I. J ---L
-tâ .?*«» ïk'.JF5*Si(.
tó^ï1 litóÃ? 2^4 ^k'flR? *^j|- rJ^v fftl * li lil â¢' ^ ^^5
â M fit
â rfquot; ''.'.it
: ?. s
v.;
d; ftö. mté
â -/ï?: 4.
mmmmm
m*mmm$s!è.
â imjg'
li-'
'â :â¢â¢ pEMÃ^HÃgÃa
⢠I*' ** jê â quot;quot; â -' J(Ã: 'v ^ ^ *' ^quot;
' «b^ü
Iks'- i â .--f
;mm m
v ï « ' s' -
:â â¢} quot;â .â '. ft y J, ^ '»t, ? ; -v !. . ',','i
#nquot;i:; jib ' â j
⢠lï 'Kt
⢠' j *gt;).â¢gt;â ,
^ 1 i
j# *m â¢
®.-4. jii1.- â ?
V
\
SCII E T S E N
Dquot; etgt;ö,IS|,
DEN ATJEI1-00RL0G
P SCHOEMAKER
l'1 Lu iiuxm-Un'.'
1. Legcr
/ voor geschiedenis rijks-universitejt
DERDE DRUK
's - G R A V E N 11 A C} K
w. P. VAN STÃCKUM amp; ZOON
1SS9
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0924 8059
SNUU'liKSDUUK VAN II. C. A. TIllliME TE MJMEOKN.
VOORBERICHT.
Het doel dat wij beoogen met deze eenvoudige schetsen en verhalen is, bij den landgenoot waardeering op te ivekken voor het Neerlandsch-Indische leger en de belangstelling levendig te honden voor den Atjeh-oorlog.
Hoogachting voor onze dappere wapenbroeders, eerbied voor de Oranje-vaan gaven ons aanleiding, de pen op te vatten tot het samenstellen van dit bundeltje. De gegevens ontbraken ons echter om alle belangt ijke en schitterende wapenfeiten te behandelen; zvij moesten ons hoofdzakelijk bepalen bij eigen herinneringen en verhalen van anderen.
Mocht echter deze onze eerste pennevruchtgoedkeuring' vinden, dan zullen zvij beproeven een tweeden bundel te doen volgeti, en stellen ons voor een beroep te doen â zoo zuij hopen niet te vergeefs â op de welwillendheid der Indische kameraden, ten einde zij ons die gegevens verstrekken, zuelke ons in staat zullen stellen, nog menig voorbeeld v(in moed, beleid en trouw aan de vergetelheid te ontrukken.
j. P. SCHOEMAKER
I N II 0 U 1).
Bladz.
VAANDEL-EPISODE BIJ HET GF.VECIIT VAN I.EMBOE I
VEROVERING VAN SOERIAN.........I 5
VEROVERING VAN LAMBAKOE........25
HET SPOOK ..............37
OVERROMPELING VAN EENE ATJEHSCHE WACHT 49
ONZE AMBOINEESCHE SOLDATEN .... 57
SARINA................6l *
GESTRAFT EN BELOOND..........69
GEVANGRNNEMIMO VAN EEN ATTKHSCIIEN HOOFDMAN .............. t 72
TOCHT NAAR- LEPONG ONDER MAJOOR DIEPEN-
HEIM................go
BIVOUAK TE ANABALOE..........90
INHOUD.
Bladz.
EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN...... 98
EENE ATJEHSCHE VROUW ; KARAKTERSCHETS . . IQ/ HET PATROUILLE GEVECHT BIJ TJOT-RANG ; EPISODE
UIT HET BURGERLIJK BESTUUR......t l6
GEVECHT BIJ LANGOED ....... 136
Xquot;
VAANDEL-EPISODE BIJ HET GEVECHT VAI^ LEMBOE
op den 2j December i8yj.
De dag van 25 December 1873 is in de geschiedenis van den Atjeh-oorlog beroemd geworden, niet alleen door de vermeestering van de geduchte vijandelijke stelling te Lemboe, maar ook door de historisch geworden vaandelepisode, die daarbij plaats vond.
Duidelijk is toen weer gebleken hoe groot het overwicht van de Oranje-vaan is, en hoe zij den krijgsman met moed en geestdrift weet te bezielen.
Onzen niet militaire lezers is het wellicht onbekend, wat het vaandel beteekent en waartoe het dient: het herinnert den krijgsman aan zijn eed van trouw, daaronder gezworen ; het is de genius, die hem voortdurend zijn plicht en zijne roeping voor oogen houdt. Het vaandel dient tot vereenigingspunt van het corps, dat voor zijne verdediging het leven ten offer heeft te brengen; en als een teeken, dat alleen door moed bestendig op de baan van eer en overwinning kan gehouden worden.
1
VAANDEL-EPISODE BIJ
Het doel van Generaal van Swieten om de Atjeh-rivier in zijne macht te hebben, als het voornaamste uitgangspunt van den vijand naar zee, was gelukt.
Reeds had hij dezen stroom tot Penajong â een kampong pl. m. 1V2 uur gaans van de monding gelegen â en aldaar zijn hoofdkwartier opgeslagen. De vijand zou nu den strijd wel opgeven^ zoo meende de bevelhebber, daar het sluiten van dezen voornamen handelsweg zijne bronnen van bestaan moest doen opdrogen.
Hoezeer had hij zich bedrogen!
Niettegenstaande de vijand bij herhaling de kracht onzer wapenen had gevoeld, en voortdurend tot wijken was genoodzaakt, scheen hij toch nog niet ontmoedigd, want niet alleen verontrustte hij het bivouak te Penajong, maar trachtte door het opwerpen van versterkingen langs de oevers van die rivier, het verder doordringen der troepen te beletten.
Daar Penajong een krachtig uitgangspunt bood voor de verdere operatiën, en men van hier langs de rivier eene veilige gemeenschap had met de schepen, zoo werd besloten dit bivouak te versterken. Beide oevers werden door eene tijdelijke brug verbonden, waardoor met kampong Djawa, aan den anderen oever, eene betere communicatie tot stand kwam.
Kampong Djawa was door een bataljon infanterie bezet en om gezondheidsredenen werd op den 2 December 1873 ook het hoofdkwartier naar dien kampong verplaatst. Het bivouak bleef echter den naam van Penajong behouden.
2
HET GEVECHT VAN LEMBOE.
omdat dit terrein binnen de schildwachtenketen lag.
Het plan van Generaal van Swieten was nu, om den kraton van den Sultan (Alidin-Mackmoed-Shah) machtig te worden.
Alvorens tot verdere operatiën over te gaan, besloot hij nogmaals met den Sultan in aanraking te komen, ten einde hem bekend te maken, waarom de Nederlanders zijn gebied binnendrongen, cn op welke voorwaarden de vrede kon gesloten worden. Reeds op [ December 1873, kort na het betreden van den Atjehschen grond, had de generaal een schrijven gereed, om den Sultan te wijzen op onze onoverwinbare macht; tevens werd hem daarin met ernst en oprechtheid geraden, niet te luisteren naar hen, die den oorlog wilden voortzetten. Ten slotte verzocht degene-raai hem, spoedig eenige lieden te zenden, die, zoo de Sultan den vrede wenschte, onze voorwaarden zouden vernemen.
Generaal van Swieten, die steeds op het oorlogvoeren menschlievende begrippen wilde toepassen, voegde bij dezen brief nog een tweeden, houdende belofte om, zoo de oorlog moest voortgezet worden, de krijgsgevangenen en gewonden behoorlijk te behandelen en te ver plegen en niet met wreedheid te werk te gaan; kortom den oorlog te voeren, zooals het aan beschaafde natiën betaamt, met uitnoodiging wederkeerig zoo te handelen. Het was Generaal van Swieten ernst om den oorlog met menschlievendheid te voeren ; dit bleek reeds uit zijn Dagorder voor Land- en Zeemacht dd. 23 November 1873.
Onder meer luidt de dagorder als volgt:
»Duldt niet dat uwe vaandels, op den vijandelijken bodem overgebracht, door roof en brandstichting worden
3
quot;I
4 VAANDEL-EPISODE BIJ
ontsierd. Hen, die de wapenen tegen u keeren, moet gij
met dapperheid en volharding bestrijden; vrouwen en tc kinderen, en mannen, die zich vreedzaam gedragen, moogt
gij geen leed doen.quot; V
sVijandelijke versterkingen moogt gij onschadelijk ma- h
ken. De woningen en kampongs moogt gij niet vernielen. g
Het zijn misdrijven, die met den dood gestraft worden, ri en die u van de middelen berooven, om onder dak te
komen of beschutting te vinden.quot; z
De brieven voor den Sultan zouden door tusschenkomst o
van het hoofd der XXV Moekims, Radja-Moeda-Satio, ri
worden overgebracht; toen het op handelen aankwam, e
weigerde hij zijne belofte te vervullen, uit vrees, dat zijne n
landslieden zich op hem zouden wreken, omdat hij zich c
aan ons had onderworpen, z
Toen bood Kapitein Vervloet zich aan om den brief
naar den Kraton te brengen, maar de generaal weigerde j:
hem deze gevaarvolle opdracht te laten vervullen en vond r
het raadzamer het aanbod aan te nemen van zijnen trou- r
wen inlandschen tochtgenoot van Bali, Boni en Atjeh, c
den zeventigjarigen Mas-Soemo-Widikdjo, die reeds bij \
vroegere expeditiën blijken had gegeven een goed onder- i
handelaar te zijn. Zijn Mahomedaansch geloof en bruine r
kleur wekten minder verbittering dan een Nederlandsch c
officier, meende de generaal. (
Op den 22sten December, dus drie dagen voor den aan- |
vang van ons verhaal, aanvaardde de grijsaard vol moed ( zijne zending; zijn gevolg bestond uit den Maleijer Ma-
Asrah, de Javanen Mas-Kerto-Soedira, Soeroe-Melangi en :
den radén Togoeh. 1
HET GEVECHT VAN LEMBOE. 5
iï'J Een bewoner van kampong Penajong wees hun den weg
-n tot aan de vijandelijke versterking.
Helaas! de onzen hadden den trouwen Mas-Soemo-Widikdjo voor het laatst gezien Met onmenschelijke wreed-a' heid heeft men hem een gruwelijken marteldood doen onder-
n' gaan. In strijd met de allereerste beginselen van het volken-
n' recht, hadden dus de Atjehers onzen zendeling behandeld !
â e De bijzonderheden van deze zending vernam men van
zijne volgelingen, die, als door een wonder, den dood ontkwamen. Nadat Mas-Soemo-Widikdjo met gevolg bin-^ nen de vijandelijke linie was gekomen, werden zij door
1} eene bende Atjehers aangehouden. De ontvangst was wei-
e nig bemoedigend en voorspelde niet veel goeds. Na het
h doel van hunne komst bekend gemaakt te hebben, ver
zocht Widikdjo tot den Sultan te worden toegelaten.
Inmiddels verscheen Toekoe Talang, gevolgd door de e panglima der XXV en die der XXVI Moekims ; de eerste
d nam de brieven in ontvangst. Eene steeds aangroeiende
lquot; menigte Atjehers omringde onze gezanten; reeds gingen
'⢠er stemmen op, om hen te vermoorden; van alle kanten
U werden zij door ruwe handen aangegrepen, en Mas-Soe-
mo-Widikdjo werd zelfs zijne Sirih-doos ontnomen. Ware e niet in tijds een Hadjie (Priester) tusschen beide gekomen,
h onze gezanten waren zeker vermoord geworden. De Hadjie
deed de woeste bende opmerken, dat nimmer leed mocht geschieden aan een zendeling, en dat zulks te allen tijde 3 door de Sultans was in acht genomen.
Een bewijs, dat de x^tjehers niet zoo geheel onbekend i zijn met de gebruiken en dat derhalve het schenden van
het volkenrecht hun wel degelijk aan te rekenen is.
VAANDEL-EPISODE Bil
De eerste dagen hadden onze gezanten niet te klagen over mishandeling ; de voeding was echter meer dan slecht. Nadat zij ruim 14 dagen gevangen gehouden waren, ontvingen zij de mededeeling den volgenden dag te moeten sterven, en werden daarop stevig gebonden en bewaakt. Des avonds tegen 6 uur liet men hen alleen, en nam Mas Kerto Soediro deze gunstige gelegenheid waar om de touwen, waarmede hij was gebonden, stuk te bijten, en bevrijdde ook de beide anderen. Omstreeks 7 uur slopen zij langs de huizen, en begunstigd door de duisternis en het dichte struikgewas, bereikten zij de rivier.
Soeroe Melangi had de onvoorzichtigheid nog een oogenblik aan wal te vertoeven, werd ontdekt, andermaal gevangen genomen en naar de rivier gesleept, waar hij zoo lang onder water gehouden werd tot men hem dood waande ; hij ontving nog twee lanssteken in de borst en werd daarna in een kuil geworpen.
Groot was de verontwaardiging der onzen, toen het gebeurde met de gezanten bekend werd. Algemeen was de meening, dat de Atjehers geen goede behandeling meer verdienden. De gevangen Atjehers toch werden niet alleen goed verpleegd, maar men gaf hun later de vrijheid en ten overvloede nog een geschenk in geld. Den vijand was dit bekend, zoodat onze troepen met recht minder wreedheid van hen mochten eischen.
Het spreekt vanzelf, dat dergelijke laaghartigheid een geduchten slag toebracht aan de gemoedelijkheid der soldaten.
Generaal van Swieten, die nu inzag, dat zijne goedheid tegenover zulk een vijand geen uitwerking had, be-
6
I
HET GEVECHT VAN LEMBOE. 7
Ten sloot daarom weer krachtig op te treden. Steeds had
hij getracht met de bevolking in aanraking te komen, int_ om hun onze goede bedoelingen kenbaar te maken, maar
ten nu de resultaten niet aan zijne verwachting beantwoord-
den, was het noodzakelijk door wapengeweld tot eene las bevredigende oplossing te geraken. Het plan om den
de Kraton machtig te worden werd thans ten uitvoer ge
en bracht. Zwaar vesting-geschut werd langs de rivier naar
)en Penajong gevoerd, om de verovering door een bombar
en dement te bespoedigen.
Volgens ingewonnen berichten moest ten Z. van Pena-;en jong eene grasvlakte gelegen zijn, en zooais verondersteld
aal werd, bood deze eene geschikte plaats tot het aanleggen
hjj van belegerings-batterijen, om den Kraton te beschieten.
oc} Ten einde de juiste ligging der bedoelde vlakte te wete.i,
en zou nog eene verkenning in Z.-O. richting gedaan worden.
iet * .-I;
/as
ng Op den 25sten December 1873 had deze verkenning plaats,
iet welke verkenning meer algemeen bekend staat als: jgt;het
rij. gevecht bij Lemboe.quot;
en Omstreeks 8 uur in den morgen verlieten de troepen
het bivouak.
De tot deze verkenning te bezigen troepen-afdeeling en was samengesteld uit;
jer het rechter en linker half 3e bataljon,
drie compagnieën artillerie, jj. 7.2 compagnie mineurs,
een detachement cavalerie.
8 vaandel-episode bij
De troepen stonden onder bevel van den Kolonel nie
Wiggers van Kerchem. De Kapitein van Daalen, van den me
generalen staf, werd hem als staf officier toegevoegd. hei
De Generaals van Swieten en Verspijck zouden de zot verkenning volgen.
Ternauwernood waren de troepen buiten het bivouak, of hal zij werden uit het Oosten en Zuidoosten hevig beschoten. ste De kampong, waaruit men bestookt werd, was door den de vijand goed versterkt; eene lange, gebroken borstwering be omringde den kampongrand, en de zwakste punten waren door eene natte gracht omgeven, Oc Het was Generaal van Swieten echter niet te doen do om een gevecht uit te lokken, maar om zich te overtuigen do van de aanwezigheid van bedoelde vlakte, weshalve hij be een ordonnance-officier naar den colonne-commandant zond met last, de troepen zuidwaarts te doen trekken be en de richting te volgen van de Atjeh-rivier. he De hoofdmacht zwenkte toen in de bevolen richting, mi maar werd ook op dezen weg hevig beschoten uit ver- bij schillende vijandelijke versterkingen. Deze stelling der ba Atjehers bleek eene goed aaneengeschakelde linie te zijn, ke die met veel oordeel en kennis aangelegd was. Er werd , aflt; nu onmiddellijk besloten de vijandelijke positie aan te dr vallen en te nemen. Door de artillerie ondersteund, rukten de de troepen vooruit en geraakten weldra in een zwaren te strijd. Hevig was het vuur van onze artillerie, die onophoudelijk op de bentings en andere versterkingen schoot. zit Het gevecht was geweldig. va In weinige oog'enblikken was de lucht zoo met kruit- dlt; damp bedekt, dat men de verschillende afdeelingen bijna aa
HET GEVECHT VAN LEMBOE. 9
nel niet meer onderscheiden kon. De vijand verdedigde zich 3en met groote dapperheid en het was den onzen niet mogelijk hem met zulk eene geringe macht tot wijken te brengen, de zoodat de generaal versterking moest ontbieden.
Het rechter half en linker half 9e bataljon en eene , of halve batterij artillerie kwamen de colonne toen onderen. steunen. Inhetbivouak waren de overige troepen ook onder ien de wapens gekomen, en stonden gereed om bij het eerste ing bevel op te rukken.
'en De eerste aanval was gericht op kampong Lemboe.
Ook deze kampong was omringd door eene reeks kleine ien doch sterke versterkingen, die door geduchte bamboe-jen doerie-versperringen eene groote mate van stormvrijheid hij bezaten.
int Nadat de artillerie het gevecht had ingeleid, rukten
:en beide halve bataljons van het 3e ernstig en kalm naar het punt van aanval Vreeselijk was het vuur dat zij ig, moesten doorstaan, doch niet de minste weifeling was sr' bij hen merkbaar. â Het is een dapper corps, dat 3e Ier bataljon ; reeds menige beslissende slag was van deze wak-jn, kere strijders uitgegaan. â Bijna gelijktijdig kwamen de rd afdeelingen aan de bamboe-doerie-versperringen. Terwijl te dit bataljon den kampongrand ten westen naderde, rukte en de luitenant-kolonel Engel met het rechter half 9e bataljon en ten noorden daarvan aan
'P' De vijandelijke positie geleek een vuurstroom, welke
Dt. zich over de geheele linie uitstrekte; de doffe schoten van lila en donderbus werden echter goed beantwoord it- door onze achterladers. Het voordeel was nog steeds na aan 's vijands zijde, want niet alleen was hij gedekt
VAANDEL-EPISODE BIJ
opgesteld, maar ook zijne versperringen beletten onze troepen met de bajonet aan te vallen.
Toen het den troepen niet mogelijk was door de bamboe-doerie-versperring heen te dringen, beval kapitein van Daalen, die zich bij het 3e bat. bevond, zijnen manschappen het vuren te staken en de hakmessen te trekken om daarmede de versperring weg te ruimen. Onze soldaten gehoorzaamden zonder dralen, en bleven, ondanks het moorddadig vuur, koelbloedig doorkappen, zonder evenwel de zware versperring te kunnen machtig worden.
De adjudant vaandeldrager van Bredow werd ongeduldig, en vreezende, dat de soldaten ten laatste den moed zouden verliezen, drong hij met de Oranje-vaan in de hand voorwaarts, werkte zich met alle moeite door de versperring heen, bereikte de daarachter gelegen borstwering en plantte aan den voet daarvan de oorlogsbanier.
Als door een magneet aangetrokken, trachtte nu een ieder het zoo dierbare vaandel te bereiken. Waar het vaandel is, behoort ook de krijgsman te zijn, dit gevoelden onze braven. Het gelukte den kapiteins Bindervoet van Nahuys, van Randwijck, den luitenants de Sturler, Schweys, d'Arnaud Gerkens, den serg.-majoor Back, den Amboineeschen fusiliers Pattimana, en Latoemaina, eveneens door het dichte struikgewas te dringen en zich te scharen om hunne oorlogsvaan.
Nu beproefden zij de borstwering te beklimmen, doch dc zware beplanting weerstond hunne krachtigste pogingen.
De Kapitein van Daalen van den generalen staf, een der dapperste officieren van het Indische leger, drukte zijn paard de sporen in de zijden en sprong met geweld over
HET GEVECHT VAN LEMBOE.
de bamboe-doeri-versperring, om zijne dapperen te ondersteunen. De borstwering was niet te beklimmen, dit zag hij.
* Mannen,quot; zoo sprak van Daalen, t belooft mij plechtig geen duimbreeds te zullen wijken van den grond, waarop gij staat-, ik zal versterking halen.quot;''' Een luid shoera!quot; beantwoordde zijn beroep op hun vaandel-trouw. Van Daalen, de hooggeachte officier, die om zijn heldengeest door het Indische leger geëerd en bewonderd werd, dankte hen hiervoor, werkte zich andermaal met zijn paard door de doerries en rende in N. W. richting naar den majoor Cavaljé, die daar met een gedeelte van het 9e bataljon in reserve stond. Onderweg ontmoette hij een stafofficier, die hem berichtte, dat de kolonel Wiggers van Kerchem gewond, en de overste Engel aan de N. zijde in te hevig gevecht gewikkeld was, om als diens vervanger te kunnen optreden aDan neem ik het bevel op mij,quot; zeide van Daalen, »en verzoek Generaal van Swieten uit mijn naam om versterking.quot;
Van Daalen spoedde zich nu naar Cavaljé, en gaf hem eene uitlegging van den toestand ; deze verklaarde zich bereid onder zulke omstandigheden de bevelen te volgen van een zoo kundig officier als van Daalen.
Laatstgenoemde rent nu weer terug en bespeurde tot zijne vreugde, dat de versperring reeds grootendeels door de vereenigde soldaten en mineurs was weggeruimd, en de troepen zich allen om het dierbaar kleinood hadden geschaard.
Onder zijn commando werd nu de borstwering beklommen en weldra bevonden zich een groot aantal manschappen op den wal. Zonder nu de dapperheid der
1
12 VAANDEL-EPISODE BIJ
onzen al te hoog te verheffen of die der Atjehers te P
verkleinen, moeten wij verklaren, dat de vijand niet be- ven
stand was tegen den aanloop van hunne tegenstanders, aan
alhoewel deze in aantal veel kleiner waren. Met de bajonet De;
vielen onze soldaten de bezetting te lijf; de Atjehers hoe
verdedigden zich als leeuwen en sloegen met den bree- ge?
den klewang er geweldig op; het was een strijd op He
leven en dood. Eindelijk moesten de Atjehers wijken. nor
Van alle kanten levendig aangetast, sloegen zij in de 1
grootste wanorde en verwarring op de vlucht, met ach- ste
terlating van hunne dooden en gewonden. gei
Terwijl de Oranje-vaan op den wal geplant werd, ver- wilt;
kondigde een luid hoera der soldaten en het geschetter riv
der hoornsignalen aan de overige troepen, dat deze ver- dn sterking ons was.
De majoor Cavaljé was inmiddels met de reserve ook ge genaderd, en geraakte slaags met den vijand buiten de mi bamboe-doeri-pagger, ter hoogte van eene andere versterking, grenzende aan de reeds veroverde. ro Kapitein van Daalen, die met een helderen veldheers- de blik spoedig den toestand overzag, rent naar majoor na Gavaljé en roept hem toe, dat hij reeds met zijne troepen ht binnen de heg is, en met een gedeelte der manschappen k: den vijand in den rug zoude attaqueeren.
Met vereenigde krachten viel men nu op den vijand aan, oi die ook hier weldra volledig op de vlucht geslagen werd.
Vol geestdrift trokken nu de troepen voorwaarts, om d
een derde, meer zuidwaarts gelegen versterking, te be- ^
stormen; ook deze werd als 't ware met de bajonet e
genomen. 7
.
-
HET GEVECHT VAN LEMBOE.
Reeds meende men, dat de kampong van vijanden gezuiverd was, toen een hevig geschreeuw der Atjehers de aanwezigheid van eene vierde versterking deed vermoeden. Deze benting was echter niet zichtbaar, maar een luid hoera, in de richting waar het geschreeuw van den vijand gehoord werd, bewees, dat ook deze positie bestormd werd. Het signaal»Wilhelmus van Nassauenquot;, dat kort daarop vernomen werd, was het teeken van de victorie onzer troepen.
De kapiteins van Randwijck en Meis hadden deze versterking van twee verschillende zijden aangevallen en genomen ; honderden Atjehers, die haar verdedigd hadden, wierpen zich van de wallen en snelden naar de Atjeh-rivier, om zich zwemmende te redden, doch velen verdronken of werden neergeschoten.
Door de moedige volharding onzer troepen was deze geduchte vijandelijke stelling genomen ; tegen 3 uur 's namiddags kon de strijd als geëindigd beschouwd worden.
Voordat de laatste stralen der ondergaande zon haar rooden gloed op het prachtige groen der bosschen van de veroverde kampongs wierp, keerden de overwinnaars naar het bivouak terug. De veroverde stelling werd door het rechterhalf iade en twee compagnieën van het linker-half I2^e bataljon bezet.
Waren de verliezen aan 's vijands zijde groot, ook de onzen hadden de zege duur gekocht.
De iste luitenant J Schoemaeckers was gesneuveld ; de kolonel Wiggers van Kerchem, de luitenants von Massow, van den Blijck, Eichholt, Schweijs, Kroesen, en de officier van gezondheid Hardenberg waren gewond ; 76 minderen waren gesneuveld of gewond.
»3
14 het gevecht van lemboe.
Het aanvankelijk doel van dien dag, de verkenning der grasvlakte, werd dus door het langdurig gevecht niet bereikt. De verkenning werd daarom den volgenden dag nogmaals beproefd en, ondanks belangrijke moeilijkheden en een bloedigen strijd, met goeden uitslag bekroond.
Niemand is trotscher op de Vaandel-episode van Lemboe dan de Amboinees, want het is het vaandel van zijn corps, dat zooveel heeft bijgedragen tot het succes van dien dag, door den troep voor te gaan op den weg der overwinning.
Nog menigmaal na dien heeft de Amboinees met roem daaronder gestreden, en bewezen, dat hij bezield is met echte vaandel-trouw.
Behoudt, dappere zonen der Molukken, behoudt deze schoone krijgsmansdeugd, zij zal u de taak verlichten om met moed, beleid en ircuu' te blijven strijden voor Vorst en Vaderland.
VEROVERING VAN, SOERIAN 26 Juli iSjtf.
Ten zuiden van den ouden Sultansvveg, welke Oleh-leh met Kotta-Radja verbond, lag de Atjehsche kampong Soerian, een der brandpunten van 's vijands verdediging.
Gedurende den kwaden moesson, wanneer de Atjeh-rivier onbevaarbaar is, moesten de transporten zich noodzakelijk langs dezen weg bewegen, en werden dan door den vijand aanhoudend verontrust. Ten einde die transporten te beveiligen, besloot de generaal-majoor Pel den vijand uit Soerian te verdrijven en dien kampong te bezetten. Was deze eenmaal genomen, dan zoude ook Maraksa meer afdoende beschermd kunnen worden en de met ons bevriende bevolking dier streek weer rustig aan den veldarbeid kunnen gaan.
Soerian bestond uit eene aaneengeschakelde rij versterkingen, doch volgens ingewonnen berichten had de vijand, door ons lang wachten misleid, de meeste dier posten verlaten. De uit onzen post Blang-Oë uitgezonden nachtelijke patrouilles bevestigden deze geruchten. De gene-raal-majoor Pel besloot van deze gunstige gelegenheid
I 6 DE VEROVERING
gebruik te maken en bracht, op den aösten Juli 1874, zijn ipag£ lang gekoesterd voornemen ten uitvoer, Ikapt
Om 4 uur in den morgen marcheerde te dien einde jEint uit Kotta-Radja eene colonne onder den majoor E. B. A toen Groos, bestaande uit: Inooi
het linkerhalf 3e bataljon infanterie, a saw
twee secties artillerie, HïMe
een detachement mineurs, Bbra1
naar BlangOë, om zich aldaar met twee compagnieën van lopg het rechter 2^ bat. onder majoor M. A. E. Phafftever- Afr1 eenigen. tam
Tegen 6 uur kwam de colonne op de plaats harer be- S i stemming en werd de vereenigde macht in twee deelen love gesplitst: eene aanvalscolonne en eene reserve. Dereserve, go£ sterk I'/2 compagnie, zoude onder majoor Groos te pat Blang-Oë stelling nemen, de andere colonne was bestemd art om onder majoor Phaff den kampong Soerian aan te dal vallen en te nemen.
