a:V:. : / ; .-iVi--.M
;^: :: ; ^vv^v
â : ,. ' ^ â ;â ⢠V; Y^:
:Mïv; ö
' V ' â¢Â»â¢â '.. â ' . ⢠⢠' ⢠1 Vi 1 » . t j ' V i i gt; ⢠' ' I \
,⢠⢠*., lt; I-.â¢,''â â¢')â¢,â¢,⢠.v .')''\.i \gt;) )\y 'â 'i ^J
, â . gt; ^ v\ '« - ⢠. ' 1 v. » » j . { n / :⢠' \. \ â ) â ) ('i /( ) *
vv ⢠â¢.V.-: ^ â¢' »!gt;) â¢gt; .v ')â gt; S} gt;⢠â ). 'l-Söjy/ o;,gt;
) v ⢠VN.. ;⢠s'Mvâ¢./;.
V gt;lt;');⢠â¢' â¢
â¢7' -'^h- .':â¢â¢â¢
. r ) 'â - 'i V â
,.7 y )/â Vv ^ v â '
.gt;â ; 7sgt;o,v,
: â â gt;,! ;gt; ). :S - ; ' \ v gt; v gt;' N gt;
'â¢^ 7vi.vs
1N' , r .-V;1.:..'. - quot;z Vi )⢠J.S'? 7. â '/' i/'t-.!' ):777v7777'77'v.
To)?®
slèw
iquot;' â ⢠r'- â Ã.Siüi iï gt;: :^:K:; ïas##® Ã-Si'^
I'.V.R'h'S 'â¢\S{.'«i{v;vv^gt;^v^:-VSquot;-.!' amp;'}$amp;}â }.AwV^
'r:
gt;â â¢Â»â .'gt;quot;/⢠v -â¢:gt;)â ; 7.7' v. â¢â¢ ^ :'' %i\?v\rgt;'US\K'^AVwiWAbtSA v^Av?k.pgt;{VVs
I â ';c77;:v7::7:V^Ã;;:;:7^7'!^^
v â -â â 7^-i7v;via7gt; gt;U-:^^
» ' s. * 7/ ' â¢7' i Ngt;t / /' lt;⢠. \ i ⢠', ' n ,, i ,\ / '.)⢠/ ^ \ 'y . ) rJ\ rtvPsXx p-j( v/\ fi ti ^O\XT^A.
â r-hf' .' ⢠â V ⢠'â¢â¢ /-V gt;â¢âº ;gt;â¢:â ⢠⢠V'.. '.v .'.1 -'I), . ^V\ V' 7i Kgt; VM\f /gt;{gt;gt; W HTSi
II gt;-;ii7ii7iilliiliS®ftt
|
| ||||||||||||||||
|
I 'rJ-' â ',; i- |
gt;'»' â¢Â» v. »
71 'â 'â l1 '
: 1.1, I. r* ' ,
f /1'
mmmmsmffm
â¢; N, â¢â¢â .â¢â¢'MVifv:'!
' i , K â¢â¢â¢. ⢠.' gt; â¢â¢. |N, |.V H I. / Vf.vy-.f K ⢠V'/Avv, / sgt;X Xfquot;
â v,v; M
«gt;â â : ' gt; i. â â¢
VOGELS VAN DIVERSE PLUIMAGE
Ill III......... li mui11.1 ilii Ii.wrgt;WL^7gt;
HET VADERLAND â WOENSDAG 3 JAl
|
HOE EEN MYTHE ONTSTAAT De briefwisseling Vosmaerâ Kloos. Uitgegeven en ingeleid door dr G. Stuiveling. (J. B. Wolters, Groningen 1939). Na zijn openbaarmaking van de correspondentie tusschen Vosmaer en Perk en de brieven van Perk aan Joanna Blancke, komt dr G. Stuiveling thans met de volledige briefwisseling van Vosmaer en Kloos voor den dag: van deze drie zeer belangrijke litterair-historische documentenpublicaties zonder eenigen twijfel de belangrijkste, vooreerst omdat zij het thans mogelijk maakt om het begin van de Beweging van Tachtig te overzien en niet minder, omdat hier de figuur van Willem Kloos in het volle licht komt te staan. C. VOSMAER Over beide: Perks baanbrekenden sonnettencyclus en het aandeel van Kloos aan de publicatie, waren wij tot dusverre zeer onvoldoende ingelicht, zoodat de publicaties van Stuiveling vrijwel een revolutie beteekenen in de litterair-historische opvattingen omtrent âde wieg van Tachtigquot;. Behalve van groot gewicht voor de letterkundige geschiedenis zijn deze correspondenties echter ook nog van kapitaal belang met het oog op dc psychologie der Tachtigers in hun jeugd. Het lijkt mij daarom noodig deze twee aspecten van de stof afzonderlijk te behandelen en de psychologie voor een tweede artikel te bewaren. Hier allereerst iets over de uitgave van de âMathildequot;, die door legendevorming voor een groot deel aan het oog was onttrokken. De modeluitgave van de correspondentie VosmaerâKloos door Stuiveling heeft het voordcel, dat zij door een knappe inleiding wordt begeleid, waarin het probleem van deze gecompliceerde episode met voorbeeldige zakelijkheid wordt behandeld en tot klaarheid gebracht. Wat dit gedeelte van de zaak betreft kan ik er vrijwel mee volstaan mij aan de uiteenzetting van Stuiveling te refereeren. Hij had met oen in vele opzichten netelige quaestie te maken, aangezien Kloos' aandeel aan de legendevorming inzake de âMathildequot; niet bepaald gering is te noemen: men kan niet anders zeggen, dan dat hij zich met de grootste hoffelijkheid en zolfbeheersching van zijn taak gekweten heeft en zelfs â het moet mij van het hart â daardoor wel eens te flatteerende woorden gebruikt voor de energie, waarmee Kloos die legendevorming ter hand heeft genomen. Dit maakt echter de conclusies van Stuiveling des te klemmender; wel zelden zal het in de Neder-landsche litteratuurhistorie mogelijk geweest zijn om op grond van de , stukkenquot; het beeld van een bepaalde episode zoo onherroepelijk te revideeren. De taal, die de brieven van Vosmaer en Kloos uit de jaren tachtig spreken, is doodelijk voor de langzaam gangbaar geworden legende, waarin Vosmaer nauwelijks meer voorkomt en Kloos optreedt als de redder van Jacques Perk voor het nageslacht. Het âNieuwe Gidsquot;-artikel van 1890. Men moet, om het geval te kunnen overzien, eigenlijk beginnen met te wijzen op 't artikel âVosmaer en de moderne Hollandsche Literatuurquot;, door Willem Kloos twee jaar na Vosmaers dood in âDe Nieuwe Gidsquot; van Dec. 1890 gepubliceerd. In dit artikel heeft Kloos de grondslagen gelegd voor de legendevorming, waarvan ik hierboven gewag maakte; sedert dien is Vosmaers diepgaande invloed op Perk en Kloos zelf vrijwel onzichtbaar geworden, aangezien Kloos hier zonder consideratie de schim van dezen mentor te lijf ging. âWant de Vosmaer, dien zij (zijn bewonderaars - M. t. B.) omhoog houdpnquot;. v«»;i Olympicr met zijn rimpellooze gemoedsrust, ver boven 't gewoel; die hoog-uit zijn vonnis wijst over Nederlandsche schrijvers en werken en gebeurtenissen, wijl zijn stap hem richting geeft, hij zelf de Voorganger; die man, zooals sommigen hem ons op willen dringen, die Vosmaer heeft nooit in werkelijkheid bestaan.quot; âVosmaer heeft de gedichten van Jacques Perk niet verstaan.'' Tenminste tot October 1880 had Vosmaer âgeenerlei besef.... van Jacques Perks talentenquot;, en het spreekt ook van zelf, âdat hij van de jonge en nieuwe kunst van Perk geen jota begreepquot;. Vosmaer werd door Perks onver-wachten dood âmeegesleeptquot; in de uitgave van zijn gedichten; tegenstribbelend en onder pressie deed hij eindelijk mee, toen Kloos beloofd had, dat hij âal het v/erk zou doenquot;. Hij, Vosmaer, âhad liever zich nooit met den hee-len boel willen inlaten, want hij stelde er geen belang inquot; (spatieering van mij. M. t. B.). âEn daaromquot;, concludeert Kloos in dit door Stuiveling niet voor niets als âberucht gewordenquot; gequalificeerde artikel, âdaarom noemen wij Vosmaer niet, als wij spreken van de mannen uit het voorgaande tijdvak, die niet zonder invloed zijn geweest op onze jonge Kunst. De letterkundige figuur van Carel Vosmaer heeft geen invloed bezeten en op niemand nagewerkt, (spat. van mij M. t. B.K omdat zij zelf een product van invloeden wasquot; Deze voorst :lling van zaken, door Kloos in ISfiO gegeven, nadat Vosmaer zich niet meer kon verdedigen, is niet zonder eenig protest 1) |
door de publieke opinie aanvaard, maar deze pogingen tot protest hebben niet kunnen verhinderen, dat zij de officieele voorstelling is geworden: op de scholen leert men thans, dal Vosmaer een van de tweederangsfiguren voor Tachtig was en als het over deze beroemde beweging zelf gaat, hoort men alle namen. Perk en Kloos vooraan, noemen, maar niet dien van Vosmaer. De lezer, die nooit anders gehoord heeft, zal dan ook niet veel minder dan verbijsterd zijn, als hij de door Stuiveling gepubliceerde briefwisseling met dat officieele beeld vergelijkt; want deze correspondentie (en die tusschen Vosmaer en Perk gevoerd als parallel) levert het onomstootelijke bewijs, dat zoowel Perk als Kloos aan Vosmaers woorden groote waarde hebben gehecht, dat zij onder zijn auspiciën gedebuteerd hebben en dat deze âouderequot; steeds levendig belang heeft gesteld zoowel in de sonnetten van Perk als in het werk van Kloos zelf! Meer nog: Kloos spreekt in zijn brieven aan Vosmaer herhaaldelijk zijn bewondering uit voor diens âAmazonequot; en âNannoquot; De uitgave van Perk* nalatenschap. Verder komt in deze brieven duidelijk genoeg aan het licht, dat Vosmaer zich voor de uitgave van de âMathildequot; wel degelijk zeer heeft geïnteresseerd, maar dat hij inzicht genoeg had om aan Kloos het belangrijkste deel van de voorbereiding der uitgave over te laten.... hetgeen iets volkomen anders is dan wat Kloos in zijn artikel gelieft te verkondigen Zoowel Vosmaer als Kloos hebben hun uiterste best gedaan om de drie handschriften van Perks sonnetten uit handen te houden van onbevoegden, waaronder wel een van de vermakelijkste is de heer J. C. de Marez Oyens, die aan Perks vader schreef: âMijn ideaal zou geweest zijn, de verzen van uwen zoon aan Ten Kate of Beets in handen te geven, met het verzoek een keus te doen en met het verlof er desnoods de schaaf hier en daar over heen te trekkenquot;. Als deze heer Oyens zijn zin had gekregen, was de âMathildequot; misschien spoorloos verdwenen achter (of plat-geschaafd door) âDe Scheppingquot;!! Dat dit niet gebeurd is, komt in de eerste plaats voor rekening van Vosmaer, die al zijn invloed bij Perk sr heeft aangewend om dergelijke ondernemingen te voorkomen. Kloos bleef bij de onderhandelingen op den achtergrond, aangezien hij bij âden ouden heerquot;, zooals hij hem bij voorkeur noemt, geen persona grata was; er was trouwens tusschen Jacques en hem verwijdering ontstaan. Hij gebruikte daarom Vosmaer als âkrijgslistquot; om de manuscripten in handen te krijgen, maar, zooals Stuiveling demonstreert, âdoordat Vosmaer. ... niet volkomen het ingewikkelde spel heeft doorzien, bleef er een nimmer uitgesproken maar ook nimmer verdwenen misverstand tusschen hem en Kloos bestaan. Want terwijl Vosmaer zich voorstelde, dat hij zelf Perks nalatenschap zou verzorgen met eenige hulp van Kloos, heeft Kloos ven den beginne af gewild, dat uitsluitend hy deze taak zou verrichten met alleen eenige technische hulp van Vosmaer, terwille van familiewensen en uitgeversrelatiesquot;. Voorts ziet men uit de brieven, dat Kloos met het schrijven van zijn later zoo vermaard geworden inleiding weinig haast heeft gemaakt, euphemistisch gezegd; op 10 Juli 1882 schrijft hij nog aan Vosmaer: âIk wilde u niet schrijven, voor ik met de voorrede klaar was, en ik moet tot mijn schaamte bekennen, dat er nog geen letter van op 't papier staat.quot; Daartegenover staat dan, dat Kloos inderdaad het essen-tieele werk heeft opgeknapt door den tekst te verzorgen; maar ook daarbij blijft Vosmaer (de âmeegesleeptequot;!) critisch belangstellend, vooral als hij redenen heeft om aan te nemen, dat Kloos eigenmachtige veranderingen gaat aanbrengen. Deze veranderingen schijnen zoover te gaan. dat Stuiveling in zijn inleiding den âMathildequot;-cyclus karakteriseert als âhet werk van Perk en Kloos tezamenquot;! VOORGANGER EN JONGEREN i. Carel Vosmaers beteekenis voor de beweging van Tachtig |
begaafde, toen zeer bekende, meer dan dertig jaren oudere Vosmaerquot;. Aldus concludeert Stuiveling, en hij meent, dat alleen een diplomatische uitgave der drie Perk-handschriften precies duidelijk zal kunnen maken, wat het aandeel van Kloos geweest is in deze editie. De mythe van Perk en Tachtig Wanneer men deze feiten overziet, dan rest nog de vraag, hoe Kloos er toe kon komen in zijn artikel van 1890 de dingen zoo radicaal op hun kop te zetten. Stuiveling zegt, dat het artikel âmoet gelezen worden als een subjectief verslag van een geforceerde poging tot zelfbevrijdingquot;. âDe nagedachtenis van Vosmaer bedreigde het onafhankelijk individualisme der jongeren, juist omdat er zulk een sterke persoonlijke binding was geweest.quot; Dit moge psychologisch juist zijn, het verklaart niet alles; Vosmaer kan het vader-imago van Kloos zijn geweest, waartegen deze dus storm moest loopen om het te verpletteren; maar uit het bewuste artikel komt ons een blindheid voor de simpelste feitelijke verhoudingen tegemoet, die m.i. vooral wijst op een soort mythomanie. De mythe van Perk en Tachtig (anders gezegd: de mythe van den alleenzaligmakenden Kloos) moest gecreëerd worden; aan dien domi-neerenden hartstocht offerde Kloos alles op, zelfs de feiten omtrent Vosmaer, terwijl hij toch kon vermoeden, dat de brieven in Vosmaers bezit eens tegen zijn voorstelling van zaken zouden gaan pleiten! Met hand en tand heeft hij deze mythe verdedigd; bij den vierden druk van Perks poëzie verdween Vosmaers Voorrede, zij het niet voorgoed, maar dan toch âsymbolischquot;; den heer Boele van Hensbroek, die op grond van de thans gepubliceerde brieven tegen de aanranding van Vosmaers reputatie door het artikel van 1890 in het openbaar wilde protesteeren, werd (blijkens de uitgave van Stuiveling) de mond gesnoerd, aangezien Kloos voor zijn vroegere uitlatingen niet meer aansprakelijk wenschte te worden gesteld (hetgeen des te zonderlinger aandoet, omdat hij zelf wèl uit het verband gerukte brieffragmenten van Vosmaer gebruikte voor zijn artikel in âDe Nieuwe Gidsquot;!); en Kloos' fraaie âslotbeschouwing over den z.g. Perkstrijd van uit het kalme standpunt van den wezenlijken Jacques Perkquot; van Juli 1917, opgenomen in den veertienden druk van Perks Gedichten, demonstreert ons reeds de mythe in een staat van volkomen starheid. In 1890 echter reeds is de mythische verdichting ondoordringbaar geworden; Perk is tot Balder, Vosmaer tot Loki verdicht; het systeem behoeft nog slechts geconsolideerd en den volke verkondigd te worden, om dan via het onderwijs in de letterkundige traditie te kunnen belanden. Het is de groote verdienste van Stuiveling, dat hij door zijn scherpzinnige onderzoekingen deze mythologiseering of legendevorming heeft doorbroken en daarvoor niet een nieuwe (b.v. een Vosmaer-) legende in de plaats heeft gesteld, maar de documenten zelf heeft laten spreken. Over de psychologische waarde van die documenten (de verhouding Vosmaerâjongeren. PerkâKloos) a.s. Zondag meer. M. t. B. |
VOGELS VAN DIVERSE
PLUIMAGE
DOOR
Mr. C. VOSMAER
A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ â LEIDEN
EEN OUDE STRIJD.
at de dichterlijke geest der middeneeuwen in zijne fantastische dood end ansen op zoo menigvuldige wijze afbeeldde, en met zoo veel diepen en bijtenden humor op de wanden der kerken, in de teekeningen der handschriften of de initialen der eerste drukwerken voorstelde, heeft niet opgehouden te bestaan. Het is noch altijd de oude strijd tusschen leven en dood. Als de Noorsche reuzen. Zomer en Winter, werpen zij elkander beurtelings onder. Altijd heeft wel Holbeins knekelman de overhand â maar slechts voor een gegeven tijd, en telkens staat een nieuw leven op om den strijd te hervatten en op zijne beurt den âkoning der verschrikkingquot; te overstelpen. Het gras schiet onder de zeis van den onverbiddelijken maaier toch weder op. Uit de stof van het vergane ontwikkelt zich een nieuwe groei.
Noemt gij onder de vele tegenstellingen die elkander kruisen, en elkander schijnen te vereischen om elkander aan te vullen, die van leven en dood alledaagsch, zij is niet minder snijdend en gedurig nieuw in de bizondere vormen waarin zij optreedt.
Ziet daar den stoet, die de dooden wegbrengt, langzaam de straten doorgaan, en de scherpste tegenstelling vormen met al wat hij ontmoet. Er zijn bakkers die aan de levenden brood brengen, artsen die het leven gaan verdedigen, kooplieden, die, vast op het leven steunende, twintig jaren vooruit hunne plannen berekenen; lange rijen van fraaie huizen in aanbouw gaat hij voorbij; verder een orgel waarvoor kinderen dansen; het orgel houdt even op voor de zwarte mannen, en de kinderen kijken naar den stoet met een verbaasden glimlach om wat zij niet begrijpen, en het speelt weder voort. Verder gaat de stoet en nadert de uiteinden der stad; eerst noch voorbij drukke pakhuizen, en fabrieken met haar stoomende, snuivende, rammelende en kletterende bezigheid; de
2 EEN OUDE STRIJD.
haven laat hij links liggen, met al haar schepen, waar het bootsvolk zingend bezig is do zeilen te hijschen voor de reis naar een ver land, om van daar de geriefelijkheden voor de levenden weer mede te brengen.
De zwarte wagenmenner, die onder de wippende huilebalk zijn winst zit te berekenen, is de stad uitgereden, en langzaam gaat het nu door dreven, waar de natuur met haar frisch groen, hare vruchten en bloemen niets dan weelderig leven verkondigt. Een half uur later heeft die stoet zijn werk volbracht, en alles ts omgekeerd; de dood had al die mannen met zijn machtige vuist een oogenblik bedwongen, zij ontworstelen zich aan dien greep, zij keeren terug tot het leven, het leven neemt de overhand, en de stoet, als uit een dommeling ontwaakt, is, als door terugwerking der tegengehouden veer, bij uitstek levendig geworden. De doodenrijder, moderne Psuchopompos of Thot, zweept de paarden, die de koppen schuddend, wakker wegdraven: de volgkoetsen rijden luchtig voort, dartel schuddende op de riemen; de zwarte dragers ontheffen hunne aangezichten van de nederwaarts gebogene lijnen, en wenkbrauwen, oogen, mond staan weer in de gewone plooien.
Deze optocht, die dagelijks als een sombere frons het anders levendige gelaat der stad rimpelt, heeft ook daar geen spoor meer achter gelaten, en in de werkzame, levendige stad ziet de terugkeerende stoet er als iets vreemds, iets onbegrijpelijks, iets bespottelijks uit.
Wij zijn de stad straks uitgegaan en den landweg op, en dezen volgende komen wij in een dorp.
De oude tegenstelling vindt gij ook daar. Gij zult haar kunnen ontmoeten in een klein nederig huis, dat geheel gesloten is. Noch gisteren was het open, en prijkte hot eenige raam met verschillende winkelwaren. Achter in den winkel lag een hoop talhout en turf, benevens klompen en touw'; worsten hingen van de zoldering af en aan een houten rek boven de toonbank eenige bundels vetkaarsen. Maar voor het raam was een heerlijke uitstalling; daar lagen, tot mondterging van alle kleine broekemannetjes die naar de bewaarschool gingen, wat appels, een schoteltje waarop eenigo geelgestreepte brokken, en wat zoetgoed, in eenige koekjes van een hoogst verdacht en dubbelzinnig voorkomen en van de zonderlingste kleuren bestaande â een gruwel voor u, mevrouw, als men ze had durven vertoonen aan uwe theetafel met de fijne Japansche kopjes, eene heerlijkheid voor de kleine schoolkinderen, die er op de toonen naar stonden te hunkeren en met de vingers tegen de glasruiten er naar wezen; zoo valt er over de smaken niet te twisten. Voorts hingen daar drie geelgroene cigaren aan een touwtje, en er stonden ook twee bierglazen, een met knikkers en een met griffels gevuld: en op een van de
*
EEN OUDE STRIJD.
ruiten was een papier geplakt dat âdoopgoed te huurquot; aankondigde. En waarlijk! er hing ook een prent van Klein Duimtje, die ik al zoo lang te vergeefs gezocht had, namelijk een ouden, echten Klein Duimtje, geen nieuwe namaak. Want ook deze antiquiteit, wordt, als zoo vele andere oudheden, nagemaakt! Maar dan is de charme er af, de geur van archaïsme en naïefheid verloren. Zelfs de versjes worden gemoderniseerd en verliezen al hunne waarde. Noch herinner ik mij een van die tweeregelige onderschriften:
Moeder zeit wel dat is fraai
Daar zit hij in de eetschapraai.
Wat dat beteekende wisten niet alleen mijn kornuiten niet; ook de groote menschen begrepen het niet meer. Maar ik wist van mijn vader, die oude boeken kende, dat schapraai oudtijds een kastje, een buffetje zouden wij nu zeggen, beteekende en ik was trotsch op deze kennis. Het was mijn eerste woord Oud-Hollandsch, en het heeft misschien invloed uitgeoefend op mijne zucht om er meer van te kennen. Later verlangde ik dikwijls naar zulk een ouden echten Klein Duimtje als eene herinnering aan de jeugd. Ik zocht er naar, alsof het de houtprenten gold van een Spieghel onser Behoudenis, Maar ik vond hem nooit. Wel nieuwe namaaksels, zonder de eetschapraai, die de moderne kunstenaar en dichter niet begrepen en weggelaten hadden. En hier hing nu een echte, zeer kunstig en eenvoudig afgezet met ronde vlakjes rood en groen, die op elk figuurtje niet losse hand waren uitgestrooid, geheel onpartijdig, waar zij ook neerkwamen.
Ik wilde die prent koopen, maar de deur van het winkeltje was gesloten: van al de heerlijkheid is van daag niets te krijgen, en als de kleine jongens hooren dat dit zoo is omdat de oude winkelier dood is, dan begrijpen ze er niets van, omdat dit woord voor hen zonder eenige beteekenis is, of zij vinden den dood iets zeer ondeugends, omdat dat ding hen belet bij het koopen van een griffel een brok toe te krijgen van den goeden man.
Zagen wij in de stad het leven de overhand nemen, hier heeft op het oogenblik zijne machtige tegenpartij het gewonnen. De groote medicijnflesch van den meester heeft er niets tegen kunnen doen, en staat nu op den schoorsteen in het kamertje achter den winkel, en de kurk kijkt schuin en verlegen op de deftige bef neer, alsof zij zeggen wilde: daar komen wij gek af. De hoog en bijna tegen de zoldering hangende schilderijtjes en de spiegel zijn naar den muur omgekeerd; zooals dat, zoowel uit een soort van eerbied als van bijgeloof, pleegt. Alles is verzegeld, maar éen kast met hard geel geverfde deuren niet, en als gij die opent, ziet gij daar een alledaagsch, maar even ondoorgrondelijk iets. De oude man, die daar ligt, is geen zeer bekend of publiek persoon geweest; zijn strak
3
KEN OUDE STRIJD.
gelaat, met die bizondere uitdrukking die gewoonlijk aan den mond van dooden eigen is, moge ernstige denkbeelden inboezemen en een heer van gedachten â maar het zegt niets aan den beschouwer over het geheim van het innerlijk leven, van het zedelijk en geestelijk bestaan van dien man; misschien was hij goed, voortreffelijk, misschien slecht, misschien was hij gelukkig of diep rampzalig. Alleen zijn koud kleed ligt daar noch, zijn tast- en zichtbare vorm, â het etherische is weg. vervlogen als een vlug zout, waarvan de flesch gebroken is.
Een paar dagen later is ook hier een kleine stoet, die hem wegbrengt; acht mannen dragen de baar, die door een vijftal andere mannen gevolgd wordt. Ook hier moet hij zich dwars door het leven een weg banen; paarden en koeien, wagens en karren, arbeiders, werklieden en kramers; en de schooljeugd stuift op de klok van twaalf het schoolgebouw uit, en dartelt om de dragers heen, als zij van tijd tot tijd stil houden, om van hand te verwisselen, en daarbij de hoeden even afnemen ten eerbiedigen groet.
Kinderen had de man niet nagelaten en de eenige erven waren verre neven en nichten. Op den dag, die voor de ontzegeling en tevens voor den openbaren verkoop bestemd was, waren dezen en andere belanghebbenden, tien of twaalf in getal, al vroeg in den morgen in het opkamertje aanwezig, waar schilderijen en spiegel nu niet langer ten teeken van een doode omgekeerd waren, doch waar een karafje met bitteren jenever en een keteltje met koffie voor de levenden stonden aangerecht. Intusschen heerschte de dood hier noch zoo zeer, dat er weinig, zeer zacht, en alleen met groote tusschenpoozen van stilte gesproken werd. De jonge meisjes stonden te snappen en tusschenbeiden zacht te giegelen, maar zij deden het stilletjes in een hoek, en met de hand voor den mond; de overige vrouwen hoorde men in de oogenblikken van stilte zeer diep zuchten alsof zij al de zonden der geheele wereld te boeten hadden.
â Wat is hij gauw uit den tijd geweest! sprak er eene, met een zucht, dien zij uit de zolen van haar schoenen ophaalde.
â Dat is hij net, zuchtte eene andere.
â Och! zou hij zijn ziel wel hebben bezorgd! twijfelde eene derde.
â Kijk, 't was verleden jaar met Sint Jan, neen Heere mensch, waar gaat de tijd heen, 't wordt nou met Sint Jan al twee jaar, daar was buurvrouw Pietertje's meu, je kent buurvrouw Pietertje? nou, die haar meu, of eigenlijk haar mans meu, weetje, want haar mans moeder moest zuster tegen haar zeggen, en die zat aardappelen te schillen, en krek was ze weg.
4
5
â Wat zeg je, me lieve mensch!
â Nou ik zeg maar, 't is een heel ding, zoo in eens van het tijdelijke in 't eeuwige; een mensch heeft toch al eens wat te dispeneeren en te overdenken.
â Net, ware vrouw, dat zou 'k zeggen; ik zeg geen kwaad van hem, maar zoo op eens als hij, dat is toch altijd een bedenkelijk ding, als een mensch zoo met al zijn zonden heengaat, â maar ik wil hem niet oordeelen, de Heer heeft het oordeel.
Intusschen had dit alles wel iets van een oordeel; maar den overledene, kalm in zijn aarden rustbed, raakte dit niet.
Hoe langer hoe meer begon nu het leven te winnen, en de dood te verliezen. De koffie en de karaf werden aangesproken, de taal werd levendiger en luider, en stuk voor stuk verdween die zekere gedruktheid of gedwongenheid, die, als ware men in het gezelschap van een aanzienlijk heer, tot noch toe geheerscht had.
â Heeft hij iets beschreven?
â Ik weet liet niet, mensch, maar 't zal niet veel wezen wat hij achterlaat, hij liet zich door iedereen inpakken.
â Dat zeggen ze; ik had hem in geen tien jaren gezien; maar hij was altijd wel wat losjes met 't geld.
â Neen, er moet wel wat zitten, hoewel ik niet zeggen wil, dat hij goed op zijne zaken paste: 't is hard genoeg voor die 't rechtvaardig toekomt!
â Och vrouw, wat zal ik je zeggen, een mensch is maar een mensch, en hij had ook al 't zijne van de zonde, en dat zullen we nu maar niet ophalen, ik zeg maar de Heere heeft het oordeel.
Maar al matigden zich dezen ook reeds het oordeel aan, de overledene bewoog er zich niet om in zijn onverstoorbare rust.
â Och! hij heeft mij zoo veel goed gedaan, zeide, stil in een hoek, en afzonderlijk zittend, op hartelijken, diep erkentelijken toon, terwijl zij een traan wegveegde, eene vrouw, die niet tot de belanghebbenden behoorde, maar met eenigo andere geburen daar mede tegenwoordig was; â och, hij heeft mij zoo veel goed gedaan, en verleden winter noch, toen mijn jongen er zoo naar aan toe was.
Maar lof noch blaam was meer iets werkelijks voor den overledene, en zijn strak, onbewogen gelaat was het beeld eener ziel, voor welke dat alles thans in het niet was weggezonken. Grootsch maar huiveringwekkend is die kalmte en dat verheven zijn boven alle oordeel der menschen.
Intusschen was de ontzegeling geschied en ging de notaris een bureau-kastje onderzoeken, waar men met lange halzen en opgesperde oogen omheen stond, in verwachting
EEN OUDE STRIJD.
â Mijn! wordt er gegild.
â Voor Teunis Plat, â je mag de tralies wel eens nazien of ze goed zijn.
Men wete dat gemelde Teunis Plat, zeer kort geleden, een paar dagen achter de tralies had gezeten; vandaar het luide gelach dat op deze aardigheid volgde.
â Zeven stukken gewicht! gaat de afslager weder voort met eene onnavolgbare radheid van tong: â komaan mannen komaan, biedt maar eens, wie biedt er wat! zeven stuks gewicht, denkt om den herijk, van twee gulden, komaan 't is echt koper, die het hoogste biedt is ook kooper, acht en dertig stuivers, om zes en dertig, enz.
Nu worden eenige Japansche borden voorgebracht.
â Die moet jij koopen, van Dorsen, allons, die bij opbod, éene gulden voor van Dorsen, hè? je moet de vrouw wat meebrengen, jongen, voor de eerste, voor de tweede, niemand niet? voor â de â derde â maal, voor van Leeuwen.
En de borden worden over de hoofden heen, van de eene hand naar de andere geduwd, tot zij toevallig noch heel bij den kooper belanden.
Zoo gaat, het eene stuk voor, het andere na, de inboedel, die eens de omgeving, de kleine geliefde wereld van den eigenaar uitmaakte, uiteen, en verdwijnen daarmede de laatste sporen van het uitwendig bestaan van een mensch. Zoo wij de trapsgewijze verandering in de karakters der erven nagaan, zien wij ze hoe langer hoe wilder, inhaliger en baatzuchtiger worden, met die aardige klimming, die de belanghebbenden, zoo vaak belangstellenden, en dezen belangzuchtigen doet worden, en de voorwerpen, zelfs tegen elkander, opjagen. Lustig gaat het onderwijl daarbuiten toe, onder de kwinkslagen van den klerk en de grappen der menigte, welke ieder stuk goed, dat wordt voorgebracht, vergezellen. Nu eens zijn het de kaarsen, die de klerk-afslager als âhet nieuwe lichtquot; aankondigt; als er een porceleinen kom voorkomt en een uit de menigte vraagt, of er een barst in is, roept deze grappemaker; âneen, â twee;quot; of als het een klok is, en ze vragen âloopt hij goed?quot; luidt zijn antwoord: âneen â hij hangt.quot; Eindelijk is het boeltje op, en allen gaan naar huis, de notaris met zijn paperassen, de notarisklerk met de groote bel, en de koopers met de vogelkooi, en de hangklok, en de kaarsen van het nieuwe licht, en de gebarsten borden. Ook dit weefsel is weder afgeweven.
In het huis wordt geverfd en getimmerd, en waar de oude man gezeten had met zijn hoop en zijn vrees, met zijn wenschen, zijn genoegens en verdrieten, daar spelen nu kinderen en werken een andere man en vrouw. Alles wisselt, en op de stof van den eene groeien de vruchten, de bloemen, en het onkruid van den ander.
8
EEN OUDE STRIJD.
De heerweg leidde langs de begraafplaats, een hoog liggend stuk land, dat, met een eeuwenouden aarden wal en greppel omgeven, in later tijd met opgaande booraen omplant was. Voor den geest van een eenzamen wandelaar, die zich op den rand van een greppel had nedergezet, bouwde zich het verre verleden op, als de herinnering van een droom, stuksgewijze, nevelachtig, en toch levendig belangwekkend. Ontegenzeggelijk was deze omwalde ruimte van oude dagteekening. Een oud Germaansch kamp wellicht, waar wagens en paarden in de rondte geschaard, en ruwe tenten opgeslagen, waar nationale krijgsdansen uitgevoerd werden, en de drinkhorens met gerstebier rondgingen, en de goudgelokte Germaansche vrouwen de eenige zachtheid waren onder die ruwe kracht; het was misschien de tijdelijke verblijfplaats van een dier oude stammen, die wij bijna alleen kennen uit de overblijfselen, die hunne dood- en graf-plechtigheden voor ons bewaard hebben: of van welke kleine bende hier ook geleefd mocht hebben uit die groote karavaan der menschheid, die de aarde doortrok en slechts wat beenderen en asch, wat steenen of ijzeren wiggen en spiespunten, wat brooze urnen met hun eigen verbrand overschot achterliet. Wie weet wat die oude akker noch inhoudt! Nu rusten de moderne dooden te midden en op de overblijfselen van oude wapenen, gereedschappen en huisraad uit de jeugd der volken, van een der oude stammen, die zich hier eenmaal nederzette en leefde.
Terwijl de geest aldus het een en ander van het verbrokkelde verleden weder opbouwde, dwaalde het oog over den akker en zag bij eene versch gevulde groeve, waar de spa noch naast lag, eene vrouw staan, arm, maar niet slordig gekleed, die een jongen van tien of twaalf jaren aan de hand hield. Ofschoon zij zich al lang verwonderd zal hebben, wat de eenzame wandelaar daar toefde en peinsde, zag zij hem nu eerst aan en hij haar, en het kind blikte beurtelings naar hem en naar haar. Wat een hevige strijd kostte het haar misschien, om niet te bedelen, terwijl haar trouwste steun haar pas ontrukt was. Die zieletoestand sprak duidelijk genoeg uit haar gelaat, al hield zij woord en hand en elke beweging tegen, en al belette zij haar kind het vragen.
De wandelaar ging naar haar toe.
â Ach, wat heb ik met hem verloren! hij deed mij zoo veel wel! zeide zij droevig.
â Kunt gij geen werk vinden? vroeg de wandelaar.
â God geef van ja, â maar 't is voor een vrouw niet altijd gemakkelijk werk te vinden.
â Gaf hij u werk?
â Zoo veel hij kon, deed hij het; verleden jaar noch in den kwaden tijd bestelde hij mij ergens, maar ik moest er van daan____
9
10 EEN OUDE STRIJD.
â Waar van daan?
â Van het veld mijnheer, antwoordde zij, den arm over de landen in de verte t uitstrekkende; â ik had noch nooit op het veld behoeven te werken, zóo ver was
't noch niet met mij gekomen, maar alleen met mijn vier kinderen kon ik er niet tegen
op, en toen ging ik meê wieden____(zij zeide dit met eenigen weerzin): eerst wiedden
wij eenige stukken met gewas, dat goed te kennen was, en dat ging wel. Maar toen
moesten wij jonge tarwe wieden____ (zij hield even op; wat al gedachten, nooden, en
strijden kwamen haar bij dit eenvoudig verhaal weder voor den geest!)____toen moesten
wij jonge tarwe wieden, mijnheer! vervolgde zij, en ik had dat nooit gedaan en nooit op jonge tarwe gelet, en toen kende ik het onderscheid niet tusschen dat en het gras â
het is bijna eender mijnheer, als men er niet aan gewoon is, en honderd malen haalde ik in plaats van het onkruid, tarwe uit, zoo als zij mij zeiden die naast mij liepen, â
maar de baas zag dit niet.
Tk deed dat acht dagen, want wij moesten eten â maar eindelijk zeide ik, toen ik het niet leerde, bij mij zelve; neen! â de baas betaalt mij, en ik haal zijn tarwe uit in plaats van het onkruid, en toen ging ik weg; â dat was niet pleizierig voor hem,
omdat hij mij daar geplaatst had, maar toen kwam de ziekte van mijn jongen daarbij,
en hij hielp en redde ons toch weer....
Er waren eenige oogenblikken van stilte.
â Zij zullen hem wel gauw vergeten, â maar bij ons zult gij nooit vergeten worden, zeide zij, voor het heengaan een paar doode takken, die op het graf gevallen waren, daarvan verwijderende. Na deze eenvoudige hulde ging zij vertrekken.
ü Diogenes, dacht de wandelaar, ik weet niet of gij uwen mensch al gevonden hebt, en of uw lantaarn noch brandt â maar als tot de eigenschappen van den ideaal-mensch, dien gij zoekt, waarachtige kiesche dankbaarheid behoort, dan heb ik van uwen mensch al een niet verwerpelijk exemplaar gevonden.
â Zoo er eenige onsterfelijkheid hier op aarde zoet is, zeide hij tot de vrouw, is het die van te leven in een dankbaar hart, â wilt gij iets van mij aannemen, en mijner gedenken ?
Zij dankte hem en ging baars weegs, naar het dorp; de wandelaar trad voort, den langen weg op, die voor hem lag.
EENE PREEK IN 1Ã29.
DE PREEK.
Hebt God lief met geheel uwe ziel.
Hebt uwen medemensch lief als u zeiven.
Daar is geen grooter gebod dan deze twee.
D it stond in den bijbel te lezen, die in het begin der 17e eeuw in de huiskamer lag, in den bijbel van het studievertrek des predikers, in den bijbel die op den lessenaar van den kansel was opgeslagen, in dien waarop de regenten den eed aflegden, in dien waaruit het volk onderwezen werd; maar het was alsof een noodlottige nevel over die schoone bladzijde heen waarde, alsof een kwade geest die bladzijde uit al deze boeken had weggescheurd.
Het zag er treurig uit in Amsterdam met den geest der liefde en der verdraagzaamheid in de eerste jaren van zestienhonderd. Noch versch lag aan het levende geslacht de dwang in het geheugen, den gewetens onder de âSpaensche tyranniequot; aangedaan. Noch leefde het geslacht, dat zoo kort geleden het juk had afgeschud, en zijne zonen die het de vaderen hadden zien doen. Noch had de kling geen rust of roest gekend, en vlamde de lont der steeds geladene musketten. En de rouw over geliefden, door de zeis van den dood weggemaaid, had in de bloedende harten noch niet opgehouden, al waren de zwarte kleederen afgelegd. En toch, het ware zonder de sprekende feiten dei-geschiedenis bijna ongeloofelijk, - en toch. treurig gezicht! de voor zich zelf geöischte
EK XE PREEK IN 1020.
en nauwelijks verkregene, met de uiterste inspanning verkregene vrijheid van geweten werd slechts voor enkelen gehouden, maar aan anderen ontzegd, en men scheen zich alleen aan de onderdrukking van den geest ontwrongen te hebben, om haar aan zijn broeder-mensch, aan zijn broeder-christen, aan zijn broeder in lijden, streven en overwinnen, op te leggen.
Nauwelijks is de strijd tusschen roomsch en onroomsch beslist, of in den boezem zeiven van het vrij geworden volk ontvlamt een zelfde twist. Er is veel weemoedigs, maar tevens een bittere spot in de voorstelling, dat men reeds dertig, veertig jaren en langer had gevochten, gevochten met opoffering van alles, gevochten op leven en dood, met woede, met wreedheid zelfs, om het recht te hebben dien bijbel te lezen, en dat men nu de schoonste bladzijde der liefde ongelezen en onbetracht liet.
Die booze, vijandige geest was een leelijk, giftig onkruid, dat overal woekerde en zich voortplantte, en een onkruid, dat reeds vroeg in de eeuw ontkiemd, met de jaren daarvan opwies en bij alle rangen en standen voorkwam. Als gij in de raadzalen komt, dan ziet gij het als eene vuile schimmel overal op; het ligt op de plakaten, op de notulen, op hot groene tafelkleed en de hooge stoelen met hunne kussens: het vermuft de kasten en loketten, het zit in de tabberden, tot in de harten en hoofden der Erentfeste Edelachtbare mannen. Daar had het veroorzaakt, dat de bijeenkomsten van andere geloofsbelijders dan die der staatskerk werden geweerd en hun predikanten uit de stad of in het tuchthuis werden gezet; dat elke andersdenkende ieder oogenblik kon vreezen aangetast, verbannen, met de zijnen zedelijk en maatschappelijk vernietigd te worden. En een enkele stem die zich verhief, versmoorde weldra in de vunzige lucht en verstikte onder het onkruid.
Als een ongezonde zwam kroop het onder de huizen, deed het goede hout vermolmen, klom achter behangsels en beschotten, en de bewoners erfden hot over tot het weldra gemoed en verstand benevelde, en met wrok, wraak en vijandschap vervulde.
Onder de lagere klassen en onder het gepeupel, daar groeide het welig; dat volk, altijd gereed, waar anderen noch in de theorie verkeeren, tot de praktijk over te gaan, ziet gij de overal verspreide onkruid-beginselen weldra ten uitvoer brengen; gij ziet ze op het voorbeeld van dat onkruid, van die vuile woekerplanten, rooven en stelen. Als gij een oploop ziet, waar men eenige lieden Ar minia ansche duivels, Belials-kinderen, godloochenaars scheldt, hen met steenen en slijk werpt, hun leven bedreigt â dan ziet gij de vruchten van het onkruid. Als een paar dienaars van mijnheer den schout een kettersch gezin, nu broodeloos, ter stad uitzetten, en het gepeupel juichte
\-2
EENE PREEK IX I'Lquot;.».
en jubelde, dan was dat weder eene andere vrucht van het onkruid. Als gij ze ziet razen en plunderen en schenden waar zij er kans toe zien, dan kunt gij zeggen: het groeit goed, het komt heerlijk en vruchtbaar op.
Maar ook â waar gij dit het minst moest gezocht hebben â ook in de kerk is het onkruid welig opgewassen. Het heeft de stoelen en banken overdekt, den kansel beklommen en den bijbel niet gespaard, maar zit ook daar op de bladen en verduistert den zin voor wie ze open slaat. Als de getabberde mannen de bladen openen, stijgt er een muffe champignonlucht uit; dan nemen zij een tekst, maar bezien alleen het vuil dat er op gegroeid is; dan preeken zij uit hun hart vol onkruid en strooien de vergiftige zaden daarvan over de gemeente uit, en wanneer zij daarbij hunne mede-christenen als âpesten, duivels, mammei uk kenquot; afschilderen, en de gemeente ophitsen tegen die van hun regenten, welke noch niet door het onkruid zijn overdekt, dan worden die zaden in alle harten opgenomen en schieten daar welig op.
Sedert 1623 hadden zich aan dien duisteren hemel hier on daar lichtplekken gaan toonen, en vooral 1(527 had met blijder hoop een liefelijker vooruitzicht geopend. Als wij zoeken van welke zijde de mildere beginselen ontstonden en gekweekt werden, is hot billijk dat wij de eer daarvan aan de stedelijke magistraten geven. Er waren in 1027 reeds verscheidene steden waar den remonstranten vergund werd te vergaderen, waar zij geduld werden en zij, of die hun niet ongenegen waren, in de regeering waren gekomen. Zijne doorluchtigheid de prins, hoewel voorzichtig en beide partijen tevreden willende houden, was als gematigd en hun niet vijandig bekend. Ook de Staten neigden tot rust en gematigdheid, en de plakaten werden bijna nergens streng tegen de verdrukten gehandhaafd.
Des te feller werden door deze âtollerantie en moderatiequot; de âharde gereformeerdenquot; en hunne leeraars; des te heftiger werd de taal dezer laatsten, nu zelfs in het tot hiertoe zoo rechtzinnige Amsterdam gematigde regeeringsleden optraden, en met schimp klonk het van den preekstoel: âdat de gansche vroedschap Armi-niaansch was geworden, dat men het Trojaansche paard had binnen g e h a a 1 d!quot;
In de voortdurende botsing tusschen de patricische regentengeslachten en den stadhouder, steunden deze heethoofden den laatste, omdat zij daarin hun voordeel zagen en bij hem wederkeerig heul vonden in hunne politieke aanmatigingen tegenover de macht der stedelijke magistraten; en zoo ging ook heel de kerkelijke partij, die in elke regeering waarover zij niet heerscht haar natuurlijken vijand ziet, geheel aan den kant des stadhouders, als het tegenwicht tegen de stadsregenten, en draaide altijd naar den
13
EEKE PREEK IN 16^9.
Haag, als het middenpunt der hooge regeering. Alles uit zuivere Oranjeliefde en ad majorem Dei gloriani zou men denken, zoo niet Vondel ze naakt ten toon had gesteld toen hij in 1629 schreef:
Malle Jantje,
Kerkgezantje,
Ik u vraag:
Waarom huilt gij?
Waarom pruilt gij
In ilen Haag?
Is 't uit ijver?
Krijt vrij stijver.
Maar ik meen.
Dat het kussen U zou sussen,
Wel in vreên.
Zoo stonden de zaken, toen in het begin van Juli 1629 een biddag werd bevolen. De prins lag noch sinds Mei voor 's Hertogenbosch en graaf Hendrik van den Berge was, na vruchtelooze pogingen om hem van dat beleg af te trekken, met zijn leger opgebroken. Doch juist dit gaf bezorgdheid, en het vermoeden begon zich meer te bevestigen, dat de vijand iets tegen de Veluwe â met Amsterdam in het verschiet â in den zin had.
Het was een talrijke menigte, die, op den galm der klokken, van alle zijden naar de Oude Kerk te zamen vloeide. Het was alles wat maar eenigszins kon op zijn Zondags gekleed, en wie er van den Oudhollandschen eenvoud te hooge gedachten had, kon integendeel al ras bemerken, dat de verfijning der zeden een omkeer in dien eenvoud van dracht had veroorzaakt, en dat de meesten op sen Brabans of opsen Frans een zwieriger snede of pronkender dos had aangenomen. Het is geen ijdele nieuwsgierigheid als wij die kleeding eens in oogenschouw nemen â de zedeschildering zal niet juist wezen zoo zij bat uitwendige voorbij ziet, en niet acht hoe nauw de kleeding met den mensch samenhangt. Met den eersten oogopslag zullen wij kunnen zien, dat wij niet meer alleen den Hollander voor ons hebben, puriteinsch stroef, aartsvaderlijk eenvoudig, besloten in den beperkten gezichteinder van zijn klein land, als de Hollandsche Maagd in haar tuintje en als de Zeeuwsche leeuw worstelend om zich boven de baren te houden; maar reeds machtig, ontzien, rijk, die de wereld doorgereisd heeft, die al een zekere mate van kosmopolitisme in zijn nationaliteit toelaat, wiens gezichteinder verwijd is, en dat een
14
EENE PÃKKK INT KB).
vrijer, ruimer, veelzijdigor blik in hot veld der kennis die onbelemmerde werking van den geest begint voor te bereiden, welke later de roem dezer eeuw zal worden.
Doch al is er grond om in die grootore weelde en uitheemscher tooi een fijner beschaving, een ruimer en algemeener denkwijs te prijzen, niet minder waarheid is er in de geestige hekeling van de ijdele en dwaze modegrillen, die menig dichter dier tijden ons geeft.
Ziet gij onder de vrouwelijke kerkgangers noch enkele die ouwe wets zijn, bij vele hebben de opgestreken haren, door het eenvoudige mutsje gedekt, voor sierlijker hoofddeksel, voor naalden en voeren, voor krullende lokkon, âeigen goed of aangekochte waarquot;, plaats gemaakt. Hier ziet ge zoo als Huygens, de scherpe satyricus, als hij het wezen wilde, ze ons naar het leven heeft afgeschreven â een stukje in den fijnen, uitvoerigen trant van Dou en Mieris:
Een over-laden oor met oude-moeders beenen,
Met verr- en diepgesouht, en daerom waerde, steenen;
Een om-gebandden hals, trots eenigh brack-gespan;
Een schuynsche rimpelkraegh, trots aller Boeren wan;
Een rondom staelen arm, trots aller Krijgsluy vonden;
Een open memmenhol, trots wind en winters wonden;
Een stege Walvisch-romp, plat achter, spits van voren;
Een opgetroste krans, trots eenig' Kloeken-toren;
Een omgehoepte pack, trots menig keernen-vat.
Hij vergeet ook niet
.........'t pinceel dat geven zal,
Dat de natuur vergat ..........
Voeg er de klepperende muiltjes bij. Jen wijden vliegor, die, halverwege opgekoppeld de bouwen of eigenlijken rok laat zien, en, wat de rijkeren aangaat, de satijnen en fluweelen borstlappen met goud en paarlen en edele steenen gesierd, de in fluweel gebonden bijbels, met juweelen of goud bezet en aan gouden of zilveren kettingen aan den arm hangende, en daar hebt gij de vrouwtjes zoo als zij ter kerk gingen.
Scheen het donkere laken of fluweel van dor mannen broek en wambuis, met den gewonen mantel en statigen rimpelkraag of platte, breede bef, van meer deftigheid en eenvoud te getuigen, de opmerkzame kon toch in do fijnheid der stoffen, in het point d'Espagne, dat hals en polsen sierde, in de bord uursolen der handschoenen en wambuizen, in de breede rozetten, âals doffers ruijge pooten,quot; die den steil en rood gehakten schoen overdekten, en in do veder die don hoed omwuifde, sporen van verfijning
15
EK NE PREEK IX 162U.
ontdekken, en eene mode die, vooral onder de jongere Monseurtjens, tot een zwieriger opschik begon te lokken.
Het ruime schip der kerk was spoedig door de gemeente gevuld, terwijl de aanzienlijken de met eikenhout beschoten en door breede, rijk gebeitelde luifels overhuifde banken rondom de zuilen, bezetten. In de ruimte, tusschen de zuilerij en de zijwanden, stond een menigte van burgers, die noch met elkander fluisterden voor dat de prediker optrad, terwijl de hondenslager de viervoetige kerkbezoekers verjoeg.
