â¢v,
Tquot;
, gt;Â¥: ^
m â ; 'Sf «â ' â
I
â --U (
H
' 1
I
p?JVv- 'â ;
mm
; quot; t-'- * ilM^d
' I' II
. â¢.â 'ü
'â¢Ã¯'V/'quot;yi
/ r
jiiz
FB:; «M_,.
ÃiSï
0 i» EffiHs. ;
i^S'
quot;â t^^v;:..
1: â¢â¢
^SS
â¢' â ji
« V
|p
* ⢠ut-
â â¢d £m
i*
. * r-â ^
1# â â :«:: -w
vr
-J./ Tn*.*.,;, 'â â¢'â - V - ^
.s#f
?58lt;|jÃ
-â quot; quot;IV-O'li-â , : â '
,Nvrquot;A ; i a-|
#
â ' quot; .Æâ ' J*.quot; gt;⢠â â .â ' .â â .â /:' â tquot;'.quot; 1
â V ' - ' â â 'i
â ^V ff ;'- : ' â â â -â â /; w f......
⢠gt; ' . .; â « .. T -'ft;. 'quot;
â r.' ; â â â . : -y
quot; /i' . V ^'.quot; %. ~
â
r. JAN TEN BRINK
floOQLEERAAR AAN DE J^.1JKS-^JNIVERS1TEIT TE J-.EIDEN
-d '
gt;â¢gt;â¢â¢.â- i»1.. '. ;â (' ~ â¢'
' - â â -quot;; * % â â -â ; V â Vs⢠⢠â â¢â ⢠': â '⢠r
â '
!' '
»a â¢. ,-⢠. ,
|
â -x mm | ||||||||||||||||
|
|
â â â ?â - | |
|
ÃiiSI |
lm |
|
7 : ^ | |
I # - - quot; £
®H£:
siö:
M^li
VAN
li
rcv
|
* | ||
m
:::.
IfilW' H
» tifc' â
,
mm
,
â â £?â¢? ⢠«-i ____
⢠â v.V â¢â¢ ,â .v,,v;-.. â â â /ï\ 1
)/ / /â¢*
-c' 5
tr^J^-t. t/i
-^L-
3 s--
A-
iBH
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
«Quicuinque vult salvus esse, ante omnia opus est ut «teneat catholicam fidem.»
Ken Nederlandsch priester, een Nederlandsch dichter, een Nederlandsch geleerde; â een spreker, een improvisator, een pleitbezorger der hem toevertrouwde belangen; â een redenaar met koper in de stem en met dien «koperen kop», welken de Génestet zoo gaarne voor zijn arm, gevoelig hoofd had willen ruilen; â een strijder voor de oude Moederkerk, een moderne kruisridder met het zwaard van Behemondo in de gespierde vuist, een Herculisch vleugelman in het leger van Rome; â een hoogleeraar aan een Nederlandsch seminarium, een letterkundige, begraven onder boeken van ouderen, lateren en nieuweren tijd, een gezellig man, met den ronden glimlach der gastvrijheid op de lippen, zijne vrienden ten zijnent verzamelend; â en eindelijk een staatsman, die als lid der Nederlandsche Tweede Kamer het vooroordeel te schande maakte, volgens hetwelk geen talentvol lid in die achtbare vergadering zich op de hoogte van zijn elders verworven roem zou kunnen handhaven; die leider en aanvoerder werd zijner partij; die eerbied inboezemde aan zijne tegenstanders en hoogachting oogstte van zijne vrienden; die het oor won dierzelfde moeilijk te ontroeren Tweede Kamer, zoodat misschien eenmaal van hem gezegd zal kunnen worden, wat de jonge Disraeli van Sir Robert Peel zeide: «He played upon the House like upon a fiddle» â dezen veelzijdig ontwikkelden Nederlandschen staatsburger, Herman Joh an Aloysius Maria Schaepman, mag gecne plaats onder onze hedendaagsche Letterkundigen worden ontzegd.
Schaepman's veelzijdigheid noodzaakt onmiddellijk tot beperking. Hoe verleidelijk het ook schijnen moge het leven van den dichter en van den staatsman beiden te schetsen, hoe zeldzaam in ons vaderland de vereeniging van deze twee titels geoorloofd zij, te dezer plaatse mag alleen van den dichter gesproken
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAHPMAN.
worden. Zijne staatkundige loopbaan omvat nauwelijks een zes-en-een-half jaar (1880 1886), en biedt den nauwgezetten onderzoeker gcene onoverkomelijke zwarigheden. De uitspraak, eens aan Apelles in den mond gelegd, weerhoudt mij evenwel daartoe eene poging te wagen. De staatkundige geschiedenis van den dag te schrijven, is niet ieders zaak.
I.
In Twenthe, te Tubbergen, werd de dichter Schaepman, den 2 Maart 1844, geboren. Zijn vader was er Burgemeester, zijn grootvader vervulde dezelfde betrekking te Haaksbergen. De familie Schaepman bewoonde te Tubbergen een buitengoed, de Eeshof genoemd, waar de jonge knaap zijne eerste zorge-looze jaren sleet. Zijn vader behoorde tot de wakkere Nederlanders, die in 1830 Koning Willem I steunden. Als luitenant der schutterij greep hij met geestdrift naar de wapenen. Vertellingen uit dit tijdperk van zijn leven werden door zijn oudsten zoon met graagte gehoord. De Burgemeester van Tubbergen kon de jaren 1830 en 1831 niet vergeten. Al wat met het kloek krijgsbedrijf van dat tijdvak in verband was te brengen, boezemde hem belangstelling in. Vandaar, dat hij gaarne patriottische liederen van Theodor Körner en van Schiller prees; dat hij reeds vroeg zijn zoon Körner's «Schwertlied» en «Gebet vor der Schlacht» deed lezen. Grootvader Schaepman, de burgemeester van Haaksbergen, wist met gloed zijne herinneringen uit de bange jaren van den eersten Napoleon aan zoon en kleinzoon meê te deeien, zoodat dezen laatsten al schielijk een krijgsmanshart in den boezem klopte.
Zijne moeder, uit de Arnhemsche familie La Chapelle gesproten, prees hem de groote schrijvers der zeventiende eeuw in Frankrijk aan, gaf hem Racine, Corneille, Molière, Lafontaine ter lezing. Het Fransche bloed, dat in hare aderen vloeide, verloochende zich niet, wanneer zij met bijzondere scherpzinnigheid en vriendelijk vernuft haar zoon op de schoonheden dier groote meesters wees, die vóór 1830 tot de groote heiligdommen van alle eerlijke Fransche harten werden gerekend. Men maakte haar eens de opmerking, dat een jongen van tien jaren zulke dichters nog niet waardeeren kon. â «Dat is ook niet noodig» â was het antwoord â «hij krijgt in elk geval iets in het hoofd, dat hij later begrijpen kanl» M
De knaap leerde op deze wijs vroeg liefde voor groote kunst, en had het voorrecht te Tubbergen een leeraar, den heer Ter Marsch, te vinden, die hem in het Fransch en het Duitsch onderwees. Zijn eerste droom was dienst
1) Schriftelijke mededeeling van mijn vriend, Dr. Schaepman.
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
te nemen, naar zee te gaan, te strijden voor de Nedcrlandsche vlag-. Maar een gewichtig bezwaar rees bij de vervulling van dezen wensch zijne zwakke oogen. Hij moest zijn plan opgeven. Toch bleef hij hunkeren naar strijd, en volgde daarom den wensch zijns vaders, die hem tot priester en kampvechter voor zijne kerk had uitgelezen. Hij verheugde zich derhalve op zijn dertiende jaar zijne classieke studiën te mogen beginnen aan het gymnasium te Oldenzaal met Paschen van 1857. Dit gymnasium werd destijds bestuurd door den rector Dr. F. C. Soer, terwijl door dezen, door den conrector De Voogt, en door den praeceptor M. van Groeneveldt onderwijs werd gegeven. Van dezen laatste leerde Schaepman Engelsch door te lezen uit den «Vicar of Wakefield».
De Nederlandsche dichters had hij leeren kennen uit de groote bloemlezing van En gel bert Gerrits, die zijn vader, lid der Provinciale Staten van Overijsel, te Zwolle voor hem gekocht had. Hij dweepte als knaap met alles, wat de Nederlandsche glorie vierde. Helmers was zijn man. De dood van Schaffelaar, het kanongebulder van den vierdaagschen zeeslag, de Prins van Oranje bij Quatre-Bras, alle deze treffende oogenblikken uit de geschiedenis van ons eigen Nederland, deden zijn hart sneller kloppen. Zijn strijdvaardige aanleg liet zich gelden bij dit voor hem onvergelijkelijk genot. Zijn oude droom van het zeemansleven werd nu vervangen door den nieuwen priester te worden. Soldaat zijner kerk, in den grooten kamp der geesten onzer eeuw pal te staan voor .Rome, scheen hem eene schoone vervulling zijner kinderlijke idealen.
Hij bleef maar anderhalf jaar op het gymnasium te Oldenzaal, daar de toekomstige godgeleerde zijne humaniora beter op het seminarium te Kuilenburg kon aanleeren. In October 1858 kwam hij onder de leiding der Kuilenburgsche leeraren S. J. Hij doorliep er den gewonen cursus, waarbij vooral veel taalwetenschap, veel syntaxis, veel stijlleer viel te beoefenen. Het leven in dit seminarium der vaders Jezuïeten was zeer sober, zeer gezondt zeer streng en zeer vroolijk. Zijne vorderingen in het Latijn waren zoo belangrijk, dat hij eens den prijs behaalde voor den wedstrijd in Latijnsche verzen â den wedstrijd, waarin Oud-Holland weleer uitmuntte, en waarvan de overlevering nog in onze dagen, dank zij het legaat Hoeufft, niet verloren ging. In stilte oefende hij zich in het schrijven van Nederlandsche verzen en Nederlandsch proza, voor welk laatste kunstvak hij ook te Kuilenburg werd bekroond.
Negentien jaren oud nam hij in Augustus 1863 afscheid van Kuilenburg, om na de vacantie zich als student in de godgeleerdheid aan het seminarium te Rijsenburg bij Driebergen te doen inschrijven. Wel was ook hier de leefregel streng, maar de professoren mochten hunnen leerlingen meer vrijheid schenken dan de paters te Kuilenburg. Vier jaren lang legde hij zich hier toe op Dogmatiek, Moraal, Kerkrecht, Uitlegkunde van het Oude en Nieuwe Testament, Kerkgeschiedenis en Liturgie. Hij dankt zeer veel aan het onderwijs van den tegenwoordigen pastoor van Breukelen, W. G. van Vu uren, toen hoogleeraar in de Uitlegkunde van het Nieuwe Testament en in de Kerkgeschiedenis, zelf een
3
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
voortreffelijk leerling van den hooggewaardeerden Warmonder theoloog, C. Broere.