De bevelhebber, vergezeld van zijn staf, leidde de on- Pa; derneming. Swa
Omstreeks 6'/2 uur donderde het geschut uit Kotta- vo Radja en Blang-Oë om het gevecht in te leiden. Tegen gr 7 uur klonk het signaal xvoorwaartsquot; en de aanvalsco- ga lonne zette zich in beweging. De voorhoede werd ge- zl( vormd door eene compagnie infanterie, eene sectie artillerie wlt; en eene sectie mineurs. De voorwacht, onderden ten luitenant T. van der Zee, bestond uit : 1 Europeesch en 1 Afri- d£ kaansch onderofficier, 8 Europeesche en 8 Afrikaansche fuseliers ; aan dezen werden eenige sappeurs toegevoegd. u' De marsch werd zeer bemoeilijkt door dicht begroeide di
VAN SOERIAN. 17
J., zijn Ipaggers (heggen), die natuurlijk eerst moesten openge-fkapt worden, zoodat men slechts langzaam vorderde, einde fEindelijk bereikte de colonne kampong Tjoet-Aroem en B. A itoen deze kampong doorgetrokken was, zag men het Inoordelijk gedeelte van Soerian voor zich ; eene natte â sawah van pl. m. 100 M. scheidde beide kampongs. â »Mannen, daar ligt Soerian 1quot; zeiden de officieren en onze ' brave soldaten begrepen, wat in deze korte woorden n van fopgesloten lag. Strijdlust schitterde in aller oogen en de ï ver- SAfrikanen lieten in een onheilspeilenden lach hunne witte tanden zien.
;r be- Aan de infanterie der voorhoede werd bevolen de sawah ;elen lover te trekken ; ondanks een hevig vuur bereikte zij in erve. goede orde den kampongrand, en stuitte nu op een is te pagger. Ten einde den hoofdtroep te dekken werd de :emd artillerie in batterij gesteld, en onder bescherming van n te dat vuur trok hij de sawah over.
De mineurs hielden zich intusschen bezig met in den ion- pagger eene opening te maken ; toen zij hiermede gereed waren, trok de voortroep verder, doch stond spoedig )tta- voor een anderen pagger, die breeder en zwaarder be-:gen groeid was. Met veel moeite werd ook daarin een door-sco- gang gemaakt, maar nauwelijks was de voorwacht, die ge- zich en tirailleur had opgelost, vooruit gedrongen of zij erie werd door een regen van kogels begroet.
jite- Zonder veel verliezen gelukte het der voorwacht het ^fri- daarachter gelegen open terrein van pl. m. 50 M. in che het vierkant te bereiken. Omgeven door eene dichte :gd. bamboe-doeri-versperring bevond zich aan de overzijde ;ide dier vlakte eene geduchte vijandelijke versterking; ter
2
DE VEROVERING
gebruik te maken en bracht, op den 26sten Juli 1874, zijn lang gekoesterd voornemen ten uitvoer.
Om 4 uur in den morgen marcheerde te dien einde uit Kotta-Radja eene colonne onder den majoor E. B. A. Groos, bestaande uit:
het linkerhalf 3e bataljon infanterie,
twee secties artillerie,
een detachement mineurs,
naar Blang Oe, om zich aldaar met twee compagnieën van het rechter 2e bat. onder majoor M. A. E. Phaffte vereenigen.
Tegen 6 uur kwam de colonne op de plaats barer bestemming en werd de vereenigde macht in twee deelen gesplitst: eene aanvalscolonne en eene reserve. De reserve, sterk I '/.2 compagnie, zoude onder majoor Groos te Blang-Oë stelling nemen, de andere colonne was bestemd om onder majoor Phaff den kampong Soerian aan te vallen en te nemen.
De bevelhebber, vergezeld van zijn staf, leidde de onderneming.
Omstreeks ó'/a uur donderde het geschut uit Kotta-Radja en Blang-Oë om het gevecht in te leiden. Tegen 7 uur klonk het signaal «voorwaartsquot; en de aanvalscolonne zette zich in beweging. De voorhoede werd gevormd door eene compagnie infanterie, eene sectie artillerie en eene sectie mineurs. De voorwacht, onder den 1 en luitenant T. van der Zee, bestond uit : 1 Europeesch en 1 Afri-kaansch onderofficier, 8 Europeesche en 8 Afrikaansche fuseliers ; aan dezen werden eenige sappeurs toegevoegd. De marsch werd zeer bemoeilijkt door dicht begroeide
i6
VAN SOERIAN.
paggers (heggen), die natuurlijk eerst moesten openge-kapt worden, zoodat men slechts langzaam vorderde. Eindelijk bereikte de colonne kampong Tjoet-Aroem en toen deze kampong doorgetrokken was, zag men het noordelijk gedeelte van Soerian voor zich ; eene natte sawah van pi. m. 100 M. scheidde beide kampongs. »Mannen, daar ligt Soerian !quot; zeiden de officieren en onze brave soldaten begrepen, wat in deze korte woorden opgesloten lag. Strijdlust schitterde in aller oogen en de Afrikanen lieten in een onheilspeilenden lach hunne witte tanden zien.
Aan de infanterie der voorhoede werd bevolen de sawah over te trekken ; ondanks een hevig vuur bereikte zij in goede orde den kampongrand, en stuitte nu op een pagger. Ten einde den hoofdtroep te dekken werd de artillerie in batterij gesteld, en onder bescherming van dat vuur trok hij de sawah over.
De mineurs hielden zich intusschen bezig met in den pagger eene opening te maken ; toen zij hiermede gereed waren, trok de voortroep verder, doch stond spoedig voor een anderen pagger, die breeder en zwaarder begroeid was. Met veel moeite werd ook daarin een door-gang gemaakt, maar nauwelijks was de voorwacht, die zich en tirailleur had opgelost, vooruit gedrongen of zij werd door een regen van kogels begroet.
Zonder veel verliezen gelukte het der voorwacht het daarachter gelegen open terrein van pl. m. 50 M. in het vierkant te bereiken. Omgeven door eene dichte bamboe-doeri-versperring bevond zich aan de overzijde dier vlakte eene geduchte vijandelijke versterking; ter
2
17
j-g DE VEROVERING
rechter- of linkerzijde daarvan, loodrecht op 't front, verschillende ingravingen en tirailleurputten, van waaruit de onzen beschoten werden. De troepen stonden in de ongunstige positie, de vijand daarentegen beschikte over eene prachtige stelling, die een frontaanval bijna onmogelijk maakte. Van terugtrekken was natuurlijk geen sprake, evenmin mocht men zich in een vuurge-, vecht wikkelen met den zoo goed gedekten vijand.
Stormen en met de bajonet aanvallen was in dergelijke omstandigheden steeds de gewoonte en werd ook nu beproefd. Ternauwernood had de voorhoede de voorwacht gevolgd, of het signaal »avanceeren in den
looppasquot; weerklonk.
Van der Zee, die zooals wij gezien hebben de voorwacht commandeerde, beproefde de versterking in de achterflank aan te val'en, in de veronderstelling hier een geschikter punt aan -te treffen om te kunnen stormen.
Met kalmte en beleid wist hij deze omtrekkende beweging uit te voeren, maar was een frontaanval onmogelijk, ook de achterflank werd door zware bamboe doe-ris stormvrij gemaakt; het kleine troepje, dat hij leidde, werd allengs door 's vijands vuur aanmerkelijk gedund, maar de moed ontzonk hem niet.
Juist in dergelijke omstandigheden vertoont de Neder-landsche officier zich in al zijne grootheid van ziel, eene deugd, die in Indië, waar het leger uit zulke verschillende elementen is samengesteld, niet genoeg te waardeeren is ; maar het zij den Indischen soldaat nagegeven, dat hij het goede voorbeeld steeds volgde.
Van der Zee trachtte het eerst door de versperring te
VAN SOERIAN.
dringen. Hij wierp zich in de bamboe doeris en zonder de scherpe doorns te ontzien, wrong hij zich door de ineengegroeide twijgen; de sabelkwast hield hij in den mond en sleepte zoo de sabel met zich meê. Na boven-menschelijke inspanning bereikte hij al kruipende het buitentalud; gezicht en handen droegen reeds de bloedige sporen der scherpe doeris. Hier richtte hij zich op tus-schen twee bamboe-kokers (schietgaten), waaruit hevig gevuurd werd, stapte vervolgens op die kokers en sprong op de borstwering. Omziende bemerkte hij dat geen der manschappen hem heeft kunnen volgen ; vloekende en razende stonden zij nog voor de versperring, die zij, door hunne zwaardere bepakking belemmerd, te vergeefs trachtten door te komen. Een Europeesche onderofficier riep hem toe: »Bij God, luitenant, spring er af, wij kunnen niet bij u komen!quot; Maar Van der Zee dacht aan geen wijken, en al floten honderden kogels om hem heen, al kwamen eene menigte Atjehers met klewang en lans op hem af, hij hield stand en met den revolver in de eene, en de sabel in de andere hand, staat onze held zijn over-machtigen vijand af te wachten. Weldra was hij handge* meen; elk schot uit zijn revolver a bout portant gelost, trof een vijand, elke sabelhouw maakte een tegenstander weerloos. De kapitein Perelaer is inmiddels met zijn troep ook genaderd; ziende in welken ongelijken strijd Van der Zee gewikkeld was, spande hij alle krachten in, om met de zijnen te naderen, maar te vergeefs; en daarom riep hij, dat V. d. Zee van de borstwering moest afspringen.
Doch Van der Zee bleef moedig stand houden.
Het ontzettend schouwspel, een officier tot mikpunt te
19
DE VEROVERING
zien van den wreeden vijand, bracht de soldaten schier tot razernij; woedend sloegen zij met de kolven der geweren in den ondoordringbaren pagger zonder dezen te kunnen vernielen. Daar op de borstwering stond een moedige zoon van oud-Nederland; ons schoon devies maintiendrai getrouw, gaf hij den strijd niet op en wijdde zich liever ten dood, dan zich gewonnen te geven.
Ofschoon reeds gewond door een klewanghouw in den hals, een lanssteek in de borst en in het aangezicht, tevens door een schot in het been, vocht hij, als een leeuw zoo moedig, tegen dezen steeds talrijker wordenden vijand. Nu trof hem een schot in de linkerhand, waardoor de revolver hem ontviel, maar met het zwaard in de rechtervuist wist hij nog wonderen te verrichten.
De natuur eischte echter hare rechten: door bloedverlies verzwakt, voelde Van der Zee zijne krachten afnemen. Eenige geweren op hem gericht, weerde hij met een laatsten slag af, toen een schot zijne borst doorboorde. Sabel, revolver en pet in de benting latende, stortte hij achterover, gelukkig aan onze zijde van de borstwering.
Onder een luid gejuich, niet ongelijk aan het gebrul van verscheurende dieren, sprongen de Atjehers naar voren om den dapperen luitenant te grijpen, natuurlijk ten einde hem aan stukken te hakken, want moed weten zij niet te eeren, die barbaren 1 Onze soldaten, die, door de mineurs geholpen, eindelijk de versperring machtig waren geworden, kwamen, nog juist in tijds om Van der Zee op te nemen en naar de ambulance te transporteeren.
s Schreeuwt maar zoo hard niet!quot;' riep een reusachtige Afrikaan den Atjehers in het Maleisch toe, »straks zult
20
VAN SOERIAN.
ere het ons verantwoorden, gladakkers!quot; Een schot uit de
o 7 0
benting was het antwoord hierop, doch de kogel raakte slechts de klep van zijn pet; onze Afrikaan grijnsde als een tijger en zou op de borstwering gesprongen zijn, zoo het signaal »retireerenquot; hem niet genoodzaakt had terug te trekken.
De kapitein Perelaer achtte zich niet verantwoord om met een handvol soldaten storm te loopen en stelde zich daarom bedekt op, achter eene hoogte, ongeveer 10 M. ten Zuiden der benting gelegen, met last op eiken Atjeher te vuren, die zich op de borstwering waagde. In deze stelling wachtte hij de aankomst van den hoofdtroep om te kunnen stormen.
Eindelijk was de hoofdtroep tot den pagger genaderd. De voorste compagnie kreeg last op te marcheeren en de versterking te bestormen, doch de geduchtste chicanes versperden den weg. Teleurgesteld, maar niet ontmoedigd, trok deze compagnie, onder een hagelbui van kogels, zijwaarts terug en sloot zich bij den troep van kapitein Perelaer aan. De overige afdeelingen hadden zich intusschen zoo opgesteld, dat de versterking geheel was ingesloten. Onze soldaten, die zich achter verschillende terreinplooien hadden genesteld, onderhielden een levendig geweervuur ; menig Atjeher, die zich op de borstwering vertoonde, zag rnen zijn donderbus loslaten en met uitgestrekte armen neertuimelen. De artillerie bleef evenmin werkeloos en bracht den vijand gevoelige verliezen toe. Een detachement mineurs, sterk 21 man, werd aangewezen om onder bevel van den len luitenant der genie Van Dentzsch, de chicanes te vernielen en de
DE VEROVERING.
bestorming mogelijk te maken. Deze taak volbrachten zij met groote koelbloedigheid. Het zijn wakkere borsten, onze Indische genietroepen; gedurende den geheelen Atjeh-Sorlog hebben zij met de overige wapens gewedijverd in moed en vastberadenheid.
Toen de chicanes voldoende weggeruimd waren, werd de vijand gesommeerd zich over te geven; hij antwoordde zeer onridderlijk door den onzen de vuilste scheldwoorden naar 't hoofd te werpen. Het spreekt vanzelf, dat zulks de woede en het ongeduld der soldaten ten top deed stijgen ; vooral de Afrikanen waren moeilijk te bedwingen en slechts het prestige der officieren was in staat deze reuzen in de hand te houden. Hoornblazer, blaas attaqueeren !quot; klonk eensklaps de krachtige stem van den colonne-commandant, en voordat de overige hoornblazers dit signaal konden herhalen, werd van verschillende zijden, onder een donderend hoera, stormgeloopen; het krijgsgeschreeuw der Afrikanen overstemde het geschetter der signaalhoorns ; als tijgerkatten vlogen onze soldaten tegen de 2 M. hooge en loodrechte borstwering op, en stortten zich als een lawine op de Atjehers.
De officieren, met opgeheven sabel, waren overal de eersten. Een hevig en moorddadig gevecht met blanke wapens had nu plaats ; dof klonken de kolfslagen op de schedels der Atjehers, kletterend sloegen de klewangs op geweer en sabel. Van alle kanten hoorde men de wilde kreten der Afrikanen en het Oranje-boven der Europeeschc soldaten.
Het »Allah-il-Aalahquot; der Atjehers, waarmede zij elkander aanmoedigden, werd hoe langer hoe flauwer en
22
VAN SOERIAN. 23
weldra zonk de laatste verdediger van deze dappere bezetting rochelend ter aarde, in zijnen val den overwinnaar nog trachtende te dooden.
Van de geheele bezetting was slechts één man ontkomen ; de grond, als bezaaid met lijken, bood een vree-selijk schouwspel. Onder de gesneuvelde Atjehers telde men vele aanzienlijke hoofden, maar ook ons had deze overwinning verliezen gekost; behalve luitenant Van der Zee, waren gewond: de kapitein A. W. H. Perelaer, de ie luitenant J. v. d. Wijk en de 2e luitenant H. Krijgsman; vier-en-vijftig soldaten waren gedood en gewond.
Vooral dient vermeld te worden het gedrag van den kapitein Perelaer, die onder een dichten kogelregen getracht heeft met eene bijl de poort te verbrijzelen, om voor zijne soldaten een doortocht te banen, en van den sergeant Vorsterman van Oijen, die hem hierin krachtig ter zijde stond.
De majoor der artillerie Van Zijl de Jong nam vrijwillig den dienst van batterij-commandant op zich, en richtte zelf de stukken.
De adjudant-onderofficier Van Weenen bleef, nadat de stok van het vaandel door midden was geschoten, dit omhoog houden aan een korten stomp, totdat hij door een kogel in de borst getroffen, zwaar gewond neerstortte. Een groot aantal officieren en manschappen, werden later (4 April 1875) bij koninklijk besluit, ter zake dezer krijgsverrichtingen, met de M. W. O. begiftigd.
Zooals wij gezien hebben, werd de luitenant Van der Zee zwaar gewond naar de ambulance gedragen. Na maanden in het hospitaal te zijn verpleegd, beproefde
DE VEROVERING VAN SOERIAN.
hij zijn dienst te hervatten, maar te vergeefs. Hij werd naar Europa gezonden om zich onder speciale behandeling te stellen, herstelde wel is waar, doch moest tengevolge der bekomen wonden afgekeurd worden voor den krijgsdienst.
Thans is Van der Zee burgemeester te Enschedé; de orde van den Nederlandschen Leeuw, die, evenals de M. W. O. zijn borst versiert, bewijst, dat Z. M. onze geëerbiedigde Koning, ook diens burgerdeugden waardeert.
24
VEROVERING VAN LAMBAROE op den 7 Maart 1876.
Tot een der merkwaardigste gebeurtenissen uit den Atjeh-oorlog behoort voorzeker de verovering van de vijandelijke versterking Lambaroe, en alhoewel het aannemen der geconcentreerde stelling ons later genoodzaakt heeft de voordeden aan deze overwinning verbonden, weer prijs te geven, zoo willen we toch gaarne, dat de moed, toen door ons dapper Indisch leger aan den dag gelegd, in herinnering blijve, en dat eene schitterende bladzijde, door dat leger op 7 Maart 1876 aan de geschiedenis toegevoegd, aan de vergetelheid ontrukt worde.
Mocht schrijver dezes te kort schieten in zijne beschrijving, of enkele namen vergeten, hij hoopt, dat de goede bedoeling, waarmede hij dit feit vermeldt, op veler toegevendheid moge aanspraak maken.
Alvorens de verovering der versterking Lambaroe te behandelen, zij nog eerst gemeld, wat aanleiding gaf deze benting den vijand te ontnemen.
Op den i^en Februari 1876 werd Kajoe-Loh dooide colonne Mekern bezet en aldaar een post opgericht.
DE VEROVERING
De communicatie met de nabij gelegen posten en Kotta Radja werd door de patrouilles onderhouden. In den aanvang ondervonden deze patrouilles weinig last van den vijand, doch weldra hadden de Atjehers zich hersteld van de geleden verliezen en drongen in grooten getale in de omliggende kampongs Lamsajong, Lamrong en Lam-baroe ; in laatstgenoemden hadden zij zelfs eene geduchte versterking opgeworpen.
Dagelijks hadden nu onze patrouilles ontmoetingen met den vijand en hoewel hij steeds werd teruggeslagen, zoo hadden wij dikwijls veel verliezen. Daar verschillende malen de poging mislukte om berichten naar Kotta-Radja over te brengen, besloot maj. Mekern met een gedeelte der colonne, ondersteund door eene sectie artillerie, dit zelf te beproeven. â De vijand had zich echter zeer sterk genesteld, en overtrof het detachement te veel in getal, om zich door hem heen te kunnen slaan. Van alle kanten bedreigd, was de maj. Mekern genoodzaakt-op Kajoe-Loh terug te trekken met een verlies van 20 dooden en gewonde minderen en zes paarden. De communicatie was dus verbroken en de toestand werd hachelijk, daar de bezitting ook gebrek aan munitie en vivres begon te gevoelen. Geweld moest nu door list vervangen worden.
Onder onze inlandsche soldaten werden nu vrijwilligers gevraagd om te beproeven bericht over te brengen naar Kotta-Radja. De Boegineesche artillerist Malie en de dwangarbeider Mohamed-doeng-Matalie meldden zich daartoe bereid.
Als Atjehers verkleed en gewapend met een kapmes,
20
VAN LAMBAROE. 27
gingen zij omstreeks 3 uur 's morgens uit de versterking. Het was eene gewaagde onderneming en er bestond weinig kans om door de menigte Atjehers te sluipen, zonder ontdekt te worden. Het duurde dan ook niet lang of zij stieten op eene talrijke bende Atjehers, die aan het padi l snijden waren. Zonder de tegenwoordigheid van geest te verliezen, bukten zij zich en gingen met denzelfden ijver aan 't snijden; gelukkig dat de morgenschemering en de drukke bezigheid van den vijand hen voor eene ontdekking vrijwaarde; zij vonden het echter raadzaam, niet al te lang het gevaar te trotseeren en trokken al snijdende terug. Om uur ondernamen zij den tocht opnieuw, en slaagden er in omstreeks 7 uur Kotta-Radja te bereiken en den waarnemenden bevelhebber, den luit.-kolonel Engel, het in morse geteekend bericht te overhandigen.
Een dergelijk en niet minder stout waagstuk ondernam daags te voren (4 Maart) de ie luit.-adjudant Willink-Ketjen. Alhoewel ze niet in verband staat met het feit, hetwelk wij den lezer wenschen te doen kennen, zoo veroorloven wij ons deze kleine afwijking om ook het moedig gedrag van dien officier te melden.
Een detachement, sterk 74 bajonetten en eene sectie artillerie, onder commando van den ien luitenant Buys, had in opdracht een aantal zieken te begeleiden. Op den weg, van Kajoe-Loh naar Longbatta werd het plotseling van alle zijden door den vijand overvallen. Dank zij den ien luitenant Buys en zijne officieren bleef de troep bij elkander en werd de overmachtige vijand op eerbiedigen afstand gehouden, De marsch kon echter niet vervolgd
I
DE VEROVERING.
2 8
worden; niet alleen dat de Atjehers van alle kanten als zwermen sprinkhanen uit verschillende kampongs kwamen opdagen en het kleine detachement geheel ingesloten, maar er vielen aan onze zijde reeds talrijke gewonden, terwijl ook de patronen bijna verschoten waren. Hulp was dringend noodig; nog maar enkele salvo's konden gelost worden, daarna zoude men den vijand op de punt der bajonet moeten ontvangen. Goed aaneengesloten stonden de manschappen in carré met de gewonden en zieken in 't midden, vast besloten zich tot den laatsten man te verdedigen. Het was gedurende deze hachelijke omstandigheid, dat de luitenant Willink-Ketjen besloot zich door de vijandelijke drommen heen te slaan en te Kajoe-Loh hulp te vragen. Slechts door een bereden ordonnance vergezeld, rende hij den weg op ; honderden kogels floten hem om de ooren; daar struikelde zijn paard en wierp hem uit den zadel. Een akelig gillend gejubel der Atjehers vervulde de lucht; gelukkig had hij de teugels in de hand gehouden, en het paard, dat zich oogen-blikkelijk weer hersteld had, rende nu verschrikt vooruit. Willink-Ketjen liet echter de teugels niet los en wist gelukkig weer te paard te komen. Voor dit feit werd deze moedige officier later eervol vermeld. Hier moet opgemerkt worden, dat dergelijke handelingen vooral onze bewondering verdienen, daar het vooruitzicht bestaat den vijand in handen te vallen en dan door hunne klewangs aan stukken gehakt te worden, na vooraf een gruwelijke marteling te hebben ondergaan. Gevangenen te sparen kent dat dierlijk volk niet, en toch zoude dit nog te vergeven zijn, indien het daarbij met minder wreedheid ge-
VAN LAMBAROE.
paard ging. Niettegenstaande de wreede geaardheid van den Atjeher over 't algemeen bekend is, vindt men nog landgenooten, die zich verwonderen, dat onze soldaten soms minder toegevend zijn. Maar is het dan niet begrijpelijk, dat het beter gevoel bij onze strijders door dergelijke handelingen onderdrukt wordt? De krijgsgevangenen werden door de onzen, vooral in den aanvang, met zeer veel goedheid behandeld, ja, van geld voorzien en vrij gelaten.
De Atjehers daarentegen vermoordden de onzen op de afschuwelijkste wijze ; zelfs vrouwen en kinderen vonden bij hen geen genade.
Menschlievendheid op oorlogsterrein is zeer zeker eene schoone eigenschap, maar zij, die zoo dikwijls ons Indisch leger van vandalisme beschuldigden, nemen eens een kijkje te Atjeh en de werkelijkheid zal hen spoedig genezen van ziekelijke philantrophie tegenover den Oosterschen vijand, die elke goedheid als zwakheid beschouwt, en elke weldaad beantwoordt met den grootsten ondank.. Daar het echter ons doel is, de verovering van Lamba-roe te behandelen., zullen wij ons verhaal voortzetten.
Wij hebben gezien, dat onze beide dappere Boeginee-zen den waarnemenden bevelhebber, luit.-kolonel Engel, het bericht van den majoor Mekern hebben ter hand gesteld. Op ontvangst hiervan werd het 3e en het 8e bat. met 2 secties artillerie aangewezen om tegen den vijand op te rukken en de versterking Lambaroe te nemen en te bezetten, waardoor de gemeenschap met Kajoe-Loh voor goed zoude hersteld zijn. Het 3e bat., dat onder majoor Diepenheim te Kwalah-Gighen in bivouak lag, ont-
29
DE VEROVERING.
ving reeds om 10 uur genoemde order. Na een ver-moeienden marsch kwam deze colonne 's avonds te Long-batta ; aldaar werd nachtverblijf gehouden om den volgenden morgen tot Pagar-Ajer door te marcheeren, op welke post men zich met het 8e bat. onder den majoor van Teyn zoude vereenigen.
De luit.-kolonel Meyer werd aangewezen de ageerende colonnes te commandeeren.
Reeds kort na zonsopgang stonden de troepen in slagorde, en het bevel «voorwaarts !quot; liet niet lang op zich wachten.
Majoor Diepenheim ontving den last om met zijn on-derhebbend corps, versterkt met eene compagnie Baris-sans en eene ambulance, de kampong Lambaroe aan de noordzijde binnen te dringen, verder zuidwaarts op te gaan en zoo mogelijk de in dien kampong gelegen versterking in den rug te nemen en den vijand het vluchten naar de oostzijde te beletten.
Het 8e bat. en de artillerie hadden in last, de beweging van de colonne Diepenheim te ondersteunen.
De kapitein der opname Meyer, als bekend met de ligging der vijandelijke benting, werd den majoor Diepenheim als stafofficier toegevoegd.
Het terrein, 't welk de troepen moesten doortrekken, bestond uit sawahs, die meerendeels droog waren en kampongs in wier midden eene menigte suikerriet-tuinen en vruchtboomen werden aangetroffen. De huizen der kampongs Pager-Ajer en Lambaroe waren reeds op den jen en 6en Februari verbrand.
Daar de wegen van uit de kampongs in oostelijke richtino-
I
VAN LAMBAROE. 3 I
ver- leidden (naar de Atjeh rivier) zoo moesten onze troepen ong- zich, door het openkappen van levende heggen, een weg vol- banen in zuidelijke richting.
, op Zonder den minsten tegenstand te ontmoeten, kwam joor het 3e bat. tot in het midden van den kampong, doch nauwelijks had het de zuidelijke richting aangenomen, 'nde of de eerste schoten werden gehoord.
De vijand, die ook op den rechteroever van de rivier lag- stelling had genomen, had de colonne opgemerkt en op dch den troep gevuurd; zonder dit te beantwoorden werd doorgemarcheerd. Men was echter eindelijk verplicht toch on- - halt te houden, daar het vuur in hevigheid toenam, en ris- ook spoedig dat der colonne van Teyn gehoord werd. de Alvorens verder te marcheeren was het zaak zich omtrent
te de positie dier colonne, die het gevecht geopend had, te ^er- vergewissen, want de mogelijkheid bestond, dat in zulk ten bedekt terrein, de colonnes op elkander zouden schieten.
De troep werd bedekt opgesteld en de kapitein Meyer ter gt;ve- verkenning uitgezonden. Deze officier rapporteerde, dat de colonne van Teyn ten N. W. der vijandelijke versterking de 3 stond en aanstalten trof, om ten N. daarvan in O. richting ;n- op te rukken, en daardoor verviel de mogelijkheid voor de colonne Diepenheim om de primitief bevolen marschrich-tn, ting te volgen, daar de troepen anders op elkaar zouden vu-en ren. De marschrichting werd daarom gewijzigd en den en kapitein Meyer opgedragen, de voorhoede naar den N. W. Ier I hoek der versterking te geleiden. Eerst werden nog en eenige salvo's op den vijand gericht, tevens met het doel den majoor van Teyn van de nabijheid der colonne ig te verwittigen.
DE VEROVERING
De troep zette zich daarna weer in beweging en stuitte weldra op een pagger, gelegen op den N. W. hoek der versterking.
De voorhoede werd hierachter bedekt opgesteld en achter dezen pagger, die op ongeveer 20 passen voor de versterking lag, kon men duidelijk de benting zien, waarin de vijand zich met wanhopigen moed verdedigde tegen de colonne van Teyn
De majoor Diepenheim gaf nu den kapitein Beeckraan, commandant der voorhoede, last, een gat in den pagger te doen kappen, vooruit te rukken, en te stormen. Zijne achterhoede en linker-flank-dekking had zich nu weder bij den hoofdtroep gevoegd en nam achterwaarts stelling in den zoom van den kampong.
Nadat de kapitein Beeckman met zijn troep de pagger was doorgegaan, ontmoette hij eene tweede bamboe doeri versperring, waarvóór aangepunte bamboes in den grond waren geplant.
Inmiddels had de vijand ook dezen troep bemerkt; â onder wild geschreeuw van Allah-il allah, stormde hij naar het bedreigde punt en opende een hevig vuur.
