ocr page 1

EMANUEL SWEDENBORG

HEMEL EN HEL

'sG RAVE NH AGE

SWEDENBORG GENOOTSCHAP LAAN VAN MEERDERVOORT 229

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

K

HEMEL en HEL.

ocr page 6

(TITKL VAN IIKT OOKSPRONKKUJKE WKUK.)

DE

C O E L O

E t v j u s M i r a b i I i b u s E T D E

INFERNO

EX

Auditis amp; Yisis.

LOXDiM:

M D C C L V I I T.

ocr page 7

[i.o, IIJOPTHT A S J A p 6 P

O ver cierj

H E M I.

en zijne w oiiclcreii en over cle

H B L

rjaar lietijeeii £jelioorcl ei) efezie-ii is, d00k

EMANUEL SWEDENBORG.

Sl'RON K ELI.I K GESCriUKVKN IN IIKT I. AT I.IN KN DOOR IlKM UITCKCKVKN

TK Lonit.N IN 175S.)

SJi'xnA'yj.VJtt; soc 'JEI Y,

1 Blooiuslmry street, LON IKgt;N W. ('.

F. J. \V. Post u i'm a, IInmuizkn.

ocr page 8
ocr page 9

I N M O U JJ.

Bladz.

Leven en werken van Emanuel Swedenborg .... IX

II E M E L.

Inleiding................. 1

De Heer is de God des Hemels........ 4

Het Goddelijke des lEeeren maakt den Ileniel uit . . 7 Het Goddelijke des Ileeren in den Hemel is de liefde

jegens Hem en de liefdadigheid jegens den naaste. 10

De Hemel is in twee Ilijken verdeeld...... 15

Er zijn drie Hemelen............ 19

Do Hemelen bestaan uit ontelbare gezelschappen. . . 26 Ieder afzonderlijk gezelschap is een Hemel in kleineren vorm, en ieder afzonderlijke Engel is het in den

k'.einsten vorm.............31

Do gezamehjke Hemel als een geheel genomen stelt een

mensch voor.............. 36

Ieder afzonderlijk gezelschap in do Hemelen heeft de

gestalte van een mensch..........41

Ieder Engel heeft daarom eene volkomene menschen

gestalte...............43

De Hemel in zijn ijoheel en in zijne onderdooien heeft den vorm van een mensch, door het Goddelijk

menschel ij ke des Hoeren.........48

Kr bestaat oen overeenstemming van alle doelen des

Hemels met alle doelen des menschen...... 50

Mr bestaat oen overeenstemming des Hemels met alle

dingen der aarde............63

De Zon in den Hemel............ 73

Licht en warmte in den Hemel.........8U

ocr page 10

INHOUD.

Bladz.

De vier hemelstreken in den Hemel.......91

Toestands veranderingen der Engelen in den Hemel. . 98

Tijd in den Hemel.............102

Voorstellingen en verschijningen in den Hemel . . . 106

De gewaden waarmede de Engelen bekleed schijnen . 110

Do woningen en verblijven der Engelen.....113

Ruimte in den Hemel............117

De vorm des Hemels, naarwelken de vereeuigingen en

gemeenschap aldaar plaats hebben......121

Bestuur in den Hemel............130

Godsdienst in den Hemel...........quot;134

De macht der Engelen in den Hemel......138

De spraak der Engelen...........142

De spraak der Engelen met den mensch.....149

Geschriften in den Hemel...........157

De wijsheid van de Engelen in don Hemel.....löl

Do staat der onschuld van de Engelen des Hemels . . 172

Do staat van vrede in den Hemel........180

Do verbinding van den Hemel met het menschdom . . 185 De verbinding van den Hemel met den mensch door

middel van het Woord..........194

De Hemel en de Hel komen van het menschelijk geslacht 204

De Heidenen of volkeren buiten de Kerk in den Hemel 211

Kleine kinderen in den Hemel.........220

Do wijzen en eenvoudigen in den Hemel.....232

Rijken en armen in den Hemel.........246

Huwelijken in den Hemel...........257

Het werk dor Engelen in den Hemel.......272

Hcmelsche vreugde en gelukzaligheid.....• . 277

Do onmololjjkheid van don Hemel....., . . 292

DE WERELD DER GEESTEN EN DE TOESTAND DES MENSCHEX NA DEN DOOD.

Wat de wereld dor geesten is.........299

ioilor mensch is inwendig een geest........306

VI

ocr page 11

I X H O u n.

Bladz.

De opwekking des meuschen uit den dood en de ingang

in het eeuwige leven..........312

De menseii is na zijnen dood in een volkomen mensche-

1 jjken vorm...............317

De menscli blijft na zijn dood in liet bezit van alle zintuigen, van geheel zijn geheugen, van al de gedachten en aandoeningen, die hij in de wereld had, hij laat

niets achter dan zijn aardsch lichaam.....326

De menscli is na den dood, eveneens als zijn leven was

in de wereld............. 340

De genoegens van het leven van elk mensch, worden na

den dood veranderd in overeenkomstige genoegens. 357

De eerste staat des menschen na den dood.....366

De tweede staat des menschen na den dood .... 371 De derde staat des menschen na den dood, welke de staat der onderwijzing is, voor hen, die naar den Hemel

gaan................382

Niemand gaat den Hemel in door onmiddelijke genade. 391 Het is niet zoo moeilijk als men gelooft om een leven

te leiden, dat naar den Hemel voert.....397

DE HEL.

De Heer regeert do Hellen..........409

De lieer werpt niemand in de Hol, maar elke geest doet

het zichzelf..............414

Dat allen, die in de Hel zijn, in kwaadheden en daaruit afgeleide valschheden verkeeren, welke ontstaan uit

eigenliefde en liefde tot de wereld......418

Wat Helsdi vuur is en knersing der tanden .... 431 De boosheid en kwade kunstgrepen der Helsche geesten. 439 Het voorkomen, de ligging en het aantal der Hellen . 444 Over het evenwicht tusschen den Hemel en do Hel. . 450 De mensch is in vrijheid door het evenwicht tuschen den

Hemel en de Hol...........457

vn

ocr page 12
ocr page 13

EMANUEL SWEDENBORG,

zijn leven en werken.

Emanuel Swedenborg, do schrijver van het werk, dat hierbij voor het eerst aan den Nederlandsehen lezer wordt aangeboden, werd den 29en Januari 1688 te Stokholm geboren ; hij was een zoon van Josper Swedberg, toenmaals hofprediker van Koning Karei Xll.

Jesper Swedberg was toegerust met oene grondige theologisclie opleiding aan de Universiteit te Upsala en word door den Koning, die zijne bekwaamheid, ijver en geleerdheid opmerkte, spoedig bevorderd en achtereenvolgens benoemd tot theologisch Professor te Upsala, Rector van do Universiteit, Deken van de Kathedraal en eerste Professor in de tlioologie, Opziener over de Zweedsche kerken in Amerika, Portugal cn Londen, en ten slotte in 1702 tot Bisschop van Skara, welk ambt hij tot zijn dood in 1735 bekleedde.

In 1719 werd zijne familie door Koningin Katharina wegens verdienste in don adelstand verheven en haar naam in Swedenborg veranderd. Do biograaf van Bisschop Swedberg, in de Zweedsche biografische Dictionnaire, bezegelt liet oordeel van eenen vroegeren schrijver, dat „indien Swedberg een paar eeuwen vroeger bad geleefd, liij onder de Zweedsclie Heiligen had kunnen worden opgenomen ; en dat zijne geleerdheid, arbeidzaamheid en voorbeeldig leven, zijne goede bedoelingen en ijver voor do eer van God, zelfs in eene meer verlichte eeuw eene hooge waardeering verdienen.quot;

IX

ocr page 14

Omtrent do kindsheid van zijn zoon Emanuel is niot veel bekend; deze werd van zijn 4o tot zijn 14e jaar te Upsala opgevoed, terwijl zijn vader aldaar hot ambt van Professor en Doken bekleedde, en hij bleet' cr tot zijn 2 Ie jaar zijne studiën voortzetten, nadat zijn vader in 170:? als Bisschop naar Skara vertrok. Op gevorderden leeftijd sclinjft Emanuel, in antwoord op Dr. Beyer's verzoek, het volgende omtrent zijne eigene kindsheid: „van mijn 4e tot mijn 10e jaar was ik aanhoudend in gedachten over God, de verlossing on do geestelijke eigenschappen van den mensch, en openbaarde in mijne gesprekken dikwijls dingen, die mijn vader en moeder verbaasden, en hen dee;l uitroepen dat engelen door mijnen mond moesten hebben gesproken. Yan mijn (Je tot mjjn 12e jaar sprak ik gaarne met theologen over geloof, bewerende dat liefde liet wezen des geloofs is, en dat deze heiligmakende liefde, do liefde tot den naasten is; verder dat God dit geloof aan iedereen schenkt, maar dat alleen zij het aannemen, die deze liefde zijn toegedaan. Mijn eenig geloof in dien tijd was: dat God de Schepper en Onderhouder is van liet heelal, dat Hij don mensch toerust mot verstand, goede neigingen, en andore daaruit voortvloeiende hoedanigheden. A an het geloof dat God de Vader de gerechtigheid zijns Zoons toekent aan wien Hij verkiest, zelfs aan den onboetvaardigen, wist ik niets; en indien ik van zulk een geloof gehoord had, zou het mij toen even als nu, geheel on-begnjj elijk geweest zijn.quot;

Ergens anders zegt hij „van mijn vroegste jeugd af aan kon ik in mijn geest de gedachte aan meer dan oenen God niot opnemen ; ik heb altijd het denkbeeld van een eenig God gehad en behouden.'quot;

Hoe kan men, mei een vader zoo vol ij ver als een godsdienstig leermeester, die gedurende dezen tijd het ambt bekleedde van Iloogleeraar in de dogmatiek aan oene Luthorsche hooge-school, deze geheolo afwezigheid in Swedenborgs geest van al de kenmerkende eigenschappen der oude theologie anders verklaren, dan door de erkenning van Gods voorzienigheid in eene bijzondere voorbereiding voor zijn later werk!

In 1709 besloot Swedenborg op 21-jarigcn leeftijd zijne stn-

ocr page 15

diën aan de universiteit, cn terwijl hij zich voorbereidde voor cene buitenlandsclie reis, waarmede in dien tijd jongelieden van zijn stand hunne academische opleiding voltooiden, vertoefde hij eenigo maanden in do ouderlijke woning, zich onledig houdende met muziek en anderen nuttigen arbeid. Op deze reis wilde hij zich bezig houden mot de studio der wiskunde en vertrok in 1710 naar Engeland, waar hjj ongeveer 2'/: jaar vertoefde. Aan het bezien van merkwaardigheden besteedde hij geen tijd, maar zocht hot gezelschap van groote wiskunstenaars en sterrekundigen on volgde hun werk met bij zonderen ernst.

Een gewichtig probleem in die dagen was het vinden van ecno betere plaatsbepaling op zee. Flamsteed werkte daaraan te Greenwich, en Swcdenborg nam hot aanstonds op, dacht er gedurende vele jaren ijverig over na en maakte toen cene nieuwe methode daarvoor bekend.

Kennis van werktuigen was een ander geliefkoosd onderwerp zijner studiën. Door zijn intrek te nemen bij bekwame handwerkslieden, en dikwijls te verhuizen, werd hij bekend met horlogemaken, kastenmaken, boekbinden cn instrument maken. Toen de fabrikanten van aardglobes weigerden hem de kaarten te verkoopen om in Zweden op te plakken, leerde hij de kunst om op koper te graveeren en maakte de platen voor een paar globes, die hij naar huis zond om daar te worden afgedrukt en opgeplakt. In do vervaardiging van wetenschappelijke instrumenten deed hij genoeg ondervinding op om ze thuis te kunnen namaken. Tot afwisseling in zijne wetenschappelijke studiën wijdde hij zich aan de dichtkunst; zoo doende was hij nooit ledig cn had hij weinig tijd over voor gezelschap.

Na twee jaren van ijverig werken in Engeland ging hij iu 1712 naar Holland en van daar naar Frankrijk. Tn Leiden leerde hij de kunst om lenzen te slijpen, en schafte hij zich daarvoor de noodige werktuigen aan. In Parijs maakte hij kennis met do beste wis- en sterrekundigen en als afwisseling in zijne studiën beoefende hij de taal des lands. Op zijn terugreis door Dnitscliland vertoefde hij eenigen tijd te Rostock om

M

ocr page 16

het resultaat zijner studiën op de tcekenen en enkele zijner uitvindingen uit te werken.

In een brief van 8 Sept. 1714 aan zijn zwager Ronzelius somt hij 14 verschillende mechanische uitvindingen op, die hij toen bezig was voor uitgave uit te schrjjven. Daarna woonde hij voor korten tijd in Grcifswajd, oen academie stadje in Pom-meren, waar hij een bundel zeer goede latijnsche gediciitcn uitgaf, die een bewijs leverden van zijn meesterschap over de taal, en zijne bekwaamheden in de versbouw.

In den zomer van 1715 keerde Swedenborg naar Zweden terug, na eene afwezigheid van bijna 5 jaren. Hij was nu zeven-en-twintig jaar oud en in alle opzichten voortreffelijk toegerust voor het werk zijner keuze. Hij had kennis gemaakt met de beste wis- en sterrekundigeu van zijn tijd, en de methode van hun onderzoeken de resultaten hunner werken leeren kennen ; bij was bekend met do nieuwste uitvindingen in na-tuur- en werktuigkunde en iiare toepassingen in de nijverheid.

Swedenborgs vader verzocht nu aan do regeering om eene geschikte betrekking voor zijnen zoon; maar deze beminde de wetenschap te zeer om veel aan geldelijk voordeel te denken; zijn hoofd was te vol mot allerlei nieuwe plannen.

Een daarvan was de oprichting van oen sterrekundig observatorium, op een berg in de nabijheid, om door do noodigo waarnemingen zijne theorie voor de bepaling der geografische lengte te bevestigen ; en een ander was de uitgave van een tijdschrift ter bevordering van wis- en werktuigkunde, liet eerste nummer van dit tijdschrift kwam in het begin van 1716 uit onder den titel Dueddlns Hnperhoreus; het was in de zweed-sche taal geschreven en met koper gravures geillustreerd. Zes nummers verschonen in de eerste drie jaren, waarna het ophield te bestaan, eensdeels uit gebrek aan deelneming, anderdeels door Swedenborgs aiuihoiulcnde bezigheid met andere zaken. Toch had de uitgave gewichtige gevolgen. Zij bracht Swedenborg in intieme betrekking niet Pol hem, en toen Karei XII in 1715 uit zijne ballingschaji terugkeerde en zich eenigen tijd wijdde aan de verbetering van zijn land, was Pol hem zijn voornaamste raadsman, en richtte 's konings aandacht op zijn

.XII

ocr page 17

Veel belovcnden vrioiul. Ivurel was zolt' cou goed wiskundige, lijj erkende goreedcljjlv Sweden bora's kennis en bckwiuunheid (üi was ingenonicn met zijn streven tot bevordering der wetenschap in zijn vaderland. De koning benoemde hem daarom aanstonds tot buitengewoon lid van liet departement der mijnen. In de koninklijke benoeming, dato IS Dec. 17Hi, wordt aan Swedenborg de bijzonderen taak opgelegd om Polliem in zijn ingenieurs werk bi j te staan en bet departement iu alle technische zaken voor te lichten.

Zoo doende begon Swedenborg op 28 jarigen leeftijd zijne openbare loopbaan, llij aanvaardde zijn ambt met karaktere-stieke ijver en nauwgezetheid en bestudeerde alle wetenschappelijke vragen daarop betrekking hebbende. In zijn vrijen tijd wijdde hij zich aan de oprichting van een observatorium te Upsala en aan een decimaal stelsel van rekenen, waarin ook de koning groot belangstelde; en ter bevordering van de studie der algebra schreef hij in 1718 daarvoor eene handleiding in 10 boeken, hot eerste werk dat iu Zweden over Algebra geschreven werd.

De aanhoudende omgang van Swedenborg met Polhem leidde tot eene intieme en duurzame vrienschap tusschen hen beiden en rijpte later in eene warme genegenheid, die Swedenborg opvatte voor l'olhems tweede dochter Emerentia. De vader, die hiermede zeer was ingenomen, gaf aan Swedenborg eene geschreven trouwbelofte, die zijne 16-jarig dochter zelve mede moest onderteekenen. Toen Swedenborg echter later ontdekte dat zijne f;'ovudeils door Emerentia niet werden beantwoord, liet hij zijne aanspraak varen cn verliet do woning van zijn vriend, naar men zegt met eene plechtige belofte zijne gone-genheid niet meer op eene andere vrouw te vestigen en bleef zijn geheele loven ongetrouwd.

Tn 1718 gaf Swedenborg bewijzen van groote practische bekwaamheid, door het uitvoeren van een transport van 2 galeien, 5 groote booten eu een sloep, 27 kilometer ver over land, door werktuigen zijucr eigen vinding, naar de vesting Prederikshall, in Noorwegen, die toen door Karei Xil werd belegerd, en waardoor deze werd iu staat gesteld om zijn zwaar geschut

XllI

ocr page 18

dicht onder de wallen der vesting te brengen,en deze te veroveren,

In het volgende jaar werd de familie van Bisschop S wed berg om haar verdienste tot den adelstand verheven en de familienaam in Swedenborg veranderd. Emanuel kreeg daarbij als oudste zoon een zetel in het hooger huis van Zweden, waardoor een nieuw veld van werkzaamheid voor hem geopend werd, waarin hij even als in zijnen wetenschappelijken en wijsgeerigen arbeid eene veelomvattende wijsheid ten toon spreidde. Gedurende zijn geheele leven was Swedenborg steeds een sterk voorstander eener constitutioneele regeering. In een zijner memoriën aan het hooger huis over do prerogatieven van de kroon verklaart Swedenborg in lateren leeftijd „dat niemand het recht heeft zijn lijf of goed aan de absolute heerschappij van wien ook over te laten, want daarvan is God alleen de meester, en wij zijn slechts zijne rentmeesters in deze wereld; daarenboven kan ik geen onderscheid zieu tusschen een koning van Zweden mot absolute heerschappij en een afgod ; want de menschen wenden zich met hart en ziel zoowel tot don een als tot den anderen, gehoorzamen zijnen wil eu aanbidden wat van zijne lippen komt.quot;

Vijf en twintig jaren vroeger had Swedenborg openlijk zijne bewondering uitgesproken over de republikeinsche regeerings-vorm dien hij in Holland had aangetroffen, als zijnde „de beste waarborg voor burgelijke en godsdienstige vrijheid en Gode meer behagel ijk dan eene absolute regeeringsvorm. In eene republiek wordt niemand overmatige vereering toegebracht, maar zoo wel de hoogste als de nederigste gevoelt zich een koning of keizer gelijk. Deze regeeringsvorm plaatst don mensch in de juiste verhouding tegenover God, aan wien alleen alle vereering toekomt, terwijl eene absolute regeering bedrog eu huichelarij zelfs in den godsdienst aankweekt.quot; Zoodanige politieke beginselen (wel verschillend van de toemalige loer der kerk over de absolute macht der koningen) omhelsde Swedenborg gedurende zijn meer dan vijftigjarig actief lidmaatschap van het hooger huis in Zweden, en toch genoot hij steeds de hoogste achting der koninklijke familie, daar hy nooit een partijganger was.

XIV

ocr page 19

Graaf Ilöpken toon tor tijd zonder twijfel do voornaamste staatsman van Zweden schreef over Swedenborg in een brief aan oen vriend ; „Hij bezat bij alle gelegenheden een helder inzicht en een gezond oordeel en drukte zich over alle onderwerpen duidelijk uit. De gewichtigste en best beschreven memorie die aan het huis in 1701 over finantiën werden voorgelegd, was van zijne hand.'' In deze memorie handelde Swedenborg over deugdelijke munt en geiieel volledige nakoming van alle verplichtingen.

Het is verder van belang op te merken, dat Swedenborg reeds in zijnen tijd een ernstig voorstander was van maatregelen tor bestrijding van dronkenschap. Op het schutblad van een zijner boeken vindt men in zijn eigen handschrift: „liet overmatig gebruik van sterken drank zal de ondergang worden van het Zweedsche volk.quot; Hij stelde ver-verscheidene maatregelen aan het huis voor, om het maken en het drinken van sterken drank te beteugelen, ook een wet om de tapperijen of grog huizen afteschaffen, door het verbod van alle gelegenheid om in gezelschap te drinken, of zamen te scholen in plaatsen waar drank verkocht wordt.

itij verklaarde dat wanneer het gebruik van whiskey geheel kon worden afgeschaft, do welvaart en zedelijkheid in Zweden meer zou worden bevorderd, dan door alle inkomsten die uit zulk een nadeelige gewoonte kunnen worden verkregen.

Laat ons na deze uitweiding over Swcdenborg's gevoelens op politiek en sociaal gebied, tot zijn onafgebroken wetenschap-pehjken arbeid terug keereu.

Op liet eind van 1718 kort na den dood van zijn vriend Karei XI1, en na het einde der kerstvacantie, die hij in de ouderlijke woning had doorgebracht, vinden wij hem op cono reis door de mjjndistricten, waarvan hij in Februari naar Stok-holm terug keerde om de vergaderingen van het mijnendeparte-inent bij te wonen.

De zomer besteedde hij aan eene zorgvuldige studie over het smelten van ertsen, en den aard en behandeling van het vuur. In November legde hij aan het bestuur eene uitvoerige verhandeling voor, waarin hij de Zweedsche methode van smelten

xv

ocr page 20

haauwkeurig boschreet' met aanduiding van vele gebreken en. mogelijke verbeteiingen en met een ontwerp van een nieuwen smeltoven. Ook stolde liij eenigo groote verbeteringen voorin kachels, waardoor groote besparing in brandstof zou worden verkregen. Ook de dierlijke warmte werd door hem in zijne onderzoekingen opgenomen. Jlij schreef daarover eene uitvoerige verhandeling, die hij aan de koninklijke raad van gezondheid voorlegde. Zijne studie over mijnen leidde hem tot het bestudeeren der geologische toestanden. Slechts weinigen hadden nog den moed om het bijbelsche verhaal van de Schepping anders dan in zes gewone dagen uit te leggen. De laag-vor-mige samenstelling der rotsen, do overblijfselen van zeedieren ver binnenslands en meer dergelijke verschijnselen, wijzende op achtereenvolgende formaties in de aardkorst, werden alle door plotselinge schepping verklaard. Swedenborg verzamelde overtuigende bewijzen dat Zweden langzaam uit den oceaan was opgestegen en toonde hoe al deze verschijnselen behoorlijk konden worden verklaard uit do langzame inwerking van het water.

Dit was het boste bewijs voor die allereerste beginselen van geologische wetenschap welke toen reeds door enkele geavanceerde geleerden werden erkend eu gehuldigd. Deze beschrijving van het werk van een jaar (1719) toont wel de vruchtbaarheid en kracht van Swcdonborgs geest; en gedurende de daarop volgende 25 jaren van zijn leven was er geen enkel waarin hij niet evenveel en vele waarin hij veel meer voorbracht. Eene volledige opgave, zelfs in beknopten vorm, van alles wat hij in dion tijd schreef, zou vele bladzijden vullen. Van 1716—^1724 schreef hij in liet geheel dertig verschillende werken over het mijnwezen, mechanische, mathematische, astronomische en andere onderwerpen, o. a.: Mededeelingen omtrent het vertinnen van voorwerpen in Stjernsund. Over het belang van het oprichten van een sterrekundig observatorivrn in Zweden met ontwerp. Een memorie over het oprichten van zoutwerken in Zweden. Poging om de Ooster- en Westerlengte te vinden uit den stand van da maan. Nieuwe aanwijzing voor het vinden van metaalhoudende aderen in de aardkorst. Regeling van het muntwezen. Nieuwe opmerkingen en ontdekkingen omtrent

XVI

ocr page 21

ijzer en vuur. Nieuw mechanisch ontwerp voor het maken van dijken en dokken.

Zeker, is er nooit een schrijver geweest, die over zoovele ouJersclieideue ouderwerpeii heeft geschreven met dezelfde helderheid en kennis van zaken.

De bovengenoemde studie leidde hem vanzelf tot die van den aard en de samenstelling der stof. Het is noodig hierbij op te merken dat wat wij tegenwoordig nieuwere wetenschap noemen, toen ter tijd niet bestond, en vooral geldt dit ten aanzien van de wetten van stof en kracht. De theorie der vier elementen aarde, lucht, vuur en water was nog niet opgegeven.

Swedenborg behandelde hoofdzakelijk twee van deze, aarde en vuur, en gedurende het volgende jaar (1720) doorlas hij de geheele literatuur, die hij over deze onderwerpen in de bibliotheken van Zweden vinden kou, en schreef toen eene uitvoerige verhandeling over don aard der stof, waarvan alleen een gedeelte werd uitgegeven; Krrxte Beyhiseleu van natuurlijke dingen, afgeleid uit onde/'vinding en geometrie, of een Posteriori en een priori, in M 8 500 pag. 4quot;. Dit onderzoek wekte bij hem de behoefte op aan uitgebreider studie en gedachten-wisseling met vreemde geleerden.

Hij ging daarom in Juli 1721 voor een jaar naar Holland en Duitschland, eu bezocht daar alle zetels van geleerdheid en ile voornaamste mijnen eu verzamelde alle voorhanden zijnde kennis eu ondervinding, die licht wierpen op het onderwerp zijner studie.

In Amsterdam gaf hij eeu werk uit over den aard dei-stof, waarin hij rekenschap trachtte te geven van het onderscheid iu de verschillende zelfstandigheden, door een verschil in de geometrische rangschikking der atomen. 1'rodroinus Principioi'um lie rum Naturalium, Sire Novorum Tentaminum Cltgmiam et Pligx/eam e.rperimentalem lt;/eomi triee e.eplieaneli (Een vooiiooper van de eerste beginselen der natuurlijke dingen, ot eene nieuwe poging om scheikunde en proefondervindelijke natuurkunde volgens geometrie te verklaren, Amsterdam 1721; Jan Osterwijk, lyj pag. l(imo. ') Gelijker tijd gaf hij ver-

XVII

ocr page 22

schoidcno kleinere verhandelingen uit en spoedig daarop in Leipzig een bundel proefscliriften osrcr geologie, werktuigkunde en scheikunde.

Gedurende dc daarop volgende elf jaren (1722—33) wijdde Swedendorg zich met allen ijver aan zijne officieele betrekking. Hij trachtte in Zweden verbeteringen in het mijnwezen in te voeren, die hij in liet buitenland had leereu kennen. Scherpzinnige ondernemingsgeest, of waardeering van exacte wetenschap bestond echter nog weinig in het beheer der Zweedsche mijnen en Swedenborg vond zich in dit opzicht als in zoovele andere zijnen tijd ver vooruit.

Niettegenstaande Swedenborg's groote toewijding aan zijn ambt, bleef hij zijne algemeene stadie voortzetten. Van do Wiskunde maakte hij eene bijzondere studie, en in 1724 werd hij gepolst, aangaande zijne gezindheid om aan do Universiteit te Upsala eene leerstoel in dat vak te aanvaarden. Daartoe had hij echter geene begeerte, omdat hij de voorkeur gaf aan practischen arbeid, boven theoretische, welke laatste zoo als hij meende, zijnen geest met enger banden zou omsluiten. Hij gaf nu weinig uit, maar twee uitvoerige verhandelingen een over do magneet en een over de behandeling der metalen in dezen tijd geschreven, bevinden zich onder zijne onuitgegeven manuscripten.

In 172-1 werd Swedenborg benoemd tot lid van de academie van wetenschappen te Stokholm, en later tot correspondeerend lid van de academie van wetenschappen te St. Petersburg, zoodat hij met de personen en werken dor voornaamste denkers uit dien tijd bekend werd.

Het hoofd resultaat van de studie dezer elf jaren werd neer gelegd in drie dikke folio boekdoelen PhilosopliiscJie en Metaluryische werkoi, {Opera I'hiloHOphica et Miiieraliti,) welke

1. Stereo-chernie is de nieuwste theorie op liet gebied der tegenwoordige atoomleer en onze beroemde landgenoot Prof. van 't IlulV u JJerlijn aan wien de wetenschap deze theorie in bozondere m;ite sdmMiu is. ^.ivckt in een zijner werken (namens Kiloart) over dit boek v;iii Swoifiil.ur-j. als bet eerste in de gesebiedfnis en ontwikkeling der stern»-cb.-:Mi«quot;. lgt;it i.-ef:i merkwaardig bewijs voor het helder inzieht v:iii S\vctl.-n: «gt; ■• üj de di hlm-h ilt-r n;!-tuur, dat hij 180 jaar geleden wetenschappelijke onderwerpen besebreelquot;, die nu nog geheel nieuwe ontdekkingen vormen.

XVUl

ocr page 23

ondor bescherming eu op kosten van den Hertog van Bruns-wijk, door hem in 1734 te Leipzig' en Dresden werden uitgegeven. Het eerste deel, gewoonlijk de „prineipiaquot; genoemd, omvat Swedenborgs theorie der Schepping. Beginnende met eene philosophische cn mathematische verklaring van zijne theorie van beweging, gaat hij voort met eene toepassing zijner theorie op de verschijnselen van liet magnetisme en verklaart ten slotte den oorsprong der elementen en v n geheel het heelal volgens de vooraf ontwikkelde wetten. -) De beide andere deelen bevatten praetische verïia'.i'! .. ■ over de delving en bewerking va . ijzer en werden door mannen van het vak aanstonds . i

werk begroet, dat over ijzer werd in i.ot I'm\lt;-..... en

door andere schrijvers als autoriteit aangehaald. Z i ve/w ie.rveii Swedenborg eene curopecsciie vermaardiieid ais ingcu'. ur vmi het mijnwezen.

In het zelfde jaar gaf Swedenborg een klein maar diepzinnig werkje uit over Iwt Oneindii/e waarmede hij het eerste tijdperk van zijne studie besluit, en dat als een overgang tot een volgend is aan te merken. Het is eene poging om zijne philosophie toe te passen op de verhouding tusschen den Oneindige en het eindige, tusschen God en den mensch, geest on stof, ziel en lichaam. Do titel daarvan was: „Lileitlhiy lal a ne phllosdjihisclic hi'schoinrliiy iilt;(n(/lt;ntiuiv het 0)u'indiye, en de eerste ooi'Züdlc ran de xehejijiiiiy en uanganude het werktuigeli}ke eau dr werking van de ziel eu het lieliaam,\ Immauuel Kant, do groote Duitsche inethaphysicus, vergeleek dikwijls met voldoening liet philosophisch stelsel van Swedenborg mot zijn eigen systeem en schreef dan die groote overeenkomst toe, aan de diepe waarheid en wijsheid van Swedenborgs steile!. Maar wanneer wij bodenken dat Sweden-borg's werken die van Kant vooraf gingen en door dezen

In «lit werk antiri]K'rrt Swedonbori;' dt-Xe\ i-ltlioorie v;in den tegenwoor-di^en tijd en dn:irei:i'..veti scliijnt het, dat de togenwoordiire tlieurie omtrent niauiu-ti^me en (^kvir'citeit, die no^ zoo geheel onbestemd zijn, nuerenmeer in o\t irt-nstcmminu- k gt;men nu t hetgeen Swedenborg daarover 180 jaar geie-dijn in zijne Prineipia sciireef. toen er van magnetisme en electriciteit zoo goed als niets bekend was.

XIX

ocr page 24

luetsten werden golezcu, die ook later getuigenis aflegde omtrent C'ii'iiliorgs ondervinding op geestelijk gebied, dan zou men i^.'euen, dat de philosooph van Koningsberg niet gelieel o;igevoelig is geweest voor de bekooring in de pliilosopliie, uit Stockholm afkomstig.

Xa eeue afwezigheid van ongeveer veertien maanden, voor de voltooiing ea uitgave zijner werken, zien wij Swedenborg in Juli 1734 op nieuw tot zijne gewone ambtsbezigheden terug keeren, en in den vrijen tijd, dien hem daarvan overbleef, eeue nieuwe studie aanvangen over het menschehjk lichaam, die hem de volgende tien jaren bezig hield.

In deze studie gaf Swedenborg weinig of geen tijd aan oorspronkelijk onderzoek, daar hij zich meer bekwaam gevoelde tot het verwerken van reeds bekende feiten. Hij wilde daarenboven vrij blijven van alle vooringenomenheid en vooroordeelen die uit trots op eigen vindingen voorkomt. De lijst van schrijvers door hem onderzocht en aangehaald, tooneu hoe grondig hij ook hier te werk ging. Wanneer wij verder naast het grondig onderzoek eu de ernstige studie dezer tien jaren, in het oog houden eene compositie, die groot genoeg is om tien tot twaalf groote octavo doelen te vullen, zien wij eene hoeveelheid werk, die in de geschiedenis der literatuur nauwelijks wordt geëvenaard. Het is onmogelijk in dit korte bestek eene schets te geven van de philosophic, die in het groote werk is vervat.

Swedenborgs doel in al zijne studie was het bewijs te leveren van het bestaan van God en van de menschelijke ziel. Dit hoopte hij nu te bereiken door eene diepe studie van het menschelijk lichaam. Hij beschouwde dit als een Microcosmos (wereld in het klein) waarin alle wetten en voorgangen der natuur zijn afgebeeld. 11 jj had de overtuiging-dat het lichaam een beeld is van de ziel, en de ziel een beeld van God, en langs dezen weg hoopte hij te geraken tot een helder begrip van de Godheid. Alle organen van het menschelijk lichaam werden door hem geanalyseerd en in hunne onderlinge betrekking omschreven. In zijne werken over het dierenrijk en in de massa onuitgegeven manuscripten

XX

ocr page 25

zien wij langs hocvele vorscliillendc wogen van onderzoek lijj zijn doel trachtte te bereiken. Van 1736 — 1739 was hij verdiept in anatomische studio in Frankrijk en Italië en uit een werk over do hersenen, dat hij in dien tijd uitgaf, blijkt dat hij de grootste geleerden over dat onderwerp had geraadpleegd, niet alleen in do genoemde landen maar ook in Holland en Engeland.quot;)

In 1839 vertrok Swedenborg naar Amsterdam voorde uitgave van twee groote folio werken, het eerste: De Economie van het Dierenrijk verscheen in 1740 —'41. Xa eenen korten terugkeer tot zijne ambtelijke bezigheid als aasesor voor de mijnen, waarvoor hij het halve salaris reeds liad afgestaan aan een plaatsvervanger was hij spoedig opnieuw in Amsterdam voor de uitgave van het tweede „Hef Dierenrijk?' (1743- '45). Deze werken handelden niet zooals men uit de titels zou opmaken over natuurlijke historie, maar beschrijven al de organen van het raenschelijk lichaam in bijzonderheden, in hunne betrekking tot elkander, en tot de geestelijke natuur des menschen. Zjj bewijzen eene diepe kennis van anatomie en physiologic, terwijl de natuurlijke en geestelijke werkkring der verschillende organen duidelijk worden aangetoond.

Doch langs geen dezer wegen kon het gewenschte doel worden bereikt, dat Swedenborg voor oogen had, er was een andere weg dien hij zelf nooit tevoren had vermoed.

Reeds in 1 736 toen Swedenborg de laatste periode van zijn wetenschappelijk werk was ingegaan, werd zijn aandacht getrokken door zekere merkwaardige droomen en gewaarwordingen, zoo wel geestelijk als lichamelijk die hij vergeefs trachtte te verklaren, maar die hij iu lateren tijd leerde kennen als het begin van eene groote verandering in zijn leven.

In 1743 — 44 werd hij door soortgelijke ondervindingen gebracht tot toestanden van zwaren geestelijken strijd en verzoeking. Zijn geheele leven lang was hij sreeds een vroom, wel gezien lid der Lnthersche kerk geweest, en toch was

Dit zelfde werk over ile hersenen werd onhinj-s :n het ema'lsi h w -en met aanteckeningen nii^eireven, door Pr. K. I Talelj ' n i ■ . ,n vt dingen die heden ten dage nou nienw zijn.

ocr page 26

hij even onbewust als de gewone leden dev kerk, van de ware beteekenis, die er ligt opgesloten in Jezus uitspraak, dat wij ons leven moeten verliezen om Zijnentwil om het te kunnen behouden.

Door middel van droomen, die zijn oog opendon voor de doodheid en onreinheid zjjner eigen natuur, en gepaard gingen met bitteren geestelijken strijd, werd bij langzamerhand er toe geleid zijne wereldscbe eerzucht en hoogmoed des verstands afteleggen, en zijn eigen wil geheel en a! nan don Godde-1 ijken wil overtegeven. Menige voorvallen uit deze merkwaardige overgangsperiode zijns levens zijn voor ons bewaard gebleven in aanteekeuingen, die hij daarover in don zomer van 1741 gemaakt heeft. Door deze gebeurtenissen werd het doel dat Swedeuborg in al zijne studiën voor oogen bad niet verwezenlijkt. Hij had met de meeste eerbied eene betere kennis gezocht van God en 's menscben geestelijk bestaan, en was begonnen dit geheim door zuivere wetenschap of door de kracht van analytische rodeneeiing op te lossen.

Xu leerde hij echter dat de ware wijsheid alleen kan worden verkregen door 's menscben volkomen bewust worden van zijne eigene onkunde, en eene algeheele overgave van zijnen geest aan de Goddelijke leiding.

Hij werd dit gewaar door do verzoekingen waarin hij werd geleid, en zijne geestelijke toestand spiegelde zich af in bijzondere droomen, die hij toen had. In eene aanteekening over een dezer zegt hij: ,,l)it was eeno voorspelling, dat do U 'or Z'lt mij zal onderrichten zoodra ik zal gekomen zijn tot d -ia.-u waarin ik niets zal weten, en al mijne vroeger ge-e 'li» ,;,'i zullen verwjjderd zijn ; welke staat de eerste s i ondorricht is. Met andere woorden : ik moet eerst

w ■ gelijk oen klein l-.ind, daarna kan ik met kennis worden r jvoed, / i'iks is nu met mij het geval.quot; Toen deze staat van hepsten ••••'moed d'ior Sweden borg was bereikt, werd liet hem vergund, door de opening van zijn geestelijk gezicht de geestelijke werohl te aanschouwen en de uitlegger te worden van eene waarlijk godsdienstige philosophie.

Dat de inensch een tweevoudige natuur heeft, de inwendige

XXI t

ocr page 27

of ^ocstclijko on tie uitwemlige of natuurlijke, wordt zoowel door do Heilige Sclirift als door het mensclielijke verstand aangetoond.

Do inogelijkheid van de opening van iemands geestelijk ge-ziclit, kan door niemand worden betwijfeld, die aan de waarheid des bijbels gelooft. Zulks werd niet alleen vergund aan de schrijvers der heilige boeken, maar ook aan veie anderen, wanneer do omstandigheden in Gods Voorzienigheid zulks vorderden. 1 Let geheole visioen der Openbaringen werd voor den apostel Johannes op het eiland Pathmos ontvouwd uit de geestelijke wereld, want lijj verklaart, dat hij gedurende die openbaring „in den geest'' was. 31 et andere woorden, dat hij de visioenen met zijne geestelijke oogen zag, n.1. door hot iuweud,g orgaan dat leven en werkzaamheid geeft aan het natuurlijke oog. Kr is daarom pey nc geone ongerijmdheid in Swedenborgs bewering dat ook hij dit voorrecht heeft genoten. De vraag is alleen of de omstandigheden zulks verlangden; en ons antwoord hierop zal afhangen van ons oordeel over do omstandigheden.

liet is een algemeen erkend gevoelen van hen, die over dit onderworp hebben geschreven, dat do christelijke godsdienst nooit zoo laag gezonken was als in de eerste helft der achttiende oouw. [n rooinsch-katholieke landen was het loven, dat door dt! rofunnatie was opgewekt, weer geheel uitgestorven, en de tijdolijko opflikkering van nadenken in de kerk was in eenen meer algemoenon en doodenden twijtel ontaard. In Engeland word vroomheid en godsdienstige geestdrift met de grootste minachting beschouwd, en het oordeel van den Aartsbisschop Leighton, „dat de kerk gelijk was aan een schoon geraamte dat door zijnen geest verlaten was wordt door iedcren geschiedschrijver in hooge mate bevestigd. In Duitschland hcorschte algemeen ongeloof en twijfel, en de verdedigers van hot Christendom waren bevreesd om zijne bovennatuurlijke aanspraak te doen gelden. Deze toestand van de kerk kwam niet voort uit eene verwerping van de theologie dier. dagen, in tar was veel eer juist een gevolg daarvan. Een kond, hard-vo/'itiü' Calvinisme werd in de protestantsche landen dooreen

X X ill

ocr page 28

even koud ills hardvoelitig1 Doisnie bestreden. Tiet eerste betoonde minachting voor goede werken ; terwijl het andere als eenige boodschap aan hot mensohdom niets verkondigde dan een zuiver zelfzuchtige zedclcer. De hecrschonde bijbelverkla-ling was meest oppervlakkig' on letterlijk, en van een geloof in de nabijheid der geestelijke wereld bestond zelfs geen spoor.

Indien er ooit behoefte was, in de godsdienstige geschiedenis van hot menschdom aan eene Goddelijke tusschenkomst, dan was het zeker in dien tijd.

Swedenborg beweert, dat aan hom de taak was opgedragen om de ware inhoud van Gods woord, en bijgevolg de ware verklaring der christoljjko leerstukken, die in de ^ork geheel waren verloren geraakt, te herstellen. De waarheden, die hij ons bekend maakt, geeft hij niet als een werk zijner eigen N inding, maar houdt uitdrukkelijk vol mots te wezen dan een werktuig des Heeren in het uitvoeren van dit werk. Do lleer opende zijn geestelijk oog, dat hij do waarheid zag en do waai heden, die hij zag, deelde hij aan de wereld mede en zjj, die w illen lozen wat Swedenborg in dien tijd schreef, en dat vergelijken met do Heilige Schrift en opmerken de volkomen eenheid en redelijke philosophic van het geheelo systeem, zullen de oorsprong ook niet toeschrijven aan eenige andere oorzaak dan door Swedenborg opgegeven.

\\ at betreft do geestelijke wereld, alle kennis daarvan was onder hot menschdom verloren. Volgens do leer van alle toen heerschonde belijdenissen, lag het toonoel van 's menschen leven alleen op deze matorieele aardbol, waartoe zelfs zjj, die reeds \ loogei daarop leefden, in lateren tijd zouden terug koeren. Dion ton go\olge had al het christelijk onderwijs, dat met deze leerstukken overeenstemde, cone materialistische strekking. Daarom was hot boven alles noodig, dat de kerk zou worden bedeeld met kennis omtrent hot wezen des levens, omtrent de be,ie,vking, die er bestaat tusschon de geestelijke en natuurlijke wereld, tusschon geest en stof. Maar hiertoe was het noodig dat iemand deze kennis zou deelachtig worden om /.e te kiin-nou verbreiden. Zulk iemand moest dan in de eerste plaats bekwaam zijn om nauwkeurig op te merken, te verstaan

A.UV

ocr page 29

en zijne waarnemingen duidelijk mede te 'doelen, en in de

tweede plaats was liet noodig dat zijne eigene hoogere gees-telijke zintuigen werden geopend, opdat hij even als de Zieners van ouds, dat andere tooneel van 's nienschen leven persoonlijk zou kunnen leeren kennen.

Deze zaak werd door den lieer aan Swedenborg toevertrouwd. Daarin is niets wonderdadigs, en er bestond ook geen andere weg. Omtrent het leven hier namaals in Hemel en Hel wist men niets, evenmin van het bestaan eener geesteljjke wereld ot' tusschenstaat, waarin do rnensch na don dood het eerst komt, en waarin hij onbewust voor ziohzelven reeds op aarde zjjn loven doorbrengt.

Swedenborg had nu do gevorderde leeftijd van 55 jaren bereikt. Hij was bij die verandering in London, en van toon af aan had hjj veelvuldige en nauwe gemeenschap mot de geestelijke wereld; liet was hem zelfs veroorloofd, gedurende zijn verblijf aldaar om mot engelen de Heilige Schrift te lezen en de inwendige beteekenis daarvan te bespreken ; want do Heilige Schrift was oen verzegeld boek geworden.

Swedenborg leert dat do sleutel van alle woord Gods dezelfde is als do sleutel dor natuur. Er zijn twee rijken in al het geschapono; het geestelijke on hot natuurlijke. In het rijk dos goostes ligt het wezen, in hot rijk der natuur de verschijnselen. Ifot oone is substantieel, het andere is daarvan afspiegeling en symbool. Tusschen deze twee rijken bestaat overal oono nauwkeurige intieme overoensteinming, en de ware botoekonis der natuur kan alleen worden begrepen na de erkenning van deze wet. Swedenborg was door zijn geopend visioen in staat om deze universoole betrekking tusschen geest en stof, deze wet der overeenstemmingen te loeren kennen, en zijne buitengewone konnis van de stoffelijke wereld, en vooral van liet menschelijk lichaam, stelde hem in staat om met grooto duidelijkheid en volledigheid deze wet te kunnen toepassen.

Toen hij hierop deze wet aanwendde tot do verklaring van hot Goddelijk Woord des bijbels, bevond hij dat zij overal de wa.ro beteekenis blootlegde, en dat deze gelogen is in den

,\iV

ocr page 30

inwondigon geestelijken zin, waarin zijne vollieid en Goddelijkheid bestaat.

Doze ware beteekenis des bijbels voor de kerk to horstellen was .Swcdonborg's voornaamste taak. Van de theologische werken, die hij gedurende zijn leven uitgaf, waren twee dorden gewijd aan de verklaring dor Schrift, bijna al do overigen aan de uiteenzetting van de leerstukken in den bijbel vervat. Van de werken, die hij onuitgegeven achter liet, wordt een nog grooter aandeel door bijbelverklaring ingenomen. Beschrijvingen uit de geestelijke wereld worden alleen hier en daar gegeven ter verduidelijking dor wetten en beginselen. Hij erkent Gods Voord als do eenige bron van geestelijke waarheid voor don mensch. Gedurende zijne gohoole wetenschappelijke loopbaan had zjju geloot in do Schrift nooit gewankeld. Zoodra hij zijne taak gevoelde loerde hij do riebroeuwscho taal. Do Grieksche kende hij roods, en van dien tijd af word Gods woord in de oorspronkelijke taal hot eenige onderwerp zijnor studie. Hij begon mot don bijbel eonige malen door te lezen, de verschillendo uitspraken mot elkander vergelijkende, inhoudsregisters en concordancen makende, terwijl hij elk licht, dat voor hem opging, verder vervolgde.

Aan deze taak besteedde hij, vóór de uitgave van zijn eerste theologische werk, vijf jaren van onvermoeide en diepe studie, zoodanig als hij van te voren aan zijn wetenschappclijk werk had besteed. Zijne voorbereidende aanteokeningen en opmerkingen, gedurende dit tijdperk gemaakt en na zijn dood uitgegeven, vullen roods een twaalftal octavo doelen (gt;11 toonon duidelijk zijnen grooton ijver en ernst in (h- studie van den bijbel.

IFct is eon zoor merkwaardig feit, dat de opening van Swedenborg's geestelijke zintuigen geono verandering bracliton in zijn officieel en dageljjksch loven. In ]74r) koorde bijnaar Zweden terug en bloot' nog twee jaar lang zijn ambt met groeten ijver waarnemen, terwijl hij zoo hot schijnt aan niemand openbaarde welk nieuw lovoii^ voor hom begonnen was. Zij die dagoljjks met hom verkoerden bemerkten blijkbaar geenen achteruitgang in zijne verstandelijke vermogens,

X.WI

ocr page 31

want toen hvoc jaren later, in 1747 eon der raadsleden bij hef (le]iarteinerit der mijnen zijn ontslag nam, werd Sweden-borg door zjjne collega's met algemeene stemmen voor de hoogere betrekking aanbevolen. Evenwel wenschte Swedenborg toen al zijne tijd aan zijne nieuwe taak te wijden en in plaats van bevordering, verzocht hij geheel ontslag. Volgens toen bestaande gebruiken zou Swedenborg na zooveel dienstjaren, vóór zijne uittreding eerst tot de hoogere post zijn benoemd, om daarna overeenkomstig liet volle bedrag van het hoogere salaris te worden gepensioneerd. Doch Swedenborg verzocht de koningin hem niet tot do hoogere post te bevorderen, (opdat, zooals hij elders zeide, zijn hart niet met hoogmoed zon worden vervuld) maar hem te pensioneeren met de helft van het salaris, dat hij toen ontving. Uit verzoek werd in Juni 1747 toege-staan, en kort daarop vertrok Swedenborg naar Xederland, waar hij een geheel jaar besteedde aan het eerste deel van zijn eerste theologische werk, de Arcann Coelestia, of Hemclsche Geheimen, dat ook zijn grootste was en door hem zeiven word uitgegeven. Dit werk bevat eene uitlegging van (iewxi* eu Exoihi*, en werd oorspronkelijk uitgegeven in 8 groote kwarto deelen.

In do . I remit hebben wij de eerste stelselmatige toepassing van do wet der overeenstemmigen op de uitlegging des bijbels. De tekst wordt vers voor vei's behandeld, en de geestelijke beteekonis achtereenvolgens uiteen gezet. Deze uitlegging wordt nog overvloedig bevestigd, door aanhaling van gelijke uitdrukkingen uir andere plaatsen des bijbels, waardoor dit werk inderdaad ecue verklaring bevat van een zeer groot gedeelte der Uoilise Schrift, liet eerste deel der Arcana werd in 1741» in Londen uitgegeven en in hetzelfde jaar schreef hij gedeeltelijk aldaar en gedeeltelijk in Amsterdam het tweede deel.

Aan het derde deel werkte hij waarschijnlijk te Aken, waar hij den winter doorbracht. In liet voorjaar van 1750 keerde hij naar Zweden terug, waar hij het werk voltooide; het laatste deel verscheen in 1756. Hij gaf dit werk uit opeigen kosten, verspreide het in ruime mate en schonk de opbrengst

xxvu

ocr page 32

van tien verkoop aan do Voreeniging tot uitbreiding van het Evangelie.

Hoewel Swedcnborg zijne betrekking bij de mijnon bad neergelegd, behield bij toch tegelijk met zijnen nieuwen werkkring zjjne vroegere belangstelling voor burgelijke zaken. Zoo zien wij hom in do kamerzitting van 1755 de regeering aanmoedigen om bet mijnwezen en do binnenlandsclie industrie to ondersteunen, tot herstel van het evenwicht tusschen invoer en uitvoer. Hij verdedigde andere tinantiecle hervormingen en stelde een belasting voor op whiskey, groot genoeg om de productie daarvan tegen te gaan.

In de Arcana geeft Swedenborg aan het begin en het einde van ieder hoofdstuk eene beschrijving uit dcgeestelijke wereld en van dc inwoners van andere planeten, uit inlichtingen in do geestelijke wereld verkregen, verklaringen der profetieën over 't laatste oordeel en de wederkomst des Heeren en andere uitleggingen. Met eene meer uitvoerige bewerking dier onderwerpen begon Swedenborg toen hij met de Arcana gereed was, eu verdeelde zijn stof over vijf verhandelingen, die hij in 1758 naar Londen bracht en daar uitgaf, n. 1. I. De aardbolle)! in ons zonnestelsel, Planeten yenaamd en de aardbollen van den sterrenhemel; hunne inwoners en de geesten en engelen daarvan afkomstig, van hooren en zien. 2. Het )neuire Jeruzalem en deszeifs hemelsche leer van hooren en zien. 3. Over het irilte paard in Openharingen XIX. en over Gods l[ oord in deszelfs inivendige. of geestelijke beteekenis. 4. Over het laatste oordeel en de venvoesting van Babylon, aid as over de vervalling van de profetieën der Openbaringen, van hooren en zien. 5. l)e Hemel en zijne wonderen en de Hel, van hooren en zien.

Van dit laatste werk wordt hier achter eene eerste Xederlandsche vertaling aangeboden. J)o toestand van goeden en boozen na dit leven worden daarin geopenbaard en do wetten en inrichting der geestelijke wereld in haar geheel beschreven. ]Je groote aanspraken die de schrijver daarin maakt, kunnen voor een groot doel door don inhoud van dat boek worden beoordeeld. Het is onmogelijk dat Swedenborg zulk oen heldor en leerrijk werk over het toekomstig leven

XXVUl

ocr page 33

had kunnen sclmjvcn indien lijj niet had bijgewoond en ondervonden wat hij in zijn boek beschrijft.

De lezer zal zeker met veel belangstelling lezen, wat de schrijver mededeelt omtrent de bezigheden der Engelen, den toestand van jonge kinderen en den aard en bijzonderheden van den overgang naar het volgend leven en liet oordeel dat daarin gehouden wordt, en zijne verzekeringen omtrent den aard van den Hel. — Voortaan behoeft de lezer hot land aan gene zijde van het graf niet meer te beschouwen als een onbekend land, als een plaats in mysteriën gehuld, en zal zijn droefheid over ontslapen vrienden en zijn vrees voor den dood een geheel ander karakter kunnen aannemen.

Het algemeene getuigenis van Swedenborgs tijdgenooten, omtrent zijn onberispelijk godsdienstig leven, de gelijkmatigheid en ernst van zijn gemoed onder alle omstandigheden tot het laatste oogenblik zijns levens, de belangstelling, die hij voortdurend toonde in het welzijn van zijn vaderland, door practische werkzaamheid rot haar nut te verrichten, de geniale en nederige gesteldheid van zijn karakter, du gunst die hij van zijnen koning genoot, de rustige volharding in de plichten zijner zending, gevoegd bij die nederigheid, waarmede iiij alle euvel aan zich zeiven en alle eer alleen aan (iod toeschreef, zijn zoovele getuigen voor de waarheid van zijne aanspraak.

liet is bijna niet mogelijk de leer zijner theologische werken ernstig te onderzoeken, zonder de waarheid daarvan aan te nemen. Daarom hebben wij dus eene vertrouwbare openbaring over liet leven hiernamaals, van die dingen die wij daarvan noodig hebben te weten.

Het zooeven genoemde werkje Over het Nieuwe Jenizalem 01 zijne Heinelsche leer, is het eerste werk van Swedenborg dat in het Nederlandsch is vertaald. In 1SSS werd het in New- York gedrukt voor verspreiding onder Nederlanders.

Zoo als gezegd is, ging Swedenborg voor de uitgave dezer laatste werken naar Londen, cn op den 29 Juli 1759 zette hij bij zijn terugkeer in liet vaderland te Gothenburg den eersten voet aan wal. Nog dienzelfden dag werd hij door een zijner vrienden tot een groot feestmaal geuoodigd, en had er een voor-

XXIX

ocr page 34

val plaats dat SweJenbargs naam weldra op aller lippen bracht.

Omtrent 6 uur des avonds verliet Sweden borg de eetzaal en keerde later bleek ou ontsteld terug, met de mededeeling dat er in Stokliuim (aan de tegenovergestelde kust van Zweden) brand was uitgebroken, waardoor liet huis van een zijner vrienden in de aseh gelegd was en zijn eigen huis bedreigd werd.

Hij bleef angstig tot ongeveer S uur, toen hij kalm werd en bekend maakte dat de brand drie deuren vanaf zijne wo-ning gelukkig was gebluscht.

Dit nieuws werd spoedig in de stad bekend en de burgemeester wien zulks ter oore kwam, ontbood Swedenborg; die hem den brand nauwkeurig beschreef. Twee dagen later bracht een bode tijding uit Stokholm en zijue mededeeling stemde in alles overeen met Swedenborgs beschrijving.

Zeer waarschijnlijk werd eerst door deze gebeurtenis algemeen bekend dat Swedenborg met de geestelijke wereld gemeenschap had. Hij werd spoedig hierop door vele nieuwsgierigen bezocht, maar zij vonden bij hem geene aanmoediging. Niet lang daarna verzocht ook de koningin van Zweden, blijkbaar begeerig om Swedenborg op de proef te stellen, dat hij haar een geheim zou mededeelen, hetwelk haar overleden broeder, de Prins van Pruisen, haar kort voor zijnen dood had toevertrouwd. Eenige dagen later kwam Swedenborg de koningin bezoeken en gaf haar de verlangde mededeeling. De koningin werd hierdoor uitermate bleek en ontsteld en verklaarde dat buiten God en wijlen haren broeder niemand bij mogelijkheid had kunnen weten wat zjj toen van Swedenborg hoorde. Een ander geval gebeurde omstreeks den zelfden tijd met de weduwe vau den graaf de Marteville, Xcderlandsch gezant te Stokholm. Zij werd namelijk na den dood van haren gemaal lastig gevallen om de betaling vau eene groote som gelds, die zij wist dat haar gemaal voldaan, en daarvoor kwitantie ontvangen had, zonder dat zij in staat was die kwitantie te vinden. Op raad van vrienden riep zij Swedenborgs bijstand in, die dan ook werkelijk na eenige (ia^en de aanwijzing gaf, dat de kwitantie door den Graat'in eene geheime lade van zijn schrijfbureau geborgen was. Het bestaan dezer

XXX

ocr page 35

lade was aan gravin de ^farteville onbekend ; zij vond editor alles zoo als Swedenborg haar vertelde en werd zoo doende uit haar verlegenheid gered.

Aangaande dit laatste voorval bestaan eenige documenten in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, afdeeling haiidschriften onder de nagelaten jiapieruii van den Utrechtschen Hoogleeraar Van Lioens. l)r. 'i'idcmaii, de conservator dezer ITandschrifteu, vestigde in den zomer van 1890 op die papieren de aandacht van den bewerker der hier volgende vertaling. (Zie „New church Lifequot;, Philadelphia, Dcc. 1890.)

De Duitsche philosoof Kant liet eenige jaren later deze drie voorvallen op de plaats zelve onderzoeken, ter voldoening aan den wensch van een hooggeplaatst vriend en schreef daaromtrent in een brief uit Koningsbergen van 10 Aug. 176S, dat hij do waarheid dier feiten door persoonlijke getuigenissen voldoende bevestigd had bevonden.

Natuurlijk verwekten dergelijke gevallen groot opzien, doch Swedenborg vermeed zorgvuldig alle aanleiding om op deze wijze aanhang te maken. Hij beriep zich alleen op het redelijk verstand, en de liefde voor waarheid ; op geen anderen grond wensch te hij de aanneming zijner stellingen.

Het schijnt dat Swedenborg zich gedurende dezen tijd meer dan ooit te voren in het openbare leven heeft bewogen, in de zittingen van den rijksdag 1760—61 nam hij ecu zeer wci'kz:.i i aandi-fl en graaf Von Hipkeu verklaart omtrent zijn werk, „dat de meest belangrijke en best geschreven me-moruMi over ihiamiru ia deze zitting door Swedenborg werden geleverd. In ccnc daarvan wederlogde hij ecu groot kwarto werk over hetzelfde onderwerp, haalde alle overeenkomstige pasages aan en dat alles in minder dan een vel druks.quot;

Wij zien dus, dat juist toen aau Swedenborgs gezond verstand door velen werd getwijfeld, (tengevolge zijner aanspraak op genieenschap niet de geesten wereld, die toen openlijk werd besproken en beoordeeld) hij dooreen levendig aandeel in de hoogste vergaderingen des lands, zijn roem vo.ir bijzondere wijsheid en inzicht in aile practisehe zaken op iiijzondere wijze bevestigde.

Dit kan een eenvoudige samenloop van omstandigheden ge-

XXXI

ocr page 36

weest zijn, meer waarschijnlijk is liet eclitcr dat Swedenborg op die wijze een afdoend bewijs wilde leveren tegen de verdenkingen en aantijgingen, die hij van verschillende kanten ondervon l. Hij was toon 73 jaren oud geworden en schijnt zich na dien tijd niet veel meer mot openbare zaken te hebben bezig gehouden, maar zich uitsluitend aan zijnen theologi-schen arbeid te hebben gewijd, liet verdient ook opmerking, dat Swedenborg gedurende do volgende zeven jaren volstrekt geeue bijzonderheden in druk gaf omtrent zijne ondervinding in de geestelijke wereld, met uitzondering van een klein boekje van 28 bladzijden.

Hij schreef gedurende deze zeven jaren de voornaamste van zijne zuiver dogmatieke werken. Zijnen arbeid zette hij steeds onafgebroken voort, en toch werd er door hem in do 5 jaren van 175S—63 niets uitgegeven. Tusscben de leute van 1758 en den zomer van 1750 schreef hij in Londen zijne „ Verklaarde Openbaringen quot; het grootste werk dat hij onuitgegeven achterliet, ofschoon het klaarblijkelijk voor uitgave was bestemd. De Engelsche vertaling vult zes groot 8o deelen. Jlet bevateene geestelijke verklaring van het boek der Op^iiharinr/en. Van dit werk bestaan twee handschriften, een in klad ou een in het net geschreven, gereed voor de pers. Op liet titelblad van deel I staat liet opschrift „London 1759.quot; In het laatste gedeelte van hot werk worden de uitleggingen korter, en worden dogmatische onderwerpen in iedere paragraaf behandeld, die ten slotte in geregelde verluiudelingen overgaan en daarbij een soort van aanhangsel tot liet werk vormen. Enkele kleine verhandelingen, die evenmin door hem werden uitgegeven, besluiten zijnen arbeid van de jaren 1759 — 60. In 1761—62 schreef hij vier dogmatieke werken: De leer ocer den I/eer, De leer over de Heilige Schrift, De leer ocer het leven, en de leer over het geloof. Gewoonlijk worden de vertalingen hiervan in één deel uitgegeven, met den titel De vier voornaanixle leertful.'ten. Aangezien daarin zulke gewichtige leerstukkei! der lt; 'hristeljjko Kerk worden behandeld en uiteengezet, mag men ieder ernstig mensch de le/ing en overdenking van het daarin behandelde vrijmoedig aanbevelen.

XXXII

ocr page 37

Toen in 1762 het eerste dezer vier werken voor de pers gereed was, ging hij niet naar Londen, waar zijne voorgaande werken waren uitgegeven, maar naar Amsterdam, waar later al de overige verschenen. Waarschijnlijk lag de reden dezer verandering in de bespotting waarmede zoowel zijne vorige werken als zijne daarin uitgesproken roeping in Engeland en Zweden waren ontvangen.

Het schijnt dat hij het grootste deel van 1762 in Amsterdam doorbracht, en zijne vier Leerstukken afwerkte. In het begin van 1763 was hij in Stokholm terug; maar in Juni van dat zelfde jaar ging hij opnieuw naar Amsterdam, waar hij de vier Leerstukken voor aflevering gereed vond. Dat Swedenborg in al dien tijd practische en inaterieele zake A in liet oog hield, bewijst zijne Zweedsche „Beschrijving can de methode van het inleggen van marmeren plaatjes in tafels en andere ornamentenquot; die vervat is in de Verhandelingen der Kon. M. v. Wetenschappen, April Mei Juni. 1763. Intusschen had luj twee andere verhandelingen over De Goddelijke Liefde en De Goddelijk Wijsheid gereed gemaakt, die hij onuitgegeven achterliet. Het doel van de eerste is om aan te toonen, dat de Heer alleen de Liefde zelf is, omdat Hij het leven zelf is, en dat menschen en engelen alleen ontvangers van het leven zijn. In de tweede over de Goddelijke Wijsheid wordt eerst de formatie van den menseh in bijzonderheden beschreven en dan eene analogie gemaakt tusschen deze eerste geboorte en zijne wedergeboorte.

Een volgend werk dat in hetzelfde jaar in Amsterdam het licht zag, is zeer belangrijk: Wijsheid der Engelen betreffende de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid. Zooals de titel aanduidt, had de schrijver zijne kennis over die onderwerpen hoofdzakelijk verzameld onder de Engelen des Hemels. In het werk over de Goddelijke Wijsheid zegt hij daaromtrent: „Ik ben dagelijks in gesprek met engelen en geesten van afgestorvenen, van 1744 af tot den huidigen dag, en dus gedurende negentien jaren.quot;

Omtrent dit laatste werk schrijft Swedenborg als volgt: „Het doel van dit boek is, dat oorzaken mogen worden

iXiUI

ocr page 38

ontdekt on do gevolgen daarvan worden bemerkt, en dat daardoor de duisternis worde verdreven, waarin de mensch in do Kerk verkeert omtrent God den Heer en Goddelijke dingen, welke geestelijke dingen genoemd worden.quot;

In dit nieuwe werk behandelt 8\vedenborg do leer van graden, oorzaken en gevolgen, de schepping en onderhouding van het 1 leelal.

Een volgend werk (Amsterdam 1704) handelt over de Wijsh eid der Knyelen betreffende de Goddelijke Voorzienigheid. Beginnende mot de stelling 'dat Gods doel in de schepping bestaat in hot vormen van eenen hemel met vrije en redelijke wezens, toont hij aan hoe alle dingen in de geschiedenis van het menschdom in overeenstemming zijn met dat doel.

Zoodra dit laatste werk gedrukt was keerde Swcdenborg over Londen en Kopenhagen naar Zweden terug, en schonk daar aan allo openbare bibliotheken exemplaren zijner dogma-tioke werken. In Augustus 1764 bereikte hij Stokholm en begon aanstonds eene nieuwe en meer beknopte verklaring van do Openbaringen, De ontJnilde Openbaringen genoemd, waarin hij aantoont, dat de voorspellingen daarin gedaan, in eene speciale beteekenis, betrekking hebben op liet laatste Oordeel en de instelling eener nieuwe christelijke bedeeling. II jj hervatte nu ook weer de mededeeling zijner ondervindingen in de geestelijke wereld, en voegde deze „Memorabiliaquot; achter ieder hoofdstuk van dit en zijne volgende werken.

Aan de Onthulde Openharingen besteedde Swedenborg zijn tijd tot den zomer van het volgende jaar, toen hij zich naar Amsterdam inscheepte en aldaar het werk in een groot 4o doel van 029 pag. uitgaf, onder den titel; De onthulde Open-haringen, waarin de mgsterien verklaard worden die daarin voorspeld zijn, en die tot hiertoe verborgen bleven. Hij was hiermede gereed in de lente van 1760, ging toen voor enkele maanden naar Engeland en bereikte Stokholm weder in September.

Swedenborgs volgend werk was do leer omtrent de Huwe-

ocr page 39

vereeniging van Liefdo on Wijsheid in den Ifcer zclvcn.

ZdouIs gewoonlijk sellreot' hij ook over dit onderwerp allereerst con voorbereidend werk, waarvan echter alleen liet inlmuds-registor is bewaard, en waaruit blijkt, dat dat werk meer dan twee duizend paragrafen bevatte. \ olgens «lit concept schroot hij toen „ l)i geiiietinyrn lt;ler II ijsJieid Ix'treffende de 11mi ilijl, liefde en de (ienoec/en* der Krunkzinniyheid betreffende de tm-kuische Liefde, door Emanuel Swedenhorg, een Zweed . Uitwas het eerste zijner theologische werken, dat hij met zij nou naam uitgaf; daarenboven voegde hij er eene opgave zijner vroegere

werken aan toe, wier vaderschap hij daarmede tegeljjk erkende.

Anderhalf jaar besteedde Swcdenborg aan dit werk. Jlij was dus bij de voltooiing daarvan 80 jaar oud ; niet te min ondernam hij op nieuw de reis naar Amsterdam om toezicht te houden op hot drukken. J5ij de uitgave vond dit werk aanstonds een veel grooter debiet dan eenig ander dat vroeger door hem werd uitgegeven.

Aan het einde der IImrelijksliefde kondigt de schrijver binnen twee jaren de uitgave aan, van eene volledige verhandeling over vLeer der Nieuwe Kerk door den Heer in de (tpeidxiriiu/en v nor speld'quot;. Deze taak nam hij nu terhand; maar den omvang van zijnen arbeid voorziende, besloot hij eerst een kort begrip daarvan uit te geven.

[n een paar maanden was hij daarmede gereed, onder den titel, Summarin Expositio Doctrinae iSovnc l'.cclesine quoe pei Xovain Hierosoli/iiKim in Apocdh/pxi iutellit/itur, tih Lnutnurle Swedenhorti, Sueco, (Aorte rerklnrnKj ran de leer dei' uieune bedoeld me.l het Niemre Jeruzalem m de Openbaringen, door Emanuel Siredenborg, een Zweed.) Amsterdam 1769, 4o. De schrijver zond dit werkje aan alle predikanten in ISoder-land. \Olgens zijne eigen verklaring schreet Swcdenborg op twee zijner boeken in Holland :

ii i c r. iJika es t a d vj:y t r s noMiyi.

S C I! I P T r M 1-' .V M .1 .V lgt; A T O.

(Pit b o e L' i s d e /.' o m s t d e ü // e e r e n ,

(/esc h gt;■ e r e n op b e r e l).

XXXV

ocr page 40

Een dezer boeken, een exemplaar van de „Summaria Expositioquot;, werd in 1879 gevonden op een boekverkooping in Loudon en men iioopt nog steeds onder de exemplaren, die in Nederland verspreid zijn, het andere boek te zullen vinden.

In April 1769 vertrok Swedonborg van Amsterdam naar Parijs, om aldaar zijne „Korte verklaringquot; uit te geven, die hij als de theologische basis voor do Nieuwe bedeeling schijnt te hebben beschouwd. Van Parijs ging hij naar Londen en gaf daar een Engelsche vertaling van zijn nieuw werk uit. Tegelijkertijd verscheen van hem aldaar eene kleine philoso-phische verhandeling over De gemeenschap tusschen ziel en lichaam; zeer waarschijnlijk was deze arbeid een antwoord op een brief van Immanuel Kant. In October was Swedenborg te Stokholm, waar hij do eerst volgende acht maanden besteedde aan het concept van het door hem beloofde werk en op 19 Juni 1770 was hij daarmede gereed. Een maand later verliet hij Stokholm voor de laatste maal, zooals hij zelf bij zijn vertrek te kennen gaf, om in Amsterdam zijn laatste werk uit te geven.

Blijkbaar heeft hij echter dit werk voor een groot gedeelte op nieuw geschreven, want met de uitgave verliepen negen of tien maanden.

Joh. Christian Cuno, een welgesteld koopman en bankier te Amsterdam, die in 1769 met Swedenborg kennis maakte, en in wiens eigenhandige levensbeschrijving ons eene der meest belangrijke beschrijvingen aangaande Swedenborg is bewaard gebleven (Aufzeichnnvgen eines Amsterdammer Biirgers liber Sicedenborg, Hannover 1858) schreef 26 Jan. 1771 aan ce i vriend in Hamburg:

„Hij is nu onvermoeid aan het werk; ja ik mag zeggen dat hij met eene hoogst verwonderlijke en bovenmenscholijke manier aan zijn nieuw boek arbeidt. Zestien vel van zijn nieuw boek, tweemaal zoo fijn gedrukt als zijne vroegere werken, zijn reeds gereed. Denk eens! voor ieder vel druks iiinet hij vier vellen in manuscript opvullen. Hij laat nu iedere week twee vellen drukken. Hij corrigeert zelf, zoodat

i È

ocr page 41

hij iedere week 8 vel moet schrijven. En wat geheel en al onbegrijpelijk is, hij heeft nooit een enkele regel in voorraad. Zijn werk zal ruim 80 vel beslaan en kan dus volgens zijne eigen gegevens niet voor St. Michael gereed zijn. Ik kan U ook den titel zeggen: Ware christelijke Godsdienst, bevattende de theologie der Nieuwe Kerk etc., door Emanuel Swedenborg, Dienstknecht des lleeren. Ik kon in mijne oprechtheid mijne verwondering niet verbergen dat hij zicli zeiven op het titelblad voor den Dienstknecht van den Heer Jezus Christus uitgeeft. Maar hij antwoordde, Ik heb gevraagd en verlof bekomen niet alleen, maar zelfs een bijzonder bevel ontvangenquot;.

Op den 5en Maart 1771 schrijft Cnno:

„Het is natuurlijk dat de talrijke bezoeken, die hij ontvangt, hem zeer veel tijd rooven, en daarom kan ik nog minder begrijpen, hoe hij niettegenstaande dat, zijn plan volbrengt om iedere week twee fijn gedrukte vellen te laten drukken en nog tien vel manuscript op te stellen, zonder een enkele regel in voorraad te hebben. Hij zegt dat zijn Engel hem dicteert, en dat hij vlug genoeg schrijven kan.quot;

Hieruit zou blijken dat het tweede copie dat Swedenborg maakte, niet een afschrift was van het eerste, anders zou Swedenborg niet gezegd hebben dat zijn Engel hem dicteerde.

In Juni 1771 verscheen het werk onder den titel: l)c ware Christelijke Godsdienst, bevattende degeheele Theologie der nieiace Kerk, die door den Heer voorspeld is in lian. \'1I : 7.V, /-/, en in Openh. XXI : 7, 2; door Ennnuiel Swedenborg, dienstknecht van den Heer Jezus Christus. De Latijnsche uitgave in groot 4o formaat beslaat 541 pag. Dit werk is een uitvoerige behandeling van alle belangrijke leerstukken der christelijke kerk, volgens de leer des bijbels, duidelijk en bevattelijk uiteengezet.

Toen de uitgave van dit werk voltooid was hield hij zich nog een paar maanden in Nederland op, zooals blijkt uit oene kantteekening op een der hier bovengenoemde documenten in de Kon. Bibliotheek te 's Gravenhage van de hand van Ar-nout Vosmaer, Directeur van het Museum van den Prins

xxxvu

ocr page 42

van Oi-anjo, tor correctie van don datum van Swedenborgs vertrok naar Londen. Vosmaer zegt daarin : Swodenborg di-noordo met mij op 29 Aug. 1771 te 's Gravenhnge en vereerde mijn album met zijn handschrift.

Dit „Album amicorumquot; van Arnout Vosmaer is bij de familie Vosmaer nog bewaard, en in hot le deel vindt men liet bovengenoemde handschrift als volgt:

v i: ha c it i} i sn a n a t? i: l i a i n

E m. S 11quot; E n E X li O J1 G,

DOMINI JE SU CHRISri

se a v rs.

In Vosmaers handschrift staat daaronder „',s- Hm/e 2'.gt; Any. 1771, 01). 29 Maart 1772quot; met de nadere bijvoeging:

„Zie over dit zomhrlinr/ mensch: The Rente vol.

59 van V jaar 1778 pay. 305 en v. Op hot andore blad tegenover dit handschrift hooft Vosmaer oen portret van Swe-donborg ingeplakt.

Men kan zich voorstellen dat Swedenborg goheol vervuld van de gewichtige taak, zoo kortgeleden door hem voltooid, met zijnen gastheer over de Vera Christiana Religio gespro-kon hooft, en in zijn handschrift zijnen gastheer nog eens heeft willen herinneren, op welke wijze dat boek door hom moest worden boschouwd.

Spoedig hierop vertrok Swedenborg naar Londen waar hij don winter doorbracht met hot schrijven van eiikolo kleine stukken, die niet moer door hem werden uitgegeven, want op den 29cn Maart 1772, dos namiddags ton vijf uur scheidde hij zacht on kalm en met volle bewustheid van deze wereld, na oeno korte ongesteldheid van oen paar dagen, op denzelfden tijd, dien hij van te voren aan zijne huisgenooton had bekendgemaakt. Aroor zijnen dood vermaande lijj nog zijne vrienden, tot oen zachtmoedig en vroom loven en verzekerde hjj de waarheid van de openbaringen, die do 1 [eer hem voor de wereld gegeven had. Zijn stoffelijk overschot werd in de kapel dor Zweed ache ambassade to London, overeenkomstig zijnen stand en volgens do gebruiken der Zweedscho kerk bijgezet.

xx.xvm

ocr page 43

Het zij nog bemerkt, dat Svvedeiiborg tut do laatste dagen zijns levens do onverminderde achting genoot van zijne vorstelijke beschermers, wetenschappelijke vrienden, landgc-nooten en bekenden, en voortdurend bekend stond voor nederige welwillendlieid en zachtaardigheid, voor buitengewone geleerdheid en nuttige werkzaamheid. Een speciale lofrede werd na zijn dood gehouden ten behoeve van de Academie van Wetenschappen te Stockholm, in de ^roote zaal van het huis der Edelen door Samuel Sandels. Dit was eene eer, die alleen tebeurt viel aan hen, die in bizondor hoog aanzien stonden.

Ten slotte was Emanuel Swedenborg, de dienstknecht van den Heere Jezus Christus, hot levend beeld van zijne eigen levensregels, die als volgt luiden :

lo. Gods Woord dikwijls te lezen, en er wel over na te denken.

2o. Altijd onderworpen en tevreden te zijn onder de beschikking van Gods voorzienigheid.

3o. Altijd een bchoorljjk gedrag in acht te nomen, en het geweten rein en zonder vergrijp te bewaren.

4o. Gehoorzaam te wezen aan hetgeen bevolen is, trouw to wezen in de vervulling van de plichten zijner bozigheden, en alles te doen naar zijn vermogen, om zich voor hot algemeen zoo nuttig mogelijk temaken.

Er bestaan een groot aantal levensbeschrijvingen van Swedenborg, vooral in do Engelsche taal. Do meest volledige gegevens vindt men in: Documents concerning the life and character of Tlniaiiacl Swedenborg collected, translated, and annotated by R. L. Tafel, A. M., Ph. D., London, 1875, Three Vols, large Svo, 2100 pag. Do chronologische beschrijving van Swedenborgs uitgegeven en onuitgegeven werken beslaat daarin 140 pag. en telt 150 afzonderlijke nummers.

XXXIX

ocr page 44

Zinstorende drukfouten.

23,

„

7 „ „

25,

»

2

40,

2 v. b.

45,

—2 v. o.

78,

14 „ b

145,

noot

regel 1

157,

regel

4 v. b.

105,

,,

7

179,

13 , „

182,

noot }) regel 4

107,

„ regel 3 v. c

23S,

regel

21, v. b.

311,

2

337,

8 v. o.

339,

-

10 „ „

354,

3 V. b. :

373,

„

5 v, o.

387,

9 * o

439,

1 „ b

439,

jt

9 V. b.

lees :

of, lees; en.

ofschoon Je Engelen, lees: ofschoon de Hemelen, intellectueelen en natuurlijken geest, lees:

verstand en gemoed.

in den Heer, lees: in den Hemel.

daarom berusten de meesten daarin, ze te

bekrachtigen.

uit haar, lees: daar uit.

ontstaan door, lees : worden uitgedrukt door.

onder anderen, lees: onder de Ouden.

goederen, lees: goede dingen.

een geest, lees: den geest.

in de, lees: is de.

waardoor, lees: waar, door.

onder geworden, lees: ouder geworden.

slechte, lees: slechts.

daarin wonen en, lees: en daarin wonen, graad der waarheid uit het eenvoudige goede

waren, met zij gesloten zijn, lees: liet gesloten is drie, lees : des.

aandoeningen hebben, lees: aandoeningen zijn. neemt haar waar, lees: noemt haar waar, zij zij, lees: zij zijn.


ocr page 45

Over den Hemel m de Hel.

1. Waar de lieer tot Zijne discipelen spreekt over de voleinding der eeuw, die de liiatstc tijd der Kerk is, « zegt Hij aan het einde der voorspellingon over de opeenvolgende toestanden van liefde en geloof dezer Kerk: '' En terstond na de verdrvkkiny dier ddf/en, zal de zon rerduixterd worden, en de iiukiii zal haar schijncel niet (jeren, en de sterren zullen ran den Hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen beirocjen worden. En alsdan zal in den lfemel verschijnen het teeken ran den Zoon des incnschen; en dan znllen al de (jeslaehten der aarde weeklagen : en zij zullen den /aan des mensehen zien, komende oj) de wolken des Hemels, met (jroote kracht en heerlijkheid. En Hij zal Zijne Enlt;ielen uitzenden met eenc haznin en luide stem, en zij zullen Zijne aitrerkorenen hijeen renjade-ren uit de vier irinden, ran la1! eene uiterste der hemelen tot het andere Hiteinde derzei ren. M ntrli XX.1V; 2!(, HO, 31.

Degenen, die deze woorden in letterlijken zin opvatten, ge-

uittreksels vit in: llemcliclte Gcheiinen.

lt;i. Do voleinding dor oouw is de laatste tijd dor Kork; mos. 4535, 10622.

It. Wat de Heer voorspeld lieeft iti Mattli. X X i on XXV over do vol-oinding der eeuw ei\ ovor Zijiie wodorkomst, Injgevolg over hot geleidelijk verval der Kork en over liet laatste Oordeel, wordt verklaard aan hot liogin der lioof'dstnkkon XXVI tot XL van hot boek (ionosis; nos. 3353 tot 3355, 3486 tot 34SI), 3650 tot 3655, 3751 tot 3757, 3Si)7 tot 3f)01, 4056 tot 4060, 422!) tot 4231, 4332 tot 4335, 4422 tot 4424, 4635 tot 4638, 4661 tot 4664, 4807 tot 4810, 4(J54 tot 4'J59, 5063 tot 5071.

1 1®

ocr page 46

HEMEL EN HEL.

loovcn niet anders, dan dat in hot laatste der dagen, liet laatste oordeel genaamd, alle deze dingen gebeuren zullen, zooals ze in dien zin beschreven zijn : dat dus niet alleen de Zon en de Maan zullen verduisterd worden, en de sterren van den Hemel zullen vallen, en het teeken van den Zoon des men-schen aan den Hemel zal verschijnen, en dat zij Hem in do wolkon zullen zien en tegelijkertijd Engelen met bazuinen, maar ook, dat dan, volgens voorspellingen elders vermeld, de gehoele zichtbare wereld zal vergaan en een nieuwe Hemel en eene nieuwe aarde zal ontstaan. In deze meening ver-keeren tegenwoordig de meeste leden der Ivork; die echter zóó gelooven, kennen de geheimen niet, die in iedere uitdrukking van (lods Woord verborgen liggen, want in iedere uitdrukking ligt eene innerlijke beteekenis, welke niet zooals de lettei', over natuurlijke en wereldsche dingen, maar over geestelijke en Hemelsche dingen handelt; en dit geldt niet alleen den zin van vele uitdrukkingen, maar zelfs van ieder afzonderlijk woord ;c want hot Woord is in louter overeenstemmingen geschreven, ,l opdat juist in elke uitdrukking een innerlijke zin zou liggen. Wat deze innerlijke zin is, kan men nagaan uit hetgeen daaromtrent in de Hrtnclsclte Ge-hciiiieii is gezegd en aangetoond; en ook uit de samenvatting die daarvan voorkomt in de verklaring van hef W'itfc Paurd, waarover in de Openbaringen gesproken wordt. Volgons dezen zin moet men ook verstaan, wat de Re r in boven aan-gehaalden tekst over Zijne komst in de wolken dos Hemels gezegd heeft.

Door de Zon, die verduisterd zal worden, wordt hier bedoeld de Heer met betrekking tot de Liefde; '' door de Maaiij de Heer met betrekking tot het Geloof; ƒ door de sterren, de

c. In nlles en in elk deel van (Jods Woord is een innerlijke of geestelijke beteekenis; nos. 1143, 1984, 2135, 2233, 23^5, 241)5, 4442. !gt;048, JMKtë, 1)08(5.

(I. liet Woord is in louter overeenstenimingen geselireven en danrom be-teekent alles en eik deel er van geestelijke zaken; nos. 1404, 1408, 1401), 1540, 1019, 1051), 1709, 1783, 2900, 1)080.

c. T'e Zon beteekent in liet Woord, de Heer met betrekking tot de Liefde, en dientengevolge ook de Liefde tot den Heer; nos. 1521), 1837, 2441, 241)5, 4000, 4090, 491)0. 7083, 10809.

ƒ. De Maan beteekent in liet Woord, de lieer met betrekking tot bet (Jeloof en daarom ook liet geloof in den Heer; nos. 1529, 1530,2495, 4000,4990,7083.

1

2

ocr page 47

IXLElümJ.

kennis van liot Goede cn liet Ware of van de Liefde en het Geloof; door het teeken van den Zoon des mensclien aan den Hemel, de verschijning van liet Goddelijk-Ware; door de geslachten der Aarde, die zullen weeklagen, alle dingen van het Ware en het Goede of van het Geloof en de Liefde ; door de komst des Heeren in de wolken des Hemels met Macht en Heerlijkheid, Zijne tegenwoordigheid in het Woord en de Openbaring;® door de quot;Wolken wordt de letterlijke zin van liet Woord bedoeld, '■ en door de Heerlijkheid de innerlijke zin; 1 door de Engelen met bazuinen en luide stem wordt bedoeld de Hemel, waaruit het Goddeljj k-Ware komt. m

Hieruit kan men zien, dat door de genoemde woorden des Heeren bedoeld wordt, dat iiij liet einde der Kerk, wanneer geen Liefde on daarom ook geen Geloof meer bestaat, de ] [eer het Woord volgens zijn innerlijkon zin zal ontsluiten en de geheimen des Hemels zal openharen ; de geheimen, die in de volgende bladzijden zullen worden geopenbaard, betreffen den Hemel en de Hel, en tevens het leven van den mensch na den dood. T)o mensch der Kerk weet heden ten dage nauwelijks iets van den Hemel en van de Hel en van zijn leven na den dood, ofschoon dit alles in het Woord beschreven staat; zelfs velen, die in de Kerk geboren zijn, ontkennen lier bestaan daarvan, terwijl zij in hun hart spreken : Wie is vandaar gekomen en heeft het verteld?

Opdat nu zulk eene ontkenning, die voornamelijk bestaat

(j. De Sterren beteekenen in liet Woord de kennis van het ( Joede en het Ware: nos. 241)ó, 2849, 401)7.

//. De Geslachten heteekenen alle Waarheden, al het ( Joede in hnn geheel, dns alle dingen van hot Geloof en de Liefde; nos. 38Ö.S. 4060, 6335.

/. De komst des Heeren beteekent Zijne tegenwoordigheid in het Woord en de Openbaring; nos. 3900, 4060.

k. De Wolken beteekenen in het Woord, de Bijbel volgens de letter of zijn letterlijken zin; nos. 4060, 4391, 5922, 6:U:i. (57.02, S106, 8781. lt;1430, 10551. 10574.

/. De Heerlijkheid beteekent in bet Woord het lt; inddel ij k-Ware, zooals het in den Hemel en in den innerlijken zin van het Woord is; nos. 4809, 5292, 5922, 8207, 8427, 9429, 10574.

m. De Baznin of Trompet beteekent het Goddel ij k-Ware in den Hemel en daaruit geopenbaard: nos. 8815, S823, 8915; evenzoo de Stem ; nos. 6971, 9926.

1

8

ocr page 48

HEMEL EN HEL.

bjj hcu, die wijs zijn voor do wereld, niet ook nog den eenvoudige van harte en den eenvoudige in het geloof aansteke en bederve, werd liet niij gegeven met de Engelen samen te zijn en met hen te spreken als de eeuo meuscli tot den anderen, als ook om de dingen te aanschouwen, die in de Hemelen en die in de - Hel zijn, en dit reeds dertien achtereenvolgende jaren, ten einde deze nu te beschrijven naar hetgeen ik gehoord en gezien heb, in de hoop, dat zoodoende de onwetendheid daaromtrent worde weggenomen en het ongeloof worde verstrooid. Zulk een onmiddellijke openbaring vindt heden ten dage plaats, omdat zij het is, waaronder de komst des Heeren wordt verstaan.

])K HEER IS DE (in]) DES HEMELS.

2. Allereerst moet men weten, wie de God des Hemels is, wijl al het overige daarvan afhangt. In den geheelen Hemel wordt geen amler als Grod des Hemels erkend dan dn Heer alleen: zij zeggen daar, zooals Hij zelf geleerd heeft, dat hij Ecu (een en dezelfde) is met den Vader5 dat de Nader is in Hem en Hij in den Vader; dat wie Hein ziet, den Vader ziet, 011 dat alles wat Heilig is, uit Hem voortkomt. Johannes X : ;3Ü, :{S. XIV:!), 10, li. XVI : l:!, 14, ! 5. — Ik sprak hierover meeriiialeu met de Kugden, e a zij hebben mij steeds gezegd, dat zij iu den Hemel het Goddelijke niet in drieën konden onderscheiden, daar zij weten en waarnemen, dat het Goddelijke écu is, en dat dit eene in den Heer is. Zij hebben mij ook gezegd, dat leden der Kerk, die zich eene voor-, stelling vormen van drie Goddelijke personen, als zij de aarde verlaten, niet in den Hemel kunnen worden opgenomen, wijl het daar niet wordt toegestaan drie te denken en één te noemen, quot; omdat in den Hemel een ieder spreekt

/». Sommige Christenen, in liet andere leven, wenlen oiulerzoebt aungiiimde de voorstelling, die zij zieli van den eenigen (iod vormden, en liet bleek, dat zij zieli een voorstelling van drie (inden maakten; nns. 23211, .quot;iL'.id. 10730, 10738 10821. In den Hemel wordt een drievuldige (loddelijklieid in den Heer'erkend; nos. 14, 15, 172!», 2005, 5256, «.»303.

4

2

ocr page 49

DE HEEK IR DE O (ID DES HEMELS.

volgens zijn denken, want daar heeft een denkend spreken of een sprekend denken plaats. Daarom kunnen zij, die op aarde liet goddeljjke in drieën onderscheidden en zich van elk der drie een afzonderlijke voorstelling vormden, zonder deze één te maken en samen te vatten in den Heer, wanneer zjj deze wereld verlaten, niet opgenomen worden ; want in den Hemel is gemeenschap van alle gedachten; indien dus iemand, die drie denkt en één zegt, daar kwam, zou hij aanstonds ontdekt en uitgeworpen worden. Men moet echter wet^n, dat allen, die het ware niet van het goede, of het geloof niet van de liefde hebben gescheiden, wanneer zij in het andere leven worden onderwezen, de Hemelschc meening deelachtig worden, dat de Heer do God is van het heelal; maar anders is liet met hen, die liet geloof van het leven hebben gescheiden, dat wil zeggen, die niet geleefd hebben naar do voorschriften van het ware geloof.

3. Zij, die in de Kerk den lieer verloochend hadden en alleen den Vader erkenden, en zich iu zulk een geloof hadden bevestigd, zijn buiten den Hemel. Daar hen geen in-vloeiïng uit den Hemel bereikt, waar de lieer alleen wordt aangebeden, worden zij trapsgewijze beroofd van het vermogen en de macht om het ware te denkon, over welk onderwerp liet ook zij, en worden eindelijk als quot;t ware stom, of sproken als dwazen, en dwalen als zij loopen, terwijl hunne armen nederhangen en heen en weder slingeren, als waren ze in de gewrichten van kracht beroofd. Zij echter, die het goddelijke van den Heer verloochend, en alleen het mensche-lijke in hem erkend hadden, zooals de Socinianen, zijn eveneens buiten den Hemel, eu worden naar voren gebracht, een weinig ter rechterzijde, en in de diepte neergelaten en aldus geheel van het overige deel der Christenheid gescheiden. Hun echter, die zeggen, dat zij in een onzichtbare godheid geloo-ven, welke zij het levend beginsel van het Heelal noemen, waaruit alles is ontstaan, en het geloof in den Heer verwerpen, wordt door ondervinding geleerd, dat zij aan geen God gelooven, daar het onzichtbare goddelijke voor hen is als de Natuur in haar eerste beginsel, waaraan men geen geloof 5

3

ocr page 50

TiBMETj kx Hi;r.,

hecliton of waarvoor men lt;?een liefde gevoelen kan, wijl men er zich geen voorstelling van maken kan; 0 dezulken worden verwezen naar hen die Naturalisten heeten. Anders is het gesteld met hen, die buiten do Kerk geboren zijn en Heidenen genoemd worden, waarover later zal worden gehandeld.

4. Alle kinderen, die het derde deel van den Hemel uitmaken, worden ingeleid in de erkenning eu het geloof, dat de Heer hun Vader is, en later, dat Hij de Heer van alles is, derhalve de Heer des Hemels en der aarde. Dat de kinderen in den Hemel opgroeien en door kennis volmaakt worden, tot zij het doorzicht en de wijsheid der Engelen bereiken, zal men later zien.

5. Dat de Heer de God des Hemels is, kunnen zij, die tot do Kerk behooren, niet betwijfelen, want Hij zelf leert: Dat alles irat mn de.n Vader in, ook Hem behoort; Matth. X[: 27, Johannes XVI ; 15, XVII: 2; en dat Hij alle macht heeft in Hemel en op Aarde; Matth. XXVHI : 10. In Hemel en op Aarde, zegt Hij, omdat Hij, die den Hemel regeert, ook de Aarde regeert, want het eone hangt van het andere af. P De Hemel en de Aarde regeeren, beteekent, dat men daar van Hem al het goede ontvangt, dat tot de Liefde en al het ware, dat tot het Geloof behoort, dus alle doorzicht en wijsheid en bijgevolg alle zaligheid, in één woord, het eeuwige loven. Dit leerde ook de Hoer toon Hij zeide; Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuirif/e leven; maar die in den Zoon niet gelooft, zal het leren niet zien: Joh. HL: 36. Elders: „Ik hen de opstanding en het leren, die in mij gelooft zal leren, al ware hij ook gestorren; een iegelijk, die leeft en in mij gelooft, zal niet sterren in der eeuirigheid.quot; Joh.

o. Een Godheid, welke door geen denkbeeld herkenbaar is, is ook niet te vatten door het geloof; nos. 4733, 5110, 5G63, G082, GiM)6, 7004, 7211,9207, 9356, 9972, 10067.

p. De geheele Hemel behoort den ITeere; nos. 2751. 70S6. Hij heeft alle macht in de Hemelen en op aarde; nos. 1607, 10089, 10827. Wijl de Heer den Hemel regeert, regeert hij ook over alles, wat daarvan afhangt, dus alles in de wereld; nos. 2026, 2027, 4523, 4524. De Heer alleen heeft de macht de Hel te verwijderen, van het bouze af te houden en in het goede te bewaren, derhalve zalig te maken; no. 10019.

6

ocr page 51

DE UEKK IS J)E OOI) DES HEMELS.

XI; 25, 2G. En weder elders: „Ik hen de icey, de iranrheid en het leven.quot; Joh. XIV : (i.

G. Er waren eonige geesten, die gedurende hun leven iu deze wereld den Vader hadden erkend en zich van den lieer geen andere voorstelling hadden gemaakt dan van ecu ander nieiiscli, en dientengevolge niet geloofd hadden, dat 11 ij de (iod des Hemels is; daarom werd hen toegestaan overal rond te gaan en te onderzoekeu, waar zjj slechts weuschten, of er een andere Hemel bestond dan die des Hceren; zij zochten ook inderdaad eeuige dagen lang, doch vonden er nergens een. Zjj behoorden tot die, welke hun zaligheid zochten in Heerlijkheid en Heerschappij; en daar zjj hunnen wensch niet kouden bereiken en hun gezegd werd, dat de Hemel niet iu zulke genoegens bestaat, werden zij er over verontwaardigd en weuschten ecu Hemel, waarin zij over anderen heerschen konden en boven anderen uitsteken door een heerlijkheid als op aarde.

HET GOIIDKLI.IKK DES IIKEREN MAAKT DEN' HEMEL VIT.

7. De Engelen bijeengenomen worden de Hemel genoemd, daar zjj dien uitmaken; maar desniettemin bestaat de Hemel in liet algemeen en in hot bijzonder uit het Goddelijke, dat uitgaat van don Heer, bij de Engelen invloeit en door hen wordt opgenomen. Het van den lieer uitgaande Goddelijke is het Goede der liefde en het Ware des geloofs; in zooverre dus de Engelen het Goede en het Ware van den Heer opnemen, iu zooverre zijn zij Engelen, en in zooverre zijn zij de Hemel.

8. Iedereen in den Hemel weet en gelooft, ja wordt het in zich gewaar, dat hij uit zich zelf niets goeds wil en doet, en niets waars denkt en gelooft, maar düt dit. alleen uit het Goddelijke en dus uit den Heer geschiedt; eveneens, dat het Goede en het Ware uit hem zelf ontstaande niet goed en waar is, omdat het leven uit liet Goddelijke daarin niet is; de Engelen van den binnensten Hemel nemen dien invloed

7

li —8

ocr page 52

HE MET; EN HBE,

vloed ook duidelijk waar en gevoelen dien, en naarmate zij hem ontvangen, blijkt het hun, dat zjj in den Hemel zijn, omdat zij naar die verhouding in de liefde en het geloof, eu in het licht van doorzicht en wijsheid zijn, en daardoor in de Hemelsche vreugde, die er uit volgt; daar dit alles voortkomt uit het Goddelijke des Heeren en daarin de Hemel voor de Engelen bestaat, is het duidelijk, dat het Goddelijke van den Heer den Hemel uitmaakt, en niet de Pengelen door iets uit zich zeiven. ï

Daardoor komt het, dat de Hemel in het Woord woonplaats des Heeren en Zijn troon wordt genaamd, en dat men van hen, die daarin zijn zegt, dat zjj in den Heer zijn. r Hoe echter het Goddelijke uit den Ueer voortkomt en den Hemel vervult, zal later worden besproken.

9. De Engelen gaan, krachtens hunne wijsheid, nog verder; zij zeggen niet alleen, dat al het goede en bet ware van don Heer komt, maar ook alles, wat tot het leven behoort ; zjj bevestigen dit daardoor, dat niets uit zichzelf kan ontstaan, doch wel uit iets, dat reeds vroeger bestond en dat dus daardoor alles uit een Eerste ontstaan is, welken zjj het eigenlijke zijn (Esse) van het leven aller dingen noemen en dat op dezelfde wijze alles bestaat; aangezien bestaan een voortdurend ontstaan is, en wat niet voortdurend door tus-schenschakels met don Eerste in samenhang wordt gehouden, aanstonds ineen valt en geheel te niet gaat; zij zeggen bovendien, dat er slechts een eenige bron des levens is, en dat het leven van den menscli daar een beek van is, die, indien zij niet voortdurend door haar bron wordt in stand ge-

q. De Engelen des Hemels erkennen, dat al het goede van den Heer is en niets van hen zelve en dat de Heer bij hen woont in het Zijne en niet in het hunne; nos. 9338, 10125, 10151, 10157. — Daarom wordt in het Woord met Engelen bedoeld iets van den Heere; nos. 1925, 2821, 3039, 4085, 8102, 10528. En dat derhalve de Engelen Goden lieeten door de opneming van het Goddelijke des Heeren; nos. 4295, 4402, 7268, 7873, 8301, 8192. Van den Heer komt al het goede, dat (werkelijk) goed is en al het ware. dat (werkelijk) waar is, zoomede alle vrede, alle liefde, liefdadigheid en alle geloof; nos. 1614, 2016, 2751, 2882, 2883, 2891, 2892, 2904, en alle wijsheid en doorzicht. 109, 112, 121, 124.

r. Van hen, die in den Hemel zijn, wordt gezegd, dat zij in den Heer zijn; nos. 3637, 3638.

9

8

ocr page 53

HET GODDELIJKE DES HEEREN MAAKT DEN HEMEL FIT. 10

houden, aanstonds verloopt. Dat verder (loze cenige levensbron, welke tie Heer is, niets dan liet Goddel ij k-Goede en het Goddel ijk-Ware voortbrengt en dat dit iedereen aandoet, naarmate lijj liet opneemt; bij hen, die dit in limi geloof en in bun levenswandel opnelnen, is de Hemel, bij hen daarentegen, die het verwerpen of verstikken, verandert het tot Hel, want zij verkeeren goed. in kwaad en waar in valsch en zoodoende leven in dood. Dat alles, wat tot liet leven behoort van den Heer komt, bevestigen zij nog daarmede, dat alles in het heelal betrekking heeft op goediieid en waarheid ; het leven van den wil des mensehen, dat het leven zijner liefde is, op goedheid, en het leven van het verstand des menschen, dat het leven van zijn geloof is, op waarheid, en daar al het Goede en al het Ware van boven komt, zoo volgt hieruit, dat alles, wat tot het loven behoort, dok vandaar komt. Omdat de Engelen aldus geloovon, wijzen zij ook alle dank af voor het Goede, dat zij doen, en worden verontwaardigd eu trekken zich terug, wanneer iemand hen iets goeds toeschrijft. Zij verwonderen er zich over, dat iemand gelooven kan wijs te zijn uit zichzelven en goed te doen uit zichzelven. Goed te doen ter wille van zichzelven noemen zij geen goed, omdat men het uit zich zelf doet; maar het goede doen ter wille van liet goede, dat noemen zjj goedheid uit het Goddelijke, en dit Goede is liet dat den Hemel maakt, omdat dit Goede de Heer is.

10. De geesten, die zich gedurende hun leven in de wereld hadden versterkt in het geloof, dat het goede door hen gedaan en het ware door hen geloofd uit hen zeiven was, of hun als het hunne was toegewezen (in welk geloof allen verkeeren, die een verdienste stellen in goede werken en zich gerechtigheid toekennen) worden niet in den Hemel opgenomen; de Engelen ontvlieden hen en beschouwen hen als stompzinni-gen eu als dieven; als stompzinnigen, omdat zij voortdurend zich zelf beschouwen en niet het Goddelijke, als dieven om-

s. Het goede uit ilen Heer bevat in zich ilen Ifeer; niet alzoo liet goede uit iemand zolven; nos. 1802, 3951, SiSü.

9

ocr page 54

HEMEL EN HEL.

dat zij den Hoor outuemen, hetgeen Hem alleen toekomt. Dezen zjjn tegen het geloof des Hemels, dat het Goddelijke des Heeren bij de Engelen den Hemel maakt.

11. Dat zij, die in den Hemel en in do Kerk zjjn, in den Heere zjjn, en de Heer in hen is, leert ook Hij zelf als Hij zegt: „Blijft in Mij, en ik in U; gelijk de rank geen vrucht kan dragon van zich zelve, zoo hij niet in den wijnstok blijft, alzoo ook gij niet, zoo gjj in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, gij de ranken; die in Mij blijft, on ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.quot; Joh. XV: 4 tot 7.

12. Hieruit ziet men dus, dat do Heer bij de Engelen des Hemels woont in hetgeen Hem toebehoort, en dat aldus de Heer alles is in alle dingen des Hemels; en dit, omdat het goede uit den Heer bij hen de Heer is; want hetgeen uit Hem is dat is Hij zelf; bij gevolg is het Goede uit den Heer de Hemel voor de Engelen en niet iets uit henzelven.

HET GODDELIJKE DES II EE KEN IX DEN HEMEL IS DE LIEFDE JEGENS HEM EN DE LIEFDADIflHEID JEGENS DEN NAASTE.

13. Het Goddelijke, dat van den Heer uitgaat, wordt in den Hemel hot Goddelij k-Ware genoemd, op later te verklaren gronden. Dit Goddelij k-Ware vlooit den Hemel toe uit de Goddelijke Liefde des Heeren. Do Goddelijke liefde en het Goddelij k-Ware, dat er uit voortkomt, kunnen worden vergeleken met het vuur van de Zon on hot licht, hetwelk daaruit straalt; de liefde, met hot vuur van de Zou, en het Ware dat er uit voortkomt met hot licht, dat uit dit vuur straalt; ook krachtens overeenstemming betookont Vuur de Liefde, en Licht het Ware, t dat uit de Liefde voortkomt.

t. In het Woord beteokent Vuur de Liefde in Leiderlei beteekenis; no. 934, 4906, 5215. Het lieilige en Hemelsche vuur beteekent de Goddelijke liefde, en elke neiging, die tot deze liefde behoort; no. 934, fi314, 6832. Het licht daaruit beteekent het Ware, dat uit het goede der liefde voortkomt, en het licht in den Hemel het Goddelij k-Ware; nos. 3395, 3485, 3636, 3643, 3903, 4302, 4413, 4415, 9548, 0984.

10

11 —1H

ocr page 55

TIET OOTmELT.TKE TIES HEEREN IX DEX HEMEL. 14, 15

Hieruit kan men dus ziou, wat het Goildelijk-Ware is, dat uit de Goddelijke liefde des Ileeren voortkomt; namelijk, dat het in Zijn wezen het Goddel ij k-Goede is, verbonden met het Goddelij k-Ware; en daar het aldus vereenigd is, bezielt het al de dingen des Hemels, gelijk de met het licht verbonden zonnewarmte in lente en zomer alle deelen van het aardrijk vruchtbaar maakt. Is echter de warmte niet met het licht verbonden, of is het licht koud, dan verstijft alles en ligt kwijnend neder. Het Goddelijk-Goede, dat niet de warmte vergeleken werd, is het goede der liefde bij de Engelen, en het Goddelijk-AVare, dat met liet licht vergeleken werd, is dat, waardoor en waaruit het goede der liefde ontstaat.

14. liet Goddelijke in den Hemel, dat den Hemel uitmaakt, is liefde, daar de liefde een geestelijke verbintenis is. Zij verbindt de Engelen met den Heer, en verbindt hen ook onderling, ja zjj verbindt ze zóó, dat zij allen als 't ware één zijn voor liet oog des Heeren. Daarenboven is de liefde het eigenlijke wezen (Esse) van een ieders leven, waardoor bij de Engelen en ook bij den mensch het leven uit de liefde vloeit; dat uit de liefde de innerlijke levenskracht (vitale) van den mensch ontstaat, kan een ieder weten, die nadenkt; want door hare tegenwoordigheid wordt zij opgewekt, door hare afwezigheid verkoelt zij en door hare geheele gemis sterft zij.quot; Men wete echter, dat bij een ieder het leven is als zijne liefde.

15. Er zijn tweeërlei verschillende soorten van liefde in den Hemel: eenc liefde tot den Heer en eene liefde jegens den naaste; in den binnensten of derden Hemel is de liefde tot den lieer en in den tweeden of midfeisten Hemel is de liefde jegens den naaste; beide gaan van den Heer uit en beide maken den Hemel. Hoe beide soorten van liefde verschillen en hoe zij zich met elkander verbinden, wordt in den Hemel zeer duidelijk waargenomen, daarentegen slechts duister in deze wereld; in den Hemel wordt onder „den Heer liefhebbenquot; niet verstaan. Hem volgens zijn persoon

u. De liefde is liet vuur des levens, en het eigenlijke leven stamt er van af; nos. 4SI00, 5071, 0032, 3614.

11

ocr page 56

HEMEL EN HEL.

liefhebben, doch hot goede liefhebben, dat uit Fiom ia; en het goede liefhebben beteekent iiet quot;foodc uit liefde willen en doen; en onder „den naaste liefhebbenquot; wordt niet verstaan, liem volgens zijn persoon liefhebben, doch liet ware liefhebben, dat uit het Woord is, en het ware liefhebben beteekent, het ware willen en doen; liipruit blijkt duidelijk, dat deze beide soorten van liefde verschillen als het Goede van het W ire, en dat zij zicii vereenigen als het Goede met het Ware.® Doch de mcnsch, die niet weet, wat liefde, wat goedheid en wat de naaste is, kan zich dit moeielijk voorstellen. v

1G. Ik sprak eenige malen niet Engelen hierover, die hunne verwondering er over uitspraken, dat de menschen der Kerk niet weten, dat den Heer liefhebben en den naaste liefhebben is, liet Goede en Ware liefhebbeu, en het krachtens den wil te doen, terwijl zij toch kunnen weten, dat ieder zjjne liefde jegens een ander betoont door te willen en te doen, wat de ander wil, en dat hij zoodoende weder bemind en met hem verbonden wordt, en niet daardoor, dat hij hem bemint en toch zijnen wil niet doet, wat eigenlijk is hem niet beminnen; ook dit kunnen zij weten, dat het van den Heer uitgaande Goede zijn evenbeeld is, dewijl Hij-zelf in dit goede is, en dat alleen zjj Zijn evenbeeld worden en met hem verbonden worden, die het Goede en Ware tot deel huns levens maken door het te willen en te doen ; willen is ook beminnen te doen. Dat dit zoo is, leert ook de Heer in Zijn Woord, waar Hij zegt:

„Die Mijne gebod en heeft, en d ezel re doet, die is het, die Mij liefheeft; en Ik zal hem liefhebben en ironin;/ bij hein rntil-en.quot;

x. Den Heer en den naaste liefhebben, wil zeggen naar de geboden des Ileeren te luvcn; mos. 10143, 10153, 10310, 10578, 10048.

ij. Den Naaste liefhebben, is niet den persoon liefhebben, doch datgene bij hem, waardoor hij zich zelve is; dus het ware en het goede: Nos. 5028, 10330. Zijquot;, die den persoon liefhebben en niet dat, wat bij hem is en waardoor hij is, hebben gelijkerwijze het booze en het goede lief. No. 3820. Liefdadigheid is de waarheid liefhebben, en door de waarheid opgewekt worden om der waarheid wille ; nos. 3870, 3877. De liefdadigheid jegens den naaste bestaat in het doen van wat goed, rechtvaardig en recht is in ieder werk en in iederen werkkring; nos. 8120, 8121, 8122.

12

10

ocr page 57

HET GOmiKI.I.TKE DES HEEREN IX DEN HEMEL.

Joh. XIV : 21, 23, cn verder: „Indien Gij Mijne geboden bc-iraart, zoo znlf gij in Mijne liefde blijven.quot; Juli. XA ; 10, 12.

17. Dat liet van den Heer uitgaande Goddelijke, hetwelk de Engelen aandoet, en den Hemel maakt, liefde is, wordt door alle ondervinding in den Hemel bewezen; want allen, die zich daar bevinden, zijn uitdrukkingen of vormen van liefde on liefdadigheid; zij verschijnen in onuitsprekelijke schoonheid; en liefde straalt uit hun gelaat, uit hunne rede en uit iedere bijzon lerheid huns levens. s Daarenboven bestaan er geestelijke sferen des levens, die uit iederen Engel en uit iederen geest voortkomen en hen omgeven, waardoor zjj dikwijls op aanmerkeljjken afstand worden herkend, ten opzichte van den aard der neigingen, die limine liefde toebehooren; want deze sferen vloeien voort uit het leven der neigingen, en uit de gedachten daaruit voortkomende, of uit hot leven der Liefde (gt;11 d;quot;s (leloofs, dat daaruit bij een ieder voortkomt: de sferen (stroomingen), die uit de Kngelen voortkomen, zjjn zoo vol liefile, dat zij do kern des levens treffen van hen, die met hen zijn; zij werden eenige malen door mjj waargenomen en deden mij zoodanig aan.quot; Dat liet de liefde is, waaraan de Engelen hun leven ontleenon, werd ook daaruit helder, dat in het andere leven ieder zich tot zijne liefde wendt: zij, die in liefde tot den Meer en in naastenliefde vorkeoren, wenden zich bostendig tot den lieer; zjj echter, die zich zelve liefde toedragen, wenden zich voortdurend van den Heer af; dit heeft bij elke wen linu; van hun lichaam plaats; want in het andere leven bestaat ruimte alleen in verband met de toestanden van het inwendige van den bewoner; evenzoo de hemelstreken, welke hier niet (ten opzichte van hunne ligging) zijn vastgesteld, zooals dat in de wereld is, doch die worden bepaald, naarmate de richting van het gelaat van den bewoner is: evenwel zijn het niet de Engelen, die zich uaa:- den

z. Do Engelen zijn de verpersoonlijldngen der liefde en der liefdadigheid: hos. I-iSIU, 473quot;), IT'.IV, 4!(S5, .quot;iliHI, 'i'iSO, SüVil, 1UIT7.

lt;1. Uit ieder inenseh. (leest en Engel, ontspringt een geestelijke stroom (spliaera), die de levensstroom is en die voortbeweegt en hen omringt; nos. 44()4, iilTü. 74rgt;4, 7li:gt;U. Deze sfeer vloeit voort nil het leven van hunne neiging en daardoor nit het leven van hun denken: nos. 24811, 44G4,

18

17

ocr page 58

HEMEL EN HEL.

Hoer wenden, maar liet is de Heer, die hen tot Zich wendt, die gaarne doen, wat uit Hem is. 6 Doch hierover later meer, waar dan over de Hemelstreken in het andere leven zal gesproken worden.

18. Het Groddclijke van den Heer in den Hemel is liefde, daar de liefde de vergaderplaats van alle dingen des Hemels is, als Vrede, Doorzicht, Wijsheid en Zaligheid; want de liefde neemt alles en elke zaak, die met haar overeenkomt, in zich op, zij verlangt er naar, zoekt hot op en neemt het gereedelijk in zich op; want zij wil voortdurend daardoor verrijkt en volmaakt worden ;c hetgeen ook den mensch bekend is, want bij hem bespeurt en neemt de liefde in de dingen van zijn gedachten, alles wat met haar overeenstemt, verzamelt dit, en schikt dit i;i zich en onder zich; in zich, opdat het haar eigen zij, en onder zich, opdat hot haar diene; hot overige editor, dat niet met haar overeenstemt, werpt zij uit en verwijdert zij. Dat in de liefde allo macht woont, om do mot haar overeenstemmende Waarheden in zich op te nomen, en het verlangen ze mot zich te verbinden, was ook duidelijk waar tc nemen bij hen, die in don Hemel verheven werden; ofschoon dezen op aarde eenvoudig waren, geraakten. zij toch tot de wijsheid der Engelen en tot de Zaligheden des Hemels, zoodra zij onder de engelen kwamen; en wol daarom, dat zij het goede en het ware om der goedheid en der waarlioidswille liefgehad, en iu hun leven ingeplant hadden, en daardoor bekwaam geworden waren den Hemel met al zijn onuitsprekelijke heerlijkheid in zich op te nemen. Zij daarentegen, die in do liefde voor zich zelve en voor de wereld zijn, zijn niet bekwaam hot ware en hot goede in zich op te nemen; zij hebben er een weerzin in, verworpen het, en ontvliedon hot bij do eerste aanraking of invloeiïng,

h. De geesten en de Engelen wenden zicli voortdurend naar hunne liefde, en zij, die in den Hemel zijn, voortdurend naar den Heer; mos. 10130, 10189, 10420, 10702. De hemelstreken zijn in het andere leven voor een ieder, volgens het uitzicht (de richting) van zijn gelaat, en daardoor anders bepaald dan in de wereld; nos. 1013O, 10180, 10420, 10702.

c. In de liefde zijn ontelbare dingen: want de liefde neemt in zich op alle dingen, welke met haar innig zijn : nos. 540, 550, 1300, 1301, 1302, 10130, 10723.

18

14

ocr page 59

HET GODDELIJKE DES HEEREN IX DEN HEMEL. 19, 20

on sluiten zich in de Hel aan bij hen die in dezelfde soort van liefde verkeeren. Er waren geesten die twijfelden, of zulke dingen in de Hemelsche liefde waren, en verlangden te weten, of dat zoo was; daarom werden zij, met tijdelijke terzijdestelling der beletselen, in den toestand van Hemelsche liefde verplaatst en op een zekeren afstand naar voren gebracht, waar de Engelenhemel was, en van waaruit zij met mij spraken en vertelden, dat zij cene Zaligheid gevoelden inniger, dan met woorden kon worden uitgedrukt, waarom zij zeer betreurden tot hun vorigen toestand te moeten terug-keeren. Ook anderen werden in den Piemel verheven en naarmate zij meer innerlijk of hooger werden verheven, kwamen zij ook tot doorzicht en wijsheid, zoodat zij alle dingen begrijpen konden, die hen vroeger onbegrijpelijk waren. Hieruit blijkt, dat de van den lieer uitgaande liefde de vergaar-plaats is des Hemels en van allo dingen daarin.

1!). Dat de liefde tot den Heer en do liefde jegens den naaste alle Groddelijke waarheden in zich sluiten, kan blijken uit hetgeon de Heer zelf van deze beide soorten der liefde gezegd heeft, toen hij sprak: „Gij zult liefhebben meen God, met geheel uw hart, en met (jeheel uwe ziel; dit is het eerste en het grootste gebod; het tweede, urm dit gelijk, is, dat gij uwen naaste zult lief hébhen als u zelve: aan deze twee geboden hangt de geheele wet en de Profeten.quot; Math. XXIl; 37, 38, 39, 40. De wet eu de Profeten zijn het geheele Woord, alsmede al het öoddelij k-Waro.

1)K HEMEL IS IN TWEE RIJKEN VERDEELD.

20. Daar in den Hemel oneindige menigvuldigheden zijn, en hot eene gezelschap niet aan het andere, ja niet eens do eene Engel aan don ander gelijk is,'' wordt de Hemel in hot

d. Er bestaat een oneincligc menigvuldigheiil en nergens is iets «relieel gelijk aan iets anders. Nos. 728G, 1)002. Ook in de Hemelen is een oneindige menigvuldigheid: nos. ()S4, (55)0, 3744, 5508, 7236. De menigvuldigheden des Hemels zijn menigvuldigheden van het goede; nos. 3744, 4005, 7230. 7833, 7836, 9002. Daardoor zijn alle gezelsehappen in de Hemelen en alle Engelen in een gezelsehap van elkander onderscheiden: nos. lt;gt;!)(), 3241. 3519, 3804, 3986, 4lt;)(gt;7, 414!», 4263, 723(5, 7833. 783(5. Zij maken echter allen één uit door de liefde des Heeren; nos. 457, 398(5.

15

ocr page 60

HEMEL E\ HET.

algemeen, in liet bijzonder eu in liet enkelvoudige onderscheiden: in liet algemeen in twee rijken, in het bijzonder iu drie Hemelen en in het enkelvoudige in ontelbare gezel-sjhippen; van elk dezer zal, in hetgeen nu volgt, sprake zijn.

Rijken heeten ze, omdat de Hemel hot rijk Gods genoemd wordt.

21. Er zijn Engelen, die het van den Heer uitgaande Goddelijke meer innerlijk, en zulken, die liet minder innerlijk opnemen; die het meer innerlijk opnemen, heeten lle-melsche Engelen; die liet echter minder innerlijk opnemen, Geestelijke Engelen; vandaar, dat do Hamel in twee rijken wordt onderscheiden, waarvan het eene het Hemehche rijk, het andere het Geestelijke rijk wordt genoemd. «

22. De Engelen, die het Hemelsche rijk uitmaken, worden, daar zij liet Goddeljjke des Heeren meer innerlijk opnemen, innerlijke en hoogere Engelen genoemd: en dientengevolge worden ook de Hemelen, die uit hen bestaan, innerlijke en hoogere Hemelen genoemd, ƒ Zij heeten hoogere en lagere Hemelen, omdat het innerlijke en liet uiterlijke zoo genoemd wordt.!'

2:5. De liefde, waarin zij verkeeren, die zich in het Hemelsche rijk ophouden, heet de Hemelsche liefde; en de liefde, waarin zij verkeeren, die in het Geestelijke rijk zijn, heet de Geestelijke liefde; do Hemelsche liefde is de liefde tot den Heer, en de Geestelijke liefde is de liefdadigheid jegens den naaste. En daar al het goede tot de liefde behoort, want wat iemand liefheeft, is voor hem het goede, daarom heet ook het goede van het eene rijk het Hemelsche goede en dat van het andere het Geestelijk goede.

Hieruit blijkt, hoe deze beide rijken van elkaar verschillen,

c. De Hemel wonlt in zijn geheel ondersclleiden in twee rijken, in een Hein el sch rijk en in een Geestelijk rijk: nos. 3887, 4138. De Engelen van het Hemelsche rijk nemen liet (luddelijke van den Heer dj» in het gebied van den Wil, en daardoor innerlijker dan de geestelijke Engelen, die het opnemen in het gebied van bet verstand ; nos. 5113, (gt;367, 8521, 9935,1)5)5)5, 10124.

ƒ. De Hemelen, die het Hemelsehe rijk uitmaken, heeten de hoogere, die echter bet Geestelijke rijk vormen, heeten de lagere; no. 100(58.

fj. Het innerlijke wordt door bet hoogere uitgedrukt, en bet hoogere be-teekent bet innerlijke; nos. 2148, 3084, 451)9, 5140, 8325.

10

21—23

ocr page 61

DE HEMEL IS IX TWEE RIJKEN VERDEELD. 24, 25

namelijk als hot jjocilo lt;lor liefde tot den l[ocr on hot goede dor liefdadigheid jegens don naaste,h on daar hot eorstgc-noemdo goede moor innerlijk good en die liefde moer innerlijke liefde is, zijn ook do llomelsche Engelen inncrljjko Engelen, on worden zo do hoogeron genaamd.

24. Hot Homolscho rijk heet ook het priesterlijke rijk dos 1 loeren, en in hot Woord Zijne woning, en het gooste-lijke rijk heet Zijn Koninklijk rijk, on in het Woord Zijn troon; volgens het Goddolijk-homolscho werd do Heer ook op aarde Jezus genoemd, en volgens hot Goddelij k-goestoljj ke Christus.

25. Do Engelen in hot lloinelsche rijk des Hoeren, overtroffen verre do I'higolon die in het goestolijkc rijk zijn door wijsheid en lieorlijkhoid, en wol, omdat zjj hot (roddoljjke van don Hoor inniger opnemen; want zij zijn in liefde tot Hem en daardoor nader en nauwer mot Hem verbondon.' Deze Engelen zijn zoo, omdat zij de Goddelijke waarheden dadelijk in hot leven opgenomen hebben en opnemen, en niet zooals do geestelijke Engelen, na voorafgaand hor-inneren en denken; daarom hebben zij ze in hunne harten gegrift, en zij gevoelen en zien ze om zoo te zeggen in zich zelve, en houden ook goene rodeneoring (ratiociuantnr), of hot zoo of anders zou zijn; zjj worden aldus boschrovon in Jeromia:

Ik zul mijne iref In hiuuicii i/ccxf (fcroi, m Iiikii' in hun hurt Hchri/ren; niet meer zal IchhiikI zijn rriend, inifh IciikiikI zijn hroeder leeren, ze'i'ji'ndc: crlccii f .Jehorn; zij ziillc/i Mij erkennen ran den kieinsfe derzelren tof aan den grootsie derzelren.

h. liet goede van liet lleiuelscbe rijk is het goe«le lt;ler liefde tut lt;len Heer, eu het goede van liet geestelijke rijk is het goede der liefdadigheid jegens den naaste: nos. IHJSo, ilOS.'l.

i. De Henielsehe Kngelen staan in wijsheid onmetelijk hoog hoven de geestelijke Kngelen; nns. quot;JTIS. !ll)!);quot;gt;. Welk onderscheid er hestaat tnssehen de Henielsehe en de geestelijke Kngelen: ims. 2t)S,s, 2000, 270S,

.'5240, 7488, 70(58, 8521, 0277, 102!)'),

!:. De Henielsehe Enirelen honden nininier heschonwingen (ratioeinantur) over de geloofwaardigheden, daar zij deze in zich waarnemen (pereiimmt), de geeestelijke laigelen honden er echter heschonwingen over of het zoo of niet zoo is; nns. 202. .,».quot;gt;7. öl 1quot;), 0o7. 781. 1121. 1384, 1;»!I8' 1010, 3240, 4448, 7080, 7877, 8780, 0277, 10780.

ocr page 62

HEMEL EX HEL.

XXXI : 33, 34. En bij Jesaja heetcn zij „door Jehova onderwezen,quot; LIV : 13; dat de door Jehova ondenvezcnen de door den Heer onderwezencn zijn, leert de Heer zelf in Johannes, kap. VI : 45, 46.

26. Er werd ^eze^d, dat zjj in wijsheid en heerlijkheid boven de anderen staan, daar zij de Goddelijke Waarheden dadelijk in hot leven opnemen; zoodra zij deze namelijk lioo-ren, willen en doen zij ze ook, zonder ze eerst in hun geheugen te brengen en dan na te denken, of liet werkelijk waarheden zijn; die zoo gesteld zijn, weten aanstonds dooiden invloed van den Heer, of liet ware dat zij hooren, waar is; want de invloed van den Heer is onmiddellijk iu het willen van den mensch en middellijk door het willen in zijn denken; of wat hetzelfde is, de invloed van den Heer is onmiddellijk in hot goede en middellijk door het goede in het ware;' want hetgeen tot den wil en uit dezen tot de daad behoort, heet liet goede; daarentegen wordt liet ware genoemd, hetgeen aan het geheugen en daaruit aan het denken behoort; ook wordt al het ware in goed veranderd en in de liefde ingeplant, zoodra het in den wil wordt opgenomen; zoo lang echter het ware alleen in het gehangen en daaruit iu het denken is, wordt het geen goed, leeft niet en wordt den mensch niet toegeëigend, daar de mensch mensch is krachtens den wil en het verstand daaruit, en niet krachtens het verstand, afgescheiden van den wil.»quot;

27. Daar een zoodanig onderscheid bestaat tusschen de Engelen van het Hemelsche rijk en de Engelen van het geestelijke rijk, zijn zij niet bij elkaar eu hebben ook geen om-

I. De invloeiïng des Hceren liceft iplaats in liet goede en door liet goede in liet ware en niet omgekeerd, alsook in den ivil en door dezen in bet verstand, en niet omgekeerd; nos. 0482. öfi-Ut, 0027, .SdS'i. S701, 1(115:1

m. De wil van den menseh is liet eigenlijke wezen (Esse) van zijn leven en ook de vergaar]ilaats van het goede der liefde; liet verstand is liet te voorschijn treden (Existere) van het leven daaruit, en de vergaarplaats van het ware en het goede des geloofs; nos. 30111, 5002, igt;2S2. Het wilsleven is het hoofdleven van den mensch, en het verstandsleven komt daaruit voort; nos. 585, 590, 3619, 7352, 8885, 9282, 10076, 10109, 10110. Alleen datgene, wat in den wil wordt oiigenonien, wordt bestanddeel des levens en den menseh toegeëigend; nos. 3161, 9380, 9393. De menseh is mensch krachtens den wil en het verstand daaruit; nos. 8911, 9069, 9071, 10076,

26, 27

18

ocr page 63

de m:.mi:i. is ix twkk ki.ikkx vkkdkei.d.

gang met elkander; er lieeft alleen een gemeensclmp ])l!xats door de tussehen in staande Engelgezelscliappeu, die de gees-teljjk-Hemelschen (coelestes spiritnales) heeten: door deze vloeit liet Hemelsche rjjk in liet geestelijke;quot; daardoor komt het, dat do Hemel, ofsclioon liij in twee rijken is verdeeld, toch een enkele uitmaakt. De Heer voorziet ook steeds in zulke bemiddelende Engelen, door welke eene gemeeiiscluip en verbinding plaats lieeft.

28. Daar in liet vervolg over de Engelen van het eene en van het andere rijk breedvoerig wordt gehandeld, zullen wij de bijzonderheden hier voorbijgaan.

ER ZI.IX DUIK UKMKI.KX.

29. Er zijn drie Hemelen, en deze zijn onder elkander volledig gescheiden; de binnenste of derde, de middelste ot' tweede, en de onderste of eerste; zij volgen op elkander en bestaan onder elkander als het bovenste deel van den mensch, dat het hoofd heet, zijn middelste deed, daquot; het lijf is, en het onderste, dat de voeten zijn; en evenals het boven- het midden- en het onderdeel van een huis, zoo is er ook eene volgorde in het .Goddelijke, dat van den lieer uitgant eu nederdaalt; daardoor is dus tengevolge van de noodzakelijkheid van orde de Hemel in drie doelen gedeeld.

30. Het inwendige (interiora) van den mensch, dat van zijn gemoed (Mentis) en zijn karakter (Animi), is in gelijke orde; hij heeft een biimnnste, een middelste en een laatste (ultimuin); want in den mensch werden bij zijne ...•hepping, alle trappen der goddelijke orde gelegd, zoodat hij de goddelijke orde in vorm en daardoor tot een 1 lemel in miniatuur

10109, 10110. Todorcen wordt ook door jmdcrcn bemind en ^(üiclit, wunnocr hij goed wil en «rocd verstaat: vcrwnrjuMi en j;eriiiir jrearht wonlt daarontcgcn liij. die goed verstaat en niet goed wil; nos. SDll. 1007(5. De menscli hlijft ook na den dood, /ooals /.ijn wil en daaruit zijn verstand is. en wat in liet verstand en niet tegelijkertijd in den wil is, verdwijnt alsdan omdat het niet in den menscli is; nos. JKM). 1)071, i)2S2. OoSO. lolö.'».

n. Tusselien twee rijken bestaat een gemeenselia]» en eetie verbinding «loor Kngelge/.elselia|»igt;en die geestelijk-llemelscbe bceten; nos. 4017. S7S7,

8802. Over den invloed des lleeren door bet llemelscbc rijk iii jict (Jeeste-lijke; nos. 3900, (MJO.

19

28—30

ocr page 64

HEM KL EN HEL.

(cffigie) werd;0 daarom staat do monsch ook in gemeenschap mot de Hemelen volgens zijn inwendige; en komt hij na zijn dood ook onder de Engelen, en wel onder de Engelen van den binnensten Hemel, of onder die van den middelsten ot' laatsten Hemel, naarmate zijn opnemen van het God-delijk-Goede en Ware vim den Heer, zoolang hij op aarde leeft.

31. Het Goddelijke, dat van den Heer invloeit en in den derden of binnensten Hemel wordt opgenomen, heet liet He-melsche, en dientengevolge worden de Engelen, die bier zijn, Henielsche Engelen genoemd; het Goddelijke, dat van den Heer uitgaat en in den middelsten Hemel opgenomen wordt, heet liet Geesteljjke, en daardoor do Engelen, die hier zijn, gcestoljjko Engelen; het (loddelijke echter, dat van den Heer invloeit en in den ondersten of eersten Hemel wordt opgenomen, heef liet Xatuurljjko; daar echter het natuurlijke van dezen Hemel niet is zooals hot natuurlijke der wereld, doch het Geestelijke en Heinelsche in zich heeft, zoo heet deze Hemel de geestelijk- en hemelsch-natuurijjko (Spi-rituales et Coolostes naturales)./' Geestelijk-natuurlijke (Siiiri-tuales naturales) heeten zij die den invloed uit den middelsten of tweeden Hemel, die de geestelijke Hemel is, opnemen; licinelsch-uatuurlijke (Coeles naturales) echter zij, die den invloed uit den derdon of binnensten liemel, die de hemel-sclie Hemel is, opnemen. De geestelijk-natuurlijke en de

o. In den inensoh zijn nlle trai)pen der goddelijke orde gelogd, en de incnseh is van de Schepping af de ( Joddelijke orde Ix-Iicluiamd: nos. -I'J 1 4222, -1223, 452P», 4ó24, Ó114, Ó3GS, 6013, GOóT, 6605, (®, lOlóO, 10472.

lgt;ij den nienscli is zijn innerlijke inenseh naar liet beeld des Hemels vu de uiterlijke nienscli na:ir het heeld der wereld gevormd: daarom werd de meusch door de Ouden de kleine wereld (microcosmus) genoemd; nos, 4.quot;)23, 5368, 0013, 6(157. 1)27!gt;. I)7n6, Inl56, 10472. Zoo is de mensch van de Schepping alquot; volgens zijn inwendige een Hemel in den kleinsten vorm naar het evenbeeld van den grootsten, en zoodanig is ook de mensch. die opnieuw geschapen ol' wedergeboren is door den lieer; nos. 911. PMIO, 11)2S, 3624 tot 3631, 3631, 38S4, 4041, 4279, 4523, 4524, 4625, 6013, 6057. 9271), 9632.

p. Kr zijn drie Hemelen, een binnenste, een middelste en een buitenste, of een derde, een tweede en een eerste; nos. 684, 9594, 10270. lt;gt;ok vuigt het goede, daarin in drievondige trapsgewijze afdaling: nos. 493.S, 1939. 0992, 10005, 10017. Het goede van den binnensten of derden Kemel heet het Hemelsche, dat van den middelsten of tweeden Hemel het geestelijke, en het goede van den ondersten of eersten, het geestclijk-natnnrlijke (spiri-tuale nalurale); nos. 1279, 4286, 4938, 4939, 9992, 10005. 10017, 10068.

20

31

ocr page 65

EI! ZI.TN DRIE HEMELEN.

hemelsch-natuurlij ko En^olou /jj n vanolkaai'ondersclioiden,maar niakon toch (V'ii 11 cmel uit, daar zij op ccu cu den zelfden trap staan.

;52. Ju i ede ren Hemel is een iu\vendiigt;; en een uitwendig; die in hot inwendige zijn, lieeten daar inwendige Engelen, die echter in het uitwendige zijn, lieeten daar uitwendige Engelen, liet inwendige cu liet nitweudige in de llemelen of in eiken Hemel staan in verhouding als het willende (Vo-luntarium) hij den mensch tot het verstandige (liitcllecruale): het inwendige als het willende cu het uitwendige als het verstandige daaruit; al het willende heeft zijn verstandige, het een zonder het ander bestaat uiet; het willende staat vergelijkenderwijze tof her verstandige als de vlam tot het licht daaruit.

iW. Het is nuttig op te merken, dut het inwendige (inte-riora) hij de Engelen den Hemel bepaalt, in welken zij zijn; want hoe meer het inwendige jegens den Heer ontsloten is, in des re inwendiger Hemel zij zijn. Drie trappen van het inwendige bestaan er hij een ieder, zoowel hij den Engel als hij den geest, alsook hij den mensch; zij, wien de derde graad ontsloten is, zijn in den binnensten Hemel; zij, wien de tweede of slechts de eerste graad ontsloten is, zijn in den middelsten of in den uitersten Hemel. Het inwendige wordt ontsloten door het opnemen van het Grod-delijk-goede of liet Groddelijk-ware; zij, die door de Goddelijke waarbeden worden aaiiijeilaau, en ze onmiddellijk in het leven, dat is, in den wil en uir dezen in het doen opnemen, zijn in den binnensten of derden Hemel, cu zijn hier, naarmate het opnemen van het goede door de genegenheid voor het ware is; zij, die ze echter niet aanstonds in den wil, doch in het geheugen en van daaruit in het verstand opnemen, en ze hieruit willen en doen, zijn iu den middelsten of tweeden Hemel; die echter zedelijk leven en het Goddelijke gelooven, zonder zich zoo zeer te bekommeren, om onderricht te worden, zjju in den ondersten of eersten Hemel.1/ Hieruit

q. Kr zijn evenveel graden des levens in den mensi-li, als er Hemelen zijn, en zij worden ontsloien na ren dood, naarmate zijn leven was; nos. 3747, 1)51)4. De Hemel is in den menseh: no. 3SS4. Vandaar, dat hij, die op aarde den Hemel in zieh opgenomen heeft, na zijn dood in dén Hemel komt. Xo. 10717.

21

S2,

ocr page 66

11 KM ET. K.N 1IKI.

kan blijken, dat de toestand van het iiuvondige den Hemel maakt, en dat de Hemel binnen een ieder is, en niet buiten hom, wat ook de l[oor leert, als Hjj zegt: „het rijk (toi/s komt niet zoo, dat het kan irordeu imiiryeHonieii, noch zul men zef/tjen: ziet hier of ziet i/uar.' trant ziet, het rijk (locls is binnen utleden.quot; Luk. XVIl : 20, 21.

34. Ook neemt allo volkomenheid naar binnen toe, en naar buiten af, daar het inwendige nader tot het Goddelijke en in zich zelf reiner is, het uitwendige echter verder van het Goddelijke en in zich zelf grover is.Der Engelen volkomenheid bestaat in het doorzicht, in de wijsheid, in de liefde en in al het goede, en in de gelukzaligheid daaruit; echter niet in eene gelukzaligheid zonder deze; want de gelukzaligheid zonder deze is uiterlijk en niet innerlijk. Daar het inwendige bij de Engelen van den binnensten Hemel in den derden graad ontsloten is, zoo overtreft hunne volkomenheid in oneindige mate de volkomenheid der Engelen in den middelsten Hemel, wier inwendige in den tweeden graad is ontsloten; in gelijke mate overtreft de volkomenheid der Engelen in den middelsten Hemel die van do Engelen van den laat-sten 1 lemel.

35. Daar zulk een onderscheid bestaat, kan geen Engel van den oenen Hemel overgaan tot Engelen van den anderen Hemel, of kan er niemand uit een lageren Hemel opstijgen, noch iemand uit een hoogeren Hemel afdalen; die uit een lageren Hemel opstijgt, wordt door een aan smart grenzende bangheid aangegrepen en kan hen, die zich daar bevinden, niet zien, noch minder met hen spreken; en die uit een hoogeren Hemel afdaalt, wordt van zijn wijsheid beroofd, stottert in zijn spreken en geraakt tot vertwjjfeling. Er waren eenigen uit den ondersten Hemel, die nog niet ouderwezen waren, dat de Hemel in hot inwendige van deu Engel bestaat, en

r. Het inwendige is volmaakter, daar liet meer nabij lu-t (Inddelijke is; nos. 3405, 014(5, ólöT. In het inwendige zijn duizend en nog eens duizenden dingen, die in het uitwendige als een algemeens iets verschijnen; no. 5707. In zooverre de menseh van het uitwendige naar het inwendige toe verheven wordt, in zooverre komt hij in het lieht en zoomede in het doorzieht, en die verheffing is als uit eenen nevel in de helderheid; nes. 4598, 0183, G313.

o o

34, 35

ocr page 67

Kit ZI.IX DRIE JIKMELEX.

ilio geloofden dat zij in de hoogere Hemelsche zaligheid zouden komen, zoodra zij slechts in den Hemel waren, waar dergelijke Engelen zijn; het werd hun ook toegestaan daar in te gaan; toen zij echter daar waren, zagen zij niemand, hoezeer zij ook zochten, ofschoon een groote menigte aanwezig was; want het inwendige der aankomelingen was niet in denzelfden graad ontsloten als hot inwendige der daar aanwezige Engelen, vandaar ook hun gezicht niet, en spoedig daarna werden zij door zulk een doodsangst overvallen, dat zij nauwelijks wisten, of zij leefden of niet; waarom zij zich snel iu den Hemel begaven, waaruit zij gekomen waren en zich verheugden weder bij de hunnen te zijn; zij beloofden niet meer naar hooger te verlangen dan met hun leven overeenstemde. Ik zag ook zulken, die uit een hoogeren Hemel nedergelaten en van hun wijsheid zoo zeer beroofd werden, dat zij niet wisten van welke soort hun Hemel was. Anders geschiedt het, als de Heer den een of ander uit een lageren Hemel in een hoogeren verheft, opdat hij de heerlijkheid daar kan aanschouwen, hetgeen dikwijls het geval is; dan wordt hij eerst voorbereid eu met tusschen in staande Engelen omringd, door welke een gemeenschap plaats vindt. Hieruit blijkt, dat de drie Hemelen van elkander geheel onderscheiden zijn.

36. Die echter in eenen zelfden Hemel zijn, kunnen met allen cu met een ieder daarin omgang hebben, hoewel het genot van den omgang afhangt van hunne genegenheid voor het goede, waarin zij verkeeren; doch hierover in de volgende paragrafen.

37. Doch, ofschoon de Engelen zoo gescheiden zijn, dat de Engelen van den eenen Hemel geen verkeer kunnen hebben met do Engelen van de andere Hemelen, verbindt toch de Heer alle Hemelen door een oumiddellijken en een middellijken invloed; door een onmiddellijk-c.n invloed uit zich zeiven iu alle Hemelen, en door een middellijken invloed van den eenen Hemel in den anderen;-' en zoo bewerkt Hij

s. De imioeiïng des Heereu geschiedt onmiddellijk uit den Heer cn ouk onmiddellijk van den eenen Hemel in don anderen, en bij den mcnsch op

30, 37

23

ocr page 68

HEMEL EN HEL.

dat de drie Hemelen één zijn, en allo in verbinding staan van den eersten tot don laatsten, zoodat er niets zonder verband (in connexum) bestaat; wat niet door tusschen-leden niet een Eerste samenhangt, bestaat ook niet, doch lost zich op en wordt niets. 1

38. Wie niet weet, iioe het gelegen is met de Goddelijke orde ten opzichte der graden, (gradus) kan ook niet begrijpen op welke wijze de Hemelen onderscheiden zijn, ja niet eens, wat de innerlijke (Internus) en de uiterlijke mcmch (Externus homo) is. Ue meesten op aarde hebben van liet inwendige en van het uitwendige, of van liet hoogere en van liet lagere, geen ander begrip dan van iets dat voortgaat of samenhangt door voortgang van liet meest reine tot aan het meest grove; maar het inwendige (interiora) en het uitwendige (exteriora) vormen met elkaar niet een samenhangende graad, doch een gebroken graad. Er zijn twee soorten van graden (gradus), samenhangende en gebroken graden: de samenhangende graden zijn ais de graden van het afnemen van liet licht van vlamhelderheid tot duister; of als de graden van het afnemen van liet gezicht om voorwerpen waar te nemen, die in liet licht zjjn tot aan dezulke, die in de schaduw zijn; of als de graden der reinheid der dampkringen van de onderste laag af tot de bovenste; do afstanden bepalen deze graden. Daarentegen zijn de niet samenhangende, doch gebroken graden van elkaar gescheiden als hot vroegere en het latere, als do oorzaak en de werking, en als hot te voorschijn brengen en het te voorschijn gebrachte; hjj die onderzoekt, zal zien, dat in alle zaken der wereld, zoowel in 't algemeen als in 't bijzonder, welke zij ook zijn, zulke graden van voortbrenging en samenstelling zijn, dat namelijk van hot eene het andere komt on van liet andere

gelijke wijze in zijn inwendige. Nos. 6063, 6307, 0472, 0082, 0083.

Over de onmiddellijke invloeiïng van bet Goddelijke uit den lieer. Xos. 0058, 0474, 0478, 8717, 8728. Over de middellijke invloeiïng van de geestelijke wereld in de natuurlijke. Xos. 4007. 6982, 0085, 0006.

t. Alles ontstaat uit dingen, die vroeger bestonden, bijgevolg van een Eerste, en zij bestaan ojgt; dezelfde wijze, daar bet bestaan een voortdurend ontstaan is, en daarom bestaat er ook niets zonder verband. Xos. 3620, 3027, 3628, 3648, 4523, 4524, 0040, 0056.

24

38

ocr page 69

ER ZIJN DRIK HEMELEN.

hot derde, en zoo voort. Die zicli geen begrip van doze graden maakt, kan ook volstrekt niet het onderscheid der Hemelen herkennen, evenmin als het onderscheid van de inwendige en de uitwendige vermogens des menschen, noch het onderscheid tusschen de geestelijke wereld en de natuurlijke wereld, noch het onderscheid tusschen den geest des menschen en zijn lichaam; en juist daardoor kan hij ook niet inzien, wat en vanwaar de overeenstemmingen en de voorstellingen zijn, noch wat iuvloeiing is; de zinnelijke menschen begrijpen deze ouderscheidingen niet, want zij maken toenemingen en afnemingen volgens deze gebroken graden, ook tot samenhangende; vandaar, dat /.ij zich het geestelijke niet anders denken kunnen dan als reiner natuurlijk; waarom zij dan ook buiten en ver van het doorzicht staan. quot;

39. Ten laatste mag nog een gelieim omtrent de Engelen dei-drie Hemelen worden bekend gemaakt, dat vroeger niemand in den zin kwam, daar men de graden niet begreep; dat namelijk bij iedereu Engel en ook bij ieder menscli een innerlijke of hoogste graad of een zeker innerlijks en voortreffelijks is, waarin het Goddelijke des Hoeren het eerst en liet naast invloeit, en van waaruit het alle overige inwendige dingen, die daarop volgen, schikt, volgens de graden der orde. Dit binnenste of iioogste kan den ingang des Heeren tot den Engel en tot den menscli, en Zijne eigenlijke woning bij hen genoemd worden. Door ilit binnenste of hoogste (graad) isde menscli menscli, en wordt Iwj van de dieren onderscheiden, want die hebben dit niet; daardoor kan de mensch, anders dan de dieren, volgens al zijn inwendige, dat het gebied van zijn intellectueelen en natuurlijken geest is, door den Heer tot zich verheven worden, in Hem gelooveu, tot liefde jegens Hem

ti. De innerlijke en uiterlijke dingen (interiora en exteriora) zijn niet be-stendig sanienlianircnde (eontinna), doch volgens de graden gescheiden en afgezonderd (distineta et discreta) en iedere graad is begrensd: nos. 3691, 5114, 5145, soo:?. 100119. Het eeno is uit liet andere gevormd, en wat zoo gevormd is, is niet in bestemligon samenliang hetzij reiner of grover nos. 0320, 04:03. Igt;ie de afscheiding van de innerlijke en van de uiterlijke dingen, volgens zulke graden niet inziet, kan ook den innerlijken en den uiterlijken mensch en evenmin den innerlijken eu den uiterlijken Hemel begrijpen; nos. 5HG, 0405, 10099, 10131.

23

39

ocr page 70

HEMEL EX HEL.

opgewekt worden, en zoo Hem zien, en kan hij doorzicht en wijsheid in zich opnemen en spreken door verstand; daardoor komt liet ook, dat lijj eeuwig voortleeft. Wat echter in dit binnenste is in orde gebracht en voorzien door den Heer, vloeit niet duidelijk in het bewustzijn van een enkelen Engel, daar het boven zijn denken staat en zijn wijsheid overtreft.

40. Dit is nu het algemeeue over de drie Hemelen; in hetgeen volgt zal echter over eiken Hemel in het bijzonder sprake zijn.

DE HKMELEX BESTAAN UIT OXTEEBARE OEZELSCHAITEN.

41. De Engelen van eiken Hemel zijn niet alle op eenzelfde plaats bijeen, doch iu grootere en kleinere gezelschappen verdeeld, al naar het onderscheid van het goede der liefde en van het geloof waarin zjj zijn; die in hetzelfde goede zjjn, vormen een gezelschap; het goede in de Hemelen is in oneindige menigvuldigheiil; en ieder Engel is als het goede in hem. x

42. De Engelverecnigingen in de Hemelen zjjn ook van elkander verwijderd, al naarmate het goede in het algemeen en in het bijzondere verschilt; want de afstanden in de geestelijke wereld stammen uit geen anderen oorsprong dan uit de verscheidenheid van den toestand van het inwendige, bijgevolg in dc Hemelen uit de verscheidenheid van de toestanden der liefde; die zeer van elkander verschillen, zijn ver

x. Kr bestaat een oneindige menigvuldigheid en nergens is iets volkomen gelijk aan wat anders; nos. 7236, 9002. Ook in de Hemelen is een oneindige menigvuldigheid: nos. 084, 690, 3744, 5598, 7230. J)e menigvuldigheden in de Hemelen, die oneindig zijn, zijn menigvuldigheden van het goede; nos. 3744, 4005, 7236, 7833, 7830, 1)002. Deze menigvuldigheden ontstaan door de waarheden. die velerlei zijn en naar welke het goede van een ieder zich vormt; nos. 3470, 3804, 4140, 6917, 7230. Dientengevolge zijn alle gezelschappen in de Hemelen van elkander, en ieder afzonderlijke Engel in een gezelschap van anderen onderscheiden;' nos. 690, 3241, 3519, 3804, 3986, 4007, 4149, 4203, 7236, 7833, 7830. Doch alle werken als één te zamen door de liefde uit den TTccr; nos. 457, 3986,

2(i

40—42

ocr page 71

or: IIKMI0f,EX BESTAAX TIT ON TKMiAKK GEZELSCHAPPEN. 4.°) 40

van elkander verwijderd, die \vciiiilt;!; verscliillen zijn minder van elkander verwijderd; de gelijkheid maakt dat zij Igt;ij elkander zijn. n

4i5. Alle (elkeen) in een gezelschap zijn lt;111 gelijke wijze van elkander onderscheiden; die volkomener zijn, dat wil zeggen, die vooraan staan in liet goede, en daardoor in liefde, wijs-lieid en doorzicht, zjjn in het midden; die minder uitblinken, zjjn er om heen, op een afstand naarmate de graden van geringer volkomenheid; het gaat daarmede als met het licht, dat uit liet midden naar den omtrek afneemt; die in het midden zjjn, zjjn ook in liet grootste licht, die naar den omtrok in steeds minder en minder licht.

44. Cfelijken worden als van zelf tot gelijken gevoerd, want zij zijn bij gelijken als onder de hunnen en als thuis, bij anderen echter als onder vreemden en als buitenshuis; zijn zij bij gelijken dan verkeeren ze ook iu hunne vrijheid en daarmede in al het aangename des levens.

45. Hieruit blijkt, dat het goede alle Engelen in den Hemel bijeenvoegt, en dat zij zich onderscheiden, al naar de gesteldheid daarvan: nochtans zijn het niet de Engelen, die zich zoo bijeenvoegen, doch het is de Heer van Wien het goede komt; lljj leidt ze, verbindt ze, scheidt ze af en behoudt ze in de vrijheid en evenzeer in het goede; derhalve iedereen in het leven zijner liefde, zijns geloofs, zijns door-zichts en zjjner wijsheid, en bijgevolg in de zaligheid. ~

4U. Allen, die in hetzelfde goede zijn, kennen elkander, geheel zooals de menschen op aarde hunne verwanten, hun

y. Alle gc^scliai'pcn des iremels hebben een vaste plaats, al naar de versehilleii in den levenstoestand, alsook naar de versehillen in de liefde en in bet geloof; nos. 1274, 1(131). Wonderlijke dingen in bet andere leven of

in de geestelijke wereld, betrelVendt' den afstand, de ligging, de plaats, de ruimte en den tijd; no. 127.') tot 1247.

Alle vrijheid behoort tot de liefde en de genegenbeid, da:.r de menscb, betgeen bij bemint ook met vrijbeid doet; nos. 2S70, 3158, 8087, 891)0, 0585, 1)501. Daar in de vrijbeid gesebiedt, wat nil de liefde komt (liber.um est qnod est amoris), zoo ontslaat daaruit voor een ieder bet leven en zijn lust; no. 2873. Niets versebijnt als eigen, dat niet uit de vrijbeid ontspruit; no. 2880. De eigenlijke vrijbeid is, door den Heer te worden geleid daar men zoo door de liefde voor het goede en het ware geleid wordt; nos. 802, 005. 2872, 2S8G, 2800, 2801, 2802, 0000, 0586 tot 0501.

21

ocr page 72

HEMEL EX IIET-.

maagschap on luinuc vrienden kennen, ofschoon zij elkander nooit vroeger gezien hebben; en dit daarom, omdat in liet andere leven geen andere verwantschap, maagschap of vriendschap bestaat dan geestelijke, derhalve die van de liefde en van het geloof.quot; Jht werd mij eenige malen te zien gegeven, wanneer ik in den geest, alzoo vrij van het lichaam, en zoo in omgang met Engelen was; dan zag ik er eenige, die mij als quot;r ware van mijn kindsheid af bekend waren, andere echter die mjj geheel onbekend schenen; zij, die mij als van kindsbeen af bekend schenen, waren dezulke, die in een toestand verkeerden aan mijn geest gelijk; zij, die mij echter onbekend schenen, waren dezulke, die in een ongeljjken toestand verkeerden.

47. Allen, die een en dezelfde Engelvereeniging vormen, hebben een zelfde aangezicht in her algemeen, doch niet in het bijzonder; hoe liet met de gelijkheden in het algemeen en met de verscheidenheden in het bijzonder gelegen is, kan eenigermate uit dergelijke gelijkheiden verscheidenheid op aarde worden afgeleid. Het is bekend, dat ieder volk een gemeenschappelijke gelijkheid in liet gelaat en in de oogen heeft, waaraan het herkend en van een ander volk onderscheitien wordt, en moer nog de eene familie van de andere; maar dit vertoont zich nog veel volkomener in de Hemelen, omdat daar alle inwendige aandoeningen op het gelaat verschijnen en daaruit schitteren; want het gelaat is daar de uiterlijke en voorstellende vorm der aandoeningen; in den Hemel is het niet mogelijk een ander gelaat te hebben dan dat zijner aandoeningen. Het werd mij ook aangetoond, hoe do gemoenschappelijke gelijkvormigheid zich iu een bijzondere verandert bij de enkelen in een en hetzelfde gezelschap; er was een gelaat, dat mij verscheen als van een Engel, en dit veranderde naar de neigingen van het goede en hot ware, zooals die bij hen waren, die zich in een zelfde gozelachap bevonden; deze voran-

a. Alle imhestaaiulen (proximitates), verwantsehappen (co^iiationes), maag-sehappen en om zoo te zeggen, bloedverwantscliappen staininen in lt;len Hemel van het goede af, en staan in verhouding tot de overeenstemmingen en verseheidenheden van het goede; nos. 085, 1)17, 131)4, 273Ü, 3612, 8815, 4121.

28

47

ocr page 73

DE HEMELEN BESTAAN UIT ONTELBARE GEZELSCHAPPEN. 48, 49

(leringen duurden lang, en ik bemerkte, dat desniettegenstaande hetzelfde gelaat in liet algemeen als de grondvorm bleef, en dat de overigen slechts afleidingen en voortplantingen er van waren. Zoo werden mjj ook door dit gelaat de neigingen van het gcheele gezelschap getoond, door welke de aangezichten van hen, die zich daarin bevonden, werden veranderd; want do Engelgezichten zijn, zooals boven gezegd werd, voorstellingen van hun innerlijk, alzoo voorstellingen der neigingen, die met hunne liefde en met hun geloof samenhangen.

4.S. Daardoor komt hot ook, dat een Engel, die door zijn wijsheid uitmunt, aanstonds in bot aangezicht van een an-deren Engel ziet, wat bij is; daar kan niemand door do uitdrukking van zijn gelaat bet inwendige verbergen en een schijn aannemen, en hot is bepaald onmogelijk om te liegen en re bedriegen door list en iuiicbelarij. liet gebeurt wel eens, dat in de ge^elscliMppvu hnicbebiars binnensluipen, die geloerd bobben bun innerlijk fo verbergen en bun uiterlijk zoo te wijzigen, dar bet zich vertoont in den vorm van het goede, waarin zij zijn, die tot het gezelschap bebooren, en zich zoo valscheljjk als Engelen van bot licht voordoen; doch zij kunnen daar niet lang vorwjjlen, want zij beginnen innerlijk beangst en gekweld te worden, doodelijke bleekheid bedekt bun gelaat, en zij worden als van ademhaling beroofd; zoo worden zij veranderd tengevolge van het tegenovergestelde leven, dat invloeit en inwerkt; daarom storten zjj zich snol in de Kei, waar huns gelijken zijn, en trachten zij niet meer op te stijgen ; zij worden bedoeld met don monsch, die onder de aan tafel liggenden en genoodigden zonder bruiloftskleed gevonden, en in de buitenste duisternis uitgeworpen werd. Math. \N.11:11 en volg.

4!). Alle gezelschappen des Memels staan nier elkaar in ge-mconschap niet door open verkeer, (want weinige gaan uit hun gezelschap in een ander over, daar het uittreden uit een gezelschap zooveel is ;ils het uittreden uit zich zelve en uitzijn leven en liet overgaan in een ander leven dat minder past),

maar zij st.ian all • in gemeenschap door de uitgebreidheid ■gt;lt;)

ocr page 74

11KMEL EN IlEL.

der steer (sphaerae), die van ieders leven uitgaat; do levenssfeer is de sfeer der neigingen, die tot de liefde en tot liet geloof behooren; deze verspreidt zich rondom in de gezelschappen in de lengte en in de breedte, en wel verder en verder, naarmate de neigingen meer innerlijk en volkomen zjjn;'' naar do mate dezer uitbreiding hebben de Engelen doorzicht en wijsheid; die in don binnensten Memel en wol in hot midden daarvan zijn, hebben een uitbreiding in den ganschon Ifemel: van daar hooft oen gemeenschap plaats van allen in den Hemel met een ieder on van ieder met allen. '■

Doch over doze uitbreiding zal later nog vollediger gehandeld worden, wanneer er sprake zal zjjn van don Hemel-schon vorm, naar welken do I'jngelgezelschap|ien geordend zjjn, en ook van do wijsheid en het doorzicht der Engelen; want alle uitbreiding der neigingen en dor gedachten heeft naar dezen vorm plaats.

50. Boven werd gezegd, dat in do Hemelen grootero en kleinere gezelschappen waren; do grooteron bestaan uit mv-riaden, do kloineren uir oonige duizenden, en do kleinsten uit eonigo honderden Engelen: er zijn er ook die eenzaam wonen, on evenzoo, die in afzonder!ijko huizon of in afzon-dorljjke familiën wonen; deze, ofschoon zoo afgezonderd lovend, zijn toch op dezelfde wijze geordend, ills in de gezelschappen, namelijk dat hunne wjjzeren in hot midden, en de oonvondigen aan de grenzen zjjn; zij zjjn nader onder do goddeljjke bescherming van den Hoer. en do bosten onder do Engelen.

h. T'it eiken menseli, uit eiken geest en Kngel vloeit een geestelijke stroo-ininir. welke do U'vcnsstnxuninij: is, en lion (nn.irccft; nos. 44(54, 5171), SfJoO. Zij sfiNMnnr uit het leven liimner neiging en van Imn denken; nos. 24S!), 44114, (»200. Deze srrouniiniren verspreiden zieli ver wejr in de l^n^el-üce/.el-seliappen al naar de Iioedanigheid en de lioeveellieid van her goede; nos. (m!)S tot ooi;;. SII0;{, 8794, 871)7.

c. In de Hemelen is een iremeen-cliap van alle góederen, daar de Hemel-sehe liefde al het Hare met een ander deelt: nos. rgt;40, quot;gt;50, 1 )(l, loül. l.'JOO, 10] 30, 10723.

HO

50

ocr page 75

51, 52

IEDER AFZOXDEKLIJK GEZELSCHAP IS EEN HEMEL IX KLE1XEUEX VORM, EN IEDER AFZONDERLIJKE ENGEL IS HET IN DEN KLEINSTEN VORM.

51. Ieder afzonderlijk gezelschap is een Hcmol in kleineren vorm, en iedere afzonderlijke Engel is het in den kleinsten vorm, daar 't liet goede der liefde en des geloofs is, dat den Hemel maakt, en dit goede in ieder gezelschap des Hemels en in iederen Engel van het gezelschap is; het doet er weinig toe, dat dit goede overal verschillend is en afwisselt, het is toch het goede des Hemels; het verschil bestaar alleen hierin, dat de Hemel hier zus en daar zoo is. Daarom zegt men, als iemand tot een gezelschap des 1 lemels opgeheven wordt; hij komt in den Hemel; en van hen, die daar zijn, dat zo in den Hemel zijn, en een ieder in don zijnen; dir weten allen, die in hot andere leven zijn; daarom zeggen ook zij, welke buiten of onder den Hemel staan, en uir de verte daar heen zien, waar verzamelingen van Kngolen zijn : de Hemel is hier of daar. Het is daarmede vergelijkendcr wijze gesteld als met de gouverneurs, kamerheeren en dienaren in een koninklijk paleis of aan een hof; ofschoon ze alle afzonderlijk in hun woning of in hun kamer wonen, de een boven, de ander beneden, zjjn zij toch in één paleis of aan één hof om ieder in zijn ambt den koning te dienen. Hieruit is duidelijk wat verstaan wordt ouder de woorden des Hoeren: „in het hui* Mijns i'ailcrs zijn vele irovinrieH Joh. XIV: 2, en wat onder de ,, W'oxnxjcii des Ucmehquot; en onder de „Hemelm der Hcinelotquot; bij de profeten is te verstaan.