â Wie zal er prediken? vroeg een burger, die tegen een kolom stond te leunen, aan zijn buurman.
â Men zegt Smout, antwoordde deze. De eerste trok de wenkbrauwen op, als gaf die naam reeds veel te denken, en als waren die gedachten van minder opwekkenden aard.
- De gemeente schijnt het geweten te hebben, vervolgde de tweede spreker, â want in lang zag ik het zoo vol niet: een kloek prediker, vol ijver en vuur des geloofs, een gewijd vat....
De andere scheen eene aanmerking, die hij op de lippen had, wellicht deze, dat het een vat was dat wel eens overkookte, terug te houden, want men moest voorzichtig zijn in die dagen.
â Vol van ijver voor 't rechtzinnig geloof, dat nu vertrapt wordt, ging de andere weder voort, â maar dat is er een, die zich den mond niet zal laten snoeren, al hebt ge noch zoo veel vendelen ingenomen, heeren burgemeesters!
Dit zag op de versterking van de bezetting, die de regeering had aangevraagd, en die de tegenpartij het volk diets maakte dat tegen de ware kerk dienen moest.
â Hij durft den hoeren de waarheid te zeggen, zeide de eerste spreker, op een toon die lof noch blaam aanduidde.
â Niet waar? dat durft hij; ik ben nieuwsgierig hoe hij :t heden maken zal; hij is al zoo dikwijls gewaarschuwd en vervolgd, en al twee malen voor burgemeesters ontboden.
â Men meende toen, dat hij wat heftig tegen de regeering had uitgevaren____
â Uitgevaren?â hij heeft ze met Gods Woord gekastijd, omdat zij blind zijn en den mond des Heeren door de predikanten niet willen raadplegen.
â Is dat burgemeester Geelvink?
â fin Andries Bicker, â nu, die zullen daar ook niet voor niets komen en wel scherp luisteren of zij hem vangen kunnen. Zie daar Oetgens ook al met Boom, 't ziet er paapsch uit in die bank.
â 't Ware toch beter, dat hij zich niet zoo scherp uitliet tegen den wettigen magistraat.
lü
EENE PREEK IN 1629.
â Men moet God meer dienen dan de menschen, sprak do andere kortaf en zijn buurman met wantrouwen aanziende.
â Dat is waar â maar de vraag is of God gediend wil wezen op zulke wijze.
â Arminiaan! riep de andere met bitterheid. Doch hij dien het gold had zich reeds omgekeerd om de kerk te verlaten.
De vier genoemde burgemeesters en eenige leden der vroedschap hadden op de gezwollen kussens in het gestoelte over den preekstoel plaats genomen, toen de stormachtige prediker optrad; een man van een vijftigjal jaren, forsch, breed, bloedrijk. Noch in het voorhoofd, dat laag en puntig toeloopend was, noch in de uitdrukking van het gelaat, met de, zoo het in vuur geraakte, gezwollen aderen en de uitstekende wangbeenderen, lag iets edels of grootsch. Moed en vuur, doch met sluwheid gepaard, waren er wel in te lezen, maar te vergeefs zocht men, wat men zoo gaarne vindt, een frisschen, openen blik, die, zoo hij aller oog toelaat er in te lezen, ook zelfs voor alle indrukken van het schoone en edele geopend is.
Als hij gebeden heeft, een lang en bloemrijk gebed, en een van Datheens psalmen gezongen is, zal hij gaan spreken.
Wat zult gij spreken, gij, die u een man Gods noemt en van hem uw lastbrief zegt te hebben? Gij met de schrift vertrouwd, die de leiding der menschen op u neemt, gij zult er wel van doordrongen zijn, dat gij rekenschap zult moeten geven van uw woorden : gij die de misslagen van anderen wilt bestraften, zult zeker diep in uw eigen boezem getuurd en geroerd hebben om u zeiven te leeren kennen; gij, die anderen verbeteren wilt, gij zult toch wel alle eerlijke pogingen hebben aangewend om te beginnen met u zeiven te verbeteren, en alle stootende vergelijking tusschen uw leer en uw leven te doen verdwijnen?
Of is het onbillijk, dat wij van u, die u een censor boven allen, ook boven uwe overheid, acht, verwachten dat gij ze in deugd zult overtreffen?
Voor u ligt de bijbel. Er zijn scherpe hoeken aan. Is het onze schuld, zoo wij rr bij denken welk een vreeselijk wapen hij is, en hom met die metalen hoeken bij eene strijdakst vergelijken? Er zijn ook koperen sloten aan. Is het onze schuld, zoo wij vragen of die moeten beletten, dat hij soms open valle op die bladzijde der liefde? De snede is rood gekleurd. Is het weder onze boosheid, die daarbij denkt aan de bloedige ziels- en gewetensfolteringen, die zoo velen moeten lijden? Is het onze schuld en onze boosheid alleen, die aldus doet vragen en twijfelen? Het is het oordeel der tijden, dat u die vragen in het aangezicht werpt.
Sla dan den bijbel maar open; wij weten thans wel wat zij is, die vunzige schim-
17
18 li ENE PREEK IN 1029.
mellucht, die er uit opstijgt; wij weten het al vooruit dat gij bij voorkeur het oude testament zult opslaan, door u en de uwen in hooger waarde gehouden, om zijn meer theokratischen geest, omdat uw geestelijke heerschzucht naar een hierarchisehen Invloed haakt zoo als gij dien daar vindt, omdat daarin vele gevallen voorkomen van hooze koningen die door profeten en priesters worden te recht gesteld, omdat gij er vooral een tuighuis zult vinden van scherpe wapens ten behoeve van uw zaak.
De prediker heeft den tekst gelezen:
1 Kon. XII ;8: Maar hij verliet den raad der oudsten, die hem geraden hadden.
Terwijl Smoutius breedvoerig den tekst verklaart, van het kleine kluitje zeep een grooten zeepsop kloppende â want de deugdelijkheid van een tekst is als die van de zeep, hoe kleiner en hoe meer schuim, des te beter zijn ze â dwalen onze gedachten een oogenblik af naar de dingen van den dag. En wat was meer het ding van den dag dan de schutterstwisten? Zeker, de remonstrantsche en contra-remonstrantsche beroeringen waren noch steeds de question brülante, de grootste bewegende kracht dier dagen, maar nu was er Iets nieuws, dat daarmede in verband stond.
Het was in October van het vorige jaar, dat Jan Klaasz. Vlooswijk, tot kapitein van een burgervendel gekozen, aan de schutters werd voorgesteld, en dat een aantal van hen weigerde hem te ontvangen. Voor burgemeesteren ontboden, verklaarden de belhamels, dat Vlooswijk een Arminiaan en een vijand van den godsdienst was, dat zij onder geen paapschen kapitein wilden staan, en dat hun eed hen niet verbond ook de vijanden der kerk te beschermen. Burgemeesteren waren inschikkelijk, gaven hun acht dagen van beraad. Maar het complot wies aan en men werd stouter, omdat de predikanten hen openlijk en in het geheim ondersteunden en den eed onverbindbaar achtten. Vergaderingen â opruiende schotschriften onder de gemeente verspreid â petitiën â en de gemoederen waren weldra in rep en roer. Wat een schuttersoneenigheid was van geheel beperkten aard, kreeg door de bekende invloeden het dubbel karakter van eene godsdienstige en staatkundige beweging die op verandering van regeering doelde. De roervinken â en daarbij de twee predikanten Beijerus en Kloppenburg voorop â moeiden er nu de Staten te 's Gravenhage, de synode, en zelfs de godgeleerde faculteit te Leiden in, welke laatste adviseerde, dat de eed niet bond om Iets tegen de ware religie te doen en men dien niet mocht afleggen aan een kapitein, die een vijand van die religie was.
Toen de regeering een dertigtal burgers van den eed ontsloeg en ontschutterde leverden de meesten daartegen protest in, vervoegden zich weder bij de Staten en bij
EKNG PREEK IN'
den stadhouder, en het werd eene veel vertakte beweging en beroering, die van allerlei geheime kanten en invloeden gestookt werd.
Was het scherp, niet onwaar was Vondels hekelvers, dat men in dezen tijd, onder den titel van Boeren Cathechismus, in de boekwinkels ten toon had zien hangen
Boer: Zijn dan dees ezels zonder reden?
Student, 't Blijkt als zij 't volk ontslaen van eeden.
Gezworen aen haer overheden.
B. Dat dient als onkruid uitgewied.
Ons Zalichmaeker leert dit niet.
Die 't volk gehoorzaemlieit gebiet.
Wie port haar aen tot zulko ranken?
S. De boden van Synodes banken.
Wat ruw voor onze teedere ooren en preutsch geworden taal, maar minder ruw toen men de roede niet met bloemen omwond, was het slot;
S. 't Zou Kloppenburg te bijster passen,
Stadsbeedlaar die nu opgewassen Zijn voesterheeren wil verbassen.
B. Al was 't ondankbaar kreng gestroopt,
Gebraden en met Smout gedrcopt,
'k Wed zich geen bont om 't aes verloopt.
En zoo komen wij weder op Smout terug, noch niet als vet met zijn medekemp-haan gebraden, maar aan het eind zijner tekstverklaring, zoodat wij ook de onze zullen besluiten.
De zaak was nu te ver gekomen dan dat de regeering daaraan niet een eindi» moest maken. Burgemeesteren vroegen en verkregen zes vendelen garnizoen ter bewaring van de rust: de voornaamste raddraaiers werden vervolgd, sommige tot langer of korter verbanning of in boeten veroordeeld, andere om blootshoofds God en den gerechte vergiffenis te vragen â alle welke personen dadelijk door den kerkeraad werden vereerd en gecanoniseerd.
De amnestie, die de regeering eindelijk afkondigde, zou de wond verder kunnen
19
KEXE PREEK IN 1029.
heelen. Maar het was noch een teedere plek en de minste ruwe aanraking zou ze weder openrijten.
Smontius had den tekst breedvoerig uiteen gezet, en naar den smaak van dien tijd overvloedig met Grieksche en Latijnsche aanhalingen doorspekt: hij had de geschiedenissen van Israël verhaald, hoe Rehabeam koning geworden, gehoord had den raad der ouden en den raad der jongen; hoe de ouden geraden hadden het volk te ontzien (hier de rechtzinnigen) en hoe hij het niet deed; hoe de jongeren geraden hadden zijn volk te onderdrukken, en den raad der ouden (hier de kerkeraad en de predikanten) in den wind te slaan; hoe krijg en rampen daarop waren ontstaan; en hoe het volk hem daarop was afgevallen, en opgestaan; (was dat in dit geval de raad van Smout aan het volk?)
Daarna betoogde hij twee stellingen: hoe ten allen tijde in Israël de ouden en de mannen Gods de macht hadden gehad den koningen te raden en hen te bestieren, en hoe het in den wind slaan van dien raad altijd rampen over het volk had gebracht. En nu volgde de toepassing, waarbij hij zich naar burgemeesters bank wendde:
â Wij zijn de geroepenen en de gezalfden om de waarheid te verkondigen, sprak hij: â Wat moet er worden van een land welks hoofd de ware religie verdrukt en den vijanden des geloofs voet geeft? Do Heere Heere bezoekt ons met zware plagen. De vijand ligt voor de grenzen, en wie weet wanneer hij in het land, in uwe stad zal zijn! Wie is de oorzaak van deze bezoeking? Ziet, het geschiedde als koning Achab Elia zag, dat hij hem zeide: zijt gij de beroerder Israëls?
Toen zeide Elia: ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, omdat gij den Heere verlaten hebt en de Baalim navolgt.
Wie zijn de beroerders in Israël? Gij zijt oorzaak dat God den vijand tot straffe over ons brengt! Gij bobt gedaan als Rehabeam, gij hebt den raad der ouden versmaad, omdat gij ons gering en als kwajongens acht! Gij luistert naar een hoop poëten en orateurs en juristen, die hun dingen uit heidensche boeken en wetten halen, maar wij zeggen u: de Heere zegt! Wij hebben de wet en de profeten; pleegt dan met ons raad en volgt, onze vermaning. Wij zijn uwe herders; zal ook het schaap zijnen herder regeeren? Wee den afvalligen, zegt Jesajas, die zonder mij raadslagen!
Herstelt dan die voor de ware religie onrecht geleden hebben, herstelt die gij ontschutterd hebt! Volgt niet na de voetstappen Rehabeams, want de Heer strafte Rehabeam, en het volk viol van hem af. Keert dan terug van uwen zondigen weg, en laat het niet van u gezegd worden: na deze geschiedenissen en keerde Jerobeam niet van zijnen zondigen weg! â
KENE PU EEK IX 163).
Wat burgemeester Oetgens en zijn collega Bicker hebben opgeschreven gedurende de preek?
Wij zullen later zien hoe zij er over dachten. Wat de gemeente aangaat, een enkele slechts daarvan bij wien de rede geen grooten indruk had gemaakt, dien de wilde soort van geheel uiterlijke welsprekendheid niet had medegesleept. Clij hebt weder ruimschoots gezaaid, Smoutius, en wie het zaad hier opnam zal het weldra ook zelf daar buiten verspreiden, â zij zullen wel rijpen, die zaden, zij zullen wel spoedig rijpen en vrucht dragen.
DE MAGISTRAAT.
Het nieuwe stadhuis, des werelds achtste wonder, was noch niet eens als kunstgedachte in van Campens geest ontkiemd, en hoewel reeds lang de klacht rees, dat het oude te klein was en de vroedschap er op zinde een nieuw te stichten, deed men het noch maar met het
Aeloiul Stailliuis, verminkt stèluiis, Gewoon van ouderdom te bukken.
Dat bestond eigenlijk uit drie deelen. Rechts, als men er voor stond, jwas het oude gebouw, met zijn geheel onversierden, puntigen gevel, beneden van grauwen bergsteen boven van gebakken steen opgebouwd; links de latere aanbouw, waar, in de vensterbogen (Mi nissen der éene zich boven een open bovengang verheffende verdieping, de gothische klaverfiguur als eenig versiersel zichtbaar was; en tusschen deze twee de van zijn klokwerk, en zijn spits met de oude kogge in top, beroofde toren. Het geheel, meest uit de 15° eeuw herkomstig, was zeker zeer nederig, en stak in eenvoud af bij de omringende huizen, die reeds meerendeels in den vroolijken, frisschen trant van geschakeerden rood-kleurigen baksteen en grijzen bouwsteen, en met slanke spitse tnipgevels waren gebouwd, In dezen toren was burgemeesters kamer, en het was daar dat Smoutius eenige dagen na de preek, die wij bijwoonden, binnentrad. Als wij hem vooruit gaan, zien wij de vier burgemeesters reeds aan de groene tafel gezeten, waarop, behalve eenige papieren en boeken, een hamer lag, van een tafelbel en inktkoker vergezelschapt. De voorzitter vatte
22 EENE PREEK JX 1(01.
de bel, wier klinkende klepel een bode deed binnentreden; en deze, het behangsel voor de deur opgelicht hebbende, bleef staan.
â Is de weleerwaarde heer Smoutius present?
Edelgrootachtbare hoeren, de weleerwaarde is in de secretariskamer wachtende;
zal hij â
â Geleid hem bij burgemeesteren.
Zwijgend en strak â als waren zij veeleer een tooverachtig uitvloeisel van de hand van Rembrandt of Thomas de Keyser, of van een der velen, die, karakteristiek en echt nationaal kunstgenre, hun vermaarde regenten vereeuwigd hebben â zwijgend en strak zaten zij toen de prediker binnenkwam, en zoolang hij van de deur tot de tafel voorttrad. Geen geluid dan het kraken der zandkorrels op den vloer onder Smouts schoenzolen. Eenen minder onvervaarde mocht de moed in de schoenen gezakt zijn â bij hem toonde geen spierbeweging aan, dat, het gerekte en pijnlijke stilzwijgen hein raakte.
Hoe luttel kans op gunst er was voor hem, die hier werd opgeroepen, zoo hij aan de orthodox-kerkelijke zijde stond, kon de eerste oogopslag toonen. Daar zaten niemand minder dan Jan Corneliszoon Geelvink, naar den regel de van het vorige jaar aangebleven burgemeester, en de drie nieuwe: Abraham Boom, gedurende deze drie maanden voorzitter, Anthony Oetgens van Waveren en dr. Andries Bicker Gerritszoon, allen uit patricische regentengeslachten gesproten, en die met de overlevering van het gezag ook den wil om het uit te oefenen geërfd hadden; allen reeds dikwijls met elkander als burgemeester of in de vroedschap opgetreden. Bicker en van Waveren, die met Benningen en Hooft, des drossaarts vader, reeds in 1622, toen het noch gevaarlijk was, vrijzinniger taal hadden doen hooren en den openlijken schimp der predikanten tegen de vroedschap uitgelokt hadden; van Waveren, later de groote tegenstander van Willem II, die in 1625 en 1627 met Geelvink en Bicker die zelfde vrije en gematigde beginselen in burgemeesters kamer hadden overgebracht, en tegen wie dan ook bij de vernieuwing van den magistraat, een alom verspreid schotschrift waarschuwde;
Dit zun de Quanten
Die oprechten willen de Arminiaansche Santen, enz.
allen de verklaarde en machtigste vijanden van wat zich in den name van God en den rechtzinnigen godsdienst, het recht gegeven waande over der medemenschen gewetens te beschikken, en van den heerschzuchtigen dwang der geestelijken. Bicker zal de stilte het eerst breken. Hij is in de volle kracht en zelfstandigheid van een leven, dat noch
T
.
EEN 10 PREEK IN Uilquot;-'.
geen vijftig jaren telt, met het kloeke, beraden gelaat, den strengen blik, de vaste, bi) wijlen sarkastische lijnen van den mond in den grooten knevel en spitsen baard niet verborgen: de zelfde zooals dertig jaren later van der Helst hem schilderen zal.
â Heer predikant, burgemeesteren hebben u voor zich ontboden.
â Ik ben bereid den Edelgrootachtbaren Meeren ter wille te zijn, zoo ver in mijn vermogen is, antwoordde de toegesprokene, wien geen wenk zelfs een zetel had gewezen, den ongeveclerden breedgeranden hoed in de hand houdende, en buigende met een eerbied, waar geen deemoed, maar slechts vormelijke beleefdheid in lag.
â Zooveel dat in uw vermogen is â gij kondt daarmede eene achterdeur openhouden, waarmede burgemeesteren niet gediend zullen zijn. Wij willen opheldering en verantwoording van uw gehouden tale in de laatste biddagpreek.
â Ik heb gesproken tot opwekking en stichting van de gemeente. De mensch is een arme, ellendige zondaar, geneigd tot alle kwaad, en zoo hij daarom dikwijls iets hooren moet wat zijn trots en eigenliefde kwetst, het is het Woord des Heeren dat wij niet mogen terughouden. Ik weet niet met woorden iets misdreven te hebben, â sprak hij met den grootsten eenvoud.
Het was behendig de zaak dus te draaien alsof hij niets buitengewoons gezegd had.
Bikkers voorhoofd fronsde zich en de samengenepen lippen toonden de ingehouden drift.
â Het is niet de eerste maal. Weleerwaarde, dat wij u hier spreken, en wij kennen uwe procedures, die ons echter niet van den weg zullen brengen. In tijden als dezen, waarin het gemeenebest van buiten in oorlogen gewikkeld is, kan geen twiststoken van binnen geduld worden, en zal men strengelijker te werk moeten gaan, dan men anders doen zou.
â De kommerlijke tijden, waarop gij doelt, zijn Gods vinger die waarschuwend dreigt; en het is de plicht van de dienaren des Woords, dit der gemeente onder 't oog te brengen.
â Daarover willen wij niet twisten; de zaak is, dat burgemeesteren, zoo zij besloten u nochmaals over uwe heftige predikatiën te onderhouden, tevens besloten met kracht en ernst daar een eind aan te maken, te meer daar vroegere vermaningen zonder invloed zijn gebleven. Het is niet over uwe prediking van Gods Woord dat wij u willen sprekenâ maar over uwe politieke bemoeiingen, en uwe beoordeeling van den magistraat.
â Als burgemeester Boom het mij vergunt, sprak Oetgens, eenige met potlood geschrevene aanteekeningen voor zich nemende â zal ik de geïncrimineerde uitdrukkingen ter sprake brengen.
De voorzitter knikte toestemmend. â Heer Adrianus Smoutius, vervolgde Oetgens,
23
KKXE PREEK IX 162(.).
wij wenschen de gehoudene predikatie aan ons overgeleverd te zien, opdat wij haar nader kunnen onderzoeken.
â Het doet mij leed, zeide Smout, beleefd buigende en met oen gebaar van verontschuldiging, â dat ik hieraan niet voldoen kan; de kerkeraad heeft daartoe geen verlof gegeven.
â Uwe weigering zal ons het recht niet uit de hand nemen dat stuk te beoordeelen.
Het bleek nu wat burgemeesteren hadden zitten schrijven onder de preek. De
geschrevene aanteekeningen kwamen ter sprake. Smout aarzelde eerst en draaide er om heen, doch eindelijk op den man af daartoe opgeëischt, erkende hij dat hij met de beroerders van Israël den magistraat, met Rehabeam de burgemeesters bedoeld had. Nu zal men moeten bekennen, dat het minder vleiend is openlijk een beroerder van Israël genoemd en met een boozen koning vergeleken te worden; en, is het dus in burgemeesteren te begrijpen, dat zij daarmede niet gediend waren, dan strekt het hun tot lof, dat zij hem met gematigdheid vroegen of hij dan niet op andere wijze zijn beklag had kunnen doen, en hoe hij meende te kunnen verantwoorden, dat hij aan de gemeente aldus het recht tot opstand predikte.
â De ergernis is publiek gegeven en moest ook publiek gestraft worden, zeide Smout. Hij trad daarop in een lang betoog over den schutterseed, over de Arminiaansche ketterijen, en sinds wanneer, vroeg hij, sinds wanneer weigert men der kerk het recht om in kerkelijke zaken te beslissen en over predikanten te oordeelen, â sinds wanneer zou een predikant niet meer het recht hebben de gemeente te vermanen over hare afdwalingen? De heer Oetgens vroeg waarom ik niet elders beklag had gedaan; meent hij daarmede bij den prince? Dat is meermalen zonder vrucht geschied â en het schijnt wel dat Zijne Doorluchtigheid ook in Amsterdam niet alles kan of durft.
Dat was een stout woord. Der Amsterdamsche regeering â de kern dier autokratische en oligarchische macht, die steeds rijzende was naar het toppunt van schier onbeperkte heerschappij, en in wier hand de prediker thans geheel was als een schaap onder de wolven â al konden de herders het naderhand wreken â, aan die regeering in het aangezicht te durven zeggen, gij die mij van heerschzucht beschuldigt, gij ziet den balk in uw eigen oog voorbij!
Een stout woord, en zoo dit uwe bedoeling geweest is, dan hebt gij âde hand in de tasse gestoken ende eenen steen daar uyt genomen, ende dien geslingerd en getroffen den Philistijn in zijn voorhoofd.quot;
Of het een schoen was dien men zich aantrok, omdat hij scheen te passen, dan wel of het alleen om de beleediging was, burgemeester Boom zag den spreker strak in
24
EENE PREEK IN 1029.
liet gelaat en vorschte naar het doel. Dat gelaat loog niet â het was rood, de grijze oogen schitterden onder de gefronsde wenkbrauwen. Boom richtte zich op in zijn armstoel, en de saamgenepen hand wat zwaar op de tafel leggende, zeide hij langzaam;
â De heer Smout vergete zich niet â en bedenke dat hij voor burgemeesteren van Amsterdam staat.
Dat was zeker geen kleinigheid, en er was geen zweem van snorkerij in deze woorden. Menig stout spreker zou hier wat ingebonden, menig hoofd hier gebogen hebben. Burgemeesteren van Amsterdam â die heeren en meesters van Amstels macht en rijkdom, die in de weegschaal tegen de stadhouders zoo dikwijls de zwaarste bleken, die slechts de Staten boven zich rekenden, wier besluiten zij toch zoo vaak verlamden, en die zoo dikwijls tot de heerschzuchtigste willekeur vervielen; maar ook, men moet het nooit vergeten, de mannen die rusteloos den lande dienden, mannen die minder geleerd en welsprekend dan men er thans zoo velen vindt, maar gewoon waren zeiven, nü te velde, dan op de vloot, dan als gezant of in de raadzaal, alles te gelijk te wezen, mannen van de pen, van het woord en van het zwaard.
Het was een stout woord, Smoutius, en zoo wij u eene deugd moeten toekennen, is het zeker die van onversaagd uwe meening te uiten. Maar ook Smout stond niet alleen; mocht hier voor het oogenblik de kans niet gelijk staan, op den duur en op een anderen grond was zij dit wel, want achter den eenvoudigen prediker stond de kerkeraad, maar vooral het volk, dat zich laat opwinden en als werktuig gebruiken, en dan met blinde kracht voortholt.
Belangrijk was het die twee machten tegenover elkander te zien, de wereldlijke en de geestelijke, de wet en de kerk, strijdende wie heerschen zou.
Toen Smout bemerkte dat het ernst werd, kwam hij met een voorslag aan; de kerkeraad namelijk had twee predikanten willen afvaardigen om burgemeesteren de bewijzen af te vragen, die zij tegen Smout hadden, en hij betoogde weder dat het alleen aan den kerkeraad stond in deze geheel kerkelijke zaak te oordeelen.
Het was gedurende dit geheele onderhoud zijn streven cle kern der zaak te ontwijken. De voorzittende burgemeester gaf hem dit duidelijk te kennen.
â Noch de verbindbaarheid van den schutterseed, zeide hij, â noch de strijd tusschen Dordt en de remonstrantsche societeit, noch het recht der kerk om over hare predikanten te oordeelen, zijn punten in kwestie, maar uwe politieke bemoeiingen en openlijke beoordeeling uit den preekstoel van daden des magistraats. Daarom zullen wij niet dulden dat de zaak kerkelijk behandeld worde, maar ze politiek behandelen en zonder vorm van proces alle seditiëuse predikaties weren.
25
EENE PREEK IN KB».
Daar dit zooveel gezegd was als; â wanneer wij het morgen goed vinden, zetten wij u de stad uit, en hot voorbeeld van collega Kloppenburg') hem voor den geest kwam, meende Smout noch éene poging te moeten wagen op hun gemoed, daar hij tegen verstand en wil te vergeefs had gestreden.
â Ach mijne heeren! zeide hij â komt noch tot bekeering, werpt u voor des Hoeren voeten, buigt u neder voor den Heere van Israël, gij zult het moeten verantwoorden, zoo gij de ware religie in gevaar stelt, â doch de hartstocht en het fanatisme, waarmede hij vasthield aan wat hij de goede zaak meende, sleepten hem weder mede: â Gij zult de verdrukking der kerk moeten verantwoorden, vervolgde hij scherper; denkt aan Jerobeam, als hij de hand tegen den man Gods uitstrekte, zoo verdorde zijne hand: â wat mij aangaat, ik zie wel hier geen recht te zullen erlangen en dat elders te moeten zoeken.
â Heer predikant, antwoordde Boom met kalmte en waardigheid, ook wij hebben te verantwoorden â de rust van stad en gemeente. Elders recht zoeken, zegt gij; bij wie? Meent gij dat gij de zaak wederom op den kansel zult brengen en het volk opruien? Dan weten burgemeesteren wat hun te doen staat, en dan zullen zij het volk en de waarachtige religie tegen dergelijke seditiëuse procedures beschermen; het is niet voor niets dat nieuwe vendelen zijn ingenomen, en zoo het tot het ergste komen en daarvan mocht gebruik gemaakt worden, burgemeesteren zullen zich voor God en hun geweten kunnen verantwoorden.
â Qwe zaak zal in advies gehouden worden.
Het verhoor werd gesloten. Smout vertrok zoo als hij gekomen was, en terwijl burgemeesteren noch een wijl âin het torentjequot; beraadslaagden, werd de draad, waaraan het zwaard boven zijn hoofd hing, al dunner en dunner.
DE VRUCHT DER PREDIKING.
En geen Monarch zoo gau Zijn heir brengt op de been, als wij het woeste graan.
Kalebas in Vondels Palamedes.
Welig opgeschoten onder de broeiende hitte van het steeds opwekkende woord, was het zaad rijkelijk voortgewassen en droeg weder vruchten tienvoud en honderdvoud. Wat in de eerste jaren van 1600 een strijd was geweest tusschen twee theologen, maar
') Vroeger om gelijke reden de stad uitgezet.
EEXE PREEK IN 1G3).
toen althans (voor dat hij zich over hunne leerlingen ging uitstrekken) binnen de wetenschap bleef, was allengs van alle zijden in het leven ingedrongen en was ook onder het volk geraakt met zijn nasleep van verblinden hartstocht en woeste driften.
Even als in het algemeen deze twist dier eeuw geen zuiver theologische bleef, maar tevens een staatkundige was geworden, was dat ook onder het volk. De handhaving van de ware religie was altijd de hefboom, en de meest blootliggende reden, maar daaronder school voor de groote heeren, de burgers en het gepeupel, naar ieders aard, een wereldscher inzicht. Het volk had natuurlijk even veel begrip van de stadhouderlijke en staatsche politiek, als van Drebbels toen pas uitgevonden pepetuum mobile: maar dat groote gemoedsleven, door geen verstandsleven verlicht, wordt zoo gemakkelijk in beroering gebracht door eenige woorden die het nauw begrijpt. Vandaar dat er altijd zoo veel gezeten burgers gevonden werden onder het muitende gepeupel dat alleen troebel water verlangde.
In eene der achterstraten in den omtrek van het noordelijk deel der Prinsegracht, was eene herberg, het Moriaentje genaamd naar een beeldje, dat boven de luifel als uithangbord uitstak, en dat met de traditioneel-nationale kenteekenen van zijn ras, zwarte bloote beenen en armen, een koolzwart gezicht met dikke, roode lippen, veel wit in de verbaasde oogen en een vederbos op het hoofd, was uitgedost. Deze personage, zoo hij eenmaal in zijn vaderland gruwelen gezien had, zag er thans niet minder, want zijn waard en meester kon zich beroemen het beste bier en den besten sterken drank te schenken (welk een sarkastiesch woord is dat schenken!) aan het slechtste gespuis dat er toen in Amsterdam te vinden was.
Het Moriaentje was tegenwoordig een politieke club; daar kwamen nu gewoonlijk, behalve al die heidenen die eene groote stad in de kelders en zolders barer stegen bewaart, ook noch de helden en staatslui van de kan en de kroes, en die ontevredenen die zich van de troebelen iets beloofden.
Onder die groepen, op de bierbank gezeten, was er eene van de anderen eenigszins onderscheiden: te zeggen dat die drie mannen van beter gehalte waren dan de rest, is wellicht te gunstig gesproken; misschien waren zij noch slechter dan de overigen, omdat zij beter hadden kunnen zijn.
De eene zag er half als een krijgsman half als een burger uit; de breede groef dwars over zijn bruin gezicht had hij zeker niet door de kan of het mesje, maar op eerlijker wijze, wellicht onder Maurits in het open veld opgeloopen; eenige zorg aan baard en knevel besteed, en een platte vrij zindelijke halskraag toonden dat hij niet tot het laagste gemeen behoorde. Half vrijbuiter, zoo als de toenmalige soldaat was, kon hij
EEXE PREEK IN 102(.gt;.
zich nu buiten dienst moeielijk rustig houden; even dapper als hij dronk, schonk hij van het krasse bier aan zijne kameraads, waarvan de een, een klein gezet kereltje, met een burgerlijk rood gezicht, en de dichte kroeze haren door een muts met een haneveer gedekt, reeds vrij opgewonden was. De derde had een soort van deftigheid over zich, daaruit voortspruitende, dat hij de geleerde van de bent was, en de man ijverig in het besturen van geheime bijeenkomsten, in het opstellen en doen onderteekenen van petities en dergelijke karreweitjes.
Deze drie personen genoten in dit gezelschap eenig aanzien en zaten ook afzonderlijk. De vierde die bij hen kwam was een theologische geestdrijver, lang en schonkerig, een groezelig gezicht vol schaduwen, die men niet wist van waar zij kwamen, met dat leelijke soort van vel dat nooit schoon wordt, alsof er in plaats van bloed inkt in zijne aderen zat en door het vel doorscheen.
Op het tijdstip, dat wij hen nu zien, waren de drukte en het rumoer op het hoogst gestegen. De laatst binnen gekomene, met het vuile gezicht, had onder die groepen in het voorbijgaan eenige woorden gestrooid â vonken in het buskruit.
â Wat is er aan de hand? vroeg hem de eerste van de drie personen, die wij meer bizon der beschouwden.
â Er is sprake hoe die Arminiaansche Belialskinderen weer aan den gang zijn, antwoordde de toegesprokene, zij houden eene groote bijeenkomst van avond.
â Naar den Satan met de Arminianen! klonk het onder de menigte.
â Sint Velten schen ze! zij hebben eergisteren ook al gepreekt; zij komen van avond weer bijeen.
â Bisschop is in de stad gezien; die komt ze weer opruien.
â Waar â waar komen ze van avond?
â Bij Joris Klaaszoon. Jaagt ze uiteen!
Dat kruiste elkander uit dertig monden.
â Wat voert de magistraat uit, als hij dit niet belet! bulderde onze gewezen soldaat.
â Steek me de moord! riep het driftige, kleine kereltje met de haneveer, opstaande en zijn kroes zwaaiende, â dan moeten wij er tusschen komen, als de magistraat het niet doet! Er uit mannen, jaagt het paapsche konventikel uiteen!
â Wat zou de magistraat doen? vroeg de politieke zendeling, â de magistraat is zelf Arminiaansch.
â Hoezee! klonk het, juist gesproken, leve Meester Jansen!
De geleerde voelde zich daardoor aangespoord om noch een woordje te zeggen, en hij ging, op de bank staande, een redevoering houden.
EENE PKEHK IN lü2ü.
â Wat moet er met den paapschen magistraat gedaan? Hem dwingen de goeden te beschermen tegen de Arminiaansche scheurmakers â of anders hem zelf wegjagen â
â Er is geen heil meer, bromde de sombere stem van het vuile gezicht er tusschen, dan voor libertijnen en ongodisten; Maranatha!quot;
â Weet gij wat het drijven der regeering i.s? sprak de andere door. Zij heulen met den Spanjaard, om het volk weer paapsch te maken; daarom willen zij den prins ook weg hebben____
â Altijd beter een prins in de verte dan burgemeesters dicht bij! riep de opgewonden kroeskop.
De redenaar gaf hem een trap om deze onvoorzichtige woorden, die het publiek, meer dan noodig was, in hun kaart liet kijken.
â Wat heb jij op den prins! riep de soldaat, uit een oud zwak, tegen zijn al te demokratischen makker; â leve de oude tijd.
Toen mijnheer de Prins Gommers zijil' die boven hing Troostte met zijn stalen kling.
â Leve de stalen kling, dat is de beste bezem om ze van 't kussen te vegen!
â Wee wee, wee over de boozen die heulen met den Satan, die het ware geloove vervolgen, zij zullen uitgeroeid worden die hoereeren met de Baalim! klonk weer de sombere tusschenzang, die zich telkens te midden van het gekrijsch der andere stemmen liet hooren.
â Houd op met dat uilengekras! riep de woelige en verhitte kroeskop tegen den viezen boetprediker, die hem bizonder begon te vervelen, â houd op, dat is alles mooi en wel; maar hier zitten wij onder ons, en weten wel beter; we hebben die vroomheid niet van noode; hei, licht liever de kan eens op, hoezee! Leeg ze op den stalen bezem â kling meen ik, â hoezee! noch eens, zwarte raaf! omhoog met de kan en giet haar in je rechtzinnigen gorgel op het lange leven van alle vroolijke hansen en de eeuwige verdoemenis van alle krassende uilen â zoo als jij!
De ruwe luidruchtigheid van dezen oproermaker had een troep der aanwezigen om hem verzameld; de dweeper, zoo als hij daar zat, met den breedgeranden hoed, waaronder nooit de heldere zon hem in de oogen kon schijnen, somber door de vuile kleur van geheel zijn gedaante, en stokstijf door een ruggegraat, die in plaats van uit wervels uit een stuk gemaakt scheen, leverde een potsierlijke vertooning op bij den
EE NE PREEK IN KLquot;-».
andoro, die hem de kannen biers deed inzwelgen, den hoed noch dieper in de oogen sloeg en hem eindelijk omhelsde.
Terwijl de wijsheid bij de mannen in omgekeerde evenredigheid stond met het ledigen van de kannen, bracht dit tooneel niet weinig bij om de woeste opgewondenheid hooger te doen stijgen.
Wij zullen het vuur laten voortsmeulen; wij hebben noch maar den rook gezien, straks zal de vlam met lichter laaie uitslaan.
De zon, voor de huizen in de straten reeds ondergegaan achter de woningen dei-overzijde, verlichte noch de toppen der westelijke geveltoppen en vergulde de ruitjes der bovenvensters.
De burgers, die na het eind van het dagwerk, rust van den arbeid, of verademing van de warmte binnenshuis, in den koelen dampkring daar buiten zochten, en die, onder den luifel op de bank, de nieuwtjes bepraatten, welke de laatste loopmaren of courante novellen hadden medegedeeld over de vorderingen van den prins voor Den Bosch, maar helaas ook over de dreigende nadering van den keizerlijken en Spaanschen vijand in het land, begonnen zich weldra over ongewone beweging en rumoer te verwonderen onder eenige horden volks, die hen voorbij trokken. Als een loopend vuur ging het alras rond, dat het volk op de been raakte om eene Anniniaansche vergadering' uiteen te drijven. Het leed dan ook niet lang of de kleine kern, die wij zich hebben zien vormen, dijde tot eene van alle zijden aanwassende volksmassa uit. Elke steeg die zij doorkwam leverde nieuwen aanwas, en al wat zich op straat bevond voegde zich er bij, gedreven door die onweerstaanbare kracht van aantrekking en opwinding, die elke oploop voor het volk bezit en waardoor zoo vele beteren met het gespuis worden medegesleept. Aan het eind van een paar lange straten gekomen, sloeg de menigte de Prinsegracht op, en hield daar weldra stil voor een huis van vrij aanzienlijke gedaante, waar Joris Klaasz., de verdachte woonde.
â Hier zijn de Arminianen! krijschten de stemmen, hier zijn zij ter preek!
â Er in mannen, valt aan! slaat dood! trapt de deur in! rijt de luiken open!
Een aantal vuisten rammeide op deuren en vensters, terwijl men schreeuwde om
den huisheer. Er verliep eenige tijd, waarna een der bovenvensters geopend werd en Joris Klaasz. de onstuimige menigte tot stilte wenkte, die zich als een golvende watermassa beneden hem bewoog.
â Hier ben ik mannen â wat wilt gij van mij? â wat heb ik ulieden misdaan?
â Lever den Arminiaanschen prediker uit! riepen een paar stemmen. â Neen, klonk het van eene andere zijde, dat is niet genoeg, laat ons binnen â er wordt hier
EE XE l'KKEK IX HÃ'.I.
gepreekt â wij moeten ook wat van de mis hebben! â de deur open of je huid is er meè gemoeid!
â Gij bedriegt u, goede vrienden â men bedriegt u; â er wordt hier niet gepreekt â er is hier geen Arminiaansche vergadering.
â Dat lieg je â de deur open â of het gaat in brand!
â Welaan, dat twee of drie van u hier komen â die kunnen zien____
Een steen zwierde door de lucht en rukte, de ruit des vensters doorvliegend, den burger de muts van het hoofd. Toen sloot hij het luik, twijfelend wat te doen. Een oogenblik later stoof hij de trap af, naar de binnenkamer; grooter schrik noch, dan do aanval verwekt had, joeg hij zijne vrouw aan toen hij het boven den schouw hangende geladen roer afnam. Hij had besloten zich te verdedigen; de luiken waren stevig, de deur goed voorzien van klink en ketting, en hij kon het uithouden tot wellicht de schout of een korporaalschap der bezetting zou opdagen. Zoo stond hij in het voorhuis, de wakkere burger, de kogeltasch om de schouders en leunende op het lange roer, gereed den eerste die de schendende hand aan zijn huis zou slaan, door het raam neer te schieten, â zoo stond hij als tegenover een vreemden vijand, als in een bolwerk of walgang. Doch wat hij niet zoo spoedig gewacht had gebeurde;, met een langen balk door het muitende gespuis ingeramd, splinterde de deur en bezweek ten halve. Toen bemerkte hij door het half geopende paneel, dat hij weinig kans had zich tegen de woedende gezichten die hij ontdekte te verdedigen. Hij wierp zijn musket op den grond, want hij dacht om de zijnen; naar het achterhuis te vliegen, vrouw en kinderen den tuin in te drijven en over den muur bij een buurman te redden â dat was de oogenblikkelijke uitvoering van een kort beraad, en werd hem noch vergund door de belemmering, die de half ingevallen deur den binnendringende!! aanbood.
Toen het grauw binnen was, vond het geen Arminianen, geen predikant, geen kettersche vergadering, â niets dan een verlaten huis. Het was noch bezig met de meubelen uit de ramen te werpen, blinden en vensters af te rukken, ja zelfs tot van hot dak pannen en sparren naar beneden te slingeren, toen eindelijk eenig krijgsvolk aanrukte. De schout was al eens komen kijken, maar op zich zeiven niets kunnende doen, weder vertrokken, en het had lang opgehouden, eer men overeengekomen was een korporaalschap musketiers van de bezetting, of wat ruiters van de wacht te doen oprukken, want zoo als men eenerzijds machten had die telkens in elkander ingrepen, was er ook somtijds weder zulk eene vrees voor de grenzen van elks gezag, dat men in het geheel niet handelde.
Zoo onze aandacht niet geheel op het huis gevestigd ware geweest, hadden wij
31
KENE PREEK IX 1629.
aan den zoom der tierende volksmenigte een jongen man kunnen opmerken, die er naar scheen te kijken en tevens geheel in de beschouwing verzonken was. Die in zijn binnenste had kunnen lezen, zou er een vergeten van het gruwelijke van het feit, en een zonderlinge soort van welgevallen in die beweging, in die koppen en figuren vol hartstochtelijke uitdrukking, in die door elkander woelende groepen hebben opgemerkt. Door een gedrang om zich heen werd hij uit zijne studie gerukt. Er was een bejaard man, reeds grijs van haren, en met een wijden tabberd met bonten zoom, als beschutting tegen de avondkoelte, gekleed, dien eenigen uit den hoop bezig waren te beleedigen. De krijschende stem van een woest wijf had geroepen: â ik ken hem, hij is ook al van 't hondje gebeten! En â een kettersch predikant, dat liep als een vuurtje rond. Men trok hem reeds bij den tabberd, toen de jonge man hem onder den arm vatte en het wijf ter zijde duwde.
â Weg! riep hij. Die man is zoo rechtzinnig als Smout â of als jij en ik, liet hij er op volgen, terwijl de knevel den sarkastischen trek om zijn mond bedekte, â op zij!
Of men opzag tegen de forsche en breede gestalte, het scherpe en vaste oog, en de fiksche vuist, die uit de mouw van het wambuis stak, of dat men door een vernieuwd getier aan de zijde van het geplunderd wordende huis werd afgetrokken, toen hij zich met den linker arm ruim baan maakte en met den rechter den andere medevoerde, zeker was er niemand die zich daartegen kantte.
â Gij hebt een goed werk gedaan. God loone u! zeide de oudste, onder het voortgaan, kent ge mij?
â Neen, was het antwoord.
â Ik heet Sylvius, predikant alhier. De jongeling lichtte den hoed even van het hoofd.
â Geen dank, heer Sylvius, wat ik deed is niet meer dan natuurlijk.
â Woont gij hier? Wie zijt gij?
â Ik woon niet hier â doch hoop dit met het volgende jaar te doen. Vaarwel, heer Sylvius, daar ginder ligt de schuit, ik moet naar Leiden.
â Kom bij mij zoo gij hier weder keert, zeg mij toch uw naam.
â Rembrandt van Rhijn, zeide de andere, de hand ten afscheid schuddende en den hoed afnemende.
Ziehier wellicht de eerste aanleiding tot hunne kennismaking; toen de schilder in 1030 zich te Amsterdam gevestigd had, leed het niet lang of hij vond bij dien predikant zijne Saskia van Uylenburgh, het zusterskind van Sylvius' vrouw.
Doch zoo wij u naar die trekschuit leidden, het was niet om er Rembrandt te zien instappen, maar om er u den weg te wijzen.
32
EKNK PREKK IN llL1'-».
Wij moeten den 83ton Januari van het volgende jaar. 1630, weder naar dit veer, om er weder eene trekschuit te zien afvaren. Het is nacht, maar men kan toch zien dat er dichte groepen van nieuwsgierigen staan die zicli hierheen begeven hebben. Er wordt daaronder op velerlei wijze gedacht en gemompeld over het gebeurde.
Dat gebeurde, het was dat de kerkeraad op aanvraag der regeering geweigerd had iets tegen Smout en de ziinen te doen; dat deze noch eens bij burgemeesteren ontboden was, omdat hij wel verre van zich in te toomen, had verkondigd vroeger algemeen gesproken te hebben, doch nu bizonderlijk te zullen spreken, van inquisitie en persecutie had gewaagd en gezegd had: gij geveinsden werpt den balk uit uw oog, gij die de religie onderdrukt; â het was dat burgemeesteren weer vergeefs wachtten dat de kerkeraad daartegen iets deed; het was eindelijk dat burgemeesteren, met advies der vroedschap, besloten de zaak nu ten leste politiek, dat is buiten vorm van proces af te doen.
Het is ten gevolge van dit alles dat in den nacht van 8 Januari de woelgeest, dien wij kennen, te midden van de nieuwsgierigen doorgaat, en in de schuit stapt om daarmede de stad te verlaten.
Dat hij dit zoo gedwee doet, het komt daarvan dat de dunne draad, waaraan boven zijn hoofd het zwaard hing, gebroken was, en hij een papier in den zak draagt van dezen inhoud:
Burgemeesters ende Regheerders der Stadt Amsterdam belasten 1). Adriaen Smout, om redenen, op morghen voor 't ondergaen van de Sonne, de Stadt en de Vryheydt van dien te ruimen, sonder daer weder in te komen, op pene indien hy voor do voorsz. tydt niet en vertreckt, van door den Heere Officier daer wtgeleyt te worden. Actum den Sevenden January 1030.
Ter ord. van haer E. E.
D. MOSTART.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
H et leven is al zoo dikwijls bij een boek vergeleken, dat het mij verwondert die vergelijking zelfs in de verte noch te durven aanroeren.
Maar als het leven een boek is, dan is het een boek, dat de meeste menschen niet lezen. Men moet ook bekennen, dat vele van die boeken het lezen, ja zelfs het opensnijden nauwelijks waard zijn. De meesten kennen noch het levensboek van anderen, noch zelfs hun eigen. Dit laatste leggen zij achteloos ter zijde, of zetten het netjes ingebonden in een pronkkast; somtijds zien zij naar den rug en titel, maar zelden in de bladen. Ik voor mij, als alle boeken, heb ik ook die levensboeken lief; het is mij een genot te bladeren zoo wel in het mijne, als in dat van anderen. En als ik dan soms een prentje ontmoet, of een plaats die mij doet lachen of weenen, leg ik daar een vouwtje bij en laat ze wel eens aan anderen kijken.
Zoo gaat het ook nu.
Ik neem mijn levensboek van een der boekenplanken af en blader daar in. Het is een tamelijk groot boek en nauwelijks een derde is met letters gevuld. Zal de beschrijving hier gestaakt worden en de overige vellen wit blijven? â Of zal het aan dit boek vergund worden zijne geschiedenis ten einde te zien brengen?
â Weet ik het? zegt een lezer, passons outre.
Welnu, het is dan in de eerste bladen dat mijne vingers en oogen thans dwalen, en mijn geest daardoor geleid, doet een terugblik naar de vervlogene jaren.
Met al zijn verbazende en onnaspeurlijke verscheidenheid heeft de geschiedenis van het menschelijk hart zooveel dat van algemeenen aard is, er is zooveel in, dat alle menschen met elkander, al is het dan in verschillende maten en schakeeringen, gemeen
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
hebben, dat, hoe verscheiden de vormen en het bijwerk zijn van al die levenstoestanden en gemoedsontwikkelingen, het wezen daarvan voor vele duizenden hetzelfde blijft, en vele duizenden in het leven van éenen trekken uit hun eigen leven terug vinden. Ik zal er mij daarom niet over verontschuldigen indien ik u met mij zeiven en die eerste bladen uit mijn levensboek ga bezig houden. Misschien toch ziet gij er op sommige plaatsen u zeiven als in een spiegel weder, en hoe streelend en aangenaam het is zich in een spiegel te beschouwen, bewijst de eer waarin dat meubel bij wilden en beschaafden gehouden wordt.
Het is geen opvolgend en volledig levensverhaal dat gij moet verwachten, het zijn slechts bladen die ik u laat kijken, zoo als zij een voor een of bij meerdere te gelijk omgeslagen, zich aan ons voordoen. Hoe zou ik ze u ook alle kunnen laten lezen? De eerste bladzijden zijn maar met hanepoten gevuld, van de overige zijn er daar de inktkoker over is gevallen, sommige zijn er uitgescheurd; ook zijn er die ik getracht heb uit te wisschen, maar die telkens weer opkomen, als een oude vlak op een kleed; andere weder zijn te zeer in overstelpend geluk en verheffing geschreven, om niet bespot te worden in de dagelijksche wereld, want het staat zoo dom, gevoel te hebben, en het is alleronfatsoenlijkst het te toonen. Ook zijn er die nauwelijks leesbaar zijn, omdat zij in duisternis of op reis, of op mijn knie, of in het geheel niet geschreven werden.
Stelt u voor, dat ik in dat dikke boek zit te bladeren, en u de bladen voorlees,
als ik ze bij een of twee, drie, vier en meer te gelijk omsla____ Gij krijgt daardoor
als een bloemlezing uit het boek: Het i.s waar, gij krijgt op die wijze niet alles te weten, maar____
Deze manier heeft het groote voordeel, dat de nieuwsgierigheid we! geprikkeld, maar niet oververzadigd wordt.
En vervolgens heb ik zoo doende een waarschuwing van Voltaire in acht genomer ;
Le secret d'etre ennuyeux c'est de tout dire.