Nadat ook deze versperring opgeruimd was, werd het signaal attaqueeren gegeven; met een luid hoera liepen de soldaten storm en beklommen de aarden borstwering. Het 8e bat., dat zich op dat oogenblik aan de Z. en O. zijde ophield, stormde eveneens.
Met bewonderenswaardigen moed verdedigde de vijand zijne versterking. Met den klewang wierpen zij zich op de aanvallers. Van weerszijden werd met groote doodsverachting gevochten.
32
VAN LAMBAROE.
Aan de noordwestzijde sprong de ie luitenant Godin liet eerst op de borstwering en raakte handgemeen met drie Atjehers; twee schoot hij neêr met zijn revolver, den derde velde hij door een sabelhouw, doch werd ook zelf door een klewanghouw aan den linkerarm gewond. Woedend vielen nu de andere Atjehers hem aan, (ielukkig kwamen hem de Europeesche fusiliers Klein, .Manchiska en de Amboineesche fusiliers Paliasina, Ra-rnangkay, Rindingan te hulp ; eene hevige worsteling ontstond tusschen het kleine troepje en de Atjehers; de hoofdmacht, die intusschen ook de borstwering beklommen had, ontzette deze dapperen.
Aan de andere zijden werd niet minder hevig gevochten. De kapitein Engelhard en de 2e luitenant Walpot, twee heldengestalten en beide bekend om hunne reuzenkracht, stonden met hunne soldaten voor eene nauwe, kronkelende gang. sVooruit jongens !quot; riepen zij, en gevolgd door eenige Europeesche fusiliers, drongen zij man voor man door deze gang. Terstond waren ook zij handgemeen. Walpot kreeg een klewanghouw over 't hoofd, en alhoewel blind van het bloed, dat hem over 't gelaat stroomde, hakte hij er geducht op los ; ook de kapitein Engelhard werd over de hand gewond, wat hem echter niet belette 17 Atjehers neêr te sabelen.
De korporaal Wager en de fusilier De Ville sprongen hem krachtig bij. Van de Oostzijde werkten zich ook,, onder aanvoering van den ien luitenant Van den Ende en den 2en luitenant Boersma, 12 inlandsche fusiliers door de versperring en stonden reeds aan den voet der borstwering, toen zij eensklaps een 40-tal Atjehers boven
33
DE VEROVERING
zich zagen, die hen met lans en klewang afwachtten. Van den Ende, die het voorbeeld gaf, klauterde naar bo-ven en zoude door een langen, gespierden Atjeher met de | lans doorstoken zijn, zoo de sergeant Tiero hem niet 1 tijdig naar beneden had getrokken.
Hij retireerde weer tot aan de versperring, waarop ; eenige Atjehers naar beneden sprongen, om het kleine p troepje aan te vallen. Een groot aantal werd neêrge-schoten; toch drongen sommigen door en vielen hen met den klewang aan. Een er woest uitziende kerel kwam op Van den Ende af, maar deze, een klein doch ge-spierd man, ontweek zijn aanvaller niet, sprong op hem toe, en greep den kerel bij de keel. De Atjeher, zich zoo bedreigd ziende, trachtte zich van de sterke vuist te bevrijden door den luitenant een stuk uit den arm te ; bijten. Boersma snelde zijn kameraad ter hulp en wilde den vijand neerschieten, doch zijn revolver weigerde. De fusilier ; Maharaha, die juist een Atjeher had neergeschoten, slaagde | er echter in Van den Ende van zijn tegenstander te | bevrijden, door dezen met de bajonet aan den grond te steken. Nauwelijks was Van den Ende vrij, of hij stormde weer voorwaarts en stond met den sergeant Tiero weldra op de borstwering.
Ook buiten de versterking was de strijd bloedig, daar de Atjehers door een uitval zich trachtten te redden, hetgeen onze soldaten echter juist wilden voorkomen.
Met gevelde bajonet en de kolf van 't geweer werden de vluchtelingen ontvangen. De Atjehers vochten als helden, doch met ware doodsverachting versperden onze soldaten hun den weg
34
I
VAN LAMBAROE. 35
;ten. Het wild geschreeuw der Atjehers weerklonk boven
bo- liet gekletter van klewang en bajonet; door het gedruisch
t de i van den strijd, het zien van bloed en bedwelmd door
niet I den kruitdamp, wisten onze soldaten van geen genade.
Het gevloek der Europeanen mengde zich in het gekerm
irop der gewonden.».De kolven vlogen in de hoogte, klewang
eine a en lans ontmoetten de bajonetten. Onze manschappen wa-
rge- :| ren echter niet talrijk genoeg om de geheele bende te
hen verpletteren, een groot gedeelte der Atjehers ontkwam
i'am en redde zich zoo snel hunne voeten hen konden dragen
ge- I naar hunne dichte bosschen. Die niet verder kon, werd
lem 1 echter zonder genade door de verbitterde soldaten afge-
?1ch maakt.
uist I Vooral onderscheidden zich in het gevecht buiten de
i te I versterking de Europeesche fusiliers Giebe, Ketels en
den 'I Teesink.
|lier I Ook mogen wij een woord van hulde niet onthouden
.jde 'l aan den kapitein Beeckman, die door een goed voorbeeld
â te à zijne manschappen wist aan te moedigen, en den kapi-
j te à 1:e'n Meyer, die met kalmte en beleid de hem opgedragen
hij 9 taak volbracht.
ant: | De vijand liet niet minder dan 74 dooden achter ; volgens berichten stierven later nog velen aan bekomen
aar H wonden. Aan onze zijde vielen 6 dooden en 35 gewon-
|en 4 den, waaronder 5 officieren.
ü Na dit eevecht was de communicatie hersteld. Het 8e
1. * 0
ien 11 öat' 'n^ alsnu voorloopig achter om de genomen
a|l; ^ benting te bezetten ; kort daarop werd deze vernield en
nze in de onmiddellijke nabijheid door de onzen eene nieuwe gebouwd ; deze was langen tijd het hoofdkwartier der Z, O. linie.
DE VEROVERING VAN LAMBAROE.
Op de meeste posten dezer linie wappert onze driekleur helaas, nu niet meer! . . . ; de bekende omstandigheden dwongen ons ze te verlaten.
Welke treurige overpeinzingen en diepe smart hebben onze ridderlijke officieren en brave soldaten ter neèr gedrukt, toen het bevel hun gegeven werd, deze versterkingen te ontruimen en dat plekje gronds weder in handen te stellen van den gehaten Atjeher.
Onder de grootste droefheid werd de Nederlandsche vlag neergehaald. Met de oogen ter aarde geslagen, doch met toorn en verbittering in het hart, werd de terugtocht aangenomen.
Menige zware zucht ontsnapt aan de borst van den Europeeschen krijgsman, felle haat teekent zich op het gelaat van zijn inlandschen wapenbroeder, telkens wanneer zij den blik wenden naar de thans verlaten positie, van waaruit het geschreeuw en gejubel der Atjehers duidelijk te hooren is.
Hoe smaaclvol! denkt dan de officier. Maar troost u, dappere mannen, uwe schuld was het niet ; steeds deedt gij uwen plicht en gerust moogt gij zeggen :
» Tont est perdu, sauf Phonneur Iquot;
Eenmaal zal de tijd komen, dat de krijgstrompet u weer in de ooren klinkt om u tot den aanval op te roepen. Hebt slechts geduld tot men uwe gelederen heeft aangevuld, om opnieuw den klewang te kunnen ttotsee-ren en den Atjeher uw overwicht te doen gevoelen.
Ja, wee dan den Atjeher, zoo onze Oranje-vaan andermaal ontplooid wordt.
36
HET SPOOK
Op een paar uur afstands van Kotta-Radja stond, nagenoeg te midden eener moerassige streek, de benting S., die thans door de geconcentreerde stelling geslecht is. Het was een ongezonde en afgelegen post, gedeeltelijk slechts door een voetpad te bereiken. Niemand kwam er, tenzij voor dienst, en dan nog onder een sterk geleide van minstens 25 bajonetten. Bedoeld voetpad liep eerst door een dicht begroeid bosch, welks reusachtige boomen een prachtig looverdak vormden; allerlei soorten van woeker- en slingerplanten kronkelden zich om de stammen, klommen langs de takken, klemden zich weer aan andere parasieten, en zoo voortgroeiende vormden ze een dichten sluier, waarachter de verraderlijke vijand menigmaal de patrouilles overviel of argelooze vrouwen en kinderen mishandelde of vermoordde.
Na een kwartier uurs door dit bosch geloopen te hebben, verbindt het voetpad zich met een dijk over de lagune, wier vuile groene wateren bij langdurige droogte moorddadige koortsen veroorzaken; vervolgens door
Irie-
dig-
38 het spook.
een verlaten suikerrietveld gaande, bereikt dit voetpad eindelijk de benting S.
Deze versterking onderscheidde zich door niets bijzonders van de overige posten; alleen moest het een ieder in 't oog vallen, hoe mager en bleek de manschappen er uitzagen. Een klein kerkhof in hare onmiddellijke nabijheid bewees trouwens, dat de koorts hier menig slachtoffer geëischt had. Niettegenstaande de velden door de lagunes dikwijls geïnundeerd werden, was het landschap zeer schilderachtig daar deze door lommerrijke bosschen werden begrensd, onder wier geboomte de palmen aan hunne gevederde kruinen duidelijk te herkennen waren.
Op sommige punten zelfs vertoonde de weelderige plantengroei zich in al zijn overweldigenden rijkdom, doch wee dengene, die deze wonderbare schepping van nabij wilde bewonderen, in een oogenblik ware hij door donderbus of klewang geveld. Voortdurend werd deze post dan ook uit die bosschen beschoten; steeds moest men op zijne hoede zijn; menige patrouille en menig transport werd in deze buurt tot den laatsten man neergesabeld.
Ook de veiligheidsdienst was hier vermoeiender dan elders; vooral de nachten waren eene plaag, want zoodra was de zon niet achter de bergen verdwenen en het landschap in eene geheimzinnige, plechtige duisternis gehuld, of uit de moerassen daagden legioenen muskieten op, om zich te vergasten aan 't bloed der Nederlandsche krijgers.
De bezetting van dezen post bestond uit twee officieren en ongeveer honderd soldaten.
HET SPOOK.
Op een nacht omstreeks 12 uur, werd den officier der wacht bericht, dat een der schildwachten op de N. face, op het voorgelegen kerkhof eene witte gedaante had opgemerkt. De schildwacht, toevallig een inlander, verklaarde niet daarop te hebben gevuurd, omdat hij vermoedde, dat het een geest was.
De luitenant, den bijgeloovigen aard der inlanders kennende, antwoordde, dat hij een der kruisen, die de graven der overledenen aanwijzen, voor eene gedaante moest hebben aangezien. Deze bewering werd echter door den schildwacht beslist ontkend ; hij hield vol zich niet te hebben vergist.
Vier achtereenvolgende nachten werd zulks door verschillende posten en steeds op hetzelfde uur waargenomen.
Eene bijgeloovige vrees begon zich onder de inland-sche soldaten der bezetting te openbaren, die zeer ongunstige gevolgen kon hebben.
O ö O O
De commandant der benting besloot op het kerkhof 's nachts eenige malen eene hinderlaag te leggen, doch dan bleef de verschijning weg.
Het spook, zooals de soldaten die verschijning noemden, vertoonde zich dan alleen, indien voor hem alles veilig was, en dit verhoogde zijn overwicht onder de inlanders.
Eindelijk besloot de commandant aan die vertooning voor goed een einde te maken en gaf last eenige licht-kogels op het bastion in gereedheid te houden, terwijl de posten aan die zijde verdubbeld werden.
Reeds om 10 uur 's avonds stonden de officieren en
39
HET SPOOK..
manschappen op den uitkijk. â Alles was stil in den omtrek.
Eindelijk kondigde de schildwacht voor 't geweer, door 12 harde slagen op de koperen klok, het middernachtelijk uur aan, en zie, daar rees statig en langzaam de witte gedaante uit den grond op. Eensklaps werd het terrein door een lichtkogel verlicht, en voordat men tijd had te vuren, verdween het spook met een akeligen, uittartenden lach weer in de diepte. »Dat is om woedend te worden,quot; zeiden de officieren; »die gemeene kerelquot;, hoorde men de Europeanen zeggen; »'t is toch een spookquot;, fluisterden angstig de inlanders.
Den volgenden morgen, juist toen de officieren bezig waren maatregelen te bedenken om het spook in de val te doen loopen, meldde zich de inlandsche sergeant Waki-din aan, en verzocht den commandant te mogen spreken.
Hij verklaarde het raadsel van bedoeld spook wellicht te kunnen ophelderen, mits men hem vergunde den ge-heelen nacht buiten de benting te blijven. Hij geloofde aan geen spoken en wilde daarom het zijne er van hebben,
Wakidin, een ferm onderofficier, die meermalen bewezen had een kranige kerel te zijn, werd uitgenoodigd de reden van zijn verzoek te omschrijven, ten einde die in overweging te kunnen nemen. »Ziet u, commandant,quot; zoo sprak hij op echte soldaten-wijze, »die kunsten van »dat spook vertrouw ik niet best; ik heb opgemerkt, »dat de witte toean (heer) alloos verschijnt, nadat »een lichtje in gindsch Atjeh's wachthuisje uitgedoofd sis, dat staat zeker met elkaar in verband. Als de
HET SPOOK.
3commandant 't goedvindt, zal ik hedennacht door het sbosch sluipen en dat huisje bespieden, en met kris en revolver gewapend, vrees ik spook noch setan (duivel).quot; Dat voorstel van den sergeant vond aanvankelijk nogal bezwaren, doch te zijner voldoening werd zijn verzoek ten slotte ingewilligd.
's Avonds om zes uur, terwijl een ieder weer in de benting moest zijn, daar op dat uur de poort gesloten werd, bleef Wakidin buiten, verscholen achter struiken, de duisternis afwachten.
Omstreeks 7 uur sloop hij, na den omtrek bespied te hebben, uit zijn schuilhoek, en als een slang door het hooge gras kruipende, bereikte hij den boschrand.
Wij zullen hem niet op zijn gevaarlijken tocht volgen, doch volstaan met de mededeelincr dat onze held teefen
O ' O
8 uur de plaats zijner bestemming bereikte.
Daar de Atjehsche woningen, met het oog op de menigvuldige overstroomingen, op palen gebouwd zijn, wist Wakidin onder het huisje, onder een hoop gedroogde bladeren eene goede schuilplaats te vinden en wachtte kalm de verdere gebeurtenissen af. Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld, want nauwelijks had hij zich onder de bladeren verscholen, of een dertigtal mannen met woest uiterlijk, tot de tanden gewapend, verschenen voor deze hut; één voor één beklommen zij de smalle trap en schaarden zich in een kring langs den wand.
Door de groote reten in den vloer kon de onderofficier alles opmerken. Midden in den kring stond een in het wit gekleed inlandsch priester ; een geborduurde tulband rustte op zijn hoofd ; in zijn gordel droeg hij, be-
41
HET SPOOK.
halve rijk versierde klewangs, ook een revolver; in de rechterhand hield hij een rozenkrans en in de linker den koran (het wetboek der Mohammedanen). Het scheen een persoon van omstreeks 40 jaren, zijn gelaat was geel en door een zwaren baard omlijst; 't was een echte Arabische type. Nadat hij den kring in oogenschouw had genomen en de aanwezigen geteld had, sprak hij:
»0! mijn broeders, opent uwe ooren, opdat mijne woorden in uwe harten doordringen. Sinds geruimen tijd sheb ik in afzondering geleefd ; door het gebed heb ik mij gesterkt en mijn geest verlicht; eindelijk is mij gis-»ternacht de profeet verschenen, die mij uitverkoren heeft »u het volgende te openbaren :
gt;De kafirs (christenhonden), die reeds lange jaren uwen sheiligen bodem verontreinigd hebben, zullen allen door «uwe hand sneven! Vreest noch hunnen moed noch shunne meerdere krijgstalenten, want zij zullen niet »langer bestand zijn tegen uwe heilige scharen. Ziet, daar :)ginds te midden uwer eertijds bloeiende velden, staat seene versterking, wier trotsche vlag u dagelijks hoont. »Het is de wil .van onzen grooten Profeet, dat nog he-»dennacht die post vernietigd worde. Mohammed, die ons »van uit het Paradijs gadeslaat, zal uwe handelingen be-^sturen; door een Engel is mij de plaats nabij de ver-»sterking aangewezen, waar gij u overvloedig vanwape-»nen kunt voorzien. Om één uur na middernacht, zult â sgij al uwe beschikbare manschappen verzamelen in uwe üMissigit (kerk) en mijne verdere bevelen afwachten. â¢â¢Ook in de andere Moekims is men tot den heiligen ^oorlog voorbereid. Werpt U ter aarde en bidt, opdat
42
HET SPOOK.
jU kracht moge verleend worden. God is God en Mo-nhommed is zijn profeet !quot; Als één man wierp de vergadering zich op de knieën, sloeg zich voor de borst en riep :
»Allah il Allah, Allah il Allah.quot;
Terwijl de priester op eentonige, zangerige wijze een gebed uit den koran voorlas, bewoog de menigte het hoofd van rechts naar links en begon de opgewonden heid stelselmatig toe te nemen.
Wakidin begreep, dat het nu zaak was, om zoo spoedig mogelijk deze gevaarlijke buurt te verlaten, ten einde den commandant der bezetting nog tijdig te kunnen waarschuwen ; langs denzelfden weg keerde hij terug.
Op ongeveer 200 passen van de benting genaderd, bootste hij het geluid na van een nachtvogel en herhaalde dit achtereenvolgens op 150 en ioo passen. Dit geluid werd uit de versterking telkens beantwoord, ten teeken, dat men hem herkend had. Voorzichtig werd de poort geopend, en Wakidin bevond zich te midden zijner wapenbroeders.
Zijn rapport had ten gevolge, dat de commandant zijne manschappen verzamelde, ten einde hen op ernstige gebeurtenissen voor te bereiden; in kernachtige taal richtte hij het woord tot zijn handvol dapperen, hetgeen veel weerklank vond en de geestdrift opwekte.
De zaak met het spook was den inlanders thans duidelijk : het was dus geen spook maar een spion, zeiden zij. De officieren begrepen, dat zijne verschijning op een en dezelfde plaats, wellicht in verband stond met de verborgen wapens, eene meening, die ook door Wakidin
43
HET SPOOK.
gedeeld werd ; daarom verzocht hij met eenige soldaten het kerkhof nog eens nauwkeurig te mogen onderzoeken.
Het was toen li uur, men had dus nog ruimschoots den tijd. Spoedig had hij een aantal beproefde soldaten uitgekozen en sloop met deze stil de poort uit in de richting van het kerkhof. Als katten kropen zij langs den grond, een ieder gewapend met een kapmes. Op het kerkhof gekomen, werd de grond nauwkeurig onderzocht.
Reeds een half uur had men tevergeefs het terrein in en om de begraafplaats verkend. Wakidin stond op 't punt zijne manschappen weer te verzamelen, toen een hunner met zijn been tot de heup door een opening zakte. «Drommels, dat kan wel het nest wezen van het spook,quot; meende Wakidin, Terstond kapte hij den bodem schoon en ontdekte eene vrij groote opening van minstens 14 M. diepte; de opening was bedekt met dunne latten van bamboe en deze weer met alang-alang (hoog gras). Met eene kleine handlantaarn werd de bodem onderzocht, en voor de oogen der soldaten vertoonde zich een groot aantal klewangs, lansen, donderbussen, kruit en lood. In dergelijke putten, die vroeger tot bergplaats der landbouwgereedschappen hadden gediend, werden door de patrouilles wel eens meer wapens gevonden. Spoedig was de put leeg gehaald en, met behulp van een ter versterking gezonden corvee, waren de wapens van het spook weldra in onze handen.
Inmiddels had men in onze benting ook niet stilgezeten, en alhoewel men steeds op een aanval voorbereid was, werden toch nog vele goede maatregelen genomen : de posten en wachten werden verdubbeld, een groote voor-
44
HET SPOOK.
raad munitie en lichtkogels werd naar het bastion gebracht, emmers en ketels gevuld met water moesten vóór de munitie en vivres magazijnen geplaatst worden, om ingeval van brand terstond tot blusschen te kunnen overgaan. De vrouwen en kinderen der soldaten werden vereenigd en hun tevens eene veilige schuilplaats aangewezen, kortom alle voorzorgen werden in acht genomen en om één uur was de benting in alarmstelling. Ten einde geen achterdocht te verwekken, moesten de manschappen, behalve de schildwachten, op het banket blijven zitten, en de artilleristen achter de reeds geladen stukken liggen. De versterking had twéé bastions, eik-gewapend met een getrokken kanon, bovendien 't noorder bastion nog met een mortier.
Het sloeg reeds halftwee; niets verried in den omtrek de nabijheid des vijands. Nauwlettend werd door de schildwachten uitgekeken, ook de officieren stonden op het banket en trachtten door de duisternis heen te zien; geen menschelijke gedaante werd bespeurd, geen men-schelijke stem gehoord.
Slechts het eentonig geruisch van den wind in de boomen en het harmonisch geluid van een kleinen waterval nabij de lagunen verbraken de nachtelijke stilte.
Eindelijk werd tegen 2 uur een gegil vernomen uit het bosch, en dit werd op verschillende afstanden herhaald.
Kort daarop volgde een dof gebrom, niet ongelijk aan het geluid van een zwerm bijen. Ook zag men toen eenige donkere gestalten in de nabijheid rondsluipen, waarschijnlijk uitgezonden om de versterking te verkennen, doch niets kon hun doen vermoeden dat de
45
HET SPOOK.
benting in alarmstelling stond en men den vijand ver wachtte.
Het was vooral in 't voordeel der verdedigers, dat de post slechts van twee zijden kon aangevallen worden, daar de Z. en W. face door geïnundeerd terrein be grensd waren. De poort zich aan de noorder face bevindende, was de aanval van die zijde het ernstigst te verwachten, een vermoeden, dat later juist bleek te zijn. Daar sloeg het twee uur; eensklaps zag men de bekende witte verschijning weer op de gewone plaats, doch ditmaal vergezeld van volgelingen; tegelijkertijd werd het voorgelegen terrein door lichtkogels helder verlicht. Nu kon men duidelijk een groot aantal Atjehers ontdekken, die zich in verschillende groepen hadden verdeeld. Met een woest krijgsgeschreeuw sprongen zij voorwaarts tot aan de versperring, maar huilend en met bebloede koppen deinsden zij terug. De artillerie had intusschen het spook met zijne aanhangers op eenige kartetsen onthaald en ze duchtig gepoeierd. Tevergeefs hadden deze fanatieken naar de wapens van den profeet gezocht, waardoor het vertrouwen een oogenblik geschokt scheen; toch bevonden zich aan die zijde nog vele gevvapenden, die uit donderbussen ons vuur flink beantwoordden. De aanval des vijands kon echter niet doortastend genoemd worden; aan de O. face scheen men zelfs besloten van â de onderneming af te zien, toen eenklaps de witte verschijning naar voren sprong; wild zwaaide hij zijne klewang boven het hoofd en trachtte door woorden en gebaren de zijnen aan te moedigen. Nogmaals werd die aanval herhaald. Meer dan 300 Atjehers drongen
46
HET SPOOK.
vooruit, velen hadden de donderbus in de vuist, sommigen den klewang, anderen weer lansen, en met de grootste doodsverachting stormden zij op de benting los. De strijd, helder verlicht door een paar lichtkogels, bood een phantastisch schouwspel aan ; duidelijk kon men het gelaat der aanvallers onderscheiden ; het waren echte bandietentronies, waarop felle, bittere haat stond te lezen; kerels, van wie medelijden noch genade te verwachten was. Onze manschappen vuurden er duchtig op los, zoodat het geheel spoedig in eene wolk van kruitdamp gehuld was. De versterking geleek een vulkaan, die dood en verderf om zich heen verspreidde. Het knetteren van 't geweervuur, afgewisseld door het donderen der kanonnen, en daartusschen de schelle tonen van de signaalhoorns, maakten een eigenaardigen indruk. De aanvallen van den vijand werden echter steeds afgeslagen ; herhaaldelijk moesten zij met groot verlies terugtrekken.
Sommigen, die zich te veel gewaagd hadden en door de versperring wilden dringen, geraakten in het ijzer-draad verward en vielen in de randjoes (scherpgepunte bamboes). Ook werden brandstoffen in de benting geworpen, doch met haken werden zij van de daken verwijderd en vervolgens gebluscht. Toch was, niettegenstaande het scherpste toezicht, het kruitmagazijn bijna in de lucht gevlogen.
De vijand scheen onvermoeid; terwijl hij op sommige punten terugtrok, naderde een dichte drom de noorder face, vermoedelijk om de poort te forceeren. Verschrikkelijk was het vuur, dat daarop gericht werd en de ver-
47
HET SPOOK.
woesting was dan ook niet gering ; hardnekkig bleef de vijand echter standhouden en trachtte over de lijken der gesneuvelden den frieschen ruiter (eene versperring) te bereiken, die den ingang der benting verdedigde, doch tevergeefs was hun moed, nutteloos hunne doodsverachting.
Eindelijk trokken de Atjehers vloekende en scheldende terug ; de christenhonden wisten te goed van zich af te bijten.
Achter dichte bamboes en oneffenheden van het terrein bleven zij tot den morgen doorvuren. Tegen 5 uur kondigde trompetgeschal de nadering eener Nederland-sche afdeeling, wier tirailleurs den terugtrekkenden vijand reeds voor zich uit dreven. Met luid gejuich werd deze versterking begroet door de vermoeide verdedigers; gelukkig hadden zij geen al te groote verliezen te betreuren.
Toen men de poort opende, stiet men quot;t eerst op eene geknielde witte gedaante ; de eene hand hield de ijzeren stang van den frieschen ruiter omklemd, de andere steunde op den grond en hield nog de klewang in de vuist gesloten ; het hoofd lag op zijde geleund tegen den rand der versperring en met groote, verglaasde oogen staarde hij naar de poort ; zijne borst was door kogels doorboord.
Zoo was het Spook den dood der dapperen gestorven.
Sergeant Wakidin, die reeds de medaille van moed en trouw had, ontving de M. VV. O.; hij sneuvelde echter kort daarop bij de bestorming van eene vijandelijke stelling, maar de roem zijner heldendaden heeft hem overleefd.
48
OVERROMPELING VAN EENE ATJEHSCHE WACHT.
De zon daalde ter kimme, en weldra maakte de duisternis een einde aan een gedenkwaardigen dag in de Julimaand van 1878. Hardnekkig was de strijd geweest; de vijand, overal verslagen en teruggedrongen, verliet zijne kampongs en vluchtte naar het gebergte. Roemrijk was het voor onze troepen, de zoo geduchte 22 Moekims te hebben onderworpen ; duur was echter de zege gekocht en bij de juichtonen dezer overwinning zullen zich de smartkreten gemengd hebben van menig ouder, vrouw en kind, wier zoon, man of vader gevallen was op 't veld van eer. Het zijn zoovele dierbare offers, gebracht op het altaar des vaderlands !
Waardeert daarom, Nederlanders, wat ginds door het Indische leger voor de eer van uwe vlag, voor de belangen van uw land wordt verricht. Schenkt steeds uwe aandacht aan de bladen, die zijne heldenfeiten vermelden, en werpt de lijst der gesneuvelden en gewonden nimmer onverschillig ter zijde; bedenkt waarvoor en voor wien zij strijden. Uwe sympathie mag hun niet onthouden worden. Door
4
go OVERROMPELING^ VAN EENE
eene kleine schets uit het Indische krijgsmansleven te Atjeh, 1 D zullen wij trachten duidelijk te maken, hoe, ook buiten de v. onze groote en ernstige gevechten, de onzen een aanhoudenden i; cier, moed en doodsverachting aan den dag weten te leggen D
* ^ * | hum
De verschillende colonnes, die in de 22 Moekims I gesf geageerd hadden, bivouakeerden op het zoo pas veroverd I te ' terrein. Het was reeds nacht geworden en voor en na I heir schikte zich nu een ieder ter ruste, ten einde nieuwe I op krachten te verzamelen voor den volgenden dag. De I takl plechtige stilte, die alom heerschte, werd slechts nu en dan I stui verbroken door het schril en akelig gekras van een nachtvo- I had gel of door een schot uit de donderbus, dat de echo's der || met bergen flauw herhaalden. Grillig en tooverachtig schoon â zij verhieven zich bij tusschenpoozen de vonken der vuurpijlen à Noi boven de toppen der kokospalmen, om aan wachten en m dat patrouilles de standplaatsen der bivouaks aan te wijzen, 1 zen Onbeweeglijk en met Argusoogen bewaakten onze â ver schildwachten hunne posten, niets ontging hunne aandacht; B aan zij weten bij ondervinding, dat de vijand nooit te ver- â 1 trouwen is en steeds onze handelingen bespiedt. I nal
Behoedzaam en aan schimmen gelijk sloop omstreeks â bijl elf uur eene patrouille Boegineesche soldaten, sterk 15 I als man, uit het bivouak, dat in de nabijheid der Z. O. linie I 's lag. Hunne donkere gestalten verloren zich weldra in de S hu alang-alang (hoog gras) ; als slangen kropen zij door het 1 struikgewas, ten einde ongemerkt den boschrand te bereiken, om aldaar, ingevolge den ontvangen last, eene hinderlaag te leggen en den vijand de nadering tot het bivouak zooveel mogelijk te beletten.
m;
in
be
ATJEHSCHE WACHT,
De onderneming was moeilijk en vol gevaren, maar onze Boegineezen zijn onversaagde soldaten, en de officier, die hen aanvoerde, beleidvol en dapper.
