INSTITUUT DB TÃOY8
VOOR NED ItAI roSE TAAïU
EN LETi'iir.KÃNDS AAN DE RIJKSUN; IV HRSITEIT TE UTRECHT
'-xix SCHI
^15
,X/V
SCHI
n- EENS NIEUWEN LEWgt;c
(ENKHUIZEN IN 1572.)
INSTITUUT DE VOOYS VOOR NEDK^LANDSE TAAL-EN LLTXüamp;K UND£ AAN DE «.IJKSUNJVERSITHiT TE l'ïamp;ErK
rrooS
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0855 2915
___
DE EERSTE DAG
EENS
NIEUWEN LEVENS
(ENKH11ZEN IN 1572)
nooit
H. J. SCHIMMEL.
VIERDE DRI K.
sc n i ]â¢: i) A M, ir. A. M. KOK LA NTS.
HOOFDSTUK 1.
Met steeds heviger vlagen woedde de Zuid-Westenwind, die het donkergrauw wolkgespan door het zwerk voortjoeg en de dikke regendroppels tegen den rug van den eenzamen reiziger dreef, die nog in het late avonduur zich op den glibberigen dijk waagde. Hij had zich geheel in zijn mantel gewikkeld en den hoed, welks breede, thands door den overvloedigen regen bevochtigden, rand hem slap langs het hoofd nederhing, diep in de oogen gedrukt. Weinig vertrouwen scheen hij dus te stellen in de beloften, die Bloeimaand zoo dikwerf aflegt, maar ook even vaak ontrouw wordt; en waarlijk, hij was in het jaar onzes Heeren 1572 daar wèl toe gerechtigd. Zware slagregens deden de menigvuldige vaarten en sloten in het Noorderkwartier zwellen en de weilanden gelijk worden aan het bulderende Woggenummermeir en de woedende Zuiderzee, van welke hij de eene ter slinker, de ander ter rechter zijde vernam. Het mocht nog den jammerenden huisman bij dezen nieuwen onspoed troosten, dat de snerpende koude, die nog weinig den nabij zijnden zomer verkondde, toch het grasscheutjen belet had te tieren op den weeken grond, al ware die ontlast geworden van het kwellende water.
De dikke, schier tastbare duisternis mocht gevaarlijk zijn voelden met den weg onbekenden reiziger, hij, dien we daar voorbij zien gaan, zwart als de nacht, die hem omhult, heette haar welkom; maar zijn gang, die zoo vast en snel was als de weeke kleigrond het gedoogde, bewees ook, dat hij geen vreemdeling in deze streken kon zijn. Hij heette haar welkom, niet alleen omdat zij hem den aanblik spaarde op den enkelen knotwilg, die zijn nauw groenende takken heenwiegde over de opgestoven wateren, op eene enkele hoeve, die het gelapte rieten dak, of een toren, die de spitse uit het onbegrensde meir ophief, maar ook, maar meest, om eene reden, die hij gevaarlijk achtte zelfs op deze plaats en in dit uur te uiten.
Van tijd tot tijd poosde hij een oogenblik; het was geen vrees om te dolen, want het oog, dat hij ontdekte door den rand van zijn hoed op te lichten, staarde niet voor zich uit, maar werd ter linker en ter rechter gewend. De voorzorg werd bovendien het meest bespeurd, toen hij aan een streek lands kwam, waar de grond hoogde.
1
DE EERSTE DAG.
o
en hij, van de Zuiderzee zich afkeerend, tusschen de dorpen Scellinck- schoon d
hout en Westerblocker heentoog. Niet alleen werd op die plaats er ijespe
dienst gevergd van het oog, maar ook van het oor, waaraan hij de verklaar
holle, van den wind afgekeerde hand bracht, om te scherper elk oogblik
geluid in het rond te vernemen. blik eer
Eensklaps was het of er vonken spatteden uit zijn oogen en er rietpolle
een schok heenvoer door de lang onbewegelijk gebleven gestalte. tj6
Ware het licht geweest, men had de lippen zien trillen onder den dreigde
knevel en dikken baard, die het benedendeel zijns gelaats bedekt hield. zijne scl
Was het bedrog of waarheid? Daar klepte in de verte een klok. vijand,
Geen twijfel meer, want het geklep gaat over in heftig gebom, en â de i
in dezelfde richting stijgen in het verre verschiet rookwolken, rood ge- behoedz
tint door enkele vlammespitsen, naar boven! kon, toe
«Ha, zij het de laatste maal!quot; sprak hij gesmoord en voor het De bene
eerst. Onwillekeurig zag hij om zich heen, als ware hij bevreesd ge- bezet, o
hoord te zijn. aantrok
Het was geene geheel overbodige voorzorg, want hij was niet meer De r
alleen. Zijn geoefend oor, dat hem in de verte elk geluid overbracht, lende zi
had hem, bij het bulderen van den wind, den doffen nauw hoor- neuchte
baren hoefslag niet verkondigd, voor dat die reeds nabij was, Hij pertand
wendde snel het hoofd en voelde het slijk op zijn mantel spatten. mantel.
Hij hoorde thands in de glibberige klei het plassen van den vier- om zie
voet, die instinktmatig terugdeinsde en door een ruwe basstem tot met ve
voortgaan gespoord werd. Hij begreep, schoon hij nog niets bespeuren den boi
kon, dat de ruiter, die zich als vreemdeling kennen deed, zich niet ^ij11
alleen op weg had begeven, en aan de dreuning van den grond en leverd,
het kletteren van wapenrustingen bemerkte hij spoedig, dat hij schier He 1
in aanraking gekomen was met het eerste gelid eener krijgsbende. -zijne o
«Sla den knecht dood! Hij brengt ons op een verkeerd pad,quot; riep ki
een stem op bevelenden toon. zijn, z^
Trillend klonk het antwoord van den Hollandschen huisman, die n'et w
â¢ych zeker bij de voorhoede bevond: »Bij mijner ziele zaligheid, Oquot;1 v01
Heer! dit is de rechte weg.quot; ('
»En wat verhindert u dan voort te gaan, lafaards?quot; riep dezelfde NV^S
van straks, die de aanvoerder bleek. bij voc
»Mijn paard weigerde, hopman! Het beest rook onraad. Ik zag 0P het
twee oogen; ze gloeiden als twee kolen vuurs.quot; Goed dat het duister oversti
was, want de knecht maakte sidderend een kruis. eene 1
«Vervloekt moeras! De paarden zakken tot de enkels weg. Het gelaat
voorste gelid steke de lonten aan; en dan vooruit! We worden ginder daat, i
gewacht. De Geus is geland en ontsteekt de mutsert; zij het voor leven,
zichzelven!quot; van Vl
Indien het bevel een oogenblik vroeger geklonken had en met het g«
denzelfden spoed ware gehoorzaamd geworden, dan zou men de oor- Hij
zaak van het oponthoud ontdekt hebben. Aan een zorgvuldig ver- het d'
borgen gehouden lantaren werden eenige lonten ontstoken, maar quot;aar
3
ck- schoon deze eenige schreden vooruit het pad verlichteden, niets werd ats er bespeurd wat den schrik der paarden en de vrees van den ruiter de verklaarde. Het was echter goed, dat liet licht te zwak was om een elk oogblik te gunnen op de kanten van den dijk, waar op dit oogen-blik een man lag, slechts half verscholen achter eenige biezen en er rietpollen.
Ite. iJe reiziger had het gevaar begrepen, dat hem op den heirweg
len dreigde en was zonder zich te bedenken zijwaaids gesprongen. Uit â ld. zijne schuilplaats zag hij, geholpen door het nu ontstoken licht, den ok. vijand, die hem bijkans verrast had, en thands in dunne gelederen en â de smalheid van den weg liet geene betere aansluiting toe â re- behoedzaam voorttrok. Schoon hij geene gelaatstrekken onderscheiden kon, toch vermoedde hij wie daar heentoog en werwaards het ging. iet Ue bende behoorde tot Bossuus legerknechten, die Waterland hadden re- bezet, om de schuimende vrijbuiters het landen te beletten en thands aantrokken op de vlammen, die nog altoos den horizon verlichtten. !er De ruiters waren een goed eind weegs gevorderd eer de schui-
lit, lende zich durfde oprichten. Hij bemerkte nu eerst tot welke onge-)r- neuchten zijn overhaaste vlucht hem veroordeeld had, want klap-Hj pertandend van koude, wrong hij het water uit zijn wambuis en ;n. mantel, en trok hij den vetleeren schoen van zijn rechter voet, niet gt;r- om zich te verzekeren, of deze droog was gebleven, maar of een ;ot met veel zorg dichtgevouwen stuk perkament zich daar nog wel op en den bodem in den oorspronkelijken toestand bevond.
et Zijn onderzoek scheen een voldoende uitkomst te hebben opge-
un leverd, want weldra was hij weder gereed om zijn reis te vervolgen, er De vlammen, die in omvang schenen toe te nemen en waarop
le. zijne oogen t'elkenreize zich vestigden, voerden zijne gedachten tot op den kring, waarin ze zich straks hadden bewogen. »Het kan niet
zijn, zoo als de Spanjool meent,quot; prevelde hij. «Het kan Entens ie niet wezen.quot; Hij scheen bij die meening te blijven en aarzelde daar-
d, om voort te gaan. Indien de Watergeus dien brand niet ontstoken
had, dan moest het de Spanjaart zijn, die daar wellicht nog bezig le was te rooven en brandschatten; en juist die plek gronds moest
hij voorbij. Wie hem vroeger in den lederen kolder, den stormkap ig op het hoofd en het zwaard in de vuist tegen den vijand had zien
3r overstaan, zou het zeer zeker hebben bevreemd, dat thands zulk
eene bleekte, bij de gedachte alleen aan het mogelijk gevaar, zijn 3t gelaat overtoog. Maar hij was op dit oogenblik ook meer dan so!-
?r «laat, meer dan verdediger of aanvaller ter behoudenis van het eigen
)r leven. Hij was thands de bode, de afgezant, aan wiens leven dat
van velen hing, en over wiens voorzichtigheid en beleid misschien 3t het geheele vaderland het recht had de vierschaar te spannen,
r- Hij kon niet terug keeren; hij moest voorwaards en beproeven
[â - het dorp Leeck te bereiken. Hij zag naar boven, als vroeg hij van
ir daar de goedkeuring van zijn besluit, maar geen enkele ster lichtte
4
hem toe, geen enkele wolk verdunde zich, om het blauw van den hemel te laten doorschemeren.
Hij was het gevaar reeds naderbij gekomen, want de wilgen, die den weg bezoomden, en de hutten, die dieper het land inlagen, werden reeds van tijd tot tijd door de flikkerende vlammen rossig verlicht. Met bedaarden stap en zoo veel mogelijk dien van den huisman nabootsende, trad hij voort, tot dat hij zich bij de kromming van den weg, en recht tegenover de brandende woning, die een hoeve bleek te zijn, hoorde aanroepen.
Het was geen tijd meer om zich schuil te houden; ook bleek dat in geenen deele zijn voornemen.
»Heer, laat den armen boer door!quot; sprak hij op smeekenden toon, terwijl bij stil hield.
sWie zijt ge, van waar, waarheen?quot; en een paar stevige armen grepen hem aan beide zijden vast. Men behoefde geen licht meer om in het rond te kunnen zien, zoo dat hij, die zich als boer deed kennen, zeer goed bemerkte zich te midden van een ruiterbende, misschien dezelfde van straks, te bevinden.
ygt;Wie zijt ge, van waar, waarheen?quot; klonk het nogmaals.
»Jan Volkertz van Hoorn, en ik ga naar Leeck.quot;
«Een goed uur om te reizen! Waarachtig, je waart achter de poorten van je stad bij je kroes veiliger dan hier.quot;
»Mijn moei is doodkrank in het dorp; ik wou haar voor haar einde nog eens zien. Ik bid u, Heer, laat mij gaan!quot;
»quot;We zullen je er brengen, braaf Christenmensch! Je mocht eens verdwalen en niet tijdig genoeg aankomen!quot; grinnikte de aanvoerder. »Maar wat schuilt er onder dien mantel?quot; Hij scheen zich zeiven het andwoord te willen geven, want hij scheurde hem het aangeduide kleedingstuk van de schouders.
»Je hebt je deel meê gehad van den hemelschen dauw,quot; merkte hij aan, terwijl hij den druipenden mantel beschouwde en meteen een onderzoekenden blik wierp op het nu ontbloote wambuis. ))Het ware onmeêdoogend je zoo weg te zenden. Gelukkig hebben we een goed haardvuur ontstoken. Bloed, ga meê!quot;
Bij de laatste woorden duwde hij hem naar het midden van eenige ruiters, die reeds met ongeduld op den huisman hadden gewacht.
»Halt!quot; riep de aanvoerder, die den mantel des gevangenen nauwkeurig beschouwd had, »ge schijnt een klei-bad genomen te hebben. Ge komt van Hoorn en hebt den dijk gehouden? Als dat waar isr hadden we reeds eer moeten kennis maken. We zullen je wel doen klappen, boer!quot;
»Een ruiterbende reed mij achter op. Het schijnt die van Uwe Edelheid geweest te zijn. Zij trad me bijna onder den voet; en van vrees sprong ik den dijk af,quot; zeide de gevangene op bedeesden toon.
»En waarom vreesdet gij ?quot;
5
sik vermoedde een Geuzen troep. Waterland heeft de Geuzen leeren vreezen, Heer!quot;
De aanvoerder zag hem een poos aan en zweeg. De woorden hadden veel schijn van waarheid; ook de toon waarop de boer sprak was zóo oodmoedig, het gelaat teekende, wel verre van arglistigheid, zoo veel eenvoud, ja domheid, dat men aan de waarheid van het gesprokene schier niet twijfelen kon. En toch was er iets in die gestalte, zoo fijn, zoo rank, niettegenstaande het wijde wambuis en den niet minder wijden broek van grof saai, wat het andere ^eêr-sprak. Het gaf klem te meer aan zijn voornemen, om den buit niet vrij te geven, maar de beschikking daarover aan een hooger macht over te laten.
Hij wenkte daarom voort te gaan, en op een draf togen zij naaide brandende hoeve heen.
De bewoners waren gelukkig gevlucht, voor dat de stroopende vijand ze had kunnen achterhalen. Ze waren gevlucht, maar met achterlating van alles, en hielpen de breede schare van naakten en beroofden vergrooten, die, knarstandende van woede, zich gereed maakten om ter gelegener tijde den vreemden indringer, den vijand van Gods woord, den uitzuiger van hun volk, te vergelden naar zijne werken.
De bewoners dier hoeve waren des doods schuldig in de oogen der Spaanschen. Zij hadden éen der veelvuldige zendelingen van Oranje, die meer dan ooit na de inneming van den Briel, na het omslaan van Vlissingen en Veere, na het wankelen van zoo vele steden, het land afliepen en geheime boodschappen overbrachten, geherbergd; en minder misdaad dan deze had reeds menigen schedel doen vallen.
Het mocht dan ook geen verwondering baren, dat bij de onrust, welke in de meeste steden van het Noorder-kwartier merkbaar werd, talrijke benden het platte land doorkruisten, die alle personen, van welke kunne of ouderdom ook, die niet in de landstreek, waarin ze werden aangetroffen, t'huis behoorden, met achterdocht aanhielden en niet vrij lieten voor dat hunne onschuld ten klaarste gebleken was.
De ruiterbende was de brandende hoeve genaderd, waar voorloopig het hoofdkwartier opgeslagen was. Men was echter bezig een niet ver verwijderd steenen huis, dat in oorspronkeüjken staat wellicht een klooster geweest was, maar waarop de Geuzen reeds hun moedwil hadden gekoeld, â wat de zwart verkoolde binten, het half verbrande dak en de geblakerde muren getuigden â tot wachtkamer in te richten, en gaf daarbij acht op de bevelen van den man, die ginds, in volle wapenrusting, de armen gekruist, zich koesterend in de hitte der vlammen, heen en weder wandelde, terwijl het koolzwarte ros door een musketier aan den toom werd rond geleid.
Het was een tafereel vol leven. De stroobedden, uit de hoeve gered, werden ginder geborgen door een troep musketiers, die, niet
6
zorgeloos bij hunne plundering, de musketten op de schouders hielden, terstond gereed om een mogelijken aanval te keeren. Verder verrijkte zich eene andere schare, van wie op dit oogenblik geen dienst â werd gevergd, met den inhoud van kist en kast, welke onder gejuich en getier in splinters geslagen, niet zelden bij teleurstelling met barbaarsche verwenschingen verlaten of weder in de vlammen geworpen werd. Van hetgeen ter zijde der hoeve had plaats gehad zou gewis ieder, behalve de plunderaars, het oog hebben afgewend. Het gure voorjaar had den landzaat weerhouden het vee de wei in te drijven, en wee den arme waar de stroopende vijand dien schat op stal vond! Wat niet mede genomen kon worden werd gedood of in de vlammen gejaagd. Dit had hier plaats gehad. En de rijkdom van een gezin, de met zoo veel zorg verpleegde koeien, in de vlammen omgekomen, lagen half verschroeid op het erf neèr.
«We hebben een vangst gedaan, Don Antonio!quot; hief de Duitsche aanvoerder der ruiterbende, welke front maakte, aan; en hij stiet den gevangene naar voren.
Jan Volkertz â we willen hem dus blijven noemen, daar we nog geen recht hebben hem een anderen naam te geven â scheen be-schi-oomd den blik van den Spaanschen kornel te ontwijken, die hem met het doordringend gitzwart oog strak aanzag. Scherp ge-teekend was dat geelbruin gelaat, omkroest met donker hair, terwijl de stroeve -uitdrukking, anders wellicht getemperd door de edele lijnen, die op zijn wezen niet te miskennen waren, thands werd verhoogd door de vlam, die hem van ter zijde verlichtte en iets sata-niesch verhevens aan zijne gestalte gaf.
Don Antonio strekte de hand uit en sloeg Volkertz den hoed van het hoofd.
))Het voegt u niet anders voor uwen Heer te verschijnen, lompe boer!quot;
Nauw merkbaar glimlachend hoorde hij het verhaal van zijn onderbevelhebber aan. »Dus een poorter van de goede stad Hoorn! We zullen meèlijdender zijn voor u, dan de getabberde Heeren voor ons. Ze sluiten ons buiten en gunnen ons het moeras tot leger; wij willen een hunner poorters huisvesting geven.quot;
»Heer, ik heb daarom niet gesmeekt! Mijn arme moei wilde mij nog zien voor haar sterven. Ze moet wèl ziek zijn, dat ze mij nog
heden bad over te komen____Heer, geef mij een uwer ruiters tot gids,
indien gij waarlijk zooveel belang in mijne veilige overkomst stelt quot;
De Kornel kon zich niet weerhouden te glimlachen over de on-noozelheid van den boer. De achterdocht, een oogenblik opgewekt, ware bijkans verdwenen, en hij had hem met een paar stokslagen als een bewijs van zijne welwillendheid jegens de goede stad Hoorn wellicht heen gedreven, indien zijn oog, door langdurige oefening gescherpt, geen nieuwen grond tot argwaan bij eene nadere beschouwing ontvangen had.
«Ontdoe hem van dat wambuis. Het is den knecht te wijd en te nauw. Het schijnt niet voor hem gemaakt te zijn. We geven hem een beter.quot;
Volkertz' gelaat, dat zich zoolang in dezelfde plooi had vertoond, veranderde en verschoot van kleur. Het duurde echter slechts een oogenblik, maar het ontging den blik des iSpanjaarts niet.
Vele der knechten hadden zich in het rond geschaard, toen dit bevel van hun aanvoerder gehoord werd. Vermoedden zij wat er zou volgen? Spelde het dan een tooneel, dat de woestheid en dierlijkheid der meesten verlustigen zou? Wat men zich echter ook voorstelde, eene teleurstelling volgde er niet, want nadat het wambuis den sidderenden dorper was uitgetrokken, werd er een lederen gordel, een ongewoon kleedingstuk bij een huisman, half zichtbaar.
»Had de stervende Geuzenmoêr u ook om wat gelds gebeden?quot; brulde Antonio, toen hij den gordel hem van het lijf had doen rukken en deze met carolusguldens gevuld bleek. »We zullen u de geleende veêren ontplukken. Het duifken blijkt misschien een jonge havik, de boer een Geuzenpredikant. Men legge vuur aan in het portaal.quot;
Onder uitbundig gejuich werd de noodige brandstof gezameld en ging de stoet, voorafgegaan door den aanvoerder, naar het donkere portaal van het belendend steenen huis, waar het vuur in de mijt werd gestoken. Maar nauwelijks vatte het hout vlam en spatte een vonk van de door éen der knechten gedragen flambouw op den grond of een vreeselijke ontploffing volgde. De muren van het huis scheurden of vlogen in brokken rond, en hagelden neèr op de naastbij zijnde knechten; de grond daverde en het geraamte van de brandende hoeve stortte door de dreuning in. De vlammen doofden een wijle; en over het tooneel der verwoesting spreidde de nacht zijn zwarten mantel heen. De Geus had den Spanjaart een blijk achtergelaten dat hij daar een oogenblik vóór hem gehuisd had. In een der kelders van het leeggeplunderde klooster had hij eenige vaten buskruit neder-gelegd, en den grond van het portaal tevens daarmede bestrooid.
Toen het oogenblik van stilte door het gekerm van ettelijke gekwetsten werd afgebroken, klonk het bevel des aanvoerders, streng en luid klinkend als gewoonlijk, om de flambouwen te ontsteken en den gevangen spion, aan wien eene vreeselijke weerwraak geoefend zoude worden, elke poging tot ontvluchten te beletten. Het laatste gedeelte van het bevel kon echter niet meer worden uitgevoerd, daar de gevangene gebruik had gemaakt van den algemeenen schrik, en, begunstigd door de plotseling ingevallen duisternis, gevlucht was.
»Twintig carolusguldens voor wie mij den hond dood of levend levert,quot; riep Antonio, terwijl hij den buit gemaakten lederen gordel omhoog hief en de muntstukken rammelen liet.
De bloedprijs was een prikkel te meer voor de naar wraak dor-
ESS.-*»
8
stende knechten, die, nauw betoomd en in 't gelid gehouden dooide hoplieden, wijd en zijd wegstoven.
Jan Volkertz was hun echter reeds een goed eind weegs vooruit. Hij had begrepen, dat de eenige kans tot redding bestond in het verlaten van den heirweg. Hij was daarom ter zijde van het klooster de weiden opgegaan, die, zoo als hij zich herinnerde, zich tot verre boven Leeck uitstrekten. De reis ging niet snel, want de grond was drassig en de sloten en vaarten, die hij doorwaden of meest overzwemmen moest, veelvuldig. In den aanvang hoorde hij het getier zijner vervolgers en zag hij de flikkering der flambouwen, doch weldra verstierf het eerste en doofden ook de laatsten uit.
Hij poosde een oogenblik; het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd, terwijl de koude hem de leden trillen deed. Schoon hij den vijand voor het oogenblik ontkomen was, toch was de kans op redding gering. Talrijke benden doorkruisten het land, en zijn tocht ging nog ver. De weg was hem bekend, maar niet het bestaan van bondgenoten in de nabijheid; en deze gevoelde hij noodig te hebben en wel spoedig, daar zijne krachten hem dreigden te begeven. Nergens zag hij zelfs eenig teeken van menschelijk leven. Hij kon van het afgetobde lijf weinig inspanning meer vorderen en den loomen voet nauwelijks meer terugtrekken bij het telkens weg-slibben in de klei.
Gelukkig, dat hij spoedig het moeielijk pad kon verlaten en zich, eer hij het nog verwachtte, op vasten grond en op een breeden weg, die waarschijnlijk naar Binnewijsent leidde, bevond.
Nauwelijks was hij eenige schreden voortgegaan of hij hoorde, aanvankelijk tot zijn grooten schrik, het geblaf van een werf hond, en bespeurde, naderbij komende, een geringe boerenhoeve.
Hij was in een stemming om alle dadelijke hulp, ware het ook eene die hem later gevaarlijk kon blijken, in te roepen, en daarom waagde hij het, zonder zich te vergewissen wie daar gehuisvest was, aan te kloppen.
»St. Gommer, sta ons bij! Jezus, Maria, de Geuzen!....quot; hoorde hij daar binnen in den grootsten angst uitroepen, en de laatste woorden overtuigden hem bijna, dat hij bij een vijand had aangeklopt.
«Caritate!quot; smeekte Volkertz, die niettemin besloten was hier, zoo 't kon, te toeven. »Een arme, bijna verstijfd van koude, vraagt stroo en een stuk brood.quot;
»Voort, of ik laat den werfhond los! Kalissen en vagebonden open ik mijn deur niet te middernacht!quot; schreeuwde nu de boer, die van overdreven angst tot overdreven stoutheid oversloeg.
Volkertz zou hebben moeten aflaten en zijn weg vervolgen, indien zich binnen de woning zelve geen bondgenote in de gestalte van de vrouw des huismans had opgedaan.
»Hooi is er genoeg in den berg op de werf. Laat hem daar liggen. Een stuk broods kan hij ook nog wel krijgen. De Heiligen zullen
9
't ons loonen; en Hun zegen hebben we in deze vermalelijde tijden wel van doen.quot;
Na nog eenige woordenwisseling ging de grendel van de voordeur en werd de huisman, met een dikken knoestigen knuppel in de hand, zichtbaar. Hij hield Volkertz een walmende lamp voor het gelaat, als om hem nauwkeurig op te nemen, en trad van schrik een paar stappen achteruit. Het onbedekte hoofd, het doodsbleeke gelaat, waar langs de havelooze hairen slap neêrhingen, het gemis van bovenkleederen, en de scheuren in die welke hem gebleven waren, verklaarden zijn ontzetten, dat wel met eenig medelijden gepaard ging, voldoende.
))Wie zijt ge? Zijt ge slaags geweest? Met wie, met de Geuzen?quot; stamerde hij, toen Volkertz reeds den drempel overschreden en op een der armzalige stoelen bij den uitgedoofden haard neergevallen was.
»Ik ben een vluchteling, aangehouden door een stroopende Spaan-sche bende. Ik wil u niet misleiden; ik zelf ben wel geen Geus, maar ik ben hun zaak toegedaan. Ge schijnt mij een trouwe ziel; ik wil u niet in lijden brengen. Geef mij een stuk brood en wijs mij een drooge plek gronds en wat hooi om te rusten, zij het ook buiten uw hoef. Beloof mij slechts dit éene; wijs den vijand niet mijn spoor. Gij zijt een West-Fries, ik ben uw landgenoot. Help dus den vreemdeling niet.quot;
»Ge zijt over mijn dorpel getreden en Tijs van den Blokkert heeft nog niemant in zijn huis verraden. Ja Sijt,quot; zei hij, zich tot zijn vrouw keerend, die naar de spinde was gegaan en, met een stuk zwart brood teruggekeerd, hem bij die woorden veelbeteekenend aanzag, «ja, de Geus, dien ik heb overgeleverd, speelde ook den meester in mijn huis en de boer is toch meester van het zijne, schoon God en zijn Heiligen het tegenwoordig wel in bescherming mogen nemen tegen Due d'Alv....quot;
Sijt stiet den prater in de ribben; en gaf zij vroeger blijk van een goed hart, zij gaf het thands van haar beleid, voor 't minst van haar voorzichtigheid.
))'t Zal den huisman vrij wat beter zijn als de haard vlamt dan bij uw klachten, die God en de Heiligen alleen verhooren kunnen en die zij dus alleen noodig hebben te vernemen. Als ik wel heb, zijt gij doornat; zóo kunt ge niet blijven.quot;
Zij sprokkelde wat rijs, dat in een hoek van het vertrek lag, en voedde er het vuurtje meê, dat voor eenige oogenblikken nog onder de asch was geborgen.
«Goede lieden!quot; zeide Volkertz, en de toon waarop hij sprak was wel vriendelijk, maar toch meer die van den meerdere jegens den mindere, »de Spanjaarts kruisen rond. Als ze den rook den schoors-steen zien uitvliegen op dit uur....quot;
«Geen nood, of ze moesten de oogen van de kerkuil in ons dorp hebben geleend. Maar trek uw schoenen uit, heerschap!quot;
-10
Volkertz, die hel hoofd een weinig door uitputting hield neder-gebogen. hief het snel bij die woorden op en zag den boer strak aan. Hij wist niet wat hij van dat menschenpaar moest denken. Zij schenen Alva te haten, en toch hadden zij een Geus, die waarschijnlijk ook bij hen had gerust, verraden. Beider gelaat had echter wel een bedriegelijk masker moeten zijn, als zijn achterdocht gegrond wierd bevonden. De stoere gestalte van den man kwam op dit oogenblik, nu hij half ontkleed in het vertrek rondwandelde, goed uit. Zijne wezenstrekken waren met die gestalte in volmaakte overeenstemming. Ze waren ruw en grof, maar het geheel had iets goeds, ja onnoozels. Hetzelfde grove had de vrouw, hoewel getemperd, maar de trekken waren iets scherper, de oogen hadden meer glans. De stoffeering van het vertrek getuigde van hunne armoede, en de angst der bewoners voor een vijandelijken aanval ontstond niet zoo zeer uit vrees voor berooving, dan wel voor weerwraak; eene weerwraak waaraan zij zich, helaas! ter kwader ure hadden blootgesteld.
De roode bakken op den vloer waren voor het grootste gedeelte gebroken, het huisraad deels van grof aardewerk, deels van ruw hout; de spinde waggelde op drie voeten en behoefde dan ook zeker den aangebrachten schoor. Het eenig sieraad, dat in het vertrek werd opgemerkt, was een glad gewreven koperen krucifix met daaraan bevestigd wijwatersbakjen van hetzelfde metaal; beiden echter waren geschonden en beleedigd.
»Het heerschap was straks bang voor den rook uit de schouw, maar het licht is gevaarlijker. Het haardvuur geeft flikkering genoeg,quot; zei de vrouw, terwijl zij de daad bij den wil voegde, â hetgeen in haar echtelijk leven misschien niet geheel vreemd was â en het licht uitdoofde.
Het vertrouwen, bij Volkertz door beider beschouwing voor een poos opgewekt, werd niet weinig geschokt.
«Schop de doornatte schoenen toch uit! Tijs heeft wel een paar holsblokken. Aan een droog wambuis kan ik het heerschap ook helpen, 't Is door dik en dun gegaan, heerschap! een en al slik van onder.quot;
De toon was zoo gul en meêlijdend, dat hij haar vriendelijk in het gelaat keek, hetwelk vroeger zeker blozender en gevulder, thands tie grove wangbeenderen slechts bedekt door het gebruinde vel te zien gaf.
»Zijt gij Spaansch- of Prinsgezind?quot; vroeg Volkertz, en toen hij dezelfde0 onrust van straks op het gelaat der vrouw bespeurde, voegde hij er bij; »Vrees niet voor mij. Ik heb u toch oerlijk gezegd, dat ik het laatste ben. Ik heb mij aan u toevertrouwd. Waarom zou ik ook niet? Met mij over te leveren zoudt gij niets verdienen dan de spot van den vreemdeling en den haat van de Geuzen, die, zoo ik hoor, weèr op de Zuiderzee zwerven en mij wreken zouden.quot;
11
De bedreiging was met veel handigheid bij de vriendelijke toespraak en de uitlokking tot vertrouwelijkheid gevoegd. Het miste dan ook de uitwerking niet, die hij er zich van voorgesteld had.
»De Geuzen? Hier op de Zuiderzee, alzoo in onze nabijheid?quot; vroeg de man, die een kruis sloeg.
))Gij vreest ze? Gij hebt er óok een overgeleverd, zoo als ik straks uit uwe woorden heb opgemaakt?quot;
»Waarom er ook van gekald?quot; riep de vrouw berispend uit.
«Heer, we zijn gewoon te lijden door den vreemdeling, maar tot dusverre liet hij ons in ons huis vrij! Hij heelt mij wel mijn eenig kind genomen, mijn jongen, die den ploeg beter hanteerde dan ik. 't Was een stoere knaap, die misschien wat te veel zin had in een blinkende hoofdkap en met den ruwen hoop begon te rinkelrooien en te slempen____quot;
»Vader, ge hadt wat dooi- de vingers moeten zien, en de jongen was gebleven! Hij was op St. Petrusdag geboren, en zijn patroon was dus de grootste uit den omtrek,quot; viel de vrouw in.
»'t Mag zijn. Hij trok meè; hij is speerknecht in een vendel, dat op dit oogenblik, de Heiligen weten waar, ligt. Hij dient nu den vreemden, die verleden jaar mijn beste vaerskalf uit de wei hebben gestolen en de vorige week den schout van Scoorl doodgeschoten...quot;
»Maar die was ook van de nieuwe leer,quot; merkte de vrouw heftig aan.
«Houdt gij die dan des doods schuldig?quot; vroeg Volkertz, zoo bedaard hij het mocht.
«Ketters! beeldenstormers! die ons den grooten vloed van 'tjaar zeventig door hun heiligschennis hebben bezorgd. De storm begon toch op Allerheiligendag.quot;
»Ik behoor tot die ketters, vrouw!quot; zeide Volkertz.
Zij deinsde een oogenblik terug, als was ze bang voor besmetting.
«Hebt gij dan meè de beelden gestormd, de hostie vertrapt, de heilige jonkvrouwen geschonden, de kloosters omvergehaald?quot;
«Neen. Toch behoor ik tot die ketters, en daarom ben ik uit huis en hof verjaagd, gebannen en gevloekt, en kom ik te middernacht om wat broods en wat ruste bidden aan de deur van een armen huisman.quot;
«Ja, dat moge Due d'Alv voor den Paus en onze Lieve Vrouw verandwoorden,quot; riep de boer en hij sloeg met de vuist op de tafel. «Wat heeft hij weèr huis gehouden in Rotterdam! Maar hij krijgt zijn handen vol. Naar ik hoor slaan al de steden om. Ge komt van Hoorn?quot;
«Waarom ?quot;
«Of ge van de troebelen daar iets vernomen hebt? Maar in Enk-huyzen zijn ze nog beter aan den gang. Dat moet boos zijn, zooals de heerschappen het roeren! Heeft het heerschap daar niets van vernomen?quot;
«Zoo als ik u gezegd heb, ben ik een balling, en vreemd geworden in mijn vaderland.quot;
?
12
»Dirk, de vischboer uit Medemblik, zei me, dat er versch Spaansch volk in aantocht was; de Enkhuyzers mogen oppassen! Maar de Geuzen zullen wel een oog in 'tzeii houden. De Geuzen zijn duivels, maar het zijn nog, bij mijn ziel! wakkere West-Friezen en dat was de schout van Scoorl ook. Zie, heerschap, als die waterrotten maar niet zoo alles onder den voet traden en den ploeg lieten gaan zelfs over gewijden grond, er was geen boer in 't Noorder-kwartier, die ze niet een handjen ging helpen. Die ik hier gehad heb, had het steenen huis bij Westerblocker helpen leeg branden, en toen hij hier kwam, sloeg hij klein wat ik had. Hij spaarde zelfs ons lieven Heer niet,quot; en hij wees op het krucifix. »Dit kon ik niet harden en de boef kreeg zijn straf. Maar anders, bij mijner ziele zaligheid, ik zou mijn ouden hellebaard nog eens opzoeken, en ik ging ze die vreemde jakhalzen mcè het land helpen uitdrijven! De paters moeten zich-zelven maar zien te verdedigen; voor hen roer ik mijn knoken niet, want je kent het rijm:
De monniken in 't monniken-convent Die waren tot sterken drank gewend,
Zij hadden drie groote kannen----quot;
»Foei, Tijs, dat ge u schuldig maakt aan lastering! De duivel der ketterij nam hier al zijn intrek, en hij roert duchtig zijn staart,quot; merkte de vrouw heftig aan.
Zonder zich veel om de aanmerking zijner wederhelft te bekommeren, vervolgde hij:
»Heeft me de vermaledijde Spanjaart, die met zijn bende naar het Noord trok, niet gedwongen om gids te zijn!quot;
»Op den dijk bij Scellinkhout?quot; vroeg Volkertz, die zich hoe langer hoe meer tot den eerlijken boer voelde aangetrokken. ))De bende die naar de brandende hoeve trok?quot;
»Ja, de hoef van Jillis-buur, â den bloed, die nu kan gaan bedelen.quot;
»Die een Geuzen-predikant gehuisvest had!quot; zei de vrouw, die hare ergernis niet langer verkroppen kon. De medelijdende vrouw, die voor den vagebond tegen haar man had gepleit, keurde het verbranden dier hoeve, de verwoesting van have en erve goed, omdat daar een vijand van het Geloof had geschuild.
Volkertz keerde het hoofd mismoedig af. Het was of hem een droevig denkbeeld kwelde, en de handelwijze dier vrouw een beeld uit zijn vroeger leven te voorschijn riep.
»Sijt, 't wordt tijd dat gij 'tstroo opzoekt! Het heerschap is moe; ik zal hem zijn slaapplaats wel wijzen,quot; sprak de boer, die wist waar een twist over de Godsdienst bij zijne vrouw op uitliep. Sijt vond geen reden om te blijven; ook kon zij t moeielijk ontveinzen, dat zij altoos vreesde voor verontreiniging. Zij had zich vroeger wonderlijke voorstellingen van de ketters gemaakt. Van pater Anselmus hoorde zij altijd, dat het vrouwenschenders en dronkaarts waren.
13
en helaas! wat zij nog van die ketters met eigen oog gezien had, bevestigde voor een goed deel den laster van den eerzamen pater. Zij had er nu echter éen ontmoet, die in geenen deele aan de opgave beandwoordde, die er stil en oodmoedig uitzag, ja die dikwijls een toon aansloeg, die, waarom wist zij zelve niet, haar tot in het hart ging. Het moest echter een bedrog des Satans zijn, en de bekoring, die haar dreigde, wilde zij zoo spoedig mogelijk ontvlieden. Zij had nog liefde genoeg voor haar man, om te wenschen dat hij mede ging, doch zij wist hoe hij was jegens landslui, die even als hij den Spanjaart haatten, en met hem vloeken konden over den moord aan den schout van Scoorl. Met den wensch evenwel dat hij haar spoedig volgen mocht, wendde zij zich om, ten einde naar de bedsteê te gaan en die in te klimmen.
Volkertz hield haar echter terug. «Vrouw, als de Spanjaart op dit oogenblik hier aanklopte en naar mij vroeg, watzoudtgij doen? '
Zij had die rondborstige vraag niet verwacht en weifelde te andwoorden.
»Ik wil het weten, vrouw! Zoudt gij mij verraden? Dan zal ik heengaan, want ik wil u de schande en het gevaar van zulk een verraad besparen.quot;
))Heer, het voegt mijn man daarover te oordeelen! Indien hij u
wil herbergen, het kome voor zijne rekening, en____ ik zal hém
toch niet op het rad brengen.quot;
Volkertz liet af, slechts half bevredigd. Hij begreep dat zij hem geen leed zou kunnen berokkenen, indien haar man hem trouw bleef.
Deze nam hem bij de hand en bad hem te volgen. Zij klommen een trap op, die naar een zolder leidde, waar nog een goede hoeveelheid stroo lag. Hij tastte in het donker rond en baande Volkertz een weg, totdat zij den achtergrond genaderd waren.
))Hier, heerschap, kunt ge een paar uur uitrusten. Vrees niet voor mijn vrouw. Ze is fel op de rotten en de ketters, maar nog nooit heeft ze er éen gedood. Mocht het je hier te bang worden, dan hebt ge naast u een luik dat uitkomt in den koestal. Ik gebruik het, om er mijn stroo door te gooien. Het is niet meer dan zes voet.quot;
))Ik dank u, brave man! Zoo ik behouden blijf zal ik u gedenken. Misschien heb ik eenigen invloed. quot;Wat kan ik voor u doen?quot;
»Nu ge daarvan spreekt! Ge kent eenigen van die Geuzen! Bid hen, dat ze nimmer bij me komen.... Goede reis!quot;
))Nog iets. Indien het me niet gelukt te ontsnappen en ze mij niet met vuur ter dood brengen, zie dan mijn sterven koelbloedig aan, tot dat ze verdwenen zijn; maar trek mij, indien ge u verzekerd hebt alleen te zijn, den rechterschoen uit; daarin zult ge een toegevouwen stuk perkament vinden. Kunt gij lezen?quot;
»De Heiligen bewaren mij, lezen? Er was een tijd, dat onze lieve Heer en de Heilige Maagd het maar alleen verstonden, en toen was alles rustig.quot;
14
«Welnu, indien ge er prijs op stelt een paar Filippus-daalders te verdienen, breng dan dat stuk perkament naar Enkhuyzen, naar...quot; en hij fluisterde hier zachter dan vroeger, terwijl hij behoedzaam omzag, snaar Rijkert Claesz, den zilversmid. Hebt ge daar echter geen gelegenheid toe, zoo verbrand het. Het is een gevaarlijk stuk papier, vrind, als ge 't verliest, en het zal u groot maken als ge er goed meê handelt. De Prins zal uw naam weten....quot;
))De Prins?quot; vroeg de boer, die in de laatste oogenblikkken wonderlijk te moede was geworden. «Kent gij dan den Prins? Ge zijt zeker een groot heer, en ge gaat naar Enkhuyzen____?quot;
»Wie zegt u dat?quot;
«En ik moet dat papier naar die stad brengen als ge sterven mocht?quot; De gevolgtrekking pleitte eenigzins voor het doorzicht van den boer, die lang zoo dom niet was als hij wel scheen.
«Vraag mij thands niet meer. Ik ben een zwerver; ik weet niet waar ik morgen zal rusten!quot;
De boer nam afscheid, doch keerde nog eens terug met een half versleten wambuis en een wollen muts. Hij stopte beide kleeding-stukken hem in de handen; en toen Volkertz hem bedanken wilde, zei hij kort weg; »Ze worden toch niet meer gebruikt.quot; Zachter voegde hij er bij: ))De jongen heeft ze gedragen, die naar den Spanjaart overliep. Gij zult ze weêr tot eere brengen.quot;
Volkertz bleef hem nog een oogenblik in het donker naoogen. Zijn hoofd viel hem op de borst. Een oogenblik van zwakheid overviel hem, en hij prevelde: «Mocht ik haar nog eens wederzien! Zoo na en toch nog zoo ver!quot; Toen vlijde hij zich neder, zijn oogleden sloten zich, en met de bede: sHeere, in uwe handen beveel ik mijn geest!quot; sliep hij in.
De wind scheen omgeloopen en noord-oostelijk te zijn geworden.
De wolken verdeelden zich en lieten hier en daar het matte blauw door. Het mocht echter niet alleen daaraan geweten worden, maar ook aan den eersten morgenschemer, dat het landschap vorm en omtrek kreeg, en de hoef van Tijs van den Blokkert een flauwe schaduw wierp op het erf.
Wie op dit oogenblik van het rieten dak dier hoeve een blik in het rond wierp, hij zoii den rechten, bijkans door den regen overstroomden, weg met de oogen volgende, aan den horizon een zwarte stip hebben ontwaard, die zich langzamerhand vergrootte en ten laatste den vorm aannam eener krijgsbende.
Ook de werfhond, die zijn hok reeds verlaten had, bespeurde de nadering en gaf op luidruchtige wijze daarvan kennis.
Tijs van den Blokkert, die, niettegenstaande de ondervonden stoornis, schoon wat later dan gewoonlijk, evenwel bij de eerste stralen der zon uit het bed was gesprongen, wierp nieuwsgierig een blik naar buiten, ten einde de oorzaak van de onrust zijns trouwen wachters te vernemen en deinsde van schrik terug. Nog
wist hij niet welke vijand daar naderde; â de Spanjaart of de Geus. Naar de orde te oordeelen, waarin de bende optrok, kon het slechts de Spanjaart zijn, en daarom spoedde hij zich naar boven om zijn gast te wekken; maar nauwelijks was hij den trap half opgeklommen, of een driftig kloppen op de in der haast gesloten deur overtuigde hem van de aankomst der bende en drong hem weder naar beneden te gaan. Zijn vrouw lag gebogen voor het kruisbeeld, en aan het sidderen harer vingers bij het verschuiven der kralen van haar rozenkrans bemerkte men haar vrees.
»Wij worden gestraft voor het herbergen van den Booze!quot; duwde zij haar man in doodsangst toe.
))Trap de ellendige deur in!quot; klonk daar buiten de stem des aanvoerders.
Het was overbodig; want Tijs opende haar.
»Wat begeert Uwe Edelheid?quot; en de stoere dorper boog zijn schedel bij de oodmoedige vraag.
»Dat zult ge vernemen.quot; De aanvoerder, in wien we Antonio herkennen, trad binnen en wierp snel een blik in 't rond.
»Hebt ge iemant van nacht geherbergd? Lieg niet, of ge maakt kennis met een boomtak!quot;
»Hoe zou ik Uwe Edelheid durven bedriegen!quot; andwoordde Tijs, ofschoon hij bij die woorden den ondervrager niet durfde blijven aanzien. »Welke Geus zou bij mij zijn intrek durven nemen, sedert ik een van die vagebonden den Gerechte overleverde?quot;
»Zoo; waart gij dat? Maar gij andwoorddet mij niet op mijn vraag, Cannlla! Hij, die hier heeft aangeklopt, heeft zich misschien voor iets anders uitgegeven. Maar het is een Geuzen-predikant, die in den omtrek rondzwerft.quot;
»Een Geuzen-predikant!quot; klonk het op den achtergrond van het vertrek.
»Het wijf zal beter klappen!quot; zeide de Spanjaart, die haar naderde. «Ik brand de hoef af en heb stroppen bij mij voor u beiden, indien gij hem verbergt en hij hier gevonden wordt. Kunt ge hem mij echter leveren, dan ontvangt ge tien Carolusguldens loon.quot;
Door de hevige woordenwisseling was Volkertz ontwaakt. Hij hoorde onder welken naam hij werd aangeduid en kon bevroeden, dat de verzoeking voor de vrouw te sterk zou worden. Hij begreep, dat het gevonden geld in den lederen gordel hem voor een predikant had doen houden, want vooral de zoodanigen hadden ijver genoeg voor de goede zaak, die tevens die des Heeren Christi was, om hun leven in de waagschaal te stellen voor de zameling der zoo noodige penningen.
Zelfs voor den eerlijken huisman geloofde hij 't een te zware beproeving. Op de overlevering stond een belooning, op het verbergen de dood, voor 't minst de vernietiging van have en goed. Hij wist echter niet wat te doen, daar hij, indien de boer volhardde bij zijne
IG
ontkentenis, dezen bij zijn vlucht, zoo die nog mogelijk was, zelf ven-aden zou.
«Tien carolusguldens voor een aartsketter!quot;' riep de vrouw.
»Wij herbergden niemant, Heer!quot; viel Tijs in, die de reeds half uitgesproken woorden zijner vrouw overstemmen wilde.
«Gij liegt, boer!quot; zeide Antonio, wiens achterdocht door het gedrag der vrouw werd opgewekt en die thands scherper in het rond zag. »Van waai- komt dat slijk op den vloer? Het ongediert, dat op den drempel sterft van honger, spoelt gewoonlijk nog weg door het water, waarmeê ge uw woning overplast. Deze vuilnis werd dus sinds korten tijd hierin gedragen.... Ook die stoel....quot;
sik zelf heb dat hier gebracht. Ik ben gister uw gids of die van éen uwer hoplui geweest. En, Heer! het was een boos weer!quot;
Antonio weifelde een oogenblik. Hij raadpleegde het gelaat van de vrouw, die haar angst en haar weerzin niet verbergen kon, en grondde daarop het besluit, dat hij thands luid verkondde.
«Steekt den rooden haan uit het dak; laat den ketter en de ketter-vrinden in de vlam!quot;
»Jezus, Maria!quot; klonk het zacht uit den mond van Tijs, die in zichzelven een gruwzamen strijd had te strijden, maar toch kracht genoeg had om zijner krijtende vrouw, die alles openbaren wilde, den trouwelozen mond te snoeren.
Hij had misschien voor zich-zelven niet kunnen instaan, indien de strijd langer had behoeven te duren. Eensklaps echter joelde het krijgsvolk daar buiten; «Daar is hij, daar is hij!quot;
Antonio ijlde de hoeve uit, en zag het nagespoorde wild de belendende weiden overrennen. Verklaarbaar was Volkertz' besluit, ïoen hij het voornemen van den hoofdman vernam, bood zijn schuilplaats geen toevlucht meer aan, en zoo hij niet het verderf van den braven boer wilde, moest hij de hoeve verlaten. Behoedzaam was hij den hooiberg omgekropen, die hem een wijle aan het oog der wacht onttrok, welke ook aan dien kant de hoeve bewaakte, en was hij de weide overgeijld, zoo veel mogelijk in eene richting, die kon doen vermoeden, dat hij den heirweg langs was gekomen. Om zeker te zijn, dat men hem opmerken en alzoo van het eerst opgevat voornemen zoude afhouden, zwaaide hij, toen hij zich een pistoolschot van zijne vijanden verwijderd wist, met de wollen muts, terwijl hij de welbekende leuze van »Vivent les Gueux!quot; aanhief.
Het was echter onnoodig, want zijn uitroep werd reeds verdoofd door de kreten der knechten, die weldra zijne vervolgers werden.
Was het vroeger niet reeds opgemerkt geworden, dat Antonio eenigermate met den aard der landstreek en hare bewoners bekend moest geworden zijn, het ware thands gebleken, daar hij, na een gedeelte zijner bende bevel gegeven te hebben de hoeve in brand te steken, en een ander om af te zitten, den eigenaar dwong om bij de vervolging tegenwoordig te zijn, en alzoo uit zelfbehoud de
17
veelvuldige moerassen te mijden, die des te gevaarlijker voor den zwaar gewapenden krijgsknecht waren, omdat ze den schijn van vasten grond hadden.
Het was een vreeselijke ure voor den armen boer. Er druppelde een traan langs den gebruinden wang, toen hij den laatsten blik op de hoeve wierp, waarboven de zwarte rook reeds walmde, en hij de angstkreten van zijne Sijt vernam. Die traan tuigde minder van onderworpene smarte dan wel van verkropte spijt, want hij balde de grove vuist en hij knerste de tanden.
))Wat mart ge, luiaard!quot; riep Antonio, die te paard den stoet aanvoerde, terwijl hij hem met het gevest van zijn zwaard in den rug stiet. «Vooruit; en bij de eerste slinksche streek maakt ge kennis met een boomtak!quot;
De menschenjacht nam een aanvang. Volkertz had zich een dcek stijf om de lenden gewonden en het wijde wambuis afgeworpen. Hij begon langzaam, doch verhaastte zijne schreden, tot dat hij ten laatste pijlsnel voortholde, en zijne voeten ter nauwernood den bodem schenen te drukken.
Hij stoof de weiden, die zich tot den gezichtseinder uitstrekten, hoe langer hoe dieper in, tot dat hij bemerkte, dat zijne vervolgers in rechte lijn hem naijlden. Toen zwenkte hij langzaam naar de zijde van den weg en hield ten laatste recht op dezen aan. Door die beweging verminderde wel de afstand tusschen hem en den vijand, hetgeen hem gevaarlijk had kunnen worden, indien hij musketiers achter zich had gehad; maar hij hoopte het verlorene te kunnen herwinnen, wanneer hij eerst weder op vasten grond was. De afstand was zoo ingekrompen, dat hij het aanhitsen van den aanvoerder hoorde, die het spel reeds gewonnen dacht, en op de domheid schold van den vluchteling, die zijn vervolgers op vasten grond lokte, waar de kansen voor hen ongelijk gunstiger werden.
Het bleek echter zulk een groote fout niet, daar Volkertz weder merkelijk grond won, toen de krijgsknechten de lager liggende weiden moesten verlaten en den rijweg moesten beklimmen. Daar werd de jacht immer heviger voortgezet, die echter, het werd hoe langer hoe meer blijkbaar, ten nadeele van den Geus zou moeten eindigen. Wel verflauwde menigeen der knechten, wel zonk er hielen daar een neder, die noch door de aanmoedigingen van den aanvoerder, noch door diens slagen met het plat van het zwaard tot opstaan kon gedwongen worden, maar ook de kracht van Volkertz schoot ten einde. Hij had te veel op haar vertrouwd, toen hij zijn plan ontwierp. Nog scheidde hem een nauw afzienbare vlakte van de plaats waar hij dacht dat de redding mogelijk was. Hij moest toch nogmaals de weiden aan zijne rechterhand in, maar nu in een Oostelijke richting, ten einde den zeedijk te bereiken, waar hij kans had een visschersboot aan te treilen. Het was een verre tocht en hij snakte reeds naar adem, en het hoofd dreigde hem te
O
DE EERSTE DAG.
18
bersten. Wel was de grond op de hem bekende plaatsen zoo week, dat slechts een lichte voetstap daarover kon voortglijden, maar die belemmering voor zijn vijand werd bij zijne uitputting er ook eene voor hem.
Het moest echter beproefd worden, en daarom waagde hij een geweldigen sprong over de hier tamelijk breede vaart.
Weder hoorde hij het gejuich van de krijgsknechten; een steen gierde hem langs het hoofd. Het was een blijk, dat zij hem nog niet zoo nabij waren geweest als op dit oogenblik; maar nogmaals verstierf dat gejuich en voelde hij zelfs de dreuning niet meer hunner voetstappen op den veenachtigen grond. Hij waagde 't een oogenblik om te zien. Welk een schouwspel! Van een twintigtal vervolgers bleven er nog slechts vier, en deze stonden stil of waren bezig zich uit de derrie te redden, waarin ze tot de dijen waren weggezonken. Hij zag Tijs, die altoos in de voorhoede was geweest, de armen kruisen en stilstaan, terwijl hij langzaam het hoofd schudde, wat scherp afstak bij de driftige bewegingen van Antonio. Yolkertz maakte er uit op, dat de boer weigerde voort te gaan. Een oogenblik gaf hij toe aan een opwellende aandoening. Hij zwaaide met de muts en riep den achterblijvenden nogmaals op honenden toon de gehate leuze toe van; DVivent les Gueux!quot;
Die spot scheen den toorn van den Spanjaart tot woede te prikkelen; een woede, die hij koelde op den weerloozen boer. Volkertz zag het zwaard flikkeren en toen.... De boer, wiens leven hij ten koste van zijn eigen had willen beschermen, lag neergeveld, neergeveld misschien door zijn schuld.
Er was geen tijd om den arme te beklagen en geene gelegenheid om hem te wreken. Het eerste bejammerde hij niet, het laatste echter te meer. Hij trok krampachtig de hand samen, als klemde zij zich om het gevest van een zwaard; de hand, welke tenger als die eener vrouw, en, thands ontdaan van de bruine kleur, die de kunst haar wellicht den vorigen avond gegeven had, ook blank was als deze.
Tot zijne groote bevreemding klonk uit het midden der bende, welke inmiddels door de aankomst van verscheidene achterblijvers was aangegroeid, een gejubel, hetwelk dat der overwinnning scheen te zijn. Hunne blikken schenen zich te richten naar de zijde, welke Volkertz den rug had toegekeerd. Hij wendde zich om, enâ het bloed scheen hem om het hart te stollen. Op den weg, die den Zeedijk langs liep, galoppeerde een ruiterbende, die zich gereed maakte hem den verderen tocht af te snijden. Het was een versche vijand, dien hij onmogelijk zoude kunnen ontvluchten; het was bovendien een vijand, die zijn doel begreep.
Het was ook de bende, die bij de hoeve had post gevat en van daar de jacht had aangestaard. De vrouw, wier erf in brand was gestoken, had in het verlies van haar goed de straffende hand der Heiligen gezien, jammerend de schuld haars mans bekend, en, mis-
19
WHââaâ
schien om het leven van dezen te redden, dat bij het mislukken van den tocht gevaar liep, misschien in de hoop van eenige vergoeding te ontvangen voor het geleden verlies en zeker ook uit haat jegens den vermaledijden ketter, den knechten een weg gewezen, die de weiden, waarin de Geus voortliep, langs ging; â zoo dat hij, van weèrszijden ingesloten, niet anders als in een rechte lijn had kunnen voortijlen, tot dat hij ten laatste op den Leecker polder ware gestuit.
Weinig wist de vrouw, tot wie Huss mede zijn Dsancta sirnplicitasquot; zou hebben gesproken, dat haar man eenige oogenblikken later reeds bloedende op de weide nederlag, en hij den laatsten adem uitblies met een vloek op de half verstijfde lippen voor den Spanjaart, dien zij zoo ijverig had gediend.
De wanhoop leende Volkertz een wijle nieuwe kracht. Zijn zendeling, de eerlijke West-Fries, die een deel van den op hem rustenden last zou volbracht hebben, was gestorven en hij wist welk nadeel het verloren gaan van den zorgvuldig verborgen gehouden brief der goede zaak toebrengen, welke slachtoffers de ontdekking daarvan eischen zou! Hij streefde daarom voorwaards, immer voor-waards, maar thands recht voor zich uit, hoewel hij zijne vervolgers immer naderen hoorde en den grond voelde deinen onder de hoeven der rossen. Zijne oogen tuurden echter op een hek, dat nog vijf minuten gaans van hem verwijderd mocht zijn en voor hem lichter zou zijn over te klimmen dan voor den krijgsknecht, die bovendien een deel zijner zorg te wijden had aan het ros dat hem droeg. Hij versnelde nogmaals den pas, hij rende door en gaf daarbij wellicht voor een goed deel de voorzichtigheid prijs, die zijn gang tot dus verre bestierd had; want plotseling, nauw een tiental schreden van de mogelijke redding verwijderd, zonk hij tot de knieën in den moeras-grond weg, en eer hem de tijd was gegund zich daaruit te verlossen, zag hij zich omringd van de joelende schaar.
»Ten leste is 't dan gelukt, gevloekte Geus!quot; zoo borst Antonio los, terwijl Volkertz bij de hairen en schouders werd vastgehouden en het zwaard werd opgeheven om hem te doorstooten.
Die beweging mishaagde den aanvoerder. «We hebben nog iets met hem te verrekenen. Het vogelken schijnt met geleende kleuren geprijkt te hebben!quot;
De laatste woorden doelden op de veranderde kleur, die we straks aan de hand reeds bespeurden, maar die thands op het gelaat van den Geus zichtbaar werd. Bovendien hadden de knevel en de forsche baard losgelaten, hetgeen het benedengedeelte van het gezicht ontblootte, wat het bewijs leverde hoezeer de kunst hier de natuur was voorbij geijld, toen zij den jongeling het uiterlijk vertoon van mannelijke kracht had geleend.
Antonio bleef hem een wijle aanstaren, als zocht hij bij zich-zelven eene herinnering op te wekken.
20
sBlond hair, jeugdig voorkomen, ranke gestalte!quot; prevelde hij in zich zeiven. »De honderd Filippus-daalders zijn mij. De oude zal over mij tevreden zijn. Ge gaat naar Enkhuvzen?quot; vroeg hij luid.
«Laat mij gaan en gij zult zien werwaards,quot; andwoordde de jongeling fier, die alle veinzerij nu wel overbodig dacht.
sZult gij den hoofdman dus te andwoord staan, kaiteivige boer?quot; riep een der knechten, terwijl hij hem met de gewapende hand op het aangezicht sloeg.
Volkertz sprong achteruit; zijne oogen vlamden, de vuist balde zich; maar hij kon den arm niet rekken, hij gevoelde meer dan ooit gevangene te zijn.
»Lafheid der kat, die de half ontveêrde prooi nog sart!quot; zeide hij dof. sBeul, doe uw werk!...quot;
»Zoo haastelijk niet, mijn zoete jonker!quot; hernam Antonio. »Wij hebben nog te loven en te dingen, mids het leven niet waardeloos voor u zij. Geen zwaardspits zal u deeren, gesnapte spion, zoo ge doet naar mijn raad.quot;
»Geen zwaardspits? Ik houd het niet voor onzeker, dat uw hellebaard scherp zij, maar niet zoo gepunt is uw tong. Of ik u niet kende, fijne vogelaar, die den vink wilt vangen in het net van de woudduif! Geen zwaard zou inij deeren, maar wel de strop! Doch mij pijnt de gedachte, dat ik uw hoofschheid met lompheid bejegenen zou, zoo ik ii weigerde aan te hooren.... spreek!quot;'
»'t Zij weinig lofs uwe moedersprake beter te kennen dan ik, en toch geef ik u lof en loon zoo ge mij dat briefken vertolkt,quot; zeide Antonio. Het prikkelt mijn weetlust.quot; Hij haalde een stuk perkament te voorschijn en hield het Volkertz voor. Deze verbleekte. Hij kon het lot gissen van hem, wien het was ontnomen, en de mate zijner ontroering getuigde misschien, dat zij geen onbekende gold. Hij vermande zich echter en las:
»In Bndjnswijc ') staat het goed. Marten Wilemszquot;1) denkt over te komen als Tritonquot;'), Plato'1) en Pollux5) willen zoo als hij. De eerste roert zich en voelt zich jong en wil loopen. Zijn niet al de leden even vlug, de Blonde komt ze helpen. Hij bracht aan Minerva6) zijn groet en toeft dan bij Triton, om Marten aan een huis te helpen. Wees goè moeds. Zoek Plato ook wakker te schudden. Daniël van Sinten'') staat klaar met de zijnen en denkt meè naar Triton te gaan als de Blonde reè is. Deze brengt u wanneer ge den iOden of 11 Jen graadquot;) telt, den gezegelden groet9) van Marten; beid hem ter bekende plaats; hij weet veel, luister. Wilt ge vóór den tijd schrijven, zend het aan Calvinus10). Gerrit van Tricht11).
') Einden. '-) Prins Willem. :') Enkhayzen. ') Alkmaer. 5). Hoorn. quot;) llaerlem. ') Jonkheer Dirk Sonoy. ') Dag. 0) Do lastbrief. 10) Rijkerfc Clues. quot;) De lieer van Dronen.
21
»WeInu?quot;
))Het is moeielijk den zin te vatten. Hij, van wien ge dat briefken ontvangen hebt, maakt het u lichter. Raadpleeg hem.quot;
»Ik versta éen woord, en dat is mij voor 't oogenblik voldoende,quot; zei Antonio. ))De blonde zijt gij, en zoo lang ik de andere heidenen niet ken, zult gij voor alle boeten. Dat ik mijn torment-middelen misse!quot; vervolgde hij zacht. «Ontcijfer mij dien brief en zoo gij neen zegt, zal 't het laatste woord zijn, dat gij vermoogt te spreken. Ik laat u de tong uit den mond rukken. Geus!quot;
»Vraag het hem, wien gij 't schrift ontnaamt____quot;
))Ha, zijn lot wordt het uwe. Weet ge hoe hij den adem uitblies...?quot; Antonio naderde hem en fluisterde hem eenige woorden toe, en die woorden, ze schenen wel vreeselijk te zijn, want de jongeling huiverde en werd doodsbleek.
»Ge zijt niet van ijzer of staal, jonksken!quot; zei Antonio, «gij zult klappen. Ge zijt de eerste niet, die met weigeren begon, maar met bidden eindigde. Mannen, naar den dijk! Het is hier een grond, zoo als ik er al de steden van het vervloekte Waterland een toe-wensch. In éen etmaal zou de hoogste toren niet meer zichtbaar zijn, en waren wij het adderenbroed kwijt!quot;
Met Volkertz in het midden ving men den tocht aan. Weldra werd er halt gehouden op den weg beneden den zeedijk, onder de vvilgenboomen, die daar in grooten getale werden aangetroffen.
Een der knechten, die het ambt van scherprechter scheen uit te oefenen en reeds ongevergd de mouwen van zijn wambuis had opgestroopt, hield zich bezig een strop gereed te maken en dezen te bevestigen aan een der stevigste takken.
»'t Waar jammer, hopman, zoo de Geus zijn plunje versleet. Hij zal de lappen toch niet lang moer noodig hebben, en zij zijn hem nu beter af te stroopen dan straks,quot; zeide éen der knechten.
»Wat hij heeft, behoort u: maar wacht nog een oogenblik,quot; hernam Antonio, zich bedenkend. Hij trad op Volkertz toe: »Nog blijft u de keuze; lees mij den brief en zeg mij, aan wien hij is gericht;
dan laat ik u dit oogenblik vrij____quot;
«Dit oogenblik?quot; vroeg Volkertz, schamper lachend; »in 't volgend ving de jacht weer aan----!quot;
«Vaar dan ter helle, ketter! maar eerst zal u de pijn al de
buurtschappen in het rond wakker doen schreeuwen____ Begin uw
werk, knecht____1quot;
De aangesprokene trad op den jongeling toe, die een oogenblik de handen vouwde en de lippen bewoog ten gebede. De knecht boog zich, om hem van zijne bovenkleederen, den reeds lang begeerden buit, te ontdoen en wilde aanvangen met het losmaken der schoenen. Gewilliger gevangene had hij zeker nooit gehad, want Volkertz bespeurde nauw zijn doel, of hij toog mede aan den arbeid, ontbond de rechterschoen, trok die haastig uit, bracht de hand met
22
verblindende snelheid daar binnen, en voerde, terwijl hij met de linker even bezig scheen, de rechterhand, in wier palm het zoo kostbare briefjen verscholen was, naar den mond.
»Ontneem hem, wat hij verbergt,quot; riep Antonio. »Ik dwaze, die 't niet vermoedde! Breekt hem den mond open, eer hij quot;t met de tanden vermaalt; breekt hem den mond open, of klooft hem____quot;
Die zinsnede werd door Antonio niet voltooid. Er knalde een musketschot____ De Spanjaart viel.
Al de knechten, die het oog nieuwsgierig op Volkertz en den aanvoerder hadden gevestigd gehouden, wendden het hoofd naar de zijde, van welke de buskruitdamp opsteeg. Een huivering ging hun door de leden, en hoewel het dag en de verschijning van den Booze met diens Serianten niet te wachten was, stonden zij toch stokstijf voor zich uit te staren, en hadden zij slechts besef, om de speren te vellen. De beul van Volkertz bleef in dezelfde houding, de beide handen om diens keel geslagen, staan.
Het was ook een wonderlijk tooneel. Boven den buitensten rand van den dijk gluurden een veertigtal koppen, de meeste met een ijzeren stormkap, maar toch eenige met vrouwenhuiken, kasuifels en kappen bedekt. Van het gelaat, bijkans geheel met haar bewassen, was ter naawernood iets meer te bespeuren dan de oogen, die flikkerden in de kassen en op dit oogenblik gevest waren op den loop van het musket, dat op den dijk rustte en de Spaansche bende dreigde.
Hij, wiens stormkap den meest forschen schedel bleek te verbergen en de aanvoerder scheen, maakte van de oogenblik kei ij ke ontsteltenis der Spanjaarts een goed gebruik. sSchiet ze neer, de honden, maar spaart mij dien éenen.... Gij den linkschen, Dirk den nevenman en Maarten den volgenden.... Vuur, voor den duivel...! Maar deer den huisman niet, hij, die hem raakt, valt zelf____Iquot;
Een twintigtal schoten knalden en even zooveel knechten vielen neêr. De kogels werden goed verdeeld. Het duurde slechts een polsslag, zoodat Volkertz den beul aan zijne zijde vallen zag, maar nog altijd den forschen neep van den krijgsknecht meende te voelen, die hem dan ook in zijn val meêsleepte.
De kreet van »de Geuzen! de dolle Entens!quot;dien de vluchtende en zich her- en derwaarts verstrooiende Spanjaarts aanhieven, en de hand, die hem zachtkens beroerde, bracht den jongeling tot bezinning en deed hem de oogen openen. De Geuzen waren den dijk overgeloopen en vuurden van den heirweg op de vluchtelingen, die, terstond doodelijk getroffen, nederbuitelden of, slechts gekwetst, achterhaald en met de kolf van het musket werden doodgeslagen, alles onder uitbundig gelach of bij ruwe spotternij.
De aanvoerder nam ditmaal geen deel aan de slachting, schoon het instinkt der Spanjaarts niet had misgetast, toen zij de bende van den dollen Entens meenden te zien.
Berthold Entens van Mentheda, die zijn bijnaam niet onverdiend had gekregen, hield zich thands alleen bezig met den jongeling, dien hij gedood, voor 't minst gekwetst waande, terwijl hij tusschen de tanden prevelde: »Ze zullen 't mij betalen, de honden! Een schuld te meer, die zij mij te betalen hebben.quot;
Toen Volkertz hem echter aanzag, en dit met een oog, dat geen smart, veelmin een doodstrijd verried, werd de uitdrukking van dat barsche gelaat zachter, en klonk het van die met hair omkroesde lippen minder ruw dan zijn jongens het ooit vernamen: »Kolter-man! zie ik goed? Geen rib, geen bot gespaanderd?quot;
De aangesprokene schudde vroolijk van neen en stond haastig op, terwijl hij zijn tong uit haar boei verloste door het geborgen perkament uit den mond te voorschijn te brengen. â Dit wekte bij Entens de hoogste verbazing op. »Wat het u benauwd zal hebben,
dit propken____! Ik borg er nog liever een geplukte hoen____Me
dunkt, de honden hebben het u nog al bang gemaakt.quot;
»'t Gaat wel, wakkere vriend! Ze zaten mij den gantschen nacht op de hielen. Ze kenden het wild niet, maar ze roken dat het kostbaar was. Doch geef mij verlof naar wat deksel om te zien, want het is me of het merg mij in de beenders verstijft.quot;
»Wacht, ik zal u een kleedij kiezen. De jongens hebben den buit al vrij wel bijeen.quot;
Meteen wees hij op de schaar, die zich onderling het geroofde scheen te betwisten, maar bij zijn nadering den hevigen woordenstrijd staakte.
Het was een schilderachtig tafereel. Die schare met gebruind gelaat, waarop meest de wonde nog bloedde naast het purperen likteeken; die schare in de meest verscheiden kleedij aan den voet van den dijk en verlicht door de vroolijke morgenzonne! Zelfs het bloedig slagveld op den achtergrond, die roode tinten op het smaragdgroen der weide, verrijkten het geheel, hoewel het oog niet dan noode dat deel van het tafereel beschouwde.
Hier zag men de monnikspij, maar dat ze geen beeld des vredes was, bewees de dolk reeds die tusschen het koord van het habijt was gestoken, bewees het musket, dat op dit oogenblik weder achteloos over den rug hing. Ginds trof het wambuis, van het fijn laken des gegoeden poorters tot het grof saaien van den huisman, het oog, terwijl een koppel pistolen in den lederen gordel en een ijzeren kap op het hoofd prijkte. Verder ontmoette men rijker en bonter dosch: zelfs den opstaanden kraag des Spanjaarts, den llu-weelen mantel, rok en korten gedoften broek van dezelfde stof, doch een heirbijl in de vuist en den bekenden dolk en pistolen in den gordel. Maar hoe verscheiden het kleed, hoe verschillend de wapening ook, éen wapen, behalven het musket, hadden allen gemeen en hielden zij ter dezer stonde geheven: het was de lange halve piek, die als polsstok en spiets gebruikt, en daarom spring-
24
spiets genoemd werd. De spits vonkelde thands in de zon en deed (
een kring van gouden vonken bespeuren boven de groep, waarover s
de Prinsenvlag heenwoei, in wier middenste baan het wapen van s Entens prijkte met het devies: Frolyck mit eeren.
Entens zelf droeg een wambuis en broek van zwart laken, en zijn
geheele kleedij zou die donkere kleur hebben getoond, ware de 1
gordel niet van bloedrood geverwd leder, de zwarte, breed gerande c
hoed met een roode veder getooid, en de voering van het wambuis ]â¢
van dezelfde kleur geweest, hetgeen bij elke beweging, die de slippen v
van het wambuis deed opwaaien, bespeurd werd. Het gaf aan het z
geheel iets woest, iets wreeds; die indruk werd dan ook door het z gelaat niet tegengesproken of verzacht. De bronskleur sprak van j c
ontbering en verharding; de lijnen om neus en mond, hier gehoogd e
tot plooien, ginds tot rimpels gediept, van pijn en ellende; de wang- s beenderen, de harde trekken, de geheele gezichtsvorm van grofheid en ruwheid, terwijl de rusteloos zwervende oogen, die vaak wissel- i £
den van tint, getuigden van een vuur, gloeiende onder een ijskorst, c
van tochten, die, eenmaal opgewekt, die van het wilde gedierte e
niets toegaven in kracht en in omvang. r
Ook hij scheen met Lumey denzelfden eed gedaan, en dezen van t zijne onderhebbenden mede gevorderd te hebben. Sedert geruimen
tijd toch moest knevel noch baard gesnoeid of gekort zijn, want ii
het benedendeel van het gelaat school daarin geheel weg. De inhoud p van dien eed tuigde van de woestheid dier eeuw, van de woede der
Nederlanders, schier gestegen tot razernij. Bij het vernemen van h
de onthoofding van Egmond en Hoorne, stak de Graaf van de Marck d
zijne vingers omhoog en lei hij zijn slinke hand op het Woord v
Gods, zeggende: »Mij zal knevel noch baard worden geschoren, zoo v
lang ik de beide Edelen niet gewroken heb.quot; Vreeselijke eed, te h
vreeselijker, daar hij, die dien allei, de bepaling aangaande de ver- o vulling aan zich hield. Hoe de Geus ook woedde, blakerde en
moordde, nog was de gelofte niet vervuld, nog was de bloedschuld n niet afbetaald.
Berthold Entens voor zich dacht dan ook, dat wel nimmer het b
hairbosch van zijn gelaat zoude verdwijnen, want dat het gestorven v
edelenpaar nooit voldoende kon gewroken worden. Daarbij voegde n zich bij hem de waan, dat hij door Jehovah was voorbestemd, om een geesel voor de onbesnedenen te zijn. Hoe vaak ook omringd, « n hij had een uittocht gevonden; hoe vaak ook achterhaald, hij was
toch gevlucht; hoe vaak ook verslagen, hij was toch overwinnaar sl
gebleven. Hij had de gruwelen van den burger- en godsdienst-krijg e:
van nabij aangestaard. Lid van het verbond der Edelen, was hij II
door Alva verbannen, maar trouwer dan de meeste zijner gelijken P had hij met Lodewijk naar de wapens gegrepen, was hij met hem
geslagen, ten lande uitgedreven, tot dat hij het geluk ter zee ging d(
beproeven. Gescheiden van wat hem het dierst op aarde was, buiten e(
25
de wet verklaai'd, zwierf hij rond, en waar hij den voet aan wal zette was het starrendak meest zijn tent, de doorweekte grond van zijn vaderland meest zijn leger geweest.
Maar hij nam bloedige wraak toen de vlieboot zijn vaartuig werd! Was hij beroofd van liet zijne, hij nam het goed van zijn vijand; had hij koude en ontbering geleden, hij zwelgde nu van de overdaad in de bestormde kloosters gevonden; hij zwelgde er, zich koesterende in de vlammen der omgehaalde hoeve. Had hij zijn vrienden, zijn bondgenooten zien wiegelen aan wipgalg of worgpaal, zijn zwaard maaide in de rijen der Spaansche soudeniers en schaarde zich bot op de monnikspij, die zijne woede het meest gold, als of de weerlooze geestelijkheid de hoofdschuldige, als of hare misdaad eene andere ware als grove onwetendheid, die haar de oogen deed sluiten voor de beweging der eeuw.
Onder al het lijden, zwoegen en strijden, bleef Berthold dezelfde. Als jongeling had hij te Groningen, waar hij der wetenschap een cijns heette te brengen, geribaudeerd en gedarteld; als man joelde en rinkelde hij op het slagveld, in de kajuit der boot of bij de rookende puinhoopen; en, bij neerlaag of zegepraal, de beker schuimde tot den boorde en werd bij lach of jokkernij tot den bodem geleegd.
Doch te lang reeds poosden wij bij een man, die, hoe ook berucht in de geschiedrollen onzes vaderlands, niet dan eene onaanzienlijke plaats in ons verhaal kan innemen.
»Wat zankt en rebeleert ge?quot; riep Berthold luid, terwijl hij de heftigste woordvoerders van straks met de oogen mat. )gt;Denkt ge den buit reeds te deelen ? Goed, mids ik er bij zij! Het eerste derde voor den Prins, het tweede voor mij, de helft van het laatste deel voor den armen makker, die bijna een kluif ken werd voor de bloedhonden, en de wederhelft voor den Admiraal, in wiens plaats ik optrêe.quot;
«Dan is ons deel niet te rijkelijk,quot; waagde een uit den hoop te meesmuilen.
»Daar het echter zoo lang vasten voor ons geweest is, jongens, besteed ik ditmaal het tweede derde, dat mij behoorde, voor u, voor allen, met uitzondering van hem, die zijn eksterstem tegen mijne deeling deed hooren!quot;
«Leve de dolle Entens 1quot; riepen de Geuzen; slechts éen hunner makkers zweeg.
».Tonkman!quot; zei Entens, zich tot Kolterman, dus hoorden wij hem straks noemen, wendende, »zoek uit de kolders nu éen die u past, en volg me naar boord, waar we een beker wijns kunnen leêgen. Ik heb een fijn merk; ik nam gister een Hamburger, die naar het Paapsche Amsterdam ging.quot;
De jongeling sloeg het aanbod niet af, schoon hij het bijzijn van den vrijbuiter juist niet begeerd zoude hebben. Vooraf zocht hij echter uit den buit de kleeding die hem voegde. Ook eischte hij
I
26
de penningen, die bij Antonio gevonden werden, ten bedrage van twintig Karolusguldens, terug.
Een der Geuzen, die het geluk had den Spaanschen aanvoerder het eerst uit te schudden, had daarbij eenige papieren buit gemaakt, die hij met verachting van zich afsmeet. Kolterman maakte zich er meester van, vernietigde het eene, dat wij reeds kennen, doch staarde met de grootste verbazing op het tweede. Het was een zeer konlidentieel schrijven van Freèrvk Symons uit Enkhuyzen van den volgenden inhoud:
» Krijgshafte vriend!
Zoo ik vernomen heb kruisen vele boden van den aartsketter op het platte land. 'tZou mij niet wonderen, nu 'tden ballingen schijnt goed te dunken terug te keeren, dat zich daaronder een gevaarlijk jonkman mengde. Den naam kan ik u niet noemen, want hij wisselt telkens zoowel van kleedij als van titel. Hij is echter in zijn natuurlijken staat rank van gestalte, en blond, zoo als de oude Heidenen dezer landen waren, naar ik vernomen heb. Het voegt het jonksken wel, want het uitwendige beduidt dan wat bij hem het inwendige is.
Voor de eer onzer Kerk en ter liefde Zijner Majesteit zou ik wenschen dat hij u in handen viel; â ik ware dan zeker, dat hij zijn straf niet zou ontgaan. Schoon jong en zwak, tot wijfschheid toe in zijn uiterlijk, houde ik hem voor éen der gevaarlijkste rebellen. Het is een schoon gekleurd adderken, maar die zijn van de vergiftig-ste soort. Waarvan ik zóo zeer de overtuiging hebbe, dat mij de zekerheid zijnes doods â een gewis bewijs daaraf, meen ik â wel honderd daalders zoude waard zijn.
Bidde den Heere Stadhouder op dit blijk van mijn ijver te wijzen, opdat ik te eeniger tijd tot eene vergoeding, op wat wijze dan ook, mijner uitschotten ten dienste Zijner Majesteit gerake.quot;
»Heere, mijn God!quot; stamelde de jonkman in de eerste oogen-blikken ontzet. »De vrek schat mij wél veel gelds waard; hij verlangt vuriglijk naar mijn dood! Ik raad waarom.quot;
»Wat staat ge te peinzen als een verliefde jonker!quot; riep Berthold hem toe, terwijl hij hem wenkte voort te gaan. Hij schrok als uit een droom wakker en volgde zijn leidsman. Men klom den dijk over, en nu werd het verklaard waarom de Spanjaarts niets van de nadering der Geuzenschepen hadden vernomen.
De dijk kromde zich juist op deze plek, en de ranke boot, die nog op eenigen afstand van de kust was blijven liggen, bleef voor wie zich op den binnenweg bevonden, geheel achter dezen verborgen.
Op het sein van den Bevelhebber naderde de boot, die in grootte met die eener kof of smak overeenkwam, het land. Toen Kolterman het dek betrad, zag hij verbaasd naar den grootsten der twee
masten, waaraan een rijkversierde Hostiekas met spijkers was vastgehecht.
«Verwonder u des niet!quot; riep Entens met een schaterlach uit. ))Uet platte land behoort ons met kerk en kluis. Daarbij zijn we, hoewel zwalkende op zee, toch geen Heidenen. Gister hadden we nog een eerwaarden Pater aan boord, die voor ons officieerde, terwijl wij, met evenveel devotie als nu, een teug Rijnwijns proefden uit deze bekers, die eenmaal ook der kerke toebehoorden.quot; Hij wees bij de ruwe scherts op het schenkblad, dat een der knechten had aangebracht en waarop twee sierlijk bewerkte bekers stonden, prijkend met de beeltenis van de Heilige Jonkvrouw.
»Wat deden we ook weèr met den Paap?quot; vervolgde hij tot den knecht.
»We spoelden hem de voeten, omdat hij niet hard genoeg wou schellen____en____quot;
»Wat ze bij Staveren een tijd lang vette visch op vastendagen zullen eten....! De Pater kuste op die hoogte zoowat de boom van de zee.... Nóg een teug, kameraad, het bekomt u goed na de wandeling! Wat ik opzag u daar te vinden! Wie heette u het land weder in te trekken?quot;
«Dezelfde, die u heet de zeeën rond te zwalken.quot;
«Dat is de Prins, en ook mijn eed.quot;
»En ook de buit,quot; voegde Kolterman er bijtend aan toe. «Welnu, wat let u mijne verschijning daaraan óok toe te schrijven....?quot;
»En wat komt gij hier doen?quot;
«Gun mij de wedervraag ten andwoord: Wat wilt gij?quot;
«Knaap, zijt ge dol, of zijt ge beangst de tong te vermoeien? Spot ge mijns? Ziet ge,quot; en hij balde de breede vuist en liet de spieren zwellen, «ziet ge, aan deze hand voegt het zwaard, dat de velden hier kaal moet maaien. Het is oogsttijd, en Entens laat niet op zich wachten. Maar gij.... ik hield u voor een blooden jonkman, als ik u vroeger niet de tanden had hoeren knersen bij het gezicht van Alvaas banier, als ik u niet de lip ten bloede had zien persen, toen men u de martelpijnen verhaalde van Meester Bardes...quot;
«Zwijg daaraf,quot; zei de jonkman, terwijl zijn wangen purperden. «Herinner mij dat niet. â Mijne vingeren zouden joken naar het zwaard!quot;
«Ik zal er u een schaffen, rnids ik een lichte vind,quot; zeide Entens.
«Er is verscheidenheid van gaven; doch alle deze dingen werkt Ãen en dezelfde geest, declcndc aan een iegelijk in 't bizonder gelij-kerwijs hij wil. Uwer zij de sterkte des lichaams, mijner.... Doch niets meer!quot; en deze woorden klonken zóo gebiedend, zoo forsch, dat het Entens trof, en deze hem zelfs met welbehagen aanzag.
«Ik weet, dat zijne Fürstelijke genade u gaarne mag! dat hij u zelfs bederft door zijne inschikkelijkheid. Het kan van mij niet gevergd worden beter te doen.... Nog éeu teug, vriend!quot;
28
sik dank. Het wordt tijd dat ik heen trek. Nog éen woord. Gij hebt mij ondervraagd en ik heb u niet geandwoord, daar gij mijn zender niet waart. â Veroorloof mij, â geen vraag, want hetzelfde andwoord voegde dan ook voor mij â maar een opmerking. De Prins gaf u last om in het Vlie en in de nabijheid van Staveren te kruisen. Hebt ge dien last niet overschreden door herwaards te komen?quot;
»Met alle obediëntie en reverentie voor Zijne Fürstelijke Genade, maar te Dillenburg kan hij niet weten wat er hier omgaat. Za^ ik gister avond den rooden haan niet uitsteken in Waterland? Kon ik niet vermoeden, dat het éen der onzen gold? Wist ik daarbij niet, dat een spitsbroeder onlangs door een paapschen boer was overgeleverd, en moest ik den een niet wreken en den ander straffen? Ziet ge, ik vergelijk de kerk altijd bij een kruidtuin en mij-zeiven, niet bij een der kruiden daarin groeiende, maar bij den hagedoorn in de heg. die den tuin beschermt. Ik kwets ieder, die den tuin wil binnendringen. Den naam, dien de Geus heeft, moet hij behouden! De papen moeten zich kruisen en de huislui zich buigen als ze ons vendel zien wapperen.... Hoor, daar kleppen ze al de klokken in het rond! Ze hebben ons bespeurdâ Zóo moet het blijven....! Mannen, aan land!quot;
))Of ik u verbidden mocht te keeren! Zoo moet het niet blijven,quot; zeide de jonkman ernstig. »De boer, die éen der uwen heeft overgeleverd, heeft mij geherbergd, zag om mijnentwil van morgen zijne hoeve verbranden, werd om mij straks gedood door den Spanjaart. Ziet, hoe ge krijg voert! Dat voorbeeld gelde voor vele! Gij schept een aanhanger om in een vijand. De boer, die een Geus verried, omdat deze zich vergreep aan het zijne, hing den Prins met hart en ziel aan..
»Fraai gekald, op mijn eer! Of ge een prediker mocht zijn!'' hief Entens spottend aan. »Gij maakt dus den tocht niet meè naar Waterland ? Beid dan hier, en ge zult u weldra warmen aan de kolen, die ik ginder zal doen gloeien. Mannen, maakt u reè! Voor die éene hoeve zullen er tien naar den grond, en spreekt ge nog
een woord, dan brand ik heel Waterland plat---- Ilolla! nog éen
beker wijns, de gorgel is droog; nog éen beker en dan aan den dans!quot;
sGe zült keeren, Berthold Entens!quot; sprak de jonkman, en zijn gelaat gloeide van toorn.
«Hoorden vink eens tjilpen. Toon mij uw vlasbaard niet langer of ik spoel vi de voeten,quot; borst de Geus los, en hij neep den ge-vulden beker in de grove vuist ineen, zoodat de wijn wegspoot.
»Ik gebied u te keeren, Berthold Entens, tenzij ge uw rang, uw leven verspillen wilt,quot; riep de jongeling en hij stampte met den voet op het dek. Eer de wilde Geus had kunnen andwoorden, ontvouwde de jonkman een stuk perkament en las: Betrouwende op die neerstigheid en discretie van Jan Kolterman en overmits wij
voorzeiden jonkman met eene zwaarwichtige commissie dezes hebben belast, ordonneren wij alluiden en scheepskapiteynen voorzeiden Kolterman niet alleen vrijelijk te doen passeren, maar hem ook hulpe ofte auxilie te verleenen, en hem zelfs te obediëren waar hij meent onzer en der goeden lande zake dit oirbaar te zijn.quot;
Het was niet te loochenen, de brief was van den Prins.
Thands echter te buigen voor den zwakken knaap was Berthold
onmogelijk; en toch, zoo hij niet gehoorzaamde____! De Prins had
wel geen macht om te straffen; maar zou de manschap, die den inhoud van den juist zoo luid voorgelezen lastbrief vernomen had, zijn gebod willen volgen, waar het in tegenspraak was met dat van den zendeling des Prinsen?
Het was of Kolterman zijne gedachten ried en hem een eervollen aftocht wilde openen, want hij trad naar hem toe en lei hem de hand op den schouder, terwijl hij overredend, ja bijkans vleiend, zeide:
«Kapitein, gij zult keeren, niet waar? Het is geen vijand die u dwingt, dit zou dan ook wel de eerste maal zijn, maar een vriend die het u vraagt; een vriend, die daartoe het recht heeft, omdat hij weet wat gij nog niet weet; omdat hij weet, dat uwe hulp elders misschien zeer spoedig noodig is. Ginder op het land hebt ge alleen weêrlooze huislui te ontmoeten, want de Spanjaart ligt in den VVormer, en de bende, die mij verraste, was een afgedwaalde. Indien ge echter keert, zult ge een vijand meer uwer waardig vinden..
«En werwaards wilt ge dan dat ik ga?quot; bromde Berthold.
sNaar het Vlie. Luister, mijn vriend! Daar zullen de boten van Ruychaver en Cabiljauw u komen sterken. Samen blijft ge daar kruisen, tot dat ge van de zijde van Enkhuyzen het gewone sein ontwaart. Als ge dat ziet, zeilt ge naar de haven dier stad en men zal er u ontvangen.quot;
«Staat het zóo?quot; riep Berthold vrolijk, terwijl hij zich de handen
wreef. »Ik begrijp, ik begrijp____ En de Prins vertrouwt ü dien
last....? Vlasbaard zijt ge toch!quot;
»Als de Heere wil, zal die eenmaal uwen knevel evenaren! Maar indien iets anders over mij besloten zij.... Broeder, wilt ge mij een gunst bewijzen V Meld aan Ruychaver en Cabiljauw, dat Marijken in Enkhuyzen woont, en dat ik haar, indien ik val, hun bevele.quot;
«Gij vergast mij op raadsels,quot; andwoordde Berthold wrevelig, die echter zachter gestemd was geworden door den weeken toon des jnngelings, ja zelfs door den traan, die er glinsterde in zijn oog. »Wie is dat meisken?quot;
«Laat het u zoo goed zijn.quot;
«Maar, wat duivel, ge drijft een gevaarlijk spel met mijn geduld! Waar hebt ge die beide hoplieden leeren kennen? Zeg mij voor 't minst dit, opdat eenig licht schemere in het duister, dat u en uwe afkomst en uw wijze van handelen omgeeft.quot;
30
De jongeling fronste zijn wenkbrauw. sMij en mijn afkomss? Indien ze u duidelijk wierd door de verlangde mededeeling, dan zou uw brein scherper zijn dan het mijne.quot;
sBegrijpe wie het kunne. Maar waar hebt gij die beiden leeren kennen? waar hebt ge gewoond?quot;
Het laatst te Norden. Stil, betoom uw drift,quot; vervolgde de jonkman glimlachend. »Het andwoord kan echter op de tweede vraag niet zoo bevredigend luiden als op de eerste. Ik was te Amsterdam en bezocht reeds jong de geheime preke. Ik vond er Ruychaver en Cabiljauw. Er werd een houtmijt opgericht voor mijn leeraar. Ik stond daarbij, en vond daar ook hén. Wij drukten elkaar de hand; geen woord ontvloot onze lippen, en toch werd er een eed in ons binnenste gedaan, om onze krachten te wijden aan de zaak der vrijheid; want wij begrepen, dat het hart des menschen een heiligdom des Heeren was en dat het hier werd aangerand en geschonden. Doch reeds te veel over mij zeiven. Voldoe aan mijn verzoek, vaarwel!quot;
Eer Berthold hem nog een woord kon tegenspreken, was hij reeds het dek afgesprongen. De reusachtige krijgsman had, hoewel hij verre was het zich-zelven te bekennen, voor den zwakken jongeling gebogen.
«Reis met God!quot; riep hij^ hooger gestemd dan ooit, Kolterman toe, die op den dijk bleef post vatten, zeker om gade te slaan of hij wel gehoorzaamd werd. Hoewel Berthold den argwaan des jonkmans bevroedde, durfde hij 't hem toch niet euvel duiden. «Mannen, hijscht het anker!quot;
De vlieboot danste weldra op de baren en droeg vroolijk de Prinsenvlag en boog zich bevallig voor den bries die de zeilen bolde, terwijl de manschap met volle borst het vroolijk lied aanhief;
Wat machtet den Vos ') baten.
Dat hij kan loopen snel.
Can de Gans 2) uter maten Oook vliegen also wel!...
Berthold Entens liep driftig het dek op en neèr, en zag slechts eenmaal om naar de plek waar Kolterman nog altoos stond. Hij drukte zich den hoed in de oogen en prevelde: «Gelukkig dat hij niet forsch is van lijve, want het jonksken zou een Goliath zijn!quot;
% -H
Toen de vlieboot slechts een stip was aan den horizon, maakte Kolterman zich gereed om voort te gaan. In diep gepeins verzonken had hij de scheidende boot nagestaard, en dat de bij hem oprijzende gedachten geene genoeglijke waren, duidde de pijnlijke trek op zijn gelaat. Gold het de vrienden, die hem pas het vaarwel hadden geroepen? Het zou dan getuigen, dat hij twijlelde aan de zegepraal waar de strijd aan de éene zijde met zulke bondgenooten
') Alva. ':) De Geus.
31
moest worden gevoerd, dat hij twijfelde aan de zegepraal, zelfs al bleef hij gelooven aan de reuzenkracht van het genie van Willem van Oranje.
Misschien droeg het krassen der roofgierige vogels, die achter hem op het slagveld nederstreken, niet weinig tot zijne sombere gemoedstemming bij. De wolkelooze hemel echter, de zacht koesterende zonnestralen, die zelfs het koude landschap, dat zich voor hem uitstrekte, verwarmden, deden langzamerhand zijne bedruktheid eindigen; en de terugkeerende gedachte aan hetgeen zijne hand vond om te doen gaf hem zijne geestkracht terug.
Hij toog Leeck voorbij en dankte 'taan zijn onaanzienlijke kleedij, dat hem van geen der bewoners eenig ongevals bejegende. Wel werd hem gevraagd of hij den Geus, die in den omtrek bespeurd was, had ontmoet, doch een ontkennend and woord maakte alle verdere vragen van Prins- of Spaanschgezinden overbodig.
Het was reeds ver in den namiddag toen hij tusschen Boven-karspel en Luiken broek doorging. Daar overlegde hij welken weg te kiezen. Hij besloot den Hoornschen weg te houden en door de Zuidpoort binnen te komen.
Het was een schoon vergezicht op de levendige stad, welke op dat tijdstip reeds een der grootste van Holland was, en op den naam van «paerle der Zuiderzeequot; mocht bogen. In de laatste jaren waren er schatten door de stad besteed om haar behoorlijk te versterken, en waarlijk, het had vrucht gedragen. Op dit oogenblik was zij in een blauwachtigen nevel gehuld, waaruit de Wester en Zuider kerken de vergulde torenspitsen omhoog hieven en het mast-bosch in de haven met zijn mengeling van bontgekleurde vlaggen schilderachtig te voorschijn kwam. Kolterman poosde. De kleuren, die hij daar zag wapperen, waren niet de zijne, niet die zijner vrienden. De lappen doeks om de masten geplooid voegden geen vlieboot, zelfs geen sbaerdsequot;, maar slechts het oorlogschip, zoo als due d'Alva het nog maar alleen vermocht uit te rusten. Daarbij zag hij meer links in de richting der Westerpoort een massa zich voortbewegen, die het oog nog wel niet kon scheiden en verdeelen, maar waaruit toch soms vonken vuur sparkelden, als ware het de zonnestraal, zich spiegelend op metalen helm of kuras.
»Kom ik te laat?quot; vroeg hij zich af, terwijl de angst hem trillen deed. In het volgend oogenblik was hij reeds een zijpad ingeslagen, dat naar een hoeve voerde, welke midden in een weide lag. Hij klopte aan, en toen de deur werd geopend, zeide hij fluisterend lot den man die hem nadertrad: »de Heere zij met u,quot; en op denzelfden toon klonk het tot hem: «de Heere doe Zijn aanschijn over u lichten en zij u genadig.quot;
Kolterman greep hem toen bij de hand, en sprak haastig: »Gij zijt Jan Dirksz., die mij in Hoorn is bevolen? ook u is de zon opgegaan. â Ik heb u veel te vragen.quot;
«Vraag, en het wordt u gegeven zoo ik het heb,quot; sprak de borst hartelijk; en zijn muts afnemend, ging hij hem voor naar het achterhuis, waar hij een stoel naar de eereplaats, vlak bij het knappende vuurtjen, heenschoof. En toen hij zijne bezige vrouw met enkele, voor velen duistere, doch voor haar zeer verstaanbare woorden van den binnen gekomen gast gesproken had, werd kast en kist prijs gegeven, de melkemmer en de botermout zonder hoede gelaten, en spoedde ook zij zich naar den vreemdeling, voor wien het fijnste brood en het oudste bier uit de spinde werd gehaald. Spoedig daarop ging de oudste jongen naar de stad, waar hij bekend was en dus toegelaten werd; en teruggekeerd, knikte hij zijn vader veel-beteekenend toe en sprak hij: «Heer Rijkert zal klaar zijn.quot; En toen de zon wegdook in het Westen, zaten zij nog bijeen en gewaagden man en vrouw in hun vurig en toch fluisterend onderhoud van de zameling der Spaansche vloot in de naven van Enkhuyzen en van de aankomst van een vendel knechten voor de poort, terwijl zij daarin namen mengden en wenschen slaakten, die allen in gevreesde aanraking hadden kunnen doen brengen met Enkhuyzens Schout of den Kettermeester van Holland.
HOOFDSTUK II.
De starren flikkerden nog aan het uitspansel, maar de dag lichtte reeds in het oosten. Geen geblaat werd nog gehoord, geen getjilp in de abeelen op Enkhuyzens buitensingel vernomen, toen0 twee mannen in boerengewaad het zijpad, dat naar de stad voerde, insloegen, en het bedauwde gras deden kraken onder hun beh'oed-zamen voetstap. Wel schenen zij het te waardeeren, dat het sche-merlicht hun toestond in het rond te zien, maar tevens bleek het uit de spiedende blikken, die zij om zich heen wierpen, dat hun waakzaamheid daardoor wierd verhoogd. Men mocht er uit afleiden, dat de stilte van den weg hun welkom was en zij elke ontmoeting' zouden schuwen.
Er werd een tijdlang geen woord gewisseld, en misschien zouden zij het doel van hun tocht bereikt hebben zonder het stemgeluid te hebben doen hooien, ware het niet, dat de bleekte van den jongeren en de huivering, die dezen door de leden voer, de aandacht van den meer bejaarden wandelaar getrokken had.
»Gij hebt te veel van uw krachten gevergd, Heer! Ge hadt u wat rust moeten gunnen,quot; sprak de boer, en er lag iets teders in zijn grove, hoewel fluisterende stem.
«Werk zoolang het dag is; de nacht komt misschien spoedio-, waarin men niet meer werken kan!quot; klonk het antwoord.
»We hebben nog een goed eind weegs.quot;
»Het zal mij goed doen. Het was mij straks of mij de leden waren verstijfd. Doch wat weg slaat ge tiiands in?quot; vroeg de jongeling verwonderd. »Ik heb gister avond de helmkappen in die richting gezien Het was hij de Westerpoort.quot;
»We gaan ook niet derwaards. Ziet ge dat huisken? Daar woont een onzer vrienden; de tocht gaat niet verder.quot;
Toen ze daar genaderd waren, merkte de jongeling, in wien we Kolterman reeds herkend hebben, een boot op, die aan den wal la»-vastgemaakt. Beiden stapten er in, en voeren behoedzaam naai- den buitenmuur der stad. Daar aangekomen, wachtten zij een oogenblik en luisterden; doch geen onraad scheen te dreigen. Toen bracht de boer zijn vingers in den mond, floot, en bootste daarmee het genii EERSTE DAG. 3
luid van de meerle na. Na een oogenblik van stilte, waarin de boer ter nauwernood zijn onrust kon verbergen en er zich zelfs een vaal-bleeke tint heenspreidde over zijn anclers bruin gelaat, werd hetzelfde geluid van de andere zijde vernomen.
sDe Heer zij geloofd!quot; riep de boer zacht, »wij hebben geen tijd te verliezen, want hoort ge daar ginder den pijper wel? Het Spaansche vendel aan de poort komt zeker op de been.quot;
Middelerwijl had hij het touw gegrepen, dat hem over den mum-werd toegeworpen, en aan den anderen kant stevig scheen vastgehouden te worden. Kolterman had geen nadere aanduiding noodig, greep het aan en klom haastig naar boven, na de vereelte vuist gedrukt te hebben van den boer, die hem toelluisterde met trillende stem: »Gideon, de Heere God strijde aan uw rechter!quot;
Kolterman bevond zich binnen de stad en wel onder bescherming van een goed vriend; want hartelijk was de ontvangst van den poorter, die hem in de ravelijn beidde.
Het was een man van meer dan middelbaren leeftijd. Zijn geheel zwarte kleeding duidde den poorter van den nederigsten burgerstand. De kaalheid van wambuis en broek verried armoede, en het gelaat, welks droevige uitdrukking belangstelling wekte, sprak van kommer en smart. Er lag over het nog al hoekig gelaat echter zulk een tint van zachtheid gespreid, het blauwe oog, dat soms flikkeren kon van geestdrift, straalde echter thands zoo helder, dat het medelijden zich dadelijk paarde aan achting, die bij de eerste woorden reeds tot eerbied steeg. Die man was ook Rijkert Claesz, zilversmid van beroep, en tevens voorganger der Gereformeerde Gemeente onder het Kruis binnen de stede van Enkhuyzen.
Hij had stormen boven zijn hoofd zien losbarsten en had niet gebogen. Hij had de houtmijt in het verschiet gezien en hij was niet gedeinsd. Hij had in zijne jeugd eene mate van welvaart gekend, die hem het brood zijns bescheiden deels iederen dag had verzekerd; hij had de voor den Hollander zoo zoete huiselijke vrede en ruste genoten en met vrouw en kind aangezeten, waar vroeger zijne ouderen met hun kroost het brood hadden gebroken en de bierkan geleêgd. En dat alles, hij had het prijs gegeven! Hij had het verlies geacht om de uitnemendheid der prediking Ghristi en Diens Woord. Hij had zijn bedrijf, hem zoo lief, daar het hem vader en grootvader herinnerde, zien te niet gaan. Hij had zijn huisvrouw en trouwhartigen jongen verlaten, zoo vaak zijn plicht hel gebood. Hij had gezworven van vlek tot vlek; de nacht was zijn dag geworden, zonder dat de zon hem de ruste na de moeielijke wake bracht. Hij had vrienden gehad, tedergeliefde, met wie hij was opgewassen, met wie hij had gedroomd en gewaakt, geweend en gejubeld, en den een was hij een gruwel geworden en van den ander had hij moeten scheiden, misschien op den dorpel des grafs. En toch had hij vrede in het hart en dikwerf blijmoedigheid in
35
het oog; had hij troost voor eiken lijdende, en een toesprake voor een iegelijk, die hem het oor wilde leenen.
Hij was geen man, doorvoed met de wetenschap der scholen; hij had niet nedergezeten aan de voeten eens leeraars, wiens uitspraak wet en regel gaf; hij had slechts gevoeld met het hart; hij had slechts begrepen met het gezonde verstand, en hij had deelgenomen aan de beweging, die een gantsch waerelddeel schokken deed.
Hij had het den wijzen der aarde dan ook verkondigd: «Zoo gij den kinderkens niet gelijk wordt, voorwaar, voorwaar, zegge ik u, gij zult het koninkrijk Gods niet beërven,quot; en het den eenvoudigen gepredikt: »den wijzen is 't verborgen, maar den kinderkens geopenbaard.quot; Vandaar zijn oodmoed, maar vandaar ook zijn kracht, die zich nimmer verloochend had, hoe veel ook van haar werd gevergd, wat tegenstand zij ook uitlokte. Kornelis Kooltuin, zijn geliefde leeraar, die hem had opgebouwd in den geloove, hij was zijn steun en raad geweest, maar hij had moeten vluchten om het leven te redden uit de handen der wrokkende kerkmeesters. Toen had hem Andreas Dirkz ter zijde gestaan en Rijkert had als nederig dienaar diens meerdere kennisse gehuldigd; doch ook deze moest Enkhuyzen, moest Holland verlaten, toen de korte verademing, die den lande geschonken werd na het smeekschrift der Edelen, eene verademing, die zooveel hoop deed oprijzen in zoo menig hart, kloppende onder het somber rouwgewaad, achtervolgd werd door nog donkerer dagen, door nog zwarer verdrukking, door nog heviger vervolging. Met Andreas Dirkz verstrooide zich de kleine kudde. Dat ze echter niet vernietigd werd, mocht gedankt worden aan Rijkerts zorg. Niet alleen, dat hij de geheime sconventiculenquot; te zijnent bleef houden, dat hij de zieken bemoedigde, hij wees den gevaarlijken last niet af, dien hem Prins Willem op de schouders lei, om het Noorderkwartier rond te reizen, ten einde daar penningen te verzamelen of brieven uit te reiken.
Zonk hij een wijle neder van vermoeidheid, dan stond zijn eenige zoon, zijn jonge Wouter, gereed om de afgebroken reis te vervolgen. Reeds vroeg was het dezen geleerd om zijn leven niets te achten waar het de zaak Christi en der vrijheid gold, om de handen te reppen al scheen de arbeid ook zonder vrucht, om te handelen en te streven al scheen het pogen ook wanhopig en ij del. Hij was thands weder afgereisd naar Hoorn, waar hij den Prinsgezinden ten dienste moest staan en hun tijding bracht van Dillenburg of Emden.
Wel mocht daarom de vader na de eerste begroeting Kolterman met bezorgdheid vragen:
»Ge hebt Wouter in Hoorn ontmoet? Ge hebt hem gesproken?quot;
»Ja, broeder,quot; andwoordde Kolterman. Dit hoogst eenvoudig andwoord scheen hem moeielijk van de lippen te glijden; hij sloeg de oogen daarbij neder, en haastte zich, om zijne gemoedsbeweging te
36
verbergen, het onderhoud over te brengen op den tegenwoordigen toestand des vaderlands. »Hoe maken het de broederen?quot;
»Zij juichen in de verdrukking en houden zich eendrachtelijk bijeen. Wij laten de onderlinge bijeenkomsten niet na, gedachtig aan het woord des Apostels; en de Heer geeft mij de hooge roeping om hen voor te gaan in het gebed.... Heden avond vergaderen zij....quot;
»Het ge Pieter Buyskes nog onlangs gesproken?quot;
»Ja, doch ter loops. Deze, nevens de weder ingekomen ballingen, houden zich nog schuil. De ure van handeling schijnt nog niet gekomen.quot;
»Zij heeft thands geslagen, broeder!quot;
sBiengt gij den last daartoe? Ik vermoedde 't, toen de predikant Jan Arentsz mij uit Emden deed weten, dat ge komen zoudt. De Prins-zelf heeft u daartoe laten bidden, zoo meldde hij mij, daar de ballingen niet zonder u wilden wederkeeren.quot;
»We zijn saam op reis getogen, doch scheidden te Haarlem; ik moest den weg over land voortzetten; de anderen hadden dien last niet. Ze kwamen toch goed binnen?quot;
«Ja allen; de Heere zij geloofd. Mocht u deze poging beter gelukken dan die van 't jaar '70. Ik vrees, dat zij uw persoon nog maar te goed kennen.quot;
»Men kent mij hier ganschelijk niet; ik bleef steeds in het duister schuilen,quot; hernam Kolterman verstrooid. «Doch hoe is de geest der burgerij ?quot;
»De broederen zijn vol moeds, doch de meesten zijn kooplièn en vreezen het verloop des handels.quot;
»Als of de overgang hun niet baten zou, daar Amsterdam uitermate Paapsch blijft en Enkhuyzen het den toevoer kan onderscheppen en alzoo meester worden van den handel!quot; hernam Kolterman.
«Spreek hen daaraf, broeder, ik kon hun deswege niets andwoorden, schoon 't een voorname rede is, vooral onder de welgezinden, die nog Paapsch zijn, om in den ijver te slappen! Wat ik mij verheug dat gij hier zijt!quot; zeide Rij keil.
«Maar hoe is de magistraat gezind?quot;
»In 't gemeen Hauw voor Al ba, flauw voor den Prins. Wel zijn zij meer geneigd tot den laatsten na de inneming van den Briel en den omkeer van de steden in het Zuid, en zou 't eenigen niet te zeer pijnen de Prinsenvlag van de Pancraskerke te zien waaien, doch de vrees voor den Hertog is sterker dan de liefde voor den Prins. Jan Vest en Willem Jansz de Rijke zijn alevel zonderling ingenomen met de Spaansche heerschappij, naar ik hoor.quot;
«Ik ken ze van vroeger,quot; mompelde Kolterman.
»0ok de oude Freêrijk ijvert zeer....quot;
»De huichelaar!quot; riep Kolterman, en zijn oogen vonkelden, zijn lippen beefden, hetgeen afstak bij zijne bedaardheid, waarmee hij tot dus verre Rijkert had ondervraagd.
37
sik hield hem voor een uwer vrienden,quot; andwoordde Rijkert verbaasd, «overmids uwe betrekking met....quot;
«Zwijg daaraf; ik bid u,quot; andwoordde Kolterman, die zich hersteld had. ))üus gelooft ge aan geen krachtige beweging, tenzij er een prikkel kome van buiten? Ik geloof, dat de vijand zelf dien reeds heeft gegeven,quot; voegde hij er na eenig nadenken bij. »lk hoorde toch van Bossuus toeleg orn hier de vloot tegen den Briel te wapenen. Ik vermoed dat het een hinderlaag is, een achterlist van den vijand, om bezetting in de zeestad te leggen. Een vendel knechten ligt toch voor de poort.quot;
sZoudt ge meenen, broeder?quot; vroeg Rijkert Claesz, wel wat verbaasd, dat de jongeling reeds zoo goed was onderricht en er een gevolg uitgetrokken had waartegen de waarschijnlijkheid niet streed. «Zoo dat waar werd bevonden, we zouden de broederen moeten waarschuwen,quot; vervolgde hij.
))Ik ben te moede om thands te arbeiden. Ook is het mij noodig de kracht der broederen te proeven, eer ik weder spoor tot eene beweging, die vruchteloos blijkt en menigeen op de pijnbank zou kunnen brengen. Dreigt het gevaar, het is opentlijk en niet geheim. Dat zij toonen iets door zichzelven te willen en te kunnen! Als slechts Buyskes verwittigd wierd van mijne aankomst! Ik verlang de oogen een wijle te sluiten en de leden te strekken; reeds valt mij de reis naar uwe woning zoo lang.quot;
Het mocht van zijne mathei* getuigen, daar de tocht niet verre ging. De stadsmuur grensde toch aan het erf van Rijkerts woning, en ze hadden alzoo slechts dat over te gaan. om de bestemmingsplaats te bereiken.
»Wij zijn er ook.quot; kon daarom Rijkert terstond op de laatste woorden laten volgen. sRust gij een wijle en ik zal u den arbeid verlichten.quot;
«Neen, broeder, belast een goed vriend met de boodschap....quot;
«Waarom niet ik?quot;
»Gij zult geen kracht vinden om te doen wat ge wildet!quot; zeide Kolterman, zoo ernstig, zóo plechtig, dat het Rijkert ontroerde. «Laat ons birihentreden, maar voer mij niet terstond bij uwe huisvrouw; laat mij u eerst alleen spreken; ik moet u iets zeggen wat ik straks niet mocht, niet kon.quot;
Of Rijkert iets vermoedde van de Jobstijding, die hem beidde? Met trillende hand hief hij de klink der achterdeur op, en bleeker dan gewoonlijk wees hij Kolterman den trap op naar boven, waai' dezen een kamerken binnentrad, dat hij sloot.
Rijkert kwam daar spoedig weder bij hem. «De bode is op weg. Aan uw verlangen is voldaan. Ik ontveins u niet, dat uwe laatste woorden mij zonderling hebben bewogen. Broeder, de onzekerheid pijnt mij zeer!quot;
Het oogenblik, dat Kolterman in eenzaamheid had doorgebracht,
38
was hem een voorbereiding geweest. Hij beheerschte zich geheel en begon daarom kalm;
»Toen ik in Hoorn vernachtte, ontmoette ik een goed vriend van u, die mij in de woorden, die hij over u wisselde, tuigenis gaf van zijne innige verkleefdheid te uwaart. Door de broederen werd daar besloten dat hij een briefken zoude overbrengen naar Alkmaar, om er de wélgezinden meê op te wekken. Hij ving blijmoedig de reis aan; maar de Spaansche bende, die mij aanhield, toonde mij hetzelfde briefken en wilde mij dwingen het te ontraadselen.quot;
»Wie was het?quot; vroeg Rijkert gejaagd.
»De bode scheen dus niet gelukkig te zijn geweest; hij had misschien het papier verloren.quot;
«Schandelijk en zonder voorbeeld ware de achteloosheid! Ik geloof daaraan niet â hij is opgevangen; en dan is hij dood,quot; hernam Rijkert kort en met klimmenden angst.
»Ook ik hou het daarvoor, dat hij gevangen zal zijn, maar geloof nog niet aan zijn dood.quot;
»\Vie was die bode?quot; vroeg de oude nogmaals, en zijn gelaat was doodsbleek en zijn lippen trilden.
Hij scheen blijkbaar niet te kunnen gelooven, dat een gevangene in Spaansche hand niet zou gestorven zijn. »Andwoord mij dan,quot; vervolgde hij, en er lag een bede in zijne blikken.
Kolterman lei hem de hand o^ den schouder, boog het hoofd voorover naar dat van den oude en kon niets meer uitbrengen dan het woord: ))Vader!quot;
Het bleek ook voldoende. De oude greep zich vast aan een stoel en bedekte zich met de eene hand het gelaat.
sHij stierf als martelaar,quot; lispelde Kolterman, den waggelenden oude ondersteunende. «Hij stierf zoo als hij leefde; hij stierf voor een goede zaak, welke ook gij alles hebt opgeofferd, welke ook gij uw leven waard schat.quot;
De oude wenkte hem met de hand, alsof hij in de overmaat zijner smart den aangeboden troost niet begeerde. »Mijn Ewout, mijn jongen! â O, ik heb den Heer mijnen God verzocht door mijn eenigen t'elken reis aan het gevaar prijs te geven!quot;
Een dikke traandroppel welde in het oog, doch bleef aan de wimpers hangen; hij staarde strak voor zich uit.
Kolterman leed met hem. Het was of hem de keel werd vastgeschroefd, of de adem hem begeven zoude. Hij keerde zich van den getroffen vader af en tuurde het kleine venster uit, zonder echter iets te kunnen onderscheiden, zonder met bewustzijn iets te zien.
»En hebt gij hem zien sterven? Volhardde hij tot den einde? Sprak hij van vader en moeder?quot; zoo klonk het na een wijie achter hem zóo zacht, zóo afgebroken, alsof de spreker zich zeiven ondervroeg.
Kolterman schudde ontkennend met het hoofd. ))Hij werd gewis-
39
selijk opgevangen, terwijl ik herwaards toog. Maar twijfel daarom niet, broeder! aan zijne volharding, aan zijne liefde.quot;
sNeen, neen, ik wil niet twijfelen, ik wil gelooven,quot; andwoordde de oude, die de woorden in anderen zin opvatte dan ze gesproken werden en daarmede de reeks zijner eigene gedachten vervolgde.
»Ik wil gelooven, en hopen____ de Heere heeft gegeven, de Heere
heeft genomen, de naam....! Neen, ik kan niet verder.... Ewout, Ewout!quot;
Toen werd het stil in het kleine vertrek. Kolterman wendde zich om en hij zag den oude met de handen gevouwen staan, de oogen omhoog geheven, de tranen hem druppelen langs de wangen en de lippen bewegen. Het was het gebed van het gebroken hart. En wie op dit oogenblik het kamerken was binnengetreden, hij zou de handen meê hebben gevouwen bij den aanblik van den ouden man in zijn schamel kleed, van dat bleeke gelaat, als omlijst door het grijzende hair, achter de ooren weggestreken, hetgeen op dit oogenblik het wezen nog meer schijn van zachtheid gaf; hij zou mede de handen hebben gevouwen en om sterkte gebeden voor den gebogene, niet bevroedende, dat in deze ure de onderworpenheid heldenmoed duidde en het gebed tot den Vader daar boven een sterkte als die eens Apostels des Heeren.
De oude scheen nieuwe kracht in het gebed gevonden ie hebben, want kalmer keerde hij zich na een wijle tot Kolterman, wien hij op de gereed gemaakte bedstede wees. terwijl hij hem rust en vrede toewenschte. Hoe de jongeling gevoelde beide te behoeven, bleek genoegzaam, nu hij Rijkert terug hield noch aanbood hem naar beneden te geleiden.
Terwijl de slaap zijn krachten verfrischte en veerkracht gaf aan het afgetobde lijf, rees de stad uit hare dommeling op en getuigde zij van hare kracht, door een langdurigen sluimer ververscht.
Indien we de tamelijk breede straat volgen, die zich Oostwaards uitstrekt van de Westerpoort tot even voorbij de St. Pancraskerk, dan zullen wij den toren en het leien dak van het stadhuis van uit de getrapte, sierlijk gebeeldhouwde, met witten en rooden steen bevallig geschakeerde gevels zien uitsteken, en, eenige schreden verder ons wagende, in eene engere straat op den hoek eener andere, die naar de binnenhaven voert, een onaanzienlijk huis opmerken, voorzien van een breede luifel, waaronder het in den morgenstond juist licht genoeg is, om eenige der produkten te ontwaren van de broodbakkerij dos eerzamen poorters Dirk .lansz.
Schoon zijn geburen hem gaarne mochten en menig genoegelijk uurtjen met hem sleten, â des winters op de warme blinkende haardplaat, des zomers op de stoepbank â hadden zij hem toch dikwijls verre van zich gewenscht. Menig huismoederken had 's avonds met bekommernis door het venster naar de nok van 's bakkers huis gezien en hare vrees niet kunnen onderdrukken bij het spatten en
40
sparkelen der vonken, terwijl zij uit den grond haars harten wenschte, dat grauwe Dirk â een bijnaam door zijn werkpakje verkregen â wat minder nering had of met wat meer overleg stoken mocht. Aller oog had zich echter nimmer met zóo veel angst naar den schoorsteen gekeerd als den vorigen avond, want ook nimmer was de vurige regen zoo overvloedig geweest. Het was of de oven in last had een brood, waarvan de gantsche stad zich verzadigen kon, gaar te bakken, en als de drift van den bakker en de haast zijner gezellen had kunnen opgemerkt worden, men zou tot het vermoeden zijn gekomen, dat er zelfs meer brooden van dergelijke grootte moesten worden gereed gemaakt.
Dat vermoeden zou wel overdrijving zijn geweest, maar toch niet geheel onjuist, daar aan grauwen Dirk de levering was opgedragen van het noodige brood der Spaansche vloot, die in de binnenhaven zich bevond en gereed werd gemaakt, om eerstdaags uit te loopen. Hoe hij zich ook repte, het scheen den Onder-Admiraal â de admiraal Boshuyzen zou te land naar Enkhuyzen reizen en daar zich inschepen â niet vlug genoeg. Bode op bode werd den armen blazenden bakker toegezonden, en toen hij eindelijk beloofd had de eerste ponden tegen tien uur te zullen afleveren, trad een hopman, met behoorlijk geleide, voorzien van de noodige korven, reeds met klokkeslag het voorhuis binnen.
Of de hopman een wrok jegens den poorter voedde en diens trouw verdacht, of wel weinig op diens eerlijkheid bouwde, hij trad met wrevel, zonder den groet van den bakker te beandwoorden, die zijn muts nederig voor hem afnam, op de toonbank toe, en begon de gereed liggende brooden te bezichtigen.
«Neen, fijnman, gij zult mij geen zemelen toewegen voor tarwe,quot; riep hij eensklaps, terwijl hij eenige brooden, die achterwaards lagen, op zijde schoof. «De beste hapjes hebt ge naar voren geschoven; wat daar achter ligt is varkensvoèr, is geuzenhaver, maar te slecht voor 's Konings dienst, guit!quot;
»Uwe Edelheid vergeve mij, maar dat is onwaar. Zemelen te mengen in tarwe, dat duidt niet veel kennis van het gild. Heer!quot; andwoordde Dirkz, wiens gemelijkheid werd getemperd door de spotzucht, door zulk een onkunde opgewekt.
«Geen zoo hoogen toon, meester!quot; hernam de hopman. «De levering werpt voordeels genoeg af, om u wat lager te stemmen, vooral indien ik daar neffens reken, aan wie gunst betoond wordt. Men had een trouwer dienaar het voorrleel kunnen gunnen dan een poorter dezer kettersche stad.quot;
«Wijt het mijner onnoozelheid, zoo ik dwaal, Heer! maar ik meen, dat mij geene gunst boven anderen wordt verleend, indien ik lever wat ieder in mijne plaats geleverd had. Ik heb mijn gilde-proef gedaan en ben dus bekwaam om u ten wille te zijn. En wat het laatste aangaat, ik geloof even trouw dienaar Zijner Majesteit
41
te zijn als iemant in West-Friesland. Ook weet ik niet dat daaraf sprake was bij eene levering van mondkost,quot; dus besloot Dirk Jansz., die tot in zijn binnenste zich gekwetst voelde.
))We zullen u de rappe tong wel wat trager maken,quot; bromde de hopman. «Ge redeneert als de Landdeken, meester! maar weet. dat ge door uw kallen mij de oogen niet blinden zult. Behoud dat voer zelfquot; â en hij wees op de achterste stapels brood â »of geef het uws gelijken als ge 't zelf niet wilt; mannen, brengt die brooden in uw korven!quot;
De knechten maakten zich gereed het bevel te gehoorzamen; maar de bakker, hetzij uit wrok over de ondergane beleediging, hetzij uit werkelijk wantrouwen, sneed hun de pas af door zich voor zijn toonbank te plaatsen.
»Neen, heeren, niet alzoo! Eerst moet ik de daalders zien schemeren. 't Is meer geschied. Eerst zoudt ge den gildebroêr doen werken als een ploegboer, en dan teren van zijn arbeid, daarbij hem belachende, hém en zijn gilde. Niet alzoo!quot;
»Bij het heilig Mirakel, dat gaat te ver!quot; riep de hopman. «Wij hebben hoons genoeg van den meelworm verdragen. Ik merk dat hier nog exempelen te geven zijn om de boeren reverentie te leeren voor 's Konings dienaren. Weet ge dan niet, dorper! dat de Graaf1) het van u eischen kan zonder loon, dat uwen Landsheer alles behoort en dat liet getuigt van zijn goedertierenheid om u den arbeid te willen betalen? Geen enkele penning ontvangt ge voor dat alles gescheept zij. We zullen u dat loven en dingen verleeren, als gold het hier uw gewone kwanselarij met lombard of jood. Geen enkele penning, verstaat ge?quot;
»Maar dan ook geen enkel brood!quot; andwoordde de bakker uiterst bedaard, terwijl hij met den rug tegen de toonbank leunde en de armen kruiste.
»Dat zullen we zien,quot; riep de ander driftig, terwijl hij het zwaard uit de schede trok als om den poorter daarmee schrik aan te jagen, en hij zijne knechten wenkte hun arbeid aan te vangen. Een van deze strekte dan ook den arm naar de toonbank uit, doch werd door Dirk Jansz., die zich sterk gevoelde door zijn recht, terug ge-stooten. De hopman scheen dit te hebben willen uitlokken, om een voorwendsel te verkrijgen voor het bezigen van geweld.
»Waagt gij 's Konings dienaren dus te bejegenen, we zullen u een les geven, die ge nimmer vergeten zult,quot; en meteen gaf hij üen poorter met het plat van zijn zwaard een slag op zijn schouder.
Dirk richtte zich in zijn volle lengte op en greep dén aanvaller met zijn grove vuist in de borst. «Zult ge een vrijen burger dus behandelen in zijn eigen huis! Over mijn drempel, valsch gebroed, over mijn drempel!quot;
') Ãe graaf van ISossu.
42
De knechten lieten de korven ledig staan en ijlden den hopman ter hulpe, en kwalijk ware den poorter zijn verzet vergaan, indien geen onverwachte bijstand zich vertoond had.
Reeds gedurende de woordenwisseling, die steeds heviger en luidruchtiger werd, had menig voorbijganger nieuwsgierig naar binnen gegluurd, doch was op het gezicht der krijgsknechten ijlings verder gegaan; dit evenwel niet, zonder de geburen, die reeds hier en daar waren uitgekomen, veelbeteekenend op den winkel van Dirk Jansz. te wijzen. Een der voorbijgangers echter, een stevig gebouwd man, wiens halskraag, zwart laken wambuis en broek, waarover een mantel hing, een meer verheven stand duidde, had slechts ten deele het voorbeeld zijner voorgangers gevolgd; daar hij na een oogen-blik geluisterd te hebben, naar de stoep stapie en onder de luifel bleef staan. Hij scheen door de woorden, die hij vernam, vrij wel den loop van het geschil te hebben kunnen volgen, want bij het begin der worsteling tusschen den bakker en de knechten, stiet hij de deur open, greep, zonder een woord te spreken, éen der aanvallers in den nek, en deed hem naar het midden der straat buitelen.
De komst des vreemden deed den strijd een oogenblik staken. Dirk, van zijne aanvallers bevrijd, naderde den vreemdeling, en hem met de grootste verbazing aanstarende, riep hij hem toe: »Nauw de poort weder ingekomen of ge strijdt voor de vrijheid der burgers; welkom...!quot;
De vreemde maakte een beweging met de hand, die de bakker begreep, want hij vervolgde niet en verzweeg den naam. De hopman zag woedend den oploop voor het huis. De menigte was plotseling saamgevloeid, toen zij den knecht naar buiten zag slingeren en weêrhield dezen om naar de kampplaats terug te trekken, nu zijne hulp overbodig was geworden; doch de hopman, die het vooral op hem gemunt had, greep hem bij den mantel en beet hem toe: »Uw naam, opdat ik u later herkennen moge....!quot;
»Men zegt dien niet aan hem, dien men zich schamen zou ooit weder te ontmoeten,quot; was het andwoord, terwijl de spreker zijn mantel terugtrok en den drempel van het huis overschreed.
Hoe hij ook den hoed zich in de oogen had gedrukt, hij scheen te algemeen en te goed bekend, om zonder opgemerkt te worden te kunnen heensluipen, voor 't minst, â want het eerste was ook niet zijn voornemen, â in de menigte zich schuil te houden.
«Welkom, Heer Buyskes!quot; klonk het van veler lippen, en enkelen voegden er ook bij: «Brengt ge de zwaluwen meê ?quot; daarbij zinspelende op betere tijden. Ginds trad zelfs een goê bekende uit den kring; hij vatte Buyskes' hand en fluisterde hem toe: «Hoe houdt zich uw heer vader? Is hij meê terug?quot; De aangesprokene schudde het hoofd, wenkte met de hand, en drong zonder te andwoorden door de menigte heen, die zich achter hem sloot.
Pieter Luitgesz Buyskes, behuwdzoon van Sijrnen Meindertz
«r v.
43
Semeyn, een der aanzienlijkste ingezetenen van Enkhuyzen, was bekend als een voorstander van den Prins en een aanhanger der nieuwe leer. Bij de komst van Alba en de strengere uitvoering der plakkaten, werd hij voor de vierschaar gedaagd, doch hij verscheen niet, hoewel hij in Enkhuyzen waagde te blijven. Denkbaar is het, dat Mijnheer de Schout niet te fel naar hem zal gezocht hebben. Van uit zijn schuilplaats bestuurde hij zoo goed hij het mocht zijne zaken en die van zijn behuwdvader. Charaktertrek eens volks, zelfs in den hoogsten nood mocht de nering niet worden veronachtzaamd! In de afgeloopen maand had hij een kort bericht van den Prins ontvangen, waarbij deze hem verzocht meer dan ooit op zijn hoede te zijn, maar »in paisquot; te wachten tot dat hem nader van de intentie zijner »Fürstlijke Genadequot; gebleken zou zijn. Hieraan gaf hij in allen deele gehoor. Zijne tegenwoordigheid op dit oogenblik en zijn stilzwijgen, zijn vreesachtig schuilhouden, zoo geheel in stiijd met zijn charakter, gaf er getuigenis van.
Middelerwijl had de bakker zijn wedervaren verhaald; hij had met al de verontwaardiging, die den West-Fries bij zulke mishandeling kenmerkte, gesproken van de schennis van zijn eigendom, van het geweld in zijn eigen huis gepleegd en van zijn verzet.
»Kloek gedaan. Dirk!quot; klonk het uit het midden der menigte; en in de zware basstem herkenden vele der burgers het geluid van Buyskes: «smijt den knecht ter deure uit.quot;
Het scheen, dat de menigte zelve gereed was dat bevel uit te voeren, want men drong steeds vooruit naar de bakkerij.
De hopman stampvoette van toorn en riep, terwijl hij in het ronde zag: »Hier zijn niet dan Geuzen en schelmen in de stad, wien 't zvvarer dan die van Rotterdam vergaan zal.quot;
Dirk, die zich manmoedig had te weer gesteld, zoo lang hij zijn eigendom en zijn recht te verdedigen had, doch er niet aan dacht, om den gevoerden twist ook naar buiten te brengen, of zich tegen 's Konings of der Burgemeesteren gezach te verzetten, kon zijn angst bij die woorden niet verbergen.
))Ik hoop, dat ons God daarvoor bewaren zal,quot; zeide hij.
»En ik zweer u bij God en Zijne Heiligen, dat het niet beter zal lukken en dat we den rooden haan uit gindschen toren zullen steken,quot; riep de hopman in onberaden drift.
sVoor 't minst, zoo we u tot den toren laten naderen of u de armen aan 't lijf laten om de flambouwen te zwaaien!quot; riep dezelfde stem van straks. «Mannen broeders, ge hebt het gehoord? Het geldt uwe have, ze is reeds vertiend door Due d'Alv, maar als ge sammelt neemt men u ook het overige af. Zie, hoe een dorper en soudenier u reeds den voet op den nek durft zetten.quot;
De laatste woorden gingen voor velen verloren door het gedruisch dat nu ontstond. Men was den winkel ingedrongen, had daar den hopman en zijne knechten gegrepen, en onder gejuich en getier drong
44
men met de gevangenen weder op straat en naar de haven, waar men ze deerlijk mishandeld losliet. De hopman, ontzet dooi' de volkswoede, bood geen weêrstand en volgde stilzwijgend het gebod der overmacht, om terug te keeren van waar hij gekomen was. Toen de vijand uit het gezicht was verdwenen en Dirk Jansz. met verbleekt gelaat hun tegemoet voerde: «Mannen! ge hebt u aan den Koning vergrepen, en de straf komt over mijn hoofd, ongerekend de schade, die ik nu reeds lijd in mijn nering,quot; wist niemant te andwoorden en sloop menigeen uit den kling weg. Wellicht had ieder dit voorbeeld gevolgd, en was de beangste poorter alleen met Buyskes overgebleven, als men geen nieuwen toevoer had ontvangen uit eenige der zijstraten. De aangekomenen bleken niet alleen nieuwsgierigen te zijn, maar veeleer overbrengers van gewichtige tijdingen.
«Mannen, weet ge 't? De wacht heeft zich kloek geweerd. Hopman Quikkel, die gister zich reeds aan de Westerpoort heeft aangemeld, drong heden om te worden toegelaten; maar men heeft hem afgewezen, tot dat men na lang zanken en wrijten, waarbij de Burge-meesteren zich voegden, zich onderling verdroeg om den hopman en diens adelborsten in te laten, mids hun geweer in de poort bleef! 't Geen niet goed werd afgenomen, want een der adelborsten, die met den hopman hun intrek namen in den «Gouden Wagen,quot; zei tegen den waard: »Ik heb mijn geweer in de poort gelaten, maar ik zal hun in 't kort leeren, hoe zij een edelman zijn geweer zullen afnemen.quot;
«Waarom den knechten de toegang vergund,quot; klonk het uit den volkshoop, met zulk een kracht en op zulk een wreveligen toon. dat het aller aandacht wekte.
«Te recht vraagt ge dat!quot; hernam dezelfde verhaler, die door velen als Cornelis Pietersz. Kietlus, een uit Emden teruggekeerde balling, werd herkend. «Men ondertastte den adelborst naar het doel van den tocht, en of liet vendel voor de poort op de schepen zou worden gelegd en naar den Biiel overgevoerd, en ontving ten andwoord: «Neen, maar in deze stad zullen wij liggen, en niet alleen wij, maar nog een geheel regiment, en die in de stad niet mogen, zullen op de dorpen zich legeren.quot;
«Dat God het verhoede!quot; klonk het van verschillende zijden.
«Maar roert daarbij de armen!quot; hernam Rietlus. «Mannen, naar het Stadhuis! Voegt u bij de anderen. Toont den Burgemeesteren wat ge wilt.quot;
De volkshoop, iioe langer hoe meer opgewonden, gaf luide zijn bijval te kennen en toog met Rietlus aan het hoofd mede.
Het was in de Breestraat een bezield tooneel. Het raadhuis, voor ruim een eeuw opgetrokken uit grauwen steen, met boogvensters, sierlijk gekanteeld, was zelden zoo bevolkt geweest als dezen dag. Op de dubbele hooge stoep met ijzeren leuningen, die tot de ge-
45
beeldhouwde zwartgeverfde hoofdpoort leidde, stonden eenige vroedschappen, aan wier hoofd zich de Burgemeesler Jan Vest bevond. Naast hem, en het deed beiden te beter uitkomen, stond hopman Quikkel in het schitterend harnas, met den glad geschuurden helm op het hoofd, met de linkerhand steunende op het zwaard, terwijl een smadelijke glimlach zijne lippen bij het staren op het plein beneden hem krulde. Daar was een bonte menigte vergaard. Eenige schutters in de zwarte tabberts met het stadswapen op de borst en het zilveren vogelroer geborduurd op de linkermouw, stonden in het eerste gelid, terwijl een schaar van burgers en vrouwen den achtergrond vulde. De volkshoop kreeg daar nieuwen toevoer door de aankomst van Rietlus en de zijnen.
De burgemeester staakte een wijle zijne reden tot de burgerij en wilde van de thands ontstane opschudding gebruik maken, om ongemerkt met den hopman het Stadhuis binnen te treden, toen hem de kreet van; »Naar buiten met de knechten!quot; terug deed keeren. Zijne blikken zochten den poorter, die deze woorden sprak, maar zijn onderzoek was te vergeefs, daar die kreet nu van alle zijden werd aangeheven.
«Poorters, zijt goedmoeds! Een iegelijk keere rustig naar zijn haardstee. De krijgsknechten zijn nog buiten en zullen slechts in de stad gemonsterd en dan te scheep geholpen worden,quot; sprak de Burgemeester.
Een spotachtige glimlach vertoonde zich bij die woorden op het gelaat van ëen der naastbij staande burgers. Het was een smid en blijkbaar in der haast uit zijne werkplaats geloopen, want zwart als zijn smidse waren gelaat en handen. Het was een stoere poorter, die het goed deed aan te zien als een toonbeeld van kracht. De geschiedenis bewaarde ons zijn naam: het was Reinier Stouting, die, zooals de kroniek ons meldt, zijn naam niet te vergeefs droeg.
Zijn muts met de linkerhand vasthoudende en de rechter aan een der leuningen van de stoep klemmende, voerde hij den Burgemeester toe; «Men kan het volk wel buiten monsteren en van daar doen scheep gaan, om den burgeren alle achterdenken te benemen.quot;
):â Zwijg stil, bloed!quot; klonk het bits ten andwoord, »zult gij beroerte brengen onder de goê gemeente? Men zal u in een gat smijten dat er een ander aan gedenke; de stad is ons en niet u bevolen te regeeren.quot;
De smid, meer verbluft door de blikken, die deze woorden ver-zelden, dan door het andwoord zelf, zweeg stil en richtte zijne vor-schende blikken op de omstanders, als zocht hij daar bijstand. Deze zwegen echter: de woorden des Burgemeesters schenen een te diepen indruk gemaakt te hebben. Onder de teruggekeerde ballingen, die zich tot dus verre nog op den achtergrond hadden gehouden, rees een hevig gemompel, dat weldra tot gemor oversloeg.
Rietlus werd de tolk zijner lotgenoten. Hij hief zich op de teenen
46
op, om te beter gezien te kunnen worden en door zijne tegenwoordigheid alzoo den gezonken moed aan te wakkeren, en riep den Burgemeester toe: sis de stad u bevolen te regeeren, zoo regeert haar wel; maar dat gij ons met bezetting van krijgsvolk belasten zoudt, staat ons niet te verdragen. Die vier of vijf jaar neringloos gezeten hebben, weegt zulk een last te zwaar.quot;
»Alsof de cijnsen en tijnzen ons al niet genoeg spolieeren!quot; riep de smid.
»En het waag- en biergeld, sinds Allerheiligen verdubbeld!quot; voegde er een ander bij.
»Ik merk uit wat hoek de wind waait,quot; hernam de Burgemeester, terwijl hij Rietlus aanzag. )gt;De zeeschuimers waagden 't de haven in te loopen, in hope van buit. Cornelis Pietersz Rietlus, wie heeft u gezegd het gebod van den Gerechte te overtreden en u hier te vertoonen ?quot;
«Een die hooger staat dan gij.quot;
»Wij zullen u zijn naam wel doen zeggen, gij vinnige kwant, ten zij ge voor zonsondergang weêr scheep gaat en u voegt bij uws gelijken!quot; De Burgemeester dacht met strengheid de losbandigheid der saamgevloeide menigte, die eenstemmig in hare wenschen, maar toch nog zonder aanvoerder bleef, alsnog te kunnen toomen.
Misschien ware het hem gelukt, indien zijn voornaamste tegenstander minder vermetel geweest ware. Deze toch liet niet lang op zijn andwoord wachten; »Ik blijf waar ik ben. 't Smaakt bitter in den vreemde te zwerven, dat heb ik en velen met mij geproefd. Poog ze te verjagen. Heer Burgemeester!quot; en met de stoutmoedigheid als die der wanhoop ging hij voort, terwijl hij zijne stem verre deed klinken: sik herzegge: wij willen geen soldaten in de stad. Ik wil 't u toeroepen, al zou het mij dien zwarten hals kosten. Gij zult het den burgeren niet vragen, zegt gij, maar wien anders? Gaat het hun niet aan? Gij kunt ze toch alleen niet voeden!quot;
Rietlus scheen de rechte snaar te hebben aangeroerd. Zijn woorden weerklonken in aller boezems.
«Geen soldaten, geen soldaten!quot; klonk het nu van alle zijden, en ook uit het midden der aanwezige schutters weêrgalmde die kreet.
Quikkel knerste de tanden. »Gun mij een twintigtal busschieters mede te brengen en ik jaag den Geuzenhoop uitéén.quot;
»Dat men u niet hoore. De hoop is kloeker dan ge denkt, en daarbij aangehitst. Valt alevel de kop, dan zakt ook het lichaam neêr.quot; 's Burgemeesters flikkerende oogen wendden zich bij die woorden naar de zijde waar Rietlus stond. Spoedig nam het gelaat eene zachtere uitdrukking aan, ja, duidde het zelfs vriendelijkheid. Hij wenkte met de hand, om het gejoel, dat nog immer aanhield, te bedaren en voegde toen der schare met luider stemme toe: »Van waar die heftigheid, mannen ? De knechten zijn immers nog buiten en zullen 't wel blijven.... voor heden ten minste,quot; voegde hij er
47
zoo zacht bij, dat slechts Quikkel en de stadsschrijver het konden hoeren. »Gaat in vrede, mannen, en vertrouwt de zaak uwer overheid toe!quot; Hij wenkte hun ten afscheid met de hand en trad het Stadhuis binnen.
Toen hij verdwenen was, werd het gemompel weder heviger. Daartoe droeg de poorter niet weinig bij, die al dien tijd roerloos had gestaan, thands echter door de menigte heendrong en hier en daar woorden uitte, die een werking deden als de oliestroom in het vuur. »Wie de knechten wil weeren, kome van avond in Dirk Brouwers houttuin, op de Zuiderhaven bij de groote kraan,quot; zei de onbekende tot zijn gebuur, die, schijnbaar zonder last daartoe te ontvangen, deze woorden weder tot de naastbij staanden overbracht, zoodat ze tot allen doordrongen, zonder dat men recht wist door wien zij het eerst waren geuit.
Nog geruimen tijd bleef men voor het Stadhuis vereenigd. Onder de eersten echter, die ongemerkt verdwenen, behoorden twee poorters, die de voorzorg gebruikten den hoed diep in de oogen te drukken en den mantel, als tot beschutting tegen de guurte van het jaargetijde, hoog tegen de wangen op te trekken. Deze beiden waren Rietlus en Buyskes.
»Wat ge vermetel waart, broeder!quot; zeide de laatste zacht.
»Het verwondert mij niet, dat gij dus spreekt,quot; hernam Rietlus, geprikkeld. )gt;Wat een ander misschien moed zoude noemen, heet gij vermetelheid. Wat gij wellicht voorzichtigheid heet, noem ik flauwheid. Hoe gij u toch wegschoolt in de menigte en in het geheim alleen het wachtwoord voor heden avond in Dirk Brouwers houttuin dorst geven.quot;
»Het is onze ure nog niet.quot;
«Wanneer dan?quot;
«Wij zullen het heden avond hooren. Ik ontving zoo even een tijding, die ik reeds lang heb verwacht en die mij uwe overijling te meer doet betreuren. Waarlijk, ik merk met verdriet, dat de onspoed, in stede van te bezadigen, u te meer heeft geprikkeld, en den ijver deed verkeeren in onbesuisde drift, die te vaak doet voorthollen op den weg die ten verderve leidt. De Burgemeester Jan Vest heeft u herkend en zal u doen vatten, wees des overtuigd. Gij wilt de goede zaak dienen en de armen worden u bij de eerste poging reeds verlamd, dank zij de duimschroeven van den Schout, welke u weldra zullen worden aangelegd!quot;
))En dit zegt Buyskes! Als ik de oogen sluit, is het mij of ik een amp; flauwhartigen, onbetaalden soudenier hoor spreken,quot; riep Rietlus
verontwaardigd. ))Door te zwijgen, door ons te verschuilen, brengen wij de stad niet over. En al ware het ook, dat gij gelijk hadt en het mij den kop moest kosten, ik zou niet anders handelen.quot;
Buyskes schudde mismoedig het hoofd. Hij kende den ijver zijns bondgenoots, maar ook hoe noode deze zich leiden liet.
48
Hij meende echter nog éene poging te kunnen aanwenden om Rietlus zachter te stemmen, en wilde hem mededeelen, dat de tijding, waarvan hij straks sprak, het bericht behelsde van Kolter-mans aankomst; doch wenschte zich vooraf te verzekeren, dat niemant zich in hunne nabijheid bevond. Hij keerde daarom het hoofd en zag zich achtervolgd door een burger, die even als hij het gelaat zooveel mogelijk zocht te verbergen.
«Wenden wij links af!quot; fluisterde Buyskes.
Indien hij daardoor den onbekende uit het oog had willen verliezen, dan was zijn doel geenszins bereikt. Ook de vreemde sloeg de straat in en was weder achter hen.
«Welkom hier, Heer Buyskes, en gij ook. Heer Rietlus! Dat ge der goede stad weer uwe tegenwoordigheid gunt, verheugt mij,quot; riep de vreemde thands, terwijl hij den hoed even van het hoofd lichtte en alzoo zijn gelaat te zien gaf. Het was bleek en mager, doch grof van beenderen. Dikke wenkbrauwen overschaduwden de oogen, die een donkere kleur hadden en flikkerden in de kassen, maar gewoon waren in het rond te staren, zonder zich tot een voorwerp te bepalen. De fijn besneden mond had dunne, bleeke lippen, terwijl de zenuwen zijns gelaats immer in beweging waren, hetgeen het aangezicht telken-reize van lijnen deed wisselen en het eene andere uitdrukking schonk.
sik dank u zeer voor uwen groet. Heer Freêrijk !quot; hernam Buyskes, terwijl hij zich beleefdelijk boog, maar het deed voorkomen alsof hij de hand niet merkte, die Freêrijk hem toereikte. Rietlus be-andwoordde den ontvangen groet niet'en keerde zich zelfs met onwil van den indringer af.
sik prijs uw geheugen. Heer Buyskes!quot; hernam Freêrijk, sen dit te meer, nu ik merk dat men 't in den vreemde wel eens verliezen kan. Heer Rietlus schijnt zich toch mijns niet of slechts flauwelijk te herinneren.quot;
sGeenszins,quot; andwoordde Rietlus. sWie zou den ouden Freêrijk, den rijksten poorter van Enkhuyzen, die zelfs Ingeland is van Rijnen Amstelland, ooit kunnen vergeten?quot;
Rietlus gaf wel een sprekend blijk van zijn geheugen, daar hij den ouden Freêrijk dadelijk een onaangenaam woord wist te zeggen. Deze toch â en zijne bekenden hadden 't immer met verbazing opgemerkt â kon zelden verdragen, dat men over zijne bezittingen in Rijn- en Amstelland sprak, hoe gaarne hij ook anders zijn rijkdom hoorde verheffen. Het gewone verschijnsel bij dergelijke gelegenheden deed zich ook weder na Rietlus' woorden voor. Hij kuchte een wijle als om een geldige reden te geven voor den blos, die zijn bleek gelaat over toog, en begon toen weder het gesprek.
sZijt ge reeds lang terug, mannen?quot;
sGewisselijk niet,quot; haastte zich Buyskes te andwoorden, ten einde
49
Rietlus te voorkomen. «We hadden n immers dan reeds een bezoek gebracht.quot;
«Ik ben overtuigd van uwe vriendschap te mijwaart,quot; hernam Freêrijk, terwijl hij glimlachte en den blik liet zwerven langs het gelaat van Rietlus. «Gun mij eenige oogenblikken met u te gaan. Gij hebt wellicht dringende bezigheden even als ik; ook is het weèr te guur om stil te staan kouten.quot; Meteen voegde hij zich tusschen beiden en wilde met hen voortgaan.
»Onze weg is een andere,quot; zeide Rietlus barsch. »Gij gaat links, wij gaan rechts.quot;
»Toch niet, vriend! ik schat uw bijzijn op te hoogen prijs, om mij niet een kleinen omweg te getroosten, ja dien zelfs niet te wenschen als ik het daarmee mij verschaffen kan,quot; andwoordde Freêrijk vleiend.
))Het wordt klaar, waarom gij ten hoof zoo zonderling gezien zijt,'' zeide Buyskes. «Waarlijk men spreekt niet te veel van de minnelijkheid uwer manieren.quot;
«Mogen we u nog niet geluk wenschen als lid van de rekenkamer van Holland?quot; vroeg Rietlus spottend, en hij scheen daarmee weder een kwetsbare plek te hebben aangeraakt, daar Freêrijk zich snel omwendde, zieli op de bleeke lippen beet en toen met kwalijk verborgen toorn in zijn stem ten andwoord gaf: sik kan nauw van mijn verbazen bekomen over hetgeen ge mij toevoegt. Ge waart toch ballingen, voor 't minst gij heette 't, â dank wellicht den soms niet scherpen blik van den Schout â en van waar toch die tijdingen mijn persoon betreffende? Ik weet wel, dat ge verstandhouding hieldt met deze stad, dat ge boden af en aan liet gaan â ik heb er zelfs een, die door den Schout geknipt was, door geld en goede woorden, uit zonderlinge liefde voor den Prins, uit het gat geholpen â maar ik dacht, dat ze u betere kondschap deden. Ik, ten hove gezien! Ik, lid der rekenkamer!quot;
Hoewel Buyskes en Rietlus hem als een vos beschouwden, die zich zelden liet vangen en slechts aanviel als hij wist het zonder gevaar te kunnen doen, toch kenden zij hem meer bij geruchte, dan uit zijne daden. Hoewel zij er geen geloof aan sloegen, deden de weinige woorden aangaande den bode, die door hem gered zou zijn, toch eenige werking, vooral bij Rietlus, die wel het meest tegen hem scheen ingenomen en het dan ook het meest had doen blijken, doch thands iets zachter jegens hem werd gestemd.
»Zoo gij 't ambt nog niet hebt, ge kunt het mijnenthalve krijgen,quot; zeide Rietlus. »Wie zou ook beter een valschen Filippus-daalder van een echten weten te onderscheiden?quot;
»Zoo als ge zegt, zijt ge nog slechts korten tijd hier,quot; hief Freêrijk aan, die een andere wending aan het gesprek zocht te geven en langzamerhand zijn doel wilde naderen. »lk hoop, dat ge niet alleen herwaards zijt geijld, daar de Burgemeesteren felgebeten zijn op de ballingen. Zij weten ook, wat ze van deze te vreezen hebben.quot;
DE EERSTE DAG.
50
»Wat zouden zij vreezen van de berooide burgers, die uit wanhoop gevlucht en uit wanhoop zijn teruggekeerd?quot; zeide Buyskes.
»Ge zegt wèl: uit wanhoop. Maar daarom vreezen juist de Bur-geraeesteren. Wat kan de wanhoop niet vermogen! De Briel is er door ingenomen. Veere en Vlissingen door omgeslagen. Had het laatste ook bij ons plaats!quot; Deze woorden bracht hij bijkans fluisterend uit.
»Alsof wij u niet kenden als een vervolger der Gemeente, als een slippendrager van Due d'Alv!quot; borst Rietlus los.
»Ik, Due d'Alv volgen? Staat de landzaat niet op door zijne ty-rannv, en is hij dus niet de oorzaak, dat de Geuzen schuimen en vrijbuiten, mijne baerdsen nemen en de rijkste ladingen prijs verklaren? Heb ik nog onlangs er niet éen van 60 last met rogge verloren, en de markt was toen stijf, zoodat ik bij duizenden scha
leed? En aangaande het eerste____ Ik heb, helaas! nooit de macht
bezeten, om van het tegendeel te doen blijken; maar is mijn zoon, mijn eenige, u niet bekend als geneigd tot de nieuwe Leer, ja misschien reeds als een volger daarvan ? Wèl bekenne ik, dat ik mij noquot; voeg bij de oude Kerk, maar ik heb die van het nieuwe licht nooit een hair gekrenkt, in tegendeel, waar ik kon, beschermd. Kon ik anders, daar ik in de tegenpartij mijn eigen kind zou kunnen treffen? Ik dacht altijd, wanneer ik de vervolgden van hun geloof hoorde getuigen, dat dit toch op een vast fondament moest gegrond zijn, en misschien dat ik tot kennis zou komen, indien ik leering ontving,quot; voegde hij er zeer devotelijk bij.
Buyskes vond iets in die verdediging wat hem mishaagde, wat hem aan de oprechtheid daarvan twijfelen deed, schoon hij zich het waarom niet helder kon maken. Rietlus zag echter het gekunstelde voorbij en lette slechts op de woorden.