In deze vier jaren zijner godgeleerde studiën ontwaakte de dichter in hem tot volle kracht. De Latijnsche verzen als scholiersoefening ter zijde schuivend, luisterde hij nu alleen naar de stem der vaderlandsche muze. Hn reeds in 1866 gaf de twee-en-twintigjarige theologische student te Rijsenburg zijn eerste gedicht: «De Paus», zonder naam van den auteur, uit,
Alberdingk Thijm sprak ten behoeve van den onbekenden dichter een woord van aanbeveling bij zijn optreden voor het publiek. De auteur van «Palet en Harp» hoopte, dat niemand zou aarzelen in den ongenoemden schrijver van «De Paus» een nieuwen Nederlandschen dichter te begroeten; hij vond «niet slechts in de taal», maar ook in den dichtvorm. Bil der dijk terug. Critiek en publiek hechtten hun zegel aan deze uitspraak, door niet alleen Bildcrdijk's naam maar ook dien van Da Co sta te noemen, als zij den dichter van »De Paus» beoordeelden.
Er was inderdaad aanleiding van Da Costa te spreken. De eerste verzen van Schaepman:
«'t Zijn achttien honderd jaar! â Nog klinkt van oord tot oord,
«Van wereldgrens tot grens, des Meesters heilig woord:
«Gij Simon, Jona's zoon, zijt Petrus, rots der kerke,
«Die 'k als mijn bruid begroet......»
schijnen door Da Costa's schim gefluisterd.
Het gchecle stuk is in dezelfde statige, epische alexandrijnen vervat, Groote geestdrift voor Rome's geestelijke vorsten, groote aanhankelijkheid, liefde en eerbied voor zijne kerk, bezielden den dichter, Oogenblikkelijk valt het in het oog, dat de twee-en-twintigjarige jonkman reeds geheel gevormd is als kunstenaar. Hij spreekt in de taal, die hij bij Vondel, Bilderdijk en Da Costa vond. Hij maakt er volstrekt geene aanspraak op eene persoonlijke, nieuwe taal uit te vinden. Zijn eerbiedig ideaal is de groote meesters nabij te komen. Daar zijne verzen, nu bij het begin en vervolgens steeds, door de besliste overtuiging des dichters een sterk krijgshaftig karakter vertoonen, zal menig Nederlandsch lezer zich geprikkeld voelen hem te antwoorden. Vruchtbaarder evenwel schijnt het, bij eerbiediging van eene achtenswaardige meening, die de onze niet is, den dichter te waardeeren trots velerlei verschil in het oordeel over het verleden, het heden en de toekomst. 1)
Er komen in «De Paus» enkele fragmenten, die onmiddellijk treffen, In de eerste plaats dit beeld van Gregorius VII:
â 1 In der Pausen rij,
«Aanschouwde ik nooit een beeld meer waarlijk Paus dan hij!
«Hij monnik en reeds Paus, hij Paus en steeds de zelfde,
«Als toen de kloostercel zijn schedel overwelfde;
«Hij, rustig bij ^d'orkaan, die om zijn zetel stormt;
1
Deze bijschriften zijn levensschetsen in de eerste plaats, üruikbare bijdragen te leveren tot de geschiedenis der Nederlandsche Letteren onzer eeuw was mijn plan. Tot oeteningen in de aanvallende of afbrekende critiek heb ik ze nimmer bestemd.
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
«Hij, die zijn eeuw als was gekneed heeft en vervormd;
â lt; Hij, die den keizerstelg, den woestling aan zijn voeten
«Deed buigen, den tyran in 't hairen kleed deed boeten;
«Hij, de gevloekte van den natijd!»
Vervolgens de schildering der kruistochten, beginnende met de klacht van het vertrapt Jeruzalem:
««op Calvarie's kruin zoekt de oorlogshengst zijn voeder;
««Gij Christ'nen, wreekt het kruis, gij zonen, wreekt uw moeder!» â
«En de onbedwongen storm huilt luider en verwoeder,
«En langs de zeeën klinkt der Saracenen spot;
««Droom zacht. Europa, droom u sterk en veilig, tot '«Gij opspringt uit uw slaap! Straks zullen de oorlogspaarden ««Te wed gaan in uw vloed! Straks zullen onze zwaarden ««U doen ontwaken om te sterven 1»
Aan het slot eindelijk deze zegekreet:
«De Zoon des Menschen, met de scherpe doornenkroon «De heiige slapen om, stond voor het volk ten toon:
«En aan de breede schaar, die opgezweept tot haten o En vloeken hem omgaf, werd toen de keus gelaten:
««Wien wilt ge: Christus?......»
En het vreeslijk antwoord: «Neen,
««Wij willen Christus niet!» dreunt door de vlakte heen;
««Wij willen Christus niet!» en achttien langzame eeuwen «Verkonden ons dien vloek. Het leven der Hebreeuwen «Is dood â hun volksbestaan is ballingschap, het bloed «Des schuldeloozen, des verworpnen wordt geboet.
'En achttien eeuwen lang doen, in verheven koren,
«De werelden het lied des Konings Christus' hooren.»
De critiek van 1866 en 1867 heeft den nieuwen Nederlandschen dichter met heusche woorden verwelkomd, soms alleen zich de vrijheid voorbehouden, trots groote ingenomenheid met zijn kunstwerk, van hem te verschillen in gevoelen. »)
Aangemoedigd door dit eerste welslagen, toonde hij, dat hij nog andere koorden op zijne harp had gespannen. In 1867, voltooide de student te Rijsen-burg twee nieuwe gedichten: «S. Maria, de zondaresse van Egypte», en «De Eeuw en haar Koning». Het eerste zag het licht in den «Volksalmanak voor Nederlandschc Katholieken» (1868), het tweede werd afzonderlijk uitgegeven met den naam van den schrijver, en beleefde een tweeden druk, waarbij eene dichterlijke opdracht gevoegd werd aan Z. D. H. Msgr. A. J. Schaepman, destijds Bisschop van Hesebon i. p. i., bloedverwant, vriend en Maecenas van den jongen kunstenaar.
De hagiographische legende van Maria Aegyptiaca â eene Magdalena, die door de gadelooze ontferming der Madonna vergiffenis van zonden erlangt â wordt door den theologischen student met lyrischen gloed in vrije jambische strophen verhaald. Ditmaal schijnt hij zich naar Ter Haar's «Johannes en Theagenes», naar Bogaers' «Jochebed» te hebben gericht. Maar het vuur der mystieke geestdrift blaakt den boezem van den jongen zanger vuriger,
1) Zie «Amsterdamsche Courant van 29 en 30 Decembers 1S67; eene critiek van A. j. de Buil.
5
HERMAN JOH AN ALOVSIUS MARIA SCIIAEPMAN.
cr trilt meer hartstocht in zijn woord dan in de kalme gedichten zijner deftige voorgangers. Hij poogt in zijne Maria Aegyptiaca de teedere Madonna-vereering, â zoo schoon uitgesproken in onze middeleeuwsche «Beatrijs» â naar zijne beste krachten te evenaren.
Maria, beeld der reinste mini «Hoe koestrend, hoe verwarmend straalt ge ... .
lt; Ã, Moedernaam, o zoete toon,
«Meer kostbaar dan de koningskroon,
«.Waarin de diamanten vonken,
«Meer rijk aan zin en melodij Dan ooit een harptoon heeft geklonken.
Wat zijt ge een licniehvoord voor mij! . . ..
Dit is de grondtoon van het geheele werk, ondanks enkele herhalingen van hetzelfde motief, statig en schoon.
Aan het uitvoerigst en geleerdst gedicht, te Rijsenburg in de jaren zijner voorbereiding geschreven, schonk de dichter den titel: «De Eeuw en haar Koning.» Het is een doorloopend pleidooi voor Pius IX, den waarachtigen koning dezer eeuw. De dichter volgt hem van zijn optreden als Paus tot 1867. Groote gebeurtenissen wekken groote geestdrift en groote smart. De zanger staaft, dat hij het tijdvak van 1847 tot 1867 in de geschiedenis van den voonnaligcn Kerkdijken Staat nauwkeurig heeft bestudeerd, dat hij met afwisselende blijdschap en toorn de kenteringen der staatkundige lotgevallen van Italië heeft gevolgd. Zijne stemming, beurtelings juichend of klagend, schijnt hij in forsche orgel-accoorden te vertolken. De toon van dit orgelconcert is voortdurend fortissimo met al de registers uit. Misschien, dat de indruk, hierdoor verwekt, ten slotte zekere vermoeidheid nalaat. In zijne geestdrift voor Pi us IX stijgt de stem van dezen Demosthenes der Roomsche Curie tot hooger diapason dan voor een oplettend, onpartijdig gehoor op den langen duur aangenaam is.
Te ontkennen, dat in dit gedicht voortreffelijk schoone plaatsen voorkomen, zou van weinig achting voor aesthetische waarheid getuigen. Zóó de lierzang aan het aloude Rome:
«Schoon zijt ge, o Rome, heerlijk schoon,
«Gij, koningin der voorgeslachten,
« De hoogste gaven, eêlste krachten,
«Zij vlochten u de vorstenkroon 1.....»
Zóó de hymne voor Frankrijk:
«Een lied voor Frankrijk, 't land der eere,
«De bakermat van kracht en moed,
«De machtige arm, waarmee de Heere
«Zijn daden wrocht, zijn wondren doet.. ..»
Zóó dc jubelzang der ongeloovige epicuristen:
«Rozen van Cyprus omkransen den beker,
quot;'t Purper der druiven tint het kristal;
«'t Heden is kort, en het morgen onzeker;
' Morgen misschien komt der vreugde verbreker,
'lt; Kleppert dc doodsklok, voor 't bekergeschal 1
HERMAN JOHAN ALOVSIUS MARIA SCIIAEPMAN.
«Driftig dan dc ure, de korte, gegrepen,
«Ieder sekonde betwist aan het lot!
«Wijs zij die leven, dwaas zij die dweepen,
f-'t Leven is vluchtig, kostbaar 't genot....»
Zóó de ironische schildering van de machteloosheid der menschelijke rede:
«Des menschen rede schuwt de banden van 'tgelooven,
«En streeft op eigen wiek, arm vogelijn, naar boven,
* Naar boven, waar de stroom der zuivre ether vloeit «En in ondoofbaar licht de hoogste waarheid gloeit;
lt;- Naar boven, naar de zon 1 om straks met matte vlerken * Te rusten in de schaauw der laagste rozenperken,
' Reeds hijgende naar rust......»
Er is misschien hier en daar wat overvraagd naar de aloude vrijheid der pleitbezorgers. Maar zij, die meenen, dat aan dit pleidooi gloed van overtuiging en wegslepende welsprekendheid moet ontzegd worden, zouden mij â in alle opzichten gekant tegen de strekking van dit gedicht â in geen geval tot hunne zienswijze kunnen overhalen.
II.