Daar ze achter elkaar gingen, verried zelfs geen geritsel hunne tegenwoordigheid. Slechts nu en dan werd op 't afgesproken teeken sstquot; van den officier halt gehouden om te luisteren en voort ging dan de marsch op even geheimzinnige wijze. Zoo was men reeds den boschrand tot op 50 schreden genaderd, toen het geluid van brekende takken hunne aandacht trok. Men was zeker ontdekt of stuitte op eene vijandelijke hinderlaag. In één oogwenk hadden de soldaten zich om hun aanvoerder verzameld ;
met den vinger aan den trekker van 't geweer stonden zij gereed een ernstig en bloedig gevecht te leveren Nogmaals herhaalde zich dit geluid ; nu echter wist men, *
dat het veroorzaakt werd door kalongs (groote vleermuizen), die, op hun nachtelijken rooftocht, zich aan vruchten vergastten, en gerustgesteld zette men den marsch tot aan den boschrand voort.
Hier zocht en vond men eigenlijk een voetpad, in welks nabijheid stelling werd genomen. Hinderpalen in de nabijheid van voetpaden zijn te Atjeh over 't algemeen als de gunstigste te beschouwen, daar de Atjehers zich 's nachts bij voorkeur hiervan bedienen, om met gemak hun gestolen buit of vivres te kunnen vervoeren.
Spoedig had de commandant, luitenant E. v. B, zijne manschappen geplaatst : 10 man in 't front en de rest in den rug. »Niet vuren voor 't commando,quot; was het bevel, dat van oor tot oor werd overgebracht.
Niemand had toen kunnen vermoeden, dat zich daar
51
OVERROMPELING VAN EENE
een troep dappere en bloeddorstige Boegineezen in hinderlaag bevond. Reeds meer dan een uur hadden zij onbeweeglijk op dezelfde plaats doorgebracht, zonder een enkelen vijand te hebben gezien ; dit was eene zware proef voor 't geduld der Boegineezen. Eindelijk verstoutte zich een hunner den officier aan te spreken ; als eene schaduw gleed hij zijwaarts om zijn supérieur te naderen.
»Luitenant,quot; sprak Batjo, een der oudste soldaten van de compagnie, »nog een paar uur en de morgenschemering zal ons verplichten onverrichter zake terug te kee-ren ; de Boegineezen hebben hunnen landslieden gezworen, nog hedennacht hunne gevallen broeders te wreken. U weet, dapper hebben wij voor de Compagnie (gouvernement) gestreden en velen zijn daarbij gebleven ; vergun ons daarom iets verder te gaan ; daar in 't gebergte zullen wij vinden, wat wij zoeken, en bij Allah, luitenant, de Atjeher zal ondervinden, dat de Boeginees hem niet vreest.quot;
E. v. B. had lang gediend bij de Boegineezen en wist hoe hij met dat volkje moest omgaan. »Goed, Batjo,quot; antwoordde hij. jIk weet, de Boegineezen zijn mannen en schamen zich in 't bivouak terug te keeren zonder de gedane belofte volbracht te hebben; voordat de zon de toppen der bergen kleurt, zullen zij gewroken zijn. Voorwaarts dus, mijne kinderen, en moge Allah ons steunen.quot; Man voor man en dicht aaneengesloten bewogen zich deze kranige kerels tusschen het geboomte. B. liep aan 't hoofd en dicht achter hem Batjo, om zijn officier, zoo noodig, te beschermen.
Eindelijk bereikte men het gebergte ; tot nu toe had
52
ATJEHSCHE WACHT.
niets bijzonders den tocht onderscheiden; thans werd de marsch vermoeiender, want nu was het klauteren tusschen kloven en spleten ; na veel inspanning bereikte men een dicht begroeid terras ; hier werd uitgerust en voorloopig stelling genomen. In alle richtingen, waar zich de oogen wendden, ontwaarde men niets dan eene ondoordringbare duisternis ; maar zie, daar in de verte boeit een flauw schijnsel den blik onzer soldaten.
Het was op dien afstand niet te onderscheiden, of het schijnsel kwam van een wachtvuur dan wel van eene lantaarn ; in 't laatste geval konden het visschers zijn, die op weg waren naar de lagunen en die steeds licht gebruiken bij de uitoefening van hun bedrijf; maar men zoude zich vergewissen en voorzichtig werd de tocht in die richting voortgezet. Na zich met veel moeite een doortocht gebaand te hebben door allerlei slingerplanten en ander gewas, bereikte men een bergpas. Alvorens den hollen weg in te slaan, werden twee man op verkenning uitgezonden, die na verloop van 10 minuten terugkeerden met het bericht, dat het lichtje kwam uit eene grot, waarin zich eenige gewapende Atjehers bevonden, waarschijnlijk de wacht, aan wier zorg de bewaking der berg-engte was toevertrouwd. Nu was het zaak de Boegineezen in de hand te houden, want hun strijdlust was groot.
»Niet vuren vóór 't commando en langzaam vooruitquot;, was het bevel. Vlug strekte zich de bruine hand naar de bajonet om te onderzoeken of deze nog stevig bevestigd was, nog even het patroontaschje naar voren geschoven en vastberaden volgden zij den officier. Voet voor voet naderen zij den vijand ; aan den ingang staat
53
OVERROMPELING VAN EENE
eene donkere gestalte. De eene arm rust op een vooruitstekend rotsblok, de andere hangt slap langs het lichaam. Nauwkeurig wordt hij bespied, maar hij slaapt, deze krijger. Weldra waren donderbus en lans, die tegen de hellinlt;j latjen, in handen der onzen. Daar schittert als
O O '
een bliksemstraal de badeh-badeh (Boegineesche ponjaard) en schielijk verdween de kling in het hart van den slaper, die het slachtoffer werd zijner achteloosheid.
Ook in de grot lag een dertigtal Atjehers in diepe rust; eenigen omklemden den greep van hun klewang, anderen hielden donderbus of lans in den arm. Het spookachtig schijnsel van een oliepitje bescheen deze slanke en krachtige gestalten. Als schaduwen en dicht langs den wand kropen onze soldaten voorwaarts, woest en dreigend rolden hunne donkere oogen, geen genade was op hun gelaat te lezen Nauwelijks was de laatste Boegi-nees binnen, of daar deden zich de harde en driftige slagen der tong-tong (Atjehsch alarmsignaal) in den na-burigen kampong hooren. Vermoedelijk was een patrouille uit een ander bivouak ontdekt. Als één man sprongen de Atjehers op; »vuur!quot; klonk eensklaps het commando van den luitenant, en een grijze kruitdamp vulde de spelonk.
Verward grepen de Atjehers naar de wapens en in minder dan geen tijd ontstond er een strijd van man tegen man Na het eerste schot hadden de Boegineezen reeds hun badeh-badeh getrokken, een wapen, dat zij steeds bij zich dragen en geducht weten te hanteeren, en den klewang niet ontziende, sprongen zij op den vijand toe ; wanhopig trachtte deze den uitgang te bereiken en
54
ATJEHSCHE WACHT.
zwaaide met den klewang in den blinde rond; de Boegi-neezen ontweken deze slagen en de klewangs geen doel treffende kwamen soms zoo geweldig tegen de rotswanden aan, dat zij kletterend aan stukken vlogen. En in dit gevecht op leven en dood geleken de Atjehers met hunne loshangende haren en onze soldaten in hunne donkere uniformen de demonen van onverzoenbaren en helschen haat.
Van weerszijden werd veel moed en doodsverachting aan den dag gelegd. In dit kort, doch vreeselijk gevecht bleven de onzen overwinnaars. Een paar soldaten waren gewond, doch wisten dit met echt oostersche kalmte te verbergen. De aanhoudende slagen op de tong-tong, die nu in alle richtingen herhaald werden, bewezen, dat de vijand onraad vermoedde. E. v. B. verzamelde snel zijne manschappen ; het bleek dan ook meer dan tijd te zijn: reeds floten enkele kogels hun om de ooren en de terugtocht moest al strijdende aanvaard worden. Van alle kanten kwamen troepen Atjehers opdagen om de bergengte te verdedigen, wellicht denkende eene sterke Nederlandsche colonne voor zich te hebben, Eindelijk was de boschrand bereikt, ginds zag men reeds de bi-vouak-vuren schemeren en bij de eerste tonen der reveille was de patrouille in het bivouak terug.
»Ontlaadt geweer, ingerukt marsch 1quot; klonk voor het laatst het commando van den patrouille-commandant, en deze gevaarvolle onderneming was volbracht.
Luit. E. v. B. werd de afgod zijner Boegineezen. Zijne M. W. O. , kort daarop verdiend, bewees, dat hij op hen heeft kunnen vertrouwen.
55
56 OVERROMPELING VAN EENE ATJEHSCHE WACHT.
.^Lezer, zoo gij in de gelegenheid komt de Boegineezen der 2e coinp. 3e bat. in hunne chambrées bij elkaar te zien^ luister dan wiens daden zij bezingen, wiens moed. beleid en troïiw zij bespreken ; voorzeker hoort gij onder de vele namen ook dien van luit. E. v. B.
ONZE AMBOINEESCHE SOLDATEN.
Ruim 13 jaren hebben de Amboineesche soldaten (het 3e Bat. Inf.) te Atjeh gestreden. Menige scliitterende bladzijde hebben zij toegevoegd aan de krijgsanalen van het Indische leger. De Militaire Willemsorde, die het vaandel van hun corps versiert, is eene koninklijke belooning, die meer zegt dan woorden. Ja, met recht kan men de Amboi-neezen, onze trouwste en dapperste Inlandsche troepen noemen. Door de Atjehers zeer gevreesd, werden hunne transporten en patrouilles zelden aangevallen. Een At-jehsch hoofd, Toekoe-Moeda-Baïd, noemde dit corps het ^Leeuwen Bataljonquot;.
Nu het kleine overschot dezer dappere en onverschrokken krijgers, ten gevolge der vreeselijke berri-berri, van Atjeh wordt geëvacueerd, zij hier de plaats een woord van hulde te brengen aan deze mannen, die met zulk een bewondereilswaardigen moed en trouw hebben gestreden, voor het vaandel, waaronder zij dienen.
Geen soldaat toont zooveel gehechtheid aan zijne officieren als de Amboinees en steeds volgt hij blindelings hun moedig voorbeeld. Het volgend verhaal zij hiervan het bewijs.
ONZE AMBOINEESCHE SOLDATEN.
58
Nadat in Februari 1876 de groote en sterke vijandelijke versterking Tjapatoe door de onzen genomen en de kampong Meroe met de daarin gelegen Missigit vernietigd wast keerden onze ageerende colonnes (waaronder het 3e Bat. Inf.) naar het bivouak te Pango terug, welk bivouak gelegen was aan den rechteroever van de Atjeh-rivier. Op deze hoogte moest aan beide oevers eene versterking gebouwd worden, namelijk Pango en Pagar-Ajer. Het bouwen van de benting Pagar-Ajer ging echter met veel moeilijkheden gepaard, daar de Atjeh-rivier sterk gezwollen was en de hevige stroom den overgang bijna onmogelijk maakte. Materialen om den overgang te bewerkstelligen bestonden uit slechts 2 kleine Atjehsche Sampangs (schuitjes), waarmede hoogstens twee man konden overgebracht worden en dan nog met levensgevaar. Wel had de genie een vlot van pisangboomen vervaardigd, doch ook dit bleek onvoldoende. De Luitenant-Kolonel Meijer, chef van den staf, rapporteerde den Generaal-Majoor Pel, destijds Militairen en Civielen bevelhebber van Atjeh, de bezwaren, waarmede men te kampen had. Het antwoord van den generaal was het kenmerk van zijn voortvarend en doortastend karakter en luidde kort en bondig: »Kan ik het helpen, dat de rivier zoo gezwollen is ? De troepen moeten er over, en binnen een paar dagen wil ik Pagar-Ajer zoover klaar zien, dat er minstens eene compagnie infanterie met het noodige geschut kan gelegerd worden. Dit antwoord bracht den overste Meijer in geen geringe verlegenheid, omdat, zooals gemeld is, de noodige materialen ontbraken, maar het spreekwoord »als de nood het hoogste
ONZE AMBOINEESCHE SOLDATEN.
komt, is de hulp het naast bij,quot; werd hier bewaarheid.
Majoor Diepenheim, commandant van het 3e Bat., die toevallig in de nabijheid stond en onwillekeurig getuige was van dit gesprek, begaf zich naar den overste Meijer, toen deze den generaal verlaten had, en stelde hem voor met zijne Amboineezen de rivier over te zwemmen.
Dit te beproeven was zeer gevaarlijk, zoodat de chef van den staf veel bezwaren maakte. Majoor Diepenheim wist die echter te wederleggen en daar de Amboineezen
OO
bekend staan als goede zwemmers, werd zijn voorstel aangenomen.
Onmiddellijk daarop liet hij zijne soldaten aan den oever aantreden, ontkleedde zich en sprong in de rivier, zijne manschappen toeroepende : sOrang Ambon toerotquot; ! (Amboineezen volgt mij). De Amboineezen bedachten zich geen oogenblik en volgden terstond het moedig voorbeeld van hunnen beminden aanvoerder, die hen reeds zoo menig keer op het pad van roem en eer had geleid.
Met de sabel tusschen de tanden zwom Majoor Diepenheim aan 't hoofd. Vol bewondering en belangstelling stond men aan den oever den uitslag van dit stout waagstuk af te wachten. Midden in de rivier scheen het, alsof de krachten Majoor Diepenheim begaven en hij tevergeefs tegen den sterken stroom trachtte te worstelen. Werkelijk was dit het geval. Deze verdienstelijke hoofd-officier was bij de bestorming van Tjapotoe door een matten kogel aan den rechterarm gewond, en door de krachtsinspanning bij het zwemmen deed de wond zich opnieuw gevoelen. Zonder zijnen
59
ONZE AMBOINEESCHE SOLDATEN.
braven ordonnance, die hem bij alle gelegenheden op den voet volgde en zijne trouwe Amboineezen, zoude hij zeer zeker verdronken zijn. Alhoewel hierdoor eenigszins afgedreven, bereikte hij toch behouden den oever en werd door de zijnen met luid gejuich begroet.
Generaal-majoor Pel, die van den beginne af de beweging met aandacht had gevolgd, wendde zich tot den chef van den staf en zeide: »Zieje wel, Meijer, dat het gaat?quot;
Inmiddels was eene lange rottang overgebracht en aan den oever vastgemaakt, waar langs nu de achtergebleven wapens en goederen in de twee gekoppelde Sampangs werden getransporteerd. Intusschen zat Majoor Diepenheim, evenals zijne Amboineezen, in Adam's uniform gehurkt, deze goederen op te wachten, eene vertooning, die, niettegenstaande den ernst van 't oogen-blik, zelfs den generaal hartelijk deed lachen.
De genie had in dien tijd niet stil gezeten, en een sterker vlot samengesteld, zoodat ook de andere troepen den overkant konden bereiken. Druk werd nu aan den bouw van Pagar-Ajer gearbeid en trots vele moeielijk-heden was deze benting in betrekkelijk korten tijd voltooid.
De goede hoedanigheid van den Amboinees, welke vooral gedurende den Atjeh-oorlog ten duidelijkste zijn gebleken, geven het bestuur aanleiding dezen landaard bij het Indische leger niet alleen te behouden, maar ook uit te breiden, waarvoor sinds kort eene som op de begrooting is toegestaan van f 75,000. Mogen de nieuw aangeworven Amboineezen het voetspoor volgen van hunne dappere voorgangers, opdat ook zij eenmaal het sieraad uitmaken van het Indische leger.
6o
SARINA.
Het was op een heerlijken morgen; zacht wuifden de palmen hunne trotsche kruinen boven het lagere geboomte ; op de nog vochtige bladeren schitterden de dauwdruppels als even zooveel brillanten in de eerste stralen der opkomende zon ; overal stegen balsemgeuren op uit de weelderige plantenmassa, en in de dichte bosschen hoorde men duizenden vogeltjes hun morgenlied zingen ; het was een dier frissche morgens, die den mensch in de tropen als het ware met een nieuw leven bezielen.
Op den weg, welke van Kotta-Radja naar de benting L. leidt, en die beurtelings nu eens door rijstvelden dan weer door kokostuinen loopt, bewoog zich omstreeks zeven uur op dien morgen eene jonge Javaansche vrouw. De frissche koelte streelde hare slapen; mijmerend aanschouwde zij het vriendelijke landschap, kalm verplaatste zij hare kleine, welgevormde voeten op het nog natte gras ; vol gratie was haar gang en met echt oostersche bevalligheid droeg zij haren slendang (lange sjaal) over den rechter schouder.
Béschouwen wij Sarina, zoo heette de jonge vrouw,
SARINA.
eens van naderbij, want werkelijk hare schoonheid is opmerkenswaard. Het donker glanzend haar is van achteren in een wrong samengebonden en enkele welriekende melat-tibloemen voltooien het eenvoudig kapsel; de oogen zijn donker en schitterend, hare fijne regelmatige gelaatstrekken en lichte kleur zouden haar wel niet als inlandsche vrouw doen kennen, maar toch is zij eene echte Javaansche uit de Vorstenlanden. Als bovenkleed draagt zij eene donkerblauwe kabaai, van voren met zilveren knoopjes vastgehecht en als rok eene bruine gebloemde sarong ; deze kleederdracht, hoe eenvoudig ook, doet de schoone gestalte der inlandsche vrouwen van den Indischen archipel voordeelig uitkomen. Jammer, dat de gloeiende hemel, waaronder zij leven, jeugd en schoonheid zoo spoedig doet verwelken.
Langzaam naderde onze schoone de benting L. Reeds kon zij boven de heuvelenrij de Nederlandsche vlag zien wapperen op de versterking, waar haar man, de inlandsche sergeant Wirodjojo, tot de bezetting behoorde, toen zij eensklaps eenigé menschelijke gestalten in het struikgewas langs den weg meende te zien.
Verschrikt bleef zij staan, niet wetende vriend of vijand te zullen ontmoeten, doch wat kon haar deren in de nabijheid der Nederlandsche vuurmonden ? 't Was zeker een patrouille. Arme Sarina ! waarom hebt gij de strenge orders, van nimmer zonder gewapend geleide of patrouille buiten den kraton te gaan of u tusschen de linies te bewegen, niet opgevolgd ?
Gij wist toch. dat de vijand vrouw noch kind spaarde.
Nauwelijks had zij eenige schreden verder afgelegd, of
02
SARINA.
daar omsingelden haar een twaalftal mannen, die er spookachtig en woest uitzagen; de breede klewangs zag zij reeds boven heur hoofd schitteren, toen plotseling eene stem deze geduchte wapenen deed zakken. Een Atjeher met dreigend voorkomen trad naar voren, en richtte met levendige gebaren het woord tot zijne makkers in eene taal, die Sarina niet verstond ; vervolgens haar van 't hoofd tot de voeten opnemende, vroeg hij in 't Maleisch : »Wie zijt gij en waar moet gij heen?quot;
Sarina was niet in staat te antwoorden, de schrik had hare tong verlamd. Met over elkaar gekruiste armen beschouwde haar deze bloeddorstige krijger; »gij zijt schoon,quot; zeide hij, »en zoo gij ons gewillig volgt zal u geen leed geschieden.quot; »Ik wil u niet volgen, laat mij door,quot; bracht zij nu met moeite uit; een slag op het hoofd met het plat van den klewang deed haar bewusteloos neervallen.
Eene patrouille, die niet lang daarna deze plaats voorbij ging, vond een slendang en eene kris. De inlandsche soldaten dezer patrouille beweerden, dat zij uit verschillende indrukken in den bodem konden zien, dat hier eene worsteling moest plaats gehad hebben ; toch vond men geen sporen van bloed, en tevergeefs werd de omtrek onderzocht.
Het was reeds donker, toen Sarina tot bewustzijn kwam ; eenzaam lag zij op de baleh-baleh (brits van bamboe) van eene hut, niet wetende waar zij zich bevond ; door geweldige hoofdpijn gefolterd, bracht zij onwillekeurig de hand naar de gevoelige plek; een kreet van smart ontsnapte haren lippen ; nu herinnerde zij zich alles en een
63
SARINA.
angstig gevoel maakte zich van haar meester. Welk een afschuwelijk lot stond haar te wachten! Behoedzaam richtte zij zich op om te onderzoeken in welke gevangenis men haar opgesloten had ; voorzichtig betastte zij de wanden van gevlochten bamboe; eindelijk zag zij door enkele reten licht schijnen. Door die openingen bespeurde zij op een afstand eenige groote vuren en daaromheen eene menigte mannen, vrouwen en kinderen. Met aandacht bespiedde zij de verschillende groepen, het scheen eene jubelende menigte te zijn; eindelijk onderscheidde zij ook een blanke, in de uniform der Nederlandsche troepen ; zijne armen waren uitgestrekt en gebonden aan de takken van een reusachtigen waringin, met opengespalkte oogen staarde hij voor zich uit. Eensklaps vernam zij een doordringenden kreet, thans bespeurde zij een aantal jeugdige Atjehers, die zich op het lichaam van dien ongelukkige in de behandeling van lans en klewang oefenden. Eerst werden hem neus, ooren en voeten afgehouwen, en telkens wanneer een slag werd toegebracht, brulde de menigte: Allah il Allah, Mahomed rassoel il Allah
Met moeite onderdrukte Sarina een kreet van afgrijzen, en een hevige angst overviel haar.
Hoe afgemat ook, ontwaakte bij haar door dit afschuwelijk schouwspel de zucht naar vrijheid, want wellicht moest zij spoedig dergelijk lot ondergaan. In alle richtingen langs den muur gaande, onderzocht zij nu de verbinding der wanden ; reeds een kwartier had zij tevergeefs naar een zwak deel gezocht: de matten waren stevig verbonden; wanhopig en ten einde raad besloot zij toen tot zelfmoord. Toevallig het hoofd naar boven richtende, zag zij
64
SARINA.
eenige sterren fonkelen aan den donkeren hemel ; hare oogen, die zich een weinig aan de duisternis hadden gewend, ontdekten thans boven aan den wand eene opening. Krampachtig omvatte zij den bamboestijl en zette hare voeten op de latten van den wand ; met de grootste omzichtigheid klauterde zij, met de behendigheid den Javanen eigen, naar boven ; de opening werd spoedig bereikt. Eerst stak zij het hoofd naar buiten en onderzocht nauwkeurig den omtrek, maar gelukkig deed zich niets verdachts voor, Het scheen, dat de geheele bevolking van den kampong samen geloopen was, om den ongelukkigen blanken krijgsman te zien martelen. Zich door de opening te wringen en langs de buitenstijlen naar beneden te glijden, was voor haar het werk van een oogenblik. Dank zij de menigte mangaboomen, stond zij in de schaduw. Nu was het zaak zoo spoedig mogelijk uit deze gevaarlijke buurt te komen, doch welke richting moest genomen worden ? Gelukkig bevond zich achter de hut een bosch, dat door dicht struikgewas en hoog gras van den kampong werd gescheiden. Op goed geluk besloot Sarina zich daarin te verbergen ; met moeite baande zij zich een weg door de struiken, telkens vreezende zich door eenige onvoorzichtigheid te verraden. Eindelijk bereikte zij het bosch, doch ook hier belemmerde de krachtige plantengroei haren gang, zoodat zij herhaaldelijk verplicht was te kruipen ; dikwijls bewees het geschuivel in hare nabijheid, dat zij eene slang in hare rust gestoord had, doch de vrees voor den Atjeher was grooter dan haar angst voor het ongedierte. Van tijd tot tijd bleef zij stilstaan om uit te rusten, tevens om te luisteren of men haar ook achtervolpfde,
O '
65
5
SARINA.
doch niets stoorde de nachtelijke stilte dan het gehuil der wilde honden. Bijna twee uren had Sarina door het bosch gedwaald en nog nergens een voetpad gevonden ; doch eensklaps vernam zij een lang gerekt geschreeuw in de verte : dit was het eigenaardig herkenningsteeken van den vijand ; zij had het meermalen 's nachts gehoord. Nu trachtte zij in tegenovergestelde richting een weg te vinden ; wellicht was hare vlucht ontdekt. Na verloop van een half uur bereikte zij eene boomlooze vlakte. Goddank ! daar zag zij in de verte lantaarns schijnen, iets verder weer een groep lantaars, zij was dus in de nabijheid der voorste linie ; het werd dan ook hoog tijd, want hare krachten waren uitgeput, waggelend liep zij voort, al zwakker en zwakker werd haar gang. Reeds kon zij den omtrek der palissadeering onderscheiden ; nu besloot zij te roepen, doch daar klonk opeens »halt, werda !quot; haar tegen.
Kort daarop gevolgd door een schot.....
De schildwacht, geplaatst op het uiteinde der ooster-face, rapporteerde den officier der wacht duidelijk iemand gezien te hebben, het was zeker een maraudeur, die te weinig op de waakzaamheid van den schildwacht had gerekend. Den volgenden morgen om zes uur werd de poort geopend, ten einde de patrouille door te laten, die eiken dag op veldontdekking gezonden werd. Daar een der schildwachten 's nachts geschoten had, zou men eerst om de versterking loopen, er was's nachts wel eens meer doel getroffen. Ja! ditmaal was het schot ook raak geweest, want tusschen de struiken lag eene menschelijke gedaante met het gezicht naar de benting gekeerd ; het gelaat was met modder en bloed bedekt en geheel on-
66
SARINA.
kenbaar. »De kerel heeft het maraudeeren voor goed afgeleerd !quot; hoorde men een der soldaten zeggen, »jam-mer, dat wij dezulken niet bij dozijnen kunnen neerschieten. Komt, jongens, opgepakt, 't is een mooi presentje voor onzen dokter ; maar voorzichtig, die kerels zijn nooit te vertrouwen.quot; Toen men 't hoofd oprichtte, gleed een bundel zwart haar langs den hals op den rug. »Wat drommel,quot; vervolgde dezelfde spreker, »ik geloof waarachtig, dat het een demoiselle is ; zij kwam zeker om een vrijer te zoeken, maar de schildwacht wilde van de liefde niets meer weten ; jammer, het is misschien eene mooie deern.quot; Vlug werd toen een brancard gehaald en voorzichtig werd zij daarin gelegd.
Inmiddels was den commandant der benting de zaak gerapporteerd ; men bracht het lijk aan de wacht, waar juist de dokter met zijn ziekenrapport bezig was. Op zijn bevel werd eerst het gelaat gereinigd; een der inlandsche soldaten maakte de opmerking, dat zij niet de Atjehsche kleeding droeg, maar die der Javaansche vrouwen ; ook had men geen wapens bij haar gevonden. Een en ander gaf den officier van gezondheid aanleiding het lichaam nauwkeuriger te onderzoeken. Wonden waren nergens te vinden, slechts eene kleine zwelling op zijde van het hoofd ; men onderzocht het hart, dit klopte, doch zeer zwak en bijna onmerkbaar. »Niet doodquot; verklaarde de dokter, »niet doodquot; herhaalden de soldaten. Terstond werden toen alle middelen aangewend, om de bewuste-looze in het leven terug te roepen ; eerst na langen tijd gelukte het, haar tot bewustzijn terug te brengen, doch de patiënte was nog te zwak om een enkel woord te
67
SARINA.
68
spreken. Op last van den geneesheer werd zij naar de ambulance gebracht, en daar door een der oppassers herkend. Na verloop van veertien dagen kon Sarina het hospitaal verlaten. Hare geschiedenis werd spoedig bekend, en sinds noemde men haar de Atjehsche vrouw.
GESTRAFT EN BELOOND.
De Atjeh-oorlog is rijk aan heldenfeiten; jammer, dat de meeste daden der vergetelheid worden prijs gegeven. Uit vele willen we hier een zeldzaam voorbeeld van koelbloedigheid en doodsverachting aanhalen.
In de nabijheid eener versterking van ééne onzer voorste linies, hadden de Atjehers op een heuvel hunne vlag geplant, terwijl in de onmiddellijke nabijheid aan denboschrand eene sterke vijandelijke wacht stond, om het weghalen daarvan te beletten.