»Kom heden avond ter preke,quot; zeide hij.
»Ter preke?quot; De oogen des ouden vonkelden. ))Had ik geweten, waar zij gehouden werd, ik ware reeds lang opgekomen. Ik dacht, dat de Gemeente zich had verstrooid. Waar is de preek heden avond?quot;
Buyskes staarde Freêrijk aandachtig aan, en vond het geen teeken van diens oprechtheid, dat de oogen steeds her- en derwaards zwierven. De oude scheen ook hém beter dan in den aanvang te behagen, van daar dat Rietlus' onvoorzichtigheid niet meer uitlokte dan een knik met het hoofd, hetgeen beteekenen moest, dat hij zoo groote openhartigheid nog niet nuttig oordeelde. Hij wilde echter Rietlus, tot wien de vraag was gericht, zich niet verder laten bloot geven en andwoordde daarom in der haast:
»Rietlus weet niet dat de laatste afspraak anders luidt. Heden avond zal er geen preek zijn.quot;
»De samenkomst in Dirk Brouwers' houttuin zal 't verhinderen, niet waar?quot; vroeg Freêrijk.
Buyskes zag verbaasd op. ))Gij ziet,quot; zoo ging hij voort, »dat ik
51
gemeene zaak met de ballingen en de burgers van de nieuwe Leer maak, daar ik mij onder hen bevond, toen den Burgemeesteren straks de begeerte der burgers werd aangezegd. Ik hoop er ook te komen. Ik merk met verdriet, broeder!quot; zoo vervolgde hij, terwijl hij zich ditmaal tot Buyskes wendde, «dat gij mij nog wantrouwt en ge het voorbeeld van Rietlus, den wakkeren burger, die niet zoo spoedig aan verraad denkt, geenzins opvolgt. Gij houdt u thands in de achterhoede; dit deedt ge straks ook, maar toen met beter gevolg; want uwe woorden, in 't geheim gesproken, maar tot allen doorgegaan, deden niet minder werking dan die van Rietlus.quot;
»Ge schijnt me aandachtig te hebben gadegeslagen,quot; hernam Buyskes, die nog zijn onwil jegens den indringer niet overwinnen kon.
«Voorzeker; alsof ik niet wist, hoe groot de Prins van u houdt; alsof ik niet, van diens schranderheid overtuigd, vermoeden kon, dat hij u weet te schatten en bij den moeielijken tocht, dien ge ondernemen gaat, u aan de spits zal hebben gesteld.quot;
sHoe weet ge dat?quot; vroeg Buyskes, die ditmaal zijne zelfbeheer-sching verloor.
))Ik heb dus juist geoordeeld,quot; hernam Freêrijk, terwijl zijne oogen weder helder flikkerden.
»Ofschoon Buyskes tot dusverre niet bewezen heeft voor de taak te zijn opgewassen,quot; riep Rietlus.
))Hij weet op het tij te passen en daarnaar richt hij de tonnen, niet waar, vriend? Hij werkt misschien meer dan ge vermoedt, broeder Rietlus, en wierp gewisselijk reeds hier en daar de netten uit. Ik ben zeker dat hij al iets gevangen heeft. Of zag ik niet Evert den korvenmaker, die bekend staat als een vurig verweerder der goede zake, met een spoed als gold het een dringende tijding hem straks naderen, en iets influisteren, wat niet onbelangrijk zal geweest zijn?quot;
Buyskes verloor zijne koelbloedigheid. Schoon al wat de oude had opgemerkt niet meer dan van eene nauwkeurige waarneming getuigde, deed de vleiende toon, waarop dit alles werd uitgesproken, en ook de schijnbare openhartige bekentenissen des ouden hem ten diens opzichte van stemming veranderen.
Bovendien was het of Freêrijk hem door den vurigen blik, dien hij van tijd tot tijd op hem wierp, ketende en onwillekeurig mede trok, De oude gunde hem ook geen tijd om tot bezinning te komen, want snel vervolgde hij; ))Gij verwacht zeker de aankomst van nog meerdere ballingen?quot;
Buyskes knikte toestemmend.
sEn de mededeeling van wat de Prins eigenlijk wil,quot; zeide Rietlus.
»Gaf Zijne Fürstelijke Genade u dan nog geen lastbrief?quot;
»We zijn in allerijl op reis getogen; de lastbrief zou ons later worden uitgereikt,quot; zeide Buyskes zacht.
«Juister zou het luiden: Rietlus is op reis getogen. Ik weet
52
immers, dat gij de stad nimmer verlaten hebt. Ziet ge, broeders, dat ik der goede zaak niets euvels wensch; ik had u immers kunnen verklappen ?quot;
Buyskes' verblijf moest bij velen bekend zijn geworden, zoodat des ouden stilzwijgen zooveel niet beteekende, als hij het wenschte te doen voorkomen. Het oogenblik, waarin hij het echter te pas bracht, deed het van meer beteekenis schijnen. »Maar het niet-uitreiken van den lastbrief was toch vreemd,quot; vervolgde Freêrijk. »U te laten gaan, zonder volmacht... Maar ik meen het te vatten en eer de schranderheid Zijner Genade te meer. Dergelijke lastbrief moet niet te lichtvaardig worden gegeven. Eerst moet het uit de omstandigheden blijken, dat de tijd gunstig is om te werken, â en dan zullen er wellicht velen uit te reiken zijn____ voor verschillende steden, zoodat een persoon, â het moet wel een vertrouwde van den Prins zijn, éen dien hij zeer hoog schat, â met de bezorging zal belast moeten worden, opdat de beroering overal te gelijker tijde zich voordoe, en de Spanjaart zijn legermacht moet splitsen....quot;
»Ik weet niet waarom Zijne Genade mij den lastbrief onthield,quot; zeide Buyskes, die echter de gevolgtrekkingen des ouden niet onjuist vond.
»Gij hebt den lastbrief nóg niet?quot;
»Neen; maar ik verwacht dien spoedig....quot;
»En de Blonde, zoo als wij hem noemen, is misschien belast om dien over te brengen?quot; vroeg Freêrijk met warmte, terwijl hij zich tot Buyskes overboog en den adem inhield om geen woord te verliezen.
»De Blonde? Gij kent zijn geheimen naam? Maar hoe weet gij dit alles?quot; vroeg Buyskes, hoe langer hoe meer verbaasd.
»Vurige ijver voor de goede zaak doet de oogen scherp staren, de ooren opensperren, de knippen van de geldtasch losspringen en de vriendschap van den geringsten bondgenoot naar waarde schatten. Ik weet, dat de Blonde zich in Haarlem, toen in Amsterdam, â dat paapsche broeinest! â vervolgens in Hoorn heeft opgehouden.quot;
«Waarom bij al dien zonderlingen ijver mij geen enkel woord van zijne reis herwaards doen weten?quot; vroeg Buyskes.
»Wist ik uwe woonplaats?quot; vroeg Freêrijk. «Daarbij waren mijne berichten niet immer zeker en tijdig. Meest vernam ik waar hij zich opgehouden had, zoo als, ook nu weder, dat hij Hoorn verlaten hééft, doch het is mij ganschelijk onbekend werwaards het vogelken later gevlogen is. Ik vrees zeer voor hem. Of hebt ge bericht, dat hij is overgekomen?quot;
»Neen!quot; zeide Rietlus, vóór dat Buyskes konde andwoorden, die het gelaat des ouden weer het zijne zag naderen. Toen Freêrijk zich echter haastelijk tot Rietlus wendde, voelde Buyskes zich van diens invloed ontslagen, zoodat hij weder geregeld kon denken en tot het besluit kwam om het andwoord van Rietlus niet te verbeteren.
53
))Dus de Blonde, de overbrenger van den lastbrief, kwam nog niel? En de weg van Hoorn herwaards is onveilig door de stroopende Spaansche benden! Indien hij slechts niet gevat zij! Ik vrees, ik vrees het ergste, broeders 1quot;
»De goede zaak zou een groot verlies in hem lijden,quot; andwoordde Rietlus.
»Wij zijn waar wij wezen moeten,quot; zeide Buyskes kort af. »Dank voor uw geleide. Heer Freêrijklquot;
sHebt ge voor de goede zaak ook penningen noodig?quot; vroeg deze. «Schoon de tijden slecht zijn en mijne baerdsen stil in de haven liggen zonder vracht, zou ik wel iets kunnen afzonderen ten alge-tneenen beste.quot;
»Heb dank. Heer!quot; andwoordde Buyskes, wien de edelmoedigheid van het aanbod, zoo geheel in strijd met de algemeen bekende vrekheid des rijkaarts, verdacht voorkwam. Hij stapte de stoep eener woning op en liet den klopper op de deur vallen.
«Zoo we echter iets behoeven, zullen wij ons bij u aanmelden,quot; zeide Rietlus, die weinig van de koelheid zijns bondgenoots begreep.
«Waarlijk, uw vriend handelt als Sint Thomas, zoo als de schrift zegt,quot; (luisterde Freêrijk. «Ten zij hij voele en taste, hij zal geenzins gelooven. Breng hem tot betere gedachte te mij waart, en bied mij de gelegenheid aan, om het nieuwe licht te leeren kennen. Er is heden avond wél preke, niet waar?quot;
»Te acht ure in de schuur van Rijkert Claesz,quot; klonk het andwoord.
Buyskes, die zich omkeerde en het onderhoud tusschen beiden bemerkte, trad haastig op hen toe. «Vaarwel, Heer Freêrijk!quot;
Toen de oude vertrokken was, haalde Buyskes diep adem.
«Het was mij zoo eng in het bijzijn van dien man. Ik vrees, dat hij ons met zijne zoete woordekens heeft betooverd.quot;
«Wat hij ons zeide van zijn zoon, strookt toch wel met de waarheid. Verder kende hij Gods woord genoeg om van u jegens mij te getuigen: hij is als Thomas: tenzij hij gevoele en taste, hij zal geenzins gelooven!quot; andwoordde Rietlus.
«Gij kunt gelijk hebben en ik dwalen. Ik hoop het.quot;
De deur werd geopend en beiden traden binnen.
Naar den glimlach te oordeelen op ouden Freérijks gelaat, zouden wij mogen beweeren, dat deze in betere stemming dan de andere broeders bij het afscheid verkeerde. Langzaam ging hij de straat, waarin Buyskes zijn tijdelijk verblijf had gevonden, ten einde; doch toen hij den hoek was omgeslagen, verhaastte hij zijn tred, zoodat hij weldra weder in de Breedestraat uitkwam, aldaar langs het Stadhuis een steeg insloeg, en in een zich daar bevindenden gang verdween. Na eenige portalen te zijn doorgegaan, kwam hij voor een zware eikenhouten deur, die hij openstiet; en als toen bevond hij zich voor den Burgemeester Jan Vest en den Schout Reynier
54
Feyntes. Vooral de eerste zag hem met bevreemding, ondermengd met eenigen wrevel, aan, fronste de wenkbrauwen en had hem â wellicht met weinig hoofsche woorden ter deure uitgewezen, indien de oude niet terstond het woord had opgevat: »Gun mij een wijle te deelen in uwe deliberatiën, hoewel daartoe niet geconvoceerd zijnde; ik breng weder tijdingen en gants geene onwelkome. Ik meen u het zekere bericht te kunnen brengen, dat een der kwaadaardigste zendelingen van den Prins, die ons in het jaar '70, hoewel in 't geheim, kwaads genoeg gebrouwen heeft, gevallen is.quot; Meteen zette hij zich neder; en wat daar besproken werd, moest wel eenige belangrijkheid hebben gehad, daar het onderhoud tot laat in den namiddag aanhield.
Men zag echter den Burgemeester en den Schout alleen het Stadhuis uitkomen, want de oude Freèrijk verkoos om hem bekende redenen door den straks betreden sluipweg weder te vertrekken.
De avond begon reeds te vallen, toen Kolterman, dien we een tijd lang de zoo noodzakelijke rust gegund hebben, ontwaakte. De kreet, die hem daarbij ontglipte, bewees, dat de rust niet zoo geheel kalm geweest, maar door angstige droomen was afgebroken. Het kon wel niet anders na al hetgeen hem in den laatsten tijd wedervaren was, of de voorstellingen, die het koortsig brein ontstelden, hadden den slaap van den vermoeide gestoord en belemmerd. Weinig verkwikt rees hij daardoor overeind, en hoe meer hij tot bezinning kwam, des te meer bewogen zich zijne leden, des te dieper boog hij het hoofd.
»Ware ik gestorven!quot; prevelde hij mismoedig, ))wie bekommert zich mijns? quot;Ware ik gevallen, in stede van den eenigen zoon mijns eerwaardigen vriendslquot;
De onmannelijke neerslachtigheid duurde echter niet lang. Het bewogen gemoed kwam tot ruste, toen hij, na het vensterken ten halve geopend te hebben, de frissche lucht inademde en van verre het gejoel der menigte, het gezang der visschers en bootslui, den helderen slag der St. Pancras kerke, als een hemelsche stem te midden der aardsche akkoorden, vernam.
Hij klom voorzichtig den trap af en klopte toen zachtkens aan de deur, die zich eenige schreden verder bevond. Rijkert Claesz opende haar, heette hem door een handdruk welkom, maar sprak geen woord.
Hoewel niet veel meer dan een schemerlicht in dat vertrekjen viel, spreidde het heldere vuur onder de wijde schouw eenigen meerderen glans over de tafel voor de haardplaat en de vrouw op den matten stoel daaraan. Hare kleeding was geheel zwart; slechts het mutsjen, dat haar gelaat omsloot, week daarvan af. Op dit oogen-blik leunde het hoofd op haar arm en scheen zij in gepeins verzonken of wel de oogen te luiken.
Kolterman wist echter beter; hij wist dat diepe smart beiden
55
r(j onmogelijk maakt en dat deze slechts na uitgeputte kracht in doffe
âj gevoelloosheid doet vervallen, die evenwel verademing noch ruste
;n geeft.
le Uat de stilte, die thands heerschte, reeds lang had geduurd, be-
d wees het onaangeroerde maal â de volle kroes bier, het onaan-
^ gesneden brood â dat voorzeker daar reeds vóór uren was gereed
1. - gezet.
ij } «Vrouw Lijze!quot; sprak Kolterman, nadat hij een oogenblik had
n I gepoosd, als om af te wachten of zijn binnentreden hare aandacht
e ook zoude trekken.
q Met schrik hief de aangesprokene het hoofd op, en toen zij den
jongeling, wien de ranke gestalte en tedere lijnen jeugdiger deden schijnen, dan hij werkelijk was, gewaar werd, richtte zij zich op, en sloeg zij hare armen om zijn hals, terwijl zij snikte door hare tranen heen: «Mijn Ewout, mijn iongen!quot;
«Krijt uwe smart uit in mijne armen, vrouw Lijze! Ik heb hem toch gekend dien gij beweent! Hij mocht mijn boezemvriend geworden zijn, had ik langer hier mogen toeven. Wij zullen veel van hem spreken, moedei', veel; en het zal ons zijn alsof hij naast ons zat, en wij zullen God bidden om een spoedig wederzien.quot;
»Niet alzoo, broeder! Gij troost de arme vrouw, hoewel meer naar de waereld, dan naar den Woorde Gods. Onderwerping wordt gevraagd en geene klacht. De Heere is de Almachtige, die werkt naar Zijn welbehagen. Den Heere uwen God zult gij niet bidden om het leven te korten; de duur daarvan is bij Hem bepaald, en het uwe is ook kostbaar voor velen; dat mijner arme vrouwe is kostelijk voor____quot;
De oude leeraar had zijne kracht en zelfbeheersching te hoog geschat. Hij kon niet vervolgen, uit vrees van in tranen uitte barsten.
«Gij hebt gelijk. Heer broeder! Te leven is te strijden, en te strijden is te overwinnen, indien de kamp wordt aangevangen in den name Christi, onzen Heer. Maar Hij, die weende met de weenenden, en een trooster was in het klaaghuis. Hij gunde der mensche-lijkheid hare zwakheden in de overmaat van de droefheid, en zou, hier aanzittend, vast mijne woorden niet wraken.quot;
»Het was bij den Heere besloten, dat hij sterven zoude. Zijn raadsbesluit is onveranderlijk, en wij moeten ons daaraan zelfs dankende onderwerpen; of zegt niet de Apostel... ?quot;
«Broeder, uwe vrouw vraagt troost,quot; fluisterde Kolterman.
«Dat zij dien zoeke waar hij te vinden is,quot; hernam Rijkert, bij s wien de prediker de overhand kreeg op den mensch, hoewel hij
vergat dat hij van zijne vrouw meer vroeg dan hij van zich-zelven bij het ontvangen der tijding had kunnen vorderen. «Broeder, zoo gij dit fondament onzer leer voorbij zaagt en een hope predikte zonder het vaste geloof, ik zou u besmet achten van eene zeer gevaarlijke ketterij,quot; vervolgde Rijkert, die uit vrees voor de doling
56
eens broeders, gereed was een redetwist aan te vangen terwijl nog zijn binnenste bloedde.
«Indien ik den strijd op dit punt mijd, het zal mijn geloof bij u toch niet verdacht maken, broeder?quot; vroeg Kolterman. «Wij, die van gisteren zijn, oordeelen als zoodanig; wij lijden als menschen,
en de troost moet ook menschelijk zijn. Ween, moeder, ween!quot;
Moeder Lijze drukte hem stilzwijgend de hand, ten teeken harer dankbaarheid en vleide haar hoofd op zijn schouder, terwijl Rijkert strak voor zich heen staarde en de oogen vestte op het bijbelboek, dat geopend op de tafel lag ter plaatse waar hij had nedergezeten.
Een hevig snikken in een hoek van het vertrek, die het minst door de flikkering van het haardvuur verlicht werd, brak de stilte af en trok Koltermans aandacht.
Gretig greep hij de gelegenheid, om een heilzame afleiding te geven, aan; «Naar ik merk heeft uwe smart reeds deelneming uitgelokt. Schoon ik den vriend niet ken, die op dit oogenblik hier toeft, schat ik het hart reeds hoog, dat zoo warm klopt voor het lijden des naasten.quot;
»De arme. hij lijdt met ons! Hij begrijpt zeker niet wat ons pijnt,
maar hij kent de tolken van de droefheid wel,quot; andwoordde vrouw Lijze, terwijl zij de blikken lamp aanstak en op de tafel zette.
Kolterman, die de laatste woorden niet vatte, speurde in het kleine kamerken rond, dat weinig meer te zien gaf dan een oude spijskast, eenig oud aardenwerk en vier naakte geblauwde muren,
en zag ten laatste een man in een leunstoel met hoogen rug â de eenige die een kussen bezat â neergezeten. Zijn hair was zilverwit en hing in lange lokken langs het achterhoofd neer. Het gelaat was doodsbleek en mager. De wangen waren ingevallen, de lippen blauwwit, terwijl diepe trekken om den mond en rimpels op het voorhoofd niet alleen van den last des levens, maar ook van dien des lijdens getuigden. Groote tranen biggelden langs de wangen en de ontvleeschte handen waren gevouwen.
«Wat is dit?quot; kreet de jonkman, terwijl hij dit toonbeeld van menschelijke ellende aanzag en huiverde. »Zie ik wel? Heer Bardes,
heer vader!quot; Hij was op hem toegeijld en lag voor hem neergeknield, terwijl hij een zijner handen vatte en die in de zijne drukte.
»Vader, zijt ge als uit de dooden opgestaan? Ik dacht, dat de beulen u hadden vermoord. Hoe zijt gij 't ontkomen? Het is dan niet waar, dat men u de folterschroeven heeft aangelegd, u, grijzen besten vader...! Het is dan niet waar?quot;
De oude andwoordde niet. Hij had de oogen wijd opengesperd, s
de oogen, waarin zich de ziel niet meer uitsprak, waarin het hoogei'e leven weinig meer tintelde. Hij vestte ze lang op den voor hem neergebogen jongeling, terwijl hij de vrije hand op diens hoofd lei en het blond zijden hair om de vingeren wond.
«Vader, vader!quot; kreet Kolterman, die de waarheid begon te
vermoeden, «hoort ge uw kleinzoon niet meer? kent ge uw lieveling niet?quot;
«Fijn hair!quot; zeide de grijzaart, terwijl hij Kolterman goedig toeknikte.
»Heere mijn God! dat ik dus den man ontmoet, die de roem was van zijn stad, die de lust was van zijn kring! quot;Van het verstand beroofd, hij!quot; riep Kolterman, terwijl hij het gelaat met de handen bedekte. Uit tooneel had Rijkert Claesz en zijn vrouw hunne eigen smarten doen vergeten. De ontmoeting was zoo onverwacht, de betrekking waarin Kolterman stond tot heer Bardes, Oud-Schout van Amsterdam, hun zoo geheel onbekend, dat beiden geene woorden vermochten te vinden, om de oprijzende gedachten te uiten. Wel werd de eigene smart niet overstemd door die, welke daar geleden werd; wel gevoelde Rijkert nog niet, dat de hand des Heeren daar nog zwarer getroffen had, maar de aanblik van het lijden des broeders wekte den prediker steeds tot werkzaamheid op, hoeveel te meer hier, waar het den jongeling gold, dien hij hoogschatte.
»Kolterman,quot; zoo hief hij aan, terwijl hij hem ophief en op een stoel naast den grijzaart deed neerzitten, «dat het mij gegeven ware geworden u dit te besparen! Gods wegen zijn niet onze wegen, broeder! maar weet dat alle dingen ons moeten medewerken ten goede. Gij hebt hem dood gewaand, uw grijzen vader, en zie, de Heere heeft u de hope nog niet ganschelijk ontnomen.quot; â Rijkert had er willen bijvoegen: »zoo als aan mij,quot; â en indien hij 't gedaan had, hij zou getoond hebben minder kalm te zijn, dan hij het straks had willen doen gelooven. Hij hield daarom echter die woorden niet in, maar veeleer omdat hij het eene onkieschheid dacht, thands van zijne eigene smarten te gewagen; eene onkieschheid, die. als troost bedoeld, toch wellicht misduid zou kunnen worden als hoogmoed.
«Begrijpt ge dan niet, broeder! dat het mij banger is bij dezen leunstoel, dan het mij ware op een grafzerk? Zie, ik had hem dood gewaand, en toen ik het vernam, wist ik, dat alle smarten waren
geleden. En nu____ ik dacht hem terug te vinden en meende God
te kunnen danken, dat Hij mij dezen schat, den eenigen, nog had gelaten....! ik ondervind nu tot welken prijs!quot;
Er speelde bij die woorden een glimlach op zijn gelaat, een glimlach, die den toeschouwer pijn deed aan het hart.
«Broos vat, sta niet op tegen uwen Maker!quot; zeide Rijkert ernstig. «Zult gij, worm van ëenen dag. Hem, den Eeuwige, bedillen in Zijne werken ? Ik ben Jehova, spreekt de Heer, de Eenige, die daar heerscht in eeuwigheid!quot;
De opkomende wrevel was aan band gelegd; de jongeling boog het hoofd.
«Krijt niet; wees vrolijk!quot; zeide de oude, die in de laatste oogen-
58
blikken onrustig om zich heen had geschouwd. ))De zon schijnt hier; het is hier niet donker.quot;
»Neen, beste-vaar, niet zoo donker als ginder, wèl?quot; vroeg Kol-terman, terwijl hij zich naar hem voorover boog. «Niet zoo donker als in de kerkers van den Bloedraad te Brussel... ?quot;
«Neen, niet weer naar het hol, neen, ik wil hier blijven!quot; riep de grijzaart, terwijl hij de oogen wild in het rond sloeg. Het was of deze inspanning boven zijne krachten ging, want weldra zonk het hoofd neder, en boog hij het hoofd als ter sluimering.
»0 het ware mij lichter geweest bij zijn pijniging, bij zijn doodstrijd,quot; zeide Kolterman, doch thands meer gematigd. sHebt ge hem gekend, hoe hij was, het licht op veler pad en de lamp voor hun voet? Hoe vaak zat ik aan zijn voeten neder, luisterende naar nutte onderwijzing, terwijl hij deze bekrachtigde door zijn eigen wandel. Hij gebood liefde aan den vriend en ontzach aan den vijand, en beiden getuigden van de scherpte zijner rede en de warmte zijns gemoeds. En juist dien man zie ik terug, ontdaan van zijne kroon, van al wat hem sierde. Broeder, broeder! het is bovenmenschelijk hier Gode te zwijgen!quot;
«Dat de Hauwen van harte hier een oogenblik mochten beiden!quot; zeide Rijkert gesmoord, terwijl zijn anders zoo zachtmoedig gelaat een uitdrukking aannam van hartstocht, hetgeen de hoeken zijns gelaats scherper deed uitkomen. «Weder een uitgelezen vat, dat de Antichrist heeft verbrijzeld! Er is geen rust voor het volk Gods, zoo lang de Kanaanieten niet zijn verdelgd.quot;
Kolterman kwam plotseling tot bezinning, en zeide, terwijl hij het hoofd droefgeestig schudde: «Broeder, wij haten de vervolging; dat wij haar zeiven niet bezigen! Weer is geoorloofd; aanval niet.quot;
Gelukkig, dat vrouw Lijze thands eene wending aan het gesprek gaf.
«Hoe jammer dat ge van den Bloedraad spraakt! De arme ontstelt immer, wanneer daarop gedoeld wordt.quot;
«Dus is alle bezinning nog niet verloren?quot; vroeg Kolterman met belangstelling. «Wanneer hij zich dat herinnert, zal hij misschien nog mijns wel gedenken in een klaar oogenblik.... O, dat hij mij nog eens herkende! God weet, dat het niet louter zelfzucht is,quot; vervolgde hij meer tot zich-zelven. «Ik vraag geen verlenging van zijn leven, maar dat ik hem nog ééns toespreken, dat ik nog éene vraag tot hem moge richten! Als gij wist waarom ik dat verlangde!quot; Hij peinsde een oogenblik, doch ging toen kalmer voort: «Hoe komt Heer Bardes hier? Werkelijk, ik heb dankenstof dat hij zich bevindt onder uwe hoede.quot;
«Bij een mijner laatste tochten naar Alkmaar, trof ik hem bij Aart Pietersz, mede een harte brandende van ijver, aan. Hij werd er met liefde verpleegd, maar men vreesde, en niet ten onrechte, dat de Magistraat, die daar scherpelijk de bloedplakaten naleeft,
59
tien ouden Bardas bemoeielijken zou, en vond liet dus beter hem naar een stad te doen vertrekken, waar de hitte der verdrukking wat luwde. Men verkoos Enkhuyzen, waar men tot dus verre zonderling slap had gehandeld op dat punt en nog geen martelaars-bloed had doen vloeien. Ik heb toen de zorg op mij genomen, wetende wat edele en vurige aanhanger hij was van de ware religie.quot;
»Doch hoe kwam de martelaar te Alkmaar?quot;
«Aart Pietersz, die bloedmagen heeft in Rotterdam, vond hem daar, en naar ik meen, was hij ter dier stede met éen van de Geu-zenboten, die in de Maas voeren, aangebracht. Hij was echter op dat pas reeds zwak van hoofde.quot;
»Zoodat hij zelf niet kon getuigen van waar hij kwam en hoe hij zijne banden had afgeschud?quot;
sOf 't u ook van nut mocht zijn en wat lichts spreiden over deze zake!quot; hernam Claes. ))Ik kan u alleenlijk nog mededeelen, wat ik gister hoorde mompelen bij eenigen der onzen, toen er sprake ging van den heer Schout. Men verzekerde dat men te Brussel, na scherpe ondervraging, den gevangene onschuldig bevonden en had losgelaten.quot;
«Zekerlijk zou het mij zonderling van dienst kunnen zijn, het bewijs daaraf te hebben,quot; riep Kolterman bewogen. »Have en erf is alevel verbeurd verklaard en reeds van wege Zijne Majesteit vervreemd.quot;
»Aan wien?quot;
«Aan Heer Freêrijk den Rijke uit deze stad. Doch wat licht gaat mij daar op!quot; riep de jonkman. »Het wonderde mij immer, dat Heer Freêrijk in deze troebele tijden zijn penningen zou steken in huis en hof, en nog wel verre van zijn eigene woonplaats; maar nu is het mij klaar. De goederen zal hij niet gekocht, maar geërfd hebben! De goederen van Heere Bardes in Rijn- en Amstelland behooren dan hem! Maar hoe kan de bezitter onschuldig verklaard zijn en niet in eere en goed hersteld? Het is mij duister. Zekerlijk zal het Beste-vaar niet meer baten, of hij zijn bezitting terug ontvangt en in steê van het zwarte brood, het witte mag kruimelen. Eilacy! voor hem is het een; maar voor den huichelaar, die zich meester maakte van wat zijn neef behoorde, die zijn vermogen zal misbruiken misschien tot schade der goede zaak, en die mij â alles, alles wordt mij nu klaar!quot;
»Dus oude Freêrijk heeft zich meester gemaakt van het uwe?quot; vroeg Lijze. «Of heeft heer Bardes nog nadere magen?quot;
Het was een onschuldige vraag, en toch pijnde zij Kolterman. Hij zweeg een oogenblik. Toen zeide hij, en het scheen hem moeie-lijk te vallen: «Indien Heer Bardes gestorven ware. Heer Freêrijk zoude erfgenaam zijn. Heer Freêrijk staat Beste-vaar nader dan ik. Neen, neen, ik wil het niet gelooven!quot; zoo besloot hij, sprekende in zich-zelven.
GO
«Het schemert mij in deze zaak,quot; zeide Rijkert, sen ik merk met droefheid, dat ook onze broeder al de paden in den dooltuin niet kent. Doch de Heere zegent den rechtvaardige en doet de raadslagen der boozen te niet. Vrouw, de Wester sloeg daar acht en de broederen zullen welhaast komen. Maak u gereed. En gij,quot; zoo vervolgde hij, zich tot Kolterman keerende, «voelt gij behoefte om op te komen ten gebede?quot;
))Ja, broeder! Ik volg u, gun mij slechts een oogenblik.quot; Hij nam de hand van den sluimerenden grijze in de zijne en bleef hem aanstaren, verzonken in gepeinzen, en vergeten, dat Rijkert en vrouw Lijze beiden reeds het vertrek hadden verlaten. Hij keerde met zijne gedachten het verleden in. Volgen wij hem eene wijle en slaan wij een blik in het geschiedboek des aamechtigen grijzen, met wiens leven dat van den jongeling zoo nauw verbonden scheen.
Hendrik Willemszoon Bardes was een der rijkste poorters der stad Amsterdam geweest, en, hoewel verdacht van ketterij, hoog gezien bij Roomsch en Onroomsch. Door de hulp van Burgemeester Hendrik Dirks, afkomstig uit Sloterdijk, uitstekende door verstand en geleerdheid, hoewel beide als in schauw werden gesteld door zijne heerschzucht en hardheid, had hij zich op het Grafelijk kussen neêrgezet en het Schout-ambt ontvangen, dat op dat tijdstip nog niet der stede was verpand, zoo als later, toen het ondergeschikt werd aan de Burgemeesteren. Hendrik Dirks dacht in den man, wiens zachtmoedigheid en oodmoed niet minder geroemd werden dan zijne kennis, een werktuig te zullen vinden, dat hem ter wille zoude zijn. Hij bedroog zich, en van daar een felle haat, die oversloeg tot de Gemeente en oorzaak was van den bloedigen twist in der stede van Amsterdam, tusschen Dirkisten en Schoutisten gevoerd; een twist, die, zoo als alle verschil in die tijden, weldra getint werd door de religie, en alzoo zich oploste in den strijd tusschen paap en geus. Het mocht van de schranderheid van den Heer Schout getuigen, dat hij zoo lang de lagen van Hendrik Dirks wist te ontkomen, die, befaamd als ijverig Roomschgezinde, bij uitstek gezien moest zijn bij de Goevernante. Bekend was het toch, dat zijn naaste maag, die bij 't gemeen voor zijn kleinzoon, het kind zijner eenige doch gestorvene dochter, doorging, omgang hield met de jonge liên, die, ijverende voor de nieuwe leer, zich niet ontzagen opentlijk daarvan te getuigen. Evenwel was het bewijs nog niet geleverd, dat de Schout zelf zich begeven had tot de ketterij, en toch, dat bewijs ware noodig, om hem te doen vallen.
Eens, het was reeds tegen het vallen van den avond, stuwde een volksmenigte zich saam op het Damplein, waarover een rookdamp kringde. Uit de onrust der schare, uit het vonkelend oog, de gebalde vuist, den nauw hoorbaren vloek van dezen en genen, viel er af te leiden hoezeer het de belangstelling wekte wat daar voorviel.
61
Het zou nog meer blijken, indien wij door de schare mochten dringen en den kring naderen, die de schutterij in hare roode en zwarte kleedije vormde om een houtmijt, waarin de vlam gestoken werd. Links stonden de vier Burgemeesteren in de zware tabberts met bont omzoomd en de zilveren keten, waaraan de penning met het stadswapen om den hals; rechts de Schepenen in hun ambtsgewaad. Eéne plaats, het scheen die der eere, was echter ledig; het was die van den Schout, die de geheele plechtigheid had moeten leiden.
Het gaf rijke stof voor de aanmerking van 't gemeen, dat naaide leuze die het aanhief, den Schout over zijn toeven berispte of prees. Het gaf rijke stof voor de gesprekken van den Magistraat, die noode de achtbaarheid in hare stijve vormen bewaren konde, maar de hoofden bij elkaar begon te steken en te fluisteren en boden zond naar de Schepenen, die tegenover hen waren geplaatst. Men richtte de onrustige blikken op den man, die het kleinst in gestalte, maar wel het grootst in vermogen en invloed bleek, op den Burgemeester Hendrik Dirks, die uit den drom dadelijk te herkennen was aan het gebiedende zijner gebaren. Een glimlach zweefde er thands op zijn gelaat; hij deed den breeden mond en den grooten haviksneus optrekken, en gaf aan het wezen eene uitdrukking van leedvermaak, die onaangenaam aandeed.
»Het vonnis is met vijf tegen vier geveld,quot; zeide Hendrik, als ten andwoord op eene aanmerking van zijne ambtgenoten. ))De Schout was tegen, en zal dus de exekutie ook niet bijwonen. Hij mag den rook niet van de mijt, zoo als hij zegt, en dit gewisselijk om zeer geldende redenen.quot;
«Maar dan zal de exekutie dienen geschorst te worden, tenzij Mijnheer de Schout er in voorzie en een plaatsvervanger zende; het ware anders tegen allen vorm van proces!quot; hernam een der Schepenen.
«Alsof de vlam voor den ketter niet de eigen nuttigheid zou hebben en af zou laten te blakeren, indien de wijze van procedeeren niet was kostumier,quot; andwoordde de Burgemeester. De Schepen boog en zweeg.
Daar week echter aan gindsche zijde, aan den kant van den Nieuwendijk, de menigte uiteen, en vertoonden zich de Schoutsknechten in dubbelen getale. Aller oogen wendden zich derwaards om te bespeuren wie aan de spits verschijnen zoude. De Schoutisten juichten, want het hoofd hunner partij was zelf niet opgekomen, maar had in zijne plaats zijn helper gezonden. Het gaf weder aanleiding tot hevige gesprekken, die echter weldra verstomden voor het beklagenswaardig schouwspel dat zich thands opdeed. Een stoet van monniken omstuwden een geboeiden burger, een man in de kracht van het leven, die een sterke ziel in een forsch lichaam scheen om te dragen, want hij ontstelde niet, toen hij de plaats nadertrad, waar hij geofferd stond te worden. Men had hem de
1
62
handen op den rug vastgebonden, zoodat hij ze niet vouwen kon zi
ten gebede; maar, hoewel men de leden zijns lichaams in boeien tlt; prangen kon, men was onmachtig om de blikken van zijn oog, dien
spiegel der ziel, te richten, â deze wendden zich ook naar den b
hemel, dien men hem zoo gaarne afsluiten wou. t
De menigte week ter zijde, maar het was door dwang. Bedienaars van den gerechte hadden arbeids genoeg om de noodige ruimte te ; z erlangen, zoodat het dezen en genen gelukte zóo verre naar voren
te dringen, dat men de monniken, die den veroordeelde begeleidden, lt;
en alzoo ook dezen, nabij genoeg kwam, om den eerste eene vervloeking, en den laatsten een zegenbeê tot bemoediging toe te fluisteren.
De deelneming, reeds gebleken door de opkomst van den geheelen Magistraat, was ook wel gegrond; want de Schepenbank van de stad Amsterdam had, nadat de aanklacht van ketterij, ingevolge de plakkaten, door de geestelijke vierschaar gegrond was bevonden, een van de voornaamste predikers der nieuwe leer ten vure gedoemd. Weinigen van hen, die zich in den omtrek van den Magistraat bevonden, waagden het van hun medegevoel oprechtelijk te doen blijken, daar de gestorte traan, de geuite klacht, of het gesproken woord, door de loerende spionnen van Hendrik Dirks den Gerechte zou kunnen worden aangebracht. Slechts de burgers aan gindsche zijde van de houtmijt, achter de Schepenen saamgestuwd, wisten minder goed een masker aan hun gelaat te hechten of bekommerden zich minder om eene mogelijke aanklacht; en de drie jongelingen, die men daaronder opmerkte, wel het minst. Allen schenen tot den gegoeden stand te behooren, want wambuis en broek waren van het fijnste laken, de hoed van het kostbaarste bever, de kraag van het tederste kant. Dat men den gewonen opschik miste, dat geen juweel aan de vingeren schitterde, geen lint prijkte aan broek en schoen, het was in dien tijd weinig vreemd, daar de nieuwe leer dergelijke versierselen en kostbaarheden als zondig verwierp. Zij hadden reeds al geruimen tijd naast elkander post gevat, en de blonde met zijne fijne regelmatige trekken had door zijne onrustige bewegingen, door de blikken, die hij om zich heen wierp, wel het meest de opmerkzaamheid tot zich getrokken.
Toen de veroordeelde naderde, drongen zij naar voren, en toen hij een lofpsalm aanhief bij het beklimmen der houtmijt, zag men de woede vonkelen in hunne oogen, ja dreigen in de stuipachtig gebalde vuist, en waagde het zelfs een van hen, de houtmijt te naderen, als ware het, om den prediker te redden. De beide anderen schoten echter toe om hun bondgenoot van diens dolzinnig opzet terug te brengen en voerden hem weder tot hun kring terug. De beweging was echter den burgemeester Hendrik Dirks, die hen vooral in het oog scheen te houden, niet ontgaan. Hij drong door naar de plek waar zij stonden en gebood eenigen dienaars der be-
.
i
63
zetting, hem, dien hij bij den naam Niklaes Ruychaver aanduidde, te vatten.
»Heer! niet hij is de schuldige, maar ik,quot; sprak de blonde snel besloten, en stout naar voren tredende. Hij bevroedde ook door zijne betrekking tot den Schout het lichtst gered te kunnen worden.
»Jan Kolterman!quot; andwoordde de Burgemeester, »zoo als de oude zong, zoo piept reeds het jong; om 't even, grijpt ze beiden!quot;
»Den kleinzoon van mijnheer den Schout?quot; waagde de weifelende dienaar te andwoorden.
«Mijner is de verantwoordelijkheid, knecht!quot; snauwde de Burgemeester hem toe.
»Niet alzoo. Heer Burgemeester!quot; sprak de derde der vrienden. «Slechts éen onzer kan de daad gepleegd hebben, in uw oog eene overtreding. Bovendien komt het u niet toe, daarover gezach te oefenen.quot;
»Jonker Cabiljaauw, men zal het u verleeren te redekavelen over zaken, buiten uw behoor! De kerkerknecht beidt ook u reeds sinds lang. Vat ze allen!quot; riep de Burgemeester door den wederstand vergramd.
Middelerwijl was reeds een aanhanger van de goede zake heimelijk weggeslopen naar het nabij staand huis van den Schout, om hem aan te zeggen in welk gevaar zijn kleinzoon verkeerde. Toen de Onderschout zich gereed maakte zijne gevangenen heen te leiden, hoorde hij van verre een gejuich aanheffen, en bespeurde hij, tot zijn niet groot leedwezen, den Heere Schout, die zich ijlings tot hem begaf.
))Werwaards gaat de tocht?quot; vroeg hij gebiedend.
))Naar het Stadhuis.quot;
))Welk vergrijp deed u deze burgers vatten?quot;
»Niet ik, Heere, maar Heer Hendrik beval mij ze mee te voeren.quot;
))Van wege hun verzet, en blijkbaar samenspannen met den ge-richten aartsketter,quot; riep de Burgemeester.
«Ontsla ze terstond!quot; zeide de Schout kalm doch vast. «Niemand zal zich vergrijpen aan de rechten der Grafelijkheid, die ik ben geroepen te handhaven. Ik, of bij ontstentenis van mijn persoon, mijne helpers zullen toezien op het punt der justitie ofte policie.quot;
«Zie toe, Heer Schout, eer ge ter dezer zake zulk eene zachtig-heid en tevens dwarschheid betoont; eer gij de plakkaten violeert en het gezach der I? urge meesteren een knak geeft bij de gemeente!quot; riep Hendrik Dirks ziedend van gramschap uit.
«Ontsla uwe gevangenen! â Heer Hendrik,quot; dus vervolgde de Schout, zich tot dezen wendende en het geluid zijner stem temperend, «het leei'e u omzichtigheid en prudentie in 't oefenen van uw gezach. Het Burgemeesterlijk kussen ligt op dit pas nog lager dan dat van den Schout en toont nog niet het wapen Zijner Majesteit.quot;
De Burgemeester moest buigen, maar de Schout liet de bevrijde
04
gevangenen nog ter dierzelfde nacht de poort uitgaan en zich schuil houden binnen Haarlem.
De verslagene wist echter partij te trekken van zijn nederlaag. Het wegblijven van den Schout bij de terechtstelling eens aartsketters, het ontslaan der schuldige jonkheid, dienden als ondersteuning eener aanklacht, door den pastoor der Oude kerk en een oude dienstmaagd, Fij genaamd, tegen den Schout wegens ketterij ingediend; eene aanklacht, die bij den Hove van Holland geruchts genoeg heeft gemaakt, en ten laatste eindigde met de vrijspraak van den beschuldigde en de veroordeeling der beschuldigers, van welke de Pastoor ter stede werd uitgebannen en de dienstmaagd op het schavot het leven liet. Kolterman met zijne vrienden Ruyc-haver en Cabiljaauw vertrokken echter op aanhouden van Heere Bardes naar elders en hielden zich een tijd lang op bij eenige Edelen, voor wie de Schout hun aanbevelingsbrieven mede gaf. Het afscheid van grootvader en kleinzoon was treffend, en met de belofte van trouwe briefwisseling verlieten zij elkander.
Toen weinig lijds daarna Heer Hendrik Dirks weder tot Burgemeester werd verheven, het Schout-ambt van wege de Grafelijkheid der stede verpand en alzoo aan de Burgemeesteren ondergeschikt was geworden, toen, bij aankomst van JJuc d'Alv, alle moderatie in de uitvoering der plakkaten was ter zijde gesteld, werd de oude aanklacht met vernieuwde heftigheid tegen den Schout, maar ditmaal bij den Raad van Beroerte, ingebracht. Bardes ontving de dagvaarding te gelijk met de Gedelegeerden uit den Raad, zoodat eene vlucht, al had hij die gewild, onmogelijk was. Zelfs werd hem geen tijd gegund om zijne zaken te ordenen. Hij ving de reis naar Brussel aan, en was nauwelijks vertrokken, toen zijn kleinzoon, in het geheim te Amsterdam teruggekomen, aan het ledige huis aanklopte, dat juist van wege den Gerechte gesloten en verzegeld was.
De terugkeer van den jongeling was, vreemd genoeg, door den grootvader zeiven, in volkomen tegenspraak met diens vroegere bevelen, verlangd. Door tusschenkomst van eenige vertrouwden had de jongeling, die in 's Prinsen dienst was getreden, geregeld de brieven zijns grootvaders, die hem op de hoogte der benarde zaken hield, ontvangen. De laatste brief echter, blijkbaar in overhaasting geschreven en geheel in strijd met de gewone netheid en klaarheid, had hem medegedeeld, dat gewichtige ontdekkingen, zijn persoon betreffende, eene dadelijke overkomst noodzakelijk maakten. Die ontdekkingen moesten wel gewichtig zijn, daar ze niet aan het papier konden worden toevertrouwd.
De teleurstelling van Kolterman was daarom groot. Zij werd grooter toen hij een vriend zijns grootvaders, den Admiraal Bos-huyzen, een vroeger wapenbroeder zijns vaders, die Admiraal van Holland geweest was, opzocht. Boshuyzen had het voorbeeld van honderden gevolgd en het hoofd voor het opkomend onweder ge-
Gó
bogen. Hoe meer verdacht hij zich wist, hoe meer hij van zijn ijver voor den Ivoning en diens gevreesden Landvoogd wou doen hlijken. Hij ontving Kolterman daarom koeltjens, gaf te kennen, dat hij uit aanmerking der vroegere betrekking hem niet op staanden voet den Gerechte zoude aangeven, hetgeen evenwel zijn plicht als 's Konings trouwe dienaar gebood, maar dat hij toch bij langer verwijl dien plicht zoude vervullen.
Toen Kolterman hem de reden zijner overkomst ontvouwde, was de Admiraal zoo goed hem een stuk papier te doen zien bij de verzegeling in de woning van den Schout gevonden en door hem heimelijk medegenomen. Dat papier bevatte eene vreeselijke ontdekking, die echter door het vertrek des grijzaarts niet tot zekerheid kon gebracht worden. In wanhoop verliet Kolterman de stad en reisde meè naar Brussel, hoewel hij gevaar liep bij herkenning ter dood te worden gebracht. Alle pogingen door hem aangewend, om iets meer van Heer Bardes te vernemen dan dat hij wreedelijk gepijnigd werd, waren vergeefs; en toen het gerucht tot hem kwam, dat de grijzaart ten gevolge der scherpe ondervraging gestorven was, gaf' hij alle verdere hoop verloren en vertrok hij naar Dillenburg, waar de Prins zich bevond. Onvermoeid, onversaagd loog hij nu aan 't werk, ten nutte van het bedrukte vaderland. Spoedig bleek het dan ook den Prins, dat hij dapperer of' liever krachtiger krijgslieden, maar slechts weinige hoofden zooals Kolterman bezat. Hij werd er den Prins te liever om, te kostelijker, naarmate verstandelijke kracht schaarscher in de gelederen der vrijheidszonen gevonden werd.
Doch dat wij Kolterman in zijne daden laten toonen, dat hij het vertrouwen des Prinsen, die hem ten tweedenmale naar Enkhnyzen zond, waardig was, en vatten wij den afgebroken draad van ons verhaal weder op.
Nog altoos bleef hij in gepeins verzonken en den sluimerenden grijzaart aanstaren, die hem het verleden herinnerde en hem de doorleefde jonkheid in de bekoorlijkste vormen herdenken deè. Hij hoorde de menigvuldige voetstappen niet in den gang waaraan het vertrek grensde, en die hem het bezoek van niet weinigen spelden. Het was de Gemeente, die, na het wachtwoord te hebben uitgesproken aan de deur van den zilversmidswinkel waar de ouderlingen hadden post gevat, het huis doorging en zich heimelijk verzamelde in de schuur van Rijkert Claesz.
Het ontwaken van den grijzaart deed Kolterman uit zijne dommeling opschrikken.
:»Hebt ge gerust, vader?quot; vroeg hij zacht, op den toon zoo als hij dit vroeger deed.
sGoed geslapen. Maar Heer Hendrik zat me na. Gunt hij me dan nimmer rust?quot;
DK EERSTE DAG
G6
»Hij dreigt, maar kan niet meer slaan. Zoon Jan beschermt u.'
De oude bracht de hand aan het hoofd, als om de heiinnering, die bij het noemen van dien naam ontstond en hem dreigde te ontslippen, vast te houden.
»Ge kent hem nog wel ? Hij woonde in Amsterdam. Uw dochterskind ...!quot; Hij was blond zooals ik; hij had mijn oogen .... Beste-vaar!quot; De jongeling had zijn hand weder gegrepen en zag den oude daarbij in de doffe oogen. Het deed hem zeer aan het voorhoofd, wat zenuwen er trokken op het gelaat, zeker van inspanning om eene schemerende gedachte helder te doen worden.'
«Zoon Jan! .... beste jongen!quot; zeide de oude luider en krachtiger dan hij tot dus verre gesproken had. »Ja. ja, zijn moeder stierf vroeg. ... Een vroolijk kind en scherp van rede.quot;
«Maar niet altijd kon hij bij u blijven, beste-vaar! Hij nam afscheid van u, hij ging op reis ...
sJa, ja, hij ging voort.... naar .... naar Brussel.quot;
»Neen, beste-vaar! Hij ging naar den Prins; maar gij beloofdet hem te schrijven.... Gij hebt hem geschreven over te komen. Waarom was dat?quot;
»Daar lag ze bleek reutelend, in een hoek. Ze is gestorven.quot;
«Wie? Wie is gestorven?quot;
»Goed, dat hij er bij was.quot;
»Wie, beste-vaar?quot; vroeg de jongeling, die uit die onsamenhangende woorden zich blijkbaar een geheel wist te vormen. Hij ontving geen andwoord, en vreezende dat Heer Bardes geheel mocht afdwalen bij een herhaling zijner vraag, zocht hij zelf in den kring van 's grijzaarts voorstellingen te treden.
»Hij, die er bij was, hoorde zeker wat zij sprak ?quot;
De oude knikte, maar zweeg.
»Gij hebt het opgeschreven, dat deedt ge als Schout toch altoos bij een verhoor.quot;
«Schout____? Verhoor?quot; herhaalde Heer Bardes zacht.
Kolterman bevroedde, dat het geen verboor geweest was en de oude alzoo niet als Schout had toegeluisterd. ))rloen zijt ge naar huis gegaan en schreeft ge een brief. ...quot;
»Het was donker. Toen kwamen ze .... Roode flambouwen ... donker, donker!quot;
De oude zonk neder in zijn leunstoel. Blijkbaar was in den naclit de dagvaarding van den Raad van Beroerte hem door gewapende zendelingen overhandigd. Alles wat hem dat herinnerde, scheen den grijzaart weder te ontrusten. Wat daarbij gebeurd was kon hij zich onsamenhangend voorstellen, maar het latere, dat in verband stond Lot de ondergane mishandelingen, was als met een nevel omtogen.
's Jongelings hoop was vernietigd. Hij bedekte zich het gelaat met de handen en kon de bede niet smoren: sMijn God, licht Gij mij mij voor in dezen donkeren nacht!quot;
Hij vermoedde niet. reeds een tijd lang bespied te zijn. Door liet raam, dat op het erf uitzag en nooit gesloten was, wijl Rijken daar geen bezoekers toeliet, dan dezulken voor wie hij geene geheimen had, gluurde een man, die mede met de Gemeente opgekomen en de schreden zijner voorgangers volgende, het huis was doorgegaan, maar op het erf gekomen, aangelokt door het licht dat hij zag flikkeren, even zijwaards was getreden. Het was bloote nieuwsgierigheid, maar het werd meer. bij den eersten blik dien hij naar binnen wierp. Zijne oogen vonkelden, toen hij den grijzaart ontwaarde, die naast het haardvuur was gezeten, dat op den achtergrond vlamde. Den man daar tegenover kon hij ecliter niet zien, voor 't minst niet herkennen, daar liet hoofd als wegschool achter den Imogen rug van den stoel. Dit scheen hem echter het minst te deeren, daar zijn oogen onafgebroken op den ouden man bleven gevest.
))Hij leeft en er is geen vonnis tegen hem!quot; prevelde hij, terwijl zijne tanden op elkander klemden en hij de wenkbrauwen samentrok. Het ware hem menig Filippus-daalder waard geweest, te weten wat daar op dit oogenblik gesproken werd; doch er bleek weinig uitzicht te bestaan op de dadelijke vervulling van zijn wensch, want naderende voetstappen waarschuwden Item zijn weg te vervolgen en de schuur binnen te treden, werwaards alle bezoekers zich richtten.
Het was een gebouw uit ruwe planken opgetrokken, dienstig voor de vroegere bestemming, â berging van waardelooze goederen â¢â en slechts weinig veranderd voor de tegenwoordige.
Eenige rijen banken vulden de ruimte tot bijkans aan den voet eener verhevenheid, die, even als al het overige uit ruw hout getimmerd, met drie of vier trappen bestegen werd. Op hetplankjen, dat als lezenaar van voren was aangebracht lag een boek, dat naar den kalfslederen en gedeukten band, naar de met vouwen en kreuken ontsierde bladeren te oordeelen, door het gebruik had geleden. Rondom die verhevenheid stonden eenige matten stoelen. Aan drie der wanden van het vierkant was, zeker nog kort geleden, â (de witheid van het hout duidde dat aan â een gaanderij, mede met banken voorzien, aangebracht; hetgeen voorde uitbreiding der gemeente tuigde. Deze scheen niet te min geen gelijken tred te houden met de vergrooting van het gebouw, maar haar veeleer vooruit te snellen, daar de aanwezige ruimte méér dan ingenomen werd door de opgekomen broeders.
De vrouwen, van zwarte huiken voorzien, de mannen in hunne wambuizen van dezelfde kleur, vertoonden bij het binnentreden een sombere zwarte massa: de kaars toch op de verhevenheid, het voor den prediker bestemde gestoelte geplaatst, vermocht geen voldoend licht te werpen op het geheel, maar had slechts kracht genoeg om een schemer te spreiden op den voorgrond, waardoor het overige te meer fantastische vormen aannam.
08
De prediker trad met de ouderlingen en diakenen de schuur binnen. Niemant sprak hem toe, toen hij de rijen doorging, want allen hielden liet hoofd gebogen, de handen gevouwen, terwijl de voorsten, voor wie het schemerlicht hel genoeg was, den zorgvuldig verborgen gehouden bijbel te voorschijn hadden gehaald en met aandacht daarin lazen.
Rijk er t Claesz verwijlde een poos bij den trap van het gestoelte en bad. Zooals iiij daar stond in het grove kleed van den ambachtsman, het gelaat waarop thands een trek van ernst en vastberadenheid werd waargenomen, verlicht door de kaars, die onverdeeld hare stralen op hem afbond; zooals hij daar stond als broeder der gemeente, zich voorbereidend om voorganger te zijn, nederig als een dienstknecht des Heeren, oodmoedig zoo als het een zondaar betaamt, eenvoudig en kalm, als wist hij niet, dat het schemerlicht op dat ruwe gestoelte de houtmijt zoude kunnen aansteken, waarop het lichaam het vergrijp der ziel moest boeten; zoo als hij daar stond, de breede grove handen gevouwen, de lippen zich krullende tot woorden van kinderlijk geloof, wekte iiij eerbied op in het hart en een zegenbeè op de lippen. Hij bad lang, langer dan gewoonlijk, ma'ir ditmaal niet voor zijne vijanden.
Hij stond weldra op hetpreekgestoelte en de apostolische groetklonk van zijne lippen. De gemeente rees. De gekochten door het bloed Christ'i, de tot koningen ea priesteren gereinigden vielen niet neder in het stof der aarde, waar het redeloos gedierte in huist, maar verhieven hunne gestalte omhoog, waartoe de Schepper ze reeds had voorbestemd, ten teeken, dat ze niet dezer aarde, maar den hemel toebehoorden; slechts bogen zij het hoofd, want zij voelden zich besmet door de zonde, en geen onreine kan God, den Vlekkelooze, zien.
Hoe vurig Rijkert de gemeente opdroeg aan den onzichtbaren Heer! Hoe hij sterkte voor haar afbad in de ure der beproeving; sterkte in den geloove om in den strijd te kunnen volharden tot den einde toe; sterkte in den geloove om den Heer te geven wat Hij vraagt, al gold het ook het kostelijkst, al gold het ook eene offerhande als die van den aartsvader op den berg Moria; sterkte in den geloove, om te kunnen roemen in de verdrukking! Menig hoofd zonk dieper op de borst, menige traan vloeide er uit de oogen en veler blikken richtten zich naar den moedigen prediker, wiens wangen tintel len van beiieling, maar wiens lippen daarbij trilden van ontroering; naar vrouw hijze, die onder de huik haar gelaat verborg, maar niet beletten kon dat haar zacht genok de ruimte doorklonk.
De preek nam een aanvang, terwijl de armen der liefdadigheid werden aanbevolen. De zameling bracht, zooals een tijdgenoot meldt, dien avond meer op dan een geheele week in de kerk.
Niet welkomer was het manna den zonen Israels in de woestijn, dan der Gemeente onder het kruis de woorden des predikers.
69
Het was geene sierlijke welsprekendheid, die ons, verfijnden, behaagt, geene ronding van volzinnen, geene beziging van figuren, bevallig gegroept, geen gebruik van kleuren, konstelijk gemengd, geen verdeeling van licht en schaduw, bekwamelijk berekend op liet effekt. Neen, bet was zelfs eene ruwheid, die der beschaving slechts weinige barer vormen ontleende, maar ook eene kracht, die zoo zelden zich daarmede paart; het was een gloed, die eene latere eeuw zou hebben verschroeid, maar hier kon worden verdragen, en hier zelfs koesterde en verkwikking aanbracht. Het was bier niet het hoofd, dat berekend had hoe de tijdgenoot waste trelTen. maar het hart dat gevoelde zoo als allen gevoelden, en dat, bij het slaken van kreet of van klacht, bij het aanheffen van lofzang of boetpsalm, veigt;taan werd door allen.
O, wij kunnen haar noode begrijpen, en het tuige tegen ons voor de vierschaar der geschiedenis, die kracht onzer vaderen, die kracht hunner overtuiging, die zucht naar de verkondiging van het woord Gods!
Maar dat woord, dat in eiken levenstoestand ingreep, dat temperde in den voorspoed, dat tioostle in bet lijden, dat alle betrekkingen des levens heiligde, het was hun verborgen gehouden, het was verscholen geweest achter misboek en hostie-kas, bet was verhuld geworden in de vormen eener doode taal; en zie, bet is hun levend geworden, en in hetzelfde kleed als het hunne; het is bun levend geworden en liet spreekt hun toe in eene sprake, die ook de hunne is. Ja, liet was der zestiende eeuw voor de poorte der oude kerk als den treurenden jongeren voor de groeve des Heeren bij de verkondiging des Engels: «Christus is waarlijk opgestaan uit de dooden; wat zoekt gij dan nog in bet ledige graf?quot;
Het verklare de aandacht, waarmede de Gemeente de toespraak des broeders aanhoorde; een aandacht, le dezer ure nog meer gespannen door de stof die behandeld werd. Rijkert had toch het boek van Johannes' Openbaring geopend en daaruit een lievelingstext gekozen. Het was het ISde hoofdst., vs. 2: »Zij is gevallen, zij is gevallen, de groote Babylon en is geworden eene woonstede der duivelen en eene bewaarplaatse van alle onrein en hatelijk gevogelte!'quot;
Hoog vereerde de Gemeente dat geheimzinnige boek. De daarin opgenomen profecijen werden overwogen en met kinderlijk gemoed toegepast. Wat was nu natuurlijker dan dat men in de duisternis naar den dageraad uitzag, dat men den wachter aanriep: swat is er van den nacht?quot; £n Johannes' Openbaring gaf spel aan de geprikkelde verbeelding, gaf voedsel aan verwachtingen, die in liet lieden verre waren van verwezendlijking, gaf uitzicht op de einde-lijke zegepraal. Deze, ze was slechts mogelijk bij den val van de ontuchtige vrouw, stroonende op de zeven heuvelen.quot; bij den val «van de groote Babylon, die zich drenkte met bet bloed der on-schuldigen, en in verbond met den Booze, de zielen medesleepte ten verderve.quot;
70
Het werd te dezer ure verkondigd en als een »woord aller aanneming waardigquot; vernomen, dat zij vallen en de zegepraal alzoo volkomen zou zijn. Hoeveel strijds het ook vorderen, hoeveel bloeds het ook kosten zoude, de overwinning was in het verschiet, de heerlijke zege, voor welke geen offer te kostelijk, geen inspanning te moeilijk moest worden geacht.
Diepe stilte heerschte alom. Aller blikken vestigden zich op den spreker en bijkans eenerlei was de indruk zijner woorden. De boezem zwoegde, en het was van moed; de oogen tintelden, en het was van vreugde; de hand voelde hare spieren zwellen, en het was van verlangen naar het zwaard.
Kolterman behoorde tot de laatst aangekomenen, en had daarom slechts bij den ingang plaats kunnen vinden. Niemant had hem opgemerkt dan de diaken, die ook hem een penningsken voor de armen gevraagd had. Hij evenwel had zijne verbeelding niet aan band kunnen leggen, had zijne aandacht niet kunnen dwingen, was de preek niet gevolgd. Was zij niet voor hem geschikt? Behoorde hij reeds door ontwikkeling des geestes tot een volgend tijdvak, en kon hij de onsamenhangende voorstelling, den hortenden gedachten-loop niet voorbijzien, schoon hij instemde met den geest van de prediking? Wellicht; hoewel daarbij ook in aanmerking mocht komen wat voor eenige oogenblikken had plaats gehad en telkens zijne ziel weer innam.
Hij was dus wel de eenige geweest, die de blikken over de verzamelde menigte had doen ronddwalen, en. daar het licht te zwak was om verre te zien, ze op de naastbij staanden had gevest. Hij. die daar voor hem stond en zijn gelaat met zooveel zorg poogde te verbergen, trok wel het meest zijne opmerkzaamheid; en toen het licht door het terugwijken van een hoofd, dat het onderschepte, op het gelaat van dien man neerviel, schrikte hij op en pinkte met de oogen als om ze scherper te doen staren. Hij bedroog zich niet, het was de oude Freerijk Simonsz. Velerlei vermoedens rezen bij hem op.
Het eerste, als zou zich die man bekeerd hebben en tot de nieuwe leer zijn toegetreden, werd dadelijk als ongegrond door hem verworpen. De daarop volgende gedachte aan verraad behield de overhand. Zij zoude spoedig bevestiging ontvangen, want plotseling werd de schuur rossig verlicht door de flambouwen, die haar van buiten, zeker naar den kant van den wal, voorbij gingen. Een rumoer van stemmen en het geroffel van een trom ging daarbij gepaard; en eindelijk klonk de stem van een der Schouten-dienaars, die luide eenige reeds lang gevelde vonnissen van den Raad van Beroerte bij herhaling afkondigde, waarbij ettelijke daarbij genoemde burgers van Enkhuyzen ten lande werden uitgewezen en bij terugkomst en aanhouding met den galg zouden worden gestraft. Verder las hij een plakkaat Zijner Majesteit, waarbij de geheime samenkomst
71
der ketters strengelijk verboden werd, met belofte van belooning voor wie ze aangaf, met bedreiging van zware straf voor wie ze hield of bijwoonde.
Rijkert staakte een oogenblik zijn rede bij liet schouwspel dat zich in den aanvang opdeed, toen hij neerzag op de schare, die als overgoten werd door het roode licht dier toortsen, het roode licht, dat wel geen hunner onbekend was en de schuur als met den gloed eener houtmijt tintte.
Bij de afkondiging der vonnissen week echter zijn schrik voor verontwaardiging. Geprikkeld door wat hem omgaf, in vervoering door de stof die hij behandelde, hief hij zich op, en terwijl hij de vonkelende oogen over de schare liet dwalen, noodigde hij met luider stemme de Gemeente uit tot het aanheffen van een lied,â iiet krijgslied der vervqlgden:
Een vaste burcht is onze God 1
Mannen en vrouwen stonden van de banken op en stemden met luider stemme in. en tot verbazing van de menigte, die daar buiten was saamgekomen, hoorde men den zang der Hervormden rijzen en wijd in het rond weerklinken.
De Magistraat had den moed niet die tonen te doven, anders dan door het geroffel der trom. en dat te minder, daar in de saamge-vloeide schare menigeen het aangevangen lied ondersteunde en weldra luide begon aan te heffen.
Wat de overheid had aangewend als middel om vrees op te wekken, miste doel en verried hare eigene zwakheid.
Oude Freèrijk scheen dan ook eene andere uitkomst te hebben verbeid. De geestdrift der Gemeente scheen hem gevaarlijk toe, en hij dacht er reeds aan, om zich stil terug te trekken voor dat de argwaan ontwaakte en hem wellicht beletten zou naar de samenkomst in Brouwers houttuin te gaan. Terwijl hij gevolg zocht te geven aan zijn voornemen, voelde hij een hand zich aan zijn schouder vastklemmen. Hij trilde van angst en gaf toe aan den op hem ge-oefenden drang, die hem terug deed gaan en de deur naderen. Toen hij buiten stond, ontwaarde hij eerst den persoon, die hem wellicht had wijlen redden uit een opkomend gevaar.
sWat wilt ge van van mij?quot; fluisterde hij.
Het maanlicht was te zwak. om hem reeds in de eerste oogen-blikken het gelaat des vreemden te doen onderscheiden.
«Dat ge dadelijk vertrekt. Heer Freèrijk! tenzij ge uw levensdagen wilt korten, hetgeen te bejammeren zoude zijn voor de goede stad,quot; hernam de jonkman spottend.
Freèrijk deinsde eenige schreden achteruit. «Gij hier? '
»[k bemerk met blijdschap dat ge nu niet veinst. Zeker mag uil noch kraai bet u wijten, dat hun eene smakelijke bete ontsnapt is....quot;
»Maar ik begrijp, op mijne ziel. van die woorden niets, wakkere neef', wien ik welkom heet.quot;
»Niet alzoo. Straks waart ge veel natuurlijker en des meer dan gewoon. W il dat oogenblik van waarheid een poos nog verlengen. Hoor toe met aandachtigheid, Heer! Ik heb u wellicht van een smadelijken dood gered, want de woede der bedrogenen had geen grens gekend .. . .quot;
«Onwaar, mijn jonksken!quot; andwoordde Freèrijk op zoeten toon. ))lk was ter preek uitgenoodigd ; ik neig reeds mijn hart tot uwe leer....quot;
»Wil liet oogenblik van waarheid nog een poos verlengen!quot; riep Kolterman in drift.
»Geen gerucht, jonkman, op het erf' eens vreemden, naast de verzamelplaats der Gemeente! Maar, in trouwe, hoe zou ik zijn toegelaten, indien ik het wachtwoord niet had gekend!quot;
«Het vosken roert de staart,quot; prevelde Kolterman. «Verderen strijd op dit punt acht ik onnoodig. Ik kan u niet volgen in den dooltuin, waar gij u liefst in ophoudt. Dit alleen weet ik. dat ge niet opgekomen zijt als een lid der Gemeente, op wat wijs ge dan ook ter preke zijt toegelaten. Ik heb u dus, toen ik u wegvoerde, eene groote dienst gedaan; zij betaalt gewisselijk die, welke gij mij hebt willen verrichten.quot; De oude had den moed niet om de meening van Kolterman, wiens toon weder bijtend werd. te vragen. Deze ging voort: «En toch weet ik werwaards gij straks gaan zult! Naar de Burgemeesteren, om hun aan te brengen, wat en wie ge hier hebt gezien, om hun aan te brengen dat hij. die in het jaar zeventig als zendeling van den Prins de stad heeft beroerd, is teruggekeerd. Men heeft te dier tijde hier wel scherp gespeurd naaiden onzichtbaren oproerstichter; ik houd het voor zeker, dat men voor de ontdekking ettelijke daalders spillen zal.quot;
«Neen. bij mijn ziel, ik doe zulks niet!-'
«Gebiê een lombard renteloos te leenen, en u het gelaat niet te vermommen, het is éenerlei,quot; hernam Kolterman schamper. «Gij doet zulks niet? Welnu, de verklaring is mij welkom, overmits ik haar wensch of wel eisch. Ik meen het laatste te kunnen. Gij zult zwijgen hetgeen ge hebt gezien en gehoord!....quot;
»Uw naam komt mij niet over mijn lippen,quot; verzekerde Freèrijk.
»In geenen deele. Gij zult den Burgemeesteren aanzeggen, dat de Blonde is gevallen op zijne reis herwaarts ....quot;
«Ik deed het reeds,quot; fluisterde Freèrijk, die zich in den geest ter aarde boog voor den zonderlingen jonkman, die zijn goeden naam ten deele in zijne macht had.
«Waar stak uwe voorzichtigheid, fijne vogelaar, om te trekken eer de vink op de baan neervloog?quot; hernam Kolterman spottend, 'Deedt gij 't? Waarlijk, de bekentenis duidt minder behendigheid dan ik verwachtte bij zoo schrander een hoofd!quot;
De jonkman trof wel een kwetsbare plek.
/13
))En uwe woorden klinken wel zonderling stoutmoedig voor een balling, jonkman!quot; hernam oude Freèrijk. altoos op fluisterenden toon. maar tliands niet zoo kalm als tot dus verre.
»Gij spreekt wèl. Ik ben een balling, tot groot genoegen van zekere vaderlanders, die zonderling gezegend werden in de uitbreiding hunner bezittingen. Er zijn ballingen. Heer Freèrijk, die de dooden uit het graf zouden doen opstaan en woorden doen spreken, gewisselijk niet zeer welgevallig aan zekere welgestelde' burgers! Zij zouden er toe gedwongen kunnen worden, zoo ze in een hinderlaag wierden bekneld. Verstaat ge mij. Heer! Overigens ken ik uw oog te veel scherpte toe. om niet bespeurd te hebben, hoe het thands te dezer stede geschapen staat. De ballingen reizen niet meer alleen; ze houden zich thands op bij het vendel, en zijn alzoo moeilijk te vatten.quot;
Er volgde geen andwoord. ))De aftocht is nog open. Waag u nooit meer onder de vijanden, want niet altoos zon ik in staat zijn u te beschermen,quot; zeide Kolterman. terwijl hij hem bij den arm nam en ter voordeur uit voerde.
Toen de oude zich alleen wist, kon hij zijn onwil niet bedwingen. A allen zult ge!quot; prevelde hij. »Weer een hinderpaal, die uit den weg moet! Maar ik nader toch. ik nader....quot; Hij stond stil, in gedachten verzonken. »Heer Bardes nog in leven, in vrijheid!Van waar, dat hij van zijne aanspraken niets heeft doen hooren? Het wondert mij zeer!quot;
Ook Kolterman was bewogen toen hij alleen terugkeerde. Hij was blijde niet meer tegenover Freèrijk Simonsz te staan, bij wiens aanblik hem altoos eene zekere beklemdheid overviel, die hij zocht te overwinnen door schamperen spot.
Spoedig werd hij echter afgeleid door het eindigen der godsdienstoefening en het wegspoeden der Gemeente. Hij liet allen voor zich voorbijtrekken en stapte toen de schuur binnen, waar hij Rijkert vond en nog een burger, die zijne komst reeds verbeidde, daar hij hem te gemoet trad en de hand reikte.
»Van gantscher harte welkom, broeder! in deze stad. De zaak staat niet ongunstig; de broederen staan reè en de burgers niet al te scherp daar tegen: maar is de ure tot den arbeid gekomen?quot;
».la. Heer Buyskes,quot; andwoordde Kolterman, terwijl iiii hem een stuk perkament overreikte, ^[k stel mij tot uwe bevelen. Heer Gekommitteerde van wege Zijne Fürstlijke Genade!quot;
»Niet alzoo. Ik ken u te wel. broeder! om n niet gantschelijk vrij te laten in uwe bewegingen. Xu, naar Dirk Brouwer! Gaat ge ook derwaards?quot;
«Verschoon mij. Heer, zoo ik blijf. Het is de intentie Zijner Genade, dat ik, hoewel aan uwe bevelen onderworpen, mij zooveel mogelijk op den achtergrond houd. Ik beveel mij echter aan voor de mededeeling van hetgeen daar voorvalt.quot;
74
»Het is gewis de wil Zijner Genade, dat deze lastbrief geheim gehouden en slechts aan eenige vertrouwden worde medegedeeld?'' 0 «Zijne Genade heeft op dit punt niets van Zijne intentie doen blijken, en laat aan uwe wijsheid en voorzienigheid over hoe te handelen, Heer!quot;
sHet openbaarmaken van den lastbrief zou de tegenpartij te vroeg wekken,quot; hernam Buyskes. ))lk houd het er voor, dat de ure daartoe niet gekomen is. Wat dunkt u echter dienaangaande?quot;
»Mijne opinie is daar tegen overgesteld. Heer! Is het bij de broederen bekend dat gij Gekommitteerde zijt Zijner Genade, het zal hun ijver doen toenemen en daarbij gewisselijk eenheid geven aan hun streven; wordt het daarbij nog den Burgemeesteren en Spaansch-gezinden aangezegd, het boezemt voorzeker ontzach en vrees in, beide heilzaam in deze ure . ..
»Er is grond voor die opinie; ik zal mij daaromtrent beraden, broeder!quot;
Kolterman boog zich beleefd, en hoewel het grove gewaad eens dorperen poorters hem dekte, was op dit oogenblik de man van hoogeren stand, ja de edelman, in de hoffelijkheid zijner manieren en de fijnheid van zijn toon, niet te miskennen.
HOOFDSTUK HI.
Het was nofgt;; stil in Enkhuvzens straten. Het vroege morgenuur verklaarde de leegte echter niet volkomen, daar de werklieden en bootsgezellen anders vroeg genoeg op weg waren, terwijl het heden bovendien een heilige dag was, die natuurlijk vele geloovigen ter kerke had moeten roepen. De klok dei' St. Pancras bomde wijd in het rond; en mocht zij inditoogenblikooktotweinigenspreken.de vrouw, die we ginder, onder haar zwart laken huik schier verscholen, zien heenspoeden. verhaastte gewis op die roepstem haar stap.
Zij scheen, hoewel haar vormen te veel verhuld waren in de wijde opperkleederen en het oordeel alzoo nog zou kunnen falen, niet tot die vrouwen van Enkhuyzen te behooren, van wie een onzer geschiedschrijvers in de 17de Eeuw getuigde, dat ze te dier stede zeer mannelijk waren, als »van oudt herkomen veel bewint hebbende, mits de manspersonen veel op de seevaert en visscherij uit syn.quot;
De eenzame vrouw, die thands zonder om te zien voortijlt, zou echter hebben kunnen getuigen, dat niet overal in de stad zulk een diepe stilte als in de nabijheid der kerk heerschte.
Zij was toch bij het inslaan der straat, die op de Westerpoort uitliep en het uitzicht op deze gaf. verrast geworden door het gejoel van de menigte, die aldaar had post gevat. Zij had daar een hoopjen schutters en eenige stadsknechten gezien, maar deze gingen haast schuil onder het aantal burgers, die in hunne gewone kleedij. maar tevens een piek in de hand en een zwaard op zijde, de poort bewaakten.
De schrik, die op haar gelaat zichtbaar werd, bewees dat zij wel niet geheel en al onkundig moest zijn van de beweging, die in hare woonplaats bestond, bewees misschien dat zij niet geheel zonder partij was en onder de wachters aan de poort niet allen als hare vrienden erkende.
Met kloppend hart betrad zij eindelijk den drempel der St. Pancras-kerk, uit wier gewelven haar reeds de tonen van het orgel tegen-ruischten. Zij trad haastig de heilige kruiskamer voorhij en vergat zelfs den gevorderden groet en het teeken des kruizes te maken.
Die kamer was toch volgens de overlevering een heilige plaats.
76
Voor een zestigtal jaren was in Noorwegen aan zekeren hollen boom, waar een maagd, die pas hare kommunie had gehouden, den heiligen ouwel had uitgespuwd, een kruis gewassen, dat herwaards overgebracht, ettelijke mirakelen had verricht. Hoe dikwerf had zij in ooaenblikken van gedruktheid en smart met kinderlijken eerbied dat iieilig hout gekust, en werkelijk, door de kracht des geloois voorzeker geholpen, daarbij baat gevonden.
Er kwam een trek van droefheid op het gelaat, dat thands door het terugslaan der huik zichtbaar was geworden en lijne trekken en tedere lijnen deed ontwaren, toen zij den tempel dieper ingingen langs de pijlers, ontdaan van de heilige beelden. deze waren, uit voorzichtig'heid en om moedwil te voorkomen, door de Burge-meesteren heimelijk weggenomen â voortschreed tot aan liet Hoogaltaar, waar broeder Theodorus van het Augustijner klooster, die ditmaal in de plaats des kranken pastoors optrad, de mis reeds vierde.
Hoe ruim ook de schoone kerk was, toch was er een tijd geweest dat haar schip niet al de geloovigen kon bevatten, al stond de kerk der Barrevoeters en Augustijners daarenboven ook meestal voor de poorteren open. Thands echter was de Pancras schier ledig, en zag men slechts op eenige bidbanken op den achtergrond eenige havelooze vrouwen en mannen neêrgedoken, bij wie het nog twijfelachtig was. of wel godsdienstzin-alleen ze uil de huizen had geroepen en niet ook vrees om de milddadigheid der kerk door hun wegblijven te verbeuren. Het is waar, de vroegmis werd zelden dom- de aanzienlijke poorters met hunne vrouwen bezocht, rnaar de ruimte, door deze ledig gelaten, werd in den goeden ouden tijd, waarvan menig best nog gewaagde, door de mindere burgers ingenomen.
De pas binnengekomen vrouw kon dan ook de zucht met weerhouden, die haar van de lippen gleed, en vermocht wellicht, dooide sombere gedachten daaruit ontstaan, haar Ave Maria niet ten einde te prevelen, hoe devotelijk zij ook op de haar behoorende bank. met een fluweel kussen bedekt, was neergeknield.
ygt;lte missa est!quot; klonk het door de gewelven, en weldra verving een diepe stilte het gezang des priesters en de zacht ruischende tonen des orgels.
Allen waren verdwenen, behalve de vrouw, die blijkbaar de dienst voor haar nog niet geëindigd geloofde, daar zij bij haar bidgestoelte bleef staan en de gangen des priesters gadesloeg.
Deze, in zijn wit wollen ordeskleed, naderde haar. Hij scheen tot den strengsten regel der Augustijners te behooren, want hij ging barrevoetsquot; de voetzolen alleen beschermd door een daaraan vastgehecht stuk leder. Hij was van een forsche gestalte en scheen een meer dan gewone gezondheid te genieten, want zijne wangen bloosden hoog,quot;hetgeen te beter uitkwam in zijne witte kleedij. De strenge onthouding, waaraan de orde den broeder onderwierp, bleek
bij liem niet bij machte te zijn geweest, om de krachtige natuur te temperen, want broeder Theodorus mocht op een dikte roemen, die bij weinigen der Augustijners van Enkhuyzen werd geëvenaard. De gevulde wangen en dikke lippen gaven bet gelaat eene uitdrukking van zinnelijkheid, en voorzeker zou het weinig snuggerheid hebben aangetoond, indien de kleine oogen, onder de dikke wenkbrauwen schier verborgen, niet met meer dan gewonen gloed hadden getinteld.
De uiterlijke welvaart zijns lichaams had hem reeds scldmjis genoeg bezorgd van de zijde der immer stouter wordende burgers. Die schimp had hern blijkbaar evenmin gedeerd als de laster, die hem een tijdlang liad aclitervolgd, en dit getuigde minder ten zijnen voordeele, daar die laster met alleen een vlek wierp op zijn eigen persoon â wat hij als christen zeker wist te vergeven â maar ook op de Kerk, die hij geroepen was te dienen en lief te hebben als de Moedermaagd en haar Goddelijken Zoon.
Hij liad â zoo verhaalde men -â Vrouw Aagte, met Gerbt. Zeewolf gehuwd, verzekerd, dat haar man, eenigen tijd geleden vertrokken, gestorven was, en dat hij den overledene voor een gouden Angelot uit het vagevuur kon verlossen. Vrouw Aagte geloofde den priester en trouwde, doch werd later door de terugkomst baars eersten mans verrast. De zaak werd ruchtbaar. Broeder Theodorus scheen zich echter voor zijn geestelijk opperhoofd voldoendete hebben kunnen rechtvaardigen. Zijn geweten moge hem mede vrijgesproken en ulzoo inwendige rust hebben geschonken, de zekerheid, dat de laster een breuke te meer sloeg in de Moederkerk en de menigte nog meer van haar vervreemdde, bad hem het hoofd dieper moeten doen buigen dan bij deed.
))Wat wilt ge, mijn dochter?quot; vroeg broeder Theodorus op zal-venden toon, die, zooals men beweerde, door hem alleen in de kerk werd aangeslagen. Hij keek daarbij het lieve kopje der blozende vraagster nog al vlak in het aangezicht en plooide zijn gelaat tot een vriendelijke uitdrukking. »Wilt gij alleen vergoeden wat de anderen misdreven, en. hier alleen toevende, de devotie verrichten voor hen, die het vergaten, zoet kind?quot;
»Uw Eerwaarde vergeve mij,quot; zoo hief zij schuchter aan, terwijl haar gelaat nog hooger bloosde dan straks. »lk beide Pater Mar-tinus, die mij....quot;
»De eerwaarde broeder overlaadt zicli met arbeid,quot; prevelde Theodorus, en nog zachter voegde hij er bij: »Geen gleuf of de specht steekt er zijn snavel in.quot; â «Gij zijt reeds lang met hem bekend mijn dochter?quot;
»Hij is de biechtvader mijns ooms.quot;
»Ik meen u meer ontmoet te hebben. Uwe gelaatstrekken hebben veel van die onzer Lieve Vrouwe van Haarlem, voordat ze door de ketters geschonden werden. Eilacy. dat fraaie beeld! Het was een
78
ze^en voor de Karmeliters. die zich vaak overtuigden van de kracht en den invloed der mirakelen, door onze Lieve Viouw te dier plaatse verricht. Bezaten wij ook nog zulk een schat, de St. Pancras zou niet leèg blijven en de Sakristije evenmin! Wij zijn in het laatste der dagen, zoo als de heilige Bernardus zei, toen hij voor den Koning stond. Het helsche vuur brandt al feller en feller, en de vlam slaat weldra de poorten uit en verbrandt de waereld met al wat er op is, behalven den Heiligen Vader en broeder Marti-nus, die zich uit alles weet te redden.quot;
»De Heiligen mogen ons behoeden, Eerwaarde!' antwoordde het meisken, dat echter minder ontrust was dan hare woorden wel zouden doen vermoeden. Hoewel een priester en alzoo een gezalfde Gods, maakte de persoonlijkheid van broeder Theodorus op haai* weinig indruk. ))Ma:ir de Heere God zal toch niet willen, dat de waereld in doodzonde verga!quot; vervolgde zij.
»Hebt gij wel eens van Prior Andreas gehoord ?quot; vroeg de Pater. oDe sterrenlezer voorspelt vreemde dingen, en alles is uitgekomen. Hij weet uit te rekenen, wanneer de zonne zwart en alles duister zai worden, en hij heeft zich iets laten ontvallen over het onder-aardsche vuur! .... Doch het voegt den leeken niet, in die kennis te dringen. Het is genoeg als wij het weten, mijne dochter! en de celoovigen tot boete vermanen. En wie weet wat die boete en de voorbede der Heiligen nog vermogen! ... Doch ik v\as bezig umeè te deelen, dat ik uw gezichtjen vroeger niet alleen als beeld in de sneeuwwitte nis heb gezien, maar zoo als nu, blozende van leven en gezondheid. Gij zijt zeker wel in ons klooster ter biecht geweest .quot;
sik ben de nicht van Heer Freêrijk Simons,quot; stamelde het meisken, dat zich niet meer op hare plaats en zich beklemd gevoelde, al wist zij niet waarom.
«Heer Freêrijk? En broeder Martinus is diens biechtvader?... Wel neemt hij de beste kluifkens voor zich zeiven,quot; mompelde hij, en een trek van wrevel vertoonde zich op zijn gelaat. Het denkbeeld, dat thands bij hem oprees, lachte hem echter toe en deed dien trek verdwijnen. Zoo hij broeder Martinus, dien hij geen reden had bijzonder lief te hebben, eens eene bete zocht te ontnemen!
»Mijn dochter! kunt gij mij ook mededeelen, wat voor broeder Martinus was bestemd? Ik zal het den eerwaarden broeder getrouwelijk overbrengen. Het zal toch geen biechtgeheim zijn? Allen zondigen tegen onze Heilige Moeder, maar uwe zonden zullen zeker niet zwaar zijn, of uw helder oog zou mij moeten bedriegen. En al ware dat alzoo, wat mij grieven zou, mijn dochter! ben ook ik niet een gewijde? behoor ook ik niet tot hen, van wie God gezegd heeft: wat gij ontbindt op de aarde, dat zal in den hemel ontbonden zijn....?quot;
«Frater Theodorus! ik dacht u reeds ver van hier,quot; klonk het scherp naast hem. »De Prior beidt u, en reeds te lang.quot;
79
Hij die deze woorden uitte, behoorde blijkbaar tot dezelfde orde, want ook hem kleedde de witte wollen pij; ook de kap, die zijn kruin bedekte en waaruit eenig zwart haar te voorschijn kwam was van dezelfde kleur. Zijn gelaat was hoekig en vaal bleek; de afgeplatte slapen en de gesloten lippen gaven het eene uitdrukking van vastberadenheid en kracht. Het wezen was strak, de scherpe trekken onbewegelijk, hetgeen het geheel bijkans op dat eens beelds deed gelijken. Het ruwe koord sloot het habijt stijf om zijn leden, en hierdoor kwam de magerte van het lichaam te beter uit.
«Ik ga, Frater Martinus!quot; hernam Theodorus oodmoedig. sMijn hart bloedt over de verstoktheid der kettersche stad. Weinigen kwamen weder ter misse, en was het niet om de devotie dezer maagd, die zich ook in uwe herderszorge verblijdt....quot;
sik weet het. Ik was hier en ken de reden uwer droefheid en de mate van deze,quot; hernam Martinus. »De gardiaan wacht u ginder bij de Sakristij. Hij zal u geleiden....quot;
De laatste woorden kwetsten Theodorus, die den eigenlijken zin zeer goed begreep. Martinus. altijd scherp in zijne uitdrukkingen, had gezinspeeld op het gevaar, dat Pater Theodorus liep bij een gang door de stad zonder geleide.
»i)at ik eens nederzate op den Zeenstoel van West-Friesland, hoe ik hem temmen zoude!quot; prevelde Theodorus, terwijl hij na een nederigen groet heenging.
Broeder Martinus was in verstand verre boven genen verheven. De weinige samenstemming tusschen beiden vond daarin reeds genoegzame verklaring. Martinus bad bovendien zijn broeder om verschillende redenen leeren minachten, en hoewel beide trouwe aanhangers bleven van de Moederkerk, waren zij het op geheel verschillende w ijze, hetgeen nog voedsel gaf aan de reeds bestaande tweedracht. Wel had Martinus hem verdedigd, toen hij te recht stond in de zaak met vrouw Zeewolf, maar dikwijls genoeg had de eerste hem toegeduwd, dat hij het gedaan had om de eer der Kerk, die van al hare zonen wel ondersteuning vergen mocht. Dat de geheime vijandschap niet in openbaren oorlog ontaardde, het mocht geweten worden aan den geringen moed van Broeder Theodorus, die den anderen altoos had leeren vreezen, vooral na diens benoeming tot vertegenwoordiger in Enkhuyzen van Ruwaard Tapper, kettermeester-generaal van Holland.
Martinus keerde het hoofd naar de vrouw, die nog altijd geduldig en in deemoedige houding voor hem stond. Hij staarde haar een oogenblik scherp in de oogen, doch temperde de natuurlijke scherpte zijner stem, toen hij haar toesprak:
«Gij behoeft mijne onderwijzing en hulp, mijn dochter?quot;
Eerwaarde vader! Ik vermat mij daarom u een onderhoud te verzoeken, gebruik makende van de vrijheid, die gij mij zelf wel hebt gelieven te geven. Gij hebt mij hier bescheiden en daarom.....quot;
80
»Zet u neder, mijn dochter! ik hoor.quot;
)gt;Ik weet mij in staat van doodzonde, mijn vader!quot; fluisterde de vrouw, die thands de armen over de borst kruiste. »L)at tie Heilige Maagd zich mijner ontferme ....! ik kan niet voldoen aan het mij gegeven bevel .. ..quot;
»Waarom niet, weerspannige?quot;
»Niet alzoo, mijn vader! o! hij is dood...'
«Wie?quot; vroeg de monnik heftig.
«Hij, dien ik lief had en niet lief mocht hebben, hoewel het mij niet klaar was waarom.quot;
«Het voegt het rechtaarde kind ook niet het laatste aan de moeder te vragen. De Kerk is de stem Gods op aarde. Zijl gij ook al besmet met de pest der ketterij?quot; De monnik vestte de onderzoekende oogen op het verbleekt gelaat van het meisken, dat thands een traan in de oogen voelde wellen.
«Gewisselijk niet, mijn vader! Neen. ik weet het tegendeel.quot;
»Wat kunt ge weten, tenzij de Kerk of een barer dienaren het u zegge?quot; hernam de monnik, die het noodig achtte de boei te verzwaren, daar bij eene poging tot vrijmaking waande op te merken.
Marijken boog het hoofd, maar zweeg,
»Dus is hij dood, de verleider!quot; vervolgde de monnik.
«Was hij dat ooit?quot; vroeg zij met twijfel in hare stem. «Neen, mijn vader, neen !quot;
«Hij was een afgesneden zoon der Kerk, en gij dorst hem liefhebben. Eén stap verder, en ook gij waart uwer moeder ontrouw geworden; ook gij waart afgedwaald. Bestrijd deze uitspraak niet, zoo vervolgde bij, toen hij bemerkte dat zij spreken wilde: »ik zeg u dat gij verloren waart. Ik begrijp echter tot dus verre niet het verband uwer klacht. Gij meldt mij, dat hij gestorven is, waarin gij de bestiering der Heiligen moogt onderkennen en wel inzonderheid van uwe patronesse de Heilige Martha, en toch bekent ge in staat van doodzonde te zijn. ..
«Omdat ik moet aannemen wat gij, mijn vader! hem betreffende hebt gezegd, omdat ik moet gelooven dat hij een verworpene is ...quot; zij bracht de band aan het hart, alsof het haar bij die ^woorden pijn deed, «en ik hem toch gedenk in mijne gebeden...
«Dat verbiedt u de Heilige Kerk ook niet; zij is een moeder voor al hare kinderen, zij het ook een streng kastijdende voor de ongehoorzame,quot; hernam de monnik, die thands inzag den storm in den boezem van het meisjen te moeten doen bedaren, daar hij wellicht groote verwoestingen, ja omkeeringen, kon aanbrengen.
«Maar zijne beeltenis is mij overal nabij, en ik heb hem nog lief zoo als hij was, geheel zooals hij was, alzoo ook met zijne ketterij. Zijne woorden zonken mij diep in bet hart... O, ik vrees dat het niet enkel die woorden waren, in welke hij mij verzekerde dat hij mij lief had ...quot;
Broeder Martinus' oogen vonkelden, en hij staarde haar aan, alsof hij tot in haar binnenste wilde doordringen, om te oordoelen wat daar omging. Het duizelde hem, en een donker vermoeden van de waarheid rees in zijn ziel op. Zij was echter blijkbaar nog zoo ge-loovig, nog zoo innig gehecht aan de Kerk, zij schuwde de Kalvijn-sche ketterij zoo zeer, dat hij hier nog niet ernstig behoefde te vreezen. Broeder Martinus, de scherpzinnige Augustijner, dwaalde echter even als Marijken zelve; hij begreep het hart niet, dat zichzelf niet begreep.
«Het zijn de bekoringen van den booze,quot; bief de monnik aan. «Ge kunt ze alleen ontvlieden in den schoot der Moedermaagd. Ik leg u eene boete op van tien Ave Mariaas telken reize als de bekoring u overvalt. Indien mij wijders eenige rust gegund wordt, zal ik u bekend maken met de uitspraken van den Vorst en de Prinsen der Kerke, aangaande de verfoeielijke ketterijen van den huidigen dag. Mijn dochter, gij deedt wel met bij mij te komen... Hebt gij mij echter niets meer mede te deelen ? Het is tot uwen biechtvader dat ge spreekt. Niet alleen wat in uw binnenste, maar ook daar buiten omgaat vordert mijne aandacht en betreft uwe zaligheid. Hebt gij mij niets te bekennen?quot;
Marijken kleurde. Zelfs het blanke voorhoofd kreeg een rooden tint. Zij vouwde krampachtig de handen, bewoog de lippen, maar geen woord werd gesproken.
))lk beveel u, in den naam van uwen God en Diens gebenedijde Moeder, te spreken.quot;
»Ik hoorde van eene samenkomst van ettelijke ballingen,quot; begon Marijken met trillende stem.
» Waar ?quot;
»Bij Dirk Brouwer.quot;
»lloe hebt gij dat gehoord?quot;
«Heer Freèrijks zoon, zijn eenige, mijn neef. sprak daar af met cenige zijner vrienden in ons huis ... .quot;
«Was hij daar tegen? Andwoord. Bezwaar uwe ziel niet met een logen.quot;
»Neen, mijn vader! Hij houdt eene andere partij dan mijn Heere oom. Hij hangt den Prins aan en ook .... naar ik meen .... de nieuwe leer.quot;
»Kunt ge dat bewijzen?quot; vroeg Martinus, terwijl hij het hoofd tot het hare boog.
»Het baart mijn oom leeds genoeg. Hij heeft hem lief als den appel zijner oogen.... Oordeel niet te streng mijn vader!quot;
»Nog is hij niet voor den rechterstoel der Kei k gebracht,quot; hernam de monnik haastig. «Maar weet ge zeker dat hij afvallig is? Beschuldig niet valschelijk, want de straf kwam op uw eigen hoofd.quot;
»Hoe zou ik dat kunnen?quot; zuchtte Marijken. wier hart dreigde te barsten van smart. «De speelnoot mijner jeugd, de vriend van
82
hem...! Mijn vader, gij hebt mij eerst verlaagd tot spionne dei-mijnen... en nu zulk een verdenken!'
sis het uw plicht niet, om voor de zuiverheid der leer te waken al zijt ge leek, en eene, in wier hart hethooze gestaag strijd voert met het goede! Of denkt ge dat wij, de verkorenen, den zwaar-wichtigen arbeid alleen Jmnnen verrichten en overal onze blikken vermogen te wenden, en alomtegenwoordig zijn als de HeiligeMaagd ? Gij verkeert in eene dwaling, mijn dochter!quot; zoo besloot hij zachter. »Vrees niet de menschen, die alleen uw lichaam kunnen verderven, maar vrees veel meer liet Opperhoofd derRerlc, dat ziel en lichaam beide kan verderven in de hel. Is de jonkman schuldig, dan doet gij een goed werk met dit bekend te maken, opdat de schuldige boete erT alzoo gelouterd worde. Daarom vraag il^ u nogmaals: Hoe werd u de ketterij van Freêrijks zoon bekend?quot;
«Door zijne eigene woorden. Hij heeft ook mij willen overtuigen... hij lastert tegen mij de heilige mysteriën. Mijn vader, dat ge hem gehoord hadt...! Hoe vurig was de belijdenis, hoe welsprekend de verdediging zijner ketterij...! Ik bad de Heiligen om sterkte, opdat de waarheid in mij een tolk mocht vinden even welsprekend als de logen . ..! Helaas, mijn bede werd niet verhoord . ..!quot;
))Hij moet van hier, verre van hier!quot; prevelde de monnik. )gt;Heeft de ketter ook eenige geheime samenkomsten bijgewoond ? vervolgde hij.
sEilacy ja, mijn vader! Gister avond is er een konventikel geweest. Mijn Heer oom scheen daarbij te zijn geweest, tot welk doel is mij onbekend. Wellicht om van de schuld zijns eenigen te worden overtuigd. Hij was zeer ter neergeslagen, toen hij terugkeerde, en had de kracht niet om mij de reden zijner droefheid
te verbergen.quot; , , â¢
De monnik peinsde een oogenblik. »Hoor aandachtig toe. mijn dochter! Gij zult te huis komende uwen neef kondschappen, dat iemant van wege mijn Heere den Stadhouder hem in het Augustijner klooster wacht. Hij stond voorheen naar een vendel. Meld hem, dat daarover met hem zal worden onderhandeld.
»Waarlijk, mijn vader! Zal hij het zwaard mogen dragen ter dienste Zijner Majesteit?quot; riep Marijken met blijdschap, bij wie het niet op kon komeu dat een van de nieuwe leer aan die zijde met meer strijden kon. »Maar dit zoo zijnde, kan de zendeling van mijn Heere den Stadhouder hem te zijnent komen onderhouden. Het ware lichter werk dan Freêrijk over te halen ten uwent te komen. Bovendien ... .quot;
»Het is beter voor hem dat hij in het klooster kome, hernam Martinus strak.
Marijken scheen voor haar voorstel nog wel een andere reden dan de opgegevene gehad te hebben, want niettegenstaande het andwoord des vaders, dat geen langer tegenstreven duldde, waagde
83
zi] met eenige kracht aan te merken: »Maar mijn vader! hij zal weigeren, en ik kan hem niet overreden, waar ik zelve gantsche-lijk niet overtuigd ben.quot;
»Wel te onpas is dat woord!quot; hernam de monnik spottend. sZijt ook gij reeds verstrikt in de netten des Boozen, des hoogmoeds-duivels! Het komt u niet toe te spreken van eenige overtuiging, waar de tot priester gewijde eene zaak wettig en oirbaar acht. Wat is uwe overtuiging, zwak kind? Wie zal haar gids zijn? Uw verstand? En als gij dit toepast op uw geloof, wat scheidt u dan van de ketters, wier dwalingen gij verfoeit? De Kerk zorgt voor hare kinderen, maar zij vordert gehoorzaamheid, en wie zijt gij dan, dat ge opstaat tegen mij, door haar tot uw geestelijken leidsman verkozen, die voor u aansprakelijk is?quot;
Marijken vermocht de rede des priesters niet te volgen. Zij begreep niet het juiste gevolg dat hij trok uit haar verzet. Zij zag echter in dat hij bleef aandringen op hetgeen zij niet kon verrichten. Zwaar was het haar reeds gevallen de dwaling van de haren te ontdekken, doch zij meende daarmee haar plicht als Christin te vervullen. Haar neef echter over te leveren in handen van den gestrengen rechter â zij begreep toch dat dit de bedoeling was â het viel haar onmogelijk. Had haar verstand zich alleen kunnen doen gelden, de konsequentie had er haar toe moeten nopen, wijl deze daad toch niets anders dan eene uitbreiding der vroegere was. Haar hart kwam er echter tegen op.
«Neen, mijn vader! ik vermag dat niet, tenzij gij mij gerust taunt stellen over zijn lot.... Ik vrees voor hem, indien hij zicli derwaarts begeeft.quot;
«Overmits hij schuldig is? Doch genoeg daarover gepleit en gestreden! Het komt u niet toe, daarover te oordeelen. Ik beveel u te gehoorzamen; mijns is het onderzoek.quot;
»Dat het zacht zij, mijn vader! De Heere Jezus had zelfs den grootsten zondaar lief, niet waar? Ik heb geen ketterschen Bijbel gelezen, mijn vader! voegde zij er haastig bij, als meende zij aan de uitdrukking, die het gelaat des monniks aannam, te bespeuren, dat zij zich dienaangaande verdedigen moest.
«Indien uw linker oog u ergert, werp het weg, en indien uw linker hand u ergert, houw haar af, zoo sprak uw God mede. Mij verdriet uw langdurig tegenwrijten, zoo gantschelijk ongewoon bij uwe vroegere onderworpenheid. Mijn dochter, het oordeel zal zwaar over u zijn. indien ook gij als afvallige ..
»Neen, mijn vader...! O vergeef mij, indien ik niet kan...! Ik heb reeds zoo veel verloren, en nu misschien ook dezen ... en nog wel door mijn toedoen . . . Gij moest het mij niet vergen. Ik voel het in mijn binnenste, de Heere Jezus hadde het niet gedaan ...!quot;
Zij weende en verborg het gelaat in hare zwarte huik en ontweek de blikken, die de monnik haar toewierp.
84
«Broeder Martinus!quot; klonk het achter haar, en de aangesprokene Z;llt;r een grijzaart naderen, die, blijkens zijn kleed, mede tot de Augustijners behoorde. Met gelaat duidde zachtheid en het hooge voorhoofd, het tintelend licht-blauw oog zetteden het achtbaarheid bij. Het geheel had eene uitdrukking van schranderheid zonder scherpte, van ontwikkeling des geestes, die werkelijk geadeld iiad. Het was broeder Andreas, de Prior van het Augustijner klooster, een man door zijne beschaafde tijdgenooten hoogelijk geroemd, maar door den grooten hoop deels bespot als een droomer, deels gevreesd als een sterrekijker en meester in de zwarte kunst. Zelden verliet hij zijn cel, en bevreemding mocht liet baren, dat hij thands in den vroegen morgen zich naar de Pancraskerk begeven had.
Broeder Martinus ontveinsde zijne verbazing dan ook niet, en de Prior had de reden zijner komst geopenbaard, indien hij daarin niet wederhouden ware geworden door de tegenwoordigheid der vrouw. De droefheid van deze trok terstond zijne aandacht ; en toen hij haar gelaat kon onderscheiden, trad hij op haar toe en sprak
op zachten toon;
))Zoo jong, miju dochter! en reeds reden tot smart; li.n kon n quot;â¢een troost worden geboden in den tempel van den Heer. die elke wonde te zalven wist? Beur het hoofd, mijn kind! en zoo gij het hier nog niet kunt, beproef dan uw hart in de eenzaamheid en bid.quot;
Welk eene geheimzinnige kracht school er in die woorden, dai ze Marijken de oogen deden afwisschen, dat ze de beklemdheid deden verdwijnen, welke haar bevangen had!
Zij greep de handen des grijzaarts en kuste die en sloeg geeii acht op de uitdrukking van wrevel op Martinus' gelaat.
»Ga, mijn dochter! en doe wat de Prior u aanzegt,quot; zeide Martinus. »Veroodmoedig u en doe boete. Ik zal spoedig tot u komen, en u onderhouden over hetgeen u nut is.quot;
Zij ging heen en liet de beide broeders alleen.
»ileeds vroeg ontving ik een bezoek van Mijnheer den Schout, zoo hief de Prior aan. »Het gold eigenlijk u, maar u niet vindende werd het mij gebracht. De beroering in de goede stad is groot en klimt van uur tot uur, zonder dat men de rechte oorzaak weet, zoo als Mijnheer de Schout mij verzekert. Onderscheidene ballingen zijn ingekomen en vergrooten liet aantal misnoegden, aan wier hoofd Heer Buvskes zich vertoont.quot; .....
«Dat Mijnheer de Schout mij gesteund hadde bij mijne onderzoekingen naar den aartsketter, die zich thands wedei duift \ei-toonen. Ik wist. dat hij zich hier ter stede schuil hield. Mijnheer de Schout is bevreesd voor de heilige rechtbank en misschien
met reden....quot; i i n rgt; i
«Geef u niet over aan zulke heftigheid, broeder! Heer buvskes
ware op zich zelf zulk een gevreesd tegenstander niet, dus meende Mijnheer de Schout. Hij is echter in liet bezit van een lastbrief
85
van Zijne Genade den Prins, en die lastbrief, door een onbekende hem sinds kort aangebracht, is door hem aan alle Prinsgezinden voorgelezen en door deze algemeen verbreid, hetgeen den moed dier partij niet weinig doet stijgen. De Burgemeesteren neigen tot zachtheid, ik vermeld liet met genoegen en spoor u in Itun naam aan, hun exempel te volgen.quot;'
»Mijn vader! ik wijt het aan uwe jaren, het zij met eerbied gezegd, dat ook gij rust en vrede verlangt, waar tegenstand, ja aanval alleen behouden kan. Maar dat ook de Overheid dit wenscht, dat zij ook de oogen slnit voor het nakend onheil, het is mij noode verklaarbaar. Ziet zij dan niet, dat de aanval ook tegen haar is gekeerd? Gold het alleen de Kerk, ze zou reeds geroepen zijn tot bescherming en bijstand, maar nu...! De beweging dezer eeuw is uit den Booze; zij wil vernietigen wat door God is ingesteld; zij wil de breidels, het verdwaasd gemoed der menschen omgeworpen, verscheuren om bot te vieren aan zondige lusten! De orde wordt vernietigd, de laatste dag genaakt.quot; Martinus was bezield; er sprak een diepe overtuiging uit zijne woorden; de aderen zijns voorhoofds waren gezwollen, de oogen flikkerden terwijl hij sprak.
De grijzaart schudde liet hoofd.
»En wij zouden de verdelgers zien aanrennen en hen niet tegen-treden en bestrijden met de wapenen die ons resten? We zouden met hen loven en dingen, waar het ons leven en dat der Kerk geldt, en waar ons nog krachten verblijven? Men neigt tot zachtheid en men vergt liet ook van mij...! Neen. mijn vader! liet verderf heeft in deze stad reeds te lang rondgewroet; het wordt tijd dat men er een einde aan make. In Amsterdam is het rustig, dank zij de sterkte der Overheid, die men ook hier moest volgen .. . Maar wat spreek ik tot u van deze waereld, tot u, die daar zoo zelden verwijlt....quot;
«Broeder Martinus!quot; zeide de grijzaart. terwijl hij de magere vingeren hem op den schouder lei: »Een der leerlingen des Heeren bad om vuur van den hemel, toen de Meester gehoond werd. .. Het duidde vurige liefde, maar zijn Heer gaf dier bede geen gehoor .... Toen de Leerling Apostel was geworden, gleed zulk eene bede hem niet meer van de lippen en werd hij zelfs de Apostel der liefde genoemd.quot;
Martinus trad een schrede terug en staarde den oude strak aan.
De wetenschap des Priors was niet van zijne dagen, zijne beschouwingen evenmin. Deze sloten zich meer aan de lecriiigen der nieuwe religie, zoo als zij door een enkel helder hoofd en niet verhard gemoed werd begrepen. Hoe kon het ook anders? De nieuwe leer was een schrede voorwaards op de ontwikkelingsbaan der menschheid, en de grijze Andreas was mede het heden vooruit geijld .. . Beiden waren elkander ontmoet. Verklaarbaar was dan ook de indruk, door des Priors woorden te weeg gebracht. Martinus
I
80
hief' de handen ten hemel en zijne stem trilde bij de woorden: «Heilige Drievuldigheid, ook het reinste is verdorven... .! Is de strijd nog oirbaar, waar liet gantsche heir ligt verslagen? Overal worden Uwe heiligen neder gestormd en vlieden Uwe gewijden, overal oproer tegen Uwen heiligen wil ....!quot;
»Mocht liet u goed zijn minder op deze waereld te wijlen en uwe blikken meer te richten naar boven, hetgeen ge mij ten verwijt maakt, broeder! het ware u beter en zou u meer doen ge-looven aan orde en samenstemming.quot;
»Gelukkige, die niet deelneemt aan de beweging dezer eeuw, aan de beving van Oost tot West, van Noord tot Zuid vernomen!quot; hernam Martinus niet zonder bitterheid. «Voor u zij de vrede, dien ge vindt bij de aanschouwing van de ijle ruimte, welke niet voor het menschenoog gemaakt is bij het doordringen tot liet einde-looze Niet.... Ik begeer dien vrede niet, bovendien verkregen door een zondige weetlust.quot;
»Mijn zoon! gij veroordeelt u zeiven. Voor het oog des beschouwers rijzen waereld bij waereld uit die ruimte, die gij het Niet noemt,quot; andwoordde de grijzaart plechtig. «Dus het is niet alleen daar, maar ook op deze kleine aarde, maar ook in uw eigen hart.quot;
De Prior wendde zich bij deze woorden om en vertrok. Martinus oogde hem na. «De geleerdheid voert hem tot razernij. En zulk éen zou mij afhouden van den strijd? Er dient met haast en met kracht gewerkt te worden ter fnuiking der ketterij!quot; en hij knielde voor het outer, en vurig was zijn bede om hulp aan de Moedermaagd en haren gebenedijden Zoon, in Wiens naam de strenge vierschaar moest worden gespannen.
Minder kil dan in de ledige Pancraskerk was het dit oogenblik in het huisvertrek van Freèrijk Simonsz. Vertoonde zijne woning reeds uitwendig, waar de bouwmeester zijne «constequot; treffelijk had bewezen, een welvaart, zoo als zij nog slechts door weinigien werd gekend, liet inwendige was daarmede niet in tegenspraak. De gang, dien men intrad bij het openen der gebeeldhouwde deur, was met witten en blauwen steen belegd en deed aan het einde een wenteltrap ontwaren, waarvan de leuning als met arabesken en beelden, sierlijk uitgesneden, overladen was. Het huisvertrek was slechts des avonds bij het flikkeren der kaarsen hel verlicht, maar des daags meest in een half-duister gehuld, hetgeen niet alleen geweten kon worden aan de kleine in lood gekaste vensterruiten, maar grooten-deels aan de zware gordijnen, die, hoewel ten deele weigeschoven, toch het van buiten indringende licht onderschepten. De wanden van het vertrek waren «geboiseertquot; â beschoten met eikenhout, dat door de kunst des schrijnwerkers golfde in nabootsing van de baren der zee.
De kasttafel, het buiTet en de tafel, in het midden van het ver-
87
trek tegenover den wijden schoorsteenmantel, waaronder een goed turfvuur brandde, waren van hetzelfde hout in denzelfden vorm.
Hetgeen wel de meeste weelde aanduidde, was gewis het Utrechtsch tapijt, dat onder de tafel lag en voor een groot gedeelte den steenen vloer bedekte, die in andere huizen, zelfs in die van betrekkelijk vermogenden, nog met zand was bestrooid. Op een der leunstoelen met lederen zitting en rug, welke dicht bij het vuur was geschoven, zat op dit oogenblik de oude Freêrijk neder. Hij steunde liet half gebogen hoofd met de linkerhand en hield zich schijnbaar bezig met het staren in de vlam. De verandering, die zijn gelaat telkens onderging, de rimpels, die zich op zijn voorhoofd plooiden, de lippen die zich samenpersten, bewezen echter, dat do geest zich met iets anders en wel iets zeer belangrijks bezig hield.
Hoewel hij in zijn huisvertrek nederzat en het vroeg in den morgen was. zoodat hij geen bezoek had te beiden, toonde zijne kleeding een meer dan gewone zorg. Het wambuis was rijker dan gewoonlijk en stak gunstig af bij 't geen hij anders droeg; en met verwondering zouden zijne huisgenooten hebben getuigd, dat het sinds onheugelijke tijden wel de eerste reis was, dat een halskraag den ouden Freêrijk sierde.
))Zoo voor 't minst mijn streven daarin niet fale,quot; prevelde hij, terwijl hij de oogen vestte op den brief, welke voor hem op tafel lag, die met een groen koord, waaraan een thands gebroken zegel hing, scheen gesloten te zijn geweest. «Rekenmeester van Holland 1 Het ware gants niet te minachten, het recht, om ten hove te mogen verschijnen. Hoe zij hier den poorter zouden benijden, die hen dus boven het hoofd wies....!quot;
In zijne zaken gelukkig geweest, door de blinde fortuin en misschien ook wel door andere krachten gesteund, had hij zich bezittingen verworven, die hem terecht den bijnaam van den rijke hadden geschonken. De grondtrek van zijn charakter was ver gedreven zelfzucht, zoo dat hij er niet aan denken kon, om de bespaarde en gewonnen sommen te doen gedijen ten nutte van anderen die hem vreemden waren, en vreemden was hij niets verplicht.
Een schijnbare tegenstrijdigheid vormde daarmede de liefde voor zijn zoon, voor wien hij geene offers ontzag, en wien hij nog zelden iets had geweigerd. Die liefde was echter mede zelfzucht, eigenliefde, maar in anderen vorm. In zijn zoon zag hij den erfgenaam van zijn vermogen, van zijn rang, zoo hij er een ontving; zag hij zichzelven, maar herboren, verjongd, ververscht in kracht en in ijver. Het viel hem niet in het oog, voor het minst hij liet het niet blijken, dat die zoon zulk eene liefde weinig in denzelfden omvang beandwoordde, hetgeen misschien mocht toegeschreven worden aan de meerdere ingetrokkenheid van zijn charakter, aan den ernst, die vaak koelheid geleek en alle openheid of dadelijke uiting van hartstocht of gewaarwording buitensloot.
88
Vooral na de vermeerdering, die zijne bezittingen sedert den ge-waanden dood van Heere Bardes hadden ondergaan, ontwaakte eene hoogere eerzucht in hem en wilde hij aan het geld ook den rang verbinden. Dat bij zicii in het bezit bad weten te stellen van de aanzienlijke nalatenschap van den Oud-schout, tuigde reeds van zijn invloed bij de vermogenden in den lande. Die nalatenschap ware in menig ander geval aan den Koning vervallen, daar de wettige erfgenaam, de kleinzoon van den Schout, buiten de wet was verklaard en niet erven mocht. Bovendien kon den Gerechte in Amsterdam niets van den dood des Sellouts gebleken zijn, en toch werden hém, slechts een spillemaag â bloedverwant van vrouws zijde â slechts een neef van den Schout, al diens goederen overgegeven, hoewel «zonder praejudicie van andere rechten, zoo die later blijken mochten te bestaan, als wanneer hij zoude moeten doen restitutie in alle vormen, waarvoor hij zich en al zijne goederen responsabel had gesteld.quot;
Hij had weinig kans om ter Staten-vergadering te worden afgevaardigd, bij welke Enkhuyzen, hoewel anders niet tot de zes groote steden van Holland beboorende, die gewoonlijk ter dagvaart beschreven werden, zich in buitengewone omstandigheden kon doen vertegenwoordigen, daar hij bij de vroedschappen of wel »rijkdom-meuquot; zijner stad weinig gezien was. Op andere wijze moest hij alzoo beproeven, zich omhoog te beften, en hij achtte een ambt als rekenmeester van Holland nog het meest bereikbaar. Dit werd alzoo zijn streven, het doel van zijn leven, waaraan hij nl zijne krachten wijdde, voor hetwelk hij geene middelen ontzag. En juist dit laatste bewees de weinige zedelijke vastheid van den anders schramleren mensch. Wel had hij een beginsel, maar het was dat der zelfzucht en daaraan was alles in zijn binnenste onderworpen. Zijn scherp verstand had hem anders wellicht zich doen aansluiten aan de algemeene beweging, welker waren aard hij niet miskende; maar die beweging had schijnbaar geene toekomst, daar ze geen weêrstand zou kunnen bieden aan den druk van tien krachtigen waereldlijken arm. Daarom had hij zich aan Alvaas gezach aangesloten en had hij het immer, zij het met wat te veel uiterlijk vertoon, om innig en uit overtuiging te zijn, gehuldigd.
Wij, die reeds eenigermate bekend zijn met hetgeen hem in de laatste uren is wedervaren, wij kunnen ons zijne gedruktheid voorstellen. welke niet verminderde, toen zijn zoon Freèrijk binnentrad.
Het mocht een jongeling geweest zijn van drie-en-twintig jaren. Het gelaat was bleek en mager; zijne leden,schoon tenger, gespierd. Het hoofdhair had die gemengde kleur tusschen het licht-blond der echte zonen van het Noorden, en het donkerbruin der kinderen van het Zuid; wat menige opmerking had uitgelokt van gebuur en bekende, die zich de ovetleden moederen den levenden vader, beide in hunne jonkheid, en toen blond als echte West-Friezen, nog wel
89
wisten te herinneren, flet hoofd hield de jonkman eenigszins gebogen. Het was ot'de last der zorg het met hem deed nederbuigen, terwijl ook de rimpels op liet voorhoofd en de donkere starende oogen daarmee in overeenstemming waren en den stroeven ernst van het geheel nog vergrootten.
Geen sieraad werd aan zijn elfen zwarte kleedij bespeurd, noch eenige onderscheiding, die den zoon des rijken poorters zich echter wel had kunnen geven.
»Freèrijk, goed dat ik u ontmoet!quot; zoo hief de oude aan. »We hebben een poze voor ons zeiven, die we koutende kunnen doorbrengen. Neem dien zit en schuif bij het haardvuur, mijn jongen!quot;
De aangesprokene voldeed stilzwijgend aan het ontvangen verzoek,
sik peinsde op uwe toekomst, Freêrijk! Het wordt lijd, dat ge de plaats inneemt, welke u voegt. Ik bemeik toch, dat de handel u niet aanlokt en dat ge wellicht het oog vest op iets hoogers. Ik zal u niet belemmeren in uwe keuze; ik keur het zelfs niet at, dat het u verdriet als poorter dezer stad uw leven te eindigen, en dat te minder, mijn jongen! daar ik mij wel eenigen invloed toeken, welke ik met vreugde ten uwen bate wil aanwenden. Wat dunkt u van een ambt ter Sekretarije te Amsterdam, waar gij met ter tijd een der grootste geërfden zult zijn als ik gevallen ben en als de voortzetting van wat ik aanving u is bevolen?quot;
sik dank u zeer, mijn vader, voor uwe zorg, voor uwe goedheid te mijwaards, die ik, 'k gevoele het, niet verdien, en die mij zelfs pijnt, nu ik haar moet ontmoeten met eene weigering! Ik heb reeds den kring wagen te kiezen in welken ik werkzaam wil zijn. Gun mij mijne keuze te volgen, mijn vader.quot;
De oude Freêrijk maakte eene beweging van ongeduld. «Uwe keuze kan geene juiste zijn!quot; hief hij aan. »Op uwe jaren wordt liet leven nog zoo weinig gekend, en wie het nog mocht, gij wel het allerminst. Hebt ge u niet altijd afgewend van de beweging om u heen, en schrijdt ge niet altijd voort met nauw hoorbaren tred, met u zeiven en uwe folianten alleen? Hoe zoudt ge dus vermogen te kiezen! Gij weet niet tot wat hoogte ons geslacht het recht heeft zich te verheffen. Gij weet niet, dat ons de toegang tot het verhevenste niet kan worden afgesloten, alhoewel wij geen adelingen zijn. De laatste zijn ook verdacht en met reden; doch al waren zij het niet, Freêrijk, wij leven in een tijd van mirakelen! Werp een hand vol gouden angelotten in den smeltkroes, en door de «constequot; onzer dagen zult gij op den bodem een der fraaiste blazoenen vinden. Streelt het uw jeugdig hart niet. te kunnen bereiken wat zeer weinige vermogen, om hén gelijken te kunnen noemen, wie onze vaderen hulde moesten bieden en te kunnen beiden bij de vertegenwoordigers der Koninklijke Majesteit, ja zelfs bij deze? Zet die niet op het spel, mijn jongen! het morgen behoort u, het heden slechts aan mij. Gij zijt jong en hebt eerzucht, welnu ik open u de baan der eer.quot;
90
»Ik heb re eis gekozen, mijn vader! laat mij mijne keuze!quot; hernam de jonkman ernstig, terwijl hij de handen op de borst drukte, als om het bonzen van het hart tegen te gaan.
«En welke is dan uwe keuze?'' vroeg de oude dof. Het was blijkbaar dat hij het andwoord kon gissen, want zijne vingeren, om de leuning van den stoel geklemd, beefden en zijne lippen trilden,
«Verkondiger te worden der waarheid; prediker van het heilig Evangelie.quot;
Er was een oogenblik van stilte.
»Verkondiger der waarheid!quot; riep de oude ten laatste. »0 ik vermoedde 't. Hadde ik mij zelven gister niet reeds overtuigd, het gerucht door den Geuzenhoop verbreid en door onze vijanden zoo ijlings voortgeplant, opdat liet schande en oneer zoude hoopen op ons huis, zou er mij reeds van onderricht hebben! Geuzenpredikant, een fraaie toekomst...! Te verkeeren met de heffe des volks, achtervolgd te worden als het vee, te strijden tegen een overmach-tigen vijand, te hongeren en te dorsten, te bibberen van koude, vluchtende van vlek tot vlek, terwijl de warme haard en het donzen bed uw deel kon zijn...! En wat is het loon? De galg of het rad! En die onteerende straf zou mijn zoon, den drager mijns naams, treffen!quot;
sZalig zijn zij, die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is liet Koninkrijk der Hemelen,quot; andwoordde Freêrijk zacht, wien de tederheid, welke er nog trilde in de stem zijns vaders, zeer deed aan liet harte.
»Om der gerechtigheid wille!quot; riep de oude nu in hartstocht, en de kalmte prijs gevende, die hem nog een tijd lang had kunnen doen overwinnen. «Dwaas, gij speelt met woorden! Gerechtigheid, waarheid, alsof die leuzen door uwe vervolgers niet evenzeer worden aangeheven, alsof gij niet gedood zult worden, strijdende vóór de waarheid, in den naam der waarheid.quot;
«Alzoo ging het onzen Heere ook. toen de Joden hem zochten te dooden...! En toch een van beiden verkondigde slechts de waarheid, mijn vader!quot;
«Maar wie heeft u, juist ti, geroepen om ten strijde te gaan, u, niet gewoon de wapenen te hanteeren?quot; riep de ouie, terwijl hij driftig in liet vertrek rond liep. «Laat den strijd aan de monnikspij; dat de geschorenen elkaar verscheuren, elkaar verdelgen, ik zou toejuichen bij de worsteling, die ons ontsloeg van leêgloopers en twistmakers. Waarom mengt gij u daarin? Kondet gij niet leven en sterven in de kerk, die zoo veel eeuwen in de behoeften van allen voorzag?quot;
Neen. vader! De Heere God opende de oogen mijns verstands en deed mij onderkennen, dat hetgeen ik als het heilige had aangebeden, slechts een klinkend metaal was, slechts een luidende schelle.quot;
«Indien dit zoo ware, waarom werden de oogen der menschen
91
dan niet eer geopend? Millioenen leefden en stierven en hielden voor heilig, wat gij in uwe valsehe wijsheid lastert! Waarom heeft dan de logen zoo lang gezegevierd? Andwoord mij, prediker der waarheid!quot;
Dllet komt mij niet toe te dringen in den geheimen raad Gods, maar gun mij een wedervraag, vader! Waarom moest de waereld veertig eeuwen nederliggen in zonde, afgewend van het aangezicht haars Scheppers, waarom verscheen de Heere Christus niet eer? Gij hadt het bij de verschijning des Heeren aan een van Diens jongeren kunnen vragen tot bestrijding van zijn geloof, zoudt ge meenen dat liij geschokt ware geworden en de kleine kudde hadde verlaten, omdat hij het andwoord daarop niet te geven wist?quot;
,De oude was te moede om aldus voort te gaan. Iedere voetstap, dien hij waagde, werd hem betwist. Hij nam zich dan ook voor op een terrein te blijven, waar hij meer meester was, en waar hij eene grootere kracht tegenover den moed van zijn zoon had te stellen, dan zijne bijkans Heidensche begrippen tegenover het vurig geloof. Hij boog zich naar zijn zoon en vatte diens hand in de zijne, en blikte hem daarbij aan met tedere bezorgdheid, onder-mengd met droeven ernst.
))Het mag mij niet gelukken u de ijdelheid uwer poging te doen inzien; uwe overtuiging is vast, ik waag niet meer haar te schokken. Blijf in uw geloof, zoo als ik in het mijne. Beiden wijken wij at van de leer der Kerk, want ook ik zie het houten beeld door de plooien heen van den omgeworpen fluweelen mantel. Nochtans weiger ik het geen openbare hulde. Velen zijn er aan gehecht, en ik zoude mijne ziel bezwaard achten ze te ergeren. Doe zoo als uw vader; ik gun u zelfs minder voorzichtigheid. Ik veroorloof u zelfs de mis niet meer bij te wonen, mids gij 'took niet de preek doet. Freêrijk, ik wil u mijn hart open leggen! Ik sta gereed de hand uit te strekken naar het wit, waarnaar ik sedert lang heb gestreefd. Wat zal het zijn, zoo men uw afval verneemt? Het gebouw mijner hoop lag om verre gestort...! Reeds beidde ik misschien te lang, om u deswege te onderhouden, want het gerucht van uw ontrouw is hier verbreid en de Admiraal Boshuvzen komt heden uit Amsterdam herwaards. Hij is zonderling wel gezien ten hove, en in staat mij tegen te staan; ja nog meer, Freêrijk!quot; en de oude sprak zachter, terwijl hij de zweetdruppelen zich van het aangezicht wischte, »ja nog meer, Fréêrijk! hij zou mij het grootste deel van het mijne, van het uwe, kunnen ontnemen....quot;
De zoon zag zijn vader een oogenblik scherp aan. Toen zeide hij met nadruk: sdie rijk willen worden, vallen in verzoekingen en in den strik, en in vele dwaze en schandelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang.quot;
»Wat is dit?quot; kreet de vader, terwijl hij rood werd van toorn.
))Welk een voorstel deedt gij mij!quot; zeide Freêrijk met trillende
92
stern. »0, ik zou God nog gedankt hebben, indien ik van uwe lippen had mogen hooren: ik aanbid de beelden met kinderlijk geloot'! Maar nu .. . gij hebt het bijgeloof prijs gegeven, zonder iets daarvoor te ontvangen...! Arme man, óp de waereld, zónder den Heiland der waereld... .!quot;
))Wie geeft u het recht richter te zijn over uwen vader, dwaze dweeper!quot; riep de oude, wiens geweten aan de vorige woorden zijns kinds eene uitlegging gaf, die hem het bloed naar het hoofd dreef. sMijn geduld is ten einde ... Ik heb lang verdragen, hopende op verandering en beterschap, en heb daarom wijze raadgevingen in den wind geslagen... Maar nu zal de tucht pogen wat de liefde niet vermocht. O, dat ik den verleider kende die mij u ontneemt! Dat ik den booze ontmoette, die zich tusschen vader en zoon heeft geplaatst! Ik eisch, dat ge u onderwerpt aan mijnen wil, dat ge van hier vertrekt en u vestigt te Amsterdam, dat ge de baan volgt, welke ik u heb afgebakend. Overweeg uw andwoord wel: het is beslissend.quot;
De vader stond tegenover den zoon; de hartstocht deed de oogen vonkelen; de gebalde vuist sloeg op de tafel en deed de tinnen bierkan bijkans ombuitelen. De jonge Freèrijk stond kalm, doch ernstig als gewoonlijk, met de handen gevouwen. «Gij kent mijn andwoord, vader! Het is niet de luim van een oogenblik, maar de overtuiging van maanden. Indien ik deinsde, ik zou niet waardig zijn den naam te dragen mijns Heeren.quot;
«Zoo ga dan, kwaadwillige, zoo ga dan, en neem mijn vloek mede als de laatste gift uws vaders!quot;
sVader, niet alzoo!quot; klonk het dof uit Freèrijks mond.
»Vertrek uit mijn huis en laat mij u nimmer wederzien! Hoed u zelfs voor mijne nabijheid, want uwe grootste vervolger zal ik zijn en gij weet niet wat ik vermag.quot;
»Zóó kunnen wij niet scheiden, vader! Neen, doe mij een ander woord ten afscheid hooren ... Vader, ik wil niet dat uw laatste strijd een bange zij!quot; andwoordde Freèrijk, die de woorden afgebroken uitbracht.
»Wat hoop ik bouwde op dit kind!quot; prevelde de oude. »Zeg mij wie u heeft verleid en ik zal u wreken.quot;
»Rep niet van wraak in dit oogenblik, in deze ure van scheiding, scheiding voor altoos...! Ik dank u, vader! voor al het goede, dat ik van uwe hand ontving; ik verdiende uwe liefde niet.quot;
Hij kon niet voortgaan; de oude greep hartstochtelijk de hand zijns zoons. »lk herroep de harde woorden, jegens u gesproken. Freèrijk, mijn zoon, ik neig ten grave en zou voor niets hebben geleefd, indien gij niet naast mij bleeft staan! Keer terug van uwen weg, blijf hij mij . . ..quot;
Hij zag met ingehouden adem op het gelaat zijns zoons, die de hand zijns vaders in de zijne klemde en een traan voelde wellen
93
in het oog. Eindelijk stamerde hij; »Wie vader ot' moeder liet' heeft boven Mij, is Mijns niet waardig. Ik kan niet meer terug: ik wenschte het ook niet, ten ware gij zelf tot kennis mocht komen. Ik bid den Heere, vader! dat de schellen ook u van de oogen mogen vallen, dat ge u bekeerdet. Veel is goed te maken, mijn vader! Mocht gij 't willen!quot;
De oude stond stokstijf tegenover hem. Zijn zoon wist meer dan hij wilde, dan hij durfde zeggen. Dit had hij hem nimmer doen vermoeden. Het werd hem pijnlijk, alzoo tegenover zijn kind te moeten staan. »Ga!quot; sprak hij ten laatste, maar nu kalm, terwijl hij hem naar de deur wees, »uwe plaats is niet meer hier.quot;
De jonge Freêrijk boog het hoofd, bleef nog een oogenblik staan, als beidde hij nog een ander woord; toen wendde iiij zich langzaam om en naderde de deur. Deze werd geopend, en Marijken trad binnen.
Zij bevroedde wat hier omging, al had de oude het haar niet verkondigd in de woorden: »Ma rij ken, nicht, gij staat nog niet op tegen mij...! gij blijft bij mij.... het zal u geen nadeel zijn. mijn kind!quot;
»Maar Freêrijk ....?quot;
«Ik ken hem niet meer... ik zal hem onterven..
«Uw eenig kind! Gij hebt hem zoo lief gehad, Heere oom.quot; waagde Marijken aan te merken. »\Vie kan zich plaatsen tusschen vader en zoon?quot;
))De Geuzenprediker, Marijken!quot;
Het meisken zag Freêrijk niet angst, ondermengd met verbazen, aan.
«Neen, zóó verre zult ge uwe dwaling niet drijven!quot; riep zij uit. »Dat ware vreeselijk!quot;
«Spreek gij niet daar tegen,quot; fluisterde Freêrijk, «gij niet, Marijken! In uw hart kiemt reeds het goede zaad ... Zij ik het middel in Gods hand om den oogst te vervroegen!quot;
sHij vangt de prediking reeds aan!quot; riep de oude, en in zijn toon was de spot niet te miskennen,
«Maar, Heere oom,quot; viel Marijken hem in de reden, «gij wilt hem toch niet verstooten, al hebt gij daartoe ook ...quot; Zij voleindigde niet; zij wilde er bijvoegen: het recht. «Gij wilt hem toch niet voor eeuwig van u doen gaan? Hij kan zich bekeeren: zoodra iiij zich echter mengt onder de afvalligen niet meer.quot; De woorden van broeder Martinus kwamen haar voor den geest, en zij was gereed het geweldig middel, het eenig. dat volgens haar nog redding konde aanbrengen, aan te wenden om Freêrijk naar het klooster te lokken, toen de vader inviel: «Gij hebt gelijk ; hij zal nog niet van hier gaan. Volg mij!quot; zeide hij tot zijn zoon. die aan het bevel gehoorzaamde.
De oude ging den gang door, van beide achtervolgd, daar Marijken, die liet niet waagde ongevraagd mede te gaan, daartoe be-
94
sloot op een wenk van Freèrijk. Op het oogenblik dat het meisken haren neef naderde, boog deze zich tot haar over en fluisterde hij haar toe: sMarijken, wat ge waarheid waant, zal logen blijken! Deins niet af; het betreft niet alleenlijk uw godsdienstig geloof in dezen, maar ook hem, dien gij lief hebt.... Hij leeft en komt u heden bezoeken .... beid hem in het achterhuis.quot;
Een blos purperde haar gelaat; hare hand beroerde de zijne; zij kon geene woorden vinden om hare verrassing te uiten, om nadere berichten te vragen. De oude zag om, of hij wel gevolgd werd, en fronste de wenkbrauwen, toen hij beider vertrouwelijkheid ontwaarde. ))Ga naar uw kamer, Marijken! Ik heette u niet mij te volgen.quot; Zij bleef staan, docli oogde Freèrijk na en zag dat de oude voor de kamer zijns zoons stil hield. Weinige woorden werden daar gewisseld, en toen zij den oude den sleutel hoorde omdraaien in het kamerslot, en dezen zag bergen in zijn wambuis, begreep, zij. dat de gevangenschap haars neefs met dit oogenblik een aanvang had genomen.
quot;Wat zij hem te vragen had gehad, welke gedachten haar brein doorkruisten! Niet onwelkom was haar het bevel haars ooms om hem alleen te laten en zich af te zonderen. Meer en meer was het hart in opstand tegen hare begrippen, en daarom zou zij rust zoeken bij haar gebedenboek. Hoe zij dwaalde! Alsof ze in hare eenzaamheid aan iets anders zou kunnen denken dan aan hem. dien zij verloren had gewaand en die haar hergeven was!
Het hart dreigde den ouden Freèrijk te bersten, toen hij zich alleen bevond. Van alle zijden dreigde hem het gevaar, en juist de jongeling, die hem had kunnen steunen, die hem den arbeid lichter had kunnen maken, had zich tegen hem aangekant, had een anderen weg verkozen dan zijn vader hem aanwees. De oude Freèrijk had zich het gelaat met de handen bedekt. Hij kon niet geregeld denken, hij wenschte het ook niet, daar elke poging daartoe hem de schuld zijns zoons klarer te binnen bracht. Toch moest er iets, moest er veel gedaan worden, en dat nog wel heden, dat nog wel terstond. Hij sprong daarom van zijn stoel op, sloeg zijn regenkleed om en holde het huis uit, der verbaasde dienstmaagd, die hem de deur open deed, toeduwend : «Komt Mijnheer de Admiraal hier en ik ben nog niet terug, zoo wijs hem de pronkkamer en geef hem wat hij u gebieden mochtquot;
Freèrijk spoedde zich naar het Westerdeel der stad. Hij toog het Patershof en het klooster der heilige Ursula voorbij en klopte aan bij de Augustijners, die daaraan grensden. De broeder Gardiaan andwoordde toestemmend op de hem gedane vraag en voerde ouden Freèrijk den voorhof door, waar in witten steen de kruisiging des Heeren ruw maar toch als bezielde voorstelling was uitgehouwen. Hij betrad den steenen trap, die naar de tweede gaanderij voerde, en ging den muur, zonder dien een oogblik te gunnen, voorbij, waar
verschillende voorstellingen uit het leven des Heiligen Augustinus, in hout uitgesneden, gedurende een eeuw reeds zoo menigen ge-loovige hadden geboeid. Hier zag men den Heilige, dadelijk herkenbaar aan het brandende hart, â symbool door de Kunst voor hem gekozen -â de opbrengst zijner goederen ten offer brengende aan de armen; ginder zag men hem predikende, terwijl de monsters der woestijn, door zijne welsprekenheid getroffen, zich neervlijden aan zijne voeten; verder ontmoette men hem stervende. Wonderlijke voorstelling, waarin een diepe zin lag verborgen: de Heilige Maagd hield twee ladders in de hand, waar langs de Engelen nederdaalden, een van welke het ordekleed der Augustijners droeg.
Weldra kwamen zij aan de cel van broeder Martinus, die bezig was eenige papieren te doorzien.
Hoewel het Augustijner klooster bogen mocht opeen heerlijken hof en de meeste cellen daarop uitkwamen, lag die van broeder Martinus echter op een andere zijde des gebouws. waar slechts een kleine binnenplaats een schemerlichtdoorde vensterskon werpen.
De cel was wel in overeenstemming met den bewoner, wat de soberheid, de strengheid der stoffeering betreft. De grond was met steenen bevloerd; de tafel en de twee stoelen van ruw hout; de stroozak in den hoek der cel was de legerstede, en daar boven hing een ruw bewerkt Kruisbeeld.
sik wachtte u,quot; zeide Martinus strak, toen de oude binnentrad.
«Hoe kost gij dat, Eerwaarde vader! Ik had u daaraf toch niets doen melden.quot;
»Toch wachtte ik u, en, naar ik hoop, wel met gebogen hoofde en de bede aan de Kerk op de lippen: sHeilige moeder, waak over mij en de mijnen!quot;
»Maar, mijn vader!quot; stamerde de oude, wien het begon te schemeren, shoe kunt ge dat weten? Rampzalig de vijanden der Kerk, indien gij te gebieden hebt over zulk eene mate van kennis!quot; voegde hij er half spottend aan toe, alsof hij het noodzakelijk dacht, zijn werkelijk verbazen, dat de monnik tegenover hem eenig overwicht kon geven, niet al te duidelijk te doen opmerken.
De monnik scheen dat eenigzins te begrijpen, en viel daarom op zijn gewonen kouden, snerpenden toon in: »Wien ontmoet ik in u? Den geloovigen en rechtgeaarden vader, die den ongehoorzamen zoon bestraft, of den onverschilligen, aangedaan van de pest der ketterij, wien het niet aangaat of de zijnen de geboden der Kerk overtreden en heulen met hare vijanden?quot;
»Den eersten, mijn vader!quot;
sZet ii dan neder, want ik begrijp alsdan te wel, dat ge mijn raad zult behoeven.quot; Hij wees op den eenigen ledig staanden stoel, dien Freèrijk nader bijschoof, zoodat hij om verstaanbaar te zijn, niet luide behoefde te spieken.
»Het vaderhart bloedt bij de dolingen des zoons,quot; zoo hief hij
96
aan. «Lang heb ik getwijfeld, maar de zekere bewijzen zijn mij. helaas! geworden.quot;
»Toen gij gister de geheime preek bijwoondet?quot;
Oude Freèrijk hief snel het hoofd en kleurde. Nog was liet hem onverklaarbaar hoe de monnik dat alles konde weten; ook hij scheen niet langer het algemeen gerucht te zullen kunnen tegenspreken, dat deti kettermeesters niets bleef verborgen; en zoo dit waarheid ware. het zou zijne kracht tegenover den strengen Martin us breken.
De monnik scheen de ontroering des ouden niet op te merken en ging voort: »Het wondert rnij, dat gij mij nimmer hebt gemeld dat de konventikelen der ketters hier ter stede nog gehouden werden; het wondert mij indien uw ijver meer zij dan eenige klank.quot;
«Twijfel des niet; en behoefde dat nog eenigerlei bewijs, mijn vader! na al hetgeen ik deed en niet deed, het zal treffelijk blijken uit al wat ik mij nog voorstel te doen ten nutte dezer op dit pas zoo beroerde stad. Ik wist echter niet vóór gister het bestaan dier bijeenkomsten en gaf er dadelijk kennis van aan Mijnheer den Schout.quot;
»Die wel slappelijk toeziet. Uwe verzekering verheugt mij ook voor u zeiven. De schijn was alevel reeds lang tegen u, zoodat ik den Heere Tapper uit den Haag, die mij nopens uwen persoon en uwen ijver met zonderlingen ernst ondertastte, niet ganschelijk te vreden kon stellen, wat juist niet ten voordeele uwer belangen gedijen zal, naar ik meen.quot;
Freêrijks lippen trilden. Hij begreep wat de monnik bedoelde. Van alle zijden rezen de hinderpalen op. Hij had reeds te lang tusschen beide partijen rondgedoold, om niet bij beiden te worden verdacht.
»Uwe berichten waren toch gewisselijk niet van dien aard, dat ik tegenwerking ten Hove van de zijde van Mijnheer Tapper, een geboren Enkhuyzer, te wachten heb? Ik zou het wel snooden ondank heeten jegens mijnen persoon.quot;
«Beklaag u niet, mijn zoon, zoo lang ge nog niet weet zelf niet aangeklaagd te zijn,quot; andvvoordde de monnik strak. )gt;Ter zake. Uw zoon heeft de nieuwe leer beleden. Ik geloof u gaarne, dat het u onbekend bleef. Thands echter werd het u gemeld, werd het u bewezen. De invloed, dien hij hier als uw zoon heeft, baart voorzeker veel euvels. Zijn afval zal ruchtbaar worden, niet alleen hier ter stede, maar ook ginder, mijn zoon, ook ten Hove .., indien de vader hem niet straft of hem der gerechtigheid, die hem op-eischt, onthoudt. .. .quot;
sik begrijp u,quot; zeide de oude somber. »En daarom,quot; vervolgde hij afgebroken, alsof de adem hem begaf, »kom ik hier.quot;
))Ik verwachtte het.quot;
»Ik heb hem pogen terug te brengen van zijne dwaling.quot;
»Het kon ii niet baten, ik vermoed het; dus verder...quot;
»Ik gaf iiern mijn huis tot gevangenis, en nu kom ik tot u en vraag; wat moet ik doen?quot;
»Hem herwaards voeren, waar hij te recht zal staan voor de vierschaar der Kerk.quot;
«Veroorloof mij de opmerking, mijn vader! Wat zal dit baten? Gij zult liet afgedwaalde schaap niet terug kunnen brengen...quot;
»De Kerk vertrouwt de zorg daarvoor mij en mij alleen,quot; viel de monnik iioog in.
»En te recht, mijn vader! maar indien ik besef hoe liet Evert Evertz en Aert Florisz vergaan is, die, tegen poorterrecht in, van hier zijn vervoerd zonder dat iets naders van hen wierd vernomen ...quot;
⢠«Uwe tegenwoordige rede strookt zonderling wel met uwe betuiging van straks,quot; merkte de monnik koeltjens aan. «Over de ketters, door u opgenoemd, heeft de Kerk geoordeeld, en geen geloovige verstout zich daarbij te voegen: onrechtvaardig. Overigens zijtge vrij, mijn zoon! hoe te handelen, daar de Kerk te dezer stonde de macht moet derven om zich te doen gehoorzamen. Uwe komst is alzoo doelloos. Wil mij des niet langer storen in mijne nutte bezigheden.quot;
«Niet alzoo, mijn vader! Ik waag u niet tegen te staan, waar gij meent uw recht te verdedigen .... maar gun mij slechts dit «ene.... Vervoer hem niet van hier; laat hij onder uwe hoede verblijven.quot;
«Gij handelt wel wonderlijk jegens mij. Wat verscheelt het of hij hier of ginder zich bevindt, onder opzicht der heilige Kerk...quot;
«Is dit eenerlei, waarom mijn wensch dan niet voldaan, mijn vader?quot;
«Omdat ik u doorzie! omdat ik weet, dat geen ijver voor het Geloof, geen bezorgdheid voor het zieleheii uws kinds, u herwaards drijft, maar alleen uw eigen belang; omdat ik weet, dat gij uw zoon slechts verwijderen wilt tot zoo lang u het begeerde ambt wordt toevertrouwd, om dan den afvallige, indien hij zich hier bevindt, wederom op te eischen. De tijden zijn te ernstig voor een dergelijk rhethorijkers-spel!quot;
Oude Freêrijk vermocht niet te andwoorden. Zijn anders zoo scherp gewet vernuft vond geen uitweg. Zijn belang gebood hem toe te geven, maar het gold zijn zoon!
«En indien ik hem afstond, hem, mijn eenigen!quot; zoo ving hij aan, «wat zoudt ge met hem aanvangen? Andwoord mij oprechtelijk. mijn vader! bedenk wie het u bidt.quot;
«Ge aciit de logen wel gemakkelijk en eene kleine zonde, dat ge met zulken ernst op het tegendeel aandringt. De schuld uws zoons zal elders worden onderzocht. Wordt zij bewezen, dan zal het berouw haar alleen kunnen uitwisschen, of de straf volgens de kerkwetten haar moeten delgen.quot;
DE EERSTE DACi. 7
98
»Nooit,'' andwoordde oude Freèrijk, terwijl hij doodsbleek werd en de hand krampachtig zich balde. »Ge stelt mij wel koelbloedig den dood mijns kinds voor, want ik ken hem genoeg om te weten, dat hij niet terug zal treden; in welk geval ik den liefderijken handel onzer heilige Moeder de Kerk mede voorzie. Hoe de monnikspij een keurs is, min doordringbaar dan staal! Wat zoudt gij ook kunnen oordeelen over de betrekkingen van het leven, gij, die er geene hebt, die er geene kent en niets lief moogt hebben dan de steenen beelden der Heiligen!quot;
«Weet, dat u grenzen zijn gesteld, die ge niet ongestraft moogt overschrijden,quot; hernam de monnik op denzelfden koelen toon, die den beangsten vader door de ziel sneed. ))Ik onderstel, dat het kwaad reeds diepe wortels heeft geschoten en niet alleen het hart van den zoon, maar ook des vaders heeft bereikt. Ik waarschuw voor de laatste maal. Nog kunt gij vrijwillig geven en het gedijt u tot eere en voordeel; straks wordt het u met geweld ontnomen en het baart u onheil.quot;
»Ik wil die kans loopen, monnik!quot; riep oude Freèrijk in onge-kenden hartstocht uit. ))Door te veel te eischen ontvangt ge niets. Weet, dat ik mij de nieuwe religie in de armen kan werpen met mijn geld en mijn goed.quot;
«Toch niet zonder nadeel voor het laatste, niet waar? Op dit pas zijt ge een rijke poorter, maar het zou kunnen verkeeren. Uwe schoonste bezitting ligt ver van hier en onder de hoede eener nog trouwe stad. Wat ge hier hebt blijve het uwe, totdat Zijne Majesteit het oproer ook hier kome beteugelen, als wanneer ge te kiezen zult hebben tusschen onderwerping of ballingschap.quot;
Oude Freèrijk boog het hoofd. Hij begreep te wel dat hij slechts tusschen beiden: tusschen zijn goed, zijn naam, zijn toekomst en zijn zoon te kiezen had.
«Neen, ik kan hem niet offeren. Vergeef evenwel mijn harde woorden, mijn vader! Ze werden mij ontlokt in de overmaat mijner beklemdheid. Ik wil een trouw zoon der Kerk blijven; ik wil haar zaak verweeren tot mijn laatsten ademtocht.quot;
«Woorden verneem ik altoos genoeg, mijn zoon! Bevestig ze voor het eerst door daden. De Kerk vraagt den schuldige op.quot;
«Maar beloof mij dan dit eene: voer hem van hier, laat hem in een klooster verblijven, totdat hij boete doe en zich bekeere, doch doe hem niet terecht stellen, voor 't minst niet voor dat een jaar zij verloopen. Ik bid het u, mijn vader!quot;
«Wat zou het baten! Zou het iets tot zijne bekeering toedoen?quot;
«Ja, onder den invloed der dweepende bende te dezer stede zal hij volharden; bij kalm overdenken, bij onthouding en opsluiting in een klooster onder de Godzalige broeders, zal die trotsche geest gebogen, dat weerspannig hart gebroken worden.quot;
Zij het, dat de monnik werkelijk bewogen wisnl door den strijd
99
dien de vader te kampen had, zij het, dat de bedreiging des ouden om zich tot de nieuwe leer te voegen, niet zonder uitwerking was gebleven, de monnik dacht een wijle na en sprak toen: »De Kerk blijft eene moeder voor hare afgedwaalde kinderen; zij kastijdt alleen om te verbeteren. Uw voorstel bedoelt alleen uitstel, geene kwijtschelding der gerechte straf en kan daarom worden aangenomen.quot;
»Doch welken waarborg geeft ge mij, dat de gevangene niet eer te recht zal staan?quot;
))Ik geef u mijn woord.quot;
»Op het Kruisbeeld gesproken, mijn vader!quot;
sMijn woord zij u genoeg. Het is een ander dan men gewoon is te geven bij handel en zeevaart; bet is u daarom niet gegund daaraan te twijfelen.quot;
»En werwaards zult ge hem voeren? In het minderbroederklooster te Haarlem? Ik zal de prove betalen; ik wil alles rijkelijk voldoen.quot;
»Hij gaat naar het Karmeliter-klooster te Brussel, en geen penning zal het u kosten. Wilt ge iets offeren, het zij der Kerke, die het op dit pas beiioeft en het van u om menigerlei tekortkoming misschien wel vergen mag.quot;
Al had hij niet geweten, dat Freêrijk bekenden en alzoo invloed had te Haarlem, hij zou toch dit klooster niet gekozen hebben, nu de oude het hem voorsloeg. De jonge afvallige mocht niet onder de hoede zijns vaders blijven. Geen aanzien des persoons mocht in deze tot zachtheid leiden en dat te minder, daar strengheid, juist gepleegd jegens een aanzienlijk poorter, opzien baren en heilzaam werken moest. Broeder Martinus was altoos dit beginsel toegedaan geweest, en had daarom van gantscher harte den dood van Eg-rnond en Hoorne toegejuicht.
»Ik hoop, mijn vader!quot; zoo begon oude Freêrijk, sik hoop, dat het der Kerke gebrachte offer u overtuigen zal mijner getrouwig-heid, en u zal aansporen om, waar het gevorderd wordt, tuigenis der waarheid aangaande mijne gezindheid te geven, en in den lande de kwade indrukselen weg te wisschen, welke, helaas! door u zeiven reeds mij betreffende te weeg zijn gebracht.quot;
sik houd u in het oog. Het afstaan van uwen zoon bewijst nog niets, zoo dat feit niet achtervolgd worde door eene inspanning van al uwe krachten, om de heilige Kerk en haar eersten dienaar, den Koning, te steunen, waar gij het moogt.quot;
süok des betrelfende wenschte ik u te onderhouden, mijn vader. Van mij kan niet veel meer gevorderd worden dan ijver; meer toch staat mij niet ten dienste. Ik iieb daaraf alevel dikwijls doen blijken ; ten bewijze waarvan ik mij zou kunnen beroepen op den Heere Schout van Amsterdam en Hoorn, wien ijv kennis gaf van de aankomst te hunnent van een zeer gevaarlijk jonkman, om wien te vangen ik niet schroomde zelfs een vollen buidel uit te loven tot
100
prijs. Hij is het echter ontkomen en bevindt zich hier.... Men noemt hem den Blonde.quot;
»Dieii ken ik van ouds. Het is een gevaarlijke knaap, daar het Mijnheere Tapper goed en noodig heeft gedacht, meermalen mij over dien persoon te onderhouden. Hij is hier zoo als ge zegt?quot; De monnik dacht een oogenblik na. »De Burgemeesteren en mijn Heere de Schout dachten reeds aan den een of anderen raadsman, die den Geuzenhoop hier ter stede bij de beweging van gister ter dienste stond. Vreemd, dat ze niet op de gedachte kwamen, dat de jonkman daaraan schuldig kon zijn. Gij zult toch den Magistraat van de aanwezigheid des ketters hebben kennis gegeven ?quot;
«Ik had mijne redenen om dit te laten, mijn vader! Ik wilde u de eer gunnen van liet bericht. Het zou uwen heilzamen invloed bij de Burgemeesteren en de Vroedschappen tot eere van God en Zijnen Heiligen helpen vergrooten.quot;
üe monnik staarde hem ongeloovig aan. »lk dank u zeer voor uwe intentie,quot; hernam hij op een toon, die wel in strijd was met de gesproken woorden, sik blijf niet in gebreke, daarvan het- nut te trekken, door u daarmede bedoeld. Maar uw zonderlinge ijver voor 's Konings dienst zal u gewisselijk hebben doen ontdekken, wat naam het jonksken eigentlijk draagt; men heeft hem niet anders weten aan te duiden dan als den Blonde.quot;
))Hij heet .Tan Kolterman,quot; fluisterde de oude.