Ik heb vóór mijne geboorte zoo ontzettend veel beweging en opschudding gemaakt in de wereld, dat ik er bijna aan wanhoop ooit meer zoo gewichtig op deze aarde te zullen worden, als toen ik er noch niet op was. Op die wijze en met de jaren sempre crescendo voortgaande, had ik op zijn minst een schok en omkeering als Mohammed, Alexander, Napoleon. Karei de Groote, Luther, Confucius of de typografie moeten te weeg brengen.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Waarlijk het eerste woord dat ik kon spreken, had wel een woord van verontschuldiging mogen zijn aan al de lieden, die ik zoo in beweging gehouden en naar mijn pijpen heb laten dansen.
Zoo heb ik maanden lang miine gansche familie in rep en roer gebracht; tantes en nichten aan het werk gesteld; betreffende het peterschap de moeilijkste strijdvragen veroorzaakt; de medische faculteit en het gilde der bakers onder de wapenen gebracht; een tal van nieuwe goederen en meubelstukken ten mijnen behoeve doen aanschaffen; en nu zal ik maar zwijgen van al de fysische en metafysische redeneeringen waartoe ik aanleiding gaf, door vrouwelijke deskundigen met mijne moeder of onder elkaar over mij gehouden, over het vraagstuk of ik een meisje zou zijn dan wel een jongen, en dergelijke.
Het geheele huis werd het onderste boven gekeerd, geen kamer bijna die hare oorspronkelijke bestemming of schikking behield; ja, op het laatst heb ik zelfs mijn vader, om voor een vreemde persoon plaats te maken, gejaagd uit het bed, waar hij volgens burgerlijk en natuurrecht, ja, volgens Indiesch, Mohammedaansch, Egyptiesch, Israëlitiesch, Hottentotsch, Kaffersch, Kamschatdaalsch, Mongoolsch, Hunsch, Romeinsch, middeneeuwsch en nieuw recht, de bevoegdheid had zijn hoofd ter ruste te leggen, en naar een akelige, holle kamer aan het eind van het huis gezonden om daar alleen te slapen en te peinzen over de gezelligheid van den huwelijken staat. Maar alsof dit alles noch niet genoeg ware â er was geen tak van menschelijke kennis en wetenschap, die ik, ofschoon noch ongeboren, niet in werking bracht; het waren genealogische nasporingen en onderzoekingen voor het bepalen van mijn namen, het was opvoedkundige geleerdheid door mijne moeder te bestudeeren, burgerlijk recht en usantiën in acht te nemen en letterkunde voor de advertentiën en de brieven, alle mogelijke en al of niet te voorziene gevallen der ars medica te bepeinsen; metafysische,phychologische (de odontologische kwamen er naderhand ook noch bij) incidenten te behandelen; ja, eindelijk deed ik zelfs chronograflsche en astronomische kwestiën, en daarbij de systema's van Julius Caesar en Sosigenes, van Gregorius Xlll en Ludovico Lilio weer wakker worden, doordat ik ter wereld kwam in een schrikkeljaar op den 298ten Februari.
Wat een geleerdheid voor een kind dat noch niet geboren is! en wat is Baco hierbij vergeleken, Baco, die alle takken van menschelijke wijsheid omvatte!
Ik zou haast vergeten te melden, dat ik mijn vader in gevaar bracht eene lastige boete te beloopen, daar hij bijna vergat mij bij den burgerlijken stand aan te geven.
â ïe duivel! zei dokter Vijzel toen ik geboren was, het deksel zijner snuifdoos
BLADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
met kracht toeslaande, â door welke daad hij aan zijn redenen klem placht bij te zetten, â het verwondert mij niet, dat het kind niemand durft aanzien, en wel mag het zich schamen negen maanden lang zooveel opschudding gemaakt te hebben !
â Atsjiaaaah! zeide ik zoodra ik ter wereld kwam. Het is allerbelangrijkst te weten wat bij het binnentreden in dit ondermaansche de meeningen, gewaarwordingen en gezegden der menschen geweest zijn, omdat dit de eenige gelegenheid is, waarbij zij een onpartijdig oordeel kunnen vellen en den juisten indruk mededeelen, dien de wereld op hen maakt!
Later komen vooroordeel, gewoonten, partijzucht, systeem en allerlei andere agentia dit oordeel verwarren of vermommen; maar die eerste kreet is het onvervalschte gevoelen van den nieuweling.
De geschiedenis en de overlevering, die altijd grillig zijn in hetgeen zij mededeelen en verzwijgen, hebben dit slechts van enkelen bekend gemaakt.
Van Gargantna vertellen zij, dat bij zijne komst ter wereld zijn eerste kreet was; a bo ire, a bo ire, a bo ire!
Zoroaster barstte terstond in lachen nir.
Bilderdijk begon met zijne baker in haar mond te.....
Van de Grieksche kinderen is het bekend, dat zij al dadelijk ut/, urj, arj, riepen, dat is: neen, neen, neen!
Ik ben blijde dat de overlevering van mij heeft medegedeeld dat ik bij mijn allereerste verschijnen niesde en atsjiaaaah! zeide.
Wij kunnen hieruit opmaken, dat de wereld zich aan Gargantna voordeed als zeer zintuigprikkelend. Aan Zoroasters geest schijnt zij zich als iets ijdels en bespottelijks vertoond te hebben, terwijl Bilderdijk het al dadelijk een eerste vereischte in de wereld scheen te vinden, den menschen, al was het dan ook niet op de zachtste en aangenaamste wijze, den mond te stoppen.
Wat de Grieksche kinderen aangaat, het is duidelijk dat zij door hun negatieve uitdrukking een tegenwicht wilden geven aan het positieve, dat zij er te veel in vonden. Het oordeel over de wereld, dat in mijne ontboezeming lag....
Maar als ik nu al dadelijk ging mededeelen wat mijn oordeel over de wereld was, wie zou de moeite nemen de volgende bladen te lezen?
Even als alle merkwaardige mannen, die hunne levensbeschrijving gemaakt hebben, ben ook ik eerst geboren en klein geweest. Het is zeer streelend alzoo drie dingen met merkwaardige mannen gemeen te hebben, en ik maak hieruit op â er worden dagelijks wel zottere gevolgtrekkingen gemaakt â dat ik dus ook een merkwaardig man ben.
«LADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
En mocht er iemand zijn die mij dit zon willen tegenspreken â welnu dan betuig ik, dat ik van plan ben het zeer spoedig te worden.
Met dit te zeggen, wil ik al dadelijk toonen, dat ik ook versierd ben â enkele oude kniesooren zouden zeggen besmet â met die prijzenswaardige oprechtheid en dat gevoel van eigenwaarde, welke de menschen bezielen en waarmede zij, aan hunne eigene bekwaamheden en uitstekendheid de verschuldigde hulde doende, â omdat niemand anders dit doet, zeggen weer de oude kniesooren â niet nalaten zich openlijk aan te prijzen, â als koopwaar, zouden de kniesooren al weder aanmerken.
En ik ben ook verplicht de lezers dezer bladen hieromtrent dadelijk gerust te stellen, want waarom zouden zij zich bezig houden met iemand, van wien zij vooruit wisten dat hij niet merkwaardig is?
Mijnheer Tjilp en dokter Vijzel hebben ook altijd gezegd dat er veel in mij zat.
Nu zullen misschien menschen die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel niet eens kennen, zeggen dat dit niets bewijst; of menschen die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel wel kennen, beweren dat het van den eersten goedaardige beleefdheid en van den anderen een grillig idee was â want dokter Vijzel zat vol grillige idee's. Maar ik geef u de verzekering dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel de waarheid spreken.
â Neen, die eigenwaan is al te erg, zei mijnheer Tjilp____
Mijnheer Tjilp â een vriend van mij, waarde lezer! Ik heb de eer hein u voor te stellen. Onder ons gezegd, ik durf bij u maar half met hem voor den dag komen, want hij is volstrekt geen merkwaardig man, en hij is mijn nederige onderwijzer op de viool, â en, en.... hij ziet er soms maar heel raar en kaal in de kleeren uit.
â Waarom te erg? vroeg ik, hem dit blad voorgelezen hebbende.
â Neen, jongen! neen, zei de man zich ergerende, het is niet goed, wees nederig....
â Mijnheer Tjilp____
â Neen, jongen! laat het anderen over ons te prijzen, als er iets te prijzen valt; die van zich zei ven met zoo veel eigenwaan spreekt, is een gek, zeg ik....
â Mijnheer Tjilp____
â Ts een gek, zeg ik, men moet____
Maar terwijl ik het uitschater om het zotte quiproquo, waarbij mijnheer Tjilp zich zelf voor een gek verklaarde, houdt mijnheer Tjilp voet bij stuk.
â Men moet____
- Mijnheer Tjilp, zei ik, eindelijk aan hot woord komende, en hem met een knipoog wenkende; â gij weet immers dat men de waar koopt naar het uithangbord; als het uithangbord nederig is, gelooft men dat de waar niet deugt; er moeten trompetten en
as
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
vlaggen bij, men moet uitroepen met prijzenswaardige oprechtheid; ik hen de man die het land zal redden! ik hen een groot dichter! ik ben een uitstekend humorist! ik ben verbazend geleerd! ik ben een hoogst merkwaardig man! â Flat is waar, gij kunt dat ook laten, maar zonder dat t rum petting oneself, is er ook geen sterveling, die u voor een groot dichter, een verbazend geleerde, een hoogst merkwaardig man zal houden; en daarom____u begrijpt mij ?
Mijnheer Tjilp schudde toch bedenkelijk en ontevreden het hoofd.
Maar om tot mijn begin terug te komen, â ik ben dan eens geboren en eens klein geweest.
Wanneer ik geboren werd doet er niet toe; hoe klein ik was, weet ik niet. Behalve dit, weet ik weinig uit mijne piepjonge jaren mede te deelen, dan twee, door bakerstraditie, in de familie bewaard gebleven voorvallen.
Het eerste was, dat ik eens eene kapel voorbij het venster ziende fladderen, het glas in stukken sloeg om het mooie beest te vangen.
Het tweede gebeurde, toen, op een avond in onze woonkamer, mijn vader met een menigte boeken voor zich zat, en mijne moeder naast hem met een kind op haar schoot, voor wiens hoofd zij een muts gereed hield. Zij streek met de hand door de witte, zijdeachtige haren van het kind.
â Het is verwonderlijk, zeide zij, eene opmerking willende beginnen over de haren van het kind.
â Ja, het is verwonderlijk, viel haar man haar in de rede, die lang met afgetrokkenheid het kind had zitten aanstaren, â het is verwonderlijk, als men bedenkt wat al ontwikkeling dat kleine hoofd moet ondergaan! Verbazend, als men bedenkt wat dat kleine hoofd zal moeten opnemen en bevatten van dien ontzettenden voorraad van wijsheid, dien de menschen in boeken hebben neergelegd! Begrijpt gij iets van de elasticiteit der hersenen?
â Tk geloof dat het beste is, de keelebandjes wat ruimer te maken, dan zal do muts er niet aan hinderen, zeide mevrouw van N. â
Krak zei de pijp van mijnheer van N. â toen door het plotseling afbreken van den draad zijner gedachten, de schok die de werking der hersenen deed ophouden, zich van daar langs de spieren van den hals, den schouder, den arm en de handpalm verbreidde, door de vingerspieren de vingers zich om den dunnen steel deed samen-
BLADKX UIT EKN I.KVENSHOEK.
trekken en eene gelijke werking als in het spiritueele had plaats gehad overbracht op het stoffelijke.
â Wat al gedachten, zei mijnheer van N. â, eene nieuwe pijp genomen en den afgebroken draad weder opgevat hebbende, â wat al gedachten dringen /,ich op bij de beschouwing van kinderen! Belangrijke kiemen, die een ontzettende som van noch verborgen en sluimerende krachten inhouden, waardoor al wat op of in de aarde is zal bewogen worden! Kind, verwonderlijke mikrokosmos, klein wicht, wat zult gij worden?
â Ingeënt zal hij worden, zeide mevrouw, morgen zal hij ingeënt worden.
Op dit oogenblik â de overleveringen zijn daaromtrent eenstemmig â schoof ik zeer kalm een schoteltje met eten, dat voor mij stond, met den eenen arm van de tafel af, en, terwijl er op het rinkelende geluid der gevallen scherven, bij mijn mond eene spierbeweging plaats greep, die mijne beleefde vrienden een lach noemden en waarvoor zij het geheele schoteltje vergaten, word ik gezegd met de andere hand den glimmenden heel-lederen band van een naast mijn vader liggenden kwartijn gestreeld te hebben, daarbij zeer duidelijk âdaquot; zeggende.
Dat dit woord âdaquot; in de kindertaal beteekent: âIk wil dat boek hebbenquot;, daaromtrent is noch toen, noch nu, in mijne familie eenige twijfel geweest. Het was bij deze gelegenheid, dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel zeiden, dat er veel in mij zat, en dat mijn vader, voorspellende dat ik aanleg had voor geleerdheid, mij het boek toeschoof, en, de kap der lamp wat doende zakken omdat er iets prikkelde in zijn oog, mij kuste.
Of reeds op zulk een vroeg tijdstip als hier vermeld is, de liefde voor boeken in mij wakker was, zal ik niet beslissen, maar zeker is het, dat eenige jaren daarna, toen ik een knaap was, de bibliotheek van mijn vader mij het genoeglijkste plekje van het geheele huis was.
De bibliotheek van mijn vader was de wonderlijkste kamer in het huis. Zij was een groot vierkant vertrek, dat zulk een onbegrijpelijke hardnekkigheid had van nooit recht netjes opgeredderd te kunnen of te willen worden, dat het de wanhoop van mevrouw van N. â uitmaakte. Er is een tooververhaal, waarin een boek voorkomt, waarvan de bladen, hoe dikwijls er uit gescheurd, met verdubbelde kracht en in ontelbare menigte telkens aangroeien; een dergelijke kracht moet die kamer bezeten hebben; want hoe ook schoongemaakt en opgeredderd, binnen een halven dag was alles weer overhoop en vol met papieren en boeken: het scheen een ongeneeslijke kwaal van die kamer te zijn.
40
BLADEN UIT BEN LEVENSBOEK.
De bibliotheek was een groot vierkant vertrek, op den tuin uitziende; een zware iepeboom, die vlak voor de ramen stond, maakte dat maar weinig van het zonlicht de vensters kon bereiken, en daar werden dan noch die enkele lichtstralen, nadat zij zich door de dichte bladeren heen een weg hadden gebaand, door de ontelbare latjes der kleine ruiten zeer bemoeilijkt in het binnentreden.
Het was er bij gevolg niet altijd licht genoeg om in den versten hoek te kunnen zien. en er school dus in die hoeken een zekere geheimzinnigheid die maar zelden door licht werd opgeheven. Door den zonderlingen smaak van een vroegeren eigenaar, was de verf van beschotten en zolderingen een vaal steenrood. Er hingen enkele portretten, die mijne moeder te leelijk of te vnil vond om ze bij de andere in de woonkamer te gedogen, en die sinds jaren aan die schemering gewoon, zeker pijnlijk met de oogen geknipt zouden hebben als zij op eens in het volle daglicht waren geplaatst. Verder waren de wanden, voor zoo ver er plaats was tusschen en boven de kasten, met eenige schilderijen en gegraveerde afbeeldingen van beroemde personen behangen, wier koppen voor mensch- en zielkundige studie belangrijk waren. In het midden stond een groote tafel met platen en kaarten en oudheden, daar achter een aard- en hemelglobe, boven de kasten pleisterafgietsels van beroemde antieken, bij de ramen een paar oude met groen laken bekleede schrijftafels, met duizenden papieren en boeken overdekt, en in de rondte was alles verder boeken, boeken, boeken.
Het was duidelijk dat de bewoner iemand was van veelzijdige studie en onderzoek, wien omne quod ad humanitatem per tin et belang inboezemde. Het was ook bij den eersten aanblik van deze kamer zichtbaar, dat de heer van Nijwoude een man was die weinig hield van uiterlijken sier, maar gehecht aan het oude en eenvoudige. Hij beminde zijne oude meubelen, deels omdat zij hem lang gediend hadden en hij met hen oud was geworden, deels omdat zij herinneringen aan zich hadden van zijn gansche leven. Die gehechtheid strekte zich zelfs uit tot allerlei kleinigheden, of tot wat mevrouw van Nijwoude âoude prullen en lorrenquot; geliefde te noemen, en het was hem een weemoedig gevoel als hij van eenig oud en dierbaar, hem gewoon geworden stuk, moest afstand doen. Ik heb zelden gezien, dat vrouwen dezen trek bezaten. Kan dit psycho-logiesch verschijnsel misschien daaruit verklaard worden, dat de vrouw een meer praktischen en minder bespiegelenden geest heeft? Dat het positieve en het tegenwoordige sterker op haar werken dan de poëzie van het verledene, en dat zij dus meer liefde heeft voor het heldere heden dan voor het schemerachtige verleden?
Hoe veel sympathie mevrouw van Nijwoude ook met haren man gemeen had, deze neiging deelde zij volstrekt niet met hem; want zij was eene echt Hollandsche vrouw
U
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
in haar zin voor helderheid en frischheid, voor bezems en sponsen, voor opredderen en netjes houden; met echt nationalen tegenzin en vijandschap tegen stof, spinnewebben en warboelen â als de bibliotheek, bij voorbeeld! Die bibliotheek noemde zij dan ook het spinnekoppennest, en zij wenschte niets vuriger dan viermaal in het jaar mot eene bende schoonmaaksters het spinnekoppennest gewapenderhand binnen te trekken, een overweldiging, die vroeger periodiek gelukte, maar nadat eene heerlijke Boetius de Consolatione philosophiae, a0. 1490 Daventriae per Jacobum de Breda, verleden jaar was weg geraakt, werden de schoonmaaksters g»3\veerd, want mijnheer van N. â beweerde steeds dat dezen zijn Boetius hadden gestolen.
â Maar lieve man, zeide zijn echtgenoot, hoe kunt gij nn zoo praten: wat zouden zij daaraan hebben, een oud, leelijk, stoffig boekje misschien, en dan Latijn; dat is immers voor die menschen zonder eenige waarde.
â Oud en leelijk! En mijn vader wist niet of hij boos moest worden of bedroefd. â Oud en leelijk! dat zijn je schoonmaaksters! en Latijn! â En geen waarde! een drukje van Jacobus de Breda, van 1490! Een kostbare inkunabel, die honderden guldens waard is!
â Het is zonde van het geld, meende mevrouw van N.
â Phoe! zei mijnheer van N. â, met een geluid dat zoowel een familietrek had van een zucht als van een verontwaardigingskreet, zette zijn hoed op en stapte de deur uit.
Voor mij was het spinnekoppennest een paradijs vol geneuchten; het was een lusthof, waar ik niet alleen bekende, maar telkens nieuwe bloemen en vruchten ontdekte. Do profane wereld vond die kamer akelig en somber, maar voor een ingewijde â en uit instinkt was ik eenigszins een ingewijde â wat een geheimzinnigheid en poëzie in die vergadering, samengesteld uit den levenden geest van allen die ooit op het gebied van verstand, hart en verbeelding groot waren. Het was alsof de omgeving dier duizenden boeken daar een zekeren invloed en geestelijke aantrekking uitoefende. En het was een zonderlinge gedachte, dat die duizenden schrijvers, wier stof over de geheele aarde verspreid was, hier in eene kleine ruimte vergaderd waren in den geeste en in perga-inenten of lederen banden.
Welk een dwaasheid zou hot geweest zijn zoo die bibliotheek aan eene woelige, bedrijvige straat ware gelegen, waar ratelende karren de glazen zouden hebben doen rinkelen en de oude heeren op hunne planken doen dansen, waar de voorbijgangers den neus der materiëele werkelijkheid in dit heiligdom des geestes hadden kunnen steken. Menigen ochtend zat ik aan den voet van een der groote kasten in de boeken Ie
42
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
snuffelen, nu eens tot over de noren verdiept in stoute daden of avontuurlijke reizen en ontdekkingen, dan weder, als een vlinder op de bloemen, her- en derwaarts, van het eene boek op het andere vallende.
Die onverzadelijke dorst naar weten, die den mensch bezielt! Als kind breken wij ons speelgoed om te zien hoe het van binnen is saamgesteld. Als knaap vragen wij van alles, hoe? en waarom? En het geheele leven door houdt de denkende geest niet op met vragen en zoeken.
Voor vragen en zoeken was stof genoeg in de bibliotheek. Zij bevatte verscheidene boeken, die mijn vader niet gaarne had dat ik zag of las, â maar! die hadden niet zelden de meeste aantrekkelijkheid voor mij! en al had ik noch niet gelezen het nitimur in vetitum semper, cupimusque negata, de waarheid van dat gezegde was toch reeds op mij toepasselijk.
Of is het wel alleen dat verlangen naar het verbodene, dat ons naar andere boeken deed grijpen dan die voor ons gemaakt waren? â Is het niet een meer samengesteld verschijnsel? Ik denk ja. Het moet een instinktmatig zoeken zijn om onze behoefte te voldoen.
Leg voor een jongen,
aan de eene zijde, alle met opzet en studie voor hem geschrevene werken,
en aan den anderen kant, wat ge maar wilt van werken van wetenschap, letteren of kunst die niet met het oog op zijne behoeften geschreven zijn, en die men soms meent dat te hoog voor hem zijn,
hij zal zonder missen naar de laatste soort grijpen. Hoe komt dat?
Omdat er een verbazend, hemelsbreed verschil is tusschen een jongen, een werke-lijken jongen van vleesch, been, bloed en al wat er verder bij hoort, en een jongen zooals wij hem in boeken zien voorgesteld of men hem zich meestal verbeeld heeft. Ken der gevolgen van dit verkeerd begrijpen is, dat de meeste boeken die men voor de lieve jeugd schrijft geen doel treffen en geen vrucht dragen. Velen meenen dat als zij een werkje hebben, met een weinig minder grondigheid, met een weinig minder verstand, met een weinig minder kennis geschreven dan noodig zijn in een boek voor een groot mensch, en wanneer de schrijver daarbij, zich bukkende en inkrimpende tot de jeugdige vatbaarheid, zijn stijl zoo dood eenvoudig en naief, zijn geest zoo lief en zoetsappig en zoo klein heeft gemaakt, en hij boven op dat boek gezet heeft: âvoor de lieve jeugd,quot; â dat zij dan al een heel lief en belangrijk boekje voor hunne
48
HLADEX UIT KKX LEVKXSBOEK.
kinderen hebben, waar de lieve jongens gretig op zullen vallen en uren lang zoet. meê zijn.
Maar voor alles, praat een jongen nooit van de lieve jeugd. Een jongen wil niet lief zijn, wil niet lief gevonden worden, en gij kunt hem geen grooter afschuw van deugd en beminnelijkheid inboezemen, dan door hem die als zoo lief voor te stellen. Hij wil ook niet als kind beschouwd worden, dat is zijn zwak; en in spelen en leeren vliegt zijn geest reeds vooruit in de toekomst. Hij weet en voelt zich krachtiger, wijzer, ontwikkelder dan men waant dat hij is: en omdat men dat niet telt, wordt hij zoo miskend en gegriefd. Het is somtijds alsof hij werkelijk van de toekomst, wier kiemen in hem liggen, reeds het voorgevoel heeft, alsof hij zich den man voelt die hij worden zal; vandaar dat er vaak een zedelijke kracht, een verstand, een gevoel boven zijne jaren bij hem aanwezig zijn, die of niet gekend of niet begrepen worden. En toch blijft hij knaap.
Dit saamgestelde en moeilijk te begrijpen wezen, waarvan de anthropologische studie noch ver van uitgeput is, vormt eene wereld op zich zelve. Eene wereld met haar eigen toestanden en verhoudingen, haar eigen gevoelens, haar eigen denkbeelden.
Vandaar dat zij door de ouderen van dagen zoo moeilijk in alles te begrijpen is. Vandaar die scheeve beoordeelingen en die boeken zoo geheel ongeövenredigd aan de behoeften van het jonge geslacht.
Wilt gij een proef nemen met een van die boeken voor de lieve jeugd? Neem van Alphen. Als ik hem nu lees, vind ik hem lief, en dikwijls treffend, maar in mijn jeugd!
Er was geen schooljongen die niet walgde van eerst ter belooning een kusje of twee, die geen onuitstaanbare pedanterie vond in: deez perzik gaf mijn vader mij, omdat ik vlijtig leer, of die niet volkomen partij trok voor den wakkeren vechtersbaas, die den bevreesden en wijsneuzigen pimpelneus uitschold voor een laffen jongen zonder moed, terwijl het in onze klasse algemeen ten hoogste werd afgekeurd dat, in eene eerlijke vechtpartij, de wijze redeneerende mijnheer âdie een krijgsman wasquot; tusschen beitien kwam.
Al die denkbeelden waren zoo geheel anders dan die der werkelijke jongenswereld.
44
Is het wonder, dat ik meer hield van Sheherazade en de zeven eenoogige Calenders, van Sindbad en den vogel Roe?
In onze stad was een gymnasium, en toen ik den behoorlijken leeftijd had, ging ik daar dagelijks heen, om mij te laten volpompen met klassieken nektar, benevens eenig modern toeëten.
BLADEN UIT EEX LKVBX.SHOEK.
Met eene zekere pedanterie aan dat tijdperk eigen, werden wij gymnasiasten weldra groote beminnaars van de oude classici en zagen met verachting' neer op alle jongens die geen Latijn en G-rieksch kenden; wij vonden het in ernst een zedelijk gebrek in iemand, geen Latijn en Grieksch te kennen.
â De klassieke letterkunde, zeiden wij, is toch de ware en de schoonste! Wat is al dat nieuwe anders dan navolging? Navolging van de ongelijkbare meesterstukken dei-classici? Wat waren al de nieuweren te zamen vergeleken bij Homeros alleen? Waar was de echte poëzie, de echte welsprekendheid, de echte historiekennis zoo niet bij de oude classici! Spreekt me dan niet van de nieuweren; wij houden het bij de oude classici!
Ik moet bekennen, dat als men ons gevraagd had: â wat is het onderscheid tusschen de ouden en nieuwen, tusschen de classici en romantieken? dat wij raar zouden opgekeken en weinig geantwoord hebben.
O tijd van krachtige opwellingen, van onberedeneerde, maar dan ook warme, gloeiende, oogenblikkelijke voorliefde en neigingen!
Thans zijn wij meer beredeneerd en veel wijzer â maar ook zoo veel koeler en minder ontvankelijk! Hoe het zij, wij zullen er ons niet minder wel bij bevinden, geloof ik, indien wij dien trek onzer jeugd niet al te zeer weg redeneeren en uitroeien, en wij zullen het ons niet beklagen in het leven, wanneer wij hierin jong zijn gebleven, dat er voor ons noch toewijding en oogenblikkelijke, instinktmatige voorkeur, en warme, al is het soms onberedeneerde, ingenomenheid blijven bestaan.
Er was altijd een buitengewone beweging op straat als wij, gelijk een levendige bijenzwerm, het gymnasiale gebouw verlieten, het oude, vervallen, vervelooze huis dat met het trotsche opschrift Palladis Se des prijkte. Dan braken al de door het rectorale oog in bedwang gehoudene elementen los, dan hoorde men de uitingen van elk individu; de een schold op den ouden baas, de ander luchtte zijn bedwongen levenslust in straatschenderijen; hier waren er die spraken van wat er dien dag op school gebeurd was, over thema's, nota's, en den strijd om den voorrang en de praemia; ginds was er een bezig zijne boeken in zijn pet en de zakken van zijn broek en buis te verbergen en liep deftig als een mijnheer; de meesten stoeiden, joelden en babbelden door elkander.
Wat een verscheidenheid van karakter en aanleg! Dat zou men niet vermObd hebben, als men ze een half uur vroeger gezien had, allen aan gelijke, met gelijksoortige inktvlekken en kerven versierde tafels en banken gezeten, allen met hetzelfde boek voor zich, allen peuterende aan denzelfden zin van Plutarchos, en dien naar denzelfden grammaticalen regel uitrafelende.
â Bah! wat was de oude weer lastig en vervelend! zei Piet.
15
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
â Waarom was je ook zoo stom! antwoordde Jan.
Zoo zijn ze, ruw maar rond. Twintig jaren later zal Jan zeggen; â Als ik de vrijheid mag nemen het op te merken, geloof' ik dat de geachte spreker daarin ongelijk had en dat zijn geheugen hem voor een oogenblik bedrogen heeft op dat punt.
â Stom? Pedante vent! zei Piet.
â Ja zeker! Jongens, is het niet stom, dat hij niet weet hoe een choriambicum asclepiadeum is?
Gelach en toestemming.
â Het is de schuld van dien eilendigen Kees, zei de persoon die gefaald had in de eigenschappen van het choriambicum, â- die heeft geklikt dat ik in mijn boek keek.
â Geklikt? en er waren al handen aan de kraag van den eilendigen Kees, en laarzen dicht bij zijn.... eind van zijn rug, want de volksgerechtigheid is snel.
â Stil, houdt op! riepen sommigen; niet allen te gelijk! riepen eenige ouderen; eerst hooren! zeiden enkele juristen.
â Kees, is het waar?
â Ja! schreeuwde deze in zijn kwaadheid. Hij kijkt altijd in zijn boek, en hij doet altijd valsch â en dan heeft hij den naam van zoo knap, vervolgde de naijverige, kleingeestige Kees, en ik zal het van iedereen zeggen daar ik het van zie!
Kees was algemeen gehaat en als de gelegenheid zich voordeed barstte gewoonlijk die veete van alle kanten los. Het regende nu ook van alle zijden klappen en schoppen, en eindelijk werd hij met zijn hoofd in een emmer met water geduwd zoodat hij er erbarmelijk uitzag. Een was er, die hem een zakdoek gaf om zich te droogen, en zoo droop de gestrafte verklikker naar huis.
Maar hiermede was de miskenner van het choriambicum niet geholpen, want de ongelukkige had door dien misgreep zijn plaats van eerste der klasse, althans voor het oogenblik, verloren. De knapsten onder ons dachten wijsgeerig genoeg om aan die denkbeeldige en niets bewijzende eer niet te veel te hechten, maar Piet was een van die jongens die door de eerzucht en strengheid hunner vaders werden opgeprikkeld en nagereden. De arme sukkel was daardoor uitgebleekt, als dronk hij niets dan eau de Javelle, en mager van de zenuwachtige inspanning van eiken dag en avond. Hij was dan nu ook neergedrukt en angstig, zijn klamme vingers beefden, en zijn gejaagd gemoed zag met schrik naar het einde van het jaar. Maar een van ons, wiens vader het niet achtte op welk nommer zijn zoon zat en welken prijs hij had, maar dien het genoeg was, dat hij een vlugge en knappe jongen was, en die Piet nu over het hoofd was gesprongen, redde hem.
40
BLADEN UIT EEX LEVENSBOEK.
â Hooi- eens Piet, zeide hij naderhand onder drie of' vier vertrouwden, je weet dat mijn vader het mij nooit lastig maakt, ik beloof je, dat ik je voor zal laten en vóór zal laten blijven.
Wij hebben dien trek van edelmoedige opoffering, waardoor hij zijn kameraad een half jaar van angst en kommer, en misschien eene ziekte bespaarde, altijd bewonderd. Hij stierf kort daarna, maar wij geloofden dat hij genoeg gedaan had om den hemel te verdienen.
Eenige dagen later vloog de gonzende bijenzwerm, na het verwerken van den Attischen honig, weer uit. Er vormde zich een groep om een persoon been.
â Jongens, zei deze, kijkt eens wat een mooien Aulus Gellius ik gekocht heb.
â Laat zien, laat zien!
â Waar heb je dien van daan?
Er was altijd veel belangstelling in het koopen en verkoopen van klassieke auteurs, en wij redeneerden met veel geleerdheid en animo over goede en slechte edities, over Elzeviers, Bipontijnen, Minellen, in usum Delphini, van goede en slechte noten, van pontes a sin o rum, etc.
â Van het stalletje van Levi gekocht â voor een spotprijs.
â Het is een Elzevier.
â Heeft je vader ook Elzeviers? vroeg er een aan mij.
â Een plank vol, zeide ik met trots. Maar toen ik daarop vertelde dat mijn vader ook boeken had, die wel honderd jaar ouder waren dan de Elzeviers en veel kostbaarder en zeldzamer, was er eene algemeene bewondering en beloofde ik, in de vreugde van mij op mijn vader te kunnen verheften, zulk een boek eens mede te brengen.
Den volgenden dag bracht ik een zeer ouden druk van Boetius mede, en leende dien aan een der jongens.
Zoo kwam het eigenlijk dat de Boetius uit de bibliotheek was weggeraakt, tengevolge waarvan de schoonmaaksters verdacht en geweerd werden, want ik durfde eerst de ware toedracht niet te bekennen, en het spinnekoppennest niet mocht worden schoongemaakt.
Zoo zitten de belangrijkste gebeurtenissen aan allerlei nietsbeduidende draden vast. De belangrijkste gebeurtenissen, zeg ik, want het schoonmaken van de bibliotheek was er eene. G-eene zaak was er in huis, die met zooveel omzichtigheid moest behandeld worden, geen punt zoo teeder, geen roerde zoo vele gemoedsaandoeningen, en niets dat mijnheer van N. â zoo uit zijn humeur bracht.
BLADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
â Vertel noch eens wat van dat portret, vroeg ik eens aan mijn vader, op het afbeeldsel eener dame wijzende dat zich bizonder van mijne kinderlijke verbeelding had meester gemaakt.
Er hingen in onze woonkamer verscheidene familieportretten. Sommige heeren hadden roode rokken aan en gepoederde hoofden, andere harnassen; dames waren er met torenhooge kapsels, met japonnen die veel lieten zien van het: onbeschaemde moij, waarover Hi^gens de dames van zijn tijd berispte, of met hooge stijve keursen en breede kragen; sommige met fronsen, andere met nu honderdjarige glimlachen, die noch op het gelaat blonken nu die lippen al lang tot stof waren vergaan en zich vermengd hadden met de aarde, waaruit ze misschien distels en brandnetels, misschien bloemen hadden doen opgroeien.
Al die portretten, met gezichten die de kenmerken hunner eeuw dragen â want wie oude portretten bestudeerd heeft zal zien dat elke eeuw haar eigenaardige soort van gezichten voortbrengt, even als haar eigene soort van zeden en gedachten, â al die portretten vervulden mijne jeugdige verbeelding en waren de vormen waarin de nevelbeelden mijner fantazie zich hulden, de gestalten waarin de personen mijner denkbeeldige wereld zich kleedden; maar geen was er dat altijd en bij herhaling mijne aandacht zoo zeer trok, als dat éene portret.
Het was het beeld van eene oud-tante, waarvan de sterk sprekende trekken krachtig uit den met rocaille krullen gesneden lijst en den donkeren achtergrond naar voren kwamen. Zij was op veertigjarigen leeftijd afgebeeld. Zij had een fier oog en vasten mond en was versierd met een muts met oranje-wit-blauw lint en een zwart satijnen mantel met kap, gevoerd met oranje zijde.
Het stuk was breed geschilderd en met veel talent, ja met een vonk van genie. Het waren niet alleen de uitwendige trekken â die altijd eenigszins gemaskerd zijn â van het gelaat, die hierop waren afgebeeld, maar het was alsof de onbekende schilder zijne penseelen in de ziel van het oorspronkelijke had gedoopt en met de diepste verven en tinten uit haar hart het afbeeldsel vervaardigd. Met die tinten had hij de geheimste trekken van haar karakter geteekend, en die slechts licht en dun overdekt, juist even genoegzaam om de toen levenden wel te doen nadenken, doch hun geen aanstoot te geven (de schilder had in haar karakter een hevigen hartstocht ontdekt), en wel wetende, dat de tijd, de dunne verflaag afvretende, later met grootere waarheid zijn portret zou voltooien.
Wondervolle, geheimzinnige kunst! Zonder dat ik van dit alles toen reeds bewust was, bezat het portret altijd eene geheimvolle aantrekkelijkheid voor mij, en
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
in de schemeruren na den maaltijd nam ik dikwijls de gelegenheid waar om mijn vader te ondervragen.
â Wel, antwoordde mijnheer van Nijwoude, er was eens iemand die zeide; ik wou dat ik zijn kop had en er soep van kon koken! raad eens wie dat zeide____
â Natuurlijk een kok of een slager die van een kalf of varken sprak, zei mijne moeder, want het was juist in den slachttijd en hare gedachten waren daarmede vervuld.
â Neen, zei mijnheer v. N. â, bedenkelijk het hoofd schuddende, â de kop waarop die woorden doelden, was die van een mensch, een christenmensch, en wel van een dominee.
Ik dacht terstond aan de Kanibalen, waarvoor Robinson Crusoë, en ik met hem, eens zoo geschrikt was, en ik opperde de veronderstelling, dat het misschien een van die heeren was, die dit gezegd had.
â Neen, zei mijnheer v. N. â, weer bedenkelijk knikkende, de persoon die deze woorden sprak, was ook een christenmensch, ja zelfs eene vrouw â het was â tante. En hij wees naar het bewuste portret.
â O, dat is het! dat is het! riep ik op eens uit, dat is dat wonderlijke en onbegrijpelijke van het gezicht! Nu weet ik eindelijk wat het is! Vader, heeft de schilder dat geweten, heeft hij die woorden gekend?
â Heeft de schilder die woorden gekend, zei mijnheer v. N. â, mijne woorden herhalende, zoo als hij gewoon was, wanneer hij iets opmerkelijks in eene vraag vond, en terwijl hij mij met de uiterste verbazing beschouwde. â Zonderlinge jongen; â heeft de schilder die woorden gekend? zonderling, en die opmerking, die een kind maakt, is mij noch nooit in de gedachte gekomen.
â Ja waarlijk, vervolgde hij na eenig peinzen, de schilder zal ze gekend hebben en die woorden, tot een los voor het nageslacht, in hare trekken hebben willen uitdrukken.
â Waarom heeft hij ze er niet onder geschreven? vroeg ik.
â Er onder geschreven? herhaalde mijnheer v. N. â, mij weder met verwondering aanziende, doch daarop glimlachende, vervolgde hij: â Wel, het is mogelijk dat hij van plan was die woorden als motto onder de schilderij te plaatsen, maar dat de dame dit niet heeft verkozen!
â Wel, wel! zeide mevrouw v. N. â lachende, het is immers niet waar, wat gij daar van tante vertelt?
â Zóo waar, zeide haar echtgenoot, als het op de gelaatstrekken duidelijk te lezen staat, al heeft een kind het mij moeten wijzen. â Zij was toch eene vrouw met edele
49
BLADEN UIT EEN LKVENSBOEK.
eigenschappen, maar zij sprak deze woorden onder het woeden der partijschappen, in 1795, in tijden van blinden haat: zij met haar gansche geslacht getrouw aan het toen verwijderde vorstenhuis verkleefd, zij sprak zoo van een dominee die, ook met hoogst laakbare heftigheid en verbittering, der andere partij was toegedaan. Het is droevig dat haat en hartstocht op een schoone ziel zulk een vlek kunnen werpen, maar laten wij haar niet te hard veroordeelen; zulke tijden maken zulke menschen.
En zich weder in zijne overdenkingen terugtrekkende, prevelde mijn vader: â Of de schilder die woorden gekend zou hebben?
Wij waren noch eenigszins onder den indruk van het gehoorde, toen onze plompe boerendienstmeid, trouw als goud, met hare verweerde mahoniehouten armen, licht kwam brengen. Toen zij dit op tafel zette, werden haar ontdaan gelaat en roode oogen zichtbaar.
â Wat is er gebeurd? vroeg moeder zacht. Zij gaf geen antwoord, en zoo het mogelijk ware dat haar donkerroode wangen een hooger tint aannamen, zou ik zeggen dat zij bloosde.
â Wat is er meid? herhaalde moeder zacht en op eene aanmoedigende wijze. Geen antwoord. Zij begint te beven en een tip van het blauwe harde schort wordt opgevat en daarmede met kracht in een der oogen gewreven.
â Kind, wees voorzichtig! zei moeder, wrijf je oog niet uit! Komaan, zeg mij wat er is gebeurd; wees niet bedeesd! Heb je je knip verloren? â of heeft Jasper je verlaten? â of â of â en mijne moeder keek ernstiger, je hebt immers niets kwaads gedaan?
â Het is â kapot, zei ze eindelijk tusschen hare snikken door, ik geloof â dat de â e kat____
â Wat! zei mijnheer v. N.â, plotseling opziende van zijn boek, wat heeft de kat weer gebroken?
Want men moet weten, dat de kat reeds het breekbare van onzen ganschen inboedel getierceerd had.
â Het mooie glas, stotterde de beangstigde deern.
Als al de glazen van de vensters, en er zijn er vier en twintig, tegelijk waren in scherven gesprongen, had mijnheer v. N. â niet meer kunnen schrikken dan nu.
- Bliksemsche lompert! riep hij driftig uit, de vuist op de tafel slaande, terwijl
50
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
mevrouw v. N. â naar de wankelende lamp greep, kunnen je ruwe pooten dan niets heel laten ? Ik wou dat je zelf in honderdduizend stukken was gevlogen____
De meid liep weg.
Het gebroken glas was een oude gesneden wijnroemer, dien mijn vader maar zeer zelden gebruikte en dien hij in hooge waarde hield.
Drift was, dat zagen wij aan tante, een familiegebrek. Mijnheer v. N.â stond op, liep door de kamer, en zoo kwam hij bij het portret van tante. Hij stond stil en keek het aan. En weder in de kamer op en neder loopende, terwijl hij op zijne lippen beet, een teeken van storm en beweging in zijn binnenste, ging hij nochmaals voor tante's portret stilstaan.
Zijne vrouw zeide intusschen niets. Was het verstand of instinkt?
Zeker was het gelukkig, want het lag in mijn vaders aard dat het minste woord de goede werking zou gestoord hebben van het zedelijk proces dat in hem plaats had.
Als naar gewoonte had hij leed over zijn driftigen uitval. Er was strijd in zijn binnenste. Onedele drift te beteugelen is een van de schoonste krachten van den veredelden mensch; maar het is zoo moeilijk dien trap van zelfbeheersching te bereiken of altijd te betreden. Mijnheer v. N. â ging naar het belkoord en vatte het om te trekken.
â Maar, zei schaamte en trots, moet een man als gij, verschooning vragen aan een plompe boerendeern? Is dit niet ongehoord?
â Is zij niet even goed een mensch als gij? zei het edeler gevoel, is de eene mensch zijn broeder- of zustermensch geen vergoeding verschuldigd voor het aangedane leed? Is de eene mensch onfeilbaar, dat hij zoo scherp kan oordeelen over den andere?
â Maar, opperden schaamte en trots, zich verkleedende en vermommende, is het wel gepast, dat een heer verschooning vraagt aan zijn minderen, aan zijn dienstbaren? Worden hierdoor de maatschappij en hare verhoudingen niet in gevaar gebracht?
De hemel weet wie het zou gewonnen hebben, en of niet eindelijk weer, zooals vaak gebeurt, schaamte en trots, den mensch een rad voor de oogen draaiende, hem zouden bewogen hebben niet alleen iets verkeerds te doen, maar hem zelfs dat verkeerde als iets goeds hebben doen voorkomen.
Gelukkig kwam de meid binnen met de stukken van het gebrokene glas.
â Mijnheer v. X.â keek strak op zijn boek, hoewel ik zou willen wedden dat de regels in een nevel voor zijne oogen dansten en geen daarvan tot zijn verstand doordrong.
51
BLADEN UIT KEX LEVKXSBOKK.
De eene tip van den boezelaar der meid was geheel nat en haar eene oog bijna weggewreven; nu was zij met de andere tip bezig het tweede oog te wrijven, alsof zij een watervlak uit onze tafel moest boenen.
â Zóo heeft het gezeten! zeide zij snikkende, en de stukken aan elkander passende.
â Kom meid! zei mijnheer v. N.â, houd maar op met wrijven â het is â niets â maar vergeef â vergeef gij mij mijn drift----
De tranen schoten mijne moeder in de oogen en zij omhelsde haar man met de innigste teekenen van bewondering.
â Och! fluisterde hij even, â wij moeten niet nalaten iets slechts weer goed te maken,____ik had immers ongelijk.
â Vader! riep ik snikkend, ik heb den Boetius weggenomen.
Jean Huarte, beroemd medicus in de inde eeuw en schrijver van het Onderzoek over de vatbaarheden van den menschel ij ken geest, heeft de ontdekking gedaan, dat droogheid of vochtigheid der hersenen de oorzaak is, dat sommige soorten van vliegen verstandig zijn en andere niet. Maar behalve deze belangrijke ontdekking en de toepassing daarvan op den mensch, heeft hij ook de middelen aangegeven om de kinderen met die vatbaarheden te procreöeren die men verlangt.
Hoe belangrijk de eerste ontdekking is voor de veredeling van het vliegenras, dat zulks hard noodig heeft, om bij voorbeeld de onbeschaamdheid af te leggen waarmede zij op iemands neus gaan zitten of onze schilderijen bestippelen, wil ik slechts even aanroeren. ^Niet minder gewichtig is de tweede ontdekking van Huarte, vooral voor het onderwijs, dat moeilijke probleem waarover al zóo veel woorden gewisseld zijn dat het geen wonder is zoo zij door al dat wisselen, even als de oude dubbeltjes, scherp zijn geworden. Gewichtig voor het onderwijs, want wanneer Huarte's regelen gevolgd worden, zal men natuurlijk met juistheid weten welke vatbaarheid de kinderen bezitten en ze daarnaar kunnen doen onderwijzen, terwijl het alsdan te hopen is dat men, als het groote verschil tusschen al die koppen en harten ten klaarste blijkt, ze niet meer alle aan eene zelfde behandeling zal durven onderwerpen.
Bij ons zaten noch de meest verschillende vatbaarheden jaar in jaar uit, aan juist eendere banken, naar juist eendere voorafbepaalde regelen, een juist eendere ontwikkelingsloop te volgen. Twee en twintig jongens zaten daar.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Als men ze éen voor éen trepaneerde â geen nood, dit is slechts een metafora, een redefiguur waarmede inen zegt wat men niet meent â en hunne hersenpannen als deksels oplichtte, dan zou men in die twee en twintig hersenen zien, dat de eene eigenaar vatbaarheid heeft voor de afgetrokken wetenschappen, de andere niet tot de diepte dei-dingen zal kunnen doordringen maar altijd aan de oppervlakte blijven hangen; dat de een den takt heeft van generaliseeren, de andere van analyseeren: dat er in dezen poëzie zit, in gene cijfers; dat de vermogens van dezen diep verscholen liggen en eerst bij den stoot van gunstige omstandigheden zullen opkomen, dat die van gene al vroeg en hoog zullen opgroeien, doch wel bladeren en bloempjes, maar geen vruchten zullen leveren. Men zou zien, eindelijk, dat even als die twee en twintig jongens twee en twintig verschillende neuzen hebben, zoo ook de eigenschappen, de krachten, de behoeften der hersenen bij ieder verschillend zijn. En intusschen worden al die verschillende planten in dezelfde trekkas, aan denzelfden dampkring blootgesteld, en zit de wijze tuinman in zijn katheder en giet over allen het zelfde vocht uit, een gietsel geschiedenis, een gietsel oude en een gietsel nieuwe taal, een gietsel logica of een gietsel prosodie.
Ts het wonder, dat zoo vele van die planten in het wild schieten of vergroeien of in het geheel niet opkomen?
Soms verbeeld ik mij, dat men bij ons jongens te werk ging als bij het opzetten van een apothekers- of drogist-winkel. Van alles moesten wij zoo wat in den winkel hebben, van alle markten moesten wij t'huis zijn. Het was in dit stelsel natuurlijk dat het er op aan kwam van alles en zoo veel mogelijk in die winkels op een te pakken, met andere woorden, de hoofden der jongens zoo veel mogelijk te vullen en te vullen. Nu is er in een jongenshoofd toch maar een zekere ruimte. Het is waar, die ruimte is voor uitzetting vatbaar, maar even als er een eind is aan de rekbaarheid van elk elastiek voorwerp, is er een eind aan wat mijn vader; âde elasticiteit der hersenenquot; noemde.
Ware het dan niet verre weg beter____
Ik zie iemand den wijsvinger opheffen, om daarmee bedenkelijk te tikken op een der knoopen van des tegenpartij's jas, en zijne lippen zich plooien om te zeggen: âde beste stuurlui staan aan wal.quot;
Maar mijnheer! dit is een argument misschien tegen den beoordeelaar geldende, doch niet tegen het beoordeelde feit zelf; en dit feit is, dat men te veel vult en te weinig zelf-denken leert, te veel waarheden aanbrengt in plaats van ze van zeiven in de ziel te doen ontkiemen, dat men te veel opeen stapelt en te weinig verband en samenhang
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
doet opmerken, dat in alles de grammatica, de regel of de vorm geleerd wordt, nergens de geest en de ziel.
Onze meesters intusschen begrepen het anders en vulden maar, vulden, vulden maar; gansche boeken met aardrijkskunde, optellingen van al de steden van al de landen, gansche risten jaartallen en feiten (als risten uien in den winkel hangende) geregen aan chronologische doch zelden logische draden, ontzettende massa's, woordelijk op te zeggen (of wij den inhoud en den zin kenden en begrepen, deed er niet toe), honderden veldslagen met het getal dooden en verminkten â van weerszijde; duizenden regels en voorbeelden (niet te vinden als het op de toepassing aankwam). Zoo vulden zij maar altijd door, en van alles door en achter elkaar â en ik weet niet, wat er van al de hoofden en hersenen zou geworden zijn, maar____gelukkig dat de reddende natuur den jongens bij de eigenschap van onthouden, ook die gegeven heeft van vergeten.
Hoe veel cijfers en rivieren heb ik vergeten, â maar niet mijnheer Tjilp en zijne viool in de met gemarmerd papier beplakte kartonnen doos.
Mijnheer Tjilp was de persoon die mijne jeugdige begaafdheden zou vermeerderen door mij de kunst te leeren van de viool te bespelen.
Iemand die beweerde dat er in het leven al wanklanken genoeg zijn, zou niet begrijpen waarom men ze noch trachtte te vermeerderen met die welke ik uit mijn speeltuig haalde. Maar bij wien dit ook moge zijn opgekomen, zeker nooit in het hoofd van der. goeden mijnheer Tjilp, want zoo die wanklanken al in de wereld bestonden, hij was het niet die er bittere aanmerkingen op zou maken.
Als mijnheer Tjilp dan aankwam, zijn met gemarmerd papier beplakte vioolkist in de hand dragende, gingen wij in een klein werkkamertje dat ik had, en dan vervulde ik de lucht in huis gedurende een uur met de erbarmelijkste geluiden die ooit door de aanraking van paardenhaar en kattendarmen kunnen veroorzaakt worden.
Tk vrees, dat mijnheer Tjilp veel heeft moeten lijden, want zijn oor was even gevoelig als zijn hart.