Die vlag, daar alleen geplaatst om de benting te tarten en te plagen, hinderde de bezetting der versterking op eene vreeselijke wijze. Enkele pogingen, door den commandant aangewend om dat vaandel te verwijderen, hadden steeds verliezen gekost, zoodat van verdere ondernemingen moest worden afgezien. Toch meldden zich nog vrijwilligers bij den commandant aan, om dat roode doek met het Atjehsche wapen in 't midden (de halvemaan en twéé gekruiste klewangs) te mogen wegnemen, welk verzoek echter, met het oog op de vele gevaren, niet kon ingewilligd worden. »Men moest maar geduld hebben,1' zeide de commandant.
GESTRAFT ÃN BELOOND.
Intusschen hield de vijand niet op, van uit den bosch-rand te schreeuwen en te scheiden, wat door onze soldaten mei een verachtelijk stilzwijgen werd beantwoord.
Dit had zoo reeds een paar dagen aangehouden, toen op een morgen een Europeesch fuselier, wiens naam ons jammer genoeg, ontschoten is, ongemerkt uit de benting wist te sluipen en zijne schreden richtte naar bedoelden heuvel.
Het aanhoudend schieten trok de aandacht der officieren, die zich toen naar het bastion begaven, om te onderzoeken, wat er gaande was. Het geheim was spoedig opgehelderd.
De waaghals werd tevergeefs teruggeroepen ; hij scheen erg doof en bleef met de grootste kalmte doormarcheeren.
Een vreeselijk vuur werd door den vijand op hem gericht, als hagel vlogen de kogels om zijne ooren ; elk oogenblik meende men hem doodelijk getroffen te zien neêrvallen. Onnoodig te zeggen met welke spanning men uit de versterking dat alles aanschouwde.
Eindelijk had hij den heuvel bereikt. Daar hield hij een oogenblik halt en stond met de handen op den rug naar den vlaggestok te kijken, nam vervolgens wat zand, waarmee hij zich de handen inwreef, en klauterde toen met de grootste behendigheid den stok op, rukte het Atjeh-sche doek naar beneden, haalde van onder zijne tunique de Nederlandsche vlag te voorschijn, en stelde deze daarvoor in de plaats. Toen hij de zekerheid had onze driekleur goed bevestigd te hebben, liet hij zich weer naar beneden glijden, maakte front naar den vijand, veegde als bewijs van minachting zijne schoenen af met de veroverde vlag,
7°
GESTRAFT EN BELOOND.
lachte daarbij erg sarcastisch tegen de heeren uit den boschrand, die als razenden op hem bleven doorvuren, en wees op ons rood, wit en blauw, alsof hij zeggen wilde: gt;doet me dat eens na, als je durft!quot; Terwijl uit de ben-ting een donderend hoera opging, huilden de Atjehers van woede en teleurstelling.
Binnen de versterking gekomen, werd onze held met 14 dagen provoost in arrest gebracht, als hebbende gehandeld in strijd met de gegeven orders, maar werd door den commandant tevens voorgedragen voor eene militaire belooning; kort daarop ontving hij dan ook het eere-metaal voor moed, beleid en trouw, eene onderscheiding, die waarlijk goed verdiend was.
71
GEVANGENNEMING VAN EEN ATJEHSCHEN HOOFDMAN.
Na de verovering der XXII en XXVI Moekims onder Generaal van der Heyden, kon men den Atjeh-oorlog zoogoed als geëindigd beschouwen. Nu de krijgshaftige en hardnekkige bevolking dier Moekims overal verslagen was, was de kracht van den vijand op Groot-Atjeh voor goed gebroken. In alle richtingen zag men dan ook de witte vlag uitsteken en dagelijks meldden zich verschillende Atjehsche hoofden te Kotta-Radja, om hunne onderwerping aan te bieden.
Helaas! diezelfde landstreken veroverd ten koste van stroomen bloeds, gekocht met het leven van zoovele dapperen, zijn thans weer aan den vijand prijsgegeven; dit is het noodlottig gevolg van de invoering van het civiel-bestuur, dat het moeilijk werk geheel heeft omvergeworpen.
Maar laat ons deze treurige bladzijde van onze zoo roemrijke Indische geschiedenis overslaan, hopende dat de krijgsbanier weldra weer uit haar foudraal zal genomen worden, om Neêrland's macht op Atjeh te herstellen. Dit eischt ons prestige in Indië, zulks gebiedt onze eer als
GEVANGENNEMING VAN EEN ATJEHSCHEN HOOFDMAN. 73
koloniale mogendheid. Zooals gezegd is, volgde op de verovering van bovengenoemde landstreken, de onderwerping van een groot aantal Atjehsche hoofden, zoodat Generaal van der Heyden, in stede van te kunnen uitrusten van die vermoeiende veldtochten, zich moest bezighouden met de regeling der politieke aangelegenheden. Hierin werd hij bijgestaan door eenige burger-ambtenaren, die ter bespoediging der onderhandelingen, over de hoofdposten der verschillende linies verdeeld waren.
Op één dezer posten werd, door overplaatsing van den civielen ambtenaar, deze betrekking tijdelijk waargenomen door den kapitein HL, in welke functie hij veel oordeel aan den dag legde. Het volgend verhaal kan tot bewijs dienen, hoe doortastend en voortvarend hij wist te handelen, en hoe men langs den kortsten weg het eerst zijn doel bereikt.
Onder de Atjehsche hoofden zijner afdeeling was er een, die zich door eene twijfelachtige houding zeer verdacht maakte ; op elke sommatie zocht hij nietsbeduidende uitvluchten om de onderhandelingen te ontduiken. Kapitein H. was echter niet de man, die zich door de listen eens Atjehers om den tuin liet leiden, en begreep, dat een slecht voorbeeld nadeelig op de goede gezindheid der andere hoofden moest werken, weshalve hij besloot dien Hoeloebalang (hoofdman) met een detachement soldaten bij verrassing op te lichten.
Op een avond, omstreeks 9 uur, stond op de binnenplaats der versterking T. een detachement, sterk 3 officieren en zestig soldaten, dat onder bevel van kapitein H., bedoelden Atjeher zoude arresteeren. De onderneming
GEVANGENNEMING VAN
was zeer gevaarlijk, maar het waren dan ook beproefde soldaten, die hiervoor uitgekozen waren. Voor denafmarsch verklaarde de kapitein in kalme bewoordingen het doel der onderneming, verzocht vooral gedurende den marsch de grootste stilte in acht te nemen, niet te vuren dan in de uiterste noodzakelijkheid en verder zich te regelen naar de bevelen der officieren. Onder bedekking der nachtelijke duisternis, ging de troep op marsch. Aanvankelijk was de weg vrij goed, maar werd later smaller en veranderde toen in een voetpad, dat zich in de moerassen verloor.
Nu werd de tocht vermoeiend ; beurtelings moesten zij lagunen doorwaden en door dichte bosschen een pad zoeken ; op sommige plaatsen moest men zelfs een weg banen door de scherpe doorns der bamboedoerie, die handen en gelaat openscheurden, kortom, het was een tocht, die ongehoorde krachtsinspanning eischte.
Ondanks al deze moeilijkheden bleef de kolonne echter goed aaneengesloten.
Na een marsch van ruim twee uren bereikte men een sawah (rijstveld) en daarachter vertoonde zich de donkere omtrek van den kampong, het doel van hun tocht.
Een oogenblik hield men halt om uit te rusten en om appèl te houden, doch niemand was achtergebleven.
Aandachtig luisterde men naar de ontelbare geluiden, zoo eigen aan de tropische bosschen, doch niets verdachts deed zich hooren, alles scheen rustig, nergens was eenige beweging op tc merken, slechts de toppen der boomen wiegden zich, door den nachtwind bewogen, zacht heen
74
EEN ATJEHSCHEN HOOFDMAN.
en weer. Nauwelijks was echter het bevel voorwaarts gegeven of eensklaps werd in de verte een luide kreet vernomen ; als één man vielen de soldaten plat op den grond, met ingehouden adem luisterende of dat ook een teeken van verraad kon zijn, doch niets werd meer gehoord. Zekerheidshalve werd echter eene sluippatrouille uitgezonden om het terrein te verkennen, maar niets verdachts werd door haar opgemerkt.
Onder dekking van eene kleine voorhoede, gecommandeerd door den luitenant K. werd de marsch voortgezet; behoedzaam bewoog het detachement zich over de sawah, wel begrijpende, dat thans het gevaarlijkste gedeelte der onderneming was aangebroken.
Aan den boschrand gekomen, ontdekte de voorhoede de voorste rij huizen, maar de aangeduide woning van het hoofd, die volgens ingewonnen berichten in de voorste rij stond, was in de duisternis moeilijk te onderscheiden.
Om in den kampong te komen moest men eerst een wachthuisje voorbij, waaruit door de reten van den bamboezen wand licht werd bemerkt, een bewijs dat het bewoond was ; men besloot daarom eerst dit huisje te onderzoeken.
Luitenant K. ging met eenige manschappen op verkenning ; langzaam van boom tot boom voortgaande en tusschen de struiken voortglijdende, bereikte men deze woning. Voorzichtig beklom de officier de trap ; aan de deur gekomen drukte hij die zacht met den schouder ; deze bleek niet gesloten, want langzaam week zij naar achteren en gunde een blik in het vertrek. Daarin lag op een baleh-baleh (brits) een Atjeher te slapen ; deze
75
GEVANGENNEMING VAN
werd in een oogwenk door luitenant K. overvallen, die hem bij de keel greep en de sabel op de borst zette. De Atjeher, aldus gewekt, lag verward te kijken en staarde met stomme verbazing den officier in het gelaat; vóór hij echter kon roepen of schreeuwen, hadden de soldaten hem een doek in den mond gestopt, en zijne armen met den riem eener veldflesch gebonden ; hem werd vervolgens beduid op te staan en den officier te volgen. Voor den kapitein H. werd hij ondervraagd en met een veel beteekenden blik op de geweren werd hem duidelijk gemaakt, wat hem wachtte zoo hij den troep misleidde of in hinderlaag lokte. De Atjeher, die een weinig Maleisch verstond, knikte met het hoofd, ten bewijze dat hij goed begrepen had en gehoorzamen zou, en bracht de soldaten tot voor liet erf van den gezochten hoofdman. Hier rangschikte de commandant zijne manschappen zoodanig, dat men geen onverhoedschen aanval te vreezen had en begaf zich, vergezeld van luitenant K., met een tiental soldaten naar de aangewezen woning, die hoog op palen gebouwd was, en nagenoeg geheel achter vruchtboomen verscholen lag ; het erf was omgeven door eene stevige haag van bamboedoeri en voor den ingang stonden twee kleine lilas (kanonnen), waaruit bleek dat dit huis, evenals de meeste Atjehsche woningen, tot verdediging kon worden ingericht. In het donker kon men het terrein echter niet nauwkeurig opnemen ; bovendien was daartoe de tijd te» kostbaar.
Het gras, hier hoog opgeschoten, geleek een zacht tapijt, dat de voetstappen verdoofde. Voor het huis gekomen, ontdekte men de trap, die naar eene kleine voorgalerij
76
EEN ATJEHSCHEN HOOFDMAN.
voerde, en waarin twéé deuren uitkwamen ; beide stonden een weinig open, waarschijnlijk om de vertrekken door de nachtelijke koelte te verfrisschen.
Behoedzaam beklommen eerst de beide officieren de trap, stelden zich ieder tegenover eene deur en vereenigden hunne manschappen in de voorgalerij. â Door eene der deuren zag kapitein H. het kamponghoofd op de rustbank liggen, die wellicht droomde van hemelsche visioenen of wel van Mohameds-Paradijs met al zijne heerlijkheden. Zijn terugstootend gelaat, waarop dierlijke wreedheid en valsch-heid te lezen stonden, was naar de deur gekeerd; in de rechterhand hield hij zijne opium-pijp. Niet lang gunde H. hem deze zoete rust; op de teenen den slaper naderende, vatte hij hem met zijne krachtige vuist bij de haren, drukte een knie op zijne borst en greep hem met de andere hand bij de keel. Voordat de hoeloebalang eigenlijk goed wist, wat hem overkwam, lag hij stevig gebonden en met eene prop tusschen de tanden in verzekerde bewaring.
Inmiddels had luitenant K. het andere vertrek in oogen-schouw genomen, en ontwaarde daarin slechts eenige slapende vrouwen en kinderen. Hij bleef echter aan de deur post vatten, om hun zoo noodig het alarm maken te beletten. Gelukkig bleven zij doorslapen ; maar al hadden zij gerucht vernomen, hoe zouden zij op het denkbeeld zijn gekomen, dat het Nederlandsche troepen waren, die in dezen sterken kampong doordrongen ?
Daar het doel der onderneming bereikt was, werd de terugtocht weer aangenomen ; en andermaal ging het door dik en dun, zooals de soldaten zeggen.
77
GEVANGENNEMING VAN
Toen men ongeveer een half uur gemarcheerd had, knalden in de omliggende bosschen geweerschoten en op verschillende plaatsen werd de tong-tong gehoord. Het kon niet anders of men was ontdekt, maar de colonne was er op voorbereid om den vijand behoorlijk te ontvangen, Weldra hoorden onze soldaten de kogels fluiten, die met een eigenaardigen, doffen slag tegen de boomstammen sloegen. De gevangen hoofdman keek intusschen steeds in alle richtingen rond, in de hoop te kunnen ontsnappen; doch ziende, dat hij goed bewaakt was, schikte hij zich met onverstoorbare kalmte in zijn lot, hetwelk hij, als echt Mahomedaan, beschouwde als eene onveranderlijke beschikking van Allah. Dank zij de krachtige houding van het detachement, bleef de vijand op eerbiedigen afstand ; onder het uiten van vloeken en venven-schingen losten zij hunne donderbussen, doch waagden verder geen pogingen om den hoeloebalang te ontzetten.
Toen Atjeh's bergen zich in het Oosten aan den horizon teekenden, stond de colonne bestoven en vermoeid voor den post der versterking. De Atjehsche hoofdman, die te laat inzag, dat hij verstandiger had gehandeld door zelf te komen dan gehaald te worden, werd den volgenden dag naar Kotta-Radja opgezonden. Dit voorval had gunstige gevolgen op de twijfelachtige houding van sommige hoofden en bespoedigde de onderhandelingen.
Na Generaal Van der Heyden's vertrek, het burgerbestuur ingevoerd zijnde, belastte men geen officieren meer met de functie van civiel ambtenaar ; integendeel burger ambtenaren zag men meestal aan het hoofd der militaire patrouilles, iets wat veel kwaad bloed heeft gezet.
78
EEN ATJEHSCHEN HOOFDMAN.
79
Deze voogdijschap, die het leger erg hinderlijk was, werd opgeheven door den civielen gouverneur Laging-Tobias, iemand die de waarde van het leger wist te beoordeelen en aan wien men ook grootendeels te danken heeft, dat het militaire gezag te Atjeh hersteld werd, en dit rijk, laat ons hopen, weder onder den sterken klauw van Neerland's Leeuw brengen zal.
DE TOCHT NAAR LEPONG é)NDER MAJOOR DIEPENHEIM.
Niettegenstaande de IV Moekims zich aan ons gezag hadden onderworpen, liet de veiligheid in deze landstreek nog veel te wenschen over. Hoofdzakelijk was dit te wijten aan den beruchten guerillahoofdman derAtjehers, Toekoe Thihiq Lamnja, die zich met zijne volgelingen in de nabijheid genesteld had.
Ten einde de bevolking dier Moekims beter tegen zijne strooptochten te beveiligen, werd de post Boekit-Seboeng opgericht; tevens werd het terrein dagelijks in alle inrichtingen door patrouilles doorkruist. Toekoe-Thihiq-Lamnja wist echter onze troepen steeds te verschalken, wat deed vermoeden, dat hij onder de bevolking der IV Moekims nog aanhangers telde. Waar hij zich eigenlijk met zijne bende schuil hield, wist niemand met zekerheid te zeggen, maar eindelijk werd in Mei 1876 bericht, dat hij zich te Oedjoeng-Blanggaming bevond, aan den voet van het gebergte, ten zuiden en in de nabijheid van den post Boekit-Seboeng. Onder den majoor der infanterie Van Voigt werd eene colonne uitgezonden om
DE TOCHT NAAR LEPONG ONDER MAJOOR DIEPENHEIM. 8l
de bende te omsingelen en den hoofdman op te lichten. Alhoewel deze onderneming geheim gehouden was, vond de colonne bij aankomst geen spoor van bedoelde bende, en was het doorzoeken van het terrein vergeefsche moeite. Toekoe-Thihiq-Lamnja was als bij tooverslag verdwenen, en de troepen waren verplicht onverrichter zake terug te keeren.
Het was echter in het belang van ons prestige in de IV Moekims, om dien aanvoerder der partijgangers in handen te krijgen. Spionnen werden uitgezonden om zijne schuilhoeken te ontdekken. Deze brachten in Juli 1876 bericht, dat hij en de zijnen zich in de Kroeëng-Raba-baai ophielden.
Hierop vatte Generaal Wiggers van Kerchem, destijds militaire en civiele gezaghebber te Atjeh, het voornemen op die streken en het nabijgelegen gebergte met eene flinke troepenmacht te bezoeken, met het doel om den/ vijand daaruit te verdrijven, zooveel mogelijk zijne wonin-,' gen en voorraadschuren te vernielen en in de Kroeëng-j Rababaai eene versterking op te richten, ten einde de baai, de Kroeëng-Rabarivier, en andere toegangen in deze streek af te sluiten, waardoor de bewoners der IV Moekims beter tegen de aanvallen van den vijand konden beschermd worden.
Twee colonnes werden op den 8stenJuli 1876 uitgezonden om aan dat voornemen gevolg te geven.
Elke colonne was samengesteld uit 3 compagnieën infanterie, iedere compagnie sterk 4 officieren en 100 manschappen ; aan elke colonne werden toegevoegd een civiele ambtenaar en de noodige gidsen.
6
DE TOCHT NAAR LEPONG
De eerste colonne onder den majoor Diepenheim had de opdracht kampong Lamlon en de in den omtrek gelegen berghelling te doorzoeken, en aldaar zoodanig stelling te nemen, dat zij den vijand, die door de tweede colonne onder den majoor Lubeck uit de kloof van Goera moest verjaagd worden, kon gevangennemen.
Wij zullen deze troepen in hunne verschillende opera-tiën niet volgen, daar zulks voor niet-militaire lezers wellicht weinig waarde heeft.
Bovenstaande inleiding vonden we echter noodig, om beter verband te brengen in het verhaal, hetwelk we onder de aandacht wenschen te brengen.
Vooraf zij nog gemeld, dat Toekoe-Thihiq-Lamnja, niettegenstaande verschillende schijnbewegingen en de hardnekkigste vervolging, andermaal wist te ontsnappen en zich met zijne partijgangers in andere, voor ons onbereikbare schuilhoeken, terugtrok. Ook werd in de Kroeëng-Rababaai, na den vijand daaruit verjaagd te hebben, een begin gemaakt met de oprichting eener versterking; eene taak, die aan den majoor Diepenheim werd toevertrouwd, met opdracht tevens daarna den kampong Lepong met eene militaire macht te verkennen en van vijanden te zuiveren.
Dit lano .chap behoorde tot een deel der IV Moekims, doch het gezag van onzen trouwen bondgenoot Toekoe-Lampasli, hoofd dier moekims, was er gedurende den oorlog slechts in naam overgebleven.
In dezen tocht naar Lepong heeft de majoor der infanterie Diepenheim een ieder door zijne stoutmoedigheid verbaasd. Elk Indisch krijgsman zal u van zijn gren-
82
OTJDER MAJOOR DU PENHEIM.
zenloozen moed en zijne krijgsmansdeugd weten te verhalen. Moge die heldenfiguur uit den Atjeh-oorlog ook bij het nageslacht blijven leven, en zijne daden aan de vergetelheid ontrukt worden.
Het was op den 25 Juli 1876.
Nauwelijks had de zon de toppen van het Atjeh-gebergte met hare gouden stralen omkranst, of uit de versterking Kroeëng-Raba verscheen een gewapende troep, gt; welke zijne schreden richtte naar het zeestrand. Deze troep, sterk 4 officieren en 104 manschappen, werd aangevoerd door een hoofdofficier, die zich te paard aan het hoofd van het detachement bevond.
Het was een man van hooge gestalte; zijn gelaat droeg den stempel van moed en vastberadenheid. Deze hoofdofficier, lezers, was de toenmalige majoor Diepen-heim, thans gepensionneerd kolonel. Naast hem reed zijn adjudant, de iste luitenant der infanterie Popelier, bijgenaamd »de dapperequot;. Laatstgenoemde is, helaas, later ten gevolge van bekomen wonden en vermoeienissen bezweken. Het was eene moeielijke opdracht, welke majoor Diepenheim te vervullen had, want de te volgen weg was onbekend en gidsen ontbraken ; doch dergelijke bezwaren werden door hem niet geteld, hij had meer zulke lastige en gevaarlijke ondernemingen volbracht.
Na eerst korten tijd langs het zeestrand gemarcheerd te hebben, baande hij zich met het detachement een weg door het dichte struikgewas, ten einde den voet van het gebergte te bereiken, waar men een weg hoopte te vinden. Na lang zoeken vond men een bergpas, genaamd de Glaoeda-pas ; deze werd ingeslagen, maar was
DE TOCHT NAAR LEPONG
op sommige plaatsen zoo smal, dat de soldaten verplicht waren achter elkander te marcheeren. In dezen pas stootte , men op drie Atjehers, die krijgsgevangen werden gemaakt om als gidsen te dienen en van wie men dan ook vernam, dat deze pas werkelijk naar de vlakte van Lepong voerde. De zon was inmiddels ook geklommen en de warmte deed zich al geducht voelen, zoodat menig soldaat naar zijne veldflesch greep om zich door een dronk te verfrisschen. Eerst na een marsch van 3 72 uur kwam men in 't gezicht van Lepong ; de kampong was als 't ware achter een sluier van groen verborgen.
Het geflikker der bajonnetten was reeds door de scherpe oogen der bewoners opgemerkt, want duidelijk zag majoor Diepenheim door zijn binocle eene menigte vrouwen met pakken goederen en vergezeld van hunne kinderen, in het gebergte vluchten ; onder de vluchtelingen werd geen enkel Atjeher gezien, waaruit men duidelijk kon afleiden dat de mannelijke bevolking zich in den kampong tot den strijd voorbereidde ; toch was het in den kampong stil en vertoonde zich ook niemand daarbuiten.
Nu men den weg wist, werden de drie krijgsgevangenen vrijgelaten en mochten zij ongehinderd vertrekken. Zij gaven voor handelaren te zijn, die voor handelszaken naar kampong Ritieëng moesten. Hoe het ook zij, deze 1 edelmoedigheid zouden onze krijgslieden zeer zeker niet van den Atjeher hebben ondervonden, en toch zijn in Nederland eenige jaren geleden stemmen opgegaan om ! te protesteeren tegen het vandalisme, waaraan ons leger te Atjeh zich zoude hebben schuldig gemaakt, eene beschuldiging, die waarlijk onverdiend was. Dat er eenige
84
ONDER MAJOOR DIEPENHEIM.
kampongs vernield zijn, ligt in den aard der zaak, en behoort tot de onvermijdelijkheden des oorlogs en had ten doel om de Atjehers voor hun verraad en laaghartigheid f te tuchtigen.
In de Europeesche oorlogen worden dikwijls dorpen vernield en de bewoners neergeschoten om veel geringer oorzaken. Met eene ziekelijke philantropie oorlog voeren tegen inlandsche volksstammen, vooral tegen de wreede } en laaghartige Atjehers, zou de grootste dwaasheid zijn. Wij zullen echter onze beschouwingen daaromtrent staken e n eindigen met de verzekering, dat het Indisch leger te Atjeh steeds zijn plicht deed.
Daar de gezindheid der Lepongers twijfelachtig was en volgens ingewonnen berichten Toekoe-Thihiq-Lamnja te Lepong verblijf hield, achtte majoor Diepenheim het niet raadzaam verder door te marcheeren ; maar terug te keeren, zonder zich van den stand der zaken en de gezindheid der bevolking overtuigd te hebben, lag ook niet in zijne bedoeling. Zijn besluit was echter spoedig genomen. Na zijne manschappen tot op tien minuten gaans v an Lepong te hebben doen doormarcheeren, liet hij in eene open vlakte halt houden en om allen schijn van vijandelijkheden zijnerzijds te vermijden, werden de geweren aan rotten gezet. Nu besloot majoor Diepenheim geheel alleen in den kampong te gaan, ten einde met het kamponghoofd in aanraking te komen. Lezers, om zijne soldaten niet noodeloos op te offeren, om een bloedbad te voorkomen en de vijandelijke huisgezinnen voor de rampen des oorlogs te sparen, ondernam hij dit waagstuk. Ziedaar een held, die bewondering en eerbied
85
86 DE TOCHT NAAR LEPONG
afdwingt voor zooveel deugd en moed. Alvorens zich naar den kampong te begeven, riep hij zijn adjudant ter zijde en verzocht dezen, om, zoo hij binnen het half uur niet terug was, den oudsten officier te verzoeken het commando over te nemen, tegen den kampong op te ^ rukken en deze te tuchtigen. Tevergeefs trachtten de officieren den majoor van zijn voornemen te doen afzien ; van het eenmaal opgevatte besluit was hij niet terug te brengen. Te voet en slechts met een revolver gewapend, die onder zijn jas verborgen was, begaf hij zich kalm en vastberaden op weg naar Lepong.
Alhoewel de Lepongers zijne nadering moesten opgemerkt hebben, vertoonde zich geen hunner aan den kam-pongrand. Daar binnen gekomen zag de majoor een groot 1 aantal gewapende lieden, die zich op eene plaats, zoo wat in het midden des kampongs, verzameld hadden ; daar heen richtte de hoofdofficier nu zijne schreden.
Aller oogen waren thans op hem gericht, doch geen schijn van vrees was op zijn gelaat te bespeuren ; dat zelfs de Atjehers verbaasd waren, is licht te begrijpen.
Naderbij gekomen, sprak hij de menigte aan en verzocht in het Maleisch het kamponghoofd te spreken ; er ligt iets gebiedens in zijne stem en houding, hetgeen ook op de Atjehers indruk scheen te maken, want terstond trad een Atjeher naar voren en maakte zich bekend als Toekoe-Nja-Alie, zoon van het kamponghoofd. Kort daarop verscheen ook zijn vader.
Inmiddels hadden een vijftigtal goed gewapende Atjehers hem omringd en duidelijk hoorde majoor Diepenheim op dat oogenblik in de verte den bekenden oorlogskreet
ONDER MAJOOR DIEPENHEÃM.
der Atjehers ; 't was zeker een benauwd oogenblik, maar niets verried bij den Nederlandschen officier eenige angst. Groot van gestalte zijnde, stak hij wel een hoofd boven die woeste mannen uit en scheen hen met zijn blik te beheerschen. Later bekende majoor Diepenheira op dat oogenblik wel gewenscht te hebben te midden zijner soldaten te zijn.
Dank zij zijne flinke houding, werd geen enkele klewang tegen hem opgericht. Was het eerbied voor zooveel moed, die den Atjeher zijn laaghartigen aard deed verloochenen r Wij moeten zulks wel veronderstellen. Nadat de majoor zijn naam en rang had bekend gemaakt, verzocht hem het kamponghoofd in diens woning te gaan, voor welke beleefdheid majoor Diepenheim vriendelijk bedankte, iets wat zeer voorzichtig was, want zijn overwicht ware verloren geweest. Voorgevende dorst te hebben, verzocht hij een jongen klapper (kokosnoot) en zette zich neder op een tombokblok (rijststamper) om de bevolking in het oog te houden en vast besloten den eerste, die hem met den klewang bedreigde, voor den kop te schieten.
Aan zijn verlangen, om een klapper werd, alhoewel schoorvoetend, toch voldaan ; een Atjeher werd uitgezonden om het verlangde te halen.
Daar Nja-Alie de eenige Atjeher was, die Maleisch verstond, moest de majoor zich uitsluitend tot dezen wenden. Na het doel van zijne komst gemeld te hebben, zeide hij als vriend te komen en met goede bedoelingen onderhandelingen te willen aanknoopen, tevens om informaties in te winnen betreffende Toekoe-Thihiq-Lamnja. Met veel oordeel ontwikkelde de majoor de voordeelen
87
DE TOCHT NAAR LEPONG
der bevolking, zoo zij zich aan ons gezag onderwierpen, en had de voldoening het hoofd en diens zoon te overtuigen. Beiden spraken toen geruimen tijd met de ge-ï wapende lieden, die inmiddels sterk waren aangegroeid. Naar de levendige en heftige gebaren te oordeelen, schenen verscheidenen met het voorstel tot onderwerping niet ingenomen. Na een hevigen woordenstrijd besloten zij eindelijk zich weer te onderwerpen aan het wettig hoofd , Toekoe Lampasli der IV Moekims ; dit was dus al wer-r kelijk veel gewonnen. Den trouweloozen aard der Atje-hers kennende, verzocht majoor Diepenheim als waarborg, dat Nja-Alie hem naar Kroeëng-Raba zoude vergezellen, tevens gaf hij zijn verlangen te kennen, om de gevluchte vrouwen en kinderen terug te doen halen. Op dat verzoek werden eenige boden uitgezonden naar het gebergte om de vluchtelingen tot terugkeer te bewegen.