52. Dat ieder afzonderlijk gezelschap een Hemel in kleineren vorm is, kan ook daaruit opgemaakt worden, dat in ieder gezelschap een Hemelsche vorm lieerschr gelijk aan die van den ganschen Hemel; in den geheelen Hemel zjjn zij in het midden, die zich boven de overigen ouderscheiden, en daaromheen tot aan de grenzen zijn in afdalende orde de minder voortretrdijken, zooals men dat iu de voorafgaande afdeeling no. -U! aangetoond kan zien, en ook daaruit, dat de Heer allen die zich in den ganschen Hemel bevinden, leidt, alsof

Hl

ocr page 76

HEMEL EX HET..

zc één Engel waren, on gelijkerwijze ook hen, die in elk enkel gezelschap zijn; dientengevolge vorsdijjnt somtijds (quot;.mi geheel Engelgezelsehap als een Eenheid in Engelgestalte, wat mij ook door den Heer word te zien gegeven. Ook als de lieer te midden der Engelen verschjjnt, dan verschijnt Hij niet als van vele omgeven maar als alléén in Engelgestaitc; vandaar dat do Heer in het Woord de Engel lieet, en evenzoo een geheel gezelschap; Michael, (Jabriel en Raphael zijn niets anders dan Engelgezelschappen, die naar hunne verrichtingen zoo worden genoemd. ''

53. Zooals een geheel gezelschap de Hemel in kleinere gestalte is, zoo is ook de Engel een Hemel in do kleinste gestalte; want de Hemel is niet buiten den Engol, doch in hem; zijn inwendige namelijk, hot gebied van zijn gemoed, is ingericht naar den vorm des liemols alsook tot het opnemen van alle dingen des Hemels, die buiten hem zijn; hij neemt ze ook in zich op, naar de hoclanighoid van het goede, dat in hem is uit den Hoer; dientengevolge is de Engel ook oen i [emel.

54. Men kan n'oeiiszins zeggen, dat de Hemel buiten ionnuid is, wol in hem; want iedere Engel noemt, naarmate de Hemel, die in hem is, den Hemel in zich op, die buiten hem is. Hieruit blijkt, hoezeer hjj zich bedriegt, die gelooft, dat in den Hemel komen slechts is, tot de Engelen verheven te worden, hoe men ook volgens zijn inwendige leven gestold moge zijn, en dat dus de Hemel iedereen uit onmiddellijke genade gegeven wordt,'' terwijl toch, in zooverre de Hemel niet

lt;1. De lieer heet in het Woord de Knirel: nos. r»2S0. (JSol, 811)2,1)303. Ken ireheel Knjrelirezelschni» heet een Enjrel: Michael en Iviiphnel zijn Knjireljrezel-schajtpen, door hunne verrichtingen zoo irenoemd: in». 811)2. De irezelsehaj)-lgt;en des Hemels en de Kngelen hehhen geen naam, doeli «loor «Ie hoedanigheid van het goede en door het begrip, dat men van die hoedanigheid heelt, worden zij onderscheiden; nos. 1705, 1754.

6'. De Hemel wonll niet nit onmiddellijke harmhartigheid geschonken, doch naar gelang van liet leven; maar alles, wat tot het leven hehoort, en waardoor de mensch door den lieer ten Hemel wordt gevoerd, komt nit harmhartigheid, en dit is wat bedoeld wordt met harmhartigheid; nos. 5057, 10051). Werd de Hemel uit onmiddellijke harmhartigheid geschonken, dan zou hij een ieder geschonken worden: no. 24ni. Over eenige uit den Hemel geworpen hooze geesten, die geloofden, dat de llomel een ieder uit onmiddellijke barmhartigheid zou gegeven worden; no. 1220.

53, 54

32

ocr page 77

IEDER GEZELSCHAP IS EEN HEMEL IX HET KLEIN.

in iemand is, niets van den Hemel, die buiten hem is, invloeit en opgenomen wordt. Er zijn vele geesten, die in zulk eene meening verkeeren en derhalve ook wegens hun geloof in den Hemel verheven werden; daar echter hun inwendige leven tegenovergesteld was aan liet loven, waarin de Engelen waren, begon, zoodra zij daar waren, hun verstand te verblinden, zoodat zij als idioten werden en ook in hun willen zich zoo pijnlijk beperkt gevoelden, dat zij zich op 't laatst als waanzinnigen gedroegen; met één woord, zij, die een slecht leven leiden en in den Hemel geraken, snakken daar naar adem en matten zich af, evenals visschen buiten het water in den dampkring, en zijn als dieren onder luchtpompen in de ether, nadat de lucht er uit getrokken is. Hieruit kan men zien, dat de Memel binnen in en niet buiten iemand is. J

55. Daar allen den Hemel, die buiten hen is, al naar de hoedanigheid van den Hemel, die binnen in hen is, opnemen, daarom nemen zij ook op gelijke wijze den Heer op, omdat liet goddelijke van den Heer den Hemel maakt; daardoor komt het, dat de Heer, wainieer Hij zich iu een gezelschap aanwezig toont, daar verschijnt naarmate de hoedanigheid van het goede, waarin het Sezelschap is, dus niet op gelijke wijze in het eene gezelschap, als iu liet andere. Niet, alsof deze ongelijkheid in den Heer ware, doch in hen, die Hem zien uit het goede in hen, dus overeenkomstig dat goede; zij w irden ook door Zijne verschijning opgewekt al naai de hoechmigheid vim hunne liefde: die Hem het innigst liefhebben worden het innigst aangegrepen, die Hem minder liefhebben worden minder opgewekt; de boozen, die buiten den Hemel zijn, lijden pijn bij Zijne tegenwoordigheid. Wanneer de Heer in eeu gezelschap verschijnt, dan verschijnt Hij als Kngel; Hij onderscheidt zich echter van anderen door het Goddelijke, dat bjj Hem uitstraalt.

56. De Hemel is ook daar, waar men den Heer erkent, aan Hem gelooft en Hem liefheeft; de menigvuldigheid iu Zijn vereering, tengevolge van de menigvuldigheid van hei goede in het een en het andere gezelschap, brengt geen nadeel,

ƒ. !)c Hemel in ilcn meiiseli ; no. ;iSS4.

55, 56

ocr page 78

HEMEL EN HEI,.

doch voordeel, want do volkomenheid des Hemels berust daarop. Dat de volkomenheid des Hemels daarvan afhangt, kan slechts moeieljjk voor het begrip bevattelijk worden gemaakt, wanneer men niet de in de geleerde wereld gebruikelijke kunsttermen te hulp roept en door hen verklaart, hoe een volkomen eenheid uit het menigvuldige gevormd wordt. Alle eenheid ontstaat uit menigvuldigheid, want alle eenheid, die niet uit menigvuldigheid bestaat, is geen iets, hoeft geen vorm en daarom ook geen hoedanigheid; ontstaat daarentegen de eenheid uit het menigvuldige, en zijn de menigvuldige bestanddeelen in volkomen vorm, waarin elk zich bij een ander als bevriend in overeenstemming met do volgorde aansluit, dan lieoft zij een volkomen hoedanigheid. Ook de Hemel is cene eenheid, samengesteld uit menigvuldige bestanddeelen, die in den volkomensten vorm te zamen geordend zijn, want do Hemelsche Vorm ia onder allo vormen de volkomenste. Dat allo volkomenheid daarvan afstamt, blijkt uit elke schoonheid, liefelijkheid en bevalligheid, welke zoowel de zinnen als het gemoed opwekken; want zij ontstaan en komen uit niets anders dan uit het samenklinken en uit de harmonie van vele eenstemmige en overeenstemmende dingen, hetzij deze nu gelijktijdig in orde bijeen zijn, of in volgorde op elkander volgen, en niet uit eone éénheid zonder verscheidenheid van onder-deelen; daarom zegt men de verscheidenheid verlustigt, en weet men, dat het verlustigen zich als de gesteldheid dier verscheidenheid verhoudt; hieruit kan men als in den spiegel zien, vanwaar de volkomenheid uit het menigvuldige, ook in den Hemel komt; want uit de dingen, die in de natuurlijke wereld bestaan, kunnen als in den spiegel de dingen gezien worden, die in de geestelijke wereld zijn. f

57. Van de kerk kan hetzelfde gezegd worden als van den Hemel; want de kerk is de Hemel des Heeren op aarde; ook kerken zijn er vele, eu toch heet elk afzonderlijk eene kerk, en is zij ook eene kerk, inzooverre het goede der liefde

{f. Alle eenheid ontstaat nit de liannonie en de nvereenstennning van liet vele, dat in het omgekeerde «reval geen hoedanigheid heelt; no. 4rgt;7. De geheele Hemel is hierdoor een eenheid; no. 157, en dit tengevolge daarvan, dat allen in hem op een zelfde einddoel zien, hetwelk de Heer is; no. 9828.

84

57

ocr page 79

IEDER GEZELSCHAP IS EEN HEMEL IX HET KLEIN.

en dos geloofs in haar hcerscht; de Tfoor maakt ook hier uit hot menigvuldige oen eenheid, uit vele kerken dus cone. ^

Hetzelfde, dat van de kerk in het algemeen gezegd wordt, kan ook van do leden dor kork in liet bijzonder gezegd worden, dat namelijk do kork in den mensch is en niet buiten hem, en dat olk mensch een kork is, waarin de Heer tegenwoordig is in liet goede der liefde en dos goloofs. ' Mot-zelfde dat van don Engel, waarin do Hemel is, wordt gezegd, kan ook gezegd worden van den mensch, waarin de kork is, namelijk, dat lijj do kerk in de kleinste gestalte is, zooals de Engel do Hemel in do kleinste gestalte is; ja, nog meer, dat de mensch, waarin de kerk is, evenals de Engel een Hemel is; want de mensch is er toe geschapen, in don Hemel te komen on eon Engel to worden; waarom degene, die het goede van don Heer hooft, een Engelmensch is. k

Hot kan hier vermeld worden, wat de mensch met den Engel gemeen heeft, en wat hjj boven don Engel voor hooft; de niennch heeft wet den Eiu/el (jeiiieen, dat zjjn innerljjk wezen eveneens naar hot beeld ties Hemels gevormd is, en dat hij ook een evenbeeld dos Homels wordt, in zooverre hij in hot goede der liefde en des goloofs is; de niensch heeft horen den Iviifiel voor, dat zijn uiterlijk naar liet beeld der wereld gevormd is, en dat, in zoover hjj in het goede is, de wereld hij hem aan den Hemel ondergeschikt wordt, en don Hemel dient;' en

h. Indien liet goede liet kenteeken (cliaracter) en liet wezenlijke van de kerk wave, en niet liet ware zonder liet goede, dan zon de kerk iVn zijn: nos. l'JSo, loU», 2082, 3207, 3440. 3451, 3452. lt;)lt;•]lt; maken werkelijk alle kerken kraeh-tens lier goede voor den Heer één kerk uit: nos. 731Hgt;, U27(gt;.

?. De kerk is in den menseli, en niet buiten hem, en de kerk in haar geheel (in coninuini) bestaat nit «li»' inenschen. in welke de kerk is; no. 3884.

k. Zoodanige mensch, die een kerk is, is daarom een Hemel in kleinste gestalte naar het evenbeeld van den grootsten. daar zijn innerlijk wezen, het gebied van zijn gemoed, naar den vorm des Hemels, en dientengevolge tot bet opnemen van alle dingen des Hemels ingericht is: nos. !gt;I1. 1!)00, H)2S, 8G24 tot 3631, 3634, 3SS4, 4041, 427J), 4523, 4524, 4025, (»013. (5057, 0270, 0632.

I. De mensch heeft een innerlijk en een uiterlijk, en zijn innerlijk is van de Schepinng af naar het beeld «les Hemels, en zijn uiterlijk naar het beeld der wereld gevormd, en daarom werd de mensch door de onden de kleine wereld (microeosnins) genaamd: nos. 4523, 4524, 5308, 0013, 0057, 0270, 0700 10150. 10472. De mensch is derhal ve zoo geschapen, opdat bij hem de wereld den Hemel zon dienen, wat ook het geval is bij den goede; het omgekeerde heeft echter plaats bij den booze, bij wien de Hemel de wereld dient; nos. 0283, 0278.

57

35

ocr page 80

ILEMKI. ES HEL.

(lilt dan do Ileor bij hem iu beiden tegenwoordig; is als in Zijn Hemel; want Hij is bij beiden inderdaad in Zijne Goddelijke onle, daar God de orde is.

58. Eindelijk is nog op te merken, dat hij, die den Hemel in zich heeft, niet alleen den Hemel iu zijn volledigste of algemeene gestalte, doch ook in zijn geringste gestalte of bijzonderheden heeft, en dat het geringste in hem liet voliedig-digste iu evenbeeld voorstelt. Dit komt daardoor, dat een ieder zijne liefde is, en zoo geaard is, als zijne heerscheude liefde; wat heerscht, dat vloeit in 't enkele in, ordent het en drukt overal zijn beeld op. quot; In de Hemelen is de liefde tot den Heer do heerscheude, omdat aldaar de Heer boven alles bemind wordt; daardoor is do Heer aldaar alles iu allen. Hij vloeit in alleu en iu ieder in, brengt ze iu orde en bekleedt hen met Zijn evenbeeld en mankt dat de Hemel is, waar Hij is; daarom is de Engel een Hemel in den kleinsten vorm, zjin bet de gezelschappen in grooter vorm en alle gezelschappen bjjeengenoineu iu den grootsten vorm. Dat het goddelijke des Hoeren den Hemel maakt, en dat het alles iu allen is, heeft men vroeger gezien; no. 7 tot 12.

DK (i KZAMKN 1,1.1 KK 11 KM EL ALS KKN' tlKHKKL CKXOMEX STELT KKN MKXSCII VOOU.

.quot;)!». Dat de hemel in zijn gezameuljjkeu omvang een mensch voorstelt, is eeu op aarde nog niet bekend geheim ; iu de Hemelen is het echter zeer bekend; het te kennen, in

in. De lieer is de onle. daar het (Joddelijk-^oede en ware, dat van den lieer nitjraat, de orde maken; nos. 172S, 2011, 2258, 5110, 5703, 80SS,

10330, 106li). De (Joddelijke waarheden zijn «Ie wetten der orde; no. 2217, 7005. In zooverre de mensch naar de orde leeft, in zooverre hij dns in het goede is. overeenkoinstiir de (Joddelijke waarheden, in zooverre is hij menseh, en zijn in hem de kerk en de Hemel: nos. 4830, 0005, 80G7.

a. De reireerende ol' heersehende liefde is hij een ieder in alles en in elke zaak zijns levens, bijgevolg in alles en in elke zaak van zijn denken en willen; nos. 0150, 704S. sn(gt;7, 8853. De mensch is als het heerscheude zijns levens; nos. 018, 1040, irgt;08. 1571. 3570, 0571, (5034, (gt;038, 8854,8850,8857, 10070, 10100, in2S |. De liefde en liet geloof zijn, wanneer zij heerschen, in alle dingen des levens van den mensch, ofschoon hij het niet weet; nos. 8854, 8804, 8805.

58, 59

86

ocr page 81

DE HEMETi IX ZIJN GEIIEEI, GELUKT EEN' MMNSOII.

al zijne bijzonderheden is een hoofdtaak van liet doorzicht der Engelen aldaar; ook hangt daarvan veel af, dat zonder de kennis van dit geheim, als een geineensciiappelijk beginsel, niet duidelijk en helder in de denkbeelden van linn geest zou doordringen. Daar zij weten, dat alle Hemelen tegelijk met limine gezelschappen een mensch voorstellen, zoo noemen zjj ook den Heiiicl den cjrootsten en den Goddelijke)! mensch;quot; en wel daarom den Groddelijken, omdat het Goddelijke des Heeren don Hemel maakt: zie boven no. 7 tot 12.

GO. Dat do Hemelsche en de geestelijke dingen in den vorm en naar liet beeld van een mensch te zamen geordend en verbonden zijn, kunnen zjj, die van do geesteljjko en Hemelsche dingen geen goede voorstelling hebben, niet begrijpen; zij donken, dat de aardsche en stoffelijke dingen, die hot uitwendige van don mensch vormen, dezen uitinaken, en dat de mensch zonder deze geen mensch zou zijn; zij mogen edlrter weten, dat de mensch niet door die dingen mensch is, doch alleen daardoor, dat hij liet ware kan inzien en het goede kan willen ; dit is het geestelijke en het Hemelsche dat den mensch uitmaakt. De mensch weet ook, dat ieder een zoodanig mensch is als de aard van zijn verstand en zijn wil is; en ook dit kan hij weten, dat zijn aardsche lichaam gevormd is om zijn vorstand en zijn wil op aarde te dienen, en hun op gelijkvormige wijze nut te verschaffen in de onderste sferen der natuur; daarom ook doet liet lichaam niets uir zichzelve, doch wordt het met volledige inschikkelijkheid volgens do wenken van het verstand en van den wil gedreven, zoo zeer, dat de mensch alles, wat hij slechts denkt, ook met de tong en den mond spreekt, en alles, wat hij wil. ook met het lichaam en de ledematen uitvoert, zoodat het verstand en de wil het zijn, die handelen, en in het minst niet het lichaam uit zichzelve; hieruit blijkt, dat de tot het verstand en den wil behoorende dingen den mensch uitmaken, en dat deze eeno gelijke gestalte hebben, daar zij in de afzonderlijke doelen des licliaams inwerken als het

o. De Hemel verschijnt in zijn gezamenlijken omvang in de gestalte van een mensch en dientengevolge heet de Hemel de Grootste Mensch; nos. 2nPfi, 2008. 3G24 tot 3fi40. 3030 tot 3043. 3741 tot 3745. 4025,

CO

ocr page 82

HEMEL EN HEL.

innerlijke in het uiterlijke; de mensch heet daarom naar hen een innerlijk en geestelijk mensch. Zulk een mensch in de grootste en volkomenste gestalte is de Hemel.

61. Zulk een denkbeeld hebben de Engelen van den mensch; daarom letten zij nooit op hetgeen de mensch met het lichaam doet, doch op den wil, krachtens welken het lichaam werkzaam is; dezen noemen zij den eigenlijken mensch, en het verstand, in zooverre het met den wil samenwerkt. P

62. üe Engelen zien trouwens den Hemel niet in zijuge-heelen omvang in zulk eene gestalte ; want geen enkele Engel kan den geheelen Hemel overzien; wel echter zien zij somwijlen verwijderde gezelschappen, die uit vele duizenden Engelen bestaan, als één in zulk eene gestalte ; en uit het gezelschap als een gedeelte beoordeelen zjj het geheel (commune), dat de Hemel is ; want in den meest volkomen vorm is het geheel als de deelen (communia) en zijn de deelen als het geheel; het onderscheid is slechts als dat van een grooter en een kleiner evenbeeld (simile). Daarom zeggen zij, dat de geheele Hemel zoo voor de oogen des Heeren is, omdat het Goddelijke alles ziet uit het binnenste en uit het hoogste.

63. Daar de Hemel zoodanig is, wordt hij ook door den Heer als een mensch, en bijgevolg als één geregeerd, want het is bekend, dat de mensch, ofschoon uit ontelbare menigvuldigheden bestaande, zoowel in zijn geheel als in de onderdeelen, {in zijn geheel uit ledematen, organen en ingewanden, in zijn onderdeelen uit rijen van vezels, zenuwen en bloedvaten, bijgevolg uit leden in de leden, en uit deelen in de deelen) toch, wanneer hij handelt, als één handelt; van zulk een gesteldheid is ook de Hemel onder het toezicht en de leiding des Heeren.

64. Dat zoovele verschillende diugen in den mensch als

p. De wil van den mensch is het eigentlijk wezen (Esse) zijns levens, en liet verstand is het bestaan van zijn leven (Exsistere) daaruit voortkomend; nos. 3(511), 50U2, 0282. liet leven van den wil is het oorspronkelijk leven van den mensch, en het leven van het verstand komt daaruit voort; nos. 585, 590, 3619, 7342, 8885, 9282, 10076, 10109, 10110. De mensch is mensch door zijn wil, en daaruit door zijn verstand; nos. 8911, 9069, 9071, 10076, 10109, 10110.

61—64

38

ocr page 83

DE HEMEL IN ZIJN GEHEEL GELIJKT EEN MEXSCH.

G4

één samenwerken (unum agant) komt, doordat in hom niet hot geringste is, dat niet iets tot het gemeene wezen bijdraagt en nut sticht; liet algemeene sticht nut voor de deelen, en de deelen stichten nut voor liet algemeene; want het algemeene bestaat uit do deelen, en de doelen vormen hot algemeene ; vandaar dat zij voor elkander zorgen, elkander in liet oog houden en in zulk een vorm met elkander verbonden worden, dat alles en elk op het algemeene en het goede daarvan betrekking heeft. Daardoor komt het dus, dat zij als één samenwerken. Van den zelfden aard zijn de gezelschapsvormingen in de Hemelen ; zij worden daar al naar het nut, dat zij verschaffen, in gelijken vorm verbonden ; waarom dan ook dezulke, die het algemeen geen nut verschaffen, worden uitgestooten, daar zjj van vreemdsoortigen aard zijn. Xut verschaffen heet hot welzijn van anderen willen om het algemeen best wil, en geen nut verschaffen heet het welzijn van anderen willen niet om het algemeen best wil, doch om zich zelfs wille. Dezen zijn liet, die zich zelf boven alles liefhebben, genen echter zijn het, die den Heer boven alles liefhebben. Vandaar komt liet dat zij, die in den Hemel zijn, als één samenwerken, echter niet uit zich-zelve, doch uit den Heer; want zij zien op Hem als den Eenige (c/ Quo), uit wien alles voortkomt, en op Zijn rijk als hot algemeene, waarvoor men zorgen moet; dit wordt verstaan onder de woorden des Hoeren : „Zoekt eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid, en alles zal h toegevoegd worden,quot; Matth. VI: 33. De gerechtigheid van het rijk Gods zoeken, heet Zijn goedheid zoeken, 'i Die op aarde het beste van het vaderland meer liefhebben dan het hunne, en het beste van den naasten liefhebben als het hunne, zijn zij, die in het andere leven het rijk des Heeren liefhebben en zoeken; want daar is het rijk des Heeren op do plaats van het vaderland; en zij die beminnen het goede voor anderen te doen niet tor wille van zich zeiven, doch tor wille van het goede, die hebben hunne naasten

q. In het quot;Woord wordt van gerechtigheid gesproken met betrekking tot het goede, en van gericht niet betrekking tot het ware, daarom heet de gerechtigheid en het gericht doen, het goede en het ware doen ; nos. 2235, 9857,

39

ocr page 84

HEMEL EN HEL.

lief, want daar is liet goede de naasten;'- allen, die zoo geaard zijn, zijn in den Grootsten Mensch, dat is, in den Heer.

05. Daar do geheele Hemel een mensch voorstelt, en hij ook de Groddelijk-geestelijke mensch in den grootsten vorm en ook in afbeelding is, wordt de Hemel in ledematen en deelen onderscheiden, zooals de mensch, en worden deze ook op gelijke wijze benoemd: de Engelen weten ook, in welk lid liet ecne gezelschap en in welk het andere is, en zij zeggen: dit gezelschap is in een lid of in een streek van het hoofd, dat in een lid of een streek van de borst, dit in een lid of een streek van do lenden, en zoo voort. In liet algemeen vormt de hoogste of derde Heinel liet hoofd tot aan den hals; de middelste of tweede Hemel vormt de borst tot aan de lendenen en' knieën. Do onderste of eerste Hemel vormt de bcenen tot aan de voetzolen, en ook de armen tot aan de vingers, want de armen en handen zijn het uiterste (ultima) des menschen, ofschoon aan de zijde. Hieruit blijkt wederom, waarom er drie Hemelen zijn.

66. De geesten, die onder den Hemel zijn, verwonderen er zich over, wanneer zij hooren en zien, dat de Hemel zoowel onder als boven is; want zij zijn in dezelfde verbeelding en meening, waarin de menschen op aarde zijn, dat namelijk de Hemel nergens anders dan boven is, want zij weten niet dat de gesteldheid des Hemels als die van de ledematen, organen en ingewanden in den mensch is, van welke eenige boven en eenige onder liggen, en dat zij is als de gesteldheid der deelen in een lid, in een orgaan en in een ingewandsdeel, van welke eenige binnen, andere buiten zijn; vandaar dat zij omtrent den Hemel in verwarring geraken.

67. Deze dingen van den Hemel, als Grootsten Mensch, werden aangevoerd, omdat men zonder dit voorafgaande begrip, in 't geheel niet zoude begrijpen, wat nu over den

r. Dc Heer is in den lioogsteu zin de imaste, en bijgevol;; is den Heer liefhcliben zooveel als datgene liefhebben, wat van Hem is, daar in alles, wat van Hem is. Hij zelf is, en derhalve ook het goede en het ware; nos. 2422, 3419, G7O0, 671], 081!), 0823, 8123. Daardoor komt het, dat al het goede, dat van den Heer is, de naaste is, en dit goede willen en doen, den naasten liefhebben wordt genoemd; nos. 5026, 10330.

40

65—07

ocr page 85

PK HEMEL IX ZI.TX GEHEEL GELIJKT EEN MENRCH. 68, 00

Hemel volgt, noch zich een duidelijk denkbeeld zou kunnen maken van de gestalte des Hemels, van de verceniging des Heeren met den Hemel en van de vereeniging des Hemels met den menseh; ook niet van den invloed van de geestelijke wereld in do natuurlijke, on iu 't geheel niet van de overeen-steinmingen; doch hierover zal in de volgende bladzijden in volgorde gehandeld worden, en wordt alleen tot beter begrip het bovenstaande vooruit gezegd.

IEDER AFZOXDKRLT.IK fiKZKLSCH Al' IX DE HEM KI.EX HEEtfT DE GESTALTE VAX EEN MEXSeH.

68. Dat ook ieder afzonderljjk gezelschap des Hemels een meusch voorstelt, en eveneens de gestalte van een mensch heeft, werd mij meermalen te zien gegeven. Er was een gezelschap, waarin eenigen ingeslopen waren, die zich hadden weten voor te doen als Engelen des lichts; zjj waren huichelaars; toen zij door de Engelen afgescheiden werden, zag ik, dat het geheele gezelschap er eerst als een donkere massa uitzag, hierna langzamerhand als een menschelijke gestalte, echter ook donker, en ten laatste in het licht, als ecu mensch. Die in dien mensch waren en hem uitmaakten, waren zij, die iu het goede van dit gezelschap stonden; de overigen, die niet in dezen mensch waren, eu hem niet uitmaakten, waren de huichelaars; dezen werden uitgestooten, genen behouden; zoo had de afscheiding plaats. Huichelaars zijn, die goed spreken eu ook goed handelen, in alles echter zich zelve op hot oog hebben; zij spreken als de Engelen over den Heer, over den Hemel, over de liefde, over het Hemelsche leven, en doen ook goed, opdat het zou schijnen, alsof zij waren, zooals zij spreken; zij denkeu echter anders, zij gelooven niets en zijn niemand genegen, dan zich zelf; dat zij goed doen, geschiedt om luius zelfs wille; geschiedt het om een anders wil, zoo is het om den schijn eu dus eveneens om huns zelfs wille.

69. Dat een geheel Engelengezelschap, wanneer de Heer 41

ocr page 86

HEMEL EX HEL.

zich tegeuwoordig toont, als één verschijnt iu eenc nienscholijke gestalte, werd mij ook te zien gegeven; er verscheen in de hoogte tegen het oosten een van schitterend wit in het rood overgaande, en van sterretjes omgeven wolk, die nederdaalde; zij werd langzamerhand, terwijl zjj daalde, steeds lichter, en eindelijk zag men ze in volkomen menschelijke gestalte; de sterretjes rondom de wolk waren Engelen, die zoo schenen door het licht dat van den Heer uitging.

70. Men moet weten, dat, ofschoon allen, die in een gezelschap des Hs'mels zijn, tusschenbeide bjjeengenomen als een in menschelijke gestalte verschijnen, echter de mensch, die het eene gezelschap voorstelt, niet geljjk is aan dien van het andere; zij onderscheiden zich van elkaar als de menschelijke gezichten in een stam en op den/elfden grond, waarvan boven in no. 47 gesproken werd, namelijk, dat zij zich verschillend toonen, al naarmate de verschillen van het goede waarin zij zijn, en dat hun vorm verleent, in de volkomenste en schoonste menschelijke gestalte verschijnen de gezelschappen, die in den binnensten of bovensten Hemel en daar in het midden zijn.

71. Opmerkenswaardig is het, dat hoe meer er in een vereeniging des Hemels zijn, en hoe meer zij als één samenwerken, des te volkomener de menschelijke gestalte daarvan is; want de in Hemelsche vorm saamgeordende verscheidenheid maakt de volkomenheid, zooals dit boven in no. 56 is aangetoond, en de verscheidenheid bestaat, waar velen zijn. Ook neemt elk gezelschap van dag tot dag in aantal toe, en terwijl het toeneemt, wordt het volkomener; zoo wordt dus niet slechts het gezelschap meer volkomen, doch ook de Hemel .in het algemeen, daar de gezelschappen den Hemel uitmaken. Daar nu de Hemel door de toenemende menigte meer volkomen wordt, is het duidelijk, hoe zeer zij dwalen, die gelooven, dat de Hemel wegens zijn volheid zou gesloten worden, terwijl toch het tegendeel plaats vindt, namelijk, dat hij nimmer gesloten wordt, en dat de steeds grooter en groo-ter wordende volheid hem volkomener maakt; daarom verlangen de Engelen naar niets zoo vurig als naar de komst van nieuwe Engelgasten in hun midden.

70, 71

42

ocr page 87

lEDKR GEZELSCHAP STEI.T EEN MKNSf'Il VOOR.

72. [cder afzonderlijk gezolscliap, wanneer het als één verschijnt, heeft daarom de gestalte van een menseh, omdat de geheele Hemel deze gestalte heeft, zooals dat is aangetoond, en omdat in den volkomensten vorm, zooals dit de vorm des Hemels is, do deelen op liet geheel gelijken en het kleinste op het grootste; het kleinste en de deelen des Hemels zijn de gezelschappen, waaruit hij bestaat, en dat deze ook Hemelen zijn, doch in kleinere gestalte, ziet men boven, no. 51 tot 58. Zulk een doorloopende gelijkenis heeft daarom plaats, omdat in de Hemelen her goede van allen uit eene enkele liefde, bijgevolg uit een enkelen oorsprong stamt. Deze eene liefde, waaruit al het goede in hem ontspringt, is de liefde tot den Heer uit don Heer. Daardoor komt het, dat de geheele Hemel Zijn evenbeeld is in het algemeen, elk gezelschap in het minder algeuieene, en ieder Engel in het bijzondere; men zie ook, wat boven in no. 58 hierover gezegd werd.

]KI IKK KNCKK ] 1KKKT DAAROM EKNK VOKKOMENE MEXS( 1IEXOESTALÏE.

73. In de twee voorafgaande hoofdstukken werd aangetoond, dat do Hemel in zijn gezamenlijken omvang een mensch voorstelt, en zoo ook elk afzonderlijk gezelschap des Hemels; uit den samenhang der daar aangevoerde oorzaken volgt, dat ook iedere afzonderlijke Engel deze gestalte heeft; zooals de Hemel mensch is iu den grootsten vorm, en hot gezelschap des Hemels in een kleineren, zoo is de Engel het in den kleinsten vorm ; want in den volkomensten vorm, zooals dat de vorm des Hemels is, ligt een evenbeeld van het geheel in het onderdeel en van het onderdeel in het geheel. Het is hiermee zoo gesteld, omdat de Hemel een gemeenschap is; want hij deelt al het zijne met een ieder, en een ieder ontvangt uit de gemeenschap, al wat hij heeft. De Engel is een opnemingsorgaan, en bijgevolg de Hemel in de kleinste gestalte, zooals dat ook vroeger bij de behandeling van dat onderwerp werd 43

72,73

ocr page 88

HEMEL EN HEL.

aangetoond. Ook do mcnscli is, in zooverre hij den I femel in zicli opneemt, in dezelfde mate een opnemingsorgaan (recipient), een Hemel en een Engel; men zie boven no. 57. Dit wordt in de Openbaring aldus beschreven: „Hij maf de muur van het hi'ilk/e Jeruzalem, honderd vier en veert if/ ellen, de maat eens menxehen, dat is van een Engel. XXI : 17; Jeruzalem is hier de kerk des Heeren, en in hoogeren zin de Hemel;8 de muur is liet Ware, dat tegen den moedwil!igen aanval van het valsche en het kwade beschut;' de honderd vier en veertig zijn alle waarheden en al het goede in hun geheel; de maat is de hoedanigheid daarvan; vliet is de mensch, in wien dit alles in het algemeen en in het bijzonder is, en in wien bijgevolg de Hemel is; en daar ook de Engel mensch is door het goede, daarom heet hij de maat eens menschen, dat is, van een Engel. Dit is de geestelijke zin dier woorden; wie zou zonder dezen zin verstaan, dat de muren van het heilige Jeruzalem de maat eens mensehen, dat is van een Engel, zijn?2

74. Doch nu, wat do ondervinding betreft, dat de Engelen menscholjjko gestalten of menschen zijn, heb ik duizendmaal gezien, want ik sprak met hen als een mensch met een mensch, nu eens met den oenen dan weder mot meerderen iu gezelschap, en ik zag in 't geheel niets aan hen, waarin zij in gestalte met een mensch verschilden. Eeuige malen verwonderde ik mij er over dat zij zoo waren; en opdat men niet zou zeggen, dat het een vergissing of een beeld der ver-

s Jeruzalem is de kerk; nos. 402, 3054, 9166.

t. De muur is het Ware, dat tegen den aanval van de valschen en de boozen beschut; no. 6419.

x. Do twaalf zijn alle waarheden en al het goede in hun volledigheid; nos. 577, 2089, 2129, 2130, 3272, 3858, 3913. Eveneens twee en zeventig en honderd vier en veertig, daar de 144 ontstaan uit twaalf met zieh zelf vermenigvuldigd. Alle getallen in het Woord beteekenen dingen; nos. 482, 487, 047— 48, 755, 813, 1963, 1988, 2075, 2252, 3252, 4204, 4495, 5265. De veelvouden van getallen hebben dezelfde beteekenis, als de factoren waaruit zij bestaan ; nos. 5291, 5335, 5708, 7973.

ij. In het Woord beteekent de maat van iets zijne hoedanigheid ten opzichte van het goede en het ware: nos. 3104, 9603.

z. Over de geestelijke of innerlijke zin van het Woord, zie: de verklaring van Het witte Paard in de Openbaringen en het aanhangsel van het hoofdstuk over het Woord in Het Nieuwe Jeruzalem cn Zijne Ucmclrchc Leer.

74

44

ocr page 89

IEDER ENGEL IS IX VOLKOMEN MENSCHENGESTALTE. 74

bedding was, werd het mij vergund zo te zion, terwijl ik volmaakt wakker, of in het volle bezit van alle lichamelijke zintuigen en in een toestand van helder bewustzijn was. Meermalen vertelde ik lien ook, dat de menschen in de Christenheid ten opzichte der Engelen en der geesten in zulk een diepe onwetendheid verkëerdeu, dat zij geloofden, dat deze Gccstwezens (meutes) geen gestalte hadden, en bloore gedachten waren, van welke zij geen andere voorstelling hadden als van iets aeterisch, waarin levenskracht was, en daar zij beu zoo niets van den mensch toekennen dan bet vermogen om te denken, gelooven zij, dat zjj niet zien, omdat zij geen oogen hebben, niet hooren, omdat zij geen ooren hebben en niet spreken, omdat zij geen mond en geen tong hebben. Hierop zeiden de Engelen, dat zjj wisten, dat op aarde veleu dit geloof hadden en dat bet heerschte hij de geleerden, en zelfs ook, waarover zjj verwonderd waren, bij de geestelijken; zij zeiden ook, wat dc oorzaak was, namelijk, dat de geleerden, die de voorgangers waren, in het eerst zulk een voorstelling van de Engelen en de Geesten verzonnen, daarover dachten uit het zinnelijke van den uiterljjken mensch; die echter daaruit denken en niet uit het innerlijke licht en uit het algemeene denkbeeld, dat een ieder ingeplant is, moeten noodzakelijk zulke dingen verzinnen, (bi;tr het zinnelijke van den uiterljjken mensch niets anders vat, dan wat in de natuur is, en niet wat boven haar is, dus in 't geheel niets van de geesteljjke wereld. quot; Van deze voorgangers, als de leiders, ging de verkeerde voorstelling van dc Ihigelen op nuderen over, die niet uit zichzelven, doch door andereu diichten; die echter eerst door anderen dachten en dier meeningen tot hun geloof maakten, en ze vervolgens met hun verstand beschouwden, kunnen daar slechts moeielijk weer van afstappen; daarom berusten die menschen daarin en bekrachtigen ze. Verder zeiden ze, dat de eenvou-

ii. Tenzij icnunnl verheven wordt boven liet zinnelijk beginsel van den uitwendigen menseli. zal hij niet veel wijsheid leeren; no. öOSl». Maar een wijs man denkt hooger dan zinnelijke dingen; nos. 5080, 5004. Wanneer iemand boven de zinnelijke dingen verbeven wordt, komt bij in helderder liebt. en ten slotte in Hemelseb Hebt; nos. (51 S3, (gt;.quot;)13, lgt;315, 0407, !)730, 0922. Deze verbel'ling boven bet zinnelijke en bet zieb daaraan onttrekken was onder de Ouden bekend; no. G313.

45

ocr page 90

HEMEL EN HEI.

digen van geloof on van harto niot in dozc voorstelling van de Engelen deelen, doch zicli deze als de mensehen des Hemels voorstellen, en wel daarom, dat zij liet hun ingeplante, dat uit don Hemel is, niet door de geleerdheid hebben uitgedoofd en zich ook niets zonder vorm kunnen denken; vandaar, dat de Engelen in de kerken, hetzij gebeeldhouwd of geschilderd, niet anders dan als menschen worden voorgesteld. Van het ingeplante, dat uit den Hemel is, zeiden zij nog, dat dit het Groddelijke was, dat bij hen invloeit, die in het goede van liet geloof en van liet leven zjjn.

75. Volgens alle ervaring, die ik nu reeds gedurende vele jaren gehad heb, kan ik zeggen en verzekeren, dat de Engelen in hunne gestalte volledig menschen zijn, dat zij aangezicht, oogen, ooren, borst, armen, handen, voeten hebben; dat zij elkander w ederzijds zien, hooren, met elkander spreken, in één woord, dat hen hoegenaamd niets ontbreekt, wat tot den menscli behoort, dan dat zij niet niet een stoffelijk lichaam zijn bekleed; ik zag hen in hun licht, dat het middaglicht op aarde vele graden overtreft, en in dit licht onderscheidde ik alle trekken van hun gelaat meer bepaald en duidelijker dan in de gezichten der menschen op aarde. Het werd mij ook gegeven eenen Engel van den binnensten Hemel te zien: zijn aangezicht w;is schooner en schitterender dan dat van de Engelen der lagere Hemelen; ik beschouwde hem nauwkeurig, en hij had eene menschelijke gestalte in alle volmaaktheid.

7(i. Men moet echter weten, dat de Engelen door den mensch niet kunnen gezien worden door de oogen zijns lichaams, maar door de oogen van den geest, die in den mensch is,'1 daar deze geest in de geesteljjke wereld is, en alles, wat t it het lichaam behoort, in de natuurlijke wereld; gelijk ziet gelijk, op grond van de gelijkheid; bovendien is het gezichts-or^aan van het lichaam, dat het oog is, zoo grof, dat het niet eens de kleinere voorwerpen der natuur anders dan door

h. TV nicnsHi is een geest luinr zijn innerlijk wezen; nn. 15iM; en de geest n dr mensrli zelf, want liet licluiain leeft lt;lnnr den geest: hok. U7. I()22, CÖ54.

M)

75, 7()

ocr page 91

IEDER ENGE Ij IS IX VOLKOMEN MENSf'HE XOEST AI/FE.

vergrootglazen ziet, zooals ieder bekend is; nog minder dus de dingen, die boven de natuurspheren zijn, zooals dat het geval is bij allo dingen, die in de geestelijke wereld zijn; nochtans echter worden zij door den meiisch gezien, wanneer hjj is losgemaakt van het gezicht des lichaams, en hein hot gezicht zijns geestes geopend is, wat ook oogenblikkelijk geschiedt, wanneer het den Heer behaagt, dat zij ^ozion worden; en dan weet de mensch niet anders dan dat hij ze ziet met de oogen des lichaams; zoo werden de Engelen gezien door Abraham, Lot, Manoach en do profeten, zoo ook werd de Heer na do wederopstanding door de jongeren gezien; op gelijke wijze werden ook de Engelen door mij gezien. Daar de profeten zóó zagen, werden zij zieners genoemd en mannen wier oogen geopend zijn; I Sam. IK : *.), Xiun. XX.IV : 3; en te maken dat zij zoo zagen, beteekont, de oogen openen, zooals dat bij den knecht van Eliza geschiedde, van welken men aldus leest: Eliza bad en sprak: „■Ichora, open hnn toch de oogen, opdat hij zie; en toen Jehoru de oojen ran zijn knecht opende, zna hij, m zie, de benj trax ro! rit)'i(/e paarden en irayen* rondom Eliza.quot; II Kon. VI : 17.

77. Goede geesten, met wie ik ook over dit onderwerp sprak, betreurden van harte, dat zulk een onwetendheid betreffende den toestand des Hemels en der geesten en der Engelen in de kerk bestond, eu verontwaardigd zeiden zij, dat ik bepaald moest vermelden, dat zij niet geestwezens zonder vorm (mentes absque forma), noch in de lucht zwevende vormen waren (pneumata aetherea), doch menschen in volle gestalte (in effigie), eu dut zij evenzoo zien, hooren en gevoelen, als zij, die op aarde zijn.c

c. leder Kngel is een opnemer van lt;le (Middel ij ke orde. die van den Heer uitgaat, en dientengevoltre eene volkomen en sel-oone menselielijke irestaite. al naarmate de irra:id vnn zijn oj»nemen; nos. 322, 1SS0. issi, 3S04,

4022, 4735, 4797, 4085, 51 Mi», .gt;530, 0054. 9870, 10177, 1051)4. liet is door liet (Joddelij k-ware, dat de orde komt, en liet (i odd el ijk-goede is het wezenlijke der orde; nos. 2451, 3100, 4390, 4409, 5232, 7250. 10122, 10555.

77

47

ocr page 92

HEMEL EN HEL.

DE HEMEL IN /UX flEHEEL EX IX ZI.IXE OXDERDEELEX HEEFT DEN VORM VAX EEX MEXSCH DOOR HET GODDELIJK-MEXSCHELTJKE DES HEEREX.

78. Dat door het Groddclijjk-mcnsclielijke des Moeren de Hemel in zijn geheel en in /.ijne ondcrdeelcn den vorm van oen menscli heeft, volgt als resultaat uit alles, wat in de voorgaande hoofdstukken gezegd en aangetoond werd; in de voorafgaande hoofdstukken werd namelijk aangetoond: I. Dat (Je Heer de (rod des llcme/s Is; II. Dat het Croddelijke des Heereii den Hemel nidiikt; III. Dut de Memel mt oiifellxife (lezelsehiippen bestaat, m dut elk f/ezelschap een Hemel in Idel-nere (jestalte /s, en leder Kni/el een Hemel in de lilelnste (jestalte; IV. Dat de r/ezamelijke Hemel als een e/eheel genomen een menscli voorstelt; 1'. Dat ook elk gezehehaj) in den Hemel een inenseh conrstelt; 1/. Dat daarom elke Emjel een rolkomen menschnafestalt ■ heeft. Dit alles voert tot slotsom, dat het Goddelijke, omdat lief den Hemel maakt, in de mensdicljjke gestalte is. Dat dit liet Goddeijjk-mcnscholjjke des ileeren is, kan nog duidelijker worden gezien door de uittreksels uit de Hemelsche (ieheimen, die aan het eind van dit hoofdstuk zijn bijeengebracht, daar zij eene opsomming vormen van verschillende stellingen aangaande dit onderwerp.

Dat liet menschelijke des Ileeren Goddelijk is en niet, zooals men in de Kerk gelooft, alleen menscheljjk, blijkt eveneens uit deze uittreksels, evenals uit het Niemre .Jenizalein en Zijne Heinclsrhe leer, waar in het laatste gedeelte over den Heer gehandeld wordt.

79. Dat dit zoo is, is mij door veel ondervinding bewezen geworden, waarover het een en ander in hetgeen nu volgt. Alle Engelen, die iu den Hemel zijn, worden liet Goddelijke nooit in eenen an leren vorm gewaar, dan in den menschelijken; en wat verwonderlijk is, zjj, die in de bovenste Hemelen zijn, kunnen zich liet Goddelijke in het geheel niet anders denken. De noodzakelijkheid om zoo te denken is een gevolg van het Goddelijke zelve, dat invloeit, alsook van den vorm des Hemels, volgens welken hunne gedachten zich om hen iieen

78, 7!)

48

ocr page 93

BE VORM 1)1« HEMELS DOOR HET GODDEM.IK-.ME.VSCHEU.IKE. 80

verspreiion; want elke gedachte, die de Engelen hebben, wordt in den Hemel verbreid, en volgens den maatstaf dezer uitbreiding hebben zjj inzicht en wijsheid. Vandaar dat allen, die in den Hemel zijn, den Heer erkennen, omdat het God-deljjk-menscheljjke slechts in Hem bestaat. Dit werd mij niet alleen door Engelen gezegd, doch het werd mij ook gegeven dit zelt' op te merken, wanneer ik in de inwendige spheren dos Hemels verheven werd. Hieruit blijkt, dat de Engelen, naarmate zjj wijzer zijn, ook duidelijker erkennen, dat God een menschellijken vorm heeft, en daardoor komt het, dat de Heer hen verschijnt; want de Heer verschijnt in Goddelijke Engelengestalte, die de mcnscheljjke vorm is, aan hen, die erkennen en gelooven, dat het Goddelijke zichtbaar is, doch niet aan hen. die gelooven dat het onzichtbaar is; want deze kunnen hunnen God zien, gene echter niet.

«SO. Daar de Engelen geen unzichtbare Godheid, (die zjj een Godheid zonder vorm noemen) maar een zichtbare Godheid in menschelijke gestalte erkennen, is het hunne gewoonte te zeggen, dat de Heer alleen mensch is, en zjj slechts menschen zijn door Hem, en dat een ieder slechts in zooverre mensch is, als bij den Heer in zich opneemt; onder den Heer opnemen verstaan zij het goede en ware in zich opnemen, dat van Hem uitgaat, daar de Heer in /ijn goede en in Zijn ware is; dit noemen zij ook wjjsheid en doorzicht en zeggen, dat iedereen weet, dat doorzicht en w ijsheid den mensch maken, en niet het gelaat zonder deze. Dat dit zoo is, blijkt ook bjj de Engelen der binnenste Hemelen; daar deze door den Heer in het goede en het ware zijn, en hierdoor in de wijsheid en in het doorzicht, zijn zij ook in de schoonste en vol-komenste menschengestalte; de Engelen der lagere Hemelen in minder volkomen en minder schoone srestalte. .luist omlt;re-

~ O

keerd is het in de Hel: die daar zijn, verschijnen (in bet licht des Hemels beschouwd) nauwelijks als menschen, doch als monsters, want zij zijn in liet kwade en het valsche en niet in bet goede en het ware, en daardoor in het tegengestelde van de wijsheid en liet doorzicht, waarom hun leven ook geen leven heet, doch geestelijke dood.

4!» I'

ocr page 94

HEMEL EN HEL.

81. Daar de Hemel in zijn geheel en in zijne onderdee-len een mensch voorstelt, krachtens liet Goddoljjk-mensche-lijke des Heeren, zeggen de Engelen, dat zij in den Heer zijn, en eenigen voegen er bij, dat zij in Zijn lichaam zijn, waaronder zij verstaan, dat zij in het goede Zijner lietde zjjn; wat ook do Heer zelf leert, wanneer Hij zegt; „Blijft in mij, en Ik in u; gelijherwijs de ronk geen vrucht lean dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, al zoo ook gij niet, zoo gij in Mij niet blijft. Want zonder Mij kunt gij niets doe». Blijft in Mijne liefde; indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult gij in Mijne liefde blijven.quot; Joh. XV : 4—10.

S2. Daar in de Hemelen zulk een begrip (perceptio) van het Goddelijke hcerscht, zoo wordt ook iedcren mensch, die eenigen invloed uit den Hemel in zich opneemt, ingegeven, zich God onder monschelijko gestalte te denken; dit deden de ouden, dit doen ook do menschen van onzen tijd, zoo-wel buiten als binnen de Kerk; de eonvoudigen zien Hem in hunne gedachten als een oud Man in een glans van licht. Maar deze ingeving of inplanting hebben al diegenen uitgebluscht, welke de invloeiing des Hemels door eigen verstand en door het booze luiiis levens hebben verwijderd; die haar door eigen verstand hebben uitgebluscht, willen oenen onzichtbaren God; die haar echter door liet booze huns levens uitgebluscht hebben, willen geon God; geen van beiden weten zij, dat zulk een inplantsel bestaat, omdat het bij hun niet meer is, terwijl liet toch het Hemelsch-Goddelijke zelve is, dat allereerst (primario) uit den Hemel bij den mensch invloeit, daar dc mensch voor den Hemel geboren is, en niemand in den Hemel komt zonder hot denkbeeld van het Goddelijke.

83. Daardoor komt het, dat bij, die niet in het denkbeeld des Hemels is, d. w. z. niet in liet denkbeeld van het Goddelijke, waaruit de ITeniel ontstaat, niet tot den laagston trap des Hemels kan worden verheven; zoo spoedig hij daartoe nadert, ondervindt hij weerstand en sterkeu tegenstand. De reden hiervan is, dat bij hem het inwendige, dat den Hemel moest opnemen, gesloten is, daar het zich niet in den vorm des Hemels bevindt, ja zich zooveel vaster sluit, als liet nader 50

81—83

ocr page 95

DE VORM DES HEMELS DOOK IIET GODDBLIJK-MEUSCHEIJJKE. 84, 85

bjj den Hemel komt. Zulk oen lot treft die loden der Kerk, welke den Heer loochenen eu die, zooals do Socinianen, Zijne Groddeljjkheid ontkennen. Welk lot echter hen ton deel valt, dio buiten de Kerk geboren zijn, en den Tloer niet kennen, daar zij het Woord niet bezitten, zul later worden besproken.

84. Dat do ouden een denkbeeld hadden van het mensche-lijke in het Groddelijkc, blijkt uit do verschijningen van het Goddelijke aan Abraham, Lot, Jozim, (xideon. Manoach, zijne vrouw en anderen, welke, ofschoon zij God als een mensch hadden gezien, Hem toch als den God des I fecials aanbaden, terwijl zij Hem den God des Hemels en der aarde en Jehova noemden. Dat het de' Heer was, die door Abraham gezien werd, leert i[ij ous zelf in Johannes YI1I : 56; dat ook Hij het was, die den overigen verscheen, blijkt uit de woorden des Hoeren : „dut iiiennnid ooit den Vader en Zijne (jedoante gezien heeft, noch Zijne stem gehoord.quot; Joh. \ : 18, Y : 37.

85. Dat echter God mensch is, kan moeielijk door hen begrepen worden, dio alles naar het zinnelijke van den uiter-lijken mensch beoordeelen, want de zinnelijke mensch kan over het Goddeljjke niet anders denken dan volgens de wereld, en de dingen, die daarin zijn; hjj kan zich dus den Goddelijken en geestelijken mensch niet anders dan als een lichamelijken en natuurlijken mensch voorstellen. Dientengevolge besluit hij als volgt: Indien God een mensch ware, dan zou 11 ij zoo groot zjju als het Heelal, en als 11 ij den Hemel en do aarde regeerde, dan zoude Hij dit doen op de wijze der koningen up aarde: door vele personen; wanneer men hem zeide, dat in den Hemel geene uitgebreidheid der ruimte was, gelijk op aarde, zoo zou hjj dat in 't geheel niet begrijpen, want zjj, die volgens de natuur en alleen volgens haar licht denken, begrijpen volstrekt niets anders dan een uitgestrektheid, zooals die voor hunne oogen ligt; doch hoezeer vergissen dezulken zich, wanneer zij over den Hemel eveneens denken! Uitgestrektheid in den Hemel is niet zoo als uitgestrektheid op aarde; op aarde is de uitgestrektheid bepaald (determinatum) en daarom meetbaar; in den Hemel is de uitgestrektheid niet bepaald, en daarom niet meetbaar;

51

ocr page 96

HEMKL EN HEI..

doch over de uitgestrektlieid iu den Hemel zul later, wanneer over de ruimte en den tijd iu dc geestelijke wereld sprake zal zijn, verder gesproken worden.

Bovendien weet een ieder, hoe ver het gezicht van het oog zich uitstrekt, namelijk tot de zon en sterren, welke zoo ver verwijderd zijn; die dieper denkt, weet ook, dat het inwendige gezicht, dat tot dc gedaeliten behoort, zich nog verder uitstrekt en dat bijgevolg een nog meer inwendig gezicht nog verder moet reiken; wat moet dan niet hot Goddelijke gezicht zijn, dat hot allerbinnenste en liet verhevenste van alles is? Daar nu de gedachten voor zulkeene uitbreiding vatbaar zijn, worden ook alle dingen dos llemols door een ieder daarin gedeeld, bijgevolg alles wat tot het Goddelijke behoo: t, dat den Hemel maakt en vervult, zooals dat in dc voorgaande hoofdstukken werd aangetoond.

lt;S0. Engelen in den Hemel verwonderden zich, dat men-schen, die zich God denken als een onzichtbaar Wezen, d. w. z. dat Hij onder geen enkelen vorm kan worden gedacht, zich voor verstandig (intelligentis) houden, en dat zij de andersdenkenden bekrompen, ja zelfs eenvoudigen noemen, tor-wijl toch hot tegendeel de waarheid is. De Engelen zeggen: laten dezulken, die zich dus voor verstandig houden, zich zelven onderzoeken, of' zij niet in plaats van God, de natuur zien, en wel eenigen de natuur, die voor oogeu ligt, anderen de natuur in hare verborgenheid. Eu of' hunne blindheid niet zoover gaat, dat zij niot weten, wat God is, wat een Engel, wat een (feest, wat hunne ziel, die na den dood voortleeft, wat het leven des Hemels bij den mensch is, en wat vele andere zaken zijn, die tot het verstand behooren, terwijl toch de door hen zoogenoemde eenvoudigen dit alles op hunne wijze weten, want volgons hun begrip van God, is Hij het Goddelijke in menschelijke gestalte, is een Engel een Hemelsch mensch, is hunne ziel, die na hun dood voortleeft, aan een Engel gelijk, en bestaat het leven des Hemels bij den mensch, in een leven naar dc Goddeljjke geboden: daarom worden deze door de Engelen verstandig en voor den Hemel geschikt genoemd, gene in tegendeel onverstandigen geheeten.

8tj

ocr page 97

DE VORM DES HEMELS DOOR HET OODDELIJK-MENSCIÏELI.TKE.

i'lttrekskls vit dk jfciilflsclif (i'ihflimn, ovkk dkn iihku en

Zijnk Godukli.ike Mensciihkik.

Het Goddelijke was in den ITeer reeds met de ontvangenis (ex ipsa con-eeptione); nos. 4(541, 4003, 5041. 0157, (gt;710, 10125. Het Goddelijke zaad was in den Heer alleen; no. 1438. Zijne ziel was Jehova; nos. 1!)!)!), 2004, 2005, 2018, 2025. Zoo was liet binnenste van den Heer liet Goddelijke zelve, en liet onilmlsel was van de moeder; no. 5041. Het Goddelijke zelve was liet wezen (Esse) des levens van den Heer, waaruit vervolgens liet mensclielijke voortkwam, dat liet bestaan (Kxistere) nit dit wezen wérd; nos. 3104, 3210. 10200, 10372.

In de Kerk, waar bet Woord is, en door hetzelve de Heer bekend, mag bet Goddelijke des Heeren niet geloochend worden, noch het Heilige, dat nit Hem voortkomt; no. 2359. Zij, die in de Kerk den Heer niet erkennen, hebben geene verbinding met het Goddelijke. Anders is bet niet ben, die buiten de Kerk zijn; no. 10205. Het wezenlijke van de Kerk is de erkenning van het Goddelijke des Heeren en Zijne vereeniging met den Vader; nos. 10083, 10112, 10370, 10730, 10738, 10S10—20.

In bet Woord wordt op vele plaatsen over de verheerlijking des Heeren gehandeld; no. 1082S, en dit geschiedt overal in den innerlijken zin van bet Woord; nos. 2240, 2523, 3245. De Heer heeft Zijne nienschbeid verheerlijkt, en niet Zijne Godheid, daar deze door zich zelf reeds verheerlijkt was; no. 10057. De Heer kwam op aarde om Zijne nienschbeid te verheerlijken; nos. 3637, 4180, 9315. Dc Heer verheerlijkte Zijne Menscbheid door de CJoddelijke liefde, die van de ontvangenis af in Hem was; no. 4727. De liefde des Heeren tot het gelieele nienscliengeslacht was Zijn leven op aarde; no. 2253. De liefde des Heeren gaat alle nienschelijk begrip te boven; no. 2077. De Heer redde bet mensclielijke geslacht door de verheerlijking Zijner Menscbheid; nos. 4180, 10019, 10152, 10(555, 10050, 10828. Anders ware bet gelieele nienscliengeslacht in eeuwigen dood vergaan; no. 1(57(5. Over den staat van verheerlijking en over den staat der vernedering «les Heeren; nos. 1785, 1000, 2150, 0866. Verheerlijking is, wanneer van den Heer sprake is, de vereeniging van Zijne mensebbeid niet Zijne Godheid, en verheerlijken beteekent Goddelijk maken; nos. 1003, 10053, 10828. De Heer legde, toen Hij Zijne Menscbheid verheerlijkte, al bet nienschelijke van dc moeder af, totdat Hij eindelijk baar zoon niet meer was; nos. 2159, 2574, 2040, 3030, 10830.

De Zoon Gods van eeuwigheid was bet Goddelijk-ware in den Hemel; nos. 2(528, 2708, 2803. 3105, 3704. De Heer maakte, toen Hij op aarde was, ook Zijne Menscbheid tot bet Goddelijk-ware uit bet (Joddelijk-goede, dat in Hem was; nos. 2803, 3104, 3105, 3210, (571(5, (58(54, 7014, 7400. 8127, 8724, 0100. De Heer bracht alles bij zich in den Hemelschen vorm, die volgens het Goddelijk-ware is; nos. 1028, 3033. Daarom werd de Heer bet Woord genoemd, dat bet Goddelijk-ware is; nos. 2533p 2818, 2850, 2804, 3303, 3712. Alleen de Heer had gewaarwording (perceptio) en gedachte nit Zich zeiven, boven alle gewaarwording en gedachte der Kngelen: nos. 1004, 1014. 1010.

De Heer vereenigde. liet Goddelijk-ware, dat Hij zelf was, met het Godde-lijk-goede, dat in Hem was; nos. 10047, 10052, 1007(5. De vereeniging was een wederkeerige; nos. 2004, 100(57. De Heer heeft, toen Hij de aarde verliet, ook Zijn menscbheid tot bet Goddelijk-goede gemaakt; nos. 3104, 3210, 0864, 7400, 8724, 0100, 10070. Dit wordt daardoor verstaan, «lat Hij van den Vader uitging en tot den Vader terugkeerde; nos. 3104, 3210. Zoo is Hij één geworden met den Vader; nos. 2751, 3704, 4700. Na de vereeniging gaat het Goddelijk-ware van den Heer uit; nos. 3704, 3712, 3009, 4577, 5704,

53

ocr page 98

HEMEL EX HEL

8127, 8241, 0190, 9398. Hoe het Goddelijk-warc voortkomt, opgehelderd; nos. 7270, 0407. De Heer vereeiiigde door Zijne eigene kraelit liet menselie-lijke met het Goddelijke; nos. 16J6, 1749, 17ö2, 1813, 1921, 2025, 2020, 2523, 3141, 5005, 5045, 0710. Hieruit kan men zien, dat de Menschheid des Heeren niet was als het mensehelijke van een ander mensch, daar Hij uit het Goddelijke zelf ontvangen was; nos. 10125, 10820. Zijne vereeniging met den Vader, uit Wien Zijne ziel was, was niet als een vereeniging van twee, maar als eene vereeniging van ziel en lichaam; nos. 3737, 10824.

De alleroudstcn (antiquissimi) konden niet het Goddel ij k-zijn (Esse) aanbidden, doch wel het Goddelijk bestaan (Existere), dat is het Goddelijk-men-schelijke, en de Heer kwam daartoe op aarde, om het Goddelijk bestaan uit bet Goddelijk-zijn te worden; nos. 4087, 5321. De ouden (antiqui) erkenden het Goddelijke, omdat het hen in mensehelijke gestalte verscheen, en dit was het Goddelijk-menschelijke; nos. 5110, 5003, 0840, 10737. Het oneindige Zijn kon niet in den Hemel bij de Engelen, noch bij de menschen invloeien, dan door het Goddelijk-menschelijke; nos. 1010, 1990, 201G, 2034. In den Hemel wordt geene andere Goddelijkheid erkend dan het Goddelijk-menschelijke; nos. 0475, 9207, 9303, 10007, 10207. Het Goddelijk-menschelijke van Eeuwigheid was het Goddel ijk-ware in den Hemel, en het door den Hemel gaande Goddelijke, dus bet Goddelijk bestaan (Existere), dat later in den Heer tot het Goddelijk zijn door .zich zelf (per se) werd, waaruit het Goddelijk bestaan in den Hemel is; nos. 3001, 0280, 6880, 10579. Hoe de toestand des Hemels was voor de aankomst des Heeren; nos. 0371—6373. Het Goddelijke was niet merkbaar (perceptibile) dan nadat het door den Hemel gegaan was; nos. 0982, 6996, 7004.

Dc bewoners van alle werelden aanbidden het Goddelijke onder mensehelijke gestalte, dus den Heer; nos. 6700, 8541—8547, 10730—38. Zij verheugen zich, wanneer zij hooren, dat God werkelijk mensch geworden is; no. 0301. De Heer neemt allen op, die in het goede zijn en het Goddelijke onder mensehelijke gestalte aanbidden; no. 9359. Men kan zich God niet denken dan in mensehelijke gestalte en wat onbegrijpelijk (incomprehensibile) is, valt in geen voorstelling, dus ook niet in het geloof; nos. 9359, 9972. De mensch kan vereeren, hetgeen hij zich kan voorstellen, doch niet dat, waarvan hij geen voorstelling heeft; nos. 4733, 5110, 5633, 7211, 9350, 10067. Daarom wordt door de meesten op den geheelen wereldbol (in universo terrarum orbe) het Goddelijke onder mensehelijke gestalte vereerd, en dit geschiedt tengevolge van een invloed uit den Hemel; no, 10159. Allen die, wat het leven betreft, in het goede zijn, denken aan het Goddelijk-menschelijke, als zij aan den Heer denken, en niet aan het mensehelijke, gescheiden van het Goddelijke. Zij. die, wat het leven betreft, niet in het goede zijn, denken anders: nos. 2320, 4724, 4731, 4700, 8878. 9193, 9198. Zij, die heden ten dage in de Kerk volgens hun leven in het boozc zijn, en ook zij, die het Geloof van de liefdadigheid gescheiden hebben, denken aan het mensehelijke van den Heer, zonder het Goddelijke, en zij begrijpen niet, wat het Goddelijk-menschelijke is — gronden waarom; nos. 3212, 3241. 4089, 4692, 4724, 4731, 5321, 6372, 8878, 9193, 9198. Het mensehelijke des Heeren is Goddelijk, wijl het uit het zijn (Esse) des Vaders voortkwam, dat zijne ziel was, verklaard door de gelijkenis des Vaders in Zijne kinderen; nos. 10269, 10372, 10823, en daar het uit de Goddelijke liefde voortkwam, welke het eigenlijke zijn (ipsum Esse) Zijns levens was, van de ontvangenis af; no. 6872. Teder mensch is zooals zijne liefde is, en Hij is Zijne liefde; nos. 6872, 10177. 10284. De Heer heeft Zijne geheele menschheid, zoowel de innerlijke als tic uiterlijke, Goddelijk gemaakt; nos. 1003, 1815, 1902, 1920, 2083, 2803. Daarom is Hij ook met Zijn geheele lichaam opgestaan, zooals nooit met een mensch geschiedde; nos. 1729, 2083, 5078, 10825.

54

ocr page 99

DE VORM DES HEMELS DOOR TIET GODDELIJK-MENSCHEUJKE.

Dat liet monschelijke des Ileeren Goddelijk is, erkent men door Zijne alomtegenwoordigheid in liet Heilig Avondmaal; nos. 2343, 2350. En door Zijne verheerlijking voor drie Zijner discipelen; no. 3212, alsook nit het Woord van het Oude Testamen*, in de plaatsen waar hij God heet; no. 10154; en ook Jehova genoemd wordt; nos. 1003, 1736, 1815, 11)02, 2!)21, 3035, 5110, 0281, (»303, 8864, 911)4, 9315. In den letterlijken zin wordt onderscheid gemaakt tusschen den Vader en den Zoon, of tussehen Jehova en den Heer, echter niet in den inneriijken zin van het Woord, waarin de Engelen des Hemels zijn; no. 3035. Dat men in het Christendom het menschelijke des Heeren niet als Goddelijk erkende, geschiedde in de kerkvergadering om den Paus, opdat deze als plaatsvervanger des Heeren zou erkend worden; no. 3035.

De Christenen worden in het andere leven onderzocht, aangaande hunne voorstelling van den eenigen God, en men ontdekte, dat zij eene voorstelling van drie Goden hadden; nos. 2329, 5256, 10736—38, 10821. Eene drievuldigheid of eene drievuldige Goddelijkheid kan worden begrepen in één persoon, dus één enkel God, in drie personen echter niet; nos. 10738, 10821, 10824. Eene Drievuldige Goddelijkheid in den Heer, wordt in den Hemel erkend; nos. 14, 15, 1729, 2005, 5256, 9303. Het drievuldige in den Heer is het Goddelijke zelve, dat de Vader genaamd wordt, het Goddel ij k-mensche-lijke dat de Zoon, en het uitgaande Goddelijke, «lat de Heilige Geest heet, en deze drievuldige Goddelijkheid is ééne; nos. 2149. 2156, 2288, 2321, 2329, 2447. 3704, 6993, 7182, 10738, 10822—23. De Heer zelf leert, dat de Vader en Hij één zijn; nos. 1729, 2004—5, 2018, 2025, 2751. 3704. 3736. 47()(); en dat het Heilig Goddelijke van Hem uitgaat, en het Zijne is; nos. 3969, 4673, 6788, 6993, 7499, 8127, 8302, 9199, 9228—29, 9276, 9407, 9818,9820,10330.

Het Goddelijk-menschelijke vloeit den Hemel in en maakt den Hemel; no. 3038. De Heer is alles in den Hemel en is het leven des Hemels; nos. 7211, 9128. De Heer woont bij de Engelen in het Zijne; nos. 9338, 10125, 10151, 10157. Het is daardoor, dat zij. die in den Hemel zijn, in den Heer zijn; nos. 3637—38. De verbinding van den Heer met de Engelen geschiedt naar de mate hunner opname van het goede der liefde en liefdadigheid uit Hem; nos. 904, 4198, 4205, 4211, 4220, 6280, G832, 7012, 8898, 9680, 9682—83, 10106, 10811. De geheele Hemel heeft betrekking op den Heer; no. 551—52. De Heer is het gemeenschappelijke middelpunt des Hemels; no. 3633, 3641. Allen, die daar zijn, keeren zich naar den Heer, die boven de Hemelen is; nos. 9828, 10130, 10189. Doch de Engelen keeren zich niet naar den Heer, maar de Heer keert hen tot Zichzelven; no. 10189. Het is niet eene tegenwoordigheid der Engelen bij den Heer, doch eene tegenwoordigheid van den Heer bij de Engelen; no. 9415. In den Hemel bestaat geene verbinding met het Goddelijke zelve, doch met het Goddelijk-menschelijke; nos. 4211, 4724. 5633.

De Hemel is in overeenstemming met het Goddelijk-menschelijke des Heeren en daardoor is de Hemel in zijn geheel gelijk een mensch, en wordt de Hemel de Grootste Mensch genoemd; nos. 2996. 2998, 3624—49, 3741—45, 4(525. De Heer is de eenige Mensch. en alleen zij zijn menschen, die het Goddelijke van Hem opnemen; no, 1894. In zooverre zij het opnemen, zijn zij menschen en evenbeelden van Hem; no. 8547. Daarom zijn de Engelen vormen van liefde en liefdadigheid in menschelijke gestalte, en dit door den Heer; nos. 3804, 4735, 4797, 4985, 5199, 5530, 9879, 10177.

De geheele Hemel behoort den Heer: nos. 2751, 7086. Hij heeft alle macht in de Hemelen en op aarde; nos. 1607, 10089, 1082/. Daar de Heer den geheel en Hemel regeert, regeert Hij ook alles, wat daarvan afhangt, dus alles op aarde; nos. 2026—27. 4523—24. De Heer alleen heeft de macht de Hel te verwijderen, van liet kwade af te houden, en in het goede te behouden, dus te verlossen; no. 10019.

55

ocr page 100

HEMEL EN HEL.

ER BESTAAT EEN OVEREENSTEMMING VAN ALLE DEELEN DES HEMELS MET ALLE DEELEN DES MENSCHEN.

87. Wat overeenstemming (correspondentia) is, weet men heden ton dage niet; en deze onwetendheid lioot't vele oorzaken; do voornaamste is, dat de mensch zieli van don Hemel verwijderd heeft door de liefde tot zicli zeiven en tot de wereld ; want die ziehzelven en de wereld boven alles liefheeft, heeft alleen oog voor wereldlijke dingen, daar die de uiterlijke zinnen streelen en de neigingen bevredigen; de geeste-Ijjke dingen acht hij niet, daar die de innerlijke zinnen eisehen en de ziel verheugen: daarom stoot hij deze van zich af en zegt, dat zij te hoog zijn voor zijne gedachten. De ouden handelden anders: hun was de kennis der overeenstemmingen de voornaamste aller wetenschappen; door deze geraakten zij ook tot doorzicht en wijsheid; en zij, die tot de kerk behoorden, hadden ook door haar gemeenschap met den Hemel; want de wetenschap der overeenstemmingen is eene weten-schap der Engelen. De allereerste menschen (antiquissimi) die Hemelsche menschen waren, dachten als de Engelen uit de overeenstemming zelve; daarom spraken zij ook met de Engelen, en daarom verscheen hen de Heer meer malen, en onderrichtte hen. Heden ten dage is echter deze wetenschap zoo geheel verloren gegaan, dat men niet meer weet, wat overeenstemming is.'

87, 88

88. Daar nu zonder kennis van hetgeen overeenstemming is, niets omtrent de geestelijke wereld duidelijk kan worden begrepen, noch van haar invloed in de natuurlijke wereld, noch zelfs wat hot geestelijke is tegenover het natuurlijke, noch iets helders van den ^eest des menschen, dien men de ziel noemt, en van zijne inwerking op het lichaam, noch van den toestand des menschen na den dood, moet bijgevolg ge-

e. Hoe lioog de wetenscluip der overeensteiumingeii boven andere wetenselmp-pen verheven is; im. 4280. De liooiclwetenschap bij de ouden was de kennis der overeensteininin^en, beden ten dajre is zij verloren geraakt; nos. 3021, 3419, 4280, 4740, 4844, 4064—05, 6004, 7720, 10252. 15ij de volken in bet Oosten en in Egypte bloeide de wetenschap der overeensteinmingcn; nos. 5702, 6692. 7097, 7779, 9391, 10107.

5(gt;

ocr page 101

O VEREEN STEMMING VAX DEN HEMEL MET DEX MEX9CH. 89—91

zo^d worden, wat ovcreensteininin^ is, en lioe zjj is; zoodocndo wordt ook de weg gebaand voor hetgeen nog volgen moet.

89. Eerst zal dus gezegd worden, wat overeenstemming is. De gelieele natuurlijke wereld stemt overeen met de geestelijke wereld: niet alleen de natuurlijke wereld in het algemeen, doch ook in alle bijzonderheden, waarom alles, wat in de natuurlijke wereld uit de geestelijke ontstaat (existit), zjjne overeenstemming heet. Men moet weten, dat de natuurlijke wereld uit de geesteljjke wereld ontstaat en bestaat, geheel als de werking uit hare werkende oorzaak. Natuurlijke wereld heet de geheele uitgestrektheid, die onder de zon is en uit haar warmte en licht ontvangt, en tot deze wereld behoort alles, wat door haar bestaat. De geesteljjke wereld echter is de Hemel, en tot deze wereld behoort alles, wat in de Hemelen is.

S)0. Daar de mensch de Hemel en ook de aarde in kleinste gestalte is, naar het beeld van den grootste, (no. 57) is bij hem de geestelijke en de natuurlijke wereld; het inwendige, dat tot zjjn gemoed behoort en op verstand en wil betrekking heeft, maakt zijne geestelijke wereld uit; het uitwendige echter, dat tot zijn lichaam behoort en op de zintuigen en handelingen daarvan betrekking heeft, maakt zijiie natuurlijke wereld uit. Alles dus, wat in zijne natuurlijke wereld, dat wil zeggen in zijn lichaam en de zinnen en handelingen daarvan, uit zijne geestelijke wereld, dat wil/.eggen uit zijn gemoed en het verstand en den wil daarvan ontstaat, heet overeenstemming.

91. Wat overeenstemming is, kan men bij den mensch aan zijn gelaat zien; in een gelaat, dat niet geleerd heeft te veinzen, vertoonen zich alle neigingen des gemoeds in natuurlijken vorm als 't ware in afdruk; vandaar dat het aangezicht de spiegel der ziel genoemd wordt; daarin wordt de geestelijke wereld des mensehen in zjjne natuurlijke wereld gezien, en evenzoo de dingen des verstands in het gesprek, en de dingen van den wil in de bewegingen van het lichaam. Wat dus aan het lichaam geschiedt, zij het in het aangezicht, in het gesprek, in de gebaren, heet overeenstemming. 57

ocr page 102

HEMEL EN HEL.

92. Hieruit kan men ook zien, wat de innerlijke en wat de uiterlijke meuscli is; dat namelijk de innerlijke mensch is, wat de geestelijke mensch wordt genoemd, en de uiterlijke, wat de natuurlijke mensch wordt genoemd; dan ook, dat de eene van den anderen onderscheiden is als de Hemel van de aarde, alsook dat alles, wat in den uiterlijken of natuurlijken mensch geschiedt en ontstaat, van uit den innerlij ken of geestelijken mensch geschiedt en ontstaat.

93. Tot nu toe is er sprake geweest van de overeenstemming van den inwendigen of geestelijken mensch met zijn uiterlijken of natuurlijken mensch; in hetgeen nu volgt zal gehandeld worden over de overeenstemming van den geheelen Hemel met alle onderdeden van den mensch.

94. Er is aangetoond, dat de geheele Hemel een mensch voorstelt, en dat hij een mensch is in vorm en daarom ook de Grootste Mensch genoemd wordt. Er is ook aangetoond, dat dientengevolge de Engelgezelschappen, uit welke de Hemel bestaat, geregeld zijn als de ledematen, organen en ingewanden bij den mensch, zoodat er sommige zijn in het hoofd, andere in de borst of in de armen en eenige in ieder der afzonderlijke deelen daarvan (zie boven no. 59—72). De gezelschappen, die in een zeker lid aldaar verblijven, stemmen overeen met het gelijke lid bij den mensch; zoo b.v. zij, die daar in het ■ hoofd zijn, stemmen overeen met het hoofd van den mensch; die daar in de borst zijn, met de borst van den mensch; die in de armen zijn, met de armen van den mensch, en zoo voort bij de overigen. Ten gevolge van deze overeenstemming bestaat de mensch ; want de mensch heeft zijn bestaan niet anders dan door den Hemel.

95. Dat de Hemel in twee rijken verdeeld is, waarvan het eene het Hemelsche, het andere het Geestelijke rijk heet, ziet men boven in het hoofdstuk dat daarover handelt. 1 let He-niclsche rijk stemt in het algemeen overeen met het hart en met alles wat in het gansche lichaam tot het hart behoort; het Geestelijke rijk stemt overeen met de longen en met alles, wat in het geheele lichaam daartoe behoort. Het hart en de longen vormen ook twee rijken in den mensch. Het hart re-

92—95

58

ocr page 103

OVEREENSTEMMING VAX DEN HEMEL MET DEX MEXSCH. 96

geert in hem door de slagaderen en aderen, en de longen door do zenuwen en bewegingsspieren beide tezamen in elke kracht en beweging. Ieder mensch heeft ook in zijiu; geestelijke wereld, die zjjn geestelijke mensch heet, twee rijken: het eene is dat van den wil en het andere dat van het verstand. De wil regeert door de genegenheid voor het goede, het verstand door do genegenheid voor hot ware. Deze rijken stemmen overeen met de rijken van het hart en de longen in het lichaam. Evenzoo in do Hemelen: het llemelsche rijk is het willende des Hemels en daarin heerscht het goede der liefde, en hot Geestelijke rijk is het verstandige des Hemels, en daarin heerscht het ware. Deze zijn het, die overeenstemmen met de verrichtingen van het hart en de longen in den mensch. Het is volgens deze overeenstemming, dat het hart in het Woord de wil en ook het goede der liefde be-teekent en het ademhalen der longen hot verstand eu het ware van het geloof. Daardoor komt het ook, dat aan het hart geneigdheden toegeschreven worden, ofschoon die daarin niet zijn en daaruit niet komen./

90. De overeenstemming der twee rijken des Hemels met het hart en de longen is de algemeene overeenstemming van den Hemel met den mensch; maar er bestaat eene meer bi-zondere overeenstemming met zijne afzonderlijke ledematen, organen en ingewanden; en hoe die is, zal nu worden medegedeeld. Zij, die in den Grootsten Mensch, dat is in den Hemel, in het hoofd verkeeren, zijn meer dan anderen in al het goede; want zij zijn in liefde, vrede, onschuld, wijsheid, doorzicht en bijgevolg in de vreugde en in de zaligheid. Deze vloeien in het hoofd en in alle dingen, die bij den mensch

ƒ. Over de overeenstemmingen van liet hart en dp longen met den Groot-sten Mensch, die de Memel is, uit ondervinding; nos. 3883—90. liet hart stemt overeen met hen, die in het llemelsche rijk zijn, en de huigen met hen, die in het Geestelijke rijk zijn; nos. 3885—87. In den Hemel is een polsslag, zooals die van het hart. en een ademhaling als die der longen, maar beide zijn innerlijk; nos. 3S84—85, 3887. De polsslag van het hart is daar veranderlijk naar mate de toestanden der liefde zijn, en het ademhalen naar mate de toestanden der liefdadigheid en des geloofs; ros. 388G—87, 3889. Het hart is in het Woord de wil, dus uit het hart wil zeggen uit den Wil; nos. 2930, 7542, 8910, 9113, 1033(5. Het hart beteekent in het Woord ook de liefde, dus uit het hart is zooveel als uit de liefde; nos. 7542, 9050, 10336.

59

ocr page 104

HEMEL EX UEL.

tot het hoofd behooron, en stemmen daarmede overeen. Zjj, die in den Grootsten Mensch, dat is in den Hemel, zich in de borst bevinden, zjjn in hot goede der liefdadigheid en dos geloofs, en vloeien ook in do borst des menschen in, en stemmen daarmede overeen. Zij, die in don Groots ton Mensch, of in den Hemel in do lendenen en in de geslachtsorganen verkeeren, zijn in de huwelijksliefde. Die zich in de voeten bovindon, zijn in liet laagste goede des Hemels, dat het natuurlijk-geestelijke goede boet. Die in de armen en bandon vertoeven, zijn in de macht van het ware uit bet goede. Die in de oogen verkeeren, zijn in verstand. Die in do ooren vertoeven, zijn in opmorkzaamheid en gehoorzaamheid. Die in den neus zjjn, in gewaarwording. Die in den mond en in de tong zijn, in welbespraaktheid (in sermocinatione) uit het verstand en de gewaarwording. Die in de nieren zijn, in het ware, dat onderzoekt, onderscheidt en terechtwijst. Die in de lever, darmklieron en milt zijn, in veelvuldige reiniging van hot goede en het ware, en zoo voort bij de overige deolou. Zjj vloeien in do gelijke doelen des menschen in en stemmen daarmede overeen. Do invloeiing dos Hemels gaat over in do verrichtingen (functiones) en hot nut (usus) dor ledematen, on daar het nut uit do geestelijke wereld stamt, vormt het zich door middel van die dingen, welke in de natuurlijke wereld zijn, en vertoont zich zoo in werking; vandaar de overeenstemming.

SI7. Vandaar komt het, dat met deze zelfde ledematen, organen en ingewanden in bot Woord zulke dingen worden bedoeld; want daarin heeft alles zijne beteekenis volgens de overeenstemmingen; door hot hoofd wordt daar inzicht en wijsheid bedoeld; door de borst liefdadigheid; door de londo-non do echtelijke liefde; door armen en banden de macht van hot ware; door voeten het natuurlijke; door oogen hot vorstand; door do neusgaten gewaarwording (perceptis); door ooren gehoorzaamheid; door de nieren de zifting (lustratis) van het ware; en zoo verder, f Daardoor komt hot ook, dat

(j. De borst beteekent in het Woord liefdadigheid: nos. 2934, 30081,10087, De lendenen en de geslachtsorganen beteekenen de echtelijke liefde; nos.

60

97

ocr page 105

OVEKEENSÏEMMINU VAN DEN HKMEL MET DEN MENSCII. 98, !»'•)

men gewoonlijk zogt van iemand, die doorzicht en wijsheid heeft, dat hij een hoofd heeft; van iemand, ilie in de liefdadigheid is; hij is een boezemvriend; van iemand, die ecne duidelijke gewaarwording heeft: hij heeft een scherpen reuk; van iemand, die in het doorzicht is: hij heeft een heldor gezicht; van iemand, die veel macht heeft: liij heeft verreikende armen; van iemand, die met liefde wil: liij wil het van harte; deze en vele andere spreekwijzen van den mensch komen uit de overeenstemmingen voort, want zjj hebben hunnen oorsprong in do geestelijke wereld, ofschoon de mensch het niet weet.

98. Dat er zulk ecne overeenstemming bestaat van alle dingen dos Hemels mot allo dingen dos menschen, is mij door veelvuldige ondervindingen getoond, en wel zoo veelvuldig, dat ik daarvan zoo volledig overtuigd ben geworden, als van eene zaak, die klaar blijkt en zonder twijfel Is. Maar om al die ondervinding bier mede te doelen, is niet noodig, en evenmin uitvoerbaar wegens hare menigvuldigheid; men kan zo aangehaald vinden in de Hentehche Geheinieii, waar over de overeenstemmingen, de voorstellingen, de invloeiing der geestelijke wereld in de natuurlijke, en de onderlinge gemeenschap van de ziel en het lichaam gehandeld wordt. h

9!). Ofschoon nu alle dingen van den mensch, wat zijn lichaam betreft, overeenstemmen met alle dingen des Hemels, is toch do mensch niet een evenbeeld des Hemels

3021. 4280, 4402, 5050—52; de anncn en de handen de macht van liet ware; nos. 878, 3091, 41)31—37, 0047, 7205, 10017; de voeten het natiuirlijke; nos. 2162, 3147, 3701, 3980, 4280, 4938—52. Het nog het verstand; nos. 2701, 4403— 21, 4523—34, G923, 9051, 105G9; de neusgaten waarneming; nos. 3577, 4624— 25, 4758, 5(521, 828(5, 10054, 10292; de oor en gehoorzaamheid; nos. 2542. 3809, 4523. 4653, 5017, 721(5, 83(51, 8990, O.lll. 939(5, 100(51; de nieren de zifting en de terechtwijzing van het ware; nos. 5380—8(5, 10032.

//. Over de overeenstemming van alle ledematen des lichaams tot den grootsten mensch olquot; den Hemel, in hut algemeen en in het hijzonder door ondervinding; nos. 3021, 3624—49, 3741—51, 3883—96, 4039—51, 4218— 28, 4318—31, 4403—21, 4527—33, 4622—13, 4652—(50, 4791—4805, 4931—53. 5050—61, 5171—89, 5373—9(5, 5552—73, 5711—27, 10030. Over den invloed van de geestelijke wereld in de natuurlijke wereld, of van den invloed des Hemels op aarde, en over den invloed der ziel in alle deelen des lichaams, uit ondervinding; nos. (5053—58, 6189—6215, 6307—27, 64(56—95, 6598—662(5. Over de verbinding van de ziel en het lichaam, uit ondervinding; nos. 6053— 58, 6189—6215, 6307—27, 6466-95, 6598—6626.

61

ocr page 106

HEMEL EN HEL.

naar zijn uiterlijken vorm, maar wol naar zijn innerlijken vorm, want liet inwendige des mcnschcn neemt den Hemel op, en zijn uitwendige neemt de wereld op. In zooverre dus zijn inwendige den Hemel opneemt, in zooverre is de menscli ten opzichte daarvan een Hemel iu do kleinste gestalte naar het beeld van den Grootsten. Maar in zooverre zijn inwendige den Hemel niet opneemt, in zooverre is hij noch Hemel, noch evenbeeld van den Grootsten; evenwel kan echter het uitwendige, dat de wereld opneemt, in een gestalte zijn volgens de orde der wereld, en dientengevolge in velerlei schoonheid; want de uitwendige schoonheid, namelijk die des lichaams, is afkomstig van de ouders en van de vorming in de baarmoeder, en wordt later behouden door den algemeenen invloed uit de wereld. Hieruit volgt, dat do natuurlijke gestalte des menschen zeer verschilt .van de gestalte van zijn geestelijken mensch. Het werd mij eeuige malen getoond, wat de geestelijke vorm van een mensch was, en het bleek, dat in eeuige menschen, die schoon en lieflijk van aangezicht waren, de geest misvormd was, zwart en monsterachtig, zoodat men hem een beeld der Hel en niet des Hemels noemen konde, terwijl in anderen, die niet lichamelijk schoon waren, de geest welgevormd, wit en engelachtig was. Xa den dood verschijnt do geest des menschen, zoo als hij in het lichaam was, toen hij op aarde daarin leefde.

100. Do overeenstemming strekt zich echter nog verder uit dan tot den mensch, want er is ook een overeenstemming der Hemelen onder elkander: met den derden of binnensten Hemel stemt overeen do tweede of middelste Hemel, en met den tweeden of middelsten Hemel stemt overeen do eerste of onderste Hemel, en deze stemt overeen met de lichaamsvormen in den mensch, die zjjne ledematen, organen en ingewanden genoemd worden. Zoo is het dan hot lichameljjko des menschen, waarin de Hemel ten laatste eindigt en waarop hij, als op zijn grondslag, rust. Maar dit geheim zal elders meer volledig ontwikkeld worden.

101. Men moot echter vóór alles weten, dat alle overeenstemming met den Hemel met hot Goddelijk-menschel ij ke dos

100,101

62

ocr page 107

OVEREENSTKMMING VAN DEN HEMEL MET DEN MENSCH. 102, 103

Heercn bestaat, daar van Hem do Hemel afkomstig is, en Hij do Homel is, zooals dat in de vorige hoofdstukken werd aangetoond. Want indien liet Goddoljjk-menscheljjke des Hoeren niet in alle dingen des Hemels, en volgens de overeenstemming in alle dingen der aarde invloeide, zoude er geen ongel en ook geen monsch bestaan

Hieruit is wederom duidelijk, waarom do lieer monsch geworden is on Zijne Godheid met do menschheid van hot eerste tot hot laatste bekleedde; dit geschiedde namelijk, omdat liet Grod'lelijk-mcnseheljjke, waaruit do Homel vóór do komst dos Hoeren ontstond, niet moor voldoende was, om alles in stand te houden, daar de monsch, die do grondslag des Hemels is, do orde had omgekeerd 011 vernietigd. Wat hot Goddoljjk-monscholijko was voor de komst dos Hoeren, on hoe do toestand des Hemels destijds was, ziet men in de uittreksels aan hof einde van het voorgaande hoofdstuk.

102. Do Engelen staan verbaasd, wanneer zjj vernomen, dat er menschon zijn, die alles aan de natuur en niots aan do Godheid toeschrijven, en ook zulke, dio golooveu, dat hun lichaam, waarin zoovele wondoren des Hemels bijoongebraclit zijn, door do natuur is gevormd, ja, dat zolf's hot verstandige van den monsch daaruit voortkomt; terwijl zij toch, wanueer zij slecht cenigszins den geest verheffen willen, kunnen zien, dat dergeljjko dingen uit het Goddelijke en niet uit do natuur ontstaan, en dat do natuur slechts geschapen is om het geestelijke te bekleodon, en het in overeenstemming in de laatste graad der orde voor te stellen ; doch de Engelen vergelijken zulke menschen met nachtuilen, die in hot duister en niet in hot licht zien.

EK BESTAAT EEN lt;gt;VKKKKNSTKMMJN(1 DES HEMELS MET ALLE WXtiEN DER AAK DE.

I0;{. Wat overoonstemming is, werd in hot voorgaande hoofdstuk gezegd, als ook, dat allo doelen en elk deel van het dierlijk lichaam overeenstcniniingen zijn; nu moot naar 03

ocr page 108

104 — 106 hemki, en hel.

volgorde nog aangetoond worden, dat allo deelcn der aarde, en quot;in het algemeen alle deelen der wereld overeenstemmingen zijn.

104. Allo dingen der aarde worden in drie soorten verdeeld, welke rijken heeten, namelijk hot dierenrijk, liet plantenrijk en het mincralennjk. De dingen in liet dierenrijk zijn overeenstemmingen in den eersten graad, daar zij leven; de dingen in het plantenrijk zijn overeenstemmingen in don tweeden graad, omdat zij alleen groeien; de dingen van het mineralenrijk zjjn overeenstemmingen in den derden graad, daar zij niet leven en ook niet groeien. De overeenstemmingen in het dierenrijk zijn de levende wezens van verschillende soort, zoowel zij die op den grond gaan of kruipen, als zij die in de lucht vliegen en hier niet in het bijzonder behoeven benoemd worden, daar zij bekend zijn. De overeenstemmingen in het plantenrijk zijn alle dingen, die m tuinen en bosschen, op akkers en velden groeien en vermenigvuldigen en die ook niet behoeven genoemd te worden, daar zequot; eveneens bekend zijn. De overeenstemmingen in het mineralenrijk zijn do edele en onedele metalen, de kostbare en niet kostbare steenen, de verschillende aardsoorten en ook de wateren. Behalve deze zijn ook overeenstemmingen de dingen, die door menscheljjke vlijt uit bovengenoemde tot gebruik bereid worden; zoo ook alle soorten van spijzen, kleedingstukken, woningen en andere gebouwen, en nog vele andere dingen.

105. Wat boven de aarde is, als Zon, Maan en Sterven cn ook wat in den dampkring is, als .wolken, nevel, regen, donder en bliksem, zijn ook overeenstemmingen. Wat van de zon uitgaat, hare tegenwoordigheid cn atwezigheid, als licht en schaduw, warmte en koude, zijn eveneens overeenstemmingen; evenzoo de gevolgen, die hier uit voortvloeuen, zooals de jaargetijden, die men lente, zomer, herfst en winter noemt, en de tijden van den dag als morgen, middag, avond

106. In één woord, alle dingen, die in de natuur ontstaan, van het kleinste tot liet grootste, zijn overeenstemmingen.

64

ocr page 109

OVEREENSTEMMING VAN IIEMEL EN AARDE. 107, 108

Dat zij overeenstemmingen ' zijn, is omdat de natuurlijke wereld met alles wat daarin is, uit de geestelijke wereld ontstaat en bestaat, en beide werelden uit het goddelijke. Dat ook gezegd wordt: „en bestaatquot;, is omdat alles bestaat door hetgeen waaruit het ontstaan is (want bestaan is een voortdurend ontstaan) en omdat niets bestaan kan door zicli-zelven, maar wel door iets dat voorafging, bijgevolg door hot Eerste; wordt het dus daarvan gescheiden dan vergaat liet en verdwijnt geheel en al.

107. Overstemmend is alles wat in de natuur naar de Goddelijke orde ontstaat en bestaat. De Goddelijke orde is eene werking van het Goddelijk-goede, dat van den Heer uitgaat. Zij begint bij Hem, gaat van Hem uit achtereenvolgens door do Hemelen naar de aarde en eindigt aldaar in het laatste, waar de dingen, die volgens de orde bestaan, overeenstemmingen zijn. Alles, wat op aarde goed is en tot nut volmaakt, is volgens de orde; want alles wat goed is, is goed naarmate liet nut dat het verschaft, terwijl de vorm betrekking heeft op liet ware, daar liet ware de vorm van het goede is; daardoor komt het, dat alles in de geheele wereld en in do natuur der wereld, wat in de Goddelijke orde is, op het goede en ware betrekking heeft. k

108. Dat alle dingen op aarde uit het Goddelijke ontstaan, en in de natuur in zoodanige vorm gekleed zijn, dat zij er kunnen bestaan en nut verschaften, en aldus overeenstemmen, blijkt ten duidelijkste uit vele dingen, zoowel in het dieren-als in het plantenrijk. In beide zijn dingen, waaraan ieder, wanneer hij uit het inwendige denkt, kan zien, dat zij uit

i. Alle dingen op aarde en in hare «drie rijken stemmen overeen met Hemelsche dingen, die in den Hemel zijn, of de dingen die in de natuurlijke wereld zijn, stemmen overeen met die, welke in de geestelijke wereld zijn; nos. 1G32, 1881, 27r)8, 281)0—03, 2007, ;3003, 3213—27, 3483, 3024—40, 4044—53, 4210, 4300, 4950, 5110, 5377,5128,5477, 02SU Door middel van de overeenstemmingen wordt de natnnrlijke wereld met de Geestelijke verbonden; no. 8015. Dientengevolge is de geheele natiuir een tooneel dat het rijk des Heeren voorstelt: nos. 2758, 2000, 3000, 3483, 4038, 3!», 8848, 0280.

k. Alle dingen in het Heelal, zoowel in den Hemel als op aarde, welke volgens de Goddelijke orde zijn, hehben betrekking op het goede en het ware; nos. 2451, 3100, 4400, 4400, 5232, 7250, 10122. En op de verbinding van beide, opdat zij iets zonden zijn: no. 10555.

65 5*

ocr page 110

J08 HEMEL EN HEL.

don Hemel stammen. Tot opheldering worden uit ontelbaar vele slechts enkele dingen hier vermeld, eu wel ton eerste uit hot dierenrijk. Welk oen kennis bij elk dier als 't ware is ingeschapen, is velen bekend. Do bijen weten den honing uit de bloemen te verzamelen; uit hot was cellen te bouwen, waarin zij hunnen honing kunnen neerleggeu, om zoodoende zich zelve en de hunnen van spijs te voorzien, ook voor don komenden winter. Hot wijfje logt eieren, de overige bedienen haar en bedekken do eieren, opdat daaruit een mouw geslacht

ontsta; zij leven onder een zekeren regeeringsvorm, waarmede

zij allen uit instinct bekend zijn; de nuttige bijen behouden zij en dc nutteloozo werpen zij uit en ontnemen hen do vlcu-trels; en behalve dit is er veel wonderbaarlijks, dat hun van uit den hemel ter wille van hun nut is ingeplant, want het was dient om de menschen van licht to voorzien ou de honing tot verzoeting der spijzen. Wat ziet men met b.j de rupsen, die tocli in het dierenrijk op een lagen trap staan. Zij weten zich te voeden met het sap der bladeren, die voor hen dienstig zijn, en als de tijd aanbreekt, weten zij zich van een omhulsel te voorzien en zich als 't ware in een baai-moeder te plaatsen om zoo hot gebroed van hun soort voort te brengen. Eenige hunner veranderen eerst in poppen (nymphas) en goudpoppen (chrysalides) eu spinnen zich in, en na volbrachten arbeid worden zij met een ander lichaam bekleed en van vleugels voorzien; zij vliegen dan m de lucht als in hun Hemel, paren, leggen eieren en vormen voor zie i een nakomelingschap. Behalve do hier in het bijzonder genoemden, kennen in 't algemeen alle dieren die in de lucht vliegen de spijzen, waardoor zij gevoed worden, en met alleen dat voedsel zelf, maar ook Me plaats, waar het te vinden is; zij weten zich nesten te bouwen, iedere soort op hare eigene wijze, eieren er in te leggen, ze uit te broeden, hunne jongen voort te brengen en te voeden, en ze uit het huis te verdrijven, zoodra zij voor zichzelven kunnen zorgen. Zi] kennen ook hunne vijanden, die zij ontvluchten moeten, en hunne vrienden, bij welke zij zich mogen aansluiten en dit Nan hun kindsheid af; gezwegen nog van de wonderen in e

66

ocr page 111

OVEREENSTEMMING VAN HEMEL EN AARDE.

eieren zelve, in welke reeds alles in zijne orde voor de vorming en voeding van het wordende diertje is gereed gelegd; behalve nog ontelbare andere dingen. Wie zou, met eenige redelijke wijsheid nadenkende, wel ooit kunnen zeggen, dat deze dingen ergens anders dan uit de geestelijke wereld voortkomen, aan welke de natuurlijke wereld zich dienstbaar maakt, door wat uit haar voorkomt mot een lichaam te bekleeden, of door wat geestelijk in oorzaak is, in uitwerking daar te stellen ? Dat de dieren op den aardbodem en de gevleugelde dieren onder den Hemel met al deze kennis geboren worden, de mensch echter niet, die toch veel meer is dan zij, heeft zijn grond daarin, dat de dieren in de orde van hun leven zijn, en niet hebben kunnen vernietigen datgene, wat zij uit de geestelijke wereld in zich hebben, aangezien hun de gave van het verstand ontbreekt. ,Met den mensch is dat anders; hij denkt uit de geestelijke wereld en omdat hij door een leven tegen de orde, eu daarin gesterkt door zijn redelijk verstand bedorven heeft, wat uit de geestelijke wereld in hem was, moet hij noodzakelijk in loutere onwetendheid geboren worden en later door de Goddelijke middelen in de orde des Hemels teruggevoerd worden.

109. Hoe de dingen in het plantenrijk overeenstemmen, kan men uit vele bijzonderheden zien; zoo, b.v. dat nietige zaadkorreltjes tot boomen opgroeien, bladeren en bloesems ontwikkelen, later vruchten voortbrengen, waarin zij wederom zaden leggen, en dat deze dingen achtereenvolgens ontstaan en tegelijk in zulk een bewonderenswaardige orde te voorschijn komen, dat het niet met weinige woorden kan beschreven worden. Groote boeken zouden daartoe noodig zijn, en dan nog zouden de diepere geheimen, die met hun nut in eng verband staan, niet door do wetenschap kunnen worden uitgeput. Daar deze dingen ook uit do Geestelijlve wereld of den Hemel ontstaan, die, zooals boven in het hoofdstuk daarover werd aangetoond, in den vorm van een mensch is, hebben ook alle bizonderheden in dit rijk een zekere betrekking op die dingen, die bij de menschen zijn, wat oolv aan eenigen der geloerde wereld bekend is. Dat ook allo dingen in dit rijk overeen-G7

109

ocr page 112

HEMEL EN HEL.

stemmingen zijn, werd mij door veel ondervinding duidelijk. Want meermalen, als ik in tuinen was en daar de boomen, vruchten, bloemen en planten beschouwde, bemerkte ik hunne overeenstemmingen in den Hemel, en sprak daarover tot hen, met wie ik ze zag en werd dan onderricht omtrent hun

oorsprong en hoedanigheid.

110. Maar de kennis van Geestelijke dingen dos Hemels, waarmede de natuurlijke dingen op aarde overeenstemmen, wordt heden ten dage aan niemand gegeven, dan alleen uit den Hemel, daar dc wetenschap der overconsteminmgen thans geheel verloren is gegaan. Wat echter dc overeenstemming is van Geestelijke dingen met natuurlijke, wensch ik door eenige voorbeelden op te helderen. Dc dieren op aarde steinmen in het algemeen overeen met dc neigingen, dc tamme en nuttige dieren met dc goede neigingen, dc wilde en onnutte met de kwade neigingen. In liet bijzonder stemmen de runderen en hun jongen overeen met dc neigingen van het natuurlijke gemoed. Schapen en lammeren met dc neigingen van het geestelijke gemoed; vogels echter naar gelang \an hun soort met het verstandige van beide, liet geestelijk en natuurlijk gemoed.' Vandaar dat verscheidene dieren, als; koeien en ossen, kalveren, schapen, geiten, bokken, mannelijke en vrouwelijke lammeren cn ook duiven cn tortelduiven in de Israëlitische Kerk, die een symbolische Kerk was, tot het heilig

gebruik gebezigd werden en tot slachtoffers cn brandoffers dienden. Want bij deze aanwending stemden zij overeen met Geestelijke dingen, die in den Hemel, volgens deze overeenstemming opgevat werden. Dat werkelijk de dieren volgens liunne familie cn

110

68

ocr page 113

OVEREENSTEMMING VAN HEMEL EN AARDE.

hun soorten neigingen zijn, hoeft zijn grond daarin, dat zij loven; en hot loven van een elk uit niets anders dan uit genegouhoid voorkomt on daaraan zijn hoedanigheid ontleent. Daardoor hooft elk dier een aangeboren wetenschap, die tot de aandrift van /cjju leven behoort. Do niensch is aan de dieren gelijk, wat betreft zijn natuurlijk wezen, waarom hij ook mot hou vergeleken wordt in het gewone spraakgebruik, zoodat men b.v. den zachtmoodigo een schaap of een lam, den wilde eon boor of een wolf, don sluwe een vos of een slang noemt, en zoo voort.

111. Een dergelijke overeenstemming bestaat er mot de dingen in hot plantenrijk: do tuin komt in 't algemeen overeen met den Hemel ten opzichte van hot doorzicht en de wijsheid, waarom do hemel een tuin Gods en een paradijs wordt genoemd, en ook door do menschen een Hemelsch paradijs. Do boomen, al naar hun soort, stemmen overeen mot de waarnomingen on begrippen van hot goodo on hot ware, waaruit doorzicht on wijsheid komt; daarom hadden do ouden, die met do wetenschap dor overeenstemmingen bekend waren, hun godsdienst iu heilige bosschenen daardoor komt hot dat in hot Woord zoo dikwijls boomen genoemd worden en daarmee do ITomel, de kerk en do monsch vergeleken worden, zooals mot den wijnstok, don olijfboom, den coderen andere boomen, en het goede dat zij doen 'met de vruchten. Ook do spijzen die daaruit en in liet bijzonder uit het graan bereid worden steinmen overeen met het goede en het ware, en wel daarom, omdat zij hot geestelijke leven voeden, zooals do aardsche spijzen het natuurlijke leven onderhouden. quot;

to. Ken tuin en een paradijs beteekenen tengevolge van de overeen-stemrning doorzicht en wijsheid, nos. 100, 108, volgens ondervinding, no. 3220. Alle dingen, die overeenstemmen, heteekenen ook juist hetzelfde in het Woord: nos. 2800, 2971, 2U.S7, 2I»SI), 2(.I!I0, H002, 3225.

n. De boomen beteekenen waarnemingen en begrippen; nos. 103, 2163, 20H2, 2722, 2972, 7('gt;92. Daarom hadden de ouden hun Godsdienstquot; in heilige bosschen onder boomen, naar gelang van hunne overeenstemming; nog. 2722, 4552. Over de invloeiing des Hemels in de dingen van het plantenrijk, zooals in boomen en planten; no. 3648.

o. Spijzen beteekenen door de overeenstemming; iets dat het geestelijke leven voedt; nos. 3114, 4459, 4792, 1970, 5147, 5293, 5340, 5342, 5410, 542C 557(gt;. 55S2, 5588. 5()5(gt;, 51)15, (»277, S5(gt;2,

tut

111

ocr page 114

HEMEL EN IIEIj.

Brood in het algemeen stemt overeen met de neiging tot al het goede, daar het meer dan de overige spijzen het leven onderhoudt, en omdat daaronder elke spijs verstaan wordt. Wegens deze overeenstemming noemt ook de Heer zich het brood des levens. Ook daarom waren in de Israëlitische kerk de brooden in heilig gebruik; want zij werden op de tafel in den tabernakel gelegd en toonbrooden genoemd; ook werd iedere godsdienstoefening, die door offeranden en brandoffers werd gevierd, brood genoemd. Wegens deze overeenstemming is ook het heiligste van den Godsdienst in de Christelijke kerk het Heilige avondmaal, waarbij brood en wijn wordt uitgereikt, v Uit dit weinige kan blijken, wat de aard van overeenstemming is.

112. Hoe een vereeniging des Hemels met do aarde door overeenstemming wordt bewerkt, zal ook met weinig woorden gezegd worden. liet rijk des llecren is oen rijk van doeleinden welke nuttig (usus) zijn, of wat hetzelfde is, liet is een rijk van nutstichtingen, welke doeleinden zijn; daarom werd het heelal door het Goddelijke zoo geschapen en gevormd, dat nuttigheden overal konden worden ingekleed in zulke dingen, als waardoor zij in werkzaamheid of in uitwerking zich konden voordoen, eerst in deu Hemel en daarna op aarde en zoodoende van trap tot trap langzamerhand tot in het laatste der natuur. Hieruit blijkt, dat de overeenstemming van natuurlijke dingen met geestelijke of van de aarde met den Hemel door hot nut dat zij hebben geschiedt, en dat het nut hen samenvoegt; alsook, dat de vormen, waarin het nut gekleed is, in zooverre overeenstemmingen zijn en in zoover verbindingen zijn, als zij vormen van nut zijn. In de natuur, in het drievoudige rijk daarvan, zijn alle dingen, die daarin volgens de orde bestaan, vormen van nuttigheden, of uitwerkingen, die van een nuttigheid tot verder nut gevormd

}i. Brood beteekencl ieder goed waardoor het geestelijk leven des menseben gevoed wordt, nos. 2105, 2177, 3478, 3735, SSl.'J, 4211, 4217, 4735, 4970, 9323, 9545, 106S(i. Dit was de beteelcenis van de toonbrooden op de tafel in den tabernakel, nos. 3478, 9545. Offeranden werden in bet algemeen brood genoemd, no. 2105. Brood slnit in zich elk voedsel, no. 21G5, en beteekent daarom al bet bemelsclie en geestelijke voedsel, nos. 270, 080, 2105, 2177, 3478, 0118, 8410.

112

70

ocr page 115

OVEREENSTEMMING VAN HEMEL EN AARDE.

zijn geworden; waarom ook do dingen der natuur overeen-stemmingen zijn. Hij den mensch echter zijn, in zooverre als lijj naar de Goddelijke orde leeft, dus in zooverre hij in liefde tot don lieer en in liefdadigheid jegens den naasten is, ook zijne handelingen nuttigheden in vorm, en zijn zjj overeen-stemmingen, waardoor hij niet don Hemel verbonden wordt. ])on Heer en den naaste liefhebben is in liet algemeen nut verschaffen. lt;1 Verder is het noodig te weten, dat door den mensch do natuurlijke wereld met do geestelijke verbonden wordt, of dat hij het middel der verbinding is. Want in hem is do natuurlijke wereld en ook de geestelijke wereld (men zie boven no. 57); in zooverre nis dus de mensch geestelijk is, in zooverre is hij een middel tot verbinding, in zooverre als hij echter natuurlijk en niet geestelijk is, in zooverre is bij niet een iniildol tot verbinding. Evenwel bestaat er ook zonder do tusschenkomst des menschen een Goddelijke invloeiing in de wereld en ook in de dingen der wereld, die bij de menschen zjju, intiar niet in zijn redelijk verstand, (rationale).

113. Zooals alles, wat volgens do Goddelijke orde is, overeenstemt met den llemel, zoo is ook alles, wat tegen de Goddelijke orde ia, iu overeenstemming met de Hel. Dedingen die overeenstemmen met den Hemel, hebben alle betrekking op het goede en het ware, terwijl die welke overeenstemmen met do Hel, op het booze en het valsche betrekking hebben.

7. Al het ^oede liecft zijn genot uit het nnt en naar gelang van dat nnt en ouk zijne hoedanigheid. Zooals dus het nut is, zoodanig is ook het goede; hos. '»04!gt;, 4!gt;SI, 7038. Het U-ven der engelen bestaat in het goede der liefde en «Ier liefdadigheid, dus in nntsversehafling. No. 453. Door den ITeere, en dus ook door de engelen, wordt in den menseh slechts gelet op het einddoel, dat is op het nut: nos. l.'UT, 1045, 5854. Het rijk des Heeren is een rijk van nutsversehaflingen, dus van doeleinden. Nos. 45o, G96, 1103, 3645, 4054, 7038. Den Heer dienen, is niitversehafTen. No. 7038. Alle dingen cu elk ding in den menseh zijn tot nut gevormd. Nos. 3505, 4104,518i), 0207, en uit het nut; daardoor is het nnt voorafgegaan aan de organische vormen van den menseh, door welke de nutswerking plaats vindt, omdat het nut voortkomt uit den invloeiing des Heeren door de 1 lemelen. Nos. 4223, •1026. Ook het inwendige (interiora) van den menseh, dat tot zijn gemoed behoort, wordt, als hij opgroeit, volgens het nut en voor het nut gevormd; nos. 1964, 0815, 0297. Daardoor is de mensch zoodanig als het nut, dat bij hem is; no. 1568, 3570, 4054, 0571, 0034, 6038, 10284. Het nut is het einddoel, waarvoor alles gedaan wordt; nos. 3505, 4051, 4104, 0815. Nut is het eerste en het laatste, dus alles, wat des menschen is; no. 1964.

113

71

ocr page 116

HEMEL EN HEL.

114. Nu nog iets over de wetenschap der overeenstemmingen en haar nut.

Boven is gezegd, dat de geestelijke wereld, die de Hemel is, met de natuurlijke wereld door overeenstemmingen verbonden is. De mensch heeft dus door middel van overeenstemmingen cene gemeenschap met den Hemel ontvangen. Want de engelen des Hemels denken niet als de mensch volgens het natuurlijke. Wanneer daarom do mensch de kennis der overeenstemmingen bezit dan kan hij met do engelen des Hemels samen zijn voor zoo ver betreft de gedachten van zijn geest, en kan hij zoo volgens zijn inner-lijken of geestelijken mensch met hen verbonden worden. Opdat er een verbinding van den Hemel met den mensch zou zijn, werd het Woord in enkel overeenstemmingen geschreven; want alle dingen en elk ding daarin zijn overeenstemmingen. '' Daarom zou de mensch, indien hij de kennis der oveenstemmingen had, liet Woord naar zijn geestelijken zin begrijpen, on zouden hem dien tengevolge geheimen worden bekend gemaakt, waarvan hij in den zin van den letter niets ziet. In het Woord is namelijk een letterlijke zin en een geestelijke zin; de letterlijke zin bestaat uit dingen, zooals er op aarde zijn, de geestelijke zin echter uit dingen, zooals er in den Hemel zijn, en daar de verbinding des Hemels met de aarde door overeenstemmingen geschiedt, is zulk een AN oord gegeven, waarin alles tot een jota toe, zijn overeenstemming heeft. 5

115. Ik ben van uit den Hemel onderricht geworden, dat de alleroudste menschen op onze aarde, die Hemelsche menschen waren, volgens overeenstemmingen zelve dachten, en dat de natuurlijke dingen op aarde, die voor hunne oogen waren, hun als middel dienden zoo te denken, en dat zij, zoo doende, met de engelen in gemeenschap waren en met hen spraken. Zoo was de Hemel door hen met de aarde verbonden, daarom werd die tijd de gouden eeuw genaamd, waarvan de oude

r. Het Woord is in louter ovcreeiisteiimiingen gesclirovcn; no. GS15. Door het Woord heeft lt;lc mensch een verliinding met den Hemel; nos. 2809, 6!)43, 9396, 9400, 0401, 10375 10452.

T)e geestelijke zin van liet Woord is behandeld in liet werkje over het vitte, paard, waarvan in de Openbaring sprake is.

72

114,115

ocr page 117

DE ZON IN DEN HEMEL.

schrijvers zeiden : De Hemelbewoners woonden samen mot de menschen en hadden omgang met hen als vrienden met vrienden. Na die tijden kwamen er echter, die niet volgens de overeenstemmingen zelve, docli uit do kennis der overeenstemmingen dachten, en ook toen had nog verbinding van den Hemel met de menschen plaats, maar niet zoo innig. Hun tijd wordt de zilveren eeuw genoemd. Later zijn er gekomen, die wel is waar do overeenstemmingen kenden, doch niet volgens de kennis daarvan dachten en dit, omdat zij in het natuurlijk goede eu niet, als de vroegeren, in liet geestelijk goede waren. Hun tijd wordt do koperen eeuw genoemd. Na die tijdon is de mensch langzamerhand uiterlijk geworden en ten laatste stoffelijk, cn toen is do kennis der overeenstemmingen geheol verloren geraakt, cn met haar de kennis des Hemels en van vele Hemelsche dingen. Dat deze eeuwen naar het goud, zilver cn koper werden genoemd, was ook volgens de overeenstemming,1 daar liet goud, krachtens do ovoreenstemming, het Hemelsche goede botcckont, waarin de alleroudste menschen waren; liet zilver betoekont het geestelijk goede, waarin de oude volken waren, die bon opvolgden, cn het koper boteckcnt het natuurlijk goede, waarin de volgende nakomelingschap was; het ijzer echter, waarnaar de laatste eeuw genoemd werd, beteekent liet harde ware zonder het goede.

UK ZÓN IN DEN II KM EL.

1 Hi. In den Hemel is de zon der aarde niet zichtbaar, noch iets, dat van die Zon afkomt, daar dit alles natuurlijk is, want do natuur hoeft haar begin van deze Zon, cn alles wat door haar voortgebrai-ht wordt, heet natuurlijk; het geestelijke echter, waarin de Hemel is, is boven de natuur, cn geheel verschillend van liet natuurlijke; ook hebben zij beide geen gemeenschap met elkander, dan door overeenstemming. Welk

/. CJoiul lu'trekcnt vol^ciis overcrnstcininhig liet ireiiu-lsche goede; nos. 113, 1551, 1552, 5058, (34J14, Glïl7, 9510, 1I.S74, U8S1. Zilver beteekent het geestelijk goede of het ware uit ïlemelFchen oorsprong; nos. 1551, 1552, 21)54, 565S Koper beteekent het natuurlijke goede: nos. 425, 1551. Ijzer beteekent het ware in het laatste der orde; nos. 425, 426.

7^

11G

ocr page 118

HEMEL EN HEL.

een onderscheid dat is, kan worden opgemaakt uit hetgeen boven in no. 38 van de graden is gezegd, en welke gemeenschap er tusschen hen is, uit hetgeen in do twee voorgaande hoofdstukken over de overeenstemmingen werd gezegd.

117. Ofschoon echter in don Hemel do Zon dor aarde niet zichtbaar is, noch ergens iets, dat uit dezo Zon voortkomt, zoo is daar toch een Zon, en licht en warmte, en alles zooals op aarde en nog ontelbare dingen meer, echter niet uit den-zelfden oorsprong; want wat in den Hemel is, is geestelijk en wat op aarde is, dat is natuurljjk. Dc Zon des Hemels is de Heer (dat wil zeggen, Hij is in haar). Het licht daar is het Goddelijk ware en dc warmte daar is het Goddelijk goede welke beide van den Heer als van een Zon uitgaan. Uit deze bron komt alles voort, wat in de Hemelen ontstaat en verschijnt. Doch over liet licht en dc warmte, en over de dingen, die daaruit in den Hemel ontstaan, zal in do volgende hoofdstukken sprake zijn; hier alleen over de Zon aldaar. Do Heer verschijnt in den Hemel als Zon, omdat Hij dc Goddelijke Liefde is, waaruit alles ontstaat, wat geestelijk, en door tusschen-komst van de Zon dor aarde, ook alles wat natuurlijk is; het is deze Liefde die als Zon straalt.

118. Dat de Heer werkelijk in den Hemel als Zon verschijnt, is mij niet alleen door de Engelen gezegd geworden, maar het werd mij ook eonige malen te zien gegeven, waarom ik hier met weinige woorden beschrijvon wil, wat ik van den Heer als Zon gehoord eu gezien heb. De Heer verschijnt als Zon niet in den Hemel, doch hoog boven de Hemelen, ook niet boven liet hoofd of in het Zenith, doch voor het aangezicht der Engelen op middelhoogte; Hij verschijnt op tweeërlei plaatsen, op dc eene voor hot rechteroog, op de andere voor het linkeroog op verren afstand. A oor het rechteroog verschijnt Hij geheel als een Zon, ongeveer met een gelijk vuur en in gelijke grootte als de Zon der aarde. Voor het linkeroog verschijnt Hij niet als Zon, doch als .Maan, even bleek, doch met meer glans, en in gelijke grootte als de Maan van onze aarde, en als het ware omgeven door meerdere kleinere Manen, even bleek en glanzend. Dat de Heer op twee plaatsen met

117, 118

74

ocr page 119

DE ZON IX DEN HEMEI

zulk ecu onderscheid verschijnt, komt daardoor, dat Mij een ieder zoo verschijnt als Hij door hem waargenomen wordt en daarom verschijnt Hij anders voor hen, die Hem in liet goede dor liefde, en weder anders voor hen, die Hem in het goede van het geloof waarnemen. Bij hen; die Hem in liet goede der liefde waarnemen, verschijnt Hij als Zon, vurig en vlammend, al naarmate do waarneming. Deze zijn in het Hemelsche rijk. Bij hen, die Hem in liet goede van het geloof waarnemen, verschijnt Hjj als Maan, wit en glanzend al naar de waarneming; deze zijn in Zijn geestelijk rijk. quot;

De reden hiervan is, dat liet goede der liefde overeenstemt met vuur, en daarom is vuur in geestelijken zin liefde. Het goede des geloofs is in overeenstemming met licht, en zoo beteekent ook licht in den geestelijken zin geloof. x De Heer verschijnt voor de oogen, daar het inwendige, dat tot liet gemoed behoort, door de oogen ziet: uit liet goede der liefde door het rechteroog en uit liet goede des geloofs door liet linkeroog; v want alles, wat aan do rechterzijde bij don Engel en ook bij den monsch is, stemt overeen met hot goede, waaruit waarheid komt, en wat aan de linker zijde is, met het ware, dat uit het goede komt. -Het goede des geloofs is in zijn wezen waarheid uit het goede.

k. De Heer verschijnt in den IFcmel als Zon, en Hij is de Zon des Hemels; nos. 1053, 363(1, 3043, 40(50. Do Heer verschijnt als Zon voor hen die in Zijn Ilemelsch rijk zijn, waar de liefde tot Hem heerscht, en als Maan lgt;ij hen, die in Zijn geestelijk rijk zijn, waar de liefdadigheid jegens den naaste en geloof heerscht; nos. l.VJl. 153J, 1S37, 4()lt;.i(i. De Heer verschijnt als

Zon oj) middelmatige hoogte voor het rechteroog, en als Maan voor het linkeroog; nos. 1053, 1521. 1521)—1531. 3G3(gt;, 3(M3. 4321, 5007, TOTS, 70s;; 7173, 7270, 8812, 10806. De Heer is als Zon en als Maan verschenen; nos. 1531, 7173. Het Goddelijke «les Heeren zelve is hoog boven Zijne Goddelijkheid in den Hemel; nos. 7270, S7()0.

x. Het vnnr heteekent in het Woord liefde in beiderlei zin; nos. 034, 4000, 5215. Heilig of Ilemelsch vnnr beteekent de Goddelijke Liefde; nos. 034, 0314, 0832. Helscli vnnr beteekent de eigenliefde en de wereldliefde en elke begeerte, welke tot deze soorten der liefde behoort; nos. 1861,5071, 6314, 6832, 7575, 10717. Liefde is het vnnr des levens en her leven zelvo ontstaat werkelijk daaruit; nos. 4000, 5071, 0032, 6314. Licht beteekent het ware des geloofs; nos. 3305, 34S5, 3630, 3043, 3003, 4302, 4413, 4415. 054S. !H)S4.

ij. Het gezicht van het linkeroog stemt overeen met de waarheden des geloofs en het gezicht van het rechteroog met het goede dezer waarheden; nos. 4411», 0023.

3. Wat aan de rechterzijde des menschen is, heeft betrekking op het goede, waaruit het ware komt, en wat aan de linkerzijde is, heeft betrekking op het ware nit het goede; nos. 0495, 0004.

118

75

ocr page 120

HEMEL EN HEL.

119. Vandaar dat in het Woord de Heer in betrekking tot liefde met de Zon wordt vergeleken en in betrekking tot geloof mot de Maan; en dan ook, dat de liefde uit den Heer tot den Heer door de Zon, en liet geloof uit den Heer tot den Heer door de Maan wordt aangeduid, zooals in de volgende plaatsen: „ En het licht der Maan zal zijn als het licht der Zon; het licht der Zon zal echter zevenmaal helderder zijn als het licht van zeven dagenquot; Jesaja XXX : 26. „ Wanneer ik u vernietigd heh, zal ik den Hemel bedekken en zijne sterren verduisteren, de Zon zal ik met irolken overtrekken, en de Maan zal niet schijnen, al de lichten aan den Hemel zal ik over n laten donker worden, en zal duisternis in uir land maken,quot; Ezech. XXII : 7, S. „De Zon zal hij haar opgaan verduisterd worden en de Maan zal haar licht niet Uiten schijnen,quot; Jes. XIII : 10. „De Zonen de Maan zullen verduisterd worden en de Sterren zullen haren glans weerhouden, de Zon zal in duisternis, de Maan in bloed veranderd worden,quot; Joël II : 2, ld, 81, Kap. 11' : 15. „De Zon werd zwart als een haren zak en de Maan werd als bloed, en de Sterren vielen op de aarde,quot; Openb. VI : 12. „Terstond na de verdrukking dier dagen zal de Zon verduisterd worden en de Maan zal haar schijnsel niet geven, en de Sterren zullen van den Hemel vallen,quot; Matth. XXIV : 29 en elders. Op deze plaatsen wordt door de Zon do liefde en door de Maan liet geloof, en door de Sterren do kennis van het goede en liet ware aangeduid; a van deze wordt gezegd dat zij verduisterd worden, het licht verliezen en van den Hemel vallen, wanneer zij niet meer bestaan. Dat de Heer als Zon in den Hemel verschijnt is ook duidelijk uit Zijne verklaring voor Petrus, Jacobus en Johannes „dat Zijn aangezicht schitterde als de Zon,quot; Matth. XVII. Zoo verscheen de Heer voor die discipelen, toen zij aan het lichaam onttrokken en in het licht des Hemels waren. Daarom kwam het dat de ouden, onder wie een symbolische kerk bestond, bjj den Godsdienst hun aangezicht naaide Zon in het oosten gekeerd hadden; daardoor kwam het ook, dat men de tempels in de richting naar het Oosten bouwde.

a. De Sterren en Gesternten beteekenen in liet- Woord lt;le kennis van het ware en het goede; nos. 21!'ó, 2840. KIMT.

7«

119

ocr page 121

DE ZON IX DEN HEMEL.

120. Moe groot en van welke hoedanigheid de Goddelijke liefde is, kan blijken uit de vergelijking met de Zon der aarde, alsook dat die liefde alles overtreffend gloeiend is en, als men het gelooven wil, nog veel glooiender dan deze Zon. Daarom vloeit de Heer als Zon niet onmiddellijk in de Hemelen, doch wordt do gloed Zijner liefde op weg trapsgewijze gematigd; die matigingen verschijnen als stralengordels om de Zon: en bovendien worden de Engelen met oen passende dunne wolk omhuld, opdat zij door de invloeiiende liefde niet gedeerd worden. h 13c Hemelen zijn daarom min of moer verwijderd al naar mate van hunne waarneming. De bovenste Hemelen zijn, omdat zij in het goede der liefde staan, den Heer als Zon hot meest nabij ; do onderste Hemelen zijn, omdat zij in liet goede des geloofs staan, meer van Hem verwijderd. Die echter in geen enkel goed zijn, zooals zij die in de Hel zijn, zijn het meest verwijderd en zij verschillen in afstand, naar mate zij meer of minder in tegenstelling met het goede zijn. c

121. Wanneer echter de Heer in den Hemel verschijnt, hetgeen dikwijls geschiedt, dan verschijnt Hij niet omgeven door de Zon, doch in engelgestalte, en van de Engelen onderscheiden door het Goddelijke dat uit Zjjn gelaat schittert; want Hij is daar niet in persoon, daar de Heer in persoon steeds door de Zon omgeven is, doch Hij is tegenwoordig door Zijn blik. Want in den Hemel is het iets gewoons, dat iemand als tegenwoordig verschijnt op do plaats, waarop

h. Welke en line frroot de Goddelijke liefde des Heeren is, toegelicht door vergelijking met het Vnur der aardsche Zon; nos. 6834, 0844, 0849, De Goddelijke liefde des Heeren is de liefde jegens het geheele mensehen-geslacht om het zalig te maken; nos. 1820, 1SG5, 2523, G872. De liefde die onmiddellijk van het vnnr der liefde des Heeren nitgaat, gaat niet den Hemel in, doeh verschijnt rondom de Zon als stralende gordels; no. 7270. Ook de Engelen worden met een overeenkomstige dunne wolk omhuld, opdat zij niet door de invloeiing der brandende liefde gedeerd worden; no. 6849.

c. De tegen woord ighoid dos Heeren hij «le engelen wordt bepaald naar hunne opneming van het goede «lor liefde on des geloofs van Hem; nos. 904 4108, 4320, O2S0, G832, 7042, 8819, 90S0, 9682, 9683, 10106, 10811. De Heer verschijnt aan een ieder n;iar zijn hoedanigheid; nos. 1S(gt;1, 2235, 4198, 4206. Do Hel wordt van do Homolon verwijderd, doordien zij de tegenwoordigheid van de Goddelijke liefde dos Hoeren niet verdragen kan; nos. 4299, 7519, 7738, 798!), 8137, 8265. 9327. Dientengevolge is de Hel verst verwijderd van «le Hemelen, en dit is do verbazende kloof; nos. 9346, 10187.

120, 121

77

ocr page 122

IIKMEL EN' UEL.

zijn blik gevestigd of daardoor begrensd wordt, hoe ver deze ook van do plaats, waar zij werkelijk is, moge verwijderd zijn. Deze tegenwoordigheid heet de tegenwoordigheid van het inwendige gezicht, waarover meer in hetgeen volgt. Ook mij verscheen de lieer buiten de Zon in engelgestalte, iets onder de Zon in hoogte; en ook nog in de nabijheid in een zelfde gestalte, met schitterend aangezicht: Een keer zelfs te midden der Engelen in een vlammenden glans.

122. De Zon der aarde schijnt de Engelen als iets donkers (Caliginosum) toe, tegenover de Zon des Ilemels, en do Maan als iets verdnisterds (tenebrosum) tegenover de Maan des Hemels en dit voortdurend. De reden hiervan is, dat het vurige der aarde overeenstent met eigenliefde, en het licht uit haar met het valsche uit die liefde; en de eigenliefde geheel cn al tegenovergesteld is aan de Goddelijke liefde, en het valsche uit die liefde geheel en al tegenovergesteld aan hot Goddelijke Ware en wat tegenovergesteld is aan de Goddelijke liefde en het Goddelijk'Ware, is dikke duisternis (Caligo) voor de Engelen. Daardoor komt het, dat liet aanbidden van do Zon der aarde en de Maan en het zich daarvoor nederbuigen, in het Woord beteekont, zich zelf liefhebben on het valscho dat uit eigenliefde komt, cn dat zij die deze aanbidden moesten uitgedelgd worden. Dent. IV : 19. Kap. XVIII : 3, 4. 5. Jerem. VIII I : 2. Ezech. VIII 15,10,18. Openb. XVI : 8. Matth. XIII : 6. ''

123. Daar de Heer in den Hemel als Zon verschijnt, volgens de Goddelijke liefde die in Hem en van Hem is, wenden zich ook allen die in den Hemel zijn, voortdurend naar Hein toe; die in het Hemelsche rijk zijn wenden zich naar Hem toe als naar de Zon; die in het geestelijke rijk zijn, als naar de Maan, maar zij, die in de Hel zijn, koeren zich naar het pikdonker en naar het duister, dat daar tegen-

lt;1. De Zou der aarde wordt niet door de Engelen gezien, doch in hare plaats verschijnt achter hen Iets dat zeer duister is tegenover de Zon des Kciuels en tegenover den Heer: nos. 1078, !l75r). Zon in tegenovergestelden zin beteekent de eigenliefde; no. ^441; in dezen zin verstaat men door „de Zon aanbiddenquot; datgene aanbidden, wat tegenovergesteld is aan de Hemelsche liefde of aan den Heer; nos. 2441, 10584. De Zon des Hemels is dikke duisternis voor hen, die in de Hel zijn; no. 2441.

78

122, 123

ocr page 123

DE ZOX IX DEN HEMEL.

over is, dus van den lieer af; en wel, omdat allen die inde Hel zijn, in eigenliefde en wereldliefde zijn, dus in tegon-stelling met den Heer. Zij, die zicii naar het pikdonker wenden, dat op de plaats van de Zon der aarde is, zijn in de Hel naar achteren gelegen en lieeten: „geni;quot; zij, die zich naar de zijde van liet duister wenden, lieeten geesten. Daardoor komt het, dat van hen die in de Hol zijn, gezegd wordt, dat zij in duisternis zijn, en van hen, die in de Hemelen zijn, dat zij in licht zijn. Duisternis beteekent valschheid uit liet booze, en licht waarheid uit het goede. Dat zij zich zoo wenden komt daarvan, dat allen in het andere leven hunnen blik richten op het geen in hun inwendige heerscht, dus op hunne liefde, en het inwendige vormt het aangezicht van een Engel en van een geest; en in de geestelijke wereld zijn geen streken mot vaste ligging, zooals in de natuurlijke wereld, maar het aangezicht bepaalt de ligging daarvan. Ook de mensch wendt zich zelve naar zijn geest op gelijke wijze van den Heer af, indien hij in eigenliefde en in de liefde tot de wereld is, en naar den Heer toe, indien hij in de liefde tot Hem en tot den naaste is. Doch de mensch weet dit niet, omdat hij in de natuurlijke wereld iSj waar de streken naar den op- en ondergang dor Zon worden bepaald. Daar dit echter door de menschen moeielijk begrepen wordt, zal het nader worden opgehelderd, wanneer over de hemelstreken, over de ruimte en over den tijd in den Hemel zal worden gehandeld.

124. Daar do Hoer do Zon des Hemels is, en alles wat van Hem is, op Hem ziet, is de Heer ook het gemeenschappelijk middelpunt, waarvan elke richting en elke plaatsbepaling uitgaat. '' En daarom is ook in Zijn tegenwoordigheid en onder Zijn toezicht alles wat beneden, zoowel in de Hemelen als op aarde is.

125. Uit het hier medegedeelde kan nu in helderder licht gezien worden, wat in do voorgaande hoofdstukken betreffende den Heer gezegd en aangetoond werd, dat Hij namelijk de God des 1 femel* is, Xo. 2 tot (1. Dat zijne Goddelijkheid den

e. Do Heer is hot gomoenschappelijk middolpunt, waarheen zich alles in don Hemel keert; no. 3633.

79

124, 125

ocr page 124

HEMEL EX HEL.

Hemel maakt, No. 7 tot 12. Dat het Goddelijke des Heeren in den Hemel de liefde tot Hem en de liefdadigheid jegens den minste is, Xo. 13 tot 1!). Dat er eene overeenstemming bestaat van alles op aarde met den Hemel en door den Hemel met den Heer, No. 87 tot 115. En ook, dat de Zon der aarde en de Maan overeenstemmingen zijn. No. 105.

OVER LICHT EN WAKSITE TX DEN HESfEL.

126. Dat er een licht in den Hemel is, kan niet begrepen worden door hen, die slechts uit het natuurlijke denken, en toch is er in de Hemelen zulk een groot licht, dat het middaglicht op aarde, daardoor vele malen overtroffen wordt. Dit licht heb ik dikwijls gezien, zoowel des avonds als des nachts. In den beginne verwonderde ik er mij over, wanneer ik de engelen hoorde zeggen, dat het licht der aarde in vergelijking mot dat des Hemels nauwelijks iets meer was dan een schaduw; maar nu ik het gezien heb, kan ik getuigen. De helderheid en glans zijn van dien aard, dat zij niet kunnen beschreven worden. Alles wat ik in den Hemel zag, dat zag ik in dit licht, dus helderder en duidelijker dan de dingen op aarde.

127. Het licht des Hemels is geen natuurlijk licht zooals dat der aarde, doch het is geestelijk, want het is uit den Heer als Zon, en deze Zon is de Goddelijke liefde, zooals in de voorgaande hoofdstukken werd aangetoond. W at van den Heer als de Zon uitgaat, heet in de Hemelen het Goddelijk ware, is echter in zijn wezen het Goddelijk goede vercenigd met het Goddelijk ware. Hieruit komt voor de engelen licht en warmte: uit het Goddelijk ware hebben de engelen licht, en uit het Goddelijk goede hebben zij warmte. Hieruit kan men zien dat het licht des Hemels, daar het van zulk een oorsprong is, een geestelijk en niet een natuurlijk licht is; evenzoo is het met de warmte. /

f. Al het licht in de Hemelen is viin den Heer als de Zon, nos. 1053, 1521, 3105, 3311, 3G3G, 3G43, 4115, 0518, 9684, 1080!). Het van den Heer uitgaande Goddelijk ware schijnt in den Hemel als licht en geeft al het licht des Hemels, nos. 3195, 3222, 5400, 8644, 9399, 9548, 9084.

126,127

80

ocr page 125

OVEK LICHT EX WARMTK IX DK.V HKMEI-

128. Het Goddelijk-ware is voor de engelen het licht, daalde Engelen geestelijk zjjn, on niet natuurlijk.

Geestelijke wezens zien door hunne Zon, en natuurlijke dooide hunne. Uit hot Goddelijk-ware komt voor de Engelen het verstand, en het verstand is hun inwendig gezicht, dat in hun uitwendig gezicht invloeit en het te voorschijn brengt; vandaar, dat wat in den Hemel van den Hoer als Zon gezien wordt, als licht schijnt. 'J Daar dit de bron is van het licht in den Hemel, zoo verschilt het al naar de mate van opneming van het Goddolijk-ware van den Heer, of' wat hetzelfde is, naar de mate van opneming van het doorzicht en de wijsheid, waarin de Engelen zijn. Zoo is het licht in hot Hemelsche rijk bijgevolg verschillend van dat in het Geestelijke rijk, en ook verschillend in iodcr gezelschap. Het licht in het Hemelsche rijk schijnt vlammend, omdat daar de Engelen het licht van don Hoer als de Zon opnemen. Jfet licht in het Geestelijke rijk is glanzend wit, omdat de Engelen daar het licht van den Hoer als de Maan opnemen (zie boven uo. 118). Ook is het licht van het ecno gezelschap niet aan dat van het andere gelijk, en is het in elk gezelschap weder verschillend; inliet sterkere licht zijn zij, die in het midden, en in het zwakkere licht zij, die aan den omtrek zijn; men zie no. 4S. In één woord. Engelen hebben licht in den zelfden graad, waarin zij hot Goddelijk-ware in zich opnemen, dat wil zeggen, in dezelfde mate als zij in doorzicht en in wijsheid van den Heer zijn.'' I)c Engelen des Hemels worden dientengevolge Eixjeleii des lichts genoemd.

129. Daar do Hoor in de Hemelen hot Goddolijk-ware is, on hot Goddelijk-ware daar het licht is, heet de Heer in hot Woord het licht, en evenzoo al het ware, dat van Hom is; zooals op de volgende plaatsen : „Jezus zeide: Ik beu het licht der wereld, die Mij volgt zal in de duisternis niet irnndelen,

ff. Het licht des Hemels verlicht zoowel het oog der Engelen als hun verstand; nos. 2770, 3138.

h. Het licht in den Hemel is naar de mate van het duorzirht en de wijsheid der Engelen; nos. 1524, 1520, ló.'K), 3330. Er zijn in de Hemelen evenzoo vele verschillen in liet licht als in de Engelgezelschappen, daar in de Hemelen oneindige verscheidenheden zijn in het goede en het ware en evenzoo in het doorzicht en de wijsheid: nos. fiS4, 01)0, 3241.3744,3745.4414 5598, 7236, 7833, 7S3f5.

12«, 129

ocr page 126

HEMEL EN HEL.

maar zal het licht de* levens hebben.quot; Joh. VIII: 12. „Zoolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der tcereldquot; Joh. IX: 5. „Jezus zei) Ie: Xog een kleinen tijd is het licht hij ulieden ; wandelt terwijl (jij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange; terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts inoogt, zijn. Ik ben tot een licht in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet hlijeequot;. Joh. XII ; 35, 36; 4(j. „Het licht kwam in de wereld, en de menschcn hebben de duisternis liever gehad dan het lichtquot;, Joh. III : 19. Johannes van Jeu Heer sprekende: „Dit was het waarachtige licht, 7 welk een iegelijk tnensch verlichtquot;, Joh. I : 4, 9. Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduw des doods, denzelven is een licht opgegaanquot;. Matth. IV : 1 (i. „Ik zul U den volkegeven tot eegt;i verbond, den heidenen tot een lichtquot;, Jesaja XLII : 6. „Ik stelde u tot een licht der heidenen, opdat gij Mijn heil zoudt zijn tot aan het einde der aardequot;, Jesaja XL1X : 6. „ De volken die zalig worden, zullen in haar licht wandelen, Opeub. XXI: 24. „Zend uw licht en waarheid, zij zullen Mij leiden ', Ps. XLII1 : 3. Op deze en andere plaatsen heet de Heer licht krachtens het Goddelijk-ware, dat uit Hem is; en wordt evenzoo de waarheid zelve licht genoemd. Daar licht in de Hemelen van den Heer komt als de Zon, daarom, toon Hij voor Petrus, Jacobus en Johannes verheerlijkt werd: „Blonk zijn aangezicht gelijk de Zon, en zijne kleederen werden gelijk het licht, blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde wit maken kanquot;, Mark. IX : 3, Matth. XVII : 2. Dat de kleederen des Heeren zoo schenen te zijn, was doordien zij het Goddelijk-ware voorstelden, dat van Hem in de Hemelen is. Kleederen beteekenen ook in het Woord de waarheden daarom wordt in David gezegd: „Jehova, gij bedekt Umet licht, als meteen kleedquot;. Psalm CIV : 2.

130. Dat liet licht in de Hemelen Geestelijk is, en dat dit licht het Goddelijk-ware is, kan ook nog daaruit afgeleid worden, dat ook de mensch geesteljjk licht heeft en dat hij

i. Kleecleren beteekenen in hel Woord wjiarheden, daar die liet goede omkleeden; nos. 1073, 2570, .quot;gt;248, 531!', 51151, !)210, Oi'52, I053G. De kleederen dos Heeren heteeken'en, toen Hij verheerlijkt werd, het nit Zijne Goddelijke diefde voortkomende Goddelijk-ware; nos. 0212, {)210.

130

82

ocr page 127

OVEK LICHT KX WARMTE l.\ DKX IIE-MEI..

daaruit verlicht wordt in zooverre Inj iu het doorzicht en in de wijsheid uit het Goddelijk-ware is. Het Geestelijke licht van den mensch is het licht van zijn verstand, waarvan de voorwerpen waarheden zijn, die hij stelselmatig rangschikt, met liet oog op oorzaak eu gevolg bij elkander stelt, en waaruit hij reeksen van gevolgtrekkingen maakt. '• Dat het oen v erkelijk licht is waaruit liet verstand zooiets ziet, weet dc natuurlijke mensch niet, daar hjj het niet met do oogen ziet, en het zich evenmin in zijn denken kan voorstellen; maar verscheidene menschen hebben er kennis van, en onderscheiden het ook van het natuurlijke licht, waarin diegenen zijn, die natuurlijk en niet Geestelijk denken. Natuurlijk denken zij, die hun blik slechts op do wereld vestigen en alles aan do natuur toeschrijven ; Geestelijk daarentegen denken zij, die hunne oogen op den Hemel richten en alles aan het Goddelijke toeschrijven. Dat het licht, waarlijk licht is, (lux), dat de geest verlicht, geheel verschillend van liet licht, dat natuurlijk licht heet (lumen), werd mij dikwijls te ondervinden en ook te zien gegeven. Ik werd trapsgewijze in bedoeld licht innerlijk opgeheven, en toon ik opgeheven was, werd mijn verstand verlicht, tot ik ten laatste waarnam, herkende, wat ik vroeger niet waargenomen had, en eindelijk zelfs waarnam, wat ik niet eens met de gedachten uit het natuurlicht had kunnen bevatten. Ik ben somtijds verontwaardigd geweest, dat deze dingen niet in natuurlijk licht worden begrepen, terwijl ze toch in het Hemelsche licht helder en duidelijk waargenomen worden. ' Daar liet verstand zijn licht ontvangt, zegt men

k. Het licht des Hemels verliclit het verstand van den mensch, en de mensch is dientengevolge met verstand begiftigd; nos. 1524, 3107, 44US.

0008, 8707, 9128, 9300, 10509. Het verstand wordt verlicht daar het een op-nemingsvat van het ware is; nos. 0222, GGOS, 10059. Het verstand wordt in zooverre verlicht, als de mensch het ware in het goede van den Heer opneemt; no. 3019. Het verstand is van denzelfden aard als de waarheden nit liet goede, waarvan het gevormd wordt; no. 100O4. Het verstand ontvangt licht uit den Hemel, als het oog licht uit de wereld; nos. 1524, 5111, 0008, 9128. Het licht des Hemels uit den Heer voortkomende, is steeds hij den mensch, doch het vloeit slechts in zooverre in als de mensch in het ware uit het goede is; nos. 4000, 4213.

/. De mensch komt in een zachter licht en ten laatste in het Hemelsche licht, wanneer hij boven het zinnelijke verheven wordt; nos. 0313,0315,9407, Er heeft een werkelijke ophefling in het Hemelsi li licht plaats, wanneer de mensch in het doorzicht komt; no. 3190. Ik werd een groot licht gewaar, toen ik aan aardsche voorstellingen werd onttrokken; nos. 1520, OOOS.

ocr page 128

HEMEL EX HEL.

daarvan lictzolfdc als van liet oog, dat hot namelijk ziet cn in het licht is als het begrijpt, en dat het in hot duister en in de schaduw is, als hot niet begrijpt en zoo voort.

131. Daar het licht des Hemels Goddelijke waarheid is, zoo is dit licht ook Goddelijke wijsheid en Goddelijk doorzicht; vandaar dat „in hot licht des Hemels verheven wordenquot; hetzelfde beteekent als „in de wijsheid eu in het doorzicht verheven en verlicht wordenquot; waarom het licht bij de Engelen geheel in de zelfde graad is als hun doorzicht en wijsheid. Daar hot licht des Hemels de Goddelijke wijsheid is, worden in het licht des Hemels ook alle gekend, zooals zij zijn ; het inwendige van een ieder ligt daar open in zijn aangezicht, geheel zooals het is, en niet liet geringste blijft verborgen. De inwendige Engelen hebben ook gaarne, dat alles bij hen openbaar is, daar zij niets dan goeds willen. Het is anders gesteld met hen die onder den Hemel zijn, en niet het goede willen; deze vreezen daarom zeer in het licht des Hemels gezien te worden. En wat verwonderlijk klinkt, zij die in do Hol zijn, komen elkander als monschen voor, terwijl zij in het licht des Hemels elkander als monsters voorkomen, afschuwelijk van aangezicht en vorm geheel in de gestalte van hun boosheid. m Op gelijke wijze komt do mensch volgens zjjn geest den Engelen voor, wanneer hij door hen gezien wordt; is hij goed dan verschijnt hij als een mensch, schoon al naar mate hij goed is; is hij slecht, dan verschijnt hij als monster, leelijk naarmate zijn slechtheid is. Hieruit blijkt dat in het licht des Hemels alles openbaar wordt; en wel omdat het licht des Hemels Goddelijke waarheid is.

132. Daar het Goddel ijk-ware het licht iu do Hemelen is, geven ook alle waarheden een licht van zich waar zij ook mogen zijn, hetzij in een Engel of buiten hem, hetzij in den Hemel of daarbuiten. Waarheden buiten den Hemel schijnen echter niet als waarheden in den Hemel; de waarheden buiten den Hemel hebben een kouden schijn, als sneeinvlieht zonder

m. Die in do Hel zijn in hun licht, dat een licht als van gloeiende kolen is, komen zich zeiven ais menschen voor; in het liclit des Hemels echter zien zij er uit als monsters nos. 4532, 45.'53, IfiT l, 5057, 5U58, (gt;005, 6026.

131, 132

84

ocr page 129

OVER LICHT EN WARMTE IN I JEN HEMEL. 133, 134

warmte, daar zij hun wezen niet van uit het goede hebben gelijk de waarheden in den Hemel; waarom ook dat koude licht bjj het invallen van liet Hemellicht verdwijnt en als boosheid daar onder is, in duisternis veranderd wordt. Dit heb ik eeiüge malen gezien, evenals vele andere gedenkwaardige dingen betreffende het schijnen van waarheden, wat hier echter voorbij wordt gegaan.

133. Xu zal echter iets over de warmte des Hemels worden gezegd. In haar wezen is deze warmte liefde; zij gaat van den Heer als do Zon uit, en dat deze de Goddelijke liefde in don lieer en uit den Heer is, werd in het voorgaande hoofdstuk aangetoond. Hieruit blijkt, dat de warmte des Hemels geestelijk is, evenals hot licht des Hemels, daar zjj van den zelfden oorsprong zijn. quot; Wat van den Heer als Zon uitgaat is tweeërlei, het Goddelijk-ware en hot Goddelijk-goede; het Goddclijk-ware vertoont zich in do Hemelen als licht, en het Goddelijk-goede als warmte; maar het Goddel ijk-ware en het Goddeljjk-goede zijn zoo vereenigd, dat zij niet twee zijn doch een. Intusschen zijn zij bij de Engelen gescheiden; want er zijn Engelen, dio meer hot Goddelijk-goede dan het Goddelijk-ware opnemen, en anderen, die meer hot Goddel ij k-waro dan het Goddei jjk-goede opnemen; die meer het Goddelijk-goede opnemen, zijn in het Homelsche rijk dos Hoeren; die meer het Goddelijk-ware opnemen, zijn in liet Geestelijke rijk des Heeron. De moest volmaakte Engelen zijn die, welke beide in gelijke mate opnemen.

134. Do warmte dos Hemels is, evenals het licht des Homels overal verschillend. in hot Homelsche rijk is zij anders dan in het Geestelijk rijk, on verschillend in elk gezelschap aldaar, niet alloon verschillend in graad, doch ook in hoedanigheid. Zij is sterker en reiner in hot Homelsche rijk des Heeren, omdat aldaar do Engelen moor het Goddelijk-goede opnemen; minder sterk en rein is zij in het Geestelijke rijk des Hoeren, omdat hier de Engelen meer het Goddelijk-

h. Kr zijn tweeërlei bronnen van warmte, en tweeërlei bronnen van licht, uit «Ir Zon der anrde en de Zon des Hemels: nos. 3338, 5215, T.'ilM. De warmte uit den Heer als Zon is «genegenheid der liefde; nos. .'5(».'»lt;gt;, Daarom is

Geestelijke warmte in haar wezen liefde; nos. 2140, 3338, 3339, 631*1.

b5

ocr page 130

HEMEL EX 1IEL.

ware opnemen ; oolc is zij in elk gezelschap des Hemels verschillend, naarmate de opneming is. Er bestaat ook eene warmte in do Hel, maar het is eene onreine. 0 De warmte in den Hemel is die; welke door ITeilig en Hemelsch vuur wordt aangeduid, en de warmte in de Jlol door onheilig en Helsch vuur. Door beide wordt liefde bedoeld en wel door Hemelsch vuur de liefde tot den Hoer en den naaste, en elke neiging, die tot deze liefdesoorten behoort, en bij Helsch vuur daarentegen de eigenliefde en do. wereldliefde en elke lust dezer soorten van liefde. Dat liefde eene warmte van Geestelijken oorsprong is, blijkt uit de verwarming, die men door liefde ondervindt; want in de mensch wordt vuur ontstoken en warmte opgewekt naarmate de graad en hoedanigheid van zijne liefde, en hare hitte openbaart zich, als zij bestreden wordt. Vandaar zegt men ook gewoonljjk: in liefde ontbranden, warm worden, branden, koken, in vuur ontsteken, wanneer er sprake is van opwekkingen, die tot het goede der liefde behooren, en ook als van lusten gesproken wordt, die tot liet kwade der liefde behooren.

1155. De van den Meer als Zon uitgaande liefde wordt in den Hemel als warmte gevoeld, omdat het inwendige van de Engelen uit hot Goddel ij k-goedo, dat van den Heer komt, in de liefde is, waardoor dan het uitwendige, dat daardoor warm wordt, in do warmte is; daardoor komt het, dat in don Hemel warmte en liefde zoozeer overeenstemmen, dat aldaar ieder in donzelfdon graad van warmte is, als waarin zijne liefde is, op grond van hetgeen zooevcn gezegd werd. Van de warmte der aarde dringt niets tot in den Hemel door, daar zij te grof is, en natuurlijk niet Geestelijk. Dij de menschen is het anders, daar zij zoowel in de Geestelijke als in de natuurlijke wereld zijn. Zij worden warm naar hun geest, geheel naarmate hunne liefde is, maar hun lichaam wordt warm, zoowel dooide warmte van hun geest als door do warmte der aarde; gene vlooit in deze in, daar zij overeenstemmen. Van welken aard deze overeenstemming van beiderlei warmte is, kan bij de

o. In de; Hel is eene warmte, tlucli eene onreine; nos. 177:i, 2757, 3340; en «Ie reuk daarvan is als oj» aarde de renk van mest en vuilnis; in de ergste liel ais de renk van lijken: ik»s. 814, MT), si7, 1)43, 944, 531)4.

135

80

ocr page 131

OVER LICHT EN WARMTE IN DEN IIEMEI..

dieren blijken, doordat hunne driften, waarvan die tot voortplanting hunner soort de voornaamste is, ontspringen en in werking treden, naarmate de aanwezigheid en deu invloed van de warmte uit do Zon dor aarde is, die alleen in de lente en den zomer bestaat. Zij bedriegen zicii zeiven zeer, die ge-looven, dat de warmte, die van de aarde invloeit, dc driften opwekt; want er bestaat geen invloeiing van het natuurlijke in het Geestelijke, doch wel van liet Geestelijke in liet natuurlijke; deze invloeiing is uit de Goddelijke orde, gene zoude tegen de Goddelijke orde i' zijn.

13G. Do Engelen hebben, evenals de menschen, verstand en wil. Het loven van hun verstand is een werking van het licht des Uemel, omdat dit licht het Goddolijk-ware en daardoor de Goddelijke wijsheid is, en het leven van hun wil is een werking van de warmte des Hemels, daar de warmte des Hemels het Goddelijk-goede en daardoor de Goddelijke liefde is. ITet leven zelf der Engelen is uit de warmte, echter niet uit liet licht, behalve inzooverre als de warmte daarin is. Dat leven uit de warmte komt is duidelijk, want met de verwijdering daarvan vergaat ook hot leven; eveneens is het ook met het geloof zonder liefde of met het ware zonder liet goede; want het ware, dat men het ware dos geloofs noemt, is licht, en liet goede, dat hot goede der liefde is, is warmte. '/ Dit blijkt nog duidelijker door de warmte en hot licht der aarde, die overeenstemmen met hot licht on do warmte des Hemels. Door de warmte der aarde verbonden met het licht, herleeft en bloeit alles, wat op den aardbodem is, zooals in de lento on den zomer; daarentegen wordt door het licht, dat

Kr is een Geestelijke invloeiing en niet een natuurlijke, bijgevolg een invloeiing nit de Geestelijke wcreM in lt;le naniirlijkf en niet uit ilc natnnrlijke in tie Geestelijke: nos. '■ 1H'. .VJ;quot;)!». ■'gt; 127, rgt;!L's. '»177, •gt;•quot;'22, Min, «Uil.

(/. De waarheden zonder liet goede zijn lt;»p zich zelve geen waarheden, daar zij geen leven hebben, want al hnn leven hebben de waarheden nit het goede; no. 0C03. Zij zijn dus nis een liehaani zonder ziel; nos. 31 SO, 1gt;454. Waarheden zonder het goede worden door den Heer niet aangenomen; no. 4308. Wat het ware zonder het goede, wat dus het geloof zonder de liefde, en hoe het ware uit het. goede, of het geloof uit tie liefde is; nos. 1949, .gt;1. 1904, rgt;8;5n, 5951. Met k.»mt op hetzelfde neer, of men zegt het ware of geloof en het goede of liefde, omdat het ware tot het geloof, en het goede tot de liefde behoort; nos. 2231, 2839, 4353, 4997, 7178, 7023, 7024, 10307.

130)

87

ocr page 132

HEMEL EX HEL.

van de warmte gescheiden is, niets tot leven of bloei gebracht, doch alles verstijft en sterft af, zoo als in den winter, wanneer warmte en licht niet verbonden zijn; daar dan de warmte ontbreekt en het licht alleen blijft. A'rolgei)s deze overeenkomst heet de Hemel een paradijs, omdat daarin het ware met het goede of de liefde met het geloof verbonden is; zooals inden lentetjjd op aarde het licht met de warmte verbonden is.

Hieruit blijkt nu nog duidelijker de waarheid, die hier boven, in liet desbetreffende hoofdstuk (No. 13 tot lil) werd vermeld, dat het Goddelijke dos Heeren in den Hemel de liefde tot Hem en de liefdadigheid jegens den naaste is.

137. Johannes zegt; „In hef hejjin nas het Woord, en het Woord was bij God, en God irus het Woord; alle dingen zijn door hetzelve (jemaakt-, en zonder hetzelve is niets gemaakt, wat (jeinaal-t is. In Hem was het leven, en het leven tras het licht der menschen. Hij was in de wereld en de, wereld is door Hem gemaakt. En het Woord werd vleeseh en woonde onder ons, en wij zagen zijne heerlijkheid'quot;, 1:1, 3, 4, 1U, 1-i. Het is duidelijk dat liet de Heer is, die onder het Woord verstaan wordt, want er wordt gezegd, dat het Woord vleeseh geworden is; wat echter in hot bijzonder onder het Woord verstaan wordt, is nog niet bekend geweest, daarom zal het gezegd worden. Het Woord is hier het Goddelijk-ware, dat in den Heer en van den Heer is. Daarom heet Hij ook het licht; en dat dir het Goddelijk-ware is, werd in hot begin van dit hoofdstuk aangetoond. Dat door het Goddelijk-ware alles gemaakt en geschapen is, zal nu worden verklaard. In den Hemel heeft het Goddeljjk-ware alle macht en zonder hetzelve bestaat er hoegenaamd geen macht. Alle Engelen worden krachtens het Goddel jjk-ware machten genoemd, en zjj zijn ook

r. W.tort! in de Heilige Schrift heeft onderscheidene beteekenis, n.1. spraak, gedachte van den geest, alles wat werkelijk bestaat en iets is, en in de liongste beteekenis de Goddelijke waarheid en de Heer, Woord beteekent waar

heid 2So;H, 28!i4, 1002, 507quot;), '1272, !J383, !)S)87. Woord beteekent de Heer 253.1'gt;. 285!l.

Pc Goddelijke waarheid, die van den Heer uitgaat, heeft alle macht (iU48, 8200. Alle macht in den hemel behoort aan waarheid uit het goede 30!II. f1344, (i (23, *304, 0043, 1IIO10, 10182. Engelen worden machten ge

noemd, en zijn machten door de opneming van Goadelijke waarheid uit den Heer, ,,IG30. Engelen zijn ontvangers van Goddelijke waarheid nit den Heer en daarom heeten zij Goden in bet Woord. 4205, 1402, 7873, 8102, 8301.

137

«8

ocr page 133

OVEK LICHT KN WARMTE IN DEN HEMEL.

machten juist in zooverre als zij opneniers of ontvangers daarvan zijn. Daardoor liebben zij macht over de Hel en over allen, die zich tegen hen verzetten. Duizend vijanden daar kunnen geen stand houden tegen een straal van het Hemellicht, hetwelk Goddelijke waarheid is. Omdat de Engelen Engelen zijn, ingevolge hunne opneming van het Goddclijk-ware, volgt dnaruit dat de gehecle Hemel alleen daaruit voortkomt, want de Hemel bestaat uit Engelen. Dat er zulk een groote macht in het Goddelijk-ware woont, kunnen zij niet gelooven, die van het ware geen andere voorstelling hebben dan van een gedachte of van een spraak, in welke geen eigen macht ligt dan in zooverre anderen daarnaar uit gehoorzaamheid handelen, inliet Goddelijk-ware woont echter reeds uit zich zelve macht, en wel zulk een macht, dat daar door de Hemel werd geschapen en ook do wereld met alles wat daar in is. Dat zulk een macht in het Goddelijk-ware woont, kan door twee vergelijkingen worden duidelijk gemaakt, namelijk door de macht van het ware en bet goede in den mensch en door de macht van het licht en de warmte uit de Zon op aarde. Door de macht van het ware en het goede in den mensch; alles wat de mensch doet, doet hij uit zijn verstand en uit zijn wil; uit den wil door middel van het goede en uit het verstand door middel van het ware; want alles, wat in den wil is, heeft betrekking op het goede; en alles wat in het verstand is, op het ware '; door deze dus brengt de mensch het gehecle lichaam in beweging en duizend dingen daarin snellen op hun wenk en bevel aanstonds toe, waaruit blijkt, dat het gehecle lichaam ten dienste van het goede en het ware en bijgevolg ook uit het goede en het ware gevormd is. Door de macht der warmte en des lichts uit de Zon op aarde: alle dingen die op aarde groeien, als boomen, granen, bloemen, grassen, vruchten en zaden, ontstaan niet anders dan door de warmte en het licht der Zon, waaruit blijkt welke voortbrengingskracht in deze

l. Het verstand is do opnemer van liet ware, en de wil de oimemer van liet goede, nos. 3623, (gt;125, 7503, 11300, !l!t30. Daarom heeft alles wat in liet verstand is, op de waarheden betrekking, het zij nu dat zij (werkelijke) waarheden zijn, ol' dat de mensch ze sleehts voor waarheden houdt, en alles wat in den wil is, heeft op gelijke wijze betrekking op het goede; nos. 803,10122.