Later deed hij zijn best mij de fluit te leeren bespelen, maar ik kon het nooit gedaan krijgen precies in dat kleine gat te blazen, en als ik het bij herhaling beproefd had en mijne lippen in allerlei vreemde en scheeve bochten gedraaid, dan kwam er altijd een onweerstaanbare lach bij mij op, en plooide ik de lippen in een stand volstrekt ongeschikt om te blazen. Want het is een wonderbaar bestel in de natuur, misschien een teleologiesch argument, dat de mensch niet tegelijk kan lachen en op de fluit blazen. Ik
54
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
scheen geen mond en vingers te bezitten, geschikt om eenig instrument te bespelen, en toch â kwam ik in een verheffing en vervoering zoodra ik muziek hoorde.
Dikwijls liet ik viool en fluit rusten, en speelde mijnheer Tjilp alleen en luisterde ik, en anders, vooral toen ik ouder werd, besteedden wij onzen tijd met praten.
Mijnheer Tjilp was sedert jaren een huisvriend. Bij eene bizondere gelegenheid hadden mijnheer v. N. â en hij in elkanders hart gekeken en elkander leeren waardeeren.
Mijnheer Tjilp was een onbekend, eenvoudig man. Zijn stille wijze van zijn en handelen zou hem door de meesten onopgemerkt hebben doen voorbijgaan, of het moest wezen dat men hem uitlachte om zijn stoutmoedig ouderwetschen rok en zijn zonderlingen hoed. Hij was een vijand van het trumpetting oneself, en met zijne kennis te koop te loopen of zijn gevoel in het openbaar uit te stallen, waren twee hem geheel onbekende dingen. Ik vond het altijd een wonderlijke tegenstrijdigheid, dien man, die er zelf zoo onaanzienlijk en zonderling uitzag, zoo ingenomen te zien met alles wat tot de fijnste schoonheid behoort. Want de liefde voor het schoone was hem bizonder eigen; het was alsof hij buitengewone organen bezat om het te genieten, en alsof die er op afgericht waren het overal op te sporen en te vinden, üf het zedelijk schoon was, of schoonheid der natuur of der kunst, wat daarvan in het leven bestond wist hij te vinden, en hij trachtte altijd die zijde der wereldsche verschijnselen in het oog te houden die iets schoons bezat. Maar dat die wereld en hare verschijnselen vaak hiermede in pijnlijken tegenstrijd waren, behoeft nauwlijks opgemerkt te worden. Mijnheer Tjilp had er dikwijls de smartelijkste ondervinding van gehad, en dit had wel bijgedragen om bij hem die stille gevoeligheid te ontwikkelen. Maar zijn geloof aan het schoone werd daarom toch niet uitgeroeid.
â Jongen, zei hij mij meermalen, ik geloof wel, dat de menschen het leven somtijds leelijk maken, maar bestaat daarom toch het schoone niet overal? Daar hebt gij de kunst, onuitputtelijke bron van schoonheid; zie naar de lucht en de boomen, de natuur, even
onuitputtelijke bron---- en in het leven, och, er moet natuurlijk in het wereldplan ook
leed en boosheid voorkomen, maar waarom kunt gij niet de zonzijde zoeken in plaats van de schaduw?
â Maar, zeide ik, mijnheer Tjilp! het gebeurt toch dikwijls dat onze znn achter de wolken is.
â Jongen, ik kan je bij ondervinding verzekeren, dat het dan toch altijd verwarmend en verheugend is, naar de zonzijde van anderen te kijken.
â Geloof me, geloof me, zeide hij mij een anderen keer, het schoon is in zijn verheven zin een der stralen van den glans van dat wezen dat de menschen godheid
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
noemen: zoek het, bevorder het, bemin het, want het is een van de middelen die den mensch tot haar kunnen terug voeren.
Hij kon soms verwonderlijk mooi spelen, mijnheer Tjilp, zoo verwonderlijk mooi, dat de meeste menschen het leelijk zouden gevonden hebben; maar zoo, dat, ik wil er om wedden, Mozart en Weber geen watten in hun ooren zouden verlangd hebben als zij hem gehoord hadden; zoo verwonderlijk, dat het soms net was alsof men een veel beter mensch was, soms alsof men haast lust [zou hebben gehad een traan te laten glippen. Nu en dan speelde hij voor ons in den tuin als het een warme zomeravond was, en als dan de duisternis viel, en de lucht om ons heen in een zee van harmonie herschapen was en gelijk een zoete adem ons oor en onze ziel streelde, en de sterren opkwamen, en er telkens een nieuwe begon te flonkeren, dan was het alsof die sterren aankwamen om te luisteren en alles scheen mij een wonderlijk betooverde wereld en mijnheer Tjilp, die zoo veel schoons en liefelijks kon scheppen, â een groot man.
En zonderling, als het licht werd aangestoken dan was het maar een dun, oudachtig mannetje, die met zijne magere handen op een oude vedel speelde. Dan was de betoovering gebroken. Was dan de wellust, die de ziel genoten en de ideale kring, waarin zij eene wijle vertoefd had, ijdel en dwaas geweest? Men zou even goed kunnen zeggen dat de viool van mijnheer Tjilp niet bestond.
â Ik geloof, zei mijnheer v. N. â nadenkend, ik geloof dat er meer waarheid is dan men denkt in het oude verhaal van den speelman die allen, waar hij kwam, met zijn viool betooverde en met hen kon doen wat hij wilde; ik meen geen feitelijke waarheid, maar psychologische waarheid; die zijde der legende is miskend. Zoo heeft men bij zoo vele zaken het feit geloochend, omdat men het bloot als een feit opvatte en niet als symbool van een gedachte.
â Ik heb nooit sterker werking gezien van een viool, zeide dokter Vijzel, dan in mijne jeugd; toen speelde ik ook op dat werktuig en was er eens meê bezig, toen mijn hond, wien het altijd verveelde, zoo razend werd dat hij als een tol door de kamer draaide en eindelijk, toen hij al zijne aantrekkingskracht verspild en alleen middenpunt-vliedende kracht overgehouden had, als een kogel door het vensterglas heenvloog.
Mijnheer Tjilp glimlachte en trok het zich volstrekt niet aan.
â Dokter, zei mijnheer v. N. neem mij niet kwalijk, maar dat bewijst meer voor je hond dan voor je talent.
56
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Er komt een tijd in het leven van den jeugdigen mensch, waarin het scheppend vermogen en de verbeelding levendig werkzaam worden, en waarin de zichtbare en onzichtbare wereld hooger en glooiender tinten ontvangen van de poëzie die blaakt in het jonge gemoed. Het is de tijd, waarvoor there's music in all things, waarin de wolken gedaanten, de lucht stemmen, de schaduwen leven hebben, waarin alles tot de verbeelding spreekt, en de verhoogde werking van het bloed een gevoel van uitbundige kracht en levenslust geeft.
In dezen leeftijd en de stemming die hij meebracht, kon het niet anders of het classicisme begon voor het romantisme te wijken. Wij kenden van de klassieken vooral het ernstige en deftige. Wel werden wij opmerkzaam gemaakt op het gevoel in sommige tafereelen van Homeros, op âzedelijke schoonhedenquot; van Euripides. Maar van het Grieksche en Romeinsche gemoedsleven, van hun hartstochten, bleef ons veel verborgen. Daarom opende zich het gevoelige hart te gretiger voor de zoet mystische poëzie der middeneeuwen. Wanneer ik dan weder als naar gewoonte aan den voet van een der kasten in de bibliotheek zat te lezen, was het doorgaands éen boek dat mij thans zeer aantrok. Het was eene verzameling van oude ridderromans, vol vechtende paladijnen en schoone jongvrouwen, niet al te preutsch, en tournooien, en reuzen en wonderen, die mijne verbeelding innamen en mij als in die tijden terug tooverden.
't Weder was soeto eiule scone,
Dio soimo verbaerde an den trone Joliseliko an die morghenstonde,
Menich vogelyn dat begonde Ãaor singen mot soete gelude;
Bedauwet waren borne ende crude Tot dien dat die sonne op quam.
Entie maget quam an dat foreest Daor die vogele hadden feest, Elc sanc na der nature sine,
Daer stonden scone bloemkine Op dat groene velt ontploken. Die scone waren ende soeto roken.
Wat een liefelijke maagd kwam daar!
Haer voorhooft was wit ende slecht Haer neuse scone ende recht
57
58 BLADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
Hare winbraauwen bruin ende gebogen,
Lachende waren haer die oogen;
Haer mont was cleene ende niet groot,
Ende hare lippen rosenroot.
Die altoos stonden in die stede Als om haar lief te cussen mede.
Zoo stond zij bij het water bloemen te plukken en te peinzen, tot zij op eens opzag en bloosde, want zij had haren lieven geselle, den sconen Rogier zien komen.
Die joncfrouwe hevet hem ontfaen,
Sciere is si opgestaen,
Ende quam te Eogiere ter stont,
Ende custene an sinen mont.
Liefelijke teedere beschrijving der zoetste min. Hoe dikwijls las ik u met kloppend hart.
Vijf eeuwen zijn voorbij gegaan, sinds deze naïeve poëzie werd geschreven en gevoeld. Wereldrijken zijn vernietigd mot de groote mannen daarbij behoorende, groote daden en groote plannen zijn tot stof en vergetelheid verkruimeld! Wat al veranderingen ontwikkeling van beschaving en vooruitgang heeft de menschheid ondergaan! Hoe vele eens warme gevoelens en gedachten zijn verkoeld en versteend! en te midden van dat alles blijft, in een ruwen pergamenten band besloten, een dichterlijke vonk voort-gloeien, om na eeuwen noch met zoeten klank het gevoelig hart te verwarmen. O zegepraal der poëzie!
Hoe was mijne aandacht gespannen als die verschriklijke zwarte ridder de lieve Galiöne heeft weggeroofd cn met haar voort vlucht. Maar wacht! daar ontwaart de roover een helder punt dat flikkert in de zon als eene ster van goude; zijn geoefend oog bedriegt hem niet. Weldra ziet hij ook den grond stuiven. Vlieg, vlieg, dappere Rogier! als gij uwe Galiöne wilt redden! Ren door, sterke Gringolet, als gij uw meester in tijds wilt brengen!
Helaas! een diepe en breede stroom scheidt hen noch. Onze spanning vermeerdert. Gringolet snuift en besnuffelt den oever, en een goede plek gevonden hebbende, springt het kloeke ros in het water en zwemt hot over.
BLADEN UIT EEX LEVENSBOEK.
Nu is Galiëne gered? Onze spanning is ten top. Rogier! Rogier! hoe kunt gij noch dralen â voort, voort! Maar neen, trillend van ongeduld en vrees, moeten wij noch eerst lezen hoe hij afstijgt om zijn edel ros te verzorgen. Noch eerst zijn paard, zijn trouwen gezelle, gestreeld en verpleegd, on gedroogd mot zijn eigen wapenrok.
En dan kwam de vreeselijke strijd.
Rogier rijdt zijn vijand te gemoet. Dek u met uw schild, roept hij hem toe, en verdedig uw lijf! De zwarte laat zijn prooi los en stelt zich te weer.
Doe decten si sich op die wile;
En vlogen noit twee pile Daer men mede sciot in bogen,
So sere als si te gader vlogen,
Hen waren noit ridders haer genoot,
Alse di twee soo sterc ende groot:
Het scenen beide twee liebaerden,
Ende elc sloech andren metten swaerden Van haren helmen grote stucken Dat si op hare artsoenen bucken.
511
Van haren slagen waren si milde In stucken liggen hare scilden
Rogier was verheuget sere Ende zeide: vrient, bi onzen Here Ie wane gi zult nu ontgelden Als u God niet langer ne spaert. Ifogiere die hevet zijn swaert geheven Ende hevet den swarten geslegen Dat hi den helm altemale Cloofde ende den hoet van stale.
Doe glnc Rogier ter selver stede Daer die Eidder lach gewont Ende dedo hem don helm af en sach Of hi jegens hem spreken mag. Hi lach in onmacht van de slagen, Rogier die peinsde of hi iet sage Daer hi hem mode conde genesen.
BLADEN' UIT EEN LEVENSBOEK.
Syns solvon helm nam hi to desen,
Ende liep er mede tor rivieren Ende haalde water en laefde hem sciere,
Ende looc die wonde tot hi bequam.
Maar ik was te veel in strijdlust ontstoken om deze grootmoedigheid te achten.
Ha! ik greep een ouden sabel, waarmede mijn vader was uitgetrokken met de schutterij. Verroest zat hij in de schede geklemd, eindelijk trok ik hem met geweld er uit. Ik voelde den geest van den strijdbaren ridder in mij varen, en mij op een stoel te paard zettende, kon ik niet nalaten een zestal oude folianten (het waren Grieksche werken, en daar had ik toen in mijn romantische bui een hekel aan) met hevigheid aan te vallen. Ik hakte er op in dat zij door elkaar vlogen, ik werd hoe langer hoe meer opgewonden, ik dacht om den Razenden Roeland, om Walewein en Percheval, om Rogier â niet om Don Quijot, want ik vond dit toen eene zeer ongepaste satire. Mijn kling vloog rond, ik hakte van den aardbol een stuk van de kust van Madagaskar af, ik kon het niet laten een grooten gladiator van pleister een klap op zijn arm te geven, even maar om te beproeven hoe hard ik wel zou kunnen slaan voor dat hij brak â maar als ik hem eens brak? â even maar, niet hard, niet te hard, maar alleen hard genoeg om hem niet te breken, tot de uiterste grens waar de breekbaarheid begint, juist dat was zoo uitlokkend, â er is iets heerlijks, iets bedwelmends, iets onweder-staanbaar verleidelijks in het beproeven van iets dat gevaar in heeft â zóo â nu noch éen ...
Het was te hard geweest, veel te hard, dat is duidelijk; lieve hemel! de arm lag er naast op den grond. Maar dat was noch weinig. De ellendige gladiator nam verliefd eene naast hem staande Venus in zijn anderen arm, sleepte haar in zijne omhelzing met zich mede en liet deze liefelijke godin, vlak voorover, plat op haar neus vallen.
Ik hoorde voetstappen de trap opkomen, had nauwlijks tijd de beelden weer recht te zetten, den gladiator met zijn gebroken arm tegen den muur, en zijn rug gekeerd (zoo gaat het meer in de wereld) naar de schoonheid die hij ten val had gebracht, eene schoonheid die nu, met platgedrukten neus, een Hottentotsche Venus geleek, en terwijl ik met angst de nadering der voetstappen, die ik voelde dat die van mijn vader waren, afwachtte, zette ik mij weder aan het lezen.
Maar ach! Galiöne en Rogier en het gansche boek hadden op dat oogenblik hun aantrekkelijkheid verloren, en tc midden van mijnen angst had ik een gevoel als iemand
BLADEX UIT EE\ LEVENSBOEK. 01
die zelf een schoonen droom en een ideaal heeft vernietigd, en alsof ik het dichterlijk en tooverachtig waas, dat over die figuren uit het verre verleden ligt, gescheurd en van éen gereten had.
De voetstappen naderden, wat zou ik zeggen? welke toevallige omstandigheden in het spel brengen om de vernieling te verklaren? De waarheid zeggen? Maar hoe zou ik mijn vader de geheimzinnige aantrekkelijkheid verklaren die er in gelegen is om te beproeven hoe hard men iets kan slaan voor dat het breekt?
Daar gaat de deur open! gelukkig was mijn vader niet alleen; hij had een vreemden heer bij zich, en beiden waren in een druk en levendig gesprek. Daar de vreemde tusschen mij en het licht van het venster was, kon ik zijne gelaatstrekken niet goed onderscheiden, ik zag evenwel dat hij weinige en .witte haren had en zijne gestalte gebogen was. Een vluchtigen blik slechts had ik, toen hij binnenkwam, op hem kunnen werpen. Ik zag toen dat hij zeer gejaagd was en zijn gelaat in zenuwachtige beweging.
Wat zijn wij toch weinig meester van onze gedachten en weinig bewust van haar oorsprong! Zonder eenige bekende reden, wekte die man, wiens gelaat ik nauwlijks gezien had, bij mij eene sterke belangstelling, en later kwam hij mij dikwijls in de gedachten niet alleen, maar begon ik ook velerlei gebeurtenissen zonder blijkbare reden met hem in verband te brengen.
Ook geschiedde er met opzicht tot hem iets dat mij in meer zaken of toestanden wel eens gebeurd was; namelijk, dat ik mij stellig en vast verbeeldde te weten dat ik dien man, met juist al dezelfde bijkomende omstandigheden, in dezelfde kamer, en met dezelfde gedachten noch eens in mijn leven gezien had. En toch wist ik toen, en weet ik nu zeker dat dit onmogelijk was.
Tk begreep dat ik weg moest gaan, en toen eerst bemerkten mijn vader en de vreemde mij. Ik ging, maar niet zonder hevige nieuwsgierigheid, want er moest wel iets zeer bizonders en gewichtigs aan de hand zijn dat een vreemde in het spinnekoppenhok werd toegelaten, en mijne nieuwsgierigheid verminderde niet, toen ik heengaande den vreemde met een wanhopend gebaar de handen mijns vaders zag grijpen.
Toen ik de deur gesloten had, hoorde ik dat ook de sleutel werd omgedraaid. Ik bleef staan.
Ik moet bekennen dat mijne nieuwsgierigheid door alles ten sterkste geprikkeld werd.
Luisteren â ik voelde dat er iets schandelijks in was; maar de prikkel was zoo hevig â en besluiteloos bleef ik staan. Jeugdige sofismen begonnen zich op te dringen, toen ik toevallig opziende, mij zeiven in een spiegel zag.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Welk een sterken indruk maakt het ontmoeten van onze eigene oogen op ons, wanneer wij kwaad broeden! Die stille geheimzinnige blik, dien dat beeld in den spiegel op ons en in onze ziel schijnt te werpen, doet ons dan huiveren. Het is alsof het beeld daar in het glas niet de weerkaatsing van ons zeiven is, maar een andere persoon, een ander ik, on.s beter ik, een onzer beide naturen, de betere, die op de andere, de booze, een ernstigen blik werpt.
Ai! daar heb ik mij onvoorzichtig uitgelaten! Ik sprak daar van twee naturen, van eene goede en eene booze.
Men zit elkander zoo nauw op de vingers te kijken ten opzichte van zijne theologische begrippen, ten einde elkander dadelijk op die vingers te kunnen tikken, dat het onmogelijk is dat ik er met die twee naturen heelhuids zou afkomen. Men zou mij dadelijk voor een Brahmin, voor een leerling van Zoroaster, maar vooral voor een Manicheër uitkrijten. Tk beken daarom bij tijds dat ik dat niet ben, en dat het waarlijk zonder erg is geweest dat ik van eene goede en eene booze natuur gesproken heb â ik moet zelfs bekennen, doorgaands zoo weinig dit voorname punt in het oog te houden, dat het mij waarschijnlijk dikwijls gebeurd is iemand een hand te geven, zonder vooraf te weten hoe hij over die twee naturen dacht; gij ziet dus, dat het bij mij onschuldige achteloosheid geweest is, en dat ik met die twee naturen niets kwaads gemeend heb.
Om tot dien spiegel terug te komen. Tk geloof, dat als een man, die op het punt is een moord te bedrijven, zich zeiven in een spiegel zag terwijl hij het mes opheft, ik geloof als zijne oogen in het glas dat andere oogenpaar ontmoetten, dat hij zou terugdeinzen____
Ik luisterde niet.
Gestoord in mijn rustig verblijf in het spinnekoppennest, en het hoofd vervuld met duizend dooreen dwarrelende gedachten, liep ik onzen tuin in.
Onze tuin wordt van een anderen afgescheiden door eene houten schutting. Ik ben gewoon daar bovenop te paard te gaan zitten; dan houd ik mij met het een of ander bezig en scheur middelerwijl van al mijne broeken het kruis.
Het is nu kersentijd, en bij de schutting, ter plaatse waar ik er op zit, staat een kersenboom. Ik neem het den jongen musschen en meezen zeer kwalijk dat zij, even als ik, veel van kersen houden, en terwijl hun snoeplust mij vertoornt, voldoe ik volop aan den mijnen. Een mensch moet ook wat voor hebben boven de dieren.
Dit is reeds eene groote vermakelijkheid en geriefelijkheid van mijne door
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
volgeladen takken overschaduwde zitplaats. Een ander genot is de pitten te knippen tegen de glazen van het onbewoonde huis dat naast het onze staat.
Daar zat ik dan weer, en at een kers en wilde juist de pit naar een der ruiten mikken, toen ik op eens....
Ik verbeeld mij dat de afsnijding van den zin in dit oogenblik eene te treffende en prikkelende uitwerking te weeg brengt om er geen gebruik van te maken.
Twee honderd ellen ongeveer van de stad en aan den rijweg, stonden twee huizen met ouderwetsche spitse gevels, waarvan een het onze was.
Het sprong in het oog dat beide juist van dezelfde grootte, breedte en uitwendige gedaante waren. Het waren geheel en al tweelinghuizen, want er was geen raam of boog of stang of steenen figuur of schakeering van rooden en witten steen, die bij beide niet juist gelijk was en beide hadden een soortgelijk stuk grond achter zich.
Het eenige onderscheid was, dat het éene van de tweelinghuizen teekenen van leven en goed onderhoud droeg, het andere geheel verlaten, gesloten en verwaarloosd bleek te zijn.
Wat was de oorsprong dier steenen tweelingen? Vreemde, dwaze geruchten liepen er over het eene, en er was eene sprook die ik in mijne kinderjaren altijd met trillende spanning en angstig genot had gehoord, hoe daar jaren geleden een man in een klein kamertje vermoord was, en er op de planken een roodachtige vlok lag die geen timmerman er uit kon schaven, maar die telkens weer opkwam, en hoe na dien tijd niemand meer in het huis kon wonen of hij stierf kort daarop.
Wat hiervan ook geweest zij, het nevenhuis was sinds eene reeks van jaren onbewoond en gesloten.
Op den top van den achtergevel stond een windvaan, dat voorwerp dat do mensch, als een naieve bekentenis, ten teeken en zinnebeeld zijner rusteloosheid en veranderlijkheid boven zijne woningen opricht, als de vlag waaronder hij vaart. Rusteloos en knarsend had zij ook boven dit huis volgens elke windstreek rondgevlogen, misschien even als de harten van menschen die onder dat dak gewoond hadden. Maar eindelijk had de dartele en woeste wind zijn speelgoed gebroken, zoo als de kinderen der menschen doen. Gebogen en scheef hing nu de windwijzer, en onbeweeglijk was hij aan de roestige stang vastgebleven, zeker wel om hoog en wijd en zijd de waarheid te prediken, dat wie met alle winden mede wil draaien er eindelijk door geknakt wordt.
De musschen nestelden vrij in het dak, met de spreeuwen, en de kraaien in de
63
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
schoorsteenen, waaruit geen opstijgende rook meer deed denken aan den huiselijken haard en de warmte der huiselijke genegenheden. Gansche geslachtsreeksen van zwaluwen hadden in de goten het eerste levenslicht ontvangen, en een wild en weelderig groeiende wingerd liet, als een zinnebeeld van verlatenheid, zijne ranken, in de grootste verwarring door elkander gestrengeld, langs een gedeelte van den achtergevel en over de geslotene en vervelooze luiken afhangen.
De tuin achter het huis was even woest als het overige, het gras groeide voeten hoog te gelijk met eene uitgelezene verzameling van onkruid. Al de hoornen en heesters hadden in broederlijke toegenegenheid hunne takken in elkander gestrengeld, als tot eene les aan den mensch, dat, wanneer deze er de hand en het houweel niet in had, zij in liefderijke toenadering en omhelzing voort zouden leven. Het zou even moeilijk geweest zijn er pad of weg te vinden als in de onbegane prairieën van Amerika of sommige grammatica's.
Het eenige wat liefelijk scheen in deze woestenij, was de groote menigte rozen, die er in weelderigen overvloed en in dichte bosschen met honderden bloemen groeiden.
Zoo had ik jaren lang dezen tuin en dit huis gekend en nooit had ik daar, wanneer ik op de heining zat, eenig spoor van leven ontdekt. Soms was ik wel over die heining geklommen en had met verbazing in die wildernis gewandeld, en enkele malen had ik getracht over de halve buitenluiken in het huis te kijken, maar toen ik eens daarmede bezig een zwaren slag daar binnen gehoord had, was ik met schrik weggeloopen, alsof de vermoorde man met een geheele bende gruwzame spoken mij op de hielen zat.
Ik geloof genoeg gezegd te hebben om mijne verbazing te verklaren toen ik, juist mijn eerste kersepit naar die ramen willende knippen, zag dat de luiken open stonden en de woeste wingerdranken voor de glazen eenigermate waren weggesnoeid en opgebonden. Maar in den tuin ziende, was daar iets dat mij noch meer verbaasde en mij met een kers halverwege in mijn mond deed blijven zitten.
Midden in het hooge gras en half bedolven onder een grooten hoop afgeplukte rozen zat een klein meisje, zeven jaar oud denk ik, met deze bloemen te spelen. Nu eens wierp zij ze in de lucht en ving ze met de kleine handjes weer op, dan bedekte zij haar hoofd en gitzwarte haren er mede, en als zij er dan uit opdook, was het alsof zij, als Afrodite uit het vonkelende schuim der zee, uit die bloemen geboren werd.
Een soort van tegenstrijdigheid was er evenwel voor het uitwendige tusschen dit kind en die rozen, in zoover dat men haar niet daarmede had kunnen vergelijken, gelijk men anders gaarne een blond en blozend kind zou willen doen, want dit meisje was niet blond en rooskleurig als de kinderen van het Noorden, maar haar tint was bleek, en
64
BLADEN UIÃ EEX LEVENSBOEK.
donker waren oog en haar. Een sterke sympathie scheen er toch tusschen die bloemen en haar te bestaan, want even als bloemen zich in een vunzige lucht intrekken en verwelken en zich ontluiken en verlustigen in een liefelijken dampkring, .zoo was het nu alsof die rozen, al werden ze door haar dartel spel gekneusd, toch frisscher geurden en bloeiden in den luchtstroom die het kleine meisje omringde.
En waaruit anders, zoo niet uit eenige zonderlinge verwantschap, was het te verklaren dat zij zich door zulk speelgoed voelde aangetrokken?
En die sympathie â bestond zij tusschen de kleuren en geuren in haar gemoed, en den gloed en den reuk dier rozen?
Was het omdat in dat jeugdige kindergemoed de kiem lag eener gave die wellicht later zou ontwikkeld worden, de gave om bij voorkeur de bloemen in het leven op te merken?
Of omdat in latere dagen in het huis dat zij zou betreden, en op het pad dat zij zou bewandelen, bloemen onder ieder van haar voetstappen zouden opspringen?
Of was er gelijkheid van lotsbestemming in beiden? zou zij als een bloem óf door een achteloozen voet vertrapt, öf wel door een droevig toeval geknakt worden?
Wat al mogelijkheden in de toekomst ook van dit kind! En welke daarvan zal tot werkelijkheid gemaakt worden?
Mijn romantische geest hield zich voortdurend met dit meisje bezig en begon den raadselachtigen vreemde, dien ik in mijns vaders bibliotheek gezien had, met haar in verband te brengen en daarvoor allerlei toestanden en geschiedenissen te verzinnen. Dikwijls noch zag ik het kind, even als die eerste maal, met hare rozen bezig, zoo het scheen haar eenig en geliefdste speelgoed. Noch door mijne ouders, noch door mijnheer Tjilp, kon ik iets van haar vernemen, hoewel het duidelijk was dat zij er meer van wisten, zoo als mij bleek wanneer op mijne vragen mijnheer Tjilp het eenvoudigste gezicht van de wereld wilde zetten en daardoor zich juist verraadde.
Eenige weken waren hierna verloopen, toen ik op eenen avond mijn vader hoorde uitgaan en naast ons het huis binnentreden. Sedert dien dag werd het zijne dagelijksche gewoonte 's avonds uit te gaan en na twee of drie uren van afwezigheid terug te komen.
Dit had acht of tien dagen geduurd, als eens op een avond mijnheer v. N.â buitengewoon lang uitbleef. Het werd tien, elf, bij twaalf uren, en noch kwam hij niet terug. Eindelijk hoorden wij voetstappen.
De deur ging open â het was mijn vader die binnentrad. Doch hij was niet alleen;
05
1!I,ADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
in zijne armen hield hij het kleine meisje, dat ik in den tuin had zien spelen met de rozen, maar dat nu luid snikkende het hoofdje tegen zijn borst drukte. Met de snelheid van een elektrische vonk over den draad was mijn geest in beweging en bouwde zich eene gansche geschiedenis.
De wanhopende man dien ik in mijns vaders kamer gezien had, zou de vader van dit meisje zijn. Zijne vrouw zou overleden zijn in een vreemd land, waar zij hem met dit kind alleen zou hebben achtergelaten. Door een reeks van rampen vervolgd, door armoede, door wie weet welke schuld of misdaad bezwaard, zou hij zich onbekend hebben moeten houden, waarom hij zich eindelijk in dit verlaten en onbezochte huis naast ons was komen verbergen. Hier zou hij ziek zijn geworden, en het zou naar hem zijn geweest dat mijnheer v. N. zich dagelijks begaf om hem te helpen, totdat hij ten laatste het tijdelijke verlaten en zijn kind aan de zorgen van zijn weldoener zou opgedragen hebben.
Zoo, maar met oneindig meer en fijnere bizonderheden (als ware ik van alles zelf getuige geweest), was de geschiedenis, die mijn geest zich in een oogwenk te voorschijn riep.
Mevrouw v. N. nam de arme kleine wees in hare armen, kuste en streelde ze. Wat kan in zulke gevallen liefelijker en heilzamer zijn dan eene moeder? Maar vreemd, het kleine meisje scheen ook hieromtrent van gewone kinderen af te wijken, en terwijl het zich met de buitenzijde der linkerhand de oogen afwischte, stak het haar arm naar mijn vader uit, en het was stiller en kalmer als het bij hem was en om dat grijze en vriendelijke hoofd de armtjes geslagen had.
Eindelijk was het moe geweend, en de slaap, de goddelijke balsem voor droeven, look het de donkere oogen.
Wat mij aangaat, de klapperman van drie uur had zijn zangerigen deun in den stillen nacht doen hooren, vóór dat al het gebeurde genoegzaam plaats kon maken in mijnen geest voor de rust van den slaap.
Mevrouw v. X. had het druk met voor Bella een kamertje in te richten en voor hare kleederen te zorgen. Ook zocht zij eenig speelgoed voor haar op, speelgoed van een jong gestorven dochter, dat in een doos was weggelegd als de laatste overblijfselen van het korte spel dat zij op aarde gespeeld had. Er was een vlokje van witte, zijdeachtige haren bij, een paar kleine schoentjes, kleine kousjes, kleine mutsjes, en verdere voor het
moederhart droevige relieken.
Ik weet wat er in dat hart omging toen die weder aan het licht kwamen, en ik weet
BLADEN UIT EEX LEVENSBOEK.
dat mijne moeder, met dankbaarheid de verlatene Bella als eene tegemoetkoming voor het verlorene ontvangend, het nieuwe kind in hare veel omvattende liefde opnam.
De kinderlijke relieken werden weder zorgvuldig geborgen te gelijk met menigen stillen traan, terwijl een oude pop, die met het vroolijkste gezicht ter wereld tien jaren tusschen die overblijfselen van droefheid had gelegen, met eenig ander speelgoed uit de doos werd gehouden. De schimmel werd van haar krullen gewreven, de neus was wel is waar wat ingedeukt en geplet, doch dat gaf iets pikants aan het gezicht, en overigens was het een tamelijk mooie pop, indien men er ten minste vrede meê had dat hare kuiten aan den verkeerden kant van de beenen zaten.
Maar Bella was weinig met dit speelgoed ingenomen; hetzij dat haar ingeschapen schoonheidsgevoel iets tegen den platten neus en de verdraaide kuiten had, hetzij dat zij niet gewoon was er mede om te gaan.
Bella was in den beginne stug en schuw en het liefst zat zij alleen in den tuin met bloemen te spelen. Het bleek evenwel later dat deze schuwheid niet in haren aard lag, maar daardoor ontstond, dat zij nooit teedere zorg en liefde van moeder of zusters had ondervonden en altijd alleen met haar vader geweest was. Het was ook daarom, zoo als mijnheer v. N. zeide, dat zij zich zoo vreemd bij zijne vrouw voelde, en bij hem meer op haar gemak was.
Het was een heerlijke, warme zomeravond, en wij zaten in den tuin, toen mijne moeder Bella tot zich riep. Zij verliet met zekeren weerzin hare bloemen en kwam zachtkens aan.
Mevrouw v. N. streelde de zwarte haren, die in dichten overvloed het fijne tengere gezichtje omringden en het noch fijner en tengerder deden schijnen.
â Zult gij veel, veel van mij houden, Bella? vroeg zij. Wij allen zullen veel van u houden, en gij van ons, wilt gij wol, lieve Bella?
Het meisje zag haar met groote oogen vragend aan. Noch nooit had zij mevrouw v. N. zoo open in het gelaat gezien, en was zij vroeger schuw, het bleek wel dat dit eer eene zucht naar en eene gewoonte van eenzaamheid, dan bedeesdheid was. Noch altijd zag zij haar met die heldere verstandige oogen aan. Er scheen eene ontwikkeling van gedachten in haar om te gaan en nieuwe denkbeelden schenen in haar op te komen, want het eerste woord dat zij sprak was geen antwoord op mevrouw v. N.'s vraag, maar was waarschijnlijk de slotsom eener reeks van gedachten die elkander op dit oogenblik in haar hadden opgevolgd,
â Wat is een moeder? vroeg zij.
Dat was een onverwachte vraag en ook mijnheer v. N. zag verbaasd uit zijn boek op.
(37
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
â Eene moeder? zei mevrouw v. N. Hebt gij uw moeder gekend?
â Mijne moeder? zei Bella, alsof zij eenigszins aan zoo iets twijfelde: â Wat is dan eene moeder?
Ik geloof dat mevrouw v. N. er meê inzat, welke bepaling zij van eene moeder zou geven, en hoe goed wist zij toch door lief en door leed wat eene moeder is, â en welk eene moeder was zij!
â Of zult gij zeggen, zei mijnheer v. N. glimlachende, en wat hij in gedachten had aangevangen nu hardop vervolgende, of zult gij zeggen, eene moeder is eene eenigszins bejaarde vrouw, met even grijzende haren die boterhammen maakt en thee schenkt, en voor het eten zorgt, en een mandje met sleutels heeft â of, eene moeder is de vrouw van een vader â maar dan doet zich terstond een soortgelijke vraag op; wat is een vader? â waarlijk, het is moeilijk een kind, voor wie dit begrip niet van jongs af bestaan heeft en zich heeft doen voelen, te verklaren wat eene moeder is. Als ik zeg verklaren, dan meen ik eene juiste, eene logische definitie er van geven: wij zouden dan moeten opklimmen tot de wording der kiem van het kind â en dan staan wij al dadelijk stil bij de bedenkelijke vraag: vanwaar is het eerste levensbeginsel â hoe dit fysiologiesch en psychologiesch op te lossen....
Ik vrees dat Bella op deze wijze moeilijk tot het begrip van eene moeder zou zijn gekomen, en mevrouw v. N. beproefde daarom een eenvoudiger definitie.
â Eene moeder, zei ze, is degene die de kinderen opkweekt en van wie de kinderen innig veel houden.
â Dan zijn de bloemen mijne moeder, zeide Bella, deze stoute paradox zonder eenige aarzeling uitende, want zij hebben mij gezegd dat ik uit de bloemen ben voortgekomen â en ik houd zóo veel van bloemen!
Mijnheer v. N. lachte. â Hahal zeide hij, moeder, moeder! daar loopt gij er in met uwe definitie; de ergo, de gevolgtrekking van Bella was juist, maar het is duidelijk dat uw major niet deugde.
â Nu, zeide mevrouw v. K, dan moet de tijd haar maar leeren wat eene moeder is, en nu lieve Bella! wil ik uwe moeder zijn â uw moeder is in don hemel, en eens, Bella! had ik â een meisje, net als gij â en dat â is ook in den hemel, en misschien ziet uwe moeder nu op u neder en is gelukkig dat er eene vrouw is die voor u als een tweede moeder zal zorgen en aan wie gij dierbaar zijn zult als een kind.
Bella weende en legde het hoofdje met de donkere haren in den schoot die haar wel niet gedragen had, maar waarboven een hart klopte zoo vol en zoo overvloeiend van moederlijke liefde!
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Mevrouw v. N. keek haren man aan, en hij zag haar aan, en beiden dachten met stillen weemoed aan een lief kind, dat, even als Bella nu, aan hare zijde gehangen had, en nieuwe tranen welden op met deze oude herinnering.
Bella hief het hoofd op en haar wonderlijk verstandige en levendige oogen op mevrouw v. N. richtende, begreep zij die droefheid, en hare armen teeder om mevrouw v. N.'s hals slaande, riep zij:
â Moeder! mag ik u dan moeder noemen? En wilt gij mij nemen in de plaats van wat gij verloren hebt?
En ik stond daar bij en terwijl ook mijn hart vol was en ik het zoo voelde dat eene moeder toch wel iets meer is dan eene eenigszins bejaarde vrouw, die thee schenkt en boterhammen maakt, en een mandje met sleutels heeft, â en ik ook wel iets had willen zeggen om mijn gevoel te luchten, stond ik als een slungel aan mijn neus te krabbelen en mij te verwonderen over de onbevalligheid en onhandigheid van een jongen en over de snelle gevatheid waarmede een meisje in zulke toestanden de juiste snaren weet te treffen.
De bibliotheek van mijnheer v. N. was de kamer waarin ik zoo dikwijls gezeten, waarin ik zoo veel geleefd en gelezen heb, waaraan zoo vele draden van latere verschijnselen en eigenschappen van mijn geest zijn vastgehecht, dat het geen wonder is indien menig blad van het levensboek mijner jeugd daarvan vol is. Het blad, dat ik bij het doorbladeren van dat boek nu opsla, bevat omtrent die bibliotheek een gewichtig en merkwaardig voorval.
Wat in geen jaren gebeurd was â het spinnekoppennest zou worden schoongemaakt! Zóo was beslist in eene zitting met gesloten deuren welke mevrouw v. N. â met hare meiden en schoonmaaksters had gehouden.
Op een ochtend â ik zat in oude prenten te snuffelen â kwam mevrouw v. N. binnen. Dat gebeurde nooit of er moest iets bizonders aan de hand zijn, want de bibliotheek diende ook voor de plaats waar belangrijke aangelegenheden werden bepraat en beslist.
Of mijnheer v. N. eenig voorgevoel had weet ik niet, maar ik dacht dat hij ongerust opzag. Zijne vrouw had den vorigen avond reeds zorg gedragen te doen uitkomen hoe door mijne bekentenis, dat ik den Boetius had weggenomen, de onschuld der schoonmaaksters triomfantelijk aan het licht kwam, en mijnheer v. N. had ook zeer wel gevoeld welk een krachtig argument tegen dezen hem daardoor ontvallen was. Het was eene welberaamde belegering die hij nu had uit te staan.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Door zich in de bibliotheek te begeven had zijn vrouw met veel taktiek den vijand den terugtocht afgesneden. En toen deze aldus ingesloten was, nam de belegering een aanvang.
Bij het binnentreden haalde mevrouw v. N. veelbeteekenend den neus op.
â Manlief! zei ze, het ruikt hier muf!
â Och! zei hij kregelig.
â De stof ligt duimen dik op alles, hervatte zij, met den vinger een kapitale N schrijvende in de stoflaag die op den band van een der boeken lag; en het is hoogst noodig....
â Onnoodig! zeide hij, onnoodig! als het noodig was, zou ik niet zeggenâ maar het is volstrekt onnoodig! En in het vuur der redeneering eene beweging met den arm makende, deed hij een bundel papieren met een paar boeken van de tafel vallen. Er ging een stofwolk van op alsof een kanon was afgeschoten.
Mevrouw v. N. lachte en wees hem dit.
Maar gelijk het gaat, wanneer onze argumenten wat al te duidelijk wederlegd worden, wordt men driftig.
â Ik verkies niet dat je ellendige schoonmaaksters â riep mijnheer v. N. uit.
Ik begreep, in mijn hoekje zittende, dat hij verloren was; want als hij driftig werd kreeg hij langzamerhand berouw en gaf dan doorgaands hals over kop alles toe.
Intusschen ging zijne vrouw, na aldus eenige bressen gemaakt te hebben, van taktiek veranderen,
â Het is hier bedompt, zei ze, en vochtig, het is niet goed voor de boeken, er moet gelucht worden, waarlijk, ik heb laatst zelf gezien dat er vochtvlekken op een band waren.
â Waar, welke band? vroeg mijnheer v. N.
â Ja, â dat weet ik niet meer, â waarlijk het is slecht voor de boeken.
Nu eens de stof, dan weer de vochtigheid.... O mevrouw v. N., uw taktiek geeft zich bloot! Maar haar ega bemerkte de tegenstrijdigheid niet.
Zou het slecht zijn voor de boeken? was een klein twijfelduiveltje dat in
zijn geest binnenkroop.
â Wat een aardig oud boekje hebt gij daar? hervatte de verraderlijke vrouw, een zeer klein in fluweel gebonden boekje in de hand nemende (het was hoogst zeldzaam). Mijnheer v. N. werd verteederd.
â Zou het vochtig zijn? vroeg hij, zou het goed voor de boeken zijn, als er werd schoongemaakt? Hij wilde zich een soort van honorable retraite verzekeren.
70
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
â Dat zeker! zei mevrouw doodelijk onverschillig, maar als je niet wilt, enfin.
â Och, lieve vrouw! zei hij, haar fijne hand streelende, laat je schoonmaakster maar komen!
Den volgenden morgen kreeg mijn vader geweldig berouw over zijne zwakheid, maar het was te laat.
Borstels, zeemlappen, raagbollen, rookende potten met zeepsop, en pokdalige sponsen, vulden weldra de bibliotheek, en een oogenblik daarna leverde deze stille rustige kamer een rampzalig schouwspel op, waarnaar mijnheer v. N. radeloos stond te kijken.
Ramen en deuren werden geopend, oude portretten, al fronsden zij het voorhoofd in verontwaardiging, door elkaar en het ondersteboven in den gang gezet, om te luchten! Apollo en Diana afgeschuierd wordende, de eerwaardige rug van Ignatius geboend met zeemlappen, Bijnkershoek en Flavins Joseph us, Herodotus en Guic-chardini, door armen met opgestroopte mouwen uit hunne rustige standplaatsen gehaald om alle naderhand weder op verkeerde plaatsen neergezet te zullen worden; risten boeken uit een onhandige omarming â qui trop embrasse, mal étreint â uitspattende en van een hoogte van zes planken neertuimelend, de kerkvader Eusebius en Bum a's boerenbruiloft, tegen elkander geklopt dat de profane en geestelijke stofwolken door elkander vlogen en de oude kerkvader in zijn hoornen band ontwricht werd!
Wat een chaotische omverwerping des choses les plus saintes!
Den geheelen dag was mijnheer v. N. uit zijn humeur, niets was goed, alles maakte hem kregelig, nergens in huis vond hij iets op zijne plaats, en als hij het waagde in de bibliotheek te gaan om iets te zoeken, keerde hij verschrikt terug voor de norsche blikken der schoonmakende wandalen. Zóo was het tot 's middags, toen mijnheer Tjilp kwam eten en zijn kalm en tevreden gelaat zich vertoonde. Toen kwam er afleiding en de bui dreef langzaam over; ik geloof, dat een fijne ham er 's middags het zijne toe bijbracht en dat de opvoering daarvan door mevrouw v. N. behendig berekend was. De goede luim was geheel hersteld toen de ham op de tafel kwam.
Maar toen het gerecht afgeloopen was â o! waarom hadden zij den ham maar niet spoedig weggenomen â daar valt mijnheer v. N.'s blik op het uitgeknipte papier dat om het been was gewonden.
Tot onze verbazing zagen wij hem dat er afnemen, het ontvouwen, zijn bril opzetten en â het scheen een ongeluksdag te zijn.
71
72 BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
â Wat is dat! riep hij, hebben zij gezworen zoo veel mogelijk van mijne boeken
en papieren te vernielen! Duivelsche.... waar komt dit van daan____ waar is het
verdere ____
Ik zal dit gansche drama niet uitvoerig beschrijven. De zaak was deze; mijnheer v. N. had â het was misschien al drie jaar geleden â uit oude genealogische papieren eenige belangrijke bizonderheden opgeteekend omtrent het huis waarin wij woonden en zijn verlaten tweelingbroeder. Mijnheer Tjilp had er al zoo dikwijls over gesproken, en wij waren er allen nieuwsgierig naar, of liever mijnheer Tjilp en ik alleen, want mijne moeder bemoeide zich minder met alles wat tot zulke oude prullen behoorde; doch allerlei drukten en gebeurtenissen waren tusschen beide gekomen, en de zaak was onder een reusachtigen berg van papieren en uit het geheugen geraakt, tot dat op den genoemden
middag een fragment van mijnheer v. N.'s handschrift daarover ontdekt werd____om
het been van den ham.
De meid werd binnen geroepen, scherp ondervraagd, en door een zedelijke pijnbank werd er uit haar getrokken dat zij eenige losse vellen schrifts van de schoonmaaksters â al weder die schoonmaaksters! â had gekregen, die ze bij het reinigen van de bibliotheek hadden opgeredderd. IJlings werden de overige bladen opgezocht; een dat reeds op een blaker lag, een dat een peperhuis met blauwsteen bleek te zijn geworden, en de overige werden nog ongeschonden gevonden.
Het duurde eene poos totdat al de gemoedsbewegingen bedaard waren; doch toen zijne goede vrouw en ik onzen lach onmogelijk langer bedwingen konden, toen mijnheer Tjilp zeide, dat mijn vader die schoonmaaksters veeleer dank verschuldigd was, omdat zij de lang verloren papieren gevonden hadden, toen de onschuldige ham, van zijn net geknipte papieren handvat beroofd, werd weggedragen, toen won het toch de komische zijde van de zaak, toen vloeiden mijnheer v. N.'s rimpels weg en plooide ook zijn humoristische mond zich onwillekeurig, en wij lachten hartelijk om het gebeurde.
Een paar uren later zaten wij in den tuin thee te drinken: mijnheer Tjilp, dien ik gedurig aanstookte, wees met zijn pijp naar het nevenhuis, en drong dat mijnheer v. N. ons nu de wedergevonden aanteekeningen zou voorlezen.
Bella zat intusschen met bloemen te spelen in een perk dat haar tuintje heette en ik, op mijn eene been zittende in eene geliefdkoosde houding, luisterde gretig naar het verhaal van de tweelinghuizen.
13LAL)EN UIT EEN LEVENSJiOEK.
â Het moet al lang geleden zijn, begon mijnheer v. N., als ik het wel heb in de helft der vijftiende eeuw, toen op dezelfde plaats waar nu deze twee huizen staan twee broeders woonden. Hun vader was een bouwmeester en werd gezegd geheime krachten en kunsten te bezitten, zoo als dikwijls in die tijden aan de bouwmeesters, werden toegeschreven, als ook de macht om met het bouwen van een huis daar een vloek of een zegen in te leggen. Hij scheen eenig vermogen te hebben en bouwde op deze plaats, toen hij oud van dagen was, voor zijne zoons twee huizen. Deze huizen waren toen veel kleiner dan zij nu zijn en half van steen half van hout opgetrokken. Als iets hoogst merkwaardigs er van staat in onze oudste stadsbeschrijving aangeteekend, dat zij beide tot de kleinste bizonderheden juist eender waren.
Het waren volkomen tweelinghuizen, zoo als de oude bouwmeester ze ook noemde, steunende, zoo als men zeide, op het in zwang zijnde geloof dat al wat tweelingen betrof dubbel geluk ondervond. Het is waar, de broeders waren geen tweelingen â maar de huizen waren het en dit scheen genoegzaam. En is het ook niet zoo dat het huis en de eigenaar, dat hun beider lot ten nauwste verbonden is? Ziet men niet dikwijls dat hij die zijn voorvaderlijk huis verlaat om een nieuw en hem vreemd te betrokken, in het oude zijn geluk en genoegen achterlaat? Zóo nauw zijn huis en bewoner ver-eenigd, en zoo kon dan ook het gelukkige lot dat aan die tweelinghuizen verbonden was, of volgens anderen door den kunstigen ouden bouwmeester er in was gemetseld, zich mededeelen aan de beide broeders.
Met nauwlettende zorg waren dan die twee huizen juist gelijk gemaakt, ja zelfs toen er aan een der bogen boven een venster van het éene een kleine misstand was, werd dit bij het andere huis even zoo gemaakt.
De oude bouwmeester werd ziek en liet zijne zoons bij zich komen. Hij hield eene lange bijeenkomst met hen en eindigde met hun deze woorden toe te spreken:
â Kinderen! zeide hij, gij hebt beiden een schoon en eerlijk bedrijf, houdt u daarbij, ieder naar zijne wijze, en zoekt uw geluk daarbij, maar zoekt het niet daarbuiten. Ik druk u vooral deze woorden op het hart: even als uwe huizen eender en gelijk zijn, blijft ook gijlieden in karakter en stand gelijk.
Kende de oude man zoo juist de karakters zijner beide zonen dat hij ze aanmaande aan elkander gelijk te blijven, in de overtuiging dat de zwakke dan den aard van den betere zou blijven navolgen?
Misschien was dit zijne bedoeling, want beiden waren toen brave kerels, maar in den eene zat toch de kiem van wat later onrust zou worden en onvastheid van karakter en neigingen, met de zucht om zich te verheffen.
73
10
BLADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
De oude man intusschen was gestorven, en de broeders leefden in hunne gelijkvormige huizen. De een was wapensmid, de ander goudsmid.
Wouter de wapensmid was een rijzig en sterk gebouwd man, met een open, gul gelaat, en als de reuzenkracht zijner armen het zwaarste en hardste ijzer naar zijn wil behandelde, was het vreemd te denken dat zijn aard en zijn hart zoo gul en zoo zacht waren.