))Maar die is gestorven!quot; riep de monnik verbaasd.
Freêrijk was verwonderd, dat Martinus kennis droeg van hetgeen hij een oogenblik had geloofd en verbreid. De monnik had liet blijkbaar niet vernomen van den Magistraat der stad, daar deze hem juist den dood van den Blonde, onder welken naam hij der Overheid alleen was bekend geworden, had moeten mededeelen. Zou zijne nicht het den monnik hebben aangezegd? Zou zij met hem in verbond staan en de geheimen zijner huishouding verklappen? Volgens zijne berekening was hij met zijne ontdekkingen reeds ver genoeg gegaan om het vertrouwen des monniks te herwinnen, dat hem dreigde te ontslippen. Voor zijne veiligheid mocht hij het gevangen nemen van den jongeling niet wenschen, vóór dat hij zich meester had gemaakt van den ouden Bardes, en was alzoo de aanduiding der waarheid voor het oogenblik genoeg.
«Gestorven?quot; herhaalde de oude Freêrijk daarom verbaasd. »Ik geloof dit niet, daar mijne laatste berichten daarvan niets melden.'
»Ik weet dat hij het is. Waar en hoe is mij onbekend; het zou mij alevel gants niet ongevallig zijn dit te weten.quot;
»Ik beloof u. eer het avond wordt, zekerheid op al deze punten te geven, en wel het eerst aangaande zijn dood.quot;
»Dus was die geheime spion de kleinzoon van den Oud-Schout van Amsterdam en alzoo uw neef. Ik begrijp alsnu den ijver, waarmee gij het spoor van dit wild hebt achtervolgd!quot;
101
»Ik beken het u, mijn vader, dat de ijver voor de dienst Zijner Majesteit zich paarde aan de bevordering mijner eigene belangen ... Waar schuilt liet kwaad, mijn vader!quot; hernam Freèrijk, die het noodig achtte de ironie des rnonniks te heandwoorden. «Het zou mij eene goede bate zijn, indien die jongeling ware gestorven, daar hij, hoewel een balling en een ketter, wel eens slim genoeg zou kunnen zijn, om zijn zoen met zijne Majesteit te sluiten, als wanneer hij de goederen van den Oud-Schout zoude kunnen opvorderen. Ik houd het voor gewis, dat zijn terugkeer tot de Heilige Kerk slechts een list zou zijn om die goederen wederom machtig te worden, ten einde daarmee de ledige buidels van de gevloekte Geuzen en Kalvinisten te stijven.quot;
»Geen nood, mijn zoon! Die goederen worden immers reeds door u beheerd als uw eigendom, en ik ken lieer Freèrijk genoeg om te weten, dat hem nog nimmer iets is ontslipt als hij het eens in de hand hield geklemd. Doch mij is het wonderlijk gerucht toegefluisterd: Hear Bardes ware niet dood en niet veroordeeld.quot;
»Aangaande het eerste kan ik u met zekerheid inlichten. Hij leeft en is hier ter stede.quot;
»Waaruit zoude voortvloeien dat ook het tweede waarheid ware. Indien hij leeft, is hij niet veroordeeld; in het laatste geval is hij ook niet schuldig bevonden, en treedt hij weder op in zijne rechten.quot;
«Juist, mijn vader!quot; fluisterde Freèrijk, terwijl de zenuwen van zijn gelaat zich stuipachtig bewogen. »Hij zou zijne goederen in Rijn- en Amstelland terug eischen, om ze wellicht te gelde te maken en de penningen daarvan zijn neet' te doen toekomen.quot;
«Maar die is gestorven.quot;
«Ondersteld dat hij leefde.quot;
«Maar Heer Bardes, onschuldig verklaard, bleef voorzeker der Kerke getrouw en zal alzoo den ketterschen jonkman niet steunen.quot;
«Ondersteld, hij ware een ketter, en hadde zijn schuld voor die vierschaar weten verborgen te houden.quot;
«Wie heet u te twijfelen aan het doorzicht van den Raad van Beroerten, die juist blijk heeft gegeven van zulk een schranderheid en scherpte?quot;
«In het burgerlijke ja, mijn vader! maar ook in het kerkelijke? En juist daarin ligt de schuld â het doet mij leed, dit van mijn bloedmaag te moeten getuigen â ligt de schuld van den Oud-Schout. Men klaagde hem aan wegens slappe uitvoering der plakkaten en daarvan kan hij zijn vrijgesproken; de vrijspraak kon echter niet doelen op eene schuld, waarvan hij voor de vierschaar niet was aangeklaagd.quot;
De monnik staarde Freèrijk strak aan. alsof hij tot in zijn binnenste wilde lezen. De mogelijke juistheid van quot;souden beweren was niet te loochenen, maar werwaards ze leiden moest was hem nog onbekend. De onzekerheid duurde echter niet lang.
102
»Zou hat dus geen overleg, geen doorzicht verraden, mijri vader! indien het geloot' van den oude wierd onderzocht?quot;
»Wel heftig is uw ijver, naar ik merk; een ijver, die zelfs staat naar een onderzoek van het geloof eens bloedmaag». Uwe vrouw was toch een nicht van de dochter des Schouts, naar ik meen,quot; hernam de monnik scherp.
»Die ijver kan u toch niet bevreemden, mijn vader, overmits ik u wel een naderen maag, mijn zoon. afsta!quot;
))Op welke gronden evenwel zou uwe aanklacht steunen, ondersteld dat daaraan gevolg kon worden gegeven?quot;
«Indien hij zich schuldig wist, hij ware in Brussel gebleven of naar Amsterdam gegaan en hadde zijne goederen terug gevorderd, doch zich niet verscholen bij een Geuzen-predikant liier ter stede.
«Bevindt zich zulk een alhier? En gij verzwijgt mij dit tot dus verre? Waarom dat niet aan den Gerechte aangezegd?quot;
«Omdat het mij niet eer dan gister bekend is geworden. Het is Rijkert Claesz, de zilversmid. Doch ik waarschuw u, mijn vader, den vijand niet in het aangezicht aan te randen; voor het minst nu niet. De herder wordt beschermd door een talrijke kudde. Men zoude echter kunnen aanvangen met den oude, die hier geene of slechts zwakke beschermers telt, en die wellicht bij een scherpe ondervraging veel ontdekken kan wat den Geuzen-predikant en de zijnen bezwaart, zoodat men bij een ommezwaai der dingen, die ik verbeid, bewijzen in handen zou kunnen hebben, wier degelijkheid den rechter niet in perijkel zoude brengen van lichtvaardiglijk te moeten oordeelen en straffen. Wij moeten beginnen met den oude.quot; fluisterde oude Freèrijk nogmaals, terwijl hij de hand lei op den arm des monniks, die in gepeins tegenover hem neerzat.
«Uwe aanklacht is niet van dien aard, dat Mijnheer de Schout daarnaar zijne ooren zal neigen. Hij zal zijn bijstand weigeren en hoe den oude alzoo voor de vierschaar te brengen?quot;
«Verblijve de zorg daarover aan mij!quot; fluisterde oude Freèrijk. «Ik zal hem doen vangen en hem herwaards brengen, mids mij de last daartoe van u geworde, mijn vader! Gij begrijpt, dat ik dit eischen moet voor mijne eigene veiligheid.quot;
De monnik hief snel liet hoofd en schrok terug, terwijl een blos zijn gelaat overtoog. «Wie waant ge in mij te ontmoeten?quot; vroeg hij toornig. «Goed, dat ik uwe intentiën leer kennen, opdat het u te eer blijke dat er niets gemeens is tusschen ons. Waant gij het heilige Gerecht alzoo te kunnen misbruiken en het te doen dienen ter bevordering uwer plannen, die in het duister schuilen en het verdienen. Ziet ge mij voor een handlanger aan eener boevenstreek ? Bij het heilige bloed onzes Gods, mijn weg is niet uw weg! Ik hoop strijdende te sterven op de trappen van het Hoogaltaar, maar de vijand vinde geen dolk of giftkelk in mijne hand!quot;
«Mijn vader! gij begrijpt mij niet juist. Niets euvels lag in mijn ...quot;
1
103
))Genoeg. Ik beid uwen zoon en uwe tijding aangaande den jongeling. Voorts bevele ik u af te staan van het opzet, dat ik ten halve vermoed. Weet, dat een scherp oog uwe gangen volgt en dat de priester uw aanklager kan worden ook voor de Schepenbank.quot;
»Maar, mijn vader .. .!quot;
«Verlaat mij. Ik zal u weldra komen zien en u nader over uw zoon onderhouden. Voorts leg ik 11 den plicht op, niet meer ernst lt;lan ooit den heiligen dag van morgen te vieren, dien ik u vermaan door te brengen in de kerk onzes kloosters onder boetedoening en geween.quot;
Martinus doelde op den derden Mei, wanneer de Katholieke Kerk de geheele verandering van geest en gemoed des heiligen Augusti-iïus gedenkt, die, in het net der zonde verstikt, in de wetenschap der Heidensche scholen verdoold, in de Heidensche wijsbegeerte verzonken geweest, zich had bekeerd tot Christus en tot een nieuw leven was ontwaakt.
De woorden des monniks waren daarom streng en mochten wel als een pijlspits dringen in het harte des zondaars.
De wenk, die de laatste woorden begeleidde, was te gebiedend om niet gehoorzaamd te worden. Oude Freêrijk stond doodsbleek op; hij gevoelde met eigen hand roekeloos te hebben omgeworpen wat hij in de laatste oogenblikken zoo kunstelijk had opgebouwd. Fel was de wrok in zijn hart jegens den strengen monnik, maar hij was verstandig genoeg om dien te ontveinzen, daar hij den invloed des gehaten kende en den bijstand van dezen noodig wist. Veeleer moest hij weder zoeken uit te wisschen, wat misdreven was en door verdubbelden ijver de opgewekte achterdocht doen verdwijnen, voor het minst verzwakken, en middelerwijl zorg dragen, dat zijne voornemens met den Oud-Schout door den strengen monnik niet wierden verijdeld.
))Ik hoop u weldra te overtuigen, dat te groote strengheid onrechtvaardig maakt en vaak bondgenoten beleedigt, hoewel zij ware vrienden daardoor nog niet verwijdert. Ik denk spoedig aan uw verlangen te kunnen voldoen, mijn vader!quot;
Met eene nederige buiging verliet hij de cel. «Met hem is niets aan te vangen,quot; prevelde hij. ))De Blonde moet voor hem nog eeu poos dood blijven. Bij den ander slaag ik gewisselijk beter, hoewel de bate geringer zal zijn.quot;
Hij wandelde den langen steenen gang ten einde. Zijn voetstap was zoo zacht, dat hij nauwelijks in het gewelf weerklonk. Toen hij eenige cellen was voorbijgegaan, hield hij voor eene, die zich in een anderen vleugel van het gebouw bevond, stil, en na behoedzaam rondgezien te hebben, of ook iemant hem daar opmerkte, tikte hij aan de gesloten deur. Het bezoek scheen voor den bewoner onverwacht en ongewenscht, daar er eenige sekonden verliepen, eer Freêrijk verlof tot binnentreden gegeven werd. Deze wachtte echter
10-i
geduldig, daar liij de oorzaak van de niet beleefde ontvangst scheen te vermoeden. Die oorzaak kon dan ook niet verborgen blijven voor wie geen vreemdeling in dat klooster, en geen onbekende van de bewoners was Het rinkinken van een kroes, het dichtslaan van een kast, hetgeen in der haast niet zeer behoedzaam geschiedde, verried dat de bewoner dier cel niet verlangde, een vreemde van zijne laatste bezigheid getuige te doen zijn. Eindelijk ging de klink der deur omhoog, en het gelaat van broeder Theodorus, dat thands meer dan gewoon rood zag, werd door de reet zichtbaar.
Het bleek in den aanvang van toorn te zijn. » Wie komt de devotie storen van den armen zondaar, die zicli verdeemoedigde voor de Moedermaagd en hare Heiligen?quot; Maar toen hij het gelaat des poorters zag, veranderde hij van toon en opende hij de deur geheel. «Heer Freèrijk! vergeving dat ik u niet 1,erkende, en u niet ontving naar uwen staat. Het pijnde mij echter, zoo plotseling te worden neèrgetrokken tot het aardsche. Treè evenwel binnen en zit neder, tenzij u de bank wat te hard blijke. Alle gemak is ons verboden, het verwijdert ook het harte van de gebenedijde Maagd.quot;
sGewisselijk, Eerwaarde! en daarom ontzeg ik het ook mijzelven, hoewel ik bekennen moet daarin niet zoo strengelijk te werk te gaan als gij. Ik bid om verschooning voor de stoornis, maarzoo velerlei bezigheden zijn mij opgeladen in deze troebelen...!quot;
»Met recht troebelen, mijn zoon! de ongeloovigen slaan de sclien-nige handen aan het wierookvat. Miserere, miserere!quot; en de monnik sloeg de oogen naar boven. Zijne aandoening scheen zoo hevig, dat het hem zwaar viel te blijven staan, waarom hij maar spoedig zich nederzette en Freèrijk wenkte dat eveneens te doen. nZwaar zullen de Heiligen deze stad bezoeken! Hebben zij mij straks niet weder vervolgd en beschimpt! Het gaat hier toe als onder de Heidenen in Sodom, zooals de heilige Augustinus zegt, die zeker in betere tijden geleefd moet hebben, daar hij anders zoo heilig niet had kunnen zijn! Dat de poort slechts open stond voor Gods gewijden, en ik verliet de stad, de wrake van mijn Patroon voor haar afbiddende, ja, het vuur van den hemel. Maar werwaards zou ik trekken? Armoede is de regel mijner orde, en in deze vermaledijde tijden is de pij een kleed van schande en een doelwit voor den haat.. .quot;
»Helaas, ja, mijn vader! ik merk het met verdriet, en liang tevens de meening aan, dat de geloovigen thands moeten verdubbelen in goede werken en hoe kleiner hun aantal wordt, des te meer moeten toenemen in ijver. Ik wil u niet ontveinzen, mijn vader! dat dit het hoofddoel is mijner komst alhier. De beroering is stijgende en het gevaar voor de geestelijkheid vooral klimt...quot;
»Zoudt ge dit waarlijk denken?quot; riep de monnik, terwijl hij den klagenden toon van straks geheel liet varen en de handen vouwde. «Staat ook de Geuzenhoop voor de deur? Uwe woordenspellen iets
105
vreeselijks. Meld mij alles, opdat ik daarnaar mij richten kunne. Tk geloove het der Moedermaagd en hare Heiligen toch verplicht te zijn mij zeiven te sparen, zij het ook door eeae heimelijke vlucht.quot;
«Wees des niet ontroerd, mijn vader! Ik vergeef het mijzei ven niet. dat ik door mijne onvoorzichtige woorden u dergelijken schrik aanjaag. Neen, de Heiligen zijn gedankt, tot eene dusdanige hoogte rees het gevaar nog niet; nog wagen de ketters het niet, zich in die mate aan Gods gewijden te vergrijpen. Doch liet kan zóo ver komen, mijn vader! En uit bezorgdheid voor uwe heilige orde, aan wie ik mij zoo nauw verbonden gevoel â mijn biechtvader draagt toch haar kleed â ben ik ook tot u gekomen met de oodmoedige bede, thands, nu het nog binnen deze muren vrede heet, van mij eene ondersteuning te willen aannemen, die wellicht later, wanneer ik u niet meer kan naderen, van nut zoude kunnen zijn.quot;
Schijnbaar bedeesd, liet hij eenige gouden Angelotten schemeren, terwijl hij de monnik met de oogen ondervroeg.
»Hoe u te danken, mijn zoon! voor uwe tedere zorg en uwe kinderlijke liefde jegens de arme Augustijners, die door de beklagelijke tijden wel genoodzaakt worden het nietig slijk kostbaar te heeten, en voor eene wijle af te staan van hunne verachting voor al wat aardsch is,quot;
Hij nam de Angelotten aan en borg ze haastig in zijne pij. »Met recht noemt ge dit eene ondersteuning, die mij van nut kan zijn. Het doet in deze benauwde tijden de grendels van de poorten schuiven en ons, aanstaande zwervelingen, helpen aan een dak en wat stroo. Strekt uwe milddadigheid zich tot ons allen in gelijke mate uit, mijn zoon! waarlijk, het zal uwen buidel niet weinig verlichten, want de behoeften zijn vele.quot;
Oude Freêrijk kende hem genoeg, om niet te weten welken zin liij aan die woorden moest hechten.
Het was wonderbaar, maar de monnik, die met zooveel voldoening den ontvangen schat had verborgen, zou zich nog rijker gevoelen, indien hij vernam, dat zijne broeders niets hadden ontvangen.
Freêrijk andwoordde daarom: »Het zal het goede werk,dat door uwe goedheid, mijn vader! werkelijk te hoog wordt geschat, niet weinig in uwe oogen verkleinen, indien ik beken, dat het mij voor als nog moeilijk was allen te gedenken. Ik spoed mij het eerst tot hem, dien ik naar mijn beperkt verstand boven allen heb gesteld.'quot;
sEn uw biechtvader dan?quot; vroeg de monnik, die, indien hij niet eenige oogenblikken alleen in devotie bij zijn geliefd kanneken had doorgebracht en alzoo klarer had kunnen denken, de laatste loftuiting wel wat overdreven zou hebben genoemd.
«Mijn biechtvader ? De heilige Willebordus. mijn patroon, vergeve liet mij, maar hem kan ik niet eeren, zoo als hij het misschien verdient. Hij wil te veel liet Paradijs voor mij bestormen en ik boude meer van eene langzame nadering.quot;
! [
|!| i jir
II
jr i â¢I
I
11.
â Ir
â i
jl f i
106
»Gij hebt juist mijne meening geuit, mijn zoon! Broeder Martinus is een heilig man; ik zeg het altijd in het openbaar; maar er is in hem te veel van den soudenier, van den speerknecht. Zoo als ge zelf zegt, hij wil het Paradijs met geweld innemen, misschien wel zonder hulp van den heiligen Petrus
«.luist, mijn vader! en daarom wensch ik in oogenblikken van bekoring een anderen zielverzorger. Ik bevind mij althands zoo niet in dergelijken toestand, dan toch in een. die daarop veel gelijkt. Een zware last bezwaart mij de ziel. Ook daarom kom ik tot u.quot;
sik hoor,quot; sprak de monnik vroolijk, daar zijn hoogste wen-schen waren vervuld. «De troost, dien de Kerk te bieden heeft, zal u geworden, mijn zoon!quot;
»Ik heb een bloedverwant, een iioog aanzienlijk man, rijk van goed. edel van bloed en oud van dagen. Het laatste doet hem niet meer zoo scherp van oordeel zijn als hij wel plach. Nu hebben de ketters zich zijns weten te bemachtigen en beidt hij dit oogenblik, zeker half onwillig, bij een Geuzenpredikant, die hem zoekt te be-keeren. om zijn goud aan te wenden ten bate der gevloekte zaak. Zou het niet mijn plicht zijn als trouwe zoon der Kerk, om dien bloedverwant aan de klauwen van den Booze te ontrukken?quot;
«Gewisselijk, mijn zoon! de Heiligen bewaren mij, maar is hij gevestigd bij een Geuzenprediker? Hij zal niet meer te redden zijn.quot;
»Ik zal het beproeven, mijn vader! Ik geloof het niet gants onmogelijk den armen misleiden man de kettersche woning te doen verlaten, doch werwaards zal ik hem voeren? Naar mijn huis? De Geuzen zullen het weldra merken en zich weder meester maken van hun kostelijken buit. Neen, voordat ik iets beproef, moet ik zeker zijn van eene bekwame huisvesting voor den misleiden man, van eene plaats waar hij niet gezocht kan of zal worden. En dienaangaande kom ik uwen raad inwinnen, mijn vader!quot;
«Maar gij zult toch niet willen, dat ik hem hier herberg en den wrok van de kettersche bende bij ontdekking op mijn hoofd lade?quot; vroeg de monnik beangst.
«Gewisselijk niet, mijn vader! Maar gij zijt beter bekend dan ik met de gesteldheid der belendende kloosters. In dat van Ursula bij voorbeeld zal men hem niet zoeken. Ik neem de verzorging van den ouden man geheel op mij, en zie niet op een daalder, waar het de oppassing geldt van hem, die mij dierbaar is.quot;
«Het is een gevaarlijke onderneming, hoe loffelijk ook het doel zij,quot; zeide de monnik, die geklemd zat tusschen zijn angst voor ontdekking en zijn verlangen, om het aantal zijner gouden Angelotten nog met eenige te vermeerderen.
«Ik wil u wel eenige weken kostgeld vooruit betalen,quot; hernam Freêrijk, terwijl hij den monnik een goudstuk voorhield.
«Ik ben goed bekend met de Priorin en ken de geestelijke zusters
107
zeer goed!quot; vervolgde Theodorus, terwijl hij de oogen gevest hield op het glinsterend lokaas.
»Ik zou 't het meest oirbaar achten, dat ik u de kosten van oppassing betaalde, hetgeen dan door u, mijn vader! verrekend kon worden met de eerwaarde zusters. Ook dit schat ik voor de eerste maand op een gouden Angelot.quot; Freêrijk hield hem een tweede muntstuk voor. De verzoeking werd te sterk.
«Daarbij,quot; hernam de monnik, zijne vroegere rede vervolgende, »is de toegang tot het Ursula-klooster gemakkelijk. Er is gemeenschap door onzen lusthof in den hunnen, hetgeen ., .
»Alle achterdocht onmogelijk maakt,quot; viel Freêrijk in.
))Ten minste bemoeilijkt en de verzorging en oppassing, die ik op mij neem, niet al te zwaar doet zijn. Van de heilige zusters ben ik zeker.quot;
»Dus dat is overeengekomen. Gij ontheft mijne ziel van een zwa-ren last, mijn vader! Hoor, wat ik mij voorstel te doen. Door mijne zorg zal de oude man herwaards worden gebracht; met uwen bijstand wordt hij door den hof van dit klooster gevoerd, en langs dien w-eg naar de geestelijke zusters. Ge zult u wel belasten met daar uwe beschikkingen te maken? Daar ik met u de penningen verreken, handel ik alzoo alleen met u en heb ik mij niet te wenden tot de zusters.quot;
»Maar ... ik achtte het beter, dat gij . ..quot;
»Ik begrijp u, maar een dusdanige regeling is de beste. Aan u verblijve de eer van een ketter bekeerd te hebben. De Landdeken moet liet weten; ik heb de eer hem te kennen. Waarom zoudt gij geen Prior van liet St. Augustijner klooster kunnen worden, als de afgeleefde sterrenkijker de oogen voor goed dicht knijpt, ot zelfs eer, daar de oude reeds zoo goed als gestorven is voor deze waereld ?quot;
«Slechts oodmoed voegt den orde-broeder en vooral mij,quot; hernam Theodorus, wien het moeilijk viel zijn genoegen te ontveinzen. gt;ilk ken mij niet waardig zulk eene verhevene plaats in te nemen, maar ware het in het belang der orde, ik zou niet aarzelen ...quot;
«Dienaangaande verstaan wij elkaar nader,quot; hernam de oude Freêrijk. «Breng alles slechts in gereedheid, mijn vader! voor de uitvoering van uw plan. Het juiste tijdstip waarop de misleide oude herwaards zal worden gevoerd, deel ik u later mede. Voor alles verg ik geheimhouding; kan ik des verzekerd zijn?quot;
«Gewisselijk, mijn zoon! Maar zouden wij over dat punt niet nader kunnen spreken?quot; zei de monnik, die hoe langer hoe meer ontnuchterd werd en inzag welk gevaarlijk spel hij dreef.
«Zou dit nog noodig zijn, in aanmerking genomen uwe scherpzinnigheid, die eene herhaling van het gesprokene zeker niet behoeft? Vaarwel, mijn vader! De Heiligen mogen Uw Eerwaarde in hunne bescherming nemen en uwe kracht en uwe gezondheid ver-
los
meerderen!quot; Dit zeggende stond hij op en vertrok snel zonder het andwoord van broeder Theodorus af te wachten.
Even behoedzaam als hij gekomen was, keerde hij terug; en geen der broeders ontmoette hem dan alleen de Gardiaan, die, dergelijke bezoeken gewoon, hem tot aan de deur verzelde en deze met dezelfde traagheid als altoos achter hem sloot.
Toen Freêrijk buiten het klooster was, verhaastte hij zijn stap. Zijne neerslachtigheid was ten deele verdwenen. Wel was het offer groot, dat hij der Kerk brengen moest, maar een gevaarlijk vijand zou onschadelijk gemaakt worden; en zoodra hij het was, kon hij den gevaarlijksten van allen belagen: den jongeling die hem zoo weinig kwaads had berokkend, maar dien hij schuwde, alsof' het instinkt iiem influisterde, dat de balling, de vluchteling, de wees, zijn grootste bestrijder was of worden zou.
Welke plannen hij nu reeds vormde, om zijn zoon uit de kloostercel te verlossen, zoodra hij zijn doel had bereikt; wat hij beraamde om den heimelijken aanval op Heere Bardes te wagen, alles bleef in zijn boezem besloten. Dat zijne overleggingen tot een gelukkig einde werden gebracht, getuigde de opgeruimdheid zijns gelaats, zelfs de glimlach om de fijne lippen, terwijl hij den klopper op de deur zijner woning liet vallen. Doch spoedig rimpelde zich zijn voorhoofd en maakte de glimlach plaats voor een glimp van vrees en angst, toen hij, na het bericht zijner dienstmaagd, de pronkkamer binnentrad en zich tegenover den Arnsterdamschen Admiraal bevond, die met driftige schreden door het vertrek liep en den opgewekten toorn lucht gaf in verwensching en vloek.
HOOFDSTUK IV.
«Het is, bij mijne ziel. het eerste vriendelijke, voor't minst niet barsche gelaat, dat ik in dit gevloekte nest ontmoet!quot; riep de krijgsman den gastheer, die van verbazing een wijl op den drempel toefde, toe.
Wij noemden den vertoornden spreker een krijgsman; hij had recht op dien naam, al toonde zijn zijde geen slagzwaard, zijne hand geen bevelhebberstaf; al dekte geen harnas zijn leden. Toonde al niet de lijne stoffaadje van wambuis en broek, de roode en witte veder op zijn hoed van bever, de ring, die aan zijn vinger schitterde, zijn hoogen rang, de recht opgaande gestalte, de gebiedende oogopslag deed het voorzeker. Er lag iets echt Hollandsch op dat bijkans naar den vorm ronde gelaat, met zijn gezonden blos, zijn grove wangbeenderen; iets ruws, maar gemoedelijks en eerlijks, hetgeen misschien iets stomps had kunnen duiden, had niet de scherp geteekende kin en mond dit onmogelijk gemaakt.
Het was een man van ongeveer vijftig jaren, wiens kort afgeschoren hair reeds grijsde. Zijn naam was bij de Geuzen geducht, wier vlieboten hij menigwerf overmeesterde, waarbij de bemanning, als des doods schuldig, immer over boord ging. Der matiging toegedaan, zoo lang de Goevernante het roer van Staat in handen hield en de Prins van Oranje met Egmond en Hoorne in den Raad van State nederzat, was hij bij Alvaas komst, misschien tegen zijn gemoed, en alzoo alleen uit vrees van ontzet te worden van zijn ambt, hetgeen hij voor zich zeiven en ook voor de zijnen voorkomen moest, een hart van staal geworden, dat geene zachtere straffe kende voor de opgestane onderdanen des Konings, dan een spoe-digen dood.
Hij was een trouw zoon der Kerk, een kinderlijk geloovige, die de blinde gehoorzaamheid, zoo hij haar niet reeds putte uit zijne inborst, bovendien nog geleerd had als krijgsman. Daar de Kerk de opgestane muiters veroordeeld, zijn Opperheer hen in den ban had gedaan, betaamde het hem slechts de hand te zijn van het alleen denkende hoofd.
Of hij het echter deed met een nooit trillenden arm, met een
108
meerderen!quot; Dit zeggende stond hij op en vertrok snel zonder het andwoord van broeder Theodoras af te wachten.
Even behoedzaam als hij gekomen was, keerde hij terug; en geen der broeders ontmoette hem dan alleen de Gardiaan, die, dergelijke bezoeken gewoon, hem tot aan de deur verzelde en deze met dezelfde traagheid als altoos achter hem sloot.
Toen Freêrijk buiten het klooster was, verhaastte hij zijn stap. Zijne neerslachtigheid was ten deele verdwenen. Wel was het offer groot, dat hij der Kerk brengen moest, maar een gevaarlijk vijand zou onschadelijk gemaakt worden; en zoodra hij het was, kon hij den gevaarlijksten van allen belagen: den jongeling die hem zoo weinig kwaads had berokkend, maar dien hij schuwde, alsof het instinkt hem influisterde, dat de balling, de vluchteling, de wees, zijn grootste bestrijder was of worden zou.
Welke plannen hij nu reeds vormde, om zijn zoon uit de kloostercel te verlossen, zoodra hij zijn doel had bereikt; wat hij beraamde om den heimelijken aanval op Heere Bardes te wagen, alles bleef in zijn boezem besloten. Dat zijne overleggingen tot een gelukkig einde werden gebracht, getuigde de opgeruimdheid zijns gelaats, zelfs de glimlach om de iijne lippen, terwijl hij den klopper op de deur zijner woning liet vallen. Doch spoedig rimpelde zich zijn voorhoofd en maakte de glimlach plaats voor een glimp van vrees en angst, toen hij, na het bericht zijner dienstmaagd, de pronkkamer binnentrad en zich tegenover den Amsterdamschen Admiraal bevond, die met driftige schreden door liet vertrek liep en den opgewekten toorn lucht gaf in verwensching en vloek.
HOOFDSTUK iV.
»Het is, bij mijne ziel. het eerste vriendelijke, voor't minst niet barsche gelaat, dat ik in dit gevloekte nest ontmoet!quot; riep de krijgsman den gastheer, die van verbazing een wijl op den drempel toefde, toe.
Wij noemden den vertoornden spreker een krijgsman; hij had recht op dien naam, al toonde zijn zijde geen slagzwaard, zijne hand geen bevelhebberstaf; al dekte geen harnas zijn leden. Toonde al niet de fijne stoffaadje van wambuis en broek, de roode en witte veder op zijn hoed van bever, de ring, die aan zijn vinger schitterde, zijn hoogen rang, de recht opgaande gestalte, de gebiedende oogopslag deed het voorzeker. Er lag iets echt Hollandsch op dat bijkans naar den vorm ronde gelaat, met zijn gezonden blos, zijn grove wangbeenderen; iets ruws, maar gemoedelijks en eerlijks, hetgeen misschien iets stomps had kunnen duiden, had niet de scherp geteekende kin en mond dit onmogelijk gemaakt.
Het was een man van ongeveer vijftig jaren, wiens kort afgeschoren hair reeds grijsde. Zijn naam was bij de Geuzen geducht, wier vlieboten hij menigwerf overmeesterde, waarbij de bemanning, als des doods schuldig, immer over boord ging. Der matiging toegedaan, zoo lang de Goevernante het roer van Staat in handen hield en de Prins van Oranje met Egmond en Hoorne in den Raad van State nederzat, was hij bij Alvaas komst, misschien tegen zijn gemoed, en alzoo alleen uit vrees van ontzet te worden van zijn ambt, hetgeen hij voor zich zeiven en ook voor de zijnen voorkomen moest, een hart van staal geworden, dat geene zachtere straffe kende voor de opgestane onderdanen des Konings, dan een spoe-digen dood.
Hij was een trouw zoon der Kerk, een kinderlijk geloovige. die de blinde gehoorzaamheid, zoo hij haar niet reeds putte uit zijne inborst, bovendien nog geleerd had als krijgsman. Daar de Kerk de opgestane muiters veroordeeld, zijn Opperheer hen in den ban had gedaan, betaamde het hem slechts de hand te zijn van het alleen denkende hoofd.
Of hij het echter deed met een nooit trillenden arm, met een
llü
staag ongerimpeld voorhoofd? Velen twijfelden daaraan, die zijne verknochtheid kenden aan zijne landgenooten, zijne vurige liefde voor de privilegiën der steden, welke beiden wel gedeerd moesten worden in den krijg dien hij verplicht was te voeren. Zelfs verspreidde men vrij algemeen het gerucht, dat, toen hij in Amsterdam terug kwam na de Geuzen bij den Eems geslagen te hebben, en de Stadhouder hem uit 'sLandvoogds naam een juweel van groote waarde als blijk van tevredenheid aanbood, hij vuurrood werd en de oogeu nedersloeg, hetgeen niet weinige der ooggetuigen toeschreven aan schaamte, dat hij een geschenk moest aannemen van den vreemdeling voor het verslaan van landgenoten.
Hij was echter de vertrouwde van den Stadhouder van Holland, den Graaf van Bossu, die hem ijlings naar Enkhuyzen had doen vertrekken op last van den Hertog van Alva, die meer en meer zijn misslag van de zeesteden onbezet te hebben gelaten inzag, en daarom in allerijl maatregelen had beraamd, om ook Enkhuyzen, een der gewichtigste punten van Hollands zeekust, van krijgsvolk te doen voorzien. Met welken uitslag dit echter tot dus verre plaats had, hebben wij vroeger reeds aangetoond.
De vloot, die in de haven der stad gereed gemaakt en uitgerust werd tegen de Geuzen in het Vlie, zou den Amsterdamschen Admiraal tot bevelhebber ontvangen, waarvan Heere Freêrijk door hem in het kort was kennis gegeven, met het bericht dat hij bij hem tot aan het uitzeilen der vloot vertoeven zou.
Er moest dus wel iets onaangenaams zijn voorgevallen om den ruwen groet van den krijgsman slechts eenigermate te doen billijken.
Freêrijk begreep dat evenzeer en vroeg daarom min belangstellend dan wel verbaasd: ))Heere vriend, ik had een hartelijk welkom op de lippen, maar ik smoor het, daar ik tot mijn smart bemerk, dat de reize herwaards u verre van welgevallig is geweest.quot;
»De reize? Dat is het niet!quot; hernam Boshuyzen zachter, terwijl hij Freêrijk de hand toestak, die (leze dadelijk greep. »Dat is het niet alleen, hoewel het wambuis mij te eng werd toen ik bij Leeck 's Hertogs knechten als honden zag neergeschoten. Dicht bij den dijk lagen ze op een hoop, zoodat het niet moeilijk viel te gissen waar de verdoemde Geus ditmaal weêr geland was.quot;
))Bij Leeck, op den Hoornschen weg?quot; vroeg oude Freêrijk, wien een oprijzende gedachte verraste. »En van welk vendel waren de verslagenen ?quot;
sliet viel moeilijk dit te bespeuren. De hongerige rotten hadden alles kaal geknabbeld. De Geus liet hun geen stuksken lijnwaad. Een echter herkende ik nog; het was de hopman, dien ik in Amsterdam meermalen heb ontmoet; hij werd er Antonio genoemd.quot;
sEn ook hij was naakt uitgeschud?quot; vroeg Freêrijk, en de belangstelling waarmeê hij het deed, joeg hem een blos op het aangezicht.
»Ja; wij hebben hem evenwel, uit aanmerking van zijn rang, een
Ill
graf in de weeke klei gedolven. Dat hij ruste in vrede!quot; voegde hij er vromelijk bij, terwijl hij zich kruiste.
»Maar, Heere vriend! was hem niets gelaten? Hebt gij in den omtrek goed rondgespeurd. De Geuzenbende zal alleen kleed en buidel meê hebben gevoerd en het voor haar waardelooze wel hebben achtergelaten. Zaagt ge ook in de nabijheid een stuksken papier?''
»De vraag wondert mij niet weinig,quot; hernam de Admiraal glimlachend. »Op het slagveld bij het vinden van vermoorde vrienden uit te zien naar dergelijke kleinigheid!quot;
»Dus is het niet voor mij, en zal het ook niet voor u blijven, indien ge weet, dat het hier het al of niet vangen van een zeer gevaarlijken rebel geldt. Viel mijn brief den Geus in handen, waarlijk ik zoude reden hebben om te onderstellen, dat de muiter gewaarschuwd wierd en mij ontsnapte.quot;
))Nu gij echter daarvan gewaagt...!quot; hernam Boshuvzen, die nu zijn best deed zijn geheugen te scherpen. «Werkelijk, ik zag daar ettelijke snippers, die een mijner hellebardiers nog heeft opgezameld, denkende dat het iets van gewicht konde zijn. Hij moest echter spoedig den begonnen arbeid staken, overmits die doelloos moest zijn en wind en weder voor de verstuiving en verderving dier snippers het noodige hadden verricht.quot;
Er kwam een schijn van tevredenheid over Freèrijks betrokken gelaat. Hij dacht, dat de door hem geschreven brief door de Geuzen als geheel zonder beteekenis zoude verscheurd zijn en kon niet vermoeden, dat de gevonden snippers alleen betrekking hadden op het schrijven, dat bij den door de Spanjaarts omgebrachten bode gevonden was.
«Het smart mij, dat mijn opzet niet is gelukt; maar het verheugt mij tevens, dat de vijand daarmee zijn voordeel niet heeft kunnen doen. Ik vermoed toch dat de dappere hopman â de Heiligen ontfermen zich zijner! â den brief zal hebben vernietigd.quot;
»Het schijnt u te ontheffen van eene zware zorg,quot; merkte Bos-huyzen aan.
»Kan het anders, daar ik mij zeiven niet zou kunnen vergeven eenig ding ten nadeele Zijner Majesteit verricht te hebben, al ware de bedoeling ook prijselijk en de mislukking niet aan mij te wijten ? Maar, Heere vriend, geef u wat ruste op dien zit en gun mij hetzelfde te doen. Het wekt mijne nieuwsgierigheid op, te weten wat de oorzaak zij van den toorn, mij straks zoo duidelijk gebleken.quot;
))Dat gij 't niet hebt kunnen gissen, bewijst mij, dat gij niet gantschelijk bekend zijt met de gesteldheid dezer stad en de vermetelheid van haar Geuzengebroed. De herinnering jaagt mij het bloed naar den kop. Mij dus te bejegenen! Maarzij zullen van mij hooren, als ik mijn serpentijnen en gotelingen hanteer en ik de donderklooten op hunne gevloekte schedels laat neerhagelen.quot;
»De Heilige Willebrordus kome mijn verstand ter hulpe, ik versta
412
niets van uwe reden! â Ik ken de troebelen, die gister plaats vonden; ze zijn alevel niet erg ontrustend en vallen alleen voor door eenige ballingen en kalissen, die bij de eerste okkasie ter poorte worden uitgedreven.
»Bestrij niet wat ik met eigen oog heb aangestaard. De opstand der stad te ontveinzen, is doelloos, Heere!quot; zeide de Admiraal heftig, terwijl hij den oude wantrouwend aanstaarde.
»Maar dat was mij onbekend, Heere vriend, waarlijk ik wist daaraf niets!quot; stamerde Freêrijk.
«Hetgeen toch niet voor zonderlingen ijver pleit, in aanmerking genomen de scherpte van uw oog, die het u niet kan hebben doen voorbijzien.quot;
»Waarlijk, ik wist daaraf niets,quot; herhaalde Freêrijk eenigszins beklemd, daar hij merkte dat de bitse woorden des Admiraals een dieperen grond hadden dan ontevredenheid over zijne onwetendheid. «Kreeg ik van het gebeurde bericht, ik zou het misschien in verband kunnen brengen met andere feiten en misschien daardoor...!quot;
«Reeds in Hoorn vatte ik achterdocht op. De Burgemeesleren waren hoofsch en nederig genoeg in hunne sprake; hunne daden toonden echter zulk een groote hoofschheid niet. Zij gaven mij een eerezit in Burgemeesters kamer, doch lieten mij bewaken door hunne schutters, hoewel ik daarvoor expresselijk mijne hellebardiers had meêgenomen. Toen ik de poort uitreed, ontstond er zulk gedrang, begeleid van gemompel en gemor, dat ik met de hellebardiers ruimte liet maken, hetgeen de smaadredenen te eer en te luider deed uitbarsten van het schuim, dat mij den weg versperde. Een zelfs waagde het tot mij door te dringen en de toornen van mijn paard te grijpen, maar een vuistslag deed hem deinzen. Hoe ik gewenscht had een half vendel busschieters achter mij gehad te hebben; want ook in die stad grimmelt het van Geuzen en vagebonden! Toen ik eindelijk buiten kwam, wees mij een mijner wachten op een zwarte stip voor ons op den langen rechten weg. Zijn blik was scherp, want voor hem was die stip. die ik nauw onderscheidde, een manspersoon, die zich in allerijl heenspoedde. Wat dit beduidde, werd mij weldra klaar. Toen wij Leeck, waar we een wijle getoetd hadden, voorbij waren, kwam ons een Enkhuyzer poorter op zij. die mij influisterde, dat mijn aantocht in de stad reeds was bekend geworden, en de muitende poorters van de nieuwe leer daarop in het wachthuis aan de poort zich in rade hadden véreenigd. Hij meende, dat ik gevaar zoude loopen van wege den overmoed der ketters en bad mij voorzorgen te nemen.quot;
«Wakkere poorter!quot; riep Freêrijk als in geestdrift uit. «Hoe is zijn naam? Zijn trouw moet beloond worden.quot;
«Gewisselijk; en hij is ook niet met ledigen buidel wedergekeerd, hoewel ik zijn vrees wel wat overdreven achtte. Toen ik onder de banne der stad kwam, trof ik Quikkel met zijn vendel, die daar
113
ettelijke uren reeds gelegerd was, en, hoe hij ook had gebeden, nog niet was toegelaten. Hij hief' liet zwaard, toen hij mij zag en zocht mij aan om hulp. Ik liet het vendel zoo nabij de poort als mogelijk was in slagorde scharen, en reed, verzeld van den hopman en mijn hellebardiers, voort, maar de slaghamei viel voor onze voeten neder, terwijl een slem mij door een spiegat toeriep; »Heere Admiraal, wat is uw begeeren?quot;
»Ik and woord geen onbekende, die zich bovendien schaamt mij zijn facie te toonen,quot; hernam ik, «en ook niet ter dezer plaats.quot;
»Het hield een oogenblik aan, dat voorzeker met beraadslagen werd doorgebracht, eer men de hamei optrok en ons doorliet, doch voordat ik het vendel een teeken kon geven mij te volgen, was zij weder neèrgevallen, terwijl ik mij op hetzelfde oogenblik omringd vond van een hoop burgers. Een, die wel de aanvoerder bleek, daar hij door allen gehoorzaamd werd, trad op mij toe en herhaalde de straks gedane vraag. Vele burgers ontblootten zich bij mijne nadering het hoofd, en ook de aanvoerder sprak mij toe op passenden toon. Ik meende alzoo te bespeuren, dat de poorters nog niet tot opentlijk verzet waren overgeslagen, en de ooren nog wel zouden leenen naar de bevelen van het wettig gezach. »Wie zijt gij, die mij dus ondervraagt naar het doel mijner komst?quot; sprak ik den burger toe. sik ken u niet als gezachhebber ter dezer stede. Ik verlang een der Burgemeesteren te spreken.quot;
))Ons is de zorg dezer poorte bevolen,quot; zoo klonk liet vast maar bedaard. »Wat baat u een samenspreking met de Burgemeesteren, en of zij u den toegang al gunnen, als wij u dien weigeren, Heere Admiraal ?quot;
sEen minder hooge toon ware welkom!quot; snauwde een der naastbijzijnde burgers mij toe.
»Dat was gewisselijk Rietlus,quot; merkte Freèrijk glimlachend aan, terwijl hij de magere vingers aan zijn kin bracht en die als in gedachten streelde. »Wij kennen den koekoek aan zijn roep en den ooievaar aan zijn veêren. Ga voort, Heere Vriend! verschoon de stoornis, maar ik dacht bij uw verhaal aan den dag waarop wij met dat venijnig gebroed zullen afrekenen.quot;
»'t Is nog verre van den dageraad, naar ik geloof,quot; zeide Bos-huyzen, waarna hij voortging: «Het was mij gantschelijk niet ongevallig, dat ik spoedig den Burgemeester Vest bespeurde, die mij echter toescheen niet wel te moede te zijn. Hij greep mij bij den arm en voerde mij ter zijde. »Men houdt ze gaande met zoete woordekens,quot; zoo blies hij mij in het oor, «hoezeer het mij ook tegen de borst stuite. Het tneerendeel van de Burgemeesteren is geneigd tot zachtigheid, het moet echter slechts het fluiten van den vogelaar zijn.quot;
»Ons gesprek werd gestoord door een hevig rumoer, veroorzaakt door de ontwapening mijner hellebardiers, die zich te weer stelden.
DU EERSTE DAG.
114
maar deels onder den voet geloopen, deels op de vlucht werden geslagen.quot;
»Ik kon den hoon niet, verkroppen en wierp mij in het midden der menigte, terwijl ik den vechtenden vrede gebood. «Staat ge dan zoo begeerig naar het rad, dat ge de handen uitsteekt naar 's Hertogs dienaars? Laat af, indien uw leven, indien uw stad u lief zij ....quot;
»Wij willen geen vreemden in de stad,quot; riep men mij toe. »Het is tegen keur en handvest. Denk aan Rotterdam,quot; schreeuwde een ander.
))Alsof ge niet keur en handvest op het spel zet door muiterij en partijleus! Burgers, kent gij mij dan niet? Ben ik een vreemdeling? Hebben wij niet in onze jeugd samen tegen de Gelder-schen en de Francosen gestreden?quot;
»Het werd stil om mij heen; men maakte mij ruimte, entoen besloot ik aan het geschil voor goed een einde te maken, sik stoot neèr, die mij wederstaat, en geef bij verzet de stad later ter plundering!quot; riep ik hun toe. Ik trad naar de hamei en wilde haar opheffen, maar een half dozijn armen hielden mijn hand vast. De wrevel barstte los en uit het gejoel klonken mij de kreten tegen: «Slaat hem neer, jaagt hem het mes door de ribben.quot; Het was mij eerst onmogelijk, weerstand te bieden aan den drang van den muitenden hoop, die mij naar den muur drong, zeker om mij in de gracht te doen neertuimelen. Van een gunstig oogenblik maakte ik echter gebruik; ik spande al mijne krachten in en wierp door een plotselingen ruk met de armen mijne naaste bespringers omver.
Toen holde ik voort____Ze zullen er voor boeten, het lage gebroed,
dat het mij dus de voeten deed reppen, achtervolgd door niet weinigen! Wat mijn lot ware geweest, indien geen trouwe burger mij een schuilplaats had aangewezen, ik zou het niet met zekerheid weten, maar ik vermoed het ergste. Eindelijk kwam ik ten uwent. Ik kwam als een weggejaagde soudenier. Bij het heilig mirakel, ik mag eerloos zijn. zoo ik mij niet wreke! De stad moet bezet worden met krijgsvolk eer de avond valt. Morgen kan ik mij dan inschepen.quot;
»Waar bleven uwe hellebardiers?quot; vroeg Freèrijk afgetrokken, die zich blijkbaar weinig om den hartstocht van den krijgsman bekommerde.
Dat kwetste dezen, waarom hij heftig ten andwoonl gaf: ))Wel wonderbaar zijn uwe vragen! Waar ik mij bezig houde met het hoofd en het edelste, geeft ge u af met de voeten en het laagste! Ik geloof, dat private belangen uwe geheele ziel innemen, en een of ander opzet, welks gehalte ik niet proeven kan, gantsche-lijk uwe aandacht in pacht neemt.quot;
))Gij hebt ten deele gelijk!quot; hernam Freèrijk met een glimlach op de lippen. )ilk werd afgeleid door andere belangen, maar geene private, en zon op een middel om uwen wensch voor hedenavond
115
vervuld te zien; geweld doet hier niets, beleid alles. Uwe helle-bardiers zijn verdreven, doch zullen alhier nog wel schuilen. Zijn het Hollanders.... en wel Amsterdammers?quot;
»Neen, op raad van Mijnheere den Stadhouder heb ik mijne hellebardiers moeten afdanken en heb ik mij omringd van vreemden,quot; hernam Boshuyzen, terwijl hij zich op de lippen beet. «Het zijn Duitschers....quot;
«Hetgeen mij zonderling wel te stade komt. Geef mij slechts een etmaal de beschikking over eenige hunner ....quot;
))Wat wilt ge. vroeg de Admiraal, en de vraag bewees niet te veel vertrouwen. Freèrijk had reeds overvloedig gelegenheid gehad, om in het gedrag des krijgsmans iets ongemeen stugs en bits te vinden.
»Wat ik wil, is u bekend, Heere vriend! gun mij het hóe nog eenigen tijd geheim te houden. Waarlijk, het is ia het belang der zaak. Zijne Genade de Hertog en Mijnheere de Stadhouder zullen over mij te vreden zijn.'' Freèrijk wenschte liet gesprek op een ander terrein over te brengen, waar het hem gelukken kon de reden van 's krijgsmans stugheid te leeren kennen en meteen zijne dierste belangen te bepleiten. Boshuyzen kon niet veinzen, dit wist hij. Het werd opnieuw bewezen door de vraag, die deze hem schijnbaar zonder aanleiding deed:
»Waar is uw zoon?quot;
«Mijn zoon....? ik vermoed, dat hij bezig is onze baerdsen en boten na te zien, die op dit oogenblik door de geuzen wel in de haven worden gesloten, maar toch de eerste kans zullen waarnemen om uit te loopen. Jammerlijk verloopt de handel, Heere vriend ! En ik juich den Stadhouder toe, dat hij er aan denkt de Zuiderzee schoon te vegen. Doch verschoon mijne lompheid, die deels geweten kan worden aan de belangrijkheid uwer tijdingen; ik heb geheel mijne verplichtingen als gastheer verwaarloosd. En dit tegenover zulk een gast! Gun mij een oogenblik daarop orde te stellen. Een hartige teug zal u goed zijn. Ik heb iets eèls, waarde vriend!quot;
Hij wachtte het gevraagde verlof niet af, snelde heen, maar keerde spoedig terug.
Zij het, dat Boshuyzen door de gulheid des gastheers en het uitzicht op »iets eèlsquot; zich gestreeld gevoelde, of wel, dat het kalme andwoord, op zijne laatste vraag gegeven, hem aangenaam had verrast, op vriendelijker loon werden de volgende woorden gesproken: »Uw zoon deelt alzoo nog in uwen handel? Waaruit ik zou moeten afleiden, dat het mij ter oore gekomen gerucht eene lastering ware?quot;
oHeere vriend! waarlijk, gij prikkelt mijne nieuwsgierigheid.quot;
»Hem hier niet vindende, achtte ik in den aanvang het gerucht niet overdreven. Toen ik straks uw woning betrad en ik uwe dienstmaagd naar u en uwen zoon vroeg, zeide ze mij, dat gij voor eene
112
niets van uwe reden! â Ik ken de troebelen, die gister plaats vonden; ze zijn alevel niet erg ontrustend en vallen alleen voor door eenige ballingen en kalissen, die bij de eerste okkasie ter poorte worden uitgedreven.
»Bestrij niet wat ik met eigen oog lieb aangestaard. De opstand der stad te ontveinzen, is doelloos, Heere!quot; zeide de Admiraal heftig, terwijl hij den oude wantrouwend aanstaarde.
«Maar dat was mij onbekend, Heere vriend, waarlijk ik wist daaraf niets!quot; stamerde Freèrijk.
«Hetgeen toch niet voor zonderlingen ijver pleit, in aanmerking genomen de scherpte van uw oog, die het u niet kan hebben doen voorbijzien.quot;
«Waarlijk, ik wist daaraf niets,quot; herhaalde Freèrijk eenigszins beklemd, daar hij merkte dat de bitse woorden des Admiraals een dieperen grond hadden dan ontevredenheid over zijne onwetendheid. «Kreeg ik van het gebeurde bericht, ik zou het misschien in verband kunnen brengen met andere feiten en misschien daardoor...!quot;
«Reeds in Hoorn vatte ik achterdocht op. De Burgemeesteren waren hoofsch en nederig genoeg in hunne sprake; hunne daden toonden echter zulk een groote hoofschheid niet. Zij gaven mij een eerezit in Burgemeesters kamer, doch lieten mij bewaken door hunne schutters, hoewel ik daarvoor expresselijk mijne hellebardiers had meegenomen. Toen ik de poort uitreed, ontstond er zulk gedrang, begeleid van gemompel en gemor, dat ik met de hellebardiers ruimte liet maken, hetgeen de smaadredenen te eer en te luider deed uitbarsten van het schuim, dat mij den weg versperde. Een zelfs waagde het tot mij door te dringen en de toornen van mijn paard te grijpen, maar een vuistslag deed hem deinzen. Hoe ik gewenscht had een half vendel busschieters achter mij gehad te hebben; want ook in die stad grimmelt het van Geuzen en vagebonden! Toen ik eindelijk buiten kwam, wees mij een mijner wachten op een zwarte stip voor ons op den langen rechten weg. Zijn blik was scherp, want voor hem was die stip, die ik nauw onderscheidde, een njans-persoon, die zich in allerijl heenspoedde. Wat dit beduidde, werd mij weldra klaar. Toen wij Leeck, waar we een wijle getoefd hadden, voorbij waren, kwam ons een Enkhuyzer poorter op zij, die mij influisterde, dat mijn aantocht in de stad reeds was bekend geworden, en de muitende poorters van de nieuwe leer daarop in liet wachthuis aan de poort zich in rade hadden vereenigd. Hij meende, dat ik gevaar zoude loopen van wege den overmoed der ketters en bad mij voorzorgen te nemen.quot;
«Wakkere poorter!quot; riep Freèrijk als in geestdrift uit. «Hoe is zijn naam? Zijn trouw moet beloond worden.quot;
«Gewisselijk; en hij is ook niet met ledigen buidel wedergekeerd, hoewel ik zijn vrees wel wat overdreven achtte. Toen ik onder de banne der stad kwam, trof ik Quikkel met zijn vendel, die daar
113
ettelijke uren reeds gelegerd was, en, hoe hij ook had gebeden, nog niet was toegelaten. Hij hief het zwaard, toen hij mij zag en zocht mij aan om hulp. Ik liet het vendel zoo nabij de poort als mogelijk was in slagorde scharen, en reed, verzeld van den hopman en mijn hellebardiers, voort, maar de slaghamei viel voor onze voeten neder, terwijl een stem mij door een spiêgat toeriep: sHeere Admiraal, wat is uw begeeren?quot;
»Ik andwoord geen onbekende, die zich bovendien schaamt mij zijn facie te toonen,quot; hernam ik, ))en ook niet ter dezer plaats.quot;
«Het hield een oogenblik aan, dat voorzeker met beraadslagen werd doorgebracht, eer men de hamei optrok en ons doorliet, doch voordat ik het vendel een teeken kon geven mij te volgen, was zij weder neèrgevallen, terwijl ik mij op hetzelfde oogenblik omringd vond van een hoop burgers. Een, die wel de aanvoerder bleek, daar hij door allen gehoorzaamd werd, trad op mij toe en herhaalde de straks gedane vraag. Vele burgers ontblootten zich bij mijne nadering het hoofd, en ook de aanvoerder sprak mij toe op passenden toon. Ik meende alzoo te bespeuren, dat de poorters nog niet tot opentlijk verzet waren overgeslagen, en de ooren nog wel zouden leenen naar de bevelen van het wettig gezach. »Wie zijt gij, die mij dus ondervraagt naar het doe! mijner komst?quot; sprak ik den burger toe. sik ken u niet als gezachhebber ter dezer stede. Ik verlang een der Burgemeesteren te spreken.quot;
»Ons is de zorg dezer poorte bevolen,quot; zoo klonk het vast maar bedaard. »Wat baat u een samenspreking met de Burgemeesteren, en of zij u den toegang al gunnen, als wij u dien weigeren, Heere Admiraal ?quot;
»Eeii minder hooge toon ware welkom!quot; snauwde een der naastbijzijnde burgers mij toe.
»Dat was gewisselijk Rietlus,quot; merkte Freèrijk glimlachend aan, terwijl hij de magere vingers aan zijn kin bracht en die als in gedachten streelde. »Wij kennen den koekoek aan zijn roep en den ooievaar aan zijn veêren. Ga voort, Heere Vriend! verschoon de stoornis, maar ik dacht bij uw verhaal aan den dag waarop wij met dat venijnig gebroed zullen afrekenen.quot;
))'t Is nog verre van den dageraad, naar ik geloof,quot; zeide Bos-huyzen, waarna hij voortging: «Het was mij gantschelijk niet ongevallig, dat ik spoedig den Burgemeester Vest bespeurde, die mij â echter toescheen niet wel te moede te zijn. Hij greep mij bij den arm en voerde mij ter zijde. »Men houdt ze gaande met zoete woordekens,quot; zoo blies hij mij in het oor, »hoezeer het mij ook tegen de borst stuite. Het meerendeel van de Burgemeesteren is geneigd tot zachtigheid, het moet echter slechts het fluiten van den vogelaar zijn.quot;
»Ons gesprek werd gestoord door een hevig rumoer, veroorzaakt door de ontwapening mijner hellebardiers, die zich te weer stelden,
DK EERSTE DAG. S
114
maar deels onder den voet geloopen, deels op de vlucht werden geslagen.quot;
sik kon den hoon niet verkroppen en wierp mij in het midden der menigte, terwijl ik den vechtenden vrede gebood. »Staat ge dan zoo begeerig naar het rad, dat ge de handen uitsteekt naar 's Hertogs dienaars? Laat af, indien uw leven, indien uw stad u lief zij ...
«Wij willen geen vreemden in de stad,quot; riep men mij toe. »Het is tegen keur en handvest. Denk aan Rotterdam,quot; schreeuwde een ander.
«Alsof ge niet keur en handvest op het spel zet door muiterij en partijleus! Burgers, kent gij mij dan niet? Ben ik een vreemdeling? Hebben wij niet in onze jeugd samen tegen de Gelder-schen en de Francosen gestreden?quot;
))Het werd stil om mij heen; men maakte mij ruimte, en toen besloot ik aan het geschil voor goed een einde te maken. ))Ik stoot neêr, die mij wederstaat, en geef bij verzet de stad later ter plundering!quot; riep ik hun toe. Ik trad naar de hamei en wilde haar opheffen, maar een half dozijn armen hielden mijn hand vast. De wrevel barstte los en uit het gejoel klonken mij de kreten tegen: «Slaat hem neêr, jaagt hem het mes door de ribben.quot; Het was mij eerst onmogelijk, weerstand te bieden aan den drang van den muitenden hoop, die mij naar den muur drong, zeker om mij in de gracht te doen neertuimelen. Van een gunstig oogenblik maakte ik echter gebruik; ik spande al mijne krachten in en wierp door een plotselingen ruk met de armen mijne naaste bespringers omver.
Toen holde ik voort____Ze zullen er voor boeten, het lage gebroed^
dat het mij dus de voeten deed reppen, achtervolgd door niet weinigen! Wat mijn lot ware geweest, indien geen trouwe burger mij een schuilplaats had aangewezen, ik zou het niet met zekerheid weten, maar ik vermoed het ergste. Eindelijk kwam ik ten uwent. Ik kwam als een weggejaagde soudenier. Bij het heilig mirakel, ik mag eerloos zijn. zoo ik mij niet wreke! De stad moet bezet worden met krijgsvolk eer de avond valt. Morgen kan ik mij dan inschepen.quot;
»Waar bleven uwe hellebardiers?quot; vroeg Freèrijk afgetrokken, die zich blijkbaar weinig om den hartstocht van den krijgsman bekommerde.
Dat kwetste dezen, waarom hij heftig ten andwoord gaf:»WeI wonderbaar zijn uwe vragen! Waar ik mij bezig houde met het hoofd en het edelste, geeft ge u af met de voeten en het laagste! Ik geloof, dat private belangen uwe geheele ziel innemen, en een of ander opzet, welks gehalte ik niet proeven kan, gantsche-lijk uwe aandacht in pacht neemt.quot;
»Gij hebt ten deele gelijk!quot; hernam Freèrijk met een glimlach op de lippen. »Ik werd afgeleid door andere belangen,maar geene private, en zon op een middel om uwen wensch voor hedenavond
115
vervuld te zien; geweld doet hier niets, beleid alles. Uwe helle-bardiers zijn verdreven, doch zullen alhier nog wel schuilen. Zijn het Hollanders.... en wel Amsterdammers?quot;
»Neen, op raad vati Mijnheere den Stadhouder heb ik mijne hellebardiers moeten afdanken en heb ik mij omringd van vreemden,quot; hernam Boshuyzen, terwijl hij zich op de lippen beet. )gt;Het zijn Duitschers .. ..quot;
«Hetgeen mij zonderling wel te stade komt. Geef mij slechts een etmaal de beschikking over eenige hunner....quot;
))Wat wilt ge ...?quot; vroeg de Admiraal, en de vraag bewees niet te veel vertrouwen. Freèrijk had reeds overvloedig gelegenheid gehad, om in het gedrag des krijgsmans iets ongemeen stugs en bits te vinden.
»Wat ik wil, is u bekend, Heero vriend! gun mij het hóe nog eenigen tijd geheim te houden. Waarlijk, het is in het belang der zaak. Zijne Genade de Hertog en Mijnheere de Stadhouder zullen over mij te vreden zijn.quot; Freèrijk wenschte het gesprek op een ander terrein over te brengen, waar het hem gelukken kon de reden van 's krijgsmans stugheid te leeren kennen en meteen zijne dierste belangen te bepleiten. Boshuyzen kon niet veinzen, dit wist hij. Het werd opnieuw bewezen door de vraag, die deze hem schijnbaar zonder aanleiding deed:
»Waar is uw zoon?quot;
»Mijn zoon....? ik vermoed, dat hij bezig is onze baerdsen en boten na te zien, die op dit oogenblik door de geuzen wel in de haven worden gesloten, maar toch de eerste kans zullen waarnemen om uit te loepen. Jammerlijk verloopt de handel, Heere vriend! En ik juich den Stadhouder toe, dat hij er aan denkt de Zuiderzee schoon te vegen. Doch verschoon mijne lompheid, die deels geweten kan worden aan de belangrijkheid uwer tijdingen; ik heb geheel mijne verplichtingen als gastheer verwaarloosd. En dit tegenover zulk een gast! Gun mij een oogenblik daarop orde te stellen. Een hartige teug zal u goed zijn. Ik heb iets eêls, waarde vriend!quot;
Hij wachtte het, gevraagde verlof niet af, snelde heen, maar keerde spoedig terug.
Zij het, dat Boshuyzen door de gulheid des gastheers en het uitzicht op »iets eèlsquot; zieh gestreeld gevoelde, of wel, dat het kalme andwoord, op zijne laatste vraag gegeven, hem aangenaam had verrast, op vriendelijker toon werden de volgende woorden gesproken: »Uw zoon deelt alzoo nog in uwen handel? Waaruit ik zou moeten afleiden, dat het mij ter oore gekomen gerucht eene lastering ware?quot;
»Heere vriend! waarlijk, gij prikkelt mijne nieuwsgierigheid.quot;
»Hem hier niet vindende, achtte ik in den aanvang het gerucht niet overdreven. Toen ik straks uw woning betrad en ik mve dienstmaagd naar u en uwen zoon vroeg, zeide ze mij, dat gij voor eene
116
wijle afwezig waart, en dat uw zoon mede niet te spreken was. Het laatste bracht ze echter stamerend en in verwarring uit.quot;
sDoch wat hebt ge dan toch vernomen?quot; vroeg Freêrijk, die onder een schijn van ongeduld zijne verlegenheid verbergen wilde.
»Dat jonge Freêrijk zich aan de muiters had aangesloten, hetgeen gevoegd bij uwe weifelende houding jegens die van de religie, u ten Hove een knak heeft gegeven. Mijnheere de Stadhouder is u op dit pas weinig genegen, het bleek nog onlangs ....quot;
)) li ij mijn heiligen Patroon, waaraan heb ik dit verdiend!quot; riep Freêrijk als in wanhoop uit, «Mijne vijanden rusten niet. Gij hebt straks mijnen ijver kunnen speuren, een ijver, waarin ik steeds volhardende ben. Niets is mij te kostelijk, waar het de dienst Zijner Majesteit geldt. Wel spoedig zal het Mijnheere den Stadhouder blijken, als ik hem een der gevaarlijkste rebellen dood of levend in handen lever en de troebelen te dezer stede zijn gestild, waaraan ook ik alle krachten wijde. Ik heb hier invloed, Heere!quot; »Het is dus niet waar van uwen zoon?quot;
»Xeen, voor zoo verre mij bewust is. Indien liet waarheid ware, ik zou een vreeselijk offer moeten brengen, maar ik gevoel liet, dat ook te kunnen voor de eere van God ...,quot;
sAmen!quot; zeide Boshuyzen met eerbied. «Meer dan iemant heb ik belang bij de waarheid .... Indien ik door u misleid ware geworden, indien de jonge Freêrijk tot de nieuwe leer neigde en gij dat verdragen hadt of' u daarmede hadt vefeenigd, Freêrijk Simonsz! gij zoudt mij eene daad hebben doen verrichten, die mij pijnt, en slechts door de bereiking van het doel, dat ik beoogde, gewettigd kan worden; gij zoudt mijne ziel op eene plaats hebben gebracht, waar zelfs onze Heilige Vader de Paus mij niet kan verlossen!quot;
Hij had den arm des ouden gegrepen met eene kracht, die dezen verontrustte.
sik begrijp u niet,quot; stamerde hij.
«Bid de Heiliger., dat ge mij nooit moogt begrijpen. Het ware uwe vernietiging!quot;
De deur ging open en de oude sloffende dienstmaagd bracht een gevulden tinnen schenkkan en twee pokalen van lijn glas, een weelde, die zich de vermogendsten in den lande slechts geven konden, en in het rijke Brabant of Vlaanderen minder, maar in Holland en West-Friesland zeker geheel ongewoon was. De dienstmaagd, bewust van den schat dien zij met zich droeg, dacht aan niets anders dan om van hare aansprakelijkheid te worden ontheven. Zij trad daarom behoedzaam, na de voeten van de schoenen ontdaan te hebben, de pronkkamer binnen en liet de deur achter zich openstaan. Den Admiraal, die met het gezicht daarheen gekeerd neder-zat en vandaar door den langen gang kon zien, waarop de pronkkamer uitkwam, voer plotseling een huivering door de leden, terwijl hij
117
zich kruiste, als door de verschijning van een bovenaardsch wezen getrofïen.
»Wat deert u, vriend?quot; riep Freèrijk uit, terwijl hij, de richting der starende oogen volgende, zich mede naar de deur keerde. Deze was echter door de dienstmaagd weder gesloten, zoodat hij de oorzaak van Boshuyzens ontroering niet vatten kon. sSterk u met een teug goede malvezij. Of wilt ge liever claret?quot;
»Hij was daar; ik herkende hem; hij sprak met uwe nicht,quot; zeide Boshuyzen met trillende stem.
» Wie ?quot;
sKolterman, of liever ....quot;
»De kleinzoon van .. .? Onmogelijk. In mijne woning zou hij zich wagen ? Ik gruw van den aartsketter. Wat de val is voor ongedierte, het is voor hem de woning van Freèrijk Simonsz. Hij zal gewisse-lijk de lasteraar zijn, die dat schandelijk gerucht, mij en de mijnen betreffende, rondstrooit. Gij zaagt hem met mijne nicht? Wat licht gaat mij op! Maar ik zal hem den Gerechte overleveren opstaander! voet.quot;
))Dat zult gij niet doen,quot; zei Boshuyzen gebiedend, terwijl hij den thands drittigen Freèrijk terughield.
»Maar ik ken zijne schuld beter dan gij. Ik weet wat afbreuk hij doet aan 's Konings zaak; ik weet van hem meer dan gij .. ..quot;
«Bat weet ge niet.quot;
»Is het ii dan bekend dat hij het was. die in het jaar '70 deze stad heeft beroerd, dat hij het is, die de geheime tijdingen van Willem zonder land rondbrengt, dat hij met de gevaarlijkste ketters, met de Geuzenpredikanten heult?quot;
«Bij de Keizerskroon onzer stad, al stond hij in verbond met den Booze, ja al was hij Belzebub zelf, ge zult hem geen hair krenken, hij moet een Heilige voor u zijn.quot;
Freèrijk staarde hem als verpletterd aan en wist geen woorden te vinden, om zijne verbazing, zijn ontzetten uit te drukken.
Stamerend begon hij ten laatste: »Maar, Heere vriend! wat mag de reden zijn eener dergelijke ontboezeming? Gij twijfelt aan mijnen ijver voor de goede zaak, omdat daar ginds aan getwijfeld wordt, en zoo ik uw verlangen â vergun mij de opmerking, dat het mij bijna als bevel in de ooren klonk â voldoe, dan zal die twijfel gevoed worden en alsdan te recht. Indien ik hem niet beklaagde waar ik kon, ik zoude schuldig worden voor de vierschaar Zijner Majesteit.quot;
»l',n als ge het deedt. zoudtge schuldig worden voor de vierschaar van God en Zijne Heiligen, die zijn tocii nog meer,quot; andwoordde Boshuyzen driftig. «Laat mij niet verder gaan. Dwing mij niet. .lezus, Maria! waarom mij in den dooltuin gewaagd! Het was voor een goed doel, maar ik vrees voor het eind!quot;
sik bid u, u te verklaren, vriend!quot; zeide Freèrijk, die wer-
418
kelijk zich verontrustte, hoewel hij niets van al het gesprokene begreep.
»A1 wel, al wel. Ik was dwaas,quot; sprak Boshuyzen na eenige oogenblikken bedaarder; hij sloeg haastig een paar pokalen naar binnen.
Er volgde een oogenblik van stilte. Eindelijk begon Freêrijk weder: sGij wilt, dat ik den jonkman niet deere, hoewel een muiter zijnde; maar wat, indien hij mij deert? Wat, indien hij zich indringt in mijn huis en een geheime minnarij aanknoopt met mijne nicht, die mij ook bedrogen heeft en gewisselijk reeds afvallige is geworden door zijn toedoen, al veinst zij ook het tegendeel?quot;
«Is de minnarij zuiver en niet slechts een jokkernij der jonkheid, heeft uwe nicht liefde voor hem opgevat en is zij de nieuwe leer toegedaan â wat God en de Heiligen verhoeden! â zoo stel u daar niet tegen. De jonkman is reeds van alles ontzet, zwerft om als een vogel vrij-verklaarde; geef hem een haardstee in den vreemde, en eeti vrouwken daarvoor.quot;
»Neen; Marijken is wel niet rijk, maar heeft toch wel eenige spaarpenningen, die haar een te goede bete maken voor een Geus en een landlooper. Wat zij mede bracht, zou ten beste der ket-tersche zaak gedijen.quot;
»Maar hare goederen wegen toch niet op tegen die van Heere Bardes, wèl ?quot; vroeg Boshuyzen, terwijl hem het bloed naar het hoofd vloog. »Gij hebt hem die goederen ontnomen, geef hem dan die van haar die hij mint.quot;
»Ik hem die goederen ontnomen? Heere, uwe woorden klinken zonderling honend voor mij! Was hij in staat om ze te aanvaarden? Was hij niet buiten de wet?quot;
«Gewisselijk. Maar moest het goed van den Oud-Schout bij diens afsterven niet aan de Grafelijkheid zijn vervallen, en hebt gij het niet mogen aanvaarden al was de dood of de schuld van den vroege-ren eigenaar niet gebleken? Door wiens toedoen was dit?quot;
«Door het uwe, ik wil het geenszins ontveinzen, evenmin de dankbaarheid, die ik daarvoor jegens u voede.quot;
»Ik merk de laatste. Gij ontzegt mij de vervulling van mijnen wensch .... en die wensch mocht u toch toeklinken als een bevel, Freêrijk Simonsz!quot;
»Ik buig, Heere vriend! Wijt de uitbarsting van straks aan het verrassende van uw bevel om hem, dien ik als de doodvijand zijner Majesteit haatte, mijne lieve nicht tot vrouw te geven....quot;
«Het is wel. Goed, dat ge hebt toegegeven, Freêrijk, want het is noodig dat wij éenig blijven! De bries dreigt een storm te worden, de lucht hangt zwaar. . . .quot;
»Wat nu? Is men ten Hove dan werkelijk geneigd, mij als afvallige, voor 't minst als flauwhartige te bejegenen? Is in het ambt al voorzien?quot;
119
»Nog niet, maar het wordt tijd, dat ge teekenen geeft van kracht en vlijt. De geestelijkheid schijnt u niet zeer genegen. Het schijnt, dat zij uwe ongeloovigheid riekt, overmits ik u te voorzichtig acht om uwe dwalingen, die ik altoos met huivering en beving heb bejammerd, in het openbaar te verkonden.quot;
«Schijnheilige Martinus, dat is uw werk!quot; prevelde Freèrijk.
»Nog is echter alles niet verloren. Alleen meen ik, dat ge wellicht de goederen van Heere Bardes zult moeten terug geven.quot;
»Hoe?quot; en Freèrijk nam, om zijn schrik te bewimpelen, den gevulden pokaal op, maar zijne lippen klapperden op het glas.
»Heere Bardes leeft, zoo als men elkaar toefluistert. Hei ware een zware slag .... ook voor mij, indien het waar wierd bevon--den...! Ik hadde gestreden en ik miste mijn doel....! O, het ware vreeselijk!quot; zuchtte Boshuyzen, terwijl hij het hoofd op de borst zinken liet.
)gt;Eischt de Oud-Schout het zijne op?quot;
»Men vermoedt, dat hij het doen zal, zoodra hij zich vertoont. Men zal hem het zijne moeten teruggeven, doch ik hoorde daarbij mompelen, dat men hem twee van den Gerechte tot wakers en bestuurders zoude kunnen geven, opdat hij zijn goed niet te gelde make!quot;
»Waar toeft hij ?quot;
»Dit is voor als nog onbekend.quot;
»Het zal het wel altoos blijven,quot; mompelde Freèrijk. «Die tijding is voor 't minst nog verblijdend, vriend!quot; vervolgde hij opgeruimder, dan hij in de laatste oogenblikken scheen. «Waarlijk, schoon het mij het grootste deel van mijn vermogen moge kosten, ik wensch mij zei ven geluk met het behoud des goeden ouden mans. Zoo men slechts oppasse, dat hij zijne goederen niet in baar geld ver-wissele en de penningen buiten 's lands brenge.quot;
«Het verheugt mij, het behoud eens bloedmaags dus door u te hooren op prijs stellen. Waarlijk, men beschuldigt u toch valsche-lijk, Freèrijk!quot; zeide Boshuyzen, en die woorden gaven meer blijk van een goed hart dan van een scherp oordeel.
«Heb dank voor die uitspraak. Hoe ik haar waardeer!quot; hernam Freèrijk met warmte. «Hoe kan ik ook iets anders van uwentwege onderstellen, Heere vriend! Gun mij, een blijk te gever, van mijne blijdschap over uwe komst te mijnent, al had ze niet onder gunstige voorteekenen plaats.quot; Hij naderde een der sierlijk uitgesneden notenboomhouten stoelen met damasten zitting en nam een daar liggend pak op. Het was een stuk Haarletnsch laken, te dier tijde beroemd om zijne gitzwarte verw, die nooit verschoot.
«Mag ik u dit aanbieden? Ik waag het, omdat het iets buitengewoons is, wat ik door mijne handelsbetrekking alleen heb weten te verkrijgen. Uwe vrouw zal daarvan de waarde beter kunnen berekenen dan gij, wien de arbaleet of de donderbus nader aan het
120
hart zullen liggen. In Frankrijk heeft men onlangs het stadsmerk van deze soort nagemaakt en het gehecht om eigen maaksel, dat zeer bij dit achter stond. Toch kocht de koningin Katrvne het tot hoogen prijs.quot;
Het was of Freêrijk de kostbare waar meende te veilen,dus prees hij haar aan. De koopmansgeest gaf zich een oogeublik bloot.
«Hoewel ik mij geen groote mate van kennisse aangaande de stof toeschrijf, meen ik toch wel het uitnemend geschenk te kunnen waardeeren. Ik dank u zeer, Freêrijk! Ik zal waarlijk nu gelijken tred kunnen houden met de pronkers ten Hove; maar nog meer stel ik uwe vriendschap op prijs, die mij weder uit dit geschenk blijkt.quot;
«Mocht ik u dikwijls met die stof zien pronken, het ware mij een groot genoegen. Doch om tot degelijker arbeid terug te keeren dan de keuze eener kleedij is, zoudt ge 't niet nuttig achten, dat ik de gesteldheid der gemoederen eens ondertasten ging? Daarbij kan mij wellicht eenig middel invallen....!quot;
»Ter rechter tijde herinnert ge mij daaraan. De stad moet vóór den avond liet vendel ontvangen hebben. Mijn eer is er mede gemoeid. Ik ga met u.quot;
»Toch niet, lieve vriend! Ik geloof het beter, dat ge u bij de opgewondenheid van velen nog een poze schuilhoudt. Daarbij zal het gezach weinig baten en slaagt de list gewis beter.quot;
»En voor de laatste acht ge mij minder bekwaam!quot; hernam Boshuyzen naïef.
»Toef dus hier; huis en hof staan u ter dienste. Middelerwijl verwittig ik de Burgemeesteren van uw verblijf te mijnent, waar zij zich met u kunnen beraden.quot;
Freêrijk liet den Admiraal alleen.
Het was niet voor langen tijd; want weldra trad een bezoeker binnen, dien hij wel het minst verwachtte. Tot recht verstand dei-zaak is het echter noodig. eenige schreden terug te gaan en Ma-rijken te volgen, die volgens bevel haars ooms zich naar haar kamer begeven had.
De vreugde over het terugvinden des jongelings, dien zij lief had en lief bleef hebben, al wist zij ook daardoor schuldig te worden voor God en Zijne Heiligen, maakte plaats voor een langen strijd, die bij de vraag ontstond of zij den doodgewaanden, die haar om een samenkomst bad, zoude zien.
Nog klonken haar de vermaningen des priesters in de ooren, waarvan zij de gegrondheid maar al te zeer erkennen moest. Waarom was echter hare verbeelding zoo levendig, hare verbeelding, die hem voor hare oogen tooverde met dat schrander gelaat, dat sprekende oog, ernstig en toch liefdevol op haar gevest? De Kerk verbood haar hem weder te zien. maar waarom deed zij het? Die vraag was reeds zondig, voor bet minst ongeoorloofd, maar ze kon
121
haar niet weêrhouden; en al sprak zij haar niet uit, toch welde die vraag haar op in het hart. De Kerk verbood het, omdat de omgang met een ketter voor de zuiverheid haars geloofs gevaarlijk was; maar was dan het gevaar werkelijk zoo groot? Bezat zij niet de waarheid; was zij van de dwalingen der nieuwe leer niet overtuigd? Waarom was het gevaar voor haar grooter dan voor hem die de logen, zij het ook welsprekend, verkondde? Zou zij liet middel niet kunnen zijn in de hand der Heiligen om hem terug te brengen?
En toch geloofde zij zelve niet aan de klem harer eigen redeneeringen. Hare liefde had reeds gezegepraald. Het hart vroeg echter nog bijstand van het verstand, ten einde haar tegen zich zelve te ondersteunen.
Het was alsof zij het begreep. Zij wierp zich toen schreiend voor de Moedermaagd en haar Kind neder, voor de beelden, die haar immer zoo vel hemelsche goedheid tegenblikten, en op wier gelaatstrekken zij altoos hij hare gebeden zulk een zoeten glimlach had meenen te bespeuren, ten teeken van verhooring. Zij knielde neder en bad om aanwijzing wat te doen. Het was het gebed, dat ze reeds als kind had leeren stamelen, dat immer al hare nooden had bevat, en op dit oogenblik vuriger dan ooit werd uitgesproken.
Maar was het eene bekoring des Boozen ? Thands was het haar niet genoegzaam; in die bede lag niet meer alles wat zij gevoelde, wat zij wilde uiten. De Moedermaagd en haar Zoon schenen haar strak aan te staren; daar klopte geen hart, daar vloeide geen ader, daar was geen leven meer; en weder verrees haar de geliefde voor den geest, zoo als hi j voor haar had gestaan toen hij afscheid nam, en klonken haar de woorden, eenige zijner laatste, in de ooren, terwijl hij zich tot haar neêrgebogen en den Heere Christus had geschilderd, zoo als zij Hem nooit had leeren kennen: »Marijken, onderzoek de Schriften, die zijn het, die van Hem getuigen!quot;
sik moet hem zien, al ware het ook om hem aan te zeggen, dat het voor liet laatst zij,quot; zeide zij, terwijl zij opstond. »In welk gevaar begeeft hij zich om mij te ontmoeten, en ik zou hem verstoeten? Hem. die eenzaam zwerft, zonder maag, zonder dak!quot;
Als ware zij bevreesd bij langer toeven in dat vertrek van haar besluit terug te zullen komen, opende zij haastig de deur, en liep zij den gang ten halve door. Daar bleet zij echter in gedachten staan. Zij zoude hem toeven in het achterhuis, maar op wat wijze zou hij zich daarheen, en wel ongezien, kunnen vervoegen? Wierd hij bemerkt, het zoude hem het leven kunnen kosten en haar.... maar aan zich zelve dacht zij niet.
»Waar is Mijnheere oom?quot; vroeg zij de dienstmaagd, die haar juist ontmoette.
»Hij heeft het huis verlaten, en, naar de boodschap die hij mij liet, voor langen tijd.quot;
Zoo als wij weten, was hij naar het Augustijner klooster geijld.
«Goede Anneken, het uur zou we! geschikt zijn eens te schommelen in mijn kamer. Zie niet boos, ik pas beneden op.quot;
»Maar zijt ge dan vergeten wat uw oom heeft geboden, om het jofferken van doè-niet tot nutte huisvrouw te maken? Ge zoudt zelve oj) deel eu wand toezien, zei hij, en hij heeft gelijk. â Het belooft me weèr wat arbeids!quot;
«Anneken, nog voor ditmaal. Ik gevoel mij wat onpasselijk, en ga mij wat verluchten in het windhuis bij den hof.quot;
De oude Anna moest wel, hoewel het tegenstribbelen nog duurde, toen Marijken beneden was; gelukkig, dat de laatste niet den uitroep vernam, dien de oude bij het binnentreden van het kamerken zich ontvallen liet, en die weldra achtervolgd werd door het openen van het raam en de omkeering van alles wat daar binnen stond.
Het zoogenaamde windhuis stond aan het einde van den tuin en gaf een schoon uitzicht op dezen. Marijken was nauwelijks buiten getreden, of haar oog trof bij den zwaren iep in het achterste gedeelte van den tuin eene gestalte, die haar geen oogenblik onbekend bleef', al was de breedgerande hoed, die het hoofd dekte, ook diep in de oogen gedrukt.
«Marijken, lieve!quot; klonk het haar toe, en den arm, die haar leest omgaf, stiet zij niet terug. »De Heere zij gedankt, dat ik u wederzie,quot; lispelde de jonkman. »Ik heb u zoo veel te vragen, zooveel mede te deelen, en hadde ik niet uwen neef, mijn broeder in den Heere, bij mijne terugkomst ontmoet, die mij u betreffende had gerust gesteld, ik ware terstond naar u toegeijld, liefste!quot;
»En ik, die u dood waande! Hoe heeft Mijnheere oom mij dit kunnen melden!quot;
Koltermans gelaat betrok. »Doe mij uwen oom vergeten, Marijken! Maar wie zou dat ook beter vermogen dan gij?quot;
«Heeft hij u dan leeds gedaan?quot; vroeg hetmeisjen, verwonderd over den toon zijner stem. «Waar is het, dat ook hij zonderling hartstochtelijk zich voordoet, indien hij uw naam noemt, wat alevel zelden gebeurt. Het ware otis dus wèl geraden, zijwaards te treden of in het windhnis te gaan. Indien hij u te zijnent zag, waarlijk ik wist niet te andwoorden.quot;
Zwijgend liet hij zich door haar leiden, terwijl hij haar aanblikte met zulk eene teederheid, maar tevens droefheid, dat het haar bang te moede werd. De laatste was min verklaarbaar dan de eerste. Wie de zieleschoonheid dier jonk vrouwe had leeren waar-deeren, hij vond wel een treffend verband tusschen baar en de uitwendige vormen. Zoo als zij daar heentrad op luchten voet, het hoofdtjen half omhoog geheven naar dat des jonkmans, het heldere, zacht blauwe oog vragend naar liet zijne gekeerd, terwijl een zoete glimlach de fijn gevormde lippen plooide en de vreugde des weder-ziens de blankheid der konen licht purperde, verdiende zij be-
123
schouwd te worden als het toonbeeld van vrouwelijke schoonheid, waarover de maagdelijke schuchterheid een waas van reinheid en heiligheid had heengespreid. Het blanke voorhoofd, waardoor fijne blauwe aderen speelden, de zuiver geboogde wenkbrauw, voor eene lichtblonde zelfs buitengemeen zwaar, de mollige koontjes, wier sneeuwwit afstak bij het rozenrood der lippen, alles wekte de gedachte aan lijnheid op, die de ranke gestalte niet weersprak. Al speelde er nu ook een lachjen op dat wezen, al schitterden nu ook de oogen van levenslust, de opmerkzame beschouwer zou de verzekering hebben aangenomen, dat eene verslagenheid of worsteling der ziel dat engelenkopjen buigen, die oogen verduisteren, dat voorhoofd rimpelen, die lippen bleeken en trillen, ja het geheele wezen een schijn van kracht en beradenheid kon doen aannemen, welke ook bij den ouden Freêrijk, maar alsdan gewijzigd en als scherpte, te voorschijn trad.
In hare kleedij toonde zij haar smaak, voor zoo verre die zich mocht laten gelden, ondergeschikt als ze moest zijn aan de mode der eeuw. Zij droeg een jak van zwart fluweel, vierkant aan den hals uitgesneden, opdat de kant, die haar den boezem dekte en zich als kraag verlengde, des te beter zichtbaar zoude zijn. De zwarte kleur was de meest algemeene, omdat de gouden knoopjens, die het jak sloten, des te beter moesten uitkomen. De mouwen waren hoog opgepoft en op gelijke afstanden met roode en witte linten toegebonden. De wijde bovenrokken waren van donkerblauw laken en de kleine voetjens staken in rood gehakte schoentjens, met een rozenrooden strik van voren voorzien. De blonde hairen waren meer bedekt dan weêrhouden door een net van gouddraad, terwijl een gouden ketting, waaraan een kruis van hetzelfde metaal â was bevestigd, haar hals versierde;-âhet laatste was een geschenk baars ooms, in het jaar van den hongersnood, toen de schrandere koopman tijdig zijne boten naar de Oostzee had gezonden, van waar zij volgeladen met graan terugkeerden, dat door hem met honderd ten honderd winst aan de hongerenden werd afgezet.
Moeielijk ware het geweest, voor zulk eene maagd een minnaar beter barer waardig dan die baar thands op zijde ging, te kiezen. Schranderheid sprak uit dat wezen, dat bij den eersten aanblik eene vrouwelijke zachtheid, maar bij nadere kennismaking, en vooral bij het bezielde spreken, eene kracht vertoonde, die wel den man voegde; eene kracht die der minnende te meer vertrouwen moest inboezemen, naarmate zij zich meer vrouwelijk in hare vormen voordeed.
Begrijpelijk was dan ook de indruk, op haar te weeg gebracht, bij de verschijning van Kolterman aan de hand baars neef* vóór nu twee jaren geleden. Wel wist zij niet wat zoo spoedig de vriendschap tusschen beiden had doen ontstaan: wel kon zij niet vermoeden, dat de nieuwe leer beiden tot broeders had gevormd.
1-24
en Koltermans voorbeeld en onderwijzing den steeds peinzenden, onderzoekenden, doch weifelenden Freêrijk tot eene keuze had gehaald, ja in staat gesteld.
Doch al ware het haar bekend geweest en het vooroordeel tegen den verleider opgewekt geworden, toch had gewis het bezielde oog des jongelings, die schrandere taal, die vastberadenheid en overtuiging, sprekende uit ieder gebaar, uit iedere handeling, den weg tot haar hart gebaand.
Nu ging het echter spoediger en was zij reeds geheel de zijne, eer zij de vreeselijke waarheid ervoer, eer zij vernam dat zij een ketter in den minnaar omhelsd had. Indien zi j het thands had gewaagd een blik in haar binnenste teslaan, om den tegenwoordigen toestand barer ziel te vergelijken met dien van toen, hoe zij deinzen zou van schrik bij de opmerking, dat zij verflauwd was in ijver voor de alleen Zaligmakende Kerk, in geloof aan de gezegende .Moedermaagd en Hare Heiligen!
Te recht moest zij het wijten aan den omgang met hem, hoe kortstondig die ook geweest ware, daar Kolterman bij het mislukken van den aanslag in allerijl had moeten vertrekken en haar nauw eenige woorden ten afscheid had mogen toefluisteren. Dit afscheid had haar tranen gekost, en na zijn vertrek voelde zij een leegte, die hij alleen weder zou kunnen aanvullen. Misschien had in den strijd tusscher. hare liefde en haar geloof het laatste overwonnen, toen hij niet meer bij haar was om zijne zaak te bepleiten. indien Freêrijk zich een minder trouw vriend van den afwezige had betoond, indien hij een minder innig aanhanger was geworden der nieuwe religie, indien de boden van Kolterman, die haar op altoos raadselachtige wijze zijne brieven deed toekomen, minder ijverig waren geweest om hun zender te dienen. Wij hebben reeds vroeger een blik pogen te werpen in haar hart, zonder dat liet ons gegeven was aan te toonen. hoe de daar begonnen kamp zoude eindigen. Op dit oogenblik echter scheen liet wel niet twijfelachtig, daar zij, de hand in de zijne gedrukt en naast hem op den ruwen zit nedergezeten, zijne liefkozingen vurig beandwoordde.
«Liefste mijne!quot; zoo begon zij op zoeten toon. shoe ik wachtte naar uwen laatsten brief. Mijne ongerustheid werd wel zonderling gevoed dooi' de vrees van Freêrijk, die haar niet jegens mij kon verbergen en ten uwen opzichte meer wist dan hij wel bekennen wou. zekerlijk om mij niet te ontrusten en uit aanmerking mijner zwakheid, die de slechte tijding niet zou hebben kunnen verdragen. Toch ware mij de zekerheid toen liever geweest, dan die slingering tusschen vrees en hoop. Doch alles is thands voorbij...!quot; Of zij de aan zich zelve gedane belofte vergeten was; dat deze samenkomst de laatste moest zijn? Het mocht wel blijken uit de woorden, zoo liefdevol geuit; sVVat klove ligt er toch tusschen het heden
1''5
en het gister! Gister werd mij uw dood aangezegd, en lieden zit gij naast mij neder.quot;
»Eri mag ik u toelispelen, hoe lief gij mij zijt, Marijken, dierste 1quot; zeide de jongeling, terwijl hij zich naar haar overboog en haar kuste. «Maar neen, dus mag ik niet aanvangen,quot; vervolgde hij zacht na een oogenblik, terwijl hij zich terugtrok en hare hand losliet.
Zij zag hem met verwondering aan. »Wat deert u? Wat peinst ge? Uw mijneringen zijn gewis van droeven aard.quot;
»Ik peins over de toekomst, liefste mijne!quot; hernam hij dof.
»Niet dus, niet dus! Rooi' mij niet het heden, door mij te wijzen op het morgen. Leer mij niet een blik werpen in de toekomst! laat mij het tegenwoordige. Dat woord heeft mij reeds zeer gedaan. Ik gevoel thands hoe het mij in de toekomst zal pijnen, zulk een heden te hebben gekend!quot;
»W aarom, Marijken? Beangstigt gij u over een zelfverwijt? Zijt ge bevreesd dat uw harte u ooit zul beschuldigen wegens uwe liefde voor mij ?quot;
«Waarom die vraag, Kolterman? Gij kunt toch het andwoord gissen. quot;Waarom dit weerzien vergald, een weerzien, dat zoo spoedig in een vaarwel kan verkeeren, en dan een vaarwel voor altoos?quot;
»Hoe weet ge dit? riep hij heftig; doch hij besloot na een oogenblik bedaarder: sik begrijp u, gij doelt op de klove die nog tus-schen ons bestaat. Die klove voor het minst moet worden gedempt.quot;
«Zou zij het niet kunnen? Indien gij uwe dwaling inzaagt en terug keerdet in den schoot der Kerk! Gij zijt er in gedoopt, gij hebt in liaar geleefd en geloofd. Waarom haat gij haar, die u en zoo vele anderen zoo liefderijk heelt verzorgd?quot;
»Jk haat haar niet. Marijken! O. dat zij liet minder deed, en niet het Woord van den levenden God weerstreefde! Liefste, gij brengt den vinger weder aan de wonde, en te recht. Zij kan niet lieelen voor dat zij gezuiverd is. Wel treurig dat wie zich naar den naam Christi noemen, over Diens leer twist voeren met zulk een bloedigen ijver! Uwe kerk, zij dwingt om in te gaan. maar ze dwingt met de zwaardspits en de houtmijt. En wij? Wij, de dwalenden, wij, de vervolgden, wat doen wij daartegen? Wij prediken het Woord, het Woord des Heeren, en honderden vergrooten dagelijks de kudde en verlaten gemak en weelde, rust en vrede, om zich bloot te geven aan den gruwelijksten haat. Van waar dit? Kan het anders zijn dan door de kracht der waarheid? En toch ontvloeit de betuiging aan uwe lippen: Gij zijt de dwalenden, wij de geloovigen. Dat ge 's Heeren Woord leerdet kennen, Marijken! Het oordeel verblijve alleen u zelve. God den Heere zijt ge alleen rekenschap schuldig van uw geloof, maar onderzoek de Schriften, want die zijn het die van Hem getuigen.quot;
Zij trilde bij die woorden, die reeds eenmaal zulken levendigen
426
invloed hadden geoefend, en die nog immer in haar binnenste weerklonken.
))Neen,quot; zei ze flauw, «neen, het is mij niet geoorloofd. Wat zou ik kunnen onderzoeken, 'tgeen de Kerk mij in hare wijsheid onthoudt?quot;
»Weshalven onthoudt zij het u ?quot;
»Het is mij niet geoorloofd daar in te dringen, Kolterman! Hoe wonderbaar het mij zij. en.... hoe het mij ook grieve,quot; voegde zij er zacht bij.
sMaai' het is ook het Woord des Heeren. Gij moogt de zonne des Scheppers aanschouwen en niet Diens hoogere openbaring aan den mensch? Marijken! de Heere God gaf u een lichaam, over welks krachten gij, namelijk uw onsterfelijke geest, gebied voert, en over dien geest, namelijk over u zelve, zou eene menschelijke macht buiten u heerschen? Waarom ketent men ook niet het lichaam, als de geest in boeien ligt? Waarom werd niet het eerste in banden geboren, als de Heere God wilde, dat het laatste gebonden zij ?quot;
»Mij (iuizelt het. liefste, bij zulk een taal!quot;
»Het is waar, slechts met het Woord moet de vijand van het Woord worden bestreden. De Heere Jezus sprak: sik ben de weg en de waarheid en liet leven, niemant komt tot den Vader dan door Mij.quot; Hoe zult ge tot den Vader komen, als ge den Zoon niet kent; hoe zult gij den Zoon kennen, als gij de Schriften, die van Hem getuigen, niet leest?quot;
«Zoude ik Hem niet kennen. Hem en Zijn gebenedijde Moeder?quot; vroeg zij geroerd en tot schreiens toe bewogen. »Weet ik dan niet dat Hij kwam om ons te verlossen en vrij te koopen met Zijn bloed, en dat Zijne eeuwig geprezen Moeder bij Hem leeft om voorspraak te zijn?quot;
sNiemant komt tot den Vader dan door mij, zeide de Heer. Er is slechts een Middelaar tusschen God en de menschen, namelijk Jezus Christus, predikten de Apostelen. Ziet ge, Marijken, dat ge Hem niet kent. schoon ge Hem wilt liefhebben met uwe gantsche ziel, met geheel uw gemoed, want anders zoudt ge van geen andere middelen buiten Hem gerept hebben. Ik herhaal het: de Heere God schiep ook voor u Zijne heerlijke zon, gij moogt u koesteren in haar licht. Wat zou het zijn, indien de mensch u in naam des Allerhoogsten een blinddoek voor de oogen bond, als ware de glans voor u te sterk? Het is u alzoo met den Heere Christus gegaan; gij hebt van Hem gehoord en gij kunt Hem zien; de menschelijke tong heeft van Hem onder allerlei verdichtselen gesproken, en indien ge wilt, dan kunt gij Hem, den Behouder uwer ziele, in Zijn hemelschen glans aanschouwen als van aangezicht tot aan-gezichte!quot;
sGeef mij dati dat Woord!quot; lispelde zij, terwijl zij het hoofdtjen
127
nederlei op zijn schouder, alsof ze steun en bescherming zocht bij hem. smaar dan. leer mij lezen .... en verstaan ....!quot;
»Het Woord is een licht voor den voet, en een lamp op het pad des menschen. Zoek, en gij zult vinden, Marijken! Dunkt het u zoo moeilijk te verstaan wat tot uwen vrede dient ? Hoe ge dwaalt! Xiet slechts voor de wijzen der aarde heeft de Heer gesproken, maar ook voor de kinderkens, en voor deze gewisselijk het meest.quot;
»Maar waarom werd het mij dan onthouden, Kolterman?quot; Zij zelve waagde thands de vraag, die zij een oogenblik te voren in zijn mond wel onbehoorlijk geoordeeld had. »De Kerk noemt zich de bruid onzesGodsen alleen in staat de Godsspraken te vertolken ...!quot;'
»Waarom men het u onthield? De vleermuis schuwt het licht, dat haar tot blindheid en onmacht zoude doemen ....! Maar neen, ik wil u niet kwetsen in wat ge nog heilig en dierbaar acht. De Heere Jezus zeide eenmaal tot de Samaritaansche vrouw: Gij kent mij niet, anders zoudt ge Mij om levend water hebben gevraagd. Dat levend water, het is Zijn woord. Mijne ziel is verheugd, dat ge thands Hem kent en naar dit levend water hebt gevraagd; het zal u gegeven worden.quot;
«Toch vrees ik, dat ik niet alles zal kunnen vatten; ik begrijp zoo weinig; ja, ik geloof thands, dat ik zoo verre van Hem stond,quot; zeide Marijken op onbeschrijflijk weemoedigen toon.
sin welk geval, Marijken, gij een schat van wijsheid hebt in uw eigen huis. Uw neef heeft zich voorbereid om eeti leeraar te zijn in Israël, in welk goed voornemen ik hem niet weinig heb gestijfd. Hij kent de fontein des levens.quot;
«Maar ik kan hem niet naderen,quot; fluisterde Marijken, terwijl zij behoedzaam omzag. »Freèrijk is gevangen gezet, juist wegens zijne . .. gevoelens.quot;
«Door wie? Waar?quot; vroeg Kolterman gehaast.
sDoor zijn vader.quot; Zij verhaalde hem de toedracht der zaak, voor zoo verre zij die weten kon. »En thands,quot; zoo besloot zij, ))is hij gevangen in zijns vaders huis!quot;
»In welk vertrek?quot;
»Op de tweede verdieping. Gij kunt hem niet naderen,quot; zeide zij beangst.
«Heeft dat vertrek uitzicht op den hof?quot;
Marijken knikte toestemmend. »Gij wilt u toch niet in perikel stellen? Wees niet bekommerd om hem. Ik ken de liefde zijns vaders te wel, om niet te weten dat hem geen ongeval bejegenen zal. Ik beschouw die gevangenschap slechts eene dreiging, meer niet.quot;
»Uw oom kan hem niet sparen, al mocht hij het willen, Marijken! Hij zou zelf verdacht worden bij de Spaanschgezinden, en dat mag hij niet wenschen . .. het zou ook ten nadeele zijn zijner loffelijke voornemens!quot;
De bitsheid dezer woorden trof het meisjen, dat hem met be-
128
komtnering aanzag. «Weshalve die wrok jegens Mijnheere oom?quot; vroeg zij ten laatste. «Hij moge geen Heilige zijn, doch indien gij hem zaagt, werkende voor zijn zoon, dezen verplegende met nooit verslappende zorg, waarlijk, ik geloof, dat gij hem vele zijner gebreken zoudt ten goede kunnen houden.quot;
»Geldt dit als eene pleitrede ter zijner gunste tegen mij ofwel tegen u zelve, Marijken?quot; vroeg de jonkman. »Mij dunkt, het is alsof de handeling mvs ooms ten uwen opzichte eene zoodanige reden in uw binnenste vaak heeft uitgelokt. Gij gewaagt alleen van zijne liefde voor zijn zoon, van zijne zorg voor hem, gij hebt hem niet te prijzen over zijne tederheid te uwaart, â anders hadt gij liet gewisselijk gedaan, wetende dat juist dit mij zachter moest stemmen ten zijnen aanzien.quot;
Marijken bloosde een oogenblik. «Hij is toch nooit hard voor mij geweest.quot; zoo begon zij schuchter. «Neen, waarlijk niet, hij zeide mij nooit dat ik hem een last was, en dat moest ik toch zijn ...quot; Zij kon niet voortgaan; zij begreep dat hare verdediging bijkans deu toon aannam eener beschuldiging; en dat Kolterman het mede als zoodanig beschouwde, bewees de uitdrukking van het op haar zoo strak gevestigd oog. «Bovendien,quot; vervolgde zij, «indien liet dei-Heilige maagd mocht goed dunken ons eenmaal te vereenigen .... dan .... zou Mijnheere oom ook u nader moeten komen.quot;
Wat deerde Kolterman, dat iiij het hoofd als moedeloos neder-boog, dat zijn hand trilde in de hare? Dat hem iets kwelde hetgeen hij wilde, maar niet durfde klagen, had reeds zijne houding bij de eerste begroeting getoond. Wel was de rimpel op het voorhoofd geëffend; had de bleekte zijns gelaats plaats gemaakt voor een donkeren blos, toen hij de lang afwezige omarmde, toen hij de reine kinderlijke ziel, mede reeds bewogen door de strijdvragen der Eeuw, zijne eigene begrippen verkondde en haar predikte van dien Heiland, die haar zoo verre was en zoo nabij moest zijn; maar in de laatste oogenblikken was hij tot bezinning gekomen, was de vorige droefgeestigheid teruggekeerd. De laatste aanmerking van Marijken scheen wel in dadelijk verband te staan met de oorzaak zijner kwelling, daar zij deze thands merkbaar deed worden ook voor haar, die naast hem nederzat. «Marijken! ons wacht eene zware beproeving. Ik heb u daartegen pogen te sterken, door u Hem nader te willen brengen, die een balsem heeft ook voor het gebroken hart. Marijken, gij doelt op eene vereeniging! Zij bracht voor mij den hemel op aarde... maar ik mag haar niet meer willen.quot;
»Wat zegt gij ?quot; vroeg het meisjen trillend, en als begeerig naar eene herhaling van het gezegde, ofschoon het haar ter doode moest wonden. »Gij moogt haar niet willen? Gij stoot mij van u? O, dat is gruwzaam?quot; Zij barstte in tranen uit; zij weende, het was niet alleen van droefheid, van bittere droefheid, maar ook het maagdelijk hart voelde zich gekwetst.
129
»Schrei niet. Marijken! Laat mij de kracht om te voleinden
))Neen, neen, ik weet reeds genoeg,quot; nokte zij hartstochtelijk. »Dus was liet betoon uwer liefde veinzerij, dus bewees de sehaarsch -heid uwer brieven reeds verkoeling! En de betuigingen die ik ontving waren sleclits logen! Dus bebt gij mij nooit lief gehad!quot; Een nieuwe gedachte rees bij haar op. »üu.s hebt ge mij alleen geliefkoosd, om meê te trekken in uwe dwaling, uit zucht tot uitbreiding der ketterij.quot;
«Blik mij aan, liefste mijne! en speur op mijn wezen of de Heere God mij daar een Kaïnsmerk beeft ingedrukt. Het moest daar toch gevonden worden, indien het waarheid ware, wat gij onderstelt,quot; zeide hij innig bewogen. Die toon trof haar; als onwillekeurig voldeed zij aan zijn verzoek en staarde op zijn gelaat, zoo vaalbleek. zoo droef en toch zoo edel.
«Neen. niet dus was uwe meening!quot; riep zij uit. »Maar, om den wille onzes Heeren! verklaar mij die woorden; herroep ze!quot;
»Toen ik u voor het eerst ontmoette, Marijken. was ik een balling, maar droeg ik toch een edelen naam. Thands ben ik nog balling, maar mijn naam heb ik verloren.quot;
»lk begrijp u niet!'
«Ik ben niet de zoon van den Hollandschen Admiraal, niet de kleinzoon van Heere Bardes.quot;
»Wie zijt ge dan?quot; vroeg Marijken, en zij trilde alsof de koorts haar dooi- de leden woelde.
))Het is mij onbekend. Nadat ik u de laatste reize vaarwel zei, vluchtte ik van hier naar den Prins; daar bracht een ijlbode mij een brief van Heere Bardes, die mij dringend bad over te komen.quot; Hij deelde baar vervolgens mede wat wij reeds weten, en besloot: »Toen ik hem niet meer vond. ijlde ik naar een vroegeren vriend. Deze toonde mij een niet voleinden brief, in het vertrek des Oud-Schouts gevonden, die wellicht vermoedde, dat ik om den benarden staat van zaken bet niet wagen zou aan zijn verzoek te voldoen en dus begonnen was zijne ontdekking bij geschrifte mede te dee-len Op haar sterfbed had eene oude dienstmaagd van den Admiraal Kolterman beleden, dat ik niet was voor wien ik doorging, dat ik een vreemdeling was. Meer werd in dat geschrift niet medegedeeld!quot; Hij poosde een oogenblik : zijne oogen waren nederge-â¢slagen. misschien van schaamte, alsof hij vermoedde dat er op zijne geboorte een smet zoude kleven. »Ik weet alsnu. dat ik niet de kleinzoon ben van hem, dien ik eerde en lief bad; maar wien ik toebehoor, welken naam ik mag dragen, weet ik niet.quot;
))Dus werd u niet bekend wie uwe moeder was?quot; vroeg Marijken, die hem weder nader was getreden en met de blanke vingeren zijn schouder aanraakte, terwijl haar gelaat de innigste deelneming â uitdrukte.
))Ik vermoed wel dat de bekentenis der vrouw door twee perso-
9
igt;f, i;i;i:sti: hm.
l;:o
tien is aangehoord... beiden echter zijn voor mij gestorven,quot; voegde hij daar somber aan toe. »Marijken, ^ij zijt van eeilijKe aikomst; uij kunt, gij moet eene keuze doen. die u handliaaft in uwen kling, .luist omdat ik u liefheb, niet slechts voor mij zeiven. maar voor u, man ik niet langer vvenschen dat ge mij (er zijde blijft
Marijken greep zijne hand. »Was het alleen dat, wat u die wooiden deed spreken? Ik zoude liefgehad hebben om een naam, misschien om een buidel gelds? I'ij, hoe ge mij v\el laag hebt geschat!quot;
Kolterman zag haar aan; hij las geestdrift in hare oogen, zag den blos der bezieling op haar wezen. Het was ot 'zij zelfs blijde was, geroepen te zijn een ofïer te mogen brengen. »Neen. ik schatte u niet laag. Maar slis het pleit in kalmte, Marijken! Til de weegschaal en oordeel. Hier ligt uw liefde, ginds de verachting dei uwen, het gebrek, de ontbering, wellicht de ballingschap! ï\aar welke zijde neigt zich de evenaar?quot; , , ,, â¢i
«Naar die, waar mijne liefde zich bevindt, lispelde Marijken. »0 ik voel thands hoe ik u liefheb! Ik, die u dacht vaarwel te moeten zengen, ik, die hier kwam om het u te vei konden, schoon met een bloedend hart. ik begrijp thands, dat gij mijne gantsche ziel hebt ingenomen, dat ik n minne boven alles wat ik op deze
aarde bezit.quot; â¢, ⢠i
»Reine, edele ziele!quot; riep Kolterman, terwijl hij haar in de armen sloot. Weder bedwong hij zich en vervolgde hij bedaarder: «Liefste! onderzoek uw hart iu de eenzaamheid, of ge waarlijk kunt wat ge wilt. Ziet ge. ik bereidde mij op deze ure voor; ik heb m mijn binnenste gestreden en ik vermeende te kunnen volbrengen wat ik oordeel mijn plicht te zijn. Wat zou het zijn, indien ge mij thands vleidet met eene hoop, die geen duur heeft; indien ge mij thands deedt gelooven aan eene zaligheid als die der Engelen en ge mij later zoudt moeten bekennen: mijn hart heelt mij
misleid?quot; .. r, ^ u u i
«Maar wat zou zich kunnen stellen tegen mijne liefde.' Heb ik u uitgelezen tot mijnen Heer om rang of om goed? Ik was een geloovige dochter der Kerk en toch heb ik u bemind, en waie dan het gemis van een roemruchten naam een hinderpaal? Het eerste, ik geloof het in sommige oogenblikken, vooral wanneer ik naast'u nederzit, kan ik niet meer zijn, maar het laatste kunt gij immers veroveren, lieve!quot; .
»,Iii, dat is de reden van het wikkend verstand, riep Kolterman blijde uit. «Hoe onze zielen een zijn van gedachte! Zie. we staan aan den aanvang van een nieuwen dag. De Heere God weet alleen of op den dageraad de ochtend, en op dezen een middag zal volgen : maar de dageraad is toch reeds aangelicht. Wat achter ons ligt is een gister geworden, dat nimmer wederkeert. De nieuwe leer moet het hart quot;hervormen, de nieuwe dag aanlichten over een ver-
i;u
jongde aarde. Ik wil niets verplidit zijn aan dat gister, hetwelk mij duisternis en verdrukking herinnert ! Een nieuwe naam voegt den nieuwen inensch!quot;
Of' Marijken de ontboezeming geheel volgde, geheel begreep? Het eerste moge waar zijn, het laatste zeker twijfelachtig. Een zacht gefluister verving nu de luide gedachtewisseling van straks; en wat zij elkaar mededeelden, het was wat er opwelde in hun binnenste, liet was de samensmelting van het gevoel, het was eene harmonij der ziel, die ons andere sfeeren, ja bovenaardsche, gedenken doet.
Liefde, poëzij des levens! Hoe zij adelt, hoe zij roept als een stemme Gods in de harten der menschenkinderen I Wat klove de menscli tusschen die beiden had gegraven, ze was dit oogenblik aangevuld; wat strijd hen ook verdeelde, hij was vergeten.
Het was den jongeling goed aan hare zijde! Verlichtte hij ook hare rede, zij daarentegen oefende invloed op zijn harte, dat bij den drang van het heden niet altoos zuiver gebleven was. Kende hij s Heeren uitspraak: sWees eenvoudig als de duive.' hij had er ook naast gelezen: »en voorzichtig als de slange;quot; en aan die laatste zinsnede was iiij getrouwer geweest dan aan de eerste.
Hoe veel tijds er ook heen snelde, de beide minnenden vermoedden het niet. De klok der Westerkerk moest het hen echter herinneren, en hoe kort hun de uren waren geweest, mocht uit Koltermans uitroep blijken: «Reeds elf, Marijken! Men beidt mij elders, en ik had u nog zooveel te vragen, zooveel te melden. Gun mij spoedig eene tweede samenkomst!quot;
»Wijlt ge nog langen tijd hier ter stede?quot;
alk mocht het voor mijzelven hopen, voor de goede zaak niet!quot;
«De goede zaak?quot; en Matijkens gezichtjen betrok. »Weleer werd mij medegedeeld, dat ge hier waart gekpmen, om de kwalijk gezinden te stijven, dat gij de ziel waart der beweging; is het nu weder ook alzoo?quot;
»Weshalve die vraag, waarop het and woord zoo bezwaarlijk is?quot; hernam Kolterman, «Laat het u onbekend blijven wat strijds ik te voeren heb, het mocht den uwen, reeds zoo heftig, ofschoon ook zoo heilig, onnuttelijk verzwaren. Wanneer zal ik u weerzien ? Mijn waardige broeder kan niet meer onze bode zijn, maar op andere wijze kan ik mij den toegang tot uw huis openen.quot;
» Waag het niet naar binnen te komen!quot; zeide Marijken angstig. «Het bracht u voorzeker onheils.quot; Zij bemerkte wat Koltermans voornemen was; zij volgde zijne oogen, die do hoogte schenen te meten en den kerker te zoeken zijns gevangen broeders. «Doe mij weten wanneer gij komt, en ik zal u hier beiden.quot;
s.Maar dan ben ik afhankelijk van het getij. Door de binnenhaven ben ik hier gekomen; het was ebbe en de waterpoort was open. Ik vrees zelfs, dat de terugtocht mij thands reeds zal zijn afgesneden.quot;
132
Hij begaf zich haastig naar den achtergrond en schouwde over den muur. Hij vond zijne vrees bewaarheid. Marijken verbleekte. ))VVijl hier, liefste mijne! Ik zal wel den weg vinden door uw huis en begeef mij alzoo in liet vrije. Men mag u niet ontmoeten in liet bijzijn eens vreemden.quot;
»En als ge eens dooldet of door de oude Anna werdt ontmoet, men hield u wellicht als verdacht aan! Neen, ik zal u geleiden.quot;
Kolterman begreep de gegrondheid der aanmerking en gaf toe. Beiden traden nu behoedzaam liet achterhuis binnen en meenden reeds, door niemand bespied, het doel van den tocht te zullen im-deren, toen de geopende deur der pronkkamer hun beider tegenwoordigheid verried. Kolterman wierp onwllekeurig een blik naar binnen en bleef staan, tot Marijkens verbazen, die hem tot voortgaan spoorde.
sWaarom poost gij? Zoo men ons bemerkte, ik zou u nimmer weder kunnen ontmoeten, ' zeide ze zacht. Het getuigde voor zijne afgetrokkenheid, dat hij zelfs na die woorden nog een prikkel behoefde om voort te gaan.
Vurig was haar dank, toen zij eindelijk de deur achter hem sloot en hem veilig wist. Zij ijlde naar het kamerken, waar haar eenige uren later, toen het onweder, dat wij nog moeten schilderen, voorbij was gedreven, een pakjen gebracht werd. hetwelk, zooals de oude Anna verzekerde, van vrouw Janne van de nieuwe haven, een van Marijkens bekenden, kwam. Zij vond echter een liijbel. Zij opende dien, hoewel na een poze wijlens, en sloeg het eerst de plaatsen op, baar door een strook papier aangeduid. Bij de eerste vond zij: sOnderzoekt de Schriften, die zijn het, die van Mij getuigen;quot; bij de tweede: ^Onderzoekt alle dingen, maar behoudt het goede.quot;
Of zij las? Wij kunnen het niet getuigen; maar toen zij geroepen werd om te avondmalen, ontschuldigde zij zich, voorgevende niet te wel te zijn; en hij wien het was gegund geworden in den laten avond door het venster van haar kamer te spieden, zou haar nog wakende hebben gevonden en nog wel voor1 een opengeslagen boek.
Weinig bevroedde zij, dat korten tijd, nadat de deur barer woning voor haren geliefde gesloten werd, zich die weder voor hem zou openen,
Kolterman toch had zich niet gehaast de straat, waar Freèrijks huis stond, te verlaten. Wel verwijderde hij zich eenige schreden, doch het was om een smidse aan de overzijde binnen te treden, waar hij een druk gesprek aanknoopte met den meester, die, hoewel ijverig bezig, het gesprek van den jongeling te belangrijk scheen ie vinden, om hem niet willig ten andwoord te blijven staan. Het onderwerp van beider gesprek viel niet moeilijk te gissen; het had betrekking op de beroering der stad. en schoon de brave smid Due d'Alv als een vreemdeling en als een beul zijner landgenoten haatte en den Prins van Oranje een goed hart toedroeg, achtte hij
133
lien opstand tegen Zijne Majesteit goddeloos en uit den Booze. Kolterman stemde hem dit toe, doch beweerde, dat de opstand in geeneti deele Zijne Majesteit gold. maar alleen den trouweloozen dienaar, die niet gezonden was om de privilegiën der steden te verscheuren, voor welke de Prins van Oranje immer zooveel eerbied had betoond. De eerzame poorter was idet ver in de fijne onderscheidingen der staatkunde, en dus niet weinig veranderd van opinie over de plaats hebbende troebelen, toen de vriendelijke jonk-lïKin hem verliet, die, zoo als hij later verklaarde, meer lucht in zijn longen moest gehad hebben dan hij in zijn blaasbalg, om zoo 'ums en zooveel te kunnen spreken.
Het vertrek van Kolterman werd niet zoozeer veroorzaakt door het slepen van liet onderhoud, want dit werd wel wat plotseling afgebroken, maar veelmeer door liet voorbijgaan van een poorter, in wien Kolterman, die steeds met zijn gelaat zooveel mogelijk naar de straat gekeerd was blijven staan, den ouden Freèrijk herkende. Na den smid gegroet te hebben, stapte hij ijlings naar de deur, die hij straks had verlaten, terug, liet den klopper vallen en beval de dienstmaagd, verbaasd door den gebiedenden toon, hem naar de pronkkamer voor te gaan, waar de Admiraal Boshuvzen hem wachtte. Of hij vermoedde, dat oude Anna last had ontvangen om ieder, behalve de haar genoemde namen, den toegang te weigeren, en hij haar daarom door een bepaald gebod overvleugelen wilde? Indien dit zijn oogmerk ware geweest, dan mocht het bereikt heeten, want zonder tegenstreven ging zij hem voor tot aan de bedoelde kamerdeur.
Hij trad binnen en bevond zich tegenover den Admiraal, die met groote stappen in liet vertrek heen en weèr liep. Het bezoek bleek wel onverwacht, want de wandelaar staakte plotseling zijne beweging en stond stil, terwijl zijn gelaat vuurrood werd en eene uitdrukking van de hoogste verbazing aannam.
3)tlet was mij niet gegund u van mijne komst te verwittigen,quot; zoo begon Kolterman, beleefd buigende, hoewel hij het lijne spotzieke glimlachjen, dat hem om de lippen speelde, niet bedwingen kon.
ȕk dacht u reeds ver van hier, jonkman! en het was u nut, indien het zoo ware.quot;
«Ik meen voor als nog het tegendeel, Heer!quot;
Wonderlijk was het. den forschen krijger als bevreesd te zien voor den tengeren jonkman; gene sloeg toch zijne oogen ter aarde, deze staarde liem aan. en zelfs met eene stoutheid, die in deze ure svel misplaatst scheen.
sik weet niet, waarop dat gevoelen steunt,quot; zeide Boshuvzen. »Reeds eenmaal zijt ge door mij van een wissen dood gered; het is strijdig met plicht en geweten den vijand Zijner Majesteit ten tweeden male te sparen.quot;
»Het is waar. eens hadt ge een verklikker kunnen zijn van Mijn-
134
lieer den Schout van Amsterdam en een nederig dienaar van Mijnheer Dirks, den overmoedigen Burgemeester dier stad; gij zijt het niet geweest, ik breng er u mijn dank voor toe. Of gij mij ten tweeden male dezelfde dienst zoudt kunnen bewijzen, al wildet gij het ook, betwijfel ik zeer.quot;
))Dat gij liet laatste onderstelt, blijkt mij genoeg uit uwe wijze van spreken, welke mij gauts niet behoorlijk toeschijnt,quot; borst Boshuyzen, die zich tot toorn opwond, los.
«Weshalve niet. Heer?quot; vroeg Kolterman tergend bedaard.
»lk heb u anders hooren spreken, toen gij schreidet als een wijf', en beefdet als een kind voor de gard van den Meester.quot;
sik mag het feit niet loochenen, de aanleiding echter wel. Heer Admiraal, vriend van hem, dien ik mijn vader heette, en die u mede een vriend hebt betoond tegenover mij!quot; zeide Kolterman scherp.
Het had doel getroflen, want de toorn des krijgsmans was werkelijk opgewekt; hij behoefde het niet meer te veinzen om zijne verlegenheid te verbergen.
sGij komt op dit punt!quot; riep bij uit. »Ja, ik was een vriend van Kolterman. maar zoo waarachtig als ik de bende, waartoe gij behoort, zal tuchtigen, zou ik zijn vijand zijn geweest, indien lii] ook uwe lenze had aangeheven.quot;
«Die bezweering geeft geen kracht te rneer aan uwe woorden, overmits ik niet geloof dat ge in staat zult zijn tot eene tuchtiging.'
»Dat zullen wij zien. Eer de avond daalt zal het krijgsvolk in de stad zijn. en de eerste, dien ik het hoofd voor de voeten leg, zijt gij.
«Edele vriend van hem, dien ik mijn vader heette, hoeveel strijds u een zoodanig voornemen toch gekost zal liebben, eer het tol rijpheid kwam! Gij waart toch nauw verknocht aan den Admiraal Kolterman en toen ook aan mij, dien gij liefkoosdet zoo als men 'c den lieveling gewoon is te doen van het huis, waar men de beste malvezij en den eèlsten kapoen over heeft voor den gast! En thands zoudt ge mij dus onschadelijk maken, zoudt ge mij ontnemen wat ge mij tot dus verre nog laten moest? Ik erken, het middel is hoogst simpel, maar de aanwending hoogst moeilijk, Heer Admiraal Boshuyzen, die zoo goed als mijn gevangene zijt!quot;
De Admiraal schaterlachte, maar het geluid was gedwongen en klonk daarom naar en schril. «Het geblaas mijner pijpers samen is niet zoo hefiig als het uwe, mijn jongsken! Uw gevangene! Indien ik den drempel van dit vertrek overschrijd en roep, zijt gij mijn.'
«Zoo uwe hellebardiers niet waren gevlucht als een troep goochelaars voor een Schoutendienaar.quot;
«Dus waart ge daarbij?quot; vroeg Boshuyzen. «En ge hadt mij voor uwe oogen laten ombrengen door het domme en razende grauw?
»Waarom niet? Had ik mij daartegen moeten stellen? Uit aanmerking onzer vroegere konnektie?quot; vroeg Kolterman bijtend.
«Maar zij zullen er voor bloeden, de rebellen! Boshuyzen is er
135
niet voor bekend te belooven wat hi j niet houden kan; hij heeft er nog nooit éen gespaard ..
«Het laatste weet de Geus en het gedijt u voorzeker niet tot voordeel, nu ge in zijne hand zijt.quot;
»Wat kalt ge van gevangenschap en van de overmacht der gevloekte bende!quot; riep de Admiraal in ziedende drift. »Van waar toch die toon des meesters, bij een balling, zonder eenig geweer, zonder eenigen aanhang, zelfs zonder naam!quot;
»Het gemis van het laatste heeft de balling u te wijten en hij zal er u dankbaar voor zi jn, nu de ure der vergelding slaat, ' zeide Kolterman koud. terwijl hij zich achteloos in een leunstoel wierp, waarop de Admiraal straks gezeten had. Het gaf'een blijk te meer. dat hij zich meester dacht en den krijgsman reeds als gevangene beschouwde. 1
«Uwe onbeschaamdheid wordt dolzinnigheid,quot; bulderde deze. »Gij hebt geen naam en dat gij er nooit een ontvangt, zult ge meê aan mij te wijten hebben, verstaat ge, ruwe knaap!quot;
«Volkomen, Heer.' Ik heb liet hem eindelijk ontlokt,quot; zeide hij in zich zeiven.
»I)e spieren dezer armen zijn nog niet verstramd, en al ware het ook dat de stad geus was geworden en het grauw hier voor de deur stond, weet, vlasbaard, dat ik u, vóór ik mij overgeef, uit de vensters kan neérsmakken en den schedel doen bersten!quot;
»Ge zult u bedenken voor gij het doet.quot; hernam Kolterman. terwijl hij hem glimlachend aanzag.
«Maar het grauw staat nog niet voor de deur en ik kan u dien luchtsprong ulevel laten doen. Weet ge, jonker zonder naam, hoe men met het grauw handelt, als de busschieters voor het oogen-blik ontbreken? Men paait ze met zoete woorden en ment ze later als eeti ploegpaard door een stevig gebit. Terwijl ge hier neerzit in dien leunstoel, die u voegt als den vagebond een kanten halskraag, is het krijgsvolk binnen, verstaat ge mij, binnen de poort,quot; «Onmogelijk!quot; riep Kolterman opspringende, terwijl hij zijne onverschilligheid prijs gaf en eene hevige ontroering verried. De verandering mocht wel niet geheel oprecht zijn, want hij, die zoo lang eene ijskoude kalmte had kunnen voorwenden, ten einde beter zijn doel te bereiken, had die ontroering, zoo ze werkelijk bestond eu hij haar niet slechts wilde toonen tot bevordering zijner oogmerken, gewis kunnen verbergen,
«D.it hadt ge niet gedacht, mijn jonksken, die van dreigen tot bidden schijnt over te slaan! Ik wil u de zaken zelfs nog klarer maken om uw genoegen te vergrooten. Weet, dat éen onzer schran-derste koppen reeds op weg is en dat zijn opzet niet falen kan.quot; «Zeker is het uw gastheer?quot; vroeg Kolterman gehaast. «Gij weet te raden en schijnt dien man genoeg te kennen om te onderstellen dat u weinig hoop verblijft, u, die alleen door logen
136
en laster de goè gemeente weet op te zetten, maar geenerlei macht bezit .. .
»Van waar toch die heftigheid, Heer?quot; zeide Kolterman, nu bedaard en zonder scherpte, terwijl hij voor den krijgsman zich plaatste. »Kunt ge mij niet met kalmte het doodvonnis aanzeggen, zoo als ik het u deed, hoewel ik het slechts deed als ijdel vertoon?quot;
slloe ge wisselt van leuze, gevloekte spion! Eerst poogdet gij mij den voet op den nek te zetten en nu te verbidden.quot;
»Voor bidden is liet nog geen tijd. Heer! Het morgen zal leeren of ik zoo verkeerd heb geoordeeld, hoewel ik erkennen moet, zeil machteloos te zijn, en niet in staat u te deeren.quot;
»Dus hebt gij mij willen verschrikken door een pop van stroo! De vuige speerknecht blies zich op lot Kornel! Dus was het slechts laffe zwetserij, die u straks dien hoogen toon deed voeren! Gij wordt er niet te grooter door in mijne oogen, knaap!quot;
))Noem het laffe zwetserij indien gij wilt, Heer! Ik wilde u echter een oogenblik doen ondervinden, wat gij mij dien nacht te Amsterdam deedt gevoelen. Herinnert gij u (lie ure? Het woei een halven orkaan; het LI joeg de stad in en had zulken geweldigen golfslag, dat ik, half verkleumd van koude, doornat van den regen, die sinds ettelijke uren reeds nederplaste. elk oogenblik in de boot, die mij overzette, dreigde te vergaan. Ik zette voet aan wal; ik zag de stad terug, waarin ik het grootste gedeelte mijner jeugd had doorgebracht, waarin ik mijne reinste genoegens had gesmaakt, waarin ik zooveel vrienden had gevonden. En nu! Ik sloop voort als een door God en rnensch vervolgde, angstig omziende bij het gedreun van een voetstap, en mij slechts het veiligst wanende in de kleinste en nauwste gangen en straten. Eindelijk had ik mijn doel bereikt. Ik klopte aan Beste-vaars huis, eens ook mijne woning. Een vreemde, een huurling opende mij en wees mij honend op de Schoutendienaars, die ruw en spottend het huisraad door elkaar wierpen, dat mij bij den eersten blik mijn gelukkig verleden voor den geest riep; want hier zag ik een leunstoel, waarin Beste-vaar sluimerde na het noenmaal, ginds den kroes, waaruit hij zoo menig-werf gedronken had. En dat alles werd verontreinigd dooi' die onheilige handen en ik had de macht niet om ze heen te jagen; ik mocht zelfs niet den snauw beandwoorden, waarmee ik werd heengezonden; ik moest stilzwijgen en mij nog gelukkig prijzen niet herkend te zijn. En toen de deur weder was dicht geworpen, stond ik alleen, in den donkeren nacht alleen, te midden eener stad, die vijandig was. Ik had daar echter nog éen vriend. Ik wilde slechts bij hem nader bericht inwinnen omtrent Beste-vaars lot en ook voor éen nacht huisvesting vragen. Dit was toch niet te veel! Die vriend waart gij! Ik kwam tot u, en hoe hebt gij mij ontvangen ?quot;
De jonkman poosde een oogenblik en zag den Admiraal aan, die
137
hem den rug had toegekeerd en zich met liet gelaat voor het venster had geplaatst.
»Hoe hebt gij mij ontvangen. Heer?quot; zoo klonk het nogmaals, wik dank u voor dat stilzwijgen; het getuigt nog voor uw geweten. Ik kan u evenwel niet het leed besparen om op die vraag niet te andwoorden. Geen handdruk verwelkomde den balling, en ijskoud als het vertrek was de toon, die hem toeklonk. Men ontdekte hem een geheim, dat meer dan alles wat de balling had verduurd hem moest nederbuigen, en gaf' hem toen te kennen, dat hij zich te verwijderen had, indien hij niet in handen wou geraken van den Gerechte. Dat deed een oude vriend!quot;
Hij poosde weder, alsof hij andwoord beidde, maar Boshuyzen verroerde zich niet.
»Wat ik toen heb geleden, wilde ik u, zij liet ook in mindere mate, een oogenblik óok doen lijden; en de smekeling van toen toonde zich een wijle de meester van uw leven. Wel was het slechts in geringe mate! Want de zielémarteling, die gij voor mij hebt uitgedacht, had ik niet voor u, al had ik liaar ook gewild. Gij ont-roofdet mij dien nacht een vader, een naam, en gaaft mij niets terug, schoon pij het hadt kunnen geven; gij deeldet mij het om-dekte geheim ten halve mede. hoewel pij alles wist.quot;
»Dat is niet waar,quot; zeide Boshuyzen, terwijl hij het hoofd snel omwendde en zijn gelaat te zien gaf, dat. hoe ook door de natuur gebruind, thands toch een vaal bleeke kleur verried.
»Gij hebt het mij zelf straks gezegd; uw toorn maakte u onvoorzichtig.quot;
quot;En deed mij gewisselijk overdrijven. Ik deelde u mede wat ik wist; en aangaande mijne handelwijze te uwaart, ik kan haar voor God en de Heiligen verandwoorden. Het was mijn plicht als dienaar Zijner Excellentie den Hertog en als huisvader.quot;
»Ik wil aannemen dat gij het laatste gelooft; zeltbehoud behoeft evenwel niet altoos wreed te worden tegenover den naaste, al draagt deze een ander kleed, al spreekt hij een andere taal. hoeveel minder jegens hem, wien ge u eenmaal verbonden hebt geacht. Doch plooi dit zelf met u en uw geweten.quot;
aWat ik deed was goed, en zou ik weder doen, zoo waarlijk helpe mij de gebenedijde Maagd!quot;
sHet is wel. Maar aangaande het eerste punt blijf ik van n in opinie verschillen. De waarschijnlijkheid pleit voor mijn gevoelen. Zelfs in dien nacht doelde ik daarop en gaf ik u te kennen, dat ik u verdacht meer te weten. Gij bekendet mij toen reeds eenige woorden met Beste-vaar te hebben kunnen wisselen. Beste-vaur zal zich dien tijd ten nutte hebben gemaakt, om, mij niet vindende, u van het noodige te onderrichten, en dit te eer, daar iiij den brief niet voleinden kon. Er is nog meer. Ik heb reden te onderstellen, dat gij tegenwoordig zijt geweest bij de bekentenis der stervende dienst-
134
heer den Schout van A msterdam en een nederig dienaar van Mijnheer Dirks, den overmoedigen Burgemeester dier stad; gij zijt het niet geweest, ik breng er u mijn dank voor toe. Of' gij mij ten tweeden male dezelfde dienst zoudt kunnen bewijzen, al wildet gij het ook, betwijfel ik zeer.quot;
«Dat gij liet laatste onderstelt, blijkt mij genoeg uit uwe wijze van spreken, welke mij gants niet behoorlijk toeschijnt,quot; borst Boshuyzen, die zich tot toorn opwond, los.
«Weshalve niet. Heer?quot; vroeg Kolterman tergend bedaard.
))Ik heb u anders hooren spreken, toen gij schreidet als een wijf', en beefdet als een kind voor de gard van den Meester.'
sik mag bet feit niet loochenen, de aanleiding echter wel. lieer Admiraal, vriend van hem. dien ik mijn vader heette, en die u mede een vriend hebt betoond tegenover mij!quot; :;eide Kolterman scherp.
Het had doel getroffen, want de toorn des krijgsmans was werkelijk opgewekt; hij behoefde het niet meer te veinzen om zijne verlegenheid te verbergen.
»Gij komt op dit punt!quot; riep hij uit. »Ja. ik was een vriend van Kolterman, maar zoo waarachtig als ik de bende, waartoe gij behoort, zal tuchtigen, zou ik zijn vijand zijn geweest, indien hij ook uwe leuze had aangeheven.quot;
))Die bezweering geeft geen kracht te meer aan uwe woorden, overmits ik niet geloof dat ge in staat zult zijn tot eene tuchtiging.'
«Dat zullen wij zien. Eer de avond daalt zal liet krijgsvolk in de stad zijn. en de eerste, dien ik het hoofd voor de voeten leg, zijt gij.'
«Edele vriend van hem, dien ik mijn vader heette, hoeveel strijds u een zoodanisc voornemen toch gekost zal hebben, eer liet tot rijpheid kwam! Gij waart toch nauw verknocht aan den Admiraal Kolterman en toen ook aan mij, dien gij liefkoosdet zoo als men quot;eden lieveling gewoon is te doen van liet huis. waar men de beste malvezij en den eèlsten kapoen over heeft voor den gast! En thands zoudt ge mij dus onschadelijk maken, zoudt ge mij ontnemen wat ge mij tot dus verre nog laten moest ? Ik erken, het middel is hoogst simpel, maar de aanwending hoogst moeilijk. Heer Admiraal Boshuyzen, die zoo goed als mijn gevangene zijt!quot;
De Admiraal schaterlachte, maar het geluid was gedwongen en klonk daarom naar en schril. »Het geblaas mijner pijpers samen is niet zoo hefug als het uwe, mijn jongsken! Uw gevangene! Indien ik lt;len drempel van dit vertrek overschrijd en roep, zijt gij mijn.'
»Zoo uwe hellebardiers niet waren gevlucht als een troop goochelaars voor een Schoutendienaar.quot;
»Dus waart ge daarbij?quot; vroeg Boshuyzen. »En ge hadt mij vonr uwe oogen laten ombrengen door het domme en razende grauw?
»Waarom niet? Had ik mij daartegen moeten stellen? Uit aanmerking onzer vroegere konnektie?quot; vroeg Kolterman bijtend.
«Maar zij zullen er voor bloeden, de rebellen! Boshuyzen is er
135
niet voor bekend te belooven wat hij niet houden kan; hij heeft er tiog nooit éen gespaard . .
»11 et laatste weet de Geus en hot gedijt u voorzeker niet tot voordeel, nu ge in zijne hand zijt.quot;
))Wat kalt ge van gevangenschap en van de overmacht der gevloekte bende!quot; riep de Admiraal in ziedende drift. »Van waar toch die toon des meesters, bij een balling, zonder eenig geweer, zonder eenigen aanhang, zelfs zonder naam!quot;
»Het gemis van liet laatste heeft de balling u te wijten en hij zal er u dankbaar voor zi jn, nu de ure der vergelding slaat,quot; zeide Kolterman koud. terwijl liij zich achteloos in een leunstoel wierp, waarop de Admiraal straks gezeten had. Het gaf een hl ijk te meer. â (lat hij zich meester dacht en den krijgsman reeds als gevangene beschouwde. '
«Uwe onbeschaamdheid wordt dolzinnigheid,quot; bulderde deze. )gt;Gij hebt geen naam en dat gij er nooit een ontvangt, zult ge meê aan mij te wijten hebben, verstaat ge, ruwe knaap!quot;
«Volkomen. Heer! - Ik heb het hem eindelijk ontlokt,quot; zeide hij in zich zeiven.
»De spieren dezer armen zijn nog niet verstramd, en al ware het ook dat de stad geus was geworden en liet grauw hier voor de deur stond, weet, vlasbaard, dat ik u, vóór ik mij overgeef, uit de vensters kan neêrsmakken en den schedel doen bersten!quot;
«Ge zult u bedenken voor gij het doet,quot; hernam Kolterman, terwijl hij hem glimlachend aanzag.
«Maar liet grauw staat nog niet voor de deur en ik kan u dien luchtsprong alevel laten doen. Weet ge, jonker zonder naam, hoe men met liet grauw handelt, als de busschieters voor het oogen-blik ontbreken? Men paait ze met zoete woorden en ment ze later als een ploegpaard door een stevig gebit. Terwijl ge hier neerzit in dien leunstoel, die u voegt als den vagebond een kanten halskraag, is het krijgsvolk binnen, verstaat ge mij, binnen de poort.quot;
«Onmogelijk!quot; riep Kolterman opspringende, terwijl hij zijne onverschilligheid prijs gaf en eene hevige ontroering verried. De verandering mocht wel niet geheel oprecht zijn, want hij, die zoo hing eene ijskoude kalmte had kunnen voorwenden, ten einde beter zijn doel te bereiken, had die ontroering, zoo ze werkelijk bestond en hij haar niet slechts wilde toonen tot bevordering zijner oogmerken, gewis kunnen verbergen.
«D.it hadt ge niet gedacht, mijn jonksken, die van dreigen tot bidden schijnt over te slaan! Ik wil u de zaken zelfs nog klarer maken om uw genoegen te vergrooten. Weet, dat éen onzer schran-derste koppen reeds op weg is en dat zijn opzet niet falen kan.quot;
«Zeker is het uw gastheer?quot; vroeg Kolterman gehaast.
»Gij weet te raden en schijnt dien man genoeg te kennen om te onderstellen dat u weinig hoop verblijft, u, die alleen door logen
13G
en laster de s,oè gemeente weet op te zetten, maar geenerlei macht bezit....quot;
»Van waar toch die heftigheid. Heer?quot; zeide Kolterman, nu bedaard en zonder scherpte, terwijl hij voor den krijgsman zich plaatste. »Kunt ge mij niet met kalmte het doodvonnis aanzeggen» zoo als ik het u deed, hoewel ik het slechts deed als ijdel vertoon?quot;
»Hoe ge wisselt van leuze, gevloekte spion! Eer^t poogdet gij mij den voet op den nek te zetten en nu te verbidden.quot;
»Voor bidden is het nog geen tijd, lieer! Het morgen zal leeren of ik zoo verkeerd heb geoordeeld, hoewel ik erkennen moet, zeil machteloos te zijn, en niet in staat u te deeren.quot;
»Dus hebt gij mij willen verschrikken door een pop van stroo! De vuige speerknecht blies zich op lot Kornel! Dus was het slechts laffe zwetserij, die u straks dien hoogen toon deed voeren! Gij wordt er niet te grooter door in mijne oogen, knaap!quot;
»Noem liet laffe zwetserij indien gij wilt. Heer! Ik wilde u echter een oogenblik doen ondervinden, wat gij mij dieu nacht te Amsterdam deedt gevoelen. Herinnert gij u die ure? Het woei een halven orkaan; het IJ joeg de stad in en had zulken geweldigen golfslag, dat ik, half verkleumd van koude, doornat van den regen, die sinds ettelijke uren reeds nederplaste. elk oogenblik in de boot, die mij overzette, dreigde te vergaan. Ik zette voet aan wal; ik zag de stad terug, waarin ik het grootste gedeelte mijner jeugd had doorgebracht, waarin ik mijne reinste genoegens had gesmaakt, waarin ik zooveel vrienden had gevonden. En nu! Ik sloop voort als een door God en mensch vervolgde, angstig omziende bij het gedreun van een voetstap, en mij slechts het veiligst wanende in de kleinste en nauwste gangen en straten. Eindelijk had ik mijn doel bereikt. Ik klopte aan Beste-vaars huis, eens ook mijne woning. Een vreemde, een huurling opende mij en wees mij honend op de Schoutendienaars, die ruw en spottend het huisraad door elkaar wierpen, dat mij bij den eersten blik mijn gelukkig verleden voor den geest riep; want hier zag ik een leunstoel, waarin Beste-vaar sluimerde na het noenmaal, ginds den kroes, waaruit hij zoo menig-werf gedronken had. En dat alles werd verontreinigd door die onheilige handen en ik had de macht niet om ze heen te jagen; ik mocht zelfs niet den snauw beandwoorden, waarmee ik werd heengezonden; ik moest stilzwijgen en mij nog gelukkig prijzen niet herkend te zijn. En toen de deur weder was dicht geworpen, stond ik alleen, in den donkeren nacht alleen, te midden eener stad, die vijandig was. Ik had daar echter nog éen vriend. Ik wilde slechts bij hem nader bericht inwinnen omtrent Beste-vaars lot en ook voor éen nacht huisvesting vragen. Dit was toch niet te veel! Die vriend waart gij! Ik kwam tot u, en hoe hebt gij mij ontvangen ?quot;
De jonkman poosde een oogenblik en zag den Admiraal aan, die
137
hem den rug had toegekeerd en zich met het gelaat voor liet venster had geplaatst.
«Hoe hebt gi] mij ontvangen, Heer?quot; zoo klonk het nogmaals. »lk dank n voor dat stilzwijgen; liet getuigt nog voor uwgeweteti. Ik kan u evenwel niet het leed besparen om op die vraag niet te ;indwoorden. Geen handdruk verwelkomde den balling, en ijskoud als bet vertrek was de toon, die hem toeklonk. Men ontdekte hem een geheim, dat meer dan alles wat de balling had verduurd hem moest nederbuigen, en gaf hem toen te kennen, dat hij zich te verwijderen had, indien bij niet in handen wou geraken van den Gerechte. Dat deed een oude vriend!quot;
Hij poosde weder, alsof hij andwoord beidde, maar Boshuyzen verroerde zich niet.
»Wat ik toen heb geleden, wilde ik u, zij het ook in mindere mate, een oogenblik ook doen lijden; en de smekeling van toen toonde zich een wijle de meester van uw leven. Wel was het slechts in geringe mate! Want de zielemarteling, die gij voor mij hebt uitgedacht, had ik niet voor u, al had ik haai'ook gewild. Gij ont-roofdet mij dien nacht een vader, een naam, en gaaft mij uieis terug, schoon gij het hadt kunnen geven; gij deeldet mij bet ontdekte geheim ten halve mede, boewei gij alles wist,quot;
»Dat is niet waar,quot; zeide Boshuyzen, terwijl hij het hoofd snel omwendde en zijn gelaat te zien gaf, dat, hoe ook door de natuur gebruind, thands toch een vaal bleeke kleur verried,
sGij hebt het mij zelf straks gezegd; uw toorn maakte u onvoorzichtig,quot;
11 En deed mij gewisselijk overdrijven. Ik deelde u mede wat ik wist; en aangaande mijne handelwijze te uwaart, ik kan haar voor God en de Heiligen verandwoorden. Het was mijn pliciit als dienaar Zijner Excellentie den Hertog en als huisvader,quot;
»Ik wil aannemen dat gij het laatste gelooft; zeltbehoud behoeft evenwel niet altoos wreed te worden tegenover den naaste, al draagt deze een ander kleed, al spreekt hij een andere taai. hoeveel minder jegens hem, wien ge u eenmaal verbonden hebt geacht. Doch plooi dit zelf met u en uw geweten.quot;
a Wat ik deed was goed, en zou ik weder doen, zoo waarlijk belpe mij de gebenedijde Maagd!quot;
sHet is wel. Maar aangaande het eerste punt blijf ik van u in opinie verschillen. De waarschijnlijkheid pleit voor mijn gevoelen. Zelfs in dien nacht doelde ik daarop en gaf ik u te kennen, dat ik u verdacht meer te weten. Gij bekendet mij toen reeds eenige woorden met Beste-vaar te hebben kunnen wisselen. Beste-vaar zal zicli dien tijd ten nutte hebben gemaakt, om, mij niet vindende, u van het noodige te onderrichten, en dit te eer, daar hij den brief niet voleinden kon. Er is nog meer. Ik heb reden te onderstellen, dat gij tegenwoordig zijt geweest bij de bekentenis der stervende dienst-
138
maagd; tüi dat. gevoegd bij de bekentenis van straks, maakt de waarschijnlijklieui zekerheid. Heer Adminuil, van waar toch dat stilzwijgen? 1Ilt; zin mij stomp oai de oorzaak daarvan te gissen. Is het alleen wrok jegens mij, die n nimmer iets misdeed?quot;
sWrok? Het gesprek, met lieer Freêrijk gehouden, getuigde van het tegendeel. I k pleitte voor n. voor u. als sxohl het mijn eigen zoon.quot;
»En van waar dan, dat ge mij het and woord op mijn vraag weigert; dat ge mij ontzegt juist wat mij het naast aan het hart ligt?quot;
«Geloof mij, jonkman, het is beter zoo,quot; hernam Boshuyzen na eenigen strijd.
«Mijne ouderen zijn gewis niet gestorven, anders ware uwe stilzwijgen mij gants onverklaarbaar. Zij leven. Gij wilt mij hun naam niet noemen, wellicht uit medelijden; ze zijn wellicht van lage afkomst, arm. ellendig, maar dan behoeven zij juist een steun; zij zijn wellicht misdadig .. . .? Welnu, de zoon zal zich hunner niet schamen.quot;
Het was of die woorden het Hollandsche hart troffen. Boshuyzen trad haastig op hem toe en vatte beide handen, die schuil gingen in de zijne. «Wisselt ge van leuze? Zweert ge de gevloekte dwalingen van Kalviniis af .' Wilt ge een trouw onderdaan worden ? Ik zweer u bij Markus mijn Patroon, dat ik u helpen zal om uwen zoen met Zijne Majesteit te sluiten.quot;
»Wat is (lit? In welk verband staat het vasthouden aan de zaak lt;ler vrijheid tot de ontdekking mijner ouderen? Ze leven alzoo! Heer Admiraal, verklaar mij....!quot;
sOnderwerpt gij u? Met iiart en ziel, niet gehuicheld, om weer om te keeren als het tij verloopt?quot;
«Met hart en ziel? Alsof beiden veranderd kunnen worden naar welgevallen. Alsof eene overtuiging vernietigd wordt als men het wil . . . .quot;
«Onderwerpt gij u?quot;
»Hoe kan ik dat? Gij kunt den mensch dooden, maar hem niet gebieden te denken hoedanig ge wilt; dat staat zells niet in ziju eisen macht.quot;
»Gij wilt dus niet?quot;
«Ik kan niet.quot;
«Dan verbiedt mij de Heilige Kerk te spreken. Ik ware een groot zondaar en een ontrouw onderdaan, indien ik het nochtans deed, voegde hij er aan toe, alsof hij met zichzelven kampte en zijn eigen rede nog te overwinnen had.
«Bovendien!quot; vervolgde hij. «zult ge wellicht spoedig mijne hulp kunnen ontberen. Zoo als de mare gaat, leeft er nog een deelgenoot van het geheim. Hoe onverklaarbaar het mij ook schijne, het gerucht wil, dat Heere Bardes niet is gestorven en niet veroordeeld.quot;
«Gewis; hij leeft, is vrij en hier ter stede.quot;
»Hoe!quot; riep de Admiraal uitermate verbaasd. »En van waar dan
139
uwe vraap: aan mij gericht, mij bijkans gedwongen tot eene ontdekking. die strijdt met mijn gewisse! Heer Bardes kent de zaak nog grondiger dan ik; zij gaat hem meer aan dan mij. Wil hij uwe nieuwsgierigheid bevredigen, die u rouwen zal, jonkman! welnu, dat hij het doe, het ware mij ontheilen van een drukkenden last. Maar indien hij hier ter stede is, waarom dan niet naar hem ge-jraan? Ik onderstel, dat gij 't reeds gedaan hebt en dat ook Hcere Bardes heeft geweigerd.quot;
sWathet eerste aangaat, raadt gij wel. Heer!quot; zeide Kollerman. die een poos in gepeins was verzonken geweest. »Ik heb Beste-vaar gesproken, maar hij kon mij niet begrijpen en daarom niet andwoorden. Hij is gekrenkt in zijne geestvermogens. Heer! De bloedraad heeft hem vrijgelaten, nadat bij het edelste in hem had vernietigd. De rede is gekrenkt; bet ware meelij geweest, indien de beul het zijn lichaam ook hadde gedaan.quot;
Deze woorden, op een loon gesproken, waarin diepe weemoed trilde, maakten op Boshuyzen indruk. Om het den jonkman echter niet te doen blijken, wendde hij zicli om en trad weder voor bel venster, terwijl hij in zich zeiven prevelde: »Het is tegen alh' poorterrecht in, met den ouden aldus te handelen! Waar blijven onze privilegiën?quot;
»Beste-vaar is kindsch geworden. Heer! Ik wenschte,dat ge hem zaagt. Het zou u minder hard stemmen jegens de Prinsgezinden.quot;
«Maar men verdacht hem ook van muiterij, van opstand tegen Zijne Majesteit. Voor dezulken geene genade!quot;
«Twisten wij daarover in deze ure niet! Gun mij éene bede. Ik vertrouw, dat ge haar niet weigeren zult na de mededeeling van straks. Geef mij den briet, dien Beste-vaar in dien nacht geschreven, maar niet heeft voleind.quot;
«Wat nut zal het u doen? Bij mijne ziel, hij is niet voleind. Gij leert daaruit niets.quot;
»Ik geloof u gaarne. Maar vat gij niet. Heer, dat die brief voor mij het eenig bewijs is, dat ik niet ben die ik dacht te zijn. Gun mij ten minste die zekerheid.quot;
«Ik heb dien brief niet hier, en keer niet terug naar Amsterdam.' «ik zal hem daar gaan zoeken, indien gij 't veroorlooft.quot;
«Maar zult ge n daar wagen? Gij verspeelt er uw kop. Bovendien zal mijn vrouw n den brief niet geven.quot;
sik heb dit hooft reeds zoo dikwerf gewaagd, en nog staat het op de schouders. Ik heb vijanden, maar thands ook vele vrienden ter dier stede. En zoo ik uw zegelring medebracht, zou uwe vrouw-mij toch geen geloof weigeren.quot;
«Mijn zegelring?quot; Boshuyzen zag hem wantrouwend aan. maar de jonkman sloeg de oogen niet neder, en zijn gelaat verried geen verwarring. Toch duwde gene hem toe: »Dien geef ik zelfs den Heer Stadhouder niet; dien geef ik niemant.quot;
140
«Kan dan een vertrouwen, zij het ook aan vreemden geschonken, ii zoo veel kwaads berokkenen?quot; vroeg de jongeling eeuigszins scherp. «Bovendien, Heer, bedenk, in welke mate gij mij uw vertrouwen schenkt en van welken aard het is. Gij acht mij toch geen lage dief, ilie de vraag waagt om de kostbaarheid van dien ring? Ondersteld, dat ik evenwel uw vertrouwen wilde misbruiken, en iets vroeg welks overgave u gevaarlijk kon zijn; â ondersteld, dat ge in vroeger ti jd eene gevaarlijke briefwisseling gehouden hadt »Maar dat is niet zoo,quot; riep Boshuyzen vuurrood.