Terwijl majoor Diepenheim zich in den kampong bevond, verkeerde het detachement natuurlijk in de grootste ongerustheid. Bij herhaling raadpleegden de officieren hun horloge of het half uur nog niet verstreken was ; onder de soldaten konde men voortdurend een onheilspellend gemompel hooren ; zoo iets van alles over de kling te jagen, als hun beminde aanvoerder niet terugkwam. Voor nog het half uur verstreken was, begaf luitenant Popelier zich met eenige Ambonneezen op verkenning. Juist waren zij den kampongrand genaderd, toen zij den majoor, vergezeld van Nja-Alie, en de bevolking tegenkwamen. Eene opheldering was spoedig gegeven.
Op verzoek van majoor Diepenheim, werden ook de soldaten op klappers (kokosvruchten) onthaald, eene
SS
ONDER MAJOOR DIEPENHEIM.
beleefdheid, die bij de inlandsche bevolking steeds het bewijs is van goede gezindheid ; vandaar ook, dat de majoor door naar een jongen klapper te vragen, zich van hunne gezindheid wilde overtuigen.
Nadat men een vriendschappelijk afscheid van het hoofd en de bevolking genomen had, werd de terugmarsch door het detachement, vergezeld van Toekoe-Nja-Alie, aanvaard.
Gedurende twee dagen was Nja-Alie de gast van den majoor Diepenheim, en had waarlijk niet te klagen over de Hollandsche gastvrijheid. Toen zijn vader, het kamponghoofd, kwam, vertrokken beiden nog denzelfden dag naar Kotta-Radja, om in handen van den Generaal den eed van getrouwheid aan het Nederlandsch gouvernement af te leggen.
Het laatste toevluchtsoord in de IV Moekims door de onderwerping der Lepongers aan Toekoe-Thihiq-Lamnja ontnomen zijnde, vluchtte hij naar de ons nog vijandelijk gezinde bevolking der XXII Moekims, waar hij later werd gevangengenomen.
Majoor Diepenheim in 1883 als kolonel gepensionneerd, zal steeds in aandenken blijven bij zijne Indische krijgsmakkers ; zijn naam doet de harten zijner oude soldaten nog dikwijls in geestdrift ontvlammen.
89
HET BIVOUAK TE ANALABOE.
Op de W. kust van Atjeh ligt, ongeveer één dag stoo-mens van Oleh-leh, de benting Analaboe. Deze post, gelegen te midden der lagunen en in de nabijheid van koraalriffen, staat bekend als de ongezondste versterking van Atjeh, ja, wellicht van geheel Neerlandsch Indië. De anders zoo frissche zeelucht is hier steeds bezwangerd met smetstoffen der lagunen en koraalriffen, die eene lucht verspreiden niet ongelijk aan die van bedorven visch.
Het grootste gedeelte der bezetting werd dikwijls door kwaadaardige koortsen aangetast, en menig flink soldaat bezweek aan die ziekte. Was het wonder, dat daarom steeds eene minder opgewekte stemming heerschte onder het garnizoen ? Zij, die naar Analaboe verplaatst werden, beschouwden zich reeds als half verloren; de meesten hunner, welke nog tijdig konden geëvacueerd worden, gevoelden nog jarenlang de gevolgen van dat doodend klimaat.
Verwonderd zal men zich afvragen, waarom dan niet zoo'n post opgeheven ? Zonder twijfel ware men hiertoe
HUT BIVOUAK TE ANALABOE
overgegaan, zoo deze benting niet een der hoofdtoegangen moest afsluiten, ten einde den vijand ook aan deze zijde alle toevoer van wapens, munitie, enz. te beletten.
Was de strijd op Groot-Atjeh hevig geweest, ook hier streed de vijand met moed en doodsverachting. Groote inspanning en veel offers heeft het ons gekost, de benting Analaboe op te richten, want niet alleen werden de troepen voortdurend door de Atjehers bestookt, maar ook de branding op de kust verhindet de menigmaal den aanvoer van levensmiddelen en materialen. Bovenmen-schelijke inspanning werd dikwijls van het Indische leger gevorderd en toch, hoe weinig is van dit alles bekend. In den regel worden door de dagbladen slechts in korte trekken de hoofdzaken medegedeeld. Bijzondere feiten te vermelden, zooals bij de Engelschen en Franschen gebruikelijk is, moet bij ons eene zeldzaamheid genoemd worden. Waar vindt men onze gevechten geïllustreerd ? waar teekeningen met beschrijvingen van land en volk, waartegen wij reeds 13 jaren oorlog voeren? Vandaar derhalve de volslagen onbekendheid van een groot deel der natie met den toestand der koloniën, en »onbekend maakt onbemind.quot;
Alhoewel wij te Analaboe eindelijk een vast punt hadden, was van eene toenadering van de zijde des vijands nog lang geen sprake ; om echter de bevolking ons overwicht te doen gevoelen en alle neiging tot hardnekkigen tegenstand te onderdrukken, was een krachtig optreden onzerzijds noodig, waartoe men dan ook besloot. Eene colonne werd aangewezen om in vereenigingmet de Marine
HET BIVOUAK TE ANALABOE.
te ageeren, die door het werpen van granaten den aanval zoude ondersteunen. Een merkwaardig feit, dat daarbij voorviel en zeer weinig bekend is, willen wij hiermede-deelen.
De troepen, welke tegen den vijand moesten oprukken, betrokken 's nachts in de nabijheid der kust een bivouak ten einde den volgenden morgen tegen 5 uur den vijand te kunnen verrassen. Natuurlijk vergat men niet de noo-dige voorzorgen te nemen, om zich tegen een onver-hoedschen aanval des vijands te beveiligen, want niettegenstaande de duisternis de beweging onzer troepen had begunstigd, kon men niet te waakzaam zijn, daar de Atjeher de kunst verstaat zijne vijanden onverwachts op het lijf te vallen. Als slangen door het gras kruipende, vlug als katten, vallen zij op onze soldaten, met den klewang aan, om eenige oogenblikken later even onhoorbaar te verdwijnen.
Men stelle zich daarom geen bivouak voor, zooals dat wel eens beschreven wordt, waar soldaten onder vroolijke scherts of zang hunne soep gereed maken. De Indische krijgsman mag zich wel op den grond uitstrekken, maar nagenoeg geheel gewapend. Op den commandant rust eene groote verantwoordelijkheid ; niets mag hij verzuimen, niets hem ontgaan.
Zooals gezegd is, had men één bivouak betrokken; nu was de vraag hoe onze Marine met de juiste standplaats bekend te maken ; door vuurpijlen te gebruiken zoude men zich verraden, en andere middelen van gemeenschap waren op 't oogenblik door de hevige branding niet denkbaar
92
HET BIVOUAK TE ANALABOE. 93
Of men verzuimd had van te voren de plaats aan te geven, of wel door de omstandigheden daartoe verhinderd was, is ons niet bekend.
Hoe het zij, het was raadzaam de Marine te waarschuwen. wilde men geen gevaar loopen, vooral bij nachtelijken aanval, door eigen geschut getroffen te worden. Toen de commandant dienaangaande den officieren zijne meening ontwikkelde en het geschiktste middel zocht om zich met de oorlogsschepen in verbinding te stellen, bood zich een jong officier aan om naar de schepen te zwemmen, zeggende, dat zulks naar zijne meening wel de eenvoudigste wijze was. Dit voorstel, hetwelk allen onuitvoerbaar toescheen, werd, zooals te verwachten was, niet aangenomen. Bedoelde officier, luitenant H. W., gewoonlijk door zijne kameraden Hein genoemd, wist echter zijn plan zóó goed voor te dragen en met zooveel overredingskracht te bepleiten, dat de commandant ten slotte het middel niet onbeproefd meende te mogen laten. Hein begaf zich toen, beschermd door een gewapend detachement, naar het zeestrand ; zooals gewoonlijk stond ook thans op de kust eene hevige branding ; als door helsche machten voortgezweept, joegen de hooge golven elkander na en beukten onvermoeid op Atjeh's kust, of sloegen zich met donderend geweld te pletter tegen de rotsen. Duizendvoudig werd het geloei der baren door de bergen herhaald, en zelfs de onversaagdste visscher had zich dien nacht niet in zee gewaagd. Voor onzen Hein waren deze dreigende elementen geen beletsel ; hij ging, na zich ontkleed te hebben, terstond te water. Zijn strijd tegen de golven nam weldra een aan-
_L
HET BIVOUAK TE ANALABOE.
vang, maar met bewonderenswaardig talent wist hij zich door de branding heen te worstelen; telkens wanneer eene groote golf naderde, dook hij onder water, zoodoende het gevaar ontwijkende opgenomen en tegen de kust verpletterd of in zee gesleurd te worden. Eindelijk bereikte hij na veel inspanning de volle zee en zwom in de richting van het licht der oorlogsschepen. Nu was, wel is waar, het grootste gevaar overwonnen, maar intusschen had hij ook veel van zijne krachten gevergd. De nog af te leggen afstand was groot en ten einde zich niet te veel te vermoeien, zwom hij beurtelings op buik en rug. Meer en meer naderde hij zijn doel, en reeds verheugde hij zich over 't succes, dat hij behalen zou, toen een zwarte streep op korten afstand hem hevig deed ontstellen. Was dat een haai die op hem afkwam ? Het kustwater werd door die zeemonsters sterk bevolkt.
Gelukkig verloor Hein zijne tegenwoordigheid van geest niet maar overwoog bij zich zeiven, hoe dien verschrik-kelijken vijand te ontkomen. »Als dat monster mij maar niet gezien heeft,quot; dacht Hein, «anders ben ik werkelijk voor de haaien.quot; Terugkeeren was zeer zeker het raadzaamste, en juist wilde hij aan dat voornemen gevolg geven, toen regelmatige slagen, als die van roeiriemen, zijne aandacht trokken. Er was dus eene boot in de nabijheid ! Zie, dat ware eene uitkomst, zoo hij zich daarop redden kon. De slagen klonken nu zeer duidelijk, maar te vergeefs zag hij om naar de boot. Die zwarte streep kon toch geen boot zijn, of had hij zich soms vergist ? Inderdaad was dit het geval; in zijne ontsteltenis had Hein niet goed gezien, maar nu zag hij duidelijk, dat de zwarte
94
HET BIVOUAK TE ANALABOE.
streep den omtrek vertoonde van eene boot. Doch thans rees een ander schrikbeeld voor hem op : was het eene Hollandsche oorlogssloep of eene Atjehsche prauw ?
Op goed geluk af riep hij sWerda!quot; Geen antwoord. Een verdacht teeken, meende Hein, maar misschien had men hem niet gehoord. »Werda!quot; Weer geen antwoord. Gelukkig hoorde hij een der manschappen zeggen : »Ik geloof zoo waarlijk, dat de duivel hier op post staat.quot; Hein had dus reeds de geruststelling, dat hij eene Hollandsche sloep voor zich had. Toen hij voor de derde maal »Werdaquot; riep, om meer de attentie op zich te vestigen, kreeg hij ten antwoord : »Sloep van de Koninklijke Marine !quot; Intusschen was Hein de sloep al meer en meer genaderd, zoodat de bemanning hem eindelijk ontdekte. »Een man over boord \quot; klonk toen het commando en met alle kracht werd naar hem toe geroeid ; eenige oogen-blikken later dook Hein, als een moderne Neptunus, uit de golven en zat door krachtige armen geholpen weldra in de sloep der Koninklijke Marine, wier bemanning hem met verbazing aanstaarde.
»Wat bliksem, wie zijt ge en wat doet ge in dit vaarwater vroeg hem de sloepcommandant, een adelborst iste klasse. »Kameraad, ik ben de luitenant H. W. Excuseer, dat ik me en profond négligé voorstel; ik kom van het bivouak en heb orders voor de Marine.quot;
Ter opheldering dient vermeld te worden, dat de commandant der Marine ook eene verkenning had uitgezonden. Vandaar de aanwezigheid van deze sloep, doch wegens de sterke branding kon men niet landen. Nadat Hein den Marineofficier over alles had ingelicht, drukte
95
HET EIVOUAK ÃE ANALABOE.
deze hem de hand, zeggende: «Kameraad, je bent een kranige kerel, je gaat natuurlijk met me mee naar boord en blijft mijn gast tot morgen.quot; Hoe gaarne Hein dit aanbod had willen aannemen en hoe goed een heerlijk warm grogje hem in deze omstandigheden zoude gesmaakt hebben, zijn plicht noodzaakte hem terug te keeren. Beleefd bedankte hij dus voor de uitnoodiging met te zeggen, dat men anders aan den wal over zijn uitblijven ongerust zoude zijn. Bovendien wenschte hij den volgenden morgen den aanval mede te maken ; hij verzocht daarom slechts, hem tot aan de branding te brengen. Was de sloepcommandant getroffen door zooveel moed, zijne Janmaats waren het niet minder. »Een drommels sterk stukje voor een landrot,quot; zeiden zij, en kwamen overeen luitenant H. W. aan land te zetten, al zat de duivel in de branding. Dit voorstel werd door hun commandant zeer toegejuicht, die hun zeide van Hol-landsche zeelui zoo iets te mogen verwachten. Maar Hein weigerde beslist deze hulp aan te nemen, zeggende, dat hij geen hunner noodeloos aan 't gevaar wilde blootstellen, doch de bemanning bleef er op aandringen, bewerende liever gekielhaald te worden, dan hem in den steek te laten. Tevergeefs wendde luitenant H. VV. al zijne overredingskracht aan, om hen van dit voornemen te doen afzien.
Aan de branding gekomen, maakten de matrozen de toebereidselen om den strijd tegen de woedende golven te wagen, doch vóór iemand er op bedacht was, sprong Hein in zee. Een half uur later was hij in 't bivouak terug en werd door allen hartelijk verwelkomd, niet het minst
96
HET BIVOUAK TE ANALABOE.
door zijn commandant, die zich reeds verweet dien officier zijn zin te hebben gegeven.
Nimmer werd luitenant H. W. voor dit feit gedecoreerd ; ja, zelfs niet eens eervol vermeld. Waaraan dit verzuim toe te schrijven is, weet niemand en 'smans nederigheid weerhield hem er over te reclameeren, terwijl hij steeds in de hoop leefde, later nog wel eens het eeremetaal te kunnen verdienen. Werkelijk onderscheidde hij zich niet lang daarna bij de bestorming van eene vijandelijke versterking ; dezelfde versterking was door hem daags te voren met levensgevaar verkend. â Toen ontving hij de M. W. O.
Het indische leger telt dezen dappere nog in zijne gelederen.
97
EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN.
Het was op een nacht van het jaar 1878, dat de volgende gebeurtenis op een der posten der Z. O. linie te Atjeh plaats greep.
Kene ondoordringbare duisternis bedekte het omliggend terrein als met een dichten zwarten sluier. Een koele nachtwind streek over de sawahs en suisde door de bladerrijke boomen van het voorgelegen bosch, achter hetwelk een groote vijandelijke kampong verscholen lag.
Luid weergalmde het akelig gehuil der wilde honden, voortdurend hoorde men het gekrijsch der kalongs, die zich fladderend van vruchtboom op vruchtboom neerlieten.
Nu en dan weerklonk het geroep der vijandelijke nacht-posten aan den boschrand, dat door zijn eigenaardig gillend geschreeuw iets sarcastisch en uitdagends had.
Van onze zijden bespiedden de schildwachten met argus-oogen den omtrek, en trachtten door de duisternis heen te zien. Met onhoorbare schreden liep de wachthebbende officier over het banket, om van tijd tot tijd halt te hou-
EEN1 NACHT OP DE VOORPOSTEN.
den, over de palissadeering het omliggend terrein te onderzoeken en dan met ingehouden adem naar elk geluid te luisteren of daaronder ook iets verdachts te onderscheiden was.
Op dezen post kon men niet te voorzichtig zijn ; bij herhaling had de vijand getracht hem 's nachts te overrompelen, doch steeds stuitte hij op de waakzaamheid onzer schildwachten.
Het was bijna middernacht en nog niets was van den vijand bespeurd ; zou hij eindelijk van zijne vergeefsche pogingen afzien?
Daar sloeg het 12 uur; nog voordat de schildwacht voor 't geweer de slagen had aangegeven op de metalen klok, dreunde in het voorgelegen bosch een schot uit een donderbus, kort daarop gevolgd door een tweede ; het laatste van iets verder.
Onmiddellijk begaf zich de sergeant der wacht naar het bastion, waar hij ook den officier ontmoette.
»Het zal weer donderen zijn van nacht, luitenant,quot; zeide deze oude veteraan, »die kerels wisselen signalen, maar we kennen dat, en zullen het bruine canaille naar behooren ontvangen.quot;
»Ja !quot; was het antwoord, »ik geloof, dat wij bezoek krijgen ; ga nog eens langs de posten en zeg dat de schildwachten goed uitkijken, laat ook op elk bastion eenige lichtkogels brengen.quot;
De sergeant verwijderde zich en bromde eene soort vcr-wensching, die, zoo zij bewaarheid werd, ons van alle Atjehers zoude verlossen. Het werd meer dan tijd meende hij, dat uit Holland een paar flinke regimenten gezonden
99
EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN.
werden om een handje te helpen, want »onze ferme Hol-landsche jongens zijn toch geen jongejuffers, die alleen voor parades dienen.quot;
Men scheen zich echter omtrent 's vijands bedoelingen vergist te hebben, want het was reeds geruimen tijd nadat beide schoten gehoord waren, en nog was er niets voorgekomen, wat het vermoeden omtrent de Atjehers bevestigde.
De luitenant was intusschen steeds op het bastion gebleven en had onafgebroken in het duister getuurd. Licht-kogels waren bij de hand en op elk der beide bastions stonden twee kanonniers op post, om in geval van alarm de Atjehers op eene lading kartetsen te onthalen.
gt;Ik begin toch te geloovenquot;, zeide de officier, »datdie kerels van nacht niets tegen ons van zins zijnquot; en wilde zich juist verwijderen, toen een der artilleristen, een inlander, hem aanstiet en zwijgend met den vinger naar voren wees.
Niet ver van de lantaarns had zijn geoefend oog een groep mannen ontdekt, die plat op den buik over den grond kropen en wier klewangs hij door het schijnsel der lantaarns duidelijk zag schitteren. Met de grootste snelheid en bijna onhoorbaar werd het geschut in de gewilde richting gebracht.
Ten einde den lezer de zaak duidelijk te maken, is eenige opheldering noodzakelijk.
Om onze versterkingen zijn lantaarns geplaatst, waarvan echter het glas, naar de zijde der benting, door blik vervangen is ; hierdoor wordt de omtrek tot op zekeren afstand verlicht, terwijl de versterking in ;t duister blijft.
IOO
EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN.
De vijand kan dus weinig of niets van onze schildwachten zien. Bij het sluiten van de poort, bij zonsondergang, 's avonds te zes uur, worden deze lantaarns aangestoken en tevens het geschut met kartetsen geladen.
Geen verlichting te hebben buiten de versterking kan zeer noodlottige gevolgen veroorzaken, want in den nacht van 2 Mei 1876 kon de vijand de bezetting te Lampagar overvallen, doordat in dezen halfvoltooiden post de lan-taars ontbraken, zoodat de Atjehers op hunne katachtige manier van sluipen, ongezien tot binnen de benting konden dringen.
Vreeselijk was te Lampagar dit nachtelijk gevecht. Den commandant, kapitein Hoijnck van Papendrecht, werd, terwijl hij zat te schrijven, het hoofd door een klewanghouw tot op de kin door midden gekloofd. Eerst naeenhardnekkigen strijd van man tegen man werd de vijand met achterlating van 4 dooden verdreven. Behalve den kapitein en den luitenant Roemer, telde men aan onze zijde 34 dooden en gewonden.
Zooals gezegd is, waren de Atjehers ontdekt. Alarm te blazen ware wel het eenvoudigste geweest, doch daar de manschappen bij het eerste schot toch naar de wapenen zouden grijpen, was het beter den vijand eerst met een kartetsschot te verrassen. Eerst zij nog gezegd, dat de slaapplaatsen der soldaten zoo zijn ingericht, dat zij als 't ware van het bed op het banket kunnen stappen. Elke afdeeling, elk soldaat weet zijne plaats. Op een tee-ken werd vuur gegeven ; donderend klonk het kartetsschot in den doodstillen nacht, en overstelpte den vijand met een regen van projectielen. Terwijl de Atjehers verschrikt
IOI
EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN.
terugdeinsden, snelden onze soldaten te wapen en in minder dan geen tijd bevond zich de bezetting in alarm-stelling. Een lichtkogel, die inmiddels het terrein verlichtte, gaf ruimschoots gelegenheid de aanvallers te onderscheiden, die zich met de meest mogelijke vlugheid achter verschillende terreinvoorwerpen bedekt opstelden. Slechts eenige voorvechters, door opium verhit, stonden met eene wilde uitdrukking op het gelaat hunne klewangs te zwaaien en trachtten door de versperring te dringen, eene poging, die zij duur betaalden. Eensklaps klonk het doordringend krijgsgeschreeuw der Atjehers. Onder het geroep van «Mohammed11 en «Allah-il-allahquot;, sprongen zij naar voren, schoten hunne donderbussen af, en stormden toen met getrokken klewang op de benting los. De aanval was woest doch wanhopig, want onze soldaten hadden geleerd kalm te blijven en schoten met juistheid. Huilende en gillende week de vijand toen achteruit, en waagde geen tweeden aanval. Enkelen wierpen uit woede hunne klewangs en lansen naar de soldaten, noemden hen honden, kafirs, enz. Dit werd van uit de benting beantwoord, door er lustig op los te vuren, zoodat de Atjehers het raadzaam vonden achter den boschrand te vluchten. Hieruit bleven zij de benting een tijdlang beschieten, doch eenige welgerichte granaatschoten waren voldoende hen ook uit deze stelling te verdrijven.
Na een strijd, die ternauwernood een halfuur geduurd had, konden de manschappen zich weer ter ruste begeven. Nachtelijke aanvallen werden dien tijd dikwijls door den vijand ondernomen, vooral ten gevolge van het succes te Lampagar, maar in den regel bekwam het hem zeer slecht.
102
EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN.
Slapende vijanden te overvallen, weerlooze vrouwen en kinderen aan stukken te hakken, was hun geliefkoosd bedrijf. Het spreekt vanzelf, dat dergelijke aanvallen de soldaten zeer vermoeiden, te meer daar de dienst over dag reeds zwaar genoeg was. Nachtdienst, patrouilleloopen, transporten- en escortendienst of het arbeiden aan de versterking, ziedaar de dagelijksche bezigheden, en dat het Atjeh-klimaat dergelijke zaken niet ongestraft gebeuren laat, is algemeen bekend. Het bestuur tracht echter door goede voeding en gezonde ligging den toestand te verbeteren.
Dat men echter niet al te lang dat klimaat mag trot-seeren daarvan is menig voorbeeld. De laatste tijding toch meldt ons het overlijden van den gouverneur van Atjeh, den dapperen en energieken generaal-majoor Demmenie.
Maar weinigen kennen dien onvermoeiden veldheer, die met zooveel toewijding zijn vaderland diende ; om zulks te kunnen beoordeelen, moest men de Atjeh-berichten gevolgd hebben, en dat wordt door velen niet gedaan. Het woord »Atjehquot; is reeds voldoende om menigeen wrevelig te stemmen, alsof het den Nederlander niet aanging, dat op dien bodem in het keerkringsland onze driekleur zich met zooveel moeite staande houdt. Onze kloeke voorouders daarentegen verbaasden er de wereld mee en waren trotsch op datzelfde «rood, wit en blauw!quot;
Atjeh-berichten ! Men durft waarlijk bijna niemand daarmede lastig vallen, uit vrees zich te zullen ergeren aan veler onverantwoordelijke onverschilligheid. Aan niets-beduidende berichten van schaakwedstrijden, wielrijden of onlusten in Belgische kolenmijnen wordt in den regel meer aandacht geschonken.
I04 EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN.
Atjeh-berichten ? »Ik lees ze nimmerquot; hoort men dikwijls zeggen. Het is alsof die handvol dapperen, die met zooveel trouw de oranjebanier verdedigen, minder belangstelling verdienen dan eene bende dronken mijnarbeiders.
Doch staken wij deze ontmoedigende beschouwingen, het zou anders den Indischen krijgsman te veel teleurstellen ; vervolgen wij daarom liever ons onderwerp.
'i *
De vijand had, nadat zijn aanval mislukt was, niets meer van zich doen hooren. Eene diepe stilte had het rumoer van den strijd vervangen. Het sloeg 4 uur in den morgen. Van de kust, die op ongeveer een uur afstand gelegen is, woei een frissche zeewind, die het weemoedig bruisen der baren met zich voerde. De met welriekende dampen bezwangerde lucht, kondigde reeds het aanbreken van den morgenstond aan.
Een standbeeld gelijk, stond op het uiteinde aan de oosterface der benting een schildwacht; beide handen rustten op de tromp van 't geweer. Zou hij zijne aandacht gevestigd hebben op 't voorliggend terrein of dwaalde zijn geest naar het vaderland ?
Door de plechtige stilte gerust gesteld, wijdde hij zeker zijne gedachten aan de dierbare oude moeder, of misschien ook aan zijne teerbeminde. Maar neen, daar grijpt zijne hand naar de patroontasch, voorzichtig laadt hij 't geweer. Welk geluid had zijn oor getroffen ? Want niets was te onderscheiden dan het zacht gefluister der bla-
EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN. 105
deren. Nog een oogenblik en een schot knalt uit zijn geweer.
De officier van de wacht vloog van zijn luierstoel, waarin ook hij wellicht een oogenblik in gedachten bij vrouw en kind had verwijld, en snelde naar de wacht. De sergeant was inmiddels naar het banket gegaan om naar de reden van het schieten te vragen.
»Ik heb op 50 schreden afstand iets zien sluipenquot; zoo meldde de schildwacht. »Ik meen duidelijk eene mensche-lijke gedaante te hebben opgemerkt.quot;
De meeste manschappen stonden reeds op ;t banket, denkende dat de vijand nogmaals een aanval beproefde ; daar zij echter niets bespeurden, zochten zij weer hunne slaapplaatsen op.
Eenigen hunner noemden den schildwacht een rustverstoorder, om de kameraden zoo noodeloos te alarmeeren ; de meesten echter keurden zijne handelwijze goed en verzekerden, dat voorzichtigheid nooit schaadt.
Eindelijk werd het dag. Nauwelijks kleurde het roode schijnsel van den dageraad de toppen der bergen of de poort der benting werd geopend en de verkenningspatrouille deed hare dagelijksche ronde. Tegenover de ooster-face, in welke richting de schildwacht gevuurd had, lag eene menschelijke gedaante. Bij onderzoek bleek deze het lijk van eene nog jeugdige Atjehsche vrouw. Hare tengere vuist omklemde nog de greep eener klewang, een donderbus lag nevens haar.
Het was eene schoone slanke gestalte van nog jeugdigen, zoo niet kinderlijken leeftijd. Het gelaat was naar boven gekeerd, de trekken waren fijn en regelmatig, de
Io6 EEN NACHT OP DE VOORPOSTEN
prachtige donkere oogen stonden wijd open, maar de dood had de uitdrukking er van weggenomen. Hare kleeding kenmerkte eene vrouw uit den gegoeden stand. Geen spoor van verwonding was zichtbaar, slechts aan hare lippen kleefde eenig geronnen bloed. Toen men haar opnam, gaapte echter aan het achterhoofd eene akelige wond ; een kogel had haar in den mond getroffen en was het achterhoofd uitgegaan.
Alhoewel het geen ongewoon verschijnsel was, dat vrouwen te Atjeh naast mannen strijden en zij in wreedheid voor dezen niet onderdoen, wekte toch het lijk_ dezer jonge, schoone vrouw de algemeene belangstelling.
's Middags, kort voordat haar stoffelijk overschot aan den schoot der aarde zoude worden toevertrouwd, kwam een bevriend Atjehsch hoofd, die deze vrouw herkende, voor de echtgenoote van een vijandelijk »hoeloebalangquot; (hoofdman), welke bij den nachtelijken aanval op de versterking, door een kogel was getroffen en daarna in den kampong in de armen zijner vrouw was gestorven. Zij zwoer hem nog dienzelfden nacht te zullen wreken, maar de kogel van den schildwacht stuitte hare wraakzuchtige plannen.
EENE ATJEHSCHE VROUW
KARAKTERSCHETS.