De goudsmid, die Egbert heette, was een man van een lange en schrale gestalte, met een schitterend oog en een immer werkend verstand. In die dagen was een goudsmid een merkwaardig kunstenaar, die doorgaands tevens teekenaar en schilder was. Egbert verkreeg ook veel roem in zijn vak; maar welke kerk of convent ook kon bogen op een schoon gedreven of besneden stuk zilver of goud van zijne hand, geen was er, wel vijftig uren in den omtrek, dat een werk kon aanwijzen zoo kunstig als de outergereedschappen van het Sint Agnieten-convent in de buurt en vooral als een uitstekend reliquiënkastje dat hij pas daarvoor vervaardigd had. Daar had hij zeer kunstig op gedreven den val der trotsche engelen, tot groote stichting van allen die hot stuk zagen. Maar hij scheen zelf weinig daaruit geleerd te hebben, want de groote fout van Egbert was dat hij nooit te vreden was met zijn staat, dat hij altijd hooger op wilde, en dat hij altijd zijn geluk zocht elders dan het was â want als hij bereikt had wat hij begeerde, haakte hij weder naar iets anders. Dit gaf dikwijls aanleiding tot ernstige gesprekken tusschen de beide broeders en vaak moest meester Wouter zijn hoofd schudden en zeggen: Broeder! denk aan de woorden van onzen vader.
Meester Egbert had een jonge vrouw die hem met hart en ziel beminde, die met zachtheid zijne gebreken zocht te temperen en verschoonde, en wier trots en roem het was de kunst van Egbert te hooren bewonderen. Haar zacht en liefelijk gelaat had dikwijls tot model gestrekt voor de Madonnas van meester Egberts penseel, en in al de huizen en stulpen van bedroefden en armen ging er menige bede en dank tot de Moedermaagd op voor de liefderijke hulp en vertroosting door Egberts vrouw aangebracht. Had het in haar aard gelegen dat hare weldaden niet zoo stil en geheim plaats hadden, het algemeene gevoelen had haar in haar leven reeds eene heilige gewaand. PJn eene schutsheilige scheen zij wel te wezen voor het huis van meester Egbert en een goede genius voor dezen. Helaas! waarom besefte hij zoo weinig het geluk dat hij had kunnen genieten! Vreugd en welvaart hadden dan in zijn huis kunnen wonen, en het door haar een gelukkig huis kunnen maken. Maar Egberts geest en lust waren even vast als de windvaan op den spichtigen toren van het Sint Agnieten-convent. Nu eens zocht hij in
74
BLADEN UIT KEIs LEVENSBOEK.
het mystieke der hooge kunst zijn geluk, dan liet hij dit weder varen om zich met smeltkroezen en fornuizen bezig te houden om goud te maken, in plaats van het met zijn talent te versieren. Soms waren er ook tijden, dat hij zich geheel overgaf aan feesten en drinkgelagen met de lustige snaken uit het St. Lucasgilde.
Intusschen als zijne vrouw hem weder tot de kunst aanspoorde en hem voor een tijd van zijne veranderlijke levenswijze afbracht, dan oefende de kunst haren veredelenden en verhefFenden invloed op hem uit, leidde werkzaamheid hem tot betere gedachten en gedrag en bracht zijnen wispelturigen geest weder tot eene kortstondige rust.
Maar het leed niet lang.
Eens begon hij te begrijpen dat voor een man als hij zijne woning veel te onaanzienlijk was. Hij liet werklieden komen. Vruchteloos waren de tranen zijner vrouw. Vruchteloos de vermaningen van Wouter, die in ernst toornig was over die schending-van den wil huns vaders.
Het nederige huis werd opgetrokken met een hoogen gevel met verschillend beeldhouwwerk, de oude venstertjes door grootere met bogen versierde kruiskozijnen vervangen, en het nederige uithangbord van Egberts bedrijf, een vergulde beker, weggenomen.
Trotsch stak nu het rijzige huis af bij zijn tweelingbroeder, die met zijn kleine ruitjes, zijne smalle ramen, zijn eenvoudigen houten gevel en het groote zwaard, dat als een teeken van des bewoners bedrijf aan een lange ijzeren stang uit den gevel hing, er zeer nederig uitzag.
Sommigen van Egberts bekenden schudden bedenkelijk het hoofd en mompelden: Alle geluk is sinds dien tijd van Egberts dak voor goed gevloden!
De zwaluwen, die bij de verbouwing verjaagd waren, kwamen ook niet terug, en de ooievaar, dat teeken van geluk, die op den schoorsteen placht te nestelen, was weggebleven.
In het kleine huis van meester Wouter was daarentegen alles vroolljk en gelukkig. Wouter had eene kloeke vrouw, en als zijne zes kinderen te hard schreeuwden, beukte hij wat harder op de stalen platen van harnas of stormhoed en overstemde hun geschreeuw.
â Gegroet meester Wouter! zei een ruiter, die het huis binnentrad, uw werkplaats is als van ouds weer een lust om te zien!
Wouter was aan het zingen.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
O nachtegael, clein voghel,
Wout ghij der mijn bode zijn,
En vliegen tot den ruiter Den aller!iefsten mijn.
zong meester Wouter, uit het oude, toen nieuwst in zwang zijnde liedeke, tot hij den vreemde ziende ophield en dezen zijn ruwe hand toestak, die de ander gaarne drukte, al was ze met roet en kool bezwart.
â Ha! zei hij, oude vriend, welkom weer in het lieve land! Geluk dat u de vijandige kolven en zwaarden gespaard hebben â al hebben zij de rusting deerlijk gehavend.
â De rusting was beproefd, want ze is van meester Wouter, zei de andere, en onder allerlei uitroepen van bewondering en goedkeuring voor wat hij met aandacht beschouwde, ging hij den winkel rond, langs welks wanden glinsterende rustingen en halsbergen, en verschillende soorten van zwaarden, daggen en knijven hingen. Het was ook voor een krijgsman een lust om te zien hoe alles er keurig en sterk uitzag, en menig ruiter die voor de deur ophield om een schalm in zijn maliënkoker of een bult uit zijn stormkap te laten slaan, liep met genoegen de werkplaats rond.
â Hoe maakt meester Egbert het? vroeg de ruiter.
Wouter antwoordde eerst niet, de glimlach verdween van zijn gul gelaat.
â Treurig, treurig! zei hij eindelijk, de zware hand vertrouwelijk op des anderen schouder leggende, gij kent de geruchten dat er op verscheidene plaatsen onnoemelijke schatten in de aarde verborgen zitten. Nu heeft hij zich in het hoofd gezet daar naar te gaan zoeken. Eer- en geldzucht waren altijd zijn gebreken, en nu zet hij alles op het spel om die schatten te vinden. In verre landen, over de zee zelfs, heeft hij al gereisd, maar altijd te vergeefs; hij wroet overal de aarde om, en, de hemel vergeve het mij, zeide hij zich kruisende, maar ik geloof dat hij nu heult met den Booze.
En fluisterend ging hij voort: â Hij zoekt nu allerlei toovermiddelen en bezweringen, en lieden van hot land hebben hem te middernacht in verdachte heuvels zien graven en in kolken en waterplassen zien visschen. En dan zeggen zij dat hij niet alleen is, maar dat er een in een mantel gewikkelde persoon bij hem staat! Onze Lieve Vrouwe behoede hem!
Werkelijk was het sinds geruimen tijd de rustelooze bezigheid van Egberts leven dien schat te zoeken dien zijne verbeelding hem in al zijn schitterenden glans voorspiegelde. Eene koortsachtige prikkeling joeg door zijne aderen, noch te meer door de aanhoudende teleurstelling aangevuurd, en weldra maakte hij zijn gezin en zijn leven tot hot rampzaligste wat men denken kon.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK. ((
Zijne vrouw bezweek onder dit leed, en zijne kinderen werden door meester Wouter opgenomen.
Daar zat dan die man, voor zijn tijd een magere grijsaard, te peinzen aan den eenzamen en uitgedoofden haard. In de naaste kamer lag zijne vrouw op het bed, waarop zij de rust was ingegaan. Allerlei akelige beelden zweefden den peinzenden grijsaard voor den geest.
Zijn leven onnut doorgebracht, zijn geluk en dat van zijn huis door eigene hand verwoest, zijne kunst verwaarloosd, zijn geest verstompt!
Bij dien eenzamen, uitgedoofden haard gezeten, in het stille uur van den nacht, hoorde hij nu buiten een voetstap en een hand aan de klink der deur. Hij nam de ijzeren bout van de deur af.
Op dit oogenblik, zegt de sage, dat er een rijzig man in een langen mantel gewikkeld binnen trad.
Deze persoon wenkte hem te volgen naar de kamer waar de doode lag. Hij schoof de gordijn der sponde ter zijde en ontblootte de borst van de ontslapene. Daarop een ontleedmes van onder zijn mantel halende, sneed hij do borst open, en het hart er uitnemende legde hij het op de tafel.
Egbert stond te klappertanden: toen zag hij den onbekenden man het hart van zijne vrouw openen en er iets uitnemen dat het flauwe licht der eenige kaars verdoofde en het gansche vertrek verlichtte met een schitterenden glans. Het was een vonkelende diamant, zoo zuiver van water en zoo groot als de aarde nooit had voortgebracht. De rampzalige man strekte er gretig de handen naar uit, maar de onbekende hield hem terug.
â Gij hebt altijd naar een schat gezocht, zeide de vreeselijke onbekende, die u rijkdom en geluk zou geven! Hier hadt gij moeten zoeken!
Weer strekte de grijsaard de gretige handen uit naar het edelgesteente, hij greep het â maar het verkruimelde tot stof in zijn hand.
Met een spottenden lach liet de onbekende hem alleen.
Egbert verdween, en niemand heeft ooit geweten waar hij gebleven was. Zijne kinderen werden door meester Wouter verpleegd. Men zegt dat deze het huis zijns broeders weder liet veranderen en in zijn vorigen stand terug brengen; anderen verhalen, en dit schijnt meer waar, dat de nakomelingen van de beide broeders, in latei-tijd, deze twee huizen lieten veranderen zoo als ze tegenwoordig bestaan, weder volkomen gelijk aan elkander.
De overlevering schijnt ook steeds in die geslachten bewaard te zijn gebleven,
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
want hoewel de huizen vernieuwd en veranderd werden, elke verandering geschiedde steeds aan beide huizen te gelijk. Maar altijd was dat éene huis in slechten reuk gebleven. Ook zegt men dat niet alleen op de afstammelingen van meester Egbert een ongelukkig lot rustte, maar ook vreemde bewoners die dit huis betrokken dat lot overerfden en ook zij gedoemd waren hun geluk te zoeken waar het niet was, en het voorbij te zien waar het lag.
Zomers zijn voorbij gegaan met zonneschijn en zingende vogels â winters zijn weggesmolten met ijs en sneeuw â sinds wij in den tuin zaten te luisteren naar de woorden van mijnheer van Nijwoude.
ïk was intusschen de kinderschoenen uit- en de jongelingslaarzen ingegroeid, en het werd nu bij mijne vrienden eene belangrijke vraag, wat ik moest worden. Ik was niet weinig verlegen toen mijn vader mij eens in de bibliotheek riep en vroeg:
â Jongen! wat wilt gij worden?
Nu moet men weten dat ik wel verscheidene bepaalde wenschen en plannen had, als bij voorbeeld, een schoon rijzig man te wezen met lange zwarte knevels en eene losse bevalligheid van taal en manieren, waar ieder onwillekeurig door ingenomen werd, zoo als mijn neef de student, die allerlei buitensporigheden bedreef, maar wiens dwaze grillen en fantastische zotheden ieder onweerstaanbaar deden lachen.
Op andere tijden was er een andere wensch die zich op den voorgrond plaatste, namelijk een beroemd schilder te worden, voor wiens scheppingen de menschen opgetogen zouden staan en wiens genie hen aan de toovermacht van het schoone zou onderworpen.
Of ook boeken te schrijven, die tranen van aandoening aan lieve oogen zouden ontlokken, of waardoor de menschen in hun diepste binnenste geroerd, waardoor zij veredeld zouden worden.
Verder wilde ik getrouwd zijn en kinderen hebben, en in dichterlijke tinten zweefde mij het gelukkigste gezin voor oogen.
Met geen van deze plannen, die alle reeds zeer uitgewerkt als idealen in mijn geest rondzweefden, durfde ik evenwel bij mijn vader voor den dag komen, daar ik flauw vermoedde dat dezen minder aan de bedoeling zijner vraag zouden beantwoorden dan de keuze van een bepaald vak. En een bepaald vak had ik noch niet gekozen, ik had er zelfs nooit aan gedacht, maar in mijn leeswoede en weetdorst even gretig naar ieder deel van menschelijke kennis (behalve de edele cijferkunst) de hand uitgestoken.
Ik aarzelde dus.
78
BLADEN UIT EE^ LEVENSBOEK.
â Jongen! zei mijn vader noch eens, doorgaands kiezen niet de menschen een vak, maar een vak kiest hen, doe gij nu eens omgekeerd en kies wat gij worden wilt.
â Vader! â ik zou wel willen worden â wat gij zijt.
Zoo als hij was! Wel hem die zoo mocht worden; doch ik meende dit toen niet in die rijke en schoone beteekenis, maar doelde alleen op zijne wijze van leven en werken.
Eene staatsbetrekking had hij niet meer. Als iemand mij vroeg wat mijnheer v. N. thans was, of hij medicus of litterator, rechtsgeleerde, sterrekundige, theoloog of filosoof was, ik zou het niet weten: maar wel dat er geen tak van menschelijke kennis was waar zijn geest niet mede bekend was. De studie van de menschheid en van den mensch in den ruimsten omvang â omne quod ad humanitatem per tin et â dat was altijd zijn hoofdstreven geweest, en was het noch wanneer hij thans te midden van de rijke wereld der boeken, den mysterieuzen draad naspoorde langs welken de ontwikkeling van den menschelijken geest voortgaat.
Wat ik ben, zeide mijnheer v. N. glimlachende. Ja er is geen gelukkiger leven voor den geest dan om in de onuitputtelijke mijnen der wetenschap te graven en te werken. Dwazen zijn het, die op de boekenwereld en boekengeleerdheid smalen en ze dood noemen: hoe zal men ons geestelijk zijn kunnen bestudeeren als men niet de historische ontwikkeling van dat zijn heeft nagespoord in de verledene eeuwen, en hoe kan men dat anders dan in de boeken ? En wat een genot, wat een licht, wat een troost geeft die boekenwereld! Boeken weigeren nooit hulp, stellen nooit te leur; met hen behoeft men zich nooit te vervelen en kwaad te spreken en te babbelen over de nietigheden van den dag, en Lucas de Penna heeft gelijk als hij, onder andere schoone lofredenen, zegt: Boeken zijn een licht voor den geest, zij steunen ons in tegenspoed, matigen ons in voorspoed, zij zijn gezellige vrienden op reis, zoowel als t'huis, zij____
Maar op eens bemerkende dat dit alles weinig geschikt was voor iemand die een bepaald vak moest kiezen, vervolgde hij na een korte poos:
â Maar, beste vriend! gij zijt te jong om te leven zoo als ik leef. Gij moet eerst zelf handelend in het praktische leven u bewegen en werken; de geest kan niet alleen door bespiegeling en overpeinzing gevormd en gevoed worden. Daarom moet gij een vak kiezen waarin gij de maatschappij zult dienen.
â Boeken schrijven, zeide ik, ik wou boeken schrijven â zoo kan ik immers ook werken en de maatschappij dienen?
Dat gedeelte van mijn vader waar zijn gevoel, zijn gemoed in zat glimlachte en
BLADEN UIT EEN' LEVENSBOEK.
was verheugd dat er zulk een aard in mij lag, maar het andere gedeelte, waar zijn verstand in was, schrikte.
â Neen, neen, zeide hij snel, dat moet ge li uit het hoofd zetten, â kijk eens om u heen, hoe veel duizenden boeken zijn hier en hoe veel millioenen zijn er al geschreven â en zoudt ge denken dat het noodig was dat aantal ongeroepen noch te vermeerderen?
Daarover had ik niet gedacht, maar ik antwoordde toch boud weg; â Maar als ik geroepen ben?
Mijn vader glimlachte, dat is eigenlijk: de eene helft glimlachte, maar de andere helft zeide:
â Geroepen? ja, maar weet je het onderscheid wel tusschen roeping, dat is krachtige, zich zelf bewuste overtuiging, en dat wat slechts lust of neiging is?
â Studeeren dan, zei ik eindelijk, onderstellender wijze.
â Studeeren dan, herhaalde mijn vader; ik heb altijd gehoopt dat ge daarin lust zoudt hebben; maar in alle geval, bedenk je vrij en handel naar de inspraak van je verstand â en je hart, je hart ook, want die twee moeten elkander altijd trouw vergezellen.
Zoo liepen de eerste beraadslagingen over mijn vak af.
â Phoe! zeide mijnheer v. N. naderhand, met een lachende zucht, tot zijne vrouw, daar heb ik de zwaarste taak gehad die gij bedenken kunt, verbeeld u dat de jongen, die dol is op boeken, zelf een schrijver wil worden â en dat ik daarin om zijn bestwil zijn drift heb moeten matigen!
Intusschen steeds onbepaald omtrent die keuze, zit ik druk in de classici.
Ik ben met Homeros bezig.
HokvcpkuiaiioLov (')« ....
Maar ik heb een groote afgetrokkenheid.
Welk een geestdriftvolle vereerder van de oude classici ik vroeger was, en hoe gelukkig ik mij gevoelde in angello cum libello, thans werd niet alleen het classicisme geheel ter zijde en weggedrongen, maar begon de levensvolle en rustelooze geest ook de boekenwereld te verlaten. Een andere wereld en een ander leven, de levende wereld en de beweging om mij heen, werkten sterker op mij en trokken mij nu geheel aan.
so
BLADEX UIT KEN LEVENSBOEK.
In dat tijdstip, waarin ik toen was, heeft er een fysische en moreele gisting plaats in den mensch, een kentering van liet tij dat hem een tegenovergestelden kant opstuwt. In eiken leeftijd is een zekere eb en vloed onzer vermogens, maar nooit is die zoo sterk en voortdurend dan als wij het eerst van onze krachtige jongheid bewust worden. Daar nieuwe behoeften zich sterk doen voelen, verzwakken de oude banden en vormen. Dit wegslaan van alle dijken en dammen, het krachtige, frissche, nieuwe van het jonge leven dat wij intreden, bij de eerste zelfbewuste ontwikkeling onzer vermogens, is het dat die plotselinge kentering in ons levenstij veroorzaakt. Ons oordeel (kritiek) is met ons de kinderschoenen ontwassen en staat op eigen beenen, het maakt weldra allerlei tours de force, zoowel om zijne kracht te beproeven, als om die te toonen. Dan breken wij alles af of tornen en twijfelen aan alles. De onbesuisde soort van kritiek van het ontwakend en voor het eerst zelfdenkend verstand bezit slechts een breekijzer om te sloopen, geen troffel om te effenen en op te bouwen. Het gaat met de groote omwentelingen dei-volken even zoo; zij zijn slechts de pogingen der massa om zelf te denken en voor zich zelf te handelen.
Och angstvallige en bedeesde zielen! schudt het hoofd niet om de verdorvenheid van het menschelijk verstand en de razernij der kritiek. liet is het natuurlijke proces van zelfontwikkeling, gelijk dit onder de algemeene ontwikkeling plaats heeft.
En als mijne moeder soms beducht was om mijne hyperheterodoxe en paradoxe stellingen, zeide mijn vader;
â De natuur moet haar loop hebben, en even zeer de ontwikkeling van den geest: laat hij gerust alles afbreken, hij zal het later zelf weer opbouwen; maar dit jongen, zeide hij ernstig tot mij, dit éene moet gij altijd vasthouden
Heart within and God overhead.
Zoo liepen mijne gedachten spelen en ik geloof dat er gemiddeld wel een kwartier tijdsruimte lag tusschen elk woord dat ik schreef. Nu eens denk ik aan mijn toekomstig vak en werk onderwijl aan het beschaven van mijn nagels, dan aan mijn toekomstig leven en pas intusschen mijne nieuwe laarzen aan: en steeds komen nieuwe vizioenen en andere voorwerpen mij aan en van Homeros aftrekken, zoodat het maar niet verder komt dan
riokvCpkoLOfioloV 0(i......
81
11
BLADEN UIT EEX LEVENSBOEK.
Naar den duivel de doode dichter en zijn doode taal, roep ik uit, het leven op de straat trekt meer mijne belangstelling.
En ik kijk naar de mooie meisjes die voorbij komen, vooral eene die dagelijksch langs ons huis gaat en die somtijds opkijkt naar mijn raam, misschien een reden waarom ik haar boven allen verkies.
Als het een weinig geregend had en er kleine plassen lagen, was het vooral aardig de fysionomieön der verschillende vrouwenvoeten te bestudeeren. Dan vooral werden dezen zichtbaar. Dan zag ik welke er op de hielen liepen met opgewipte toonen, welke er klauwden en naar binnen draaiden bij eiken stap, of plomp en smakeloos werden nedergezet. Zoo ontdekte ik dat het meisje met de slanke gestalte, ook lieve welgemaakte voeten had, hoogst bevallig en flink van beweging. Er zat stijl in die voeten en hun gang. Daar zie ik weder haar vluggen tred in de verte, ik zie het prettige gezichtje naderen: zij vat de rokken op en stapt behendig tusschen al die kleine meeren door. Als zij voor mijn raam is zal zij wel eens opkijken â maar neen, zij heeft het te druk met de plasjes te mijden â zij geeft er meer om, hare laarsjes â zij zijn netjes dat beken ik â voor dat slijk te vrijwaren, dan om mij â bah! ik ga mijn pen in den bitteren inkt doopen, maar wacht weer zoo lang, dat hij er in gedroogd is als ik wil beginnen te schrijven.
Wat is natuurlijker dan de pen weer neder te leggen, te meer daar er een paard komt aandraven? Ik loop dus naar het venster, en nadat ik het opschrift van het uithangbord schuin over ons van achteren naar voren gespeld en gelezen heb, blijft mijn oog rusten op datgene wat het paard op straat heeft achtergelaten; â dan kijk ik naar de musschen die er hun voer uit pikken, en de kat die ze beloert, en den hond die de kat wil grijpen â totdat paard, musschen, kat en hond, alle verdwijnen. Ieder van hen schijnt een bepaald doel en een bepaald vak te hebben â ik alleen niet, en ik ben nog altijd aan
//oAvqpAotöjSoiou amp;u......
Ik voeg er nu ht bij, maar het is of de duivel er meê speelt vandaag. Daar komt een .dein beestje, een hout- of boekluisje of een dergelijk ongewerveld iets, over het papier en in de richting van mijne pen wandelen. Natuurlijk houd ik op met schrijven, om zijn gang na te gaan, en ook om het niet te vermoorden. Ik volg het, zoo als het dwars over verba, substantiva, comma's en verdere leesteekens heenloopt, net als mijne goede moeder wanneer zij iets uit de courant voorleest. Wat of wel het vak en het doel van zulk een beest zou zijn? Door een vergrootglas zie ik zijn acht beenen haastig
82
BLADEN UIT EEX LEVENSBOEK.
voortspoeden als moest hij een brief op den post brengen of iemand inhalen dien hij spreken moest; maar terstond keert hij terug alsof hij iets vergeten heeft en wandelt met dezelfde haast in een tegenovergestelde richting. Eindelijk komt hij in het laatst geschreven woord en stapt in de nog natte « waarin hij blijft staan en al het bittere van den inkt en van zijn aardsch bestaan overdenkt.
Eindelijk neemt hij een kloek besluit en tot over zijne kuiten in de inktbeek stappende komt hij er uit en gaat verder.
Nu is hij op het witte papier â eene uitgestrekte vlakte ligt voor hem als een onafzienbare witte woestijn. Met zijn voorbeenen krabt hij zich achter de ooren, waaruit blijkt (even als bij een mensch) dat hij zich bedenkt, en terwijl niets hem hindert dan de vezeltjes van het papier en geen letter hem in den weg staat, gaat hij met drift éen kant op om een oogenblik daarna weer om te keeren en mot dezelfde drift een gansch anderen kant heen te loopen. Waarom gaat hij niet rechtstreeks op zijn doel af zonder die duizend gekke slingers te maken?
Terwijl ik met ingespannen genoegen hiernaar zat te kijken, kon ik niet nalaten hem een beetje te plagen. Ik blaas dan groote rookwolken boven hem uit, die zich als een donderbui boven het hoofd van den wandelaar verzamelen. Hij staat stil en peinst blijkbaar.
Zoo hij een geoloog is zal hij peinzen over den dampkring en zijne werking op de aarde â zoo hij een alledaagsch en onwijsgeerig beest is zal hij denken dat er een onweer opkomt en zich naar huis spoeden, daar hij geen parapluie bij zich heeft. Eindelijk blaas ik de rookwolk weg en zie ik hem met dezelfde besluiteloosheid heen en weder scharrelen....
Intusschen ligt de wijde wereld even wijd voor mij open als het blanke papiervlak voor het houtluisje; even besluiteloos als hij ijl ik in gedachte nu her- en derwaarts; even weinig als hij weet ik den weg dien ik zal kiezen.
In het leven gaat het den menschen zoo dikwijls even als dat kleine beest; zij weten niet altijd waar zij heen willen en er overvalt hen wel eens een donderbui, zonder dat zij een parapluie bij zich hebben.
Ik geloof dat ik nog met dat beest zou bezig zijn, als mijnheer Tjilp met zijn viool daar niet aankwam.
83
BLADEN LIT EEN LEVENSBOEK.
De vraag, wat zal mijn toekomstige werkkring zijn? begint zich intusschen sterker, veelzijdiger en onder gedurig andere gestalten aan mij voor te doen, want hoe langer wij over een zaak denken, des te omvattender en uitgebreider wordt zij. Zoo was deze zaak niet meer alleen eene vraag van broodwinning, maar had zij eene spiritueele uitbreiding gekregen en klonk nu: welke is de richting en de behoefte van mijn geest.
De wildste droomen â en de naakste en koudste terugkeer daarvan; nu eens jeugdige onbezonnenheid en overmoed â dan de voorloopers reeds van de kritiek en het beredeneerde van den man; zal ik een gevoelsmensch worden of een verstands-mensch? Is de materiëele wereldbeschouwing de ware, of de spiritueele? De reöele of de ideale? Is er slechts stof hier beneden en cijfers, of is er ook geest en poëzie? En stormachtig baant bij wijlen de hartstochtelijke zucht zich een weg; God, o God wat is de waarheid?
Dat alles doet zich aan mijn geest voor, niet met die bewustheid waarmede ik het nu stel, maar verward en in onophoudelijken strijd. Onder deze indrukken ben ik niet meer de wilde speelmakker van Bella en beschouw haar niet langer als een jongen met rokken. Ik moet ook nog opmerken dat ik sinds eenige weken met verwondering ontdekt heb, dat Bella bizonder mooi wordt. Waarom ik dit niet vroeger gezien heb begrijp ik niet.
In plaats van met haar te vechten en te draven, wandelen wij dikwijls deftig samen, en praten en redeneeren, waarbij ik haar ongewone vlugheid en verstand bewonder en benijd.
Als wij in het bosch wandelen, is er een uitgezochte plek, op een kleinen, groenen heuvel, waar wij dikwijls in het gras gaan zitten, onder drie stokoude eiken,
ros van het zomerzonneroosten,
zoo oud, zoo oud, dat het moeilijk viel te denken dat zij ook slechts drie eikels of drie jeugdige loten geweest waren.
Hoe veel menschen hadden die eiken al onder hunne takken gezien!
Geslachten opgekomen, voorbij en te niet gegaan. Kinderen hadden zij onder hunne schaduw zien spelen en zich verschuilen achter de stammen.
Jongelingen, den arm om eene lijne leest geslagen en teedere beloften uitsprekende.
Schilders, die de natuur bestudeerden en roem zochten.
Wijsgeeren, die den roem versmaadden â om zich een naam te maken.
En zoo veel meer hadden zij gezien, die oude eiken. En intusschen rolde de wereld
84
1!ladf.n uit een levensboek.
steeds voort, en zij werden ouder en onder, en die kinderen waren ook ouder geworden; en die jongelingen hadden hunne belofte vergeten of gehouden, maar waren nu zelf vergeten. Altijd geslachten die voorbij gingen om plaats te maken voor de nieuwe, zoo als de dorre gele bladeren voor de groene.
â En hoe veel namen en letters staan er in gesneden! zei Bella. Willen wij ook onze namen er in snijden?
â Verliefden, antwoordde ik, en vrienden hebben er letters in gesneden met harten er om heen, maar de tijd heeft die boomen ouder gemaakt, en die harten en letters zijn geheel vergroeid en onkenbaar. Hoe zouden de harten dier menschen nu zijn? Zou noch altijd die W in het hart van H, en die H in het hart van W staan, als voor jaren?
Is dina noch altijd de geliefde klank voor hem die dezen naam daar zette, of is ook in zijn hart, even als in dat op den ouden stam, die naam nauwelijks leesbaar meer, zoodat men hem nu veeleer voor dora zou houden?
Is de eeuwige cirkel om die twee letters daar, in gulle jeugd gezet, noch altijd gesloten ? Of is die band gebroken en heeft de wereld een kloof tusschen hen gezet, even diep als de scheur in den ouden eikenbast, waarop die twee letters staan?
â Wat ben je vandaag wantrouwend en zwart! zei Bella.
â Zoo is de wereld, sprak ik.
â Als je haar zoo wilt beschouwen, ja! Wil je onze namen niet snijden?
â Bella, zeide ik peinzend, ik twijfel zeer, of er wel verbeelding en gevoel bestaan, en of dat niet maar ijdele hersenschimmen zijn!
Bella nam een grooten doorn en stak daarmede in mijn been. â Ai! riep ik, wat wil je?
â Zien of je gevoel hebt: gelukkig bestaat het toch noch.
â Neen, zeide ik het hoofd schuddende, â kijk! die oude boomen zijn drie grijze wijsgeeren die minachtend op al de nietigheid om hen heen neerzien.
â En ik, zeide zij, vind ze als drie oude aartsvaders die zegenend hunne armen over alles uitbreiden. Waarom zouden wij ook niet liever vrede hebben met alles, daar wij weten welk een heerlijke harmonie in alles heerscht, als wij ze maar niet dom voorbijzien ?
Toen wij te huis kwamen vonden wij er mijnheer Tjilp en dokter Vijzel, en allen in een druk gesprek waarvan wij het laatste gedeelte bijwoonden.
80
86 BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
â Neen! vriend van Nijwonde, zei dr. Vijzel, neen, gekker voorwerpen dan de wijsgeeren ken ik in de wereld niet, en het tooneel van hun dwaasheden is noch te zotter, daar zij zich juist altijd verbeeld hebben de eenige ware wijzen te zijn; maar men kan altijd blijven zeggen; barham et pallium video, philosophum nondum video! Het is noch altijd, vervolgde hij, aan het einde van dezen zin het deksel zijner snuifdoos met een krachtigen tik toeslaande, als sloot hij deze woorden onherroepelijk er in op, het is altijd de oude historie van Thales, die zóo naar de sterren keek dat hij in een put viel: altijd blijven zij in putten vol dwaasheden vallen terwijl zij het abrakadabraschrift der sterren willen lezen.
â Zij hebben de waarheid niet altijd gevonden, zeide mijnheer v. N., maar wij mogen ze toch roemen omdat zij er naar gezocht hebben.
â Hun groote fout, zei mijnheer Tjilp, was hun overmoed: zij meenden uit de verstandelijke redeneering, uit een syllogisme alles te kunnen verklaren.
â Neen, hun groote fout was dat zij in bespiegeling en verbeelding omdoolden, zeide dokter Vijzel, in plaats van in de praktijk en bij het materiöele te blijven. Er is maar éene school geweest die op den waren weg was, de stoicijnsche. De Stoici waren geen ijdele maankijkers en droomers, zij verloren zich niet in dolle bespiegelingen en metafysische onzinnigheden, mijnheer! Zij waren mannen van het positieve, dat is wat niet in verbeelding, maar wat in werkelijkheid bestaat.
~ Ho! ho! dokter! riep mijnheer v. N. â met warmte; de drommel hale je Stoici, â die waren het verst van allen van de waarheid; zij zijn in de dwaze meening vervallen, dat de mensch te volmaakter zou wezen hoe meer hij al zijn gevoelswerkingen en aandoeningen uitroeide, ergo verloochenen zij een....
â Phoe! phoe! viel dokter Vijzel hem in de rede, phoe! is er iets dwazer dan gevoel en verbeelding, is er iets dat den mensch meer op een dwaalspoor brengt? dat het verstand meer benevelt? Neen! als men eens door een scheikundig proces al dat gevoel en die verbeelding uit het menschdom destilleeren kon en ze in een hermetiesch gesloten flesch bewaren met het opschrift; Hier ligt de dwaasheid der wereld begraven, â kijk, dan zou het menschdom oneindig wijzer en beter wezen. Er is een Stoicus, ik weet niet wie, en dat doet er ook niets toe, die in vier regels het beste recept heeft geschreven om gezond naar lichaam en ziel te leven dat ik ooit gezien heb;
BLADEN UIT BEN LEVENSBOEK.
Gaudia pelle, zegt hij,
Pelle timorem Spemque fuga to Nec dolor ads it;
dat is: een mensch, die volmaakt gezond van lijf' en verstand, en dus gelukkig wil zijn, moet geen hoop en geen vrees, geen vreugd en geen leed gevoelen.
â Dat recept is van Boet lus, zeide mijnheer v. N.; je vindt het in zijn con-solatio philosophiae.
â Dat is een verfoeilijke leer, zeide mevrouw v. N., er zich in mengende, en die dat gezegd heeft is zeer te berispen, â Boetius! Boetius? is dat niet dat boekje daar je zoo veel beweging over gemaakt heb?
â Hm! zeide mijnheer v. N., tot wien deze vraag gericht was, ja dat was dat boekje ____
â Dat gij, zei mevrouw v. N., met een verwijtend gewicht van honderd pond op dat woord, dat gij zulk een afschuwelijk boek zoo vereert!!... dan was het waarlijk maar goed als de schoonmaaksters het werkelijk gestolen of liever vernield hadden!
â Een incunabel, een kostbare druk, een der oudste in ons land! riep mijnheer v. N. met schrik over het wandalisme zijner vrouw.
Intusschen had dokter Vijzel met een triomfant gelaat zijne laatste onomstootelijke redeneering weer met een vervaarlijken slag op het deksel, onherroepelijk in zijn snuifdoos weggelegd. Maar nu zullen wij zien, hoe mijnheer v. N., die sinds geruimen tijd op hem gemikt had, als iemand die op eens een beslissenden slag wil slaan, en die hem nu eindelijk had waar hij wilde, die snuifdoos zou openen, om al die onherroepelijke uitspraken van den dokter te verpletteren. Hij vergat dus het door zijne vrouw opgeworpen incident, en met een glimlach de vingers uitstekende om een snuifje van den dokter te nemen, zeide hij na het plechtig opgesnoven te hebben;
â Pyrrho was een zeer groot wijsgeer, in Alexanders tijd; hij was de grootste van de skeptische en aporetische filosofen. Hij beweerde de akatalepsie, dat is de onbegrijpelijkheid en onzekerheid van alle dingen, en leerde dat de mensch, wel verre van den invloed van gevoel en hartstochten op zich toe te laten, daarvoor geheel ontoegankelijk moest zijn. Hem zeiven was alles gelijk en onverschillig; hij haatte niet en beminde niet en maakte voorkeur tusschen niets ter wereld, en ik twijfel niet of hij zou het volkomen eens geweest zijn met de woorden van Boetius, of liever (want Boetius meende dit eenigszins anders) met het recept dat dokter Vijzel daarvan gemaakt heeft. Hij was
87
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
zoo volkomen onverschillig en had zoo weinig gevoeligheid, dat hij eens zijn leermeester Anaxarchos in een put ziende liggen, voorbij ging zonder hem te helpen.
â Dat is consequent van hem, merkte dokter Vijzel op.
â Welke menschen! zei mevrouw v. N. En staat dat nu in al die boeken waarmede gij zoo dweept?
â Pyrrho dan, vervolgde mijnheer v. N., noch eens in dokter Vijzels snuifdoos tastende en het snuifje tusschen vinger en duim houdende als had hij des dokters systeem nu bij den nek, Pyrrho dan, die zoo als wij gezien hebben behoorde tot hen die het gevoel veroordeelen en alle aandoeningen voor het denken doen wijken, wandelde eens en werd door een hond aangevallen. Hij liep weg en klom in een boom, en toen zijne medgezellen hem met recht uitlachten en dit niet overeenkomstig zijn leer vonden zeide hij;
ysdtnov 'ian tuv kvO^wttov fxdvvai, dat is: het is moeilijk den mensch uit te trekken. â â Ik weet het niet, maar zou er wel ooit scherper satyre op het besprokene systeem en op Pyrrho's leer gemaakt zijn, dan die Pyrrho zelf daarop met daad en woord maakte, toen hij benauwd pro tibiis suis, onwillekeurig toonde toch ook aandoeningen en gevoel te hebben--al was het dan maar in zijn beenen!
Ik zwerf in deze dagen gaarne alleen met mijne gedachten; want er zijn gewaarwordingen en aandoeningen in onze ziel zoo lijn als zeepbellen, die bersten als men ze aan een ander zou willen terug geven; er zijn snaren in ons gemoed zoo teer als spinrag, die breken zouden als men ze aanroerde.
Nu voel ik mij aangetrokken door de zee, die in harmonie is met de onbestemdheid en rusteloosheid mijner gedachten.
Ik kijk dan naar dien ronden horizon waarvan ik het einde niet ken, en die weer verder is als ik hooger klim; dien hemel die er op schijnt te rusten; dat altijd aankomen van golvengroepen, wie weet van waar en waar heen? die aanrollen op het strand, gestuwd door eene kracht die mij onbekend is om straks weer terug te glijden. Alles onbestemd en oneindig. Ik hoor naar het gefluister der golven in eene taal die zij meebrengen van wie weet welke geheimzinnige streken.
Hoor het levenslied der golven, dat mijne ziel en zij elkander beurtelings toezingen:
BLADEN UIT EEX LEVENSBOEK.
Als de deinende zee is het leven;
Steeds rusteloos wentelt en stuwt
Nu de vloed dan de ebbe der wereld Golf op golf als geslacht op geslacht.
Zoek er niet naar de bronne dier waatren, Of de veer die het alles beweegt;
De verschijnselen, nooit de verklaring,
Z|jn den denker ten schamelen oogst.
Hoe die golven den oever bereiken.
Waar een andere nutteloos breekt,
Hoe die eeno zich heft naar de hoogte.
En er praalt in de glanzende zon.
Waar die andre verzinkt in de diepte Ik vraag het vergeefs; - maar het fluistert:
Een verborgene macht die ze voortdrijft. En maar éene bestemming haar wet.
Dus voort mot de golven des levens.
Niet vragen, maar doen is uw taak:
Aan het lot of gij needrig verdwijnen Of vonkelen zult in het licht.
Aan het werk! Wat er schitter of kwijne, Het is éene beschikking die heerscht
En ons drijft naar den eeuwigen oever,
Waar de vraag is: wat brengt gij hier aan?
De zilte lucht wekt mij op en spant het geheele organisme, en bij het gefluisterde lied der golven verheft zich de geest. Hij vormt zich plannen voor de toekomst, plannen van moed, van veredeling, van alles omvattenden arbeid des denkers, droomen van roem; de blik verlengt zich tot in een schoonere wereld, totdat de ziel, in een gevoel van overmoedige stoutheid, een fier welbehagen voelt in zich zelve, als had zij reeds die verhevene idealen vervuld.
O edele zelfverheffing der ziel, wat anders zijt gij dan poëzie? â Ja, ik voel dat
12
89
BLADEN l'IÃ EEX LEVENSBOEK.
zij bruist in mijn geheele wezen, Maar leeft zij er alleen als eene gaaf om haar te voelen, of zal ik ze ook kunnen uitstorten en zal de vormkracht van den geest sterk genoeg zijn om die aandoeningen van denken en voelen te belichamen?
De tijd zal het uitwijzen, maai niet alleen in dit laatste, ook in het eerste geval is die gaaf een hemelsch geschenk aan den mensch, dat met een liefelijke muziek zijn gansche leven zal kunnen vervullen.
Doch er was weldra wat meer te doen dan te mijmeren en te wandelen. Het was
nu bepaald dat ik studeeren zou, en wel in de----maar wat kan het u schelen,
waarin.......
Daar ik een examen moest afleggen om aan de akademie toegelaten te worden, moest ik noch veel werken, totdat ik op het laatst tot overloopens vol was gegoten met de daartoe benoodigde wijsheid. Nadat alzoo mijn hoofd vol was gepakt, werd ook mijn kofter gepakt.
Ik ben daarbij bepaald tot het besluit gekomen dat mijn hoofd toen de meest verbazende gelijkenis moest hebben met een kofter.
Die vergelijking moet ik noodwendig wat uitpluizen, om daardoor die verbazende gelijkenis aan den dag te doen komen.
â Maar een koffer is een parallelepipedum, en een hoofd is een bol, zegt Criticaster.
â Vooreerst, mijnheer, spreek ik niet tegen u, â en ten tweede spreek ik niet van uitwendige gelijkenis. En toch, zou ik ook voor het uitwendige genoeg punten van vergelijking kunnen vinden; b. v., mijn kofter is bedekt met leer: leer, mijnheer, is een weefsel geheel gelijk aan het weefsel onzer huid, de huid die mijn en uw hoofd, indien gij ten minsten niet gescalpeerd zijt, bedekt; mijn kofter en mijn hoofd zijn dus met hetzelfde weefsel bekleed, welk weefsel op zijne oppervlakte weder bij beiden met een ander gelijksoortig, het celleweefsel van het haar, is begroeid: alleen bij de eene (het is een ouderwetsche kofter) is het rood en wit koehaar, en bij het andere menschenhaar.
En mocht nu voor het overige, wat den parallelepipedischen en den bolvorm aangaat, de vergelijking in vele punten falen â hebt gij Homeros gelezen? â welnu, gij zult bij hem kunnen opmerken dat het tot het wezen eener vergelijking behoort dat ze niet in alle deelen doorga.
Maar nog eens, ik sprak niet van uitwendige, maar van inwendige gelijkenis.
Van mijne jeugd af werd mijn kofter â ik meen mijn hoofd â steeds gevuld: ik kan niet opnoemen wat er al zoo inging, maar dat is zeker dat het boeltje goed werd aangestampt en de hoekjes gevuld'. Maar toen het op het laatst liep, was er dikwijls een
IK)
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
gevecht tusschen mijne meesters over den voorrang; de een nam te veel plaats in naar den zin van den ander, ieder wilde de beste plaats voor zijne goederen, en ieder wilde zijn goed bovenop leggen, dat het niet door de zwaarte van het overige wierd gekreukt. Het was verder weer natuurlijk volgens de koffer-logica, dat zij zooveel inpakten als zij konden, daar zij het allen op dit éene punt eens waren, dat, hoe meer er in een koffer is, des te meer er ook uit kan komen.
Zij rekenden er evenwel niet op, dat de bodem er wel eens uit kon vallen of breken.
En mijne goede moeder, die ook zoo bezorgd was om toch van alles in mijn hoofd â ik meen in mijn koffer â te pakken.
Zoo werden dan mijn hoofd en mijn koffer ongeveer eveneens behandeld en volgepropt, en beide naar de stad X. geadresseerd, om daar uitgepakt te worden.
Te X. werd ik uitgepakt, als een reiziger aan de grenzen: de hooggeleerde douanen snuffelden en doorzochten of alles in orde was, voor dat ik met mijn boeltje veilig de grenzen der wetenschap over mocht.
Maar wat mij zoo vaak, als ik op reis was, gebeurd is, dat ik behoefte had aan iets dat onder in mijn koffer zat of maar niet te vinden was, geschiedde even zoo bij mijn examen.
Telkens zat ik tc zoeken naar een stuk geschiedenis, dat misschien onder een hoop mathesis lag â of naar eenig taalkundig ondergoed waarvan ik niet meer wist waar ik het gelegd had. Ook bemerkte ik dat ik een menigte zaken bij mij had die niet noodig waren, en aan den anderen kant soms vergeten had meê te nemen wat volstrekt onmisbaar bleek.
UI
Evenwel was het vrij goed afgeloopen en werd ik over de grenzen der wetenschap toegelaten.
De laatste avond te huis! wat een zonderling gemengd gevoel bevat dit oogenblik voor een jongen! Voor de ouders is er alleen verdriet. Maar de jongen vol vuur en levenslust, wien de wanden der ouderlijke woning te eng worden, die de wieken wijder uit wil slaan, voor wien de wereld een tooverparadijs is vol half bekende, en daarom des te aanlokkender genoegens, die zich de grootsche gestalten der edele vriendschap en liefde, van moed, roem en eer met de schitterendste kleuren heeft afgemaald - een
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
jongen, voor wien alle geluk reeds bevat is in dat éene tooverwoord vrijheid! O hoe anders, hoe gemengd zijn zijne gevoelens als hij die wereld in zal treden! â Hoe trouw en braaf zijn hart, hoe edel zijne beginselen ook zijn, met hoe veel banden hij ook in warm geval gehecht zij aan zijn ouderlijk huis, het oogenblik dat hem vrij zal maken, dat hem in dat tooverland zal voeren, is te aangrijpend, te sterk prikkelend, om niet op te wegen tegen het verdriet van scheiding, en om dat verdriet niet terug te drijven en alleen geluk voor te spiegelen.
De laatste dagen te huis waren in drukte van allerlei aard voorbij gevlogen; den allerlaatsten dag had mijne moeder noch eenig geld van haar en eenige Ãesschen lekkernijen en besten wijn bij mijn goed gepakt, hetgeen ik eerst naderhand bemerkte; toen was eindelijk alles klaar en hadden wij niets meer te doen, dan te wachten dat de avond zou omgaan.
O hoe pijnlijk was die avond, met dat gesprek dat maar niet vlotten wilde en die nietsbeduidende woorden en zinnen.
Er zaten daar niets dan lichamen om de tafel, ieders geest was afwezig, ieders gedachten hadden hare eigene bezigheden. Men wilde niet over het afscheid spreken en alleen daaraan dacht de geest â men wilde over iets onverschilligs spreken en niets van dien aard kon den geest boeien.
Algemeene stilte.
â Wat waait het, zei mijnheer Tjilp om iets te zeggen.
â Ja, zei mijne moeder.
â Ja, zei mijn vader in een anderen toon.
â Ja, zei ik, weder in eene andere toonwijziging.
Lange stilte.
Ik verliet even de kamer om noch eens naar mijn koffers te zien die op mijn werkkamertje gepakt stonden.
Ik hoorde een voetstap.
Mijne moeder drukte mij in hare armen.
â Kind, lieveling! pas toch braaf op en denk altijd om ons----
Haar gemoed was te vol om meer te zeggen. O! hoe ondankbaar, hoe ellendig vond ik mij, dat ik zelfs toen niet met droefheid naar de toekomst zag en niet liever wenschte te blijven.
Toen wij weder terug kwamen werd het gesprek niet levendiger.
Mijn vader bleef peinzend voor zich staren.
Mijnheer Tjilp zeide nochmaals, geloof ik, dat het zoo woei.
92
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Mijne moeder werkte met neergeslagen oogen.
Bella was treurig, omdat zij een vriend en makker verloor.
En ik?____
Ook voor mij waren de ouderlijke wanden te eng, ook ik wilde de vrije vleugels wijder uitslaan; ik was verheugd, dat ik eindelijk die wereld in zou stevenen, waarvan zoo vele idealen voor mijnen geest heenzweefden, die wereld waarvan ik niets dan den boom der vrijheid zag en de zon des geluks, die mij voor het hart niets dan verhevene gevoelens, voor den geest niets dan roemrijk voedsel beloofde; was het wonder, hoewel de droefheid om mij heen wel weerklank in mijn hart vond, was het wonder, dat dit alles op mijne gloeiende verbeelding te sterk werkte dan dat ik niet verheugd zou zijn?
O wonderlijk samenstel van het menschelijk hart! dacht ik een paar dagen later. Te midden van de droefheid rondom mij had dat hart gebonsd door hot gelukkig vooruitzicht, en nu dat vooruitzicht niet meer voor mij ligt, maar ik er midden in ben, is door mijne vreugde een weemoedige draad heengeweven.
Was het, omdat ik naar huis terug verlangde? Neen. Maar omdat elke verandering van levenstoestanden, hoe men er ook naar gewenscht hebbe, iets weemoedigs bevat.
Het is hierin ook waar, wat de oude Montaigne zegt: Lanaissance, nourisse-ment et augmentation de chasque chose, est l'altération et corruption d'une autre.
De nieuwe toestand ontstaat uit den dood van den vorigen. Men kan geen jongeling worden voor dat het kind in ons gestorven is. Men kan geen man worden voor den dood van den jongeling in ons. Dat sterven en verdwijnen is weemoedig, het geeft het besef dat er iets in ons voorbij is dat nooit weerom komt.
Zoo was het ook bij mij. Hoe sterk de jongeling verlangd moge hebben de wijde wereld in te gaan, wanneer hij van eenvoudig kind zijner ouders, burger wordt in de maatschappij, om te trachten man te worden, voelt hij toch een stuk van het geheel dat zijn leven uitmaakt achter zich afbrokkelen en verdwijnen in de diepte.
En zóo gaat het in het vervolg; telkens als iets nieuws, een later tijdvak in ons leven geboren wordt, sterft er iets af dat wij nooit weer kunnen terug roepen of aanschouwen zullen.
's Avonds ten tien uren moest ik op den postwagen wezen.
Een laatste glas wijn werd tot mijn afscheid gedronken. Toen werd het ook mij beklemd in de keel.
93
13LAUKN UIT KEX LEVENSBOEK.
Mijn vader â gij zoudt u bedriegen als gij verwachttet dat hij een aanspraak hield met lessen van levenswijsheid, of' vol gevoelige oratorie; hij gaf mij geen kaart van de klippen die ik te ontzeilen en de gronden die ik te mijden had.
Wien het tegen moge vallen, of wie het koud vinde â treffender dan alle welsprekendheid waren een paar gefluisterde woorden van liefde â beter dan alle vertooning een eenvoudige omhelzing en handdruk.
Ik stond buiten het huis en de koude lucht woei mij tegen. Koude voorproef van den dampkring der onverschillige wereld, die mijne tranen droogde.
Ik stond buiten, en die koude lucht woei de warme en teedere indrukken weg en maakte mij weder verheugd en opgewonden.
Woei zij ze geheel weg?
Neen â zij deed ze zich slechts verschuilen, en in stilte bleven zij voortbestaan; want jaren later noch bestonden zij en ook nu komt er wel eene aandoening op, als ik ze herdenk.
En hiermede sluit het eerste deel van mijn Levensboek.
De volgende bladen behooren hier niet te huis. Die wij nu hebben omgeslagen maken deel uit van een afgeloopen tijdperk; wat verder ligt, is of noch te versch of in wording.