89

ocr page 134

HEMEL EN HEL.

ligt; hoeveel grooter moot dan niet de kracht zijn, welke in het Goddelijke licht woont, dat het Goddeljjk-ware is, en in de Goddelijke warmte, welke het Goddeljjk-goede is, waaruit do Hemel ontstaat en dus ook de aarde, want door don Hemel ontstaat de aarde, zooals in het voorafgaande werd aangetoond. Hieruit wordt .duidelijk, hoe men te verstaan heeft, dat door het Woord alles gemaakt is, en dat zonder hetzelve niets gemaakt is, wat gemaakt is, en dat ook do aarde door hetzelve gemaakt is, namelijk door hot Goddelijk-ware van den Heer. quot;

Om dezelfde rede wordt in het boek der schepping eerst van het licht gesproken en daarna van datgene, wat uit het licht ontstond (Gen. I : 3, 4.) Daarom ook heeft alles in hot Heelal, zoowel in den Hemel als op aarde, betrekking op het goede en het ware en op de verbindtenis van beide, om iets te kunnen zijn.

139. s Men moet weten, dat liet Goddel ij k-goede en het Goddelijk-ware, dat van den Heer als Zon in do Hemelen is, niet in den Heer, doch van den Heer is. In den Heer is ulleen Goddelijke Liefde, die het wezen (esse) is, waaruit het Goddelijk-goede en Goddeljjk-ware ontstaan (existunt.) Hit ontstaan uit liet wezen wordt onder uitgaan (procedere) verstaan. Hit kan ook door vergelijking mot de Zon der aarde worden opgehelderd. Warmte en licht in de wereld, zijn niet in de Zon, doch uit de Zon; in de Zon is niets dan vuur, en daarvan gaat warmte en licht uit.

140. Daar do Heer als Zon Goddelijke Liefde is en de Goddelijke Liefde het Goddelij k-goede zelve is, zoo wordt het Goddelijke, dat van Hem uitgaat, dat zijne Goddelijkheid in den Hemel is, ter onderscheiding het Goddeljjk-ware genoemd, ofschoon hot Goddelij k-goede is vereenigd met het Goddelijk-waro. Dit Goddelijk-waro is bet, dat hot van Hem uitgaande Heilige genoemd wordt.

7/. Hot van den Heer uitgaande Goddelijk-ware is liet eenige, wat werkelijk is; nos. 0880, 7004. 8200. Door het Goddelijk-ware is alles gemaakt en geschapen; nos. 2803, 2884, 5272, 7835.

*. In het origineel komt no. 138 niet voor.

IS'J, 140

90

ocr page 135

141, 142

OVER DE VIEIi HEMELSTREKEN IN DEN HEMEL.

141. In den ncmol zijn evenals op aarde, vier Ilemel-streken, liet Oosten, liet Zuiden, het Westen, en het Noorden, welke in beide werelden door hunne Zon worden bepaald: in den Hemel door de Zon des Hemels, welke de Heer is en op aarde door de Zon der aarde, en toch is er een groot onderscheid. In de eerste plaats noemt men op aarde het Zuiden, waar de Zon op haar grootste hoogte hoven de aarde is, het Noorden, waar zij in het tegenovergestelde punt beneden de aarde staat, het Oosten waar zij ten tijde der nachtevening opgaat en het Westen waar zij dan ondergaat; zoo worden op aarde alle Hemelstreken door het Zuiden bepaald. In den Hemel daarentegen heet het Oosten waar de Heer als Zon verschijnt, daartegenover is het Westen, ter rechter zijde in den Hemel is het Zuiden en ter linker zijde daarin is het Noorden, en dit bij elke wending van het aangezicht en het lichaam; zoo worden alle Hemelstreken in den Hemel door het Oosten bepaald. Dat de plaats, waar de Heer als Zon gezien wordt, het Oosten (Orient) wordt genoemd, heeft zijn grond daarin dut alle oorsprong (Origo) des levens van Hem als Zon is; en inderdaad, naarmate bij de Engelen warmte en licht of liefde en doorzicht van Hom wordt opgenomen, in zoover heet het, do Heer (jiutf op (Exoriri) bij hen; daardoor komt het ook, dat de Heer in het Woord het Oosten (Oriens) heet. x

142. Het tweede onderscheid is dat de Engelen steeds vóór het aangezicht het Oosten, achter den rug het Westen, ter rechter zijde het Zuiden en ter linker zijde het Noorden hebben. Daar dit echter op aarde moeiehjk te begrijpen is, omdat de mensch zijn aangezicht naar elke Hemelstreek wendt, zal dit verklaard worden. De geheele Hemel wendt zich naaiden Heer als het gemeenschappelijk middelpunt; bijgevolg keeren alle Engelen zich daarheen. Dat ook op aarde elke richting naar het gemeenschappelijk middelpunt is gewend,

x. De Heer is in don hoogsten zin het Oosten, daar Hij de Zon des Hemels is, die altijd opgaat en nooit ondergaat; nos. 101, 5U!gt;7, 9668,

91

ocr page 136

HEMEL EN HEL.

is bekend. De richting in den Hemel verschilt echter daarin van de richting op aarde, dut in den Hemel de voorste doelen des lichaams zich naar het gemoenschappclijk middelpunt wenden, terwijl dit op aarde do onderste doelen doen. Deze richting op aarde noemt men middelpuntzoekende kracht ot' ook zwaartekracht. Het inwendige der Engelen is ook werkelijk naar voren gekeerd; en daar hot inwendige zich in het aangezicht vertoont, worden door liet aangezicht de Jlemolstreken bepaald..'/ 143. Dat de Engelen het Oosten voor zich hebben bij elke wending van hun aangezicht of' van hun lichaam kan op aarde nog minder begrepen worden, daar de mensch elke Hemelstreek, al naarmate hij zich gewend heeft voor hot aangezicht heeft; daarom zal ook dit verklaard worden. Do Engelen wenden en draaien hunne aangezichten en hunne lichamen op de zelfde wijze naar alle zijden als dat de menschen doen, en toch is bij hen het Oosten steeds voor hot oog, doch de wendingen der Engelen zijn niet als die der menschen, want zij zijn van anderen oorsprong, zjj schijnen wel als van de zelfde soort, doch zijn toch niet gelijk. De heerschende liefde is de oorsprong; uit haar ontspringen allo bepalingen van richting, zoowel bij do Engelen als bij do geesten, want zooals zooeven gezegd werd, hun inwendige is werkelijk naar hun gemeenschappelijk middelpunt gewend, dus in den Hemel naar den Heer als Zon. Daarom dan ook, omdat hunne liefde steeds voor hun inwendige is en hun aangezicht zich uit hun inwendige vormt, (want het is de uiterlijke vorm daarvan) hebben zij altijd hunne heerschende liefde voor hun aangezicht. In de Hemelen dus, is het de Heer als Zon, daar Hij het is van wien zij do liefde hebben; - en daar de Heer zelve in

y. In den Hemel keeren zich allen naar den Heer; nos. 0828,10130,10189,10211). Doch het zijn niet de Engelen, die zich naar den Heer wenden, maar de Heer wendt ze naar zich heen; no. 10189. Er is geen tegenwoordigheid van de Engelen bij den Heer, doch een tegenwoordigheid des Heeren bij de Engelen; no. 9415.

In de Geestelijke wereld keeren allen zich bestendig naar hnnne liefden en de Hemelstreken gaan aldaar van het aangezicht nit en worden daardoor bepaald; nos. 10130, 10189, 10420, 10702. Het aangezicht is gevormd om overeen te komen met het inwendige; nos. 4791 tot 4805, /gt;(»!),■). Het inwendige schijnt alzoo door het aangezicht heen; nos. 3527, 4000, 4790. liet aangezicht maakt bij de Engelen één uit met het inwendige; nos. 4790, 4707, 4799, 5095, S25ü. Over den invloed van het inwendige in het aangezicht en zijne spieren: nos. 3031, 4800.

143

92

ocr page 137

OVER DE VIKR HEMELSTREKEN lNr DEN HEMEL. 144, 145

Zijne liefde bij de Engelen is, is het de Heer, die maakt, dat xij op Hein zien, waarheen zjj zich ook wenden. Dit kan hier nu niet vorder worden verduidelijkt, doch in de volgende hoofdstukken, in het bijzonder daar waar over de voorstellingen en verschijningen en over tijd en ruimte in den Hemel wordt gehandeld, zal het meer begrijpelijk worden gemaakt. Hot werd mij gegeven door veel ondervinding en door eigen waarneming te weten, dat de Engelen den Heer bestendig voor hot aangezicht hebben ; want zoo dikwijls ik met de Engelen in verkeer was, werd ook de tegenwoordigheid des Heeren voor mijn aangezicht waargenomen; ofschoon niet zichtbaar, werd Hij toch in het licht bemerkt; dat dit zoo is,betuigden de Engelen meerdere malen. Daar de Heer voortdurend voor het aangezicht der Engelen is, wordt ook op aarde gezegd: men moet God voor oogen en voor liet aangezicht hebben, en op Hem zien; en dat degenen, die in Hem gelooven en Hem liefhebben. Hem zien. Dat de monsch zoo spreekt, ontstaat uit de Geestelijke wereld, want daaruit is veel dat in de menschelijke spraak is, ofschoon de monsch niet weet dat hot daaruit ontstaat.

144. Dat zulk ceiie wending tot den Heer plaats heeft, behoort tot de wonderlijke dingen des Hemels; want daar kunnen velen op een zelfde plaats zijn, en de ecne zijn aangezicht en zijn lichaam naar ecne andere zijde wenden dan de ander, en toch allen den Heer voor zich zien; en ieder lieeft aan zijne rechter zijde liet Zuiden en aan zijne linkerzijde het Noorden en achter zich het Westen. Tot de wonderdingen behoort ook, dat, ofschoon de blik der Engelen altijd naar het Oosten is, zij toch ook een blik naar de drie overige Hemelstreken hebben; echter hebben zij daarop een blik uit hun inwendig zien, hetwelk dat van liet denken is. Een ander wonderlijk ding is nog, dat liet in den Hemel nooit aan iemand veroorloofd is, achter een ander te staan en in de richting van zijn achterhoofd te zien, en dat in zulk een geval de invlociing van bet goede en liet ware van den Heer wordt gestoord.

145. De Engelen zien den Heer op eenc andere wijze dan de Heer hen ziet. De Engelen zien den Heer door de oogen, maar de Heer ziet de Engelen in het voorhoofd; de

93

ocr page 138

ItEMËL EiV IlEfi.

reden hiervan is, dat het voorhoofd overeenstemt met de liefde en de Heer door de liefde ia hun wil invloeit en maakt dat men Hem door het verstand, dat met de oogen overeenstemt, ziet. a

146. De streken in de Hemelen, die het Hemelsehe rijk des Hceren uitmaken, verschillen van de streken in de Hemelen, die zijn Geestelijk rijk vormen, en wel, omdat de Heer voor de Engelen die in zijn Hemelsch rijk zijn als Zon verschijnt, en voor de Engelen die in zijn Geestelijk rijk zijn, als Maan; terwijl het Oosten daar is, waar de Heer verschijnt. De afstand tusschen de positie van de Zon en Maan bedraagt daar dertig graden, bij gevolg is er een zelfde afstand tusschen de zelfde Hemelstreken der twee Rijken. Dat de Hemel in twee Rijken is verdeeld, die het Hemelsehe en het Geestelijke rijk boeten, kan men in de desbetrettende hoofdstukken no. 20 tot 28 zien, en dat de Heer in het Hemelsehe rijk als Zon en in hot Geestelijke rijk als Maan verschijnt in no. 118, en toch worden de Hemelstreken daarom niet onbepaald, daar de Geestelijke Engelen niet tot de Hemelsehe Engelen kunnen opstijgen, en evenmin deze tot gene kunnen nederdalen; men kan dit boven zien in no. 35.

147. Hieruit blijkt, welke de tegenwoordigheid des Heeren in de Hemelen is; dat Hij namelijk overal is en bij een ieder in het goede en het ware, dat van Hem uitgaat; dat Hij dus, zooals boven in no. 12 werd gezegd, in het Zijne bij de Engelen is. Het ontwaren van de tegenwoordigheid des Heeren is in hun inwendige; daaruit zien de oogen. Aldus zien zij Hem buiten zich zelven, daar er voortduring is van hetgeen inwendig is met wat uitwendig is. Hieruit kan men opmaken, hoe het verstaan moet worden, dat de Heer in hen is, en zij in den Heer zijn, volgens de woorden des Heeren: „Blijft in mij en Ik in u,quot; Joh. XV : 4, die Mijn vleesch eet, en mijn bloed drinkt, blijft in mij, en Ik in hem,quot; Joh. VI: 56.

a. Het voorhoofd stemt overeen met Hemelsehe liefde, en daarom wordt deze liefde in liet Woord aangeduid door het voorhoofd; no. !l'.)3G. Het oog stemt overeen met het verstand, omdat liet verstand het inwendige zien is; nos. 2701, 4410, 452G, 9051, 105C9. Daarom heteekent de oogen opslaan en zien: verstaan, begrijpen en waarnemen; nos. 2789, 2829, 3198,3202,4083, 4080, 4339, 5084.

140, 147

94

ocr page 139

OVER DE VIER HEMELSTREKEN IN DEN HEMEL. 148, 141»

Het vleesch des Hoeren beteekent het Goddelijk-goede en Zijn bloed het Goddelijk-ware. h

148. In den Hemel wonen allen gescheiden, volgens de Hemelstreken. In het Oosten en liet Westen wonen zij, die in het goede dor liefde zijn; in liet Oosten zij, die een heldere opvatting daarvan hebben; in het Westen zij die eene duistere opvatting daarvan hebben. In het Zuiden en in liet Noorden wonen zij, die in de wijsheid van dat goede der liefde zijn; in het Zuiden zij, die in het heldere licht der wijsheid zijn, in het Noorden, zij die in het duistere licht der wijsheid zijn. De Engelen zoowel in het Geestelijke rijk des Heeren als in Zijn Hemelsch rijk wonen in dezelfde orde, slechts met een verschil naar het goede der liefde en naar het licht van hot ware uit hot goede; want de liefde in het Hemolsche rijk is liefde tot den Hoer, en hot licht van het ware daaruit is wijsheid. In hot Geestelijke rijk is zij echter do liefde tot don naaste, hetgeen liefdadigheid (charitas) wordt genoemd, en hot licht van hot ware daaruit is doorzicht, hetgeen ook geloof genoemd wordt; men zie boven no. 23; zij worden ovonoons naar do Hemelstreken onderscheiden, want do Hemelstreken staan in het eene en het andere rijk dertig graden van elkaar verwijderd, gelijk zooeven in no. 140 werd gezegd.

149. Op gelijke wijze wonen do Engelen onder elkaar in elk gezelschap dos Hemels; in hot Oosten wonen zij, die zich in een hoogeren graad van liefde on liefdadigheid bevinden ; in hot Westen zij die in een minderen graad zijn; in het Zuiden zij, die in het grootere licht van wijsheid en doorzicht zjjn; in het Noorden zij, die in een zwakker licht zijn. Zij wonen zoo goschoidon, daar elk gezelschap don Hemel voorstelt, en ook een Hemel in kleinere gestalte is; zie boven, no. 51 tot 58. Het zelfde geschiedt bij luuiue vergaderingen. Zij worden in deze volgorde gebracht door den vorm des Hemels, krachtons welke een ieder zijn plaats kont. Ook wordt er door den Hoer voor gezorgd, dat in elk gezelschap Engelen van elke soort zijn, opdatde Hemel,

h. Het vleesch des Heeren beteekent iu het Woord Zijn Goddelijke m'ensch-heid en het Goddelijk-goede Zijner liefde; nos. 3813, 7850, 11127, 10283. En het bloed de.s Heeren beteekent het Goddelijk-ware en het heilige des geloofs; nos. 1735, -1078, 7317, 732«, 7840, 7850, 7877, 9127, 9393,10020,10033,10152,10204.

igt;5

ocr page 140

HEMEL EX HEL.

wat zijn vorm betreft, overal gelijk zij; maar noch thans verschilt de regeling van den geheelen Uemel van de regeling van een gezelschap, als het algemeen van het bijzondere; want de gezelschappen, die in het Oosten zijn, overtreffen de gezelschappen, die in het Westen zijn, en die, welke in het Zuiden zijn, overtreffen die, welke in het Noorden zijn.

150. Vandaar, dat de streken in den Hemel datgene beteekenen, wat bij hen is, die daarin wonen, namelijk: het Oosten, de liefde en het goede van de liefde in een helder begrip; het Westen, juist hetzelfde in ecu duistere bevatting; liet Zuiden, de wijsheid en het doorzicht in eeu bolder licht, en het Noorden, hetzelfde in een duister licht. En daar de Hemelstreken in de Hemelen dergelijke beteekenis liebben, wordt ook hetzelfde door hen in den innerlijke of geestelijken zin van het Woord aangeduid c; want de innerlijke of geestelijke zin van liet Woord is geheel overeenstemmend met hetgeen in den Hemel is.

151. Het tegenovergestelde heeft plaats bij hen, die in de Hel zijn; zij, die daarin zijn, zien niet op den Heer als Zon of als Maan, maar zij zien rugwaarts van den Heer af op het stikdonkere dat op de plaats van dc- wereldzon is en op liet duistere dat op de plaats van de Maan der aarde is; zij, die booze geesten (genü) lieeten, zien op liet stikdonkere, dat op dc plaats der wereldzon is, en zij die geesten lieeten op het duistere dat op dc plaats van de Maan der aarde is. d Dat de Zon der wereld cu de Maan der aarde niet in de geestelijke wereld schijnen, docli op de plaats van genoemde Zon iets stikdonkers van wat tegenovergesteld is aan dc Zon des Hemels, en op de plaats van genoemde Maan iets duisters van wat tegenovergesteld is aan de Maan des Hemels, staat, kan men boven zien, 122. In de Hel zijn bijgevolg de streken tegenovergesteld aan de streken des Hemels: het Oosten is

c. Het Oosten beteekent in het Woord de liefde in een helder begrip; nos. 1250, 3708; liet Westen, de liefde in een duister begrip; nos. 3708, 9653; het Zuiden een staat van het licht of van wijsheid en doorzicht; nos. 1458, 7308, 5lt;)72, en het Noorden, deze staat in het duister; no. 3708.

d. Wie en van welke hoedanigheid de booze geesten zijn en wie en van welke hoedanigheid zij, die men geesten noemt; nns. 047, 5035, 5977, 8593, 8622, 8025.

9(1

150, 151

ocr page 141

OVER DE VIER HEMELSTREKEN 152, 153

bij hon, waar dat stikdonkere en dat verduisterde is; liet Westen is voor hen, waar de Zon des Uemels is; het Zuiden is aan hunne rechter- en liet Noorden aan de linkerzijde, en dit ook bij elke wending van hun lichaam. Zij kunnen ook niet anders zich richten, omdat elke richting van hun inwendige en olke bepaling, die er uit volgt, met kracht naar die zijde wordt gewend en gevoerd. Dat de richting van het inwendige en bijgevolg de werkelijke bepaling van allen, die in het andere leven zijn, volgons hunne liefde is, ziet men in Xo. 143. Ue liefde van hen, die in de Hel zijn, is de eigenliefde en de wereldliefde, en deze soorten van liefde zijn het, die door de Zon der wereld on de Muan der aarde worden aangeduid; men zie in Xo. 122; en deze soorten van liefde zijn ook tegenovergesteld aan de liefde tot den Heer 011 de liefde jegens den naaste; f daardoor komt het, dat zij zich van den lleere afwenden naar die duisternis en schaduw. Ook zij, die in de Hel zijn, wonen volgens hunne streken; zij, die in het kwade uit de eigenliefde zijn. van het Oosten tot het Westen; zij. die in het valsche van het kwade zijn, van liet Zuiden tot het Noorden; doch daarover meer in hetgeen verder volgt, alwaar over do Hel zal worden gehandeld.

152. Komt een kwade geest onder de goede geesten, dan worden de Hemelstreken gewoonlijk zoo verward, dat de goeden nauwelijks weten, waar hun Oosten is. Dir heb ik inderdaad eenige malen waargenomen, en ook van geesten gehoord, die zich daarover beklaagden.

153. Booze geesten verschijnen somtijds als naar destreken des Hemels gekeerd eu hebben dan doorzicht en begrip van het ware, echter geene genegenheid voor hot goede; en zoodra zij zich weder naar hunne eigen streken terug wonden, zijn zij zonder doorzicht en begrip van het ware, en zeggen dan,

e. Zij, die in de liefde Tot ziehzelven en tot de wereld verkeeren, wenden hun rug naar den Heer; nos. 1O130, 10185), 10420. 10702. De liefde tot den Heer en de liefdadigheid jegens den naasten maken den Hemel, terwijl de liefde tot ziehzelven en de liefde tot de wereld de Hel vormen, daar zij tegenover elkaar staan; nos. 2041. 3010. 4225, 4770. 6210, 7360, 7369.7490, S232, 8078, 10455, 10741, —45.

97 7«

ocr page 142

KEMEL EN UEI-.

dat de waarheden, die zij gehoord en begrepen hebben, niet waar zijn, doch valsch en wenschen het valsche waar te zijn. Mjj werd omtrent deze verandering onderricht, dat bij den booze het begrip (intellectuale) zoo kan worden gewijzigd, doch niet de wil (voluntarium) en dit is door den Heer zoo voorzien, opdat ieder de waarheden zou kunnen zien en erkennen, maar dat niemand ze zou ontvangen dan wanneer hij in het goede was, daar alleen liet goede en nooit liet kwade de waarheden opneemt. Evenzoo is het bij den mensch, opdat hij door de waarheden zou kunnen worden verbeterd; hij wordt echter niet verder verbeterd, dan zooverre hij in het goede is, en daardoor komt het, dat de mensch op gelijke wijze naar den Heer kan worden gewend. Is hij echter naar zjjn leven in het kwade dan wendt hij zicli aanstonds van den lieer af en versterkt zich in het valsche van zijne boosheid in tegenstelling van de waarheden, die hij begrepen en gezien had; en dit geschiedt bij hem, wanneer hij bij zich volgens zijn innerlijk denkt.

OYER DE TOESTANDSVER A N DER IXGEX DER EXOEEEN IX DEN HEM EE.

154. Onder toestandsveranderingen der Engelen worden verstaan hunne veranderingen in liefde en geloof en in hunne wijsheid en doorzicht, dus veranderingen in den staat huns levens. Toestand wordt gebezigd van het leven en van hetgeen tot het leven behoort. En daar het loven der Engelen een leven der liefde en des geloofs en daardoor van wijsheid en doorzicht is, wordt over den staat daarvan gesproken en worden toestanden der liefde en des geloofs, alsook toestanden van wijsheid en doorzicht genoemd; hoe deze toestanden bij do Engelen veranderen, zal nu worden gezegd.

155. De Engelen zijn niet voortdurend in denzelfden toestand met betrekking tot de liefde, en daardoor ook niet in denzelfden toestand met betrekking tot de wijsheid, want alle wijsheid hebben zij uit de liefde en volgens tien aard der liefde; somtijds zijn zij in een toestand van vurige

OS

154, 155

ocr page 143

TOESTANDSVEKA X DK UI XOEX DEU EXfiET.EX

somtijds in con toestand van minder vurige liefde. Uitneemt trapsgewijze af van den lioogsten tot den laagsten graad. Wanneer zij in don Iioogsten graad der liefde zjjn, zijn zij in het licht en de warmte huns levens of in hun helderheid en genot; zijn zij echter in den laagsten graad, dan zijn zij in de schaduw en in do koude of in hun duisternis en ongenoegen. Van den laatsten staat keeren zij weder tot den eersten terug, en zoo voort; de wisselingen volgen elkander op en wol op verschillende wjjzen. Deze toestanden volgen elkaar op als de toestanden van licht en schaduw en van warmte en koude, of gelijk die van morgen en middag en van avond en nacht op eiken dag op aarde, met voortdurend verschil ge-durende hot jaar. Zij komen ook overeen: de morgen met den toestand hunner liefde in de helderheid, de middag; met

7 O

den toestand hunner wijsheid in de helderheid, de avond met den toestand hunner wijsheid in het duister, en de nacht met den toestand van liefdeloosheid en onwijsheid; men dient echter te weten, dat geen overeenkomst bestaat van de nacht met de toestanden des levens van hen, die in den Hemel zijn, doch wel een overeenkomst met de schemering, die don morgen voorafgaat; een overeenkomst met de nacht bestaat voor hen, die in de llcl zijn. Hot is volgens deze overeenkomst, dat dag en jaar in het Woord do levenstoestanden in het algemeen boteckcnen; warmte en licht beteekenen liefde en wijsheid; de morgen do eerste en hoogste trap der liefde; do middag de wijsheid in haar licht; de avond dc wijsheid in haar schaduw, de iiiorgenschomoring do duisternis, welke den morgen voorafgaat, en nacht het geheel ontbreken van liefde en wijsheid. £'

ƒ■ In den Hemel is geen toestaml. die overeenkomt niet den nacht, doch wel een die overeenkomt met de schemering, welke den morgen voorafgaat; no. (1110. De schemering heteekent eenc middentoestand tusschen den laatsten en den eersten; no. 10134.

it. ITet is met de toestandswisselingen van verlichting en gewaarworden in den Hemel gesteld als met de tijden van den dag up aarde; nus. 5(572, 5!K)2, 0110, 842(5, Ü213, 1060rgt;. In het Woord heteekencn een dag en een jaar, alle toestanden in het algemeen; nos. 23, 4jlt;7, 4S8, 493, 803,278.8,34152,4850,10656 De morgen heteekent het hegin van een nieuwen toestand en eene staat der liefde; nos. 721(1, 842(1, 8427. IIHI4, 10134, De avond heteekent een toestand, van vermindering in licht en liefde; nos. 1(034, 10135, De nacht heteekent de toestand van het geheele gehrek aan liefde en geloof: nos. 221, 709, 2353. 15000, f.110, 7870, 7947.

09

ocr page 144

HEMEL EX HEL.

156. Mot don toostand van hot inwendige, dat het gebied der liefde en wijsheid dor engelen is, worden ook de toestanden der menigvuldige dingen, die buiten hen ziju en voor hunne oogen verschijnen, veranderd; want de dingen, die buiten hen zijn, nemen oenen schijn aan naar de dingen, die in hen zjjn ; maar hoe en wat deze dingen zijn, zal in de volgende hoofdstukken, waarin over zinnebeelden en verschijningen in den Hemel sprake zal zijn, gezegd worden.

157. Iedere Engel ondergaat en doorloopt zulke toestands-voranderingen en ook elk gezelschap in zijn geheel, doch elk verschillend van den ander, omdat allen verschillen in liefde en wijsheid; want die in liet midden zijn, verkeeren in een meer volkomen staat, dan zij, die zich rondom tot aan de grenzen bevinden (men zie boven no. 23 en 128). Maar het zou te wijdloopig wezen de verschillen op te geven, want een ieder neemt veranderingen waar, naarmate do gesteldheid van zijn liefde en zijn geloof is; daardoor komt het, dat de een in zijne helderheid en genot is, terwijl de ander in zijne duisternis en ongenoegen is, en dat tegelijker tijd in hetzelfde gezelschap; zoo kan ook in het eene gezelschap de staat anders zijn dan in het andere en in de gezelschappen des llemelschen rijks anders dan in de gezelschappen van het Geestelijke rijk. De verschillen hunner toestandsveranderingen in het algemeen zijn als de verschillen der dagen en jaargetijden in de verschillende streken der aarde; want waar sommige morgen hebben, hebben andere avond, of ook sommige hebben warmte, terwijl andere koude hebben en omgekeerd.

158. Ik werd uit den Hemel onderricht, waarom aldaar zulke toestandsveranderingen plaats hebben; de Engelen zeiden, dat er verschillende oorzaken waren; vooreerst, dut het genot des levens en des Hemels, hetwelk uit de liefde en wijsheid van den Heer tot hen komt, langzamerhand zijne waarde zou verliezen, wanneer zij onafgebroken daarin verbleven, zooals dat gebeurt bij hen, die zonder afwisseling in vermakelijkheden en genot leven. Een andere oorzaak is, datzij evenalsde mcnschen een zeker iets van zicli zelf hebben (proprlmn) en dit bestaat in zich zelf liefhebben en dat allen, die in den Hemel zijn, van

156—158

100

ocr page 145

TOEST A X Igt;S VEK AN DE K1XU EX DEK ENG EI,EX.

dit proprium worden afgehouden en dat naarmate zij er door don I [eer van afgehouden worden, zij in dezelfde mate in liefde en wijsheid zijn; maar dat naarmate zij er niet van zijn afgehouden, /.ij in dezelfde mate in eigenliefde verkeeren, en daar een ieder liefheeft wat het zijne ia en daardoor getrokken wordt, h treden bij hun toestandsveranderingen en op elkander volgende wisselingen in. Eenderdeoorzaakis, datzjj opdezewjjze volmaakt worden, daar zij er zieh a:in gewennen in de liefde tot den Heer gehouden eu van ile eigenliefde afgehouden te worden en dun ook daardoor de afwisselingen van genot en gemis aan genot, de gewaarwording en het gevoel van het goede fijner wordt. ' Zij voegen daaraan toe, dat nietde Heer hunne toestandsveranderingen teweegbrengt, daar de Heer evenals de Zou steeds met warmte en licht, dat is met liefde en wijsheid invloeit, maar dat do oorzaak in hun zelve ligt, daar zjj liefhebben, wat hun eigen is, hetgeen hen bestendig aftrekt; dit wordt opgehelderd door vergelijking met de Zon dor wereld, iu zooverre niet in haar do grond der toestandsveranderingen van warmte en koude en van licht eu donker in elk jaar en op eiken dag ligt, daar zij onbewegelijk staat, maar dut de aarde er de oorzaak van is.

150. Er werd mij aangetoond, hoe de iroer als Zon voor ile Engelen in het Hemelsche rjjk, in hun eersten, hoe in hun tweeden en hoe in hun derden toestand verschijnt. Do lieer werd als Zon vlammend eu stralend in zulk een glans gezien, dat het niet lean worden beschreven; men zeide, dat de Heer als zulk een Zon voor do Engelen verschjjnt in hun eersten toestand. Vervolgens zag men een groote wolkachtige gordel om de Zon, door welken het vlammende en stralende, waardoor /ij eerst zulk een glans had, matter begon te worden; men zeide, dat de Zon zoo schijnt in hun tweeden toestand; daarna zag men, hoe de gordel nog dichter werd en de Zon dientengevolge minder vlammend scheen, en wel trapsgewijze,

//. Het eiircne van den meitsc li is. /ilt;■ 11 /ell' hcininiieii: nos. 731, 4ol7, -)()(gt;(). Het eluvne moet «n srlu-ulcn worden, ojuhit de lieer aanwezig kunne zijn; nos. 1023, 10-14. Hit wordt uok werkelijk gescheiden, wanneer iemand door den Heer in het iroede gebonden wordt; nos. !K^34, .'Wl. 1M4, ïgt;452,54.1Kgt;38-

!. He engelen worden tot in Kenwiglieid steeds meer volmaakt; nos.4S03gt; (KMS. In de Hemelen is nimmer de eene toestand geheel aan den anderen gelijk en dientengevolge is er voortdurende volmaking; no. 10'jou.

101

ocr page 146

UKMEI. K.N UKI..

tot zij eindelijk als 't ware schitterend wit was. Men zeide, dat de Zon zoo voor hen in den derden toestand schijnt. Daarna zag men dit schitterend witte links naar de zijde der Maan des Hemels voortgaan en zich daar bij haar licht voegen, tengevolge waarvan nu de Maan bovenmatig glansde. Men zeide, dat dit de vierde toestand voor hen in het Hemelsche rijk en de eerste voor hen in het Geestelijke rijk was, en zoo wisselen zich de toestandsveranderingen in beide rijken af; echter niet tegelijk in het geheel, doch in het eene gezelschap na het andere; daarbij zijn deze verwisselingen niet regelmatig, doch zij komen vroeger ot' later en onverwachts. Verder zeiden zij mij, dat niet de Zon zoo in zichzelve veranderde en eveiiiiiin zoo van plaats verwisselde, maar dat het aldus schijnt naar gelang van de op een volgende verbeteringen hunner toestanden, daar de Heer voor een ieder volgens do gesteldheid van zijn toestand verschijnt, dus vlammend, wanneer hij in vurige liefde is, minder vlammend en eindelijk wit sdiitterend wanneer de liefde afneemt; en de gesteldheid van zijn toestand wordt door den wolkachtigen gordel voorgesteld, die aan de Zon de schijnbare veranderingen gaf in de vlam en het licht.

160. Wanneer de Engelen in dezen laatsten toestand verkeeren, die intreedt, wanneer zij in hun eigen zijn, dan beginnen zij treurig te worden. Ik sprak met hen, terwijl zij in dezen toestand waren, en zag hunne treurigheid; maar zij zeiden, dat ze de hoop koesterden binnen kort weder in den vorigen toestand en dus eveneens weder in den Hemel te komen; want de Hemel is voor hen van hun eigen afgehouden te worden.

161. Ook in de Hel zijn toestandsveranderingen, doch hierover later, waar van de Hel sprake zal zijn.

OVKIt KEN TUD IX DK\ 11 KM KL.

1G2. Ofschoon ook in den Hemel alles, evenals op aarde, wisselt en vooruitgaat, hebben toch de Engelen geen begrip of voorstelling van tijd en ruimte, zoo zelfs, dat zij volstrekt niet weten wat tijd en ruimte is. Over den tijd des Hemels zal nn worden gesproken en over de ruimte later in een afzonderlijk hoofdstuk.

160—162

102

ocr page 147

OVER HEX TUI) IN DEX IIEMEL.

163. Dat de Engelen niet weten, wat tijd is, ofschoon alles bjj lien trapsgewijze voortgaat, evenals op aarde, en wel zonder eonig onderscheid, liect't daarin zijn grond, dat er in den Heine! geen jaren cmi dagen, maar wel toestandsveranderingen bestaan, en dat, waar Jaren en dagen bestaan, ook tijden zijn, dat echter, waar toestandsveranderingen bestaan, toestanden zijn.

164. Op aarde bestaan tijden, omdat de Zon hier schijnbaar van graad tot graad voortgaat en tijden maakt, die men jaargetijden noemt, en zij bovendien om de aarde loopt en tijden maakt, die men dagtijden noemt en zoowel de jaargetijden als de dag in vaststaande wisseling. Anders is liet met de Zon des Ueinels; deze maakt niet door regelmatige voortbewegingen en omdraaiingen jaren en dagen, doch zij maakt schijnbaar toestandsveranderingen, on ook deze niet in vastbepaalde wisseling, zooals dit in het vorige hoofdstuk werd aangetoond. Vandaar, dat Engelen hoegenaamd geene voorstelling van tijd kunnen hebben, doch iu plaats daarvan slechts van den toestand; (zie boven no. 154).

165. Daar de Engelen geen voorstelling hebben aan tijd ontleend, zooals de menschen op aarde, hebben zij ook geen begrip van tijd en wat daartoe behoort; zij weten niets van tijdsbepalingen, zooals jaar, maand, week, dag, uur, lieden, nioigen en gisteren. Wanneer de Engelen zoo iets van den mensch hooren (want steeds zjjn Engelen door den Heer bij den ineiiseh gevoegd) dan ontwaren zij in plaats daarvan toestanden en wat daarbij behoort. Zoo wordt het natuurlijke begrip van den mensch bij de Engelen in een Geestelijk begrip veranderd. Vandaar dat tijden in het Woord toestanden beteekenen, en tijdsbepalingen, zooals de bovengenoemden de daarmee overeensteimncmle (feestelijke dingen.

166. Zoo is het ook met alles, wat door den tijd bestaat.

Tijden beteekenen in lier Wnortl toestanden; nos. 2(88, 2837,3251,3356, -jsn, 72IS, 8070, lOlM.quot;). l«i(i05. Kngelen denken zonder voorstelIing

van tijd en ruimte; no. .quot;.KM. Oorzaken daarvan; nos. 1271. 1382, 3356,4882, 41MM, (gt;110, 7218. 7MS1. Wat in liet Woord liet jaar beteekent; nos. 4S7, 488, 41).'!, si2ÏMk;, 7S28. 1o2,Mgt;; de maand: no. .'iS14, de week; nos. 2044, 3845; de dag; nos. 2'gt;, ls7. IsSj 611quot;. 7430, s I2lt;), 0213, 100(52,1 lt;gt;G(•.quot;gt;; lieden; nos. 2838,3008, 4301, 6165, 6081, 00;;0: morgen; nos. 3008, 10407; gisteren ; nos.6083, 7124, 7140.

163—166

103

ocr page 148

11 KM KT. KN' HEI..

zooals b.v. bij de vier jaargetijden, die men lente, zomer, herfst en winter noemt, en bij de vier dagtijden, die morgen, middag, avond en nacht heeten: ook bij de vier nienschen-leeftijden, die kindsheid, jeugd, mannelijke leeftijden ouderdom worden genoemd en zoo hij het overige, dat of door den tijd ontstaat' of een opvolging van tijden heeft. Wanneer de mensch aan die dingen denkt, denkt lnj volgens den tijd, maar de Engel volgens den-toestand; daarom wordt hetgeen deze dingen bij den mensch van den tijd in zich sluit bij de Engelen in het begrip van toestand veranderd. lionte en morgen worden veranderd in een denkbeeld, omtrent liefde en wijsheid, zooals die in den eersten toestand bij do Engelen zijn. Zomer en middag veranderen in een begrip van liefde cn wijsheid, zooals die in den tweeden toestand zijn. Herfst en avond, zooals zij in den derden toestand zijn. Nacht en winter in het begrip van den toestand, zooals die in de Hel is; vandaar dat dergelijke dingen door tijden in het woord worden bedoeld; men zie boven no. 155, waaruit blijkt op welke wijze de natuurlijke dingen in de gedachten van den mensch, bij de Engelen, die zich bij hem bevinden. Geestelijk worden overgebracht.

107. Daar de Engelen geen begrip van tijd hebben, hebben zij ook een ander denkbeeld van de eeuwigheid, dan de menschen der aarde. Door eeuwigheid verstaan zij een eindeloozen toestand, doch geen eindeloozen tijd. ' Ik dacht eens over de eeuwigheid na en door middel van het tijdsbegrip kon ik wel begrijpen wat liet „in Eewrii/heid'' zou zijn, namelijk het eindelooze, doch niet wat het „ron Eemciyheidquot; was, dus ook niet, wat God voor de schepping van Eeuwigheid af gedaan had. Toen ik hierdoor in mijn geest beangst werd, werd ik in de sferen des Hemels opgeheven en kwam zoodoende in de bevatting, waarin de Engelen omtrent de Eeuwigheid zijn, waardoor mij toen door verlichting helder werd, dat men over de eeuwigheid niet volgens den tijd mag denken, doch wel volgens den toestand cn dat dan begrepen wordt, wat

/. Menschen hebben een begrip van eeuwigheid niet tijd. maar Engelen zonder tijd; nos. 1382, 3404. *325.

167

104

ocr page 149

OVKK DEX TIJD IX DEN HEME F,.

het „van Eeuwigheidquot; is, zooals dit ook mij gebeurde.

1(58. Engelen, die met mensclien spreken, spreken nimmer door middel van natuurlijke begrippen, die den mensch eigen zijn en die alle van tijd, ruimte en stof en van daarmede overeenkomende dingen afgeleid zijn, doch door Geestelijke begrippen, die alle aan toestanden en de menigvuldige veranderingen daarvan in en buiten de Engelen ontleend worden. En toch worden de begrippen der Engelen, die Greesteljjk zijn, zoodra zij bij den mensch invloeien, op het oogenblik en van zelf in natuurlijke, den mensch eigene begrippen veranderd, die volkomen met de Geestelijke overeenstemmen. Dat liet zoo geschiedt weten de Engelen en ook de mensclien niet, maar zoo is alle invloeiing des Hemels bij don mensch. Er waren Engelen, die nader in mijne gedachten werden toegelaten en zelfs in mijne natuurlijke gedachten, waarin veel was, dat met tijd en plaats in verband stond, maar omdat zij toeu niets begrepen, traden zij snel terug en nadat zij waren teruggetreden, hoorde ik ze spreken en zeggen, dat zij in de duisternis waren geweest, ifet werd mij gegeven door ondervinding te leeren, hoe groot de onwetendheid der Engelen, betreffende tjjd is. Er was iemand uit den Hemel, die in staat was ook in natuurlijke begrippen, zooals de mensch die heeft, te worden ingeleid; met hem sprak ik daarom later als do eene mensch met (ion anderen. In het bei^in wist hij niet, wat het was, hetgeen ik tijd noemde, waarom ik hem volledig onderrichten moest, hoe de Zon zich schijnbaar om de aarde wentelde en jaar en dag maakte, en dat daardoor de jaren in vior tijden en ook in maanden en weken ingedeeld werden en de dagen in vierentwintig uren en dat deze tijden in vaststaande orde terugkeeren en alzoo de tijden ontstaan. Toon hij dit hoorde was hij zeer verbaasd en zeido, dat hij .daarvan niets geweten had en slechts wist, wat toestanden waren. Gedurende het gesprek met hem zeide ik ook. dat. men op aarde wist, dat er in den Hemel geen tijd bestond, want de mensclien spreken alsof zij het weten; zij .zeggen namelijk van hen, die sterven, dat zij het tijdelijke verlaten hebben en dat zij uit den tjjd gaan, waaronder zij verstaan 1Ü5

ocr page 150

HEMEL EN HEI..

uit de wereld. Ik zeidc ook, dat er waren die wel wisten, dat de tijden oorspronkelijk toestanden zijn, namelijk daaruit, dat zij geheel overeenstemmen met de neigingen, waarin zij verkeeren, kort voor lien, die in vreugde en innig genot, lang voor hen, die in afkeer en treurigheid zijn, en afwisselend in den toestand van hoop en verwachting, en dat derhalve de geleerden onderzoeken, wat tijd en ruimte is en dat zelfs eenige weten, dat de tijd slechts voor den natuurlijken mensch bestaat.

1G9. De natuurlijke mensch mag gelooven, dat li ij geen gedachten zou hebben, indien de begrippen van tijd, ruimte en stoffelijke dingen hem werden ontnomen, want daarop steunen alle gedachten, die de mensch hoeft; maar laat hem weten, dat de gedachten in zooverre beperkt en begrensd worden, als zij iets van tijd, ruimte en stof in zich iiebben, en dat zij onbegrensd en onbeperkt zijn, in zooverre als zij daarvan niets in zich hebben, daar de geest zoover boven de stotfelijke en wereldsche dingen verlieven is. Daardoor krijgen de Engelen wijsheid en zulk eeue wijsheid, dat zij onbegrijpelijk wordt genoemd, daar zij niet valt in de begrippen, die alleen uit wereldsche dingen bestaan.

OVER DE VOOESTE1,1,1X(iEX EX VEKSCllIJNlMiEX IX 1)EX HEJ1EI..

170. De mensch, die alleen volgens liet natuurlijke licht denkt, kan niet begrijpen, dat er in don Hemel iets zou zijn, dat aan de dingen der aarde gelijk is; en dit, omdat hij volgens dit licht heeft gedacht en zich Iiecft bevestigd in de

O ~ O

meening, dat Engelen niets dan geest en dat geesten als liet ware aethorische vormen zijn; dat zij zoodoende geene zinnen, zooals de mensch, dus ook geene oogen, en dat, als zij geene oogen hebben, er ook geene voorwerpen voor het gezicht-zijn; terwijl daarentegen de Engelen al de zinnen hebben, die de mensch heeft, ja zelfs nog veel tijner en ook het licht, waaruit zij zien, veel helderder is dan dat, waaruit de meusch

in. De mensch denkt niet dan niet een begrip van tijd; l)ij de Engelen !s dit anders; no. 340-i.

106

1G9, 170

ocr page 151

VOORSTE LI,IN(i EN EX VERSCHIJNIXGEX IX DEN KEMEL. 171 — 173

ziet. Dat do Engelen inenschen in de volmaakte gestuite zijn en zich in het bezit van allo zinnen verheugen, kan men boven no. 73 tot 77 zien; en dat hot licht dos Hemels veel heldorder is dan het licht dor aarde, in no. 126 tot 132.

171. Met is onmogelijk met weinige woorden te beschrijven, welke de dingen zijn, die aan do Engelen in den Hemel vorschijnon; zij gelijken grootendeels op do dingen der aarde, docli zijn volmaakter, wat iiunne gestalte betreft en nog grooter in aantal. Dat zulke dingen in den llcmol zijn, kan blijken uit hetgeen de profeten zagen, zooals b.v. uit hetgeen Ezochiël van den nieuwen tempel on van de nieuwe aarde zag, hetgeen in Kap. 40 tot 48 beschreven wordt; uit hetgeen Daniël, Kap. 7 tot 12 zag; uit hetgeen Johannes zag van hot eerste tot het laatste kapittel van de Openbaringen; en die welke door anderen gezien werden, waarover zoowel in de geschiedkundige als in de profetische boeken van liet Woord gesproken wordt. Zulke dingen verschenen hun, wanneer de Hemel hun ontsloten werd, en de Hemel lieet geopend, wanneer het inwendig gezicht, dat het gezicht van den geest des menschen is, geopend wordt. Want de dingen in den Hemel kunnen niet met do oogen van liet lichaam des menschen worden gezien, maar alleen met do oogen zijns goestos, en zoodra het den Hoer goeddunkt, worden dio geopend, terwijl dan do monsch onttrokken wordt aan hot natuurlijke lirhr, waarin hjj naar de zinnen zijns lichaams is en verheven in het (Jecstolijko licht, waarin hij door zijnen geest is. In dit licht zag ik, wat in de Hemelen is.

172. Maar ofschoon de dingen, die in do Hemelen gezien worden, grootendeels gelijk zijn aan die, welke op aarde zijn, zijn zij toch in wezen niet gelijk, want de dingen die in do Homoion zijn ontstaan door do Zon dos Hemels en dodingen die op aarde ziju uit do Zon der aarde; die uit do Zon des

-Hemels ontstaan heeten Geestelijk, die uit de Zon dor wereld ontstaan heoton natuurlijk.

173. Do dingen, die in do Hemelen ontstaan, ontstaan niet op dezelfde wijze als die op aarde. In de Hemelen ontstaan alle dingen uit don Hoer volgons do ovoroenstomniingon met het inwendige dor Engelen. Want de Engelen hebben een

107

ocr page 152

HEMEL EN HEL.

inwendig bestaan en eeu uitwendig bestaan. Wat inwendig is, heeft alles betrekking op liefde en geloof, dus ook op den wil en liet verstand; want de wil en het verstand ziju hunne opnemingsorganen en het uitwendige stemt overeen met het inwendige. Dat het uitwendige met het inwendige overeenstemt, ziet men hierboven; no. 87 tot 115. Dit kan opgehelderd worden door hetgeen boven over de warmte en het licht des Hemels is gezegd, dat namelijk de Engelen warmte bezitten, naarmate de hoedanigheid hunner liefde is, en dat zij licht hebben, naarmate de hoedanigheid hunner wijsheid is; men zie hierover no. 128 tot 134. Zoo is het ook met al de andere dingen die zich aan de zinnen der Engelen voordoen.

174. Wanneer het mij gegeven werd met de Engelen in gezelschap te zijn, werden mij de dingen rondom hen geheel op gelijke wijze zichtbaar als de dingen der aarde en wel zoo duidelijk, dat ik niet anders wist, of ik was op aarde en aldaar in het paleis eens Konings. Ik sprak ook met hen als de mensch mot den mensch.

175. Daar alle dingen, die met het inwendige overeenstemmen, ze ook tegelijk voorstellen, worden zij voorstellinrjen (repraesen-tativa) genoemd; en daar zij veranderlijk zijn volgens den staat van het inwendige der Engelen, heeten zij rerscltij)ün(/eii (ap-parentiae,) ofschoon de dingen, die zich voor de oogen der Engelen in de Hemelen voordoen en met hunne zinnen worden waargenomen, evenzoo levendig verschijnen en wnargenomen worden als door de menschen de dingen op aarde, ja nog veel duidelijker, bepaalder en bevattelijker. De verschijningen in de Hemelen, welke dezen oorsprong hebben, heeten werkelijke verschijningen, daar zij werkelijk bestaan. Er bestaan ook verschijningen, die niet werkelijk zijn, namelijk zulke, die zich wel aan het oog voordoen, maar niet met her inwendige overeenstemmen; quot; doch daarover iu een volgend hoofdstuk.

ti. Alle dingen die zii'li aan de Engelen voordoen, zijn voorstellingen, nos. 11)71, 3218. 2(gt;, 8457, 3475. 3485, 1)4S1. 1)574. 1».'gt;7(), 1)577. IK* .Hemelen zijn vol voorstellingen; nos. 1521, 1532, 1(511'. De voorstellingen zijn zooveel schooner als zij dieper in de Hemelen zijn; no. 3475. lgt;e voorstellingen zijn aldaar werkelijke verschijningen, daar zij nit het licht des Hemels ontstaan; no. 3485. De Goddelijke invloeiing wordt in voorstellingen omgezet in «ie hoogste Hemelen en vandaar uit ook in de lagere; nos. 2171), 3213.

174, 173

108

ocr page 153

VOORSTELLINGEN EN' VERSCHWNINGEN IN DEN HEMEL. 17(i

176. Om duidelijker te maken, welke de dingen zijn, dio zich aan de Engelen volgens do overeenstemmingen vertoonen, zal ik hier een enkel voorbeeld aanvoeren. Voor hen, die in het doorzicht zijn, verschijnen paradijzen en tuinen vol boomen en planten van elke soort. J)o boomen zijn daar in de schoonste orde gezet en vormen enkele groepen, waarheen boogvormige toegangen voeren en waaromheen lustwaranden aangebracht zijn, alles in zulk een schoonheid, dat het niet kan beschreven worden; zij, die in het doorzicht zijn, wandelen daar en plukken bloemen en winden kransen, waarmede zij kloine kinderen versieren. Er komen hier ook boomen en bloemen voor, die op aarde nergens gezien worden en evenmin hier beneden kunnen voorkomen. Ook hebben de boomen vruchten naar het goede der liefde, waarin de wijzen verkeeren. Zij zien zulke dingen, omdat een tuiu en een park en ook vrucht-boomen en bloemen met doorzicht en wijsheid overeenstemmen. quot; Dat zulke dingen in de Hemelen zijn, is ook op aarde bekend, docii alleen aan hen, die in het goede zijn en het licht des Memels niet door het natuurlijke licht en de be-driegelijkheden daarvan bij zich hebben uitgebluscht; want als zij aan den Hemel denken of daarvan spreken, denken en zeggen zij : Rr bestaan daar zulke dingen, die geen ooi-gehoord en geen oog gezien heeft.

1)457, 0481, 0576, 9577. Voorstellingen heeten die dingen, welke voor de oogen der Engelen in zulk eene gestalte verschijnen als ze in de natuur voorkomen, dus zooals ze op aarde zijn; no. 9574. Zoo veranderen inwendige dingen in uitwendige; nos. 1032, 21KS7 tot Ö002. Welke de voorstellingen in de Hemelen zijn, werd door verschillende voorbeelden aangetoond: nos. 1521, 1532, 1028, 1807, 1073, 1074, 1077, 1080, 1081, 2200, 2601, 2761, 2702, 3217,3219,3220, 3348, 3350, 5108, 9000, 10278. Alle dingen, die in de Hemelen verschijnen, zijn volgens de overeenstemmingen en heeten voorstellingen; no. 3213 tot 3220, 3457, 3475, 3485, 0481, 0574, 9576, 0577; alle dingen, die overeenstemmen, zijn ook voorstellingen en beteekenen ook de dingen, waarmede zij overeenstemmen ; nos. 2800, 2971, 2987, 2989, 2990, 3002, 3225.

u. Tuin en paradijs beteekenen doorzicht en wijsheid; nos. 100, 108, 3220. De beteekenis van den hof van l-Alen m van den tuin van Jehova; nos. 99, 100, 1588. De paradijstuinen in het andere leven; hoe heerlijk zij zijn; nos. 1122, 1622, 2296, 4528, 4520. Boomen beteekenen de waarnemingen en de kennis, waaruit wijsheid en doorzicht komen; nos. 103, 2163, 2682,2722,2972, 7692. Vruchten beteekenen het goede der liefde en der liefdadigheid; nos. 3146, 7690, 9337.

109

ocr page 154

— 179

OVER DE GEWADEN WAARMEDE DE ENGELEN BEKLEED SCHIJNEN.

177. Daar de Engelen menschen zijn en onder elkander leven, zuoals de menschen op aarde, hebben zij ook kleederen, woningen en voel dergelijks, slechts met dit onderscheid, dat alles volmaakter is, daar zij in een meer volmaakten toestand zijn; want zooals de wijsheid der Engelen die der menschen in zulk eene mate overtreft, dat zij onuitsprekelijk genoemd wordt, zoo is het mot alles wat bij de Engelen waargenomen en door hen gezien wordt, omdat dit alles met hunne wijsheid overeenstemt; men zie boven no. 173.

178. Do kleedereu der Engelen zijn, evenals het overige, in overeenstemming en daar zij overeenstemmen, bestaan zij ook werkelijk; men zie boven no. 175. Hunne kleederen stemmen overeen met hun doorzicht; waarom in de Hemelen allen gekleed verschijnen volgens hun doorzicht, en, omdat de een den ander in doorzicht overtreft, uo. 43 tot 128, daarom heeft ook de een schooner kleederen dan de ander. De meest wijzen hebben kleederen, die als in vlammen schitteren; anderen, die als met licht schijnen; de minder wijzen hebben glinsterende en witte kleederen. doch zonder groote glans en de nog minder wijze hebben kleederen van verschillende kleuren. Do Engelen der binnenste Hemelen zijn echter ongekleed.

179. Daar de kleederen der Engelen overeenstemmen met hun doorzicht, stemmen zjj ook overeen met de waarheid; want alle doorzicht komt uit de Groddelijke waarheid, waarom het dan hetzelfde is, of men zegt, de Engelen zijn volgens hun doorzicht of volgens de Goddelijke waarheid gekleed. Dat de kleederen van eenigen als in vlammengloed vonkelen en van anderen als in lichtglans schitteren, vindt zijn grond daarin, dat de vlam met het goede en het licht met hot ware uit het goede overeenstemt. P Dat de kleederen van eenige

ji. De kleederen beteekenen in liet Woord waarheden volgens de overeen-stemming; nos. 1073, 2.r)7(!, 5310, 5954, 0212, !l21fi, 9952, 10530, daar de waarheden het goede bekleeden; no. 5248. Een omhulsel {velanien) beteekenthet verstandige (intelleetuale), daar het verstand de opnemer van het ware is; no. 6378. De glinsterende gewaden van lijn linnen beteekenen de waarheden uit het Goddelijke; nos. 5319, 9469. De vlam beteekent Geestelijk goed en het licht der vlam het ware uit dat goede; nos. 3222, 6832.

177

110

ocr page 155

DE GEWADEN' DEK EXGELEiV.

schitterend wit cu dan weder mat wit zonder glans zjjn, en bij anderen van verschillende kleur, komt, doordat bij de minder wijzen het Goddelijk-goede en ware minder schittert en ook verschillend wordt opgenomen; v liet schitterend witte en het mat witte stemt ook overeen met het ware r en de kleuren niet hare verscheidenheden. ■' Dat de Engelen in den binnenste Hemel naakt zijn, komt daardoor, dat zij in de onschuld zijn en de onschuld met de naaktheid overeenstemt. '

ISO. Daar de Engelen in den Hemel met klecderen bekleed zijn, verschijnen zij ook zoo, wanneer zij op aarde gezien zijn, zooals die, welke door de profeten, en ook die, welke bij het graf des Heeren gezien werden, wier aangezicht schitterende ah de bliksem, en hunne kleederen waren schitterend en wit. Matth. XXYHI : 3; .Mare. XVl : 5; Luc. XX1Y : 4; Joh. XX : 11 (12) 13, en die, welke Johannes in den Hemel zag, trier (jewaden ran fijn linnen en wit waren, Openb. IV : 4; XIX : 11, 13. En daar hot doorzicht uit het Ooddelijk-ware komt, waren de gewaden des Heeren, toen Hjj van gedaante veranderd werd, stralend en schitterend wit, gelijk het licht, Matth. XVII ; 2; Mark. IX : 3;Luc. IX:29. Dat licht het van den Hemel uitgaande Goddel ijk-ware is, kan men boven zien iu No. 129 ; van daar, dat de kleederen in het Woord de waarheden en het doorzicht daaruit beteekenen, zooals bij Johannes: Die hunne (jewaden niet bevlekt hebben,

'/. De Engelen en Geesten verschijnen niet kleederen bekleed, volgens de waarheden, dus volgens het doorzicht; nos. 165, 52118, 5954, 9212, 9210 9814, 9952, 10530. De kieederen der Engelen zijn somtijds met glans en somtijds zonder glans; no. 5248.

)•. Glans en witheid beteekenen in het Woord het ware, daar zij uit het licht in den Hemel zijn: nos. 3301, 3993, 4001.

a. De kleederen in den Hemel zijn wijzigingen van het licht aldaar; nos. 1042, 1043, 1053, Ii'i24 , 3993, 4530, 4742. 4922. Kleuren beteekenen diverse zaken, die tot het doorzicht en de wijsheid behooren; nos. 4530, 4677. 4922, 9406. De kostbare stecnen in 1'rim en Thummim beteckenden volgens de kleuren alles, wat tot het gebied van het ware uit het goede in den Hemel behoorde: nos. 9865, 9S08, 9905. De kleuren beteekenden het goede, in zooverre zij het rood naderen en het ware, in zooverre zij het wit naderen; no. 9470.

t. Alle Engelen in den binnensten Hemel zijn onschuldigen (innocentiae) en verschijnen daarom naakt; nos. 154, 165, 297, 2736, 3887, 8375, 9960. De onschuld vertoont zich in den Hemel door naaktheid; nos. 105,8375, 9960. De onschuldigen en kuischen schamen zich niet wegens hunne naaktheid, daar zij geen aanstoot geeft: nos. 165, 213, 8375.

180

111

ocr page 156

HEMEL EX HEI..

zullen met mij wandelen in iritte kleederen, want zij zijn het irudril; die overwint, zal gekleed worden in witte kleederen, üpenb. II I : 4, 5. „Zalig die waakt en zijne kleederen bewaartquot;, Openb. X\*I : 15. En van Jeruzalem, waaronder de kerk, die in liet ware is, wordt verstaan « bij Jezaia: „ Waak op, trek uwe sterkte aan, Sion, trek aan de kleederen uws sieraads, Jeruzalem. Lil : 1. En bij Ezechiel: „Jeruzalem, ik omgordde U met fijn linnen, en hulde U in zijde, uwe kleederen waren fijn linnen en zijdequot;, XVI : 10, 13, en zoo op vele andere plaatsen. Van hem echter, die niet in de waarheden is, heet het, dat hij niet met een bruiloftskleed is bekleed, zooals bij .Mattheus: Xadat de Koning was I/innen gekomen, zag Hij een mensch, die niet met een bruiloftskleed bedekt was, en zeide tot hem: „ Vriend, hoe zijt gij hier binnen gekomen, daar gij geen bruiloftskleed lt;tan hebt :quot;' daarom werd iiij in de buitenste duisternis uitgeworpen. XXII : (11) 12, 13. Onder het bruiloftshuis wordt verstaan de llomel en de kerk door de verbinding des Heeren met hen door Zijne Goddelijke waarheid, waarom de Heer in liet Woord de bruidegom cn man heet, en de Hemel met de kerkdebruidon vrouw.

181. Dat de kleederen der Engelen niet alleen kleederen schijnen, docli werkelijke kleederen zjju, blijkt daaruit, dat zjj die niet alleen zien, maar ook door aanraking voelen; dan ook daaruit, dat zij meerdere gewaden hebben, en die aan- en uittrekken, en die, welke zij niet noodig hebben, bewaren, en ze weer aandoen, wanneer zjj ze noodig hebben; dat zjj van kleederen verwisselen heb ik duizend maal gezien, ik vroeg, van waar zij hunne kleederen hadden, cn zij zeiden: van den Heer, en zij worden daarmede begiftigd, en soms zonder dat zij het weten, daarmee bekleed. Zjj zeiden ook, dat hunne klecdcren veranderen volgens hunnen toestand; dat in den eersten en tweeden toestand hunne klecderen glinsterend en wit schitterend zijn, dat zjj in den derden en vierden toestand iets donkerder zijn, en ook dit volgens de overeenstemming, omdat bij hen veranderingen van toestand bestaan, wat betreft het doorzicht en de wijsheid; waarover men boven No. 154 tot 1G1 kan nazien.

ii. Jeruzalem beteekent de Kerk, waarinde ware leer is; nos. 402, 3(gt;54, iH66.

181

112

ocr page 157

WONINGEN EN VEtMiU.IVEN DER ENGELEN. 1S2, 1 So

182. Dewijl in de geestelijke wereld ieder kleederen heeft in overeenstemming met zjjn doorzicht, dus volgens de waarheden, waaruit liet doorzicht komt, verschijnen zjj, die in de Hel zijn, daar zij zonder waarheden zijn, wel is waar gekleed, doch met gescheurde, vuile en leeljjke kleederen, ieder volgens den aard van zijne onzinnigheid; ook kunnen zij geen andere kleederen dragen; de Heer staat hun echter toe, zich te kleeden, opdat zij niet naakt zouden zijn.

OVER DE WONINGEN EX VERBLIJVEN DER ENGELEN.

183. Daar er in don Hemel gezelschappen zijn, en engelen als menschen leven, hebben zjj ook woningen, en wel ver-schillemi naarmate de levenstoestand van een elk is; prachtige voor hen, die in een hooger staat zijn, en minder prachtige voor hen, die in een lager toestand verkeeren. Over de wonigen in don Hemel sprak ik eenige malen met de Engelen en zcide, dat lieden ten dage nauweljjks iemand zou gelooven, dat ze woningen en verblijven hebben; sommigen niet, omdat zij ze niet zien, anderen niet, omdat zij niet weten, dat de Engelen menschen zijn; weder anderen niet, omdat zjj gelooven dat de engolenhemel die is, welken zjj met hunne oogen om zich heen zien, en daar doze leeg schijnt en zij meenen, dat de Engelen aetherischc vormen zijn, besluiten zij daaruit, dat ze in aether leven; bovendien begrijpen zij niet, dat er in de geestelijke wereld even zulke dingen bestaan als in de natuurlijke, omdat zij van het geestelijke niets weten. De Engelen zeiden wol te weten, dat heden ten dage zulk eene onwetendheid op aarde heerschte, en wel, tot hunne groote verbazing, voornamelijk ia de kerk, en daarin meer bjj de beschaafden dan bij lien, die men eenvoudigen noemt. Zij zeiden verder, dat men uit het Woord kon weten, dat de Engelen menschen zijn, daar zij, die verschenen, als menschen verschenen, evenals de Heer, dio al zijne mouschclijklieid mede-nam; dat zij, daar ze menschen waren, ook verblijven en woningen hadden, en dat zij niet zooals anderen in hunne onwetend-

113 8®

ocr page 158

HEMEL EN HEL.

lioid, dio y.ij onzin noemden, mcenen, in Je lucht rondfladderden of winden waren, ofschoon zij geesten genoemd worden. En toch konden de menschen dit begrijpen, indien zij slechts onafhankelijk van de begrippen, die zij over Engelen en geesten hadden gevormd, wilden nadenken, zooals geschiedt, wanneer zjj liet onderwerp niet betwijfelen en niet allereerst met hun verstand gaan onderzoeken, of het wel zoo is. Eij ieder toch bestaat liet algemeene denkbeeld, dat Engelen eene menschelijke gestalte bezitten en dat zij huizen hebben, die do woningen des Hemels worden genoemd, en prachtiger zijn dan de woningen op aarde. Maar, zeiden zij, dit algemeene denkbeeld, dat door de Hemelen invloeit, verdwijnt aanstonds, wanneer men de vraag op den voorgrond plaatst, of het zoo is, en zich daaromtrent met onderzoekingen inlaat, wat in het bijzonder bij de geleerden geschiedt, die door hun eigen verstand den Hemel voor zicli hebben toegesloten en den ingang van het licht, dat daaruit straalt. Eveneens gaat het mot het geloof aangaande het leven van den mcnsch na den dood; hij, die er over spreekt en die tegelijkertijd niet denkt volgens hetgeen de wetenschap over de ziel heeft gezegd, en evenmin volgens de leer van de hcreeniging met het lichaam, gelooft, dat de mensch na den dood zal leven, en wel onder de Engelen als hij goed geleefd heeft, en dat hij dan heerlijkheid en vreugde genieten zal; maar zoodra hij zich wendt tot de leer betreffende de hcreeniging van liet lichaam of tot de hypotliesi van de ziel, en de gedachte bovenkomt: „Is zoo de ziel?quot; en bijgevolg, „of het zoo isquot;, dan verdwijnt zjjne vroegere meening aanstonds.

184. Maar het is beter de getuigenis der ondervinding aan te voeren. Zoo dikwijls ik van aangezicht tot aangezicht met de Engelen sprak, was ik bij hen in hunne woningen. Deze woningen zijn geheel als de woningen op aarde, die wij huizen noemen, alleen zijn ze fraaier. Daarin bevinden zich zalen, kamers en slaapkamers, in groeten getale; zij hebben hoven en rondom tuinen, boschages en velden. Waar zij bij elkaar leven, zijn hunne woningen aaneengesloten en vormen te zamen eene stad met straten, stegen en pleinen, geheel op de

184

114

ocr page 159

WONINGEN EN VERBLIJVEN DER ENGELEN. 185, ISfi

manier als de stedeu op aarde. liet werd mij gegeven er door te wandelen, overal rond te kijken en liier en daalde huizen binnen te treden. Dit geschiedde, als mjjn innerlijk gezicht geopend werd en tocli mijn lichaam volledig wakker was. ^

185. Ik zag paleizen des Hemels, die zoo heerlijk waren, dat zij niet beschreven kunnen worden; boven schitterden zjj als waren ze van klaar goud en beneden alsof ze van edelgesteenten waren; het eene paleis was schitterender dan het andere. A'an binnen was dat evenzoo; de vertrekken waren niet versieringen voorzien, die wegens gebrek aan woorden en kennis niet door ons beschreven kunnen worden. Aan de zijde die naar liet zuiden was gekeerd waren paradijzen, waarin alles op dezelfde wijze glinsterde en op soinmige plaatsen de bladeren als van zilver en de vruchten als van goud waren; de bloemen in hunne bedden vormden door hunne kleuren als 't ware regenbogen. Aan de grenzen, waar liet uitzicht zicli verloor, verschenen weder paleizen. Ue werken der bouwkunst in don Hemel zijn van dien aard, dat men zou zeggen, dat hier de kunst in zijn kunst was, wat ook geen wonder is, daar de kunst zelve uit den Kemel komt. Ue Engelen zeiden, dat dergelijke dingen en ontelbaar meerdere, welke nog volmaakter zijn, door den Heer voor hunne oogen werden gebracht, maar dat die nog meer hun gemoed dan hunne oogen bekoren en wol, omdat zij in de enkele dingen de overeenstemmingen zien en door de overeenstemmingen het Goddelijke.

186. Ten opzichte der overeenstemmingen werd mij geleerd, dat niet alleen de paleizen en huizen, maar ook alle dingen iu hot algemeen en in hot bijzonder, die daarin en daarbuiten zijn, overeenstemmen met het inwendige, dat door den Heer bij hen is; dat het huis zelf in hot algemeen overeenstemt mot hunne goedheid en dat alles, wat in de huizen is, overeenstemt met de verschillende dingen, waaruit dat goede

x. De Engelen hebben steden, paleizen en huizen; nos. 1)40—42, 1110, 1626—31, 4022.

115

ocr page 160

HEMEL EX HET,.

bestaat v ca wat buiten de huizen is met de waarheden, die zjj uit het goede hebben en ook met hunne gewaarwording en kennis, (zie boven blz. 140.) Daar zij nu met het goede en ware overeenstemmen, dat bij hun van den Ifecr is, zoo stemmen zij ook met hunne liefde eu dus mot wijsheid en doorzicht overeen, daar dc liefde tot het goede behoort, do wjjsheid tot liet goede en tegelijkertijd tot liet ware, en het doorzicht tot het ware uit het goede; zulke dingen worden de Engelen gewaar, wanneer zij om zich heen zien en daarom worden meer hunne gemoederen dan hunne oogen aangedaan en verlustigd.

187. Daaruit werd duidelijk:, waarom de Heer zich den tempel noemde, die te Jeruzalem was; (Joh. II; 19, 21,) z; en waarom het nieuwe Jeruzalem als uit louter goud scheen te bestaan, zijne poorten uit paarlen en dc grondslagen uit kostbare stccnen, (Openb. XXI); namelijk, omdat dc tempel hetGoddclijk-menschelijke des Ileeren voorstelde, liet nieuwe Jeruzalem dc kerk betcekent, die later gegrondvest zou worden; do twaalf poorten de waarheden, die tot liet goede voeren, en de grondslagen de waarheden waarop zij rust. quot;

188. De Engelen, waaruit het Ilcmelscho rijk des Ileeren bestaat, wonen meestal op verheven plaatsen, welke op bergen van de aarde gelijken; de Engelen, waaruit het geestelijke rijk des Ileeren bestaat, wonen op minder verheven plaatsen, die op heuvels gelijken; de Engelen echter, die in dc laagste deelen des Hemels zijn, wonen op plaatsen, die op rotsmassa's gelijken. Ook deze dingen bestaan volgens overeenstemmingen, want het

ij. Huizen met wat er in is beteekenen de dingen, die bij den menscb zijn en tot zijn gemoed, dus tot zijn innerlijk beliooren; nos. 710,2233,2234, 2719, 3128, 3538, 4il7:!, 5023, GG39, 0690, 7353, 7848, 7910, 7929, 9150; bijgevolg dc dingen, die tot bet goede eu bet ware beliooren; nos. 2233, 2234,2559,4982, 7848, 7929. De kamers en slaapkamers beteekenen de dingen, die er inwendig zijn; 3900, 5694, 7353. liet dak van het buis beteekent bet binnenste; nos, 3652, 10184. Een bouten huis beteekent de dingen, die tot bet goede en een steenen huis de dingen, die tot bet ware beliooren; no. 3720.

z. Het huis Gods in den boogsten zin beteekent hot Goddclijk-menscbelijke des Heeren met betrekking tot het Goddelijk-goede, maar de temiiel hetzelfde niet betrekking tot het Goddelijk-ware en in betrekkelijke!! zin de Hemel en de kerk met betrekking tot bet goede en ware; no. 3720.

a. Jeruzalem beteekent de kerk, waarin de ware leer is; nos. 402, 3G54,9166. roorten beteekenen de invoering in de leer der kerk en door de leer in de kerk; nos. 2943, 4178. Fundamenten beteekenen het ware, waarop de Memel, de kerk en de leer gegrond zijn; no. 9643.

1S7, 188

110

ocr page 161

RUIMTE I.N Dl'X HEMEL,

9

inwendige komt overeen met het hoogere en liet uitwendige met liet lagere; ^ vandaar, dat bergen in liet Woord llemelsche liefde beteekenen, heuvels, geestelijke liefde en rotsen geloof. c

189. Er zijn ook Engelen, die niet in gezelschap, doch afgezonderd leven, huis voor huis; deze wonen in het midden des Hemels, daar zij de beste onder de Engelen zijn.

190. De huizen, waarin de Engelen wonen, worden niet als de huizen op aarde gebouwd, doch hen om niet door den lieer geschonken, een ieder naar de mate zijner opneming van het goede en ware; ook veranderen zij een weinig, naarmate de toestandsveranderingen van het inwendige der Engelen, waarover boven no. 154 tot 100. Alles, wat do Engelen ooit bezitten, erkennen zij van den lieer ontvangen te hebben en alles, wat zij ook behoeven, wordt hen geschonken.

OVEH RUIMTE IN' DEN' HEMEL.

191. Ofschoon itlles iu den Hemel evenals op aarde op eene plaats en binnen eene ruimte schijnt, hebben toch de Engelen geen begrip on geen voorstelling van plaats en ruimte; daar dit noodzakelijk ongerijmd moet sclijjnen, wensch ik deze zaak, daar zij van groot gewicht is, duidelijk te maken.

192. Iedere verandering van plaats in de Geestelijke wereld geschiedt door toestandsveranderingen van het inwendige, zoodat veranderingen van plaats niets anders zijn dan veranderingen

h. In het Woord wordt liet imvendige door hot hoogere uit «red rukt en het hoogere beteekent het inwendige; nos. 214S. 30S4, l.V.il», 51 10, S.'ii'ö. Het hooge beteekent het inwendige en ook den lU niel; nos. IT.quot;)quot;). 21-18, 4210. -irM). 815.'», c. in den Hemel verschijnen bergen, heuvels, rotsen, dalen en landerijen, evenals op aarde; no. 10(508. Op de bergen wonen Kngeleii, die in het goede der liefde zijn; op heuvelen zij, die in het goede der liefdadigheid zijn, en op rotsen zij, die in het goede des geloofs zijn; no. 104*58. Ihiaroin wordt door bergen in het Woord het goede der liefde aangeduid; nos. 7!»5, 4210, 6435, 8327, 8758, 10438, 10(108, door heuvelen het goede der liefdadigheid; nos. (3435, 1043S, door rotsen het goede en ware des geloofs; nos. 8581, 10580, Steen, waaruit rotsen bestaan, beteekent eveneens het ware des g«-loof; nos. 114. 643, 1208, 3720, G420, 8(500, 1037(5. Daarom wordt met bergen dè Hemel bedoeld; nos. 8327, 8805, 9420 en met de bergspitsen het hoogste in den Hemel; nos. 0422, 0434, 10(508. Daarom hadden de ouden hun godsdienst op de bergen; nos. 796, 2722.

189 — 192

117

ocr page 162

HEME fi ENT IIEL.

van toestand. lt;! Op deze wijze bon ook ik door den ITeor in de Hemelen en op de wereldbollen in liet Heelal gevoerd en wel naar den geest, terwijl mijn lichaam op dezelfde plaats bleef. e Op deze wijze bewegen zich alle Engelen van plaats tot plaats, zoodat voor licn geeno afstanden, en daarom ook geene ruimten bestaan, doch in plaats daarvan toestanden en veranderingen daarvan.

193. Daar op deze wijze verandering van plaats geschiedt, is het duidelijk, dat toenaderingen gelijkheden zijn in den toestand van het inwendige en dat de verwijderingen ongelijkheden zijn. Daardoor komt, dat zij, die in een gelijken staat zijn, in elkanders nabijheid zijn, terwijl zij die in een ongelijken staat zijn, verre van elkaar zijn en dat de ruimten in den Hemel niets anders zijn, dan uiterlijke toestanden, die met de innerlijke overeenstemmen. Om dezelfde reden zijn do Hemelen van elkander gescheiden, evenals de gezelschappen in eiken Hemel en een ieder in een gezelschap; daardoor zijn ook de Hemelen geheel van de Hel afgescheiden, want zij zijn in een tegenovergestelden toestand.

194. Door dezelfde oorzaak verschijnt ook in de geestelijke wereld iemand in de tegenwoordigheid van een ander, zoodra hij slechts een vurig verlangen naar diens tegenwoordigheid heeft; want dan ziet hij hem in gedachten cu verplaatst zich in zijn toestand en omgekeerd wordt de een van den ander verwijderd, naarmate hij in hem een tegenzin heeft. En daar alle tegenzin uit de tegenovergesteldheid der neigingen en uit do tweespalt der gedachten ontspringt, geschiedt het in die wereld, dat

(l. In liet AVoord lieteekcnen plaatsen en ruimten toestanden; nos. 2625, 2837, 3356, 3387, 7381, 10578. Volgens eigen ondervinding; nos. 1274, 1277, 1376— 81, 4323, 4882,10146, 10578. Afstand beteekent liet verschil in levenstoestanden; nos. 9104, !)1:67. Bewegingen en plaatsveranderingen in de geestelijke wereld zijn veranderingen van levenstoestand, daar zijdaaruitontstaan; nos.1273—75, 1377, 3356. 0440. Eveneens de reizen; nos. 9440, 10734, opgehelderd door ondervinding; nos. 1273—77, 5605. Dientengevolge beteekent reizen in het Woord leven en evenzoo vooruitgang in liet leven, alsook verblijl in den vreemde; nos. 3335, 4554, 4585, 4882, 5493, 5605, 5906, 8345, 8397, 8417.8420, 8557. Met den lieer wandelen, heet met Hem leven; no. 10567.

c. De mensch kan, wat zijn geest betreft, door toestandsveranderingen in de verte gevoerd worden, terwijl zijn lic haam op do plaats blijft, ook volgens eigen ondervinding; nos. 9440, 9967, 10734. Wat het is, door den geest naar eene andere plaats gevoerd te worden; no. 1884.

193, 194

118

ocr page 163

KU1MTE IX DEN HEM ET.

velen, die zich op ééne plaats bevinden, elkaar zien, zoolang zij overeenstemmen, maar verdwijnen zoodra zij in gedachten verschillen.

195. Wanneer iemand daarom van de eene plaats naar de andere gaat, hetzij in zijne eigen stad of in de voorportalen, of in tuinen of naar anderen buiten zijn gezelschap, dan zal hij daar spoediger komen als hij er zeer naar verlangt, en langzamer als hij er minder naar verlaagt. De weg zelve wordt, al naarmate zijn verlangen is, verlengd of verkort, ofschoon hij dezelfde is; dit heb ik meermalen gezien en er mij over verwonderd. Hieruit blijkt weder, dat de afstand, dus ook de ruimten geheel iu overeenstemming zijn met de toestanden van liet inwendige der Engelen J en daar dit zoo is, kan het begrip en de voorstelling der ruimte niet in hun deuken doordringen, ofschoon bij hen evenzoo goed als op aarde ruimten bestaan.

190. Dit kan worden opgehelderd door dc gedachten van den mensch, in zooverre ook deze geenc ruimten hebben, want wanneer do mensch met ingespannen geest over iets denkt, staat het hem als 't ware voor oogen. Zoo weet ook een ieder, die daarover nadenkt, dat voor zijn gezicht geene afstand bestaat, dan alleen tengevolge van daar tusbchen liggende voorwerpen op aarde, die hij tegeljjker tijd ziet, of tengevolge zijner kennis, betreffende den afstand. Dit geschiedt, omdat er eene onafgebrokenheid is, en in het onafgebrokene schijnt niets op een afstand dan alleen door datgene, wat afgebroken is. Dit vindt nog meer plaats bij de Engelen, daar hun zien met hun denken één maakt en hun denken één is met hunne genegenheid, en daar de nabijzijnde en verwijderde voorwerpen verschijnen en veranderen, naar gelang van hunne inwendige toestanden, zooals boven werd gezegd.

197. Daardoor komt het, dat in het Woord door plaatsen en ruimten en door alles, wat op ruimte betrekking heeft, dingen bedoeld worden, die op toestanden betrekking hebben, zooals b.v. door afstanden, nabijheid, verwijdering, wegen, reizen, verhlijfhouden, door mijlen, stadiën, door velden, akkers, tuinen, steden, straten, door bewegingen, door de maten van

ƒ. rUiatscn en afstaiulen doen zich aan liet geziclit van Kngelen en geesten voor, zooals de staat van hun inwendige.

195, 196, 197

119

ocr page 164

IIKMEIi EX ItKF;.

verschillende soort, door lengte, breedte, hoogte en diepte en ^

door ontelbaar andere, want liet meeste, wat bij don menscli in zijn denken uit do wereld is, sluit iets van ruimte en tijd in zich. Ik wensch hier slechts aan te voeren, wat lengte,

breedte en hoogte in het Woord beteekencn. Op aarde wordt lang en breed genoemd, wat lang en breed in ruimte is, en evenzoo wat hoog is. lii den llciucl, waar men niet volgens ruimte denkt, wordt echter onder de lengte de toestand van 't goede, onder breedte de toestand van 't ware en onder hoogte het onderscheid daarvan, volgens de verschillende graden verstaan, (zie no. 38). De reden waarom dergelijke dingen onder deze drie afmetingen worden verstaan, is, omdat in den Hemel lengte gemeten wordt van liet Oosten naar het Westen en dat zij, die in liet goede der liefde zijn, hier vertoeven en dat breedte in den Hemel van het Zuiden naar het Noorden gemeten wordt, waar zij gevonden worden, die in het ware uit het goede zijn, (zie no. 148) en dat hoogte in den Hemel beide beteekent in verschillende graden. Daarom hebben in het Woord lengte, breedte en hoogte zulk eene beteekenis, zooals b.v. )

in Ezechiël van het XL tot het XLVIII kapittel, waardoor de maten van lengte, breedte en hoogte de nieuwe tempel en do nieuwe aarde beschreven wordt met voorhoven,

kamers, poorten, deuren, vensters en de omgeving door welke de nieuwe kerk en het goede en ware daarin wordt aangeduid. Waartoe ook anders al die maten ? Op gelijke wijze wordt liet nieuwe Jeruzalem in de Openbaring beschreven met de woorden : „ De stud Is vierhoekk/, hare lengte is even groot als hare breedte; hij mat de stad met den stok tot aan twaalf duizend stadiën, en de lengte, breedte en hoogte waren gelijkquot;, XXI ; 16. Omdat hierdoor het nieuwe Jeruzalem de Nieuwe Kerk bedoeld wordt, worden door deze maten de dingen der kerk bedoeld; door de lengte het goede harer liefde; door de breedte liet ware uit dit goede; door de hoogte het goede en ware volgens do graden, door de twaalf duizend stadiën al het

o O /

goede en ware samengenomen. Wat zou het anders beteekenen

. .

dat de hoogte twaalf duizend stadiën bedroeg, gelijk aan lengte lt;

en breedte ? Dat in het Woord door de breedte het ware 120

ocr page 165

tlK VORM DKS IIENfELS.

bedoeld wordt, blijkt bij David : „Jehova, (jij hebt mij niet in de h'tii'l des vijands gesloten en liet mijne voeten op de breedte staanquot;. Psalm XXXI : 8. „Uit de verdrukking riep ik tot Jehova.

verhoorde mij in de breedtequot;. Psalm CXV11I : 5, behalve andere plaatsen, als Jesaja, Kap. VIII : 8 en Habakuk, Kap. I : 0. Eveneens ook in alle andere plaatsen van het Woord.

198. Hieruit kan men zien, dat in don Kemel, ofschoon daar ruimten zijn zooals op aarde, aldaar toch niets volgens do ruimten, maar wol naar de toestanden wordt geschat en dat bijgevolg de ruimten daar niet als op aarde worden gemeten, doch slechts gezien kunnen worden door en volgens den toestand van het inwendige van hen, die daar zijn. 'J

199. De eigenlijke eerste oorzaak hiervan is, dat de lieer bij een ieder tegenwoordig is, naarmate zijne liefde en zijn geloof zijn h en dat alles, naarmate Hij tegenwoordig is, als nabjj of veraf schjjnt; want daardoor wordt alles in den Hemel bepaald. Daardoor ook hebben de Engelen wijsheid; want daardoor hebben zjj uitbreiding hunner gedachten, en daardoor

j bestaat een gemeenschap van alle dingen, die in de Ilenielen

zijn; in een woord, daardoor is liet hen gegeven Geestelijk te denken en niet natuurlijk, zooals do menschen.

OVER DEN VORM DES HEMELS, NAAR WELKEN' DE VEREENIGINCiEN EN GEMEENSCHAP ALDAAR PLAATS HEBBEN.

200. Welke de vorm des Hemels is, kan eenigszins blijken uit hetgeen in de voorgaande hoofdstukken werd aangetoond, namelijk, dat de Hemel zich zelve gelijk is in het grootste en in het kleinste (no. 72); dat dus elk gezelschap een Hemel in kleinere gestalte is, cn ieder Engel een llemel in de kleinste gestalte (no. 51 tot 58); dat, daar de gansche Hemel een niensch voorstelt, ook elk gezelschap des Hemels een men ach

(j. Lengte beteekeiit in liet Wuurd gucdlieul; nos. 1013, 0487. Breedte be-teekent waarheid; nos. 1013, 3-133—34, 4482, 9487, 10179. Hoogte beteekent goedheid en waarheid met betrekking tot den graad; nos. 9481), 1)773, 10181, A. Verbinding en tegenwoordigheid van den Heer met Kngelen bestaat, naarmate hunner opneming van liefde en liefdadigheid uit 1 lem; nos. 21)0, 081, 1054, 2658, 2880, 288S, 2880, 3001, 3741—13, 4318—19, 4524, 7211, 1)128.

198, 199, 200

121

ocr page 166

HEMEL EN HEL.

in kleinere gestalte, en elke Engel een mensch iu de kleinste gestalte voorstelt; (no. 59 tot 77), Jat in het midden de wijsten, en rondom tot aan de grenzen de minder wijzen zijn en zoo op gelijke manier in elk gezelschap; (no. 43) en dat van het Oosten naar het Westen in den Hemel zij wonen, die in het goede der liefde zijn, en van het Zuiden naar het Xoorden zij, die in do waarheden uit het goede staan en dat liet evenzoo is met elk gezelschap (no. 148, 149). Dit alles is volgens den vorm dos Hemels; daaruit kan men besluiten, hoe zijn vorm in liet algemeen is. 1

201. Het is van gewicht te weten, hoe de vorm des Hemels is, daar niet alleen de Engelen volgens dien vorm zijn bijeengevoegd, maar ook naar dien vorm alle gemeenschap plaats hooft; en omdat alle gemeenschap volgons haar plaats heeft, zoo ook goschicdt alle uitbreiding der gedachten en genegenheden, bijgevolg alle wijsheid en doorzicht der Engelen naar dien vorm. Daardoor komt het, dat naarmate iemand in den vorm des Hemels is en dus een vorm des Hemels is, hij in dezelfde mate wijs is. Of men zegt in den vorm des Hemels of in de orde des Hemels, komt op hetzelfde neer, daar de vorm van elk ding uit de orde voorkomt en naar do orde is. k

202. Nu zal eerst gezegd worden, wat het beteekent in den vorm des Hemels te zijn. Do mensch is naar het beeld des Hemels en naar het beeld der aarde geschapen; zijn innerlijk naar het beeld des Hemels en zijn uiterlijk naar het beeld der aarde; (zie no. 57). Of men zegt naar het beeld of naar den vorm, is het zelfde. Daar echter de mensch door het booze van zijn wil en dientengevolge door het valsche van zijn denken het beeld des Hemels, bijgevolg den vorm er van bij ziuh zeiven vernietigd heeft en in plaats daarvan het beeld cn den vorm der Hel heeft gesteld, is zijn innerlijk van zijne geboorte af gesloten. Dit is oorzaak dat de mensch,

201, 202

122

1

Pc gehecle Hemel is, wat lietrei't alle Enself;e/.el.sdiapiicn, door den Ifeor ingcricht naar Zijne Goddelijke orde, daar liet fioddelijlve des Heercn bij de Engelen den Hemel maakt'; nos. 3038, 7211. 9128, 11338, 10125, 10151, 10157-Over den Ilemelschen vorm; nos. 4010—43, 6G307, quot;.1877.

k. De vorm des Hemels is een vorm volgens de goddelijke orde li os. 4040—43, ÜG07, quot;.»877.

ocr page 167

DK VORM DES HEMELS.

geheel verscliillend van alle dieren, in louter onwetendheid geboren wordt. Opdat echter in hem liet beeld of de vorm des Heinels weder kan worden hersteld, moet hij in hetgeen tot do orde behoort, onderwezen worden ; want zooals boven werd gezegd is de vorm volgons de orde. Het Woord nu bevat alle wetten der Goddelijke orde; want zijn voorschriften zijn de wetten der Goddelijke orde. Naarmate de mensch zo dus kent en er naar leeft, wordt in hem het inwendige ontsloten, en daarin opnieuw de orde of het beeld des Hemels gevormd. Hieruit wordt duidelijk, wat het beteekent, in den vorm dos Heinels te zijn, namelijk, dat liet is te leven volgens de voorschriften des Woords. '

203. In zooverre iemand in den vorm des Hemels is, in zooverre is hij in den Hemel, ja in zooverre is hij een Hemel in de kleinste gestalte; no. 57; bijgevolg is hij ook in dezelfde mate in doorzicht en wijsheid; want zooals boven werd gezegd, elke gedachte van zijn verstand, en elke neiging van zijn wil, verbreidt zich overal in den Hemel volgens den vorm van dien wil en wordt op eene wonderbaarlijke wijze aan de gezelschappen daarin en door deze weder aan hem medegedeeld. m Er zijn er, die gelooven, dat de gedachten en genegenheden zich inderdaad niet rondom hen verspreiden,

/. Goddelijke waarheden zijn de wetten der orde; nos. 2247, TOHo. Naarmate de mensch volgens de Ooddelijke orde leeft, naarmate hij dus in het ^nede volgens de Goddelijke waarheden is, is hij mensch; nos. 4So!), GG05, 6620. In den mensch zijn alle dingen der Goddelijke orde hijeengebracht; hij is van de schepping af de Goddelijke orde in vorm; nos. 421!gt;, 4220,4223,4523, 4524, 5114, 5368, 0013, 0057, 6605, 0020, 1)700, 10150, 10472. De mensch wordt niet in het goede en ware geboren, doch in het boo/.e en valsche, dns in hetgeen het tegenovergestelde van de goddelijke orde is en daardoor in louter onwetendheid. Bij moet dientengevolge noodwendig opnieuw geboren worden, dat wil zeggen, dat hij moet worden wedergeboren,'t welk door de Goddelijke waarheden des lleeren gescbiedt, opdat hij tot de orde ingeleid worde; nos. 1047, 2307, 2308, 3518, 3812, 8480, S550, 10283, 10284, 10280, 10731. De Heer brengt, als Hij den mensch opnieuw vormt, d.i. als Hij den mensch doet worden wedergeboren, alles bij hem in de orde, dat wil zeggen, in den vorm des Hemels; nos. 5700, 0000, 0031, 10303.

m. In den Hemel gaat van een ieder eene mededeeling (commnnicatio) des levens, die men eene uitbreiding (extensio) noemen kan in alle engelgezelschappen, naar alle zijden nit, naarmate de grootte en gesteldheid van liet goede is; nos. 8704, 0707. De gedachten en genegenheden hebben zulk eene uitbreiding; nos. 2475, 050S, tot 0013. Men wordt verbonden en geseheiden naarmate de heersehende neigingen zijn; no. 4111.

203

123

ocr page 168

HEMEL EN HEL.

doch in hen zijn, cn wel, omdat zij, hetgeen zij denken zien als iets, dat in hen is cn niet als iets vcnvijdei'ds, doch zij vergissen zich zeer; want zooals liet gezicht der oogen eene uitgestrektheid heeft tot ververwjjderde voorwerpen en getrotten wordt, naarmate de orde der voorwerpen, welke liet in deze uitgestrektheid ziet, liQcft ook het innerlijk gezicht, dat liet verstand is, eene uitgestrektheid iu do geestelijke wereld, ofschoon zij liet, op grond van wat in 110. 196 gezegd werd, niet waarnemen. Ifet onderscheid bestaat alleen daarin, dat hot gezicht van het oog natuurlijk wordt getroffen door voorwerpen in de natuurlijke wereld, doch het gezicht van het verstand geestelijk getroffen wordt door do dingen, die in do geestelijke wereld zijn, welke dingen gezamenlijk op het goede cn ware betrekking hebben. Dat de mcnsch dit niet weet, heeft zijn oorzaak daarin, dat hij niet weet, dat er een geestelijk licht bestaat, 't welk het verstand verlicht, terwijl toch de mensch zonder dit licht, dat liet verstand verlicht, volstrekt niet denken kan; over dit licht, zie boven no. 12ü tot 132. Er was een zekere geest, die ook geloofde, dat hij uit zich zelve dacht, dus zonder uitbreiding buiten hem en dus zonder gemeenschap met de gezelschappen, die buiten hem waren. Opdat hij zou ondervinden, dat hij in ecu valsch begrip verkeerde, werd hem de gemeenschap met de naaste gezelschappen afgesneden en dientengevolge werd hij niet alleen van zijn gedachten beroofd, maar zelfs viel hij als ontzield neder, doch nog met de armen om zich heen slaande als een pasgeboren kind. Na eene wijl werd hem de gemcenscliap teruggegeven, en naarmate, dat zij weder hersteld werd, keerde hij tot den toestand zijner gedachten weder. Andere geesten, die dit aanschouwden, bekenden toen, dat alle gedachten en genegenheden invloeien, naarmate de gemeenschap is; en daar dit zoo is met elke gedachte en elke genegenheid, is dit even zoo met alles wat tot het leven behoort, daar alles van het leven des menschen daarin bestaat, dat hij kan denken, kan worden aangedaan of wat hetzelfde is, dat hij kan deuken en willen. n

Im* is maar één leven, waaruit uilen leven, zoowel in den Hemel als in de wereld; nos. 1954, 2021, 2530, 2058, 2880—80, 3001, 3484, 3742, 5847, 0407.

124

ocr page 169

1)K VORM DI'S UKMICfjS.

204. Doch men dient te weten, dat het doorzicht en de wijsheid bij ieder verscliilion, naarmate zijne gomeenschap is. Zij, wier doorzicht en wijsheid uit het echte ware en goede gevormd is, hebben gemeenschap met gezelschappen, volgens den vorm dos Hemels. ]5ij hen echter, wier doorzicht en wijsheid niet uit het echte ware en goede is, doch niet te min gevormd is uit goedheid en waarheid, die samen overeenstemmen, is de gemeenschap gebroken en onregelmatig; want zij bestaat niet met de gezelscliappcn in de volgorde, waarin de vorm des Hemels is. Zij daarentegen, die niet in doorzicht en wijsheid zijn, omdat zij in het valsche uit het booze zijn, hebben gemeenschap met gezelschappen in do Hel; met eene uitbreiding in verhouding tot den graad hunner bevestiging in het kwade. Verder moet men weten, dat deze gemeenschaj) met de gezelschappen niet eeue gemeenschap is van welke de leden daarin een helder bewustzijn hebben, doch eene gemeenschap met de hoedanigheid, waarin zij zijn en die uit hen voortkomt. 0

205. In den Hemel zijn allen samengevoegd volgens hunne geestelijke verwantschap, welke die van het goede en het ware in hunne orde is; zoo is het in den gcheelen Hemel, in ieder gezelschap en in ieder huis. Daardoor komt liet, dat de Engelen, die in hetzelfde goede en ware zijn, elkander kennen als de verwanten en verzwagerden op aarde, juist alsof zij van af hunne kindsheid met elkander bekend waren. Op gelijke wijze zijn bij eiken Engel het goede en de waarheden, die wijsheid en doorzicht vormen, samengevoegd; deze kennen elkaar op dezelfde wijze en zoover zij elkaar her-

Dit leven komt van den Heer alleen; nos. 2886—89, 3344, 3484, 4319, 4320, 4524, 4882, 5980, 0325, 0408—70, 9270, 10190. Het vloeit Mj Engelen, geesten en menschen op wonderbaarlijke wijze in; nos. 2880—89, 3337, 3338, 3484, 3742. De Heer vloeit in door Zijne Goddelijke liefde, die zoodanig is, dat zij wil, dat het hare ook bij een ander is; nos. 3712, 4320. Daarom schijnt het leven, alsof het in den mensch is en niet bij hem invloeit; nos. 3742, 4320. Over de vrengde der Engelen, omdat zij niet uit zich zelve, doch nit den Heer leven, vreugde, die ik heb waargenomen en die mij door hnn gesprek werd bevestigd; no. 0409. De boozen willen niet overtuigd worden, dat het leven invloeit; no. 3743. Het leven uit den Heer vloeit ook bij de boozen in; nos. 2700, 3743, 4417, 10190. Maar zij veranderen het goede in boosheid en het ware in valschheid; want zooals de mensch is, zoo is ook zijne opneming des levens, toegelicht in nos. 4319, 4320, 4417.

o. De gedachte verspreidt zich naar alle richtingen in de gezelschappen der geesten en Engelen; nos. 0000 tot 0005, zonder echter de gedachten der gezelschappen in beweging en in wanorde te brengen; nos. 6001, G003.

204, 205

125

ocr page 170

ItEMEtj EN' I[KI..

kennen, vereenigon zij zich ook. v Waarom dus zij, bij welke de waarheden en liet goede volgens den vorm des Hemels verbonden zijn, dingen, die elkaar opvolgen, in hunne aaneenschakeling zien, en hoe verre ook rondom verspreid, zij hangen samen. Geheel anders is liet met hen, bij welke het goede en do waarheden niet volgens de vorm des Hemels verbonden zijn.

206. Zoodanig is in eiken Hemel de vorm volgens welken de Engelen gemeenschap en uitbreiding der gedachten en neigingen hebben, dus volgons welke hun doorzicht en wijsheid is; maar de gemeenschap van den eeneii Hemel met den anderen is verschillend, namelijk, die van den derden of binnensten met den tweeden of middelsten Hemel, en van dezen met den eersten of laatsten; de gemeenschap tusschen de Hemelen kan men echter niet zoozeer eene gemeenschap dan wel een invloeiing noemen en daarover zal nu iets gezegd worden. Dat er drie Hemelen zijn en dat deze van elkaar gescheiden zijn, kan men boven in het hoofdstuk daarover zien; no. 29—40.

207. Dat er geen gemeenschap van den oenen Hemel met den anderen, doch een invloeiing bestaat, kan uit hunne ligging ten opzichte van elkaar blijken. De derde of binnenste Hemel is boven, de tweede of middelste Hemel daar beneden, en de eerste of laatste Hemel is nog lager. In gelijke rangschikking zijn alle gezelschappen van eiken Hemel. Zoo b.v. zij, die op verheven plaatsen wonen, die als bergen schijnen (no. 188). Op de toppen daarvan wonen zij, die in den binnensten Hemel zijn. Daaronder zijn gezelschappen van den tweeden Hemel en daaronder weder gezelschappen van den laatsten Hemel en zoo is het overal, zoowel op verheven als op niet verheven plaatsen. Een gezelschap van een hoogeren Hemel heeft geen verkeer met een gezelschap van een lageren Ifemel dan door overeenstemmingen; men zie boven no. 100; verkeer door overeenstemmingen noemt men invloeiing.

p. Het goede herkent zijne waarheid, en de waarheid hare goedheid; nos. 24211, 3101, 31(12, .'!1(U, 317!). 3180, 4538, 5407, 5833, i»C37. Dientengevolge heeft eene verbinding van het goede en ware plaats; nos. 3834, 4 liifi, 4(i;i7, 43(11, 4345, 4353, 4364, 4368, 5365, 7623 tot 7627, 7752 tot 62, 8530,0258,10555. En dit komt door de invloeiing des Hemels; no. 9079.

206, 2(17

126

ocr page 171

DE V011M I)KS HEMKLS.

208. De oene Hemel wordt met den anderen, of een gezelschap van den eenen Hemel met oen gezelschap van een anderen Hemel verbonden door den Heer alleen, door onmiddellijke en door middellijke invloeiing; onmiddellijk door Hemzelven, en middellijk door de hoogere Hemelen, volgens do orde, naar de lagere, i Daar de verbinding der Hemelen alleen door een invlociing des Heeren bestaat, wordt ook de grootste voorzorg in acht genomen, opdat niet een Engel van een hoogeren Hemel ncderziet in een gezelschap van een lageren Hemel, en met iemand daarin spreekt; zoodra dit geschiedt, wordt de Engel van zijn doorzicht en wijsheid beroofd. De oorzaak hiervan zal genoemd worden. Elke Engel heeft drie graden des levens, evenals er drie graden des Hemels zijn. Bij Engelen, die in den binnensten Hemel zjjn, is de derde of binnenste graad geopend, en de tweede en eerste graad gesloten ; bij hen, die in den middelsten Hemel zijn, is de tweede graad geopend, en de eerste en derde gesloten; en bij hen, die in don laatsten Hemel zijn, ia do eerste graad geopend en zijn de tweede en derde graden gesloten. Zoodra dus een Engel van den derden Hemel in een gezelschap van don tweeden Hemel ncderziet en met iemand daarin spreekt, wordt zijn derde graad gesloten door welke sluiting bij van zijn wijsheid beroofd wordt, want in den derden graad heeft, zijne wijsheid haren zetel, en hij bezit er geene in den tweeden en eersten graad. Dit wordt bedoeld met de woorden des Heeren in Mattheus XXIY : 17—^18. „Die op het dak is, home niet af, om iets uit zijn huis irey te nemen; en die op den akker is, keere niet weder terug, om zijne kleederen teeg te nemen'quot;. En bij Lucas: „In dienzelven dug, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die keere desgelijks niet naar hetgeen, dat achter is. Cïedenk aan de vrouw van Lot!quot; Kap. XVJ1:31,32.

q. Er is een onmi.ldellijke invloeiing van den Heer en eene inUMelIijke' door den Hemel; nos. G0G3, (»307, (1472, 96S2, 0G83. De invlociing van den Heer is onniiddollijk in de kleinste deelen van alle dingen; nos. G05S, G474 tot 78, 8717, 8728. Over de middellijke invloeiing des Hoeren door de Hemelen; nos. 40G7, C982, G985, G996.

127

208

ocr page 172

IIKM KL KN HKI;.

209. Ei1 bestaat j^een invloeiing van de lagere Hemelen in do hoogcre, daar dit tegen de orde is, maar van de hoogere Hemelen in de lagere; ook overtreft do wijsheid der Engelen van den hoogeren Hemel de wijsheid der Engelen van een lageren Hemel, gelijk een myriade de eenheid overtreft. Hierin ligt de oorzaak, dat. Engelen der lagere Hemelen niet met Engelen van een hoogeren Hemel kunnen spreken, en ze zelfs niet zien, wanneer zij naar hen kijken. Hun Hemel ziet cr uit als een wolk in de hoogte. Daarentegen kunnen de Engelen van een. hoogeren Hemel de Engelen zien, die in een lageren Hemel zijn, doch zij mogen niet met hen spreken, dan met verlies van hunne wijsheid, zooals boven werd gezegd.

210. De gedachten en genegenheden als ook de spraak der Engelen van den binnensten Hemel worden nimmer in den middelsten Hemel waargenomen, omdat zij daarvoor te veel verheven zijn; wanneer liet eulitcr den Heer behaagt, verschijnen zij als iets vlammends in de lagere Hemelen, en wat in den middelsten Hemel is, als een lichtglans in den laatsten Hemel, en somtijds als een schitterende wolk in verschillende tinten. Door deze wolk, haar stijgen, dalen en vorm wordt ook eenigermate waargenomen, wat daai gesproken wordt.

211. Hieruit kan blijken, hoe de vorm des Hemels is, dat zij namelijk in den binnensten Hemel de volkomenste is, in den middelsten Hemel eveneens volkomen, doch in minderen graad, en in den laatsten in nog minderen graad, en dat de vorm van don oenen Hemel door dien van den anderen bestaat door de invloeiing, die van den Heer uitgaat. Wat echter de gemeenschap is, die door invloeiing des Heeren bestaat, kan niet worden begrepen, tenzij men wete, wat graden van hoogte zijn, en waarin deze verschillen met do graden van lengte en breedte. Wat deze en gene graden zijn kan men zien in no. 8.

212. Wat de vorm des Hemels in het bijzonder betreft, en hoe deze zich richt en uitbreidt, is ook voor de Engelen onbegrijpelijk. Eenig begrip kan daarvan gegeven worden

209 -212

128

ocr page 173

HE VORM DËS IlKMELS.

212

door den vorm vau alle deelen, die in het inensclielijk lichaam zijn, zooals zij door een scherpzinnig en wijs man werden onderzocht en nagevorscht; want boven werd in de hoofdstukken daarover aangetoond, dat do geheele Hemel een mensch voorstelt (no. 59 tot 72) en dat alles, wat in den mensch is, mot den Hemel overeenstemt. (No. 87 tot 102) Iloe onbegrijpelijk en onverklaarbaar deze vorm is, blijkt in 't algemeen reeds uit de zenuwvezelen door welke alle deelen worden samengeweven. Het oog kan zelfs niet waarnemen, wat deze vezelen zijn en hoo zij in do hersenen loopen; want ontelbaar veel vezels zijn hier zoo ineengestrengeld, dat zjj te zamen een weeke, samenliangende massa schijnen, terwijl toch alles, en elk ding, dat tot den wil en het verstand behoort, hun weg volgend, op onderscheidene wijze in handelingen uitloopt. Hoe zij verder in liet lichaam dooreengeweven zijn, ziet men aan de verschillende vlechten, zooals b.v. aan de hartzeuuwvlechten, de ingewandszenuw vlechten en andere vlechten, alsook aan de knöopen, dio men gangliën noemt, waarin vele vezelen uit elke streek samenloopon, zich vermengen, en anders verbonden, weder tot hunne verrichtingen verder loopen, en zoo steeds weder opnieuw. Gelijke dingen heeft men in elk deel der ingewanden, geledingen, organen en spieren. Wie deze zenuwen en de vele wonderlijke zaken daarin met een verstandig oog onderzoekt, zal geheel en al in verwondering verzinken, en toch is het maar weinig, wat liet oog ziet: wat het niet ziet, is nog wonderbaarlijker, daarliet in de inwendige natuur is. Dat deze vorm met den vorm des Ilemels overeenstemt, blijkt duidelijk uit do werkingen van alle dingen van het verstand en den wil in dezen vorm en volgens dezen vorm, want alles, wat de mensch wil, komt volgens dien vorm oogon blik kei ijk in uitvoering, en alles wat hij denkt, doorloopt de zenuwen van hun begin tot hun einde, waaruit do zinnen ontstaan en daar zij do vorm der gedachte en van den wil is, is zij de vorm van doorzicht en wijsheid. Het is deze vorm, die overeenstemt met den vorm des Hemels; door haar kan men begrijpen, dat volgens zulk een vorm alle neigingen en elke gedachte dor Engelen zich verspreiden, en 129 o*

ocr page 174

11 KM KL EX IIET/.

dat zjj in zooverre in doorzicht on wijsheid zijn .als zij in dezen vorm zijn. Dat deze vorm dos Hemels uit het Goddolijk-menscheljjke van den Heer komt, kan men boven zien in no. 78 tot 80. Deze bijzonderheden worden gegeven, opdat men ook zou weten, dat de llemelsche vorm zoodanig is, dat zij zelfs in algemeene trekken niet kan worden doorgrond, en dus, zooals boven werd gezegd, zelfs voor de Engelen onbegrijpelijk is.

OVI'.i: HET BESïüUll JN DEN IIEMEU

213. Daar de Hemel in gezelschappen is verdeeld, en de grootere gezelschappen uit eenige honderdduizenden Engelen bestaan (no. 50), en alle in een gezelschap in hetzelfde goede, doch niet in dezelfde wijsheid zijn, (no. 43), volgt daaruit noodzakelijk, dat er ook een bestuur is; want do orde moet worden in acht genomen en over alles, wat tot de orde behoort, moet gewaakt worden. Maar het bestuur in de Hemelen is verschillend. In de gezelschappen, die het llemelsche rijk des Heeren vormen, is het anders dan in de gezelschappen, die het Geestelijke rijk des Heeren uitmaken; hut verschilt ook naar de diensten, die elk gezelschap verricht. Doch in den Hemel heerscht geen andere bestuur dan der onderlinge liefde, en waar onderlinge liefde heerscht, bestaat een Hemelsch bestuur.

214. Het bestuur in het Hemelsche rijk des Heeren heet Gerechtigheid, omdat iedereen aldaar in het goede der liefde tot den Heer uit den Heer is, en wat uit dit goede geschiedt, gerechtigheid heet. De regeering aldaar komt alleen den Heer toe. Hij leidt hen en onderricht hen in de dingen des levens. De waarheden, welke waarheden van het oordeel heeten, zijn in hunne harten gegrift; ieder kent ze, wordt ze gewaar of ziet ze; r waarom de zaken van oordeel

r. Ue Ileinelsi lie Engelen denken en spreken niet uit de waarheden, zooals de Geestelijke Engelen, daar zij door den Heer in de gewaarwording zijn van alle dingen, die tot het ware behooren; nos. 202, 507, G07, 784, 1121, 1384, 13i18, 1442, 1019, 7680, 7877, 8780, 9277, 1033G. De Hemelsche Engelen zeggen, met betrekking tot de waarheden: Ja, ja. of neen, neon; de geestelijke Engelen redeneeren daarover, of het al dan niet zoo is; nos. 2715,3240,4448, 91G6, 10786, waar de woorden des Heeren uitgelegd worden: huit nwwoord zijn: Ja. ja, neen, neen, wat boven deze is, is uit denboozen; (Matth. V : 37.)

213, 214

130

ocr page 175

HET BESTUUR IX HKX HEMEL.

aldaar nooit worden behandeld, docli wel de zaken der ge-rechtiglieid, die tot liet leven beliooren. De minder wijzen ondervragen daarover de wijzeren en deze den lieer, en zij ontvangen antwoord. Hun llemel of' hun innigste vreugde is in gerechtigheid te leven uit den lieer.

215. De regeering in liet Gloestolijke rijk des ITeeren heet oordeel, omdat zij daar in het geestelijk goede zijn, dat liet goede der liefdadigheid jegens den naasten is, en dit goede is volgens zijn wezen waarheid. s liet ware behoort tot het oordeel, het goede tot de gerechtigheid. 1 Ook dezen worden door deu Heer geleid, echter middellijk (no. 208;) daarom hebben zij bestuurders, enkele of vele, naarmate de behoefte is van het gezelschap, waarin zij zijn. Zij hebben ook wetten volgens welke zij samenleven. De bestuurders regeeren alles volgens de wetten, die zij begrijpen, omdat zij wijs zijn, en in twijfelachtige gevallen worden zij door den Heer verlicht.

21G. Daar de regeering uit hot goede, zooals zij in het Hemelsche rijk des Hoeren is, gerechtigheid heet en de regeering uit bet ware, zooals zij in bet Geestelijke rijk des Heeren is, oordeel of gericht beet, wordt in bot Woord de gerechtigheid en het oordeel genoemd, wanneer van den Hemel en van de kerk sprake is. Door gerechtigheid wordt het Hemelsche goede en door gericht het Geestelijk goede aangeduid, welk laatste, zooals boven werd gezegd, volgens zijn wezen het ware is, zooals op de volgende plaatsen: „Aan den vrede zal (jcen e'nide zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, opdat hij het hevestiye en versterke met gericht en gerechtigheid, van nu af tot in eeuirigheidn, Jez. IX : (J; onder David wordt hier de Heer bedoeld quot; en onder Zjjn rijk de Hemel, zooals

.s. Zij, die in het Geestelijke rijk zijn, zijn in het ware, en zij, die in het Hemelsche rijk zijn, in het goede; nos. 80^5, 875, 027, 1023, 1043, 1044, 1555, 2250, 4328, 1103, 5113, 950G. Het goede van liet Geestelijke rijk is het goede der liefdadigheid jegens den naasten, en dit goede is volgens zijn wezen het ware; nos. 8042, 10026.

(. In het Woord wordt gerechtigheid van het goede en oordeel van het ware gezegd. Daarom is gerechtigheid en gericht doen, het goede en ware beoefenen; nos. 2235. 0857. De groote oordeelen zijn de wetten der Goddelijke orde, dns de Goddelijke waarheden; no. 7206.

ii. Onder David wordt in de profetische hoeken de Heer verstaan; nos. 1888, 0054.

215, 216

131

ocr page 176

hemel en hel.

dit uit de volgende plaats blijkt: „Ik wil David eene rechtvaardige Spruit vencekl-en, die zal een koning zijn, die wel re-geeren zal, en gericht en gerecirticnieii) oefenen op de aardequot;, Jerem. XXITI 5 „ De Heer is verheven, want hij woont in de hoogte; hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid Jes. XXXIII : 5. Onder Sion wordt ook de Hemel en de Kerk verstaan. ^ „Ik hen de Heer, die gericht en gerechtigheid oefen op aarde; want dat behaagt mij, spreekt de Heer,quot; Jerem. IX : 24. „Ik zal mij aan U verloven in eeuwigheid, ik zal mij aan U verloven naar gerechtigheid en gerichtquot;, HoséaII: in. „Jehova, in de Hemelen is Uwe gerechtigheid als de hergen Gods, en Uw gericht als de diepe afgrondquot;, Psalm XXXVI: (J, 7. nZij vragen mij naar de gerichten der gerechtigheid en hehhen lust om tot God te naderenquot;quot;, Jes. LVIII: 2 en elders.

217. In het Geestelijke rijk des Heeren ziju de regeerings-vormen verschillend; in het eene gezelschap is die vorm niet zooals in het andere; liet verschil hangt af van de diensten, die de gezelschappen verrichten. Hunne dienstverrichtingen komen weder overeen met het werk van alle organen in den mensch, waarmede zij overeenstemmen. Dat deze veelvuldig zijn, is wel bekend ;• want het hart heeft een ander werk te doen dan de longen, deze weder een andere dan de lever, eu evenzoo hebben de darmen en do milt eu elk zintuig ieder een ander werk te doen. Zooals de verrichtingen dezer deelen in het lichaam verschillen, verschillen ook de verrichtingen der gezelschappen in den Grootsten Mensch, die de Hemel is; want de gezelschappen daar stemmen overeen met die organen. Dat een overeenstemming van alle deelen des Hemels met alle deelen der menschen bestaat, kan men in het hoofdstak daarover (87 tot 102) zien. Toch komen alle regeeringsvormen daarin overeen, dat zij het algemeene welzijn als einddoel beschouwen, en in dit het welzijn van een ieder. v. En dit is zoo, omdat alle Engelen in de gezamen-

x. Onder Sion wordt in liet Woord de Kerk verstaan, in liet bijzonder de Hemelsehe kerk; nos. 2302, 9055.

ij. Elk mensch en elk gezelschap, vervolgens het vaderland en de kerk, en in algemeenen zin het Koninkrijk Gods is de naaste; en hnn het goede doen uit liefde tot het goede naar de hoedanigheid van hunnen toestand

217

132

ocr page 177

HET BESTUUR IX DEN HEMEL

lijke Hemelen onder de hoede des Heeren staan, die allen liefheeft en het uit Goddelijke liefde zoo heeft ingericht, dat iedereen het goede ontvangt uit liet algemeene goede, een ieder ook in die mate, dat hij liet algemeene liefheeft; want in zooverre iemand het algemeene goede liefheeft, in zooverre heeft hij allen en een ieder lief; en daar deze liefde van den Heer is, wordt hij ook in zooverre door den Heer bemind en ontvangt hij het goede.

218. Jlieruit kan blijken, van welke soort de bestuurders zijn. liet zijn namelijk diegenen, die meer dan de overigen in liefde en wijsheid zijn, en dus uit liefde voor allen hot beste willen, en krachtens hunne wijsheid het zoo weten in te richten, dat het tot uitvoering komt. Zulke bestuurders heerschen en bevelen niet, doch besturen en dienen; want anderen goed te doen uit liefde voor het goede, heet dienen, en er voor zorgen dat het gebeurt, heet besturen; Zij maken zich ook niet voornamer dan anderen, doch geringer, want zij ruimen de eerste plaats in aan het welzijn van het gezelschap en van den naaste, en de tweede aan het hunne. Wat de eerste plaats inneemt, is het grootere, en wat de tweede heeft, het kleinere. Xoditans genieten zij eer en heerlijkheid; zij wonen iu het midden van hot gezelschap, hooger verheven dan de anderen, en ook in prachtige paleizen. Zij nemen deze heerlijkheid en eer ook aan, echter niet voor zichzelven, doch uit gehoorzaamheid, want allen, die daar zjjn, weten, dat hun deze oor en heerlijkheid van den lieer toekomt, eu dat zij daarom moeten gehoorzaamd worden. Dit is hot, wat men moet verstaan onder de woorden des lleeren tot de discipelen; „ il'ie ouder n zal willen groot worden, die zij uw dienaar, en wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht, {lelijk de Zoon des menschen niet is gekomen, om

is tlt'ii iiuaste lieflioblien; dus hun welzijn, dut ook liet algemeene poede is, waarvoor men moet zorgen, is do naaste; nos. OSlïS tot (!824, 8123. liet burgerlijke goede, hetwelk bestaat in wat recht is, is ook de naaste; nos. 2!I15, 4730, 8120, 8123. Daardoor strekt ziih de liefdadigheid jegens den naaste uit tot alles, wat in het algemeen en in het bijzonder tot het leven van den menseh behoort, en den naasten liefhebben beteekent het goede liefhebben en bet goede doen uit liefde tot het goede eu ware, en ook het rechtvaardige uit liefde tot het rechtvaardige, in elke verrichting en bij elk werk; nos. 2417, 812—18124,

218

133

ocr page 178

21!), 220, 221

gediend te worden, maai- om te dienen.quot; Matth XX : 27, 28.

„ Wie onder u de grootste zijn wil, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dientquot;. Lu kas XXII : 2G.

219. Eene gelijke regoerlng in den kleinsten vorm is ook in elk huis. Er is daar een huisheer en er zijn dienstknechten; do huisheer heeft de dienstknechten lief en de dienstknechten den huisheer. Vandaar dat zij uit liefde elkaar wederkeerig dienen; de huisheer leert, hoe nion moet loven en zegt, wat men moet doen, do dienstknechten gehoorzamen en verrichten hun werk. Nut verschaffen is de levenslust van allen. Hieruit blijkt, dat het rijk des Hoeren een rijk is van nutstichtingen.

220. Er zijn ook regeeringen in do Hel; want waren daar geen regeeringen, dan zou zij niet in banden gehouden worden ; de regeeringen aldaar zijn echter hot tegenovergestelde van de rogeoringen in de Hemelen : zij zijn allo een uitvloeisel van eigenliefde. Ieder wil daar over een ander heerschon en zich boven hem stellen. Zij haten ieder, die hen niet begunstigt, oefenen wraak op hem uit, en woeden tegen hem, want dat is de natuur der eigenliefde. Daarom zijn de moer boosaardigen als meerderen aangesteld, en worden uit vrees gehoorzaamd. z Doch hierover later, als over de hel zal gesproken worden.

OVER DEN GODSDIENST IN DEN HEMEL.

221. Do Godsdienst in de Hemelen is naar het uiterlijk niet ongelijk aan den Godsdienst op aarde, doch naar hot innerlijk verschillen zij. Men hooft aldaar eveneens leeringen, preeken en tempels. De leeringen stemmen in hun wezen

z. Er zijn twee soorten van overheersehing: de eene uit liefde tot den naaste, de andere uit zelfzueht; no. 10814. l it de overheersehing. die uit liefde tot den naaste ontstaat, ontspringt al het goede en zalige; nos. lOKiO, 10S14. In den Hemel wil niemand uit eigenliefde heersehen, maar allen willen dienen; dit heet uit liefde tot den naaste heersehen, en daarom hebben /.ij znlk een groote macht; no. 57.'gt;2. l'it de heersehzncht, die in eigenliefde wortelt, ontspringt al het booze; no. 10038. Nadat de eigenliefde en de wereldliefde begonnen waren te heersehen, werden «Ie mensehen genoodzaakt zich voor hunne veiligheid aan overheersehing te onderwerpen; nos. 7864, 101(50,10814.

HEMEL EN HEL.

134

ocr page 179

DE GODSDIENST IX DEN HEMEL.

overeen, doeli in de hoogere Hemelen bevatten zij eenc diepere wijsheid dan in do lagere Hemelen. Do preekon zijn in overeenstemming met do loeringen, en evenals do Engelen huizen en paleizen hebben (no. 183 tot l'.tO), zoo hebben zij ook tempels, waarin gepreekt wordt. Dat er zulke dingen ook in do Hemelen zijn, heeft zijn grond daarin, dat de Engelen voortdurend in wijsheid en liefde worden volmaakt; want zij hebben evenals de monsch verstand en wil, en liet verstand is zoo gevormd, dat liet voortdurend kan worden volmaakt, ovoneens als do wil; liet verstand door do waarheden van liet doorzicht en don wil door liet goede van de liefde. quot;

222. De Godsdienst zelve bestaat in do Hemelen echter niot in kerkbezoek en in liet aanhooron der preeken, doch in een leven dor liefde, dor liefdadigheid en des geloofs volgens do kerk. Do preeken in de kerken dienen slechts tot middel om in do zaken des levens te worden onderwezen. Ik sprak hierover met de Engelen en zoido, dat men op aarde geloofde, dat de (Jodsdienst slechts bestond in het bezoeken der kerken, het aMihooron der preeken, het drie- of viermalen 's jaars deelnemen aan hot lleilin; Avondmaal en liet uitvoeren dor overige Godsdienstige handelingen in verband niet voorschriften der kerk, en dan ook in hot houden van bizondere bidstonden en een eerbiedig gedrag. Do Kngelen zeiden, dat dit uiterlijke vormen waren, die men moet opvolgen, doch dat ze geen vruchten dragen, indien zij niet uit het innerlijke voortkomen en dat het innerlijke een loven is volgens do geboden, welke de kerkleer voorsch rij ft.

223. Opdat ik zou weten, hoe hunne vergaderingen inde tempels waren, werd nijj toegestaan eeuigo malen binnen te treden en de preeken aan te hooren. Do prediker staat op oene verhooging naar hot Oosten. Tegenover hem zitten zij, die meer dan de anderen in liet licht dor wijsheid zijn, ter rechter

a. Het verstand is lt;lc opnemer van het ware en lt;le wil die van liet guecle; nos. 3023 6125, 7503, 9300, Ü030. Zooals alles oj) liet ware en goede betrekking heeft, heeft ook alles, wat tot het leven van den menseh behoort, betrekking oj» verstand en wil; nos. 803, 10122. De Kngelen worden tot in eeuwigheid meer volmaakt ; no-'. 18113, G648.

222, 223

135

ocr page 180

HEMEL EN HEL.

en linker zijde van hem, zij die in een minder licht zijn. Zij zitten rondom in een halven cirkel, zoodat zij allen in het gezicht van den prediker vallen. Aan de zijden buiten het gezicht des predikers zit niemand. Aan den ingang, die ten oosten van den tempel is, ter linker zijde van den preekstoel, staan zij, die ingeleid worden. Achter den preekstoel mag niemand staan; staat daar iemand, dan geraakt de prediker in verwarring. Dit zelfde heeft plaats, wanneer iemand in de vergadering van eene andere meening is, waarom hij het aangezicht moet afwenden. De preeken bevatten zulk een wijsheid, dat geen preek op aarde daarmede kan vergeleken worden; want in de Hemelen zijn zij in een inwendig licht. De tempels schijnen in liet Geestelijke rijk als van steen en in het ITemelsche rijk als van hout, omdat steen overeenstemt mot het ware, waarin de Engelen van het Geestelijke rijk zjjn; het hout komt echter overeen met het goede, waarin de Engelen van het ITemelsche rijk zijn. 6 Ook heotcn de lieilige gebouwen in dit rijk niet tempels, maar huizen Gods. In het Ilenielsche rijk zijn de kerken zonder pronk, doch in het geestelijke rijk zijn zij meer of minder prachtig.

224. Ik sprak eenmaal met een prediker over de heiligheid, waarin zij verkeeren, die de preeken in do kerk aan-hooren, en hij zeide: Vroomheid, eerbied en heiligheid heeft een ieder, naarmate van den toestand van zijn inwendige, het gebied van liefde en geloof; want daarin is het lieilige zelve, door het Goddelijke des IJeeren. Hij wist niet, wat uiterlijke heiligheid zonder dat inwendige was, en toen hij daarover nadacht zeide hij; Misschien is het iets, dat heiligheid in uitorlijken vorm nabootst, hetzij door kunst aangeleerd of geveinsd, waarbij een soort onecht vuur, voortkomende uit liefde tot zich zelf en de wereld, zulk eene heiligheid doet ontbranden on tevoorschijn komen.

225. Alle predikers zijn uit het Geestelijke rijk des Heeren en geen enkele uit het Ilenielsche rijk. Zij zijn uit liet

h. Steen beteekent waarheid; nos. 114, G43, I2ÜH, 3720, (i42lgt;, 8G09, 10370. Hout beteekent goedheid; nos. 643, 3720, 8354. Daarom hadden de alleroudste luenschen, die in het Hemelseh-goede waren, heilige gebouwen vanhout; no.372ü.

13G

224, 225

ocr page 181

DK GODSDIENST IN DEN HEMEL.

Geestelijke rijk, omdat zij daar in de waarheden uit het goede zijn en uit de waarheden alle preeken ontstaan. Dat er geen predikers uit het Hemelsche rijk zijn, is, omdat men daar in hot goede der liefde is en daardoor de waarheden ziet on begrijpt, doch er niet over spreekt (zie no. 25.) Ofschoon de Engelen in hot Hemelsche rijk de waarheden gewaarworden en zien, worden daar toch ook preeken gehouden, omdat zij door deze worden verlicht in do waarheden, welke zij kennen en door vele waarheden, die zij vroeger niet kenden volmaakt worden. Zoodra zij die hooien erkennen zij zo ook, en worden ze zoo deelachtig. De waarheden, die zij deelachtig worden, beminnen zij ook en door dat zij daarnaar leven, brengen zij ze in hun leven over; zij zeggen, dat naar de waarheden loven is den lieer liefhebben. c

226. Alle predikers zijn door den lieer aangesteld en hebben daardoor de gave van preeken. Behalven aan hen is het niemand toegestaan in de tempels te onderwijzen. Zij heeten predikers, doch geen priesters, omdat het priesterdom des Hemels het Hemelsche rijk is; want het priesterdem beteekent het goede der liefde tot den Heer, waarin de Engelen van dit rijk zijn. Het koningschap des Hemels is echter het Geestelijke rijk; want het koningschap beteekent het ware uit het goede, waarin de Engelen van dit rijk zijn; zie boven no. 24. lt;l

227. Do leerstellingen, volgens welke gepreekt wordt, hebben allen betrekking op het leven als einddoel en geen enkele op geloof zonder het leven. De leer des binnensten Hemels is meer vol wijsheid dan de leer van den middelsten Hemel, en do leer van den middelsten Hemel is meer vol doorzicht dan de leer van den laagsten Hemel; want deleer-

r. Den Hoer en den naaste liefhebben is naar de geboden des ITeeren leven; nos. 10143, 10153, 10310, 10578, 10(i45, 10048.

(/. ]gt;e priesters stellen den lieer voor, met betrekking tol bit (K»dlt;b !ijk-goede. de koningen met betrekking tot bet Goddelijk-ware; nos. 'JoKi, 0118. Vandaar, dat in bet Woord een priester beteekent, degene die in bet goede der liefde tot den lieer is, en dns bet priesterdom dit goede beteekent; nos. IISOO, 0809. Ken koning beteekent in bet Woord degene, die in bet Cioddelijk-ware is,en dus bet koningsebap bet ware uit bet goede; nos. 1672, 2015, 20(39, 4575, 4581, 4})G6, 5044.

22G, 227

137

ocr page 182

IIEMKL EX HEL.

stellingen zijn overeenkomstig de bevattingskracht der Engelen iu eiken Hemel. Het wezen van alle leerstellingen is de erkenning van het Goddelijk-mensclielijke des Heeren.

OVKH DE MACHT DKJI ENGELEN IN DEN HEMEL.

228. Dat de Engelen maclit hebben, kunnen zij niet begrijpen, die niets van de geestelijke wereld en van hare in-vloeiing in de natuurlijke weten. Zij denken, dat de Engelen geen macht kunnen hebben, omdat zij een geestelijke natuur hebben, zoo rein en onstoffelijk, dat zij niet eens met de oogen kunnen gezien worden. Maar zij die dieper in de gronden der dingen doordringen, denken anders; zij weten, dat al de macht, die de mensch heeft, uit zijn verstand en uit zijnen wil voortkomt, want zonder dezen kan luj zelfs liet kleinste deel van zijn lichaam niet bewegen; het verstand en de wil zijn de geestelijke mensch. Deze brengt het lichaam en zijne leden geheel naar zijne wenschen in beweging; want hetgeen hij denkt, wordt door den mond en de tong gesproken en hetgeen hij wil, wordt door het lichaam verricht, ook geeft luj kracht naar believen. Do wil en het verstand van den mensch worden door den Heer, door Engelen en geesten geregeerd en daarom ook allo deelen van het lichaam, omdat zij van den wil en het verstand afhangen, en misschien kunt gij het gelooven, dat de mensch geen schrede kan doen zonder de invloeiing des Hemels. Dat dit zoo is, werd mij door veel ondervinding bewezen; het werd aan Engelen toegestaan mijne schreden, mijne handelingen, mijne tong, mijn spraak te richten naar hun wil en wel door hunne invloeiing in mijn willen en denken, en ik ondervond, dat ik niets uit mijzelve vermocht; vervolgens zeiden zij mij, dat elk mensch zoo bestuurd werd, en dat hij dit uit de leer dor kerk en uit het Woord kon weten, daar hij toch hidt, dat God zijne Engelen moge zenden, opdat zij hem leiden, zijne schreden richten, hem lecren en hem ingeven, wat hij denken en spreken inoet enz. ofschoon hij, buiten de leer bij zich zeiven denkend,

1Ü8

228

ocr page 183

PK GODSDIENST IN DEN HEMEL.

anders spreekt en gelooft. Dit wordt medegedeeld, opdat men zou weten, welke macht de Engelen over den mensch hebben.

229. In de Geestelijke wereld is echter de macht der Engelen zoo groot, dat het alle geloof zou te boven gaan, als ik alles mededeelde, wat ik daarvan gezien heb. quot;Wanneer daar iets, dat verwijderd moet worden, omdat het tegen de Goddelijke orde is, weerstand biedt; wordt het door hen slechts door de kracht van hunnen wil en hunnen blik neder-geworpen en verbroken. Zoo zag ik bergen, die door boozen bezet waren, omverwerpen en wegvoeren en somwijlen verbrokkelen van het eene einde tot aan het andere, zooals dat bij aardbeving geschiedt; ook rotsmassa's zag ik doormidden splijten tot in den afgrond en de boozen, die daarop waren, verslinden; ik zag ook, hoe eenige honderdduizenden booze geesten door hen verstrooid en in de hel geworpen werden. Getalsterkte vermag niets tegen hen, evenmin als kunsten, sluwheden en samenrottingen; want zij zien alles en slaan het oogenblikkelijk neder. Doch hierover kan men meer lezen in het bericht over de verwoesting van Dabei. Zulk een nuicht hebben de Engelen in de Geestelijke wereld. Dat zij ook dezelfde macht hebben in de natuurlijke wereld, wanneer hen dat gegeven wordt, is duidelijk uit het Woord ; hoe zij b.v. aan geheele legers eene volledige nederlaag bereidden en een pest verspreidden, waaraan zeventig duizend menschen stierven. Van dozen Engel leest men aldus: „De Emjel strekte zijtic hand uit over Jeruzalcni ow het te verderven, doch Jehovah had berouw over dat J:iraad, en Hij sprak tot den Enyel, den verderver onder hef volk: Hef if, (jenoer/, hond mre hand nu in! en Darid zac/ den Engel, die hef volk doegquot;, II Sam. XX\ I : 15, !(!, 17, om over andere plaatsen niet te spreken. Dewijl de Engelen zulk eene macht hebben, worden zij machten genoemd en bij David leest men; Looft Jehovah, gij Engelen groot van krachtquot;, Psalm 1 ())! ; 20.

230. Men moet echter weten, dat do Engelen volstrekt geen macht uit zich zeiven hebben, doch dat al bun macht van den Heer komt, en dat zij in zooverre machten zijn, als zij dit erkenuen. Wie onder lien gelooft, dat hij macht uit

22!), 230

139

ocr page 184

IIEMEL EN HEL.

zich zclvcn heeft, wordt aanstonds zoo zwak dat lnj zelfs niet één boozen ^eost kan weerstaan; dit is do reden, waarom de Engelen zicli zelve hoegenaamd geen verdienste toekennen en van allen lof en roem, voor welke daad ook, afkecrig zijn, doch deze toeschrijven ann den lieer.

231. Het is Goddpljjke waarheid, die van den Heer uitgaat, welke alle macht in de Hemelen heeft; want de Heer is in den Hemel het Goddelijk-ware, vereenigd met hot Goddoljjk-goede (zie no. 12t) tot 140). lu zooverre de Engelen deze waarheid opnemen, zijn zij machten. ieder is ook het ware en hel goede van zich zeiven, daar hij zoodanig is als zijn verstand en zijn wil zijn. liet verstand is uit waarheid, daar alles, waaruit het bestaat, van waarheden komt, en de wil is uit het goede, daar alles, waaruit hij bestaat, van goed komt; want alles, wat iemand begrijpt, noemt hij waar, en alles wat hij wil, noemt hij goed. Daardoor komt liet, dat iedereen het ware en het goede van zich zeiven is. f in zooverre dus een Engel het ware uit het Goddelijke en het góede uit het Goddelijke is, is hij een macht, daar in gelijke mate de Heer bjj hem is. En daar geen enkele Engel in gelijke of dezelfde goedheid en waarheid is als een andere (want in den Hemel is evenals in de wereld een voortdurende verscheidenheid, no. 20) heeft ook de eene Engel niet dezelfde macht als de andere. in de grootste macht zijn zij, die in den grootsten menscii of Hemel de armen vormen en wel, omdat zij, die daarin zijn, meer dan de overigen in de waarheden zijn en in hunne waarheden het goede uit den ganschen Hemel invloeit. Ook gaat de macht van den geheelen mensch in zijne armen over en worden de krachten van het gansche lichaam daardoor uitgeoefend; vandaar dat in het Woord door de armen en de

e. De Engelen heeten machten en zijn ook machten, tengevolge van de opneming van het Goddelijk-ware van den Heer; no. 0639. De Engelen zijn o| •nemers van het God del ijk-ware van den Heer en worden derhalve in het Woord hier en daar goden genaamd; nos. -4205, 440i)., 811)2, 8301, 9398.

ƒ. Een mensch en een Engel is zijn eigen goedheid en zijn eigen waarheid, hijgevolg zijne liefde en zijn geloof; nos. K»208,10307. Hij is zijn eigen verstand en zijn eigen wil; want alles, wat tot het leven hehoort, komt daar uit voort; het leven van het goede behoort tot den wil en het leven van het ware behoort tot het verstand; nos. 10070, 10177, 10201, 10284.

HO

231

ocr page 185

DE GODSDIENST IN DEN HEMEL.

handen dc macht bedoeld wordt, f Dientengevolge verschijnt ook in den Hemel tusschenbeide een ontbloote arm, die zulk cene groote macht beeft, dat bij alles, wat voor bem is, zou kunnen verbrijzelen, zelfs als bet een rotsblok op aarde was. Eenmaal kwam bij ook mij nabij en ik voelde, dat bjj inijiie beenderen tot stof zou kunnen vermalen.

232. Dat het Goddeljjk-ware, dat van den lieer uitgaat, alle macht beeft en de Engelen slechts zooveel macht bezitten, als zij opnemers van bet Goddel ij k-ware zijn, kan men boven zien in no. 137. Do Engelen zijn echter in zooverre opnemers van het Goddel ij k-ware, als zij opnemers van bet Goddel jjk-goede zijn ; want de waarheden hebben alle macht uit liet goede, en zonder het goede hebben zij geen macht. Evenzoo beeft het goede alle macht uit de waarheid en geen macht zonder goedheid; uit de verbinding van beide ontstaat de macht. Even-zoo is het met het geloof en de liefde; want of men zegt waarheid en geloof, dat is betzelfde, daar de kern van het geloof waarheid is; en ook, of men zegt goedheid of liefde, het is hetzelfde, daar alles, wat tot de liefde behoort, goedheid is. h Welkeen groote macht de Engelen door de waarheden uit bet goede hebben, bleek ook daaruit, dat een booze geest, reeds door den blik der Engelen in onmacht valt, en niet meer een menscb gelijkt, en wel zoo lang, tot de Engel zijne oogen afwendt; de reden, waarom zoo iets door den blik der Engelen gebeurt is, dat bet gezicht der Engelen uit bet licht des Hemels is, en het licht des Hemels is het Goddel ij k-ware (zie boven no. 12G tot 132). De oogen stemmen overeen met de waarbeden uit het goede. '

(j. Over de overeenstemming der handen, armen en schouders met den grootsten inenscli of den Hemel; nos. 4931 tot 4037. Door de armen en handen wordt in het Woord macht bedoeld; nos. STS, 3091, 4931, 4932, 0947, 10(119.

h. In de Hemelen behoort alle macht tot liet ware uit het goede, of' tot het geloof uit de liefde; nos. 3091, 3563, G413, 8304, 9043, 10019, 101S2. Alle macht is van den Heer, daar van Hem alle waarheid is, die tot het geloof behoort en alle goedheid, die tot de liefde behoort; nos. 9327,9410. Deze macht wordt bedoeld door de sleutels, die l'etnis gegeven werden; no.6344. Het van den Hoer uitgaande Goddelijk-ware beeft alle macht; nos. 6943, 8200 en deze macht des Heeren is het, welke bedoeld wordt met het zitten aan de rechterhand Jehova's; nos. 3387, 4592, 4933, 7Ö1S, 7673, 8281, 9133. De rechterhand beteekent macht; no. 10019.

i. De oogen stemmen overeen met de waarheden uit het goede; nos. 4403 tot 4421, 4523 tot 4534, 6923.

141

ocr page 186

HEMEL EN HEI..

233. Daar alle maclit tot de waarheden uit liet goede behoort, heeft liet valsche uit het booze in 't geheel geen macht. k lu de Hel zijn allen in het valsche uit het booze, waarom zij goeu macht tegeu het ware eu het goede hebben; welke macht zij onder elkander hebben, en welke macht de booze geesten hebben, vóór zij in de Hel geworpen worden, zal later worden medegedeeld.

OVER DE SPRAAK DER ENGELEN.

234. Ue Engelen spreken onder elkander geheel zooals de menschen op aarde en inderdaad ook velerlei dingen, als b.v. over huiselijke ongelegen lieden, over zaken van de burgerlijke toestanden, over dc dingen van liet zedelijke leven en over de dingen van het geestelijke leven, en geen verschil doet zich daarbij voor, dan dat zij met meer doorzicht spreken dan dc incnschon, daar zij meer inwendig denken. Dikwijls was 't mij gegeven met hen om te gaan en met hen te spreken als een vriend met een vriend en somwijlen ook als een onbekende met een onbekende en daar ik dan met ben in denzclfden toestand was, wist ik niet beter, of ik was met menschen op aarde.

235. Dc spraak der Engelen is evenals de spraak der menschen in woorden verdeeld; zij wordt ook eveneens met geluid uitgesproken eu door geluid gehoord, want dc Engelen hebben eveneens mond, tong eu ooren; ook hebben zij ecnen dampkring, waarin de klank van hunne stem wordt gearticuleerd; het is echter een geestelijke dampkring, alleen voor dc Engelen geschikt, die geestelijk zijn; zij ademen ook in hunnen dampkring en uiten door middel van den adem woorden, zooals de menschen dat in hunnen dampkring doen. '

23G. In een geheelen Hemel bestaat eenzelfde spraak voor allen; allen verstaan elkander, uit welk gezelschap zij

k. Het valsche uit liet booze heeft geen niarht. daar alle macht tot het ware uit het goede behoort; nos. 0784, 10481.

I. In de Hemelen bestaat eene ademhaling, maar zij is van inwendigen aard; nos. 3S.S-1, 3885, uit eigen ondervinding; nos. 3884, 3885, r-891, 3893. De ademhalingen zijn aldaar ongelijk en afwisselend, naarmate de toestanden zijn; nos. 1119, 388G, 3887, 3889, 3892, 3893. De boozen kunnen in den Hemel volstrekt niet ademen en verstikken als zij daar komen.

233—236

142

ocr page 187

DE SPRAAK DER EXOELEX.

ook mogen zjjn, hetzij naburig, hetzij verwijderd. Do spraak wordt liier niet aangeleerd, doch is een ieder ingeplant, zij vloeit onmiddellijk voort uit hunne neiging en uit Imnne gedachte. De klank der stem komt overeen mot hunne neiging en de declen der klank, die de woorden vormen, stemmen overeen met do denkbeelden, die uit de genegenheden ontstaaii, en daar de spraak mot deze overeenstemt, is zij ook zelve geestelijk, want zij is de geluidgevende neiging en de sprekende gedachte. Die er op let, kan weten, dat elke gedachte uit eene neiging der liefde komt, en dat de denkbeelden der gedachte verschillende vormen zijn, waarin zich de algemeene genegenheid verdeeld heeft; want er bestaan volstrektgeeugedachten en geen denkbeelden zonder genegenheid. Hun ziel en hun leven ontstaat daaruit. Daardoor komt het, dat de Engelen reeds aan de bloote spraak bemerken, van welke soort de anderen zijn en wol aan den toon, wat hun genegenheid is en aan de stembuiging of de woorden, wat hun geest is; de wijzere Engelen bemerken door een enkelen volzin, wat de heerschende genegenheid is, want hierop letten zij bijzonder. Dat een ieder verschillende neigingen beeft, is bekend. De neiging van den mensch verschilt, naarmate hij in vreugde of in droefheid, in zachtheid eu barmhartigheid of in oprechtheid en waarheid of in liefde en liefdadigheid, of in ijveren toorn, of in huichelarij en bedrog verkeert, of hij streeft naar room en eere enz., maar de heersehende neiging of liefde is er altijd in. Daarom bemerken de wijzere Engelen, omdat zij doze heerschende neiging waarnemen, reeds aan de spraak, den geheelen toestand van hem, die spreekt. Dat dit zoo is, werd mij door veel ondervinding geleerd. Ik hoorde, hoe Engelen het loven van een ander onthulden, zoodra zij hem slechts gehoord hadden. Zij zeiden ook, dat zij den geheelen levensinhoud van een ander kenden uit eonigo zijner denkbeelden, daar zij daaraan zijne heerschende liefde herkenden, waarin alles volgens orde ligt opgesloten en dat liet bock van iemands loven ook niets anders ia.

237. Do spraak der Engelen heeft niets gemeen met de spraken der menschen, tenzij met eenige woorden, die klank 143

237

ocr page 188

hemel ex in:r,.

hebben door ecne bepaalde neiging, ecliter niet met de woorden zelve, maar met hunnen klank, waarover in het volgende eenige bijzonderheden zullen gegeven worden. Dat de spraak dor Engelen niets met de monschclijke spraken gemeen hoeft, blijkt daaruit, dat liet don Engelen onmogelijk is, ook slechts één woord van eeno menschelijke taal uit to spreken. Zij beproefden hot, maar zij konden het niet, want zij kunnen niets anders uitspreken, dan hetgeen geheel met hunne neiging overeenstemt. Wat niet overeenstemt, is in strijd met hun eigenlijk loven, want liet loven komt uit genegenheid en uit het leven hunne taal. Mij werd meiiegedeeld, dat de eerste tnal der menschen op onze aarde, overeenkwam met die der Engelen, daar zij die uit den Hemel hadden en ook de He-broeuwscho taal in eenige opzichten daarmede overeenkomt.

238. Daar do taal der Engelen overeenkomt met hunne neiging, die een uitvloeisel der liefde is, en de liefde des Hemels-liefde tot den Heer en naastenliefde is (zie boven no. 13 tot 1!(), volgt daaruit, hoe schoon en aangenaam hunne spraak is. Inderdaad treft zij niet alleen de ooren, doch ook het inwendige van het gemoed van hen, die haar hooren. Er was een zekere geest met een verhard gemoed, met welken een Engel sprak, tot dat hij door de spraak van den Engel eindelijk zoo geroerd werd, dat hij tranen vergoot, zeggende, dat hij geen weerstand kon bieden, daar het de sprekende liefde was, en hij vroeger nimmer geweend had.

239. De spraak der Engelen is ook vol wijsheid, daar zij uit hun inwendig denken voortkomt en hun inwendig denken wijsheid is, zooals hunne inwendige neiging liefde is, en hunne liefde en wijsheid zich vereenigen tot spraak. Daardoor is deze zoo vol wijsheid, dat zij met één woord kunnen uitdrukken, hetgeen de mensch niet met duizend woorden zeggen kan. Ook bevatten do denkbeelden hunner gedachten zulke dingen, als de mensch niet begrijpen, veel minder uitspreken kan. Vandaar, dat de dingen, die in den Hemel gehoord en gezien zijn, onuitsprekelijk genoemd worden en zoodanig, als nooit door een oor gehoord, of door een oog gezien werden. Dat dit zoo is, werd mij door eigen ondervinding kenbaar

238, 239

144

ocr page 189

DE SPRAAK DEU ENGELEN.

gemaakt. Ik werd somwijlen in den toestand gebraclit, waarin de Engelen zijn, en in dezen toestand sprak ik met lien en verstond dan alles; wanneer ik echter in mijnen vroegeren toestand werd teruggebracht en zoo in de natuurlijke gedachten, die den mcnsch eigen zijn, en mij wilde herinneren, hetgeen ik gehoord had, kon ik dat niet: want het waren duizende dingen, die niet bevattelijk waren voor de denkbeelden van het natuurlijke denken, dus niet anders konden worden uitgedrukt dan door kleurenwisseling (variegationes) van het Hemelsche licht, en alzoo volstrekt niet doormenschehjke woorden. De denkbeelden der Engelen, waaruit hunne woorden voortkomen, zijn ook wijzigingen van het licht des Hemels, en do neigingen, waaruit de klank der woorden komt, zijn veranderingen van de warmte des Hemels, daar het licht des Hemels het Goddel ijk-ware of de wijsheid, en de warmte des Hemels het Goddel ij k-goede of de liefde is (zie boven no. 13G tot 140), en de Engelen uit dc Goddelijke liefde de neiging en uit do Goddelijke wijsheid het denken hebben. m

240. Daar de spraak der Engelen onmiddellijk uit hunne neiging ontstaat (want zooals boven gezegd werd in no. 236, zijn de denkbeelden verschillende vormen, waarin zich de algomeene neiging verdeeld heeft), kunnen de Engelen in eene minuut uitdrukken, wat een mensch in een half uur niet zou kunnen, en kunnen dc Engelen in weinige woorden weergeven, wat op vele bladzijden geschreven is, zooals mij door veel ondervinding werd getoond. quot; De denkbeelden dor Engelen en de woorden van hunne spraak maken één geheel uit, evenals eene werkende oorzaak en het gevolg daarvan, want in de woorden wordt als gevolg voortgebracht, hetgeen in de denkbeelden als oorzaak gelegen was; vandaar dat ieder woord zoovele dingen in zich bevat. Ook vertoonen zich de bizonderheden van de gedachten, en dientengevolge ook

m. De (lenkbeelclen der Engelen, volgens welke zij spreken, ontstaan door bewonderenswaardige kleurwisseling van het licht des Hemels; nos. 1040 3343, 3993.

n. De Engelen kunnen door hunne spraak in één oogenblik meer uitdrukken, dan de mensch door de zijne in een half uur, en ook zulke dingen als niet in de uitdrukkingen van de menschelijke spraak vallen; nos. 1G41—43, 1645, 4G09, 70S9.

240

ocr page 190

HEMEL EN HEL.

de bizondcrliedcn van de spraak der Engelen, wanneer zij zichtbaar waren, gelijk eene dunne wegvloeiende golf of rondom zwevende dampkring, waarin ontelbare dingen in hunne orde zijn, en die uit hunne wijsheid voortkomen eu in de gedachten van anderen doordringen en deze opwekken. De denkbeelden van een ieder, zoowel van den Engel als van den mensch worden in liet licht des Hemels zichtbaar voorgesteld, wanneer het den lieer behaagt. 0

241. De Engelen uit het llemolsche rijk des lleeren spreken evenzoo als de Engelen uit het geestelijk rjjk van den Heer; maar uit een meer inwendig denken. Daar de Hemelsche Engelen in het goede der liefde tot den Heer zijn, spreken zij uit wijsheid; en de geestelijke Engelen, omdat zij in het goede der liefdadigheid jegens den naaste zijn, hetgeen in zijn wezen het ware is, (no. 215) spreken uit doorzicht, want uit het goede komt wijsheid, en uit liet ware doorzicht. Daardoor is de spraak der Hemelsche Engelen als een kalme stroom, zacht en aanhoudend, de spraak der geestelijke Engelen is daarentegen een weinig trillend en afgebroken. Ook heeft do spraak der Hemelsche Engelen veel van de klank der klinkers IJ en O en die der geestelijke Engelen van de klinkers E en I; want de klinkers géven den klank, en in den klank ligt de neiging; wijl zooals vroeger, (no. 236) werd gezegd, het geluid van de spraak der Engelen overeenstemt met hunne neiging, en de onderdeelen van hot geluid, die de woorden zijn, met de denkbeelden, die van de neiging uitgaan. Daar de klinkers niet tot de spraak be-hooren, maar dienen tot verheffing van hare woorden, dooiden toon tot de velerlei neigingen, volgens iemands toestand, worden in de Hebreeuwsclie taal de klinkers niet uitgedrukt,

o. In een enkel denkbeeld zijn ontelbare zaken besloten; nos. 1008, I860. 4976, 6613—18. De denkbeelden van den mensch worden in het andere leven onthnld, en zichtbaar naar het leven voorgesteld, zooals /.ij zijn; nos. 1809, 3310, 5510. In welken vorm zij zich voordoon; nos. 6601, S8S5. De denk beelden van de Engelen van den binnensten Hemel vertoonen zich als vlammend lieht ; no. 6615. De denkbeelden der Engelen van de laagste Hemelen verloonen zich als dunne, wit glinsterende wolken; no. 6614. Er vertoonde zich een denkbeeld van een Engel, waaruit een schitterende glans tot den Heer ging; no. 6620. De denkbeelden breiden zich verder in de Engelgezelschappen uit; nos. 6598 tot6613.

241

146

ocr page 191

DE SPRAAK DEPt ENGELEN.

en worden zij ook vcrscliillond uitgesproken. Aan deze toou-geving herkennen de Engelen de gesteldheid vtm een inonscli wat betreft zijne neiging en liefde. De spraak der henielsche Engelen heeft ook geene harde medeklinkers, en gaat zelden van den eenon medeklinker op den anderen over, zonder tnsschenvoeging van een woord, dat met oenen klinker begint; vandaar, dat in het Woord zoo dikwijls hot woordje „enquot; wordt tusschengezet, hetgeen een ieder bekend is, die het Woord in de Hebreeuwsche taal leest, waarin bedoeld woordje zacht is, en van voren en van achteren een klinker heeft. Ook kan men aan do woorden in het Woord in genoemde taal eenigermate zien, of zij tot do Hemelsche klasse of tot de Geestelijke bchooreu, of er liet goede of het ware in is opgesloten; die, waarin het goede is besloten, hebben veel van de U en de O en ook eenigszius van de A; die waarin hot ware is besloten, hebben hoofdzakelijk van do E en de I. Daar do neigingen zicli voornamelijk door klanken uiten, worden ook in de taal der menschen, wanneer er sprake is van verheven zaken, zooals van den Hemel (cocluni) en van God (Deus) bij voorkeur woorden gebruikt met de U en O. De tonen dor muziek zwellen ook in dezelfde klanken, wanneer zulke onderwerpen worden uitgedrukt, terwijl dit niet het geval is, bij onderwerpen niet zoo verheven; vandaar dat de toonkunst de velerlei neigingen kan uitdrukken.

242. In do spraak der Engelen is een zekere samenstemming, die niet kan beschreven worden; ^ deze samenstemming ontstaat daardoor, dat do gedachten en neigingen, waaruit de spraak is samengesteld, zich naar den vorm des Hemels uitstorten en verbreiden, en de vorm des Hemels die is, naar welken alle Engelen zijn samengevoegd, en volgens welken alle mededeeling plaats vindt. Dat dc Engelen volgens don vorm des Hemels zijn samengevoegd, en hunne gedachten en neigingen zich volgens dien vorm uitbreiden, kan men boven zien, (no. 200 tot 212).

243. Een gelijke spraak als in de geestelijke wereld bestaat, is eiken mensch ingeplant, doch in zijn inwendig ver-

p. In de spraak der Engelen is eene in het harmoniselie vallende samenstemming; nos. 1(348, 1G-49, 7191.

242, 243

147

ocr page 192

HEMEL EN HEL.

standsgcbicd; daar zij echter bij den mcnsch niet *ala bij do Engelen, in woorden valt, die met zijne neigingen analoog zijn, weet de monsch niet, dat zij in hem is. Hierin licht echter de reden, waarom de mcnsch, zoodra hij in het andere leven komt, dadelijk die spraak met de geesten eu Engelen aldaar gemeen heeft, en ze kan spreken, zonder dat iemand hem onderricht. lt;1 Doch hierover later meer.

244. Zooals vroeger reeds werd vermeld, hebben allen in don hemel eenzelfde spraak, maar zij vertoont daarin verschil, dat de spraak der wijzen innerlijk is en vol wijzigingen in de genegenheden en denkbeelden, terwijl de spraak der minder wijzen uiterlijk is en minder vol; de spraak dor eenvou-iligen is nog uiterlijker en bestaat daardoor uit woorden, waaruit de zin eerst getrokken moot worden, zooals dit het geval is, wanneer menschen met elkaar spreken. Er bestaat ook eene spraak door het aangezicht, uitloopende in klanken, die door de denkbeelden gewijzigd worden; ook is er eene spraak, waarin Hemelschc voorstellingen met denkbeelden vereenigd zijn en door de voorstellingen der gedachte zichtbaar worden. Verder is er eene spraak der gebaren, die overeenstemmen met de neigingen en die hetzelfde voorstellen als door woorden wordt aangeduid; er is eene spraak door het gemeenschappelijke der neigingen en door hot gemeenschappelijke der gedachten; er is eene spraak gelijk donder en nog vele anderen.

245. De spraak der boozen en helsche geesten is op de zelfde wijze geestelijk, daar zij uit neigingen ontstaat, doch uit booze neigingen, en hare onreine denkbeelden, die door de Engelen worden verafschuwd. De spraak wij ze iu de Jiel is dus tegenovergesteld aan die des Hemels, waarom do boozen dc spraak der Engelen en de Engelen de spraak der ITel niet verdragen kunnen. De spraak der Hel is voor

q. De geestelijke of Engelspraak is l»ij den menseli, ofschoon hij liet niet weet; no. 4104. De ideeën van den imvendigen mensch zijn geestelijk, maar zoolang de mensch in de wereld leeft, begrijpt hij/e natnnrlijk, omdat hij dan in het natuurlijke denkt; nos. 1023(5, 10240, 10551. De mensch komt na zijnen dood in zijne inwendige denkbeelden; nos. 3220, 3342, 3343, 105GS, 10604. Die denkbeelden vormen dan zijne spraak; nos. 2470, 2478, 2471).

244, 245

148

ocr page 193

SPRAAK DEK EXGELEX MET DEN MEXRCII.

de Engelen als een kwade reuk, die de neus aandoet. De spraak der huicliclaars, die'zich als engelen des lichts kunnen voordoen, is wel is waar naar de woorden gelijk aan de spraak der Engelen, doch met het oog op de neigingen en de denkbeelden daaraan geheel tegenovergesteld, waarom dan ook hunne spraak door hen, die do inwendige natuur daarvan ontwaren, zooals de wijze Engelen dat doen, als een tandenknarsen wordt gehoord en met huivering gevoeld.

OVEl! I)K Sl'KA AK DHR KXGKLEX 51 ET ])EN MENSCII.

24(1. Engelen, die met den mensch spreken, spreken niet in hunne taal, doch in de taal des menschen, en ook in andere talen, die de mensch verstaat, doch niet in talen, dio den mensch onbekend zijn. De reden daarvan is, dat de Engelen, wanneer zij met den mensch spreken, zich tot hem wenden en zich met hom verbinden, en de verbinding van den Engel net don mensch veroorzaakt, dat beide in hetzelfde denken z; i. En daar het denken van den mensch met zijn geheugen samenhangt, en de spraak daarvan een uitvloeisol is. zijn I eide in dezelfde taal. Bovendien treedt de Engel of geest, als hij tot den mensch komt en door zich tot hem te wonden niet hem verbonden wordt, in zijne ganscho geheugen, zelfs zoo zeer, dat hij bijna uit zich zeiven meent te weten, wat de mensch weet, dus ook de talen. Ik sprak hierover met de Engelen en zeide hun, dat zij zonder twijfel meenden, dat zjj tot mij spraken in mijne moedertaal, want zoo was de schijn, en toch was ik het die sprak, en niet zjj; wat ook kon blijken uit het feit, dat de Engelen geen enkel woord van ecu menschel ijke taal kunnen uitspreken, (no. 237) en omdat bovendien de menschelijke taal natuurlijk i-;, terwijl zij geestelijk zijn, en do geesten niets natuurlijks kunnen voortbrengen. Hierop zeiden zij, dat zjj wel weten, dat hunne verbinding met den mensch, met wien zij spreken, met diens geestelijk denken plaats vindt, maar daar dit in ijn natuurlijk denken invloeit en het laatste met zijn

1 .9

ocr page 194

247, 248 HEMEL EN l[EL.

gohcugon samenhangt, komt hun dc spraak ■van den mensch als dc hunne voor, evenals al zijne kennis, en dit heeft plaats omdat liet don lieer behaagde, dat er zulle een verbinding en tegelijkertijd als het ware een opneming iu den Hemel bij den mensch zou plaats hebben. Intusschcn is in den tegen-woordigen tijd de toestand van den mensch anders, zoodat zulk ecne verbinding niet meer met de Engelen bestaat, maar met de geesten, die niet in den Hemel zijn. Ik heb ook mot geesten hierover eveneens gesproken, die echter niet wilden gelooven, dat het de mensch is, die spreekt, doch meenden, dat zij spreken in den mensch; verder, dat niet de mensch weet hetgeen hij weet, doch dat zij het zijn, die het weten, zoodat alles wat de mensch weet van hen is. Ik wilde hen op alle manier overtuigen, dat dit niet zoo was, maar te vergeefs. Wie onder geesten, en wie onder Engelen verstaan worden, zal later gezegd worden, als over de geestenwereld gehandeld wordt.