In de nabijheid van het Atjeh-gebergte lag niet ver van onze noordoostelijke linie, de vijandelijke kampong Lam-jong, welke door donkere bosschen onttrokken was aan het gezicht onzer voorposten. De huizen waren zeer onregel-matig geplaatst, en allen omringd door zware paggers en schaduwrijke boomen ; voetpaden, welke zich in kronkelende lijnen door het bosch en langs de huizen slingerden, waren de eenige wegen, die hier bestonden. De bewoners, een wild en wraakzuchtig volk, behoorden tot onze hard- ' nekkigste vijanden.
Dagelijks trok de mannelijke bevolking uit, om ons met donderbus en klewang te bevechten ; hun aanvoerder was een Mohammedaansch priester, die, door zijn moed en zijne welsprekende taal, de geestdrift voor den heiligen oorlog wist op te wekken. Behalve den klewang droeg hij steeds den koran bij zich, vVaaruit hij de voorschriften voorla
en verklaarde, dat het haten der blanken en het uitroeien ( van dat ras, den profeet welgevallig was ; een ieder, die
EENE ATJEHSCHE VROUW.
hem â vertegenwoordiger van Mohammed â niet blindelings gehoorzaamde, werd met zijn vloek bedreigd.
Bovenal was zijn streven, onze benting Lamjong, genaamd naar bedoelden kampong, machtig te worden ; bijna geen dag verliep er, of de bezetting van dezen post was verplicht in alarm-stelling te komen, ten einde de aanvallen van dien priester en zijne volgelingen af te slaan. Het bedekt terrein was den vijand zeer gunstig, en straffeloos kon hij uren lang zich bezighouden, met, verscholen achter grafheuvels en boomen, op de buiten de versterking arbeidende soldaten te vuren.
Tegen het laatst van 1878 werd besloten 't terrein open te kappen, waartoe uit Tjadé dwangarbeiders gezonden werden. Alhoewel beschermd door een gewapend detachement, moest het werk, door het sterk opdringen van den talrijken vijand, dikwijls gestaakt worden.
Ik bevond mij destijds te Silang, een post op ongeveer een half uur gaans van de versterking Lamjong; duidelijk hoorden wij het rumoer van den strijd, welke daar van den morgen tot den middag aanhield. Het was op den avond van zulk eenen dag, dat ik, in een schommelstoel gezeten, dubbel genoot van de stilte, die ons omgaf. De lucht was zoel; geen blad bewoog zich aan den enkelen boom van onzen treurigen post. Van uit de verte hoorden wij het eentonig geluid van den tong-tong der vijandelijke Missigit, die de geloovigen opriep tot het gebed, wellicht om Allah of den Profeet hulp af te smeeken tegen de Christenhonden.
Onwillekeurig dacht ik aan het genot, hetwelk ik zoude smaken, indien het mij vergund ware, midden tusschen
io8
EENE ATJEHSCHE VROUW,
dat biddend g^jniis eenige granaat-kartetsen te mogen werpen, toen mijne overpeinzingen eensklaps gestoord werden door onze schildwachten, die een hevig vuur openden op het voorliggend terrein. Het kort daarop gevolgd alarmsignaal van den wachthebbenden hoornblazer, deed ons naar de wapens grijpen en naar het banket snellen. Ik kon mij dit ongewoon verschijnsel op dezen post niet verklaren, want nadat eenige maanden te voren een transport, waaronder koelies en soldatenvrouwen, in de nabij gelegen lagunes was overvallen en afgemaakt, had de vijand ons verder met rust gelaten.
Van een kijker voorzien, onderzochten wij den omtrek, doch geen van ons kon iets verdachts bespeuren. Toch was ik overtuigd, dat onze schildwachten niet om eene kleinigheid zouden schieten. Door een inlandschen onderofficier opmerkzaam gemaakt, zagen wij later in de verte, achter dichte struiken, verschillende donkere gestalten, die oogenschijnlijk kruipende de benting naderden.
De sergeant der artillerie richtte reeds 't geschut, en de kanonniers wachtten met ongeduld op 't commando: »vuur,quot; toen 't signaal j ophouden met vurenquot; op last van den kapitein-commandant gegeven werd.
Eenige inlandsche soldaten verzekerden, dat de Atjehers, door ons opgemerkt, geen vijanden waren, maar eene vrouw met kinderen. Gelukkig dat deze mannen door hun scherpen blik, ons voor een treurig feit spaarden. Werkelijk za^en we thans eene gedaante, die met een doek zwaaide. De afstand en de schemering waren oorzaak van het misverstand, terwijl de menigte galangans (dijkjes), waarop de naderende gestalten zich bewogen, den kinde-
EENE ATJEHSCHE VROUW.
ren het voorkomen gaven van volwassen personen, die, kruipende en achter struiken zich verbergende, dezen post trachtten te overvallen.
Mij werd last gegeven met eene patrouille de aankomenden te gemoet te gaan ; deze, die inmiddels ook genaderd waren, ontmoette ik buiten de versterking. Een Atjehsche vrouw, met loshangend haar en vreeselijk verwrongen gelaatstrekken stond voor mij. De doorgestane angst was duidelijk op liare gelaatstrekken te bespeuren ; haar vergezelden drie kinderen, die zich vreesachtig achter hunne moeder verscholen hielden.
Na haar beduid te hebben ons te volgen, bracht ik haar voor den commandant, die deze vrouw en kinderen welwillend ontving ; na een kort verhoor werd haar eene
verblijfplaats aangewezen.
Alhoewel niet lang te voren onze soldaten, eenige kameraden en drie vrouwen hadden te betreuren, welke door hare landslieden op een transport waren overvallen en daarna afschuwelijk verminkt, zoo toonden zij tegenover deze vrouw niet de minste vijandschap, integendeel, haar werden allerlei versnaperingen voorgezet, sommigen
gaven zelfs geld.
Waarlijk, onze soldaten zijn zulke barbaren niet; dat zij in de hitte van het gevecht den vijand soms geen genade bewijzen, is zeer goed te begrijpen en om vele redenen
te verontschuldigen.
De Atjehsche vrouw bleef twee dagen op onzen post, gedurende welken tijd zij zich vertrouwelijk onderhield met de vrouwen der soldaten ; daarna werd zij naar Kotta-Radja afgezonden. Ik wist toen niets van haar,
no
EENE ATJEHSCHE VROUW.
dan dat haar man den vorigen dag bij een der gevechten voor Lamjong was gesneuveld en zij bij gebrek aan voedsel bij ons bescherming kwam zoeken.
Eenige maanden later naar Pakan-Kroeng-Tjoet overgeplaatst zijnde, ontmoette ik haar onder eenige bevriende Atjehers van kampong Tjadé, welke, naar Kotta-Radja gaande, onzen post passeerden.
Niet lang daarna, terwijl ik op een morgen buiten de versterking eenige werkzaamheden surveilleerde, kwam zij mij eenige vruchten te koop aanbieden. Nieuwsgierig iets te vernemen aangaande de gewoonte en den aard harer landgenooten, besloot ik een gesprek met haar aan te knoopen, tevens met het doel om te vernemen wat haar bewogen had zich onder onze bescherming te stellen.
Het verhaal van deze vrouw wil ik trachten zoogoed mogelijk terug te geven, daar het wellicht een klein denkbeeld kan geven van het karakter van denAtjeher. I Zij kende een weinig Maleisch, waardoor ik in de gelegenheid was haar te verstaan.
»Ik woonde,quot; zoo sprak zij, »in kampong Lamjong. Mijn man was ziekelijk en niet altoos in staat mee ten strijde te trekken. In een klein huisje, eenigszins afgezonderd van de andere woningen, leefde ik met mijn man en drie kinderen. Wij waren arm en moesten toch de opbrengst van onzen kleinen tuin deelen met den Hadjie ; bovendien eischte hij, dat mijn man quot;s nachts langs de posten zoude maraudeeren, om uit de keukens en bijgebouwen der soldaten, buiten de bentings gelegen, te stelen. In den regel kwam hij met leege handen
11 I
EENE ATJEHSCHE VROUW.
t'huis, hetgeen den toorn opwekte van den Hadjie, die hem dan uitschold voor onreinen hond en zelfs mishandelde. Tegen dergelijke dwingelandij waren wij machteloos, want de Hadjie had veel invloed, en de hoofden vreesden hem eveneens.
Mijn man was geen Atjeher, doch van Malakka afkomstig, en alhoewel hij sinds zijne jeugd onder de onzen had geleefd, zoo bleef hij vreemdeling en werd steeds gewantrouwd. Dikwijls sprak hij er over, dit land te verlaten, doch de middelen ontbraken ons om weg te komen.
Daar brak eensklaps de oorlog uit met de blanda s (Hollanders). Eiken avond moesten de weerbare mannen zich in de Missigit vereenigen om raad te houden. Eens was mijn man door ziekte verhinderd te komen ; zijne afwezigheid werd door den Hadjie opgemerkt. Eenigen zijner volgelingen gaf hij last den afwezige te zoeken en voor den raad te brengen. Tevergeefs trachtte ik deze lieden te overtuigen, dat hij krank was ; men mishandelde mij en sleepte mijn armen man uit het huis; zij sloegen hem tot bloedens toe ; zonder gehoord te worden, werd hij aan een paal gebonden en met een bamboedoeri-stok geslagen tot hij bewusteloos was. »Hij had gezondigd »tegen den profeet Mohammed, zeide de Hadjie, en had »zich steeds als een ongeloovige doen kennen.quot; De vrouw scheen bij deze herinnering nog smartelijk aangedaan, want ec .- traan zag ik in haar oog schitteren. Eenige oogenblikken later vervolgde zij : vgt;Toen de menigte de Missigit had verlaten, drong ik heimelijk in den tempel en droeg hem naar huis. Ik waschte zijne wonden met
I 1 2
EENE ATJEHSCHE VROUW,
water en sprak hem moed in ; mijne kinderen weenden en vroegen wat toch hun vader misdaan had.
Den volgenden morgen sloeg de tong tong, en riep de mannen ten strijde. Het was niet mogelijk, dat mijn man mee kon gaan ; zijn lichaam was met wonden overdekt, en zijn arm niet krachtig genoeg om den klewang te hanteeren.
Ik vroeg gehoor bij den Hadjie en bezwoer hem, mijn man vrij te laten; op mijne knieën en de gevouwen handen tot hem opheffende, bad ik om genade ; tevergeefs was mijn smeeken. »Ga weg vrouwquot;, zeide hij, »uw man is een kafirquot; en hij sloeg mij in 't aangezicht, zoodat het bloed me uit neus en mond gutste.
Met wanhoop in het hart, doch zonder eene klacht te uiten, besloot ik mij te wreken of te vluchten; niet langer wenschte ik het juk te dragen, dat wij te verduren hadden. Ik haatte mijn eigen volk, en sinds mijn huwelijk had ik geen reden mij onder hen gelukkig te gevoelen, want ook ik werd daarom ais eene vreemdelinge beschouwd.
Het uur der verlossing had echter voor mij nog niet geslagen, en nog 5 jaren bracht ik in ellende en martelingen door.
In den strijd hadden wij geen voorspoed; steeds drongen de blanda's voorwaarts, en hoe meer zij naderden, hoe meer mijn hart juichte. Mijne eenige hoop op redding was gevestigd op den blanken man, die u ^votta-Radja verblijf hield.
Vurig wenschte ik, dat hij ook onzen kampong zoude bestormen. Eindelijk verscheen hij in deze buurt en
8 â¢
EENE ATJEHSCHE VROUW.
bouwde bentings. Ons volk trachtte hem hier uit te verdrijven, maar de blanda's zijn dapper en hielden stand. Onze bosschen werden omgehakt en het scheen mij toe, alsof onze kampong weldra aan de beurt was, te meer omdat onze kampong dikwijls op de blanda's schoot. Doch zij bleven in hunne bentings en wierpen groote kogels op de onzen. Eindelijk besloten de Atjehers, eenige maanden geleden, de benting aan te vallen; mijn man, die steeds tegen zijn zin mee moest vechten, sneuvelde voor Lamjong.
Zijn bloedig lijk werd voor mijne woning geworpen ; ontzetting greep mij aan, doch later verheugde ik mij over zijnen dood, want nu is hij bij den profeet.
In 't eerst meende ik in den kampong te blijven, doch toen men mij zelfs een weinig rijst weigerde, en niemand eenig medelijden met mij gevoelde, ontvluchtte ik met mijne kinderen nog dienzelfden avond dien ongastvrijen kampong, en zocht bescherming bij de blanda's, die beter voor mij zijn dan mijn eigen volk.
De profeet moge den blanken man daarvoor zegenen Niet lang, nadat mij kampong Tjadé, (gelegen tusschen onze benting Tjadé en Pakan-kroeng-Tjoet) als verblijfplaats was aangewezen, werd ik de vrouw van een be-vrienden Atjeher.
Een Atjeher, die op dat oogenblik den weg afkwam, werd mij door haar als de echtgenoot aangewezen. Krui-1 pend beleefd, naderde hij, en liet zijne buiging met een eerbiedig stabeh toewanquot;, (gegroet mijnheer), samengaan. Zijn uiterlijk deed mij niet aan een vriend denken, zooals hij voorgaf er een te zijn. Een struikroover gelijk,
ri4
EENE ATJEHSCHE VROUW.
Æ had hij de loerende oogen van een tijger, terwijl zijn t1 grijnslach het judas-voorkomen in alle volmaaktheid teruggaf.
Bij het afscheid nemen werd ik door hem uitgenoodigd tot een bezoek in kampong Tjadé om vruchten te proeven. Deze uitnoodiging, wellicht goed gemeend, vond ik raadzamer niet aan te nemen. De ondervinding toch f had ons geleerd geen Atjeher te vertrouwen, zelfs niet een van die, welke den eed van trouw hadden afgelegd aan ons gouvernement.
De uitkomst bewees niet lang daarna, dat mijn wantrouwen srerechtvaardigd was, daar diezelfde schurk naar/
o o 7 C
den vijand vluchtte om zijne straf voor gepleegd verraad S te ontgaan.
Zijne vrouw volgde hem niet en bleef vertrouwen stellen in de bescherming der blanda's.
US
HET PATROUILLEGEVECHT BIJ TJOT-RANG 7 Augustus 1882.
EPISODE UIT HET BURGERLIJK BESTUUR.
Het gevecht bij Tjot-Rang mag zeker wel een der merkwaardigste en schitterendste patrouillegevechten genoemd worden, die de Atjeh-oorlog weet aan te wijzen; eene gebeurtenis, waard om met gulden letters in de ge-schiedrollen van het roemrijke Indische leger te worden aangeteekend. Niet omdat toen eene groote overwinning werd behaald, maar omdat deze patrouille, waarschijnlijk door den gids in hinderlaag gelokt, zich eensklaps door eene verpletterende overmacht omringd zagen, ondanks ontzettende moeielijkheden, door de bloeddorstige en wraakzuchtige benden wist heen te slaan, dank haren aanvoerder, den kapitein der infanterie P. G. Bode.
Welke gemoedsaandoeningen moeten wel den aanvoerder dezer kleine schaar overstelpt hebben, toen hij de aan zijne leiding en zorg toevertrouwde soldaten eensklaps in zulk een ernstig gevaar verplaatst zag; voortdu. rend waren de oogen zijner soldaten op hem gevestigd, die begrepen, dat hij alleen in staat was hen te redden ;
HET PATROUILLEGEVECHT ENZ.
doch geen weifeling noch vrees was aan hem te bespeuren ; onwrikbaar als eene rots stond hij daar te midden der zijnen, elke stelling met beleid verdedigende en zijne bevelen gevende, als stond hij op het excercitieterrein.
Ooggetuigen verklaarden niet te weten, wat in kapitein Bode meer te bewonderen: zijn beleid en moed of zijne onverstoorbare kalmte en tegenwoordigheid van geest. Mijne pen is niet bekwaam om dit feit in zijn schoonste licht te stellen, om deze gebeurtenis in hare helderste kleuren te plaatsen; de verbeelding van den lezer zal mij te hulp moeten komen. Denke men zich slechts in den geest in des kapiteins toestand. Alvorens echter bovengemelde gebeurtenis te beschrijven, is het noodig eene korte schets te geven van den toenmaals be-staanden politieken toestand op Atjeh.
Na het vertrek van den verdienstelijken Generaal Van der Heyden, werd het bestuur opgedragen aan den burger-gouverneur Pruys van der Hoeven; tevens werd de vrede afgekondigd. Reeds den 22 Mei 1881, dus kort nadat hij als hoofd van het bestuur was opgetreden, werd bevolen, dat de pratrouilles de kampongs niet meer mochten bezoeken; dat zij aan bepaalde wegen waren gebonden en dat het arresteeren van gewapende Atjehers, buiten den kring van 5000 M. der bentings, ten strengste verboden was. En eenigen tijd later moest op zijn bevel het patrouilleeren worden gestaakt, uit overweging, dat de Atjehers daardoor steeds in onrust bleven verkeeren. (1)
(1) Lt. kol. J. W. E. Verslege. Een beroep op het Nederl. volk ir. zake het Atjeh-vraagstuk, blz. 73
11?
HET PATROUILLEGEVECHT
Alhoewel de vrede geproclameerd was, zagen vele Atjehers hierin vo'strekt geen beletsel om onze soldaten op kogels en klewanghouwen te onthalen en onze patrouilles en transporten aan te vallen met een ijver en een succes, grooter dan ooit te voren. Of deze aanvallen geschiedden met voorkennis der aan ons onderworpen en bevriende hoofden, dan wel of het slechts kwaadwilligen waren, zal moeielijk uit te maken zijn. Ten einde deze z. g. kwaadwilligen te verdrijven, werd door den heer Pruys v. d. Hoeven een korps gewapende politie opgericht, dat, naar het scheen, niet aan de hooge verwachtingen beantwoordde, want de benden kwaadwilligen waren intusschen in getalsterkte en kwaadwilligheid erg toegenomen, zoodat de gouverneur, die niets onbeproefd had gelaten om de Atjehers van onze goede bedoelingen te overtuigen, nu verplicht was de militaire wacht weer handelend te doen optreden. De troepen moesten derhalve weer patrouilleeren.
Ook uit Lambaroe, het hoofdkwartier der zuidoosterlinie, werden daarom van tijd tot tijd, meestal met eene tus-schenruimte van 2 a 3 dagen, patrouilles uitgezonden, totdat op den 6en Augustus 1882 bij garnizoensorder aan de bezetting ongeveer het volgende werd bekend gemaakt: »In den vervolge zal minstens eens per dag eene patrouille uitrukken, waarvan de marschroute door den liniecommandant zal bepaald worden.
»De patrouilles zullen steeds door een kapitein ge-
118
BIJ TJOT-RANG.
commandeerd worden en sterk zijn : 2 luitenants, 2 hoornblazers en de afkomende wacht, daarbij eenige dwangarbeiders voor den ambulancedienst.
Verder bevatte die order eenige instructies omtrent het schieten, sparen van eigendommen enz. en ten slotte : gt;Ninimer mag uit het oog worden verloren, dat, indien het noodig is kwaadwilligen te straffen en te verdrijven, de goedgezinden beschermd moeten worden en dat het terrein, waarheen de patrouilles gezonden zullen worden, door bekend staande en het gouvernement goedgezinde Atjehers moet zijn bewoond.
»Heden nacht om 4 uur zal de eerste patrouille uitrukken.quot;
In den morgen van 7 Augustus 1882 stond omstreeks 3'/2 uur een gewapend detachement op de binnenplaats van Lambaroe gereed om aan dien last te voldoen. Dit detachement sterk:
2 luitenants, 4 hoornblazers, 26 Europeesche fusiliers, 67 inlandsche fusiliers, stond onder bevel van kapitein P. G. Bode en had de opdracht, eene patrouille te maken van Lambaroe over Tjot-Rang naar de nieuw opgerichte versterking Payau.
Evenals altoos gedurende den vredestijd, werd het detachement vergezeld door een burger-ambtenaar.
Nauwelijks had de schildwacht voor 't geweer op de koperen klok door vier slagen het uur aangegeven, of behoedzaam werd de poort geopend en de colonne begaf
119
HET PATROUILLEGEVECHT
zich op marsch om hare opdracht te vervullen. Eerst zij nog gemeld, dat door den kapitein Bode, vóór den af-marsch, de noodige inlichtingen werden ingewonnen bij den civielen ambtenaar; hij vroeg hem o. a. of het te doorloopen terrein ook door kwaadwilligen bezet was. Het antwoord luidde: »Neen? slechts hier en daar enkele kwaadwilligen, hoogstens 3 a 4 bij elkaar, de sterkere benden houden zich hooger op.quot;
De marschvorm, welke de patrouille aannam, was als volgt; eene sectie als voortroep onder den eersten luitenant Loyen, eene sectie als achterhoede onder den tweeden luitenant Van Swieten, de rest als hoofdtroep onder commando van den kapitein Bode ; bij elke afdeeling werd een hoornblazer ingedeeld ; de ambulance nam plaats tusschen voorhoede en voortroep.
De onderlinge afstand der verschillende afdeelingen werd bepaald op 30 a 40 passen. Tot aan kampong Ghuni werd de gewone weg gevolgd, toen een voetpad ingeslagen, dat in noordelijke richting langs den kampongrand voert en vervolgens oostelijk door sawahs en kampongs loopt. Was de weg over de sawahs mbeilijk, in de kampongs was die bovendien gevaarlijk, want hier waren het meerendeels holle wegen met steile wanden, aan weerszijden met zwaar kreupelhout begroeid, door sterke paggers afgesloten, en slechts door één man in 't front begaanbaar, zoodat de colonne in moeielijken marschvorm voortging. Na een vermoeienden marsch van twee uur deboucheerde de colonne op den nieuwen straatweg van Toenkoep naar Fayau, op ongeveer 500 passen ten noorden van passer Tjot-Rang. Het was toen
I 2 O
BIJ TJOT-RANG.
6 uur in den morgen, niets bijzonders had zich gedurende den marsch voorgedaan. Slechts tegen S'/j uur zag men twee donkere gedaanten over de sawah vluchten en in den kampongrand verdwijnen ; ter zelfder tijd werd in de verte een zwak schot gehoord.
Wat echter verdacht voorkwam, was, dat nergens in de kampongs licht gezien werd, evenmin werd iets van de bewoners gemerkt; alles scheen verlaten en niets deed vermoeden, dat juist hier een talrijke vijand in hinderlaag lag. Nadat de colonne op den straatweg met verdubbelde rotten was opgemarcheerd, liet de commandant de verschillende afdeelingen doormarcheeren tot Tjot-Rang en werd op den passer, die op eene hoogte gelegen is, een oogenblik rust gehouden.
De burger-ambtenaar verzocht toen aan kapitein Bode, enkele huizen te mogen doorzoeken, in de hoop eenige kwaadwilligen te kunnen arresteeren. Dezen ambtenaar was het dus ook onbekend, dat talrijke benden kwaadwilligen zich hier schuil hielden ; een bewijs, hoe slecht hij door zijne spionnen was ingelicht. Zich voortdurend met de bestaande toestanden bekend maken, berichten inwinnen, onderhandelingen aanknoopen, spionnen uitzenden, ziedaar het werk, dat aan de burgerambtenaren werd toevertrouwd.
Het is opmerkelijk, hoe goed de Atjehers daarentegen steeds van onze plannen zijn ingelicht. Wel een bewijs, hoe uitmuntend hun spionnenstelsel is georganiseerd ; dat zij onder onze gidsen handlangers tellen, is zoo goed als zeker. Na eene korte rust klonk het commando svoorwaarts1' en trok de colonne den kampong binnen om.
121
HET PATROUILLEGEVECHT
langs een door den gids aangewezen voetpad, den tnarsch te vervolgen. Ook hier moest wederom de marscli met één man in 't front worden aangenomen, zeer zeker de onvoordeeligste marschvorm, dien men zich op vijandelijk terrein kan voorstellen. Als men daarbij bedenkt, dat dit voetpad door dicht, hoogopgaand kreupelhout liep en zich over de geheele uitgestrektheid met scherpe bochten langs een terrein kronkelde, zoo zwaar begroeid, dat men zelfs op korten afstand niets kon onderscheiden, zoo is het niet moeielijk zich eene voorstelling te maken, van de allerongunstigste positie, waarin zulk een troep zich bij een onverhoedschen aanval van den vijand bevindt.
Na eenigen tijd gemarcheerd te hebben, vernam men omstreeks ó1/.-, uur een hevig geweervuur in de richting van Payau en was het meer dan waarschijnlijk, dat eene patrouille van die versterking was aangevallen. Marcher au canon was de gedachte, die een ieder bezielde.
Onmiddellijk werd door de colonne de versnelde pas aangenomen in de richting vanwaar het vuur vernomen werd; maar nauwelijks was de voorhoede eenige honderden passen geavanceerd, of eensklaps werd zij op de rechterflank hevig beschoten. Terwijl de voorhoede al vurende langzaam avanceerde, om eene gunstiger stelling in te nemen, werd door den troep halt gehouden en naar beide zijden front gemaakt. De voorhoede kwam, na eenige passen te hebben gedaan, voor een opene ruimte in het kreupelhout, welke ruimte door zware boomen begrensd was; hier werd stelling genomen en het vuur des vijands beantwoord.
122
BIJ TJOT-RANG.
Daar het den commandant bij onderzoek bleek, dat de colonne hoofdzakelijk uit een steenen missigit (Moham-medaansche kerk) werd beschoten, die op ongeveer 200 passen binnenwaarts gelegen was, besloot hij de missigit aan te vallen en door storm te nemen. Het terrein liet echter aan deze zijde niet toe die versterking te naderen, zoodat tot eene omtrekkende beweging besloten werd, ten einde een gunstiger aanvalspunt te vinden en tevens te onderzoeken, waar zich de uitgang bevond. Met deze bewegingen was nauwelijks een aanvang gemaakt, of de civiele ambtenaar, die geroepen was den gids naar voren te zenden, kwam berichten, dat deze gesneuveld was. Daar noch de ambtenaar, noch zijne pradjoerits de minste kennis van dit terrein hadden, bevond de colonne zich in eene allertreurigste positie. Hoe moest nu met zulk eene geringe macht en door zulk een ongunstig terrein de marsch vervolgd worden ? De algemeene richting, waarin Payau gelegen was, was wel bekend, doch de afstand bedroeg nog anderhalf uur. Tot nu toe scheen het, alsof slechts de missigit door den vijand bezet was en besloot kapitein Bode de omtrekking te beproeven. Nauwelijks was echter de voorhoede teruggetrokken, of de colonne, die nog steeds op één gelid stond, werd van alle kanten en op korten afstand zoo hevig beschoten, dat het al spoedig bleek, dat zij omsingeld was door een vijand, die haar in getalsterkte zeker tienmaal overtrof. Deze omstandigheid kon natuurlijk voor de manschappen geen geheim blijven ; doch alle hoop was op de officieren gevestigd.
«Jongens, luistert naar je officieren, dan komen wij er
123
HET PATROUILLEGEVECHT
nog wel,quot; riepen eenige oude soldaten ; en evenals Napoleon I in den slag zijne manschappen wist op te wekken door te zeggen : »En avant, mes enfants, la France vous regarde!quot; zoo sprak ook kapitein Bode in deze hachelijke omstandigheid zijnen soldaten moed in, en toonde een aanvoerder te zijn, die hen wist te beheer-schen en vertrouwen in te boezemen. Geen oogenblik van zwakte of besluiteloosheid was bij hem merkbaar en zijne commando's klonken donderend boven het geweervuur en' het geschreeuw van den vijand uit.
Met het oog op de ongunstige stelling, die de colonne bovendien aan klewangaanvallen blootstelde, zonder dat zij tegenweer kon bieden, werd de terugmarsch aangeno-N men en de vijand door salvo's op eerbiedigen afstand gehouden. Onder de grootste kalmte en orde werd steeds geretireerd ; gelukkig bereikte de troep spoedig eene kleine sawah, welker overzijde niet door den vijand bezet was en waarachter zich een meer open terrein bevond. Deze sawah was pl. m. 600 passen breed en geïnondeerd, zoodat de manschappen op sommige plaatsen tot aan de borst door het water gingen. Eindelijk was de overkant berejkt, maar helaas! niet zonder verliezen. De sergeant Leendertze ontving een doodelijk schot in den buik. Het vijandelijk vuur nam steeds in hevigheid toe, waaruit bleek, dat de kwaadwilligen voortdurend versterking ontvingen. De Atjehers, die eene patrouille van Payau hadden aangevallen, waren, toen zij teruggeslagen werden, in deze richting gevlucht en hadden zich bij de bende aangesloten (welke omstandigheid eerst later bekend werd). De toestand onzer troepen was meer dan hachelijk en dat
124
BIJ TJOT-RANG.
op een terrein, dat door zoogenoemde bevriende goed gezinde Atjehers bewoond werd ! Die huichelaars!