O hoe gaarne beschouw ik dat Eerste Boek! Met wat een wellust herdenk ik dien vorigen kring waarin ik mij bewoog, en geheel die liefelijke omgeving, in al haar reinheid, frischheid en eenvoud, beschenen door den gloed der huiselijke genegenheden, onbesmet en onberoerd door het woelen en zwToegen en strijden van het latere leven.
Wat zijn zij diep en duurzaam de indrukken in dien tijd ontvangen, wat zijn ze levensvol en frisch!
En dan, wat eiken denker de oogen telkens naar dat tijdperk moet doen heenwenden, het is daarin dat de ziel zich heeft beginnen te vormen, dat de geest eene beslissende, dikwijls voor het leven beslissende, richting heeft genomen. Het is dus een onmisbare bron voor de verklaring van ons geestelijk zijn.
Het is ook goed de herinnering aan dien tijd in ons levendig te houden, omdat de jongelingsleeftijd een bestanddeel bevat dat wij niet in ons moeten laten versterven. Het is dat edel vertrouwen en dat geloof aan eene ideale zijde van het leven, waaruit zijne
94
BLADEN UIT EE\ LEVENSBOEK.
poëzie, zijne illusiön en inspiraties, zijne ontvankelijkheid voor alles wat edel, waaien schoon is ontspruiten. Daarom is het zoo heilzaam dien tijd te herdenken, als de strijd van het leven dat deel wel eens doet verzwakken, en daarin is het geheim van het aantrekkelijke dat in die herdenking gelegen is.
Wee den mensch die dit alles later als niets dan ijdel verbeeldingsbedrog gaat beschouwen, want zijn zedelijk en geestelijk wezen is dor als het zand.
Gezegend zij die tijd, met al de beelden die er bij behooren.
T7\
^LJr zijn altijd lezers of lezeressen die nieuwsgierig en ongeduldig, even, even maar het einde van het boek willen inzien, al ware het alleen om gerust te zijn dat zij niet sterft, of om te zien of de boosheid niet gestraft en het misverstand niet opgehelderd zullen worden, en of zij elkander noch krijgen.
Zulken heb ik ook ontmoet, die ongeduldig de vingers uitstrekten naar de verdere bladen van het Boek dat ik hun liet zien.
Dat ik ze waarschuwde voor berouw of hen vermaande met geduld den groei en de ontwikkeling der verdere toestanden en denkbeelden te verbeiden, baatte niet, en ik zou bijna boos op hen geworden zijn, als ik niet bij tijds bedacht had welk een onweder-staanbare aandrang ons armen stervelingen eigen is om de toekomst vooruit te loopen en haar sluier op te heffen.
Daar hebt gij dan noch enkele kijkjes in de verdere bladen, u ten beste gegeven die het verlangt. De overigen mogen er gerust uitscheiden; wij leven in een vrij land.
Gezegend, zeide ik, gezegend die vroegere tijd, met al de beelden die er bij behooren!
O blijft dan om mij heen, gij liefelijke gestalten, mij eens zoo dierbaar in de werkelijkheid en waarvan sommige nu noch alleen dierbaar zijn in de herinnering; blijft om mij heen, zoo als gij u bij het licht van het haardvuur voor het oog der herinnering afbeeldt!
Blijft als mijne ziel u weder oproept! O, thans is zoo veel dat eens tegenwoordig was, verleden geworden â â â, hier is de oude bibliotheek â nu zit ik op mijne beurt er te schrijven en zie naar dien hoek waar, aan den voet van een der
BLADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
kasten, eens een jongen zat. in an ge 11 o cum libello'); die bibliotheek waar zoo vele van mijn denkbeelden en indrukken, als ik ze naspoor, blijken ontvangen en ontkiemd te zijn, waar gewichtige toestanden van mijn leven zijn beslist, waar op allo planken herinneringen zitten en mij toewenken en verhalen van vroegere dagen.
Waar is het edele hart, dat in die dagen hier klopte? Waar is cle diep doordringende, de veel omvattende, de wijsgeerige geest die hier werkte?
En daar ginds staat de oude met marmerpapier beplakte doos. Toen ik op de kamer van haar vorigen eigenaar kwam, zoo als ik beloofd had, heb ik ze open gedaan en de viool gevonden met drie gesprongen snaren: ik heb ze in de hand genomen en getokkeld op de laatste snaar, doch haar trillende, weemoedige toon, eenstemmig met die van mijn gemoed, trof het oor niet meer waarvoor hij gewoon was te klinken. Dat gevoelige zintuig was nu gesloten voor dezen, en misschien geopend voor hemelsche klanken. Zon het nu voldoening smaken, dat fijne gevoel voor het schoone?
Ik heb toen de viool in de bordpapieren doos gelegd, om ze mede te nemen als een aandenken, en zoo staat zij daar, stoffig als de herinnering aan dingen die niet meer zijn.
Maar, waar dwaal Ik heen! De gedachten schieten te veel vooruit, en de vingers grijpen te ver in de bladen van het Boek dat Ik in handen heb; de enkele bladzijden die Ik beloofde u noch te laten lezen, liggen niet zoo ver in hot boek en zijn van vroo-lijker aard.
Vijf jaren waren voorbijgegaan waarin Ik maar bij tusschenpoozen te huls was geweest, toen Ik eindelijk weder het eene van de tweelinghuizen binnentrad.
97
Voor mij â wat een druk bewogen tijd, wat een tijd van ontwikkeling en verandering, waarin nu eens gedwaald, dan weer terug gekomen was, waarin zich de geest uit een rusteloozen chaos gevormd had, niet tot een stilstaand water, want de geest
') In oen hoeksken Met oen booksken.
Spreuk van Thomas a Kempis.
l:l
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
staat nooit stil, maar tot een stroom die eene vaste richting heeft aangenomen. Maar wat al veranderingen in vijf jaren!
Doch dat oude huis stond daar noch altijd rustig en onveranderd, rustig als de ziel der bewoners: zijn spitse gevel wees ten hemel, even als het gemoed der bewoners, zijne glazen glinsterden vriendelijk en helder als hunne oogen, zijn deur was gastvrij als hun hart; zijn uiterlijk was altijd even net naar den aard mijner moeder, maar altijd even ouderwetsch (behalve de groote ruiten, want mijnheer v. N. was een vriend van licht) naar de onwrikbare begeerte mijns vaders. Mijnheer en mevrouw v. N. waren dezelfden als altijd, met dit onderscheid dat zij jonger schenen te worden toen ik te huis kwam.
Ik was geen halven dag in huis, of mijn vader had mij allerlei zeldzame boekskens laten zien, nieuwe aanwinsten. Mijnheer Tjilp, oude trouwe vriend, was er ook en vroeg hoe mijne viool voer.
En Bella?
Wat bloost zij als ik haar een welkomskus geef! en wat ziet zij telkens steelsge-wijze naar mij â ja ik bemerk het wel â om te zien hoe die vroegere broeder en speelmakker van haar nu is.
Wat schoone maagd is er geworden van het kleine, tengere, zwarte kind! Zij is nu twintig jaar, maar de omstandigheden harer kindsheid hebben haar verstand vroeg gerijpt. De zwarte haren hebben den gloed van gitten, met een nauw merkbaren bruinen weerschijn; de donkere oogen, in helder en zacht blauw liggende, worden door lange pinkers in tluweelen schaduwen en diepten gehuld of schitteren helder en lief in het licht. Het geheele gelaat doet denken aan den heerschenden toon in Rembrandts stukken en men zou in sommige oogenblikken geneigd zijn haar als eene schepping van zijn penseel te beschouwen.
98
Zoo vond ik het te huis.
Wat ik mij verbeeld had omtrent Bella's vader en zijn levenslot was behoudens een paar omstandigheden geheel verkeerd geweest. Hij wras niet gestorven. Toen de eerste vreemdheid onzer hernieuwde kennismaking voorbij was, verhaalde Bella mij veel over hem. In zijne legende der tweelinghuizen, had mijnheer v. N. op Bella's vader gedoeld en in meester Egbert den rusteloozen zoeker geteekend. Hij had aldus gebruik gemaakt van eene oude legende, die waarlijk veel overeenkomst van toestanden aanbood.
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Even als meester Egbert was deze man â hij heette de heer van Handenrode â de wereld rond geweest in rustelooze omzwervingen, overal geluk, rijkdom en eer zoekend, terwijl hij het eerste zeker te huis had kunnen vinden en de beide laatste in z'jne wilde ondernemingen versmeet. Zijne vrouw was eene Engelsche; zij was te fijn van ziel en van gestel om onder de veranderlijke nukken en bij den onbezonnen en wisselzieken aard van dezen man te kunnen blijven leven. Zij was gestorven, hem een klein kind achter latende. Met dit kind was hij opnieuw de wereld door geweest, nu eens in Spanje, later in Indië zijn geluk beproevende, maar overal door dat hem telkens ontwijkende geluk verlaten. Na eene reeks van rampen, na het verlies van zijne laatste middelen, van zijn goeden naam, van zijne eer, van alles, behalve van zijne kleine Bella, was hij eindelijk, als een bedelaar bijna, terecht gekomen in het huis naast ons. Wat ik nu eerst hoorde, dat huis was toen in mijns vaders handen geraakt en die edelmoedige man had den ongelukkige daar eene rustplaats geschonken waar hij onder dak kon komen, totdat hij hem op eene andere wijs zou kunnen helpen. Want verdere en betere hulp wilde hij hem verschaffen. Het gelukte hem den ongelukkige de middelen te bezorgen (en voor hoe veel, wat het geldelijke aangaat, heeft mijnheer v. N. nooit aan zijne vrouw durven bekennen; hij was soms zoo onberedeneerd edelmoedig dat hij zich schaamde!) om noch eenmaal, na zooveel zware beproevingen, zijn fortuin te gaan zoeken in Amerika.
Maar nu moest hij Bella achter laten â het was een uitdrukkelijk beding. Bella was de oogappel, de afgod van haar vader, en die man voelde zich het bitterst ongelukkig toen mijn vader de wreedheid had, zoo als hij het noemde, op die voorwaarde aan te dringen. Maar mijnheer v. N. was onverbiddelijk; hij zeide den heer van Randen-rode, dat hij aan de nagedachtenis zijner vrouw, dat hij aan zijn kind verschuldigd was, als eene expiatie van al zijne dwaasheden, deze opoffering te doen, dat het kind niet mocht gewaagd worden aan de onzekere kansen die hij nu stond te ondergaan â dat het kind in hem zeiven altijd een vader en in zijne vrouw eene trouwe moeder zou hebben. Tranen en smeekingen baatten niets.
Zoo werd Bella bij ons gelaten. Haar vader was alleen de wijde wereld ingetogen. Ongelukkig de man die zoo laat, die met grijze haren zijn levensloop noch eens beginnen moet!
Hij had het geluk op zijn pad een man te ontmoeten die dat wilde en rustelooze karakter, dien wisselzieken geest eenigszins tot zelfkennis en verandering bracht. Eene vereeniging van edele mannen nam den verdwaalden broeder op; hij ontving de stoffelijke hulp, die het eerst noodig was, en later zedelijke ondersteuning; een gelukkige keer
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
nam eindelijk in hem plaats, en na een twaalftal jaren, jaren van beproeving en van harden arbeid, was hij in staat zich met eer en onafhankelijkheid in de maatschappij te bewegen.
Sommige van deze omstandigheden had ik van mijn vader, andere van Bella vernomen, die ze mij verhaalde toen wij eens eene lange wandeling deden.
Hare wangen gloeiden van het vuur waarmede zij gesproken had. Wat eene teederheid was er in den klank van haar stem, als zij van mijnheer en mevrouw v. N. sprak, en als zij herinnerde, wat zij voor haar vader en voor haar, arme, gedaan hadden. En hoe zij getracht had dit te beantwoorden en hoe zij gebeden had om zegen over hare weldoeners!
O zegen op u, dacht ik, zegen op u, Bella! voor alles wat gij in het huis mijner ouders voor hen geweest zijt, zegen op u, voor de liefde en zorg waarmede gij ze omringd hebt, toen ik weg was, voor de vroolijkheid, die altijd was waar gij waart, voor den lieven klank uwer stem, aan wier toon men de stemming uwer ziel kon kennen!
Of deze gedachten duidelijk genoeg in mijne oogen te lezen stonden, toen ik ze lang op haar vestigde terwijl zij sprak, weet ik niet, maar zij sloeg de hare neder.
â Bella, zeide ik, weet je wel, toen je een klein meisje was, dat ik je eens in het gras met die rozen zag zitten spelen?
Zij lachte zoo welluidend dat de vogels in het bosch gingen mede zingen.
â Ja, zeide zij, en een wonderlijk, eigenzinnig kind was ik toen! Zou je gelooven, vervolgde zij op eens ernstig, dat ik toen een bepaalden afkeer had van alles wat gewoon was; speelgoed, gewoon speelgoed, daar een ander kind gelukkig meè zou geweest zijn â het is waar ik heb het zelden gehad â maar ik had het toch niet willen hebben, ik moest iets vreemds hebben, iets dat mijn eigen was, dat ik zelf en alleen koos: zoo was het met alles. Ik was een eigenzinnig, zonderling klein kind; ik hoop niet dat die trek mij bij is gebleven, want ik heb een afkeer van vrouwen die opzettelijk zonderling willen zijn; de vrouw moet het gewone leven niet versmaden, zij moet er niet buiten of boven willen staan, maar zij moet dat juist verhoogen, veredelen, en dan wordt het van zelf minder plat en prozaïesch!
Ik glimlachte om het vuur waarmede zij sprak.
â - Lach je mij uit? vroeg zij met een opgeruimd gelaat.
â Ik glimlach, zei ik, maar het is uit genoegen; ik bewonder je â ik maak nooit complimenten â dat je een zoo juiste beschouwing hebt van het leven en van de wijs om het te veredelen; vrouwen vallen meest in uitersten; of zij maken zich weinig beduidend en alledaagsch, of zij zijn altijd in de wolken en geneigd tot mysticisme.
Zeker, wat er verkeerd en ziekelijk is in de eigenschap die zij bedoelde, had zij
loo
BLADEN UIT KEN LEVENSBOEK.
niet, maar het goede, het gezonde er van had zij; het was het afwijken van den gewonen flauwen sleur, een eigenaardig zijn en denken, met een zachten tint van eigen geestigheid overgoten, genoegzaam om aardig en bekoorlijk te zijn zonder te hinderen.
Zoo wandelden wij voort, pratende en gaande over de oude plaatsen onzer jeugd. Bella sprak mij daarop van mijne ouders, mijne moeder noemde zij ook altijd moeder; zij vertelde hoe zij dien lieven ouden het leven gemakkelijk en genoegelijk trachtte te maken, hoe zij den ouden heer op allerlei wijzen plaagde met zijne boeken, maar hoe zij ook, wanneer het noodig was, de preciosa daaronder zelve voor hem schoonmaakte; en duizend kleine omstandigheden meer, onbelangrijk voor een derde, maar boeiend voor mij.
Er was een aardig mengsel van heldere vroolijkheid en van ernst in Bella, en de overgangen van de eene naar de andere dikwijls snel en onverwacht; er was eene losheid en natuurlijkheid in haar die men in onze maatschappij, waar vooral meisjes zoo naar geijkte, conventioneele vormen en in aangeleerde manieren gedresseerd worden, niet altijd met kieschheid en lijne beschaving vereenigd vindt.
Wat bovenal in dit meisje zoo bekoorde, was eene frischheid, frischheid van geest en gemoed, in haar gansche wezen en handelen.
Ik geloof dat ik hierover lang liep te denken, en ik werd op eens wakker door een vroolijk gelach van Bella, toen ik op het punt was door mijne afgetrokkenheid in een beek te stappen.
â Waar denk je over? vroeg zij.
â Ik denk er over, zei ik, dat wat ik eens over je gedacht heb is uitgekomen.
Zij keek mij vragend en glimlachend aan.
â En dat is?
â Dat waar je ook wezen zoudt. bloemen uit je voetstappen zouden ontluiken.
â O, o! lachte zij, ik dacht dat je nooit complimenten maakte?
Mijnheer van Randenrode zou terug komen! Op een ochtend ontvingen wij de brieven; een was er aan mijnheer v. N. en een aan Bella gericht. Hij schreef dat hij met het vermogen dat hij nu bezat en met de betrekkingen die hij in Amerika had aangeknoopt, zich nu ook in het moederland een eervol bestaan kon verschaffen. Er sprak evenwel geene zelftevredenheid uit den brief, er was iets weemoedigs zelfs in de kalmte en vastberadenheid van den schrijver, en men voelde dat dit zwaar beproefde en daardoor gelouterde 'karakter geleden Jhad onder die verbuiging naar het goede, en wel kalmte maar geen vroolijke opgewektheid meer zou kunnen verkrijgen.
101
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
Aan Bella schreef hij evenwel anders, de woorden die hij aan haar richtte schenen, door het vooruitzicht van haar weder te zien, meer gloed te ontvangen: het was of zij, zelfs zoo uit de verte, ook haar zonneschijn-invloed uitoefende. Bella las ons gedeelten uit die bladen voor; zij waren vervuld van vreugde over zijn terugkeer, hij kon het niet langer uithouden, hij moest zijn land, zijne weldoeners, maar bovenal zijn klein, wonderlijk, geestig kind (de man verbeeldde zich haar noch altijd als het kind dat hij achterliet), terug zien. Bij die gedachten scheen zijn gemoed overgevloeid te zijn, en de warmste woorden waren niet voldoende, als hij van mijnheer en mevrouw v. N. sprak.
â Tut, tut! dwaasheid! zei mijnheer v. N.
Maar toen Bella voortlas en mevrouw v. N. omhelsde, bedierf deze het boordje dat zij opzette, en toen zij noch meer las, en daarop haar arm om het grijze hoofd van mijnheer v. N. sloeg, zeide deze weer:
â Tut, tut, dwaasheid, genoeg, genoeg. En hij lachte, maar met een traan in zijn oog.
Op een ochtend nam mijnheer v. N. mij vertrouwelijk onder den arm zoo als hij gewoon was nu ik man was geworden, en Bella mede noodigende gingen wij te zamen naar het nevenhuis.
â Ik wil het geheel laten opmaken, zei mijnheer v. N., maar in ouden stijl natuurlijk, en de beide huizen moeten elkander blijven gelijken: den spitsen gevel zullen wij behouden, den weerhaan zullen wij weder laten draaien; groote ruiten zullen er in moeten, hm! ja, het staat anders aardig die kleine ruitjes, maar achter boven wilde ik ze behouden voor de aardigheid, vindt je het goed?
â Tk? zeide ik lachend, maar, vervolgde ik, zal Bella's vader hier komen wonen?
â Neen, zei mijn vader, die zal zich in een handelstad moeten vestigen.
â Gaat gij dan het huis verhuren, dat gij het zoo laat opmaken?
â Neen, antwoordde hij, maar laat ons binnengaan.
Werklieden waren reeds bezig met behangen, schoonmaken, timmeren, enz. Wij kwamen in de achterkamer, die ep den tuin uitzag, een groot vierkant vertrek.
â Kijk, zeide hij, eene prettige kamer zal dit wezen! De drie ramen zullen tot den grond worden verlaagd: wat een gezellig vertrek voor een gelukkig gezin, 's winters bij dien breeden marmeren schoorsteen, 's zomers met die wijd geopende ramen waardoor men de kinderen in den tuin zou kunnen zien dartelen, ziet, met eenige vernieuwing.... maar 'zou dat .goudlederen behangsel niet behouden kunnen worden, â wat denk je? vroeg hij, in vrees over zijn goudlederen behangsel.
102
BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.
â Mij dunkt, de huurder moet er maar genoegen meè nemen; ik geloof zelfs dat dit behangsel behoort behouden te worden, omdat het geheel met den stijl der betimmering overeenkomt, ik zou zelfs dien ouden schoorsteen willen behouden____
â Ja? ja? zei mijnheer v. N., en hij bloosde van welgevallen; dus neem je er
genoegen me____ zou je het goed vinden, dien stijl te behouden? Ja, ja, die stijl is toch
aardig! En hij liet met een glimlach en een komiek genot zijn blik gaan langs de met dikbeenige engeltjes versierde zoldering, de rijke tinten van het goudleer en het weelderige loof- en krulwerk om lijsten en paneelen.
â Maar lage ramen, niet waar? waarom zouden wij geen nieuwe en oude vormen kunnen vereenigen, mits er harmonie zij?
Wij moesten boven ook alles in oogenschouw nemen. De bloedvlak in het kleine kamertje met zijn verschrikkend verhaal vond ik niet: alleen was er ergens een oude inktvlak op den vloer, die misschien aanleiding tot het verhaal gaf. Het spijt mij voor het romantische gedeelte van deze bladen als dit de prozaïsche oplossing is.
Mijnheer v. N.'s gedrag en handelwijs omtrent dat huis ging evenwel voort niet minder raadselachtig te zijn. Hij had blijkbaar een plannetje, en ik geloofde doorgaans dat hij het wel voor mijnheer van Randenrode bestemde. Soms schoot er pijlsnel en schuw wel eens eene andere gedachte in mijn hoofd____
Maar neen, hoe was het mogelijk dat hij zoo diep in mijne ziel had kunnen lezen, dat hij had kunnen lezen wat voor mij zeiven noch onbestemd en nauwelijks leesbaar was?
Maar toen de tijd naderde dat mijnheer van Randenrode zou terug komen, toen zijn schip binnen was, toen hij bij ons was en de eerste dagen van verwarde vreugd en drukte voorbij waren gegaan, en er geen sprake was dat hij naast ons zou komen wonen, toen er geheimzinnige beraadslagingen werden gehouden in de bibliotheek,
toen..................................
en er noch zoo veel gebeurde dat ik niet zal vertellen, toen, ja toen----
103
â Och! zei een der nieuwsgierige lezers, het boek toeslaande â (ik wist het wel dat, als hunne nieuwsgierigheid voldaan was, zij den spijt, die volgt op de voldoening van eene dwaze neiging, op mij zouden wreken), och, zei die persoon, het zal wel weer zóo uitdraaien dat Bella en hij____
Welnu?
WANDELINGEN DOOK DE WERELD.
I.
1 k- ga de wereld door reizen, mijn waarde, en u van tijd tot tijd mijne berichten toezenden.
Gij schrikt reeds, als ik u wel ken, voor eene reisbeschrijving, omdat gij weet hoe de meesten reizen.
Zoo zaten er eenigen op de boot met mij, dezen zomer, die ik u veilig als monsters kon overzenden van bet geslacht der hedendaagsche reizigers. Daar heeft er een zich neergeplant die maar reist om aan te komen; hij draagt als een pyramide zijn lot, en blikt rechts noch links, tot hij er is. Ginds loopt een ander die slechts reist opdat men wete dat hij reist; en zijn troost is niet te zien, maar gezien te hebben en te kunnen zeggen: daar ben ik ook al geweest. In tegenstelling met den vorigen kijkt hij overal heen en wendt zich tot iedereen. Voorts zijn er de periodieken, die jaarlijks hun tour doen, even vast en even onbewust als een natuurwet.
Maar buiten deze bizonderheden zijn er noch andere soorten. Zij zijn uitstekend toegerust met kleederen, koffers, plaids, parapluies, alpenstokken, tasschen, verrekijkers, blauwe brillen en Guide's. Zij hebben alles medegenomen, maar alleen vergeten iets in hun schedels te doen; de woonplaatsen van verstand en gevoel staan te huur, of zoo gij wilt, de werktuigen zijn er, maar de grondstof ontbreekt, of zoo gij het weer anders wilt, de machines zijn onvolmaakt en de machinisten ongeoefend.
Eene van dezen had lang staan turen in het stoomwerktuig der boot. Uiterlijk,
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
wat schoone verschijning! Het koeltje waait de klapperende linten te gelijk met een paar vlokjes van de blonde haren los en uit het aangezicht, dat de frissche blos er te frisscher door zichtbaar worde, en jaagt de kleederen vaster om de gestalte, dat zij zich sterker teekene in haar schoonen bouw. Wat peinst deze allerfatsoenlijkste en welopgevoede jonkvrouw over de machine? Ziet zij wel dat de zwarte, vuile stoker telkens kolen in den oven werpt? Och mocht hij eens een fijn, fatsoenlijk en welgemanierd vermoedentje bij haar kunnen opwekken, dat, zoo hij dit nalaat, wij weldra stil zullen liggen dobberen midden in den stroom, of meêdrijven met den vloed en terug met de ebbe, opdat zij er uit opmake dat een organisme voedsel moet, hebben om te werken en te handelen! â Zij en hare ouders, en haar zuster en broeder behoorden tot een gezelschap van de meest voorkomende soort. Zij hebben alles bij zich, zoo als ik u zeide, maar alleen geen geestige bagage medegenomen. Geheel ongevoelig kunt gij ze niet noemen, want zij geven aan de meeste indrukken toe, die toevallig op hen werken, mits zij oppervlakkig zijn.
Wat zullen zij terugbrengen van de reis? Ik heb deernis met hen als ik ze aanzie en dit naga. Een klein getal van uit de zesde hand verkregene verkeerde indrukken, een paar onbekookte oordeelvellingen over eene stad, eene verlepte gevoelige zinsnede over den Mont-Blanc, een dozijn geleende frasen over natuur, komedie en table d'hote; misschien eens anders oordeel over een paar monumenten, en eene leugenachtige bewondering van een grootsch stuk oude kunst, een Tiziano of een Correggio. Op bevel van den Murray of Baedeker, zullen zij zuchten in den kerker te Chillon, even hê! zeggen van de Jungfrau, in het voorbijgaan, vluchtigjes, vluchtig]es hun lof schenken aan de kathedraal te Florence, en in hetzelfde vertrek zijn (meer mag het niet heeten) als de Stan ze van Rafaöl. En dan naar huis, met even ledig hoofd als bij den uittocht, met uitzondering dat er een paar hokjes gevuld blijven met wat er van den Guide in is blijven hangen.
Zoo zijn er duizenden, en die zijn noch de ergsten niet eens, want wij wenden gevoel voor en eenige belangstelling, of leenen die van een ander, zijdelings bewijzend dat die dan toch vereischt zijn.
Maar er zijn ook duizenden die alleen reizen voor hun zinnen en wufte ijdelheid. Buik reizigers moogt gij ze noemen, of zoo gij aan de frenologische lokalisatie gelooft achterhoofdsreizigers. Zij weten alles van comfort en lekkernij, van uitspanning en uitspatting: zij hebben veel kleederen gezien en geen menschen, en die de schoonste kleederen droegen vonden zij ook de voortreffelijkste menschen; zij zijn ten toppunt van geluk als zij met graaf Polyplonski hebben gedronken, gegeten of gereden: hun wereld
u
WANDELINGEN DOOK Dli WERELD.
is een groote stad of een badplaats, en hun levensdoel zinnendienst. .Met duizenden trekken zij uit, om terug te keeren als een ledig paaschei, aardig geverfd, maar â hol.
En zou ik u dan noch het recht betwisten om bang te zijn voor de vruchten van zulk reizen?
Maar hiervan staat u niets te overkomen. Ik reis dezen keer maar met mijn schetsboek en mijn potlood; menschen en dieren, een hek of een stad, kunst en zeden, hot verledene en het tegenwoordige, er komt van alles in dat boek, en er waait als vliegende bladen, van alles tot u uit. Ik wil reizen met mijne voelhorens ver uitgestoken, en met het honderdvoudig facettenoog der vlieg. Ik zal ook eens buiten de plat getreden banen gaan zoeken. De bloemen en vruchten groeien niet op de gladde heirwegen, maar daar naast in een greppel of een ander verborgen hoekje. Zaken en menschen zijn schier overal gelijk geworden, eene gelijkheid ongelukkig meer door afslaan van het uitstekende dan door verheffing van het lage verkregen. Met alles slechtende kracht gaat de gelijkmakende werking der beschaving voort, â een niveleringswerk als dat van het water dat de hooge punten afschuurt; â overal dezelfde kleeding, dezelfde gezichten, dezelfde manieren, hetzelfde eten, dezelfde maatschappij, dezelfde denkbeelden. Als ik mijne medereizigers bezie, zoowel de oppervlakkigen als de buikreizigers, moet ik bekennen, dat zij even goed Engelschen, Franschen, Duitschers, als Hollanders, Russen ot Ameii-kanen kunnen zijn. Wat moet er diep en ver gezocht worden naar een oorspronkelijkheid, naar een individu!
Beschaving! Wij zullen de oude thesis van Dijon niet weer aan de orde stellen, wij blijven u huldigen; en toch is het mij somtijds of u een klein vischstaartje uit het zijden kleed komt kijken â schoone vrouw, zoo als Horatius zegt, maar die in een vischstaart uitloopt. Doch liever werp ik met verontwaardiging dit denkbeeld weg. Neen, dat staartje behoort slechts aan uw nagemaakte bastaardzuster, die licht en dicht, met een imitatie-stofje gekleed, met een dun laagje verf is opgeflikt, dat zij heel wat schijnt. Het is die, gij weet wel wie en wat, die wisselzieke, die kleur- en karakterlooze, die men niet pakken kan en zeggen, nu heb ik je en nu zal ik je dood knijpen, maar die men overal en telkens duidelijk ziet, die zich meest in het gezelschap van beschaving vertoont; dat ding dat men dan maar bij benadering fatsoenlijkheid moet noemen, hoewel het geen fatsoen heeft. Fatsoenlijkheid, â het woord toont in zijn voim reeds zijn gemaniëreerdheid.
Fatsoen, dat is noch goed, dat is vorm; fatsoenlijk is reeds een afleiding, dat is afwijking; het is iets dat den aard van fatsoen heeft, dat er naar lijkt, maar het niet is,
10(J
WANDEUXOKN DOOR DE WERELD.
en dan noch â heid â dat is weer een verdere afstand van de bron, van tien stam.
Daar hebt gij den moordenaar van vrijheid, van oorspronkelijkheid, van natuurlijkheid. Durf eens waar zijn, als hij er bij is!
Nu zullen wij er toe komen te weten wat voor wereld wij gaan bezoeken. Gij ziet al dat het niet de groote kosmos is, noch die wereld die met minder grootspraak eenvoudig de aarde heet, noch, overdrachtelijk, de bol dien keizer Karei in de hand houdt, de staatkundige, noch de zeepbel die de groote wereld heet, noch die onzichtbare, maar overal ingrijpende, overal gevreesde en gevierde tyran, van wien het heet de eischen, de opinie, de convenances der wereld, en die in den vorm van wat zou de wereld daarvan zeggen? maatstaf is van handelen en oordeelen. Maar die ver-eeniging van menschelijke aandoeningen, gewaarwordingen en gedachten, die bij den omgang der menschen elkander kruisen; die wereld der fantasie die ons omvoert in alles dat de menschheid doorleefd heeft en noch doorleeft; die wereld, wier ruime kringen het gebied der natuur, van het zedelijk bewustzijn, der rede, der kunst omvatten, het ware leven, dat zich in gevoel, in daad en in denken uit, maar toch altijd éen is.
Ook de zon was op haar schijnbare reis om de wereld. Zij was aan de Waag gekomen, en in gelijke schalen lagen dag en nacht tegen elkander opgewogen. De herfst was begonnen. Mijn eerste reisdag is een herfstdag, en gij moogt boven dit blaadje zetten:
HERFSTDRADEN.
Van den eenen boom naar den anderen, of zacht gewiegeld op de golvingen der lucht, dwarlen de herfstdraden der fantasie, licht bewogen door eiken luchtstroom, verguld door de zon, als een teeder weefsel gevlochten over het ruim der aarde. Het zijn geen touwen, vriend, waar men een katoenbaai mede kan ophijschen in het pakhuis â maar snaren kan men er van maken, wier trillingen liefelijk en bevallig klinken in de wereld des goeden en schoonen.
Als gij maar niet zegt, dat zij langdradig zijn, of dat het maar rag van spinnen is.
Daar zat er een â een spin meen ik â een groote, achtbeenige, diklijvige. Tusschen de ranken van een weelderigen wilden wingerd, die, langs het raamkozijn oploopend, in steeds geler, bruiner en vuriger tinten, tot gloeiend rood toe, voortklom naar het dak, had zij haar webbe uitgespreid. Zij had haar middenpunt gekozen, en daaruit vele stralen getrokken als de spaken van een rad, en van de eene spaak op de andere klimmend, met den kleverigen draad achter zich, verbond zij die de eene aan
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
de ander, den eenen veelhoek om den anderen scheppend, totdat het geheel was afgeweven, en zij zich in het middenpunt plaatste als de vorstin des rijks. De onnadenkende kleine vliegjes, met zilveren en lichtgroene vleugeltjes, bijna onstoffelijk tijne wezentjes, fladderden op de schoone kleuren van den wilden wingerd af en raakten jammerlijk in het kleverige net verward en vastgeplakt. De spin-koningin bleet geiust in haar middenpunt hangen, en zag met welgevallen haar voorraad toenemen en de \iuchtelooze worstelingen der arme kleinen. Alleen wanneer een groote vlieg in de spaken van het wiel verward raakte, rende zij trillende van drift op haar ai en omwond de ge\ angene met haar onuitputtelijken voorraad van draadstof.
Ik moet bekennen, dat ik iets zeer stuitends vond in de wijze, waarop de arme kleine vliegjes, die niets verlangd hadden dan een weinig te rusten en te eten van de schoone bladeren, door de barbaar werden gevangen en gemarteld; dat hare stuiptrekkende pogingen om zich te bevrijden mijn gemoed in beweging brachten.
Wat, dacht ik, doet zulk een vuile spin in de wereld? Hebt gij niets beters te doen, dan schoone vliegjes te martelen? Is dat uw eenige levensbestemming? Zal ik dulden, dat gij voortgaat met uw barbaarsch werk, en niet liever de onnoozele slachtoffers uwer vraatzucht verlossen?
Ãen duw met mijn stok, en het weefsel hing gescheurd ter neder. De spin liet zich pijlsnel vallen. Nu, daar is kunst aan noch moed, als men weet dat men toch aan een draad uit zijn lijf blijft hangen en niet dood valt. Echter, in het weefsel dei-verschillende aandoeningen, die in dat oogenblik in mij heen en weder werkten, was een draad van berouw. Het verstand schijnt eerst terug te keeren als de dwaze daad bedreven is, â en een dwaze daad was het de arme koningin zoo ruw uit haar rijk
te stooten.
üok een draad van beschaming liep er door het weefsel â ik kon niet eens
herstellen wat ik misdreven had.
De gevallen koningin, zittende op de bouwvallen van haar kasteel, deed mij
bittere verwijten.
â Gij vernielt mijn nijveren arbeid, gij hindert mij in mijn levensonderhoud, gij die zelf honderden onschuldige dieren verslindt! en gij waant u wijs! - zei de verontwaardigde spin, zoo kwaad als.....als een spin.
â Gij zijt een onbeschaamde, zeide ik, boos, want ik had ongelijk; â verbeeldt gij u dat gij in uw web het middenpunt der wereld zijt, en dat alle arme vliegjes u ten
dienste moeten zijn?
10S
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
â Och ja, even als gij, die dit ook denkt van u zeiven. Of meent de mensch niet dat de aarde het middenpunt is van het om hem geschapen heelal en hij zelf het allermiddenste egoïstische punt waar alles om draaien moet? â De geheele wereld bestaat uit eene reeks van wezens, die elkander opeten en uitzuigen; de meerdere den mindere, en die wordt op zijne beurt door zijn meerderen verslonden. Vroeger aten de menschen elkander ook op, maar sinds zij zoo geweldig in waarde gestegen zijn, dat is, sinds zij elkander zoo hebben opgevijzeld, zijn zij te duur en eet men ze niet meer. Maar dat belet niet dat zij elkander toch uitzuigen, en het zeldzame voorbeeld opleveren van individuen van hetzelfde genus die elkander vernielen. Als gij redelijk wilt zijn, moet gij die groote wesp daar verhinderen mij te verslinden en ook oppassen dat die vogel, die deze wesp wel zou lusten, haar niet vangt.
â Gij zijt zeer vernuftig, schijnt het; misschien zijt gij wel een afstammeling van Darius of Alexander, een van de twee spinnen die Spinoza er op nahield: misschien hebt gij van daar uw redekunst ontleend, maar uw vraatzuchtig stelsel bevalt mij niet. Gij zijt zeker een dogmaticus, â Baco zei, dat de dogmatici spinnen zijn die hun stelsels weven uit eene zelfstandigheid die zij in zich zelve bevatten; gij hebt als een dogmaticus uw systeem uit uw buik geweven, en de geheele wereld doen berusten op een stelsel van vraatzucht.
â Gij zoudt het gansche weefsel der natuurorde willen veranderen, â en gij kunt noch geen spinneweb herstellen, die gij vernield hebt!
Zij was al weer bezig de schering van een nieuw net op te zetten tegen de rosse bladeren des wingerds.
Ga maar voort, dacht ik, half boos en half beschaamd, gij zijt toch maar een dogmaticus, en het zijn in allen gevalle maar bitter magere vliegjes, die gij stilzittende vangt. Ik ga liever als empiricus de wereld in en naar buiten, daar is meer te vangen dan met stilzitten â al is het in het schoonste stelsel.
109
Nu had ik weer eens gelijk en ging dus tevreden de deur uit.
Waarheen? Naar de natuur, de vrije, de krachtvolle, de ware. Met den breed-geranden vilthoed, den stok, de tasch om de schouders, ga ik op reis. In die tasch zitten een potlood, enkele verven en een schetsboek, het boek waarin schrift en beeld, uitwerksel en veraanschouwelijking der gedachten elkander beurtelings opvolgen en aanvullen. Soms moet er een boom op komen, doch wordt het een sprookje, of in de plaats
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
eener lyrische ontboezeming, zie ik er uit de half onwillekeurige bewegingen der hand een zachthellende heuvelkling, een bemost hoekje muurs met een schuilende kudde, of een wijd verschiet van duinen op verrijzen.
Dan naar buiten! Onbekend door achterstraten geslopen, gejaagd en kloppend, want een is er die mij op de hielen zit, of dien ik op eens bij het omslaan van een hoek der straat kan tegen het lijf Inopen. Gij kent hem, het is Fatsoen. Als die mij betrapte in dezen toestand en deze kleeding, dan was ik verloren, of minstens een onbruikbare zonderling geacht: als hij eens wist dat ik een ganschen dag ga zwerven in de bosschen en op de heide! als hij mij eens herkende en toesprak! â mijn dag was bedorven en mijn genot vergald. Daarom loop ik zoo snel, dicht tegen de huizen aan, en ren een zijstraat in als ik meen hem te zien aankomen in de verte. Dan de stad uit; bijna ben ik gered, maar noch kan hij mij verschalken; eindelijk den landweg op, eene rijzing van den grond bedekt de stad voor het oog, een boomgroep doet torens en geveltoppen verdwijnen, het geluid in de straten gaat in gegons over en versterft geheel; het bosch langs, met een onwederstaanbaren, dwazen glimlach om de zonderlinge ontsnapping en de gelukte list; â nu stil gestaan, om de versnelde ademhaling te bedaren, en omgezien â ik ben alleen, vrij, vrij!
Mijn verschil met de spin, had mij de oude sage van Arachne te binnen gebracht, en van haar weefsel, ook eens door de verbitterde Athene verscheurd, en ik had het kleine deeltje met Ovidius' Metamorfosen in de tasch meêgenomen. Gij kent het oude verhaal, maar willen wij het noch eens lezen, hier aan den zoom van het bosch, in het gras uitgestrekt, lentus in umbra? Misschien dat wij er, buiten de school of het boekvertrek, en in deze omgeving_____
Patulae recubans sub tegmine fagi,
een nieuw en versch genot van kunnen smaken, want die ouden blijven altijd frisch en nieuw.
Pallas had van de nieuw ontstane hengstebron vernomen, en spoedde zich, in een lichte wolk gehuld, naar den Helikon.
â Wees welkom in onze schoone streken, zegt Urania, eene van de negen maagdelijke kunstenaressen, en laat uwe oogen weiden over de dichte bosschen, het heerlijk tapeet vol kruiden en bloemen, de kristalijnen bron, onder des hengstes hoefslag geboren.
â Gelukkig, zegt Pallas, gelukkig dit verblijf der kunst!
110
WANDELINGEN DOOK DE WEUELD.
â Ach, zuchtte eene andere uit het zustrental, ach, indien wij slechts in vrede waren!
Wat was de klacht der Muzen? Piërus was een overweldiger die de Muzen aan zijn hof had willen verbinden, die haar allen zijne liefde had willen bewijzen. Maar zij waren onwillig, â nu, later, in Italië bij voorbeeld, zijn zij aan de hoven der kleine overweldigers niet zoo eenkennig geweest. Toen hij ze nu wilde vasthouden, schoten zij vleugels aan en ontsnapten, en de ongelukkige kunstliefhebber sprong haar na uit een toren en verbrijzelde zijn hoofd.
Doch er was vroeger meer gebeurd dat de Muzen ontstemd had, en ziet, hier worden wij op eens door een geheel nieuw aanzicht van het verhaal verrast.
Negen Makedonische zusters, Piërus' dochters, hadden zich verstout de Muzen uit te dagen tot een zangstrijd. Het ware schande geweest, zoo de Muzen den strijd geschroomd hadden. Toen zich eene maagdenrij, die tot rechtspraak gekozen was en bij de stroomen gezworen had, ter berechting had nedergezet in een kreits van uit den levenden steen gehouwen zetels, ving eene der Piëriden aan en zong de nederlaag der goden voor de macht der Giganten. Kalliope zong haar tegen; het haar met klimop omwonden, rijst zij op, drukt met het plectrum de klankrijke snaren der cither en bezingt de macht, den lof der goden. Het eenparig oordeel stemde haar overwinnaar. Maar de negen Makedonische maagden hielden eene scherpe antikritiek, wat in die dagen niet paste, en zij werden tot straf daarvoor in snaterende eksters herschapen.
Gij begint te begrijpen, waar de schoen wrong; de Muzen waren nu eenmaal de erkende vertegenwoordigers der kunst en hadden daarvan, als officieel lichaam, het monopolie; het kwam dus volstrekt niet te pas dat een ander zich ook op kunst liet voorstaan, en haar op zijne wijze uitoefende. Wie had gedacht, toen wij ons op den Helikon waagden, dat wij daar al den strijd tusschen de vrije en de akademische kunst zouden ontmoeten?
Wij zullen noch meer nieuws vinden; luister maar.
Dit hadden de schoone Muzen aan Pallas geklaagd en deze was er door ontvlamd.
Ja, dacht zij, de president der akademie, daar woont in Maeonie de trotsche Arachne, die met hare kunst de onze, de eenige erkende naar de kroon wil steken. Ook zij moet gestraft worden, even als de dochters van Piërus.
Daar stapt eene oude vrouw naar de Lydische maagd, die er de godin niet in vermoedt, maar die ook met de daarna geopenbaarde Pallas niet schroomt den wedstrijd aan te vangen. Beiden weven en stikken de schoonste tafereelen.
Pallas Athene schept er het geding tusschen haar en Poseidoon over de schuts-
111
wandelingen door de wereld.
heerschappij van Attika â zij schildert de rechtende goden, het ios op den slag' \an Poseidoons geweldigen drietand uit den grond ontsprongen, maar ook den olijf door haar, de maagdlijke godin, uit de steenrots der Akropolis te voorschijn gebracht en de overwinning haar daarvoor toegekend; â mythe van een beschaafd volk, het land veroverend en de heerschappij der zee innemend, van de overwinning dei beschaving op de fysieke kracht, zoo als wij die ook terug vinden in de beeldgroepen aan den westgevel van het Panthenon. Athene weeft er voorts tot waarschuwing vier v ooi vallen bij, vvaaiin de aanmatiging der menschen tegen de goden gestraft werd.
Maar Arachne weefde heel wat anders. Zich ontslaande van ideaal en traditie, vertoonde zij er eene reeks van guitenstreken der hemelingen, en de gevallen van een tal van schoone meisjes, door de godlijke heeren geroofd en gekust; Europa, Leda, Antiope, Alkmene, Danaë, Mnemosune, Ceres, enz. in het oneindige als een repeteerende breuk. Die voorstelling was niet zeer orthodox, maar zij was satyriesch en karakteristiek; zij was niet ideaal, maar zeer realistiesch en pikant.
â Wat! barstte Athene uit, wat voor kunst is dit? Wat treedt gij onze wetten en regelen en de traditie met voeten! Wie geeft u vrijheid de zaken anders voor te stellen dan wij gewoon zijn, en er een kunst op uw eigen hand op na te houden ? En vergramd en naijverig scheurt zij het vernuftige weefsel, slaat de weefspoel op Arachne's hoofd aan stukken, en doet de Lydische kunstenares in eene spin veranderen, die van haar vorig bestaan noch het kunstige weven behouden heeft.
â Daar hebt gij het, dacht ik, oprijzend en langzaam voortstappend, terwijl ik het boekje dicht sloeg en in de tasch deed glijden, Athene en de Muzen waren de aangestelde uitoefenaars van officiëele kunst, en het was dus een misdaad van gekwetste majesteit dit monopolie aan te raken; haar kunst is de alleenheerschende, de staatskunst, m3t haar traditioneelen stijl en haar conventioneel-ideale voorstelling. Maar PiGrus' dochters en Arachne zijn de demokratische kunst, die, uit alles zich zelve wil ontleenen, haar eigen weg volgt en haar eigen begrip.
Het spreekt van zelf, dat toen de akademie en de president boos werden, de vrije kunst in die dagen voor geweld moest onderdoen. Doch de tijden veranderden. De PiCriden werden toen eksters en Arachne een spinnekop, maar zij bleven toch natuui, dacht ik. Nu is de akademie versteend, en de president is afgezet, maar de anderen leven noch. Hodie mihi, eras tibi.
11-2
WANDELINGEN DOOR DE WEKELD. 118
Zoo werd ik door Arachne weder met de spin verzoend. Een mensch wil altijd langs een omweg verzoend worden. Dat is natuurlijk, want dan ziet hij zijn ongelijk niet zoo, of voelt de soort van schande niet, die hij in het erkennen van ongelijk waant. Zoo vond ik het ook een tamelijk eervolle wijze om met schik van mijn toorn af te komen, vooral sinds ik uitgevonden had, dat de spin of Arachne de vrije kunst is. Wat een heerlijke gelegenheid voor een spin om de juistheid van mijn beginsel te beproeven, en, van den rand van mijn hoed tot mijn neus een web wevende, mij ook de leelijke werkelijkheid te laten zien, die mij van mijn naturalistischen waan weer bekeerd zou hebben tot de ware kunst!
Ziedaar mij dan weer in het evenwicht gebracht, waaruit de woordentwist mij had gestooten, en bereid de natuur te genieten met dat gevoel van kalmte en vrijheid dat ons uit haar kalmte en vrijheid ademend wezen toestroomt.
Liefelijk is het rond te dwalen in deze herfstdagen. Dan genieten wij noch zoo gretig van de laatste zachtheid en teederheid der natuur, te liever, omdat zij ons zoo spoedig dreigen te verlaten. Want ook hierin zijn wij zoo, wij kinderen, dat wij het speelgoed in een hoek werpen, en er om dreinen als men het ons afneemt. Thans verwijt ik mij, dat ik haar niet lief genoeg gehad heb en haast mij, in vurig genot, haar schoone wezen als met alle zintuigen te omhelzen. Het liefst is mij in dezen jaartijd toch de heide, dat grootsche van hare uitgestrektheid, dat vrije, dat eenzame, gedachtenbezielende. Daarom spoed ik mij voort, hoe mij de eik- en beukenbosschen ook tarten met al den gloed hunner stoute en schitterende kleuren. Allengs begroet ik de kenteekenen van den heigrond. Terwijl de eiken met hun kantige bladmassa's en hun knoestigen, gekromden takkenbouw, de beuken met hun gladder, fijner vormen, hun scherper, meer horizontaal gestrekte bladerengroepen, en de slanke berken met hun blikkerend loof, hun teedere gestalte en wuivend gepluimde toppen, reeds alle achter mij gedompeld liggen in den rijkdom van tinten die de toncnladder van goudgeel tot bruin of vurig rood oplevert; terwijl hier en daar al een enkele groep de ontbloote toppen, als kale schedels, uit het loof heft, kunnen de dennen, die ons nu omringen, noch op al hun groen bogen, al is dit wat gehard of gebruind door de zomerhitte; en het dichte naaldgebladerte geeft den spichtigen eekhoorn noch een schuilplaats, die voor mij vlucht, als ik â voor, ge weet wel wien. De koningen der hei, de statige dennen, wier ruischend lied en geurig aroma mij altijd zoo bekoren, bewassen in lange en dichte rijen de zoomen van den heigrond.
WANDELINGEN DOOI! DE WERELD.
Ik spoed mij voort tusschen hunne afgeschilferde, roodbruine stammen, voort over den mot tengels, schors, en pijnappels bedekten grond; tot waar de stammen ijler worden en de lucht laten doorschemeren; noch eene kleine, zandige streek waar het bosch ophoudt, de laatste hoog opgeschoten stammen de kruinen zachtkens wiegelen, en een jeugdige opslag, de vrucht van door den wind hierheen gestoven zaden, weder een stuk gronds heeft veroverd, en wij zijn op de wijde vlakte waar de voet het schoone vloer-
tapeet drukt der veerkrachtige erica's.
Achter mij liggen nu de lange reeksen van pijnbosschen, die het landschap aan die zijde omlijsten, eene lijn, rijzende en dalende tegelijk met dien bodem, versmeltend in steeds dampiger tonen en wegloopend in den gezichteinder.
En voor mij, wat een rijkdom in die twee eenvoudige gegevens, een wijd uitgestrekte vlakte en het koepelgewelf des hemels daarover heen!
Nu eens helder en gespannen, laat die lucht de noch warme herfstzon over de heide stralen; dan vormen zich in het westen dampen en groeien daar tot een paar wolkjes aan, die als de rookwolk van een kanonschot daar blijven neerhangen bij den gezichteinder; of vluchtend op den adem des winds ijlen meerdere wolken elkander achterna en werpen evenzoo elkander naglijdende banden van schaduw op de zonnige vlakte, die er de verrassendste licht- en schaduwpartijen door wint.
Duizend geestige motieven voor het penseel liggen in dien grond met al zijn hoogjes en laagjes, dien grond, die, zonder hooge heuvels toch zachte zwellingen en dalingen der oppervlakte aanbiedt. Nu eens is de heiplant en de dunne zwaite aaidkorst opgerukt en ligt de witte zandgrond bloot, ten gevolge van natuurlijke oorzaken of door het afsteken van zoden, die als plaggen elders op den dorren grond tot bouwaarde moeten strekken; ginds is een moerassige streek, met eene harde en leelijke grassoort ten deele begroeid, die bij overvloedigen regen in deze vlakte een kleinen spiegel zal vormen; elders is de bovengrond door den regen in slangsgewijs voortloopende groeven en spleten omgewoeld, en zijn de geel- of roodachtige banken zand-oer ontbloot.