247. Dat dc Engelen en geesten zich zoo nauw met den mensch verbinden, dat zij niet anders weten dan dat hetgeen den mensch behoort, het hunne is, heeft ook zijn grond daarin, dat bij den mensch zulk een verbinding der geestelijke en natuurlijke wereld bestaat, dat zjj om zoo te zeggen één zijn; daar dc mensch zich echter van den Hemel gescheiden heeft, is het door den Heer beschikt, dat bij ieder mensch Engelen en geesten zijn, en door middel van dezen de mensch door Hem wordt geregeerd, en daarom bestaat zulk ecne nauwe verbinding. Anders zou het geweest zijn, als de mensch zieh niet afgescheiden had, want dan had hij door den Heer, door de algemeene invloeiing uit den Hemel, zonder hem bijgevoegde geesten en Engelen, kunnen geregeerd worden. Doch hierover zal in bijzonderheden worden gesproken bij de behandeling van de verbinding van den Hemel met den mensch.

24S. Het gesprek van een Engel of geest met den mensch wordt even luid gehoord, als dat van den cenen mensch met don anderen, hoewel niet door hen, die nabij zijn, doch alleen door hem, die wordt aangesproken, daar de spraak van den

150

ocr page 195

SPRAAK DER ENGELEN MET DEN MENSC1I.

En^cl of don geest eerst in liet denken van den mensch invloeit en langs inwendigen weg in zijn gehoororgaan komt, en hem dus van binnen uit aandoet, terwijl de spraak van den niensch daarentegen eerst in de lucht en zoo langs den uitwendigen weg in zijn gehoororgaan invloeit en het van buiten af aandoet; waaruit blijkt, dat liet gesprek van don Engel en den geest met den menseh in den mensch gehoord wordt, en daar liet de gehoororganen evenzeer aandoet als het uitwendig gesprek, is liet even zoo luid. Dat de spraak van don Engel en don geest van binnen uit tot in liet ooi-dringt, werd mij geopenbaard, doordat zij ook in de tong invloeit en die liciit doel trillen, zonder haar echter de bewoging mode to doelen, die zij ontvangt, wanneer door haar do klank van do taal in woorden wordt geuit.

240. Mot geesten te spreken wordt editor heden ten dage zelden toegestaan, daar liet gevaarlijk is; r want dan weten do geesten, dat zij bij een mensch zijn, terwijl zij dat anders niet weten; on booze geesten zijn van dion aard, dat zij oen doodelijken haat tegen don mensch hebben, en niets liever wonschon, dan hom naar lichaam en ziel te verderven. Dit is ook werkelijk geschied bij hen, die zich sterk aan droombeelden overgegeven hebben, zoodat zij do genoegens, die den iintiiuriijkon nioiisch passen, van zich verwijderden. Enkelen, die oen eenzaam leven leiden, hooren somwijlen gooston mot zich sproken, en dit zonder gevaar; maar do geesten, welke bij die inensclion zijn, worden van tijd tot tijd door don i[eor verwijderd, opdat zij niet zouden weten, dat zij bij oon mensch zijn ; want do moeste geesten hebben er goon bcwustzjjn van, dat er nog een andere wereld is dan die, waarin zij zijn, evenmin dat er nog elders menschen zjjn; daarom is het don nionsch niet geoorloofd weder met lion to sproken, want sprak hij mot hen dan zouden zij dit

r. De mcnsch kan niet de geesten en engelen spreken, en de ouden spraken dikwijls met lien: nos. 07—00, 784, 1634, 1G3G, 7S02. Op eenige wereldbollen verscliijnen Engelen en geesten in mensehelijke gestalte en spreken niet de bewoners; nos. 10751, 10752. Maar op onze aarde is liet gevaarlijk niet geesten te spreken, indien de menseh niet in het ware geloof is en dour den Heer geleid wordt; nos. 784, 9438, 10751.

24Ï)

151

ocr page 196

1IEMEI; EN HEL.

te -weten komen. Zij, die veel over godsdienstige dingen denken en er zich zoo in verdiepen, dut zij zo om zoo te zeggen inwendig in zich zien, beginnen ook geesten te hooren, die met hen spreken; want godsdienstige overtuigingen, welke ïij ook zijn, dringen, wanneer de mensch er zich uit zich zeiven aanhecht, en zich daartusschen niet bezig houdt mot dingen, die in liet leven nuttig zijn, tot het inwendige door, verblijven daar en nemen den geheelen geest van den mensch in, waardoor zij in de geestelijke wereld doordringen en daar de geesten aandoen. Doch zulke menschen zijn geestenzieners en geestdrijvers, (visionarii et onthusiastae) die ge-looven, dat elke geest, dien zij hooren, de Heilige Geest is, terwijl het toch slechts fanatieke geesten zijn. Zulke geesten zien het valsche voor waarheid aan, en daar zij het zoo zien, bepraten zij zich zeiven en hen bjj wie zij inkoeren; endaar deze geesten ook begonnen waren liet kwade te bepraten, waarvoor zij ook gehoor kregen, werden zij, de een na den ander verwijderd. Fanatieke geesten onderscheiden zich van de andoren daardoor, dat zij gelooven dat zij de Heilige Geest zijn, en wat zij zeggen, Goddelijk is. Zulke geesten brengen den mensch geen nadeel toe, daar de inenscli hun Goddelijke eer bewijst. Ik heb zelfs eenige malen mot hen gesproken en toen werden de zondige dingen onthuld, die zij hunnen vereerders hadden ingeblazen. Zij wonen bij elkaar, aan de linkerzijde in een woest oord.

250. Met de Engelen des Hemels te spreken, wordt alleen aan hen toegestaan, die in de waarheden uit het goede zijn, en voornamelijk aan hen, die den Heer erkennen en het Goddelijke in Zijne menschheid, daar dit de waarheid is, waarin de Hemelen zijn. Want zooals vroeger werd aangetoond is de Heer de God des Hemels; (no. 2 tot fi.) Het Goddelijke des Hecron vormt den Hemel; (no. 7 tot 12.) Het Goddelijke des Hoeren is do liefde tot Hein, en de liefdadigheid jegens den naaste van Hem; (no. 13 tot 19.) De gezamenlijke Hemel als een geheel stolt een mensch voor, evenzoo elk gezelschap des Hemels; en elke Engel hooft eene vol-komene menschengestalte, en dit volgens het Goddelijk Men-

250

152

ocr page 197

SPRAAK DER ENGELEN MET DEN JIENSCII. 251, 252

schelijko (los Hcercn; (nos. 59 tot 80.) Hieruit 'iljjlct, dat het spreken met do Engelen dos TIemels sleclits luin wordt toegestaan, bij welken het inwendige door de Goddelijke waarheden tot aan den ireer geopend is; want in deze waarheden vloeit do Heer bij don niensch in, en met don ITecr vloeit ook de Hemel in. Dat de (roddelijke waarheden de inwendige plaatsen van don mensch ontsluiten komt,'omdat de menseh zoo geschapen is, dat hij volgens zijnen innerlijkon mensch een beeld des Hemels, en volgens zijnen niterlijken mensch een beeld dei-wereld is, (no. 57) en de innerlijke wordt niet geopend dan door het Goddelijk-ware, dat van den Heer uitgaat, daar dit het licht en hot leven des Hemels is; (nos. 126 tot 140.)

251. De in vloeiing van den Heer Zelve bij den mensch begint in het voorhoofd en vandaar in het geheele aangezicht, daar het voorhoofd van den mensch met de liefde overeenstemt en hot aangezicht met zijn geheel inwendige in overeenstemming is. s De invloeiing dor geestelijke Engelen bij den mensch is in zijn geheele hoofd, van het voorhoofd en de slapen tot elk deel waaronder de groote hersenen liggen, daar deze streek van het hoofd met doorzicht overeenstemt. Do invloeiing van de Hemelsche Engelen gaat echter in dat deel van het hoofd, waaronder de kleine hersenen liggen, en dat achterhoofd heet, van de ooren overal heen tot naar den nok; want deze streek stemt overeen met wijsheid. Alle sprnak der Engelen met den mensch dringt op deze wegen in zijn denken door. Daaraan herkende ik welke Engelen met mij spraken.

252. Zjj die met de Engelen des Hemels spreken, zien ook de dingen, die in den Memel zijn, daar zij door hot licht des Hemels zien, waarin hun innerlijk is: ook zien de Engelen door hen do dingen, die op aarde zjjn; 1 want bij hen is do

Het voorhoofd stemt overeen met Hemelselie liefde en beteelvenr danrom in liet Woord deze liefde; no. Het nnngezielit stemt overeen nur lier

inwendige van den inenseli, dat tot zijn denken en zijne neiirinir helionrt: nos. 1508, 20SS, 20S0, 3031, 4700, ITl»?, 4800, 5105, 5108, 501)5, O'iOO. Ook wordt liet aan^ezielit gevormd in overeenstemming; met liet inwendige; nos. 4791 tot 4805, 5005. Vandaar dat in liet Woord liet aangezicht liet inwendige beteekent; nos. 1909, 2484. 5327, 4000, 4700.

/. De geesten kunnen door den niensch niets zien, wat in deze wereld is maar zij hebben door mijne oogen gezien; de reden waarom; no. 1880.

153

ocr page 198

HEMEL EX HEL.

Hemel mot de aarde verbonden, en de aarde met den Hemel. Want, zooals vroeger werd gezegd, als do Engelen zich uaar den menscli (no. 24G) wenden, verbinden zij zicii zoo met hem, dat zij niet beter weten, dan dat alles, wat den mensch behoort, hun behoort, niet alleen de dingen, die hunne spraak betreffen, maar ook die, welke betrekking hebben op zijn gezicht en gehoor. Van zijne zijde weet ook de mensch niet anders, dan dat hetgeen door de Engelen invloeit het zijne is. In zulk eeno verbinding met de Engelen des Hemels waren de allereerste menschen op deze aarde en daarom werd hun tijd de gouden eeuw genaamd. Daar dezen hot Goddelijke onder menschelijke gestalte, bijgevolg den Heer erkenden, spraken zij met de Engelen des Hemels als niet huns gelijken en wederkeerig de Engelen des Hemels met hen als met de hunnen, en in hen waren Hemel cn aarde een. Xa deze tijden verwijderde de mensch zich echter langzamerhand van den Hemel, doordien hij zichzelven meer dan don Heer en de wereld meer dan den Hemel liefhad, tengevolge waarvan hij voor (Ie genoegens der zelf- eu der wereldliefde, gescheiden van de genoegens des Hemels, vatbaar werd, en op 't laatst zelfs zoozeer, dat hij niet meer wist, dat er nog een ander genot bestond. Toen werd bij hem liet inwendige, dat naaiden Hemel geopend was, gesloten en liet inwendige naar de wereld geopend en wanneer dat gebeurt dan is do mensch in het licht voor alles, wat tot de wereld behoort, en in diepe dnisternis voor alles, wat tot den Hemel behoort.

253. iNa deze tijden heeft zelden iemand met de Engelen des Hemels gesproken, maar eenige menschen hebben niet geesten gesproken, die niet in don Hemel zijn; want het inwendige en het uitwendige van den mensch ziju van dien aard, dat zij öf naar den Heer als het gemeenschappelijk middelpunt zijn gewend, (no. 124) of naar den mensch zelve en bijgevolg van den Heer af. Zij, die naar den lieer zijn gewend, zijn ook naar den Hemel gekeerd; maar zij,die naar zich zclven zijn gewend, zijn ook naar de wereld gekeerd en dezen kunnen slechts met moeite worden verheven; toch worden zij door den Heer verheven, in zooverre het kan geschieden 154

253

ocr page 199

SPRAAK DEK ENGELEN MET DEN MENSCIf. 254, 255

door bekeering hunner liefde, en dit gescliiedt door de waarheden uit het Woord.

254. Mij werd medegedeeld op welke wijze de Heer met de profeten, door wie het Woord gegeven werd, gesproken heeft. Hij sprak met hen niet zooals met de ouden door cone iiivloeiing in hun innerlijk, doch door geesten, die tot licn gezonden werden, en die de Heer vervulde mot zijn aanblik en die hij de woorden ingaf, welke zij den profeten zeiden, zoodat het geen in vloeiing, doch ccn voorzeggen was. 1) aar de woorden onmiddellijk uit den lieer voortkwamen, waren zij, elk op zich zolf, met het Goddelijke vervuld en bevatten in zich eenen innerlijlcèh zin, die van dien aard is, dat de Engelen des ITemols hem in Ilemclschen en geestelijken zin opvatten, terwijl de menschen hem in natuurlijken zin begrijpen; zoo heeft do Heer don Hemel cn de aarde door het Woord verbonden. Hoe geesten mot liet Goddelijke van den Hoer door zijn aanblik vervuld worden, word ook aangetoond. De geest, die mot hot Goddelijke des Heeren vervuld is, weet niet anders dan dat hij de lieer is cn dat het Goddelijke spreekt on dit zoolang, tot hij uitgesproken is; later bemerkt en erkent hij, dat hij een geest is on dat hij niet uit zich zelve, maar uit don Hoer sprak. Omdat do geesten, die mot de profeten spraken in zoodanigon toestand vorkoorden, daarom word ook door hen gezegd, dat Jehova sprak; do geesten noemden zich zeiven ook Jehova, zooals blijkt in do profetische boeken, zoowol als in de geschiedkundige boekon van bot Woord.

255. Opdat men kunne weten, van welken aard do verbinding van Engelen en geesten mot don mensch is, is het mij vergund eenige merkwaardige dingen mede te doelen, waardoor dit onderworp opgehelderd en begrepen wordt. Wanneer Engelen en goeston zich tot don mensch wonden, weten zij niet boter dan dat de taal van den mensch huniio eigene is, en dat zij goeue andere hebben. De reden daarvan is, dat zij dan in de taal van den mensch zijn, en niet in hunne eigen taal. die zij zich niet eens moer herinneren; doch zoodra zij zich van den mensch afwonden, zijn zij weer in hunne eigene Engelen- of geestontaal en weten niets meer

155

ocr page 200

HEMEL EX HEL.

van de menscholijko taal. Hetzelfde gebeurde mot mjj, wanneer ik in gezelschap met Engelen was en in oenen toestand gelijk aan den luinnen. Dan sprak ik met hen in hunne taal, en wist dan niets van mijne eigene, die ik mij niet eens herinnerde, maar zoodra was ik niet buiten hun gezelschap, of ik was in mijn- eigen taal. liet is ook van belang op te merken dat, wanneer Engelen en geesten zich tot een inensch wenden, zij niet hem op iederen afstand kunnen spieken; zoo iiebben zij ook met mij gesproken, als zij ver af waren, zoo duidelijk alsof zij nabij waren. Maar wanneer zij zich dan van den mensch afwenden en tot elkander spreken, hoort de eerste niets meer van hetgeen zij zeggen, zelfs al waren zij dicht bij zjjn oor. Hierdoor wordt het duidelijk, dat alle verbinding in de geestelijke wereld afhangt van de richting, waarheen zij zich wenden, liet is ook nog merkwaardig, dat velen tezamen met een mensch kunnen spreken, en de mensch met hen, want zij zenden een hunner geesten tot den mensch, mot wien zij wenschen te spreken, en de gezonden geest wendt zich zelf tot hem, en anderen wenden zich tot hunnen geest en zoodoende vereenigen zij hunne gedachten, die hun geest uitspreekt. De geest weet dan niet beter, of hij spreekt van zich zeiven, en zij weten niet beter dan dat zij spreken. Zoodoende wordt de verbinding van velen met oenen bewerkt, doordat zij zich tot hem wenden. w Doch over deze afgezonden geesten, die ook lastdragers worden geheeten, zal later meer worden gezegd.

256. Het is niet geoorloofd aan een Engel of geest om met een mensch te spreken uit zijn eigen geheugen, maar wel uit het geheugen van dien mensch; want Engelen en geesten hebben oen geheugen zoo wel als de menschen. Indien eon geest uit zjjn eigen geheugen met oen mensch zou spreken^ dan zou de mensch niet beter weten, of de dingen waarover hij dan dacht, waren de zijnen en toch behoorden zij aan

n. Geesten, die van een gezelscluip naar een ander gezonden worden, heeten lastdragers; nos, 4403, 585(5. Mededeelingen in de geestelijke wereld geseliieden door znlke uitgezonden geesten; nos. 4403, 5850. 5!)S3. Wanneer een geest uitgezonden wordt en als lastdrager dienst doet, spreekt hij niet uit zich zeiven, maar door hen, die hem uitzonden; nos. 5985—87.

256

156

ocr page 201

GrESOlIK 1FTENquot; IN DEN HEMEL

den goost; liet is evenals de heriimonng aan iets, dat de incnscli nooit gehoord of gezien had. Uat dit zoo is, heb ik door eigen ondervinding waargenomen. Uierdoor hadden sommigen onder anderen de meening, dat zij na eenige duizende jaren weer tot hun vorig leven en al zijn handelingen zouden terug-keeren, en ook, dat zij reeds teruggekeerd waren. Zij besloten tot deze meening, omdat somtijds als het ware ceno herinnering bij hen opkwam van dingen, die zij nooit te voren gezien of gehoord hadden; en dat gebeurde dan omdat geesten uit hun eigen geheugen in hunne denkbeelden invloeiden.

257. Er zijn ook geesten, natuurlijke en licliamclij ke geesten genoemd, die, wanneer zij tot den mensch komen, zich niet verbinden met zjjne gedachten zooals andere geesten, maar in zijn lichaam dringen, alle zijne zintuigen in bezit nemen, door zijnen mond spreken en door zijne ledematen handelen, daarbij dan niet beter wetende dan dat alles bij den mensch het hunne is. Dit zijn de geesten der bezetenen; maar zij worden «oor den lieer in de Hei geworpen eu zoo geheel verdreven, waardoor zulke bezetenheid heden ten dage niet meer voorkomt. x

O V IC li GESCHIllFTEX IX DEN HEMEL.

258. Daar de Engelen eeiie spraak hebben, en deze spraak uit woorden bestaat, hebben /.|j ook geschriften eu drukken zij hunne gevoelens uit, zoowel door spraak als door geschriften. Menigmaal werden papieren tot mij gezonden, die met schrift bedekt waren, evenals manuscripten en sommige zooals gedrukte stukken in deze wereld. Ik was ook iu staat om ze

.r. Uiterlijke bezetenheid, of die van het lichaam is in deze dagen niet ineer veroorloofd zooals vroeger: no. 1983. Maar innerlijke bezetenheid, of die van den geest komen nn meer voor dan vroeger: nos. 1083, 4793. Do mensch wordt inwendig bezeten, wanneer hij vnile en ergelijke gedai-hten koestert aangaande Ood en dei» naasten, «mi in het niten daarvan alleen ternggehonden wordt door uitwendige banden, welke zijn: vrees voor het verlies van goeden naam, eer of voordeel, vrees voor de wet en voor verlies van zijn leven: no. 5990. Over helsche geesten, die voornamelijk het innerlijke van den mensch bezetten: no. 4793. Over helsche geesten, die begeeren het uiterlijke van den mensch te bezetten, dat zij in hel zijn opgesloten; nos. 2752 5090.

157

257, 258

ocr page 202

HEMEL EN UEr,.

to lozen op dezelfde wijze, maar ik mocht niot moor dan een paar gedachten daar aan ontleenen. De roden hiervan was, dat liet volgons do goddelijke orde niet veroorloofd is, door geschriften uit den tlomol onderwezen to worden, maar wel door hot Woord, aangezien door het Woord alleen gemeen-schap en vorbindtenis van den Hemel met de aarde, dus van den Hoor met den mensch, plaats vindt. Dat papieren in den ilomel geschreven ook door de profoton gezien werden blijkt uit Ezochiël II: 9 en 10. Toen zuy ik, en ziet, er was eenc haiiil can een yeest tot mij uitgestoken; en ziet, daar in tras de rol eens hoeks. En Hij spreidde die naar mijn aangezicht uit; en zij iras beschreven voor en achter-, en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting en wee. En in Openli. V : 1. En ik zag in de rechterhand desgenen, die op den troon zat, een hoek, geschreven van hinnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.

259. Dat er geschriften in don ircinol zijn, is zoo beschikt door don lieer tenville van het Woord; want dit is in zijn wezen Goddelijke waarheid, do bron voor alle hemolsche wijsheid, beide voor Engelen en menschen, aangezien hot door den 1 leer werd gedicteerd, en wat door den Heer wordt gedicteerd, gaat volgons de orde door allo hemelen en eindigt bij den mensch. Zoodoende past het even goed voor do wijsheid, waarin de Engelen zijn als voor het doorzicht der menschen. Hierdoor komt het, dat ook de Engelen het Woord hebben en het evenals menschen op aarde lezen; daaraan ontleenen zij hunue leerstellingen en daaruit prediken zij, (zie no. 221). Het Woord is hetzelfde; evenwel is de natuurlijke zin daarvan, die do zin van den letter bij ons is, niet in den hemel, maar-wel de geestelijke zin, die do innerlijke zin is. Wat deze zin is, kan men zien in de kleine verhandeling over liet Witte Paard der Openbaring.

260. Eens werd mij uit den hemel een klein stuk papier gezonden, waarop een paar woorden in Hebreouwsche lettors geschreven waren en het werd mij gezegd, dat iedere letter geheimen van wijsheid bevatte, en dat dio opgesloten waren in de buigingen en krommingen der letters en zoo ook

158

w

259, 2(50

ocr page 203

G USCII UI I-TEN IN DEN HEMEL

in do klanken. Hierdoor werd mij klaar, wat bedoeld is met de woorden des Hoeren in Matth. V : 18: Voorwaar ik zey U: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch een tittel van de wet voorbijgaan. Dat het Woord Goddelijk is tut den laatsten tittel is ook in de kerk wel ue-kend, maar waar liet Goddelijke in iedere tittel verborgen is, is nog niet bekend en zal daarom worden verklaard. liet schrift in don binnensten hemel bestaat uit verscheidene ingebogen en omgebogen vormen, en deze inbuigingen en om-buigingen zijn volgons den vorm dos hemels; daardoor drukken do Engelen de geheimen hunner wijsheid uit, en nog vele dingen, die zij niet onder woorden kunnen brengen; en wonderlijk is het, dat do Engelen dat schrift kennen zonder oefening of onderricht, daar liet hij hou wordt ingeplant ovenals hun spraak, (no. 23G) ; zoo is dit schrift een hemelsch schrift. Dat het ingeplant wordt, komt omdat alle uitbreiding van gedachten en genegenheden en daardoor allo mededeeling van doorzicht on wijsheid bij de Engelen voortgaat, volgens den vorm des hemels, (no. 201); bijgevolg vloeit ook hun schrift in dien vorm. Mij is gezegd, dat de alleroudste menschen op deze aarde, voordat er letters uitgevonden waren, zulk schrift hadden; en dat hot overgeplant werd in de letters der Hebroeuwsche taal, wolko lettors in oude tijden alle, gekromd waren, en dat geen enkele letter in eene rechte lijn uitliep, zooals tegenwoordig het geval is. Zoodoende zijn er in liet Woord goddelijke dingen en de geheimen des hemels, zelfs in do jota's, punten en tittels.

201. Dit schrift, dat gevormd wordt door teekens van eene liemelschen vorm, is in gebruik in den binnensten hemel, waar de Engelen allo anderen in wijsheid te boven gaan. Genegenheden worden door de teekens uitgedrukt, waaruit gedachten in orde voortvloeien en volgen naar gelang van het onderwerp, dat hehandeld wordt. Daardoor bevatten die geschriften, dio het mij gegeven werd te zien, geheiineu, die met de gedachten niet kunnen worden uitgeput. In de lagere hemelen is zulk schrift niet, maar een schrift, zooals wij hier op aarde hebben en in zulke letters — maar toch niet voor den mensch 159

2G1

ocr page 204

HEMEL EN HEL.

verstaanbaar, omdat liet in de taal der Engelen is, en de taa! der Engelen heeft met de taal der menschen niets ge-mcen, (no. 237). Want door klinkers drnkken zij genegenheden uit, door medeklinkers de denkbeelden der gedachten uit genegenheden en door woorden daaruit samengesteld de zin van het behandelde, (zie-no. 236, 241.) Dit schrift, dat ik ook gezien heb, bevat in weinige woorden meer dan een mensch in bladzijden kan uitdrukken. In do lagere hemelen is het Woord op die wijze geschreven en in de binnenste hemelen in hemelsohe vormen.

262. Het is der vermelding waard, dat liet schrift in de hemelen geheel natuurlijk uit de gedachten zeiven voortvloeit, en dir gebeurt zoo gemakkelijk, alsof do gedachten zich zelve in vorm brengen; daarbij aarzelt ook de hand niet, in de keuze van een woord, omdat do gesproken woorden, zoowel als de «reschrevcn woorden overeenstemmen met de denkbeelden

O

der gedachten en alle overeenstemming is natuurlijk en als van zelf. Er bestaan in den Hemel ook geschriften, die niet met de hand geschreven worden, maar uit de enkele overeenstemming mot de gedachten bestaan; maar deze zijn niet blijvend.

262, 263

263. Ik heb ook schrift uit den hemel gezien, dat alleen uit getallen bestond, die regelmatig en in reeksen gerangschikt waren, evenals bij schrift, dat uit letters en woorden bestaat; en ik werd onderricht, dat dit schrift uit den binnensten hemel kwam, en dat hun henielsche schrift, (waarover in 260—261 gehandeld word) bij de Engelen van een lageren hemel in getallen wordt voorgesteld, wanneer de gedachten daarvan nederdalen, en dat dit getallen-schrift eveneens geheimen bevat, waarvan sommige door de gedachten niet kunnen worden begrepen, noch door woorden worden uitgedrukt. Want alle getallen zijn overeenstemmingen, en volgens die overeenstemmingen hebben zij eeno beteekenis evenals woorden; v evenwel met dit onderscheid, dat getallen oonc algemeene.

(ƒ. Alle gettillen in liet Woord hebben eene beteekenis; nos. 482, 487, 047, G48, 7quot;);'). 818, 1963, 1088, 2075, 2252, 3252, 4264, 4670, 6175, 9488, 9650,10217.10253.

160

ocr page 205

WIJSHEID VAN DE ENGELEN.

en woorden eene bizondere beteekonis hebben, en omdat eene algemeenheid vele bijzonderheden insluit zoo bevat ook ge-tallensclirift meer geheimen dan letterschrift. Hieruit werd mij duidelijk, dat getallen in het Woord eene beteekenis hebben, evenals de woorden. Wat enkelvoudige getallen zooals 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, beteekenen en wat de samengestelde zooals 20, 30, 50, 70, 100, 144, 1000, 10000, 12000 en andere kan men zien in de llemehche Geheimen waar zij behandeld worden. In zulk schrift in den hemel, wordt altijd hot getal voorop gezet, waarvan de volgende getallen eener reeks afhangen als van hun onderwerp, want dat getal is dan als het ware de aanwijzing van het behandelde onderwerp en waaruit de bepaling van de volgende getallen naar het bijzondere punt volgt.

264. Zij die niets omtrent den Hemel weten, en daaromtrent geen ander begrip begeeren te koesteren, dan als van iets, dat ergens in de lucht is, waarin de Engelen rondvliegen als wezens van verstand zonder zintuigen van gehoor en gezicht, kunnen niet begrijpen dat ze spraak en geschriften hebben; want zij vestigen het bestaan van alle dingen in het stoffelijke, terwijl toch de dingen in den hemel even werkelijk bestaan als die op de aarde; en de Engelen aldaar alle dingen hebben, die tot nut zijn voor het leven en voor wijsheid.

DE WIJSHEID VAN DE ENGELEN IN DEN HEMEL.

265. De wijsheid van de Engelen in den Hemel kan men zich nauwelijks voorstellen, om dat zij de menschelijke wijsheid zoo ver te boven gaat, dat eene vergelijking daarmede niet kan gemaakt worden, en datgene wat iets anders verre te boven gaat, schijnt alsof het niet bestaat. Sommige dingen waardoor zij kan worden beschreven, zijn zelve onbekend, en voordat zij gekend worden, zijn deze in het verstand gelijk schaduwen, en verbergen daarom de zaak zooals die werkelijk is; toch zijn deze dingen zoo, dat zij kunnen gekend worden en wanneer zij ge-

Uit den Hemel onderricht; nos. 4405, 5265. Veelvouden van getallen beteekenen hetzelfde als die getallen zelve, waaruit zij door vermenigvuldiging ontstaan; nos. 5291. 5335, 5708, 7973. De oudste menschen hadden Henielsche geheimen in getallen, die eene soort van geestelijke rekenkunde vormden; no. 575.

161 u*

264, 265

ocr page 206

HEMEL EN HEL.

koud zijn ook begrepen, mits de geest er genot in vinde ; want genot brengt lieht mede, omdat het uit de liefde komt; en voor hen die de zaken der Goddelijke en hemelselie wijsheid liefhebben, schijnt licht uit den hemel, en bestaat er verlichting.

266. Welke de wijsheid der Engelen is kan hieruit worden afgeleid, dat zij in het licht des liemels verkeeren en het licht des hemels is in zijn wezen Goddelijke Waarheid of ook Goddelijke wijsheid; en dit licht verlicht tegelijkertijd hun inwendig gezicht, dat tot hun verstand behoort en hun uitwendig gezicht dut tot hun oog behoort. Dat het licht des Hemels Goddelijke waarheid is, of ook Goddelijke wijsheid kan men hierboven zien in no. 126 -133. Engelen zijn ook in hemelsche warmte, die in haar wezen Goddelijk goed is, of Goddelijke liefde, waardoor zij de genegenheid en begeerte hebben om wijs te worden: Dat do warmte des Hemels Goddelijk goed is, of Goddelijke liefde ziet men hierboven (no. 133—140). Dat Engelen zoo zeer in de wijsheid zjjn, dat z|j wijsheden mogen genoemd worden, kan hieruit worden afgeleid, dat al hunne gedachten en genegenheden volgens den hemelschen vorm werken, welke vorm de vorm der Goddelijke wijsheid is; en dat hun inwendige, dat de wijsheid opneemt, volgens dien vorm is geordend. Datde gedachten en genegenheden dor Engelen volgens den vorm des hemels werken, dus ook hun inzicht en wijsheid, ziet men hiervoor in no. 201-212.

Dat de Engelen in bovenmatige wijsheid verkeeren, volgt ook hieruit, dat hun spraak de spraak der wijsheid is, want zij vloeit onmiddellijk en als vanzelf uit de gedachten voort en deze uit de genegenheden, zoodat hunne spraak de uitwendige vorm is van do gedachten hunner genegenheden; daardoor komt het ook, dat niets hen onttrekt aan de Goddelijke invloeiing en geene uitwendige dingen, zooals bij den mensch, uit andere gedachten in zijn spraak gebracht worden. Dat de spraak der Engelen de spraak is van hunne gedachten en genegenheden ziet men in no. 234—245. Aan zulk eerie wijsheid der Engelen is ook nog dit verbonden, dat aüe dingen, die zij met hunne oogen zien en met hunne zintuigen waarnemen, mot hunne wijsheid overeenkomen, want het zijn

266

162

ocr page 207

WIJSHEID VAN DE ENGELEN.

overeenstemmingen en daarom zijn de voorwerpen zinnebeeldige voorstellingen van zulke dingen als tot de wijsheid behooren. Dat alle dingen, die in don liemel gezien worden, overocnstoinmeu met liet inwendige der Engelen, en dat zij voorstellingen zijn van luinne wijsheid, word boven verklaard in no. 170—182. Daarenboven worden de gedachten der Engelen niet beperkt en ingekrompen door denkbeelden omtrent tijd en ruimte zooals menschehjke gedachten, want tijd en ruimte behooren tot het natuurlijke, en de dingen; die tot het natuurlijke behooren, trekken de gedachten af van geestelijke dingen, en verhinderen de uitbreiding van het geestelijk gezicht. Dat de denkbeelden Jer Engelen zonder tijd en ruimte zijn eu dus onbeperkt, en verder gaan dan menschelijke denkbeelden, ziet men in uo. 102—169 en 191 —199. Verder worden ook de gedachten der Engelen niet tot aardsche en stoffelijke zaken verlaagd, noch ook gestoord door zorgen voor de behoeften dos levens; daarom worden zij in het genot hunner wijsheid door zulke dingen niet afgeleid, zooals do gedachten van menschen in deze wereld. Want de Eugeleu krijgen alle dingen van den Heer voor niets. Voor niets ontvangen zij hunne kleeding, hun voedsel en hunne woningen, (181 —190) en daarenboven ontvangen zij nog genietingen eu vreugde, naarmate hunner opname van de wijsheid van don Meer. Deze dingen worden medegedeeld opdat men wete vanwaar de Engelen zulke grooto wijsheid hebben. 1

267. Dat de Engelen eeno zoo groote wijsheid, kunnen bezitten komt omdat hun inwendige geopend is, en wijsheid evenals ieder andere volmaking neemt naar hot inwendige toe, dus naarmate er opening plaats heeft.quot; Er zijn bij iederen

z. De wijsheid dor Engelen is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk; nos. 2795—90 2802, 3314, 3404—5, 9094, 917G.

a. In zooverre een nienscli verheven wordt van uitwendige dingen tot inwendige, zooverre komt hij in het licht, dus zooverre in doorzicht; nos. 6183— 0313. Er bestaat eene werkelijke verheffing; nos. 7S1G. 10330. Verheffing van uitwendige tot inwendige dingen, is als eene verheffing uit mist in het licht; no. 4598. Uitwendige dingen zijn verder van het Goddelijke verwijderd bij den mensch, daarom zijn die in vergelijking donkerder; no. 0451; en daarom ook in vergelijking ondergeschikt; nos. 990, 3855. Innerlijke dingen zijn meer volmaakt, omdat zij dichter bij het Goddelijke zijn; no. 5140,5147. In hetgeen inwendig is, zijn duizende en duizende dingen, die als één algemeen ding zich voordoen in hetgeen dat uiterlijk is; no. 5707. Daarom zijn gedachten en gewaarwordingen helderder, naarmate zij meer innerlijk zijn; no. 5920.

267

163

ocr page 208

HEMEL EN HEL.

Engel drie graden des levens, die overeenstemmen met de drie hemelen, (29—40). Zij, met wie de eerste graad geopend is, zijn in den eersten of laagsten Hemel. Zij, bij wie de tweede graad geopend is, zijn in don tweeden of middelsten Hemel, maar zij, bij wie do derde graad geopend is zijn in den derden of binnensten Hemel, in overeenkomst met deze drie graden is de wijsheid der Engelen in den Hemel. Daarom is de wijsheid der Engelen in den binnensten Hemel verre verheven boven de wijsheid dor Engelen in den middelsten Hemel en is de wijsheid van deze wederom verre verheven boven die der Engelen in don ondersten Hemel, (zie boven nos. 209, 210 en wat graden zijn in no. 38). Dat er zulk een onderscheid is, komt, omdat de dingen in een hoogeren graad bizonderheden zijn en de dingen in eenen lageren graad zijn algemeenheden, en algemeenheden omvatten bizonderheden. Bizonderheden verhouden zich tot algemeenheden als duizenden of millioenen tot oen, en zoo verhoudt zich ook de wijsheid der Engelen van eenen hoogeren Hemel tot de wijsheid der Engelen van een lageren Hemel. En toch gaat de wijsheid dezer laatsten op dezelfde wijze die van een mensch verre te boven, want de mensch verkeert in het lichamelijke en in de dingen der lichamelijke zintuigen en de dingen van 's menschen lichamelijke zintuigen staan in den laagsten graad. Hieruit is duidelijk, wat soort van wijsheid diegenen bezitten, die volgens de zintuigen denken, dat wil zeggen, zij, die men zinnelijke menschen noemt, namelijk, dat zij in het geheel geen wijsheid bezitten, maar alleen wetenschap. b Anders is het met die menschen,

h. Het zinnelijke is het uiterste van 's menschen leven, dat zijne lichamelijke natuur aankleeft en ingeboren is; nos. 5077, 0707, 0212, 9216, 9331 9730. Een zinnelijk mensch wordt hij genoemd, die alles beoordeelt en beslist volgens de zintuigen van het lichaam, en die niets gelooft dan wat hij met de oogen ziet en met de handen aanraakt: no. 5004—7003. Zulk een mensch denkt in liet uiterlijke en niet inwendig in zich zeiven; nos. 5080, 5094, 6564, 7G03. Zijn inwendige is gesloten, zoodat hij daarin niets van geestelijke waarheid bespeurt; nos. 6564/0844, 6S45. In kort, hij verkeert in grol natuurlijk licht en bespeurt dus niets van het Hemelsche licht; nos. 0201, (331U, 6564, 6598 6612, 6014, 6622, 6624, 6.S44, 6845. Inwendig is hij in tegenstelling met de dingen des Hemels en der kerk; nos. 6201, 6316, 0844, 6845, 0048, 6040. De geleerden die zich bevestigd hebben in een af keer tegen de waarheden der kerk krijgen zulk een karakter; no. 6316. Zinnelijke menschen zijn slim meren boozer dan andere; nos. 7603,10236. Zij redeneeren scherpen slim, maar uiteen lichamelijk geheugen, wat zij houden voor de hoogste wijsheid; nos. 105—196,5700,10236. Maar hun redeneeren berust op de dwaling der zintuigen; nos. 5084,6048—49,7693.

164

ocr page 209

WIJSHEID VAN DE ENGELEN.

wier gedachten boven zinnelijke dingen verheven zijnen vooral met hen, wier inwendige geopend is zelfs voor liet licht des llemols.

268. Hoe groot de wijsheid der Engelen in den Hemel is, kan ook nog hieruit blijken, dat er in den Hemel eene ge-nieenschap gemaakt wordt van alle dingen. Het doorzicht en de wijsheid van den ecnen wordt medegedeeld aan een ander: de Hemel is een gemeenschap van alle goederen. De reden hiervan is, dat de natuur de Hemelsehe liefde wenscht, dat al het hare ook aan een ander behoort; daarom beschouwt niemand in den Hemel liet goede in zich zeiven als goed, tenzij het ook bij een ander is. Vandaar komt ook het Hemelsehe geluk, en de Engelen ontleenen dit aan den Heer, wiens Goddelijke liefde van deze natuur is. Dat er in den Hemel zulk eene medcdccling bestaat, werd mij ook door ondervinding getoond; sommige eenvoudigen werden somtijds in don Hemel opgenomen, en als zo daar waren kwamen zij ook in de wijsheid der Engelen en verstonden dan zulke dingen, die zij van te voren niet konden bevatten en spraken zulke dingen, die zij in hun vroegeren staat niet konden uitbrengen.

269. Wat de wijsheid der Engelen is, kan door woorden niet worden uitgedrukt, maar alleen door enkele algemeene trekken worden aangeduid. Engelen kunnen met een enkel woord uitdrukken, wat een menscii met een duizend woorden niet vermag en daarenboven zijn er in één woord eens Engels ontelbare dingen, die door do nicnschelijke taal niot kunnen worden uitgedrukt, want in alles wat de Engelen spreken liggen geheimen van wijsheid in samenhangend verband, waarvan menscheljjke wetenschap geen begrip heeft. Do Engelen voltooien ook door hun toon wat door hunne woorden nog niet volledig is geschied, een toon die het gevoel der dingen in volgorde weergeeft; wrant, zooals hierboven gezegd werd, (236—241) door toon drukken zij genegenheid uit en door woorden de denkbeelden der gedachten uit genegenheid. Om deze reden noemt men de dingen, die in den Hemel gehoord worden onuitsprekelijk. Op dezelfde wjjzo kunnen ook de Engelen in weinige woorden uitdrukken alles wat in een geheel boek geschreven staat, en in ieder woord

268, 269

165

ocr page 210

HEMEL EN HEL.

dingen neerleggen, die tot inwendige wijsheid oplieffen; want hunne spraak is zoo, dat hij met de genegenheden samenstemt en ieder woord met denkbeelden samenstemt. De woorden zijn ook weer op oneindige wijze verschillend in overeenstemming met de reeks van dingen, die door de gedachten omvat worden. Inwendige Engelen kunnen ook liet geheele leven van een spreker kennen uit de klank en enkele woorden; want zij bemerken uit dezen klank, gewijzigd door denkbeelden in woorden gesproken, zijne heerschende liefde, waarin als het ware zijn geheele leven is afgedrukt. c

Uit deze dingen ziet men wat de wijsheid der Engelen is. Hun wijsheid is in vergelijking met mensohelijke wijsheid als millioenen in vergelijking tot een, of gelijk de bewegende krachten van het geheele lichaam, die ontelbaar zijn, in vergelijking met de bewegingen, die daaruit voortspruiten en die in het oog van den mensch als eón zicli voordoen, of evenals do duizende dingen, die zich aan een voorwerp onder een volmaakt mikroskoop vertoonen in vergelijking met het enkele onklare voorwerp, dat zich aan liet ongewapend oog voordoet. Laat mij door een enkel voorbeeld zulks ophelderen. Een Engel beschreef eens do wedergeboorte uit zijne wijsheid en ontwikkelde in volgorde geheimen daaromtrent ten getale van honderden, terwijl hij elk daarvan met innerlijke geheimen vervulde, en dit zoo mot alles van het begin tot het einde; want hij verklaarde, hoe de geestelijke mensch opnieuw wordt ontvangen en als het ware in de baarmoeder gedragen wordt, ter wereld komt, opgroeit en geleidelijk volmaakt wordt. Hij zeide, dat iiij die geheimen wel tot duizenden kon vermenig-

c. Datgeene, wat algemeen heerscht, of bij den mensch overheerscht, bestaat in alle deelen van zijn leven, dus in alle dingen van zijne genegenheden en gedachten; nos. 4459, 5040, 0150, 6571, 7648, 8007, 8853—58. De hoedanigheid van een mensch is dezelfde als die zijner heerschende liefde; no.H. 017, 1040, 8858, door voorbeelden opgehelderd; nos. 8854, 8857. Wat algemeen heerscht, maakt het leven van den geest des menschen; no. 87048. Het is zijn eigenlijke wil, zijn eigenlijke liefde en het doel van zijn leven» omdat een mensch wat hij wil liefheeft en wat hij liefheeft tot zijn doel maakt; nos. 1317, 1508, 1571, 1000, 3700, 5040, 0030. Daarom is de mensch van dezelfde hoedanigheid als zijn wil, of als zijne heerschende liefde of als het doel van zijn leven; nos. 1568, 1571, 3570, 4054, 6571, 6935, 6038, 8856 10076, 10109, 10110, 10284.

100

ocr page 211

WIJSHEID VAN DE ENGELEN.

vuldigon on dat die, welke hij luid medegedeeld^ alleen op de wedergeboorte van den uitwendigen mensch betrekking hadden, terwijl er nog ontelbaar meer waren over de wedergeboorte van den inwendigen mensch. Door deze en andere dingen, die ik van Engelen hoorde, werd mij aangetoond, hoe groot hunne wijsheid is en hoe groot in vergelijking daarmede de onwetendheid van den mensch, die nauwelijks weet, wat wedergeboorte is en wanneer hij wedergeboren wordt, geen enkel onderdeel van die verandering kent.

270. Er zal nu iets gezegd worden omtrent de wijsheid der Engelen van den derden of binnensten Hemel en hoever die verheven is boven de wijsheid der Engelen van den eersten of laagsten Hemel. De wijsheid der Engelen in den derden of binnensten Hemel is onbegrijpelijk, zelfs voor hen, die in den laagsten IFouiel zijn ; do reden daarvan is, dat het inwendige der Engelen van den dorden Hemel open is tot den derden graad, maar hot inwendige dor Engelen van den eersten Hemel alleen tot don eersten graad en alle wijsheid neemt naar het inwendige too on wordt vorder volmaakt naar gelang van hunne opening. (No. 208 en 2(J7).

Omdat het inncrlijko der Engelen van den derden of binnensten Hemel tot den derden graad geopend is, zijn de Goddelijke waarheden als het ware in hen gegraveerd; want de inwendige dingen van den derden graad zijn moer in den vorm des Hemels dan do inwendige dingen van de tweede en eerste graden, en do vorm dos Hemels is uit Goddelijke waarheid, dus volgens Goddelijke wijsheid. Om deze reden schijnt Goddelijke waarheid als ware het in die Engelen gegraveerd, of als bij hen ingeplant en ingeboren; zoodra zij daarom waarachtige Goddelijke waarheden hooren, erkennen en begrijpen zij die onmiddellijk en zien dezelve daarna als ware liet in zich zeiven. Omdat do Engelen van dien Hemel zoodanig zijn, rodeneoren zij nooit over Goddelijke waarheden, en nog minder disputeeron zi j over oenige waarheid, of die al of niet zoo is en weten ook niet, wat het is te gelooven of geloot te hebben; want, zeggen /.ij: Wat is geloof ? aangezien ik voel en zie, dat het zoo is. Zij lichten dit toe door ver-

270

107

ocr page 212

HEMEL EN HEL.

gelijkingen; bijvoorbeeld, dat het zou zijn als wanneer iemand in gezelschap met een ander een huis ziet met verscheidene dingen daarin en daaromheen, en dan tot zijn makker zou zoggen, dat hij gelooven moet, dat die dingen bestaan en dat ze zoo zijn, als hij ziet; of ook, als wanneer iemand een tuin ziet met boomcn en vruchten er in en dan tot zijn makker zou zeggen, dat hij geloof behoort te hebben, dat er een tuin is met boomen en vruchten, terwijl hij ze duidelijk met zijn oogen ziet. Daarom noemen die Engelen nooit het woord geloof en hebben er ook geen denkbeeld van, noch ook redeneeren zij over Goddelijke waarheden en nog minder disputeeren zij over eenige waariieid, of die al of niet zoo is. d Maar do Engelen des eersten en tweeden Hemels hebben de Goddelijke waarheden niet aldus in hun inwendige gegraveerd, omdat bij hen alleen do eerste graad des levens geopend is; daarom redeneeren zij over de waarheid en zij, die redeneeren, zien nauwelijks iets buiten de feiten der dingen, waarover zij redeneeren of gaan niet verder dan hot onderwerp, behalve alleen dan als zij het bij zekere dingen moeten coufirmeeren, en wanneer zij het hebben geconfirmeerd, zeggen zij, dat het een zaak dos goloofs is en moet worden aangenomen. Over deze dingen heb ik met de Engelen gesproken, die zeiden, dat het onderscheid tusschen de wijsheid der Engelen van don derden Hemel en de wijsheid der Engelen van den eersten Ilcmel gelijk staat met het onderscheid tusschen helder en duister. Zij vergelijken ook de wijsheid der Engelen van den dorden Hemel met een heerlijk paleis vol van allerlei nuttige dingen, omringd aan alle kanten door lusthoven en daaromheen prachtige dingen van velerlei aard; en die Engelen, omdat zij in de waarheden der

d. Hemelsche Engelen zijn met ontelbare dingen bekend en onmetelijk veel wijzer dan geestelijke Engelen; no. 2718. Hemelsche Engelen denken en spreken niet uit geloof, zooals geestelijke Engelen, aangezien zij door den Heer in de gewaarwording zijn van alle dingen, die op geloof betrekking hebben; nos. 202, 597, 607, 784, 1121, 1384, 1442, 1898, 1919, 7G80, 7877, 8780, 9277, 10330. ïen opzichte van de waarheden des geioofs zeggen zij alleen Ja, Ja, of Neen, Neen, maar geestelijke Engelen redeneeren of het zoo is; nos. 2715, 3240, 4448, 9106, 10780, waar de woorden des Heeren worden verklaard uit Matth. V : 37: Laat Uw woord zijn Ja, Ja] Neen, Neen.

168

ocr page 213

WIJSHEID VAN DE ENGELEN.

wijsheid zijn, kunnen dat paleis binnengaan en alle dingen bezien, de lusthoven in alle richtingen doorwandelen en door alle dingen verlustigd worden. Maar liet is anders met hen die over waarheden redeneeren en vooral met hen die over waarheden disputceren, dezulke, omdat zij waarheden niet zien door het licht der waarheid, maar ze aannemen lietzij van anderen, hetzij uit de letter van den bijbel, welke zij niet innerlijk verstaan, zeggen, dat zij moeten worden aangenomen, of dat men daarin geloof moet hebben, zonder te wenschen, dat innerlijk gezicht daarin verder doordringe. Van dezen zeiden de Engelen dat zij niet tot den eersten dorpel van het paleis der wijsheid kunnen naderen en nog minder het zelve binnengaan en in de lusthoven rondwandelen, aangezien zij met den eersten stap blijven staan. Hot is anders met hen die in de waarheden zelve zijn; niets hindert hun verder gebracht te worden en vooruit tc gaan zenders beperking, want de waarheden die zij zien leiden hen waar zij ook gaan en in groote uitgestrektheden, daar iedere waarheid voor oneindige uitbreiding vatbaar is en in gemeenschap staat met eene menigte anderen. Zij zeiden verder nog dat de wijsheid der Engelen van den binnensten Hemel hoofdzakelijk daarin bestaat, dat zij Goddelijke en ITemelsche dingen in ieder voorwerp zien en wonderbaarlijke dingen in eene reeks van verscheidene voorwerpen; want alle dingen die zij met hunne oogen zien zijn in overeenstemming. Zoo bijvoorbeeld als zij paleizen en tuinen zien, eindigt hun gezicht niet met do dingen die voor hun oog zijn, maar zien zij de inwendige dingen waaruit zij ontstaan, dus waarmede zij overeenstemmen en zulks in alle verscheidenheid in verband met de verschijning der voorwerpen. Zoodoende aanschouwen zij ontelbare dingen tegelijker tijd in orde en verband, waardoor hun geest zoozeer wordt verrukt, dat zij schijnen buiten zich zeiven gebracht te worden. Dat alle dingen die zich in den Hemel vertoonen overeenstemmen met do Goddeljjke dingen die van den Heer bij de Engelen zijn ziet men hierboven. (Nos. 170—176).

271. Dat zulks zoo is met Engelen van den derdeu Hemel,

271

169

ocr page 214

HEMEL EN HEL.

komt omdat zij in liefde tot den lieer zijn en die liefde opent liet inwendige van den geest tot den derden graad en is do ontvanger van alle dingen der wijsheid. Men moet ook verder weten, dat Engelen van don binnensten Hemel nog aanhoudend worden volmaakt in wijsheid, en wel op oene andere wijze als de Engelen van den laagsten Hemel. Engelen van den binnensten Hemel verzamelen geen Goddelijke waarheid in het geheugen en beschouwen die daarom niet als kennis, maar zoodra zij ze hooren erkennen zij ze en brengen ze in hun leven. Om deze reden blijven Goddelijke waarheden bij hen als in hen geschreven, want wat in het leven wordt overgebracht, blijft op die wijze bij. Maar met Engelen van den laagsten Hemel is dit anders; zij leggen eerst de Goddelijke waarheden in bun geheugen neer en bewaren ze daar als onderwerpen van kennis en nemen ze daarna uit en volmaken daarmede hun verstand en zonder dat zij eene inwendige gewaarwording hebben dat ze waarheden zijn willen zij ze en voeren ze in hun leven in; dientengevolge zijn zij vergelijkender wijze in duisternis. Het is der vermelding waard dat Engelen van den dorden Hemel door hooren in wijsheid worden volmaakt, maar niet door zien. quot;Wat zij van eene prediking hooren gaat niet in hun geheugen, maar onmiddelijk in hunne gewaarwording en wil en wordt deel van hun leven. Wat zij cclitor met hunne oogen zien gaat in hun geheugen en daarover redenoeren en spreken zij. Hieruit is het duidelijk dat voor hen het gehoor de weg dor wijsheid is. Dit komt ook door overeenstemming, want het oor stemt overeen met gehoorzaamheid en gehoorzaamheid behoort tot het leven; maar het oog stemt overeen met doorzicht en doorzicht behoort tot de leer. a

De staat dezer Engelen wordt ook op vele plaatsen in het Woord beschreven zoo in Jeremia XXXI : 33, 34 ; Ik zal

g. De uvereenstemming van het our en liet gehoor; no. 4052—59. Het oor stemt overeen met gewaarwording en gehoorzaamheid, en heeft daarom die heteekenis; nos. 2542, 3869, 4653, 5017, 721(1, 8361, 9311, 9397, 10061. Het oor beteekent het aannemen van waarlieden; nos. 5471, 5475, 9926. De overeenstemming van het oog en liet gezicht; nps. 4403—20, 4523—33. Daarom beteekent het gezicht van het oog het doorzicht dat uit het geloof is en ook geloof; nos. 2701, 4410, 4526, 6923, 9051, 10569,

170

ocr page 215

quot;WIJSHEID VAN DE ENGELEN.

mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven. En zij zullen niet meer, een iegelijk zijnen naasten, en een iegelijk zijnen broeder leeren zeggende: Kent Jehovah, icant zij zullen mij allen kennen van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe en in. Matth. V : 37 : Maar laat uir noord zijn Ja, Ja-, neen, neen; nat boven deze is, dat is uit den booze. Dat wat boven deze is, uit den booze komt is, omdat liet niet uit den Heer is; want de waarheden in de Engelen des derden Hemels zijn van den Heer, omdat zij in liefde jegens Hem zijn. Liefde tot den Heer in dien Hemel is liet willen en doen van Goddelijke waarheid, want Goddelijke waarheid is do Heer in den Hemel.

272. Een verdere reden, die ook in don Hemel de voornaamste is, waarom de Engelen zulk eene groote wijsheid kunnen deelachtig worden, bestaat daarin, dat zij zonder eigenliefde zijn; want in zoover als iemand vrij is van eigenliefde, in zooverre kan hij toenemen in wijsheid omtrent Goddelijke dingen. Die liefde is het, welke liet innerlijke sluit voor den Heer en voor den Hemel en het uitwendige opent en naar het eigene toekeert; door deze oorzaak zijn allen bij wie deze liefde heerscht in dikke duisternis ten opzichte van de dingen dos Hemels, hoe zeer zij ook ten opzichte van wereldsche dingen in licht vorkeoren mogen. Maar Engelen daarentegen zijn in het licht der wijsheid, omdat zij geen eigenliefde hebben; want de Hemelsche liefde, in welke zij zijn, namelijk de liefde tot den Hoer en do liefde jegens den naaste, opent het inwendige, omdat die genegenheden van den Hoer zijn en Hij er zelf in is. Dat deze liefde in het algemeen den Hemel maakt, en bij iederen in bizondor don Hemel vormt ziet men hierboven (no. 13—1!)). Omdat Hemelsche liefde het inwendige naar den Heer opent, wenden ook alle Engelen hun aangezicht naar den Ifeer, (no. 142); want in de geestelijke wereld is het de liefde, die het inwendige van een ieder naar zich keert, en waarheen zij het inwendige keert, daarheen keert zij ook het aangezicht, wijl daar het aangezicht een geheel uitmaakt met het inwendige, waarvan het de uitwendige vorm is. Omdat liefde het inwendige en het aangezicht naar 171

272

ocr page 216

273, 274, 275, 276 hemel en hei,.

zich toekeert, verbindt zij zich ook daarmede, omdat liefde geestelijke verbinding is en deelt zij ook liet hare daaraan mede. Door dit keeren en de verbinding en mededeelingen, die daaruit voortvloeien hebben de Engelen hunne wijsheid. Dat alle verbinding in de geestelijke wereld, met dit keeren samenhangt, ziet men hierboven, (no. 255).

273. Engelen nemen voortdurend in wijsheid toe, f maar kunnen tot in eeuwigheid niet zoover worden volmaakt, dat liunne wijsheid in vergelijking komt met de Goddeljjke wjjsheid des ileeren; want de Goddelijke wijsheid des Heeren is oneindig, en de wijsheid dor Engelen eindig, en er bestaat geen vergelijking tusschen het eindige en het oneindige.

274. Omdat wijsheid do Engelen meer volkomen maakt en hun leven vormt, en omdat do lloniol met al zijn goeds invloeit bij iedereen naar de mate zijner wijsheid, daarom wordt zij aldaar door allen begeerd en door allen gezocht, nauwelijks anders dan een hongerig mensch, die voedsel begeert. Kennis, doorzicht en wijsheid zijn ook geestelijke voedingsmiddelen, evenals spijze natuurlijk voedsel is; zij zijn met elkander in overeenstemming.

275. Do Engelen van denzelfden Hemel, of ook in eenzelfde gezelschap zijn niet allen in dezelfde wijsheid, maar in ongelijke wijsheid. Zij, die in het midden zijn, hebbende grootste wijsheid en zij, die daarom heen zijn tot aan de grenzen, hebben minder wjjsheid. De vermindering van wijsheid naar gelang van den afstand uit het midden is als de vermindering van licht tot in de schaduw, (zie no. 43 en 128).

Hun licht is ook in denzelfde graad als hunne wijsheid, daar het licht des Hemels do Goddelijke wijsheid is, en ieder een is in licht naar de mate zijner opname van die wijsheid. Over het licht des Hemels en de verschillende opname daarvan, zie hierboven (nos. 126 —132).

DE STAAT DER ONSCHULD VAN DE ENGELEN DES HEMELS.

276. Wat onschuld is; en wat hare eigenschap is, wordt door weinigen in deze wereld geweten, en in het geheel niet ƒ. Engelen worden aanhoudend wijzer tot in Eeuwigheid; no. 4803—GC48.

172

ocr page 217

DE ONSCHULD DER EXOELEX.

door hen, die in het kwade zijn. Zij is voor het 002; duidelijk zichtbaar, en wel in het gelaat, de spraak en gebaren, vooral bij kleine kinderen, maar toch is hot niet bekend, waarin /ij bestaat, en nog minder, dat juist daarin de Hemel bij den mensch ligt bewaard. Om derhalve dit bekend te maken, zal ik in volgorde bespreken : eerst de onschuld der kindsheid, dan do onschuld der wijsheid, en ten slotte den staat des Jlomels ten opzichte van de onschuld.

277. De onschuld der kindsheid of der kinderen is geen ware onschuld; want zij bestaat alleen in uitwendigen vorm en niet innerlijk; maar toch kan men daaruit loeren, wat onschuld is, dewijl zjj doorstraalt in hun aangezicht, in sommige gebaren en in hunne eerste spraak en ons daardoor aandoet, en wel, omdat zij geen innerlijke gedachten quot;nebben; want zij weten nog niet wat goed is en kwiKid, en wat waar en valsch is, waaruit de gedachten voortkomen. Daarom hebben zij ook geene voorzichtigheid van zich zei ven, geen doel en overlegging, dus geen bedoeling ten kwade; zij hebben niets van zicli zeiven uit de eigenliefde en do liefde voor de wereld aangenomen, zij schrijven niets aan zich zeiven toe, zij beschouwen alles wat zij hebben als van hunne ouders afkomstig; tevreden met de weinige en do kleine dingen, die hun geschonken worden, scheppen zij daarin behagen; zij hebben geen zorg voor voedsel of kleeding en nog minder over de toekomst, zij kjjken naar de wereld niet, om vele dingen uit haar te be-geeren. Zij beminnen hunne ouders, verzorgsters en kinderlijke speelmakkers, met wie zij in onschuld spelen, zij laten zich leiden, zij luisteren en gehoorzamen. En omdat zij in dozen staat verkeeren, nemen zij alles in hun leven op; daarom hebben zij gepaste manieren zonder te weten waardoor, en daarom hebben zij spraak en het begin van geheugen en gedachten, tot wier opname en inplanting de staat hunner onschuld als middel dient. Maar deze onschuld, zooals hierboven is gezegd, is uiterlijk omdat zij alleen uit het lichaam is en niet uit den geest; f want hun geest is nog niet gevormd,

ff. De onschuld der kinderen is geen ware onschuld, maar ware onschuld woont in wijsheid; nos. 10Ugt;, 2305, 2300, 341(4, 45G3, 47117, 5608, 0301, 10021

277

173

ocr page 218

IIEMEI- EN HEL.

daar geest wordt gevormd uit verstand en wil, en gedachten en genegenheden, daaruit afkomstig, liet is mij uit den Hemel medegedeeld, dat kleine kinderen in het bizonder onder do zorg van don Hoer staan, en dat hunne invloeiing uit den binnensten Hemel komt, waar een staat van onschuld heerscht; dat do invloeiing door hun inwendige heengaat, en dat liet op dien weg hun alleen met onschuld aandoet; dat zich daarom onschuld in hun gelaat en sommige hunner gebaren vertoont, on zichtbaar wordt; en dat door deze onschuld de ouders innerlijk werden bewogen en do bizondere liefde wordt geboren, die ouders voor hunne kinderen hebben.

278. De onschuld der wijsheid is ware onschuld, omdat zij innerlijk is, want zij is uit den geest zelf, dus uit den wil zelve en daarom uit het verstand; en als zij in deze is, bestaat or onschuld en ook wijsheid, want wijsheid is uit den wil en het vorstand. Daarom zegt men in den Kemel, dat onschuld in wijsheid woont, en dat een Engel zooveel wijsheid heeft als hij onschuld bezit. Dat dit zoo is, bevestigen zij daardoor, dat zij, die in een staat van onschuld zijn, aan zich zelf niet hot minste goed toeschrijven, maar alle dingen beschouwen als te zijn ontvangen, en ze aan den Heer toeschrijven; dat zij door Hem wenschon geleid te worden en niet door zich zeiven; dat zij alles, wat goed is, liefhebben, en in alles, wat waar is, genot vinden, omdat zij weten en gewaarworden, dat het goede lief to hebben en het dus te willen en te doen is den Heer lief te hebben en dat waarheid lief te hebben is den naasten te beminnen; dat zij met het hunne tevreden leven, of het weinig is of veel, omdat zij weten dat zij juist zooveel ontvangen, als nuttig voor hen is, (weinig zij, voor wie weinig nuttig is, en veel zij, voor wie veel nuttig is); en dat zij zelve niet weten wat nuttig voor hen is, maar wel de Heer alleen, met wien allo dingen, die Hij verschaft met het

Het goede der kindsheid is geen geestelijk goed, maar wordt dit door liet inplanten van waarheid; no. 3504. Maar toch is het goede der kinschheid een middel, waardoor inzicht wordt ingeplant: nos. 1010. 3183, '.1301, 10110. De mensch zoude zonder het goede der kinderlijke onschuld een wild beest zijn; no. 3494. Alles, wat in de kindsheid opgenomen wordt, doet zich natuurlijk voor; no. 34i)4.

17-1

278

ocr page 219

DE ONSCHULD DER ENGELEN.

oog op de eeuwigheid geschieden. Zoo zijn zij ook niet bezorgd voor de toekomst; zij noemen bezorgdheid voor dc toekomst, zorg voor den dag van morgen en noemen dat ecu leedgevoel over het verliezen of niet ontvangen van dingen, die niet nuttig zijn voor het leven. Met hunne makkers handelen zij nooit uit een kwaad oogmerk, maar met ecu goed, rechtvaardig cn oprecht doel; met een kwaad voornemen handelen noemen zij list, en schuwen dat als het venijn van een slang, omdat het geheel en al in tegenstelling is met onschuld. Omdat zij niets liever hebben dan door den Heer geleid te worden, en alle dingen, die zij ontvangen hebben, aan Hem toeschrijven, worden zij afgeleid van wat hun eigen is, en in zoover als zij van zich zclven worden afgeleid, in zoover vloeit dc Heer in. Vandaar dat zij alles, wat zij van den Heer hooren, hetzij door het Woord, hetzij door prediking, niet bewaren in hun geheugen, maar onmiddellijk gehoorzamen, dat is willen en doen ; dc wil zelve is hun geheugen. Deze schijnen voor het meerendeel eenvoudig in uitwendig aanzien, maar zij zijn innerlijk wijs en voorzichtig. Zij werden dooiden Heer bedoeld in Matth. X : 1G: Zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven. Zoodanig is de onschuld, die de onschuld der wijsheid wordt genoemd. Omdat onschuld zich zelve niets goeds toerekent, maar al het goede aan den lieer toeschrijft, cn omdat zij zoo bemint door den lieer te worden geleid en hieruit alle opname van goedheid en waarheid is, waardoor wijsheid komt, daarom is de mensch zoo geschapen dat, wanneer hij een klein kind is, in onschuld zijn kan, maar alleen uiterlijk en wanneer hij oud wordt in innerlijke onschuld verkeeren kan, opdat hij door de eerste in de laatste kan overgaan en uit dc laatste weer in de eerste. Zoo ook vermindert een man als hij oud woi'dt naar het lichaam, en wordt weer gelijk ecu kind, maar een wijs kind, dus een Engel, want ecu Eugcl is een wijs kind in de hoogste betcekenis. Vandaar beteekent in het Woord een klein kind iemand, die in onschuld is, en een oud man een wijs mensch in wien onschuld is. !l

h. Kinderkens in liet Woord betcekenen onschuld; no. 5G08 en evenzoo zuigelingen; no. 3183. Een oud niun beteekent een wijs innn, en in abatracten

175

ocr page 220

HEMEL EN HEL.

279. Evenzoo is het met iemand, die wordt wedergeboren.

Wedergeboorte is eene nieuwe geboorte van den geestelijken menseh. De menscli wordt eerst geleid in de onschuld der kindsheid, waarin hij voelt, dat hij niets van waarheid weet en niets goeds uit zich zeiven kan doen, maar alleen door den ifecr en begeert en zoekt hij het ware alleen, omdat het waar is en liet goede omdat het goed is.

Beide worden hem ook van den lieer geschonken als hij in leeftijd toeuecint; eerst wordt hij in de kennis daarvan geleid, daarna van kennis tot inzicht en ton slotte van inzicht tot wi jsheid, waarbij de onschuld altijd medegaat, daarin bestaande, zooals gezegd is, dat hij bewust is niets van het ware te weten en niets goeds uit zich zeiven te kunnen doen, maar wel door den Heer. Zonder dit geloof en deszelfs gewaarwording kan niemand iets van den Hemel ontvangen. Hierin bestaat hoofdzakelijk de onschuld der wijslieid.

280. Omdat onschuld bestaat in het worden geleid door

den Heer en niet door zich zeiven, zijn allen, die in den Hemel

zijn, in onschuld, want allen, die daar zijn, verlangen door den

Hoer te worden geleid. Zij weten, dat zich zeiven te leiden,

zou zijn door hunnen eigen wil te worden geleid en hun

eigen wil is, zich zelveu lief te hebben en hij, die zich zeiven

liefheeft, duldt niet, dat een ander hem leidt. Vandaar dat

een Engel zoover hij in onschuld is zoover ook in den

Hemel is,, dat is, zoover in Goddelijk goed en Goddelijk waar;

want in dezen te zijn is in den Hemel te wezen. De Hemelen

worden daarom onderscheiden naar de onschuld ; zij, die in

den laagsten of eersten Hemel zijn, verkeeren in onschuld

van den laagsten graad. Zij, die in den middelsten of tweeden

Hemel zijn, in onschuld van den middelsten of tweeden graad;

maar zij, die in den binnensten of derden Hemel zijn, verkeeren

in onschuld van den derden of binnensten graad. Deze laatsten

zijn daarom de ware onschulden des Hemels, want boven

alles verlangen zij door den Heer te worden geleid, gelijk

zin wijsheid; nos. 3183, 6524. De menseh is zoo geschapen, dat hij bij het naderen van zijn ouderdom, gelijk een klein kind worden kan, en dan kan onschuld in wijsheid zetelen en de man in dien staat naar den Hemel gaan en een Engel worden; nos. 3183, 5008.

17G

279, 280

ocr page 221

DE ONSCHULD DER ENGELEN.

kleine kinderen door hunnen vader. Om deze reden nemen zij ook het Goddelijk ware, dat zij hooren, hetzij onmiddellijk van den lieer of middellijk door liet Woord of door prediking, aanstonds in hunnen wil op en doen het, en brengen het zoo in hun loven; vandaar hebben zij zoo veel meer wijsheid dan Engelen van cenen lageren Hemel, (zie no. 270—271). Omdat die Engelen van zulken aard zijn, zijn zij ook het dichtst bij den lieer, van Wien zij onschuld ontvangen, en worden zij ook gescheiden van wat uit hun zeiven is, zoodat zij als ware het in den Heer leven. Zij schijnen in uitwendigen vorm eenvoudig, en voor de oogen van Engelen der lagere Hemelen vertoonen zij zich als kinderen, dus als kleinen en ook als niet zeer wijs, ofschoon zij de wijste Engelen in den Hemel zijn; want zij wTeten, dat zij in het geheel geen wijsheid van zich zelven hebben en dat dit te erkennen wijsheid is ; en ook. dat hetgeen zij weten als niets is, in vergelijking met hetgeen zij niet weten; dit te weten, te erkennen en gewaar te worden is, zeggen zij, de eerste schrede naar wijsheid. Die Engelen hebben ook geen kleederen, aangezien naaktheid overeenstemt met onschuld. '

281. ik heb veel met de engelen over onschuld gesproken, en werd onderricht, dat onschuld het wezen is (esse) van alle goed, en vandaar dat goed in zoover goed is; als er onschuld in is; bij gevolg, dat wijsheid in zoover wijsheid is, als zij onschuld deelachtig is — evenzoo met liefde, liefdadigheid en geloof A en dat daarom niemand den hemel kan binnengaan, tenzij hij onschuld bezit, wat de Heer bedoelde, toen hij zeidc: v Leidt de khtderkens lot mij komen, en verhindert hen niet, want derznlten is het koni)il:rijk der hemelen. Voorwaar, ik zeg u, zoo wie het koninkrijk Gods niet zal ontcangen als

i. Allen in den binnensten Hemel zijn onsi huUlen; nos. 154,2730,3887. En daarom doen zij zieh aan anden-n als kinderen voor; no. 154. Zij zijn ook naakt; nos. 1G5, .S375, 91'00. Naaktheid is nit onschnld; nos, 1G5, 8375. Geesten zijn gewoon hnnne onsehnld daardoor te bevestigen, dat zij linnne kleederen ter zijde leggen ers zich naakt vertoonen; no. KI.quot;).

k. Al het goede der Helde en al het ware des geloofs, behooren in zieh onsehnld te hebben om goed en waar te knnnen zijn; nos. 252G, 2780, 3111, 3994, GU13, 7840, 92G2, 10134. Onsehnld is het wezenlijke van het goede en ware; nos. 2780, 7840. Niemand wordt in den hemel toegelaten, tenzij hij iets van onsehnld bezit; no. 4797.

177 12.

281.

ocr page 222

HEMEL EN HEL.

een kindeke, die zal geenszins in hetzelve komen.quot; (Mark. X : 14, 15; Luk. XVIII : 16, 17). Door kinderkens worden hier, evenals op andere plaatsen van hot Woord, onschuldigen be-bedoeld. Eene staat van onschuld is ook door don lieer beschreven in Matth. VI : 23—35, maar alleen door overeenstemmingen. De reden, waarom goed alleen in zoover goed is als er onschuld in is, ligt daarin, dat alle goed van den Heer is; en hot is onschuld om door den lieer geleid te willen worden. Mij werd ook medegedeeld, dat liet ware niet kan verbonden worden met het goede en hot goede met het ware dan alleen door onschuld. Vandaar is een engel ook geen engel des hemels, tenzij onschuld in hem zij; want de hemel is in niemand voor dat het ware met het goede in hein verbonden is. Daarom hoot do verbindtenis van goedheid en waarheid het hemelscho huwelijk en liet he-melsche huwelijk is do Hemel. Mij werd verder medegedeeld, dat ware huwelijksliefde haar bestaan aan onschuld ontleent, tengevolge van de vereeniging van goedheid en waarheid, in welke vereeniging do twee zielen van man en vrouw zich bevinden; en deze verbindtenis, als zij nederdaalt, komt onder den vorm van huwelijksliefde te voorschijn; want echtgenooten beminnen elkander onderling gelijk liunne zielen dat doen; vandaar bestaat de speelschlieid evenals in kindsch-heid en in onschuld ook in de huwelijksliefde. '

282. Omdat onschuld het eigenlijke wezen (esse) is van het goede der engelen in den hemel, is het duidelijk, dat Goddelijk goed van den Heer uitgaande, onschuld zelve is,

\. Ware huwelijksliefde is onschuld; no. 2736. Huwelijksliefde bestaat in te willen wat de andere wil, dus onderling en wederkeerig; no. 2731. Zij, die in huwelijksliefde verkeeren, zijn te zamen in het meest inwendige des levens; no. 2732. Daar is eene vereeniging van twee geesten en dus uit liefde zijn zij een; nos. 1U1G8. 101G5). Ware huwelijksliefde ontleent haren oorsprong en wezen aan het huwelijk van het goede en het ware; nos. 1728—29. Over engelen, die eene gewaarwording hebben, of er ook iets van het huwelijk is, door het denkbeeld der vereeniging van het goede en het ware; no. 1075G. Ware huwelijksliefde is geheel gelijk de verbintenis van het goede en het ware; nos. 11)04, 2173, 2508, 2721), 3103, 3132, 3155,3179. 3180, 4180, 4358, 5807, 5635, 020G, 1)207, 1)41)5,1)()37. Daarom wordt in het Woord door huwelijk bedoeld het huwelijk van het roede en het ware, zooals het in den hemel is en zooals het in de kerk zijn zal; nos. 3132, 4434, 4835.

282

178

ocr page 223

DE ONSCHUIiD DEK ENGELEN.

want dat is het goed, wat bij de engelen invloeit en hun binnenste aandoet en hen neigt en toebereidt om al het goede des hemels op te nemen. Evenzoo is het met jonge kinderen, wier binnensten niet alleenlijk worden gevormd door de doorvloeiing van onschuld van den Heer, maar ook aanhoudend worden toebereid en geneigd tot het opnemen van het goede der he-melsche liefde, aangezien het goede der onschuld uit het binnenste werkt, daar het, zoo als gezegd is, het wezen van alle goed is. Uit het voorgaande blijkt, dat alle onschuld van den Heer is. Vandaar wordt in het woord de Heer een lam genoemd, daar een lam onschuld beteekent. m

Omdat onschuld het binnenste is van al het goede in don Hemel, werkt het zoodanig op een geest van iemand, die haar voelt (zooals bij het naderen van eenen engel uit den binnensten hemel), dat het hom toeschijnt, alsof hij zich zelve niet meer is, daardoor wordt aangedaan en als het ware weggevoerd mot zulk een gevoel van zaligheid, dat alle aardsch genot niets is in vergelijking daarmede. Ik spreek hier uit eigen ondervinding.

283. Iedereen, die in het goede der onschuld is, wordt door onschuld aangedaan, en in zooverre iemand in dat goede is, zooverre wordt hij aangedaan; maar zij, die niet in liet goede der onschuld zijn, worden daardoor niet aangedaan. Om deze roden zijn allen in de Hel geheel en al afkeerig van onschuld en weten ook niet, wat hot is; zoo grout is hun afkeer van onschuld, dat zij vnn verlangen branden om iemand leed te doen, die in onschuld is; vandaar kunnen zij ook geen jonge kinderen verdragen; zoodra zij hen zien ontvlamt in hen cene wreede begeerte om ze kwaad te doen. Hieruit wordt duidelijk, dat liet eigene dos menschen, en dus de liefde voor zich zelven tegen onschuld gekant is, want iedereen dio in de Hol is, is in zijn eigene, en daardoor in de eigenliefde. quot;

m. Een lam beteekent in het Woord onschuld en liet goede daarvan ■ nos 3904, 10132.

n. Het eigene van den mensch is zidi zelven meer dan God lief te hehben en de wereld meer dan den hemel, en zijn naasten als niets te achten in vergelijkking niet zich zelven; dns is het de liefde tot zich zelven en de wereld; nos. Gl)4, 731, -1417, 5(3(j0. De bonzen zijn geheel afkeerig van onschuld, zoo zelfs, dat zij haar tegenwoordigheid niet verdragen kunnen; no. 2120.

283

179

ocr page 224

HEMEL EN HEL.

DE STAAT VAN VREDE IN DEN HEMEL.

284. Iemand, die niet verkeerd heeft in den vrede des Hemels, kan niet begrijpen, wat do vrede der engelen is. Ook de mensch, zoolang hij in het lichaam is, kan de vrede des Hemels niet ontvangen, dus ook niet begrijpen, omdat zijn begrip alleen in het natuurlijke ligt. Om hot te kunnen begrijpen, moest hij met zijne gedachten kunnen verheven worden en aan zijn lichaam onttrokken en in den geest gehouden, en dan in gezelschap met engelen gebracht worden. Omdat ik op deze wijze do vrede des Hemels heb gevoeld, beu ik in staat haar te beschrijven, ofschoon niet in woorden, wat zij in zich zelve is, omdat menschel ij ke woorden daartoe onvoldoende zijn, maar alleen bij wijze van vergelijking met dien vrede des geestes, welke genoten wordt door hen, die in Gode tevreden zijn.

285. Er zijn twee meest innerlijke dingen in den hemel, namelijk onschuld en vrede; zij worden meest innerlijk genoemd, omdat zij onmiddellijk van den Heer uitgaan. Uit onschuld is al het goed des Hemels en uit vrede is al het genot van het goede. Ieder goed heeft zijn eigen genot; en goed en genot zijn beide door liefde, want alles wat bemind wordt, wordt goed genoemd en ook als een gonot waargenomen. Daaruit volgt, dat die twee meest innerlijke dingen, onschuld en vrede, uit do Goddelijke liefde van den Hoer voortkomen en de engelen aandoen in hun binnenste. Dat onschuld het meest inwendige van het goede is, kan men in hot voorgaande hoofdstuk zien, waar de staat van onschuld der engelen in don hemel wordt beschreven; en dat vrede het innigste genot is van het goede der onschuld, zal nu worden aangetoond.

280. Eerst zullen wij vermelden, wat de oorsprong van vrede is. Goddelijke vrede is in den Heer, als een gevolg van de vereeniging van het Goddelijke Zelf en het Goddel ij k-Menschelijke in Hem. Het Goddelijke van den vrede in den Hemel is van den Heer, bestaande door Zijne verbinding met

284—286.

180

ocr page 225

DE STAAT VAX VKEDE IX 1gt;EX HEMEL.

de engelen des hemels, eu in liet bizonder door de verbinding van gooil en waar niet iederen engel. JJic zijn de bronnen van vrede. Hieruit kan men zien, dat vrede in de hemelen liet Goddelijke is, dat al het goede aldaar op het innerlijkst met zaligheid aandoet, en waaruit dus alle hemelvreugde voortkomt, en ook, dat zij in haar wezen de Goddelijke vreugde van des Heeren Goddelijke liefde is door zijne verbinding met den Hemel en met iedereen daarin. Deze vreugde, door den lieer in de engelen gevoeld, eu door de engelen van den lieer, is vrede. Hierdoor komt bij afleiding, dat de engolen alles hebben wat gezegend, genotvol en gelukkig is, of datgene wat hemelsche vreugde genoemd wordt. 0

287. Omdat deze do bronnen zjjn van vrede, daarom wordt de Heer genoemd de Vredevorst en zegt Hij dat van Hem do vrede komt en in Hem de vrede woont. Engelen worden ook genoemd engelen des vredes, en de Hemel zelve het verblijf des vredes zooals in de volgende plaatsen ;

Een kind is ons yehoren, een Zoon is ons geyeven, en de heerschappij is op zijn schouder; en men noemt zijtien ikkiiii Wonderlijk, Raad, God Sterkte, Wider der Eeiuriyheid, Vre-devorsf. Aan de ijroothciil dezer heerschappij en des t 'redes zal geen einde zijn. Jesnja IX : 5, 6. Jezus zeide: l rede laat ik u, mijnen vrede geef ik n; niet gelijkerwijs de wereld geeft, geef ik n. Joh. XIV : 27. lgt;eze dingen heb ik tot u gesproken opdat gij in mij vrede hebt. Joh. X V i ; 3lgt;. Jehovah verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede! Xum. VI : 26. De boden (Engelen) des vredes ireenen bitterlijk; de gebaande tveaen zijn venroest. Jos. XXX1H 7, 8. En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn. Eu mijn volk zal in eene ivoon-plaats iles vredes ivonen. .!es. XXXII : 17, IS. Hat in hot Woonl met vrede bedoeld wordt Goddelijke en hemelsche

o. Door vrede wordt in deu hoopsten zin de lieer bedoeld, onidiit van Hem de vrede komt, en in don innerlijken zin de Ileniel, omdat aldaar iedereen in ee.nen staat van vrede verkeert : nos. 3780, -KiSl. Vrede in den Hemel is lier lt;lodelijke dat al bet goede en liet ware aldaar in liet binnenste met zaliirbeid aandoet en voor den menseb onbegrijpelijk is; nos. 3780, i :35, 8605. Goddelijke vrede is in bet goede, maar niet in bet ware zonder goed; no. 87--.

181

287

ocr page 226

IIEMEL EN HEL.

vrede, blijkt ook uit andere plaatsen, waar van vrede wordt gesproken, zooals Jes. Lil : 7; LI V : 10; LIX : 8 ; Jer. XVI: 5; XXV ; 37; XXIX : 11; Ilaggai IE : 9; Zach. VIII : 12; Ps. XXXVII : 37 enz. Aangezien vrede den Heer en den Hemel beteekent, en ook hemelsehe vreugde en genot van liet goede, werd het .„Vrede zij met ;/quot;,onder de ouden als een groet gebruikt, die nog bestaat eu door denlleer is bevestigd, door tot Zijne discipelen te zoggen, toen Hij ze uitzond: En wanneer gij in een huis ingaat, zegt eerst: vrede, zij dezen huize! En indien aldaar een zoon des vredes is, zoo zal uwe vrede op hem rusten. Luk. X ; 5^ G. De Heer zelf ovenzoo, toon Hij aan zijne leerlingen verscheen, zeido: Vrede zij ulieden! Joh. XX : 19, 21, 2G. Een staat van vrede wordt ook bedoeld in het Woord, wanneer gezegd wordt, dat Jehovah een geur der ruste rook, zooals in Exod. XXIX : 18, 25, 41 ; Lev. I : 9, 13, 17; 11 : 2, 9; VI ; 15, 21; XXVIII : 12, 13, 18; Xum. XV : 3, 1, 13; XXVI11 ; 0, 8, 13; XXIX: 2, 6, 8, 13, 3G. Met eenen geur der rust, in de hemelsehe beteckenis wordt bedoeld de gewaarwording van vrede, i' Aangezien vrede de vereeniging beteekent van het Goddelijke Zelf met het Goddelijk-Menschelijke in den Hoer, en de verbindtenis van den Heer met den hemel en met do Kerk, en met allen in den hemel, en dus ook met allen in de kerk die Hem ontvangen, was de sabbat ingesteld als eene herinnering aan deze dingen en zoo genoemd naar rust of vrede en het zinnebeeld van het heiligste in de Kerk; om deze zelfde reden noemde de Heer ook zich zei ven de Heer van den Sabbat. Matth. XII: 8; Mark. H : 27, 28 ; Luk. VI: 5.1

p. Geur beteekent in het Woord, de gewaarwording van aangenaamheid of onaangenaamheid naargelang van de hoedanigheid van de liefde en het geloof, waarop het betrekking heeft; nos. 3577, 4G26, 4G29, 4718, 5621, 10292.

Een geur der ruste, met toepassing op Jehovah, in de gewaarwording van vrede ; nos. 925 10054 om deze reden worden wierook, specereien, geuren in olie en zalf tot zinnebeelden ; nos. 925—4748, 5G21, 10177.

q. Sabbat in dezen allerhoogsten zin, beteekent de verbintenissen in den Heer van liet Goddelijke zelve met het Goddelijke-Menschelijke; in den in-nerlijken zin de verbintenis van het Goddelijk-Menschelijke van den Heer met den Hemel en met de Kerk ; in het algemeen de verbintenis van het goede en het ware, dus het Hemelsehe huwelijk nos. 8494, 10356, 10730.

Vandaar beteekent rust op den Sabbathdag de staat van die verbinding, omdat dan de lieer rust had, en daaruit de rust en zaligheid in de Hemelen

182

ocr page 227

DE STAAT YAH VREDE XN DEN HEMEL.

288. Aangezien de vrede des Hemels het Goddelijke is, dat het goede zelve in do engelen innerlijk mot zaligheid aandoet, komt die vrede niet tot hunne voelbare gewaarwor-dini; dan alleen door genot in het hart, als zjj in het goede des levens verkooren, en door genoegen als zij waarheid hooren, die in overeenstemming is met hun goed, en door opgeruimdheid des geestes als zij do verbindtenis daarvan gewaar worden; hieruit evenwel vloeit het in al hunne daden en gedachten en vertoont zich daar als vreugd, ook in uitwen-digen vorm. De hoedanigheid en de mate evenwel van vrede verschilt in den hemel naar gelang van do onschuld van hen, die daarin zijn; aangezien onschuld en vrede hand in hand wandelen; want zooals reeds vroeger werd gezegd, uit onschuld komt al het goede des Hemels, en uit vrede al het genot van dat goedo. Hieruit blijkt verder, dat wij hier hetzelfde kunnen zeggen omtrent don staat van vrede, als in het vorig hoofdstuk over den staat der onschuld in den hemel werd gezegd, omdat onschuld en vrede met elkaar verbonden zijn gelijk het goodo en deszelfs genot, want goed wordt gevoeld door zijn genot, en genot wordt gekend door zijn goed.

Dientengevolge is het duidelijk, dat engelen van den binnensten of derden Hemel in den derden of binnensten graad van vrede verkoeren, omdat zij in den derden of binnensten graad van onschuld zijn en dat engelen van eonen lageren hemel in een minderen graad van vrede zijn, door hun lageren graad van onschuld. (Zie No. 2S0.)

Dat onschuld en vrede samen wonen gelijk goed en zijn genot, kan men zien bij kleine kinderen, die omdat zij in onschuld verkoeren ook in vrede zijn; en omdat zij in vrede verkeeren, zijn alle dingen voor hen vol vermaak.

288

Maar de vrede van kleine kinderen is uitwendige vrede, en inwendige vrede gelijk inwendige onschuld, wordt niet gegeven dan alleen in wijsheid: on om deze roden wordt het

en op aarde voortkomt; en in betrekkelijken zin de vereeniging van den Heer niet den mensch, omdat hij dan vrede en zaligheid geniet ; nos. 8404, 8510, 103G0, 10367, 10370, 10374, 10668, 10730.

183

ocr page 228

HEMEL EN HEL.

gegeven in de verbintenis van het goede en liet ware, on.dat wijsheid uit deze verbintenis voortkomt. De vrede des hemels en der engelen wordt ook aan mensclien gogeven, die in wijsheid zijn uit de vcreeniging van het goede en het ware. en en zich daardoor tevreden in God gevoelen; evenwel wordt die vrede gedurende .hun leven op aarde in hun binnenste opgeborgen, om openbaar te worden, wanneer zij het lichaam verlaten en den hemel binnen gaan, want dan wordt hun inwendige geopend.

289. Omdat Goddelijke vrede ontstaat uit de verbinding van den Heer met don hemel en bij iederen engel in liet bijzonder uit de verbinding van hot goede en het ware, verkeeren de engelen in een staat van vrede als zij in een staat van liefde zijn; want dan is goed en waar bij hen verbonden. L)at de staat der engelen aan afwisseling onderhevig is ziet men hierboven, (no 154 — 1G0.)

Hetzelfde gebeurt met een mensch, die wedergeboren wordt; wanneer er in hem vereeniging van goedheid en waarheid plaats heeft, zooals voornamelijk het geval is na verzoekingen, komt hij in een staat van genot door Hemelschen vrede. »■ Deze vrede zou kunnen worden vergeleken bij den morgen of dageraad in de lente, wanneer na het voorbijgaan van den nacht, door het opgaan van de zon, alles op aarde begint te herleven, een liefelijke geur zich verspreidt met den dauw, die van den hemel daalt, en de lento warmte en vruchtbaarheid aan den bodem schenkt en tegelijk den menschelijken geest met een vreedzaam genot vervuld wordt; en dit wel daarom, omdat de dageraad in den tijd der lente overeenstemt met den staat van vrede bij de engelen des hemels. (Zie no. 155.) s

290. Ik heb ook met de engelen gesproken over vrede, en gezegd, dat men op aarde over vrede spreekt als oorlog en vijandschap ophoudt tusschen koninkrijken, of strijd en

r De vereeniging van goed en waar in een nienscli, die wordt wedergeboren, wordt uitgevoerd in eene staat van vrede ; nos. o()9G, 8517.

s. De staat van vrede in den Hemel is als de dageraad en als de lente op aarde 172G, 2780, 5CGi!.

289. 290.

184.

ocr page 229

DE STAAT VAN VREDE IN DEN HEMEL.

291.

verdeeldheid onder de mensohen; en dat men gelooft, dat inwendige vrede eene rust des geestes is na het ophouden van zorg, en vooral gerustheid en genot na het welslagen eener onderneming. Maar de engelen antwoordden, dat al deze dingen wel schijnbaar uit vrede voorkomen, maar niet in werkelijkheid, dan alleen hij hen, die in hemelsch goed verkeeren, omdat vrede alleen iu dat goede geschonken wordt. quot;Want vrede vloeit van den lieer in hun allerbinnenste en daalt van daar neder en vloeit in het lagere gebied van hun geest en bewerkt daar bevrediging van het gemoed (requien mentis), zielenvrele (tranquilli tatem annemij en de daaruit spuitende vreugde.

Maar aan hen, die in het kwade verkeeren, wordt geen vrede geschonken. 1 Wel genieten zij een schijn van rust, vrede eu genot, wanneer de dingen gebeuren volgens hunne wenschen, maar dit is uiterlijk en Tiiet innerlijk. Inwendig branden zij van vijandschap, haat, wraak, wreedheid en andere lioozo lusten, waartoe ook hun gemoed vervalt, zoodra zij in aanraking komen met iemand, die hun niet gunstig is en tot uitbarsting komt, wanneer vrees hen niet weerhoudt. Daarom woont hun genot in zinneloosheid, maar het genot der goeden woont in wijsheid : het onderscheid is als dat tusschen hemel en hel.

DE VERBINDING VAN DEN HEMEL MET HET MENSCHDOM.

291. Het is wel bekend in do kerk, dat alle goed van God komt, en niets van den niensch, en dat daarom niemand aan zich zclven eenig goed als het zijne mag toeschrijven ;

t De lusten, die worden geboren nit eigenliefde en wereldliefde, verdrijven vrede geheel en al; nos. 3170, 5652. Sommigen stellen linnnen vrede in onrust en in zulke dingen, die tegen de vrede gekant zijn; no. 5GC2. Vrede wordt niet gescliunken, voordat de lusten van het kwade verwijderd zijn 11«•.

1Ö5

ocr page 230

HEMEL EN HEL.

en het is ook bekend, dat kwaad van den duivel is. Daarom zullen zij, die volgens de leer der Kerk oordoelen, van iemand, die goed handelt, of vroom spreekt of preekt, zeggen, dat hij van God geleid wordt; doch het togeudocl van iemand, die slecht doet of goddeloos spreekt. Deze dingen kunnen niet zoo bestaan, tenzij de mensch verbinding heeft mot den hemel en verbinding met de hel, en tenzij deze verbinding met zijnen wil en verstand plaats heeft : want door deze werkt het lichaam en spreekt do mond. Wat deze verbinding is, zal nu worden verklaard.

292. Met eiken mensch verkeeren goede geesten en kwade geesten: door de goede geesten is de mensch met den hemel verbonden, en door de booze geesten met de hel.

Deze geesten wonen in de geestenwereld, dio zich bevindt in het raidden tusschen hemel en hel, en die later in bizon-derheden zal worden beschreven. Wanneer deze geesten tot iemand komen, dringen zij in heel zijn geheugen door, en vandaar in al zijne gedachten; do kwade geesten iu de boozo dingen van zijn geheugen en gedachten, maar do goede geesten in de goede dingen van zijn geheugen en gedachten. De geesten weten in het geheel niet, dat zij bjj den mensch zijn, maar als zij bij hem zijn, gelooven zij, dat alle dingen van zijn geheugen en gedachten hun eigen zijn : ook zien zij don mensch niet, omdat do dingen van ons zonnestelsel niet voor hen zichtbaar zij n.« Door den Hoer wordt met groote zorg verhoed, dat de geesten hun samenzijn met den mensch bemerken, want indien zij zulks wisten, zouden zij tot hem spreken en booze geesten hem vernietigen, aangezien boozo geesten, omdat zij met de hel verbonden zijn, niets liever begeeren dan do vernietiging van den mensch, niet alleen naar do ziel, dat is met betrek-

u Bij ieder mensch wonen engelen en geesten, cn door hen heeft hij gemeenschap met de geestelijke wereld ; nos. 01)7, 271)0, 28S(;, 2S87, 4017, 4048, 5846—65, 5976—93. De mensch kan niet leven zonder dat geesten met hem zijn ; nos. 5993. De mensch is niet zichtbaar voor de geesten, evenmin als de geesten voor den mensch; no. 5862. Geesten kunnen niets zien van hetgeen in ons zonnestelsel tot den menscht behoort, behalve bij iemand tot wien zij spreken; nos. 1880.

1SG

292.

ocr page 231

DE VERBINDING VAK DEN HEMEL MET HET MEXSCHDOM. 293.

king tot geloof en liefde, maar ook naar het lichaam. Het geval wordt anders, als zij niet met den mensch spreken; dan weten zij niet, dat hetgeen zij denken en ook hetgeen zij onder elkander spreken van hem komt, (want onder elkander spreken zij ook uit don menseh), maar zij gelooven, dat hetgeen zij denken en spreken hun eigen is, en iedereen bemint en vereert, wat hem eigen is, waardoor geesten worden gedrongen den mensch lief te hebben en te eeren, ofschoon zij dat niet weten. — Dat er zulk eene verbindtenis van den mensch met geesten bestaat, is mij zoo duidelijk geleerd door de aanhoudende ondervinding van vele jaren, dat er niets duidelijker is dan dat.

293. Dat geesten, die met do Hel gemeenschap hebben, ook aan den mensch worden toegevoegd, is, omdat do mensch in allerlei boosheid geboren wordt, en zoodoende zijn eerste leven alleen van hen heeft; om dezelfde reden zou de mensch niet kunnen leven, wanneer geone geesten gelijk hij zelven met hem verbonden waren, en ook zoude hij niet aan zijne boosheden kunnen worden onttrokken en hervormd worden. Om deze reden wordt do mensch door booze geesten in zijn eigen loven gehouden, en door goede geesten daarvan afgetrokken en door middel van beiden is hij in evenwicht; Door dit evenwicht is de mensch in vrijheid en kan hij van het booze worden afgetrokken en naar het goede geleid, en kan het goede in hem worden ingeplant, hetwelk in geen geval zou kunnen gebeuren als hij niet in vrijheid verkeerde; ook zou hij niet vrij zijn, tenzij geesten uit de Hel aan de eene zijde en geesten uit den Hemel aan de andere zijde op hem werken, en hij zelf midden in staat. liet is ook duidelijk gebleken, dat de mensch in zoover als hij aanvaardt, wat aangeboren en daardoor van hem zelf is, geen leven zou bezitten, indien hem niet veroorloofd ware in het booze te zijn en ook geen als hij niet vrij ware ; en verder, dat hij niet tot het goede kan gedwongen worden, en dat hetgeen opgedrongen wordt, niet bestaan blijft; en ook nog, dat het goede, hetwelk een mensch in vrijheid ontvangt, in zijnen wil wordt in-

167.

ocr page 232

UEMEL EN HEL.

geplant, als het zijne wordt, x cn dat daardoor do mensch verbindinsr heeft met de Hel cn verbindino; mot don Hemel.

O O

294. Waarin de verbinding bestaat van don Jlomel met goede geesten, en van do Kol met biozo geesten, on dus van don Hemel en de Hel mot den monsch, zal ook worden verklaard. —■ Alle geesten- die in de geostemvorold zijn, hebben geineeuachap met den Hemel of do Hol, do boozen mot do Hel, do goeden met don Hemel. i)o Hemel is in gezelschappen verdeeld en zoo ook de Hol.

Iedere geest behoort bij het ecnc of andore gezelschap, cn bestaat ook door invloeiing van dat gezelschap en handelt zoodoende als een lid daarvan. Vandaar dat een mensch door zijne verbinding met geesten ook met don Hemel of de Hel verbonden is, en wol met hetzelfde gezelschap, waarin hij zich bevindt, naarmate van zijne genegenheid of liefde; want alle gezelschappen des Hemels zijn onderscheiden naar hunne genegenheid voor het goede en het ware, cn allo gezelschappen van de Hel naar hunne genegenheid voor liet booze en het valsche. Over do gezelschappen dos Hemels zie no. 41—45 en 148 —151.

295. Do geesten, die den mensch zijn toegevoegd, zijn van dezelfde hoedanigheid als hij zelf is ton opzichte zijner liefde; maar goede geesten worden hem door den Heer toegevoegd, terwijl booze geesten door den mensch zei ven worden aangetrokken. Do geesten, die bij don monsch wone^ worden echter afgewisseld naar gelang van do veranderingen in zijne genegenheden. Sommige geesten verkeeren mot hem in zijne kindsheid, andere in zijne jeugd, in zijn jongelingsjaren, mannelijken leeftijd en ouderdom.

x Alle vrijheid is uit liefde en genegenheid, aangezien een mensch vrijwillig doet, wat hij bemint; nos. 2870, olöS, 8H87. 8!»!)0, 9rgt;85, 95!)]. Omdat vrijheid uit liefde is, behoort liet tot 's menschen leven; no. 2lt;S7o. Niels schijnt als 's menschen eigen, dan alleen, wat uit vrijheid komt; no. 2880. De mensch moet vrij wezen om hervormd te kunnen worden : nos. ll)i{7, 15)47, 287G, 2881, 3145, 3146, 3158,4031, 8700. Anders kan de liefde voor goed en waar den mensch niet ingeplant worden en worden toegeëigend schijnbaar als zijn eigen; nos. 2877, 2879, 2880, 2883, 8700. Niets wordt den mensch toegevoegd wat gedwongen is; nos. 2875, 8700. Indien de menseh door dwang kon hervormd worden, zouden allen worden hervormd; no. 2881. Alle dwang in hervorming is pijnlijk no. 4031. Wat een staat van dwang is, no. 8392.

ISö

294, 295.

ocr page 233

DE VERBINDING VAN DEN HEMEL MET HET MENSCHDOJI.

lu 's mcnselicn kindslieid verkecren mot hein geesten, die in onschuld zijn, die dus met den Hemel der onschuld gemeenschap hebben, welke dc derde of binnenste Hemel is : in zijne jeugd zijn er bij hem geesten, die in de liefde voor kennis zijn, en daarom gemeenschap hebben met den eersten of laagsten Hemel. In dc jongelingsjaren en mannelijken leeftijd zijn er geesten met hem, die in de liefde voor het ware en hot goede verkecren, en daardoor in inzicht zijn, die dus met den tweeden of middelsten Hemel in gemeenschap zijn ; maar in den ouderdom zijn er geesten aanwezig, die in wijsheid en onschuld zijn eu daarom met den binnensten of derden Hemel verbonden zijn. Maar deze toevoeging wordt uitgevoerd door den Heer bij hen, die kunnen worden hervormd eu wedergeboren worden. Hot is een ander geval met den mensch, die niet kan worden hervormd en wedergeboren: hem worden ook goede geesten toegevoegd, opdat hij dopr hen zooveel mogelijk van het kwade moge worden teruggehouden, maar onmiddellijk is hij verbonden met booze geesten, die met de Hol in gemeenschap staan; hij heeft dus zulke geesten als hij zelf is.

Wanneer de mensch zelfzuchtig is, of gewinzuchtig, of wraakgierig, of echtbreukig, dan zijn gelijksoortige geesten bij hem en wonen als het ware in die booze neigingen ; en zoover als een mensch dan door goede geesten niet van het kwaad kan worden teruggehouden, in zoo verre wakkeren die booze geesten hem aan ; en in zooverre als do booze neiging heci'scht, zoo ver kleven die booze geesten hem aan en wijken zij niet van hem terug. Zoodoende is een slecht mensch met de Hel en een goed mensch met den Hemel verbonden.

290. Dat de Heer den mensch regeert door middel van geesten, komt, omdat hij niet is in de order des Hemels, want hij is geboren in kwaad, dat uit de Hel is, dus in het tegenovergestelde van do Goddelijke orde. De mensch moet daarom tot de orde worden teruggebracht en dit kan niet anders geschieden dan door bemiddeling van geesten. Het zou anders wezen als de mensch geboren werd in het goede, 189

29G.

ocr page 234

HEMEL EN HEL.

297.

dat volgenB de orde des Hemels is; dan zoude hij door den Heer niet worden geregeerd door bemiddeling van geesten, maar door de orde zelve, dus door algemeene invloeiing. Door middel van deze invloeiing wordt de mensch geregeerd ten opzichte van de dingen, die uit zijne gedachten en wil voortkomende in werking overgaan, dus ten opzichte van zijne spraak en handelingen ; want deze ontstaan volgens de natuurlijke orde en daarmede hebben de geesten, die aan don mensch zijn toegevoegd, niets gemeen. Door middel van deze algemeene invloeiing uit de geestelijke wereld worden ook de dieren geregeerd, want die zijn in de'orde van hun leven, en zijn ook niet in staat geweest die orde te verkeeren en te vernietigen, omdat zij geen redelijk vermogen bezitten, v Over het onderscheid tusschen den mensch en de dieren, (zie no. 39.)

297. Aangaande hetgeen, dat nog vorder betrekking heeft op de verbindtenis van den Hemel met het menschelijk geslacht, moet worden opgemerkt, dat de Heer zelf bij iederen mensch invloeit volgens de orde des Hemels, zoowel in zijn binnenste als in zijn uitwendige en hom geschikt maakt om den Hemel te ontvangen, en ziju uitwendige regeert door zijn binnenste en tegelijkertijd zijn binnenste regeert door zijn uitwendige, en zoodoende alle dingen van den mensch met met elkander in verbinding houdt. Deze invloeiing van den Heer wordt onmiddellijke invloeiing genoemd, maar de andere invloeiing, die door geesten plaats vindt, wordt middellijke invloeiing genoemd; de laatste bestaat door middel van de eerste. Onmiddellijke invloeiing, die uit den Heer zelf is, is

ij Het onderscbeid tusschen menschen en dieren bestaat daarin, dat de mensch door den Heer tot Hem kon worden opgeheven, en over liet Goddelijke kan denken en hetzelve liefhebben, en daardoor met den Heer kan worden verbonden; hierdoor heeft de mensch eenwig leven, maar niet de dieren is het anders; nos. 4525, 6323, 9231. Dieren zijn in de orde van hun leven, en worden daarom geboren in dingen die voor hun natuur passen, maar de mensch niet, die daarom door den weg des verstands in de orde van zijn leven moet worden ingeleid; nos. G37, 5850, G323. Door de algemeene invloeiing wordt gedachte in spraak, en wil in de gebaren van een mensch omgezet; nos. 58G2, 59Ü0, 0102, 0211. Over de algemeene invloeiing der geestelijke wereld in het leven der dieren, nos. 1633, 3G46.

190

ocr page 235

DE VERBIXDIXG VAN DEN HEMEL MET HEX MENSCUDOM. 298.

uit zijn Goddolijk-Mcnsclielijke, en geschiedt in 'b menschen wil en door zijnen wil in zijn verstand, dus in hot goede van den mensch, er door liet goede in zijn ware, of wat hetzelfde bcteekcnt in zijne liefde, en door zijne liefde in zijn geloof; docli niet omgekeerd en nog minder in geloof zonder liefde, of in het ware zonder goed, of in verstand dat niet uit don wil is. Deze Goddelijke invloeiing geschiedt zonder ophouden en wordt bij goede menschen in het goede opgenomen, maar niet bij slechte menschen. Bij slechte menschen wordt zij of verworpen of gesmoord, of bedorven ; dientengevolge hebben zij een slecht loven, wat in geestelijken zin dood beteekent. 3

298. De geesten, die met den mensch zijn, zoowel zij, die mot don Hemel als zij, die met de Hel verbonden zijn, vloeien nooit uit hun eigen geheugen en deszelfs gedachten bij den mensch in, want als zij uit hun eigen gedachten zouden invloeien, zoude de mensch niet beter weten dan dat de dingen, die hun aangingen, do zijne waren, (zie no. 256). Maar toch vloeit door hen uit den Hemel bij den mensch in. genegenheid, die uit de liefde voor goed en waar voortkomt; en uit do Hel genegenheid, die uit liefde voor kwaad en valscli ontspruit. In zoo verre dus als eens menschen gene-gonhedon overeenkomen met hetgeen dat invloeit, in zooverre wordt dat door hem in zijne eigen gedachte ontvangen, want de innerlijke gedachten van een mensch stemmen altijd samen met zijne genegenheden of liefde ; maar in zoover als

z. Er bestaat eenc onmiddellijke invloeiing van den Heer, en ook eenc middellijke invloeiing door de geestelijke wereld nos. 6063, 6307,6472,9682,9683. Onmiddellijke invloeiing van den Heer is in de biaonderheden van alle dingen ; nos. 6058, 6474—78, 8717, 8728. De Heer vloeit in, in het begin van alles, en tegelijk in het laatste, — de wijze waarop, zie nos. 5147, 5150, 6473, 7004, 7007, 7270. De invloeiing des Heeren is in het goede bij den mensch en door het goede in het ware, en niet omgekeerd; nos. 5482, 5649, 6027, 8685, 8701, 10153. Het leven, dat van den Heer invloeit, wordt gewijzigd volgens den staat van den mensrli en volgens de opname ; nos. 2069, 5986, 6472, 7343. Bij slechte menschen wordt het goede, dat van den Heer invloeit, in kwaad omgezet, en het ware in valsch; nit ondervinding; nos. 3642, 4632. Goed en het ware daarvan, dat aanhoudend van den Heer invloeit, wordt zoover opgenomen als het kwaade en het valsciie zich niet daartegen verzetten; nos. 2411, 3142, 3147, 5828.

191

ocr page 236

HEMEL EN HEL.

het niet overeenkomt, wordt het ook niet aangenomen. Vandaar is het duidelijk — dewijl door de geesten geen gedachten, maar alleen genogenlieid voor goed en genegenheid voor kwaad bij den mensch invloeien — dat do mensch keuze heeft, omdat hij vrijheid heeft; hij kon daarom dus met gedachten goed opnemen en kwaad verwerpen, want door het Woord weet hij, wat goed is en wat kwaad. Wat hij uit genegenheid met gedachten opneemt, wordt door hein ook toegeëigend ; maar wat hij niet uit genegenheid met gedachten ontvangt, wordt door hem niet toegeëigend. Uit dit alles blijkt, wat de invloeiing is van goed uit den Ilemel, en van kwaad uit de Hel, die in den mensch plaats heeft.

299, Het is mij ook gegeven geworden te weten, waaruit bezorgdheid, kommer der ziel, en inwendige droef lieid, die melancholie genoemd wordt, bij den mensch voortkomt.

Er zijn geesten, die nog niet in verbinding zijn met de Hel, omdat zij nog in hun eersten staat verkeeren, en waarover later zal gehandeld worden in de afdeeling over de wereld der geesten. Die geesten beminnen onverteerde en bedorven dingen, zooals de aangetaste spijzen in de maag. Om deze reden verkeeren zij bij don mensen in die dingen, omdat zij daarin behagen vinden en daar spreken zij met elkander uit hunne eigen kwade genegenheden. De stemming van hun gesprek vlooit vandaar bij den mensch in, en als deze stemming in tegenstelling is met die van den mensch zolven; dan wordt zij in hem droefheid en zwaarmoedige bangheid, doch indien zij hem aangenaam is, blijheid en vroo-lijkheid. Deze geesten verschijnen nabij do maag. Sommige tor linkerzijde, andere ter rechterzijde, eenige laag en andere hoog en ook dicht bij of verder af, zoodoende verschillend naar gelang van de neigingen, waarin zij verkeeren. Dat bezorgdheid des gemoeds hieruit ontstaat, heb ik duidelijk geleerd en is mij door veel ondervinding tut zekerheid geworden. Ik heb hen gezien, heb ze gehoord, ik heb de bangheid door hen voelen opkomen, met hen gesproken; zij zijn weggedreven geworden en de bangheid hield op; zijn teruggekomen en de bezorgdheid kwam terug; en ik heb 192

299.

ocr page 237

DE VERBINDING VAX DEN HEMEL MET HET MENSCIIDOM. 300- :i02.

dc vermeerdering en de vermindering daarvan gevoeld, naargelang dat ssij naderbij kwamen ot' verder af gingen. Hieruit werd mij ook duidelijk waarom door sommigen, die niet weten wat het geweten is, omdat zij geen geweten iieb-ben, zulke pijnen aan den maag worden toegeschreven. 0

300. De verbintenis van den Hemel met den mensch is niet dezelfde als de verbintenis van menschen onderling, maar het is eenc verbintenis met het inwendige van zijn gemoed, dus met den geestelijken of inwendigen mensch. Er bestaat eene verbintenis met zijn natuurlijken of uitwendigen mensch door overeenstemming, waarover in het volgende hoofdstuk zal worden gehandeld, tegelijk mot de verbinding van den Hemel met den mensch door middel van het Woord.

301. Dat de verbintenis van den Hemel met het mensch-dom en van het menschdom met den Hemel zoodanig is, dat de eene door de andere bestaat, zal ook in het volgende hoofdstuk worden aangetoond.

302. Ik heb met Engelen gesproken over de verbintenis van den Hemel met het menschdom, en zeide, dat een mensch in de kerk inderdaad beweert, dat allo goed uit God komt, en dat er Engelen bij den mensch verkeeren ; maar dat nog zeer weinigen gelooven, dat Engelen met den mensch verbonden zijn en nog minder, dat zij in zijne gedachten en genogen-heden wonen. Hierop antwoordden de Engelen, dat zij wisten, dat er zulk een geloof heerscht en nog zulk eene manier van spreken in de wereld bestaat, en zeer tot hunne verbazing vooral in dc kerk, waar toch het Woord is, dat hun

u. Zij. die geen geweten hebben, weten-niet wat liet geweten is;nos. quot;490, 9121. Sommigen lachen over het geweten, wanneer zij hooren wat het is; no. 217. Sommigen meenen, dat geweten niet bestaat, anderen dat het iets droevigs is, dat voortkomt uit oorzaken in het lichaam of uit oorzaken in de wereld; weèr anderen, dat het iets is wat ecnvoudigen menschen met godsdienstige dweepzucht eigen is; nos. 950. (200, S31) (Ware Christr Godsd. 065.) Er bestaat een echt geweten, een onecht geweten, en een valsch peweten; no. 1033, — Wroeging van het geweten is bezorgdheid des geinoeds ter wille van iets, dat de mensch gelooft ongerechtig, onoprecht of in eenige wijze kwaad te zijn tegen God of tegen het welzijn van den naasten; no. 7217. Zij d:e liefde hebben voor God, en liefdadigheid jegens den naasten, hebben een geweten, maar zij. w«lke die niet bezitten, hebben er geen; nos, 831, 9G.:), 2380, 7490.

193. 13*

ocr page 238

HEMEL EN HEL.

over den Hemel leert en over deszeltB verbiuteuis met den mensch; terwijl er toch zulk eene verbintenis bestaat, dat de mensch niet het geringste kan denken, zonder dat geesten hem toegevoegd zijn en terwijl zijn geestelijk leven daarvan afhangt. Zij zeiden, dat de oorzaak dier onwetendheid omtrent dit onderwerp hierin bestond, dat de mensch geloofde uit zich zeiven te leven zonder verbinding met het Eerste Wezen dos levens, en niet weet dat deze verbinding door middel van den Hemel plaats heeft; terwijl toch de mensch, indien deze verbinding wierd verbroken, oogenblikkelijk dood zoude neervallen. Indien do mensch geloofde, wat werkelijk het geval is, dat alle goed van don lieer komt en alle kwaad uit de Hel, dan zoude hij niet het goede in zich tot een onderwerp van verdienste maken, noch ook het kwade aan zich toeschrijven ; want dan zoude hij in al het goede, dat hij denkt en doet, op don Heer zien en al het kwaad dat invloeit zoude worden teruggeworpen naar de Hol, waaruit het komt.

Maar omdat de mensch niet gelooft, dat er uit den Hemel en uit de Hol invloeiing plaats heeft en zoodoende onderstelt, dat alle dingen, die hij denkt en wil, in hem zeiven en uit hem zeiven zijn, daarom eigent hij zicli het booze toe, en verontreinigt hij het goede, dat invloeit, met verdienste.

OVER DE VERBINDING VAN DEN HEMEL MET DEN MENSCH DOOR MIDDEL VAN HET WOORD.

303. Zij, die volgens eeno innerlijke rede denken, kunnen zien, dat er eene verbinding bestaat van allo dingen door tusschendingen met den Eersten en dat alles, wat niet in die verbinding ligt, opgelost wordt. Want zij weten, als zij nadenken, dat niets uit zich zelf kan bestaan, maar wel door iets dat voorafgaat, bijgevolg alles door een Eerste, en dat de verbinding mot hetgeen voorafgaat, gelijk is aan de ver-104.

303.

ocr page 239

VERBINDING DOOR MIDDEL VAN HET WOORD.

binding van een gevolg mot zijne aanleidendo oorzaak ; want indien de aanleidende oorzaak van zijn gevolg wordt weggenomen, zal het gevolg worden opgelost en verdwijnen. Omdat de geleerden zoo dachten, zagen en zeiden zij, dat bestaan een voortdurend ontstaan is; dus, dat alle dingen, doordien zij door een Eerste ontstaan, ook voortdurend ontstaan, dat wil zeggen bestaan. Maar hoe de band is, die elk ding met zijn voorganger verbindt, dus met den Eersten, waardoor alle dingen zijn, kan niet met enkele woorden gezegd worden, daar die band veelvuldig en verschillend is. Wij kunnen alleen in het algemeen zeggen, dat er een verbinding tusschen de natuurlijke en de geestelijke wereld bestaat, en dat er daardoor een overeenstemming is van alle dingen in do natuurlijke wereld met alle dingen in do geestelijke wereld zie over deze overeenstemming nos. 103 tot 115 — en dat er eveneens cene verbinding en bijgevolg overeenstemming bestaat tusschen allo dingen van den mensch en alle dingen van den Hemel. (nos. 87 tot 102.)

304. De mensch is zoo gescliapen, dat hij met den Heer verbinding en gemeenschap heeft, maar met de Engelen des Hemels heeft hij alleen samenzijn. Dat bij met de Engelen niet vereenigd is, maar slechts een samenzijn met hen heeft, komt, omdat de mensch van de Schepping af gelijk is aan een Engel, wat zijn innerlijk betreft, dat tot het gemoed behoort; want de mensch heeft een wil en een verstand evenzoo als een Engel ; daardoor wordt de mensch na zijn dood, indien hij volgens de Goddelijke orde geleefd heeft, een Engel, en is dan zijne wijsheid aan die dor Engelen gelijk. Wanneer wij daarom van véreeniging van den mensch met den Hemel spreken, bedoelen wij zijne verbinding met den Heer, en eveneens zjjn gemeenschap met de Engelen ; want de Hemel is niet Hemel door hetgeen tot de Engelen behoort, maar wel door het Goddelijke des Heeren. — Dat het Goddelijke des Heeren don Hemel maakt, kan men boven zien, (nos. 7 tot 22.) — Maar de mensch heeft nog bovendien, wat do Engelen niet hebben, dat hij niet alleen, wat zijn inwendige betreft, in de Geestelijke wereld is, maar evenzoo, ter 195.

304.

ocr page 240

HEMEL EX HEL.

zelfdor tijd, wat zjjn uitwendige betreft, in de natuurlijke wereld. Zijn uitwendige, dat in de natuurlijke wereld is, bestaat uit al de dingen, die tot zijn natuurlijk of uitwendig geheugen beliooren, en dus tot de gedachten eu de verbeelding in liet algemeen, de kennis en de wetenschappen, met hun genoegen en bekoorlijkheden, voor zoover zij volgens de wereld genoten worden ; als ook de verschillende genoegens, die tot het zinnelijke van het lichaam beliooren, te zamen met de zintuigen zelf, de spraak en de handelingen. Alle deze dingen zjjn ook de uitersten, waarin de goddelijke invloeiing des Heeren eindigt, want deze invloeiing houdt niet op in het midden, maar üraat voort tot de uitersten. Hieruit kan

7 O

men zien, dat het uiterste van do goddelijke orde in den menscli is, eu omdat hij het uiterste is, ook eveneens de basis en het fundament daarvan. Daar de Goddelijke invloed niet in het midden ophoudt, maar tot aan de uitersten voortgaat, zooals zooeven gezegd werd, en het midden, waardoor de invloed heen gaat, de Engelenhemcl is, en de uitersten in den mensch zijn, terwijl bovendien niets bestaat zonder verbinding, volgt daaruit, dat de verbinding en de vereeniging van den Hemel met het menscheljjke geslacht zoodanig zijn, dat de eene door bet andere bestaat, dat dus het menschelijk geslacht zonder Hemel gelijk zou zijn aan een ketting waarvan de haak ontbreekt, eu dat de Hemel zonder het menschelijk geslacht, als een huis zonder fundeering zou zijn. h

b. Niets ontstaat uit zich zelf, maar uit iets dat vooraf ging, dus alles uit een Eerste en zij bestaan ook voort door Hem uit wien zij ontstaan en bestaan, dat is, voordurend ontstaan; nos. 2886, 2888, 3627, 3628, 3648, 4523, 4524, 6040, 6056. De goddelijke orde houdt niet in het midden op, maar gaat voort tot de uitersten en eindigt daar; het uiterste is de mensch en daarom eindigt de Goddelijke orde bij den mensch; nos. 634, 2853, 3632, 5897, 6239, 6451, 6465, 9215, 9216, f9217,) 9824, 9828, 9836, 9905, 10044, 10329,10335, 10548. Inwendige dingen vloeien in volgorde in uitwendige, zelfs tot in de buitenste of uiterste dingen; daar ontnlaan zij ook en bestaan voort; nos. 634, 6239, 6465, 9215, 9216, en hun ontstaan en voortbestaan in het uiterste is in gelijke orde; nos. 5897, 6451, 8603, 10099. Vandaar dat alle inwendige dingen in verband met elkaar worden gehouden uit den Eersten door het Laatste; no. 9828 ; en daarom beteekenen ,.de Eerste en de Laatstequot; alle dingen en ieder ding, dus het geheel; nos. 10044, 10329, 10335, en bijgevolg is er kracht en macht in de uitersten ; no, 9830.

19(1.

ocr page 241

VERBrXDING DOOR MIDDKL VAN IIKT WOORD.

305.

i}05. Daar cclitcr de meusch dczo verbinding met den Uemel verbroken lieeft lt;loor zijn inwendige van den ileniel af te wenden en naar de wereld en ziuh zeiven te keeren door liefde voor zich zelf en voor de wereld, en zich zoo terug trok, dat hij niet langer als basis en fundament voor den Hemel dienen kon, werd een gemeenschapsmiddel dooiden Heer verschaft om de plaats van den meusch als basis en fundament voor den Hemel te vervullen, als ook tot vcr-eeniging van den Hemel met den meusch. Dit gemeenschapsmiddel is het Woord. Hoe liet Woord als gemeenschapsmiddel dient, werd op vele wijzen aangetoond in de Heiuel-sche Geheimen, in een aantal plaatsen, die verzameld zijn in het kleine werk over het Witte Paard, waarover in de Openbaring wordt gesproken, en eveneens in het bijvoegsel van het werk, over liet Nieuwe Jeruzalem en zijn Hemel-sche leer. Eenige dier plaatsen worden ook in onderstaande noten aangehaald. 0

c. Het Woord in de letterlijke zin is natuurlijk; no. 8783, omdat liet natuurlijke het uiterste is, waarin Geestelijke en Hemelsehe dingen, die inwendige dingen zijn, ophouden en waarop zij voortbestaan als een huis op zijn fundament; nos. iM.'H), 0433, f 821, 10044, 10430. Opdat het Woord van zulk eene hoedanigheid zou zijn, is het door zuiver overeenstemmingen geschreven; nos. 1404, 1408, 1409, IMO, 161U, 1651), 1709, 1783, 8615, 10087; en daar het Woord op die wijze, in den letterlijken zin bestaat, bevat het den geestelijken en Hemelsehen zin, no. 9407, en is zoowel voor de menschen als voor de Engelen tegelijk geschikt gemaakt; nos. 1707—72,1887,2143,2157, 2275, 2333, 2395, 2540, 2541, 2547, 2553, 7381, 8802. 10322. Het is daarom het gemeenschapsmiddel tot vereeniging van Hemel en aarde; nos. 2310, 2495, 9212, 9210, 9357, 9396, 10375. De vereeniging van den lieer met den mensch wordt door het Woord tot stand gebracht, door het gemeenschapsmiddel van den inwendigen zin: no. 10375. Door alles en door elk onderdeel van het Woord heeft vereeniging plaats; vandaar dat het Woord bewonderenswaardig is boven alle andere geschriften; no. 10032—34. Nadat het .Woord geschreven was, sprak de Heer daardoor tot de menschen; no. 10290. De kerk, waarin het Woord is en waar dc Heer door het Woord gekend wordt, is ten opzichte van hen, die buiten de kerk staan en het Woord niet hebben, en den Heer niet kennen, als het hart en de longen in den meusch ten opzichte van dc andere Hchaamsdeelen, die door hen levrn als de bron van hun leven: nos. 637, 931, 2054, 2853. Want de al gem eene kerk op aarde is voorden Heer als een enkel mensch; nos. 7390, 9270. Daaruit volgt, «lat indien er geen kerk op deze aarde ware, waarin het Woord is, en waard» m -r dit Woord, de Heer gekend wordt, het mensehelijk geslacht op deze aarde zou vergaan nos. 408, 037, 931, 4545, 10152.

197.

ocr page 242

IIEMEr, EX HEL.

30G. Mij werd uit Jon JJeniel medegedeeld, dat de alleroudste volken onmiddellijke openbaring hadden, omdat hun inwendige naar don Hemel gekeerd was, en daardoor de lieer te dien tijde in vereeniging met liet menschelijk geslacht was, maar dat later de onmiddellijke openbaring ophield en werd opgevolgd door eone middellijke openbaring door overeenstemmingen. Ook dat allo Goddelijke ecredionst van het volk, dat de oudste volken opvolgde, bestond in overeenstemmingen en dat daarom hunne kerken zinnebeeldige kerken werden genoemd. Want wat overeenstemming en zinnebeeld was, wist men toon nauwkeurig, en ook dat allo dingen op aarde overeenstemden met geestelijke dingen in den Hemel en in de kerk, ot' —- wat hetzelfde is — dat zij daarvan beelden zijn. En daarom dienden hun de natuurlijke dingen, die hot uitwendige van den oeredionst waren, als gemeenschapsmiddel om geestelijk te denkon, dus met de Engelen te denken. Nadat de wetenschap van overeenstemmingen en voorstellingen vergeten was, werd het Woord geschreven, waarin al do uitdrukkingen en eveneens do zin er van in alle vormen, overeenstommingon zijn en daardoor geestelijken ot' inwondi-gen zin hebben, waarin ook de Engelen zijn.

Wanneer daarom do mensch hot Woord leest en het opvat volgons don letterlijken zin — die de uitwendige zin is -begrijpen do Engelen het volgens den inwendigon of geestelijken zin. Want alle gedachten der Engelen zijn geestelijk; maar de gedachte van den mensch is natuurlijk, en ofschoon de geestelijke en de natuurlijke gedachten zeer verschillend schijnen, vormen zij toch eon geheel, daar zij overeenstemmen. Daarom word, toon de mensch zich van den Hemel afwendde en den band verbrak, oen nieuw middel tot verbinding door den Hoer verschaft, namelijk hot Woord.

307. Do wijze waarop de Hemel door hot Woord met den mensoh werd verbondon, zal ik door oenige plaatsen daaruit toelichten. Plet Nieuwe Jeruzalem wordt in de Openbaring beschreven mot de volgende woorden: „ Ik zucj een nieuwen Hemel en een nieuwe aarde; trant cle eerste Hemel en de eerste aarde ivaren voorhijgegaan. En ik zag de heilige stad Jeruza-

1(J8

306, 307.

ocr page 243

VERBINDING DOOK MIDDEL VAN HET WOORD.

lem, van God uit den Hemel nederdalen. De stud lag vierkant, hare lengte zoo groot als hare breedte; en een Engel mat de stad met den meetstok op twaalf duizend stadiën; de lengte en breedte en de hoogte waren gelijk. En hij mat haren muur honderdvierenveertig el, naar de maat eens menschen, welke van een Engel is. En het gebouw van haren muur was van jaspis; maar de stad zelve was louter goud, aan zuiver glas gelijk. En de fundamenten van den muur waren versierd met allerlei kostelijk gesteente. De twaalf poorten waren twaalf paarlen ; en de straten der stad uaren zuiver goud, gelijk doorschijnend glas.quot; Openb. XXI : 1, 2, 16, 17, 18, 19, 21. De mensch, dio dezo woorden leesL verstaat ze niet anders dan volgens den lotterljjken zin, namelijk dat do zichtbare Hemel en aarde zullen vergaan, en een nieuwe Hemel zal ontstaan; dat op de nieuwe aarde, de heilige Stad Jeruzalem zal nederdalen en dat al de afmetingen dier stad met deze beschrijving zullen overeenkomen. Maar de Engelen, die met den mensch zijn, begrijpen die dingen op een gansch andere wijze; zij begrijpen geestelijk, hetgeen de mensch natuurlijk opvat. Onder don nieuwen Hemel en de nieuwe aarde verstaan zij een niouwe kerk. Onder de Stad Jeruzalem van God uit den Hemel nederdalende, verstaan zij do Hemelsche leer dier kerk door den Heer geopenbaard. Onder hare lengte, breedte en hoogte, die gelijk zijn, en twaalf duizend stadiën meten, verstaan zij al het goede en ware van die leer samengenomen. Bij den muur verstaan zij do waarheden, die haar beschermen; onder de maat van den muur, hondervierenveertig el, de maat van een mensch, dat is, van een Engel, verstaan zij al de beschermende waarheden samengenomen, en hunne hoedanigheid; onder hare twaalf poorten, dat twaalf paarlen waren, verstaan zij inleidende waarheden. Paarlen beduiden eveneens zulke waarheden. Onder do fundamenten van den muur, die van kostbare steenen waren, verstaan zij de kundigheden, waarop die leer gegrond is. Onder goud aan zuiver glas gelijk, waaruit de stad en hare straat bestaan, verstaan zij het goede van do liefde, waardoor de leer en hare waarheden doorschijnend wordt. Engelen begrijpen alle deze din-l'J'J.

ocr page 244

HEMEL EN HEL.

jjou op ilio wijze, cu niet zooals do menschon. De natuurlijke denkbeelden van den mensch gaan zoo over in geestelijke denkbeelden bij do Engelen, zonder dat zij iets weten van den letterlijken zin van het Woord, bijvoorbeeld van een nieuwen Hemel en een nieuwe aarde; van een nieuwe stad Jeruzalem, van hare muren en van do fundamenten van den muur on zijne afmetingen. En toch maken de gedachten der Engelen een geheel uit met do gedachten der menschen, omdat zij daarmede in ovoreenstemming zjjn. Zij vormen een geheel, bijna zooals do woorden van hom, die spreekt, een geheel vormen mot hot begrip dier woorden, bij hem, die hoort, zonder op de woorden, maar wel op den zin er van te letten. Uit dit voorbeeld kan blijken, op welke wijze de Hemel met den mensch is veroenigd door liet Woord. Nemen we een ander voorbeeld uit Jesaja XIX : 23—25: „ In dien tijd zal er een f/ehadmle ive/j zijn van Egypte naarAssyrië, en Assyrië zal in Egypte en Egypte in Assyrië komen, en de Egyptenaars zullen Assyrië dienen. In dien tijd zal Israel de derde zijn met Eggpte en Assyrië een zegen in hef midden des lands, welke de HEEh'E der Heir scha ren zal zegenen, zeggende: Gezegend zijt gij Eggpte, mijn volk, en gij Assyrië, het werk mijner handen, en gij Israel, mijn erfdeel. Hoe de mensch denkt en hoe do Engelen denken bij het lezen dezer woorden, kan men nagaan uit den letterlijken zin on uit den inwendi-gen zin. De mensch denkt volgens den letterlijken zin, dat de Egyptenaren. en Assyriërs zich tot God zullen wenden en aangenomen zullen worden en een geheel met hot Israëlie-tische volk zullen vormen, doch de Engelen denken volgens den inwendigen zin aan den mensch van de geestelijke kerk, die daar in dien zin beschreven is, wiens geestelijk zijn is aangeduid door Israel, zijn natuurlijk door den Egyptenaar en zijn redelijk, dat het middelste is, door don Assyriër. ''

d. Egypte en Egyptenaar beteekenen in het Woord, liet natmirlijke en daardoor zijne kundigheden ; nos. 4967, 5079, 5080, 5090, 5160, 5799, 6015, 6147, 0252, 7355, 7648, 9040, 9391, Assyrië beteekent liet redelijke: nos. 119, 1186; en Israel beteekent het geestelijke; nos. 5414, 5801, 580.'!, 5809, 5812, 5817, 5819, 5826, 5833, 5879, 5951, 012(1, 6637, 6862, CStis. 7035, 7062. 7198, 7215, 7223, 7957, 8234, 8805, 9340.

200.

ocr page 245

VERBINDING DOOR MIDDEL VAX HET WOORD.

En toch vormen deze zinnon één geheel, omdat zij overeenstemmen en daardoor worden zij vereenigd, wanneer de Engelen geestelijk denken en de mensch natuurlijk denkt, bijna als lichaam en ziel. De inwendige zin van het Woord is ook zijn ziel en de letterlijke zin is zijn lichaam. Zoo is het Woord in al zijne deelcn ; en daaruit bljjkt duidelijk, dat het Woord een gemeenschapsmiddel tot vereeniging van den Hemel met den mensch is, en dat zijn letterlijke zin als basis en fundament dient voor die vereeniging.

308. Zij, die buiten de kerk zijn, en het Woord niet bezitten, worden toch met don Hemel door het Woord vor-eenigd, want de kerk des Heeren is algemeen en sluit allen in, die een Goddelijk wezen erkennen en in liefdadigheid loven. Zulko personen worden ook na hun afsterven door de Engelen onderwezen en ontvangen de Goddelijke waarheden. c Over dit onderwerp leze men hetgeen later in een afzonderlijk hoofdstuk over de Heidenen gezegd wordt. Do algomeene kerk op aarde, evenals de Heme], is voor den Heer als één mensch ; en dat do algemeeno Hemel op één mensch gelijkt, werd boven reeds aangetoond ; ns. 59—72. De kerk waarin het Woord is en waar de Heer door het Woord gekend wordt, is als het hart en de longen in dien mensch. Want dat al do spieren en lichaamsdeelen hun loven aan het hart en de longen op verschillende wijzen ontleenen, is bekend. Zoo ook leeft dat doel van het menschelijk geslacht, dat buiten dc kerk is, waarin het Woord is, en de leden van dien mensch vormt. De vereeniging door het Woord van den Hemel met hen, die van de kerk verwijderd zijn, kan ook vergeleken worden met het licht, dat uit een middelpunt naar alle richtingen wordt verspreid. Want het Goddelijke

ti. De kerk is in liet bijzonder daar, waar hot Woord is, en waar de Heer door het Woord gekend wordt, bijgevolg daar waar de Goddelijke waarheden des Hemels geopendaard zijn; nos. oSfiT, lOTOl. De kerk des Heeren is bij allen in de geheele wereld, lt;lie in het goede leven, overeenkomstig de grondbeginselen van hunnen godsdienst; nos. o2Gö, 6637, 10765. In elk land worden allen, die in het goede, overeenkomstig de grondbeginselen van hunnen godsdienst, leven, en een Goddelijk wezen erkennen, door den Heer aangenomen nos; 2589--iMM, 2S(') I. lisG.;, 4100, 4197, (gt;700, 0256 ; en bovendien alle kin

deren, waar zij ook geboren zijn : nos. 2280—2300, 1702.

308.

201.

ocr page 246

HEMEL EX HEL.

licht is in liet Woord, on do Heer is daar mot don Memel tegenwoordig en verlioht van daar uit ook hen, die ver verwijderd zijn. liet zou geheel anders zijn, indien er geen Woord bestond. Dit kan nader worden opgehelderd door hetgeen gezegd is over den vorm des Hemels, volgens welke alle bewoners samen wonen en gemeenschap hebben. Dit geheim wordt echter niet verstaan door hen, die alleen in natuurlijk licht zijn; wel door hen, die in het geestelijk licht zijn, omdat die duidelijk ontelbare dingen zien, welke door hen, die in het natuurlijke licht zijn, niet worden gezien of slechts als een duister ding gezieu worden.

309. Indien zulk een Woord niet op deze aarde gegeven ware, zouden hare bewoners van den Hemel gescheiden geworden zijn, en, van den Homel gescheiden, ook niet langer in het bezit van hun verstand gebleven zijn. Want het menschelijk verstand ontstaat door de invloeiing van het licht des Hemels. De menschen dezer aarde zijn eveneens buiten staat, onmiddellijke openbaring te ontvangen, eu door dat middel te worden onderricht in do Goddelijke waarheden, gelijk dit plaats heeft met de bewoners van andere werelden, die in een afzonderlijk werkje beschreven zijn. Want de mensch van deze aarde leeft moer in wereldsche en dus in uitwendige dingen dan de menschen van andore werelden en het zijn inwendige dingen, welke de openbaring ontvangen ; indien uitwendige dingen haar ontvingen, zoude zij niet begrepen worden. Dat de mensch op deze aarde inderdaad zoodanig is, blijkt duidelijk bij diegenen in de kerk, die, ofschoon door liet Woord omtrent den Hemel, de Hel, het leven na dit leven onderricht, toch in hun hart die dingen loochenen, ofschoon er onder hen zijn, die door hunne geleerdheid beroemd zijn, en van wie men dus verwachten mag, dat zij wijzer zijn dan anderen.

310. Somtijds heb ik met de Engelen gesproken over liet Woord en vertelde hen, dat het door sommigen wegens zijn eenvoudigen stijl veracht werd, en dat er in het geheel niets omtrent zijn inwendigen zin bekend is, en dat men daarom niet gelooft, dat er zulk een hooge wijsheid in verborgen ligt.

309, 310.

202.

ocr page 247

VElUilNDING DOOK MIDDEL VAN IIEÏ WüOUD.

De Engelen antwoordden dat de stijl van het Woord, ofschoon schijnbaar eenvoudig naar den letterlijken zin, toch zoodanig is, dat in voortreffelijkheid niets hoegenaamd daarbij kan vergeleken worden, omdat er Goddelijke wijsheid niet alleen in eiken volzin, maar ook in elk woord afzonderlijk besloten ligt, en dat in den Hemel die wijsheid licht geeft. Zij wilden te kennen geven, dat zij het liclit dos Hemels is, omdat zij Goddelijke waarheid is, want Goddelijke waarheid schijnt in den Hemel als licht; zie no. 132. Zij zeiden ook, dat zonder zulk oen Woord do menschen van onze aarde geen licht van don Hemel zouden hebben en ook de Hemel dan niet met hen verbonden zou zijn; want die verbinding geschiedt in dezelfde mate als het licht des Hemels bij den mensch is, en in dezelfde mate wordt ook de Goddelijke waarheid hom door hot Woord geopenbaard. De reden waarom de mensch niet weet, dat er verbinding plaats vindt door de overeenstemming van den geestelijken zin van het Woord met zijn natuurlijken zin, is, omdat de mensch dezer aarde niets weet omtrent de geestelijke gedachte en de geestelijke spraak der Engelen, en dat die verschilt van de natuurlijke gedachte en de natuurlijke spraak der menschen. En daar hij dit niet weet, kan hij ook niet begrijpen, wat de inwendige zin is, en bijgevolg ook niet, dat door dien zin verbinding kan plaats hebben. Zij deelden ook mede, dat, indien de mensch het bestaan van zulk een zin kende en het Woord lezende, daarbij kon denken onder den invloed van die wetenschap, dan zou hij tot inwendige wijsheid geraken en nog verder met den Hemel verbondon worden, aangezien hij daardoor zou komen in denkbeelden, zooals de Engelen die hebben.

203.

ocr page 248

HEMEL EN UEL.

DK HKMEL KN DK HUL KOMEN VANquot; HET MENSC11EI.1JK (lESLACHT.

311. In dc Christelijke wereld weet men in't geheel niet, dat do Ileinel en dc Hel van het menschelijk geslacht komen, want men gelooft, dat de Engelen in den beginne geschapen worden en dit de oorsprong des Hemels was; dat verder do Jhüvel of Satan een Engel des Lichts was, die oproerig geworden, met zijn aanhangers uit den Hemel werd geworpen en dat dit de oorsprong der Hel was. Do Engelen verbazen zich zeer, dat er zulk een geloof in de Christelijke wereld heerscht en nog meer dat er niets omtrent den Hemel bekend is, ofschoon dit toch het voornaamste punt van de leer in de Kerk is ; en omdat zulk eene onwetendheid algemeen heerscht, verheugen zij er zich in hun hart over, dat het den Heer thans behaagde aan het menschdom vele bijzonderheden betreffende den Hemel en de Hel te openbaren, en daarbij, zooveel als mogelijk is, de duisternis te verdrijven, die dagelijks toeneemt, omdat de Kerk tot haar einde geraakt. Zij wenschen daarom, dat ik uit hun mond zou verklaren, dat er geen enkele Engel in den geheelen Hemel is, die oorspronkelijk als zoodanig geschapen werd, en evenmin in de Hel eenige duivel, die als een Engel des Lichts geschapen, later naar benoden word geworpen ; maar dat allen, beide in Hemel en Hol van het menschelijk geslacht afkomstig zijn ; dat de Engelen menschen waren, die in de wereld in He-melsche liefde en geloof leefden en dat de Duivelen menschen waren, die in Helscho liefde en geloof leefden; en dat de Hel als een geheel samen genomen Duivel en Satan wordt genoemd. Met Duivel wordt bedoeld de Hel die achter ligt, waar zij wonen, die booze Engelen worden genoemd. En met Satan wordt bedoeld dc Hol die voor ligt, waar zij vertoeven, die. booze geesten worden genoemd. / Wat de eene Hel is en wat de andere, zal in de volgende bladzijden wor-

ƒ. Dc Hellen samen genomen of do helsclio ^Pesten sunicn genomen, worden Duivel en Satan genoemd; no. Gril, en zij, die in de wereld duivels waren worden duivels na den dood; no. 908.

204.

311.

ocr page 249

HEMEL, EN HEL KOMEN VAN HET MENSCHELIJK GESLACHT.

312.

den beschreven. De Engelen zeiden, dat de Christel ij kn wereld eene dergelijk geloof had aangenomen, betreffende de bewoners van Hemel en Hel, door dat zij eenigc plaatsen in het Woord slechts volgens den letterlijken zin verstonden, zonder dat die werden opgehelderd en verklaard door de echte leer nit het Woord, terwijl intusschen do letterlijke zin van het Woord, indien die niet door de echte leer wordt opgehelderd, den geest afleidt in verschillende richtingen en zoo onwetendheid, ketterijen en dwalingen veroorzaakt. quot;

312. Een andere reden voor het bestaan van dit geloof bij den mensch in de kerk, is zijn geloof, dat niemand in den Hemel of in de Hel komt, vóór den tijd van het laatste oordeel, wanneer naar zijne meening alle zichtbare dingen zullen vergaan, en nieuwe dingen zullen tot stand komen; dat de ziel dan in zijn lichaam zal tcrugkeeren om door die vereeniging opnieuw als mensch te leven. Dit geloof sluit het andere in aangaande de Engelen, dat zij in den beginne zoo geschapen werden ; want men kan niet gelooven, dat de Hemel en de Hel van het menschelijk geslacht afkomstig zijn, wanneer men zich verbeeldt, dat niemand daar heen gaat vóór het einde der wereld. Maar opdat de mensch overtuigd worde, dat dit niet zoo is, werd het mij toegestaan met Engelen in gezelschap te zijn en ook om met de inwoners der Hel te spreken en zulks nu sedert vele jaren, somtijds zonder ophouden van den morgen tot den avond, en zoodoende te worden ingelicht betreffende den Hemel eu de Hel; en dit met het doel, dat de mensch in de kerk niet langer zou voortgaan in zijn dwaalbegrip betreffende de opstanding op den dag des oordeels, den staat van de ziel iu

g. De leer der kerk moet uit het Woord worden genomen; no. 3464,5402 G822, 10763, 10765. Het Woord wordt zonder leer niet begrepen; nos. 9025, 9400, 9424, 9430, 10324, 10431. 10582; de ware leer is een lamp voor hen die het Woord lezen; no. 10400. De echte leer moet van hen komen, die in de verlichting van den Heer zijn; nos. 2510, 2516. 2519,942410105. Zij, die in dien letterlijken zin zonder de leer zijn, krijgen gfcen begrip van Goddelijke waarheden; nos. 9409, 9410, 10582, en worden in vele dwalingen geleid ; nos. 10431 Wat het verschil is tusschen hen, die onderwijzen en leeren volgens de leer der kerk uit het Woord afgeleid, en hen, die slechts volgens den letterlijken zin onderwijzen en leeren ; no. 9025.

205.

ocr page 250

HEMEL KN HEL.

den tusscbeutijd en eveneens betreffende de Engelen en den duivel. Omdat dit geloof een geloof van het onware is, wordt daardoor het verstand in duisternis gehuld en twijfel opgewekt en ton laatste ontkenning, bij hen, die volgens eigen begrip over die dingen denken. Zulke nienschen zeggen in hun hart: „Hoe kunnen zulk een uitgestrekte Hemel en zoovele duizende Sterren, en de Zon en de Maan, vergaan en vernietigd worden ? En hoe kunnen de Sterren dan van den Hemel op aarde vallen, wanneer zij zooveel grooter dan de aarde zelve zijn ? En hoe kunnen lichamen, die door wormen zijn opgegeten, door bederf verteerd, en naar alle windstreken verstrooid zijn, opnieuw niet hunne ziel hereenigd worden ? Waar is de ziel intusschen en wat is zij zonder zintuigen, die zij in het lichaam had?quot; behalve nog vele zulke dingen, die niet kunnen geloofd worden, omdat zij onbegrijpelijk zijn en bij velen het geloof vernietigen in het leven van de ziel na den dood, en in het bestaan van een Hemel en een Hel, en in de andere leerstellingen, die tot het geloof der kerk behooren. Dat zij het geloof vernietigd hebben, is duidelijk waar te nemen in het gedrag van hen die zeggen; „Wie kwam er ooit uit den Hemel en vertelde ons, dat hij inderdaad bestond ? Wat is de Hel ? bestaat er zulk een plaats? Wat beteekent het, dat de mensch in het eeuwige vuur gemarteld zal worden P Wat is de dag des oordeels ? Werd die niet reeds gedurende vele eeuwen vergeefs verwacht ?quot; Behalve nog vele andere opmerkingen, die eene ontkenning van alles insluiten. Opdat daarom zij, die zoo denken, gelijk dit het geval ia mot velen, die wegens hunne wereldsche wijsheid beschaafd en geleerd worden genoemd, niet langer den eenvoudige van geloof en hart zouden verontrusten en verleiden, en helsche duisternis betreffende God, den Hemel, het Eeuwige Leven en andere daarmede in verband staande onderwerpen zouden veroorzaken, werden de inwendige zintuigen van mijn geest door den Hcor geopend en word het mij zoo gegeven na hun overlijden te spreken met allen, die ik ooit in het leven van hun lichaam, gekend had. Met eenige hunner sprak ik gedurende dagen, met anderen gedurende 206.

ocr page 251

HEMEL EN HEL KOMEN VAN HET MEN8CHEL1JK GESLACHT.

maanden cu met andere weer gedurende een jaar; en ook met anderen, met zoovelen, dat ik weinig zeg, als ik van honderdduizend spreek, waarvan velen in den Hemel en velen in de Hel waren. Ik heb ook met eenigen gesproken, twee dagen mi hun overlijden, en deelde hun mede, dat op dat oogenblik hunne lijkdienst gehouden, cn voorbereidingen werden gemaakt voor hunne begrafenis, waarop zij antwoordden, dat men wel deed door weg te doen, hetgeen hun als lichaam en voor zijne verrichtingen in do wereld gediend had, en zij verzochten mij te zeggen, dat zij niet dood waren, maar leefden, en evengoed als vroeger meuschen waren, en slechts van de eene wereld naar de andere waren verhuisd; dat zij niet bemerkten iets te hebben verloren, dat zij in een lichaam waren, dat alle zinnen en zintuigen had als vroeger en ook verstand en wil hadden als vroeger, en dat zij gedachten en goncgenheden, gewaarwordingen cn wenschen hadden, gelijk zij die in de wereld hadden. Velen hunner, die kortelings overleden waren, ziende dat zij als menscheu leefden zooals vroeger, en in een gelijken staat — want de eerste staat dos levens na den dood is dezelfde als in de wereld, maar wordt gaandeweg gewijzigd, hetzij voor don Hemel, hetzij voor de Hel — werden van nieuwe vreugde aangedaan, omdat zij leefden en verklaarden, dat zij dat niet geloofd hadden. Zij waren er zeer verwonderd over, dat zij in zulk een onwetendheid en blindheid hadden geleefd, betreffende den staat van hun leven na den dood ; en meer nog, dat do leden der Kerk zoo onwetend en verblind waren, daar zij toch boven alle anderen in de wereld, de waarheid aangaande deze dingen konden weten. h Zij ontdokten dan voor 't eerst do oor-

h. Weinige menschen in het Christendom gelooven heden ten dage dat de niensch onmiddellijk na den dood herrijst. Inleiding van het XVI kap. van Gen. en nos. 4G2'2, 10758; doch dat hij zal verrijzen ten tijde van het laatste oordeel, wanneer de zichtbare wereld zal vergaan, no. 10ö!)ó. De reden van dat geloof; nos, 10305, 1075S; niettemin herrijst de mensch onmiddellijk na den dood, en is dan in elk opzicht een mensch; nos. 4527, 500G, 5078, 8939, 8901, 10594, 10758. De ziel, die na den dood leeft, is de geest van den mensch, die in den mensch de mensch is, en die in het anaere leven, in een volmaakten menschelijken vorm is ; nos. 322. 1880, 1881, 3G33, 4622, 4735, 5883, 6054, GG05. 6G2G, 7021. 10594. Uit ondervinding; nos. 4527, 50UG, 8039; en volgens het Woord; no. 10597. Wat bedoeld wordt door de dooden die in de Heilige Stad werden gezien. Math. XXVII : 53, verklaart, no. 9229. Op welke wijze de mensch uit den dood wordt opgewekt ; uit ondervinding;

207.

ocr page 252

HEMEL EN HEI,.

zaak van hunne bliiuilieid en onwetendheid, namelijk dat die daaraan te wijten is, dat uitwendige dingen, die betrekking hebben op de wereld en op liet lichaam, hunne gedachten zoodanig bezighielden eu vervulden, dat zij buiten staat waren in het liolit des Hemels verheven te worden, en de dingen der kerk anders te beschouwen dan als bloote leerstelsels. Want door lichamelijke en wereldlijke dingen, wanneer die bemind worden, zooals dat heden ten dage geschiedt, vloeit enkel duisternis in, wanneer de menschen verder gaan willen.

313. Een groot aantal geleerden der Christelijke wereld zijn verbaasd, wanneer zij zicli, na hun afsterven, zien in een lichaam, bedekt mot kleederen en in huizen, als in de wereld ; en wanneer zij zich herinneren, hetgeen zij omtrent het leven na den dood en betreffende de ziel, de geesten, den Hemel en de Hel hadden gedacht, worden zij door schaamte bevangen en bekennen, dat zij dwaas hebben gedacht en de eenvoudigen in het geloof veel wijzer waren dan zij. De geleerden, die zich in zulke denkbeelden hadden bevestigd, en die alles aan de natuur toeschreven, werden onderzocht, en daarbij werd bevonden, dat hun inwendige geheel gesloten was, en hun uitwendige geopend, zoodat zij niet naar den Hemel, maar naar de wereld, en bijgevolg naar de Hel zagen. Want in zoo verre het inwendige geopend is, ziet de mensch naar den Hemel, maar naarmate het inwendige gesloten is, en het uitwendige geopend, riet hij naar de Hel; doordien het inwendige van den mensch gevormd is tot ontvangst van alle dingen des Hemels en het uitwendige voor ontvangst van alle dingen der wereld; en zij, die de wereld ontvangen en niet te gelijkertijd den Hemel, ontvangen de Hel. *

314. Dat de Hemel uit het menschelijk geslacht komt, is ook duidelijk, doordien het verstand der Engelen en der

313, 314.

nos. 168—189. Betreflcnde zijnen staat na de wederopstanding; nos. 317— 319, 2119, 5079, 10596. Valsclie begrippen bctrefiVmde de ziel en hare op-standing : nos. -144, 445, 4527, 4622, 4658.

i. In den mensch zijn de geestelijke en natuurlijke wereld vereenigd ; no. 6057 ; Het inwendige van hem is naar het beeld des Hemels gevormd, en het uitwendige naar het beeld der wereld : nos. 362S. 4523, 4524, 6013, 6057, 9706, 10156, 10472.

208.

ocr page 253

HEMEL EN HEL KOMEN VAN HET MENSCHELIJK GESLACHT. 315.

mensehen gelijk is. JieiJen genieten de gave van verstand, opmerking en willen, en beide zijn gevormd om den Hemel te ontvangen. Want het mensclielijk verstand is evengoed als het verstand der Engelen voor wijsheid ontvankelijk ; maar het verkrijgt niet zóóveel wijsheid in de wereld, omdat het in een aardsch lichaam huist, en het geestelijk verstand in dat lichaam denkt natuurlijk. Anders is het, wanneer het mensclielijk verstand bevrijd is van zijne verbinding met dat lichaam; dan denkt het niet langer natuurlijk, maar geestelijk; en als hot geestelijk denkt, denkt het dingen, die onbegrijpelijk en onuitsprekelijk voor den natuurlijken mensch zyn, en wordt dus even wijs als een Engel. Hieruit kan men waarnemen, dat het inwendige van den mensch, dat zijn geest genaamd wordt, in zijn wezen een Engel is, k (zie no. 57) en dat het, van zijn aardscho'lichaam bevrijd, evenals een Engel in menachohjken vorm is. Dat een Engel in volmaakt menschclijken vorm is, kan men zien in no. 73—77. Maar wanneer het inwendige van den mensch niet meer naar boven, maar alleen naar, beneden geopend is, zal na de scheiding van het lichaam wel do menscheljjke vorm behouden blijven, maar zal die afschuwelijk en duivelachtig zijn; want hij kan niet opwaarts ten Hemel, doch slechts benedenwaarts naar do Hel zien.

315. Hij, die onderwezen is betreffende de Goddelijke Orde, kan eveneens begrijpen, dat de mensch geschapen werd om een Engel to worden, daar in hem het uiterste der orde is, (no. 30-i) waarin wat van Hemelsche en Engelenwijsheid is, tot vorm kan worden gebracht en vernieuwd en vermeerderd. Do Goddelijke Orde houdt nimmer in het midden op, om daar iets te vormen zonder zijn

k. Er zijn evenveel graden van liet leven des menschen als er Hemelen zijn, en zij worden na den dood geopend, overeenkomstig zijn leven ; nos. 3747, 9594; want de Hemel is in den mensch; no. 3884; en zij, die een leven van liefde en liefdadigheid leiden, hebben Engelenwijsheid in zich, die echter verborgen is, omdat zij in de wereld zijn. maar na den dood komen zij in die wijsheid ; no. 2494. De mensch die het goede der liefde en van het geloof van den Heer ontvangt, wordt in het Woord een Engel genoemd ; no. 10528

209 14*

ocr page 254

HEMEL EN HEL.

uiterste, — waut daar is het niet in zijne volledigheid en volmaaktheid — maar gaat voort tot zijn uiterste en als liet in zijn uiterste is, dan brengt het in vorm, en ook door middelen daar verzameld, vernieuwt zij en brengt verder voort. Dit goscliiedt door procreaties en daarom ia liet uiterste het zaaiveld des Hemels.

;U0. Do Heer is weder opgestaan, niet alleen wat Zijn Geest betreft, maar ook wat het lichaam aangaat, omdat Hij, toen Hij in de wereld was. Zijn geheele Menschheid verheerlijkte, dat wil zoggen Goddelijk maakte ; want do ziel, die Hij van don Vader had, was van zich zelve het Goddelijke zelf, en Zijn lichaam word cone gelijkenis van de ziel, dat is van den Vader, dus eveneens Goddelijk. Vandaar dat Hij verschillend van eenig monsch opstond, zoowel met de ziel als met het lichaam, 1 hetgeen Hij ook duidelijk maakte aan Zijne discipelen, die meenden dat zij oenen geest zagen, toen zij hem gewaar worden zeggende Hij tot hen : Zief mijne hunde.n en mijne voeten, dnt Ik het zelf ben; tast mij en ziet, want een (jeest heeft geen vleesch en heenderen, gelijk gij ziet, dat ik heb. (Lucas XXIV : 37—39); door welke woorden Hij aantoonde, dat Hij niet alleen een monsch was naar den geest, maar ook naar het lichaam.

317. Opdat men zoude weten, dat de monsch na den dood leeft, en dat hij of naar don Hemel, óf naar de Hel gaat, naarmate zijn leven in de wereld geweest is, werden mij vele dingen bekend gemaakt, aangaande den staat van den monsch na den dood, welke in hunne volgorde vermeld zullen worden, wanneer wij in de volgende bladzijden over do wereld der geesten spreken.

316, 317.

210

1

üe mensch herrijst alleen met zijn geest; nos. 10593, 105U4j doch alleen de Heer stond op ook met het lichaam ; noa. 1729, 2Ü83, 5078, 10825.

ocr page 255

318, 319.

OVER rgt;E HEIDENEN OF VOLKEREN BUITEN DE KERK IN DEN HEMEL.

318. liet is ecu algemeen gevoelen, dat zij die buiten de Kerk geboren zijn, en die heidenen, niet-christenen genoemd worden, niet zalig kunnen worden, omdat zij het Woord niet bezitten, en zoodoende den lieer niet kennen, zonder wien geen verlossing is. Doch hieruit alleen zou men kunnen weten, dat zij ook zalig kunnen worden, doordat de genade des Heeren algemeen is, dat wil zeggen, zich tot iedereen uitstrekt; dat zij evenzeer als mensch geboren zijn als zij, die in de Kerk zijn — wier aantal betrekkelijk klein is — en omdat het hun schuld niet is, dat zij den Heer niet kennen. Een ieder, die met eenig verlicht verstand denkt, kan inzien, dat geen enkel mensch voor de hel geboren is, want de Heer is do liefde zelf, en Zijne lietde bestaat in den wil om allen te redden. Daarom heeft Jlij gezorgd, dat alle menschen godsdienst zullen hebben en daardoor een Goddelijk wezen zouden erkennen en een inwendig leven bezitten; want leven naar een godsdienstig beginsel is inwendig leven, omdat dan een Goddelijk Wezen wordt erkend, en voor zoover hij dit erkent, zoover acht de mensch de wereld niet, maar verwijdert hij zich daarvan en dus van het leven der wereld, dat het uitwendige leven is.

319. Dat heidenen evengoed als christenen zalig worden, kunnen zij verstaan, die weten wat bij den mensch den Llemel maakt; want de llemel is in den mensch, en zij, die den Hemel in zich hebben komen in den Hemel. De Hemel in

vi. De heidenen kunnen even goed als de Christenen zalig worden; nos. 932, 1032, 1051), 2284. 2589, 2590, 8778, 4190, 4197. Over het lot der heidenen en volkeren huiten de kerk, in het andere leven : nos. 2589—2604. De kerk is in 't bijzonder, waar het Woord is, en waar men den Heer door het Woord kent; nos. 3857, 10761. Nietemin zijn echter zij, die geboren zijn, waar het Woord is, en waar de Heer bekend is, op dien grond nog geen leden der kerk, maar wel zij. die een leven van liefdadigheid en des geluofs leiden : nos. 6637, 10143. 10153, 10578, 10645, 10829. De kerk dfs Heeren is hij allen in het heelal, die in het goede ieven overeenkomstig hunne Ciodsdienst en een Goddelijk wezen erkennen; en dezulken worden door den lieer aangenomen en komen in den Hemel ; nos. 2589—2604, 2861, 2863, 3263, 4190, 4107,6700,9256.