In het jaar 1867 ontving Schaepman de heilige wijding tot het priesterambt,
Voorloopig diende hij een jaar â tot October 1868 â onder Msgr. A. J. Schaepman te Utrecht, den heiligen dienst waarnemend, met opgewektheid predikend in de Sint-Catharijne-kcrk. In October 1867 greep de plechtige onthulling van Vondel's standbeeld in het nog niet herdoopte Rij- en Wandelpark te Amsterdam plaats. Dat bij de algemeene opgewektheid in de Nederlandsche letterkundige kringen een zoo vurig bewonderaar van Vondel als Schaepman zwijgen zou, ware meer dan onwaarschijnlijk geweest. Reeds in het voorjaar van 1867 had hij vriendschap gesloten met Alberdingk Thijm cn Louis Roy er, die beiden zulk een luisterrijk aandeel in de Vondel feesten zouden nemen. Van den jongen vurigen priester verschenen toen de volgende regelen:
« Dichter zijn, 't is de aard beheerschc n
«Met onbreekbren vorstenstaf,
't is de volle kracht bezitten,
« Die de Schepper 't schepsel gaf,
't Is , als de aadlaar, opwaarts stijgen
«Met den blik omhoog gericht,
«Um den vollen straal te vangen «Van het gouden zonnelicht.... * ')
Zoo omschreef hij in zijn «Vondel», ter gelegenheid der onthullingsfeesten, de taak van den dichter. Met een hooggestemd lied zingt hij niet alleen den lof van het standbeeld, door Roy er ontworpen:
1) «Vondel. Een gedicht.» Amsterdam, C. I,, van Langenhuysen, 1S67, gr. 8°.
7
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
«In waarheid dat zij gij! gij, Hollands grootsche zanger,
«Gij, door der broedren hand met lauweren gekroond;
«Terwijl de gloed der vreugd nog op uw voorhoofd throont âgt;gt;
zingt hij vooral Vondel:
«Vondel, Neêrlands' reinste glorie
«Is uw naam;
«Kn de lofkreet van de faam «En de stemmen der historie
«Smelten saam.
«Schcent gij bij uw volk vergeten,
«Scheen uw hooge zangster stom ?
« Hoor het zware klokgebrom « En de duizend, duizend kreten,
« Schaterend door de Amstelstad:
«Zij betuigen, zij verkonden,
« Dat ge uw volk hebt weer gevonden
Gedichten als deze bewezen niet alleen, dat hij met zijn buitengewonen kunstenaarsaanleg woekerde, maar bovendien, dat hij grondige letterkundige en historische studiën had gemaakt. In deze studiën werd hij geholpen met boeken door zijn vriend G. W. van Heukelum, nu pastoor te Jutfaas, toen kapelaan bij Schaepman's neef, den lateren aartsbisschop van Utrecht. Van Heukelum en de aartsbisschop Schaepman, beiden geleerd en geletterd, beiden bekend als stichters van het aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht, moedigden den jongen dichter met voorzichtige heuschheid aan, schoon zeer streng in de beoordeeling zijner verzen.
Tot de nieuwe kennissen, door hem in het najaar van 1867 gewonnen, behoorde Msgr. Judocus Smits, hoofdredacteur van «de(n) Tijd». Sedert dat oogenblik werd hij medearbeider van het hoofdorgaan der katholieke partij in Nederland, en schreef meestal opstellen over letterkundige stoffen. Van dezen tijd dagteekent ook zijne hymne aan «De Pers», die hem, ondanks zijne hooge ingenomenheid met de Encycliek van December 1864, uit ieder regel sprekende, toch den ongedwongen lof van staatkundige tegenstanders deed winnen. De aanhef van het gedicht maakt onmiddellijk grooten indruk;
Een vorstelijke gave is 't menschlijk woord, een vonk «Der eeuw'ge majesteit, die langs den chaos blonk;
«Een nagalm van het woord, dat, uit des niet-zijns duister,
t De wareldorde riep tot leven, licht en luister;
«Een tochtjen van den geest, die in den aardklomp vloot c En 't levenloos model met schoonheid overgoot;
«Een kostbaar pronkjuweel der diadeem, geslagen
⢠Om 't hoofd des konings, 't hoofd des menschen. Hoort, daar dragen De bauwende echos, met geheimvol beven, voort,
«De hymne van den mensch, de hymne van het woord,
«Die tolk is van de stem der fluisterende gaarde:
« Geprezen zij de God der heem'len en der aarde....')
1) «Wat zegt ge van deze regels? Mij dunkt ik zie u reeds de wenkbrauwen samenlrekken, terwijl ge u-zelv' de vraag stelt, in welk gedicht van da Costa ge toch die taal kunt gelezen hebben. Want dat zij van da Costa moet zijn, dat meent ge, staat boven nllen twijfel vast. Ik beken, dat de vorm ook mij het eerst aan dien maestro deed denken; en toch zijn de aangehaalde regels ontleend aan eene der eerste dichtproeven van een nog tamelijk
8
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
Na het voltooien van zijn gedicht op «De Pers» maakte hij kennis met Potgieter.
Potgieter, die na de crisis in dc Gids-redactie van Januari 1865 zich uit het gezellig letterkundig leven scheen terug te trekken, ontving Schaepman gaarne in zijne gastvrije woning op de Leliegracht, weleer dc hooggewaardeerde verzamelplaats van de beste en geestigste Amsterdamsche kunstvrienden. Dc oude overlevering van het «salig Roemer's huis», van het vriendelijk Meerhuysen aan den Amstel, van de «grote sale» op het hooge huis te Muiden, werd door Potgieter tot op zijn dood in eere gehouden. Schaepman ontving menig bewijs zijner smaakvolle belangstelling. Toen hij in 1868 zijne «Poëzy», eerste deel, uitgaf met zijn «Florence», zijn «monumentum aere perennius», drong hij er bij Schaepman op aan, dat deze eens beproeven mocht de godsdienstige liederen van Manzoni in Nederlandsche hymnen te vertolken. ')
En deze wensch was te eer voor verwezenlijking vatbaar, daar Schaepman zich gereedmaakte naar den geboortegrond van Dan te en Manzoni te vertrekken. Hij reisde namelijk in October 1868 naar Rome, om cr den doctorshoed te winnen. Reeds in Juli 1869 werd hij plechtig bevorderd tot doctor in dc theologie, maar bleef te Rome, waar ook zijn neef, de Aartsbisschop Schaepman kwam, om het Vaticaansch concilie (1869â1870) bij te wonen. Dc jonge doctor volgde ijverig de werkzaamheden van het concilie, en bleef te Rome tot het uiteengaan der hooge kerkvergadering in Juni 1870.
In de twee jaren â min drie maanden â die Schaepman te Rome doorleefde, viel er velerlei voor, dat tot zijne ontwikkeling als mensch, priester, en dichter bijdroeg. Hij beleefde er merkwaardige dagen. In April 1869, te midden zijner studiën voor het doctoraat in de theologie, werd er een gouden Pius-feest gevierd. Het was de vijftigjarige gedenkdag (11 April 1869) van de eerste misbediening door Giovanni Mastai Feretti. Wat hij toen zag, zal hij zelf het best beschrijven. Hij verhale dus water twee dagen vóór het groote jubileum geschiedde:
«Op den morgen van den 9e» April zag men op het prachtig binnenplein van het Vatikaan een «zonderling schouwspel. Daar verdrongen zich de deputatiën van alle steden en vlekken van den pause-«lijken staat. Onder hen bevonden zich ook Ciociari, bewoners der Campagna of der bergstreken, forsche «gestalten met gebronsd gelaat en zwarte oogen, in hun grof blauw gewaad en hairigen overbroek,
onbekend auteur; van wien ik u niets anders weet te zeggen, dan dat hij, blijkens den titel van zijn gedicht, priester is en Schaepman heet. Nu, men zal mij ten minste niet kunnen verwijten, dat door mij te zijnen aanzien op nieuw dc waarheid wordt bevestigd van het spreekwoord: onbekend maakt onbemind; want ik kan u verzekeren,dat ik de Pers met veel belangstelling heb gelezen, en met ongeveinsde erkenning van een niet alledaagsch talent.» â Volkblad aan de algemeene maatschappelijke belangen toegewijd. Donderdag 3 September 1S6S, onder hoofdredactie van Jhr. Mr. de Bosch Kemper.
Een even gunstig oordeel velde A. L. H. Ising in «;De(n) Nederlandsche(n) Spectator;' van 8 Augustus 186S in zijn artikel: «Nog een brief uit Duitschland.»
1) «(Mijnen) roomschen (landgenootcn).....wensch ik van harte eene vertaling van Manzoni's Inni Sacri
toe» â zegt Potgieter in zijne «Toelichtingen» op zijn «Florence» in «Poezy, 1832â1S68», (I deel, Haarlem, Kruseman, 1868, bl. 423) en voegt er bij â «Het is eene taak den jeugdigen priester waardig, die ons niet slechts door menig blijk van zijn geloof en gemoed in de verzen, die zijn «Vondel» voorafgingen en opvolgden, heeft verrast, van wiens groote gaven wij ons meer dan hij tot nog gaf durven belooven.»
9
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
« met den klassieken bloemruiker in de hand. Allen droegen het geel en wit, de pauselijke kleuren, deze lt; in zijn knoopsgat, gene los en zwierend om den puntigen hoed.
lt; Kar op kar met prachtige buffels bespannen rolde over het plein. Vlug en handig werden de giften «afgeladen en, naar de aanwijzingen van den architect Martinucci, sierlijk ten toon gesteld. Het was als «een geïmproviseerde tentoonstelling van de landbouw- en nijverheidsprodukten van 's Pausen nog over-«gebleven gebied. Men zag er geiten en schapen, die onbekommerd over den ongewonen toestand, « spoedig in domme dommeligheid insluimerden naast de zwarte stapels houtskolen door de kolenbranders «aangebracht. Palestina voerde ijzer- en koperwerk aan in verschillenden vorm, Corneto vazen in den stijl «der Etrusken uitgevoerd, Rocca di Papa marmer- en steensoorten.
«Frisch lachten tusschen groen en bloemenslingers de vruchten en groenten door de venters der «Piazza Navona of van andere oorden aangebracht. «Est, Est, Est» was het eenvoudig opschrift, dat «een groep stralende flesschen droeg. Montefiascone bracht zijn wijnen aan, die de legende in alle talen «verheerlijkt heeft. Maar de gevierde stad was niet zonder mededingers op het gebied der wijn-kuituur. «Waar ook zou men den prijs aan toekennen, aan de met mandjes omvlochten fiaschetten van Velletri «of aan de veelsoortige flesschen van Genzano? Mocht ook dat reusachtig vat met de pauselijke en de «stads-wapens van Monte-Rotondo beschilderd en vol tienjarigen wijn geen aanspraak maken op luide «bewondering? De zouaven, vandaar gekomen om de feesten bij te wonen, waren fier genoeg op de « flinke vertegenwoordiging hunner tijdelijke verblijfplaats.
«Ook vond men sommige opschriften, keurig genoeg om nog een plaatsjen tc verdienen. Kracciano « bracht den Paus heerlijk geurenden honing en frissche boter; de sierlijk bewerkte kist droeg het opschrift: e Butyrum et mei comedet». «Oleum effusum nomen tuum» was de leuze, die een rijken voorraad van « de fijnste oliesoorten voerde.
