI.
HET KIND VAN JEROBEAM.
„Deze alleen van Jerobeam zal in het «^raf komen.quot;
I Kon. 14 : 13.
De regeering van Koning Salomo duurde veertig jaren; en wat zeldzaam was in die dagen, het was al dien tijd vrede. De naam van Salomo beteekent ook vrede in 't Hebreeuwsch, en nog wenschen dejoden elkander cJialoom. dat is vrede.
Alle omliggende volken brachten hem schatting op. De geheele wereldhandel van dien tijd was in Salome's handen. En hoe kostbaar zijne huishouding was, hij werd hoe langs zoo rijker. Het zilver — zegt de geschiedschrijver — was als de steenen van Jeruzalem, en 't kostbaar cederhout als de wilde vijgeboomen.
Maar de menschen moeten het niet al te goed hebben en vooral niet te rijk worden. Dan groeien en bloeien ook de weelde en de zonde, en ten laatste gaan de burgers met elkander twisten.
Dat gebeurde nu ook. Na den dood van Salomo kwam er eene scheuring, omdat zijn zoon niet naar den raad van oude menschen luisterde; en al zijn jonge menschen nog zoo vlug, de ouden hebben ondervinding, en die leert men op school niet.
HET KIND VAN JEROBEAM. 67
Zoo verloor Rehabeam tien van de twaalf stammen, die Jerobeam tot Koning kozen.
Die Jerobeam was slim; maar braaf en verstandig is beter. Hij veranderde den godsdienst, omdat hij bang was, dat anders zijn volk weer naar Jeruzalem in den tempel zou gaan. Twee gouden stierenbeclden richtte hij op, en stelde nieuwe priesters aan. Daarom werd hij van God verworpen.
Eenigen tijd later werd een zoontje van Jerobeam zwaar ziek. Nu vertrouwde hij zijn eigen priesters niet, maar zocht den profeet Ahia op, die hem voorspeld had, dat hij Koning worden zou. Xu hij van God was afgevallen, durfde hij zelf niet gaan, of uit zijn naam iemand zenden. Maar de oude man was blind geworden, en zou dus gemakkelijk te misleiden zijn; en al kende hij Jerobeam's stem, die van zijne vrouw zou hij wel niet herkennen.
Zoo ging deze dan naar Silo, gekleed als eene eenvoudige boerenvrouw, en met de gewone geschenken die men een profeet bracht, — brood en koeken en honig, — om te vragen, hoe het met den zieke zou afloo-pen. Men dacht toen ter tijd, de profeet kon dan ook wel eene voorspraak bij God wezen, en zoo het goede voorspellen.
Maar Ahia, door God gewaarschuwd, liet haar daartoe den tijd niet. Zoodra zijne deur open ging en hij het geruisch harer voetstappen hoorde, — want een blinde luistert scherp! — zeide hij: „Kom binnen, huisvrouw van Jerobeam ! waarom stelt gij u zoo aan als een vreemde? Ik heb een harde boodschap voor u. Want zoo zegt de HEER, de God van Israël: „Ik heb u tot Koning verheven uit het midden des volks, maar gij hebt u andere
HET KIND VAN JEROBEAM.
goden cn gegoten beelden gemaakt. Daarom zal Ik van uw huis uitroeien wat mannelijk is. Wie in de stad sterft, dien zullen de wilde honden verslinden, en wie in 't veld sterft, die zal voor de gieren zijn.quot; Ga dan nu naar uw huis. Als uwe voeten in de stad gekomen zijn, zoo zal uw kind sterven, en ganseh Israël zal over hem weeklagen en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in quot;t graf komen, omdat in hem wat goeds voor den 1IEER. gevonden is.quot;
En zoo geschiedde het. De verschrikte moeder zag haar kind niet levend weer. Toen zij op den dorpel van haar huis kwam, stierf de jongeling. En zoo bemind was hij, in wien 't volk al den Kroonprins begroette, dat er eene algemeene rouwklage was in Israël.
Hoe oud hij was, staat er niet: een kind, dat toch al een jongeling kon genoemd worden. En dat er wat goeds voor den HEER in hem gevonden werd, doet ons hem denken als vroom en oprecht. Volstrekt niet ingenomen met dien beeldendienst, bleef hij zijne kinderlijke gebeden opzonden tot den waren God, al mocht hij niet naar
zijnen tempel te Jeruzalem gaan.
En daarom — mocht hij sterven en begraven worden. Schijnt u dat niet vreemd? Welk kind denkt er aan zijne begrafenis, of zal die een voorrecht rekenen ? Maar wordt gij ouder, dan denkt gij er misschien anders over, en vindt het een rustig en vreedzaam denkbeeld, dtit ge daar eens, in 't midden der uwen, zult rusten in het graf.
In de oudheid hechtte men daaraan nog meer. Het lijk van vader Jakob werd met een grooten optocht uit Egypte naar Kanaan gebracht, om bij Abraham en Izak te rusten ; en Jozef kon niet rustig sterven, zonder dat zijne
HET KIND VAN JEROBEAM.
broeders en kinderen hem beloofd hadden, dat zij in lateren tijd zijn gebeente zouden medenemen naar zijn land. ]\Iaar vooral werd het oen vloek en schande geacht, onbegraven te blijven liggen op de straat of in het veld, ten prooi aan 't wild gedierte. Jerobeams zoon zou al die ellende niet beleven van zijn geslacht. Als het gebeurde, zou hij al lang rusten in zijn graf.
En zoo neemt (rod nog wel eens brave en vrome kinderen vroegtijdig weg, en worden zij voor veel ellende en jammer bewaard. En dan treuren hier ouders en vrienden, maar in den hemel juichen de engelen, dat er weer een kind voor de besmetting der zonde, voor schande en ellende is bewaard.
En nu nog maar éene vraag, kinderen. Gij zult niet allen oud worden. Er sterven nog veel kinderen. Als dat u eens trof, zou men dan ook kunnen zeggen : „In dat kind was al vroeg iets goeds voor God?quot;
XVII
HET ZOONTJE DER WEDUWE TE ZARTAT.
„HEER mijn God! laat tocli ilc ziel van ilit kind in hem wederkomen.quot;
I Knn. 17 : 2\b.
1 )c Koningen, die op Jorobeam volgden, mricikten het nog erger dan hij, vooral A-chab en zijne vrouw Izebel. Wat er nog over was van den waren godsdienst, roeiden zij uit, en voerden een gruwelijke afgoderij in. Ik durf u niet eens zeggen, hoe die afgoden gediend en hunne feesten gevierd werden: zoo gemeen en slecht was het. En het volk ging moe : de een uit lust en de ander uit vrees.
Gelukkig was er in die dagen nog een profeet, die durfde spreken, en zijn God was met hem. Hij trad onverwacht voor Koning Achab, en zeide;„Eer ik het weer kom zeggen, zal cr geen dauw of regen zijn.quot; Dat was vooral in die heete berglanden de dood. Zonder de vaste regens in voor- en najaar, en de dauw in den
warmen tijd, groeit daar niets.
De Koning was zoo verschrikt, dat hij er niet aan dacht, Elia gevangen te nemen. Daar was Izebel woedend over. Zij liet overal naar hem zoeken, maar niemand wist, waar hij was. Toch was hij met ver af,
HET ZOONTJE DER WEDUWE TE ZARFAT. y I
maar woonde in een grot en dronk uit de beek, en at van 't geen de raven in hunne nesten sleepten.
Maar al is 't een oud spreekwoord: „Stelen als de ravenquot;, waar niet is, vindt ook de raaf niets meer. Zoo verliet dan Elia het land, en ging naar een Syrisch stadje, Zarfat genaamd. Toen hij dicht bij de poort was, zag hij eene arme weduwvrouw, die bezig was dor hout te sprokkelen ; en dat was er bij die droogte genoeg ! Elia reikte haar zijn leeren waterzak, die leeg was, en zeide; „Och haal mij hierin wat water om te drinken.quot;
De vrouw, zoo arm als zij was, had gaarne wat voor een ander over. Maar toen zij nu heen zou gaan, riep Elia haar na: „En haal mij dan ook een stuk brood.quot; Maar de vrouw keerde zich om, en zeide ; „Och, mijnheer! zoo waar de HEER uw God leeft, ik heb 't niet. Niets meer als een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de flesch. En nu heb ik een paar houtjes gelezen, en ik ga naar huis, om nog eens voor mijn zoontje en mij een broodkoek te bakken ; daarna moeten wij, als zooveel menschen, van honger sterven,quot;
„Vrees niet,quot; zegt Elia: „doe naar uw woord; maar maak eerst voor mij een kleinen koek, en breng mij dien hier buiten; doch voor u en uw kind zult gij daarna wat maken. Want zoo zegt de HEER, de God Israels: het meel van de kruik zal niet verteerd worden en de olie zal niet ontbreken, tot op den dag, dat de HEER regen op den aardbodem geven zal.quot;
Dat was een harde proef voor de vrouw: het laatste brood van haar kind met een vreemde te doelen. Maar zij kende den HEER, — Jehovah, — als den machtigen God van Israel, on zag, dat deze vreemdeling Zijn pro-
72 HET ZOONTJE DER WEDUWE TE ZARFAT.
feet was. Zulk een man wilde zij 't niet weigeren, al moest zij er een dag vroeger om van den honger sterven.
En God hield woord. Zij had aan meel noch olie gebrek, al den tijd dat de hongersnood duurde, en Elia woonde bij haar aan huis.
Reeds had hij daar geruimen tijd gewoond, toen haar eenig kind zwaar ziek werd. Van uur tot uur nam de ziekte toe, en het jongske stierf. Toen verweet zij 't in hare radeloosheid den profeet; „AVaarom zijt gij, een zoo heilig man, in 't huis van eene arme zondige vrouw gekomen ? Daarvoor heeft uw God mij gestraft. Gij hebt mijn zoon gedood.quot;
Wij willen 't der wanhopige moeder maar niet kwalijk nemen, dat zij zoo spreekt. Elia deed 't ook niet, maar zeide alleen: gt;Gcef mij uw zoon.quot; En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem naar boven. Daar legde hij 't kind op zijn bed. en bad: gt;0 mijn God! waarom hebt Gij deze arme weduwe, die mij in haar huis opnam, van haar zoon beroofd?'quot; — Toen legde hij zich drie maal achtereen op 't kind. Hij wilde 't zijn eigen leven inblazen, en dan bad hij weer, dat de ziel er in terug- mocht komen. En zie! 't kind begon zich te bewegen, als uit een diepen slaap ontwaakt. God had hem verhoord. En Elia nam weder het kind in de armen, bracht het der moeder terug, en zeide: „Zie! uw zoon leeft.quot; En met de innigste liefde omhelsde zij haar eenigsten, en zeide met tranen van dankbaarheid: „Nu weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEEREN in uwen mond waarheid is.quot;
En zeker heeft zij, ook toen Elia weg was en de hongersnood over, haar kind geleerd, geen andere goden te
HET ZOONTJE DER WEDUWE TE 7.AKFAT. 73
aanbidden dan Jehovah, den HEEK., den grooten God van Israël.
Er is geen profeet meer als Elia, en geen dood kind wordt weer levend. Toch gebeurt het dikwijls, dat God het vurig gebed der moeder verhoort, en haar kind als van den rand van 't graf haar teruggeeft. Dan zal die moeder wel hartelijk danken, en haar kind vroeg bidden leeren.
XVIII.
O BAD J A.
„Ik uw knecht vrees den HEER van
mijne jonkheid af.quot;
i K.on. 18 : 12^.
De droogte hield aan in 't Joodsche land, en de hongersnood werd hoe langs zoo erger. Op straten en wegen stierven de menschen van gebrek, en werden nauwelijks begraven. Ook Koning Achab, al had hij zelf genoeg te eten, trok zich dat aan; want hij had innig medelij-dcH, — natuurlijk, denkt gij, als hij zijn arm volk van den honger zag sterven, en allen onmogelijk helpen kon. Mis geraden! Menschen waren er genoeg; hij kon er wel wat missen, en na den hongersnood zouden er wel weer veel bijkomen. Maar met zijne kostbare paarden en muilezels had hij medelijden. Die waren gras gewend, en werden ziek van 't brood eten: het brood, dat de arme menschen in 't leven had kunnen houden. Verachtelijk mensch, die Koning Achab!
De Koningin Izebel was trotsch, wreed en bij geloovig; maar daar zat ten minste nog karakter in. Zij liet overal naar den toovenaar zoeken, die regen kon maken; want
daarvoor hield zij Elia.
Koning Achab had een hofmeester, Obadja. Die zorgde
or. a dj a. 75
voor g'chcel zijne huishouding: paleizen en tuinen, stallen en wijnbergen, en alle dienstboden en slaven. En daar de Koning wist, dat hij eerlijk en trouw was, achtte hij hem hoog, al zag hij hem in den Baals-tempel niet. Tot dezen zeide hij nu; „Laat ons 't geheele land eens doortrekken, gij dezen en ik genen weg, om in de laagste plaatsen en uitgedroogde beken te zoeken, of er nog niet wat gras te vinden is.quot;
Obadja ging en zocht, en gras vond hij weinig of in 't geheel niet: maar wat hij niet zocht, vond hij; den profeet. Bevende valt hij op het aangezicht, en vraagt; ..Zijt gij mijn heer Elia?quot; En deze antwoordt kortaf: „Tk ben 't. Ga heen; zeg uwen Heer: Zie! Elia is er.quot;
Dat zal hij wel niet vriendelijk gezegd hebben. Obadja was in zijn oog niets meer dan de slaaf van een Hei-denschen tiran. Een braaf en vroom mensch kon het immers bij Achab niet uithouden ? En als nu niemand ijvert als hij, klaagt hij later, dat hij alleen is over gebleven; waarop (iod hem zegt, dat Hij er nog zeven duizend in Israël heeft bewaard, die hunne knieën voor Baal niet hebben gebogen. Zoo gaat het meer in de wereld. De menschen begrijpen elkander niet.
Obadja ligt daar dan ter aarde gebogen voor den vreese-lijken profeet, en vraagt: „Wat zonde heb ik toch gedaan, dat gij mij geeft in de hand van Achab, dat hij mij doode? Wanneer ik van u weggegaan ben, en deGeest des HEEREN neemt u weg, ik weet niet waarheen, en Achab komt hier en vindt u niet, zoo zal hij mij dooden. Tk nu, uw knecht, vrees den HEER van mijne jonkheid af.quot; — Hij beroept zich daarbij op 't geen hij voor de profetenzonen gedaan heeft; en Elia, wat vriendelijker
- () O BA DJ A.
dan straks, belooft, dat hij Achab hier zal afwachten.
Als Obadja, stellig al niet jong meer, spreekt van zijne kindsche dagen, denkt hij daarbij zeker aan vorige Koningen; want eerst door Achab of liever door zijne vrouw was de Baillsdienst ingevoerd, en 't schijnt wel haast, dat de Koning zelf er niet mee dweepte. Zijn dappere vader. Koning Omri. had hem in den dienst van Jehovah, Israels God, opgevoed, al was die dienst bedorven door de vereering der gouden kalveren. Denkelijk was Obadja reeds bij Omri in dezelfde of mindere betrekking geweest; en al mocht hij niet naar den tempel te Jeruzalem opgaan, vrome ouders hadden hem geleerd, alleen den waren God te aanbidden. Toen hij nu Achabs hofmeester werd, sprak hij er aan t hof niet van, maar bleef het in stilte doen. En de Koning zal wel gemerkt hebben, dat hij aan de afgodische feesten niet mede deed, maar hij wilde daarom den trouwen
dienaar niet missen.
Als wij nu lezen, dat hij honderd profeten redde uit Izebels hand, moeten wij niet denken aan zulke profeten als Elia was. Maar er waren in Israël zoogenaamde profetenscholen. Eigenlijk koloniën van vrome menschen, die in eenzame streken leefden, en daar van t bontvellen in de bosschen en van den akkerbouw zich onderhielden. Zij vierden hunnen godsdienst veel door gezang, en stonden onder het toezicht van een profeet, vroeger van Samuel en nu van Elia. Vooral in zulke afgodische dagen was dit voor menigeen een rustig toevluchtsoord. Maar toen nu de snoode Koningin Elia niet uitvinden kon, wreekte zij zich aan de profetenzonen, liet ze met vrouwen en kinderen dooden en de profetenscholen uitroeien.
OBADJA. 77
Toen toonde de voorzichtige en vreesachtige Obadja, dat hij toch voor de dienaren van God zijn leven durfde wagen. Hij kende, door zijne bemoeiingen en reizen, twee spelonken, niet ver van Samarië. Daar verzamelde hij de vluchtelingen uit de profetenscholen, die, omzwervende in de bosschen, honger leden, en voor Izebel niet veilig waren. Toen hij er een honderd bijeen had, verdeelde hij ze tusschen de twee spelonken, die weinigen kenden. Aan den nauwen ingang zou men 't ook niet zeggen, dat daar zoovelen konden verborgen worden. En wat nog moeilijker was, daar wist hij al dien tijd hun brood en water te bezorgen, misschien tot zij veilig naar buitenslands konden vluchten. Had de woedende Izebel het bemerkt, hij ware een kind des doods geweest, en zelfs Achab had hem niet kunnen redden.
Zoo ziet gij, kinderen! hoe jeugdige vroomheid in het vervolg van 't leven zelfs den zwakke moed geeft. Wie vroeg leert, den HEER te vreezen, overwint de men-schenvrees. Geen dwazer denkbeeld, en slecht daarbij, dan dat het tijds genoeg is om vroom te worden, wanneer men oud en ongelukkig wordt. Hoe zal de oude stam vrucht dragen, die van den beginne af krom gegroeid en verkankerd is, al wordt die oude boom nog zoo goed verzorgd en gemest? — Volgt dus Obadja na, den HEER vreezende van uwe kindsheid af.
XIX.
DE JONGENS UIT BET-EL.
„Kaalkop, «a op! Kaalkop, ya op!quot;
2 Kon. 2 ; 23i.
Toen Elia zijn ware taak had volbracht, voer hij naar den hemel, en zijn dienaar Elisa werd profeet in zijne plaats. Ook hij was de vader der profetenscholen, en ging op naar Bet-El, om er eene te bezoeken. De weg was steil en hij beklom dien langzaam. Ondertusschen kwam er een heele troep kleine jongens uit de stad, liep achter hem heen, zooals jongens doen, en riep hem na: „Kaalkop, ga op!quot; En als hij ze grijpen wou, — jawel! loop eens een jongen achterna! Straks stoven ze uit elkander, en waren terstond weer achter hem en riepen weer: „Kaalkop, ga op!quot; - Elisa zal wel niet veel haar achter of boven op het hoofd gehad hebben; en m dien tijd _ Absalom heeft 't ons al geleerd! — werd zwaar haar heel mooi gevonden. Het was dus een schande, nog niet oud en toch al kaal te wezen. De melaatschen en die andere hoofdziekten hadden, werden als kaalkoppen veracht; en zoo was het een leelijk scheldwoord
geworden.
Misschien was dit al meer gebeurd, en werd daarom Elisa zoo boos, keerde zich om en zag ze alweer terug-
quot;9
wijken. Daarop vloekte hij hen in den naam des HEE-REN.
Toen kwamen er twee beren uit het bosch, en verscheurden uit dien troep twee en veertig kinderen.
Maar was dat toch niet al te erg? Een pak slaag had ik dien kwajongens van harte gegund, maar dood en
zóo gestorven!____ 't Is waar, profeten zooals Elia en
Elisa moesten geëerd worden. Anders hadden hunne woorden geen invloed in dien boozen tijd, en waren zij hun leven niet eens zeker; maar toch is die straf voor hunne ondeugendheid niet al te zwaar?
Toen ik hierover na dacht, kwam het mij vreemd voor, dat er zoo velen waren, terwijl Bet-El toch zoo groot niet was, en ik maakte daaruit op, dat het een komplot, eene afspraak was. Daarbij moeten wij niet vergeten, dat te Bet-El éen van de twee gouden kalver-of stierenbeelden stond, het meest van beide bezocht. Men had er dus een haat aan de ware profeten van (rod. Toen Amos er eens profeteerde, viel de priester van den kalverdienst hem aan, en wilde hem wegjagen met de woorden; „Ga weg, gij ziener! Vlied naar het land van Juda, en eet aldaar brood en profeteer aldaar.quot; Hier komt het spreekwoord vandaan: „'t Is een profeet, die brood eet.quot; Want die priester wilde zeker zeggen: „(rij doet het toch zeker om den broode, en dat kunt gij in Juda beter verdienen.quot;
En zoo stel ik mij voor, dat deze jongens, misschien ook wel bij dat altaar in dienst, door de priesters waren opgestookt, om Elisa uit te jouwen en te maken, dat hij niet terugkwam.
En al zijn 't nu heel andere tijden, toch jouwen en
y0 DF. JONGENS UIT HET-EL.
schcldcn de straatjongens nog wel eens iemand na, omdat hij eenig gebrek heeft; dat is gemeen en heel onbarmhartig. Zelfs de godsdienst van anderen, als er wat vreemds aan is, wordt niet zelden bespot of van de kerk de glazen ingegooid. Vloeken willen wij die jongens niet, en aan de beren gunnen wij ze niet; maar een flinke straf hebben zij toch verdiend.
Gij, kinderen! hebt voor de ouden eerbied, al wordt hun hoofd kaal; en vooral hebt eerbied voor God en godsdienst, ook al is deze anders dan die van u en uwe ouders.
HET ZOON TJE DER SUXA.M ITISCIIE
„Mijn hoofd, mijn hoofd !quot;
2 Kon. 4 :
I lij was niet altijd zoo boos, die profeet Klisa, als toen hij die kwajongens te Bet-El vervloekte. Voor dc nienschen, die hem goed kenden, was hij goed en vriendelijk en met weinig tevreden.
Zoo wandelde hij dikwijls een plaatsje door, dat Suncm heette. Daar woonde eene vrouw, die wij maar „de Sunamitischequot; noemen, omdat wij haar naam niet weten. Deze vrouw hoorde gaarne den profeet, omdat hij een zoo goed en heilig man was. Daarom vroeg zij hem, toen hij weer Sunem doortrok, om bij haar wat uit te rusten en te eten. En den profeet beviel dit zoo goed, dat hij dikwijls terugkwam; en haar man vond het ook goed.
Het waren in hunnen stand rijke menschen. En zoo zeide eens dc vrouw: „Mij dunkt, wij moesten voor den profeet oen klein opkamertje laten bouwen en daarin een bed, een stoel en tafel, en een kandelaar plaatsen om de lamp op te zetten.quot; — De man was 't met haar eens, en Elisa werd er door verrast, toen hij weer kwam. Nu kon hij er altijd logeercn. En vindt gij 't kamertje niet rijk gemeu-
6
HET ZOONTJE DER SUNAMITISCHE.
beid, de menschon leefden toen zoo eenvoudig, en de profeet was er dubbel mee tevreden.
Maar nu wilde hij gaarne ook iets voor zijne gastvrouw doen. llij merkte, dat zij zeer verlangd had, een zoontje te krijgen; maar haar man was oud, zij kwam ook op hare dagen, en 't zoontje kwam niet. Toen bad Elisa er om, en God verhoorde zijn gebed.
Wat gaf dat een leven en vroolijkheid in huis! 1 oen 't kind grooter werd, ging hij gaarne mede in 't land, en zijn vader had den lieven jongen graag bij zich.
Er was koren gezaaid en gegroeid en rijp geworden ; de oogst begon. Die is daar te land vroeger dan hier, omdat het er 's winters niet vriest. Het koren, in 't najaar gezaaid, is tegen Paschen rijp, en wordt terstond na de Paaschweek gemaaid. Dat geschiedt met een scherpe, kromme sikkel: telkens een handvol met de linkerhand vastgehouden. Probeert 't maar niet, jongens. Ik vrees, dat uw pink mee zou gaan. Maar die menschen waren het van jongsaf gewend. Die handvollen binden zij dan tot schooven, en zetten dezen in den wind om te drogen, en daarna gedorscht te worden.
Maar het kan heet zijn op dat vlakke veld en tusschen de korenschooven. Misschien had daarom de oude man 't kind niet meegenomen: want het was dien dag al bijzonder warm. Maar een jongen denkt aan geen hitte of kou. Toen hij nu hoorde, dat vader op 't land was, ging het knaapje ook naar het veld, en bleef daar. Hij vlocht kransjes van de wilde bloemen, die tusschen het koren groeiden, of jaagde de kapellen achterna. Maar opeens liep hij naar zijn vader, en riep niet anders dan: „Mijn hoofd! mijn hoofd!quot; en viel zoo voor zijne voeten
82
HET ZOONTJE DF.K StrXAMITISCHK.
neer. De vader dacht, dat hij alleen wat bevangen was van de warmte, riep een van de maaiers en zeide: „Draag quot;t kind naar zijne moeder en zeg, dat ik straks kom.quot;
Maar het was erger dan hij dacht. Men noemt dat nog „een zonnesteekquot;. In warme landen komt dat dikwijls voor, en zelfs bij ons kan het in den zomer gevaarlijk zijn, blootshoofds in de zon te loepen. De zon brandt dan op de hersens. Ik denk, dat dit kind stil weggeloopen was, en daarom ook niets op 't hoofd had. Moeder zou wel beter gezorgd hebben, zoo zij hem naar 't veld had gezonden.
Wat schrikte de goede moeder ! Zij nam het kind op haar schoot, en verkoelde het hoofd met natte doeken. Maar het deed de oogen niet meer open, haalde hoe langer zoo benauwder adem, en toen het middag werd. was het dood.
Een dokter was er niet bij de hand. Die zou er ook niets aan hebben kunnen doen. Maar een uur of zes verder, op den berg Karmel, woonde de profeet Elisa, die voor haar om dit kind gebeden had. Aan hem dacht zij quot;t eerst, legde haar kind in het profeten-kamertje op zijn bed, sloot toen de deur, en nam den sleutel mee. Want men is daar te land zoo vlug met afleggen en begraven, en dat wilde zij niet.
Toen liet zij haar man roepen, en vroeg hem eene ezelin en eenquot; knecht om ze voort te jagen: want uit zichzelf loopen ezels niet hard. Het was wel warm en werd nog warmer; maar wat geeft eene moeder daarom .J
Gelukkig vond zij den profeet te huis, viel voor hem neder en omvatte zijne knieën, terwijl zij in hare bittere smart uitriep; „Heb ik een zoon van u beg'eerd Was
HF.T /.lt;)()Nquot;rjK DER SUNAMITISCHE,
ik niet tevreden zonder dat? wil zij zeggen; was 't niet V)0tcr, geen Icind te liebben dun Vict zoo te \ erliczcn'
De profeet zendt zijn dienaar Gehazi, met zijnen staf, om dien op het kind te leggen; maar het was een slecht mensch, en dien hoort God niet. Het kind bleef slapen, slapen in de armen van den dood.
De profeet volgde met de moeder, en kwam Gehazi al tegen. In haar huis gekomen, ging hij alleen op zijn kamertje, sloot de deur en bad vurig tot God. Toen legde hij zich boven op het kind, den mond op zijn mond. Hij voelde, dat 't knaapje warm werd, maar meer ook niet. Daarop ging hij naar beneden, wandelde zonder te spreken het huis eens op en neer, klom toen weer naar boven, en strekte zich weer over het kind uit. En zie! er komt beweging in. Zonder nog wakker te worden, niest de jongen tot zeven maal toe. liet was, of er daardoor lucht in hot hoofd kwam. 1 lij deed de oogen open, en keek verwonderd rond, dat hij hier op 't profeten-kamertje lag; maar bang was hij niet; want hij kende den goeden man. Toen liet Elisa de moeder roepen, en zeide; „Neem uw zoontje op!quot; Zeker was hij nog te zwak, om zelf op te springen. Maar eer de vrouw dit deed, viel zij voor den profeet op de knieën en dankte God, die haar voor de tweede maal dit kind gegeven had.
Nog eens komen moeder en kind later in do geschiedenis voor. De oude man is gestorven, en door droogte en hongersnood zijn moeder en kind naar de zeekust geweken, naar het land der Filistijnen. En als zij nu na zeven jaren terug komt, vindt zij huis en akker door een vreemde in bezit genomen, en zoekt recht bij den Koning. Juist staat daar vóór den Koning Elisa's knecht, sedert
*4
HKT ZOONTJE DKR SIWAMITISCHF.,
jaren van zijnen heer weggejaagd en melaatsch, en vertelt van dat kind, dat de profeet in het leven terugriep. Hij kijkt om, herkent de moeder en daardoor ook het kind, groot geworden in die jaren, en hij zegt: „Dat is de Sunamitiseho moeder en dit is haar kind.quot;
En de Koning bezorgde haar huis en akker, met al wat daarop gegroeid was, terug. Ook het profeten-kamertje werd weer in orde gebracht, maar Elisa was ver weg gereisd. Of hij er ooit weer geslapen heeft, weet ik n niet te zeg'gen.