»Hei is slechts een bloot vermoeden, en ik geloof het ook niet,â maar ondersteld, dat het zoo ware, zoudt ge wanen, dat uw vrouw niij gehoor zou verleenen, al toonde ik ook het kleinood, dat ik op slinksche wijze had kunnen buitmaken? Indien ik echter kwam om te vragen wat zij zelve, die mij kent, mij en mijne geschiedenis, wat zij zelve weet dat voor mij, en alleen voor mij van waarde is, en indien ik haar het bewijs toonde, dat gij met de uitreiking genoegen naamt, heeft de zaak echter een geheel anderen schijn. Weshalve weigert ge mij dan mijne bede?quot;
«Maar die ring....! Het ware een bewijs van toenadering....! en wij staan nog tegenover elkander ais vroeger.quot;
sik weet het, lieer, en zal niet pogen daarin verandering te brengen, wetende dat het streven nutteloos ware. Guu mij dan eenige letteren schrii'ts.quot;
»Dat niet, dan nog liever het eerste. Jonkman!quot; vervolgde hij na eene poze, «indien ik uw verzoek inwillig, belooft ge, mr dan nimmer weder te naderen....?quot;
»lk weet, dat mijn bijzijn u niet zeer welgevallig kan zijn. Wees de.-? overtuigd. Heer, dat ik het uwe niet zonder noodzaak zoeken zal.quot;
«Zonder noodzaak? Het woord is rekbaar.quot;
))Kan de krijg waarin wij leven mij een ander doen zeggen?quot; sik begrijp u. Bid de Moedermaagd, maar Die roept ge niet aan; bid God, maar Dien kent ge niet. Dien bespot ge; bid dan den duivel, die uwe leer heeft uitgebroed, dat hij u nimmer op mijn weg brenge, want ik vergeet niet, dat ge een der verhards te en boosaardigste ketters zijt, en met het slagzwaard in de hand ware ik voor u gevaarlijk, knaap!quot; Tevens trok hij zijn ring van den vinger en wierp dien op de tafel. «Dien brengt gij hier terug aan Heer Freèrijks huis,quot; zeide hij, terwijl hij hem de deur wees.
»Ik begrijp den zin uwer woorden zeer goed. Om het slagzwaard te keeren. Heer, zal het nut zijn een wapenrusting aan te gorden. Vaarwel.quot;
Hij verdween en liet Boshuyzen in geene kalme stemming achter. Deze verweet zich zeiven, in de eerste oogenblikken na het vertrek des jonkmans, eene zwakheid; maar weldra kreeg het gevoelen de overhand, dat hij den ongelukkige toch éenige vergoeding verplicht
lil
was. De rekening was ihatuls ecliter afgesloten, en het was of er bij die gedachte hem een zware last van het hart viel.
De oude Freèrijk had middelerwijl het einde van zijn snellen tocht bereikt. Toen iiij bij de Weesperpoort aankwam, bemerkte hij aan het gejoel der menigte, dat de troebelen, daar voorgevallen, nog niet waren gestild. De menigte deinde als de baren der zee en wel naar de richiing van het wachthuis aan de linkerzijde der poon, waar Freèrijk vermoedde dat Buyskes, Rietlus en de andere hem nog onbekende aanvoerders zich bevonden. Hij achtte het in deze ure niet geraden den stroom te volgen en mede naar binnen te dringen, daar hij niet wist of hij Kolterman daar zoude aantreffen, en dit te minder, nu hij van eenige vrouwen, die, met de roode armen in de zijde, niet ver van het gewoel afstonden en door het aanheffen barer krijschende stemmen niet weinig tot de beweging en verwarring bijbrachten, vernam, dat men een kettermeester van Amsterdam in de vest al gedoopt had, â zeker een verkeerde voorstelling van hetgeen met Boshuyzen bad plaats gehad â en men nu bezig was het hoopjen schutters, dat zich te weer had gesteld, onderden voet te loepen, en dat haar armen jookten om het der smalle gemeente â dat waren ze toch, zij van de nieuwe leer! ââ betaald te zetten, als ze maar wat toevoer kregen van volk. De vrouwen waren van de laagste klasse en stonden juist in geen goeden reuk. Dat zij het binnenlaten van het vendel krijgsvolk wenschten. had een geldende reden: â het bracht haar voorzeker gewin.
Freèrijk ware voortgegaan, indien een der vrouwen niet eenige woorden had gesproken, die meer zijne aandacht trokken.
«Benijd mij dien knecht niet, Kaat! Hij had geen penning, en 't mag dus puur meelij heeten als ik hem huisvest. ...quot;
»Maar hij hoort toch bij een groot heerschap . . . .quot;
»Die, de duivel weet waar heen, gestoven is .. . .quot;
)gt;Waar woont ge, vrouwken?quot; fluisterde Freèrijk. die den rand van zijn hoed voor zijn gelaat trok, ten einde het te verbergen, zoo lang hij met haar sprak.
»In het Harderstraatjen. heerschap! .Tolle Minnemoer, schuins over Mie onder den luifel.quot;
dEii ge tiebt een vreemden knecht geherbergd? Indien er meer bij u om huisvesting komen, ontvang ze en breng ze morgen tegen noen in de herberg het Paradijs, waar ik ze wacht.quot;
»Wat brengt het mij op, heerschap?quot;
»Een paar Kuytersche blanken 11. Maar het loon volgt eerst op den arbeid, vrouw! Het komt niet eer.quot;
Hij zag Rietlus, dien hij ontwijken wilde, waarom hij het aangeknoopte gesprek plotseling afbrak en zicli verwijderde. Het was echter te laat; de poorter had hem gezien en hield hem bij een tip
') Het geldstukje stond in het laatst dei' Kie eeuw op zeven duiten.
142
van zijn regenkleed vast. De menigte deinde een oogenblik naar deze zijde en omsingelde beiden. Freeriik was niet zonder zorg. Indien men eens vermoedde met welk doel bij herwaardsgekomen was, indien men zijne vroegere handelwijze eens als huichelarij erkende, liet ware hem, te midden der Geuzenbende geklemd, in deze ure slecht bekomen. En bovendien, die dolzinnige Kietlus stond hem ter zijde! De man, dien hij vieesde, was echter zijn redder; en dat deze noodig werd, bleek uit de gramme blikken, door de omstanders op liein geworpen, bleek zelfs uit de halfluide bedreiging. hier en ginder om hem heen gehoord.
»Braaf. broeder, dat ge mee een handtjen komt helpen; al is het ook overbodig, het doet uwe stemming toch kond. Hij is een der onzen, broeders! quot; vervolgde liietlus tot de omstanders, sik sta n borg voor hem.quot;
«Doch ik begrijp niets van deze samenscholing,quot; zeide Freêrijk zacht. âIs hier niemant van den Magistraat, die de billijke klachten stillen kan?quot;
»De Burgemeester Jan Vest is binnen in de wachtkamer met Buyskes. maar het sammelen daar duurt mij te lang. We willen zekerheid, opdat geene overrompeling meer mogelijk zij. We willen vier Kapiteins uit de burgerij en eenige der onzen tot bijzitters van ile Wethouders. Alle schepen, die op stroom liggen, moet men laten uitvaren, en de schepen van ooilog met het geschut, kruit iti lood. in de stad en haven liggende, aanhouden, en verders de gewone waclit van zestig man verdubbelen en een goed oog houden, ter wering van het krijgsvolk van due d'Alv.quot;
«En wat gebeurt er met dat van den Prins?quot; vroeg Freêrijk. nZoo ver zijn we nog niet,quot; hernam Rieilus.
sMaar we hopen er toch te komen,quot; vulde Freêrijk aan. «Fe recht, de stad moet Prinsenvolk innemen . . . En vindt de Magistraat het voorstel goed ?quot;
»'t Was als zagen ze het Stadhuis in lichter laaie vlam. Het duidde wantrouwen, zoo heette het van de zijde der goê gemeente, die men toch reeds zooveel blijken gaf van noeden wil. Het redekavelen schijnt alevel ten einde,quot; vervolgde Rietlus, terwijl hij op den Burzerneester Vest wees, die het wachthuis verliet. »Gaat ge meê? Gij behoort toch aan de spitse. Heeft de prediker uw hart getroffen ? Vielen de schellen u niet van de oogen ? Ik meende u toch ter preke bespeurd te hebben.'
sGevvisselijk ; nader onderricht zal mij echter nog noodig zijn.quot; «En het znl n geworden. Gij komt ook uit het duister; de oogen zullen schemeren .... Gij hebt echter hot licht reeds in uw eigen huilt; . . . . Uw zoon is toch een der Ilechteren in Israël. Kom, ga met mij!quot;
«Thands niet. broeder! maar ik hoop spoedig u ginder te kunnen zoeken.quot;
»Wij beiden u bepaaldelijk. Heere Buyskes en Dirk Brouwer meè heb ik van alle achterdenken ten uwen opzichte genezen. Breng mij niet in het perikel door overgroote moderatie. Gij behoort aati lt;le spitse; ik sta er op, dat ik u daar spoedig ontmoet.quot;
De ronde Rietlus kon niet verbergen, welken steun het zijner partij zoude aanbrengen als Fi er rijk zich ter hunner gunste en dit opeiu-lijk verklaarde. Hij, voortvarend als altoos, begeerde, â straks zou het wellicht zijn: beval. -â dat de voorzichtige oude even als hij alle matiging op zij zoude zetten. Het was echter in geenen declé Freèrijks voornemen, hetgeen bleek toen hij .hm Vest inhaalde en met dezen een oogenblik ter zijde ging.
»De zaak gaat gants niet naar wensch,quot;' zoo begon de Burgemeester.
»Men deed u een voorstel; is het aangenomen?quot;
»Gods bloed, wat vraag! De Magistraat ried tot moderatie, om tijd te winnen; dat was cister. vóór dat het den Admiraal zoo bar was gegaan. Nu echter blijkt het, naar mijn inzien, dat de moderatie kiem te meer geeft aan de rebellie.quot;
«Alles loopt ons tegen. Wie verklapte ook de aanslaande aankomst des Admiraals?quot; vroeg Freèrijk. «Het was alleen den Magistraat en mij bekend, en ik hoopte bepaaldelijk, dat hij door zijn gezach het krijgsvolk zou hebben binnen geholpen.quot;
«Hetwelk ook ge-chied ware, overmits ik het gerucht had verspreid. dat Quikkels vendel aan de Ketenpoort de poging met meer aandrang den volgenden morgen herhalen zou. Ik rekende, dat het grauw derwaards gaan en zou afzien van «le wacht aan de Westerpoort, die we dan door eenige vertrouwde schutters hadden doen bewaken, en bij de aankomst des Admiraals doen openen. Van morgen echter, zoo wierd mij door de scliutters aangezegd, verscheen er een jonkman met een hijgenden bode aan de poort. Ze werden ingelaten, en de eerste vroeg naar Buyskes, die de aanvoerder schijnt met en benevens Rieilus .... Bij eenige kalmte moeten beiden in het gat.....' de Schout is reê,. .!quot;
))Ik geloof het niet. De Schout schijnt mij tweeslachtig toe. Bovendien al wierden die twee gevat, ge zondt der rebellie de armen hebben geknot en niet het hoofd . . . .quot;
»En wie is dan het hoofd ? De Prins? Maar die is buiten ons bereik.quot;
Freèrijk wenschte niet langer zijn geheim te bewaren. Na het belang, door Boshuvzen in den jonkman gesteld, na de geheimzinnige woorden door hem gesproken, scheen Kolterman hem gevaarlijker dan ooit.
«De jonkman, dien ik dood waande, maar die mijner hinderlaag is ontsnapt, hij is het.quot; zeide hij llnisterend. «Hij schijnt door zijne spionnen goed gediend te worden; hij was het gewis, die aan Buyskes de aankomst van Boshuvzen heeft medegedeeld .... De aanvoerder is de Blonde . . . .quot;
â¢144
))Hoe, hij leeft I'? i'iep (ie Burgemeester uit, terwijl zijne oogen tintelden. »Naar ik verneem, heelt men een prijs van vijftig daalders op zijn hoofd gezet. Wat eer. zoo liet mij gelukte hem te vangen Iquot;
sliet gaat niet licht. Hij slipt u door de vingers heen, op het oogenblik dat ge hem meent te vatten.quot;
))Kent ge zijne schuilplaats?quot;
»Neen, maar ze is gewisselijk niet alhier. Ge zegt immers, dat hij van morgen, â en het moet wel vroeg zijn geweest â aan de poort klopte? Hij moet dus den nacht elders hebben doorgebracht/quot;
«Gij hebt gelijk. Ik prijs uw doorzicht, ik zal het den Gerechte aandienen.quot;
«Geef ii niet te veel bloot. Heer Burgemeester! De ballingen zijn op dit pas talrijk en stout. Men matte ze at'door onderhandeling; het zwaard vermag niets in deze ure.quot;
Fluisterend werd het onderhoud voortgezet. Freêrijk sprak lang en goed, stelde gewis een plan voor, dat den Burgemeester uitnemend scheen, want deze nam hartelijk afscheid van hem met de woorden: »De poging gewaagd, beste vriend! De stad kan voor den avond in rust zijn. Ik spoede mij ijlings heen, om het noodige te verzorgen.quot;
sik toef in de nabijheid en zorg voor de vrouwen. Vaarwel!quot;' zeide Freêrijk, die mede in opgeruimde stemming van hem scheidde.
Het mocht een paar uren later zijn geweest, en dus vrij laat in den morgen, dat Dirk Brouwer, een wakker poorter, wiens mannelijk voorkomen kracht en degelijkheid duidde, welke laatste hoedanigheid tot zelfs in zijn stevigen, hoewel bedaarden, tred niet te miskennen was, het wachthuis binnen trad. waar Buyskes, Jan Frederiks Semeyns en Rietlus te zamen nederzaten.
De laatste scheen op dit oogenblik tot een hevigen maatregel gespoord. en daarbij eene neerlaag bij zijne bondgenoten te hebben geleden; hetgeen blijkbaar was uit de woorden van Buyskes, hem met eenige drift loegeduwd: »Het is daarvoor nog geen tijd. Men ga met zachtigheid te werk, wil men niet dat de gantsche arbeid verloren ga.quot;
»De gotelingen van de vloot in de stad te halen, het ware openbare rebellie jegens Zijne Majesteit! We houden slechts de bende van den Hertog buiten, en dit kunnen wij verdedigen tot voor den Raad van Beroerte.... De burgerij is tot zoo verre op onze zijde; gaan we verder, ik vrees, dat ze ons verlaat.quot;
dDus wil men kuit noch hom,quot; riep Rietlus. »Dus wilt ge schuldig zijn in liet oog des Hertogs, die u het buitenhouden van het krijgsvolk toch nooit vergeeft, en verdacht zijn bij den Prins, die het sammelen en draaien niet begrijpt. Hoedanig onze partij wordt beschouwd door de Spaanschgezinden, blijkt u uit de dreigingen van den ontvluchten Admiraal, dien we hadden moeten nazetten en ter ipoorte uitdrijven ...!quot;
145
»Ware Kolterman sleclits liier! .. . ik begrijp nietwaar hij toeft.. aeide Buyskes.
«Overigens vatte broeder Rietlus onze bedoelingen,quot; zeideSemeyns. )gt;Hij gunne ons onze wijze van zien; hij heeft, zoo ver ik weet. geenerlei bezitting of' onroerende have in deze stad. zoo als wij.''
»Ãe poverste poorters zijn alzoo, volgens uwe meening, de dapperste,quot; beet Rietlus hem toe.
Het was bij die woorden, dat Brouwer de deur opende. ))Broeder Buyskes! er scliijnt oproer onder het vendel. Eenigen naderen de poort en vragen gehoor!quot;
Allen repten zich naar buiten. Een vreemd schouwspel deed zich aan hunne oogen op. Het vendel, dat geruirnen tijd in slagorde had gestaan, had zich her- en derwaards verstrooid en vormde verschillende groepen. Te midden van den grootsten hoop stond een vaandrig op eene verhevenheid, met een rol papier in de hand. om een soort van appèl te houden, terwijl alle tucht verbroken bleek en men woest en tierend op hem scheen aan te dringen.
Buyskes vroeg den naastbijstaanden soldaten voor de poort, wat zij wilden.
»\Vij wenschen ingelaten te worden om eenige nooddruft te koopen. Wij zijn van de i'ol gebracht; we zijn aangenomen om op de schepen te liggen en niet op het platte land. We blijven niet langer bij het vendel. We hebben onze soldij, en zijn dus bij machte te betalen wat we koopen.quot;
»l)e burgerij zou het ons niet goed afnemen, als we den ntring-â doenden het voordeel onthielden,quot; zeide Brouwer.
»Men late ze toe, mids ongewapend; ook zijn er slechts weinige.quot;
Een tiental traden door de poort binnen; ze werden ongewapend bevonden. Het voorbeeld der soudeniers scheen door vele huuner makkers gevolgd te worden, daar van tijd tot tijd de poort voor eenige, die zich op hunne voorgangers beriepen, ontsloten werd.
Kort daarop meldden zich eenige vrouwen met zwarte huiken aan, die van Lutkenbroek heetten te komen. Ze werden zonder tegenstribbeling toegelaten, .fuist toen zij het wachthuis voorbij togen, naderde Kolterman, die, vreemd genoeg, zich niet had gespoed om herwaards te komen, maar eerst de binnenhaven langs was gegaan, met de visschers, die er bezig waren hunne netten te boeten, een gesprek had aangeknoopt, en eindelijk naar de poort was gestapt, waar hij met zooveel ongeduld werd verbeid.
Verbaasd zag hij de binnenkomende vrouwen na, die, vreemd genoeg, alle éen weg kozen en dezelfde straat insloegen.
»Van waar komen die, Heer?quot; vroeg hij aan Buyskes, die hem â te gemoet kwam.
Deze beandwoordde zijne vraag en deelde hem het gebeurde mede.
»ls Heer Freêrijk te dezer plaatse geweest?quot;
«Gewisselijk,quot; zeide Rietlus, shij is een der onzen.quot;
10
DE KI'.IiSTK DAG.
146
«Vertrouw dien man niet. Ik heb reden, broeders! voor die uitspraak. Waar hij komt, brengt hij onheil. Ik sjieur het ook hier. maar weet nog niet van welken aard het is. Uwe wacht schijnt sinds heden morgen gedund.quot;
»De meesten wilden de matte leden wat rust gunnen. Ze zijn de soldatendienst ongewoon. Het gevaar scheen ook geweken,quot; zeide Buvskes.
«Indien de list thands een aanval heeft beraamd, de ure ware niet slecht gekozen!quot; merkte Kolterman aan.
»En we hebben kruit noch lood.quot; riep Rietlus. ))We hebben slechts een veertigtal hellebaards en wat verroeste haakbussen.quot;
«Het noodige zou u wel te schafl'en zijn,quot; zeide Kolterman. »Het veerschip van Amsterdam liep straks binnen. Het had vijf en denig ton buskruit en drie honderd roeren aan boord. I)e visschers hebben het buit gemaakt en vragen Heer Buvskes wat daarmee te doen.
«Maar dit is een roof, den Heere Stadhouder gedaan, hetgeen de burgeren zullen moeten misgelden . . . .quot; zeide Buvskes.
«Indien ze ongewapend blijven, zeker!quot; riep Rietlus. «Bij mijne ziel. een kostbare schat. \Vij kunnen de ballingen binnen de poorten wapenen; wc kunnen ons zeiven nu verdedigen.
«Maar een openlijk verzet, voordat wij op hulp kunnen rekenen,, haalt ons de legermacht van den Graaf Bossu op den hals, hernam Buvskes.
«Ik geef het den Heer Gekommitteerde Zijner Fürstelijke Genade in bedenking, of het niet goed ware zich tijdig van een gijzelaar te voorzien.quot;
Waarom de jonkman Heer Buvskes met dien titel aansprak Was het een spoorslag, om den Prins meer en beter ter wille te â /.ijn? «Indien de broeders een der hoofden van de weerpartij in bewaring hadden, het zou den toon der Spanjaarts wat lager doen stemmen.quot;
«Maar hoe daaraan te geraken?'
«Verschoon mij. Heer! de vraag verwondert mij niet weinig. De Admiraal Boshuvzen houdt zich hier tor stede schuil.
«Jonkman! gij spreekt naar mijn hart! Boshuvzen zetten wij vast, er kome van wat wil,quot; riep Rietlus, terwijl hij met de grove vuist Kolterman op den schouder sloeg.
«Maar wij strijden tegen den vreemdeling en niet tegen landge-genooten.quot; zeide Brouwer; «tegen den Hertog en niet tegen Zijne
Majesteit.quot; .11
Kolterman glimlachte bij die woorden, doch andwoorade daarop
niets.
«De burgerij zal het niet goed vinden; en van haar zijn wij afhankelijk. Ware het een Spanjaart, het ware mij wel. â Ook zoude een aanval op dit oogenblik, nu de Magistraat tot zachtig-heid nei;rt en over mijne voorstellen beraadslaagt, niet billijk zijn.
14-7
Buyskes wilde nog meer spreken, maar de woorden stikten in den gorgel, daar plotseling de trommen roffelden in het midden der stad.
»Verraad!quot; riep Rietlus doodsbleek. »Wij zijn verloren!quot; en hij balde de vuist. «Waarom niet éer doorgetast; laffe memmen zijt ge 1quot;
«Stil, broeder!quot; fluisterde Kolterman, die even bedaard bieef als Buyskes, Semeyns en Brouwer, maar niet zoo als dezen eenigen tijd behoefde om zich te herstellen. ))Heer Buyskes! ik vermoedde een list van den ouden Freèrijk, eti ik giste wöl. De vrouwen hebben onder de huiken de wapens binnengebracht: er kunnen evenwel geene andere soldaten in de stad zijn, dan die ge zelt' hebt ingelaten . . . .quot;
»Maar hoe de burgers zoo spoedig te zamelen?quot; zeide Buvskes in gepeins.
»Wij behoeven de burgers niet,quot; zeide Kolterman; »de visschers zijn rei',quot;
«Gelukkig, dat gij mij daaraan herinnert; wij moeten ze her-waards doen komen .. .
/«Keurt gij het goed, dat ik liet hun ga zeggen? Mijne voeten zijn rap, zoo als ge weet, lieer,quot; zeide de jonkman lachend, die zijn angst ontveinsde en een volkomen gerustheid voorwendde, om de burgers, â de hoofden der beweging, die nog zoo weinig voor hun ambt berekend waren, â te sterken. Het deed hem echter goed te ontwaren, dat, konden de koopliên, die hij voor zich znquot;, ui niet spoedig tot voortgaan geprikkeld worden, zij ook niet spoedig tot teruggaan waren te dwingen.
»Ga, ga, broeder, riep Rietlus gehaast; en ook Buyskes knikte hem toe ten teeken van goedkeuring.
»Ik ijl, mids gij middelerwijl optrekt naar de plaats der beweging. Be visschers en de bootslui kennen u als reeder gewisselijk het best. Het zal hun moed prikkelen en tevens hun overmoed toomen. Waar lag Hopman Quikkel thuis?quot;
»ln de herberg het Paradijs.quot;
))Dan zamelen zich de soldaten aldaar. Tot straks.quot;
Buyskes, Semeyns en Brouwer â Rietlus toch volgde Kolterman â begaven zich na het vertrek van dezen terstond op weg en kwamen weldra ter bestemder plaatse aan, waar zij een veertigtal soldaten in gelid vonden staan, met roer en slagzwaard se-wapend, terwijl Quikkel in volle wapenrusting hen in oogenschouw nam. Eeniiïe burgers, door de trom derwaards gelokt, zagen het schouwspel sidderend aan en werden door den wrokkenden enthands overmoedigen hopman honend bejegend. Zelfs een der naast bij staanden werd met de kolf van een haakbus achterwaards gedrongen. Deze daad baarde misnoegen, en een hevig gemor ontstond onder den aangroeienden hoop, die, hoewel meest uit vrouwen en kinderen bestaande, zich gereed maakte op de soudeniers in te dringen.
«Terug, Geuzengebroed!quot; donderde de Hopman, terwijl hij zijn
-148
zwaard trok. «Steekt de lonten aan! Voort! Houdt die drie in 'toog,quot; zeide hij tot zijn Luitenants, terwijl iiij op Buyskes, Semeyns en Brouwer wees, die bezig waren de burgers tot bedaren te brengen, door hun te herinneren, dat de knechten gewapend en zij hei idet waren.
»Wees niet bevreesd, dat we u zullen ontwijken,quot; zeide Buyskes bedaard, terwijl hij eene onderhandeling wilde aanknoopen, om tijd te winnen. Quikkel was hem echter te slim af. »6een tijd versleten niet laffe kibbelarij! Uit den weg, geus!quot; en hij deelde met het plat van het zwaard eenige slagen uit. «Naar de poort!quot; Hij trad voort aan de spitse der zijnen en joeg de poorters door het flikkeren van zijn zwaard en van de lonten uiteen. Men naderde de poort, welke geopend stond te worden voor de buitenstaande soldaten, die bekend bleken te zijn met wat daar binnen voorviel, en reeds naar voren drongen, üuyskes en zijne twee medestanders verloren in deze ure hunne kalmte niet. «Broeders! slechts over onze lijken mag de poort open,quot; zeide de eerste, en de beide anderen drukten hem de hand.
Wat zouden die drie echter vermogen, nu de zedelijke kracht der burgeren vernietigd scheen, en de meest moedige en den strijd gewone poorters, ten maaltijd of ter rust heengegaan, zich niet op de kampplaats bevonden?
Eensklaps echter klonk het verward gejoel van stemmen hun in de ooren. Daar rees de gehate leuze van sVivent lesGueux.' daar blonken de hellebards, daar dreigden de vuurroeren! De aangeheven leuze was voldoende om den zwakken vijand binnen de poort allen moed te benemen. Zelfs Buyskes wist een oogenblik niet wat te denken, doch herkende spoedig in den aanrukkenden bondgenoot de gewapende visschers, door Rietlus aangevoerd. Kolterman schuwde als gewoonlijk de spits en hield zich als toeschouwer in de achterhoede, doelt was overal. De knechten van Quikkel wierpen de haakbussen neder, welke later zelfs niet geladen bleken, en verstrooiden zich; ze werden achterhaald, gekneveld, ter poorte uitgedreven, en kwamen gekneusd en bijkans geledebraakt bij hun vendel aan.
Met Quikkel ging het erger. De stem van Buyskes, die voor hem tusschen beiden kwam, werd niet gehoord; die van Rietlus alleen gold op dit oogenblik, en van dezen was weinig matiging te wachten. Men drong den hopman den buitenmuur op. onder het gebrul der menigte werd hij nedergesmeten in de vest. Hij zonk, maar kwam weder boven en spande alle krachten in, om den overkant te bereiken, wat hem niet weinig bemoeielijkt werd door zijne wapenrusting. Een der knapen, die zich onder de visschers bevonden en ettelijke steenen hadden opgeraapt, wierp er een naar het ongelukkige slachtpfTer en werd daarvoor beloond met gejuich en kreten van bijval. Het begon steenen te regenen, die echter zelden trollen, en, als zij liet deden, afsprongen op het harnas of den
â â 1
1/(9
helm. De kuechteti aan de ovei zijde kwamen den armen, zinkenden, kermenden hopman ter hulp en trotseerden den hagel, hetgeen een uit de aanvallers scheen te treilen. Het was Kolterman, die zich op den muur plaatste en hier een opgeheven hand terug hield, ginds een schouder vriendschappelijk aanraakte, verder een lustig woord zeide, dat de jok kern ij opwekte, eindelijk Rietlus naderde en hem in het oor beet: »L)e hopman vermag niets meer. Ons rest een keurige bete. Laat ^nikkel droegen. De Admiraal Boshuyzen verschuilt zich bij ouden Freèrijk. Thands er op los!quot;
De aangesprokene wischte zich het zweet van het voorhoofd, â¢Â«.luist, niet meer gemard! Jongens, nu naar den Admiraal! Laat i Mjikkel stikken in de klei.quot;
«Naar den Admiraal! Sla hem neer!quot; zoo galmde het uit aller mond, terwijl de woeste hoop. thands versterkt door ettelijke burgers, die de mare van den aanslag vernomen en zich naar de kampplaats begeven hadden, voortstoofquot;.
De oude treèrijk bad om wijze redenen geen ooggetuige willen zijn van de uitvoering der door hem voorbereide list. Hij, nevens den Burgemeester \ est en Boshuyzen, zat rustig neder aan het avondmaal en allen lieten zich, onder vriendschappelijk gekout, waarbij de te wagen aanslag niet weinig ter sprake kwam, den goudgelen Rijnwijn uit de roemers en fluiten wèl smaken.
Het gelaat des Admiraals gloeide, en zelfs dat van Freèrijk, anders zoo bleek, werd door een zacht rooden blos getint.
«Willem .lansz, als minder verdacht bij de Gemeente, toeft bij de poort en zal ons waarschuwen, zoodra zij geopend is,quot; zei de Durgemeester Vest.
â )llet sluiten der poorten zij onzer zorge in de eerste plaats bevolen. ' zeide Freèrijk. «Het ware jammer, indien ons een van de Geuzenbende ontkwam.quot;
»lk en Quikkel zullen de vierschaar spannen. Zij hebben hun poorterrecht verbeurd.' merkte de Admiraal aan.
sNiet alzoo. Heer! Men voere ze naar Amsterdam. Ik oordeel bet beter, dat ze niet ter dezer stede worden gerecht.' De Burgemeester verloor zijne voorzichtigheid niet, al was het bloed hem ook verhit.
«Zijne Excellentie de Hertog moge veilig een «te Deumquot; aanheffen, en doe den hoed, dien hij bij de mare van Bergens inneming vertrapte, weder optoomen. â Leve Zijne Majesteit!quot; riep Boshuyzen.
De uitroep werd daar buiten nog heftiger beandwoord. Een oor-verdoovend gejoel liet zich in hunne nabijheid hooren. Freèrijk stond op; zijne oogen tintelden van vreugde, daar hij (Juikkéls overwinnend vendel onder zijne vensters dacht. Zijne vero-issing duurde echter slechts een oogwenk. Hij tuimelde bij den eersten blik naar buiten terug. «Bergt u!quot; stamelde hij. «Niemant kan weten dat ge bier zijt, Boshuyzen!quot; En bij snelde naar beneden.
gt;
it
I â
;
1 #â
i
i gp
â â
ff
;
150
terwijl de ingeworpen vensterruiten rinkelend neersloegen, en een dozijn vuisten op de deur rameiden, als moest ze uit hare hengsels.
Hij had den moed haar te openen. Zijne verschijning op den drempel hield de menigte een wijle terug.
»Wat wilt ge, goede burgers?quot;
»Deii Admiraal!quot; riep de ruwe stem van Rietlus.
»Hij is niet hier! Hij is op de vloot.quot;
«Dringt door; hij is hier gehuisvest; laat u niet paaien met zoele woordekens.quot;
»l!ij mijne zaligheid, hij is op dit oogenblik niet hier!quot; Freèrijk dacht zijne ziel met geen logen te bezwaren, want hij geloofde den Admiraal reeds door den tuin gevlucht. Zijne bezweringen mochten echter niet baten: hij moest deinzen en den toegang vrijlaten voor het grauw, dat de trappen opholde. Wat deed hem, terwijl hij tegen den muur van den gang stond geperst, plotseling de tanden knersen en de lippen plooien tot een vloek? Het was niet Rietlus, die hem voorbij stoof, noch de wilde hoop, die den gewitten muur bevlekte en met de holsblokken de steenen dreigde stuk te stampen; liet was de jonkman, die meê zijne woning binnendrong, de Blonde, die gemoeid scheen in al zijne mislukte ontwerpen, en aan wien hij wellicht de mislukking daarvan wel immer wijten moest.
Kolterman scheen wel bekend in dat huis, want hij volgde den grooten hoop niet. maar drong, gevolgd door Buyskes en Brouwer, het huis dieper in. »Hij zal in den hot gevlucht zijn en alzoo in handen vallen van den tierenden hoop. Achterhaalt hem en beschermt zijn leven!quot; riep Kolterman.
Na deze woorden ging hij verder, gevolgd door een paar woe-dendste poorters, die hij tot nu toe slechts met moeite weêrhouden had om de bijlen bot te scharen op wand en deur. Aan het einde van den gang hield hij stil voor een kamer. Hij klopte en ontving liet an lwoord dat hij wachtte, want glimlachend zeide hij tot hen die hem nabij waren: «Vertoont uwe kunst, gezellen! Het is uw gil-denproef; breekt het paneel uit die deur, en ik verklaar u meesters.quot; Hij kon over hen te vreden zijn, want de arbeid duurde slechts korten tijd. en weldra reikte Kolterman den jongen Freèrijk de hand.
«Broeder, volg mij haastig!quot; zeide hij.
Deze maakte echter geene beweging om hem te volgen. «Mijn vader zette mij gevangen, mijn vader kan mij alleen ontslaan.quot;
«Welke rede is dit? De Joden grepen Petrus en leidden hem in de gevangenis, maar een Engel kwam en verloste hem 's nachts. De Apostel weigerde niet, maar ging; doe gij desgelijks.quot;
«Maar het is mijn vader. . . .quot;
«Die u den Kettermeesteren zou overleveren. Kom, gij bezwaart uwe consciëntie daarmede niet: ondersteunt onzen broeder,quot; lluis-terde hij tot de jonge gezellen, terwijl hij ze wenkte hem onder de armen te nemen. Half meegaande, half onwillig, ging de ver-
i.M
loste gevangene voort. Men klom den trap i\f en ontmoette er eenige poorters, die naar boven wilden. De toegang werd hun echter door Kolterrnan versperd. «Waar ^ij u begeven wilt, is geen vijand meer! Wij hebben de ronde reeds gedaan/' Was het duister waarom hij ze tot terugkeeren noopte, daar liet kamerken van Marijken op dezen gang uitkwam ?
De hoop, die naar de pronkkamer was gestoven, had daar niemant gevonden; de aangerichte disch bewees echter, dat oude Freèrijk daar met twee gasten had aangezeten. De vrees, dat de schuldige ontvlucht zoude zijn, verdubbelde hunne woede: het kostbaarste werd niet gespaard; alles werd in liet pronkvertrek geplunderd en vernield, doch niets, al was het draagbaar, medegenomen. Buyskes en de zijnen waren echter gelukkiger geweest. Zij hadden den hof' doorzocht en bij den buitenmuur den vluchteling gevonden, juist toen hij zich gereed maakte het voorbeeld van den Burgemeester Vest te volgen, die zich reeds in de binnenhaven, welke daar achter uitkwam, in veiligheid bevond. De toestand, waarin Buyskes zich bevond, was valsch. Hij was het hoofd der beweging en moest het ook blijven, zelfs daar, waar zij eene richting nam, die hij niet had gewild. Tegen zijn wenscli was hij vooruitgestuwd en had hij de grenzen overschreden, welke hij zichzelven en den goeden poorters had gemeend te moeten voorschrijven. Boshuvzen had hij niet willen gevangen nemen, en juist was hij gedrongen, den Admiraal aan te houden, om nog erger te voorkomen. Wien moest hij het wijten? Aan den drang der omstandigheden of ook, ja meest, aan den jongeling, die, om daarvan partij te trekken, zich zoo zedig op den achtergrond wist te verschuilen en toch de hoofdleiding scheen op zich te hebben genomen; aan tien jongeling, die zich ter beschikking had gesteld van Mijnheere den Gekommitteerde Zijner Genade, maar gewis van geheime instruktiën moest zijn voorzien, welke hem een gants andere gedragslijn voorschreven, dan hij had opgegeven?
Alsof hij ile schuldige ware, zoo stond Buyskes voor zijn gevangene, op wiens schouder Brouwer de hand had gelegd.
«Wat begeert ge, burgers?quot; vroeg de Admiraal.
»Wij komen u beschermen tegen den aanval van het opgeruide grauw,quot; zeide Buyskes. «Verlaat terstond de stad ; men legt liet toe op uw leven.quot;
»Van waar komen mij die onverwachte verdedigers toe ?quot; vroeg de Admiraal niet zonder achterdocht, Ik herken, bij mijn zwaard, de hoplui van heden morgen!quot;
»Wij kanten ons aan tegen uwe wenschen, doch willen niet uw dood....! Het is reeds te laat,quot; fluisterde Buyskes, die de visschers door den hof'zag heenstormen en aan hun spits den uitgelaten Rietlus.
«Mannen, sa, daar is de buit! We zullen u de grootspraak ver-â leeren. Heer!quot; zoo vervolgde de laatste tot den gevangene, die van alle zijden omringd was en door velen werd aangegrimd.
15tgt;
«Broeder Rietlus, hoe neemt grj u voor, te handelen met dezen, man?quot; vroeg Buyskes.
Boslmvzen balde de vuist en stampte met den voet. De adem gierde hem door den gordel van toorn over de hem aangedane be-leediging, over de schande, die zulk eennedeiiaagaehtervolgen moest.
sRietlus zweeg en wist het andwoord niette geven. Hij gevoelde thands eene beklemdheid, die hij straks, terwijl hij handelde, niet had gekend.
))Naar het Stadhuis! Stel hem daar in bewaring!quot; riep een stem. »llij zij n een gijzelaar!quot; Eu velen herhaalden die woorden eu overschreeuwden het geluid des eersten sprekers, dat daardoor niet was te herkennen. Wij kunnen echter vermoeden, wie zich in dier voege hooren liet. Het lot des admiraals was beslist. Van de menigte omgeven, stapte hij naar de aangewezen plaats, waar hij werd gekerkerd en bewaakt door eene sterke wacht van burgers, die Buyskes aldaar achterliet.
De oude Freèrijk was al dien tijd in een zijner vertrekken bewaakt geworden; hem werd alle vrijheid gelaten, mits lüj den drempel niet overschreed. Het was een voorzorg, door Kolterrnan genomen, die den invloed des rijken reeders vreesde, zelfs nog in het oogenblik, dat hij verdacht was van geheuld te hebben met den Admiraal. Toen deze echter gevankelijk was weggevoerd, verdwenen ook de bewakers van Freèrijk, die eenzaam achterbleef en met gebogen hoofd zijne woning doorkruisen ging. Zijn eerste bezoek â het getuigde nog voor zijn hart â gold zijne nicht, van wie hij niets had vernomen; hetwelk hem verklaarbaar werd, toen hij bespeurde, dat hare kamerdeur door den grendel van buiten was gesloten geworden. »Dit is zijn werk gewisselijk geweest!quot; prevelde hij, terwijl hij het vertrek opende en tot zijne vreugde Marijken wel angstig en verschrokken, doch ongedeerd terug vond.
»Wat is hier gebeurd, Heere oom?quot; riep zij uit, terwijl zij hem nadertrad en vrijer en hartelijker dan ooit de armen om zijn hals sloeg.
»1 ets vreeselijks, Marijken! Doch weet ge daaraf niets?quot; vroeg hij na een poze, terwijl hij zich loswond.
»Oom Iquot;
«Verwonder u des niet, want ik zag hém bij het grauw ... Het zal met woeker worden betaald!quot; zei hij dof, toen hij verder ging. Aan het einde van den gang bleef hij plotseling staan, de oogen gevest op de neèrgehouwen deur. Zijn zoon was hem ontsnapt; ontsnapt gewis door hulp van den gehaten jonkman. Een licht ging hem op in de ziel.
«Marijken!quot; zeide hij gesmoord, »hij, dien gij liefhebt, was zijn vriend, niet waar?quot;
«Ja, Heere oom, sinds lang,quot; lispte het meisjen, dat haar hartsgeheim ontdekt zag en het oog nedersloeg voor dat van Freèrijk, die
lliiaiMlll'll MH I.......I I ..................
153
doodsbleek werd, haar losliet, ijlings deti trap afstormde en zich iu zijn kamer opstoot, üe Blonde, wiens leven hij had belaagd, had zicli wèl gewroken!
(onge Freèrijk zat naast zijn vriend, ten huize van Rijkert Claesz, in veiligheid. Lang duurde beider onderhoud en vurig was de redetwist. De jongeling wilde terstond naar Einden, ten einde aldaar zicli voor het leeraarsambt te vormen; Kolterman wenschte dit echter alsnog te zien uitgesteld.
»tj wacht deze ure een ander werk. I/ater moogt ge uwen diersten wensch volgen. Ik moet voor eenige dagen van hier, en ik oordeel dat dit der goede zake alhier nuttig kan zijn. Vervul gij mijn plaats, foef op de hoeve bij Jan Dirksz, buiten de poort, alwaar de boden van Hoorn, Alkmaar en Medemblik u dagelijks van den stand der zaken zullen komen verwittigen.quot;
Duidelijk en uitvoerig omschreef hij verder zijn broeder, wat deze. te verrichten en te laten had. Toen hij 's avonds door de poort naar buiten ging, die terstond voor hem werd geopend, en hij een oogenblik stilstond, als om een blik te werpen op de stad, ontglipten hem de woorden: »De slagboom is gevallen; ze kunnen nu niet meer terug.quot;
De stad scheen als uitgestorven; weinigen waagden zich op de straat. De aanhangers van den Magistraat vreesden de ballingen en hunne volgers; en onder dezen waren er velen, die verre van kalm de oogen loken en niet geheel tevreden waren over het aandeel, door hen aan den strijd genomen; en dit te minder, toen het ruchtbaar werd, dat nog in dienzelfden nacht twee gevangenen, die in hechtenis waren wegens hunne Prinsgezindheid, door den Scnout ontslagen waren, ten blijke dat de Magistraat tot zachtheid genegen was en het eerlijk voor had met de burgerij.
HOOFDSTUK V.
Eeui(Te (liisreti waren verloopen. en de opgestoken storm was binnen Enkhuyzen nog niet bedaard.
Daags na de gevangenneming van Bosbuvzen verzamelden velen der ingekomen ballingen zich voor bet Stadhuis bij de daar gestelde wacht, en hoorden in den aanvang met kennelijke teekenen van ongeduld de redenen van een der Burgerneesteren aan. die den wilden hoop, welke echter kleiner was geworden en onder welken op dat oogenblik slechts weinige burgers zich bevonden, tot kalmte poogde te brengen.
Het gelukte door de zachte woorden van den spreker, die op vaderlijken toon de ballingen tot rust en orde vermaande en den West-Fries op de zwakste plaats â zijn eerbied voor de wetten en gebruiken â aantastte. Er werd een soort van wapenstilstand gesloten, die echter van korten duur was.
Door een aanval van buiten steeg de beroerte van binnen. De Drost van Muiden, die van de troebelen in Enkhuyzen reeds vernomen had. wachtte geen bevel van den heere Stadhouder daartoe af. maar voer met een deel krijgsvolk de Zuiderzee over. waar hij tot zijn overgroote blijdschap, maar niet geringe verbazing, geen enkele vlieboot der Geuzen ontmoette. Hij lag met zijn karveel buiten aan den dijk bij liet brouwhuis aati, en meende de knechten binnen te helpen. Hij' stiet echter onder de muren der stad op Buvskes, die van verre den aantocht der knechten bespeurd had en. onwrikbaar in zijn besluit om het Spaansche krijgsvolk buiten te houden, den Drost Paulus van Loo tegentrad en dezen door zijne kloekmoedige taal tot terugkeeren noopte.
Buvskes' vaste houding hergaf hem een deel van zijn verloren invloed. Hict'ms echter trok alleen van het plaats gehad hebbende partij, daal' hij aan het hoofd der zijnen wederom naar het Raadhuis optrok, (ïe Overheid heftiger dan ooit van ontrouw en verraderij beschuldigde, en het dadelijk quot;sluiten der reeds vóór eenige dagen voorgestelde overeenkomst verlangde, tot welke de burgerneesteren. door de dreigende houding dier bende werkelijk verschrikt, moesten toetreden. Slechts werd door toedoen van Jan \ est en \ olkert
155
Claesz tiog verkregen, dat oudp Freêrijk een der vier Kapiteinen van de burgeiij zoude zijn. Wel verzetten Rietlus en Buvskes zich daar tegen, docli liet meerendeel der poorters, die thands mede voor het Stadhuis waren opgekomen, stemden het voorstel dei'beide Burgemeesteren bij. ilet kon hieruit blijken, dat Ueer Bnyskes niet onjuist had gezien, toen hij beweerde, dat de burgerij niet zoo ver als de ballingen wenschte te gaan, en wel het vreemde krijgsvolk wilde buiten houden, maar dat des Prinsen evenmin inlaten. De keuze van ouden Freêrijk bracht velen, en daaronder Rietlus ir. de eerste plaats tot nadenken.
Dat de Magistraat hen niet zeer gezind was en om zoude slaan zoodra de kans gunstig stond, bleek weldra uit liet verlof', aan ettelijke Spaansgezinden in het geheim gegeven, maar spoedig ruchtbaar gemaakt, om hunne kostbaarste have te verschepen; onder welk voorwendsel men zich haastte den aanwezigen voorraad graan uit de stad te vervoeren, opdat in geval eener berenning der opgestane stad de mondkost haar spoedig zoude ontbreken. Dat trof' vooral de hefl'e des volks, die meerendeels met de ballingen gelieuld had en zeer goed begreep, dat gebrek aan mondkost zich het eerst voor haar zou doen gevoelen. De oploop, die weldra ontstond, kreeg een tot dusverre ongekend aanzien, en dreigde te ontaarden in een verzet tegen alle gezach en te zullen enden met eene plundering. Zelfs Rietlus zag het sidderend aan; de beweging wies hem boven het hoofd, en de blik van Buyskes, zoo verwijtend op hem geslagen, als wilde hij zeggen: Ziedaar uw werk, daar ge zulke bondgenooten niet van den beginne af hebt versmaad, deed hem liet hoofd afwenden, daar hij geen andwoord wist. Toch achtte hij het zijn plicht, zich te midden van den brullenden hoop te wagen, en ging zelfs zóo verre, om de opgewekte hartstochten te stillen, dat hij zijn gehouden gedrag vati eenige dagen geleden bijkans geheel verloochende. De menigte, in den waan gebracht dat de Admiraal üoshuyzen, die op het stadhuis gevangen zat, aldaar gemeenscha;' had met den Magistraat, eischte de verplaatsing huns gevangenen, van welk opzet Rietlus ze poogde terug te brengen. Wat natuurlijker dan het andwoord, dat hem van veler lippen tegenklonk: »Ge veinst met de anderen, overlooper in den nood!quot;
Het woord was Rietlus te sterk. «Slaat mij dood, als gij dit alzoo bevindt,quot; riep hij, terwijl hem de stem als in den gorgel dreigde te zullen stikken. De hoop gaf' echter geen acht op zijn woorden en snelde do trappen op van liet raadhuis, brak de deur der gevangenis open en sleurde den Admiraal naar beneden.
De Burgemeester Vest verloor alle zelfbeheersching, en riep bij de ruwe bejegening, dien dapperen maar weèrloozen krijgsman aangedaan : »'tls (gt;od en Zijnen Heiligen geklaagd; het schreit ten hemel; behandelt den Admiraal tocli wat zachter, al ware het slechts om zijn ouderdom!quot;
156
»Gij zijt niet beter dan liij,quot; riep er een uit den hoop, terwijl' hij de handen aan hem sloe^r.
«Een dubbele vangst!quot; gierde het verder.
«Koppelt ze beiden. Een schelvisch en een spiering!quot; klonk het ginder als ruwe spot; en weldra zaten Boshuvzen en Vest, de laatste God en de Heiligen nog dankende, dat hem het leven gelaten was, in den kerker op de Keteiijoort. Of echter de Admiraal daarvoor dankte, mocht betwijfeld worden. Hij liep, schuimbekkend van woede, in de enge cel heen en weder, en balde de vuist, die als een mokerslag neerdaalde op de met ijzer beslagen deur, terwijl dikke traandroppels hem langs de wangen biggelden, van spijt, van verontwaardiging, van wrok.
Nadat de oogen zich een wijle gewend hadden aan de heerschende duisternis, mat hij zijn kerker, ilie gewis reeds velen tot verblijf had gediend, liet was een eng vertrek, geheel van steen, dat door een hoog, diep in den muur gemetseld en met stevige traliën voorzien boogvenster een schemerend licht ontving. De stralen der zon, die hare middaghoogte had bereikt en zich neigde ten westen, vielen door de kleine ruimte naar binnen en verlichtten een deel van den wand, die, in scherpe tegenstelling met het onbeschenen gedeelte, een geelroode vuurstreep deed zichtbaar worden. Een steeneu zit in een hoek was de eenige rustplaats, terwijl eenige stoppels stroo, door de vocht en het langdurig gebruik grootendeels vervormd of verteerd, de plaats aanwezen, waar vroeger het schamel nachtleger voor den gevangene was opgeslagen.
Hoe menig misdadiger, die den galg of het rad wachtte, had daar de laatste uren wellicht doorgebracht in de stuiptrekking der wanhoop, bij vervloeking of onzinnigen spot. Wat verdiende ellende had hier gesteend en de gepijnigde leden gekromd, wat onreinheid had hier gehuisd! En hij, de Admiraal van Amsterdam, werd niet te hoog gerekend om te verblijven, waar die rampzaligen hadden gewoond! Hij, de vriend des heeren Stadhouders, voor wien de trot-sche Burgemeester Dirks zich oodmoedig boog, in wien deze zijn meerdere begroette, hij werd gelijk gesteld met het uitschot des menschdoms, dat een eerlijke begrafenis geweigerd en ten aas werd bestemd voor den roofvogel! ilij, de onwrikbare overwinnaar dei-Geuzen, dier muitende en onversaagde landgenoten, voor wie hij een fel geeselende roede was geweest, thands gekneveld door hot grauw, door een hoop zonder naam! Het was te veel voor den krijgsman, die een smadelijken dood in het verschiet zag; hij boog het hoofd, kruiste de armen op de borst en snikte. Wat echter plotseling zijne aandacht trok en hem voor een wijle ontrukte aan den drang (Ier zwaarmoedige gedachten? Hij had als bij toeval de oogen gevest op dat gedeelte van den muur, waarop de zonnestralen speelden; hij naderde en speurde eenige ruw in den muur gekraste woorden; hij spelde, hij las:
Jk moet u claghen, lieer, mijnen noot:
iloe lang sal men dit noch hooien,
Dat men, rontsom Jerusalem, doot Kn stort het bloet van d' uitverkoren.
VV;it tal van mimen daar onder, ten teeken van instemming met liet geschrevene, allen zeker poorters van deze stad, om den geloove vervolgd, en in de wateren een rustplaats bereid! Hij poosde en drong als met geweld de oprijzende gedachte terug. Hij zag verder en las in duidelijk schrift de regelen, ontleend aan een hem welbekend lied. dat hein immer als strijdzang des vijands in de ooien had geklonken en hem dan ontvonkte en bezielde, maar liem thands nederdrukte en als van vreeze trillen deed. Het waren eenige regels van het Wilhelmus, en wel:
Mijn schilt ende betrouwen
Sijt ghij, o God mijn Heer,
Op u soo wil ick bouwen.
Verlaat mij nimmermeer,
Dat ick doch vroom mach blijven,
U dienaar 'taller stond ....
Dat was gewis de stervensbede van een krijgsman geweest. Hij begreep haar, hij noemde haar schoon, en toch beklemde een onverklaarbaar wee zijn boezem. Dicht bij die woorden stonden eenige andere gegriffeld! «Kan de moeder ooit haren zuigeling vergeten, en al konde zij het ook. de Heere vergeet niet degenen, die Hem liefhebben!quot; Ot Boshuvzen begreep, dat dit een vrouw, dat dit een moeder had moeten schrijven? Zij had in de benauwdheid des harten de liefde Gods tot troosteresse aangeroepen, en die liefde kon haar onder geen trefTender beeld verschenen zijn. De krijgsman sidderde en wendde het hoofd af. Het was hem, of de letteren, als omgeven door een flikkerenden lichtkrans, een aanklacht behelsden tegen hem; liet was hem, of' hij bloed zag sijpelen langs den wand en, de oogen op zijne handen gevest, het ook daar bespeurde. Het was een begoocheling der zinnen, die spoedig verdween; maar de sombere steinming, die haar verzeld had, bleet' hem bij. Hij waagde het niet weder om zich heen te staren, en, in zich zeiven verzonken, bleet' hij midden in zijn kerker staan. De eenzaamheid moest hem wel bitter zijn gevallen, daar het gedreun van naderende voetstappen hem echter blijde deed ontwaken en luisteren. De grendels werden weggeschoven en Ãietlus, wiens trekken hij wel nimmer vergeten zou. trad binnen. Zoodra Boshuvzen hem herkende, wendde hij het hoofd.
«Heer Admiraal!quot; riep hij luid, als om zich te vergissen of de gevangene zich nog hier bevond, want in den aanvang kon hij niets zien. Toen hij echter meer bevriend was geworden met de scheme-
ling en de gestalte des Admiraals bespeurde, vervolgde hij verbolgen: ))Ging het gehoor te loor tegelijk mei liet gebruik uwer arineii ...? Is liet dus met u gesteld? Ik waarschuw, mat mijn geduld niet af.quot;
«Lompe boer!quot; mompelde Boshuyzen.
«We hebben geene geheimenissen,quot; hernam de ander spottend. «Gelief dus wat harder te spreken.quot;
sik merk, dat ge rekent op de dikte van dezen muur en liet aantal uwer helpers! Ge zoudt anders spreken, waren wij in het vrije. Maak liet kort en doe uw werk spoedig, waarvoor ge zeker reeds lanir uw gildeproef hebt gedaan.quot;
»(gt;e gaat mijn spoed zelfs te snel! Ik had zooveel belangstelling in mijne tijding niet verwacht. Zij is wel prijselijk, heer!
9Maak het kort, herhaal ik, en spaar mij uwe zotte sprake!quot;
«Zot? Gij waart zotter, indien ge er niet naar luisterdet, of in-ilien ge uwe rappe tong niet wat betoomdet,quot; hernam Rietlus geprikkeld.
«Laai mij uls een edelman sterven en gun mij eene begrafenis,quot; zeide Boshuyzen.
«Beschouwdet gij dit het doel mijner komst? Ik beken, dat gij u op het ergste hebt voorbereid, zeker daarin geholpen door den ernst van dit verblijf, waar menigeen der onzen door uwe handlangers is gemarteld. Wees gerust, wakkere krijgsman, we stellen uw moed niet in die mate op de proef: voor liet minst zoo ge doet zoo â als ii bevolen wordt.quot;
«Bevolen ?quot; vroeg Boshuyzen, en de bovenlip trok stuipachtig naar boven. Goed, dat de duisternis de uitdrukking van verregaande minachting verborg.
«Klinkt u dat woord zoo wonderbaar in de ooren? Bid den Heere God. dat u geen erger worde toegevoegd. Doch ik heb geen tijd te spillen. Luister! Wij verlangen, dat gij de Kapiteins der boten, voor de Ven liggende, zult aanschrijven, binnen te loopen en zich in handen te geven van de burgerij.quot;
»Yan hier, kaiteyvige boer!quot; riep de Admiraal woedend. «Van hier. of' ik vergrijp mij en toon dat nog niet alle kracht mij begeven zij. Van hier!quot;
Rietlus stond onthutst. Hij had tegen den zin van Buyskes, wien dit tegen de borst stiet, partij willen trekken van's Admiraals se-vangenschap, en had eene dusdanige uitbarsting niet verwacht. Zijne verlegenheid duurde echter niet lang, en dat hij haar een oogenblik gekend had, wilde hij doen boeten.
»Machtelooze sparteling van de gans, die den lustigen schaatsenrijder onder het trekken nog vermaakt!quot; riep hij honend. «Smaakt het u niet, dit te doen. we zullen u een wijle aan den schandpaal boeien, ten spot van de ouden en ten genoegen der knaapkens. Wij zullen u tot rede brengen, gij zult schrijven!quot;
159
»Diit rnij de arm verlamme!quot; was het aiidwoord, terwijl de spi eker zich omwendde en van Rietlus verwijderde.
«En ik zal niet rusten voor ik u zie buigen .... Hoe het mij jammert, dat ik u niet onder den voet liet loopeu door het grauw, dat ik u niet deed vallen, zoo als pij zoo menigeen der onzen liet doen! Geuzenmoorder, uwe uren zijn ueteld! Het hoeft mij slechts éen woord te kosten, en ik hits den hoop weder aan.quot;
«Heilige Maria, geef dat ik hun ontkome, en ik geef Uwe kapel een nieuw ouler!quot; bad de Admiraal, die den krijgsmansdood niet vreesde, maar wel den schimp en de marteling van het grauw. Eén redmiddel deed zich nog voor hem op. Hij daciit de stad geheel in oproer en zijne partij alzoo overvleugeld, daar hij niets vernam van ouden Freèrijk, die, zoo hij het vermocht, gewis niet had nagelaten hem te redden, voor het minst te naderen. Had de Geuzenbende het overwicht, dan moest Kolterman vee! invloed bezitten, en deze zou hem zijn bijstand niet ontzeggen. Dat hij het dacht, getuigde voor zijn vertrouwen op de nobelheid van 'sjonkmans charakter.
»Ik beroep mij op .Jan, genaamd Kolterman, en vraag van hem een mondgesprek. Hij en niemant anders zal mij kunnen overreden,quot; zeide de Admiraal.
»Hoe, kent ge hém?quot; vroeg Rietlus verbaasd.
sik acht hem hoog. Hij vergeet gewis niet, wat een krijgsman voegt.quot;
»Mijn verbazen stijgt ten top. l)e jonkman is uw vriend? 'lis waar, beiden zijt gij van Amsterdam.... Doch ik geloof u niet, overmids hij het was, die u gevangen liet nemen.quot;
De Admiraal keerde snel het hoofd. »Hij? Gij liegt.... Roep den jonkman hier en tenzij hij het zelf verkhire. geloof ik het niet....quot;
«Ik zal u den waan laten, in aanmerking genomen dat hij u welkom is. Bovendien kan ik aan uwe bede niet voldoen. De jonkman is niet meer iti de stad.quot;
. )gt;Hij zal op reis zijn gegaan!quot; prevelde de Admiraal otitmoedigd. «Dat ik daarop niet verdacht ware! Wat reden heb ik evenwel te vermoeden, dat hij, hier zijnde, mij beschermen zoude. De boer kan gelijk hebben!quot; De laatste woorden werden geuit als onder de inspraak van zijn geweten.
lüetlus kon zich die vriendsciiap des Admiraals jegens Kolterman niet verklaren, ie minder, daar hij wist, welke rol deze gespeeld had. De eerlijke, maar ruwe burger kon het zich niet ontveinzen, dat, indien tusschen die beiden zulk eene verhouding werkelijk bestond, de jonkman niet in zijne achting kon rijzen.
Op den steenen wenteltrap werd een voetstap gehoord en Rietlus, die zijne redenen had om met den Admiraal gereed te zijn eer zich anderen in die zake mengden, herhaalde met den meesten aandrang de vorige vraag. Hij was geen slim onderhandelaar en gaf telken reize te kennen, op wat hoogen prijs hij de toestemming des
160
Admiraals stelde, die, geprikkeld door den ruwen toon zijns cipiers, er genoegen in vond hem te leur te stellen en door eene weigering te grieven.
Toen de deur openging en Buyskes binnentrad, ijlde Boshuyzen op dezen toe. ))Goê vriend!quot; zoo zei hij, sindien u de keuze wierd gelaten tusschen het verraden der uwen of' den dood, wat zoudt -ge doen? Deze uw medehelper stelt mij die keuze....quot;
^Admiraal, het laatste wordt niet geëischt! Wees goèmoeds. Wij zijn niet uwe beulen; wij zijn immers uwe landgenoten. Is liet niet alreê jammer gericea;, dat wij tegenóver elkaamp;r staan ? Ik zoude den Heere God vurig danken, indien we naast elkaar mochten strijden.quot;
Het trof Boshuyzen, dus te worden toegesproken. »Ge zijt eesi wakker man,quot; zeide hij, terwijl hij hem de hand reikte.
stiet rijk van den Antichrist schijnt wel gevallen,quot; zoo merkte Rietlus stroef' aan. »De wolf' gaat weiden met het lam. Maar voor zulk eene verbroedering is de ure nog niet gekomen,quot; besloot hij heftiger.
«Broeder Rietlus schijnt te vergeten, dat de ure van verbittering, waar verbroedering mogelijk is, nimmer slaan zal, hernam Buyskes, die maar al te goed begreep, wat hier was omgegaan. «Admiraal, het doet mij in de ziel leed, dat ge alzoo door landgenoten, door West-Friezen, zijt bejegend! Wijt het aan de hardheid der lijden, die vaak tot wanhoop spoort.quot;
»Ik beschuldig niemant, maar u het allerminst'quot; klonk het andwoord zelfs op gullen toon.
»Ik dank u voor uwe goede opinie. Ik koester haar niet minder van u. Mocht het tusschen ons alzoo kunnen blijven als het in deze ure is. Ik zoude met een bloedend hart tegen u in het gelid staan: en wat scheidt ons toch, ons van éenen bloede?quot;
«Het recht des Konings en de plicht van den onderzaat,quot; and-woordde Boshuyzen gesmoord.
«Maar sij zijt een Hollander, en alzoo aan de verkregen vrijheden gehecht. En deze worden vertreden. Wij strijden niet tegen de Overheid, van God ingesteld, maar tegen den dienaar, die zijn Zender verloochent en overmoedig ons vertrapt.quot;
«Gij meent den Hertog? Hij vol^t de bevelen Zijner Majesteit.quot;
«Kunt gij 't onderstellen ? Gij hoont den Koning, die gezworen heeft de privilegiën te handhaven. De Hertog deed nimmer zulk een eed.quot;
«Mij is de hoflucht en de staatkunst, die er in woont, vreemd. De Hertog is mijn meerdere; dien moet ik gehoorzamen even als Zijne Majesteit.quot;
«En als de bevelen van den Hertog met die van Zijne Majesteit eens in strijd waren?quot;
«Maar ik weet. dat dit niet zoo is....'quot;
«Ondersteld, dat liet zoo ware; wat zoudt gij doen?quot;
Ifrl
â quot;Gehoorzamen liern dien ik het schuldig was. Neen, bewimpel den opstand niet met zulke woorden. De privilegiën zijn verbeurd . . . en te recht.quot;
»En ge verdraagt die woorden van den valschert, die de beul werd van zijn landgenoten ? Het onnoozel bloed, door hem gestort, schreit ten hemel om wraak. En welk bloed? Het is broederbloed!quot; riep Rietlus.
Boshuyzens gelaat gloeide. Was het alleen vau toorn of ook van schaamte? De eerste werd echter niet verborgen gehouden, maar gaf zich lucht, sik wil geen redetwist. Ik spreek alleen door mijn serpentijnen en kartouwen, waar het den Geus geldt. Ik blijf mijnen Koning trouw, wat mij ook beide, en dat is het laatste woord wat ge van mij verneemt.quot;
«Maar gij zult schrijven!quot; riep Rietlus.
»Dit is onnoodiff, broeder! Dit zul van wege de burgerij geschieden. Is het scheepsvolk de goede zaak genegen, dan geeft het ons gehoor. Indien niet, dun ware ons het zelf onnut, ja schadelijk, zoo liet den last des Admiraals gehoorzaamde; want het aantal bestrijders zou alsdan wassen in deze stad en door onze eigen schuld.quot;
»Ik begrijp liet anders; en al hadt gij gelijk, die halsstarrige kop zal gebogen worden. Hij zal schrijven!quot; riep Kietlus.
Buyskes andwoordde niet, maar voerde hem mee naar buiten, waar Boshnyzen hen niet meer hooien kon. Daar vermaande hij den onstuimigen poorter tot kalmte, en, toen deze daaraan geen gehoor wilde leenen, tot gehoorzaamheid. De twist tusschen beiden steeo; hoog, en ware Brouwer niet daarbij gekomen met zijne bedaardheid en ernst, zij zou een breuk hebben veroorzaakt, die niet dan gevaarlijk voor de zaak der ballingen had kunnen zijn. Brouwer â¢had echter niet kunnen voorkomen, dat ettelijke uit de saamge-vloeide menigte den torentrap waren opgeklommen en toegeluisterd 'hadden, waarna het gebeurde weldra ruchtbaar weid.
Toen eenige der voornaamsten uil de ballingen waren saamge-komen, en liet voorstel betreffende de schepen ter sprake werd gebracht werd er besloten een brief aan de vloot, voor de Ven liggende, uit naam der burgerij te schrijven; en terwijl men Buyskes daarmede genoegen gaf, poogde men tevens den nauw verzoenden Rietlus te bevredigen, door te bepalen dat Boshuyzen strenger dan ooit zon worden bewaakt.
De brief werd geschreven en bracht eene scheuring onder de vloot teweeg, daar eenige schepen naar Amsterdam terugkeerden, waar zij het bericht van 's Admiraals gevangenschap aanbrachten, en andere voor de stad op de reede kwamen, waar de boomen achter hen werden gesloten.
Wij hebben Marijken verlaten, toen ook de oude Freèrijk haar alleen liet. Schoon de hartstocht haars anders kouden en bedaarden â ooms haar verbazen wekte, kon zij echter de oorzaak zijner ver-
U
D i: KEK STIC DAG.
bolgenheid wel bevroeden, en tevens dat een goed deel van deze ook over haar iioot'd zou losbarsten. Het geheini haars harten was ontdekt geworden, en hij, dien zij liefhad, die een partij aanvoerde, welke die haars ooms bestreed, was tevens de verleider zijns zoons!
Toen zij weder in haar vertrekjen terug was gekeerd, voelde zij zich beklemd en verlegen, gevoelde zij wroeging alsof zij ook schuldig-ware aan de droefheid en verlatenheid haars ooms. Zij dacht er niet aan, het dezen ten verwijt te maken, dal liij haar meestentijds aan haar lot overliet, dat hij slechts zelden eenig zacht woord voor haar had overgehad, dat hij haar, de nog ongevormde, den kamp met het leven, â en welke ideën waren daar in gisting! -âalleen liet strijden, dat hij haar had overgegeven aan eigen ontwikkeling, zij had slechts medelijden met den ongelukkigen vader, wien zij zoo gaarne den verloren schat zou willen hergeven. Doch op welke wijze? Zou Freèrijk willen afstaan van de nieuwe leer? En dat zou hij tocii moeten. Zou hij het echter kunnen ? Hoe het haar ook nog schemerde, toch was het haar klarer geworden wat die nieuwe leer behelsde, op welk fondament zij steunde, en de loop harer gedachten leidde haar tot een blik in zich zelve. Zij had gelezen, langdurig gelezen en het boek lief gekregen, dat haar zooveel meldde van den Heer, die haar zoo groot, zoo goddelijk verscheen, en dien zij vroeger meest als het Kindeken der Heilige Maagd had liefgehad. Had zij echter hare ziel reeds der ketterije overgegeven ? Neen. zij eerde de Heilige Kerk nog als de ware, die zij zich niet zoo liefdeloos kon denken als Kohernian, en vooral als Freèrijk haar schilderden: en met kinderlijken zin wenschte zij de leeringen dier Kerk met de uitspraken van hei Woord te vereenigen. Of het haar gelukte? Ue Heilige Maagd was haar dierbaar, en zij werd als velgelen door die van de nieuwe leer: â hel heilige boek zou haar dienaangaande inlichten. Was hei haar niei van der jonkheid geleerd, dat der Moedermaagd een zwaard door de ziele was gegaan bij het lijden haars kinds, dat Zij, ten hemeltroon verheven, eeuwig leeft met Haar Zoon? Zij zocht, en wat vond ze? De schare zeide tot den Heer: »ljuiten staat uwe moeder en uw broeder.quot; en Hij andwoordde: dZoo wie den wil doet mijns Vaders, die in de Hemelen is, hij is mijne moeder of mijn broeder;quot; en van eene hemelvaart vond zij niets. Nog meer vragen rezen in haar hart op, dat vroeger, tevreden in haar geloof en hare kinderlijke hope, in de genietingen des levens konde deelen, maar thands, geslingerd lus-schen twijfel en overtuiging, met zich zelve te rade ging en de rust niet kon vinden, omdat zij niet sterk genoeg was om de begrippen harer jeugd te verwerpen, hoezeer de rede haar de onhoudbaarheid daarvan ook influisterde. Zij was geene geloovige dochter meer, maar had de moeder nog lief; liet oude gebouw dreigde in puin ie vallen, maar geen nieuw wist zij op te trekken.
Als bij toeval viel haar oog op de eerste bladzijde des Bijbels en
KW
meikte zij voor 'teerst de regelen op. die daar waren nedergesteki: «Het Woord des Heeren, zoo als dat gebruikt wordt bij de Gereformeerde Gemeente onder liet kruis binnen der stede van Enk huizen waaronder de handteekening stond van Rijkert Claesz. Dien naam bad haar neef dikwerf met eerbied genoemd, en de woning was haar niet vreemd; want haar oom had haar dien avond, toen hij uit de geheime preke kwam, de plaats zelf aangeduid. Zij was besloten om derwaards te gaan. Met kloppend hart tilde zij de klink iler winkeldeur op en trad binnen, waar vrouw Lijze haar naar hare begeerte vroeg.
»Is het geoorloofd den prediker te spreken ?quot; vroeg zij Quisterend; de vraag luider herhalend, toen Lijze haar verbaasd bleef aanstaren zonder te andwoorden.
»Ik versta u wel, joffer, maar begrijp u niet. Zijt gij van de gemeente ?quot;
»Nog niet, goede vrouw! Maar waarom die verwondering? Zou ik niet kunnen toetreden?quot;
»Houdt mij de aanmerking ten goede, maar alles toont aan u nog zulke zonderlinge liefde tot de waereld ... Zoudt gij de waarheid wel kunnen verdragen? Ik hoop u niet te kwetsen,quot; zoo ging zij voort, toen zij tien blos op Marijkens gelaat bespeurde, «waarlijk niet; ik vertrouwde u zelfs reeds bij den eersten blik van uw vriendelijk wezen, want ik heb u reeds zooveel bekend als voldoende is om mijn man in het gat te helpen.'
»Doch wat is de reden, dat ge mij dus afhoudt van mijne begeerte, dat ge mij den raad weigert, die mij zoo noodig is? Ik streef om tot het licht te geraken, maar tast nog rond in de duisternis. Ik wenschte een priester der nieuwe leer om onderwijzing te bidden.quot;
»Wij hebben geen priesters, slechts broeders; en te bidden betaamt den mensch slechts tot den Uemelschen Vader.'
»Wijst gij iedere leerling alzoo af, die onderwijzing behoeft, of geldt dit alleen Mfij?quot; vroeg Marijken, die de tranen in de oogen voelde opwcllc;! ea met gevouwen handen voor Lijze stond.
«Neen, mijn kind,quot; hernam deze, sik geloof u. Die in de woestijn /.werfr, denkt vaak aan het roofvogeltje en vreest het, onder welke veeren ook. Ik wil nu echter zelfs uwen naam niet vernemen; treê binnen, ik zal mijn man roepen.quot;
Zij kwam in het ons bekende vertrek, waar zij een oogenblik alleen bleef. Een grijzaart kwam daar spoedig bij haar: liet was Rijkert, gewapend met het zwaard des geestes, met het Bijbelboek, dat hem zelden verliet.
»Mijn vader!quot; lispelde Marijken,
sZuster in den Heere Jezus Christus, mijne vrouw heeft mij liet doel uwer komst verhaald! Gij tast nog in de duisternis, maar wilt toch den afgrond ontvlieden, die ter helle voert.... Gij wilt de dwalingen des Pausdoms afzweren?quot;
KU
^Indien het dwalingen zijn, en ik vermoed dat veel daarvan alzoo zal blijken...! Ik las het Woord Gods!quot;
«Hetgeen liet fondament is onzer gezuiverde leer. Wij volgen geene kunstig verdichte fabelen na, maar de leer, zoo als die is overgeleverd door de Apostelen, waarvan het Pausdom is afgeweken, zich begeven hebbende tot allerlei verdichtselenen menschenvonden, van hetwelk door den Apostel Paulus is geprofeteerd in zijn eersten Zendbrief aan Timotheus, het 4de kapittel: de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommige zullen atvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen, door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hunne eigen conscientie als met een brandijzer toegeschroeid; verbiedende te huwelijken, gebiedende zich van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft tot nuttiging met dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid hebben bekend.quot;
»lk luister met eerbied naar de woorden des Heiligen Paulus. Ik begrijp ze. misschien te eer omdat gij ze mij voorleest. Doch wat is de waarborg, mijn vader! dat wij, zwakke feilbare menschen, de waarheid waarlijk verstaan en niet op een dwaalspoor worden gevoerd? De Kerk is onfeilbaar, en als wij haar verlaten, wie zal onze gids zijn?quot;
»En gij gelooft nog aan de onfeilbaarheid dier Kerk, en gij acht hare ceremoniën geen bijgeloof!quot; riep Rijkert uit, terwijl hij het voorhoofd fronste. «Hebt ge niet gehoord, meisken. watdeApostel in het aangeduide kapittel zeide: De geest zegt duidelijk : dat is de Geest, de Heilifre Geest, die in de waarheid leidt, de Heilige Geest die met den Vader en den Zoon een Drieëenig God uitmaakt en die in onze harten daalt, indien we ijverig daarom bidden.quot;
Bij het noemen der Drieëenheid had Marijken het hoofdtjen ge bogen en den vinger instinktmatig bewogen, als tot het maken van het teeken des kruises. ygt;Ook de Heilige Kerk leei't eene Drieëenig-heid; de nieuwe leer verkondigt haar dus ook. Mijn Vader, is de klove wel zoo wijd tusschen beiden en zou men niet in bet bezit kunnen blijven van dat kostelijk Bijbelboek ; zou men nietde nieuwe leeringen kunnen aannemen en nochtans geloovige dochter blijven der Kerk ?quot;
»Meisken, het hart is nog verhard; gij strijdt om in te gaan, maar de weg is smal en de poort eng. Onafzienbaar is de afstand tusschen Babyion en Jeruzalem. Beide zijn gebouwd op verschillende fondamenten. De verbasterde Kerk leert het belioud van den mensch door de goede werken, de Hervormde alleen door de genade uit het geloof. «Uit genade zijt gij zalig geworden dooi' het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken der wet, opdat niemant roeine,quot; z^gt de Apostel; en onze God en Zaligmaker zelt verkondigt het. Indien we doen al wat we kunnen, dan nog voegt liet ons te zeggeti: »Ik, onnutte dienstknecht, ik heb slechts gedaan wat ik schuldig was te doen.quot;
1(35
De strijd, tusschen beiden iuxngevangen. duurde een geruirnen tijd. Ue prediker verdubbelde in geestdrift, toen bij zag, dat liij de liefde jegens de Moederkerk in Marijkens hart moest overwinnen, en juist over dat Babylon had hij nooit met kalmte kunnen redetwisten, hoeveel minder in de laatste dagen aan de zijde van den ouden Bardes. Met kracht, met vuur werden daaraan thands de leerstellingen der nieuwe leer onderwezen en met den lüjbel in verband gebracht en uit de/.en bevestigd. Marijkens oogen schemerden. Zij hoorde zooveel waarheid en voelde zich toch zooveel ontnemen. De kerkwand dierf heeld en schilderij, liet outer den wierookgeur; ze had dat alles zoo gaarne willen prijs geven, indien het gewelf der Hemelen den boos van haar nieuwen tempel had mogen zijn, maar Rijkert liet haar weder binnen gaan in een gebouw van handen gemaakt, en dit was geplonderd en ontsierd.
Zij moest echter aannemen wat haar in deze ure gegeven werd, en. medegesleept door de redenen des predikers, begon zij met afschuw terug te zien op de plechtigheden, die hij liaar als Heidensch, als zielloos maalde; begon zij te twijfelen of zij, die zoo verre stond, wel waardig zou worden bevonden te naderen; begon zij te begrijpen wat Rijkert bedoelde met de woorden : zijns-zelfs zaligheid te werken met vreeze en beving. En toen hij haar van den knechtelijken wil had gesproken, en haar op de uitspraak des Apostels had gewezen; dat God het was, die beide het willen en het werken in ons opwekt; toen hij had gerept van het leerstuk iler voorbeschikking en Gods keuze tot zaligheid, en eindigde met den uitroep, terwijl de hand op het Evangelie in al hare spierkracht lag uitgestrekt: »Daar is geen ander Evangelie dan dit, en wie u een ander verkondigt, hij zij vervloekt.quot; beefde het meisken en dreigde zij van vrees neder te slaan, en had zij slechts het besef te stameren: sik geloof.'
Er werd getikt. Vrouw Lijze stak haar hoofd door de deur en meldde, dat eene zieke den prediker aan hare sponde verlangde te zien.
»Ik kom,quot; zeide Rijkert, en de bereidvaardigheid, waarvan hij blijk gaf. deed Marijken goed. » Wilt ge nog een poze beiden ?quot; vroeg hij eindelijk, «of later terugkeeren? Ik wenschte u zoo gaarne spoedig te onderhouden.quot;
«Ook ik verlang daarnaar; mag ik daarom beiden tot uwe terugkomst...? Ik heb u nog zooveel te belijden.quot;
«Niet mij. mijne zuster, maar uwen God!quot;
Hij gintr. Vrouw Lijze had te veel bezigheid om zich over de wachtende te bekommeren, voor wie zij bovendien de eenzaamheid wel nuttig geloofde. Marijken voelde echter haar hoofd te afgemat om geregeld te denken en de ontvangen onderwijzing te bepeinzen ; zij trad voor het raam, dat het uitzicht gaf op den hof. die â dank zij het lenteweder der laatste dagen â een heerlijken aanblik bood. Wel scheen zij minder voor het genoegen, dan wel voor het nut der eigenaars bebouwd te zijn. want de bloemen waren zeldzaam
â¢ion
en daarentegen de moeskruiden veelvuldig. In een hoekje stond echter een prieel, â een gebogen es. waaromheen de kamperfoelie zich kronkelde en waarvoor eenige bloempotten stonden gerangschikt. Al wat de eigenaars aan weelde bezaten, hadden zij daar verzameld. De plek was niet ongunstig gekozen, want de middagzon verlichtte en verwarmde haar. Dat gedeelte van Rijkerts hoi' trof het meest Marijkens aandacht en lokte haar uit tot het nemen eener vrijheid, welke haar wel niet verboden, maar ook niet gegeven was. Zij zocht een uitgang naar buiten en vond die spoedig. De frissche lucht deed haar goed. en met kinderlijk gejubel bijna heette zij de kapellekens en de hommels welkom, die er fladderden en gonsden in de zon. Wat tjilpten de vinkjes, wat floten de lijsters! liet waren haar bekenden, want ze had ze vaak beluisterd, verborgen onder het lover van den zwaren iep in baar eigen hof. Hoe zacht, en hoe helder was het blauw daarboven, waar een enkel doorzichtig wolkje heenzweefde, maar zich als oploste voor het oog des beschouwers! Zij had dikwerf de oogen daarheen gewend, zij had vaak zoo lang naar boven getuurd, dat de oogen begonnen te schemeren en het hoofd haar duizelig werd. Maar nu... .'Het was haar nog anders, het was haar onbegrijpelijk wel. zoo zalig om het hart. even als den herstellenden kranke, die voor het eerst het ziekvertrek ontwijken, of liever als den gevangene, die de vunzige kerkercel verlaten mag. Zij vergat, dat zij bij vreemden was en liep en dartelde en begon de knoppen te tellen aan de kamperfoelie van het priëel, toen zij daar binnen eenblik wierp en als verstijfd staan bleef. Daar zat een menschelijk wezen, een grijzaart, wiens zilverwitte lokken tot op de schouders nederhingen, en wiens wangen in witheid wedijverden met hoofdhair.
Hij zat aan een ruwe tuintafel, waarop een hoop madeliefjens lagen, zeker van het bleekveld achter in den tuin geplukt, en die hij tot een krans samenreeg. Hij scheen in zijne bezigheid te zeer verdiept om haar op te merken, en werkte immer voort, soms met een glimlach op de bleeke lippen, soms met een droeven trek op zijn wezen, tot dat hem een luide jubeltoon ontsnapte en hij den gereed gemaakten krans ophief en om zijn voorhoofd wond, doch een oogenblik later weder aftrok en somber en weemoedig met de vingeren verscheurde, waarna hij met gebogen hoofd op den vruchtelozen arbeid staren bleef.
»Waarom verscheurt ge wat zoo schoon was saaingevoegd ?quot; waagde Marijken ten laatste te vragen.
De oude hief langzaam het hoofd op. «Al de bloemen zijn verdord!quot; fluisterde hij.
»Waar hebt gij ze geplukt, goede vader?quot; vroeg het meisken, die de waarheid vermoedde en niet langer twijfelen kon, toen zij den zwervenden blik der oogen ontwaarde!
»Vader? Dat zei hij ook eens. Dat hij dien nacht gekomen ware!
Vreeselijke nacht; alles donker; zwarte marmen. flambouwen .... hier, daar. overal.... maar hij kwam niet....
«Rust wat, beste-vaar 1'quot;
))Dat zei hij ook. de goede jongen!quot;
Marijken kon zich iiaar angst niet ontveinzen; daar is een natuurlijke vrees voor den naaste, in wien het redelicht is gedoofd. Bovendien kon zij niets begrijpen van al hetgeen de grijzaart nii-bracht; ook onderstelde zij. dat er geenerlei waarheid onder verholen lag. De uitdrukking van dat gelaat was zoo weemoedig, meer lijdend dan wel onnoozel. dat het medelijden langzamerhand de vrees verbande en zij zelfs de hand niet terugtrok, die de oude nam.
»Waar hebt gij die fraaie bloemen geplukt? vroeg zij op zachte» toon.
»Waar?quot; vroeir ook de grijzaart, die de hand aan het voorhoofd bracht om na te^denken. »IK plukte ze ...! Kent gij hem ook? Fijn blond hair, zacht als zijde...! goede jongen!
»Wien meent ge?quot; vroeg zij nu belangstellend, ïi Kol terman .' Ik ken hem goed. heel goed.quot;
o.luist. Maar die vrouw zei...! Wie zijt gij. liet kind.'
»Heer Freèrijk Sirnonsz' nicht. Maar van waar kent ge hém, beste-vaar? Gij zijt toch niet...,?quot;
«Ja, dat is zijn naam!quot; riep de oude eensklaps in hartstocht.
»Weg, weg . .. roep hém ....!quot;
De inspanning had zijne krachten, die echter sinds zijn verblijf ten huize van Rijkert waren toegenomen, uitgeput. Het hootd zonk neder op zijn boist. en Marijken ontving tot haar smart geen andwoord op de vragen, die zij tot hem richtte. Zij wachtte met koortsachtig ongeduld het ontwaken uit de schijnbare sluimering, en vernam in hare afgetrokkendheid de voetstappen niet. die een bezoeker meldden in de richting van het prieel.
«Marijken!quot; hoorde zij achter zich, en toen zij zich omwendde, zag zij den jongen Freèrijk.
De toon zijner stem deed hem beter herkennen dan zijn gelaat, dat in een etmaal zichtbaar veranderd was.
«Laat hem sluimeren, het slachtofler van het bijgeloof. W e moeten onder bijstand van den Heere God zijn leven pogen te rekken en zijn verstand te sterken, opdat hij den val van den Antichrist nog aanschouwen moge. Doch wat is de reden uwer komst alhier? Hebt gij het beste deel verkozen? Mag ik u mijne zuster noemen in den Heer?1'
Zij gat hem schuchter het andwoord op zijne vragen en voelde zich in zijne tegenwoordigheid beklemd. Zijn oog tintelde zoo sombei'. de toon zijner stem was zoo schril, het gelaat teekende wrok.
«Is hij wel?quot; vroeg zij blozend.
».Ta.quot; Freèrijk mocht op Koltermans uitdrukkelijk verlangen niets van diens afwezigheid melden, om haar onnoodige zorg te besparen.
â¢168
»1quot;reri'ijk, keer met mij terug!quot; Iluistenle zij hem toe, terwijl zij de hand op zijn arm lei. »lJ\v vader weent bloedige tranen.quot;
»Hij, die den wil doet mijns Heeren, is mij een vader, moeder of broeder. Maar een vervolger der Gemeente ... .!quot;
»Niet verder, Freèrijk 1 Dat ge uw vader zaagt! Hij heeft u altijd zoo lief gehad.quot;
«Hij zou mij den Gerechte hebben overgeleverd ! Een zonderling blijk zijner liefde! â Ik weet alles, alles....' Hij wendde zich plotseling af en borst in tranen uit, hetgeen bij hem, die anders zoo koud, zoo bedaard was, wel verbazen moest wekken.
)gt;Wat is hier omgegaan, neef ? Koltermun heeft u toch niet aangehitst? Want ook hij, zoo scheen het mij. haatte hem, dieti gij echter niet haten moogt.quot;
»Mijn broeder heeft mij de waarheid bericht, waarvoor ik hem dankbaar ben. Hij was het mij schuldig en ik bad hem daarom. Wel flauwhartig moet gij zijn, dat ge den vervolger der Gemeente, die ge hoopt ingelijfd te worden, niet slechts verdraagt, maai'nog verdedigt Doch wat zeg ik, toen ik bij hem leefde, ging liet ook mij alzoo. Het is eene kracht uit den Booze die van hem uitgaat.... Ik beu haar thands echter ontsnapt....quot;
))Freèrijk, Freèrijk! indien ik zelve niet de fondamenten uwer leer had onderzocht, ik zou geenszins willen gelooveu .... Mag het kind zijn vader haten en zich nog beroepen op het Evangelie der liefde quot;
Die woorden maakten een oogenblik indruk. Freèrijk sloeg de oogen neder, maar het was slechts een polsslag. «Ik geloof, dat ge vlijtig het Woord des Heeren hebt gelezen, maar het mangelt u nog aan ervaring. Ja, de Heer predikt liefde, maar niet jegens den liooze .. .
«Indien ik u begrijp, is uw oordeel wèl hard .... Freèrijk! ik had hoop u tot uwen vader terug te brengen. Helaas, ik zie mijne dwaling in. Hij staat alleen; ik ga tot hem, maar breng geen troost; want ik moet hem verkouden: uw zoon, uw lieve Freèrijk is vour u gestorven.quot;
Zij wendde zich om en ging heen.
«Marijken, fluisterde Freèrijk in tweestrijd, terwijl hij naast haar stond en haar de hand drukte. «Neen, neen,quot; vervolgde hij, »de Heere God is een ijverig God! Hij verbiedt het; er mag geen ge-m.eenschap zijn tusschen hem en mij.quot; Het offer, dat hij aan zijn gewaanden plicht bracht, scheen veel, onuitputtelijk veelte kosten, want om zijne aandoeningen te verbergen, keerde hij zich haastig af en ijlde hij den hof in,
«Zou dat de Heer werkelijk gebieden?quot; vroeg zij zichzelve af, en zij huiverde. Zij spoedde zich voort en vond vrouw Lijze in het voorhuis bezig, lijnwaad en brood uit te deeleu aan eenige armen, die daarom baden en van welke Marijken er eenige kende als geen e
IG'J
huisgenoten des geloofs. maar als trouwe vervolgers der oude Religie. Het schouwspel deed haar goed, het was haar als de balsem in de schrijnende wonde. Zij knikte vrouw Lijze vriendelijk toe als om voort te gaan met haar liefdewerk en zich niet door liaar te laten storen. Toen de bedeelden verdwenen waren, zeide zij : «Ik kan niet langer toeven; groet den Herwaarden Heer Kijken hartelijk van mij; en mag ik dit.... deze kleinigheid...?quot; »Hoe?quot; vroeg Lijze vuurrood.
«Als ik ter biecht ginir. oll'erde ik mijn penninkskens aan den priester, die mij een gezalfde Gods was en trooster en helper .... Meer heb ik thands van uwen man ontvangen .. . . quot;
«Hij heeft het om niet ontvangen, en geeft liet om niet.quot; zeide vrouw Lvjze gebelgd.
sVerschooning. zoo ik u hebt gekwetst. Ik dwanl nog zoo dikwerf en wankel nog meest. Mag ik het dairden armen offeren ?quot;
«Gewisselijk, mijn kind! Dat zijn de lievelingen des Heeren,' hernam Lijze vriendelijker, terwijl zij op de bus wees, die in een hoek van het voorhuis hing. «Ik hoop u spoedig weder te ontmoeten.quot; en met eeu vriendelijken hoofdknik sloot zij de deur achter Marijken dicht.
Waar school oude Freèrijk echter al dien tijd ? Hij wist tocii van de gevangenschap zijns vriends en waagde geene poging om hem te verlossen. Zijne woning scheen als uitgestorven en droeg zoo in-als uitwendig nog de sporen van den onwil der menigte. Hij zelf sloot zich af' in een achterkamer, en lioewel hij de verwoesting in zijn huis met bedrukt gelaat beschouwde en vaak was opgestaan om op het herstel orde te stellen, keerde hij telkens weder naar zijn zit terug, terwijl hij in zichzelven prevelde: «waarvoor? '
Den dag na dien overval werd hij echter het eerst uit zijne verslagenheid voor een oogenblik gewekt. De eenzaamheid pijnde hern en toch wilde hij zijn nicht niet roepen, die hij thuis dacht en van wier gang naar Rijkerts huis hij niets vermoeden kon. In de kamer, die hij toen bewoonde, had hij zoo vaak met zijn zoon nedergezeten. En die zoon .. .! Hij moest hem ontmosten, voor het minst zien. Hij ging uit. maar sloop door de straten, schier bevreesd om de oogieèn op te beffen; want hoe hij ook verlangde zijn Freèrijk te ontmoeten, hij vreesde toch voor het oogenblik.
Waar hem echter te zoeken ? Indien hij eens de stad had verlaten op raad des verleiders, die den vader op de zwakste plek wonden wilde en voor altijd zijn zoon had verwijderd 1 De vuist balde zich bij de gedachte aan dien dtemon, in de vormen der jonkheid. Zoo hij dezen tegenkwam! De schrede werd onwillekeurig verhaast. Hij stapte niet meer. hij ijlde en wischte zich weldra het zweet van het voorhoofd. Plotseling schoot hem de woning van Rijkert Claesz te binnen. Indien zijn zoon nog binnen Enkhuvzen ware, hij moest daar toeven, voor het minst zich er vaak vervoegen. Hij
17!)
wendde zich derwaanls en spiedde, totdat liij bemerkte de nieuwsgierigheid van niei weinigen ie hebben opgewekt. Om die te ontgaan, wist hij geen beter middel, dan liet voorhuis op den hoek der straat binnen te treden. Daar woonde een korvenmaker, met wien hij een gesprek aanknoopte en over eenig mandwerk in onderhandeling trad. Toen elk punt echter behandeld, de koop gesloten was, en hij zijn innigsten wensch nog niet zag vervuld, waagde hij een wonderlijk voorstel te berde te brengen en den korvenmaker te verzoeken nog eenigen tijd te zijnent te mogen toeven, daar hij. zoo als hij voorgaf, een vriend wachtte, die hier langs moest komen, en er geen herberg in die streek was.
»Wonderlijk verloop der tijden!quot; dus merkte de korvenmaker aan, nadat hij ouden Freêrijk een stoel had toegeschoven. ))Dat ik Heer Freêrijk Simonsz nog eenmaal een schuilplaats moest bieden, had ik niet verwacht.quot;
«Gij llt;ent mij....? Wie zijt gij, goede burger?quot;
«Goede 1 iiirger!quot; meesmuilde de ander, d Van waar dat hij, die nog korteling een booze ketter was, thands een goede burger wordt genoemd? Kent ge Evert Cornelisz niet, die zich twee jaren moest verschuilen op een zolder, uit vrees voor Mijnheer den Schout en diens ijverigsten raadsman, Heere Freêrijk? Loopt ge thands hoog gevaar. Heer, dan zal ik n voorgaan en dien zelfden zolder wijzen
»Gij legt mijne komst ten invent verkeerd uit, mijn vriend!quot; hernam Freêrijk verlegen. »lk behoef niemant te vreezen; waarlijk Evert Cornelisz! ik was uw aangezicht ganschelijk vergeten; ge zijt een wakker burger . .. .quot;
sOmdat ik zwak van memorie beti, Heer?quot;
»Niet daarom, vriend! Ook merk ik het tegendeel: maar ik ben niet vergeten hoe goed gij der stede zijt geweest
»Het is springtij naar het schijnt, en het water staat zeker weder aan den dijk.quot; zeide Evert, en de grimlach op zijn zachtzinnig gelaat temperde de bitsheid der aanmerking.
»Nu ge daarop doelt, laat ik niet na u te prijzen over hetgeen iri j toenmaals deedt. Waarli jk, bij den vloed van het jaarzeventig hebben uwe teenen gordingen de stad bewaard . ...quot;
»Het was de eerste November. Allerheiligen, zoo als gij het noemt. Toen ik in den storm op straat kwam, was de frissche lucht mij vreemd; het was ook het eerst sinds veertien maanden dat ik haar in mocht ademen. Wonderlijk, dat de Schout of gij mij toen niet üet vatten.quot; Evert greep zi jn stevigste teenen bij die woorden en boog ze met forsche hand en vormde ze naar zijn welbehagen, terwijl hij een Geiuendeuntje lloot, hetgeen wel bewees, dat hij de vervolging van den Gerechte niet meer schroomde. Freêrijk begreep wat er kvvetsends stak in Everts woorden en handelwijze. Hij was echter te zeer neergebogen om scherpte met scherpte te
171
beandwoorden en zweeg, terwijl hij zijn srastheer den rug toekeerde en. het hoofd op de handen steunend, het venster uitzag.
Eensklaps echter kraakte de stoel, waarop hij neerzat. Hij zag den lang verbeiden in gebogen houding voorbijgaan. Hij meende de wangen des jongelings verbleekt en ingevallen te zien, en een kreet ontglipte zijne lippen, terwijl hi j onwillekeurig de armen uitbreidde.
)iWat deert u?quot; vroeg Evert, hem verbaasd aanziende, en zich mede voor het venster plaatsend. Toen hij het voorwerp van Freê-rijks ontzetting bespeurde, en de uitwerking, die de verschijning op den oude had, begreep hij wat in het hart van dezen omging. Alle zucht tot spot. alle wrok was vergeten, en hij lei de grove knuist op Ereorijks schouder en fluisterde: »Arme man. uw eenige!quot;
Ereèrijk zag hem een oogenblik aan. en in dien blik scheen hij hem dank te zeggen voor dat blijk van medegevoel. Het duurde echter slechts een oogwenk, want weldra was liet gelaat weder in dezelfde plnoi, weerde hij de hand des poorters af, stond op en vroeg met heesche stem: »Vriend, hij. dien ik zocht, schijnt niet te zullen komen. Wat mag ik u schuldig zijn voor de mij verleende rustplaats?quot;
«lieer! ik houd geen herberg en ben geen waard; wat ge hier ontvingt, het was om Gods wil. maar het wordt u thands ook geen oogenblik langer gegeven.quot; l)o verbolgen poorter wees hem de deur.
Ereèrijk mat hem met de oogen en ging heen. Het was of hij zijn zielesmart wreken wilde op wat hem omgaf, nu zijne kracht hem een oogenblik hergeven was. De aanblik zijns zoons had hem het verlies nog meer doen gevoelen, maar tevens doen voornemen alles te beproeven om den ontvluchten terug te brengen. Het andere plan, sinds ettelijke dagen door hem beraamd, trad hem voor den geest, en met haastige schreden wendde hij zich om en trad hij naar de herberg; het Paradijs, waar eenige der hellebanliers, door vrouw .lolle begeleid, hem reeds wachtten. Eluisterend werd het gesprek gevoerd. Meermalen werd de ligging van Rijkeris woning den hellebanliers beschreven en veel goud werd er rond gedeeld om het stilzwijgen te koopen of den moed te prikkelen.
Vrouw Jolle gaf nogmaals hare woonplaats nauwkeurig op en noemde weder den naam van: »Mie onder de luifel,quot; die tevens de zwarte kunst beoefende, en van wier voorspellingen zij de grootste wonderen vertelde.
Toen Ereèrijk haar en de mannen met wie hij saamgekomen was uit het gezicht had verloren, stond hij een oogenblik stil. bij zich zeiven overleggende of hij de gedacitte, die hem op dit oogenblik door het brein voer. al dan niet ten uitvoer zou leggen. Hij scheen er toe besloten te zijn. want hij sloeg een anderen weg. die naar het armoedigst gedeelte der stad leidde, in; maar, als ot hij
zicli i-cluuinule. na eenige voetstappen gedaan te hebben, begon hij te weifelen en zelfs terug te keeren.
Wel ie recht verkeenle hij in zulken strijd. Hij stond gereed een daad te plegen, die in onze dagen zelfs de kinderen zou doen glimlachen, maar, in die eeuw door het algemeen niet als zoo bespottelijk afgekeurd, echter dooi' mannen, als waaronder Freêrijk zich mocht rangschikken, toch als bijgeloof verketterd werd. Hij wilde een onderaardse he macht bezweren, hem de toekomst te openbaren of hem te leiden door het doolhof, ia welks slingerpaden hij dreigde te verwarren. Zijn verstand, dat hem der oude Kerk vijandig maakte en hem deed twijfelen aan elke waarheid, aan elk leerstuk, dat niet met cijfers kon worden berekend, zou zich zelt dan zoo verre vernietigen van te luisteren naar de openbaringen eener tooverkol!
Hij wilde terug keeren. maar het was ot een geheime stem hem influisterde, dat hij met den hemel had afgesloten en dus bij de zwarte kunst te rade moest gaan: en Freêrijk, de schrandere berekenende mensch. ijlde voort, na den rand van zijn hoed zoo veel mogelijk nedergeslagen en het regenkleed zoo hoog te hebben opgehaald, dat het gelaat ter halverwege verborgen was.
Hoewel bij 's Graven plakkaten het bestaan der tooverkollen verboden was, leefden er bijna in iedere stad Het was bekend; maar hel Gerecht scheen de oogen ie sluiten en die oude ribauden te sparen, die een leven, met rinkelrooien en ontucht begonnen, in het voeden van domheid en onkunde eindigden, terwijl het de edelsten dier eeuw, hen, die een waarheid met den dood bezegelen wilden, ten vure doemde.
Oude Freêrijk scheen den weg te kennen, hoewel hij dwalen mocht in het juiste huis.
Hij was een nauwe straat ingeslagen, waar de kuilen in de ongeplaveide straat hem dikwijls dreigden te doen struikelen en een bad te doen nemen in de onreinheden. In die straat kwam nog een veel engere steeg uit. en deze was zoo donker, dat hij een oogen-blik zich den moed voelde begeven. Hij onderscheidde ten laatste den bodem en daarna de rij huizen of krotten aan weerszijden en klopte aan het eerste aan. Toen hij geen andwoord ontving, waagde hij hel de klink op te lichten, en toen hij een paar half naakte kinderen ontmoette, die bezig waren in het slijk van den vloer der huiskamer te wroeten, en hen naar moeder Mie onder den luifel vroeg, kreeg hij geen ander andwoord dan een honend en snarrend gelach. Hij begreep alras, dat hij hier niet te recht was en ning dus verder. Hij wilde, na de eerste poging afgeschrikt, de bewoners iler steeg niet meer om raad gaan vragen en begreep zich alleen te moeten richten naar de aanduiding, welke volgens vrouw .lolle den naam van moeder Mie vergezelde Hij zocht alzoo, zoo goed hij het in den schemer mocht, naar iets wat den naam van luifel
173
verdiende en vond aan liet einde een huisken. waar vroeger zeker een nering geweest was, toen de eerste verdieping nog met een luifel had geprijkt; thands was deze voor het grootste gedeelte verdwenen en waarschijnlijk als brandhout gebruikt. Hij vond de deur open. Een walgelijke lucht van roet en vet walmde hem tegen, en zijn voet glibberde op den vloer weg, die zonder eenig plaveisel was en welken de geit en de kippen, die er vrijelijk ronddoolden, telkens losser woelden en nog onzuiverder maakten. Oude Freèrijk verwenschte zich zeiven en zou teruggekeerd zijn. indien hij niet zoo nabij liet doel ware gekomen. Hij gevoelde zich beschroomd en verlegen. Hij zou gebloosd hebben, indien hij dit niet sedert ge-ruimen tijd had verleerd.
»Woont hier de vrouw die men in de wandeling noemt...?quot;
j)Zwarte Mie? .Ta wel, kom binnen, maar doe de deur dicht,quot; klonk een krijschende stem.
Hij gehoorzaamde liet gebod, en toen de deur aesloten was, poogde hij het wezen te zien, dat hem toegesproken had. De moeite was eehter te vergeefs.
»Wat wilt ge?quot; krijschte het weder.
))Ik moet eerst zien met wie ik te doen he-b.quot; hernam Freèrijk huiverend. «Steek licht aan, want het is hier zoo donker als m de hel.quot;
»Dan is het zoo als het hoort!quot;
»Licht, of ik ga heen. oude kol!quot; riep Freèrijk. die werkelijk begon te duizelen, waartoe de verpeste dampkring niet weinig bijbracht.
))Kol! Ja. zoo noemt men mij meest als men heengaat. Gij zijt de eerste die het zegt bij het binnenkomen. Hebt ge mij dan niet noodig, Freèrijk Simonsz, rijke poorter, maar even vrekkig als rijk?quot;
Freèrijk trilde; het angstzweet brak hem uit. Die krijschende stem uit de duisternis rondom hem noemde zijn naam, en toch kon de vronw, die daar woonde, van zijn komst niet verwittigd zijn geweest, kon zij zijn wezentrekken niet onderscheiden, al ware het ook dat zij die vroeger had gezien.
Arme Freèrijk, die nooit dan spottend den voet hadt gebogen voor het Kruisbeeld en thands klappertandend de speelbal zijt van de grove bedriegerijen eener waarzegster!
Deze had de gewoonte om de bezoekers des daags een wijle in het donker te ontvangen. Zij, die echter in liet vertrek zat en gewoon was aan de duisternis, had het voordeel in het schemerlicht dat uit do stee» door de kleine ramen naar binnen viel, den bezoeker gade te slaan en hem, zoo zij hem kende, bij zijn naam aan te spreken, dat niet nalaten kon een voor haar heilzamen indruk te maken. Zij kende Freèrijk reeds van vroeger en had hem den vorigen dag aan de poort toen hij vrouw Jolle aansprak nog gezien, zonder dat hij haar echter toen had opgemerkt.
174
»Ik ben niet tlie ge meent,quot; stanierde Freèrijk. »Maar geloof het voor een oogenblik,quot; voegde liij er scherper bij, «het zal u meer spoeds doen maken met mij te dienen. De kollen zijn vlug als ze het goud hooren rammelen en Freèrijk is zoo als ge zegt rijk!quot;
»En vrekkig,quot; klonk het hem tegen, en een sarrende lach volgde op die woorden.
«Weet, dat ik machts genoeg heb u aan de palei te brengen en misschien wel op den brandstapel, gevloekte Belial!quot; riep Freèrijk.
»Wel zeker. Heer! lt;iij kunt, maar zult het niet doen; want zwarte Mie zou gaan klappen op de tormentbank van Mijnheer de Schout en dat zou niet vermakelijk zijn voor ouden Freèrijk, die even vrekkig als rijk is.quot;
» Wat zoudt gij klappen, feeks, wat het gantsche Graafschap niet wist? Geef u den schijn niet van veel te weten, liet ware zot; gij weet niets.quot;
»Waarom maakt ge u zoo driftig, als dat waar is, goede Heer!quot; sarde de oude. »waarom komt ge dan hier ? Wilt ge dan den uitslag niet kennen van hetgeen gij voor hebt met de hellebardiers ... .?quot;
«Vrouw!quot; riep Freèrijk ontzet.
»Ze zijn toch allen klokkenslag twaalf in de herberg geweest, niet waar.' goede fleer?quot;
»Niet zoo luid.quot; riep Freèrijk gesmoord. Het was of zim denkkracht hem begaf. Hij poogde den natuurlijken loop der dingen niet meer te volgen en gaf zijn rede gevangen. Hij vermoedde alles behalve de waarheid en vergat zelfs op dit oogenblik, dat vrouw Jolle, die de hellebardiers geherbergd had, in dezelfde straat woonde en hem van de tooverkol had gesproken.
«De otter wordt nog al spoedig een wezel,quot; grinnikte de oude, wier omtrekken Freèrijk thands in een hoek van het vertrek even begun te bespeuren. »En nu, Freèrijk, wat begeert ge van mij ?quot;
»Gij moest liet weten als ge iets meer dan een bedriegster waai t.quot;
»Zoet. zoet. mijn lieve poorter! Van mij zelve weel ik niets, en de kaarten zijn nog niet gelegd.quot;
«Leg ze dan.quot;
»Wel zeker, om den rijken vrek straks als de toekomst hem niet bevalt heen te zien loopen zonder te offeren of hem te hooren knibbelen op het loon! En toch, wakkere Heer, de Heiligen moeten hun waslicht hebben, niet?quot; Zij grinnikte om haar geestigheid, maar werd stil toen Freèrijk haar een enkelen Filippusdaaldertoewierp.
sliegin dan nu. en doe uw werk haastig,quot; beet Freèrijk, die innerlijk van woede beefde, haar toe.
»Vloei milder, liefelijke fontein!quot; hernam zij. ))Niet voor een enkelen Filippusdaalder opent Belzebub zijn mond.quot;
Freèrijk was woedend en toch waagde hij het niet. dit te doen blijken.
»llij kon heengaan, maar de geheele gang zou dan ijdel zijn; hij wilde blijven, maar moest dan ook gehoorzamen.
))Daar, crabbel tie vier Karolusguklens uit het slijk, waarin ge leett. Iiarpv! maar bij het hair van den Heiligen Willebordus, ge krijgt nu geen schelling meer als ge niet aanvangt, maar wel een Scirioutenkneclit voor uw kot.quot;
«Schuil' den grendel op de deur eti smijt de vensterluiken dicht,quot; klonk het op grauwenden toon.
Freêrijk gehoorzaamde, en toen hij zich weder omkeerde naar de plek waar hij meende gestaan te hebben, zag hij twee vetkaarsen opgestoken op een lage tafel in een hoek van het vertrek, en daar achter op een soort van kruk de waarzegster, die hem al dien tijd had opgehouden en werkelijk angst en atschrik had ingeboezemd. Nu hij kon zien waar en bij wie hij was, deinsde hij van ontzetting en schrik terug. De walgelijkste onreinheid, de naakste armoede heerschte in het vertrek, welks wanden eenmaal bepleisterd waren geweest, maar thands den buitenmuur, hier en daar met klei aangestreken, ie zien gaven. Opgezette hagedissen en vleermuizen hingen van de zoldering naar berieden en een landschildpad kroop nevens de straks reeds waargenomen dieren over den kleigrond naar de plaat der schouw, waar slechts eenige houtcindelssineulden. Op de tafel lag een doodshoofd, dat zeker afkomstig was van het geraamte, hetwelk achter de waarzegster overeind was gezet en welks éene ontvleeschte arm zich boven haar hoofd scheen uittestrekken, als wou die haar beschermen. Zij zelve voegde wel bij alles wat haar omgaf. Van grof grijn waren rok en bouwen; de muts of'kap van wol, wier kleur eens wit moest geweest zijn, maar die thands een tint had waarvoor geen naam bestaat en. hier en daar gescheurd, ruwe verwarde stoppels grijs hair doorliet. Het bruin gerimpeld gelaat was ontvleescht en droeg nog de blijken van vroegere ongebondenheid en latere onmatigheid. Ue groote neus hing bijkans over de bovenlip, waar de naar boven gebogen spitse kin hem bijkans scheen te willen naderen; slech's de oogen deelden niet in de versterving of inkrimping der overige deelen. Ze flikkerden in de roode kassen, en dat met een gloed, zoo als Freêrijk zich voorstelde dat alleen een basilisk bezat. Hij bleef het wijf een oogenblik als verstomd aanstaren en zou voorzeker tot het besluit zijn gekomen, dat het beter ware heen te snellen en alles prijs te geven, indien zij niet de kaarten uit haar mouwen had te voorschijn gehaald en met allerlei vreemde gebaren en. onder half luid gemompel, na ze herhaaldelijk geschud te hebben, neerlegde.
» Wat begeert ge te weten, meester? De Koning zal spreken, wanneer hij gevraagd wordt door zijn beminde slavin, zijn zoete lief.quot;
«Wat zal mij gebeuren eer de maan vol wordt?quot;
Zi j begon de kaarten te leggen. Schoppen-aas keerde zij het eerst. »Een schrander heer zrjt gij, maar juist niet fijn.quot; mompelde zij. Dan volgde klaveren negen en verder met oogverblindende snelheid
176
de andere kleuren met haar figuren door elkaar. Met schorre stem en slechts halt luid ving zij aan:
quot;Ken meester in 't liegen,
Een Heer in 't bedriegen.
Als zeker niet een,
Door welke gevaren
Keilt bij zich niet heen:
Zie, Hoaliuyzens knechten,
Voor goud zijn ze veil!
Ga, roep ze te zamen,
Zij brengen u heil.
Zij poosde en bleef met loerende ooscen Freêrijk aanzien, die zicli als onder een bekoring gevoelde. Hij verzamelde al zijne bedaardheid en zeide zoo koud hij het vermochi: «Wat ge daar reveil, brengt mij geen nieuws. Vermaledijde, rep u voort met uwe hel-sche bezwering!quot; Meer dan hij zichzelven bekennen wilde, had hem echter de gunstige voorspelling getrolïen. »Zal hij terugkeeren? vroeg bij fluisterend.
Zij dacht een oogenblik na, liet het oog gaan over de kaarten:
Daar sluipt hij, de bleeke,
Daar kiuipi hij, de geus.
Daar vloekt hij en breekt hij,
Bij lied en bij leus!
Gevonnisd is de oude,
In hem die daar gaat.
Heer Freêrijk de rijke.
Heeft lief wie hem haat.
»Dat weet ik, dat weet ik, wijf!quot; riep Freêrijk gesmoord, terwijl hij met den voet in het slijk stampte. «Maar zal hij wederkeeren ? Zal mijn kind terugkeeren? Zal hij komen? Wanneer? Uit zichzelven, of door Imlpmiddelen ? Is het laatste waar, door welke dan ?
De oude keek hem een oogenblik lachend aan. »Gij hebt den jongen wel lief?quot; Zij grinnikte op de gewone wijze en vervolgde:
L'w staf werd een adder,
Venijn is zijn spuw!
Vertreed hem en dood hem,
Of hij doet het u.
«Gij liegt, gehate feeks!quot; riep Freêrijk. wien de hairen te berge rezen. Hij trad op de tafel toe om de kaarten te verscheuren en misschien de oude te kastijden, maar een onheilspellend gebrul deed zich naast de zijde der tooverkol hooren en een groote magere dog richtte zich dreigend op. Freêrijk deinsde terug; het wijf schaterlachte, terwijl zij op haar wachter wees, die !⢠reerijk
«altijd door met de bloedroode oogen bleef aanstaren. «Neem n in acht, of Zwarte 1'ier speelt de rol van uw zoon. Ga heen'quot; vervolgde zij op gewonen toon. »of ik laat hem op n los. Denk om de woorden van de gehate feeks: Gij hebt liet wie u haat, en,quot; zoo besloot zij, half ernstig halt' sputtend, alsof zij op zich zelve doelde, «gij haat wie gij lief moest hebben.
Flij wist niet welke beteekenis aan de laatste woorden te hechten. Zij liet hem ook geen tijd om ter dezer plaatse daarover na te denken, want nogmaals en nu bevelender dan ooit klonk haar bevel om heen te gaan. Hij gehoorzaamde zonder een woord te spreken, en haastte zich het hol te verlaten en in het vrije te komen.
Toen zij alleen was en van den drempel hem door de enge steeg naoogde, prevelde zij binnen 'smonds, terwijl het afzichtelijk wezen een schijn van vrolijkheid aannam: »tlet haas heeft den pijl in de loopert.... Hij zal den jongen vreezen en vervolgen, en die is een dweeper, naar ik hoor. Vader tegen zoon en zoon tegen vader!quot; en toen kwam haar het jaar vijt en zestig voor den geest, het jaar van den hongersnood, toen zij bleek en uitgevast een kruimel broods was komen bedelen op den dorpel van Freèrijks korenzolders en als een hond was weggejaagd; en het woord kwam haar op de lippen: »Ik wreek mij, want rust zal luj niet vinden.quot;
Zij bad gelijk. Freêrijk vlood naar zijn huis. maar kon de pijn in zijn binnenste niet ontvlieden. Hij poogde de krachten van zijn geest ie zamelen en te spotten met de zotternij der waarzegster, maar in het volgend oogenblik herhaalde hij weder haar laatste woorden, gedacht hij de vreeselijke voorspelling, die hem uit zelfbehoud dwingen zou, het ontaarde kind machteloos te maken.
Voor de deur zijner woning poosde hij als om adem te scheppen. Hij wischte zicii het zweet van het aangezicht en met gebukten hoofde trad hij binnen.
Hel was reeds in den nanoen, dat hij terugkeerde, om even aan te zitten aan den reeds lang aangerichten disch, waar Marijken en oude Anna zijne thuiskomst angstig verbeidden. Geen groet werd er gehoord, geene bete aangeroerd, slechts eenige teugen Amers-foorisch bier gulzig naar binnen geslagen. Spoedig ging hij weder naar zijne sombere achterkamer, waar hij verbleef tot aan het vallen van den avond, toen hij nogmaals zijne woning verliet, om niet voor tien ure terug te keeren; en oude Anna verklaarde den volgenden morgen aan Marijken. dat zij den gantschen nacht licht had gezien in het vertrek van haar oom.
Op de kortstondige inspanning volgde weldra eene uitputting en oude Freêrijk bleef eenigen tijd alleen, schijnbaar alles om zich heen vergeten. Het was op deti dag, dat de vernieuwde aanval op Boshuyzen plaats had en hij weder als gewoonlijk in zijn stoel nederzat. recht tegenover zich een ledige zit, die daar was neergezet juist op de plek waar zijn zoon immer plaats nam. Hij zat.
DE EERSTE DAU
178
met de arnieu gekruist, liet hoofd op de lioist gebogen, neder en was in gepeins verzonken, toen de deur zachtkens openging, Maiijken nauw hoorbaar binnentrad en hare armen om zijn hals sloeg. De oude sprong op en wikkelde zich los. terwijl zijne oogen vonkelden.
«Wie heet u mij te storen, deerne?quot;
«Indien mijn bijzijn n tot last is. dan zal ik heengaan ...' Mijn hart zegt mij echter, dat de eenzaamheid u bang moet zijn.
«Waarom? Waant ge mij zulk een groot zondaar, dat ik haar schuwen moet? Waant ge, dat ik den Uooze vreezen moet, die mij kinderloos heelt gemaakt? Ik wenschte veeleer, dat hij mij in menschelijken vorm tegentrad, om tegen hem te kunnen strijden .. .
»Och, bezweer hem niet tot u te komen, oom!quot; zeide hei meisjen, terwijl zij de handen vouwde. »Hij bracht reeds euvels genoeg over dit huis .... Erbarme God zich onzer!quot;
«Spaar uwe devotie tot beter tijd. Spaar haar voor den paap of den geus, naar dat het n goed dunkt, 'tls moeielijk te gissen wieii gij op dit pas het meest vertrouwt.
Marijk ens oogen werden vochtig. ))A\ at heb ik u loch voor leeds gedaan, dat ue mij dus bejegent! Gij ontvlucht mij. als waie ik een Lazaruskianke.quot;
sVerbaast u dat? Ik ken niemant die uit puur genoegen de hand zoude steken iu een wespennest; niemant, die het niet liever ontwijkt.quot;
Marijken schreide niet meer: haar harte verzette zich tegen de ruwheid der bejegening. ))Oom! ik ben weeze en uwer zorge toevertrouwd. ik vermag niets tegen u. maar God daarboven telt de tranen der zwakken. Mijne jeugd was wel een droeve en wel vroeg ben ik gespeend van de ouderlijke tederheid, maar zulk eene toespraak bad ik niet kunnen verwachten. Gij weet mij gewisselijk zonder beschermer; ge liadt u anders zulke woorden niet veroorloofd . .. .quot; - 1
«Zonder beschermer? Leelt de jonkman niet meer, die teer beminde, voor wien ge geen cijns te kostbaar hebt geacht, wien ge heden uw geloot hebt opgeofferd, en morgen wellicht nog meer? De jonkman, die mijn woning ledig heeft doen worden als een sterf huis?
âUw huis is wel ledig,quot; zeide Marijken, die, door zijne smart getroflen, zijne vroegere w ooi den vergat. «Ja. ik lijd met u: gij hebt hem zoo lief gehad.quot;
«Ik vraag uwe deelneming geenszins. Acht ge mij eene vrouw, die troost van anderen verlangt. . . .? ^
«Zijt ge zoo gelukkig. Heer oom! dien in u zeiven te vinden? vroeg zij argeloos.
Freèrtjk achtte het een schimp. «Gij zijt zonderling rap van tong quot;â eworden, dank zij den omgang met hern, die den opstand brengt, waar hij ook treedt....
sGij doelt gewisselijk weder op hem, dien ik liefheb.... Heer
17!)
oom! hij heeft mij immer onderwerping geleerd, en zoo God mij sterkt, zal ik deze ure blijk geven, dat ik zijne lessen weet op te volgen.quot;
«Zijne lessen, gij hebt ze gewisselijk reeds lang gevolgd!quot; beet haar de oude toe. »Waar bleef uwe onnoozelheid. duifken, dat nimmer de mazen van 's vogelaars net wist te merken, en nu zoo scherp schijnt van blik. dat het den sperwer op zij streeft....? Zijne lessen! Hij leerde u gewisselijk ieder woord te wikken en te wegen, en het gelaat te mommen als een rhetorijkersdwaas! Gij heuldet toch reeds lang met den Geus en hebt het altoos ontveinsd. Waarom mij die rampzalige liefde verborgen, zoo ge niet geweten hadt. dat ze een misdaad ware ....?quot;
))lleer! ik belijde u die zonde met schaamte en berouw . . ..Ta, ik Itad moeten spreken, maar het hart verzette zich daartegen ... ik dorst rnijzelve niet bekennen, dat ik hem liefhad. O, wist ge hoe ik gestreden heb. alhoewel vruchteloos! Ik had hem willen vaarwel zeggen, die de vijand was van wat ik toen nog als alleen heilig geloofde, maar ik heb liet niet kunnen doen .... neen, niet kunnen doen.quot;
»Uw woorden geven mij zekerheid op een punt. Wat ik vreesde, is dus geschied. Ook gij zijt afvallige!... Ik heb mijn zoon willen overleveren, opdat de boete hem zou louteren; ik schroomde daarvoor niet; ik zal niet schroomen alleen te staan, indien ik tot dien prijs den afval van mijn maagschap kan doen straffen. Begrijpt ge mij? Nog zijt gij in mijne macht.quot;
».la oom! Gij wilt mij overleveren; maar dat zal mij niet doen deinzen. Ik zal den Heere loizingen, als hij mij waardig acht om Zijns Naams wil smaadheid te lijden,quot; zeide het meisken in vuur.
«Die vreugde zal wel ras. getemperd worden; de Kerk is juist niet zacht in hare straffen,quot; zeide Freêrijk tergend, vvien de geloofsmoed in liet meisken ergerde. »Gij kent de liefderijke Kerk nog niet in haar toorn. Zij schreef in haar vaandel, dat het vuur loutert... . Bereid u daarop voor.quot;
»I k deed dit reeds. Heer! Wist ik toch niet, dat ik in uwe macht was?quot; zeide Marijken met nadruk. De vertrapte, die zoo lang reeds de grieven wist te verduren en onverschilligheid met oodmoedige liefde, verdrukking met lijdzaamheid had bejegend, hief zich op. De menschelijkheid was tot in hare schuilhoeken achtervolgd en bood daar wederstand. Marijken had het gedrag van den zoon gelaakt, had den vader verdedigd, maar indien ze op dit oogonblik uitspraak had moeten doen tusschen beiden, het vonnis zou niet ten voordeele des laatsten zijn.
«Gij denkt u wel bekleed met een ondoordringbaar harnas,quot; zeide Freêrijk, terwijl zijne bleeke lippen trilden. »Of liever, ge oordeelt mij niet in staat om te doen. waarmeè ik dreigde. Vlei u niet met zulk eene hoop. Het zal mij eene genieting zijn, de straffe te zien volvoeren aan wie haar verdient.quot;
180
Hij sprak waarheid; de beproeving, hem opgelegd, had het hart verhard... «Ja, eene genieting, zoo ik nog voor zulk eene aandoening vatbaar ben... want rampzalig ben ik!quot; De laatste woorden werden gesmoord uitgebracht, terwijl hij met de hand de oogeu ten deele bedekte. Ze deden echter Marijken een blik werpen in het hart baars ooms, en haar bevroeden, dat de geslagene zich verstalen wilde tegen de tuchtigende roede, maar het niet mocht, hoezeer hij het ook veinsde te kunnen. Alle wrok vlood dan ook heen en maakte plaats voor medelijden. «Eén woord en ge zijt het niet meer .... Roep hem terug, roep Freêrijk terug!quot; riep zij met aandrang.
»Noem mij dien naam niet,'quot; riep hij hevig geschokt uit,terwijl hij haastig oprees. ))Dat kind brengt mij ten val, ik wil hem nimmer wederzien.... ik kan niet.quot; Zijne vingeren trilden bij ieder woord, en onwillekeurig richtte zich zijn blik naar den ledigstaan-den stoel.
Marijken volgde de richting zijner oogen. «Daar zat hij neder, oom. Daar verhaaldet gij hem vaak van zijne moeder, die hij nimmer heeft gekend.... Daar spraakt gij hem zoo vaak over de toekomst, zoo schoon, zoo roemrijk!quot;
Freêrijk rees op en stapte door het vertrek. Hij was bewogen, de zenuwen zijns gelaats getuigden liet; doch nogmaals overwon hij zich zeiven en koud vloeide het van zijne lippen:
«Doch al blijkt mijn arbeid ook ijdel. al weet ik, dat niemant hierna mijn naam zal dragen, ik zal voleinden.quot; Hij poosde een oogenhlik. »Hij, de zwerver, heeft u lief. ..?' Eene belsche gedachte â hem, den gehaten, in haar te straffen en te doen lijden â rees in zijne ziel op. maar hij was noi niet zoo diep gevallen om zulk eene gedachte vast te houden en uit te werken. Plotseling bedaard ging hij voort, en zijne stem was niet zoo snerpend als straks: «Marijken! gij zijt jong; gij bemint en lieft alzoo het leven, hoede waanzin u straks ook den vuurdood deed toejuichen ... Ik zal het oog sluiten voor uwen afval en u zelfs steunen in uwe vlucht, maar op eéne voorwaarde: waar is het verblijf uws minnaars, ik wil liem spreken.quot;
«Ik weet het niet. Heer!quot;
«Beloont ge dus mijne goedertierenheid? Ik treed u tegen met uitgestoken hand en gij wijst haar terug. Ik moet hem spreken.quot;
«Ik ken zijn verblijf niet. Nimmer heeft hij mij dit gezegd; ook vroeg ik daarnaar niet. Indien ik hem spreek, dan is het hier...quot;
«Dat hij nogmaals kwam!quot; prevelde oude Freêrijk. «Alles is tus-schen ons afgedaan, ik zal uw beschuldiger zijn voor de Schepenbank . ...quot;
«Zoo u de schuldige vóór dien tijd niet weder ontloopt,quot; viel eene vreemde stem bijtend in. Het was broeder Martinus. achter wien nog iemant stond, die bijkans scheen weg te schuilen. Oude Anna kende en bezoeker en ontving hem zelfs met nederigen groet. Zulk een
181
irast behoefde niet te worden aangediend, maai' was altoos welkom. De vreemde, die hem veiv.elde, was Reinier Feyntes, Schout van Enkhuyzeri.
«Ik hour den klank, maar versta niet den zin,quot; riep Freêrijk verbolgen, terwijl hij naar den achtergrond trad. Toen hij zich echter overtuigd had, wie de binnenkomeiulen waren, verzachtte hij den toon zijner stem. »Ik [irijs mijzelven gelukkig met zulk een bezoek.quot;
»Uwe woonlen verzekeren het, uwe handeling echter niet. In de laatste dagen schijnt ge meer behoefte te hebben aan de waereldlijke overheid dan aan de geestelijke, hoezeer deze de zorg uwer ziel, van wier kiilinte zij nog niet overtuigd werd, is toevertrouwd. Mijnheer de Schout ontving, naar het mij blijkt, menigen bode van uwe zijde en werd heter onderrichl dan ik. En gij, mijne dochter! ik ontbood u meermalen op: overtnids gij niet lot mij kwaamt, kom ik tot u.quot;
«Wel gewenscht is uwe zorg.quot; Iiernam oude Freêrijk. sDe Euvele ontneemt mij ook het laatste kleinood. Ook Marijken is besmet met de pest der ketterij.quot;
«Wist ik dit niet reeds?quot; vroeg Martinus op strengen toon; »ik stel prijs op het behoud harer ziel en zoude ik dan zoo lichtvaardig handelen met te wachten op uwe tijdingen? Ge ziet toch den vijand niet eer, voordat hij uw woning is binnengedrongen en elke voorbijganger hem bespeuren kan. Gij hadt mij wellicht ook thands weder gewaarsciiuwd, als zij reddeloos verloren was en uwe vaderlijke macht reeds ontsnapt....quot;
Oude Freêrijk wilde het verwijt niet begrijpen en Martinus'aandacht van zich zeiven afwenden. «Reddeloos verloren, mijn vader! ik hoop het tegendeel. Wel heeft zij mij bekend, zich tot de ketterij te neigen, maar niet alle liefde jegens de kerk is uitgebluscht.quot;
«Wij spreken daarover straks. Uwe eigene omstandigheden dringen meer. Waar is uw zoon?quot;
))üit uwe woorden maakte ik straks op, dat ge alles wist.quot; stamerde Freêrijk. »Hij is mijner rnacht ontvlucht; hij is door de Geuzenbende, die mijne woning was ingebroken, bevrijd.quot;
»Kn dit wel te pas. Oiij onttrekt u aan alles; gij schuilt weg in uw woning, om beter den opstand te steunen en uw afval te bewimpelen. Mijnheer de Schout kan getuigen, welke geruchten van u zijn verspreid, en hoe de ballingen op u hopen.quot;
»Werwaards gaat gij?quot; vroeg eensklaps Freêrijk aan Marijken, die naar de deur trad.
«Naar mijn kamer, Heer oom! (üj heet mij dit toch, zoo vaak er gehandeld wordt over zaken u betrefïende.quot;
«Het zijn de uwe meer; toef dus hier, en andwoord den Eerwaarden vader, dien ik verzoek de wonde mijner nicht te peilen.quot;
»Ik zoude de Heiligen lofzingen, zoo ik het de uwe konde doen,quot; hernam Martinus strak. «Bekommer n niet over uw nicht; zij zal behouden worden, voor hare ziel draag ik zorg als voor de mijne.quot;
182
»0, ik dank u voor die woorden, waarin uwe liefde te mijwaart zoo wel doorstraalt,quot; hernam Marijken. verrast over den bijkans tederen toon des strengen monniks. »Maar,quot; voegde zij stamerend en blozend er aan toe, «door genade moet ik zalig worden; eu die genade, mijn vader, het is geen mensch gegund die te geven; het is God alleen.quot;
sHoort gij? Dat zijn Geuzenreden!quot; riep oude Freèrijk.
«Gij schijnt goed onderlegd te zijn van kennis op dat punt,quot; beet Martinus hem toe. «Mijne dochter, de genademiddelen der kerk zijn voor het geloovig kind voldoende; zij waren het altijd voor u.quot;
«Niet meer, mijn vader!quot; lispelde liet meisken. «ik heb leeren kennen wat tot mijn eeuwigen vrede dient; het is slechts de zoen-verdienste Christi.quot; Er was een oogenblik van stilte. Marijken dacht, dat Martinus luisterde, of zij nog meer zoude zeggen; daarom vervolgde zij in verwarring: «Nog heb ik in alles geen vasten grond en komt liet mij niet toe te strijden tegen u, zoo ervaren in de verborgenheden des geloofs.quot;
«Genoeg; het is thands niet de ure voor een redetwist, ondersteld, dat ik dien noodig oordeelde tegenover de oidvundige, wie het voegde de uitspraak des priesters te volgen als gegrond op de waarheid.quot;
»l)e waarheid, het is tocli het woord Gods,quot; waagde Marijken aan te merken, en het maakt geen melding van de leerstukken door u verkondigd, mijn vader!quot;
«Dus hebt ge een ketterschen Bijbel gelezen? Antwoord mij, in den naam der Heilige Drievuldigheid!quot;
«Ja. mijn vader!quot;
))Geef mij dat boek. Het is u niet geoorloofd daarin te lezen.quot;
»Het woord Gods, mijn vader!quot;
«Zoo het dat waarlijk zij, zoo lees liet onder de hoede uws biecht-vaders, den geordenden priester, wien de Geest Gods is verleend en die alzoo in de waarheid kan blijven; daarom geef het mij en ik zal u leeren verstaan.quot;
«Ik kan niet, mijn vader! waarlijk niet; ook versta ik reeds.quot;
«ik beveel het u,quot; zeide Martinus streng, die strengheid weder nuttig geloofde, daar het meisjen, nog niet geheel vast in haar geloot', zich gewis het spoedigst zou buigen voor de stratiende Majesteit der Kerk.
«Ik moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen. God zelf' zeide: «Onderzoek de schriften.quot;
«Hardnekkige!quot; riep Freèrijk, «het bevel des Eerwaarden vaders zal gehoorzaamd worden.quot; Hij verliet haastig het vertrek en kwam teruir met het buitgmaakte Bijbelboek.
«Heer oom, ik smeek u, laat mij het behouden,quot; bad Marijken. maar het was te laat, het boek was reeds in Martinus' hand. Hij zag het in. «Een geschenk van Rijken Claesz, den Geuzen prediker hier ter stede. Teeken dien naam op. Mijnheer de Schout!quot;
183
â¢,)üe naam van dien man is mij beketul. zeide deze zuclit. Als 'de ure daarvoor slaat, is liij mijn.'
i)Hebt ^ïe dien man gesproken?quot; vroeg Freèrijk, hevig bewogen. 'aGe zijl te zijnent geweest?quot;
Marijken knikte bevestigend, maar had geen tijd tot andwoorden.
»En nu, deern, moge uwe ketterij worden vernietigd even a'.s dit boek, dat haar voortplant,quot; riep Martinus uit, terwijl hij het op het haardvuur smeet, waar het vuur het spoedig verteerde. De monnik zag er naar, hoe blad voor blad, door de vlammen om-kronkeld, verdween en verstoot. »Iiet vuur verdrijft den pest dei-ketterij, Mijnheer de Schout! Het vuur loutert; schroom niet het te ontsteken, waar God en Zijne Heiligen het eischen.quot;
Marijken weende eu wrona; hare handen iu wanhoop. »Neen. dat is uit den Booze,quot; kreet zij; gt;ihi begrijp ik zijne woorden: Men bindt u den blinddoek voor de oogen, om do zon niet te zien.quot;
»Wiens woorden waren dat?quot; vroeg de monnik hoog. ))Gij zwijgt? Wij zullen u doen spreken. Gij neemt uw intrek in liet St. Ursula-k looster.quot;
«Gij hebt geene macht over mij, mijn vader!quot; hernam Marijken met kracht.
«Gij ontzegt haar toch niet uwen wettigen voogd, uwen oom? En deze beveelt het,quot; andwoordde Martinus, terwijl hij !⢠reerijk met de oogen ondervroeg.
«Niet naar het St. Ursulaklooster,quot; viel Freèrijk gehaast in. «Naar een ander, buiten deze stad.quot;
» Waarom ?quot;
sik heb daarvoor mijne redenen, te veelvuldig om u thands te openbaren,quot; hernam hij gespannen. «Voer haar elders heen.quot;
«Mijnheer de Schout verneemt alzoo dat gij haar afstaat. De plaats, wei waards zij gevoerd zal worden, doet niets ter zake ....
«Veel in deze. Ik geef mijne toestemming alleen, indien zij naar eene andere plaats vervoerd worde.quot;
«Er schuilts iets achter deze weigering,quot; prevelde de monnik, die op ilit oogenblik een langer tegenstreven onnut, ja schadelijk oordeelde. en daarom niet verder andwoordde. «Ga naar uwe kamer, deerne!quot; vervolgde Freèrijk. «Wij behoeven uw bijzijn niet langer.quot;
Zij ging heen, niet gebogen en schuchter als vroeger, maar met vaste schreden en opgericht hoofd. Hare gelaatstrekken stonden strak en duidden vastberadenheid. Toen zij den Schout voorbijging, boog zich deze, als om haar aan te zien, maar tevens om haar in te fluisteren: «Hou moed!quot;
Martinus oogde haar na, en het was of zijne lippen trilden. Ju, hij gevoelde pijn; hij had haar lief.de eens onschuldige jonkvrouw, in wier hart hij de zaden van godsvrucht had neergelegd; maar juist omdat hij haar lief had, moest hij haar zoeken te behouden, moest hij ziel en Sichaam redden, of, zoo hij liet beiden niet meer kon,dan toch deeerste.
â IS-l
sEri nu, Heer Freèrijk, richten wij iiet woord tot u! Gij hebt mij met duren eede gezworen, bewijzen te zullen geven van zonderlingen ijver in de dienst der Kerk en Zijner Majesteit en d.iarvoor zelfs uwen ketterschen zoon prijs te willen geven. Ik merk vun het een noch van het ander. (!ij hebt den ketter laten ontvluchten.quot;
«Ontvluchten? Indien ik het gedaan had, het ware niet tegen de natuur geweest,quot; hernam de oude Freèrijk bitter. «Maar ik heb hem niet laten vluchten. Zie in het rond, mijn verwoest huisraad, de neèrgehouwen deur, en ge zult wel moeten erkennen, hoe gaarne gij ook mijn beschuldiger zijt, dat ik alleen bukte voor driest geweld.quot;
«Heer Boshuyzen moest ge ontzien en dus wel herbergen. I)lt;' bende heef'l den Admiraal gezocht. Ik zie daarin niets wat ter uwer giinsle of voor uwe onsciiiild aan de ontsnapping uws zoons getuigt.quot;
«Maar indien ik mijn kind niet der Kerk had willen overleveren,, waarom had ik hem dan ooit mijn huis, of liever het zijne, want al het mijne was toen nog het zijne, tot kerker gegeven? Zelfs mijne droefheid over de vlucht mijns eenigen en de vernieling van het mijne wordt als wapen tegen mij gekeerd. Ik bespeur een vnigen toeleg om mijne handelingen te misduiden en mij, door argwaan afgestreden, het hoofd te doen neèrbuigen, de handen slap te maken, hetwelk mij dan tot schade en schande zon gedijen bij Zijne Excellentie den Hertog.quot;
ïGeen klacht over onrecht, waar ge uw recht nog niet bewezen hebt. viel de monnik gebiedend in. «Ondersteld, gij spreekt de waarheid, uw zoon ware buiten uw toedoen uit den kerker, dien gij hem uit vurigen ijver voor de Kerk gegeven hebt, ontsnapt; ondersteld, dat ge hem hadt willen overleveren, van waar dan die droefheid, die eener vrouw wellicht, maar geen man ooit zal voegen; van waar dan dat ge de eenzaamheid kiest en n verbergt? Gij treurt om het gemis uws ketterschen zoons? Maar indien ge hem der Kerke had willen overleveren, hij ware u evenzeer onttogen. Alles saamtrekkende, geloof ik niet, dat ge ooit voornemens geweest zijt, hem over te geven, en slechts voor een wijle geveinsd hebt, hopende op een gunstig tijdstip om het mom van het aanschijn te trekken. De sluwe berekenaar heeft echter gefaald en rekende niet op de gezindheid zijns zoons en de stont-moedigheid der ballingen. â Wat hebt gij daartegen, Freèrijk Simonsz?quot;
Schijnbaar niets, want hij zweeg. De juistheid van 's monniks gevolgtrekkingen kon hi j niet loochenen. «Gi j weet wel eenigen schijn van waarheid aan uwe beschuldiging bij te zetten,'' zeide hij bits; «ik gun u een poze uwe zegepraal: woorden zijn genoeg gespild, zoo spreekt ge zelf', daden moeten spreken. Tot de laatste bereid ik mij voor; tot de eerste voel ik mij op dit pas niet zeer geschikt, overmids mijn hoofd zwak is en verward. Gun mij echter de vraag,.
185
â if de aanzegging dezer beschuldiging de oorzaak is uwer komsü en die van Mijnheer den Schout ie mijnent, is dit zoo, waarlijk, gij hadt liet u lichter kunnen maken.quot;
sGewisselijk niet. Heer! ' zei de Schout, die thands naar voi'en trad en zijn schrander gelaat te zien gaf. Zijn kleeding was geheel zwart, terwijl alleen de penning mei s Kotungs beeltenis 011 zijn borst olijk gaf van zijne waardigheid, sik gaf den Eerwaarden vader, die bij mij onderzoek deed naar uwen welstand, kennis van den tusschen ons aangevangen handel.quot;
«Die, naar ik hoop, tot een gelukkig einde zal worden gebracht.quot; viel Martinus in. »])ocli daarover siraks. Freèrijk Simonsz, dat wij uwe gangen zoo nauwkeurig hebben nagespoord, zij u een blijk, dat wij ii noch uwen invloed gering schatten! Gij kunt de goede zaak dienste doen, in welk geval de mantel der liefde vele afdwalingen en zwakheden zal kunnen bedekken. Gij meldet mij, dat Heer Rardes leefde en de plaats waar. Uw voorstel dienaangaande werd door mij verworpen en moet hel altoos blijven. Geene vervolging van den ouden man, die onschuldig is bevonden! Ik heb echter rijpelijk over deze zaak nagedacht. Heer Manies mag niet langer in Geuzenhanden blijven. Ik houd het bovendien v or zeker, dal hij gevangen wordt gehouden, overmids hij anders wel van zijne wettige aanspraken had doen hooren. Ik overlegde met den Gerechte, die eenstemmig met mij dacht, om Heer Bardes op te eisclien en hem hier ter stede een voegzame woning te geven, den man waardig, wiens oordeel en vermogen 's Ivonings zaak tot geen geringen steun kan zijn. Van vvege den Gerechte wordt hij alzoo opgeëischt. Niemant onzer zijn zijne trekken echter bekend, weshalve wij ons tot u wenden, met verzoek bij de opeisching tegenwoordig te zijn.quot;
Freèrijk was gedurende deze toespraak beurtelings rood en bleek geworden. Hij zag den toeleg des monniks, om in den persoon des Oud-Schouts een wapen tegen hem te bekomen. Een zekere maal van leedvermaak deed hem echter ten laatste grimlachen, terwijl hij zeide: «Hoe gaarne zou ik u in deze kleinigheid ten wille zijn. maar ook ik ken ter nauwernood de gelaatstrekken mijns geachten neef's. â Ik zag hem zoo zelden.quot;
^Zelden? En naar ik meen was uwe vrouw zaliger eene vriendin van zijne dochter, bij wie zij te Amsterdam soms maanden verbleef en gij ook dikwerf toefdet. als wanneer gij ook het hoofd des gezins meermalen aldaar zult ontmoet hebben.quot;
»Gewisselijk. maar sedert mijn lieve vrouw God hebbe haar ziel! â aldaar haar eenigen ter waereld bracht, zag ik Heer Bardes niet. Ik ben daar onlangs slechts éénmaal geweest, ten einde orde te stellen op zijne nalatenschap, op welk tijdstip Heer Bardes na-Umrlijk niet te Amsterdam was.quot;
»(iij zult hem toch beter kennen dan wij, en daarom verzoeken
186
â¢wij u met aandrang, aan liet verlangen van den Gerechte gehoor te geven,quot; zeide de monnik.
Met zichtbaren weerzin gaf FreOrijk toe. Nog restte hem een grond van weêrstand. sMaar gij zult die van de nieuwe leer verbitteren op een oogenblik dat er nog van matiging sprake is.quot;'
»I)e tocht zal niet eer worden aangevangen voor dat de tijd van matiging verstreken zal zijn, en naar ik hoop is deze ure niet ver meer verwijderd '
Freèrijk zweeg ten teeken van toestemming, maar hij hoopte nog wel middel te vinden om niet bij de opeisching des ouden tegenwoordig te zijn. waartegen hij, om voor hem gegronde, maar ons als nog onbekende redenen, grootelijks bezwaar had.
»Wij naderen thands het hoofddoel onzer komst.quot; vervolgde Mar-tinns. Door u sinds ettelijke dagen op te sluiten, zijt ge gewis een vreemdeling geworden in deze stad, die ieder uur schier van gedaante verandert. Er is een nieuwe aanval geschied tegen den persoon des Ad niraals; zelfs de Burgemeester Vest is gevangen. Ditmaal was 't het grauw, door de ballingen aangehitst, en was de oploop toomeloos. De goedgezinder! zijn daardoor door liet groot aantal weifelenden versterkt, en beiden zien in, dat eene plundering voor de deur staat. Ik behoef u voorzeker niets meer te zeggen; uw gewet brein vat reeds, welke partij uit dezen toestand te trekken is. Gij zijt een der vier Kapiteinen der wacht en wellicht in staat de burgerij te bewegen tot hare eigene hoede krijgsvolk in te nemen. Ik uit mij misschien niet duidelijk genoeg. Mijuheer de Sciiout heeft gewis beter inzicht in die zake dan ik.quot;
»De Eerwaarde vader maakt mij den arbeid a! zeer licht,quot; viel de Schout met eenige ironie in. »Ik heb aan zijne woorden niets toe te voegen.'
»Ik ben beter ingelicht dan ge bevroedt,quot; zeide Freèrijk, die. tot handelen opgewekt, zijne kracht voelde herleven, en wietis eerzucht, hoewel eenigen tijd verdoofd, weder met nieuwen gloed opglom. »lk heb heden de wacht; laat mij slechts met die zaak betijen.quot;
De monnik staarde hem een oogenblik strak in de oogen. Zijn somber gelaat klaarde op. en op minder strengen toon hernam hij: »Het schijnt, mijn zoon, dat ik u ter rechter tijde heb wakker geschud uit uwen slaap!quot;
«Het sjerucht, waarvan ge straks spraakt, als zoude ik heulen met de Geuzenhent. komt mij thands zeer goed te stade.quot; merkte Freèrijk peinzend aan. »Maar. mijn vader, ik heb met geduld uw bezwaren aangehoord; gun dat ik ook de mijne te berde breng, dat ik eene zaak. die mij zoo na aan het hart ligt, met den Heer Schout bespreek.quot;
«Het betreft den Blonde? Dat de Heiligen uw opzet zegenen, mijn zoon! Ik vernam toch tot mijn schrik, dat de eerst dood verklaarde nog leeft, overeenkomstig uw vermoeden. '
187
sHeer Fevntes, liebt gij iets naders aangaande dien aartsketter ontdekt? Kent gij zijn tegenwoordig verblijf?quot;
»In geenen deele. Heer Freêrijk; en ik kwam u melden, dat ons pogen tot dusverre ijdel is. De jongeling is onzichtbaar.'
«En gij liebtgeenerlei spoor ge vonden ?quot;vroegFreêrijk met aandrang. »Geen.quot;
»Uw andwoord is strijdig met dat uws onderhoorigen, den Otider-schout, wien ik mede in liet geheim nam, uit aamnerking zijner schranderheid en liefde voor de goede zaak. Deze bracht mij tocli aan, en nog wel heden, dat hij eenig spoor had ontdekt; dat men zich lang op verkeerden weg had opgehouden, daar men den ketter in de nabijheid van den Geuzenpredikant zocht. Hij kon echter buiten de stad wonen, om, op alles gevat, ten allen tijde tot eene vlucht gereed, ot' in staat te zijn kondschap te ontvangen van de omliggende steden, met welke hij in verbintenis staat. Een zoodanig punt heeft men aangetroffen. Aan de hoeve van Jan Dirksz ziet men dikwerf'vreemde landsluiden aankomen en vertrekken, en wat meer is, men zag gister avond den boer, den bewoner der hoeve, met een goed gekleed poorter de werf overgaan. Men was te ver verwijderd om de gelaatstrekken des laatsten te onderscheiden.quot;
»En wist Mijnheer de Schout van dit alles niets?quot; vroeg Martinus. terwijl zijne onderzoekende oogen zich op hem vestten.
«Waarlijk niet. mijn vader!quot; stamerde deze. sik zal den Onderschout scherpelijk berispen, dat hij mij onkundig liet. Het ware zijn plicht geweest, mij op de hoogte te houden der zaak. Heer Freèrijk, ik wensch u en mij zeiven echter geluk met deze ontdekking. Heden avond, als de schemer valt. stel ik mij voor aan het hoofd mijner dienaars derwaards te trekken.quot;
))Ik ga met u,quot; zeide Freörijk. »lk zal dan ten laatsten het schouwspel genieten, hem geboeid voor mij te zien. '
»lk gun u dat.quot; zeide Martinus, maar zou Mijnheer de Schout heden avond wel gereed zijn?quot; vroeg hij scherp, terwijl hij hem wai 11 roti wend aanzag.
»Tegen liet voorstel van den Schont vind ik ook bezwaar.' merkte Freörijk aan. »Heer Fevntes noch diens dienaar kunnen op dit oogenblik buiten de stad worden gemist. Waarom zich de knechten, die buiten gelegerd zijn, niet ten nutte gemaakt en hen belast mij te ondersteunen? Men zou alsdan den gevangene niet herwaards behoeven te voeren, waar hij door de ballingen gewisselijk weder bevrijd wierd. maar zou hem meê kunnen nemen naar Amsterdam, waar de vierschaar kon worden gespannen.quot;
sik bewonder uw beleid, mijn zoon!quot; hernam Martinus. zelfs vriendelijk, sik ken Hopman Quikkel. die nog in den omtrek met zijn vendel kruist, en schrijf hem dienaangaat.de nog heden.quot;
slndien hij te acht ure zich bij de hoeve bevond, dan zotide ik daar óok zijn,quot; zei Freèrijk.
188
De Sellout sloiul in tweestrijd. «Het is onder de ban der stad. en iiieiiuuit dan ik ben dus gerechtigd den balling te vatten.quot;
«ilet geldt hier een hooger belang dan de vorm uwer rechtspleging. dien ik altoos, en vooral in de laatste dagen, wel langzaam en slappelijk vond.quot; zeide Martinus hoog.
sliet mag naai' uw inzien alzoo zijn. Eerwaarde, die wellicht, onbillijk in de keuze van nw maatstaf, de Schepenbank vergelijkt inet de vierschaar der kettermeesteren. ' andwoordde de Schout scherp, alk verzet mij tegen den maatregel, door Heer Freêrijk voorgeslagen; ja des noods verbied ik hem, ik, de Stadhouder der Grafelijkheid ter dezer stede, daaraan te denken.quot;
De monnik boog zich haastig over hem heen, en 'duisterde: «Men ziet een scheur in uw wambuis en het onderkleed heeft eene andere kleur dan het oppergewaad. Neem n in acht.quot;
gt;Ik blijf bij mijn gevoelen,quot; zeide de Schout zichtbaar ontroerd, nen zal protesteeren bij de hoogere vierschaar der Grafelijkheid tegen eene daad, die ik wel niet zal kunnen beletten.quot;
»Gij schijnt alreè een 1 ageren toon te voeren.quot; zei Martinus. »en zult weldra geheel veranderen. Mijn zoon, ik zend weldra om uwe nicht! Dat de Heiligen u geleiden, en de gebenedijde Maagd in hare grenzelooze barmhartigheid op u met welgevallen moge nederzien.quot;
«Amen, mijn vader!quot; zeide Freèrijk. die de bezoekers uitgeleide deed, en weldra aanstalte maakte hen te volgen.
Naar het wachthuis ging zijn tocht. Het was een oud gebouw, dat niet, zooals de VVesterpoort, waar het aan grensde, onlangs vernieuwing en herstelling had ondergaan. Onder de luifel, die zich over de met ijzer beslagen deur uitstrekte, stond de wachthebbende schutter met den hellebaard gewapend, en daar binnen op den steenen vloer zaten eenige andere neêr op zitten van ruw hout aan een tafel van even eenvoudig maaksel.