« Toen eindelijk de giften waren tentoongesteld, toen de deputatiën hun plaats hadden ingenomen, «verscheen de Paus. Een oorverdoovend gejuich ging er op. Alles was vol vreugde cn bezieling. Een der afgevaardigden trad voor, die als tolk van allen, aan den Paus de getuigenis aflegde van hun innige gehecht-«heid en liefde en hem smeekte de geringe gaven aan te nemen, door de kinderen aan hun vader gebracht.
«Zichtbaar ontroerd hield de trouwe onderdaan op. Op het bewegelijk gelaat des Pausen zag men «hoe de grijsaard het gevoel trachtte te bedwingen, dat eindelijk vreugdetranen in het heldere oog «schitteren deed.....» ')
Zoo beschreef Schaepman het begin der feesten. Dat Pi us IX al de geschenken aan de armen van Rome afstond, stipt hij maar even aan, om de kerkelijke plechtigheden van den 10 April met nog hooger geestdrift te teekenen. Het vertrek van Pi us IX uit de baziliek van St. Jan van Lateranen, waar de lof van den jubilaris gezongen was, gaf tot luidruchtige «betoogingen» aanleiding:
«liij het vertrek des Pausen was de onbeschrijfbare geestdrift, die reeds bij zijne aankomst heerschte, «als verdubbeld. Den geheelen weg langs, van St. Jan van Lateranen tot St. Pieter (ongeveer een uur gaans) stond het volk in digte groepen saamgeschaard. Onophoudelijk klonk het «Evviva» door de «lucht, het «Evviva» nog verhoogd door de tranen, die in veler oogen straalden, door de liefde, die ' op aller gelaat blonk. »
Aantrekkelijk vooral is het tafereel van den eigenlijken feestdag, den n April:
«Onder het herhaald gebulder der kanonnen van den Engelenburgt verrijst de i idB April, de groote «dag van den Paus. Hoog geheschen wapperen in de eerste stralen der morgenzon de pauselijke banieren «van de bastions, naar de H. H. Evangelisten Marcus en Mattheus genoemd. Tc recht gaan van het «praalgraf van keizer Adrianus de eerste donderende klanken uit, die der wareld verkondigen, dat de «plaatsvervanger van den Koning des Levens.... een zijner schoonste triomfen viert.
«Wie van leven houdt en gewoel en beweging, hij plaatse zich aan den voet der obelisk van Sixtus ⢠den Ven en sla de tallooze menigte rijtuigen gade, die aan de trappen van St. Pieter steeds haastiger «bezoekers der baziliek voert. Hij vermeide zich in de nog grooter menigte voetgangers, die de portiek t als binnenstormt, hij geniete den schilderachtigen toonder meest verscheiden kleederdrachten, den rijken
i) «De Pius-Feesten te Rome. â10,11 en 12 April 1869.â Herinneringen door H.J. A.M. Schaepman.» No. 1, tweede jaargang der « Katholiek ⢠Nederlandsche Brorhuren-Vereeniging, onder directie van Dr. W. J. F. Nuyens en Dr. E. P. J. Van der Hurk.» Haarlem, A. P». van den Heuvel, 1869, bl. n, 12.
10
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
«feestdosch der italiaansche landbewoners, die bij geheele huisgezinnen den pelgrimstocht naar Rome lt; hebben aanvaard......
«(In de baziliek) glanst het bronzen beeld van den eersten Paus in feestgewaad. De tiaar blinkt op «den schedel, de visschersring aan den vinger en in breede plooijen hangt de mantel van roode, met «goud doorwerkte zijde om den klassieken vorm. Duizenden verdringen zich, om den voet van Petrus te «kussen. En ieder, die dien morgen den grooten apostel begroet, valt een blijde verrassing in het oog.
Naast het beeld van Petrus staan twee prachtige ronde schilden, uit groene mos, roode en witte «kamelia's te samen gevlochten. Het eene draagt ten opschrift:
««Tu es Petrus ».
«Het andere:
««Papae Regi Genua».
«Op eenmaal gaat een elektrieke schok door de opeengestapelde menigte, die de geheelc baziliek «vult. Alle oogen zijn op een punt gericht, en wie in de onmogelijkheid is om te zien, zal toch niet bekennen, dat hij den Paus niet heeft gezien.
«Want het is de Paus, die daar nadert. Te voet, slechts van zijn gewoon gevolg omgeven, door de «kardinalen Clarelli en Antonelli vergezeld, ging de Paus naar het hoogaltaar.»
In groote trekken wordt verder het hoogfeest geschilderd. De gouden mis door Pi us IX bediend, de geestdrift der aanwezigen, de vreugde overal door de geheele stad, de ontvangst der vijf- of zesduizend afgevaardigden uit alle oorden der wereld in de uitgestrekte zaal der Loggia voerde; â dit alles wordt helder, vol kleur en gloed geschilderd; voorts hoe zelfs de Amstcrdamsche St. Joscfs-gezcllen-vereeniging aan de hulde der katholieke arbeiders-gezelschappen deelnam, hoe de Italianen opgetogen waren over het indrukwekkend voorkomen van den Paus en gedurig fluisterden: «O, come e bel lol»
Het best geslaagd is Schaepman, waar hij de feestelijke verlichting der stad op den avond na den grooten dag aan zijne lezers verhaalt. Nog eenmaal spreke hij zelf:
«Geheel Rome schitterde in den volsten gloed. De gevels van alle grootere kerken straalden van licht, «om de madonna-beelden aan de hoeken der straten waren versieringen in rijke verscheidenheid aange-j bracht. Sommige pleinen waren in tuinen veranderd, op anderen sprongen kunstmatig aangebrachte fonteinen door van kleuren wisselend licht beschenen. Terwijl de kolom van Trajanus en het beeld van ' Petrus in bengaalsch vuur gloeiden, waren om het forum heen stralende sterren geplaatst door licht-«festoenen verbonden. De piazza di San Marco was in een prachtigen tuin veranderd. Op de scherpe bladeren «der cactusplanten, op de half ontloken rozen, op de fiere kamelia's stroomt het heldere gaslicht. In het midden klatert een fontein, door elektriesch licht heerlijk gekleurd. Een reusachtig standbeeld van «Mozes, een in klei geboetseerde navolging van Michel-Angelo's meesterwerk, prijkte in het midden van lt;het bekken; uit het voetstuk toch ontspringen de wateren.....
«Tegen een der zijden van het Palazzo Polo leunt zich de beroemde fontana de'Trevi. In het midden, «staande op zijn reusachtigen schelpwagen, verheft zich Neptunus, een forsche, gespierde gestalte half «door een wijden, golvenden mantel bedekt. Bevelend, het zoo even uitgesproken heerscherswoord als «begeleidend is de beweging der uitgestrekte hand. Twee sterke paarden door Tritons geleid, trekken «den zee-koning voort. Het eene staat als verschrikt door den Woelenden vloed in onbewegelijke bedeesdheid, maar de forsche Triton rukt het mee; terwijl het andere (rechts van Neptunus) als deinzend voor «de brandende, schuimende golven, die tegen de borst aanklotsen, hoog op achteruit steigert. Zoo krachtig is de beweging, dat het den weêrstrevenden Triton, die het bij de manen vastgreep, mede optrekt. In heerlijken overvloed storten de wateren langs alle kanten in de breede kom, daar in vollen stroom losbrekend, ginds als scherpe dunne stralen zich een pad borend door de rotskloof.
«Deze heerlijke fontein, waartoe men nog de beide, in zijnissen geplaatste vrouwen-statuen, de «gezondheid en de overvloed, rekent, was op den Paus-avond door bengaalsch vuur verlicht. Onbegrij-«pelijk verrassend was het schouwspel. Al de ongelijkheden van het hier half grijze, door nog schit-«terend witte marmer verdwenen. Men zag alleen de heerlijke gestalten in het fantastisch spelende licht.»
Men ziet het, Schaepman is niet te vergeefs te Rome geweest. Onze letteren wonnen er dit geestig tafereel van 's Pausen jubileum bij.
11
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
De nieuw gepromoveerde doctor in de godgeleerdheid werd gedurende den laatsten tijd van zijn verblijf te Rome mede bc/.ig gehouden door de werkzaamheden van het Vatikaansch concilie. Toch heeft hij Rome en ook de andere groote steden van Italië nauwkeurig gezien en bestudeerd. Vooral Napels moest hem treffen. «Noem Napels» â zegt hij elders â «en voor veler oogen «daagt zij op, de Sirenen-stad aan de blauwe zee met haar eeuwigen glimlach «en het dartel lied harer golven. De blauwe hemel boven, dc blauwe hemel «beneden, beide overstroomd en doorgloeid van het gouden zonnelicht, â de «donkergroene heuvelen, de verdelgende en toch vveeldrig bewassen vulkanen, «de golf met haar schalke insnijdingen en stoute bochten, met haar zwevende «eilanden en rotsen â dat is Napels: de schoone, de tot lust en weelde verlok-«kende natuur.» ')
Te Rome leefde hij, als dc wetenschap of het Vatikaansch concilie hem vacantie gaven, altijd tusschen de monumenten en in de musea. Met het letterkundige Rome maakte hij kennis door het beroemde genootschap Gli Are ad i. Deze letterkundige kring', in een tijdvak van verval der Italiaansche letteren gesticht (1690), vooral onder leiding van Crescimbeni, Gravina en Zappi, vergaderde in tuinen of velden buiten Rome en noemde zich daarom Arcadia. Zij begonnen met veertien leden en ijverden voor ongekunstelde, eenvoudige natuurpoëzie tegenover de duistere gedichten van dat tijdvak, toen beeldspraak en metaphoren, allegoriën en hyperbolen tot razernij voerden. Gli Arcadi wilden geen geregeld bestuur erkennen, alleen een custos, die de plaats hunner bijeenkomst regelde.
Zeer eigenaardig ishet, dat het genootschap Arcadia, 't welk vooral invloedrijke geestelijken onder zijne leden telde, bijna honderd jaren na zijne stichting «ITnclito ed Erudito Signor de Goethe», toen (Januari 1788) te Rome, opnam onder zijne leden «come un nuovo astro di cielo straniero tra le nostre selve», met den naam van Megalio Melpomenio. 1) De Neder-landsche dichter, die in 1869 en 1870 Gli Arcadi nog altijd in leven en bloei vond, werd evenzoo ingelijfd bij dezen herderskring onder den naam van Tear co Tor naceo.
De beschrijving, die Goethe van zijne ontvangst bij de Arcadiërs gaf â voorzaal van een aanzienlijk gebouw; een voornaam geestelijke, die zijn patroon zou zijn; de groote zaal vol stoelen met een katheder; een kardinaal onder de hoorders; de redevoering van den Custode generale d'Arcadia; proza en poëzie van andere herders; groot handgeklap bij het aannemen van den candidaat; rede van den patroon; dank van het nieuwe lid â zal met geringe wijziging ook voor de aanneming van Schaepman, als herder Tearco Tornaceo, kunnen dienen.
1
«Zweiter Aufenthalt in Roni.» (Goethe's Sammtliche Werke, IV Band, Stuttgart, 1860, S. 406â407.
HERMAN JOHAN ALÃYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
III.