XXI.
HET HARTELIJKE DIENSTMEISJE.
Dc jonge maagd zeitic tot hare vrouw : „Och of mijn heer ware voor het a an-gezicht van den profeet, die te Samarië is!quot;
2 Kon. 5 : 3'/.
Gedurigfc oorlogen waren cr in de dagen van den profeet Elisa tusschen de Koningen van Israël en van Syrië. En zooals 't nog wel in onbeschaafde landen gaat, men roofde daarbij vrouwen en kinderen, om ze voor slaven te verkoopen. Arme kinderen! Zoo dicht bij hun land, en toch slaven in den vreemde.
Zoo waren er weder benden Syriërs in het rijk van Israël gevallen, en hadden onder anderen een lief jong meisje geroofd. En een Syrisch krijgsoverste kreegquot; of kocht het, als eene slavin voor zijne vrouw. In den beginne zal zij wel radeloos zijn geweest, en om huis en ouders geroepen hebben; maar langzamerhand schikte zij zich in haar lot, vooral omdat zij niet, als anders de slaven, met stok en zweep werd geregeerd, maar door hare meesteres vriendelijk toegesproken.
Zij merkte ook al spoedig, dat de menschen, bij wie zij in dienst gekomen was, niet gelukkig waren. Xaaman
HKT HAKTEUIKIC DIENS l'MI.ISJK.
was een krijgsoverste, het meest van allen bij Koningquot; en volk gezien, omdat hij veel vijanden had verslagen. Hij was, bij zijne dapperheid, in huis een zachtmoedig man. Zijne vrouw was heel lief voor hem; (zijne kinderen daar weten wij niets van;) hij was daarbij zeer rijk. Kortom, het zou een der gelukkigste huisgezinnen zijn geweest; maar een woord viel als een bliksemstraal in dat geluk, en verwoestte het geheel en al: — Naaman was melaatsch.
Weet gij, wat dit is, kinderen? O 't is een verschrikkelijke ziekte! liet vel wordt wit als krijt. Onder pijn en jeukte vallen de leden af. Als een afzichtelijk geraamte leeft de zieke nog voort, maanden en jaren lang, tot ten laatste de dood er een einde aan maakt. Zulke melaatschen waren er altijd in 't Joodsche land, en zij moesten buiten steden en dorpen wonen, omdat de ziekte zoo besmettelijk is. In onze Oost en West zijn ze ook nog. En het treurigste is, dat sedert drie duizend jaar nog nooit iemand een geneesmiddel er tegen gevonden heeft. De eenige genezing van de melaatschheid is do dood.
(Hj kunt u dus wel verbeelden, dat Naaman van aj zijne grootheid en zijnen rijkdom geen 't minste genot had. (raarne had hij met een gemeen soldaat geruild. En nu begrijpt gij ook het medelijden van 't Israëlitische meisje. Andere slaven zouden er misschien schik in gehad hebben, dat een krijgsoverste, die hun volk verslagen had en hen slaven gemaakt, nu door eene afschuwelijke ziekte was overwonnen, slaaf der melaatschheid. Maar dit meisje dacht er anders over. Zij werd hier aan huis met liefde behandeld. En als zij nu hare meesteres zoo bitter bedroefd
HET HARTELIJKE DIENSTMEISJE.
zag, en Naaman zelf door ieder vermeden, stil en somber, kwamen haar de tranen in de oog-en, en zij zeide aan haar mevrouw: „Och, dat onze heer maar eens den profeet, die te Samarië is, kon bezoeken! Die zou hem wel verlossen van zijne melaatschheid!quot;— Zij weet misschien niet eens den naam van Elisa; maar zij heeft zulke wonderbare dingen van hem gehoord, dat zij in hare kinderlijke eenvoudigheid denkt: „Die man kan alles; zeker ook wel melaatschen genezen.quot;
Een zinkende, zegt men wel eens, houdt zich aan een stroohalm vast. De vrouw van Naaman zeide het hem, en hij aan den Koning. Deze denkt, daar de Israëlieten bang voor hem zijn, dat hij maar te bevelen heeft, en schrijft aan Koning Joram: „Ik zend u mijn knecht Naaman, om hem te genezen van zijne melaatschheid.quot;
Met dezen brief, en rijke geschenken, reed Naaman met zijne bedienden naar Samarië. Koning Joram riep wanhopig uit, als hij las wat de Koning van Syrië schreef: „Ben ik dan een God, die dooden levend maakt-Zeker, de Koning zoekt twist met mij.quot; — Doch Elisa stelde hem gerust en liet Naaman bij zich komen. En toen nu de beroemde krijgsoverste met zijn prachtigen wagen voor de deur van Elisa stond, zond deze iemand naar hem toe, om te zeggen: „Wasch u zeven maal in de Jordaan, en gij zult rein wezen.quot;
Maar daar werd Naaman recht kwaad om. Als 't met baden te genezen was, het water bij Damaskus is veel frisscher. Neen! hij had zich verbeeld, dat de profeet zelf buiten zou komen, zijnen God bezweren om te helpen.
de hind over 't kranke deel strijken---- Kinderen! gaat
't nog niet dikwijls zoo, wanneer men een eenvoudig
88
11 ET HAK TKI. Ij K Iquot;. DIE N S TM li ISJ E.
middol opg'eoft, vooral koud water? ,,Is 't anders niet!quot; zegt menig een.
Naiiman zou zoo rechtsomkeert hebben gemaakt en naar huis zijn gereden, als zijne knechts niet verstandiger waren geweest. Zij noemden hem „vader,quot; en werden zeker als kinderen van zijn huis behandeld. Daarom zouden zij hem zoo gaarne weer gezond zien. „Vader!quot; zeiden ze: „zoo de profeet u een heel moeielijk en kostbaar middel had opgegeven, zoudt gij 't niet beproefd hebben? Hoe veel tc meer, nu hij alleen zegt: Wasch u en gij zult rein zijn.quot;
Xaaman begreep terstond, dat zijn dienaars gelijk hadden. Zoo reed hij dan terug naar de Jordaan, baadde er zich zeven maal achtereen in; en als hij er voor do zevende maal uitkomt, zie! daar vallen die leelijke schilfers en vuile plekken er uit, en — zijn vleesch kwam weder gelijk het vleesch van een jongen knaap, zegt het verhaal.
Dat had Naaman nu alles aan dat vreemde slavinnetje te danken, die hem naar Samarië verwezen had. en aan zijne knechts, die er hem hadden teruggehouden. Ja, 't is wel zoo:
Waar liefde woont, gebiedt de HEER den zegen,
Daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen. En 't leven tot in eeuwigheid.
Wij hebben zooveel tegen de slavernij, en terecht: maar de Israëlieten en hunne naburen behandelden hunne slaven beter dan menig Christen zijne bedienden. Diepe eerbied voor den vader van 't gezin gold er meer dan vrees voor de zweep.
HET HARTKUJKE DIFN'STMEISJE.
Meent dan niet, dat dienstboden alleen te gehoorzamen en te werken hebben, als levende stoommachines. Als Xaamans dienstboden zoo geweest waren, zou hij melaatsch gestorven zijn. Elk kan den ander van nut zijn, hoe hoog deze ook sta, en quot;t Christen huisgezin moet als éen lichaam wezen, waar geen lid aan kan gemist worden, en allen door denzclfden geest der liefde worden bezield.
XXII.
EEN KOXIXG VAX ZEVEX JAREX.
Joas was zeven jaren oud, toen hij Koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem. 2 Kr on. 24 : 1 a.
Xog eens moet ik u vertellen van dien boozen Ivonins^ Achab, of liever van zijne vrouw Izebel, die hem zoo slecht maakte. Want Achab was dood; — de honden hadden zijn bloed gelikt! — en zijn zoon regeerde in zijne plaats, maar Izebel had altijd nog veel te zeggen. En ook te Jeruzalem was hare dochter Athalia Koninginmoeder.
Maar jehu verwekte een opstand, en vernietigde den Baaisdienst. Toen werd de tweede profetie van Elia vervuld : Izebel werd uit het raam geworpen en door de honden verscheurd.
Dat gaf een schrik, ook te Jeruzalem: want ook de Koning van Ju da was met al zijne broeders vermoord. Stel u nu eens in de plaats van Athalia. Haar broeder, de koning van Israël, met zijn gansche geslacht gedood. Izebel, hare moeder, door de wilde straathonden verscheurd. Al hare zonen vermoord. Xiets dan vrouwen en kinderen over. Was dat niet om radeloos te worden?
KEN KONING VAN ZKVKN JAKKN.
Maar Athalia word het niet. Zij had moeders aard: trotsch, wreed en wraakzuchtig. Hare eerste gedachte was: .God heeft mijn geslacht laten uitroeien; ik zal het dat van David doen. Dan blijf ik alleen Koningin.quot;
Al de kinderen der vermoorde prinsen, — en daar waren er nogal veel! — werden in 's Konings paleis opgevoed, elk met eene voedster. En nu liet die booze vrouw al de jongens vermoorden: denk eens, haar eigen kleinkinderen !
En zij regeerde zes jaren lang, zonder dat iemand tegen haar durfde opstaan. Wie zou het ook gedaan, of wien zouden zij Koning gemaakt hebben ? Alle Koningskinderen waren vermoord .... Maar neen! dat had de goede (rod niet toegelaten. Met eenc gelijkenis had Hij aan David beloofd, dat er altijd nog eene lamp zou branden in zijn huis, al was 't maar een klein nachtlampje. En dat licht kon niet worden uitgeblazen.
De vermoorde kinderen hadden eene tante, die met den boogepriester getrouwd was. Zij had op 't vreeselijk oogenblik, toen het bloed stroomde in de opperzaal, en moeders en voedsters kermende wegvluchtten, éen van de jongetjes onder haar kleed geborgen, en de voedster gewenkt haar te volgen. Zij had het gestolen, staat er; maar dat was wel een eerlijke diefstal, en gewaagd ook. Gelukkig voor haar en den kleinen Joas, dat Athalia de kinderlijkjes niet natelde.
Maar waar nu heen? Xaar zijne moeder? Wij lezen van haar niet anders dan den naam, en bij haar was 't kind allerminst veilig. Joas' tante verborg dus het kind met zijne min bij zich aan huis. En dat kon zij te gemakkelijker doen, omdat de hoogepriestcr woonde in de
KEN KONING VAN /.EVEN JAREN.
gebouwen van den tempel, waar nooit een vreemde in kwam, zelfs Koning of Koningin niet. En daar schuilde Joas ruim zes jaren, tot de wakkere priester eindelijk den tijd geschikt vond, om hem Koning te maken in plaats van zijne vaderen.
Het volk had heimelijk een afkeer van de wreede Heidensche Koning-in. Haar eigen lijfwacht, de soldaten van haar paleis, waren haar niet getrouw. Men beefde wel voor die vreeselijke vrouw, maar menige traan werd er nog gestort over het gevallen huis van David, waaruit — zoo dacht men — nooit meer een Koning zou opstaan.
Dat wist jojada, de hoogepriester, en hij verhaalde heimelijk aan de oversten der lijfwacht, dat er nog een zoontje van den vorigen Koning leefde. Nu werd spoedig het plan beraamd, en de samenzwering uitgevoerd. De lijfwacht had maar voor de helft, bij beurten, dienst in het paleis. Die vrij waren, kwamen op een afgesproken uur in den tempel bijeen. Ook de Levieten, die in dienst van de priesters stonden, werden gewapend. Het andere deel der lijfwacht bewaakte intusschen het paleis, dat Athalia er niet uit kon, dan alleen door de gang, die naar den tempel leidde.
Intusschen werd, op het afgesproken sein. de jeugdige Joas op het voorhof van den tempel gebracht. Daar werd hij gekroond en plechtig tot Koning uitgeroepen, de gewapende lijfwacht rondom en de Levieten achter hem, terwijl het volk juichte: „De Koning leve! de Koning leve!quot;
Athalia, verschrikt door dit gedruisch. snelde uit haar paleis naar den tempel; want aan moed ontbrak het haar
lt;)4 EK.\ KONINC. VAN ZKVKN JAREN.
niet. Zij komt, bleek van toorn over dit oproer, op het voorhof, en ziet met verbazing een kind, als een Koning gekroond, bij een der prachtige zuilen van Salomo's tempel staan. Zij hoort het trompetgeschal en den kreet: „De Koning leve!quot; Zij wil haar lijfwacht te hulp roepen, en roept zoo hard als zij kan: „Verraad, verraad!quot; Maar haar eigen soldaten keeren do wapens tegen haar.
Men wil den gewijden tempelvloer niet bezoedelen met haar bloed; maar op doodstraf mocht haar niemand anders volgen dan hare lijfwacht, die haar omringde. De eenige weg, welke haar werd open gelaten, was die naar de koninklijke stallen, die uitliep op den mesthoop der paarden. Daar werd zij achterhaald, doodgeslagen en haar lijk op den mesthoop geworpen. Zulk een sterfbed verdiende de snoode Athalia.
Een Koning van zeven jaren. „Welk een geluk!quot; zullen sommigen denken, en dan voegen zij er gewoonlijk bij: „Als ik Koning was —!quot; en volwassenen herhalen dat ook: „Als ik Koning was —En als men nu eens werkelijk Koning was, och! dan zoudt gij ondervinden, dat niet alles goud is, wat er blinkt van verre, en dat de Koning al evenmin als andere menschcn al 't kromme recht kan maken.
Voor Joas was het zeker een groot geluk om niet meer, met die oude menschen, in de kamers achter den tempel opgesloten te zitten, en dan nog in gedurige vrees, dat hij ontdekt zou worden, als hij maar wat wild speelde of hard schreeuwde. Hij kon nu ten minste aan 't licht komen. Maar Koning zijn, het land regeeren, dat kon hij nog niet. Zijn oom de hoogepriester moest nog lang voor hem regeeren; en ook toen hij 't zelf
EEN' KONING VAN ZEVEN JAREN.
kon doen, volgxle hij veel zijnen raad. Vooral zorgde Jojada, dat de godsdienst goed in stand bleef. De tempel, die geheel in verval geraakt was, werd weer hersteld, en het volk bracht er vrijwillig schatten voor op.
Mc uir toen nu zijn oom Jojada dood was, en Joas om of bij de dertig jaar oud, luisterde hij weer naar de vorsten en grooten van Juda, en liet het aanbidden van afgoden en beelden vrij. Ja ! hijzelf deed er aan mede, en bleef dus niet getrouw aan (rod, die hem in zijne kindsche dagen zoo wonderbaar had gered. Dit verweet hem ziin neef Zacharia, de nieuwe hoogepriester; maar booze moordenaars doodden den braven man, en de Koning liet het toe. Zoo vergold hij al het goed, dat Zacharia's vader hem had gedaan!
Xa dien tijd kon hij geen zegen meer hebben. Xa velerlei onheil en vernedering in den oorlog, werd hij door twee zijner hovelingen vermoord, en niet vele tranen werden om hem geschreid. Veertig jaren had hij geregeerd, evenals onze Koning; en nog was hij niet oud geworden.
Wat dunkt u, kinderen! vindt gij 't nog een zoo groot geluk : een Koning van zeven jaren ? 't Is als een appel die te vroeg werd geplukt, en nooit goed rijp is geworden.
XXIII.
Manasse was twaalf jaren oud, toen hij Koning werd; — Jozia acht jaren.
2 Kon. 21 : 1:22: i.
Dat het juist geen geluk is, zoo vroeg groot te worden in de wereld, zien wij in Manasse, die op zijn twaalfde jaar ivoning werd. Als dit bij ons gebeurde, zou er een Kegent of Regentes optreden, om zoolang te regeeren tot prins of prinses achttien jaren oud was. M; tar in die oostersche landen doet zulk een knaap van twaalf jaren maar al wat hij wil; en gij begrijpt wel, dat dit niet altoos het beste en verstandigste is.
-Manasse's grootvader Achaz was een gruwelijk afgodendienaar geweest, en het gemeene volk had in die woeste heidensche feesten meer genoegen, dan in den dienst van God. Xu had zijn vrome vader llizkia dat alles wel afgeschaft, maar in 't geheim had de afgoderij altijd nog veel aanhangers, die Manasse, nog bijna een kind, voor zich wisten te winnen. Xauwelijks Koning geworden, veranderde hij alles weer. De tempel werd ontheiligd, overal altaren voor afgoden opgericht, toovenaars en waarzeggers geraadpleegd. Ja! toen hij al vroeg trouwde, „deed hij zijne zonen door het vuur gaanquot;, zegt de Bijbel. Weet
NOG TWEE JEUGDIGE KONINGEN. 97
gij wat dit is, kinderen ? Anders zal ik het u zeg-gen.
In een dal ten zuiden van Jeruzalem stond een altaar voor Moloch, den vuurgod. Wanneer nu de zon fel brandde en de regen uitbleef, zeide men, dat die God, evenals leeuwen en tijgers, belust was op jong menschenvleesch. En dan gaf de Koning zelf het voorbeeld, door zijne jonge kinderen op dat altaar levend te verbranden. Daarom noemde men, nog in Jezus' tijd, die vallei (rehenna of Hel. en wees er met afschuw dc plaats, waar Moloch's altaar had gestaan.
Kinderen ! wat zijn er toch akelige tijden geweest, en wat is onze tijd daarbij gelukkig! En nog zijn do men-schen niet tevreden.
En Manasse deed nog meer dan dat. Toen de profeten hem daarover bestraften, liet hij hen, en 'allen die nog voor don waren God streden, ombrengen, zoodat het bloed stroomde te Jeruzalem. Een oud verhaal zegt zelfs, dat de beroemde profeet Jesaja toen levend is middendoor gezaagd.
Hoe lang dit duurde, weten wij niet; want Manasse regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem. Maar tot het einde duurde het toch niet. In den oorlog overwonnen, werd hij diep vernederd, cn te Babel in de gevangenis gezet. En hier, van allen verlaten, vernederde hij zich voor den God zijner vaderen, en Deze liet zich van hem verbidden. Hij keerde naar Jeruzalem terug, cn had nog den tijd om veel te herstellen van het kwaad dat hij had gesticht.
Zoo blijven de indrukken der kindsheid in later jaren nog bij, al schijnen zij door de zonde reeds lang uitge-wischt. Dat troost ons, als de kinderen soms zoo weinig;
n8 NOO TWEE JEUGDIGE KONINGEN.
ernst maken met 't g-een wij hun leeren. Zij loeren het dan toch. Als een zaadje in den grond, ligt het daar verscholen en als hij A1 aiiiisse. zijn soms tranen \ an siruirt en benauwdheid de regen, die 't zaad ontkiemen en groeien doet.
Maar meent daarom toch niet: „'t Heeft den tijd nog wel. Ik kan in mijne jeugd 't leven wel genieten, en als ik ouder word, ook den (rod mijner vaderen zoeken.
Niet ieder wordt oud. Do zoon van Alanasse, die weer een booze afgodendienaar was, regeerde maar twee jaren, en werd op zijn vier-en-twintigste jaar vermoord. Hem werd dus die tijd tot bekeering niet gelaten.
Op Amon volgt weer een der braafste Koningen, die Juda heeft gehad; Jozia; en toch kwam die al op zijn achtste jaar aan de regeering. Van zijne kindsche dagen staat niets beschreven, maar ik denk, dat zijne moeder er het goede al vroeg heeft ingeplant; want de Koningin-moe-der heeft dikwijls in die landen grooten invloed.
Hij vond, toen hij Koning werd, alles weder in de war. Manasse had al het kwaad niet kunnen herstellen, dat hij gedaan had. Want liet kwaad is als onkruid. 1 ijd en geduld is er noodig, om het uit te roeien. Onder Amon had weer de heidensche partij het hoofd opgestoken. Wat kon een kind van acht jaren daartegen doen ? Maar -zegt de geschiedenis — in het achtste jaar zijner regeering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders David te zoeken. Hij zal wel vroeger dien God hebben gebeden om wijsheid en kracht. Maar nu, in zijn zestiende jaar, kwam hij er openlijk voor uit, en aanbad Hem in zijnen tempel. Maar de afgoderij was zoo diep ingeworteld, dat hij die slechts langzamerhand
NOG TWEE JEUGDKIE KONINGEN. ')')
cn met beleid kon uitroeien. En zoo gelukte het ht'm, nog' eens g-ansch Juda en zelfs de overgeblevenen van 't rijk van Israël te vereenigen in den dienst van (rod. Hij werd niet oud, maar- was toch in de een en dertig jaron van zijne regeering een zegen voor zijn volk.
Hoeveel beter is het, (iod vroeg to zoeken, dan het uit te stellen tot men oud wordt; dat noemen de boeren: het vleeseh te geven aan de wereld, en dan met de dorre beenderen te komen tot God.
XXIV
EEX NAUWGEZET JOXGELIXG.
Daniël nu nam in zijn hart voor dat hij zich niet zon ontreinigen met de spijs des Konings.
Dan. i : Sa.
Daniël, later de beroemde profeet, was nog jong, toen hij uit zijn vaderland werd weggevoerd. Voor en na volgde hem geheel zijn volk. Jeruzalem werd woest en het land onbewoond; want Xebukadnezar, de Koning van Babel, maakte aan 't Kijk van Juda een eind.
Zonderling gaat het toch met de menschen. Zoo lang de Joden hun prachtigen tempel te Jeruzalem hadden, en door de profeten tot den waren godsdienst werden opgewekt, vervielen zij gedurig tot afgoderij. En nu die tempel verwoest was en hunne godsdienst stil stond, nu het volk verstrooid was in 't midden der heidenen, waar prachtige tempels stonden cn allerlei beelden, en niemand boter wist, nu waren er wel, die tot 't heidendom vervielen, maar de meesten bleven aan hunnen godsdienst getrouw. Zij zagen nu in, dat daarvan alleen zegen te wachten was. En zagen zij dan al dat bijgeloof en die gruwelfeesten van nabij, dan dachten zij: „'t Is toch beter onzen God te dienen, die ons helpen kan uit dit vreemde land.quot; En zoo ging het nu 't geheele volk, gelijk't vroe-
EEN NAUWGEZET JONGELING. IOI
i^cr Manasse was gegaan. Toen 't hun benauwd werd, dachten zij aan den God hunner vaderen.
Het eerste begin der ballingschap was, dat er eenige jongelingen uit 't vorstelijk geslacht naar Babel werden gebracht, om daar eene goede opvoeding te krijgen, en dan, na drie jaren, als pages bij den Koning dienst te doen. Zij zullen dus nu wel niet ouder dan tien, hoogstens twaalf jaren geweest zijn.
Onder de schoonsten en verstandigsten, die moesten worden uitgezocht, waren ook Daniël en drie jeugdige vrienden. Zij zouden het goed hebben en in overvloed vleesch en gebak en wijn van 's Konings tafel krijgen ; maar Daniël had zich in zijn hart voorgenomen, om zich daaraan niet te verontreinigen, en hij had ook zijne vrienden daartoe weten over te halen.
„Maar waar was hij dan bang voor?quot; denkt gij misschien: „'s Konings tafel zal toch wel zindelijk zijn geweest.quot;
Ja! dat denk ik ook wel; maar de Joden hebben hunne vaste spijswetten, en mogen het vleesch niet eten, dat niet naar hunne zeden geslacht is; en varkensvleesch in 't geheel niet. De meeste Joden zijn daar nog uiterst streng op, en hebben daarom ook voor Daniël zoo grooten eerbied.
Een overste der kamerlingen was over al de jongens gesteld, die voor 's Konings dienst werden opgeleid. Aan hem verzocht Daniël, om vrij te mogen blijven in zijn eten en drinken. Deze man was niet onvriendelijk, maar bang voor den Koning. Wanneer zij er eens minder goed uitzagen dan de andere jongelieden, en het kwam uit, dat dit zijne schuld was, hoe zou hij zich verantwoorden? Onder een Koning als Nebukadnezar had men zoo
IÜ2 EEN NAUWGKZKT JONGF.U.NO.
spoedig kans om zijn hoofd te verliezen. Evenwel, hij liet de verdere zorg aan een zijner bedienden over, zonder hem strenge orders te geven, om Daniels plan te beletten.
Aan dien man deed Daniël het voorstel, om hem tien dagen lang niet anders dan brood en plantenvoedsel te geven en water om te drinken; daarna zou hij eens zien, of zij er slechter uitzagen, dan de andere jongens. En 't kwam goed uit. Zij waren flink en gezond, en hadden zelfs een beter voorkomen dan de anderen.
Wij zijn aan zulke wetten niet gebonden. De Heere Jezus heeft er ons vrij van gemaakt, om God te dienen in geest en in waarheid. Alleen moeten wij in alles matig zijn; maar vooral van harte bidden, graag ter kerk gaan; en nooit vloeken, liegen of twisten : want — zegt Jezus — niet 't eten dat den mond ingaat, verontreinigt den mensch, maar de woorden, die den mond uitgaan. Ook daarin was Daniël vroom en nauwgezet tot in zijn hoogen ouderdom, zelfs toen zijne gebeden hem in den leeuwenkuil brachten. Zijn God was zijn leven; en zijn loven oen zegen voor het volk.
En hiermede nemen wij nu van het Oude Testament afscheid.
li.
HET NIEUWE TESTAMENT.
HET SCHRIJFTAFELTJE VAX Z ACH ARIAS.
„Johannes is zijn naam.quot;
Luk. 1 : 63/A
Op reis, kinderen! berg-en en zeeën over, naar 't oude land der Israëlieten, het land van onzen Heere Jezus, en wel naar de hoofdstad Jeruzalem.
Ja! die stad is er nog, maar niet wat ik u wilde laten zien; de tempel. Alleen de geweldig- groote steeneu liggen er nog, die Salomo vóór drie duizend jaren daar heeft laten ojxstapelen, om er den tempel op te bouwen. Zoo bouwt men niet meer! Maar daar werkten ook duizenden en duizenden menschen aan, jaren lang.
Daar wij met onze verbeelding reizen, aan 't hoekje van den haard, kunnen wij ons even gemakkelijk verbeelden, dat de tempel er nog staat: daken blinkende van goud, en schoone pilaren aan den ingang. Eigenlijk mogen wij er niet ingaan, daar wc geen Joden zijn. Maar gij weet het wel, gedachten zijn tolvrij.
Nu, met onze gedachten stappen wij dan éen der hooge poorten door, en de voorhoven over. 't Is of er geen eind aan komt. En zoo komen we toch eindelijk binnen.
Wat is 't hier stil! En het zou stikdonker wezen ook, midden op den dag, als er geen zeven lampen brandden.
IOlgt; HET SCHRIJFTAFELTJE VAN ZACHARIAS.
Xu onze lt;iog-cn wat aan dat vreemde licht wennen, kunnen wij ze goed opendoen en rond zien. Deze zaal wordt hrt Heilige van den tempel genoemd. Alles blinkt er van goud. De muur is met gouden platen bedekt, — oen duur behangsel ! — Aan den eenen kant staat de gouden kandelaar met zeven lampen, en aan den anderen ligt op een tafel van goud het brood voor de priesters al klaar.
(iaan we nu tusschen beiden door, dan zien wij het gouden reukaltaar, vóór de deuren van de binnenste kamer, het JIciligc der heiligen, waar 't geheel donker is. En nu merken wij, dat we niet alleen zijn. Een oude, grijze man, in een wit kleed, staat voor het altaar, 't Is de priester Zacharias. Op een gouden wierookschaal heeft hij vuur van het groote koperen altaar daarbuiten gehaald, en strooit dat nu op 't gouden altaar, met reukwerk er over heen. Een rookwalm gaat er van op. Aten kan dien overal in 't rond ruiken. De priester bidt in stilte, en wij bidden mee.
Maar Zacharias bidt op zijn Joodsch, met de oogen open. Daardoor schrikt hij op eens: want door de wierookwalmen heen ziet hij, aan den rechterkant van het altaar, een Engel staan.
„Schrik niet, Zacharias!quot; zegt die Engel: „Gij en uwe vrouw hebt al zoo dikwijls gebeden om een kind. God heeft u eindelijk verhoord. Het volgend jaar zult gij een zoontje krijgen. Denk er om, dat gij hem Johannes noemt. Deze zal veel menschen bekeeren van hunne zonden: want hij zal voorafgaan, eer de I [eiland komt.quot; -(rij weet, kinderen! dat die Heiland de 1 leere Jezus is. Zacharias wist dat nog niet.
lor
Was hij niet blij, do oude man? Eigenlijk niet. Hij kon 't niet gelooven. 1 Iet was hem, alsof hij droomde. „Ik, oude man, een kind!quot; zeide hij: „Is 't wel waar.-' Kunt grj mij ook een teeken geven, dat quot;t waarlijk zoo zijn zal?quot; — Maar nu werd de Engel boos, en zeide: „Ik ben Gabriël, die voor den troon van God sta.Omdat gij mij niet geloofd hebt, zult gij niet kunnen spreken, vóór al wat ik u zeide zal vervuld zijn.quot;
Zacharias was nu weer alleen. I Iet reukwerk was verbrand, en hij ging den tempel uit. Dan was hij gewoon, over het volk den zegen uit te spreken; maar nu moest hij de schouders ophalen, het hoofd schudden, en dehan-den op den mond leggen, om te wenken, dat hij niet spreken kon. Daardoor kon hij ook verder geen dienst doen, en ging naar huis terug.