Eenige der op dit oogenblik gevoerde gesprekken weken van den gewonen toon af en duidden spanning en hartstocht.
»lk zeg u,quot; zoo riep er een, die lang fluisterend had gesproken, «dat het er op of' onder moet. De burgerij was lang genoeg met een fraai liedtjen in slaap gewiegd; de burgerij vatte daarom den A dmiraal.quot;
«De burgerij?quot; riep een ander; »zeg veeleer het grauw, dat de kans schoon zug om de gegoede burgeri j om goed en have te brengen. Ik ben den Prins niet ongenegen, maar gruw van dergelijke middelen, en hoop dat de ballingen zich van de smet mogen kunnen zuiveren van deelneming in zulk een aanval.quot;
»Alzoo is ook onze meening,quot; riepen velen; en een ging zelfs verder door te durven zeggen: »Men ziet wat ons te beiden staat hij eene omkeering: men ziet. welke aanhangers de Prins hier heeft.quot;
))Dat is eene wel lasterlijke aanmerking,quot; riep de eerste spreker,
â¢180
»en wel vreemd in den mond van liern. die hot ontkennen zou als men hem een verklikker noemde van Zijne Excellentie!quot;
Den Schutter, tot wien dit woord was gericht. vloolt;i het bloed naar het hoofd. »Een goed onderdaan behoeft geen verklikker te wezen en het toont de zonderling slappe hand van den Gerechte hier ter stede, dat zulk een taal zonder straf wordt gevoerd en den spreker de tong' niet kost.quot;
«Mannen, de Hopman!quot; riep de wacht aan de deur, en oude Freèrijk trad binnen.
Aan de gramme blikken, de verbolgen gelaatstrekken merkte hij, dat hier een twist was gevoerd. »Wat is dit. dat ge neerzit als vijanden, gij, wien de zorg der zoo beroerde stad is vertrouwd?quot; vroeg hij op zoeten toon, terwijl hij in het rond zag. »ls dan overal burger tegen burger opgestaan; is het niet genoeg dat het grauw zich vergrijpt aan edele burgers, moet ook de burgerij onderling verdeeld zijn op de muren der stad, opdat de vijand van buiten daarmee zijn voordeel doe?quot;
gt;)De vijand van buiten? Wien noemt ge alzoo?quot; vroeg de eerste spreker, die zich als heftig Prinsgezinde had doen kennen.
dV raagt gij 't nog, goede burger? De vreemde knechten'quot;
»Het is toch sinds kort. dat ge deze aldus noemt,quot; klonk hel bitse andwoord.
)) Wat zure taal!quot; riep een burger, wien door den britsten spreker straks de sciieldnaam verklikker gegeven was. TiAndwoordi ge den Hopman dus, die woorden van eendracht en vrede komt spreken ?quot;
»Uwe meening is goed.quot; riep een derde den laatsten toe. «maar uw ijver vaart te snel. Verdedig den Hopman niet met zulk eene teerheid!quot;
))Meri weet toch niet of die op het land leeft of in het water,quot; lluisterde een ander, terwijl hij een fjaius niet eerbiedigen blik op ouden Freèrijk wierp. Deze vond de berichten van Martinus ten zijnen aanzien bevestigd. Dij beide partijen was hij verdacht; zijn toestand was inoeielijk.
«Wel zonderling bezwaarlijk is het ambt van den man, die vrede wil stichten.quot; zoo hief hij zachtmoedig aan. ))Hij wordt door beide partijen gehaat, omdat hij tot geene behoort. Hi j moet dezen tegen genen, en genen weder tegen dezen in zijn schuts nemen, en aller ondank is het loon van zijn zuren arbeid. Het is mij tocli alzoo gegaan. Ik heette mij-zelven een trouw onderdaan Zijner Majesteit en tevens den Prins van Oranje genegen, die immer den landzaten zulk een goed Stadhouder was. Ik eer Zijne Excellentie den Hertog, in wiens eed wij staan, doch betreur diens te overmatige strengheid. voorden Hollandschen aard zoo moeielijk te dulden. Ik noemde den Heer Boshuyzen sedert jaren mijn vriend, ofschoon ik nooit ophield hem te smeken af te staan van zijn bloedig handwerk, dat â¢eervol en roemrijk is in den krijg tegen vreemden, maar ramp-
190
zalig maakt in dien tegen landgenoten. De Admiraal neigde naar die taal dikwijls zijne ooren, en ik onderwind mij te verklaren, dat hij mijne beden eindelijk ware opgevolgd. Hij kwam ter dezer stede als getrouw onderdaan Zijner Majesteit.
«En dreigde met eene |duudering,quot; riep er een.
«Laat den Hopman spreken,quot; klonk hem wrevelig van alle kanten toe.
«Hij dreigde met een plundering?quot; vervolgde 1'reèrijk. »gij zegt de waarheid, maar niet de gelteele. Eerst toch werd iiij gedreigd en begon men hem den toegang tot de stad te weigeren. En hoe jdnti het hem later? Hoe ging het mij, die der burgerij nimmer kwaads heelt gewenscht?quot;
«Maar hebt ge die van de nieuwe 'eer niet opgespoord, als de brak liet wild?quot; riep dezelfde. )gt;L)at ze hier waren, die het konden getuigen. Evert Korvenmaker, Gilles Aertsz ....
sLaat den Hopman spreken Iquot; galmde het hem toe.
iiZe zijn er niet, die het kunnen getuigen,quot; vervolgde Freèrijk. «Ze zullen er wel nimmer zijn. Hoe wonderlijk is toch mijn lot. Gij beschuldigt mij van strengheid jegens die van de nieuwe leer; de tegenpartij daarentegen van te groote zachtheid. Beide uitspraken kunnen niet waar zijn, en het zou verstandig zijti aan te nemen, dat het geen van beiden was. Doch al ware het ook, dal ik die van de nieuwe religie had achtervolgd, ik zou mijn plicht hebben gedaan als onderdaan Zijner Majesteit.quot; Hij zag te wel, dat hij omringd was van Roomschgezinden, om deze meer bepaalde bekentenis achter te houden. »Wat loon was mij echter weggelegd voor al mijn bemoeiingen ten bate der stad en burgerij? Men is mijn huis binnengedrongen en heeft mijn huisraad vernield. Men lei het wel niet toe op eene plundering; de ballingen houd ik daartoe niet genegen, -â ik verwar ze toch niet met kalissen en vagebonden; ik boude ze veel meer voor goede vaderlanders.'
»Gij oordeelt wol zachtzinnig op' dit punt,quot; riep er een. W el werd dezen evenzeer het stilzwijgen opgelegd, maar de stemmen waren minder talrijk dan straks.
»Ik blijf bij mijn beweren; ik houd ze voor goede vaderlanders, die echter, in het streven naar hun doel. falen in de keuze der middelen. We zagen het hier ter stede, waar hun voorbeeld het grauw heeft aangezet. Ik zeg niet, dat zij het gewild hebben, maar zij gaven het grauwde gelegenheid....! Wij kunnen uit het gebeurde afleiden, wat ons te wachten staat, â niet van de ballingen, want ik beschuldig niet hen. maar het grauw â indien de welgezinden. de gegoede burgers, zich niet nauw aan elkander sluiten . ...quot;
Dat willen wij. maar geene knechten van den Hertog in de stad.quot; riepen er eenigen.
»De Magistraat wil dat ook geenszins; hij gaf blijk van zijne ge-
101
zindlieid jegens de burgerij. Och, of men elkaar verstond! De Magistraat wil niets liever dan vrede; waarom zouden ook wij dat niet willen? Mijne lieve medeburgers, zal liet dan gewonnen zijn, wanneer men bet zóo verre brengt, dat nieinant het hootd buiten de poort durft steken? Spiegelt u daarenboven aan de troebelen, Valenchijn overkomen .... Mag de neringdoende de gebuursteden, mag Enkhuyzen de zee ontbeeren? Zoude men bij den wind leven, als land en water ons te eng werd ?quot;
»Maar men ging reeds te ver om terug te keeren. De stad heeft het alreè verkorven bij den Stadhouder,quot; riep de Prinsgezinde schutter uit.
dIs het niet, alsof ge daar roem op draagt, alsof ge dat verlangt!quot; zei Frcrrijk; «alsof ge u vermeit in het onheil der stad!quot; i)e aanmerking was wel kwaadaardig en moest het werk der ballingen wel een ongunstigen aanschijn geven in de oogen der gezeten burgers. «Neen. men ging nog niet te ver, goede burgers! wilde men wijs zijn, de zaak ware nog te helpen . . . .quot;
«Op wat manier?quot; vroegen velen.
»A1 het voorgaande kan verschoond worden, en de schuld ten deel op Boshuyzen geschoven, die doorzijn barsch binnenkomen met hellebaardiers de ontstelde burgerij van stonden aan heeft verbaasd; ten deeie kan men de schuld op Hopman Quikkel leggen met zijn geveinsde streken, om de knechten en het geweer ter sluik binnen te brengen, waarvan de gemeente schrikkig en haar het hoofd warm ilt; gemaakt. Laat mij maar betijen; ik weet het werk nit te voeren. Maar dan moet ik ook de beloften der burgerij ontvangen, dat zij afziet van haar opzet, om het geschut van de binnen-geloopen sciiepen te nemen en op de wallen te brengen, en de poorten en boomen dag en nacht gesloten te houden . . ..quot;
«Maar wie vermat zich tot dat uiterste te komen?quot; riep men van verschillende zijden.
«Eenige uit de ballingen; ik houd ze voor meer onvoorzichtig dan misdadig. Het is gewisselijk van hunne zijde meer verkeerd overleg, dan boos opzet om de stad bloot te stellen aan de machtige ongenade Zijner Excellentie. Ik bevroed hoe bitter bei den ballingen smaakt, ook vaderlanders zoo als wij. om langer in den vreemde rond te zwerven, en dat zij naar een veilig oord omzien en naar een stad. waar hun haan koning kraait; maar daaraan den welstand van zoo veel hunner burgers te wagen, die wel bevreesd zijn voor de tiende penning, doch hoop hebben daarvan vrij te komen, en zich door een openlijk verzet tegen Zijne Majesteit, het onver-winnelijk leger Zijner Excellentie, dat onzen dapperen Prins zelfs te machtig was, op den hals te halen, voorwaar, het opzet is wel wat te gewaagd, wat vermetel, hoezeer ik erken, dat het uit zuivere beweegredenen spruit!quot;
i)Gij spreekt wel, Heer Freèrijk! zeg 't, wat behooren we te
dO'J
sioen?quot; riepen de meeste zijner toehoorders, wier getal in de laatste oogenblikken merkelijk was toegenomen.
»Vraagt het niet mij. goede burgers! ilie zeiven liet best weet wat ii past. Ik zou u alleenlijk in overweging geven, alles te vermijden. wat naar dwang of geweld zweemt, en den Piins of den Hertog vertoornen kan. Men geve den Burgemeester Vest zijne vrijheid terug en dan ook den Admiraal ....quot;
»Maar dat zullen wij nooit gedoogen,quot; riepen eenige ballingen, die iie^ wachthuis bij die woorden binnentraden.
»Zoudt gij de stad ten verderve willen voeren?quot; voerde Freêrijk hun krachtig te gernoet
«Bekreun n niet om hen, die niets te verliezen hebben,quot; zeide een der schutters. «Beide gevangenen zullen worden ontslagen.quot;
»Eii dan,quot; vervolgde Freêrijk. sopene men de boomen en gunne den schepen van oorlog vrijheid om uit te varen en den eed, aan Zijne Majesteit gedaan, te betrachten.quot;
»Ze zijn vrijwillig binnengeloopen!quot; riep een balling.
nOp uwe dreiging, die onderstellen deed, dat de Prins met een leger in de stad was. Nu zij echter merken, dat blaaskakerij gegolden heeft als krachtsbetoon, verhingen zij zeiven uit te wisschen. wat misdreven is. Maakt daarom de boomen open en stelt de gevangenen in vrijheid. Het is geen bevel, goede burgers! het is een raad.quot;
Ettelijke schutters vei lieten de wacht, en Freêrijk bleef achter met verscheidene anderen, wier aantal telkens werd afgewisseld door aankomenden en vertrek kenden. Tot allen voerde hij het woord: den krachtigen sprak hij op kloeken, den weekhartigen op gemoedelijken toon toe. Zijne welsprekendheid vond gereeden ingang, maar tevens steun in de omstandigheden, daar de oploop van het grauw de «rijkdommenquot; der stad werkelijk had beangst gemaakt en doen beven voor have en goed. Freêrijk zag met blijdschap welken indruk hij maakte, doch met eenige bekommering de aankomst van de hoofden der beweging en vooral van Kolterman tij gernoet Ten einde de overgehaalde schutters nog meer aan zich te verbinden, gaf hij een pijper last, een vaatje goed bier te gaan halen en aan het wachthuis te brengen, hetgeen wel tegen de keur. maar toch ten genoegen der schutters was, die het zich goed lieten smaken.
Het oogenblik, dat hij met angst had te gemoet gezien, kwam. Rietlus, van Brouwer vergezeld, trad met haastigen tred het wachthuis binnen en stoof recht op hem toe, terwijl hij in woede hem te gemoet voerde: «Waarom hebt gij tegen het besluit der burgets op het ontslag van den Burgemeester Vest aangedrongen en de hoornen doen openen? Grijskop! het zal uwe laatste verraderij zijn. Bij mijn ziel. dat zal het!quot;
De beweging der schutters, die zich gereed maakten den Hopman
193
te steunen, deed liietlus een oogenblik van verbazen deinzen. »Hoe, kwam het reeds zóo ver? Levert men de stad aan Due d'Alv en diens henkers? Is men zoo begeerig de tiende en honderdste penning te geven en zijn kop bovendien? Arme Prins, die zijn goed en bloed waagt voor dergelijke lieden!quot;
«Indien broeder Hietlus zijn toorn wilde betoomen en toeluisteren, de waarheid zou hem weldra blijken. Ik verneem van u het ontslag des Burgemeesters en het openen der booinen; het geschiedde uit vrije beweging der burgers. Ik ontveins echter niet, dat ik hei reken geschied te zijn in het belang dezer stad. Broeder! wij moeten trachten gepleegd onheil te verhelpen en de stad in rust te brengen. Hetgeen u niet tegen zal staan, overmids ik daarbij eene goede tijding, u betreiïende, heb over te brengen,quot; vervolgde hij Huistere tul, terwijl hij zich tot Rietlus oveiboog. »De Burgemeesters willen u benoemen tot havenmeester op eene goede wedde.quot;
»lk heb met uwe ambten niets van doen, noch met uwe pluimstrijkerij. De schepen moeten in de haven en het geschut op den wal. Wij zullen zien wiens stem het luidst klinken zal,quot; riep hij uit, terwijl bij zich snel verwijderde. Freérijk volgde hem eti zag hem zich bij de burgers voegen, op het Noorder spui vergaderd, maar vernam tot zijne innige blijdschap, dat ook daar reeds verdeeldheid heerschte en verscheidene der door hem belezen schutters tot de burgers een taal voerden, die diepen indruk maakte.
Rietlus ging verder, daar hij de hoop verloren gaf hier te zullen slagen. Niemant wilde iets weten van de overgave der stad aan Due d'Alv of van de inneming van diens krijgsvolk, maar evenmin van het openlijk toetreden tot 's Prinsen zaak. Men wist eigenlijk niet wat men wilde, hetgeeti de vurigste wensch was van Freérijk en den Magistraat, die daardoor alleen konden overwinnen.
Rietlus stiet op een tweede volksvergadering aan 't VVesteind van den Visschersdijk, doch werd ook daar gevolgd door den ouden Freérijk. Deze begon op den zoeten toon, hem eigen, en had door zijne bedaardheid reeds een overwicht op deti verslagen Rietlus. »Gelooft hem niet!quot; riep deze. «Zijne redenen en beloften zijn niiH anders dan verbloemd bedrog en voeren de stad onder Alvaa's tvrannij.quot;
Freörijks toestand was hier moeielijker dan ooit. In deze menigte hadden de aanhangers der nieuwe leer verre de overhand, en hoorde hij dan ook menig hartig woord tegen hem richten. Hij versaagde echter niet. «Gij weet al te saam, mannen broeders! en ik belijd het met blijdschap voor God. dat ik den Prins een goed hart toe-draag. Ik poog geenszins de stad van Zijne Genade afkeerig te maken, maar stel voor, om alles na te laten, wat ter dezer stond den Hertog ontijdig verbitteren kan. Laten wij hem inwendig voor den vijand houden en door boden in het geheim vernemen, wanneer de Prins gereed zal wezen met zijne benden, om ons tegen «lien
13
DE EEKSTi: DAG.
â¢194
tijd voor hem te verklaren. Het ware voorzeker hel veiligst. Wij' mogen het bloed van zoo velen toch niet ijdelijk verspillen.quot;
»Er steekt veel waars in,quot; zeide zelfs een uit den hoop. ))lk zie ook niet in, weslialven men met zulke haast zou voortvaren.quot;
sVan waar dan toch, mannen broeders! dat Cornelis Rietlus mij zoo lieftiglijk beschuldigt, nu gij, tocli ook in staat om de zaken te beschouwen, mijne redenen niet van allen grond ontbloot vindt? Zelfs oordeel ik u bekwamer tot oordeelen dan Rietlus, wiens rede maar te vaak wordt verduisterd door al te vurigen hartstocht en onbil-lijken argwaan.quot;
«Bij mijner ziele zaligheid!quot; horst de tot het uiterste gedreven Rietlus uit, die zich zelfs van zijn meest vertrouwde vrienden zoo niet verlaten, tocli ongeholpen zag. sik bezweer u den valschert te wantrouwen.quot;
nik scheld u niet, wakkere broeder! waarom het mij gedaan?quot; bei nam Freêrijk op zachten toon.
»lk poog bedaard te zijn,quot; klonk het andwoord, en werkelijk ving Rietlus na een wijle kalm aan. terwijl echter zijne vingeren krampachtig trilden: sik kan u niet gelooven. vermids gij zoo dikwerf reed*; uwe woorden hebt verdraaid. Gij hebt ile preek bezocht om ons te paaien, en gevleid, om liet volk van Quikkel binnen te brengen. Gij hebt ook met scherpe reden ontkend, dat lioshuyzen in uw huis was, waar men hem ulevel gevonden beeft. FieCrijk verdedigde zijn gehouden gedrag, zoo als hij het straks had gedaan,, waarop weder een andwoord volgde dat niet weinig toebracht om ile verbittering te doeti stijgen, totdat Freêrijk, om een einde aan den strijd te maken, die zich blijkbaar ten zijnen gunste neigder zich op hooger macht beriep, en voorstelde de Stadshoplieden en de Burgemeesteren te raadplegen.
Men gat daaraan gehoor. Terwijl men naar het Stadhuis in de meest volkomen orde oprukte, â ieder wilde toch een blijk geven dat hij niet tot liet losgelaten grauw van den vorigen dag behoorde â kwam Buyskes hen te gemoet met de tijding van het ontslag des Burgemeesters Vest.
»En gij hebt u daartegen niet gekant?quot; vroeg Rietlus.
»In geenen deele, aangezien ik de gevangenschap diens poorters onbillijk vond. Ook zal ik niet rusten, voordat Boshuyzen is ontslagen. Eenige schutters kwamen het eischen, doch Brouwer en eenige anderen der wacht verzetten zich daartegen ....quot;
Rietlus schudde in wanhoop hethoold; het duizelde hem; zouden dan allen met blindheid geslagen zijn, ot was hij het? Voor het Stadhuis aangekomen, vonden zij eenig scheepshoplui, die den Burgemeester vroegen, waar zij zich naar te richten hadden, en of zij met de schepen in de stad moesten blijven of uitzeilen. Het laatste werd hun aangezegd. En toen Buyskes, door dezen maatregel een weinig onthutst, zich daartegen wilde aankanten, werd hem
195
door Willem Jansz., een der Burgemeesteren, op gullen toon te gemoet gevoerd: »Heer Buyskes! wij houden de stad voor den Prins van Oranje, docli moeten wachten met dat openlijk te ver-li 1 aren, totdat de Prins te velde is. Alle scliijn van vijandelijkheid tegen Due d'Alv hebben wij middelerwijl ter sparing onzer stad en van het bloed der orinoozelen te vermijden.quot;
»Ik hecht daaraan geen het minste geloof.quot; riep Kietlus. «Het is schelmerij. Gij wilt de stad voor Due d'Alv bewaren; gelooft de bedriegers niet, burgers!quot; Maar toen ook Buyskes hem naderde en hem ernstig toefluisterde: «Matig u en overwin uw wantrouwen, dat geenerlei grond heeft; ik acht den Burgemeester van goede intentie,quot; liet 11ij afgestreden het hoofd zinken en verwijderde hij zich met de wanhoop in het hart. »De zwerftocht kan voor de ballingen weer aanvangen,quot; zei hij zacht. «Ware Kolterman slechts hier!quot;
De burgerij was verzoend met haren Magistraat en was overtuigd van diens goede gezindheid. Hiervan werd spoedig gebruik gemaakt ten voordeele van Boshuyzen, die nog dienzelfden nacht naar Amsterdam vertrok. Vóór zijn vertrek had Willem Jansz een geheim onderhoud met hem, waarin bepaald werd, dat de Stadhouder zou worden aangezocht om dadelijke hulp, maar dat de door hem te zenden vendels niet over land, maar over zee moesten komen, daar men ze gemakkelijker van dien kant de stad zou kunnen inlaten. Eenige der burgers, die zich tegen het vrijlaten ' van Boshuyzen wilden verzetten, werden wederom tevreden gesteld door de stellige verzekering, dat alles ten oirbaar der goede zaak geschiedde en men de stad voor den Prins van Oranje dacht te houden.
Aan den avond van den dag, waarop de Burgemeesteren door Freörijk zulk eene bloedelooze en toch volkomen overwinning hadden behaald, begat deze zich ter poort uit. Hij had zich dicht in zijn mantel gewikkeld en liet zijn gelaat alleen zien aan den poor-tier. die het eischte, maar daarna de poort dadelijk ontsloten had. Freörijk sloeg den weg iti naar de hoeve van .Tan Dirksz, Het was donker, zoodat hij menigwerf gevaar liep uit het spoor te gaan en kennis te maken met de diepte der sloot, welke langs zijn weg liep. Het hart klopte hem angstig in de eenzaamheid en zijne oogen sperden zich open en staarden alsof zij den dikken nevel willen doordringen. Hij speurde niets, en toch moesten Quikkels soldaten zich in den omtrek bevinden, daar het reeds lang over achten was. Hij naderde zijn doel. hetgeen hij alleen gewaar werd door het aanslaan van den werfdog, en door het half zichtbaar worden van een hooiberg, die, als zwarter massa, tegen de zwarte lucht boven hem afstak. Hoe dien hond echter het stilzwijgen op te leggen? En toch, dit moest geschieden, daar de aanval door de niet tijdige aankomst der knechten nog wel eenigen tijd zou ver-
196
traagd dienen te worden. Achter hem werd op dit oogenblik een voetstap op den schulpweg gehoord. Het was slechts de schrede van een persoon; het kon dus de bondgenoot niet zijn, dien hij wachtte. Hij trad een oogenblik zij waards en zag een gestalte voorbij gaan, die te luchtig van gang was om een boer te kunnen zijn. Zoo hij liet eens ware, dien hij zocht, en die heden wat later uit de stad was teruggekeerd dan gewoonlijk! Freêrijks oogen tintelden. Niemant anders toch dan de gehate jongeling kon die late bezoeker zijn. Deze scheen bij zijn aankomst op de werf weinig verbaasd te zijn over de onrust van den dog, die voorzeker hem van verre reeds had bespeurd, en na eenige liefkozingen zich ook weder terugtrok in zijn hok. Hij luisterde! Hij hoorde de klink der deur opheffen en hem binnentreden; toen vervolgde hij zijn weg, maar achter de boerderij om, ten einde onzichtbaar te blijven voor den viervoetigen wachter.
Hij was ten laatste aan de achterzijde der boerderij gekomen, waar deze aan de landerijen grensde, langs welke hij Quikkels knechten verwachtte. Hij speurde maai' vernam niets als het drup-pelen van iiet water langs het rieten dak. daar liet sinds eenige oogenblikken was begonnen te regenen. Eentonig, verdrietig geluid, dat nederiekken der droppels in de overigens niet verstoorde stilte en de ondoordringbare duisternis!
Het scheen, dat hij in zijn angst ter zijde getreden en van het spoor afgeweken was, want toen bij. bibberend van koude, zicli dooi' eenige beweging verwarmen wilde, trok hij nog bij tijds zijn voet van den rand van een kuil terug, waarin hij hijkans zou zijn neergezonken. Hij werd het spoor bijster, toen hij vo r zich een hek voelde en bleef roerloos staan.
De minuten, alzoo doorgebracht, schenen uren, en nochtans waren het slechts enkele, want weldra dreef de bui af en werd de duisternis schemering. Hoe vurig dankte hij de Heiligen, wat beloften ontglipten hern, toen hij vlak voor zich uit op de weilanden eenige gedaanten zag bewegen! Dat waren de knechten welke door het duister gewis mede waren verdwaald, of het afdrijven der bui hadden afgewacht.
Zij kwamen nader en stonden op eenisien afstand stil. terwijl de aanvoerder naar voren trad en voor Freêrijk staan bleef. sV.ie zijt se?quot; fluisterde deze.
' «Marten Ribber van Hopman Quikkels vendel, en gij moet Heer Simonsz. van Enkhuyzen zijn,quot; klonk het andwoord.
«Alles in orde. Laat de knechten spoedig herwaards komen en speur üoed naar alle gangen van het hol, opdat bet konijn ons niet ontsnappe.
In de diepste stilte werd aan Freêrijks verlangen voldaan, die zelf medeging bij het bezetten der posten en tot bij den hooiberg een wacht wilde achterlaten. «Zijn de musketten geladen?quot; vroeg
197
hij, toen hij met tien luuivoerder en twee knechten naar de deur der boerderij stapte. Hij stond reeds op de roode bakken voor de hoofddeur toeti hij het doodsbleek gelaat naar Marten wendde en angstig vroeg, ot inen zich wel voorbereid had op wederstand. Na het toestemmend andwoord hief hij de klink der deur op. Deze was echter gesloten.
Ue werfhond, die in de laatste oogenblikken angstig had gejankt, vloog nu woedend zijn hok uit en spande de ijzeren ketting, terwijl ook daar binnen beweging bespeurd werd.
))Wie klopt daar zoo laat?quot; vroeg de stem van Jan Dirkz.
sEenige knechten van Heer Quikkels vendel zijn verdwaald en vras^en huisvesting,quot; riep Marten.
Er volgde geen andwoord, hetgeen den aanvoerder verdroot, zoodat hij luider en gebiedender zijn verzoek herhaalde en eindelijk dreigde zich met geweld den toegang te verschafl'en.
«Ze verbergen den spion,quot; fluisterde Freêrijk koortsig.
»De jongens zijn afgericht op de kettervangst. Vrees niet. Heer! Zij hebben deloopers van den hazewind en de reuk van den brak.quot; Hij wilde juist bevel geven, wat hooi en sti oo te gaan zoeken en daarmede de gesloten deur en de gantsche hoeve in brand te steken, toen aan zijne begeerte voldaan werd en de deur openging.
.lan Dirksz. kwam met een licht te voorschijn. Hij was bleek. »Vermaledijde boer!quot; riep Marten, «kost ge ons niet eer gehoor geven? OS' moest ge nog eerst uw eelste hammen bergen, om ons de tanden straks bot te doen knabbelen op een sneê roggebroods?quot;
«Ik wilde u niet in het duister ontvangen. Alles was ten onzent reeds ter ruste. Heer! indien ge verdwaald zijt, bied ik mij aan tot gids. Hoe gaarne ik ook wilde, ik kan u geen legerstee aanwijzen .. .
«Wij zullen zeiven zoeken.quot; Allen traden naar den uitgedoofden haard. Freêrijk sidderde en school als weg achter de knechten. )gt;Ga ons voor, boer. er; wees ons een gids in uw hoeve!quot; vervolgde de Hopman.
Een der knechten toefde nog een wijle bij de schouw, hetgeen Dirksz. bemerkte.
«Beveel uwen knecht ons te volgen, Heer,quot; vroeg hij ongerust, «Zie, wat ik vreesde, gebeurt. Wat ik met moeite heb bespaard, wordt mij ontnomen,quot; riep hij wrevelig. «Gij zult het goed uwes naasten niet begeeren, zegt de Heere God.quot;
De knecht had zich meester gemaakt van ettelijke stukken vleesch, en kreeg spoedig helpers om de wijde schouw van overige schatten, die zij verborg, te ontdoen.
«Dank de Heiligen als ge den nok op de hoeve behoudt. Spaar ons verder je geteem, kettersche hond! Hoe velen herbergt ge hier?quot; vroeg Marten.
«Mijn gezin bestaat nit vrouw en vijf kinders, en ik wei een
108
schraal stukjen gronds, Heer, en met lietgeen ik bespaarde, lieb ik reeds voor weinig lijds eene plundering moeten afkoopen.quot;
«En waar is de spion, die anders hier vernacht en nog heden avond naar uwe hoeve is gegaan?quot; vroeg Freêirjk, die naar het einde van het onderzoek haakte.
«Een spion?quot; vroeg Dirksz. bedremmeld. »Als hij zich slechts had willen verbergen!quot; zei hij in zich zeiven. sik weet niet wien ge bedoelt.quot;
Een hooge trap leidde naar een bovenvertrek, dat als bruids- en sterfkamer in het huisgezin van Jan Dirksz., diens vader en overgrootvader had gediend, en zoo lang het geen van beiden kon zijn, ook geene dienst deed. Toch had dat vertrek op dit oogenblik een bewoner, want de deur ging open en een man verscheen op den drempel.
»Daar hebben wij het wild!quot; riep Marten, terwijl de knechten de musketten jegens hem richtten. «Naar beneden, knecht I Eindelijk gevangen! Het vossennest is dan gevonden. Naar beneden, of we schieten u neer als een musch uit den boom.quot;
Hij trad langzaam den trap at' en naar den aanvoerder toe, en zeide kalm; quot;eGij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar met
zwaarden en stokken____!quot; Hij kon niet voleinden. Heer Simonsz.,
die's jongelings gelaat thands, door het licht beschenen, ontwaarde, gaf een kreet van ontzetten. «Freèrijk! mijn zoon!quot; riep hij uit, stiet de knechten weg en plaatste zich voor hun gevangene.
De aangesprokene herkende zijn vader en trad eene schrede achteruit. »En gij zijt gekomen om mij te vangen? Verkrijg ik van uwe handen de martelaarskroon?quot;
«Neen, neen. Terug zeg ik u. Deze is Freèrijk Simonsz., mijn zoon, en niet de ketter, de zendeling van den Prins, dien uw Hopman bedoelt.quot;
De boer vouwde zijne handen, terwijl zijne vrouw, uit hare slaapkamer te voorschijn getreden, op den drempel had post gevat met een lamp in de hand en den doodschrik op haar gelaat.
«Dat is een oordeel desHeeren,quot; mompelde de boer. sWat vader zon zijnen zoon, indien hij hem om brood bidt, een steen geven, deze is daartoe echter gewisselijk in staat. '
»Gij zijt dus uitgetrokken tegen mijn broeder?quot; vroeg de jonge Freèrijk, terwijl hij de somber gloeiende oogen op zijn doodsbleeken vader vestte, «ik dacht dat gij de maat hadt volgemeten en ge mij de eere hadt waardig gekeurd om voor des Heeren naam ie lijden onder de hand der Filistijnen.quot;
«De Hopman heeft mij geen naam genoemd; alleenlijk beval hij mij, den ketter gevangen te nemen, die bij ,lan Dirksz. huisdeen dien Heer Simonsz. daar tegenwoordig zijnde, zou kennen. Mijne bevelen zijn bepaald en dienovereenkomstig zal ik handelen; hij moge vrij blijven, mits mij blijke, dat deze jonkman niet tot de
199
vermaledijde sekte der ketters behoort Iquot; zeide Marten, terwijl hij zijne knechten wenkte nader te treden.
»Maar ik stel mij borg voor hem. ik, Freérijk Simonsz, die de stad voor Zijne Excellentie heb behouden; iiij is mijn zoon!'7
«Daaraan twijfel ik geenzins, noch aan uwe goede diensten; hetgeen echter uw eigen persoon wel kan worden toegerekend, maar niet dezen, tenzij het mocht blijken óverdiensten te zijn. l)e Heiligen echter alleen mogen daarover oordeelen. maar niet ik, die u eerbiedig verzoek mij niet te belemmeren in wat ik mijn plicht acht te zijn. Behoort ge tot de gevloekte Kalvinisten ?quot;
sik ben Egypteland uitgetogen en heb de afgoden verlaten en mij begeven tot de zuivere dienst Jehovaas,quot; andwoordde de jonkman met kracht.
«Uit welk woordenmengsel ik moet afleiden, dat gij de nieuwe leer aanhangt ....?quot;
)gt;Met geheel mijn gemoed, met geheel mijn verstand, met mijne gantsche ziel.quot;
)gt;Het is niet waar,quot; riep de oude Freéiijk in doodsangst; en een laatste redmiddel te baat nemende, beet hij Matten in het oor: «Hij is waanzinnig; hij gelooft zich een ketter te zijn, maar hij is waanzinnig.quot;
De krijgsknecht schudde het hoofd. »Ik wilde u gaarne geloo-ven.quot; hernam hij, «maar 's Hopmans last is te stellig, om mij niet met eigen oog te overtuigen,quot; Hij fluisterde een zijner knechten iets in, die den trap opklom, langs welken de jonkman was neergedaald. Deze ontwaakte plotseling uit zijn somber gepeins en wilde den knecht volgen. Marten hield hem terug.
«Het is geen trek van waanzin, om bevreesd te zijn voor eene ontdekking uwer geheimen .... Ã\v verlangen om den knecht te volgen, bewijst mii te meer, dat ginder iets kostbaars verborgen ligt. Ga voort, en neem mee wat ge vindt,quot; riep hij den knecht toe, die op den drempel van het vertrek een oogenblik beidde.
De boerin hield haar man vast; zij trilde van angst en had diens steun noodig om staande te blijven. ))Nelle!quot; fluisterde haar man. ssta op eigen beenen. Ik moet stilletjes naar buiten zien te gaan Ons heerschap, dien wij gisteren hier terug verwachtten, kan elk oogenblik hier zijn. A.ls hij nu kwam, liep hij de Heidenen in den mond, en als ze hem knevelden, ware het nog erger. Ik poog het ongemerkt te doen.quot;
«Red liever dezen!quot; bad de vrouw. »Ons heerschap kan zich zeiven wel helpen, maar deze .... het is een Stefanus, zoo als de Schrift leert.... Hij staat wel vurig naar de kroon!quot;
»Waarom wilde hij niet ontvluchten? Hij had het toch kunnen doen,quot; gaf hij haar ten andwoord. Hij zocht nu zijn eerst opgevat voornemen uit te voeren en zag naar een gunstig oogenblik uit. om â¢door de staldeur aan de andere zijde te ontkomen. Oude Freérijk
200
trad hem juist op zij. »Uoe hem vluchten. Hij is toch uw broeder,quot; (luisterde hij.
De boer zag hem een oogenblik strak aan: «Wat zoekt gij aan mij?' vroeg Freêrijk verbaasd.
«Het teeken waar God de Heer eenmaal den broedermoorder ineC teekende.quot; Toen wendde de boer zich om en ging heen.
Het koude zweet paerelde den vader op zijn wezen. Langer wijlen kon hij niet. Hel werd ook niet gevergd, want de knecht keerde terug met een handvol papieren, die li ij Marten overreikle. Het eei ste was een briefje, dat ongeteekend en blijkbaar nog versch geschreven was en niels inhield dan deze woortb aan Ps. 55 vs. 9 ontleend: »Ik zoude haasten, dat ik ontkwam van den drijvenden wind, van den storm.quot; Het was aan de hoeve in den loop van den avond door een onbekende bezorgd. Ons zou het niet bevreemden, dal het van Sellout Feyntes gekomen was.
De andere waren in den gewonen vorm en dus voor de oninge-wijden onleesbaar. Marten had door ondervinding echter reeds eenige namen en wel die der steder leeren ontcijferen en ontwaarde dus. dat het eene geheime briefwisseling was tusschen 's Prinsen zendeling en verschillende steden van West-Friesland »Gij zijl wèl dien wij zoeken en die ons reeds zoo vaak is ontsnapt,quot; riep hij verheuiid.
»Hij is het niet. Vraag het hem zeiven. Hebt gij last van den Prins?quot; vroeg Freêrijk.
«Van hooger macht!quot; was het korte, op plechligen loongegeven, andwoord. »Maak het kort met mij. Ik ontken immers niet. God heeft mij uitverkoren, nu reeds Zijn bloedgetuige le zijn. Vader in den Hemel, ik dank u!quot;
«Ziet ge. dat hij waanzinnig is?quot; vroeg Freêrijk nogmaals.
»Wij weten wat daarvan te denken. Knevel den ketter,quot; gebood hij zijnen onderhebbenden.
sik lel u honderd daalders, zoo gij hem loslaat,quot; hijgde Freêrijk.
»Twee honderd . ..! Drie . ..quot;
»11 we daalders waren mij welkom,quot; andwoordde Marlen, «maar zijn wij alléén? Het wierd den Hopman spoedig aangezegd, dat wij een kostbare vangst deden, en hoe zou het zijn indien ik niets medebracht?quot;â l.Tlings wendde hij zich af, als vertrouwde hij zichzelven niet tegenover de verlokkende aanbiedingen des ouden.
«Zullen wij een flambouw aansteken? Het is donker buiten!quot; zei een der knechten, terwijl hij met de oogen op liet rieten dak der hoeve duidde.
»Neen. salamander! ten zij ge verlangt dat ik de proef neem of ge uw bijnaam verdient en gij zelf in het vuur kunt leven...!quot; De Hopman had hem ook verboden, eenig geweld le plegen onder de banne der stad.
«Freêrijk, jongen!quot; borst de oude los, toen hij alles verloren en zijn zoon gereed zag om te vertrekken. Hij wilde de armen om
'201
'sjonkmans luils slaan, doch liet star op hem gevesiiprd oog dei-d' liem deinzen. «Freèrijk. mijn zoon!'quot; riep liij nogmaals, terwijl hij de armen uitbreidde; meer vermocht hij niet.
»Gij hebt liet ten kwade gedacht, maar God heet'i het ten goede gedacht. Mijn broeder is behouden en hij is een uitgelezen vat.quot; zeide de jonkman in liet midden zijner â¢releiders.
«Spreek nog een enkel woord!quot; bad de oude met wegstervende stern, terwijl hij als geboeid staan bleet en de zielloze oogen op de vertrek kenden richtte.
Die toon sneed den jonkman door het hart. »Vader, vaarwel!quot; riep hij geroerd; hij wilde de hand opheffen om tiaar den hemel te wijzen, maar zijne banden beletteden hem dit. Hij verdween en de oude bleetquot; staan, tot dat de boer. teruggekeerd van zijn vergeef-schen tocht â de knechten hadden hem toch den uitgang belet â nader trad.
»God de Heer spaarde tot dns ver het dak mijner hoeve, maar ik vrees thands Zijn bliksem; vertrek alzoo haasielijk,quot; zeide de boer.
«Laat hem nederzitten, Jan! Wees niet zoo hard .... zij hij ook een vervolger der Gemeente, hij is toch ook een mensch. hernam zijne weenende vrouw.
Freêrijk hoorde nog zag iets. Toen de boerin hem echter zacht toesprak en hem een kop melk aan de lippen zette en hem noodde te drinken met vriendelijken drang, toen gleed hern een dikke traandroppel langs de wangen, keerde zijn bewustzijn terug, maar ook het gevoel zijner smart. «Zij heeft het mij voorspeld.quot; prevelde hij. »Ik moet de moordenaar van mijn kind worden!quot; en hij bedekte zijn gelaat met de handen.
» Wij moeten hem te bed helpen,quot; zeide de boerin; en Jan, dieper getroffen dan hij wel wilde laten merken, stond gereed hem naar het leger te brengen, dat voor den zoon gereed was gemaakt, toen de zieke als door eene inspanning van alle krachten zijne droefheid zocht terug te dringen en zijne sterkte weder meester te worden. «Laat mij,quot; sprak hij afgebroken. »De tijd is kort en ik Leb nog veel te doen. Ik moet, ik zal hem redden.... Wijs mij slechts den weg, want mijne oogen schemeren.quot; Jan Dirksz. nam zijn arm en voerde hem zachtkens heen tot aan de poort der stad.
De jonkman, op wiens leven het was gemunt geweest, keerde eenige oogenblikken vroeger van zijne reize terug. Met blijdschap heette hij de stad weder welkom, wier torens als donkere pijlers afstaken tegen het mat blauw van den nu weder onbewolkten hemel. Hij had het waagstuk volbracht, welks mislukken hem het leven zou hebben gekost, en was in het bezit van het kostbaar papier. Terwijl hij onder de banne der stadwas, mocht de gedachte al een oogenblik bij hem zijn opgerezen, dat de burgerij kloekmoedig in zijn afzijn zou voortgevaren zijn en de stad aan 's Prinsen zij hebben gebracht, hij had haar echter reeds prijs gegeven voordat hij de
202
poort bereikte, waar alles hem in denzelfdeu toestand voorkwam. Toen hij de brug overstapte, werd de poort geopend entraden eenige niamien daaruit. Hij herkende ze spoedig voor schutters der stad, in wier midden hij tot zijn schrik Admiraal lioshuvzen ontwaarde. Hoe deze weder in vrijheid kwam, begreep luj geenszins. Moest hij het ergste vreezen? Was de stad weder Spaansch? Maar dan zou zij krijgsvolk moeten ingenomen hehhen. en de Admiraal ware dan niet teruggekeerd, maar met de vloot uitgezeild. Hij zou spoedig de oplossing van het raadsel ontvangen, want eenige oogenblikken later was hij in de stad en voor het huis van Rijkert Cluesz. Het zou nu tevens openbaar worden, waarom hij eigentlijk naar het bezit van den biief des Heeren Bardes had gehaakt. Niet alleen om de reeds bekende redenen, maar ook omdat hij de hoop voedde Bestevaar, die in de laatste dagen in kracht toegenomen was, door het vertoonen van den brief een leidraad te geven voor zijne immer nog warrelende gedachten. Vrouw Lijze opende de deur en een blijde welkomstgroet ontglipte haar bij het zien van den reeds zoo lang verbeiden gast. Zij voerde liem naar achter, waar Rijkert hem even verheugd verwelkomde.
«De Heer zij geloofd, dat Hij u bewaard heeft voor de hinderlagen der onbesnedenen!quot; zeide hij hartelijk, terwijl hij hem de hand drukte. Het gelaat van man en vrouw nam echter een pijidijke. ja angstige uitdrukking aan. toen Kolterrnan naar Bestevaar vroeg.
»Van waar dat stilzwijgen?quot; vroeg de jongeling. «Spreekt, duidt het onheil!quot;
Heer Bardes is spoorloos verdwenen,quot; zeide Rijkert ten laatste.
»lleere mijn God ! En wanneer? Voedt ge argwaan? Jegens wien ?quot;
«Met het zachte weèr der laatste dagen, was bij den ganschen dag in den hot'. Het deed hem goed en hij was daar altoos onder ons oog. Geloof toch niet. broeder, dat onzer zorg iets te wijten valt. Eergister, het was aan den avond van den dag, dat uwe Marijken hier is geweest, ging ik Item halen voor bet avondmaal. Ik had hem in den nanoen nog ettelijke reizen gezien; maar mijn roepen was vergeefs.quot;
«Dus was mijn reis grootendeels ijdel! Heere God. üwe hand is wel zwaar op mij! .... Waar hem te zoeken?quot; en de jonkman boog â¢het hoofd in diep gepeins neêr.
HOOFDSTUK VI.
Het was een bonte groep, die in den namiddag van den zeventienden Mei aan de haven der stad zich verzameld had. De zon neigde reeds ter kimme en tintte met hare stralen de Zuiderzee, wiergolfjens lijne rimpels geleken opeen ijsvlak en bij hun krullen goudkorrels deden opspatten en vonkelen. De menigte, daar vergaard, was echter niet derwaards getogen om den heerlijken aanblik te genieten. Weinige oogen toch richtten zich naar het meir, want wat er voorviel op de reede, vergde onverdeeld hunne aandacht. De watervogels in de haven schoten de wieken aan. â de schepen van oorlog heschen de zeilen en wonden het anker â maar geen gezang werd daarbij gehoord, geen lustige groet daarbij gewisseld. De vloot, die zich gereed maakte uit te zeilen, behoorde dan ook voor het grootste deel thuis in de zeesteden van West-Friesland, waar zij de zaak des Prinsen vuriglijk aanhingen: en de bootslui gehoorzaamden alleen het uitdrukkelijk gebod der Overheid, om uit te zeilen en het voorbeeld der Amsterdamsche schepen te volgen, die. als niet Spaanschgezind zeevolk bemand, bij de eerste gelegenheid daartoe naar de plaats hunner herkomst waren vertrokken. Was de neerslachtigheid der zeehoplui algemeen en duidelijk herkenbaar, die van sommige der toeschouwers niet minder. Slechts â weinigen zagen met onverdeelde blijdschap het vertrek der schepen, die zij alsnu veilig dachten buiten het bereik van de burgerij, welke zij nog niet goed konden vertrouwen. De meeste der goedgezinder!, diethands weder in vriendschap leefden met den Magistraat, merkten dat vertrek der boten aan als noodzakelijk gevolg der gesloten overeenkomst Keniuen, slechts luttelen, voelden het bloed onstuimig bruischen van toorn en spijt over het ontsnappen van hetgeen zij hun rechtvaardig eigendom en een noodzakelijken steun geloofden; en tot de laatsten behoorden gewis het tweetalmannen, die op een betrekkelijk verwijderd punt de [toebereidselen tot het vertrek gadesloegen.
)gt;Wat ge gezaaid hebt, maait ge,quot; fluisterde de een. in wiens hartstochtelijke gebaren we reeds van verre Rietlus herkennen. »Hadt ge eer doorgetast, het geschut, dat met de boten ons nu ontgaat,
-204
ware ons eigendom geweest; misschien hadden we de boten zei Ik behouden. Het wordt nu tijd, dat we de stad verlaten en onzen zwerltocht weèr beginnen. Maar ik word nooit weder wat ik geweest ben; neen, bij God Almachtig! wat ik heb, maak ik te gelde en ik koop er voor een vlieboot, en de Enkhuyzers zullen weten met wien ze hebben gespeeld.quot;
Buyskes, tot wien hij het zei. liet de eerste uitbarsting van 's Broeders toorn vooibijgaan zonder die te willen keeren. Hij was ongewoon bleek en de kalmte, die hem immer had gekenmerkt, bleek prijs gegeven. Zijiie leden trilden, en hij stak de handen in de wijde broekzakken, om haar beven te verbergen. Weemoed was er in den toon, waarop liij de volgende woorden uitbracht; ))Staak uwe verwijten, broeder! die mij zonderling aandoen en wel onverdiend zijn. Geloot' mij. gij vergiste u immer in de burgerij. Zij heeft leeren buigen onder het juk, dat ze wel af wil werpen, maar liefst zonder dat hel wambuis daarbij scheurt. Ik geef echter nog niet alle hoop verloren.quot;
«Gij hoopt niet spoedig, maar gij hoopt lang.quot; beet Hietlus hem toe. »Waarop steunt gij nog ter dezer stond?quot;
))Op de gezindheid van den Magistraat, in wiens hand het lot der stad ligt. Men wil de stad voor den Prins bewaren; zou dat geene waarheid kunnen zijn?quot;
«Dwaas!quot; mompelde Rietlus, die hern wrevelig aanzag, terwijl hij de schouders ophaalde. «Hoe is het mogelijk, dat ge dit alsnog onderstelt!quot;
Buyskes deed het ook niet, hij wendde het slechts voor tegenover zijn broeder.
»lk heb u toch éene goede tijding te brengen,quot; fluisterde hij. sKolterman is terug.quot;
»Waarlijk? En ge hebt hem gesproken?''
»Ik heb dezen morgen met hem doorgebracht en de gebeurde zaak hem voorgesteld quot;
Levendig was toen beider onderhoud geweest en het plan, door Kolterman ontvouwd, moest wel ontzettend zijn, daar Buyskes bet wanhopig genoemd en den jongeling bezworen had er van af ie zien. Deze bleef echter volharden, doch beloofde alleen niet dan in de uiterste noodzakelijkheid daartoe over te gaan en eerst te beproeven de stad door de hulp der Watergeuzen te doen omslaan. Daar ecliter het welgelukken grootelijks afhing van geheimhouding, verbond Buyskes zich met een eed te zullen zwijgen, hoeveel het hem ook kosten mocht.
»Gij hebt hem gesproken en zegt het mij nu eerst? Hoopt hij nog, evenals gij? Zeg mij, wat stelt hij zich voor te doen?quot; vroeg Rietlus.
Buyskes behoefde niet te and woorden, maar slechts te wijzen op den jonkman, die door een zijstraatjen naderde en zich bij hen voegde.
205
Zijn stap was minder vlug dan gewoonlijk; er was een zweem van matheid op zijn gelaat, schoon een grimlach haar zocht te verbergen.
«Ik hoorde alles, broeder!quot; zeide hij tot Rietlus, die haastig op hem toetrad. «De oogen open gesperd en het gehoor gescherpt, overigens een taai geduld aangeleerd!quot; zoo besloot hij lachend, terwijl hij hem op de schouders klopte.
»Ge schijnt goè moeds, zelfs lustig genoeg om te schertsen,quot; antwoordde Rietlus strak.
«Waarom zoude ik niet? Staat de zaak niet goed? De Magistraat belast zich toch zelf met liet ambt, dat Heer Buvskes was toevertrouwd, en bewaart de stad voor den Prins.quot;
»Hoe nu? Waar bleet' de scherpte uws oogs, nu ook gij u door pluimstrijkerij in slaap laat wiegen ? Gewis wijt ik het der voorstelling, ilie gij van het gebeurde ontvingt. Heer Buvskes nam zich eenmaal voor de sterren te willen zien door een onweerswolk....quot;
»En hij had gewisselijk gelijk,quot; hernam Kolterman.
«Maar dat loopt mij te boog!quot; riep Rietlus. »VVeet ge dan ook, dat de Admiraal bevrijd is?quot;
»Ook dat weet ik, en juich ik zeer toe, nu het is gebeurd!quot;
»Ik leer u begrijpen. Hij was uw vriend, zooals hij niet onduidelijk liet merken toen hij mijn gevangene was. Maar gun mij de opmerking, dat het door u gedreven spel mij wel wonderlijk toeschijnt,quot; zeide Rietlus verbolgen.
«Bedaar, driftige broeder! Ik herhaal: oog en oor opengesperd, maar daarnevens geduld aangeleerd. Beheersch uwe tong; zwijg en doe geen voetstap vooruit, tenzij gedwongen.quot;
sik vat waarom gij iti dit jammerlijk verloop der zaken mij door een schijn van gerustheid bemoedigen of wel om den tuin wilt leiden. Wat gebeurd is, moge u te wijten zijn; u, die voor uwe eigene belangen die der stad hebt verwaarloosd en ons verliet toen gij het niet mocht.quot;
's Jonkmans wenkbrauwen trokken te zamen en de opwellende toorn deed zich kennen in de vonkeling van zijn oog. Hij bedwong zich echter en vervolgde op denzeltden toon: «Waarlijk, gij vleit mij wel, ofschoon ik erkennen moet, in zonderling ongewonen vorm. Gij dicht mijner afwezigheid den teruggang uwer zaken toe? Veroorloof mij de opmerking, dat ge echter te oud zijt voor pupil, en ik te jong voor voogd.quot;
Rietlus sperde de oogen wijd open bij het vernemen dezer taal.
«Gij zijt naar Amsterdam geweest? Gij werdt de vriend van den Admiraal! De rijke goederen van den grootvader lachten u toe....! Een te kostelijk lokaas om niet toe te happen! Velen knielden wel voor minder voor Zijne Excellentie en kropen in het stof, om hun zoen met Zijne Majesteit te sluiten.quot;
«Rietlus! ik bid u, ja ik beveel u te zwijgen,quot; zeide Buvskes. Daaraan zou waarschijnlijk geen gevolg gegeven zijn, ware het niet,
206
dut een treffend schouwspel zich voor lum oogen liad opgedaan. Ue vliebooten waren de haven uitgezeilil en dreven weg langs den breeden waterspiegel. Eéne echter raakte uit het vaarwater en op een zandbank. Wat krachten men ook inspande, wat bevel er ook klonk van den bevaren kapitein, de boot werd niet vlot, tot niet geringen angst der Burgenieesteren, die van het havenhoofd liet aanzagen. Plotseling zag men den Hopman zich in zee werpen en dat voorbeeld doorettelijkezijneronderhoorigen volgen, en tegelijkertijd in liet verschiet de aldaar sedert eenigen tijd reeds waargenomen .stip zicti verbreeden tot een boot. met het zeil it; top en de Prinsenvlag wapperend van de stengen. Het was een Geuzenschip, dat daar naderde; en die verschijning wekte de meest verschillende aandoeningen op bij de saamgevloeide schaar.
Rietlus was zich zeiven schier geen meester, maar wuifde met deti hoed, niettegenstaande Buvskes hem daarin weerhouden wilde. Ook Kuilerman was zichtbaar bewogen, doch veroorloofde zicli zulk een uiterlijk betoon van vreugde niet. ))Spaar dien jubeltoon, broeder!' beet hij Rietlus toe, «totdat die boot door een twintigtal andere worde achtervolgd. Bid nu veeleer, dat de zee die éene verzwelge!quot;
Rietlus grimde hem toornig aan en noemde de laatste woorden bijkans verraad. Zij werden echter wel gebillijkt. Want toen de fieuzenboot het Enkhuvzer schip had bereikt, werd het aanboord geklampt en in brand gestoken, nadat de overgebleven bemanning, in de eerste oogenblikken mishandeld en toen gedwongen werd over te gaan.
De vrees voor de Geuzen werd niet weinig vergroot, en de goede zaak door den euvelmoed niet gebaat, daar menig Prinsgezind bur-gerinwendig wrokte over zulk een vermetele vrijbuiterij. Stil sloop de burgerij huiswaards, en bedrukt was ook het vaarwel, waarmeè Kolterman zich van Rietlus en Buyskes verwijderde.
Zijn plan was echter beraamd. Wie hem op dit oogenblik zag heenspoeden met dat elfen gelaat, waarop de grimlach nog llauvvelijk zichtbaar was. had voorzeker niet vermoed, dat de wanhoop zich nestelde in zijn hart, maar evenmin, dat zij bij hem een opzet had doen rijzen, hetwelk vermetel, ja dolzinnig mocht worden genoemd, maar de goede zaak alleen nog kon redden.
Een kwartieruurs buiten Enkhuyzen, aan den zeekant, ten Westen van Lutkenbroek. stond een steenen molen, die het voorrecht had het noodige koren voor do stad te malen, en, hoe vaak ook afgebrand in den krijg tegen de Gelderschen, altoos weder was opgebouwd en zelfs in den laatsten tijd geheel van steen. De stad. die den mulder daarin behulpzaam geweest was, had in hare schranderheid begrepen. dat er in tijden van nood van zulk een gebouw als van een wachttoren gebruik kon worden gemaakt, daar het een vergezicht opleverde over de Zuiderzee, van welke zijde de gevreesde vijand immer opdaagde.
'207
Ook Koltennan sclieen de tiutligheid van zulk een punt in te zienv want op dit oogenhiik begut' liij zich derwaaids. Tegen zijne gewoonte had liij bij Rijkert vernacht daar het uur van naar buiten te gaan reeds lang was verstreken, toen hij zijn vriend nopens het raadselachtige verdwijnen des ouden genoegzaam had ondervraagd. Den volgenden morgen was hij door ISuyskes opgehouden en kon hij niet aan zijn verlangen toegeven, oin naar de bekende hoeve te gaan, en naar den toestand der gebuursteden, in wier schoot hij het vuur deed aansteken, te vernemen. De gevangenneming van den jongen Freêrijk bleet' hem daarom onbekend. Na zijn onderhoud met liuyskes vervulde slechts éene gedachte zijn geest. Enkhuvzen behoefde het eerst zijn bijstand, en alles werd ter zijde gesteld urn het mogelijke daarvoor te beproeven. Een gelukkige gave scheen de zijne te zijn. Hij kon zijne krachten verzamelen op een punt, en. hoe ook bestormd door bezigheden, hoe ook aangezocht door verschillende belangen, waken tegen versnippering en zijne onverdeelde aandacht wijden aan wat hein op het oogenblik het meest noodig scheen.
Nadat hij liuyskes en Rietlus aan het havenhoofd verlaten had, spoedde hij de stad in. waarwe hem eenige winkelhuizen kunnen zien binnengaan. Toen hij het eerste verliet, was er reeds eenige verandering aan zijne uitwendige gedaante te bespeuren, daar de lange blonde lokken onder quot;de schaar des barbiers waren gevallen, en toen hij het laatste had bezocht en op den drempel afscheid nam van den bewoner, was de blonde kleur een licht bruine geworden (jn was de blankheid van het gelaat verdwenen en verwisseld tegen een tmt. welke hém voegde, die aan wind en weder sedert jaren was blootgesteld.
Toen hij buiten de stad was gekomen en den zeedijk langs wandelde. wierp deze reeds een breede schaduw in zee. Het vee graasde niet meer in de weide aan zijne rechterhand, maar had zich reeds nedergestrekt; de vogelkens tjilpten nog in den top van dezen of genen popel, waar ze als overgoten werden door de roodgouden stralen der scheidende zon.
Het landschap was in deze ure schoon, en miste de eentonigheid, ilie het op den vollen middag kenmerkte. De wandelaar merkte het echter niet op en ontwaakte niet eer uit zijn gepeins dan toen hij den mulder ontwaarde, die in zijn werkpak, de grauwe slaapmuts op het wit bestoven hair, op de werf stond en uit zag naar den wind. die den gantschen dag was gaan liggen en tegen den avond wellicht wat zou gaan aanwakkeren.
»Goèn avond, Krijn!quot; riep Koltennan hem krachtig en vrolijk toe.
»He, wat!quot; ontsnapte den verbaasden mulder, wiens oogeu aflieten den hemel te onderzoeken, nu ze op aarde bezigheid ontvingen. »Wel... meester!quot; zoo besloot hij, onzeker van den rang-des aankomenden, doch bij de beschouwing van wiens zwaren gang
208
â¢en bruine gelaatskleur hij zelts dien titel nog wel wat te hoog rekende.
))De groet van broeder Rijkert en Heer Buyskes, en of ge wel vaart en hoe het gaat met de vrouw en de kinders.quot;
»Kom binnen, vriend! Licht de klink van het hek maar op!' hernam Krijn, terwijl hij even de hand aan de slaapmuts bracht.
en haar toen aanbood. »Wel bedankt voor den groet----! Ge zijt
meê van de broederen? Maar toch niet van de stad, want ik zag u nog nooit bij de gemeente naar mijn weten ... .quot;
»lk ben ook van Amsterdam en sinds kort in de stad. Maar hoe maakt het Vrouw Ant en den oudsten. Van dezen zult ge mij alevel de laatste tijding niet kunnen brengen, üe Geuzen houden toch in de laatste dagen van de Hollandsche kust at! Dient hij nog onder â¢Cabiljaauw?quot;
Het was niet duister, waarom de jonkman den eerzamen, maar niet ie licht vertrouwenden mulder zooveel van diens eigen betrekkinnen verhaalde. Het scheen ook een goeden indruk teweeg te brengen, hoewel liet grove gelaat eene uitdrukking van wrevel aannam en de mulder hem ruw te gemoet voerde: »Ik ben niet doof, kameraad, en versta zeer wel eene Dietsche reden, al wordt ze niet uitgeschreeuwd!quot;
»lk zie niemant hier, die het niet hooren mag, dat .lilies een van de scherpst bijtende waterrotten is.quot; hernam Kolterman zachter. â 0Voordeis zond mij Heer Rijkert....quot;
«Maar hoe heet ge?quot;quot;
sArent Willemsz.quot;
«N'iet kwaad. Ik mag dien naam van Willemsz. Maar hoe weet â ire, dat .Tillis....? Hebt ge ook nader bericht van den strooper, van den wildeman, dien de Heere God behoede!' zeide de mulder, terwijl hij de slaapmuts afnam.
»Dat niet. Maar ik zag hem vroeger wel op de boot van Jonker Cabiljaauw. die hem roemde. Doch waar zit vrouw Ant en de andere kinders.quot;
«iïinnen Hoorn, waar de maagschap woont. Het werd te bang op bet platte land. De Spaansche knechten zwerven liet Noord rond, daar de stad ze niet wil innemen. Hoe gaat het daar, vriend?quot;
«Niet te best, oude! Ze draaien als windhanen en daarom kom ik hier. Heer Rijkert kan zelf niet....quot;
«God bewaar hem. neen! hij moet binnen blijven. Hebben ze al niet zijn goeden jongen gekaapt! Dien heb ik nog onder de aard gestopt. Het koude zweet brak mij uit, toen ik hem op den Leecker v/ef hangeti zag. De goede jongen! Hij beloofde wat voor de gemeente. En hetn zóo te martelen.... Ik heb er zijn vaar maar niets van gezeid.quot;
»'t Was braaf gedaan, Krijn-buur! Het doet me goed te hooren, dat hij ten minste onder aard ligt,quot; hernam Kolterman geroerd.
209
sGe schijnt hem gekend te hebben? Nu, in dienzelfden nacht is mijn broers hoef verbrand door de Spanjolen. Griet, mijn oudste meid, was daar in de leer en had het toen kwaad. Een van de gevloekte brandstichters pakte haar, maar den knecht brak het op. Dat ik er bij ware geweest.' Met de mestgreep ging ze hem te lijt. Hij heeft het niet naverteld! De meid is er mij te liever om, maar God dank,-dat ze in Hoorn is.quot;
»De meid was van goeden stam,quot; merkte Ivolterman lachend aan. »Hoe meer ik van u hoor, hoe meer ik Heer Rijkerts doorzicht prijs, om tnij tot u te verwijzen. Hij deed liet wel alleen, omdat ge een ouderling der Gemeente waart, maar al waart ge dat niet geweest, dan nog kon ik niet beter aankomen. Krijn, ik moet den Geus hier spreken!quot;
«Wat, den Geus? Maar er is geen Vlieboot te zien op het meir. Ze houden zich binnen gaats en zeker uit goede oorzaak.quot;
«Neen, ze zijn buiten. Ik heb er straks een gezien.quot;
«Maar hoe zult ge die aan land krijgen?quot;
«Laat mij maar betijen. Ik behoor tocli half bij dat vendel. Ik ben blij, dat vrouw en hinders niet op den molen zijn. Nu zijn we vrijer en ge zult juist de ooren niet stoppen, als er een hartig â¢woordtjen onder den knevel van den wilden Geus naar buiten rolt. Kom. buur! lang mij hier wat turven aan.quot;
«Maar dat.... haal je de Booze! Dat brengt mij de vreemde knechten op den hals, en al vrees ik ze niet, ik zie ze toch liever van achter dan van voren.quot;
«Geen nood. We bouwen het vuurtje achter den molen, zoodat het alleen aan den zeekant te zien is.
«Dan heb ik er niets tegen; dan wil ik je zelfs wat hout gaan spaanderen, om het wat beter te doen vlammen.quot;
«Neen. dat niet. Alles heeft zijn tijd en zijne beteekenis, buur! Een turfvuur wil in de Geuzentaal iets anders beduiden dan een knappende en spattende houtvlam. En nu geen langer verwijl. Fluks aan liet werk!quot;
De laatste wenk was gebiedend genoeg om den mulder te bevreemden en tevens tot spoed te prikkelen. Vond hij den toon wat al te hoog en voelde iüj daarover eenigen wrevel, het bedaarde spoedig, toen hij den jonkman een handtjen zag helpen, zoodra deze gewaar werd waar de turf zich bevond. Het vuurtjen werd achter den molen gebouwd, en aan weerszijden werden zekerheidshalve eenige blokken hout, die op de werf lagen, opgestapeld, ten einde de vlammen niet van de landzijde te doen opmerken. Het duurde langen tijd eer er eenige gloed ziciitbaar werd. Middelerwijl was de avond gevallen, zoo dat de omhoog stijgende rookwalm van onder rossig verlicht werd en de half doorglommen kolen weldra in het duister scherp uitkwamen, ivolterman en de mulder stonden stilzwijgend daarbij en nieuwsgierig uit te staren over de schijn-
14
DE EERSTE DAG.
21Ã
baar eimlelooze watervlakte, waarover de nacht zijn geheimzinniger sluier begon heen te spreiden. Geene beweging werd bespeurd dan het vleugelkleppen van den eenzamen afgedwaalden meeuw, die de golven tipte; geen geluid werd gehoord, dan het plechtig ruischen der wateren, zich brekende op den steenen barm van den dijk.
»lk hoor niets,quot; fluisterde de mulder, wien eene huivering door de leden liep. Of hij den avond koel of de stilte beangstigend vond, gaf hij niet te kennen.
»Wat is dat?quot; klonk het plotseling uit zijn mond, daar hij iemant hoorde naderen. Sidderend keerde hij zich om, maar lachte luidkeels over zijne dwaze vrees, toen hij zijn knecht Bas ontwaarde, op wiens dom gelaat de grootste verbazing te lezen stond.
»Bij-get, wat ge me schuw aankijkt, baas!quot; zeide Bas. »Een wonderlijk spel voor je, om naast een paar smeulende turven te staan . . . 't Is wat raars!quot; Hij trad naderbij, doch stoof achteruit, toen hij een vreemde gewaar werd. «Wien hebben we daar? 't Is bij me ziel een rookerij!quot; En de goede jongen kuchte, terwijl een windvlaag hem een stevige wolk stikstof toedreef.
»Bas! je moest eens op een drafjen naar Pietemoei sukkelen, en haar vragen, of ze ook wat rogge noodig heeft. We zullen malen van nacht; we krijgen wind, of ik kolder hoor!quot; zei de baas, die zijn bevel moest herhalen eer Bas vertrok. Toen hij weg was, zei Krijn fluisterend tot Kolterman; »Die is ons voor een paar uren van het lijf. Ik ken den gluipert nog niet goed, ja, ik geloof soms dat hij Paapsch is. Hij heeft stevige knuisten aan zijn lijf en is zijn daghuur waard, en een van de ware religie kan zijn tijd tegenwoordig beter besteden,quot; vervolgde hij, alsof hij het noodig dacht rekenschap te geven, waarom hij, nog wel een ouderling der gemeente, een Roomschgezinde in zijn dienst hield.
Kolterman andwoordde niet, maar staarde onafgebroken op de duistere ruimte voor zich uit, en kon zijn angst bijkans niet meer ontveinzen. Hij was gereed om zijn voornemen op te geven en den mulder dat mede te deelen, toen deze eensklaps uitriep: »Zie een licht, rechts.... aan mijn kant.quot; Toen Kolterman naar die zijde blikte, zag hij het ook. Dat de wind, volgens de voorspelling des mulders was opgestoken, bewees het slingeren van het lichtje, dat nader kwam, en eindelijk een gedeelte van den mast bescheen, waaraan het was vastgehecht. Men kon reeds een lap doeks zien en het spatten van het water hooren tegen den boeg der boot, van welke thands een schel fluitje vernomen werd. Kolterman beand-woordde het op gelijke wijze, en hel scheepken lag aan.
Kolterman trad naar den rand van den dijk en fluisterde eenige woorden, die de vrijbuiters voldoende zekerheid gaven; want weldra sprongen er eenige aan land. De lantaarn spreidde nu licht genoeg in het rond. om wat daar omging te kunnen opmerken, doch was nog te zwak om alles juist en scherp te teekenen. Het tafereel
211
-werd er te aantrekkelijker door. De donkere achtergrond stak spookachtig af bij de rosse tinten, op eenige gehelmde koppen en musketten geworpen; stak scherp af bij het volle licht, dat op Kolterman uitstroomde, wiens doodsbleek gelaat wel voegde bij het door den opstekenden zeewind fladderende hoofdhair. Krijn was den molen omgeloopen, daar hij aan het dreunen van den grond een haastigen voetstap meende te hebben opgemerkt. Hij scheen zich echter bedrogen te hebben, want niemant was in de nabijheid. Wel was het hem of zich ginder iets voortbewoog, maar hij ontgaf het zich en stelde het op rekening van zijne verbeelding, die door alles wat hij aanschouwde in hooge mate was opgewekt.
Middelerwijl had Kolterman met den aanvoerder reeds eenige woorden gewisseld. «Wouter en Aart aan land!quot; zei deze, terwijl hij een derde, die mede van de boot was gesprongen, tegenhield, hem stevig bij den arm pakte en hem toebeet: »Hon goede wacht! Zore; dat de Belialskinderen niet de kraan vinden van het biervat.quot;
Men trad den molen binnen, waar de mulder, juist niet wel te moede, het licht opstak. Het was een vertrek met een enkel, thands gesloten, venster en waar slechts het allernoodigste werd gevonden, hetgeen niet zoozeer van de armoede des eigenaars, als wel van zijne voorzichtigheid getuigde, om den lust der zwervende plunderaars niet door kostbaar huisraad op te wekken. Een smalle honten trap voerde naar boven, waar de molen zijn werking deed.
Krijn wist zijn voordeel te wel, om zich door zijne gasten van den arbeid te doen afhouden, vooral nu deze onder gunstige omstandigheden kon plaats hebben. De mulder leefde toch van den wind, en nu deze begon op te steken, haastte hij zich naar boven te klimmen, om de wieken in beweging te stellen, die hij altijd, als hij wel gemutst was, bij de armen van moeder Ant, zijne wettige huisvrouw, en tot groote ergernis van deze, vergeleek.
Het gesprek, daar beneden gevoerd, scheen te levendig en belangrijk, om er het vertrek van Krijn te doen opmerken. Hij, die daar met den rug naar liet gesloten venster gekeerd zat, was Focke Abels en de kapitein der boot. Hij was nog jong, want nauw merkbaar was de knevel boven den mond. Zijn oog had dien scherpen blik, welke de rossig blonde zoo dikwijls kenmerkt. Zijn aangezicht had fijne trekken en zou iets edels, ja bijkans iets voornaams hebben geduid, speelde niet een glimlach om den mond, die soms aan het geheel een uitdrukking gaf van valschheid; of werden niet in oogen-blikken van gemoedsbeweging op het voorhoofd twee vlekken zichtbaar, rood als bloed. Zijne kleeding stak in netheid af bij die zijner gelijken, eti voegde meer den soldaat dan die van de meeste zijner broeders. De hoofdkap was glad geschuurd, het over zijti wambuis vastgegespt kuras evenzeer. Het wekte vaak de ruwe en bijtende scherts vooral van liarthold op, die hem beschuldigde van zucht tot vrouwelijken opschik. Hoewel hij, noch zijne knechten, het voor
212
beeld van genen volgden, maar zich den baard schoren, mocht het echter niet bewijzen, dat zij zachter gestemd waren jegens den Spanjaart of met minder ruwheid den strijd voerden. Integendeel, de vrees ging voor Focke Abel uit, en bij den vijand was de meening algemeen, dat het heter ware te vallen in de handen van den ruwen driftigen Barthold, dan in die van den ernstigen, kalmen, kouden Focke, dien de liooze dan ook geteekend had.
»Laat ik hier Arent zijn,quot; zeide Koltennan tot hem, als in and-woord op hetgeen hem was gezegd. »Ik heb u hier doen komen om u aan te zoeken om hulp. Hoe sterk is de vloot in 't Vlie?'
«Twee boten slechts. Barthold verveelde het daar langer werkeloos te liggen; hij liep de Noorderzee in, in hope van buit.
«Vervloekt!quot; riep Kolterman, terwijl liij met de vuist op de tafel sloeg. »Is er dan geen gezach zoo hoog of hij weêrstaat het?...quot;
))Hij volgt zijne roeping!... Ik zeide u immers, dat hij uitliep om buit!quot; hernam Focke scherp. ))Doch laat ons dit uur nuttiger besteden, dan aan een bejammeren van den onwil eens wildemans, dien ik wenschte, dat tegen mij over stond in stede van naast mij. Ik vernam van wege Zijne Genade, dat Ruychaver met een vendel in aantocht is. en Cabiljaauw hem met twee boten naar het \ lie volgt. Ik merk, dat hun vertraagde aankomst der goede zaak nog weinig scha heeft toegebracht, overmids het u nog niet is gelukt Enkhuvzen te doen omslaan.quot;
«Het is dikwerf lichter voor een soudenier om een karveel of een galei te nemen, dan voor een poorter om een burger te belezen door kracht of scherpte van reden; onthoud dit wel!quot; was het snijdende andwoord des jonkmans, die door de koude woorden van den vrijbuiter zich gekwetst gevoelde.
«Heb mijnenthal ven gelijk,quot; hernam Focke, terwijl hij met het lontslot zijner pistolen speelde, die hij voor zich op de tafel had gelegd.
»Mij voegen de schoenen niet van den poorter, eti vooral van zulk een niet. Veroorloof mij echter de opmerking, dat mij het nut van mijn hierzijn nog niet is gebleken, en uwe tot nu toe gesproken woorden mij er niet op voorbereiden, dat het mij ooit blijken zal.. .
«Focke Abels! gij zijt het Vlie ingeloopen op last van den Prins, die het u heette om mij ter wille te zijn. Is dit eenmaal door u begrepen, dan zult gij mij en mijne verdere woorden ook beter vatten. Wel pijnt het mij, dat de vertraagde overgang der stad u zoo lang stil deed liggen en u afhield het voorbeeld van Barthold te volgen, die misschien op dit pas al vrij wat buit zal hebben gegaard.quot;
«Jonkman!quot; en de vlekken op Fockes voorhoofd werden bloedrood, «ik haat het verspil van woorden;quot; hij liet er smadelijk op volgen: «gij hebt zeker de beschikking over vele, zoodat ge op een enkel min'óf meer niet ziet. De Prins moge schrander geweest zijn, toen hij u koos tot zijn zendeling; ik geloof voor een poos aan de
213
moeielijkheid van uwen arbeid en wil niet oordeelen naar den uitslag, zoodat gij met mij tevreden moogt zijn en uw drilt overwinnen. En nu, wat naamt ge u voor mij te vragen?quot;
Kolterman werd bij de laatste woorden nog dieper gewond; iiij dacht zich behandeld als een knaap, eti dat door een jonkman, wiens ijskoude kalmte hem ontwapende, een jonkman, dien hij niet minachten kon. Het was alsof hij om lot' had gebedeld en de vrijbuiter hem dien uit medelijden gaf.
»Het is wel overbodig het u mede te deelen, nu slechts twee boten, waaronder de uwe, in het Vlie liggen,quot; hernam Kolterman bijtend. »Gij zult mij den bijstand niet kunnen bieden, dien ik behoef, al geloof ik aan de scherpte van uw zwaard, hoewel ik het nooit zag flikkeren.quot; Hij werd zich echter meester en bestrafte zich zeiven over zijn kleingeestigen toorn. Twijfelde ook Focke aan het gewicht van zijn werk, hij was er van overtuigd, hij moest er alles voor veil hebben en zich het eerst wapenen tegen eigen zwakheid. Daarom vervolgde hij op zachter toon: «Het moet in de stad spoedig beslist zijn, wie het overwicht heeft, de Magistraat of de burgerij. Bij langer dralen wint gene, want het gelukken eener omkeering hangt van de snelheid af. Indien ik dus de boten had gevonden, die mij waren toegezegd, ik zoude een list van nut geacht en u hebben voorgedragen met de goedgezinde visschers in de kleedij van deze de stad heimelijk binnen te komen.quot;
»Een povere list; liet denkbeeld is gantsch niet nieuw, en daarbij, in aanmerking genomen onze zwakheid, niet uitvoerbaar,quot; zeide Abels koel.
»Glj zoudt mij haast doen wenschen, dat Barthold in uwe plaats hier ware gekomen. Hij had mij gewisselijk zulk een andwoord niet gegeven, dat juist niet van uwe vermetelheid getuigt.quot;
«Barthold, altoos Barthold!quot; zeide Focke, terwijl de bovenlip beefde. Met zijn gewonen glimlach voegde hij er bij : ))Is het niet wonderlijk, dat de Spanjaart hem óók boven mij verkiest? En toch, als het op 't voetenspoelen aankomt, laat hij ze naar onder duiken zonder ceremoniën, en gun ik ze nog altijd te biechten of te bidden. Overigens is het andwoord op uwe vraag niet moeielijk te geven. Gij zelf noemt het opzet vermetel; vermetel ben ik nooit, als ik slechts dertig koppen monster.quot;
))Gij hebt gelijk, het is een waagstuk,quot;zeide Kolterman gesmoord. »Uw tnal is wel redelijk, voor een krijgsman te redelijk, naar het snij dunkt. Hoe pijnt mij toch, dat de tegenwerping van uwentwege komt, al vind ik haar ook gegrond! In het aangezicht der stad dorst ge wel een Vlieboot nemen ...
«Gewisselijk. De toepassing evenwel van het voorbeeld wacht ik nog.' hernam Focke.
Kolterman verzonk in gepeins. «Spoedige hulp wordt vereischt. Wanneer beidt ge versterking?quot;
214
«Binnen drie dagen; doch wat gluipt daarheen in de schemering?quot; riep Focke eensklaps uit. De twee knechten, die al dien tijd stilzwijgend hadden toegeluisterd â het tuigde voor de strenge tucht, die de Hopman te handhaven wist â ijlden naar de aangeduide plek. Het was Krijn, die van boven was gekomen en zich bescheiden op den achtergrond hield, terwijl hij met het oor tegen de deur lag celeund, alsof daar buiten iets werd vernomen.
0 Kolterman maakte hem met den naam des mulders bekend en wilde het gesprek voortzetten, toen do deur met drift werd geopend en het hoofd van Bas half zichtbaar werd. »Baas, kom spoedig, er is iets gebeurd,quot; riep hij gehaast, vatte Krijn bij den arm en sleurde hem naar buiten, waarna hij zich snel met den verschrokken man achter den molen om verwijderde, terwijl hij hem verbood het hoofd om te keeren en te zien, wat daar voorviel.
Kolterman en Focke zagen vreemd op. De laatste ontstak de lont en beval de twee knechten, zijn voorbeeld te volgen. Daar knalde buiten een musketschot. Kolterman sprong: op, doch zijn medgezel gaf zich die moeite niet, maar stiet de glasruiten van het venster achter hem in en de luikjes opeti. Weder werden de bloedvlekken zichtbaar op het voorhoofd en vertoonde zich scherper dan ooit de glimlach om zijne dunne lippen, terwijl hij oprees. «Grendel de deur. Wouter!quot; Nog een oogenblik bleef hij uitzien, toen wierp hij het licht om op de tafel. Kolterman was hem middelerwijl genaderd en zag over diens schouder naar buiten.
Welk een aanblik! Ettelijke knechten hadden de boot overvallen. De verrassing was zoo snel geweest, dat slechts een der Geuzen het musket had kunnen lossen. De anderen waren binnendeks gevangen, terwijl nog weinige, welke boven waren gevonden, in wanhoop met de overmacht worstelden, maar ter nauwernood een enkele kreet als ter waarschuwing voor den Hopman konden slaken. Kolterman wendde zich met walging van liet moordtooneel, flauwelijk overschenen door het licht van den lantaren, af.
«Op, naar boven!quot; klonk het bevel van Focke. Het was tijd, want daar buiten werd het bevel gehoord om den molen binnen te dringen, waar de Hopman school.
Met de vlugheid der kat sprong Focke den houten trap op. Kolterman wilde hem volgen en was reeds ter halver wege, toen de deur dreunde onder de bijlslagen van den vijand, en een kroeskop, waarop een helmkap flikkerde, zich voor het open venster vei-toonde, het musket naar binnen stak en vuurde. Een der knechten, de onderste, zonk neêr.
»Is het Wouter?quot; vroeg Focke.
»Neen,quot; antwoordde deze.
«Dus Aart; miak hem af, als hij nog niet dood is, en klim op; klonk het weder.
Kolterman was intusschen naar beneden gesprongen; de overge-
215
bleven knecht maakte van de daardoor ontvangen ruimte gebruik om naar boven te klimmen en was voor de eerste reize zijns levens misschien den gevreesden hoofdman ongehoorzaam. Kolterman rukte den gevallene het musket uit de verstijfde hand, het kogel- en kruitzakjen van den gordel, en holde toen den trap op. De vijand was reeds binnen en een der knechten zette den voet op de onderste trede.
«Haastig, knaap!quot; snauwde Focke Kolterman toe, die slechts even den tijd had den voet op den zolder te zetten, daar de ladder door Wouter werd omgekanteld en plotseling omhoog werd gehaald, toen de beide knechten, die er aanhingen, niet loslieten, zoodat de handen der vijanden, onder het bereik van Fockes zwaard kwamen, die ze afmaaide, onder de opmerking dat men het musket moest sparen, zoo lang het zwaard het nog afkon. «Waar toefdet gij zoo lang, knaap? zei hij streng tot Kolterman.
«Hij den knecht beneden, om hem het musket af te nemen, en te zien of hij dood was,quot; klonk het andwoord.
«Dat was wél gedaan,quot; hernam Focke. «Mannen!quot; zoo vervolgde hij ernstig en zonder den krijschenden toon, waarop tot dusverre alles was uitgebracht. «Mannen! er is geen kans op ontzet, en geen uitzicht op pardon, al verlangde dit een van u beiden. Het is onze stervensure. Ieder bereide zich voor, zoo als quot;t hem het best dunkt.quot;
Er was een oogenblik van stilte, slechts afgebroken door het wapengekletter daar buiten, en het gekreun der verminkte knechten beneden, die zicit voort hadden gesleept, maar, door bloedverlies uitgeput, op den gesneuvelden Aart waren neêrgevallen.
De drie Geuzen stonden om het gat van den zolder geschaard. Wouter snikte, weeklaagde en vloekte; Kolterman en Focke waren stil. Kolterman echter had de handen gevouwen en het hoofd gebogen; de lippen bewogen zich ten gebede, hoewel geen klank ze ontglipte. De jonkman kon zijn nooden niet uitstorten; onsamenhangende gedachten vormden zich in zijn brein, en slechts een bange zucht ontgleed zijn boezem, een traan zijn oog. «Vaarwel, Marijken!quot; lispelde hij ten laatste, terwijl hij zich in zijn volle lengte oprichtte. Het oog was droog, de boezem hijgde niet meer.
Dat het licht ware geweest en het gelaat van Focke Abels kon worden opgemerkt! Op den loop van zijn musket geleund, staarde hij in liet duister om zich heen, de tanden op elkaar gesloten, alsof hij alle krachten inspande om het bittere woord in te houden, dat hem op de tong speelde, en toch niet bij machte om de zenuwen zijns gelaats te beheerschen, die de hevigste gemoedsbewegingen aanduidden Of hem het verleden voor den geest speelde? Het lluis-terde hem dan weinig vertroostends toe in deze laatste ure. Zijn verleden! Hem heugde nog geen lang. Hij telde nauwelijks zesentwintigjaren, en hoe talrijk zou de schare zijn, indien de schimmen
246
der verslagenen thands uit de duisternis opdaagden! Zesentwintig jaren, â den tijd van geloof, hoop en liefde, en hoe weinig had hij die gekend! Het was geene begeestering geweest voor de vrijheid des gewetens, voor het nieuwe licht, dat op Europa uitstraalde, die hem het zwaard in de vingeren had gespeeld, eerst den zelfweetquot; als noodig had doen kennen en later hem tot aanval had gespoord. Hij had zich het harnas niet aangegespt om des geloofs wille; want. al keuren wij den scherpen, bijtenden geest ook de gave des geloofs waardig en tot een strijd er voor in staat, voordat die geest de weelderige ontwikkeling des lichaarns had achterhaald, maaide reeds zijn slagzwaard in de gelederen des vijands. Zijne moeder, o dat hare beeltenis in dit oogenblik voor hem verscheen ! Ze zoude dat liere hootd buigen, ze zoude die stijve vingeren ineen vlechten, ze zou hem nooden tot eene bede! Zijne moeder, de eenige verschijning uit zijn verleden, die hij lief had, die hij zich herinnerde, ze was gevallen, niet in den krijg, maar door de uitspraken van hen, die zich gezalfden, priesters des Heiligen, noemden! Haar stervenssponde w'as de mutsert geweest. In haar werd iedere band losgereten, die hem aan de menschheid hechtte; in haar was hem zijn schutsengel ontvloden, die zijn hart vormde, zoo als de beeldhouwer het marmerblok, dat hij den adem zijner ziel instort. Hij ving den zwerftocht langs de wateren aan, en het hart groeide met het stalen pantser saam.
»Zijt ge reê?quot; vroeg hij na eenige oogenblikken, en Kolterman schrikte van die holle stem. Hij zocht in het duister Fockes hand, ze was klam en koud ; hij drukte haar. «Indien de een den ander overleeft, broeder! hij voere den laatsten wil des gestorvenen uit. quot;Wien mag ik voor u groeten en troosten, als ik het ben? '
«Niemant!quot; klonk het rauw. »Vlei u niet met eenige hoop. gij moet sterven; vreest gij den dood?quot; vervolgde hij zachter; en Kolterman voelde, dat thands ook zijn hand werd gedrukt.
«Het wordt tijd het veld te verkennen en van het oogenblik rust, ons gegund, gebruik te maken. Wouter, hou de wacht bij het luik! zeide Abels terwijl hij, tastende in het duister, voorzichtig een stap verder waagde. Hij liep echter gevaar van in een der wielende raderen te blijven haken, of de hand te knellen tusschen de wrijvende molensteenen.
»Vervloekt, dat we den molen niet kunnen doen stilstaan. Het gedruisch belet ons schier het spreken; daarbij loopen wij staag gevaar van een zelfmoord te begaan. Zie, of gij het vermoogt! riep hij Kolterman toe.
Deze was van zijn kant gelukkiger geweest. Naar zijne berekening moest te eeniger plaats op dezen zolder een luik of venster zijn. Hij wasdaarom den muur in het rond gegaan en had gevonden wat hij zocht. Met een kreet van verrassing begroette hij het blauw des hemels, waar de starren tintelden, en ademde hij de koele nachtlucht in.
»Zie,quot; riep hij zijn makker toe. tot wien hij zich in lt;le laatste oogenblikken aangetrokken gevoelde, »wat ge ons schadelijk hebt gedacht, is ons nut. De molenwieken draaien langs deze zijde en beschutten deze opening. Het was een bres, die wij anders moeie-lijk hadden kunnen verdedigen.quot;
Focke kwam naast hem staan, en kon zich niet weèrhouden even een blik naar buiten te werpen. Het was niet om naar den hemel te staren, maar naar de zee, die daar in hare geheimzinnige grootheid voor hem lag, en wier ruischen hem scheen uit te nooden tot haar te komen. Het maakte op hem een diepen indruk. Het golfgeklots sprak in voor hem verstaanbare taal van lijden en ontbering. van strijd en zegepraal. Zijn boezem hijgde, en krampachtig greep hij Koltermans arm, terwijl hij zeide: »De mulder heeft ons verraden...! Zoo ik daar nogmaals dobberde op het wijd, met het zeil in top en de draaibas geladen, de zon zou straks opgaan over een puinhoop...quot;
sik geloof niet aan zijn verraad. Denken wij niet aan wraak, niet in deze ure!quot; hernam Kolterman plechtig.
Daar floot een kogel heri voorbij. Zij waren opgemerkt door de wachten, welke rondom den molen waren uitgezet. Snel traden zij terug, en dit te eer, nu Wouter hen ter hulp riep.
Dat de vijand hun eenige rust had gegund, werd verklaarbaar. De ladder, die naar boven leidde, was door de belegerden opgetrokken, en de vijand ging in het ronde speuren, of er ook in de naastbijstaande schuur een andere te vinden was. Men wilde de besprongenen, waarvan men het juiste aantal niet kende, maar waaronder men wist dat de Hopman en nog wel Focke Abels was, levend vangen. Men kon niet anders gissen, dan dat de mulder de eenige medgezel van den vrijbuiter was, en tevens, dat de plotseling overvallenen geen musketten bezaten. De knecht toch. die aan den voet van den trap lag neergeveld, was slechts van een zijdgeweer voorzien. De kamp zou alzoo niet heftig en langdurig zijn, en men stelde er te veel prijs op, om den gevreesden en gevloekten papenslachter levend aan Hopman Quikkel te kunnen overleveren, dan dat men dadelijk tot het geweldigste middel om een einde aan den strijd te maken, besluiten kon.
De schuur bood wat men verlangde, en een lange ladder, dien de mulder buiten aan den molen gebruikte, maar die voor het tegenwoordig doel te lang bleek te zijn, waarom hij door de strijdbijl diende te worden afgekapt, werd onder gejuich naar binnen gedragen en in het zoldergat vast gezet, terwijl een knecht in de achterhoede den arbeid zijner makkers door zijn flambouw verlichtte.
«Hoeveel kogels hebt ge nog. Wouter?quot; vroeg Focke fluisterend,
«Zes. Hopman!quot;
Kolterman bleek slechts de helft te bezitten. «We zijn wel arm; 't doet echter weinig af. Wouter! neem gij den zwarten kroeskop.
218
Kolterman! gij dien kleinen duivel, en ik den lummel verder. Mik me niet op den toortsdrager, want dien hebben wij noodig om het licht dat hij draagt. Vuur, jongens! vivent les Gueux!quot;
Er knalden slechts twee schoten, maar beiden waren raak. De aangeduide knechten vielen. Gekerm en gekreun verving beneden het rumoer van straks, en plotseling werd het licht gedoofd. Focke keerde zich echter toornig om naar de plek, waar Kolterman moest staan.
»Fij, tabbert, die geen musket durft lossen!quot; riep hij. »Zijt ge in een hoek verscholen, vermaledijde lafaard!quot; vervolgde hij,toen hij hem niet meer naast zich zag. Daar viel een schot van buiten, en schier terzelfder tijd werd het luik. dat hun eenig lichten lucht op den zolder gaf, toegeslagen. Focke merkte dat Kolterman het deed, die hem kalm te gemoet voerde: «Wat licht voor de knechten beneden is, zou dat venster voor ons kunnen zijn. Het is beter, dat we gants in donker staan.quot;
»Ge hebt gelijk,quot; andwoordde P'ocke zacht, alsof hij den uitval van straks wou doen vergeten. »Maar wat dwaalt gij daar in dien hoek; neem het musket op en kom hier.quot;
Aan zijn verlangen werd schoorvoetend voldaan, zoodat Focke in arren moede met de uitgestrekte handen naar hem zocht en hem ten laatste in den linkerarm vatte. Die arm was nat, en een lauw vocht droppelde op de vingeren neer, die hem omknelden.
sGe bloedt en nog wel als een vette paap. Hebben de vlegels ii bij het dichtslaan van het luik aangeschoten?quot;
))Het is niets, een sclirampschot. Als ik maar een zwachtel had,quot; zeide Kolterman, die met de rechterhand het musket had aangevat, misschien om zich te steunen.
Focke rukte zich den bont geruiten doek van den hals en bond hem dien stijf om den schouder.
«Zwijm niet als een vrouw,quot; zei hij op zijn gewonen scherpen toon. terwijl hij bezig was. Het kwetsend woord stak wel af bij de liefderijke daad en gelukkig, dat de laatste Kolterman meer trof lt;lan het eerste. «Dank, kameraad! ik voel mij geholpen,quot; zeide hij geroerd.
»Dank mij niet; ik heb u immers noodig?quot; was het andwoord.
Men had beneden midderwijl een plan van aanval beraamd. Aan weerszijden van den ladder werden twee musketiers geplaatst, die in de richting van het zoldergat moesten schieten, zoodra de drie andere daartoe bestemde knechten den ladder beklommen.
»Op!quot; hoorde men bevelen, en de ladder kraakte onder den last. Focke begreep den aanval ter helfte. »Vat den leer aan. Wouter! «n kantel hem om als ik het zeg. Ze komen, fijn gehoord, knaap!quot;
Eer dat Focke zijne rede geëindigd had, kletterde Wouters rapier reeds op de helmkap van den voorsten knecht; een tweede slag, en â¬r was een vijand minder, maar ter zelfder tijd werden de musketten
219
der knechten gelost, en hoe vele kogels ook doelloos neder hagelden op een muur, of het hout van rad en spil ook splinterden, een had zijn opschrift gevonden en Wouters dijbeen doorboord: hij stond juist gereed om den tweeden opklimmenden knecht zoo als diens makker te bejegenen, maar het zwaard viel hem uit de hand. De tweede knecht was reeds halverwege op den zolder. Wouter kon hem bespeuren en door hem niet wederkeerig worden gezien, daar het beneden door het openstaan der deur en van het venster niet zoo duister was als boven. Hij vatte eeu wanhopig besluit. Hij sloeg de armen om het lijf zijns tegenstanders en klemde zich vast aan zijn prooi, en perste hem de lendenen saam, zoodat de beenderen kraakten, terwijl het zwaard des vijands geen dienst meer kon doen. Hij poogde hem van den ladder te lichten eu op den zolder neêrte werpen, en riep Focke reeds toe: «Hopman, gij denderden; deze komt mij van rechtswege toe,quot; maar zijne krachten faalden en zijn vijand was sterker dan hij.
Deze gat zijn rapier prijs en knelde den aanvaller eveneens in de gespierde armen, en trok hem naar zich toe, hetgeen Wouter, die plotseling van plan veranderde, niet meer tegenstond, maar veeleer met alle kracht bevorderde, zoodat zijn vijand liet evenwicht verloor, waggelde en eindelijk met den aan hem vastgehechten Geus naar beneden tuimelde. Zij kwamen op de knechten neèr, die reeds eenige treden hoog op den ladder stonden, en vervolgens te midden van de overigen, die zich gereed maakten dat voorbeeld te volgen.
De worsteling had boven slechts een oogwenk geduurd, zoodat Focke ter nauwernood wist, wat er was voorgevallen, en slechts vermoedde, dat Wouter, dien hij na de laatste uitgesproken woorden miste, uitgegleden en naar omlaag was getuimeld.
«Hou je taai. Wouter! Vriend! laad je musket, we moeten een uitval wagen,quot; fluisterde hij zijn nevenman toe, die niet zoo koelbloedig als hij de kreten van de worstelenden beneden aanhoorde. Het was goed, dat de nacht den woedenden strijd tusschen den gewonden en weldra doorkorven Wouter en de knechten van Quikkels vendel onder zijn zwarten mantel verborg, Kolterman kon zich echter denken, wat daar voorviel en huiverde, terwijl hij stampvoette van woede. »De musketten zijn zeker beneden allen gelost; ze kunnen niet schieten,quot; zei hij kort. Zijn gelaat nam een ongewone uitdrukking aan, de aderen van zijn voorhoofd waren gezwollen en het oog was hier en daar bloedrood. Hij hoorde het bevel des vrijbuiters niet, en zonder zich zijner vermetelheid juist bewust te zijn, nam hij het neergevallen rapier van Wouter op en stormde daarmeê in dolle vaart den ladder af. De vijanden deinsden voor de snede van het rapier, dat als met reuzenkracht werd rondgezwaaid. De schrik voor den onzichtbaren duivel verlamde hunne kracht, terwijl de aanval van verre onmogelijk was, daar de musketten nog niet waren geladen. In de grootste verwarring renden
2'20
zij den molen uit in het vrije en hielden niet eer stand, voordat zij op hunne eigene voorposten stieten, waar zij, door den Hooze niet achtervolgd, zich zamelden en de musketten laadden.
»liaardelooze wijven!quot; schreeuwde de aanvoerder, die zich echter hei eerst van de strijdplaats verwijderd had en nu zijn bloedenden arm, waar Koltermans zwaard een diepe snede had gemaakt, verbond. »Terug, we moeten het gebroed levend vangen. Eeuwige schande, laffe memmen, zoo wij den eenen, die alleen nog boven kan zijn, niet meester worden!quot;
Kolterman had inmiddels de ronde op het slagveld gedaan, ten einde Wouter te zoeken. Hij struikelde hier en daar over de lichamen dei' verslagenen, maar hoorde geen enkelen kreet, geen enkel gekreun, waaraan hij zijn makker zou kunnen herkennen. Focke was mede naar beneden geklommen en greep hem bij den arm, terwijl hij door de open deur naar buiten wees, waar de bende naderde.
sBrave kaerel!quot; zoo begon hij, «niet langer gemard! Gij hebt spieren in de armen en een hart iti het lijf. Hebt gij evenwel den uitval gedaan om te vluchten, dan was hij ijdel, want we worden als honden neergeschoten, zoodra we buiten zijn. Kom liaastelijk!quot;
Kolterman erkende de juistheid der opmerking en steeg met zijn makker naar boven.
Met vernieuwde woede geschiedde de aanval, die nogmaals verijdeld werd. De belegeraars moesten deinzen, na weder twee hunner op het slagveld te hebben achtergelaten. De dapperste was ontmoedigd. Men zou echter de neerlaag eene overwinning hebben geacht, indien men geweten had, dat de Geus al zijne kogels had verschoten en dus al het voordeel voortaan missen zou, dat hem de ingenomen plaats bood.
Focke hief' den kreet van overwinning bij het wegstuiven der vijanden aan. terwijl Kolterman den buit gemaakten ladder, zoo goed hem mogelijk was, op den zolder poogde te bergen. De reeds niet zeer ruime plaats werd er nog enger door.
))\Ve kunnen hier niet langer toeven,quot; zei Focke. gt;iDe worsteling mat mij af, de ontknooping moéten wij verhaasten, lireng den ladder weêr uit. en doen we een uitval om eerlijk te vallen: onze slaapstee zal zacht zijn, ik zal mijn peluw goed schudden; doe gij insgelijks.quot;
Kolterman zweeg, maar voldeed aan Fockes bevel. De laatste ure naderde; hij had den nood gedurende den strijd vergeten; hij had het leven in zich zoo sterk gevoeld, maar thands trad de vree-selijke waarheid hem weder voor den geest. Het zou hun echter niet gegund zijn. alzoo te vallen, want eer de ladder naar beneden was gelaten, holde de vijand weder aan. Thands waren slechts weinige van musketten voorzien: zij, die het waren, richtten ze naar boven. Het grootste aantal echter bracht blokken bouts aan.
221
stioo en een vat teer, die ze op de werf of in de vlieboot hadden gevonden. Het bleek alzoo dat men afzag van het vroeger voornemen om den Geus levend te vangen, en men hem den vuurdood bereidde. De dag was aangebroken en spreidde een vaal licht over de werkzaamheid der bende. Deze heette dit op dit oogenblik verre van welkom, daar elk, die zijn last hout of andere brandstof naar binnen bracht, vermoeden kon als nu ten doel te staan aan het gevreesde musket van den Geus. Het baarde in den aanvang verwondering, dat geen der knechten werd gedeerd, en men kwam tot het vermoeden, dat de Geus of bij de laatste schermutseling was gedood, óf zijn laatste kruit en lood had verschoten. De ongegrondheid van het eerste zou hun te gelijker tijd met de juistheid van liet andere blijken.
Van uit hun schuilhoek zagen Focke en Kolterman de toebereidselen aan. Zelfs de eerste huiverde, hoewel zijne vrage aan Kolterman, «Vreest gij het vuur ?quot; daar geenerlei blijk van gaf. Kolterman andwoordde niet. «Ze kunnen den verschen zalm niet krijgen en zullen zich nu met gerookten behelpen,quot;'vervolgde Focke schertsend, maar de lach die de woorden verzeilen moest, stikte in den gorgel.
»We moeten ze tegenstaan,quot; prevelde Kolterman. «Niet zulk een dood! Te sterven iti het vrije ware mij lief, maar hier te stikken door den walm...!quot;
«Gij redent niet slecht en zelfs zeer goed, indien we nog wat kruits bezaten. Gij vreest den walm en niet liet vuur, welnu dat wij het laatste zeiven ontsteken hier op den zolder. Laat ons doen als de vogel Feniks, zoo als de Ouden vertellen. Ge merkt dat ik wel wat gelezen heb. Laat ons niet dommer zijn dan dat schoone pluimgediert, dat, als het den dood voelde naderen, zich zelf een houtmijt bouwde en deze in brand stak ...quot;
«Wetende dat hij uit de assche verjongd zou opstaan. Feu schoone fabel!'' zeide Kolterman in gepeins. «Als gij het eerste vermeldt, verzwijg dan ook het laatste niet.quot;
«Een fabel, terecht een fabel!quot; zeide Focke gesmoord, maar ia den toon viel eenige ernst op te merken.
«Neen, niet alzoo, broeder!quot; hief Kolterman aan. «Het leven is ons door den Heere God gegeven. Hij alleen mag het ons ontnemen. Een zelfmoord is misdaad.quot;
«Dat het gevloekte molenrad niet meer dreunde, we kunnen elkaar niet verstaan!quot; riep Focke op zijn gewonen toon uit, terwijl hij naar het vensterluik ging en dit opende. Deed hij het alleen om lucht te geven of om zich zeiven nog eens de aanschouwing te gunnen van wat daar buiten lag. Kolterman ontwaakte er door uit zijne gepeinzen; hij beschouwde nu met aandacht die draaiende spil en wentelende raderen; het was niet onmogelijk, zoo dacht hij, om aan het verlangen zijns makkers te voldoen en met het scherpe rapier hieuw hij eenige tanden uit het grootste
222
rad weg, hetwelk, even als het geheele werktuig, van hout was. l)e wieken bleven draaien, maar daar binnen stond alles plotseling stil. Focke wendde zich verbaasd om.
»Goed begrepen, vriend! Wacht...! Als we de molensteenen eens machtig koiulen worden!quot; Kolterman stemde het denkbeeld dadelijk bij, en beider vereenigden pogingen gelukte het den zwaren last meester te worden en voort te schuiven lot aan den rand der opening.
Beneden was de vijand stouter en stouter geworden; men had de mijt volbouwd en het vuur er in geworpen. Knappend en knetterend sloeg de vlam om t^en en tak, tot dat ze het stroo en de teer bereikte. Toen rees een stikwalm naar boven, maar plofte ook de reusachtige steen op de mijt neder. Zij spatte uiteen, en liier en daar mocht een hoopjen liouts of stroo blijven smeulen, de hoofdvlam was gebluscht. Een sarrende lach klonk van boven, maar ook ter zelfder tijde knalde een musketschot. De lach hield eensklaps op en ging over in gekreun. De vijand begreep thans eerst den Geus getroffen te hebben en een luid gejuich ging uit het midden der bende op.
Het was waar; Focke was gewond, en wel in de rechter borst. Hij had zich te veel bloot gegeven en niet berekend, dat hij thands bij het schemerlicht van den dagenden morgen niet langer onzichtbaar was. Zijne kniën trilden, het lichaam beefde en richtte zich krampachtig op; het was een geweldige inspanning der spieren om zich staande te houden, maar de wil moest bukken en Focke Abels viel.
Kolterman, die na de geweldige krachtsinspanning der laatste oogenblikken een wijle rustte, voelde zich als geledebraakt en de wonden aan zijn schouder schrijnen en gloeien. Toch zamelde hij al zijne kracht om den vrijbuiter op te heffen en hem, die slechts het woord «benauwdquot; uit bracht, naar het open vensterluik te slepen.
Welk gezicht! De zonne tintte reeds de baren der zee en joeg de nevelen langzaam voor zich heen, de nevelen, die nog op den voorgrond rustten op dijk en weide, maar zich oprolden als een mantel en kringende wegtogen. De witgekuifde golven, door den frisschen morgenwind naar den dijk gestuwd, ruischten en klaterden vrolijk, even als het loeiende vee in de naastbij zijnde weiden.
De stervende Focke vestte de oogen op het weidsche en groot-sche tafereel en een zucht ontgleed zijnen lippen. Toen richtte hij zijne blikken naar Kolterman en fluisterde: «Arme man!quot;
»Vriend, denk aan u zeiven in deze ure,quot; zei deze, terwijl hij hem de handen nam en die vouwde.
Focke stamelde: »Onze Vader, die in de Hemelen zijt... Vivent les Ghcux!quot; vervolgde hij eensklaps, terwijl zijn gewone glimlach weder zichtbaar werd. sik beklaag u, dat ge de papen dus in handen valt en niet zoo nabij de rust zijt als ik quot;
223
De lippen waren droog; de tong kleefde aan het verhemelte.
Hij had het liefste en kostbaarste willen geven voor een dronk waters; maar hij wist, dat hem die niet geschonken kon worden en had de kracht zelts den wensch te onderdrukken.
Lang was het beneden stil geweest. Zonder ladder of trap om den zolder te beklimmen, hadden zij in het gemis daarvan pogen te voorzien, door nog meer hout aan te brengen en de mijt te verhoogen. Men was daarmeê gereed, en het bevel werd gegeven om naar boven te stijgen.
Focke richtte .zich halverwege op. »Hoort ge, daar komen ze. Eén wensch heb ik. Mocht ge nog ontkomen, maar ik betwijfel 't zeer, doe mij dan een graf geworden. De zoon mijner moeder Jieeft er recht op. Ze was een adeling. Maak mij nu af,quot; en hij bood hern een dolk aan, dien hij in den gordel had verborgen gehouden.
«De Heere gaf or.s het leven. Hij alleen mag het nemen,quot; zeide Kolterman huiverend.
»Mar niet, knaap! ik beveel het u; maak mij af, en als ge wèl wilt doen, dan u zeiven. Gij kent ze niet, die daar naderen. Zij geven geen pardon... Ze ontvingen het ook nooit!quot;
»Neen, Focke Abels, niet alzoo; ik wenschte u in eene andere stemming,quot; zeide Kolterman, die de handen vouwde en zijn laatste bede aanving.
»Laiïe mem!quot; beet hem de vrijbuiter toe. Wat hij van Kolterman gevraagd had, volvoerde hij zelf; hij doorstiet zich het hart en stierf na een enkelen snik.
Kolterman benijdde hem schier den dood, dien hij zich niet op gelijke wijze geven mocht. Nimmer was het leven hem zoo dierbaar, voor de goede zake zoo kostbaar geweest, nimmer scheen hem de schepping zoo schoon. Zou hij niet kunnen ontsnappen en zich redden? Hij zag het venster uit; het was hoog. en vlak daar onder glinsterde de helm van den uitgezetten schildwacht. Daar voer hem een ander denkbeeld door het brein, een denkbeeld, dat hoe meer hij het beschouwde, kennelijker vorm ontving. Zijn besluit was genomen; hij zon het beproeven. Hij trok den dolk uit de wonde en trad naar het zoldergat, dat het eerste gelid van den vijand reeds naderde:
«God lof, makkers, de zege is ons! De Geus ligt verslagen!quot;
»Wie zijt ge?quot; klonk het hem barsrh tegen, en het musket werd op hem gericht.
»Den gantschen nacht door een gevangene van den wilden Geus, maar nu zijn overwinnaar. Ik heb hem den genadestoot gegeven met dezen dolk,quot; en hij hief het met bloed gevlekte wapen omhoog.
Men scheen hem weinig vertrouwen te schenken; want een paar stevige armen pakten hem beet en drongen hem naar de houtmijt en van daar naar beneden te springen, waarna hij naar den aanvoerder geleid werd, die zijn zetel in den molen had opgeslagen.
224
De knechten verhaalden hun wedervaren en brachten het lijk van Focke Abels naar beneden, in wiens borst de snede van den dolk bespeurd werd. Het pleitte in het voordeel van Kolterman, dat men den gantschen nacht door in eene verkeerde meening aangaande de getalsterkte der belegerden verkeerd had. Toch was de argwaan des aanvoerders niet verdwenen.
«Hoe heet ge, en boe kwaamt ge hier?quot;
sik ben van Amsterdam en heet Arent Willemsz., en van wege Mijnheer den Stadhouder met een bijzondere kommissie voor Enkhuyzen belast. Ik moet de troebelen daar doen bedaren en de stad voor Zijne Excellentie behouden.quot;
))Ge hieldt me wel voor zoo dom als een West-Frieschen boer, indien ik uwe reden aannam,quot; hernam de aanvoerder.
»Geloof den spion niet, geef hem ons!quot; joelden de knechten, die in het rond stonden.
»Zijt gij de Hopman?quot; vroeg Kolterman; eti toen het andwoord ontkennend was, vervolgde hij: «Welaan, breng mij dan tot hem. Zoo ik niet gantschelijk dwale, zwerft Hopman Quikkels vendel in den omtrek. Zoo ge kunt, breng mij tot hem, want hij kent mij.''
Dit werkte en deed het oogenblikkelijk gevaar verdwijnen. Hij was voor deze ure gered, maar zijn stoutmoedig beroep op den Hopman maakte zijn toestand voor den vervolge niet veel beter. Het was echter reeds veel voor dezen oogenblik behouden te zijn, en met een kalm, ja blijmoedig gelaat ving hij onder een sterk geleide den tocht naar quot;s Hopmans kwartier aan. Toen hij den drempel van den molen overschreed, struikelde hij bijna over twee lijken. Het waren die van Wouter en diens bestrijder. Beiden hielden elkaar nog omarmd, en de tanden van den Geus waren in het vleesch zijns vijands geplant.
Hopman Quikkel had zijn verblijf op eene boerderij, in den omtrek van üovenkarspel, genomen; iiij huisde daar als meester en teerde er op de bezitting des eigenaars. Als te midden van vijandelijk land en telken ure blootgesteld aan een aanval, had hij de lioeve en het aangrenzende dorp, waar het grootste deel van het vendel lag, herschapen in een bevestigd kamp en op elk zwak punt zijne wachten uitgezet.
Toen het geleide met Kolterman aankwam, was liet dezen alsof hij thands voor goed gevangene was geworden. Het krijgsvertoon, de dubbele gelederen soldaten, welke de hoeve omringden, schenen hem een stalen muur, dien hij moeielijk zoude kunnen slechten ot beklimmen. Toch verried geen trek op zijn gelaat de onrust van binnen, en zelfs met lichten tred overschreed hij den drempel der hoeveen naderde zijn rechter, die reeds door zijn onderbevelhebber van de toedracht der zake was onderricht.
»Uw bericht schijnt mij wel wonderbaar,quot; zeide Quikkel, ter-â¢wijl hij hem lang en scherp aanstaarde. Kolterman stond dien blik
22.quot;)
door. »A rent Willemsz.!quot; vervolgde hij peinzend. )gt;En gij beroemt u, bekend bij mij te zijn? Is alles zoo waarachtig als dit, bij mijne ziel, gij zoudt een hooge plaats verdienen, en ik zal u haar ook van harte gunnen!quot;
5)Ik erken het als niet ten volle waar. Ik heb de eer u te kennen, maar mag niet hopen bij Uwe Edelheid bekend te zijn. Toch zeide ik het, om door uwe knechten niet verslagen te worden, hetgeen Zijne Genade, de Heer Stadhouder, niet te best op zoude nemen naar ik meen.quot;
»Hoe kwaamt ge in handen van den Geus?quot;
«Ongelukkig was de reis. Heer, hoewel ik vóór mijn vertrek mijn «taf nog liet zegenen door den pastoor van de Oudezijds Kapel. Eer ik mij redden kon overviel mij de Geuzenbende.quot;
» Wanneer?quot;
«Gisteren, tegen het vallen van den avond.quot;
«Gij liegt. Geen enkele Geus zwierf gister in het Noorder kwartier. Zoudt ge meenen dat ik het niet had gemerkt, indien het zoo geweest ware. En de bende overviel u op den Hoornschen weg?quot;
Het was een strikvraag, die Kolterman een oogenblik in verlegenheid bracht. De Hoornsche weg liep toch niet langs den molen.
»Gij blijft het and woord schuldig? Knaap, dacht ge me zóó onnoozel, om een mom niet te kunnen onderkennen van een werkelijk aangezicht?quot;
â «Heer, ik geloof aan de scherpte van uw blik; ik heb haar menigmaal hooren verheffen, maar ik zeide u niet op den Hoornschen weg overvallen te zijn. Ik was moede van den tocht en zag uit naar een rustplaats; ik zag van verre den molen, deze is hoog; ik ging der waards en vroeg om een zit.quot;
»En de mulder gaf u dien?quot;
Kolterman knikte; bij het noemen van dien naam bedacht hij dat deze, tegen hem in verhoor gebracht, alles zoude kunnen uitbrengen. Wel vertrouwde hij, dat Krijn zou omgebracht zijn, maar voor die meening was geen grond. Hij trilde bij het bevel van Quikkel: «Breng den mulder hier. Het is of de kalmte u verlaat, knaap!quot;
»VVel wedervaar ik de eer eener nauwkeurige beschouwing,quot; hernam Kolterman hoffelijk. «Mijne minste beweging wordt opgemerkt, hoewel de oorzaak niet altijd juist wordt begrepen. Heer, u zal het niet onbekend zijn. hoe een wonde kan snerpen!quot; Hij wees naar zijn schouder, omzwachteld door den halsdoek van Focke Abels.
De onderbevelhebber onderhield zich een wijle lluisterend met den Hopman. De mulder was spoorloos verdwenen, zoo luidde het bericht. Men had vermoed hem met den Geus te zullen vinden, doch de gevangen genomen jonkman kon het niet zijn. Hoe deze bij de vrijbuiters kwam, was onbekend. Ook de knecht, die den soudeniers den vorigen avond van hetlanden der Geuzenboot had kennis
15
DE EERSTE DAG.
'gt;26
gegeven, was verdwenen. Wij kunnen het gissen, op welke wijze en op welk tijdstip. Bas werd door den mulder weggezonden, doch bleef op eenigen afstand staan, nieuwsgierig om te weten wat het ontsteken van het turfvuur zoude uitwerken. Tot zijne grootste verbazing en niet minder schrik, merkte hij de aankomst der boot. Toen besloot hij zijn plicht te doen en de heiligschenners en beeldenstormers te doen vangen. Hij holde naar het dorp en deelde den Hopman meê wat hij had aangestaard. Hij zijn terugkeer met de knechten kwam het bij hem op, dat hij den mulder, dien hij, niettegenstaande zijn kettersche gevoelens lief had, tevens zou overgeleverd hebben, indien hij geen gelegenheid had hem bij tijds te verwijderen. Hij nam zijn kans waar, lokte den mulder naar buiten en verwijderde zich snel met hem, zoo als wij boven hebben gezien. Eerst toen hij den meester bij bekenden had gebracht, vertelde hij in het kort wat er aan den molen voorviel, waarna hij in allerijl zich heen spoedde, om de mogelijke verwijten van den mulder en de weêrwraak der Prinsgezinden te ontgaan.
Uit het langdurig gesprek en den wrevel, die zich daarbij op Quikkels gelaat teekende, leidde Kolterman af, dat Krijn niet gevangen was. Het gaf hem den moed om aan te merken: »Ik zie met verlangen de aankomst van den mulder te gemoet. Deze zoude alleen het noodige licht in deze zaak kunnen verspreiden.quot;
Quikkel wierp hem een kwaadaardigen blik toe. »Nog schemert het mij, maar het zal mij klaar worden. Toen gij bij den molen kwaamt, was de Geus daar nog niet?quot;
«Neen, Heer!quot;
))En -de mulder zat bij u neder?quot; Kolterman knikte toestemmend. »Spie, hoe ge u verklapt!quot; bulderde Quikkel. »De mulder gebruikte een van de gevloekte teekenen om de Geuzen aan land te lokken. Gij hadt het moeten merken,daar hij een vuur had ontstoken; en als ge werkelijk waart wat ge voorgeeft, hadt ge genoeg moeten verstaan van de seinen der ketters, om terstond te vertrekken en het gevaar te ontvluchten.quot;
»Weet ge dan of ik het niet deed? De mulder bleef niet bij zijn turvenvuur staan; hij dacht zeker en te recht dat het zonder hem wel zou glimmen. Toch merkte ik er iets van, maar te laat. De Geus hield mij aan en ik dacht reeds mijn laatste Ave Maria te bidden, toen uwe knechten aanholden.quot;
»'t Wondert mij, dat ge ook hen niet poogdet te belezen, en u hebt voorgegeven een zendeling van Willem zonder land te zijn,quot; zeide Quikkel scherp.
«Gij gelooft mij wel een volleerden goochelaar en kunstenmaker, voor welke gunstige opinie ik u zeer mijn dank betuige,quot; zeide Kolterman spottend. «Het was mij echter onmogelijk, dit zelfs nog maarte beproeven, daar de kommissie van Mijnheer den Stadhouder bij mij gevonden werd. Het was voorden Geus een kostbare vangst.
227
en ik verzeker u, dat de vrijbuiters joelen zouden van vreugde, als ze op dit pas hier waren en mij in gevaar zagen door Uwe Edellieid als een spion te worden opgeknoopt.quot;
»Een vernuftige vond om het gemis van alle papieren te wettigen!quot; merkte ((luikkel aan. Gij bezit niets wat voor mij het opgedischte sprookjen rechtvaardigen kan. Voor God en de Heiligen ben ik ver-andwoord als ik u laat hangen. Neemt hem meè. hellebardiers!quot;
»Een oogenblik,quot;' zeide Kolterman, terwijl hij Quikkel een voetstap nadertrad. Hij stak de hand in een binnenzak van zijn wambuis en haalde na eenige inspanning een ring, die tusschen de voering en de bovenstof geborgen was geweest, te voorschijn. «Herkent ge dit wapen?quot; vroeg hij Quikkel. Deze bezag het met aandacht. sHet is de zegelring van den Admiraal Boshuyzen.quot;
»,Tuist; ik had nog den tijd om dien te bergen, en geen der Geuzen kon hem daar zoeken.quot;
«Maar de Admiraal kan dien ring u niet in Amsterdam gegeven hebben, daar hij in Enkhuyzen gevangen zit.quot;
»Zat,quot; verbeterde Kolterman. «Hij is ontslagen en ik ontmoette hem op zijn terugtocht naar Amsterdam, toen ik naar Enkhuyzen ging. Het was bij Hoorn. Ik sprak hem aan, daar ik hem kende en benieuwd was den stand der zaken binnen de stad juist en volledig te leeren kennen. Ik deelde hem den ontvangen last mede en bad hem om zijn steun. Dat hij losgelaten was, bewees mij toch, dat hij eene vermogende partij in de stad op zijne zijde had; bovendien wist ik, dat hij de boezemvriend van HeerFreêrijk Simonsz. was.quot;
))Ge kent dien en ook den zoon?quot; viel Quikkel haastig in.
«Zeer goed, maar den oude het best. Naar ik verneem hangt de zoon de kettersche leer aan.quot; Quikkel knikte toestemmend. »Het was mij alzoo nuttig,quot; vervolgde Kolterman, sop 's Admiraals partij te kunnen steunen. Hij begreep dit mede en gal mij als teeken van vriendschap zijn eigen zegelring meè. Ik heb u dit, zoo ik meen, voldoende verklaard, maar ben u nog het vervolg van mijn wedervaren in den molen schuldig. Ik verlang naar een oplossing dezer verwarring,quot; zeide hij hoog. Zijn toon was in het laatste oogenblik scherper geworden, naar mate die van Quikkel zachter werd. ))De Geuzen-hopman en twee zijner knechten waren in den molen, toen uwe soudeniers de vlieboot overvielen. Er was voor hen geen kans om te ontvluchten. Zij zochten zich op den zolder te redden en namen mij, dien zij niet vrij wilden laten, meè. Daar heb ik ettelijke uren in doodsangst doorgebracht, en heb ik mijn leven slechts aan de hevigheid van den aanval van buiten, die hen belette naar mij om te zien, dank te weten. Ik was ongewapend en aan een der balken vastgekneveld; maar toen ik bij het aanbreken van den dag den hoofdman alleen nog in leven zag en reeds gewond, zocht ik mij los te maken. Toen het mij gelukte, viel ik hem aan en stiet hem zijn eigen dolk in het lijf. Ik heb den Geuzenhoofdman afgemaakt
228
en toonde uwen knechten daaraf liet bewijs. Ik roem mij des, daar ik geloof de zee te hebben verlost van een geweldigen roover.'
»Te recht noemt ge hem geweldig/' zeide Quikkel, terwijl hij hem den ring terug gaf. «Het is Focke Abels. Maar nog ééne vraag. Beter is 't, dat ik in deze omstandigheid te veel dan te weinig onderzoek. Het zal mij geen moeite zijn dit voor Mijnheer de n Stadhouder te verdedigen. Gij werdt gewond aan den schouder en verbonden met een halsdoek, die niet uw eigene is, daar deze zich ter rechter plaatse bevindt. Het is alzoo de doek van een der Geuzen, het moet die van Focke zeiven zijn, daar deze met ontblooten hals is gevonden. Gij begrijpt... .quot;
«Neen, Heer, ik begrijp den argwaan, die mij zulke nutte oogen-blikken rooft, in geenen deele,quot; hernam Kolterman toornig. «Vergun mij de opmerking, dat uwe scherpzinnigheid te loor gaat bij het zoeken naar redenen voor uwe achterdocht tegen mij. Bij de worsteling loste de Geus zijn pistool en schramde hij mijn schouder, maar dadelijk daarop viel hij ook neer, en toen wist ik geen beter gebruik te maken van mijne overwinning, dan om mij zeiven te behouden met het zijne. Ãn thands verzoek ik de verdere vragen, die nog overig zijn, kortelijk saam te vatten, opdat ik ze gelijkelijk beandwoorde en dit verhoor eindige, dat van mijn geduld zulke bovenmatige cijnsen vergt.quot;
Quikkel zweeg. Hij was niet overtuigd, maar hij waagde het niet dit meer te doen blijken. De mogelijkheid van de waarheid dei-door Kolterman gedane mededeeling bestreed hij niet meer; de waarschijnlijkheid van een vermetel bedrog was voor den krijgsman echter ook nog niet boven allen twijfel verheven. Hij wist alzoo niet wat te doen, maar onverwacht nam de zaak een keer en werd een nieuw denkbeeld bij hem opgewekt. Reeds voor eeni-gen tijd was een poorter den trap van den stroozolder afgeklommen en de groep op den voorgrond nadergekomen. Hij behoorde niet tot het vendel, want niets duidde in hem den krijgsknecht aan. Hij kon ook niet een lid zijn van het gezin, dat op de hoeve woonde', want zijne kleeding, zijn geheele voorkomen duidde een veel hoogeren rang. In de laatste oogenblikken had hij teekenen van de hoogste verbazing gegeven, welke in hooge mate de aandacht der hier en daar verspreide wachten had opgewekt.
«Waarlijk, hij is het!quot; zeide hij ten laatste halfluid. «Maar wat taal voert hij jegens den goddelooze!quot; Bij het vertoonen van Bos-huyzens ring was hij zich zeiven niet meester, en nij zou het gesprek gestoord hebben om den jonkman, wiens stem en gestalte hem een vriend te binnen bracht, in het aangezicht te zien, indien de wacht het niet had verhinderd. Vreemd genoeg, Quikkel gat ten laatste zelf een teeken hem vrij te laten. Toen volvoerde hij zijn voornemen. Kolterman zag om en herkende tot zijn ontzetten den jongen Freèrijk.
229
»Zijt ook gij in handen der afgodendienaars gevallen ?quot; vroeg hij meelijdend, terwijl hij de hand op Koltermans schouder lei.
⢠^uikkel lachte veelbeteekenend bij deze begroeting. «Oude kennissen voorzeker! Roerend welkom! De Geuzenpredikant schijnt u hoog te achten!quot; merkte hij schamper aan.
»De uitdrukking schijnt wel wat sterk gekozen,quot; andwoordde Kolterman koeltjens. »Hij, dien gij een Geuzenpredikant gelieft te noemen, kent mij van vroeger dagen. Ik meen liet u straks reeds verzekerd te hebben.quot;
«Gewisselijk, maar toen bleek het, dat uwe betrekking tot den ouden inniger was dan tot den jongen. Nu de begroeting van dezen reeds zoo hartelijk is, hoe zal dan wel het welkom des ouden zijn? Waarlijk, ik zoude haast verlangen bij die ontmoeting tegenwoordig te wezen.quot;
Freêrijk had beiden verbaasd aangezien en wantrouwde zijn gehoor. «Broeder,quot; zeide hij ten laatste lot Kolterman, »mij duizelt liet bij eene dergelijke reden. Hoe kwaamt ge hier? Rampzalig de Gemeente des Heeren, indien het waarheid zij wat ik vermoede en gy gevangen zijt als ik.quot;
sFreèrijk Simonsz.,quot; hernam Kolterman ernstig en streng, ser kan geene gemeenschap zijn tusschen mij en u. Waar gij gevangen zijt, kan ik het niet zijn. Waar gij of uwe partij gebied voert, ligt alleen de trouwe dienaar Zijner Majesteit in band.quot;
«Kolterman!quot; ontsnapte Freêrijk, wien werkelijk eene duizeling aangreep. «Welke leugengeest is in u gevaren!... Hebben wij niet verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid noch bet Woord Gods vervalschende, maar door openbaring der waarheid ons zeiven aangenaam makende bij alle con-scientiën der menschen in de tegenwoordigheid Gods?quot;
«Kolterman!quot; riep Quikkel uit, «die kaiteyvige zendeling dei-aartsketters? Ik prijs Sint Sebastiaan en al de Santen in het Paradijs, dat mij de listige bedrieger ten laatste in handen valt. Welk sprookjen mij werd voorgedragen! Wat valschen toon de pijper blies, en nochtans geloofde ik hem! Bij mijner ziele zaligheid, het tuigt voor de kunstenarijen des leugenaars, wien ik eene eereplaats wil geven onder het hangend geboefte. Holla, Marten! voor dien man de hoogste tak aan den hoogsten boom, maar geesel hem eerst ten bloede!quot;
Kolterman stond onbewegelijk en Freêrijk begon te vermoeden, dat hij een vreeselijk onheil had te weeg gebracht. Wat hij echter had afgeluisterd en later gehoord, liet had hem doen denken aan een ontrouw en afval. die. bij de bekendheid met 's jongelings verleden, hem een oogenblik als mogelijk voor den geest stond. Was zijn vader toch niet de oorzaak van 'sjongelings armoede, eene armoede die bij den overgang tot Alvaas zijde in rijkdom en overvloed ver-keerenkon? Hij had het van zijn hoogvereerden broeder wel nimmer
230
kunnen vermoeden, maar was een dergelijk verraad zonder voorbeeld? En dan, alles wat hem overkomen was in de laatste dagen, het had hem geschokt, het had hem vaak als in een ijlende koorts doen omdwalen: het uitzicht op de martelaarskroon had hem schier van zijne bezinning beroofd. Bovendien, vreemd waren hem de kronkelpaden, langs welke de list wandelde. Hij mat anderen af naar zich zeiven, en de kracht, die hij zich toeschreef, gaf hij zelfs in verhoogde mate aan zijn broeder. Hij zou niet, schoon in het aangezicht des vijands, ontveinzen wat hij zijn hoogste eer wist. Zijn broeder had het evenmin gedaan, indien hij der waarheid werkelijk getrouw ware gebleven. Zijn wantrouwen was echter thands verdwenen. Hij naderde zijn vriend; zijne tanden klapperden, zijne vingeren trokken stuipachtig: «Vergeef mij, broeder! De Heere God weet, dat ik mijn bloed voor u zou willen storten, dat ik nimmer iets te kostelijk achtte voor uw geluk, voor uw heil... En toch lever ik u over aan de onbesnedenen van harte!.. . Hopman!quot; riep hij eensklaps, zich tot dezen wendende, slaat mij voor hém sterven. Pijnig mij naar hartelust, laat mij duizend dooden sterven, maar spaar dezen.quot;
Kolterman vatte hem bij den schouder en stiet hem achterwaards. Toen hij den opgeroepen knecht zag naderen, wenkte hij dezen gebiedend terug. »Het mvsteriespel heeft, dunkt mij, lang genoeg geduurd. Hoffelijke overreding baatte niet; ik wend nu een ander middel aan. Hopman Quikkel, ik ben de meerdere, want ik ben te dezer ure de vertegenwoordiger van Mijnheer den Stadhouder! Dat ik u mijn lastbrief niet kan toonen, weet ge; de redenen daarvan moet gij billijken. Ik toon u nogmaals den zegelring van mijnen vriend, den Admiraal Boshuvzen.quot;
De knecht bleef staan en Quikkel wenkte hem niet om nader te treden. De gebiedende toon maakte ook op hem een diepen indruk. «Dien ring kunt ge geroofd hebben,quot; zei hij, terwijl hij echter de
oogen daarbij neersloeg. _ , r j -i
»Het is wel,quot; riep Kolterman stampvoetend uit. «Geloof, dat ik dien ring den eigenaar ontroofde, die op dit oogenblik vrij en ongedeerd naar Amsterdam optrekt; maar ik begrijp mij niet, hoe iemant, wien het niet spookt in de hersens, waarde kan hechten aan droomen en schimmen van een ongelukkige, dien de godsdiensthaat krankzinnig heeft gemaakt. Ik weiger de gevaarlijke eer. om op den door u bedoelden zendeling, zelfs in de verte, te gelijken, en het tuigt van uwe onbekendheid met de gelaatstrekken van dien ketter, dat ge in mij dien vermaledijde zaagt.quot;
«Dus zijt ae...? Ja, hij is blond... gij niet!quot; riep Freènjk uit. terwijl hij als bevreesd, dat de aantijging van waanzin waarheid zou worden, met de handen over het voorhoofd voer. «Dat het alzoo moge zijn!quot; vervolgde hij. «Wees een vreemde en ik beboet u niet aan te klagen voor den rechterstoel Christi, wegens zonde
tegen den Heiligen Geest. Wees een vreemde en vervolger der gemeente en ik beltoef u niet bestraffend toe te voegen, gelijk de Apostel Panlus inden Zendbrief aan Tliimotheus: God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar der kracht.quot;
Kolterman wendde het hoofd van Freêrijk af, terwijl een smadelijke grimlach zich om zijne fijne lippen vertoonde. «Wat dezen aangaat,quot; zeide hij tot Quikkel, »ik moet u nog over hem onderhouden. Zoo als het bij de waanzinnigen vaak wordt opgemerkt, speelt bij hem waarheid en verdichting onder een. Hij herinnert zich iets uit het verleden en vermengt het met de beelden, die liet ontstelde brein hem thands voor den geest toovert. Ik ken hem, zoo als ik ii zeide, sedert jaren, en, toen wij kennis maakten, was ik als hij een ketter. Neen, zie mij niet met dergelijken afschuw aan, en doe mijne openhartigheid een niet te streng loon ontvangen. Ook ik zie met schaamte op mijn verleden terug, maar van mijne dwaling ben ik wedergekeerd en in genade aangenomen: spaar mijner bescheidenheid er aan toe te moeten voegen, waardoor ik die genade zoo spoedig ben deelachtig geworden.quot;
»Ja, hij is het toch wel,quot; prevelde Freêrijk. )gt;Hij was een uitgelezen vat, en Babyion zal van zijne gave en zijne krachten wel kwistig gebruik wenschen te maken... Dat ik gestorven ware voor dat mijne oogen het zagen! Maar neen, die wensch is zondig en duidt kleinmoedigheid. Zoude ik het goede wel ontvangen en het kwade niet ontvangen uit de handen mijns Gods! De geldgierigheid heeft u ten val gebracht! Ge hebt uwen Heer verraden voor eenige zilverlingen. Ge zijt zondiger dan hij, die het licht niet kent, want gij hebt het gekend en verkiest de duisternis.quot;
De meest strijdige aandoeningen kampten in Quikkels binnenste.
»Wees stil, vervloekte Geus! of ik laat u de tong uit de keel rukken,quot; snauwde hij Freêrijk toe. Hij bleef vervolgens een oogen-blik in gepeins zitten; toen stond hij op en zei hij tot beiden, hoewel hij slechts Freêrijk waagde aan te zien: »Ik voer u beiden naar Amsterdam; dat Mijnheer de Stadhouder beslisse; ik waag het niet, aangaande deze zaak uitspraak te doen.quot;
«Niet alzoo. Hopman!quot; zeide Kolterman snerpend. «Het gelukken mijner zending hangt van snelheid af. De uren, in der Geuzen macht en ter dezer plaats doorgebracht, brengen der goede zake wellicht euvels genoeg. Gij schijnt onkundig te zijn van wat in de stad voorvalt, hetgeen mij wel wonderbaar schijnt, daar het mij bekend is geworden, wat u onder de muren der stad is wedervaren.quot;
Hij naderde den hopman en fluisterde hem in het oor:
»De stad moet het krijgsvolk innemen, hetwelk over zee van Amsterdam zal worden afgezonden in twee dogboten. Ik moet de flauwhartigen uit de sluimering wekken en ze overreden de knechten in te nemen. Langer toeven ware gevaarlijk. Ook heeft mijn verblijf heden nacht onder de Geuzen mij veel van hunne voornemens
232
doen verstaan. Dat de stad zich niet voor den Prins heeft vei klaardr moet geweten worden aan de schranderheid van ouden Freêrijk Simonsz., die in gezindheid en kracht aanmerkelijk verschilt van zijn zoon. Toch heeft hij dezen lief als zijn oogappel, weshalve het schrander en in het belang der goede zaak ware, hem den ontvluchten en buitgemaakten zoon terug te geven.quot;
»Geeiiszins,quot; hernam Quikkel op denzelfden toon. »Het is mij verboden dat te doen. Hem straffen mag ik niet, hem teruggeven evenmin.quot;
)gt;En wie matigt zich het recht aan daarover te beslissen? Zijn vader kan u een dergelijk bevel niet hebben gegeven.quot;
«Neen, Pater Martinus, de kettermeester van Enkhuyzen.quot; Hij verhaalde Kolterman alsnu de toedracht der zaak en de wijze der gevangenneming en besloot met het vertoonen van een briefjen, hem in den loop van den nacht ter hand gesteld, en door den paap van Bovenkarspel, zoo als hij den dorpspastoor noemde, ontraadseld en voorgelezen. Hij zelf had toch nooit de teekens van de zwarte kunst, zoo als hij de letters noemde, kunnen begrijpen; zijne vingeren waren ook te vereelt om de pen te houden en slechts tot het voeren van het zwaard geschikt.
Martinus' brief hield in, dat de gevangen genomen jonkman wel niet de bedoelde was, daar men het gemunt had op den leerling van den Booze, die op aarde rondwandelde onder den naam van Kolterman. Het was echter mede een goede vangst. De aangehouden jonkman was toch ook een ketter, weshalve hij den Hopman gebood hem naar Amsterdam te voeren en aldaar over te geven in handen van den Heer Schout.
Kolterman kon onder het lezen een spotachtig grimlachjen niet bedwingen. Het verband tusschen de gevangenneming van den jongen Freêrijk en het schrijven van den monnik, kon hij echter niet opsporen. Wel vermoedde hij een listige streek van den laatsten; maar niet, dat de oude Freêrijk in zijn wanhoop nog denzelfden avond van de wegvoering zijns zoons naar Martinus was heengeijld en dezen had gebeden zijn kind uit Quikkels klauwen te redden. De monnik wilde daarvan niets hooren; integendeel oordeelde hij de kans alsnu gunstig, om den ketter in zijne macht te krijgen en hem, buiten 's vaders bereik, de gerechte strafte doen 01.dergaan, of wel als gijzelaar voor 's vaders trouw gevangen te houden.
»Ik begrijp uwe intentie alsnu zeerwel,quot; andwoordde Kolterman, terwijl hij hem het briefjen teruggaf. sGij handeldet juist, indien de gevangen jonkman bij zijne zinnen was. Over den ketter heeft de eerwaarde broeder macht en beschikking, over den waanzinnige echter slechts de vader. Deze heeft bovendien zóo veel aanspraak op onderscheiding van onze zijde, dat wij hem zijn zoon, al ware die een afgedwaalde, niet zouden mogen onthouden. Zoo als ik u zeide, behield de oude Freêrijk de stad vooi Zijne Excellentie. Mijn-
233
heer Bossu peinst reeds opeene belooning voorden trouwen poorter, wien men geen gewoon geschenk in geld kan aanbieden, daar hij rijk. bovenmate rijk is. Het zou den vader nutteloos verbitteren indien wij zijn zoon wegvoerden.quot;
»Ja, hij is rijk,quot; zeide Quikkel, wien dit woord inzonderheid getroffen had.
Hij gaf Kolterman eene zijde van zijn charakter bloot, waarvan deze terstond gebruik maakte, sin deze benarde zaak is de bijstand, een rijken man bewezen, niet nutteloos. Het schaadt ons voorzeker niet, hem ter wille te zijn geweest.quot;
»Maar hoe mij te verdedigen tegenover Mijnheer den Schout van Amsterdam, die gewisselijk bericht zal ontvangen hebben van 's jonkmans gevangenneming en eerlange overlevering?quot; vroeg Quikkel.
sik zal u daartoe in staat stellen door u een brief te laten, waarbij ik u beveel den jongen Freêrijk Simonsz. vrij te geven. Dien vertoont ge den Schout en de verandwoordelijkheid valt op mijn hoofd terug.quot;
»En tegenover den ouden Freêrijk zult gij verschijnen als de bevrijder zijns zoons?quot; vroeg Quikkel, die blijk gaf over de zaak zelve reeds heen te zijn, maar nog in twijfel te staan wegens de onzekerheid der belooning.
»Gij mede!quot; hernam Kolterman glimlachend. »Wij deelen, vriend!quot; Hij klopte hem gemeenzaam op den schouder, terwijl hij zijne belofte herhaalde. »Wijs mij nu spoedig eene geschikte plaats, waar ik het u beloofde schrift kan gereed maken en doe van den pastoor het noodige daartoe halen. Ik vrees toch, dat het hier gantschelijk aan schrijfgereedschap mangelen zal.quot;
«Volg mij, en ook gij. Heer Simonsz.!quot; zeide Quikkel, hen voorgaande naar de pronkkamer, die thands den bevelhebber tot verblijf diende, daar de eigenaar der hoeve daaruit was gejaagd.
»Gij kunt hier beiden toeven, totdat het geleide, dat ik voor u bestem, in gereedheid is gebracht. Ik zorg toch voor uwe veiligheid en zal u in de stad doen voeren,quot; zeide Quikkel.
Toen Quikkel, achtervolgd door zijne beide gasten, reeds op den drempel stond van het aangeduide vertrek, scheen hij plotseling van voornemen te veranderen. «Onze verhouding is nu omgekeerd,quot; merkte hij lachend aan; »van vijanden werden wij bondgenoten, van gevangene werdt gij gast. Ik zal alsnu mijn plicht betrachten en u eene verpozing bereiden, door u mijn kamp rond te voeren; middelerwijl gewordt ons het gereedschap van den paap.quot; Zij traden naar buiten, waar de Hopman Kolterman en Freêrijk onder toezicht van eenige knechten even alleen liet, om zijn trouwen Marten, dien hij van alle andere knechten onderscheidde, eenige woorden in bet oor te fluisteren. «Gij gaat ongemerkt de pronkkamer binnen, en verschuilt u in de bedstede en luistert scherpelijk toe. Gij blijft er. tot dat ik u zelf kom verlossen.quot;
Onder vriendschappelijk gekout gingen Quikkel en Kolterman,.
234
door Freèrijk gevolgd, wien liet hoofd op de borst was gezonken en die als een lam ter slachtbank ging, de ronde aan. Hier lagen eenige knechten schilderachtig gegroept, zich koesterend in de zon, wier stralen vonkten en sparkelden op de helmen en zwaarden, die van vlek en roest werden gezuiverd. Ginder was het teerlingspel in vollen gang, en werd de worp gedaan onder gejuich en gejoel, terwijl het verspeelde pand, onder verwensching afgestaan, onder gejubel in ontvang werd genomen.
«Vreugde en smarte der duivelen!quot; riep Freèrijk plotseling stilstaande en de vuist ballende uit. «Snarenspel en gezang, waar weening zijn moest en knersing der tandenl Wee u, moorders der-Heiligen, het zal u in den oordeelsdag zwaarder zijn dan Sodom en Gomorrha.quot;
De knechten borsten in een schaterlach uit. »Een goochelaar, een potsemaker!quot; riepen eenige, die opsprongen om hem in hun kring' te trekken, doch de Hopman wees hen terug. «Als de tong u lief is, zoo zwijg,quot; beet deze den prediker toe. «Het loon moet wel groot zijn, indien het opweegt tegen de daad,quot; vervolgde hij tot Kolterman. «Jeder onguur woord, dat de vervloekte ketter spreekt, verhoogt het rantsoen.quot;
«Gij zijt billijk,quot; hernam Kolterman, wiens knieën knikten en bij wien de uitputting, na zooveel inspanning, merkbaar werd. Toch zamelde hij al zijne kracht en dwong hij zich tot schertsen. «Uw grootste buidel ware gewisselijk bij zulk eene berekening te klein. Het zou den armen dwaas zelfs voordeelig zijn. en hem voor een goed deel de vaderlijke nalatenschap bewaren, indien hem de tong voor een poze verlamde.quot;
Men ging verder, waar eenige knechten bezig waren zich in het scherpschieten te oefenen. Kolterman bemerkte het wit en rilde. Het was een van Fockes knechten, en wel de terstond gesneuvelde Aart, die aan den tak van een knotwilg was opgehangen en op wien de knechten doelden. De prijs was een vat bier en een ham, den Schout van liovencarspel ontroofd, en zou alleen worden uitgereikt als men den romp van het hoofd had geschoten.
Freêrijks oogen schoten vuur. Hij klemde de tanden op elkaar, toen liet hij den uitroep ontglippen: «Wel zijt ge lankmoedig, Heere God! Wel laat ge regenen over goeden en kwaden, laat ge uw zonne opgaan over boozen en rechtvaardigen!quot;
Men ging verder en naderde de buitenposten van het kamp bij den ingang van liet dorp. Langs den heirweg zag men de huislieden en boeren zich heenspoeden ter verrichting van den dagelijk-schen arbeid; maar geene opgeruimdheid tintelde in het oog, hoewel het zachte weder ruimschoots vergoedde wat het gure voorjaar dreigde te verderven. Met gebogen hoofde gingen zij verder, als vreesden zij een blik te werpen op hetgeen rondom hen voorviel. Wèl werd de oorzaak spoedig bespeurd, want toen Kolterman en
235
zijne geleiders den hoek omsloegen, grijnsde hun het afgehouwen hoofd van Focke Abels, aan een daar opgerichten galg, tegen. Een kille huivering liep Kolterman door de leden, en hij kon Quikkel nauwelijks andwoorden, die hem lachend daarop wees en hem toebeet: «Verging het al mijne vijanden als de uwe. Mij dunkt, dat het u goed aan het hart zal doen hem, die u den gantschen nacht dreigde, alzoo te ontmoeten. Ik heb u dien aanblik dan ook voor liet laatste bespaard, in de hoop dat de laatste indruk een voor mij gunstige moge zijn.quot;
«Zekerlijk,quot; hernam Kolterman, die zich niet weerhouden kon Freèrijk ter loops aan te zien: deze hield echter de hand voor het aangezicht en wendde zich af.
«Keeren wij terug,quot; zei de vriendelijke gastheer. »11et noodige zal gereed zijn gemaakt in liet u aangewezen vertrek. Onder het noodige rangschik ik thands eenige spijze en drank, waaraan gij wel behoefte zult voelen.quot;
Weinige oogenblikken later waren zij de hoeve weder binnengetreden en liet de Hopman beiden alleen. Kolterman haalde diep adem; het gebeurde in de laatste uren had hem afgemarteld; hij steunde zich met de eene hand op de tafel en bleef een oogenblik in gepeins verdiept. Een handdruk op zijn schouder deed hem opzien. Freèrijk stond achter hem en zeide met gebroken stem: »,Tan Kolterman, gun mij zekerheid, nu wij alleen zijn. Geen vijand bespiedt ons meer. Hebt gij geveinsd of waarheid verkondigd? Ik vermoed het eerste, eens zoo innig geliefde broeder, eens een ceder Libanons, en ik bevroed waarom!quot;
Kolterman keerde zich haastig om, als wilde hij het mom van het aangezicht laten vallen. Het kostte hem zooveel moeite het te dragen en toch moest hij het doen; toch moest hij alle pogingen aanwenden om zelfs liet masker niet te doen bemerken. Het gelaat nam daarom een onverschillige uitdrukking aan. Hij bleef den jonkman een oogenblik aanstaren, en sprak toen langzaam: «Ongelukkige, dat ik u alzoo moet wedervinden. gekrenkt in het edelste. Neem wat rust, en bid de Heiligen, dat ze u rust geven van binnen en uwe oogen opklaren, opdat gij mij waarlijk herkennen moogt.quot;
«Dus is het niet waar wat ik vermoedde en waarvoor ik den Heere God reeds zoo vuriglijk dankte? Dus hebt gij do logen niet aangewend om u zeiven te redden en mij ?quot;
«Ik verzoek u met den meesten aandrang u eenige rust te geven. Ik herhaal, dat ge u in mijnen persoon vergist. Ik ben de ketter niet voor wien ge me houdt. Ik heb reeds voor lang mijn zoen met de Kerk en Zijne Majesteit gesloten.quot;
«Gij liegt!quot; riep Freèrijk, terwijl het bloed hem naar het hoofd steeg en hij Koltermans arm in zijn hand vastneep. «Gij hebt uwe ziel verkocht voor wat gouds. Gij wenschtet uw erfgoed te erlangen, maar het is het uwe niet. Ik zal het prediken van de daken, dat
236
liet niet het uwe kan zijn. dat gij geen recht hebt op de bezitting, lt;lut gij den naam, dien gij schandvlekt, niet dragen moogt.quot;
»Laat af!quot; riep Kolterman, wien de zweetdroppelen paerelden op het voorhoofd. Hij had den thands woesten Freèrijk van zich afge-stooten en naderde den .stoel, die aan de tafel in de nabijheid dei-bedstede geschoven was. Hij poogde te schrijven, maar zijne gedachten waren verward; zijn brein kookte, zijne polsen bonsden en hij dreigde zijn bewustzijn te verliezen. Hij moest dit, vooral dit, pogen te behouden, daar hij gebied moest blijven voeren over spraak en gebaar. Ten laatste gelakte het hem eenige regelen neer te schrijven, en wel mocht hij zich gelukkig prijzen den brief geëindigd en een valschen naam geteekend te hebben, daar Freèrijk hem geen langere rust zoude veroorloven. Deze had het vertrek met haastige schreden op en neder gestapt, maar bleef plotseling voor de tafel stilstaan, waar hij Kolterman met de oogen mat. terwijl hij hem een blik toewierp, waarin de diepste minachting school.
vgt;Uw opzet is zeker uit den Booze, maar weet, dat ik u tegen zal staan met al de kracht mijner ziel; weet. dat ik in de stad de goêgezinden zal saamroepen en hen waarschuwen tegen u; weet, dat ik u zal doen kennen als den afvalligen zondaar, die de pest-smet medebrengt in het hart. Gij zult vijanden vinden, waar ge vrienden hadt.quot;
»En vrienden, waar ik vroeger vijanden telde; bedenk teffens, dat ge onder de hoede uws vaders zult komen,quot; merkte Kolterman thands bedaard aan, terwijl hij een kroes bier gulzig naar binnen sloeg. Wat Freèrijk hem zeide, scheen hem ditmaal, vreemd genoeg! niet te treffen, ja zelfs genoegen te doen; wat Freèrijk zich voornam, rekende hij geene schade voor zijn met Buyskes beraamd plan. «Zet u neder,quot; vervolgde hij bedaard, «wij vangen de reis straks aan en het zal u nut zijn met eenige spijzen u te sterken.quot;
«Onrein is mij wat uwe lippen aanraken,quot; hernam Freèrijk, terwijl hij den hem toegeschoven kroes terug stiet. »Wel is de uitspraak des Apostels waarachtig: dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden; daar de menschen zijn zullen liefhebbers van zich zeiven. geldgierig, laatdunkig, hoovaardig, lasteraars, ondankbaar, onheilig!quot;
«Hoovaardig is uw oordeel, en ge zijt een feilbaar mensch,quot; hernam Kolterman. »De kennis van eigene zwakheid mocht u wat trager doen zijn in het veroordeelen van anderen. Doch wat kijf ik met u, jegens wien kalmte en lijdzaamheid plicht is.7
Er was een oogenblik van stilte. Freèrijk had zich in een stoel neergeworpen en hield de oogen neèrgeslagen, terwijl van tijd tot tijd een diepe zucht zijn borst ontgleed. De wrevel, de ergernis, de toorn, op zijn gelaat in de laatste ure zichtbaar, nam af te gelijk met de krachten zijns lichaams, en zacht en afgebroken bracht hij nu zijne klacht uit. jOch, of ge alsnog terugkeerdet ter helfte en u
237
reddet van liet grouwelijk verderf! Wat vreugde onder de Engelen Gods, zoo ge u bekeerdet! Wat ik u liefheb gehad en vereerd! Ge waart een uitgelezene in de Gemeente des Heeren, een, die de ware leer geproefd had met het verstand en aannam met het hart. Ik heb op u gestaard als op een onbedriegelijk schepsel; gij hebt mij geleerd hoon en smaad gewin te achten om de uitnemendheid der kennis Gods, die er is in Christo. Weinig kon ik u bieden als een cijns mijner innige verknochtheid...! Weinig? Neen, oneindig veel, meer dan eenig mensch. Ik heb om uwentwille de neiging, die gebied voerde in mijn hart, gekruist. O, vreeselijk was mijn strijd; en voor wien heb ik gestreden? IJdele, ijdele zegepraal!quot; De tranen beefden hern in de oogen, de lippen trilden, hij kon niet langer voortvaren. Het werd Kolterman te bang, hij stond op en ging naar de deur, als om te zien of de verlossingsure nog niet sloeg. Op den drempel stond een musketier, zoodat het hem bleek, dat de Hopman beiden nog als gevangenen behandelde.