Uit Rome teruggekeerd in Juni 1870 w erd hij weldra benoemd tot hoogleeraar in de kerkgeschiedenis aan het seminarium te Rijsenburg. Terzelfder tijd werd hij lid der redactie van «de(n) Tijd», en bleef medewerker tot in 1881. Als schrijver en dichter vatte hij post op zijn eigen terrein in 1871. Dr. W. J. F. Nuyens had met Dr. E. P. J. van der Hurk in 1868 eene uitgaaf ondernomen, die men eenvoudig de «Ka tholiek-Nederlandsche B roe hu r e n - Ve re e n i gi ng» doopte. Drie jaren zetten zij deze onderneming voort, welke door Schaepman gesteund werd, in 1869 met de reeds aangehaalde schets der « Pius-feesten», in 1870 met een pleidooi voor «Rome» na den intocht van Victor Emanuel. In 1871 begon de «Brochuren-Vereeniging» te verschijnen in den vorm van een tijdschrift, «De Wachter» genoemd, onder «directie» van Schaepman en Nuyen s.
Van 1871 tot 1883 heeft de eerste zijne beste krachten ingespannen voor dit tijdschrift, in 1874 herdoopt tot «ünze(n) Wachter». Schaepman heeft twaalf jaren lang bijna maandelijks de vrucht zijner studiën over godgeleerde, wijsgeerige, historische en letterkundige onderwerpen in dit tijdschrift openbaar gemaakt. Een schat van zeer fraai geschreven opstellen schijnt in de twaalf jaargangen dezer beide tijdschriften als verborgen. De bittere strijd der geesten op kerkelijk gebied levert bij al de overige rampen nog tevens deze schaduwzijde, dat tegenstanders verzuimen elkanders besten wetenschappelijken en letterkundigen arbeid te lezen en te waardeeren. Stijllooze opstellen in dagbladen over de staatkundige twisten van den dag worden met hartstocht gelezen, aangevallen en verdedigd. Artikelen over wetenschap en kunst schijnen weinig aantrekkelijkheid te bezitten, in dier voege, dat «de Gids» in sommige clericale kringen even goed op den index stond en staat als «de Wachter» en «Onze Wachter» in enkele liberale.
Schaepman's werkzaamheid in beide laatste tijdschriften is bewonderenswaardig. ') Wanneer ik begin dezen arbeid met enkele trekken te beschrijven, schijnt het mij bijna alsof ik over een onuitgegeven auteur spreek. Geen enkel belangrijk levens-teeken der letterkundige geschiedenis wordt door Schaepman met onverschilligheid ter zijde geschoven. «De Wachter» waakt. Te beginnen met Januari 1871 behandelt Schaepman allereerst Disraeli's roman; «Lothair». De Engelsche staatsman heeft vrij wat te hooren over «zijne voortdurende veranderlijkheid», over zijne miskenning van het katholicisme, nu hij in Lothair den historischen persoon van Lord Bute doet doorschemeren. Het ontbreekt Disraeli aan rust, aan harmonie â klinkt het vonnis. En daarop volgt deze schoone lof op de uitspraak van Carlyle: «De poëzie is eene poging om harmonie te brengen in het leven»;
1) Vergelijk de opgave der bijzondere artikelen in de Lijst der werken aan het slot van dit bijschrift.
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
«Daar is ecnc schoone waarheid in dat woord. Verspreid, verstrooid, liggen de elementen «des levens in 's menschen ziel. Daar kampt het lagere met het hoogere; daar worstelt de nacht «met het licht. Maar dt waarheid werpt haar lichtstraal in onzen boezem, en wij vangen dien «op. De orde wordt hersteld, iedere plaats wordt door den rechthebbende hernomen. Het «goede komt en bevestigt de orde, die de waarheid heeft geschapen: wat slechts kennis was, wordt «daad, wat slechts gedachte was, wordt leven, en waar storm was, is rust. Nog ontbreekt aan dat geheel «éen trek: daar daalt de kunst neder en werpt over die vereeniging van waar en goed den goudglans «van het schoone, den glans, die verheerlijkt en bevestigt te gelijk; het leven is éene harmonie gewor-«den, éene lofmuziek. * ')
Uit elk opstel van Schaepman in dit tijdschrift is het mogelijk iets treffends of schoons te kiezen. Hene zoodanige bloemlezing zou hare aantrekkelijkheid niet missen. Mij is het alleen geoorloofd met eene korte vingerwijzing hier en daar een wenk te geven.
Het gedicht «Sofronia, eene bloem uit de catacomben»1), naar aanleiding van een bezoek aan het graf der H. Cecilia en aan de krypt der Pausen, waar de dichter onder de graffiti aan den ingang telkens den naam Sofronia leest, wordt op een te hoog romantischen toon ingezet en vervolgd, om den lezer diep in het hart te grijpen. Het opstel over Voltaire (naar aanleiding van nieuwe boeken door David Friedrich Strauss, door John Morley en door Prof. B. H. C. K. van der Wijck) uit het standpunt van den rechtzinnigen katholieken godgeleerde geschreven, geeft slechts negatieve uitkomsten en deze magere slotsom: «Voltaire is de groote vernietiger van het rondom hem bestaande geweest» 3), maar veroorlooft den auteur in het voorbijgaan een schoon woord over Alfred de Musset te zeggen, daar deze in zijn «Rolla» over Volta ire's «hideux sourire» sprak. 4)
Vele zijner letterkundige opstellen zijn geteekend E. L. C. (E. La Chapelle), een pseudoniem, dien hij zijner moeder ter eere koos. Onder die letters gispt hij in «Hilda» van Constantijn «buitengewone schaamteloosheid», s) waar wij eene fijne zielkundige studie zouden meenen te moeten prijzen, en betuigt hij tot onzen spijt zijne instemming met Gunning's opstel over Schiller's «Taucher», omdat Schiller, als «voorstander van het ideaal der menschheid», geene genade in zijne oogen heeft gevonden. Evenwel komen Gunning's neiging tot allegorieën en duistere geheimzinnigheid er niet ongemoeid af, terwijl daarentegen , enkele bladzijden verder, het werk van Mr. Joan Bohl, «De Godsdienst uit Staat- en Rechtskundig oogpunt», «een warm en verwarmend boek» 2) wordt genoemd.
De vertaling van Cervantes' «Viage al Parnaso», door den Deken J.J. Putman, geeft Schaepman aanleiding tot eene zeer fijne karakteristiek van den grooten Spanjaard:
«De glimlach tintelt in Cervantes' oogen, speelt om zijn lippen; wij weten 't wel, meester,
I
1
«De Wachterr, I jaargang, II deel, bl. 57, 73, 139; II jaarg., II d., bl. 133, 142.
2
Aldaar, bl. 176.
J4
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
«dat gij 't lijden overwinnen kunt. (Hij is) een dier aandoenlijke beelden van het dichterlijk lijden, niet «het aandoenlijkst, maar het waardigste, het meest mannelijke, hoogst edele. De miskenning zwijgt zijn
«naam, omnevelt zijn glorie; de armoede striemt zijn lichaam, verlamt zijn hand, hij lacht, hij schertst____
«Deze man kan lachen in armoede en pijn, kan spotten zonder bitterheid, schertsen zonder gal. De «miskenning maakt hem niet scherp en zelfzuchtig, de armoede niet naijverig. Door de nevelen der «miskenning heen ziet hij het heerlijke beeld der edele, schoone vrouwe, der Poëzie, die hem wacht met «den eeuwig groenenden lauwer; is een koning rijker dan hij? Hebben anderen het goud en de eere, «hij heeft het ideaal.» ')
Zeer eigenaardig komt hierbij, wat hij met even groote juistheid kort daarna van Thorbecke zegt:
«Thorbecke was het kind van zijn tijd en bleef zich zelf. De man van zijn eigen werk en zijn «eigen daden. Hij beheerschte de omstandigheden.... als zij in strijd kwamen met hem. Zijn geschiedenis «is zeer eenvoudig. Wijsgeer en leeraar, wetgever en minister, leider en lid van oppositie.... is zijn «openbaar leven de jongste geschiedenis van ons volk. Een man met een stalen geest en een stalen wil. «Beide onbuigbaar tegenover tegenstand, beide rank en veerkrachtig in het streven naar hun doel.... «De kritiek is het eigenaardige werk van dezen geest. Kritiek, die geene ontkenning is van het goede, «maar stipte, scherpe erkenning van al het kwade en gebrekkige.... Eerzucht is zijn fout, heerschzucht «zijne zwakheid niet.... Men heeft gezegd, dat hij despoot was.... Het kon niet anders, zijn despotisme «was het despostisme der persoonlijke, zich zelve van hare kracht en hoogheid bewuste rede....i *)
Hoe krachtig ook uitgesproken, zal zijn oordeel over Victor Hugo slechts aan zijne geestverwanten behagen 3), zijn lof Da Costa 4) toegezwaaid daarentegen bij zeer weinigen tegenspraak opwekken. Wi ertz komt er zeer slecht af; zijn museum heet: «de ruïne van een genie, het werk gesproten uit het delirium tremens van een koningsgeest.» s) Een gedicht aan «Jeanne d'Arc» 1) is maar eene korte ver-poozing om te komen tot eene ernstige studie over het Socialisme, onder den titel: «De Proletariër», waarbij gebruik wordt gemaakt der geschriften van Saint-Simon, Enfantin, Karl Marx en Schaffle. Het spijt mij te moeten twijfelen of de slotsom van den schrijver: «De Proletariër zal door de Kerk ontvangen de vrijheid in Christus, de gelijkheid aan Christus, de broederschap met Christus», wel opweegt tegen de zeer ernstige bezwaren, door de economische theorie en de economische praktijk tegen dergelijke beslissing in het midden gebracht.
Met groote ingenomenheid zullen de vrienden van Vondel eene studie lezen over Maria Stuart 7), bij gelegenheid eener uitgaaf van dit treurspel door J. A. de Rijk, Pr. Naar Schaepman's meening is de «Maria Stuart» een «echt treurspel» en geenszins «eene dramatische elegie» of «een verhaal in samenspraken», zooals de heeren hadden uitgemaakt. 2) Hij toont aan, hoe onbillijk het is, te eischen, dat Vondel's kunstgevoel hem de tragische wetten, naar onze moderne verklaring, zou moeten geopenbaard hebben. «Jonckbloet wil Vondel
'5
1
«Onze Wachter». (Jaargang 1874), I deel, bl. 42, volg.
2
Vergelijk hiermeê: Dr.D.Ch. Nijhoff, «Von dels Hecub a, Gebroed ers en Maria Stuart», (Utrecht J. L. Beijers, 1886) bl. 66â85.
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
----
niet verstaan» â dus luidt het vonnis. En Schaepman staaft, dat «de onschuldige, die door een schijnbaar onvennijdelijken misslag valt, zeer tragisch is.»