Het meest karakteristiek is de hei in haar plantentooi. Hier en daar met andere planten vermengd, varen, russchen en brummels of beziën, bestaat haar meest kenmerkend gewas toch uit ericaceën. Duizenden bij duizenden in dichte bundels groeiend, bedekken de schoone erica's met haar bruine stammen, haar fijne, donkeigioene bladeien, en de stengels aarvormig bezet met de lila en rozenroodachtige, zelden witte bloemen, den bodem, en geven daaraan die paarsch-bruine kleur, die naar de mate des lichts haai schakeeringen meer naar het paarsch of naar het bruin doet overhellen.
Zoo strekt zich dit landschap tot den verren, verren gezichteinder uit, een schier
114
WAN DELI N(iE.\ DOOR DE WERELD.
onbegrensde ruimte voor den geest des mijmerenden zwervers, en geen berg hindert het uitzicht.
Geen berg die hindert? â Ja: â al ontken ik het grootsche schoon der bergen niet. Ik zal niet onderzoeken in hoever die hindernis een moreel of wel een aesthetiesch gevoel ten grondslag heeft: maar zeg mij waarom gij geen berg zien kunt of gij wilt hem beklimmen, en u zelfs bij geschilderde bergen de lust bekruipt van te weten wat er achter ligt? Is het niet omdat hij u het uitzicht beneemt, dat gij uw blik zoo ver in de ruimte wilt laten weiden, als het fysiesch vermogen van het oog toelaat?
Welnu, dat kunt gij hier, en laten wij er in allen geval tevens de krachtige ^esthetische uitwerking bij erkennen, die ook aan het vlakke landschap eigen is.
Somtijds wordt de stilte en eenzaamheid van dit natuurleven gebroken door eene kudde die hier grazen gaat, en wier herder in een greppel zich uitstrekt of achter eenig struikgewas een plekje schaduw zoekt. Diep in den grond geploegd kronkelt een oud spoor zich voort, welks voren reeds gedeeltelijk weer met pruiken van heide bewassen zijn, en somtijds rinkelt daarover de bel van een paard, dat schuddende het door een netwerk of een boomtak beschermde hoofd, met langzamen en zekeren stap de open kar voorttrekt, wier hooge, schuine wielen het oude spoor weder omwoelen. Lang kunt gij het geklikklak der bel hooren, en de kar nastaren, die zich naar de leemen hut voortbeweegt, wier bemost dak zich in de verte nauwelijks van den heigrond onderscheidt.
Het is mij als of ik hier zou willen leven, voor eenen tijd. Het is in alles een zuivere natuurindruk dien men ontvangt, de menschenhand heeft hier noch niets gedaan, en daarom bleef er zoo veel dat tot ons spreekt uit de eenvoudige bestanddeelen van het landschap om ons henen. Beurtlings is het een ethiesch en intellektueel leven dat zich openbaart, een wereld voor het gemoed of het verstand, beurtlings een [esthetische kracht die zich doet gelden. Denker of kunstenaar, beiden kunnen hier dien toestand van zuiver genot smaken, waarin do mensch in de beschouwing verloren, vrij wordt van zijn eigen ik, vrij van wat zijn wil en begeerte opwekt, en geheel belangeloos tegenover de natuur en het schoone staat. Vandaar de rust, dat evenwicht, dat gevoel van geluk.
Voor den schilder is de lichtwerking in dezen jaartijd eene rijke bron van schoonheid. Hij vindt er schaars de kracht en het vuur van het zomerlicht, de volheid en de diepte zijner schaduwen en beider sterke tegenstellingen; maar de herfst geeft eene fijnheid van tonen, eene zachtheid van schakeeringen die verrukkelijk zijn. Hier spreidt zich over de vlakte een stroom van nevelig licht uit, ginds werpt de lage zon hare
115
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
stralen met scherper hoek; het licht scheert als het ware over de oppervlakte heen, de toppen van grasspriet of heiplant en bloem verlichtend en aan deze kleine voorwerpen, aan de kluiten op den grond zelfs, lange schaduwen gevend. Een andermaal beschijnt het eene groep van half ontbladerde boom en, die zeer helder bruin van kleur, en uiterst fijn en teeder van toon, licht afsteken tegen de grijze wolken. Keert gij den rug naar het zuidwesten, dan ziet gij het landschap in het volle licht, wendt gij u naar de zon, dan is do boschzoom in het donker, want hij is vóór de zon, en in stille, vlakke tinten, bijna ééntonig en zonder diepsels en hoogsels, vormt hij üene, door de reflex-lichten van den grond wazige, massa, boven wier toppen alleen een rand van licht komt schemeren.
De dampkring is niet meer zoo ijl en doorschijnend, hangt lager en vormt dichter ineen gedrongen een zacht waas, dat zich over den omtrek uitbreidt, dat, hoe verder het verschiet is, des te dikker wordt en boomen en heuvelen bij den gezichteinder in een steeds blauwender kleed hult. Daarom geen heele tonen en kleuren, maar gebrokene, en eene eenheid en harmonie, eene verwantschap van allerlei tusschentinten, die soms tooverachtig onwerkelijk, die gemoedelijk en liefelijk zijn, en aldus stillend en weldadig op het oog werken. Zij klinken als een eentonig wiegelied en roepen eene zachte rust te voorschijn in het gemoed, eene tevredenheid, een volkomen evenwicht door het uitsluiten van alle hartstochtelijkheid.
De zomer is gloeiend, hartstochtelijk, schel, levendig bewogen en bewegend, de zomer is de tijd der alom werkzame krachten, hij is de jeugd in haar onrust, in haar vuur, in haar zoeken en jagen.
De herfst is de mensch wiens driften hebben uitgewerkt, de zacht vlietende stroom na den storm, helder als deze nadat het slib en meêgevoerde slijk zijn bezonken en die nu slechts een hemel zonder buien weerkaatst.
De herst is de man wiens oogsttijd is gekomen, in rustig zelf bezit, in wien de drift tot geestdrift is geadeld en het rusteloos zoeken tot een beraden werkzaamheid de man in het evenwicht zijner natuurlijke en verstandelijke krachten.
Do herfst is de vrouw die gevonden heeft waar zij tastend naar zocht, een kring om te werken en te heven, de vrouw die moeder is geworden; niet meer, laat het zijn, met de dartelslanke leest, met de weelderige lokken, de tintelende oogen en de gloeiende wang, maar met dat spiegelgladde voorhoofd, met den kalmen en blijvender! glimlach van het gevonden geluk, van een verworven levensdoel.
Daar is geen droefheid voor mij in het najaar. Droefheid moge er zijn in de afgevallen bladeren en doode takken, in den looden hemel, of in de neerstortende buien en
116
117
de kille sneeuwjacht en den mist. Maar dit is de herfst niet in zijn kracht, het is de herfst in zijn dood en in zijn overgang om winter te worden. Nu is het natuurlijk leven noch in al zijn rijkdom. De zon geeft noch helderheid en warmte, de plantengroei is noch rijk aan looi, al is het gebruind, en al zien wij daarin de jonge, licht gekleurde, saprijke spruitsels niet; en is de akker leeg, de boomgaard is vol. Er is alleen rijpheid, geen verval in het fysiesch leven der aarde.
Wel is er ernst in den herfst. Geen ernst zoo als die gewoonlijk begrepen wordt, geen ernst die zuur kijkt en de wenkbrauwen samentrekt met de sombere voorhoofdsrimpels, die smaalt op alle stof, op alle zinlijkheid, op alle schoon van vormen en kleuren, en voor wien eindelijk niets van het leven overblijft dan een dorre, kale woestijn; geen ernst die konfijt in suikerzoet geteem, of veroordeelt in harde liefdeloosheid. Maar die andere, die de oogen opent en het voorhoofd glad plooit, die alle levensuiting niet veroordeelen maar adelen wil, die schoon, sterk, gezond is, het leven tot zijne bestemming wil opvoeren, en in alles dit hooger beginsel wil, de geest zwevende
boven den chaos.
Die ernst behoeft er niet bleek en mager uit te zien, slaat de oogen niet wanhopend op dit tranendal, prevelt geene formulieren, is niet aan vormelijkheid, als een mollusk aan zijn schelp, gebonden; maar hij kan lachen, zijn bloed stroomt krachtig door de gezonde aderen, zijn oog blikt helder als een lichtende vonk van het vuur, dat Prometheus uit den hemel veroverde, en zijn geest is als de ladder Jacobs, waar de gedachten op en af zweven, en die met haar stijlen hemel en aarde verbindt.
Eens doen de gedachten op die ladder haar laatsten op- en nedertocht, â en staan zij naar gelang op een hooge of op een lage sport; dan valt de ladder weg en de geest blijft, wie zal liet zeggen, of noch gebonden, om eerst langs vele ontwikkelingen hooger op te mogen klimmen, of zoo hij op een hooge sport stond terwijl hem de ladder ontviel, zal ook hij, even als de groote geest van ouds, leeren zweven boven den chaos van stof en vormen.
Tot zoolang, mijn waarde, nu de ladder Jacobs noch overeind staat, en wij de sporten niet missen kunnen, zullen wij niet op de stof en de zinnelijke wereld smalen, noch haar dooden in en buiten ons, maar liever dat stoffelijke bestaan veredelen en zoo homogeen mogelijk maken aan den geest waaraan het gebonden is. Wij zullen ze niet beminnen met ziekelijke gehechtheid, niet uitsluitend voor haar leven, maar wij zullen ze toch vurig liefhebben die wereld van natuur en zinnen waarin wij zoo veel schoons en goeds verlichaamd zien, waarin zich uitdrukt al wat de geest werkt, waarvan ook
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
de uitwendige vormen gemaakt zijn onzer ouders, onzer vrouwen, onzer kinderen, en ook van u, mijn vriend.
Hierbij laat ik het voor het oogenblik, ik zend u mijnen groet, en weldra, hoop ik, het vervolg mijner heiwandeling.
Truly yours c. v.
II.
Ik was er niet geheel en al op onvoorbereid, carrissime, door u gehekeld te worden om den weidschen aanhef van mijn eersten brief, die u niets minder dan de gansche wereld door zou voeren, en waarin wij zoo lang op een stuk heigrond en in het bespreken van een paar denkbeelden bleven ronddraaien. En toch ben ik noch op
die hei, en zal ik er u nochmaals heentroonen.
Quousque tandem...')! zoudt ge mij plagen met den al of niet Ciceroniaanschen
uitval tegen Catilina.
Stil! â de ontboezeming is eene mimosa, raak hare teedere bladeren niet aan; â en daarenboven, ik weet immers toch, dat, wat uw vernuft ook spotte, gij evenwel met mij deelt in het genot van het schoone, vrije natuurleven; ik weet immers toch, dat gij het mij niet zult tegenspreken, hoe men op een beperkt stuk gronds, in éenen toestand eene wereld van gedachten of gewaarwordingen kan beleven.
Weet dan dat ik die wereldreis koos om in onzen geestesomgang geen nauwe grenzen te hebben, maar ruimte waar gemoed en verstand stoeiend of ernstig konden
omzweven in zoo wijde banen als zij zouden gelieven.
Ik voor mij kan er noch geen afstand van doen, onder mededeeling aan u, het rijke levensgenot te herdenken dat mijne natuurbeschouwing mij schonk op dien herfstdag. Te meer omdat uwe bedenkingen zoo juist overeenstemmen met de gedachten die
mij toen bezielden.
Want gij klaagdet in uw antwoord over de maatschappij en het gezelschap, in het algemeen over de samenleving. Juist dezen zijn het die mij bij wijlen nopen vei-ademing te zoeken in de natuur, den ouden sleur te ontvluchten en in eene omgeving van oprechtheid voor de gekunsteldheid vergoeding te vinden.
') Tot hoe lang, Catilina, zult gü ons geduld misbruiken?
118
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
Ik stem het u toe dat zij ziek zijn, of zoo wellicht deze stellige uitdrukking te sterk is, dat zij niet gezond zijn, â en, zij willen niet genezen worden. Dat is het geval bij zielszieken. Wie lichamelijk lijdt haast zich van zijne kwalen bevrijd te wezen, maar de zielszieken willen meestal niet genezen worden. Hoe zouden zij ook willen, daar hun wil mede ziek is? Zij consulteeren en medicineeren er wel tegen, maar voeden tegelijk dagelijks hunne jkwaal, aanvullend wat de geneesheer wegnam, en gij kunt ze niet meer grieven dan door hun te zeggen; gij wordt beter. Ook onze samenlevingsmensch is zielsziek. Door gemaaktheid, conventie, oververfijning die weekheid is geworden, door gebrek aan hoogere overtuiging, door leugen en schijnzucht, en alleen waarheid kan hem redden, waarheid en die schoone verschijning waarin de waarheid vleesch geworden is, de natuur.
Die onnatuur, dat geveinsde en gekunstelde heeft ook het gezelschapsleven verwaterd of bedorven. Onder conventioneele vormen beweegt het zich voort op den stroom der meening, maar derft te veel de geestesbezieling. Wat er zich tegen verheft is maar eene reactie van onverschilligheid. Hoe dikwijls waart in de gezelschappen der wereld, die melancholische gestalte onzichtbaar maar voelbaar om, â wilt gij haar Hamlet of Shakespeare noemen, â met de bittere woorden op de lippen:
Hoe mat, oudbakken, geestloos schenen Der wereld vormen en gebruiken.
De algemeene beschaving berust te weinig op inwendige vorming, te veel op uitwendige, en deze is hot fatsoen, dat alles beheerscht, de afgod van allo standen, naar wiens gunst allen streven, en hot groote einddoel dor zedelijke opvoeding. Het spreekt overigens van zelf dat dit fatsoen slechts tot het uitwendige leven beperkt is en tot het niet openlijk schenden van de wellevenskunst.
Ten gevolge van dit alles heeft er ook in de taal en spreekwijze eene geheele verschuiving van beteekonis plaats gehad. Een aantal woorden heeft zijne kracht verloren, is verlept, verschaald, afgestompt en wij moeten om vroegere kracht te behouden ze opflikken met adjectiva, of er uit vreemde talen nieuwe voor in de plaats stellen. De taal is ook onoprecht geworden, gemaskerd, geblanket; valsche munt geeft zij uit, als zij do beteekenissen verdraait en aan leelijke dingen schoone woorden schenkt.
Het valt moeilijk te ontkennen dat met den loop der beschaving deze verschijnselen gelijken tred hebben gehouden, en dat zij elkander op de hielen zitten; ja, hot is zeker eene vrij juist schijnende redonoering, de gekunsteldheid, de verbastering, de afwijking van de natuur aan de beschaving toe te schrijven. Wij hopen toch een bevredigender uitkomst te vinden.
119
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
In de beschouwing van de hei was ik met u blijven staan. Verbeeld u mij later aan mijn landelijk maal van wat ik had medegenomen, een dergelijk als wij meermalen samen plachten te gebruiken op onze tochten, wanneer wij â gij met de lange blikken bus, door dien boer eens voor een verrekijker gehouden, over den schouder, â gingen herboriseeren. Ik was op het punt om van den bodem, die mij tot tafel en stoel strekte, op te rijzen, toen de stilte en het daardoor gewekte gevoel van eenzaamheid op eens verbroken werden door den klank van een klokje, een geritsel in de struiken, en twee geiten, niet ver van mij weidend, mijne oogen troffen.
Eene tegenstrijdigheid moogt gij het misschien gaan noemen, en eene overwinning der gezelligheid op de afzondering, als ik u beken dat dit teeken van levende wezens mij op eens eene gewaarwording van genoegen gaf. Doch het is ook waar dat deze dieren, en het meisje dat ik iets verder ontwaarde, geen storende klanken waren in de stille natuurharmonie om mij heen, zij stemden er geheel mede samen. Ik kan niet zeggen dat zij de stilte braken.
Deze dieren zochten naar de jongste en zachtste planten, en dicht bij hen bespeurde ik een meisje dat ze moest hoeden. Daar ik in half gerezen en half liggende houding-door de hooge bremstruiken verborgen was, die met hun sappig groen hier en daar in groepen over den bodem verspreid, eene schoone wisseling van kleur gaven aan het eentonige heikleed, zag zij mij niet. Het was een hoogst schilderachtig beeldje â het hoofd voorover gebogen, op een langen stok, om de geiten te drijven, tusschen schouder en arm leunend, het bovenlijf met een rooden doek omknoopt, waaruit de hoog opgestroopte hemdsmouwen kwamen die de armen bloot en vrij lieten; de heupen, de linksche sterk geteekend door het rusten op het been aan die zijde, achtloos met een dikke stof als rok omhangen, die de bruingebrande, maar fijne enkels zien liet, terwijl de voeten scholen onder de heistammen, â zoo was zij een beeld van slechts even gerijpte jeugd, slank, lenig, veerkrachtig, natuurkind met eene merkwaardige sierlijkheid en harmonie van verhoudingen in hare vormen.
Straks bukte zij, en zich in een kleinen waterplas spiegelend, ging zij de dicht en rbk groeiende, los golvende, blonde haren bij een vlechten. Eerste daad van een noch duister maar zachtkens uit zijn natuurslaap oplevend zelfbewustzijn.
Wat ging er bij die handeling om in het hoofd van dat natuurkind, geboren en opgewassen in de eenzaamheid? zoo mogen wij wel vragen, als wij bedenken dat zij in den leeftijd was, waarop wat het sterkst heerscht de verbeeldingskracht is. Wat al vizioenen kwamen in dien tooverspiegel des waters haar voor den geest? Wat voor nikkers keken van onder door het heldere medium haar in de oogen? Kind wat doet gij! Het is de
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
eerste voetstap dien gij zet uit uw Eden, uit uwe volstrekte en onbewuste onschuld, uit uw natuurstaat. HeldGr is toch noch de spiegel waarin gij kijkt, helder als uw gemoed tot nu was; maar gij hebt de betoovering verbroken, van nu afmoeten er wolken over heen gaan, moet die heldere oppervlakte, door het slib dat op den bodem ligt, verduisterd worden.
Zoo als ik haar bespied had bracht ik haar snel met eenige trekken op mijn teekenboek, maar nauwelijks snel genoeg of zij zag het plotseling, en trok, met een donkeren blos over hals en wangen, de pas gevlochten haren uit een, als door een duister instinkt gedreven om mij een bewijs te geven van het argelooze barer daad, maar juist daardoor de kleine wereld van haar binnenste openbarend.
Ik. â Waar woont gij?
Het meisje, (bedremmeld). â Wat?
Ik. â Waar uw huis is?
Ginds â wees zij met den uitgestrekten arm naar een kleine hut, in de verte nauwelijks van den grond te onderscheiden, en meteen op twee vingers lluitend, bracht zij de geiten naar zich toe, en ging ze met haar langen stok den weg huiswaarts op drijven.
Ik. â Laat mij met u gaan; vertel mij intusschen iets van uw huis; wie zijn daar te huis?
Zij, (aarzelend en met zeker wantrouwen omdat ik haar in haar naïeve handeling gezien had). â t'Huis zijn wij met ons vijven, â de oudste is weg, â ik ben de oudste nu.
Ik. â Hebt gij vader en moeder?
Zij. â Vader hakt hout en rijdt hout en keien die hij delft; â moeder werkt in 't veld, hier en daar, als ze kan, â nu moet ze op den jongen passen, â en ze werkt in huis en op ons veld. â Raapt gij dat op?
Ik. â Weet gij wat dit is? Het is een fraai geslepen wig, zoo als ze hier vele eeuwen geleden als beitels gebruikten.
Zij. â Die vinden wij zoo vele hier. Vader bewaart er een: zij zeggen dat ze goed zijn om den bliksem af te weren.
Toen een stilzwijgen. Van ter zijde zag ik haar dikwijls aan. Zij was in het schoone tijdperk der wordende rijpheid, waarin de vormen voller worden, het vermeerderde bloed met sneller omloop naar hals en wangen vloeit, de zintuigen scherper zijn, de verbeelding gaat heerschen; de uitgang uit de algemeenheid, de intrede in de individualiteit;
1(5
121
WANDELINGEN DOOK DE WERELD.
fysiesch en moreel eene zoo belangrijke en kritische periode: â ik had lust het kind der natuur te bespieden in haar zieleleven.
Ik. - Wat doet gij gewoonlijk?
Zij, (met een blos). â De geiten hoeden, en sprokkelen, en dan werk ik in huis....
Ik. â Hebt gij niet op school geleerd?
Zij. â Een korten tijd; â wij wonen te ver af, en zij kunnen mij niet missen voor de beesten.
Ik. â En blijft ge hier zoo leven?
Zij. â Ik weet het niet; ik wilde liever weg; 't is hier doodsch.
Ik. â Kunt gij dan niet hier van daan ?
Tranen verduisterden hare oogen. Ik bukte mij om een plant te plukken, en deed alsof ik het niet bemerkte. Waarom, dacht ik, verder snaren aangeroerd, die haar wellicht kwellen, en ik liet den tip los van den sluier, dien ik wilde oplichten. Toen weer een lang stilzwijgen.
Zij de geiten voort drijvend, en ik in mijmering verzonken, zoo kwamen wij weldra bij de woning. De lage hut was als éen met den grond; het werk der menschenhand was maar weinig merkbaar, en de woning scheen een voortbrengsel van den bodem zeiven. Denneplanken en klei vormden de wanden, waar ze helden door een paar jonge dennestammen geschoord; het dak, dat als de kroon eener paddestoel het geheel overhuifde, was éen plantaardig geheel geworden; bladmossen gaven er een groene kleur aan, die hier en daar door sterker licht steeg tot het diepste, sappigste groen; de huislook leefde daar tusschen en schoot haar langen bloemstengel omhoog, en de donderbaard, naar Thunars rooden baard genoemd, beveiligde hot dak tegen het onweer.
De geiten waren de hut ingeloopen, en toen ik mij onder den lagen deurpost gebukt had, verwelkomde mij eene vrouw met een knaap die met beide handen zich aan hare rokken vastklampte; eene krachtvolle vrouw, in hare gestalte eenigszins tot den mannelijken vorm naderend. Zoo als in de beschaafde wereld de mannelijke tot de vrouwelijke, zoo nadert bij het volk de vrouwelijke type tot de mannelijke.
De vrouw. â Laat mijnheer gaan zitten, â hier is een bank, en wat melk, als mijnheer wil. Komt mijnheer jagen?
Ik. â Neen, ik zwerf maar voor mijn genoegen op de heide.
En ik moest glimlachen om de onmogelijkheid van haar te verklaren wat ik eigenlijk kwam doen. Op de jacht? â ja, juist op de jacht, van menschen, van toestanden, van beelden en gewaarwordingen, van schoonheid en van waarheid....
122
WANDELINGEN DOOK DE WERELD.
De vrouw. â Ik dacht liet om die tasch â maar daar zijn kruiden en planten in, zie ik nu.
Het meisje, (blozend). â Hij heeft de geiten uitgeschilderd____
Ik. â En uw dochter er bij, moeder.
Een hooge kleur overdekte haar hals en wangen.
De vrouw. â Dus is mijnheer een schilder: â schilders komen hier veel.
Ik. â Ook dat niet: ik kom een dag leven in de natuur, de stad ontvluchten met haar drukte en gewoel, en buiten uitrusten.
De vrouw. â Zijt ge dan niet te vreden in de stad?
Te vreden? Wat is tevredenheid? Is het stilstand die niet meer werkt, die niet meer wenscht, dan is zij apathie. Of de gemoedsstemming, die wel vrede kan hebben met wat is, maar waarbij het streven naar iets beters niet is uitgesloten? Dan ben ik te vreden. Maar geen stilstand, geen afgesloten leven; oneindig is het streven des geestes. Het geheele loven is streven, en misschien is zelfs sterven hetzelfde, en slechts een zeer gewone letteromzetting van streven.
Ik. â Te vreden? ja â maar in do stad verliest men zich zeiven, men moet zich terug vinden in de vrije velden en bosschen.
Het meisje, (blozend). â De stad! eenzaam en stil is het leven hier. Wat ziet of geniet men hier? Hoe vroolijk en druk en heerlijk is de stad! Hoe gelukkig is het onder de menschen te wonen!
Ik, (tot de vrouw). â Zijt gij te vreden met uw leven hier?
De vrouw, (verwonderd). â Waarom zou ik ontevreden zijn? Wij hebben niets te verlangen; do grond geeft plaggen om te branden, en ons bebouwd veld geeft vruchten: mijn man verdient veel geld met het delven van keien, waarmee de grond hier gevuld is; met de zon staan wij op en werken tot dat de zon onder gaat; wij eten, slapen en werken goed, wat wilt gij meer?
Ik. â En hindert u de eenzaamheid niet?
De vrouw. â De afzondering geeft vrijheid; wij leven vrij en gerust, en hebben het noodige.
Het meisje. â Niet altijd,.... of het noodige is heel weinig.
Ik. â Verlangt gij dan niets?
De vrouw. â Wij verlangen zon en regen voor ons veld, en keien in overvloed in den grond.
Ik. â Gelukkige eenvoud. â En zal die jongen, die uw kleed maar vast blijft houden, er ook zoo over denken? Een flinke knaap, moeder!
128
WANDELINGEN DOOI? DE WERELD
De vrouw. â Ja, flink is de jongen, niet waar? Zoo wou ik hem houden, wat hebben wij anders aan de kinderen? Mijn oudste, mijn zoon is naar de stad, hij werkt daar, â maar voor ons is het alsof hij niet leeft.
Ik. â Wat kunt gij er aan doen? Het is een noodzakelijkheid van het leven. De vleugels zijn om te vliegen, dat is om het nest der ouders te verlaten.
De vrouw. â Had hij niet hier kunnen werken met ons?
Het meisje. â Wat zou hij hier gedaan hebben? Moeder, moeder! ach wanneer gaan wij ook naar de stad! Daar is alles schitterend, zeggen zij, en vroolijk, en meer dan duizend menschen wonen daar!
Ik dacht het wel. Het is de zucht tot maatschappelijk leven, die in opstand komt tegen den natuurstaat. Die traan, die blos hebben het al lang gezegd, en getoond hoe diep het er reeds in zit. Vrij moge, moeder, uw leven in rust, in eene geslotenheid liggen, die er eene soort van plantaardig of dierlijk bestaan aan geven, deze natuurtoestand is een onafgewerkte, een onvolkomene, en indien gij al niet, dan zal de dochter zich aan dien toestand ontrukken, wellicht met al het geweld dat uit de noodzakelijkheid van deze ontwikkeling voortvloeit. Daar hebt gij weder een dier geheime drijfveeren die de wereld en de maatschappij in beweging stellen. Is er dan een gebiedende wet, die alles uit zijn rust en eenvoud, naar den strijd en tweespalt des levens heen jaagt?
Onvoorzichtig kind, wat gaat gij beginnen! Wilt gij uw schoone wereld verlaten? Ja, de jonge maagd zal dat paradijs van onbewustheid, van onschuld verlaten, â in dien éenen blos van verrukking, op het hooren van den naam der stad, is het al te bespeuren. Welk drama ligt er voor haar in gereedheid? Wolkjes komen op, aan den gezichteinder zijn zij al gerezen, om den helderen spiegel waarin zij straks tuurde, te overschaduwen. Zoo als duizenden voor haar, zoo als de menschheid met haar, zal zij het Eden dei-volstrekte onschuld verlaten en de wereld ingaan, om daar in de beschaving, in het kunstmatige, in eene versierde en mismaakte zedelijkheid te zwoegen, te worstelen, te lijden, te struikelen en voort te strompelen; misschien, zoo het haar gegeven zal zijn, zich op te richten.
De vrouw. â Zie, de jongen snuffelt al in uw tasch, en pas op, de geiten knabbelen aan de planten die er uit steken; wat doet gij daarmede?
Ik. â Wij willen alles kennen; ik zal ze onderzoeken, de wortels en de bladeren, de bloemen en het zaad, om te ontdekken hoe de plant leeft.
De dieren plukken en eten ze zonder nadenken, uit instinkt; doen zij niet beter?
WANDELINGEN DOOI! DE WERELD.
Wij zijn reeds te ver van de natuur verwijderd, om haar beeld geheel te ontsluieren. Zij genieten zonder te kennen, wij moeten kennen om bevredigd te kunnen zijn.
De vrouw. â Wat, jongen? Durft gij 't zelf mijnheer niet vragen? Hij wou zoo graag dat potlood hebben, om poppetjes te teekenen; nu trekt hij ze maar in 't zand.
Ik. â Wel zeker en ik zal hem wat papier daarbij geven; â en gij moogt dit beeldje van uw dochter behouden. Nu dank ik u, moeder, voor uw frisschen dronk, de lage zon waarschuwt mij terug te keeren. Vaartwel en leeft samen gelukkig!
Toen ik een eind verder eens omkeek, zag ik het meisje, de hand boven de oogen houdend, mij staan nastaren.
Mijn weg liep langs de kleine beek, die uit een welige ader der natuur opborrelend zich voortslingerde in den bodem, gereinigd over de kiezels in haar bedding. Lang vergezelde zij mij, maar eindelijk verliep zij in een grond met dichter groei van mossen, varens en struiken bewassen. Toen ik mij noch eens omkeerde, alvorens de hei te verlaten, zag ik in de verte de hut bijna niet meer. Het donker begon te vallen, de zon was al onder; de meerdere gloed van licht en de meerdere beweging van wind die haar ondergaan plegen te vergezellen, hadden voor de schemering en voor eene groote stilte plaats gemaakt; kalmte heerschte zoowel in het rijk des lichts als in dat des geluids.
De kleine woning zag ik niet meer, en zij werd mij als een ver, zeer ver verleden der menschheid.
Gelijk die vrouw, was eens de natuurtoestand des menschen, met een streven dat maar weinig verder ging dan dat van planten en dieren.
Kon de mensch zoo blijven?
Daar ontwikkelde zich met den grond dien ik betrad de geschiedenis der menschheid.
De kinderlijke volken zijn geheel in de natuur verzonken, éen er mede; zij denken haar niet tegenover zich als voorwerp van waarneming. Zoo leven zij naar hun instinkt, hun natuurdrift.
Maar dit zelfs is niet eens een volstrekte natuurtoestand meer; vrijheid van alle maatschappelijke banden is slechts denkbaar in het aanzijn van éenen mensch op aarde. Zoodra twee niet al te domme wezens te zamen moesten blijven leven, zal hun de noodzakelijkheid gebleken zijn dat ieders vrijheid beperkt werd door de eischen der vrijheid van den ander. Reeds in het bestaan van twee menschen op aarde dus is de
AVANDELINGKN DOOR DE WERELD.
wet gegeven van opoflering ter wille van elkander, van beperking van zelfzucht, en met deze conventie is de maatschappij al gegrond, en gerechtvaardigd tevens.
Daarna zich zeiven en de wereld buiten zich waarnemende, opgevoed in den strijd om zich te handhaven tegenover de andere wezens en de verschijnselen der aarde, verminderde de mensch voortdurend zijn instinktleven en nam zijn kennisleven toe. In de paradijsmythe is het volkomen juist dat de kennis den mensch uit dat Eden verdrijft. Maar onjuist is de voorstelling dat hij toen viel. Integendeel, deze verdrijving uit het instinkt, deze verlossing uit de dierlijke onbewustheid was een groot voorrecht. Menschelijke schuld is een hooger trap dan dierlijke onschuld; en oneindig hooger het onvolmaakte kennisleven, dan het volmaakte instinktbestaan. Eerst dan is het onderscheid van kwaad en goed begrijpelijk; eerst dan kan er spraak zijn van eenige vei dienste in het bestrijden van het eerste en het streven naar het tweede; eerst dan is een leven van den geest en de geboorte van idealen daarin mogelijk.
Maar dat ideaal kan nooit een terugkeer tot den natuurstaat zijn, en wie met Jean Jacques dat wenschte kunnen wij geen beter antwoord geven dan Voltaire hem schreef; â Après avoir lu votre discours, on prend envie de marcher a quatre pattes.
Vooruit dus, op twee beenen, en recht overeind.
Hier, op den ouden grond dien ik betreed, verlevendigt zich uit het dofte verleden
een latere faze der menschheid.
Op dezen driesprong, waar de heksen komen dansen en geen gras kan groeien, schieten als door betoovering de oude geslachten weer te voorschijn. Ruw is de mensch noch, maar er zijn al maatschappelijke vormen. Op zijn reis van de oorspronkelijke natuur naar de beschaving is hij noch aan de natuur verkleefd. Haar kracht is hem een duistere overmacht, haar wet willekeur, hij heeft haar noodig, liij vreest haar. Zoo maakt hij uit haar zijne goden. Merk intusschen op hoe hij aan den voornaamsten der goden geen domme kracht, maar verstandsattributen toekent. â de raven Hugin (gedachte) en Munin (herinnering) zitten op Wodans breede schouders, â en in die apotheose van het verstand ziet gij reeds den wegwijzer die altijd vooruit wenkt naar het land der kennis. Dien weg volgde de mensch en hoe verder hij kwam, des te verder raakte de natuur van hem af. Daarom verdween ook eindelijk voor hem die bovennatumlijke wereld die hij zich schiep, en zij keerde terug tot de natuur. Ik had, bij het heengaan, van de hut een fraai exemplaar van de donderbaard meêgenomen en zoo kwamen mijne gedachten op den schoonen Thunar, naar wien hij heet. Zoo keerden de natuurgoden terug tot hun oorsprong, dacht ik, en hun namen blijven zich slechts aan natuurver-
1:2(5
WANDELINGEN DOOK DE WERELD.
schijnselen hechten. Al wat eens in deze zelfde streken bovennatuurlijks leefde en heerschte, heeft voor zijne persoonlijkheid een fysiesch leven terug gekregen.
Do schoone jongeling Thunar, de machtigste met den grooten Wodan, de god der hemelverschijnselen, rijdt niet meer met zijn gespan van tandenknarsende bokken 'j, raatlend door de lucht. Hij leeft alleen in den donder; zijn machtige roede baard, waar de bliksem uit schoot als hij er in blies, is tot hot plantenrijk overgegaan, en de donder wiggen, die zijn krachtige vuist eens wist te slingeren, liggen rustig in de aarde te slapen, waaruit de landman ze soms opspit; en de vriend der oudheid bewaart ze. Bloemen en vruchten strooiend rijdt Hertha niet langer over de aarde. De kleine slimme Lichtalven en de booze, zwarte Nikkers nemen aan der menschen handelingen geen deel meer en voeren geen guitenstreken meer uit, maar in de lucht, in de planten, in de waterpoelen en de dwaallichten hebben zij zich terug getrokken. Vast blijven de vonken van Muspelheim nu aan het nachtlijk hemelgewelf staan. De machtige Wodan zetelt niet langer in Asgard, het lot besturend, de vader der poëzie en der wijsheid, hij die éen zijner oogen verpand had om uit Mimirs bron de voorzienigheid te drinken. Voor de laatste maal heeft hij met Freya over het slagveld gereden, om de gevallenen te deelen; blijvend staat zijn Wagen in het noordei- halfrond onder de starren te blinken; en ook Freya drijft haar met katten bespannen voertuig niet meer als liefdegodin door het luchtruim. De wateren en wouden hebben hun heilige huivering verloren; de roerende tragedie van den edelen, blonden Baldur, door den boozen, zwarten Loki gedood, en zijne Nana die uit weemoed sterft in zijn moeders schoot, heeft opgehouden te bestaan.
Dit alles is voorbij, als de menschenwereld die het schiep, en terug gekeerd tot de natuur waaruit het geboren was. Zoo ging het in verschillende tijden, in alle streken der aard. Wat niet tot de natuur terug keerde was de menschenwereld; zij ging voort, al weder iets anders opbouwend, altijd voort op den langen weg der beschaving, zich hoe langer hoe verder van hare moeder verwijderend, zich hoe langer hoe meer in samengestelder vormen der maatschappij inwerkend.
Met den grond waren mijne denkbeelden veranderd. Afwateringsbeken en greppels, die de slangsgewijs kronkelende beek vervangen, snijden nu in regelmatige lijnen den bodem; overal zijn gronden in bebouwing gebracht, hier met jong plantsoen, elders met boekweit of met tabak; geregeld staan de boomen, en hier en daar verheft zich een net,
') Dit is de beteekenis hunner namen Tanngnistr en Tangrisnir.
WAKDELINGEN DOOI! DE WERELD.
rechtlijnig huis; ten laatste snijdt een spoorbaan mijn weg, en een tal van ijzerdraden trilt en gonst in de lucht. Mijne gedachten zijn nu geen herfstdraden meer, maar voegen zich naar de ijzeren draden van den telegraaf.
Met een geweldigen gedachtensprong ben ik eeuwen vooruitgestoomd en ik voel mij op eens te midden der nieuwste beschaving, te midden dier wereld met haar duizenden kunstmatige vormen, behoeften en denkbeelden, waarin de mensch niet langer naar zijn instinkt, maar naar zijn verstand, â en vaak onverstandig genoeg, â leeft.
Het is hier de plaats om natuur en cultuur, om Eden en den boom der kennis te verzoenen, en het ons duidelijk te maken hoe wij weer tot natuur kunnen komen zonder op vier pooten te gaan loopen.
Wat er strijdigs is, valt gemakkelijk op te lossen. De menschheid heeft haar tijd noch niet volbracht, zij is in een toestand van wording en ontwikkeling. De gein eken die men in de maatschappij te berispen vindt, zijn dus geen einduitkomsten, maar de voorbijgaande gevolgen van de werking en gisting der bestanddeelen van het leven, en de weg dien wij gaan is duidelijk die van het onvolmaakte tot het meer volkomene. Dat die weg zoo kronkelt, moet ons het einddoel niet uit het oog doen verliezen. Wij moeten het dus niet tegen de beschaving hebben, maar tegen haar verbasterde kinderen; en als wij in de geheele maatschappij, waar zij in allerlei onnatuur en onwaarheid haar vooruitgang zoekt, het betere leven niet op eens kunnen herstellen, wie belet ons het in ons zeiven te doen?
De maatschappelijke wedergeboorte zal er eindelijk wel door gebaat worden, zoo wij maar aanvangen met onze eigene, en daartoe moeten wij allereerst beginnen met natuurlijk, eenvoudig en waar te worden. De weg om de natuur in ons te herstellen, om den strijd, die tusschen de cultuur en haar schijnt te bestaan, op te heffen, loopt niet achteruit, maar voorwaarts en hooger op. Geen terugkeer tot den oorspronkelijken natuurstaat. Het is een valsch begrip, dat natuurlijkheid slechts bij naiefheid te vinden is. Zij kan het gevolg zijn dier eigenaardige afwezigheid van gekunsteldheid, en dan is zi naief, maar zij kan het ook zijn van zelfkennis en zelfverbetering, van bewusten en overdachten terugkeer tot waarheid, en dan staat zij veel hooger. Het is even valsch dat wij om natuurlijk te zijn, tot den oudsten toestand der menschen moeten terug-keeren, en, uit dit oogpunt beschouwd, wordt de strijd tusschen cultuur en natuur steeds geringer. Want natuur is niet enkel die eerste toestand, maar ook de volkomene evenredigheid des menschen in zijne geheele ontwikkeling. Er is dus in den aard geen noodwendige strijd tusschen natuur en beschaving, en als de laatste zich in hare vele
WANDELIXGEX DOOR DK WERELD.
vormen en ontwikkelingen voor een tijd van de eerste verwijdert, zullen beide toch hereenigd kunnen worden. Zoo als alles in de stof naar harmonie streeft, zoo zal ook dit streven zich bij het verstandelijk en zedelijk zijn openbaren. Eenheid is de grondtoon van de stoffelijk genoemde schepping, eenheid zal het ook blijken voor de niet stoffelijke. Het probleem om natuurlijk te worden, om de natuur en de beschaving in E ink lang te brengen, is dus te zoeken in het afschudden van het juk eener valsche beschaving, in eene evenredige ontwikkeling van alle vermogens, is te zoeken in den omgang met de landschappelijke natuur om ons heen, eene onuitputtelijke bron van waarheid en schoonheid, waarin wij ons nimmer met vertrouwen zullen dompelen, zonder schooner en warer te verrijzen.
Weldra hoorde ik het getjingel van torenklokken en zag de hooge spitsen dei-oude torens in de lucht steken. Onder de met starren bezaaide lucht ligt de stad uitgestrekt, eene zwarte massa, wier onregelmatige silhouet zich tegen de lucht afteekent. Als een evenbeeld van het natuurlijke, blinkt uit de donkere massa der huizen een ander starrenheer in de lichten der vensters, die ook als starren schijnen. Dat zijn de starren der beschaafde, der maatschappelijke wereld, ook al dikwijls werelden op zich zelve, evenals wellicht die verre lichten van het hemelgewelf. Menigeen van die stads-starren is een haard waar het vuur des geestes flikkert en gevoed wordt, een lichttoren, waar de een of andere geest fantaseerend en dichtend schittert in het rijk van het schoone, of peinzend en zoekend arbeidt op het gebied van het ware; menig ander is een altaar van huiselijke trouw en liefde, van werkzaamheid en zelfopoffering, en al zijn er vlammende lichten bij, die het middenpunt zijn van onbeduidende feestelijkheid of van boosheid, dat hindert niet het geheel aan te nemen als een heerlijk, weldadig starrenheer, waaruit symfoniesch de hymne rijst van een groot menschengezin dat arbeidt in het leven, van een leven dat rijker, dieper en veelzijdiger is, naarmate het verder is voortgegaan, en dat eerst zijne hooge beteekenis heeft gekregen sinds het uit zijn natuurstaat tot den toestand der beschaving is gekomen. Want eerst in de beschaafde maatschappij kan het leven worden wat het wezen moet, kunnen onze zedelijkheid en onze geest door de aanraking met anderen vooruitgaan. Zedelijkheid, wetenschap, kunst, de drie hoogste punten van menschelijke ontwikkeling, zijn alleen onder beschaving en in eene maatschappij mogelijk.
In die stemming vallen als door een zuiverende zeef de schillen en bolsters van het bizondere, toevallige en wisselende weg, en blijven slechts de kernen over van het eenig ware.
liquot;.)
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
Al worden dus in vele opzichten natuur en waarheid door eene verkeerde richting van beschaving verdrongen, dat zijn tijdelijke afwijkingen, om welke men de beschaving-niet zal kunnen veroordeelen. Haar wezen blijft er even edel door. Alleen, zoo lang wij onder die tijdelijke afwijkingen leven, zal men niet ophouden somtijds de behoefte te gevoelen om zich daaraan voor een wijl te onttrekken en nieuwe lucht in te ademen. Wanneer in een vertrek vol menschen de lucht bedorven wordt, verwenschen wij daarom de lucht zelve niet, maar zetten een raam open. Zoo is het ook in het geestelijke. Ook daar moet somtijds een raam open ter verversching. Die dringende behoefte naar zuiveren dampkring, naar de vrijheid der bosschen, den geur der velden, naar natuur en natuurlijkheid, is het bewijs van wat der maatschappij ontbreekt. Het is een instinkt-matige prikkel die ons vermaant de lucht te ververschen en een gebroken evenwicht te herstellen. Wij moeten ook hierin van het instinkt tot de bewustheid opklimmen, dat wij ons maatschappelijk leven en onzen geest van tijd tot tijd met opzet opfrisschen in de natuur, dat de kuituur en de natuur in ons tot harmonie komen.
Als men dat ondervindt, houdt de trek naar de natuur op een verzet tegen de beschaving, en de beschaving een strijd tegen eenvoud en natuurlijkheid te schijnen. Het bewustzijn wordt geboren dat zij in ons verzoend te zamen kunnen zijn, en de morgengloor van een nieuw leven heeft aangebroken. Eenheid te brengen in de verscheidenheid, harmonie in het uiteenloopende en een evenwicht te scheppen van alle bizondere deelen, ziedaar een der grootste vraagstukken in de levenskunst.
In de rust van dit evenwicht sluit ik mijn brief. Ik behoud mijne maatschappij en haar beschaving, â maar ik behoud ook mijne natuurwandelingen.
Wees hartelijk gegroet van
t. t.
c. v.
130
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
I I
J-J_et was in oude, oude tijden.
Daar woonden in een heerlijk oord der wereld twee koningen, tusschen wier geslachten de aarde sinds onheugelijke tijden was verdeeld geweest. In het rijk van Verstand heerschte de oude koning Intellectus, en in het land van Gevoel de oude koning Sensorius, en zij waren koningen der Al ven, die toen de aarde bewoonden, en tusschen hen en hunne volken was een eindelooze vijandschap, die al sinds eeuwen van geslacht tot geslacht was overgeleverd.
Het paleis van koning Intellectus was in de rots uitgehouwen en het huisraad was van metaal en marmer, want de onderdanen van dezen koning waren kundig in alle nuttige werken van steenhouwen en metaalbewerking; zij wisten de groeven en mijnen op te sporen en kenden de toepassing van allerlei krachten der werktuigkunde. Ernstig, maar niet helder en opgewekt van gemoed, waren zij altijd aan het werk. Geen vreugde bood ontspanning, geen poëzie bezielde, geen schoonheid adelde het leven, en hoe verstandig de wijze koning regeerde en de welvaart toenam, er was in den toestand van het volk altijd iets dat onaangevuld was, en iets dat zekere kilheid, zekere stroefheid bezat.
Koning Intellectus en zijne gemalin Nutte hadden maar één kind, een zoon, den krachtigen jongeling Logikos, den roem en de hoop des lands.
In het andere gedeelte der aarde was het rijk van Gevoel. Het was geen wonder dat tusschen de beide landen een onophoudelijke strijd was, want niet alleen waren de beide koningen zeer heerschzuchtig en streefden zij naar de wereldheerschappij, maar het geheele land van Gevoel was in alles de volkomen tegenstelling van het andere
VAN TWKK KOMNUïsKINDEKEN.
land. Het was of daar nooit iemand dacht aan het nut, maar alleen aan het aangename en bekoorlijke. Een warme luchtstreek, de grootste weelderigheid van bloemen en vruchten, deden daar het leven als in een zoeten droom, vol weekheid en ledigheid, voortgaan, maar wekten ook teederheid en gevoelvolle schoonheid. Bij wijlen zwak en onstandvastig, bij wijlen hartstochtelijk en opgewonden, altijd meedrijvende op de eb en vloed der wisselende gewaarwordingen, zoo was het volk. Het was allerbeminnelijkst onpraktiesch. Wanneer het niet door hevige aandoeningen was gedreven, leefde het zoet droomend voort, genoeg hebbend aan zonneschijn, aan bloemengeur en aan zinnelijk kunstgenot. Genoeg? Niet altijd. Daar waren tijden van krijg, van natuurrampen of van verwoesting door den oorlog, en dan was er gebrek en ellende, door geen wijs overleg voorkomen of gelenigd. In dit prachtig schoone, dikwijls zacht en dikwijls fel bewogen land, woonde koning Sensorius met zijne koningin Parel in een heerlijk paleis. Goud en edele steenen vormden de wanden en zuilen, en een dak van ineengevlochten pauwvederen overhuifde het; bloemen wonden zich overal in weelderige spiralen om de zuilen en lijsten, en spreidden haar pracht van kleuren en geuren alom uit; slechts door haar veelvervige bladeren heen scheen het licht, en welriekende kruiden doorwasemden de lucht.
Mimosa, de tooverachtig schoone Mimosa, was de dochter van Parel en Sensorius, zij op wie de sagen des lands duidden, het bevallig kind van schoonheid en gevoel.
Jacht en lichaamsoefeningen waren de eenige uitspanning in het land van koning Intellectus, en de koningszoon werd daarin door geen enkele overtroffen. Hij was eens ter jacht, en niemand was er zoo snel, kloek en onvermoeibaar. De zijnen ver vooruitgesneld, zat hij een rooden vos na, die hem den ganschen dag ontloopen was; aamechtig waren allen neergezonken; zijn laatste gezel zeeg in het gras, maar noch altijd pijlsnel vloog Logikos over struiken en hoogten, tegen de heuvels op, de hellingen af, ha! over dien greppel heen, voort, voort, hij is hem nabij, maar telkens als hij de hoogte oprent en hem bijna bereikt, duikt de vos weer, met den breeden staart omhoog, de andere zijde af. Voort weer, voort----
De zon was ondergegaan, en des konings zoon zeeg op den grond neder en de slaap kuste zijne oogleden dicht. Niet ver van hem af viel de vos in de varenstruiken op den grond. Nauwelijks scheen de zon weer, of Logikos rees op; als het lichte stof had hij zijne vermoeidheid afgeschud en frisch ademde hij in den frisschen morgenstond.
Daar trof de vos weer zijn oog, dezelfde die hem zoo gekweld had en hem zelfs in den droom over veld en moeras had medegesleept. Hij spande den ijzeren boog, die
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
klonk bij het krommen; de pees trilde in de vingers, en de fijn gevederde pijl stoof sissend vooruit. Vergeefs; opgesprongen met een vervaarlijke veerkracht, rende de vos vooruit, tegelijk toen de pijl de pees verliet, en de schicht trof de platgelegen bladeren van zijn verlaten leger. Met schaamte en spijt sprong de kloeke jongeling hem na. Te huis te komen en te zeggen dat de beste schutter gemist had! Te huis te komen en te bekennen dat de vlugste Alvenvoet zijn veerkracht had verloren?
Vooruit! vooruit! met wilde haren, mond en neusgaten wijd geopend om lucht te ademen voor de verhitte longen, met bonzend bloed in de aderen.
Vooruit! vooruit! weer over struiken en heggen heen, over greppels en boomstronken; hier hem met juiste berekening den pas afgesneden; daar klinkt weer de gekromde boog, en trilt de pees en gonst bij het loslaten; weer te vergeefs; de wol stuift van de rosse vacht, maar met een helsche snelheid vliegt de vos door, het bosch in, en de kloeke jongeling moet met woede en spijt zijn buit opgeven, die nu te veel op hem gewonnen heeft, om ingehaald te kunnen worden.
133
Mistroostig en vertoornd liep Logikos, bij het vallen van den avond, voort, als zonder doel. In een dicht bosch kwam hij, waarin hij eene opene plek vond, waar de lucht weer zichtbaar werd. Een breede beek vloeide daar doorheen tusschen groen bemoste en als geëmailleerde rotsblokken, tot wat verder de oevers lager werden en de kanten rond afliepen naar den zoom van het water. De duisternis verspreidde alom haar donkeren nevel, de kruinen der boomen wiegelden niet langer heen en weder, maar staken scherp af tegen de groenachtig getinte avondlucht en zij sliepen stil. Tusschen het dichte loof legde de vogel het hoofd onder de vlerken; de uil vloog uit, maar schrikte van de opkomende sterren en vloog weer terug. De nacht heerschte over alles.