«Donker was het in mijne ziel, van der jeugd af aan,quot; zoo begon Freêrijk weder in zichzelven gekeerd, terwijl de doffe oogen op een punt staarden. «Als een vreemdeling ging ik door het leven, zat ik neder aan mijns vaders disch. Maar de zon is opgegaan, toen zij verscheen, de weeze, die het brood haars bescheiden deels van haren bloedmaag bidden kwam. In mijn hof waren geene bloemen, maai' onder hare schreden ontloken ze! O. het was haar niet bewust. wat er gloeide onder de koude schors mijns harten ...! Kon ik uiten wat ik voelde? Indien mijner de taal ware geweest dei-Engelen, ik had het vermoogd wellicht...! Ik heb gezwegen, gezwegen ten einde toe! Ik heb in de binnenkamer mijns harten verborgen, wat daar kookte en een uitweg zocht. Ik heb gezwegen om hém . ..! Ik heb haar bewaakt en het was niet om mijzelven; ik heb gesproken en het was niet voor mij... ik heb de kiem harer liefde ontwikkeld, en het was voor hém!quot;
»Hoe!quot; riep Kolterman, en zijn stem had iets krijschends, )gt;gij verraadt mij een geheim ...! Heere God, deze ure is eene vreeselijke ure!quot; zeide hij, zijne stem met geweld smorend en de handen op zijne borst vouwende, alsof die bersten zou. Toen ijlde hij de kamerdeur uit, den verbaasden schildwacht voorbij, die geene bepaalde bevelen ontvangen had voor eene omstandigheid als deze en den jonkman alzoo niet tot terugkeeren dwingen kon. De versche lucht werkte weldadig; de beweging, die in den koestal der hoeve bespeurd werd, niet minder, zoodat hij Quikkel, dien hij in de verte bemerkte, oogenschijnlijk geheel bedaard en bekomen op zijde trad. Hoog voerde hij hem echter te gemoet: ^Hopman! de tijd schijnt u min kostbaar dan mij. Ik moet gaan en kan geen oogenblik langer wijlen; het zal reeds schemering zijn eer ik in de stad ben...quot;
«Vleit de schemering u dan niet bij het werk, dat ge ondernemen gaat, driftige jonker?' vroeg hij stekelig.
'238
»De brief is gereed en ligt daar ginder,quot; ontving hij tot andwoord.
»Uw geleide evenzoo. Ge ziet, dat ik de uren niet nutteloos voorbij doe gaan. We zullen uw balsturigen makker roepen. Beid mij hier.quot;
Spoedig stond het geleide met Kolterman en Freêrijk reisvaardig. De tocht kon echter niet aanvangen voor dat de Hopman daartoe het bevel gaf en deze was weder naar binnen gegaan en kwam niet terug. Zoo Kolterman een blik ware veroorloofd in de kamer, die iiij straks verlaten had, hij zou er Quikkel in druk gesprek hebben bespeurd met Marten, dien hij uit de bedstede had te voorschijn doen komen. Waarschijnlijk had de jonkman eenige belooning ontvangen voor wat hij daar had verduurd, indien hij het andwoord van den knecht op de vraag des Hopmans had mogen vernemen:
»Gants niet duidelijk was mij dat alles. De een droeg zich schappelijk. de ander als een jankende ketter; maar eens waren zij 't niet.quot;
«Goede reis!quot; klonk het hem eensklaps in de ooren. Het was de stem van Quikkel, die naar buiten trad. Weldra repte men de voeten en toen Kolterman den hoek omsloeg en nog een laatsten blik achterwaarts wierp, zag hij den Hopman hen nog altoos nastaren.
De aanvoerder had zich, zonder daartoe uitgenoodigd te zijn,tus-schen Kolterman en Freêrijk geplaatst, zoodat het den eersten, al had hij het gewild, onmogelijk was met zijn broeder te spreken. Het onderhoud, door den aanvoerder aangeknoopt, sleepte spoedig, door het stilzwijgen van hem, tot wien hij sprak. Kolterman overpeinsde, wat hem te doen stond. Wat hij gewild had, was hem tot dusverre gelukt, hoewel het hem zwaarder was gemaakt, dan hij het zich had kunnen voorstellen. Maar wat hij deed, was nog slechts de minste helft van den moeielijken arbeid, dien hij noodig wist en thands ondernemen ging, zonder uitzicht op ondersteuning van buiten. Daar lag de stad voor hem in hare schijnbare rust, zich badende in den gloed der avondzon, en nog immer bleef hem het gewapend geleide ter zij.
«Ware het niet geraden ons niet verder dan tot aan de poort te vergezellen?quot; vroeg Kolterman. »Het mocht argwaan wekken, indien ge gewapend naar den intocht stondt.quot;
»We zullen het geweer afleggen. Heer!quot; andwoordde de knecht, die hem daarbij scherp in de oogen zag. »De Hopman beval mij, u tot aan uwe woning te geleiden; en mij wordt het bericht afgevorderd, dat ge veilig bij Heer Willem .lansz. zijt afgestapt.
»Heer Willem .Tansz.?quot; vroeg Kolterman verbaasd.
«De Hopman wist toch, dat gij dien het liefst tot uwen gastheer verkiezen zoudt, uit aanmerking van zijn bekenden ijver voor de zaak Zijner Excellentie.quot;
Kolterman wederstreefde niet langer, hoe ongevallig hem de beschikking van den Hopman ook ware. die wel tot den einde toe zijn argwaan was getrouw gebleven. Weldra trad hij het huisver-
â¢239
trek binnen van den verbaasden Burgemeester, die den zendeling van Mijnheer den Stadhouder geenszins had verwacht.
Freèrijk werd vervolgens naar de plaats ziiner bestemming gevoerd. Sprakeloos had hij den langen weg afgelegd; zonder een woord te spreken zag hij Kolterman in de woning van Willem Jansz. verdwijnen, trad hij in die zijns vaders en stond hij tegenover de oude A.nna, die hare rimpelige armen van blijdschap om zijn hals sloeg, en snikkende hem welkom heette. «Zijt ge daar, mijn jongen! Och, ik dacht u reeds verscheurd door de klauwen der ketters, die er soms uitzien als wilde beesten, zooals ze vertellen. Wat uw vader blij zal wezen! De man teerde weg in zijn wambuis, dat ik al heb moeten innemen. Het is hier een klaaghuis, en het knekelhok van de St. Pancras wordt nog meer bezocht dan deze woning. Maar kom dan toch, Freèrijk, jongen! rust wat uit, en sterk u met wat krachtigs. Ik heb nog een eèlen varkenspoot en weet den weg naar den kelder. Zie, ik besterf het nog van blijdschap; maar nu is alles voorbij...!'' Oude Anna snakte naar adem. Freèrijk maakte van dat oogenblik gebruik. »Voer mij tot Marijken,quot; sprak hij koud.
»t Is waar ook, gij weet daar niets af,quot; zeide Anna; sde juffer kreeg zulke wonderlijke vizioenen en werd zoo wild, dat het uwen oom goed dacht haar onder eene heilige hoede te stellen, waar zij met hulp der Heilige Moeder Gods weèr herstellen zal. Ze was altoos een weerbarstig meisjen, maar ik hield van haar als van mijn eigen kind, zoo de Heilige Moeder mij er een had gegeven. Ik ben ook naar den Pater gegaan en offerde een waskaars van drie duiten, en bad een Ave...quot;
»Vrouw, revel niet langer!quot; riep Freèrijk. »waar is zij?quot;
â¢gt;Ze is besteed in het klooster van St. Ursula,quot; andwoordde Anna verschrokken.
Hij keerde zich om, en holde de deur uit, zonder dat het dei-krijtende dienstmaagd gelukte hem te weerhouden.
HOOFDSTUK VII.
))En ge danktet gewis uw Schutspatroon bij den dood van den baarlijken duivel, dien de moeder der barmhartigheid naar de hel verhuizen deed!quot; riep Willem Jansz. uit, terwijl hij zijn zit dichter aan de stevige houten tafel schoof, nadat Kolterman, die zich als Arent Willemsz. had doen kennen, zijn verhaal had geëindigd, hetwelk de eerzame burgervader dikwerf de Heiligen had doen aanroepen en vrouwe Aafken en hare dochter in haren arbeid had gestoord. sWel te pas heeft Mijnheer de Stadhouder u hier doen komen,quot; vervolgde hij. «Ware iiet niet reeds zoo laat, ik riep de Vroedschap bijeen, tot groot ongerief van onzen Volkertbuur, wien het zwaar valt de oogleèn open te houden na achten. Moeder!quot; zeide hij, zich tot Aafken wendende, gt;nve mogen onzen gast wel wat courtoisye aandoen, zooals ze ten Hove dat noemen. Een kan-neke malvezij schuilt er nog wel in een hoekjen.quot;
»Het zal zwaar vallen het te vinden, Vader! Ook is het al bijkans tijd tot het avondmaal,quot; andwoordde Aafken, die niet bereidwillig scheen om aan het verzoek haars echtgenoots te voldoen.
b Al wel, alwel,quot; bromde Willem .lansz , die een kleur kreeg over het tegenstreven zijner vrouw. ^Zou men niet denken, dat we aan den uithoek van Holland gantschelijk der gastvrijheid waren afgevallen. evenals onzen Koning en Heiligen \ ader, dien de Gebenedijde hoede! Haastig gezocht. Moeder, en nu naar een paar uitgezien. want uw tegenstribbelen heeft mij de keel nog drooger gemaakt en die van onzen vriend evenzeer.quot;
»Vriend!quot; prevelde de vrouw, terwijl zij opstond en de kreuken uit haar bouwen sloeg.
»Geef u seen moeite om mijnentwille, vrouw!quot; zeide Kolterman buigende. »Ik kan beiden tot het avondmaal, en een gewone dronk is mij voorzeker reeds verkwikkend na zoo lang een tocht.
«Moeder!quot; sprak Wenda zacht, »laat mij zoeken. Ik weet wat vader meent.quot;
Beide vrouwen verwijderden zich fluisterend. In den gang gekomen, scheen moeders verbolgenheid nog weinig bedaard. »Het is
241
héél wat, om nog meer beroering te brengen in de arme stad en dan nog kallen van gastvrijheid en mild onthaal!quot;
»Stil, moeken,quot; fluisterde VVenda, terwijl het blanke voorhoofd, dat in witheid wedijverde met het mutsjen of kapjen dat haar dekte bijkans zoo rood werd als de blos op haar koon. »Hij ziet er toch niet uit als een twistmaker. Wat hij niet verduurd zal hebben in den vorigen nacht!quot;
Terwijl beide mannen daarbinnen, de een verbolgen over de barsch-heid zijner vrouw, de ander verlegen met zijne houding, elkaar stilzwijgend aanstaarden of de oogen richtten op de voorwerpen die hen omringden, moge de lezer even de ronde doen in het vertrek. Het kon de pronkkamer niet zijn van den welgezeten burger, die het ambt, dat hij bekleedt, niet zoo zeer dank weet aan zijne buitengemeene schranderheid, als wel aan zijn niet gering vermogen, hetgeen geene verwondering mocht baren in eene stad, waar de vroede mannen of vroedschappen in de wandeling de rijkdommen werden genoemd. Evenmin was 't het kookhuis, waar menig eerlijk poorter met zijn gezin op gewone dagen plaats nam, maar veeleer een kamer tus-schen beiden in. De muren waren niet beschoten, maar blauwwit, terwijl een eikenhouten buffet met ettelijke fluiten en roemers in zijn sierlijk snijsel wederom getuigenis gaf van de treffelijke »constequot; dier dagen. Langs de wijde schouw stond eenig voor die tijden fijn aardewerk gerangschikt, terwijl de vloer van wit geschuurd hout eene zware eikenhouten tafel droegen ettelijke stoelen met hooge lederen ruggen, waarvan een, die van den heer des huizes, bovendien nog met een kussen was voorzien. Een dikke waskaars op een koperen kandelaar, waaraan de versierselen niet ontbraken, spreidde niet meer dan een schemerlicht in het vertrek en liet de hoeken er van bijkans geheel in het duister.
»En gij wilt uwen last liefst niet eer openbaren dan in de vergadering! Ik twijfel niet of het geschiedt om goede redenen, echter ontveins ik u niet mijn verlangen naar de voldoende opening der zaak. Ik bid u slechts mij mede te deelen of uwe sekrete kommissie van moderatie rept.quot; De Heer Burgemeester dacht zich reeds op het stadhuis, waar hij het weinig Waalsch, dat hij kende, uit de ordonnantiën der Grafelijkheid had geleerd.
nGeenszins; veeleer het contrarie van dien,quot; hernam Kolterman.
Moeder Aafken was middelerwijl weder binnengekomen: zij had zich bij het spinnewiel nedergezet en liet het wieltje driftig snorren.
))Het ware wel jammer,quot; zoo viel zij in, »als de vreemdeling den landzaat niet dwong zijn voorbeeld te volgen en te pijnigen en te martelen als het wilde gedierte.quot;
Kolterman zag haar doordringend in het scherpe gelaat. Het was een stoere vrouw, wier krachtige gestalte alle gedachte aan bevalligheid buitensloot. Het aangezicht met zijne grove wangbeenderen en het gerimpelde voorhoofd wekten een soort van ontzach,
16
Dl'. EERSTE DAG.
â¢242
maar zulk een als meer gevoeld wordt voor lichamelijke kracht dan verstandelijke sterkte. De scherpe trekken gaven echter aan het geheel iets bestemds, gaven het een vaste uitdrukking, en de ge-hogen neus en gepunte kin zelfs een schijn van snerpende bitsheid. Haar jak was zwart, hare bouwen echter rood; beide naderden meer de Bourgondische dan de Spaansche snede.
«Wel hard is uw oordeel over Mijnheer den Stadhouder,quot; hernam Kolterman.
))Van dien spreek ik niet, overmits ik reppe van don vreemdeling, en de Graaf van Bossu zoodanig een niet is.quot;
»Dus doelt ge op . . .?quot;
Willem Jansz. liet hem niet uitspreken. sWijvengekal,quot; riep hij toornig, »dat ons aan den bedelstaf brengen kan en den toorn Zijner Excellentie berokkenen!quot; De Burgervader bedacht niet, dat hij uitsprak wat zijne vrouw slechts aanduidde. »Wijvengekul. dat ge-wisselijk verstomt als den Geus de snavel gesnoerd is! Wat troebelen tref ik toch in deze benarde tijden! Het is niet genoeg, dat we op straat worden omgeloopen door de kalissen en bedelaars, zelfs binnen 's muurs vind ik de eigen onrust. Niet dat mijne vrouw eene kettersche is, Heere!quot; voegde Jansz. er voorzichtig aan toe, »dat bedoel ik geenszins.quot;
«En al ware het zoo, Heere Willem, ik zou haar wellicht beklagen, maar zekerlijk niet vervolgen,quot; andwoordde Kolterman, terwijl hij op ieder dezer woorden drukte.
Vrouw Aafken zag hem een oogenblik aan en vergat daarbij het wieltjen te laten snorren. Haar gelaat teekende minder terug-stootende koude. »Waar Wenda blijftzei ze opstaande. »Het kind schijnt wel te dooien,quot; en meteen verliet zij het vertrek.
»Een schiander wijf en dat vroeger zoo vrolijk was als nu ernstig!quot;
»Maar ook de jaren...!quot; hernam Kolterman. »Wel schatte ik haar juist niet zoo oud,quot; voegde hij er haastig bij.
sNeen, het zijn niet alleen de jaren... Soms verzoekt mij de duivel om te gelooven ...quot; Hij vulde den volzin niet aan. »Ik hoop maar. dat de Vroedschap krachts genoeg heeft om de bevelen zijner Genade te volgen en alzoo het oproerig gespuis ter poorte uit te drijven.quot; Hij kon zich toch niet anders voorstellen, dan dat dit de kommissie van den zendeling zijn moest. »Zijne Excellentie hale de banden wat sterker aan om de handen der Hollanders. Ik wil meester zijn in mijn eigen huis, de Vroedschap leere het te worden in de stad en Zijne Excellentie in de voogdij. Alles verloopt en de warring ter zee en te land. Onze vaderen wonnen in stilte en vrede het stukjen broods en wat boter daarbij. Ze lieten den Heer Graaf in zijn regiment en voeren er wel bij. Och, gave God en Zijne lieve Heiligen, dat het weder alzoo wierd!quot;
»Wel wenschte ik naar vrede en eendracht,quot; zeide Kolterman. Hij
243
zag als ter sluiks naar de beide vrouwen om, die weder binnentraden en de kan malvezij en twee roemers daarbij op tafel nederzetten.
»Doet ge ons geen bescheid?quot; vroeg Willem aan zijne vrouw op gullen toon. »Een dronk wijns doet het bloed goed en jaagt de kwade dampen weg uit liet brein.quot;
»Matiglijk te leven is Christelijk te leven,quot; hernam Aafken.
»Zou men niet denken den plakvoerder van St. Gommer te hoo-ren!quot; riep Willem Jansz., terwijl hij daarbij zijn gast aanzag. »Volg zelve uwe lessen beter op,quot; vervolgde hij in drift, sis het niet alsof een roemer wijns haar in doodzonde zou brengen, de devote moeder, die op vastendag haren lust in verboden spijze niet bedwingen kan !quot;
Aafke bloosde even en sloeg de oogen neder. Hetzij dat ze begreep ongelijk te hebben, of dat ze, bekend met het doordrijvend charakter haars mans, het beter vond hem het laatste woord te gunnen en den twist, reeds zoo onwellevend aangevangen in het bijzijn eens vreemden, niet voort te zetten, zij zweeg. Wenda had beurtelings vader en moeder met angst aangezien en wierp van tijd tot tijd steelsgewijze een blik op den vreemdeling, die bezig scheen het snijwerk van zijn stoel te bezichtigen. Zij waagde het ten laatste op te rijzen, naar haar vader te gaan, en haar blanken arm om diens bruin gebranden hals te slaan. Liefkozend sprak ze: »Vader, ge vergeet uwen gast en u zeiven. Mag ik den roemer eens vullen? Ik doe het zoo gaarne!quot;
Willems toorn scheen ontwapend. Wel mocht Kolterman in zich zeiven de opmerking maken, dat dit kind gewis als een schutsengel tusschen man en vrouw instond, dat dit kind, om hare zachtheid aangebeden door beiden, de eenige band was die de ouders omsloot.
«Best, Wend, schenk ons een vollen roemer. Onze gast vatte ge-wisselijk een wonderlijk denkbeeld op van onze courtoisye ter dezer stede, zoo gij er niet waart.quot;
«In het eerste doet gij u zeiven onrecht,quot; zei Kolterman, smaar certeyn, al ware het zoo, liet zou in mijn oog den goeden naam uwer stad niet langer kunnen schaden, zoodra ik uwe dochter had leeren kennen.quot;
Het gesprek sleepte een oogenblik. Wenda was naar hare plaats teruggekeerd en boog zich eenigszins blozend over haar arbeid en liet de naald door het ruwe en stevige linnen glijden; terwijl moeder Aafken het vlas haspelde eti spon.
Willem Jansz. vond geen rijkere stof voor het gesprek dan den toestand der stad en begon dan ook weder daarover te redekavelen. De ballingen waren volgens hem niet talrijk, maar stoutmoedig; hij hoopte echter met behulp van eenige krijgsknechten den euvelmoed te bedwingen.
Kolterman knikte hem stilzwijgend toe, ten teeken van zijne instemming met het gesprokene.
244
«Duskrijgen we vreemde knechten in onze stad?quot; vroeg Aafken beangst, terwijl zij Kolterman met de oogen ondervroeg. ^
»Ik begrijp den angst der ballingen, maar niet den uwen, vrouw!quot; hernam Willem, terwijl zijne wenkbrauwen zich ironsden.
»Zijt ge dan vergeten wat onlangs ia Rotterdam voorviel? Vader, zoo niet ter liefde der stad dan toch ter liefde van Wenda acht ik , dat ge zulk een uiterste schuwen zoudt. En dan de ballingen, gij stelt ze voor als zeer gevaarlijk! Het zijn meest eerlijke lieden, van have en goed beroofd, en die stil en vreedzaam zouden leven, als.
»Men ze leven liet zoo als zij wilden,quot; hernam Willem; »als men ze de kettersche preek liet bijwonen en de heilige beelden liet bestormen; als men het oranjevendel uit de St. Pancras stak.
»Wel vreemd komt mij de verdediging der ballingen en Geuzen voor in den mond van vrouw Aafken,quot; merkte Kolterman aan. die begreep zich thands mede te moeten doen hooren.
»Vreemd, Heer?quot; vroeg Aafken scherp. »Wat reden zou ik hebben de zwervers te haten, die eene dwingelandij ontvluchten, erger dan een moord. Ik verdroeg het niet, zoo een vreemde zich mengde in mijne huishouding, en mijn spinde of kast ging onderzoeken ter keuring van linnen of spijs. Hoe zou ik het hun dan euvel duiden, indien ze meenen meester te zijn van hun eigen hart.
))Dat is eene kettersche reden.quot; riep Willem bijkans angstig uit, terwijl hij een smeekenden blik wierp op zijn gast. «Acht hare woorden niet. Heer, en breng geene oneer over dit huis!'
5)Ik ben mij geener ketterij bewust en zou niet schroomen de kommunietafel te naderen,quot; vervolgde Aafken, die geen acht sloeg op de stilzwijgende bede van W enda, om niet voort te varen. »Het kwam wel ver met onze privilegiën, als we in onze huizen niet meer onze meening mochten uitspreken. Ik meen. dat het der Heilige Kerk juist geene afbreuk zoude doen als men wat meer zachtheid en wat minder scherpte gebruikte tegenover die van de nieuwe leer. Heb ik ze niet gehaat met een vreeselijken haat, en was ik daarin niet eenstemmig met al de ijveraars ter dezer stede? Maar ik heb ze leeren kennen, en hoe verderfelijk hunne leerstellingen ook zijn mogen, zoo als de monniken beweren, hunne daden zijn het niet, en men zal toch den boom kennen aan de vruchten.quot;
Kolterman vergat bijna zijne rol. Wel moeielijk was zijn toestand tusschen man en vrouw bij eene rede als de laatste voerde, bij eene rede, die zooveel rijpheid van oordeel kenmerkte en christelijke liefde meteen. Hij had Aafken wel willen omhelzen; hij vond haar bijna schoon.
«Reken het haar niet toe,quot; zeide Willem, die nauwelijks van zijn verbazen bekomen kon, en zijne vrouw, die altijd, zij het ook na eenigen kamp, naar zijn wil gewoon was te buigen, thands eenigs-zins onthutst bleef aanzien. Aafken had in elke andere omstandigheid ook gezwegen. Zij vermocht het echter niet, nu zij, nog onder
245
den indruk van hetgeen ze bespeurd had, tegenover den zendeling des Stadhouders neerzat, in wiens hand zij het heil der stede dacht.
»lk kwam van daag,quot; vervolgde zij, »bij weêuw Dirk Pauwelz aan den Vissehersdijk, die met haar zeven kinderen alleen zit en sinds dagen geen stuk zwart broods in de spijskast had. Ik hoorde van de ellende en ging er heen. De arme teerde op een Ruyter-schen blank in de week, die ze van de St. Gommers Kerk ontving, en ware reeds lang doodgehongerd, indien niet de vrouw van Rijkert Claesz haar gesteund had met de penningen der Kalvinisten. Dat was toch Christelijk, en de arme vrouw verhaalde mij. hoe haar ten huize van den prediker de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan was verklaard.quot;
))Een weèuw met zeven kinders!quot; zeide Willem. »Het ware ook een goede aanwinst voor de kleine gemeente, en het vulde de armzalige schuur, waar ze, naar ik hoor, tegen de plakkaten Zijner Majesteit de geheime vergaderingen houden tot verpesting der goede zeden; want wat daar gebeurt mag de eerbaarheid onzer joffers en vrouwen pijnen.quot;
»Wierd het bewezen.quot; hernam vrouw Aafken, sik zou zwijgen! Maar dergelijke beschuldiging schijnt een stevig fondament te missen. En dan nog komt liet ons weinig toe daarover te spreken. Wordt bij ons de band van het bloed geen geweld gedaan, en vervolgt de vader niet zijn eigen kind? Ging Heer Freèrijk niet uit om zijn zoon over te leveren, zijn eenigen ... ?quot;
))Dat is grovelijk gelogen en ik verdraag niet langer dergelijke spraak.quot; zeide Willem. «Hij ging uit om onzen kwelduivel, den vermaledijden ketter te vangen, die zeker met den Euvele in verbond staat en zich onzichtbaar weet te maken telkenreize als hij gezocht wordt. Hebben we niet allerwegen gespeurd om hem in handen te krijgen, daar het stillen der beroerten daarvan afhangt? Het gerucht loopt, dat hij de stad is ontweken voor een paar dagen geleden, en dagteekent de veranderde geest der burgerij niet van dat tijdstip? Heer Arent!quot; vervolgde hij, zich tot Kolterman wendende, »gij zult bij den Heer Stadhouder vaak genoeg over dien spion hebben hooren spreken!quot;
«Gewis, en men heeft vroeger een prijs op zijn hoofd gesteld van honderd daalders.quot;
sliet moet een zonderling rap jonkman zijn,quot; hernam de vrouw. »Zaagt ge hem ooit?quot;
«Vaak,quot; hernam Kolterman.
»Licht dit toe, ik bid u,quot; zeide Willem. «Heer Freèrijk achtervolgt hem uit goede oorzaak. Ik zou mij alevel gelukkig prijzen, indien ik beter slaagde. Ook komt het mij meer toe dan hem. die naar ik verneem zijn bloedmaag is. Toen ik uw vriend den Admiraal Boshuyzen laatstelijk onderhield, kwam die jonkman ter sprake, dien hij gevangen wenschte. Hij bad mij echter, zoo hij hier in
240
hechtenis raakte, hem niet op te zenden naar Amsterdam, maar hem te behouden totdat de beroerten gantschelijk gestild waren en hem dan te laten ontsnappen. Ik verwonderde mij des, maar hij gat mij ten andwoord, dat die zake hem pijnde, weshalven hij verzocht daaraf niet meer te reppen. Alleen gaf hij mij nog te kennen, dat de spion geen gewoon mensch was, hetgeen ook blijkt uit al hetgeen er met hem is voorgevallen. De booze beschermt hem gewisselijk, besloot Willem, terwijl hij zich kruiste. »lk hoorde dan ook een zonderling voorval hem betrelfende Vrouw Aafken kon zich niet weêr-houden nader te schikken, welk voorbeeld door Wenda achtervolgd werd. «Misschien is het niet oirbaar het thandste verhalen,quot; vervolgde de burgervader, ))het mocht de vrouwen doen ontstellen. Hij zelf huiverde echter meer dan zij, van wie hij het vermoedde.
«Het was in Amsterdam, 'savonds laat. De jonkman ging den Dam over, achtervolgd door den Gerechte. Daar zag een poorter een donkere gestalte, geheel in het zwart, voorbij ijlen. Deze had hem niet zoo nauwkeurig gageslagen, indien hij niet ontroerd ware geworden door den blik zijner oogen. die als twee kolen yuurs in de kassen glommen. Juist verdeelden zich de wolken en hij zag lange, blonde hairen. Van angst bleef hij echter staan en sloot hij de oogen, die hem pijn deden; zeker van dien vurigen blik. Toen hij ze weêr open deed, zag hij de zwarte gedaante een huis in den omtrek binnen snellen, wat hij den aansnellenden Schoutendienaars aanwees. Men omringde het huis, waar een bekende Kalvinist woonde; men drong het binnen; alles was leèg, maar onder den schoorsteen in een opkamer vond men een lange zwarte gedaante liggen. Men juichte reeds, dat men den aterling had, maar toen een der dienaars er de hand aansloeg, bleek het niets dan asch. De dienaars, die buiten waren gebleven, verzekerden onder eede, dat ze een schim in menschelijken vorm den schoorsteen hadden zien uitvliegen, en sinds dat oogenblik wil niemant dat huis betrekken, hoewel de pastoor der Oude Kerk, een der sterkste duivelbanners, het gant-sche huis met wijwater heeft besproeid.quot;
Wenda schoof den stoel wat dichter bij dien harer moeder en wierp een onrustigen blik in het ronde. Vrouw Aafken was mede onder den indruk van het gehoorde en voelde haar het hart. kloppen, hoewel zij zich zelve poogde diets te maken, dat het verhaal een sprookjen moest zijn. Zij trachtte echter buiten den kring harer gedachten te treden en vroeg daarom Kolterman, die met een spotachtigen glimlach om de lippen het verhaal had aangehoord: »En gij. Heer, zaagt hem mede? Zoudt ge meenen dat hij werkelijk met den Booze in verbond stond?quot;
sik heb reden daaraan te twijfelen,quot; zeide hij, zich tot ernst dwingende. ))lk zag hem ook in Amsterdam en zelfs zeer onlangs bij Mijnheer den Stadhouder, waar hij zijn zoen met Zijne Majesteit en de Heilige Kerk sloot.quot;
247
»Waart gij daarbij tegenwoordig?quot; klonk het verbaasd uit Wil-lems mond. «Heeft liij boete gedaan en kwam liij tot ons over?quot; Weet gij zeker, dat liet geene bekoring was, die Mijnheer den Stadhouder en u misleid en den blik heeft beneveld, zoodat gij den duivel zaagt in de gedaante eens Heiligen?quot;
»Stel u gerust. Ik zag hem in werkelijk menschelijke gestalte.quot;
«Voorzeker, een goede winst, indien bet werkelijk waar zij en zijn verbond met den duivel door zijne boele is verbroken!quot;
»Hoe kan dit anders, Heer, als de Heilige Kerk hem aanneemt?quot; hernam Kolterman, terwijl een fijn grimlachjen zich daarbij vertoonde.
»Waarlijk, het verrast mij daar niets van gehoord te hebben.quot;
»Dat kost ge ook niet, overmids het slechts voor een etmaal geschiedde.quot;
De dienstmaagd kwam binnen met het avondmaal, dat uit brood, boter, kaas en wat bier bestond. »Duid het mij niet euvel lieer, indien ik verlang naar een stuksken brood, en naar spoedige rust. De reis is vermoeiend geweest,quot; zeide Kolterman.
»Dat ik daaraan niet vroeger dacht!quot; andwoordde de gastheer, terwijl hij zich aan tafel zette, waaraan allen, met inbegrip der dienstmaagd, plaats namen. Willem Jansz. maakte met eerbied zijn kruis. Kolterman volgde hem na, en zag daarbij tot zijne bevreemding de oogen van Aafken stijf op hem gevestigd. Met graagte werd het eenvoudig maal genuttigd. Kolterman voelde zich gesterkt en opgewekt en beandwoordde de veel vuldige vragen van zijn gastheer; en hij verhaalde van de algemeene zaak, tot geen gering genoegen van Wenda, die als aan zijn lippen hing. Eindelijk dacht men er aan zich ter ruste te begeven, toen de klopper op de buitendeur neerviel. »Een bezoeker tegen het vallen van den nacht! Een vreemd uur om een gast te ontvangen!quot; prevelde Willem, die de dienstmaagd echter een wenk gaf de deur te gaan openen. De onverwachte gast trad binnen; het was broeder Martinus. Het was aan Aafkens gelaat te zien, dat het bezoek haar niet zeer welkom was. hoewel de rang en het aanzien van den binnentredende haar weerhielden het te duidelijk te doen blijken. Willem stond op. en ging den monnik eerbiedig te gemoet en stelde hem Kolterman voor. Toen Martinus dezen zag en opmerkzaam beschouwde, teekende zijn gelaat de grootste ontroering.
«De zendeling van Mijnheer den Stadhouder, Heer Arent Willemsz. van Amsterdam,quot; herhaalde Willem Jansz., alsof hij vermoedde dat de monnik hem de eerste reize niet goed had verstaan. «Broeder Martinus van de orde der Augustijners, kettermeester binnen Enk-huyzen,quot; zeide hij tot Kolterman. Deze verbleekte, maar herstelde zich spoedig en voerde hem hoffelijk te gemoet; »Het gelaat van uw Eerwaarde mocht mij onbekend zijn, uw persoon was liet tocli niet. Ik hoorde Mijnheer den Stadhouder dikwerf van u gewagen; in
'248
welken geest behoef ik uw Eerwaarde gewis niet aan te duidenp ik zou het ook niet kunnen zonder uwe zedigheid te kwetsen.quot;
Martinus beandwoordde de begroeting met een koele buiging. »Het uur van mijn bezoek vordert eene verontschuldiging, Heer Willem,quot; zeide hij, terwijl hij ging nederzitten op de plaats van den Burgemeester, die door dezen hem was ingeruimd. »De aankomst van uw gast werd mij reeds aangezegd, en bracht de meest verscheiden werking in de stad te weeg. Ik wenschte den Gekom-mitteerde zelf te ontmoeten, om van hem te verstaan, welke last hem was opgedragen, en mij met-een te verzekeren van den welstand, zoo geestelijk als lichamelijk der uwen.quot;
üij de laatste woorden zag hij even naar de beide vrouwen. ïUwe vrouw en dochter werden sedert ettelijke dagen ter misse in de St. Gornmer gemist.quot;
»Wij gingen in de St. Pankras,quot; hernam de vrouw. ^
«Dus buiten uwe parochie, daar deze toch de St. Gommer is, merkte Martinus aan.
))En volgden daarbij onze neiging, die zich niet langer verdroeg met de lange sermoenen van den Pastoor der St. Gommer, hernam de vrouw bits. »Ik kon niet vermoeden. Eerwaarde \ ader, dat het in zulke mate uwe tedere bezorgdheid opwekken, ja zelfs uwe aandacht zoude verdienen,quot;
sin deze dagen wekt het openblijven van een bidstoel dadelijk de aandacht, en bet is mijne schuld niet, zoo men bij het wegblijven van sommigen terstond aan iets euvels denkt,quot; hernam de monnik
streng. - , , ⢠i
De vrouw wendde zich naar hare dochter. »\N enda, het is tijd te bed te gaan. Ik wensch uw Eerwaarde een gerusten nacht, na welke begroeting zij, door hare dochter achtervolgd, verdween.
sik voel mij altoos beklemd als ik zijn Eerwaarde zie,quot; zeide Wenda. terwijl zij moeders hand in de hare klemde; «moeder, heeft hij macht over ons?quot;
»11 ij is immers een monnik!quot; mompelde de moeder wrevelig, s Wenda, bid de Heilige Maagd, dat Ze ons van de monniken ver-losse.quot;
Beneden was het gesprek levendiger. Martinus had Kolterman aangaande zijne reis ondervraagd en vermocht daarbij niet voor diens scherpzinnigheid te verbergen, dat hij het deed als gold het een verhoor.
sGij zijt wel gelukkig aan de woede der kettersche bende ontsnapt,quot; zeide Martinus ten laatste. »Ook begrijp ik den argwaan van Hopman Quikkel, daar gij uwen lastbrief mistet. De Heiligen moogt ge dank zeggen, dat de Admiraal Boshuvzen u is ontmoet. Waf dunkt u van de plannen der Vroedschap, met den Heer Bos-huyzen voor diens afreize beraamd en door dezen u gewisselijk. medegedeeld ?quot;
249
Listig was de vraag, die Kolterman niet beandwoorden kon. Hij had uit Willem Jansz.' woorden opgemaakt, dat er eenig opzet bestond, maar hij had geen gelegenheid gehad om, zonder argwaan te wekken, in den loop van het gehouden gesprek daarop terug te komen. Zonder zijne verlegenheid te toonen, hernam hij echter: «Behoudens eenige wijzigingen, den Heer Admiraal in der haast medegedeeld, keur ik ze uitstekend. Gun mij echter dat ik voor het oogenblik over mijn last en de uitvoering, die ik daaraan hoop te geven, het stilzwijgen beware.quot;
Martinus' gelaat betrok. De dunne, bleeke lippen trilden. »Ik eerbiedig uw wensch, hoewel ik de aanleiding daarvan niet vat, over-raids gij u onder de warmste aanhangers Zijner Excellentie bevindt. Ik merk uit uw verhaal, dat, Hopman Quikkel u herwaards geleiden deed. Gold u die eer alléén?quot;
Kolterman had tegen Willem .lansz. noch tegen Martinus van de terugkomst des jongen Freêrijks gerept. «Ik geloof van ja. De Hopman was bevreesd dat mij eenig ongeval zou bejegenen van wege het grauw, maar zijne vrees was ijdel. De stad schijnt wel van aanzien veranderd, sedert de Hopman met zijn vendel voor de poort kwam. Ik houd het er voor, dat liet moet worden dank geweten aan de bemoeiingen des Heeren Freèrijk Simonsz.quot;
»Gij vat mijne rede niet, of wilt haar niet vatten,quot; hernam Martinus. «Ge schijnt wél onderricht aangaande Heer Freèrijk Simonsz. voor een poorter van Amsterdam en rechtstreeks van die stad komende. Wellicht zijt ge niet minder goed ingelicht ten aanzien zijns zoons.quot;
»Ik was het niet, maar ik werd het bij den Hopman Quikkel, waar ik hem ontmoette in een staat van waanzin. Ik meende zijn Heer vader, die zich zoo ijverig had betoond in de dienst Zijner Excellentie, geen beter loon voor zijn arbeid te kunnen bieden, dan hem den ongelukkige terug te brengen. Misschien gelukt het hem, den waanzinnige door zorgvuldige verpleging te doen herstellen. Ik merk echter. Eerwaarde, dat ge met den loop der zaak voldoende bekend zijt, en ontveins u dus mijne bevreemding niet over uwe vragen, die mij doen denken aan een verhoor.quot;
Het was thands Martinus' beurt om verlegen te zijn, daar hij door Kolterman gedwongen was geworden zich bloot te geven. Het lag echter niet in Martinus' aard om verlegen te worden. »En al ware dit alzoo, Arent Willemsz.,â dus wenscht ge te heeten, niet waar? â zoudt ge 't euvel duiden, waar u zoo veel moet worden toevertrouwd en op zoo weinig grond ? Ik loochen liet niet, dat Hopman Quikkel mij de toedracht der zaak deed verhalen, ten einde zich te zuiveren tegenover mij, die geboden had den jongen Freèrijk, dien ik niet voor waanzinnig houd, naar Amsterdam te voeren. Men zeide mij, dat u dit werd medegedeeld en gij nochtans op de terugzending des ketters naar deze stad hebt aange-
250
drongen, waar de Geuzen op de been zijn en hem üclit weder buit kunnen maken.quot;
sMaar dienaangaande hebt gij mij niets gemeld!quot; riep Willem Jansz. in drift uit.
»Het betrof ook u noch mij,quot; beet Kolterman den burgervader toe. ))Ik erken uw brief gelezen te hebben, waarbij gij den Hopman zijn gedrag, ten opzichte van den jongeling, voorschreeft, maar ik had toen niet de eer u te kennen, zooals ik heden doe. Broeder Martinus van de Augustijners was mij bekend, ik wist echter niet dat Zijne Eerwaarde tevens het ambt van kettermeester bekleedde. Ik wil echter blijk geven van openhartigheid. Heer! Al ware het mij bekend geweest, ik zou niet anders gehandeld hebben. Ik wist mij afgevaardigde van Mijnheer den Stadhouder, door dezen met eene speciale kommissie belast, wier welgelukken vooral afhangt van de samenwerking van alle trouwe dienaren Zijner Majesteit ter dezer stede. Ik geloofde, dat Heer Freêrijk Simonsz. liet recht had zich onder die dienaren te rangschikken, en hem alzoo niette mogen verbitteren, wetende wat liefde hij zijn kind van der jeugd af heeft toegedragen.quot;
«Maar het klinkt mij wel wonderbaar,quot; riep Willem Jansz. uit, die slechts Martinus gedurende de laatste woorden van Kolterman, had aangezien en het gelaat des monniks zag verdonkeren.
1)Alies verschijnt mij nu in een gants ander licht,quot; vervolgde hij barsch. »Wat vertrouwen moet ik schenken aan de mare, die mij straks reeds zoo bevreemdde, maar toch zoo welkom was. De jonkman verhaalde toch. Eerwaarde Vader, dat de beruchte zendeling des Prinsen zijn zoen in Amsterdam had gesloten.quot;
«Jan Kolterman?quot; vroeg Martinus, ditmaal werkelijk verbaasd. »En dergelijke sprookjens ...!quot;
sik val u in de rede om u later de spijt over een te haastig uitgesproken woord te besparen,quot; zeide Kolterman; »hoe kan het u wonderen, daar gij, die alles weet, ook wel en beter dan ik bekend zult zijn met de waarschijnlijke redenen van den overgang.quot; Hij vermoedde, dat oude Freêrijk en Martinus beiden schuldig waren aan het plotseling verdwijnen des ouden mans. Zijne dwaling hielp hem ditmaal, want Martinus zweeg. Het vermoeden rees bij dezen op, dat de Blonde aan het huis van den Geuzenprediker den ouden Bardos had ontmoet, en dat de laatste, ten gevolge van een overeenkomst tusschen hen beiden, zich onzichtbaar had gemaakt. Van de verzwakking van diens geestvermogens was hij toch nog onkundig, en, hoewel hem nog niet alles helder kon worden, bevroedde hij' toch, dat de oude, die zeker geen kans zag om de in beslag genomen goederen terug te erlangen, den schranderen kleizoon in de gelegenheid had willen stellen daartoe te geraken, door zich zeiven dood te doen verklaren en hem van leuze te laten wisselen.
Van Bardes' verwijdering had hij eerst om ons bekende en ge-
251
gronde redenen ouden Freèrijk verdacht, van wiens oprechtheid hij minder dan ooit overtuigd was, en jegens wien hij zich van den jongen Freèrijk als een gijzelaar had willen bedienen. Dit verklaart voldoende waarom hij den jonkman naar Amsterdam had willen doen voeren en de terugkomst van dezen hem in toorn ontstoken had tegen den onbekende, die bovendien zijn argwaan in geen geringe mate opwekte.
Martinus bleef zwijgen, terwijl hij bedenkelijk het hoofd schudde. Willem Jansz. voelde er zijn onrust en achterdenken door vermeerderen, en als naar gewoonte alle uitersten aangrijpende, voerde hij Kolterman te gemoet: ))Ik vergeef het mij niet, dat ik u een wijle heb geloofd en zonder lastbrief heb ontvangen. Uw gastheeer kan echter een cipier worden, en gij zult hem de sleutels niet afhandig maken door list of suikerzoete woorden.quot;
«Ik bid u, wees bedaard. Heer!quot; zeide de monnik. »Er moet licht komen in het duister, weshalve het noodig zal zijn een bode te zenden naar Mijnheer den Stadhouder, met verzoek om nadere inlichting op dit punt. Inmiddels blijft Meester A rent hier.quot;
Kolterman voelde zich in den strik en bekneld. Hij moest zich daaruit redden, wilde hij niet zijn leven prijs geven en het moeielijk opzet, waarvoor hij reeds zooveel had verduurd, mislukt zien.
»Ik onderwerp mij daaraan,quot; zeide hij, «mids gij mij de gelegenheid laat, morgen aan de Vroedschap opening van zaken te geven. Ik twijfel niet of de inhoud mijner kommissie zal u alle achterdenken benemen en u bewijzen, dat ik niet liefderijk jegens de Geuzen gezind ben. Ik voeg nog daarbij, dat ik om den wille der goede zaak moet bidden mij niet als vijand te behandelen, voor dat het u blijkt, dat ik het verdien. De uitvoering van wat ik op last Zijner Genade voorstel, eischt snelheid, overmids ik in mijne gevangenschap van de plannen der Geuzen genoeg heb gehoord om alle vertraging noodlottig te heeten. Mijn verzoek is, geloof ik, billijk en niet ter prejudicie van hetgeen gij als maatregel van voorzichtigheid zult besluiten.quot;
Willem Jansz. was meer dan half overwonnen en begon te denken lt;lat de jonkman, die dus vermocht te pleiten, wel waardig was de zendeling des Stadhouders te zijn. Hij wilde het echter niet doen blijken voor dat hij het gevoelen des monniks had vernomen. Deze ondersteunde het hoofd met de eene hand en bleef een oogenblik peinzen. ))Ik wil geenszins twijfelen aan de mogelijkheid, dat uw beweren waar zij; slechts is mij de waarschijnlijkheid nog gants niet zeker. Uw voorstel is echter billijk en ik erken, mijn zoon, dat het u verdrieten moet dus te worden gewantrouwd! Wijt het echter aan de warreling dezer bange tijden, die ter nauwernood vriend van vijand doet onderkennen. Ik leid uit de door u gesproken woorden af. dat gij niet zult raden tot een misdadige moderatie, hetgeen volkomen instemt met mijne meeningen u van
mijne ondersteuning verzekert. Nog éene vraag echter. Uw kleedij schijnt mij die eens geringen poorters. Ook ineen ik, dat een val-sche verwe ....quot;
sik erken de scherpte van uw oog,quot; andwoordde Kolterman. »De reden daarvan zult gij mede lichtelijk bevroeden. De weg herwaards was onveilig.quot;
»Doch thands zijt gij in behouden haven, weshalve gij voorzeker de vermomming niet meer noodig zult achten. Het ware alzoo geraden u daarvan te ontdoen, daar ik vrees, dat het anders eer. ongunstigen indruk moet maken op de Vroedschap, die eerlijk en rond handelt en er alzoo prijs op stelt dat hij, tot wien ze spreekt, met geene geleende veèren of valsche verw pronkt.
De aanmerking was scherp en getuigde tevens van een zucht, om Arent Willemsz. alle bedrog onmogelijk te maken. Kolterman boog zich. waarop de monnik opstond, niettegeristaande hij door Willem Jansz. dringend werd aangezocht om nog eenigen tijd te toeven en van de gereed staande spijzen eene bete te nuttigen. Toen de monnik zich gereed maakte te vertrekken en de deur reeds was genaderd, hield iie gastheer hem een oogenblik terug. «Is liet waar, Eerwaarde Vader, wat Wenda mij van Marijken vertelde? Die arme verleide! Wel is Freêrijk ongelukkig, die op zijn ouden dag gants verlaten staat.'
Kolterman werd doodsbleek en onvoorzichtig stamerde hij: »Is haar iets overkomen. Heer?quot;
De monnik, getroffen door de vraag zelve, maar nog meer dooiden toon. waarop zij gedaan werd, keerde zich eensklaps om. »Gij kent haar?quot; vroeg iiij verbaasd. »Zij is dood . . . voor de waereld.quot; Hij poosde eenige oogenblikken voor hij de laatste woorden aan de eerste toevoegde en wettigde daardoor den kreet des jonkmans, die zich aan de tafel vasthield. De monnik trad op hem toe. boog zich tot hem over, en fluisterde: »Slechts een kan bij zulk eene mare droef zijn als gij. Hij zou zich noemen,. ..quot;
«Voleind, mijn vader!quot; zeide Kolterman, die alle kracht verzamelde en hem aanzag.
«Het is nog de ure niet. Ik meen u thands te kennen, maallaat u de gelegenheid te toonen. dat gij waarlijk u hebt bekeerd.quot;
Hij wendde zich af en spoedde zich heen. Toen Willem Jansz. terugkeerde, na hem uitgeleide gedaan en eenige woorden met hem gewisseld te hebben, vroeg hij: «Het scheen dat ge een gewichtige zaak hebt besproken; de Eerwaarde Vader was gants ontroerd.quot;
))Ik deelde hem in het geheim eenig nieuws mede, zijn ambt betreffende, ten einde hem gantschelijk gerust te stellen.quot;
âDe aanleiding was toch wel vreemd,quot; merkte Willem Jansz. aan, die nog eenige oogenblikken zich met zijn gast ondeihield en,, thands niet meer onder den invloed des monniks, zich weder tot den lustigen verteller voelde aangetrokken. Het sloeg tien uur, toen
253
beiden naar boven klommen, na door vrouw Aafken gewaarschuwd te zijn, dat de tijd van rusten reeds lang was gekomen.
De zon scheen vrolijk door de ruiten van Koltermans vertrek, toen hij wakker werd. Zijne wond schrijnde; ze vorderde voorziening eu een nieuw verband. Zij bleek van minder beteekenis dan ze in den aanvang scheen en het bloedverlies, dat echter gunstig gewerkt had, liet vermoeden. Hij opende het venster en ademde de frissche geuren in, die uit de lusthoven, waarop hij uitzag, opstegen. Links lag een klooster, herkenbaar aan de rij kleine vensters, die het aantal cellen aanduidden; het was dat van St. Ursula, welks hof aan de andere zijde lag en alzoo niet door hem kon worden opgemerkt; rechts had hij een heerlijk uitzicht op de lusttuinen der geburen en in het verschiet op de Zuiderzee. Hij staarde een geruimen tijd in de ruimte, en droomde en dweepte en vormde zich onder den invloed der natuur eene toekomst, wel scherp afstekend bij zijn heden. Marijken stond in zijne verbeelding hem ter zijde, en strookte hem de rimpels glad op zijn voorhoofd, en koosde de zorgen weg, die er mochten ontstaan in het huisjen, dat hij zich verkoren had. Droeve werkelijkheid! Marijken was immers dood voor de wereld. Hij kon den zin der woorden niet vatten, en wien zou hij eene oplossing vragen, waarnaar hij verlangend uitzag, hoewel omringd van gevaren, die immer meer dreigden; hoewel in een toestand, die voor ieder ander zonder uitkomst scheen! Zijn voorhoofd gloeide, maar weldadig koelde het morgen win dij en het af, »Alleeti,quot; lispelde hij. »Gants alleen!quot; zuchtte hij nogmaals. »Heere God, wees mij, arme, genadig!quot;
Daar kraakte een voetstap beneden op het voetpad, met schelpen bestrooid. Het was Wenda. Hij herinnerde zich vernomen te hebben, dat deze haar vader de mare betreffende Marijken had aangebracht. Van haar zou hij kunnen vernemen, wat hij wenschte. Spoedig was hij haar op zijde. Zij was bezig eenige viooltjens water en wat meer licht en lucht te geven, zij het ook ten koste van eenige rozenstruiken, waarvan zij eenige stekken afsneed. De arbeid was vermoeiend geweest, want hooger dan gewoonlijk bloosden haar de wangen; hij bleek echter niet te zwaar, want vrolijk was het lied, dat door haar met halve stem werd aangeheven. Zij zag verbaasd en eenigszins verlegen op bij Koltermans groet. «Wonderbaar is mij uwe strengheid,quot; zeide hij, »waar ik juist teedere zorg had verwacht. Dat gij den rozenstruik dus besnoeit, bevreemdt mij toch. Mij dunkt, gij vooral mocht het bootnpien wel plegen en koesteren.quot;
«Waarom, Heer?quot; vroeg zij onbeschroomd,
»Wie heeft zijn evenbeeld niet lief!quot; zeide hij glimlachend.
Wenda wendde het hoofdtjen zonder te spreken. Wat zou zij ook andwoorden? «Maar die bloempjens hebben geen zon genoeg,quot; begon zij ten laatste. sZij zouden verstikken, en ik mag ze zoo gaarne.
De rozenstruik zorgt genoeg voor ziclizelve,quot; vervolgde zij meteen glimlach.
»Waarlijk,quot; zeide Kolterman, getroffen door den eenvoud harer taal en den diepen zin, die er in de daad zelve lag, «waarlijk, ik weet wat mij thands te doen staat in mijn eigen hof. Het is uw voorbeeld te volgen! Wèl gelukkig de nederige, die dus door u wordt beschermd!quot;
Zij huppelde verder, de lieve achttienjarige, die aan de natuur hare vorming te danken had, en haren ouders weinig meer dan het leven en wat liefde en tederheid scheen verplicht te zijn. Zij scheen toch een bloem, niet behoorende in dien hof, een bloem, die wellicht juist zoo schoon was ontwikkeld, omdat geen menschenhand haar had gebogen of gesnoeid, maar de zon haar alleen gepleegd en de dauw des hemels haar gedrenkt had. Schalk stond het ge-zichtjen, dat voorzeker beter ware uitgekomen, indien geen kap het ter halverwege had verborgen; het gezichtjen, dat omlijst verdiende te zijn door het zijden kastanjebruin hair, hetwelk zich even liet gissen.
sGij houdt van bloemen?quot; zeide zij half vragend, toen hij weder naast haar stond. »Vader ziet er niet naar om, die heeft ook gewichtiger arbeid, en moeder noemt de zorg voor den hof nutteloos en eentijdroof. Moeder zal wel gelijk hebben, maar het is mij daar binnen zoo donker. Zie!quot; vervolgde zij eenigszins trotsch, terwijl zij zijne hand vatte en hem voor een ander bloemperk bracht; »ik heb het zelve gewied.quot;
3)Wat vlijt en wat ijver!quot; hernam Kolterman. »Hoe zou men ginder van u kunnen leeren, indien men wilde,quot; vervolgde hij, naar den kloostermuur heenwijzende.
»Van mij? Indien ik u geloofde, gij zoudt mij zonderling hovaar-ditf makeii. Ik wied slechts wat onkruid uit het bloemperk, maar de0Eerwaarde zusters wijden zich aan edeler arbeid. Ze zijn immers de bruiden van onzen lieven Heer?quot;
»En peinzen en mijmeren over de velerlei distelen en doornen, die zij om zich zien: maar gij wiedt ze, Wenda! Wie van u han-(I0It boter ?quot;
Het meisje staarde hem verbaasd aan; zij begreep hem wel niet ten volle, maar voelde toch nieuwe gedachten, door zijne taal opgewekt, in haar brein ontstaan. «Noemt gij 'tdan niet schoon, u af te scheiden van de wereld en niet noodig te hebben te zwoegen in kookhuis en pronkkamer? Mij dunkt, het is wel heilig ,..!quot;
«Zoudt ge u ginder gelukkig prijzen?quot; ......
»Het is niet voor mij,quot; hernam zij haastig, terwijl zij bloosde, sik ben, zoo als moedér zei, maar een wildzang en niet voor de cel o-eschikt.quot; Zij bleef een oogenblik den reusachtiger! steenen wand vaiMiet klooster met de kleine luchtgaten als vensters aanstaren. «Maar daar te zijn opgesloten als men niet moede is ... 1 Me dunkt het valt zwaar.quot;
»Maar dat gebeurt immers niet, Wenda! of weet ge daar iets van?quot; vroeg liij, terwijl hij aan het woord van Martinus dacht betreffende Marijker).
))Gij kent haar toch niet,quot; ging zij een oogenblik als in gepeins voort. Plotseling viel zij weder terug in hare vorige dartelheid en ijlde zij den tuin dieper in, terwijl ze het hoofd omwendde als om te zien of zij gevolgd werd. Hare lippen krulden zich; 7.1] floot, en het geklapwiek der duiven beandwoordde hare roepstem spoedig. »Hoe trouw ze zijn!quot; riep ze vrolijk, terwijl ze het wit satijnen kopje der eene streelde, dat zich boog en uitrekte bij de liefkozing, en later, weggevlogen op den nok der naastbijzijnde schuur, zich de vleugelen nette, als wist ze zich gekrenkt en gedeerd. Kolter-man gaf er geen acht op, hoe Wenda het glimlachend aanzag en als spottend uitriep: »Zie, hoe keurig ze op haar veêren is! Het belooft mooi weêr van daag, daar ze zich buiten waagt; als ze regen vreesde, ze ware in den slag gebleven, de preutsche!quot;
»Zeg mij, Wenda, gij bedoeldet straks Marijken,quot; zeide Kolter-man, terwijl hij haar ernstig inde tintelende lichtblauwe oogen zag.
sMaar wie zijt ge dan toch, gij die haar kent?quot; vroeg zij, zelfs van verbazing een voetstap terugtredend. «Ze is schoon, niet waar?quot; vroeg ze half schertsend, half ernstig, met een glimlach om de lippen en toch een hoogen blos op de wang.
sSchoon .. . zoo als gij,quot; klonk het andwoord.
Wenda schudde ongeduldig het hoofd. Vond zij de vergelijking ongepast, of wantrouwde zij de oprechtheid, waarmee ze gedaan werd ? Het dartele kind van straks werd een schuchtere jonkvrouw, die plotseling begreep tegenover den vreemdeling zich eene te groote gemeenzaamheid veroorloofd te hebben. On voorzie!) tiger echter dan ooit te voren en als toegevende aan eene plotselinge opwelling, fluisterde zij hem toe: «Gij kent haar; zij is u misschien .. . lief?quot;
»Vertel mij, Wenda, mijne zuster â ik mag u immers zoo noemen. hoe kort onze kennismaking ook zij ?quot; âvervolgde hij. toen zij zich omwendde, »vertel mij van haar; ik heb haar vroeger gekend en nam innig deel in haar lot. Is zij gevangen?quot;
«Gevangen? Zij is besteed bij de Zusters. Haar arme oom. die haar verpleegde van der jeugd af. staat nu alleen. Zijn zoon is he)n reeds ontvallen en nu deze ook. Zij moet boete doen wegens hare ketterij, en die boete zal niet te zwaar zijn bij de heilige Zusters, zoo bekend om haren oodmoed en liefde.quot;
))Ge vindt hare misdaad dan wel groot en wenscht voor haar een zwaarder straf?quot; vroeg Kolterman, verwonderd over den ommekeer in haar gevoelen.
«Vindt ge den afval van onze Heilige Kerk dan zoo klei)) een vergrijp?quot;
«Weet gij het dan of zij het ook uit overtuiging deed, uit de vol-
25G
heid barer ziel; durft gij daarover oordeelen, Wenda? Leid rmj liever uwen hof rond; kom, ik heb er nog zoo veel te zien.
Zii bleef staan en zag hem strak aan: haar gelaat had de vnen-deliike uitdrukking verloren; het bloed steeg haar naar boven en purperde zelfs haar voorhoofd. «Gij verdedigt hare afdwaling wel sterk, en moeder hield u voor een verdediger onzer Heilige Kerk, schoon een oodmoedig en nederig volger en geen scherp rechter. ... Heer, ik boude u voor een ketter!quot; ..
5,].oei. Wenda! boe ge gaat dwalen, misleid door uwen ijver; ik had niet zulk een hardheid jegens de arme Marijken vermoed...
»Maar ik ben niet hard jegens baar. Ge legt alles wel averechts uit. waar het die juffer geldt!quot; hernam zij bitter.
Beiden bleven een oogenblik sprakeloos. Eindelijk trad koltermau haar op zij en hare hand nemende, vroeg hij zacht: »Heb ik u bedroefd, lieve zuster? Waarlijk, indien het zoo ware, ik vergat
het mij niet.quot; n
Zii trok hare hand terug en zeide toen gedwongen vrolijk: »Ge achtmii wel een kind en met reden! Vader noemt ine eene meerle, die soms aardig fluit, maar vaak de moezerij kwaad doet; vader
beeft gelijk, niet?quot; ..
»Neen. ^e zijt een zwaluw, die geluk aanbrengt, waar zij haar nestien bouwt,quot; zeide Kolterman week. ))Kom, keeren we ons at van'dien somberen muur; zien wij liever in het groen en naar de
bloemen!quot; ,
»Ik o-eloofdeu straks ook een ketter!quot; zeide zij. alsot ze begreep een reden te moeten geven voor hare vroegere handelwijze; en daar zij de eigenlijke aanleiding niet kon aanduiden, ten deele omdat ze haar zelve niet klaar was, ten deele omdat ze niet uitspreken kon, hetgeen haar daarvan bewust was geworden, wendde zij er maar eene voor. zonder in der haast na te gaan of ze wel houdbaar zoude zijn.
«Gij schuwt de ketters dan wel?quot; .
«Is bet ons niet geleerd? Moeten we dat met? Fluisterend voedde zii er bij: «Maar de arme zwervers zou ik toch met kunnen vervolo-en. Het pijnt mij, dat vader ze zoo scherpehjk behandelt, ofschoonquot; â en ze lachte schalk bij liet woord - »het alleen geschiedt met de lippen... Gij zijt bet nu wel met mij eens, met waar? Ik merkte toch, dal uw hart niet zoo fel is jegens de Geuzen. Neem u in acht!quot; Het laatste woord werd nauw verstaanbaar uitgebracht, terwijl ze behoedzaam in bet rond zag.
0 «Wat beduidt dit?quot; vroeg Kolterman gespannen. »Ge miskent mii Wenda! Ik ben in de stad gekomen om haar te zuiveren van de Geuzen, en ge denkt mij hunne zaak genegen?quot; Hij voelde te ver o-erraan te zijn en zich te hebben bloot gegeven voor Wenda. in wie' hij een dartel, luchtig kind meende te zien, en die toch met fijnen takt had opgemerkt en het opgemerkte m onderling verband had gebracht.
))Ik zoude u wel nimmer broeder noemen als gij 't deedt, en lt;le zwervers vervolgdet. Ik zoude het wel eene gruwzame veinzerij heeten, daar gij het toch niet van gantscher harte kunt doen. Uwe meening was immers straks wel zacht ten aanzien van Marijken; en waarom zoudt ge haar kunnen vergeven, wat ge in anderen veroordeelt?quot;
Da aanmerking was puntig en bracht Kolterman in verwarring. Hij. die zich had weten te vermommen voor het scherpste oog, had zich verraden tegenover een kind.
))Gij moogt Marijken gewissel ijk niet gaarne,quot; hernam hij. die niets beters wist te zeggen om zijn verlegenheid te bewimpelen.
»Dat woord is wel boos. Heer!quot; zeide het meisken, dat zich ijlings verwijderde en moeite deed met de wimpers de tranen te weèrhouden, daar zij de vingeren niet aan de oogen wilde brengen, uit vreeze, dat Kolterman aan die beweging de waarheid vermoeden zou.
Deze bleef het wonderlijk kind nastaren; hij deed geene moeite haar te achterhalen. Zijne blikken wendden zich onwillekeurig weder naar den muur van het klooster, als zocht hij de gevangene, die hij niet verlossen kon en toch verlossen moest. Hij begon te vermoeden wat er in Wendaas harte omging, maar drong de oprijzende gedachte blozend terug, en toch droeg zij er toe bij om het meisjen hem liever te doen zijn. Wenda had niet kunnen veinzen. Hare vriendschap, ja, hare ontkiemende liefde, waren het natuurkind te sterk geweest. Het pijnde hem echter de oorzaak van Wendaas eerste smart te zijn, Wenda, die hern van stonde aan zulk eene minnelijke verschijning was, en die hij begreep in den vervolge minder dan ooit diis te mogen noemen.
De grove stern van quot;Willem Jansz. stoorde hem in zijne gepeinzen. Wenda werd naar binnen geroepen; zij spoedde zich naar het iiuis, terwijl zij haar vader van hare nadering reeds van verre kennis gaf. Zij wilde Kolterman ijlings voorbij snellen, doch toen zij hem nabij was, bleef ze staan.
^Ga niet naar het Raadhuis, ga niet naar de Vroedschap,quot; zeide zij zacht.
Kolterman meende, na de laatste door haar gesproken woorden, dat zij liet wenschte in het belang der arme zwervers, die ze misschien in haar hoede nam om dezelfde reden als haar viooltjens, en andwoordde daarom:
«Bekommer u daarover niet, Wenda! Ik moet den last van Mijnheer den Stadhouder..
»\Teen, dat is het niet,quot; hernam ze. terwijl het kleine voetjen trippelde van drift. »Men wil u gevangen nemen op het Raadhuis en u daar heimelijk bewaren. Men zal de Vroedschap onder den eed nemen, zoodat er geen haan naar kraait! Ga niet naar het Raadhuis!quot;
»Men heeft u misleid. Hoe zoudt gij 't ook weten?quot; vroeg
17
DE KEUSTE D.\(i.
'258
Kolterman, maarthands ongemeen bleek en op fluisterenden toon.
))Is vader Martinus gister avond niet hier geweest, en deed mijn vader hem geen uitgeleide?quot; vroeg Wenda. »Toen ik van morgen naar beneden ging hoorde ik uw naam noemen. Ik vernam verder het plan, dat ik u heb medegedeeld. Verlaat om eene of andere reden dit huis, dat voor u wel gevaarlijk is geworden, en daarna de stad.quot;
«Lieve zuster!quot; hernam Kolterman bewogen, en zijn voornemen vergeten om jegens haar voortaan koel te zullen zijn, sik dank u voor uwe deelneming in mijn lot; ik kan echter niet ontgaan wat over mij besloten is. Ik moet naar het Raadhuis. Gij staart mij verwonderd aan, gij begrijpt mij niet? De ure zal slaan, naar ik hope, dat ge mij zult kennen.quot;
«Welnu, zoo ga!quot; antwoordde Wenda in drift. »Goede reize!quot;
«Neen. niet alzoo. Laat mij iii de blauwe kijkers staren. Ik leze er zulk eene oprechtheid in, zulk eene reine ziele! Ik wil mij op u verlaten. Wenda, ik zal u eenige regelen schrilts geven voor Heere Pieter Luytgesz. Buyskes, thuis leggende bij Jan Eriks, genaamd in den Hok. Indien ik niet wederkeere, zoo bezorg ze hem.quot;
»'Heere Buyskes? Maar dat is een heftig Prinsgezinde! Gij zijt niet wat ge schijnt ...quot;
sLaat het u goed zijn, Wenda! Ik vertrouwe mijn leven en dat van vele burgers...quot;
«Maar gij bedoelt toch niets tegen mijn vader, die uw vijand moet zijn?quot; vroeg zij. en het zwoegen van haar boezem deed innerlijke onrust blijken.
Hij had even den tijd om zachtkens »neen, zoo waarlijk zij God mij genadig!quot; te zeggen, toen Willem Jansz. naar buiten trad en hen naderde.
«Wat neemt uw ziele toch in, Wenda! dat gij den roep geen gehoor geeft. We beiden u en onzen gast reeds geruimen tijd.
«Ik ben uwen hof rond geleid en bewondere den aanleg en de voorzienige zorge,quot; haastte Kolterman te andwoorden. ^
«Mij dunkt, ge zijt gants veranderd in uiterlijke gedaante,quot; hernam Willem Jansz. hem beschouwende. «De mommerij was juist niet in uw voordeel.quot;
Hij oordeelde juist. De thands blanke kleur zijns gelaats, zoo wel voegende bij het licht blonde hair, gaf iets reins aan de uitdrukking van het wezen; de sluwheid, die er den vorigen avond op te lezen stond, was verzacht en geadeld tot schranderheid. De fijnheid der trekken kwam nu te beter uit; de blauwe oogen glansden heller en misten den donkeren koortsachtigen gloed, als bevond de geest zich thands onder heiligen invloed. Het gewelfde voorhoofd, aan de slapen geplat, duidde, even als de dunne op elkaar geklemde lippen, vastberadenheid. Dit en de eenigszins
Bg@B8E3B»B91
259
grove wangbeenderen, die liet gelaat in omvang deden winnen, temperden de vrouwelijke tederheid van liet geheel. De ranke gestalte was der armelijke kleedij te voornaam, en zou voorzeker beter uitkomen in een nauwsluitend wambuis en de Suaansche hozen.
Wenda was reeds vooruit gevlogen en meldde moeder Aafken de aankomst van beiden. Men zette zich neder aan het ontbijt, dat bijkans zonder spreken genuttigd werd. Toen men opstond' deelde Willem .Tansz. zijn gasvt mede, dat hij over een paar uur met hem naar het Raadhuis zoude gaan. Kolterman keurde het goed. ofschoon hij een spoediger gehoor had gewenscht, en vertrok naar boven, daar hij voorgaf den Burgervader in zijne bezigheden niet te willen storen. Daar gekomen vond hij een stuksken papier. Toen hij bezig was aan Buyskes te schrijven, werd er aan zijn deur geklopt. IJet was Wenda, die zeer behoedzaam binnentrad en hem meldde, dat er iemant gekomen was om hem te spreken. Ze vermoedde, dat het geraden zon zijn dien bezoeker in het geheim te ontvangen. »llij vroeg toch naar Kolterman quot; zoo besloot ze, sen niet. ...quot;
«Laat hem weder ter deure uit, Wenda!quot; fluisterde iiij.
«Hij wilde niet en dreigde zelfs met geweld naar binnen te dringen. Het schijnt wel een man van heftige inborst. Om gerucht te voorkomen, bracht ik hem hier; hij beidt reeds voor de^deur,quot; Zij opende die en liet den wachtende binnenkomen, in wien Kolterman tot zijn schrik Rijkert Claesz. herkende.
»Zoo ontmoet ik u hier als gast van een ijverig Pausgezinde. Zoo is het dan waar wat mij Freêrijk verhaalde met de tranen in de oogen en den rouw in het hart. Jan Kolterman, ik achtte het een zinsverbijstering van onzen vromen broeder te zijn, maar thands, â God de Heere bespaarde mij dut niet! â thands erkenne ik de waarheid.quot;
»En nu ge de waarheid erkent, hebt ge nw doel bereikt, zoodat gij tot de uwen zoudt kunnen terugkeeren, hetgeen u in nw ei^en belang moet worden geraden, Eerwaarde Heer!quot; zeide Kolterman kond. Voor een meer opmerkzamen of min bewogen toehoorder dan Rijkert, zou die kalmte en bedaardheid wat te gewelddadig hebben geschenen om waar te kunnen zijn,
â ols het Kolterman, die dus tot mij spreekt?quot; riep de prediker de handen vouwende, )ils de vader der lengenen, de nienschen-moorder van den beginne in u gevaren? Heeft iiij u verleid om te doen wat een grouwel is voor het aangezicht des Ileeren onzes Gods? Kent gij mij dan niet meer, of kent ge u zei ven niet meer, en roept ge mij toe wat ge uwen vromen broeder, dien o-n in' Christo hebt gegenereerd, durfdet toeroepen: ik ben niet dien gij denkt dat ik ben; er is geene gemeenschap tusschen u en mij?quot;
»Ik verzoeke u bedaard te zijn om uw zelfswille en uwen toon
tmt â â â â â â
|i IU
i.:
r
t
â¢|m
260
wat lager te stemmen, overmids gij u niet onder uwe broederen bevindt, noch in een geheim konventikel. Ik ontkenne u niet de jonkman te zijn, dien gij onder den naam van Kolterman hebt gekend.quot;
»Dien ik een uitverkorene heette, dien ik liefhad als een waar discipel des Heeren Christi, als een dienstknecht, wien de Ileere tien talenten had vertrouwd. Wat zal liet zijn op den dag der verandwoording. als het blijkt dat se uw talenten hebt begraven in de aarde? Zal het niet zijn: Weg, gij onnutte dienstknecht, naar de plaatse waar weeninge is en knersing der tanden? Maar neen, ik kan het niet aannemen als de waarheid. Velen hebben wel gejubeld: Hosianna, hosianna, gezegend is Hij, die daar komt in den naam des Heeren, Hosianna in de hoogste Hemelen, en die later aanhieven: Kruist Hem, weg met Hem! maar ik hebbe uw geloof geproefd. Was het niet gebouwd op een hecht fondament, was de vrucht daarvan niet: de hope? Heb ik het niet bespeurd in de vreeselijke ure, toen mijn hair is gegrijsd en liet harte-bloed gestold bij den dood van mijn kind, van mijn eenigsten? Maar mijn geheugen was verzwakt en het wordt sterker in dezen oogenblik! Gaaft ge toen reeds niet een blijk van verkeerde leeringe, als wankelende in de stellingen onzer ware religie?quot;
«Spreek den naam slechts uit. die u op de lippen speelt. Scheld mij een ketter. Mijn gastheer Willem Jansz. zal voor mij andwoorden en u denzelfden naam teruggeven!quot;
De ijskoude kalmte des jonkmans dreef den prediker tot wanhoop en deed hem bijkans alle hoop op bekeering verliezen. Wel bleef het raadsel onopgelost; wel weigerde zijn gezonde rede iedere verklaring van zulk een plotselingen ommekeer, doch niet langer viel het te loochenen, sik twiste niet met den Heere God,quot; 7.00 bracht hij met moeite uit. «Zijne gangen zijn onnaspeurlijk en al wat Hij doet is wel; maar ik zoude haast de woorden mijns Gods en Zaligmakers op de lippen nemen en bidden: Vader, laat dezen drinkbeker van mij voorbijgaan. Ware ik gestorven in de plaats van mijn jongen, opdat mijne oogen zulk een grouwel niet hadden mogen aanschouwen! Neen, liet is onmogelijk,quot; vervolgde hij na eene poze, »al zie ik, al hoore ik, ik geloove geenszins. Uw broeder mocht onderstellen toen hij niet meer twijfelen konde, dat ge waart verloren gegaan te Amsterdam, dat ge u verkocht hadt voor wat nietig slijk, ik heb u na uwen terugkeer nog ontmoet, en toen was er schijn noch schaduw van omkeering! Neen, ik geloove u niet. tenzij ge mij bezweert niet te zijn voor wien ik u boude.quot;
Kolterman stond met de oogen nedergeslagen; de ademhaling was moeielijk. ))Ik heb het u bekend, en ik bekenne het u nogmaals, dat ik de jonkman ben, dien gij immer hebt gekend onder den naam van Kolterman.quot;
»Wat ontwijkend andwoord is dit!quot; hernam de prediker. »6ij draagt dien naam wellicht nier meer? Het is waar, gij hadt geen recht op dien naam! Gij hebt wellicht uwe ouders gevonden, welke Paapsch zijn en van wie gij geen kracht hebt te scheiden? Kol-terman bestreed die meening niet; hij begreep eene reden,welke dan ook, van zijn raadselachtig gedrag te moeten geven, en zich dit te kunnen besparen, nu Rijkert zelve er eene aangaf. ))üus was liet niet om vuil gewin, dat gij de zake Christi hebt verraden? Ik danke God daarvoor!quot; Wat liefde er in die woorden school! Kon de jonkman zich bedwingen bij de vermaningen des predikers, het viel hem bezwaarlijk bij de innige betuiging van diens tederheid, zco sprekende uit het laatste woord.
»lk danke er God voor dut uw afval niet door geldgierigheid wordt veroorzaakt, maar alleen door zwakheid. Gij kunt het bevel onzes Heeren niet volgenen bedenkt niet dat Hij zeide: Wie vader of moeder liet heeft boven Mij is mijns niet waardig.quot;
»Ware Freêrijk mij niet ontmoet en de gruwzame strijd jegens de mijnen zon mij bespaard zijn,quot; zeide Kolterman in zich zeiven, als door smarte overstelpt, sik doe mijn plicht en gij zult het eens erkennen. Ik kan niet anders. God helpe mij,quot; zeide hij luid.
»Dat is een woord van Lutherus, een innig geloovige, die, hoewel de waarheid niet gants genaderd, toch de dwalingen des Pausdoms vuriglijk en het eerst bestreden heeft. Mag ik daaruit afleiden, dat ge uw verleden nog niet gantsclielijk hebt verloochend ? Gij kunt nog- terugkeeren, broeder! Doe aan de wapenrusting Gods, en strijd?quot;
»Niet meer. Dwaal niet langer ten mijnen opzichte. Ik ben hier als zendeling van mijn Heeie den Stadhouder en ontveinze u niet, gekomen te zijn om de beroerten te dezer stede te stillen. De beroering moet een einde nemen, zij het ook door geweld. Heere Rijkert, het ware u nut op uwe hoede te zijn, daar de ure van benauwdheid wellicht aanstaande is; het ware u nut bij uwe broederen te gaan schuilen en u niet meer alleen te vertrouwen, waar ge voor weinig tijds geleden u nog veilig wist.quot;
«Maar die tale verstoort weder de hope straks opgevat!quot; riep Rijkert. »We worden hier toch niet beluisterd of bespied, hetgeen in het kamp der Moabieten, in wier iiand ge ginder waart, had kunnen zijn. Ik mag alzoo niet langer twijfelen.^Gij zijt niet alleen afgevallen uit zwakheid, maar zult ook aanvallen uit een zondigen ijver. Gij zult het volk Gods vervolgen en wilt mij om onze vroegere betrekking nog waarschuwen. Ik danke u. Maar bevroedt ge dan niet dat ik aan de spitse behoor in den strijd? Ik ben wel een geringe dienstknecht des Heeren, maar toch niet de geringste. In de ure des ge vaars kan de dienaar bewijzen, hoe lief hijgden Heere heeft. Ik weifele niet!quot; Hij hief de oogen ten hemel en het innig geloof verhelderde zijn wezen; een vurige moed von-
kelde in het oog, welks glans de ouderdom reeds had gedoofd. «Vaarwel 1quot; stamel de hij zacht, mlen broeder mocht ik vermanen, de afvallige moet mij een Heiden en tollenaar zijn!quot; Hij wendde zich om en naderde de deur, maar trad nog even terug. Zacht, bijkans gebroken, was zijne stem, toen hij Kolterman toefluisterde: »Ik zie u nimmer weder, maar het verleden wil ik toch niet vergeten.quot;
»Zoo hij kon zwijgen! Maar neen, ik kenne zijne vurige geaardheid te wel,quot; prevelde Kolterman. Toch ware de beproeving voor hem te sterk gebleken, en zou hij wellicht gedaan hebben wat zijn rede later als onverstandig en zwak had afgekeurd, indien de prediker niet na de laatste woorden iederen zweem van zachtheid had weggevaagd en hem hard en streng had toegeroepen; sThands schud ik mij het stof van het kleed.quot;
Hij kon den prediker niet alzoo laten vertrekken; hij moest hem het zieleleed besparen van een vroeger geliefden broeder een afvallige te gelooven.
»fleb ik u gezegd,quot; zoo hief hij aan, terwijl hij Rijkert terug hield, sdat ik van de leere, eens door mij beleden, ben afgevallen? Heb ik jongen Freèrijk niet gered?quot;
»Doe uw rapier glinsteren en niet uw dolk,quot; hernam Rijkert. »Dood mij, maar niet door een muichelmoord. Verdedigt gij Baby-Ion, deel dan in de zonden van Babyion. Gij kunt de stad niet onder liet juk brengen, zonder de gezuiverde leere te onderdrukken. Het eerste wilt ge, het andere niet? Fij, die grove logen voegde vroeger niet in uwen mond.quot;
De prediker voelde als bij instinkt, dat de zake der vrijheid die der Hervormden was. Wie begreep het beter dan Kolterman, die de waarheid van Rijkerts gezegde dan ook bij zich zeiven beaamde en toch er toe gekomen was om, wilde hij niet verachtelijk worden in 's predikers oog, bij het eens gesprokene te blijven volharden. »Toch ben ik lid der Gemeente gebleven,quot; zeide hij, «en ik hoop het te sterven.quot;
Er werd aan de deur getikt en het vriendelijk kopjen van Wenda werd naar binnen gestoken. »Vader laat u roepen; het is tijd om te gaan.quot;
»Ik kom, Wenda!quot;
Toen zij verdwenen was, herhaalde Rijkert in zich zeiven dien naam. «Waar Simson valt, moet het door een Dclila zijn,quot; borst hij eensklaps uit. »Nu begrijpe ik alles; nu vatte ik waarom ge uwe tent hebt opgeslagen in het kamp van den felsten drijver, waarom ge werkt voor de gevloekte zake. Jakob was het niet te groot een eisch, zeven jaren te dienen om zijn beminde Rachel. Arme, arme Marijken! Gij zijt een groot zondaar, jonkman, en ik bid thands zelfs God den Heere, dat hij u een Heiden voor mij doe worden.quot;
»Vaar niet voort, martel mij niet op zulke wijze; uwe woorden
203
â treffen mij als giftige pijlspitsen,quot; hijgde de jonkman. »Dat meisken is mij een zuster; en Marijken ze is mij lief. Geloof niet wat ge thands vermoedt, ik bidde u daarom. Ga thands met deze betuiging heen. Het kan zijn, dat we elkander niet wederzien dan iti den Hemel; schei van mij zonder haat, schei van mij met de overtuiging, dat ik der waarheid trouw ben gebleven.quot;
«Overmids gij dan een broeder der Gemeente gebleven zijt, zoo vermane ik u ernstelijk af te staan van uw voornemen, dat uit den Booze is, tot u in te keeren en u voor God in liet gebed te veroodmoedigen. Belooft gij mij dit?quot; vroeg Rijkert. die tiiands kalm voor hem stond, zoo als Kolterman het straks tegenover hem had geschenen.
))lk kan niet. ik mag met. Broeder!quot; stamerde hij.
»Zoo sta ik hier in den naam en de macht onzes Heeren Jesu Christi. en verklare u, dat ge zijt uitgesloten van de Gemeente des Heeren en vreemd wordt van de gemeenschap Christi, der heilige Sakramenten en alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij Zijne Gemeente belooft en bewijst; daarom u te houden voor- een heiden en tollenaar, naar het bevel Christi. dewelke zegt in den Hemel gebonden te zijn, zoo wat Zijne dienaren binden op aarde.quot;
Krachtig was 's predikers stemme geworden, terwijl hij den kerkdijken ban over den weêrbarstigen broeder uitsprak, die hem niet, zoo als het voegde, met gebogen hoofde en trillende leden aanhoorde, maar met vonkelende oogen en ballende vuist. )gt;Hebbe ik daarom de met bloemen omwonden boeien des Pausdoms afgeschud, opdat ik ijzeren ketens zoude vinden in de gezuiverde leere, die tot mij is gekomen met de logen op de lippen, daar zij het woord: «vrijheidquot; tot mij sprak! Mij bannen uit de gemeente...! Maar dat kunt ge niet, want predikt gij niet het woord, dat de kerk Gods geen huis is van handen gemaakt? Mij bannen, omdat ik doe wat goed is voor mijner conscientie, en waarvan ik, en ik alleen, rekenschap zal moeten geven aan den eenigen Meester? Ik begrrjpe den Apostel en volge zijne opwekking: Staat dan in de vrijheid, met welke u Christus heeft vrijgemaakt, en wordt niet weder met het juk der dienstbaarheid bevangen.quot;
«Slechts het gekrookte riet zal niet vertreden worden, maar de knoestige eik zal worden omgeworpen. Zie, de bij! ligt aireede aan den wortel,quot; hernam Rijkert, wiens kracht die des jonkmans te boven streefde, wiens ernst de drift van dezen te stérk werd.
Kolterman zweeg en waagde het niet den prediker aan te zien. De dwang was hem immer onverdragelijk geweest; zijn gantsche leven was aan den strijd daartegen gewijd, en nu moest hij ervaren dat de Gemeente, hoewel zelve nog bedreigd door den vijand, gebied zocht te voeren over hare leden. Hoe zon het zijn zoo zij overwinnaresse werd en haar vijand had vernietigd!
204
Een haastige voetstap deed den trap, die naar boven voerde, kraken. »Men komt,quot; zeide Kolterman, wien het gevaar zijne bedaardheid terug gaf, ^spreek geen enkel woord, om den wille van u zeiven, om den wille van allen die u lief zijn,quot; fluisterde hij Rijkert toe. De deur ging open en de Burgemeester trad binnen.
»Wij hebben geen tijd te verliezen. De Vroedschap zal ons wachten. Ik wist niet dat gij bezoek hadt,quot; zeide Willem Jansz., den prediker achterdochtig beschouwende.
»Een mijner dienaren,quot; fluisterde Kolterman, terwijl hij op Rijkert wees. ))Gij kunt gaan,quot; zeide hij tot dezen, terwijl hij hem naderde en de deur opende. »Ga dan,quot; beet hij hem toe; en als onder den invloed van den wil, die uit 's Jonkmans oogen straalde, bewoog Rijkert zijne voeten, en begaf hij zich heen.
De Burgemeester en Kolterman gingen mede naar beneden. De laatste zocht Wenda met de oogen. Zij zat naast hare moeder, maar stond op, toen de beide mannen binnentraden. Hij boog zich voor haar en nam hare hand, in welke hij het briefjen van Buvskes verborg, terwijl hij hoffelijk zeide: sik hope u spoedig weder te zien.quot;
Willem Jansz. stampvoette van ongeduld en overwon zijne drift niet eer dan toen beiden zich op weg bevonden naar het Stadhuis.
Wij snellen hen vooruit en treden voor hen binnen. Wij zien op de stoep de Schoutendienaars in buitengewonen getale geschaard en vinden in de »groote Kamerquot; de volle Vroedschap verzameld.
De hoogste eenvoud was wel het kenmerk van deze vergaderzaal der stadsregeering. De reusachtige schoorsteenmantel, steunende op twee pijlers van hout, trok het eerst de aandacht. De vloer was geticheld met blauwen en witten steen; de wanden met kalk aangestreken, en slechts versierd met twee slechte schilderstukken op hout; liet eene, voorstellende den platten grond der stad, het ander, het binnenkomen van een scliip met graan op Pinksteravond van het jaar 1557, na den geduchten hongersnood. Recht tegenover de deur hing het wapen der stad. In het midden stond een lange grijs met groen geverwde tafel en daarom eenige stoelen met leer bekleed. De Burgemeesteren zaten aan het hooger einde der tafel onder het wapen der stad; ter linkerzijde van den voorzittenden Burgemeester de stadsschrijver. Twee stoelen waren daar op dat oogenblik nog ledig, die van Jan Vest en Willem Jansz. Do eerste zon niet worden ingenomen, daar de Burgemeester Vest naar Amsterdam de vlucht had genomen, zoodra hij in vrijheid was gesteld. Op Willem Jansz. werd echter gewacht, en dit met ongeduld, daar met hem de zendeling des Stadhouders verschijnen moest. De overige plaatsen aan weerszijden der tafel werden door de «rijkdommenquot; ingenomen. De vergadering bood een minder plechtig aanzien, dan eenige jaren later. Wel hadden de Vroedschappen zich in hunne beste kleedije gestoken, maar
265
daar deze onderling nog al verschilde, had het geheel iets bonts. Alleen de Burgemeesteren waren in tabberts gehuld en scholen het hoofd bijkans weg in den opstaanden Spaanschen kraag.
De Stadsschiijver had reeds ettelijke malen zijn boek doorbladerd. Hij was pas onlangs aangesteld, op eene jaarwedde van dertig gulden. Ten einde zich den tijd te korten, ias hij de resolutie nog eens na door den jongsten Burgemeester opgesteld, waarbij hij tot zijn tegenwoordig ambt werd geroepen. De resolutie dag-teekende reeds van voor een jaar en toch had hij eerst sedert kort zijne betrekking aanvaard. Zijne aanstelling was ook onder eene voorwaarde geschied, welke hij niet vroeger had kunnen vervullen, daar zij hem verplichtte voor zijn in dienst treden de Fransche of Waalsche tale op zijne kosten te leeren lezen, schrijven en spreken.
De gesprekken, fluisterend gevoerd, want ieder wist welke achtbaarheid ter dezer plaatse bewaard moest worden, werden eensklaps gestaakt, daar de deur met gedruisch werd geopend en Willem Jansz., maar alleen, binnen trad. Na een deftigen groet, die dieper werd naarmate hij het hooger einde der tafel naderde, ging hij de vergadering door en nam plaats. Hij deelde daarop de aanleiding mede, die hem, voorzittend Burgemeester, bewogen had de Vroedschap bijeen te roepen. Den aangekomen zendeling des Graven Bossu had hij in een aangrenzend vertrek achtergelaten, daar hij eerst de vergadering van liet noodige wilde onderrichten. j)Ik verzoeke onzen klerk lecture te houden der laatste gerenoveerde ordonnantie,quot; zeide hij met een deftigheid, tot welke wij, die hem in het huisvertrek hebben bespied, hem voorzeker niet in staat hadden geoordeeld. De klerk gehoorzaamde, en de ordonnantie werd gearresteerd.
«Verzoek Heere Arent Willemsz. alsnn binnen te komen,quot; zeide quot;VVihem Jansz. tot den Stadsbode, die aan den ontvangen last Gevolg gaf.
Aller blikken vestigden zich op den jonkman, die aan de open gebleven zijde der tafel, vlak tegenover de Burgemeesteren, staan bleef, maar op een wenk van Willem Jansz. zich op den stoel, die hem werd aangeboden, nederzette.
»Dat gelaat komt mij gants tnet onbekend voor,quot; fluisterden eenigen. Kolterman stond aller nieuwsgierige blikken door en vroeg het woord. Hij verhaalde op wat wijze hij zijn lastbrief had verloren, doch reikte den aanwezenden den zegelring van Boshuyzen over, als eenigsten geloofsbrief. Voorgegaan door Willem Jansz., stemden allen toe dat de ring hun bekend was als werkelijk die van Mijnheere den Admiraal te zijn.
»Mijnheere de Stadhouder vernam tot zijne groote droefheid de moeielijke pozitie van den Magistraat dezer stad. bij de audacieuse attaques der ballingen. Volgens bevelschrift zijner Excellentie had
I ; 1
'2G0
liij echter zijne bentien naar het Zuiden moeten zenden, zoodat hij geene occasie had haar vroeger eenige auxiiie te zenden. Thands heeft hij echter twee vendelen volks aangeworven, welke macht echter te gering is om de ballingen en muiters tot obedientie te forceeren.quot; De taal, die hij voerde, diende nog meer dan het vertoon van den zegelring, om hem als zendeling van een machtig potentaat door de achtbare Vroedschap te doen erkennen. Een goedkeurend gemompel werd dan ook gehoord, zoodia Kolterman een oogenblik poosde.
»Er kan alzoo aan geene berenning der stad worden gedacht,quot; zoo vervolgde hij. «Alleen list van buiten en kracht en courage van binnen vermogen de stad te behouden. Zijne Excellentie de Hertog heeft als zijn expres verlangen doen kennen, dat vooral de zeesteden moeten worden verzekerd daar de Geus, wien slechts het water overblijft, door de vermeerdering dier plaatsen wederom vasten voet aan wal zoude kunnen krijgen, waarvan de ex-perientie der laatste dagen maar al te zeer de waarheid heeft aangetoond. Ik wage bet niet. al mocht ik liet ook wenschen uit consideratie voor de achtbaarheid dezer vergadering, de woorden Zijner Excellentie te verzachten of te verdraaien, maar ter contrarie var. dien moet ik ze overbrengen, zoo als ik ze heb gehoord. Zijne Excellentie was ten maaltijd, toen het bericht aankwam van de troebelen dezer stad, welke door de zachtigheid en moderatie van den Magistraat â zoo werd het hem aangediend â in violentie waren toegenomen. Zijne Excellentie nam daarop in woedende passie zijn roemer van Venetiaansch glas â een geschenk Zijner Majesteit â op, en wierp het op den vloer en zwoer daarbij een vreese-lijken eed, dat het den zwakken Magistraat zou vergaan als den Geuzen; dat de muren geslecht en de privilegiën der stad zouden worden verbeurd verklaard. Mijnheere de Stadhouder, met kompassie aangedaan, bracht daarop Zijner Excellentie met reverentie onder de aandacht, dat de Magistraat niet schuldig was aan verraad, maar slechts aan zwakheid, aan een verkeerd inzicht, daar men met moderatie de stad had pogen te behouden, zoo als eenmaal de Gouvernante had beproefd in haar landvoogdij. De Hertog andwoordde daarop, dat moderatie nimmer konde baten, dat ook de Gouvernante dit ter barer praejudicie had ingezien en de Magistraat, dit voorbeeld voor oogen hebbende en geene ignorantie daarvan kunnende pretendeeren, een dubbel misdrijf had begaan.quot;
Kolterman poosde weder, maar thands wel gedwongen door het gelluister om hem heen. Op veler aangezichten was vrees en schrik te lezen; slechts het gelaat van Willem Jansz. stond blijde; diens blikken dwaalden rond, alsof hij zijne ambtgenoten vroeg: «Heb ik u niet bij tijds gewaarschuwd?quot; De inhoud van 'szen-delings lastbrief scheen op dit oogenblik bij hem allen argwaan
267
vernietigd te hebben; hij zag den gestoorden spreker vriendelijk aan en wenkte hem voort te gaan.
sMijnheere de Stadhouder,quot; zoo vervolgde hij, «achtte het noodig de Vroedschap op de hoogte dezer besogne te stellen en vaardigde mij daartoe en tot het doen van propositiën in het belang der stede af. Meer dan ooit betaamt het thands snel voort te varen om den toorn Zijner Excellentie te doen bedaren en ter behoude-nisse der stad, welke groot perijkel loopt. Mijnheere de Stadhouder vernam, dat het aantal beroerders dezer goede stad slechts luttel is en dringt er alzoo op aan, dat ze ter poorte worden uitgedreven, of wel in hechtenis genomen, ten einde met hen te handelen naar luid der plakkaten.quot;
«Maar hun aantal is niet zoo gering,quot; zeide een uit de Vroedschap.
»Eu het ware alzoo het meest oirbaar daarmeê te wachten tot dat Mijnheere de Stadhouder ons zijne twee vendelen zoude kunnen doen toekomen,quot; merkte de gebuur des laatsten sprekers aan. Heiden lagen onder de verdenking van Prinsgezindheid en waren van den aanvang af voorstanders der matiging geweest.
Kolterman keek hen donker aan en voerde hen op hoogen toon te gemoet, dat het geen pas gaf' nu nog van uitstel te reppen; en zoo men het deed, zou de Stadhouder geen twee vendelen, maar Zijne Excellentie de Hertog er twintig zenden ter berenning der stad.
»Gij spreekt wèl,quot; zeide Willem .Tansz., »maar hoewel afkeerig van uitstel, ben ik nochtans scrupuleus om tot een uiterste te komen zonder auxilie van buiten,quot;
»Geene vreemde knechten in de stad, men heeft gezien tot welke beroerten het heeft gevoerd,quot; riepen ettelijke anderen.
»Wilt ge de stad met eigen volk bewaren, zoo toont dat het u mogelijk zij!quot; hernam Kolterman. »De verwarring in de Vroedschap toont mij de verwarring daar buiten. De een wil met kracht voortvaren en den kleinen hoop Geuzen ter poorte uitwerpen.doch daarmeê wachten tot de hulp van buiten opdaagt; de ander wil weêr het laatste niet. Ik heb echter door mijn verblijf bij de Geuzen, waarvan ik u straks sprak, kennis bekomen van hunne pernicieuse voornemens. Weet dan, dat eer er twee dagen voorbij zijn, tien a twaalf vlieboten, elk van veertig vaten, en alzoo met nagenoeg even zooveel koppen, voor de haven zullen komen. De macht is te klein om de stad te bemachtigen, als gij op uwe hoede zijt en de troebelen binnen de muren hebt gestild; zij is groot genoeg om de stad te doen omslaan, indien de ballingen en de met hen heulende poorters blijven waar zij nu en in den staat zoo als zij nu zijn. Al zoudt gij ook geneigd zijn tot het innemen van krijgsvolk, dan zoudt ge daarop niet kunnen beiden, overmids het niet vóór den overval der Geuzen binnen kan zijn.quot;
D e laatste mededeeling was onder een diep stilzwijgen aangehoord.
268
Schrik en ontsteltenis teekenden zich op liet gelaat der naasten; eenige verrieden hunne geheimste gevoelens, daar zij zich mede verschrokken wilden toonen, maar het niet ten volle vermochten.
»Maar daarvan hebt gij u te mijnent niets laten ontvallen!quot; riep Willem Jansz. uit. »Dat verandert de zake geheel. Waarlijk, de tijding is van gewicht. Maar liet zou wel snorkerij kunnen zijn van de bende, waarop ge gestooten zijt. Ze hebben moed, als ze veertig tegen éen staan, en snorken en blaaskaken uit den treuren.quot;
»lk geloove dit niet, en vinde daarvoor een grond in het landen dier boot aan den molen ; die boot boude ik toch voor de voorhoede eener gantsche vloot. De Zuiderzee is, dank hebbe Amsterdam ...quot;
»Meii hoort waar hij liet poorterrecht heeft,quot; merkte een der Prinsgezinden smadelijk meesmuilend aan.
»Dank hebbe Amsterdam,quot; herhaalde Kolterman, zich wrevelig naar die zijde wendende, sin de laatste weken van ruigte gezuiverd. Dat het zich weder vertoont, duidt naar onze meening minder vermetelheid, dan wel besef van macht. Ik raad de stad daarom ten ernstigste gehoor te geven aan mijn waarschuwing; ter kontrarie daarvan handelende, zeg ik der Vroedschap eene aanstaande bestorming der Geuzen aan, of wel eene berenning der stad van wege Zijner Excellentie, die getoomi heeft onwilligen en ongehoorzamen exemplaar te kunnen straflen.quot;
Menig oog vonkelde bij deze bedreiging, menig gespierde arm werd in beweging gebracht, maar de gedachte aan de macht des Hertogs beheerschte spoedig iedere aandoening.
»Wij moeten Zijne Excellentie een bewijs geven onzer getrouwheid,quot; zeide Willem Jansz., en zelfs de Burgemeester Volkert Claesz. stemde daarmee in.
Reeds maakte men zich gereed een besluit te nemen, toen een der Vroedschappen oprees. Hij zat ter zijde der Burgemeesters neder, maar had zich tot dus verre achter een der pijlers van den schoorsteenmantel en den rug van zijn nevenman verscholen gehouden. Het was oude Freêrijk, wiens trekken nog scherper schenen dan gewoonlijk, daar het gelaat zichtbaar was vermagerd; wiens fel schitterende oogen thands nog meer rondzwierven dan anders; wiens gelaatszenuwen zich stuipachtig bewogen. Zijne stem klonk heesch. «Mannen! ik begrijp mij uwe gezinheid zeer goed, en waar een blijk van trouw aan Zijne Majesteit, van gehoorzaamheid aan Zijne Excellentie wordt gevorderd, daar hoop ik de eerste te zijn, die daartoe het mijne bijdrage. De jonkman daar heeft ons op ongewone wijze geboeid en ons den tijd gekort met een wonderlijke sproke. Aan het haardvuur zou ik een dergelijken verteller misschien welkom heeten, in de vergadering der Vroedschap niet. Het ons medegedeelde zoude hooge ernst in den mond van den zendeling van Mijnheer den Stadhouder kunnen zijn -
209
maar komt eener Rhetorijkers kiuite ') nabij van de lippen van Jan Kolterman, bijgenaamd de Blonde, den in den ban verklaarden bode van Willem zonder land.quot;
sWat is dit?quot; klonk bet van alle zijden, en niet het minst van den kant, waar Willem .Tansz. zat. «Is bij...?quot; vroeg deze ontzet, terwijl hij den wijsvinger naar den jonkman uitstrekte, die onbewegelijk stond en slechts zijn innerlijke ontroering voor een opmerkzaam beschouwer blijken deed door bet vastklemmen der eene hand aan de leuning van zijn stoel, als behoefde hij een steun.
dZoo is het,quot; hernam oude Freêrijk en bij waagde het voor het eerst den jonkman aan te zien. terwijl een glimlach jen om de bleeke lippen speelde en het oog glinsterde van voldane begeerte.
»En ik heb hem aan mijn tafel ontvangen en vrouw en kind er aan gewaagd! De Booze heeft bij mij gehuist!quot; riep Willem Jansz. en het was onzeker of de vrees dan wel de toorn bij hem de overhand hield. Hij was hierop niet gewapend. Wel had Mar-tinus zijn argwaan gevoed en hem op eenig verraad voorbereid, zoodat de noodige maatregelen daar tegen genomen waren, maar in Arent Willemsz. den gevreesden Kolterman te zullen zien, had hij niet verwacht.
»Gij hebt mij ontvangen en te recht, daar het u kwalijk ware afgenomen, indien gij het niet hadt gedaan,quot; zeide Koiterman. «Vroede mannen! die mij thans zoo verschrokken aanstaart, ik gunde u in dezen oogenblik te lezen in bet hart van Heer Freêrijk, die als aanklager optreedt; vraag hem, op welke wijze de Blonde in den ban is verklaard. Het geschiedde door hem en op logen-achtig aangeven met een wel zondig en eigenbatig doel. Maar ik sta niet hier om met hem te verevenen, hetwelk alevel spoedig geschieden zal. Ik volhard bij mijne verzekering van straks; ik sta hier van wege Mijnheer den Stadhouder.quot;
»Van welken? De Geus heeft een anderen dan wij.quot; zeide oude Freêrijk.
)gt;Gij hebt u onder een vreemden naam binnen gesmokkeld,quot; riep Willem Jansz. »Het getuigt tegen u.quot;
sik heette vroeger Jan Kolterman, maar heb niet langer recht op dien naam. Ik heet thands Arent Willemsz. Indien (ie Vroedschap verlangt, dat private belangen te berde komen, dan verzoek ik dezen briefin te zien. Hij is geschreven door Heer Bardes, Oud-Schout van Amsterdam. Heer Freêrijk zal dit schrift kennen.quot; Hij wierp het stuk papier op de tafel. Het werd Willem .hxnsz. toegereikt, die het las, terwijl Freêrijk, thands heftig bewogen, zich over diens schouder heenboog. ».ia. het is de hand van den Schout,quot; riep hij getrofFen uit.
') Klucht.
270
»Eene mededeeling, dat de jonkman, die doorging als zijn kleinzoon. dit niet is,quot; zeide Willem Jansz. onverschillig, niet vermoedende wat indruk die tijding op Freêrijk moest maken.
«Gij zijt Kolterman niet meer, maar waart liet nog kort geleden, als wanneer gij de vertrouweling waart van Willem den aartsketter,quot; vervolgde Willem Jansz.
»Zoo dacht ge, maar waar is liet bewijs daarvan. Ik ben uwen argwaan verschuldigd aan dien man, die in mij den kleinzoon van Heere Bardes, en naar zijne meening diens erfgenaam, vervolgde. Hij dacht den oud-Schout in den aanvang gestorven; en daarom al een zeer groote hinderpaal. Maar Heer Bardes is niet gestorven : hij is thands op weg naar Amsterdam om zijn erfgoed terug te vorderen ...quot;
»Wat? Naar Amsterdam? Onmogelijk!quot; kreet Freêrijk doodsbleek.
Ziet. hoe hij zicli verraadt,quot; riep Kolterman zegevierend uit, daar hij thands de waarheid leerde kennen. :»Heere Freêrijk noemt het onmogelijk! Wie kan dit met meer grond getuigen dan hij, die den ouden man uit zijne rustplaats weg liet rooven, denkende een kostbaren buit te bekomen, denkende in liet bezit te zijn van den rijken man, dien hij wel beletten zou ooit te voorschijn te treden en de wettige aanspraken op zijn erf te doen gelden. Hoe hij zich verrekend heeft, de aanstaande rekenmeester van Holland, hoe hij zicii ijdele moeite heeft getroost, want Heere Bardes be-teekende reeds sedert lang niets meer; hij was sedert maanden krankzinnig.quot;
Freêrijk had zijn gevangene nog niet bezocht en Broeder Theodoras had zich wel gewacht, hem de waarheid mede te deelen.
Zoo Freêrijk zich reeds niet had bloot gegeven, hij zon het bij de mare, die hem thands ter oore kwam, voorzeker hebben gedaan. De jonkman was niet Bardes' kleinzoon! De ontdekking ontroerde hem. zonder dat hij eigenlijk wist waarom. Zijn arbeid was overbodig geweest! Het onaangename van die gedachte werd echter getemperd door het bewustzijn, dat thands niets meer zijnen plannen in den weg stond, dat hij onbetwist eigenaar was van 's Heereu Bardes' bezittingen. Hoe had hij naar het oogenblik verlangd, dat hem dienaangaande zekerheid zon geworden, en nu hij die ontving, was de aandoening zelfs pijnlijk. Hij had geen zoon!
»Het komt ons niet toe dit alles te vernemen,quot; zeide Willem Jansz. tot Kolterman, dien wij voor alsnog alzoo zullen blijven noemen. »Dat zijn zaken. Heere Freêrijk en u betreffende, en van dien aard, dat ze de strafi'o des lasteraars kunnen doen eischen. Jonkman! matig u, en bedenk, dat ge wat te vroeg aanklager wordt.quot;
De deur werd geopend en de bode fluisterde den Burgemeester iets in het oor. Kolterman zag onwillekeurig om en het voorpor-
'271
rrs*
Vt-';
taal beneden gevuld met Schoutendienaars. Het gevaar was dreigend. Hij moest weten wat hij te vreezeu ot' te hopen had.
«Mannen, uw argwaan jegens mij werd door Heere Freèrijk Sinionsz. opgewekt. Gij weet nu waarom hij het deed. Ik moest wel, als daartoe uitgelokt, private belangen behandelen, doch vrage des verschooning. Wat ik den Heere Willem .lansz. gister verhaalde bevestige ik bij dezen: de jonkman, zich genoemd hebbende Kol-terman, sloot zijn zoen met Zijne Majesteit.quot;
«Het is logen,quot; riep Freèrijk, die zich hersteld had. »Bij de laatste troebelen heb ik hem ontmoet aan de zijde der belhamers;
ik kan het onder eede bevestigen.quot;
»Het laatste geelt niet altoos klem aan het beweren, overmids daarbij wel in aanmerking komt de waarde, die soms aan den eed wordt gehecht door wie hem aflegt,quot; beet Kolterman hem toe.
»Ook zou het overbodig zijn. Ik loochen het volstrekt niet. Ik was aan de zijde der Geuzen, maar wie van u. behalven Heere Freèrijk,
waagt onder eede te verklaren, dat ik daar niet was op bevel van Mijnheere Bossu, om de muiterije van nabij te leereti kennen.
«Vervloekt bedrog!quot; prevelde Freèrijk, die daarop niet bedacht was en begon te merken wat indruk de laatste woorden op de vroedschap maakten. »Xog ëene opmerking, Heere!quot; zeide liij tot Willem Jansz.. die zich gereed maakte te andwoorden. »Waarom heelt de jonkman niet eer zich in zijn ware gedaante doen kennen? Hij vroeg zonder den ondervraagden aan te zien.
«Omdat hem de last daartoe ontbrak.quot; antwoordde Kolterman.
«Waarom heeft hij zich niet onder zijn eigenlijken naam vertoond ?quot;
«Omdat hij dien naam eerst hier vernomen had juist door zijn schijnbaar heulen met den Geus.quot; klonk het weder.
«De brief des ouden Heeren Bardes zal hem niet hier ter hand zijn gesteld; hij moet voor de inhechtenisneming des Oud-Srhoms geschreven zijn. daar deze de gevangenis krankzinnig had ver- i'i»?
laten. De jonkman vond dien brief alzoo, en zeker eerst onlangs, le Amsterdam?quot; 0
«Welnu?quot; vroeg Kolterman, die liet terrein eerst verkennen |; gi,
wilde, waarop hij gelokt werd.
«Op den terugtocht herwaards heet hij overvallen te zijn dooide Geuzen, die hem zijne papieren, namelijk den lastbrief van den Stadhouder, ontnamen, maar hem dezen brief lieten behouden. Welk sprookjen!quot;
«Doch als die brief mij eens heden morgen ware overhandigd geworden, toen mijn gastheer mij verraste in een gesprek met een mijner dienaars, waar blijft dan de klem van Heere Freèrijks redeneering?quot; vroeg Kolterman op zijn beurt. «Hebt gij nogeenige vragen, of is de voorraad, die vrij ruim blijkt te zijn, eindelijk uitgeput?quot; zeide hij bijtend. Toen hij geen andwoord ontving
k
.................... quot;â¢nun i i niifiii ^
ICiT,
ging hij voort. ȟe Vroedschap doe dit verhoor thands eindigen. Ik beroep mij alleen op hare gezonde rede. Men verdenkt mij een handlanger der Geuzen te zijn, en ik kom hunne verdelging vragen !quot;
Men zweeg een oogenblik. Toen nam Willem Jansz. het woord en verzocht Heere Arent Willemsz. buiten te staan opdat de Vroedschap vrijelijk zoude kunnen beraadslagen. De jonkman bracht bijkans een uur in angstige spanning door, vermids alles van het besluit der Vroedschap zoude afhangen en hij ouden Freêrijk het veld ruimen moest.
Toen hij wederom binnen was geleid, bemerkte hij Freêrijk niet meer. Deze was vertrokken, daar hij zijne meening niet kon-doordrijven. Hij haastte zich echter een renbode te doen afgaan naar Boshuyzen, die volgens zijne berekening niet veel verder dan Hoorn kon zijn.
Freêrijks vertrek uit de vergadering scheen den jonkman een gunstig teeken. Hem werd dan ook aangezegd, dat de Vroedschap Zijne genade den Stadhouder oodmoedelijk smeekte voor haar te intercedeeren bij Zijne Excellentie, en zij besloten had alle moderatie te laten varen, overmids het haar was aangetoond, hoe ongunstig Zijne Excellentie die had geëxpliceerd; maar dat zij nu echter den zendeling Zijner Genade verzocht om raad en voorlichting.
»Ik verlang de lijst van het geschut te kennen,quot; zeide Kolter-man. Hem werd de opgave van den stadskonstapel overgereikt, waaruit hij las, dat er zich in de stad bevonden: vier ijzeren stukken geschuts op raden, vier metalen stukken, tien hoofdstukken, zeven kwartierslangen, twee ijzeren kleine stukken, drie en twintig serpen-tijnen en honderd dertien heele haken. Hij vond daarbij aangeduid waar zij lagen. »En met zulk een schat bleeft ge werkeloos?quot; riep hij bijkans bestraffend uit. «Ik behoude die lijst. Voorders vermane ik n den aanval terstond te beginnen.quot;
»lk biede Heere Arent Willemsz. nogmaals mijne woning tot verblijf aan,quot; zeide Willem Jansz. met nadruk.
»Ik dank u innig voor uwe hoffelijkheid, maar wete, dat ik niet te veel van haar vorderen mag. Ik zal mijnen intrek nemen in de herberg het Paradijs mij door Hopman Quikkel aanbevolen.quot;
»Zoo als het u lust,quot; hernam Willem Jansz. zichtbaar teleurgesteld. »Gun echter, dat ik u door eenige knechten doe vergezellen, overmids u gewisselijk perijkel dreigt van de zijde der ballingen.quot;
»Ik schroome ze niet. Ook zult ge uwe knechten betere diensten kunnen vergen,quot; zeide Kolterman, die van een zoodanig geleide ontslagen wenschte te worden.
»De Vroedschap meent daarop te moeten aandringen. Zij gelooft zich toch tegenover Mijnheere den Stadhouder aansprakelijk voor uwen persoon.quot;
Kolterman waagde liet niet langer tegenstand te bieden en
vertrok, begeleid van ettelijke dienaren. Toen hij de trappen van liet Stadhuis afklom, begon hij in te zien, dat niet alleen de argwaan der Vroedschap hem een zoodanig geleide had doen schenken maar wellicht ook werkelijk vrees voor gevaar. Dit scheen toch wel te bestaan, daar er een aanzienlijke volkshoop was saamgevloeid, en hem kreten tegenklonken, die van weinig genegenheid te hemwaarts getuigden.
»Voer mij eerst naar de woning van den Heere Burgemeester Willem Jansz., waar ik den nacht heb doorgebracht.quot; De dienaar scheen tot Koltermans bevreemding, te weifelen, doch toen de jonkman het verzoek als bevel herhaalde, niet meer te durven weêrstreven. Toen hij de aangeduide woning binnentrad, kwam hem Wenda te ge moet. Zij bloosde, toen ze hem zag, en de onrust. die zij daarbij weldra deed blijken, scheen veroorzaakt door de verschijning der knechten, die voor de deur bleven beiden. »Zijt ge gevangene?quot; vroeg zij.
«Gantschelijk niet, mijn zuster! Ik heb mijne kommissie naar eisch verricht. Jk heb eene bede, eene dringende bede aan u; wilt ge haar vervullen, Wenda?quot;
Zij andwoordde niet. Kolterman herhaalde het verzoek. Toen zeide ze haastig: «Heb ik u haar heden morgen geweigerd? Zie hier uw briefken terug.quot; Zij had het trouw in haar keurslijf verborgen gehouden.
Kolterman zocht zijne kamer, schreef daar eenige regelen, en voegde er de ontvangen lijst van het stadsgeschut bij. »Doe dit Heere liuyskes geworden,quot; zeide hij lot Wenda, die hij weder in deti gang ontmoette.
Het oogenblik, daar in eenzaamheid doorgebracht, scheen haar tot zich zelve te hebben doen inkeeren. Zij kon nauwelijks hare tranen weerhouden en verklaarde zich zelve den gloeienden blos niet, die van tijd tot tijd hare wangen overtoog.
sWat hij vrij en los jegens mij spreekt, en ik voele mij de tonge als verlamd en liet harte bekneld,quot; prevelde zij. Plotseling vonkelde haar oog. Indien de boodschap, waarvan hij thands gewaagde, voor Marijken ware bestemd! Ze zoude zich niet moeien in zaken, welke haar niet aangingen en zich niet vernederen tot bode! De rimpel op haar voorhoofd ontplooide zich echter weldra, toen Kolterman haar met zijn vleiende stem riep, en hij haar met dat sprekende oog aanzag. Ook las ze spoedig dat het briefjen, het-welk hij haar reikte, wederom voor Heere Buvskes was bestemd.
Toch scheen niet ieder bezwaar bij haar opgeheven. Haar hart fluisterde haar toe. dat zij iets deed wat voor vader en moeder verborgen blijven moest. Zij zou niet meer, zoo als vroeger, heiden in het aangezicht kunnen staren, «Heer! hel ware mij liever dat dit briefken door een kondschapper van uwentwege bezorgd, of dat mijn vader daarin gekend wierd en het mij veroorloofde.quot;
IS
n:; f.ekstk hag.
'274
. «Een kondsehapper, Wenda! Maar in de gantsche stad leeft er slechts een, die zich niet van mij afkeert uit afschuw of haat. Ten minste ik hope het, daar uwe laatste woorden mij de vroegere zekerheid ook ten dien aanzien ontnemen. Die éene zijt gij. Gij bidt mij toch geen euvels toe?quot;
sHeer!quot; en in dat woord lag hare gantsche ziele; in dat woord lag meer dan er wel mocht. Het deed Kolterman zelfs pijnlijk aan, zulk een woord te hebben uitgelokt. »Grj schijnt mij niet meer zoo blijde als heden morgen in den hof,quot; zoo ving hij aan, szoude ik daarvan de oorzake zijn, ik, die u ten deele mengde in de troebelen dezer stad, welke u niet mogen deren, lieve zuster! Ik zweere u dat uwen vader geen leed wordt berokkend door de bezorging vandezen brief. Zoo ik mij niet grovelijk bedriege, zou uw moeder mij steunen, indien ik den tijd had haar alles te ontvouwen.quot; Het meisjen stak den brief bij zich, doch bleef zwijgen. Kolterman vatte hare hand en kuste die. »Het is tijd van scheiden. Indien de Heere God het wil, hoop ik u spoedig weder te zien. Ik hope u alsdan weder te ontmoeten in het vrije en ik houde mij dan aanbevolen uw gantschen schat te overzien. Wenda behoort bij hare bloemen,quot; zoo besloot hij schertsend.
»Hij gelooft mij wel een kind!quot; mompelde zij. Het was liet eenigst wat zij uitbracht, toen hij stil zweeg en zich omkeerde. Daar viel de klopper op de voordeur neder en trad vrouw Aatken. in haar huik bijkans verscholen, binnen. Haar streng gelaat betrok, toen zij den jonkman ontwaarde.
»Ik vermoedde reeds dat gij hier toefdet, daar de Schoutendienaars buiten staan, zeker om ons huis te bewaren voor een overval van buiten.quot;
»Ik begrijp niet wat ge bedoelt,quot; zeiile Kolterman.
»Het ware toch licht te vatten,quot; klonk het scherpe andwoord, »daar het u wel bewust zal zijn, dat soms al spoedig iets uitlekt bij de gemeente van wat er besproken werd bij de Vroedschap.quot;
«Loopt Heer Arent gevaar?quot; vroeg Wenda.
«Gevaar?quot; hernam vrouw Aafken die haar dochter met onwil aanzag. «Het hoopken is toch klein, dat hij ter poorte wil uitdrijven, maar wat vermag de wanhoop niet? We zullen echter wel spoedig Spaansche knechten zien verschijnen, niet waar, Heer? Gij bespreekt immers reeds de kwartieren ? Zoo het kan. laat ons vrij, al ware het alleen uit aanmerking van uw gehouden verblijf in dit huis.quot;
Wenda zag Kolterman vragend aan. Hare moeder sprak wel geheel anders dan hij haar had doen vermoeden. Zij kon niet denken aan eenig bedrog van zijne zijde, toch wenschte zij naar eenige verklaring. Kolterman zou haar die echter niet geven en haar den strijd banger maken tusschen haar geweten en hare zucht om hem van dienst te zijn.
»Het zal zulk eene vaart niet loopen, vrouw!quot; zeide hij, terwijl hij zich haastte heen te gaan. )gt;üij beoordeelt mij niet juist, want ik prijs het in u, dat gij de zake der zwakken, al moeten die ook uwe vijanden heeten, verdedigt. Geloof' mij. ik zoude in uwe plaats niet anders doen.quot; Hij wierp den beiden vrouwen een haastigen groet toe en vertrok.
«Vreemd,quot; prevelde vrouw Aafken, toen hij vertrokken was; en den gantschen dag bleef zij afgetrokken, ja scheen ze stug, zelfs jegens hare Wenda.
Toen Kolferman aan de herberg kwam en daar eene kamer besprak, vernam hij tot zijn schrik, dat de dienaars in last hadden ontvangen te blijven en hem ook daar te bewaken en te beschermen tegen den overmoed der Geuzen. Hij toonde zich daarover verbolgen, en zond een der dienaars naar het Stadhuis, met het verzoek, dat bijkans als eene aanmaning klonk, om alle opschudding te vermijden en hem te ontheffen van alle bewaking, die, wel verre van zijn persoon te beschermen, den aanval der Geuzen en ballingen juist uitlokken moest.
Middelerwijl had de Vroedschap beraadslaagd o\er de uitvoering van het genomen, of liever onder den invloed van Bossuus zendeling doorgedreven, besluit. Zij besloot tot het aannemen van een vendel knechten en om eene belasting te leggen van twee schellingen op eiken last haring, ter bestrijding der soldij. De werving geschiedde met de grootste snelheid, doch was nog slechts voor de helft volbracht, toen reeds de hulp der in dienst getreden knechten noodig werd. De Onderschout liet Heer Willem Jansz. weten, dat Cornelis Jansz. Brouwer, nevens zijne neven Jacob en Jan. de boot bewaakten, die de Burgemeesteren bestemd hadden, om in de plaats der door de Geuzen verbrande naar Amsterdam te vertrekken. De eigenaar liad haar den vorigen dag niet willen laten volgen, en eenije burgers ondersteunden hem in zijn tegenstand, daar ze de valbrug nederlieten. toen de fokkemast al door en de groote mast nog binnen was, zoodat de boot voor- noch achter-waards kon. De Burgemeesteren hadden het stilzwijgend geduld en lieten haar liggen. Thands echter werd hunne aandacht door het bericht des Onderschouts daarop gevestigd, en, steunende op de aangeworven macht, togen zij naar de Zuiderbrug. De twist liep hoog, zoodat een der aangenomen knechten het roer reeds op Brouwer aanlei, doch belet werd te schieten door de stoutmoedigheid van een poorter, die den knecht toebeet: »Als gij schiet, jaag ik i! mijn opsteker door de ribben.quot; Door den aangroeienden volkshoop ontrust, lieten de Burgemeesteren het werk stakenen keerden ze ijlings naar het Stadhuis terug, waar de Schutters reeds in het geweer stonden. Dezen vroegen, verbolgen over het haastige opont-bod van Willem Jansz., die nadertrad: Waartoe ze ontboden waren? Willem, door den wederstand verhit en misleid door het zwijgen
27G
der menigte, die voor het Stadhuis was saamgevloeid, riep hun luide toe, zoodat de woorden wijd in het ronde klonken: ))Gij zult ons de Geuzen, de schelmen en muitmakers, helpen doodslaan!quot;
«Heer Willem,quot; fluisterde Volken Claes, shandel toch voorzich-tiglijk. Ik verneem daar op het oogenblik dat de visschers worden opgeruid, en zie, de meeste Schutters deinzen af.quot; Werkelijk verlieten er vele van deze liet Stadhuis; zij, die er overbleven, bleken echter houw en trouw aan de Burgemeesteren, daar ze de woorden van Willem .hmsz. herhaalden en de wegtrekkende Schutters met spot en schimp achtervolgden.
»Gods bloed!quot; riep Willem woedend, »we zullen de ordonnantiën op de schutterij streng doen uitvoeren jegens die verraders. Laat ze gaan, we hebben machts genoeg in de Schutters, die ons trouw blijven en in ons vendel, om het hoopken ballingen te weerstaan. Deze hebben zeker reeds de stad verlaten, want ik zie hunne aanvoerders Buyskes en Rietlus niet onder den hoop.quot;
De Burgemeesters traden binnen, om de gestoorde beraadslaging voort te zetten en met den Stadskonstapel. die middelerwijl was opgeroepen, het noodige te bespreken. Volkert Claes was door den laatsten strijd, die wel een nederlaag mocht heeten, ter neder-geslagen; Willem Jansz. daarentegen geprikkeld. Gene zou nog tot plooien en schikken geraden hebben, indien de koortsachtige spanning van dezen hem daarvan niet afgehouden had.
Buvskes was echter niet, zooals Willem Jansz. vermoedde, de stad ontweken. Toen de jonge Freèrijk de aankomst van Bossuus zendeling liad gemeld en tevens wien men als zoodanig zou ontmoeten. had Buyskes de hoofden heimelijk saam doen roepen in Dirk Brouwers houttuin, reeds zoo dikwerf de vergaderplaats der ballingen. Hij zelf ging naar Rietlus, dien hij bezis vond de weinige have te pakken, om gereed te zijn de stad te verlaten. Onder zijn arbeid knerste liij de tanden, en stond hij dikwerf stil, als om over het gebeurde na te denken. De vuist werd daarbij gebald, de voet stampte op den vloer. Toen hij Buyskes zag, ontglipte hem een kreet van woede: «Uwer de verandwoording!quot; riep hij uit. »Over uw hoofd komt het bloed, dat weldra stroomen zal. niet der strijders, maar der martelaren. De jonkman zij gevloekt, de afvallige Amalekiet!quot;
»Rietlus, haast u, laat dit werk steken en volg mij!quot; zeideBuyskes kalm maar streng.
Het was of Rietlus zich ditmaal schaamde over zijn toorn, die zoo zeer bij Buyskes' bedaardheid afstak, want bij volgde hem weldra naar de aangeduide plaats, waar de opgeroepenen zich bevonden.
Daar vertoonde hun Buyskes wat er gaande was en vroeg hij hun bijstand om het uiterste te wagen. Op aller gelaat stond schrik en ontzetting te lezen, en Rietlus, de vermetele balling, liet eene mismoedigheid blijken, die op velen een nadeeligen invloed oefende.
'J77
De rollen waren verwisseld; het was Buyskes, die tliands tot voortgaan en dat wel niet ijlenden spoed spoorde, en in gloeiende tale de tweedracht poogde te smoren, die nog onder de broederen bestond. üe ballingen stemden Buyskes bij; de gezeten burgeren geloofden echter nog niet aan een ommekeer in de gezindheid der Burgemeesters en neigden dus tot wachten, ten einde met zekerheid de waarheid te leeren kennen. Het was geen lafheid, maar veeleer berekening van het gezond verstand, liet viel hun ook zwarer tot het uiterste te besluiten, dan den zwervers, die buiten de stad evenveel als daar binnen bezaten eu dus den strijd konden aanvangen, zonder zich veel te bekommeren over den waarschijnlijken uitslag. Men zoude op zijne hoede zijn en de gangen der Burgemeesters scherpelijk bespieden, en daarbij de gezindheid der burgerij polsen, zoo was het besluit der meerderheid, waaraan Buvskes, Brouwer en Semeyns zich met onwil moesten onderwerpen. Kietlus, die met Buyskes terugkeerde, sprak onder weg geen woord; deze lokte hem ook niet tot spreken uit, want inwendig was ook hij verslagen. Het was hem echter niet aan te zien, den rustigen man, wiens uiterlijk immer kalmte duidde, en die dezelfde bleef in voor- en tegenspoed.
Toen Buyskes zijne woning bereikte, ijlde hem de gastvrouw bleek als een doode te gemoet. Zij meldde hem een treurige tijdnilr, die hem, zoo hij tiog niet overtuigd was, allen twijfel over de ce-zindheid der Burgemeesters ontnam.
De Schout was met zijne dienaars het huis van Rijkert Claes ingedrongen om den prediker gevangen te nemen. Deze was echter gelukkig niet te huis geweest en al/,00 voor liet oogenblik den terechte ontsnapt. Vrouw Lijze was echter in liet gat geworpen,quot;en de schuur, waarin de Gereformeerde Gemeente hare vergaderin0, hield, door de woedende dienaars en eenige lioomsche ij veraars omver gehaald. De vrouw jammerde na het droef verhaal, en Buyskes vermocht haar geen moed in te spreken, daar deze ook hem begaf. Had hij niet gehoopt op den Schout, en was ook deze niet omgeslagen ? En was het niet te vreezen, dat zijn tegenwoordige ijver de vroegere zacht- en lauwheid zou pogen te niet te doen? i)Nog is hier een joiïerken geweest, die mij een briefken voor u overreikte. Zij wilde haren naam noemen, noch van wien ze kwam.quot;
»Geef liet mij, zeide Buyskes. ))Zeker weder een Jobstijding!1' zuchtte hij. toen hij het papier aannam; maar toen hij Koltermans brief ten einde gelezen en de lijst, die daarbij was gevoegd, had ingezien, verhelderde zijn gelaat.
«Hij vervult zijne belofte goed!quot; fluisterde hij zacht, terwijl hij even omhoog zag, als om God te danken, dat hom zulk een hulp verbleef. Ijlings nam hij zijn hoed. hing zich het regenkleed om en spoedde zich naar de herberg het Paradijs, door den jonkman als zijn verblijf opgegeven. In dien brief was hem voorzichtigheid
278
aanbevolen, daar eenige dienaars aan de herberg hadden postgevat.
Toen hij aankwam, vond hij echter geene wacht meer. Deze was op bevel des Burgemeesters afgetrokken, niet zoo zeer om aan het verlangen des zendelings te voldoen, hoewel dit voorgegeven werd. maar veeleer om al de beschikbare macht saam te trekken, daar de Burgemeesters zich zooveel mogelijk van eene volkomene en spoedige zegepraal wenschten te verzekeren.
Buyskes vond Kolterman schrijvende en werd door hem, nadat de deur van binnen gegrendeld was, met hartelijkheid ontvangen. Hij beandwoordde den groet echter niet met opgeruimdheid en deelde zijne bekommernissen meê. »De gezeten burgers zijn flauwhartig. Ze hopen nog altoos op de Burgemeesters eti gelooven niet aan een aanval. De zaak staat hopeloos,quot; zeide hij dof.
«De zaak staat goed; er was nimmer beter hoop dan nu.quot; hernam Kolterman. «Broeder, help mij aan deze briefkens, die van nacht aan de hoeken der straten moeten worden geplakt. We zullen ze wakker schudden, de druilenden; en als ze eens wakker zijn, dan kunnen we ze doen dansen, zelfs tot op den koorde.'
Er school een wondere kracht in deze woorden, zoo luchtig en jokkend geuit.Buvskes'voorhoofd ontrirnpelde zich; hij zette zich neder, nam de pen ter hand, en ondereen levendig gesprek werd de opgegeven taak aangevangen en eerst laat in den namiddag ten einde gebracht. Er scheen tusschen beiden nog meer gewichtigs besloten te zijn, want tegen het vallen van den avond zag men buiten de Ketenpoort twee mannen den dijk naar den zeekant afdalen. Het was Buvskes en Jacob Eriksz. Daar lag een kleine boot gereed, waarin do laatste stapte. Wel moest de tocht dringend noodig zijn, daar de bootslièn, oude bevaren gasten, met onrust op het gelaat naar de jagende grijszwarte wolken uitzagen, terwijl de mast zweepte in de boot en de touwen kletterden om het want. Zij hadden zeker hunne vrees luide uitgesproken, want Jacob Eriksz. zeide, terwijl hij in de boot sprong: »Al bleef mij maar een enkel rondhout over of een plank, ik zou den tocht wagen. Ik moet naar het Vlie. Tot ziens. Buyskes! Zoo als gezegd is: we wachten den win-pel op de St. Pankras.quot;
HOOFDSTUK VIII.
Wij dienen eenige voetstappen terug te gaan. Op denzelfden avond, dat we Kolterman en jongen Freêrijk onder geleide van Quikkels knechten de stad zagen binnen komen, betreden wij liet Augustijner klooster en richten onze schreden naai' de afgelegen cel van broeder Andreas, den Prior. Hij had het uitzicht op den nplaisantenquot; hof. die, zooals de ki oniekschrijver meldt, schooner en fraaier was dan de meeste Heerenhoven, hetgeen in de 10e eeuw, welke niet zeer monniksgezind was, niet weinig de afgunst en den nijd opwekte.
Afgekeerd van het gewoel der straat, was zij goed gekozen voor den peinzenden en onderzoekenden monnik, die, wel verre van te deelen in de begeerten zijner broederen, welke de waereld opent-lijk hadden vaarwel gezegd, om haar heimelijk weder op te zoeken, zijn leven had doorgebracht bij zijn perkamenten vrienden, voor wie hij echter geenszins het geopende boek vergat. Hoe kun het ook ? Waren de eerste niet de tolken die hij behoefde om liet laatste te leeren verstaan? Spraken uit die folianten in het stevige kalfsleer niet de denkbeelden van die hem waren voorgegaan in het rijk der gedachten, van wie voor hem het peillood hadden uitgeworpen in de onbegrensde schepping, in den peillozen boog, die zich boven zijn hoofd welfde? Plechtig stil was het in de cel op dezen oogenblik, nog flauwelijk door liet avondrood verlicht; en de schemering, die hier alle somberheid miste, daar de donkerblauwe hemel door het openstaande venster zichtbaar bleef, droeg er zelfs toe bij, om den beschouwer op den drempel reeds ontzach in te boezemen voor den grijzaart, dien we op den houten zit over de ruwe tafel, waarop een geopend boek ügt, vinden neergebogen. Hij had de kap van het hoofd geschoven, zoodat de bijkans kale schedel, waar slechts weinige vlokken hair werden aangetroffen, zichtbaar werd. Het mager gelaat was bijna zoo wit als zijn hair en was door scherpe lijnen begrensd. Het hooge voorhoofd was gerimpeld; de mond met zijne dunne bleeke lippen saamgetrokken; slechts het oog had niets van den vroegeren gloed verloren. Al wat
'280
de weelde ter veraangenaming des levens had uitgedacht, was hier gebannen; slechts wat eene volstrekte behoefte heette, vond hier eene plaats. Voor den rang des bewoners moest alleen getuigen, dat naast deze cel nog eene andere, waarin zijn eenvoudig rustbed stond, ter zijner beschikking was. Een kast van ruw hout, die een gedeelte van den gewitten muur besloeg, borg zijne onschatbare boeken, en op een kleiner tafeltje, ter zijde van het venster, lagen eenige papieren met zonderlinge figuren en cijfers bedekt.
Wel gelukkig was liet voor den oude, dat hij hier zelden bezoekers ontving, daar een blik op dat papier den argwaan zijner tijdgenoten zou hebben opgewekt en hem spoedig had doen dagen voor eene geestelijke vierschaar. Recht tegenover de tafel, waaraan hij gewoon was te arbeiden, hing een schilderij, voorstellende de opstanding des Heeren ; en daaronder had Andreas reeds voor ettelijke jaren, voor dat het hoofdhair grijsde en de voetstap quot;wankel werd, geschreven : »God isgeen God der dooden, maar der levenden.quot;
Straks gebruikt, maar thands eenigszins ter zijde geschoven, liggen de werken, die reeds twee eeuwen lang de geleerden hadden bezield en een schok hadden gegeven, zelfs buiten de kloostercel ot gehoorzaal gevoeld. Daar zien we den sNatuurspiegelquot; van Vin-centius van Beauvais, de lizische geografiequot; van Albert den Groo-ten, ))het beeld der waereldquot; van den Kardinaal Petrus de Alliaco, alle getuigende van de worsteling, die er plaats had in het rijk der gedachten, van het streven naar het licht in het duister, dat men rondom zich zag, naar verklaring van de wonderen, die ieder avondrood te voorschijn bracht. Weinig vruchten mocht nog de arbeid afwerpen, hij beloofde toch een rijker oogst, bij vermeerdering van krachtige arbeiders. Het was nog weinig meer dan het rekken van den band, waarin men zich bekneld gevoelde; weinig meer dan een hijgen naar lucht, dan een zielszucht naar boven. De mensch had zich zeiven een hemel en een aarde gewrocht, berekend naar zijne wenschen, steunende, zooals het heette, op de openbaringen van den eenigen God, maar die mensch was veranderd in toestand en begrip. De kinderen hadden voortgebouwd op hetgeen de vaderen hadden nedergelegd; en hadden zij ook slechts korrelen zands aangebracht, toch verhief zich een heuvel boven de graven van het voorgeslacht. Wel ging het langzaam, want iedere beweging voorwaards werd betwist en uitgekreten als een poging ter bestorming van het rijk des Eeuwigen, en de vermetelheid dei-gedachten trachtte men te breidelen door de kerkering van het lichaam of te doen boeten onder Venetiëns looden daken, of op den brandstapel van Rome of' Madrid. Te vergeefs; men bouwde en bouwde voort en nadefde liet oogenblik, dat de oude fondamenten, waarop nog altijd gesteund werd, te zwak zouden blijken, en er nieuwe zouden moeten worden gelegd; liet oogenblik, waarin men gevoelen zou, dat geene macht buiten den mensch meer
281
in den menscli gebied mocht voeren bij de beschouwing van zich zeiven en zijne betrekking tot het heelal. De rede moest vrij worden verklaard, de wetenschap ontslauen van de heerschappij der versteende dogmaas eener aangenomen en naar de oogenblikkelijke behoefte verwrongen geloofsleer, en de strijd, dien rede en wetenschap voerden, was gelijk aan, ja een met dien, welken de Hervorming in de Kerk te kampen had.
Velen hadden de aangelegde en knellende breidels ten halve pogen af te werpen; en al verzengde ook de vlam hun afgemarteld lichaam en stoof hunne asch weg op den adem van den wind, toch zweefden hunne gedachten over het waereldrond heen en weerklonken hunne woorden lang nadat de mond, die ze sprak, was verstomd.
«Hunner is de eere!quot; zoo juicht het nageslacht bij het staren op hunne namen, en het had den strijders wellicht een troost te meer geweest in de ure des lijdens. indien het hun ware bekend geworden, dat het door hen gestrooide zaad zoude ontkiemen. Zij mochten het hopen gedurende den strijd, hópen met eene innigheid, die alleen eene overtuiging kan geven; wat om hen voorviel wettigde echter die hope zeker niet.
Of Andreas op dit oogenblik aan den uitslag wanhoopte, ot hij de schouders boog onder den last van den arbeid en daarom er zich een trek van misnoegdheid op zijn edel gelaat vertoonde? Vreemd ware het voorzeker niet geweest, daar hij zich heenboog over een werk van Giordino Bruno: «Bespiegeling over het oneindige.quot; Hoe het hem ook boeide, toch kon hij de gedachten niet terug dringen, opgewekt door de lezing van den brief, die naast hem lag en weinig tijds tevoren door hem was ontvangen. Giordino Bruno, evenals hij een bezoeker en vereerder van Wittenberg, Luthers heiligdom, dat hij Duitschlands Athene noemde, zuchtte reeds ettelijke maanden onder de looden daken van Venetiën, waar hij zes jaren zoude vertoeven, en die hij niet zoude verlaten dan om weder in de kerkers der Inquisitie te Rome twee lange jaren weg te kwijnen. Daar zou hem liet vonnis des doods worden aangezegd en hij het onvergetelijk andwoord geven, terwijl het nog immer tintelend oog zich op zijne rechters vestte, die hunne blikken van hem hielden afgewetid; «Gij deelt mij liet vonnis misschien met grootere vreeze mede dan ik het ontvang. ' Hij stierf deti vuurdood, en al zou Andreas dit ook niet meer beleven, toch kon hij op dat oogenblik reeds het lot van den denker voorzien.
«Ook hij verdedigt de stelling van Copernicus en gelooft aan de beweging der aarde,quot; prevelde hij. terwijl hij de bevende vingeren op liet boek lei en nadacht. «Het strijdt tegen de leer der Kerk, tegen het Woord Gods,quot; vervolgde hij. terwijl de rimpelige hand langs het voorhoofd heen voer. «Alsof dat woord een leerboek moest zijn voor de sterreknnst, alsof de bezielde profeten niet binnen den kring hunner, zij het ook verhoogde, waarneming waren be-
ogo
perkt, alsof hun oog, schoon verhelderd, in een blik de diepten kon peilen, die zicli slechts bij de beschouwing van een eeuw ontsluieren. En al ware dit zoo niet,quot; vervolgde hij, »Bruiio heeft gelijk, Josua niet.quot; Eene huivering liep er bij deze woorden door zijne leden, als beefde hij terug voor de stoutheid der verzekering. Toch kon hij niet anders en de rede won den strijd tegen de begrippen der Kerk.
Hoe de indringende avondlucht de cel ook verkoelde, toch scheen hemde lucht, die hij erin ademde, te drukkend en zwoel. Hij trad voor liet venster en haalde diep adem. Zijne blikken richtten zich naar het hemelgewelf, waar talloze lichtjens tintelden en vonkten; zijn geest doorwandelde het waereldruirn en erkende er de zonnen, die daar wentelden in nooit vertraagden loop. Daar tintelde hem Sirius met zijn schitterend wit licht tegen, de ster. wier stralenpracht hij vaak met bewondering had aangestaard, die hij met het oog zocht te naderen, maar het niet mocht. Hoe zou het hem in deze ure ie moede zijn geweest, indien hij had kunnen bevroeden, hoe volgende geslachten het oog zouden wapenen en bevleugelen, zoodat liet mocht doordringen tot de sfeeren, waar thands slechts de gedachte en dan nog duizelend, verwijlde. In deze ure boeide hem echter die zon, de vorstin onder de lichten des hemels, niet. Zijn oog zocht eene andere ster, de geheimzinnige, de bewonderde of gevreesde door gantsch Europa. Hij vond haar, blinkende als de besneeuwde top van den Alp, waarop de zon hare stralen giet; hij vond haar. die zelfs Sirius in licht en grootte te boven ging en sedert luttel dagen voor het eerst was verschenen en toen vonkte met een bloedrooden gloed. Zij kon bij onbewolkter) hemel zelfs in het middaguur worden opgemerkt en werd des nachts zelfs door de wolken heen gezien. Andreas vouwde de handen en bleef een poos eerbiedig zwijgen; toen prevelde hij: «Een nieuwe ster, een nieuwe Koning;quot; in die woorden den uitroep herhalend van het hofgezin van Willem van Normandië, toen deze zich gereed maakte Engeland te veroveren en een nieuwe komeet aan den hemel zichtbaar werd.
Een nieuwe ster, een nieuwe Koning! Maar die gekroonde zou geen geweldenaar zijn, die het zwaard hanteerde en door de kracht zijner spieren een bloedige zegepraal behaalde. De aangekondigde heerschappij zoude eene geestelijke zijn; een rijk van licht en van waarheid. De schel, die de kern omgaf, zou worden verbroken, en deze zou uit haar schuilhoek te voorschijn treden. Hoorde hij niet om zich heen het slaggewoel en de kreten van aanval en verdediging? En was de strijd ook onbeslist, hij twijfelde niet langer, hij had de toekomst gelezen in de uitspanselen der hemelen.
Hij had in zijne mijmerij niet bemerkt, dat iemant zijne cel was binnengetreden, zich achter hem had geplaatst en, de richting zijner
283
!l'!l
oogen volgende, mede den blik naar bov(?n liad gewend, lioe moeie-lijk liet hem blijkbaar ook viel, daar hij de hand telkens over de oogleden streek, als om den blik te versterken. Toen de arm bij die beweging den schouder van Andreas aanraakte, wendde deze zich verschrikt om. Het gelaat nam echter bij het beschouwen van wie daar achter hem stond eene vriendelijke uitdrukking aan. Hij lei hem de hand op den schouder en zeide: «Lieve vriend, was het u ginder te eng? Het is geen wakenstijd meer voor u. Gun het lichaam te rusten. Wilt gij niet?quot; vroeg hij, toen de grijzaart tegenover hem het hoofd schudde; en toen deze weder het gelaat naar buiten wendde eu met een onnoozelen glimlach ornhoog zag,
voerde hij hem geroerd tegemoet: sGij zoekt daar boven eene woning en wenscht misschien dat uw aardsche buis spoedig worde verbroken? Broeder, schoon het mijne nog niet zoo vele breuken telt als het uwe, wensch ik het toch evenzeer!quot;
)).1 a, pij zijt goed. Boven woont God met Zijne Engelen en daar is het licht, niet zoo zwart als ginder,quot; stamerde de oude, in wien we Heer Bardes herkennen.
Zijn gelaat was hleek als vroeger, maar niet zoo vermagerd meer;
de oogblik, hoewel nog zwervend, was niet meer zoo dotquot;. Hij staarde met welgevallen op Andreas, wiens hand hij in de zijne knelde,
terwijl hij herhaalde; »,Ta. uij zijt goed.quot;
Nog slechts weinige uren huisde Bardes bij den Prior. Deze stond Ig,
den vorigen dag tegen het vallen van den avond naar zijne gewoonte voor het vensterken zijner cel, en staarde op de purperen zon aan den horizon, of op het donkergroen geboomte in den hof, toen hij in zijne mijmeringen werd gestoord door de verschijning van een grijzaart, die behoedzaam voorttrad langs bloemperk en boomtak en nieuwsgierig om zich heen zag, terwijl hij daarbij zijne bewondering of bevreemding op de meest kinderlijke wijze te kennen gaf.
Andreas had dien vreemden bezoeker nimmer gezien, en door de armelijke kleeding en het wankelende van diens voetstap aangetrokken, ging bij naar beneden. Toen bij den bof binnentrad, vond hij hem niet meer alleen, maar aan de hand van broeder Theo-dorus, die hem scheen te willen wegvoeren, doch bij de verschijning des Priors bedremmeld staan bleef.
»Wie zijt gij, oude?quot; vroeg Andreas, die geen andwoord ontving,
maar aan den blik des grijzaarts bemerkte, waarom deze hem het andwoord schuldig bleef. De verwondering steeg daardoor bij den Prior nog meer; zelfs begon zich daaronder eenige argwaan Ie mengen. sGij schijnt den grijzaart te kennen, broeder Theodorus!quot;
vervolgde bij streng. «Hoe komt de simpele hier?quot;
Theodorus poogde een rechtstreeksch andwoord te ontwijken. De bekendheid met den grijzaart kon bij niet loochenen, en dus ook niet langer verbergen, dat de oude door zijne tusschenkomst in het St. Ursula-klooster was besteed geworden. Bij den aandrang van
IsC
1
i
den Prior moest hij zelfs bekennen, door wiens toedoen hij zich met de bezorging had belast.
»Dus werd hij besteed door Heer Freèrijk,quot; zeide de Prior nadenkend. «Wel vreemd blijlt het mij echter, dat hij uwe tus-schenkomst heelt noodig geacht, daar hij zich zelf bij de Zusters ter verpleging des ongelukkigren had kunnen aanmelden. In welke betrekking staat Heer Freèrijk tot dezen?quot;
«Het is mij onbekend. Hij zeide mij slechts, dat een bloedmaag hulp vorderde.quot;
»Zie,' zeide Bardes, plotseling de hand van den Prior in de zijne nemende en met de andere op diens hoofdhair wijzende: «Grijs; grijs als ik. Waart gij ook in het gat, arme man?quot;
Andreas staarde hem oplettend aan en luisterde, maar Bardes zweeg, terwijl hij droefgeestig het hoofd schudde.
«Hij moet geleden hebben, zwaar geleden. Broeder Theodoras, gij zijt toch onschuldig daaraan?quot;
Deze deinsde een stap achteruit. Hij begreep hoe gegrond de gevolgtrekking was. Van het oogenblik, dat hij zicli door den ouden Freèrijk had laten verlokken om den bloedmaag, wiens naam noch geschiedenis hij kende, onder zijne hoede te nemen, had hij bijkans geen oog geloken. Koortsachtig bevend had hij 'savonds den gevangen oude uit de handen van eeniye van Boshuyzens hellebar-diers, die door Freèrijk van verre gevolgd werden, aan een achterpoort des kloosters in ontvang genomen en door den hof van het St. Ursula-klooster geleid, waar hij tot zijn schrik bemerkte, toen de doek, die den mond des ouden sloot, was weggenomen, dat hij een krankzinnige ter bewaking ontvangen had. Bij eenig nadenken vond hij echter daarin eenige gerustheid voor zich zeiven. Er kon nu toch aan geenerlei wandaad van Freêrijks zijde gedacht worden, want natuurlijk was het, dat deze zijn krankzinnigen maag liet verzorgen. Thands echter, naar de woorden des ouden, die weder een helder oogenblik had, begreep hij, in welk valsch licht hij verschijnen moest, bevroedde hij door den kwaadaardigen, valschen Freèrijk gruwelijk misleid te zijn. Hij was te zeer ontroerd, om de vraag des Priors dadelijk te kunnen beandwoorden. Deze werd in zijn donker vermoeden daardoor te meer versterkt en herhaalde strenger dan te voren zijne vraag.
«Eerwaarde vader!quot; stamerde hij eindelijk, »wel smart het mij, dat zulk een vermoeden jegens mij door u kan worden gekoesterd. Waarlijk, ik meende een goed werk te verrichten, door mij met de zorg voor den armen kranke te belasten, en daarvan Heer Freèrijk te vrijen, die zich aan de dorens der waereldlijke zaken telkens scheurt en geen tijd heeft den goeden ouden te plegen, zoo als het voegt. Ik wil in oodmoed bekennen, mijn vader, dat ik het goede werk heb aangenomen, in de hoop daardoor vele tekortkomingen, uit te wisschen, overmids ik toch weet een groot zondaar
te zijn. Ilc mag dus niet ontveinzen, dat de beweegreden zelfzucht is, waartegen gij mij zoo vaak welsprekend en tredend hebt gewaarschuwd, en ben alzoo bereid de boete te doen, die gij mij moogt opleggen.quot;
De Prior zag op den kruipenden monnik met een blik van verachting neêr. Zelden nam zijn aelaat zulk eene uitdrukking aan, maar bij de beschouwing van Theodorus bekroop hem altijd een gevoel als bij het trappen op een tuinadder.
»Zie,quot; riep Heer Bardes weder, die beurtelings Andreas en Theodorus had aangestaard, maar gedurende beider gesprek telkens den eersten was nader gekomen, alsof hij bij hem tegen genen bescherming zocht, »zie. in den nacht kwamen zij. Het was donker en toch licht. Mijn kleinzoon ....!quot; Hij zocht naar den naam, maar hij kon dien niet vinden. Groote tranen biggelden hem langs de wangen, terwijl hij prevelde; «Mijn jongen....! mijn kleinzoon!quot;
»lk zal ile zaak onderzoeken,quot; zeide de Prior tot niet geringe verbazing van den ontrusten Theodorus. die op de gewone achteloosheid van broeder Andreas in dergelijke zaken steunde. »Er is eene misdaad gepleegd; er is eene ziel vermoord te gelijk met het lichaam. Arme!quot; zeide hij weemoedig tot Bardes, terwijl hij dezen naar zich toetrok en diens hoofd op zijn schouder liet rusten, »gij zijt mijn vriend. Tk zal u kalmte geven, voor 't minst orn u heen, en hoop uw peluw goed te kunnen schudden. Hij wilde zich verwijderen. maar Theodorus hield hem eerbiedig terug. «Vergeefmij. Eerwaarde vader, indien ik u ophoud van verhevener zaken, maar het beroert mijn binnenst, alzoo van u te moeien scheiden. Laat uw achterdenken jegens mij varen.quot;
»Wie zeide dat het jegens li bestond?quot; vroeg Andreas. »Gij beschuldigt u zeiven.quot;
»Maar gij gelooft toch, dat ik niet gehandeld heb volgens de regelen der orde.quot;
»lk hoop voor u. dat ge niet gehandeld moogt hebben tegen de wet Gods en de stem in uw binnenst.quot;
»Niet alzoo. mijn vader, uw straffe b;ik buigt mij neder. Ik moge gestruikeld zijn, maar streef er naar weder op te staan met de hulp van de Moeder van alle genade. Leg mij eene boete op, mijn vader, opdat de Heilige Maagd zich niet van mij afwende, indien het mocht blijken, dat ik zelfzuchtig ben geweest, dat ik te driftig iieb gestaan naar het doen van goede werken. In de laatste week bepaalde ik mij niet tot strenge boete, maar heb ik zelfs het vleesch gekastijd.quot;
»Wonderbaar is mij uwe taal, die wel eene buitengemeene onrust duidt. Ik heb u niets te zeggen,quot; zeide Andreas zich omkeerend.
De toon, waarop deze woorden werden uitgebracht, trof Theodorus diep. Zonderling was het, maar de strengheid van Martinus had hern in het stof voor een wijle doen kruipen, om zich later weder
-28(3
wrokkend daaruit op te heffen: de taal des Priors drong hem in de ziel, drong hem tot wanhoop en riep de tochten te voorschijn, die er sluimerden. Hij schaamde zich voor zich zeiven tegenover den statigen Prior, maar het riep hem niet op tot deemoed en berouw, maar tot oogenblikkelijke razernij. De invloed van Martinus op hem was meer fvziek, die van Andreas meer zedelijk. In genen zag hij zijn gelijke, dien hij door list ter bekwamer tijde mocht overvallen en overwinnen; in dezen zag hij zijn meerdere, dien hij niet vellen, maar slechts kwetsen kon.
»Ik ben dus te laag voor u,quot; riep hij met de drift van hem, die zich gedurende jaren heeft ingehouden, maar op eens alle breidels afwerpt. »Gij hoort zelfs niet naar mijne reden. Eerwaarde, die u reeds een Heilige waant, door den Heiligen Vader het Paradijs binnengestuwd. .Maar de verachte monnik zou misschien den brandstapel kunnen doen bouwen voor den gewaanden Heilige, die onge-oorloofden omgang: houdt met de tooverkollen en booze geesten.quot;
Andreas bleef als aan den grond genageld staan, verbaasd over den plotselingen ommekeer, welke er bij ïheodorus plaats vond, dien hij nimmer te voren alzoo had gezien. Heer Bardes klemde zich aan hem vast, als duchtte hij een vijand.