Zacharias wilde wel, dat hij geen toeken gevraagd had. Dan had hij zijne vrouw Elisabet kunnen vertellen, wat er gebeurd was. Nu schrikte zij — dat kunt ge denkon! — dat ze zoo'n stommen man tehuis kreeg. Maar hij stelde haar gerust, zooveel hij kon; en toen zij alles begrepen had, was zij blij met hem. — En hoe zij daar achter kwam, — dat zal ik u straks vertellen.
Het is een jaar later, 't Is feest aan huis bij Zacharias. Wat zijn or 'n menschen! Al do familie is bijeen, en de vrienden en buren uit het kleine stadje, vrouwen vooral. Was 't in onzen tijd, dan zou ik zeggen: „Zij dronken een kop koffiequot;, maar die kende men toon nog niet.
Op eene rustbank ligt de oude Elisabet, met een lief jongetje op don schoot. En vader Zacharias staat wat vorder af, en bidt tot God in zijn hart: want spre-
Io8 HET SCHRIJFTAFELTJE VAN ZACHARIAS.
ken kan hij nog niet. En als hij op moeder en kind ziet, komt er een traan in zijn oog, maar 't is een traan van dankbaarheid.
Het kind is vandaag acht dagen oud. Nu was het bij de Joden van ouds gewoonte, dat het dan eerst een naam kreeg. Bij ons was dat vroegef ook zoo. Ik heb ook eerst mijn voornaam gekregen, toen ik gedoopt werd; maar ik ben vergeten, hoe oud ik toen was.
Xu, het jongske moest dan een naam hebben. Dat was een ding voor do vrouwen! De grootvaders waren al lang dood. Die kon men er geen pleizier meer mee doen. dat het kind naar hen heette. Maar de vader zelf? Die kon toch al lang grootvader wezen. „Kom!quot; zeiden ze: „We zullen hem ook maar Zacharias noemen.quot;' — En toen de vrouwen dat het beste vonden, vonden de mannen het ook: want de vrouwen hadden toen al, evenals nu, in die huiselijke dingen de hoogste stem.
Dat is afgedaan. — Neen! 't is niet afgedaan. Want daar komt eene zwakke stem van het rustbed: „Dat niet! quot;t Kind zal Johannes heetenquot;.
Maar daar keken ze allen van op. „Johannes, hoe komt ge daaraan? Ga de heele familie maar na. Daar is geen enkele Johannes onder. Wie zou dan de peet van het kind wezen?quot;
Xu eindelijk deden zij, wat zij eigenlijk eerst hadden moeten doen. Zij vroegen het den vader. Want't schijnt, dat hij niet alleen stom, maar ook doof was, cn dus van al dat gekibbel niets gehoord had. Zij wenkten hem dan, wezen op het kind, en beduidden hem, dat zij er een naam voor zochten. En hij vroeg, ook weer met teekens, om een schrijftafeltje.
HET SCHRIJFTAFELTJE VAN /ACHARIAS
Maar nu moet ik u nog zeggen, wat dit is. Gij gebruikt voor uw schoolwerk een lei en griftje, en als gij iets wilt opteekenen in een boekje, een potlood. .Maar onze griftjes en potlooden had men toen nog niet. Toch wist men zich te behelpen. Een houten bordje, zoo groot als een kleine lei, werd dik met was bestreken. En dan hadden zij een ijzeren griftje. Daarmee krasten zij er in. En was de lei vol en 't geschrevene niet meer noodig, dan wreven ze maar met een warmen doek over 't zachte was, en de lei was weer schoon.
En nu kunt gij u verbeelden, wat ik straks zeide, hoe Zacharias alles aan zijne vrouw had verteld. I lij had 't opgeschreven. Gelukkig wie dat kan! De Joden hebben het altijd geleerd. Ook toen zij geene scholen hadden, leerden de jongens hec van hun vader. A\ ie niet lezen en schrijven kan, is maar een half mensch in de maatschappij. Zorgt dan maar, dat ge 't goed leert. \\ at ik hiermee meen? Zoo, dat gij verstaat wat gij leest, en een ander wat gij schrijft. Kinderen leeren soms te veel; goed leeren is beter.
Toen Zacharias de schrijfstift in de handen had, was hij gauw klaar, 't 1 lebreeuwsch is kort. Er waren maar enkele letters noodig om te schrijven: „Johannes is zijn naamquot;. — En verwonderden zich allen hierover, nog* veel meer toen Zacharias op eens weer begon te spreken. Alles was nu vervuld, wat de Engel had gezegd, tot den naam toe. En Zacharias sprak niet alleen, maar zong een blijden lofzang. En allen waren met hem verheugd. De moeder niet het minst.
II.
DE TOEKOMST VAX EEN KIND.
Wat zal toch dit Uindeke wezen ?
Luk. i : 666.
Toen Johannes geboren was en zijn naam had g-ekre-gen. was er niet alleen vreugde aan het huis van Zacha-rias, maar allen, die in den omtrek woonden, hoorden met eerbied en ontzag, wat de oude priester er van vertelde. En — zoo vervolgt het bijbelsch verhaal — in het gansche gebergte van | udea werden al deze dingen bespn gt;-ken. En allen die het hoorden, namen het ter harte, zeg--gende: „Wat zal toch dit kindeke wezen?quot;
Wat het wezen zou, dit kind? Dat wist Zacharias het best: want ik heb u alles nog niet verteld, wat de Engel (rabriel tlt;gt;t hem gezegd had. „Hij zou groot zijn voor den Heer, en van jongsaf door heiligen geest vervuld worden. Vele kinderen Israels zou hij weder brengen tot den Heer hunnen God. En hij zou vóór Hem uitgaan in den geest en de kracht van Elia, om den Heer te bereiden een wel toegerust volk.quot;
Welk een man zou dan dit kleine kind worden! Wel mocht het Johannes heeten, dat beteekent „Een genade van God,quot; en mocht Zacharias zeggen in zijnen lofzang: „(dj, kindeken! zult een profeet des Allerhoogsten genoemd
I I I
worden. Want gij zult voor het aangezicht des 1 leeren uitgaan, om zijne wegen te bereiden, terwijl het licht opgaat voor hen, die in de duisternis zitten, om hunne voeten te richten op den weg des vredes.quot;
Misschien begrijpt gij dit niet; maar dan zult gij 't beter verstaan als ik u zeg, dat Jezus het licht der wereld wezen zou, de menschen den weg wijzen naar den hemel, en dat nu Johannes de Dooper vóór hem den weg moest bereiden.
Johannes de Dooper. hoe komt hij aan dien naam?quot; Dat zal ik u straks zeggen. Eerst moet ik u nog vertellen, dat hij voorspoedig opgroeide, een flinke jongen en naderhand een forsche man. Maar vooral werd hij gquot;esterkt naar den geest, verstandig en vroom, en vol moed om eens een profeet te zijn, zooals Elia en Elisa waren.
Hoe dikwijls, als zij aan den avond uitrustten, zullen Zacharias en zijne vrouw er met hem over gesproken, en samen gebeden hebben! Want de oude man had zijn kind lief, en zijn volk niet minder. Maar terwijl dat kind groot en sterk werd, ging hij gebukt onder den ouderdom, en kon niet meer offeren in den tempel; en eer Johannes een man geworden was, had hij reeds zijn vader en zijne moeder begraven.
Van toen af leefde hij in de woestijn. Als priesters-zoon had hij ook priester kunnen worden, en een gemakkelijk leven hebben. Maar hij wist, dat het zijne bestemming niet was. Toch kon hij nog' niet in 't openbaar optreden en prediken. Daartoe moest hij, naar de Jood-sche wet, dertig jaar oud zijn. Maar toen ook predikte hij met kracht: „Het godsrijk komt. Bekeert u van uwe
I I 2
zonden! — En die zich bekeerden, doopte hij in dejor-daan. Daarom heet hij Johannes de Dooper.
:gt;Maar hoe kon hij in die dorre woestijn leven?quot; — Zeker, er was niet veel te eten. Maar Johannes was matig. Als hij niets anders had, roosterde hij sprinkhanen in de heete zon, en zocht er wat honing bij, dien de wilde bijen in holle boomen of rotsen maakten, (iij trekt den neus op voor zulk een maal ? Maar zoo ziet ge toch, hoe wei-nig een mensch noodig hoeft om van te leven, en hoe dankbaar wij moeten wezen voor 't geen wij meer hebben.
.,AVat zal dit kind wezen.-'quot; — Dat wisten Zacharias en Elisabet, en het was de vreugde van hunnen ouderdom. Maar wat zij niet wisten, was dat hij in de kracht van zijn leven sterven zou.
„Wat zal dit kind wezen?quot; — Dat zouden wij ook wel eens willen vragen, maar geen Enge! komt het ons zeggen. En aan t slapend kind in do wieg is het niet te zien. Het eene kind is als het andere. Toch zal het eene schatrijk worden en liet andere doodarm, een domoor of een geleerde, beroemd of vergeten... 't Is maar goed, dat wij, vaders en moeders, 't niet weten. Hoeveel tranen zouden wij misschien schreien over de toekomst van ons kind!
En gij, kinderen! een groot man in de wereldgeschiedenis, zooals Johannes de Dooper, worden er maar weinigen. Maar wijs en braaf en vroom kunt gij allen worden. Dat zal het beste antwoord zijn op die vraag:
„Wat zal dit kindeke wezen?quot;
III.
Ziet! ik verkondig u groote blijdschap Luk. 2 : lob.
(Trootc blijdschap! Het begin van ons verhaal hooft er niet veel van. Ziet maar! daar komen over 't gebergte twee arme reizigers aan. En 't reizen had wat in, in dien tijd! De spoor, daar was nog geen denken aan; diligence en vrachtwagen evenmin; en een schip, — trekschuit of stoomboot, — daar is geen water voor op de bergen. Gelukkig, als men er nog een geduldigen ezel heeft. Die kunnen beter bergen beklimmen dan de paarden. Daar zit dan ook de jonge vrouw op, en de man loopt br naast, een arme timmerman.
De reis gaat langzaam en duurt kmg. De wegen waren ook meer dan slecht. Eindelijk komen zij, waar zij wezen moeten: te Betlehem. Gij weet wel, waar David de schapen van zijn vader weidde.
In dat oude stadje was een logement, maar in 't geheel niet zoo als die nu zijn. Het heette eene Karavanscra, omdat de karavanen er hun intrek namen. Zij behoefden niets te betalen, maar hadden er dan ook heel weinig voor: niets als een dak om onder te slapen.
Jozef en Maria komen er doodmoe aan, maar kunnen
114
er niet eens in. Geen plekje is open, waar zij zitten of liggen kunnen. Alles is bezet.
Maar is 't dan altoos zoo druk te Betlehem .J C) neen! 't is anders een stil plaatsje. Maar nu heeft de Koning, of eigenlijk de Keizer van Rome, gelast, dat ieder gaan zal naar de plaats, waar zijne familie vandaan is; om die dan allen te zamcn in een stamboek te schrijven. En van zoo'n oude plaats waren vele familiën afkomstig. Half Jeruzalem liep leeg, naar die kleine oude stadjes.
Waren zij maar vroeger gekomen! Maar wenschen en zuchten helpt niet. De inwoners van Betlehem hebben ook al in hunne huizen opgenomen zoo velen zij kunnen; want men is gastvrij genoeg in het Oosten. Niemand kan hen meer bergen.
Jozef is doodmoe van 't zoeken en Maria van 't wachten, als eindelijk iemand medelijden krijgt met de arme vreemden, en zegt: „Mogelijk is cr in den stal nog plaatsquot;. — Die stal was denkelijk een grot of spelonk in de rotsen. De reizigers hadden er hunne ezels of kameelen in gebracht, en sommigen sliepen daartus-schen.
Hier vonden zij nog een hoekje. Ze bezorgden hunnen ezel, en gingen zelf op den grond liggen, een pak onder 't hoofd en den mantel omgeslagen; en zij sliepen spoedig in. Vermoeienis is de beste wieg.
Het werd nacht en pikdonker. En daar is 't nu, of een Engel Maria een lief kindje in den schoot legt. Dat is het kindje Jezus. Terstond wordt de lamp opgestoken. Ook de andere slapenden worden wakker. De vrouwen brengen doeken bij, om 't kind in te wikkelen: want kleertjes heeft Maria niet meegebracht. Wij hebben reeds
Het kindje in de kribbe.
lEZlV GKBOORTE.
bij Salomo g'ezien, dat men die toen voor zulke jonye kinderen niet noodig vond.
Maar waar zouden zij t kind in leggen? Eene wieg hadden zij niet kunnen meedragen; ledikant of bedstee \ indt men in een stal niet; maar daar staat een ruif of kribbe, waar anders het eten voor de beesten werd ingedaan. Daar maar gauw wat stroo in gelogd, en nu 't kindje daarop. En dat is nu Jezus eerste bedje geweest, kater ging 't hem soms nog erger. „Een vos heeft zijn hol,quot; zeide hij eens: „en een vogel zijn nest; maar.ik heb geen plaats, w aar ik gerust mijn hoofd kan nederleggen.quot; Dan sliep hij tenminste geruster, al was het op stroo, den eersten nacht van zijn leven.
Doch waar waren do schapen van dezen stal ? Die zijn buiten op t veld. Alleen des winters, als het hard regent en koud wordt, komen zij in den stal. Die schapen kon men echter niet alleen laten in de wei. Daar was geen heining of sloot om heen; 't was als bij ons de heide. En s nachts loerden er leeuwen en wolven op, die zooveel van schapen houden, — om ze op te eten. Ook konden zij, waar zooveel vreemden waren, wel eens gestolen av orden. Daarom hioldon de herders om beurten de wacht.
Zij zaten op oen heuvel, om ver te kunnen zien. Men wijst buiten Retlehem de weide nog. En terwijl de hond overal rondsnuffelde, speelden zij op de fluit, of spraken over den goeden ouden tijd, toen er nog profeten waren. 1 )ie hadden voorspeld, dat de grootste van allen nog komen moest.
1 erw ijl die herders daar zoo rustig zitten, wat schrikken zij opeens, als hot helder dag wordt om hen heen. on in dat licht een Kngel staat in een blinkend wit kleed.
JEZUS' GEBOORTE.
Maar hij stelt hen dadelijk gerust, en zegt; „Ik heb een goede tijding, een groote blijdschap voor u! In dezen nacht is de Zaligmaker te Betlehem geboren. Gaat er henen. In uw stal zult ge 't kind vinden, in doeken gewonden en liggende in de kribbe.quot;
O, wat verlangen zij, dat kind te zien! Toch wachten zij nog; want nog vreemder wordt het gezicht. Al meer ett meer Engeltjes dalen er neer. 't Was of zij in de lucht zweefden als eene zomerwolk. Tellen kunnen de herders ze niet, en zij denken er ook niet aan; want — hoort eens! — ze zingen zoo mooi;
Ecrc zij God in de hoogste hemelen,
Kn vrede op aarde ;
In menschen een welbehagen.
Zoodra de Engelen verdwenen zijn en 't weer nacht is in 't rond, zoeken de herders hun stal op, en vinden er 't kind; en zij worden niet moede van alles te vertellen ; en wie er 't meest naar luistert, en wie 't meest zich verheugt, nu! dat hebt gij al lang geraden; de lieve Maria.
En daar men nu vergeten heeft, Jezus' verjaardag op te teekenen, vieren wij, en alle Christenen met ons, na den kortsten dag het Kerst- of Christusfeest. Dan worden de kerstkransen gebakken, en vroolijke kerstliederen gezongen ; en daar gij zeker het meeste pleizier in hebt, do lichtjes aan den kerstboom ontstoken. liet is, of dan het kindje Jezus zelf komt, om de kinderen wat uit te deelen en vroolijk te maken. En in alle kerken spreekt men van Maria en haar kindje, van herders en Engelen, en dankt
jkzus' gehoorte. ii;
or den gncclen (tocI voor, (lat Jlij aan do menschcn nogquot; dacht, ook terwijl zij Hom verg-aton.
Zijn hot Roomschen of Protestanten, of wat namen zij nog meer dragen, bij allen is die groote blijdschap dezelfde. Tusschen de ijsschotsen bij de Noordpool staat een kerstboomje in de sneeuwhut. En waar ver in Oost-Indië heidenen Christen worden, daar loeren zij den Engelenzang. — Do armen geven hunnen kinderen nog wat, of weldadige menschon doen hot; en de rijken vieren feest. En als dan het ja.ar ten einde loopt, tusschen storm en hagelslag of sneeuw en ijs, dan begroeten wij het Xieuwc Jaar met 't lied:
Vrede op aarde Jezus leeft I
IV
(tRIJSAARD EX KIND.
Simeon nam het kind in zijne armen.
Luk. 2 : 28tf.
w eer moeten wij een bezoek brengen in den tempel te Jeruzalem. Maar dezen keer gaan wij zoo ver niet, als den vorigen. Wij blijven in dc voorportalen, waar mannen, vrouwen en kinderen nog door elkander woelen. Op 't eigenlijke voorhof, waar het groote altaar staat, komen de mannen alleen.
Wat is 't druk! Vol kan ik niet zeggen: want er is plaats genoeg. Daar komen ook Jozef en Maria. Zij heeft quot;t kindje Jezus in den arm; maar wat is hij aangekomen! Hij begint al helder uit de oogjes te zien.'t Is ook veertig dagen later, en dat i.s bijna zes weken.
Wat komen zij hier doen, daar 't kind bij moet zijn.J— Een eerste zoontje moest, naar de Joodsche wet, aan Ood in den tempel worden voorgesteld, en daarbij vijf zilverlingen betaald, elk zoo wat van anderhalven gulden. Nu kunt gij 't zelf wel uitrekenen De Joden houden die wet nog. Er is wel geen tempel meer, maar daar zijn er toch nog van 't priesterlijk geslacht. Die heeten Co-hen. Als nu een rijke voor 't eerst een' zoontje krijgt, roept hij er zoo'n armen Cohen bij, en geeft hem 't geld.
lig
Voor Jozef was het een heele uitgaaf, en hij had er zeker al lang voor gespaard. Want hij moest het met zijn handwerk als timmerman verdienen, en het dagloon was toen maar zes of acht stuivers. Wel was hij uit het koninklijk geslacht van David; maar dat gaf niet veel!
Daarom had Maria met hare offerande, die iedere moeder brengen moest, het ook maar zuinig aangelegd. De wet eischte een lam; maar was de moeder arm, dan kon zij met twee duifjes er af, en die waren goedkoop te Jeruzalem.
Zoo kwamen dan Jozef en .Maria, met 't kind, de twee duifjes en het geld, het voorportaal van den tempel in. Hat ziet een eerwaardige oude man, wiens naam is Simeon. Hij is al vroeg in den tempel gekomen, om te bidden. 1 )at deed hij eiken dag. Want hij was een profeet, en God had hem beloofd; „Eer gij sterft, Simeon ! zult gij den Zaligmaker zien.quot;
En wat ziet hij nu bijzonders aan dit kind? Of is 't alleen de stem in zijn hart, die zegt; „Deze is het?quot; Dat denk ik voor hot naast; want hij vraagt niets, maar neemt 't kind van Maria's arm in de zijne, en zingt zijnen lofzang;
Zoo laat (quot;lij. Hoer! uw knecht,
Xaar 't woord, hem toegezegd.
Thans henen gaan in vrede;
Xu hij uw zaligheid,
Zoo Ianlt;j door hein verbeid.
Gezien heeft op zijn bede.
Ren licht, zoo groot, zoo schoon. Gedaald van 's hemels troon.
Straalt volk bij volk in d'oogen;
120 GRIJSAARD EN KIND.
Terwijl 't het blind gezicht Van 'i heidendom verlicht,
Kn Isrel zal verhoogen.
Hij zal 't niet zien, de vrome Simeon. Zóo lang zal hij niet meer le\'cn, en hij kan nu ook in vrede henen gaan. Maar Maria is nog jong, en zal er er alles van zien. Als hij dus de verbaasde ouders zegent en haar 't kind teruggeeft, zegt hij: „Zie! deze zal velen redden, maar ook weersproken worden en vervolgd, zoodat 't wezen zal, of er een zwaard door uw hart ging.quot;
De arme moeder beefde op dat woord, en drukte het kind nog vaster aan haar hart. Daarom was zij later zoo dikwijls ongerust, en wilde Jezus naar huis halen, als de menschen hem zoo verdrongen. .Maar 't kon niet anders. Dien bangen tijd moest zij door. Toen zij op Golgotha voor het kruis stond, ging Maria het zwaard door haar hart.
Maar de brave Simeon was allang heengegaan in vrede, en ook Jozef heeft dat alles niet beleefd.
V.
DOODSGEVAAR EX REDDLXCt.
Jozef dan, oj^estaan zijnde in den nacht, nam het kind en zijne moeder tot zich, en vertrok naar Egypte.
Matth. 2 : 14.
Opstaan in den nacht, dat doet men niet, als er geen grootc haast is. De nacht is om te slapen. Die wèl en warm op zijn bed ligt, komt er niet graag- uit vóór den morgen. En dan kost het nog wel eens moeite, om de kinderen uit hun bed te krijgen.
En op reis gaan in den nacht, als men niet voor zich uit zien kan, en het in die landen gansch niet veiliy igt; voor roovers en wilde dieren; daar moest al groote haast bij wezen. En dat is er ook voor Jozef, Maria en 't kind. Het slapen is doodsgevaar, en 't opstaan redding; evenals wanneer iemand 's nachts half gekleed uit een brandend huis vlucht.
Maar laat ik liever geregeld vertellen.
Jozef was een timmerman. Maar daarom nog niet, wat men een huistimmerman noemt; iemand die geregeld werk heeft, om huizen te bouwen of te onderhouden. l iet schijnt veeleer, dat hij houten gereedschappen en huisraad, zoo als tobben, emmers, tafels en kasten maakte. Daar-
122 doodsgevaar en redding.
door kon hij overal te recht, (relukkig' een mensch, die een ambacht geleerd heeft, maar dan ook goed!
Daar hij nu toch veertig' dagen te Retlehem blijven moest, om van daar naar Jeruzalem te gaan, had Jozef hier werk gezocht en gevonden, toen de eerste drukte tier volkstelling voorbij was. Ze waren dan ook niet meer in den stal of de grot, waar Jezus was geboren, maar hadden een klein huisje gehuurd, even buiten do stad. Daar woonden zij nu vergenoegd en stil, leefden van het werk hunner handen, en zagen het lieve kind bij den dag aankomen. Wat konden zij meer wenschen ? Zij schijnen dan ook geen plan gehad te hebben, om naar Xazaret, waar zij vroeger hadden gewoond, terug te keeren. Xa familie hadden zij daar denkelijk niet.
Maar intusschen gebeurde er, niet ver van Betlehem, iets, dat Maria en Jozef niet weten konden, en dat toch weldra hun kind in doodsgevaar bracht.
Te Jeruzalem, schrijft Mattheüs, kwamen eenige Oos-tersche wijzen aan, en vroegen; „Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben zijne ster gezien in het Oosten, en zijn gekomen om hem te vereeren.quot;
We uir die mannen vandaan kwamen, weet ik u niet te zeggen. Misschien wel van I uibel, waar de profeet Daniël aan 't hoofd der wijzen of magiërs had gestaan. Zij legden zich vooral op de sterrenkunde toe, en meenden daaruit veel te kunnen voorspellen, wat wij er nu niet in zien : want de sterren hebben haar vasten loop.
En hoe velen er waren ? Dat weten wij nog minder, liet is een oud sprookje, dat het drie Koningen zouden geweest zijn, en daarom viert men in de Roomsche Kerk, op 6 Januari, den Driekoningendag. Xu kunnen Konin-
DOODSGEVAAR KN REDDING. 12^
trcn wel wijs zijn; maar wijzen, geleerden van beroep, zijn daarom nog geen Koningen.
Die wijzen dan vragen naar den pasgeboren Koning der Joden. Het was reeds eeuwen lang voorspeld en ver bekend, dat er eens een Zaligmaker geboren zou worden uit het geslacht van Koning David. Dien zochten zij ; want zij hadden in 't Oosten zijne ster yezien. Was het een staartster? Wij weten het niet; maar wel, dat zij daar den tijd van de vervulling der profetie naar hadden berekend.
Allen, wien zij 't vroegen, verwonderde die vraag. Te Jeruzalem regeerde toen de booze Koning Herodes. Maar die was niet uit Davids geslacht, en kreeg ook zulke kleine kinderen niet meer.
loen Herodes van de komst der wijzen hoorde, werd hij ongerust. Hij was wel zeventig jaar oud; en als dit kind Koning zou worden, was hij al lang dood. Toch was hij ongerust, vroeg aan de priesters en geleerden, waar die grootc Koning zou geboren worden ; en toen zij zeiden : :gt;T.e Betlehem, de stad Davids,quot; zond hij de wijzen er heen. Als ze 't kind vonden, moesten ze het hem komen zeggen, i lij zou er dan ook met rijke geschenken heen g-aan. O, die booze huichelaar!
De wijzen kwamen laat in den avond te Betlehem. Daar was liet, alsof de ster zelf, die ze met vreugde terugzagen, hun den weg wees naar een eenzaam huisje. En hier vonden zij het kind. Het zal nu al een jaar oud zijn geweest, en werd zeker al heel kennelijk. De wijzen knielden voor dat lieve kind, zooals men in het Oosten voor vorsten doet. En toen ontpakten zij hunne kameelen, en gaven Maria voor haar kind het kostbaar-
doodsgevaar ex redding.
ste reukwerk en 't fijnste goud. Nu! dat goud zou hun spoedig te pas komen.
De wijzen bleven dien nacht te Betlehem. In de kara-vansera, denk ik. En daar werd hun in den droom zoo duidelijk gezegd: „Keert niet naar Herodes terug!quot; dat zij langs een anderen weg, en niet over Jeruzalem, naar huis reisden.
Wat was Herodes ongeduldig! Van dag tot dag en van week tot week wachtte hij de wijzen terug, tot hij ten laatste hoorde, dat zij al lang het land uit waren.
Xu werd hij woedend. Dat kind, dat God Koning wilde maken in plaats van hom of zijne zonen, moet sterven. En nu laat hij Betlehem en den omtrek afzetten. Alle jongens beneden de twee jaren worden uit de armen der jammerende moeders gerukt, en aan stukken gehouwen met 't zwaard...
En toch kon Koning Herodes evenmin beletten, dat Jezus in 't leven bleef, — als Koning Farao de redding van Mozes door zijn eigen dochter beletten kon. Wat zou ook de mensch tegen den hoogen God kunnen doen ?
't Kind Jezus is intusschen al veilig in Egypte; want ook Jozef is gewaarschuwd in den droom, en terstond opgestaan en gevlucht. Maar toen hij nu één of twee jaren later hoorde, dat llerodes dood was, verlangde hij toch weer naar zijn vaderland. Maar in Judea — dus ook over Betlehem — was Archelaüs koning geworden. Die was nog wreeder dan zijn vader, en wist zeker van dat bezoek der wijzen ook. Daarom vond Jozef het veiliger, terug te keeren naar Nazaret.
'-5
Hier woonden zij nu weder, rustig en veilig; en dacht soms Maria nog aan 't zwaard, dat door haar hart zou gaan, nog veel meer vreugde had zij van 't lieve kind, zoo voorspoedig, zoo verstandig al en zoo vroom.
VI.
DE TWAALFJARIGE JEZUS.
Het kind Jezus bleef te Jeruzalem, en Jozef en zijne moeder wisten het niet.
Luk. 2 : 43/v.
Hoe graagquot; zou ik u nog iets meer vertellen van Jezus, toen hij nog een kind was; maar er staat niets meer van in den Bijbel, dan dat hij goed groeide, gezond en sterk was, vervuld met wijsheid, en dat God hem liefhad en zegende.
Vervuld met wijsheid: — en leerde Jezus dan zoo veel en zoo vroeg? — Xeen, kinderen! gij leert zeker veel meer. Maar daarom zijt gij nog niet wijzer. Iemand kan veel weten, en toch heel dwaas zijn en gekke dingen doen. 1 'rel weten is nog niet, iets goed weten: want meestal zit het er nog maar boven op. En krijgt men er al meer verstand van, dan is dat verstand nog niet iiltijd wijsheid. Wijs is alleen hij, die zijn verstand goed gebruikt. God vreest en braaf leeft.