211

ocr page 256

HEMEL EN HEL.

don mciisch is hot erkennen van het Goddclijlvc en zich door hot Goddelijke te laten leiden : liet eerste en voornaamste van allen godsdienst is de erkenning van het Goddelijke. Een godsdienst zonder die erkenning is geen godsdienst en do voorschriften van eiken godsdienst hebben betrekking op aanbidding; zij loeren dus op welke wij ze het Goddelijke moet worden aangebeden, opdat do aanbidding Hem welgevallig zij ; en wanneer dit in zijnen geest bevestigd wordt, dus naar mate, dat hij het wil, of naar mate hij het liefheeft, wordt hij door don Heer geleid. Het is bekend, dat heidenen een zedelijk leven leiden, evengoed als de christenen; en vele hunner zelfs beter. De menschen leiden een zedelijk leven, of ter wille van het Goddelijke, of ter wille van het oordeel der wereld ; maar een zedelijk leven, dat geleid wordt ter wille van het Goddelijke is geestelijk leven. En ofschoon beide uitwendig gelijk schijnen, zijn zij inwendig geheel verschillend ; het eene maakt den mensch zalig, maar het andere niet, want hij die een zedelijk leven leidt ter wille van het Goddelijke, wordt door het Goddelijke geleid, maar hij die een zedelijk leven leidt ter wille van de wereld, wordt door zich zeiven geleid. Dit kan door een voorbeeld worden opgehelderd. Hij, die geen kwaad bedrijft tegen zijnen naaste, omdat kwaad doen strijdig is met do godsdienst, bijgevolg ook met het Goddelijke, laat liet kwade uit een geestelijk motief; maar hij, die geen kwaad tegen een ander bedrijft alleen uit vrees voor de wet, of uit vrees om zijn goeden naam, zijn eer of gewin te verliezen, en bijgevolg ter wille van zich zelf of van de wereld, schuwt het kwaad alleen uit een natuurlijk motief, en wordt door zich-zelven geleid; het leven van den laatste is natuurlijk, maar dat van den eerste is geestelijk. De mensch, wiens zedelijk leven geestelijk is, heeft den Hemel in zich ; maar de mensch, wiens leven slechts natuurlijk is, heeft den Hemel niet in zich. De reden daarvan is, dat de Hemel van boven af invloeit en het inwendige van den mensch opent en door dit inwendige in het uitwendige vloeit, terwijl de wereld van beneden af invloeit en het uitwendige opent, maar niet het inwendige.

212

ocr page 257

DE HEIDENEN IN DEN HEMEL.

Want cr bestaat ^eou invlociing van do natuurlijke wereld in de geestelijke, maar wel van de geestelijke in de natuurlijke; en wiumeer do Hemel niet tegelijkertijd wordt ontvangen, wordt daarom het inwendige gesloten. Uit deze opmerkingen kan men zien, wie den Hemel in zich ontvangen en wie niet. Maar do Hemel is bij iedereen niet dezelfde, doch verschilt naarmate ieders genegenheid tot het Goede on het Ware uit het goede. Zij, die in de genegenheid tot het Goede zijn terwille van het Goddelijke, hebben de Goddelijke waarheid lief; want het Goede en het Ware hebben elkander wederkeerig lief en wenschen vereenigd te zijn ; » daarom ontvangen de heidenen ze uit liefde in het andere loven, ofschoon zij niet in de echte waarheden zijn, gedurende hun loven in do wereld.

320. Een zekoro geest van uit de heidenen, die in de wereld geleefd had in het goede dor liefdadigheid, ovoreon-komstig zijn godsdienst, hoorde eonige christelijke geesten over artikelen des geloofs redenooren — want geesten redeneeren met elkander grondiger en moer scherpzinnig dan de menschen, vooral over hot Goede en Ware -— en verwonderde zich, dat zij op zulk een wijze redetwistten, en zeide, dat hij lien niet gaarne hoorde, omdat zij naar den schijn en naar dwalingen oordeelden on verbeterde hen met de opmerking: „Indien ik goed ben, kan ik uit het goede zelf weten, welke dingen waar zijn, en de waarheden, die ik niet kon, kan ik dan ontvangen.quot;

321. Mij werd op vele wijzen geloerd, dat do heidenen, die een zedelijk loven hebben geleid, in golioorzaamheid en onderwerping en in onderlinge liefdadigheid volgens hun godsdienst hebben geleefd, en die daardoor iets als oen geweten hadden ontvangen, in het andere loven worden aangenomen en daar door de Engelen in het Goede en hot Ware des

7i. Tusschen het goede en het ware bestaat als 't ware eer. huwelijk; nos. 1004, 2173, 2508, ei! een eeuwigdurende neiging tut vereeniging, want liet goede zoekt het ware en wonseht daarmede vereenigd te worden ; nos. 0200, 9207, 9405. Op welke wijze en hij wien de vereeniging van het goede en het ware plaats heeft; nos. 3S34, 3843, 100(1, 4097, 4301, 4345, 4353,4304,4308, 5305, 7C.23—7027, 9258.

213

320, 321.

ocr page 258

HEMEL EN HEI..

gcloot's met bijzondere zorg werden onderwezen, en dat zij gedurende het onderwijs zich zedig, verstandig en wijs gedragen en de waarheden gemakkelijk ontvangen en in zich opnemen. Zij hebben voor zich zelf geeue dwaalbegrippen gevormd, strijdig met de waarheden des geloofs, die eerst moeten afgelegd worden ; nog minder hebben zij aanstoote-hjke gedachten omtrent den Ueer opgevat, gelijk menig christen, die omtrent Hem denkt, alsof Uij slechts een gewoon mensch was. De heidenen daarentegen, als zij booren, dat God Mensch werd, en zich zoo in de wereld vertoonde, erkenden dit dadelijk en aanbidden den Heer, zeggende, dat God zich volkomen openbaarde, omdat Hij de God des Hemels en der aarde is, en omdat het menschelijk geslacht Ilem toebehoort. 0

Het is een Goddelijke waarheid, dat zonder den Heer geene verlossing bestaat, maar dit moet zoo begrepen worden, dat er geen verlossing is dan door den Heer. Er zijn vele wereldbollen in het heelal, en alle vol met inwoners, van wie nauwelijks enkelen hunner weten, dat de Heer den Menschelijken vorm aannam op onze aarde; en toch worden zij, omdat zij het Goddelijke onder menschelijken vorm aanbidden, door den Eleer aangenomen en geleid. Zie over dit onderwerp het kleine werk ; Over de Wereldbollen in het Heelal.

322. Zoowel ouder de heidenen als onder de christenen zijn wijzen en eenvoudigen; en opdat ik omtrent hunne hoedanigheid onderricht zou worden, werd het mij gegeven met beiden van hen to spreken, somtijds gedurende uren en dagen. Er zijn thans niet zulke wijze menschen als er in

o. Het verschil tusschen het Goede, waarin de Heidenon zijn en het Goede, dat onder Christenen beslaat ; nos. 1189, 41lt;»7. Betreffende de waarheden bij de Heidenen; nos. 377s. 4190. Het inwendige kan hij de beidenen niet

zoo gesloten worden als bij dt*quot; lt; quot;bristenen : no. 92óf), evenmin kan bij de Heidenen, die volgens bnnnon godsdienst in wederzijdsche liefdadigheid leven, zulk een dichte wolk bestaan als bij de Christenen, die niet in liefdadigheid leven, en waarom ; nos. 1059 9250. De heidenen kunnen de heilige dingen der kerk niet ontwijden, zooals de Christenen dit doen, omdat de Heidenen er niet mede bekend zijn : nos. 1327, 132S, 2051. Zij vreezen de Christenen, wegens liet leven dat zij leiden; nos. 2596, 2597. Zij, die goed geleefd hebben, in overeenstemming met hunnen Godsdienst , worden door Engelen onderricht en ontvangen de waarheden des geloofs gemakkelijk, en erkennen den lieer; nos. 2049, 2595, 259S, 2600, 2001, 2003, 2801, 2863, 3203.

322.

214

ocr page 259

DK HEIDENEN IN DEN HEMEL.

overoude tijden, voornamelijk in de Oude Kerk waren, welke Kerk zicli over een groot deel van Azië uitstrekte, en waaruit godsdienst naar vele volkeren werd verspreid. Opdat ik hunne bijzondere hoedanigheid zou lecren kennen, word het mij gegeven mot sommigen hunner vertrouwelijk te praten.

Een hunner, met wien ik sprak, behoorde in zijnen tijd onder de zeer wijzen en is daarom in de geleerde wereld goed bekond. Ik sprak met hem over verschillende onderwerpen en ik had reden te gelooven, dat het Cicero was. En omdat ik wist, dat hij een wijs man was, sprak ik hem over wijsheid, doorzicht, orde en liet quot;Woord, en eindelijk over den Heer. Over wijsheid zeide hij, dat er geen wijsheid bestond dan die op hot leven betrekking heeft en dat niets anders dien naam verdient. Over doorzicht zeide hij, dat hot uit do wijsheid voortkomt; en over orde, dat die door den Hougsten God bestaat, cn dat te leven in die orde is wijs en verstandig te zijn. Wat het Woord betreft, was hij bijzonder verheugd, toon ik hem een plaats in do Profeten voorlas, in 't bijzonder, dat ieder naam en ieder woord inwendige dingen beteekenden, en hij was er verbaasd over, dat do geleerden heden ten dage geen genot vonden in zulk eeue studie. Jk kon duidelijk zien, dat het inwendige van zyne gedachte of van zijn geest geopend was: hij zeide, dat hij niet langer daarbij verwijlen kon, omdat hij iets gewaar werd, heiliger dan hij verdragen kon, zoo zeer was hij inwendig daardoor aangedaan. Eindelijk sprak ik mot hem over den Heer, dat Uij als mensch geboren werd, doch van God ontvangen was; dat hij het moederlijk-menaciiclijke aflegde en het Goddelijk-Mcnschelijke aannam, en dat üij liet is, die het heelal bestuurt. Hierop antwoordde lijj, fiat hem veel betreffende den Heer bekend was, en dat liij op zijne eigen wijze bemerkte, dat de redding van don inensch op geeuc andere wijze zou kunnen bewerkt ziia Tcr/.vli'.lor tjjd strooiden eenigo slecht gezinde christenen verscliiilend'. aan-stootelijkheden uit, maar hij achtte niet daarop, zeggende, dat zulks niet te verwonderen was, omdat zij in het leven van het lichaam, onbehoorlijke denkbeelden over liet onderworp liadden

215

ocr page 260

HEMEL EN HEL.

ingezogen, en dat, zoolang die denkbeelden niet verdwenen waren, zij geen denkbeelden tot bevestiging der waarheid konden toelaten, geljjk zij dat kunnen, die in onwetendheid verkeeren.

323. Ook werd mij toegestaan met anderen te spreken, die in oyeroude tijden leefden en toen onder de bijzonder wijzen behoorden. Zij. verschenen eerst aan de voorzijde op eenigen afstand en vandaar uit konden zij het. inwendige mijner gedachten bemerken en zoodoende vele dingen ten volle onderscheiden. Uit een denkbeeld der gedachten konden zij de geheele reeks ontdekken en die opvullen met heerlijke opvattingen van wijsheid, vereenigd met bekoorlijke voorstellingen. Hieruit werd bemerkt, dat zij onder de bijzonder wijzen behoorden, en er werd gezegd, dat zij eenigc der zeer ouden waren. Zij kwamen dan nader en toen ik hen een deel van het Woord voorlas, waren zij daarmede hoo-gelijk ingenomen. Ik ondervond zelf hun genot en hunne vreugde, en dat die hoofdzakelijk daaruit voortkwam, dat allea en elk ding, dat zij uit het Woord hoorden, Hemelsche en geestelijke dingen beteekende en voorstelde. Zij zeiden, dat in den tijd, toen zij in de wereld leefden, hunne wijze van denken en spreken en ook van schrijvcn, van een gelyken aard was, en dat dit de studie hunner wijsheid was.

324. De heidenen van den tegenwoordigen tijd zijn niet zoo wijs, maar de meesten hunner zijn eenvoudig van harte; doch zij onder hen, die in onderlinge liefdadigheid loefden, ontvangen wijsheid in het andere leven ; hiervan kunnen een paar voorbeelden worden bijgebracht. Eens, toen ik do hoofd stukken XVII, en XVII f der Richtoren las, betreffende Micha, wiens gesneden beeld en wiens Teraphim en Leviet werden weggenomen door do zonen van Dan, was er een geest uit do heidenen tegenwoordig, die gedurende het leven des lichaams een gesneden beeld had aangebeden. Hij luisterde oplettend naar het verhaal omtrent hetgeen Micha werd aangedaan, en over het verdriet, dat hij ondervond door dit gesneden beeld, dat de Danieten hadden weggenomen, en nu overkwam ook den geest zulk een verdriet, dat inwendige smart hem bijna het donkvermogen benam.

323, 324.

216

ocr page 261

DE HEIDENEN IN DEN HEMEL.

Deze smart werd bemerkt en tegelijkertijd ook de onschuld, die in al zijne aandoeningen was. Er waren ook christelijke geesten tegenwoordig, die eveneens hetzelfde opmerkten en er zeer verbaasd over waren, dat een aanbidder van een gesneden beeld kon getroffen worden door zulk een aandoening van medegevoel en onschuld. Later spraken ecnige goede geesten met hem, zeggende, dat een gesneden beeld niet behoorde aangebeden te worden en dat hjj, als mensch, in staat was dit te begrijpen, maar dat hij, buiten de gesneden beelden om, aan God moest denken, als de Schepper en Bestuurder van den geheeleii hemel en de geheele aarde, en dat de Heer die God is. Hij deze woorden werd de inwendige aandoening van zijne aanbidding kenbaar gemaakt, welke zich aan mij mededeelde, en veel heiliger was dan bij de Christenen, li it deze omstandigheden kan blijken, dat heden ten dage heidenen gemakkelijker in den Hemel komen dan Christenen, in overeenstemming met de woorden van den Heer in Lukas XIII : 2f), 30. Igt;an zullen zij komen ran het Oosten en het Westen en van het Noorden en het Zuiden, en zullen aanzitten in het koninkrijk Gods. En ziet, er zijn laatsten, die eersten zullen zijn, en er zijn eersten, die laatsten zullen zijn. W ant in den staat, waarin deze geest was, kon hij met alle dingen des geloofs worden begiftigd on die met inwendige genegenheid ontvangen ; hij bezat de barmhartigheid der liefde en in zijne onwetendheid was onschuld ; en waar deze dingen tegenwoordig zijn, worden alle dingen des geloofs als 't ware van zelf en met vreugde ontvangen. Hij werd later onder de Engelen opgenomen.

325. Op een morgen hoorde ik op een afstand een koor en uit de voorstellingen van het koor kwam ik te weten, dat het Chineezen waren, want zij stelden het beeld van eenen wol-ligen bok voor, vervolgens een gierstekoek en een ebbenhouten lepel, alsook het beeld van een drijvende stad. Zij drukten den wensch uit nader bij mij te komen, en toen zij naderden wenschten zij met mij alleen te zijn om hunne gedachten te openbaren; hun werd echter medegedeeld, dat zij niet alleen waren en dat er anderen waren, die verontwaardiging gevoel-

325.

217

ocr page 262

HEMEL EX HET,

den over hun wensch om alleen te wezen, terwijl zij tocli gasten waren. Toen zij dit mi.snoogen bemerkten, bogonnon zij te overleggen, of zij ook jegens hun naasten hadden misdaan, of iets begeerd hadden, dat aan anderen toebehoorde. En daar alle gedachten in liet andere leven worden medegedeeld, was het mij gegeven de aandoening van hun geest waartenemen en zoo te zien, dat dio ontstond door de erkenning, dat zij wellicht de misnoegden hadden beleedigd, en door schaamtegevoel daarover en tegelijkertijd door andere rechtschapen neigingen. Daaruit bleek, dat zij mot liefdadigheid bezield waren. Spoedig daarna kwam ik met hen in gesprek, en sprak ten laatste mcc hen over den ileer, en toen ik Hem Christus noemde, bemerkte ik bij hen een zekeren weerzin die, zooals ik ontdekte, zijn oorzaak luid m dc denkbeelden, die zij uit de wereld hadden medegebracht, ingevolge hun wetenschap, dat de cliristecen een slechter leven leiden dan zij, en ook zonder liefdadigheid waren. Maar toen ik Hem alleen de Heer noemde, waren zij innerlijk aangedaan. Zij werden later door do Engelen onderricht, dat de christelijke leer, boven elke andere in de wereld, liefde en liefdadigheid voorschrijft, maar dat slechts weinigen in overeenstemming daarmede leven. Er zijn heidenen die, gedurende hun leven in de wereld, zoowel door omgang als door gerucht, wisten, dat de christenen een slecht leven leiden en zich. overgeven aan echtbreuk, haat, twist, dronkenschap eu dergelijke ondeugden, dio zjj zeiven verafschuwden als strijdig met hun godsdienst. Doze heidenen zijn in het andere leven meer bedeesd dan de anderen in het ontvangen van de waarheden des geloofs, maar do engelen loeren hun, dat de christelijke loer zoowel als het geloof zelf eon geheel ander leven voorschrijven en dat de christenen minder volgens hun geloot leven, dan de heidenen en nis zij dit veruemen, ontvangen zij de waarheden des geloofs en aanbidden den Heer, doch niet zoo aanstonds.

326. Het is eene gewoonte de heidenen, die een God onder den vorm van eene afbeelding of van eon beeld of eenig gesneden voorwerp hebben aangebeden, bij hunne komst in hot andere leven in te leiden bij geesten, die

326.

218

ocr page 263

DE HEIDENEN IN DEN HEMEL.

do plaats vervangen van hunne goden of afgoden, opdat zij zich van limine inbeelding zouden vrijmaken; wanneer zij eenige dagen met hen samengoweest zijn, worden zij verwijderd. Zij, die menschen aangebeden hebben, worden ook somtijds bij hen of bij anderen, die hen vervangen, gebracht, zooals verscheidene Joden, die bij Abraham, Jacob, Mozes en David werden gebracht; wanneer zij dan echter waarnemen, dat deze slechts menschen als zij zelf zijn, en dat zij hun geen hulp kunnen verschaffen, worden zij beschaamd en naar hunne plaatsen gevoerd volgens het leven, dat zij geleid hadden. Van al de heidenen zijn de Afrikanen het meest geliefd in den Hemel, omdat zij de goedheden en waarheden des Hemels gemakkelijker ontvangen dan anderen. Zij zijn er bijzonder op gesteld gehoorzaam, en niet geloovig genoemd te worden, want zij zeggen, dat christenen, omdat die de leer des geloofs bezitten, geloovig genoemd kunnen worden, maar niet zij, voordat ze die leer ontvangen of, zooals zij zich uitdrukken, bekwaam zijn haar te ontvangen.

327. Ik heb met eenigen gesproken die tot de Oude Kerk behoord haddon. Met de Oude Kerk wordt die bedoeld, welke na den Zondvloed bestond en zich over vele koninkrijken uitstrekte, nl. Assyrië, Mesopotamië, Syrië, Ethiopië, Arabië, Lybië, Egypte, Palestina mot begrip van ïyrus en Sidon, en het land van Kanailn op beide zijden der Jordaan. v Zij wisten, toen zij in de wereld waren, dat de lieer zou komen en zij waren ingewijd in het goede des geloofs en toch weken zij van het geloof af en werden afgodendienaars. Zij waren naar

/). De eerste en alleroudste Kerk op doze aarde is die, welke in de eerste hoofdstukken van Genesis beschreven wordt, en welke boven alle andere Kerken Goddelijk was ; nos. GOT, 895 920 1121—1124, 289G, 4493 , 8891, 9942, 10545. De hoedanigheid van de leden dier Kerk in den Hemel ; nos. 1114-— 1125. Er waren verschillende kerken na den zondvloed, die oude kerken werden genaamd; nos. 1125—1127, 1327, 10355. Hoe de menschen der Oude Kerk waren : nos. 609, 895. De oude kerken waren voorstellende kerken ; nos. 519, 521, 2896. Zij hadden een Woord, doch het is verloren gegaan ; no. 2897. Wat de Oude Kerk was, toen zij in verval geraakte ; no. 112S. Het onderscheid tusschen de alleroudste en de Oude Kerk: nos. 597, 607, 640. 641, 765, 784, 895, 4493. De voorschriften, rechten en de wetten die in de .Toodsche Kerk werden gegeven, waren gedeeltelijk als die in de Oude Kerk ; nos. 428S. 4449, 10149. Do Heer was de God der alleroudste kerk en eveneens van de Uudc Kerk en Hij werd Jehova genoemd; nos. 1343, 6846.

21Ü

327.

ocr page 264

HEMEL E.\ HEL

voren aan den linkerkant in een donkere plaats en in een ellendigen staat. Hun spraak was als het geluid van oen eentonige fluit en bijna geheel zonder redelijke gedachte. Zij deelden mij mede, dat zij gedurende vele eeuwen in die plaats geweest waren en dat zij er somtijds uitgehaald werden om anderen in de uitvoering van zekere geringe bezigheden te dienen. Door hen geraakte ik tot de overdenking van vele christenen, die, hoewel uiterlijk geen afgodendienaars, dit toch innerlijk wel zijn, daar zij zich zelf en de wereld aanbidden en den lieer in hun hart verloochenen. — Welk lot zou hen in het andere leven wachten !

328. Dat de Kerk des lleeren over den geheclen aardbol is verspreid, en dus algeinoen is ; dat zij allen omvat, die in het goede der liefdadigheid volgens hun godsdienst leven ; en dat de Kerk, waar het Woord is, en waar de Heer door het Woord wordt gekend, voor hen, die buiten do kerk zijn, even is als het hart en de longen in den mensch, waaruit al de inwendige doelen en lichaamsdeelen naar hunne vormen, hunne ligging en hunne verbindingen het leven atleiden, kan boven gezien worden in no. 308.

OVER KLEINE KINDEREN IN DEN HEMEL.

329. Sommige monschen gclooven, dat slechts de kinderen, die in de Kerk geboren worden, in den Hemel worden toegelaten, maar niet zij, die er buiten geboren worden. Als reden geven zij aan, dat kinderen in de Kerk gedoopt worden en daardoor in het geloof der Kerk worden ingewijd ; maar zij weten niet, dat niemand den Hemel of het geloof door den doop verkrijgt; want de doop is alleen een teeken en herinnering dat de mensch moet worden wedergeboren, en dat hij, die in de Kerk geboren is, kan wedergeboren worden, omdat de Kerk het Woord bezit, dat do Goddelijke waarheden bevat, waardoor de wedergeboorte tot stand gebracht, en in de Kerk 220

328, 329.

ocr page 265

KLEINE KINDEREN IN DEN HEMEL,

330.

de lieer gekend wordt, door wien deze wedergeboorte komt. i Zij mogen daarom weten, dat elk kind, waar ook geboren, het zij in de kerk of daarbuiten, hetzij van vrome of goddelooze ouders, door den lieer ontvangen wordt, als het sterft en in don Hemel wordt opgevoed, liet wordt daar onderwezen volgens de Goddelijke orde, en doordrongen van de neigingen tot het goede, en daardoor van de kennis van het ware, en later als het toeneemt in doorzicht en wijsheid, wordt het in den Hemel geleid en een Engel. Eon ieder, die redelijk denkt, kan weten, dat niemand voor de Hel wordt geboren : maar allen voor den Hemel, en dat liet de schuld van den mensch zelf is, wanneer hij tor helle gaat; doch dat kinderen geen schuld kunnen hebben.

330. Wanneer kinderen sterven, zijn zij ook nog kinderen in het andere leven. Zij bezitten hetzelfde kinderlijke gemoed, dezelfde onschuld in onwetendheid, en dezelfde tederheid, in alle zaken. Zij zijn slechts in het begin om Engelen te kunnen worden, want kinderen zijn geen Engelen, maar worden het. Iedereen komt bij zijn sterven in een gelijken levenstaat als waarin hij in de wereld was; het kind in den kinderlijken staat, ecu jongen in den jongensstaat, en een jongeling een man of een grijsaard, in de staat van jeugd, mannelijkheid, ouderdom, maar naderhand wordt ieder staat gewijzigd. De staat der kinderen gaat die van alle anderen daarin te boven, dat zij in onschuld verkeeren en door het werkelijlcc leven het kwaad nog niet in hen heeft wortel gevat ; en onschuld is van zulk een natuur, dat alle dingen des Hemels er in kunnen geplant worden, want onschuld is de ontvanger van de waarheid des geloofs en van het goede der liefde.

'/. Dc doop betcckent do weciergchoorte door den lieer verricht door de waarbeden van het geloof uit bet Woord; nos. 4255, 5120, !)08S, 10239,quot; 10386, 10388, 10392, en is een'teeken, dat de mensch van de Kerk is, waar de Heer erkend wordt, die de wedergeboorte tot stand brengt, en in het Woord is waaruit de waarheden des geloofs zijn, waardoor de wedergeboorte plaats heeft; nos. 10386—10388, De doop geeft noch het geloof noch de zaligheid, maar hij getuigt, dat zij, die wedergeboren zijn, ze zullen deelachtig worden ; no. 10391.

221

ocr page 266

HEMEL EN HEL.

331. Dc stand der kinderen in het andere leven is belangrijk volmaakter dan die der kinderen in de wereld, daar zij niet bekleed zijn met een aardach lichaam, maar met zulk een als de Engelen hebben. Hot aardsche lichaam is op zich zelf zwaar, en ontvangt zijne eerste gewaarwordingen en eerste bewegingen niet van dc innerlijke of geestelijke wereld, maar van de uiterlijke of natuurlijke wereld. Daarom moeten in dc wereld de kleine kinderen leeren loopcn, hunne ledematen leeren gebruiken en leeren spreken, en zelfs hunne zintuigen, zooals het gezicht en het gehoor moeten bij hen door het gebruik geopend worden. Niet zoo echter met de kinderen in liet andere leven ; omdat zij geesten zijn, handelen zij on-middehjk volgens hun innerlijke ; zij loopcn zonder voorafgaande oefening en spreken ook, maar in den beginne alleen uit algemeene neigingen, nog niet zoo duidelijk in onderscheidene denkbeelden dor gedachte. In korten tijd worden zij ook daarmede vertrouwd, omdat hun uiterlijk gelijksoortig is mot hun innerlijk. Dat de taal der Engelen voortkomt uit genegenheden gewijzigd door de donkbeolden dor gedachte, zoodat die taal geheel overeenstemt met hunne gedachten, uit die genegenheden, kan men zien in vroegere nummers 234 tot 245.

332. Zoodra kindoren uit den dood verrijzen, hetgeen onmiddellijk na hun afsterven plaats vindt, worden zij ten Hemel gevoerd on in verzorging gegeven aan vrouwelijke Engelen, die tijdens hun loven in het lichaam kinderen tecder beminden en tevens God liefhadden. Daar zij op aardo alle kinderen met moederlijke teederheid liefhadden, ontvangen zij zo als hun eigen, en oveneens hebben die kinderen, door een ingeboren genegenheid, die Engelen als hunne moeders lief. Elke vrouwelijke Engel heeft zoovele kinderen onder hare zorgen, als zij uit een geestelijke, moederlijke genegenheid wenscht. Deze Hemel verschijnt aan de voorzijde, in de streek van het voorhoofd onmiddellijk in de lijn of de richting, waarin de Engelen naar den Heer zien. Zijn ligging is daar, omdat alle kleine kinderen onder het onmiddellijk toezicht van den Heer zijn, en de Hemel der onschuld, welke in de derde Hemel is, mot hen invloeit.

331, 332.

222

ocr page 267

KIjEIXE kinderen in den hemei..

333. Kinderen zijn van verschillend karakter: eenigen zooals de geestelijke Engelen en anderen zooals Hemelsche Engelen. Die van eeu llemelschen inborst zijn, verschijnen nun de rechterzijde in don boven vermelden Hemel, terwijl zij, die van een geestelijken inborst zijn, aan do linkerzijde verschijnen. Alle kinderen ia den Grootsten Mensch, — dat is do Hemel — zijn in de streek der oogen ; in de streek van het linkeroog, wanneer zij van een geestelijken inborst zijn; en in de streek van iiet rechteroog, wanneer zij van een llemelschen inborst zijn ; en dit is zoo, omdat do Heer voor de Engelen, die in het geestelijk Koninkrijk zijn, voor het linkeroog verschijnt, en voor do Engelen, die in het lïomelsch Koninkrijk zijn, voor het rechteroog. (Zie boven, 118.) Daar de kinderen in de streek der oogen, in den Clrootsten Mensch of Hemel zijn, is het duidelijk, dat zij onder het onmiddellijke gezicht en toezicht des llceron zijn.

334. Ook de wijze, waarop de kinderen in den Hemel worden opgevoed, zal kortelijk beschreven worden. Van hunne opvoedsters loeren zij spreken en hun eerste spraak is slechts een klank van genegenheid, die langzamerhand duidelijker wordt, naarmate do denkbeelden der gedachten daarin doordringen. Want de denkbeelden der gedachte voortkomende uit de genegenheden, vormen de geheele Engelentaal. Zie het hoofdstuk over dit onderwerp, nos. 234 en 245. In hunne genegenheden, die allo uit de onschuld voortkomen, worden eerst ingebracht, zulke dingen als voor de oogen verschijnen en bekoorlijk zijn ; en daar deze dingen van geestelijken oorsprong zijn, vloeien daarin tegelijkertijd de dingen des Hemels, waardoor hun innerlijk wordt geopend en zij aldus van dag tot dag moor volmaakt worden. Wanneer dit eerste tijdperk is geëindigd, worden zij naar een anderen Hemel vervoerd, alwaar zij door leermeesters worden onderwezen, en zoo gaat het verder.

335. Kleine kinderen worden hoofdzakelijk onderwezen door middel van voorstellingen, die voor hun begrip passen. Hoe schoon en vol van innerlijke wijsheid die zijn, is voor iedereen ongelooilijk. Aldus wordt hun langzamerhand ver-

333 -335.

ocr page 268

HEMEL EN HEL.

stand ingeplant, dat zijn ziel uit het goede heeft. Twee voorstellingen, welke ik mocht bijwonen, mag ik hier beschrijven en daaruit kan de aard van de overige worden afgeleid. Eerst stelden de Engelen den lieer voor, zich verheffende uit het graf en terzelfder tijd de vereeniging van Zyn Mensche-lijke met het Goddelijke, en dit deden zij op zulk eene wijze manier, dat het alle menschehjke verstand te boven ging, maar toch op eene onschuldige en kinderlijke manier. Zij stelden ook het denkbeeld van oen graf voor, maar niet tegelijkertijd het denkbeeld van den Heer, dan alleen zoover verwijderd, dat men nauwelijks waarnam, dat het de Heer was; dit werd zoo gedaan, omdat in de gedachte van een graf iets van een lijk ligt, dat zoo werd verwijderd. Later lieten zij voorzichtig in het graf iets gasvormigs toe, dat er als zuiver water uitzag, waardoor zij het geestelijke leven inden doop voorstelden, en dit ook weder met behoorlijke verwijdering van alles, wat ongeschikt was. Ik zag hen vervolgens do nederdaling voorstellen van den Heer, tot hen, die in banden waren, en Zijne opstijging met hen ten Hemel, hetgeen met onvergelijkelijke voorzichtigheid en vroomheid werd gedaan. En wat daarbij bijzonder kinderlijk was, waren bijna onmerkbare, zeer lichte en zachte koorden, die zij neder lieten en waarmede zij den Heer in zijne opstijging optrokken. Een heilige vrees vervulde beu steeds, dat eenig deel van de voorstelling zou raken aan iets, dat geen geestelijk, Hemelsch beginsel bevatte. Ik maak geen melding van andere voorstellingen, bij hen in gebruik, waardoor zij gelijk bij spelen, die voor het gemoed der kinderen passen, in de kennis dor waarheid en de genegenheid voor het goede worden gebracht.

336. De hoedanigheid van hun teeder begrip werd mij ook getoond, wanneer ik het gebed des Heeren bad en eene in vloeiing van hun verstand in de denkbeelden van mijne gedachte plaats vond. Hunne in vloeiing was zoo teeder en zacht, alsof zij bijna alleen uit genegenheid bestond. Tegelijkertijd nam ik toen waar, dat hun verstand open was, zelfs van den Heer af, want het was, alsof hetgeen, dat van hen uitging, door hen heen vloeide. De Heer vloeit ook in do

336.

224

ocr page 269

KLEINE KINDEKEN IN DEN HEMEL.

denkbeelden der kinderen voornamelijk uit het meest innerlijke, want niets sluit hunne denkbeelden, zooals bij volwassenen. Geen valsche beginselen sluiten hen af van het begrip dor waarheid, en geen leven des kwaads verhindert hunne opneming van liet goede, en dus ook de opneming van wijsheid. Daardoor is liet duidelijk, dat kleine kinderen niet onmiddellijk na den dood in den Engelenstaat geraken, maar dat zij langzamerhand daarin worden geleid door de kennis van het goede en het ware; alsook, dat deze inleiding volgens de Ilemelsche orde geschiedt; want de kleinste bijzonderheden van hun karakter zijn allen bij den Heer bekend, en daarom worden zij er toe gebracht de waarheden van het goede en de goede dingen der waarheid te ontvangen door middelen, die voor eiken en icderen staat van hunne genegenheid volkomen geschikt zijn.

337. Mij werd ook getoond, hoe alles hen werd ingegeven door genoegens en bekoorlijkheden in overeenstemming met hun karakter. Hot was mij gegeven kleine kinderen te zien, die met de meeste bekoorlijkheid gekleed waren, terwijl hun borst en teedere armen waren omhangen met bloemkransen in de heerlijkste en Hemelscho kleuren. Ook mocht ik eens eenige kinderen zien met hunne geleidsters in gezelschap van meisjes in een parad ij sachtigen tuin, die heerljjk was versierd, niet zoo zeer met boomen dan wel met priëelen en overdekte wandelpaden van laurieren, welke naar de binnenste gedeelten voerden. Do kinderen zelve waren op de zooeven vermelde wijze gekleed, en toen zij den tuin binnen kwamen, schitterden de bloemen boven den ingang met een vroolijken glans. Daaruit kan men opmaken van welk eene hoedanig-lieid hunne genoegens zijn, en dat zij door deze aangename en bekoorlijke dingen in de goede dingen der onsclmld en der liefde worden ingeleid, welke hen zoo voortdurend dooiden lieer worden ingegeven.

338. Mij werd nog getoond door ecne wijze van mede-deeling, welke in het andere leven zeer gebruikelijk is, van welken aard de denkbeelden der kleine kinderen zijn, wanneer zij eenig voorwerp zien. Elk voorwerp zonder onderscheid,

225 15*

337, 338

ocr page 270

HEMEL EN HEL.

komt hun als levend voor en daardoor is in elk denkbeeld van hunne gedachte leven. Ik bemerkte eveneens, dat de denkbeelden der kinderen op aarde bijna daaraan gelijk waren, wanneer zij met hunne kinderlijke spelen bezig zijn, want zij bezitten nog niet het nadenken der volwassenen, omtrent het bestaan van het levenlooze.

339. Boven werd reeds gezegd, dat kinderen of van eene Ile-melsche of van eene geestelijke gesteldheid zijn. Deze kunnen gemakkelijk van elkander onderscheiden worden, want de He-melsche kinderen deuken, spreken en handelen met veel zachtheid, zoodat nauwelijks iets anders bemerkt wordt dan hetgeen invloeit uit het goede van de liefde jegens den lieer en jegens andere kinderen. De geestelijke kinderen toonen niet zulk een zachtheid, doch een soort van slaan, als met vleugels, in alles wat zij doen. Het onderscheid is eveneens duidelijk aan hunne verontwaardiging en aan andere dingen.

340. Vele personen kunnen zich verbeelden, dat kinderen in den Hemel kinderen blijven, en onder de Engelen als kinderen verkeeren. Zij, die niet weten wat een Engel is, kunnen in hunne meening bevestigd worden door afbeeldingen en in kerken, waarin Engelen als kinderen worden voorgesteld, doch liet is juist geheel anders. Verstand en wijsheid maken een engel, en zoolang nu kinderen zonder verstand en wijsheid zijn, zijn zij wel ouder de Engelen, maar zijn zij nog geen Engelen; maar wanneer zij verstand onwijsheid hebben verkregen, eerst dan worden zij Engelen. Ik was inderdaad verrast dan waar te nemen, dat zij mij niet langer als kinderen maar als volwassenen voorkwamen, omdat zij dan niet langer een kinderlijk karakter hebben, maar een rijper Engelenkarakter; verstand en wjjslieid brengen dit met zich. Dat kinderen meer volwassen uitzien, naarmate zij vorderen in verstand en wijsheid, dus als jongens en jongelieden, is, omdat verstand en wijsheid werkelijk geestelijk voedsel zijn; r wat liun geest voedt, voedt daarom ook hun

r. Geestelijk voedsel is wetenschap, doorzicht en wijsheid en bijgevolg het goede en het ware, waaruit zij zijn afgeleid; nos. 3114, 4-159,4792,5147, 5293, 5340, 5342, 5410, 542G, 5576, 55S2; 5588, 5655, 8562, 9003, daarom is

22G

339, 340

ocr page 271

KLEINE KINDEREN IN DEN HEMEL.

licluiain als ecu gevol» van overeenstemming, vraut de vorm van hot lichaam is niet aiiJcrs dan de uitwendige vorm van het inwendige. Men muct weten, dat kinderen in den Hemel niet verder in leeftijd toenemen dan dcu eersten manneljjken leeftijd en in dien staat tot in eeuwigheid blijven. Opdat ik geheel zoker daarvan zou zija, werd het mij gegeven met eenigen te spreken, die als, kinderen in don Hemel waren opgevoed en daar groot geworden, ook mot anderen, die nog kinderen waren, en later met dezelfden, toeu zij jongelieden waren, en vernam van hen den loop van hun leven van den eenen leeftijd tot den anderen.

341. Dat de onschuld een ontvanger is van alle Ilemelsche dingen, en dus de onschuld der kleine kinderen ecue basis is van alle genegenheden voor goedheid en waarheid, kan duidelijk blijken, uit het hetgeen boven in No. 276 tot 383 gezegd is, betreffende do onschuld der Engelen in den llemol. Daar word aangetoond, dat onschuld bestaat in den wil om niet door zich zelf, doch door den lieer geleid tc worden ; bijgevolg zal de mensch in onschuld verkeeren voor zoover hij van zijn eigen ik verwijderd is; en voor zoover iemand van zijn „eigen ikquot; verwijderd is, zal hij in het eigen des lleeren zijn, en het eigen des lleeren is wat men Zijne gerechtigheid en verdienste noemt. De onschuld der kinderen is niet de eigenlijke onschuld, daar zij nog zonder wijsheid is; werkelijke onschuld is wijsheid, want naar do mate iemand wijs is, verlangt hij door don Hoor geleid to worden, of wat het zelfde is, naar mate iemand door den Heer geleid wordt, is hij wijs. Kindoren worden daarom van do uiterlijke onschuld, waarin zij eerst zijn, en die do kinderlijke onschuld wordt genoemd, naar de innerlijke onschuld voortgeleid, welke do onschuld dor wijsheid is. Deze onschuld is liet einddoel van al hun onderricht, en van hunnen vooruitgang. Als zij dus tut de onschuld der wijsheid geraken, wordt hun do onschuld der

voedsel in geestelijken zin, alles wat uit den mond des Heeren komt ; no. 681. Brood beteekent alle voedsel in 't algemeen, bijgevolg al het goede hemelsrh en geestelijk; nos. 27G, 6S0, 2165, L'ITT, 3478, 0118, 8410, omdat het hemelsch en geestelijk goede den geest voeden, die tut den innerlijken mensch behoort; nos. -1459, 5293, 5576, 6277, 8410.

227

341

ocr page 272

HEMEL E.V HEL.

342

kindsheid, -welke hun ondertusschen als basis gediend heeft, toegevoegd. ])c bijzondere hoedanigheid dor kinderlijke onschuld werd mij voorgesteld door een ziunobocld, als of het hout was, bijna zonder loven, dat lovend gemaakt wordt als de kinderen vordering maken in dc kennis der waarheid en de geneigdiieid tot het goede. Later werd mij do hoedanigheid der ware onschuld voorgesteld door een zeer schoon kind, vol leven en geheel naakt; want de werkelijk onschuldigen, die in den binnensten Hemel zijn, en alzoo het naast bij den Heer, komen anderen engelen gciicol als kinderen voor, en eenigen hunner zijn naakt; want onschuld wordt voorgesteld door naaktheid zonder schaamte, zooals wij lozen van den eersten man en zijne vrouw in het paradijs, Gen. II : 25; daarom waren zij beschaamd over hunne naaktheid en verborgen zich van het oogenblik af, dat hun staat van onschuld verdween. Gen. Ill : 7, 10, 11. In een woord, hoe wijzer de engelen zijn, des te onschuldiger zijn zij ouk, en hoe onschuldiger zij zijn, des te meer gevoelen zij zich zelven als kinderen ; vandaar, dat kindsheid in het Woord onschuld beteekent. (Zie boven no. 278.)

342. Ik sprak met Engelen over de kinderen, en vroeg of zij vrij van kwaad waren, omdat bij hen geeu werkelijk kwaad is, zooals bij volwassenen ; maar mij werd gezegd, dat zij werkelijk even zoo in het kwade waren, en niets dan kwaad waren, s maar dat zij, zooala alle Engelen, van het

s. Alle mcnschcn zijn in kwade neigingen van allerlei soort geboren, zoodanig, dat zij zelve niets dan kwaad zijn; nos. 210, 215, 731, 874—876, 987, 1047, 2307, 2308, 3518, 3701, 3812, 8480, 8550, 10283, 10284, 10286, 10731, en daarom moet de mensch herboren worden, dat wil zeggen wedergeboren ; no. 3701. Het erfelijk kwaad van den mensch bestaat in het zichzelven meer liefhebben dan God, en de wereld meer dan den Hemel, en in het niet achten van zijnen naasten in vergelijking met zich zelven, uitgezonderd alleen in zijn eigen belang — hetwelk eigenliefde is — zoodat dus het erfelijk kwaad de liefde voor zich en voor de wereld is : nos. 0!)4, 731, 4317, 5660, uit welke liefde, als zij overheerscht, al het kwade komt ; nos. 1307, 1308, 1321, 1504, 101)1, 3413, 7255, 7376, 7488, 8318, 0335. 9348, 10038, 10742, zooals minachting van anderen, vijandschap, haat, wraak, wreedheid, bedrog; nos. 6667, 7370—7374, 0318, 10038, 10742, en uit dit kwaad komt alle valschheid ; nos. 1047, 102S3, 10284. 1028G. Deze verschillende liefden hollen met kracht voort, wanneer de teugels gevierd worden, en de eigenliefde grijpt zelfs naar den troon Gods; nos. 7375, 8078.

228

ocr page 273

KLEINE KINDEKEN IN DEN IIEMEI..

kwade afgoliouden en in liet goede behouden worden door den Hoer, zoodat hot hun daardoor voorkomt, alsof zij door zich zeiven in het goede zijn. Opdat daarom kinderen, nadat zjj in den Hemel zijn opgegroeid, geen verkeerde mcening omtrent zich zeiven zouden hebben, en zich niet zouden verbeelden, dat het goede, dat zij in zich hebben, uit hen zeiven is, en niet van den Hoer, worden zij somtijds in het kwade, dat zij erfden, teruggeplaatst, en daarin gelaten, tot zij de waarheid hieromtrent weten, erkennen en gelooven, Een zeker iemand, de zoon van een vorst, welke zoon in zijn kindsheid overleed, en in den Hemel opgroeide, koesterde zulk eene mcening. Hij werd bijgevolg teruggeplaatst in liet leven van bet kwade, waarin hij geboren was; en toen bemerkte ik, dat hij volgens zijn levenssfeer neiging had over anderen te hecrschen en echtbreuk als niets te achten, welke euvels hij van zijne ouders had geërfd; maar nadat hij had erkend, dezen aard te hebben, werd hij opnieuw onder de Ihigelen ontvangen, bij wie hij te voren in gezelschap was. Niemand krijgt in het ander leven ooit straf wegens geërfd kwaad, omdat hot niet van hem zelf is, en het dus ook niet zijn fout is; maar wel wordt hij gestraft voor het werkeljjk kwaad, dat van hem zelf is, en bijgevolg naarmate hij geërfd kwaad tot het zijne gemaakt heeft in het werkelijk leven. Dat kinderen, wanneer zij volwassen zijn, in den staat van hun erfelijk kwaad teruggebracht worden, geschiedt niet, opdat zij daarvoor bestraffing zouden ondergaan, maar alleen, opdat zij zouden loeren, dat zij uit zich zclven niets dan kwaad zijn, dat zij door do genade des Hoeren uit de Hel, die hen aankleeft, in den Hemel gebracht worden; en dat zij niet door eenige verdienste uit zich zeiven, docli door den Heer alleen in den Hemel zijn; eu dat zij bijgevolg zich niet mogen be-roemen tegenover anderen, over hot goede dat in hen is, want dit is evenzeer tegen liet goede der onderlinge liefde, als tegen het ware des geloofs.

343. Bij vele gelegenheden, wanneer eenige jonge kinderen van nog geheel kinderlijke natuur met mij in koren aanwezig waren, hoorde ik hen als iets teeders en zonder vorm, zoodat

343

220

ocr page 274

IIEMTL EN TtEL.

Z1J nog niot in eenheid handelden, zooals dat later het geval is, wanneer zij meer volwassen zijn; en wat mij verraste, was, dat tlo geesten, die met mij waren, zich niet konden weerhouden hen in hun spreken te leiden, want zulk een verlangen is den geesten eigen. Ik bemerkte, dat eiken keer do kinderen weerstand boden en onwillig waren zoo te spreken. Hun weigering en afkeer werd vergezeld van een soort verontwaardiging, zooals ik meermalen opmerkte; en wanneer hun eenige vrijheid van spreken gegeven werd, zeiden zij slechts : „Zoo is het nietquot;. Mij werd medegedeeld, dat dit do verzoeking voor kleine kinderen was, ten einde hen te gewennen om niet alleen het valsche en kwade te weerstaan, maar ook om hen te loeren niet door anderen te donken, te spreken of to handelen; en bijgevolg, dat zij niet zouden dulden door iemand anders dan door don Heer alleen geleid te worden.

344. Uit deze mededeelingen volgt duidelijk, waarin de opvoeding dor kinderen in den Hemel bestaat, nl. in en door inleiding in liet engelenlcven door inzicht in de waarheid en de wijsheid van het goede, welke is liefde tot den Heer en liefde jegens elkander, waarin onschuld woont. IFoe tegenovergesteld in vele gevallen de opvoeding der kinderen op aarde is, zal uit het volgende voorbeeld blijken. Ik was in de straat van een groote stad en zag kleine jongens met elkander vechten, terwijl het volk, dat om hen samenliep, dat tooneel met veel vermaak gadesloeg, en mij werd medegedeeld, dat do ouders zelf de kinderen tot zulke gevechten aansporen. De goede geesten en Engelen, die door mijne oogen het gebeurde aanschouwden, waren er zoo van geschokt, dat ik hun afschuw kon waarnemen, die in het bijzonder werd gewekt door het gedrag der ouders, die hunne kinderen tot zulke dingen aanspoorden. Zij zeiden, dat op deze wijze door de ouders in do prille jeugd allo onderlinge liefde en onschuld, die de kinderen van den Heer ontvangen, worden uitgedoofd, en haat en wraak bij hen wordt ingeplant, en dat de ouders zoodoende hunne kinderen door bun eigen werk uit don Hemel houden, waar niets dan onderlinge liefde is. Dat dus ouders, die voor hunne kinderen het

230

344

ocr page 275

KLEINE KINDEREN IX DEN HEMEL.

goede wcnschen, zich voor zulke handelingen wachten.

345. Ook hot verschil tusschen degenen, die als kinderen en die als volwassenen sterven, zal worden uitgelegd. Zij, die als volwassenen sterven, hebben een basis aangenomen van de stoffelijke en aardsche wereld, en dragen die niet zich mede ; en deze basis is hun geheugen en dozelfs natuurlijk-lichamelijke genegenheid. Dit blijft na den dood ongewijzigd in rust; maar toch dient het als uiterste basis voor hunne gedachte na den dood, want de gedachte vloeit er in. Daardoor komt het, dat do hoedanigheid van den mensch na den dood, dezelfde is als de hoedanigheid van die basis, en evenals de overeenstemming van het verstandsgebied met de dingen, die daarin zijn. Maar kinderen, die in den kinderlijken leeftijd sterven en in den Hemel worden opgevoed, bezitten zulk een grondslag niet, maar een die geestelijk-natuurlijk is, daar zij niets van de stoffelijke wereld en het aardsche licliaam medenemen; daarom kunnen zij zulke grove genegenheden en de gedachten, die er uit volgen, niet hebben, want zij nemen alles van den Hemel. Daarbij weten de kinderen niet, dat zij op aarde geboren werden en daarom veronderstellen zij, dat zij in den Hemel werden geboren. Bijgevolg kennen zij geen andere geboorte dan de geestelijke, die geschiedt door de kennis van goedheid en waarheid en door verstand en wijsheid, waardoor de mensch mensch is; en daar die beginselen van den Heer zijn, gelooven zij en ge-looven zij met liefde, dat zij den Heer zelf toebehooren. Maar toch kan de staat der menschen, die op aarde opgroeien, oven volmaakt worden als do staat der kinderen, die in den Hemel opgroeien, indien zij lichamelijke en aardsche liefde verwijderen, welke de eigenliefde en wereldliefde zijn en in plaats daarvan geestelijke liefde opnemen.

345

231

ocr page 276

HEMEL EN HEL.

DE WIJZEN EN EENV0UD1GEN IN HEN HEMEL.

340. Mon gelooft, dat in den Hemel do wijzen meer in roem cn eere zijn, dan de eenvoadigen, omdat iti Daniël gezegd wordt: Zij, die wijs zijn, zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechiraardiyen gelijk de sterren, altoos en eeuwkjlijk. D.m. XL[ : 3, maar weinigen weten, wio bedoeld worden door de wijzen cu door hen, die er velen rechtvaardigen. Gewoonlijk gelooft men dat zij liet zijn, die men de beschaafden en geleerden noemt, en voornamelijk zij, die leeraars in de kerk geweest zijn, en andoren hebben overtroffen in geleerdheid cn prediking en vooral diegenen onder hen, die velen tot het geloof bekeerd hebben. Allen deze, worden op aarde als wijs beschouwd, doch in don Hemel be-hooren zij niet tot hen, op wie#dcze woorden betrekking hebben, tenzij hun inzicht Hemelsch inzicht is. Wat dit is, zal nu verklaard worden.

347. Hemelsch inzicht is inncHjjk inzicht, komende uit de liefde voor het ware, niet ter wille van wereldschen roem, evenmin ter wille van Henielschen roem, doch alleen tor wille van do waarheid zelf, waarmede zij innerlijk worden aangedaan en verheugd. Zij, die aangedaan en verheugd worden door de waarheid zelve, worden aangedaan cn verheugd door hot licht des Hemels; cn zij, die aangedaan cn verheugd worden door het licht dos Hemels worden ook aangedaan en verheugd door de goddelijke waarheid, ja wat meer zegt, door den Hoer zelf; want het licht des Hemels is Goddelijke waarheid en Goddelijke waarheid is do Heer in den Hemel. (Zie boven no. 12G en 140.) Dit licht komt slechts in het binnenste van het gemoed, want het binnenste van het gemoed is gevormd om dat licht te ontvangen, en als het daarin komt, doet het ook aan en verheugt het, omdat alles wat uit don Hemol invloeit on ontvangen wordt, in zichzelf genoegen cn bekoorlijkheid medebrengt. Daaruit komt de echte genegenheid voor hot ware, die de genegenheid is voor het ware terwille van het ware zelf'. Zij, die in deze genegenheid zijn, of wat hetzeltJc is, in deze liefde verkeeren, zijn in hot

232

34G, 347

ocr page 277

WUZK.N K.V EENVOUDIUEN I.V DEN HEMEL.

ncmelschc inziclit, en blinken in den ircmel als de glans van het uitspansel. Zij blinken zoo, omdat de Goddelijke waarheid, waar die ook in den ilemc! is, lidit geeft. (Zie boven no. 132^. Het uitspansel dos Hemels beteekent volgens de overeenstemming, zoowel bij de Engelen als bij de menschen, dat innerlijke inzicht, hetwelk in het licht des Hemels is. Maar zij, die in de liefde der waarheid zijn ter wille van wereldschen roem of ter wille van Henielschen roem, kunnen niet in den Hemel blinken, omdat zij niet verheugd en aangedaan worden door het werkelijke licht des Hemels, maar door hot licht der wereld. Dit licht zonder liet andere is in den Hemel louter duisternis. 1 Want hier ovcrheerscht de eigenroem, omdat die het einddoel is; en als eigenroem het einddoel is, lot de menscli in de eerste plaat» op zich zelf, en de waarheden, die tot zijn roem dienen, beschouwt hij slechts als de middelen en als dienstbare werktuigen. Want hij, die de Goddelijke waarheden lief heeft ter wille van zijn eigenroem, acht op zich zelf in de Goddelijke waarheden, doch niet op den Heer. Om deze redenen wendt hij het gezicht, namelijk het gezicht van zijn verstand en geloof van den Hemel naar de wereld, en van den Heer naar zich zelf. Zulke personen zijn daarom in het licht der wereld en niet in het licht des Hemels. Xaar het uiterlijke, dus naar hot oordeel der menschen, schijnen zjj even geleerd en verstandig als zij, die in het licht des Hemels zijn, omdat zij evenzoo spreken, en somtijds naar het schijnt zelfs verstandiger; want zij worden door eigenliefde aangewakkerd en geleerd den schijn van Hemelsche neigingen aan te nemen, maar inwendig en zooals do Engelen hen zien zijn zij van een geheel ander karakter. Hieruit is het in zekere mate duidelijk, wie zij zijn, die bedoeld worden door

t. Het licht der wereld is voor den mtwendigen menscli, en het licht des Hemels voor den inwendigen menseh; nos. 3223, 3221, 3337. Het licht des Hemels vloeit in het natuurlijke licht en de iKitunrlijke menseh is wijs, voor zooverre hij het licht des Hemels ontvungt; nos. 4302, 4408. Uit het licht der wereld, het natuurlijke licht genaamd, kunnen de dingen, die in het licht des Hemels zijn, niet gezien worden, maar wel omgekeerd ; no. 9755, en daarom bemerken zij, die alleen in het licht der wereld zijn, de dingen niet, die in het licht des Hemels zijn; no. 3108. Het licht der wereld is duisternis vuur de Engelen ; nos. 1521, 1783, 1880.

ocr page 278

HEMEL EN' HEL.

de inzichtvullon, die in den Tleinel zullen blinken als de glans van het uitspansel. Wie bedoeld worden met hen, die er velen rechtvaardigen en die zullen blinken als de sterren, zal nu aangetoond worden.

848. Door hen, die er velen rechtvaardigen, worden zij bedoeld, die wjjs zijn, en in den Hemel worden diegenen wijs genoemd, die in het goede zijn, en zij zijn in het goede, die de goddelijke waarheden aanstonds op het leven toepassen. Want, wanneer het goddelijk ware in het leven komt, wordt het goed, omdat het in den wil en de liefde komt, en alles wat tot den wil en do liefde behoort, wordt goed genaamd. Deze worden dus wijs genoemd, omdat de wijsheid tot het leven behoort; maar verstandig worden genoemd zij, die de goddelijke waarheden niet aanstonds op het leven toepassen, doch ze eerst in het geheugen verzamelen en dan van daaruit op het leven toepassen. Op welke wijze en in hoeverre de verstandige van don wijze in den Hemel verschilt, kan men zien in het hoofdstuk, dat over de twee koninkrijken des Hemels, het hemelsche en hot geestelijke, handelt, nos. 20 tot 28; en in het hoofdstuk, dat over de drie Hemelen handelt, nos. 29 tot 40. Zij, die in het Tlemelsehe rijk des Heeren zijn, en bijgevolg in den derden of binnensten hemel, worden rechtvaardig genoemd, omdat zij aan zich zelf geen de minste rechtvaardigheid toeschrijven, maar alles aan den ITeor. De rechtvaardigheid des Heeren in den Hemel is het goede, dat uit Hem is. u Deze zijn het dus, die bedoeld worden met hen, die rechtvaardigen, en deze zijn hot ook, waarvan de Heer zegt: „De rechtvaardigen zullen hlinlen als de zon in het rijk huns Vaders.'quot; Matth. Xilf : 43. Dat zij blinken als de zon, is, omdat zij in liefde tot den Heer zijn door den

u. De verdienste en do rechtvaardigheid des Heeren, is het goede, dat in den Hemel heerscht; nos. 9486 9986. Een rechtvaardig en gerechtvaardigd niensch is iemand, wien de verdienste en rechtvaardigheid des Heeren worden toegeschreven, en hij die zijn eigen rechtvaardigheid en eigen verdienste heeft, is onrechtvaardig; nos. 5069, 9263. Wie zij zijn, die in het andere leven zich zelf de rechtvaardigheid toeschrijven; nos. 942, 2027. In liet \\oord wordt Kechtvaardigheid van het goede, en Oordeel van het ware gezegd; vandaar dat niet gerechtigheid en oordeel handelen hetzelfde is als het goede en ware doen ; nos. 2235, 9857.

23-4

348

ocr page 279

WIJZEN EX EENVOUDTGEN IX PEN HEMEL. 349, 350

lieer, cn die liefde wordt met de zon bedoeld. (Zie boven nos. 116 tot 125). Ook liet licht, dat om hen schijnt, is vlammend en do denkbeelden van hunne gedachten hebben iets vlammends, dewijl zij het goede der liefde onmiddclljjk van don Heer, de zon des Hemels, ontvangen.

349. Allen, dio verstand cn wijsheid in de wereld gekregen hebben, worden in den Tremel opgenomen en worden Engelen, eon ieder naar do hoolanighoid en do mate van zijn vorstand en van zijn wijsheid. Want wat de mcnsch aan verstand in do wereld verkrijgt, blijft hem bij en neemt bij mode na don dood, en wordt vermeerderd cn aangevuld; cchtor binnen den graad van zijne genegenheid en van het verlangen naar de waarheid en het goede daarvan, niet buiten die graad. Zij, die weinig genegenheid cn verlangen gehad hebben, ontvangen weinig en toch ontvangen zij zooveel, als zij bekwaam zijn te ontvangen binnen den graad van hunne neiging cn vnn hun verlangen; maar zij, die veel van die neiging cn dat verlangen gehad hebben, ontvangen veel. Do werkelijke graad van genegenheid en verlangen is als de maat, die ten volle gevuld wordt; hom, die groote maat heeft, wordt veel gegeven, en hij, die een kleine maat heeft, ontvangt minder er bij. De roden hiervan is, dat de liefde van een mcnsch, waartoe genegenheid en verlangen behoo-ren, alles ontvangt, wat haar zelf past, en daarom ontvangt hij zooveel als met zijne liefde overeenkomt. Dit wordt door de woorden des Hoeren bedoeld : Want wie heeft, dien zal gegeven ironie», en hij zal over vloedigi ijk hebben. Matth. XIII ; 12 en XXV : 29. Eene goede neergedrukte en geschudde e» overloopende maat zal men in zijnen schoot geven. Luk. YI : 38.

350. Allen, die liet ware cn liet goede liefhadden, om der waarheid en der goedheid wille, worden in den Hemel opgenomen ; zij, die veel liefhadden, worden daarom wijs genoemd ; en zij, die weinig licfiiadden, worden eenvoudig ge noemd. De wijzen in den Hemel zijn in veel licht, doch de eenvoudigen in minder licht; en een ieder is in een licht, dat evenredig is aan den graad zijner liefde voor het goede

235

ocr page 280

UKMEL EN 1IKL.

en ware. Het ware en het goede liefhebben om dor waarheid en goedheid wille, is het ware en goede willen doen ; want zij, die willen en doen, zijn zij die liefhebben, doch niet zij, die niet willen en niet doen. Zij zijn het ook, die den Heer liefhebben en door den Heer worden bemind, omdat het goede en het ware uit den lieer zijn, en daar dit uit don Heer is, is de Heer daarin en bijgevolg is Hij ook bij hen, die gedurende hun loven het goede en ware ontvangen, door dat te willen en te doen. De menseh is op zich zelf beschouwd ook niets anders dan zijn eigen goed en waar : omdat het goede uit zijn wil en liet ware uit zijn verstand is, en de mensch is, wat zijn wil en zijn verstand is ; waaruit blijkt, dat de mensch door den Heer wordt bemind, zoo verre zijn wil door goed en zijn verstand door waar is gevormd. Door den Heer bemind te worden, beteekent dus ook den Heer liefhebben, omdat liefde wederkeerig is; want hem, die bemind wordt, geeft de Heer ook, dat hij weder liefheeft.

351. In de wereld gelooft men, dat zij, die veel weten, hetzij van do leerstellingen der Kerk en van het A\ oord, hetzij van do wetenschap, do waarheden beter doorgronden en scherper zien dan anderen ; dat zij dus meer doorzicht en wijsheid hebben; en die lieden hebben een zelfde meening omtrent zich zelf, doch in het geen volgt zal thans medegedeeld worden, wat het ware doorzicht eu do ware wijsheid is, en welke onecht cn welke valsch is.

liet ware doorzicht en do ware wijsheid bestaan in het zien en gewaar worden, wat waar en good is, en dus ook, wat valsch en kwaad is, en in het nauwkeurig onderscheiden van beide door inwendige aanschouwing en gewaarwording, üij eiken mensch zijn inwendige en uitwendige dingen. De inwendige dingen behooren tot den innerlijken oi geestelijken mensch, maar de uitwendige dingen behooren tot den uitwen-dingen of natuurlijken mensch. Al naar gelang liet inwendige gevormd is, en mot het uitwendige een geheel vormt, ziet en gevoelt do mensch. Het inwendige van den mensch kan slechts in don Hemel gevormd worden, maar zijn uitwendige wordt in de wereld gevormd. Wanneer het inwen-23Ü

351

ocr page 281

WIJZEN EX EENVOUDIGEJf IN DEN HEMEL.

dif^e in den llonicl is gevormd, heeft er eene invloeiing daarvan plaats in liet uitwendige, dat uit de wereld is, en vormt dat in overeenstemming, dat is: tot eenheid van handelen. Wanneer dit tot stand is gebracht, ziet en gevoelt de mensch door liet inwendige. Om het inwendige te vormen, is het eenige middel, dat de mensch tot liet Goddelijke en den Hemel opziet — want, zooals zooeven gezegd werd, het inwendige wordt in den Hemel gevormd — en de mensch ziet tot het Goddelijke op, wanneer hij in liet Goddelijke gelooft, en ook gelooft, dat alle waarheid en goedheid daaruit komt, en dus ook verstand en wijsheid ; en hij gelooft in het Goddelijke als hij door het Goddelijke geleid wil worden. Zoo en niet anders wordt het inwendige van den mensch geopend. De mensch, die dat gelooft en dien overeenkomstig leeft, heeft de macht en is in staat om verstandig en wijs te zijn. Maar opdat hij inderdaad verstandig en wijs moge worden, moet hij vele dingen loeren en niet alleen dingen, die op den Hemol betrekking hebben, maar ook die, welke tot de wereld behooren ; die, welke op den Hemel betrekking hebben, uit het Woord en door de kerk, en die, welke tot de wereld behooren, uit do wetenschap. In zooverre de mensch loert, en in het leven toepast, zal lijj verstandig en wijs worden, daar in dezelfde mate het innerlijk zien van zijn verstand en do innerlijke neiging van zijn wil, volmaakt worden. De eenvoudigen dezer klasse zijn zij, wier innerlijke geopend is, doch zonder zoo door geestelijke, zedelijke, burgerlijke en natuurlijke waarheden ontwikkeld te zijn. Zij bemerken de waarheden, wanneer zij die hooien, doch zij zien ze niet in zich zelve. Oe wijzen dezer klasse zijn zij, wier innerlijk niet allen geopend, doch ook ontwikkeld is; zij zien de waarheden in zich zelve en begrijpen ze. Door deze dingen wordt het duidelijk, wat het ware inzicht en de ware wijsheid is.

352. Het onechte verstand en de onechte wijsheid is het niet-zien en niet-begnjpen door het innerlijke van hetgeen waar en goed is, bij gevolg wat valsch en kwaad is, maar slechts te gelooven, als het door anderen gezegd wordt, dat 237

352

ocr page 282

HEMEL EN HEL.

iets waar en goed of valsch en kwaad is en het vervolgens te bevestigen. Omdat dezen de waarheid niet volgens de waarheid zelve zien, maar alleen op gezag van andoren, kunnen zij evengoed de valschheid als do waarheid omhelzen en daarin bevestigd worden, totdat zij waar schijnt; want hetgeen bevestigd wordt, neemt den schijn van waarheid aan, en er is niets, dat niet bevestigd kan worden. Het innerlijke van de znlken is alleen van beneden open, doch hun uitwendige in zooverre zij zich zelf' bevestigd hebben. Bij gevolg is het licht, waardoor zij zien, niet het licht des Hemels, doch het licht dor wereld, dat het natuurlijke licht wordt genoemd (lumen.) In dit licht kunnen de valschheden als waarheden schijnen; en als zij bevestigd worden, kunnen zij zelfs schitteren, doch niet in liet licht des Hemels. Do minst verstan-digon en wijzen dezer klasse zijn zij, die zichzelven in hunne meeningen sterk hebben bevestigd en de meer verstandigen en wijzen zijn zij, die er zich minder in bevestigd hebben. Hieruit blijkt, wat onecht inzicht en wijsheid is. Doch in doze klasse zijn zj niet begrepen, die in hunne jeugd veronderstelden. dat de dingen, die zij van hunne meesters hoorden, waarheid waren, mits dat zij, onder geworden en met hun eigen begrip denkende, niet daarbij blijven maar de waarheid begeeren en uit begeerte zoeken en wanneer zij deze gevonden hebben, er ook innerlijk door worden aangedaan. Omdat zulke lieden door waarheid worden aangedaan uit liefde voor de waarheid, zien zij de waarheid, voordat zij die bevestigen. x Dit kan door een voorbeeld worden opgehelderd. Onder eenige geesten werd de vraag behandeld, waarom de dieren en niet de mensch, geboren worden in alle kennis overeenkomstig met hunne natuur en als

x. Wijsheid bestaat in liet zien en gewaarworden, of iets waar is vóór dat liot bevestigd is, doch niet in liet bevestigen van hetgeen door anderen gezegd wordt; nos. 1017, 47-11, 7012, 7080, 7950. Alleen hen, die door de waarheid zijn aangedaan om de waarheid en het leven zelve, is het gegeven te zien en waar te nemen, of iets waar is, voor dat liet wordt bevestigd; no. S521. Het licht der bevestiging is natuurlijk en niet geestelijk, het is zinnelijk licht, dat ook bij de boozen bestaat; no. 8780. Alle dingen, zelfs de valsche, kunnen zoodanig bevestigd worden, dat zij waar schijnen; nos. 2477, 2490,5033, 68G5, 8521.

2^8

ocr page 283

WIJZEN EX EENVOU DIGKN IN DEN' HEM KL.

reden werd opgegeven, dat de dieren in de orde van hun leven waren en de mensch niet. Deze moet door hetgeen hij omtrent inwendige en uitwendige dingen leert iu de unie worden gebracht. Maar indien de mensch in de orde van zijn leven werd geboren, welke bestaat in do liefde tot God boven alles en in liefde tot den naaste als zichzelf — zou luj ook met verstand en wijsheid geboren zijn, dus ook in het geloot van elke waarheid, die door uitbreiding zijner kennis tot licni kwam. l)c goede geesten zagen dit aanstonds en gevoelden, dat liet zoo was en wel alioen door het licht der waarheid; maar do geesten, die zich in geloof alleen hadden bevestigd, en dientengevolge liefde en liefdadigheid terzijde hadden gesteld, konden dit niet bcgrijpen, omdat liet licht der valschheid, bij hen bevestigd, het licht der waarheid verduisterde.

353. Yalsch inzicht en valsche wijsheid is alle inzicht of wijsheid zonder erkenning van oen Goddelijk wezen, want zij, die geen Goddelijk wezen erkennen, doch in plaats daarvan de natuur, denken van een lichamelijk zinnelijke basis en zijn enkel zinnelijke nienschen, hoezeer zij ook in de wereld als wijs en geleerd mogen erkend worden, v Ifunne geleerdheid gaat echter niet verder dan de voorwerpen, welke zij in de wereld met hunne oogen waarnemen, die zij in hun geheugen bewaren en bijna stoffelijk beschouwen, ofschoon dezelfde wetenschappen den werkelijk verstandigen dienen tot vorming van hun verstand. Door wetenschappen worden de verschillende takken van proefondervindelijke kennis bedoeld, zooals

ij. Het zinnelijke is liet uiterste van het nienschelijke leven, dat zijn lichamelijk wezen aanhangt en aankleeft ; nos. 5077, 57(57, 9212, !»21G, 9331, 9730, en zinnelijk noemt men hem, die bij alle dingen volgens de lichamelijke zintuigen oordeelt en besluit en die niets gelooft dan hetgeen hij met de oogen ziet en met de handen betast; nos. 509-1, 7G93. Zoo iemand denkt in uiterlijkheden en niet innerlijk in zichzelf; nos. oOS9, 5094, 0504, 7693. Zijn innerlijk is gesloten, zoodat hij niets van de Goddelijke waarheid ziet; i:.os. G5G4, GS44. 6845. In één woord, hij is in een grof natuurlijk licht, en bemerkt zoodoende niets, dat uit het licht des Hemels is ; nos. G2()8, 6310, G5G4, 6598, 6612, 6614, 6G22, 6624, 6844, 6845, en daarom is hij inwendig gekant tegen alle dingen, die tot den Hemel of tot de kerk behooren ; nos. 6201, 6310, 6844, 6845, 6948, 6949. De geleerden die zichzelf bevestigd hebben tegen de waarheden der kerk, zijn zinnelijke nienschen; no. G31G. Beschrijving van den zinnclijken mensch ; no. 10236. e

239

353

ocr page 284

HEMEL EX HEL.

natuurkunde, sterrenkunde, scheikunde, werktuigkunde, meetkunde, ontleedkunde, zielkunde, wijsbegeerte, geschiedenis, letterkunde en talen. Goostelijke hootden der kerk, die een Goddelijk wezen ontkennen, en hunne gedachten niet verheffen boven de zinnelijke dingen van den uitwendigen mensch, beschouwen don inhoud van het Woord niet anders dan andere mensehen de wetenschappen; ook maken zij daarvan geen onderwerp van overdenking of van beschouwing met een verlicht verstand ; en wel daarom niet, omdat hun innerlijk gesloten is, eu tegelijk ook dat uiterlijk dat bet dichtst bij hun innerlijk is. Deze gebieden zijn gesloten, omdat zulke lieden zich van den Hemel afwenden en datgene in hen, wat iu die richting kon zien en dat, zoouls boven werd opgemerkt, het innerlijk van den menschelijken geest is, hebben omgekeerd ; daardoor komt het, dat zij niet kunnen zien wat waar en goed is, omdat dit in dikke duisternis bij hen is, terwijl valschheid en boosheid in liet licht zijn. Niettegenstaande dat kunnen 'zinnelijke inenschen redeneeren en sommigen hunner geslepener en scherpzinniger dan anderen ; maar uit de dwalingen der zinnen bevestigd door hunne wetenschap, en omdat zij zoo kunnen redeneeren, achten zij zichzelf wijzer dan anderen.quot; Het vuur, dat hunne redeneenngon met genegenheid verwarmt, is het vuur van eigenliefde en wereldliefde. Deze zijn het, die in valsche begrippen en valsche wijsheid verkeeren en die door den Heer bedoeld worden in Matthéiis XI11 : 13, 14, 15: vOiii(/(it zij ziende niet zioi, eu hoorende niet hooren noch ook verstaan.quot; En op een andere plaats: „dat Gij deze dingen den wijzen en versta)idiyen verhorten hebt, en hebt dezelve den kinderhens geopenbaard. Matth. XI : 25.

354. ifet werd mij vergund met vele geleerden na hun vertrek uit de wereld te spreken ; met eonigen van zeei- beroemden naam, en vermaard door hunne geschriften in de letterkundige wereld

r. Zinnelijke niensclien redeneoren scherp en ving, duar zij al hun doorzicht stellen in hot spreken uit lichamelijke herinnering; nos. 195, 196, .r)700. 10236. Maar zij praten volgens de dwaling hunner zinnen ; nos. 50S4, 0048, 0!)4(.t, 7693, Zij zijn geslepener en kwaadaardiger dan anderen ; nos. 7693, 10236. Zulke lieden werden door de ouden slangen van den boom der kennis genoemd ; nos. 195—197, 6398, 6949, 10313.

240

354

ocr page 285

WIJZEN EN EEXVOUDIOEN IX nEN HEMEL.

en met eenigen, die niet zoo beroemd waren, maar toch ongewone wijsheid bezaten. Zij, die in bun hart een Goddelijk wezen ontkenden, ofschoon zjj liet met den mond beleden, waren zoo stomp geworden, dat zij nauwelijks eeuige burgerlijke waarheid konden begrijpen, veel minder nog eonige geestelijke waarheid. Men gevoelde en kon ook zien, dat bet inwendige gebied van lum gemoed zoo gesloten was, dat het als 't ware zwart zag — dergelijke dingen zijn in de geestelijke wereld zichtbaar —eu zij dus geen llemelsch licht konden verdragen, noch zolfs eonige invloeiing uit den Hemel konden toelaten. i)ie zwartheid, waarin hun innerlijk zich voordeed, was het ergst on meest uitgebreid bij hen, die zich tegen het Goddelijke hadden bevestigd door hunne kennis en geleerdheid. Dezulken ontvangen in het andere leven met genoegen alles wat valsch is; zij zuigen dat in, gelijk een spons hot water, en alle waarheid verwerpen zij, zooals een veerkrachtige zelfstandigheid alles terugwerpt, wat er op valt. Ook werd gezegd, dat hot innerlijk van hen, die zich tegen hot Goddelijke en voor het natuurlijke hadden bevestigd, verbeend is; hun hoofd schijnt hardhuidig als ivoor, tot zelfs hun neus — eene aanwijzing, dat zij geen waarnemingsvermogen meer bezitten. Zij, die van zulk eene hoedanigheid zijn, worden in poelen geworpen, die op moerassen gelijken, waar zij in beroering gehouden worden door de droombeelden, waarin hunne valschhedeii veranderd zijn. Hun helsche vuur is de zucht naar roem en vermaardheid, welke zucht hen tegen elkander opzet, en met een helschen ijver diegenen doet kwellen, die hen niet als Goden vereeren, en dat doen zij elkander om beurten. Alle geleerdheid der wereld, welke in zich zelf niet het licht des hemels door de erkenning van het Goddelijke heeft ontvangen, wordt op zulk eene wijze veranderd. «

a. Gclcerdlicid holioort tot liet natuurlijk geliougeu, lietwollv de nienseh in het licluuun bezit; nos. 5212, 1)1)22. De luensch neemt na zijn dood geheel zijn natuurlijk geheugen mede; no. 2475; door ondervinding; nos. 2481—86, doch om verschillende redenen kan hij niets uit dat geheugen te voorschijn brengen, zooals hij dat in de wereld deed ; nos. 2470, 2477, 2470.

ocr page 286

HEMEL EX HEL.

355. Dat zij in de gcestelijko wereld inderdaad zoo zijn, wanneer zij daar na hun dood komen, kan reeds alleen hieruit worden opgemaakt, dat allo dingen, die in het natuurlijke geheugen zijn, en onmiddellijk verbonden met het zinnelijke van het lichaam, zooals do wetenschappen, die hier boven vermeld werden, dan in slaap zijn, en dat alleen liet redelijke, dat daaruit voortkomt, dan voor denken eu spreken dient. Want do mensch draagt alle natuurlijke herinnering met zich mede, maar do dingen daarin vallen niet onder zijn gezicht en komen niet in zijn gedachten, zooals dat iu de wereld wel het geval was. Hij kan er niets uitnemen en in het geestelijk licht brengen, omdat het geen voorwerpen voor dat licht zijn. Maar de redelijke of verstandelijke dingen, welke de mensch uit de wetenschappen heeft verkregen, toon hij in het lichaam woonde, stemmen overeen niet het licht der geestelijke wereld ; bijgevolg is, in zooverre als de geest van den mensch in de wereld redelijk werd gemaakt door kennis en wetenschap, de mensch redelijk na zijne losmaking van het lichaam, want dan is de mensch een geest, en het is de geest, die in het lichaam denkt.

35(3. Ten opzichte van hen echter, die zich door kennis en wetenschap doorzicht eu wijsheid hebben verschaft, dus zij, die alle dingen tot het nut van het leven hebben toegepast en tegelijkertijd het Goddelijke hebben erkend, het Woord hebben liefgehad en een geestelijk zedelijk leven hebben geleid (zie hierover in uo. 319), dien heeft do wetenschap als middel gediend om wijs te worden en ook om de zaken des goloofs te versterken. Het inwendige derzulken, namelijk dat van hun gemoed werd waargenomen, zag er uit als doorschijnend door het licht, schitterend wit, vlammend, of blauw- ■ achtig, zooals bij diamanten, robijnen en saffieren, en dit naar mate van de bevestiging van het Goddelijke en de Goddelijke waarheden door de wetenschappen. Zoo verschijnen het ware doorzicht en de wijsheid, wanneer zij in de geestelijke wereld zichtbaar worden; dit komt door liet licht des Hemels, dat de Goddelijke waarheid is, welke uit den Heer komt, uit wien alle doorzicht en wijsheid is. (Zie boven no. l^t! 133.)

35t)

242

ocr page 287

WIJZEN E.V KE.WOL'DIOEX IX DEN HEMEL.

De grondlagen van dat liclit, waarin zich wisselingen voordoen, zooals bij kleuren, zijn liet inwendige van den geest; en de bevestiging der Goddelijke waarheden door deze dingen, die in de natuur zijn, dus die in de wetenschappen zijn, veroorzaken die wisselingen. h VTant de inwendige geest van den mensch ziet op de dingen van het natuurlijke geheugen, en die, welke bevestigend zijn, verheerlijkt hij als 't ware door het vuur van de llemelsche liefde, en neemt ze er uit en zuivert ze tot geesteljjke gedachten. Dat dit zoo is, weet de mensch niet, zoolang hijquot; in het lichaam leeft, wijl hij dan geestelijk en natuurlijk denkt, en hetgeen hij geestelijk denkt ziet hij niet; hij ziet alleen wat hij natuurlijk denkt. Wanneer hij echter in do geestelijke wereld komt, ziet hij niet hetgeen hij natuurlijk in de wereld gedacht heeft, maar wel hetgeen hij geestelijk gedacht heeft. Zoo is de toestand veranderd. Hieruit blijkt, dat de mensch geestelijk wordt gemaakt door wetenschap en kennis en dat dit de middelen zijn om wijs te worden, docli alleen voor hen, die door het geloof en het leven het Goddelijke hebben erkend. Zij worden ook boven anderen in den Hemel opgenomen, en komen onder hen, die in het midden zijn fno. 4;i), omdat zij meer dan de anderen in licht verkeeren. Dit zijn de verstandigen en wijzen in den Hemel, die als 't ware met den glans van het firmament schijnen en licht geven gelijk de sterren. En de eenvoudigen zjjn zij, die het Goddelijke erkend en de wereld bemind hebben, en een geestelijk en zedelijk leven geleid hebben, terwijl zij niet als de wijzen het inwendige van hun geest hebben ontwikkeld door kennis en wetenschappen. De menschelijke geest is evenals dc grond : wat die is, werd ze door bewerking.

b. In den Hemel worden de sehuonste kleuren waargenomen; nos. 1053, Hgt;24. Kleuren in den Hemel komen door het licht aldaar en zijn de wijzigingen of wisselingen daarvan ; nos. 10-12, 1043, 1053, 1G24, 399.quot;, 4530, 4742, 4922. Zou zijn zij de versehijningen van de waarheid uit het goede, en beteekenen zij de dingen, die tot doorzicht en wijsheid hehooren : nos. 4530. 4077, 4922, 94GG.

243

ocr page 288

HEMEL EX HEL.

Uittreksel uit rgt;e llemclsche Geheimen betrim'itxdk Wktekschai'.

Wetenschap en kennis behooren den menseli te worden ingeprent, omdat hij daardoor leert denkon, vervolgens leert begrijpen, wat waar on goed is, en eindelijk leert wijs te zijn; nos. 129, 1450, 1451, 1453, 1548, 1802. Uitwendige kennis zijn do eerste dingon, waarop hot leven van den mensch gebouwd en gevestigd is ; en zij worden geleerd met liet oog op een nuttig doel; nos. 1489, 3310. Inwendige kundigheden openen den weg tot den innerlijken mensch en voegen dien vervolgens samen met den uiterlijken menseli volgens het nut; nos. 1563, 1010. Het redelijk vermogen wordt geboren door uitwendige en inwendige kundigheden; nos. 1895, 1900, 3086, niet echter door de kennis zelve, maar door de genegenheid voor het nut, dat or uit voort komt; no. 1895.

Er zijn uitwendige kundigheden, die Goddelijke waarheden toelaten en andere, die dat niet doen; no. 5213. IJdele wetenschappen moeten vernietigd worden; nos. 1489, 1492, 1499, 1581. IJdele wetenschappen zijn die, welke eigenliefde en wereldliefde tot doel hebben en ze versterken, en die van liefde tot God en den naaste afvoeren, omdat zulke wetenschappen den innerlijken mensch toesluiten, zoodanig, dat hij later niets van den Hemel kan ontvangen; nos. 1503, 1000. Uitwendige kennis is het middel om wijste worden en het middel om onzinnig te worden; door haar wordt de innerlijke mensch öf geopend öf gesloten en bij gevolg wordt het verstand of ontwikkeld öf vernietigd; nos. 4150, 8028, 9922.

De innerlijke mensch wordt geopend en geleidelijk volmaakt door kennis, indien de mensch een nuttig doel in 't oog heeft, voornamelijk, wanneer dat nut het eeuwige leven betreft; no. 3080. In dit geval ontmoeten de wetenschappen in den natuurlijken mensch geestelijke en Hemelsche dingen van den geestelijken mensch, die daaruit aannemen, betscen geschikt is; no. 1495. Wat voor het Hemelsche leven nuttig is, wordt dan door den Heer, door tusschenkomst van den innerlijken mensch opgenomen, gezuiverd en verheven, uit de wetenschappen in den natuurlijken mensch; nos. 1895, 1890, 1900, 1901, 1902, 5871, 5814, 5901. Ongeschikte en tegengestelde wetenschappen worden ter zijde geworpen en vernietigd; nos. 5871, 5886, 5889.

Het oog van don innerlijken mensch roept uit de wetenschappen van den uiterlijken mensch geen andere dingen te voorschijn dan die, welke overeenstemmen met zijne liefde ; no. 9394. Onder het oog van den innerlijken mensch is alles, wat tot zijne liefde behoort, in bet midden en in helderheid, maar hetgeen niet tot zijne liefde behoort is tor zijde en in duisternis; nos. 0068, 6084. Geschikte wetenschappen worden geleidelijk in zijne liefde ingeplant en wonen als 't ware daarin; no. 6325. De mensch zoude in doorzicht geboren worden, indien hij geboren werd in naastenliefde, maar omdat hij in eigenliefde en wereldliefde geboren wordt, wordt hij in geheele onwetendheid geboren : nos. 6323, 0325. Wetenschap doorzicht en wijsheid zijn de zonen van liefde tot God en liefde tot don naaste; nos. 1220, 2049, 2116.

Het is niet hetzelfde wijs te wezen en te verstaan, to weten en te doen, maar toch volgen deze dingen elkander, bij hen die in het geestelijk leven zijn, en gaan samen in hun doen of in hunne daden no. 10331. Ook is hot niet hetzelfde, of men weet, erkent en geloof heeft; no. 896 ,

Wetenschappon, die tot den uiterlijken of natuurlijken mensch behooren, zijn in hot licht der wereld, maar waarheden, die tot waarheden des goloofs en der liefde gemaakt zijn, en die dus leven gekregen hebben, zijn in het licht des Homels; no, 212. De waarheden, die geestelijk leven gekregen hebben, worden door natuurlijke denkbeelden begrepen ; no. 5510. Geestelijke invloeiing heeft plaats uit den innerlijken of geestelijken mensch in de

244

ocr page 289

UITTKEKSEL UIT DE HKMKLSCIIE GEHEIMEN.

wetunschappen, die in den niterlijken of natnnrlijken nienscli zijn; nos. 19-10 8005. Uitwendige kimdiglicden zijn de ontvangers en als 't ware de vaten van het ware en liet goede, dat in den niterüjken menseli is; nos. I4G5), 149G, ;{0GS, ó-IS4.), G004. Golgt;;;i 6052, G071, G077, 7770, 0022. De uitwendige kundigheden zijn als 't ware spk-gcls, waarin liet ware en het goede van den innerlijken nienscli zich als in beeld vertoonen; no. 5201. Daar zijn zij te zanien als in hnnne uitersten; nos. 537lt;{, 5874, 588G, 5901, GÖ04, (gt;023, 6052, G071.

Invloeiing is geestelijk en niet lichamelijk, dat wil zeggen, er heeft in-vloeiing plaats van den innerlijken nienscli in den niterlijken, en dus in de kiindigheden van den laatste, doch niet van den niterlijken naar den innerlijken nienscli, dus niet van de wetenschappen van den eerste in de waarheden des geloofs ; nos. 8219, 5119, 5259, 5427, 5428, 5478. G322, 9110. Het begin moet uit de waarheden van de leer der kerk gemaakt worden, welke waarheden uit het Woord zijn. Kerst moeten deze waarheden worden erkend en daarna mogen de wetenschappen geraadpleegd worden; no. 6047. Zij, die dus toestemmen in de waarheden des geloofs, mogen ze verstandelijk door de wetenschap bevestigen, maar niet zij, welke die waarheden ontkennen; nos. 25GS, 258S, 47G0, G047. Hij, die de goddelijke waarheden niet gelooft, enzij hij door uiterlijke wetenschappen worde overtuigd, zal nimmer gelooven; nos. 2094, 2832. Door uiterlijke wetenschappen in de waarheden des geloofs door te dringen, is strijdig met de orde; no. 10236. Zij, die zoo handelen, worden dwaas ten opzichte der dingen, die tot den Hemel en tot de kerk behooren; nos. 128. 12!), 130. Zij vervallen tot de valschheden van het kwade; nos. 233, 2.').'5. G047. En in het andere leven worden zij als 't ware dronken, wanneer zij over geestelijke onderwerpen denken; no. 1072. Hoe zij verder zijn; no. 196. Voorbeelden tot opheldering, dat geestelijke dingen niet kunnen begrepen worden, wanneer men daarin door de uiterlijke wetenschappen doordringt; no. 233, 2094, 2196, 2203, 2209. Vele geleerden zijn in geestelijke dingen dwazer dan de eenvoudigen, omdat zij in ontkenning levende, deze door uiterlijke wetenschiippen bevestigen, die zij voor d irend en in overvloed voor oogen hebben; nos. 4760, 8629.

Zij, die naar uiterlijke wetenschappen tegen de waarheden des geloofs redeneeren, spreken scherpzinnig, omdat zij naar de begoochelingen «Ier zinnen spreken, die aantrekken en overtuigen, want zij kunnen moeilijk worden verdreven; no. 5700. quot;Welke en hoe de begoochelingen der zinnen zijn: nos. öosi. 5094. G-100, 691S. Zij. die niets van de waarheid begrijpen, alsook zij, die in Iret kwade zijn, kennen over waarheden en het goede des geloofs spreken en ze toch niet begrijpen; no. 4214. Het behoort een verstuiulig mensrh niet toe om eene leerstelling blootweg te bevestigen, doch wel om te onder/oeken, of zij al dan niet waar is, voor dat zij bevestigd wordt; nos. 4711, G047.

Wetenschappc n zijn na den dood van geene waarde; wel heeft waarde hetgeen de nienscli daardoor opgenomen heeft in zijn begrip en in zijn leven; no. 21SO. Toch behoudt de mensrh alle wetenschappelijke kennis, ook na den dood, maar dan in rust: nos. 2-17(1 79 2481—86.

Dezelfde uiterlijke wetenschappen zijn valschheden bij de boozxli. omdat zij op het kwade worden toegepast, en waarheden bij de goeden, omdat zij op het goede worden toegepast; no. G917. Wetenschappelijke waarheden bij boozen zijn geen waarheden, ofschoon zij als waarheden voorkomen, wanneer zij ze uitspreken, omdat het kwaad er inwendig in is; no. 10331.

Ken voorbeeld van bet verlangen naar kennis bij de geesten; no. 1947. Dij de Kngeleii ontstaat een ontzaglijk verlangen naar kennis en naar vermeerdering van wijsheid, omdat geleerdheid, doorzicht en wijsheid geestelijk voedsel zijn; nos. 311 !. 1159, 4792, 197G, 51 17, 5293, 5340, 5342, 5410, 5426, 5576, 5582,

245

ocr page 290

HEMEL EX HEL.

5588, 5055, G277, 8502, 9003. Dc geleerdheid der ouden was de wetenschap der overeenstemmingen en voorstellingen, waardoor zij elkander in de wetenschap der geestelijke dingen inleidden, maar deze wetenschap is tegenwoordig geheel verloren geraakt; nos. 474!), 4S44, 4904, 4!)05.

Geestelijke waarheden kunnen niet begrepen worden, tenzij men de volgende hoofdbeginselen kenne:

I. Dat alle dingen in het heelal betrekking hebben op goedheid en waarheid en op de vereeniging van beide om iets te kunnen wezen, en aldus op de liefde en het geloof en quot;hunne vereeniging.

II. Dat bij den mensch een verstand en een wil bestaat, en dat het verstand de. ontvanger van het ware, en de wil de ontvanger van het goede is; en dat alle dingen bij den mensch betrekking hebben op deze beide en op hunne vereeniging, evenals alles betrekking heeft op het ware en bet goede en op hunne vereeniging.

III. Dat er een innerlijke en een uiterlijke mensch bestaat en dat «lie van elkander onderscheiden zijn als Hemel en aarde, en dat zij toch één behooren te maken, opdat de mensch inderdaad mensch zou zijn.

IV. Dat de innerlijke mensch in liet licht des llemeis is en de uiterlijke mensch in het licht der wereld, en dat het licht des Hemels de Goddelijke waarheid zelve is, waaruit alle doorzicht is.

V. Dat er overeenstemming is tusschen de dingen, «lie in den innerlijken mensch en tusschen die, welke in den uiterlijken mensch zijn, en «lat zij zich dientengevolge in alle gevallen onder een verschillend voorkomen ver-toonen, in zooverre, dat zij slechts door de wetenschap der overeenstemmingen kunnen onderscheiden worden. Tenzij deze beginselen en verscheidene andere bekend zijn, kunnen omtrent geestelijke en Hemelsche waarheden geen andere dan onnauwkeurige denkbeelden verkregen en gevormd worden, en bijgevolg kunnen de uiterlijke en innerlijke wetenschappen van den natuurlijken mensch zonder deze hoofdbeginselen den verstamligen mensch weinig van dienst zijn tot begrip en vermeerdering zijner wetenschap. Hieruit is het duidelijk, hoe noodig «le wetenschappen zijn.

DE KUKEX EX DE Al LM EN IN DEN HEMEL.

857. Er bestaan verschillende meeningen omtrent de opneming in den Hemel. Sommigen meenen, dat de armen Avorden opgenomen en de rijken niet; sommigen, dut arm en rijk gelijkelijk worden toegelaten; en weder anderen, dat de rijken niet kunnen ontvangen worden, tenzij zjj limine rjjkdummen opgeven en aan de armen gelijk worden. Mik dezer meeningen wordt door liet Woord bevestigd. Maar /.ij, die met het oog op don Hemel onderscheid maken tusschen rijk en arm, begrijpen liet Woord niet. Het Woord is in zijn kern geestelijk, maar in de letter natuurlijk; zij, die daarom het Woord alleen volgens den letterlijken zin nemen en niet volgons eenigen geestelijken zin, dwalen in vele diii|cn; vooral met betrekking 24()

357

ocr page 291

RIJKEN' EX ARMEN IN' DEN HEMEL.

tot de rijken en de armen. Zoo b. v., tint liet even moeioljjk is voor oen rijke om in den IIcimcI te komen als voor een kemel oni door het 002; van een naald te gaan ; en dat liet gemakkelijk is voor de armen, omdat zij arm zijn, dewijl er geschreven is : Zuliy zijl (jij armen, icant uw is het konhikrijlc Gods, (Lukas YI ; 20, 21). Maar zij, die iets omtrent den geestelijken /.in van het Woord weten, deuken anders; zij weten, dat de Hemel voor een ieder is, die het leven van geloof en liefde leidt, hetzij rijk of arm. Doch wie in het Woord door rijken en armen bedoeld worden, zal verklaard worden in hetgeen volgt. Door vele gesprekken en samenleving met de Engelen, werd het mij gegeven zeker te weten, dat de rijken even gemakkelijk in den Hemel komen als de armen, en dat de mensch niet van den Hemel uitgesloten wordt, omdat hij in overvloed leeft en evenmin aldaar wordt toegelaten, omdat hij in armoede verkeert. Er zijn daar beide, rijken en armen, en vele rijken in grooter glans en geluk dan de armen.

358. Vooraf dient te worden opgemerkt, dat de mensch rijkdommen mag vergaderen en welvaart vermeerderen, voor zooverre hem daartoe gelegenheid wordt gegeven, mits zulks niet met geweld en bedrog geschiede; dat hij heerlijk mag eten en drinken, mits hij daarin zijn leven niet zet; dat hij in pracht ma^ wonen overeenkomstig zijnen stand, met anderen mag omgaan op hunne wijze, plaatsen van vermaak mag bezoeken, over wereldsche zaken mag spreken; en dat hij niet als een vrome met een treurig en ernstig gelaat en gebogen hoofd behoeft te loopen, doch vroolijk en opgewekt mag wezen; evenmin behoeft hij zijne goederen aan de armen to geven, behoudens voor zoover genegenheid hem daartoe leidt. In één woord, hij mag naar bot uiterlijk geheel als een man van de wereld leven, en die dingen verhinderen den mensch niet 0111 in den Hemel te komen, mits hij innerlijk in zichzelf behoorlijk over God denkt en oprecht en rechtvaardig tegenover zijn naaste handelt. Want de mensch is zooals zijne neiging en zijne gedachten zijn, of gelijk zijne liefde en zijn geloof zijn en daaraan ont-leeneu al zijne uiterlijke handelingen het leven. Aangezien 247

358

ocr page 292

HEMEL EN HEL.

handelen ook willen is en sproken denken, handelt oen ieder uit don wil en spreekt hij uit zijne gedachten. Door hetgeen in het Woord gezegd wordt, dat de mensch zal worden geoordeeld naar aijne daden eu dat hij beloond zal worden naar zijne werken, wordt daarom bedoeld, dat liij geoordeeld en beloond zal worden naar zijne gedachten en naar zijne neiging, waaruit zijne handelingen zijn, of die in zijne daden besloten liggen; want de daden zijn geheel on al zooals de gedachten en neigingen, en de daden zijn in het geheel niets zonder deze. ^

Daaruit blijkt duidelijk, dat het uiterlijke deel van deu mensch niets doet; maar wel zijn innerlijk deel, waardoor het uiterlijke wordt gevormd. Tot toelichting : Indien iemand oprecht handelt en een ander niet bedriegt, alleen omdat hij de wetten vreest, of' verlies van goeden naam en daardoor van eer of winst, en dat hij, indien deze vrees hem niet terughield, een ander zou bedriegen, zooveel hij maar kon, dan zijn zijne gedachten en zijn wil bedrog, ofschoon zijne daden uiterlijk oprecht schijnen. Zulk een persoon heeft de hol in zich, omdat hij innerlijk onoprecht eu bedriegelijk is. Maar hij, die oprecht handelt en een ander niet bedriegt, omdat dit tegen God en zijnen naaste is, zou een ander niet willen bedriegen indien hij dat kon ; zijne gedachten en zijn wil zijn nauwgezet: hij heeft den Hemel in zich. Beider daden in uitcrlijken vorm sclnjnon aan elkaar gelijk, doch innerlijk zijn zij geiieel verschillend.

c. Er wordt dikwijls in liet Wourd gezegd, dat de im-nsch zal geoordeeld en beloond worden naar zijne daden en zijne werken; no. 3034. Door daden en werken worden geen daden en werken in uiterlijken vorm bedoeld, doeb wel in innerlijken vorm, daar goede werken in den uitwrlijken vorm ook door de sleebten worden gedaan, maar in niterlijken vorm en tegelijkertijd in innerlijken vorm alleen door «Ie goeden; nos. 3034, 0073. Werken hebben evenals alle handelingen hnn wezen, hnn bestaan en hunne hoedanigheid nit het innerlijke van den mensch, nit zijne gedachten en nit zijn wil, omdat zij daaruit voortkomen ; daarom zullen dus naar mate het innerlijk is, ook de werken zijn; nos. 3034, 8011, 10331. Dus rijn zij zoodanig als het innerlijk is, met betrekking tot liefde en geloof; nos. 3034, 0073, 10331, 10332. Aldus bevatten de werken liefde en geloof en zijn zij de uitwerking daarvan; no. 10331. (!eoordeeld en beloond te worden naar daden en werken, is dus naar liefde en het geloof; nos. 3117, 3934, G073, 8911, 10331, 10332. Werken zijn niet goed, voor zoo ver zij het eigen-ik en de wereld ten doel hebben, maar alleen goed. wanneer zij den Heer en den naaste bedoelen; no. 3117.

24S

ocr page 293

RIJKEN EN AKMEÏ IN DEN HEMEL

359. D;iiir de monsch uiterlijk kan leven zooals anderen, rijk kan worden, een welvoorziene tafel kan houden^ in een fraai huis kan wonen, fijne kleederen kan dragen, overeenkomstig zijn stand en zijne betrekking vermaken en vreugde kan genieten, en zich in wereldlijke zaken kan mengen ten behoeve van ambten en bedrijven en voor het leven van geest en lichaam, mits hij iwiierlijk het Goddelijke erkent en zijnon naaste het goede wenscht, is het duidelijk, dat het niet zoo moeielijk is als menigeen gelooft, om den weg des Hemels te bewandelen. De eenige moeieiijkheid is het weerstaan van eigen- en wereldliefde en het voorkomen, dat deze over-heerschend worden; want uit die overlieersching komt al liet kwade. d Dat liet niet zoo moeielijk is als men meent, wordt door deze woorden des ïïeeren bedoeld: Leert van mij, trant ik ben zachtmoedig en nederig van harte, en (jij zult rust vinden voor icire zielen. Want mijn juk is zacht en mijn last is lii/t. (Matth. XI : 29, 30). Dat het juk des ïïeeren zacht is en zijn last ligt, is, omdat voor zooverre dc mensch weerstand biedt aan het kwaad, dat voortspruit uit eigenliefde eu wereldliefde, hij door den lieer en niet door zich zelf wordt geleid, en omdat do lieer dan weerstand biedt aan dat kwaad in den mensch en het verwijdert.

3G0. Ik heb met geesten gesproken, die, toen zij op aarde waren, van de wereld afstand hadden gedaan, en zich aan een bijna eenzaam leven overgaven, opdat zij, doordien hunne gedachten van de aardsche dingen waren afgetrokken, gelegenheid zouden hebben voor vrome overdenkingen, in het geloof, dat zij zoo op den weg des Hemels zouden komen. Zulke menscheu zijn in het andere leven in een droevige stemming; zij verachten anderen als die niet zijn zooals zij. Zij zijii verontwaardigd, omdat zij niet een hooger geluk bereiken dan de anderen, hetwelk zij meenen verdiend te heb-

(I. Al liet kwaad komt uit eigcnlicldc en weivldlicl'du; mos. 1307, l.'iOS, 1:521, irgt;94, 1G01, 3413, 7205, 737G, 7488, 741)0, 8318, 1)305, DoIS. loo;?S. 10712. Deze zijn veracliting van anderen, vijandschap, haat, wraak, wreedheid, bedrog; nos. G6G7, 7370—74, 1)348, 10038, 10742. De nienseh is in de Helde tot die dingen geboren, daarin ligt dus voor hem het erlelijk kwaad; nos. GU4, 4317, 5600.

359, 3GO

249

ocr page 294

lIEMEf, EN HEI,.

lgt;on : zij geven niets om anderen en keeren zich af van de bezigheden der liefdadigheid, waardoor vereeniging met den ILeinel bestaat. Zij verhingen dcu Heme] met meer drang dan anderen, maar wanneer zij onder de Engelen verheven worden, verwekken zij onrust, die het geluk der Engelen verstoort. Daarom worden zij afgezonderd en begeven zich dan naar eenzame plaatsen, waar zij een leven leiden geheel zoo-als zij in de wereld hadden. De mensch kan niet voor den Hemel gevormd worden dan door middel van de wereld : daar liggen de laatste uitwerkingen, waarin de genegenheden van een ieder moeten eindigen, en indien do genegenheid zich niet naar buiten vertoont of zich niet in daden uit, zooals het gebeurt in eene omgeving met vele personen, verstikt zij, en ten laatste zoo volledig, dat do mensch niet langer naar zijn naaste ziet, maar alleen naar zicli zeiven. Hieruit blijkt duidelijk, dat een leven van liefdadigheid jegens onzen naaste — d. w. z. doen wat rechtvaardig en billijk is in elk werk en in elke bezigheid tot den Hemel voert, maar dat een vroom leven zonder liefdadigheid niet naar den Hemel leidt; ' bij gevolg, dat de beoefening van liefdadigheid en de vermeerdering daardoor van dat leven, alleen kan verkregen worden naarmate de mensch in de bezigheid des levens is betrokken, doch niet kan gegeven worden als hij zich daaraan ontrukt. Ik zal dit nu uit ondervinding ophelderen. Velen, die in de wereld betrokken waren in handel en bedrijf, cn die rijk werden door hunne bezigheid, zijn in den Hemel ; maar minder is aldaar het aantal van hen, die in eerebetrekkingen waren en rijk werden door hun ambt. De reden daarvan is, dat de laatsten door voordeeleu en eerbewijzingen, welke hen te beurt vielen wegens hnnue uitoefening van recht en gerechtigheid en door de inkomsten en do eer aan hun post verbonden, er toe geraakten zichzelf en do wereld

c. Liefdadijrlieid jegens drn naaste is te doen Mat goed, rechtvaardig en recht is, in elk werk en in elke bezigheid; mus. 8120—22. Vandaar verspreidt zij zich in alle dingen, welke dc mensch denkt, wil en doet; no. SI24, Ken leven van vroomheid, zonder een leven van liefdadigheid, is van geen waarde, doch met het leven van liefdadigheid samen, voert het tot alles; nos. 82.quot;)2, 8253.

250

ocr page 295

KI/KEN EN ARMEN IN' DEN* HEMEL

lief to hebben, en zoo hunne gedachten en gcnegenheiil van den Hemel af op zich zeiven te koeren ; want naarmate de mensch zichzelf en do wereld liefheeft, en zich zelf en de wereld in elk ding ziet, in dezelfde mate zal hij zich van het Goddelijke vervreemden, en zich van den Hemel verwijderen.

361. Het lot der rijken in den Hemel is zoodanig, dat zij meer dan anderen, in overvloed verkeeren; eenigo hunner wonen in paleizen, waarin alles schittert van goud en zilver. Zjj hebben een overvloed van dingen, die tot nut in het leven dienen, doch zetten op geen van deze hun hart, maar alleen op het nuttig gebruik er van. Zij zien dat nut in helderheid en licht, doch liet goud en het zilver vergelijkenderwijze in het duister en in de schaduw. De oorzaak daarvan is, dat zij in de wereld hot nut beminden en goud en zilver slechts als middelen en werktuigen daarvoor. Nut zelf blinkt aldus in den Hemel: het goede van hot nut als goud, en het ware van het nut als zilver, f Zooals dus hun nut in do wereld was, zoo is voor hen de overvloed en zoo is hun genoegen en him geluk. Goed nuttig gebruik bestaat in het vervullen van do behoeften dos levens voor zich en de zijnen, en in hel verlangen naar overvloed terwille van het vaderland en den naaste, waartoe de rijke, meer dan de arme, op verschillende manieren kan bijdragen, en daarom kan hij op deze wijze zijn geest afhouden van een ijdel leven, dat een verderfelijk leven is, omdat de mensch in zulk een leven kwaad denkt door het kwaad, dat bij hem ingeplant is. Deze nuttige dingen ziju

f. Elk goed heeft zijn genoegen uit liet nut en naarmate van liet nut; nos. 3049, -losi, 7038; en ook zijne lioedanigheiil; vandaar, dat gelijk het nut, zoo ook de goedheid is; no. 3040.

Al liet geluk en de vreugde des leveus is uit nut; no. 097. In het :il-geiueen is het leven een leven van nuttig ziju: no. 10()4. liet Jangelen-leven bestaat in de goedheden der liefde en der liefdadigheid, hijgevolg in het uitvoeren van nut; no. 454. De Heer, en daardoor ook de Kngelen, heschomven alleen de doeleinden, welke de menseh voor oogen heeft, welke doeleinden nuttige dingen zijn; nos. lol?, 1645, 5844. Het koninkrijk des Heeren is een koninkrijk van nutstiehting; nos. 4.gt;4, '»0(5, 11 gt;.», 2045, 4051, 7o;;s. Den Heer te dienen is nut stichten: no. 7038. Alle mensehen hebben eene hoedanigheid, die overeenstemt met het nut, dat zij verrichten ; nos. 4055, G815; opgehelderd, 110. 7038,

301

251

ocr page 296

HEMEL EX HEL.

good, in zooveiTC daarin het Goddelijke aanwezig is, dat is, zoover als do mouseli naar liet Goddclijke en naar den IJetnel *iot en daarin zijn goed vindt, en in rjjkdoin alleen goed, dat hem dieut.

302. Maar omgekeerd is liet lot der rijken, die niet in liet Goddelijke gelooven .en uit hun gemoed do dingen gebannen hebben, die uit den Hemel en uit de kerk zijn. Zij zijn in de Hel, waar vuilheid, armoede en gebrek wonen. Jn zulke dingen worden rijkdommen veranderd, die als einddoel worden bemind en niet alleen do rijkdomwion, doch ook het gebruik, dat er van gemaakt wordt, namelijk om te leven volgens eigen verkiezing, en aan genoegen zicli over te geven en meer vrij en ongehinderd zich aan zonden te kunnen overgeven, of om zich to kunnen verheffen boven anderen, en die te verachten. Zulke rijkdommen en zulk gebruik daarvan, waarin niets geestelijks is, doch die alleen aardsche dingen zijn, gaan daarom in vuil over; want een geestelijk doel in rijkdommen en in het nuttig gebruik daarvan is als een ziel in het lichaam, en als het licht des Hemels in vochtigen bodem. Zij gaan ook tot bedert' over evenals een lichaam zonder ziel cu als vochtige grond zonder het licht des Hemels. Zoo is het met hen, die door de rijkdommen verleid en van den Hemel worden afgetrokken.

363. Bij elk mensch blijft do heerschende neiging of liefde ook na den dood voortbestaan, en wordt zelfs in eeuwigheid niet uitgedoofd, omdat de geest van den mensch geheel als zijne liefde is ; en wat een geheim is, het lichaam vau eiken geest en van eiken Engel, is de uiterlijke vorm zijner liefde, geheel overeenstemmende met den inweudigen vorm, van zijn geest en van zijne neiging. Daardoor komt liet dat de geesten, wat hunnen aard betreft, gekend worden aan hun gelaat, hunne gebaren, en hunne spraak ; en ook in de wereld zon de mensch, wat zijn gemoed betreft, kenbaar zijn, indien hij niet geleerd had in zijn gelaat, zijne gebaren en zijne spraak dingen voor te wenden, die niet van hem zelf zijn. Hieruit blijkt, dat de mensch tot in eeuwigheid blijft, gelijk zijne heerschende neiging of liefde is. Het was mij vergund te spreken met eenigen

3G2, 363

ocr page 297

RIJKEN EX ARMEN IN' DEN HEMEL.

die zeventien eeuwen geledon geleefd hadden, en wier leven wel bekend is uit geschriften van dien tijd, en ik vond dut zij nog door dezelfde liefde beheersclit werden, als toen zij in de wereld waren. Ook hieruit kan blijken, dat de liefde voor rijkdommen en voor het nut van rijkdommen bij een ieder tot in eeuwigheid blijft bestaan, en geheel dezelfde is als die, welke in de wereld werd verkregen, doch met dit verschil, dat de rijkdommen van hen, dien zij tot goed gebruik hebben gediend, in genoegens worden veranderd, overeenkomstig het gemaakte gebruik en dat de rijkdommen van hen, dien zij tot slecht gebruik hebben gediend, in vuil worden veranderd, dat dan voor hen ook dezelfde bekoringen heeft, als in de wereld de rijkdommen ter wille van het slecht gebruik. Dat zij dan genot vinden in dat vuil, komt doordien vuile vermaken en ongerechtigheden, welke voor hen het doel van de rijkdommen waren, en ook gierigheid, welke de liefde der rijkdommen is, zonder liet gebruik overeenstemmen met vuil; geestelijk vuil is niets anders.

364. Do arme komt niet in don Hemel op grond van zijn armoede, doch op grond van zijn loven. Een ieders leven volgt hem, hetzij hij rijk of arm is. Er bestaat goon bijzondere genade, welke voor den oen grooter dan voor den ander zou zijn; 'J hij, die goed geleefd heeft, wordt opgenomen, on die slecht geleefd heeft, wordt afgewezen. Daarenboven hoeft armoede haar verleiding on afkeering van den Hemel, evengoed als do rijkdom. Er zijn zeer velen onder do armen, die naar vele dingen zooken en die gelooven, dat rijkdommen zegeningen zijn;'1 en indien zij die niet ontvangen, zijn zij boos en donken kwaad van do Goddelijke voorzienigheid. Ook benijden zij den rijke zijne goede dingen en bedriegen

(j. Onmiddellijke genade wordt niet gegeven, maar wel middellijke, dat is, aan hen. die volgens de geboden des Heeren leven. Door Zijne genade leidt de Heer hen voortdurend in de wereld, en later tot de eeuwigheid; nos. 8700, lOGói).

/lt;. quot;Waardigheden en rijkdommen zijn geen werkelijke zegeningen : daarom worden zij zoowel den slechte als den goede gegeven; nos. 8931), 10775, 10770. Werkelijke zegening is de ontvangst van liefde en geloof uit den Heer, en daardoor verbintenis, want daaruit komt eeuwig geluk: nos. 1420, 1422, 2S4G, 3017, 3406, 3504, 3514, 3530, 3505, 3584, 421(3, 4081, 8939, 10495.

3G4

253

ocr page 298

i(KMi;r. ex itKr,.

hem wanneer zij de gelegenheid er toe hebben, en leven evenzeer in onreine vermaken. Doch hot is anders met de armen, die tevreden zijn in hun lot en zorgvuldig en vlijtig in hun werk, en die liever arbeiden dan lui zijn, oprecht en trouw handelen en ter zelfder tijd een christelijk leven leiden. Ik heb ecnige malen gesproken met hen, die tot hot landvolk eu het gewone volk hadden behoord, die, terwijl zij in de wereld waren, in (lod geloofden en in hun werk deden, wat rechtvaardig en recht was. Daar zij in de genegenheid waren voor do kennis van het ware, vroegen zij wat liefdadigheid en wat geloof was, omdat zij in de wereld veel over geloof hoorden, maar in het andere leven veel over liefdadigheid. Daarom werd hen gezegd, dat liefdadigheid alles is, wat tot het leven behoort, en geloof alles, wat tot de leer behoort; bijgevolg, dat liefdadigheid is hot willen en doen van hetgeen rechtvaardig en recht is in elk werk, maar dat geloof is, het rechtvaardig en recht denken, en dat geloof en liefdadigheid zich bij elkander voegen als de leer en het leven die daarmede in overeenstemming zijn, of als de gedachte en de wil; alsook dat geloof liefdadigheid wordt, wanneer de mensch hetgeen hij recht en rechtvaardig denkt, ook wil en doet, en dat zij dan niet twee, doch één zijn. Dit begrepen zij goed en zij verheugden er zich in, zeggende, dat zij in de wereld niet begrepen, dat gelooven iets anders was dan leven.

305. Uit deze dingen moge het duidelijk zijn, dat de rijke zoowel als de arme in den Hemel komt, en de een even gemakkelijk als de andere. Dat men gelooft, dat de arme gemakkelijk en de rijke moeilijk in den Hemel komt, is daaraan te wijten, dat het Woord niet goed begrepen wordt, waar de rijke en de arme genoemd worden. Door de rijken worden in het Woord in den geestelijken zin zij bedoeld, die in overvloed de kennis van het goede en het ware bezitten, dus zij die in de kerk zjjn, waar het Woord is, en door de armen worden zij verstaan, die zulke kennis ontberen, en haar toch begeeren, dus zij, die buiten de kerk zijn, waar het Woord niet is. Door den rijken man, die in purper en fijn linnen was gekleed en in de hel werd geworpen, wordt hetjoodsche 254

305

ocr page 299

Ul.lKKX KX AKMKN IX HK.V ilKMi;!..

volk ljuiloold, dut rijk genoomd wordt, omdat zij hot Woord hadden 011 zoodoende iu overvloed kennis van het goede en het ware bezaten. Door kleederen van purper worden de kundigheden van liet goede, en door fijn linnen, de kundigheden van het ware bedoeld. ' Maar door den armen man, die aan zijn poort lag en die verlangde verzadigd te worden, met de kruiinkens, die van de tafel des rijken vielen, en die door Engelen in den Hemel werd gedragen, worden de heidenen bedoeld, die geen kennis van het goede en het ware hadden en er toch naar verlangden. (Lukas XVi : 19, 31.) Door de rijken, die tot een grooten maaltijd waren geroepen, en zich verontschuldigden, wordt ook het joodsche volk bedoeld, en door de armen, in hunne plaats ingebracht, de heidenen, die buiten de kerk waren. (Lukas XiV : 1G—24.) Door den rijken man, van wien de Heer zegt: Het ia gemakkelijker voor een kameel, om door het ooy van een naiihl te (/aan, dun voor een rijk' man, om in het koninkrijk Gods te komen, (Matth. XIX : 24), worden de rijken in beide be-teekenissen, zoowel natuurlijk als geestelijk bedoeld. De rijken in den natuurlijken zin zijn zij, die overvloed van rijkdom hebben en met hun hart daaraan gehecht zijn; doch in geestelijken zin zij, die overvloed van kennis eu geleerdheid bezitten, dat geestelijke rijkdommen zijn, eu daardoor zich zeiven door hun eigen doorzicht in de dingen des Hemels en der kerk willen brengen. En daar dit tegen de goddelijke orde is, wordt gezegd, dat het gemakkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, want in den geestelijken zin wordt door een kameel bedoeld, het vermogen om te loeren en te weten in 't algemeen, en door het oog van een naald wordt bedoeld geestelijke waarheid. k

i. Kleederen beteekenen waarheden, dus kundigheden; nos. 1073, 2rgt;7(i, 531!), 0054, 0212, il2!(), 9952, 11)530. Purjier heteekent liet Hemelsch goede; no. 94(i7. Fijn linnen heteekent het ware uit een Hemelschen oorsprong; nos. 5319, 9409, 9744.

Een kameel heteekent in het Woord, liet vermogen om te leeren en te weten in het algemeen; nos. 3048, 3071. 3143, 3145. Wat door naaldwerk, werken met een naald en dus wat met een naald bedoeld wordt; no. OGS.s. ïot de waarheden des gcloofs ingaan door uiterlijke kennis, is strijdig niet de goddelijke orde; no. 10236. Zij, die dat doen, worden dwaas, aangaande

255

ocr page 300

lIFJIEr. EN HEL.

Dat door oen kameel on liet oog van een naald zulke dingen bedoeld worden, is heden ten dage niet bekend, omdat op lieden do wetenschap nog niet werd geopenbaard aangaande do beteekenis van den geestelijken zin der dingen, die in den letterlijken zin van het Woord vermeld zijn. In elke bijzonderheid van het Woord is een geestelijke zin, zoowel als een natuurlijke zin; want het Woord werd geschreven door zuivere overeenstemmingen van natuurlijke met geestelijke dingen, opdat er eene verbinding van den Hemel met de wereld zou bestaan, of van de Engelen met de menschen, nadat de onmiddellijke verbinding had opgehouden. Daaruit blijkt duidelijk, wie in het bijzonder bedoeld worden in het Woord door den rijken man. Dat in het Woord door de rijken in geestelijken zin zij bedoeld worden, die in de kennis van het ware en het goede zijn, en door rijkdommen de kennis zelve, welke inderdaad geestelijke rijkdom is, kan uit verschillende plaatsen worden aangetoond, (zooals in Jesaja X ; 12—14; XXX : G, 7; XLV : 3. Jer. XVII : 3 ; XLVII : 7 ; L : 36, 37 ; LI : 13. Dan. V : 2—4; Ezech. XXVI ; 7, 12; XXYI1 : tot het einde; Zach. IX : 3, 4; Psalm XL : 13; llosea XII : 5; Openb. Ill : 17, 18; Lukas XIV : 33 en elders); en eveneens, dat door de armen in den geestelijken zin zij worden bedoeld, die de kennis van het goede en het ware niet bezitten en haar toch verlangen, (Matth. XI : 5; Lukas VI : 20, 21; XIV : 21; Jesaja XIV : 30; XXIX : 19; XLI : 17, IS; Zeph. III : 12, 18J Van al deze plaatsen kan men de uitlegging volgens den geestelijken zin vinden in de Hemelsche Geheimen, (no. 10227).

de dingen des Hemels en der kerk; nos. 128—130, 232, 233, G047. En wanneer zij in liet andere leven over geestelijke dingen denken, worden zij als 't ware dronken; no. 1072. Hoe zij verder zijn; no. lüG. Voorbeelden tot uplieldering, dat geestelijke dingen niet begrepen kunnen worden, indien gepoogd wordt daarin door te dringen door uiterlijke kennis; no'233 2091, 21!«i, 2203, 220S). Uit geestelijke waarheid is liet geoorloofd in de uiterlijke kennis van den natuurlijken menscli door te dringen, maar omgekeerd niet, omdat geestelijke invloeiing in liet natuurlijke bestaat, maar geen natuurlijke invloeiing in het geestelijke; nos. 3219, 5119, 5259, 5427, 5428, 5478, G322, 9110. De waarheden van het Woord en der kerk behooren eerst erkend te worden, en later mag men de uiterlijke kennis raadplegen, doch niet omgekeerd; no. 6047.

250

ocr page 301

lirWM.UKKX IN i»K.\ IIKMKL

36Aangezien de Hemel van liet mensclielijk geslacht is en Eagelen daardoor van beiilerlei geslacht zijn, en daar van de schepping af de vrouw voor den man en de man voor de vrouw is, en zij dus elkander toebehooren, en daar liefde aan beiden is ingeboren, volgt daaruit, dat in den Hemel evengoed als op aarde liuwelijken zijn. Wat dan huwelijken in den Hemel zjjn, en waarin zij verschillen van de huwelijken op aarde en waarmede zij overeenstemmen, zal nu worden vermeld.

367. Het huwelijk in den Hemel is de verbinding van twee in één gemoed. Welke deze samenvoewinjr is, zal eerst

C O O 7

worden uitgelegd. Hot gemoed bestaat uit twee deelen, liet eene verstand genaamd en liet andere de wil. Wanneer deze twee deelen éen geheel maken, worden zij een gemoed genoemd. De man vormt dan liet deel, dat verstand wordt genoemd, en de vrouw het deel, dat men don wil noemt. Indien deze samenvoeging, welke liet innerlijke betreft, lager komt, in hetgeen tot hun lichaam behoort, wordt zij waargenomen en gevoeld als liefde, en deze liefde is huwelijksliefde. Hieruit is liet duidelijk, dat huwelijksliefde haar oorsprong heeft in ile samenvoeging van twee tot één gemoed. Dit wordt in den Hemel een te zamen wonen genoemd, en men zegt, dat zij niet twee doch éen zijn, en zoo worden twee echtgenooten in den Hemel niet twee maar éen Engel genoemd. 1

308. I);it er ook zulk bene samenvoeging is van man en vrouw in het binnenste, namelijk in hun gemoed, ontstaat uit hunne schepping zelf; want de man is geboren om verstandig te wezen, dus uit hot verstand te denken, doch de vrouw

/. Het mt op Indcii oivljokoijd wal ImwelijksUclVle is, en waar zij ontspniiiil; no. 111', 11 nwelijkslk hle'ir- het willen, wat een ander wil, aldus nnderliinr en wederkeerig: nu. 27.11. Zij. die in huwelijksliefde zijn, leven samen in het binnenste van het leven,- nu. 2732. Het is eene ver-eeniiring van twee gemoederen, zoudanig. dat /.ij uitliefde één zijn; nos. 1016^, luid!». Want de liefde der gemoederen, welke geestelijke liefde is, is ver-ccnitiing; . 1 ö'.'l. 2057, 't'o.K 4ols. .quot;iMi7, 015)5, 7081—00, 75nl. 10130,

ocr page 302

ItEMEL EX HEI..

om liefderijk te zijn, dus om volgens den wil te denken. Dit blijkt ook uit de neiging of natuurlijke gesteldheid van elk hunner, alsook uit hunue gedaante. Naar de gesteldheid blijkt het daaruit, dat de man handelt volgens de rede, maar de vrouw volgens de genegenheid; naar de gedaante blijkt het daaruit, dat de man een ruwer en minder schoon gelaat heeft, een dieper stem en een steviger lichaam ; maaide vrouw heeft een zachter en schooner gelaat, een zachtere stem en een teederder lichaam. Een zelfde onderscheid bestaat tusschen verstand en wil, of tusschen gedachte en genegenheid, zoo ook tusschen het ware en het goede en tusschen geloof en liefde; want waarheid en geloof behooren tut het verstand, en goedheid en liefde tot don wil. Vandaar dat in het Woord door een jongeling en een man in den geestelijken zin bedoeld wordt het begrip van het ware, en door eene maagd en eene vrouw de genegenheid tot liet goede ; en dat de Kerk naar de genegenheid tot het goede en ware een vrouw en eene maagd wordt genoemd ; als ook, dat allen, die in de genegenheid tot het goede zijn, maagden worden genoemd, zooals in de Openbaring XIV : 4.

369. ledereen, man of vrouw, bezit verstand en wil ; maar bij den man is het verstand en bij de vrouw is de wil overheerschend en zooals nu die overheersching is, is ook de persoon. In de huwelijken des Hemels is echter geen overheersching, want de wil der vrouw is ook die van den man, en het verstand van den man is ook dat van de vrouw, omdat de een gaarne wil en gaarne denkt als de ander, aldus onderling en wederkeerig; vandaar hunne verbinding tot één. Deze verbinding is eene werkelijke verbinding, want de wil van de vrouw gaat over in het verstand van den man,

m. Jonge lieden beteekenen in liet Woord liet begrip van bet ware of iemand, die verstandig is; no. 7668. Meuscben hebben een zelfde betee-kenis; nos. 158, 265, T4!l, 915, 1007, 2517, 3134, 3236, 4823, 9007. Eene vvonw heteekent genegenbeid voor het goede en ware; nos. 568, 3160, 6014, 8904; ook de kerk ; nos. 252, 253, 749, 770; met welk versc-bil; nos. 015, 2517, 0236, 4510, 4823. Man en vrouw in de boogste beteekenis, wordt gezegd van den Heer en van Zijne verbinding met den Hemel en de kerk ; no. 7022. Eene maagd beteekenl genegenbeid voor bet goede; nos. 3067, 3110, 3179, 3189, 6729. 6742 en ook de kerk; nos. 2362, 3081, 3963, 4638, 6729, 6775,6788.

S69

258

ocr page 303

HUWELIJKEN IN ÜKN' tIEMEL.

cn het verstand van den man gaat over in den wil der vrouw, en wel in 't bijzonder, wanneer zij in elkanders aangezicht zien ; want zooals boven meermalen gezegd werd, is ei in de Hemelen eene gemeenschap van gedachten en neigingen, in 't bijzonder bij man en vrouw, omdat deze elkander liefhebben. Uit deze dingen blijkt, wat de samenvoeging der gemoederen is, die het huwelijk maakt en die de huwelijksliefde in den Hemel veroorzaakt, namelijk, dat de een wil, dat ai het zijne ook den ander toebehoort en dit wederkeerig.

37U. Mij werd door de Engelen gezegd, dat voor zooverre twee echtgenooten in zulk een samenvoeging zijn, zij ook in dezelfde mate in huwelijksliefde en tegelijkertijd in doorzicht, wijsheid en geluk zijn, omdat (Joddelijk goed en Goddelijk waar, waaruit alle doorzicht, wijsheid en geluk is, allereerst bij huwelijksliefde invloeien ; bijgevolg is huwelijksliefde de grondslag zelf van de goddelijke invloeiing, omdat het tegelijkertijd liet huwelijk van waar en goed is ; want aangezien het de samenvoeging van verstand cn wil is?, zoo is het tegelijkertijd de samenvoeging van waar en goed, omdat het verstand het Goddelijke waai ontvangt, en ook uit waarheden gevormd is, cn omdat de wil Goddelijk goed ontvangt cn ook uit Goddelijk goed gevormd is. Want wat de mensch wil, is goed voor hem, cn wat hij begrijpt, is waar voor hem ; hieruit volgt, dat het 't zelfde is, of men zegt, de verbinding van verstand cn wil oi de verbinding van waar en goed. I)c verbinding van waar cn goed vormt een Engel en eveneens diens doorzicht, wijsheid en geluk ; want dc hoedanigheid van een Engel is zoodanig dc verbinding van goed cn waar en van waar met goed in hem, of wat hetzelfde is, zij is zooals de verbinding van zijne liefde met het geloof, en van zijn geloof met liefde.

371. Dat het Goddelijke uit den Heer voortkomende in de eerste plaats in huwelijksliefde vloeit, is, omdat huwelijksliefde voortkomt uit de verbinding van het goede en het ware ; want zooals boven gezegd werd, het is hetzelfde of men zegt, de verbinding van verstand cu wil of dc verbinding van het goede en het ware. De verbinding van het goede en het ware 259

370, 371

ocr page 304

HEMEL EN HEL.

ontleent haar oorsprong aan de goddelijke liefde des Heeren, jegens allen; die in den Hemel en op de aarde zijn. l it de goddelijke liefde komt het Goddelijk goede voort, en liet Goddelijk goede wordt door de Engelen en de menschen in liet Goddelijk ware ontvangen ; de eenige ontvanger voor liet goede is het ware. Daarom kan iemand, die niet in de waarheden is, niets van den lieer en uit den Hemel ontvangen. Voorzooverre dus het ware bij den mensch met liet goede is verbonden, in zooverre is de mensch met den Heer en met den Hemel verbonden. Hieruit komt dus de werkelijke oorsprong der huwelijksliefde, en daarom is die lief ie de eigenlijke grondslag, waarin de Goddelijke liefde vloeit. Daardoor komt het, dat de verbinding van het goede en het ware in den Hemel hot Hemelsche huwelijk wordt gcheeten, en dat de Hemel in het Woord wordt vergeleken met een huwelijk en ook een huwelijk wordt genoemd ; eveneens, dat de lieer bruidegom en echtgenoot heet, en de Hemel met de kerk, bruid en vrouw. quot;

372. Het goede en het ware in een Engel of in een mensch verbonden zijn niet twee, maar é n, omdat alsdan het goede tot het ware en het ware tot hot goede behoort. Het is met deze verbinding als met den mensch, wanneer hij denkt, wat hij wil en wil, wat hij denkt; de gedachten en de wil vormen alsdan een geheel, dus één gemoed ; want de gedachten vormen of stellen in vorm voor, hetgeen 1c wil wil, en de wil verleent het genot; van daar dat twee echtelieden in den Hemel niet twee maar n Engel worden genoemd. Dit wordt

n. Ware luiwelijksliofde ontleent ]:aar oor.-prong, oorzaak on wezen aan liet huwelijk van het goede en ware, bijgevo'u is zij nit den Hemel; nos. 27iiS, Engelgeesten, die uit het begrip dor verbinding van het goede en iK-t ware bemerken of er iets van een huwelijk aanwezig is; no. 10750. JTuwolijksliefdo is geheel zooals de verl.inding van het goede en het ware; nos. 101)4, l'IT.quot;-, 212M, 2508, olui, ;}102, 3171), 31S0, l.'iöS, 5S07, 5835,9206, 9495, 9r»o7. Op welke wijze do verbinding van liet ^oedo on het ware wordt tot stand gebracht, en bij wieii; nos. 3834, 1 !)('gt;. llt;'!.7, 4301, 4345. 4353, 4304, l.'lC.s. f).-ï();quot;gt;, 7')2'» 27, 925S. Alleen xij, die in do goedheid on in do waarheid des Hoeren zij::, w ten wal ware hmvolij . Hofde is; no. lolTI. :n he*. Woord wordt door het huwelijk bedoehl. hot hquot; wol ij'.-; van quot;oedheid o.: waarheid; nos. 3132, 4431, 4835. in ware h .welijk ;ic. :e i- her Koninkrijk van den Heer en de Hemel; no. 2737.

2G0

372

ocr page 305

IIUWKr.MKKX IX !)E\ ItKMEL.

ook door do woorden des Hoeren bedoeld : Hnht (jij niet (je-lezen, dat Hij, die ze in het begin gemaakt heeft, zer/emaakl heef! muit en vrouw, en gezegd heeft; Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zijne vrouir aan l.angen, en die twee zullen één rleesch zijn. Zoo zijn zij nu niet meer firee maar één rleesch. Wat God samengi -voegd heeft, dat zalde mensch niet scheiden. Al ten ralten lt;1/1 woord niet, maar wien het gegeven is. Mattli. XIX : 4—6, II ; Mark. X : G—9 : Gen. II : 24. Hier wordt het Hemelsclie huwelijk beschreven, waarin de Engelen zijn, en tegelijkertijd het huwelijk van het goede :.iOt het ware; en door de woorden ; de mensch zal niet scheiden wat Grod heeft samengevoegd, wordt bedoeld, dat liet jzoede niet van hot ware moet gescheiden worden.

373. Uit deze dingen kan men nu zien, waaruit ware huwelijksliefde bestaat, namelijk, d;it zij eerst gevormd wor lt in het gemoed van lien, die in den Imwelijksstaat zijn en dat zij vervolgens daarvan afgeleid in het lichaam afdaalt, waar zij als liefde wordt bemerkt en revoeld ; want al hetgeen in het lichaam wordt bemerkt en gevoeld, heeft zijn geestelijken oorsprong, omdat het uit het verstand en den wil is. Hot verstand en de wil vormen den geestelijken mensch. Wat ook van den geestelijken mensch in het lichaam nederdaalt, vertoont zich dnar ouder een anderen vorm, maar is toch daar aan gelijk en eenstemmig, zooals ziel en lichaam en als oorzaak en gevolg -— zooals kan blijken uit hetgeen in dlt;' twee hoofdstukken over overeenstemming word gezegd en aangetoond.

374. Ik hoorde een Engel ware huwelijksliefde en de Hemelsclie genoegens daarvan op deze wijze beschrijven, dat het 't Goddelijke des Hoeren in de Hemelen is, welke Goddelijke goedheid en Goddelijke waarheid in twee vereenigd is, zoodat zij niet twee maar als é 'u zijn. Hij zeide, dat twee echtgenooten in den Hemel, deze liefde zijn, omdat elk hunner zijn eigen goedheid en eigen waarheid is, zoowel wat geest als lichaam betreft; want het lichaam is een beeld van den geest, omdat het naar zijn gelijkenis gevormd is. Daaruit maakte hij de gevolgtrekking, dat het Goddelijke iu beeld is

373, 374

201

ocr page 306

IIEMEI. EX HEL.

gebracht in twee, die in ware huwelijksliefde zjjn ; en dat door het Goddelijke, ook de Hemel eveneens in die gelijkenis is, want do gchoelo Hemel is Goddelijke goedheid en Goddelijke waarheid, uit don Hemel voortkomende, en dat daardoor in die liefde alle dingen des Hemels zijn ingeschreven en zoovele zaligheden pn heerlijkheden, dat zij ontelbaar zijn. PTij drukte het getal uit door een woord dat duizende en duizende duizendtallen uitdrukte. Hij was verbaasd, dat de mensch van de kerk hier niets van wist, daar toch de kerk de Hemel des Heeren op aarde is, en de Hemel het huwelijk van hot goede en tiet ware is. Hij zeide. dat hij zich verbaasde bij de gedachte, dat in de kerk meer dan daar buiten echtbreuken worden begaan en toegestemd, terwijl het genot daarvan oj) zich zelf niets anders is, in den geestelijken zin en bijgevolg in de geestelijke wereld, dan het genot Tan de liefde voor valschheid met het kwade verbonden, welk genot uit de Hel is, omdat het geheel tegenovergesteld is aan het genot dos Hemels, hetwelk genot is van de liefde tot de waarheid verbonden met het goede.

375. Iedereen weet, dat twee echtgenooten, die elkander liefhebben, innerlijk vereenigd zijn, en dut het wezen van het huwelijk de vereeniging is van zielen of gemoederen. Hieruit kan men opmaken, dat gelijk de zielen of gemoederen in zich zelf zijn, zoo ook hun vereeniging is en ook de liefde tusschen hen. Het gemoed werd alleen gevormd uit hetgeen waar en goed is, want alle dingen in het heelal hebben betrekking op goed en waar en eveneens op hunne verbinding. De vereeniging der gemoederen is daarom geheel gelijk aan hot ware en goede, waaruit zij gevormd zijn ; bijgevolg is de vereeniging van hen, die uit het echte ware en goede gevormd zijn, de meest volmaakte. .Men moet namelijk weten, dat geen twee dingen inniger wederzjjdsche liefde koesteren, dan het ware en goede. Uit deze liefde dus komt de ware huwelijksliefde. quot; Wat valsch is, en wat boos is, bemint elkaar eveneens, doch die liefde verandert later in een hel.

o. Alle dingen in het heelal, zoowel in den Heinel als in de wereld, hebben betrekking op liet goede cn het ware; nos. ~4o2, 3i()(). 4390, -1409,

2(32

375

ocr page 307

IIUWEMJKEX IX DKN' HEMEL.

37fi. Uit hetgeen thans werd gezegd betreffende den oorsprong van huwelijksliefde, kan worden opgemaakt, wie al dan niet in die liefde verkeeren ; dat zij in huwelijksliefde zjjn, die uit Croddelijke waarheden in Goddelijke goedheid zjjn ; en dat huwelijksliefde in zooverre echt is, als de waarheden, die mot het goede zijn verbonden, echt zijn, on daar alle goedheid, die mot waarheden is verbonden, uir den Hoor is, volgt daaruit, dat niemand in ware huwelijksliefde kan zijn, dan wanneer hij don Hoer on Zijne Goddelijkheid erkont; want zonder die erkenning kan do Heer niet in de waarheden bij don mensch invloeien on daarmede worden verbondon.

377. Uit deze dingen blijkt duidelijk, dat zij, die in valschhedon zijn, niet in huwelijksliefde verkeeren on wol voornamelijk zij niet, die in valschhedon uit hot kwade zijn. Bij hen, die in hot kwade zijn en vandaar in valschhedon, is ook het innerlijk van den geest gesloten; en daarom kan daarin volstrekt goon oorsprong van huwelijksliefde bestaan ; maar benoden hot innerlijke in den buitenste of natuurlijken mensch, gescheiden van h-et binnenste, bestaat cono verbinding van hetgeen valsch en boos is, welke holsch huwelijk genoemd wordt. Het word mij gegeven te zien, wat het huwelijk is tusschen hen, die in de valschhedon van hot booze waren, holsch huwoljjk genoemd ; zij onderhouden zich met elkander en worden ook verbonden door oen wellustig verlangen, doch inwendig branden zij van doodelijken haat jegens elkander, zoo groot, dat deze niet te beschrijven is.

378. Ook kan er geen huwelijksliefde bestaan tusschen twee, die van oen verschillenden Godsdienst zijn, omdat do waarheid van don con, niet overeenstemt met do goedheid van den ander, en twee ongelijksoortige en met elkander in strijd zijnde zaken niet uit twee gemoederen één kunnen

5232, 7250, 10122. En oj» de verbiiKling dezer twee; no. 10555. Tusschen goedheid en waarheid lgt;estaat een huwelijk; nos. 10(»4, 2173, 250S. Goed bemint en verlangt uit liefde naar het ware en verbinding daarmede, en bijgevolg zijn zij in eene aanhoudende neiging tot vereeniging; nos. 1)200, 9207, 9495. Het leven der waarheid komt uil het goede; nos. 1589, 1997, 2572, 4O70, 4090, 4097, 4730, 4757, -1884, 5147, 90(57. Het ware is de vorm van het goede; nos. 3049, 31 so. 4574. 9154. Waarheid is voor goedheid wat water voor het brood is; no. 4970.

376-378

263

ocr page 308

HEMEL EX lIEr..

maken. Om deze reden heeft de oorsprong hunner liefde volstrekt niets, dat geestelijk is. Wanneer zij in overeenstemming met elkander leven, is dat slechts uit natuurlijke oorzaken. P Daarom worden de hmveljjken in den Hemel gevormd tusschen hen, die in hetzelfde gezelschap zijn, omdat zij in gelijksoortige waarheid en goedheid zijn, doch niet tusschen hen, die in verschillende gezelschappen zijn. Dat daar allen, die in eenzelfde gezelschap zijn, in gelijksoortige goedheid en waarheid verkeeren en hierin verschillen niet hen, die daar buiten staan, kan boven gezien worden. (Xo. 4i en volgende.) üit was ook zoo voorgesteld bij het Joodsche volk, waar de huwelijken in de stammen werden gesloten en in het bijzonder in de fami-liën en niet daarbuiten.

379. Evenmin kan er ware huwelijksliefde bestaan tusschen een man en meer dan ééne vrouw; want dit vernietigt den geestelijken oorsprong, volgens welken air twee gemoederen éen gevormd wordt; bijgevolg vernietigt dit innerlijke verbinding, die van het goede en ware is, waaruit het eigenijjke wezen dier liefde bestaat. Ken huwelijk met meer dan éen is gelijk aan een verstand onder verschillende willen verdeeld, en gelijk aan een menseh, die niet aan eene maar aan meerdere kerken is verbonden, want op die wijze is zijn geloof verstrooid en wordt zoodoende niets. Engelen deelden mede, dat het huwen met meer dan éene vrouw geheel strijdig met de Goddelijke orde was, en dat zjj dit door verschillende oorzaken wisten, onder anderen daardoor, dat zij, zoodra als zij aan een huwelijk met meer dan éen deuken, uit innerlijke zaligheid en Uemelsch geluk worden weggevoerd, en dan aan dronken lieden gelijk worden, omdat bij hen de goedheid van hare waarheid is gescheiden. En daar het innerlijk van hunnen geest alleen door de gedachte gepaard met eenige bedoeling in dien toestand komt, bemerken zij duidelijk, dat het huwelijk met meer dan éen, hun innerlijk gemoed zou sluiten en oorzaak zou wezen, dat huwelijksliefde door wel-

Huwelijken tusschen hen, die van een verschilleiulen Godsdienst zijn, zijn onweUig, wegens gebrek aan verbinding van gelijke goedheid en waarheid in het innerlijk; no. 8'JÜ8.

201

379

ocr page 309

IirvTEUJKEN IX DEX JIEMEL.

lustige lief'ilo werd verrangen, welke liefde van den IFcmel aftrekt. / Zij zeggen verder, dat de mensch dit niet gemakkelijk begrijpt, omdat er weinigen in werkelijke huwelijksliefde verkeeren, en zij, die daar niet in zijn, weten totaal niets van liet inwendige genoegen, dat in die liefde is, doch kennen alleen het genoegen van wellust, welk genoegen in walging verandert, na een korten tijd van samenwoning, ter-wjj! 'iet genoegen van ware huwelijksliefde niet alleen tor den tuiden dag in de wereld duurt, maar ook na den dood het genoegen des Hemels wordt, en dan gevuld is met innerlijk genoegen, dat steeds meer volmaakt wordt tot in der eeuwigheid. Zij zeiden mij ook, dat do verschillende graden van gelukzaligheid der ware huwelijksliefde tot vele duizende te tellen waren, van welke zelfs niet een den mensch bekend is, noch door iemand begrepen kan worden, die niet in hot huwelijk van goedheid en waarheid door den Heer'is.

880. De liefde tot heerschen van den een over den ander verdrijft de huwelijksliefde en haar Hemelsch geluk geheel ; want, zooals boven werd gezegd, huwelijksliefde en haar geluk bestaat hierin, dat de wil van den een ook die van den ander is, en dit wederzjjds en wederkeerig. De liefde tot heerschen in het huwelijk vernietigt dit, want hij die heerscht wenscht dat zijn wil alleen in den ander is en niets van den ander wederkeerig in hem ; daardoor is er niets onderling, bijgevolg gcene deelneming van eenige liefde en haar geluk met den ander, noch wederkeerig. En toch is deze deelneming en de daaruit komende verbinding het inwendig geluk zelf, dat in het

q. Daar man en vrouw ren moeien wezen en samen moeten wonen in liet inwendigste des levens, en daar zij samen één Engel in den Hemel maken. kan geen ware ImwelijkslielVle bestaan tussclien een man en meerden; vrouwen: nos. 1097, 2740. Meerdere vrouwen tegelijk te huwen is strijdig uur de Goddelijke orde, no. 10837. Er bestaat geen huwelijk dan tussclien iVii mnn en ééne. vrouw; dit bemerkten zij, die in Gods Hemelsch koninkrijk zijn duidelijk; nos. SCió. 324(), 0002, 10172. De reden is, dat de Engelen aldaar in liet huwelijk van goedheid en waarheid zijn; no. 3240. li ij het Joodsche vol): was het geoorloofd meerdere vrouwen te huwen en bijwijven bij die vrouwen te nemen, maar dit is den christenen niet toegestaan; dit kwam, wijl dat volk in het uiterlijk zonder het innerlijke was, terwijl christenen in het innerlijk kunnen wezen en aldus in het huwelijk van het goede met het ware ; nos. 3246, 4837, 8809.

2G5

380

ocr page 310

HEMEL EX HEL.

huwelijk gelukzaligheid wordt genoemd. Do liefde tot heer-schen verstikt deze gelukzaligheid en daarmede het gcheele Hemelsche en geestelijke deel van huwelijksliefde zoo volkomen, dat het onbekend is, dat zij bestaat, en indien men er over sprak; zou zij met zulk eene verachting beschouwd worden, dat zelfs de vermelding harer gelukzaligheid lachlust of toom zou verwekken. Wanneer de een wil of liefheeft, wat de ander doet, dan heeft elk vrijheid, want alle vrijheid is uit liefde ; maar waar heerschzucht is, heeft niemand vrijheid ; want de een is een knecht en de ander, die heerscht, eveneens, omdat hij als een knecht wordt bestuurd door den lust tot heerschen. Maar hij, die niet weet, wat de vrijheid van Hemelsche liefde is, begrijpt dit in 't geheel niet; en toch kan men weten, uit hetgeen boven over den oorsprong en het wezen van huwelijksliefde gezegd is, dat voor zoover de heerschzucht indringt, ook in die zelfde mate de gemoederen niet samengevoegd, doch verdeeld worden. Heerschzucht onderwerpt, en een onderworpen geest heeft of geen wil, ot een tegenovergestelden wil. indien hij geen wil heeft, heeft hij ook geen liefde, en indien hij een tegenovergestelden wil heeft, is er haat in plaats van liefde. Het innerlijk van hen, die in zulk een huwelijk leven, is in wederzijdsche botsing en gevecht, zoo als twee tegenstanders gewoon zijn, ofschoon het uiterlijk in bedwang en kalm is om der wille van de rust. De botsing en het gevecht van hun innerlijk doen zich na hun dood kennen, wanneer zij elkander meestal ontmoeten en als vijanden vechten en elkander verscheuren, want dan handelen zij in overeenstemming met den toestand van hun innerlijk. Het werd mij meerdere malen vergund hen vechtende en scheurende te zien, somtijds vol wraak en wreedheid. Want in het andere leven wordt liet innerlijk vnn een ieder in vrijheid gelaten ; ook wordt het niet langer weerhouden door uiterlijke beweegredenen en wereldlijke oorzaken, want dan is iedereen, zooals hij innerlijk is.

381. liij eenigen bestaat een schijn van huwelijksliefde, welke toch geen huwelijksliefde is, als zij niet in liefde tot het goede en ware zijn, maar het is eene liefde,

2ö(J

381

ocr page 311

UL'WELIJKEN [N DEN l[Egt;fEIJ.

die om verschillende oorzaken als huwelijksliefde schijnt, zooals, wegens het verlangen thuis bediend te worden en in zekerheid en rust of gemakkelijk te leven, of om te worden opgepast in ziekte en ouderdom, of in het belang van hunne kinderen, die zjj beminnen. Sommigen zijn onder dwang uit vrees voor hun echtgenoot, uit vrees voor het verlies van hun goeden naam, of voor andere kwade gevolgen : en bij sommigen is het wellust, die hen er toe brengt. Ook bij de echtgenooten verschilt de huwelijksliefde ; bij den oen kan er meer of minder, bij don ander weinig of in quot;t geheel geen huwelijksliefde bestaan: en wegens dit verschil kan voorden een do ITemel voor den ander de Hel het deel zijn,

3S2(7. Iv'hte huwelijksliefde is in den binnensten Hemel, omdat daar de Engelen in het huwelijk van goedheid en waarheid en ook in onschuld zijn. De Engelen van de lagere Hemelen zijn eveneens in buwelijksliefde, doch slechts in zooverre als zij in onschuld ziju ; want huwelijksliefde is in zichzelf een staat van onschuld. Om deze reden hebben echtgenooten in huwelijksliefde Ilemelschegenoegens, waarvan zij een beeld zien in de spelen der onschuld onder kleine kinderen ; want alles verheugt hun geest, omdat de Hemel met zijn genoegen in elk ding van hun leven invloeit. Daarom wordt Huwelijksliefde iu don Hemel door de schoonste dingen voorgesteld. Ik heb die liefde voorgesteld gezien door eeue maagd van onbeschrijfelijke schoonheid, omringd door een schitterende wolk, en men deelde mij mede, dat de Engelen in den Hemel al hunne schoonheid uit huwelijksliefde hebben. De genegenheden en gedachten, die er uit voortvloeien, worden voorgesteld door dampkringen met diamantglans, schitterende als karbonkels en robijnen en dit met genoegens, die het innerlijk van den geest aandeden. In een woord, de Hemel vertoont zich in huwelijksliefde, omdat de Hemel bij de Engelen de verbinding van het goede en ware is en die verbinding vormt hu wel ij ksliefde.

3S2/gt;. De huwelijken in den Hemel verschillen van de huwelijken in de wereld daarin, dat de huwelijken der wereld ook voor de voortbrenging van den nakomeling zijn, hetgeen 267

382«, 382i

ocr page 312

HEMEL EX HEI..

in den Ilomel niet zoo is. In plaats van dio voortbrenging heeft in den Hemel een voortbrenging van goedheid en waarheid plaats. Dat daar deze voortbrenging bestaat in plaats van de eerstgenoemde, is, omdat hot huwelijk in den Hemel het huwelijk van goedheid en waarheid is, zooals boven werd aangetoond; en in dat huwelijk worden goedheid en waarheid boven alle dingen bemind; deze zijn het dus, die door do huwelijken des Hemels worden uitgebreid. Daarom worden in het Woord door geboorten en geslachten, geestelijke geboorten en geslachten van goedheid en waarheid bedoeld; door een moeder en een vader waarheid samengevoegd met goedheid, welke voortbrengt; door zoons en dochters, de waarheden en goedheden, die voortgebracht zijn: en door schoonzoons en schoondochters, de verbindingen van deze, en zoo voort. Hieruit is het duidelijk, dat huwelijkeu in den Hemel niet aan huwelijken in de wereld gelijk zijn. In den Hemel zijn geestelijke huwelijken, die niet huwelijken, maar verbindtenisseu van geesten door het huwelijk van goedheid en waarheid genoemd worden. In de wereld zijn huwelijken, omdat zij niet alleen den geest maar ook het vleesch betreffen, en daar in den Hemel geen huwelijken zjjn, worden echtgenootcn er niet man en vrouw genoemd, maar wordt de echtgenoot van iemand, naar eene opvatting der Engelen omtrent de verbinding van twee geesten tot één, aangeduid door een naam, die de beteekenis heeft van zijn eigen, onderling en wederkeerig. Uit deze dingen kan men zien, hoe de woorden

r. De ontvangenissen, zwangerschappen, geboorten en geslachten beteekenen dezelfde geestelijke dingen, die van goedheid en waarheid of van liefde en geloof zijn; nos. 613, 1145, 1255, 2020, 2584, oSGO, 3868, 4070, 4668, 6239, 8042, 0325, 10249. Vandaar, dat voortplanting en geboorte, wedervoortplanting en wedergeboorte door het geloof en de liefde beteekenen ; nos. 5160, 5508, 9042, 0845. Moeder beteekent de kerk, wat de waarheid betreft, bijgevolg ook de waarheid der kerk. Vader beteekent de kerk, wat de goedheid betreft, dus ook het goede der kerk; nos. 2601, 2717. 3703, 5581. 8897. Zoons beteekenen neigingen tot het ware, dus waarheden ; nos. 480, 401, 533, 2623, 3373, 4257, 8640, 0807. Dochters beteekenen neigingen tot het goede, dus goedheden ; nos. 480—01, 2362, 3963, 6720, 6775, 6778, 0055. Schoonzoon beteekent waarheid verbonden niet neiging tot het goede ; no. 2380. Schoondochter beteekent goedheid verbonden met hare waarheid , no. 4843.

268

ocr page 313

HL'WE LUK EX IX DEN HEMEL.

des Heeren over trouwen en ten huwelijk geven moeten verstaan worden. * (Lucas XX : 35, 3(3.)

383. Het werd mij ook vergund om te zien, lioe de huwelijken in den Hemel gevormd werden. Overal in den Hemel zijn de gelijken vereenigd, en zij, die verschillen, worden daarvan gescheiden; daardoor bestaat elk gezelschap des Hemels uit Engelen, die aan elkaar gelijk zijn. Gelijken worden tot gelijken gebracht, niet uit zich zeiven, doch door den Heer, (zie boven nos. 41, 43, 44, enz.); op dezelfde wijze echtgenoot tot echtgenoot, wier geesten tot één kunnen worden samengevoegd. Daarom beminnen zij elkander innig op het eerste gezicht, zien elkander als echtgenooten, en sluiten een huwelijk; daardoor komt het, dat alle huwelijken des Hemels uit don Heer zijn. Zij vieren ook het huwelijksfeest, dat in een talrijk gezelschap plaats vindt, maar de feestelijkheden verschillen in de verschillende gezelschappen.

384. Omdat de huwelijken in de wereld de kweekscholen zijn van het menschelijk geslacht en eveneens van de Engelen des Hemels — dewjjl de Hemel van het menschelijk geslacht is, zooals reeds werd aangetoond; omdat zij ook van een geestelijken oorsprong zijn, namelijk uit het huwelijk van goedheid eu waarheid; en omdat de Goddelijkheid des Heeren voornamelijk in die liefde invloeit, worden zij door de Kngelen des Hemels voor zeer heilig beschouwd. Aan den anderen kant worden echtbreuken, omdat zij het tegenovergestelde van huwelijksliefde zijn, als profaan beschouwd, want zooals de Engelen in het huwelijk, de vereeniging van goedheid en waarheid zien, dat de Hemel is, zoo zien zij in echtbreuken de vereeniging van valschheid en boosheid, dat de Hel is. Wanneer zij slechts echtbreuken hooren noemen, wenden zij zich af. Dit is ook do reden, dat voor een niensch, die cciit-brcuk bedrijft uit genoegen, tie Hemel gesloten wordt; en wanneer de Hemel voor hem gesloten is, erkent hij niet

. Het Latijnschu woord ,iud,tiat', hier weergegeven al^ „liinvelijkquot; besc la-ij.'t eigenlijk het burgeriijk eontract waardoor eene vrouw in liet bezit van haar man kwam, en drukt nauwkeurig uit het „trouwen en ten huwelijk geven , dat in den Hemel niet plaats vindt.

2G9

383, 384

ocr page 314

HEM KI. EX HUL.

langer het Goddelijke, noch iets van het geloof der Kerk. s Dat allen, die in de Hel zijn, tegen huwelijksliefde gekant zijn, mocht ik waarnemen uit de sfeer, die daarvan uitwasemde en die als 't ware eene voortdurende poging was om huwelijken te ontbinden of te verkrachten. Hieruit was het duidelijk, dat het heerschende genoegen in de Hel echtbreuk is, en dat het genoegen van echtbreuk ook dat van vernietiging der samenvoeging van goedheid en waarheid is, welke samenvoeging den Hemel maakt. Hieruit volgt, dat liet genot van echtbreuk een helsch genot is, direct tegenovergesteld aan dat van liet huwelijk, dat hemelscii genot is.

385. Er waren eenige geesten, die door gewoonte gedurende hun leven in het lichaam aangenomen, mij met bizondere geslepenheid aanvochten, en zulks door eene zachte, als het ware zich golvend voortbewegende invloeiing, zooals welmee-nende geesten die hebben. Ik bemerkte echter, dat er in hen geslepenheid en zoo iets was om mij te vangen en te misleiden. Eindelijk sprak ik met een hunner, van wien mij werd gezegd, dat hij aanvoerder van een leger op aarde was geweest; en omdat ik gewaar werd, dat er ontucht schuilde in de denkbeelden zijner gedachten, sprak ik met hem over het huwelijk, in geestelijke spraak, door voorstellingen, die volkomen de meen rag uitdrukken met vele dingen in een oogenblik. Hij zeide, dat hij bij zijn leven in het lichaam echtbreuk als niets geacht had. Maar het werd mij gegeven hom te zeggen, dat echtbreuk schandelijk was, ofschoon voor hen, die ze bedrijven, door het genot, dat zij er in stellen en de daaruit komende zelfovertuiging, zulks niet hot geval schijnt, zelfs als vergund voorkomt. Dat dit zoo was, kon hij ook daaruit weten, dat huwelijken de kweekscholen waren

f. Echtbreuken zijn profaan; no.s. 9061, 10174. De Hemel is gesloten voor echtbrekers ; no. 27S0. Zij. die genoegen in echtbreken hebben bemerkt, kunnen niet in den Hemel komen; nos. 530, 2733, 2747—40, 2751, 10175. Echtbrekers hebben geen erbarmen en geen godsdienstig grondbeginsel ; nos. 824, 2747, 274S. De denkbeelden van echtbrekers zijn vuil : nos. 2747, 274S. In het andere leven beminnen zij het vuil en zijn zij in vuile hellen ; nos. 2755, 5304, 5722. Door echtbreken wordt in het Woord verstaan de schending van het goede, en door hoererij de vervalsching van het ware; nos. 2460, 2729, 3300, 4865, 8004, 10648.

270

885

ocr page 315

UrWKLIJKEX IX DE.V ItEMKL.

voor het koninkrijk der hemelen, en daarom in geen geval mochten worden verkracht, maar heilig moesten gehouden worden ; en ook daarom, wat hij behoorde te weten, omdat hij nu in liet andere leven was en in eene staat van gewaarwording, dat huwelijksliefde door den Hemel van den Heer afdaalt, en dat uit die liefde als uit eene moeder onderlinge liefde geboren wordt, die de grondslag des hemels is; en ook hieruit, dat wanneer echtbrekers ook maar nabij den Hemel komen, zij hun eigen stank gewaar worden, en zich zeiven in de Hel nederstorten. Hij had ten minste kunnen weten, dat schending van het huwelijk in tegenstelling is met de Goddelijke wetten, en tegen de burgerlijke wetten in alle koninkrijken en ook tegen het echte licht des verstands, omdat het zoowel tegen de Goddelijke orde als tegen do men-schelijke rede indruischt, om niet nog andere beweegredenen te noemen. Maar hij antwoordde, dat hij bij zjju leven in het lichaam zulke dingen niet had gedacht. Hij begeerde te bespreken, of het wel zoo was ; maar men zeide, dat over waarheden geen redeneeringen toegelaten kunnen worden, omdat die begunstigen, wat iemand aangenaam is, dus ook hetgeen kwaad, valsch is, en dat hij eerst moest denken over hetgeen gezegd was, omdat dit waarheid was en dat het in de wereld wel bekend is, dat namelijk niemand aan een ander moet doen, wat hij niet wenscht, dat een ander aan hem doet; en daarom moest bedenken, dat indien iemand zijn vrouw, die hij liefhad, zoo had bedrogen, (want ieder bemint zijne vrouw in den eersten tijd van het huwelijk) eer hij daarover in zijn toorn had gesproken, of hij dan niet zelf echtbreuk zou hebben verfoeid; en of hij niet als een man van taleut zich zei ven meer nog dan anderen tegen echtbreuk zou hebben verzet en die zelfs naar de Hel zou hebben verdoemd.

38(3. Het werd mij aangetoond, hoe de genoegens van huwc-hjkslietde naar den Hemel voortgaan en de genoegens van echtbreuk naar de Hel. De vorderingen der genoegens van huwelijksliefde moor en meer Hemelwaarts, geschiedden in toestanden van steeds toenemend geluk en zaligheid, tot dat zij onnoemelijk en onuitsprekelijk werden; en als die meer inner-

386

271

ocr page 316

HEMEL EN HEL.

lijk voortgingen en verder onnoemelijk en onuitsprekelijk werden, bereikten zij tocstiinden van geluk en zaligheid der binnenste Hemelen of den Hemel der onschuld en dit door de meest volmaakte vrijheid; want alle wijsheid is uit liefde, dus is de meest volmaakte vrijheid uit huwelijksliefde, die de hemelsehe liefde zelve is.

Doch de voortgang van echtbreuk was naar de Hel en bij graden naar de laagste, waar zich niets bevindt dan wat afschuwelijk en vreeseljjk is. Zulk een lot wacht de echtbrekers na hun leven op aarde. -Met echtbrekers worden zij bedoeld, die in echtbreuk genot vinden en geen genoegen in het huwelijk.

HET WERK 0EI! EXGELEX IX DEN HEMEL.