»Ik weet toch meer van uwe kunstenarijen dan gij vermoedt, en niet doelloos vroeg ik zoo dikwerf de eer van den vloer uwer cel te vegen, wat een arbeid was, die den Gardiaan voegde. Ge zoekt naar den steen der wijzen en poogt goud te maken uit menschen-schedels. Gij zult weten wien gij jaren vertreden hebt en veracht, ge zult mij den krankzinnige terug geven, want hij behoort mij.quot; Hij trad een schrede vooruit, als om zich van den ouden meester te maken.
»Ga naar uwe cel en koel uwe tong af met het water, zoo als het uit Gods wolken druppelt,quot; zeide Andreas, en hij wees hem niet den vinger weg.
Theodorus zweeg plotseling; hij knarste de tanden, zocht te spreken, maar bracht slechts eenige onsamenhangende woorden uit. Middelerwijl was de Prior met Bardes verdwenen.
Van dat oogenhlik had deze Andreas' cel niet meer verlaten. De woorden, door ïheodorus hem toegeduwd, had de Prior vergeten, toen hij weder voor zijne tafel plaats nam; maar tevens verschoof hij de uitvoering van zijn plan, om onderzoek te doen naar de omstandigheden des ouden, wiens naam hij zelfs niet kende, en uit wiens verwarde woorden hij weinig meer konde opmaken, dan dat hij te Amsterdam voor en om de nieuwe leer had geleden. Hij had hem een verblijf gegeven naast het zijne en in zijne slaapcel zijne legerstede doen opslaan. De zachte bejegening, de niet te omschrijven adeldom, welke Andreas' wezen kenmerkte, oefende een merkbaar gunstigen invloed op den kranke uit, die voor het eerst de onrust, die hem tot dusverre verzelde, aflei en dikwerf vrolijk
'J87
en opgeruimd was, hoewel hij no^r oogenblikken had, waarin het vooriioofd zicli rimpelde en de hand daarover heenvoer, als om eene herinnering te vatten, die hem telkens ontglipte.
Zoo was het weder op dit oogenblik, terwijl wij hem naast den Prior voor het venster zien staan en de straks medegedeelde woorden hooren uiten. Andreas hernam als in andwoord op zijne reeds zoo vaak herliaalde betuiging: »Wel moet ge weinig liefde op uwen weg hebben ontmoet, dat ge mij, die zoo weinig voor u doen kan, reeds goed noemt. Een was u toch goed, lieve vriend, namelijk de Vader in den Hemel.quot;
De oude zag vreemd op en schudde het hoofd. Hij deed het altijd als hij niet begreep ot' begrepen werd. Andreas veranderde daarom het gesprek. »Gij kent broeder Theodorus?quot; Er volgde geen andwoord. ))Heer Freèrijk Simonsz.? ' vervolgde hij.
))Ja. dat is zijn naam. Ik was bezig te schrijven, toen kwamen zij . .
De Prior gaf' het weder op, daar de onnoozele weder den ge-dachtenkring werd binnen gevoerd, waar hij immer bleek om te dwalen en zich te verliezen.
))Kom, volg mij. Ik breng u te bed,quot; zeide hij, terwijl hij hem zachtkens heenleidde. »Morgen moet het mij klaar worden, wat er met hem is geschied. Het is hel bestuur Gods, dat ik hem moest vinden,quot; prevelde Andreas, toen hij Bardes had weggebracht en weder aan zijn tafel nederzat. Hij zette de aangevangene studie voort en vergat daarbij spoedig wat op de kleine aarde onder de menschenkinderen voorviel. Hij arbeidde in de stilte des nachts en de krachtige wil scheen te heerschen over de moede oogleden, tot dat de eerste morgenschemering naar binnen viel. Toen werd hem de strijd tegen de natuur te sterk en vlijde hij zich neder om weinige uren na de vroegmetten, die hij zelden bijwoonde, weder op te staan en de afgebroken maar niet volbrachte taak voort te zetten.
Bardes had zich na liet schamel ontbijt in den hoek van zijn kamer nedergezet en hield zich bezig de prenten in eenige daar gevonden boeken te bezichtigen. Andreas merkte het niet. dat het den ouden ten laatsten verdroot, dat hij reeds eenige malen naar buiten had gegluurd, waar de zon zoo prachtig straalde, en eindelijk op de teenen, als om den lezende niet te storen, naar buiten geslopen was. Het duurde lang eer Andreas het bespeurde, en de oude Heer Bardes ware voorzeker gebleven, indien hij had kunnen bevroeden, welken indruk zijn verdwijnen op zijn vriend te weeg zoude brengen. Andreas' gelaat duidde toch den grootsten angst, die nog steeg toen de Gardiaan, die op het bekende fluit jen zich naar 's Priors cel had gespoed en op zijn bevel den oude had opgespoord, terug kwam met de boodschap, dat zijn zoeken ijdel was en zich niemant in den hof bevond.
288
Hij besloot zelf te gaan en tot in liet klooster der Zusters te dringen; zelfs was liij blijde nu een prikkel te hebben verkregen om tot liet lang uitgestelde onderzoek over te gaan.
Heer Hardes had zich langen tijd in den hof vermeid, maar richtte eindelijk, als onder een geheimen invloed, zijne schreden naar de zijde van het St. Ursula klooster. Die weg was hem bekend, hoewel hij zich niet herinneren kon waardoor. Hij trad de poort binnen, welke toegang tot dit klooster gaf en tegen de regelen der beide orden, open was; hij schreed als bij instinkt voort.
Wij ijlen hem vooruit langs den steenen trap, die naar den donkeren bovengang leidde, en 'treden een cel binnen, waar we Manjken als crevangene terugvinden. Die naam toch voegde haar wel, al droef de pols seen boei, nl was de deur ook niet gegrendeld. Haai oom betaalde een rijk kostgeld en had haar aanbevolen in de zorg, zoo lichamelijk als geestelijk, der eerwaarde Zusters, die hare roe-pinquot; te wél verstonden, om het meisken niet goed van voedsel en van vermaningen en boetpredikatiën te voorzien. Zij weid echter inet onderscheiding behandeld, daar de Priorin te recht bevroedde, dat het verblijf der jonge dochter slechts een proebijd en geenszins no;T een straftijd was. Bovendien was zij Heer 1'reèrijks nicht, en watquot; nog meer beteekcnde, de lieveling van broeder Marlmus, die haar reeds ettelijke reizen had bezocht. Daaraan had zij ge\Ms een cel le danken, die op don lusthof der geburen uitzag, en alzoo vrolijker en lichter was dan de meeste anderen. Toch viel de tijd haar' lang. tocli kropen de uren om en mat zij gedurig met het koortsig gloeiend oog het klein vertrek, als was ze angstig dat de ruwe balken der zoldering nedervallen en de kale muren elkaar
zouden n..deren, om in gezamentlijke drukking hanr te verpletteren.
Zij had iu't gewaad der orde aan. Een zwart laken kleed hmg haar over de schouders en werd om het midden vastgebonden door een gordel van touw. Over haar hoofd droeg zij een kap van wit linnen, waarin haar gelaat zich vertoonde als dat van een Heilige in de nis. De kinderlijke zachtheid, vroeger op baar wezen merkbaar, had plaats semaakt voor eene uitdrukking van vastheid en beslotenheid. Het was alsof zij ouder was geworden, maar dan ook ontwikkeld en gerijpt. Zij leunde met den elleboog m de kleine vensterbank en liet het oog heinde en verre dwalen vermoeid van het staren op liet groen en de bloemen, die ze reeds zoo vaak en zoo lanf had aangegluurd. Wreed was ook de cipier, hoe zacht hi] scheen TGeen arbeid mocht zij verrichten, geen boek openen, dan het getijdeboek der Zusters; don vingeren geen andere bezigheid verben, dan het verschuiven der kralen aan den baar toegeduwden rozenkrans. Maar het getijdeboek lag nog ongeopend ter plaatse, waar het door de Zusters was nedergelegd, en de rozenkrans hing wel vastgeknoopt aan hare zijde, maar de kralen lagen verspreid over den vloer.
289
Indien haar slechts een boek â de Bijbel â ware gegeven, de lijd zon haar kort zijn gevallen, ja, zij had hare kerkering gezegend. Maar het laatst van allen zou haar dat worden gegeven. Hoe lief het haar was, bleek uit hare herinneringen, aan de lezing van dit boek verschuldigd, waarvan zij ettelijke gedeelten in zichzelve opzeide, als om het te dieper in het geheugen te prenten, als om zich te troosten in haar rouw. Zij kon het vermoeden wat over haar besloten zou worden; zij kon vermoeden, dat Martinus haar rechter zou zijn, en dat hij, wiens beeld haar telkens voor den geest trad, haar niet beschermen kon, al wilde hij het ook, al was de beschuldiging van onverschilligheid, die telkens jegens hem bij haar oprees, onwaar.
Dan richtte zij weder de oogen van de wanden harer cel naar buiten en bleef zij, een wijle geboeid door hetgeen daar voorviel, derwaards heen staren. Zij zag toch het leven in den tuin van den naasten buur; zij zag er een paar menschen zich bewegen; ze waren gewis jong, want ze zweefden van bloemperk tot bloemperk. Een vurig verlangen kwam in haar op. om ze te kennen, beider trekken te leeren onderscheiden; maar de afstand was voor haar blik te groot. Het deed haar pijn langer ze te bespieden! Genen mochten ginder dartelen in het vrije, en zij voelde zich gevangen -en was toch ook nog jong en zou in rapheid die beiden wellicht evenaren, ja overtreffen.
De deur harer cel werd behoedzaam geopend. Zij dacht dat het een gewoon bezoek gold, en achtte het alzoo niet der moeite waard het hoofdjen tot een welkomstgroet om te wenden. De stem die haar echter toeklonk, had eene onverwachte werking. Zij rees op, ijlde op den bezoeker toe, sloot dezen in hare armen en snikte: toFreêrijk, beste broeder, gij hier!quot;
Zij herkende hem terstond; het getuigde van de innigheid hunner vroegere betrekking. Een, die den jongen Freèrijk voorheen slechts oppervlakkig had gekend, ware hem thands voorbij gegaan als een vreemde. Het vleesch was hem als van de beenders genepen; de oogen gloeiden in de diepe kassen, om welke een vlammig rood kringde; op het voorhoofd paerelden zweetdruppelen en zijne stem klonk hol, toen hij zeide ; ))Gij, in de kleeding eener nonne!quot;
Na de hartstochtelijke begroeting van Marijken, die hij eerst poogde te weren, maar toen niet alleen toeliet, maar zelfs beand-woordde, begon deze de groote verandering in zijne uitwendige gedaante op te merken. Ze was voor haar grooter dan voor ieder ander zijner bekenden. Zij had hem niet gezien sedert de ontmoeting in den hof van Rijkert Claes, en wij, die hem nog in Quikkels kamp zagen, wij mochten ons reeds beangstigen over de verandering in den eenen nacht voorgevallen, die dat oogenblik van het tegenwoordige scheidde.
Ze had echter zoo veel te vragen, dat zij vergat naar zijne ge
10
in-: EERSTE DAG.
290
steldheid onderzoek te doen. Zij voerde hem naar het venster, waar zich de eenige zit bevond.
Freèrijk, broeder, vertel mij hoe maakt hij het? Ik zag hem niet in langen tijd. Sprak hij nog onlangs van mij ?quot;_
»Yan hem, altoos spreekt ge van hem!quot; zeide Freèrijk bitter.
»Beste broeder, wat deert u? Gij ziet zoo bleek; uw streven naar heiligmaking is uw lichaam te sterk. Waarlijk, uw uitzicht baart mij angst!quot;
sGij zijt goed, dat ge mijner thands gedenkt. Spreek slechts over hem, die toch uwe ziel vervult,quot; zeide hij somber.
»Wat gaat er om in uw binnenste, Freèrijk?quot; vroeg zij werkelijk verschrokken. »Geloof mij toch niet onverschillig ten uwen opzichte. Hoe zou ik dit kunnen, beste broeder, die mij in mijne gevangenschap komt troosten, die zich waagt in mijne cel, die ook u een kerker kan worden! Waarlijk, ik bedenk thands wat ge voor mij waagt. Gij staat bij den Gerechte toch bekend als een aanhanger der nieuwe leer. Lieve broeder, ik danke u innig voor dit bewijs uwer genegenheid, ik heet u welkom van gantscher harte.
sNiet zoo, Marijken! Uw hart is in oproer tegen uwe tong, en te recht. Heet mij niet welkom. Ik had hier niet mogen komen. Ik had mij voorgenomen u niet te bezoeken; dat ware plicht geweest en nochthans ben ik gekomen.quot; Het hoofd viel hem op de borst.
ïA'ader in den hemel, wat sprake!quot; riep het meisken, terwijl zij de handen vouwde. »Wat gaat er om in zijne ziel? Freèrijk, broeder, martel mij niet, spreek ...quot;
?.Ta, ik ben gekomen en ik mocht niet. Reeds gister avond stond ik voor de deur van dit Belialshuis, maar de geest was toen sterker dan het vleesch. Ik heb geworsteld met den duivel in mijn^ binnenste en deze dreef mij aan. â Ik moet gaan, ik zal gaan! ' riep hij uit, terwijl hij opstond en haastig de deur naderde; maar Marijken trad hem in den weg.
)gt;Neen, zeg mij eerst wat u op het hart ligt. Ik vermoed het ergste. Hem is toch geen ongeluk overkomen?quot; vroeg zij haastig.
«Weder hem, hem altijd!quot; riep hij in drift. «Marijken, hij is voor u verloren!quot;
Het was of het hem goeddeed die woorden te kunnen uitbrengen; maar niet lang was hem de vreugd gegund, want de werking, die het gesprokene op Marijken had, was vreeselijk. Zij bleef als aan den grond genageld staan met starende oogen en verstijfde lippen, die ze slechts kon bewegen om met moeite te stamelen: »Dood!
sNeen, gij dwaalt, hij is niet dood!quot; riep Freèrijk in hevigen angst. »Kom tot u zelve, hij is niet dood!quot; Hij had hare handen gevat en drukte die teder. »0 zij bemint hem vuriglijk,quot; voegde hij er in zich zei ven [bij, terwijl hij hare hand losliet en zich weder ter zijde wendde.
«Niet dood? En waarom mij dan zulken schrik aangejaagd? Zei-
291
(let gij niet dat hij voor mij verloren was, en duidt dat niet ziiu dood ?quot;
Freêrijk schudde ontkennend het hoofd. Hij wilde aanvangen, maar vermocht het niet. Ten laatste vermande hij zich en zeide: »Dat hij gestorven ware, het zoude u beter zijn, Marijken! Hij is afgevallen van de waarheid; hij heeft zich geschaard in liet gelid van den vijand . .
»Dat is niet waar,quot; hernam Marijken met kracht. «Freêrijk, ik geloof dat gij het hebt vernomen, maar fij, dat gij het geloofdet, dat ge u dus vergeten hebt jegens den edele . .
))Edele?quot; herhaalde Freêrijk smadelijk. «De Apostel Thomas verlangde te zien, overmids hij anders geenszins zoude gelooven. Welnu, ik zoude zijn als Thomas, maar dan ook gelooven, na de aanschouwing. Marijken, ik héb aanschouwd! Ik geloof niet, ik weet.quot; Toen verhaalde hij zijn wedervaren in de laatste dagen, van de reize door Kolterman naar Amsterdam ondernomen, van welke hij Marijken onkundig had gelaten, en waarvan door geen zijner vrienden jegens haar mocht worden gerept; van zijne eigene gevangenneming, van het gebeurde in Quikkels kamp. Marijken luisterde bijkans ademloos. Soms geloofde zij, soms weder verwierp zij alles, en toen Freêrijk geëindigd had, riep zij bijkans blijde uit, als had zij een gaping bespeurd in de beschuldiging door Freêrijk ingebracht: «Hij wilde u en zichzelven redden. Gij waart gevangene en zoudt naar Amsterdam zijn gevoerd, en hij heett u verlost. Denk aan het uitwerksel en niet aan het middel. Ik ken u toch niet in staat te veinzen tegenover uwen vijand, en veinzerij bracht hier redding.quot;
«Gave de Heere God dat gij gelijk hadt; ja Hij, die de harten kent en de nieren proeft. Hij weet hoe innig ik het wensch; maar neen, ik kan niet langer twijfelen. Hij heeft mij zelfs tegengestaan, toen we tegenover elkaar stonden in de eenzaamheid; toen ik hem bad zijn mom af te werpen. Hij volhardde bij zijne verzekering, dat hij zijn zoen had gesloten met den vijand. Marijken, weshalve deed hij dat?quot;
Zij zweeg, zij had geen andwoord. Zij wilde de waarheid niet aannemen, die haar harte verbrijzelen zoude; toch kon zij Freêrijk niet wederleggen. «Maar zoo hij hier verschijnt, loopt hij gevaar. Hoe hem te ontmoeten? En ik moet hem spreken,quot; kreet zij in wanhoop. «Gij zijt wel een felle beschuldiger uws broeders. Gij zamelt alle getuigenissen tegen hem met een wel vurigen ijver,quot; vervolgde zij bitter tegen Freêrijk, wien deze woorden diep moesten grieven.
«Zuster, ik vergeef u dat harde woord. Ik had hem lief, meer dan mij zelven. Ik verliet hem nimmer in de ure des gevaars en verdedigde hem jegens allen; ja eenmaal, toen de schellen u nog niet van de oogen waren gevallen, ook jegens u. Gij weet niet wat
292
ik hem geofferd heb. Gij weet niet...! Gij zult het nimmer weten...! Maar de vijand mijns Gods mag mijn vriend, mag de uwe niet zijn. Gij wilt hem spreken? Ik verlang naar dit onderhoud; het moge licht geven in den nacht; het moge de u geslagen wonde doen peilen. Het zal hem voorzeker minder moeite kosten dan mij om u te naderen. Ik moest de dochteren des bijgeloofs aan de poort van den Dagonstempel bidden en haar verzekeren van mijn nauwe maagschap, eer ik tot u mocht komen. Het zal hem voorzeker beter gaan, overmids hij zich beroepen kan op den Burgemeester Willem Jansz., den heftigen Spaanschgezinde, bij wien hij gister avond is afgestapt.''
»Bij Willem Jansz.? Maar ik verstond uit uw verhaal, dat hij door de knechten derwaards werd gevoerd. Het geschiedde niet uit vrije beweging. Deze uwe aantijging mist allen grond. Hij zal voorzeker daar reeds in hechtenis zijn of reeds overgeleverd aan den Gerechte...! En geen vriend ijlt hein te hulp!quot;
»Uw vrees is wel overdreven, Marijken!quot; zeide Freêrijk, terwijl hij haar naar buiten wees. «Het huis des Burgemeesters paalt aan dit klooster. Ziet ge dat paar in gindschen hot? Dat is de hof van Willem Jansz., die slechts een dochter heeft en geen zoon; hij, die ginder met dat meisken dartelt, is de vader niet; wie kan het anders zijn dan hij?quot;
Freêrijk werd wreed bij zijne uitvoerigheid. Een korte aanduiding ware reeds voldoende geweest om Marijken te treffen. Hare onge-loovigheid had hem verbitterd; haar te overtuigen, noemde hij plicht, al deed hij haar ook onder de poging daartoe bezwijken.
Marijken werd doodsbleek; zij klemde zich aan de vensterbank en staarde lang, ofschoon hare smart verdubbelde bij iederenblik, naar buiten. «Zou het waar zijn?quot; vroeg zij zicli zelve. Het bloed scheen naar het hart te vloeien en daar te stollen. ))De dochter van Willem Jansz.! Zij is schoon zoo als men zegt. Kolterman, dat is wreed!quot;
»Ja, wreed!quot; riep Freêrijk. ))In de laatste dagen zullen velen afvallen, de begeerlijkheden der waereld verkiezende boven de geboden van den Heere Zebaoth. Zuster, Marijken, wend uwe oogen af! Spreek mij toe. Heb ik u niet langer gekend dan hij? Weet ik u niet beter te waardeeren dan hij? Wreet ik niet, dat uw hart een outer Gods is en uwe oogen te rein om dergelijke boosheid te zien?quot;
Marijken maakte een beweging van ongeduld. Zij kon nauwelijks meer twijfelen; de ijverzucht kiemde in haar boezem; toch verdroeg zij niet het woord van Freêrijk, dat den innig geheide een boosheid aantijgde.
»Hij heeft gewisselijk goede oorzaak voor hetgeen hij deed,quot; zeide zij mat, »zoodat wel iiiet aan boosheid behoeft te worden gedacht. Hij was altijd te edel, dan dat ik hem tot eene wandaad in staat
293
acht. Kan hij niet uit overtuiging zijn overgegaan? Kan hij niet gestreden hebben met zich-zelven, eer hij den stap waagde, die hem de Roomsche kerk naderbracht ?quot;
))Gij meent u zelve tegen be^er weten iets diets te maken,quot; hernam Freêrijk. «Hij, die mijne oogen opende voor het licht, die u de waarheid deed onderkennen, hij zou zoo plotseling veranderen van geloof, en dat uit overtuiging! Het schijnt mij ondenkbaar. Hij moge vroeger hebben gespeeld, of hij doet het nu. Het eerste kan niet worden aangenomen, want de geveinsde ijver maakt geen bekeerling. quot;Wat rest ons anders dan het laatste te vermoeden ? En zoo ik daarop peins, dan wordt mij veel duidelijk. Gij kent toch zijn verleden, gij weet weshalve mijn vader... weshalve Heere Freêrijk Simonsz. hem heeft vervolgd, meenende dat hij Heere Bardes' kleinzoon was ...quot;
sNeen, dat weet ik niet!'quot; riep Marijken. «Veel wordt mij alsnu helder aangaande beider vijandschap. Maar wat verscheelt mij dit in deze ure!quot;
«Maar gij weet toch dat hij die kleinzoon niet is, dat hij naar Amsterdam toog om het bewijs daaraf te gaan zoeken. Hij heeft het gewis gevonden en zijne rechte ouders bovendien. Deze zullen Paapsch zijn en alzoo . ..quot;
»En hij zoude zijnen Heer verloochenen om vader of moeder, welke hij nauw kent? En hij zon de waarheid vertreden, misschien om vuil gewin, niet wetende dat hij, die het doet, niet des Heeren Christi waardig kan zijn? O, gij zoekt wel met graagte naar alle middelen om hem zwart te maken in mijn oog, opdat ik hem leere minachten en kunne vergeten.quot;
Van waar dat FreOrijks bleek gelaat rood werd als vuur? Van waar dat hij zich afkeerde zonder te spreken, terwijl hij toch voor God kon betuigen, dat dusdanig boos opzet bij hem niet gevonden werd ?
«Marijken, niet genoeg, dat alle bloemen voor mijne voeten zijn verdord; niet genoeg, dat het leven om mij heen waardeloos voor mij wordt, gij doet mij zelfs wanhopen aan mij zeiven. Waarmede zal het zout gezouten worden, indien het smakeloos wordt? Ik wist niet, dat er zooveel bitterheid school iti uwe ziel en dacht niet, dat gij haar verzamelen kondet jegens mij. Hot is mijn plicht als broeder, u den afgrond aan uwe voeten te doen zien, om u te doen atkeeren van deti verdoolde, opdat ge zijne hand zoudt kunnen loslaten eer hij u medesleepte, en, Marijken, bij God Alwetend, mijn hart bloedt daar onder! Gij vraagt mij verklaring van hetgeen ik mededeel, of gij heet mij een leugenaar, en indien ik ze geef, dan stoot ge mij terug als den moordenaar van hem, dien ge mint... Marijken, ge zijt hard jegens mij, en ik heb het niet aan u verdiend!quot;
»Vergeef mij, broeder! in een ijlende koorts stoot men meest de naaste maagschap van zich af,quot; zeide zij zuchtende en hem de
'1
'P
i i
i â¢
294
harul toereikende. «Vergeef mij, maar uwe woorden ontriemen mij zoo veel, ontnemen mij alles ..
»Gij liebt hem dan wel lief! Alles ontneem ik u? Alles?quot; Ilij herhaalde de vraag, alsof hij verwachtte dat Marijken hare uit-sprake verbeteren zoude, maar zij deed het niet.
sEn dan,quot; hernam zij, »gij slaat de wonde en poogt haar niet te zalven. Gij tijgt hem een zware misdaad aan en voegt er geen woord aan toe, dat hem verontschuldigen kan in mijn oog. Gij spreekt niet van de smart, die hij zal hebben geleden eer hij toegat aan wat hem plicht scheen; want dat was het voorzeker, anders ware hij niet van leuze veranderd. Neen, gewisselijk, wat hij deed, deed hij uit goede beginselen en om voldoende redenen. Hij moest handelen zooals hij handelde, al schijnt het u en mij onverklaarbaar. En mij niettemin aan te drijven hem te haten, hèm,wienik zeker beklagen, wien ik zeker bewonderen moet, het toont mij weinig den zin des Christens, die wandelt in liet licht. ..! De arme, hoe hij zich wellicht overgeeft aan zijn plicht met gebroken hart...!quot;
«Voorzeker,quot; zeide FreOrijk heesch, en zijne oogen vonkelden en zijn blauwwitte lippen trilden krampachtig. »Zie,quot; vervolgde hij, den vinger uitstrekkende en naar buifen wijzende. »zie, hoe de arme lijdt en zich krimpt onder de weeën zijner ziel, onder de stuiptrekkingen van zijn verbrijzeld hart...! de edele afgod uwer ziele!quot;
Vlijmend was de ironie, want Marijken bespeurde daar buiten, hoe de jonkman ginder de hand nam van het meisken, dat hem naderde; hoe beiden een lange poze elkaar aanstaarden, elkaar schenen toe te fluisteren, misschien woorden van tederheid, betuigingen van liefde!
Het was te veel; zij borst in tranen uit en bedekte zich het gelaat met de handen, doch riep den geprikkeldei. Freèrijk onder hare zuchten toe: «Booze, verlaat mij!quot;
Die woorden brachten hem tot bezinning. Een rilling liep hem door de leden. «Kwam het dan zoo verre?quot; bracht hij trillend uit. «Ben ik dat werkelijk?quot; vroeg hij met afschuw. «Behoor ik dan tot de verworpenen, die de Heere God voor de helle heeft geschapen? Ben ik een Kaïn, wiens brandoffer niet werd aangenomen? Was ik van der jeugd af aan een geteekende en had de Heere ook tot mij wellicht gezegd; »Het ware beter geweest dat die mensch nimmer ware geboren!quot; Hij is de zoon des huizes, voor wien het eèlst geslacht wordt; ik ben de bankert, wien de draf van het gedierte wordt toegeworpen. Hem gelden uwe tranen en mij slechts uw haat! En wie kruiste zich zei ven meer, hij of ik? Wie heeft meer gestreden met het zwaard des geestes? Wie offerde u meer? Ik heb jaren aan uwe zijde geleefd en geleden; ik zweeg; toch voedde iedere blik uwer oogen mijn zielepijn, stortte iedere polsslag mij venijn in de aderen. En wat deed bij? Hij heeft geleefd en geliefd uit belang of uit neiging, maar, uit welk beginsel ook, hij
5lt;ende den schat niet, dien ik zelf hem hielp bewaren... Ik...! en ik had u lief!quot;
Marijken had hare tranen gedroogd en rees op. ))Lief, lief!quot; lispelde zij, en zij staarde hem wezenloos aan. Freèrijks overspanning was geweken: iiij had den eed verbroken, aan zich-zelven gedaan: hij had het geheim verraden, dat hij jaren bewaard en voor welks ontdekking hij immer gewaakt had. Hij bemerkte wat onheil hij te weeg iiad gebracht; hij waggelde vooruit en viel voor Marijken op zijne knieen, greep hare hand en stamerde: «Vergeef mij wat ik deed; vergeet dit woord: ik had het niet mogen spreken; in deze ure vooral had ik moeten zwijgen, Marijken!quot;
))AItijd,quot; zeide zij dof en hare hand terugtrekkend. »Verlaat mij.quot;
))Een enkel woord van zachtheid,quot; bad Freèrijk, »van vergeving. Bedenk, Marijken, dat ik jaren zweeg, dat ik deelde in zijn geluk, toen hij liet waardig was, toen hij als Samuel diende in den tempel des Heeren ... Gij wendt u af ?quot;
))Ik heb thands een broeder verloren,quot; zeide zij fluisterend. Haar gelaat evenaarde in witheid de kap die haar dekte. «Het was niet wel dat gij, juist gij, hém kwaamt beschuldigen .. . Maar ik reken liet u niet toe, Freèrijk!quot;
»Ik begrijp den omvang van dit verwijt, maar het is onverdiend. Niet daarom kwam ik hier; geloof mij, niet om hem aan te klagen uit zelfzucht... Ik zoude gruwen van mij zeiven,indien hetalzoo ware.quot;
»Ik geloof u. Maar gun mij rust. Indien het waarheid blijke, wat gij van hem gezegd hebt, dan zal ik mij van hem afkeeren,quot; zeide zij, en hare stem had schier geen klank meer. «We zullen elkaar wederzien, zij het ook... als vreemden ; maar laat mij thands alleen,quot; vervolgde zij smeekend, en er lag zooveel innigheid in hare bede, dat hij haar niet weerstreven durfde, maar met de wanhoop in het hart en zonder een enkel woord meer te wagen heenging. Hij waggelde den gang door als bedwelmd en onbewust of hij zich ter poorte richtte. Wat was er van hem geworden, den stroeven, den in zich-zelven gekeerden jongeling, die zijn roem stelde in de verloochening van zichzelven, wiens avondbede vaak geweest was: 3)Heere, ik dank u, dat gij mij weder die zegepraal geschonken hebt?quot; Lang had hij gewroet in eigen boezem, eer hij leerde kennen wat waarheid voor hem moest zijn; maar toen hij die waarheid meende gevonden te hebben, met wat heftigheid had hij gestreefd naar heiligmaking, en hoe vaak had hij, niet bevroedende hoe nabij zijn oodmoet! aan hoogmoed verwant was, den Heere er voor gedankt, dat hij geroepen was tot het licht! Hoe nietig was hij thands voor zich-zelven, hoe naakt en bevlekt scheen hij in zijn eigen oog! Marijken moest hem haten, verachten! En toch, hij was haar niet genaderd met eene onedele begeerte in het hart, met een lage ij verzucht in zijn binnenst, met het doel om don eens geliefden broeder van zijne bruid te berooven. Neen, hij had volgens Christenplicht
â 29G
gehandeld, de reine van den onreine willen scheiden, opdat beidert niet verloren zond en'gaan; hij had er trotsch op mogen zijn, ware zijne kracht geene zwakheid gebleken in de ure des strijds.
Bij liet afdalen langs den steenen trap werd hij gewekt uit zijn smartelijk gepeins door eene hevige woordenwisseling aan de poort. Hij herkende met scluik ile stem van Rijkert Claes, die met kracht aanhield om te worden toegelaten tot Marijken, Heer Freèrijks nichte. Ter rechter tijde kwam hij tusschenbeide, daar de prediker gereed stond eene onvoorzichtigheid te begaan en het doel zijner komst te verraden.
Het geldstuk, door den jongen Freèrijk der poorlierster in de hand gedrukt en de verzekering, dat de poorter een goed bekende der gevangene was, maakte een einde aan den woordentwist en verschatte Rijkert den toegang.
«Broeder, hebt ge hem gesproken ?quot; vroeg Freèrijk, die den vorigen nacht bij den Predikant had doorgebracht en dezen liet eerst van allen van het gebeurde onderricht en zelH, aangespoord had zicii van de waarheid te gaan overtuigen.
»Ja,quot; was het antwoord. «Salomo keerde zich af van het aangezicht des Heeren. Hij is een afgesneden lid der gemeente.quot;
Freèrijk drukte Rijkert stilzwijgend de hand en ging heen. Wer-waards wist hij niet; maar had Koltermans alval hem alle krachten verlamd, vreemd was het, de bevestiging daarvan gaf veerkracht aan zijn geest, gaf een schok aan zijne immer zoo matte ziel. De man der bespiegeling dreigde door den drang van het gevaar en misschien door de behoefte om zich-zelven een poze te vergeten, een man der daad te worden. Hij spoedde zich naar Rietlus, naar Brouwer en Semeyns, die meer ot min van het gebeurde reeds onderricht waren. De beide laatsten hadden het eerst niet geloofd, maar twijfelden thands niet langer, vooral na de aanmerking van Rietlus, dat hij het dien morgen op de reede wel vermoed had, daar de jonkman toen reeds zijn afval had doen gissen. De vriendschap van dezen met den Admiraal had hem leeds voor lang achterdocht ingeboezemd. De tijding werkte verpletterend. Freèrijk sprak, van wederstand, maar vond bij hem weinig steun. Toen ijlde hij naar Buyskes, die hem tot zijne grootste verbazing koeltjes aanhoorde, hem slechts half andwoordde en weinig waarde schefn te hechten aan hetgeen hem werd medegedeeld, terwijl hij het krachtdadig handelen, waaitoe Freèrijk hem opriep, tot na het houden eener bijeenkomst verschoof. Wat er van die bijeenkomst werd, hebben wij in ons vorig hoofdstuk reeds aangetoond.
Middelerwijl was Rijkert stoutmoedig den trap afgeklommen en liet hij zich de cel van Marijken aanwijzen. De gedachte aan het gevaar, dat hij, tie prediker der Gereformeerde Gemeente, in het nonnenklooster liep, was wel bij hem opgerezen, maar deed hem niet deinzen. Hij trad binnen en vond Marijken tot zijn leedwezen
niet alleen. Hij herkende den monnik met dat beenig, streng gelaat en die magere gestalte, en het was of zijne knieën een oogenblik knikten. liet was ook Martinus, de kettermeester, de wel bekende de vaak gevreesde, dien iiij aantrof. Deze had Marijken weder gesproken van veroodmoediging en boete, en, toen zij verdedigde wat hij aanviel, van straffe en ban. Hij zag met wrevel den binnenkomende aan, wiens naam hij niet kende, maar van wieu hij een zonderling denkbeeld opvatte door de handelwijze van .Marijken. Deze toeii kon een kreet van ontzetten niet weerhouden, rees op en ijlde Rijkert tegen, terwijl ze hem toelluisterde;
»Teriig, Eerwaarde Broeder! ziet ge niet wie hier toeft?'
Martinus verstond hare woorden niet, maar kon ze gissen door het luide antwoord: »Wat zou ik vreezen, mijn zuster, die ik herken, hoe ook verborgen onder deze windselen. Zegt de Apostel niet, dat wij de kranken zullen bezoeken, en met en over lien zullen bidden? Wel zijt gij krank, maar, de Heere God zij gedankt, niet naar den geest.quot;
sWel stel ik mij schrap tegen uw gevoelen,quot; zeide do monnik streng, terwijl hij hem met de oogen mat. »Geeft gij u zeiven voor een medicijnmeester? Ik houd de lijders wel voor ellendig, die oij bezoekt. Dat meisken is krank, krank tot den dood, en juist naar den geest; en ik betwijfel zeer of gij het recht hebt, al ken ik u de verwatenheid er van toe, daarover een oordeel te vellen en mij tegen te staan.quot;
»Uw lastbrief werd gewisselijk gezegend door Mijnheer den Paus en diens handlangers; de mijne door den eenigen Heer der Gemeente. Ik sta hier krachtens mijn ambt en kom mij veroodmoe-digen in den gebede met een zuster der Gemeente.quot;
» Versta ik wel ?quot; kreet de monnik, wiens oogen vonkelden. »Waagt zich een Geuzenprediker aan deze heilige plaats? Vreesdet gij niet de straf des aardschen en eenmaal des hemel.'chen Rechters, toen ge den voet zettet op dezen gewijden drempel, met het doel deze jonkvrouw, reeds half door u verlokt, geheel te verstikken in de netten der ketterij ?quot;
sXoem het niet dus, monnik!quot; zeide Rijkert, die het hoofd ophief en op wiens gelaat de zenuwen tiilden, terwijl de neus hare vleugels uitzette. sXoem het toebrengen van dit meisken tot de kudde des Heeren geene verstrikking in de netten der ketterij. Noem het veeleer een losmaken daaruit, overmids zij van hare jeugd daarin is bekneld geweest; en aangaande dit huis, het is mij gelijk een Dagonstempel, waarvan de afgod neerviel van zijn voetstuk voorde arke des verbonds van Jehova den Heer!quot;
Marijken wrong de handen bij deze stoutmoedige taal. «Bedenk tot wien gij spreekt, Eerwaarde Broeder! Uw leven is te kostelijk voor velen, dan dat het onnut mag worden weggeworpen.quot;
»Gij zijt zeer bezorgd voor het leven van den Geus,quot; zeide Mar-
298
linus meer bitter ckn wel streng, als of liij haar wou doen gevoelen hoeveel prijs hij zelf op belangstelling van hare zijde stelde, en hoe hare onverschilligheid, zoo vaak hem betoond, hem grieven moest. ïMaar gij zijt liet niet zonder reden,quot; vervolgde hij, de oogen op den poorter en zijne armelijke kleeding slaande, «want ik zal niet rusten voordat de verleider uwer ziel, de verderver der gantsche kudde, de gerechte straf geleden heeft.quot;
))Nog zijn u de handen daartoe van God gebonden, maar indien Hij het toeliet, ik zal Hem verheerlijken ook op den brandstapel,quot; zeide Rijkert. »En tliands, mijne zuster, laten wij ons niet af houden door den dienaar van den Antichrist, om ons op te bouwen in den geloove.quot;
iiGij zult uw verwatenheid toch niet zóo verre drijven van in deze gewijde woning in mijne tegenwoordigheid uwe lasterlijke leer te verkonden? Marijken, ik verbied u hem aan te hooien; mijne dochter, ik bidde het u, in het belang uwer ziel!quot;
«Juist ter redding, ter vrijmaking harer ziele uit de boeien haar aangelegd, sta ik hier en d e ik haar de woorden hooren des eeuwigen levens. Lasterlijke leer! Noemt gij u naar den Heere Christus en durft gij Zijn woord bestrijden? Mijne zuster, gij hebt een beter fondament dan die man u ieggen kan, dewelke verzonken ligt in het diepste diep der afgoderij. Hoor wat de Apostel Paulus tot vertroosting zegt aan degenen, die lijden en in verdrukking zijn. De Heer zegene het woord aan uw hart en geve, dat ook de monnik niet gantschelijk verdorven zij, maar, vervuld door den Heiligen Geest, ooren krijge om te hooren en oogen om te zien.'
«Eerwaarde Broeder!quot; kreet Marijken, die tusschen beiden stond en niet wist naar welke zijde zich te bewegen. Hier stond de prediker eener leer, die zij had aangenomen, ginds de verdediger en handhaver eener Kerk, die zij verlaten had; maar die verdediger was haar leidsman geweest van der jeugd af aan. «Eerwaarde Broeder, ik bidde orn een beter uur voor onze samenspreking. Uwe woorden zullen dat hart toch niet beroeren!quot;
«Twijfelt gij aan hunne kracht? Het woord Gods is als een vuur voor het dorre hout, als een lentewind voor het groene,quot; zeide Rijkert.
«De monnik was opgestaan en had een wijle zich bedwongen.
Te oordeelen naar den smadelijken glimlach op zijn gelaat zichtbaar, scheen hij voor alsnog den spot als liet meest voldoende wapen te zullen aangrijpen. «Marijken, terug!quot; zeide hij snerpend. «Te recht onderstelt gij, dat de woorden van den Geus niet denzelfden invloed op mij als op u zouden oefenen. Hij leere ze zelf verstaan eer hij ze andere doe hooren. Van waar hebt gij de kennis ontvangen, leek? Of gelooft gij het lichter taak, anderen te onderwijzen in de Godgeleerdheid, dan een bekwaam broeder van het zilversmidsgilde te zijn? Naar ik wel vernomen heb, was het metaal
299
voor u nooit smijdig genoeg: denkt ge dat een menschenhart het eer zal zijn? Uwe vorige nering verliep, deze zal geen beter lot treffen.quot;'
»Het is waar, ik ben een nederig poorter en niet onderwezen in de scholen der geleerdheid, maar de wijsheid der waereld is de dwaasheid bij God. Eén ding is mij nut: het is Christus te prediken en dien gekruist; het is den Antichrist aan te kondigen, dat de dag spoedig zal aanbreken, waarop men het geroep zal hooien: Bergen valt op ons, heuvelen, bedekt ons? Waarop beroept gij u? Gij zijt mij een Wetgeleerde, van wien de Heere sprak als van geveinsden en addrenbroedsels. Wilt gij strijden, ik biede u den kamp. Dit is ons beider wapen!quot; zeide Rijkert, die een bijbel van onder zijn regenkleed te voorschijn bracht.
»Leer het zelf eerst verstaan aan de voeten der Priesters. Twist brengt ge voort, verwaten nieuwigheidsverkondigers, twist, waar eenheid bestond, maar deze laatste zal weer verrijzen, zij het ook op eene vertiende aarde! Uwe sekte verheft zich op den bijval dei-menigte, maar God laat voor een wijle het kwade toe, opdat het «zoede er uit voortkome. Gij denkt wellicht den val der Heilige Moeder nabij, en het gaat u, rebel tegen de Majesteit Gods, als het der schare ging, die het dochterken dood noemde, et deride-bant eum scientes qiiod mortua esset. Maar onze God, haalbij de hand nemende, zeide: ipse autem tenens manum ejus clamavit dicens: Puella, surge. Et re versus est spiritus ejus et surrexit continuo. Hoort ge? Surrexit?... Doch wat spreek ik jegens u,quot; zoo besloot Martinus trots, »gij begrijpt mij niet.quot;
»Het is waar; ik versta geen Latijn; maar het is ook eene doode taal. De Heere Jezus sprak voor allen tot allen. Uwe woorden schijnen grootsch als de ceremoniën uwer eeredienst en de versierselen uwer kapellen. Eenheid? Er is ook eene eenheid in het rijk der duisternis, er is eenheid onder de zerken, en die bedoelt gij! Zij zon herrijzen? Maar gij antwoordt niet op mijne uitdaging. Ik vrees u niet. Roep de macht op, die u ter dienste staat: uwe latijnsche kwartijnen en sproken der Heiligen; ik sta hier met dit boek. geschreven in eene levende taal, verstaanbaar voor gilde-broeders en tollenaars, en ik zal u overwinnen.quot;
»Gij herinnert mij ter juister ure aan de macht. Gij hebt uw laatste slachtoffer bezocht.quot;
Martinus ging naar de deur, om naar den Schout te zenden. Marijken hield hem terug. sHeer Martinus, ik bid u om ontferming, om den wille van mij, die gij eenmaal hebt verpleegd en gekoesterd.quot;
«Zuster, wat is dit? Laat hem doen wat goed is in zijne oogen. Weet ik niet waarnaar ik streef? Wil hij mijn lichaam, zoo neme hij het. Hij kan mijne ziel toch niet verderven. In deze ure is het
300
mij een groote troost, u dus gesterkt te zien in uw geloot'. Die man heeft knechten en brandstapels, maar hij kan uwe ontwaakte ziel niet weder doen insluimeren. Gij zijt toegevoegd aan de gemeente des Heeren, en gij blijft daarin als de rank aan den wijnstok.quot;
«Hoop daarop niet Ie veel, meester!quot; zeide Martinus. «Boete en kastijding breken de hartstochten en verhelderen het oog der ziel. De verdoolde zal terugkeeren, en deze hand zal het onkruid wieden uit haar hart. Marijken, die prediker is u lief', niet waar? Ik zal hem sparen en de kloosterpoort ontsluiten, indien ge de Heilige Moeder, die hare armen voor u opent, nadert: indien ge de alleen zaligmakende leer weder aanneemt, die u zoo gelukkig deed zijn. Mijn kind, het Paradijs ware mij een woestenij, indien ik u verloren wist, en gij zult verloren gaan, indien gij den weg volgt, u door hem aangewezen. Hebt ge mij verstaan? Ik laat hem vrij, zoo gij u bekeert.quot; Martinus drukte hare handen in de zijne. De koude monnik bad zco innig, dat het haar de tranen in de oogen deed wellen.
»De keus valt toch niet zwaar, mijn zuster! Die man overreedt niet, maar koopt om,quot; zeide Hijkert, terwijl hij de oogen vestte op het meisken, dat in zich-zelve worstelde en eindelijk met moeite uitbracht:
sMaar indien ik niet kan? Al zei de tong ja, om Heer Rijkert te helpen, en het hart neen, daar ik mijne overtuiging niet dooden kan . . . ?quot;
«Overtuiging? Kan zij bestaan waar het een dwaling geldt? Open uw oog slechts voor den glimlach van de moeder der barmhartigheid, en de dwaling, ilie gij overtuiging heet, vliedt heen. Ging het niet uwen minnaar alzoo? Wie was verharder dan hij, en wie is thands ijveriger?quot;
sLaat u niet bekoren door dat exempel, mijne zuster!quot; riep de prediker, die den invloed bespeurde,welken datwoord teweeg bracht. «Hij is afgevallen, maar gewisselijk niet uit overtuiging...quot;
»Dus is het toch waar?quot; lispelde zij nauw hoorbaar.
«Maar ik herhaal, niet uit overtuiging!quot; riep Rijkert. »DeNari-zeër zal verlokt zijn door de schoonheid eener Delila. Hij moge een wijle zich afkeeren van de waarheid, maar hij komt terug. De Satan zal hem niet kunnen houden.quot;
Wat Marijken leed bij deze woorden! Wat zij als het ergste vreesde, werd dan bewauHieid, daar de prediker mede daarop doelde. Schier bestrafte zij zich zelve, dat de afval van den jonkman haar minder gruwelijk scheen dan de vermoedelijke oorzaak , dat zij zijn overgang uit overtuiging minder zoude betreuren, dan eene om eene opgevatte neiging voor Willems dochter.
Martinus bracht hare afdwalende gedachten op de straks behandelde zaak terug. Hij kon de onderstelling des Geuzenpredikers»
301
alsof de jonkman niet met hart en ziel de Kerk weder was binnen getreden, niet dulden en voerde hem daarom te gemoet: ))liij was te scherp van rede, om lang bij u en uws gelijken te toeven, om lang zich te laten meêsleepen door de wartaal van mandenmakers en smidsgezellen. Mijne dochter, hij is n voorgegaan op den rechten weg! Volg hem en gij zult hem vinden! De Heilige maagd maakt u den terugkeer wel licht... Zoo gij in uwe dwaling blijt't, dan scheidt gij u ook van hem, die u lief was ...quot;
»Mijne zuster, twijfelt gij?quot; vroeg Hijkert bestraffend, die de onrust op haar gelaat misduidde en voor eene zwakheid aanzag.
«Geenszins, Eerwaarde llroeder!quot; andwoordde zij vast, en het gebogen hoofd opheiïende. »Ik weiger uwen voorslag, Heere,quot; zeide zij tot Martinus, «uwen voorslag, door Heer Rijkert te recht eene omkooping geheeten.quot; Zij stak de hand uit naar den Bijbel, dien Rijkert onder den arm hield, en lei hare trillende vingeren daarop, als stond zij gereed een eed uil te brengen. »Ik belijd de nieuwe leer van gantscher harte en hoop daarin te sterven.quot;
»Weet ge wiens vonnis ge velt, verharde?quot; riep de monnik, haren arm grijpend en haar aanziende met grammen blik. «Het zijne,quot; vervolgde hij, op Rijkert wijzende. «Hij zal sterven en het is door uw toedoen. Hij zal gestraft worden volgens de plakkaten, en gij zult het aanzien; wellicht dat de gebenedijde Maagd daarbij uw hart neigt tot berouw en bekeering. Marijken, mijne dochter, gij waart immer een volgzaam kind, eer gij besmet raaktet met deze ketterij. Voor de laatste maal: open het oor voor de vermaningen van uwen geestelijken vader. Red u zelve... en te gelijk hem.quot;
»Moet de prediker sterven? Wat moet ik doen?quot; vroeg zij in vertwijfeling.
»Volharden in den geloove en de inblazingen van dezen weder-staan, dien ik slechts een volger geloofde, maar die de Antichrist zelf is. Wedersta den duivel en hij zal van u vlieden, mijn zuster!quot; zei de prediker.
»Maar ik verlang uw andwoord!quot; riep Martinus stampvoetend uit.
)gt;Ga achter haar. Satanas!quot; hernam de prediker, in wiens armen zij zich geworpen had, tegen wiens hart zij het hoofd leunde, als om kracht te vinden voor het andwoord, dat ze uiten wilde, maar niet kon.
»Gij hebt gesproken door die daad!quot; zeide Martinus. Hij trad naar de deur om het straks opgevatte voornemen ten uitvoer te brengen. Eer hij haar bereikte, werd zij geopend, en trad de Prior Andreas met Bardes, die op zijn arm leunde, binnen. Marijken ijlde op hem toe. zoodra zij hem ontwaarde: «Gij hebt macht over hem!quot; riep ze, op Martinus duidende. «Gij zult dien man weêr-houden, het bloed des predikers te vergieten. Mijn vader, gij zijt niet zoo als hij, ik ondervond het eenmaal; doe hem terugtreden en bescherm dezen.quot;
302
Andreas had na lang zoeken liet spoor van den ouden Bardes gevonden, die op het gezang van eene der nonnen was afgegaan en de wederom openstaande poort naar het St. Ursula-klooster was binnen getreden. Onwetend werd hij verlokt, want Theodorus, die hem in den tuin had opgemerkt, maar alle geweld schuwde, had een der Zusteren overgehaald de lokvink te zijn. Toen Andreas hem ging opsporen, begreep hij, dat de oude nergens anders dan in het St. Ursula-klooster kon verdwaald zijn geraakt. Toen hij echter aankwam, werd hij met den meesten eerbied bejegend, doch niet beandwoord, zoo als hij had gewenscht. Hij had daarop de Priorin in verhoor genomen, die van den geheelen handel blijkbaar niets wist, die zich rein hield van de ongerechtigheden, welke er in de kloosters werden bedreven, maar, te slap in hare tucht, zich weinig moeide mot de zaken harer onderhoorigen. Door Andreas opgewekt, ging zij hem bij het onderzoek voor en vond den oude tot haar grootste verbazing in de spijskamer verborgen. De schuldige was niet op te sporen, daar Bardes hem niet wist aan te duiden. Andreas stond er ook niet ernstig naar hem te vinden, daar hij te goed wist, dat er toch geene vervolging ware in te stellen, al werd de schuld ook bewezen. Hij voerde den oude weder met zicii, toen hij, in den gang gekomen, een heftig geluid van stemmen vernam en daardoor de deur der cel opende, die wij hem zagen binnentreden.
«Wel vreeselijk moet de oorzaak zijn voor dergelijke beweging der ziel, mijn kind!quot; zeide Andreas, terwijl hij de oogen over allen liet gaan en er zelfs een schijn van wrevel op zijn gelaat werd bespeurd, toen hij dat van Martinus ontwaarde.
«Heer Bardes!quot; riep Rijkert, terwijl hij de hand des ouden vatte. «Eindelijk gevonden! Hoe kwaamt ge hier? Het is waar, Beste-vaer zal het zelf niet weten,quot; voegde hij er aan toe.
Bardes scheen hem te herkennen, want hij haalde de hand niet terug en zijn gelaat toonde geenerlei vrees. »Weg... uit den hof... knechten... flambouwen...,quot; zeide hij afgebroken en blijkbaar het eene met het andere verwarrend.
Martinus had het met de hoogste verbazing aangehoord en zeide ten laatste: «Dus is de oude gevonden, dien ik zocht. Maar in welken staat!quot; een trek van medelijden vertoonde zich op zijn gelaat. »We zullen den ongelukkige goed verzorgen, mijn vader!quot; zeide hij tot Andreas. «Dit is de Oud-Schout van Amsterdam, aangeklaagd wegens kettersche gevoelens, maar daarvan vrijgesproken. Het is plicht ons zijns aan te trekken.quot;
«Hij behoort tot de Gereformeerde Gemeente,quot; hernam Rijkert. «Zij lieeft hem opgenomen toen hij hulpeloos en verminkt de kerkers uwer Inquisitie verliet, en zich niemand zijns bekommerde. Hij heeft geleden voor het ware geloof, en de Gemeente Christi te dezer stede weet, dat hij tot diegenen behoort, van welke de Heer
303
der Gemeente getuigde; »Zoo wat gij aan een van hen doet, zult ge aan Mij hebben gedaan.quot;
»Het wondert mij grootelijks, u in deze zaak te zien mengen, u,
dien ik raad u voor te bereiden tot de laatste ure. Deze oude behoeft hulp en steun, hoe zoudt gij in staat zijn die te geven^
gij of het goddeloos konventikel, dat weldra in handen van den Gerechte zal zijn of gebannen en zwervend?quot;
sliet geschiede ons naar 's Heeren welbehagen,quot; hernam Rijkert,
»maar zoolang de adem mijne lippen niet begeeft, zal ik het recht der Gemeente verweeren, en opeisclien wat haar behoort. Vreemd is mij uwe zucht tot liefdadigheid, welke den armen ter dezer stede niet vaak is gebleken. Ik herhaal, dat Heer Bardes tot de Gemeente behoort en het u alzoo niet toekomt hem te verzorgen.quot;
»Ik doorzie uw toeleg. Heer Bardes is rijk, niet waar?quot; zeide Martinus toornig.
»Heer Bardes is een ongelukkige en behoeft hulp,quot; hernam Rijkert met kracht, verontwaardigd over de laatste aanmerking.
»Menschenkinderen, twist ge over een broeder, als over een buit? Wat verscheelt het u. Is hij geen mensch, en een schepsel ook van uwen Schepper?quot; vroeg Andreas, terwijl de verontwaardiging in zijne oogen vonkte en de anders trillende stem krachtig en vol werd. »lk vermoed,quot; zoo vervolgde hij, «wat hier omging vóór mijne komst; ik merkte het aan uwe verbolgenheid en aan de onrust van deze jonkvrouw, wier hart gij verschrikt. Mijn kind, ik zag u vroeger weenend en verslagen door dezen ontrouwen volger des Heeren, die de wachter moest zijn voor de kudde en zoo dikwerf een grijpende wolf is voor de kooi.quot;
«Prior, ik raad u, mij dus niet te kwetsen voorliet oog der on-geloovigen. Ik ben een dienaar der Kerk als gij, en hoewel in naam de mindere, krachtens mijne kommissie, boven u gesteld. Scherp jis
is uwe aantijging, maar de grijpende wolf zou niet alleen de kooi,
maar ook den wachter kunnen bespringen, die, ontrouw aan zijn plicht, op de wacht is ingedommeld. Weet gij wat hier omgaat? ji if
Hij, die daar, met den glimlach opliet gelaat, uwe kettersche sprake heeft, aangehoord, is de Geuzenprediker, volgens de plakkaten des Ivonings en de uitspraken der Kerkvaders des doods schuldig. Ik zal hem doen zetten en overleveren en eisch van u steun, voor het minst stilzwijgen.quot;
»Gij zult hem niet overleveren,quot; zeide Andreas. «Uw en mijn Heer leerde liefde ook jegens den tollenaar. Zijt ge dan zoo van Hem ontaard, dat uw hart niet gruwt van het plengen van het bloed uws broeders ... ? Het is u niet gegeven, over hem te oor-deelen.quot;
«Niet ik, maar de Kerk oordeelt en veroordeelt hem : zij doet het,
omdat zij de waarheid heeft, en wie tegen deze is, is uit den Booze.quot;
«Zij zou de waarheid hebben, zij, die het woord des Heeren
j;
304
vervolgt en de gemeente iler Heiligen doodt, den vader zijn kind, der moeder haar zuigeling ontneemt?quot; riep Rijkert.
»Wie beroemt zich de waarheid te bezitten?quot; vroeg Andreas plechtig. »A1 daalde zij in zichtbaren vorm op aarde neder, zou ons feilbaar oog baar herkennen, haar begrijpen, zoo als zij is? Zij is ons een gesluierde, die in den loop der eeuwen een tip harer wijle opheft. Zoo gij den boog boven onze hoofden onderzocht, gij zoudt mij begrijpen. De lichtende sterre, eerst onlangs verschenen, zou u in gloeiend schrift verkonden, hetgeen ik u thands predik. Nieuwe waerelden worden zichtbaar, nieuwe gedachten zullen ver-
nJ»TJvve beelden zijn Heidensch en het voegt den Christen niet daarbij te blijven. Ue Heilige Drievuldigheid is zichtbaar onder ons in de Heilige Kerk; bij Haar is de waarheid tot in eeuwigheid!quot;
riep Martinus. .. ,
»Niet in den Afgodstempel,quot; zeide Rijkert met kracht, «maar in dit Voord. Zeide de Apostel niet: Wie u een ander Evangelie verkondigt dan hetgeen wij u verkondigd hebben, hij zij vervloekt. Dit Woord is dat Evangelie!quot;
Andreas andwoordde met zachten ernst: «Dezelfde Apostel zeide: Jaa^t naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede met degenen, die derTHeere aanroepen uit een rein hart, en verwerpt de vragen, die dwaas en zonder leering zijn. wetende dat zij twisting voortbrengen; en een dienstknecht des Heeren moet met twisten. Zijt gij beiden dienstknechten des Heeren, gij, die elkaar verkettert? Eert deo\ei-tuioïncr der ziele, in welken vorm ze zich voordoet, wetende dat slechts Eén de waarheid kent, en de nieren der mensciienkinderen
kan proeven.quot; i 11 quot;
»Met zulk een leer zou de vader der leugenen worden geduld, riep Rijkert, en Martinus zag met somberen ernst op den Prior neêr, tot dat de ergernis, in zijn binnenste verkropt, zich lucht moest geven.
sUwe redenen zijn verward als de bezweringen der zwarte conste en onschadelijk, zoolang ze in de eenzaamheid werden uitgesproken in uw studeercel. Maar ze hier te doen hooien is doodzonde, en naast de houtmijt, die voor hem zal worden opgebouwd, moet ook de uwe verrijzen. Geen vrede zij er meer tusschen mij en u! Gij zijt van dezen stonde af geteekend bij de Heilige rechtbank. En nu... dat ik voleinde!quot; Hij keerde zich naar de deur. Marijken, die met ontzetten den gevoerden redetwist had aangehoord, maar hem niet begreep en zich geheel neigde tot de leering van Rijkert, richtte het smeekend oog tot den Prior, voor wien ze een lieibgen eerbied, gemengd met eenige vrees, begon te voeden.
Deze begreep haar, maar kwam niet tusschen beiden. Slechts nam hij Rijkert bij de hand en ging met hem heen. De oude Bardes, die bij den aanvang van het gesprek gepoogd had te luis-
305
teren, doch geëindigd was mei in te sluimeren, het hoofd tegen Marijken geleund, was thands ontwaakt; hij wilde hem volgen, maar Andreas duwde hem zachtkens terug.
))lk kom bij u, beid mij hier!quot; Aan de poort ontmoette hij Mar-tinus, die de noodige bevelen voor Rijkerts inhechtenisneming gaf. Hij werd echter niet gehoorzaamd, toen men den Geuzenprediker onder zulk een geleide zag voorbijgaan. Martinus welden de tranen van spijt in de oogen op. »De ure der vergelding zal komen,quot; beet hij den Prior toe, die zonder te andwoorden voortging, Rijkertzelf de poort ontsloot, en van hem scheidde met de woorden: »De Heer zij met u, mijn broeder! Ga in vrede.quot;
Rijkert drukte stilzwijgend 's Priors hand. Hij was dankbaar voor ile redding, schoon hij den redder schuwde, van wien hij zich wellicht even ver verwijderd gevoelde als van Martinus.
Hij was nauwelijks eenige straten doorgegaan, of hij voelde een hand op zijn schouder, en een lid der Gemeente bad hem lluiste-rend te volgen. Hij wilde weigeren, maar de neep van den arm zijns vriends was te forsch en hij trad een vreemde woning binnen, die zich terstond achter hem sloot.
De reden dezer handelwijze werd hem eerst na verloop van eenige uren medegedeeld. Het gerucht was verbreid, dat de Schout, dien men vroeger der nieuwe leer gunstig dacht, maar wel spoedig was omgekeerd, in aantocht was om den prediker te vatten. Men kende diens geaardheid te wel, om niet te vreezen, dat hij het gevaar zoeken zou en verzweeg het dus voor hem tot dat de avond gevallen was. Toen liet hem werd medegedeeld, was hij ook niet langer te weer-houden. Hij ijlde heen. maar vond, zooals wij weten, zijne woning van wege den Gerechte verzegeld en zijne huisvrouw verdwenen.
Toen hij aan zijn ledig en half verwoest huis kwam, kon hij de smart uiet verkroppen. sGruwelijk! mijne lieve Lij ze!quot; klaagde de arme, die nu van alles beroofd was, van vrouw en kind, van huis en erf.
Ettelijke leden dei' Gemeente drongen zich om hem heen als om hem te verschuilen. Het was geene onnoodige voorzorg, want de straat was op een gegeven oogenblik gevuld met Schoutendienaars, aan wier hoofd de gevreesde Onderschout zich bevond.
Men verborg Rijkert het dreigend gevaar en wilde hem bij een lt;ler geburen, die reeds de deur zijner woning tot dat einde had geopend, doen binnengaan, toen de Onderschout den stap verhaastte on hem tie hand op den schouder lei. 5)Gij zijt mijn, Rijkert Claesz., vols mij!quot; klonk het straf.
Aan tegenweer was niet meer te denken. Ook Rijkert scheen daarvan overtuigd, toen hij zich omringd zag van een talrijken stoet van Schoutendienaars. Schier verstompt en zonder bewustzijn liet hij zich voortleiden, zonder de kreten te hooren, die rondom oprezen en eindelijk hoe langer hoe flauwer in de verte wegstier-
1)E EERSTE DAG. 20
t:
306
ven, kreten van smart, van wanhoop, van wraak over 's predikers gevangenneming.
De stoet hield voor het Stadhuis stil. De stoep werd bestegen, de lange gang ingeslagen. Toen ging het echter ettelijke steenen trappen naar beneden, totdat men aan een zware met ijzer beslagen deur kwam, bij wier opengaan een koude vochtige lucht Rijkert in het aangezicht woei.
«Hier kunt ge meditatiën houden, Geus, en zult ge niemant bederven dan u zeiven,quot; klonk het uit den mond des Onderschouts. sVoor water en brood is gezorgd.quot; Met deze woorden keerde bij zich om en ging heen, na de deur goed gesloten te hebben.
Het krassen van den grendel deed Rijkert als uit zijne bezwijming ontwaken. Hij zag om zich heen, maar alles was duister.-Tastende ging hij rond, maar hij voelde in het eerst slechts een kouden steenen wand, doch ten laatste in een der hoeken op den vloer een leger van stroo. Hij zette zich daar neder en boog het hoofd op de trillende hand. Het hart was hem verbrijzeld. De goede zaak scheen dan ook ter dezer stede verloren, en nog wel door toedoen van een, dien hij zoo liefhad gehad. De beeltenis van zijn vermoorden Ewout trad hem voor den geest en een huivering liep hem door de leden. Zijne neerslachtigheid duurde echter niet lang. De gedachte aan hetgeen hem te wachten stond drukte hem niet neêr, maar verhief zijn moed. «Onze Vader, die in de hemelen zijt,quot; zoo begon zijne bede, sik dank U, dat Gij mij hebt waardig geacht smaadheid te lijden om Uwen naam!quot;
Er was slechts iets dat hem thands nog benauwen bleef, het was de onzekerheid over het lot zijner Lijze. Zou zij wel in staat zijn de hitte der vervolging te dragen? Haar geest was wel gewillig, maar het vleesch was zoo zwak! Hij bad voor haar, hij bad lang en innig en werd daarin ten laatste gestoord door het geluid aan de deur, waar de grendels behoedzaam werden weggeschoven. Een kerkerknecht met een flauw licht gevende lamp trad binnen. Rijkert bleef voor zich staren en zou met zijne gepeinzen zijn voortgegaan, ware de knecht niet blijven staan, na de blikken lamp op den vloer te hebben nedergezet.
«Broeder!quot; fluisterde hij hem toe.
Rijkert hief snel het hoofd. De toon dier stem trof hem. «Zijt gij mijn broeder?quot; vroeg hij even zacht.
«Ik noem deel in uw lot als gold het mij zeiven. Broeder, ik kan u helpen. Slechts de vlucht kan u nog redden voor de vervolging, die aanstaande is. Ik heb gelegenheid gevonden hier heen te komen. Wel kan ik u niet met mij nemen, maar ik kan toch de deur vergeten te sluiten. De knecht, die buiten den gang de wacht houdt, zal dan heen of in slaap zijn. Tree straks het gat behoedzaam uit; klim den trap op, maar sla dan linksaf, waar ge de Schoutkamer open zult vinden. Ik waarschuw u dringend, ga
307
niet rechts naar den uitgang, want die is bezet. Vlucht tusschen tien en elf ure. Doet gij liet later dan zijt gij verloren, want dan is de Onderschout terug.quot;
»VVie zijt gij, die zoo veel belang stelt in mijn lot?quot;
»Vraag niet meer, maar doe zoo als ik u zeg.quot;
»Ik doe dit niet,quot; hernam Rijkert met kracht. »De knecht, dien gij misschien onbekwaam hebt gemaakt mij te bewaken, zou als schuldig terecht staan. Het bloed van dien man kwame over mij.quot;
»Maar met eene boete, die niet te zwaar zal worden gemaakt, komt hij vrij.quot;
«Kunt gij, die dit zoo stellig verzekert, hem de boete verlichten? Bovendien zal de man voor vrouw en kinders te zorgen hebben. Wat dan, als hij ambteloos wordt?quot;
«Hou u met dergelijke kleinigheden niet op, waar het uw leven geldt!quot; riep de onbekende in drift.
«Kleinigheden? Het leven of de toekomst van een mensch is een kleinigheid? Men mag toch het kwade niet doen opdat het goede daar uit voortkome?quot;
»Maar ik zeg u, dien knecht zal geen hair gekrenkt worden,quot; hernam de onbekende heftiger.
»Gij schijnt een macht!)ebbende en legt toch de schuld mijner ontvluchting op een ander? Broeder, ik mag geen kwaad van u denken! Tk dank u voor uw tedere zorg, maar mag geen gebruik daarvan maken.quot;
Rijkert keerde zich af en nam weder op zijn strooleger plaats.
»Heer Rijkert. ik bezweer u, vlucht, want men wil een exempel aan u stellen. Men wil doen vergeten, dat men een wijle moderaat is geweest. De houtmijt wordt opgebouwd,quot; zeide de onbekende met heesche stemme.
De prediker dacht een oogenblik na. Toen schudde hij het hoofd. «Neen, men mag het kwade niet doen opdat het goede er uit voortkome; ondersteld zelfs dat mijne vlucht werkelijk goed ware. De Heer kan mij hebben uitgelezen om zijn bloedgetuige te zijn voor het aangezicht der gantsche stad. Neen, goede broeder, ik kan niet de slingerpaden gaan, die dooru mij zijn aangewezen. Ga in vrede: gij hebt zeker iets goeds gewild.quot;
»Heer Rijkert...quot; De vreemde poosde een oogenblik als met zich zeiven nog in strijd. Ten laatste trad hij echter op hem toe. sZie mij goed aan. Fk beu Reinier Feyntes. ik ben de Schout. Ik zal den knecht, die n ontsnappen laat, openlijk straffen; maar in het geheim beloonen en meer geven dan hij verloren heelt.quot;
Rijkert was opgestaan en ontdekte zich het hoofd uit eerbied voor de eerste overheid der stad. Hij richtte echter met meer ernst het oog op hem die daar tegenover hem stond. sHeer, wat ge zelf met een woord zoudt kunnen, schuift ge op een ander? Ik begrijp uw doel geenszins.quot;
308
«Red uw leven en liet wordt u klaar. Rodekavel niet langer, het tij verloopt.quot; Rijkert schudde met het hoofd. »Welnu dan, ik wil het u duidelijk maken,quot; fluisterde Feyntes. )gt;lk ben in liet geheim der waarheid toegedaan, maar bekleede een ünilit van wege de Grafelijkheid. Ik moet de bevelen volbrengen mijner overheid, niet waar? dat leert de Schrift.quot;
»Gewisselijk, maar strijdt het ambt met uw gewisse zoo ontdoe u er van,quot; hernam Rijkert.
»Zijt ge dan gantschelijk een vreemdeling in het leven, dat ge dat kunt vergen van een huisvader die teron moet van hetgeen zijn ambt hem opbrengt? Broeder, het kost mij dagelijks strijd te vervolgen en te kerkeren die mij liet zijn. Gun mij de voldoening ten minste, van u gered te hebben, ik bid u daarom! Mijn helper! schoon onder mij staande, is een hard man. Hij staat naar mijn ambt, en de kettermeester Martinus gunde het hem wel. Ik moet dus het goede doen met list en beleid. 11; wacht u tusschen tien en elf ure iu mijne kamer, dan zijt gij veilig en onder mijne bewaking. Broeder, weiger mij deze bede niet, zoo ik u zag sterven ik zou liet mij zeiven wijten.quot;
Fevntes sprak bijkans als smeekeling.
«Broeder!quot; hernam Rijkert, »het verkwikt mij meer dan het Manna in de woestijn, u tuigenis te hooren geven van uwe bezorgdheid to mij waart: zeker zal bet de wonde, door den afval van een dierbaren broeder geslagen, zalven. Gij zoudt mij nog liever zijn. indien gij uwe vreesachtigheid kon.let overwinnen en openlijk de hamfreiktet aan de getuigen der waarheid. Vrees de men-
schen niet!quot; ,
»Denk om u zeiven en niet om mij,quot; viel Feyntes ongeduldig in. sDen knecht zal ik beloonen.quot;
»Dit zult gij immers niet kunnen, daartoe zal u toch de moed ontbreken,quot; quot;hernam Rijkert op zachten toon, hetgeen te kennen o-af, dat hij zelf niet wist wat scherp verwijt hij uitsprak. »Zult gij voor den armen knecht durven doen, wat gij niet waagt voor mij? Hij zal iu het gat worden geworpen evenals ik. Hoe zult gij hem bevrijden? Xeen, mijnbeer de Schout, aan uwe hand tieed ik in het vrije of naar de houtmijt, zooals de Heere over mij besloten heeft. Arme, arme Lijze!quot; prevelde hij stil, en die woonten gaven wel te kennen, hoeveel zijn besluit hem kostte.
))Gij hebt dus uwen dood aan u zeiven te wijten, onbuigzaam hoofd!quot; zeide Feyntes gesmoord. »Ik heb gedaan wat ik vermocht! Ik kon niet meer,quot; voegde hij in zich zeiven daaraan toe. Het was of dit bewustzijn hemden innerlijken vrede hergat, en hem zelfs het besluit van Rijkert billijken deed. De redding van den prediker zou met velerlei gevaren zijn gepaard gegaan; hij zou ze getrotseerd hebben om de stem in zijn binnenste te smoren. Nu die echter, ook na eene mislukte poging, reeds zweeg, achtte hij het schier
:309
gelukkip: door 's Predikeis besluit van alle gevaar ontheven teziin.
Hij nam de lamp weder op en verdween. De grendels schoot hij echter niet op de deur; Rij kei t wilde hij de kans vaii vluchten tot liet laatste laten behouden. Deze echter bemerkte bet zelfs niet en sloot, na eenige oogenblikken van gepeins, de moede oogleden, om versterkt te worden voor de vervolging die aanstaande was.
Wij moeten thands eenige uren terug gaan. en weder het Ursula klooster binnentreden op het oogenblik dat Andreas den prediker uitgeleide gedaan had. Toen hij terug keerde ontmoette hij Mar-tinus voor de cel van Marijken.
«Broeder,quot; zeide hij tot hem, sik verzoek door u te worden inge-licht ten aanzien van Mijnheer Bardes. Daarna zal men kunnen weten, werwaards hij moet gevoerd worden. De ongelukkige schijnt geroofd te zijn. Weet gij ook door wien?quot;
»Ik geef and woord zoodra wij voor de Schepenbank staan of voor onzen Provinciaal,quot;' beet deze hem toe, terwijl hij zich verwijderde.
»Hard als metaal, maar dat toch vonken geeft,quot; prevelde de Prior, hem nastarende. Hij trad de cel van Marijken binnen, sprak haar eenige bemoedigende woorden toe, en vroeg haar om welke redenen zij zich daar bevond.
»Om te worden gedwongen terug te keeren tot de plaats, die ik vrijwillig verlaten heb,quot; andwoordde zij met kracht. sMijn vader, beveel dat mij deze kleedij worde ontnomen; zij doet mij telkens gedenken aan den dwang.quot;
»Oefen uw geduld, mijn kind! Het goede zal zegepralen: lot dat goede betrek ik de vrijheid. Ook wordt uw lichaam slechts bekneld en niet de ziel; deze kon niet geketend worden, niet waar, mijn kind? Zie, de prediker heeft u iets kostelijks gelaten.quot; vervolgde hij, op den Bijbel wijzende.
«Noemt gij dit boek mlt;;de alzoo?quot; vroeg Marijken met warmte, terwijl zij hem naderirad
»Gewisselijk, mijn kind! liet is een kostelijk boek voor allen die daaraan behoefte gevoelen, voor wie daarin heeft leeren lezen, en de leiding, die eenmaal noodig was, niet meer behoeft. Mijne dochter! â ik noem u iiit'( alzoo al^ priester der Kerk, die in u een leke ziet, maar als grijzaart. die wel het recht heeft, dus jegens de jonkheid te spreken â mijne dochter, gij zult door duizenden een schimp hooren aanbeilV'n tegen de oude Kei k. volg gij ze daarin nimmer na! Dank God. dat de ure geslagen is, welke de menschen-kinderen vrijheid verkondigt; dank God, dat een der wolken, welke den Hemel verborg, is weggetogen, dat de gezichteinder voor 's men-schen blik is verwijd, maar vergeet daarbij niet. dat de oude Kerk het heiligdom was, waarin de Heere God Zijne openbaringen heeft bewaard; een heiligdom, waarin de menschheid op dezen oogenblik breuke bij breuke stormt, maar dat eenmaal den aanval van het
310
Heidendom heeft weêrstaan. Vaarwel, mijn kind!quot; Hij kuste haar op liet voorhoofd en verliet met Bardes het vertrek.
Zoo als in de St. Pancras Kerk roerden haar weder deze woorden diep; zooals toen, gebood de stem des Eerwaardigen den storm in haar binnenste tot stilte. Zij had straks gedeeld in het algemeen gevoelen ten aanzien van 'sPriors rechtzinnigheid; zij had de huivering niet kunnen overwinnen in de nabijheid eens mans, die de Heilige Drievuldigheid wellicht verloochende, maar thands ...! Hij geloofde wél, hij geloofde innig en hij bezat wat zelfs Rijkert miste: hij had de liefde!
De eenzaamheid matte haar niet meer af. Zij bezat een Bijbel, maar al had zij dien niet gehad, de overdenking van hetgeen ge-, beurd was, de gedachten, door den strijd in haar cel bij haar opgewekt, zouden haar overvloedig voedsel voor haren geest hebben gegeven. Slechts éene gedachte pijnde haar en nam soms hare gantsche ziel in, zoo dat zij niet verstond w-r.t ze las; het was de gedachte aan de ontrouw van den lieveling baars harten. Zij wensciite zekerheid, en al wat zij vernomen had was niet in staat haar die te geven.
Zoo ging de dag bij haar ten einde. Zij scheen wel het beeld van de stad harer inwoning, zoo als ze, soms droefgeestig, soms opgewekt en gereed tot een moedig besluit, altoos met de onrust in het gemoed en de koorts in de leden neerzat, tot dat zij afgemat en afgestreden haar slaapstede zocht.
quot; .................... iiipiiiiin1*11
HOOFDSTUK IX.
Tegen den lijd der vroegmetten, lt;lie door de Zusters meest wer-lt;len verwaarloosd, maar wier nuttigheid de Priorin immer met woorden kwam betoogen, werd Marijken geroepen. Als gewoonlijk werd zij uitgenoodigd om daaraan deel te nemen, als gewoonlijk â weigerde zij. waarna geen poging meer werd aangewend. Alles â deed zien dat liet niet mèer dan een slaaf'sche uitvoering was van een ontvangen bevel, waarvoor men zelve koud was, waarvan men zelve de doelmatigheid niet bevroedde. De geest, die hier heerschte, werd bijkans overal daar buiten opgemerkt; de vormen der eere-dienst werden nog gehuldigd, het wezen was dood.
Ditmaal verdween de geestelijke Zuster, die haar wekte, na de uitnoodiging niet. Zij had blijkbaar nog eene boodschap. Zij spoorde Marijken zich spoedig aan te kleeden, daar haar Heer oom haar beneden beidde. Het bezoek in het vroege morgenuur bevreemdde haar; toch was het haar niet onwelkom, al wist zij zelve niet recht waarom. Weldra stond haar oom voor haar. Hij hield de oogen in het eerst nedergeslagen en liet ze later in het rond zwerven: slechts terloops waagde hij het, ze op haar te vesten. Het mocht een vreemde handelwijze heeten. die verlegenheid duidde in een oogen-blik, dat zijn gelaat toch de somberheid der laatste dagen miste, ja zelfs vreugde kenmerkte.
«Hoe vaart mijne nicht?quot; vroeg hij vriendelijk, terwijl hij haar de hand reikte.
»lk dank u, oom. voor uwe deelneming. Zij komt wel onverwacht,quot; voegde zij er aan toe, terwijl zij hare stem daarbij liet dalen.
»Ma rij ken, ik verdien dat woord! Maar is uwe cel dan zoo eng? Zijn u boeien aangelegd? Worden u harde woorden toegevoegd? Ik moest den Kettermeester immers wel genoegen doen? Wat ik vermocht. was uwe gevangenschap zoo zacht mogelijk te doen zijn. Is zij 't niet?quot;
))lk beschuldig u immers niet. Heer oom?quot; vroeg zij zacht.
»lk weet wat daarvan te denken,quot; hernam hij, eenigszins bitter.
i
312
5,Ware ik den monnik niet te gemoet gekomen, hij zou u wellicht met geweld uit mijn huis hebben gerukt, en alsdan ware u het rustbed niet zoo zacht geschud. Pater Martinus is tocli niet bekend om zijne iluweeleu handen en zijn overgroot geduld. Het was dus beter met stroom af te drijven, om nog meester te blijven van het roer. Ik hoop dan ook u spoedig weder de vrijheid te kunnen bezorgen, zelfs op geenerlei bezwarende conditie, daar misschien de-plakkaten op die der nieuwe leer hier ter stede zullen worden ingetrokken.quot;
sik merk met blijdschap, Heer oom, dat de zwarte wolken van uwen hemel zijn weggevaagd, en ge overal het^ blauw ziet.
»Marijken, ik ben ontvanger geworden van 's Graven beden m het Noorder kwartier, een ambt dat vroeger altoos een adeling toeviel,quot; zeide Freêrijk met vonkelend oog.
«Waarlijk, mij dacht ook, dat ik u zag als vroeger, toen het wel ging in nering en de stoel tegenover u niet ledig stond, zeide
Marijken. ...
Freérijks gelaat betrok. «Spreek mij niet van hem, zeide hij dot.
»Dus zljt^ge nog altoos gescheiden, oom? Het bedroeft mij en wondert mij. Zeidet gij mij straks niet hoop te hebben mij de vrijheid te geven ook in dienst der waarheid en daartegen alleen voor het oogenblik om eene nutte oorzaak te staan? Welnu, die oorzaak zal toch voor uwen zoon niet aanwezig zijn, zoodat ge u nu reeds met hem zoudt kunnen verzoenen, zoo niet voor aller oog, dan toch
in het verborgen.quot; , t- ,
De oude Freêrijk bracht de hand aan het voorhootd, alsot hij eene pijnlijke gedachte van daar verwijderen wilde. »Zoo hij wilde! klonk het in het diepste zijner ziel. Maar neen, de klove scheen wel voor eeuwig. Niet alleen, omdat de zoon haar niet zou vxilleu overschrijden, maar omdat de vader hem de hand niet bieden kon. Moest deze niet blozen voor zijn kind, dat in zedelijke reinheid zoo verre boven hem stond, dat elke blik zijner oogen eene beschuldiging voor den vader zoude zijn?
»lk bid li, zwijg daaraf, Marijken!quot; voegde hij haar daarom na de laatste woorden toe. »Hij is voor mij dood... hij moet liet zijn en dat is beter voor hem en voor mij!quot; Hoe logenachtig hij haar ook vond, toch kwam hem de voorspelling van de tooverkol telkens, en ook thands weder, voor den geest. Er was een oogenblik van stilte, waarin Marijken op het bewegelijk gelaat baars ooms den storm in zijn binnenste had kunnen zien afgeprent. «Mijn vroegtijdig bezoek heeft u gewisselijk bevreemd,quot; zeide hij eindelijk op wonder-lijk vriendelijken toon. ))maar ik moet mij tot u om opheldciing wenden. Gij staart mij verbaasd aan, dat ik opheldering van u, eene gevangene, verg? Toch lioude ik niemant hetei dan gi] in staat om mij te onderrichten in eene zaak, die mijne gantsche belangstelling opwekt en niet alleen de mijne, maar ook die der
313
nieuwe leer hier ter stede. Hier is een zendeling aangekomen vaigt; Mijnheer liossu...
sik weet dat, Heer oom,quot; viel Marijken hem in de reden, slndieu ge hem betreffende iets weet, zoo meld het mij; ik doe een beroefv op uwe laatste woorden, die van zooveel genegenheid te mijwaards tuigen.quot;
nMaar ik kwam juist u om inlichting vragen,quot; hernam Freêrijk, zichtbaar teleurgesteld, dat zij van Koltermans aankomst reeds kennis droeg en alzoo van de houding door dezen aangenomen. Hij zou haar niet meer onvoorbereid vinden en kunnen overrompelen.
slloe zou ik ten zijnen opzichte iets kunnen meêdeelen, ik, die hem niet zag sinds dien bangen dag in uwe woning....?quot;
»En sedert geenerlei bericht van hem ontving?quot; vroeg Freêrijk ongeloovig, terwijl hij haai' scherp aanzag: »Hou mij niet op, mijn kind, met nutteloze verdraaiing van hetgeen gebeurd mocht zijn. Mijn tijd is kostbaar en ik kom hier meer in uw belang dan in het mijne.quot;
«Hoe zoude ik hem gesproken hebben? Hij is kort daarna, zoo als mij is medegedeeld, naar Amsterdam gereisd, en toen hij keerde.... was hg immers van mij gescheiden?quot;
«Gescheiden? Jk begrijp; gij doelt op zijn overgang, die mij wel onverklaarbaar is en waaromtrent ik juist uwe opinie kwam inwinnen.quot;
»Mijn opinie?quot; vroeg Marijken met kracht. »Ik houde zulk een verraad voor onmogelijk.quot;
»Uwe gronden daarvoor?quot; vroeg Freêrijk. sNiet alleen in het belang der stad moet ik daarnaar vragen, maar ook in dat van het mijne, van het uwe. Het ware een goede aanwinst voor onze zaak,quot; vervolgde hij met openhartigheid, »en om u mijne gantsche ziele bloot te leggen, hetgeen ik, zoo als ge weet, in vroeger tijden dikwerf deed .... ik zou in 's jonkmans overgang een middel zien om ook u terug te brengen. Waar de schat is, daar is ook het hart, luidt het spreekwoord. Alzoo, uwe gronden voor die opinie?quot;
Marijken zag hem eenige oogenblikken bevreesd aan.
»Ik heb er geene, eilacy!quot; zeide zij ten antwoord op de laatste vraag. «Ook is uwe onderstelling, alsof ik hem volgen zoude in zijn afval, onjuist. Wel zeide de Heer: waar de schat is, daar is ook het hart, en mijn schat vond ik in de nieuwe leer....quot;
süus zoudt ge om eenig leerstuk u geweld aandoen, en hem verlaten. dien ge lief hebt! Meisken, gij veinst of gij hadt nooit lief!quot; riep Freêrijk in drift.
»Ik verbaas mij over uwe belangstelling in mijne neiging te hemwaards. Heer oom, ware zij mij vroeger gebleken, ze had hem wellicht van eene groote zonde weerhouden en mij eene droefheid tot der dood bespaard.quot; In haar oog glinsterde een traan.
«E-me droefheid tot der dood?quot; vroeg Freêrijk. »En gij bekendet
314
geenerlei grond voor uwe opinie te hebben ? Ziedaar nu liet gemoed der vrouwkens, altoos uitermate en nooit in den gulden middenweg. Doch, Marijken! indien gij op dit oogenblik oprecht zijt, verklaar mij dan waarom gij niet gezocht hebt zekerheid op een punt te verkrijgen, dat u toch zoo na aan het hart ligt, waarom gij niet gezocht hebt hem te spreken? Ik vermoed toch, dat uwe berichten even als de mijne van tweeden en derden zijn?'
«Gij vraagt mij dit. Heer oom? Heb ik hem niet ten uwen huize heimelijk moeten zien, hetgeen zijn oorzaak had in uwen afkeer van hem. Bovendien, ben ik geen gevangene, die wel geen boeien draagt, die wel vrij mag ademen, maar toch niet vrij mag gaan?
»Alsot dit een hinderpaal ware voor eene minnende jonkvrouw-, en ik onderstel toch, dat ge zulk eene nog zijt. hoe uwe lippen ook het tegendeel schijnen te stameren! Mevrouw Ariadne voerde haren jonkei^ wel door iiet doolhof, waarin zelfs de Prins van Orangiën ware verdwaald en die verstaat zich nog al wel op sluipwegen! Is het nooit in u opgekomen, dat ge hem bierzoudt kunnen zien?quot;
«Onderstel, ik wilde hem zien,quot; zeide Marijken gehaast. »zoude men hem mijn wensch willen mededeelen ? Zou hij komen ter plaatse waar hem gevaar dreigen kan?quot;
«Welk gevaar?quot; vroeg Freèrijk, maar hij zag baar bij deze vraag niet aan. «Weet ge dan niet, dat de jonkman op dit pas bijkans gebied voert over de Vroedschap en alzoo over de stad ? Dat men zijne wenschen als bevelen bijna voorkomt?quot;
«Maar, Heere oom, waarom zocht gij, die toch op de hoogte der zaak zijt en daarbenevens geheel vrij, den zendeling zelf niet te spreken?quot; vroeg Marijken.
«Alsof ik dit niet reeds gedaan hadde! Ik ontving alevel ten and-woord, dat men den poorter Freèrijk Simonsz. geen gehoor kon geven, dat men overstelpt was van bezigheden. De oude partij is wei vaarwel gezegd, maar de oude wrok schijnt daarom niet vergeten.quot;
«Dus weet gij, waar hij zich bevindt?quot; vroeg Marijken diep blozend. «En gij kunt niet nagaan, wat de oorzake is zijner verandering?quot; Na eene pooze vervolgde zij bedaarder: «Maar hij zoude niet komen, wanneer ik hem riep.quot;
«Ik geloof het tegendeel. Maar wat spreke ik langer daarover. De zaak moet van zelve helder worden, ik heb dus slechts wat geduld te oefenen en u niet langer daarmeê te moeien. Misschien is het wel goed, dat gij uwe neising dus hebt weten te overwinnen, ofschoon zijn tegenwoordig ambt de eerzucht van menige juffer van meer middelen dan gij bezit zoude opwekken. Wees alzoo gegroet, nicht!quot;
«Neen, Heer oom!quot; zeide zij haastig en hem weèrhoudend «Ik wenschte hem zoo gaarne te spreken. Kant gij u waarlijk niet daartegen ?quot;
«Deed ik het ooit? Heb ik vroeger niet gevraagd, mij zijne woon-
315
plaats op te geven, opdat ik hem spreken moclit, en waart gij het niet die tiet mij weigerde ?quot;
»Ik wist haar niet, ik zeide u de waarheid, Heeroom! en ook ... gij zijtwel veranderd. Zijne verheffing schijnt invloed op uwe gezindheid te hemwaards te oefenen.quot;
«Waarom het u te ontveinzen? Ik zoude wenschen, mij met den jonkman te verzoenen .. .quot;
Marijken staarde hem oplettend aan bij die woorden. Wanneer deze vroeger waren gesproken, wat onlieil ware voorkomen, wat smart haar bespaard! Wat ginger echter in de ziel haars ooms om, dat zijne stem zoo rauw klonk, toen hij dien wensch naar vrede ontboezemde. Zij huiverde onwillekeurig en wist niet waarom.
»Welnu, oom! als gij u niet daartegen kant, als ge eene verzoening wenscht en tevens voile zekerheid aangaande 'sjonkmans gezindheid ... zoo laat mij tot hem gaan ...quot; zeide Marijken.
»Tot hem gaan? Marijken! Ik vermoedde niet. dat dergelijke gedachte kon rijzen in liet brein eener eerbare jonkvrouw. En daarbij, ik deelde u de reden mede voor uw verblijf alhier... Neen, waarlijk, dit kan ik niet toestaan, en, alles wel beschouwd, zal het beter zijn hem niet te ontmoeten. Het ga u wel.quot;
Hij nam den schijn aan van ijlings te willen vertrekken. Nogmaals weerhield hem Marijken. »Neen, ik moet hem spreken,oom! Ik gevoel het, dat ik het moet. Laat mij eene poging wagen hem hier te doen komen.quot;
Freêrijk scheen een oogenblik na te denken. »[Iet zij zoo. Ik zal de Zusters verzoeken u schrijfgereedschap te peven, zoodat ge u zelve gerieven, en den jonkman meteen kunt toonen, wat fraaie letters u de koster van St. (lommer leerde maken. «Vaarwel, nicht!quot; Zijn groet was vriendelijk; en met meer drift dan hij gekomen was, ging hij heen.
Spoedig werd haar het noodige gebracht. Niet terstond wilde het haar gelukken den brief op te stellen, die haar nu te koud, dan weder te teder scheen. Na vele pogingen keerde zij tot haar eerste opstel terug, dat slechts een innig verlangen ademde den geliefde te zien, en met een kloppend hart overreikte zij den wachtenden bode haren brief.
Hij werd Kolterrnan aan de herberg gebracht op het oogenblik, dat hij met drift het kleine vertrek op en neder stapte. Hoe laat ook te bedde gegaan, toch was hij weder met het aanbreken van den dag opgestaan. Hij beidde eerst over eenige uren de komst van LSuvskes, die hem zou komen melden, welke uitwerking de aangeplakte hriefjens op de gemeente hadden, ten einde daarna overeen te komen, wat er moest gedaan worden. Beiden stonden naar een spoedig einde en begrepen, dat ieder uur verwijls noodlottig kon zijn. Het was toch te verwachten, dat er van wege Quikkel spoedig tijding zoude komen uit Amsterdam, en vóór dat deze aan-
316
kwam moest de strijd beslist zijn, die anders den jonkman voorzeker het leven zou kosten. Met gretigheid nam hij het briefjen aan, dat hem werd overgereikt en las hij den inhoud. Zijne eerste beweging was naar het regenkleed en zijn hoed te grijpen, maar bij bedacht zich. Zou hij zich kunnen verwijderen nu HeerBuyskes weldra komen moest, zou iiij niet later . .. t Maar dan ware de strijd misschien aangevangen, en indien hij nu heenging, zou hij terug kunnen zijn voor het beslissend oogenblik. Maar zou bij worden toegelaten in het klooster? Hij riep den waard en^vroeg wie dat briefjen had gebracht. ïEen nonne van St. Ursula, was het andwoord. Marijken scheen alzoo een bondgenote te bezitten, die hem den toegang wel verschaffen zou, en het misschien alleen vermocht in bet vroege morgenuur, het oogenblik dat zij waarschijnlijk de wacht had. Hij besloot te gaan, maar op den drempel riep hij den waard toe: »Ãr zal straks iemant komen, die naar mij vraagt. Laat hem beiden in mijn vertrek; ik kom spoedig terug.
Er was geen wolk jen aan den hemel en toch sloeg K ol term a n zijn regenkleed om. Hij wensclite zoo min mogelijk bekend te worden. Hij had de straat, waarin de herberg stond, ten eind geloo-pen en wilde den hoek omslaan, toen bij stiet op een volkshoop, die hem den weg bijkans versperde. Aller aandacht was gevestigd op het stuksken papier, dat aan den muur was aangeplakt en welks inhoud door een hunner met een stentorstem werd voorgelezen.
iiVerlamtrie mij de Euvele, als bet er zoo door zal gaan, nep een burger, aan wiens kleeding men bespeuren kon, dat hij tot de schutterij behoorde. »Wat staat er, Jakob? lees het ons nogmaals!quot; klonk hét van verschillende zijden; en Jakob begon zoo mogelijk nog luider: «Het gaat otn goed en leven; de Stadhouder van Duo d'Alva wil vreemd volk in de stad brengen en de privilegiën verscheuren. Hij zond een zijner dienaars, die gister is aangekomen. De Vroedschap laat het toe en wil de goedgezinder! in het gat laten â werpen en hen den kop onder de bijl brengen. Zullen wij het stil verdragen als schaapkens?quot;
Deze vraag aan het slot miste de uitwerking, door den steller waarschijnlijk beoogd, geenszins.
«Nooit, nooit!quot; riepen allen, terwijl men de gespierde armen omhoog stak, alsof men greep naar het geweer. De koelheid der gemeente scheen geweken en plaats te hebben gemaakt voor eene liooge opgewondenheid, die thands. blijkens de aangehevene kreten, nietquot;slechts Due d'Alva en diens Stadhouder, maar ook de Vroed, schap en Bossuus zendeling gold. , ⢠i
»T,aal ons den spie in de gracht smijten en als een hond in de modder smoren.quot; riep een vleeschhouwer, die even naar huis was eeloopen. om zich met een bijl te wapenen.
»T.aat ons Broeder Rijkert uit het gat gaan halen, en dan de Kettermeesters in zijne plaats stellen, schreeuwde een ander.
317
«Neen, eerst Buyskes en Semeyns ojigezoclit, en gehoord wntdie â er van zeggen!quot; riep een ander.
«Die durven tocli niet; die geven hun wol als men ze komt scheren, als de lammeren!quot; kreet een derde.
Kolterman had wel het Wilhelmus willen aaniieffen van vreugde over het ontwaken van den volksgeest; hij bedwong zich met moeite. Hij spoedde zich voort. Op alle hoeken d«r straten vond hij de inassaas opeengehoopt, hoorde hij de kreten van woede en drift, en niet alleen van de heffe des volks, van het grauw, maar ook van de gezeten burgeren, die nog gister de \ roedschap vertrouwden, maar thands zich onder de menigte mengden en hun overwicht toonden, door den hoop af' te houden van een dadelijken aanval, en ze te raden gezamenlijk naar Brouwer, Seinevns en Buyskes te gaan. De beide eersten vond Kolterman, toen hij verder ging. bij eene andere samenscholing reeds bezig tot de scharen te spreken en ze te vermanen tot eendracht en vrede, waarin zij niet weinig be-moeielijkt werden door de drift vaneen kleèrenraakersgezel,die in een boom was geklommen en zijn verdraaid en verminkt been toonende, op het tweede wees en uitriep: »Ik sla mijn tweede vlerk óok krom, en vreet mijn eigen naalden op, als men nu de handen niet rept!quot;
Kolterman was reeds nabij het klooster gekomen, toen hij tot zijn schrik Rietlus met zijn slagzwaard gewapend zag aankomen. l)e straat was eng en geen andere liep er op uit, zoodat hij wel gedwongen was voort te gaan. Hij hoopte, dat het regenkleed hem voldoende zoude vermommen, maar Rietlus zag schei ]) en herkende hem reeds aan zijn gang.
»Vind ik u dan ten leste, gevloekte windhaan!quot; riep hij uit, terwijl hij hem den weg versperde. «De ure van afrekening slaat. Ik behoef slechts te roepen en men verscheurt u met de handen, indien ik mij ten minste zelf die moeite besparen wil.quot;
»Vervolg uwen weg,quot; zeide Kolterman gebiedend, «en voeg u bij de gemeente, die uwe hulp behoeft. Gij zult mij spoedig kennen.quot;
»Niet zulk vertoon van gezach of, bij mijner ziele zaligheid! ik kloof u den kop. Gij gaat met mij en stelt u gevangen in handen der gemeente,quot; zeide Rietlus.
«Geenszins. Gij hebt grooterspierkracht en zult mij kunnen dwingen,quot; zeide Kokerman bedaard, «maar ik zeg u, dat het u ten eeuwigen dage berouwen zal, indien gij het deedt. Ik spreek u spoedig, misschien reeds over twee uien. Zoo ik het niet vermag, dan zal Buyskes het voor mij doen. Laat mij thands,quot; besloot hij bevelend, toen hij zag, dat Rietlus niet bewogen werd door zijne woorden.
«Jonkman, ik geef geen groot voor uwen kop, hoe listig die ook zij, en geen blank voor uwe tong, wat gladde woorden ze ook spreke. Heult ge nu weer met Buyskes, slechte leugenaar?quot; Hij
318
trad op Kolterman toe; deze trad achteruit en wees hem veelbe-teekenend op de Schoutendienaars, die de straat intraden en ziel» in gesloten gelederen vertoonden, daar ze in den morgen reeds ondervonden hadden, hoe het een enkele hunner van de zijde dei-gemeente vergaan was. ))Gij zult gaan of wordt gevangen genomen,quot; zeide Kolterman.
«Maar vóór dien tijd zijt ge een lijk,quot; riep Rietlus, het zwaard vattend. Kolterman sprong ter zijde, greep plotseling den arm des poorters, dien hij zoo stevig neep, dat de spieren een oogenblik krachteloos werden; toen rukte hij hem het zwaard uit de hand, wierp hel een eind weegs neder en spoedde zich heen. De dienaars waren naderbij gekomen en weerhielden Rietlus den jonkman te achtervolgen. Hij stelde zich echter met reuzenkracht te weer, maar had voor de overmacht moeten bukken, indien de Onderschout, welke zich daarbij bevond, tot aller bevreemding niet bevolen had de worsteling te staken. »Hij ware ons thands een ballast en ontloopt ons toch niet,quot; zei hij tot zijn dienaars. »Het is meer dan tijd voor gewichtiger arbeid. Wij komen misschien al laat genoeg door het telkens ondervonden oponthoud.quot; Zij togen heen en volgden Koltermans weg, die in het klooster was toegelaten. waar ook zij eenige oogenblikken later binnentraden.
Rietlus ging met een vloek op de lippen voor den aterling, die hem nu ontsnapt was, maar weldra in zijn handen zou vallen, voort. Op het plein bij St. Gommer vond hij de meeste burgers en ballingen bijeen, en daaronder Brouwer en Buyskes. Zijn gelaat verhelderde, toen hij de algemeene opgewondenheid bemerkte en met zijn slagzwaard zwaaiend en onder den kreet van: «Leve onze Prins!quot; trad hij naderbij.
sNiet langer gemard, mannen! We hebben ons lang genoeg laten paaien; de Vroedschap heeft ons verraden, er op los!quot; schreeuwde hij, terwijl hij Buvskes, dien hij intusschen op zij was gekomen, toeriep: »Ik had den valschert bijna geknipt, den gluipenden zendeling van Rossu.quot;
»Gij hebt hem toch niet gedeerd?quot; vroeg Buyskes heftig. »Zou men niet zeggen dat hij u lief is, het ravenaas!quot; nep Rietlus driftig. .
»Lief als de Prince is hij mij, en zoo moet hij ook u zijn ...! »Er op los, er op los!quot; schreeuwden ettelijke burgers, die de naastbij zijnde straat uittrokken en voorbij wilden gaan. Buyskes ijlde hen tegen. sMannen, niet alzoo! niet in blinde drift voortgestormd!quot; _ /-.â¢â i w ^Ge zult ons nu niet langer weerhouden!quot; nep er een. »Oi^hebt lans genoeg getalmd. Waar is Rietlus, de wakkere burger?quot;
sikquot; weêrhoud u ook niet meer,quot; zeide Buyskes. »Mannen broeders!quot; riep hij, terwijl hij op de stoep klom van een der naastbij zijnde huizen en zijne stem uitzette, zoodat ze over de aandachtig
319
luisterende menigte heeuklonk. »Ik houd het er voor, dat we nu de armen uit de mouw moeten steken, maar doen wij het met bedaardheid en overleg. Het bloedvergieten vermeden en zoomogelijk den strijd! De Vroedschap weerstaat ons misschien niet; als zij voor ons buigt, is de overwinning ons; indien niet, dan zijn we voor God en de menschen verandwoord, zoo we naar hel zwaard grijpen, iilijt daarom hier beiden, totdat ik en Brouwer van het Stadhuis zijn teruggekeerd.quot;
Dit werd na eenige woordenwisseling goedgevonden; de burgers, die ieder oogenblik kwamen aansnellen en den oploop vermeerderden , stemden üuyskes' voorslag het eerst bij.
Toen beide afgevaardigden ten raadhuize in de tegenwoordigheid der B urge meesteren werden toegelaten, die zicli omringd hadden van hunne krijgsknechten, werden zij rouwelijk door Willem Jansz. verwellekomd. Hierdoor weinig ontmoedigd,nam Buyskes het woord: «Wij kornen de Vroedschap, en thands in haar belang, waarschuwen de zaak niet tot het uiterste te drijven en haar verzoeken de Burgerije ter wille te zijn. Wij vragen afdanking van het vendel, sluiting der poorten, het brengen van het geschut op de wallen ...quot;
sWij hebben geen ander geschut, dan een verroeste quartier-shing,quot; snauwde Willem Jansz.
)gt;De Heer Burgemeester schertst. De stad heeft vier ijzeren stukken bewaard aan den Visschersdijk ...quot;
«Daar schuilt vervloekte verraderij onder! Hoe weet hij dit!quot; beet illem zijn gebuur toe. »Hoe het zij, wij willigen den voorslag der oproerige burgerij niet in. Wij hebben nu last van onzen Stadhouder, die weten wil wie 's Her togs vrienden of vijanden zijn en begeert dat wij den Hertog als Landvoogd en hem als Stadhouder over Holland getrouwigheid zullen zweren. Is er een onder u, die weigert, die mag, die moet vertrekken. En rond uit gezeid, men zal het heinder noch verder brengen.*'
quot;De burgerij dankt u voor dat klaar bescheid, dat zij even klaar beand woorden zal, hernam Biivskes. 'quot;Wij zullen den Hertog noch den Graaf zweren; ook stellen wij ons niet voor, de stad te verlaten. Wilt gij loopen, gij moogt.quot;
»Li eve Burgers, zeide Volkert Claesz., die zijne reden echter niet vervolgen kon, daar Willem Jansz. wrevelig inviel: »Noem zeniet alzoo, de oproerlingen!quot;
«Maar laat ons de Burgerij dan toch het verdrag opzeggen, daar heeft zij recht op,quot; hernam Volkert, die zich alsnu tot^Buyskes wendde en hem eerlijk en rond voordroeg, dat de Vroedschap ontslagen wenschte te worden van de vroeger gesloten overeenkomst, daar zij andere bevelen van Amsterdam had ontvangen.
))W ij ontslaan u daarvan uit naam der burgerij,quot; zeide Buyskes. »Elk mag alsnu zijn best doen.quot;
Toen ze vertrokken waren, was liet eerste woord van Volkert,
320
terwijl hij verlegen voor zich heenstaarde: «Waar Heer Arent Willerasz. toeft? Het is of hij de verandwoordiog zijner daden op -ons wil schuiven en zich zoeken laat in de ure des gevaars.
»Mij dunkt als u,quot; hernam Willem. «Wij zullen hem roepen; hem en Freèrijk Simonsz., die wegblijft tegen zijne belofte.quot;
Buyskes en Brouwer hadden hun wedervaren der gemeente verhaald. )gt;Wij telden vijttig man onder het vendel en wel honderd haakbussen,quot; zeide Brouwer tot Rietlus, die daarnaar onderzoek deed.
»A.an vroeg reed zijn hangt de overwinning,quot; riep deze, »en daaraan ons goed en bloed. Laat Buyskes nu zijn last in het werk en de stad in vrijheid stellen!quot;
«Zoo zij het!quot; riepen allen, en ook Buyskes was van die mee-ning. «Maar eerst het lijf' met wat mondkost gesterkt! ' zeide hij. «Dirk!quot; vervolgde hij tot den Stadsklok kestelder, «gij gaat te noen naar Huib Wegertsz. den trommelslager, zoo als met hem afgesproken is; Jakob Dirksz.! gij zijt de overste op het Zuider Spui, ik en Rietlus op het Noorder. Dirk Brouwer! gij maakt u meester van de twee stukken geschuts bij de blauwe poort. De oversten mogen alsnu hunne mannen kiezen, en alsdan tot klokkeslag twaalf varfde St. Gommer gewacht! Broeder, bedaard voortgegaan, maar op de uren gepast!quot;
Kort en duidelijk klonken zijne verdere bevelen en ieder gat het moed in het lijf onder zulk een hoofdman te staan. Rietlus had Buyskes nog nimmer zoo vast, zoo besloten, zoo ernstig en kloekmoedig gezien en moest zichzelven bekennen, dat hij zich in hem wel schromelijk had vergist.
Toen alles geregeld was en men zich gereed maakte stil at te trekken om «het lijf met mondkost te gaan sterken,quot; hetgeen niet zóóveel orde en bedaardheid geschiedde, dat eenige Spaanschgezinde burgers den Burgemeesteren boodschapten, dat het onweêr bedaard wasi zeker door de Vroedschap, die het grauw schrik had aangejaagd, riep Buyskes Brouwer, Semeyns en Rietlus tot zich. «Gaan wij0thands naar de herberg het Paradijs, waar onze redder thuis ligt. Komt, het is tijd. dat ik u eene gewichtige ontdekking doe.quot; Onder weg deed men jongen Freèrijk op, die Buyskes verslag kwam geven van lietgeeo door hem verricht was en van wiens gelaat de druppelen zweets gudsten. «De boodschap is aan de visschers gebracht, Heer Buvskes!quot; riep hij reeds van verre. «Kloekhartig komen ze op de 'been, ieder met zijn haakbus.quot;
«'t Is wel, broeder! ga thands met ons, was het andwooid ï-es aanvoerders, die, van allen verzeld, weldra de herberg binnenstapte.
Wij hebben Kolterman verlaten, toen hij het St. Ursula klooster binnentrad. Tot zijne vreugde vond hij geenerlei oponthoud en werd hij terstond door een der Zusters naar de cel van Marijken gevoerd. Deze wachtte met ongeduld en had reeds met beklemd gemoed den laatsten klokslag van negen uur geteld. Eindelijk ver-
321
nam zij in den gang een anderen voetslap dan den gewonen sleependen der Zusters; de deur ging open en de geliefde trad binnen. «Liefste mijne!quot; klonk het van zijne lippen, terwijl de oogen tintelden van vreugde. Hij drukte haar een kus op de lippen, en kreukte daarbij niet weinig hare wijle. Zij weerde hem niet af. »Ik wist van uwe gevangenschap, Marijken; en peinsde reeds op middelen om u te naderen en te verlossen. Een goede Engel kwam tusschen beide en opende den toegang. Zeg mij, wie heeft u deelneming betoond in deze muren? Gij moet mij haren naam doen kennen, liefste, opdat ik haar loone uit dankbaarheid. Misschien is de ure niet ver, dat ik vergelden kan, wie u en mij hebben gesteund, en straffen die u hebben mishandeld. U gevangen te nemen en te sluiten in zulk een vunzige kloostercel...! Het leven te koppelen aan den dood...! Maar wat deert u, dat zulk een purperen blos uwe konen verwt, dat ge de hand terugtrekt, Marijken?quot;
»tjwe toekomst schijnt gants wat heller geworden te zijn,quot; stamelde zij. «Gij spreekt als macht hebbende, vroeger immer als vervolgde. Dezen kende ik beter dan genen.quot;
»Wat is dit? Is dat uw welkomstgroet na zulk een lang afzijn? Wie heeft zicii tusschen u en mij geplaatst? Is liet de oude weder, dien ik op mi]nen weg vind even als het onkruid? Is het uw oom ? We zullen afrekenen met elkaar, hij zal met woeker betalen, wat hij schuldig is!quot; liep hij in drift.
«Gij zijt wel zonderling heftig en gebiedend, Kolterman!quot; merkte Marijken met trillende stem aan. sik geloof, dat mijn oom u kwaads heeft berokkend, maar weet tevens dat hij veel herstellen wil. Hij denkt nu ganls anders over u dan vroeger. Gij zijt ook een geheel andere voor hem geworden... Hij heeft u zelfs deze poort geopend en mij het verlof gegeven u te zien.quot;
«Hij?quot; vroeg Kolterman. en hij ontroerde zichtbaar.
))Het moet u wel duidelijk zijn. waarom hij in gezindheid veranderd is,quot; hernam Marijken. «Gij zijt immers thands hoog verheven en bezit het vertrouwen van Mijnheer den Stadhouder? Gij werdt immers een pijler van de Roomsche Kerk?quot;
»En dit weet gij door hem? En hij heeft u vrijheid gegeven, aan mij te schrijven om hier te komen? En hij heeft mij den toegang geopend?quot; vroeg Kolterman. terwijl hij haar angstig aanstaarde.
Marijken knikte, maar zweeg. Het onderhoud waarnaar zij verlangd had, werd haar pijnlijk; zelfs berouwde het haar er naar gestaan te hebben. De jonkman bleef zwijgend voor zich staren en zocht den draad in dezen doolhof; hij meende dien gevonden te hebben. Oude Freèrijk had die samenkomst voorbereid om hem tot spreken te dwingen, en alsdan Marijken het gehoorde te ontlokken. Schoon de stad teekenen van nieuw leven gaf, hij had de zekerheid nog niet, dat de beweging een krachtiger vaart zoude nemen dan alle vroegere; hij moest alzoo nog zwijgen, en oude Freèrijk had
21
DE EERSTE DAG.
322
er voor gezorgd dat het liem eene marteling zoude zijn. Hij poogde-li are gedachten eene andere richting te geven. «Laat ons de weinige oogenblikken niet verliezen door Heer Freêrijk te volgen op zijne kronkelpaden. Liefste, het is mij te wel in mijn ziel, als ik u in de kijkers staar, om hier nog de heugenis te bewaren, van. vete en wrok. Ik voel mij naast u zoo gelukkig.quot;
«Naast mij ?quot; vroeg ze.
sWat beduidt dit?quot;
»Alles schijnt u te ontzetten; zelfs eene eenvoudige vraag.quot;
»Zij was niet eenvoudig, Marijken! Gij veinst, gij hebt een kna-gendèn worm aan het hart... gij verdenkt mij...quot;
»Kunt gij het raden?quot; vroeg zij nauw hoorbaar en zich ten halve afwendende.
»Maar ik bezweer u bij het Heilig Evangelie, mij te zeggen wat in uw binnenste omgaat. Welke valschert blies u woorden van logen en laster in het oor? Zijne tong moet glad zijn geweest, dat gij hem gelooven kondet!quot;
»Neen, ik heb lang getwijfeld, maar eindigde... Neen, ik wil het niet gelooven, tenzij gij het mij verzekert. Kolterman, hebt gij u geschaard aan de zijde van de vijanden van Gods Woord, is het waar wat Frêerijk, wat Heer Rijkert mij hebben gemeld?'quot;
Het gevreesde oogenblik was gekomen. » En indien het zoo ware...? vroeg hij zacht.
«Kolterman, waarom andwoordt gij met eene vraag, waarom stilt gij niet met een enkel woord den storm in mijn binnenste?quot; riep zij weenend uit. «Indien het zoo ware, we zouden gescheiden zijn. Ik bevroed, dat ik alleen daarbij zoude lijden, dat gij weldra troost zoudt vinden of die reeds gevonden hebt.quot;
«Weder doelt gij op Wenda,quot; hernam hij bedaard. «Ik kan het vermoeden, nu ik weet, wie gij hebt gesproken. Marijken, ik heb u lief als in den eersten oogenblik, neen liever, veel liever!quot; Hij vatte hare beide handen en drukte die en trok haar naar zich toe en zocht te lezen in de oogen, nog altijd door tranen verduisterd.
«Dus kan bet andere uiet juist zijn,quot; liep zij uit. «Dus hebben zij zich in u bedrogen, dus zijt gij niet de zendeling van den Stadhouder! Maar gij hebt het toch voorgegeven,quot; besloot zij plotseling bedaard. «Allen hebben het mij verzekerd, en toch, indien gij het ontkent, dan geloot ik u.quot;
«Mijn last zal spoedig ten einde zijn,quot; zeide Kolterman en zijn gelaat was bleek geworden en die woorden bracht hij moeielijk uit.
«Dus werd u toch een last toevertrouwd? Dus bekent gij zelf...? Waarom hier gekomen en mij dit niet bespaard?quot; vroeg zij zacht en zich van hem afkeerend, terwijl zij het gelaat met de handen bedekte.
Kolterman woelde met de hand in de hairen. «Neen, u wil ik
323
niet derven, al ware het slechts voor een polslag; neen, ik wil niet dat gij mij verdenkt... Neen, ik kan niet zwijgen!quot; riep hij uit, met zich-zelven nog in strijd.
De deur der cel ging open en de zuster die hem binnen had geleid, kwam hem noodigen te vertrekken. Hij had zich nauwelijks weder tot haar gekeerd en haar toegevoegd: sik droeg een mom
tot heil der goede zaak____quot; toen de deur weder openging, maar
niet met dezelfde voorzichtigheid als straks. Marijken gaf een gil, en hij stond als aan den vloer genageld, toen hij omzag eti op den drempel den Onderschout met zijne dienaars vond staan.»Volg ons, meester!quot; klonk het hem gebiedend toe. Marijken vloogKolterman in de armen; zij snikte; zij kon niet spreken en bracht slechts klanken voort, terwijl de dienaars haar met eerbied ter zijde hielden en den jonkman met geweld de cel uitdreven. Toen ze alleen was. zonk ze op de knieën en vermocht alleen door hare tranen heen te stameren: »Hij is overgeleverd.... en dat deed ik!quot;
Oude Freêrijk had in den vroegen ochtend bericht van Quikkel, betreflende Kolterman, ontvangen. De Hopman had uit Amsterdam vernomen, dat de Stadhouder van geen zendeling wist. Freêrijks renbode, die in last had Boshuyzen te achterhalen, ten einde van dezen te vernemen, hoe de jonkman in het bezit van den ring was geraakt, had den kondschapper van Quikkel dicht bij diens legerplaats ontmoet. Daar deze nog een versch paard bereed eti Freêrijks bode het zijne had afgejaagd, werd tusschen beide overeengekomen van berichten te wisselen, zoodat Freêrijk spoediger dan hij verwachtte de lang gewenschte tijding, w-elke eigenlijk voor Willem .lansz. bestemd was, tegelijk met zijne aanstelling ontving. Hij besloot nu zonder verwijl en zonder opzien te baren den jonkman te doen gevangen nemen, en gaf den Onderschout van het ontvangen bericht kennis. De Vroedschap zou Kolterman gewis in de herberg doen vatten en alzoo opschudding hebben te weeg gebracht; hij had echter zijne maatregelen zoo fijn genomen, dat ontsnappen of met geweld verlossen onmogelijk was. De boot lag toch in de binnenhaven gereed, die den gevangene, zoo spoedig de omstandigheden het slechts gedoogden, aan boord nemen en daarna naar Amsterdam brengen moest. Hij had â en het getuigde nog eenigszins voor zijn hart â Marijken den aanblik van 'sjonkmans inhechtenisneming willen besparen, maar de tijd verliep en de vijand weigerde de cel te verlaten, zoo dat hij alle matiging uit het oog verloor. Kolterman werd, aan handen en voeten geboeid en door een sterke wacht omgeven, naar een der achterste cellen gebracht, waar hij toeven moest tot dat de bootlièn reè waren, hetgeen volgens afspraak zou worden gemeld. Toen hij de cel genaderd was en stilstond, hoorde hij achter zich een gluipenden voetstap; hij wendde het hoofd om en zag zijn vijand van verre staan : hij meende een grimlach op het gelaat te zien, en het sarrende woord te hooren
324
dat op de bleeke lippen beefde. De jonkman keerde zicli af; het was of hem een giftige angel in het hart stak.
Juichend stond Freèrijk weldra voor de Burgemeesteren, die reeds in den vroegen morgen op het Stadhuis vergaderd waren. Toen hij hun het gebeurde had medegedeeld, verbleekte Willem Jansz. en zeide hij: »Dus zijn wij in den strik gevallen; dus houden wij ons krachtig misschien tegen den wil van Zijne Genade den Stadhouder.quot;
«Bekommer u des niet,quot; hernam Freèrijk. ))De stad is als uitgestorven. Ik had zulk eene uitkomst zelfs niet durven hopen. Ik was toch tegen alle violentie, maar beken thands niet goed te hebben gezien. Ook kunt gij niet meer terug.quot;
Men bleef nog geruimen tijd bij elkaar en besloot voort te varen zoo als men begonnen was, de schutters op te roepen en het gantsche vendel in slagorde te scharen.
In de herberg het Paradijs was ter zelfder tijd eene bijeenkomst; maar heerschte er ginds vreugde en opgewektheid, hier teekende aller gelaat somberen ernst. Buyskes was met luchtigen stap de herberg binnengetreden, en ging. toen de waard de boodschap van Kolterman had medegedeeld, door allen gevolgd naar het aangeduide vertrek. Men wachtte en wachtte geniimen tijd, zoodat Buyskes èn om zijn eigen onrust te bewimpelen, èn liet ongeduld zijner vrienden, die niet begrepen, waarom zij bij den overlooper waren gelokt, te doen bedaren, begon mede te deelen wat hij in liet bijzijn van den verongelijkte alleen had willen zeggen. Hij verhaalde alsnu hoe hij en Kolterman, op tien dag na de terugkomst des laatsten, over den wanhopigen toestand der stad hadden beraadslaagd; hoe Kolterman toen had doen opmerken, dat de burgerij nog slechts door de wanhoop tot handelen en het bieden van weerstand zou zijn te dwingen, en hoe hij op zich had genomen, zich te laten doorgaan als een zendeling des Stadhouders. »11; bracht hem het vermetele van dit opzet onder het oog, een opzet, dat bijkans niet gelukken kon en hem bijna zeker het leven kosten zou. Hij stond er op en geloofde door zijn vertrek naar Amsterdam om eijjen belangen de goede zaak verwaarloosd te hebben; hij zou haar nu verdedigen, al moest hij daarbij ook zich zeiven geven. Hij begreep echter hulp van buiten te behoeven, en hoe het hem vergaan is bij zijn poging daartoe, kunt gij na het verhaal van broeder Freèrijk gissen. Dat hij dezen ontmoette, verzwaarde zijn strijd. Hij moest voor zijne vrienden, voor de gantsche burgerij, een verrader, maar dan ook een zendeling van Bossu zijn, ot zijn plan mislukte en de burgerij zou zich niet ernstig bedreigd achten, zou niet tot wanhoop zijn gebracht en niet grijpen naar het zwaard. Hij heeft ten einde volhard, hoe vreeselijk ook de kamp is geweest; slechts bad hij mij, indien hij viel, hem te rechtvaardigen in aller oog.quot;
Verschillend was de indruk, dien het verhaal maakte; heftig was hij echter bij allen. Rietlus weende als een kind en bedekte zich
3-25
met de eene liaml de oogen; de jonge Freèrijk zat doodsbleek zonder een woord te spreken, met gevouwen liand en starend oog; Semeyns en lirouwer alleen hadden hunne bedaardheid behouden, en de eerste zeide: »Onze Prince wist wien wij noodig hadden. Wakkere bloed!quot;
Kindelijk vermocht Freèrijk zich lucht te geven: «Broeder, ik beken voor God mijne misdaad. De edele! Maar waarom niet gesproken toen hij tegenover mij of broeder Rijkert stond en niemant nabij was?quot;
«Of mij, die hem straks nog ontmoette... en hern dooden wou?quot; vroeg Rietlus.
»Hadt gij kunnen zwijgen, driftige broeder, of gij, Freèrijk, die zoo vromelijk en innig gelooft, als ge hem hadt hooien vervloeken door de goede Gemeente en burgerij? Gij hadt het van de daken gepredikt, dat de jonkman een adeling was naar hart en geest en liet opzet doen mislukken,quot; zeide Buyskes.
De tijd verliep en de St. Gommer sloeg reeds tien. De onrust van liuyskes steeg lot angst. »Gij hebt hem lieden morgen nog ontmoet?quot; zeide hij tot Rietlus. «Waar, in welke richting?quot;
«Bij het St. Ursula-klooster en... ik herinner mij ... de schoutendienaars trokken denzelfden kant op, dien hij was ingeslagen. Ik onderstelde nog, dat ze daar waren om hem te beschutten! Lom-pert, die ik was, dat ik ooit aan verraderij kon geloven; gek, die ik ben, dat ik er niet eer aan dacht hem ontmoet te hebben, want zijn lang wegblijven spelt mij iets euvels!quot;
«Hij is gewisselijk naar Marijken gegaan, die daar gevangen zit!quot; riep Freèrijk uit. ))En ik heb nog een ander derwaards zien sluipen in den vroegen morgen. Ik vermoed iets afgrijselijks, maar ik zal het voorkomen of straffen. God de Heete hoore mijn eed!quot; Met deze raadselachtige woorden, onder de hevigste gemoedsbeweging uitgesproken, ijlde hij de kamer en de herberg uit.
Hij rende de straten door en bleef ademloos stilstaan voor het huis zijns vaders.
Deze was eenige oogenblikken vroeger met opgeruimd harte thuis gekomen, en ongewoon vriendelijk had der dienstmaagd zijn groet tegen geklonken. Het scheen, dat het haar meer bevreemdde dan genoegen deed, want hoofdschuddend dribbelde zij hem na, en zelfs gromde zij even hoorbaar, toen zij het hoofd in het kookhuis stak. Oude Freèrijk riep haar terug en voegde haar glimlachend toe: «Toon dat de beenen niet stijf zijn. best! Suf van middag niet, maar zorg dat het maal met klokkeslag noen re6 zij.quot;
))Reè, reè.quot; mompelde zij. »Ik heb al menig holsblok versleten en nooit nog genoeg. Die zich te haastig spoedt, licht kwaad ontmoet. zegt het oude rijm.quot;
«Prevel de tooverrijmen in het kookhuis, maar lang mij maar de spijze op het aangeduide uur. Haal mij een kanneken klaret.
32(5
oude, en tevens roemers, gij moogt met mij klinken!quot; hernam Freêrijk.
«Ik zou liet doen van gantscher harte, als ik er drie mocht neerzetten. Ge zijt in goede luim, meester, maar uw lach klinkt wat schel in dit stille huis, dat er uitziet, als was de pest in de stad en de dood in de deur.quot;
De opgeruimdheid van Freêrijk verdween bij deze woorden en toornig beet hij haar toe: »Meng u niet in zaken buiten uw behoor.quot;
»lk blijf er van gantscher harte buiten,quot; hernam Ant. stiet liefst beid ik toch bij mijn oven en mijn vaten, daar spookt het niet zoo als op de pronkkamer en bij uwen zit. Daar hoor ik geen klachten, zooals in het voorhuis, en geen geluid, dat op de stem van mijn jongen lijkt. Ik ril dikwijls alleen in het donker! Gij zijt in een goede luim, schoon Marijken hier niet is en Freêrijk langs de straat zwerft!quot;
Oude Freêrijk hoorde haar niet meer, maar trad ijlings zijne kamer binnen, waarvan hij de deur achter zich dicht wierp. Toen hij zich alleen wist, wandelde hij een wijle in hevige gemoedsbeweging heen en weer. »Ik wil het vergeten,quot; prevelde hij binnen 's monds, en ettelijke malen herhaalde hij die woorden. Hij trad naar het raam. ))De wind is goed en om half twaalf loopt er vloed.quot; Eindelijk viel hij als vermoeid in een leunstoel neèr, en haalde hij een papier te voorschijn, waaraan het zegel Zijner Excellentie den Hertog hing. Hij bezag het met welgevallen; hij las en herlas het, als kon de inhoud niet te goed in het geheugen worden geprent. Eindelijk ontving hij dan het loon van zijn zwoegen en was hij ambtenaar der Grafelijkheid, had hij toegang ten hove, in rang volgende op de leden van de hoogste vierschaar van het Gewest! Maar zijne genieting was weder niet onvermengd, want een pijnlijk gevoel werd bij hem opgewekt, hetzelfde dat hem zoo dikwerf aangreep en in de eenzaamheid overweldigde. Hij had een eerste schrede gezet op de ladder, die zijn geslacht omhoog zou voeren, maar wie zou hem volgen? Stond hij niet alleen? Een kreet van niettever-heelen smart ontglipte zijn mond en haastig wierp hij het papier weg, als sloeg er een venijnige walm uit de vouwen. De aandoening duurde echter niet lang. Als met geweld drong hij de klacht naar de binnenkamer zijns harten terug, en wrong hij zijne gelaatstrekken in een vriendelijke plooi. Hij wilde vrolijk, blijde zijn, en hij werd het ook voor een oogenblik. Weder stak hij de hand uit naar den weggeworpen brief, toen de deur haastig werd opengeworpen en hij. tot zijn verbazing, ja, ontzetting, zijn zoon zag binnentreden. Hij kende de reden dezer komst niet; hij waagde niet te gelooven wat zijn hart somwijlen hoopte, en die komst dank te weten aan een ommekeer in de gezindheid zijns zoons. Hij kon slechts stameren, terwijl hij angstig de verwrongen trekken, de verglaasde oogen van den binnentredende aanstaarde: »Gij hier!quot;
327
»Ik dank God, dat ge u daarover verwondert,quot; zeide Freèrijk lieesch. Hij bleef tegenover den oude staan en zag hem stijf in het gelaat, en vervolgde met eene stem, bevende van hartstocht: «Waar is mijn broeder, waar is Kolterman?quot;
))Zit neder... bedaar!quot; andwoordde de oude niet onvriendelijk, terwijl hij zich voorover boog om hem een zit te wijzen. Dit was y.eker overbodig, maar geschiedde ook meer om het gelaat af te kunnen wenden en de blikken zijns zoons te ontwijken, die hij niet verduren kon.
)gt;Ik behoor hier niet,quot; hernam Freèrijk, die echter de oogen in het ronde liet gaan en een droeven trek niet weerhouden kon bij den aanblik van het hem zoo bekende huisraad. sNiet daarvoor kwam ik hier,quot; zeide hij in zich zei ven. Hij vermande zich en vervolgde: »Waar hebt gij hem verborgen, fleer?quot;
»Ik bekom nauw van mijn verbazen, Freèrijk!quot; hernam de oude. ^lets vreeselijks gaat er in uwe ziel om. Gij lijdt... Het koude zweet paerelt op uw voorhoofd... Freèrijk, zit neder!quot; fluisterde de vader, bijkans week.
»Neen, niet alzoo. Heer! Gij ontwijkt mijn vraag. Ik moet andwoord hebben . .. Gij hebt mijn broeder in den valstrik gelokt; gij hebt hem gevangen genomen . .
»Wie heeft u dien laster verhaald? Wie zeide u, dat ik hem gevangen deed nemen?quot; vroeg de oude.
«Dus zijt ge onschuldig daaraan! O, ik zoude God danken van uit het diepst mijner ziel,quot; kreet de jongeling. De oude had zijn hand gevat en zag hem een oogenblik aan.
«Dus heeft het harnas nog voegen! Dus klopt er nog een hart onder het wambuis! Dus heeft de ijskoude adem van den godsdiensthaat nog niet alle liefde verkild,quot; juichte bijkans de vader, terwijl hij hem tot zich trok: «Freèrijk, jongen! ik heb een vree-se lij ken tijd doorleefd. Ik was alleen, en uw beeld volgde mij altoos, uw beeld, zoo stroef, zoo verwijtend .. .! Ik had mijn vervolger willen treffen en ik trof u. Ik zag u van voor mijne oogen wegvoeren ... 0, dat was een pijn, waar de hel geen wedergade van heeft.'
))En de jonkman, dien gij vervolgdet, heeft mij gered!quot; zeide Freèrijk.
«Daarom is uw redding schier waardeloos voor mij,quot; prevelde de oude. «Een ontvangen weldaad moet dankbaarheid opwekken, anders drukt zij neder... En dankbaarheid jegens hem!quot;
«En gij hebt Marijken ook doen vatten ... Wat heilig en edel is in de Gemeente, hebt gij vervolgd!quot; zeide Freèrijk dof, terwijl zijn boezem zwoegde, en hij scheen te strijden tegen de zachtere aandoeningen, die zijn hart innamen.
«Ik moest het doen in aller belang. Neen, duid geen ongeloof â door die beweging. Ik heb u van mij afgestooten, maar met een bloedend hart. Freèrijk! waart gij niet altoos het liefst wat ik bezat
328
op aartle? Poogde ik niet altijd uwe wenschen te voorkomen? Ik ben hard geweest jegens velen; maar was ik het, ooit jegens u, mijn kind . . . !quot;
»Ware ik nooit in dit huis geweest of nimmer daar buiten! Had ik u nimmer verlaten of u nimmer gezien!quot; zeide Freêrijk met kracht, sik had u alsdan altoos met jïiet oog eens kinds en alzoo eenzijdig aangezien, of u nooit leeren kennen. Maar nu ...! Ik hoor uwe betuigingen van liefde, zooals ik vroeger uwe tederheid heb ondervonden. Neen, onteer den naam niet van de liefde, als gij. hetgeen u tot mij drijft, als zoodanig betitelt... De Heere God vergeve mij de zonde. Als Hij mij in uwe nabijheid de tong verlamde, het ware mij eene weldaad . ..quot;
De oude liet het hoofd op de borst zinken en bedekte zich het gelaat. «Uw taal klinkt hard.quot; zeide hij. «Vreemde inblazingen en opruiingen geeft gij gehoor. Wat deed uw vader u voor euvels aan? Freêrijk, het is mij nog kort geleden voorspeld, dat ik minnen zou wat mij haatte, en haten zou wat ik lief moest hebben. Dat was de vloek, dien het noodlot daarboven had opgeteekend. Het eerste deel van den vloek is verwezentiijkt, het tweede moet het nog worden, om mij gants rampzalig te maken. Maar neen, dus kan het niet blijven!quot; vervolgde hij eensklaps met meer drift. sGij moogt mij niet meer verlaten. Wij zullen het Noodlot te schande maken. Gij blijft bij mij. Ik heb thans Martinus niet meer te ontzien. Aanbid gij uwen God zoo als ge wilt, ga ter preke ... maar blijf bij mij .. . Freêrijk, ik heb ontvangen waarnaar ik streefde... laat mijn arbeid tot uw voordeel gedijen...!quot;
De jonkman trad achteruit. «Dus heeft de vervolging der Gemeente u gebaat! Dus heeft de moord, dien gij in soldij hieldt, u voordeel gebracht!quot; riep hij met afschuw uit.
«De laster moet wel fel jegens mij zijn geweest!quot; zeide de oude verbleekend. «Waarvan beschuldigt gij mij toch? Heb ik dan een moord gepleegd?quot; vroeg hij met holle stem en neergeslagen oog.
«Raadpleeg uw gewisse, en de aanklacht blijft niet uit. Hebt gij mijn broeder in der. Heer niet willen dooden, in hope van gewin ... ?quot;
«Neen,quot; riep de oude in drift. «Indien hij het u verhaalde, dan zei hij de halve waarheid. Ik heb hem vervolgd niet om gewin, want ik wist, dat hij niet was voor wien hij zich uitgaf, dat hij mij niet tegen kon staan.quot; Het was een logen, maar een, die naar zijne meening van veel uitwerking zoude zijn, die hem in de oogen zijns zoons van een groote, zoo niet de grootste, wandaad zoude zuiveren.
«Wist gij dit?quot; vroeg deze dan ook verbaasd. «Waarom hebt gij den edele dan vervolgd?quot;
«Omdat hij uw verleider was; omdat hij het was, die u deed opstaan tegen het vaderlijk gezach, die over deze woning den twist en de tweedracht bracht, die mijne toekomst in de uwe had ver-
329
nietigd.quot; De hartstocht gloeide in zijne blikken bij deze woorden. Thands veinsde hij niet; wat hem dat oogenblik bezielde, sprak hij uit: liet was haat jegens den naamlooze, dien hij thands alleen nog vervolgde om de doorhem aangeduide ledenen. Zijn haat jegens Kolterman teekende dus liefde voor zijn zoon. Deze gevoelde het en huiverde, terwijl zijn achterdocht, straks voor een oogenblik geweken, weder heviger te voorschijn trad.
»Uw haat was immer wel heftig jegens hem, gij bekent het zelf: en ge zoudt niet schuldig zijn aan de hinderlaag, waarin hij gelokt is .. . ?quot;
sis mijn haat heftig, uwe genegenheid voor hem schijnt mij niet minder,quot; viel de oude hem haasiig in de reden. )gt;De eerste doet mij echter te scherper spieden, de laatste maakt daarentegen kort-ziende. Ik heb nimmer geloofd aan den adel zijner ziel, maar veel meer aan de boosheid zijns harten, die zich dan ook heeft vertoond. Verdient hij uwe genegenheid, Freèrijkl die aan eerlijkheid gelooft? Hij heette zendeling des Prinsen en hij was een spie van Bossu. Hij heeft verraden wien hij dienen moest. . . Is het u dan niet hekend . . . ?quot;
»Ik weet alles,quot; riep Freèrijk in hartstocht; sen daarom is mij ieder uwer woorden een wanklank. En zoudt gij minder weten dan ik. Mijnheer? Indien gij hem werkelijk voor een zendeling van Bossu hieldt, ge zoudt hem niet naar het St. Ursula-klooster hebben gelokt! Dat deedt ge toch; ik kan niet meer twijfelen. Ik zag u in den vroegen morgen daarheen gaan, en weinige oogenblikken later moet hij mede daar binnen zijn getreden. Gij weet waar de edele zich bevindt, die smaad en vloek heeft gedragen voor de zaak Gods. En ge wildet hem misvormen in mijn oog! Ge wildet mij winnen door logen en bedrog in deze ure! Gij wenscht eene verzoening en gij durft haar koopen tot zulk een prijs. Deze oogenblikken moesten heilig zijn, en de Engelen Gods hadden er over moeten juichen, maar de Duivelen beden er hun zegelied bij aan. De laatste draad, die mijn hart aan bet uwe hechtte, is stuk gereten. Ik heb u niets meer te danken. Gij hebt mij onder uw dak gehuisvest, gij hebt mij uw brood doen eten, maar de smait, die ik door u lijd, betaalt uwe weldaden. Gij zijt mij een vreemde, gij zijt mij een tollenaar!quot; â De oude sprak geen enkel woord. Hij was in zijn leuningstoel neèrgevallen en boog het hoofd, als onder bet wicht van 's jonkmans beschuldiging. Hi j was voor een oogenblik verdoofd, maar hij was niet verslagen. Reeds werden eenige teekenen van een oprijzenden storm kenbaar; reeds guiste hem het bloed door de aderen en borsden hem de slapen. Een gevoel van haat overheerde hem: haat jegens zich zeiven, haat jegens Freèrijk, jegens alles in het rond; en toen de jonkman hem weder naderde en hem thands dreigend te gemoet voerde: «Waar hebt gij hem verstoken? Ik moet het weten!quot; sprong hij op, met de
330
snelheid eener kat, en riep bij hem toe, met flikkerend oog: «Welnu dan, ik heb hem gevangen, ik heb hem verstoken, maar geen Geus zal hem ooit wederzien. Dat zij uwe straf, kwaadaardige rebel! Gij weet hem gevangen en kunt hem niet helpen. Hij is in mijne macht en weldra in die van den Stadhouder.quot;
Freèrijk stond een wijle zwijgend; hij hijgde naar den adem, die hem moeilijk door (ien gorgel heen floot. sHeer, bloed voor bloed!quot; kreet hij ten laatste met rauwe stem. ygt;Zoo ik hem niet verlossen kan, zal ik hem wreken ...!quot;
De ander deinsde terug voor het vreeselijk opzet des jonkmans, die, krankzinnig van woede, maar tevens vastberaden scheen en een wapen van onder zijn regenkleed te voorschijn haalde. De oude werd plotseling bedaard. »Hij is een adder geworden!quot; stamerde bij; het was of hem het hart saamkromp. en snijdend voegde hij hem toe: »Zoudt gij uw vader naar het leven staan?quot;
»Vader? Zijt gij mijn vader? Gij zijt de Kanaaniet, dien Israël niet sparen mocht. Ik heb u gespaard, en de straf volgt op het misdrijf. Indien ge vroeger gevallen waart, gij zoudt niet bij machte zijn geweest hem te deren, dien ik redden moet. Gij zult hem mij overleveren, of het is uw laatste ure. Het is bloed waar ik staar... bloed wat ik voel en tast... ! Dat is Gods vinger, die mij Zijnen heiligen wil kond doet...!quot; Hij sprong op den oude toe, dien hij met de eene hand bij den schouder vast greep. Deze scheen alle besef verloren te hebben. De oogen puilden hem uit de kassen.de neusgaten sperden zich open; de spieren zijns monds waren als verlamd. Zijn stilzwijgen bleek echter welsprekend te zijn geweest, want Freerijk volvoerde zijn opzet niet. â Hij liet den opgeheven arm neêrzinken en fluisterde nauw hoorbaar: ))Zeg mij waar hij is! Drijf mij niet tot het uiterste door dit zwijgen. Ik moet hem wreken, hoort ge, ik moet...! spreek, spreek!quot;
Maar de oude sprak niet. Thands klemde hij de tanden op elkaar en schudde nauw merkbaar met het hoofd, alsof hij zich verzette tegen een van binnen op hom geoefenden drang. Daar speelde het uurwerk van de St. Pancras, daar sloeg de klok; het was half twaalf. Een rilling liep den oude door de leden, een schok volgde: hij kwam tot bezinning en ontving de spraak terug. «Hij is weg,quot; riep hij uit. «Dood mij, als ge wilt, ik kan hem u niet teruggeven. Hij is reeds de haven uit.quot;
Freèrijk gaf een gil, een gil zoo rauw, zoo akelig, dat de oude er van opsprong, als bracht de Booze dien uit. De jonkman kon ook niet twijfelen aan de waarheid der verzekering. De uitdrukking van 'souden gelaat, de toon zijner stem, liet het niet toe. Ilij sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd, maar herstelde zich spoedig en zei meteen koude, die meer door de ziel sneed, dan de razernij van straks; «Zoo zult ge sterven zonderde laatste bede, zoo zult ge voor den Heere God verschijnen zonder voorbereiding, moordenaar...!quot;
331
Akelig klonk het als echo: moordenaar, op den achtergrond van het vertrek, üe arm des jonkmans verlamde; zijn oog staarde naaide zijde van waar die stem tot hem kwam, maar het vermocht niet de gestalte te onderscheiden, die daar had post gevat. Oude Freèrijk kreeg hoop op redding; zijn bewustzijn keerde terug; hij wrong zich los uit den neep van 's jonkmans vingeren en waggelde den nieuwen bezoeker tegen, in wien hij den Admiraal Boshuyzen herkende.
»Zoo kwam ik ter rechter tijde om een moord te verhoeden, en. Jezus Maria, welk een!quot; riep Boshuyzen, terwijl hij den oude aangreep. ))Ik kwam ten deele om de bevestiging te vernernen van hetgeen Quikkel en uw eigen bode mij verzekerden, en wat ik aanschouwde geeft mij reeds meer dan een eed uit uw mond. Hij,quot; vervolgde hij, op den jongen Freèrijk wijzende, «hij is afgevallen van ons allerheiligst geloof; hij verbond zich met de aterlingen, die. God en Zijn gebod vergeten, bloed noch koning ontzien! Gij hebt alzoo jegens mij gelogen! Hij was voor lang afgevallen en geen woord daarvan kwam over uwe lippen toen ik bij u was! Jezus, hoe streng wordt ge daarvoor gestraft!quot;
))Stil,quot; zeide oude Freèrijk, »ik had daarvoor goede redenen, gij zult ze billijken; ik zal ze u ontvouwen ....quot;
))En mij weder een sproke vertellen,quot; bulderde de Admiraal. »De ure is echter te ernstig voor mommerij en bedrog.quot;
«Vriend, gij loopt gevaar hier ter stede,quot; hernam oude Freèrijk. »Waarom hier gekomen, of brengt ge eenige vendelen in de stad?quot;
Bij deze vraag richtte hij zich op en wendde hij de vonkelende oogen naar den jonkman, die uitgeput was blijven staan, en met de hand op de tafel leunde. »We zullen de Geuzen den voet op den nek zetten!quot; vervolgde hij.
»Denk niet aan zegepraal waar ik u vernietigen kom,quot; zeide de Admiraal plechtig, terwijl de anders zoo vaste stem beefde. »Ik verstond van Quikkels bode, die mij uwen brief overbracht, dat gij den Blonde achtervolgdet.quot;
»Ik heb hem ten laatste gevat!quot; riep de oude. »A1 ware ik deze ure gevallen, het zou mij in mijne laatste oogenblikken hebben getroost!quot;
«Gevat? Gevat? Door u? Ongelukkige, heb ik u niet gezegd, dat hij een Heilige voor u moest zijn? Weet ge, wat ge gedaan hebt, vermaledijde ?quot;
In koortsachtige drift nam lijj hein bij den arm, sleepte hem een eind verder naar liet venster, als ware hij bevreesd dat de ander hem hooren zou. Daar fluisterde hij hem eenige woorden in het oor. Zij moesten wel vreeselijk zijn, want wat het wapen van Freèrijk niet vermocht, werkte die mededeeling uit. De oude kromp als ineen; hij klemde zich aan de reuzengestalte des krijgsmans
332
vast en liet zijn gelaat op diens breede borst nedervallen, terwijl hij snikte: »God, God!quot;
«Geen vrouwengehuil waar mannenkracht noodigis. Geen geklaag waar gehandeld moet worden. Red hem. doe hem ontslaan!quot;
»Het is te laat!quot; steunde de oude. »Hij is reeds weg. Te half twaalf loopt de vloed en zou de boot uitgaan; en het is reeds geslagen !quot;
»Dus hebt ge u in eigen strik gevangen! Dus hebt ge gehaat rnet eeti onnatuurlijken haat!quot; riep Boshuyzen, terwijl hij zich met afschuw afwendde en den oude van zich stiet.
«Maar hij moet gered worden!quot; riep de oude Freèrijk. »Help mij!quot; vervolgde hij tot den jonkman. sWilt ge, dat ik het u bid op mijne knieën...? Wilt ge dat ik u den voetzool kus, u, die mij vertrapt hebt....? Ik zweer u bij God. voor wiens roede ik mij buig, o verstoot mij niet, mij arme verslagene...!quot;
»Wat is dit?quot; riep de Admiraal, terwijl de trom daar buiten roffelde, en een verward gedruisch van stemmen en voetstappen daarop volgde.
«Dat is de bazuin der Heiligen Gods!quot; riep de jonkman in geestvervoering. »Dat is het trompetgeschal, dat de muren Jerichoos zal doen neerstorten! Dat is de stem der verdrukten, die zich rekten aan de boei en haar verbrijzelen. Wee, wee den onbesnedenen, die mijn broeder hebben omgebracht...!quot;
Hij wilde voortijlen, maar de oude hield hem smekend terug. sBied mij de hand om hem te redden...quot;
»Weg, weg van mij, melaatsche!quot; riep hij uit. en hij snelde heen. De oude maakte zich gereed dat voorbeeld te volgen.
»Werwaards wilt ge?quot; vroeg Boshuyzen.
»Naar de haven, de boot achterna, in zee. IJl gij naar het St. Ursula-klooster; daar is Heer Bardes ... Overwinnen de Geuzen, dan bestormen zij dit huis... Voort!quot; Zonder regenmantel ijlde hij weg, zonder zich meer om Boshuyzen te bekommeren, die met bedaarden tred hem volgde en mede naar buiten trad.
HOOFDSTUK X.
Wij hebben Rijkert Claesz. den vorigcn avond in de gevangenis der grootste misdadigers onder het Stadhuis verlaten. Mocht zijne slaapstede ook niet zacht zijn, toch was zijne rust onafgebroken en verkwikkend. Hij moest zelfs nog gewekt worden dooreen knecht, die, grommend naar beneden gekomen, met verbazen de weggeschoven grendels bemerkte en den gevangene ook daarvan had willen betichten als van eene poging tot ontvluchting, zoo hij Rijkert niet sluimerend gevonden had.
»Sta op. Geus! Mijnheer de Schout wacht u. Ge kunt wat brood kruimelen en een teug water nemen; daarna kom ik terug.quot;
Hij gaf er gevolg aan en kwam dan ook spoedig Rijkert halen naar de kamer der ondervraging.
Het was een ruim, vierkant vertrek, waar aan de eene zijde een tafel en eenige stoelen stonden, terwijl aan de andere zijde, onder een zwart kleed verborgen, verschillende tormentmiddelen werden aangetroffen, waarvan de aanblik voor ons onaangenaam en walgend, voor den tijdgenoot echter gewoon was, en niets afschuwelijks had. Ter zijde der tafel zat op eene verhevenheid Martinus, strak en scherper dan ooit van uitzicht; voor de tafel de Schout Feyntes niet drie Schepenen. Uitermate bleek was de gelaatskleur van den Schout. Het hoofd hield hij gebogen, de blauwwitte lippen gesloten, toen de deur openging en de Geuzenprediker binnen werd geleid.
Hij had ook niet verwacht, daar in eigen persoon te zullen moeten voorzitten. Hij had zijn onderhoorige gelast, in zijne plaats aldaar tegenwoordig te zijn, daar hij voorgaf om de velerlei troebelen voor het oogenblik zich boven bij de vergadering der Vroedschap te moeten bevinden. De Onderschout had hem echter dien morgen vroeg doen weten, dat hij met eene zwaarwichtige kommissie â het was Koltermans gevangenneming â belast was geworden en niet op konde komen, en de kettermeester Martinus had het verhoor van den Geuzenpredikant niet willen uitstellen, hoe daartoe â door Feyntes ook aangezocht.
334
â oTen verzoeke van Pater Martinus, kommissie houdende van Mijnheer Ruwaard Tapper, heb ik dezen man voor u doen verschijnen,quot; zeide Feyntes nauw hoorbaar, sdezen man, beschuldigd van ketterij, ten einde tegen hem te procedeeren als volgens de plakkaten zijner Majesteit...quot;
«Mijnheer de Schout gelief wat luider te spreken!quot; zeide demon-nik scherp, sovermids ik wel uwe klanken, maar geen uwer woorden hoore, en naar ik meen zult gij de laatste toch wel spreken.quot;
Feyntes, de anders hooghartige Feyntes, beet zich de lippen ten bloede bij deze bitse en ongepaste terechtwijzing, maar zweeg. Hij had het reeds verre gebracht in zelfverloochening of zelfvernietiging. Hij ging na eenige oogenblikken pozens voort:
ȟeze man noemt zich Rijkert Claesz., naar het voorgeven van den Eerwaarden Pater Martinus, een predikant der Kalvijnsche sekte binnen deze stad. Ingevolge de plakkaten zal de kettermeester daarvan het bewijs moeten leveren.quot;
»Gij vergist u schromelijk,quot; zoo viel de Monnik weder in, die wel in allen deele de matiging op zijde had geschoven en zijn ge-zach aan ieder in de onderworpen stad toonde. «Ingevolge de plakkaten zal de van ketterij beschuldigde zich van de aanklacht moeten zuiveren. Kan hij dit niet en blijft hij onwillig tot boete en terugkeer. dan wordt hij overgegeven aan uwe vierschaar. Ik geloof, dat het ons in dezen niet veel tijds zal behoeven te kosten. De beschuldigde vóór ons zal zijne schuld niet ontkennen. Rijkert Claesz., bekent gij te zijn afgevallen van de eenige ware Kerk van Christus en u te hebben begeven tot de pest der ketterij ?quot;
De eenvoudige zilversmid was te veel doordrongen van eerbied voor de Overheden, om niet met de hoogst mogelijke bescheidenheid ie hebben toegeluisterd. Er was echter geen vrees op zijn gelaat te lezen, en zijne blikken zwierven van Feyntes op Martinus. Beiden waren hem geene vreemden meer. Kon hij den eerste ook beklagen en het leed dat hij hem zou aandoen, vergeven, den tweede staarde hij, vooral in de laatste oogenblikken, met vonkelende oogen aan. Met forsche stem liet hij dan ook het andwoord hooren op de gedane vraag:
«Zekerlijk niet. Ik beken vroeger geleefd te hebben in een grove onwetendheid, welke mijne ziel zou hebben overgeleverd aan een zekeren grouwelijk bederf. Waaruit de Heere God mij heeft gered, mij geroepen hebbende uit de duisternis tot het licht; mij de oogen verhelderende, opdat ik de eenige ware Kerk Christi zoude leeren kennen. Ik beken de Paapsche misse te hebben vaarwel gezegd en Gods woord thands te bezitten.quot;
»Wat vordert ge meer dan deze bekentenis?quot; vroeg Martinus opstaande. «Hoewel zij getuigenis geeft van de trotschheid van hem, die haar aflegt, van zijne verstoktheid, zal ik de genade onzer Heilige Kerk aan dezen, hoezeer een verleider van velen, aanbie-
335
den. Wilt gij belijdenis doen uwer scliuld en u onderwerpen aan de boete, door de Keik op uwe vervloekte afdwaling gesteld, en als oodmoedig kind door uwe beleedigde moeder worden aangenomen?quot;
«Priester liaals,quot; zoo galmde het uit Rijkerts mond, »wij hebben elkander meermalen ontmoet en gij hebt de kracht uwer woorden zien afstuiten op de wapenrusting Gods, die nüj dekt. Ik heb u de zegepraal verkondigd van de Waarheid, die ik verkondigd heb en verkondigen zal tot de Heere mijn God mij den adem zal laten, en zou ik in deze ure mij kunnen begeven tot den vader der leugenen? Doe met mij zoo als gij denkt te behooren; God almachtig sterke mij!quot;
Toen Martinus hem aanspoorde tot boetedoening en terugkeer, verwachtte hij geen ander andwoord. Hij had die vragen alleen gedaan om den vorm van proces niet te schenden. Hij drong daarom ook niet verder aan. »De toepassing en uitvoering der straf laat ik aan de Schepenbank,quot; zeide hij. »Dat ik geene kastijding vorder of verhooging der gewone straf voor de bitsheid en ruwheid des ketteis, bewijze, dat ik hier slechts sta krachtens mijn ambt. De tijd der moderatie is thands voorbij; de Vroedschappen hebben haar plicht begrepen en zijn er van overtuigd, dat er veel bij Zijne Excellentie den Hertog moet worden uitjiewischt. Aan dezen man moet een exempel worden gesteld en wel spoedig. Ik twijfel niet of gij zult ten dezen aanzien eenstemmig met mij denken.quot;
De Schepenen bogen en de Schout... ? Hij trilde van woede, maar toen hij het strakke oog van den monnik op zich gevestigd zag, boog ook hij.