Zoo was Jezus van kinds af. Hij leerde graag en dacht er veel op na. Kinderscholen waren er toen nog niet, en vreemde talen leerde men alleen door ze te hooren en na te spreken. Maar de jongens leerden van hun vader lezen en schrijven, zooveel zij noodig hadden. En dan
I)K TWAALFJARIGE JEZUS. 127
leerden zij van hunne ouders bidden en den g-odsdienst te onderhouden, met al de feesten en gebruiken der Joden. Wie meer loeren wilde, kon het eiken Zaterdag in de synagoge hooren, de kerk, waar de Wet en de Profeten, — ons Oud 1 estament, — werden voorgelezen en uitgelegd.
Daar zal Jezus wel trouw gebruik van gemaakt hebben. Hij heeft zeker ook wel gespeeld, al was 't om anderen pleizier te doen. En als hij zijn vader helpen kon, deed hij 't graagquot;. Maar leeren was toch zijn lust.
Gedrukte boeken waren er nog niet, en de geschrevene waren duur. Maria, die geen lam betalen kon, zal er wel niet hebben kunnen koopen. Jezus moest dus het meeste van 't aanhooren hebben, het opteekenen uit zijn hoofd, of uit een geleend boek naschrijven. Het kan echter zijn, dat er een meester of Rabbi was, die hem de wet van Aiozes loerde lozen, zoo als nog de jongens onder de Joden leeren moeten.
Wat wij catechisatie noemen, kennen zij niet, en belijdenis doen zij niet. Wat.zoudon zij ook belijden? Dat zij Joden zijn? Dat kan men hun wel aanzien. Maar wanneer een jongen do Wet in 't Hobreouwsch kan lezen, dan doet hij op zijn dertiende jaar daar examen in, wordt daarna als lid dor gemeente beschouwd, en mag dan aan al do gebruiken en gebeden der Synagoge meedoen.
Zoo zal quot;t ook geweest zijn, toon er nog een tompol was to Jerusalem. De Arabier gaf aan de jongens op hun twaalfde jaar een zwaard. De Israëlieten gaven hun Gods woord en Zijn tempel.
Jezus zou er dan ook hoen gaan tegen Paschen: want ieder jaar reisden Jozef en Maria or hoen Maar ik denk
l2S 1gt;E TWAALFJARIGE JEZUS.
niet, dat zij Jezus vroeger meegenomen hebben. Aiet kinderen reizen, is lastig daar te land. Maar nu was hij twaalf jaren oud, en van kind een jongeling geworden. Gij kunt 't nog wel eens zien , hoe vroeg die Oostersche kinderen groot worden. En nu hij „een zoon der wetquot; geworden was, zooals de Joden zeggen, nu was hij ook tot die reis verplicht.
Weet gij, wat der Joden Paaschfeest is? Dan vieren zij de verlossing uit Egypte, en eten eene week lang ongerezen brood. Vooral het Paaschmaal is plechtig en vroolijk, en was het in dien tijd nog veel meer. Zooals de duiven 's avonds vliegen naar haar til, zeggen de profeten, zoo kwamen de Joden uit alle plaatsen en alle landen tegen het Paaschfeest naar Jerusalem. Schepen voerden ze aan uit verre landen, en Psalmzingende trokken de karavanen op door de woestijn.
Wat zal Jezus verlangd hebben naar dat groote feest, en naar den tempel vooral, het huis van God! — Want dat hij er op zijn veertigsten dag was geweest, gij begrijpt wel, dat hij daar geen weet van had. — Veel had hij er van gehoord, en mooie psalmen, om op weg te zingen, geleerd, ook van oudere vriendjes, die er geweest waren. Wat verlangde hij naar dien dag! Als hij jonger geweest was, zou hij ook wel gevraagd hebben, zooals ik aan mijne moeder vroeg: „ Hoeveel nachtjes slapen nog ?quot; Maar Jezus was een verstandig jongeling, en kon zelf den tijd wel berekenen.
Eindelijk kwam de dag. Jezus was 't eenige kind uit huis: want jongere broertjes gingen niet mee; maar neefjes en vrienden zeker wel.
Zoo ging het naar het schoone en levendige Galilee-
I)K TWA AL KJ AR I GE JEZUS.
sche meer, en dan de Jordaan over. De landen waren met t rijpe koren bedekt; aan de wijngaarden groeiden de druiven al, aan de vruchtboomen olijven en vijgen. Tegen de bergen weidden de schapen, of pronkten eik en ceder met hun trotsche kruin.
Alles leeft en bloeit. Het gezellige der karavaan, uit Xazaret en den omtrek, schijnt de reis te bekorten. En als men nu nog- eens de Jordaan is overgestoken, de palmstad Jericho voorbij en de woestijn doorgegaan, heeft men nog alleen den vruchtbaren olijfberg te beklimmen, en ziet! daar in de diepte ligt Jeruzalem, en steekt de tempel zijne daken op, waarvan 't goud schittert in 't licht der volle maan.
1 )e karavaan maakt halt, en 't I Psalmgezang weergalmt over de bergen: „Ik verblijde mij in wie tot mij zeggen: Laat ons in 't huis des Ifeeren gaan. Onze voeten zijn staande in uwe poorten, Jeruzalem ! waarheen de stammen opgaan. Jeruzalem! eer ik u vergeet, ver-gete mijne rechterhand zich zelve!quot;
Stom van verbazing en verrukking, kan Jezus zich niet verzadigen aan dit alles. En wanneer hij nu voor het eerst aan het paaschmaal aanzit, waarbij toen een lam werd gegeten, is gansch zijne ziel een gebed.
Natuurlijk gaat hij volgende feestdagen ook in den tempel. Dat was wat anders dan de synagoge te Xazaret ! Hoog op eene rots gebouwd, met groote zalen en prachtige galerijen rondom het hoofdgebouw. En nu mocht Jezus ook het hooge voorhof binnengaan, waar de priesters offerden op het groote koperen altaar, en dan weer de Levieten zongen met muziek.
Het was hier zoo'n gedrang, dat men moeite had om
9
i nr. TWAAi.ijAUic.r, ji'./.rs.
elkander niet te verliezen, en buiten op straat nog meer. De straten waren toen smal. Ezels, kameelen en wagens verstopten die bijna, en de mensehen verdrongen elkaar. Zelfs tegen den nacht hadden zij moeite om elkander terug' te vinden. Velen moesten in omliggende dorpen, op wijnbergen of onder olijfboomen slapen, tot zelfs in de gangen en portalen: want alle huizen waren overvol. Toch wisten zij, als de feestweek was afgeloopen, elkander weer te vinden buiten de poort.
Eiken morgen van die week ging Jezus in den tempel. Zijne moeder moest in 't vrouwenvoorhof blijven; maar ook Jozefs hand had hij in 't gedrang bij ongeluk losgelaten. Zoo misten hem zijne ouders, toen zij de stad uitgingen. Maar zij maakten zich daarover niet ongerust. Hij had immers kennis en familie genoeg, waar hij mee gekomen was, en zou met dezen zijn vooruit gegaan. Jongens zijn altijd de voorsten. Als zij na de eerste dag'-reis op een bekend dorp kwamen, vanwaar de karavaan weer geregeld voortging, zouden zij hem wel vinden.
Maar zij vonden hem niet. Niemand had hem vandaag gezien, in de stad of op den weg. Hoe langs zoo angstiger zoeken en vragen zij. En als 't alles vergeefsch is, laten zij de karavane trekken. Zij rusten slechts een weinig en gaan daarop in den nacht, bij 't licht der afgaande maan, terug. Maria riep niets anders dan : „Mijn kind! mijn arm kind! Wie weet, wat hem overkomen is!quot; en vergeefs zocht Jozef haar te troosten. Gedurig denken zij, als er weer iemand aankomt in de morgenschemering: „Dat zal hij wezen!quot; Maar als hij naderbij komt, is 't Jezus niet.
DK r WA AI.KJ AK KIK JK/JS.
Eindelijk komen zij tegen den middag te Jeruzalem. In alle huizen, waar zij zijn geweest, keeren zij terug. lt; )ntmoetcn zij een bekende, zij vragen quot;t hem. Maar het wordt avond; zij zijn al te moe: zij moeten rusten, al kunnen zij niet slapen.
Den volgenden morgen hervatten zij hun tocht. Zelfs aan vreemden, maar aan landgenooten vooral, vraagt 't .Maria: „Hebt gij mijn kind, mijn Jezus niet gezien?quot; En zij bidt hoe langs zoo vuriger: „o (rod! geefmij mijn kind terug.quot;
Eindelijk komen zij, daar zij niet meer weten waar te zoeken, in den tempel. Misschien is [nzef er al geweest; maar dan op t voorhof, en daar was Jezus niet. Xu gaan zij al de voorportalen door, en de zaal aan de oostzijde binnen, waar de leeraars onderwijs geven. En zie! daar zit Jezus in 't midden der leeraren.
Maar hoe kwam, en wat deed hij daar? Ik zal het u zeggen. Eerst had hij Jeruzalem doorgewandeld, en had er veel groots en prachtigs gezien. Maar dat trok hem niet het meest aan. Daarvoor was hij niet naar Jeruzalem opgegaan, (redurig weder was het de tempel, die hem trok. liet prachtig voorhof en altaar, vergulde kolommen en gebeeldhouwde tempeldeuren, ook die boeien hem niet. Maar daar, waar achtbare grijsaards met lange mantels en witte baarden spreken van God en zijn woord, daar moet hij wezen. Die gelegenheid om iets te leeren, is te Xazaret niet. En daar vinden wij hem nu.
Heeft Jezus niet begrepen, wanneer en waar zij tot de terugreis bijeen zouden komen? Of heeft hij den tijd vergeten, terwijl hij dacht: „Zij zullen mij hier wel zoe-
I)K TWA.M.KJARIC.K JE/US.
■^enPquot; — Genoeg, hij zit hier; en dat hij er zit, toont dat hij geen haast maakt. Een jong mensch is zoo spoedig niet ongerust of gejacht, vooral wanneer hij 't goed heeft. En Jezus heeft 't hier goed.
Xaar de wijze der Oosterlingen wandelen de leeraars heen en weer in de voorportalen, vooral wanneer zij met elkander spreken, en het volk luistert. Maar als zij meer geregeld onderwijs geven, zitten zij op een sofa of kanapé, en vreemdelingen, die wat leeren willen, staan en gaan. Maar hun eigenlijke leerlingen zitten gehurkt op den grond. Dat gaat in de Mahomedaansche kerken, die men moskéën neemt, nog evenzoo. En dan brengt elke leerling zijn matje of stukje tapijt mee, en spreidt dat uit op den grond. Dat zal Jezus wel niet gedaan hebben.
(jij moet dus de platen niet gelooven, die Jezus afbeelden, zooals hij blootshoofds staat te preeken. Als gij 't hoofd niet gedekt houdt, bij 't binnenkomen der synagoge, gooien de Joden u er uit. En dan die heilige tempel! Neen! Jezus zit daar, en zeker al eenigen tijd, niet om te preeken, maar om zelf wat te leeren.
In den beginne zal hij misschien wat verlegen zijn geweest, en niet hebben durven spreken. Maar als hij andere jonge menschen vragen hoort doen, — dat de leerlingen toen meer deden dan nu, — denkt hij; 't Is toch afeen schande, te willen leeren,quot; en vraagt den uitleg van iets, dat hij in de synagoge heeft gehoord, en zijne ouders hem niet konden uitleggen.
De leeraars hebben schik in dien jongen mensch, die zoo ernstig nadenkt. En als hij nog meer vraagt, vragen zij hem ook, wat en waar hij dat alles geleerd heeft.
DlC TWAALFJARIGE JH/.US.
En Jezus antwoordt eenvoudig weg, wat hij hoorde of las, en wat hij er over heeft gedacht. Ook anderen luis-teren naar hem, en allen verwonderen zich over zijn verstand.
Maar terwijl ook Jozef verbaasd staat, dringt Maria door de menschen heen. Die vreemden, daar geeft zij niet om. Zij heeft haar kind terug. Maar de doorgestane angst maakt haar knorrig, en zij zegt, terwijl zij hem omhelst en kust: „ Kind! kind ! waarom hebt gij ons zoo gedaan? Zie! uw vader en ik hebben u met smart gezocht.quot;
't Is zoo natuurlijk in eene moeder, dat woord. Kinderen weten ook niet, of begrijpen niet, wat doodsangst eene moeder om hen kan uitstaan, 't Is gelijk later Jezus zegt; zoo als de hen klapwiekt, om hare kiekens te verzamelen onder hare vleugelen; en de jongen hooren 't niet of zien geen gevaar. En toch zou menige knaap in Jezus' plaats verdrietig zijn geworden, boos opgestoven misschien, onwillig om mee te gaan. Door die achtbare wijzen als een verstandig jongeling bewonderd, en meegenomen als een weggeloopen kind!
Maar volstrekt niets daarvan bemerken wij in Jezus' antwoord: „Wat is 't, dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat ik moest zijn in 't huis mijns Vaders?quot; Waarom dus, wil Jezus zeggen, niet 't eerst hier gezocht ?
Dat is het eerste woord, dat wij van J ezus lezen, en reeds in dit eerste, zooals in 't laatste van zijn leven, noemt hij God zijnen Vader.
Van de tehüisreis heb ik u niets te vertellen. Jezus stond dadelijk op, en ging- met zijne ouders mede. Zij zullen nog wel meer achterblijvers hebben aangetroffen.
UK TWAAI.KJARIGE JF./.US.
om to /.anion to roizon. Want hot is niot veilig in die woestijn. Zoo kwamen zij te Nazaret, en Jezus was zijnen ouders onderdanig. Dit staat er met opzet bij, om ons te zeggen, dat hij er zich niets op liet voorstaan, en niet boven zijne ouders zich verhief, omdat zij niet eens goed begrepen hadden wat hij zei de. En 't mag er wel staan, tot een voorbeeld voor alle kinderen, die meenen wijzer dan hunne ouders te zijn, omdat zij meer leeren, dan die in hunne jeugd hebben geleerd.
En nu is 't laatste, wat van Jezus' jeugd beschreven staat: dcit hij toenam in wijsheid, in grootte, en in gunst bij God en mcnschcn. Wel een teeken van zijn zachten en liefderijken omgang; en dat in een stadje, waar de menschen zoo dom en zoo ruw waren als te Nazaret.
Hierop volgen nu achttien jaren, tot het dertigste toe, waarvan wij niets weten. O hoe gaarne zouden wij eens om 't hoekje gekeken hebben, als daar 's avonds dat huisgezin bijeen zat. Van vier jongere broeders lezen wij do namen (Mark. 6 : 3), maar van de zusters niet.
Jezus moest wachten met leeraar te worden tot hij dertig jaar oud was. Dit was toon de vaste wet. Johannes de Dooper, die oen half jaar ouder was, had het ook gedaan.
Maar wat deed Jezus in al die jaren? —■ Dat hooron wij van zijne stadgenooten. Toen hij voor het eerst sprak in do synagoge, waren zij verbaasd en vroegen: „Hoe komt deze aan zooveel wijsheid? Is hij niet de timmerman, de zoon van Maria?quot; — Jezus had dus het ambacht van zijn vader geleerd; nadat deze gestorven was, stond hij aan hot hoofd van de zaak, en leidde er denkelijk zijne broeders in op. Zoo kon hij later gemist worden.
DE TWAALFJAKItlE JEZirs.
(Tij moet nu niet denken, als de mannen van Xa/aret met zekere minachting vragen: „Is het de timmerman niet.Jquot; dat zij het ambacht eene schande rekenden. liet was zelfs een vast gebruik, dat hij die Rabbi wilde worden, eerst een ambacht leeren moest. Zoo leerde Paul us in zijne jeugd het tentenmaken. Als zij hun ambacht kenden, konden zij vrij en onafhankelijk leven. .Maar dan ook gingen zij bij een beroemden Schriftgeleerde op school, zooals Paulus bij Gamaliel. Jezus deed dat niet. V andaar dat men te Xazaret vroeg: Van waar zou deze de wijsheid hebben, om ons te leeren ?quot; en te Jeruzalem: Hoe kent deze do Schriften, daar hij ze bij ons niet heeft geleerd ?quot;
Jezus moest zijne wijsheid niet van menschen hebben, maar van (xod. Toch was 't ook van Jezus waar, wat ge wel moogt onthouden: „Wat de mensch wezen zal, moet hij worden, en wat hij wil weten, moet hij leeren.'' Als ik j ezus later gedurig de Schrift hoor aanhalen, en zoo juist van pas, dan verbeeld ik mij, hoe hij als kind die spreuken en die gedichten al van buiten leerde, en eiken sabbat opschreef, wat hij in de kerk had geleerd. Ja! ik stel mij voor, dat hij zóo lang zuinig opspaarde, tot hij een rol koopen kon, waarop de profetieën van |esaja geschreven waren, en een ander met de Psalmen- Mogelijk schreef hij zelf het Oude Testament, of een goed deel er van, na: minder al die uiterlijke vormen, maar al wat sprak tot zijn hart. Kn als hij daar dan zoo stil en biddend neerzat, met die bladen of boekrollen opzijn schoot, dan behoefde men hem niet te vragen, wat Filip-pus vroeg aan den moorschen kamerling: „Verstaat gij ook wat gij leest.-'quot; \\ ant (iod zelf sprak daarin tot zijn hart.
I)K TWAALKjARKVI-: JKZUS.
Kinderen! hebt gij u niet een weinig geschaamd onder het lezen, als gij bedenkt, hoe gij den Bijbel hoort lezen of uit de kerk komt? — Groeit voorspoedig op, weest vlijtig en vroolijk, maar vergeet nooit, dat de hoofdzaak is, wat u al uw leven zal bijblijven: God en Zijn woord.
VIL
SA L O M K.
Hel dochtcrtjc danste.
Mark. (gt; ; 22a.
Ik zio wel graag kinderen dansen. Dat ligt zoo in hunne natuur, als zij gezond zijn. Zelfs de kalveren springen in do weide, al maken zij geen mooie passen. Al wat jong is, springt en danst, terwijl wij oude lui blij zijn, als wij rustig zitten.
Doch dan moeten het ook enkel vroolijke sprongen zijn, en pret onder elkander. Maar wat ik niet uuig zien.J Dat kinderen, als jonge heeren en jonge juffertjes opgesierd, de passen van den dansmeester leeren, en dan met hunne balboekjes op een kinderbal pronken. Zij willen hot ieder op zijn mooist doen, benijden anderen die mooier zijn of mooier dansen; en terwijl zij stijve sprongen maken, naar den commando-stok van den dansmeester, kijken ze op zij naar do koekjes, die er op volgen zullen. Bah! dat is geen natuur!
En wat ik nog minder gaarne zie, dat daar dat dochtertje voor de hoeren komt dansen. Haar naam scheelt maar éene letter met dien van den wijzen Koning Salomo. Maar als zij slim is, is 't Salomo's wijsheid niet. Ik schat haar zoowat op twaalf jaren: want liet
twaalfjarig kind van Jaïrus, waar ik u later van vertellen zal, wordt eveneens (Mark, 5 : 41, 42) een doc/ifni/r of meisje genoemd. Haar stiefvader, Herodes Antipas, was eigenlijk haar oudoom, en heeft nog vele jaren naderhand geleefd. Zij moet dus wel heel jong zijn geweest. Maar de kinderen worden daar in het Oosten vroeg groot. Dat weet gij.
Als nu die Salomé zelf niet zoo slecht geweest was, zouden wij haar beklag'en, omdat ze zoo'n slechte moeder had. De twaalfjarige Jezus was daarin veel gelukkiger, en het twaalfjarig kind van Jaïrus ook.
En wie was die moeder dan ? Zij heette Herodias, cm was eene kleindochter van den wreeden Koning 1 lcrodes. 1 laar eerste man was wel een zoon van dezen Koning, en dus haar oom, maar geen vorst. Daarom was zij met haar kind van hem weggeloopen, en getrouwd met Herodes Antipas. Xu had zij haar zin en was zij koning-in!
Antipas, ook al een zoon van den ouden Herodes, regeerde in het noorden en oosten van het land, waar toen Johannes de Dooper predikte. Dezen kent g-ij nu al, en weet, dat hij alle menschen opwekte, om zich van hunne zonden te bekeeren. De brave man ontzag daarbij de rijken en grooten niet. Toen dus Herodes Antipas, enkel uit nieuwsgierigheid, verzocht, dat Johannes ook eens bij hem zou komen leeren, zeide hij; «(-rij zijt ook een groot zondaar, en moet u bekeeren; want gij moogt met uw broeders vrouw niet leven.quot;
Als slechte menschen zich niet verbeteren willen, worden zij boos op ieder, die hun de waarheid zegt. Zoo ging het ook Herodes Antipas. Die brutale khiize-
A l.lt; )MK.
naar, die hom dat had durven /eggen, moest in de gevangenis ! Dan kon hij het volk niet langer opstoken! En do gevangenissen waren toon nog veel akeliger dan nu. Toch had Johannes er geen berouw van. Hij had zijn plicht gedaan, on dan kan men gerust slapen, zelfs in oene gevangenis.
-Maar de Koning sliep zoo gerust niet. Hij was niet zoo wreedaardig als zijn vader. I lij leefde alleen voor zijn pleizier, en dat is oen onpleizierig leven. Wie altijd on enkel pret wil hebben, is als iemand, die altijd zoetigheid eet. Hij bederft zijn maag, en hot staat hom tegen.
En zoo wilde Herodos Antipas ook wel eens een ernstig en waar woord hooren, en liet dan Johannes uit zijne gevangenis komen. „Maar waarom liet hij hom dan niet los?quot; zult gij vragen. Och kinderen! als gij grooter wordt, zult ge dat wol boter begrijpen. De zonde is als een net, waar do visch in spartelt, en zich hoe langer zoo meer vast werkt; als een fuik, waarin hij wel vóór maar niet achteruit kan. Daarom hooft de Hoere Jezus gezegd: Die do zonde doet, wordt oen slaaf der zonde.quot;
Horodes zou Johannes wel hebben willen loslaten, maar hij durfde niet om zijne vrouw. En doze, do snoodo Horodias, haatte Johannes tor dood toe. Zij deed ook al eens haar bost, om hem ter dood te laten brengen, maar daartoe was do Koning niet to bewogen.
Xu eindelijk kwam or eon goede gelegenheid, en haar kind moest haar daarbij dienen.
De Koning was jarig, on or was een prachtige partij voor al de grooten van zijn hof on zijn leger. De vrouwen eten daar to land nooit mode. maar geven haar
A: omi .
eigen partijen. En zoo werd er door de groote heeren gegeten en g-edronken, en de Koning van alle kanten geluk gewenscht. O! die laffe vleiers, die altijd den vorst naar den mond praten, wat lachen en zwelgen zij, terwijl in den kelder van hetzelfde slot Johannes op vunzig stroo ligt, met een kruik water en har;l brood, maar met een goed geweten!
Wanneer men aan zulk een heerenpartij in die Ooster-sche landen genoeg gegeten heeft en nog alleen wijn blijft drinken, vermaakt men zich intusschen met muziek, met zang en dans. Maar die groote heeren dansten zelf niet. Dat zou schande geweest zijn. Zij lieten danseressen komen, die allerlei vertooningen uitvoerden, zooals gij op de tentoonstelling te Amsterdam de gamelang der Javaansche danseressen hebt kunnen zien.
I lierop had Herodias gerekend. Haar Salomé had denkelijk niet veel geleerd: want er waren geene meisjesscholen. Maar zich knap en lief voor te doen en den Koning te behagen, dat had zij al vroeg geleerd: want zij was mooi, evenals hare moeder. En zoo kon zij al op haar tiende of twaalfde jaar éen van die kunstige dansen uitvoeren, misschien met guitar en zang, zooals men ze toen gaarne zagquot; aan 't hof. En door hare moeder geleerd en gevleid, deed zij 't natuurlijker en levendiger dan die gehuurde danseressen, die weinig in tel zijn.
fk denk, dat zij er die nieuwe mimiek tegen's Konings verjaardag voor 't eerst had ingestudeerd. Hij had 't dus nog nooit gezien. En toen nu 't mooie meisje, zoo coquet en zoo vrijmoedig, hare komedie speelde en danste, toen klapten allen in de handen. Zij wisten wel, dat de
140
14 1
Koning veel met dit kind ophad. En de Koning zelf was zoo verrukt, dat hij — toen zij geëindigd had en zoo lief neigde — tot haar zeide: „ Vraag maar, wat gij wilt, en ik zal het u geven.quot;
Weet gij wat ik denk, kinderen? Dat de Koning te veel wijn gedronken had, en daarom zulk eene. dwaze belofte deed. Want men moet nooit beloven, wat men niet weet. En daarom vind ik quot;t ook heel dwaas en heel goddeloos daarbij, dat hij er een eed op deed: „W at gij van mij zult eischen, zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk.quot; —• Gij begrijpt wel, dat dit maar bij manier van spreken was. Van zijn koninkrijk zal hij wel niets afstaan, zoo min als Ahasveros, die hetzelfde aan Esther zeide. Maar al begreep dat ieder, op zoo'n feest en bij zulk eene belofte Gods naam aan te roepen, daar is de eed veel te heilig voor.
Wat was nu de kleine verrukt! Haar hart klopt, hare borst zwelt, hare oogen gloeien. Als zij nu paarlen en juweelen gevraagd had en 't rijkste kleed, of een mooie kamer op 't kasteel, vorstelijk gemeubeld, wij zouden het haar niet kwalijk nemen. Daar was zij een kind voor. Maar neen! zij is er door hare moeder al op geleerd, om van zulk eene gelegenheid met overleg gebruik te maken. „Gun mij een oogenblik tijd om te overleggen,quot; antwoordt zij; „ik zal u terstond mijne keus zeggen.quot;
En zij ging naar hare moeder, die in 7t zelfde paleis was. „Dat en dat heeft de koning gezegd!quot; zeide zij: „Wat zal ik eischen?quot; — En Herodias, wie 't hart ook klopt, maar van woede en van wraakzucht, antwoordt: „Vraag het hoofd van Johannes den Dooper!quot;
Schrikte Salomé niet, toen zij dat hoorde! O neen!
M-
want de haat tegen dien man, die den Koning bekee-ren wilde, was haar al ingeprent. En zij was slim genoeg om te begrijpen, dat men op de belofte: gt;gt;Morgen zal ik hem laten dooden!quot; weinig staat zou kunnen maken. Xeen ! nu de Koning nog bevangen is van den wijn en toegejuicht wordt door zijn hof, moet het gebeuren. Haastig loopt ze van hare moeder weg: zoozeer verlangt ze zelf naar dit verjaarsgeschenk!
Daar keert zij terugquot; in de feestzaal. Allen zijn stil. en kijken haar vragend aan. En op stouten toon zegt ze; Ik wil, dat gij mij nu terstond, in eenen schotel, geeft het hoofd van Johannes den Dooper.quot; — Xeen! nu is zij geen mooi kind meer, maar eene duivelin.
Laffe Herodes! die wel bedroefd wordt door dien eisch en er later berouw van toont, maar het toch niet durft weigeren. Die groote heeren moeten niet denken, dat hij den moed niet heeft om zijn eed te houden, en Herodias moet 't hem later niet kunnen verwijten. Hij wendt 't hoofd om. Hij wil dat wreede kind niet meer aanzien. Toch wenkt hij éen der soldaten, die er altijd gewapend bij stonden, dat hij Johannes zou onthoofden in zijne gevangenis.
De partij duurde nog voort, al was de vreugde geweken. Maar 't duurde niet lang. Daar kwam de beul met een grooten schotel binnen. Het nog warm en bloedend hoofd lag er in. Op een wenk van den Koning gaf de soldaat schotel en al aan 't meisje, en deze nam het aan. O hoe moet dat kinderhart vroeg en diep verdorven zijn geweest!
Ik denk, dat nu een slaaf haar tot hulp werd gegeven, om het kostbare geschenk voor haar uit te dragen. Wel
S.\ Igt;MK
voldaan kwam Salomé bij hare moeder, en zag' haar met ziedende wraakzucht den mond nog bespotten, die haar had durven weerstaan ....
Wij zullen er maar niet te lang naar kijken, kinderen, 't Is om Vim te droomen. Kust liever uwe moeder eens, als g'ij zoo gelukkig zijt er nog eene te hebben; en dankt (rod, dat gij haar gerust alles vragen kunt, evenals Salomé aan 1 lerodias, zeker dat zij u nooit zulke dingen zal raden. En dan, — als de meisjes soms coquet zijn op hun mooi dansen, laten zij eens denken aan dit dochtcrtjr, en maken, dat zij wat anders en beters kennen, om al wie braaf is en troed denkt te behasjen.
VIII.
Laat de kinclerkens tot mij komen !
Mark 10 : 14/-».