387. De werkzaamheden in den Hemel kunnen niet worden opgenoemd, noch in onderdce-len worden beschreven, maar alleen in het algemeen kan iets daaromtrent worden gezegd; want zij zijn ontelbaar en ook verschillend naar den werkkring der gezelschappen. Ieder gezelschap vervult een bij-zonderen werkkring, want aangezien de gezelschappen verscheiden zijn naar het goede, dat ze hebben, (zie boven no. 41) zoo verschillen ze ook in het nut dat zij uitwerken, omdat het goede bjj allen in de Hemelen goed is in handelingen, d. w. z. nuttige werkingen. Daardoor sticht iedereen in den Hemel nut. want het koninkrijk des Heeren is een rijk van nutstichting 1

388. In de Hemelen zoowel als op aarde zijn velerlei besturen, want daar zijn geestelijke dingen, burgelijke dingen en huiselijke dingen. Dat er geestelijke dingen zijn, is duidelijk uit hetgeen hierboven werd gezegd en aangetoond om-

t. Het rijk des Heeren is een rijk van nntstichting; nos, 454. 696, 1103, .'5(345, 4054, 7038. Den Heer dienen is nnt stichten; nu. 7038. Iedereen in liet andere leven moet nuttig zijn; no. 1103, zelfs de godlocze en helbewoners, maar oj» welke wijze; no. 6Ü6. Alle zijn zoodanig als het nut dat zij verrichten; nos. 4054, (;815, dit toegelicht 7088. Engelen zaligheid bestaat in het goede der liefdadigheid, dus in nuttig zijn; no. 454.

272

387, 388

ocr page 317

HL'WK I.I.I KEN I.\ DEN IIKM KI

trcnt don godsdienst, (no. 221 -227). Dat er burgerlijke zaken zijn, is duidelijk uit hetgeen hierboven gezegd word en aangetoond omtrent bestuur in den Hemel, (no. 213—220), en dat cr huiselijke dingen zijn, is duidelijk uit hetgeen hierboven gezegd en aangetoond werd omtrent woningen en verblijfplaatsen der Engelen, (no. 183 190) en over huwelijken in den Hemel, (no. 3GG—386). Hieruit is het duidelijk, dat cr velerlei verrichtingen en besturen zijn in ieder hemelsch gezelschap.

389. Allo dingen in den llcmel zijn volgons Goddelijke orde ingericht, die overal wordt gehandhaafd door bestuur, dat door Engelen wordt uitgeoefend; door de meer wijze, zulke dingen, die tot algemeen goed en nut strekken, door minder wijzen, zulke dingen, die van bizonder nut zijn, en zoo voort. Zij zijn ondergeschikt, juist zooals in de Goddelijke orde liet nut meer of minder ondergeschikt is. Vandaar wordt ook aan iedere verrichting waardigheid toebedeeld, naarmate van de waardigheid van het nut. En tocli schrijft een Engel aan zich zelven geenc waardigheid toe, maar alles aan liet nut, en omdat liet nut het goede is, dat hij doet, en allo gcod van den ileer is, daarom schrijft hij aiies aan den Heer toe. Wie daarom aan eer voor zich zelven denkt, en dan eerst aan het nut, en niet over het nut en daarna aan zich zelven, kan in den Hemel geen werkkring vervullen, omdat hij achteruit, van den lieer af ziet, op zich zelven in de eerste plaats achtende en op het nut in de tweede plaats. Wanneer van nut sprake is, wordt ook de Heer bedoeld, want, zoo als hierboven werd gezegd, nut is goed en het goede is van den Hoor.

390. Hieruit kan men afleidoii, Ifoedanig de ondergeschiktheid in den Hemel is. Aangezien namelijk iedereen liefde, achting en eer koestert voor het nut, zal hij ook liefde, achting en eer koesteren voor hem, aan wien dat nut verbonden is ; en evenzoo zal die persoon in zooverre worden bemind, geacht en vereerd, als hij dat nut niet aan ziel; zelven, maar aan don lieer tooschnjft; want in zoover is hij wijs, en in zoover verricht hij dat nut door het goede. Geestelijke liefde, achting en vercering is niets anders dan do liefde, achting

273 i.v

389, 390

ocr page 318

HEMEL EN HEL.

391

en vereoi'ing voor liet nut iu don persoon, en do voreoring van den persoon om liet nut, niet van het nut om don persoon. Jlij, die oen monscli bcschouwt uit geestelijke waarheid, beschouwt hein ook niet anders; want hjj ziet de eene mensch zooals de andere, of hij in waardigheid hoog of laag staat, en ziet alleen onderscheid in wijsheid ; en wijsheid is do liefde voor nut, dus het goede voor oen medeburger, voor de maatschappij, voor hot vaderland en voor do kerk. Hierin bestaat ook de liefde tot den Heer, omdat allo goed, dat het goede van het nut is, van den Heer komt; en ook do liefde tot den naasten, omdat de naasten hot goede is; dat men moet liefhebben in den medeburger, o de maatschappij, in hot vaderland on in do kerk, en hetwelk teu dienste daarvan moet worden betoond. quot;

391. Allo gozelschappoii in den Hemel zijn onderscheiden naar hot nut, dat zij doen, daar zij onderscheiden zijn naar hot goede, zooals boven word gezegd, (no. 41 en volg.); en goed is goed in daden, of hot goede in liefdadigheid, hetwelk nut is. Er zijn sommige gezelschappen, wier work het is zorg te drogen over kleine kinderen ; andoren, wier work het is, ze te onderwijzen en op te voeden als ze opgroeien ; en anderen, die evenzoo jongens en meisjes onderwijzen en opvoeden, die door opvoeding in do wereld van goede geaardheid zijn, en daardoor in den Hemel komen. Er zijn andere gezelschappen, die de eenvoudig goeden uit do Christelijke wereld onderwijzen, en hen leiden in den weg des Hemels; en andere, die even-zoo de verschillende volkeren tier heidenen onderwijzen en

7i. Den naasten liefhebben, is niet den persoon liefhebben, maar datgene wat hem eigen is en wat hem uitmaakt; nos. 5025, 10330. Zij. die den persoon liefhebben, en niet wat hem eigen is en hem uitmaakt, hebben een boos mensch even lief als een goed mensch; no. 3S20, en doen goed aan de boozen zoowel als aan de goeden; terwijl toch aan de buozen goed te doen, kwaad doen is aan de goeden, dat niet is den naasten liefhebben; nos. 3820, (3703, 81 20. De rechter, die de boozen straft om hen te verbeteren, cn tc verhinderen, dat de goeden door hen worden besmet en benadeeld, heeft den naasten lief; nos. 3S20, 8120, 8121. ledereefi en de maatschappij, ook iemands vaderland en de kerk, en in eenen algemeenen zin het koninkrijk des 11e. ren, zijn de naasten, en nil liefde tot het goede hnn goed te doen, naarmate van de hoedanigheid van hnn toestand, is den naasten lief te hebben; dus het goede in hen, waarop men moet acht geven, is de naasten; nos. GS18—21,8123.

274

ocr page 319

IH WELI.IKEX IX DEN HEMEL.

leiden. Sommige gezelschappen verdedigen nieuwelingen onder de geesten, of hen, dio kortelings uit de wereld kwamen, tegen do aanslagen van booze geesten; eenige zijn dichtbij lien, die in de lagere wereld zijn ; en andere zijn nabij hen^ die in de hellen zijn, en houden hen terug van elkander vorder dan de gestolde grens te kwellen. Er zijn ook sommige met hen, die van den dood worden opgewekt. Over het algemeen worden Engelen uit ieder gezelschap naar den mensch gezonden, opdat zij hem beschermen en voor kwade genegenheden en de gedachten daaruit bewaren, en hem bezielen met goede genegenheden en gedachten daaruit, zoo ver als zij die in vrijheid aannemen, waardoor zij ook de daden en werken der menschen regeeren, daarbij zoover mogelijk kwade voornemens verdrijvende.

Wanneer Engelen met den mensch zijn, wonen zij als het ware in hunne genegenheden, en zijn den mensch nabij, in zooverre als hij in goed is uit het ware, maar zjj zijn meer verwijderd, naar de mate dat zijn leven verder van het goede is. quot; Echter zijn al deze verrichtingen van de Engelen, het werk van den lieer door de Engelen, want de Engelen vervullen ze niet uit zich zeiven, maar uit den Heer. Vandaar, dat door Engelen in hot Woord, in den geestelijken zin, niet worden bedoeld Engelen, maar iets van den Heer; cn vandaar, dat Engelen in het Woord goden worden genoemd. w

392. Deze verrichtingen van de Engelen zijn hun al-gomeene verrichtingen, maar elk een heeft zijn bizondere opdracht; want ieder algemeen nut is samengesteld uit on-

v. Over Engelen, die niet zuigelingen zijn, en later met jongens en zoo vervolgens; no. 2303. De mensch wordt door Engelen van den dood opgewekt, uit ondervinding; nos. 1GS—ISO. Engelen worden gezonden naar hen, die in de Hel zijn, om te verhinderen, dat zij elkaar bovenmatige kwellen; no. 0(17. Over het werk der Engelen jegens menschen, die in het andere leven binnen komen; no. 2131. (ieesten en Engelen zijn met alle menschen i'ii den mensch wordt door Engelen cn geesten van den Heer geleid; nos. 50. 097, 27!)(gt;, quot;2SS7, 2SS8, 5S1(»—65, 507()—03, 0200. Engelen hebben heerschappij over booze geesten, no. 1755.

ir. Door Engelen in het Woord wordt bedoeld, iets (-oddclijks van den Heer; nos. 1025—2821,3030, -1085, G280, 8102. Engelen in het Woord worden goden genoemd door de opneming van Goddelijke waarheid cn goedheid van den Heer; nos. 4205, 4-402, 8192, 8301.

275

ocr page 320

1IEMKL EN UEr..

telbare onderdeden, die middellijke, helpende en dienende nuts verrichtingen genoemd worden. Alle en elk zijn volgens de Groddelijke orde hij elkander gevoegd of ondergeschikt, en to zamen genoinon vormen of volmaken zy liet algemeene nut, hetwelke het algemeen beste is.

398. Kerkelijke bedieningen in den Kemel worden door hen verricht, die in de wereld het Woord liefhadden, cn de waarheid daarin naarstig zochten, niet om eer of gewin, maar tot nut van hun eigen leven en dat van anderen. Dezulken zijn daar, naarmate van hunne liefde en begeerte voor nut, verlicht en in het licht der wijsheid, waarin zij ook komen door het Woord in don Hemel, alwaar het niet natuurlijk is, zooals in do wereld, maar geestelijk, (zie no. 259). Zij vervullen de bediening van prediker, en volgens de goddelijke orde wordt daarbij do hoogere rang vervuld door hen, die door verlichting anderen in wijsheid overtreffen. In burgelijke ambten worden dezulken aangesteld, die in de wereld hun land lief-haddeu en het algemeene nnt daarvoor boven hun eigen stelden, en rechtvaardig en eerlijk handelden ter wille van do rechtvaardigheid cn eerlijkheid. Tn zooverre als zij met naarstigheid der liefde de wetten der rechtvaardigheid hebben onderzocht en daardoor veastandig worden, in zooverre worden zij bekwaam voor de bediening van ambten in den Hemel, en bedienen die dan ook in die plaats of graad, waarin hun verstand zich bevindt, hetwelk dan ook gelijken tred houdt met hunne liefde om nuttig te zijn voor het gemeene best. Bovendien zijn er in den hemel zoo vele ambten en zoovele bedieningen, en ook zoo vele werkkringen, dat ze niet kunnen opgesomd worden door hunne veelheid. In vergelijking daarmede zijn er in do wereld slechts weinige. Alle, hoevele er ook zijn, zijn in de lust tot hun werk en arbeid, uit liefde om nuttig te wezen, en geen enkele uit eigenliefde of om gewin ter wille van zijn levensonderhoud, omdat alles, wat voor het leven noodig is, hun gratis gegeven wordt. Zij hebben woning voor niet, zij worden gekleed voor niet, cn gevoed voor niet. Hieruit is het duidelijk, dat zij, die zich zeiven en de wereld meer hebben liefgehad dan het nut van ande-

893

ocr page 321

IIEMELSC1IE VKEÜGDK KN' GELUKZATJCJUEIIJ. 394, 395

ren, geen deel hebben in den hemel; want een ieders eigenliefde et' genegenheid blijft hem na liet leven in de wereld bij en wordt ook in eeuwiglieid niet uitgeroeid, (zie no. 303).

394. Een ieder is in den Hemel in zijn werk volgens overeenstemming, en deze overeenstemming ligt niet in het werk, maar in het nut van dat werk, (zie no. 11-); en daar is ook eene overeenstemming in alle dingen, (zie no. 10(i). Wie in den Hemel eene verrichting of werkzaamheid heel'f, in overeenstemming met zijne bruikbaarheid, is in een staat des levens, geheel gelijkende op dien van zijn leven in de wereld, want het geestelijke en natuurlijke maken door overeenstemming één uit; met uit onderscheid echter, dat hjj eene meer innerlijke lust voor zijn werk heeft, doof zijn geestelijk leven, dat innerlijk loven is, en daardoor meer ontvankelijk voor hemelsche zaligheid.

HKMiaS' ill-: Vltl-XfiMK KN CF.U'KZ A I.KiHKlI).

395. Wat de Hemel is en llemelsche vreugde, weet heden ten dage nauwelijks iemand. Zij, die hier over hebben nagedacht, hebben zich een begrip daarvan gevormd zoo algemeen en zoo grof, dat het bijna in het geheel geen begrip is. Door geesten, die uit do wereld in het andere leven kwamen, leerde ik gemakkelijk, wat begrip zij koesterden omtrent den Hemel en Hemelsche vreugde, want aan zich zeiven overgelaten, alsof zij nog in de wereld waren, denken zij ovenzoo ais zij toen deden. De reden, waarom niets omtrent hemelsche vreugde bekend is, ligt daarin, dat zij, dio daarover gedacht hebben, geoordeeld hebben naar uiterlijke vreugde, die in den natuurlijken mensch is, en niet hebben geweten, wat de innerlijke of geestelijke mensch is, dus ook niet wat zijne vreugde en gelukzaligheid is. Indien daarom door hen, die in geestelijk of inwendig genot verkeerden, liet wezen en den aard van hemelsche vreugde zou zijn verklaard, zou men het niet kunnen begrijpen, want het zou in onbekende begrippen uitgedrukt zijn, en dus niet kunnen worden doorzien, en daardoor

ocr page 322

HEMEL EX HEF..

gekomen zijn onder de dingen, die do natuurlijke incnscli verwerpt. Intussclien kan iedereen weten, dat, wanneer iemand den uitwendigen of natuurlijken mensch verlaat, hij in deninner-Ijjken of geestelijken mensch komt, waaruit men weten kan, dat hemelsche vreugde inwendig of geestelijk is en niet uitwendig of natuurlijk, en omdat het inwendig of geestelijk is, is het reiner en verlievener, en wordt daardoor het inwendige van den mensch aangedaan, dat tot zijne ziel of geest behoort. Uit deze dingen alleen kan iedereen afleiden, dat zijn genot zoodanig zal wezen, als dat van zijnen geest geweest is, en dat het genot van het lichaam, 't welk het genot van het vleesch genoemd wordt, in vergelijking niet liemelsch is. AVat inden geest des menschen is, als hij het lichaam verlaat, blijft na den dood, want dan leeft hij als geest-mensch.

396. Alle genietingen vloeien voort uit liefde, want wat een mensch gaarne heeft, daarin heeft hij lust; uit eene andere oorzaak heeft niemand eenige lust; hieruit volgt weer : zooals de liefde is, zoo is het genot. Do genietingen van het lichaam of van liet vleesch, vloeien alle voort uit de eigenliefde of wereldliefde, het zijn dus zinnelijke lusten en hunne genoegens, ilaar de genoegens van de ziel of van den geest vloeien alle voort uit liefde tot den Heer en liefde tot den naasten. Het zijn dus genegenheden voor goed en waar en innerlijke voldaanheid. Deze liefdevormen met hunne genoegens vloeien van den Heer in, en uit den Hemel, door een inwendigen weg, die van boven is; en het inwendige aandoet; maar de vorige liefdevormen mot hunne geneugten vloeien in uit het vleesch en uit de wereld, door een uitwendigen weg, welke van omlaag komt en het uiterlijke aandoet. In zooverre dus als die twee liefdevormen des Hemels opgenomen worden en den mensch aandoen, iu zooverre wordt het inwendige, dat tot de ziel of den geest behoort, geopend en ziet van de wereld hemelwaarts, maar in zooverre die liefdevormen van de wereld worden opgenomen en den mensch aandoen, zoover wordt het uitwendige geopend, dat tot liet lichaam of het vleesch behoort en ziet het van den Hemel af naar de wereld. Wanneer de eene of de andere liefde in-

27S

390

ocr page 323

iiemkTjSoiie vkeuudic ex oelukzaf.itiiiEii). 3!t7—3!(0

vloeit cn ontvangen wordt, vlooien ook terzelfder tijd liare genietingen mede in ; in het inwendige de vreugde des Uemols, in het uitwendige de genietingen der wereld, daar, zooals gezegd is, alle genoegens uit liefde voortkomen.

397. Do Hemel op zich zelven is van dien aard, dat hjj vol vreugde is, zoodat hij op zich zei ven beschouwd, louter zaligheid on heerlijkheid is, dewijl het Goddelijk goede, voortkomende uit de Goddelijke liefde van den Heer, den Hemel vormt, in hot algemeen en in het bizonder bij iedereen, die daar woont En de Goddelijke liefde is do wil om iedereen zalig en gelukkig te maken, van uit liet binnenste en in volkomenheid. Van daar ook is liet gelijk, of men zegt, hemel of hemelsche vreugde.

398. Do genietingen des Hemels zijn onuitsprekelijk en ontelbaar, maar van deze ontelbare genietingen, kan geene enkele worden gekend of geloofd door iemand, die in het enkele genot van liet lichaam of het vleesch looft, omdat, zooals boven werd gezegd, zijn inwendige van den Hemel naar de wereld ziet, dus achterwaarts. Want hij, die geheel in het genot van het lichaam of van het vleesch is, of wat hetzelfde is, in de liefde voor zich zelven en de wereld, gevoelt geen genot, dan in eer, in gewin, on in genot van het lichaam of van de zinnen ; en dit verdooft en smoort zoozeer de inwendige genietingen, die van den .Hemel zijn, dat hun bestaan niet wordt geloofd. Om deze reden zou dan die persoon zich zeer verwonderen als hem werd verteld, dat er na de verwijdering van de genoegens voor eer en gewin andere genoegens worden gegeven, en nog meer zou hij zich verwonderen, nis men hem vertelde, dat de hemelsche genoegens, die hunne plaats innemen, ontelbaar zijn, en zoodanig, dat de genoegens van het lichaam en van het vleesch, die hoofdzakelijk betrekking hebben op eer cn gewin, daarmede niet kunnen worden vergeleken. Hieruit is het duidelijk, waarom het niet bekend is, wat hemelsche genietingen zijn.

399. Hoe groot liet genot in don Hemel is, wordt duidelijk hieruit, dat het een genot is voor allen, die in den Hemel zijn, om hunne genietingen en zegeningen aan anderen mede

279

ocr page 324

HEMEL EN HEL.

te dooien ; en omdat al dezulken in den Hemel zijn, is het duidelijk, hoe onmetelijk het genot des Hemelt! is; want zooals hierboven, (no. 268), werd gezegd, bestaat er in den Hemel ecne mededeeling van allen met een ieder, en van elkeen met allen. Zulk eeue mededeeling vloeit voort uit de beide liefdevormen in den Hemel, die, zooals hierboven werd gezegd, liefde tot den Heer eu liefde tot den naasten zijn. Deze liefde-vormen zijn mededeelzaam met hunne genietingen. Dat liefde tot don Heer zoodanig is, komt, omdat Zijne liefde, do liefde is, om van alles, wat Hij heeft, aan allen mede te deelen, want Hij wilde het geluk vau allen; oéne gelijksoortige liefde is in ieder van hen, die den Heer liefhebben, omdat Hij in hen woont; vandaar bestaat er eene onderlinge mededeeling van de genietingen der Engelen met elkander. Dat dit ook de liefde tot den naasten is, zal men in het volgende zien. Uit deze dingen is het duidelijk, dat die liefdevormen mededeelzaam zijn met hunne genietingen. Met de eigenliefde en de wereldliefde is het anders gesteld. Eigenliefde onthoudt aan anderen alle genietingen en neemt die weg, en trekt die tot zich /.elven, want alleen voor zich zei ven wenseht zij goed ; en de wereldliefde wenseht alles van den naasten voor zich zeiven. Deze liefdevormen zijn dus vernietigend voor het genot van anderen. Indien zij mededeelzaam zijn, is het terwille van zich zeiven, en niet voor anderen ; ten opzichte van anderen zijn zij dus niet mededeelzaam, maar vernietigend, behalve in zooverre als de genoegens van anderen met of in hen zelven zijn. Dat zulks de aard van de eigenliefde en de wereldliefde is, als zij overheerschoD, heb ik dikwijls levendig ondervonden. Wanneer geesten tot mij kwamen, die gedurende hun leven in do wereld in zulke liefde hadden geleefd, werden mijne genoegens altijd verdreven en vernietigd, liet werd mij ook gezegd, dat wanneer dezulken alleen maar een hemelsch gezelschap naderden, dat dan het genot van de Engelen in dat gezelschap minder werd, en wel in dezelfde mate als ze meer of minder naderbij kwamen, en wat wonderlijk is, juist dan zijn die booze geesten in hun genot. Hierdoor werd duidelijk, wat de aard was van den geest van zulk een meusch, 280

ocr page 325

IIKMEI.sriIK VKEUijDE EX GELUKZALIGHEID.

toon liij nog ia liet lichaam was — want die is dan dezelfde als na dc scheiding van hot lichaam, namelijk, dat liij begeert, ot voor zich wenscht de genietingen en goederen van een ander, en dat hij genot heeft, in zooverre als hij die verkrijgt. Hieruit kan men ook zien, dat de eigenliefde en de wereldliefde vernietigend, zijn voor dc vreugde des Hemels, dus geheel en al tegenovergesteld aan de hemelsche liefde, welke mededeelzaam is.

400. Men moet evenwel weten, dat het genot van hen, die in de eigenliefde en de wereldliefde verkeeren, wanneer zij eenig hemelsch gezelschap naderen, het genot is van hun eigen lust, en dus direct tegenovergesteld aan het genot van den Hemel ; in de lust van hunne begeerte komen zo daardoor, dat hot Hcm'elsche genot aan hen, die daarin zijn, ontnomen wordt.

Het is een ander geval, wanneer geen vermindering en ontneming plaats heeft, want dan kunnen zij niet naderbij komen, omdat zij dan naar de mate van hunne toenadering in angst en pijn geraken. Vandaar durven zij zelden naderbij te komen. Dit word mij door herhaalde ondervinding getoond, waarover ik iets wensch mede te deelen.

Geesten, die uit de wereld in liet andere loven komen, be-gecren niets liever dan in don Hemel te worden toegelaten ; bijna allo trachten hiernaar, in do mcening, dat do Hemel alleen bostagt in het toegelaten en opgenomen worden. Daarom worden zij dan in overeenkomst met hunne begeerte naar hot eene of andere gezolschap in de laagste Hemelen gevoerd, maar wanneer zij, die in eigenliefde en wereldliefde verkeeren, ook maar den buitensten drempel van dien Hemel naderen, wordt het hun inwendig zoo bang en pijnlijk, dat zij in zich zeiven eer een Hel dan een Hemel voelen. Zjj werpen dan zich zclvon hals over hoofd van daar naar beneden, en rusten ook niet, voor zij onder huns gelijken in de Hel zijn. Het is ook dikwijls gebeurd, dat zulke geesten, begeerden te weten, wat Hemelsche vreugde is, en als zij vernomen haddon, dat dit in het binnenste van de Engelen was, begeerden zjj, dat die ook aan hen mocht worden medegedeeld,

400

2«!

ocr page 326

IIlOMKL KN IIKL.

wat dan ook geseliicililc ; want wat een ^ecst, lt;lio nog nitit in den IToinel of in do Hel is, begeert, dat wordt hem go-schonken, indien liet tot oenig goed dool dient. .Maar wanneer dan de meededeeling was gedaan, begonnen zij zoo gekweld te worden, dat zij van pi jn niet wisten, hoe zich te draaien ot' te wringen ; men zag hen het hoofd tot de voeten omlaag buigen en zich nederwerpen ter aarde en zich daar in allerlei bochten als een slang kronkelen, als een gevolg van inwendige pijn.

Zulk eene uitwerking had Hemelsch genoegen hij hen, die in het genot waren van eigenliefde en wereldliefde. De roden daarvan is, dat die liefde aan do Heinelsche genietingen direct tegenovergesteld is, en wanneer iets tegenovergestelds op een ander inwerkt, wordt zulk een pijn veroorzaakt. En omdat Hemelsch genot door ecne inwendige weg binnenkomt, wordt, als hot in een tegengesteld genot invloeit, het inwendige, dat in dit laatste genot is, achteruit gedraaid, dus in het tegenovergestelde van zich zeiven ; vandaar die kwellingen. Dat zij tegenovergesteld zijn, is omdat zooals hiervoren werd gezegd, de liefde tot den Heer en de liefde tot den naasten al hot hare aan anderen begeeren mede te doelen, want dit is haar genot; doch de eigenliefde en de wereldliefde begeert aan anderen te ontnemen, alles wat zij hebben, en het tot zichzelven te trekken ; en zoover als zij dit kunnen doen, in zoover hebben zij genot. Hieruit kan men ook duidelijk zien, waarom de Hol van don Hemel gescheiden is ; want allen, die in de Hol zijn, verkeerden, toen zij op de aarde leefden, in het enkel genot van het lichaam en het vleesch uit do liefde tot zichzelven en tot de wereld ; maar allen, die in den Hemel zijn, waren, toen zij op aarde leefden, in hot genot van do ziel en den geest, uit de liefde tot den Heer en liefde tot den naaste; en omdat die buide liefdcvorinon tegenovergesteld zijn, daarom zijn ook de Hel en do Hemel geheel en al gescheiden, zoo zeer zelfs, dat een geest, die in de Hel is, nog niet eens een vinger daarbuiten durft uitstoken, of do kruin van zijn hoofd daarboven op te heffen, want zoodra hij dit ook maar in het geringste doet, wordt hjj door pijn

282

ocr page 327

IIBMKLSCIIE VKEUUDE EX GELUKZALIGIIKII). 401, 402

aangegrepen en gekweld. Dit heb ik ook dikwijls gezien.

401. Een menscli, die in eigenliefde en wereldliefde verkeert, gevoelt, zoolang lijj in liet lichaam leeft, genot in die liefde en ook in do verschillende genoegens, die daaruit voortkomen. Maar een mensch, die in de liefde tot God en in de naastenliefde verkeert, gevoelt, zoolang hij in het lichaam leeft, geen duidelijk genot van deze liefde en de goede genegenheden, die daaruit voortvloeien, maar alleen een geluk, dat nauwelijks waarneembaar is, omdat het in zijn inwendige is weggelegd, en overschaduwd door do uitwendige graden, die tot zijn lichaam behooren, en verzwakt door de zorgen der wereld. Xa den dood evenwel zijn die toestanden geheel en al veranderd. Do genietingen van do eigenliefde en wereldliefde worden dan veranderd in wat pijnlijk en verschrikkelijk is, daar het verandert in datgene wat helsch vuur genoemd wordt, en ook somwijlen in hetgeen akelig en vuil is, in overeenstemming met hunne onreine genoogons, welke o]) merkwaardige wijze voor hen een genot zijn. Maar het onduidelijke genot en bijna onbemerkbare geluk, dat het doel was van hen, die in de wereld in liefde tot God en in naastenliefde verkeerden, wordt dan veranderd in het genot des hemels, dat in alle opzichten merkbaar en voelbaar is, want dat geluk hetwelk opgelegd en verborgen was in hun binnenste, toen zij nog in de wereld leefden, wordt dan openbaar en te voorschijn gebracht door duidelijke waarneming, omdat zij dan in don geest zijn, en dat genot tot hun geest behoorde.

402. Alle genietingen des Hemels zijn verbonden met nuttige dingen, cn zijn daarin gelogen, omdat nuttige dingen de goede dingen zijn van liefde en liefdadigheid, waarin de Engelen verkeeren; waarom iedereen genot heeft naarmate van zijn nut en eveneens in denzelfden graad als zijne ge-nogenheid voor nut. Dat alle genoegens des Heme's genietingen zijn uit nuttige dingen, kan worden duidelijk gemaakt door vergelijking mot de vijf zintuigen van den mensch. Er is aan ieder zintuig een genot bedeeld in overeenstemming met zijn nut, aan het gezicht, gehoor, gevoel, de reuk, den smaak, aan elk

2tgt;3

ocr page 328

HEMEL EN HKL.

zijn eigen genot. Aan hot gezicht liet genot van schoonheid en vormen, aan hot gehoor van harmonische klanken, aan de reuk van aangename geuren, aan den smaak van fijne smaken. Het nut, dat zij allen afzonderlijk vervullen, is wel bekend aan hen, die dit bestiuleeren, en in grooter mate aan hen, die met overeenstemmingen bekend zijn. Dat liet gezicht zulk een genot heeft, komt door het nut, dat het bewijst aan het verstand, hetwelk een inwendig gezicht is; dat het gehoor zulk een genot heeft, komt van de diensten, die het verleent aan het verstand en den wil door te luisteren ; dat do reuk zulk een genot heeft, komt van het nut, dat hij verricht voor do hersenen en ook voor de longen, dat de smaak zulk een genot heeft, komt van het nut dat lijj doet aan do maag en vandaar aan het gehcele lichaam door het te voeden. Het genot van het huwelijk, dat een reiner en verhevener genot van gevoel is, gaat al de andere te boven ten gevolge van zijn nut, hetwelk de vermenigvuldiging is van het menschelijk geslacht, dus van de Engelen des Hemels. Deze genietingen wonen in die zintuigen door eene invloeing uit den Hemel, waar ieder genot uit nut voortkomt en daarmede in verhouding is.

4U3. Eenige geesten, geloofden door een begrip, dat zij in de wereld hadden opgedaan, dat hemelsch geluk bestond in een werkeloos leven, waarin zij door andereu zouden gediend worden ; maar hun werd medegedeeld, dat nooit eenig geluk bestaat in onthouding van arbeid en daarin het geluk te zoeken; op die wijze zou iedereen het geluk van anderen voor zich begeeren; als iedereen dat deed, zoude niemand het hebben. Zulk een leven zou niet werkzaam, maar ledig zijn, en de vermogens zouden worden verslapt. Iedereen kan toch weten, dat zonder werkzaam leven geen gelukkig leven bestaan kan, en dat rust van werkzaamheid alleen voor ontspanning geldt, opdat iemand met meer lust tot zijn werk kan terugkeeren. Naderhand werd door vele dingen aangetoond, dat het Engelenleven bestaat in het uitvoeren van do goede werken der liefde, dat nuttige dingen zijn, en dat alle geluk der Engelen bestaat in nut, door nut en in verhouding tot dat nnt.

Zij, die een begrip hadden, dat hemelsch genot in een leven 284

403

ocr page 329

11EMELSCIIE VREUGDE EN OEMTKZALIGIIEID. 404, 405

van luiheid bestond, in liet inzuigen van eeuwig genot in luiheid, werden beschaamd gemaakt, door hen te vergunnen zulk een leven te loeren kennen; en dan vonden zij, dat zulk een leven zeer treurig was, en dat liet, wijl zoo alle vreugde verging, na korten tijd hun tegenstond en walgde.'

404. Eenige geesten, die geloofden, dat zij beter onderricht waren dan anderen, zeiden dat het in de wereld hun geloof was, dat hemelsche vreugde alleenlijk zou bestaan in God te loven en te aanbidden, en dat dit de werkzaamheid van hun leven zou vormen, maar hun werd dan te verstaan gegeven, dat God te loven en te aanbidden geen werkzaam leven is, en dat God ook geen lof en aanbidding van noode heeft, maar dat Zi|n wil is, dat do mensch nut sticht en dus de goede werken doet, die daden van liefde genoemd worden. Zij waren echter onbekwaam om een denkbeeld te vormen van Hemelsche vreugde in het doen van liefdewerken, maar konden alleen een begrip vormen van dienstbaarheid; en toch verzekeren de Engelen, dat die vreugde de grootste vrijheid laat, omdat die uit inwendige genegenheid voortkomt, en verbonden is met onuitsprekelijk genot.

405. Bijna iedereen, die in het andere leven komt, verbeeldt zich, dat de Hel voor iedereen hetzelfde is, en dat de Hemel voor iedereen dezelfde is, terwijl er toch in beiden oneindige verscheidenheid eu menigvuldigheid is, en in geen enkel geval is de Hel van den oenen gelijk aan die van een ander, noch ook de Hemel van don eonen gelijk aan dien van een ander. Zooals ook geen enkel mensch, geest of Engel ooit gelijk is aan een ander, zelfs niet in liet aangezicht. Wanneer ik ook maar alleen dacht, dat er twee konden zijn Juist hetzelfde of aan elkander gelijk, ontstelden zich de Engelen, zeggende, dat elk afzonderlijk ding gevormd is, door de harmonische samenstemming van vele dingen, en dat de eenheid zoodanig is, als die samenstemming; en dat dus een geheel gezelschap in den Hemel een geheel uitmaakt, en dat alle gezelschappen dos Hemels te zamen ook een geheel vormen, en dat alleenlijk uit den Heer door liefde. *

x. Een ding bestaat uit versclieidone dingen, en ontvangt daardoor vorm, hoedanigheid en volmaaktheid, volgens de hoedanigheid van de harmonie

285

ocr page 330

HEMEL EX HEL.

Nutstichtingon in den Hemel zjjn evenzoo zeer verscheiden en menigvuldig, en in geen geval is het nut van den eenen geheel gelijk en hetzelfde als het nut van een ander; daarom is ook het geluk van den eenen niet gelijk en hetzelfde als dat van een ander. Daarenboven zijn de genietingen van elk nut ontelbaar, eu zijn die ontelbare genietingen in dezelfde wijze verschillend, maar toch in zulk een orde te zamen verbonden, dat ze onderling elkander in het oog houden, zooals het nut van ieder lichaamsdeel, orgaan en zenuw in het lichaam, ja zelfs zooals het nut van iedere cel en vezel in ieder lid, orgaan en zenuw, die allo en een elk zoo zijn saam-gevoegd, dat ze het goede voor zich zeiven in een ander zien, en dus in allen en in een ieder. Door dit algemeen en individueel achtgeven, handelen zij als een geheel.

40G. Ik heb somtijds met geesten, die eerst kort geledon uit de wereld gekomen waren, over den staat van het eeuwige leven gesproken, en gezegd, dat liet belangrijk was te weten, wie de Heer van hot rijk is, welk soort van bestuur het heeft en welken vorm. Aangezien voor hen, die in ecu ander koninkrijk op aarde komen, niets belangrijker is om te weten, dan wie en wat dc vorst is, hoedanig het bestuur, eu andere bizonder-heden over dat rijk, zoo is het ook nog van meer belang in dit koninkrijk, waarin ze in eeuwigheid leven zullen. Daarom behoorden zij te weten, dat het de lieer is, die den Hemel regeert, en ook het heelal, want Hij, die den eenen regeert, bestuurt ook het andere; dat daarom het rijk, waarin zij nu zijn, des Heeren is, en dat de wetten van dit koninkrijk eeuwige waarheden zijn, die allen zijn gefondeerd in deze wet — dat zij den Heer boven alle dingen moeten liefhebben, en den naasten als zich zeiven. En zelfs nog meer: als zij wilden worden als de Engelen, moeten zij den naasten meer

en overeenstenmiiiig; hop. 457, 3241, 8008. Er bestaat eene oneindige ver-scheidenlieid en nooit i.s een ding hetzelfde als een ander; nos. 723G, 9002. Evenzoo in de Hemelen; nos. 3744, 4005. 7230, 7833, 7830, 9002. Vandaar zijn alle gezelschappen in de Piemelen en alle Engelen in een gezelschap van elkander onderscheiden, omdat ze in verschillend goed en nut zijn; nos. 090, 3241, 3519, 3804, 3980, 4007, 4149, 4203, 7230, 7833. De Goddelijke liefde des Heeren schikt alles in eenen Hemelschen vorm en verbindt ze, zoodat ze als een mensch zijn; nos. 457, 3987, 5598.

4()(j

280

ocr page 331

IIEMULSCIIK VRKlUiDK EN' OELl'KZALKUIEIÜ.

il:iii zioli zeiven lieflicbben. Als zij dit hoorden, konden zo niot antwoorden, onnlat zc hij liet leven in liet lichaam zulke dingen wel hadden gehoord, maar niet geloofd, betwjjtelende, of er wel zulk cene liefde in den Hemel bestond, en of iemand zijnen naasten wol meer kon liefhebben dan zich zei-ven. Maar hun werd gezegd, dat elk goed ding in den Hemel onmetelijk vermeerdert, en dat zij in het leven van het lichaam niet verder kimuen gaan, dan den naasten als zich zeiven lief te hebben, omdat zij in de bandon van het lichaam zijn, maar wanneer deze verwijderd zijn, wordt hunne liefde reiner, eu ton slotte als do liefde der Engelen, die den naasten meer dan zich zelveu beminnen. Want er is vreugde in deu Hemol in het doen van goed aan anderen, en geen vreugde in het goed doen aan zich zeiven, tenzij met het doel, dat het aan een ander gaat behooren, en dus terwille van een ander. Dit is don naasten meer liefhebben dan zich zelven. Dat zulk eenc liefde kan bereikt worden, kan blijken, zoo werd gezegd in de wereld, uit de huwelijksliefde van sommigen, die den dood verkozen om leed af te wenden van hunne echtgenooten ; uit de liefde van ouders voor hunne kinderen, daar eene moeder liever honger zou lijden, dan haar kind in gebrek aan voedsel te laten ; uit ware vriendschap, waarbij de eene vriend zich voor den anderen aan gevaar zal blootstellen, en zelfs uit beleefde en voorgewende vriendschap, die zich voordoet, alsof zij oprecht is, in het aanbieden van de beste dingen, aan hen, die men voorgeeft het beste toe te wensclien, en zulk een goeden wil met deu mond belijdende, maar niet met het hart; ten slotte van de aard der liefde, die zoodanig is, dat het een genot is anderen te dienen, niet terwille van zich zelven, maar terwille van do anderen. Doch deze dingen konden niet worden verstaan door hen, die zich zelven meer dan anderen liefhadden, en die iu hot leven van het lichaam gretig waren op gewin; eu het minst van allen door de gierigaards.

407. Een zeker iemand, die in zijn leven in het lichaam macht over anderen had gevoerd, behield iu het ander leven de begeerte, om te heerschen, maar hem werd gezegd, dat hij in oen ander koninkrijk was, dat eeuwig is, en dat zijn be-2b 7

407

ocr page 332

Hemel en hel.

stuur op aarde dood was, en dat in hot koninkrijk dor Ilemc-lon iiioinand geacht wordt, dan voor liet goede en ware, dat hij heeft en naar de genade dos 1 loeren, waarin lijj staat, naar aanleiding van zijn leven in de wereld ; ook dat hier, evenals op aarde, do mensch geacht wordt om zijn rijkdom eu de gunst, die de Vorst hom toedraagt, zijnde hier de rijkdom het goede en het ware, en gunst van den Vorst de genade, waarin de mensch bij den Heer , staat door zijn leven in de wereld. Indien hij daarentegen begeert te heerschen, wordt hij een opstandeling, wijl hij in het koninkrijk van een ander is. Op het hooren van dit alles wordt hij beschaamd.

408. Ik heb gesproken met geesten, die zicii voorstelden, dat llomelsche vreugde daarin zou bestaan, dat zij groot zouden wezen. Maar hun word gezegd, dat in den Ifomcl hij de grootste is, die de minste is, want hij wordt de minste genoemd, die geen macht en wjjsheid hooit, en geen macht en wijsheid begeert te hebben van zich zelven, maar van den Hoer; en hij, die in zulkoii zin de minste is, hooft het grootste geluk ; en omdat hij hot grootste geluk heeft, volgt daaruit, dat hij de grootste is; want dan heeft hij allo macht van den Heer, en munt boven allen in wijsheid uit. En wat anders kan het beteekenen do grootste te wezen, dan de gelukkigste te zijn ? Want het grootste geluk zoeken de machtigen door macht en do rijken door hun rijkdom te bereiken. Verder werd gezegd, dat do Hemel niet daarin bestond, dat men de geringste wil zijn, om do grootste te worden, want dan tracht en verlangt men daarnaar, dat men de grootste worde, maar hij bestaat daarin, dat men van harten het goede voor anderen moer begeert, dan voor zich zolven en andoren dient torwillo van hun geluk, zonder begeerte naar belooning, maar uit liefde.

4JJU. Hemelvreugde op zich zelve, zooals die in haar wezen is, kan niet worden beschreven, omdat die bestaat in hot binnenste van het leven der Engelen, en vandaar in olk ding van hunne godacliton en geuegenhedon, on daardoor in elk ding der spraak en olk ding der handelingen. Het is alsof hot binnenste geheel open is en vrijgesteld om genot en zalig-

408, 40!)

288

ocr page 333

IIEMELSCIIK. VREÜGDE EN (lELL'KZAIJOUEID. 410; 411

hcid op te nomen, welke zich verspreiden in elke vezel en 7(70 door hot geheel. De gewaarwording en het gevoel van deze vreugde, is van dien aard, dat ze niet kan worden beschreven, want beginnende uit het binnenste, vloeit zij in ieder bizonder deel, dat daarmede verband houdt, terwijl het zich steeds met toenemende kracht naar de uitwendige deelen voortplant. Wanneer goede geesten, die nog niet in deze vreugde zijn, omdat zij nog niet in den Hemel zijn verheven, dit van een Engel gewaar worden door de sfeer zijner liefde, worden zij met zulk een genot vervuld, dat ze als het ware in eene genotvolle bezwijming geraken. Dit gebeurt somtijds met hen, die begeeron te weten, wat hemelvreugde is.

410. Wanneer aekere geesten begeerden te weten, wat hemelvreugde is, werd hun vergund dit tot in die mate gewaar te worden, tot zij het niet langer konden verdragen ; en toch was dit een Hemelschc vreugde nauwelijks in den geringsten graad, (zooals mij door mededeeling werd te kennen gegeven), maar zoo gering, dat ze bijna koud was, en toch noemden zij het uitermate Hemelsch, want voor hen was het do innigste vreugde.

Hieruit is het duidelijk, dat er niet alleen graden van vreugde zijn in den Hemel, maar ook, dat do innigste vreugde van den eenen nauwelijks reikt tot de laagste of middelste vreugde van den ander; en ook, dat wanneer iemand zijne eigene innigste vreugde geniet, hij dan in zijne hemelvreugde is, en niet kan verdragen, wat nog inniger gaat, hetwelk voor hem dan pijn wordt.

411. Eenige geesten, die niet boos waren, verzonken in een toestand der rust, die als een slaap was, en werden zoo naar hun inwendige, het gebied van hun gemoed, in den Hemel verplaatst; want geesten kunnen, voor dat hun binnenste ontsloten is, in den Hemel worden opgenomen en onderricht, aangaande het geluk van hen, die daar wonen. Ik zag, hoe zij zoo een half uur lang rustten, eu dan terug kwamen in het uitwendige, waarin zij te voren verkeerden en dan weder in de herinnering van hetgeen zij gezien hadden. Zij zeiden, dat zij onder de Engelen in den Hemel geweest waren, en

289 19«

ocr page 334

HEMEL EN HEL.

daar verbazende dingen gezien en vernomen hadden, alles glanzend als van goud, zilver en edelgesteenten, in heerlijke vormen, die op wonderlijke wijze afwisselden, en dat de Engelen niet verrukt waren met die uiterlijke dingen op zich zeiven, maar met hetgeen zij voorstelden, welke Goddelijke dingen waren, onuitsprekelijk en oneindig wijs, en dat dit hunne vreugde was, behalve nog ontelbare dingen, die niet in mensehelijke taal konden uitgedrukt worden, niet eens voor een tienduizendste doel, noch ook in begrippen worden gebracht, waarin iets stoffelijks is.

412. Jiijna allen, die in het andere loven komen, zijn onwetend omtrent de natuur van Hemeische zaligheid en geluk, omdat zij niets weten aangaande inwendige vreugde, aangezien ze daarvan geen begrip hebben, dan door hetgeen zij begrijpen uit lichamelijke en wereldsche blijdschap en vreugd ; al wat zij niet kennen, gelooven zij ook niet te bestaan, terwijl toch lichamelijke en wereldsche vreugde niets zijn in vergelijking daarmede.

Daarom worden do welgezinden, die niet weten wat hemelvreugde is, opdat zij mogen weten en verstaan wat het is, eerst opgenomen in paradijsachtige streken, die alle begrip der verbeelding overtreffen. Zij denken dan, dat zij in het paradijs gekomen zijn, maar ze worden onderricht, dat dit het werkelijke Hemeische Paradijs niet is, en zoo wordt hun de ondervinding te kennen gegeven van dieper inwendige toestanden van vreugde, die zij tot in hun binnenste waarnemen. Zij worden dan gebracht in een toestand van vrede in hun binnenste, en erkennen dan, dat zij daarvan niets in woorden kunnen uitdrukken of begrijpen ; ten laatste worden zij gebracht in een staat van onschuld, eveneens tot in hun binnenste waarneming. Daardoor wordt hun te verstaan gegeven, welke het waarlijk geestelijke en Hemeische goede is.

413. Maar opdat ik de natuur on de hoedanigheid van den Hemel en hemelvreugde mocht kennen, is hot mij dikwijls en voor langen tijd door den Heer toegestaan geworden, de genietiiigen van hemelvreugde te ondervinden ; tengevolge

412, 413

290

ocr page 335

IIEMEIjSCHE VKEUODE Egt;quot; UELUKZALKUIEU).

hiervan werd ik in staat gesteld ze door levendige ondervinding te leeren kennen. Ik kan /e echter niet volledig beschrijven ; toch zal er iets over gezegd worden, opdat men er eenig denkbeeld van vormen kan. Hemelvreugde is een gevoel van tallooze genietingen, die te zamen iets algemeens te weegbrengen, in welke algemeene zaak of algemeen gevoel harmonieën liggen van ontelbare gevoelens, die niet duidelijk maar alleen duister tot het bewustzijn komen, omdat de gewaarwording eene hoogst algemeene is. Eu toch kon het worden waargenomen, dat ontelbare dingen daarin zijn, in zulk eene orde als niet kan worden beschreven ; die ontelbare dingen vloeien volgens hun aard uit de orde des Hemels. Zulk eene orde is in alle dingen, zelfs in het kleinste deel van het gevoel, dat slechts als de algemeenste eenheid wordt gewekt en ondervonden, al naar de ontvankelijkheid van den persoon. In één woord, oneindige vreugde, geschikt in de grootste orde, zijn in elk algemeen gevoel, en er is niets, dat niet leeft en opwekt, en inderdaad alles van uit het meest inwendige, want uit het allerbinnenste ontspringt Ilemelsche vreugde.

Het kon ook worden waargenomen, dat het genoegen en de vreugde als uit het hart voortkwamen, zich op zachte wijze voortplantende, door alle inwendige vezelen, en door deze in de vezelgroepen met zulk een innig gevoel van genot, dat de vezels als het ware louter genot en vreugde waren, en alle daaruit voortkomende waarneming en gevoel eveneens levend waren uit geluk. Hot genot van lichamelijke genoegens, vergeleken met deze vreugde, is als grof en prikkelend stof vergeleken met hot zuiverste en zachtste luchtje. Ik heb bemerkt, dat wanneer ik al mijn genot op oen ander wilde overdragen, er dan aanhoudend ecu inniger en voller genot, dan te voren in plaats daarvan invloeide, en hoe meer ik zulks begeerde, hoe meer het invloeide. Ik gevoelde, dat dit van den Heer was.

414. Zij, die in den Hemel zijn, gaan aanhoudend vooruit naar de lente van hun leven, en hoe meer eeuwen zij leven, des te heerlijker en gelukkiger is die lente, en zoo voort tot in eeuwigheid, met toeneming al naar gelang van de

414

291

ocr page 336

HEMEL EX HEL.

vooruitgang en graden van hun liefde, liefdadigheid cn geloof. Vrouwen, die in hun ouderdom afgeleefd gestorven zjjn, maar geleefd hebben in geloof tot den Heer, en liefde tot den naasten, en in gelukkige huwelijksliefde niet een echtgenoot, komen na verloop van jaren meer en meer in den bloei der jeugd en den-maagdel ij ken leeftijd, en tot eene schoonheid, die elk ideaal van schoonheid, dat zich ooit aan ons oog zou kunnen vertoonen, te boven gaat, en de bewondering wekt van hen, die dat aanschouwen. Goedheid en liefdadigheid is het, die haar eigen gelijkenis in haar vormt en voorstelt, en maakt, dat de vreugde cn de schoonheid der liefdadigheid uitblinkt in iedere lijn, zelfs in de geringste van het gelaat, zoodat ze vormen van liefdadigheid zelve worden. De gestalte dor werkende liefde is van dien aard, dat zij zich in den Hemel levendig aan het oog voorstelt als de werkzame liefde zelve, die afbeeldt en afgebeeld wordt, cn wel zoo, dat de geheele Engel en voornamelijk het gelaat, als het ware liefdadigheid is, die duidelijk te voorschijn treedt en ook gevoeld wordt. Deze gestalte, wanneer zij aanschouwd wordt, is onuitsprekelijke schoonheid, die het inwendigste leven van het gemoed met liefde overstroomt. In een woord, oud worden in den Hemel is jong worden. Zij, die in liefde tot den Heer, en in naastenliefde hebben geleefd, worden in liet andere leven zulke gestalten of zulke schoonheden. Alle Engelen zijn zulke gestalten, met ontelbare verscheidenheden en uit hen bestaat de Hemel.

ÜE ONMETELIJKHEID VAX DEN HEMEL.

415. Dat de Hemel des Hoeren onmetelijk is, wordt klaar uit veel, dat in de vorige hoofdstukken gezegd en aangetoond is, voornamelijk hierdoor, dat de Hemel uit het menschelijk geslacht is, (311—317) on niet alleen uit hen, die in de Kerk geboren worden, maar ook uit hen, die buiten haar geboren worden, (318 — 328); dus uit allen, die van het begin dezer aarde in het goede hebben geleefd. Hoe groot het 292

415

ocr page 337

DE OXMETELIJKIIEID VAX DEN HEMEL. 410, 417

quot;[otiil mcnschcn op de gclieelc aarde is, kan iedereen nagaan, die eenigszins onderrieht is onifrent de werelddeelen, landen en rijken, die er op aarde zijn. Een eenvoudige berekening toont aan, dat er vele duizende menschen iederen dag op deze wereld wegsterven, dus per jaar vele millioenen, ja miriaden, eu dit sedert de allereerste tijden, die eenige duizende jaren geleden zijn. Al die menschen zijn na hun dood gekomen in do andere wereld, die de geestelijke wereld iieet, en er komen nog voortdurend meer.

Maar hoeveel van dezen engelen geworden zijn of nog worden, kan niet worden gezegd. Dit heeft men mij medegedeeld, dat in oude tijden zeer velen engelen werden, omdat toen de menschen meer inwendig en meer geestelijk dachten, en daardoor in hemelsche genegenheid waren, maar dat er in do opvolgende eeuwen niet zooveel waren, omdat de mensch in den loop der tijden meer uiterlijk werd en meer natuurlijk begon te denken, en zoo in aardsche genegenheid kwam. Hierdoor is hot duidelijk, dat de Hemel in de eerste plaats reeds door de bewoners van deze aarde alleen groot is.

416. Dat de Hemel des Heeren onmetelijk is, wordt duidelijk alleen hierdoor, dat alle kinderen, hetzij geboren in de Kerk of daarbuiten, door den Heer worden aangenomen en engelen worden, en dat hun getal een vierde of een vijfde deel bedraagt van het geheele menschdom op aarde. Ieder kleiu kind, waar ouk geboren, hetzij binnen do Kerk of daarbuiten, uit vrome of goddelooze ouders, wordt bij den dood door den Heer ontvangen, in den Hemel opgevoed, volgens de goddelijke orde onderwezen, mot genegenheden voor het goede toegerust en daardoor mot kennis van het ware, en later, nadat liet is toegenomen in doorzicht en wijsheid, in den Hemel binnengeleid: in éeu woord, hot wordt een engel. Men zie hierboven 329—345. Hieruit ziet men dus, welk eenc groote menigte engelen in deu Hemel van de eerste schepping af tot nu toe alleen uit deze kinderen voortkwamen.

417. Hoe onmetelijk de Kemel des Heeren is, ziet men ook hieruit, dat alle planeten, die in ons zonnestelsel voor

ocr page 338

HEMEL EN HEL.

ons oog zichtbaar zijn, werelden zijn en verder, dat er inliet heelal ontelbaar vele zijn, alle vol met bewoners. Deze zijn behandeld in een klein werkje over die werelden, waaruit ik hot volgende uittreksel overneem :

„Dat er vele werelden zijn, met menschen er op, en gees-„ten en engelen uit hen, is in het andere leven wel bekend, „want het wordt daar aan iedereen, die zulks begeert uit „liefde voor de waarheid cn voor nut, toegestaan met geesten „van een andere wereld te spreken, en door hen te worden „bevestigd aangaande de veelheid dor werelden, en te worden „onderricht, dat het menschelijk geslaclit niet uit eene wereld „alleen komt, maar uit ontelbaar vele. Tk bob dikwijls niet „geesten van onze aarde over dit onderwerp gesproken, en „men zeide, dat ieder intelligent mensch, door vele dingen „waarmede hij bekend is, kan weten, dat er vele werelden „zijn met menschen bevolkt, want het is duidelijk, dat zulke „groote bollen als de planeten, sommige veel grooter dan „deze aarde, geen ledige klompen zijn, alleen geschapen om „te worden onderhouden, om ecne zon te loopen en met „hun flauw licht een aarde te beschijnen; maar dat zij voor „een belangrijker doel bestaan. Hij, die gelooft, zooals ieder-„een geloovon moet, dat God do wereld schiep met geen „ander doel, dan dat het menschelijk geslacht zou bestaan „en daaruit de Hemel, (omdat het menschelijk geslacht de „voorbereiding voor den Hemel is) kan niet nnders geloovcn „dan dat er menschen zijn, waar een wereld is. Dat de planeten, die voor onze oogen zichtbaar zijn, omdat ze binnen „de grenzen van ons zonnestelsel liggen, werelden zijn, kan „hieruit afgeleid worden, dat zij lichamen zijn uit aardachtige „stof, omdat ze het zonnelicht terug kaatsen ; en dat ze, „door een teloskoop beschouwd, niet schijnen te glinsteren als „vlammen, maar als werelden met afwisselende donkere gedeelten ; en ook hieruit, dat zo evenals onze aarde om de „zon worden rondgevoerd, cn zieti bewegen in do baan van „don zodiak, waardoor jaren, jaargetijden, lente, zomer, herfst „cn winter worden gevormd; dat zij ook om hunne as wencelen, zooals onze aarde, waardoor dagen en tijden van den 294

ocr page 339

RE ONMETELIJKHEID VAN DEN HEMEL.

„dag, morgen, middag, avond en nacht worden gemaakt, en „verder omdat sommigen van lien satelieten of manen heb-„ben, welke om die lichamen in gezette tijden rondloopen, „zooals de maan om onze aarde ; vervolgens dat de planeet „Saturnus, omdat die verder van de zon verwijderd is, eene „groote lichtende ring heeft, die veel teruggekaatst licht aan „die planeet afgeeft. Hoe kan iemand, die deze dingen weet, „en redelijk denkt, nu ooit zeggen, dat die planeten onbewoonde „lichamen zijn? Ik heb daarenboven over dit onderwerp met „geesten gesproken, opdat de mensch het zou kunnen gelooven, „dat er in het heelal meer dan eene aardbol is, uit het feit „dat de sterrenhemel zoo onmetelijk is, en de sterren daarin „zoo ontelbaar; waarvan elkeen in zijne plaats of in zijn „stelsel eene zon is, gelijkende op onze zon, hoewel van verschillende grootte. Hij, die behoorlijk hier over nadenkt, „moet erkennen, dat zulk een onmetelijk geheel niet anders „kon wezen, dan middel tot een doel, dat het einddoel is „van de schepping; en dat dit einddoel gelegen is in een „hemelsch Koninkrijk, waarin het Goddelijke kan wonen met „Engelen en menschen. Want het zichtbare heelal, of het „uitspansel, door zoo ontelbare vele sterren verlicht, die even zoo „vele zonnen zijn, is alleen een middel voor het bestaan der „aardbollen, en voor do menschen, die daarop wonen, en uit wie „het Hemelsch Koninkrijk wordt gevormd. Een redelijk mensch „moet wel uit dit alles besluiten, dat zulk een onmetelijk „middel voor zulk een groot doel niet gemaakt was voor bet „menschelijk geslacht van een enkelen aardbol. Wat zou dat „wezen voor God, die oneindig is, voor wien duizende, zelfs „duizend millioenen aardbollen en die alle vol met bewoners, „nog weinig zou wezen, ja nauwelijks iets? Er zijn geesten, „wier eenig streven het is, kennis te verzamelen, omdat zulks „voor hen het eenig genot is. Daartoe wordt het hun ver-„oorloofd overal heen te gaan, en zelfs uit ons zonnestelsel, „naar een ander te gaan om kennis op te doen. Zulke geesten, „die uit de planeet Mercurius zijn, zeiden, dat er aardbollen „met bewoners waren niet alleen in ons planetenstelsel, maar „ook daarbuiten in den sterren hemel, in een onnoembaargetal.

295

ocr page 340

HEMEL EX UEL.

„Mcu heeft berekend, dat als er 1000.000 aardbollen in „het heelal waren eu op iedere aardbol 300.000.000 bewoners, „met 200 geslachten in G000 jaren en aan ieder mensch of „geest eene ruimte van 3 kubieke ellen werd toegestaan, dan „zou de ruimte door al die menschen of geesten te zamen „ingenomen nog niet de ruimte vullen, die deze aarde beslaat, „en nauwelijks meer dan de ruimte van een der satelieten „rondom onze planeten — eene ruimte in het heelal zoo kleiu, „dat zo nauwelijks zichtbaar is, wijl oen sateliet nauwelijks „met het bloote oog gezien kan worden. En wat is dit voor „den Schepper van liet heelal, voor wien het niet genoeg zon „zjjn als het gansche heelal gevuld ware, daar Hij oneindig „is? Over dit onderwerp heb ik met Engelen gesproken, „die zeiden, dat zij een dergelijk denkbeeld hadden over de „geringheid van het menschelijk geslacht in vergelijking van „de oneindigheid des Scheppers, maar dat zij toch niet over „ruimte donken, maar over toestand, en dat, volgens hun be-„grip, wereldtallen ten getale van zoo vele duizend iiiillioenen „als men met mogelijkheid denken kan, toch voor den Heer „nog in het geheel niets zijn.quot;

Over de aardbollen in het heelal met hunne bewoners en de geesten en Engelen, die daaruit voortkomen, kan men liet bovengenoemde werkje opslaan ; wat daarin gezegd is, werd mij geopenbaard en getoond, opdat men zou kunnen weten, dat do Hemel des Heeren onmetelijk is, en dat hij geheel uit het menschelijk geslacht voortkomt; alsook, dat de Heer alom wordt erkend als dc God vau Hemel en aarde.

418. Datde Hemel des Heeren onmetelijk is, wordt ook duidelijk hieruit, dat de Hemel als een compleet geheel een mensch voorstelt, en ook in overstemming is met alles en met elk ding in den mensch, en dat deze overeenstemming nooit kan worden opgevuld, daar het niet enkel is eene overeenstemming mot al de onderdeden, organen en vezels van liet lichaam in het algemeen, maar ook tot in do kleinste bizonderheden met alle en elk van de kleine vezels en kleine organen, die zicli daar in bevinden, en zelfs met eiken vezel en iedei'orgaan ; en niet alleen met deze, maar ook met de organische zelf-296

418

ocr page 341

DE ONMETELIJKHEID VAN DEN HEMEL.

standigheden, die inwendig de invloeiïng des Hemels ontvangen, waardoor do menscli innerlijke werkzaamheid heeft, die tot de werking van zijnen geest dient; want allea, wat inwendig in een monseh bestaat, bestaat in vormen, welke zelfstandigheden zijn, aangezien alles, wat niet in zelfstandigheden als zijn onderwerp bestaat, niets is. Van alle deze dingen bestaat er overeenstemming met den Hemel, zooals blijkt uit het hoofdstuk van de overeenstemmingen van alle dingen in den Hemel met allo dingen van den mensch, (nos. 87 —102). Deze overeenstemming kan nooit worden vervuld, want iioe talrijker de samenvoegingen van Engelen worden, die met elk onderdeel overeenstemmen hoe moer de hemel volmaakt wordt; want alle volmaaktheid in de Hemelen neemt met het aantal toe, en wel omdat iedereen aldaar een einddoel heeft, dat allen eenstemmig voor oogen hebben. Dit einddoel is het algemeene beste, en als dit heersclit komt er ook uit het algemeene beste, hot goede voor elkeen, en uit het goede voor elkeen, komt goed voor de geheele maatschappij. Dit geschiedt, doordien de Heer allen in den Hemel naar zich zeiven keert, (zie no. 123), en ze daarbij één maakt in zich zeiven. Dat de eenstemmigheid en eendracht van velen, in het bizonder uit zulk eene oorzaak en in zulk een verband, volmaaktheid te voorschijn brengt, kan iedereen met eenig verlicht verstand duidelijk inzien.

419. liet werd mij ook gegeven de uitgestrektheid te zien van den bewoonden Hemel en ook die van den onbewoondeu Hemel. Ik zag, dat de uitgebreidheid van den onbewoondeu Hemel zoo groot was, dat die in eeuwigheid niet kon gevuld worden, ook al waren er duizende millioonen aardbollen en in elk daarvan een getal menschen zoo groot als op onze aarde. — Zio over dit onderwerp ook nog het werkje over do aardbollen in het Heelal, (no. 168.)

420. Dat de Hemel niet onmetelijk ia, maar klein, wordt door sommigen afgeleid uit enkele plaatsen in het Woord, die zij letterlijk opvatten, o. a. waar gezegd wordt, dat onkel de armen in den Hemel komen, en enkel de uitverkorenen ; en ook alleen zij, die tot de Kerk behooren, eu niet zij, die daar

419, 420

297

ocr page 342

HEMEL EN HEL.

buiten zjjn, cu ook alleen zij, voor wie de Heer een voorspraak is; dat de Hemel gesloten wordt, als die gevuld is, en dat de tijd daarvan te voren bepaald is. Maar die men-schen weten niet, dat de Hemel nooit wordt gesloten, dat er geen tijd van te voren is vastgesteld, noch ook een bepaald aantal; en dat uitverkoren worden genoemd, degenen, die een leven bebben van goedheid en waarheid v ; ea dat armen genoemd worden, zij, die niet in de kennis van goed en waar verkeeren, maar deze toch begeeren, en welke ook om die begeerte hongerigen genoemd worden. 2 Zij, die door misverstand van het Woord een begrip hebben gevormd, alsof de Hemel van geringen omvang ware, weten ook niet beter, dan dat de Hemel in eene plaats is, waar allen worden verzameld ; terwijl toch de Hemel uit ontelbare gezelschappen bestaat. (Zie no. 41—50.) Zij weten ook niet boter dan dat do Hemel wordt toegestaan uit onmiddellijke genade, dat er dus toegang en opneming wordt verleend alleen door gunst; zjj begrijpen ook niet, dat de Heere uit genade iedereen leidt, die Hem ontvangt, en dat diegene hem ontvangt, die een leven volgt naar de wetten der Goddelijke orde, die voorschriften zijn van liefde en van geloof, en dat op dusdanige wijze door den Heer te worden geleid, van de jeugd af tot het einde van liet leven in deze wereld, en later tot in eeuwigheid, de genade is, welke bedoeld wordt. Laat hen daarom weten, dit iedereen voor don Hemel wordt geboren, en dat diegene wordt opgenomen, die in de wereld den Hemel in zichzelven opneemt, en diegene buiten gesloten, die den Hemel niet opneemt.

ij. Uitverkorenen zijft zij, die een leven van goedheid en waarheid leiden ; no* 3755, 3900. Er bestaat in den Hemel geene verkiezing of toelating uit genade, zooals die verstaan wordt, maar naar aanleiding van het leven ; no. 5057, 5058. Onmiddellijke genade van den Heer wordt niet verleend, maar middellijk, d w. z. aan hen, die volgens zijne geboden leven, die Hij uit genade, aanhoudend leidt in de wereld en daarna tot in eeuwigheid ; no. 8700,10659.

z. Door de armen worden in het Woord bedoeld, zij, die geestelijk arm zijn, dat wil zeggen zij, die onwetend zijn in de waarheid en toch begeerig zijn onderricht te worden ; nos. 0209, 9253, 10227. Van hen wordt gezegd dat zij hongeren cn dorsten, dat is begeerig zijn naar de kundigheden van het goede en het ware, waardoor invoering in de Kerk en in den Hemel plaats heeft ; nos. 4958, 10227.

298

ocr page 343

De Wereld der Geesten

EN DE

toestand des Menschen na den dood.

WAT DE WERELD DER GEESTEN IS.

421. De wereld der geesten is noch de Hemel, noch ook de Hel, maar eene plaats of toestand tussclien beiden. De mensch gaat, na zjjnen dood eerst daarin, en wanneer hij zijnen bestemden tijd daarin heeft doorgebracht, alsdan wordt hij, in overeenstemming met zijn leven in deze wereld, of verheven in den Hemel, of geworpen in de Hel.

422. De wereld der geesten is eene middenplaats tusschen den Hemel en de Hel, en is ook de middenstaat des menschen na den dood. Dat zij eene middenplaats is, werd mij duidelijk gemaakt, doordien do Hellen beneden en de Hemelen er boven zijn ; en dat zij een middenstaat is, Verd mij tevens duidelijk, doordien de mensch, zoolang bij daar is, noch in den Hemel is, nocli ook in de Hel. De hemelsche staat in den mensch is de vereeniging van het goede en het ware in hem, en de staat der Hel is de vereeniging van het kwade en liet valsche in hem. Wanneer het goede en liet ware iu een menschengeest vereenigd zijn, alsdan treedt hij den Hemel in, omdat deze vereeniging, zooals is opgemerkt, de Hemel in hem is ; wanneer echter in den menschengeest liet kwade vereenigd is met het valsche, treedt hij de Hel in, omdat die vereeniging de Hel is, die in hem aanwezig is. Deze vereeniging wordt in do wereld der geesten bewerkt, dewijl do mensch dan in eene middenstaat is. Het is geheel hetzelfde,

299

ocr page 344

HEMEL EN HEL.

of wij sproken van do vorocniging van het verstand en den wil, of dat wij spreken van de voreeuiging van liet ware en goede.

423. Ten aanzien der verecniging van liet verstand en en don wil en hare gelijkheid niet de voreeuiging van het goede en hot ware zal hier eerst iets vooraf moeten gezegd worden, omdat die vereeniging in de geestenwereld wordt bereikt. De mensch bezit beide, een verstand en een wil ; het vorstand ontvangt waarheden en wordt gevormd uit die waarheden; de wil ontvangt het goede en wordt gevormd door dat goede. Om deze rode noemt de mensch, wat hij door zijn verstand begrijpt, waarheid; en wat hjj wil, en daarom denkt, noemt hij goed. Dewijl zijn verstand denkt en daarom begrijpt, is de mensch in staat om to donken en daardoor te vatten, wat waarheid is en ook wat goed is; maar hij denkt niet door zijnen wil, tenzij hij iets wil, en zoo handelt. Zoo hij iets tot een voorwerp maakt van zijn wil eu ook dien overeenkomstig handelt, zetelt de handeling in zijn verstand en wil, dus in den mensch zelf. Want het verstand alleen vormt niet den mensch, noch ook do wil alleen, doch verstand en wil te zamen ; wat daarom in die beide is, is in den mensch zelf en wordt hem toegeëigend. Al wat alleen in het verstand bestaat, is werkelijk met den mensch aanwezig, maar niet in hem opgenomen ; liet is enkel een voorwerp van eijn geheugen en eene zaak, die hij kent als door zijn geheugen opgenomen ; hot is eene zaak, waarover hij in staat is te denken, wanyeer hij niet in zich zeiven, maar buiten zich zeiven met anderen is; waarover hij dus kan spreken en redeneeren, en volgens welke hij ook gevoelens en gebaren kan huichelen.

424. Dat de mensch in staat is uit zijn verstand te denken, en niet op den zelfden tijd uit don wil te denken, is zoo beschikt, opdat hij vatbaar zoude zijn voor verbetering. Want de mensch wordt hervormd door middel van waarheden, en waarheden, zooals boven is opgemerkt, zijn zaken des verstands. Want de mensch is ten opzichte van den wil in allo kwaad geboren, en daarom wil hjj uit zich zeiven voor niemnnd hot

423, 424

800

ocr page 345

WAT UiC WERELD DEK GEESTEN IS.

goede, dan iilleeu voor zich zelf, on die hot goede alleen voor zich zeiven wil, schept behagen in de ongelukken van anderen, vooral wanneer die tot zijn eigen voordeel strekken, want hij tracht het goede van alle andere menschen, 't zij eer, 't zij welzijn, zich toe te eigenen, en in zooverre hij zijne begeerte vervuld ziet, gevoelt hij eene inwendige blijdschap. Ten einde dezen wil te verbeteren en te hervormen, is de monsch in staat gesteld, om waarheden te leeren kennen, en door middel van deze waarheden de booze neigingen van zijn wil te beteugelen, liet is om deze rede, dat hij in staat is, om door zijn verstand waarheden te bedenken, en ze ook uit te spreken en te doen ; maar hij kan die niet bedenken door zijn wil, vóór hij zoodanig is, dat hij ze wil en uit zich zelf doet, dat is met zijn hart. Wanneer de mensch in dezen toestand is dan zijn do waarheden, die hij door zijn verstand bedenkt, voortbrengselen van zijn geloot', en de waarheden, die bij van wege zijn wil bedenkt, zijn de voortbrengselen van zijne liefde; alsdan gaan geloof en liefde in hem samen, gelijk zjjn verstand en zijn wil.

425. In die mate nu als do waarheden van zijn verstand vereenigd zijn met het goede van zijn wil, dus in die mate als de mensch het ware wil en daarom doet, heeft hij den hemel in zich zei ven ; want, gelijk boven is opgemerkt, de vereeniging van het goede en het ware is de Hemel. Daarentegen, in die mate als de leugen, van zijn verstand vereenigd is met het booze van zijn wil, in die mate heeft de mensch in zich zeiven de Hel; want de vereeniging van de leugen met hot booze is de Hel. In die mate echter, als het ware van zijn verstand niet vereenigd is met het goede van zijnen wil, is de mensch in eenen middenstaat. Bijna ieder mensch is heden ten dage in zulk een toestand, dat hij waarheden kent en door de kennis, en ook door het vorstand de waarheden bedenkt en of veel, of weinig óf niets doet van hetgeen zij verlangen of wel, uit liefde tot het kwaad, en bjjgevolg door hot geloof in het valsciie, tegen de waarheid handelt. Opdat nu zoo iemand geschikt moge worden, 't zij voor don Hemel, 't zij voor de Hel, wordt hij, na zijn dood, eerst in

425

301

ocr page 346

1IEMKL EN HEL.

de gccstcuwcrold gebracht, waar eene verbintenis van goed en waar wordt bewerkt voor hen, die iu den Hemel zuilen opgenomen worden, en eene verbintenis van liet kwade met liet valsche voor hen, die in do Hol zullen geworpen worden. Want het is niet veroorloofd voor iemand in den Hemel of in de Hel een verdeeld gemoed te hebben, dat is, dat hij een ding erkent en iets anders wil; maar wat iemand wil, moet hij ook erkennen, en hetgeen hij erkent moet hij ook vervullen. Daarom zal in den Hemel ieder, wiens wil goed is, de waarheid inzien ; in de Hel daarentegen zal ieder, wiens wil kwaad is, ook het valsche verstaan. Daarom worden in de geestenwereld alle valschheden van de goeden verwijderd, en waarheden passende en overeenkomstig aan liet goede, dat zij hebben, aan hen gegeven ; evenzoo wordt alle waarheid verwijderd van de kwaden en worden hun valschheden gegeven, overeenkomende met hun kwaad. Uit deze gezegden moge duidelijk zijn, wat do geestenwereld is.

426. De geestenwereld bevat een groot aantal, dewijl zij het gebied is, waarin allen worden onderzocht en toebereid. Hun oponthoud aan deze plaats is aan geenen vasten tijd verbonden ; sommigen treden zoo in en worden dadelijk of opgenomen in den Hemel óf nedergeworpen in de Hel ; sommigen vertoeven daar slechts eenige weken, en anderen verscheidene jaren, maar niet meer dan dertig. Het verschil in den tijd van hun oponthoud hangt af van de overeenstemming en van het gebrek aan overeenstemming tnsschen hun innerlijk en uiterlijk. Op welke wijze de mensch in die wereld van den eenen staat in don anderen wordt geleid en voorbereid, zal worden aangetoond in hetgeen volgt.

427. Zoodra do menschen na hunnen dood de geestenwereld intreden, worden zij duidelijk door den Heer onderscheiden ; de boozen worden onmiddellijk in geinecnschap gebracht met het helsche gezelschap, waarmede zij in de wereld reeds vereenigd waren door hunne heerschende neiging, en de goeden worden onmiddellijk vereenigd met het hemelsche gezelschap, waarmede zjj vereenigd waren tijdens hun verblijf in de wereld, door hunne liefde, liefdadigheid en geloof. In

426, 427

302

ocr page 347

WAT DE WERELD DEK GEESTEN IS.

weerwil, dat zij zoo worden gescheiden, kunnen toeli alle die in liet licluimeljjko leven met elkander bevriend en bekend waren, vooral eclitgenooten, broeders on zusters, wanneer zij in bet andere dat verlangen, elkander ontmoeten en te zamen spreken. Ik heb een vader zien spreken met zijne zes zonen, die hij allen herkende en vele anderen met hunne vrienden en betrekkingen; maar daar zij in een verschillenden toestand waren, als gevolg van hun leven op aarde, waren zij spoedig weder gescheiden. Zij echter, die uit de geestenwereld naar den Hemel gaan, en zij, die van daar gaan naaide Hel, zien of kennen elkander nooit weder, tenzij zij door eenc gelijke liefde eene gelijke gezindheid hebben. De reden, waarom bekenden elkander wel zien in de geestenwereld en niet in den Kemel en in de Hel, is deze, dat zij in de geestenwereld in toestanden worden gebracht, zooals zij die hadden in het lichamelijke leven en van den eenen in den anderen overgaan. Xa dien tijd komen alle echter in een onveranderlijken staat, overeenkomende met hunne beerschende neiging, waarin do een den ander alleen kent door gelijkheid in neiging ; want liet gelijke vereenigt zich en het ongelijke scheidt zich van elkander af, zooals werd aangetoond in no. 41—50.

428. Gelijk de geestenwereld de middenstaat is tusschen den Hemel en de Hel bij den mensch, zoo is zij ook eene middenplaats. Beneden zijn de Hellen en boven zijn de Hemelen. Alle Hellen zijn aan tie zijde dier wereld afgesloten ; de eenige openingen zijn door holen en spleten als van rotsen en door wijde kloven, welke worden bewaakt, opdat er niemand, dan bij vergunning, zoude uitgaan. Deze vergunning wordt somtijds verleend, wanneer de dringende noodzakelijkheid dit eischt, — waarover later. De Hemel is insgelijks aan alle zijden omsloten en er is geen toegang tot eenig Hemelsch gezelschap open, dan alleen door een nauwen weg, waarvan de ingang insgelijks wordt bewaakt. Deze uit- en ingangen worden in het Woord do poorten en de deuren der Hel en van den Hemel genoemd.

429. De geestenwereld gelijkt op eene vallei, die door

428, 429

303

ocr page 348

HEMEL EN HEL.

bergen en rotsen is ingesloten; hier en daar daling en rijzing. Do deuren en poorten, die tot do Hemelschc gezelschappen leiden, zijn niet zichtbaar, dan alleen voor hon; die voor den Jlemol zijn toebereid ; door niemand anders kunnen zij zelfs gevonden worden en tot ieder gezelschap is er uit de geestenwereld een toegang, waarachter een weg is, die bij het op-waartsloopen zich in verscheiden takken verdoelt. Ook de poorten en de deuren, die naar dc Hellen leiden, zijn voor niemand zichtbaar, dan voor lion, die op liet punt zijn er binnen te gaan. Voor zulken worden zij dan geopend, en er worden alsdan duistere, als met roet overdekte holen zichtbaar, die in eene helling nederwaarts loopen naar de diepte, waar iusgelijka weder verschillende deuren zijn. Door deze holen walmen vreoselijke stanken cn bedorven luchten, die door de goede geesten geschuwd worden, omdat zij een afkeer in hen verwekken, maar die de booze geesten zoeken, omdat zij hun aangenaam zijn ; want evenals een ieder in de wereld behagen heeft geschept in zijn eigen kwaad, zoo schept hij ook na zijn dood behagen in den stank, die met zijn kwaad overeenstemt. In dit opzicht kunnen zulke personen vergeleken worden met roofvogels en wilde beesten, als bijvoorbeeld raven, wolven cn zwijnen, die, op de lucht van krengen en mest naar de plek vliegen en rennen. Ik hoorde eens een zekeren geest een luiden schreeuw geven, alsof hij door eene inwendige pijniging werd aangegrepen, toen hij de geur opving, die van den Hemel uitging cn den-zelfden geest zag ik zeer bedaard blijven en verheugd zijn, toen de stank uit dc Hel hom bereikte.

430. Voor ieder mensch bestaan evenzoo twee poorten; de eene leidt naar de Hel en is geopend voor al het booze en valsche daaruit; de andere leidt naar den Hemel en is geopend voor al het goede en ware dat daaruit komt. In hen, die in hot kwade en het valsche zijn, is de poort der Hel geopend en slechts cenige weinige stralen van het licht van don Hemel dringen van boven als door reten binnen, door welke invloeiing de mensch in staat is om te denken, te rodoneeren en mot andoren te spreken ; maar in hen, die 304

•430

ocr page 349

WAT DE WERELD DER GEESTEN IS.

431

in liet goede en daardoor in het ware zijn, is de poort dos Hemels geopend. Want er zijn twen wegen, die tot het redelijk gemoed in den mensch leiden, oen hoogere of innerlijke weg eu een lagere of uiterlijke; door den eersten komt tot hem het goede en het ware van den Heer; door den tweeden het booze en de logen van de Hel. In het midden is het redelijk gemoed zelf, waarheen deze twee wegen leiden. In zoo verre het licht van den Hemel tot daar wordt toegelaten, is de mensch redelijk ; maar in zooverre dit licht niet wordt toegelaten, is hij niet redelijk, in weerwil hij juist het tegendeel meent. Deze feiten zijn medegedeeld, opdat de aard der gemeenschap van den mensch met den Hemel of mot de Hel moge gekend worden. Zijne rede is gedurende haren ontwikkelingstijd in overeenstemming met de geestenwereld ; wat daarboven is, is in overeenstemming met den Hemel, en wat er benoden is met de Hel. Wat daarboven is, is geopend, en wat daar beneden is, is gesloten voor den invloed van het kwade en de logen op hen, die toebereid worden voor den Hemel; maar wat beneden is, is geopend tegen, en wat daar boven is, is gesloten voor den invloed van het goede en de waarheid op hen, die toebereid worden voor de Hel. De laatste kan derhalve niets anders doen dan den blik naar beneden richten, dat is, naar do Hel, en de eerste kan niets anders dan opzien naar boven, d. i. naar den Hemel. Opzien naar boven is opzien naar den Heer, wijl hij het algemeene middenpunt is, waarheen alles, dat in den Hemel is, opziet; maar het zien naar beneden is het afzien van den Heer, naar het tegenovergestelde middenpunt, waarnaar alles, wat in do Hel is, heenziet en zich keert, (zie boven no. 123 -124.)

431. Waar in de voorgaande bladzijden van geesten sprake is, worden zij bedoeld, die in de geestenwereld vertoeven, en mot Engelen, zij, die in den Hemel zijn.

20 s

305

ocr page 350

HEMEL EK HEL.

IEDER MENSCH IS INWENDIG EEN GEEST.

432. Wie ooit rijpelijk; over dit onderwerp dacht, zal tot de overtuiging zijn gekomen, dat liet lichaam niet denkt, dewijl het stoffelijk is, maar dat de ziel deukt, wijl die geestelijk is. De ziel des menschen, (over wier onsterfelijkheid zoovelen hebben geschreven) is zijn geest, want deze geest is onsterfelijk in al het zijne en deze is liet, die in het lichaam denkt; want hij is geestelijk, en hetgeen geestelijk is, neemt hetgeen geestelijk is geestelijk op, en leeft op geestelijke wijze, dat wil zeggen: het denkt en wil; alles, wat dus in liet lichaam als geestelijk leven zioh openbaart, behoort tot den geest, en niets daarvan behoort tot het lichaam, liet lichaam is stoffelijk, gelijk boven is gezegd, en de stoffelijkheid, die het eigenaardige van het lichaam is, is aan den geest slechts toegevoegd, of bijna als ware het, daaraan vastgemaakt, opdat deze zoude kunnen leven en handelen in de natuurlijke wereld, waar alles stoffelijk is en in zich zeiven ontbloot is van leven. Daar nu het stoffelijke niet leeft, maar alleen dat, wat geestelijk is, zoo blijkt hieruit duidelijk, dat alles wat leeft bij den mensch, zijnen geest toebehoort, en dat het lichaam alleen dient voor den geest, gelijk een werktuig dient voor den werkman. Men is wel is waar gewoon, om van een werktuig te zeggen dat het handelt, beweegt of slaat; indien men echter werkelijk gelooft, dat die krachten tot het werktuig behooren, en niet tot hem, die met hot werktuig handelt, beweegt of stoot, dan is dat eene dwaling.

433. Daar alles, wat in het lichaam leeft en door dit loven handelt en gevoelt, uitsluitend tot den geest en niets daarvan tot het lichaam behoort, zoo volgt daaruit, dat de geest do werkelijke mensch is, of, wat hetzelfde zogf, dat de mensch op zich zei ven beschouwd een geest is, en ook gelijke gestalte heeft; want al wat leeft en gevoelt in den mensch behoort tot zijn geest, en er is niets in hem, van het hoofd tot den voetzool toe, wat niet leeft en gevoelt. Wanneer daarom geest en lichaam gescheiden worden, hetgeen wij sterven noemen, zoo blijft de mensch toch een mensch 306

432, 433

ocr page 351

IEDER MENSCH IS INWENDIG EEN GEEST. 434, 435

en leeft voort. Uit den hemel werd mij gezegd, dat sommigen bij huu sterven, wanneer zij op de baar liggen, voor hunne opwekking in hun koud lichaam nog denken, en niet beter weten, dan dat zij nog leven, maar met dit onderscheid, dat zij geen enkel stoffelijk lid kunnen bewegen, dat tot het lichaam behoort.

434. De mensch kan niet denken en niet willen, tenzij er een onderwerp is, hetwelk is eene zelfstandigheid, uit hetwelk en in hetwelk hij denkt on wil; wat men zich voorstelt te bestaan zonder eene zelfstandigheid, is niets. Dit moge duidelijk worden uit het feit, dat de mensch niet zien kan, zonder een orgaan, dat de grondslag is van zien, noch hooren kan, zonder een orgaan, dat de grondslag is van zijn hooren. Gezicht en gehoor zijn zonder deze organen niets, ja eene onmogelijkheid. Dit geldt ook van de gedachte, die inwendig gezicht is, en van de gewaarwording, die inwendig gehoor is. Indien deze niet in en door zelfstandigheden bestaan, die organisch zijn gevormd en de onderlaag zijn van deze werkzaamheden, zoo konden zij in het geheel niet bestaan. Uit deze waarheden moge duidelijk blijken, dat de geest des menschen insgelijks in een vorm is, en dat deze de menschelijke vorm is, en evenzeer zinnen en zintuigen bezit, na zijne scheiding van het lichaam als toen hij nog in het lichaam was; dat al het leven van hot oog en al het leven van het oor, in één woord, geheel het zintuigelijk leven, dat de mensch bezit, niet tot zijn lichaam, maar tot zijn geest behoort; want de geest woont daarin, tot in do allerfijnste declen, die hen samen stellen. Uit deze oorzaak zien, hooren en gevoelen de geesten zoowel als do menschen; echter na hunne scheiding van het lichaam niet meer in de natuurlijke wereld, maar in de geestelijke. Do reden, waarom de geest, terwijl hij in het lichaam is, natuurlijke gewaarwordingen heeft, komt door de stoffelijke natuur, die aan hem is toegevoegd ; maar ook dan heeft hij geestelijke gewaarwording tegelijkertijd in zijn denken en willen.

435. Deze waarheden zijn vermeld, opdat de redelijke mensch overtuigd moge zijn, dat de mensch, in zich zeiven

307

ocr page 352

HEMEL EX HEL.

beschouwd, een geest is, en dat het lichamelijk omkleedsel, dat aan zijn geest is toegevoegd voor zijne werkzaam lieden in de natuurlijke en stoffelijke wereld, niet de inensch is, maar alleen een werktuig, voor het gebruik van zijnen geest. Bevestigingen echter, die op de ervaring berusten, zijn te verkiezen, omdat redeneringen de bevatting van velen te boven gaan, terwijl zij door hen, die een tegenovergesteld gevoelen zijn toegedaan, twijfelachtig worden gemaakt door gevolgtrekkingen uit bedrieglijke zinnen. Zij, die zich in dit tegenovergestelde hebben versterkt, zijn gewoon te denken, dat ook de dieren leven eu gevoelen zooals do mensclien, en dus ook een geestelijk leven bezitten, gelijk de mensch, hetwelk echter met hun lichaam sterft. De aard van het geestelijke der dieren is evenwel niet gelijk aan dat der mensclien ; want de mensch heeft, wat dieren niet hebben, een meest innerlijkeri graad of gebied der ziel, waarin het Goddelijke invloeit en haar verheft tot Zichzelf en daardoor met Zichzelven vereenigt. Hierdoor is hot, dat de mensch, in onderscheiding van de dieren, in staat is, om te denken over God en de Goddelijke dingen, die tot den Hemel en de Kerk behooren, en daarin en daardoor God lief te hebben, en dus met Hem vereenigd te worden; en al wat in staat is, om met het Goddelijke vereenigd te worden, kan niet vernietigd worden; terwijl al wat onvatbaar is, om met het Goddelijke vereenigd te worden, wordt vernietigd. Deze meest innerlijke graad of dit gebied in de ziel, dat de mensch heeft en de dieren niet hebben, is in een vorig gedeelte behandeld (no. 39), en wat daar is vermeld zal nog eens worden herhaald, omdat het van belang is, de dwalingen te verdrijven, die omtrent dit punt worden gekoesterd door velen, die uit gebrek aan kennis en door een ongeoefend verstand niet in staat zijn om zich redelijke denkbeelden er van te vormen. Die zin luidt als volgt; „Ik moet hier ten opzichte van de Engelen der .drie hemelen, een zeker geheim vermeUioii, dat nimmer „te voren in eens mensclien hart is opgekomen, wijl tot hier ,,toe niemand de leer der graden heett verstaan. In iederen „Engel, en derhalve ook in ieder mensch, is eene innerlijke

308

ocr page 353

IEDER MENSCH IS INWENDIG EEN GEEST.

„cn verheven graad of een zeker iimerlijks of voortreffelijks, „waarin het Goddelijke di-s Heeren het eerst cu lu^ naost „invloeit, on wi.arni; 1 vrru-f i:nv«'uiiige lt;!iuiie.-,

Bdie daarop volgen, Hobikt volgens de graden der orde. J)it „meest innerlijk of verheven gebied der ziel kun de ingang „des Heeren tot de Hagelen en rot den mensch worden ge-„noemd of Zijne eigenlijke woning bij hen. Door dit binnenste of dezen hoogsten graad is de mensch mensch en „onderscheiden van de redelooze dieren, die zulks niet bezitten ; „daardoor kan de mensch, anders dan de dieren, volgens al „zijn inwendige, dat het gebied van zjjn verstand en gemoed „is, door den Heer tot Zichzelven worden verheven, ia „Hem gelooven, opgewekt worden tot liefde jegens Hom, „en zoo Hem zien, en kan hij doorzicht en wijsheid in zich ,,opnemen, en spreken door verstand; daardoor komt het ook, „dat hij eeuwig voortleeft. De regelingen en voorzieningen, „die door den Heer in dit meest innerlijk gebied zijn gemaakt, „worden echter nooit klaar door eenigen Engel gevoeld, omdat „zij boven hot gebied van zijn denken gaan en verheven „zijn boven zijne wijsheid.quot;

436. Uit eene menigte ervaringen is het mij vergund te weten, dat de mensch naar zijn innerlijk wezen een geest is ; moest ik allo opteekenen. zoo zouden zij vele boeken vullen. Als een geest heb ik met do geesten gesproken, en ik heb met hen gesproken als een mensch in het lichaam. Als ik met hen als een geest sprak, dachten zij niet anders, dan d .i ik zelf een geest was, en ook, gelijk zij, in een niensch,. -lijken vorm was. Als zoodanig verscheen mijn innerlijk voi'v hen ; want terwijl ik met lien als een geest sprak, was min: stoffelijk lichaam onzichtbaar.

437. Dat de mensch, wat zijn innerlijk betreft, een gec-t is, biijkt duidelijk, doordien iiij, nadat zijn lichaam van !k:ii is gescheiden, gelijk dit plaats heeft bij zijn dood, rolt;di steeds als mensch leeft gelijk te voren. Opdat ik vaif doze waarheid ten volle overtuigd mocht zijn, is het mij verleen om met bijna allen, die ik ooit heb gekend, terwijl zij in het lichaam leefden, mij te onderhouden, met sommigen eenige

436, 437

301)

ocr page 354

HEMEL EN HEL.

uren, met sommigen weken en maanden, met anderen jaren lang, en dit voornamelijk, opdat ik voor mij zeiven zeker mocht zijn van do waarheid en haar aan anderen zoude kunnen getuigen.

438. Bij hetgeen alreeds is vermeld, kan worden toegevoegd, dat iedereen, terwijl hij leeft in het lichaam, met zijn geest reeds in gezelschap is met geesten, hoewel onbewust. De goede is door hen in gezelschap van Engelen en de booze in eone helsch gezelschap opgenomen ; na don dood gaan zij in datzelfde gezelschap. Dikwijls is dit verklaard en aangetoond aan hen, die, na hun dood, onder de geesten kwamen. Zoolang hij nog in de wereld is, wordt do mensch in dat gezelschap niet als een werkelijke geest gezien, dewijl hij dan denkt op eene natuurlijke wijze ; zij echter, die als buiten het lichaam denken, omdat zij dan in den geest zijn, worden somtijds in hun gezelschap gezien, maar worden dan ook gemakkelijk van de geesten daar onderscheiden; want zij wandelen rond in overdenking, spreken niet, zien niet naar de andere geesten, gedragen zich, alsof zij die niet zien, en zoodra een geest hen aanspreekt, verdwijnen zij.

439. Om de waarheid, dat de mensch naar zijn innerlijk een geest is, toe te lichten, zal ik uit de ervaring inededeelen, wat de uittrekking uit het lichaam is, en wat het is door den geest gevoerd te worden in een andere plaats.

440. De uittrekking uit het lichaam heeft op do volgende wijze plaats. De mensch wordt in een toestand gebracht, die het midden houdt tusschen slapen en waken, en wanneer hij in dezen toestand is, kan hij niet beter weten, dan dat hij volkomen wakker is; al zijne zinnen zijn evenzeer werkzaam, als wanneer het lichaam volkomen wakker is, niet alleen het gezigt en het gehoor, maar zonderling, ook het gevoel, dat dan zelfs scherper is, dan het ooit in wakenden toestand van het lichaam zijn kan. Ook in dezen toestand werden geesten en Engelen in volle werkelijkheid door mij gezien en gehoord, en wonderlijk, ook gevoeld, en toch was er toen bijna niets van het lichaam tusschenbeiden. Dit is de toestand waarvan men zegt: van het lichaam weggevoerd te worden en

438-440

310

ocr page 355

IEDER MENSCII IS INWENDIG EEN GEEST. 441, 442

niet te weten, of men in het lichaam is of daar buiten*) Ik ben slcclitc drie of viermalen in dezen toestand geweest, alleenlijk: opdat ik den aard er van kennen zoude en cr tegelijk van verzekerd zoude zijn, dat geesten en Engelen liet bezit van alle zintuigen genieten, en zoo ook des mensehen geest, wanneer Iiij aan liet lichaam is onttrokken.

441. Wat liet andere betreft, door den geest gevoerd te worden in ecne andore plaats - is mij door eigene ervaring, schoon slechts twee- of driemaal getoond, zoowel wat dit is, als hoe liet toegaat. Een enkel geval zal ik vermelden. Terwijl ik door de straten eeuer stad en door velden wandelde, had ik tegelijk een onderhoud met geesten. Ik wist niet beter, dan dat ik wakende was en het gebruik van mijn gezicht had, gelijk op andere tijden. Zonder te dolen bewandelde ik den weg; tor zelfder tijd had ik een visioen en zag lanen, rivieren, paleizen, huizen, mensehen en andere voorwerpen. Na aldus eenige uren gewandeld te hebben, keerde eensklaps mijn lichamelijk gezigt in mij terug en ontdekte ik, dat ik op eene geheel andere plaats was. Buitengewoon hierover verbaasd, ontdekte ik, dat ik in eenon toestand was geweest, dien zij hadden ondervonden, f) van wie gezegd is: ilat zij door den geest waren weggenomen naar een andere plaats. Gedurende dezen toestand heeft men geene gedachte op de lengte van den weg, al waren het ook vele mijlen ; ook niet op den duur van de reis, al duurde die verscheidene uren van den dag, en is men ook niet het minst vermoeid. Men wordt zoo door wegen, die men te voren niet kende, zonder te dwalen naar de plaats zijner bestemming geleid.

442. Deze twee toestanden grijpen plaats, wanneer de mensch in zijn innerlijk is, of, wat hetzelfde zegt, in den geest is. Zij zijn echter zeer buitengewoon en zijn mij alleen getoond, om den aard dezer toestanden te kennen, omdat zij in de Kerk bekend zijn. Het onderhoud met geesten en onder hen te zijn als een hunner is mij daarentegen vergund in waken-deu toestand des lichaams, en dit nu reeds vele jaren lang.

*) II Kor. XII : 2, 3.

t) Hand. VIII : 3!). i Kon. XVMI : 12.

311

ocr page 356

HEMEL EN HEL.

443. Dat dc rncnscu naar zijn innerlijk oen geest is, wordt verdér bevestigd door feiten en verklaringen uit een vroeger gedeelte, (nos. 311—317), waar aangetoond word, dat de bewoners van Hemel en Hel tot liet menschengeslacht belmoren.

444. Bij liet gezegde dat, naar zijn innerlijk, de mensch een geest is, is gemeend, dat hij oen geest is door zijne gedachte en zijn wil; want deze ziju liet eigenlijk inwendige, dat den mensch tot mensch maakt en wel zulk een mensch, als de aard is van dit inwendige.

DE OPWEKKING DES MENSCHEN TUT DKX DOOD EX DE i.VGANG IX HET EEUWIG EE VEX.

445. Wanneer het lichaam niet langer in staat is om zijne taak in de natuurlijke wereld waar te nemen, overeenkomstig de gedachten en aaiidoeuingeu van zijn geest, die hij uit dc geestelijke wereld heeft, dan zegt men sterft de mensch. Dit geschiedt, wanneer de bewegingen der ademhaling en de samentrekkingen van het hart eindigen. De mensch zelf sterft echter niet, maar hij wordt alleen gescheiden van zijn lichamelijk omkleedsel, dat hem in de wereld tot gebruik diende; de mensch zelf leeft. Hier wordt gezegd, dat de mensch zelf leeft, dewijl hij mensch is, niet door zijn lichaam, maar door zijn geest, want het is de geest in den mensch, die denkt, en gedachten en neigingen zijn het, die hem tot een mensch maken. Hierdoor is het duidelijk, dat de mensch bij zjjn sterven enkel van de eene wereld in de andere overgaat. Dien overeenkomstig beteekent in het Woord, in zijn inwendigen zin, de dood, de opwekking en dc voortzetting van het leven. quot;

44(j. De gemeenschap tusschen den geest en het lichaam is het innigst bij de ademhaling en de beweging van het hart; de gedachte staat het naast in verband met dc adem-

a. Dood beteekent in hel Woord oigt;standing, omdat als de mensch sterft zijn leven toch nog voortduurt; nos. 3-198, 3505, 4G1S, -1021, O'KW;, 0221.

312

443—446

ocr page 357

DE OPWEKKING DKS MENSCUEN UIT DEN DOOD. 447

haling, cn dc aandoening der liefde liet naast met het hart; ^ wanneer derhalve deze twee bewegingen in het lichaam op-honden, heeft ook onmiddellijk do scheiding plaats. Deze twee bewegingen — de ademhaling der longen en het kloppen van het hart — vormen dc eigenlijke banden; worden die banden verbroken, zoo staat de geest op zich zelf, en het lichaam, dat nu van het leven des geestes is ontbloot, wordt koud en gaat tot ontbinding over. Do reden, waarom er zulk ecne innige verbinding bestaat tusschen den geest en dc ademhaling en het hart is deze, dat van die twee alle levensbewegingen afhangen, niet alleen in het algemeen, maar van elk deel in het bijzonder. c

447. Xa de scheiding blijft 's menschen jjeest non; een kleinen tijd in het lichaam, maar niet langer dan tot de geheele stilstand var, het hart; dit heeft spoediger of later plaats, naar den aard der ziekte, waaraan de mensch sterft, want bij sommigen duurt de beweging van het hart nog lang, bjj anderen niet zoo lang. Zoodra deze beweging eindigt wordt de mensch opgewekt; maar dit geschiedt alleen door den lieer. Onder opwekking wordt verstaan de wegneming van den geest des menschen uit zijn lichaam en zijne overbrenging in de geestelijke wereld ; dit wordt gewoonlijk dc opwekking genoemd. De reden waarom quot;s menschen geest nier gescheiden wordt van het lichaam, voor de beweging van het hart is geëindigd, is, omdat het hart overeenstemt met de aandoenig der liefde, die het ware leven der menschen is; want uit de liefde heeft iedereen de levenswarmte ; '' en zoo

h. liet hart stemt overeen met den wil, dus ook met de genegen]ieden, die uit de liefde zijn, eu de ademlialiug der longen stemt overeen met het verstand, dus met gedaeiiti n : no. 0S88. Igt;aarom hetcekent hart in liet Woord wil en liefde ; nos. 7ó42, !KI50, 10336, en ziel beteekent verstand, geloof en het ware: daarom bc-teekent met de gansche ziel en het gansehe hart uit verstand geloof en wanrluMd, en uit dequot;wil uit liefde en uit het goede; nos. 21)30, 1)050. !gt;lt;• overeenstemming van hart en longen met den lt; irootsteu Men se h of den Ilemi'!; nos. Oó.

c. Het kloppen van het hart en de ademhaling der longen heerseheu door het geheele liehaam, en vloeien onderling in elk deel van het liehaam ; nos-3887, 3889, 3800,

d. Liefde is het wezen van het leven des riensehen : no. 5002. Liefde is geestelijke warmte, ;-u daarom het eigenlijke levensbeginsel inden mensch; nos. 1581), 2140, 3338. 4000, 7081 -80, 1)1)84, 10740. Genegenheid is een voortzetting van de liefde ; no. 31)38.

ai3

ocr page 358

HEMEL EN HEL.

laag daarom deze verbinding voortduurt, zoolang duurt ook die overeenstemming en daardoor hot leven van don geest in liet lichaam.

448. Op welke wijze de opwekking wordt bewerkt is mij niet alleen verhaald, maar is mij ook door eigene ondervinding getoond. Ik genoot • deze ondervinding, opdat ik ten volle mocht weten hoe de opwekking plaats vond.

449. Ik was in een toestand van ongevoeligheid gebracht, ten opzichte van de lichamelijke zinnen, en dus bijna in den staat van een stervende, liet innerlijke leven met het denkvermogen bleef niettemin voortduren, zoodat ik zou kunnen waarnemen en onthouden de dingen, die gebeurden, en die met iedereen plaats vinden, die van den dood wordt opgewekt. Ik bemerkte, dat de ademhaling van het lichaam bijna geheel geëindigd was; do innerlijke ademhaling, die n.1. des geestes, bleet' voortduren, vereenigd met eene geringe en onhoorbare ademhaling van het lichaam. Het eerste, dat plaatsgreep was, dat de gemeenschap mot Gods hemelsch koninkrijk werd geopend door do klopping van het hart, dewijl dit koninkrijk in overeenstemming staat met 's menschen hart. c Ook Engelen, die tot dit koninkrijk behooren, zag ik, sommigen op een afstand en twee zaten aan mijn hoofdeinde. Zoo werd elke aandoening mij ontnomen; gedachten en bewustzijn bleven echter voortduren. Eenige uren lang was ik in dien toestand. Do geesten, die mij omgaven gingen toen weg, in de veronderstelling, dat ik dood was. Er werd ook een aangename geur waargenomen, overeenkomende met den geur van gebalsemde lijken; want als er hemelsche Engelen tegenwoordig zijn, wordt do tegenwoordigheid van een lijk als aangenaam reukwerk waargenomen, en als geesten dit bemerken, kunnen zij niet naderbij komen; zoo worden ook booze geesten weg gehouden van 's menschen geest, wanneer hij allereerst in de geestelijke wereld wordt ingeleid. De Engelen, die aan mijn hoofdeinde zaten, spraken niet, maar deelden alleen hunne gedachten mode met de mijne. Wanneer

c. Het hart stemt overeen niet het hemelRche rijk des Heeren, maar de longen met het geestelijke rijk ; nos. 3635, 3S8G, 3887.

314

448, 449

ocr page 359

DE OPWEKKING DES MENSCHEX UIT DEN DOOD.

die ontvangen worden, weten zij, dat 's menschen geest in den toestand is, die hein vatbaar maakt, om van liet licluiam te worden gescheiden. De mededeeling van hunne gedaciiten werd bereikt, door hun blik op mijn aangezicht te vestigen ; want langs dezen weg wordt de mededeeling van gedachten in den hemel veroorzaakt. Dewijl gedachten en waarnemingen mij bijbleven, opdat ik zoude weten en mij zou kunnen herinneren, hoedanig de opwekking geschiedt, zoo ontdekte ik, dat deze Engelen eerst begeerden te weten, wat mijne gedachten waren, om te zien of zij gelijk waren aan die van stervenden, die gewoonlijk zich bezig houden met liet eeuwig leven ; en dat zij wenschten mij in zulke gedachten te houden. Naderhand werd mij verhaald, dat 's menschen geest in zijne laatste gedachten wordt gehouden, wanneer li ij sterft, totdat lnj terug keert tot de gedachten, die tot zijne heerschende neiging in de wereld behoorden. Het was mij bijzonder verleend, om te bemerken en te gevoelen, dat er een zeker trekken en om zoo te zeggen een optrekken van mijn innerlijk gemoed plaatsgreep, om zoo mijn geest van het lichaam te scheiden. Men verhaalde mij, dat dit (looiden Heer geschiedt, en dat juist dit de opwekking daarstelt.

450. Wanneer de liemelsche Engelen bij den Opgewekte staan, verlaten zij hem niet, dewijl zij iedereen liefhebben ; wanneer echter de geest van dien aard is, dat hij niet langer in het gezelschap der hemelsche Engelen zijn kan, voelt hij den wensch opkomen, om zich van hen te scheiden. Wanneer hij dit doet, komen de Engelen van liet geesteljjk koninkrijk des Heeren, en geven hem het gebruik van het licht; want tot dusverre zag hij niets, maar had alleen zijne gedachten. Hoe dit toegaat, werd mij ook getoond. Deze Engelen schenen een vlies af te rollen van het linker oog, naar den neus toe, opdat het oog geopend en het gezichtsvermogen medegedeeld worde. Het scheen ten minste den geest toe, alsof deze bewerking werkelijk geschiedde ; het is echter alleen schijn. Nadat de schel aldus scheen weggerold te zijn, heeft men eenig licht, maar schemerachtig gelijk het licht, dat iemand bij het allereerst ontwaken door de oogleden heen 315

450

ocr page 360

IIEMKTj EX HEI..

gcwaarworcU. liet schemerliclit, dat door mij werd gezien, scheen van liemelsche kleur; later werd mjj gemeld, dat er verschillende kleuren zijn, naar de verschilleude geesten. Daarna is er een gevoel, alsof er iets zachtjes van liet gezicht wordt afgerold; is dit geschiedt dan wordt de opgewekte in een staat van geestelijke gedachte ingeleid. Dit iets afnemen van het geziwht is insgelijks alleen schijn ; maar daardoor wordt voorgesteld, dat de geest van de natuurlijke gedachte in de geestelijke overgaat. De Engelen nemen de hoogste omzichtigheid in acht, opdat geen denkbeeld door den opgewekte zou worden geuit, dan alleen die verwant zijn aan de liefde, en dan zeggen zij hem, dat hij een geest is. Nadat de geestelijke Kngelen het gebruik van het licht aan den nieuw geboren geest hebben gegeven, betoonen zij hein allo diensten, die hij in dien staat zou kunnen wenschen, en onderrichten hem in de zaken van het andere leven, in zooverre hij in staat is om die te bevatten. Is echter de opgewekte van dien aard, dat hij geen onderricht wil ontvangen, zoo wensclit hij van het gezelschap der Engelen ontslagen te zijn. De Engelen verlaten hom evenwel niet, maar hij zelf scheidt zich van hen af; want de Engelen hebben iedereen lief en wenschen niets vuriger, dan liefderijke diensten te bewijzen, te onderrichten on naar den hemel te leiden ; daarin bestaat hunne hoogste blijdschap. Wanneer de geest zich op deze wijze heeft afgescheiden, komt hij onder de zorg der goede geesten, die hem, zoolang hij in hunne vereeniging is, insgelijks allerlei vriendelijke diensten bewijzen. Is nu zijn leven in de wereld echter zoodanig geweest, dat hij ook in hot bjjzijn der goeden niet zijn kan, dan begeert inj insgelijks van hen ontslagen te zijn ; en dit zoolang en zoo dikwijls totdat hij zich aansluit aan zulke geesten, die geheel en al overeenkomen met zijn leven in de wereld. In hun gezelschap vindt hij zijn eigen leven terug, en, wat liet wonderlijkste is, alsdan /et hij een soortgelijk leven voort, als hij in de wereld heeft geleid.

451. Dit begin van het leven des menschen na den dood duurt echter niet langer dan eenige weinige dagen. Hoe de geest na den dood van den eenen staat in den anderen wordt

SlU

451

ocr page 361

DE MENSCH NA ZIJNEN DOOI).

geloul on ten slotte in den Hemel, of in de hel komt, zal in de volgende uf'deelingen wonion gemeld; want ook deze overgangen zijn mij door overvloedige ervaringen bekend gemaakt.

452. Met sommigen heb ik gesproken op den derden dag, na hun dood, toen met hen plaatsvond wat hiervoor vermeld is, (no. 449, 450). Drie hunner waren mij uit de wereld bekend en ik verhaalde hun, dat er nu toebereidselen werden gemaakt voor het begraven van hun Ijjk. Jk had de uitdrukking gebruikt, dat zij zouden begraven worden; op hot hooren daarvan, greep eene verbazing hen aan en zij verklaarden, dat zij loofden, maar dat hunne vrienden vrij mochten begraven, wat hun in de wereld als lichaam had gediend. Naderhand verwonderden zij zich buitengewoon, dat zij gedurende hun leven in het lichaam, niet in zulk een leven na den dood hadden geloofd, en vooral, dat bijna allen in de Kerk dit ook niet geloofden. Zij, die in do wereld niet hebben geloofd in oen loven der ziel na hot leven dos lichaams, zijn zoor beschaamd, wanneer zij bevinden, dat zij na den dood nog loven ; zij echter, die zich in die loochening hebben bevestigd, werden verbondon met huns gelijken, en afgescheiden van hen, die hot geloof hadden gehandhaafd, liet grootste gedeelte wordt verbonden aan eene helscho ver-eeniging; want zulken hebben daardoor hot bestaan van het Groddolijko geloochend on do waarheden dor Kerk gesmaad. Want in do zelfde mate als iemand zich stelt tegen het eeuwig leven zijner ziel, in die mate stelt hij zich ook tegen alles, wat tul den Hemel en do Kerk behoort.

DE Ml-xsm IS XA ZIJNEN DOOD TN EEN VOLKOMEN MENSCH EL 1J K EN VOK.M .

453. Do vorm van 's menschen geest is de menscheljjke, of mot andere woorden, do geest is een monsch ook door zijn vorm. Dit is vroeger reeds duidelijk gemaakt, bijzonder in de hoofdstukken, waarin werd aangetoond, dat ieder 317

452, 453

ocr page 362

HEMEL EN HEL.

Engel in zuiver mcnschelijke gedaante is, (nos. 73 — 77); dat, wat zijn innerlijk betreft, ieder mensch een geest is, (nos. 432—444), en dat de Engelen in den liemel uit het inenschengeslacht komen, (nos. 311--317). Dit blijkt nog duidelijker hieruit, dat een mensch wel om zijn geest, maar niet om zijn lichaam een mensch is, en dat de lichamelijke vorm is toegevoegd aan den geest, overeenkomende met don vorm van den geest en niet het tegendeel; want de geest is bekleed met oen lichaam overeenkomstig zijn eigen vorm. Hierdoor is het, dat de geest dos menschen werkzaam is in alle, zelfs tot in dc allerkleinste dcelen van het lichaam, en wel zoo algemeen, dat ieder deel hetwelk niet werkzaam is door den geest, of waarin dc geest niet werkt, ook niet leeft. Dat dit zoo is, daarvan kan ieder zich verzekeren, enkel uit de daadzaak, dat de gedachte en de wil alle deelen des lichaams in werking brengen met zulk eene volkomenheid, dat er niets aan hunne bevelen ongehoorzaam is; en dat eenig deel, daaraan niet gehoorzaam, dan ook geen deel van het lichaam is, en wordt afgescheiden, omdat het ontbloot is van eenig leven. Gedachte eu wil behooren tot 's menschen geest, niet tot zijn lichaam. De oorzaak, dat de geest in menschelijken vorm, na de scheiding van hot lichaam, niet aan de menschen, noch ook de geest, die in een ander mensch is aan hem verschijnt, is, omdat het werktuig des gezichts, dat tot het lichaam behoort of het lichamelijk oog, zoover de kring zijner werking zich uitstrekt, stoffelijk is, en het stoffelijke kan niets anders zien, dan het stoffelijke, terwijl het geestelijke het geestelijke ziet. Wanneer daarom de stoffelijke zelfstandigheid van het oog overdekt is en beroofd is van zijne samenwerking met het geestelijke, verschijnen de geesten in hun eigen monschenvorm eu niet alleen zulke geesten, als in de geestelijke wereld zijn, maar ook de geest, die in een ander mensch, nog in het lichaam is.

454. De vorm van den geest is de menschelijke, omdat de mensch naar zijn geest geschapen is naar den vorm des Hemels; want alle dingen, die tot den Hemel en zijne orde behooren, zijn samen gevat in die van 's menschen ge-

454

318

ocr page 363

DE MKNSCII NA ZIJNEN DOOD.

moed ; / hierdoor bezit de mensch de vatbaarheid voor kennis en wijsheid. Of men spreekt van de vatbaarheid voor kennis en wijsheid, dan of men spreekt van de vatbaarheid voor den hemel, is geheel hetzelfde, zooals blijkt uit hetgeen vroeger werd aangetoond aangaande het licht en de warmte des hemels, (no. 120 —1-10), aangaande den vorm des Hemels, (no. 200 — 212), do wijsheid der Engelen, (no. 265—275) en in het hoofdstuk, waarin werd aangetoond, dat de Hemel, zoowel in zijn geheel als in zijne deelen, den vorm heeft van een mensch, (uo. 59 - 77) en dit door het Goddelijk Menschelijke des Heeren, waaruit de Hemel is en zijn vorm, (no. 78—86).

455. Al wat tot hiertoe is gezegd, kan een redelijk mensch begrijpen, want hij is in staat, om te zien uit verbinding van oorzaken en door waarheden in hare orde; maar een mensch, die niet redelijk is, verstaat ze niet, en daarvoor be-staan verschillende redenen, waarvan de voornaamste is, dat hij ze niet verstaan wil, omdat zij zijne valsche denkbeelden, die hij tot zijne waarheden gemaakt heeft, tegenspreken; en hij, die deze waarheden daarom niet verstaan wil, heeft den toegang afgesloten voor den invloed des Hemels op zijne rede ; maar toch blijft de mogelijkheid, om dezen weg te openen bestaan, mits de wil er zich niet tegeu verzet (Zie hierboven no. 424). Dat de mensch waarheden kan verstaan en redelijk wezen, indien hij niet onwillig is, is mij uit vele voorvallen bewezen. Jk heb dikwijls gezien, dat booze geesten, die onredelijk waren geworden, doordien zij in de wereld het Goddelijke en de waarheden der Kerk hadden geloochend en zich in deze loochcning hadden bevestigd, door de Goddelijke kracht gekeerd werden tot hen, die zich in het licht der waarheid verheugen. Alsdan begrepen zij deze waarheden, gelijk de Engelen, bekenden dat het de waarheid was en erkenden, dat zij alles begrepen. Zoodra zij echter aan zich zelven werden

ƒ. De mensch is het wezen, waarin alle dingen der Goddelijke orde zijn samengebracht, en van de schepping af is hij de Goddelijke orde in gedaante ; nos. 302S, 4219, 4222, 4223, 4524, 5114, G013, GU57, 6605, GG26, 7706,1015G, 10472. Zoover als een mensch naar de Goddelijke orde leel't, in zoover wordt hij in het andere leven als een mensch gezien, volmaakt en schoon; nos. 4839, 6605, GG2G.

319

455

ocr page 364

HEMEL EX HEI,.

overgelaten, keerden zij tot de gezindheid van lum eigen wil terug, begrepen niets meer en beweerden Juist liet tegendeel. Sommige lielsclie geesten heb ik ook hooren zeggen, dat zij wisten en begrepen, dat hetgeen zij deden, kwaad was, en dat hetgeen zij dachten, onwaar was, maar dat zij de lust van hunne liefde niet konden weerstaan, dus hun wil niet konden weerstaan, en dat dit hunne gedachten leidde om liet kwade als goed en de logen als waar aan te zien. Aldus was mij duidelijk gemaakt, dat zij, die door het booze ouder tie logen waren bedolven, nog in staat zijn, om waarheden te te verstaan, en dus redelijk te zijn, maar dat zij slechts niet willen. De reden, waarom zij niet willen, is, omdat zij de logen liever hebben gehad dan de waarheid ; omdat deze overeenkomt niet het booze, waarin zij verzonken waren. Liet' te hebben en te willen is hetzelfde ; want wat de mensch wil, bemint hij, en wat hij bemint, wil hij. Doordien de toestand des menschen zoodanig is, dat hij waarheden kan verstaan, indien hij slechts wil, is het mij vergund geworden, door redelijke overwegingen geestelijke waarheden, die tot den Hemel en de Kerk behooren, te bevestigen. Dit was aan mij vergund, om de valschheden, die bij velen de werking der rede hebben gesloten, door zoodanige redelijke overwegingen te verwijderen en aldus hunne oogen, al ware het ook eon weinig, te openen ; want het is aan allen, die in de waarheid zijn gegrond, vergund om geestelijke waarheden re bevestigen door verstandelijke redeneringen. Wie kon unit de Heilige Schrift verstaan, alleen door liet lezen van den letterlijken zin, zonder door eene verlichte rede do waarheden te zien, die in haar zijn weggelegd? Waaruit kunnen anders, dan door dit gebrek door hetzelfde Woord zoovele scheuringen ontstaan ? ?

q. Wij behooren te beginnen, met Je wtfarheden van de leer der Kerk, die iiit liet Woord zijn genomen, en eerst deze waarheden erkennen, en daarna is liet veroorloofd natuurlijke waarheden te raad)degen ; no, 6047 Zoodoende is het veroorloofd aan hen, die in dc bevestiging verkeeren aangaande de waarheden van het geloof, om die door redeneering uit natuurlijke waarheden te bevestigen, maar dit is niet veroorloofd voor hen, die in ontkenning verkeeren ; nos. 2568, 2588, 4760, 6047, Het is in overeenstemming met de Goddelijke orde om uit geestelijke waarheden in wetenschappelijke waarheden.

320

ocr page 365

BE MEXSC1I NA ZIJNEN DOOD IN MENSCIIELI.TKEN VORM. 456

456. Dat do geest des menschen, na zijne scheiding van het lichaam een mensch is en wel in gelijken vorm, is mij uit dageljjkscho ervaring, gedurende vele jaren, gebleken. Duizendo malen heb ik hen gezien, hen hooron spreken en mot hen gesproken, juist over ditzelfde onderwerp, dat de menschen in de wereld niet gelooven, dat geesten ook menschen zijn, en dat zij, die dit gelooven, door de geleerden voor dom worden gehouden. De geesten werden bedroefd op het hooreu, dat zoodanige onwetendheid in de wereld nog voortduurde en vooral in de kerk. Zij zeiden, dat dit geloof allereerst van de geleerden was uitgegaan, die ten opzichte van de ziel denkbeelden hadden, die ontleend waren aan hunne zinnelijke begrippen. Daardoor verkregen zij van de ziel geen ander denkbeeld, dan dat van gedachte alleen; en die, als men daaraan het voorwerp ontneemt, waarin en waardoor het beschouwd wordt, als een soort van wegvliodenden ademtocht of enkel lucht is, die niet anders dan vernietigd kan worden bij het sterven van het lichaam. Daar de kerk evenwel, op gezag der Ileilige Schrift in de onsterflijkheid der ziel gelooft, kon zij er niet buiten om er eenig levend beginsel aan toe te schrijven, zooals aan de gedachten, en toch niets van een waarnemingsvermogen, zooals de mensch heeft, voordat zij weer mot het lichaam vereenigd is. Op deze voorstelling is de algemeene leer aangaande de opstanding gegrond en het geloof, dat de ziel en het lichaam weer zullen vereenigd worden bij het laatste oordeel. Hieraan is het toe te schrijven dat, wanneer iemand over de ziel denkt volgens de kerkleer, en tegelijk volgens vermoedens, hij dan volstrekt niet begrijpt, dat de ziel een geest is, en dat deze in den vorm is van een mensch. Men kan hier nog bijvoegen, dat er op den huidigen dag nauwelijks één is, die weet wat het geestelijke is, en nog minder dat zij, die geestelijk zijn, zooals alle geesten en Engelen zijn, eene menschelijke gedaante hebben. Hierdoor is liet ook, dat bijna allen, die van de

dat natuurlijke waarheden zijn niet verstand in te gaan, en niet uit de laatste in de eerste, omdat er eene geestelijke invloeiing in de natuurlijke dingen gegeven is, en niet eene natuurlijke of physische invloeiing in de geestelijke dingen ; nos. 321!*, 5110, Ö25i), 5427, 5428, 5478, 6322, 9109, 9110.

321 21®

ocr page 366

HKMEI, EX HEL

wereld in de ando.re overgaan, zich bovenmate verwonderen, dat /ij leven en mensclien zijn gelijk als te voren ; nat zij kunnen zien, hooren on spreken ; dat hun lichaam gevoel bezit evenals te voren, en dat er geen onderscheid bestaat. (Zie boven no. 74). Is hunne verwondering over zich zeiven geëindigd, zoo moeten zij zich op nieuw verwonderen, dat de kerk hoegenaamd geen kennis lieett van dezen staat des men-schen na den dood, en dientengevolge ook evenmin van den Hemel en de Jiel in weerwil, dat allen, die ooit in de wereld hebben geleefd, in dit ander leven zijn overgegaan, en daar als menschen voortleven. Insgelijks verwonderden zij zich, dat dit niet door een visioen aan den mensch was geopenbaard, wijl liet toch een wezenlijk bestanddeel van het geloof dei-kerk is. Hierop werd hun uit den Hemel bericht, dat dit zou kunnen geschied zijn, wimt mets is meer gemakkelijk, wanneet don Heer zoo iets behaas;!; maar dat diegenen toch niet zouden

gelooven, die zich tegen zulke dingen in valschheden hebben bevestigd, ook dan niet, indien zij ze zelf zouden zien ; en ook, dat het gevaarlijk is, om iets door visioenen te bewijzen aan menschen, die zich op de logen hadden gegrond ; want zij zouden alsdan eerst gelooven, maar daarna het weder loochenen en zoo de waarheid zelve ontheiligen, want ontheiligen is eerst de waarheid gelooven en daarna weder ontkennen; en zij, die de waarheid ontheiligen, worden in de diepste en allerjammer-lijkste van alle Hollen geworpen. quot; Dit gevaar is het, waarop

h. Profiinceren is de saineninenginsr van gued en kwaad, ook van waarheid en logen in den mensrh ; no. G.US. Xieniand kan waarheid en goedheid of de heilige dingen v;in hot Woord eu de kerk ontheiligen, dan alleen zij, die ze eerst hebben erkend en nog meer, als zij dien overeenkomstig leven — en later van het geloof afvallen, het loochenen, en voor zirh zeiven cn de wereld loven; nos. SM, 1008, 1010. lOóil, XKlO, 3898, 4289, 4601,

10284, 10287. Indien de nu-nseh na heronw des harten, in vroegere envels terugvalt, profaneert iiij, en dan is zijn laatste staat erger dan de vroegere; no 8394 ^ij kunnen geene heilige dingen ontheiligen, die deze!\ e niet hebben erkend en nog minder zij. die ze niet kennen ; nos. 1008, 1010, 1050, 9188, 10284. De heidenen, die buiten de kerk zijn, en het Woord niet nebben.' kunnen datzelve niet ontheiligen; nos. 1327, 1328, 2051, 2284. Om deze reden werden geene innerlijke waarheden aan de Joden ontdekt, want indien zij ze hadden gezien, en erkend, zou dat volk ze hebben ontheiligd; nos. 3398, 42S9. 6963. lier lot van de ontwijders igt; in het andere leven het ergste

322

ocr page 367

DE MENSCII NA ZIJNEN DOOD IN MENSCHELI.TKEN VORM. 457

do Heer doelt iu Joh. XI [ : 40. „ Hij heeft hunne oog en ver-hlind en hun hart verhard; opdat zij met de ooyen niet zien, en met hun hart niet verdaan, eh zij bekeerd worden, en ik hen yeneze.quot; Dat zij, die ia de logeu zich hebben gevestigd, niet zouden gelooven, is in Lukas XVI : 29—31 geleerd ; „Abraham zeide tot den rijken man in de Hel: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die hooren! En hij zeide: Neen, vader Abraham ! maar zoo iemand van de dooden tof hen henenginy, zij zouden zich bekeer en. Doch Abraham zeide tot hem : Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.quot;

457. Het voorkomen en de toon van de stem, die de menscii in de wereld had, blijven den geest bij, wanneer hij de geestenwereld intreedt; dit geschiedt spoedig na zijn opwekking, zooals in de laatste afdeeling is beschreven. De reden is. omdat hij dan in den uiterlijken staat is, en zijn innerlijk nog niet is ontvouwd. Dit is de eerste staat des menschen na don dood. Daarna verandert zijn gelaat en wordt geheel verschillend ; hot komt dan overeen met de heerschende neiging zijner liefde; die de grondslag van het innerlijke van zijn gemoed was, tijdens zijn leven in de wereld, en die zijn geest beheerschte terwijl deze in het lichaam was. Want het aangezicht van den geest verschilt zeer veel van dat zijns lichaams, daar het aangezicht des lichaams ontleend is aan zijne ouders, maar dat van den geest van zijne geneigdheid, waarvan het de beeltenis is. De geest ontvangt dit voorkomen na zijn leven in hot lichaam, wanneer zijn uiterlijk wordt verwijderd en zijn inwendig wordt onthuld. Dit is de tweede staat des menschen na den dood. Ik heb sommigen gezien, die juist uit de wereld kwamen, en die ik herkende aan hun gelaat en aan den toon hunner stem ; maar toon ik hen naderhand zag, kende ik hen niet meer. Zulken,

van allen, omdat het goede en ware, dat zij erkend hebben, bijblijft, evenzoo het kwaad en de logen; en omdat die elkander vastklemmen, wordt het leven vaneen gescheurd ; nos. 571, 582, G348. Daarom zijn door den Heer zeer zorgvuldige voorzorgen genomen om ontheiliging te voorkomen ; nos. 2426, 10287.

323

ocr page 368

ItEMEL EN HEL.

die in goede neigingen waren, hadden schoone gezichten, maar zij, die in kwade neigingen waren, hadden leelijke gezichten ; want de geest des menschen, op zich zelf beschouwd, is niet anders dan zijne aandoening, waarvan de uiterlijke vorm het aangezicht is. Eene andere oorzaak van de verandering van het gelaat is, dat het in het andere leven niet mogelijk is, om aandoeningen te veinzen, die niet gemeend zijn, noch ook een gezicht te vertoonen in tegenstelling met zijne liefde. Iedereen, onverschillig wie, moet daar spreken gelijk hij denkt en in zijn uiterlijk en houding vertoonen, wat de begeerten zijn van zijn wil. Uil deze oorzaken volgt, dat aller aangezichten de vormen en beeltenissen worden van hunne aandoeningen; vandaar is het, dat allen, die elkander in de wereld kenden, elkander ook kennen in de geestenwereld, maar niet in den Hemel noch in de Hel, zooals hierboven werd gezegd, (no. 427). d

458. De aangezichten van huichelaars worden langzamer veranderd, dan die van anderen, doordien zij gewoon waren, om hun innerlijk het voorkomen te geven van goede neigingen. Zij bleven daarom geruimen tijd vrij schoon, maar omdat hun aangenomen voorkomen allengs verdwijnt en het innerlijke van hun gemoed den vorm van zijne genegenheden aanneemt, werden zij naderhand nog leelijker dan anderen. Huichelaars zijn zulke menschen, die praten als Engelen, maar inwendig de natuur alleen erkennen, en dus niet het Goddelijke, en daarom loochenen zij de zaken, die tot den Hemel en de kerk behooren.

459. Men moet weten, dat de menscheljjke vorm na den dood te meer schoon is, naarmate hij te meer innerlijk de Goddelijke waarheden heeft liefgehad en daarmede overeen-

d. Het aangezicht wordt gevormd tot overeenstemming met het inwendige; nos. 4701, 4805, 5605. De overeenstemming van het gelaat en zijne uitdrukkingen met de genegenheden van het gemoed; nos. 1568, 2988, 2089, 3631, 4706, 4797, 4800, 5165, 5168, 5695, 0306. liij de engelen in den Hemel maakt het gelaat éi'n uit met het inwendige, dat tot het gemoed behoort; nos. 4796—99, 5695, 8250. Om deze reden heteekent het aangezicht in hot Woord de inwendige dingen, die tot het gemoed behooren, dat is die tot genegenheden en gedachten behooren; nos. 1099, 2434, 3527, 4066, 4708, 5102, 0306, 9546. Op welke wijze de invloeiing van de hersenen in het gelaat is veranderd geworden gedurende den loop der tijden, en daarmede het gelaat zelf met betrekking tot zijne overeenstemming met de inwendige dingen; nos. 4326,8250,

458, 459

324

ocr page 369

DE MENSCII XA ZIJNEN DOOI) IN MENSCIIEIJJKEN VOUM. 460

komstig heeft geleefd; want het innerlijk van ieder mcnsch wordt geopend en ook gevormd overeenkomstig de liefde en dat leven. Hoe meer innerlijk de aandoening is, hoe meer geljjkvorming met don Hemel en zooveel te meer bevallig het gelaat. Hierdoor komt liet, dat de Engelen, die den binnensten Hemel bewonen, de allerschoonste zijn ; want zij zijn vormen van hemelsche liefde. Zij echter, die de Goddelijke waarheden meer uiterlijk hebben liefgehad en dus uitwendig in overeenstemming daarmede hebben geleefd, zijn minder schoon ; want alleen uitwendige gevoelens schijnen uit hun aangezicht, en de innerlijke hemelsche liefde glinstert er niet doorheen, dus niet de vorm des Hemels, zooals die innerlijk is. p]r is iets betrekkelijk duisters in hun aangezicht, niet bezield met den doorschijnenden glans van hun innerlijk loven. In één woord, allo volkomenheid vermoordort als het innerlijke toeneemt, en vermindert naar het uiterlijke, en als volmaaktheid vermeerdert of vermindert, gaat het met de schoonheid evonzoo. Ik heb aangezichten van Engelen gezien uit den derden Hemel, die zoo schoon waren, dat geen schilder met allo hulpmiddelen zijner kunst aan zijne kleuren eeno schittering zou kunnen schenken, gelijk aan een duizendste gedeelte van het licht en het leven, dat uit hunne aangezichten blonk. De aangezichten dor Engelen van den benedensten Homo! zouden misschien eenigszins door oen schilder kunnen geëvenaard worden.

460. Ten laatste zal ik een geheim mededeelen, dat tot nog toe aan niemand is bekend geweest, namelijk, dat al het goede en ware, dat uitgaat van den Heer en dat den Hemel maakt, in menschelijken vorm bestaat; en dit niet alleen in hot geheel en in wat het grootste is, maar ook in ieder deel, ook in het geringste; eu dat deze vorm invloed uitoefent op ieder, die het goede en het ware ontvangt van den Heer, en den menschelijken vorm mededeelt aan iederen bewoner des Hemels, overocukoinstig de hoogte zijner vatbaarheid. Hierdoor is het, dat do Hemel, zoowel in het algemeen als in het bijzonder, gel ij k is aan zich zelf, en dat de menscheljjke vorm, de vorm ia van het geheel, van elke veroeniging en 325

ocr page 370

HEMEL EX HEI;.

van eiken Engel, zooals werd aangetoond in de vier hoofdstukken, (no. 59—86). Hieraan kan worden toegevoegd, dat de mcnsclielijke vorm ook in de Engelen bestaat, in elk deel der gedachte, die aan de Hemelsche liefde is ontleend. Maar dit geheim kan moeieijjk door eenig mensch worden begrepen, hoewel liet helder door de Engelen wordt ingezien, omdat zij in liet licht des Hemels zijn.

DE MENSCH BLIJFT NA ZIJN HOOI) IX HET BEZIT VAN ALLE ZINTUIGEN, VAN GEHEEL ZIJN CiEHEUGEN, VAX AL DE GEDACHTEX EN AAXDOENIXGEN, DIE HIJ HAD IN DE WERELD. HIJ LAAT NIETS ACHTER, DAN ZIJN AARDSCH LICHAAM.

461. Wanneer de mensch nit de natuurlijke wereld in de geestelijke overgaat, neemt hij alles mede, wat tot zijn wezen als mensch behoort, uitgezonderd zijn aardsch lichaam. Dit is mij uit menigvuldige ervaring gebleken. Wanneer hij de geestelijke wereld of het leven na den dood intreedt, is hij zoowel in een lichaam als in de wereld. Naar allen schijn is er volstrekt geen verschil, want hij kan geen verschil gevoelen of zien. Maar zijn lichaam is nu van geestelijke natuur en dus gescheiden of gezuiverd van wat aardsch is, en daar nu hot geestelijke gevoelt en ziet wat geestelijk is, zoo is de uitwerking op de zinnen volmaakt hetzelfde; als toen het natuurlijke gevoelde en zag wat natuurlijk was. Daardoor is het, dat, wanneer hij een geest is geworden, hij niet beter weet dan dat hij in hot lichaam is, waarin hij in de wereld was; hij is derhalve niet bewust, dat hij gestorven is. De mensch, die nu een geest is, is in het genot van alle zinnen, zoowel innerlijk als uiterlijk, gelijk in de wereld. Hij ziet als te voren; hoort en spreekt als te voren ; hij ruikt insgelijks en voelt en is bij aanraking gevoelig gelijk te voren ; hij verlangt, begeert, wenscht, denkt, overweegt, wordt aangedaan, bemint en wil als te voren, en de mensch, die lust heeft in studio, leest en schrijft als te voren. In één woord, 's menscheu overgang van het eene 326

461

ocr page 371

ZIXTCIGEX I.X f.KIIKf'iKN X V DK.N Df'dl)

loven in hot a ndere of van de eent! wereld in de andere is uls het gaan van do cone pi: its naar do andoro. Hij neemt alles mede, dat hij als menscli in /.ioh zeiven bezit. Er kan dus niet gezegd worden, dat do menscli na zijn dood iets, dat tot zijn wezen behoort, heeft verloren ; alleen zijn aardsoh lichaam is dood. Hij draagt met zich zijn natuurlijk geheugen, want al wat hij ooit in de wereld hoorde, zag, las, loerde of dacht, van zijne vroegste kindsheid af tot den laat-sten dag zijns levens toe bljjft hem bij. De natuurlijke voorwerpen evenwel, die in zijn gehougen zijn opgenomen, rusten, evenals zij rusten, wanneer do menscli in de wereld er niet om denkt, want zij kunnen in de geestelijke wereld niet weder te voorschijn gebracht worden ; zij worden echter weder in het geheugen teruggeroepen, wanneer de Keer het zoo wil. Van het geheugen en deszelfs toestand na den dood zal echter in het geen volgt meer worden gezegd. De zinnelijke menscli kan volstrekt niet gelooven, dat de staat des men-schen, na den dood, zoodanig is, want hij begrijpt niet, hoe dit zoo zijn kan, daar do zinnelijke meiisch niet anders, dan op ecne natuurlijke wijze, ook over geestelijke zaken, kan denken. Wat hij daarom niet gewaar wordt door zijne zinnen, of niet ziet met zijne oegen, af gevoelt met de handen des lichaams, dat verzekert hij, bvstaat niet, gelijk wij lezen van Thomas in Joh. XX : 25, 27, 21». War de zinnelijke menscli is, kan men hierboven zien in no. 2(i7 en de noten.

462a. In weerwil daarvan is er groot verschil tusschen het leven des menschen iu de geestelijke wereld en zijn leven in de natuurlijke wereld, zoowol wat aangaat de uiterlijke zinnen en hunne aandoeningen als de innerlijke zinnen en hunne aandoeningen. De bewoners des Hemels hebben scherper waarneming, dat is, zij zien en hoeren voortreffelijker, — en zij denken ook met meer wijsheid, dan toen zij in de wereld waren. Want zij zien door hot licht des Hemels, dat het licht der wereld vele malen overtreft, (zie boven no. 126) en zij hooren door eene geestelijke atmospheer, die de atmo-spheer der aarde vele malen overtreft, (no. 2o~y). De grootere voortrelfelijkheid van deze uitwendige zintuigen boven die van

402«

327

ocr page 372

HEMEL EN HEL.

doze wereld, is gelijk aan die van eene heldere lucht op aarde boven eene bewolkte lucht, evenals van liet licht op den middag boven de avondschemering ; want het licht des Uemels, omdat het de Goddelijke waarheid is; stelt de Engelen in staat, om de kleinste voorwerpen te ontdekken en te onderscheiden. Ook hun uiterlijk gezicht staat in overeenstemming met hun innerlijk gezicht of met hun verstand; want bij de Engelen vloeit het eene zien in het andere, zoo z|j als een geheel werken; vandaar hebben zij zulk een sterk vermogen om te zien. Op dezelfde wijze staat hun hooien in overeenstemming met hunne gewaarwording, die zoowel tot het verstand als tot den wil behoort, en daardoor ontdekken zij in den toon der stem en in de woorden, die iemand spreekt,' de geringste bijzonderheden van zijne genegenheden en gedachten; in den toon ontdekken zij alles, wat in verband staat met de genegenheden en in de woorden alles, wat betrekking heeft op zijne gedachten. (Zie no. 234—245.) De andere zinnen der Engelen zijn echter niet zoo voortreffelijk, als die van het gezicht en het gehoor, omdat deze aan hunne kennis en wijsheid dienstbaar zjjn en de andere niet. Zoo de andere zinnen even voortreffelijk waren als die van het gezicht en gehoor, zoo zouden zij het licht en de blijdschap hunner wijsheid wegnemen, en daarvoor in de plaats stellen de blijdschap over het genoegen, dat aan de verschillende lusten en aan het lichaam is verbonden en die het verstand verduisteren en verzwakken, zooverre zij heerschen ; zooals dit het geval is met de menschen in de wereld, die dof en stomp zijn voor geestelijke waarheden, naarmate zij zich overgeven aan hot genoegen van den smaak of aan de aanlokkelijkheden van het gevoel, dat het lichaam streelt. Dat de innerlijke zintuigen der Engelen, dat is die van hunne gedachte en aandoening, voortreffeljjk en meer volkomen zijn, dan zij waren in de wereld, is duidelijk uit hetgeen gezegd en aangetoond werd in het hoofdstuk over de wijsheid van de Engelen des Memels. (Zie no. 265 — 275.) Het verschil tusschen den staat van de bewoners der Hel en hunnen vroegeren staat in de wereld is insgelijks zeer groot; want is bij Rngelen des Hemels de hooge vol-

328

ocr page 373

ZIXTCRiEX EN GEHEUGEN NA DEN' DOOD.

komenliciden voortreffelijkheid der uiterlijke en innerlijke zinnen groot, zoo groot is ook dc onvolkomenheid bij do bewoners dor IFel. Doze toestand zal echter in een ander deel worden beschreven.

4626. Dat de mensch zijn geheele geheugen uit de wereld medeneemt, is mij door vele bewijzen aangetoond. Tallooze meldenswaardige zaken heb ik gezien en gehoord; eenige zal ik er mededeelen. — Sommigen ontkenden de misdaden en ongeregeldheden, die zij in do wereld hadden begaan. Opdat zij nu niet voor onschuldig zouden gehouden worden, werden hunne daden opengelegd en in volgorde door hun eigen geheugen voorgedragen van het begin tot het einde huns levens. Zij bestonden meestal in overspel en hoererij. Sonunigcu luidden op slechte wijze anderen bedrogen en bestolen ; luinue streken cn dieverijen werden ook in hunne opeenvolging opgenoemd, waarvan do meeste nauwelijks bij iemand anders in de wereld bekend waren buiten hen zeiven. Zij erkenden ze ook allen, omdat zij als ir. helder daglicht werden openbaar gemaakt, mot al de gedachten, voornemens, vermaken en angsten, die in hun hart bij die gelegenheden opkwamen. Sommigen hadden zich laten omkoopen en handel gedreven met hun rechterlijk ambt, deze werden, op dezelfde wijze, in hun geheugen onderzocht en daar uit alles weder terug geroepen, van den eersten dag, dat zij hun ambt bekleedden, tot den laatstén dag toe. Alle bijzonderheden verschenen, zoowel de aard der omkooping als de tijd cn de toestand van hun gemoed en het voornemen van het oogen-blik. Alles snelde weder te zamen en werd opengelegd voor hun gezicht, van dat oogenblik tot een getal van eenige honderden. Somtijds werden, zeer wonderbaar, hunne dagboeken, waarin zij do bijzonderheden hadden opgeteekend, geopend eu bladzijde voor bladzijde hun voorgelezen. Sommigen, die maagden verleid hadden tot schande, of die dc kuischhcid hadden aangerand, werden tot eenzelfde oordeel geleid en al de omstandigheden voor hun geheugen teruggeroepen eu herhaald; zelfs dc aangezichten der maagden en vrouwen werden voorgesteld, alsof zij tegenwoordig waren, vereenigd mot de plaatsen en woorden, die tusschen hen gewisseld

4626

329

ocr page 374

H li MEL EN' HKl .

waren, met den toestand van hun gemoed, alles zoo onverwachts, alsof het eene versciujinng was, welke voorstellingen soms verscheidene uren duurden. Tu- was een zekere quot;•eest. die het als niets had aangemerkt, om anderen te

D *

lasteren, en ik hoorde zijne lasteringen en onteeringen, met dezelfde woorden, die hij gebezigd had, in volgorde herhalen ; de personen, die hij gelasterd had, en degenen tegen wie hij ze had gesproken, werden allen voorgebracht, geheel naar het leven, en toch had hij bij iedere gelegenheid zijne handeling zorgvuldig bedekt, toen hij in de wereld leefde. Zeker iemand had door een bedriegeiijk voorwendsel aan zijn bloedverwant zijne erfenis ontroofd; hij werd op eenzelfde wijze overtuigd en geoordeeld, en wat te meer wonderlijk is, de brieven en papieren, die tusscheii hen wa ■ . gewisseld, werden voor mijne ooren voorgelezen, en gezegd, dat er geen woord aan ontbrak. Dezelfde persoon had, kort vóór zijn dood, zijn buurman heimelijk door vergif van het leven beroofd. Dit werd op de volgende wijze aan het licht gebracht. Hij scheen onder zijne voeten een gat te graven in den grond, en toen het gegraven was, kwam er een man uit voort als uit een graf. Deze riep hem toe ; „Wat hebt gij mij gedaan ?quot; Al de bijzonderheden kwamen toen aan het licht; hoe de giftmenger met hem op een vriendschappelijke wijze had gesproken en hem toen den beker had toegereikt; wat hij van te voren had gedacht en wat er later voorviel. Nadat alles aan het licht gebracht was, werd hij veroordeeld tot de Hel. In een woord, alle misdadige praktijken, de booze daden, de rooverijen, de bedriegerijen, de kunstgrepen, waaraan de booze geesten zich in de wereld hadden schuldig gemaakt, werden voor hen opengelegd, door hun eigen geheugen teruggeroepen, en zij aldiw overtuigd. \ oor ontkennen is er quot;eene oquot;cleo'onlieid, want iille omstandigheden verschijnen er bij elkander. Er werd een zekere geest onderzocht en ondervraagd door de Engelen ; ik hoorde toen, uit zijn geheugen, alle bijzonderheden, waarover hij in den loop eener maand, dag aan dag had gedacht, herhalen, zonder de minste fout; al de bijzonderheden werden teruggeroepen, juist zooals hij 83U

«

ocr page 375

ZINTUIUE.X KX OKKEr.iKX NV DEX DOOI).

daarin was bezig geweest in lt;lic dagen. Uif deze voorbeelden moge duidelijk blijken, dat de menscb zijn geheele geheugen niet zich in de andere wereld inedenoemt, en dat er niets zoo geheim is in deze wereld, dat niet openbaar wordt gemaakt na den dood, en wel in het bijzijn van vele getuigen, gelijk ook onze Hoer heeft gesproken in Luk. XII : 2, 3 : „ En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in H licht gehoord worden; en irat gij in 't oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.quot;

403. Wanneer de daden eens mensehen na den dood voor hem worden opengelegd, zien de Engelen, aan wie do taak van het onderzoek is opgedragen, hen in het aangezicht. Het onderzoek loopt over het geheele lichaam, en vangt aan met de vingers van beide handen en zet zich van daar over het geheele lichaam voort. Daar ik mij verwonderde, waarom dit was, werd het mij gezegd. Alle bijzonderheden van 's menschen gedachte en wil hebben indrukken nagelaten, ot zijn ingeschreven in de hersenen; want daarin bestaan zij in hunne allereerste beginselen. Vervolgens worden zij ingeschreven in zijn geheele lichaam, omdat alles, wat tot de gedachte en den wil behoort, van hunne eerste beginselen op het lichaam overgaat en daar eindigt, wijl dit het laatste is. Dit is do oorzaak, dat wat ook uit 's menschen wil en dus ook uit zijne daaruit voortkomende gedachte in zijn geheugen is ingeschreven, niet alleenlijk ingeschreven is iu de hersenen, maar ook over den geheelen mensch, en aldaar aanwezig blijft in ceno orde, die overeenkomt met de orde in de deolen des liehaams. Hierdoor werd het duidelijk, dat de mensch zoodanig is in zijn geheel, als hij is in zijn wil en zijne daaruit voortgaande gedachten; zoo geheel, dat een slecht mensch zijn eigen kwaad, en een goed mensch zijn ei^en goed is. k Hieruit moge ook duidelijk worden,

k. De goede mensch, geest of engel is zijn eigen goed en waar, d.w.z. hij is geheel en al zooals het goede en ware in hein is; nos. 10298, 103G7. De oorzaak is, omdat het goede de wil en het ware het verstand uitmaakt, terwijl de wil en het verstand het geheele leven bij den mensch, geest of engel uitmaken ; nos. 3332, 3623, (5005. Mn het is geheel hetzelfde, wanneer men zegt, de mensch, geest of engel is zijn eigene liefde; nos. 0872. 10177, 10284.

331

463

ocr page 376

HEMEL KN HEL.

wut men verstaan moet onder 's menschen bock dos levens, waarvan in hot Woord gesproken wordt, namelijk, dat alles, zoowel zijne handelingen als zijne gedachten, ingeschreven zijn over den geheelen mcnsch, en dat het voorkomt, alsof het werd voorgelezen uit een boek, wanneer zij opgeroepen worden door zijn geheugen, en als in beeltenis worden gezien, zoodra de geest onderzocht wordt in het licht des Hemels. Aan hetgeen hier gezegd is, zal ik nog eene gedenkwaardigheid, betrekkelijk hot geheugen des menschen na den dood, bijvoegen, waardoor ik verzekerd werd, dat niet alleen algemeene zaken, maar ook do kleinste bijzonderheden, die in 's menschen geheugen zijn ingegaan, ook na den dood aanwezig blijven en nimmer uitgewischt worden. Ik zag eenige boeken, met geschreven schrift, zooals zij in de wereld bestaan; en mij werd gezegd, dat zij uit het geheugen der schrijvers waren opgeschreven, en dat er geen enkel woord ontbrak, aan hetgeen door hen in do boeken in de wereld was geschreven; en dat op deze wijze de allergeringste bijzonderheden, die in iemands geheugen waren, weder konden worden teruggeroepen, zelfs zulke, die hij in do wereld was vergeten. Do redeu werd ook verklaard ; namelijk, dat de mensch een uitwendig geheugen en een innerlijk geheugen heeft. Het uiterlijk geheugen is dat van zijn natuurlijken mensch, en het innerlijk geheugen is dat van den geestelijken mensch; en dat elke bijzonderheid, die iemand gedacht, gewild, gesproken en gedaan heeft, ja zelfs wat hij heeft gehoord en gezien, is ingeschreven in zijn innerlijk of geestelijk geheugen 1 Wat daarin is geschreven wordt nim-

/. De mensch heeft twee geheugens: een uitwendig en een inwendig, of een natuurlijk en een geestelijk; nos. 2469—2404. De mensch weet niet, dat hij een inwendig geheugen heeft ; nos. 2470, 2471. Hoe groot de voorrang van het inwendige geheugen boven het uitwendige is; no. 2473. Wat in het uitwendige geheugen is, is in het licht der wereld, wat echter in het inwendige is, is in het licht des Hemels; no. 5212. Door liet inwendige geheugen komt het, dat de mensch verstandig denken en spreken kan ; no. 9394. Dat alles en elk ding, wat do mensch gedacht, gesproken en gedaan, gezien en gehoord heeft in zijn inwendig geheugen ingeprent wordt; nos. 2474. 7398. Dat dit ge-geheugen het boek zijns levens is ; nos. 2474. 938G, 9841, 10505. In het inwendige geheugen zijn de waarheden, die het geloof aangenomen heeft en het goede, dat zijne liefde aangenomen heeit; nos. 5212, 80G7. Dingen die tot

332

ocr page 377

ZlXrnuKN KX (iEUEÜOEX NA DEN 1)001).

nier uitgewischt, wijl hot ten zelfden tijde is ingeschreven in den geest zelf en in de leden van zijn lichaam, gelijk boven is vermeld; langs dezen weg verkrijgt do geest een vorm overeenkomstig de gedachten en de handelingen van zijn wil. Ik weet wel, dat deze dingen als ongerijmdheden zullen voorkomen en daarom moeielijk geloof zullen vinden ; maar zij zijn niet te min waar. Dat daarom niemand denke, dat er iets is, hetwelk hij in zijn hart heeft bedacht, of gedaan heeft in het geheim, dat verborgen kan blijven na den dood ; maar dat hij zich verzekerd houde, dat alles en elk voornemen dan openbaar zal worden als op klaarlichten dag.

464. Hoewel de mensch na den dood zijn uiterlijk of na-natuurlijk geheugen behoudt, zoo worden toch de uitsluitend natuurlijke zaken, die het heeft opgenomen, in het andere leven niet teruggeroepen, maar in de plaats daarvan de geestelijke zaken, die aan de natuurlijke zaken door overeenstemming waren verbonden, die evenwel als zij verschijnen, in geheel denzelfden vorm zijn als in de natuurlijke wereld ; want alle voorwerpen, die in de Hemelen verschijnen, vertoonen geheel de zelfde vorm als in de wereld, ofschoon zij naar hun wezen niet natuurlijk zijn, maar geestelijk, zooals dit werd aangetoond in het hoofdstuk over de voorstellingen en verschijningeii in den Hemel, van no 170—I TO. Evenwel doet het uiterlijk of natuurlijk geheugen, in zooverre het die dingen daarin betreft, welke mot het stoftelijke, mot tijd en ruimte, en met het overige, dat aan de natuur eigen is, iets gemeen hebben, aan den geest niet donzelfden dienst als in de wereld ; omdat de mensch in de wereld, wijl hij door middel van zijne uiterlijke zintuigen, en niet tegelijk door zijne innerlijke zintuigen of verstandelijk denkt, natuurlijk en niet geestelijk denkt. In het andere leven echter, waar hij een geest is, in eene geestelijke wereld, denkt hij geesteljjk en niet natuurlijk.

gewoonte zijn geworden en tot liet leven hehooren, en daardoor in het uitwendige geheugen zijn vergeten, bevinden zich in hot inwendige geheugen; nos. 9394, 9723 9841. Geesten en Engelen spreken uit het inwendige geheugen, en dientengevolge hebben zij eene universeele taal; nos. 2472, 2476, 2490, 2493. Do talen in de wereld hehooren tot het uitwendige geheugen : nos. 2472, 2476.

333

4()4

ocr page 378

HEMEL EX HEL.

Geestelijk denken is verstandig of redelijk denken. Daarom ia het, dat het uiterlijk of natuurlijk geheugen dan ten opzichte van zijn stoffeljjken inhoud rust en alleen dat er van in gebruik komt, hetwelk door het denkvermogen is opgenomen en ais met een redelijk karakter is bedeeld. De oorzaak waarom het uiterlijk geheugen, ten opzichte van geheel natuurlijke zaken rust, is, omdat zulke zaken niet teruggeroepen kunnen worden; want de geesten en Engelen spreken uit de aandoeningen van hun gemoed en uit de gedachten, die daaruit voortvloeien ; zij kunnen derhalve niets uiten, dat daarmede niet overeenkomt, zooals blijken kan uit hetgeen gezegd is over de taal der Engelen in den Hemel en hun spreken met den mensch, (no. 234 -257). Daardoor komt dat, naarmate de mensch in de wereld door middel van en bekendheid met talen en wetenschappen redelijk geworden is, in die mate hij redelijk is na den dood; niet echter naarmate van de bloote uitbreiding zijner bekendheid met talen en wetenschappen. Ik sprak met velen, die in de wereld voor geleerden golden door hunne kennis der oude talen, als Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn, maar die hunne rede niet hadden ontwikkeld door de boeken, die in deze talen waren geschreven ; sommigen hunner waren even onontwikkeld alsof zij, met die talen niet waren bekend geweest; anderen waren zelfs geheel en al stomp, hoewel zij eene verbeelding bezaten, alsof zij wijzer waren dan anderen. Ik sprak mot sommigen, die zich tijdens hun leven in de wereld voorstelden, dat de wijsheid afhing van de opvulling van hun geheugen, en die daarom hun geheugen hadden opgevuld met een groote massa zaken en bijna alleen daarover spraken, dus niet uit zich zelf, maar uit anderen, zonder hunne rede verbeterd te hebben door hetgeen hun geheugen bevatte. Eenigen hunner waren geheel stomp; anderen waren idioten of dwazen, die volstrekt geene waarheid konden beoordeelen en zien, of het waarheid was of niet; en alle dwalingen omhelsden, welke door hen, die zich geleerd noemden, voor waar werd uitgegeven, want zij waren niet in staat, om voor zich zei ven te zien, wat waarheid is of niet; zij kunnen derhalve niets, wat zij van anderen 334

ocr page 379

ZIXTl'KiKN' EX UEHEUGEX NA DEN DOOP.

vornoniGn, mot verstand beonrdocden. Ook iich ik gesproken met sommigen, die in do wereld veel over verschillende weten-achappelijke onderwerpen hadden geschreven, en daarom bij do wereld als geleerden imam hadden gemaakt. Sommigen van dezen kondon werkelijk over waarheden redeneeren en een twistgesprek voeren, of iots zoo was of niot. Als eenigen hunner in aanraking kwamen met hen, die zich in het licht der waarheid verheugden, konden zij wel begrijpen, wat waarheid was, maar zjj wilden haar niet verstaan ; wanneer zij dan weder in hunne eigene logen terugzonken, en daardoor iu zich zolven, ontkenden zij ze weder. Anderen waren even onwetend als hot ongeletterd publiek. Zij verschillen dus van elkander, naarmate zij door de wetenschappelijke werken, die zjj hadden geschreven of nageschreven, hun redelijken aanleg hadden ontwikkeld. Zij, echter, die zich tegen de waarheden der kerk hadden gekeerd en hunne gedachten hadden bezig gehouden met uitsluitend wetonschappolijke zaken, en daardoor zich hadden bevestigd in de logen, hadden hun redelijken aanleg niot beschaafd, maar alleen de kunst om te redonoeren. De wereld noemt die kunst de rode, maar zij is oene, bekwaamheid, die mot de rede niets gemeens hoeft; want zij is eene kunst om alles, waarin de mensch behagen schept, als waarheid te verdedigen, en uit aangenomen beginselen en logen, de logen als waarheid aan te zien, maaide waarheid zelf niet te kennen; dezulken kunnen nimmer tot de kennis der waarheid komen, dewijl de waarheid niet dooide logen lom .gezien worden, we! de logen door het ware kan gezien worden. De redelijke aanleg van oen mensch is go-lijk aan oen tuin, of aan oen bloembed, of gelijk bouwland ; het geheugen is de grond, wetenschappelijke waarheden en kennis zijn de zaden, het licht en de warmte brengt groeikracht, zonder dezen geen groei. Zoo kan zonder dat licht van den Tlomel, dat de Goddeljjke waarheid is, en zonder dat warmte van dmi iremel, die de Goddelijke liefde tot hot gemoed is, wordt toegehicen. goenc groeikracht aanwezig zijn ; want alleen daardoor heeft de rede haar bestaan. Ue Engelen bedroeven zich zeer, dat zoovele geleerden alles aan de na-335

ocr page 380

ItEMEL EN IIKL.

tuur toeachrijven en daardoor het innerlijke van hun gemoed hebben gesloten, zoodat zij, door het licht der waarheid, dat is door het licht van den Hemel, niets van de waarheid kunnen zien. In het andere leven worden zij daarom beroofd van hot vermogen om te redeneeren, opdat zij door hunne redeneering geene logen onder de eenvoudige goeden zouden uitstrooien en zoo hen zouden verleiden. Zij zeiven worden naar eene woeste plaats verbannen.

465. Een zekere geest was boos, omdat luj zich vele dingen niet kon herinneren, waarmede hij bekend was in hot leven des lichaams; hij was bedroefd over het genoegen^ dat hij had verloren, en dat hem zoo zeer had verblijd. Er werd hem gezegd, dat hij niets had verloren, maar nog bekend was met al wat hij ooit kende, zelfs tot in de kleinste bijzonderheid ; maar dat het hem in de wereld, waarin bij nu was, niet was geoorloofd om die zaken terug te roepen, en dat hij tevreden behoorde te zijn, omdat hij nu veel beter en meer juist kon denken en spreken dan te voren, zonder zijne rede, gelijk hij gewoon was, te dompelen in plompe, duistere, stoffelijke en lichamelijke dingen, die geen nut hadden in het koninkrijk, waarin hij nu was ingetreden. Er werd hom ook gezegd, dat zij nu in het bezit waren van alles, wat het eeuwige leven kon bevorderen, en dat hij zoo on niet anders zalig en gelukkig kon worden ; dat het derhalve onwetendheid was om zich te verbeelden, dat in het koninkrijk, waarin hij nu was, het verstandige verloren was gegaan tegelijk met de verwijdering en rust van don stoffehjken inhoud van het geheugen. Terwijl toch de werkelijkheid is, dat naarmate het gemoed vatbaar is, om onttrokken te worden aan de zinnelijke zaken, die tot den uiterlijken mensch of tot het lichaam behooren, het naar die mate verheven wordt tot geestelijke en hemelsche zaken.

466. De aard van dit tweeërlei geheugen wordt in bet andere leven soms duidelijk gemaakt voor liet gezicht, in zoodanige vormen als alleen daar kunnen gezien worden ; want vele dingen worden daar tot voorwerpen van het gezicht gemaakt, die onder de menschen alleen in de idee kunnen

465, 466

336

ocr page 381

ZINTUIGEN1 EX OEHEUGEX KA HEN DOOD.

bestaan. Het uiterlijk geheugen is daar voorgesteld aan het gezicht uls eene dikke huid en hot innerlijk geheugen gelijk eene mergachtige zelfstandigheid, zooals de inenschehjke hersenen, en hieruit wordt de kennis ontleend van hun karakter. Bij hen, die in het loven des lichaams alleen gearbeid hadden om hun geheugen op te vullen, en hunne rede niet hadden ontwikkeld, was het dikhuidige hard, en innerlijk als met pezen doorweven. Bij hen, die hun geheugen met onwaarheden haddon vervuld, was het harig en ruw als een gevolg van de ongeregelde ophooping van dingen. Bij hen, die hadden gearbeid, om hun geheugen te verrijken uit eigenliefde en liefde tot de wereld, schijnt het samengelijmd en beenachtig te zijn. Bij hen, die wenschten door te dringen in de Goddelijke geheimen, door middel der wetenschap, bijzonder door de wijsbegeerte, en die niet wilden gelooven, tenzij zij langs dien weg overtuigd werden, was het geheugen duister, en van dien aard, dat het de stralen van het licht opslorpte en in duisternis verkeerde. Bij hen, die niet bedrog en huichelarij hadden omgegaan, vertoonde het geheugen zich als hard been, gelijk ebbenhout, *) dat de stralen van het licht terugkaatst. Bij hen echter, die gegrond waren in het goede der liefde en in de waarheden dos geloofs, verscheen zulk eene dikke huid niet, omdat hun innerlijk geheugen de stralen van het licht doorlaat tot hun uiterlijk geheugen, en tot de voorwerpen of ideeën daarvan, als tot hun grond of basis, waar de stralen eindigen en bereidwillige ontvangers vinden. liet uiterlijk geheugen is het laatste in de orde, waarin geestelijke en hemelsche zaken zacht ten einde loopen, daarin wonen en indien aldaar goed en waar zich bevindt.