Niet lang had de patrouille hier stelling genomen of ook deze positie bleek onhoudbaar. Groote en talrijke vijandelijke drommen bewogen zich langs de flanken der colonne, met het doel haar te omsingelen. Van uit deze positie was de passer van Tjot-Rang zichtbaar, een punt, dat nog niet door den vijand bezet was.
Dank zij den moed en de energie der officieren, gelukte het der colonne den passer te bereiken, dien over te trekken en daarachter stelling te nemen. De manschappen waren zeer vermoeid en de bezwaren, aan het medevoeren der gekwetsten verbonden, zeer groot. Wie hunner had kunnen vermoeden, toen zij 's morgens omstreeks 6 uur hier rust hielden, dat dezelfde plaats door hun bloed zoude gedrenkt worden! In de thans ingenomen positie hoopte de commandant zich eenigen tijd staande te kunnen houden, in afwachting, dat het aanhoudend vuren door een der posten zou gehoord en versterking gezonden worden. Hoe ijdel bleek deze hoop !
Tot overmaat van ramp werden zij nu ook met lila's beschoten. Meer en meer breidde de vijand zich uit en was op sommige punten zelfs tot 30 a 40 passen genaderd, doch hij bleef zich gedekt houden, waartoe het terrein hem gunstig was. Nam 's vijands vuur in kracht toe, het onze kon dit zeer zwak beantwoorden, daar men, uit gebrek aan reserve-munitie, zeer zuinig moest zijn, terwijl het te voorzien was, dat de strijd nog geruimen tijd kon duren. Het verlies, dat de patrouille leed aan dooden en gewonden werd al grooter en grooter en de
I2S
HEÃ PATROUILLEGEVECHT
toestand daardoor van minuut tot minuut hachelijker. Verscheidene malen liet kapitein Bode om hulp blazen, in de hoop, dat het I5de bataljon, hetwelk te Toenkoep in bezetting lag, de signalen zoude hooren. In deze omstandigheden moesten de officieren veel beleid en bedaardheid aan den dag leggen om den troep in de hand te houden; een oogenblik van weifeling of gebrek aan kalmte zou zeker tot het verlies van de geheele patrouille geleid hebben.
Gelukkig voor de colonne bleven de officieren gespaard. Kapitein Bode scheen onkwetsbaar en toch droegen zijn jas en de rand van zijn pet menigvuldige sporen der kogels ; dit verhoogde zijn overwicht bij de inlandsche soldaten, die nu in de meening verkeerden, dat geen vijandelijke kogels hem konden treffen. Daar geen hulp van Toenkoep kwam opdagen, niettegenstaande herhaaldelijk om hulp geblazen werd, besloot kapitein Bode het gevecht af te breken en op Toenkoep terug te trekken. De weg naar Toenkoep was de eenige terugtochtsweg, en voortdurend zag men aan weerskanten van dien weg vijandelijke drommen zich bewegen en in de kampong-randen stelling nemen, om de colonne ook deze laatste terugtochtslijn af te snijden. Het was in deze benarde omstandigheden, dat reeds onder de soldaten gemompeld werd : »de patrouille is verloren.quot; De inlanders vooral schenen meer en meer aan vertwijfeling ten prooi. »Ka-pitein, red ons, haal ons er uit!quot; riepen zij. Sommigen hunner, denkende dat zij zich slechts in zijne nabijheid behoefden te plaatsen om niet getroffen te worden, werden neergeschoten en kleurden de uniform van den aanvoerder met hun bloed.
120
BIJ TJOT-RANG.
Het was 8 uur, toen het bevel gegeven werd op den straatweg terug te trekken ; het gevecht had bijna twee uren geduurd, dus reeds twee uren had deze handvol dapperen, door eene flinke houding den vijand van zich af weten te houden en dat, terwijl men gebrek had aan munitie.
Na het verzamelen der gewonden bleek het, dat er nog slecht 30 bajonetten overschoten, en hiermede moest men den overmachtigen vijand tegenhouden! De gesneuvelden mee te voeren, was niet mogelijk ; de veiligheid der colonne maakte het dringend noodzakelijk, de dooden achter te laten ; een maatregel, die zeer hard was, daar de onmenschelijke vijand de lijken der gesneuvelden steeds op afschuwelijke wijze verminkt.
Nadat de geweren der gevallenen en der dragers onder de overige verdeeld waren (de officieren droegen ieder twee geweren) werd de terugtocht aangenomen. Deze ging zeer langzaam ; was de taak van den patrouillecommandant van den beginne af zeer moeilijk te noemen, thans werd zij dubbel zwaar.
Het aantal dooden en gewonden bedroeg reeds 27 man, dus bijna een derde der sterkte, terwijl nog een derde der manschappen noodig was om de gewonden te dragen. De vijand drong nu zoo sterk op, dat men verplicht was naar alle zijden front te maken en de gewonden in het midden te nemen. Een klewang aanval was meer dan waarschijnlijk â maar neen â trots de verpletterende overmacht des vijands boezemde dit kleine troepje hem nog vrees in. Slechts dc achterhoede, onder den tweeden luitenant Van Swieten, die met zijne laatste manschap-
127
PATROUILLEGEVECHT
I2S
HET
pen den heuvel verliet, werd met den klewang aangevallen en twee zijner soldaten hiermede afgemaakt. Had kapitein Bode niets intijds het gevaar gez.ien, waarin de achterhoede verkeerde, voorzeker had Van Swieten hetzelfde lot ondergaan. Deze officier, die kort te voren bij het doortrekken der sawah in een put gevallen was, had zich zeer ernstig bezeerd én kon slechts met moeite de colonne volgen, doch heeft tot het laatste toe meege-loopen en zijne afdeeling door een goed voorbeeld voorgegaan .
Op den grooten weg bleef de vijand de vervolging niet minder hardnekkig volhouden ; een gedeelte hield zich bezig de lijken der gesneuvelden te verminken ; eenige goed gerichte salvo's deden gelukkig velen in 'tzand bijten.
Weer liet Bode signalen blazen, ten teeken, dat er nog steeds hulp noodig was; want overal waren dekampongran-den, welke dicht bij den weg stonden, door talrijke benden bezet, terwijl een ander gedeelte, dat den troep vervolgde, door salvo's op een afstand moest gehouden worden. Volgens ingewonnen berichten, moet de Fransche deserteur Petit een van de aanvoerders der Atjehers zijn geweest. Moge deze ellendeling, die zijn vaandel verliet om op zijne oude krijgsmakkers te schieten, zijne welverdiende straf niet ontloopen !
Gedurende dezen tocht deden zich weer nieuwe teleurstellingen op ; zoo had de vijand bijv. alle bruggen naar Toenkoep verbrand ; niets dan smalle, half verkoolde dwarsliggers waren overgebleven, en hierover moest men trachten met de gewonden te komen, en dat onder zoo'n hevig vijandelijk vuur.
BIJ TJOT-RANG.
Moet niet een ieder bewondering gevoelen voor soldaten, die onder zulke hachelijke omstandigheden nog aan hunne gewonde kameraden denken ? Ja, het Indische leger verdient belangstelling, en meer dan het tot heden van zijn landgenooten heeft mogen ondervinden.
Eindelijk was de laatste brug overgetrokken en de groote sawah bereikt, die aan Toenkoep grenst. Nu staakte de vijand zijne vervolging ; woedend en teleurgesteld trok hij terug, uit vrees van anders op zijn beurt door de bezetting van Toenkoep omsingeld te worden. Waarlijk jammer, dat van deze versterking geen hulp was gezonden. Hoogstwaarschijnlijk had men de alarmsignalen der patrouille niet gehoord. Het was meer dan hoog tijd, dat de vervolging ophield, want de manschappen waren uitgeput ; zij, die de gewonden gedragen hadden, konden bijna niet meer voort. Hier werd eenige rust genomen ; gelukkig was er drinkwater. Onbeschrijflijk was de dankbaarheid der manschappen voor de officieren ; zelfs de zwaar gewonden moesten kapitein Bode en zijnen officieren de hand drukken. Een terugtocht te dekken met slechts 25 bajonetten, en dat tegenover een vijand, die tienmaal sterker was en veel gunstiger stellingen te zijner beschikking had, dat zegt wat !
Het kalm optreden van den eersten luitenant VV. J. A. Royen, commandant der voorhoede, heeft ook zeer veel bijgedragen tot het gelukken der poging om door den vijand heen te breken. Na eene korte rust werd de marsch vervolgd, en omstreeks 93/4 uur was de patrouille te Toenkoep.
De circa 45 minuten lange weg van den heuvel bij Tot-Rang naar Toenkoep werd in zeven kwartier afgelegd,
129
9
J JO HET patrouillegevecht
3'/, uur was dus de patrouille in gevecht geweest!
Bij aankomst te Toenkoep ontmoette men eene colonne
van ongeveer 200 man, die in de richting van Tjot-Rang zou marcheeren. Deze colonne werd toen aangewezen om de dooden te zoeken en mee te brengen. De gewonden werden te Toenkoep onder geneeskundige behandeling gesteld, terwijl de overige manschappen, na tot n1/, uur te hebben gerust en van munitie te zijn voorzien, naar Kotta-Radja marcheerden, alwaar andermaal gerust en de troep gevoed werd. Om 6 uur 's avonds was de patrouille te Lambaroe terug, waar zij met een hoerah ontvangen werd. Kapitein Bode was de held van den dag, en waar hij zich vertoonde, ging een luid gejuich op. De dag van 7 Augustus 1882 zal hem zeker
nimmer uit het geheugen gaan.
Eenige dagen later was hij verplicht zich onder geneeskundige behandeling te stellen ; een matte kogel, die hem gedurende het gevecht tegen den band van zijn pet, ter hoogte van het achterhoofd, trof, had eene lichte hersenvliesontsteking ten gevolge. Voor zijne manschappen had hij dit gedurende het gevecht weten te verbergen. Werd het gedrag der patrouille door een ieder ten zeerste geroemd, ook van den legercommandant en den militairen commandant van Atjeh volgde de tevredenheidsbetuiging. Het spreekt vanzelf, dat zulk een ernstig optreden
van dusgenaamde kwaadwilligen tot nadenken moest stemmen, Een ieder begreep nu, dat de guerilla-oorlog eene nieuwe periode was ingetreden.
In dit gevecht heeft zich ook bijzonder onderscheiden de europeesche fusilier J, M. Geelen, stamboek Nquot;. 7162, die
BIJ TJOT-RANG.
als ziekenoppasser en verbandmeester aan de colonne was toegevoegd en voor zijn buitengewonen moed, zelfopoffering en trouwe plichtsbetrachting, bij Koninklijk besluit van 30 October 1882, Nn. 26, per telegram werd benoemd tot ridder der Militaire Willemsorde.
Gedurende het zeer hevig en op korten afstand gevoerd gevecht, wijdde Geelen al zijne krachten aan de verzorging der gewonden en bekwam hij een schotwond in den arm ; doch na zich voorloopig verbonden te hebben, bleef hij zijne taak met de meeste toewijding volbrengen, zelfs nadat hij ten tweeden male door een kogel werd getroffen, ditmaal in arm en rug. Eerst toen hem op den terugtocht naar Toenkoep het ongeluk trof, door beide beenen geschoten te worden, staakte hij zijn dienst en moest gedragen worden.
Kapitein Bode werd in 't jaar 1886 door Z. M. den Koning voor zijn betoonden moed, beleid en trouw, als patrouillecomniandant bij het gevecht te Tjot-Rang aan den dag gelegd, ook begiftigd met de Militaire Willemsorde, welke onderscheiding vooral door zijne soldaten met veel vreugde werd vernomen.
Een woord van hulde mogen wij diegenen ook niet onthouden, aan wier uitstekende hulp het te danken is, dat de gewonden zoo gelukkig zijn overgebracht. In de eerste plaats moeten genoemd worden de europeesche fusiliers Joentje, stamboek n0. 9646, en Brinkma, stamb. n0. 6478. Deze militairen hebben den zwaar gewonden sergeant Leendertze, later aan zijne wonden overleden, onder een hevig vuur uit de sawah gedragen en verder aan andere gewonden nog vele goede diensten bewezen. Vervolgens de
132 HET PATROUILLEOEVECHT
europeesche fusilier Dijkhuis, n0. 10092, die zich bovendien onderscheidde door zijne kalmte in 't vuur en het goede voorbeeld, dat hij daardoor gaf; de europeesche sergeant Ruys, n0. 8662 ; de europeesche korporaal Franken, nn. 6455; de europeesche fusiliers Westenberg, nn. 11949; Struik, nquot;. 12167; Hoefnagel, n0. 12325 ; Hulz, nquot;. 10168 ; de inlandsche fusiliers Palimin, n0. 10659 ; Mangoedikromo, n0. 10025; Sahit, n0. 10646.
Daar bovengemelde europeesche militairen allen Nederlanders zijn, twijfelen wij geenszins of de opgave hunner namen zal aan bloedverwanten en vrienden, die deze schets mochten lezen, niet onwelkom zijn.
Bij later onderzoek door den heer K. van Swieten, gewezen controleur ie klasse in de onderafdeeling der III, IX en XXII moekims van Groot-Atjeh. is gebleken, dat de patrouille-Bode moet gestaan hebben tegenover verschillende vijandelijke hoofden, die eene macht onder zich hadden van plus minus 900 man, en dat de Fransche deserteur Petit het allereerst het commando tot vuren op de onzen moet gegeven hebben ; voorts, dat volgens betrouwbare berichten, genoemde deserteur op de leiding van het gevecht een belangrijken invloed heeft uitgeoefend ; dat de patrouille bij hare retraite naar Toenkoep eene streek doorloopen had, welker bevolking vrij algemeen aan den strijd heeft deelgenomen en dus dien dag in openbaar verzet is geweest.
Of die bevolking voor haar verraad getuchtigd werd, durven wij niet met zekerheid verklaren. Hopen we echter dat de Oranjevaan, die eertijds zoo fier over de Atjehsche vlakten wapperde, spoedig moge ontrold worden om
BIJ TJOT-RANG.
ons Indische leger andermaal ter overwinning te voeren, ten einde den overmoedig geworden Atjeher voor goed onder Neêrlands macht te brengen.
Mogen zij, die durven zeggen ; »wat kan mij Atjeh schelenquot; begrijpen, dat, om het schoone Insulinde te behouden, Atjeh's onderwerping noodzakelijk is en dat men geen rechtgeaard Nederlander kan zijn, zonder liefde voor de nationale eer te bezitten.
'33
GEVECHT BIJ LANGOED op den 2(j Juni 1882.
Het volgend verhaal, geachte lezer, zal u doen zien welke noodlottige gevolgen een leger ondervindt, wanneer het na een langdurigen oorlog zijne beste soldaten heeft verloren, en daarvoor recruten moet in de plaats
stellen.
Het Indische leger verkeerde in de laatste jaren in dien treurigen toestand; vooral van 1882 tot 1884 was het gebrek aan goed geoefende soldaten bijzonder groot. Niets werd door het Indische leger-bestuur verzuimd om zooveel mogelijk daarin tegemoet te komen, doch ondanks de ijverigste pogingen kon het incompleet met anders aangevuld worden, dan door pas aangeworven recruten, meerendeels Javanen, die zich de krijgshaftige hoedanigheden hunner gevallen voorgangers nog met eigen
gemaakt hadden.
Men hoopte, dat het gemis aan geoefendheid en ondervinding dezer recruten zoude goed gemaakt worden door de bekwaamheid en den moed der officieren.
Voorzeker eene zware taak, die den officier te velde
GEVECHT BIJ LANGOED.
werd opgelegd, om deze manschappen tot bruikbare soldaten te vormen ; maar met het grootste geduld en veel volharding heeft hij zich echter aan dien plicht gewijd en gelukkig ziet hij reeds langzamerhand zijne moeite met welslagen bekroond.
Uit de versterking Toenkoep marcheerde, op den morgen van den 29sten JUni 1882, een detachement sterk 2 officieren en 70 bajonetten, met opdracht, tweehonderd Chineesche koelies te beschermen, welke aan den weg van Toenkoep naar Senelop zouden arbeiden.
Te Atjeh namelijk, was men verplicht de wegen zelf aan te leggen, daar het, vooral voor onze artillerie en cavalerie, niet mogelijk was, zich langs de smalle voetpaden te bewegen, die den Atjeher tot communicatie dienden. Dit is in de tropische gewesten, op vijandelijk gebied, een zeer moeielijk en gevaarlijk werk ; niet alleen dat men dikwijls over natte sawah's moet, maar de aangrenzende boschjes, struikgewassen en andere beplantingen moeten onder 's vijands vuur weggeruimd worden.
Gedurende twee maanden was er uit Toenkoep dagelijks op hetzelfde uur zulk een detachement uitgezonden, zonder dat het door den vijand werd verontrust; dat was opmerkelijk, want in den regel liet hij dergelijke werkzaamheden niet ongemoeid. Deze schijnbare inschikkelijkheid deed de onzen echter niet minder op hunne hoede zijn. Gaarne had men den arbeid op ongeregelde uren willen stellen, maar de omstandigheden lieten zulks niet
ÃSS
GEVECHT BIJ LANGOED.
toe. Nu had de vijand ruimschoots de gelegenheid de sterkte van den troep, en de marschrichting te observee-ren en dat hij daarmee zijn voordeel zoude doen was zeer waarschijnlijk; de uitkomst heeft dit dan ook bewezen.
Men was met den arbeid reeds gevorderd tot kampong Tjot-Rang en dien dag zoude de weg doorgetrokken worden tot aan den passer van dien kampong, om later verlengd te worden tot Bong-djala, eene bekende verzamelplaats van den beruchten Toe-Nja-Hassan en volgelingen.
Voor den afmarsch had de commandant van dit detachement, de eersten luitenant Everts, de troep naar behooren ingedeeld : eerst werd een spits van 3 man op den marsch-weg vooruitgeschoven, daarna de voorhoede onder commando van den tweeden luitenant Luske. Tusschen den hoofdtroep, die door den commandant werd aangevoerd, en den achtertroep, marcheerden de arbeiders ; eenige opzichters waren daarbij ingedeeld, om toe te zien dat de koelies goed aaneengesloten bleven; op de flanken bevonden zich zijpatrouilles om het terrein te doorzoeken; kortom alles werd in acht genomen om niet onverhoeds door den vijand aangevallen te worden.
Na een half uur gemarcheerd te hebben, ontdekte de linker zij-troep ter hoogte van kampong Langoed eene talrijke bende Atjehers; het was toen omstreeks half 7 uur in den morgen.
De vijand, die de onzen eveneens gezien had, opende terstond een levendig vuur.
Luitenant Luske, het commando over den voortroep hebbende, nam de noodige maatregelen, als gedekt op-
i36
GEVECHT B'J LANGOED.
stellen van zijne manschappen, intrekking van spits en zij-patrouilles.
De hoofdtroep hield ook halt, om eerst te zorgen, dat de koelies behoorlijk gedekt waren ; het is niet gemakkelijk in zulke omstandigheden Chineesche arbeiders bij elkaar te houden, daar zij bij het minste gevaar, al heel spoedig aan den haal gaan en daarbij gillen als waren zij reeds doodelijk getroffen.
Intusschen had de voortroep ook het vuur geopend. Luske werd al dadelijk gewond; eerst kreeg hij een schot in de linkerhand en bijna op hetzelfde oogenblik een schot in den rechteroksel. Met kalmte bleef hij echter zijn troep commandeeren, totdat een schot in de rechter-lies hem deed vallen. Een luid geschreeuw derAtjehers bewees, dat ook zij den officier hadden zien vallen; nu drongen zij met groote snelheid naar voren, en waren reeds tot op 50 passen genaderd, toen eenige flinke salvo's van den hoofdtroep, die zich inmiddels bij den voortroep gevoegd had, den vijand op eerbiedigen afstand hield.
Everts, zijn kameraad zoo zwaar gewond ziende, beurde hem op en bracht den gewonde met behulp van den hoornblazer, een weinig achter de linie. Juist op dat oogenblik drong de vijand weer sterk op en maakte aanstalten om met den klewang aan te vallen. De jongere soldaten dit ziende, begonnen te wijfelen, de ouderen trachtten hun nog moed in te spreken, doch door het vluchten der koelies, ontstond eenige wanorde en daar door een paniek, die de noodlottigste gevolgen had.
De manschappen trokken terug, de jongeren sloegen op de vlucht. Noch de commando's der officieren, noch
137
j,8 GEVECHT BIJ LANGOED.
hunne bedreigingen waren in staat de orde te herstellen. Everts deed alle moeite om den troep te verzamelen en tot kalmte te brengen ; tevergeefs versperde hij met de sabel in de vuist den vluchtelingen den weg.
Luske wist nog drie soldaten te vereenigen en trachtte met dezen den steeds opdringenden vijand tegen te houden. Wanhopig was echter hun tegenstand, tevergeefs hun moed. Terugtrekkende vuurden zij op de aangroeiende menigte Atjehers, die, overmoedig geworden, eindelijk een klewangaanval deden.
Luske, reeds zwaar gewond en door bloedverlies verzwakt, sleepte zich met moeite voort en geraakte weldra in handen van den vijand. Twee klewangslagen op 't hoofd, die, dank zij den helmhoed, geen verwonding aanbrachten, deden hem toch bewusteloos neervallen. Op de linkerzijde kwam hij terecht in een bamboe-doen heg.
Terwijl de Atjehers den troep vervolgden, bleven eenigen hunner achter om den officier naar hartelust te mishandelen. Het genot om een machteloozen vijand te martelen, bood hun thans eene schoone gelegenheid.
De ongelukkige werd met klewanghouwen overladen; nog een oogenblik keerde zijn bewustzijn terug; hij greep naar zijn revolver, maar had geen kracht meer het wapen van onder zijn lichaam uit te trekken; nog even trachtte hij toen met de sabel om zich heen te slaan, doch de hand, die het zwaard omklemde, werd door een klewang-houw half afgekapt, zoodat ook dit wapen zijner machte-
looze hand ontviel.
Met tegenzin vervolgen wij ons verhaal, maar de nood-( zakelijkheid om den landgenoot te bewijzen welk wreedaar-
GEVECHT BIJ LANGOED.
dig volk de Atjehers zijn, dwingt ons voort te gaan. Wij, wenschen u te overtuigen, dat zij door hunne dierlijkheid en hunne onmenschelijke handelingen, geen aanspraak meer mogen maken op toegevendheid onzerzijds. Voortdurend hebben de Atjehers het oorlogsrecht geschonden, niettegenstaande zij dat zeer goed kenden. Men make dus den Indischen officier er geen verwijt van, zoo hij niet bij machte was te beletten, dat de krijgsgevangen Atjehers door de verbitterde soldaten soms voor den kop geschoten werden, want de schim van zoo menig gevallen makker, van zijne vermoorde vrouw en kind staat den soldaat voortdurend voor den geest en roept om wraak.
Doch keeren wij terug tot Luske.
Niettegenstaande hij reeds zwaar gewond was en voor dood bleef liggen, hielden de Atjehers niet op hem te verminken, zoodat hij behalve de drie schotwonden bovendien 23 klewanghouwen bekwam, en zijn lichaam overdekt was met de volgende wonden :
een kogelschot in den rechteroksel, een in de palm der linkerhand, en een in de rechterlies ; de klewanghouwen waren :
twee over het hoofd ;
vier over de rechterhand, waardoor pink, ringvinger en een gedeelte der rechterhand werden afgeslagen ; hierdoor werd later de middelvinger krom, de wijsvinger lam en de duim stijf;
een houw kwam over den rechtervoorarm van 17.2 dcm. lengte;
een over den buik, waardoor een gedeelte der ingewanden naar buiten drong ;
'39
GEVECHT BIJ LANGOED.
zes over het rechterdijbeen en de heup ;
negen over het kniegewricht en het scheenbeen.
Alhoewel verzwakt door de hevigste pijnen en het bloedverlies, zegevierde voor een oogenblik zijne jeugdige kracht en bracht 't bewustzijn terug ; nu zag hij om zich heen, en ontwaarde in stede van bloeddorstige Atjehers, de bevriende gezichten zijner kameraden.
Gelukkig voor Luske, dat de Atjehers hem reeds dood waanden, zonder twijfel ware hem anders hetzelfde lot beschoren, dat een ander officier (Nyenhuis) ten deel viel.
Dezen officier, die, gewond zijnde, ook in handen van den vijand viel, werden neus en ooren afgesneden en de oogen uitgestoken ; vervolgens hurkten acht Atjehers om hem heen en overlaadden zijn lichaam met klewanghou-wen ; en ten einde den gemartelde nog meer te doen lijden, werden de klewanghouwen zoodanig aangebracht, dat hij eerst na langeren tijd daaronder moest bezwijken.
De uitgezonden patrouille vond hem nog in leven, en eerst twee a drie dagen later, stierf hij in de armen van zijnen broeder.
Wat zegt gij wel, geachte lezer, van zulk een verfijnde wreedheid ? Zult gij niet moeten toegeven, dat dergelijke handelingen onze Indische strijders moeten verbitteren ? Is het mogelijk daaronder steeds lankmoedig te blijven?
Zooals wij gezien hebben, bevond Luske zich weer in handen der onzen; wij zijn derhalve eene verklaring schuldig, hoe de zaak zich heeft toegedragen.
De kapitein Bendien was op het hooren schieten met een detachement ter hulp gesneld ; onderweg had hij
140
GEVKCHT BIJ LANGOED
een verwarden troep soldaten en vluchtende koelies ontmoet. Na de manschappen tot staan te hebben gebracht, werd de vijand aangevallen en verdreven, daarna ging men over tot het zoeken der dooden en gewonden. Luske vond men in een bamboe doeriepagger, en daar hij bewegingloos bleef liggen en de ingewanden bloot waren, hield men hem aanvankelijk voor dood.
Het was zeer moeielijk hem te helpen, daar de minste onvoorzichtige aanraking hem zeer veel smart moest veroorzaken. Zijne rechterzijde vertoonde niets dan gapende wonden ; het was een aangrijpend en treurig schouwspel, dezen jeugdigen, krachtvollen man in zulk een deerniswaardigen toestand te moeten vinden.
Menig soldaat uitte eene kernachtige verwensehing, anderen veegden heimelijk een traan weg ; het had hun tot in 't diepste der ziel aangegrepen.
Zoo zacht als hunne ruwe handen dit toelieten, beurden zij den geblesseerde op, om hem eene gemakkelijker houding te geven en te verbinden.
De ingewanden moesten, alvorens ingebracht te worden, eerst eene reiniging ondergaan, daar zij door het wentelen in de modder bevuild waren.
Naar Toenkoep gebracht, werd Luske aldaar elf maanden verpleegd ; de eerste drie maanden bleef hij buiten kennis.
Het is vooral te danken aan de bekwaamheid van den officier van gezondheid Rogier, dat Luske er het leven nog heeft afgebracht, maar ook aan de zorgen der eeht-genoote van Kapitein Hofstede, die, door het zenden van krachtige spijzen, veel heeft bijgedragen tot instandhouding en versterking van zijn uitgeput lichaam.
141
1^2 GEVECHT BIJ LANGOED.
Op den 16 Juni 1883 vertrok Luske naar Europa en kwam toen onder behandeling van dokter Metzger. Deze beroemde knijpdokter had de voldoening zijn patiënt na twee jaren in zooverre te herstellen, dat hij thans zonder krukken kan gaan. Met behulp van een stalen beugel van de laars tot aan de knie, kan Luske vrij goed loo-pen, Het Indische leger heeft met vreugde zijne genezing vernomen, doch betreurt het, dat zijne herstelling eene verminking niet heeft kunnen voorkomen.
Luitenant Luske trad in Februari 1874 op löjangen leeftijd in dienst bij het Instructie-Bataljon te Kampen en werd in Juni 1 S80 te Meester Cornelis benoemd tot 2 en luitenant
Vol illusiën voor de toekomst en verlangend zich te onderscheiden, ging hij opgewekt naar het tooneel des oorlogs ; de dag van 29 Juni 1882 stuitte echter zijne gelukkige droomen.
O Ã
N A S C 11 R 1 F T
Door belangrijke krijgsverrichtingen heeft het Indische leeer zich steeds onderscheiden.
Landgenooten 1 laten hunne daden u het bewijs leveren, dat de heldengeest onzer kloeke voorouderen nog niet in den Nederlander is uitgedoofd; en mocht gij, na lezing dezer schetsen, de weemoedige gedachte niet kunnen onderdrukken, dat zooveel moed, zooveel toewijding, tot weinig schitterende uitkomsten geleid hebben, de geschiedenis van het Indische leger leert toch, dat geen Inlandsche vijand op den duur tegen de kracht onzer wapenen bestand was; ook de Atjeherzal eenmaal daarvoor moeten zwichten ; en al hoort men in het vaderland
144 NASCHRIFT.
reeds stemmen opgaan om Atjeh te verlaten, het Indische leger blijft, niettegenstaande teleurstelling en tegenspoed, een bewonderenswaardigen moed aan den dag leggen en even?ls onze ijzeren mannen der 17e eeuw roept het u toe :
vEndc de se sper eert rv.et