Ik ben blij — gij ook niet, kinderen ? — dat ik, na dat bebloede hoofd en dat wreede meisje, weer eens wat te vertellen heb van den Heere Jezus, toen hij g-een kind meer was, maar een man van dertig jaren.
Toen wandelde hij het land door en leerde de men-schen van den hemel en van (i-od, en hoe zij leven moesten, om bij (iod in den hemel te komen. Was 't een feestdag, dan vond men hem te Jeruzalem in den tempel, en op zaterdag — den Joodschen sabbat — in hunne kerk of synagoge. Maar het liefst van alles sprak Jezus in de open lucht. Daar kon hij vrij opzien naar den hemel, en rondzien in de natuur; want buiten den regentijd is het daar te lande altijd mooi weer.
Zoo had Jezus eens ook weer gereisd en geleerd, maar — op 't warmste van den dag, denk ik — ging hij nu toch liever in huis. Ieder ontving- hem gaarne met zijne twaalf apostelen; en de deuren stonden open, als er nog meer menschen wilden binnen komen. En als Jezus dan wat brood gegeten had, en rustig was gaan zitten, leerde hij al wie hooren wilden, ook aan huis.
Daar zit hij dan nu rustig, of ligt op een rustbed bij
Jezus, de kindervriend.
JKZUS K\ Dl-: KIXDERKN.
de tafel: want onze stoelen g-ebruiken de Oosterlingen niet. Af en toe komen daar menschen binnen, en gaan tegen den muur staan. De twaalf apostelen, heel bedrijvig, loopen heen en weer, om de orde te bewaren; want zij laten er zich wel wat op voorstaan, dat zij leerlingen zijn van zulk een beroemden meester.
Daar komen ook eenige vrouwen binnen, met kleine kinderen op den arm of aan de hand. Zij hadden het zeker samen afgesproken. En wat wilden zij dan? Dat Jezus, die misschien in dit dorpje nog nooit geweest was, hare kinderen zegenen zou. Daar hecht de Oosterling, en nog altijd de Jood, veel aan. De zegen van zulk een wijs en heilig man zou zeker hare kinderen goed doen en \ an zonde bewaren. Kn later konden de moeders hun dan zeggen: „Kinderen! vergeet toch niet, dat Jezus u heeft gezegend.quot;
Zij naderen langzaam, en nog een weinig verlegen met haar verzoek. Zo vragen het daarom eerst aan de apostelen. Maar dezen dringen ze terug en zeggen: „De Meester heeft wel wat anders te doen, dan zich met uwe kinderen te bemoeien. Brengt ze weg. 't Is hier maar een hinder !quot;.... Maar op eens zwijgen zij, a Is ze Jezus' stem hooren: „Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet; want hunner is het koninkrijk der hemelen !quot;
Men zegt wel eens, dat jonge kinderen en honden kunnen ruiken, wie van hen houden. En elke kindervriend ondervindt het, dat zij gaarne bij hem zijn en vanzelf naar hem toe komen. Hoe moet dan het edele, vriendelijke gelaat van Jezus die kinderen hebben aangetrokken ! 1 lij behoefde hen niet eens te roepen: Zij waggelden vanzelf al naar hem toe of staken de handjes uit,
i o
t
JK/.rs KN I)K KINDEREN.
en hij omving zo met zijne armen, of nam ze op zijn schoot. Toen legde hij allen de handen op, en zegende ze.
Gelukkige kinderen, wanneer zij, de oudsten ten minste, zich dat later nog herinnerden, en dien zegen ondervonden. Maar gelukkige moeders vooral!
Doch wat beteekent 't nu, als Jezus zegt, dat hunner het koninkrijk der hemelen is, en later, dat hunne beschermengelen altijd 't aangezicht van den Vader in den hemel zien? — Dat zullen wij best leeren uit een ander verhaal.
Weder was Jezus op de wandeling, en wel naar Kaper-naüm, waar hij woonde. Moe van de reis en van al het leeren, ging hij zwijgend vooraan, maar hoorde toch alles. Want de apostelen, die achter hem aan kwamen, kibbelden met elkander, wie wel de meeste zou zijn in 't rijk van (rod.
Als zij nu in huis gekomen zijn, vraagt Jezus: „Waarover hadt gij toch woorden onder elkander overweg?quot; -Niemand durfde antwoorden, en nu zette hij zich neder, riep een kind tot zich, stelde dat in het midden, en zeide: „Als gij niet eenvoudig en nederig wordt als dit kind. zult gij in 't Godsrijk niet ingaan.quot;
Jezus prijst dus de kinderen, omdat zij niet groot van zich zeiven denken, en dus niet de meesten willen zijn; maar ook, omdat zij nog zooveel kwaad niet kennen, en eenvoudig gelooven in hunne ouders en in (-quot;rod.
Als gij nu nog zoo zijt, dan spreekt Jezus ook tot u: „Laat de kinderkens tot mij komen!quot; en evenals die moeders, brengen wij u gaarne tot hem, dat hij u zegene. Dat deden wij het eerst bij uwen doop, al hadt gij daar nog geen weet van. Maar wij deden het toen reeds, om het later gedurig weer te doen.
IX.
Kinderen zitten op tie markt, en roepen elkander toe.
Luk. ~ : 3 20.
Kinderen spelen. — Dat ligt zoo in de natuur. Wij /.ien 't in de beesten al. Ik vond 't een prachtig gezicht, toen ik eens in den dierentuin te Amsterdam de vier of vijf welpen van eene leeuwin zag buitelen en springen, en de moeder er met zooveel genoegen, maar ook vol zorg, naar zat te kijken.
Maar lager soort van dieren, rupsen en wormen en duizend anderen, spelen niet. Zij eten maar al door. Er zit te weinig geest en leven in. Zij eten, slapen en groeien. Dat is hunne jeugd.
Men zegt, dat onder de Xegers in't hart van Afrika do kinderen ook niet spelen. De arme schapen worden op vaste tijden volgestopt als een worst, en dan neergelegd. Zoo moeten zij maar groeien. Xiemand bemoeit zich verder met hen, als de woeste kooplieden, die zo als slaven wegvoeren. Iloe zou er geest in zijn om te spelen ?
Tot spelen is verbeelding noodig, of liever het spelen ^elf is verbeelding. Die jongen op zijn hobbelpaard ver-
l'Kt.KNDK KINDEREN.
beeldt zich al een ruiter te wezen ; en dat meisje mot hare pop een zorgend moedertje.
Zoo was het ook in 't land, waar Jezus woonde. Do oude Israëlieten, langquot; voor Jezus' tijd, speelden ook zoo lang- zij kinderen waren. Maar als er oorlog kwam, alles werd vernield en de menschen stierven van den honger en van'tzwaard, had niemand lust om te spelen. Ik weet dat zelf 't best. Toen ik een klein kind was, waren de Franschen hier meester. Toen werd er aan spelen niet veel gedacht. Maar toen ons vaderland weer vrij werd, toen speelden wij weer, zelfs met die ruwe Russische soldaten, die toch veel van kinderen hielden.
De Joden hadden ook zulke tijden beleefd. In Babel gebannen, hadden zij tot zingen en spelen geen lust. Maar nu ze bevrijd werden en Jeruzalems puinhoopen herbouwden, voorspelde een profeet: „dat de stad weder vervuld zou worden met knapen en meisjes, spelende op hare straten.quot; (Zach. 8 : ,5.)
Op de straten speelden zij, en dat deden wij in mijne kindsheid ook, de jongens ten minste, rijken en armen : want er waren toen zooveel tuinen en speelplaatsen niet als nu. De spelende kinderen, waar Jezus van spreekt, vinden wij op de markt, omdat de straten daar doorgaans te smal en te druk zijn. En daar er in dien tijd geen kinderscholen waren, hadden zij veel meer tijd om te spelen dan gij, en verzonnen van alles.
Maar Jezus spreekt van kinderen, die op de markt zitten. Dat is vreemd. Kinderen zijn bewegelijk en rusteloos, vooral wanneer zij vroolijk spelen. Maar dat doen zij nu ook niet. Zij zitten in klubjes bij elkaar, en de een roept den ander toe; „Wij hebben voor u op de
SPF.I.KNDE KINDKKKN. 14')
fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben 11 klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. Koe zullen wij 't u dan naar den zin maken?quot;
Dat verstonden ook de kinderen, die Jezus hoorden: maar ik denk niet, dat gij 't verstaat. Daarom wil ik er u meer van vertellen.
Andere tijden, andere Zeden; ja! en ook in andere landen is 't anders. Do Oosterlingen houden veel van al wat schittert en beweging maakt. Zij leven meer in het openbaar, en minder huiselijk. Zoo was het ook als er menschen trouwden of stierven.
Een bruiloft is altijd en overal een vroolijk feest. Maar bij ons blijft die vroolijkheid binnenshuis, onder de familie en goede vrienden. Daar te land zijn het vroolijke optochten, 's avonds met fakkellicht. Daarbij ging dan een fluitspeler vooraf, en allen liepen langzaam, al dansende en zingende op de maat. En kwam men in de bruiloftszaal, dan had de fluitspeler 't druk, den ganschen nacht, bij het dansen, even als de man met de viool in onzen tijd.
Dat bootsten de kinderen na op de markt, waar zij de ruimte hadden. Een bruid en bruidegom werden gekozen. Een fluitspeler trad op, en twee aan twee volgden jongens en meisjes. En als ze dan de dansmuziek hoorden en bekende bruiloftsliedjes zongen, dan was het, zooals ik bij straatmuziek dikwijls zag: de beenen gingen vanzelf in beweging.
Dit spel hadden sommigen van de grootsten voorgeslagen on begonnen. Bruid en bruidegom waren al gekozen. De fluitspeler speelde zijn vroolijkste wijs. Staan y.o nu niet allen op, en dansen en zingen mee ? Xeen! ze
SI'F.I.KNDK KI N DF.KKN.
blijven zitten. „Een bruiloft? Daar hebben ze vandaag' geen zin in.quot;
De aanvoerders zijn zoo eigenzinnigquot; niet. Zij verzinnen wat anders. Ging het trouwen met vee! gedruisch, de begrafenis niet minder.
Bij ons, als er iemand sterft, zit men treurende bijeen, achter gesloten blinden, tot de groote zwarte koets komt, die langzaam en statig den doode naar het graf rijdt, waar dan meestal een ernstig woord wordt gesproken.
Bij de Joden was dit gansch anders. Om de warmte moet men daar spoedig begraven, en gebood dit ook de wet. Zoodra nu iemand gestorven was, — wij zullen dat later aan 't huis van jaïrus zien, — stond voor ieder de deur open. Kr werden vaste klaagvrouwen gehuurd, die zich op de borst sloegen en met loshangende haren hare klaagzangen uitgilden, terwijl alle betrekkingen en goede vrienden hunne kleederen scheurden. En ook hier kwam de fluitspeler bij te pas, die de wijs der klaagzangen evengoed kende als 't bruiloftslied. En zoo ging het. al weenend en jammerend, naar 't graf.
Ook dat bootsten de kinderen na. Zij gevoelden er even weinig bij als die vrouwen, die jammerden en gilden voor den kost. Den kinderen is 't maar om de beweging en 't gezang te doen. Zij spelen tot op 't kerkhof. De rouw komt vroeg genoeg.
Dat wilden nu de aanvoerders. De fluitspeler koos zich zijne klaagvrouwen. 1 lij speelde zijn treurigste wijs, en zij hieven hare jammerklachten aan. Maar de anderen bleven zitten. „Dank je wel, zoo'n akelige begrafenis!quot; -Jezus heeft zeker op de markt te Xazaret wel eens zulke onwillige knapen en nukkige meisjes gezien. Want de
S1 'F, I.F. NI )F. KIND F K F N.
menschcn waren cr ruw, on zeker de kinderen ook. Ik denk niet, dat Jezus op de markt veel meegespeeld heeft; maar hij zag het dan toch.
En nu, nu Jezus oud en wijs geworden is, wijzer dan wij allen, nu vergelijkt hij de menschen van zijn tijd met die kinderen. Zij hadden naar de klaagtonen van Johannes den Dooper niet willen hooren; en nu hij blijmoedig cm vriendelijk sprak, hoorden zij hem ook niet. Wie zou 't hun naar den zin maken ?
Gelukkig waren niet alle menschen zoo, en gelukkig zijn 't niet alle kinderen.
(lij die dit leest, kinderen! gij zijt ook eens zoo jong en aanvallig geweest als die kleinen, die Jezus op zijn schoot en in zijne armen nam. Maar nu wordt gij grooter, en wilt ook wel eens wat te zeggen hebben. Xu ja! een sukkel, een tobber en droomer, — daar komt niet veel va,n. — In 't spelen wilt ge ook wel eens uw eigen zin hebben. Maar dat kan niet altijd. Laat een ander ook eens kiezen. Leert vroeg toegeven en u schikken, niet omdat gij bang zijt, maar omdat gij den vrede liefhebt. O! 't zal u later zoo te pas komen! Veel goede zaken mislukken als dit kinderspel, omdat ieder weer anders wil.
X
DE VERLOREN ZOOX.
„Geef mij mijn erfdeel!quot;
Luk. 15 : 12h.
Eigenzinnig, — gij weet het nu al, 't is een leelijk gebrek. En 't wordt er niet altijd beter op met de jaren. Die als kind niet wilde toegeven bij 't spelen, — wanneer hij veertien of vijftien jaar wordt, zegt hij al licht, zelfs tegen zijne ouders: „Ik ben geen kind meer!quot; en volgl zijn eigen zin. Maar hoe komt 't uit?
Dat vertelt Jezus.
Een rijk landman had twee zonen ; land en vee, bedienden en slaven ook. maar de kinderen waren hem toch alles.
De oudste werkte trouw met en voor zijn vader, maar de jongste niet. Wat hij deed, deed hij met tegenzin, en dan gaat 't niet best. „Als ik zoo rijk was als mijn vader,quot; dacht hij: „zou ik mij zoo niet afsloven, en er meer mijn pleizier van nemen. Wat een saai leven! Eiken dag vroeg op en naar het land!quot;
Zoo morde hij al meer, en maakte eindelijk zijn plan. Daar te land was de wet, dat, als de vader stierf, de oudste zoon in do zaken kwam en dubbel erfde. 13e jongeren konden dan, met hun aandeel, hun eigen for-
I)K VERLOREN ZOON.
tuin zoeken. Zoo lezen wij al van Abraham, dat hij zijne latere zonen met een uitzet wegzond, en alleen Izak bij zich hield.
Xu gebeurde het meer, dat de jongere bij 's vaders leven al zijn uitzet kreeg*. Dan had hij later niets meer te vorderen. Dat was zelfs een zeker recht. Dan behoefde hij zoo lang niet te wachten, als hij gelegenheid vond, om eene goede zaak te krijgen.
En zoo komt dan nu de jongste zoon tot zijn vader, en vraagt: „Geef mij het doel van het goed, dat toch op mij komt. — Ik weet zeker, dat de vader, die den jongen kende, het hem afgeraden heeft, al vertelt dit de Meere Jezus niet. Wat zou hij met al dat goed doen? Maar hij volgde zijn eig'en zin en „verzamelde alles bijeen,quot; staat er. Dat was een schat!
\ an vee en kleeren en allerlei, dat hij toch niet mee kon nemen, zal hij wel geld gemaakt hebben. I lij is nu schatrijk, en weet wel, wat hij er mee doen zal. Pleizicr hebben allereerst, zonder zijn vader en zonder God. 1 lij heeft nu al die lessen niet meer noodig. Hij is geen kind meer!
En zoo gaat hij naar een ver land. Daar is 't vroo-lijker dan op die stille hofstede! Als men hoort, dat or zoo'n rijk heer aangekomen is, krijgt hij veel goede vrienden; — neen! kwade vrienden, die hem geen goeden raad g-even, maar alles-mee helpen opmaken.
't Is eiken dag feest en partij: een los en een slecht leven. Maar 't kan lijden. Als men jong- is, moet men het leven genieten!
Als een kind honderd gulden ziet en een knaap duizend, denkt hij, dat er geen opkomen aan is. Maar
l'Ei.KNDE KINDEREN.
beeldt zich al een ruiter te wezen ; en dat meisje met hare pop een zorgend moedertje.
Zoo was het ook in 't land, waar Jezus woonde. De oude Israëlieten, langquot; vóór Jezus' tijd, speelden ook zoo lang zij kinderen waren. Maar als er oorlog kwam. alles werd vernield en de menschen stierven van den honger en van'tzwaard, had niemand lust om te spelen. Ik weet dat zelf 't best. Toen ik een klein kind was, waren de Franschen hier meester. Toen werd er aan spelen niet veel gedacht. Maar toen ons vaderland weer vrij werd, toen speelden wij weer, zelfs met die ruwe Russische soldaten, die toch veel van kinderen hielden.
De Joden hadden ook zulke tijden beleefd. In Babel gebannen, hadden zij tot zingen en spelen geen lust. Maar nu ze bevrijd werden en Jeruzalems puinhoopen herbouwden, voorspelde een profeet; „dat de stad weder vervuld zou worden met knapen en meisjes, spelende op hare straten.quot; (Zach. 8 : 5.)
Op dr straten speelden zij, en dat deden wij in mijne kindsheid ook, de jongens ten minste, rijken en armen: want er waren toen zooveel tuinen en speelplaatsen niet als nu. De spelende kinderen, waar Jezus van spreekt, vinden wij op de markt, omdat de straten daar doorgaans te smal en te druk zijn. En daar er in dien tijd geen kinderscholen waren, hadden zij veel meer tijd om te spelen dan gij, en verzonnen van alles.
Maar Jezus spreekt van kinderen, die op de markt zitten. Dat is vreemd. Kinderen zijn bewegelijk en rusteloos, vooral wanneer zij vroolijk spelen. Maar dat doen zij nu ook niet. Zij zitten in klubjes bij elkaar, en de een roept den ander toe: „Wij hebben voor u op de
SPELEN I )E KI N DER KN. I 4')
fluit gespeeld, cn gij hobt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, cn gij hebt niet geweend. Ib^e zullen wij 't u dan naar den zin maken?quot;
Dat verstonden ook de kinderen, die Jezus hoorden: maar ik denk niet, dat gij 't verstaat. Daarom wil ik er u meer van vertellen.
Andere tijden, andere zeden; ja! en ook in andere landen is 't anders. De Oosterlingen houden veel van al wat schittert cn beweging maakt. Zij leven meer in het openbaar, cn minder huiselijk. Zoo was het ook als er menschen trouwden of stierven.
Een bruiloft is altijd en overal een vroolijk feest. Maar bij ons blijft die vroolijkheid binnenshuis, onder de familie en goede vrienden. Daar te land zijn het vroolijke optochten, 's avonds met fakkellicht. Daarbij ging dan een fluitspeler vooraf, en allen liepen langzaam, al dansende cn zingende op de maat. En kwam men in de bruiloftszaal, dan had de fluitspeler 't druk, den ganschen nacht, bij het dansen, even als de man met de viool in onzen tijd.
Dat bootsten de kinderen na op de markt, waar zij de ruimte hadden. Een bruid en bruidegom werden gekozen. Een fluitspeler trad op, en twee aan twee volgden jongens en meisjes. En als ze dan de dansmuziek hoorden cn bekende bruiloftsliedjes zongen, dan was het, zooals ik bij straatmuziek dikwijls zag; de beenen gingen vanzelf in beweging.
Dit spel hadden sommigen van de grootsten voorgeslagen en begonnen. Bruid en bruidegom waren al gekozen. De fluitspeler speelde zijn vroolijkste wijs. Staan y.Q nu niet allen op, en dansen cn zingen mee? Neen! ze
SIMquot; I .K\ I )K KIN DEKKN.
blijven zitten. „Een bruiloft? Daar hebben ze vandaag-geen zin in.quot;
De aanvoerders zijn zoo eigenzinnig' niet. Zij verzinnen wat anders. Ging het trouwen met veel gedruisch, de begrafenis niet minder.
Bij ons, als er iemand sterft, zit men treurende bijeen, achter gesloten blinden, tot de groote zwarte koets komt. die langzaam en statig den doode naar het graf rijdt, waar dan meestal een ernstig woord wordt gesproken.
Bij de Joden was dit gansch anders. Om de warmte moet men daar spoedig begraven, en gebood dit ook de wet. Zoodra nu iemand gestorven was, — wij zullen dat later aan quot;t huis van Jaïrus zien, — stond voor ieder de deur open. Er werden vaste klaagvrouwen gehuurd, die zich op de borst sloegen en met loshangende haren hare klaagzangen uitgilden, terwijl alle betrekkingen en goede vrienden hunne kleederen scheurden. En ook hier kwam de fluitspeler bij te pas, die de wijs der klaagzangen evengoed kende als 't bruiloftslied. En zoo ging het, al weenend en jammerend, naar 't graf.
Ook dat bootsten de kinderen na. Zij gevoelden er even weinig bij als die vrouwen, die jammerden en gilden voor den kost. Den kinderen is 't maar om de beweging en quot;t gezang te doen. Zij spelen tot op 't kerkhof. De rouw komt vroeg genoeg.
Dat wilden nu de aanvoerders. De fluitspeler koos zich zijne klaagvrouwen. 1 lij speelde zijn treurigste wijs, en zij hieven hare jammerklachten aan. Maar de anderen bleven zitten. „Dank je wel, zoo'n akelige begrafenis!quot; -[eziis heeft zeker op de markt te Nazaret wel eens zulke onwillige knapen en nukkige meisjes gezien. Want de
SI'RI.F.NI)!•: KINDKKEN.
menschen waren cr ruw, en zeker de kinderen ook. Ik denk niet, dat Jezus op de mtirkt veel meegespeeld heeft; maar hij zag het dan toch.
En nu, nu Jezus oud en wijs geworden is, wijzer dan wij allen, nu vergelijkt hij de menschen van zijn tijd met die kinderen. Zij hadden naar de klaagtonen van Johannes den Dooper niet willen hooren; en nu hij blijmoedig en vriendelijk sprak, hoorden zij hem ook niet. Wie zou 't hun naar den zin maken ?
Gelukkig waren niet alle menschen zoo, en gelukkig zijn 't niet alle kinderen.
(rij die dit leest, kinderen! gij zijt ook eens zoo jong en aanvallig geweest als die kleinen, die Jezus op zijn schoot en in zijne armen nam. Maar nu wordt gij grooter, en wilt ook wel eens wat te zeggen hebben. Xu jal een sukkel, een tobber en droomer, — daar komt niet veel van. — In 't spelen wilt ge ook wel eens uw eigen zin hebben. Maar dat kan niet altijd. Laat een ander ook eens kiezen. I ,eert vroeg toegeven en u schikken, niet omdat gij bang zijt, maar omdat gij den vrede liefhebt. O! 't zal u later zoo te pas komen! Veel goede zaken mislukken als dit kinderspel, omdat ieder weer anders wil.
X
DE VERLOREN ZOOX.
„Geef mij mijn erfdeel!quot;
Luk. 15 : \2h.
Eigenzinnig-, — gij weet het nu al, 't is een leelijk gebrek. En 't wordt er niet altijd beter op met de jaren. Die als kind niet wilde toegeven bij 't spelen, — wanneer hij veertien of vijftien jaar wordt, zegt hij al licht, zelfs tegen zijne ouders: „Ik ben geen kind meer!quot; en volgt zijn eigen zin. Maar hoe komt 't uit?
Dat vertelt Jezus.
Een rijk landman had twee zonen ; land en vee, bedienden en slaven ook. maar de kinderen waren hem toch alles.
De oudste werkte trouw met en voor zijn vader, maar de jongste niet. Wat hij deed, deed hij met tegenzin, en dan gaat 't niet best. „Als ik zoo rijk was als mijn vader,quot; dacht hij: „zou ik mij zoo niet afsloven, en er meer mijn pleizier van nemen. Wat een saai leven! Eiken dag- vroeg op en naar het land!quot;
Zoo morde hij al meer, en maakte eindelijk zijn plan. Daar te land was de wet, dat, als de vader stierf, de oudste zoon in de zaken kwam en dubbel erfde. De jongeren konden dan, met hun aandeel, hun eigen for-
I JE VER LOR FN ZOON.
tuin zoeken. Zoo lezen wij al van Abraham, dat hij zijne latere zonen met een uitzet wegzond, en alleen [zak bij .zich hield.
Nu gebeurde het meer, dat de jongere bij 's vaders leven al zijn uitzet kreeg. Dan had hij later niets meer te vorderen. Dat was zelfs een zeker recht. Dan behoefde hij zoo lang niet te wachten, als hij gelegenheid vond. om eene goede zaak tc krijgen.
En zoo komt dan nu de jongste zoon tot zijn vader, on vraagt: „Geef mij heL deel van het goed, dat toch op mij komt. — Ik weet zeker, dat de vader, die den jongen kende, het hem afgeraden heeft, al vertelt dit de Ifeere Jezus niet. Wat zou hij met al dat goed doen? Maar hij volgde zijn eigen zin en „verzamelde alles bijeen, ' staat er. Dat was een schat!
V vee en kleeren en allerlei, dat hij toch niet mee kon nemen, zal hij wel geld gemaakt hebben. 1 lij is nu schatrijk, en weet wel, wat hij er mee doen zal. Pleizier hebben allereerst, zonder zijn vader en zonder God. I lij heeft nu al die lessen niet meer noodig. Hij is geen kind meer!
Kn zoo gaat hij naar een ver land. Daar is 't vroo-1 ijker dan op die stille hofstede! Als men hoort, dat er zoo n rijk heer aangekomen is, krijgt hij veel goede vrienden; — neen! kwade vrienden, die hem geen goeden raad geven, maar alles-mee helpen opmaken.
't Ls eiken dag feest en partij: een los en een slecht leven. Maar 't kan lijden. Als men jong is, moet men het leven genieten!
Als een kind honderd gulden ziet en een knaap duizend, denkt hij, dat er geen opkomen aan is. Maar
1)1quot;. VF.KI.OKr-'.V ZOON.
waar afgaat en niet bijkomt, — dat heeft mijne moeder mij al geleerd, — daar raakt alles op, eer men quot;t weet.
Zoo zal deze jongeling ook wel gezien hebben, dat hij al dichter aan den bodem van de geldkist kwam. Maar dan kwamen de vrienden weer, en was er weer een nieuw partijtje in 't zicht; en hij stelde het nadenken en zorgen weer uit. Werken voor den kost, dat kon hij immers altijd nog? Als hij 't nu maar recht naar zijn zin heeft!
Maar eer hij er nog aan denkt, komt het eind. Zijn geld is op. Ilij heeft nog schulden. En op een goeden morgen, als hij toch eens met zijne vrienden wil overleggen, ja wel! daar komt er geen een; en omdat hij de huur niet betalen kan, wordt hij zijn huis uitgezet. Hij heeft niets meer dan de kleeren, die hij aan heeft.
En dat was nog te erger, omdat er juist misgewas en hongersnood kwam in dat verre land. Anders had de honger hem nog wel tot een goeden arbeider gemaakt: want hij had thuis alle boerenwerk goed geleerd. Maar waar niets groeit, valt niets te oogsten, en dus ook niet te verdienen.
Wie hem kende, had ook weinig op met zoo'n luiaard. die al zijn goed had verkwist. Zoo ging hij huis aan huis om werk: want bedelen, daarvoor schaamde hij zich nog, en dat gaf niet veel ook, waar haast geen brood meer was.
Kindelijk komt hij toch terecht. Een van die burgers, die nog quot;t minst gebrek lijden, noemt hem in dienst. Maar niet eens tegen een vast loon. 1 let laagste werk moet hij maar doen, en dan zien wat hij er voor krijgt. En hij neemt quot;t aan. Hij kan niet anders.
154
I)F. VKKLORKN ZOON.
l)a;ir staat hij nederig de orders af te wachten van den landman, op wien hij vroeger uit de hoogte neerzag. Nadat deze zijne knechts hun werk gegeven heeft, zegt hij; „En gij, ga met de zwijnen op het land.quot;
Varkens zijn vuile, knorrige dieren, die alles verslinden, en voor wie zelfs kinderen niet veilig zijn. Voor uw genoegen zult gij geen varkentje houden. Maar gij moet een Jood zien, als hij er een tegen komt! 't Is voor hem een onrein dier. 1 [ij mag het met geen vinger aanraken, en niets eten, wat van een varken komt.
Zoo was ook deze jongeling opgevoed; maar wat zou hij doen? Nood breekt wet, en honger is een scherp zwaard. Zuchtende drijft hij dan zijne beesten op het land en in het bosch, waar zij eikels zoeken. En ik verzeker u, dat 't geen schapenhoeden is! Ze zijn ook eigenzinnig', dc zwijnen, en moeten met tien stok geregeerd of ferm bij de ooren gepakt worden.