467. Zij, die gegrond zijn in liefde tot God en den naaste, hebben gedurende hun leven in de wereld Engeleninzicht en wijsheid bij zich en in zich, echter verborgen in het binnenste van hun innerlijk geheugen. Dit inzicht en deze wijsheid worden nimmer aan hen zeiven openbaar, totdat zij het lichamelijke hebben afgelegd; hun natuurlijk geheugen slaapt dan

467

1

Ehoia misschien voor Ebiirnla, ivoor

337

ocr page 382

HEMEL EX HEL.

in, cn zij ontwaken in hun innerlijk geheugen en ten laatste langzamerhand in zoodanig geheugen als de Engelen bezitten.

468. Hoe de redelijke aanleg kan ontwikkeld worden, zal ook kortelijk worden verklaard. De echte rede bestaat uit waarheden en niet uit onwaarheden ; dat, wat door de logen bestaat, is de rede niet. De waarheden ziju drieërlei; burgerlijke, zedelijke en geestelijke waarheden. Burgerlijke waarheden bestaan in betrekking tot zaken der wet en den vorm van bestuur in den staat; in het algemeen in alles, wat tot recht en billijkheid behoort. Zedelijke waarheden staan in betrekking tot zulke zaken, die tot het leven van ieder behooren, in opzicht tot de maatschappij on zijne betrekking tot anderen ; in het algemeen tot zuiverheid en oprechtheid en wel bijzonder tot allerlei deugden. Maar geestelijke waarheden hebben betrekking op zulke zaken, als tot den Hemel en de kerk behooren ; in het algemeen, tot het goede, dat het voorwerp is der liefde, en tot de waarheid, die het voorwerp is van het geloof. In ieder mensch zijn drie graden des levens. (Zie no. 267). De rede wordt door middel der burgerlijke waarheden geopend tot den eersten graad ; door zedelijke waarheden tot den tweeden, en door geestelijke waarheden tot den derden graad. Maar er moet bij in aanmerking worden genomen, dat de rede niet wordt gevormd en geopend enkel door bekend te zijn met deze waarheden, maar door daarmede overeenkomstig te leven. Door daarmede overeenkomstig te leven is bedoeld ze lief te hebben uit eon geestelijk gevoel, terwijl onder liefhebben uit een geestelijk gevoel is bedoeld, dat men recht en billijkheid liefheeft, omdat het recht en billijk is, zuiverheid en oprechtheid, omdat hot zuiver en oprecht is, en wat goed en waar is lief te hebben, omdat het goed is en waar. Daarentegen is het leven in overeenkomst daarmede en ze lief te hebben uit lichamelijke gevoelens, een liefhebben uit eigenbelang, om naam, eer of winst. In zoover derhalve iemand deze waarheden liefheeft uit lichamelijke gevoelens, wordt hij niet redelijk; want het zijn dan niet de waarheden, die hij liefheeft, maar zich zelf, aan wien hij ze dienstbaar maakt als dienstknechten aan hunne mees-338

468

ocr page 383

ZINTUIGEN EN GEHEUGEN NA DEN DOOD.

ters. Wanneer nu waarheden gebruikt worden enkel als dienstknechten, gaan zij niet in tot den mensch en openen geen enkelen graad zijns levens, niet eens den eersten, maar zij zetelen slechts in zijn geheugen, als zaken van uiterlijke kennis onder een stoffelijken vorm, waar zjj zich vcreeni-gen met de eigenliefde, die eene lichamelijke liefde is. Hieruit moge blijken, hoe de mensch redelijk wordt: dat hij redelijk wordt gemaakt tot den derden graad door de geestelijke liefde voor het goede en het ware, die tot den Hemel en de kerk behooren ; tot den tweeden graad door de liefde tot zuiverheid en oprechtheid, en tot den eersten graad door de liefde tot recht en billijkheid. De twee laatsten worden ook geestelijk door de geestelijke liefde tot liet goede en het ware; want deze vloeit tot hen in, vereenigt zich alsdan met hen en vormt in hen, als het ware, haar eigen gelaatstrekken.

409. De geesten en Engelen hebben geheugen, evenals de menschen. Wat zij hooren, zien, denken, willen of doen, blijft bij hen, en hunne rede wordt verder door middel daarvan ontwikkeld, welke ontwikkeling eeuwiglijk voortduurt. Zoo komt het, dat de geesten en Engelen in verstand en wijsheid toenemen door tie kennis van het ware en het goede, evenals de mensch. L)at de geesten en Engelen geheugen hebben, is mij insgelijks door vele ervaringen vergund te weten. Ik heb gezien, dat als zij in gezelschap met andere geesten waren, alles, wat zij hadden gedacht of gedaan, 't zij in het openbaar ot in het verborgen, uit hun geheugen werd teruggeroepen. Ik heb ook gezien, dat zij, die in eenige graad der waarheid waren, uit het eenvoudig goede met kundigheden worden bedeeld en daardoor met verstand, en dat zij daarna werden opgenomen in den Hemel. Maar men moet weten, dat zij niet met kundigheden en door deze met verstand worden bedeeld, verder dan de graad der genegenheid voor goed en waar, waarin zij in de wereld waren. Want in iederen geest en Engel blijft lt;lc genegenheid, zoowel naar de mate als den aard, die hij bezat in de wereld. Later wordt die meer volkomen gemaakt door bij-of toevoeging, en dit loopt tot in eeuwigheid voort; want er is niets, dat niet eeuwiglijk

339

469

ocr page 384

It EM EI. EX HEL.

kan vermeerderd worden, daar alles vatbaar is voor eene oneindige verscheidenheid, derhalve ook om rijker te worden, en dus ook om vermenigvuldigd en vruchtbaar te worden door verschillende middelen. Aan niets, dat goed is, kan een einde zijn, omdat het voortvloeit uit den Oneindige. Dat geesten en Engelen aanhoudend meer volmaakt worden in verstand en wijsheid door kundigheden van het ware en goede, kan men hiervoor zien in de hoofdstukken over de wijsheid der Engelen in den Hemel, (265—275); over de volkeren en natiën uit de kerk in den Hemel, (318—328), en over kleine kinderen in den Hemel, (329—345). Eu dat dit gaat, zoover als de graad van genegenheid voor goed en waar, die ze in de wereld hadden en niet verder, ziet men in no. 349.

DE MENSCH IS NA DEN DOOD, EVENEENS ALS ZIJN LEVEN WAS IN DE WERELD.

470. Dat liet eigen leven van iedereen na den dood bij hem blijft, weet ieder Christen door het Woord; want daarin wordt in zoovele plaatsen verklaard, dat de mensch zal geoordeeld worden en hem zal vergolden worden, overeenkomstig zijne daden en zijne werken. Iedereen, die onder den invloed van liet goede en van de werkelijke waarheid denkt, heeft ook geen ander denkbeeld, dan dat hij, die wél leeft naar den Hemel gaat, en dat hij, die kwaad leeft, naar de Hel gaat. Zij echter, die in het kwade zijn, willen niet gelooven, dat hun toestand na den dood in overeenkomst zal zijn met hun leven in de wereld; maar zij denken, vooral op hun ziekbed, dat de Hemel geopend is voor iedereen, door de vrije genade van den Heer — hun leven moge dan geweest zijn zoo het wil, en zulks in overeenstemming met hun geloof, hetwelk door hen wordt afgescheiden van het leven.

471. Dat de mensch geoordeeld zal worden naar zijne daden en naar zijne werken en hem zal vergolden worden, wordt in het Woord op vele plaatsen verklaard. Eenige er

340

470, 471

ocr page 385

DE MENSCH VEKAXDEKT NIET NA DEN DOOD.

vau zul ik aanvoeren. „Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne Enyelen, en alsdan zal hij een iegelijk vergelden naar zijn doen,1' (Matth. XVJ : 27). „Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid ; en hunne werken volgen met hen;' (Oponb. XIV : 13). En ik zal ulieden geven een' iegelijk naar uwe werken,quot; (II: 23). „JEw ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken. En de zee gaf de dooden die in haar waren ; en de dood en de onderwereld gaven de dooden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar zijne werken,quot; (XX ; 12, 13). „En zie, ik kom haaste-lijk; en mijn loon is niet mij; om een iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn,' (XXII : 12). „ Kot iegelijk dan, die deze mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man. En een iegelijk, die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij een dwaas man vergeleken worden, (Matth. ^ 11 : 24, 26). „A iet een iegelijk, die tot mij zer/t: Heere, Heere! zal ingaan in 't koninkrijk der Hemelen, maar die daar doet den wil mijns I aders, die in de Hemelen is. Velen zullen ie dien dage tot mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij, die de ongerechtigheid werkt,quot; (Matth VII; 22, 23). „Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. En hij zal zeggen : Ik zeg u, ik ken u niet, van waar gij zijt: wijkt van mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid,quot; (Luk. XIII : 2(5,27). „Alzoo zal ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen,quot; (Jcr. XXV ; 14) ; Jehovah's oog en zijn open over alle wegen der menschenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijne wegen, en naar de vrucht zijner handelingen,'1' (.Tor. XXXII : 19). vh'n ik zal zijne wegen over hem bezoeken, en zijne handelingen hem vergelden,quot; 341

ocr page 386

HEMEL EX HEI,.

(Hos. IV : 9). „Gelijk Jehovah yedacht heeft ons te /Joe», naar onze wegen en naar onze handelingen, alzoo heeft hij met ons gedaanquot; (Zach. I : 6). Waar do lieer hot laatste oonlocl voorzegt, spreekt Hij alleen vau werken, en verklaart dat zij, „die het goede hebben gedaan, in zullen gaan in het eeuwige leven, en die, welke het kwade hebben gedaan, in zullen gaan in de vervloeking,quot; Mattli. XXV ; 32—46, en in vele andore plaatsen, waar van do zaligheid en veroordeoling dos menschon gesproken wordt. Dat do werken on daden 's monschen uitwendig leven daarstollon, en dat daardoor do aard van zijn innerlijk leven uitkomt, is duidelijk.

472. Onder daden en werken zijn echter niet bedoeld de bloote daden en werken, zooals zij zich alleen in hun uiterlijken vorm vertoonen, maar ook, zooais zij innerlijk zijn. Iedereen weet, dat elke daad of elk werk voortvloeit uit don wil en de gedachte van den bewerker; want als zij daaruit niet voortgingen zouden zij slechts bewegingen zijn als van automatische werktuigen en beelden. Eone daad of con work dus, op zich zelf beschouwd, is niets anders dan eenc bloote werking, die zijn ziel en zijn leven van hot willen on donken verkrijgt, zoo zeer, dat zij de wil en de gedachte in uiterlijke werking en dus in uitwendige gestalte is. Hieruit volgt dus, dat gelijk de wil en de gedachte zijn, die do daad of hot werk voortbrengen, zoo ook de daad en het werk zelf zijn ; dat, indien do gedachte en de wil goed zijn, do daden of werken goed zijn, maar indien de gedachte en wil boos zijn, do daden en werken boos zijn, in weerwil zij voor het uiterlijke ook hetzelfde schijnen. Laten duizend menschen op gelijke wijze handelen en wel zoo gelijk, dat, naar het uiterlijk, nauwelijks de oeno handeling van do andere te onderscheiden is, zoo zullen toch, in zich zelf beschouwd, allen van elkander verschillen, omdat zjj voortvloeien uit ongolijkon wil. Zoo b.v. het zuiver en recht met zijn naaste handelen. Do een zal dit doen om een oprecht en rechtvaardig man te schijnen, tor wille van zich zelf en zijne eigen eer. Een ander zal hetzelfde doen ter wille der wereld on om winst. Een ander, omdat het hem vergolden en als verdienste zal worden toe-342

472

ocr page 387

DE MEXSCH VERANDERT MET NA DEN DOOD.

gerekend. Een vierde uit oorzake van vriendschap. Een vijfde uit vrees voor de wet of voor verlies van zijn goeden naam of ambt. Een zesde om een ander tot zijne zijde over te halen, hoewel zijn doel verkeerd is. Een zevende om te bedriegen. Anderen doen het weder om andere redenen. De daden van al deze menschen, hoewel goed naar het uiterlijke, want oprecht en rechtvaardig zijn naaste te behandelen, is toch goed, zijn niettemin boos. Want zij zijn niet gedaan ter wille van oprechtheid en rechtvaardigheid, noch omdat do bewerkers deze deugden liefhebben, maar uit liefde tot zich zelf en tot do wereld: die zijn hot, welke de bewerkers liefhebben ; en deze lief te hebben is oprechtheid en recht dienstbaar maken, gelijk knechten aan hun meester, die de meester veracht en wegzendt, wanneer zij hem niet langer dienstbaar zijn. Deze handelen dus oprecht en recht met hun naaste, op eene wijze, die, wat het uiterlijke betreft, hetzelfde voorkomen heeft als van zulken, die het doen uit liefde tot zuiverheid en recht. Van deze laatsten handelen sommigen uit de waarheid des geloofs, of uit gehoorzaamheid, omdat het zoo bevolen is in hot Woord. Sommigen handelen uit het goede des geloofs, of uit het geweten, door een godsdienstig beginsel. Sommigen handelen uit ware liefde tot den naaste, omdat diens welzijn behoort in acht genomen te worden ; anderen uit het goede der liefde tot den Heer, omdat hot goede behoort gedaan te worden ter wille van het goede on derhalve oprechtheid en recht ter wille van oprechtheid en recht, dat zij liefhebben, omdat dio van den Heer komen, en omdat de Goddelijke sfeer, die uitgaat van den Hoer, daarin is, en vandaar in haar wezen beschouwd. Goddelijk is. De daden of werken van al deze laatsten zijn innerlijk goed en daarom ook uiterlijk goed; want zooals boven is opgemerkt, daden en werken zijn juist van dien aard als do gedachte en wil vanwaar zij uitgaan, en zonder deze zijn het geene daden of werken, maar alleen ziellooze bewegingen. Uit dit alles moge duidelijk blijken, wat in het Woord onder daden en werken is verstaan.

473. ijl daden en werken de voortbrengselen zijn van

343

473

ocr page 388

IIEMEIj EX HEL.

den wil en de gedachte, zoo zijn zij ook do voortbrengselen van liefde en geloof, cn derhalve van dien aard als de liefde en het geloof zijn; want of men spreekt van 's mcnschen liefde of van zijn wil is hetzelfde ; ook of men spreekt van zijn geloof of van zijne welberaden gedachte ; want wat de niensch liefheeft, dat wil hij ook, en wat hij gelooft, deukt hij ook. Indien iemand liefheeft, wat hij gelooft, zoo wil hij het ook, en zoo ver hij in staat is, doet hij het. Iedereen nu weet, dat liefde en geloof in 's menschen wil en gedachte zetelen, en niet daar buiten bestaan ; want de wil is, wat wordt aangewakkerd door de liefde, en de gedachte is, wat verlicht wordt in zaken des geloofs. Om deze reden worden alleen zij, die in staat zijn om wijselijk te denken, verlicht, en naarmate van die verlichting bedenken en willen zij het ware, of wat hetzelfde is, gelooven zij de waarheid en hebben haar lief.

474. Men moet echter weten, dat liet de wil is, die den mensch vormt, en de gedachte alleen in zooverre zij voortvloeit uit den wil; en de daden of werken vloeien uit beiden voort. Of, wat het zelfde is, dat de liefde den mensch vormt, en het geloof alleen in zooverre hot voortvloeit uit de liefde ; en do daden vloeion uit beide voort. Hieruit volgt, dat do wil of do liefde de mensch zelf is ; want alles wat voortvloeit, behoort tot dat, waaruit hot voortvloeit. Voortvloeien is te worden voortgebracht en voorgesteld in oen geschikten vorm, zoodat het waargenomen en gezien worden kan. quot; Uit deze

771. Zooals alle dingen in liet heelal, die volgens de orde bestaan, betrekking hebben op goed en waar, hebben bij den niensch alle dingen betrekking op wil en verstand; nos. 803, 10122. De oorzaak is, dat de wil het goede opneemt en het verstand liet ware; nos. 3332, 3623, 5232, 0005, 0125, 7503, 0300, 0995. Het is hetzelfde, of wij spreken van geloof of van waarheid, omdat geloof uit waarheid is en waarheid uit geloot is; en het is hetzelfde, of men spreekt van het goede of van liefde, want liefde is uit het goede, en goed is uit liefde; nos. 4353, 4997, 7178, 10122, 10367. Daaruit volgt, dat liet verstand opnemer is van het geloof en de wil van het goede; nos. 7179, 10122, 10367. Kn omdat het verstand in staat is liefde voor God op te nemen, is de menseh in staat met Ood vereenigd te worden in geloof en liefde, en hij, die in staat is om met God vereenigd te worden in liefde en geloof, kan nooit sterven; nos. 4525, 6223, 9231.

7i. De wil des menschen is het eigenlijke wezen van zijn leven, omdat het de ontvanger is van liefde of liet goede, en het versland is het te voorschijn komen (excestere) van het leven daaruit, omdat het de ontvanger is van geloof en waarheid; nos. 3019, 5002, 9282. Daarom is het leven van

474

344

ocr page 389

DU ME NSC II VERANDERT NIET NA DEN DOOD.

474

dingen moge duidelijk gezien worden, wat het geloof is, dat afgescheiden is van dc liefde. Het is namelijk volstrekt geen geloof, maar alleen eene zaak van kennis, die in zich geen geestelijk leven bezit; evenzoo wat eene daad of een werk is zonder liefde; dat zij geene daad of werk des levens is, maar eene daad of werk des doods, die het voorkomen heeft van leven door de liefde tot liet kwaad en een geloof in de logen. Deze schijn des levens wordt dc geestelijke dood genoemd.

475. \erder moet worden opgemerkt, dat de gcheele mensch in de daden of werken te voorschijn komt, en dat zijn wil en gedachte of zjjne liefde en geloof, die zijn innerlijk daarstellcn, niet volkomen zijn, totdat zij in daden of werken bestaan, die zijn uiterlijk uitmaken. Want daden of werken zijn dc uitersten, waarin de wil en gedachten eindigen, en zonder welke zij zijn als onvolledige dingen, die nog niet bestaan en dus in zooverre niet in den mensch zijn. Denken en willen zonder te handelen, wanneer er gelegenheid is, zijn gelijk aan een ontvlamd iets, dat opgesloten wordt in een pot, en uitgedoofd wordt; of gelijk zaden, die in het zand zijn geworpen en niet ontkiemen, maar in weerwil hunner vruchtbaarheid vergaan. Wanneer echter denken en willen overgaan tot handelen, zijn zij gelijk aan een vlammend voorwerp, dat hitte en licht rondom zich verspreidt, of gelijk aan zaad in den grond, hetwelk opwast tot een boom of bloem en een bestaan verkrijgt. Iedereen weet, dat iets te willen en niet te doen, als er gelegenheid bestaat, in werkelijkheid niet ge-

flen wil het oorspronkelijk leven van den mensch en gaat het leven van het verstand daaruit voort; nos. 5S5, 590, iWlfl, 731:2, SS85, 0282, 1007li, 10109, 10110. Op dezelfde wijze als het licht van een vuur oi'\laiii , nos. 0032, 0314. Daaruit volgt, dat de mensch krachtens zijn wil, en liet verstand, dat daaruit komt, mensch is; nos. 8911, 9009, 9071,10076,10109,10110. Ieder mensch wordt door anderen bemind en geacht, naarmate van het goede van zijn wil, en zijn verstand daaruit afgeleid, wam hij wordt hemiiul en geacht, die goed wil eu goed verstaat, en hij wordt verworpen en veracht, die goed verstaat en niet goed wil; nos. 8911, 10076, De mensch blijft na zijn dood zooals zijn wil is en zijn verstand daaruit afgeleid; nos. 9009, 9071, 9380, IO|.rgt;3. Daarom blijft de mensch na zijn dood, zooals zijn lichle is, en zijn gclool daaruit afgeleid. Dc dingen die uit geloof zijn eu niet tegelijkertijd uit liefde, verdwijnen, omdat die niet in den mensch, en gevolgelijl; niet van den mensch zijn; nos, 553, 2304, 10153.

345

ocr page 390

HEMEL EN HEL.

wild is, en dat het goede lief te hebben ea niet te doen, indien de middelen er voor boshuin, in werkelijkheid is, het goede niet lief te hebben ; derhalve, dat het alleen meening was, dat hij wil en liefiieeft, en dus alleen gedacht is, afgescheiden van wil of liefde en spoedig verdwijnt en tot niets komt. Liefde en wil zijn de eigenlijke ziel van daden en werken, en deze vormt zich zelve een lichaam in de zuivere en juiste daden, die de mensch doet. Het geestelijk lichaam of het lichaam van 's menschen geest heeft geen anderen oorsprong, dat is, het is door niets anders gevormd, dan door dat, hetwelk de mensch doet met zijne liefde of den wil. (Zie no. 403). In één woord, al wat tot een mensch en zijnen geest behoort, is opgesloten in zijne daden of werken. 0

476. Uit deze gezegden moge nu met klaarheid blijken, wat verstaan wordt onder 's menschen leven, dat hem bijblijft na den dood ; dat het nl. zijne liefde en zijn geloof is, niet alleen als bestaande in aanleg (potentieel) maar als bestaande in daad ; derhalve, dat dit loven bestaat in zijne daden of werken, want deze bevatten in zich alles, wat tot 's menschen liefde en geloof behoort.

476, 477

477. Wat den mensch bijblijft na zijn dood, is zijne heerschende liefde; deze wordt na den dood in eeuwigheid niet veranderd. Ieder mensch is onderworpen aan velerlei neigingen; maar allen staan in betrekking tot zijne heerschende liefde en maken er één geheel mede uit, of wel stellen haar, allen vereenigd, te zamen. Alles in den wil, wat overeenstemt met de heerschende liefde, wordt liefde genoemd, (amores) wijl dat alles bemind wordt. Deze neigingen der liefde zijn zoowel innerlijk als uiterlijk. Sommigen

o. Inwendige (Tingen vloeien onophoudelijk in uitwendige, zelfs in wat liet buitenste of uiterste is, en komen daar tot bestand; nos 634,6451,6465, 0215, !)216. Zij vloeien niet alleen in, maar vormen ook in het uiterste iets gelijktijdigs, en in welke orde; nos. 5S!»T, 6451,8603,10090. Vandaar worden alle inwendige dingen in genieenscliap gehouden en bestaan ; no. 9S2S. Daden en werken zijn de uitersten, waarin de inwen|||ge dingen zijn ; no. 10331. Daarom is te worden vergolden, en geoordeeld naar de daden en werken, vergolden en geoordeeld te worden naar alle dingen van 's menschen liefde en geloof, of van zijn wil en gedachten, omdat deze de inwendige dingen zijn, die daarin liggen; nos. 3147, 3034, 6073, 8911, 10331, 10332.

346

ocr page 391

1)E MENSCH VERANDERT NIET NA DEN DOOD. 478,479

staan in onmiddellijke gemeenschap met de heerschende liefde, van sommigen is de gemeenschap middellijk. Sommigen zijn er nauw mede verbonden, anderen weder minder; maar allen zijn langs verschillende wegen dienstbaar aan hetzelfde doel. Allen te zamen genomen maken zij als een zeker koninkrijk uit, dat in orde om den mensch is geschaard, hoewel de mcnsch geheel onbekend er mede is; dat hij zulk eene ordening om zich heeft. liet wordt hem echter eenigermate duidelijk gemaakt in het andere leven ; want het is overeenkomstig die ordening, dat uitbreiding van gedachten en aandoeningen bij hem plaats heeft. Die uitbreiding wordt geleid in hemel-sche vereenigingen, zoo zijne heerschende liefde het uitvloeisel is van de liefde des Hemels; maar in helsche vereenigingen, zoo zjjne heerschende liefde ontleend is aan de liefde der Hel. Dat alle gedachten en neigingen van geesten en Engelen uitbreiding ondervinden in gezelschappen, kan men boven zien in hot hoofdstuk over de wijsheid der Engelen in den Hemel en in dat over den vorm des Hemels, volgens welke alle samenleving en gemeenschap geschiedt.

478. Wat echter tot hiertoe gezegd werd, is alleen berekend voor de gedachte van den redelijken mensch. Opdat het ook bevattelijk zou zijn voor de zinnen, zal ik eenige feiten uit de ervaring aanhalen, waardoor hetzelfde moge worden opgehelderd en bevestigd. Ik zal dan aantoonen, v o o r-eerst: dat de mensch, na zijn dood, zijne eigen liefde of zijn eigen wil is; ten tweede: dat de mensch voor eeuwig zoodanig blijft, als hij is in opzicht tot zijn wil of zjjne heerschende liefde; ten derde: dat de mensch, wiens liefde Hcmelsch en geestelijk is, naar den Hemel gaat, maar dat de mensch, wiens liefde lichamelijk en wereldsch is, ontbloot van Hemelsche en geestelijke liefde, naar de Hol gaat; ten vierde: dat het geloof den mcnsch niet bijblijft, indien het niet gegrond is in hemelsche liefde; ten vijfde: dat de liefde ni daad, derhalve zijn leven, den mensch bijblijft.

470. De nienscii is, na den dood, zijne eif/en liefde of zijn ei(/en inl. Dit is mij door overvloedige ondervinding

347

ocr page 392

HEMEL EJf HEL.

bewezen. De gelieele Hemel is verdeeld in vereeniglngcn, naar het onderscheid in het goode der liefde. Iedere geest, die in den Hemel wordt verheven en een Engel wordt, komt in die vereeniging, waarin zijne liefde heerscht. Wanneer hij daar komt, is hij alsof hij 't liuis was en alsof hij leefde in het huis, waarin hij is geboren. De Engel gevoelt dit en komt daar in gezelschap van andere Engelen, die gelijk zijn aan hom zelf. Zoo hij van daar gaat en op eenige andere plaats komt, gevoelt hij altijd een zekeren tegenzin en wenscht hij, om naar zijns gelijken, en dus tot zijne eigen liefde terug te keeren. Op deze wijze worden de bewoners in den Hemel te zamen gevoegd tot vereenigingen. Hetzelfde heeft in do Hel plaats, waar insgelijks de bewoners samengevoegd zijn in vereenigingen, naar den aard hunner liefde, die do tegenstelling is van die des Hemels. Dat de Hemel uit gezelschappen bestaat, en evenzoo de Hol, en dat zij allen onderscheiden zijn naar hunne liefde, kan men boven zien (in nos. 41—50 en 200—212). Dat de mensch na den dood zijne eigen liefde is, moge ook duidelijk zijn, doordien dan van hem is verwijderd en als ware het weggenomen wordt, al wat niet één was geworden met zijne heerschende liefde. Indien hij goed is, wordt alles wat hem mishaagt of dat niet met hem overeenkomt, verwijderd en als ware het weggenomen, en hij in zijne eigen liefde gelaten. Hetzelfde heeft plaats, wanneer hij boos is. Het verschil is, dat de waarheid wordt weggenomen van de kwaden en de logen van de goeden ; dit wegnemen eindigt niet, totdat ieder zijne eigen liefde is. Dit is bereikt, wanneer de geostmensch in zijn derden staat is gebracht, waarover in eene volgende afdeeling zal gehandeld worden. Wanneer dit bereikt is, zoo wendt de geest standvastig het aangezicht naar zijne eigen liefde, en heeft die aanhoudend voor oogen, hij moge zich wenden zoo hij wil. (Zie no. 123-124). Alle geesten kunnen naar welgevallen worden geleid, indien zij slechts in hunne heerschende liefde worden vastgehouden. Zij kunnen zich niet verzetten, hoezeer zij ook weten, wat op hen wordt uitgeoefend, eu hoe zij ook mogen overleggen om weerstand te bieden. Somtijds 348

ocr page 393

DE MKXSCII VERA \DERT NIET XA DEN' DOOD.

werd boprcHstd, of zij tegen luinne heorschcnrle liefde konden handelen, maar het was telkens te vergeefs. Hunne liefde is gelijk aan een band ot koord, waarmede zij als omspannen zijn, waardoor zij kunnen worden getrokken, maar waarvan zij zich niet kunnen ontdoen. Hetzelfde heeft plaats in de wereld ; s menschen eigen liefde of gezindheid leidt hem cn daarmede wordt hij door anderen geleid; sterker is dit het geval, wanneer zy geesten worden, want alsdan is het niet veroorloofd om een voorkomen aan te nemen van eene andere liefde ot zich anders voor te doen, dan men is. Dat 's menschen geest zijne heerschende liefde is, wordt in het andere leven in alle verkeer duidelijk gemaakt; want als iemand handelt of spreekt in overeenstemming met de liefde van iemand anders, zoo is deze dadelijk tegenwoordig, met een open, vroolijk cn levendig gelaat; maar zoo iemand handelt of spreekt in tegenstelling met de liefde van iemand anders, zoo begint des anderen aangezicht te veranderen, wordt duister en verdwijnt, tot dat hij zelf geheel verdwenen is, alsof hij er niet ware geweest. A aak heb ik mij hierover verwon-derd, omdat er in de wereld niets van dien aard kan plaats hebben ; mij werd echter gemeld, dat iets soortgelijks voorkomt met den geest, die in den mensch is ; dat, wanneer deze zich afwendt van een ander, hij niet langer voor hem zichtbaar is. Dat de geest zijne eigen heerschende liefde is; werd mij ook duidelijk, doordien de geest al wat met zijne liefde overeenkomt, vurig aangrijpt en zich toeeigent, en alles wat niet daarmede overeenkomt, afscheidt en verwerpt. Eenieders liehle is gelijk aan het sponsachtig en poreuse hout van een boom, dat zulke vochten inzuigt als zijn groei kunnen bevorderen cn allo andere verwerpt. Het is ook gelijk aan dieren van allerlei soort, die het hun passend voedsel kennen en zoeken naar dat, hetwelk met hunne natuur overeenkomt en een afkeer toonen iiit ui wat daarmede niet overeenkomt; want elke liefde wenscht gevoed te worden door zjjn eigen voedsel -- booze liefde door de logen, goede liefde door de waarheid. Soms is mij vergund te zien, dat zekere eenvoudige goede geesten wenschten om een boozen onderwijs te geven in de 349

ocr page 394

HEMEL EN HEL.

waarheid en het goede, maar dat de laatste ver van liet aangeboden onderwijs wegvloden, en toen zij bij hun eigenlijk gezelschap waren gekomen, met groot genoegen zulke onwaarheden omhelsden als overeenkwamen met hunne liefde. Er werd mij ook gelegenheid gegeven om op te merken, dat, wanneer goede geesten onder elkander over waarheden spraken, andere goede geesten, die er tegenwoordig waren, met begeerte luisterden, terwijl booze geesten, die ook tegenwoordig waren, niet de minste aandacht aan het gesprek schonken en zich gedroegen, alsof zij het niet hoorden. Er vertoonen zich in de geestenwereld verschillende wegen, waarvan sommige tot den Hemel en andere naar de Hel leiden, en wel allen naar eene bijzondere vereeniging. De goede geesten bewandelen geene andere wegen, dan die naar den Hemel leiden en wel naar de vereeniging, waarin het goede van hunne eigen liefde heerscht; de wegen, die in eene andere richting leiden, zien zij niet. Zoo ook bewandelen de booze geesten geene andere wegen, dan die naar de Hel leiden, en wel naar de vereeniging in de Hel, waarin het kwaad van hunne eigene liefde heerscht; de wegen, die in eene andere richting leiden, zien zij niet, en zoo zij die zien, zoo zijn zij toch niet gezind om die te bewandelen. In de geestenwereld komen zulke wegen werkelijk voor, die overeenstemmen met waarheden of logen, en daarom be-teekenen wegen in het Woord waarheden of logen. Door deze werkelijke voorbeelden der ondervinding wordt bevestigd, wat zooeven door de rede werd aangetoond; dat n.1. iedermensch, na den dood, zijne eigen liefde is en zijn eigenwil; de wil wordt genoemd, omdat de wil van elk mensch zijne liefde is.

480. De mensch blijft na zijn dood voor eeuwig zoodanig, als h ij is in opzicht tot zij n wil of zij ne heerschende liefde. Ook dit is mij door vele werkelijke voorbeelden bevestigd. Het is mij vergund geworden om te spreken met sommigen, die twee duizend jaren vroeger had-

ji. Een weg, jiad, straat en brecdc straat beteekenen waarheden, die tot goed leiden, en ook logens, die tot kwaad leiden ; nos. (gt;27, 2333,111422. Ken weg vegen beteekent; voorbereiden dat waarheden mogen ontvangen worden; no. 3142. Een weg bekend maken, als van den Heer sprake is, beteekent in de waarheden onderwijzen, die tot goed leiden; no. 10505.

350

480

ocr page 395

DE MEXSCH VERANDERT NIET NA DEN DOOD.

don geleefd, en wier leven mij uit de geschiedenis bekend was; mij werd duidelijk, dat zij nog waren, wat zij toon waren geweest; dat zij hotzclt'do karakter bezaten, dat hun in de geschiedenis werd toegeschreven, dat hunne liefde nog gelijk was aan die, welke den grondslag huns levers hadquot; uitgemaakt. Ook met sommigen, die zeventien eeuwen vroeger geleefd hadden en mij uit de geschiedenis bekend waren, was het mij vergund te spreken ; ook met anderen, die voor vier eeuwen, drie eeuwen, of minder tijd geleefd hadden sprak ik, en ik ontdekte, dat dezelfde neigingen, die hen in de wereld bestuurden, nog in hen heerschten. ♦) Er was geen ander onderscheid, dan dat hun genot was overgebracht op zulke geestelijke genoegens, als met de vroegere overeenstemden. Er werd mij door de Engelen vermeld, dat het leven der heer-schendc liefde bij niemand in eeuwigheid veranderd wordt, wijl iedereen zijn eigen liefde is; dit wil zeggen, dat de poging om in een geest die liefde te veranderen, eene poging zou zijn om hem zijn leven te ontnemen, of hem geheel te vernietigen. Zij zeiden mij ook, wat hiervan de oorzaak is, nl. dat de mensch na den dood niet meer in staat is, om door middel van onderwijs hervormd te worden, gelijk in de wereld, dewijl de uiterste grondslag, waarin natuurlijke kundigheden en aandoeningen bestaan, dan rust, en niet in staat is om te worden geopend, omdat het niet geestelijk is. (Zie no. 4G4) ; on dat verder op dien grondslag de innerlijke grondslagen, die van het gemoed en het hart zijn, daarop rusten, gelijk een huis op zijne grondvesten, en dat daarom de mensch voor eeuwig zoo bhjtt als het leven zijner liefde geweest is in de wereld. De Engelen verwonderen er zich zeer over, dat de mensch er niet mede bekend is, dat iedereen van dien aard is als zijne heorschende liefde en dat velen gelooven, dat zij zalig zullen worden door loutere genade en alleen 'door het geloof, onverschillig hoedanig hun leven is geweest; en dat zij niet weten, dat de Goddelijke genade middellijk werkt, on daarin bestaat, dat zij door den iroer worden geleid, boido in deze wereld en in eeuwigheid; en dat zij door genade wor-

•:) Dit werd in 1757—8 geschreven.

351

ocr page 396

HEMEL EX HEL.

den geleid, die niet leven in het booze ; noch ook dat geloof de genegenheid is voor het ware, voortkomende uit de hemel-sclie liefde, die van den Heer komt.

481. Demensch, wiens liefde II e m e 1 s c h e n g e e s t e 1 ij k is, gaat naar den Hemel; maar de m e n s c h, wiens liefde 1 i c h a m e 1 ij k en wercldsch is, ontbloot van Hemelsche en geestelijke liefde, gaat n a a r d e Hel. Ten opzichte van deze waarheden werd ik in staat gesteld om zekerheid te ontvangen door allen, die ik heb zien opnemen in den Hemel, of heb zien nederwerpen in de Hel. Zij, die in den Hemel waren opgenomen hadden een leven, dat gegrond was in Hemelsche en geestelijke liefde; terwijl zij, die in de Hel werden geworpen, verzonken waren in een leven, dat gegrond was in lichamelijke en wereldsche liefde. Hemelsche liefde is de liefde voor het goede, oprechte en rechtvaardige omdat het goed, oprecht en rechtvaardig is, en dat uit liefde te doen. Dezulken dus, die in Hemelsche liefde zijn, hebben het leven van het goede, oprechte en rechtvaardige, dat een Hemelsch leven is. /ij, die deugden als deugden liefhebben en ze behartigen of in hun leven tot werkelijkheid brengen, hebben God lief boven alles, omdat deze deugden uitgaan van Hem. Zij hebben tegelijk hunne naaste lief, omdat dit de naaste is, die men lief moet hebben, 'i Maar lichamelijke liefde bestaat in den

q. De Heer is in den hoogsten zin de naaste, omdat Hij boven alle dingen moet bemind worden; maar den Heer liefhebben, is lief te hebben alles, wat van Hem is, omdat Hij zelf is in alles, wat van Hem komt; het is dus liefhebben, wat goed en waar is; nos. 2425, 3410, 0700, 0711, SS10, 0823, 8123. Het goede en ware liefhebben, dat van Hem is, is daarnaar te leven, en dit is den Heer liefhebben; nos. 10143, 10153, 10310, 10330, 10578, 10045. Ieder mensch en de maatschappij, ook iemands vaderland en de kerk, en in algemeenen zin het Koninkrijk des Heeren zijn de naaste, en hun goed te doen uit liefde voor het goede, naar den aard van hun staat, is den naaste liefhebben; dus het goede van hen, dat moet worden in acht genomen, is de naaste: nos. 0818-—24, 8123. Ook zedelijk goed, dat oprechtheid is, en burgelijk goed, dat rechtvaardigheid is, zijn de naaste; en oprecht en rechtvaardig handelen, uit liefde voor oprechtheid en rechtvaardigheid is den naaste liefhebben; nos. 21)15, 4730, 8120—23. Vandaar, dat liefde voor den naaste zich uitstrekt tot alle dingen van het leven des menschen; en te doen wat goed is en rechtvaardig, en met oprechtheid des harten te handelen, in iedere betrekking en alle werk, is den naasten lief-

381

352

ocr page 397

DE MENSCH VERANDERT NIET NA DEN DOOD.

mcnscli, wanneer hij liet goede, de oprechtheid en rechtvaardigheid liefheeft, niet ter wille dier deugden, maar uit eigenbelang; want hij gebruikt xo als middelen, om naam, rang of winst te erlangen. Zulken bedoelen mot het goede, met oprechtheid en rechtvaardigheid niet God en hun naaste, maar zich zelven en de wereld. Zij verheugen zich in bedrog, en wanneer het goede, oprechtheid en rechtvaardigheid worden beoefend uit zondige beweegredenen, zoo worden zij veranderd in kwaad, onoprechtheid, onrechtvaardigheid, dat zulken liefhebben onder den vorm dor ware deugden. Daar het liefde is, wat op deze wijze den aard des levens bepaalt, zoo wordt ieder, na den dood, zoodra hij intreedt in de geestenwereld, onderzocht van welken aard hij is en wordt dan verbonden aan hen, die gegrond zijn in gelijke liefde. Zij, die gegrond zijn in Hemelsche liefde, worden op deze wijze verbonden met de bewoners van den Hemel, en zij, die bedolven waren onder lichamelijke liefde, met do bewoners der Hol. Nadat hun eerste en tweede staat is voltooid, worden zij gescheiden, zoodat zij elkander nimmermeer zien noch kennen ; want iedereen wordt zijne eigen liefde, niet alleen wat aangaat zijn innerlijk, dat tot zijn gemoed behoort, maar ook wat aangaat zijn uiterlijk, dat behoort tot zijn aangezicht, zijn lichaam, zijne spraak. Iedereen wordt dus hot beeld zijner eigen liefde, ook in het uiterljjk voorkomen. Zij, die in lichamelijke liefde zijn, worden grof, duister, zwart en leolijk, terwijl zij, die in Hemelsche liefde zijn, vrooljjk, helder, blank en schoon zijn. Zij zijn geheel ongelijk aan elkander in hun gemoed en in hunne gedachten. Zij, die in Hemelsche liefde zijn, zijn ook verstandig en wijs, terwijl zij, die in lichamelijke liefde zijn, stomp zijn en dwazen gelijken. Wanneer or een inzicht verleend wordt in het innerlijk en uiterlijk van de gedachte en aandoening van hen, die in Hemelsche liefde zijn, zoo schijnt hun innerlijk gelijk te zijn aan het licht, en van sommigen gelijk vlammend licht; hun uiterlijk vertoont vorschiliende

hebben ; tios. 2-117. 8121/ 8124. De leer in de oudste Kerk was de leer der liefdadigheid, en vandaar haddon zij wijsheid ; mis. 2385, 2117, 3119, 3-120, 4814, 6028.

353 23*

ocr page 398

HEMEL ES HEL.

schoonc kleuren, gelijk die van den regenboog ; terwijl het innerlijk van hen, die verzonken zijn in lichamelijke liefde, op iets zwarts gelijkt, omdat zij gesloten zijn; en het uitwendige van sommigen heeft een doofvurig voorkomen, namelijk bij hen, die innerlijk op boosaardig bedrog zich toelegden ; wijl hun uiterlijk vuile kleuren vertoont en onaangenaam is voor hot oog. Het innerlijke en uiterlijke van den geest en het gemoed, worden namelijk in de geestelijke wereld, indien de Heer dit goedvindt, zichtbaar voorgesteld. Zij, die in lichamelijke liefde verkeeren, kunnen in het licht des Hemels niets zien, want dit is voor hen als dikke duisternis, terwijl het licht der Hol, hetwelk het voorkomen heeft van glimmend houtskool, voor hen gelijk helder licht is. In licht des Hemels wordt ook hun innerlijk gezicht verduisterd, en wel zoo zeer, dat zij krankzinnig worden; daarom ontvluchten zij het en verschuilen zich in holen en spelonken, wier diepte in verhouding is tot hunne logen uit het kwade. Zij integendeel, die gegrond zijn in Hemelsche liefde, zien alles te meer helder en de voorwerpen schijnen hun te meer schoon, hoe meer innerlijk of hooger zij ingaan in het licht van den Hemel, terwijl zij ook naar die mate de waarheid meer verstandig en wijselijk bevatten. Zij, die gedompeld waren in lichamelijke liefde, kunnen onmogelijk leven in de warmte des Hemels; want de warmte des Hemels is de Hemelsche liefde ; maar zij kunnen alleen leven in de hitte der Hel, die de liefde is te woeden tegen anderen, die ongunstig jegens hen gezind zijn. Anderen te smaden, vijandschap, haat en wraak zijn de vermaken dier liefde, en wanneer zij in deze zijn, zijn zij in hun leven. Zij zijn er geheel onbekend mede, wat het is goed te doen aan anderen, uit het goede zelve en tor wille van het goede zelve; maar zij weten alleen, wat liet is goed te doen uit het kwade en ten wille van het kwaad. Zelfs kan niemand, die verzonken is in lichamelijke liefde, in den Hemel ademhalen. Zoodra een booze geest daarheen wordt geleid, hijgt hij naar adem, gelijk iemand, die met den dood worstelt. Aan de andere zijde ademen zij, die gegrond zijn in Hemelsche liefde, te 354

ocr page 399

DE MEXSCH VERANDERT NIET NA DEN DOOD.

moer vrij en leven te meer volkomen, naarmate zij moer in het innerlijke van den Hemel komen. Uit deze dingen moge liet duidelijk zijn, dat do Homelsche en geestelijke liefde don Hemel uitmaakt in den mensch, omdat in die liefde al wat den Hemel uitmaakt, is ingeschreven ; terwijl lichamelijke en wereldsche liefde, ontbloot van Homelsche en geestelijke, de Hel in den mensch is, omdat in deze liefde al wat de Hel uitmaakt, is ingeschreven. Duidelijk volgt hieruit, dat de mensch, wiens liefde Hemelsch en geestelijk is, naar den Hemel gaat; maar dat de mensch, wiens liefde lichamelijk en wereldsch is, ontbloot van Homelsche en geestelijke liefde, naar de Hel gaat.

482. Het geloof blijft don mensch niet bij, indien hot niet gegrond is in de Homelsche liefde. Dit is mij uit zoovele voorbeelden gebleken, dat, zoo ik ze allen wilde verhalen, die ik betrekkelijk dit onderwerp heb gezien on gehoord, zij oen geheel boek zouden vullen. Dit kan ik getuigen, dat er geen geloof hoegenaamd bestaat, noch medegedeeld kan worden aan hen, die ingenomen zijn door lichamelijke en wereldsche liefde, en ontbloot zijn van Hemelsche en geestelijke, en dat, wat als geloof bij hen doorgaat, slechts oppervlakkige kennis is of eene over-tuiging, dat hot waar is, dewijl hot tot bevordering van de voorwerpen hunner liefde dient. Arelen, die meenden, dat zij geloof bezaten, werden toe hen gebracht, die het werkelijk deelachtig waren, en toen de gemeenschap was opengesteld, was het eerste wat zij ontdekten, dat zij volstrekt geen geloof hadden. Naderhand beleden zij ook, dat enkel de waarheid en het Woord te gelooven, geen geloof is, maar de waarheid liefhebben met Hemelsche liefde en haar te willen en to doen uit innerlijke aandrift. Er werd ook getoond, dat hunne overtuiging, die zij geloof noemden, slechts als het licht was van den winter, gedurende welk seizoen er geene genoegzame warmte in het licht is en alle voorwerpen op aarde verstijfd en gesloten zijn door do vorst, en onder de vorst en onder de sneeuw zijn begraven. Zoodra dus het licht van het geloof hunner overtuiging, dat in hen bestaat,

355

482

ocr page 400

HEMEL EX FIEL.

in aanraking komt met de stralen van het licht van den Hemel, wordt het niet alleen uitgebluscht, maar wordt werkelijk geljjk dikke duisternis, waarin men zich zelven niet zien kan. Hun innerlijk wordt terzelfder tijd zoo duister, dat zij volstrekt niets kunnen begrijpen en ten laatste krankzinnig worden in de logen. Om deze roden worden alle waarheden, waarmede zulken bekend waren, en die zij van het Woord en de leer der kerk hadden ontleend, en die zij de waarheden van hun geloof hadden genoemd, van hen weggenomen en in de plaats daarvan worden zij' bedeeld met alle logen, die met de boosheid huis levens overeenkomt; want allen worden overgelaten in hunne eigen liefde en ter zelfder tijd ook in de logen, die met hunne liefde overeenkomt. Daarna haten zij do waarheid, hebben er een afkeer van en verwerpen haar, omdat de waarheid in strijd is met de logen des kwaads, waaronder zij bedolven zijn. Ik ben in staat, om te getuigen, uit alle ondervinding, die ik heb verkregen betreffende de zaken des Hemels en der Hei, dat allen, die door de leer geloof alleen beleden hebben en het booze in hun leven hebben aangehouden, in de Hel zijn. Ik heb er hen in zien werpen in vele duizendtallen, waarover geschreven is in het kleine werk over het laatste Oordeel en de Verwoesting ran Bahi/lon.

483. Hetgeen den m e n s c h b ij b 1 ij f t is liefde in daad, derhalve'smenschen leven. Dit volgt als een besluit uit alle tot hiertoe aangevoerde voorbeelden der ervaring, en uit de dingen die boven zijn aangehaald betreffende daden en werken. Liefde in handeling is werk en daad.

484. Men moet hierbij opmerken, dat alle werken en daden zaken zijn, die tot het zedelijk en burgerlijk leven be-hooren, en die dus ook betrekking hebben op zuiverheid en oprechtheid, en op recht en billijkheid. Zuiverheid en oprechtheid zijn deugden, die tot het zedelijk leven behooren ; recht en billijkheid zijn deugden, die tot het burgerlijk leven behooren. De liefde, die haar uitoefent, is of Hemelsch uf Helsch. De werken en daden van het zedelijk en burgerlijk leven zijn Hemelsch, indien zij voortbrengselen zijn der

483, 484

350

ocr page 401

OVEKEENSTEMMENI) GENOT NA DEN DOOD.

Hcinclschc liefde, want al wat gedaan wordt uit llemelsche liefde is gedaan uit den Heer, en wat uit den Heer gedaan is, is goed. Zoo ook zijn de daden en werken van liet zedelijk en burgerlijk leven Ilelsoh, indien zij voortbrengselen zijn van llelsche liefde, want al wat uit deze liefde wordt gedaan, die eigen- en wereldliefde is, is gedaan door den mensch zelf, en wat door den mensch zelf gedaan wordt is iu zich zelven boos ; want de mensch beschouwd in zich zeiven of naar zijn eigen is enkel boosheid. r

DE GENOKGENS VAN HET LEVEN VAN ELK MENSCH WOKDEN NA DEN DOOD VERANDERD IN OVEREENKOMSTIGE GENOEGENS.

485. Dat de heerschende neiging of liefde bij iederen mensch eeuwighjk bijblijft is in het voorgaande hoofdstuk aangetoond ; dat de genoegens dier neiging of liefde in overeenkomstige genoegens worden veranderd, zal nu worden aangetoond. Onder deze verandering in iets overeenkomstigs is bedoeld de verandering iu zoodanig iets geestelijks als overeenkomt met het natuurlijke. Dat zij veranderd wordt in geestelijke verheuging, moge hieruit duidelijk zijn, dat de mensch, zoolang hij in zijn aardsch lichaam leeft, in de natuurlijke wereld bestaat; maar dat bij, na verlating van dat lichaam, ingaat in de geestelijke wereld en een geestelijk lichaam aandoet. Dat do Engelen een volkomen menschel ij ke

r. Het eigene (proprium) des menschen bestaat, in zich zelven meer dan Gud lief te hebben, en de wereld meer dan den Hemel, en zijn naaste als niets te achten in vergelijking met zich zelven; het bestaat dus uit eigenliefde en wereldliefde; nos. G94, 731, 4317. In dit eigene wordt de mensch geboren, en dit is dichte boosheid; nos, 210, 215, 731, 874—876, 987, 1047, 2307, 2308, 3518, 3701, 3812, 8480, 8550, 10283, 10284, 10286, 10731. Uit het eigene des menschen komt niet alleen alles wat kwaad is, maar ook alles wat valsch i.s; nos. 147, 10283, 10284, 10280. De boosheden, die uit 's menschen eigen voortkomen, zijn minachting voor anderen, vijandschap, haat, wraak, wreedheid, bedrog; nos. 6067, 7370, 7373, 7374, 9348, 10038, 10742. In zooverre als het eigene tics menschen heerscht. worden het goede der liefde en het ware des geloofs of verworpen, of verstikt, of bedorven ; nos. 2041, 7491, 7402, 7043, 8487, 10455, 10742. Het eigene des menschen is de Hel bij hem; nos. 604, 8480. Het goede, dat de mensch uit zijn eigen doet, is niet goed, maar in zich zelf kwaad ; no. 8480.

■185

857

ocr page 402

HBMKIj KN HEL.

gedaante hehbeu en ook na hun dood menschen zijn, en dat do lichamen, waarmede zij bekleed zijn, geestelijk zijn, kan men hierboven zien, (no. 73—77 en 45;5—460); eu ook wat de overeenstemming is van geestelijke dingen met natuurlijke, (nos. 87 —115).

486. Alle genoegens, waarin do mensch zich verblijdt, zijn die zijner heerschende liefde; want do mensch schept in niets anders behagen, dan in hetgeen hij liefheeft; wat derhalve hem het meest aangenaam is, heeft hij ook hot meest lief. Of men spreekt over zijne heorschende liefde, ot over dat wat hij het meest liefheeft, of het meest Lem lust, komt op hetzelfde neder. Deze genoegens zijn verschillend; in het algemeen zijn er zooveel als er verschil in heerschende liefde is. Er zijn dus zoo velerlei genoegens als er menschen, geesten en Engelen zijn ; want de heerschende liefde van den een is nimmer in elk opzicht gelijk aan die van den ander. Ook hierdoor is het, dat het aangezicht van den oenen mensch nimmer volkomen gelijk is aan dat van een ander; want het aangezicht van een ieder is het beeld van zijn gemoed en is in de geestelijke wereld hét beeld van zijne heerschende liefde. De genoegens van ieder in hot bijzonder zijn ook van oneindige verscheidenheid ; en geen enkel genoegen is immer in elk opzicht gelijk of hetzelfde als een ander; dit is ook waar, zoowel ten opzichte van de genoegens, die elkander opvolgen als die, welke gelijktijdig bestaan. Want het eene is nooit gelijk aan het andere. Deze genoegens, die afzonderlijk in ieder mensch bestaan, hebben echter betrekking tot zijne hoofdliefde, die zijne heerschende liefde is ; want zij stellen die te zamen en maken er daarom één geheel mede uit. Op dezelfde wijze hebben alle genoegens te zamen betrekking tot eene algemeene heerschende liefde, die in den Hemel de liefde tot God, en in de Hel de eigenliefde is.

487. Wat en hoedanig de geestelijke genoegens zijn, waarin de natuurlijke genoegens van ieder mensch na den dood veranderd worden, kan alleen gekend wordon uit de wetenschap der overeenstemmingen. Deze wetenschap leert in het algemeen, dat er niets natuurlijks kan bestaan, dat niet iets overeen-

358

486, 487

ocr page 403

OVKREENSÏEMMEXD GEXOT NA. DEN' DOOD.

komstigs liecft in het geestelijke. Zij leert ook in hot bijzon-der, wat en hoedanig deze overeeustemmingen zijn. Iemand, die in deze wetenschap ervaren is, kan ook weten en bekendheid verkrijgen met zijn staat na den dood, indien hij slechts bekend is mot zijne eigen liefde en weet, welke hoedanigheid zij heeft in het gebied der heerschondo liefde, waarmede allo liefde in betrokking staat, gelijk juist wordt behandeld, liet is echter onmogelijk voor hen, die gedreven worden door eigenliefde, om hunne heerschende liefde te kennen; want zij hebben lief wat het hunne is, noemen hunne boosheden goed en terzelfder tijde noemen zij waarheid de logen, die hun kwaad begunstigt, en waardoor zij zich in het kwaad bevestigen. Indien zij willen, zoo kunnen zij dit evenwel weten door anderen, die wijs zijn en zien, wat door hen niet gezien wordt. Zij echter, die geheel door eigenliefde zijn ingenomen, weigeren onderwezen te worden en verwerpen alle vermaning, die de wijze hun aanbiedt. Maar zij, die beves-tigd zijn in Hemolsche liefde, nemen onderwijs aan, en wanneer zij tot het kwaad worden geleid, waarin zij geboren zijn, zien zij dit door do waarheid, waarin zij onderwezen zijn ; want deze maakt liet kwaad als zoodanig openbaar. Iedereen kan door zulke waarheid, die uit hot goede ont-springt, hot kwaad en deszelfs logen zien ; maar niemand kan door het kwade het goede en de waarheid zien. Do oorzaak is, omdat de logen, die in het kwaad is gegrond, duisternis is, en evenzoo mot duisternis in overeenstemming is; daarom zijn zij, die onder de logen zijn, die in het kwaad is gegrond, gelijk aan blinden, die geeno voorworpen kunnen zien, welke in hot licht zijn geplaatst; zij vlieden werkelijk van deze voorworpen gelijk nachtvogels. s Van de andere zijde zijn do waarheden uit hot goede licht, en zijn in overeenstemming met licht, (zie hiervoor no. 126- 134); daarom

s. Duisternis beteckciit in het Woord door overeenstemming valscliheden, en dikke duisternis de vulsclilieid van het kwade; nos. 1S3;gt;, 1860, 76SS, 77]]. liet licht des Hemelseh is dikke duisternis voor de boozen; nos. 1S61, 6832, S]!t7. Zij. die in de Hel zijn, worden gezegd in duisternis te zijn, omdat ze in het valsehe van liet kwade zijn; waarover zie nos. 3340, 1118, 4531. De blinden in het Woord beteekenen zij, die in valsebheden zijn en niet willen onderwezen worden; nos. 2383, 6!)i)0,

359

ocr page 404

HEMEL EX HEL.

ziju zij, ilio in de waarheid uit hot goede zijn, in staat om te zien on iiobbon geopendo oogen. Zij onderscheiden de zaken, die tot liet licht en tot do schaduw behooren. Ten opzichte van deze dingen was het mij vergund verzekering te verkrijgen door duidelijke ervaring. Do Engelen in don Hemel zien en ondervinden het booze en de logen, die somtijds in hen zeiven opkomen, en ook het boozo en de logen, waaronder die geesten zijn, die in de geestenwereld met de Hellen verbonden zijn, hoewel die geesten zelve niet in staat zijn, om hun eigen kwaad en logen te zien. Ook kunnen deze laatsten niet bevatten; wat het goede der Hemelsche liefde, wat het geweten, noch wat oprechtheid en rechtvaardigheid, die niet uit eigenbelang voortvloeit, is, of wat het is, geleid te worden door den Jleer. Zij verzekeren, dat zulke zaken niet bestaan, en zij dus niet waardig zijn cr de opmerkzaamheid aan te scheuken. Deze dingen worden medegedeeld, om den mensch tot zelfonderzoek te leiden en uit zijne genoegens te leeren wat zijne liefde is, en in zooverre hij bekend is met de wetenschap der overeenstemmingen, hein te doen zien, welke de staat zijns levens na den dood zijn zal.

488. Op welke wijze de genoegens des levens van ieder mensch, na den dood in iets overeenkomstigs worden veranderd, kan werkelijk deze wetenschap der overeenstemmingen loeren ; maar wijl deze wetenschap nog niet openlijk bekend is gemaakt, zoo zal ik door eenige weinige voorbeelden der ervaring een licht over dit onderwerp verspreiden. Allen, die onder het kwaad bedolven zijn, en die zich in de logen tegen de waarheden der kerk hebben bevestigd, — bijzonder zij, die het Woord hebben verworpen — schuwen het licht des Hemels en verschuilen zich in do plaatsen onder den grond, die aan hunne openingen zeer donker schijnen, en in holen van rotsen, waar zij zich verborgen houden. De oorzaak is, dat zij de logen hebben liefgehad en de waarheid hebben gehaat; want zulke plaatsen onder den grond en zulke holen 1 der

t. Een rotsholte en een rotsspleet beteekenen in het Woord duisternis en liet valsehe des geloofs; no. 10582. Omdat een ruts beteekent geloof uit den Heer; nos. 8581, 10580, en een steen het ware des gelools; nos. 114, 043j 1298, 3720, 6420. 8009, 10370.

360

488

ocr page 405

OVEREEXSÏEMMEND GENOT NA DEN' DOOD.

rotsou stemmen met de logen overeen ; duisternis insgelijks, terwijl liet licht overeenstemt mot de waarheid. Het is hun aangenaam om in zulke plaatsen te wonen en niet in open velden. Hetzelfde wordt gedaan door hen, die lust haddon in het leggen van valstrikken en om in het geheim hedriegolijk te handelen. Ook dezen wonen in zulke onderaardsche plaatsen en in vertrekken in welker hoeken zij elkander in de ooren fluisteren, en die zoo duister zijn, dat zij elkander niet eens kunnen zien. Dit is hot waarin do lust hunner liefde wordt veranderd. Zij, die do wetenschappen hebben hestu-doerd met geeno andere bedoeling, dan om als geleerden go-acht te worden, en die hunne rede daardoor niet hebben ontwikkeld, maar wier lust bestond in de opvulling van hun geheugen, uit eigenwaan, die hou om deze begaafdheden vervulde, deze kiezen liever zandige plaatsen dan velden en tuinen ; omdat zandige plaatsen met zulke studieön overeenstemmen. Zij, die zich bekend hadden gemaakt met de leerstellingen van hun eigene en die van andore kerken, zonder dienovereenkomstig te hebben geloofd, kiezen voor hunne woonplaatsen rotsachtige plaatsen on wonen tussehen steen-hoopon; zij schuwen do bebouwde stroken, wijl zij er een afkoer van hebben. Zij, die alles aan de natuur hebben toegeschreven, en zij, die alles aan hunne bekwaamheid toeschreven, en die zich door verschillende kunstgrepen tot oor en aanzien hebben verheven en rijkdom haddon verzameld, wijdon zich in hot andere leven aan tooverachtige kunstjes, die misbruiken zijn van do Goddelijke orde, en waarin zij de grootste blijdschap huns levens vinden. Zij, die do Goddelijke waarheden dienstbaar hebben gemaakt aan hunne eigen-lietdo, en deze waarheden dus hebben vervalscht, beminnen urino-achtige dingen, omdat urine overeenstemt met de lusten hunner liefde. u Zij, die uitermate gierig zijn geweest, wonen in kelders en beminnen hot vuile der zwijnen en zulke uitwal-mingen als voortkomen uit onverteerde spijzen in de maag. Zij, die hun leven in enkel vermaak hebben doorgebracht, lekkerlijk hebben geleefd on hun gehemelte en smaak hebben )( De verontreinigingen van het ware stemmen overeen met urine.

361

ocr page 406

HEMEL EN HEL.

gevolgd cu als het hoogste goed huiis levens hebbeu liefgehad, beminnen in hot andere leven uitwerpselen en privaten, die dun hun lust zijn ; want zulke vermaken zijn geestelijk vuil. Plaatsen, die helder eu vrij zijn van vuil, schuwen zij, omdat die hun onaangenaam zijn. Zij, die zich hebben overgegeven aan overspel, brengen hun tijd door in bordeelen, waar alle dingen vuil en vies zijn. Zij beminnen deze plaatsen en schuwen kuische woningen, waarin zij niet kunnen binnen gaan, zonder in bezwijming te vallen. Niets is hun meer aangenaam dan echtbreuk te begaan. Zij, die wraakgierig waren en daardoor wild en wreed zijn geworden, beminnen doode lichamen, zij wonen ook in zoodanige hellen. En zoo voorts.

489. Maar de lusten des levens van hen, die in de wereld in de Ilemelsche liefde hebben geleefd, worden op zoodanige genoegens gericht, als in de Hemelen worden genoten, die hun bestaan aan de Zon des Hemels ontlecnen en aan het lichr, dat vandaar uitgaat. J)it licht vertoont aan den blik zoodanige voorwerpen, die innerlijk Goddelijke zaken in zich sluiten. De voorwerpen, die aldus duidelijk worden, doen het innerlijke, dat tot het gemoed der Engelen behoort, en het uiterlijke, dat tot hun lichaam behoort, gelijkelijk aan. Wanneer het Goddelijk licht, dat is de Goddelijke waarheid, die uitgaat van den Heer, doorbreekt in hun gemoed, dat door de Hemelsche liefde is geopend, zoo zien zij ook uiter-Ijjk zulke voorwerpen, als overeenkomen met de lusten huns levens. Dat de dingen, die in den Hemel voor het oog verschijnen, met het inwendige der Engelen overeenstemmen, of met de dingen, die tot geloof en liefde behooren, en van daar tot doorzicht en wijsheid, is aangetoond in het hoofdstuk over de voorstellingen en verschijningen in den Hemel, (uos. 170 —17C) en in het hoofdstuk over de wijsheid der Engelen in den Hemel, (no. 2Gö—275). Daar wij er op ingegaan zijn, om deze zaken te bevestigen door duidelijke voorbeelden, tot toelichting der waarheden, die uit oorzaken der dingen zijn afgeleid en boven zijn aangevoerd; zoo zal ik ook eenige feiten vermelden ten opzichte der Ilemelsche lusten, waarin

362

480

ocr page 407

OVEKEBNSTEMMEXD GENOT NA l)E.\ DUÜD.

do natuurlijke lusten van hen, die in de wereld in Hemelsche liefde leefden, veranderd worden. Zij, die de Goddelijke waarheden en liet Woord uit innerlijke beweging hebben liefgehad, of uit liefde tot de waarheid zelve, wonen in de andere wereld in het licht, op verheven plaatsen, gelijk bergen, waar het licht des Hemels hen onafgebroken omschijnt. Zij weten niet, wat duisternis is, zooals in de nachten der wereld en leven in eene temperatuur als vnn do lente. Rondom zien zij velden en koornoogst te zamen met wijngaarden. In hunne huizen schijnen alle voorwerpen verlicht, alsof zij omzet waren met kostbare steenen. Zien zjj door de vensters dan is het alsof zjj door zuiver kristal zagen. Deze zijn do genoegelijke voorwerpen van hun gezicht; maar dezelfde voorwerpen zijn de lust van het innerlijke, door hunne overeenstemming mot Goddelijk Hemelsche dingen, want de waarheden, die afgeleid zijn van het Woord, dat zij hebben liefgehad, stemmen overeen met koornoogst, wijngaarden, kostbare steenen, vensters en kristal. x Zij, die onmiddellijk de leer der kerk, die aan het Woord is ontleend, toegepast hebben op hun leven, wonen in don meest innerljjken Hemel, waar zij, boven anderen, zich verheugen in de vreugde der wijsheid. Deze zien in al wat hen omringt Goddelijke zaken ; wel zien zij werkelijk de voorwerpen, maar de Goddelijke zaken, die daarmede in betrekking staan, dringen onmiddellijk door in hun gemoed en vervullen hen met eene zaligheid, die al hunne gewaarwordingen aandoet. Hierom glimlachen, verheugen en leven als het ware alle voorwerpen voor hunne oogen zooals hierboven werd gezien, (no. 270). Zij, die de wetenschappen hebben liefgehad en die daardoor hunne reden hebben ontwikkeld en verstandig zijn geworden en terzelfder tijde het Goddelijke hebben erkend, vinden het vermaak, dat zij in

x Korenoogst beteekent in liet Woord eene staat van uiineniin^ en wasdom in liet ware uit het goede; no. Staand koren beteekent liet ware in den staat der ontvangenis; 110. 9140. Wijngaarden beteekenen de geestelijke kerk en het ware van die kerk; nos. 1069, 913!). Edelsteenen beteekenen de waarheden des Hemels en der kerk. Zoo ver zij van het goede uit doorschijnend zijn; MOS. 111, 9803, 9805, 9808, 9873, 9905. Een venster beteekent de gave van liet verstand, die tot het inwendige gezicht behoort; nos. 655, 058, 3391.

363

ocr page 408

HEMEL EU HEL.

dc wctenschnppon vonden en in de verlichting hunner rede, in het andere loven terug in eeno geestelijke verlichting, die de kennis van goed en waar is. Zij wonen in tuinen, door bloembedden en perken in sehoone afdeelingen verdeeld en door rijen boomen omgeven, die sehoone gaanderijen en wandelingen vormen. De boomen en bloemen wisselen iederen dag af. De blik over het geheel vervult in het algemeen hun gemoed met blijdschap, terwijl de afwisseling van het bijzondere onophoudelijk vernieuwd wordt. Wijl nu do voorwerpen in betrekking staan tot de Goddelijke zaken, en zij, die zo zien, bevestigd zijn in do wetenschap der overeenstemmingen, zoo worden zij onophoudelijk met nieuwe kundigheden verrijkt, waardoor hun geestelijk-redelijke aanleg volkomen wordt. Zij genieten deze genoegens, omdat tuinen, bloemen, perken en boomen overeenstemmen met wetenschappen en kundigheden, en deze weder tot doorzicht, dat daaruit ontspruit. v Zij, die alles aan het Goddelijke hebben toegeschreven en de natuur als in zich zelve dood hebben beschouwd en alleen als dienstbaar aan geestelijke doeleinden, en die zich in dit geloof hebben bevestigd,' wonen in Hemelseh licht. Alle voorwerpen, die zij zien, baden in licht en worden doorschijnend en in deze doorschijnendheid zien zij ontelbare schakeringen van licht, dat hun innerlijk gezicht als onmiddellijk indrinkt, en waaruit zij hun innerlijke blijdschap ontleenen. De voorwerpen in hunne huizen zijn als van diamant, waarin gelfjlce schakeringen licht gezien worden. Er werd mij verhaald, dat de muren hunner huizen als van kristal zijn, en dus even doorschijnend, en dat daarin als het ware vloeibare vormen voorkomen, die Ilemelsche zaken vertegenwoordigen, die insgelijks verzeld gaan met aanhoudende wisseling. De rede hiervan is, omdat zulk eene doorschijnend beid overeenstemt met een verstand, dat verlicht is door den Heer; de

ij. Een tuin, een begroeide plaats, paradijs, beteekent verstand; nos. 100, 108, 3220. Daarom hielden de ouden liun godsdienst in begroeide plaatsen; nos. 2722, 4552. Bloemen en bloembedden beteekenen waarbeden, die geleerd zijn en kundigheden; no. 9553. Kruiden en gras en groene velden beteekenen waarheden, die geleerd zijn; no. 7551. 1'oomen beteekenen waarnemingen en kundigheden ; nos. 103, 2103, 2G«S2, 2722, 25)72, 7692.

364

ocr page 409

OVEUEENSTKMMEND GEXOT NA DEN DOOt).

schaduwen, die een natuurlijk geloof en natuurlijke liefde van zich afgeven, worden verwijderd. Zoodanig zijn do dingen niet oneindig vele anderen, waarvan z|j, die ze in den Ilcinol hadden gezien, zeiden, dat zij dingen zagen, die geen oog ooit heeft gezien en, door eenc vatbaarheid voor Ilenielsche dingen, die hun was medegedeeld en uitging van den Hemel, ook zeiden, dat zij zaken hadden gehoord, die het oor nooit heeft gehoord. Zij, die op geene bedriegelijke wijze hadden gehandeld en gewild hadden, dat al hunne gedachten open zouden zijn, zoover de toestand van het burgerlijk leven dit toeliet, hebben in den Hemel aangezichten, die blinken van licht, omdat zij niets anders hadden gedacht, dan wat oprecht en recht was uit eene Goddelijke bron. Overeenkomstig met dat licht stonden allo hunne aandoeningen en gedachten op hunne aangezichten te lezen als in hun zuiveren vorm, en taal en handelingen waren evenzeer de uitdrukkingen hunner gevoelens. Dezen zijn gevolgelijk meer geliefd dan anderen. Als zij spreken is hun aangezicht eenigszins duister ; maar zoodra zij geëindigd hebben, verschijnt alles wat zij bespraken in hun aangezicht, tcu volle duidelijk voor hot oog. Alle voorwerpen, die hen omgeven hebben insgelijks, omdat zij in overeenkomst zijn met hun innerlijk, een zoodanig voorkomen, dat anderen duidelijk kunnen zien, wat zij vertegenwoordigen en beteekencn. Geesten, wier lust het was om be-driegelijk te handelen, ontvloden, wanneer zij deze oprechten op oen afstand zagen, hunne tegenwoordigheid en schenen van hen weg te sluipen gelijk de slangen. Zij, die overspel als eeno afschuwelijke ondeugd hebben beschouwd, en in eerlijke huwelijksliefde hebben geleefd, zijn meer dan anderen in de orde cn vorm des Hemels, bezitten van daar eene toenemende schoonheid en blijven eeuwiglijk in den bloei huns levens. Du vreugde hunner liefde is onuitputtelijk en neemt eeuwiglijk toe. Want alle blijdschap en vreugde dos Ileinels vloeit in die liefde, omdat zij afkomstig is van de vereeniging van den Heer met den Hemel cn met de Kerk, en in het algemeen, met de vereeniging van het goede en het ware. Deze vereeniging is de Hemel zelf, zoowel in haar 365

ocr page 410

HEMEL EN HEL.

geheel als van iederen Engel in het bijzonder. (Zie no. 366— 386). De uiterlijke verheugingen van zulken zijn zoodanig, dat zij door geene woorden der menschelijke taal kunnen beschreven worden. Wat hier gezegd is betrekkelijk het overeenkomstige der lusten bij hen, die in Henielsche liefde zijn gegrond, is betrekkelijk slechts weinig.

490. Uit deze aanhalingen moge blijken dat; na den dood, de lusten van allen veranderd worden in iets overeenkomstigs. De liefde zelve blijft evenwel eeuwiglijk, zooals huwelijksliefde, liefde tot rechtvaardigheid, oprechtheid, goedheid en waarheid, de liefde tot de wetenschappen en kundigheden, de liefde tot kennis en wijsheid, enz. De lusten zijn de uitvloeisels der liefde, gelijk de stroomen uit eene fontein. Ook deze blijven, maar zij worden verheven tot een hoogeren graad, wanneer zij van het natuurlijke tot het geestelijke verheven worden.

DE EERSTE STAAT DES MENSCHEN NA DEN DOOD.

491. Er zijn drie toestanden, die de monsch, na den dood doorloopt, vóór lnj overgaat naar den Hemel of naar de Hel. De eerste staat is die, waarin lnj nog in zijn uiterlijk is; de tweede staat is die, waarin hij in zijn innerlijk is, en de derde staat is die zijner voorbereiding. Deze toestanden worden door hem in de geestenwereld doorloopen. Sommigen echter doorloopen deze toestanden niet, maar worden onmiddellijk na den dood óf opgenomen in den Hemel óf nedergeworpen in de Hel. Z|j, die onmiddellijk opgenomen worden in den Hemel, zijn zoodanigen, die wedergeboren zijn, en zoo in do wereld voor den Hemel zijn toebereid. Zij, die zoo zijn wedergeboren en toebereid, dat zij niets hebben te doen, dan natuurlijke onreinheid met het lichaam af te werpen, worden rechtuit door de Engelen in den Hemel gedragen. Ik heb sommigen op deze wijze, dadelijk na hun doodsuur, zien overbrengen. ifaar zij, die innerlijk slecht waren, hoewel in hun uiterlijk voorkomen goed, dus zij, die hunne boosaardigheid voltooid hebben met bedrog en het goede als middel

360

490, 491

ocr page 411

EERSTE STAAT XA DEN DOOI).

hebben gebezigd om te bedriegen, worden onmiddellijk in de Hel geworpen. Sommigen van dezen heb ik onmiddellijk na den dood in do hel zien werpen ; een, die buitengewoon be-driegelijk was, met het hoofd naar benoden en de voeten om-hoog, anderen op andere wijzen. Er zijn sommigen, die onmiddellijk na den dood, verbannen worden naar spelonken en dus afgescheiden zijn van zulken, die in de geestenwereld vertoeven. Later worden zij weder daaruit genomen en weder heen gezonden bjj afwisseling. Hot zijn zoodanigen, die onder den dekmantel van welwillendheid slecht hebben gehandeld met hunne naasten. Maar zulken en do voorgaanden zjjn slechts weinigen in vergelijking van hen, die naar de geestenwereld gaan, en daar, volgens de Goddelijke orde, voor den Hemel of voor de Hel worden toebereid.

492. Ten aanzien van den eersten staat, waarin de mcnsch nog in zjjn uiterlijk is, daarin komt hij onmiddellijk na den dood. Ieder mensch bezit, ten opzichte van zijn geest, een innerlijk en een uiterlijk. Het uiterlijke van zijn geest is dat, waardoor hij zijn lichaam aanpast aan de wereld, bijzonder zijn aangezicht, zijne spraak en zijn gedrag voor het leven in gemeenschap met anderen. Het innerlijke van zijn geest is dat, \\at uitsluitend behoort tot zijn wil en tot zijne gedachte, die uit dien wil voortvloeien ; zelden worden deze uitgelaten in zijn gezicht, zijne spraak en zijn gedrag. Want de mensch is van kinds af gewoon, om een voorkomen aan te nemen van vriendschap, welwillendheid eu oprechtheid, en de gedachte van zijn eigelijken wil te verbergen. Hierdoor ontvangt hij de gewoonte van het zedelijk en burgerlijk leven in zijn uiterlijk aan te nemen, hoe ook de aard van zijn innerlijk zij. Ten gevolge van deze gewoonte is de mensch nauwelijks met zjjn eigen innerlijk bekend en denkt er niet over.

493. De eerste staat des menschen na den dood is gelijk aan dien van de wereld, dewijl hij dan nog in zijn uiterlijk is. Zijn aangezicht is gelijk, zijne spraak is gelijk eu zijne gesteldheid is gelijk, derhalve ook zijn zedelijk en burgerlijk leven. Hij weet daarom ook niet beter, dan dat hij nog in

367

492, 403

ocr page 412

HEMEL EN HEL.

de wereld is ; teuzij hij merkt hetgeen om hem voorvalt en op hetgeen de Engelen hem hebben medegedeeld, toen hij werd opgewekt, dut hij nu een geest is, (no. 450). Aldus gaat het eene leven in hot andere over en de dood is alleen de overgang.

494. Dewijl de geest dos menschen, die pas het andere leven is ingetreden, na den aHoop van zijn leven in de wereld zoodanig is, zoo volgt hieruit, dat hij dan herkend wordt door zijne vrienden en door allen, die hij kende, toen zij met hem in de wereld waren. De andere geesten herkennen hem niet alleen aan zijn gelaat en spraak, maar ook wanneer zij hem nabij komen door de sfeer zijns levens. Wanneer in het andere leven de een over den ander denkt, stelt hij ook in gedachte, diens aangezicht zich voor met vele omstandigheden zijns levens; en wanneer hij dit doet verschijnt de persoon, over wien hij denkt, voor hem, alsof hij gezonden of geroepen ware. Dit verschijnsel heeft in do geestenwereld plaats, omdat daar eene gemeenschap van gedachten bestaat, en er geene ruimte is, zooals in de natuurlijke wereld. (Zie no. 191 —199). Hierdoor is het, dat allen, bij hunne eerste intreding in het andere leven, door hunne vrienden en betrekkingen herkend worden en door allen, aan wie zij op de eene of andere wijze bekend waren, en dat zij met elkander in gesprek geraken en vervolgens te zamon blijven, overeenkomstig de mate hunner vriendschap of bekendheid in de wereld. Dikwijls heb ik de vreugde vernomen van hen, die van de wereld kwamen en hunne vrienden wederzagen, terwijl dezen zich insgelijks verheugden, dat hunne vrienden tot hen gekomen waren. Als echtgenooten elkander ontmoeten, verwelkomen zij gewoonlijk elkaar. Zij blijven dan ook langer of korter tijd te zamen, naarmate van het genot hunner vroegere samenwoning. Ts de band, die hen vereenigde, geene ware huwelijksliefde geweest, die in de vereeniging des ge-moeds bestaat, onder den invloed der Hcmelsche liefde, zoo worden zij, na eenigen tijd samengeweest te zijn, weder gescheiden. Indien echter beider gemoed wederkeerig oneens is geweest en er een innerlijke afkeer van elkander heeft be-3G8

494

ocr page 413

EERSTE STAAT NA DEN DOOD.

staan, breekt deze in openlijke vijandschap uit en soms in een werkelijk geveclit. Zij worden evenwel niet gescheiden, vóór zij ingaan in den tweeden staat, waarover in de volgende afdeeling zal worden gehandeld.

495. Dewijl het leven van den pas gescheiden geest niet ongelijk is aan zijn leven in de natuurlijke wereld en hij geene kundigheden heeft medegebracht aangaande den staat des levens na den dood, noch betrett'ende den Hemel of de Hel, dan alleen die, welke hij verkregen heeft uit de letter des Woords en uit de prediking over dien letterlijken zin, zoo is het gevolg, dat hij, na zich te hebben verwonderd, omdat hij zich in een lichaam bevindt, en in het genot van alle zinnen, die hij had in de wereld, en omdat hij dezelfde voorwerpen gewaar wordt, den wensch in zich voelt opkomen, om te weten, wat de natuur des Hemels en wat de natuur der Hel is, en waar zij gelegen zijn. Daarom onderwijzen zijne vrienden hem dan in den staat van het eeuwig leven, en wordt hij zoo naar verschillende plaatsen en in verschillend gezelschap geleid. Sommigen worden medegenomen in steden of ook in tuinen en paradijzen, gewoonlijk met schoone toonee-len, omdat zulke zaken aangenaam zijn voor het uiterlijk, waarin zij dan zijn. Langs dozen weg worden zij tot herinnering dor gedachten geleid, die zij in het lichaam hadden, aangaande den staat der ziel na den dood, aangaande den Hemel en de Hel, totdat zij verontwaardigd worden, omdat zij in zulk eene groote onwetendheid omtrent deze zaken zijn geweest en omdat er zulk eene onwetendheid daaromtrent in do kerk bestaat. Bijna allen zijn begeerig, om te weten, of zij naar den Hemel zullen gaan; de moesten gelooven dit nog al, omdat zij in de wereld een zedelijk en burgerlijk leven hebben geleid. Zij donken er niet om, dat zoowel de slechten als de goeden uiterlijk een soortgelijk leven hebben geleid : allen hebben anderen gelijkelijk goed behandeld, zijn ter kerk gegaan, hebben naar de preek geluisterd en hebben gebeden, maar zij hebben niet geweten dat uiterlijke handelingen en uiterlijke aanbidding niets beteekent, maar nlleen innerlijke beginselen, waaruit de uiterlijke daden voortvloeien. Onder 369 24*

495

ocr page 414

HEMEL EN HEL.

duizenden is er nauwelijks één, die weet wat innerlijke toestanden zijn en dat de mensch in deze den Hemel en de kerk bezit; laat staan, dat uiterlijke handelingen zoo zijn als de voornemens en de gedachten zijn, en dat daarin de liefde en het geloof zijn ingesloten, waaruit zij voortkomen. Worden zij hierin onderwezen, dan kunnen zij niet begrijpen, hoe deuken en willen iets beteekenen, maar zij meenen, dat alles ligt in spreken cn doen. Zoodanig zijn de meeaten, die in dezen tijd uit de christelijke wereld het andere leven ingaan.

496. Zij worden evenwel door de goede geesten naar hun aard onderzocht. Dit geschiedt op verschillende wijzen; want in dezen eersten staat spreekt de booze mensch waarheden cn doet goede daden, evenals de goeden. Zij doen dit uit boven verklaarde oorzaak, nl. dat zij ook een zedelijk loven hebben geleid in den uiterlijken vorm ; (want zij hebben geleefd onder een geregeld bestuur en zijn onderworpen geweest aan de wetten, die daar bestonden,) en dat zij door zoodanig leven den naam van rechtvaardig en recht hadden verkregen, dat zij de gunst van anderen hadden gewonnen cn langs dezen weg tot eer en aanzien waren verheven. De booze geesten worden echter van de goeden bijzonder hierdoor onderscheiden, dat zij gaarne luisteren naar hetgeen gezegd wordt over uiterlijke dingen en weinig ooren hebben voor het innerlijke, die de waarheden en het goede van den Hemel en do kerk zijn. Wel hooren zij, wat over deze onderwerpen hun wordt gezegd maar niet met oplettendheid en blijdschap. Ook hierdoor worden zij onderscheiden, dat zij dikwijls dezelfde plaatsen bezoeken, en wanneer zij aan zichzelf worden overgelaten, bewandelen zij de wegen, die in die richting loopen. Door het dikwijls keeren naar zekere plaatsen en het bewandelen van zekere wegen, wordt de aard van do liefde gekend, die hen leidt.

497. Alle geesten, dio van de wereld aankomen, zijn wer. kchjk aan eene bepaalde verccniging in den Hemel, of aan eene bepaalde vereeniging in de Hel verbonden. Deze verbintenis betreft echter alleen hun innerlijk. Nicmands innerlijk is voor anderen openbaar zoolang hij in zijn uiterlijk is,

ö70

496, 497

ocr page 415

TWEEDE STAAT NA HEN DOOD.

want dit uiterlijk belet hen, om hun innerlijk te kennen, vooral bij hen, die inwendig kwaad zijn. Wanneer zij echter later in den tweeden staat komen, wordt hun innerlijk openbaar; want hun innerlijk ligt dan open en hun uiterlijk slaapt.

498. De eerste staat des menschen na den dood duurt bij sommigen eenige dagen, bij anderen eenige maanden en hij anderen een jaar, maar zelden duurt het bij iemand meer dan een jaar. De duur hangt in elk geval af van het al ot' niet overeenkomende van het innerlijk met het uiterlijk. Want bij iedereen moet het uiterlijke en het innerlijke gelijkelijk handelen en met elkander samenloopen. Het is niet geoorloofd, dat iemand in de geestenwereld denkt en wil, anders dan hij spreekt en doet. Iedereen moet daar het uitgedrukte beeld van zijne eigen aandoening of van zijne eigen liefde zijn ; wat hij derhalve innerlijk is, moet hij ook uiterlijk zijn. Daarom moet het uiterlijke van een geest eerst worden opengelegd en tot orde gebracht worden om te dienen voor eene basis in overeenkomst met zijn innerlijk.

DE TWEEDE STAAT DES MENSCHEN' NA DEN DOOD.

499 De tweede staat des menschen na den dood wordt de staat van zijn innerlijk genoemd, omdat hij dan in het innerlijke ia geleid, dat tot zijn gemoed, of tot zijn wil en zijne gedachte behoort. Zijn uiterlijk, waarin hij in den eersten staat was, slaapt. Wanneer men achtslaat op 's menschen leven en op zijne gesprekken en handelingen, zoo zal men bemerken, dat iedereen een uiterlijk en een innerlijk heeft, of uiterlijke en innerlijke gedachten en voornemens bezit. Dit moge hieruit duidelijk worden : Ieder, die in eene beschaafde maatschappij leeft, denkt over anderen naar hetgeen hij heeft gehoord en ervaren, 't zij door anderen, 't zij door zich zelf. Hij spreekt echter niet met hen naar hetgeen hij over hen denkt, maar behandelt hen beleefd, al zijn zij slecht van karakter. Dit loopt hjjzonder in het oog bij verwaanden en vleiers, die 371

498, 499

ocr page 416

HEMEL EX HEI.

geheel andera handelen dan zij denken en willen ; vooral bij huichelaars, die omtrent God, omtrent den hemel, de zaligheid der zielen, over de waarheden der kerk, over het goede van hun vaderland en over hun naasten sproken, alsof zij spraken onder den invloed van geloof en lietde, maar met hun hart niets geloovcn van hetgeen zij zeggen en niemand dan zich zeiven liefhebben. Hieruit is het duidelijk, dat er twee-erloi gedachten bestaan, innerlijke en uiterlijke; dat zulke menschen spreken naar hunne uiterlijke gedachten, terwijl zij naar hunne innerlijke gedachten andere gevoelens koesteren ; dat deze tweeërlei gedachten wel van elkander zijn onder-scheiden, en dat er bijzonder zorg wordt gedragen, dat het innerlijk niet op de eene of andere wijze in het uiterlijk invloeie en daaruit zou blijken. De mensch is zoo geschapen, dat zijne innerlijke gedachte met zijne uiterlijke door overeenstemming een zoude maken en bij hen, die in het goede zijn gegrond, is dit ook werkelijk zoo ; want zij bedenken niets dan goed en spreken daarmede overeenkomstig. Maar bij hen; die aan het kwade zijn onderworpen, zijn de innerlijke en uiterlijke gedachten niet één ; want zij bedenken het kwade cn bespreken het goede. Ujj hen is de orde omgekeerd, want hot goede is buiten en het kwade binnen in hen ; daarom heerscht bij hen het kwade over het goede en onderwerpt dit aan zich gelijk een knecht, opdat het dienstbaar zoude zijn als een middel tot bereiking van zijn doel, dat het doel is van zijne liefde. En wijl er zulk een doel ligt in het goede, dat zij doen en zeggen, zoo is het duidelijk, dat hun goede niet goed is, maar aangestoken is met kwaad ; hoezeer het ook uiterlijk goed sclujne voor hen, die niet bekend zijn met hun innerlijk. Met hen, die in het goede zijn, is het zoo niet. Bij hen is do orde niet omgekeerd ; maar uit hunne innerlijke gedachte vloeit het goede in hunne uiterlijke en dus ook in hun spreken en handelen. Dit is do orde, waarin de mcusch is geschapen ; want zoo is zijn innerlijk in den hemel en in hot licht des Hemels 5 en omdat het licht van don Hemel de Goddeljjke waarheid is, die voortkomt van den Heer, zoo diensvolgcns do Hoer in don hemel is, (nos. 126 140), 372

ocr page 417

TWEEDE STAAT NA DEX DOOD.

worden zij door den Heer geleid. Deze dingen zijn vermeld, opdat het bekend moge zijn, dat ieder mensch innerlijke en uiterlijke gedachten heeft, en dat deze van elkander zijn onderscheiden. Als de gedachte wordt genoemd, is ook do wil bedoeld, wijl de gedachte voortkomt uit den wil; want zonder wil kan niemand denken. Uit deze opmerkingen is duidelijk, wat de uiterlijke en wat de innerlijke staat des menschen is.

500. Als er gesproken wordt over den wil en over de gedachte, zoo wordt onder wil ook liefde en genegenheid verstaan, met alle blijdschap en vergenoeging, die er mede verbonden zjjn ; want do aandoeningen der liefde hebben betrekking tot den wil als uitgangspunt, omdat de mensch wat hij wil lief-hoeft en dat ook als genotvol en aangenaam gevoelt en omgekeerd, dat hij wil wat hij liefheeft, en hom aangenaam en genotvol is. Onder gedachte is bedoeld elke vorm, waarin hij zijne aandoening of liefde bevestigt; want de gedachte is niets anders dan de vorm van den wil, of datgene waarbij de wil openbaar wordt gemaakt. Deze vorm wordt samengesteld uit verschillende verstandelijke onderdeden (analyses rationales), die hun oorsprong ontleenen aan do geestelijke wereld on eigenlijk tot 's menschen geest behooren.

501. Men moet wel in acht nemen, dat de mensch gan-schelijk zoodanig is, als hij is naar zijn innerlijk en niot zooals hij naar het uiterlijk is, wanneer dit van zijn innerlijk gescheiden is; want hot innerlijk behoort tut zijn geest, en liet leven van den mensch is het loven van don geest, want door dien geest leeft het lichaam. Daarom, wat de mensch innerlijk is, dat blijft hij eeuwig. Maar omdat het uiterlijke ook tot het lichaam behoort, wordt dit na don dood van hem gescheiden, en dat gedeelte, dat zijn geest aanhangt, wordt in slaap gebracht, en dient alloon tot basis van het innerlijk, zooals boven werd aangetoond bij de behandeling van de voortduring van drie menschen geheugen, na den dood. Hieruit blijkt, wat al of niet werkelijk tot den mensch behoort. De uiterlijke gedachte van zjjn spreken, en de uiterlijke wil van zijn handelen zijn niet het eigendom van don booze, maar wel, wat hij innerlijk denkt en wil.

500, 501

373

ocr page 418

HEMEL EN HEL.

502. Na de vervulling van zijn eersten staat, die een uitwendige staat is, waarover in liet vorige hoofdstuk werd go-handeld, wordt de geestmensch in den staat van zijn innerlijk geleid, of in den staat van zijn innerlijken wil en daaruit voort-kouieude gedaehten, waarin hij reeds in de wereld was, als hij aan zich zelf was overgelaten om vrij en zonder bedwang to denken. Onbewust gaat hij in dozen staat over, zooals hij b.v. in de wereld de gedachte, die aan zijn spreken het naast ligt, of do gedachte, waaruit hij spreekt, naar het inwendige terug trekt en daarin blijft. Als de geestmensch nu in dezen staat is, is hij in zich zeiven en m zijn waar leven ; want vrij te denken, uit aandoeningen, die uitsluitend zijn eigendom zijn, is het ware leven des inenschen en du monsch zelf.

503. Een geest, die in dezen staat is, denkt uit zijn werkelijken wil, derhalve uit zijne werkelijke aandoening ot uit zijne werkelijke liefde. Alsdan maken zijne gedachte en zijn wil één, en wel zoo geheel, dat hij bijna niot schijnt te denkon, maar alleen te willen. Het is bijna hetzelfde mot het spreken, alleen met dit verschil, dat hij spreekt met eene zekere angstvalligheid, dat do gedachten van zijn wil naakt zullen ontsnappen ; want zijn wil hoeft deze gewoonte aangenomen gedurende zijn leven in de wereld.

504. Alle menschen zonder uitzondering worden na den dood in dozen staat geleid, omdat het do eigen staat van hunnen geest is. De vorige staat is die van 's menschen geest, waanneer hij in verkeer is met anderen, en is dus niet werkelijk zijn eigendom. Dat deze staat van het uitwendige, waarin de mensch na zijn dood het eerst komt — zooals in het vorige hoofdstuk werd getoond — niet zijn eigen is, kan uit vele dingen blijken, zoo b.v. hieruit, dat geesten niet alleen denken, maar ook spreken uit eigen genegenheid, want hunne spraak is uit die genegenheid, zooals werd aangetoond in het hoofdstuk over de spraak der Engelen, (nos. 234—245.) L*)e mensch dacht ook op die wijze in de wereld, wanneer hij in zich zeiven dacht, omdat hij dan niet over de woorden van zijn mond dacht, maar de onderwerpen zelf in zijn geest zajfc en hij zag dan in eéne minuut meer, dan hij later in

374

502—504

ocr page 419

TWEEDE STAAT NA DEK DOOD.

een half uur kon uitspreken. Dat de uiterlijke staat 's men-solieu eigendom niet is, nouli het eigendom van zijn geest, is ook hieruit duidelijk, dat hij gedurende zijn leven in de wereld, in verkeer mot anderen spreekt volgens do wetten van het zedelijk en burgelijk leven, en zijn inneriijko gedachte dan heerscht over de uiterlijke, gelijk de eone mensch over den anderen, opdat die de grenzen der achtbaarheid en eerbaarheid niet zal overschrijden. Verder hieruit, dut do mensch in zich zelvon overlegt, hoe hij moet spreken en handelen, om te behagen, vriendschap te winnen, goedwilligheid en gunst te verwerven. Hij doet dit op eene wijze, die aan zijne natuur vreemd is ; hij spreekt dus anders, dan hij doen zou, indien hij uit vrijen wil sprak. liet is hieruit duidelijk, dat de staat van zijn innerlijk, waarin de geest geleid wordt, zijn eigen staat is en ook zijn eigen staat was, toen hij nog in de wereld verkeerde.

505. Als de mensch in den staat van zijn innerlijk is, dan wordt het duideljjk van welken aard de mensch inner-Ijjk was in do wereld, want hij handelt dan uit zijn eigen zelf. Hij, die tijdens zijn leven op aarde, innerlijk in het goede was, handelt dan redelijk en wijselijk en inderdaad verstandiger en wijzer dan in do wereld, omdat hij losgemaakt is van het lichaam en van aardsche dingen, die duisternis veroorzaken en als het ware eene wolk daar tusschen stellen. Hij echter, die vroeger in het kwade was, handelt alsdan meer dwaas en krankzinnig, dan hij deed in de wereld, omdat hy nu geheel vrij is, zonder eenigen band ; want toen hij daar was, scheen hij voor het uiterlijke verstandig, omdat hij zich daarin als een verstandig mensch voordeed, maar nu hij van het uiterlijke is ontdaan, wordt zijne krankzinnigheid openbaar. De slechte mensch, die uiterlijk het voorkomen van een goeden heeft, kan vergeleken worden bij eene vaas, die uitwendig gepolijst is en glinstert en met een overdekking bedekt, maar waarin van binnen allerlei vuile stoffen verborgen zijn, zooals de Heer zegt, Matth. Will : 27. Gij zijt den irit-(jeplehtertlcn graven (/dijk, die can buiten wel schoon schijnen, maar can binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. 375

505

ocr page 420

HEMEL EN HEL.

506

506. Allou, dio in de wereld goed hebben geleefd en volgens hun geweten hebben gehandeld, zij nl. die het Goddelijke hebben erkend en die de Goddelijke waarheden hebben liefgehad, vooral diegenen, die ze op hun leven hebben toegepast, schijnen zich zelven toe, wanneer zij in hun in-wendigen staat verplaatst worden, als ontwaakten zij uit den slaap, of als traden zij uit de schaduw in het licht. Zij donken ook uit 'het licht des Hemels, en dus uit innerlijke wijsheid; zij handelen uit het goede en dus uit innerlijke aandoening ; ook vloeit de Hemel in hunne gedachten en aandoeningen in met een innerlijk gevojl van zaligheid en blijdschap, als waarvan zij vroeger geen denkbeeld hadden ; want zij hebben nu gemeenschap met de Engelen des Hemels. Ook erkennen zij dan den Hoer en aanbidden Hem uit hun eigen leven ; want zij zijn nu in hun eigenlijk leven, wanneer zij in den staat van hun innerlijk zijn, zooals zooeven in no. 505 gezegd werd. Zij erkennen en aanbidden Hem in vrijheid, want vrijheid behoort tot de innerlijke genegenheid. Zoodoende onttrekken zij zich ook aan den staat der uiterlijke heiligheid en komen in dien der innerlijke heiligheid, waarin de ware aanbidding werkelijk bestaat. Zoodanig is de staat van hen, die een christelijk leven hebben geleid, overeenkomstig de geboden des Woords. Het leven echter van hen, die boos en zonder geweten hebben geleefd, en tengevolge daarvan het goddelijke hebben geloochend, is juist het tegenovergestelde. Want allen, die in boosheid leven, ontkennen inwendig in zich zelven hot goddelijke, hoezeer zij in hunne uitwendige gedachten ook mogen denken, dat zij niet loochenen, maar erkennen ; omdat de erkenning van het goddelijke, en eon leven in het booze tegenovergesteld zijn. Wanneer zulke personen in het andere leven in den staat van hun innerlijk komen, doen zij, wanneer men hen hoort spreken, of ziet handelen, evenals zotten; want onder den invloed hunner booze lusten, breken zij uit in gruwelijke uitspattingen, zooals lastering, spot, kwaadspreken, haat, wraak, en het ontwerpen van bedriogeljjke listen, die sommigen met zooveel geslepenheid en boosheid beramen, dat men zou gelooven, dat zoo iets niet 576

ocr page 421

TWEEDE STAAT -VA DE.N' DUUI).

iu liet innerljjke van een monsch bestaan kon; want zij zjjn in dezen staat vrij, om naar de gedachte van hun wil te handelen, daar /.ij ontdaan zjjn van hun uiterlijk, dat tien in de wereld in toom hield. In één woord, zij zijn ontbloot van redelijkheid, omdat de rede, die zij in de wereld bezaten, haren zetel niet had in hun innerijjk, maar alleen in hun uiterlijk, en toch verbeelden zij zich dan boven alle anderen wijs te zijn. Omdat zij dit karakter hebben worden zij in dezen tweeden staat somtijds voor een korten tijd in hun uiter-Ijjken staat terug gebragt met herinnering aan de handelingen, die zij in hun staat van het inwendige hadden begaan. Sommigen worden dan beschaamd over zich zelf en bekennen, dat zij dwaas zijn geweest. Anderen zijn niet beschaamd, en sommigen zijn boos, omdat het hun niet geoorloul'd is voortdurend in hun uiterlijken staat te blijven. Aan dezen werd dan getoond, hoedanig zij zouden zijn, indien zij aanhoudend in dien toestand bleven; zij zouden dan heimelijk met gelijke gruwelijke daden omgaan, en onder den sc hijn van goedheid, oprechtheid en rechtvaardigheid, de oenvoudigen van hart en geloof verleiden en ook zich zeiven totaiil verwoesten ; want de brand, die in hun binnenste woedde, zou ten laatste ook hun uiterlijk aangrijpen, en hun geheele leven verteren.

507. In den tweeden staat blijkt van de geesten duidoljjk welke menschen zij innerlijk in de wereld waren. Zij maken dan openbaar, wat zij in het verborgen hadden gezegd en gedaan; omdat nu geen uiterlijk overleg hen weerhoudt, zeggen zij die dingen openlijk en handelen eveneens, zonder eenige vrees voor hun naam, zooals in de wereld. Ook worden zij dan in vele toestanden geleid van liunne vroegere boosheden, opdat het aan Engelen en goede geesten moge blijken, welke wezens' zij zijn. Op deze wijze worden de verborgen dingen openbaar, en het heimelijke ontdekt, gelijk de Ifeer heeft gesproken : En er Is niets bedekt, ilut niet zul ontdekt irordoi, en verhoryen, dut niet aal qeiwien worden. Daarom al wat yij in de duisternis gezegd hebt, zal in 't licht gehoord worden; en wat gij in 7 oor gesproken hebt, in dg S77

507

ocr page 422

HEMEL KX HEL.

binnenkamers^ zal op do daken yepredikt worden, (Luk. XTi : 2, 3.) Maar ik seij !lt;, dat van elk ijdel woord V welk de mcn-sclirn sullen tjesproken hebben, zij ran V zelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels, (Matth. XII : 3ü.)

508. Hoedanig in dezen staat dc boozen zijn, kan niet weinig woorden niet gezegd worden, omdat ieder dan aan zijne eigen lusten is overgegeven, en deze velen zijn. Ik zal daarom slechts oenige voorvallen opgeven, waardoor men over dc anderen kan oordeelcn. Zii, die voornamelijk zichzelf hebben bedoeld cn in alle betrekkingen en handelingen, alleen hunne eer voor oogen hadden, cn nut hebben gesticht, niet om het nut zelf, en omdat zij daarin vreugde gevoelden, maar om er naam door te maken, en hooger dan anderen geacht te worden en vreugde gevoeld hadden in de verbreiding van hunnen roem; dezen zijn in den tweeden staat stompzinniger dan anderen. Want naarmate iemand zich zelf liefheeft, verwijdert hij zich zelf van den Hemel, en naarmate hij verwijderd is van den Hemel, is hij ook verwijderd van de wijsheid. Zij echter, die tegelijk door eigenliefde en listigheid zijn ingenomen, en die zich door kunstgrepen in eereplaatsen hebben gewerkt, verbinden zich met liet allerslechtste gezelschap en leeren too verkunsten, die een misbruik zijn van de Goddelijke orde en waardoor zij allen, die hun geen eer bewijzen, onrecht doen en kwellen. Zij leggen strikken, koesteren haat, branden van wTaak cn wreedheid, jegens allen, die hen niet onderworpen zijn, en in dit alles storten zij zich zeiven zoo ver in, als het booze rot hen begunstigd. Ten laatste overleggen zij, hoe zij kunnen opklimmen naar den Hemel, om dien te verwoesten, of zich daar als goden zullen laten aanbidden. Tot zulk eene hoogte stijgt hun waanzin. Dezulken onder hen, die tot den Pauselijken godsdienst hebben behoord, zijn meer uitgelaten dan anderen; want zij meenen, dat de Hemel en de Hel hun onderworpen zijn, en dat zij de zonden des volks naar welgevallen kunnen vergeven. Zij matigen zich alle goddelijke eigenschappen aan en noemen zich christus. Hun waan, dat dit zoo is, is zoo sterk, dat waar die indringt, het gemoed wordt verstoord en

508

378

ocr page 423

TWEEDE STAAT JsA DEN DOOD.

een duisternis veroorzaakt tot pijnlijkheid toe. Deze geesten zijn in beide staten tamelijk gelijk, maar in den tweeden is linn-ne redelijkheid weg, doch van hunne razenjen en van hun lot na dezen toestand zal nog in het bijzonder iets gezegd worden in het werkje over het laatafe oordeel en het venroeste Babi/Ion. Zjj, die de Schepping toeschreven aan de natuur, en, schoon niet met de lippen, maar in het hart het Goddelijke en dus ook alle dingen omtrent de kerk en den Hemel loochenen, verbinden zich in dezen staat met huns gelijken, en noemen iedereen, die in sluwheid uitmunt, god en bewijzen hem goddelijke eer. Ik zag een aantal dier geesten, iu eene samenkomst, een toovenaar aanbidden; zij twistteden over de natuur en gedroegen zich zoo waanzinnig, dat zij beesten geleken in menscheljjken vorm. Toch waren onder hen mannen van hoogen rang, nl. in de wereld, en sommigen die voor geleerden en wijzen doorgingen, en zoo waren andere met verscheidenheid. Uit deze weinige voorbeelden moge blijken, hoednnig zij moeten zijn, wier innerlijk gemoed was gesloten voor den invloed des hemels, zooals dit het geval is met allen, die in het geheel geen invloeing uit den Hemel opnemen, door erkenning van het Goddelijke, en een leven des geloofs. ledereen moge beoordeelen, hoedanig hij zijn zou, als hij zulk een ware en geheel vrij handelen durfde, zonder vrees voor de wet, of voor zijn leven, vrij van alle uiterlijke banden, als vrees voor zijn naam, of oer, of winst en het aangename daaraan verbonden. De uitgelatenheid van zulke geesten is echter onder het toezicht des Ileeren, zoodat zij de grenzen van hun nut niet te buiten gaan ; want ook zij dienen nog een nut. Goede geesten zien in hen, wat kwaad is, en hoe de mensch zijn zou, indien hij niet geleid werd door den Heer. Een nut is ook, dat gelijksoortige booze geesten bijéénvergaderd en afgescheiden worden van de goeden, en ook dat het ware en het goede, dat de boozen uiterlijk hebben en laten zien en voorwenden, van hen zou worden weggenomen, en zij aan zich zeiven zouden worden overgegeven in de logen van hun kwaad en zoo zouden voorbereid worden voor de hel. Want niemand gaat naar de hel, voordat hij in zijn eigen kwaad 379

ocr page 424

HEMEL EX HEL.

en in het valsche van zijn kwaad is, omdat het niet past, dat men daar no^ verdeeld is van gemoed, ot dat men o\ei liet eene denkt on spreekt en het andere wil. Daar moet iedere booze geest de logeu, afgeleid van liet kwaad, bedenken en bespreken en beiden doen volgens zijn wil, derhalve uit zijne eigenlijke liefde, met blijdschap en vermaak, juist als hij deed in de wereld, wanneer hij dacht in zichzelf, dat is in zijn geest, uit zijne innerlijke aandoening. \\ ant de wil is do mensch zelf, niet zoo de gedachte, tenzij die voortkomt door den wil. De wil is 's menschen ware natuur of bestaan, zoodat overgave aan zjjn wil eene overgave is aan zijne eigene natuur en zijn eigen leven; want de mensch neemt eene natuur aan gedurende zijn leven, en den mensch blijft, na den dood die natuur bij, die hom eigen was bij zijn leven op de aarde, en die natuur van den booze kan daar dus niet meer verbeterd of veranderd worden door middel dei gedachten of het verstand der waarheid.

509. Daar in dezen tweeden staat booze geesten tot allerlei misdaden toesnellen, gebeurt het dikwijls, dat zij gestreng worden gestraft. In de geestenwereld bestaan verschillende straften, en er wordt geen onderscheid van persoon gemaakt, hetzij iemand in de wereld een koning, dan wel een dienstknecht seweest is. Elk kwaad draagt zijne straf in zich ; beide gaan samen ; wie dus deelgenoot is van het kwaad is ook deelgenoot van de straf. Niemand wordt er echter gestraft voor kwaad, dat hij in de wereld heeft gedaan, maar voor het geen hij daar doet. Het komt evenwel op hetzelfde nedei, of men zegt, dat de booze gestraft wordt voor zijn kwaad in de wereld, dan wel voor het kwaad in het andere leven ; want iedei keert na den dood, tot zijn eigen loven terug, en dus tot soortgelijke boosheden, terwijl zijn natuur zoodanig blijft als zijn leven was in het lichaam, (nos. 470 484). De reden, waarom zij gestraft worden is, omdat de vrees voor strut het eenige middel is om boosheden in dezen staat te onderdrukken. Vermaningen, ouderwijs, vrees voor de wet en voor hun naam zijn niet langer van nut; want iedereen handelt nu overeeHkomstig zijne natuur, die niet beteugeld ot ver-380

509

ocr page 425

TWEEDE STAAT .VA DEN' DOOO.

broken kan worden, tenzij door straf. Goede geesten worden echter niet gestraft, schoon zij in de wereld kwaad hebben gedaan; want hun kwaad keert niet terufj:. Ook werd mij gezegd, dat hun kwaad van een anderen aard was dan dut van do boozen, omdat zij daarin niet met opzet handelden tegen de waarheid, noch uit een ander slecht hart, dan wat zij van hunne ouders hadden overgeërfd ; waarin zij werden geleid door een blind vermaak, wanneer zij in hun uiterlijk waren, afgescheiden van hun innerlijk.

510. Ieder gaat naar zijn eigen gezelschap, waarin zijn geest reeds in de wereld was, want ieder mensch is nl. met zijn geest vereenigd met eenig lt;!;eze'sdiaP) of uit den Hemel of uit de Hel; —een slecht mensch met een helsch gezelschap, een goede niet een Hemelsch gezelschap waarheen hij na zijn dood terugkeert, (zie no. 438.) Door achtereenvolgende stappen wordt de geest nader gebracht tot dat gezelschap, totdat hij ten laatste er intreedt. Als een booze geest in den staat van zijn innerlijk is, wordt hij trapsgewijs naar zijn gezelschap gekeerd en ten slotte regelrecht daar heen, nog voor zjjn staat is geëindigd. Is dat einde daar, zoo werpt hij zich zelf, uit eigene beweging, naar zijns gelijken in de Hel. Als hij werkelijk zich zelf nederwaarts werpt, schijnt het voor het oog, alsof hij hals over kop met het hoofd naar beneden en met de voeten omhoog nedervalt; de reden hiervan is, omdat hjj de orde heeft omgekeerd, daar hij de helsche dingen heeft liefgehad, en de hemelsche heeft verworpen. Sommige boozen gaan in hun tweeden staat beurtelings de hollen in en komen er weder uit; maar deze schijnen dan niet onderste boven te vallen gelijk zij, die ten volle zijn bedorven. Het gezelschap, waarmede reeds in de wereld hun geest was verbonden, wordt hun reeds in hun uiterlijken staat getoond ; opdat zij weten zouden dat zij, tijdens hun leven in het lichaam, reeds met dc 1 lel verbondon waren. Zij waren echter toen nog niet gelijk met de bewoners der Hel zelf, maar mot die der geestenwereld. De staat van hen, in vergelijking tot dien van hen, die in do Hel zijn, zal in een volgend hoofdstuk worden aangetoond.

510

381

ocr page 426

HEMEL EX HEL.

511 De scheiding tussehen booze en goede geesten wordt volbragt in dozen tweeden staat. In den eersten staat blijven zij te zamen, omdat de geest in zijn uiterlijk nog handelt o-clijk in de wereld, waar slechten en goeden met clkftnder omgaan. Is hij aan zijn innerlijk en aan zijne eigene natuur of quot;wil overgelaten, dan houdt dit op. De scheiding van de kwade geesten van de goede wordt langs verschillende wegen volbragt. Zij worden gewoonlijk rondgevoerd tot die geze-schappen, waarmede zij, door goede gedachten en aandoemn-fjen in den eersten staat, vereenigd waren en wel tot zulko, die'bon, naar hun uiterlijk, voor niet kwaad hadden aangezien. Meestal worden zij rondgevoerd in eene wijde kring en overal wordt aan de goede geesten getoond, van welken aard zij zijn. Als dezen hen zien, keeren zij zich van hen af en de booze geesten wederkeerig wenden zich van de croeden af naar de streek, waar hun helsch gezelschap is, waar zij later heen gaan. De vele andere wegen, om de scheiding te bewerken, gaan wij stilzwijgend voorbij.

DF DERDE STAAT DES MENSCHEN NA DES DOOD, WELKE DE STAAT IS DEK ONDERWIJZING VOOR HEN,

DIE NAAR DEN HEMEL GAAN.

519 Dc derde staat des menachen of zijns geestes, na den dood 'is do staat der onderwijzing. Deze staat is voor hen die naar den Hemel gaan en Engelen worden, maar met voor hen die naar de Hel gaan, omdat z.j er onvatbaar voor zijn Hun tweede staat is daarom ook de derde, die daarin eim ig , zij geheel tot hun eigen liefde en dus tot het helsche gezelschap, dat in gelijke liefde is, worden gekeerd, Is dit bereikt, dan willen en denken zij uit die liefde, die helsch is. Zij Will0n dan niets dan kwaad, bedenken niets dan logen en verblijden er zich over, omdat het voorworpen zijn hunner Hofde. Zij verwerpen daarom al wat goed is en waar. omdat zij dit slechts van te voren hadden aangenomen dewijl het aan hunne liefde dienstbaar was. De goeden worden echter

van den tweeden staat in een derden geleid, die door het onder-

511, 512

ocr page 427

I1K DERDE STAAT SA DEN DOOD.

wijs hunne voorbereiding is voor den hemel ; want niemand kan voorbereid worden voor den hemel, dan door de kennis van goed en waar, dus niet zonder onderwijs, omdat niemand weten kan, wat geestelijk goed en waar is, noch wat de tegenstellingen kwaad en logen zijn, dan door onderwijs. Wat burgerlijk cn zedelijk goed en waar is, als rechtvaardigheid en oprechtheid, moge in de wereld gekend worden ; want de burgerlijke wetten leeren wat reciit is, en er is maatschappe-hjken omgang, die den mensch leert leven naar de zedelijke wetten, welke alle betrekking hebben op hetgeen zuiver en oprecht is — maar geestelijk goed en waar worden niet dooide wereld, maar door den Henicl geleerd. Wat zij zijn, kan wel is waar gekend worden door liet Woord en de leer der kerk, die afgeleid is van hot Woord ; maar zij kunnen niet ingaan in het leven, tenzij de mensch, wat zijn innerlijk betreft, in den hemel is. De mensch is in den hemel, wanneer hij het Goddelijke erkent en te gelijk recht en zuiver handelt, wijl dit bevolen is in het Woord. Zoodanig leeft hij rechtvaardig en spreekt, ter wille van het Goddelijke en niet uit eigen-of wereldliefde. Niemand kan zoodanig handelen, tenzij hij onderwezen is in waarheden als deze: Dat er een God is, dat er een Hemel is en eene Hel, dat er een leven is na den dood, dat men God lief moet hebben boven alles en zijn naasten als zichzelf, en dat de dingen, die in het Woord staan, geloofd moeten worden, omdat het Woord Goddelijk is. Zonder kennis en erkenning van deze dingen kan de mensch niet geestelijk denken, en zonder gedachten daarover wil hij ze ook niet; want zonder bekendheid er mede kan hij er niet over denken en waarover hij niet denkt, kan hij niet willen. Wanneer daarom deze waarheden voorwerpen zijn van's men-schen wil, gaat de Hemel tot hem in, dat is, de Heer gaat, door den Hemel, in tot zijn leven; want Hij gaat in tot zijn wil en door dezen tot ziiue gedachte, en door beiden tot zijn leven; want 's inenschen geheele leven is uit zijn wil en zijne gedachte. Uit deze opmerkingen blijkt, dat geestelijk goed en waar niet door de wereld worden geleerd, maar dooiden Hemel, en dat niemand voor den Hemel kan worden voor-383

ocr page 428

ItEMEL EX HEI,.

bereid, tenzij door onderwijs. Naar mate daarom de Heer tot iemands leven invloeit, onderwijst Hij hem, daar Hij in zijn wil liefde voor de kennis der waarheid ontsteekt en zóó zijne gedachte verlicht, dat hij in staat is om haar te kennen, en naarmate dit is bereikt, is 's menschen innerlijk geopend en de hemel in hem ingeplant. Goddelijke en Hemel-sche beginselen vloeien voortaan in de handelingen van zijn zedelijk leven en in de rechtvaardige handelingen, die tot zijn burgerlijk leven behooren en deelen er eene geestelijke natuur aan mede ; want hij handelt dan uit het Goddelijke, dat is terwiile van het Goddelijke. De zuivere en rechte handelingen van zijn zedelijk en burgerlijk leven, die van dezen oorsprong zijn, zijn de uitwerkingen van het geestelijk leven zelf, en de uitwerkingen ontleenen alles wat zij hebben aan de dadelijke oorzaak, want zooals do oorzaak is, zoo is

ook de werking.

513. De onderwijzingen worden gegeven door de Engelen van vele gezelschappen, bijzonder door hen, die in de noordelijke en zuidelijke streken zijn, omdat zij in inzicht en wijsheid zijn, die ontsproten is uit de kennis van goed en waar. De plaatsen van onderwijs zijn noordelijk gelegen, zijn van verschillende beschrijving en zijn geregeld en onderscheiden naar de soort en den aard van het Hemelschc goed, opdat ieder onderwijs zou kunnen ontvangen naar zijn aanleg en vatbaarheid. Deze plaatsen breiden zich tot eene aanmerkelijke uitgestrektheid in alle richtingen uit, en de goede geesten, die daar zullen onderwezen worden, worden daarheen geleid door den Heer, na de voltooiing van hun tweeden staat in de geestenwereld. Allen gaan evenwel niet daarheen, want zij, die in de wereld onderwijs hadden ontvangen, waren daar ook door den Heer voor den Hemel voorbereid en gaan langs een anderen weg naar den Hemel. Sommigen hunner gaan er onmiddelijk heen na den dood, anderen na een kort oponthoud bij de goede geesten, waar het grove uit hunne denkbeelden, als een gevolg van eer en rijkdom in de wereld, verwijderd en hunne zuivering voltooid wordt; anderen ondergaan eerst eene loutering, die geschiedt in plaatsen onder de voet-

513

384

ocr page 429

DE DERDE STAAT NA DEN DOOD.

zolon, dio do benedenwereld worden genoemd; sommigen ondergaan dan een zwaar lijden. Het zijn zulken, die zicii in valschheden hebben bevestigd en tocli een goed leven bobben geleid; want valschheden, indien men er zich iu bevestigd heeft, hechten zich met veel kracht, en tenzij zij verwijderd worden, kan de waarheid niet worden gezien en dus ook niet worden ontvangen. Maar het onderwerp der louteringen (vastationes) en de wijze, waarop zij bewerkt worden, is in de Hemehrhe Geheimen behandeld en daaruit zijn de onderstaande aantee-keningen verzameld. 2

514. Allen, die in de plaatsen van onderwijs zijn, wonen afzonderlijk, want iedereen is ton opzichte van zijn inwendige verbonden met het gezelschap des Hemels, waarheen hij gaan

514

r. Er zijn louteringen in het andere leven, d. w. z. zij. die daar komen nit de wereld, worden gelouterd; nos. 698, 7122, 7474, 1)763. De welgezinden worden gelouterd ten opzichte van valschheden, en de boozen ten opzichte van waarheden; nos. 7474, 7541, 7542. De welgezinden ondergaan louteringen, opdat zij afleggen, wat van de aarde en de wereld is, en aangenomen werd, terwijl zij in de wereld leefden; nos. 7186, 9763; en opdat boosliedcn cn valschheden worden weggedaan, en dus plaats gemaakt voor de invloeiing van goede cn ware dingen uit den Hemel van den Heer, en voor de vatbaarheid om die op te nemen; nos. 7122, 9330. Zij kunnen niet in den Hemel worden verheven, voordat zulke dingen verwijderd zijn, omdat die niet samengaan met hemelsche dingen, en die in dén weg staan; nos. 61)28, 7122, 71S6, 7541, 7542, 9763. Evenzoo worden zij toebereid, die in den Hemel zullen worden opgenomen ; nos. 4728, 7090, Het is gevaarlijk in den Hemel te komen zonder voldoende voorbereiding ; nos. 537, 538. De staat van verlichting des verstands en de vreugde van hen, die uit de loutering komen, en in den Hemel verheven worden, en hunne ontvangst aldaar ; nos. 2699, 2701, 2704. Destreek, waar die louteringen plaats vinden heet de benedenwereld; nos. 4728. 7090. Die streek is onder de voetzolen omgeven door de Hellen ; beschrijving van haar hoedanigheid ; nos. 4940—51, 7090 ; ondervinding daaromtrent; no. 699. Welke de Hellen zijn, die meer dan anderen aanvochten en louteren ; nos. 7317, 7502, 7545, Zij. die de welgezinden hebben aangevochten en gelouterd, vreezen hen naderhand, schuwen hen, en houden ben in afkeer ; nos. 7768. Die aanvechtingen en louteringen hebben op verschillende wijze, plaats, naarmate van het aankleven van het kwade en het valsche, en houden aan naarmate van den aard en de grootte daarvan; nos. 1106—13. Sommige zijn gewillig om gelouterd te worden, no. 1107. Sommige worden door vrees gelouterd; no. 4942. Sommige door aanvechting van bun kwaad, dat zij in de wereld deden, en van hunne valschheden, die zij in de wereld dachten, waardoor zij angst en smart van hun geweten hebben; no. HOn. Sommige door geestelijke gevangenschap, die onwetendheid is en heimelijke wegneming van waarheid is, verbonden met de begeerte om waarheden te weten ; nos. 1109, 2091. Sommige door slaap, andere door middelstaat tusschcn slapen en waken; nos. 1108. Zij, die verdienste gesteld hebben in goede werken, schijnen zich zeiven toe als hakten zij hout; no. 1110, anderen op andere wijze, met veel verscheidenheid ; no. 699.

25i

385

ocr page 430

HEMEL EX HEL.

zal. Gelijk nu de lienielsclie gezelschappen geordend zijn overeenkomstig den vorm des Hemels, (zie no. 200—212) zoo ook do plaatsen, waar onderwijs wordt gegeven; zij gelijken daarom, wanneer die plaatsen van den Hemel uit gezien worden, oenen hemel in het klein. In de lengte loepen zij van Oost tot West, - en in do breedte van Zuid tot Noord; de breedte schijnt korter dan de lengte. In het algemeen is de orde als volgt. Vooraan zijn zij, die als kinderen zeer jong stierven, tot liunne vroege jeugd in den Hemel werden opgevoed, en die, na den staat van hunne kindsheid te hebben doorloopen, met hen die voor hen zorgden, door den Heer hierheen gebracht, en onderwezen worden. Achter hen zijn zij, die in rijpen leeftijd stierven, en die bevestigd waren in liefde tot de waarheid, uit het goede des levens. Achter dezen zijn de Mohammedanen, die in de wereld een zedelijk leven hadden geleid, een God erkenden en den Heer als de eigenlijke profeet beschouwden. Wanneer deze van Mohammed afvallen, omdat hij hun geene hulp verleenen kan, komen zij tot den Heer, aanbidden Hem, erkennen zijne Goddelijkheid en worden dan onderwezen in den Christelijken godsdienst. Achter hen, meer Noordelijk, zijn de plaatsen voor de onderwijzing der verschillende heidensche volkeren, die in hun loven overeenkomstig hun godsdienst goed hebben geleefd en daardoor een zeker geweten hebben verkregen ; die recht en oprecht hebben gehandeld, niet zoo zeer uit gehoorzaamheid aan de wetten van hun land, dan wel aan die van hun godsdienst, in het geloof, dat deze behooren heilig gehouden en niet geschonden te worden. Na onderwezen te zijn, worden deze allen gemakkelijk tot de erkenning van den Heer gebracht, omdat zij in hun hart hebben geloofd, dat God niet onzichtbaar is, maar zichtbaar onder een menschelijken vorm. Deze overtreffen in getal al de overige; de besten hunner komen uit Afrika.

515. Allen worden echter niet op dezelfde wijze onderwezen, noch door dezelfde Hemelsche gezelschappen. Zij, die in hunne kindsheid in den Hemel zijn opgevoed, worden door Engelen uit de binnenste Hemelen onderwezen, omdat

515

386

ocr page 431

DK DERDE STAAT NA DEX DOOD.

zij geene omvaarhodcn van Godsdienstige logen hebben ingezogen, noch hun geestelijk leven hebben besmet door bedorvenheden van eer en rijkdom der wereld. Zij, die op rijpen leeftijd zijn gestorven, worden meest allen onderwezen door Engelen uit den laagsten Hemel, die hiervoor moer geschikt zijn, dan de Engelen uit de binnenste Hemelen, die bevestigd zijn in innerlijke wijsheid, welke zulke geesten nog niet kunnen bevatten. De Mohammedanen worden ouderwezen door Engelen, welke van dieu godsdienst tot het Christendom waren bekeerd. Zij, die de heidenen onderwezen, waren Engelen, die zelf heidenen waren geweest.

516. Alle onderwijs wordt daar gegeven door eene leer, die getrokken is uit het Woord, maar niet door het Woord, zonder leer. Christenen worden onderwezen door Hemelsche leer, die in elk opzicht met den innerlijkeu zin des Woords overeenkomt; alle anderen, ook Mohammedanen en heidenen, door eene leer die berekend is naar hunne vatbaarheid, die alleen van de leer des Hemels daarin verschilt, dat in haar het geestelijk leven wordt onderwezen door middel van het zedelijk leven, in overeenstemming met het goede in hunnen godsdienst, waardoor hun leven iu de wereld was gevormd.

517. De manier van onderwijs in de Hemelen verschilt van die op aarde hierin, dat de kennis niet medegedeeld wordt aan het geheugen, maar aan het leven ; want het geheugen der geesten bestaat in hun leven, daar zij al wat met hun leven overeenkomt ontvangen en in zich opnemen, maar niet ontvangen en nog minder iu zich opnemen hetgeen er niet mede overeenkomt. De reden is, omdat geesten aandoeningen hebben en daarom in menschelijken vorm gelijk aan hunne aandoeningen bestaan. Wijl nu hunne natuur zoo is, wordt de genegenheid voor waarheid hun onophoudelijk ingeboezemd terwille van het nut des levens. Want de lieer zorgt er voor, dat iedereen zal liefhebben, wat geschikt is voor zijnen aanleg, en welke liefde wordt aangespoord door de hoop, om een Engel te worden. Daar al wat in den Hemel als nuttig wordt beschouwd, betrekking heeft op het algemeeno nut, dat is; van het rijk des Heeren, daar dit rijk hun vaderland is en om-

516, 517

387

ocr page 432

HEMEL EX HEL.

dat alle speciale en bizondere nut uitmuntend zijn, naarmate dat zij meer van nabij en meer volkomen dat algemeen nut beoogeu, daarom zijn allo speciale en bizondere nuttigheden, en die zijn ontelbaar, goed en hemelsch. Hierom is in ieder de genegenheid voor waarheid vereenigd met genegenheid voor het nut, zoódat zij één uitmaken ; hierdoor wordt waarheid in het nut ingeplant, zoodat de waarheden, die zij leeren, waarheden zijn van nut. Op deze wijze worden engelengeesten onderwezen en toebereid voor den Hemel. De genegenheid om de waarheid nuttig te doen zijn, wordt hun ingegeven door verschillende middelen, die meestal onbekend zijn in de wereld. Dit geschiedt vooral door voorstellingen van nut, die in de geestelijke wereld langs duizende wegen verkregen worden en die verzcld gaan met zulke verblijdende en genoegelijke gewaarwordingen, die den geest als doordringen van het innerlijk van zijn gemoed tot het uiterlijk van zijn lichaam en dus hem geheel aandoen. Op deze wijze wordt de geest als het ware zijn eigen nut, en als hij dus zijn eigen gezelschap ingaat, waarin hij door zijn onderwijs is ingeleid, zoo is hij in de verheuging zijns levens, als hij in het gebruik is van dat nut. a Uit deze opmerkingen moge duidelijk zijn, dat kundigheden, die uiterlijke waarheden zijn, geene grond zijn voor het ingaan in den Hemel, maar wel het leven, dat het leven van het nut is, 't welk door kundigheden wordt ingeplant.

518. Er waren sommige geesten, die door hunne gedachten, in de wereld zich hadden voorgesteld, dat zij in den Hemel zouden komen en vóór anderen zouden worden toegelaten, omdat zij geleerd waren en veel kennis van het Woord en van de leer hunner kerk hadden opgedaan. Daarom meen-

a. Ieder goed heeft zijn genot door nnt, en voIgenR dat nut, en evenzoo zijne hoedanigheid ; daarom is het goed, zoo als het nut is; nos. 3040, 4084, 7038. Engelenleven bestaat in de goede dingen der liefde en der liefdadigheid, dus in het doen van nut; no. 454. Niets in den inensch wordt door den Heer geacht, en daarom ook door de Engelen, dan bedoelingen tot nut: nos. 1317, 1G45, 5854. Het rijk des Heeren is een rijk van nut; nos. 454, 60G, 1103, ,quot;045, 4054, 7038. Den Heer dienen is nut stichten; no. 7038. De hoedanigheid van den mensch is naar de hoedanigheid van zijn nut; nos. 15GS, 3570, 4051, 0571, 6935, G038, 10284.

518

388

ocr page 433

1gt;E DEKUE STAAT NA DEX DOOD.

den zij wijs te zjju en te beliooren tot hen, van wie gezegd is, dat zij zullen blinken gelijk de zon en als de sterren, (Dan. XII : 3.) Maar zij werden onderzocht, of hunne kennis in hun geheugen of in hun leven bestond. Zij, die in oprechte liefde voor de waarheid of in de waarheid om haar nut, afgezien van lichamelijk of wereldsch voordeel, dus in innerlijk, geestelijk nut waren bevestigd, werden, na hunne onderwijzing, opgenomen in den Hemel, liet werd hun dan gegeven, om te weten, wat het is, dat in den Ueniel schijnt, en dat het in der daad de Goddelijke waarheid is, die het licht is des Hemels, in nut; dit nut is de grondslag, die de stralen van hot licht dos Hemels opneemt en iu prachtige, verschillende kleuren veranderd. Zij echter, wier kennis alleen in hun geheugen bestond, en die een zekere bekwaamheid hadden opgedaan, om over do waarheid te redeneeren, ter bevestiging van hetgeen zij als vaste beginselen hadden aangenomen, en na hunne bevestiging voor waarheden hadden aangezien, ofschoon ze valsch waren, aangezien zij in geen Hemelsch licht waren, en tocli in een geloof, door de eigenwaan, die gewoonlijk zulk een inzicht aankleeft, dat zij meer geleerd waren dan anderen en daarom naar den Hemel zouden gaan, en door de Engelen zouden worden gediend, werden, om hen van deze noodlottige verbeelding te verlossen, tot den eersten of laagsten Hemel opgenomen, als om in eenigeEngelen-vereeniging ingeleid te worden ; maar toen zij nog bij den ingang waren, begonnen hunne oogen te verduisteren, door het indringende Hemelsche licht; hunne kennis werd daarna verward en zij begonnen ten laatste naar adem te hijgen, als op het punt om te stikken ; en wanneer zij de hitte des hemels ondervonden, nl. de lieniel-sclio iiet'de, gevoelden zij eene inwendige marteling. Zij werden daarom naar beneden geworpen, en later werd hun geleerd, dat het geene kundigheden zijn, die den Mngel vormen, maar liet leven, dat door middel van haar wordt verkregen ; want kennis op zich zeiven beschouwd is buiten den Hemel, maar het leven, dat door haar wordt verkregen, is er thuis.

51'J. Nadat de geesten door onderwijs voor den Hemel 389

5 lil

ocr page 434

HEMEL EN HEL.

toebereid zijn, in de plaatsen liierboven beschreven, dat in korten tijd geschiedt, omdat zij in liet bezit zijn van geestelijke denkbeelden, die vole zaken in eens bevatten, alsdan worden zij bekleed met de kleeding der Engelen, die meestal wit is, als van fijn wit linnen. Zij worden dan op eenen weg geleid, die oploopt naar don Hemel en onder de zorg van Engelen gesteld; daarna komen zij onder de zorg van andere Engelen en worden in verschillende gezelschappen ingeleid, waar zij vele zalige dingen ontmoeten ; ten laatste wordt ieder door den Heer langs verschillende, soms zeer kronkelende wegen, tot zijn eigen gezelschap geleid. Geen Engel is met deze wegen bekend, maar alleen de Heer. Wanneer zij in hun eigen gezelschap aankomen, wordt hun innerlijk geopend, en daar dit in overeenstemming is met het inwendige van de Engelen, die in dat gezelschap zijn, worden zij dadelijk erkend en met vreugde ontvangen.

520. Ten opzichte der wegen, die van deze plaatsen naar den Hemel leiden, en waardoor de nieuwe Engelen ingaan, zal ik ecne merkwaardige bijzonderheid toevoegen. Zij zijn acht in getal. Twee leiden van elke plaats van onderwijs opwaarts, een Oostelijk en een quot;Westelijk. Zij, die 's Heeren heraelsch koninkrijk ingaan, gaan langs den Oostelijken weg, en zij, die naar Zijn geestelijk koninkrijk gaan, begaan den Westelijken. De vier wegen, die naar 's Hoeren hemelsch koninkrijk leiden, zijn als versierd met olijfboomen en vrucht-boomon van allerlei soort, en zij, die naar Zijn geestelijk koninkrijk leiden, zijn als getooid met wijngaarden en laurieren. Dit komt door de overeenstemmingen, want wijnranken en laurieren stemmen overeen met liefde voor waarheid en haar nut, terwijl olijven en vruchtboomen overeenstemmen met liefde voor goed en deszelfs nut.

520

390

ocr page 435

NIEMAND GAAT DEN HEMEL IN DOOR ONMIDDELLIJKE GENADE.

521. Zij, die niet onderwezen zijn aangaande den Hemel cu don weg daarheen, en ook over liet leven des Hemels in den mensch, zijn van gedachte, dat de opneming in den Hemel alleen afhangt van genade, die geschonken wordt aan hen, die geloofd hebben, en door voorspraak van den Heer; m. a. w. dat het niets anders is, dan eene toelating door gunst, en dat allo menschen, zonder uitzondering, zalig kunnen worden, indien de Heer dit wil. Sommigen meenen zelfs, dat al de bewoners der hel ook zalig zullen worden. Maar zulken zijn geheel onbekend met de natuur des menschen, en dat hij zoo van aard is als zijn leven is, en dat zijn leven zoo is, als zijne liefde is, niet alleen liet innerlijk vnn zijnen wil en zijn verstand, maar ook het uiterlijk, dat tot zijn lichaam behoort; en dat het lichamelijk omkleedsel alleen de uiterlijke vorm is, waardoor het innerlijke zich openbaart en waaruit volgt, dat de geheele mensch zijne eigene liefde is, (zie hierboven no 363). Ook weten zij niet, dat liet lichaam, op zich zelf niet leeft, maar wel door zijnen geest; dat de geest van den mensch werkelijk zijne genegenheid zelve is, en zijn geestelijk lichaaam niets anders is dan de genegenheid van den mensch, in menschclijken vorm, zooals die dan ook verschijnt na den dood (zie boven nos. 453- 4fi(l). Zoolang deze dingen onbekend zijn, kan do mensch gelooven, dat de zaligheid niets anders is, dan eene handeling van het Goddelijk welbehagen, dat gunst en genade wordt genoemd.

522. Eerst zal echter moeten verklaard worden, wat de Goddelijke genade is. Goddelijke genade is zuivere genade voor het geheele menschelijke geslacht, om dat zalig te maken. Zij wordt onophoudelijk aan ieder mensch aangeboden en wijkt van niemand terug, zoodat ieder, die met mogelijkheid gezaligd kan worden, zalig wordt. Maar niemand kan met mogelijkheid zalig worden, dan door Goddelijke middelen, die door don Heer in het. Woord zijn geopenbaard. Godde-l.jke middelen zijn de Goddelijke waarheden ; deze loeren,

391

ocr page 436

KEMEL EN HEL.

hoe de mensch moet leven, om zalig te worden. Door deze waarheden leidt de lieer den mensch naar den Hemel, en plant hem het leven des Hemels in. De Heer doet dit bij allen. Maar Hij kan niemand het leven des Hemels inplanten, tenzij hij afstand doe van het kwade; want het kwade werkt dit'tegen. Naarmate daarom de mensch afstand doet van het kwade, leidt hem de Heer door Goddelijke middelen uit loutere genade, en zulks van zijne kindsheid af tot aan het einde zijns levens in de wereld en daarna eeuwig-lijk. Dit is het wat onder Goddelijke genade is te verstaan. Uit deze opmerkingen is hot duidelijk, dat 's Heeren genade zuivere genade is, maar geene onmiddeljjke genade, die alleen zalig maakt uit enkel goedvinden, zij mogen geloefd hebben zoo zij wilden.

523. De Heer doet nooit iets tegen de orde, want Hij is do orde zelf. De Goddelijke waarheid, die uitgaat van den Heer is het, die deze orde daarstelt. Goddelijke waarheden zijn de wetten der orcle, waarnaar de Heer den mensch leidt. Den mensch te zaligen, door onmiddellijke genade zonder middelen, is tegen de Goddelijke .orde, en wat tegen de Goddelijke orde is, is tegen het Goddelijk wezen zelf. De Goddelijke orde is do Hemel in den mensch; maar de mensch heeft in zich zelvon deze orde verdorven door een leven tegen do wetten der orde, die Goddelijke waarheden zijn. Door zuivere genade wordt Hij door den Heer tot die orde teruggebracht, door middel der wetten van orde. Naar mate van zijne her-stolling, ontvangt hij den Hemel iu zich, en hij, die den Hemel in zich ontvangt, gaat na den dood den Hemel in. Hieruit is weder duidelijk, dat de Goddelijke genade des Hoeren wel zuivere, loutere genade, maar geene onmiddellijke genade is. ^

h. Goddelijke waarheid, uitgaande van den Heer, is datgene waaruit orde komt. Goddelijk goed is het wezen der orde; nos. 1728, 2258, 8700, 8988. Vandaar is de lieer orde; nos. 1919, 2011, 5110, 5703, 10336, 10019. Goddelijke waarheden zijn de wetten van orde; nos. 2447, 7995. De geheele Hemel is door den Heer geregeld volgens Zijne Goddelijke orde; nos. 2033, 7211, 9128, 9338, 10125, 10151, 10157. Vandaar is de vorm des Hemels een vorm volgens de Goddelijke orde; nos. 4010—43, 0007, 9877. In zoover de mensch volgens de orde leeft, dus zoo ver hij leeft in goed volgens Goddelijke

302

523

ocr page 437

KIEMAND WOKÜÏ ZALIG ÜOOK ONMIDDELLIJKE GENADE. 52-1, 525

524. Indien do mensch zalig kon worden door onmiddellijke genade, zoo zouden allen gezaligd worden, ook de bewoners der Hel; er zou zelfs geene plaats zijn gelijk de liel. Want de Heer is de genade zelf, de liefde zelf, de goedheid zelf, en dus te zeggen, dat Hij allen onmiddellijk zalig kan maken, maar dat Hij het niet doet, is Z^jne Goddelijke natuur weerspreken. Uit het Woord is bekend, dat do Hoer de zaligheid van allen wil, en niet wil dat iemand verloren ga.

525. De meeste monschen, die uit de Christelijke wereld het andere leven ingaan, dragen in zich dit geloof, dat zij zalig zullen worden door onmiddellijke genade. Die genade is het, waarop zij pleiten. Als zij onderzocht worden, blijkt het, dat zij hadden geloofd, dat er om in te gaan in den Hemel, niets meer noodig was, dan eene enkele toelating, en dat allen, die er eens zijn ingeleid, ingaan in het volle genot der Hemelsche vreugde; omdat zij niet weten wat de Hemel en wat de Hemelsche vreugde is. Er werd hun daarom gemeld, dat do Heer aan niemand den Hemel weigert, en dat zij toegelaten worden, als zij dit wenschen en er mochten blijven, als zij willen. Zij, die dit wenschtcn, werden ook toegelaten, maar zoodra zij den eersten drempel bereikten en de hitte des Hemelsch op hen blies, welke de liefde is, waarin de Engelen zijn, en door do instrooming van Hcmelscli licht,

waarheden, in zoover ontvangt hij den Hemel in zich; no. 4839. De mensih is liet schepsel, waarin bijeenaebraclit zijn alle dingen der Goddelijke orde, en van de schepping af i.s hij Goddelijke orde in vorm, omdat hij een ontvanger daarvan is; nos. 3lt;gt;28, 421Jgt;, 4220, 4223, 4523, 4524, 5114, 6013, 6057, 0005, 0026. 9700, 10150, 10472. De mensch wordt niet in het goede en ware geboren, maar in liet booze en valsehe, dus niet in Goddelijke orde, maar in het tegengestelde daarvan, en vandaar komt het, dat hij in louter onwetendheid geboren wordt, en daarom is het noodig, dat hij opnieuw geboren worde, dat is, wedergeboren worden, wat verricht wordt door Goddelijke waarheden, van den Heer, opdat hij worde teruggebracht in de orde; nos. 1047, 2307, 2308, 3518, 3812, 8480, 8550, 10283, 10284, 10286, 10731. Wanneer de Heer den mensch opnieuw vormt, d.w.z. de wedergeboorte schenkt, schikt Hij alle dingen bij den mensch volgens de orde, dat is volgens den vorm des Hemels; nos. 5700, 6690, 0031, 10303. Boosheden en valschheden zijn tegengesteld aan de orde, en toch worden zij, die daarin zijn. door den Heer geregeerd, niet in overeenstemming met de orde, maar door de orde; nos. 4839, 7877, 10777. Het is niet mogelijk voor een mensch, die in kwaad leeft, om door genade alleen te worden gezaligd, omdat dit tegengesteld is aan de orde; no. 8700.

393

ocr page 438

HEMEL EN HEL.

dat do goddelijke waarheid is, worden zij door zulk eeue beklemming des harten aangegrepen, dat zij holsche pijniging ondervonden iu plaats van Hemelsche blijdschap, en dooron-steltenis geslagen, wierpen zij zich met het hoofd nederwaarts naar omlaag. Aldus werden zij onderricht door levendige ondervinding, dat de Hemel niet gegeven kan worden door onmiddellijke genade.

520. Somtijds heb ik met do Engelen over dit onderwerp gesproken, aan wie ik mededeelde, dat in de wereld de meesten, die in kwaad leven, in hunne gesprekken met anderen over den Hemel en het eeuwige leven, standvastig beweren, dat de ingang in den Hemel in niets anders bestaat, dan in eene enkele toelating uit bloote genade, en dat dit voornamelijk wordt geloofd door hen, die geloof het eenige middel tot zaligheid maken, want zulke menschen hechten door de beginselen vun hun godsdienst geone waarde aan het leven en aan de daden der liefde, die het leven uitmaken, noch aan eenige andere middelen, waardoor de Heer den Hemel in den mensch inplant en hem vatbaar maakt voor de hemelsche vreugde. ijl zjj nu elk werkzaam middel, als noodzakelijk voor den Hemel, verwerpen, zoo nemen zij de noodzakelijke gevolgtrekking aan, dat de mensch naar den Hemel gaat, door genade alleen; waarbij zij gelooven, dat God de Vader tot deze genade bewogen wordt door do voorspraak van den Zoon. ])e Engelen antwoordden hierop, dat zij begrepen, dat zulk eeno leer noodzakelijk volgt uit het vooraf aangenomen beginsel van zaligheid door geloof alleen, en dat, doordien dit leerstuk hot hoofd is van al de andere en er, omdat het onwaar is, ook geen licht des Hemels kan indringen, daarom bestaat er zooveel onkunde in de kerk op dezen dag, betrekkelijk den lieer, den Hemel, het leven na den dood, de Hemelsche vreugde, hot wezen der liefde en het weldoen, en in het algemeen, betrekkelijk het goede en deszelfs vereeniging met het ware ; dientengevolge ook betrekkelijk het leven dos menschen, wat zijn oorsprong is en zijne natuur; terwijl toch niemand ooit zijn leven ontleent aangedachten, maar wel aan zijn wil en de daden, die daaruit 394

520

ocr page 439

NIEMAND WORDT ZALIG DOOR ONMIDDELLIJKE GENADE.

voortkomen, en door de gedacliten alleen in zoorerre, als deze ook uit den wil voortvloeien; zoo bezit ook niemand het loven door zjjn geloof, dan alleen in zooverre dit geloof uit do liefde voortvloeit. De Engelen bedroeven zich, dat deze zelfde personen niet weten, dat het geloof alleen bij iemand niet bestaan kan, omdat liet geloof zonder zijn oorsprong, die de liefde is, enkel eene kennis is, en bij sommigen eene soort van overtuiging, die eene gelijkenis met geloof heeft, (zie boven no. 482), en niet in 's menscheu leven is gezeteld, maar daarbuiten, daar het afgescheiden is van den menseh, wanneer het niet vereenigd is met zijue liefde. Zij zeiden verder, dat zulken, die deze beginselen betrekkelijk het wezenlijke middel tot zaligheid voor den menseh vasthielden, niet anders doen konden, dan in eene onmiddellijke genade gelooven ; want zij bemerken door natuurlijk licht en ook door duidelijke ondervinding, dat geloof afzonderlijk 's menschen leven niet maakt, omdat zij, die een slecht leven leiden eveneens kunnen denken en hetzelfde vertrouwen kunnen aannemon als andoren. Hierdoor komt het geloof, dat do slechte zoowel zalig kan worden als de goede, indien hij alleen in het uur des doods, met hetzelfde vertrouwen spreekt over de voorspraak en over genade door die voorspraak. De Engelen verklaarden, dat zij tot nog toe niemand hadden gezien, die slecht had geleefd, en door eene daad van onmiddellijke genade den llomol was ingegaan, hoeveel hij in de wereld ook hadde gesproken over die berusting of dat vertrouwen, dat in meer bizonderen zin gemeend is door het geloof. Als hun gevraagd werd, of Abraham, Iza.ïk, Jakob en David en de Apostelen niet door onmiddellijke genade in den Hemel waren opgenomen, antwoordden zij : „Niet één hunner.quot; Zjj verzekerden verder, dat zij allen hadden ontvangen overeenkomstig hun leven in de wereld, en dat zij wisten, waar zij waren en niet meer achting genoten dan anderen. Zij merkten verder aan, dat de reden, waarom zij zoo eervol in het Woord waren vermeld, deze is, dat door hen, in den innerlijken zin, de Heer is gemeend, en wel door Abraham, Izailk en Jakob de Hoer naar zijne Goddelijkheid en Godde-395

ocr page 440

HEMKL EX IIEL.

lijko Menschheid ; door David de Ueer naar ziju Goddelijk Koniugscliap, cn door de Apostelen de lieer naar zijne Goddelijke waarheden. Zij zeiden verder, dat zij niet eens aan deze personen dachten, wanneer het Woord door den inensch werd gelezen, omdat hunne namen den Hemel niet ingaan ; maar dat zjj in plaats daarvan een denkbeeld hebben van den lieer, zooals juist vermeld is, en dat derhalve in het Woord, hetwelk in den Hemel bestaat, (zie hierboven no. 259), deze personen niet zijn vermeld, omdat dit Woord do innerlijke zin is van het Woord, dat op de wereld bestaat. c

527. Het is onmogelijk het leven des Hemels in te planten in hen, die in do wereld een tegenovergesteld leven hebben geleid. Ik kan dit uit vele ervaring getuigen. Sommigen hadden zich verbeeld, dat zij de goddelijke waarheden spoedig zouden ontvangen en gelooven, indien zij die van Engelen hoorden ; dat zij alsdan een ander leven zouden leiden en in den Hemel zouden worden opgenomen. Dit was aan velen beproefd, echter alleen aan zulken, die dit hadden gemeend, om hen te overtuigen, dat er na den dood geen berouw kan plaats hebben. Sommigen hunner verstonden de waarheden, die zjj hoorden en schenen ze aan te nemen ; maar niet zoodra waren zij tot het leven hunner liefde teruggekeerd, of zjj verwierpen ze en spraken ze togen. Anderen verwierpen ze dadelijk en wilden ze niet eens hooren. Anderen wenschten, dat het leven hunner liefde uit de wereld hun zou worden

c. Door Abraham, Izaak en Jacob wordt in den inwendigen zin van het Woord de Heer bedoeld ten opzichte van liet Goddelijke Zelf en de Goddelijke Menschheid ; nos. 1S'J3, 401.^, 601)8, G185, 0270, 0804, 6847. Abraham is in den Hemel onbekend: nos. 1834, 1870, 3220. Door David wordt de Heer bedoeld ten opzichte van Zijn Goddelijk Koningschap; nos 1888, 0054. De, twaalf apostelen stellen den Heer voor met betrekking tot alle dingen van de Kerk, dus alle dingen, die tot geloof en liefde behooren; nos. 212!), 3354, 3488, 3858, 6397. Petrus stelt den Heer voor met betrekking tot geloof. Jacobus met betrekking tot liefdadigheid en Johannes met betrekking lot de werken der liefdadigheid ; nos. 3750, 10087. De twaalf Apostelen, zittende op twaalf tronen, oordeelende de twaalf stammen Israels, beteekent, dat de Heer zal oordeelen in overeenkomst met de waarheden en de goede dingen van geloof en liefde; nos. 2120, 0307. 1)^ namen van personen en plaatsen in het Woord, komen niet in den Hemel, maar worden veranderd in dingen en in toestanden; ook kunnen de namen in den Hemel niet uitgesproken worden ; nos. 1870, 5225, 0516, 10210, 102S2, 10432. De- Kngelen denken ook over personen in het afgetrokkene; nos. 8313, 8085, 0007.

527

396

ocr page 441

EEN UEMELSCH LEVEN, MET ZOO MOEIICUJK.

ontnomen en liet leven dor Engelen en des Kemels er voorin de plaats zou worden gesteld. Ook dit werd, bij toelating beproefd, maar toen het loven huns levens van hen was weggenomen, waren zij als dood en niet langer in het gebruik hunner zintuigen. Door deze cn andere ondervindingen werden de eenvoudig goeden overtuigd, dat niemands leven met mogelijkheid na don dood kan worden veranderd en geen boos leven in een goed kan worden bekeerd, noch een holsch leven in dat van een Engel; want iedere geest is van liet hoofd tot den voet zoodanig als zijne liefde is, derhalve zoo als zijn leven is, en dit te veranderen in een tegenovergesteld, staat gelijk met den geest te vernietigen. De Engelen verklaarden, dat het gemakkelijker was, om een vledermuis in eene duif, of een uil in een paradijsvogel te veranderen, dan een geest der Hel in een Engel des Hemels. Dat de mensch na zijnen dood zoo blijft als zijn leven in de wereld geweest is, kan men hierboven zien in het hoofdstuk daarover, (470 — 484). Hieruit moge duidelijk zijn, dat niemand den Hemel kan ingaan door onmiddellijke genade.

HET IS NIET ZOO MOEILIJK ALS MEN GELOOFT. OM EEN LEVEN TE LEIDEN, DAT NAAR DEN HEMEL VOERT.

528, Sommigen mcenen, dat het moeilijk is, om een leven te leidon, dat naar den Hemel voert, en oen geestelijk loven genoemd wordt, omdat zij gehoord hebben, dat de mensch do wereld moet verloochenen, zich ontdoen van al wat lusten dos lichaams en dos vleesches genoemd wordt en op geestelijke wijze moot leven. Hieronder verstaan zij, dat zij de weroldsche zaken moeten verwerpen, die voornamelijk in rijkdom en oor bestaan ; dat zij onophoudelijk zich moeten bezighouden mot vrome overdenkingen jegens God, do zaligheid en hot eeuwig leven; dat zij hun leven in gebed moeten doorbrengen en in het lozen des Woords en godsdienstige boeken. Dit is, naar hunne nieening, bedoeld onder hot verloochenen dor wereld, en te leven naar den geest cn niet naar het vleesch. Dat zulks echter in hot geheel niet het geval is, is mij uit vele 397

52S

ocr page 442

HEMEL EN HEL.

ervaring en gesprekken met Engelen geleerd; ja zelfs, dat zij, die de wereld verlooeheneu en op vernielde wijze naar den geest leven, zich zelveu een treurig leven berokkenen, dat ongeschikt is om de LEemelsche vreugde te ontvangen, want een ieders leven blijft hem bij. Dat een mensch, om het leven des Hemels te ontvangen, veeleer in de wereld moet leven on bozigheden en beroep moet waarnomen en dan door een zedelijk en burgerlijk leven, het geestelijk leven ontvangt on dat er geen andere weg is, waardoor het geestelijk leven in den mensch kan worden gevormd of zijn geest voorbereid kan worden voor den Hemel. Want een innerlijk loven te leiden, zonder oen uiterlijk, is gelijk aan hot wonen in een huis, dat geen fundament heeft, dat na verloop van tijd in den grond zinkt, scheurt en vaneensplijt, of waggelt, tot het valt.

529. Als mcu een vorstandigen blik op 's menschen leven slaat en het onderzoekt, zoo zal men bevinden, dat het drievoudig is; d. i. dat er een geestelijk, zedelijk en oen burgerlijk leven bestaat, elk van het andere onderscheiden. Er zijn monschon, die een burgerlijk loven leiden zonder een zedelijk en geestelijk; anderen, die zedelijk leven, maar niet geestelijk, en weder anderen, die burgerlijk en zedelijk en tegelijk geestelijk leven. De laatsten leiden een leven des Hemels, maar de twee anderen leiden alleen een leven der wereld, afgescheiden van het leven dos Hemels. Hieruit moge duidelijk zijn, dat geestelijk loven niet van natuurlijk loven, of het loven dor wereld gescheiden is, maar dat or eene ver-eeniging tusschen hen bestaat, gelijk tusschen de ziel on het lichaam, en dat hen te scheiden, zooals reeds is opgemerkt, gelijk zou zijn aan het leven in een huis zonder fundament. Zedelijk en burgerlijk leven is de werkzaamheid van hot geestelijk loven; want goed te willen behoort tot het geestelijk loven en wel te handelen behoort tot liet zedelijk en burgerlijk leven. Zonder deze laatsten is het geestelijk leven niets dan denken en spreken, en de wil treedt terug, omdat die geen grondslag heeft om op te rusten ; en toch is de wil het eigenlijke geestelijke bestaan des menschen.

398

529

ocr page 443

EICX HKMEI.SCH Mi VEX, NIKT ZOO MOEI.IEUJK. 530

530. Dat con leven te leilt;lcn, hetwelk naar den Hemel voert, niet zoo moeilijk; is ais gewoonlijk wordt verondersteld, moge uit de volgende overwegingen blijken. Wie is er, die niet in staat is, om zedelijk en burgerlijk te leven, terwijl ieder van zijne kindsheid af' er in opgeleid en er mede bekend wordt door zijn leven in deze wereld? AVerkelijk leidt dan ook iedereen zulk leven, 't zij hij slecht is, of goed; want wie is er, die niet een oprecht man wil genoemd worden, en die niet rechtvaardig wil genoemd worden ? Bijna allen oefenen uiterlijk oprechtheid en rechtvaardigheid en wel zoo, dat zij schijnen in hun hart oprecht en rechtvaardig te rijn, of uit ware oprechtheid en rechtvaardigheid te handelen. üe geestelijke inensch behoort op dezelfde wijze te leven, en hij kan dit even gemakkelijk doen als de natuurlijke mensch, alleen mot dit verschil, dat de geestelijke mensch in God gelooft en zuiver en recht handelt, niet alleen, omdat de burgerlijke en zedelijke wetten dit eischen, maar ook omdat het volgens de Goddelijke wetten verlangd wordt. Iemand die, wanneer hij handelt, om de Goddelijke wetten denkt, staat met de Engelen in den Hemel in gemeenschap, en naar mate hij zoo denkt en handelt, treedt hij met hen in verbinding. Langs dezen weg wordt de innerlijke mensch geopend, die in zichzelven beschouwd de geestelijke mensch is. Js de mensch van zulk een karakter dan wordt hij aangenomen en geleid door den Heer, hoewel hij er onbewust van is. Zijn recht en rechtvaardig handelen in het zedelijk en burgerlijk leven is dan van geestelijken oorsprong, en uit dezen oorsprong te handelen is werkelijk recht en oprecht zijn, of het te doen van harte. Naar hot uiterlijk schijnt hunne rechtvaardigheid en rechtheid geheel gelijk aan dezelfde deugden der natuurlijke menschen en zelfs van hen, die boos zijn en liolsch, maar innerlijk verschillen zij geheel en al. Want de boozen handelen alleen eerlijk en oprecht ter wille van zichzelf en van de wereld ; waren zij niet bevreesd voor de wet en hare straffen en voor verlies van goeden naam, eer, winst of leven, zoo zouden zij ten uiterste oneerlijk en onrechtvaardig handelen, omdat zij God noch eenige Goddelijke wet vree-399

ocr page 444

HEMEL EX HEL.

zen, en dus geen innerlijken band hebben, die ben weerhoudt. Zij zouden daarom in zulk geval met alle macht anderen bedriegen, berooven en plunderen, en zulke daden met genot doen. Dat zij innerlijk zoo zijn, blijkt duidelijk uit dezulken in het andere leven, waar iedereen van zijn uiterlijk, wordt ontdaan, terwijl zijn innerlijk wordt geopend, waarin hij dan eeuwiglijk blijft leven, (zie no. 499—511). Alsdan zijn zulke menschen ontdaan van uiterlijke banden, als vrees voor de wet, voor het verliezen van hun goeden naam, eer winst en hun loven ; en handelen onzinnig en lachen met eerlijkheid en rechtvaardigheid. Als zij echter, die recht en rechtvaardig hebben gehandeld, uit eerbied voor de Goddelijke wetten, ontdaan worden van hun uiterlijk en in hun innerlijk leven worden overgelaten, zoo gedragen zij zich wijselijk, wijl zij in vereeniging zijn mot de Engelen des hemels, van wie hun wijsheid wordt medegedeeld. Hieruit blijkt, dat de geestelijke mensch evenzoo als de natuurlijke monsch burgerlijk en zedelijk kan leven, mits hij met God verbonden is naar zijn innerlijk, of naar zijn wil en gedachten, (zie boven no. 358—360.)