«Ziedaar een onschuldige, vervolgd en gedreven als het afgejaagde hert. Haar overstelpt het lijden «met verpletterend geweld. Al haar deugd en al haar kracht stelt zij daar tegenover; het baat niets. «Zij is gedoemd ten doode. Maar daar komt een lichtstraal in dat overheerschend duister; daar komt «hoop. De laatste en ook de beste kans heeft zij gegrepen om te ontsnappen aan het verpletterend «lot. Ja, nu wordt zij vrij, het lijden vergaat, het leven herrijst. Neen, juist de redding wordt haar dood. «Maar ook de dood wordt de openbaring van haar vlekkelooze grootheid.» i)
Van de tragedie tot de economie is de afstand zeer groot. In een artikel over John Stuart Mill geeft Schaepman bewijzen, dat hij aan staathuishoudkunde meer gedaan heeft dan gewone godgeleerden of letterkundigen plegen, hoewel het velen moeilijk zal vallen de wijsbegeerte van Stuart Mill eene «wijsbegeerte zonder levenstroost» 1) te noemen, en den auteur er van de les te lezen, omdat hij «verdraagzaam» was.
Victor Hugo, die het reeds in 1872 duchtig had te verantwoorden, komt er in 1874, na de verschijning van zijn «Quatre-Vi ngt Treize», nauwelijks beter af, schoon ditmaal zijne kunst eene titanische geheeten wordt, en zijne geniale behandeling van kinderfiguren ten volle wordt gewaardeerd. 3) Later blijkt in een zeer grondig bewerkt artikel zijne bijzondere ingenomenheid met Joseph von Gorres, den bekenden voorstander der Duitsche Romantiek, na 1815 auteur en uitgever van «Der Rheinische Mercur» 4); en niet minder in een volgend opstel zijne hooge waardeering van Jos. Alb. Alberdingk Thijm. Het eigenaardige van Schaepman's lof, aan dezen laatste geschonken, komt vooral uit in de volgende woorden:
«Zonder vrees voor overdrijving of tegenspraak kan men zeggen, dat de beweging door den Gids ' in het leven geroepen zonder de werkzaamheid van Alberdingk Thijm spoedig tot stilstand zou zijn «gekomen, dat het jonge Holland al vrij vlug den leunstoel zou hebben verkozen boven het streven naar
«hooger..... De mannen van «de Gids» zijn op enkele uitzonderingen na spoedig weer «Heeren»
«geworden, en men weet hoe de kunst bij «de Heeren» vaart. Daarentegen is Alberdingk Thijm steeds «dezelfde gebleven, even veelzijdig en even wijsgeerig als steeds, op ieder gebied werkzaam en overal «eenheid predikend en ontwikkeling.» 5)
Dat ook Schaepman naar veelzijdigheid streeft, heeft mijne verwijzing naar zijne voornaamste artikelen in «de(n) Wachter» en «Onze(n) Wachter» overvloedig gestaafd. Ik zou er nog bij kunnen voegen, dat hij bij de verschijning van Mevrouw Bosboom's «Majoor Frans» het eerst van allen eene fraaie studie over dit meesterstuk schreef; dat hij zich over het dogma van Kerk en Staat aan eene schermutseling met Opzoomer, met Rauwenhoff en met Dr. E J. P. Joris sen waagde 2); dat hij eene zeer uitvoerige levensschets van den kardinaal G. Antonelli schreef 7), en dat hij eene studie maakte over
16
1
Aldaar, bl. 201â218.
2
Aldaar, bl. 177, vlg.; bl. 267 vlg.; bl. 377 vlg.
HHRMAN JOMAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
Lasalle en Bismarck, waarbij hij volkomen te recht aantoont, dat de laatste de leerling van den eerste werd; met dit slotoordeel: «Lasalle is de profeet van Bismarck en zijn Duitsche Rijk.» ')
IV.
Mocht Schaepman zich misschien te beklagen hebben, dat zijne fraaiste opstellen in de door hem bestuurde tijdschriften niet altijd onder de oogen kwamen van onroomsche lezers, hij had zich te verheugen, dat zijne stem overal in Nederland met ingenomenheid werd gehoord, dat hij zich tot een der welsprekendste redenaars ontwikkelde, die ooit op een Nederlandsch spreekgestoelte voor Nederlandsche hoorders verscheen.
Zijne eerste overwinning was zijne redevoering ter gelegenheid der Parkmeeting, den 2i Juni 1S71 te Amsterdam. Na de viering der Piusfeesten van 1870 had de Amsterdamsche commissie, die ze in de hoofdstad regelde, de meeningen en wenschen der Nederlandsche katholieken in eenige scherpe stellingen uitgesproken, had zij eene vergadering van katholieken uit al de oorden des lands in de Parkzaal te Amsterdam bijeengeroepen, om bedoelde stellingen te hooren verdedigen door bekwame sprekers. In tegenwoordigheid van den Pauselijken Internuntius, van den Aartsbisschop van Utrecht en den Bisschop van Haarlem, werd daar gesproken door Jhr. Mr. C. J. C. H. van Nispen tot Sevenaer, door Schaepman, door Mr. H. A. des Amorie van der Hoeven, J. A. de Rijk, Alberdingk Thijm en Mr. L. Haffmans 1). De vergadering werd gesloten met eene toespraak door den Aartsbisschop van Utrecht.
Voor Schaepman was de meeting te gedenkwaardiger, omdat hij vriendschap sloot met Jhr. Mr. C. J. C. H. van Nispen tot Sevenaer en Mr. H. A. des Amorie van der Hoeven, beiden mannen, die hem met hartelijke waardeering de hand reikten, en sedert zijne vrienden bleven. 3) Zijne neiging met het woord te strijden voor zijne overtuiging; zijn groote aanleg pleitbezorger en voorvechter zijner geestverwanten te worden; zijne kennismaking met Wind-horst en August Reichensperger, zijne ontmoeting met Louis Veuillot te Rome, deden, gevoegd bij den omgang met Van Nispen en Van der Hoeven, in hem den wensch ontstaan, om de plechtige stilte van het studeervertrek te Rijsenburg te vervangen door het onstuimig rumoer eener wetgevende vergadering.
17
1
«De Park-meeti n g. Redevoeringen gehouden op de Feestelijke bijeenkomst van Katholieken te Amsterdam, den 21 Juni 1871.» Anist. C. L. van Langenhuysen, 1871.
HERMAN JOH AN ALOYSIUS MARIA SCHARPMAN.
Voordat echter dc kiezers van het hoofdkiesdistrikt Breda hem daartoe in staat stelden, had hij in het tijdvak van 1871 tot 1880 no^ dikwijls de gelegenheid voor velerlei publiek op te treden. De meeste Nederlandsehe schrijvers, ook Zuid-Neder-landsche, leerden hem kennen op het Nederlandsch Congres te Middelburg in 1872, later op het Congres te Kampen in 1878. Te Middelburg â waar de eerste afdeeling onder de geestige leiding van Beets zulke leerrijke bijeenkomsten hield, waar de heuschheid, dc tact en dc gastvrijheid van den algemccnen voorzitter, Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van El Ie me et, boven ieders lof verheven waren - te Middelburg roerde Schaepman een voor alle hoorders belangrijk onderwerp, Isaac da Cost a, aan. Zijne indrukwekkende zeggingskracht veroverde hem aller bewondering; een kort gelegenheidsgedicht voltooide zijn triomf.
Door geheel Nederland verwierf hij zich al meer en meer welverdienden roem als schitterend improvisator, zoodra hij des winters in vele letterkundige vereeni-gingen optrad voor een dankbaar en talrijk gehoor. Hene zijner belangrijkste voordrachten schijnt mij zijne redevoering op 4 Februari 1879 over Vondel, 1) toen velen onzer zich te Amsterdam vereenigden om Vondcl's sterfdag na tweehonderd jaren te herdenken. Een buitengewonen indruk maakte dc spreker door zijne schildering der grootheid onzer vaderen in de zeventiende eeuw:
«Voor ons, de jongeren en dc kleineren» â zcide hij â «is de glorie van dat tijdperk eer visioen «dan historiej inderdaad, het geschiedverhaal dier dagen klinkt als een heldendicht. De Republiek der «vereenigde gewesten met haar Stadhouders, allen helden en heervoerders; met haar Staten, die den «Senaat van Rome doen herleven; met haar Raadpensionarissen, die den kleinsten staat van Europa «doen gelden als een wereldrijk; met haar Admiralen, die de zee maken tot een provincie der geünieerde «provinciën; met haar Amsterdam en zijne koninklijke burgemeesteren â wat macht, wat grootheid, «wat majesteit! Ook de schoonheid schept het schelle licht dezer glorie tot zonneschijn om; als de gele «fee van Rembrandts doek zweeft zij overal rond in haar kleed van goudbrokaat met den bloemenkrans «op dc dartele lokken; legt in de hand van schilders het penseel in gloeiend licht gedoopt; wekt de «beeldhouwers en bouwmeesters, de stichters van wereldwonderen, wekt eindelijk dc dichters, die al de «stemmen en tonen van dit wonderrijke leven vereeuwigen in het lied.»
Misschien zou men kunnen vermoeden, dat de redenaar, die met zooveel gloed zich in proza wist te ontboezemen, vergat, hoe hij zijne letterkundige loopbaan als dichter begon. Het tegendeel greep plaats. De groote gebeurtenissen van 1870 en 1871 hadden den dichter doen spreken. Eerst in een tijdzang: «Parijs, 1870â 1871», toen in een soort van vervolg op dezen: «Napoleon» (1873). Mij schijnt dit laatste gedicht hooger te staan dan het eerste. Mocht iemand meenen, dat Napoleon III het papier niet waard was, door lofredenaars gebruikt om zijne glorie te beschrijven, men vergete niet, hoe zijne tegenstanders heele boeken vol schreven, om hem te verpletteren. Na Victor Hugo, na Potgieter's «Een revue in het bosch van Boulogne», had Schaepman niemands critiek te vreezen bij dc keuze van deze stof.
De dichter noemt hem:
«Een Sfinx tot in den dood» â
18
1
«Vondel. 1679 â 5 Februari â 1879. Gedachtenisrede.» Utreclit, J. L. Beijcrs, 1879.
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
cn teekcnt in fraaie omtrekken sommige oogenblikken van zijn leven. De coup-d'état van 2 December 1851 wordt niet verdedigd.
«In 't «Ave Caesar» sterft de noodkreet der vermoorden,
«Des ballings afscheidsvloek;
«Met «Ave Caesar* wischt de stout geschonden woorden «Weg uit zijn levensboek.»
Schaepman's «Napoleon» is het dichterlijk verhaal van een strafproces, waarbij niet het laatst de arme Prinses Charlotte, de waanzinnige, tragische ex-keizerin van Mexico, als aanklaagster optreedt; later Frankrijk zelf onder de getuigen a charge verschijnt;
« daar nadert «Met wankelenden voet,
«Het vorstlijk aangezicht van striemen diep dooraderd,
«'t Gescheurde kleed bebloed,
«Daar komt geboeid, onteerd zijn Frankrijk â in haar oogen
«Blaakt heel een vlammenheer,
«Zij grijpt hem in de borst en dondert: «Zoon der logen»,
««Mijn eer, mijn eer, mijn eer!»»