's Avonds moesten de zwijnen naar den stal worden gebracht. Dan kon dc zwijnenhoeder uitrusten. En moe als hij was, zou hij op 't stroo of den harden grond wel goed gerust hebben, maar hij kon niet slapen van den honger. Want het stuk brood, dat hij 's morgens mee kreeg, was al lang op. Maar eer hij ging slapen, moest hij de knechts helpen, die met een zak varkensboontjes aankwamen. Dien vertrouwde men hem niet toe. Die boontjes, klein, krom en hard, waren wel geen voedsel voor menschen, nog minder dan paardeboonen, maar een varkensmaag verteert alles, on die van een uitgehongerd mensch ook.
Afgunstig stond do jonge man er bij te kijken, en dacht: „Mocht ik mijn buik maar eens vol eten, al was
I )K V F. R I,O REN ZOON.
't \quot;an dat varkensvoer!quot; — Maar niemand dacht er aan, of gunde het hem.
Toen dat nu eenigen tijd zoo had geduurd, kwam hij tot zich zelf, zegt Jezus. Voor het eerst dacht hij eens ernstig na op zijn gedrag. Het verachte vaderhuis, dat hij zoo ondankbaar verlaten heeft, staat hem weer voor den geest. Hoe goed hij 't daar had, hij niet alleen, maar allen, die zijn vader dienden. „Zelfs dc daglooners van mijnen vader hebben overvloed van brood,quot; dacht hij: ten ik verga in dit vreemde land van honger.quot;
Maar nu ook zegt hem zijn geweten: „'t Is mv eigen schuld.quot; Xiet alleen tegen zijn vader heeft hij zwaar gezondigd; ook tegen den hemel, tegen God. O! nu is hij eerst recht ellendig, de verloren zoon!
Doch misschien zal zijn vader hem nog wel willen vergeven, en God ook. Hij heeft zijn recht als zoon verloren, en zijn erfdeel verteerd; maar mogelijk neemt zijn vader hem nog wel als arbeider, als daglooner aan, en dan heeft hij het duizendmaal beter dan hier: want hij heeft er brood, en rust voor zijn hart.
„En opstaande ging hij naar zijnen vaderquot;. — Ja! dat is gemakkelijk gezegd. Maar hij heeft niets voor de reis; de versleten schoenen zijn hem van de voeten gevallen; de mantel, — zoo lang gedragen en nu ook zijn eenig dekkleed voor den nacht, — hangt in flarden. En daarbij is hij uitgeput van 't ongewone werk, uitgehongerd en vermagerd. En — dat heeft hij immers zelf zoo verkozen toen hij hierheen kwam! — de reis is ver. Maar hij strompelt voort, vastende of bedelende. Dat vaderhuis daar ver trekt hem aan, en geeft hem kracht.
Eindelijk ziet hij 't: het huis en zijn vader. Die herkent
DE VF.RLORKX ZOON.
hom reeds van ver, hoe hij ook vervallen is, valt hem om den hals en kust hem. En als hij nu begint te zeggen: „Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, en ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden. Maak mij maar als een van uwe huurlingen!quot; laat zijn vader hem niet eens uitspreken. De arme jongen is zwaar genoeg gestraft!
De vader roept zijne knechten, laat sandalen brengen (enkele zolen met banden) voor de doorgeloopen voeten, en 't beste kleed in plaats van die lompen. En nadat hij zich gereinigd en verkwikt heeft, krijgt hij als een vrij man een ring aan den vinger. Intusschen beveelt zijn vader, dat men 't gemeste kalf slachten zal. En des avonds was 't feest in huis, met muziek en dans.
Juist kwam do oudste zoon van 't land, en stond verbaasd van al 't licht en de vroolijkheid. Maar toen hij nu hoorde, dat 't alles om zijn slechten broer was, toen wilde hij niet binnengaan.
Do vader kwam nu zelf buiten om hem tc roepen, maar hij werd driftig, en zcide: „Voor mij nooit een feest, al was 't maar met een geitenbokje; en voor dien doorbrenger liet gemeste kalf.quot; — „Kind!quot; zoide zijn vader: „gij zijt altijd bij mij. Al het mijne is 't uwe; 't geitenbokje en 't g'emeste kalf. Maar deze uw broeder was zoo goed als dood, en is levend geworden, was verloren en is gevonden; zouden wij nu niet vroolijk zijn?quot;
Maar deze zoon was weer eigenzinnig op zijn manier, en had voor broeder en vader geen hart, al werkte hij braaf. Aan 't eind van Jezus' gelijkenis staat hij nog buitenshuis te knorren, en wij zullen hem daar maar laten staan.
I)K VKRLORKN ZOON.
I.ccrt or uit, kinderen! dat er bij God altijd nog \'er-geving is, en bij uw vader en moeder ook; en dat gij een broeder of zuster hun vorig kwaad niet verwijten moogt, ;ils zij zich verbeteren.
Maar 't is toch oneindig beter, geen verloren zoon of dochter te worden. Zoo velen dwalen af, en zoo weinigen koeren terug. Of — als zij terugkeeren, — worden zij toch nooit meer als vroeger.
Wilt gij, met goedvinden van uwe ouders, hun huis en uw land verlaten, toont dan ook, dat g-ij 't goed wilt doen, en vooral niet als de verloren zoon. De wereld in, moet gij allen; en wie 't nabij niet vinden kan in ons kleine land, moet 't ver zoeken. Maar overal is werken en oppassen de boodschap. Luilekkerland vindt gij op de kaart niet.
En dan — wil ik u nog' eens wat zeggen? (rij denkt misschien wel eens, dat gij 't kwaad genoeg hebt. Maar als gij eens ver van uw vaders en moeders huis af zijt, dan zult gij denken: „Wat was 't daar toch heerlijk!quot;
XI
„Kom ;if. Heer! eer mijn kind sterft!quot;
Joh. 4 : 40.
„Hij lijdt zwaar, mijn zoon!quot;
Matth. \~ : 15.
„Ontferm ti. Heer! mijne dochter....quot;
Matth. 15 : 22.
Zijt yij wel eens ziek geweest, kinderen? Dan is het spelen en pretmaken uit. (reen lust en geen vreugd: Xiets smaakt, al wordt het nog zoo lekker klaar gemaakt, en het speelgoed wordt in de kast gesloten. Een stille, donkere kamer, en allerlei leelijke potjes en drankjes op de beddetafel. En dan die hoofdpijn, die benauwdheid, die koorts!____ Ik wil wel gelooven, dat gij het
dan kwaad genoeg hebt; maar wordt daarom toch niet knorrig en lastig. Uwe ouders lijden er al zoo veel door, en dan maakt gij quot;t hun nog zwaarder. Telt liever eens al de goede dagen, die gij gehad hebt, en zegt dan met den geduldigen Job; „Zonden wij quot;t goede van God wel willen aannemen, en 't kwade niet?quot; (reduld overwint alles. En als die zieke dagen voorbij zijn, o! dan zijn ze zoo gauw vergeten.
In Jezus' tijd waren er ook zieken, zooals overal en altijd; en het was een geluk voor velen, datjezus ze
/IF.KF. KINDKRKN.
«■enezen kon: niet door drankjes, door pillen en poeders, als onze dokters, maar door de macht die God hem gaf, en die hij zoo graagquot; gebruikte om goed te doen.
Xu was er in dien tijd een rijk heer. Wat hij eigenlijk was of hoe hij heette, weet ik niet; maar wel, dat hij aan het hof was van den Koning Herodes Antipas en te Kapernaüm woonde.
Hij had een zoon, zoo ik wel heb zijn eenigen. Het was nog maar een kind, maar hij was hem o zoo lief! En dat kind kreeg de koorts, in die heete landen nog gevaarlijker dan hier. De dokter vreesde, als die zoo aan bleef houden, dat hij spoedig sterven zou. Wat had dan de arme vader aan al zijn geld en zijne grootheid aan het hof?
Daar hoort hij, dat Jezus van Jeruzalem te Kana in Galilea is aangekomen. Die met hem op 't Paaschfeest daar geweest zijn, weten veel te vertellen van de zieken, die Jezus er heeft genezen. Dat geeft den armen vader moed. 't Is wel acht uren ver, den berg op, en zijn kind ligt op sterven; maar misschien komt hij nog tijds genoeg. Terstond maar den muilezel gezadeld, en voortgejaagd. Ik had niet graag die muilezel willen zijn!
Daar komt hij buiten adem te Kana aan. Hij springt van den ezel, buigt zich zoo diep hij kan voor Jezus, en bidt hem; „Och, Heer! kom toch met mij af naar de zeekust, naar mijn huis. Mijn zoon ligt op sterven. '
Jezus toont zich wel wat verdrietig, dat hem terstond alweer een wonder wordt gevraagd, en zij anders niet gelooven: — want er waren natuurlijk meer menschen bij, nieuwsgierig hoe dit bezoek zou afloopen. — Maar
ZLEKE KINDERKN.
de vader trok zich dit niet aan. Iedere minuut verloren, kan de dood zijn. En hij smeekt weer: „Heer! ga met mij, eer mijn kind sterft.quot;
Jezus kijkt den mensch goed aan. en ziet. dat hij reeds in hem gelooft, eer hij nog 't wonder heeft gezien. Daarom stelt hij hem op de proef, en zegt; „Ga heen! Uw zoon leeft.quot; — En antwoordt de man nu: „Och Heer! ga voor gerustheid toch maar mee?quot; — Xeen ! hij gaat terstond weer terug, zoo haastig niet meer, maar toch mot spoed, verlangend naar zijn kind: want 't leeft immers weer, en ligt niet meer op sterven, ja zeker! want Jezus heeft het gezegd.
En hij hoort de goede tijding nog, eer hij zijn kind ziet. Want zijne knechts, ook zoo met den goeden meester begaan, loopen hom te gemoet, roepende: „Uw kind leeft!quot; — „W anneer is het beter geworden?quot; vraagt hij hun. En quot;t antwoord is: „Gisteren te zeven ure heeft de koorts hem verlaten.quot; Juist hetzelfde uur. waarop Jezus tot hem had gezegd; „Uw zoon leeft.quot;
En nu kan ik mij zoo goed begrijpen, wat hierop volgt. „Hij werd geloovig, hij en zijn gansche huis;quot; ■ ook quot;t lieve kind, hem als uit den dood teruggegeven. 1 loe ook anderen Jezus weer verlieten, of de grooten aan 't hof er mee spotten, de dankbare vader en quot;t geredde kind bleven Jezus getrouw.
Met werd druk voor Jezus in Galilea. Want al hielp hij de zieken graag, het leeren was toch hoofdzaak, en de menschen verdrongen hem haast, om maar alles goed te verstaan.
i i
IÖ2 ZIEKE KINDEREN.
Hij wil toch wel eens uit het gewoel zijn. Hij kan niet eens rustisjf bidden. En nu beklimt hij met zijne drie liefste apostelen, Petrus, Johannes en Jakobus, een berg. Het is daar zoo kalm en zoo stil, en hij heeft er eene hemelsche verschijning: Aiozes en Elias, die met hem spreken over al wat hij nog te doen en te lijden zal hebben.
Maar lang wilde Jezus de negen andere apostelen niet laten wachten. Hij klimt dus weder den berg af, en ziet uit de hoogte een gedrang van menschen. De trotsche en nijdige Parizeen, die Jezus niet aandurven, plagen nu zijne discipelen, om een groot wonder te doen, en - zij kunnen niet.
En wat is hot wonder, dat zij vragen? Zie daar dien man staan in 't midden der apostelen, en aan zijne hand zijn eenigen zoon. Een kind, en dan zulk een! Ik ken nog wel ouders, die maar een kind over bobben, en dat idioot, doof of blind is. „Was dat ook maar dood! zeggen de menschen dan, koel on onverschillig; maar do moeder zegt; „o Neen! mijn lieveling, mijn alles! 't 1gt; nog mijn eenige troost.quot;
Ook voor dezen vader is het dat. Hoe oud de jongen is, kan ik u niet zeggen. Misschien ouder dan hij er uitziet, zooals meer van die kinderen.
Als nu tie menigte uit den weg gaat, brengt de vader het kind tot Jezus, en klaagt hem bitter zijn nood.
Wat ziet die jongen er onwijs uit! Dat komt omdat hij doofstom is, en daar waren toen nog geen scholen voor, zooeds nu. Zij liepen maar dwalen en rondkijken, en maakten zich soms geweldig driftig. Zij verstonden ook geen menschelijke taal.
Maar mot dozen knaap is 't nog veel erger. Zie! wat
ZIKKF. KINDEKK.N.
kijkt hij Jezus wonderlijk aan. Zijne oogen rollen in zijn hoofd. Als door een kogel getroffen, valt hij op den grond. Hij doet zich zeer aan de steenen, maar voelt het niet. Hij slaat met de armen rechts en links; hij gooit het hoofd op en neer, dat het bonst op den harden grond, en brult als een wild dier, tot het schuim hem uit den mond stroomt. . . Dat noemt men vallende ziekte. Ik wensch u niet toe, het te zien.
Zoo wentelt de arme knaap zich door het stof, tot hij moe en ineengekromd blijft liggen, de duimen in de vuisten gekneld.
Van dat oogenblik maakt Jezus gebruik, om den vader te vragen, hoelang zijn zoon deze kwaal al heeft; en het antwoord is: „Van zijne kindsheid af.quot; — En tegelijk vertelt de itrmc man, hoe zijn kind altoos en overal bewaakt moet worden. Want laatst stond hij voor 't vuur, viel er in en brandde zich deerlijk. Op een anderen keer is hij in 't water gevallen en bijna verdronken; want bij kon niet eens om hulp roepen. En nog eens vraagt de arme vader: „Zoo gij iets kunt. Heer! heb toch medelijden met ons! Help mijn kind en mij!quot;
En Jezus heeft innig medelijden met beiden: want de vader lijdt misschien nog meer dan de zoon, omdat hij alles begrijpt. In dien tijd noemde men zulke duistere kwalen booze geesten. Daarom sprak Jezus: „Ga uit van dit kind, gij doofstomme geest! Plaag den jongen niet langer, en kom nooit weerom!quot;
En alsof de geest het hoorde en zich nog eens goed wreken wilde, zoo vloog het kind weer op, werd voort-gesleurd en rond gewenteld in zijn schuim, 'en sloeg zich het hoofd bijna te pletteren. Toen lag hij doodstil
lö^ ZIEKE KINDEREN.
en verroerde zich niet. En de menigte, die zich er omheen verdrong, fluisterde; „Zou hij dood zijn.J
Maar Jezus richtte hem bij de hand op, en gaf hem gezond aan zijn vader weer. Wat zai die blij en dankbaar zijn geweest! Nu kon zijn eenige zoon zeker weer hooren; en spreken zal hij ook wel gauw leeren. Hij ziet al veel helderder uit zijne oogen.
En bidden tot God, en in Jezus gelooven, dat heeft zijn vader hem zeker ook geleerd.
Om het klaverblad vol te maken, — gij weet er zijn drie blaadjes aan, — zullen wij nog eens met Jezus meereizen. Dat reizen wordt hoe langs zoo meer rusteloos en gejaagd. De booze Parizeen vervolgen hem. Ook Koning Herodes, de moordenaar van Johannes den Dooper. wil hem eens zien, en dat zou misschien niet goed afloopen. Maar 't meest van allen vervolgden hem de zieken. Waar Jezus er éen genas, kwamen er tien in de plaats.
Met zijn twaalf apostelen gaat hij dus de grenzen over. In dat Heidensche land zal hem wel niemand kennen. Maar jawel! „Hij kon niet verborgen blijven,quot; zegt Markus de Evangelist.
Op zijn best is Jezus een huis uitgegaan, waar hij met het warmste van den dag wat heeft uitgerust, of eene vrouw roept al van verre; „Heer! onferm u mijner. Mijne dochter is door zoon boozen geest bezeten.quot;
Jezus deed of hij 't niet hoorde, en ging door. De vrouw komt naderbij, en roept al harder. En de apostelen zeggen; „Meester! help die vrouw maar; zij brengt het volk
nog op de been.quot; — Dat is ook het rechte medelijden niet.
ZIEKF. KINDEREN. lCgt;5
Zoo omtrent, alsof men een vuilen bedelaar een paar centen toegooit, om maar van hem af te wezen.
Maar Jezus antwoordt: „Ik ben hier niet gekomen, om te leeren en wonderen te doen. Alleen tot de Joden ben ik gezonden.quot; — En hij ging weer verder.
Intusschen is de vrouw naderbij gekomen, en smeekt altoos door om hulp. Maar Jezus antwoordt; „Men geeft aan de hondjes het brood der kinderen niet.quot; — Dat verstaat de vrouw: want honden zijn onreine dieren voor de Joden, en daarom noemden zij den heiden wel eens een hond. Maar zoo hard zegt Jezus het niet, daar hij van schoothondjes spreekt.
Maar eene moeder laat niet spoedig los, en deze is geestig. Zij vat Jezus bij het woord, en zegt: „Ja, Heer! maar de kinderen zijn zoo brooddronken; en dan komen de hondjes onder tafel, en eten de brokken en korsten, die de kinderen laten vallen.quot;
Dat beviel Jezus en hij zeide: „Omdat gij dat gelooft, ga heen. De booze geest is weg.quot; — En zij ging heen, en vond hare dochter vermoeid, maar genezen. Worstelend met die akelige vallende ziekte lag zij op den grond, toen moeder om hulp naar buiten vloog. Rustig slapende op haar bed vond zij ze, toen ze weer tehuis kwam.
XII.
„Uwe dochter is gestorven.quot;
Mark. 5 : 35-Een doode werd uitgedragen.
Luk. 7 : 12.
Jezus woonde in een klein stadje, Ivapemaüm, niet \ er van de zee. Daar woonde ook een zekere Jaïrus, een rijk man en overste der Synagoge. Gij weet, dat Jezus in 't Joodsche land en onder Joden leefde. Er was dus niet anders dan zulk eene Jodenkerk.
Als een der rijksten van de plaats, en tegelijk een vroom man, die trouw in de kerk kwam, werd Jaïrus tot overste of bestuurder er van gekozen. Hij had geen groot huisgezin; eene vrouw en een eenig dochtertje, nu twaalf jaren oud, dus al een knap meisje. Jongens zie ik bij hem aan huis niet.
Die eenige dochter nu werd op eens zwaar ziek. Er waren toen ook wel dokters, en die kostten \ eel geld. Daar behoefde Jaïrus niet op te zien. Maar hier konden zij niets doen. De koorts werd al te erg.
Zou de moeder ook het eerst aan Jezus hebben gedacht? Alissclilen j maar Jaïrus had hem toch meer ontmoet, als hij leerde en zelfs wonderen deed in de
JONGE DOODKX. 167
Synagoge. .Ma^ir nu is Jezus niet te huis. Met zijne discipelen is hij overgevaren, om in de woestijn wat uit te rusten. En ondertusschen kermt en klaagt het arme kind, en krijgt 't hoe langs zoo benauwder. Zij spreekt zelfs tegen haar moeder niet meer!
AVat nu te doen? — Daar komt het gerucht, datjezus wederkeert. Men heeft 't scheepje al van verre gezien. Honderden bij honderden loepen Kapernaüm uit naar den zeekant, Jezus te gemoet.
Ook Jaïrus loopt zoo hard hij kan: want het is nog al een heel eind. Jezus is uit het scheepje in het tolhuis ingegaan. Een overste der Synagoge zou anders bij die verachte tollenaars geen voet in huis gezet hebben; maar nu gold het 't leven van zijn eenig meisje! Terwijl dan Jezus daar nog zit en eet, komt Jaïrus binnen en zegt: „Heer, ga toch terstond mee. Mijn eenig dochtertje, — gij kent zo misschien wel, — ligt op sterven.quot; En de goede Jezus staat terstond op van de tafel, al heeft hij misschien nog maar half genoeg, en hij gaat mee.
Maar 't ging zoo vlug niet, tegen dien stroom van mcnschen, die uit de stad kwamen, in. En dan werd Jezus nog opgehouden door eene arme zieke, die al haar geld aan dokters had besteed. Zij had er veel van geleden ook, en was met al de pijn, die ze haar hadden aangedaan, eer erger dan beter geworden.
Jezus genas die vrouw, maar dat hield weer lang op, en Jaïrus, ook door 't volk gedrongen, hijgde van ongeduld. Hoe zal 't nu bij hem aan huis zijn?
Gaan wij eens zien. Wat is er toch gebeurd in dat uur ? Toen Jaïrus van huis ging, was alles doodstil; en nu
I(1)8 JONGE UOODEN.
een beweging en gewold, een dringen en duwen, een schreeuwen en levenmaken! (rij weet 't al. De spelende kinderen op de markt hebben het u geleerd.
Het zieke kind was hoe langs zoo erger geworden. Een enkele snik nog, en 't is geen zieke meer, maar een doode. Nu wordt zij de trap opgedragen, naar de opperzaal. Van avond of anders morgenochtend zal zij begraven worden. Dat gaat zoo spoedig in die heete landen.
De moeder zit troosteloos bij haar kind. Dat ook de vader den laatsten snik niet heeft gehoord, niet bij haar gebleven is om haar te troosten!
Intusschen zijn beneden vrienden en buren baas. Zij halen de klaagvrouwen en de fluitspelers. Leven en misbaar genoeg, maar gehuurde droefheid. Doch een oude en trouwe knecht denkt aan zijnen heer, gaat Jaïrus te gemoet en zeg't: „Doe den Meester geen moeite meer aan; quot;t kind is daar juist gestorven.quot;
Wat zou 't nu baten, denken zij, of Jezus er nog bij is? 't is beter, dat Jaïrus gauw tehuis komt. Maar Jezus zegt tot den diep bedroefden vader: „Vrees niet; geloof alleenlijk ; ik ga toch met u mee.quot;
Zij kwamen er nu spoedig, en Jezus hinderde al van verre dat gedruisch. Leege vaten, zegt men, geven den meesten klank; leeg-e hoofden en leege harten ook. Dat zien wij ook hier al spoedigquot;. Jezus komt met zijne apostelen, en om aan al dat geweld een einde te maken zegt hij: „Maakt zoo'n misbaar niet. Het kind is niet gestorven, maar slaapt.quot; — En nu is 't op eens met de droefheid uit. Zij lachen en spotten met Jezus. Die van de dooden leven, betreuren de dooden niet.
JONGE DOODKN.
Jezus liet negen apostelen beneden in huis, om er orde te houden, en ging- met Petrus, Johannes en Jakobus naar de opperzaal, waar Jaïrus al is. En daar op dat leg'er ligt de jonge doodc. — O, ik heb er velen gezien, maar altijd is dat kinder-lijkje mij zoo aandoenlijk, zoo weemoedig: een bloemknop, voor het opengaan van den steel geplukt!
„Het dochtertje slaapt.quot; — Zoo zouden we nog van menig kinder-lijkje zeggen: zoo lief en bevallig nog, zoo kalm en vreedzaam; want de pijnlijke trekken heeft de dood weggevaagd. ?deer dan eens zag ik 't. ook van mijn eigen kleinkinderen, en kon maar niet gelooven, dat ze dood waren. Als ik lang er op keek, was het, alsof er beweging kwam in dat wassen gelaat, en 't hartje weer klopte. Maar 't was zoo niet: het zoontje of dochtertje sliep, maar niemand was machtig om het wakker te maken.
Jezus alleen kon dat. Zie ! hij neemt de hand van 't kind, ijskoud maar nog niet verstijfd. Hij zegt hardop, terwijl hij 't lieve gelaat aankijkt: „Dochtertje! sta op!quot; En 't is, of het kind wakker wordt uit een diepen slaap. Zij doet de oogen open en gaat overeind zitten. Daar komt zij nog slaapdronken van het bed, en wandelt de kamer door . . .
„En de moeder vloog haar om den hals,quot; denkt gij : „en de vader viel Jezus te voet, om zijne handen te kussen, ze nat te maken mot tranen van dankbaarheid.quot; -Niets van dat alles. Ue moeder zit en de vader staat versteend, quot;t Is of zij zelf slapen en droomen. En Jezus, die altijd aan het kleinste denkt zoowel als aan 't grootste, moet hen zelf wakker maken met de vraag: „Ziet gij
JONdK DOOI)F.N.
niet, dat het kind nog- zwak is en honger heeft? Zij heeft in zoo lanif niets gebrüikt. (Toeft haar toch wat te eten.quot;
Wij moeten Jezus nog eens volgen op zijne reis; of liever op zijne wandeling: want hij reisde niet ver.
Veel had hij gesproken, en ging nu in zijn huis te Kaper-naüm. Daar ontving hij het verzoek van een heidenschen officier, om zijn knecht te genezen. Maar hiervan heb ik u niet verteld, omdat het geen kind was, en zijn kind ook niet.
Den volgenden dag wandelde Jezus naar een klein stadje, dat Xaïn heette. Het lag midden in 't land, bij den mooien berg Thabor en 't kronkelend beekje Kison. Ma ar die namen hebt gij nu niet veel aan. Ik zou het u liever eens laten kijken; maar 't is te ver van huis.
Jezus wandelde dan vooraan en zijne discipelen volgden. Het was lief en stil in de natuur, en toch was 't geen rustige wandeling: want eene menigte menschen volgden, benieuwd of Jezus ook hier of daar zich neerzetten en leeren zou.
Zoo naderde men het stadje. De kleinste steden hadden toen poorten, die men 's nachts sluiten kon, zooals vroeger ook in ons land. Maar overdag stonden zij open. En zoo ziet men al van verre een anderen en diep treurigen optocht de poort uitkomen.
Een doodc wordt uitgedragen: want de Israëlieten hadden hunne begraafplaatsen buiten de stad, doorgaans in holen en spelonken, (rij weet, Jezus is later ook zoo
JONGE DOODKN.
begraven. En de doode lag niet in eene kist besloten, maar open op een draagbaar, alleen met linnen omwonden, en om 't hoofd een zakdoek, zoodat men 't gezicht kon zien.
1 Iet was eene recht treurige begrafenis. Want liet is een jongeling, in de eerste kracht van zijn leven weggenomen. En dan de steun zijner moeder: want zij is eene weduwe, en hij haar eenige zoon. Is 't wonder, dat eene groote menigte volgt uit de kleine stad, waar ieder den ander kent? Men heeft er algemeen medelijden met die arme vrouw, die daar waggelt achter de dragers. 1 hire eenige vreugd daalt in 't graf, haar geslacht sterft uit, haar ouderdom zal enkel kommer en ellende wezen. Zij mocht ook wel zeggen als Naomi, van wie ik u uit het Oude Testament heb verteld: „Noemt mij voortaan Mara; want de Heer heeft mij bitterheid aangedaan.quot;
En toch zal 't haar nog een troost zijn geweest, dat de gansche stad den doode volgde, velen met tranen in de oogen. Zoo was haar zoon er geacht en zij bemind. Nu waren 't geen gillende wijven meer en lachende fluitspelers, maar 't was echte droefheid en rouw.
De twee optochten, die bij Jezus en bij de weduwe, naderden elkander; de laatste langzaam. Zoodra Jezus de arme vrouw, door rouw neergebogen, van naderbij ziet, wordt hij met innerlijke ontferming bewogen. Zoo staat er: want de goede Jezus kon geen lijden zien, zonder mede te lijden en te troosten. „Ween niet!quot; zoo riep hij haar toe, en terwijl hij nog een stap verder deed, raakte hij de baar aan.
Vanzelf stonden de dragers eerbiedig stil, en zetten die op den grond. In het rond is eene stilte als van het
ï-2 JONGE DOODEN.
graf. Tozus ziet het jeugdige gelaat, maar nu zoo bleek en zoo koud, en met eene krachtige stem spreekt hij; „Jongeling! ik zeg u, sta op!quot;
En de doodo deed de oogen open. Zoo goed hij in de windsels kon, richtte hij zich op, en zat overeind. Toen begon hij te spreken. Er staat niet, wat; maar t zal wel verschrikt en verward zijn geweest. „Waar ben ik? Wat doet ge met mij? Ben ik zoo ziek, ben ik dood geweest? En — is dat Jezus niet?quot;—Maar hij is terstond bedaard, en schreit van blijdschap, als hij zijne moeder ziet. En deze is nog bijna wezenloos van schrik; maar Jezus neemt den doode, die nu niet dood meer is, bij de hand, en geeft hem zijne moeder in de armen.
Wat zullen de dragers zich gehaast hebben, om hem van al die linnen doeken te bevrijden, cn een kleed om te doen. En terwijl allen de weduwe geluk wenschen, hoe geheel anders is de terugtocht door de poort! Maar voor Jezus gaat men eerbiedig uit den weg, als voor den Heer van leven en dood. Hij kan zoo stellig spreken; „Sta op, gij doode!quot; omdat, zooals hij zegt bij Lazarus graf, hij zeker weet, dat de Vader hem altijd hoort.