«Voor dat de verstokte de gereciite straf echter onderga,quot; zoo vervolgde Martinus, «poge de straffende moeder het door hem en zijns gelijken gestichte kwaad te overzien. Hij noeme de namen van hen, die met hem de dwalenden voorgingen, de namen van hen, die in de gebuursteden, welke mede in 'sKonings gehoorzaamheid terug-keeren, de ketterij voortplanten.quot;
Er was een oogenbük van stilte. Rijkert zweeg.
»Hebt gij den eiscii van Mijnheer den Kettermeester vernomen?quot; vroeg de Schout.
«Neem mijn lichaam en verderf het; eisch van mijne ziel evenwel niet, dat zij zich zelve vernietige. Zoude ik hen, die mij het liefste op aarde zijn, op de houtmijt brengen?quot;
«Gij weigert?quot; vroeg Martinus. «Ik eisch, dat de tormentmiddelen op hem worden toegepast.quot;
De Schout gaf twee der knechten, welke op den achtergrond daarop schenen te wachten, een wenk. Het zwarte kleed werd weggetrokken en de duimschroeven nevens de uitrekbank werden zichtbaar.
Een nauw zichtbare rilling liep er door Rijkerts leden. De gelaatszenuwen bewogen zich even. Hij sloeg de oogen naar boven en stamerde een bede tot den Vader der barmhartigheid, ter wiens
336
verheerlijking de leden zijns lichaams moesten worden verminkt. Besloten keerde hij zich tot den strengen Kettermeester en voerde dezen te gemoet: ))Gij zoudt geen macht hebben over mij, indien zij u niet van boven gegeven ware.quot;
Het wambuis was hem reeds uitgetrokken, de duimschroeven aangelegd, toen Martinus, die hem den gantschen tijd aandachtig had gade geslagen, den knechten gebood stil te houden. Zijne lippen beefden, zijne vingeren trilden stuipachtig. Het was de eerste reize, dat hij als kettermeester tot zulk een uiterste moest komen. Hij had er vroeger zelfs naar verlangd, om in zulke mate de eer der Kerk te kunnen verhoogen. en toch dauwde den sterke schier het hart. Hij had gehoopt, dat Rijkert terug zou gedeinsd zijn voor het vertoon der martelwerktuigen; maar nu deze zoo rustig bleef, nu hij met gelatenheid, ja met een lijdzaamheid, die Martinus ondanks zich zeiven prijzen moest, de pijnen te gemoet ging, durfde hij niet verder gaan.
«Mijnheer!quot; fluistetde hij den Schout in het oor, sde ketter zul niet buigen, dunkt ook u niet alzoo?quot; Feyntes knikte toestemmend. »Welnu. laat ons dan een minder feilbaar middel aanwenden en onzen kostbaren tijd niet aan dezen verkwisten.quot;
))Ik deel volkomen in uw gevoelen,quot; zeide de Schout, terwijl hem een last van het hart viel, en hij den monnik bijkans vriendelijk aanzag. Maar hoe verdonkerde zijn gelaat, toen Martinus vervolgde: »Zijiie vrouw is mede gevangen. Laat haar hier voeren.quot;
«Maar, Eerwaarde. ...quot;
»Heer Fevntes, nog zit gij hier aan als rechter; bedenk dat ge gevaar loopt daar ginder te staan. Nog heb ik u gespaard, maar bedenk, dat de dag der verrekening aanstaande kan zijn.quot;
De schout andwoordde niets, maar gaf een der knechten heimelijk bevel om vrouw Lijze voor te brengen.
Toen Rijkert haar zag binnen strompelen, want uit een donker hok komende was zij bedwelmd door het licht, uitte hij een kreet van vreugde. Spoedig echter scheen hij iets van het doel harer komst te begrijpen, want hij wierp een angstigen blik op den Schout. Er lag daarin een zoo welsprekende, zoo aandoenlijke bede, dat den Schout schier de tranen in de oogen welden en hij zich moest afkeeren.
«Zult gij belijden wat van u gevergd wordt?quot; vroeg Martinus.
»Ik heb het u gezegd. Ik kan niet____Ik mag niet,quot; stamerde
Rijkert, die zijne bleeke trillende vrouw, wier hand hij in dn zijne gekneld hield, aanzag, terwijl de zweetdruppelen op zijn voorhoofd begonnen te paerlen.
»Zoo leg haar de duimschroeven aan,quot; gebood Martinus.
Lijze gaf een gil, toen zij de knechten gereed zag om het bevel uit te voeren. «Waarom mij te martelen. Heer!quot; kermde zij. «Ik belijd immers alles? Ik behoor tot de nieuwe leer; ik gaarde
337
zelfs de aalmoezen bij tie broederen en zorgde voor de kranken en weezen!quot;
«Ontdek gij dan wat uw man geheim houdt!quot; hernam Martinus, en hij herhaalde de vordering die liij straks tot Martinus had gericht.
»Ik zoude de arme onbesproken luiden om goed en leven brengen! zeide Lijze met afschuw, sik zoude dat doen om eigen pijn te ontgaan? Lieve man, gij hebt mij een goed exempel gegeven. Laten ze mij pijn doen, als gy slechts ongedeerd blijft; gij zijt nutter voor de Gemeente dan ik.quot;
»Heer mijn God, laat dezen drinkbeker van mij voorbij gaan!quot; bad Hij leert. «Neen, niet alzoo, martel haar niet, mijn arme vrouw!quot; Hij knielde neder en vouwde de handen.
Het begon Martinus zei ven te duizelen, en wie weet of hij niet besloten zoude hebben van zijn voornemen af te zien, zoo niet de Onderschout naar binnen ware geijld en hem met een gewichtige tijding hadde verrast. Kolterman was gevangen genomen, het verraad van dezen ontdekt. De stad, zoo meldde hij, scheen in den aanvang gantschelijk beroerd, maar thands leèg en uitgestorven, hetgeen volgens hem een teeken was, dat de strengheid een goede werking deed, waarom hij Zijn Eerwaarde slechts kon aanbevelen om daarmede voort te gaan.
Op zijn tocht herwaards had hij Broeder Theodorus ontmoet, die hem verzocht had Zijn Eerwaarde dringend te verzoeken om dadelijk in zijne cel te komen, aangezien hij eene gewichtige ontdekking te doen had. Het gold een zeer hoog geplaatst persoon, van wiens verraad de broeder thands de meest overtuigende bewijzen ontvangen had en die, bij niet dadelijke gevangenneming, zoude kunnen ontsnappen. Martinus greep deze gelegenheid om te vertrekken aan. Hij wilde echter de schuldigen niet prijs geven, en daarom verzocht hij Mijnheer den Schout voort te varen. Mijnheer den Onderschout verzoekende daarbij tegenwoordig te blijven. Hij wist dat Feyntes dan even goed zoo niet beter bewaakt werd en minder dan ooit zou durven toegeven.
Toen hij vertrokken was, poogde de Schout evenwel de scherpe ondervraging te doen staken, maar de eerbiedige vertoogen, die de Onderschout daartegen inbracht en die de overige Schepenen billijkten, verhinderden dit. Werkelijk zoude de marteling van vrouw Lijze, die in de laatste oogenblikken de armen om den hals van haar man had geslagen, als zocht zij daar hulp en bescherming, een aanvang nemen. Zij werd van Rijkert afgerukt, die zich de ooren toedrukte, om de kreten zijner arme vrouw niet te hooren, en daardoor niet verleid te worden om datgeen te doen, wat hem een zonde en gruwelijke boosheid was.
Daar klonk echter in de verte een gedruisch als dat van de golven der zee. Het onbestemd geluid werd klarer en bleek een kreet te zijn uit liet midden van eene talrijke menigte. Daar klepte een klok,
DE EERSTE DAG. 22
338
roffelde een trom, klonk eene leuze, en Schout en Schepenen, kerkerknecht en beul haastten zich naar boven en lieten de beide echtelingen alleen, die jubelend elkaar in de armen vielen en samen neèrknielden om hun Hemelschen Vader te danken; want zij bevroedden wat daar buiten omging, zij bevroedden dat de redding naderde.
Voor het ons blijke of hunne verwachting gegrond was, dienen wij te verhalen wat er in andere oorden der stad dit oogenblik was vooraf gegaan. Wij keeren alzoo in onze verbeelding terug tot den morgen van dezen dag en wel naar liet Ursula klooster, waar Kolterman gekneveld was achter gebleven.
Hij had bange oogenblikken doorgebracht. Niet aan zijn naderend uiteinde dacht hij, maar aan de geliefde, die hij achter liet, aan de goede zaak, van wier welgelukken hij geene zekerheid had.
Men had zich niet vergenoegd met hem hand en voet te boeien, maar had hem ook de spraak belemmerd of onmogelijk gemaakt, daar een doek, tot bal gedraaid, hem in den mond was gestoken. Men vreesde ook de rapheid der tong, die zoo velen had belezen en ook invloed kon oefenen op cipier of bootsman. Hij mocht reeds een uur als gevangene in de gesloten cel hebben doorgebracht, angstig luisterend naar elk gedruisch, angstig luisterend naar eiken voetstap, die hem een bevrijder had kunnen verkondigen, toen hij eindelijk aan zijn verlangen, om de martelende eentonigheid en stilte om hem te zien afgebroken, zag voldaan. Verscheidene bezoekers naderden. Zoo de hoop een oogenblik in zijn hart was gekoesterd, dat de naderenden zijne redders zouden zijn, dan was de teleurstelling spoedig en wreed. Het hatelijk gelaat des Onderschouts werd toch weder zichtbaar nevens dat van eenige krijgsknechten, die hij te voren zich herinnerde gezien te hebben. Het waren de hellebardiers van Boshuyzen, die altoos nog in dienst stonden van den ouden Freêrijk. Deze wilde zich echter nu van hen ontslaan en achtte de gelegenheid schoon, door ze als wachters van den gevangene met dezen naar Amsterdam te doen vertrekken.
Kolterman werd opgeheven, in een regenkleed gewikkeld, den gang en de poort, die daar achter in een zijstraatjen uitkwam, door gebracht, en vervolgens naar de zijde van de naastbij zijnde gracht geleid, waar een bootjen lag, waarin zich oud want en vischtuig bevond. Het laatste werd boven op hem geworpen. De voorzorg scheen bijkans overbodig, daar zich geen nieuwsgierigen op de ledige en stille straten vertoonden, en, waar ze voor een enkele deur of venster bij het voorbijgaan der knechten ook werden opgemerkt, haastig verdwenen, zoodra het bijzijn van den Onderschout bespeurd werd. Met snelheid boomde men het vaartuig naar de Bierhaven, waar een dogboot van ouden Freêrijk lag. De last werd aan boord geheschen en even als straks bedekt en verborgen. Toen ging het snel naar de binnenhaven, waar nog ettelijke andere bodems lagen,
.'gt;39
en waar men onopgemerkt dacht door te varen, om langs Denen-burg de buitenhaven te bereiken. Tot niet geringe bevreemding werd er echter zulk eene gisting en beweging langs die zijde bespeurd, zag men de visschers, die anders om dezen tijd, zoo ze niet uitvoeren, ter maaltijd of op hunne boten waren, thands in groepen verzameld en in zulke opgewondenheid, dat men het geraden vond liever een omweg te maken en door de Zuiderbrug, langs den Zuider-of Engelschen toren, door de Blauwe poort naur buiten te raken.
De weg, dien de boot thands nam, was dan ook veiliger en stiller. Reeds was men de Zuiderbrug, die men. vreemd quot;eiioec, iieheel vrij vond, daar de boot, die er den vorigen dag lag, terug was gegaan en in de binnenhaven was geankerd, voorbij, en zao' men den Engelschen toren in de nabijheid.
sHolla, bijdraaien!quot; klonk het hun eensklaps toe, en een poorter stak het hoofd uit een der vensters van den toren.
Men bekommerde zich weinig om dien roep en zette door, maar daar floot een musketkogel langs de ooren van den stuurman. Tegelijk werden een vijftigtal gewapende poorters zichtbaar en aan aller hoofd Jakob Dirkszoon, die zich een oogenblik ie voren van den toren had meester gemaakt en er de zwakke wacht, van we^e de Vi oedschap daar geplaatst, had gevangen genomen. De kapitem der boot begreep niet wat hier was omgegaan, maar w»!, dat de burgers, die hem aanriepen, zijne vrienden niet konden zijn. Hij voelde zich verlegen en vervloekte den Onderschout, die geweigerd had hem verder te verzeilen, voorgevende elders noodig te zijn. Noo-was er echter kans om het doel te bereiken, indien^men' eenige musketschoten verdroeg en met snelheid de Blauwe poort bereiken kon, die van wege den havenmeester, volgens de aan ouden Freèrijk gegeven belofte, open zou worden gehouden. Men zette daarom door, tegen het verlangen der bootslièn, die zich nauw op het dek durfden wagen, maar bespeurde weldra dat alle uitzicht op ontkomen verdwenen was, daar de poort was gesloten. Een deel van de bende, die den toren bemachtigde, had ook de Waterpoort ingenomen en bezet. Van den nood werd een deugd gemaakt, en de boot lag weldra aan. Een tiental burgers sprong op het dek en legde de hand op den kapitein.
«Meester! het kostte moeite u te doen aanleggen,quot; riep Jakob Dirksz. »De lading moet kostelijk zijn of het doel der reize spoed-eischend, om uw norschheid te vergoelijken. Laat zien. wat hebt gij in?quot;
sNiet veel van waarde, stamerde de kapitein, die op het punt stond alle tegenwoordigheid van geest te verliezen. »11 et wondert mij, dat £ij u daarmede moeit! vervolgde hij. «Havenmeester zijt ge toch niet, maar ik meen. tenzij ijii het dezen morgen geworden mocht zijn.quot;
«Geraden, man!quot; hernam Jakob Dirksz. «Ik ben havenmeester,
341»
ontvanger van het oktrooi en wat ge maar wilt. in korte woorden: gij blijft hier.quot;
«Maar het is Gode geklaagd, een eerlijk poorter dus te heiemmeren in zijne nering! Is het gevaar al niet groot genoeg daar buiten op het wijd, moet men ook daar binnen worden belemmerd en geplaagd? Heere Freêrijk Simonsz.waagt er zijn boot aan, en ik met mijne gezellen bet leven, om koren te halen uit den Oost. We hebben ons van ettelijke knechten voorzien,quot; besloot hij, op de hellebardiers wijzende, die uit liet vooronder op het dek waren geklommen en de achterdocht der burgers blijkbaar begonnen op te wekken.
«Dus is liet de boot van Heere Freêrijk? Die is rijk genoeg en kan wachten; dien zal het niet mangelen aan graan, en dien ontzeg ik bovendien liet genoegen, om het later met woeker uit te venten aan de hongerige gemeente, zoo als laatst bij den nood. Burgers! brengt de bemanning op den toren! Maar wien hebben we daar,quot; riep hij uit, toen hij, naar beneden geklommen en aan het half duister gewoon geraakt, onder liet zeil dat daar uitgespannen lag den geboeiden vond, die zich gerekt en de leden gewrongen had om de aandacht tot zich te trekken. xSa, meester! ging liet naar den Oost met zulk een last?quot; riep Jakob Dirksz. toornig. »Het kan u den kop kosten....quot;
Toen de gevangene naar boven was gebracht, weergalmde het uit veler mond : »De zendeling van Bossu!quot; en bij de laatste woorden werd menige vloek gehoord.
Jakob Dirksz. liet hem de banden afnemen. «Hoort ge, jonkman! wat men roept?quot; vroeg hij. Ik herken u mede als den zendeling; ik was bij den hoop. toen ge gister liet raadhuis afstapte ....quot;
«Vrij!quot; was het eerste woord, dat den jonkman ontsnapte, terwijl hij armen en beenen repte, diep adem haalde, en den blik naar boven richtte, als zond hij eene bede omhoog. Een trek van ongeduld vertoonde zich echter op zijn gelaat, toen hij den argwaan bij de menigte, die hem omringde, bespeurde.
«Dacht men n zoo naar buiten te smokkelen, nu het binnen te warm werd?quot; vroeg Jakob Dirkszoon nogmaals.
«Gij hebt mij nauw de boeien ontnomen. Zou men 's Graven zendeling als een gevangene wegvoeren, bovendien gekaakt als een haring, want, vriend, meer ruimte bad ik bijna niet!quot; zeide hij luchtig.
»Jakob erkende in zich zeiven de waarheid der aanmerking en wendde zich daarom naar den gezachvoerder der boot. die hem op zijns vragen zulk verward en onsamenhangend andwoord gaf. dat Jakob minder vijandig jegens Kol terman werd gestemd, hoewel hij de waarheid niet bevroeden kon. Hij weerde echter de burgers, die op den jonkman aandrongen om hem te water te werpen, af. Kolterman zag het gewoel rondom zich niet zonder angst aan. Hij
341
zou gered zijn uit zoo menigerlei gevaar, om hier door de hand van vriend en bondgenoot te sterven ! Hij nam den arm van Jakob en klemde zich aan hem vast. »Goede burgers!'' riep hij uit, »ik beroep mij op Heer Buyskes, die zal u het raadsel verklaren. Hoor, daar roffelt de trom van Huib Wegertsz.. dat is het teeken der zameling. Gelooft ge nog. dat ik uw vijand ben, ik, die op de hoogte blijk te zijn van hetgeen ei' in de stad omgaat...quot;
sKattengemauw en vossengehuil!quot; riep men. dHij praat goed, het is bekend. Te water met den spion! Wij zijn nu boven! Te water!quot;
Veler armen strekten zich uit, om hem van .lakob los te rukken.
«Daar komt Dirk Brouwer met zijn bende aan,quot; zeide .lakob. »Hem is de Blauwe poort bevolen .... Hij sprak Buyskes nog onlangs. Goede burgers! laat mij met dezen door, ik zal Brouwer hierover spreken . . . .quot;
Deze scheen hem te willen voorkomen. Hij ijlde zijn vendel vooruit en op den toren toe. Hoe nader hij kwam, itoe haastiger de tred, hoe blijder de uitdrukking zijns gelaats werd.
»Kolterman, broeder!quot; riep hij van verre, toen hij den jonkman, om wien men zich heendrong, herkende, en weldra had hij hem de handen gevat, die hij hartelijk drukte. Onze vriend! onze redder!quot; riep hij den verbaasden burgers, op Kolterman duidende, toe.
»Hij is immers de zendeling. .. ?quot; vroegen de omstanders.
»Van onzen Prins!quot; viel Brouwer in de reden, die zich echter den tijd niet gunde alles uit te leggen, maar zich spoedig weder tot den jonkman wendde en hem meldde, dat tot dus verre alles goed ging, dat allen met denzelfden geest waren bezield als deze burgers, die voor den Koning en den Prins wilden leven en sterven. Een luide kreet van toejuiching volgde, en eerbied genoeg had men voor den ronden, eerlijken Brouwer, om op diens woord den jonkman vrij te laten gaan, die door zijn vriend Jakob achtervolgd, in den toren verdween. Men raadpleegde daar een oogenblik Kolterman ; ileze vroeg of de boot snel zeilde, en toen hem geantwoord werd, dat zij tot de beste behoorde, ried hij hen aan om haar, met vertrouwde visschers bemand, te doen uitgaan en buiten de haven zeilree te laten liggen, opdat men, als de ure sloeg, hij machte zoude zijn een bode naar het Vlie te zenden. Al was Jakob Eriksz. zoo zeide hij, den vorigen avond ook derwaards gegaan â het was een tijding, die de anderen verraste â men mocht op óeu bode niette veel vertrouwen, in aanmerking genomen hetgewicht derzaak.
Men gaf zijn raad gehoor, en weldra voer de boot door de Blauwe poort de Zuiderzee op. Het bleek, dat de Prinsgezinden wijs hadden gehandeld met zich het eerst van den zeekant te verzekeren, zoodra de zijde der stad, van welke alieen bijstand kon toekomen, voor hen open en der Vroedschap gesloten was. Verder kwam men overeen, dat Kolterman tegelijk met Brouwer naar het Stadhuis zoude
optrekken om Buyskes te ontmoeten, daar men zich niet ontveinzen kon, dat er gevaar in stak om den jonkman alleen door de stad te doen gaan.
Terwijl men hier zat te beraadslagen, vloog oude Freêrijk de
uitkwamen. Hij vroeg er naar
moest gegaan zijn, maar ont-
ving op zijne vragen hier een ruw, ginds een spottend, verder geenerlei andwoord. Zoo de boot nog niet ware uitgezeild! Een flauwe hoop was er in zijn binnenste. Toch haastte hij zich voort naar de Zuiderbrug en Denenburg, welken weg de boot had moeten nemen. Hij vond niets. I-dij kwam aan de haven, stond weldra op den muur, die de stad aan de zeezijde omgaf en staarde over de borstwering. Het bloed stolde hem in de aderen; een duizeling greep hem aan. Daar dobberde de boot ?n het vrije met uitgespannen zeil en gierde voor den wind naar het wijde. Hij riep, hij wuifde, maar vergeefs. Als wezenloos staarde hij haar na, totdat zij als stip aan den horizon verdween. Hij kwam te laat! Welke zijne ongereclitigheden ook waren, hoe talrijk zijne afwijkingen, de boete was wel geëvenredilt;;d aan zijne schuld. En zoo de vervolgde den oude in dezen oogenblik had aangestaard, als bij de wanhoop der ziel op dat vaalbleek gelaat gelezen, de benauwdheid tot der dood in dat hijgen maar adem had opgemerkt, hij zou het woord vergeving wellicht gestameld en den verpletterde hebben opgeheven uit het stof, waarin zij zich wentelde.
Toen oude Freêrijk zijne denkkracht ten deele terug ontving, besloot hij terstond naar Heere Bardes te ijlen. Daar hoopte hij Bos-huyzen aan te treffen, en zoo niet al troost, dan toch raad te vinden.
Hij keerde alzoo terug. De stilte, soms afgebroken door enkele kreten uit de verte, had ieder ander dan hem bevreemd. Hij gaf er geen acht op en bevroedde niet, dat ginder, in den omtrek van het Stadhuis, het lot der stad werd beslist en de bewoners van het Westergedeelte allen derwaards waren heengetrokken.
Na hel laatste onderhoud met ouden Freêrijk in den ochtend van dezen dag, waren de Burgemeesteren bijeen gebleven, bezig met den Stadskonstapel de noodige beveleti te geven, de hopliên der Schutterij te raadplegen en het aangeworven vendel om het Stadhuis te scharen. De ochtend beloofde een warmen dag, zoodat de vensters werden geopend om wat versche lucht in te latfn. Willem Jansz. stond er voor en zag over het plein, waar de hellebaards zijner knechten flikkerden, waar van tijd tot tijd de aankomende schutters zich in het gelid aansloten. Het was voor hem een heerlijke aanblik. Het besef zijner macht deed zijn moed klimmen. Hoog zwol hem de boezem bij de gedachte, dat hij der stad, sedert ettelijke dagen zoo beroerd, de rust zou hergeven, dat zijn naam door den Stadhouder aan Zijne Excellentie genoemd, en misschien Zijner Majesteit bekend zoude worden. Doch welke beweging speurt hij
daar in de verte onder de schutters? Daar dringt zich een kondschapper door de menigte. De tijding, die hij brengt, moet wel gewichtig zijn, om de haast te billijken, waarmee hij zich voortrapt; om het zweet te verklaren, dat hem op de slapen paerelt. Voorwaar, de tijding was gewichtig! «Heer Rurgemeesterlquot; zoo klonk het hem toe, »,lacob Dirkszoon heeft met ettelijke poorters den Engelscher. toren ingenomen. Ook hoorde ik op mijn weg, dat Dirk Brouwer aan het hoofd van een hoop visschers de Blauwe poort en de twee stukken, die er lagen, heeft bemachtigd.quot;
«Bij de wonden onzes Gods!quot; riep Willem, »we zullen ze tuchtigen.quot; Het hoofd buiten het venster stekende, riep hij een hopman toe: »Laad de musketteti en verjaag dadelijk de vagebonden.... Ge behoeft geen pardon te geven; schiet ze neêr!quot;
»Het zal geschiên. Heer Burgemeester!quot; riep deze, die aan het hoofd van het aangeworven vendel was geplaatst, omdat hij een vreemdeling was en alzoo, indien de strijd noodig wierd. geen reden had poorters der Stad te sparen. Hij deelde zijne bevelen aan de soudeniers uit. en stond gereed met vliegend vendel en brandende lont naar de aangeduide plaats te trekken.
Daar sloeg de Zuider twaalf uren en roffelde de trom.
«Geschiedt dat op uw bevel?quot; vroeg Burgemeester Volkert Claesz. aan Willem.
«Geenszins,quot; hernam deze, die van kleur verschoot, doch spoedig zich herstelde, toen hij den trommelslager herkende. »Het is de onze!quot; riep hij uit. «Brave, schrandere borst, die onze bevelen voorkomt! iioor. hij roept voor den Koning van Spanje ... .quot;
«Maar voegt er den naam van den Prins van Oranje bij,quot; zeide een der Wethouders.
»Wat zal dit zijn?quot; vroeg Willem, ademloos luisterend. «Wie beiden lief heeft, kome met geweer en wapens uit, zoo roept de kwant. Hij verraadt ons. Schiet hem neêr!quot; schreeuwde hij uit het venster tot de knechten beneden.
Al had men het bevel willen uitvoeren, men zou er de gelegenheid niet voor hebben gehad. Een gejoel en gewarrel van stemmen steeg van alle zijden op. De grond dreunde; het was niet alleen onder de voetstappen der aanrukkende poorters, maar ook onder het wicht van het geschut, welks raderen men reeds in de verte over de straatsteenen hoorde kletteren. Het behoorde bij het vendel, dat onder aanvoering van Brouwer naar het Stadhuis optrok. Toen de hoop nabij het plein was. ontmoette Brouwer drie van de laatst verkozen Hopluiden, die hem en de poorters baden af te houden, maar Brouwer wenkte als eenig andwoord eenige zijner onderhoo-rigen, om de drie redenaars weg te voeren en hen te beletten verder te spreken. Men trok voort, maar ontmoette spoedig een nieuwen hinderpaal.
Nadat de trom was geroerd geworden, was liet opzet dor Prins-
344
gezinden voor niemant een geheim meer. De vrouwen van eenige voorname burgers, die bij den ommekeer goed en leven konden verliezen, kwamen overeen eene poging te wagen om bloedstorting te voorkomen. Het voorstel kwam van Willem Jansz'. vrouw, de ons bekende Aafken, die dan ook aan aller spitse naar buiten trad en zicli voor Brouwers bende plaatste, biddende zich in der minne te verstaan en toch geen bloed te plengen.
Het maakte op menigeen indruk en bij velen rees de wenscli, dat men eene overeenkomst mocht kunnen sluiten, die den strijd voorkomen zou. Brouwer echter wantrouwde liet voorstel en wilde van geen terugtred meer hooren. »De lonten klaar!quot; riep hij uit, en vervolgens tot de vrouwen: «Fluks van hier; blijft in uwe huizen; want wat wij op de straat vinden, gaan wij te lijf!quot; Hij dreigde de daad bij het woord te voegen, waarop de vrouwen wegstoven, en de bende voortschreed naar het plein. De schrik sloeg den Bur-gemeesteren om het hart, toen zij Brouwers bende in slagorde zagen naderen. Het Oranjevendel was ontplooid en wapperde in het midden der gesloten gelederen, terwijl het Wilhelmus van Nassouwen met luider stem werd aangeheven. De bende was klein en veel geringer dan de macht, die de Vroedschap op dit oogenblik nog ver-eenigd had. Het zou den Burgemeesteren moed hebben ingeboezemd, niettegenstaande de rebellen in het bezit van geschut waren, hetgeen de Vroedschap, die in het minst niet op een dadelijken aanval was bedacht geweest, tot hare schade miste; het zou hen de bezieling van de aanrukkende poorters als een machtelooze en belachelijke opwinding hebben doen uitkrijten, indien liet aangeheven lied minder op hunne eigene volgers had gewerkt. Verscheidene schutters, die aan het opontbod der Burgemeesteren hadden gehoorzaamd en van gantscher harte de oude Kerk waren toegedaan, begonnen mede het Wilhelmus aan te heffen. Willem Jansz. mocht met een gelaat, dat purper was van toorn, den hoplièn van uit bet venster den aanval gebieden, de meeste schutters keerden de trompen der musketten om en hieven met meer kracht dan vroeger aan:
Wilhelmus van Xassouwe
Ben ik van Duytsehen bloet,
Den vaderlant getrouwe Blijf ick tot in den doedt.
Eenigen echter, daardoor te meer geprikkeld, riepen met luider stemme voor den Hertog van Alva, maar een der heftigste krijters zonk, door een musketschot getrolfeu neêr.
De soudeniers, door het vallen van hun wapenbroeders geprikkeld, maakten zich gereed tegen Brouwers bende op te rukken. Daar klonk echter het lied der Prinsgezinden van het Noord en het Zuid; daar wuifden de vendels en wimpels in het midden van talrijke
drommen burgers en visschers, die van alle kanten liet plein innamen. Toen Brouwer de benden van Buyskes, Semevns en Jakob Dirkszoon herkende, hief hij den kreet aan, die door honderden werd herhaald, den kreet van: ))Leve de Prins!quot;
In éene massa ging bet nu op het Stadhuis los, terwijl men de stukken geschut en den wagenburg voor zich uitduwde. De klokken van de St. Pankras en St. Gommer begonnen storm te kleppen, en op beider torenspitsen werd. als op een gegeven teeken, de Prinsenvlag geheschen. Schutters en soudeniers zagen zich verpletterd door door overmacht, en. door de beperkte ruimte bun gelaten, niet in staat hunne gelederen uit te zetten. Een geregeld gevecht was niet denkbaar, en indien men handgemeen werd en er eene worsteling ontstond, dan zou het niet langer een strijd, maar een slachting zijn. waarin zij onvermijdelijk moeiten vallen. De soudeniers en eenige der schutters wierpen alzoo de wapenen weg en zochten een goed heenkomen; velen der laatsten voegden zich bij de burgers. De aanval der Poorters en de vlucht der tegenpartij bad in een oogwenk plaats. Willem .Tansz. stond het schouwspel aan te staren, als ware bij vernietigd. De schrik verlamde hem de tong. Daar werd de deur van de raadkamer opengeworpen. Men wendde verschrokken het hoofd, als vreesde men reeds liet binnentreden des vijands, maar verbaasd herkende men Vrouw Aatken. Deze ging naar haaiman, die zij uit zijne bedwelming wekte: »Vader!quot; riep zij hem toe, »sta niet zoo stokstijf, als had uw leven geen waarde, als ware de redding onmogelijk!quot;
»Wat doet gij bier, Aafken ?quot;
sDreigt u dan geen gevaar?quot; andwoordde zij. terwijl zij zijn band nam, »en heb ik geen recht met n daarin te deelen?quot;
»Waar is Wenda?quot; vioeg de vader beklemd.
sDie is weg, zoo ik hoop, in behouden haven. Ik maakte mij met de andere vrouwen op om de poorters tot vrede te vermanen. Het mocht niet baten; toen ik terug kwam, was zij niet meer in huis: zij was door den zendeling, die bij ons thuis lag en aan de spits van eenige poorters binnen drong, weggevoerd.quot;
»Maar die zendeling is de oorzaak van alles. God straffe hem!quot; riep Willem .lansz. woedend. ))Die zendeling verraadt ons allen; zie, daar staat hij bij den burger, die het Oranjevendel draagt.quot; Vrouw Aatken volgde in de richting van Willems wijsvinger en zag den jonkman werkelijk. «Mijn kind, waar is mijn kind!quot; jammerde de vader.
«Bedaar, vader! Het keert alles nog ten beste,quot; zei Aafken. «Berg thands uw eigen leven!quot;
Hadden de overige Burgemeesters en Vroedschappen niet meer tegenwoordigheid van geest getoond dan Willem, de vijand ware reeds voor lang het onbewaakt Stadhuis binnen gedrongen.
Zij hadden bevel gegeven alles te sluiten, de vensters met luik
346
en bout, de poorten niet grendel en slot. De radelooslieicl gaf' liet hun in. daar zulk eene verdediging toch weinig haten kon. Volkert Claesz. ried Willem .Tansz. Iiein naar boven te volgen, waar de overigen zich reeds verscliolen hadden, niaar Aafken iiield den half' bewusteloozen, die het voorbeeld zijner ambtgenooten anders zou nagevolgd hebben, terug.
»Neen, vader!quot; zeide zij zacht, «loop niet als een kwa-jongen ten spot der gemeent. Hier is uwe plaats,quot; en ze bracht hem naar den leunstoel in liet midden van het vertrek, dat door de vensters aan de achterzijde nog een flauw licht ontving. Daar bonsde en ramde de balk op de hoofdpoort; deze wrikte in hare naven en hengsels, splinterde en spaanderde onder het woedend geweld. Met onstuimigheid drongen de poorters, deze met het musket, gene met heirbijl, mes ot zwaard gewapend, naar binnen, en de voorsten deinsden als van schrik achterwaards bij het ontwaren van den Burgemeester en diens vrouw.
«Hakt hem in stukken, den Spaanschen drijver, en zend hem Due d' Alv als een kluif ken!quot; riep een vleeschhouwer, toen de schrik wat bedaard en de man, die daar nederzat, herkend was. Men dreigde voor een goed deel den gegeven raad te zullen opvolgen, maar Buyskes hield ze tegen. «Geen burgerbloed gestort! De zege is ons!quot; riep hij uit. »Vrouw!quot; vervolgde hij tot Aafken, die haren arm om Willems hals hield geslagen, alsof ze toonen wou met hem vereenigd te willen zijn in nood en dood. «Vrouw! u noch uw echtgenoot zal een hair -worden gedeerd. Gelief dezen poorter te volgen naar uw huis.quot; Mij wees er op een, die haar geleider zou zijn.
»En mijn man?quot; vroeg zij.
«Volgt u later; op mijn woord!quot;
Aafken vertrouwde hem ten volle. Was hij geen West-Fries; kende zij hem niet als een rond man? Zij volgde haren geleider, die haar te huis bracht, en het grauw, dat bezig was de glazen in te werpen en de deur open te loopen, verdreef, met scherp bevel niet terug te keeren, maar dit huis te sparen.
Buyskes kostte het veel moeite de woede en werkelijke bloeddorst zijner mannen te breidelen, vooral toen de kelders waren doorzocht, en men in de afgesloten tormentkamer Rijkert en diens vrouw aantrof. In gejubel werden beiden in de hoogte geheven en op de schouders der menigte naar boven gedragen. »Zij hebben hen gemarteld,quot; brulde het in liet rond, en reeds werden de stroppen vertoond, die voor de Vroedschap waren gereed gemaakt, toen Rijkert tot stilte vermaande en hen sprak van vergeven en van onbloedig te naderen tot den God der Heirseharen, die hun de zegepraal gaf. Deze woorden en de vastberadenheid van Buyskes waren voldoende, om de menigte voor het oogenblik te doen genoegen nemen met eene kerkering der schuldigen op het Stadhuis.
347
Wij hebben vernomen, dat Wenda, door Kollerman uit haar huis was gevoerd, en bevroeden de reden. Hij oordeelde te recht dat huis in gevaar, en bracht de jonkvrouw in de woning van Buyskes, haar zeggende voor vader en moeder te zullen zorgen en zoodra mogelijk de laatste tot haar te brengen. Omtrent haren vader wilde hij niets meer belooven, dan dat hij diens leven, zoo het bedreigd werd, zoude beschermen. Toen toog hij verder, en stond bij het huis van ouden Freêrijk stil.
Hij kon vermoeden wat daar omgaan, welk gevaar de bezitting des ouden zou dreigen. Een oogenblik rees bij hem het verlangen op, om zelf de verbitterde Prinsgezinder! tegen den booswicht aan te voeren en dezen onder het puin zijner woning te begraven. Maar zulk eene wraak was zijner ziele te vurig. Thands, nu zijne zaak zegevierde, en hij de machtige was, kon hij den vernederde, die bovendien alléén stond op aarde, niet vertrappen als een worm. Hij zou den schuldige aanklagen voor de Schepenbank wegens poging tot moord; hij zou hem de gerechte straf doen ondergaan, maar hem niet laten verscheuren door eene woedende volksmenigte. Indien hij dit laatste echter voorkomen wilde, dan moest hij hem, die niet op het raadhuis was gevonden en zich voorzeker iti zijne woning op zoude houden, al ware het slechts om de kostbaarste have te bergen, doen waarschuwen. Tot dit laatste besloot hij, hoewel schoorvoetend, hoewel met invvendigen strijd. De klopper viel neder en de dienstmaagd opende. Deze verschrok, toen zij hem zag. sis Heer Freêrijk te huis?quot; vroeg hij. Toen het andwoord ontkennend was, vervolgde hij: »Mocht hij thuis komen,raad hem dan zich dadelijk weder weg te spoeden naar Heer Buyskes' woning. Hier dreigt hem onheil.quot; Hij wilde vertrekken, maar Anna hield hem terug.
»Dus is er verraad. Heer? Dus spelen de Geuzen den baas? Ik hoorde de Pankras kleppen, maar dacht dat het brand beduidde. Heilige Maria, het zal ook een brand zijn. maar een helsche! Heere. ga nog niet. Meester Freêrijk is niet hier, maar er is een ander heerschap, die al weg is geweest, maar weerom is gekomen met de kleur van mijn witkwast op zijn aanschijn. Ge kent hem; hij is zeker van de maagschap, want ge hebt eens. laat eens zien, het is nu veertien dagen geleden, met zooveel heftigheid naar hem gevraagd . . ..quot;
»Hoe kent gij mij, best?quot; riep Kolterman ongeduldig.
»Gij hebt iets in uwe facie wat ik niet vergeten kan en mij herinnert aan .. ..quot;
»Maar hoe heet uw gast?quot; vroeg Kolterman.
» Mijn h eer Boshuyzen,''
Kolterman ontsnapte een uitroep van verbazen. »Breiig mij bij hem. dadelijk!quot; En haastig volgde hij haar tol in het vertrek, waaide Admiraal zich bevond.
348
Deze zat opeen leuningstoel neder, de hand op de borst geklemd, het hoofd nedergebogen, als een beeld van verslagenheid en angst. Toen hij Koltennan ontwaarde, sprong hij op, staarde hi] hem een oogenblik strak aan, en zonk toen weder achterover in zijn zit terug, terwijl hij met moeite uitbracht: »Jezus Maria!quot; Koltennan zag hem verbaasd, ja spottend aan; hij had zulk eene aandoening van vrees en schrik bij den ruwen, harden krijgsman niet verwacht, liet wekte zijne ergernis op en stemde hem tot verachting, sik voldoe aan mijne belofte en kom u den ring terug brengen, dappere krijgsman! Wel doet het mij van u leed, dat mijne voorspelling zoo goed is bewaarheid geworden en ge gevangene zijt van den balling. Ik kon u op mijn beurt dreigen met overlevering en smadelijke kerkering, Heer Boshuyzen!quot; zeide hij streng.
»God lof, het is vleesch en been, dat tot mij spreekt! Dus zijt ge gered!quot; vervolgde hij bijkans juichend en zijne hand drukkend. »0, ik kan weer ademen! Heeft Heer Freèrijk u achterhaald? Veel zou hersteld zijn van wat hij, van wat ik misdreef!''
«Heb de goedheid Dietsch te spreken.quot; hernam Kolterman koud. oUwe woorden klinken in mijne ooren, maar raken mijn brein niet.quot;
»l)us hebt ge Heer Freèrijk niet ontmoet? Dus weet hij van uwe redding niets? Heilige Jezus, dan heeft hij zich in zijn wanhoop omgebracht!quot;
»Heer Freèrijk is zoo spoedig niet in wanhoop en zoo gauw niet bereid om zich zeiven aan te tasten. Daarvoor heeft hij zijn eigen ik te lief,quot; zeide Kolterman.
»Hij is misschien naar St. Ursula gegaan, om Heer Bardes te vinden,quot; zeide Boshuyzen peinzend.
sHeere Bardes! Heere Bardes is daar?quot; riep Kolterman, en hij wendde zich naar de deur.
»Wacht mij; ik ga met n! Ten minste indien ge mij onder uwe hoede wilt riemen,quot; zeide Boshuyzen met neêrgeslagen oog. Hij was zoo geheel anders dan gewoonlijk, zoo week, zoo angstig, dat het Kolterman in hooge mate trof.
))De gebieder wordt smeekeling,quot; merkte Kolterman schamper aan. «Niet alzoo, jonkman! Do ure van strijd is voor mij voorbij. Ik voel mijne kracht gebroken,quot; zeide de reusachtige krijgsman met bevende stem. «Mocht de Moeder der bai mhartigheid geven, dat Heer Freèrijk zich naar het klooster begeven had!quot;
sik prijs uwe warme vriendschap jegens den edele, dien gij bij uwen langdurigen omgang voorzeker hebt leeren waardeeren,quot; zeide hij bits. «Jammer, dat ik n den troost, dien gij begeert, moet weigeren. Indien Heer Freèrijk op dit oogenblik naar het klooster gaat, dan is hij ontmoet door de heftigste Prinsgezinden, die derwaards in aantocht zijn. En ge weet, wat het lot zou zijn van uw vriend, dien de Geuzen minder reden hebben te achten dan gij.quot;
»Uw taal snijdt als een zwaard door mijne ziel,quot; hernam de
Admiraal. »0, ge zouclt zegenen waar ge vloekt, als ge wist. . . Hij hield plotseling op, terwijl hem een nieuwe gedachte door het hoofd speelde, en hij in zich-zelven fluisterde: slndien Freêrijk omgebracht mocht zijn, dan ware het beter te zwijgen en het geheim voor eeuwig te smoren .... Het ware een weldaad voor velen .. .
«Welnu____? vroeg Kolterman. )gt;Gij prikkelt mijne nieuwsgierigheid door uwe afgebroken volzinnen en halve woorden.quot;
«Voer mij met u; voer mij tot Heer Bardes. Ik was derwaards op weg, maar vond de straten versperd. Er gaat iets vreeselijks in deze stad om. De Geuzen zijn in opstand ....quot;
»Gantschelijk niet. Ze braken hunne boeien en zijn dit oogenblik vrij,quot; zeide Kolterman koel, terwijl hij naar buiten trad. Toen hij bespeurde, dat de Admiraal achter bleet', wendde hij even het hool'd en zeide: «Gij kunt mij volgen; ik zal uw leven beschermen.quot;
De scherpte, in deze woorden verscholen, ontging den Admiraal niet, die echter in een toestand verkeerde om alles te verdragen, zoo hij slechts de gedachte verwezenlijken kon, die zijne gantsche ziel innam.
Zwijgend vervolgden beiden hun weg. Het was of eene lichte siddering den Admiraal aangreep zoo vaak hij den dreunenden voetstal) hoorde van de aanrukkende burgers, die in alle richtingen de stad doorkruisten en de aangewezen poorten gingen bezetten. Hartelijk was hier en daar de groet jegens Kolterman, wiens daad, dankzij Riellus, ruchtbaar was geworden, en. vergroot en vervormd tot duizenden doorgedrongen, het algemeen tot bewondering en dankbaarheid had gestemd. Hieraan mocht het dan ook geweten worden, dat slechts een zijdelingsche blik werd geworpen op den Admiraal, die zijn gelaat zocht te verbergen onder den slap neerhangenden breeden rand van zijn hoed. en geen vijandige daad hem belemmerde, geen kwaad woord hem zelfs tegenklonk.
Toen men de straat ten einde was en den hoek omsloeg, waai' het Auaustiner en St. Ursula klooster lagen, veranderde het tafereel plotseling. Had men zich ginder nog in tijd van vrede gedroomd, hier deed zich de krijg, en wel een burger- en godsdienstkrijg, in al zijne naaktheid en woede voor. De voet glipte hier en daar uit in een bloedplas, getuige van manslag en moord. Eenige schutters toch. die zich met de Prinsgezinden hadden vereenigd tegenquot; Due d' Alv, hadden zich echter verzet tegen den voorgenomen aanval tegen de kloosters en de ontheiliging van wat hun dierbaar was. Zij waren echter verdreven of verslagen en onder den voet geloopen, waarna de bestorming een aanvang genomen had. Joelende en woelende volksmenigten deinden en golfden heen en weêr; burgers, met het zweet op de kaken en de woede in tie oogen, deze rnet haakbus en zwaard, gene met mes en bijl gewapend, braakten ver-wenschingen uit jegens de weerlooze bewoners, of hen, die het vroeger waren geweest. De bootsliên en visschers zwierven rond
350
met het loshangend rood baaien wambuis, in den lederen gordel liet scherpe ine.s gestoken, de hand en het gelaat bestoven met puin en stof. Hier zag men er een, die de hostie-kas vertrapte en liet overblijfsel van een gewone kerkbank splinterde, als rustte op het hout een pestsmet of vloek; ginds zwiert' er een rond, onder grove scherts een pij rondventend of een rozenkrans verdeelend; verder drongen zich ettelijken om een opgebouwde mijt, waar de brevierboeken op werden uitgestort. Ook hier was de volksaart niet te miskennen. Geen bijtende scherts werd gehooi'd, geen gulle juichtoon, gebillijkt wellicht in de roes der overwinning; maar ruwheid, die zicli koelde aan de voorwerpen, welke een afschuw waren voor een lang vervolgd Geloof.
Boshuyzen ontzette en deinsde terug. Ook Kolterman was ontroerd, daar hij vreesde te laat te komen, daar hij vreesde, dat de doldriftige Rietlus, in plaats van den moedwil der zijnen te be-toomen, dien zou geprikkeld hebben en ontrouw was geworden aan de hem gedane belofte, om Marijken den schrik vaneen mogelijken aanval te besparen en haar naar Buyskes' woning ie geleiden. Wat hier was omgegaan, eischt eenige verklaring, zoodat wij eenige oogenblikken terug moeten gaan en Kolterman met Boshuyzen verlaten, terwijl wij ze bezig zien door de scharen heen te dringen, om liet St. Ursula klooster binnen te gaan.
Broeder Martinus had voor een paar uur geleden het stadhuis verlaten en was op het tijdstip dat de burgers ten maaltijd waren, ingevolge Theodoras' verzoek, naar het Augustijner klooster terug gekeerd. De stilte, die hij om zich heen bemerkte, stemde hem tot vreugd, en daarom klonk zijn groet zelfs vriendelijk, toen hij den oodmoedig buigenden Theodorus in het voorportaal al ontmoette. Deze kwam hem met zalving en deemoed vertoonen, hoe hij tot in zijne ingewanden was geschokt en hem het huis des vredes en der afzondering een voorportaal der Helle was geworden, sedert hij ontdekt had aan welke ketterije en konstenarijen de Heere Prior zich overgaf. Hij had zich daarom gehaast, zijn ziel van haar last te ontheffen en den Eerwaarden kettermeester van zijn ontdekking mededeeling te doen. Toen Martinus hem vroeg of hij zijne aantijging bewijzen kon, haalde Theodorus ettelijke papieren te voorschijn, met sterrenteekenen en figuren bedekt, en voorzien van eenige regelen sclirifts van 'sPriors hand. Nog meer bezat hij in zijne cel, werwaards hij den kettermeester verzocht hem te volgen. Martinus gaf er gehoor aan met een kloppend hart en innig verlangen. Het zoude hem dan gelukken den aartsketter, zoolang buiten zijn bereik geweest, te vatten, hem, die door zijne kennis, door zijne zachtheid, zich zulk een grooten aanhang tot schade der Kerk had gevormd, te vervolgen en te doen boeten. Geen genade zou hij bewijzen. Hij had haar nimmer voor den halstarrigen leek, hoe veel minder voor een afvalligen Priester, die zóo zeer was ontaard, dat
351
hij had aangevallen, wat hij gezworen had te zullen verdedigen. .Met koortsachtige drift hoog hij zicli naast Theodorus over de folianten, voorzien van 'sPriors handteekeningen, heen. »Hier noemt hij den aether goddelijk,quot; prevelde Martinus. »De afgodendienaar! Dwaasheid, zondige dwaasheid, wat ik hier vinde!quot; prevelde hij. »De aarde ware een nietige stip in het heelal; de aarde, waarop God rond wandelde! Nergens spreekt hij van de Heilige Drievuldigheid, die hij van den troon bonst even als de Eeuwige Gebenedijde, voor een wezen, dat hij natuurkracht heet. Afschuwelijk!quot; riep hij ten laatste. Hij hief de oogen ten hemel en stamelde : «Heb dank, lieve Jezus, dat Gij mij verwaardigt de verdediger te zijn van uwe waardigheid. Ik heb lang getwijfeld, maar bezit thands de bewijzen. Wèl zijt snj lankmoedig. Heilige moeder, dat Gij Uwen Zoon en Diens Vader dus laat lasteren en de aarde niet verderft!quot;
Theodorus had in devotie meè de oogen ten hemel gewend. »Amen, amen!quot; stamerde hij.
»Vele tekortkomingen worden u vergeven,broeder!quot; zeide Martinus tot hem. »lk prijs uw doorzicht om den gruwelijken zondaar te gaan bestoken in zijn veste. Zend om Mijnheer den Schout, opdat de Godloochenaar dadelijk worde gevat. De aanblik van zijn straf, die van den ketterschen prediker en diens vrouw, zal heilzaam zijn voor deze stad en haar terug doen keeren tot gehoorzaamheid. Allen, allen zullen boeten!quot;
»Wat is dat!quot; riep Theodorus, terwijl hij luisterde en Martinus wenkte te zwijgen. Hoort gij het kleppen van de St. Gommer en van de St. Pancras....? Dat beduidt storm .... Verraad ....!quot;
Vrees niet: de Vroedschap heeft het eindelijk goed geacht, alle matiging ter zijde te stellen. Het is lt;ie ure van de vernietiging dei-Geuzen!quot; Daar klonk het gedreun van voetstappen boven hunne hoofden en in den kloostergang; daar hoorde men liet haastig openen toeslaan van deuren. Theodorus wilde wegijlen, maar Martinus hield hem terug en voerde hem streng te gemoet; «Vrees niet. kleine ziel! zet u neer, en schrijf aan Mijnheer den Kettermeester-Generaal te 'sHage wat ik u voorzeggen zal. Dan moogt ge naar den Schout.quot;
Waarschijnlijk zou Theodorus niet gehoorzaamd hebben, zoo het gedruisch niet bedaard en het, rumoer van straks in eene doodsche stilte ware verkeerd. Had hij echter de oorzaak daarvan leeren kennen, het zon zijne onrust hebben vermeerderd. Aan den Gardiaan was de tijding van den opstand gebracht. Deze had haar den kloosterbroederen medegedeeld, die zich haastten den dood, die hen dreigde, te ontvluchten. Men waarschuwde hem, dien men ontmoette, maar had geen besef of gunde zich geen tijd om de broeders, die in de cellen waren, daarvan mededeeling te doen.
Om Martinus of Theodorus dacht alzoo niemant. Terwijl de eerste
bezig was den brief aan Meester Tapper voor te zeggen, waarbij dezen kennis werd gegeven van liet belangrijk rechtsgeding, dat ter dezer slede zoude worden begonnen, vestte hij als in gedachten de oogen naar den hof, op welken Theodorus' cel uitzag en die aan de eene zijde, zooals bekend is. door het St. Ursula klooster werd begrensd. Daar voer hem eensklaps eene lichte beving door al zijne leden; daar bleven de oogen star op een punt gevestigd en stokte hem het woord in den gorgel. Theoderus zag op. «Heilige moeder, help ons!quot; riep hij in doodsangst uit, en snel als een gedachte ijlde hij weg.
Het St. Ursula klooster was dooi' de Geuzen ingenomen. Uit de vensters werden de kruisbeelden geworpert en al wat aan de geestelijke Zusters behoorde. Een stoute hand iuul zelfs de beeltenis der Patronesse niet gespaard, maar, schennis aan ruwheid parende, de heilige Ursula, in stukken gebroken, maar beneden geworpen, onder het gejoel van niet weinigen, die. het hoofd uit de vensters gestoken, de vernieling en ontwijding aanstaarden. Het bleek, dat de plunderaars nog slechts de benedenste verdieping hadden ingenomen, want de hoogere rij vensters was op het oogenblik, dat Theodorus de vlucht nam, nog gesloten. Deze vloog den langen gang door. met het voornemen om door de buitenpoort te ontkomen, maar het bloed sloeg hem terug in de aderen, toen hij het dreunen van kolf- en mokerslag op de wrikkende deur vernam. Hij ijlde thands den hof in, om door het overklimmen van den muur, die het klooster van die zijde van het Patershof afscheidde, zich te reuden. Hij had dien reecis bereikt, toen het hem inviel, dat hij achterliet wat hij bezat, dat hij de zuur bespaarde penningen miste, welke hem zoo nuttig konden zijn op den aanstaanden zwerftocht. Hij keerde terug met een spoed, waartoe niemant die logge gedaante had in staat gekeurd. Hij ontveinsde zich niet het gevaar, dat hij liep, maar de Angelotten in het bezit der Geuzen te laten, het ware een daad, die hij zich eeuwig verwijten zou. Hij had zijn schat in zijne cel nimmer vertrouwd. waar hij bloot stond aan eene onderzoeking en ontdekking, maar had dien in de kloosterkapel verborgen in het voetstuk van het beeld des Heiligen Augustinus, waar. door vermolming of andere oorzaken, een opening was gevormd.
Derwaards ging nu de tocht, en gelukkig was hij machtig geworden wat hij zocht. Hij borg het in zijne pij en klemde er krampachtig de vingeren om, uit vrees van het te verliezen. Hij was reeds weder in den hof, toon de voorpoort met gekraak nederstortte, en de woedende hoop. door den wederstand verhit, naar binnen stoof. Theodorus had de deuren, die hij door was gegaan, in zijn spoed opengelaten, zoodat aan de indringers de te nemen weg als werd aangeduid. Reeds was hij aan den voet van den muur genaderd, reeds was hij bezig door inspanning aller krachten dien op te klimmen, toen hij de kreten der vervolgers vernam ten teeken
353
dat zij hem bespeurden. Men scheen echter niet voornemens hem â¢ernstig te willen deren, daar er geen musket werd gelost; maar toen aan Theodoras, door de poging die hij aanwendde om zicli tiaar boven te heffen, het geborgen goud ontsnapte, en dit glinsterend naar beneden viel, scheen de woede jegens den vluchteling geene mate meer te kennen. ))De paap, hij stal liet goud van het klooster!quot; riep men hem achterna; een musketschot knalde en de monnik viel stervend neêr.
»Zoo'n wit in den Doelen en ik raakte op tweehonderd pas! Hij valt als een os!quot; riep de burger uit, die hem had neèr-geveld.
⢠«Mannen, den Dagonstempel gesloopt!quot; klonk de stem des aanvoerders, in wien wij ter nauwernood den ernstigen stroeven jongen Freèrijk herkennen.
Zij. die in den hof waren, hieven de oogen omhoog, als om uit het aantal vensters de cellen af te leiden en daarnaar de bewoners te berekenen. Hunne aandacht was spoedig gevestigd op een dei-ramen, waarvoor een bleek gelaat zich vertoonde.
»Zoo ik mij niet vergisse, is hij daar. dien wij zoeken,quot; riep Freèrijk. «Broeders, de dienaar van den Antichrist, de kettermeester die onzen Prediker gemarteld heeft!quot; Men holde de trappen op. Nog altoos zat Martinus onbewegelijk, de starre oogen gericht op het ontheiligd klooster vóór hem, de vingeren krampachtig geklemd om de papieren, die tegen den Prior getuigen moesten. Waarom poogde hij niet te vluchten? De glazen rinkinken in de naastbij zijnde vensters en vallen in scherven neder; de deuren worden gespaanderd; de gehate leuze wordt aangeheven; in het welfsel van den gang weerklinkt de kettersche psalm, en Martinus blijft in dezelfde houding, rustig en ernstig, strak en koel. Daar springt de deur der celle open, daar glinsteren de zwaarden, daar brult de wraak, en hij wendt zelfs niet het hoofd naar zijne vijanden. Immer blijft hij voor zich uitzien, immer houdt de vingerde akte van aanklacht omklemd. Daar daalt een ruwe vuist op zijn schouder neder, maar het is of hij in zijne weèrloosheid nog vreeze gebiedt, want de aanvaller deinst terug. Anderen dringen zich om zijn stoel, en ook zij treden achteruit. Ook Freèrijk vaart eene huivering door de leden, toen hij die hand en dat marmerbleek gelaat beroerde. Martinus was dood.
Men kon dat lijk niet mishandelen, men kon aan den gevreesde zijn haat en wrok niet koelen. De Heere God had hem verslagen. Hem verbleef het oordeel! Wel was hij als een krijger op het slagveld gestorven ! De doodsstrijd mocht kort zijn geweest, maar de smarte toch scherpen fel. Hij had het outer al de dagen zijns levens beschermd, en toen het voor zijne oogen ontheiligd werd, had het wee der ziele het vurige harte gebroken.
Er was een oogenblik van plechtig stilzwijgen. Freèrijk ontnam
UK EERSTE DAG
een der burgers een buit gemaakte monnikspij en dekte die overliet lijk heen.
In zijne nabijheid werd de tijding door eenige binnentredenden aangebracht, dat er nog meer kloosterbroeders waren gevonden. Hetzij dat hij bevroedde wie daar meê werd bedoeld en hij dien wilde sparen; hetzij dat de aanblik van wat liier had plaatsgehad hem zachter had gestemd, hij haastte zich heen te gaan naar de zijde, die hem door vele voorgangers gewezen werd.
»De sterrekijker, de duivelbanner!quot; riepen er eenige. die reeds op den drempel stonden, maar blijkbaar door iets werden teruggehouden, daar zij niet verder doordrongen. De jonge Freêrijk baande zich een weg door den hoop, en merkte er den grijzaart op, die voor zijne boekenkast had post gevat. Zijne leden trilden, maar zijn oog stond even helder en duidde geen vrees voor de aanvallers, die hij bleef aanzien, terwijl hij hun met zijne zilverklare stem vroeg, wat hij jegens hen had misdreven? Zijne eerwaardige gestalte, zijne bedaard- en zachtheid hadden echter de bende niet tot matiging gestemd; want velen begonnen hem reeds haide woorden toe te duwen. Een klagende stémme werd echter in de nabijheid gehoord; de naastbijzijnde cel werd geopend, een stokoude trad binnen en wierp zich. toen hij den volkshoop bespeurde, om den hals des priors, dien hij liefkoosde en vleide.
»Dat is Heere Bardes en deze schijnt zijn vriend!quot; riep Freêrijk. »Mannen, geen geweki tegen dezen, die gevvisselijk den ongelukkige tot beschermer is geweest!quot; Vele onder de aanwezigen hadden ten huize van den Prediker den krankzinnige leeren kennen en stemden dus ook den uitroep van Freêrijk bij. »Volg ons! Heere Buyskes doe uitspraak over u!!' zeide deze.
l)e Prior wierp een wanhopigen blik op zijne boeken. sLaat mij hier,quot; bad hij, »ik weérstreve u niet, maar indien ge moest scheiden van degenen die u lief zijn, het zon u tranen kosten. Heere, deze boeken zijn mij lief!quot;
»Wat zouden zij leeren dat niet stond in liet Woord Gods!quot; riep Freêrijk. «Denk om uw eigen leven, dat bij langer verwijl gevaar loopt, even als die bladen, welke u van weinig nut geweest zijn in liet vinden der waarheid, overmids ge nog verkeert in Babyion.quot;
Een weemoedige glimlach werd op 's Priors gelaat bij deze woorden merkbaar. «Dat oiler beidde ik niet, Heere!quot; stamerde hij zacht een blik ten hemel heffend. »Ik bevele u dezen,quot; vervolgde hij op Heere Bardes wijzende, «hij moet mij niet volgen, daar ik bevroede dat ik hem op de plaats, die mij wacht, zelfs niet het gemak zal kunnen bieden, die deze celle schonk; en toch hier was geene weelde. Voer dezen ouden naar Marijken. Hare ziele is in staat dit gebroken harte te zalven.quot;
«Marijken? Gij kent haar!quot; riep Freêrijk, en de toon zijner stem werd zachter. Zelfs met eene dringende aanbeveling om den
;i.)5
grijzaart te beschermen en hem veilig tiaar Buyskes op het Stadhuis te voeren, gat hij Andreas over aan eenige bedaarde poorters, die zich borg stelden voor het leven des Priors, dien zij met eenige achting toespraken en heen geleidden.
Freèrijk nam Heere Bardes bij de hand. De bevrijding van Marijken, bij het noemen van wier naam hem een lichte blos op het aangezicht rees, had hij Rietlus toevertrouwd, die reeds van Kolterman daartoe was aangezocht en het St. Ursula-klooster was binnen gedrongen. Van Rietlus had Freèrijk Koltermans redding vernomen. Hij verlangde hem te ontmoeten, maar den arbeid, dien hij thands ondernomen had. achtte hij plicht te zijn en spoed te vorderen. Toen hij door de tuindeur binnentrad, bemerkte hij onder de menigte, welke den benedengang van het St. Ursula-klooster doortrok, den lang gezochten, nevens een onbekenden poorter. Ook hij was opgemerkt, hij met den krankzinnige, die met hangend hoofd, als treurende over het verlies zijns ouden vriends, voorttrad.
«Broeder, de schellen vielen mij van de oogen ...! Gezegende Gods!quot; riep Freèrijk.
Kolterman drukte hem de hand, maar liet hem den tijd niet voort te varen, want zich omkeerend, sprak hij Heere Bardes toe, die hem eerst onverschillig, toen vriendelijk, eindelijk glimlachend aanzag en hem scheen te herkennen, terwijl hij een kreet, zeker van blijdschap, aanhief'. Alle drie stapten naar boven waar zij Rietlus ontmoetten.
»Ge schijnt u te reppen met dit werk der vernieling,quot; zeide Kolterman.
»Zeg liever werk der reiniging,quot; was het andwoord van den overprikkelden hoofdman, die met stof' en bloed bedekt, nauw herkenbaar was voor zijne beste vrienden. «Haast is het ten einde. Wat arbeid ook! De Heilige had elfduizend maagden tot dienaressen!quot; riep hij lachend. «Doch wien hebben we hier?quot; vervolgde hij, terwijl hij de grove knuist op Boshuyzens schouder lei, en een hoogroode kleur op zijn gelaat zichtbaar werd.
Eer hij verder kon gaan. beet Kolterman hem toe; «Broeder, geen woord, zoo ge hem herkend hebt! Ik heb hem veiligheid beloofd.quot;
«Gij hebt wel een zachten aard!quot; boist Uietlus uit. «Misschien heeft zijn smeekbeè u verleid tot deze onbehoorlijke daad. Maar Boshuyzen in vrijheid te laten, hem te beschermen ...!quot;
«Vangt de argwaan weder aan, driftige broeder!quot; hernam Kolterman stroef. «Gij hebt veel goed te maken jegens mij. Ilewijs thands, dat gij 't wilt, dooi' te zwijgen. Waar is Marijken? Voer mij tot haar,quot; zeide hij gebiedend.
liietlus zweeg; hij voelde zich gekwetst door deze woorden, maar poogde de bij hem opkomende drift te beheerschen. Freèrijk haastte zich hern mede te deelen, waar hij Heere Bardes gevonden had
3r)(gt;
en nam toen spoedig afscheid. De overigen traden naar boven, waar zich voor een der cellen een wacht van poorters bevond.
»Hoe nu!quot; riep Kolterman, terwijl zijn gelaat betrok. «Bejegent gij haar als gevangene, haar, de zuster der Gemeente, die harer overtuiging trouw is gebleven, hoe de verzoeking ook vleide...?quot;
»Ga binnen en oordeel dan,quot; hernam Rietlus, terwijl hij ter loops een toornigen blik op den Admiraal vestte, dien hij door éen woord te spreken voor het verleden kon doen boeten. «Niet voor haar is die wacht, maar voor den andere, van wien zij niet scheiden wil. Broeder, ge zeidet wél, dat ik veel jegens u goed te maken heb. Ik zal toonen daartoe bereid te zijn. Gij weigerdet mij dezen Geuzen-slachter, en ik late u de beschikking over den Judas, die zich bij het meisken voegde en er bij past als de havik bij de duif.quot; Na een wenk aan de burgers om hen door te laten, opende hij de deur der cel, van welke hij zich daarna zonder verdere begroeting snel verwijderde.
De oude Freèrijk bevond zich daarbij zijne nichte. In zijne radeloosheid en niet in staat een middel uit te vinden om den weggevoerden gevangene te redden, was hij naar het St. Ursula-klooster gerend, om aldaar Heere Bardes en Iloshuyzen te vinden. Toen hij derwaards ging, vermoedde hy weinig wat er op het plein bij het Stadhuis omging. Haastig vroeg hij naar Heere Bardes en zijn vriend. De laatste was nog niet aangekomen en liet verdwijnen des eersten vernam hij met verbazen. Men voegde er bij, dat de oude bij den Prior gehuisvest was geweest, maar dat men betwijfelde of hij er nog zoude zijn, daar de sprake ging, dat de Sterrekijker, wiens zwarte kunst treffend gebleken was, hem aan den Geuzenprediker zoude uitleveren.
Het scheen voor ouden l'reèrijk een slag te meer. Met dolle gelatenheid droeg hij dat nieuwe oniieil en zocht bij de cel zijner nichte. Wat daar was voorgevallen tot aan den overval der Gereformeerden was voor Marijken pijnigend en ontzettend geweest. Zij vernam de wegvoering van hem, die haar zoo dierbaar was: en dat haar afschuw zich niet uitsprak jegens den schuldige, het mocht zijn oorzaak vinden in het lijden des ouden zeiven, die thands het mom van bet aangezicht had geschoven, die thands een blik liet werpen in het harte, waar zooveel bedorven was maar toch nog zoo veel restte wat niet bederven kon; het harte, waar immer de zelfzucht gebied voerde, maar dat thands eene andere stemme gehoor gaf, en saamkromp onder liet leed eens anderen. Hij had gebeden aan Marijkens voeten, niet het koude formulier, dat hij op bepaalde tijden aanhief, maar gebeden uit de volheid des harten, en Marijken vermocht niet den boetende van zich at' te stooten, al was hij, eens geroepen haar leidsman en voogd te zijn. ook haar vervolger geweest.
Wel diep moest haar medelijden zijn, dat ze Rietlus, toen hij
357
liaar bevrijden kwam en haar verzocht te volgen, bad ook den ouden vrij te laten, en toen haar dit geweigerd werd, bij hem wilde blijven, tot dat over zijn lot zoude worden beschikt. Rietlus gaf' verbolgen toe, maar nam zich voor den veinzaart. die hem zoo vaak om den tuin had geleid en de broeders tot aan de slachtbank had gevoerd, goed te doen bewaken.
Zoo hadden beiden in stilte de ure afgewacht, dat zij zouden worden heengevoerd, tot dat beidei' uitzicht geheel werd veranderd door bet binnentreden van den verloren gewaande, den Admiraal en den Heere Bardes. Een gil ontsnapte Marijken, terwijl zij als zonder bewustzijn zich in de armen wierp van hem, die haai'plotseling hergeven was.
Oude Freèrijk sprong als met oen schok op, ijlde mede op hem toe, maar viel voor hem op de knieën; de tranen biggelden hem langs bet gelaat, hij vatte de hand des jonkmans en snikte: «Vergeving. vergeving... mijn zoon!quot;
De jonkman trad achteruit, als trapte hij op een adder. «Staak dit guichelspel, Heere!quot; zeide hij koud.
«Spreek zoo niet.quot; steende de oude, «vertrap uwen vader niet.quot;
«Gij volhardt!quot; hernam de jonkman. «Wie maakte u die zotte sprake diets? Want waarlijk, ge zijt zoo gants anders dan gewoonlijk. ik geloove dat ge thands niet veinst...quot;
«Het is geene zotte sprake, jonkman!quot; zeide Boshuyzen, die zich bozig had gehouden met den Oud-Schout, wiens vermagerde trekken, wiens zwervend oog hij mot deernis had aangestaard, terwijl hem daarbij een vloek op de lippen beefde voor de beulen, die zijn vroegeren vriend dus haddon vernietigd. «Vertrap hem niet, die voor u ter aarde ligt, voor 't minst hem niet alleen. Ik ben de schuldige,quot; vervolgde hij na eene poze, terwijl hij zich met de vuist op de borst sloeg. »lk, jaik.Ik meende Gode en Diens heilige kerk te dienen, maar Hij beeft het niet gewild.quot;
«Niet gewild!quot; klonk het als echo uit den mond van Bardes, die onrustig de blikken om zich heen liet zwerven en Freèrijk Simonsz. nieuwsgierig aanzag, terwijl hij do band aan het voorhoofd bracht.
«Neen. neen, het kan niet waar zijn. God de Heere zal mij dit besparen!quot; riep de jonkman, die het vermogen tot spreken herkreeg.
Freèrijk kromp ineen bij die woorden. Boshuyzen vervolgde: «Gij weet, dat ge niet de kleinzoon van Heere Bardes zijt, hoewel van uwe geboorte af in diens huis verpleegd als het kind van den Admiraal Kolterman, Ts het u nimmer verhaald, dat Heere Freèrijk Simonsz. de boezemvriend was van den Admiraal?quot;
«Die zeer gezien was ten hove; o, had hij toen véle vrienden!quot; merkte de jonkman bijtend aan.
«Boeds van kindsbeen af waren zij samen, en als Heere Freèrijk te Amsterdam kwam, om voor zijne stad bij den Heere Stadhouder op te treden en zaken te vereffenen, nam hij altoos bij den
358
Admiraal zijn intrek. Dat deed hij ook met zijne jonge vrouw, die meer dan ooit naar hare vriendin te Amsterdam verlangde, en vooral naar hare lieve Geertrui, 's Admiraals vrouw, die in denzelfden toestand verkeerde als zij. Het werd een gril dei' aanstaande moeder geheeten; het was een voorgevoel. Het verblijf zou slechts kort zijn, maar werd ettelijke maanden gerekt, zoodat Heere Freèrijks vrouw ten huize van zijn vriend haar eenigen ter waereld bracht. Zij stierf nog denzelfden nacht, en de schrik en smarte verhaastte ook de bange ure voor de vriendinne, die uwe moeder verpleegd had. Heere Koltermau en diens vrouw neigden zich in het geheim tot de nieuwe leere, tot ergernis, tot afschuw eener oude dienstbode, die trouw was gebleven aan het geloof harer vaderen en voor het behoud van de zielen dergenen, die zij lief had, haar leven had willen geven. Hare redenen, hare beden echter vermochten de afvalligen niet terug te brengen. Toen besloot zij te redden wie nog te redden was. Het onschuldige kind, dat hare meesteresse het leven gaf, mocht niet verloren gaan. Zij verwisselde het met het haar vreemde kind der rechtzinnige ouders. Daar slechts een van beiden gered kon worden, werd het kind van Heere Freèrijk door haar, schoon met een bloedend hart, aan hot eeuwig verderf prijs gegeven. Ik oordeele haar niet. In haren eenvoud meende zij een goed werk te verrichten, en dankte zij de Heiligen, toen liet kind van den Admiraal Koltermau als Heere Freèrijks zoon door den Priester werd gedoopt. Wel ontwaakte later bij haar de gedachte, dat liet doel heilig was geweest, maar het middel zondig, daartoe wellicht opgewekt door haar biechtvader: zij waagde het echter niet haar geheim te openbaren; zij achtte het minder noodig, daar tie ouders spoedig ten grave daalden en er slechts een grootvader overbleef, die het vreemde jongsken lief had als de appel zijner oogen. Op haar sterfbed evenwel bezwaarde liaar die daad; zij bad den Oud-Schout, mij, als den vriend des huizes, en tevens u, om tot haar te komen. Wij gingen, maar gij kondet niet opgeroepen worden, daar ge op dit oogenblik den lande ontweken waart. Wij vernamen de waarheid en de Heere Bardes ging als vernietigd heen. Hem dreigde reeds de arm der gerechtigheid. De raad van beroerte daagde hem voor zijn vierschaar. Nog dien zelfden nacht kwamen zij hem wegvoeren, terwijl hij bezig was een brief aan u te schrijven, waarin hij de waarheid zou hebben geopenbaard.quot;
«Ja, in dien nacht,quot; prevelde Bardes, die op den zit in een boek der cel zich vooroverboog, als om ieder woord op te vangen, «toen kwamen zij; ik zat te schrijven... toen kwam ik in het hol... en toen werd ik ondervraagd!quot;
«Hoort ge, hij herinnert het zich!quot; riep Boshuyzen, terwijl bij het oog naar Heere Bardes richtte, maar het dadelijk weder afwendde en als met geweld zijne ontroering bedwong. «Toen de
359
Oud-Schout was weggevoerd en naar mijne meening voor eeuwig Amsterdam had verlaten, was ik alleen bezitter van het geheim. Jonkman, ik had het geloof mijner vaderen lief, en gij waart een balling, omdat ge u een vurig aanhanger hadt betoond der nieuwe religie 1 Kon ik u, door de openbaring van wat ik wist, erfgenaam doen worden van Freèiijk Simonsz.. een rijken burger, die nog de Goddelijke waarheid was trouw gebleven, maar dien ik kende als wel slap te denken en rekkelijk te zijn in de zake der ketterij. Door te spreken deed ik schade aan de goede zake, door te zwij-cen verongelijkte ik niemant. Gij, als balling, kondet de sehoone bezittingen van den Oud-Schout nimmer erven en de jonkman, wien ze eigenlijk toekwamen, erfde ze nu toch als Freèrijk Simonsz.' zoon. Dezen dacht ik bovendien een vurig verweerder te zijn van ons allerheiligst geloof. Het werd mij tot in de laatste ure nog verzekerd door hem, die zich zijn vader heette. Hadt ge u willen bekeeren, hadt ge u willen onderwerpen aan uwen rechtmatigen Heer, ik zon hebben gesproken. Heb ik u dit niet verklaard ten huize van Heere Freèrijk, toen gij de waarheid wildet verstaan?quot;
â »Toen hebt ge gezwegen, en waarom nü gesproken?quot; zeide de jonkman met bevende lippen en de doodskleur op het gelaat. Gedurende het verhaal had hij het hoofd gebogen en de oogen nedergeslagen.
»Moest ik den vader door zijn zoon zien vermoorden? Ik had hem bezworen bij God en zijne Heiligen u geen hoofdhair te krenken en ik vernam dat hij u achtervolgde, ja u nabij was gekomen; dat gij door een onbegrijpelijke vermetelheid u zeiven in zijne handen hadt gespeeld. Hij meldde mij dat wel niet, maar de berichten van Hopman Quikkel, in verband gebracht met den brief dien Heere Freèrijk mij schreef, lieten mij geen twijfel meer over. Van den Hopman vernam ik tevens den afval van hem die uw naam droeg. Dat verhaastte mijn besluit. Het zwijgen werd als nu geheel nutteloos. Ik reisde herwaards, om de wandaad te voorkomen, en, al kost liet mij den kop. ik ben blijde alzoo gehandeld te hebben.quot;
«Neen, het is niet waar!quot; riep de jonkman, het hoofd met beide handen vastklemmend, als vreesde hij krankzinnig te worden. Hij ijlde op Heere Bardes toe, en diens handen in de zijne vattend en hem met den grootsten angst aanstarende, knielde hij voor hem neder. sNiet waar, beste-vaèr. het is niet waar? Ik ben niet zijn zoon. niet de zoon van Freèrijk Simonsz.?quot;
))Ja, dat is zijn naam!quot; zeide Bardes met het hoofd knikkend; hij had die woorden reeds meermalen vroeger geuit, zoo vaak die naam was genoemd geworden, maar niemant had er acht op geslagen; in dezen oogenblik evenwel ontvingen zij eene vreeselijke kracht.
»Zoo is het toch zoo!quot; hijgde de jonkman, terwijl hij het gelaat in zijne handen verborg.
»Wel iieb ik gehaat dien ik Wet' moest hebben! Nu moetik nog
360
vallen door zijne hand en de voorzegging is vervuld!quot;' fluisterde Freèrijk Simonsz. in zich zeiven, terwijl hij het oog, waarin de wanhoop zich uitsprak, naar boven hief. sik verdien het, dat mijn kind mij verloochent, dat hij het de zwaarste strafïe aciit mij, vader te heeten. O God, dat ik sterve!quot;
Marijken was hem nadergetreden en had de laatste woorden verstaan. »Oom, wisch de boete de schuld niet uit? Vertwijfel niet.. . Het komt mij niet toe u te troosten, maar uw hartseer pijnt mij.quot; zeide zij geroerd; er was muziek in hare stem.
De jonkman was zich zeiven meester geworden en poogde zijne gedachten te zamelen. Met dolle stem merkte hij aan; »Ik bekenne, dat de mededeeling des Admiraals schijn van waarheid heeft. Nog meer, ik neem haar aan als volkomen waar. Voor de Schepenbank is de verklaring echter nietig, als berustende op de getuigenis van slechts éen persoon. De naam. dien ik van kindsbeen gedragen heb, kan mij wettig niet worden ontnomen. Ik danke den Heere God voor dien zegen.quot;
»Liefste!quot; riep Marijken bitter schreiend, »spreek zulke vreese-lijke woorden niet zoo koel. Vergeef uwen schuldenaar, zoo waarlijk gij hoopt, dat de Heere God u uwe schuld vergeven moge.quot;
))Ik heb hem vervolgd,quot; zeide oude Freèrijk, sik heb mijn eigen bloed willen overleveren! Ik heb niemant meer gehaat dan hem, dien ik als mijn kind zou hebber aangebeden! .la ik gevoele het, ik heb u gehaat, omdat ik u vreesde boven allen, omdat gij bezat wat in mijn oog het gevaarlijkst in een vijand was. Moest gij niet mijn vijand zijn, waart gij de mijne niet?quot; Zijne stemme won in kracht, terwijl hij deze woorden sprak. Zoo hij den jonkman konde overreden, zoo hij hem waarlijk kon overtuigen van zijne boete! Vreemd mocht het schijnen, dat hij jegens hem, die zijn naam had gedragen, en wien hij zoo veel liefde had bewezen, van geen boete had kunnen spreken, dat het hem te zwaar was gevallen zich te vernederen, zelfs te moeten blozen tegenover den jonkman, dien hij beneden zich stelde, ofschoon hij de reinheid zijns gemoeds als in weerwil van zich zeiven huldigen moest. Maar tegenover dezen had hij zulk eene schaamte, die eigenlijk hoogmoed was. in geenen deele. Dezen achtte hij boven zich in de gaven, die hij zelf het hoogst schatte, en dezen, dien hij als vijand had gevreesd, zou hij werkelijk kunnen vereeren, zoodra hij zijn eigendom werd, den drager zijns naams.
De oorzaak hiervan kan licht worden opgespoord. In Kolterman zag hij zich zeiven als herboren. Hij twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der mededeeling. Indien hij, dien hij voor zijn zoon had gehouden, het niet was, dan kon geen ander dan deze het zijn. Er was overeenkomst tusschen hen beiden in aanleg en inborst. Het verstand beheerschte bij beiden het gemoed; de rede had zich bij beiden vrij gemaakt van vele vooroordeelen, en in schrander-
301
lieid lieten zij hunne partijgenoten verre achter zicli. Beiden, dooide natuur niet tot krijgslieden gevormd, waarvoor hun de ruwe kracht ontbrak, achtten het niet beneden zich het woord toe te passen; weest voorzichtig als de slangen, en bewezen, dat beleid en kalme overlegging meer gelden dan de sterkte der spieren en den moed van den soudenier. Maar bij die overeenkomst hoeveel verschil! Het werd niet verklaard door den onderscheiden strijd dien zij voerden, â de eene als kampioen van het behoud, de ander als die van de nieuwe vormen op liet gebied van Godsdienst en Staat. Neen, het kenmerkend verschil lag in beider ontwikkeling als wezen; de eene had de zelfzucht tot roersel zijner daden, de ander de zelfverloochening; gene bedoelde alleen zichzelven bij de verdediging eener partij, aan wie hij weinig geloofde, deze was gereed zichzelven op te oileren voor de zake, welker goed recht hij voor God en de menschen met blijdschap en warmte beleed.
«Gij waart mijn vijand, waart gij niet de mijne?quot; zeide de jonk-* man, de laatst gesproken woorden des ouden herhalend. »Gij haalt het aan om uwe daden te wettigen! Neen, Heere, niet alzoo! Hadt gij tegenover mij gestaan als verdediger der dwingelandije, ik had u bestreden, maar u na de zegepraal niet den voet op de borst gezet... Maar nu! Gij hebt mij als struikroover beloerd, om dat ik ii in den weg stond als den erfgenaam van rijke bezittingen; gij hebt mij vervolgd om vuil gewin. Ik heb den Heere God in de eenzaamheid vuriglijk gebeden, mij een vader te doen kennen; een vader, want dien ik als den mijnen had leeren liefhebben, werd mij onttogen, vóór dat ik hem met het ong der ziele aanschouwen mocht. Thands kenne ik een vader! O God. God, hoe gij mij kastijdt voor den wensch van dit dwaze harte! Een vader, zoo dacht ik. hij zou mij het beeld zijn van den Hemelschen op aarde. Hom te bespieden in zijne gangen, het moest een bewondering zijn zijner daden. Te staren op zijne kracht en te trachten lt;iie na te volgen, trotsch te zijn op den naam, dien hij vroom en edel droeg en onbevlekt zoude nalaten, het goede te doen, het booze te schuwen, ja naar het onmogelijke staan, om beloond te worden door een druk zijner hand of een goedkeuring zijner lippen, het ware mij een wellust geweest, eene zaligheid op aarde! Droombeelden van het verwarde brein! Maar waren zij dan zoo zondig, dat ik aldus moest worden wakker geschud, dat ik er aldus voor moest boeten!quot;
»Gij vermoordt hem!quot; riep Marijken, terwijl zij den oude ondersteunde, die neder dreigde te slaan, en zijn gelaat in de plooien van haar kleed poogde te verbergen.
Boshuyzen trad naderbij om Marijken den last te verlichten. Hij vatte Freêrijks hand. ))Uwe wegen waren de mijnen niet,quot; zeide hij op zijn eenigszins ruwen toon, terwijl de stem echter thands daarbij beefde, srnaar zulk eene boete wischte Satans
3G2
schuld uit. Jonkman,quot; vervolgde hij, sik heb de ijzeren kogels der kartouwen hooien fluiten en sissen, en ik beefde niet; maar ik beef thands! Zulk eene hardheid in zoo tenger en teder een lichaam! Ik zag u nimmer alzoo. Toen ge mij in Heere Freérijks huis als vreemdeling tegentradt en mij smeektet de waarheid te openbaren, riept ge mij toe: Zijn mijne ouderen misdadig, welnu de zoon zal zich hunner niet schamen. Waarom breekt gij dan het hart van dezen?quot;
»Doe ik dat, ik wilde het niet!quot; zeide Kolterman zacht. »Gij herinnert mij die woorden, en terecht. Ik beaam ze nog. Heere Admiraal! Had ik een vader in de boeien gevonden, ik zon naar zijne schuld hebben gevraagd, en als hij mij had gezegd; ik heb het goed mijns naasten geroofd, omdat vrouw en kinders gebrek leden, of ik heb mijn broeder omgebracht, die den goeden naam der mijnen aanrandde, of lasterde wat ik rein geloofde, ik had God voor hem vergiffenis gebeden, maar hem daarna in de armen gesloten en ik had zijn kerker willen deelen. Maar zoo hij mij had bekend, zij het ook met tranen en berouw: ik heb geroofd om eigon schat te vermeerderen, om eigen wrok te koelen, ik had hem pogen te bevrijden uit zijne gevangenis, had de traliën voor hem stuk gevijld en zijne ketens pogen te verbrijzelen, maar ik had hem daarna voor altoos verlaten. Begrijpt me mij, begrijpt gij wat ik bedoele. Heere Admiraal? Gij noemt mij hard; gij verwijt mij het hart eens vaders te breken? Het mijne bloedt bij die hardheid, maar het kan niet anders, het kan het gevoel niet verkrachten, door den Heere God zeiven er in neergelegd.quot;
»Uw harte is harder dan steen,quot; snikte Marijken.
»Ook gij keert u tegen mij?quot; vroeg Kolterman, terwijl een pijnlijke trek op zijn gelaat zichtbaar werd. »Ook gij begrijpt mij niet ? Toen ik herwaards ging. trad ik het huis van Heere Freêrijk binnen; het was om hem te waarschuwen voor den aanval, die hem wachtte. Hij was mijn vijand, maar ik mocht hem niet doen verscheuren door het razende grauw ..
»Dat was schoon, dat was edel!quot; riep Marijken in geestdrift, terwijl zij naar hem toetrad, »o, ik wist wel, dat ge nobel van ziele waart.quot;
»Spaar mij, ik verdien uwe liefkozing niet. Ik deed het. maar had het voornemen om Heere Freêrijk, zoodra de stad tot stilte en rust was gekomen, voor de Schepenbank te doen dagen en hem aan te klagen wegens poging tot moord. Heere Freêrijk zal mij begrijpen. Nog altijd is de brief in mijn bezit, dien hij den Spaanschen hopman schreef. Maar de aanklacht zal niet geschieden. want het bewijs van schuld is vernield.quot; Hij scheurde den brief, dien hij te voorschijn hail gehaald, in stukken.
Freêrijk haalde diep adem. Het was hem of met dat geschrift ook een gedeelte zijner rchuld was vernietigd. »Duidt deze daad
363
verandering, duidt zij zachllieid jegens rnij,wien de schuld, waarop gij doelt, als een kool vuurs op het harte brandde? Indien het zoo ware, ik zoude u vuriglijk danken.quot; zeide Freêrijk. »Maar gij houdt nog altoos het zwaard boven mijn hoofd geheven. Gij hebt mij wel diep verlaagd, heft ge mij weder op, of zult ge mij voor aller oogen nog dieper doen vallen, mijn zoon?quot;
Kolterman beefde bij die woorden. Het was niet alleen om den naam, waarmee hij genoemd werd, het was ook om den smeekenden toon, waarop de oude sprak; een toon, die hem stuitte. Indien hem de oude ware tegengetreden en fier aan zijn kinderplicht had herinnerd, of open en met mannelijk berouw zijne schuld had bekend, het zou hem beter zijn geweest, hel zou hem den schuldige niet hebben doen minachten; thands rees dat gevoel, zoo doodelijk voor vriendschap en liefde, bij hem op. Op Marijken had hot een geheel verschillenden indruk. De verslagene van harte vroeg haar medelijden, en zij zon zich wel wreed genoemd hebben, indien ze het geweigerd had.
«Liefste wat zult ge doen?quot; lispelde zij,
De jonkman scheen een besluit te hebben gevat. Het had hem blijkbaar veel gekost en hevigen strijd in zijn binnenste uitgelokt. Hij deed een stap naar den oude, doch haalde zijn voet weder terug. Eindelijk drong hij zichzelven tot onderwerping aan hetgeen hij plicht rekende te zijn en trad hij op Freêrijk toe. »Heere!quot; zeide hij zacht maar bedaard, »wat ge jegens mij hebt misdaan, vergeve ik u uit den grond mijner ziele. God hoort het mij zeggen...quot;
»lleb dank, heb dank, liefste mijne!quot; riep Marijken, die hare armen om zijn hals sloeg. Oude Freêrijk vatte zijne hand, die zoo koud en zoo klam was, en drukte die. Kolterman weerde het meisjen zachtkens af en vervolgde tot ouden Freêrijk, terwijl hij zijne hand terugtrok: »Wij mogen elkander nimmer wederzien!quot;
»Neen, neen,quot; riep Marijken verschrokken uit, «dat is wreed: gij zalft de wonde en scheurt haar daarna weder open. Neen, niet alzoo!quot;
»Dus sta ik thands wel gants alleen,quot; zuchtte de oude. ))Een vreemde zal mij de oogen toedrukken, een vreemde zal oogsten wat ik heb gezaaid.quot;
»Neen, niet alleen zult ge staan, oom! Ik blijve bij u,quot; riep Marijken. »Ik zal u plegen, ik zal u troosten . .. Een geringe vergoeding voor wat ge verliest, niet waar? Maar ik geef, wat ik bezit. Ik kan u de liefde eens zoons niet vergoeden, maar ik wil u een dochter zijn. die u de tranen zal droogen en voor zich niets vraagt dan wat liefde, mijn oom! Ik zal u een dochter pogen te zijn, een dochter, die u het verleden zal pogen te doen vergeten, zoo als zij dit zelve zal trachten te doen. Zij zal het trachten, want haar verleden was schoon!quot; Zij kon niet meer, hare woorden stierven weg in hare tranen.
304
»Wilt ge mij dan begeven?quot; vroeg Kolterman verpletterd.
»Moet ik niet? Gij wilt het zelf immers, daar gij liem begeeft? En hij is rampzaliger dan gij ..
»Dat vonnis is hard; het is tegen mij gekeerd, en toch houdt het een vrijspraak voor mij in,quot; zeide Kolterman. »Hij is rampzaliger dan ik...! Hij moet wel ellendig zijn, indien ge waarheid spreekt...! Neen, Marijken! gij behoort mij, gij moogt mij niet verlaten ... En gij neemt dit ofler aan, Heere!quot; vervolgde hij tot Freèrijk. «Gij wilt, dat zij haar harte voor u verbrijzele, dat zij meer dan het leven u biede, dat zij zich kruisige in wat haar het liefst moet zijn, dat zij afstand doe van de hope, in haar binnenste gevoedsterd ?quot;
Freèrijk antwoordde hem niet, maar klemde het meisken in zijne armen en fluisterde haar toe: »U behoude ik dan toch...quot; Maar neen, dat heb ik niet verdiend. Hij, wien mij niets te kostbaar was, heeft mij verlaten, en gij, wien ik. .. zoo weinig gaf, zoudt mij ter zijde blijven...! Maar gij zegt wèl. ik ben rampzaliger dan hij! Mijn kind, blijf bij mij... mijne dochter!quot;
»Hij neemt het offer dan aan, zelfzuchtige ziele!quot; prevelde Kolterman.
Boshuyzen vermocht niet langer te zwijgen. Dikke tranen schemerden in zijn oogen. «Jonkman! gij denkt u sterk omdat gij de stem van het bloed in uw binnenste weigert te hooren; de nieuwe leere verkondigt dat misschien; maar ik zegge u: dat weenende meisken is sterker dan gij, daar zij die stemme gehoor geeft en hare neiging offert aan hare plicht.. .quot;
Kolterman deinsde achteruit, liet was of hem eensklaps de schellen van de oogen vielen en hem een blik in zijn eigen binnenste werd vergund. Hij beschuldigde zijn vader van zelfzucht, en was deze ook niet het roersel van zijn eigen daden in dezen cogenblik? Naar zelfverloochening streefde hij en haar noemde hij de- voorwaarde ter ontwikkeling als wezen, de voorwaarde, zonder welke hij geen discipel Christi kon zijn. Hoe verre was hij er van verwijderd, hij, de trotsche, die den splinter in het oog zijns naasten zoo scherp had gezien, en niet den balk in het eigene; die het harte des ouden zoo in ieder woord, dat hij uitte, had weten te ontleden en blind bleef voor het beginsel, dat zijn eigene aandoeningen thands bestuurde. En Marijken...! Waarlijk zij was de volmaaktste, de beste discipel des Heeren! De zwakke Marijken, zij was sterker dan hij!
Zijn boezem zwoegde, het klamme zweet brak hem uit bij den kamp, die thands in zijn binnenst begon. Hij merkte het niet op hoe aller oogen hem volgden, hoe allen staarden op de trekken zijns gelaats Weder trad hij naar Heere Freèrijk; thands nam hij diens hand, thands drukte hij die en zeide hij met half gebroken stemme: »Vader!quot;
SC.quot;)
De oude sloot hem in zijne armen en weende, weende lang. Marijken was neergezonken aan 's jonkmans zijde, als voelde zij wat overwinning de geliefde behaald had en wat bewondering zij hem schuldig was.
lioshuvzen had in zijn vreugde den arm van Bardes gegrepen, en wees hem op de groep, en de oud-Schout lachte en weende tegelijk en zeide, door al wat hij gehoord had opgewekt en versterkt in zijne herinneringen: «Goede jongen...! dat is zijn naam .. . dat zijn moeder leefde!quot;
«Mijne moeder!quot; riep Kolterman, en de gedachte aan haar, die, zoo zij nog op aarde geweest ware, hem voor wat hij thands deed, voorzeker gezegend zoude hebben, gaf hem kracht te meer om te volharden in hetgeen hij begonnen was. «Vader!quot; zeide hij eindelijk, «laat ons nu scheiden. Er zijn kloven, die slechts het puin van jaren dempen kan!quot;
«Wat bedoelt ge?quot; riep Marijken angstig.
«Engel van liefde, het ontstelle uwe reine ziele niet!quot; vervolgde hij. «Om zijnentwille kan het niet anders zijn. indien ik thands ging nederzitten aan zijn disch, indien ik aan zijne zijde plaats plaats nam, ik zoude mijn vader het aanzijn verbitteren; ieder onbewaakt woord zoude eene beschuldiging kunnen zijn. Vergeven kan het menschenkind met het oog op den Verlosser derwaereld; vergeten niet. Marijken! Vergeten doet alleen de tijd. Gij blijft bij uwen oom. Marijken ! ..!quot;
«En gij dan ?quot;
«Mij wachten andere plichten; maar ik belove u, ik zal leeren â vergeten. Ik zal vaak tot u komen, tot u beiden; en als het zwaard van den vreemdeling mij spaart, hoop ik eenmaal tot mijn vader te kunnen zeggen: de klove is gedempt. En dan, Marijken .. .! Ik wensche u alleen te ontvangen uit de handen mijns vaders. Laat mij tot dat oogenblik den naam, dien ik voere ... Iquot;
«Neen, neen,quot; smeekte de oude.
) Ik kan dien niet alleggen in de tegenwoordige ure. Wettelijk kan ik den anderen niet aannemen, tenzij mijn neve, mijn broeder in den Heere, dit met mij verlangt. Het ware zelfs beter dat niemant voor als nog van wat hier omging, iets vername. Vader en zoon heffen verschillende leuzen aan, laat ons wachten tot aan de ure der bevrediging . ..'
«Maar ik heb den Prinse van Oranje nimmer een kwaad harte toegedragen, en ik hate den Hertog van Alva. Zoodra ik slechts zie, dat de eerste bij machte is ons te beschermen, dan doe ik hem hulde, dan hef ik dezelfde leuze als gij,quot; riep de oude Freêrijk.
Boshuvzen stiet een vloek uit en stampvoette van drift. Kolterman sloeg de oogen neder; een pijnlijke trek kwam er op zijn gelaat. ))Niet al/.oo, vader! Gij wildet wellicht om .. . mijnentwille, uwe .. -overtuiging geweld aandoen. Uwe plaats is niet bij het vendel des
36(1
Prinsen. Misschien eenmaal, als gij weet wat hij bedoelt, als ge weet wat vrijheid is... Mar ijken! ik moet gaan. Ik zal Heere Buyskes uwe verlossing doen bevelen. Liefste, vaarwel!quot;
Hij kuste haar vurig, hij kon bijkans niet scheiden. Dacht hij misschien, dat het een alscheid voor langen tijd zoude zijn, dat hij niet spoedig zou kunnen leeren vergeten? Ten laatste wenkte hij Boshuyzen en Bardes, met wie hij heensnelde.
Boshuyzen hield hem in den kloostergang terug. sJonkman! ik acht u, maar haat u toch... Ik ben uw gevangene als gij het wilt; ik ben thands in uwe macht; ik ontveinze u niet, dat mijne vloot reê ligt te Amsterdam en zoo ik haagt;' wederzie loop ik met haar uit en straf de rebellen,quot;
»Toch zal ik u niet terug houden. Tot aan de poorten dezer stad zijt gij mijn gast; daar buiten zijt ge weder mijn vijand,dien ik tegen zal staan met al de kracht van mijn geest.quot;
Aan den avond van dien dag zaten Marijken en haar oom ten huize van Heere Buyskes neder. Het huis van Heere Freèrijk was opengeloopen; veel van liet huisraad werd vernield, maar eene geheele vernietiging was voorkomen door Kolterman. die, hoewel hij geenerlei kommissie of ambt bezat, door zijn zedelijken invloed niet alleen de hoofden, maar ook de menigte heheerschte, en de woning van wege de nieuw verkoren Schepenen had doen verzegelen. De Schout Reinier Feyntes haastte zich bij Kolterman en Buyskes zich te komen verontschuldigen en hun zijne diensten aan te bieden. Op raad des jonkmans, die zoo weinig mogelijk verbitteren wilde, werd hij aangenomen en bevestigd in zijn ambt, dat hij vroeger hield van de Grafelijkheid, maar inde toekomst zoude houden van de Vroedschap der stad, waardoor hij dienaar werd, waar hij vroeger gezachvoerder geweest was.
Naast Marijken ontmoeten wij Wenda en hare moeder. Had Kolterman beider ontmoeting veroorzaakt? Had hij daardoor Marijken elke schijn van argwaan willen ontnemen, en Wenda willen doen inzien, dat het gevoel, in haar binnenste opgewekt, niet kon worden gevoed en alzoo versterven moest?
Beide meisjes zijn in druk gesprek. Blozend was Wenda Marijken tegengetreden. «Wel is ze schoon,quot; had zij in den aanvang gefluisterd, terwijl zij zich ter zijde had gehouden. sWel is zij goed en edel en zijner waardig,quot; lispelde zij thands, terwijl zij aandachtig naar Marijkens woorden luisterde en soms de wolk van mismoedigheid, die op het gelaat van deze merkbaar werd, door hare dartelheid en schalksheid verdreef. Oude Freèrijk zat neder als-voelde hij zich gevangene. Voor ieder binnentredende sloeg hij de oogen neder, want in ieder herkende hij een vroegeren vijand, die thands hem wél voorbijging zonder hern te deren, maar het, blijkens het strak gelaat en den stijven groet, alleen deed, omdat Buyskes of Kolterman het hadden bevolen. Hij behoorde niet in
3( i7
dezen kring, hij gevoelde het, eu toch mocht hij zich nog gelukkig prijzen hier eene huisvesting te hebben gevonden, hij, de ontvanger van 'sGraven beden in het Noorderkwartier! Het bezit van dat ambt werd hem eene marteling. Was het niet eene bespotting? De ontvanger van 's Graven beden zou misschien een blooten titel voeren. Ue grootste stad uit zijn kwartier was omgeslagen; de overigen wankelden en zouden weldra het voorbeeld volgen, en dan... stond zijn hoog aanzienlijk ambt gelijk met dat van »Heer der Zuiderzee,quot; ot »Koning der Woestijn!quot; Ook liet, gebeurde met Kolterman hield zijn geest bezig en drukte dien neder. Nimmer had hij zich zoo vernietigd gevoeld als tegen-over dien jonkman. Hij had jegens dezen zelfs niet durven reppen van eene verandering des gelools om ids zoon te worden erkend; hij had er zelts van gesproken zijne eigene partij te verlaten en de zijne aan te hangen. Hij gevoelde het, hij zou dien zoon kunnen liefhebben in eene mate als hij nog nimmer had lief gehad, zoo hij slechts zijn kind zou willen worden. Maar die zoon had hem verlaten; hij zou terugkeeren, maar toch nooit in den zin als hij ais vader verlangde; de jonkman zon niet voor hem buigen, de jonkman, die thands ook de meerdere was in gezach eu invloed. Alles bepaalde zijn gedachte bij éen punt: het geus-worden der stad, hetwelk hem van alle macht, van allen invloed beroofde.
Daar werd de deur geopend en trad Willem .lansz. binnen. Moeder en dochter gingen hem te gemoet. «Ik wist wel, dat vader veilig was. want hij waakte over hem,quot; zeide Wenda, terwijl zij Marijk en aanzag.
»Hij!quot; prevelde Willem. »Ik weet, ik weet...quot; vervolgde hij, een ernstigen blik om zich heen werpende. «Freêrijk, ook gij hier! Men heeft de Vroedschap den gantschen dag op het Stadhuis gevangen gehouden. Een bange tijd! We hoorden het brullen van den woedenden volkshoop! Tegen den avond bracht men ons beneden en voor de mannen, die zich 1] urge meesteren noemden. Ik moest het aanzien, Aafken, dat Buvskes op mijn stoel neerzat...quot;
«Dat was hard, vader! maar dank God, dat gij het leven er af hebt gebracht,quot; zeide Aafken.
»Daar werd ons aangezegd, dat wij vrij waren en ik werd naar üt huis gewezen,quot; vervolgde Willem, die zich naast Freêrijk nederzette.
))Wat gaat er in de stad om?quot; vroeg deze gesmoord.
«Alles is rustig en ordelijk naar ik bespeuren kan. Ik hoorde overal den naam des gevloekten verraders noemen. Het is een Satanskind, die jongen. Om alles schijnt hij te denken. Ik had een heimlijke hoop, dat de oproerlingen zich blind zouden hollen, daar ze ongewoon zijn gebied te voeren en tot dusverre zich immer wegscholen in het donker waar zij dreigden en meesmuilden, maar die jongen zorgt er voor. Ik hoorde, dat op zijn aanraden boden
naar Oost en West om hulp zijn uitgezonden; â die hulp zal ulevel verre te zoeken zijn; verder, dat men anderhalf vendel in dienst heeft genomen, waartoe Buyskes het handgeld moet geschaft hebben, want op het Stadhuis was geen penning. Ook huurde men busschieters bij het geschut, waarover uw zoon Freêrijk is gesteld. Ik achtte hem vroeger een suffer, maar ook hij schijnt omgeslagen zoo als alles verandert onder den invloed der ketterij. Zelfs ismen op dit oogenblik bezig om de wallen te herstellen, en stelt men zicli voor, den gantschen nacht te doen werken, en dit alles op het bestel van liet jonksken, dat gij zoo zeker in uwe macht reken-det! Hadt gij óns daarmede laten betijen, we hadden hem aan een wipgalg uit de vensters van het Stadhuis doen steken en de stad ware behouden gebleven.quot;
»Het verlorene kan misschien herwonnen worden; het aangeworven vendel zal wel verloopen. Zoo lang de atergeuzen uil-blijven, is het spel voor ons niet verloren en deze zijn niet in de nabijheid!quot; fluisterde Freêrijk hem in het oor. Willem wendde zich naar hem toe en wilde nadere inlichtingen vragen, toen de deur weder openging en Rijkert Claesz. binnen trad, die Maiijkens hand vatte. De vreugde straalde hem de oogen uit; hij scheen gants verjongd. «Mijne zuster! laat otis Gode lofzingen voor onze vrijheid! De windselen der afgoderij zijn u van de leden gevallen! Dus sing bet onze goede stad mede!'
»Weet gij. wien wij het verplicht zijn?quot; vroeg Marijken.
))ja. Freêrijk verhaalde mij alles. O, ik juichte, toen ik onzen strijder naast Buyskes ontmoette: Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden! ik hebbe met mijne vrouw, wat zij geleden heeft! in mijne binnenkamer God gedankt, dat mijn achterdocht ongegrond werd bevonden, en Hem gebeden mij mijne hardheid jegens onzen Gideon te vergeven. .. Dat mijn jongen dit hadde beleefd!quot;
sik hoore met genoegen, dat het u en uwer vrouw wel is gegaan, Eerwaarde Heere,quot; zeide Aafken. ))Ik meen u toch te l^'*quot; nen,quot; vervolgde zij, toen de prediker haar vreemd aanzag. »Gij zijt de Gereformeerde predikant ter dezer stede. Willem Jansz. keerde zich met onwil af, maar waagde het niet door een enkel woord van zijn toorn te doen blijken. «Leeft weèmv Dirk Pauwelsz. en haar vier bloeden van kinders nog, die gij zoo liefderijk hebt verzorgd?quot;
De prediker knikte haar vriendelijk toe en begon een gesprek met haar en Wenda. welks inhoud Willem .lansz. kettersch en gevaarlijk toescheen. Slechts met moeite werd hij van eene uitbarsting weerhouden door Freêrijk, die hem toefluisterde: «Geduld, vriend! uw tijd van spreken komt misschien; geduld!
Toen wendde Kijkert zich weder naar Marijken en onderhield haar van hem, waarvan zij moede noch mat werd te liooren. Des
369
predikers lof was echter niet onvermengd. »Hij heeft zijn leven gewaagd voor de goede zaak en dit doet veel vergeven,quot; dus besloot hij. «Maar dus arglistiglijk te handelen, voegt den beeldendienaar, maar geenszins den volger der waarheid. Laat uw ja, ja, uw neen, neen zijn, wat boven deze is, is uit den Booze, zeide onze Meester.quot;
Marijken bloosde en gaf eene andere wending aan het gesprek. «Waar is Pater Andreas en Heere Bardes?quot;
«Te mijnent. Ik hope den monnik tot de gezuiverde religie te doen toetreden en wanhope daaraan niet, nu zijne kettersche boeken verbrand zijn. Hij is niet zoo als de anderen; hij is mij lief geworden, mijne zuster!quot; Hij verhaalde haar verder van Martinus' en Theodorus' dood. Den eersten wijdde zij een traan, waarover vrouwe Aafken zich niet weinig verbaasde. Deze vroeg ten laatste wat er omging daar buiten, en of zij het zon kunnen wagen naar hare woning terug te keeren.
«Beid hier tot Heere Buyskes u waarschuwt. Waart ge straks met mij op de haven geweest, Marijken! Wat prachtig schouwspel! De vlieboten der Watergeuzen zijn binnen geloopen, en de dappere knechten des Prinsen aan wal gestapt! Hadt gij ze gezien, die gebruinden en geteekenden door het zwaard des Spanjools, met den psalm op de lippen en de brandende lont in de hand! De Heer der heirscharen zij met hen!quot;
«Hoopt ge nóg?quot; vroeg Willem Jansz. zacht aan zijn gebuur.
»Hoe zij zoo spoedig binnen komen is mij een raadsel,quot; hernam Freêrijk, die in al zijne leden trilde.
Een verward gedruisch van stemmen klonk in de verte. De deur werd opengeworpen en Rietlus, met een Oranjevendel om de lenden en van top tot teen gewapend, trad binnen. »Voig mij!quot; zeide hij tot den Burgemeester.
Toen deze nevens zijne ambtsbr eders in vrijheid werd gesteld, was Kolterman in een ander gedeelte der stad. Zoodra hij het gebeurde vernomen had, ijlde hij naar het Stadhuis. «Uit wiens naam is de vorige Vroedschap aangetast?quot; vroeg hij.
«Uit 's Prinsen naam,quot; galmde het hem toe.
»Dan komt het ook niemant dan den Prins toe hen te ontslaan. Men kan ze als luiden van achtbaarheid binnen hunne huizen verzekeren of bij elkaar in éen huis doen bewaren, opdat er niemant door roekeloozen ijver de handen aan sla, maar men mag ze niet vrij geven.quot;
De raad was hun een bevel. Men bracht hen naar. het Paters-hof, â het minst vernielde der kloosters â en Rietlus nam op zich den Burgemeester Willem Jansz. te gaan halen. Aafken en Wenda lieten een angstkreet ontglippen bij de verschijning des Hopmans en de mededeeling van het doel zijner komst; maar toen hij haar zeide, dat alles op Koltermans bevel en ter beveili-
24
DE EEUSTK DAG.
370
ging van 's Burgemeesters persoon geschiedde, maakte de vreeze plaats voor hoop. Oude Freêrijk alleen verbleekte. «We moeten elkaar spoedig spreken,quot; fluisterde hij den Burgemeester toe. »Ik poge u vrij te maken, wees des verzekerd.quot;
Willem Jansz. volgde Rietlus schoorvoetend en vond zijne vroegere ambtgenoten in het Patershof, dat, kenmerk van den geest der burgerij, op liet oogenblik dat er de gevangen genomen Vroedschap in huisde, Cajaphashot werd geheeten.
Het is acht dagen later. De orde is in de stad hersteld. De bovendrijvende partij blijkt de behaalde zegepraal waardig te zijn, want met vasten tred schrijdt zij voorwaarts en een krachtigen invloed oefent zij uit op de omliggende landstreek. Zij is vast besloten om ten einde toe te volharden, hoe bang de strijd ook zij, en dat deze moeielijk en zwaar zal worden, ontveinst zij zich niet, als bekend met de onmacht des Prinsen, dien zij van het gebeurde heeft onderricht, en de reuzensterkte van den Hertog van Alva. Niet alleen dreigt de Spanjaart van buiten en van verre, maar ook van binnen en nabij.
Eene minderheid, die op den dag van den strijd de verdedigers der vrijheid niet krachtig tegenstond, is thans vijandinne geworden, nu de overwinning slechts de belijders der nieuwe leere heeft gebaat, nu het oude geloof de beide prachtige kerken heeft moeten ruimen, waar eiken Zondag de Kalvinisten, door Rijkert Claesz. voorgegaan, de kettersche bijeenkomsten houden. De vijandige minderheid heeft zich alsnu geordend en als haar hoofd den gewezen Burgemeester Willem Jansz. erkend, die door den raadselachtiger! invloed van ouden Freêrijk, zelfs op aanvrage van Kolterman, ontslagen is. De binnengekomen Geuzen zijn ook versterkt geworden door verscheidene vendelen knechten en Buys-kes achtte daarom de vorige Vroedschap niet gevaarlijk meer. De scherpzienden onder de Spaanschgezinden bemerkten echter weldra, dat een ander dan de Burgemeester hun werkelijk hoofd was, maar die ander hield zich zóo geheel in het duister, dat zijne trekken moeielijk waren te herkennen.
Het was avond. Dikke wolken trokken over de stad heen en vervormden de schemering tot duisternis. De wind gierde en voorspelde bij toenemende lievigheid een storm. Wie daar buiten niet noodig had, bleef in huis, en de wachten aan de poort hadden zich zooveel mogelijk onder de luifels der huizen terug getrokken. Wij ontmoeten Kolterman in het bekende vertrek bij Rijkert Claesz, die, als verjongd naast zijn vrouw neêrgezeten, zijne gewaarwordingen schetst bij zijn eerste optreden in de St. Pancras kerke. Vrouw Lijze deelt in zijne opgewondenheid, maar slaat ten laatste de vochtige oogen ten hemel en fluistert den naast haar neergezeten Kolterman toe: »Zoo de jongen dit had mogen beleven!quot;
-.. ââ¢----------- â¢. â
:______________
n
371
«De wegen des Heeren onzes Gods zijn niet gelijk onze wegen,quot; zeide de prediker. »Maar Zijn name zij geloofd, want uit het duister schiep Hij het licht.quot;
«Licht? Dat het in mijne duisternis daagde!quot; prevelde de jonkman zacht, die niet deelde in de vreugde rondom hem.
Daar werd getikt. Een burger bracht hem een brief, dien hij haastig openbrak en bij wiens lezing hij verbleekte.
Bij Waerfaerthave was een hoop krijgsvolk van wege den Graaf van Bossu aan land gezet. Men had dit reeds voor eenigen tijd vernomen, en achtte het algemeen geschied te zijn tot dekking van Medemblik. Kolterman had het krijgsvolk daar echter gewantrouwd, en getrouw aan zijne gewoonte, zonder daarvan aan iemant te doen blijken, door zijne kondschappers doen bespieden. Thands ontving hij het bericht, dat het vendel bij kleine hoop-kens een voorwaardsche beweging naar Enkhuyzen maakte. Op zich zelf was dit nog weinig onrustwekkend. Nog eene andere tijding had hij echter in de laatste uren ontvangen, die, in verband met de vorige gebracht, aan het geheel een ander en wel dreigend voorkomen gaf.
Buiten de Noorderpoort, naar den kant van Medemblik, stond een zoutkeet, aan een poorter toebehoorend, die men van Spaansch-gezindheid verdacht. In de beide laatste nachten had men aan een der muren een lantaren herhaalde malen zien ophijschen en nederlaten, en daarmee verscheidene bewegingen zien maken. Kolterman vermoedde verraad en verstandhouding van den vijand daar buiten met een daar binnen. Den draad der samenspanning kon hij echter niet vatten en zonder eenig begin van bewijs kon hij zijn achterdocht niet openbaren, of er door de Geuzenbenden, reeds zoo vermoeid van de dagelijksche ronden om de stad, geloof aan doen slaan.
Een hevige windvlaag deed de vensters klapperen, de ruiten kletteren en de vlam der kaars bijkans neerslaan; een geluid als dat des donders loeide door de wijde schouw. Man en vrouw zagen elkaar angstig aan. Daar trof hun in de verte echter een ander geluid, dat zij nog niet wisten te onderscheiden, maar dat den jonkman deed opspringen. De wind bedaarde een oogenblik en thands hoorden zij duidelijk het kleppen van de stormklok.
»Wat zou er zijn?quot; vroeg vrouw Lijze, terwijl zij de handen vouwde.
))Stil,quot; gebood Kolterman. »De klink der deur gaat op. «Moeder, geef mij mijn hoed en houwkling!quot;
I
i
':ïï;
Daar stormde jonge Freërijk met het vuurroer onder den arm en den helm op het hoofd de kamer in. «Verraad, verraad!quot; riep hij uit. «De vijand rukt aan bij de Ketenpoort; de molens zijn reeds in brand gestoken en men ziet de Moabiten bij de flikkering van de vlam de haakbussen laden. Men beraamt een uitval, kom!quot;
fi
i hd
;_
_
372
«Toef een wijle, broeder!quot; zeide Kolterman, hem terughoudend. »Aan de Kelenpoort zegt gij ? Wie heeft tliands de wacht aan de Noorderpoort?
))Daar is geen nood. Dat is juist aan de tegenovergestelde zij. Kom ga met mij of ik ijle alleen weg. We zullen ze doen deinzen met bebloeden kop. Eerwaarde broeder, werwaards gaat gij ?quot;
»Naar de wallen, bij de burgers! Ik poge meê het roer te han-teeren,quot; zeide Rijkert.
»Blijf, blijf!quot; riep Kolterman. «Broeder, ik herhaal mijn vraag: Wie heeft de waclit aan de Noorderpoort?quot;
»Jillis Maertsz.,quot; hernam Freêrijk ongeduldig.
sJillis Maertsz., die zich onlangs eerst bij de onzen heeft gevoegd? Een heftig Spaanschgezinde vroeger, en die plotseling is bekeerd tot een innig aanhanger des prinsen! Broeder, roep uw vendel saam en volg mij. Het gevaar dreigt, volg mij!quot; riep Kolterman.
Als beheerscht door den wil diens jonkmans, gehoorzaamde Freêrijk. Hij deed het echter schoorvoetend, eti naar buiten getreden, waar eenige zijner knechten in slagorde stonden geschaard, beval Kolterman om te keeren en in plaats van naar de Keten-naar de Noorderpoort op te rukken.
»Maar dat is halstarrigheid!quot; riep Freêrijk. »Mij uit den slag te houden, mij te beletten te toonen dat de armen vrij zijn en iiog kracht bezitten! Ziet gij de rosse vlam niet, die de spits der Zui-derkerk bij wijle verlicht?quot;
Maar Kolterman volhardde en Freêrijk moest knarstandende volgen. «Zijn de roeren geladen?quot; vroeg de eerste. En op het bevestigend andwoord klonk het verder, «houdt de lonten verborgen; en spreekt geen enkel woord. Gij zult de kracht uwer armen kunnen toonen, of ik bedriege mij zeer.quot;
Ware het minder duister geweest, zij zouden voor zich uit een man hebben zien heengaan in zijn regenkleed gehuld en voort-rennend als wierd hij achtervolgd. Van tijd tot tijd zag hij achter zich naar de spits der Zuiderkerk, wier rosse tint akelig afstak in de dikke duisternis. «Ze houden woord, op liet uur af!quot; zeide hij in zich zeiven. «Als men aan de andere zij maar even vlug toone te zijn!quot;
Hij repte zich voort naar de Noorderpoort, waar hij door Jilles Maertsz. werd opgewacht.
«Goede tijding,quot; fluisterde deze. «Mijne poorters waren zoo verhit on den strijd, dat ze zijn opgerukt naar de Ketenpoort. Ik heb ze het heilig kruis na gegeven; slechts een tiental zijn gebleven en het noodweer houdt ze binnen. De hamei blijft open. De Heilige maagd zij met u! Richt u naar liet licht van de zoutkeet.
Een handdruk was het eenigste andwoord en de onbekende ging haastig de poort door en verdween in de duisternis buiten de stau. Jilles Maertsz. was naar binnen gegaan en hield zijne poorters daar
bezig bij de kannen biers, terwijl de kroes geledigd werd op de neerlaag van den vijand. Hij had slechts een burger bij de poort als wacht achtergelaten, en dezen veroorloofd, wegens den storm in de deur van het wachthuis post te vatten.
Kolterman kwam weinig tijds daarna met Freèrijk en de zijnen aan.
))De hamei is opgetrokken,quot; riep Freèrijk driftig. »Niemant op de wacht? Ja toch, een, slechts een!quot;
«Zachter!quot; zeide Kolterman. Ilij naderde den wachthebbenden en gebood hem te volgen, waarna hij Freèrijk met de zijnen wenkte en hen in de poort, aan weerszijden tegen den muur gedrongen, liet post vatten.
Daar stonden zij een wijle angstig uit te zien naar buiten in de tastbare duisternis, bij het loeien van den aangroeienden stormwind, het geklep der alarmklok en het flikkeren der vlamme in de verte aan de andere zijde der stad. Het harte van Freèrijk bonsde van onrust, en een geheime angst maakte zich van hem meester; hij klemde het zinkroer in de hand en tastte naar zijn zwaard, en toch was het hem of hij niet in staat zoude zijn den onbekenden vijand, die uit de duisternis scheen te moeten opdagen te weèrstaan. Niet langer twijfelde hij aan de juistheid van Koltermans voorzorg, die wel te recht aan deze zijde voor onraad vreesde, en hij fluisterde het hem dan ook toe, schoon hij er de opmerking bijvoegde: dat het gevaarlijk was met zulk een geringe macht bij een opgetrokken hamei post te vatten en een zeker veel sterkeren vijand af te wachten. Hij achtte het beter de poort te verzekeren en zich meester te maken van den trouweloozen .lilies.
»En dan niet in staat te zijn al diens handlangers te kennen!quot; hernam Kolterman. »Wij moeten ze allen kennen, anders wordt de aanval herhaald!quot; Hij wendde wederom het hoofd naar buiten, en waagde het een weinig vooruit te steken, zoodat hij de zoutkeet aan zijn rechterhand bespeuren kon. Daar flikkerde en schommelde het licht der lantaren, maar liet ontzette hem niet. Hij had vroeger gehuiverd, hij had thands zijne bedaardheid herkregen. «Houdt de roeren reè; ontsteekt de lonten, maar houdt ze verborgen,quot; zeide hij zacht tot Freèrijk, die het bevel tot allen herhaalde. Daar scheen een voetstap op de houten brug te kraken, daar was het of de duistere massa voor hem uit zich begon te bewegen. Kolterman had zich uitgerekt en de hand aan het oor gebracht. «Legt aan!quot; zeide hij zacht. Toen beidde hij een oogen-blik en kon niet meer twijfelen. »Vuur, Freèrijk, vuur!quot; en een twintigtal musketschoten knalden te gelijk. Ter zelfder tijd viel de slaghamei neèr. Men had getroffen, en van zeer nabij â Kolterman had blijkbaar lang gewacht eer iiij liet aanvallen â rees het gekreun van gewonden. In denzelfden oogenblik daverde de brug onder de voetstappen van de vluchtenden, die zich verraden
372
«Toef een wijle, broeder!quot; zeide Kolterman, hem terughoudend. «Aan de Ketenpoort zegt gij? Wie heeft thands de wacht aan de Noorderpoort?
»Daar is geen nood. Dat is juist aan de tegenovergestelde zij. Kom ga met mij of ik ijle alleen weg. We zullen ze doen deinzen niet bebloeden kop. Eerwaarde broeder, werwaards gaat gij ?quot;
»Naar de wallen, bij de burgers! Ik poge meê het roer te han-teeren,quot; zeide Rijkert.
»Blijf, blijf!quot; riep Kolterman. «Broeder, ik herhaal mijn vraag: Wie heeft de wacht aan de Noorderpoort?quot;
sJillis Maertsz.,quot; hernam Freêrijk ongeduldig.
«Jillis Maertsz., die zich onlangs eerst bij de onzen heeft gevoegd ? Een heftig Spaanschgezinde vroeger, en die plotseling is bekeerd tot een innig aanhanger des prinsen! Broeder, roep uw vendel saam en volg mij. Het gevaar dreigt, volg mij!quot; riep Kolterman.
Als beheerscht door den wil diens jonkmans, gehoorzaamde Freêrijk. Hij deed het echter schoorvoetend, en naar buiten getreden, waar eenige zijner knechten in slagorde stonden geschaard, beval Kolterman om te keeren en in plaats van naar de Keten-naar de Noorderpoort op te rukken.
sMaar dat is halstarrigheid!quot; riep Freêrijk. «Mij uit den slag te houden, mij te beletten te toonen dat de armen vrij zijn en nog kracht bezitten! Ziet gij de rosse vlam niet, die de spits der Zui-derkerk bij wijle verlicht?quot;
Maar Kolterman volhardde en Freêrijk moest knarstandende volgen. «Zijn de roeren geladen?quot; vroeg de eerste. En op het bevestigend andwoord klonk het verder, «houdt de lonten verborgen; en spreekt geen enkel woord. Gij zult de kracht uwer armen kunnen toonen, of ik bedriege mij zeer.quot;
Ware het minder duister geweest, zij zouden voor zich uit een man hebben zien heengaan in zijn regenkleed gehuld en voort-rennend als wierd hij achtervolgd. Van tijd tot tijd zag hij achter zich naar de spits der Zuiderkerk, wier rosse tint akelig afstak in de dikke duisternis. »Ze houden woord, op het uur af!quot; zeide hij in zich zeiven. «Als men aan de andere zij maar even vlug toone te zijn!quot;
Hij repte zich voort naar de Noorderpoort, waar hij door Jilles Maertsz. werd opgewacht.
«Goede tijding,quot; fluisterde deze. «Mijne poorters waren zoo verhit op den strijd, dat ze zijn opgerukt naar de Ketenpoort. Ik heb ze het heilig quot;kruis na gegeven; slechts een tiental zijn gebleven en het noodweer houdt ze binnen. De hamei blijft open. De Heilige maagd zij met u! Richt u naar het licht van de zoutkeet.quot;
Een handdruk was het eenigste andwoord en de onbekende ging haastig de poort door en verdween in de duisternis buiten de stad. Jilles Maertsz. was naar binnen gegaan en hield zijne poorters daar
373
bezig bij de kannen biers, terwijl de kroes geledigd werd op de neerlaag van den vijand. Hij had slechts een burger bij de poort als wacht achtergelaten, en dezen veroorloofd, wegens den storm in de deur van het wachthuis post te vatten.
Kolterman kwam weinig tijds daarna met Freêrijk en de zijnen aan.
«De hamei is opgetrokken,quot; riep Freêrijk driftig. sNiemant op de wacht? Ja toch, een, slechts een!quot;
»Zachter!quot; zeide Kolterman. Hij naderde den wachthebbenden en gebood hem te volgen, waarna hij Freêrijk met de zijnen wenkte en hen in de poort, aan weerszijden tegen den muur gedrongen, liet post vatten.
Daar stonden zij een wijle angstig uit te zien naar buiten in de tastbare duisternis, bij het loeien van den aangroeienden stormwind, het geklep der alarmklok en het flikkeren der vlamme in de verte aan de andere zijde der stad. Het harte van Freêrijk bonsde van onrust, en een geheime angst maakte zich van hem meester; hij klemde het zinkroer in de hand en tastte naar zijn zwaard, en toch was het hem of hij niet in staat zoude zijn den onbekenden vijand, die uit de duisternis scheen te moeten opdagen te weêrstaan. Niet langer twijfelde hij aan de juistheid van Koltermans voorzorg, die wel te recht aan deze zijde voor onraad vreesde, en hij fluisterde het hem dan ook toe, schoon hij er de opmerking bijvoegde: dat het gevaarlijk was met zulk een geringe macht bij een opgetrokken hamei post te vatten en een zeker veel sterkeren vijand af te wachten. Hij achtte het beter de poort te verzekeren en zich meester te maken van den trouweloozen .lilies.
»En dan niet in staat te zijn al diens handlangers te kennen!quot; hernam Kolterman. »Wij moeten ze allen kennen, anders wordt de aanval herhaald!quot; Hij wendde wederom het hoofd naar buiten, en waagde het een weinig vooruit te steken, zoodat hij de zoutkeet aan zijn rechterhand bespeuren kon. Daar flikkerde en schommelde het licht der lantaren, maar het ontzette hem niet. Hij had vroeger gehuiverd, hij had thands zijne bedaardheid herkregen. »Houdt de roeren reè; ontsteekt de lonten, maar houdt ze verborgen,quot; zeide hij zacht tot Freêrijk, die het bevel tot allen herhaalde. Daar scheen een voetstap op de houten brug te kraken, daar was het of de duistere massa voor hem uit zich begon te bewegen. Kolterman had zich uitgerekt en de hand aan het oor gebracht. «Legt aan!quot; zeide hij zacht. Toen beidde hij een oogen-blik en kon niet meer twijfelen. «Vuur, Freêrijk, vuur!quot; en een twintigtal musketschoten knalden te gelijk. Ter zelfder tijd viel de slaghamei neêr. Men had getroffen, en van zeer nabij â Kolterman had blijkbaar lang gewacht eer bij liet aanvallen â rees het gekreun van gewonden. In denzelfden oogenblik daverde de brug onder de voetstappen van de vluchtenden, die zich verraden
374
dachten en door een haastige vlucht liet verder reikend geschut, dat ze tegen zicli gericht achtten, poogden te ontkomen.
»God lof, ze deinzen!quot; riep Kolterman. De verraders uit de stad zullen voorop zijn gegaan. Er is kans dat ze getroffen zijn.quot; Met een waagde hij zich vooruit naar de zijde van welke het luider geworden gekerm zich hooren deed. Zijn voet stiet weldra tegen een lichaam, dat hij met bijstand van Freèrijk ophief en naar binnen bracht tot in de deur van de wachtkamer, waar men Jilles Maertsz. doodsbleek vond staan.
dVat dien poorter! Jonker Cabeljaauw zal hem oordeelen,quot; gebood Kolterman aan de poorters, terwijl hij binnentrad en op Jilles wees.
Nauwelijks was een lichtstraal op het gelaat van den bezwijmden gewonden gevallen, of een kreet ontglipte Kolterman en zijn broeder. Zij hadden ouden Freèrijk herkend.
»Dus was het in den eeuwigen raad Gods besloten, dat hij door mij vallen zoude!quot; riep Freèrijk geschokt. »Dus heeft de Heere God gewild dat ik Zijne tuchtroede zoude zijn!quot;... Toch was hij mijn vader!quot; zeide hij dof.
Kolterman zag zwijgend op dit doodsbleeke gelaat neèr, terwijl hem een paar tranen in de oogen welden. »Water,quot; zeide hij tot de omstanders, en toen hij het ontvangen had, knielde hij bij den ouden neder, lei zijn wambuis, dat hij had uitgetrokken, onder diens hoofd, om het te steunen, en besprenkelde het met eenige droppelen. De oude sloeg de oogleden op, en poogde adem te halen, hetgeen hem slechts met moeite en onder vreeselijke pijn gelukte. Kolterman boog zich over hem heen. »Vader!quot; fluisterde hij zacht.
De oude had hem verstaan en drukte hem even de hand. Hij hijgde naar den adem en zuchtte: »pijn ... benauwd .. .quot;
Kolterman onderzocht de wonde; zij was doodelijk; de kogel had hem de borst doorboord; het bloed was nauw te stelpen.
Na een oogenblik stenens, scheen hij de overgebleven krachten gezameld te hebben. »Zwijg,quot; zeide hij afgebroken tot Kolterman. »Ik ondernam niets tegen de stad. Een misverstand ...quot;
«Niet alzoo, Heere!quot; zeide Kolterman ernstig. »Het is uwe laatste ure. Gij moet sterven.quot;
De oude trilde. «Neen, neen, niet sterven, nog niet! Heilige Willebrordus, bid voor mij...! Heilige Kalvinus...!quot; Hij zonk achterover, een lichte schok beefde door zijne leden, een vale kleur overdekte zijn verwrongen aangezicht, eenige droppols bloed kleurden zijne lippen, een zucht ontglipte hem ... Hij was dood.
«Moest het alzoo met u eindigen!quot; prevelde Kolterman, terwijl hij hem de starre oogleden sloot. »De Heere God heeft geoordeeld tusschen u en mij. Neen, neen, wij hadden nimmer kunnen vereenigd worden!quot;
37.quot;)
Freêrijk had al dien tijd als vernietigd gestaan. Het was of een ijskoude over zijne leden heenvoer of hem het harte bevroos. Een vreeselijke aanklacht rees tegen hem zeiven in zijn binnenste op. De partijganger was in hem vernietigd, de mensch was in hem ontwaakt. »0 God, hij was een misdadiger, maar ik had hem niet mogen straffen; ik heb zijn leven verbitterd, ik zijn kind, dat hij liefhad!quot; riep iiij met schrille stem, terwijl hij zich met de hand voor de borst sloeg.
Kolterman trad op hem toe en nam zijne hand. «Broeder,quot; fluisterde hij, »die man gaf mij het leven .. . God neme zijne ziele in genade aan.quot; En toen hij hem het geheim had medegedeeld en wat bij beider geboorte was voorgevallen, hetgeen, raadselachtig en vreemd, alleen zijne verklaring vond in clen heerschenden geest dier dagen, in den sektehaat, welke iedere daad in die eeuw lintte, hief Freêrijk de oogen naar boven en gleed het als dankzegging van zijne lippen: »Zoo mag hij mij een vreemde zijn!quot;
Ettelijke maanden zijn verloopen. De lente is voorbijgegaan, de -zomer verstreken, de herfst genaakt. Dagen van rampspoed waren doorleefd, maar de vuist was nog altijd om het gevest van het zwaard geklemd en hield het lemmer geheven. Langzaam was het ontbloot, maar ook niet dan na het mogelijke te hebben beproefd, zou het weder worden opgestoken. Wel tuigde het voor den vasten moed der burgeren, dat men nog wilde volharden na den ongun-stigen keer der goede zake, in het innemen van zoo vele steden door den vijand, die opdaagde met overmacht; een vijand, die tevens geoefende krijgers te stellen had tegen de saamgeraapte scharen van poorters en huisliên. Gantsch Holland, behalven Amsterdam, was op Enkhuyzens voorbeeld den Prinse wei toegevallen, maar wat de toekomst der steden zoude zijn bij den naderenden aanval, mocht worden afgeleid uit hetgeen in het Zuiden had plaats gehad. Bergen, door Graaf Bodewijk ingenomen en met leeuwenmoed verdedigd, was gevallen. De Prins van Oranje, met een leger te velde getrokken, was door de krijgskunst van het Spaansche legerhoofd in al zijne bewegingen verlamd, door de gehuurde knechten verlaten en zonder middelen tot de aanwerving van een nieuw heir. Mechelen was geplonderd, en de gruwelen daar geschied deden de spieren krimpen en zwellen in den arm Aan den opgestanen West-Fries.
Het verraad loerde van binnen, want de Roomschgezinde die den vreemdeling meè had helpen bestrijden, ontwaarde weldra dat
376
hij slechts streed voor de vrijheid van wie later zijn onderdrukker-moest worden, dat hij streed voor het behoud eener leere, die zijne Kerk ondermijnen moest tot instortens toe.
Poorters en huislièn waren uitgeput door de nachtwake op de wallen of den zwerftocht langs het veld, verarmd door de lasten des oorlogs en de plondering van eigen Soudeniers, die, slecht aangevoerd en voorgegaan, noode betoomd en georaend, een last voor wie zij een lust, ten schrik werden voor wie zij ten steun moesten zijn.
liuyskes en Semeyns hadden het hunne opgeofferd tot heil der goede zake. Toen de aangenomen knechten in de eerste dagen van den overgang bij niet-betaling de stad dreigden over te leveren, voldeden zij aan den eisch door hun eigen vermogen op te brengen en beider voorbeeld werd door velen gevolgd. Zouden al die offers, zoude al dat streven nutteloos blijken; zou de strijd eindigen met eene nederlaag?
Er waren oogenblikken van neerslachtigheid, oogenblikken, waarin zij wanhoopten en Rietlus er van gewaagde, om wat hem restte te verzamelen, en een beter, een vrij vaderland op te zoeken. Maar eene welsprekende stemme deed dan de armen weder reppen, het fletsche oog weder vonkelen en de lippen stameren; sVolhard tot den einde . .. !quot;
Het was die van Kolterman, die van plaatse tot plaatse reisde en overal den twijfel aantrof, maar ook de hope achterliet.
Men zoude het opgehangen tafereel wel ontrouw gelooven, indien men Enkhuyzen op den morgen van den twintigsten Oktober had aanschouwd. In stede van moedeloosheid stond er blijde verwachting op aller gelaat te lezen, in stede van gebogen schouderen, zag men opgeheven hoofden en den glimlach op de lippen. Llijde woorden werden er gewisseld tusschen de duizenden, welke zich op de straten bewogen, alle indezelfde richting, alle zich haastende naar de zijde der zee. Geen wonder, want van daar zou de redding opdagen! Aller oogen waren strak gevest op de kust aan gindsche zijde en het vurig en innig verlangen kortte het geduld. De stad scheen in feestdos. De Prinsenvlag wapperde in breedo plooien van de kerken en uit alle huizen aan de haven. De Watergeuzen hadden de helmen glad geschuurd; de Soudeniers ondei Jonker Cabeljaauw stonden in slagorde geschaard en hadden het Oranjevendel hoog geheven. Een heerlijke herfstzon overlichtte de woelige groep en gloeide op het koper en flikkerde op het staal. Daar knalt een schot langs het spiegelvlak der zee en het wordt verdoofd door den kreet uit duizend monden aangehe\en. Daar doemen de galeien op uit de baren, daar zwatelen de vlaggen, daar zwenkt de vloot de haven in, en de vaandels wapperen,, de mutsen zwaaien, de juichtoon wordt bestemder en de leuze klinkt in het ronde met eene kracht, als wilde ze het vijandige
377
Amsterdam op zijne palen doen schudden, de leuze van: «Leve de Prins, leve vader Willem!quot;
Daar stond hij op de plecht der voorste galei naast den wakkeren Buyskes. De tijd was gekomen, dat er eenheid moest worden gegeven aan aller streven, dat éene gedachte den arbeid van een gantsch volk besturen moest. Daar stond hij met den glimlach ap de lippen, groetend en knikkend, als wist hij zich te midden der zijnen, te midden van een huisgezin, waarvan hij het hoofd zoude zijn. Daar stond hij, wien liet ten verwijt is gemaakt, dat hij list heeft gesteld tegen list, en geweld tegenover geweld, maar wien de partijhaat evenmin van het voetstuk, waarop het nageslacht hem plaatste, kan doen nedervallen, als de strijd tegen de overmacht hem ooit kon doen terugtreden, als de lasten, saam gedragen, de rampen saam geleden, ooit de liefde van zijn volk jegens hem hebben kunnen doen slappen en koelen.
Hij stapt aan land en schrijdt voort te midden der menigte, die de armen naar hem uitstrekt als om hem op te heffen en voort te dragen. De hooggeborene acht het niet beneden zich de grove vuist te vatten van poorter en gezel, of' gulle woorden te wisselen met visscher of bootsman en iedere handdruk geeft moed, en ieder woord stort nieuwe hoop in de harten. Hij staat een wijle stil bij een jonkman met een vrouwken aan den arm. «Blijde dat ik u zie, wakkere vriend!quot; zeide Willem, terwijl hij hem op den schouder klopte. »Gij hebt bange uren doorleefd, maar heeft de Heere daarboven ons nog meerdere beschoren, dan zullen wij ze in de toekomst saam doorleven ... Naar ik alevel merke hebt gij reeds een gezelle gekozen ..
«Mijne vrouw,quot; zeide Kolterman, Marijken den Prins voorstellend. «Uwe Excellentie oordeelt als altoos juist. Maar staat mij ook zulk een lieve gezelle ter zijde. Uwe Excellentie zal mij toch gereed vinden zoo vaak zij mij tot zich roept. ..quot;
sik twijfele daaraan niet en hope u spoedig, zoo het kan in den nanoen nog, op het Stadhuis te ontmoeten. Wij hebben daar veel te overleggen. Gij blijft voortaan bij mij, voor 't minst zoo ge wilt. Joffer! ik wenschte een baronnie te bezitten om haar te kunnen weg schenken aan uwen man...quot;
»lk danke Uwe Excellentie innig voor hare goedheid te mij-waart,quot; zeide Kolterman, aan wien de blozende Marijken zich vastklemde. »Zij geeft mij moed tot het uiten eener bede, die niet zóó veel vordert... Het is een vendel voor mijnen neve, Heere Freèrijk Simonsz., een innig vereerder der goede zake..
»Wensch hem geluk als Hopman; hij melde zicli aan bij Heere Sonov,quot; zeide de Prins, die na Marijken vriendelijk toegeknikt, en 's jonkmans hand gedrukt te hebben, voort ging.
Denzelfden avond betrad Freèrijk Koltermans woning. Schoon beiden tliands bekend waren met het geheim hunner geboorte,.
378
wisselden zij niet van naam. Het voorgevallene moest een geheim blijven voor altoos, daar het voor de Schepenbank of den Hove tot geenerlei uitspraak konde leiden. Freêrijk had dat huis nog niet betreden; hij miste den moed om Marijken te zien. De verandering bij hem, reeds bij den overgang der stad bespeurd, had stand gehouden en de prediker was bij hem ondergegaan in den soldaat.
Zou de hopelooze liefde, thands teruggedrongen naar het diepste diep van zijn harte, en daar weder voor altijd verborgen na een oogenblik te zijn te voorschijn getreden, ook invloed hebben geoefend op zijne keuze, en hem het slaggewoel hebben doen kiezen boven de stilte van liet studeervertrek? Het werd niet door hem erkend; slechts wees hij, zoo dikwerf hij over zijne roeping als krijgsman sprak, op Heere Bardes, zijn grootvader, door beulshand verminkt.
Vurig greep de jonkman Koltermans hand. »Ik ga reeds morgen van hier naar Haarlem; ik danke u, innig vereerde broeder, voor uwe tusschenkomst!'' Toen naderde hij schoorvoetend Marijken, en met nedergeslagen oog stamerde hij: «Vergeving...!quot; Zij liet hem niet verder spreken, maar sloeg hare armen om zijn hals, en riep hem toe: «Lieve broeder, God geleide u!quot; en fluisterend voegde zij er aan toe: Hij geve u ruste.quot;
Freêrijk verstond dat woord, en hij andwoordde door een handdruk. Hij wendde zich naar een hoek der kamer, waar Heere Bardes sluimerde: «Beste vaêr,quot; zeide hij geroerd, »gij zult uwen kleinzoon nimmer kennen! Hij gaat u wreken op uwe beulen. Arme gemartelde, de Heer der Heirscharen hoore mijn eed: ik zal ze doen lijden, die u deden lijden, en zoo ik een Jozua ware, ik -zou de zonne gebiede stil te staan, opdat de dag der slachting eindeloos mocht zijn...! Beste-vaêr, eens hoop ik naast u te slapen!quot; Hij drukte een kus op het voorhoofd des ouden en ijlde heen.
Nog een andere gast kwam hem dien avond bezoeken. Het was Pater Andreas, die Marijken noch Heere Bardes vergeten kon. Uit de oude Kerk gestooten, was hij toch de nieuwe niet binnengetreden en was daarom geschuwd en gehaat bij beide partijen.
Kolterman had hem aangeboden huis en hof met hem te deelen, maar vriendelijk sloeg hij liet af. «De zonderlinge oude zon u hinderen. en ook, stil te zitten als men nog vlug loopen kan!quot; zeide hij glimlachend.
De zeventigjarige wilde nog werken voor het brood, en had, met behulp van Rijkert Claesz., wien hij echter had moeten belooven niets te leeren tegen de eenige ware Gereformeerde Religie, een school opgericht, waar hij der jeugd het latijn onderwees. Hoe opgeruimd hij meestal scheen, toch had hij oogenbiikken van neêrslachtigheid, en als men hem dan vroeg wat hem deerde, gaf hij immer ten andwoord: Dat hij zijne vrienden beweende. Die
379
vrienden waren zijne in de vlammen omgekomen boeken. Opgeruimd kwam hij echter thands zijn gewoon avondbezoek brengen en zette bij zich neder tusschen de beide echtgenoten. »Zie, ik voele mij hier als verjongd; het geluk straalt mij tegen uit uwe blikken, het doet mij goed, kinderkens...! Ik heb u te groeten van eene lieve vriendinne. Kunt gij niet raden van wie? Mat het brein maar niet af met dus te peinzen,quot; plaagde de oude. sik zegge het u liever. Het is van Wenda; zij vertrok naar Amsterdam.quot;
»Naar Amsterdam?quot; vroegen beiden, »en zij nam geen afscheid van ons!quot;
«Haar vader is derwaards gereisd om zich bij den Spaanschen Stadhouder te voegen en gebood vrouw en kind hem te volgen. Zij maakte mij een groot geschenk; ik kreeg hare bloemen, die ik lief kreeg sinds ik mijne andere vrienden verloren heb. U heeft zij eene wonderlijke gedachtenis gegeven, zoon Jan!quot; vervolgde de oude tot Kolterman, terwijl hij hem eenige verwelkte bladen van een viooltjen overreikte. «Die moest ik u geven en daarbij melden, dat de andere bladen van die bloem door haar in den bijbel waren gelegd, dien zij van Rijkert Claesz. had ontvangen en heimelijk mede nam naar Amsterdam.
»Dus zal zij hare bloemen niet meer plegen,quot; zeide Kolterman.
«Het woord des levens schenkt haar betere, schenkt haar bloemen die niet verwelken,quot; zeide Marijken. «Liefste, uwe kennismaking was haar gewin.quot;
Den volgenden morgen riep de klok der St. Pancras de gemeente tor onderlinge samenkomste op. De schoone kerk kon nauw de schare bevatten, die, voorgegaan door Rijkert Claesz., thands vaste predikant dor Enkhuyzer gemeente, den lofpsalm aanhief voor den hun toegezonden redder, tot wien aller blikken zich richtten.
We ontmoeten er vele bekenden. Kolterman voert Marijken naar hare plaatse en neemt Heere Bardes met zich naar zijne bank. Het was een weemoedig schouwspel, den krankzinnige het Woord Gods met bevende hand te zien opslaan, als ot liet ook voor hem troost bevatte, en hem met trillende stemme den zang mede te hooren aanheffen. Er zweefde een glimlach op zijn gelaat. Verder herkennen wij vrouw Lijzeen zelfs in gindsch gestoelte Reinier Feyntes nevens menig lid der vroegere Vroedschap, die naar voren zijn gedrongen om in de nabijheid te komen van den Prins van Oranje, aan wiens zake zij zich nu hebben gewijd. Niet langer behoefde de Gemeente weg te schuilen in het duister; vrij mocht de leere verkondigd worden op de plaats, waar die barer vervolgers, maar thands, helaas! vervolgden geworden, nog kort geleden gehuldigd werd. Fier werd het hoofd omhoog gestoken, luide werd liet lied aangeheven. krachtig klonk de opwekking des predikers.
Men gevoelde, dat de strijd tegen den machtigen vijand thands eerst zoude aanvangen; men zocht een bondgenoot en beschermer
380
en vond dien in den Vader der Lichten, den Heere der Heeren, den Almachtigen God!
Kolterman volgde met de zijnen den Prins naar Delft, van waar hij werd uitgezonden, om den last zijns verheven meesters te volvoeren, het zij in het kamp van 's Prinsen hopluiden, het zij in de raadzaal der Heeren Staten. En wanneer het opontbod klonk, dat hem van Marijkens zijde riep, dan blonk er eerst wel een traan in hel oog van zijne geliefde, die haar kroost enger aan het harte drukte, maar dan zweefde er spoedig ook een glimlach over haar bleek gelaat, en lispelde zij haar oudsten toe, teiwijl zij haar man zag heensnellen: »Freèrijk, jongen, wees eenmaal als uw vader!quot;
Zoo vaak Heere Bardes zich vertreden ging, en waggelend en schoffelend voortsloop, de spelende kinderkens groetende en toeknikkende, met den weemoedigen glimlach op het bleeke gelaat, dan drukte menig zoon zijn bestevaêr, menig vader zijn zoon in de armen en steeg er een dankgebed tot God omhoog, dat hij hen verlost had van de beulen der conscientie en de moordenaars der ziel.
Eens, het was in den herfst van het jaar vijftien honderd vier en zeventig, zat Marijken naast de wieg van haar jongste â een meisjen blond als de vader â neder. Een vrolijk lied vloot van hare' lippen, want wat zij lief had was om haar heen.
De kleine Marijken wilde niet slapen. De moeder sloeg het wiegekleed omhoog en zag het blanke blozende Engelenkopjen lachen op de kussens en de handtjens uitgestoken. Kolterman zat aan het vuur met zijn Freêrijk op den schoot en vertelde den wilden jongen van helmkappen en borstharnassen, van vlieboten en matrozen, van land en van water, en de jongen danste en schaterde het uit van genot. De oude Bardes zat in een makkelijken leunstoel naast Marijken bij de wieg en maakte kushandtjens voor de kleine, terwijl hij een brommend geluid deed hooren dat zingen beteekenen moest. De oude voegde wel bij die wieg. De afgeleefde grijsheid naast de prille zich zelve nauwbewuste jeugd!
liet was een heerlijk tafereel van huiselijke vrede, van huiselijk geluk, een tafereel tot welks bezieling de zonne, die hare stralen mildelijk door de vensters goot, niet weinig toebracht.
Daar viel de klopper op de voordeur neder. Een zware voetstap dreunde in den aancr. De kamerdeur ging open en een hopman trad binnen wiens bruin geschroeid gelaat het slagveld, dat hij zeker nog niet lang verlaten had, herinnerde.
Kolterman en Marijken sprongen op met een kreet van verrassing. »Freêrijk, beste Freêrijk!quot; klonk het uit beider mond.
Het was de eerste maal dat hij in die woning kwam.
sik was op mijne doorreize naar Rotterdam,quot; zeide hij. »Ik moest u komen zien en het blijde nieuws vertellen. Leyden is ontzet!quot;
381
ft oéc? ^ - h
Toen de roes der eerste vreugde voorbij was en Kolterrnan naast zijn neef aan hel vensterraam bij een kanne biers nederzat en de laatste hem fluisterend vroeg: »Zijt gij gelukkig?quot; klonk het andwoord van trillende lippen: «Als de Engelen Gods in den Hemel!quot; En toen hij zich tot Freêrijk overboog en diens hand in de zijne nam, en hem in de oogen staarde en vroeg: »En gij, lieve broeder?quot; klonk het wel niet zoo juichend en jubelend maar toch vast en bedaard: «Beste-vaêr is gewroken. Ik heb de ruste gevonden die ik zocht, ik ben gelukkig!quot;
Eere zij der stad, die het eerst de boeien afwierp en zooveel toebracht om hare zusteren op te wekken uit den slaap. De moedige daad erlangde hare belooning, want even als zij de eerste was geweest in moed, werd zij de eerste in welvaart, in handel en macht.
De dagen barer heerschappij zijn echter vervlogen; hare huizen waggelen op de grondvesten en storten in puin; hare havens zijn ledig, hare paleizen zijn gesloopt. Ik heb haar gezien in haren rouw en getreurd bij hare vernedering. Haar rest niets dan een roemrijk verleden, en ook dit, het bestaat voor hare meeste inwoners niet. Nergens toch eene herinnering, nergens een grootsche gedachte, door de hand des kunstenaars op het doek onder aanschouwelijke vormen gebracht! Indien men het vernieuwd Stadhuis, het algemeen eigendom der stede, waar zij hare schatten moest hebben verzameld, betreedt, dan zoekt ge te vergeefs naar de beeltenissen van Semeyns, Brouwer, Buyskes of Rietlus, naar eene voorstelling van den eeuwig gedenkwaardigen een en twintigsten Mei, toen een nieuw leven voor haar en hare zusteren begon. Slechts smake-looze, kilkoude allegoriën ontsieren de wanden, of afbeeldingen van onmogelijke Romeinen en Grieken, bij wier beschouwing niemant zich meer zoude verbazen dan de beide volkeren zeiven, indien ze uit hunne graven mochten opstaan. Getuigt het niet tegen hare burgers, dat deze in de dagen van welvaart de vaderen, aan wie zij haar verplicht waren, hebben kunnen vergeten, en wordt het vonnis: «verzink en vergaquot;, over hare vesten uitgesproken, schier niet gewettigd en verklaard ?
Slechts op éene plaats wordt de verbeelding naar het gister teruggevoerd; het is op de zerken harer schoone kerken, bij de in steen gehouwen lijst harer dooden. Onttroonde Koninginne, die lijst is uwe grootste schat, het is de brief van uwen adeldom!
mmrv- r â¢-vs VOOR NEDES-EANDSE TA.ALEN LETTERKUNDE AAN DE tllTKSUNIVBRSÃTEIT XE UTRECHT