Wat de critiek van gedichten als deze moge zeggen gt;), niemand kan loochenen, dat de dichter zich beweegt in die sferen der groote kunst, naar welke hij door de tijdzangen van Vondel en Da Cost a is meegetroond. Even als bij deze twee groote meesters het geval is, zal de episch-lyrische stof ook dan Schaepman de beste diensten bewijzen, wanneer hij ze kiest uit dat deel der staatkundige geschiedenis van heden of gisteren, 't welk het minst door kerkelijke krakeelen wordt verduisterd. Zóó Vondel in zijne zegezangen op onze zeehelden, zóó Da Costa in zijn «Slag bij Nieuwpoort.»
Hene vrees echter bekruipt mij. De volksvertegenwoordiger, die in 1880 door de Bredasche kiezers naar onze Tweede Kamer werd afgevaardigd, zal het te volhandig krijgen met staatkundige beslommeringen. Ieder, die het boek der staatkundige geschiedenis van den dag leest, weet met welken ijver Schaepman in ons Huis der Gemeenten aan de beraadslagingen deelneemt. Overwinningen als redenaar in de Nederlandsche Tweede Kamer te behalen, is geheel iets anders, dan te schitteren op eene letterkundige of wetenschappelijke spreekplaats. Schrijvers of dichters vonden in onze Tweede Kamer zelden eene blijvende plaats. Van Lennep verveelde er zich, en schreef verzen, of teekende poppetjes. In Engeland hadden twee romanschrijvers, Disraeli en Lord Lytton, evenzoo jaren lang te worstelen, voordat zij het oor van het Huis der Gemeenten hadden veroverd. Schaepman, de priester-hoogleeraar-dichter, verstond deze kunst onmiddellijk. Zoo spoedig hij met zijne hooge metaalstem: het «Mijnheer de Voorzitter!» uitspreekt, is hij zeker, dat er naar hem geluisterd wordt.
Des te meer grond is er, te vreezen, dat de volksvertegenwoordiger den dichter het woord zal ontnemen. Want de studie der wetsontwerpen, die in
1) Men herleze het bekende artikel; ïUltramontaansche Poëzie,» van Charles Boissevain, in «dc(n) Gids» van 1875, ^ deel, bl. 267^â30S.
19
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAKPMAN.
behandeling worden gebracht, dc studie van onzen oogenblikkelijken staatkundigen toestand in verband met wat buiten onze grenzen op velerlei gebied plaats grijpt, neemt al den tijd van een ernstig werkzaam volksvertegenwoordiger in. Men voege daarbij, dat in den strijd der partijen somtijds een beroep moet worden gedaan op het publiek, 't welk aan dagbladartikelen al te haastig zijn zegel hecht; dat alzoo gebruik moet worden gemaakt van het vlugschrift, en men zal toegeven, dat onzen hoogmogenden dezer eeuw weinig tijd voor kunstoefening overblijft.
Toen Schaepman in 1883 eene brochure onder den titel; «Eene katholieke partij» in het licht had gezonden, en Mr. Julius Verwer hem in 1884 beantwoordde met zijne «Geene katholieke partij», moest de eerste dit geschrift met «Een woord over de beoordeeling van Mr. Julius Verwer» vereeren. Evenzoo ging het, toen Schaepman in de zitting onzer Tweede Kamer der Staten-Gcneraal van 12 December 1882 eene motie voorstelde, strekkende tot herziening der Wet op het hooger onderwijs (28 April 1876), en tot vermindering van het getal der Rijks-Universiteiten. De hoogleeraar Mr. J. Baron d'Aulnis de Bourouill deed in Januari 1883 zijn vlugschrift: «De motie Schaepman en de Bezuiniging op Rijks-Universiteiten» verschijnen, om bij voorbaat de motie te bestrijden. De voorsteller der motie achtte het zijn plicht dit werk te beantwoorden met zijn: «Het Hooger Onderwijs en de drie Rijks-Universiteiten». Zoo vermeerderden gestadig zijne politieke werkzaamheden, zoo scheen de vrees, dat men den dichter, den letterkundige, den redenaar, den criticus eerlang geheel zou zien opgaan in het lid der Tweede Kamer meer en meer gewettigd.
Intusschcn is het er gelukkig niet toe gekomen. Bij de groote zomerrust onzer parlementsmannen zocht Schaepman versche indrukken in den vreemde. In 1877 was hij met zijn neef, den Aartsbisschop, voor de tweede reis te Rome '), in 1879 vond men hem te Aken op een groot katholiek congres; in 1881 reisde hij door Noord-Duitschland en bezocht Kopenhagen, Stockholm en Christiania, in 1883 volbracht hij over Weenen en Pesth eene reis naar Constantinopel en Athene, die de levendigste herinneringen naliet; in 1885 zag hij Berlijn en Dantzig.
Hoevele beslommeringen ook den Nederlandschen volksvertegenwoordiger te huis mochten wachten, op reis deed het dichterlijk hart zijne eischen gelden. Toen hem het wonderschoone schouwspel van Constantinopel, de schilderachtige stad met hare talrijke moskeeën en minarets, rijzend aan de oevers van den Gouden Hoorn, werd ontsluierd, zocht zijn oog met ongeduld den koepel der Hagia Sophia «Aja Sofia», als men te Constantinopel zegt.
Dit heiligdom in al dc wisseling der eeuwen, ziedaar de episch-lyrische stof,
1) «Onze Wachter» gaf een fraai gesteld verslag dezer reis, naar aanleiding van Pi us IX's dood, onder den titel: «Rome en de Paus. Mei en Juni 1877.» (AH. 7 en 8, 1877).
20
HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
als uitgezocht voor een dichter. Schaepman heeft dit oogenblikkelijk begrepen. En daar ik zeer gaarne eene goede tijding overbreng, heb ik verlof gekregen te zeggen, dat de dichter van «De Paus», van «Vondel», van «De Pers», van «Napoleon III» weldra een uitgebreid kunstwerk over de quot;Aja Sofia» door den druk algemeen zal maken.
In den krachtigen bloei van het leven kan het hem misschien gegeven zijn aan zijne lezers en hoorders nog menige verrassing te bereiden. Schaepman is vol vuur en volharding, forsch naar lichaam en geest, onvermoeid werkzaam, moedig en eergierig. Zijn krijgsmanshart zal hem nog menig strijd doen bestaan voor de idealen van zijne kerk, voor de heiligdommen van zijn gemoed. Hij zal vereerd, gevierd, verheven worden door de meesten zijner geloofsgenooten en staatkundige vrienden, maar miskend, geloochend en gedwarsboomd door niet weinigen zijner tegenstanders. Als partijman kan hij niet aan allen behagen, en moet hij er zich dus op toeleggen â naar Schiller's raad â weinigen tevreden te stellen. In cén opzicht is het hem echter gelukt de toejuiching der groote menigte te winnen: als redenaar en als dichter. Hem als zoodanig te doen waardeeren, naar zijne rechtmatige aanspraken, was het doel van dit bijschrift.
^Verken van JIerman jJohan ^loysius JVTaria ^chaepman.
1866 (Kcrstc in druk verschcncn gedicht)
«DE PAUS. Een gedicht. Met een inleidend woord van J. A. Alberdingk Thijm.s (Zonder npim van den auteur). Amsterdam, C. L. van Langenluiysen, 1866, gr. 80.
1867. «DE EEUW EN HAAR KONING. Een gedicht.» Amsterdam, C. L. van Langenluiysen, 1867, gr. 8°.
1867. «VONDEL. Een gedicht.» Amsterdam, C. L. van Langenluiysen, 1867, roy. 8°.
1868. «DE PERS. Een gedicht.» Amsterdam, C. L. van Langenluiysen, 1S68, roy. 8°.
1869. «HET LIED DES KONINGS. Een gedicht.» Amsterdam, C. L. van Langenluiysen, 1869, gr. 8quot;. 1869. «VERZAMELDE DICHTWERKEN. De Paus. Vondel. De Pers. S. Maria, de zondaresse van
Egypte. De Eeuw en haar Koning.» Amsterdam, C. L. van Langenluiysen, 1869, post 8°. 1871. «DE WEG, DE WAARHEID EN HET LEVEN. Rede uitgesproken op den feestdag van het vijf-en-twintigjarig Pausschap van Z. H. Pius IX, in de metropolitaankerk te Utrecht. Kerkelijk goedgekeurd.» Utrecht, Weduwe J. R. van Rossum, 1871, gr. 8°.
1871. «De Parkmeeting. Redevoeringen gehouden op de feestelijke bijeenkomst van Katho
lieken te Amsterdam, den 21 Juni 1871» â o. a. door Dr. H. j. A. M. S. Amsterdam, C. L. van Langenluiysen, 1871, gr. 8quot;.
1872. «DE CHRISTELIJKE LIEFDE. Rede.» Amsterdam, C. L. van Langenhuysen, 1872. gr. 8°.
1872. 1 PARIJS 1870â1871. Een gedicht.» Amsterdam, C. L. van Langenhuysen, 1872, gr. 8°.
1873. «NAPOLEON.» i8ie en 2dl'druk. Utrecht, J. L. Beijers, 1873, roy. 8°. (met portret).
In 1SS0 verscheen; «Napoleon. Pallade. (^Voorden van H. J. A. M. Schaepman: muziek van Leon. C. P.ounian.») 's Hertogenbosch, Henri Mosmans, 1880, 40. 1875. «GODSDIENST EN VOLKSWELVAART. Eene studie over Katholicisme en Protestantisme.»
(Overgedrukt uit het tijdschrift «Onze Wachter»), Utrecht,Wed. J. R. van Rossum, 1875, gr. 8°. 1879. «VONDEL. iCgt;7lt;)â5 KEI. RU A RIâ1879. Eene Gedachtenisrede.» i8quot;5 en 2dc druk. Utrecht, J. L. lieijers, 1S79, roy. 8°.
1883. « P1|NA. Een antwoord aan Dr. W. Koster.» Utrecht, Weduwe J. R. van Rossum, 1883, gr. 8quot;. 1883. «EEN KATHOLIEKE PARTIJ. Proeve van een program.» Utrecht, Wed. J. R van Rossum, 1883, roy. 8°.
1883. â HET HOOGER ONDERWIJS EN DE DRIE RIJKS-UNIVERSITEITEN. Een antwoord aan J.
Baron d'Aulnis de Bourouill, Hoogleeraar te Utrecht.» iste en 2Uc druk. Utrecht, Wed. J. R. van Rossum, 1883, roy. 8°.
1884. ««EENE KATHOLIEKE PARTIJ.» Een woord over de «beoordeeling» van Mr. Julius
Verwer.» Utrecht, Wed. J. R. van Rossum, 1884, gr. 8°.
Mr. J. Verwer had eene brochure in 't licht gegeven: «Geene katholieke partij». (Amst, C. L. v. L. 18S4).
1
HERMAN JÃIIAN AT.OVSIUS MARIA SCHAEPMAN.
1S84. «GRONDWETSHERZIENING. Een woord over onzen politieken toestand.» Utreclit, Wed. J. R.
van Rossum, 1S84, gr. 80.
18S4. «TER NAGEDACHTENIS VAN Z. I). H. Mgr. HENRICUS VAN BEEK, bisschop van Breda.