En nu zal het u later wel eens gaan, kinderen, zooals 't mij vroeger ging. Als gij ook voor t eerst zulke droeve dooden ziet, of ze zelf verliest, zal de wensch bij u opkomen; „Was Jezus nog op de aarde!quot;
Maar bedenkt u wel. Drie malen—zoo ver wij weten -heeft Jezus een doode opgewekt; en hoe velen zullen er in die jaren gestorven zijn? Zeker ook wel, waar even bittere tranen om zijn geschreid. Jezus kwam niet. om
JONGE DOODEN. '73
ziekte en dood af te schaffen; alleen om te toonen, dat hij machtiger was dan zij; dat hij menschen redden kon en zalig maken.
En dan, wij lezen nergens, dat Jezus iemand heeft opgewekt, omdat hij medelijden met den doode had. Die leed op aarde niet meer. Was hij braaf geweest, dan werd hij zalig in den hemel; en zoo niet, dan was hij niet meer te helpen. Neen! maar Jezus wekte het meisje en den jongeling op uit hun eersten doodslaap, zooals hij ook de zieke kinderen genas, enkel uit medelijden met de ouders, de moeders vooral.
Elia en Elisa hebben, onder het Oude lestament, ook twee moeders gelukkig gemaakt. En Jezus drie moeders en drie vaders. Want hij gevoelde er alles van, omdat hij zelf zulk eene goede moeder had.
Maria had hem onuitsprekelijk lief. En al kon Jezus niet rustig bij haar te huis blijven, zooals moeders doorgaans verlangen, hij had haar daarom niet minder lief. Hij dacht nog aan haar, toen zij zoo bitter weenende bij 't kruis stond; en verzocht, onder al zijne smarten, zijn vriend Johannes om als een zoon voor haar te zorgen.
-XIII.
TIEN MEISJES.
Tien niaagdcn namen hare lampen, en gingen uit, den bruidegom te gemoet Matth. 25 : i.
Het kinderspel op de markt is dan ernst geworden. „Men heeft klaagdiederen gezongen, en er is geweend.quot; Is 't ook zoo met 't bruiloftspel: „Ze hebben op de fluit gespeeld en er is gedanst?quot; — Ja, kinderen! ook eene bruiloft heb ik u te beschrijven, zoowel als eene begrafenis. Maar 't is ditmaal eene vertelling, eene Gelijkenis van den Heere Jezus.
Ook die bruiloft gaat met veel vertoon en gedruisch. ook nu nog in het Oosten. De bruidegom gaat de bruid afhalen. Want van haar ouders huis gaat in den avond, als het donker wordt, de optocht uit. De bruid, rijk gekleed, zit in een draagstoel. Daar omheen wandelen hare bruidsmeisjes. Voor haar, in een anderen draagstoel, zit de bruidegom. De optocht wordt geopend en gesloten door de vrienden van den bruidegom, met fakkels en toortsen. En natuurlijk zijn de fluitspelers er ook bij, die de maat aangeven voor het zingen en dansen.
Vriendinnen van de bruid kunnen zich onderweg aan-
TIEN MEISJES.
sluiten, mits zij ook fakkels hebben. Maar het zou onbe-scheiden wezen, om dadelijk, vóór de deur der bruid, zich bij de gasten te voegen. Daarom kiezen zij eene plaats onderwegquot;, waar de stoet voorbij moet. Hier blijven zij wachten.
Kn dat wachten kan wel eens een uurtje duren. Wanl zingend en dansend gaat de optocht voort, en het dansen gaat niet vlug. Men zegt wel eens: „Alles van den grond behalve de beenen;quot; en dat zouden wij ook haast zeggen, ;ds wij het dansen der Oostersche volken zien. quot;t Zijn meer allerlei sierlijke bewegingen, dan een huppelen of springen.
1 Iet volk stelt in dit alles veel belang, en verveelt zich niet onder 't wachten. Zelfs bij ons, waar alles zooveel stiller gaat, moet ieder zien, hoe de bruid gekleed is.
lien jonge meisjes hadden afgesproken, om ook van de partij te zijn. De bruid kende ze wel, en de gastvrije bruidegom liet ieder binnen, die met een fakkel in de hand zich aan de dansende en zingende reien aansloot.
Hoe oud zouden ze zijn, die meisjes? Ik denk tusschen de twaalf en vijftien jaar. Wij hebben 't al meer gezien, dat die Oostersche kinderen zoo spoedig opschieten, en op hun twaalfde jaar met de grooten mee tellen. Ja! op haar twaalfde jaar trouwen soms de meisjes al. Maar of ze daarom ook zooveel vroeger wijs zijn: — wij zullen zien.
Maar eerst moet ik u die lampen beschrijven, waar in dit verhaal zoo dikwijls van gesproken wordt.
Met gewone lampen kan men iemand wel bijlichten, maar geen fakkeltocht houden. Daarom nam men een koperen schotel met olie, dien men boven op een stok schroefde. Daar deed men een grove wollen pit in. Zoo-
TIEN MEISJES.
lang zij nu stil zaten en wachtten, lieten zij die pit maar zoo ver branden, dat zij niet uitging-. Begon nu de optocht, dan. werd de pit breed uitgehaald en gaf een groote vlam. ()nze oude moedertjes, die nog enkel lampolie brandden, verstonden die kunst ook, en de oude Romeinen hadden er expres tangetjes voor. Daarna werd de schotel op den stok vastgeschroefd, en zwaaide men er mee, ook al op de maat der muziek.
Als nu de zon onderging, haalden de tien meisjes elkander af, en gingen uit met de brandende lampen. Toen zij op eene plaats gekomen waren, waar zij den bruidegom niet konden missen, en hem al verre in 't gezicht hadden, zetten zij zich neer, en praatten over al de pret van de bruiloft. Die jonge meisjes waren niet gesluierd, zooals de bruid, van wie niets te zien was als de oogen. Zij hadden hare beste kleederen aan, en waren in haar beste humeur. Dat kunt gij denken.
Maar 't was doodstil in den omtrek. Alles stroomde naar 't huis van de bruid. Van daar moest de stoet uitgaan, en al juichende en zingende het volk mee. Lang zal 't niet meer duren. Doorgaans komt de bruidegom zoodra 't geheel donker is.
Maar vandaag komt hij toch zoo spoedig niet, en of de vriendinnen al turen in de donkere verte, hij is nog niet in 't gezicht. Al pratende en uitkijkende, — want zij mogen de plaats niet verlaten, — zetten zij zich recht op haar gemak, en worden dommelig-. Wat komt het er ook op aan? De stokken liggen naast haar, do lampen branden. Als de bruidegom komt, is er nog tijd in overvloed, om de vlam uit te halen en de lamp op den stok te schroeven.
I 70
Terwijl dan elk naar haar vlammetje kijkt, daar er niets anders te zien is, is het alsof dat licht begint te schemeren, de oogXMi worden al kleiner en vallen dicht. Zij sluimeren, zij slapen in, zoo vast als de jeugd slapen kan.
Voor den slaap bestaat geen tijd. Het gebeurt mij soms, dat ik na een onrustigen slaap, vol van droomen, wakker word en denk: „Heb ik mij ook verslapen?quot; en 't is nog midden in den nacht. Of dat ik na een gezonden slaap aan den morgen wakker word, en denk, dat ik pas bon naar bed gegaan. En als oudelui dikwijls onrustig slapen, deze meisjes sliepen zeker gerust; jong, gezond en zonder zorg.
Zoo ging uur op uur voorbij. Aan het huis van den bruidegom wordt men al ongerust, en dat van de bruids-ouders wordt door het ongeduldige volk belegerd. Wat is er voor oponthoud? Ik weet het niet. Maar wel, dat het al twaalf ure is, dus middernacht, als de slapende meisjes opschrikken van 't geroep: „De bruidegom komt! De bruidegom komt! Gaat uit hem te gemoet.quot;
Dat roept het volk, dat mede of vooruit loopt, en weet, dat die meisjes wachten. En 't is nog niet tc laat. Zij zien wel van verre de toortsen al schemeren, en hoo-ren muziek en zang en dans; maar quot;t gaat zoo langzaam, dat zij op haar gemak haar flambouwen kunnen in orde brengen. En dat is ook alles, wat zij te doen hebben.
Met schrik wakker geworden, neemt ieder terstond hare lamp. Zij branden nog, maar heel flauw. Maar de pit is lang genoeg. Die zal wel spoedig doorbranden en een flinke vlam geven. Doch nu zien zij 't pas. De olie is opgebrand. Spoedig' nieuwe olie bijgegoten, en dan
met haar tangetje de pit breed uitgehaald, en de lamp op den stok geschroefd.
Maar jawel! daar komt het nu op aan. Vijf meisjes hadden er op gerekend. Wat zelden gebeurde, dat de bruidegom zoo lang weg bleef, kon nu gebeuren. Zij hadden dus elk nog een kruikje olie meegenomen; juist g'enoeg, om den schotel nog eens te vullen. Daarom worden zij de ivijzc maagden genoemd, verstandig en bezorgd voor hare jaren; maar de vijf anderen waren dwaas: want als lichtzinnige kinderen hadden zij er niet op nagedacht, vol van de bruiloftspret.
Arme kinderen! wat zullen zij doen? „Och!quot; smeek en zij; „geeft ons wat van uwe olie, want onze lampen gaan uit, en zoo kunnen wij aan den optocht ons niet aansluiten.quot; — En de andere meisjes zouden wel gewild hebben, maar kunnen niets missen. Het moeten groote flambouwen worden, die bij den langzamen voortgang, tot de bruiloftszaal toe even flink doorbranden. Als zij do olie deelden, kwam niemand daarin.
Toch hebben zij medelijden met hare vriendinnen, en geven haar nog den verstandigsten raad. „In plaats van hier te staan klagen en jammeren,quot; zeggen zij; „loopt zoo gauw gij kunt naar de stad terug. Klopt den winkelier op, koopt olie en vult uwe lampen. Gij zult den trein nog wel kunnen inhalen.quot;
Of ze loopen, die arme meisjes! Maar de winkelier is te middernacht ook zoo vlug niet om open te doen, en haar aan olie te helpen. Kruikjes hebben zij niet eens bij zich, en moeten dus de volle schotels voorzichtig dragen, dat de olie niet overloopt of de pit er in verdrinkt. Arme, arme kinderen!
loch zal 't gelukken. \'an verre zien zij het licht van don optocht nog- en hooren de muziek, al is reeds lang de trein haar rustplaats voorbij. Nu haasten zij zich, om hare lampen in orde te brengen en op te schroeven. Op dat oogenblik komt 't aan. 1 laast u! zwaait de flambouwen, al komt gij dan in 't achterste gelid!.. Nog maar een klein eindje ... Maar och ! och ! terwijl zij den laat-sten hoek omslaan, daar zien ze net den optocht binnengaan. Na quot;t lange oponthoud heeft men zich een weinig gehaast. En tegen het opdringende volk wordt terstond de poort gesloten.
Buiten adem loopen zij er tegen aan. maar geven 't nog niet op. Zij kloppen op de poort, en roepen; „Doet nog even open, even maar! Wij hooren er ook bij, en hebben juist onze lampen ontstoken.quot; En als zij hooren, dat de bruidegom zelf vóór komt, smeeken zij: „Och, 1 leer! laat ons toch binnen!quot; — Maar deze antwoordt: „Ik ken u niet. Wie tot de bruiloft hooren, zijn al binnen. Maak dan zoo'n leven niet aan de deur, en gaat hoon.quot;
En daar staan ze nu, en kunnen hare lampen wel uitdoen. Zij hooren het gezang en den dans. Zij verbeelden zich die heerlijke zaal, dat vroolijk feest, die prachtig gekleede bruid ; en hare vriendinnen daar binnen.
0 hoe graag zouden zij daar ook zijn! Aan de jeugd past de vreugd; — maar 't is te laat, te laat door haar eigen schuld, en schreiende gaan zij naar huis.
Als gij dit verhaal nu goed onthoudt, kinderen ! zult gij. als gij grootcr wordt, nog beter begrijpen, wat de
1 loere Jezus er mee bedoelde. Xu zullen wij alleen aan 't einde het oude spreekwoord zotten :
I 80 TIEN MEISJES.
Een 7ucintg tr laat, is veel ie laat.
Daar rent een jonyen, die zijn tijd verpraatte, naar het station. Onderweg loopt hij een paar kinderen omver on de honden blaffen hem na. Buiten adem komt hij er, — juist tijds genoeg, om de lokomotief te hooren fluiten en den trein te zien wegvliegen.
Een vlugge knaap zal examen doen. Niemand twijfel^ of hij komt er door. Nog voor éen vak is hij niet klaar, en daarvoor houdt hij den laatsten dag vrij. Maar hij verslaapt den morgen, en staat met hoofdpijn op. Het is te laat.
Of oen meisje heeft een werkje onderhanden voor moeders verjaardag; maar gaat zoo dikwijls uit in haar vrije uren. „'t Zal toch wel klaar komen!quot; En juist door die gedachte komt het niet klaar.
Zoo zou ik meer kunnen noemen, maar het zijn wereld-sche zaken. Die zijn meestal nog in te halen of goed to maken. Maar — zie daar dat jongmensch, dat zijnen ouders zooveel verdriet deed, en nu uit een ver land terugkeert om hun vergeving te vragen ; .... Hij vindt allee n hun graf, on trekt zich do haren uit t hoofd !.... Ziet Judas, die Jezus verraden heeft, en nu 't geldierug-brongt, dat zij niet willen aannemen, en daarna een eind aan zijn loven maakt... .
Te laat, te laat berouw !
Maar van oen vroolijke bruiloft begonnen, is t einde toch wat al te droevig. Stelt gij tegenover te laat hot woord bijtijds, on 't zal voor u nooit zoo droevig zijn.
XIV
HOSANNA'S IN DEN TEMPEL.
De kinderen riepen in den tempel: „Hosianna! den Zoon Davids!quot;
Matth. 21 : 15.
Weder heb ik u van een feest te verhalen, maar dat werkelijk gebeurd is en goed afgelonpen.
Kent ge den Palmzondag, den zondag vóór Paschen ? Ik Avilde u eens \-ertellen, waarom hij zoo genoemd wordt: want palmboomen groeien hier niet. Die zijn te kouwelijk.
Maar in 't Joodsche land, waar Jezus woonde, groeiden zij wel. Jericho, daar hij meermalen doorreisde, heette „de palmstad.quot; Zoo vele en zoo mooie palmboomen waren er. Jezus reisde dan ook nu er door, naar Jeruzalem, en vele duizenden menschen; want het was eene week voor Paschen.
Maar hij was niet gewoon, dadelijk naar de stad te gaan. daar hij onderweg, te Bethanië, goede vrienden had; misschien kent gij ze wel: Lazarus met zijne zusters Maria en Martha. Daar bleef hij dan 's nachts, omdat er in de hoofdstad geen plaats was, en iederen morgen wandelde hij naar Jeruzalem, liet was niet ver: alleen den Olijfberg over.
i 82 hosanna's in den teml'el.
liet sabbatsmaal, waar de Joden nog veel werk van maken, had hij bij zijne vrienden gebruikt en dien nacht er geslapen. De volgende dag, Zondag, was voor de Joden de eerste werk- en reisdag. Dan kwamen groote karavanen van alle kanten Jeruzalem binnen.
Jezus wandelde anders altijd, en quot;t is een mooie wandeling, den Olijfberg over, waarop olijf- en wijngaarden, vijgeboomen en palmen elkaar afwisselden ; en als men boven op komt, is 't een heerlijk gezicht.
Maar nu wilde Jezus 't eens anders doen. Hij zond twee apostelen naar een ander dorp, en liet van daar een jongen ezel halen, waar nog niemand op gereden had. Gij weet nu al, dat hier niets vreemds in was. Op een paard reed alleen een krijgsman in den oorlog-; maar Jezus kwam om vrede te brengen.
Maar al was 't nu al een flinke jonge ezel, —- mooier dan wij ze hier hebben, — daar nog niemand er op gereden had, droeg hij ook geen zadel. Daarom legden de apostelen er hunne mantels op. Zoo kon Jezus gemakkelijk zitten. Anderen spreidden kleeren op den weg. Men plukte bladeren van de palmen, hakte takken van de wilde vijgeboomen, en strooide groen en bloemen. En de honderden en nog eens honderden, die voorafgingen en volgden, zwaaiden met palmtakken en zongen, terwijl Jezus langzaam voortreed.
En wat zingen zij ? Hoort maar
Hosianna! Hosianna!
(Dar is: „God geve heil en zegen!quot;)
Gezegend die komt in den naam des Heeren !
Hosianna, de Zoon Davids!
1 losianna tot in de hoogste hemelen.
hosanna's in den tempel.
Maar nu moeten wij toch een oogenblik dien optocht laten gaan. Straks zullen wij hem wel weer inhalen.
't Is om lesvragen, wat dit alles beduidt. En daar gij uit die opgewonden en zingende menschen toch niet kunt wijs worden, zal ik het u maar zeggen.
De oude profeten hadden voorspeld, dat er eens, uit de familie van Koning David, nog een veel grooter Koning komen zou, die in vrede zou regeeren en de 1 leidenen tot God brengen. Zacharia had zelfs gezegd, dat die komen zou als eene vreedzaam leeraar, op een ezel gezeten, en niet als een krijgsman te paard. En daarom wilde Jezus nu aan Jeruzalem toonen, dat hij die grootste profeet was, die Koning des vredes; — of, zooals ze hem noemden; „deChristus, de gezalfde Gods.quot;
De karavanen uit Galilea geloofden dat en juichten hem toe. Maar do Joden te Jeruzalem wilden liever een aard-schen Koning, die hen van de Romeinen kwam verlossen. Daarom geloofden zij in Jezus niet.
Zie zoo! Wij hebben den optocht weer ingehaald, leder oogenblik komen er nog meer bij. De menschen stroomen toe V£m alle kanten. Jongen en ouden zijn vroolijk en juichen. Alleen die nijdige Farizeën niet. Ze kwamen tot Jezus, en zeiden; „Meester! bestraf uwe discipelen toch, dat zij zoo'n geweld niet maken. Er komt nog oproer van.quot;
.Ma ar Jezus antwoordde: „Ik zeg u. dat zoo dezen zwijgen, de steenen haast roepen zullen.quot; — En zóo is 't gebeurd. Want toen Jeruzalem verwoest werd, dat er geen steen van op den ander bleef, toen was 't of er uit die puinhoopen eene stem opging; „Hij, dien g-ij verworpen hebt, was toch de Christus, Davids zoon.quot;
1«3
1s4 hosanna's in den tempel.
Doch daar dacht toen nog- niemand aan; niemand dan Jezus zelf. Want als hij op den top van den berg kwam, en daar opeens Jeruzalem diep onder zijne voeten zag liggen, hield hij een oogenblik zijn ezel op. Zijne oogen schoten vol tranen, en hij weeklaagde over al de ellende, die hij vooruit zag: „Jeruzalem! Jeruzalem! Och of gij nog bekendet, nog in dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient.quot;
Wie 't verstonden, werden stil en nadenkend; maar verre de meesten juichten vroolijk voort. Zoo daalde men den Olijtbcrg af. In Jerusalem had het volk al lang den optocht gehoord en gezien. De stad liep uit. „Wat is er toch te doen?quot; vroegen de menschen. En 't antwoord was: .,'t Is Jezus van Xazaret, de groote profeet uit Galilea.quot;
Maar wachtten zij nu, dat Jezus als Koning zich aan quot;t hoofd der Joden stellen zou, dan zijn zij bedrogen naar huis gegaan. Aan de poort ging Jezus van den ezel af. De apostelen deden hunne mantels weder om. De schare verstrooide zich in de drukke stad. En daar het intus-schen avond werd, ging Jezus den tempel maar eens door, en wandelde toen terug naar Bethaniö.
Maandagmorgen vroeg- was Jezus alweer op weg naaiden tempel. Daar buiten was een open ruimte voor do heidenen, die God wilden aanbidden. Maar de gierige priesters hadden er plaatsen verhuurd aan geldwisselaars en kooplieden in vogels en vee. Dit hinderde Jezus. Hij dreef allen er uit. Het huis zijns Vaders moest een huis des gebeds zijn. En in plaats van hen kwamen nu blinden en lammen, die Jezus genas.
„Maar de kinderen?quot; denkt gij. „Ik heb er nog geen
hosanna's in den tk.mpei,. 185
een hooren noemen; en toch zouden wij graag ook hier iets lezen van kinderen in den bijbel.quot; Wel, kinderen! ik zal er ook geen met name noemen; maar gansch die optocht op Palmzondag bestond zeker voor een deel uit kinderen, en die uit Jeruzalem kwamen, neg meer. Xet een pretje voor jongens ! Ik wed, dat zij in de boomen klommen en op de daken zaten, en den hocgstcn toon meezongen.
Wilt gij 't hooren ? Maandagmorgen zong geen van Jezus' discipelen de hosanna's meer. Maar de jongenspret was nog niet uit.
Waren de straten van Jeruzalem, zooals wij vroeger zagen, vol vjm spelende jongens en meisjes, ook in die ruime voorhoven en galerijen van den tempel hadden zij pret, en wisten zeker, hoe ver zij komen mochten.
Toen nu Jezus een geesel van touwtjes maakte en al die kooplui er uit dreef, dat was een kolfje naar hun hand, en weer zongen zij 't lied van gisteren: „Hosianna, de Zoon Davids!quot;
Maar de priesters en Parizeen namen dat zeer kwalijk en zeiden tot Jezus: „Hoort gij wel. Meester! wat zij daar roepen? Komt dat in den tempel te pas?quot; Maar Jezus antwoordde: »Hebt gij dan nooit in den achtsten Psalm gelezen: Uit den mond der zuigelingen en der jonge kinderen hebt Gij, o God! U lof bereid?quot;
En zuigelingen zullen het wel niet geweest zijn, maar toch kinderen, die nog geen haat tegen Jezus kenden, en hem zoo vriendelijk vonden en zoo goed;—jonge kindoren zeker ook wel, zooals Jezus ze op zijne armen nam en zegende: want de kinderen trokken Jezus aan en Jezus de kinderen.
l{j(j hosanna's in den tempel.
Vier dagen later riep het woedende volk, door de nijdige Farizeën opgestookt: „Kruist hom! Kruist hem! Maar geen enkele kinderstem hooren wij daaronder, zelfs niet van den gemeensten straatjongen; en op den Kruisweg of op Golgotha zien wij de kinderen ook niet.
XV
TWEE BROEDERS.
Ken mcnsch had twee zonen.
Matth. 2 1 : 28
„Twee broeders, - hebben wij daar al niet van gehoord? En was de verloren zoon niet de jongste?quot; — Hei, hei, kinderen! .VI zijn 't nu ook twee broers, daarom zijn het dezelfden nog niet. Alaar zij verschillen evenveel van elkander, als van die vorige broeders. De familietrek lag misschien wel op 't gezicht, maar niet in het karakter.
1 let verhaal van Jezus begint van den vader. Hij bezat een mooien wijnberg. Is het daar verbazend druk in den wijnoogst, als de druiven geplukt worden en geperst, ook op andere tijden is er altijd wat te doen. liet onkruid moet worden uitgeroeid; de stekken aangeaard of bijge-plant; wachttoren en persbak tegen den oogst nagezien, en vooral de omheining in orde gehouden, en de vossen, die de druiven snoepen, er uit geweerd. Anders wordt het de akker des luiaards, die Salomo zóo beschreef: „De steenen ringmuur was omgezakt, de wijnstokken verwoest, alles met doornen en distelen bewassen.quot; — Een van die twee jongens schijnt wel zoon luilak te wezen.
TWEE BROEDERS.
In den oogsttijd huurde men arbeiders. Nu kan de vader het met zijn eigen volk wel af. Als dan een van zijn zonen er bij is, werken de knechts beter. Maar t is niet noodig, dat beiden te gelijk er heen gaan. Ik geloof ook niet, dat de broers best samen overweg kunnen. De vader kiest er dan éen uit. „Den eerstenquot; noemt Jezus hem, maar dat is daarom nog niet gezegd; „do oudste.quot; Ik denk eer de jongste, die ook in de andere Gelijkenis de lichtzinnigste was.
De vader gaat dan tot hem, en zegt op vriendelijken toon: „Zoon! ga heen; werk heden in mijn wijngaard.quot;
_ Wat hij doen moet, behoeft zijn vader hem niet te
zeggen; dat weet hij zelf wel.
Maar quot;t jonge mensch is geheel uit zijn humeur, en lui er bij. Hij zegt kortweg: „Ik wil niet.quot; — Xiet eens, als in eene andere (Tclijkenis: „Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd; ik heb juist wat anders te doen. Of zelfs; „Ik heb er vandaag geen zin in, vader!quot; Neen! zoo lomp en oneerbiedig als 'tkan; „De wijnberg? Dank je wel. Ik wil niet.quot; — En al had hij nu geen zin in die brandende hitte en 't vermoeiende werk; ja! al deed hij 't uit liefde en eerbied voor zijn vader niet, hij had toch moeten bedenken, dat hij alles aan zijn vader verplicht was, en ook van den wijnberg mee genieten zal. Ik heb meer zulke jongens gekend, die schenen te denken, dat vader en moeder er alleen waren, om voor hen te werken en hun in alles hun zin te geven. O foei! hoe zullen zij het vinden met het Vijfde Gebod, als zij eens. voor God ter verantwoording worden geroepen .J
Intusschen, wat zal de vader doen? Een daglooner stuurt men weg, en neemt een ander; een slaaf jaagt
TWF.K HROKDEK.1-
men met de zweep er heen; maar een grooten jongen bij de ooren te pakken en dan tegen zijn zin te laten werken: — neen ! dat gaat niet.
De vader ziet dus den onwilligen knaap droevig aan en zucht. Dtiarop gaat hij heen, gelukkig dat hij nog een zoon heeft, die vriendelijker is. Hij zoekt dien op, en zegt nog eens 't zelfde: „Mijn zoon! ga heen en werk heden op mijn wijnberg.quot; Dat gaat beter. Hij antwoord terstond: „Tot uw dienst. Heer! Ik ga.quot; — Er is een nederbuigende eerbied in dat „Heerquot;. De vader, wil hij zeggen, is zijn heer en meester. Hij heeft slechts te gebieden. Zijn wensch is een bevel.
Gerust gaat de vader naar huis. Maar nadat hij ontbeten heeft, wil hij toch eens gaan zien, of het werk goed vordert. Tegen den middag gaat hij dan ook naar den wijnberg, en omdat die steil is en hoog, ziet hij van verre al zijn zoon aan 't werk. Maar als hij naderbij komt, hoe heeft hij het nu? 't Is zijn zoon wel, maar de eerste, en niet de tweede.
Hoe komt dit? Wel, die tweede was een mooipraat, gewoon zijn vader te vleien. Maar nu 't op werken aankomt, nog al zwaar werk in die brandende hitte, heeft hij er geen zin in. Die wijnberg loopt niet weg, en dat werk kan morgen wel gedaan worden, door een ander misschien. Gelukkig, dat de wijnberg op dien mooi-praat niet behoeft te wachten.
Miiar hoe is 't met den eersten, denkelijk jongsten zoon? Ruw is hij, maar niet zonder gevoel. Als zijn vader tegen hem had uitgevaren, zou hij boos geworden zijn; maar nu wordt hij beschaamd. Dat vriendelijke oog, dat hem schijnt te zeggen: „Jongen, jongen! spreekt gij
IQO TWEE BROEDERS.
zóo tegen uw vader?quot; dat kan hij niet verdragen. Hij legt zich neer, maar vindt geen rust. Hij gaat uit, maar 't volgt hem overal na. „Kom!quot; denkt hij eindelijk; „ik zal 't goedmaken, en zonder 't hem te zeggen, mijn vader verrassen.quot; — En zoo vindt deze hem op den wijnberg.
Als Jezus dit verhaald heeft in den tempel, de laatste week van zijn leven, vraagt hij: „Wie van de twee heeft den wil des vaders gedaan?quot; — „Natuurlijk de eerste,quot; is het antwoord. — „Maar dan zijt gij aan dien ander gelijk,quot; vervolgt Jezus : „Gij Farizeön en priesters hebt altijd den mond vol van God en godsdienst. Doch toen Johannes de zondaars tot bekeering riep, hebt gij hem niet geloofd en gevolgd. Slechte en gemeene mcn-schen, die zich vroeger met kerk en tempel weinig bemoeiden, hebben hem aangehangen en berouw gehad. Daarom gaan zij u vóór in het koninkrijk der hemelen. quot;
En wat zeiden zij hierop ? Zij konden er niets tegen zeggen, maar werden hoe langer zoo nijdiger. O die booze menschen, die de waarheid niet verdragen kunnen, omdat ze huichelaars zijn!
En nu begrijpt gij wel, kinderen! dat geen van beide broers een goed voorbeeld is; maar toch de eerste nog 't meest. Daden zijn meer waard dan woorden ; en van die mooipraters is weinig te wachten.
XVI.
WEEXENDE MOEDERS.