531. De wetten van het geestelijk leven, van hot burgerlijk en van het zedelijk leven zijn ook bevat in de wet der tien geboden; in de eerste drie do wetten van liet geestelijk leven, in de volgende vier de wetten van het burgerlijk leven, in de laatste drie de wetten van het zedelijk leven. Naar het uiterlijke leeft de geheel natuurlijke mensch naar alle deze geboden, gelijk de geestelijke mensch ; hij aanbidt God op gelijke wijze, gaat ter kerk, luistert naar de preek, zet oen aandachtig gezicht; hij moordt niet, doet geen overspel, steelt niet, geeft geen valsch getuigenis en rooft niet zijns naasten goed. Maar dit alles doet hij alleen uit eigenbelang en wereldliefde of voor het oog. Innerlijk is hij juist het tegenovergestelde, van wat hij uiterlijk schijnt. In zijn hart loochent hij God, in zijne godsdienstige handelingen speelt hij den huichelaar; en aan zichzelven en aan zijne eigene gedachten overgelaten, lacht hij met de heilige dingen der kerk en gelooft, dat zij alleen goed ziju om de onnoozele menigte in

531

400

ocr page 445

KEN HEMELSCII LEVEN, MET ZOO .MOEI 1.1.IK.

toom te houden. Zoo iemand is bijgevolg geheel geseheiden van den Hemel; omdat hij geen geestelijk menseh is, is lijj ook niet waarlijk zedelijk noch burgerlijk. Wanr liDewxd hij niet doodslaat, zoo haat hij torli ieder, ilic hem t(^geiistaa,t, en door haat brandt hij van wraak tegen hem ; wave hij dus niet verhinderd door burgerlijke wetten en uiterlijke banden, die hij vreest, zoo zou hij dooden en wijl /.ijn lusc daanmar uitgaat volgt daaruit, dat liij aaiihouileml een moordenaar is. Hoewel hij geen overspel doet, zoo is hij toch voortdurend een overspeler, want hi j gelooft, dat het geoorloofd is; hij doet het daarom als hij kan en gelegenheid vindt. Hij steelt niet, maar begeert toeh het goed van een ander; hij acht bedriegerij en booze kunstgrepen niet als onwettig en is dus voortdurend een dief in zijn hart. Ten opzichte van de voorschriften van het zedelijk leven, als het niet geven van val-sche getuigenis en liet niet begeeren van iemaiuls goed, geldt dezelfde opmerking. Ieder menseh, die het Goddelijke loochent eu door den godsdienst geen geweten heeft verkregen, is van zooda-uigen aard; dit blijkt duidelijk bij hen, die zulk eun natuur hebben, wanneer zij, na den dood, vau al het uiterlijke zjjn ontdaan en aan hun innerlijk zijn overgelaten. Afgescheiden van den Hemel handelen zij dan in vereenigingmet de Hel; zij zijn dus vereenigd met hare bewoners. Xict zoo is het met hen, die in hun hart God hebben erkend, die in de handelingen huns levens eerbied hebben gehad voor de Goddelijke wetten en do eerste drie geboden hebben gehouden, zoowel als do andere. Wanneer zij in hun innerlijk worden geleid, nadat hun uiterlijk is weggenomen, zijn zij wijzer dan iu de wereld; want als zij in hun innerlijk komen is het, alsof zij uit de schaduw in het licht treden, uit de onwetendheid in de wijsheid en uit een zorgvol leven in een gelukkig; want zij zijn in do Goddeljjkc sfeer, en derhalve in den Hemel. Deze bij/onderheden zijn vermeld, opdat men het verschil zou weten tusschen deze tweeërlei inenschen, hoewel zij uiterlijk een geljjk leven iu do wereld hebben geleid.

532. ledereen weet, dat de gedachten uitgaan en richting uenieu, al naar gelaug vau het voornemen of de richting

4Ü1 26»

ocr page 446

If KM RL KN HEL.

die liet voomomou heeft; want de gedaclite is des menselicn innerlijk gezieht, d;ir eveimls liet uiterlijk gezicht zieli wendt naar ieder puut, waarheen het gericht wordt en een voorne-nieu lieeft en daar verwijlt. Is daarom het innerlijk gezicht of de gedachte naar de wereld gekeerd en daarop gevestigd, zoo volgt hieruit, dat de gedachte wereldsch wordt; is zij gekeerd naar zich zelf en naar eigen eer, zoo wordt zij lichamelijk. Hieruit volgt, dat, wanneer zij naar den Hemel is gekeerd, zij Heinelsch wordt, en daardoor verheven ; daarentegen wordt zij, wanneer zij op zich zelf is gekeerd, van den Hemel afgewend en gedompeld in de licliainelijke natuur. Is zij naar de wereld gekeerd, dan wordt zij evenzoo afgewend van den Hemel en verspreid over die voorwerpen, welke voor het oog liggen, 's .Menschen liefde brengt zjjn voornemen voort en bepaalt zijn innerlijk gezicht of zijne gedachte op het voorwerp. De eigenliefde bepaalt dus de gedachte op zichzelf en op zelfzuchtige voorwerpen ; de wereldliefde op wereklsche en de hemelliefde op hemelsche voorwerpen. Uit deze dingen blijkt, dat uit 's niciischenl iefde de staat van zijn innerlijk gemoed gekend wordt; dat het innerlijk van een meusch, die den Kemel liefheeft, naar den Hemel is verheven en naar boven is geopend, en dat het innerlijk van hem, die de wereld liefheeft en van hem die zichzelf liefheeft naar boven gesloten is en naar buiten is geopend. Zijn nu de hoogerc deelen van zijn redeljjk gemoed naar boven gesloten, zoo kan de incusch uietlangerde voorwerpen zien, die tot den Hemel en de kerk behooren en die voor hem in dichte duisternis zijn gehuld: en voorwerpen, die in dichte duisternis zijn, worden öf ontkend of niet verstaan. Hierdoor is het, dat zij, die hoofdzakelijk zichzelf en de wereld liefhebben, en die de hoogere vermogens van hun gemoed hebben gesloten, in hun hart de Goddelijke waarheden loochenen, en zoo zij er al over spreken uit hun geheugen, zij die toch niet verstaan. Zij achten ze gelijk met wereldsche en licliainelijke zaken. Wijl nu hun staat zoodanig is, zoo houdt hun gemoed zich met niets anders bezig, dan wat door de zintuigen des lichaams er in wordt gebracht; in niets'anders scheppen zij behagen ; waaronder veel is, dat onrein, zedeloos, goddeloos eu zondig is. Deze dingen kunnen niet wor-402

ocr page 447

EEX IIEMELSCII LEVEN, XIET ZOO MOEILIJK.

den verwijderd, omdat er geen invlociing des liemcls in hun innerlijk gemoed is, hetwelk, gelijk is opgemerkt, van boven gesloten is. Het voornemen des menschen, dat zijn innerlijk gezicht of zijne gedachte bepaalt en bestuurt, is zijn wil; want wat de mensch wil neemt hij voor, en wat hij voorneemt houdt zijne gedachte bezig. Is daarom zijn voornemen gericht naar den JTemel, zoo is ook zijne gedachte daarhenen gericht cn daarmede geheel zijn gemoed, dat daardoor in den Hemel i.s; hij ziet dan de voorwerpen der wereld als béneden hem, gelijk iemand van een huisdak naar beneden ziet. Iemand dus, wiens innerlijk gemoed geopend is, is in staat om het kwaad en de logen te zien, die in hem zijn, omdat dezen beneden zijn geestelijk gemoed zijn. De inensch daarentegen, wiens innerlijk niet geopend is, kan zijn eigen kwaad en logen niet zien, omdat hij er in is, en niet daarboven verheven is. Uit deze voorbeelden moge blijken, vanwaar de mensch wijsheid bezit, en vanwaar zinneloosheid ; wat verder zijn aard zal zijn na den dood, wanneer hij zich in vrijheid bevindt, om te willen en te denken, te handelen en te spreken overeenkomstig zijn innerlijk. Deze dingen worden vermeld, opdat gekend worde, wat het innerlijk van een mensch is, ofschoon hij uiterlijk aan een ander gelijk schjjne.

533. Dat liet niet zoo moeilijk is, als gewoonlijk verondersteld wordt, om een leven te leiden, dat naar den hemel voert, is nu hieruit duidelijk, dat alles wat de mensch te doen heeft, wanneer iets bij hem opkomt, dat volgens zijn weten oneerlijk en onrecht is, en waartoe hij genegen is, alsdan te denken, dat het niet mag worden gedaan, omdat het tegen do Goddelijke wet is. Indien de mensch het zicli tot eene gewoonte maakt, om zoo te denken en zoo door oefening een gewoonte vormt, wordt hij schrede voor schrede in vereeniging met den liemel gebracht. Naarmate nude mensch in vereeniging met den hemel is gebracht, worden de hoogere vermogens van zijn gemoed geopend; naarmate deze zijn geopend, ziet hij wat oneerlijk en onrecht is, cn naarmate hij dit ziet, is lijj ook in staat het af te leggen; want lie; is onmogeljjk om eenig kwaad af te leggen, dan nadat het gezien is. Dit is de staat, waarin de mensch door zijn vrijen svil kan ingaan; want wie kan niet met

403

ocr page 448

UKMKL EX IIF.I.

vrijen wil op deze wijze den kou ? Miiar wanneer liij oen begin geniaakt lieet't, •/a)o werkt de Heer iu hem het goede en leidt hem, om niet slechts het kwade als kwaad te zien, maar ook om het niet te willen en er eindelijk een afkeer van te krijgen. Uit is het, wat de Hoer meent met de woorden, Matth. XI : 80 : Mijn juk is zucht e)i mijn lust is licht. Men moet hier wel opmerken, dat de moeilijklieden, om op deze wijze te denken en aldus het kwade te weerstaan, toenemen naarmate de menseh uit den wil het kwade doet; want is dit het geval, dan gewent hij er zich aan, totdat hij het ten laatste niet meer als kwaad beschouwt en het hem lief wordt. Heeft hij het kwade werkelijk lief gekregen, zoo maakt hij verschoo-uingen, bevestigt zich er in door allerlei voorwendselen of logen en noemt het eindelijk geoorloofd en goed. Maar dit heeft bij hen plaats, die op jeugdigen leeftijd teugelloos in alle kwaad voorthollen en tegelijk Goddelijke dingen uit hun hart verbannen.

534. Er werd mij eens eene voorstelling gegeven van den weg, die naar den Hemel leidt en van dien, die naar do hel leidt. Ik zag een broeden weg, die naar de linkerhand of noordwaarts liep, en eene menigte geesten bewandelden dien. Op een afstand ontdekte ik een grooten steen, waar de breede weg eindigde. Boven dien steen waren twee wegen, de een liep links, de andere rechts in tegengestelde richting. Do weg links was nauw of eng en liep door hot westen naar hot zuiden en zoo in het licht des Hemels; maar die rechts liep was breed en ruim en leidde hellende nederwaarts naar de Hel. Allo geesten schonen eerst denzelfden weg te bewandelen, totdat zij aan den grooten steen kwamen, waar do tweewegen uiteenliepen; als zij daaraan kwamen worden zij gescheiden. De goeden wendden zich links en gingen den nauwen weg, die naar den Hemel leidt; maar de boozen zagen den steen niet, violen er over en bezeerden zich, en nadat zij waren opgestaan, renden zij den broeden weg rechts op, die naar de Hol leidde. Het werd mij later verklaard, wat al deze bijzonderheden betookoiiden. Onder don oorsten, broeden weg, dien de goeden en kwaden te zamou bewandelden, waarop

4Ü4

534

ocr page 449

EEN 1IEMELSC1I LEVEN, NIET ZOO MOEILIJK,

zij met elkander als vrienden spraken, omdat er uiterlijk geen verschil bestond, worden zij verstaan, die uiterlijk eerlijk en rechtvaardig leven en op liet oog niet van elkander worden onderscheiden. Ue steen aan het einde van den weg, waarover de boozen vielen en vanwaar zjj den weg, die naar de Hel liep, afrenden, beteekent de Goddelijke waarheid, die geloochend wordt door hen, die zich naar de Hol keeren, en in meer verheven zin is met dezen steen de Goddelijke 3Ienschheid des Ileeren bedoeld. Zij echter, die de Goddelijke waarheid erkenden en daarbij de Goddelijkheid van den Heer, werden langs den weg geleid, die naar den Hemel voert. Uit dit voorbeeld bleek mij verder, dat beide de kwaden en de goeden uiterlijk hetzelfde leven leidden ofdenzelfden weg bewandelden, de eene even gemakkelijk als de andere. Die echter God van harte erkennen en bijzonder zij, die de Goddelijke menschhcid des Hoeren in de kerk erkenden, worden naar den Hemel geleid; de anderen naar do Hel. De gedachten des menschen, die uitgaan van zijne voornemens of zijnen wil, worden in het andere leven voorgesteld door wegen. Naar het voorkwam waren er ook wegen te zien, in volkomene overeenkomst met zulke gedachten van het voornomen, en ieder wandelt ook in overeenstemming met de gedachten zijner voornemens. Derhalve kunnen aan de wegen, die de Geesten bewandelen, hun aard en hunne gedachten geweten worden. Hierdoor ie duidelijk, wat de Heer bedoelt met: dual in door de etuje poort; trant wijd ia de poort ev breed is de tree/ die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve inf/lt;tlt;(ii: 11 cmt de poort is emj, en de ivet/ is namv, die tot het leren leidt, en weinixjen zijn er, die dezelven vinden. (Matth. VIT: 13, 14). Hiermede is verklaard, dat de weg, die ten leven leidt, nauw is; niet, omdat hij moeielijk te bewandelen is, maar omdat er weinigen zijn, die hem vinden, zooals hier ook gezegd wordr. Door den steen, die aan het einde van den breed on weg is geplaatst en vanwaar twee wegen zijn te zien, die in tegenovergestelde) richtingen loopen, werd duidelijk gemaakt, wat de Heer bedeelt met de woorden ; licht (/ijlieden niet yelezen, ivat (/eselireren is: De steen, dien de houidieden verworpen hebben, deze is tot em 405

ocr page 450

IIKMEL KN HUL.

hoofd des hoeks geworden ? Een iegeljli die op den steen ralt, zul verpletterd worden, (Luk XX : 17,18). De steen beteckcnt do Goddelijke waarheid, en de steen (of rots) van Israel de Goddelijke Menscliheid van den lieer; de bouwlieden zijn de ledeu dor kerk; het hoofd des hoeks is de plaats, waar de twee wegen scheiden; vallen en verbroken worden is het loochenen en verdorven worden, d

535. Het was mij verleend, om te spreken met sommigen in het andere leven, die zich teruggetrokken hadden van de bezigheden der wereld, om zich aan een vroom en heilig leven te wijden; en ook niet sommigen, die zich langs allerlei wegen hadden gekweld, omdat zij zich vevheeldden, dat dit de weg was, om de wereld te verloochenen eu de lusten des vleesches te onderwerpen. De meeste van hen hadden echter hierdoor een treurig leven verkregen en zich teruggetrokken van het leven in weldoen, dat alleen kan geleid worden door te leven in do wereld. Zjj konden daarom niet opgenomen worden in vereeniginü; met de Knielen, omdat hun leven een blijmoedig leven is, door de zaligheid, die zij innerlijk genieten en die in goed doen en in werken der liefde bestaat. l!ovendien hadden zij, die zich teruggetrokken hadden van de werehlsche bezigheden, eenen hoogen dunk van hunne verdiensten en meenden, dat zij zeker in den Hemel zouden worden toegelaten, omdat zij de Hemelsche vreugde als billijk loon voor hunne verdiensten zich toerekenden, niet wetende wat Hemelsche vreugde is. Als zij dus tot de ihigelen worden toegelaten en in hunne blijdschap, die zonder verdiensten is, maar in de uitoefening en volbrenging van plichten en vriendelijke diensten bestaat en in de zaligheid, die ontspringt uit het goede, dat zjj doen, — zoo vervult hen verbazing, gelijk menschen, die

d. Steen bclcckcnt Waarheid : nos. 111, (5 12!gt;s, 0420, 8001), 1037(3.

].)a:irom werd de WVv op talVk ii van stern Lre^rilï; nu. 10370. De rots van ]sr..c! is de liter niet ]gt;elrekking tot (ïoddeiijke Waarln-'d en met betrekking tut de (inddelijke Menseldieid ; nu. 012(1.

535

400

ocr page 451

EEN ItEMEI.SCll I.EVEN, MET ZOO M lEII.IJK.

g'elicol hcfc tegendeel ondervinden van lietü'een zij liebben verwiiclit. Daar zij nu niet in staat zjjn, om die blijdschap op te nemen, zoo gaan zij weg en vereenigen zicb met Iien, die in de wereld een gelijk leven hebben geleid. Zij, die uiterlijk heilig hebben geleefd, die steeds in de plaatsen der aanbidding waren en er gebeden opzonden, die ziehzelven hebben gekastijd, altijd om zichzelf hebben gedacht en meenden, dat zij hierdoor meer geacht en geëerd zouden worden dan anderen en na den dood als heiligen worden vermeld, komen in het andere leven niet in den Hemel, omdat zij alles hebben gedaan, alleen met het oog op zichzelf. En omdat zij de Goddelijke waarheden hebben onteerd door eigenliefde, waaronder zij die bedolven hebben, zijn sommige zoo onzinnig, dat zij ziehzelven goden wanen; daarom is hun lot in de Hel onder hen, die hun gelijk zijn. Sommigen waren vol geslepenheid en bedrog; dezen hebben hun deel in de Hellen der bedriegers. Het zijn zulke personen, die door kunstgrepen en bedriegerijen een uiterlijk voorkomen van heiligheid hebben aangenomen, om het mindere volk te doen gelooven, dat er eene Goddelijke heiligheid in hen woonde. A elen der Uoomseh-Katholieke heiligen zijn zoodanig. Met sommigen was het mij vergund te spreken en hun leven werd mij duidelijk getoond, zooals het in de wereld was geweest en zooals het later was geworden.

Deze dingen zijn vermeld, opdat men weten zoude, dat het leven, hetwelk naar den Hemel voert, niet een leven is van terugtrekking uit de wereld, en dat een vroom loven, zonder een weldadig leven, dat alleen in de wereld uitgeoefend kan worden, niet naar den Hemel leidt; maar wel een weldoend leven, dat hierin bestaat, om oprecht en rechtvaardig te handelen bij elke gelegenheid, in elke bezigheid en iu elke handeling, uit innerlijke en dus hemelsche beweegredenen; en zulk een beweegreden is in dat leven, wanneer de mensch recht en rechtvaardig handelt, omdat de Goddelijke wetten dit verlangen.

Zulk leven is niet moeilijk, maar een vioom leven, zonder weldoend leven, is wel moeilijk en toch voert het van den 407

ocr page 452

11E5IEL EN HEL.

Ilcmcl af. liocwcl zoo velen veronderstellen, dat zulk vroom leven wel naar den ireinel leidt. c

c. Een leven van vrooinlieid zonder een leven der weldadiglieid, is tot geen nnt, maar te zamen • met liefdadigheid is het tot alles nut; no. 8252, 8253. Liefdadigheid jegens den naaste bestaat in te doen, wat goed is, rechtvaardig en recht, in ieder werk en heroep ; nos. 8120—22. Liefdadigheid jegens den naaste verbreidt zich over alles, wat de mensch denkt, wil en doet; no. 8124. Ken liefdadig leven is een leven volgens des lleeren geboden; nos.

10143, 10153, 10310, 1057S, HKMT). lu hte üèliladiglieid denkt niet aan verdienste, omdat zij ontspringt nit innerlijke genegenheid en haar genot; nos. 2371, 2380, 2400, 3816, 38.^ 63SS—{)3. lgt;e mensch blijft na zijn dood zooals zijn leven der liefdadigheid was in de wereld ; no. 8256. llemelsche zaligheid vloeit van den Heer in een leven van liefdadigheid ; no. 2363. Niemand komt in den Hemel door alleen goed ie denken, maar door tegelijkertijd goed te willen en te doen; no. 2401, 3450. Ten/.ij gued doen is verbonden met goed willen en goed denken, bestaat er geene zaligmaking, noch eenige vcrbiir.enis van den innerlijken mensch met den uiterlijken; no. 3987.

4U8

ocr page 453

De Hel.

DK IIKKJ; KEfiEKKT DK IIEIJ.KX.

53G. In liet voorgiiandc, waar over den Hemel gesproken is, werd overal aangetoond, in 't bijzonder in nos. 2 tot 0, dat de Heer de God der Hemelen is, en dus alle bestuur der Hemelen in de handen van den Heer is ; en omdat de verhouding van de Hemelen tot de Hel, en van de Hellen tot den Hemel is als van twee tegenovergestelde]!, die weder-keerig tegen elkaar werken, en uit wier actie en reactie een evenwicht volgt, waarin alle dingen verblijven, daarom moet, opdat volstrekt ieder ding in evenwicht gehouden worde. Hij die deze regeert ook gene regeeren; want tenzij dezelfde God opstanden bedwong in de Hel en de krankzinnigheden aldaar tegenging, zou het evenwicht ten gronde gaan en met het evenwicht het geheel.

537. Maar hier moet eerst iets over het evenwicht gezegd worden ; het is bekend, dat wanneer twee dingen wederkeerig tegen elkaar in werken, en wanneer het eene evenveel terugwerkt en tegenstand biedt, als het andere werkt en voortdrijft, geen van beide eenig geweld hebben, omdat aan weerskanten eene gelijke macht is, en in dit geval kan op elk dor beide dingen naar believen door een derde worden ingewerkt; want wanneer twee dingen door gelijken tegenstand geen geweld bezitten, doet de kracht van een derde ding alles, en werkt even gemakkelijk alsof er geen tegenstand ware.

Een zoodanig evenwicht is er tusschen de Hel en den Hemel ; evenwel is het geen evenwicht als tusschen twee, die met lichamelijk geweld strijden, terwijl de kracht van den eenen gelijk is aan de kracht van den anderen, maar het is ecu 409

ocr page 454

HEMEL EX HUK

Soestolijk evemvielit, namelijk tussclieu valsclilieid en waarheid, en tussclieu kwaad en goed; uit do llcl wordt voort-dtiroud valsclilieid uit liet kwade geademd, eu uit den Hemel voortdurend waarheid uit liet goede; het is dit geestelijk eveuwieht, hetwelk veroorzaakt, dat de mensch in de vrijheid van denken en willen is, want, wat ook de mensch deukten wil, hot heeft betrekking of op kwaad en daaruit voortvloeiende valsclilieid of op goed en de waarheid daaraan ontleend. Vandaar, dat wanneer hij in dit evenwicht verkeert, hij in de vrijheid is om of kwaad en de daaruit ontstane valsclilieid uit de Uel toe te laten en te ontvangen, of goed en do daaruit voortvloeiende waarheid uit den Hemel toe te laten eu te ontvangen. Ju dit evenwicht wordt ieder mensch door den Heer gehouden, omdat Hij zoowel de Hel als den Hemel regeert. Wa arom evenwel de mensch door dit evenwicht in deze vrijheid gehouden wordt eu waarom kwaad en valsclilieid door de goddelijke macht uiet van hem verwijderd, en het goede en ware hem bijgebracht worden, zal in de volgende bladzijden elk in zijn eigen hoofdstuk verhaald worden.

538. Het werd mij eenige malen toegestaan de sfeer van valsclilieid uit het kwade, uit de Hol uitvloeiend, te bemerken; het was als eeue voortdurende poging om het goede eu ware te verwoesten, gepaard met toorn en als het ware woede over de onmacht dit te doen ; en vooral als een poging om het Goddelijke in den Heer te verwoesten en te vernietigen, en dit, omdat uit Hem al het goede cu ware is. Uit den Hemel daarentegen werd eeue sfeer van waarheid uit liet goede bemerkt, door welke de woede vau de poging, die uit de Hol opsteeg beteugeld werd ; vandaar evenwicht. \ran deze sfeer uit den Hemel werd opgemerkt, dat /.ij van den Heer alleen kwam, ofschoon zij scheen te komen van de engelen in den Hemel. Dat zjj kwam van den Heer alleen en niet van de Engelen, was, omdat elke Engel in den Hemel1 erkent, dat niets gueds of waars uit hem zelvcn is, maar alles uit den Heer.

53!). Alle macht in de geestelijke wereld behoort aan het ware uit liet g»cde en in 't geheel geen macht aan het valsche uit het kwade. Hat alle macht aan het ware uit het 410

538, 539

ocr page 455

DE HEEK REGEEKT DE HELLEN.

£ï;oc(le behoort is, omdiit iiet Gorldelijko Zolt in den Hemel, hot Goddelijke goede en liet Goddelijke ware is, en omdat alle macht aan het Goddelijke behoort. Dat in 't geheel geen macht aan het valsclie uit het kwade behoort, is omdat macht alleen aan het ware uit het goede behoort, en omdat in het valsohe uit het kwade niets waars uit het goede is. Vandaar, dat alle macht in den Hemel is en geene in de Hel, want een ieder in den Hemel is in waarheden uit liet goede en een ieder in de Hel in valschheden uit het kwade : want niemand wordt in den 1 femel toegelaten, voordat hij in waarheden uit het goede is; evenmin wordt iemand in de Hel geworpen voordat hij in valschheden uit het kwade is. Dat tilt zoo is, kan gezien worden in de hoofdstukken, waaide eerste, tweede en derde staat van den meusch na den (iood behandeld zijn, (nos. 491 tot 520), en dat alle macht van het ware uit het goede is, in het hoofdstuk over de macht der Engelen in den Hemel, (nos. 228 tot 233).

540. Dit nu is het evenwicht tusschen den Hemel en de Hel: zij, die in do wereld der geesten zijn, zijn in dateven-wicht, want de wereld der geesten is midden tusschen den Hemel en de Hel; en daardoor worden ook alle menschen in de wereld in een gelijksoortig evenwicht gehouden, want de mensehen in de wereld worden door den Heer geregeerd door middel van geesten, die in de wereld der geesten zijn, hetgeen later in zijn eigen hoofdstuk behandeld zal worden. Zulk een evenwicht zou niet mogelijk zijn, tenzij de Hoer zoowel den Hemel als de Hel regeerde en aau beide zijden matigde ; want anders zouden valschheden uit het kwade het overwicht bekomen en de eenvoudige goeden aandoen, die in de laagste gedeelten des Hemels zijn, en die gemakkelijker bedorven worden dali de Engelen zelf, en zoo zou het evenwicht ten gronde gaan, en met het evenwicht de vrijheid der menseben.

541. De Hel is op dezelfde wijze verdeeld in gezelschappen als de hemel en in elk van beide zijn er evenveel; want elk gezelschap in den Hemel heeft een aan zich tegenovergesteld gezelschap in de Hel; en dit ter wille van het evenwicht.

411

540, 541

ocr page 456

HEMEL EN HEL.

Maar do gezelschappen in de Hel zijn onderscheiden volgons kwaadheden en do daaruit volgende valschhedon, omdat de gezelschappen in don Jlcmol verschillen volgens goedheden en daarvan afgeleide waarheden. Dat aan elk goed (ding) een kwaad tegenovergesteld is en aan elko waarheid eene onwaarheid kan verstaan worden uit het feit, dat geen van beide iets is, zonder betrekking op zijn tegenovergestelde en dat de aard en de graad van een ding bekend worden door zijn tegenovor-gestelde, als ook, dat daaruit alle waarneming en gewaarwording ontstaat. Daarom beschikt de Heer voordurend, dat elk gezelschap van don Hemel zijn tegcno\ ergosteldc heeft in een gezelschap van de Hol en dat er tusschen deze evenwicht is.

542. Daar do Hol in evenveel gezelschappen verdeeld is als do Hemel, zijn er ook evenveel Hollon als gezelschappen des Hemels; want elk gezelschap des Hemels is een ifemol in kleiner vorm, (zie boven nos. 51 tot 58), en zoo is ook elk gezelschap der Hel een Hel in kleineren vorm. Daar er in 't algemeen drie Hemelen zijn zoo zijner ook, in 'talgemeen beschouwd, drie Hollen; de laagste Hel is tegenovergesteld aan den binnensten of dorden Hemel, de middelste Hel aan den middolston of tweeden Hemel en de hoogste Hol aan den laagsten of eersten Hemel.

543. De wijze nu, waarop de Hellen door den Heer bestuurd worden, moge in weinig woorden verhaald worden. Tn 't algemeen worden de Hellen geregeerd door den algemeenen toevloed van Goddelijke goedheid en Goddelijke waarheid uit de Hemelen, door welken do algemoene poging, voortkomende uit de Hellen, gebreideld eu bedwongen wordt; en zij worden ook geregeerd door den bijzonderen toevloed uit olken Hemel en uit elk gezelschap dos Hemels. In hot bijzondere worden de Hollen geregeerd door Engelen, wien liet gegeven is in te zien in de Hellen en do aldaar voorkomende krankzinnigheden en beroeringen te bedwingen ; somtijds worden ook Engelen daarheen gezonden om die krankzinnigheden en beroeringen door hunne tegenwoordigheid te matigen. Maar in 't algemeen worden allen, die in do Hellen zijn, geregeerd door vrees. Sommigen worden geregeerd door vrees, hun in do wereld ingeplant en sedert

412

542, 543

ocr page 457

DE IIKGR RGftBERT DF. II EL LEX.

bij^cblevou ; maar aangezien deze vrees niet voldoende is en ooklaugzaiiierluuid vermindert, worden zij geregeerd door de vrees voor straf', waardoor zij voornamelijk teiuggeiiouden worden vau kwaad te doen. Dc straffen in de Jlel zijn velerlei, licliteen zware, volgens het kwaad. In den regel worden de kwaadaardigste geesten, die boven de anderen in sluwheid en list uitmunten en in staat zijn de overigen door straffen en daaruit voortkomende vrees in gehoorzaamheid en slavernij te honden, over dezen geplaatst; maar deze bestuurders durven niet buiten de hun voorgeschreven grenzen gaan. Het is opmerkenswaard, dat het eenige middel om het geweld en dc woede van de Helsche geesten te bedwingen, is de vrees voor straf. Er is geen ander middel.

544. Tot nog toe heeft men in de wereld geloofd, dat er één duivel is, die aan het hoofd der Hellen staat en dat hij geschapen werd als een Engel des lichts, maar later, in opstand gekomen zijnde, met zijne bende in de Hel geworpen werd. Dit is geloofd geworden, omdat inliet Woord gesproken wordt van den Duivel en van Satan, alsmede van Lucifer en omdat het Woord hier verstaan is volgens den letterlijken zin. Maar zoowel door den duivel als door Satan wordt Hel bedoeld; door den Duivel die Hel, welke achteraf is en waar de allersleciitsten wonen, die kwade genii genoemd worden, en door Satan die Hel, welke vooraan ligt en waar de inwoners niet zoo kwaadaardig zijn, welke kwade geesten heeten. Lucifer beduidt degenen, die uit Babel en Babylon!ö zijn, welke zijn degenen, die hunne heerschappij tot in den Hemel uitstrekken. Dat er niet één Duivel is, aan wien dc Hellen onderworpen zijn, is ook duidelijk uit het feit, dat allen in de Hellen gelijk allen in de Hemelen uit het menschelijke geslacht zijn, (zie nos. 311 tot 317), en l it er van het begin der schepping af tot dezen tijd myriaden en myriaden zijn, van wie elk een dusdanige duivel is, als hij in do wereld door zijn strijd tegen het Goddelijke was. Zie over dit onderwerp te voren nos. 311 en 312.

544

413

ocr page 458

It 10MET. EN UlOr..

545

DE HEKlt WKlil'T NIEMAND IN DE HEL, M AAR ELKE GEEST DOET HET ZICHZELF.

545. Bij sommige monschen is de meening sterk geworden, dut God zijn gezicht van den mcnsch afwendt, hem van zich afstoot en in dequot; Hel werpt en dat Plij op Item vertoornd is tengevolge van zijn slechtheid; sommigen gaan zelfs verder, meenende dat Grod den mcnsch straft en hem kwaad aandoet. Zij versterken zich in deze meening door de letterlijke be-teekenis van hot Woord, waarin dergelijke meeningen uitgesproken worden, niet wetende, dat de geestelijke beteekenis van het Woord, die de letterlijke beteekenis verklaart, geheel anders is, en dientengevolge de waarachtige loer dor kerk, welke uit de geestelijke beteekenis van het Woord is, iets anders leórt, n.1. dat do Heer nooit zijn aangezicht van den monsch afkeert, hem nooit van zich afwerpt, dat Hij nooit iemand in de Hel werpt, en nooit vertoornd is. f Ieder, wiens geest iu een toestand van verlichting is, bemerkt dit, wanneer hij het Woord leest, alleen doordat God de goedheid zelve is, do liefde zelve en de genade zelve en doordat de goedheid zelve aan niemand vermag kwaad te doen en do liefde zelve on do genade zelve niet vermogen den mcnsch van zich af te werpen, omdat dit in strijd is mot hun wezen zelve en dientengevolge in strijd mot do Goddelijke natuur. Daarom zien zij, die mot ecu verlichten £-oest denken, wanneer zij het Woord lezen, duidelijk, dat God zich nooit van don mcnscli afwendt cn omdat Plij zich nooit van hem afwendt, Hij hem behandelt met goedheid, mot genade cn met liefde, dat is, dat Hij het goede voor hem wil, dat Hij hem lief hooft en hem genadig is. Uit deze gevolgtrekkingen bemerken zij, dat de letterlijke beteekenis van het Woord,

ƒ. Toorn en gramschap worden Goile in liet Woord toegeschreven, maar zij beliooren den menscli toe en dit is aldns gezegd, omdat het zoo voorkomt in de oogen van den mensch, wanneer hij gestraft en veroordeeld wordt; nos. 5708, GOOT, 8281, 8-183, 887'). 0306, 10431. Aan (Jod wordt kwaad toegeschreven. terwijl evenwel slechts goed van Hem komt; nos. 2447,0073,6002, 6007, 7533, 7632, 7877, 7026, 8227, JS228, 8632, 0306. Waarom liet aldns in het Woord geschreven is ; nos. 6073, 6902, 6007, 7632. 7643, 7670, 7710, 7026, 8282, 0000, 0128. Dat God zuivere genade en goedertierendheid is ; nos. 6997, 8875.

414

ocr page 459

DE IIK Kil WK KPT NIEMAND IN DE 111.1..

waarin dergelijke dingen gezegd worden, een geestelijken zin in zich verbergt, volgens welken de boven aangehaalde uitdrukkingen verklaard moeten worden, uitdrukkingen welke in do letterlijke beteekenis voor's menschen bevattingen geschikt, volgens zijn eerste en meest algeineene denkbeelden gesproken werden.

54(5. Zij, die in een toestand van verlichting zijn, zien verder, dat goed en kwaad twee tegenovergestelde!! zijn, dat zij aan elkaar tegenovergesteld zijn als de Hemel aan de Hei, en dat al het goede uit den Hemel is en al het kwade uit de Hel ; en omdat het Goddelijke van den Heer den Hemel maakt, (nos. 7 tot 12), dat van den Heer niets dan goed in den mensch vloeit, van de Hel niets dan kwaad ; dat zoodoende de Heer den mensch voortdurend van het kwaad wegvoert en naar het goede leidt en dat de Hel den mensch voortdurend in het kwaad leidt. Indien de mensch niet tus-schen beide in ware, zoude hij geen vermogen tot denken en Reen wil hebben, zooveel te minder vrijheid of keuze hebben ; want al deze geworden hem uit het evenwicht tus-schen goed en kwaad. Indien dus dc Heer zich afwendde en hem alleen aan het kwaad overliet, zou hij niet meer mensch zijn. Hieruit is liet duidelijk dat de Heer met het goede iu lederen mensch vloeit, evenzeer in den goeden als in den kwaden mousch, maar niet dit verschil, dat Hij ecu kwaden voortdurend van hot kwaad wegvoert en den goeden mensch voortdurend naar het goede leidt.; de oorzaak van het verschil is in den mensch gelegen, omdat hij de ontvanger is,

547. Hieruit kan vastgesteld worden, dat de mensch het kwaad doet uit de Hol en het goede uit den Hemel; maar omdat de mensch gelooft, dat wat hij ook doet, hij uit zich zolven doet, blijft bet kwaad, dat hij verricht, hem aankleven als zijn eigen, en zoo is do mensch de oorzaak van zijn eigen kwaad en niet do Hoor. Hot kwaad in don mensch is ceno Hol in zijn binnenste: want hetzij wij van kwaad sproken hetzij van oen Hel, hot is hetzelfde. Daar nu de mensch de oorzaak van zijn eigen kwaad is, werpt hij zich zelf in do Hel en niet de Hoor; en zóó ver is de Heer van den mensch in dc Hol te 415

540, 547

ocr page 460

HEMEL EX HEL.

voeren, dat H-j hem uit de Hel bevrijdt, voor zoover als hij niet meer in zijn kwaad wil zijn en daarin behagen schept. Elke wil, wensch en begeerte blijft den mensch na zijn dood bij, (nos. 470 tot 4S4), en wie kwaad wil en liefheeft in de wereld, die wil en bemint hetzelfde kwaad in het andere leven en laat alsdan niet meer coe, dat hij er van afgeleid wordt. Vandaar, dat de mensch, die in het kwaad verkeert, aan de Hel gebonden is en daar werkelijk is voor zoover zijn geest betreft, en dat hij na den dood niets vuriger begeert dan daar te zijn, waar zijn eigen kwaad is. Hieruit blijkt, dat na den doodde mensch zichzelf in de Hel werpt en niet de Heer.

548. Hoe dit geschiedt, worde nu uiteengezet. quot;Wanneer de mensch het andere leven binnentreedt, wordt hij eerst door Engelen ontvangen, die hein alle diensten bewijzen en ook met hem over den lieer, den Heiuol en liet leven dor Engelen spreken en hem in goede en ware dingen onderwijzen; maar als hij een zoodanige is, die inderdaad deze dingen in de wereld wist, maar ze in zijn hart ontkende of verachtte, verlangt hij na een korte samenspraak van licin weg te zijn en zoekt naar een gelegenheid om zich te verwijderen. Wanneer de Engelen dit bemerken, verlaten zij hem; hij komt in aanraking met anderen, totdat hij zich voegt bij geesten, die in een dergelijk kwaad als hij zelve zijn, (zie boven nos. 445 tot 452). Zoodra dit geschiedt, keert hij zich van den Heer weg en wendt zijn gezicht naar de Hel, met welke bij in de wereld verbonden was en waar zij zijn, die in een dergelijk kwaad verkeeren. Hieruit blijkt, dat de Heer eiken geest door middel van Engelen tot zich trekt en ook door een invloeiing uit den Hemel, maar dat de geesten, die in het kwaad zijn, zich geheel en al verzetten en als liet ware zicli van den Heer wegrukken; zij worden door hun eigen kwaad en dus door de Hol als door een touw getrokken. En omdat zij door hun liefde tot het kwaad gewillig zijn om getrokken te worden, is het duidelijk, dat zij zich vrijelijk in de Hel werpen. Dat dit zoo is, kan door de menschen in de wereld niet geloofd worden, tengevolge van luin denkbeeld omtrent de Hel; en het schijnt ook niet zoo in 't andere leven, maar geheel anders, voor de oogen

41G

548

ocr page 461

UE 1IEKR WEUPT NIEMAND IX ])E HEL. 549, 550

van hen, die buiten de Hel zijn ; niet evenwel bij hen, die zich er inwerpen, want zij gaan er vanzelf in; en zij, die uit een vurige begeerte naar kwaad er in gaan, schijnen alsof zij hals over kop, met het hoofd omlaag en do voeten naar boven er ingeworpen worden. Uit dezen sclijjn volgt het voorkomen, alsof zij door de Goddelijke macht in de Hel geworpen worden; zie hierover verder beneden no. 574. Uit hetgeen gezegd is kan evenwel besloten worden dat God niemand in de Hel werpt, maar ieder, die er heen gaat, zichzelven, niet alleen terwijl hij iu de wereld leeft, maar ook, wanneer hij naden dood onder de Geesten komt.

549. Ue lieer kan door zijn Goddelijk Wezen, hetwelk Goedheid, Liefde en Genade is, niet op gelijke wijze met eiken mensch handelen, omdat kwaadheden en de daaruit voortvloeiende valsch-heden niet alleen Zijn Goddelijke invloeiing inden weg staan en verzwakken, maar haar ook verwerpen; want kwaadheden eu de daaruit volgende valsciilieden zijn als zwarte wolken, die zich tusschen de zon en het oog der menschen plaatsen, en den glans en de helderheid van haar licht wegnemen, niettegenstaande de zon hen voortdurend tracht te verdrijven, want zij is achter hen en werkt, en laat toch nog gedurig een schaduwachtig licht door verschillende indirecte doorgangen in het oog van den mensch vallen. Het is hetzelfde in de geestelijke wereld ; de zou is daar de Heer eu de Goddelijke liefde, nos, 1 lü tot 140; het licht is aldaar het Goddelijke ware no. 126—140, do zwarte wolken zijn daar valsciilieden uit het kwaad voortkomend; de oogen zijn het verstand. In zooverre als iemand daar in de valsciilieden uit hot kwaad is, in zooverre is hij ook door zulk een wolk omgeven, zwart en dicht volgens den graad van het kwaad. Uit deze vergelijking blijkt dat de Heer voortdurend bij een ieder tegenwoordig is, maar dat bij op verschillende wijze ontvangen wordt.

550. Kwade Geesten worden in de geestenwereld zwaar gestraft, opdat zij door straffen afgeschrikt worden van kwaad te doen. Uit ook schijnt liet werk van den Heer te zijn, niettegenstaande geen straf van den Heer komt, maar van het kwaad zelve ; want het kwaad is zoo zeer met zijn straf ver-

417 27*

ocr page 462

HEMEL EX HEL.

bondon, dat zij niet gescheiden kunnen worden. Want de helsclie troep begeert en bemint niets meer dan om kwaad te doen en vooral om anderen straf en marteling aan te doen. Daarom doen zij kwaad aan, en bestraffen zij een ieder, die niet dooiden Heer beschermd wordt, en daar allen, die kwaad doen, uit een kwaad hart de bescherming van den Hoer verwerpen, zoo snellen helscho geesten op hen aan en straffen hen. Dit kan eenigszins anders opgehelderd worden door misdaden en hunne straffen in de wereld, alwaar zij ook verbonden zijn ; want de wetten schrijven een zekere straf voor elke misdaad voor en daarom suelt een ieder die de misdaad binnensnelt ook de straf in. liet eenige verschil is, dat een misdaad in do wereld verborgen kan blijven, maar niet in het andere leven. Uit al deze beschouwingen volgt, dat de Heer aan niemand kwaad doet en dat zijn verhouding tot den kwaaddoener is als die eens konings, eens rechters ot' van een wet, geen van welke drie de oorzaak der straf is, omdat geen van drie bij den boosdoener oorzaak van kwaad waren.

DAT ALLEN', DIE IN DE HEL ZI.TX, IN KWAADHEDEN EX DAAUT'IT AFGELEIDE VALSCHHEDEN VERKEEKEX, WELKE OXTSTAAX UIT EIGENLIEFDE EX LIEFDE TOT DE WERELD.

551. Allen, die in de Hellen zijn, verkeeren in kwaadheden en daaruit afgeleide valachheden en er is niemand in kwaadheden en tegelijkertijd in waarheden. De meeste slechtemen-schen in de wereld weten de geestelijke waarheden, welke de waarheden der kerk zijn ; want zij hebben ze van hun kindsheid af geleerd en later wordt dit bevestigd door prediking, door het lezen van het Woord en door hun eigen gesprekken daaromtrent. Sommigen brengen anderen er zelfs toe, te gelooven, dat zij in hun hart Christenen zijn, omdat zij van de waarheden mot geveinsde genegenheid kunnen spreken en schijnbaar oprecht kunnen handelen, alsof hun daden het gevolg zijn van een geestelijk geloof; maar dezulken van hen, die in hun binnenste denken in strijd met deze waarheden en zich onthouden van kwaad te doeu in overeenstemming met hun gedach-418

551

ocr page 463

DE HEEK WERPT NIEMAND IN DE HEL.

ten, alleen uit vrees voor de burgerlijke wetten of wegens te behalen goeden naam, roem of winst, zijn allen in hun hart kwaad en verkeeren in goedheden en waarheden niet voor zoover hun geest, maar alleen voor zoover hun lichaam betreft. Wanneer daarom uitwendige dingen iu liet andere leven ontnomen en de inwendige dingen, aan hunnen geest eigen, geopenbaard worden, zijn zij geheel en al iu kwaadheden en valschheden, en niet in eenige waarheden en goedheden ; en het wordt dan duidelijk, dat goede en ware dingen alleen iu hun geheugen als kundigheden bestonden, welke zij in gesprekken bij wijze van voorwendsel te voorschijn brachten, wanneer zij het goede veinsden als voortkomende uit geestelijke liefde en geloof. Wanneer zulke geesten in hun inwendige dingen gelaten worden en bijgevolg in hun kwaadheden, kunnen zij niet meer waarheden spreken maar alleen valschheden, omdat zij dan uit valschheden spreken ; want liet is onmogelijk uit valschheden waarheden te sproken, omdat zulk een geest niets is dan zijn eigen kwaad en het valsche uit het kwade voortkomt. Elke kwade geest wordt in dezen toestand gebracht, alvorens hij in de Hel geworpen wordt; zie boven nos. 499 tot 512 ; en dit heet vencoesf worden voor zoover goede en ware dingen betreft; u maar deze verwoesting is niets meer dan toelating tot de inwendige dingen, of de zelfheid van geest, welke de geest zelve is; zie hierover boven no. 425.

552. Wanueei' do mcnsch zoodanig is na den dood, is hij niet meer een mensch-geest, gelijk in zijn eersten staat (waarover boven 4!)1 tot 498) maar een werkelijke geest, want hij, die werkelijk ecu geest is, heeft een gezicht en lichaam overeenkomende mot zijn inwendige dingen, welke van het gemoed

(j De slechten, alvorens in de Hol geworpen te worden, worden betreffende goedheden en waarheden verwoest, en wanneer de/.e hun ontnumen zijn, gaan zij uit eigen beweging naar de Hel, nos. (J^TT. TOol», 7705, 8210, S232, 9330, De Heer verwoest hen niet, maar zij verwoesten zieh zeiven nos. 7G4o, 7igt;2«'», Elk kwaad heeft een valsehheid in zieh, waardoor zij, die in het kwaad zijn, ook in de valsehheid zijn. ofschoon sommigen hunner het niet weten, nos. 7577, 8094. Zij, die in het kwaad ziju. kunnen sleehls valsehheid denken, wanneer zij uit zich zelf denken, no, 7437. Allen, die in de Hel zijn, spreken valschheden uit het kwade, nos. 1G95, 7351, 7352, 7357, 7392, 7G9S.

419

552

ocr page 464

HEMEL EX HEL.

zijii on dus is zijn uitwendige vorm het type of beeld van zijn inwendige. Deze toestand wordt bereikt, ■ nadat do eerste en de tweede staat doorgegaan zijn, cu dan kan met ceu oogopslag do aard van don geest onderkond worden, niet alleen aan het goziciit, maar ook aan hot lichaam de spraak en de gebaren. Daar hij nu in zichzelf is, kan liij nergens anders zijn dan waar zjjns gelijken zjjn, want in de geestelijke wereld is een alge-mecuo medodoeling van genegenheden en gedachten, zoodat een geest naar zijns gelijken geleid wordt, als ware het uit zichzelvcn, omdat hij hou zookt uit zijn eigen genegenheid en het aangename daarvan. Hij koert zich tot hen, want zoo ademt iijj zijn leven of haait vrij adem, hetgeen niet zoo is, wanneer hij zicli naar cene andere richting wendt. Men dient to weten, dat de gemeenschap met anderen in do geesteiijke wereld geschiedt volgens do wending van het gelaat on dat ieder voortdurend diegenen voor ziju aangezicht heeft, die in gelijke liefde als hijzelf zijn. Dit blijft geschieden in elke wending van het lichaam, zie boven 151. Vandaar dat alle llelsche geesten zich afkoeren van den Heer naar de diepe duisternis en duisternis, welke in de geestelijke wereld dezelfde plaats innemen als de zon en do maan in de natuurlijke wereld. Vandaar ook, dat de engelen dos Hemels zich naar don Heer koeren als naar do zou ou do maan des hemels; zie boven nos. 123, 143, 144, 151. Uit deze beschouwingen kan nu opgemaakt worden, dat allen, die in de hellen zijn, iu kwaadheden en daaruit voortvloeiende valschheden zijn, en ook dat zij naar hun eigen begeerten gekeerd zijn.

553. Alle geesten in de Hellen, gezien in eenige sterkte van Hemelsch licht, schijnen in den vorm van hun eigen kwaad, want voor ieder bestaat een beeltenis van' zijn eigen kwaad, omdat bij een iegelijk de inwendige en do uitwendige dingen in éénheid handelen en do inwendige dingen en do uitwendige dingen zichtbaar gemaakt worden, welke zijn liet gelaat, hot lichaam, do spraak en de gebaren. Zoodoende is hun karakter op 't eerste gezicht bekend. In 't algemeen zjjn het vormen van verachting van andoren ; van bedreiging tegen degenen die hen niet eerbiedigen, van vorscheidenerlei haat en van ver-420

553

ocr page 465

OE UEEK WERPT NIEMAND IX DE HEL.

scheidcnerlci wraak. In deze vormen schijnen woestheid en wreedheid van uit het binnenste door, maar wanneer anderen hen prijzen, eerbiedigen en aanbidden, trekt hun gelaat samen en schijnt blijde te zijn als door vergenoegen. Het is niet mogelijk al deze vormen in weinig woorden te beschrijven, zooals zij werkelijk toeschijnen, want geen twee zijn aan elkaar gelijk; maar er is toeh een algemeene gelijkenis tusschen diegenen, welke in gelijk kwaad en daardoor in gelijk gezelschap zijn. Deze algemeene gelijkenis, gelijk een basis van gemeenschappelijke afleiding is de grondslag van elk gelaat en de oorzaak van zekere gelijkenis. In 't algemeen zijn hun gezichten akelig en zonder leven, als van een lijk; sommige zijn zwart, sommige vurig als toortsjes, anderen misvormd door puisten, wrattenen zweren; bij velen is geen gezicht kenbaar, maar in plaats daarvan iets harigs ot' beenigs en somtijds niets dan tanden. Hunne lichamen zijn ook monsterachtig en hun spraak is de spraak van toorn, of haat; of wraak, want ieder spreekt uit zijn eigen valschheid en zijn stem klinkt uit zijn eigen kwaad. Kortom, zij zijn allen beelden van hun eigen Hel. Het is mij niet gegeven geworden om den vorm van de algemeene Hel zelve te zien, maar mij is gezegd, dat gelijk de algemeene Hemel in zijn geheel op één niensch gelijkt (no. 5!1 tot C7), zoo gelijkt de algemeene Hel in een geheel op één duivel en kan alzoo door de beeltenis van één duivel voorgesteld worden; zie boven no. 544 ; maar het is mij dikwerf geopenbaard, in welken vorm do bijzondere Hellen of Helsche gezelschappen zijn, want aan hun openingen, welke poorten der Hel genoemd worden, verschijnt meestal een monster, dat in 't algemeen den vorm dergenen, die binnen zijn, voorsteld. De woestheden van hen, die daar zijn worden tegelijkertijd voorgesteld door akelige en afgrijselijke dingen, welke ik nalaat in bijzonderheden te vermelden. Maar het verdient bekend te zijn, dat de Helsche geesten aldus sclujnen iu het licht des Hemels, maar onder elkander als mensclien en dit door de genade des Hoeren, opdat zjj voor elkander niet even walgelijk zouden zijn als zij den Engelen toesclnjneu ; maar deze genadige schijn is een onwaarheid, want zoodra eenig licht uit den Hemel binnenkomt 421

ocr page 466

HEMEL EX HEIj.

worden huniie menachelijke gedaanten in monsterachtige veranderd, welke hun waarachtig karakter voorstellen, waarover boven; want in het licht dos Hemels scliijnt alles, zooalshet inderdaad is. Vandaar ook, dat zij het licht des Hemels ontvlieden en zich in hun eigen licht werpen, dat gelijk is aan gloeiende kool en in sommige gevallen als dat van brandende zwavel. Dit licht wordt in zuivere duisternis veranderd, wanneer ecnig licht uit den Hemel er op valt en vandaar dat de Hellen in dichte duisternis en duisternis gezegd worden te zijn ; en dat, dichte duisternis en duisternis valschhcden beduiden, zooals zij in de Hel voorkomen.

554. Uit dozen blik op de monsterachtige gedaanten van Geesten in de Hel, welke, zooals gezegd is, alle vormen zijn van verachting voor anderen, van bedreiging tegen degenen, die hen niet eeren cu eerbiedigen, en van baat en wraak tegen degenen, die hen niet begunstigen, blijkt dat zij algemeene typen zjjn van eigenliefde en van liefde tot de wereld ; en dat de kwaadheden van welke zij bijzondere vormen zijn, hun oorsprong in die twee liefden hebben. Het is mjj ook uit den Hemel gezegd en door vele ondervinding bevestigd, dat deze twee liefden — eigenliefde en wereldliefde — de Hellen rogee-ren en tevens do Hellen uitmaken ; en ook dat deze twee liefden der Hel en de twee liefden des Hemels lijnrecht aan elkaar tegenovergesteld zijn.

555. In 't eerst verwonderde ik er mij over, hoe liet mogelijk was, dat liefde voor zich zeiven en liefde voor de wereld zoo duivelsch zijn, en dat degenen, die in deze liefde verkeeren voor 't oog zoo monsterachtig zijn: omdat in de wereld weinig over do eigenliefde gedacht wordt en omdat hoogmoed, welke de uitwendige verheffing van het gemoed is, alleen als eigenliefde beschouwd wordt, omdat hij voor het oog kenbaar is. Eigenliefde wordt, wanneer zij niet zoo opgeblazen is, geloofd hot vuur dos levens te zijn, door hetwelk de menscb geprikkeld wordt tot het streven naar ambten en het verrichten van diensten. Men denkt, dat wanneer de menscb in deze geeneeren roem zag, zjju gemoed zou versuffen, en men vraagt: „^'ie heeft ooit iets waardigs, iets nuttigs of iets gedenkwaardigs

422

554, 555.

ocr page 467

DE HEEK WE KPT NIEMAND IN DE HEL. 556, 557

gedaan, Jan om door anderen, of' in liet gemoed van anderen gevierd of geëerd te worden; en waarvan komt dat anders, dm van liet vuur der liefde voor roem en eer, en bijgevolg voor zich zeivenVandaar, dat men in de wereld niet weet dat eigenliefde de Helde is, die in de Hel regeert en bijgevolg in don mensch een Hel maakt. Daarom is het noodzakeljjk deze liefde eerst te beschrijven en aan te toonen, dat alle kwaadheden en daaruit voortkomende valschheden in die liefde een oorsprong hebben.

55G. Liefde voor zichzelven, is voor zichzelf alleen het goede willen en voor anderen niet dan om eigenwil, zelfs niet voor de kerk, het vaderland of eenig gezelschap van menschen; ook in het aan hen bewijzen van weldaden alleen ter wille van eigen naam, of eer of roem, want tenzij deze gezien worden in do diensten, die een mensch aan anderen bewijst, zegt hij in zijn hart: „Waartoe dient dit ? Waarom zou ik hot doen? Wat voordeel brengt het mij?quot; en zoo laat hij het na. Hieruit volgt, dat hij, die in liefde voor zichzelven is, de kerk niet liefheeft, noch zijn vaderland, noch de maatschappij noch eenig nut, maar alleen zichzelven. Zijn eenig genoegen is het ge-iiioton van zijn eigenliefde en aangezien het genoegen dat uit liefde voortkomt, het leven eens menschen uitmaakt, zoo is zijn leven oen loven voor zich zolven, en een loven voor zichzelven is een leven uit hetgeen den mensch eigen is en hot eigene in den mensch, in zichzelven gezien, is niets dan kwaad. Hij die zichzelf liefheeft, lieeft ook de zijnen lief, die in 't bijzonder zijn kinderen en kleinkinderen zijn en iu't algemeen allen, die éénzelfde ding mot hem doen, die hij de zijnen noemt. Dezen lief te hebben is ook zichzelven lief te hebben, want hij, beschouwt hen als in zichzelven en zichzelven als in hen; onder degenen die hij de zijnen noemt, zijn ook allen, die hom prijzen, eeren en vleien.

557. Uit een vergelijking met hemelsche liefde kan de hoedanigheid der liefde voor zichzelven vastgesteld worden. Hemelsche liefde is het liefhebben van het nut ter wille van het nut, of van hot goede ter wille van het goede, hetwelk een mensch aan de kerk, het vaderland, de menschel ij ko niaat-423

ocr page 468

HEMEL EN HEL.

schappij cn zijnen medeburger bewijst; want dit is God en zijnen naaste lief te hebben, omdat alle nut en alle goede dingen van God afkomstig zijn en ook do naaste zijn, die bemind moet worden. Maar hij die ze liefheeft om eigenwil, heeft ze slechts lief als dienstknechten, omdat zij heinzeben dienen. Hieruit volgt, dat bij die in liefde voor zichzelvea is, wil dat de kerk, zijn vaderland, menscheiijke genootschappen en zijn medeburgers hem dienen en hij hen niet dienen zal. Want hij stelt zich boven hen, en hen beneden zich. Vandaar, dat voor zoover iemand in liefde voor zichzelven is. hij zich ook zoover van den Hemel verwijdert, omdat hij zich van hemelsche liefde verwijdert.

558«. Bovendien, voor zoover iemand in heinelsche liefde is, die bestaat in het liefhebben van nut en van het goede en in het aangedaan worden met vreugde des harten in het verrichten hiervan ter wille van de kerk, het vaderland, de menscheiijke maatschappij cn den medeburger, in zóó verre wordt hij ook door den lieer geleid, omdat die liefde de liefde is in welke Hij verkeert en die van Hom afkomstig is. Maar in zooverre als iemand in liefde voor zichzelven is, welke liefde bestaat in het verrichten van nut en goede dingen ter wille van zichzelf, in voor zooverre iemand door zichzelf geleid wordt, wordt hij niet door den Heer geleid. Hieruit volgt eveneens, dat voor zoo verre iemand zichzelf lief heeft hij zich van hetGoddelijke en dus ook van den Hemel verwijdert. Door zichzelven geleid worden is geleid worden door het eigendommelijke in zich, en liet eigendommelijke des menschen is niets anders dan kwaad. Want het is zijn erfelijk kwaad, hetwelk bestaat in het zich zeiven liefhebben boven God, cn de wereld boven den Hemel.A

h Het cigemlommclijke des menschen, hetwelk hij door de erfelijkheid van zijne ouders ontvangt, is niets anders dan dicht kwaad ; nos. 210, 215, 731, 87G, 987, 1047. 2307, 2308, 3518, 3701, 3812, 8480, 8550, 10283, 10284. 10286, 10731. Plet eigendommelijke des menschen is het liefhebhen van zichzelven hoven God, en de wereld boven den Hemel, en het voor niets achten van zijn naaste in vergelijking met zichzelf, behalve om eigenwil, zoodat liet bestaat uit de liefde voor zichzelven en voor de wereld; nos. (i!)4, 731, 4317, 5GG0. Wanneer de liefde voor zichzelf en voor de wereld de overhand hebben, komen alle kwaadheden uit hen voorr ; nos. 1307, 1308, 1321,1504,1001, 3413, 7255, 7370, 7470, 7488, 831.8, 0335, 0348,10038,10742. Deze zijn minachting van anderen, vijandelijkheid, haat, wraak, wreedheid, bedrog, nos, (3(507, 7370?

424

558

ocr page 469

DE I1KKR WERPT NIEMAND IN ÜE HEL.

De mensch wordt in zijn eigenlijke natuur en dus in zijn erfelijke kwaadheden toegelaten, telkens wanneer hij zich beschouwt in de goede dingen, die hij doet, want hij ziet van de goede dingen naar zichzelt' en niet vau zichzelf naar do goede dingen en daardoor maakt hij in het goede een beeld van zich-zelven en niet van het Goddelijke. Dat dit zoo is, werd mij ook door ondervinding bevestigd. Er zijn kwade Geesten, wier woningen zich bevinden in het miildelste kwartier tusschcn hot noorden en het westen, onder de Hemelen en die de kunst verstaan om goedgezinde Geesten in hun eigendommelijke natuur en zoodoende in verscheidenerlei kwaadheden toe te laten. Zij doen dit door hen toe te laten in gedachten omtrent zichzelven, hetzij openlijk door loftuitingen en eerbewijzen, hetzij heimelijk door hunne genegenheden naar hen zelf te keeren ; en voor zooverre zij dit verrichten, voor zóóverre wenden zij ook de gezichten der goedgezinde Geesten van den Hemel af, verduisteren hun verstand en brengen de kwaadheden van hun eigenlijke natuur te voorschijn.

558/.). Dat de liefde voor zichzelven aan naastenliefde tegenovergesteld is, kan gezien worden uit den oorsprong en het wezen van beide. De naastenliefde bij dengene, die in liefde voor zichzelf is, begint bij hem zelf, want het wordt gezegd, dat ieder zichzelf het naast is, en gaat voort van hem als middelpunt naar allen, die met hem éénzelfde ding doen, met eene vermindering volgens de graden van samenvoeging met hem door liefde. Allen, die buiten dezen kring staan, worden van geen waarde geacht en zij, die er tegen gericht zijn en tegen de kwaadheden van de leden er van, worden als vijanden beschouwd, hoedanig hun karakter ook zij, en hoe wijs, braaf, oprecht of rechtvaardig zij ook zijn. Maar Geestelijke liefde jegens den naaste begint bij den Heer en gaat uit van Hom als van een middelpunt naar allen, die mot Hem verbonden zijn door liefde en geloof, en gaat voort volgens de hoedanig-, hcid van hun geloof en hun liefde. ,■

7374, OS-IS, 10038, 111742. In «leze kwaadheden vindt elk kwaad beginsel zijn oorsprong ; nos. 1047, 10283, 10284, 10280.

i Zij; die niet weten wat liet is, zijn naaste lief te hebben, denken dat ieder ineiiseh hun naaste is, en dat aan ieder, die hulj) noodig heeft, goed gedaan

425

558

ocr page 470

HEMEL EN HEI,.

Hieruit blijkt, ilat de naastenliefde beginnende van den mousoli tegenovergesteld is aan de naastenliefde welke van den Heer begint, en datgene voortschrijdt tot het kwaad, omdat zij uit bot eigendommelijke in den mensch komt, en deze tot bet goede, daar zij van deu Heer komt, die bet goede zelve is. Hot is eveneens duidelijk, dat de naastenliefde die van den menseb en het eigendommelijke in hem komt, lichamelijk is, maar dat de naastenliefde die van den Heer komt henielscb is. Kortom, do liefde voor zich zeiven maakt het bootd van den mensch in welken zij is, en hemelsche liefde maakt voor hem de voeten. Hierop staat bij en wanneer het hem niet dient, treedt bij het mot voeten. Vandaar, dat zij, die iu de Hel geworpen worden, het schijnen te zijn met het hoofd omlaag naar de Hel en de voeten omhoog naar don Hemel gericht; zie boven no. 548.

559. De liefde voor zichzelven is ook zoodanig, dat voor zoover de teugels er van gevierd worden, dat wil xeggen, voor zoover uitwendige banden verwijderd worden, welke zijn vrees voor do wet en bare straffen, vrees voor verlies van goeden naam, eer, weelde, ambt en leven, zoo verre snelt zij voort, totdat zij ten laatste niet alleen de gcheele wereld, maar ook den gebeelon Hemel en het Goddelijke zelfs wil rogeeron, geen grens of einde kennende. Deze neiging ligt

moet worden : nu. G704. En zij gelooven ook, dat ieder zichzelf een naaste is, en dus dat naastenliefde bij zichzelf begint; no. 6933. Zij, die zich zelf hoven alle dingen liefhehben, dus diegenen, bij wie eigenliefde de overhand heelt, rekenen het begin van naastenliefde van zichzelven : no. 6710. Maar de wijze, waarop ieder voor zichzelf een naaste is, wordt uitgelegd, nos. 6!)33—6938. Maar zij, dit; Christenen zijn, en God boven alles liefhebben, rekenen het begin hunner naastenliefde van den Heer. omdat Hij boven alle dingen liefgehad moet worden ; nos. 6706,6711, 6819, 0824. Kr zijn evenveel verschillen onder naasten, als er zijn verschillen in het goede van den Heer, en het goede moet een ieder aangedaan worden met onderscheid, volgens de hoedanigheid van zijn toestand, en dit behoort tot ('hristelijk beleid ; nos. 6707,6709, 6711, 6818. Deze verschillen zijn talloos, en dientengevolge brachten de Ouden, die de beteekenis van den naaste kenden, de uitoefening van weldadigheid, tut klassen terug, welke zij door hun afzonderlijke namen aanduidden., en zoodoende wisten zij, in welke betrekking de een de naaste van den ander was, en hoe aan een ieder welgedaan moest worden met beleid : nos. 2-117 6628, 6705. 7259, 7564. Het leerstuk in de kerk der Ouden was het leerstuk van barmhartigheid tut den naaste, en dientengevulge hadden zij wijsheid ; nus. 2417, 2305, 3418, 3420, 4844, 6628.

42G

559

ocr page 471

DE 1 IK Kif WERPT XIEMAND IN DE HEL. 560, 5G1

verborgen in ieder, die in liefde voor zichzelf is, ofschoon zij niet duidelijk is aan do wereld, waar bovengenoemde banden haar terug houden. Dat dit zoo is, kan iedereen zien in heeren en koningen, die aan deze regels en banden niet onderworpen ziju ; die voorthollen, provincies en koninkrijken onderwerpen, voor zooverre zij hierin slagen, en haken naar macht en roem zonder grens. Nog duidelijker hiijkt dat uit het hedendaagschc Babyion, hetwelk zijn gezag tot iu den Hemel heeft uitgestrekt, allo Goddelijke macht op zich heeft overgedragen, en voortdurend moer begeert. Dat zulke menschen geheel en al tegen het Goddelijke in den Hemel zijn, en voor de Hbl gezind zijn, wanneer zij na den dood in het andere leven komen, kan gezien worden in de kleine verhandeling over liet laatste Oordeel en de verwoesting van Babyion.

500. Htel u voor een maatschappij van dezulken, die allen zich zelf alleen liefiiebben en anderen slechts dan, wanneer zij met hen éénzelfde ding doen, en gij zult zien dat hunne lictdc slechts is als de liefde van 'roovers onder elkaar, die voor zoover zij in gemeenschap handelen, elkander kussen en vrienden noemen, en die voor zoover zij niet in'gemeenschap handelen en voor zoover zij hunne wetten verwerpen, tegen elkander opstaan en elkander vermoorden. Wanneer hun binnenste of ziel ontdekt wordt, blijkt, dat zij vol zijn van vijandelijken haat tegen elkaar en dat zij in hun hart om alle rechtvaardigheid eij oprechtheid lachen, en eveneens om het Goddelijke, dat zij als van geene waarde verwerpen. Dit kan nog beter gezien worden van de genootschappen der zulken in de Hellen, waarover hieronder gesproken wordt.

5(JI. Hot binnenste, het gebied van de gedachten en genegenheden dergenen, die zichzelven boven alle dingen liefhebben, is gekeerd naar zichzelven en naar de wereld en dus afgewend van God en van den Hemel. Vandaar dat zij bezeten zijn door allerlei kwaadheden en dat het Goddelijke niet in hen kan vloeiien, omdat zoodra het invloeit, het gedompeld wordt in gedachten over zichzelven, en ontheiligd en eveneens ingevoerd in de kwaadheden, welke van het eigendommelijke dier menschen zijn. Vandaar, dat al dezulken, in het andere

427

ocr page 472

HEMEL EN HEL.

leven, van den Heer terugzien naar de plaats van diepe duisternis, welke daar is in de plaats van de zon der wereld, en welke lijnrecht tegenovergesteld is aan de zon des Hemels, welke is de Heer. Zie boven, no. 123. Diepe duisternis betee-kent ook kwaad, en de zon der wereld de liefde voor zich zelveu. j

562. De kwaadheden, welke degenen, die in liefde voor zichzelven zijn, toebehooren, zijn in 't algemeen verachting van anderen, nijd, vijandige gezindheid togen allen, die hen niet begunstigen en daaruit voortvloeiende vijandelijkheden, verschillende soorten van haat, wraak, list, bedrog, ongenade en wreedheid; en wat betreft Godsdienstige dingen, er is niet alleen verachting van het Goddelijke en Goddelijke dingen, welke de waarheden en goedheden der kerk zijn, maar ook toorn tegen hen. Deze toorn verandert in haat, wanneer do mensch een Geest wordt en dan kan hij niet alleen niet verdragen deze dingen aan te hooren, maar brandt zelfs met toorn tegen allen die het Goddelijke erkennen en aanbidden. Eens sprak ik met zekeren Geest, die in de wereld een man van gezag geweest was, en zichzelven in oen ovcrtrettelijken graad had liefgehad; wanneer hij het Goddelijke slechts hoorde noemen, en vooral bij den naam des llecrcn, werd hij gedreven door zulk een haat, uit toorn voortgesproten, dat hij brandde niet verlangen hem te dooden. Dezelfde geest wenschte, teen de teugels van zijn liefde gevierd werden, de duivel zelve te zijn, opdat hij den Hemel voortdurend door zijn eigenliefde mocht aanvallen. Dit is ook de begeerte van velen van het lloomsche geloof, wanneer zij in het andere leven bemerken, dat do Heer alle macht heeft en zij geeu.

563. Mij verschonen in het westelijk kwartier des Hemels, naar het zuiden, eenige Geesten, die zeiden, dat zij in do wereld in groote waardigheid geweest waren en dat zij boven anderen

j De Zon der wereld beteekent liefde voor zirlizelf; no. 2441. in de/.e belee-kenis wordt bedoeld door het aanbidden der Zon bet aanbidden der dingen, welke tegenovergesteld zijn aan ITeinelscbe liefde en aan den Heer; nos. 2441, 10584. De Zon beet wordende, beteekent de aangroeiende liefde voor bet kwade; nu. 8487.

428

5C2, 563

ocr page 473

uk Heer wërpt niemand in de hel.

de voorkeur verdienden om over hen te regeeren. Zij werden door Engelen onderzocht, wat betrof iiun innerlijk, en het werd bevonden, dat zij in hun ambten in de wereld niet op het nut gelet hadden, maar op zichzelven, en zoo hadden zij zich boven het nut gesteld. Maar daar zij verlangend waren en het hun van groot belang scheen over anderen gesteld te worden, werd hun toegestaan te behooren tot degenen, die beraadslaagden over zaken van groot gewicht. Toen werd bevonden, dat zij in 't geheel niet hun aandacht konden wijden aan de dingen, die besproken werden, noch de dingen zien, zooals zij in zichzelven zijn, noch spreken van uit het nut der dingen, maar van uit hun eigenbelang, en ook, dat zij hun genoegen wilden uitoefenen op grond van gunst. Zij werden daarom uit dezen werkkring ontslagen en aan zichzelf overgelaten, om elders werk te vinden. Daarop gingen zij verder in het westol ij k kwartier, waar zij hier en daar ontvangen werden, maar overal werd hun gezegd, dat zij slechts uit zichzelven dachten en niet uit iets buiten zichzelf, zoodat zij dom waren en slechts gelijk zinnelijke, lichamelijke geesten. Om deze reden werden zij weggezonden, waar zij ook kwamen. Eenigen tijd daarna werden zij gezien in een kommervollen toestand, om aalmoezen vragende. Zoo werd het duidelijk gemaakt, dat zij die in liefde voor zichzelven zijn, hoezeer zij ook door het vuur dier liefde in de wereld als wijze menschen schijiien te spreken, toch alleen door het geheugen, en niet door eenig redelijk licht spreken. Uier-door komt het, dat zij in het andere leven, wanneer het niet meer toegestaan wordt, dat dingen van het natuurlijke geheugen weder worden te voorschijn gebracht, dommer zijn dan de anderen, en wel omdat zij van het Goddelijke afgescheiden zijn.

564. Er zijn twee soorten lieersehappjj, de eene van naastenliefde en do andere van eigenliefde. Deze twee soorten van heerschappij zijn in hun gehcele wezen aan. elkaar tegenovergesteld. Hij die heerscht door naastenliefde, wil voor allen het goede en bemint niets meer dan het nut, om zoo anderen te dienen (hetgeen is om het goede voor hen te willen en diensten te bewijzen, hetzij aan de kerk, of het vaderland, of de maatschappij, of den medeburger); dit is zijn liefde en het 429

564

ocr page 474

HEMEL EX HEL.

genoegen zijns harten. In zooverre als hij verheven wordt tot waardigheden boven anderen, verblijdt hij zich; evenwel niet ter wille van de waardigheden, maar om het nut, dat hij dan in grooter overvloed en mate kan verrichten; zulk een heerschappij is in do Hemelen. Maar hij, die heerscht uit liefde voor zichzelven, wil voor niemand goed, behalve voor zich-zelven alleen; hot nut, dat hij verricht, is alleen ter wille van zijn eigen eer eu roem, welke voor hem het eenige nut zijn. Hij dient anderen slechts, opdat hij zelt' gediend en geëerd worde en heersche. Hij streeft naar waardigheden, niet ter wille van het goede, voor hot vaderland en de kerk te verrichten, maar opdat hij in verhevenheid en roem zij, en dus in liet genoegen zijns harten. De zucht voor heerschappij blijft ook een ieder bij, na hot leven in de wereld. Aan hen, die uit naastenliefde geregeerd hebben, wordt ook gezag in de Hemelen toevertrouwd; evenwel heerschen zij niet, maar het nut, dat zij liefhebben eu wanneer het nut heerscht, heerscht de Heer. Maar zij, die in do wereld uit eigenliefde geheerscht hebben, zijn na het leven in de wereld in de Hel, en zijn aldaar lage slaven. Ik heb heerschers gezien, die in do wereld uit eigenliefde geheerscht hebben, verworpen onder de aller-laagsten, en sommigen dergenen die zich in plaatsen dor uitwerpselen ophouden.

5G5. Wat de liefde tot de wereld betreft, deze staat niet in die mate tegenover de Hemelsche liefde, omdat zij niet zulke groote kwaadheden in zich verbergt. De liefde tot de wereld is de begeerte eens menschen om voor zichzelf te verkrijgen de bezittingen van anderen door allerlei kunstgrepen, het plaatsen van het hart in rijkdommen en toelaten dat do wereld hem terugtrekt en wegvoert van Geestelijke liefde, welke is de liefde voor den naaste, eu dus afkomstig uit den Hemel en van hot Goddelijke. Maar deze liefde is menigvuldig; er is een liefde voor rijkdom, om tot eerbewijzen verheven te worden, welke alleen bemind worden ; er is een liefde voor eerbewijzen en waardigheden, ten einde zijn rijkdommen te vermeerderen; er is een liefde voor rijkdom, ter wille van verschillende diensten, die in de wereld blijdschap geven; er is

430

56a

ocr page 475

IIEI/SC1I VÜÜR EN KNERSING DER TANDEN. 5(iG, 5G7

liefde voor rijkdommen, alleenlijk ter wille dier rijkdommen, zooals de liefde ecus vreks; en zoo meer. Hot doel waarmee naar rijkdom gestreefd wordt, heet nut en het doel of nut geven aan die liefde haar karakter; want de liefde is zoodanig als liet doel is, en alle andere dingen dienen haar slechts als middel.

WAT HELSCH VUUR IS, EX KNEKSING DER TANDEX,

5015. Wat het ecuwig vuur cn de knersing der tanden zijn, welke in het Woord vermeld worden als hot deel dergenen, die in de Hel zijn, is tot nog toe aan bijna niemand bekend, omdat do menschen stoffelijk gedacht hebben over de dingen, die in het Woord zijn, niet wetende de Geestelijke betcekcnis ervan. Daarom hebben aommigen onder vuur verstaan, stoffelijk vuur, sommigen marteling in 't algemeen, anderen wroeging van het geweten cn weer anderen hebben gedacht, dat het slechts voorspeld is om dcu boozen vrees in te boezemen; en onder knersing dor tanden is een werkelijke kuersing verstaan door sommigen, maar door anderen slechts afschuw, zouals er is wanneer zulk samen komen der tanden gehoord wordt. Maar hij die den Geestelijken zin van het Woord kent, kan weten wat eeuwig vuur is en wat knersing der tanden is; want in elke uitdrukking en iu elke betcekcnis van uitdrukkingen is vervat een Geestelijke zin, omdat hot Woord in zijn boezem Geestelijk is, en het Geestelijke bij den mensch slechts op natuurlijke wijze kan uitgedrukt worden, omdat hij in do natuurlijke wereld is en denkt van uit de dingen die daar zijn. Wat nu het ecuwig vuur en het knersen der tanden zijn, waarin de slechte menschen, voor zoover hun Geest betreft, na den dood komen, of welke hunne Geesten, die dan in de Geestelijke wereld zijn, verduren, zal verhaald worden in hetgeen nu volgt.

567. Er zijn twee bronnen van warmte, do eeneuitdeZon des Hemels, welke is de Lieer en uit do zon der wereld. De

431

ocr page 476

HEMEL EN HEL.

warmte welke uit de Zon des Hemels, of uit den Heer is, is Ooestelijke warmte, welke in haar wezen liefde is, (zie boven nos. 126 tot 140); maar de warmte van de zon der wereld is natuurlijke warmte, welke in baar wezen geen liefde is, maar Geestelijke warmte of liefde tot ontvanger dient. Dat liefde in haar wezen warmte is, volgt uit het warm worden van den Geest en zoo van het lichaam door de liefde, volgens haar graad en hoedanigheid, welk warm worden de mensch evenzeer in den winter als in den zomer ondervindt — als ook van het warm worden des bloeds. Dat natuurlijke warmte welke haar bestaan aan de zou der wereld dankt, de geestelijke warmte als ontvanger dient, blijkt uit de warmte des lichaams welke opgewekt wordt door de warmte van den Geest, en welke de plaats er van vervangt, en vooral uit de lichaamswarmte in het voorjaar en den zomer bjj allerlei dieren, welke in dien tijd jaarlijks naar hunne liefde terugkeeren. Niet dat de natuurlijke warmte dit veroorzaakt, maar zij maakt hunne lichamen geschikt tot het opnemen der warmte, die uit de Geestelijke wereld lien te binnen vloeit, want de Geestelijke wereld vloeit de natuurlijke te binnen, zooals oorzaak en gevolg. Hij die gelooft, dat natuurlijke warmte hun liefde veroorzaakt, dwaalt ten zeerste, want de invloeiing heeft plaats van de Geestelijke wereld in de natuurlijke en niet omgekeerd, en alle liefde omdat zij van het leven zelve is, is Geestelijk. Evenzoo hij, die gelooft, dat iets in de natuurlijke wereld bestaat, afgescheiden van een invloeiing der Geestelijke, dwaalt evenzeer, want het natuurlijke bestaat slechts en duurt slechts voort doorliet Geestelijke. De voorwerpen van het plantenrijk ontleenen hun ontkieming aan een invloeiing uit die wereld; de natuurlijke warmte welke in de lente en den zomer heerscht, schikt de zaden in hun natuurlijke vormen, door ze uit te breiden en te openen, opdat een invloeiing uit de Geestelijke wereld er als oorzaak kan werken. Deze dingen zijn aangevoerd opdat men wete dat er twee soorten van warmten zijn, namelij k Geestelijke warmte en natuurlijke warmte, en dat Geestelijke warmte uit de Zon des Hemels is en de natuurlijke warmte uit de zon der wereld, en dat invloeiing en daarop volgende medewerking 432

ocr page 477

iiEi.srn vrrn ex kkersixo dek tanden. 5CS, 5G9

de uitwerking geven, die zidi aan onze oogen in de wereld voordoet. k

568. Geestelijke warmte liij don menscli is do wurm to van zijn leven, omdat, zooals boven gezegd werd, zij in haar wezen liefde is. Deze warmte is het, die in liet Woord door vuur bedoeld wordt liet'do voor den lieer eu liefde voor den naaste door l[cinolsoli vuur, liefde voor zichzelf en liefde voor do wereld door Holscli vuur.

569. Ifolseli vuur of Helsclie liefde is van denzelfden oorsprong als I[emclscli vuur en l[einelsclie liefde, namelijk van de zon des Hemels of van den Heer; maar het wordt Holscli door degenen, die bet ontvangen. Want elke invloeiing uit de Geestelijke wereld wisselt af naar gelang van de ontvangst of naar gelang van de vormen in welke zij invloeit, juist zooals de warmte en liet licht van do zon der wereld afwisselt. De warmte van de zon, in bosschages en bloembedden vloeiende, brengt een plantengroei voort en ontlokt aangename en zoete geuren; maar dezelfde warmte, vloeiende in uitgeworpen en rottende storten, brengt bederf eu kwade, walgelijke stanken voort. Op gelijke wijze brengt hot licht derzelfde zon schoone, streelonde kleuren voort op 't eene voorwerp en vuile onaangename op het andere. Eveneens is dit hot geval met de warmte en hot licht van de zon dos Hemels, welke liefde zijn. Wanneer do warmte of liefde er van in goede dingen vlooit, zooals bij goede menschen en geesten eu bij engelen, maakt zjj do goede dingen in hou vruchtbaar; maar wanneer het bij de slechten invloeit, heeft bet eene tegouovergestelde uitwerking, want de kwaadheden verstikken het, of doeu hot in kwaad verkeeron. Op gelijke wijze geeft bot licht des Hemels, wanneer hot in de waarheden van het goede vloeit, verstand en wijsheid, maar wanneer het in de valschheden dos kwaads vlooit, wordt hot

k Er is eene invloeiing van lt;le Geestelijke wereld in de natuurlijke ; nos. 6053 tot 0058, 01 SO tot 0214, 0307 tot 0320, 0400 tot 0405, (gt;508—0020. Er is ook een invloeiing in liet leven der dieren ; no. 5850. En eveneens in de voorwerpen van het plantenrijk; no. 3048. Deze invloeiing is een voortdurend streven om te werken volgens de Goddelijke orde ; no. 0211 aan het einde.

433 28»

ocr page 478

HEMEL EX urcr,.

aldaar veranderd in vcrselioidcnerloi krankzinniglicdcn en verbeeldingen. Evenzoo in :illc gevallen volgens de ontvangst.

570. Daar Helsch vuur liefde tot zielizelven en liefde tot de wereld is, is liet elke begeerte dier liefden, omdat begeerte liefde is in hare voortduring, want wat een inonsch liefheeft, dat begeert hij ook voortdurend, en dat is zijn genot. Immers, hetgeen de mensch liefheeft of begeert, vindt hij aangenaam, wanneer hij het verkrijgt, en niemand heeft vreugde dos harten van eene andere bron. Ilelsch vuur is. dus de begeerte naar de vreugde, die uit die twee liefden als oorsprong ontstaat. De kwaadheden daaruit afgeleid, zijn verachting van anderen, vijandelijke gezindheid en vijandelijkheid tegen degenen, die hen niet begunstigen, nijd, haat en wraak en uit deze woestheid en wreedheid ; en wat liet Goddelijke betreft, zijn zij ontkenning en vandaar verachting, spot en lastering van de heilige dingen der kerk; ua den dood, wanneer de mensch een geest is, worden deze kwaadheden veranderd in toorn en haat tegen deze heilige dingen, (zie boven no. 502). En daar deze kwaadheden voortdurend verwoesting en moord tegen degenen, die zij voor liun vijanden houden, ademen, en tegen welke zij met haat en wraak branden, daarom is het genot huns levens, te willen verwoesten en dooden, en voor zoover zij dit niet doen kunnen, kwaad te willen doen, te willen schaden en wreedheid aan te willen doen. Deze zijn do dingen die in het Woord door vuur bedoeld worden, waar de kwaadheden en de Hellen behandeld worden. Eenige van deze plaatsen wil ik hier ter bevestiging aanvoeren. Zij zijn allen te zavten huicheltiars en hnosdoeners

en alle mond spreekt diraashenl.....rrant de Goddeloosheid

brandt als vuur, doorne)i en distelen zal zij rertecren cv zal aansteken de venaarde struiken des ironds, die zich rcrheroi hebben als de verheffinrj des rooks . . . . l.n het vol!: zal zijn (ds een voedsel ties vimrs: de een zo' den ander niet versehoo-nen. Jes. IX : 16 — IS. En ik zal iro)iderfeeke)icn c/even in doi hemel en op de aarde: bloed, en runr n rooi,-pilaren. Igt;e zon zal veranderd irorden in duisternis, .loid M : ■!•', •gt;1. linnnc aarde zal tot brandend pek irortlen. liet zal des nachts of des

570

434

ocr page 479

UEijSCit vtjuu kn' kxi:i:sixc: mcr; tankkx.

daags niet uitijchluscht irordeii, tot in der eemeir/lieitl zal zijn rook opgaan. Jos. XXXIV ; !), 10. Want ziet, die dag l-cmt, brandende als een oren: da)} zullen alie ho'i'/iiaifdii/cn, en a! wie godeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in plant zetten. M;il. I \ : 1. Igt;lt;dgt;iilon igt;lt; (jcworden eene woonstede der duioelen .... /v« zij r 'u-pn, zi.aale den rooi: ran

haren brand.....En haar rook' gaat op in alle eeuwigheid.

Opcnb. XVIII : 2, IS; XIX ; ii. h'n zij heeft den jmt des af-gronds geopend : en er is rook opejegaeui uit den put, als rook eens grooten oren»; en de zon en de Inehf is n rdaisteni yeiror-den van den rooh' des puts. O^cnli. IX : 2. Kn uit de monden der paarden ging uil raar, en ronk, en sulfer. Door deze drie werd het derde deel der gt;nensehen gedood; )H(inelijk door het vuur en door den rooi:, e)i door het sulfer, dat uit hunne monden uitging. Opent). IX : 17, IS. Indien iemand het beest aanbidt .... die zat ook drinken uit den wijn des toorns Gods, die ongemengd ingesehonken is in den drinkbeker zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sul/er. Opcnb. XIV : fl, 10. En de vierde engel goot zijne fiool uit op de zon • en haar is macht gegeven de mensehen te verhitten door vuur. En de mensehen werden verhit met groote hitte. Opcnb. XVI; 8 9. En zij werden geworpen in den poet des vaurs, die met sulfer brandt. Opcnb. XIX : 20; XX: 14, 15; XXI ; 8. Alle boom dan, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Math. Ill : 10; Luk. 11! : '.). De Zoon des menschen zed Zijne Engelen, uitzenden, en zij zullen uit zijn Koninkrijk vergaderen alle ergernissen, en der/enen die de ongerechtigheid doen; en zij zullen dezelve in den vuriip;n oven werpen. Math. XIII: 41, 42, 50. De E oning zal zeggen tot degenen, die ter linkerhand zijn: (daal weg van mij, gij vervloekten I in tad eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijne Engelen bereid, is. Math. XXV: 41. Zij zullen in het eeuwige vuur, geworpen worden, in de hel des vuurs waar de worm niet sterft, en het vuur niet uilgebtuscht wordt. Math. XV III: 8, 0; Mark. I\: i:! -40. De rijke iiiau zeide in de hel tot Abraham, dat hij smartelijk in de vlam leed. Luk XVI : 24. In deze en in vele andere plaatsen wordt door vuur bedoeld 435

ocr page 480

IIKM EL EN HET,

dc begeerte welke is liefde voor ziclizelven en liefde voor do wereld en .door den rook wordt bedoeld liet valsche uit het kwaad ontstaan.

571. Daar de begeerte tot het doen van kwade dingen, welke uit de liefde tot zich/,elven en tot de wereld zijn, bedoeld wordt door Helscli vuur en daar een dergeljj.ke begeerte allen in de Hellen eigen is, zooals in do voorgaande paragraaf is aangetoond, is er ook een verschijning als van vuur, met rook, zooals gewoonlijk bij een brand, wanneer dc Hellen geopend worden. ILct is een dicht massiet vuur uit de Hellen, waar liefde tot zichzclven heerscht, en vhnnachtig uit dc Hellen, waar liefde tot de wereld dc overhand lieclt. Maar wanneer zij gesloten zijn, wordt dit vurige niet gezien, maar iu plaats ervan een duisternis als van dichten rook. Toch woedt het vuur van binnen en dit is merkbaar aan dc uitstralende hitte, welke is zooals de hitte uit de asch na den brand en in sommige plaatsen als de hitte van een heet fornuis, en elders als van een heet bad. Wanneer deze hitte in den mcnscli vloeit, wekt zij in hem begeerten op, en bij de slechte menschen haat en wraak, bij zieken krankzinnigheden. Zulk vuur of zulke hitte is het deel dergenen, die in bovengenoemde liefde zijn, daar zij, voor zoover hun geest betreft, aan die Hellen gebonden zijn, zelfs wanneer zij in het lichaam leven. Men dient evenwel te weten, dat zij, die in de Hellen zijn, niet in vuur zijn, maar dat het vuur een schijn is; want zij gevoelen daar geen branden, maar alleen warmte, zooals zij vroeger in do wereld ondervonden. De schijn van vuur is tengevolge van do overeenstemming, want liefde stemt met vuur overeen en alle dingen in de geestelijke wereld verschijnen volgons overeenstemmingen.

572. Men moet opmerken dat dit Hclsch vuur, ot deze hitte, in zeer sterke koude veranderd wordt, wanneer warmte uit den Hemel er in vloeit en dan bibbeicn zij, die cr m zijn, als menschen door kou en koorts bevangen en worden ook inwendig gepijnigd. Hiervan is do roden, dat. zij geheel en al aan het Goddelijke tegenovergesteld zijn en dat de llo-melsche warmte, welke is Goddelijke liefde, de hitte der Hel blusclit, welke is liefde tot zichzclvcn, en met deze het vuur

571, 572

436

ocr page 481

IIELSCII VUUR KN KNKKSINO DEK TANDEN. 573, 574

huns loveus ; liiordooi ontstiiut; ile/.c koudlioid en bibbcring 011 ook ilit lijden. Dan volgt ook diiar dikke duisternis en daaruit dwaasheid on blindheid. .Maar dit gebeurt zelden, alleen wanneer uitbarstingen, die bovenmatig aangroeien, onderdrukt moeten worden.

573. Daar door Helsch vuur bedoeld wordt, alle begeerten tot kwaad doen, voortvloeiende uit liefde tot ziehzelven, zoo wordtouk door hetzelfde vuur bedoeld de marteling, zooals die in de Hellen bestaat. Want de begeerte uit die liefde is de begeerte om anderen te schaden, die ons niet eeren, vereeren en eerbied bewijzen, en in verhouding tot den toorn en de haat en wraak ; uit dien toorn is de begeerte om wreed tegeu hen te zijn. AVatmeer deze begeerte in elk lid van eene maatschappij is en door geene uitwendige banden beperkt wordt, zooals vrees voor de wet, vrees voor het verliezen van goeden naam, eer, rijkdom en loven, dan snelt een ieder, gedreven door zijn eigen kwaad, op een ander aan, en voor zoover hij de overhand heeft, onderwerpt hij ook de rest en brengt hen onder zijn heerschappij, en tegeu degenen, die zich uiet onderwerpen, begaat hij voor zijn genoegen wreedheden. Dit genot is ten volle verbonden met het genot van heerschappij, zoodat zij in dcnzelfden graad zijn, daar het genoegen van kwaad te doen in vijandigheden, nijd, haat eu wraak is, welke zijn de kwaadheden dier liefde, gelijk boven gezegd is. Al de Hellen ziju zulke maatschappijen, eu daarom draagt ieder aldaar in /.iju hart aan anderen een haat toe en van haat barst hij in wreedheid uit, voor zoover hij er de macht toe heeft. Deze wreedheden en de martelingen, die er hot gevolg van zijn, worden ook door Helsch vuur bedoeld, want zij zijn de uitwerkingen van begeerten.

i. Hoven (in no. 5JS) is aangetoond, dat een kwade geest zich uit eigen beweging in de Hel werpt. Daarom zal nu met enkele woorden gezegd worden, hoe dit komt, wanneer ei' toeh in de Hel zulke martelingen zijn. Uit elke Hel wordt een sfeer van begeerten, waarin de bewoners dier Hel zijn, uitgeademd. Wanneer deze sfeer bemerkt wordt door een mensch, die in gelijke begeerten is, wordt hij in zijn hart

437

ocr page 482

IIEMKL EN 1IE!..

aangedaan en met genot vervuld ; want begeerten en de genieting er van ziju één, dewijl hetgeen ecu menscli begeert hem een genot is. Vandaar, dat de geest zich derwaarts wendt, en uit liet genot zijns harten begeert derwaarts te gaan ; wuut bij weet nog niet, dat er zulke .martelingen zijn eu hij, die het weet, begeert toch in die richting te gaan. W ant niemand kan in do geestelijke wereld aan zijn eigen begeerte weerstand bieden, omdat de begeerte van zijne liefde is, en de liefde van ziju wil en do wil van zijn nutuur is, en ieder daar naar zjju natuur handelt. Wanneer dus een geest uit eigen beweging of uit eigen vrjjheid zijn gang naar zijne Hel richt, eu er biimengaat, wordt hij eerst op vriendelijke wijze ontvangen, zoodat hij gelooft ouder vrienden aangekomen te zijn. Doch dit duurt slechts eenige uren; ondertusscheu wordt hij onderzocht, hoe sluw hij is, eu welke dientengevolge zijne waarde en bekwaamheid is. Xa dit onderzoek beginnen zij hem aan te grijpen en dit op velerlei wjjzen, langzamerhand scherper en heftiger, hetgeen geschiedt door hem verder en dieper in de 1 fel te brengen, want hoe meer binnenwaarts en hoe dieper des te kwaadaardiger zijn de geesten. Xa de aanvallen beginnen zij hem met straffen wreedaardig te behandelen, en dit tot hij tot slavernij gebracht is. Maar omdat aldaar voortdurend oproerige bewegingen ontstaan, daar ieder er de grootste wil zijn en met haat tegen anderen gloeit, zijn er altijd nieuwe aanvallen; zoo verandert het eene tooneel in het andere waarom zij, die tot slaven gemaakt zijn, bevrijd worden om een nieuwen Duivel in het onderwerpen van anderen hulp te verleenen, en dan worden zij, die zich niet onderwerpen en op den wenk gehoorzamen, op nieuw op verschillende wijzen gemarteld ; en dit zoo voortdurend. Zulke zijn de marrelingen der Hel, die Helsch vuur genoemd worden.

575. Ivnersing der tanden evenwel is het voortdurend strijden en kampen van valschheden met elkaar, dus dergenen die in valschheden zijn, eveneens verbonden met verachiing van anderen, vijandelijkheid, spot, hoon en laster, welke ook in verscheidenerlei twisten uitbreken ; want ieder strijdt voor VÓ6

575

ocr page 483

IlKLSCIl VL'UK ION KNEKSIXG 1JEK TANDEN.

zijn ei^ou vulsolilieid cu ueemt !tu;ir waar. ])ezc twisten cn govouhten worden Imitcn die i [ellen gehoord als het knersen van tanden en worden ook in tandenkiiersingcir veranderd, wanneer waariiedea uit den Hemel er in vloeien. In die Hellen y.ijn al degenen, die de natuur erkend en het Goddelijke ontkend hebben ; in de diepste Hellen zij, die zich in zulk ecne ontkenning bevestigd hebben. Daar deze in 't geheel geen licht uit den Hemel kunnen ontvangen en dus niets in hun binnenste kunnen zien, zij zij voor 't meereudoel vloeschei ij ke, zinnelijke geesten, die niets gelooven dan dat zij met hun oogen zien en met hunne handen tasten. Der-Imlvc zijn alle valschheden der zintuigen voor hen waarheden, van uit welke /.ij dan ook strijden. Dit is de reden, dat hun getwist gehoord wordt als het knersen van tanden ; want alle valschheden in de geestelijke wereld geven een knersend geluid en tanden stemmen overeen niet de uiterste dingen in de natuur, en evenzoo met de uiterste dingen in den mensch welke vleescheüjk-zinnelijk zijn. ' Dat cr in de Hellen kner-sing der tanden is; zie Matth. VIII: 12; XLI1 : 42, 50; XXII: 13; XXIV: 51; XXV : 30 ; Lukas XI11 : 28.

])K BOOSHEID EX KW-VDK KTNSÏGRKI'KN DEI'. HELSCHE lt; '• EESTEN.

57G. Wat de uitnemendheid der geesten is, in vergelijking met de menschen, kan door ieder gezien en verstaan worden, die inwendiglijk deukt en iets weet van de werking van zijn eigen geest. Want met zjjn geest kan de mensch in een oogenblik rijds meer overwegen, ontwikkelen en besluiten, dan hij in een halt' uur door spraak of schrift kan uitdrukken. Hieruit blijkt, hoe de mensch uitmunt, wanneer hij in zijn geest

/ Ovrr lU' ovfivcnsU'innnnjx tanden; nos. 0505—55G8. Zij, die slechts zinnelijk zijn en namvelijks eenig ireestelijk lielit hebben, stemmen met de tanden overeen; no. Tand beteekent in liet Woord bet zinnelijke, welke

is het meest uiterlijke v::n bet leven des menschen , nos. {gt;052, Ü0()2. liet kiuTscn der tanden in lu-' andere l- ven ontstaat uit degenen, die gelooven dat de natnnr alles en bet (Juddelijke niets is: no. rgt;r)(»S.

57(5

489

ocr page 484

HEMEL EN HEL.

is, ou dus Itoo hij uitmunt, wanneer hij geest wordt; want de geest is hot die denkt en hot lichaam is hot middel, waardoor de geest 7.\]n gedachten door spraak cn schrift uitdrukt. Vandaar, dat de mensch, die na zijn dood een Engel wordt, op het punt van vorstand en wijsheid onuitsprekelijk (groot) is in vergelijking met zijn verstand en wjjsheid, gedurende zijn loven in de wereld; want zijn geest was toen aan zijn lichaam gebonden en daardoor was hij in de natuurlijke wereld. Om deze reden vlooide, wat hij toen geestelijk dacht, in natuur-Ijjko denkbeelden, die betrokkeljjk gemoen, grof en duister zijn, en ontolbave dingen welke hot geestelijk donken toebe-liüoren, niet opnemen on ze ook in don novel hullen, die uit wereldlijke zorgen ontstaat. Anders is bet, wanneer do geest van het lichaam losgemaakt is en in zijn goostciijken staat komt, hotgoon geschiedt, wanneer bij nit do natuurlijke wereld overgaat in do geestelijke, die hom eigen is. Dat alsdan zijn toestand, wat betreft gedachten en genogonboden, zijn vroegoron toestand oneindig overtreft, blijkt uit hetgeen nu gezegd is. \ audaar dat do Engelen onuitsprekelijke en onuitdrukbare dingen denken, bijgevolg dingen, die in do natuurlijke gedachten van oen mensch niet komen kunnen; terwijl toch elke Engel als mensch geboren is, en als mensch geloofd booft on zichzelf toen niet toeschoon wijzer dan een ander gelijksoortig mensch te zijn.

577. In denzelfden graad als wijsheid on vorstand bij do Engelen is, is ook kwaadheid en sluwheid bij de Helsche geesten; want do zaak is gelijksoortig, omdat do geest dos monschon, van bot lichaam losgemaakt zijnde, in zijn goed ot in zijn kwaad is, een Engolgoost in zijn good on oen irelscho geest in zijn kwaad; want elke geest is zijn goed of zijn kwaad, omdat bij zijn liefde is, gelijk vroeger roods dikwijls gezegd en aangetoond is. Daarom denkt, wil, spreekt en bandolt oen llelscho geest uit zijn kwaad, gelijk een Engelgeost uit zijn goed; en te denken, willen, sproken en bandelen uit dit kwaad, is dit doen uit allo dingen, die in bet kwaad zijn. Anders was hot, toen bij in bet lichaam loeide: toen was bet kwaad van don geest dos meuschen in 440

577

ocr page 485

liOO.SIIEDEN EN KWADE KUNSTGREPEN.

banden, welke eiken menscli binden, door de wet, door hoop op rijkdom, door eer, door den goeden naam en vrees om dien te verliezen. Daarom kon het kwaad van zijn geest, toen niet uitbarsten en openbaren wat liet in ziohzclven was. Bovendien, toen lag het kwaad van den geest des nienschen omtloersd en gewikkeld in uiterlijke rechtschapenheid, oprechtheid, rechtvaardigheid en liefde voor het ware en goede, welke zulk een menscli ter wille van de wereld in den mond voerde en veinsde ; onder deze huichelarijen lag hot kwaad zoo verborgen en in 't duister, dat hij ter nauwernood wist, dat in zijn geest zooveel kwaadheid en sluwheid was; dus, dat hij in zichzelf zulk een Duivel is, als hij na don dood wordt, wanneer zijn geest in zich komt en in zijn eigen natuur. Alsdan openbaart zich zulk een boosheid dat het aller geloof te boven gaat. Kr zijn duizende dingen die uit het kwaad zelf uitbarsten, en daaronder zijn er ook, die niet door de woorden van eenige taal kunnen uitgedrukt worden. Door veel ondervinding is het mij gegeven te weten en ook te ondervinden, hoedanig hun natuur is. Want door den lieer is het mij gegeven met mijn geest in de geestelijke en tegelijk met mijn lichaam in de natuurlijke wereld te zijn. Dit kan ik getuigen, dat hun kwaadheid zóó groot is, dat ik nauwelijks één van de duizend dingen beschrijven kan; en ook dat, indien de 1 Leen- den menscli niet beschermde, hij nooit uit de Ifel zou kunnen genomen worden, want bij ieder menscli zijn zoowel geesten uit de Ifel als Engelen uit den Hemel (zie boven no. 2!)2, 293). En de lieer kan den menscli niet beschermen, tenzij hij het Goddelijke erkent en een leven van geloof en liefde leidt, want anders wendt hij zich van den Heer af, keert zich tot ITelsche geesten en wordt zoo, voor zoover zijn geest betreft, met een gelijksoortige kwaadheid vervuld. Toch wordt de mensch voortdurend door den Meer weggeleid van de kwaadheden, die hij zich door de gemeenschap met die geesten aandoet en, ais het ware tot zich trekt, zij het niet door inwendige banden van het geweten, die hij niet ontvangt als hij het Goddelijke ontkent, dan toch door uitwendige banden, welke zijn, zooals boven gezegd is, de vrees voor de wet eu haar straffen, voor het verlies van 441

ocr page 486

HEMEL EN HEI,.

rijkdom, van cei1 cu van goeden naam. Zulk een man kun wel is waai' weggeleid worden van kwaadheden, door liet gomiegen zijner liet'd'e en door de vrees voor het verlies er van, maar hij kan niet in geestelijke goedheden gebracht worden, want zoover als hij in .deze gebracht wordt, bedenkt hij ook listen bedrog, doordat hij het goede, oprechte en rechtvaardige huichelt en liegt, met het dool om te overreden en zoo te bedriegen ; deze sluwheid voegt zich bij het kwaad van zijn geest, vormt het en maakt liet tot kwaad., zooals het naar zijn natuur is.

578. liet kwaadst van allen zijn zij, die in kwaadheden uit liefde tot zichzelven geweest zijn en die tegelijkertijd in hun binnenste uit bedrog handelden, daar bedrog dieper in de gedachten en voornemens dringt en ze vergiftigt, en zoo al het geestelijke leven van den niensch verwoest. ]3e meesten van deze zijn in de Hellen naar achteren en worden kwade Engelen (genii) genoemd en aldaar is hun genot zich onzichtbaar te maken als spoken, om anderen heen te fladderen en hun heimelijk te vervullen met kwaadheden, die zij rondstrooien als de adder haar venijn ; deze worden gruwzamer dan de anderen gemarteld. Maar zij, die niet bedriegelijk of door boosaardige sluwheden vervuld zijn en toch in de kwaadheden uit eigenliefde verkeeren, zijn ook in de Hellen naar achteren, maar niet zoo diep. Zij evenwel, die in de kwaadheden uit liefde tot do wereld waren, zijn in de voorste Hellen en heeten geesten. Deze zijn niet zulke kwaadheden, dat is, niet zulk een haat en wraak als zij, die in kwaadheden uit eigenliefde zijn, en verder hebben zij niet zulk een kwaadaardigheid en sluwheid; daarom zijn hun Hellen zachter.

579. Het is mij gegeven geworden door ondervinding te weten, hoedanig de kwaadaardigheid dergenen is, die kwade Engelen (genii) genoemd worden. De genii werken en vloeien niet in gedachten maar in neigingen in ; deze bemerken zij en ruiken ze gelijk honden het wild in een bosch. Goede neigingen veranderen zij oogenblikkelijk ia kwade, wanneer zij zo bemerken, door ze op wonderlijke wijze te leiden en te buigen door de genietingen van den ander en

578, 579

•142

ocr page 487

BOOSIIKDEN EX KWADE KUXSTGREPEX.

dit zoo heimelijk en mot zulke boosaardige kunstgrepen, dat do aader er niets van vermoedt, daar zij zorgvuldig oppassen, dat niets in de gedacliten komt, want daardoor zouden zij zich verraden. Bij den mensch zetten zij zich ouder het achterhoofd. Deze waren in de wereld die menschoD, welke op bedriegelijke wijze het gemoed van anderen boeiden door hen te leiden en te overreden, door de genieting van hun neigingen en begeerten. Maar zij worden door den Heer van eiken mensch weggedreven bij wien nog eenige hoop op beterschap is, want zij zijn zoodanig, dat zij niet alleen het geweten kunnen vernietigen, maar ook in den mensch het erfelijk kwaad kunnen wekken, dat anders verborgen ligt. Opdat do mensch dus niet in deze kwaadheden geleid worde, wordt er door den Heer voor gezorgd, dat deze Hellen altijd geheel gesloten zijn. Eu wanneer een mensch, die zulk een karaker heeft, na don dood in het andere leven komt, wordt hij onmiddellijk in hun Hel geworpen. l)eze geesten zien er ook, wanneer zij naar hun bedrog en sluwheid beschouwd worden, als adders uit.

580. Welke boosheid in Holsche geesten is, kan opgemaakt worden uit hunne gruwelijke kunstgrepen, waarvan er zooveel zijn, dat een boek gevuld zou worden door ze op te noemen cn vele boeken door ze te beschrijven ; zjj zijn bijna alle aan de wereld onbekend. Eene soort heeft betrekking op misbruiken der overeenstemmingen; een tweede op do misbruiken van do laatste dingen der Goddelijke orde ; oen derde op do mededeeling en invloeiing van gedachten en neigingen, door hot zich toewenden, door don aanblik, door andore geesten buiten hen en door dezulken, die zij van zich uitzenden ; een vierde op werkingen door verbeelding ; oen vijfde op het zich uit zichzelven uitworpen, dus mot liet gevolg van hun tegenwoordigheid elders, dan waar zij mot hun lichaam zijn; oen zesde op veinzen, overredingen en leugens. In deze kunstgrepen komt do geest des kwaden menschen, wanneer hij van zijn lichaam losgemaakt is, van zich zelf, want zij liggen in de natuur van zijn kwaad, in quot;t welk hij dan is. Door deze kunstgrepen kwellen zij elkander in do Hollen, Daar evenwel al

580

443

ocr page 488

lIKMKIi KN HEL.

deze kunstgrepen, behalve die, welke door veinzen, overredingen en leugens geschieden, in de wereld onbekend zijn, wil ik zo hier niet in bijzonderheden beschrijven, zoowel omdat zij niet begrepen zouden worden, alsook omdat zij zoo kwaad zijn.

581. De reden, waarom kwellingen in de Hellen door den lieer worden toegestaan, is, omdat de kwaadheden niet anders bedwongen en overmeesterd kunnen worden ; het eenige middel om het kwaad te bedwingen en te overmeesteren en de llelsche troep in banden te houden, is de vrees voor straf; er is geen ander middel; want zonder de vrees voor straf en pijniging zou liet kwaad in razernij uitbarsten en liet geheel zou verstrooid worden als een koninkrjjk op aarde, waar wet noch straf is.

HET VOOÜKOMKX. DE UGOIKC EX HE T A AXTAL DEK UEIXEX.

582. In de geestelijke wereld of de wereld, waar de geesten en Engelen zijn, komen gelijksoortige dingen voor als in de natuurlijke wereld, of die in welke de menschen zijn, zoozeer daaraan gelijk dat er geen verschil is, wat liet uitwendig voorkomen betreft. Er komen daar vlakten voor, bergen, heuvelen en rotsen en tusschen deze valleien, verder wateren, en vele andere dingen, die op de aarde gezien worden. Maar tocli zijn al deze dingen van geestelijken oorsprong en worden daarom gezien door de oogen van geesten en Engelen, maar niet door de oogen der menschen, omdat de menschen in de natuurlijke wereld zjjn. Geestelijke wezens zien, wat van een geestelijken oorsprong is, en natuurlijke, wat van een natuurlijken oorsprong komt. Daarom kan de mensch volstrekt niet met zijn oogen de dingen in de geestelijke wereld zien, tenzij het hem gegeven worde in den geest te zijn, behalve na den dood, wanneer hij een geest wordt. Omgekeerd kunnen de Engelen en geesten volstrekt niets in de natuurlijke wereld zien, wanneer zij niet bij een mensch zijn, wien het gegeven is met hen te spreken. Want de oogen des menschen zjjn ingericht voor de opname van het licht der

581, 582

444

ocr page 489

Hirr AANTAL HKIi IIKI.LKX.

natuurlijko wereld, en die der Engek^n en geesten voor de opname van het licht der geestelijke wereld en toch hebben beiden oogen geheel hetzelfde voorkomen. Dat de geestelijke wereld zoo is, kan de natuurlijke man niet begrijpen, en allerminst de zinnelijke mensch, dat is, hij die niets gelooft dan hetgeen hij ziet met de oogen zjjiis liehaams en aanraakt met zijne handen, dat is, hetgeen hij in zich opneemt door het gezicht en den tastzin; en, daar hij van deze dingen uit denkt, is zijn denken stoffelijk en niet geestelijk. Daar de gelijkenis tusschen do geestelijke eu natuurlijke wereld zoo grootis, weet de mensch na zijn dood bijna niet anders, dan dat hij in de wereld is, in welke hij geboren werd en uit welke hij uitgegaan is ; om deze reden noemen zij den dood slechts eene overbrenging uit do eene wereld naar eene andere die er zeer op gelijkt. Dat de gelijkenis der twee werelden een zoodanige is, kan boven gezien worden, waar de voorstellingen en het voorkomen in den Hemel behandeld zijn ; nos. 170 tot 176.

583. Op de hoogere plaatsen zijn aldaar do Hemelen, op de lagere is de geestelijke wereld en onder deze beiden zjjn de Hellen. Do Hemelen zijn niet zichtbaar voor de geesten, die in de geestenwereld zijn, tenzij hun innerlijk gezicht geopend wordt; toch worden zij nu en dan als misten of als witte wolken gezien. Do reden hiervan is, dat de Engelen des Hemels in een iimerlijken staat zijn, wat betreft hun verstand en wijsheid, dus boven het gezicht dergenen, die in do wereld der geesten zijn. De geesten evenwel, die in de vlakten en dalen zijn, zien elkander en toch, wanneer zij daar van elkaar gescheiden worden, hetgeen geschiedt, wanneer zij in hun binnenste gelaten worden, dan zien de booze geesten de goede niet; de goede evenwel kunnen de booze zien, maar zi j keercii zich van hen af, en de geesten, die zich afwend'*1) worden onzichtbaar. Ook de Hellen worden niet gezien0111quot; dat zij gesloten zijn, alleen de ingangen, welke poorten lce':on) worden zichtbaar als zij opengaan om andere, gelj'^soortige geesten toe te laten. Alle poorten, die tot de Hel gt;ocgang geven, gaan open naar degeesten wereld en geene n-^ar den Hemel.

584. De Hellen zijn overal, zoowel oader de bergen,

583, 584

445

ocr page 490

HEMEL EN (IEL.

heuvels eu rotsen, als onder do vlakten en dalen. Do openingen of poorten naar de [rellen, dio onder poorten, heuvels en rotsen zijn, hebben liet voorkomen van gaten en rotsspleten, sommige in de breedte uitgestrekt en van grooten omvang, andere eng en • smal, de incesto oneffen ruw. Alle schijnen donker cn duister, wanneer men er in ziet, maar de Ilelsche geesten er in zijn in een licht als van gloeiende kolen; hun oogen zijn voor de opname van dit licht ingericht en wel omdat, toen zij in de wereld leefden, zij in diepe duisterniswaren, wat betreft de goddelijke waarheden, door deze te ontkennen, cn als in een soort liclit, wat betreft valschheden door deze te erkennen. Daarom is liet gezicht hunner oogen zoo gevormd en om dezelfde reden is ook het licht des liemels diepe duisternis voor hen, zoodat zij, uit hunne holen gekomen, niets zien.

Uit deze dingen blijkt zeer duidelijk, dat de mensch in het licht des hemels komt, voor zoover bij het Goddelijke erkent cn bij zich do dingen des hemels cn der kerk he-vestigt; en dat hij in de diepe duisternis dor Hel komt, voor zoover hij het Goddelijke ontkent en bij zich bevestigt, wat tegen de dingen des Kemels en der Kerk is.

585. De openingen of poorten tot de Hellen, die onder vlakten en dalen liggen, doen zicli onder verschillende gedaanten voor; sommige als die onder de bergen, lieuvels cn rotsen, sommige als holen en grotten, sommige als groote gapingen en afgronden, andere als moerassen cn weer andere als stilstaand water. Allen zijn overdekt, en gaan slechts open wanneer kwade geesten er in geworpen worden.

Wanneer zij openstaan is er een uitademing als van vuur met rook, gelijk in de lucht bij een brand verschijnt, of als et,i vlam zonder rook of als roet uit een brandenden schoor-stee^ of ook wel als een nevel en dikke wolk. Ik heb gehoord, dat Ilelsche geesten deze dingen niet zien noch bemerken, omdat, wanneer zij er in zjjn, zij als in hun eigen atmosfeer zUh en zoo in de genoegens des levens, en dit wel daarom, dat (Vize dingen overeenstemmen mot de kwaadheden en valschheden waarin zij zijn, nl. vuur met haat en wraak, 446

58')

ocr page 491

HUT AANTAL DER II KL LUX.

rook en roet met lt;lo kwaiulhedcn daaruit, de vlam met de kwaadheden uit eigenliefde en de mist en dikke wolken met do daaruit voortvloeiende valschheden.

586. Het werd mij ook gegeven iu de Hellen te kijken, en te y.ien, hoe zij van binnen zijn; want wanneer liet den Heer behaagt, kan oen geest of Engel, die boven is, met zijn geziiditsvcrmogen doordringen tot in de onderste diepten en hnn hoedanigheid onderzoeken, niettegenstaande do bedekkingen, Zoo werd ook mij toegestaan naar binnen te zien. Sommige Hellen haddon hot voorkomen van grotten en holen in de rotsen, die eerst binnenwaarts on dan schuins of recht do diepte ingingen. Soinmigo doden zich voor als spelonken en holen, zooals die van wilde dieren in de bosschen. Andere Hollen waren als uitgeholde grotten en gangen, zooals zij in mijnen gevonden worden, mot cellen naar beneden gekoerd. Do moeste Hollen zijn drievoudig; het bovenste deel schijnt van binnen zeer duister, omdat hot bewoond wordt door hen, die in de valschheden van het kwaad zijn; maar het onderste dool schijnt vurig, omdat men daar in het kwaad zelve is, want diepe duisternis stemt overeen mot valschheden van het kwaad, en vuur met het kwaad zelve, fn de diepste Hollen zijn namelijk zij, die inwendig uit hot kwaad gehandeld hebben, an in do minder diepe zij, die uitwendig, d. w. z. uit het valscho van het kwaad handelden. In sommige Hollen worden gezien als het ware bouwvallen van huizen on steden na een brand, in wolken helscho geesten in 't verborgen wonen.

In do zachtere Hellen vertoonon zich als het ware ruwe hutton, hier en daar samenhangend als een stad mot lanen ou straten ; binnen in de huizon zijn Helsche geesten, onder wie voordurende twisten, vijandelijkheden, slagen en gevechten voorkomen : iu do straten en lanen roof en plundering. in sommige Hellen zijn louter bordeelon, afschuwwok-kond om te zien en gevuld mot allerlei vuil en uitwerpselen. Kr zijn ook donkere wouden, in welke de Helscho geesten als wilde dieren ronddwalen en er zijn ook onderaardsche holen, in welke zij vluchten, die door anderen vervolgd worden. Er

447

ocr page 492

1IKMEL EN HEL.

zijn ook woestijnen, w.iar alles onvruchtbaar en zanderig is en liier cu daar ruwe rotsen, in welke holen zijn ; hier en daar ook hutten. In deze woeste plaatsen worden uit de Hellen uitgeworpen zij, die liet uiterste doorstaan hebben, en vooral zij, die in de wereld in het uitvinden en beproeven van kunstgrepen en bedrog sluwer waren dan de overigen ; hun laatste lot is zulk een leven,

587. Wat de ligging dor Hellen in 't bijzonder betreft, dit kan niemand weten, zelfs niet de Engelen in den Hemel-, maar alleen de Heer. Hunne ligging in 't algemeen is bekend door de wereldstreken, in welke zij zijn. Want de Hellen. evenals de Hemelen, zijn onderscheiden in wereldstreken, en deze zijn in de geestelijke wereld bepaald volgens liefden (neigingen), want alle wereldstreken nemen in den Hemel hun oorsprong van den Heer als de Zon, welke is het Oosten. En daar de Hellen aan de Hemelen tegenovergesteld zijn, beginnen hun wereldstreken uit het tegenovergestelde, dat is uic het Westen; zie hierover hot hoofdstuk over do vier streken in den Hemel, nos. 141 tot 153. Vandaar, dat de Hellen in de Westelijke streek van allen liet kwaadst en afschuwelijkst zijn en des te kwader en afschuwelijker, naarmate zij verder van het Oosten zijn, en dit in opeenvolgende graden. In deze Hellen zijn zij, die in do wereld in liefde tot zichzelven waren en bijgevolg in verachting voor anderen, in vijandelijkheid tegen degenen, die hen niet gunstig gezind waren en ook in haat en wraak togen degenen, die hen niet vereerden en vierden. In do verst verwijderde Hellen zijn zij, die van den zoogenaamdou Katholieken godsdienst waren en als Goden aangebeden wilden worden en dus met haat en wraak brandden tegen degenen, die hunne macht over de zielen der menschen en over den Hemel niet erkenden. Zij liebben nog dezelfde gezindlieid, d. w. z. dezelfde haat en wraak tegen degenen, die zich tegen hen verzetten als zij in de wereld hadden. Hun grootste genoegen is wreedheid uit te oefenen, maar dit wordt in het andere leven tegen hen zeiven gekeerd ; want in hun Hellen, met welke de Westelijke streek gevuld is, woedt de een tegen den ander, die zijn Goddelijke

587

448

ocr page 493

IIKT A A-VT.VI, DEK HELT,EX.

macht ontkent; hierover zul echter moer gezegd worden in een werkje over het laatste oordeel en de verwoesting van Babyion. Evenwel, hoe de Hellen in die streek gerangschikt zijn, kan niet bekend w u-alleen, dat de ergsten van deze soort liggen aan de Xoordelijke wereldstreek en do minder erge tegen de Zuidelijke streek. Zoo vermindert de vreeselijk-heid der Hellen van de Noordeljjke naar de Zuidelijke streek en ook trapsgewijze naar het Oosten. Daar zijn zij, die trotsch waren en liet Cfoddelijke niet geloofden, maar toch niet in zulken haat en wraak noch in zulke bedrog waren, als zij, die dieper in de Westelijke streek zijn. In de Oostelijke streek zijn er ten huidigen dage geen Hellen ; die, welke er waren, zijn overgebracht naar de Westelijke streek, vooraan. De Hellen in de Xoordelijkc en Zuidelijke streken zijn vele; daarin zijn zjj, die tijdens hun leven in liefde tot de wereld waren, en in de vcrscheidenerlei kwaadheden, die daaruit voortkomen, en welke zijn : vijandelijke gezindiieid, vijandelijkheid, diefstal, roof, sluwheid, gierigheid, onbarmhartigheid. De ergste Hellen van dit soort zijn in de -Noordelijke streek, de minst kwade in hot Zuiden. Hun vreeslijkheid neemt toe, als zij dichter bij de Westelijke streek en ook als zij verder van hot Zuiden zijn en neemt af ia de richting van het Oosten en van hot Zuiden. Achter de Hollen inde Westelijke streek, zijn donkere wouden in welke boosaardige geesten als wilde dieren ronddolen ; het is evenzoo achter de Hellen in de Xoordelijkc streek. Achter de Hellen in de Zuidelijke streek zijn evenwel de woestijnen, over welke zooeven gesproken is. Dit wat betreft de ligging der Hellen.

588. Wat het aantal der Hellen aangaat, zoo zijnereven-veel Hellen als gezelschappen van Mngeien in den Hemel, want met elk Hemelsch gezelschap stemt een Helsch gezelschap overeen, als zjjn tegenovergestelde. Dat de llemelsche gezelschappen ontelbaar zijn en alle onderscheiden volgens de goedheden uit liefde, barmhartigheid en geloof, kan gezien worden in het hoofdstuk over de gezelschappen, uit welke do Hemel bestaat, (nos. 41 tot 50) en in liet hoofdstuk over do onmetelijkheid des Hemels, (nos. 415 tot 420). Het is even-

449 29*

588

ocr page 494

I [EM K1J EN 11KL.

zoo met do lEelscho gczclschappcn, ilio ondorschoiden zijn volgons do kwaadheden, aan de goedheden tegenovergesteld. Kik kwaad is van oneindige vorsclicidenheid, gelijk elk goed. Dat dit zoo is, wordt niet begrepen door degenen, die slechts een eenvoudig denkbeeld van elk kwaad hebben, zooals van verachting, vijandelijke gezindheid, vijandelijkheid, haat, wraak, bedrog en andere dergelijke. Maar laat hen weten, dat elk van deze kwaadheden zooveel soortelijke verschillen bevat en elk van deze weder zooveel soortelijke ot bijzondere verschillen, dat één doel niet genoeg zou zijn voor hunne opnoeming. De Hellen zijn zoo nauwkeurig in orde gerangschikt, volgens de verschillen van elk kwaad, dat niets ordelijker ot nauwkeuriger is. Hieruit volgt, dat zij talloos zijn, de een dicht bij den andere, of van do andere verwijderd, volgens de verschillen der kwaadheden in 't algemeen, soortelijk of in t bijzonder. Er zijn ook Hellen onder de Hellen en verbindingen tusschen sommige door doorgangen, verbindingen tusschen vele door uitwasemingen, en dit geheel volgens de verwantschap van de eene soort van kwaad en van hot ooue bijzondere kwaad met andere. Hoe groot liet aantal I lellen is, werd mij ook daardoor bekend gemaakt, dat 1 lellen onder eiken berg, heuvel en rots zijn, en ook onder elke vlakte en dal en dat zij zich daaronder in de lengte, breedte en diepte uitstrekken; kortom, do gohcele Hemel en do gchoelo Geestenwereld zijn als het ware ondermijnd en onder hen ecu aaneengesloten Hel. Dit over het aantal der Hellen.

OVRR ITKT KV EX Win IT TISSCHEN DEN' HEMEI. EN' DE HEL.

589. Opdat iets besta, moet er een evenwicht van alle dingen zijn; zonder evenwicht is er geen actie en reactie, want er is evenwicht tusschen twee krachten, van welke do een werkt en de ander tegenwerkt cu de rust die dooi zulk een actie cu reactie ontstaat heet evenwicht, lu de natuurlijke wereld is er evenwicht tusschen alle dingen en elk ding, in het algemeen in dc dainpkringen zelve, waar dc lagere

45U

58!»

ocr page 495

EVENWÏCIIT TUSSCltEN DEN HEMEL EN DE HEL.

gedeelten tegenwerken en weerstand bieden, naar gelang liooger gelegen dealen werken en druk naar beneden uitoefenen.

In de natuurlijke wereld is er ook evenwicht tusschen warmte en koude, tussehen licht en schaduw en tusschen droogte en vochtigheid; do gemiddelde temperatuur is evenwicht.

Er is ook evenwicht tusschen alle voorwerpen van de drie rijken der natuur, nl. hot delfstoffen-, planten- en dierenrijk; want zonder evenwicht in deze bestaat niets en duurt niets voort; en is overal als het ware een streven, jdat van de eeno werkt on van de andere zijde terugwerkt. Alle bestaan of alle uitwerking heeft plaats in evenwicht, of het geschiedt door dat een kracht werkt en eene andere kracht tegen zich laat werken, of dat de eene kracht werkt en eene kracht door te werken invloeit, en dat een andere kracht ontvangt en in overeenstemming er mee wijkt.

Fn de 'natuurlijke wereld wordt hetgeen werkt en hetgeen tegenwerkt, kracht genoemd en ook wel streven, maar in de geestelijke wereld heet hetgeen werkt en hetgeen terugwerkt het loven en do wil; hot leven in die wereld is levende kracht en de wil is eon levend streven, hot evenwicht zelve heet vrijheid. Geestelijk ovenwicht of vrijheid dus bestaat en duurt voort tusschen hot goede, dat aan de eeno zijde werkt en het kwade dat aan de andere zijde tegenwerkt, of tusschen het kwaad aan do eeno zijde werkend en hot goed aan de andere zijde tegenwerkend, liet evenwicht tusschen het werkende goed en hot tegenwerkende kwaad, bestaat bij de goeden, maar het evenwicht tusschen het werkende kwaad en het tegenwerkende goed bestaat bij de kwadon. Dat geestelijk evenwicht tusschen liet goede en kwade bestaat, is omdat het geheele leven des menschen betrekking heeft op het goede en het kwade en de wil is hun ontvanger. Er is ook evenwicht tusschen het ware en het valsche, maar dit hangt af van het evenwicht tusschen goed en kwaad. Het evenwicht tusschen bet ware en hot valsche, is als dat tusschen licht en schaduw, welke alleen inwerken op de voorwerpen van het plantenrijk, voor zoover warmte en koude in het licht en de schaduw zijn. Dat licht en schaduw 451

ocr page 496

IIKMHI, EN IIKJ,

uit zichzelf niets bewerken, maar dat de warmte door lion werkt, volgt uit het gelijke licht eu de gelijke schaduw in den tijd des winters on der lente, I)c vergelijking van het ware en valsche met licht eu schaduw komt van de overeenstemming, want het ware stemt met het licht, het valsche met de schaduw en do warmte met het goede dei liefde overeen ; en inderdaad is het geestelijk licht waarheid, de geestelijke schaduw valschheid en de geestelijke warmte liet goede der liefde. Zie hierover het hoofdstuk over lier licht en de warmte in den hemel, nos. 12(5 tot 140.

590. Er is een voortdurend evenwicht tusschen den Hemel en de Hel; uit de Hel wordt voortdurend uitgeademd en stijgt op het streven om kwaad te doen, uit don Hemel vvoult voortdurend een streven om goed te doen uitgeademd en daalt voortdurend neer. In dit evenwicht is de wereld dei geesten, welke is in het midden tusschen den Hemel en do Hol; zie boven, nos. 421 tot 431. Dat de geestenwereld in dit evenwicht is, komt omdat ieder mcnscli na zijn dood eerst de geestwercld binnengaat en daar in een gelijken staat gehouden wordt als die in welken hij in do wereld v\as. hetgien niet zou kunnen geschieden, indien er niet liet moest volkomen evenwicht ware. Want hierdoor worden allen ondeizoi it, hoedanig zij zijn, overgelaten zijnde aan hun vrijheid zooals zij die in de wereld hadden.

Geestelijk evenwicht is de vrijheid van don mensch enden geest, zooals juist boven (no. 589) gezegd is. De hoedanigheid van ieders vrijheid wordt daar vernomen door Engelen in den Hemel, door middel van de mededeoling hunner genegenheden en gedachten ; en het wordt zichtbaar aan net oog der Engolgoeston door de wegen, welke zij uitgaan. Die, welke goede geesten zijn, begaan wegen, die naar den Hemel leidon en de kwade geesten gaan wegen uit, die naar de Hol voeren. Wogen worden werkelijk in die wereld gezien en dit is ook de reden, waarom wegen in het Woord waarheden be-teekenon, die ten goede voeren, en in do tegenovergestelde be- • toekenis valschhedon, die tot het kwaad leiden, l-n daarom is het ook dat gaan, wandelen en vertrekken in het NNooid

590

452

ocr page 497

KVOWirilT 1 rSSCIIl'N' lgt;K.\ II KM KL KN I)K HEL.

voortbewegingen des levens betcekenen. liet werd mjj dikwijls gegeven zoodanige wegen te zien en ook' liet gaan en wandelen van geesten er op, vrijelijk volgens linnnegenegenheden en gedachten.

591. Do reden van do voortdurende uitademing en opstijging van het kwaad uit de Hel, en van de voortdurende uitademing en neerdaling van bet goede uit den Hemel, in, omdat een geestelijke sfeer iedereon omgeeft en uitvloeit en zich uitgiet uit het leven van genegenheden en de gedachten, die daaruit ontstaan. quot; En omdat zulk een sfeer des levens van een ieder uitvloeit, vloeit zij ook uit van elk Hemelsch gezelschap en van elk llelsch gezelschap, bijgevolg van allen te zamen, dat is van den gebeelen Hemel en de geheele Hel. Het goede vloeit uit den Hemel, omdat allen daar in het goede zijn, en om gelijke reden vloeit het kwaad uit de Hel. Het goede uit den Hemel komt geheel van den Heer, want de Engelen, die in de Hemelen zijn, worden allen afgehouden van hetgeen hun eigen is en worden gehouden in het eigondommelijke van den Hoer, hetwelk is het Goede zelve. .Maar de geesten, die in de Hellen zijn, zijn allen in hetgeen hun eigen is. en hetgeen, aan welken mensch ook eigen is, is slechts kwaad en omdat hot slechts kwaad is, is het de Hel. quot; Hieruit volgt, dat het evenwicht waarin do Engelen

in Vertrekken beteekent in liet Woord, voortbeweging ties levens, en even-zon gaan; nos. Iquot;i7.rgt;. -1 ;quot;•■quot;)4, -l.rgt;srgt;. iSS2, -VÜlS, oGU5, ól)0G. 8181. 83-15, 8307,

M17. Si-JO, .s,-gt;7. lt;.aan en wan'lelen niet den lieer is het ontvangen van gees-l!• 1 ijk leven en lii't leven met Hem; no. 10507. Wandelen beteekent leven; nos. 519, J7U-1, SU 7, 8120.

a Di- geestelijke sfeer, die de sfeer des levens is, vloeit uit ieder mensch, gerst en Kiigel en giet zirb uit en omgeeft hen; nos. -14G4, rgt;170, 7454, 8030, Jlet vloeit voort uit liet lev en hunner neigingen en gedachten; nos. 2489, -J ln j, «ijnc». ] gt;e hocdanigiieid van geesten wordt nit de verte bekend door hnmu' sferen; !lt;»|S. Jo;,;;. l.'jKi, J.')(11. Sferen van het goede zijn aan die van liet kwade legenovergestrld; nos. Hütö. 101S7. 10312. Deze sferen strekken zieli \cr in de g' gt;elseba j jicn der Kngelen nit, volgens de hoedanigheid en de hoeveelheid van het goede; nos. (if)'.'S tot 0613, 8003, 8704, S707, en in de 1 leisel ie ge/.e!se!i:i|»)Kin voluens de hoedanigheid en «le hoeveelheid des kwaads ; nos. 8701. S707.

'/ liet eigendommelijke des mensehen is slechts kwaad; nos. 210, 215, 7;;i, gt;7 1 tot S7(), 1gt;S7, 1017, l,.:«gt;7. 2::oS. ;gt;rgt;18, 3701, 3812, 81SO, 8550, 10283, lojsl. |n2S(gt;. 107-1. liet ;een den mensch eigen is. is de Hel bij hem; nos. 004, 8ISO.

591

ocr page 498

HEMEL EN HEL.

ia dc Hemelen en ile geesten in do Hel gehouden worden, niet is als liet evenwicht in de wereld der geesten, liet evenwicht der Engelen in de Hemelen is, voor zoover zij gewild hebben in hot goede te zijn, of voor zoover zij in de wereld in het goede geleefd hebben, dus ook voor zoover als zij van het kwaad afkeerig zijn geweest. Maar liet evenwicht van geesten in de ITel is, voor zoover zij het kwaad gewild hebben, of zoover zjj in dc wereld in het kwaad geleefd hebben, dus ook voor zoover zij met hart en geest tegen lietquot; goede gekant waren.

592. Tenzij de lieer zoowel de Hemelen als de Hellen regeerde, zou er geen evenwicht zijn eu zomlcr evenwicht ware er geen Hemel of Hel; want volstrekt ulle dingen in het heelal, dat is, iu de natuurlijke eu in do geestelijUe \ve-reld; bestaan door evenwicht. Dat dit zoo is, kan elk redelijk mensch bemerken; geef slechts een klein overwicht aan een deel en geen weerstand aan hot andere en beide zullen te niet gaan. Zoo zou de geestelijke wereld te niet gaan, indien hot goede het kwaad niet tegenwerkte en voortdurend do opstand er van bedwong, en tenzij het Goddelijke dit alleen deed, zouden zoowel de Hemel als de Hel te niet gaan en met hen het geheele menschelijke geslacht. Er wordt gezegd, tenzij het Goddelijke dit alleen deed, want hetgeen Engel, of geesten of menschen eigen is, is niets dan kwaad, (zie boven no. 591.) Om deze reden kunnen de Engelen en geesten in 't geheel geen weerstand bieden aan de kwaadheden^ die dooide Hellen voortdurend uitgeademd worden, daar zij allen uit hun eigen naar du Hel geneigd zijn. Hieruit blijkt, dat tenzij de Heer de Hemelen en Hellen alleen regeerde, niemand gered zou worden. Bovendien handelen al de Hellen als één, want de kwaadheden in de Hellen zijn verbonden, zooals do goede dingen in de Hemelen en alleen het Goddelijke dat slechts van den Heer komt, kan al dc Hellen, talloos en tegelijk werkende tegen den Hemel en allen die daarin zijn, weerstaan.

593. Het evenwicht tusschen do Hemelen en de Hel wordt grooter of kleiner naar gelang van het aantal dergenen die

592, 593

454

ocr page 499

EVENWICHT ïl'SSflIEN DEN II HM ET, EN DE HEL.

den Hemel en de Kei binnengaan, hetwelk dagelijks ver-sclieidene duizenden bedraagt. ^laar dit te weten'en te bemerken, volgens hot evenwicht te matigen en gelijk te maken, kan geen Engel, doch alleen de Heer, want liet Goddelijke, voortkomende van den ITeer, is alom tegenwoordig en ziet overal, of er eenige schommeling is, terwijl een Engel slechts ziet, wat dicht bij hem is en zelfs niet in zichzelf bemerkt, hetgeen in zijn eigen genootschap plaats heeft.

594. IFoc alles in de Hemelen en Hellen beschikt is, dat alle en ieder dergenen, die daar zijn, in evenwicht verkeeren, kan eenigszins opgemaakt uit hetgeen boven over de Hemelen en Hellen gezegd en aangetoond is, nl. dat alle gezelschappen des Hemels volkomen naar orde onderscheiden zijn volgens de goede dingen, hunne soorten en verscheidenheden, en alle gezelschappen der Hel volgens hunne kwaadheden en de verscheidenheden daarvan ; en dat onder elk gezelschap des Hemels een overeenkomstig gezelschap der Hel er aan tegenovergesteld is, van welke tegenovergestelde overeenkomst evenwicht het gevolg is. Daarom wordt voortdurend door den Heer beschikt, dat geen Helsch gezelschap onder een Hemelsch, de overhand vcrkrjjgo over dit laatste; zoodra het begint, de overhand te verkrijgen, wordt het door verschillende middelen bedwongen en tot een rechtvaardige mate van evenwicht teruggebracht. Deze middelen zijn vele, waarvan slechts enkele te vermelden zijn ; sommige hebben betrekking op de sterkere tegenwoordigheid des Heeren, sommige op de dichtere, gemeenschap on samenvoeging van een of vele gezelschappen met andere, sommige op de uitwerping van overbodige Helsche geesten in woestijnen en sommige op de overbrenging van eenige geesten van de eeno Hel naar de andere; andere middelen hebben betrekking op liet tot orde brengen van hen, die in de Hellen zjjn, hetgeen ook op verschillenden wijzen geschiedt en weer andere op het verbergen van sommige Hellen onder dikkere en dichtere bedekkingen en ook op het neerlaten dier Hellen in grootere diepte om niet te spreken van andere middelen en van die, welke in de Hemelen er boven gebruikt worden. Deze dingen zijn gezegd, opdat eenigs-455

594

ocr page 500

IIKMEL KN HEL.

zins moclit bemerkt worden, hoe de lieer alleen bescliikt, dat er overal evenwicht tussclien goed en kwaad zij, en zoo his-sclien den Hemel en de Hel; want op dat evenwicht is de veiligheid van allen in den Hemel en op de aarde gegrond.

595. Men moet weten, dat do Hellen den Hemel gedurig aanvallen en trachten te vernietigen, en dat de Heer de Hemelen voordurend beschermt door degenen, die daar zijn, van de kwaadheden uit hun eigen af te houden en te houden in het goede, dat van Hemzelf komt. Het werd mij dikwerf gegeven, de sfeer, die van de Hellen uitgaat, waar te nomen, welke geheel was een sfeer van pogingen, om het Goddelijke des Heeren en zoo den Hemel te vernietigen. Do opkokingen van sommige Hellen, welke pogingen waren om te voorschijn te komen en te verwoesten, werden ook eenige malen waargenomen. Aan den anderen kant vallen de Hemelen nooit de Hellen aan, want de Goddelijke sfeer, voortkomende uit den Heer, is eene voortdurende poging om allen te redden en daar zij, die in de Hel zijn, niet gered kunnen worden, omdat allen daar in het kwaad en tegen het Goddelijke des Hoeren gekant zijn, zoo worden, voor zoover mogelijk, de opstanden in do Hel onderdrukt en de wreedheden bedwongen, opdat zij niet buiten mate tegen elkaar uitbarsten zouden. Ook dit wordt teweeg gebracht door ontelbare middelen van de Goddelijke macht.

590. Er zijn twee koninkrijken, in welke de hemelen onderscheiden zijn, nl. het Hemelsch rijk en het geestelijk rijk; zie hierover boven nos. 20 tot 28. Eveneens zijn er twee rijken, in welke de Hellen onderscheiden zijn, waarvan een aan hot Hemelsch rijk en liet ander aan het geestelijk rijk tegenovergesteld is. Dar rijk, hetwelk tegenover liet Hemelsch rijk staat, is in de Westelijke streek en zij, die zich daar bevinden, boeten genii of kwade geesten, maar dat, hetwelk tegenover liet geestelijk rijk staat, is in de Noordelijke en Zuidelijke streek en zij, die daar zijn, heoten geesten. Allen, die zich in hot Hemelsch rijk b--vinden, zijn in liefde tot den Heer en allen in de Hellen, aan dit rijk tegenovergesteld, zijn in liefde tot zichzolven ; allen, die in het geestelijk rijk

595, 596

450

ocr page 501

EVENWICHT TUSSCIIEN DEN HEMEL EX DE HEL,

zijn, verkceren in liefde tot liun naaste, eu allen in de Hellen tegenover dit rijk, zijn in de liefde tot de wtSreld. Hieruit blijkt, dat liefde tot den Heer en liefde tut zichzelven tegenover elkander staan en eveneens liefde tot den naaste en liefde tot de wereld. Voortdurend wordt door den Heer er in voorzien, dat niets uitvloeit uit de Hellen tegenover liet Hemelsche rijk des Heeren naar hen, die in het geestelijke rijk zijn, want zoo dit geschiedde, zou het geestelijk rijk te niet gaan; de reden hiervan kan boven gezien worden, nos. 578, 579. Dit zijn de twee algenicene toestanden van evenwicht, die door den Heer steeds onverbroken bewaard worden.

1)E JIKXSCH lö IN VI! 1.1 HEID DOOK HET EVENWICHT TUSSCHEN DEN HEMEL EN DE HED.

597. Boven werd het evenwicht tusschcn Hemel en Hel behandeld en er werd aangetoond, dat dit evenwicht is een evenwicht tusschen het goede uit den Hemel en het kwade uit de Hel, zoodat liet is een geestelijk evenwicht, hetwelk in zijn wezen vrijheid is. Dat geestelijk evenwicht in zjjn wezen vrijheid is, komt, doordat het bestaat tusschen goed en kwaad en tusschen waarheid en valscliheid en de/e dingen zijn geestelijk. Daarom is do macht om het goede of het kwade te willen en het ware of het valsche te denken en het eene boven het andere uit te kiezen de vrijheid, waarover nu gehandeld wordt. Deze vrijheid wordt aan ieder mensch door den Heer gegeven en nooit ontnomen. Zij is inderdaad door haar oorsprong niet van den mensch. maar van den Heer, want zij komt van Hem. Niettemin wordt zij den mensch met het leven als zjjn eigendom gegeven en wol, opdat hij hervormd en gered moge worden, want zonder vrijheid is er geen hervorming en redding. Iedereen kan door zekere redelijke intnitie zien, dat de mensch in zjjne vrijheid het in zjjn macht heeft goed of kwaad, oprecht of onoprecht, rechtvaardig of onrechtvaardig te denken, en ook dat hij goed, op-•457

597

ocr page 502

HEMEL EN HEL.

recht en rechtvaardig kan spreken en doen, maarniet kwaad, onoprecht of onrechtvaardig door de geestelijke, zedelijke en burgerlijke wetten, door welke zijn uiterlijke in banden gehouden wordt. Hieruit blijkt, dat de geest des menschen, welke is datgene, wat denkt en wil, in vrijheid is, maarniet alzoo het uiterlijke des menschen, hetwelk spreekt en handelt, tenzij het strookt met bovengenoemde wetten.

598. Dat de mcnsch niet hervormd kan worden, tenzij hij vrijheid heeft, komt, omdat hij geboren wordt in allerlei kwaadheden, welke toch moeten worden verwijderd, opdat hij gered worde; en zij kunnen niet worden verwijderd, tenzij hij ze in zich ziet, ze erkent, ze niet langer wil en ten laatste ze met afkeer beschouwt; dan worden zij eerst verwijderd. Dit kan niet geschieden, tenzij de mcnsch zoowel in het goede als het kwade is, want van het goede uit kan hij kwaadheden zien, maar geen goede dingen van het kwade uit. De geestelijke goedheden, over welke de mcnsch vermag te denken, leert hij van zijn jeugd af door het lezen van het Woord en door prediking ; zedelijke en burgerlijke goedheden door het leven in de wereld. Dit is de eerste reden, waarom de mensch in vrijheid moet zijn. Een andere reden is, dat niets den mensch eigen gemaakt wordt, dan wat zoo geschiedt door een genegenheid, die tot zijne liefde behoort. Andere dingen kunnen inderdaad wel (in hem) ingaan, maar niet verder dan de gedachte ; en niet in de wil en wat niet tot in den wil van den mensch ingaat, wordt niet het zijne, want de gedachte trekt alles, wat zij heeft van het geheugen, maar de wil trekt het zijne, uit het leven zelve. Juets is ooit vrjj, dat niet uit de wil is, of wat hetzelfde beteekent, uit do genegenheid der liefde. Want wat een mensch ook wil of liefheeft, dat doet hij vrijelijk ; vandaar dat do vrijheid des menschen en de genegenheid, die tot zijne liefde of zijn wil behoort, een zijn. De mensch heeft dus vrijheid, opdat hij door het ware en het goede aangedaan kan worden, of ze liefhebben, en dat zij dus als zijn eigen worden. Kortom, wat niet in vrijheid in den mensch komt, blijft niet, omdat het niet is van zijne liefde of zijn wil, en wat niet van 's menschen 458

598

ocr page 503

DE MENSCU IS IN VRIJHEID. 599, 600. C01

liefde of wil is, is niet van zijn geest. Het wezen van den geest des mensclien is nl. de liefde of de wil. Er wordt gezegd, liefde of wil, omdat wat een rnenscli liefheeft, lnj ook wil. Dit nu is de oorzaak, waarom de mcnsch niet dan in vrijheid zijnde, hervormd kan worden. Maar meer kan over de vrijheid des mensclien gezien worden in do „Hemelsche Geheitne)!'quot; op de beneden aangehaalde plaatsen.

599. Opdat de mensch in vrijheid zij om hervormd te worden, wordt hij naar zijn geest mot den llcmel cn de Hel verhouden; want hij eiken mensch /.ijn geesten uit de Ifel eu Engelen uit de Hemel. Door geesten uit de Hel is de menach in zijn eigen kwaad en door do Engelen uit den Hemel in het goede, van den Heer afkomstig; zoo is hij in geestelijk evenwicht, dat is in vrijheid. Dat eiken mensch Engelen uit don hemel zijn toegevoegd en geesten uit de Hel, kan gezien worden in het hoofdstuk over de verbinding tusschen don Hemel en het menschelijk geslacht, nos. 291 tot 302.

GOO. Men dient te weten, dat de verbinding van den mensch met den Hemel cn de Hel niet rechtstreeks is, maar door middel, van de geesten, die in de geestenwereld zijn. Deze geesten zijn bij don mensch, maar er zijn geene uit do Hel of den Hemel zelf. Door slechte geesten indegeesten-wcreld is dc mcnsch verbonden met de Hel en door goede geesten, die daar zijn, met den Hemel. Omdat dit zoo is, bevindt zich dc geestenwereld midden tusschen den Hemel en dc Hel en is aldaar het evenwicht zelf. Dat do wereld der geesten midden tusschen den Hemel en do Hel is, zie men in het hoofdstuk over do geestenwereld, nos. 421 tot 431 ;cn dat aldaar het ovenwicht zelve tusschen den Hemel en do Hel is, iu het laatste hoofdstuk, nos. 589 tot 590. Hieruit, is nu duidelijk, vanwaar 's monschcn vrijheid is.

601. Er moet nog iets gezegd worden over de geesten, die den mensch toegevoegd zijn. Een gezelschap kan in zijn geheel gemeenschap hebben met eon ander gezelschap en ook mot een ander individu, waar hij ook zij, door een geest van het gezelschap uitgezonden; deze geest hoot do Drager (Subjoctum) van velen. Hot geschiedt evenzoo met do verbinding van den 459

ocr page 504

ii km li ij ex tiel

menscli mot de gczclscliappen in don ITomc! en mot do ijjo-zolscliappcn in de Ifol, door geesten welke liom uit de geestenwereld worden toegevoegd. Zie hierover ook de H■•utehche yeheimen op de plaats asin liet einde iiangelutald.

002. Ton laatste moet nog opgemerkt worden hot ingeplante in den menscli, hetwelk is uit de invloeiing des Hemels bij hem en wat betreft zijn leven na den dood. Er waren eenigen van het eenvoudige volk, die in de wereld in het goede van het geloof geleefd hadden ; zij werden in een gó-lijksoortigen toestand gebracht als die, waarin zij in de wereld waren geweest, zooals mot iedereen gedaan kan worden, wanneer de Heer hot toestaat, on toen word getoond, welke denkbeelden zij over den staat des menschen na den dood hadden. Zij zeiden, dat eenige verstandelijke personen hun in de wereld gevraagd haddon, wat zij van hun ziel na hot leven in de wereld dachten en zij antwoordden, dat zij niet wisten, wat de ziel is. Hun werd verder gevraagd, wat zij geloofden omtrent hun staat na den dood eu zij antwoordden, dat zij geloofden als geesten te zullen leven. Toon vroeg men hun, wat geloof zij omtrent den geest hadden, on zy zeiden,, dat liet een menscli is. Vervolgens werd hun gevraagd, hoe zij dit wisten en zij zeidon, dat zij het wisten, omdat het zoo is. i)e verstandelijke mannen, die dit vroegen, verwonderden zich, dat do oenvoudigen zulk een geloof hadden en zij zelve uiet. Hieruit bleek, dat bij ieder inensch, die met den Hemel in verbinding is; iots ingeplant is omtront zijn loven na den dood. Dit. ingeplante komt nergens dan van de invloeiing uit don Hoinel, dat is, door don ileinol van don lieer, door middel van geesten, die den menscli uit de geestenwereld toegevoegd worden. En dit hebben zij, die de vrijheid van denken niet liobben verloren door aangenomen, en met verschillende re lonooi'ingen bevestigde begrippen omtrent de ziel des menschen, welke zij of pure gedachte èf een bezield begrip noemen, waarvan zij den zetel in het licbaan zoeken ; en toch is do ziel niets dan het leven dos menschen ; do geest is do menscli zelve, en het aardsch lichaam, hetwelk hem in do wereld omgeeft, is slechts een werktuig, waardoor do geest, die do 400

002

ocr page 505

DK MRNSCll IS I.V Vlil.lKKII).

rncnsclt zelve is, in de nattmrlijkc wereld, gescliikt handelt.

603. Hetgeen in dit werk over den Hemel, de geestenwereld en de Hel gezegd is, zal duister zijn voor degenen, die geen lust hebben geestelijke waarheden te weten, maar helder voor degenen, die wel daarin lust hebben en vooral voor hen, die in de genegenheid zijn voor do waarheid om der waarheid wille, dat is, die do waarheid liefhebben, omdat zij waarheid is; want wat ook liefgehad wordt, gaat met licht in het denkbeeld van den geest in, vooral wanneer het ware liefgehad wordt, omdat al hot ware in hot licht is.

UlTTUKKSKI. UIT DK „llrtiiilsrl,! ' ir/ni IM'TUKFKKNl»!-; Igt;K. VIII.III KIIgt; 1'KS

.MKNScnrN, IT. IN VI.01.11 ! X DK (.KKSTüX. WKLKK MKHKHKE-

Lilt;; rscm r.in'.x.

Bet ■■(■fir,-lit ol crlj/ii I'l. Alle vrijheid is v;m liefde of genegenheid, daar oen ii.ens-ch \r ij olijk doel. wal hij liefheoft; no. 2S70,'gt;158, 8!KS7, 8fM)0, 9585, 0591 ; omdat vrijheid van liefde is. is zij het leven van iedereen; no. 287.3. Niets verschijnt nis het eiiren'? des nn-nsciieii, dan wat nit vrijheid is : no. 2880. Mr is 1 iciiiflsche vrijheid en 1 fclsrhe vrijheid : nos. 2870, 2873, 2874, 9589, 9590.

Memelsche vrijheid is van ireniel^r'ie liefde of van de liefde van het goede en van liet ware; nos. 1947, 2870, 2V72. Kn daar de liefde van het goede en van het ware van den Heer komt, is de vrijheid zelve, liet geleid worden door den Heer: nos. 81)2, 90.quot;), 2s:72. 2S80, 2890 tot 28112,9096,0580,9587,9589 tot '.♦■quot;)91. Deniensrh wordt in de 1 Icnielschi-vrijheid gebracht door den Heer door wederge)lonrte : nos. 2S74, 2^75, 2882, 2S92. De niensrh moet vrijheid hebben opdat hij wederuciorc.i kan worden; nos. 1937. 1947, 2870, 2881. 3145, 3140, 31 quot;)S. lo;:i. S70o. Ander.- kan de liefde van het goede en ware niet in den niensrh Lrej/iant wonlcn, en hem toegeëigend worden seliijnbaar als het zijne: nos. 2877, 2879, 28sn, 2888. .Viets wordt den nienseh in een toestand van dwang toegevoegd ; nos. 2875. 8700. Indien de menseli door dwang kon hervormd worden, zonden allen worden gered; no. 2881. Dwang in hervorming is schadelijk ; no. lo.n. Alle aanbidding nit vrijheid is aanbidding, maar niet die nit dwang; nos. 1!M7. 2880, 7349, 10097. Berouw behoort plaats te hebben in een toestand van vrijheid, en wat in een toestand van dwang gedaan wordt, heeft geen nnt ; nos. 8392. Hoe de toestanden van dwang zijn; no. 8392.

Het is den mensch gegeven te handelen nit vrijheid van rede, opdat het goede hem verstrekt moge worden, en daarom is de menseh ook in de vrijheid om liet kwade tc denken en te willen en ook te doen, voor zoover de wetten het nici verbieden; no. 10777. De mensch wordt door den Heertns-schen Hemel en Hel en zoo in evenwicht gebonden, opdat hij terwille van hervorming in vrijheid zij; nos. 5982, 0477, 8987. Dat wat in vrijheid ingezaaid is blijft, maar niet, wat in dwang gezaaid is; no. 9588. Daarom wordt vrijheid nooit aan iemand ontnomen; nos. 2870, 2881. Niemand wordt door den Heer gedwongen: nos. 1937. 1947.

Zichzelf te bedwingen is een daad van vrijheid, maar niet bedwongen te worden; nos. 1937, 11)47, De menseh behoort zichzelf te dwingen het kwaad te weerstaan; no-. 1937, r.gt;l7, 7914. Kn eveneens moet hij goed doen als nit zieh-

401

ocr page 506

TI EM EL ES 1IRL.

zei ven, maar toch erkennen dat het van den Heer komt; nos. 2883 2801, 2892, 7014. De menseh heefteen sterkere vrijheid in die gevechten van verzoeking, in welke hij overwint, omdat hij zich dan meer innerlijk dwingt tot weerstand, ofschoon het anders schijnt ; nos. 1037, 1047, 2SS1.

llelsche vrijheid is het geleid worden door de liefde töt zichzelven en de liefde tot de wereld, en de begeerten van deze ; nos. 2870, 2873. Zij, die in de Hel zijn, kennen geene andere vrijheid; no. 2871. Hemelsche vrijheid is evenver van Helschc vrijheid verwijderd, als de Hemel van de Hel; nos. 2S73, 2874. Ilclsrhe vrijheid, welke is het geleid worden door de liefde tot zichzelven en tot de wereld, is geen vrijheid, maar slavernij ; nos. 2884, 2800; want slavernij is geleid worden door de Hel ; nos. 0586, 0580, 9500, 0501.

Bcrtcfj'i iiilc de invlociinn. Alle dingen vloeien in. die de mensch denkt en wil, nit ervaring; 004, 2886, 2887, 2888, 4151, 4319, 4320, 5840, 5848, 6180, 0101, 0104, 0107, ()1!)S, G100, (gt;213, 7147, 10210. De mensch kan dingen beschouwen, denken en analytisch gevolgtrekkingen maken tengevolge van de invloeiing; nos. 4310, 4.quot;'20, 5288. I)c mensch zon geen oogenblik kunnen leven, indien de invloeiing uit de geestelijke wereld van hem werd weggenomen, blijkens ervaringen; nos. 2887, 5840, 5854, (5321. Het leven, dat van den Heer invloeit» wisselt af naar gelang van den staat des menschen, en naar gelang van de ontvangst; nos. 2069, 508G, 0472, 7343. lüj de kwaden wordt het goede, dat van den Heer invloeit, in kwaad veranderd, en het ware in het valsche, blijkens ervaringen; nos. 3043, 4032. Het goede en het ware, dat voortdurend van den Heer invloeit, wordt opgenomen voor zoover het niet weerstaan wordt door het kwade en het valsche; 2411, 3142, 3147, 5828.

Al het goede vloeit van den Heer in en al het kwade van de Hel; nos. 004, 4151. lieden ten dage gelooft de mensch dat alle dingen in hem en van hem zelf zijn, terwijl zij toch invloeien en hij kan dit weten van het leerstuk der kerk, hetwelk leert, dat al het goede van den Heer en al het kwaad van den duivel is; nos. 4240, 6193, 6206. Maar indien de mensch volgens het leerstuk geloofde, zou hij zich het kwaad niet toeeigenen, noch het goede tot het zijne maken; nos. 6206, 6324, 0325. Hoe gelukkig de staat des menschen zou zijn, indien li ij gel oofde, dat al het goede van den Hoer invloeit en al het kwade van de Hel; nos. 6325. Zij die den Hemel ontkennen, of er niets van weten, weten niet, dat er eene invloeiing van is; 4322, 5649, 6103, G470. War de invloeiing is, opgehelderd door vergelijkingen; nos. 6128, 6190,0407,

Alles wat tot het leven behoort, vloeit in van de eerste bron des levens, omdat het daarvan komt en voortdurend invloeit, dus van den Heer; nos. 3001, 3318, 3337, 3338, 3344, 3584. 3610, 3741, 3742, 3743, 4318,4310.4320,4417, 4521, 4882. 5847, 5986, 6325, 6168, 6460, C470, 6479, 0276, 10.106. De invloeiing, is geestelijk en niet natuurlijk, zoodat de invloeiing uit de geestelijke in de natuurlijke wereld plaats heeft en niet omgekeerd ; nos. 3210, 5110, 5250 5427, 5428, 5477, 6322. 0110. De invloeiing geschiedt door den innerlijken mensch naar den uiterlijken of door den geest naar het lichaam en niet omgekeerd, omdat de geest des menschen in de geestelijke, en zijn lichaam in de natuurlijke wereld is ; nos. 1702, 1707, 1040,1054, 5110,5250, 5779, 6322, 0380. De innerlijke mensch is in de geestelijke wereld en de uiterlijke mensch in de natuurlijke wereld; nos. 078, 1015, 3628, 4450, 4523, 4524, 6057,6300,9701 tot 0700, 10156. 10472. Het schijnt alsof er eene invloeiing is van het uitwendige naar het inwendige bij den mensch, maar dit is een dwaling ; no. 3721, Bij den mensch is er eene invloeiing in zijn redelijk deel, en door dit redelijke in de kennis en niet in omgekeerde richting; nos. 1405, 1707, 1040. Hoe de orde van de invloeiing is; nos, 755, 880, 1006,1405, 7270. De invloeiing komt rechtstreeks door den Heer en ook middelijk door de geestelijke wereld of den Hemel nos 0063,6307, 6472, 9682, 9683. De invloeiing van den Heer is in het goede bij den mensch en door het goede in het ware, maar niet omgekeerd; nos.

462

ocr page 507

UITTREKSEL UIT DE HEMELSCIIE GEHEIME^.

5482, 5049, 6027, 8085, 8701, 10153. Het goede jreeft liet vermogen om eene invloeiing van den Heer te ontvangen, maar het ware zonder liet goede niet ; no. 8321. Niets is schadelijk, dat in de gedachten vloeit, maar wel wat in den wil vloeit, omdat dit laatste den mensch toegeëigend wordt; no. G308.

Er is eene algemeene invloeiing; no. 5850. liet is een voortdurend streven om volgens orde te werken; no. 0211. Deze invloeiing is in het leven der dieren; no. 5850, on eveneens in de voorwerpen van het plantenrijk; no. 3048. Ook volgens de algemeene invloeiing valt de gedachte in de spraak en de wil, in de handelingen en gebaren bij den mensch; nos. 5802, 5990,6192,0211.

Betreffende de Dragers of Suhjcct-yeestni. Geesten, welke van gezelschappen van geesten naar andere gezelschappen er: ook naar andere individuen uitgezonden worden, heeten Dragers ; nos. 4403, 5850. Mededeelingen in het andere leven worden door zulke uitgezonden geesten gedaan; nos. 4403, 5850. 5983.1 Een geest, die uitgezonden zijnde, als Drager dienst doet, denkt niet uit zich zelf, maar door degenen, die hem uitzonden; nos. 5985 tot 5987. Verscheidene bijzonderheden over die geesten ; nos. 5988, 5989.

463

ocr page 508
ocr page 509
ocr page 510
ocr page 511
ocr page 512