Rede uitgesproken op het kerkhof te Znylen, ilen 10 Oct. 1884.» Breda, Ed. v. Wees, 18S4, gr. 80.
1885. «VAN STRIJD TOT VREDE?» Utrecht, Wed. J. R. van Rossum, 1885, gr. 8°.
TIJ DSC H RIF TE N.
1868â1870. t KATHOLIEK-NEDERLANDSCHE BROCHURENVEREENIGING, onder directie van Dr.
W. J. F. Nuyens en Dr. E. P. J. van der Hurk.» Haarlem, A. B. van den Heuvel, gr. 8°. Hierin verschenen:
«DE PIUSFEESTEN TE ROME, 10, 11, 12 April 1869, l.osse herinneringen», door H. J. A. M. Schaeprnan (1 all. 2 jaarg. 1869).
« ROME. Een woord ter gelegenheid der laatste ge beu r t eni bsen,» door H. J. A. M.S. (4 all. van den derden jaargang, 1870).
1871â1873. «DE WACHTER.» Tijdschrift onder directie van Dr. H. J. A. M. Schaeprnan en Dr.
W. J. F. Nuyens. Haarlem, A. lï. van den Heuvel, Utrecht, Wed. J. R. van Rossum, gr. 8°. In den eersten jaargang (1871), eerste deel, schreef Schaepman;
«Post tenebras lux», ter inleiding op de geschiedenis van 't jaar '70 « Eene wraakneming der kunst.» Lothair, Roman van B. Disraeli
Til Memoriam». Nagelaten gedichten van P. J. Koets» .... « Litterarisch Vandalisme. Dante's Hel», door U. W. F. Thoden van Vel «De rechten van het kind.» Kerstgedachten, door E. L. C. .
«Betsy Perk. Elisabeth van Frankrijk.» (Recensie) ..... «J. J. Doedes, Kerkelijke Bijdragen.» III. (Recensie) ..... s Corvinus. Een reeks van portretten. I, II. 111»
«Een aalmoes voor den Paus.» Gedicht .......
«Pius. P. P. IX. 1846â1871.» Gedicht. ........
In den eersten jaargang (1871), tweede deel;
« Corvinus. Een reeks van portretten. IV.» ......
lt;; Mr. S. P. Lipman.» .
«J. j. L. ten Kntc, Parijs.» (Recensie)........
«J. J. I,, ten Kate, La Grande Nation.» (Recensie) .... Een groot man. Sixte-Quint par le baron de Hübner.»
De laatste zang van Dante's Paradiso.» Met eene proeve van vertaling. Corvinus. Een reeks van portretten. V.»
«Een brief over de Amslerdamsche Tentoonstelling,» door E. L. C.
.Moeder en Zoon.» door E. L. C.....
Rome.».
In den tweeden jaargang (1872), eerste deel;
». Sofronia. Een bloem uit de Catacomben.» (Drie zangen)
Voltaire in onze dagen.» ..........
Een zuster van Lothair. Hilda, door Constant ij n»
Dladz. I
36
5f) 60 60 186
'95 280 296 391
45 47
122 122 91 gt; 34' '5°
169 252
309
358
en
24,
57» 731 139
104 121
MERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIA SCHAEPMAN.
Bliidz,
«Poëzy en Christendom. H. J. Gunning. Schillers Taucher» . ... 149
«Kerk en Staat. Mr. Joan Bohl, de Godsdienst».......173
«Van Hoogstraten, God en de Mensch ». (Recensie).......189
«Rabagas», door E, L. C................36S
In den tweeden jaargang (1872) tweede deel:
«Thorbecke' ..................1
iEen nieuw verwijt uit een oude doos». (Galilei).......26
«Victor Hugo. L'année terriblegt;, door E. L. C...........54
â «Sofronia». (Vierde en vijfde zang)..........i33i H2
tMr. I. da Costa».................171
« U it de Cong resdagen ............ . . 181
« Duitschland en het Concilie van het Vatikaan».......213
«Houwsteenen voor onze Geschiedenis» ...... 222, 304, 346
«Genie en Waanzin», door E. L. C...........359
In den derden jaargang (1873), eerste deel:
«Over verleden en toekomst der Kerk»............25
«Een lievelingsdichter», door E. L. C. ⢠5^
«Corvinus», nieuwe reeks.......â . . 132, 232, 293, 299
cLiefde, Lijden, Leven. Hahn-Hahn, Die Erhzahlung des Hofraths», door
E. L. C......*..........273
iUit de gevangenis van liet Vatikaan»............354
In den derden jaargang (18/3), tweede deel:
1 Een wraakgericht» (l)av. Fr. Strauss) ......... 20
«Krachtige kunst. A. L. G. Dosboom-Toussaint, De Delftsche wonderdokter», door E. L. C........ ⢠⢠⢠⢠⢠⢠3^
«De jeugd van Charles de Montalembert» ..... ... 322 1S74â1885. «ONZE WACHTER. Tijdschrift onder directie van Dr. H. J. A. M. Schacpman en Dr. W. J. F. Nuyens.» Utrecht, Wed. J. R. van Rossum, gr. 80.
In den eersten jaargang (1874), eerste deel, schreef Schaepman:
i Piu s P. P. IX» . . . . . . . ⢠⢠⢠⢠⢠⢠⢠1
«Jeanne d'Arc», Gedicht ....................42
«De proletarier» ....................67
«Maria Stuart.» Vondel's treurspel, uitgaaf de Rijk» ... ... 110
«Voor den Koning van Pruisen»...........â¢O55
«Wijsbegeerte zonder levenstroost». (John Stuart Mill) ..... 201
«Titanische kunst. (Victor Hugo, «Quatre-vingt-treize»), door E. L. C. 257 In den eersten jaargang (1874), tweede deel;
Verschillende recensien ............... 52, 63, 110, 267
«Louis Veuillot», door E. L. C...... ⢠⢠⢠299
«Lodewijk de Koninck, Het menschdom verlost». . . ⢠... 334
«Hermann von Mallinckrodt»..............369
In den tweeden jaargang (1875), eerste deel:
«Twee jaren. Visioen» '
«Beatrix», door E. L. C. ...................12
«Het proces VonArnim»...... ⢠⢠⢠⢠⢠⢠3^
«Uit het oude jaar»..............49
«Joseph de Maistre».............61
«Zonsopgang» ............ ... 10S
«Teekenend est ij ds»....... ⢠⢠⢠⢠⢠111
3
HERMAN JÃHAN ALOYSIUS MARIA SCIIAEPMAN.
Uladz.
«Een stem uit Spanjet. . ....... . . . . ng
Recensiën...............179, 255
In den tweeden janrgang (1875), tweede deel:
«XVI Juni MDCCCLXXV», Gedicht...........29
«Ludwig Uhland», van B. van Meurs, door E. L. C. . . . . 55
«Godsdienst en volkswelvaart». .......... 97
Recensiën..............327, 345, 406
In den derden jaargang (1876), eerste deel:
« Nirwana», Gedicht............................1
«Joseph vonGörres» ............ . 37
«Kunst en karakters, IâIII, door E. L. C.........110, 242
«Canossa, 1077» (gedicht). ....... .... 168
â¢gt;I)e jongste geschriften over Kerk en Staat», IâIII.....177, 267
In den derden jaargang (1876), tweede deel:
«Aan Paus Pius den IX»..........................1
Recensie van Dr. J. H. Reinkens' «Judaelscar. Apologia pro vita sua» . . 285 In den vierden jaargang (1877), eerste deel:
«De Kardinaal G. Antonelli. Secretaris van Staat»............1
« Lasalle en Bismarck ».............153
«Gregorius VII te Canossa» (gedicht)..........201
«Mr. G. Groen van Prinsterer en de Nederlandsche Katholieken» . . . 215 In den vierden jaargang (1877), tweede deel:
«Rome en de Paus», MeiâJuni 1877..........40
«Mgr. Johannes Zwijsen », 1794â1877..........257
«ünze nationale kunst», door E. L. C. . . . . . . . . . 267
«M. Adolphe Thiers», 1797 â 1877..........290
In den vijfden jaargang (1878), eerste deel:
â¢lüud en nieuw», 1877 â 1878........................1
«Een hymne ter eere van den H. Herculanus»...........91
«De Paus en de wereld». . ....... . . . . 148
«Vragen van den dags ............ . 175
«Een zware droom. Victor Hugo. Le Pape», door E. L. C. . . . . . 328 In den vijfden jaargang (1878), tweede deel:
«Welkom» aan J. A. Alberdingk Thijm», Gedicht ....... 390
«HetDuitschecentrum». . . . . . . . . . . . 39S
«Een lied van koning Caerle» .......... . 452
In den zesden jaargang (1879), eerste deel:
«Nieuwjaarsmorgen» ............. 1
«Torquato Tasso, Historisch Drama, door Melati van Java», door E. L. C. . 55 In den zesden jaargang (1879), tweede deel:
«De Bischop van Mentz» . ................255
In den zeventien jaargang (1880):
«De begrooting en de Staten-Generaal». ........ 291
In den achtsten jaargang (1881), eerste deel:
«St Elisabeth van Hongarije», Gedicht ......... 1
«De Katholieken in de Tweede Kamer» . . . . . . . . 315 en in het tweede deel:
«De eed in ons staatsrecht». ........... 19
In den negenden jaargang (1882), eerste deel;
4
HKRMAN JOIIAN A1.ÃVS1US MARIA SCHAEFMAN.
Bladz.
«HetRomeinsclieyraagstuk» . . . . . . . i
«Het goed recht der katholieke kritiek». ........ 20
«Deysseliana» . ......................271
«Nog over de Tooneel-quaestie», door E. L. C...... . . 2S6
«Het sterfbed van Bossuet» ...........345
Voorts in de jaargangen 1883â18S5 enkele korte recensiën, en eenige gedichten of opstellen in den «Volks-Almanak voor Nederlandsche Katholieken», in de «1)ietsche Warande», en in het «Gildeboek, tijdschrift uitgegeven door de St. Bernulphus Gilde te Utrecht».
VERTALINGEN.
1S68. «Kerstnachtv, van W. Molitor. Een mysteriespel. Vrij naar het Hoogduitsch in Hollandsche dichtmaat overgebracht, door H. J. M. A. S. Amsterdam, C. L. van Langenhuysen, 1S6S. 4quot;.
5
SI
Mt- -⢠Wamp;
.
â
TV â
4
Ãbé,
...«.â â
m l
.
'Iv-' â¢
H - 7^» .;.
â . -'â â â 4 â aS;
. :Jr ;#â 1
â¢O
Ã
/. 7 ' â ' i
,
, !.VS£; ' â #?!-
- /WAl
V
v.i
' â . a»
. ' ^ m
â S
?gt; â â¢%.
- -
Ma» ⢠'
gt; .
; . V
⢠â 'i' .c,
.â â¢4-
v * *â¢quot;
»â V Æ
\
i.
quot; ⢠-â¢*â¢-
jm tm
; -â
M : 'â ;;
|:W
' a
gt;â
N.
7
15-V-
' â
â¢â¢V-l
'v.xv, quot;⢠â
-- â