Weent over uwe kinderen Luk 23 : 28.
„Er is een tijd om te schreien en een tijd om te lachen,quot; zegt een oude wijze. (Prediker 3 : 4.) Die nu zit te schreien, terwijl hij vroolijk moest zijn, is ondankbaar; maar wie lacht en spot, terwijl allen treurig zijn en weenen, toont, dat hij geen gevoel heeft.
Zoo was 't op Goeden Vrijdag, den dag van Jezus' dood. Er zal toen wel weinig gelachen zijn te Jeruzalem.
Die trotsche Farizeën en Overpriesters hebben den Romeinschen landvoogd Pilatus gedwongen, om Jezus te laten kruisigen. Jezus in de plaats van den moordenaar Barabbas! En nu zie! daar gaat hij uit, de poort en de stad uit, dragende zijn kruis. De straffen waren wreed in dien ouden tijd. Al was 't Barabbas geweest, dan zouden wij vragen: „Als de man toch sterven moet,
■ en hij heeft 't verdiend! — waarom hem dan zoo vreeselijk gemarteld?quot;
Verbeeld u: eerst met riemen gegeeseld, dat het bloed er langs loopt; met de doornenkroon, waar zij op slaan, het hoofd verwond; en dan op die ontvleeschte schou-
WKE.NE.NDE HOEDERS.
U)2
tiers den zwaren kruisbalk gelegd, en daarna met de zweep voortgejaagd, de stad uit en den heuvel Golgotha op!
En Jezus onderwerpt zich, en draagt geduldig, zonder een woord te spreken. Maar eindelijk kan hij niet meer. De soldaten zien, dat het geen onwil is. Zij vreezen, dat als zij hem met geweld opjagen, hij er er niet levend komen zal. En dat zou jammer wezen !
Juist komt er een boer van 't land. Hij heeft zeker wel gehoord, wat heel Jeruzalem in opschudding brengt, maar wil er niets mee te doen hebben. Daarom is hij vroeg naar zijn land gaan kijken, of 't koren al rijp is, en komt nu tegen negen ure terug.
„Die ziet er stevig genoeg uit!quot; zeggen de Romein-sche soldaten. En zij dwingen hem, het kruis over te nemen. Daar was niets tegen te doen. Die soldaten speelden den baas in 't Joodsche land. Simon van Cyrene zegt er dan ook geen woord tegen. Het zou hem toch niet geholpen hebben.
Zoo kon Jezus zich weer oprichten. Nu de optocht een oogenblik stil staat, stroomt de menigte uit de stad al meer toe, vrouwen het meest. Als zij den beroemden leeraar uit Nazaret zoo ellendig zien, op weg tot zoo'n vreeselijken dood, weenen en jammeren zij, zooals men doet over een geliefden doode. Zij hebben geen verstand, die vrouwen, van al die Joodsche twisten. Zij weten alleen, hoe goed Jezus was, hoeveel armen en kranken hij heeft welgedaan.
Dat medelijden deed Jezus goed. Troost hij dan die weenenden? O neen! Hij zegt: „Weent niet over mij, gij dochters van Jeruzalem! maar weent over u zei ven
WF.F.N'ENDF. MOEDERS. 193
en over uwe kinderen!quot; — En waarom moesten nu die moeders over hare kinderen weenen ? Hun overkwam niets kwaads, en Jezus wel. — Maar wat nog niet is, zal komen. Jezus ziet het voor oogen, alsof 't al gebeurde. Binnen veertig jaren wordt gansch Jeruzalem door zulke soldaten omringd, uitgehongerd, in brand gestoken, geplunderd; duizenden gekruisigd of met het zwaard gedood . . .
Leven dan nog sommige van die vrouwen, en anders hare dochters, dan zullen zij weenen en weeklagen over hare kinderen... „Want,quot; zegt de Heer; „de dagen komen, waarin men in zijn doodsangst zeggen zal: Bergen, valt op ons, heuvelen, bedekt ons! Want wanneer zoo aan 't groene hout wordt gedaan, wat zal er aan het dorre geschieden?quot; — Wanneer een onschuldig en edel mensch zoo sterven moet, wil Jezus zeggen, hoe zal 't die booswichten vergaan?
„Weent over uwe kinderen!quot; — O dat is treurig, wanneer eene moeder, die zoo gelukkig was in haar kind, die er zoo oneindig veel voor deed, ja! zich geheel er voor opofferde, schreien moet om dat kind. Als het ziek is, als het sterft, dan is zij diep ongelukkig; en toch zijn dat nog de bitterste tranen niet. Maar als 't kind slecht wordt, en in zijne zonden sterft... Ik moet er niet aan denken!... Zou de moeder van Judas Iskariot ook zoo geweend hebben ? De eenige, die hem betreurde, omdat hij toch haar kind was!
„Weent niet over mij!quot; — Hoe aandoenlijk ook die kruisweg is en vreeselijk die kruisheuvel, Jezus heeft onze tranen niet moor noodig. — „Weent niet over mij!
WEEN EN DE MOEDERS.
zoo roepen ons allen toe, die ons voorgingen naar den hemel, waar alle tranen van de oogen worden afgewischt. — Maar maakt dan ook nooit, kinderen! dat uwe ouders over uw gedrag moeten weenen.
XVII.
PAULUS EX TIMOTIIEÜS.
Van kindsaf hebt de Heilige Schriften geweten, die u wijs kunnen maken tot zaligheid.
2 Tim. 3 : 15.
\v aarom heeten nog zoo vele jongens Paulus en zoovele meisjes Pauline? Omdat onze voorouders hunne kinderen gaarne bijbelsche namen gaven, en wel, namen van goede mannen en vrouwen. Xiemand noemt zijn kind Kaïn of Absalom, Judas of Kajafas; maar wel Johannes of Jakobus, Petrus of Paulus. Men hoopte, dat de kinderen dan even braaf en vroom zouden worden, al werden zij niet zoo beroemd.
En zoo heeft dan nu ook Paulus duizend petekinderen, die hij nooit heeft gekend. Maar wie was die Paulus? Daarvan moet ik u nog meer vertellen.
Jezus was aan het kruis gestorven, maar ook uit den dood opgestaan en ten hemel gevaren. En nu was de tijd gekomen, om het evangelie te prediken aan alle volken. Wie dat het meest en het best deed, was de apostel Paulus, vroeger een bitter vijamT van de Christenen, die er een genoegen in had, toen de brave Stefa-nus gesteenigd werd. Maar in 't midden zijner vervol-
! (»8 PATquot;I.US r.N T1MOTHEÜS.
geen kwaad te zien was. Yin dat te meor, daar hij zolf geen kinderen had; want onder al zijn reizen en trekken, dikwijls vervolgd en vluchtende, vond hij 't beter, geen vrouw en kinderen te hebben.
Toen Paulus voor de tweede maal te Lystre kwam, vond hij Timotheüs zoo veel grooter geworden, en door geheel de gemeente geacht, dat hij aanbood, hem mee op reis te nemen. Dat zal een strijd geweest zijn voor moeder en grootmoeder! /ij hadden zich zoo aan dit kind gehecht. Maar toen Paulus er op aandrong en ook Timotheüs het graag wilde, gaven zij toe. Hij kon op die reizen toch meer leeren, en de gemeente meer nut doen, dan te huis.
Van dien tijd af noemde Paulus Timotheüs zijn zoon, zijn aangenomen kind. En zooals 't ons, oude men-schen, gaat, hij bleef voor hem een kind. (rij zult er u ook wel eens over verwonderd hebben, hoe een oud man zijn zoon of dochter van vijftig jaren „Mijn jongen !quot; of „Mijn meisje!quot; noemde.
Meestal had Paulus zijn lieven zoon bij zich, maar dat kon niet altijd. En wat is hij dan bezorgd voor hem! Naar Korinthe schrijft hij: „Zoo Timotheüs komt, ziet, dat hij zonder vrees bij u kan zijn;quot; want zekere bloo-heid of verlegenheid had hij nooit afgeleerd. Mogelijk kwam dit ook door zijn zwak gestel.
Toen nu Paulus hoorde, dat Timotheüs nog altijd last had van een zwakke maag, en toch niets meer dan liet volstrekt noodige gebruiken wilde, schreef hij hem (2 Tim. 5 : 23): »Wees toch niet langer een waterdrinker, maar meng er een weinig wijn door.'
In zijn tweeden brief aan Timotheüs, jaren later, klaagt
PAULUS F.N T1MOTHEÜS. iqq
Paulus, dat in zijne gevangenis, toen zijn leven in gevaar kwam, de meesten zijner vrienden zich hebben schuil gehouden. Daarom verlangt hij, eer hij den marteldood sterft, dat toch vóór den winter zijn Timotheüs bij hem zal komen. Op dezen kan hij rekenen.
Of hij nog tijdig genoeg gekomen is, weten wij niet. Alleen hooren wij naderhand, dat ook hij heeft gevangen gezeten, maar weer is losgelaten (Hebr. 13 : 23); en zegt de oudheid, dat hij langen tijd bisschop van Eféze is geweest.
Zegt mij nu alleen nog, gij die midden in een Christenland woont en zljt opgevoed! zou Paulus ook van u hebben kunnen zeggen, dat gij van kindsaf de Schriften hebt geweten?
XVIII.
EUTUCHUS.
Door den slaap bevangen, stortte hij van de derde verdieping, en werd voor dood opgenomen.
Hand. 20 : 9.
Een groot ongeluk! Uit de derde verdiepingquot; gevallen, ligt hij daar voor dood. Zal hij er het leven afbrengen? Met gebroken armen en beenen misschien ?
Die Eutuchus herinnert mij altijd een lieven, aardigen jongen hier in de stad, wien hetzelfde overkwam. Als hij nog leefde, zou hij al lang een man wezen, en misschien zelf een half dozijn jongens hebben. Maar 't is aardig, dooden worden niet ouder. Zij blijven even jong, als wij ze voor het laatst zagen. En zoo spreek ik dan ook dikwijls over jongens en meisjes van vele jaren geleden, vooral uit mijn jeugd.
Het is dan al voor lang, dat dit lieve knaapje leefde. Maar wat niet lief is, was, dat hij iets deed buiten weten van zijne ouders, iets dat zij zeker niet zouden hebben toegestaan.
Hij had van beneden af een spreeuwennest gezien onder de pannen. Dat wilde hij uithalen. Zijne ouders waren uit, en de meid dacht niet anders, dan dat hij
EUTUCH US.
naar boven was, om zich uit te kleedcn. Stil klom hij in de dakgoot. Hij hoorde de jonge spreeuwen al piepen. Xog maar even dien hoek om. Aan een dakpan kan hij zich vast houden. Maar... die pan laat los, hij verliest zijn balans, en komt van de derde verdieping op ijzer en steenen terecht. Xog leefde hij lang genoeg, om tot zijne ouders te zeggen: „Beknor de meid niet. 't Is alleen mijn eigen schuld.quot;
't Is stellig al dertig jaar geleden, en nog altijd zie ik er dat sombere, hooge huis op aan.
Enkel eigen schuld, en toch een ongeluk. Zou 't misschien bij dien Eutuchus ook zoo zijn ? Wanneer ik u alles verteld heb, kunt gij zelf zeggen, wat gij er van denkt.
De apostel Paulus, — dien kennen wij nu al : — had veel gereisd, gemeenten gesticht en brieven geschreven, tot hij eindelijk begon te verlangen, Jeruzalem weer te zien.
Wat hem daar overkwam, zullen wij later zien. Paulus had er een voorgevoel van. Daarom nam hij onderweg afscheid van die gemeenten, die hem het liefste waren. Hieronder behoorde de gemeente te Troas, waar hij zelf al voor jaren had gepredikt en velen zijn woord hadden aangenomen.
Hij vond er, onder andere vrienden die vooruit gereisd waren, ook Timotheüs, en bleef er met hen eene week lang, in de gedachte, dat het wel voor het laatst wezen zou. Daarom kwamen de Christenen dan ook eiken dag bijeen. En 's avonds, als ieder zijn werk gedaan had, waren zij er allen, en aten te zamen een stuk brood.
2(11
2Ü2
Zij zouden dat heden voor het laatst doen, daar Paulas den volgenden morgen weg moest. Nu moet gij weten, dat de Christenen in dien tijd nog geen kerken hadden. Die 't grootste huis had, en vooral de grootste zaal, ontving ze allen.
In 't Joodsche land waren de huizen meestal gelijkvloers. Bij de rijken was eene opperzaal op het dak. Maar de (irieken bouwden wat hooger. Zoo was in dit huis er nog eene derde verdieping boven op gezet; eene ruime zaal met luchtige vensters en veel lampen. Ik denk, dat die expres gebouwd was, om 's avonds samen te eten en kerk te houden.
Daar kwamen zij dan nu den laatsten avond weer bijeen. Xiemand bleef te huis. De zaal was stikvol. Het was na Paschen, en dan begint het daar te lande warm te worden. Ook al die olie-lampen maakten het wel wat benauwd.
Maar niemand lette daarop. Want Paulus had zooveel te vertellen van zijne reizen. En dan weer sprak hij van Jezus, als den eenigen Zaligmaker, en bezwoer hen voor het laatst, dat zij Hem toch trouw zouden blijven, ook als hij hun niet meer toespreken of schrijven kon.
De anderen spraken weinig. Zij hoorden Paulus liever. En onder die hoorders wordt ook Eutuchus genoemd. Dat 't een jongeling was, hebt gij al hierboven gelezen. Later wordt hij een knaap genoemd. Ik houd hem voor een zoon des huizes, en schat hem zoowat op tien, hoogstens twaalf jaar, juist als die aardige jongen daar ik van vertelde, of iets ouder dan deze.
Omdat er geen plaats meer was in de zaal, zat hij in
eene vensterbank. Of zou er nog- eone andere reden voor geweest zijn .J Als ik hem daar zie zitten in die hooge vensterbank, en altijd door naar Paulus kijken, komt de gedachte bij mij op, dat hij de knechts moet waarschuwen, als het tijd is, om brood en wijn op te brengen, waarbij men dan ook den dood van Jezus herdacht, zoo als nog aan het avondmaal.
Doch 't is of er geen eind aan komt. Niemand schijnt aan eten of drinken te denken, 't Is al middernacht, 's nachts twaalf ure, en Paulus spreekt al maar door.
Nu wil ik gaarne gelooven, dat Eutuchus niet alles zal begrepen hebben, wat Paulus sprak. .Misschien kon hij in dat hoekje niet eens alles goed verstaan. Maar ik zie ook niet, dat hij er bijzonder zijn best toe doet. Hij heeft immers alleen te hooren, of Paulus nog spreekt, niet wat hij spreekt? Ondertusschen wordt het hoe langs zoo warmer door de menigte menschen en al die brandende lampen. En Eutuchus leunt, slaperig en moe, in 't hoekje van zijne vensterbank.
Maar van dat venster moet ik u nog wat zeggen. 1 Iet glas was toen veel te duur voor vensterruiten. Men gebruikte het als kristal. De vensters waren dus van traliewerk, soms nog met zonneblinden van buiten. Maar als die hier waren, zullen zij voor de luchtigheid wel opengestaan hebben.
Eutuchus leunt dus tegen het ijzeren of koperen traliewerk. Alles begint voor zijn oogen te schemeren, ook Paulus. Hij hoort nog wel wat, maar verstaat niets meer. Zijn bovenste oogleden worden zoo zwaar. Hij dommelt zachtjes in. 't Is of ik hem al hoor snurken. En zoo leunt hij al vaster tegen het traliewerk, alsof hij opzijn bed lag.. .
204
Maar wat kraakt en ritselt daar op eens ? 't Is het lichte traliewerk. Het laat los en slaat naar buiten. De jongen schrikt wakker. Hij kan zich niet houden en geeft een schreeuw. Paulus zwijgt. De menschen snellen toe. Maar eer zij nog recht zien, wat er gaande is, is 't al te laat. Daar stort Eutuchus van de derde verdieping af naar beneden.
Dat was een schrik ! Ik zie ze al, zoo gauw zij kunnen, de trappen afstormen. Ook beneden uit het huis vloog men naar buiten. Zij nemen den armen jongen op. Er is geen beweging in. Niemand twijfelt er aan, of hij is dood.
Maar nu komt Paulus beneden, buigt zich over hem, neemt hem in de armen en zegt; „Weest gerust. Er is nog leven in.quot; — Ja! liet leven was er nog in; maar 't is de vraag, als Paulus er niet bij was geweest, of hij wel ooit weer wakker zou geworden zijn.
De jongeling werd beneden in huis gedragen. Men legde hem te bed, en gaf hem wat te drinken, toen hij weer bijkwam. Dokters waren er toen weinig. Anders had men er zeker een gehaald. Men moest zich maar behelpen en 't aan de natuur overlaten; zooals die boerenjongen op de hei, toen men hem vroeg, welke dokter bij zijn vader was geweest, antwoordde: „Vader is vanzelf gestorven.quot;
Zoo werd Eutuchus vanzelf beter. Gelukkig, dat geen arm of been of ribbe gebroken was. Nadat men gegeten had en Paulus tot den morgen door gesproken, brachten zij Eutuchus nog eens even binnen, en allen, maar de ouders vooral, dankten (rod.
„Dat was dan nu toch wel een ongeluk, on yeen eigen schuld!quot; denkt gij. — Zoo? En wist die knaap dan niet, dat die lichte tralievensters niet gemaakt waren om tegen te leunen? En wist hij ook niet, dat hij niet op zijn bed lag en 't hier geen slaapzaal was? Wie wil, kan zich lang wakker houden.
Weet gij, wat een ongeluk is en niemands schuld? Als de bliksem inslaat en het kind doodt op den schoot zijner moeder. Dat is een ongeluk, daar geen mensch iets tegen kon doen.
Toch ben ik blij, dat het zoo goed met Eutuchus is afgeloopen; en neem het hem niet kwalijk, dat hij den ganschen nacht niet naar Paulus kon blijven luisteren. Maar als gij een uurtje in de kerk zit, en vooral wanneer er voor kinderen wordt gesproken, blijft dan toch wakker en aandachtig, 't Zal u nooit berouwen ; misschien wel, als gij zooveel heerlijke bijbelwoorden verslapen hadt.
XIX.
PAULUS' NEEF.
Dc zoon van 1^1111^' zuster hoorde het.
Hand. 23 : 16.
Paulus verkreegquot; zijn wensch en zag Jeruzalem weer, voor het eerst na vele jaren en voor het laatst van zijn leven.
Jlij was volstrekt niet van plan er te preeken, wetende, hoe de Joden hem haatten. Hij wilde alleen stad en tempel bezoeken, de Christenen zien en hun geld brengen voor de armen.
Jakobus en de ouderlingen ontvingen hem vriendelijk, maar zeiden: „Er wordt hier verteld, zelfs in de gemeente, dat gij den Joodschen godsdienst veracht en dc Joden tot heidenen maakt. Eer wij nu de gemeente samenroepen, moest gij u voegen bij vier mannen, die eene gelofte gedaan hebben, en daarom dagelijks in den tempel komen. Dan zullen ze zien, dat gij nog eerbied hebt voor dc voorvaderlijke wet.quot;
Paulus deed dit: want hij had den vrede lief, en gaf gaarne toe, wat hij kon. Maar zoo zagen hem ook dc vijandige Joden, die hem al in Klein-Azië vervolgd hadden. Zij schreeuwden tegen hem als razende menschen.
Zoo'n ketter moest den tempel uit gesmeten worden!. En eer Paulus er iets tegen zeggen of zich verdedigen kan, staat hij al, geduwd, geslagen, half dood gedrongen op dc groote markt, en heeft moeite om zich staande te houden, dat zij hem niet vertrappen.
Toch zou hij het leven er niet afgebracht hebben, wanneer niet de Romeinsche stads-kommandant, op het fort Antonia, midden in de stad gelegen, alles had gezien. Hij zond dadelijk soldaten naar beneden; de Joden weken terug, en hielden op met Paulus te slaan; en zoo kwam hij in de handen der Romeinen.
Daar de kommandant er niets van begreep, en het volk hoe langs zoo woedender werd, bracht hij den volgenden dag Paulus voor den (irooten Raad. Die wijze en deftige mannen zouden toch wel verstandiger wezen.
Het was dezelfde vergadering, die Jezus had doen sterven, en zij waren nog even hatelijk. Op zijn best begon Paulus te spreken, of de Hoogepriester riep, dat men hem op den mond zou slaan. En het werd zoo'n verwarring, dat de Overste met zijne soldaten Paulus met geweld weer weg moest halen, uit vrees dat zij hom anders verscheurd zouden hebben.
Als gij zulke dingen hoort, kinderen! dan denkt gij misschien; „Gelukkig, dat de menschen nu zoo niet meer zijn! Ieder gaat rustig naar zijn eigen kerk.quot;
Maar laat ik u eens wat vertellen. Ik zit nu kalm te schrijven, en verbeeld mij, dat ge in een halven kring vóór mij zit te luisteren. Doch vóór vijf en vijftig jaren was ik dominé op een dorp, waar ook zulke dweepzieke menschen woonden. Een er van noemde zich profeet, en
2o8 paulüs' neef.
sprak dag en nacht door. Ik ging er in huig, met een goeden stok gewapend. Want ik wist, als de profeet zeide: „Slaat den Baals-priester dood!quot; dat terstond al die sterke boerenknuisten op mij zouden aanvallen. Gelukkig zeide hij mij alleen, dat ik naar de hel ging, en dat had den tijd nog; want het was anders een goed man. En tusschen al die woedende menschen door, kwam ik heelhuids tehuis.
Zoo gaat het nog, kinderen! waar men, — zooals Paulus zegt, — meent met haten en vervloeken Gode een dienst te doen.
Maar 't is waar ook, wij hebben het over Paulus. Die zat daar nu tenminste rustig en veilig op het kasteel. Maar deboozen rusten niet. Zij zijn als de schuimende golven aan 't strand, zegt een profeet. Zoo kwamen dan den volgenden dag do bitterste vijanden van Paulus bijeen, meer dan veertig in getal. En zij verbonden zich met een eed, dat zij niet zouden eten of drinken, eer zij Paulus vermoord hadden.
En hoe? Dat zal ik u zeggen. Zij maakten met de boosaardigste raadsleden afspraak. Dezen zouden aan den kommandant laten weten, dat zij tegen den volgenden dag eene vergadering wilden beleggen, om de zaak nog eens bedaard te onderzoeken. Dan moest Paulus daar ook gebracht worden. En ondertusschen zouden, bij het overbrengen, die veertig Joden, goed gewapend, uit een of anderen schuilhoek op eens de soldaten aanvallen, Paulus uit hunne 1 landen rukken en dooden.
Dit hoorde een neefje van Paulus, zoon van zijne zuster. Hoe hij het hoorde, weten wij evenmin, als hoe Paulus hier in Jeruzalem op eens een neef krijgt, waar wij voor of na
20lt;gt;
nooit van hooren. Wie ik het gevraagd heb, wist het evenmin als ik. Zijne zuster kan getrouwd zijn èn toen naar Jeruzalem verhuisd. Misschien was zij alweer weduwe. Maar het zou ook kunnen wezen, dat Paulus, die zooveel van kinderen hield, hem had meegenomen.
Niemand van Paulus' vijanden wist, dat hij van zijne familie was, en daarom lette men op zoo'n jongen niet. Want hij kan nog niet oud geweest zijn, op zijn hoogst twaalf jeuir, denk ik. De andere vrienden van Paulus hielden zich schuil; maar zoo'n jongen kon ongemerkt op 't voorhof van den tempel en op de markt rondsluipen, om te hooren, wat er gaande was. En toch was quot;t een verstandige jongen. Hij luisterde goed, en begreep ;dles dadelijk; maar hij sprak er niemand over, en ging terstond naar het kasteel. Hier kreeg hij gemakkelijk zijn oom te spreken: want de Romeinen hadden niets tegen Paulus. Xadat hij hem alles had verhaald, zeide deze hem, dat hij dat nu precies zoo aan den ()verste moest vertellen. Hierop riep Paulus een officier, en verzocht hem, dit jongmensch naar den kommandant te brengen, daar hij dezen wat had mede te deelen.
Het was nog al iets voor zoo een jong mensch, om voor een hoofdofficier gebracht te worden: want de Romeinen hadden er den schrik onder, en ieder was bang voor hen, inzonderheid voor de soldaten. Maar de jongen was vrijmoedig, zonder brutaal te zijn. Hij had van zijn oom geleerd, op (rod te vertrouwen en geen mensch te vreezen.
De officier bracht hem dan bij den kommandant, en deze had schik in den jongen. Hij nam hem bij de hand en ging met hem ter zijde, dat hij vrij spreken kon.
•4
rAUMs' Mil-
En toen hij alles had gehoord, legde hij hem het stilzwijgen op. Dat zou hij vanzelf ook wel bewaard hebben, denk ik.
Paulas was gered. In den nacht op een paard gezet, werd hij onder militair geleide naar Césarea gebracht. De veertig Joden merkten niets, vóór zij 's morgens om Paulus kwamen vragen. Hebben zij hun eed gehouden, dan zijn zij allen van honger en dorst gestorven.
En Paulus' neef? De Overste had hem natuurlijk niet gezegd, wat hij van plan was. en hij mocht niemand er over spreken. Ik denk wel, dat hij weinig-geslapen heeft en veel gebeden dien nacht; en dan 's morgens vroeg er weer op uit. Goddank! zijn oom is gered!
Spreken is zilver, zeggen de Arabieren, maar zwijgen is goud. Het kost tenminste velen het meest. Gelukkig, die al vroeg beide goed leert.
Een jong mensch kan soms aan ouderen een g-roo-ten dienst bewijzen. Gelukkig, als gij dat ook kunt doen. En altijd doet gij 't reeds vanzelf, als gij u goed gedraagt, en brave ouders of bloedverwanten lief hebt.
Kinderen zijn er soms ijdel op, als zij zeggen kunnen; „Die of die is mijn oom, mijn grootvader!quot; en dan zetten zij zich zelf in 't zonnetje, in plaats van hun best te doen, om ook zoo te worden. Paulus' neef pronkt er niet mee. Dan had hij zoo onbekend niet door Jeruzalem kunnen wandelen, en zijn goeden oom het leven redden.
Zoo zult gij ouders of grootouders, ooms en tantes het meeste eer bewijzen, met hen in al 't goede na te
2 IO
i'.\ri.i:s' NKKF
volgen. En wie nu, arm cn vergeten, van geen beroemde of algemeen geachte familie spreken kan, als hij zich aan de voeten van Jezus nederzet, strekt die ook over hem de handen uit, zeggende: „Wie den wil mijns Hemelschen Vaders doet, die is mijn broeder, mijn zuster!quot;
Dat gij dit ook wezen of worden moogt, kinderen! is mijn afscheidswensch.
N A S C H R I F T.
Het doet mij genoegen, dat ik dezen laatsten wenscli nog eens kan herhalen, aan het slot van een tweeden druk. Ik heb er niets in veranderd. „Bijbel cn Kindquot;' veranderen toch ook niet. En al was onze iievc Prinses intusschen Koningin geworden, de Opdracht bleef ZOO.
Alleen is aan het einde van 't Oude Testament een zin weggelaten, die — geheel tegen mijn oogmerk — sommige Geheel-Onthouders had geërgerd.
iv-V'^..:ï....' • - i. '. ■
v:^;V
amp;■
|
5- V ?! | ||
|
'Mi |
•:- .■amp; ■■■::quot; ■ lt;-■■:. M | |
|
£/*' '■ |
•quot;r'.v v lt; /--gt; | |
|
,. ■ ■ ra |
quot; : | |
|
r gt; |
■■.■
•'• f :. .. .- ' 'i ■ , :• 'V ,
m . . _,•■■■■ .
^ : -
I - ■quot; -
quot;• ., • f: -rquot;:gt;v-- :gt; 'gt;-quot; ' • ■ . .. • quot;.iquot; ,.r -' •
¥gt;'■ /^.A^ ys. ■ ..■ ■•■ ■,••.■ . - ■ T . , ■? ■;, ' ' J quot;quot;■ , : •
iv-V'^..:ï....' • - i. '. ■
v:^;V
amp;■
|
5- V ?! | ||
|
'Mi |
•:- .■amp; ■■■::quot; ■ lt;-■■:. M | |
|
£/*' '■ |
•quot;r'.v v lt; /--gt; | |
|
,. ■ ■ ra |
quot; : | |
|
r gt; |
■■.■
•'• f :. .. .- ' 'i ■ , :• 'V ,
m . . _,•■■■■ .
^ : -
I - ■quot; -
quot;• ., • f: -rquot;:gt;v-- :gt; 'gt;-quot; ' • ■ . .. • quot;.iquot; ,.r -' •
¥gt;'■ /^.A^ ys. ■ ..■ ■•■ ■,••.■ . - ■ T . , ■? ■;, ' ' J quot;quot;■ , : •