Do schitterende zon was al uit de kleurenpracht van hot oosten uitgebroken, toen het bosch noch stille schaduwen bewaarde in zijn binnenste. De schoone koningsdochter Mimosa had met hare blanke speelgenooten den morgenstond gevierd met luchtige dansen en welluidende melodieën. Mijmerend was ze dezen ochtend, do teedere Alve, en in zoete gedachtenwisseling mot zich zelve, en hare gezellinnen verlatend, zocht zij de eenzaamheid. Langs een ruizelend stroomtje ging haar vederlichte voet, en bloemen zamelend in haren sluier volgde zij zijne bochten tot in hot bosch. In het midden van het dichte woud â zoo ver was zij noch nooit geweest â was eene opene plaats: pas was de zon hier doorgedrongen en verkwikte het groen en de bloemen die hare kelken
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
openden, het licht te gemoet; de vogelen groeven zich kleine holen in het warme zand en koesterden en wreven zich daarin met uitgespreide vederen en klappende vlerken.
Toen Logikos zich ontwond aan de omarming van den slaap en voor dien schoonen morgen de oogen opende, zag hij een schouwspel dat hem noch nooit gegeven was te genieten, zelfs in zijne stoutste droomen niet.
De heldere zon deed het riviertje sprankelen van licht en de veelkleurige kiezels schitteren op haar ondiepen bodem. Over het water, te midden der heerlijke waterleliën, zag hij de schoonste Alve die hij ooit had aanschouwd, zich wiegelen op de als goud schijnende herfstdraden en zich spiegelen in het heldere nat dat zich onder haar zachtkens rimpelde. Zoo blank, zoo schitterend, zoo edel, zoo verlokkend en betooverend had zijn land nooit iets opgeleverd. Was er een booze tooverelf in het spel, die hem een zinsbedrog voorspiegelde? Of zou het werkelijkheid mogen zijn? Mocht hij noch twijfelen, dan zouden hem nu de liefste tonen overtuigen, op wier maatgeluid zij zich wiegde.
Zoo sprong hij van zijn bemost rustbed op, om aan den oever de schoone Alven-maagd te begroeten.
â Welkom, zei hij tot haar, laat mij bij u nederzitten, en luisteren naar uw gezang.
â Wie zijt gij, die mij hier komt overvallen? Ik zing niet voor wien ik niet ken.
â O zing toch! van duizenden die ge kent, kan niet éen u bewonderen als ik; â zing, noch nooit hoorde ik in ons land zulke klanken.
Zachtkens begon zij toen weer half verlegen, half uittartend, te zingen:
Alles teeder in den morgen.
't Vooglenkoor de schauw ontvluchtend Koestert zich in 't jonge licht;
D'aarde geurt als waar z' éen gaarde,
Zoete lucht suist overal.
Teeder klinken noch van binnen Alle stemmen van 't gemoed,
Dat, van zacht gevoel doortinteld,
Eozengcurig, rozenkleurig,
Zwelt van geestdrifts zonnegloed.
Zon van buiten, zon van binnen,
Schoonheid heerscht er overal.
â Goddelijke stem, zei de zoon van Intellectus peinzend, wat wonderlijks voel ik in mij woelen? Het is of een openbaring in mijn binnenste geschiedt, duister, niet half begrepen; en mijn geest zoekt tastend hare symbolen te verklaren; mijne spieren
VAX TWEE KONINGSKINDEREN.
ontspannen zich en mijn ijzeren wil wordt zacht; nooit heb ik schoonheid gezien in de natuur, en het is alsof zij nu eerst voor mij geschapen wordt in al haar pracht; wie wist het wat kunstige tooverij daar ligt in de melodische buigingen en trillingen der stem! Alles noopt mij tot vreugde en weelde â en een traan welt bijna op in mijn oog!
â Kent gij de verheffing van het kunstgevoel niet? Van waar komt gij, gij die verwonderd schijnt bij den naam der kunst?
â Ook wij hebben kunsten, maar hare voortbrengselen zijn geheel anders; wij bewerken het ijzer en koper____tot nuttige zaken.
â O, dat is de kunst niet! riep Mimosa, [de kunst die ijzer smeedt! Is dan de kunst niet alleen tot verrukking?
Mijn verstand kan dit niet beseffen; kom gij schoone, en leer mij zien in dat andere tooverland, dat zich noch slechts als een duistere nevel aan mij voordoet.
Allengs was zij op den oever gekomen. Weldra â de weg is zoo kort als twee harten open gaan â zaten zij naast elkander en waren in lief gekoos verzonken.
â Wie zijt gij toch? zei ten laatste Mimosa.
â Ik ben â de oudste jager uit het land; ik woon in het rijk van Verstand; en gij?
Ik woon in het land van Gevoel. Helaas! zei ze blozend en de oogen neerslaande, â dan zijn wij vijanden!
â Dat zou wel zoo behooren, maar daar heb ik geen moed toe; laat ik u mede-nemen naar mijn land, mijne ouders zijn machtig, en als zij niet weten van waar gij komt____
â Ach! ach! dat kan niet, ik kan niet weg, mijne ouders zouden zich dood treuren.
Logikos vleide en smeekte; Mimosa schudde twijfelend het hoofd en haar boezem zwoegde onder den strijd.
â Ach! geliefde! zeide zij, hoe zullen wij doen, om elkander niet te verliezen?
â Hier moeten wij te zamen komen om elkander te zien; wekelijks zal ik hier komen, alsof ik ter jacht ging____
â Wekelijks! en moet ik clan de andere dagen niet leven!
135
VAN TWEE KONING.SKIXDEREN.
Aan de schoonste dingen komt een einde, en zoo ook, want de onbevangen uitstorting der onberedeneerde liefde behoort tot de schoonste dingen, aan deze minne-kozerij. Scheiden moesten zij, maar scheiden om het zoete wederzien te kunnen genieten.
Eenmaal 's weeks, dacht Logikos, toen hij te huis kwam, - het is misschien beter zoo; een geheime vrees bevangt mij wel eens, dat ik in hare netten zou ge\angon zijn, dat zij eene booze Nixe zou kunnen wezen; maar betooverend schoon is zij en ik tart de geheele wereld van Verstand en Gevoel!
Eenmaal 's weeks was het voor de gelieven feest in het bosch, en teerder en teerder sloten zich hunne zielen aan elkander. Eens had Mimosa spelend de boogpees van den jager tot snaren, den boog tot een cyther gevormd, waarmede zij hare stem begeleidde. Sinds dien tijd moest zij dit telkens voor haren geliefde doen. Toen zij dit weder gedaan had, zagen zij beiden een zwarten raaf hen beluisteren en hen vijandig met zijn rond oog beloeren; Logikos greep naar zijn boog, maar helaas! het was een nutteloos speeltuig. Krassend en krijschend vloog de raaf driemaal in een kring boven hun hoofd en streek toen pijlsnel naar het land van Gevoel.
De oorlog was weer op zijn hevigst. Het Gevoelsvolk had allerlei gewelddadige invallen gedaan, vergezeld van wat er verwoestends, vreeselijks en hartstochtelijks gelegen is in dergelijke tochten. Wraak, bandeloosheid, roof en moord waren als losgebroken.
Den grooten koning Intellectus groefden het peinzen en de inspanning rimpels in het hoofd, en de rustelooze zorg weefde witte haren om zijn slapen. Hij was er op bedacht een beslissenden krijg te voeren, opdat voor goed eens een einde mocht komen aan zulke geweldenarijen: en het gold niets minder dan alle krachten in te spannen om het Gevoelsvolk te eene male uit te roeien. In kleine onverwachte overvallen w7aren dezen meestal overwinnaars, want listiger waren zij, en als zij eens losbraken, woester en ontem-barer. Maar in het open veld waren zij tegen de Verstandenaars niet opgewassen, wier taktiek, wier krijgskunde, wier werktuigen en wapenen oneindig veel beter waren, die koeler en beradener waren in hun krijgsbeleid. Het stond dus geschapen, dat, als het tot een treffen kwam, het met de Gevoelers slecht zou afloopen en hun koning er zijn kroon en leven bij zou inschieten, ja dat van dat eenmaal zoo glansvolle rijk weldra geen spoor meer zou overblijven, dan in de mythen van het nageslacht.
De groote koning Intellectus zat in zijn paleis al de kansen en gevallen van den
VAX TWEE KONINGSKINDEREX.
oorlog te berekenen, zijn machtig verstand doorzag alle toestanden en mogelijkheden, en met wijsheid werd zijn oorlogsplan vastgesteld. De grootste wijze van het land, dien de koning zelf zich verwaardigde te raadplegen, de diepdenkende Logarithmos, kwam den vorst in zijn kabinet opzoeken.
â Vergeef mij, machtig hoofd, sprak hij, dat ik het waag u te storen____
â Wat begeert gij?
â U eenige oogenblikken te onderhouden over don oorlog.
â Gij hebt toch geen bezwaren? vroeg de koning met gefronsde wenkbrauw.
â De inspanning die ons wacht is groot, zeide Logarithmos.
â Gij vreest toch niet? Denkt gij dat onze met staal gepantserde mannen niet bestand zijn tegen de weeke, krachtelooze vijanden?
â Dat is zoo, vorst, en toch â gij herinnert u de vreeselijke nederlaag van ons heer, toen de vijand eens met zijne ontzettend verleidelijke zangen de onzen____
â Zwijg, riep de koning snel en heftig, roep mij dat oogenblik niet voor den geest. Maar juist daartegen heb ik al gezorgd; een oorverdoovend geraas zal onze aanvallen vergezellen, en zoo zullen de onzen van de tooverzangen niets kunnen hooren.
â Uw beleid zorgt voor alles. Toch heb ik noch iets, het Beeld____
â Het Beeld, zei de koning, somber voor zich uit starend; dat noodlot dat op ons rust, dat ons loodzwaar drukt!
â Dagen en nachten heb ik gezonnen op plannen, totdat ik nu eenige gelukkige berekeningen heb gemaakt, een waagstuk wellicht, maar waarvan de uitslag schitterend kan zijn....
En terwijl hij zich voorover boog en aan 'skonings oor fluisterde, waarbij diens gelaat allengs meer ophelderde, zeide hij.....
Treurig was de schoone Mimosa. Eenmaal 's weeks! ach hoe weinig!
De overige dagen schenen haar eeuwen. Droeve tonen klonken van haar cither; droeve tonen in haar stem, en eenzaam, zonder haar gespelen, voer zij vaak rond op de wateren, aan de wateren, aan de lucht, aan de boomen, aan de vogels haar harteleed klagend.
In het land waren hevige aandoeningen gaande. Alles was in rep en roer, alles liep te wapen. De koning werd door de sterkste gemoedsbewegingen heen en weder geslingerd, en de koningin zat in haar ivoren zetel te weenon. Offers rookten het geheele land door, de waarzeggende vrouwen werden geraadpleegd, maar verderfelijk woedde
IS
137
VAX TWEE KONINGSKINDKREN.
noch de krijg en telkens werden nieuwe benden naar de grenzen gezonden om de verliezen te herstellen.
De hoogepriester Aldebaran zat alle nachten in het boek der sterren te lezen en het lot te bespieden. Eens toen hij op het plat van zijn toren gezeten was, vloog hem plotseling een zwarte raaf op den schouder en fluisterde hem iets in het oor dat hem blij deed opspringen en zich spoeden naar het hof. Daar vond hij den koning en de koningin te zamen in smartelijk gepeins verzonken.
â Welkom, zeiden zij, op u hopen wij noch, wat tijding brengt gij ons? Gij moet ons redden.
â En ik zal u redden.
Toen herhaalde hij wat de raaf hem gezegd had: dat wekelijks in een bosch Mimosa te zamen kwam met een zoon des vijands, en wel met 's konings Tntellectus' zoon; dat deze daar gemakkelijk te vangen was, en hoe men hem dan slechts tegen beding van gunstige voorwaarden zou kunnen loslaten.
â Alles wel, zeide de koning, na de eerste verbazing, waarbij de onaangename ontdekking van Mimosa's liefde eenigszins door het heerlijke vooruitzicht werd goed gemaakt, maar gij weet wel dat geen vrede kan duren zonder het hoofd en de armen en beenen van het Beeld.....
Hier is het noodig eerst de geschiedenis te verhalen van het geheimzinnige beeld.
Een tal van eeuwen geleden, zoo luidde de oude in runenschrift bewaarde sage, had midden op de aarde een schoon beeld gestaan, van blinkend graniet, en zonder dat beeld kon de aarde niet blijven voortduren. Maar nu was het eens gebeurd dat dit schoone beeld door de tweespalt der aardbewoners gebroken werd, en dat op de eene helft der aarde de romp, op de andere helft de armen en de beenen met het hoofd gevonden werden. Sinds dien tijd hadden oorlog en .vijandschap de wereld verdeeld en gescheiden, en eerst dan zou er duurzaam vrede zijn als het beeld weer hersteld was. Vruchteloos trachtte men nu van beide zijden het gebrokene kunstwerk te herstellen en het ontbrekende zelf aan te vullen, maar nooit had dit kunnen gelukken. Even vruchteloos bleef het streven der partijen om de ontbrekende deelen van elkander machtig te worden. Want het werd zeer geheim gehouden waar die stukken zich bevonden, en er waren middelen van bewaring en verzekering die men van elkander niet kende.
Daarom waren nu beide koningen er op bedacht door het bemachtigen van elkanders stukken van het beeld, hunne zaak te doen zegevieren.
138
VAN TWEK KONINGSKIKDEREN.
Juist, zeide Aldebaran, nu moet gij toch weten dat Mimosa een cither gemaakt heeft van den boog des jongen helds, den boog, die, - ik weet dit door de diepste geheimenissen mijner kunst - de verovering van het Beeld onmogelijk maakt. Wij zullen Logikos oplichten en zijn boog bemachtigen. Slechts in het bezit van dezen kan het ons gelukken de spelonk te openen, waar de beenen en armen met het hoofd van het beeld bewaard worden. Verder weet ik u mede te deelen dat de weg daarheen over een glazen brug voert, zoo fijn dat slechts de allerlichtste Alvenvoet die kan begaan, en dat alleen de allerschoonste stem de tooverspreuken kan zingen die daarbij vereischt worden. Nu heeft een orakel geboden de stukken van bet beeld daar te gaan wegnemen en â daartoe aangewezen haar, die den lichtsten tred heeft en de schoonste stem____
Zoo besloot de geleerde Aldebaran, langzaam en plechtig de laatste woorden uitend.
- Mimosa! jammerde de koningin, helaas, helaas! mijn kind aan die gevaren blootgesteld: o wreedheid van het lot!
â Nooit, zeide koning Sensorius, geef ik mijn kind daartoe over.
â Koning en koningin, antwoordde Aldebaran ernstig, kan ik alle gevaar niet bezweeren? Kan ik haar niet door het sap van bilsenkruid onzichtbaar maken? Is niet haar voetstap als do lichtste veder en beroemd in de sage des lands, en bepaald door het orakel aangewezen? Is niet haar stem de schoonste en waaraan noch nooit de tooverkracht ontbroken heeft?
â Helaas, helaas! jammerde de koningin Parel, en de koning keek droevig voor zich.
Met al de macht die ik over de verschillende elementen bezit, zal ik haar beschermen , de geheime runen zal ik haar leeren om ze uit te spreken op het beslissende oogenblik. Er is geen twijfel aan, of welgeslaagd komt zij terug; dan is het land gered en de strijd is geëindigd voor altoos, en over de geheele aarde heerschen in vrede en rust de gelukkige Sensorius en Parel.
Zij zwichtten voor het lot en de godspraak, en het fijn gesmeedde plan werd ten uitvoer gelegd. Toen de dag, waarop de gelieven gewoon waren samen te komen, aanbrak, was Mimosa niet in het bosch, want de wijze Aldebaran had haar juist op dien dag den tocht doen ondernemen. Logikos vond haar dan ook niet onder het loof der fijn gebloemde heesters, waar zij gewoon waren elkander te wachten, maar den onheilspeilenden raaf met zijn schuin loerend oog zag hij weer in kringen om zijn hoofd vliegen, en zich zeiven op het eigen oogenblik besprongen en gevangen. Met de grootste snelheid werd hij in verzekerde bewaring gesteld, en later zou men een gezant naar koning
VAK TWEE KONINGSKINDEREN.
Intellectus afvaardigen, om de gevangenneming van zijn zoon te melden en te onderhandelen over de voorwaarden van zijne vrijlating.
Mimosa van dit alles onkundig, was intusschen naar de spelonk op weg. Zij had al een geruimen tijd gereisd, eer zij kwam op de aangewezen plaats. Daar vond zij dat alle aanduidingen met de plaats overeenkwamen. Aan een breed water kwam zij, dat zij gemakkelijk overvoer met een ruime schelp, en aan de overzijde zag zij een glazen brug, die naar de grot voerde, zoo dun en fijn dat het schier onmogelijk was dat zij iemand kon dragen.
Maar licht als het blanke zwanendons, dat wij op het water zien drijven, was haar
tred, en zij was de brug bijna geheel overgegaan, toen.............
wat anders kondt gij van eene verliefde verwachten ? Zij dacht aan Logikos, den fieren jongeling, aan het bosch, en hunne gelukkige bijeenkomsten, â maar de tooverspreuken van den wijzen Aldebaran had zij vergeten, en met een ontzettenden knal brak de brug onder hare voeten weg.
Toen zij weder bij hare zinnen kwam, vond zij zich geboeid en gevangen op een vreemde plaats. Daar barstte zij in droevig geween uit.
Logikos, dacht zij, u zie ik niet weder! En mijn vader en moeder, wat zal er van hen worden als zij mijn lot vernemen! En nu is alles bedorven en van die rampen ben ik de oorzaak. Ach droevige liefde, waarom moest gij mijn hart zoo geheel innemen, en ik door u de machtige woorden vergeten, die mij onkwetsbaar zouden maken, en die mij zeker hadden doen slagen. Nu heb ik van mijn lief mijn leed gemaakt!
Drie, vier dagen zat zij in de gevangenis, totdat zij voor den koning en zijn raad werd gebracht.
Wat was het haar vreemd en anders dan zij gewoon was! Hoe koud was het hier, en hoe onbevallig!
Nergens schoonheid; was dit een paleis?! Zoo dacht zij met de grootste verbazing. Nergens bloemen, nergens de flonkerende steenen, de fijne weefsels, de welriekende fonteinen, de zachte melodieën, die zij van een paleis onafscheidbaar achtte en die zij bij hare ouders gewoon was. Koud en hard schenen haar de koning en de raden, zoo als zij daar gezeten waren op hun granieten zetels.
Van schrik kon zij bijna niet antwoorden. Maar zij schenen ook reeds alles te weten, en zij had slechts toe te stemmen en te bekennen: alleen, toen haar naam
uo
VAX ÃWEK KOXIXG.s KIN DEKEN.
gevraagd werd, waren allen hevig verbaasd toen zij zeide Mimosa, de dochter van koning Sensorius en koningin Parel te zijn.
â De dochter van onzen aartsvijand, die ons in ons land, onzen schat, ons heiligdom wil rooven! sprak de koning somber; welke andere straf kan daarop volgen dan de dood?
Twijfel scheen daarover niet te bestaan. De als steen onwrikbare en ongevoelige rechters stemden het allen toe, zoowel om de zwaarte der misdaad, die, ware zij gelukt, ontwijfelbaar het geheele rijk had te gronde gericht, als om politieke redenen, daar het geslacht der Sensorii dan zonder eenigen nakomeling zon uitsterven, want de koning en de koningin waren al zeer oud, en alzoo geheel te gronde zou gaan.
Onder die beraadslagingen werd in het midden van den raad op eens een gezant gebracht van koning Sensorius, die, zoodra hij Mimosa zag, in tranen uitbarstte en op den grond vallende hare voeten kuste.
â Zoo hebben dan de hemelteekenen ons niet bedrogen, riep hij jammerend uit; de zon is verduisterd geweest, licht en leven dreigden ons te begeven, de vogelen zwegen, de bloemen sloten hare kelken; want onze Mimosa was weg en alles had zijn glans van schoonheid verloren. â Toen, o wijze en groote koning! vervolgde hij nu tot dezen, toen voelden wij, dat aan de dochter der schoonheid en der teederheid een ramp was overkomen op hare onderneming. Zij keerde ook niet terug, en nu kom ik u om haar bidden, dat zij tot ons terug moge keeren en wij zullen u den vrede laten.
â Den vrede zullen wij nemen als wij dien willen, zeide Intellectus stroef en hooghartig; uwe koningsdochter heeft ons land op den rand des ondergangs gebracht en zij is des doods schuldig.
â Ben ik als gezant hier veilig? vroeg deze.
â Dat zijt gij, op onze eer, en bij de machtige Azen zij het u gezworen.
â Welnu, vervolgde de gezant, weet dan dat uw zoon, o wijze koning! door ons gevangen is, en dat een gelijk lot hem zal wedervaren als onze dochter van u zal ondervinden.
â Hoe! riep de koning, en allen ontstelden ten hevigste, hoe is het mogelijk, dat de dappere Logikos gevangen is!
Nauwelijks had Mimosa dit woord gehoord, of zij viel in onmacht en zij werd weggebracht in een der vertrekken van de koningin.
De koning en zijn raad hadden al verscheidene dagen lang beraadslaagd; want het was een moeielijk en onvoorzien geval. Zeker was het gemakkelijk een gelijken ruil voor te stellen van Mimosa en Logikos, maar dan was men even ver als vroeger en
UI
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
er was niets gewonnen. Men wilde dus trachten noch eenig voordeel bovendien te bedingen. Gezanten waren intusschen naar het hof van Sensorius gezonden, om over de uitlevering van Logikos te onderhandelen,
Intellectus zat noch altijd te peinzen over de voordeehgste wijze, waarop hij zich uit dien zonderlingen loop van zaken zou redden.
Te midden dier overdenkingen kwam hem de koningin Nutte bezoeken.
â Verstandige koning, zeide zij, ik wenschte u te spreken over allervreemdste zaken. Gij weet, dat de schoone Mimosa, â want wij moeten toch erkennen dat zij schoon is, wat een dwaas en verstandeloos schepsel ze ook zij â bij mij werd gebracht, toen zij in zwijm was gevallen. Toen ik haar met eenige waterdroppels had hersteld, begon zij te weenen en viel mij om den hals: â Ach! zei ze, gij zijt ook moeder; bedenk wat mijne moeder lijden moet, nu zij het gevaar kent, waarin ik ben! â Maar wat ik verder van haar vernam, gij zoudt het u niet kunnen verbeelden, is niets meer of minder dan dat zij verliefd is op Logikos, en â vertoorn u niet, wijze koning ~ hij op haar. â Door het jachtbedrijf medegesleept was hij ver, zeer ver verdwaald in een bosch, en daar had hij haar ontmoet; wekelijks kwamen zij daar bij elkander, en het is daar dat hij gevangen werd genomen.
â Ziet gij den toeleg niet? riep Intellectus met nadruk: zij heeft hem verraden____
â Onmogelijk, antwoordde de vorstin, want zij wist niet wie hij was, en het was niet minder door deze ontdekking dan door het hooren van zijne gevangenneming, dat zij in zwijm viel.
â Ziedaar dan, sprak de koning met bitter verwijt tot den diepdenkenden Loga-rithmos, die naast zijn zetel stond, ziedaar de vrucht uwer opvoeding! Aan u was die toevertrouwd; wijsheid en beradenheid hadden hem van u moeten toevloeien, en de hartstochten hadt gij in hem moeten dooden; en wat hebt gij gedaan?
â De jacht is de leerschool voor den krijg, merkte de verootmoedigde wijze schoorvoetend aan.
â Mits zij met een scherp oog en een vaste hand gedreven worde, en met koel zelfbedwang; daarin ligt de eerste reden van zijn ongeluk. En die liefde, vervolgde de koning verachtelijk, waarom hebt gij dien hartstocht in hem laten bestaan?
â Ik wist waarlijk niet dat die in hem bestond, zei de verlegen wijze.
â Vertrek! gebood de koning, en laat mij met de koningin alleen.
VAN TWEE KOXINOSKINDEREN.
â Onmogelijk, riep de koning, onmogelijk! een zoon van het oude en wijze geslacht des Verstands.... hoe zou die in een zoo groote dwaasheid vervallen kunnen!
â Dat is ook mij onbekend, wijze vorst, of liever, het was mij een raadsel____
maar nu begin ik iets van eene oplossing daarvan als in de verte te vermoeden.
â Wel! gij prikkelt mijn weetlust!
â Gij kent mij genoeg, niet waar, en gij weet dat geen zwakheden of aandoeningen mij licht zouden bedwelmen....
â De bezadigdheid van koningin Nutte is wereldberoemd.
â Toch was ik al dadelijk getroffen door de schoonheid en zachtheid van dit onverstandige, dwaze kind. Zóózeer, ik moet het bekennen, dat ik allengs belang in haar begon te stellen. Of zij het bemerkte â zij opende mij haar hart, en zij bekende mij hare liefde â en nu, na eenige dagen, nu zij herhaalde malen bij mij is toegelaten, ik weet niet hoe het komt, maar het is of in haar bijzijn iets ongewoons in mij omgaat; het is of ik mijn eigen zoon meer liefde toedraag; het is of het geheele speeltuig van mijn geest anders besnaard is en anders gestemd, of ik gezonder en opgeruimder ben; soms voel ik behagen zelfs in de redelooze natuur; soms voel ik behoefte tot vroolijke ontboezeming,.... zie, die verandering, dit alles, vreemde gewaarwordingen waarvoor ik geen namen ken, voel ik terstond als zij tegenwoordig is; en daarom heb ik begrepen dat het mogelijk kon zijn, dat zij dezelfde tooverkracht op mijn armen geliefden Logikos zal hebben uitgeoefend.
â Voorwaar, vreemde dingen geschieden in deze dagen! Toch is het waar, als dit u kon gebeuren, hoeveel te lichter hem, bij wien de maliën des verstands noch niet zoo gesloten zijn, of eene dwaasheid kan daardoor binnensluipen. â Maar ik gevoel mij niet wel; het is alsof al die strijd, al die inspanning mij tegenstaan, â het zal vermoeienis wezen, denk ik. Hoe kunnen wij toch onzen zoon weder krijgen?
â Zend den afgezant terug, met belofte van Mimosa tegen hem uit te wisselen.
â Ik zou dit wel willen, âmaar het Beeld dan? Zie, het was juist tegen Mimosa, en dit was de eenige voorwaarde voor haar leven, het was tegen haar, dat ik de ons ontbrekende stukken had willen inruilen.
â Gij begrijpt, dat Sensorius hetzelfde zou vragen, en van ons het hoofd en het verdere eischen.
â Zoo blijft er slechts over, te beginnen met de verwisseling van de beide gevangenen.....en dan weer de oorlog!
De gezant keerde naar zijn hof terug, met het voorstel van koning Intellectus, om de wederzijdsche gevangenen uit te leveren. Onderling werd de plaats van samen-
143
VAX TWEE KOXIXGSKINDEREX.
komst bepaald; een open veld in het Onzijdige Woud, en daar zou, ten overstaan van gevolmachtigden, de uitwisseling gelijktijdig (want men vertrouwde elkander niet veel) plaats hebben.
Aan het hof van Sensorius was in dien tusschentijd niet minder beweging geweest, dan wij bij Tntellectus hebben waargenomen. Het wegblijven van Mimosa, de droevige teekenen, dit alles had bij den koning en zijne ega het treurige vermoeden tot zekerheid doen rijpen, dat haar een ongeluk overkomen was: de bitterste droefheid had overal geheerscht, maar de wanhoop der ouders te beschrijven, is ondoenlijk. Dag en nacht weeklaagden zij. Toen de gezant terug kwam en de toedracht der zaak verhaalde, was er in zoover blijdschap, dat Mimosa noch leefde, dat zij zelfs eenigen invloed bij de koningin Nutte scheen verkregen te hebben; en om de geliefde maar spoedig terug te hebben, werd dadelijk besloten Logikos tegen haar ten spoedigste uit te leveren. Aan andere dingen konden zij niet denken; alles was wel, mits zij maar terug ware. Opdat geen verraad te duchten ware, maar zeker meer om de verlorene zoo spoedig mogelijk weder te zien, besloten de koning en de koningin haar ter bestemde plaats zelf te gaan ontvangen. Snel werden alle toebereidselen gemaakt, en met een grooten stoet van gevvapenden zoowel als van hovelingen, begaven zij zich in feestgewaad op weg. De bestemde plaats was een schoon bosch, in welks midden een opene plek lag, waar eene kleine rivier doorheenstroomde, zich rimpelend over de ondiepe bedding of huppelend over de steenen, die op haren weg lagen. Aan de eene zijde zouden de gezanten van Intellectus komen, die van Sensorius aan de andere, en over het water sloeg men een breede brug waarvan de vloer met takken en bloemen bestrooid werd.
Prachtig was de stoet van Sensorius en Parel, zoo als die daar zweefde op het water. De koning had zijn scharlaken kleed, de koningin haar vedergewaad aan: in een groote schelp werden zij door twee blanke zwanen voortgetrokken, die gouden banden om den hals hadden; eene rei van bevallige nymfen volgde hen en hief zachte melodieën aan ter eere der wedergevondene, en een andere stoet strooide bloemen en welriekende kruiden uit.
Zie, die stofwolk aan de overzijde, een lange reeks, een groote optocht komt daar aan. Hoe kloppen de harten der wachtenden; zie, daar moet hunne Mimosa bij zijn. Wat is dat voor een aanzienlijke groep? Niemand minder dan de koning Intellectus zelf en met hem zijne koningin, die hetzelfde denkbeeld hebben opgevat en het veiliger geacht zeiven bij den ruil tegenwoordig te zijn. Daar staan dan plotseling en onverwacht de beide vorsten tegenover elkander, beiden even verwonderd elkander daar aan te treffen, maar niet minder elkander van aangezicht tot aangezicht te zien.
144
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
Van de eene verbazing zou men tot de andere, tot noch grootere moeten stijgen. Want ziet, hoe wijs ook koning Intellectus en hoe slim ook koning Sensorius mochten zijn, daar gebeurt iets, waarop geen van beiden gerekend heeft en waarvoor noch de diepzinnige Logarithmos, noch de machtige Aldebaran zoo spoedig eenigen raad weten. Nauwelijks hebben Mimosa en Logikos elkander gezien, of, hunnen bewakers ontsnapt, vliegen zij de brug op en in elkanders armen.
â Nooit, nooit verlaat ik u weer! roept Mimosa zich aan haren geliefde vastklemmende.
â Altijd, altijd blijf ik bij u! zegt Logikos, haar teeder omvattende.
Nu heerscht de grootste verlegenheid aan beide zijden, en groote ontevredenheid tevens. Alles was met de uiterste moeite geschikt, en daar is alles op eens bedorven! O rampzalige liefde, die in de wereld schijnt te wezen om de plannen der ouders in duigen te slaan! Die over de berekeningen der wijzen wegwipt, en over alle andere aandoeningen heenspringt als over een korrel zands! Die altijd een uitweg vindt om te ontsnappen!
Men trekt zich in de beide kampen terug en beraadslaagt.;
Eindelijk treedt koning Sensorius vooruit en vraagt een onderhoud met koning Intellectus. Daar staan de twee groote wereldheerschers tegenover elkander.
â Groote en wijze koning! zegt Sensorius; zoo als de zaken nu staan, kunnen zij niet blijven: die beiden te scheiden is hun beider dood; en als zij bij elkander blijven, wie van ons zal ze dan hebben? Ik wil een stap doen tot oplossing der verwikkeling, â ik geef mijne dochter, geef gij uwen zoon, dat zij elkander beminnen en vereenigd worden! Wij zijn oud; dat wij het daarbij laten en onze laatste dagen in rust slijten, ieder in zijn land.
Nu treedt Aldebaran naast zijn meester.
â Hoogwijze en grootmoedige vorsten! spreekt hij; der sterren loop is een boek voor hooggestemde gemoederen; ik heb daarin gelezen en ziet, heden juist geschiedt het samentreffen der banen van twee kometen, die elkander in geen tienduizend jaren gesneden hebben, en het is die vereeniging die mij de zekerheid geeft, dat de ontmoeting der beide koningskinderen eene zaak is, die in het groote boek des tijds schijnt voorspeld en gewild te zijn.
â Groote en wijze vorst! valt snel de geleerde Logarithmos in, die hoogwijze sterrenwichelaar heeft u wat verhaald van twee kometen; zoo als alle halfgeleerden, die meer op instinkt dan op kennis afgaan en meer verbeelding dan verstand hebben, heeft hij u slechts de halve waarheid, en die noch scheef, voorgesteld. Zeker, die twee
19
145
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
kometen komen samen en hare banen snijden elkander, maar als gij nu een oogenblik nadenkt, begrijpt gij, dat die lijnen elkander slechts snijden voor éen oogenblik en dan weder verder dan ooit van elkander afgaan, en zoo dit dan een voorteeken heeten moet, vind ik het een zeer slecht voorteeken. Ik bid u, luister niet naar de grillige inbeeldingen van een gemoedelijken dweeper.
â Groote vorsten! hervat Aldebaran met verbeten woede, de waanwijsheid van dezen zoogenaamden geleerde, die niets begrijpt dan wat hij handtastelijk voor zich ziet, zal u weinig aan zijne woorden doen hechten; gij proeft er den kouden cijferaar uit. Laat ons het symbool behouden, waarin de peillooze diepte der wereldwijsheid hare openbaringen in ons gemoed zendt, en daarnaar handelen.
â Edele koningen! zegt Logikos, hoort naar de stem van het verstand en het gemoed zelve, en niet naar de eenzijdige formules, waarin die beide geleerden deze twee hebben afgesloten. G-ij, koning Sensorius! hebt een edele daad gedaan, door het eerst uwe toestemming te geven....
â Het zij zoo, spreekt Intellectus tot Sensorius, gij zijt mijn vijand, maar er is grootmoedigheid in uw handeling; ik wil niet minder zijn.
â En nu hebt ook gij, mijn koninklijke vader! een edele daad verricht.
â Waar twee in eene edele daad overeenkomen, zegt Mimosa met hare liefste stem, daar zijn zij éen.
â Toen kwamen de beide koningen vooruit en gaven elkander de hand ter verzoening en ter verzekering van hun woord.
Zulk eene vreemde verwarring als er nu plaats had, was noch nooit gezien; de beide kampen vereenigden zich, tenten werden overal opgeslagen en de beide koningen en koninginnen voegden zich bij elkander. Kostbare vloerkloeden, fijne weefsels werden uitgespreid en met rozen overstrooid; zachte geuren stegen op in de lucht; de jongelingen van Intellectus wedijverden in lichaamsoefeningen en schieten en in dialektische wedstrijden; citherspel, zang en dans heerschten bij die van de andere zijde. Dien nacht vierde men feest tot het dagen begon, en toen, na eenige uren rust, kwam het oogenblik om de vereeniging der twee gelieven te vieren.
k
Van losse steenen werd een altaar gebouwd, en reukwerken daarop ontstoken. Daar stond de schoone Mimosa, schitterend wit van gewaad en met een lichaam zoo glanzend, zoo teeder en fijn, alsof het slechts met rozebladeren gevoed was, en naast haar de krachtige, verstandige koningszoon. De beide wijzen baden tot Alvader; toen namen zij de kelk van eene sneeuwwitte waterlelie, gevuld met honig en nektar:
14(3
VAN TWEE KONINdSKlNDEREX.
Schoon zu'n de bloemen,
zong Aldebaran.
Wys zyn de bjjen,
sprak Logarithmos.
Geurig de nektar,
zong de eerste weder.
Honig is nut,
was het antwoord van den tweede.
Zoo plengden zij voor het nut en voor het schoon, voor het verstand en voor het hart; de koningskinderen zouden die weldra door den innigsten band vereenigen.
De beide koningen legden de handen hunner kinderen in elkander, en de koninginnen drukten een kus daarop. Mimosa en Logikos dronken nu ten aanzien van allen uit de kelk, en plengden het overschot op het altaar, en zoo waren zij vereenigd en vereend. Wat men van elke zijde luisterrijks had medegebracht tot verwelkoming dei-wedergevondenen, werd nu ter viering van beider vereeniging aangewend. Als er lang en hevig gestreden is en de vijanden zien elkander van aangezicht tot aangezicht, dan zijn zij beiden verwonderd elkander niet anders te vinden, dan slaat de schaal, althans voor eenigen tijd, op eens over, en men wedijvert in betuigingen van achting en vriendschap. Zoo was het ook hier. Weldra was er geen spoor van vijandschap zichtbaar, en allen vereenigden zich in de feestvreugde. Aan die stemming was het ook te danken, dat er geen ijverzucht bestond; hoewel het moest erkend worden, dat de onderdanen van Sensorius verreweg de eer van het feest hadden. Niet alleen toonden zij den meesten smaak in de versierselen die zij aanbrachten; niet slechts was al wat er schoons blonk van hen afkomstig; maar ook door hunne tooverachtig schoone zangen, door hun dans en muziek gaven zij aan allen de opgewekte vroolijkheid, zooals de zonneschijn aan het eerst in doffe tonen gehulde landschap. Daarentegen zou het onbillijk zijn niet te vermelden, dat van de zijde van Intellectus een voortreffelijke maaltijd afkomstig was, en al de praktische schikkingen bij zulk eene gelegenheid zoo onontbeerlijk.
Helder en lustig heerschte de vreugde, tot het avond werd en de beide vorsten met hun gevolg aftogen, ieder naar zijn land, en de gelukkige koningskinderen bleven in het schoone bosch, waar zij elkander voor het eerst gezien hadden.
Het duurde slechts kort, of de koning en de koningin van elk der beide landen stierven, en Logikos en Mimosa volgden hen op en vereenigden onder hunne heerschappij in vrede al de volken der aarde.
147
VAX ÃWKE KONINGSKINDEREN.
Logarithmos en Aldebaran waren de eenigen die het nooit eens konden worden: hun twist liep nu eens over het geval, dat de nieuwe koning en koningin kinderen verwekten.
â Als het een zoon is, zei Aldebaran kregelig, gaat het alles den ouden weg weer op.
â En als het eene dochter is, antwoordde Logarithmos, zult gij uw verderfelijken invloed weer op haar uitoefenen.
â En als het eens, zei Aldebaran, als derde vooronderstelling, als het eens een zoon èn een dochter waren?
Dan weer twistten zij over de stukken van het Beeld. Maar ziet, tot hun beider, ja tot aller verbazing en verstomming ontdekten zij eens, dat op de plek in het bosch, waar het vereenigingsfeest van Logikos en Mimosa gevierd was, een wonderschoon beeld verrezen was, éen geheel uit de deelen, die in de beide koningrijken waren verspreid geweest.
â Was dit nu maar eerder gebeurd, zeide Logarithmos, dan had dat dwaze huwelijk niet behoeven plaats te hebben.
â Neen, had hunne vereeniging maar eerder plaats kunnen hebben, antwoordde Aldebaran, dan was misschien het beeld des te eerder hersteld geweest en tegelijk de vrede.
En dat was het wijste woord, dat de geschiedenis van Aldebaran vermeldt.
â Daar dit alles evenwel zoo ten eenen male buiten hunne verwachting en buiten hun toedoen gebeurd was, konden zij den schok niet wederstaan en niet beter doen dan maar sterven. En dat deden zij dan ook.
Zij konden dus niet zien wat Mimosa ter wereld zou brengen. Dat weten wij ook niet; wij weten alleen, dat de valsche raaf met zijn glurend rond oog niet meer gezien werd, en dat het nageslacht de sagen bewaard heeft van eene gouden eeuw, waarin geheel de aarde gelukkig was onder de vereeniging van den zoon van Intellectus, uit het oude, doorluchtige huis van Verstand, en de dochter van Sensorius, uit het niet minder aanzienlijke en noch oudere huis van Gevoel.
148
EEN PELGRIMSTOCHT NAAR DE WEDDESTEEG.
A
haar genieön is de menschheid eerdienst verschuldigd. Het is de eerbied voor die enkele weinigen, die van eeuw tot eeuw als reusachtige mijlpalen zich in de wereldgeschiedenis boven alles verheffen, gadenkteekens van het hoogste wat de geest mocht verwezenlijken.
Het is de belangstelling die gemoed en verbeelding ontvlamt, die het verleden uit den sluimer van het feit doet opbloeien als leefde het weder, die alles wat tot die grootsche verschijningen in de menschheid betrekking heeft, ook haar meest individueele, schijnbaar nietige, alledaagsche omgeving en toebehooren, zoekt en kweekt en vereert, omdat al wat die groote geesten aanraakten, die de gezegende woordvoerders waren van wat de menschengeest heerlijkst vermocht, van hen eene wijding heeft ontvangen.
Hun schrift is mij lief, hun beeldtenis mij dierbaar en trekt mij aan, wat hun toebehoorde heeft beteekenis, en de plaats waar zij geboren werden, leefden, werkten, wordt het doel van den pelgrimstocht der bewonderende vereering.
Als gij die geestdrift wettigen kunt voor die enkele uitmuntendste vertegenwoordigers van wat de menschheid uitnemendst schiep, zult gij mij wel op een dier pelgrimstochten vergezellen willen.
Voor wien de Witte Poort te Leiden intreedt en een twintigtal schreden is voortgegaan doet zich aan de linkerhand tusschen de kazerne en het blok huizen van het Noordeinde eene smalle steeg voor; zij bestaat uit slechts kleine, onaanzienlijke huizen en zij is de toegang tot een paardenwed, in het Galgewater, dat er voorbij stroomt, gelegen. Links paalt die steeg, de Weddesteeg, aan de vesten der stad.
KEX PELGRIMSTOCHT NAAR DE WEDDESTEEG.
Niets verraadt wat in een der daarin gelegen huizen vóór twee en een halve eeuw belangrijks voorviel, en het is eerst voor eenige jaren dat die nietige buurt hare wijding ontving als geboortegrond van Rembrandt van Rhijn.
In den aanvang der 17de eeuw is Leiden een rijke, en machtige, een der grootste steden der geünieerde landen. âDat deselvige schoon ende net is,quot; zegt naief haar oud-Burgemeester Jan Jansz. Orlers, âbewijsen zelfs de straten, de welcke alhier zoo schoon ende rejm zijn, als in vele landen de huysen van binnen zijn; datse cierlick ende playsant is, tijgen de menichte van schoone welgebouwde huysingen; datse waterijck is, zijn daer van onlochbare ghetuighen de menichte der wateren en grachten.quot; In steeds wijdere kringen, om het centrum van Oud-Leiden, had de stad zich uitgezet, 't laatst van de zuid- en westzijde, en de ruimte tusschen de Witte Poort en het oudere deel was vol gebouwd. Al in 1592 was het ravelijn vóór die poort aan de stad getrokken en in een klein bolwerk veranderd. Als men den muilen zandweg, die door de duinen van 's-Gravenhage naar Leiden liep, afkwam, trad men over de breede vest, de poort binnen, ouder en kleiner dan de tegenwoordige; links daar binnen lag de steeg die gij kent.
Sinds 1574 woont in een der huizen in die steeg een welvarend burgergezin; in 1000 hebben de afstammelingen van dat gezin, (dat eerst na 1600 den naam van Rhijn voert), broeder en zuster, beide gehuwd en met kinderen gezegend, dat huis in tweeën verbouwd. In het eene gedeelte woont Harmen Gerritszoon. Zijne vrouw is de dochter eens Leidschen bakkers, ze is omtrent veertig jaren oud nu gij haar in 1007 ziet, kloek en gezet, met een regelmatig, goed besneden gelaat.
Welvaart heerscht bij deze burgers. Bij dezelfde steeg, op het bolwerk, staat een moutmolen waarvan de helft hun behoort: zij hebben noch andere vaste goederen in de stad en een speeltuin te Oegstgeest en noch een tuin buiten de Witte Poort. Het is een dier rijke, krachtvolle burgergezinnen waaruit Hollands grootheid der 17de eeuw haar kern erlangde. Vijf kinderen versieren dagelijks de tafel en ledigen moeder Neeltgens spijskast. Den oudsten der drie knapen zoudt ge zestien, de oudste der beide meisjes twaalf of dertien jaren geven; het is een drie- of vijftal jaren geleden dat de jongste ter wereld kwam, en dat Harmen en Neeltgen in hunne kortzichtige wijsheid de wieg reeds op zolder zetteden. Maar de tijd komt weêr aan dat de schalke vrienden op Maaiken in 't schapraiken, of op Hanske in de kelder drinken. Op een schoonen morgen in het midden van Juli verdwijnt de vrouw achter de groene saaien gordijnen: ik zie haar kleine Machteld draven naar de buurtschap rondom de Noord-eindsbrug die de Paplepel heet; ik zie haar de vrouw halen, boven wier deur op een
150
â¦
EEN PELGRIMSTOCHT NAAR DE WEDDESTEEG.
bord een kindje is geschilderd, met het omschrift: God is mijn hulp; ik zie die vrouw de kleine meid, die haar steeds vooruit is en naar haar omziet, volgen naar de Wedde-steeg en naar de groene saaien gordijnen.
Kom nu spoedig uit den molen, Harmen, en geluk met het knechtje dat is geboren! â En Harmen schrijft naar ouder gewoonte, bij de grootouders, ouders en kinderen, zijnen jonggeborene, als achtste kind van Harmen Gerritz. van Rhijn en Neeltgen Willemsdr. van Zuijtbroeck, op het schutblad des huisbijbels in:
15 Juli 1000. Rembrandt.
Rembrandt! maar het zegt noch niets Rembrandt te heeten. Wisch dien naam uit van het boek der geboorten, en gij zult slechts twee ouders zien, treurende om het verlies van een zuigeling, maar geen kunstwereld zou de bewustheid hebben van het derven van een genie.
Rembrandt en de Bijbel. Die naam in den vromen zin der ouden, onder de hoede geplaatst van den grooten Geest uit wien alles is; die naam neergelegd in de schaduw van het oude gedenkboek van der menschheid geschiedenis! De driftige fantasie schiet reeds vooruit en beeldt zich den krachtigen man af, onder wiens geniale hand die oude bladen weder beginnen te leven en te spreken, den rijken geest, welks kunst, zooals weinigen het vermochten, in zijn tallooze verschijnselen geheel het menschelijk leven afspiegelt.
De geest bevruchtte den geest: door de plaats, waar wij zijn, geprikkeld, wordt de verbeelding opgewekt en is het als leven wij het verledene mede.
Met het kind dat wij zien geboren worden zien wij een ander kind opgroeien, slechts weinige jaren zijn oudere, het zeventiende jaarhonderd, de krachtige, stoute, scheppende eeuw.
Die eeuw, onder trompetgeklank en geschutgedonder geboren, was voor ons met eene nieuwe overwinning aangevangen. Bij haar wieg stond een krachtig volk aan het eind der eerste periode zijner wanhopige worsteling om vrijheid; geen moorddadige krijg meer maar een geregelde oorlog; niet langer een opgestane partij maar een nieuwe vrije staat; de Staatsche vlag waaiend en het Prinselijk Wilhelmus klinkend over Oost en West; de geest van mannelijke kracht vervuld, de hoogste levensuiting in alles, in vrijheidsgevoel, in burgerlijk leven, in politiek, in reizen en handelsdaden; de voorbereiding tot een stoute vlucht in kennis en kunst.
Maar met die forschheid en krachtsovervloed, ook de schaduw van dat sterke licht.
Hoort het wiegelied der eeuw in sombere profetie! Het spreekt van den aanvang van staatkundigen en godsdienststrijd; de zaden zijn gestrooid en de kiemen wortelen;
151
EEN PELGRIMSTOCHT NAAR DE WEDDESTEEG.
aan de éene zij de Prins, zijn partij, het volk, de predikanten, de orthodoxie; aan de andere de magistraat, de patriciërs, het vrije onderzoek; de stalen kling van Mijnheer den Prins en de rok van den advocaat in de weegschaal; het Bernt in 't veld en weldra, het uitslaan der laaie vlam, slechts versmoord in het bloed van
een beroemd schavot.
Ziedaar het diep bewogen hartstochtelijk lied des tijds in de jeugd van Rembrandt
en de eeuw.
Toch te midden dezer antagonismen der lagere wereldverschijnselen, gaat de hoogere werkzaamheid des geestes voort haar zege en hare meerderheid te handhaven, en door de botsing niet gedeerd, rustig en grootsch, treden drie helden te voorschijn; Spinosa, Vondel, Rembrandt.
Rembrandt had met zijn eeuw, voor zoover die op Nederland betrekking had, familietrekken gemeen. Zij stammen beide uit het krachtig ras der gegoede burgerij; zij staan beide op de grondslagen door de renaissance gelegd, die wondervolle wedergeboorte des menschelijken geestes, waaraan wij het herstel te danken hebben van het verbroken evenwicht tusschen geest en stof, van de rehabilitatie der natuur; doch de groote schilder blijft geheel en al vrij van de pseudo-klassieke vormen waar zijn tijd soms te zeer in toegaf; beide zijn zij daarentegen sterker dan die renaissance van hun doel en hunne middelen bewust; beide vertoonen zij gelijke gezonde vereeniging en samenvloeiing van natuur en geest; beide de krachtigste individualiteit. Het kind groeide op met de eeuw; maar de vorming des eersten ligt in duister. Het is slechts aan de hand der verbeelding dat men zich die zou kunnen voorstellen.
Zoo zouden wij den knaap kunnen volgen, die naar de school gaat, en den schoolvorst zien met de plak, met knevel en ringkraag, en wiens
Streng gelaat Hem doet ontzachlijk zegepralen,
gelijk een dichter uit den tijd hem beschrijft; wij zouden er hem zien leercn lezen en schrijven, schrijven vooral naar de modellen van penneconst.
De schoonschrijverij was zeer geöerd, en mannen als Gadelle, als Lukas Fopz. Lely en Perszijn, Sambix, Boissens en van de Velde maakten er zich mede beroemd, om Coppenol hier niet te vergeten, geëerder noch door Rembrandts ets dan door Jan Vos' betiteling van Fenix aller pennen.
Zeker was te Leiden de Spieghel der Schrijfkonste in gebruik waarin de Fransoysche schoolmeester van Rotterdam Jan van de Velde, zijne theorie uiteenzette
152
EEX PELGRIMSTOCHT XAAR DE WEDDESTEEG.
en zijne kunst vertoonde. Wat de schoonheidszin van den knaap genoten heeft bij de sierlijke karakters en de kalligrafische spelingen, bij den man, en het borstbeeld, en de zwaan, en het groote schip met volle zeilen en wimpels, door de rappe ganzeschacht rondom en aan het hoofd van het schrift in van de Velde's boek getrokken! Wat zijn geest in die figuren zal gefantaseerd hebben en er in thuis zijn geweest! Wat hij op bladzijrand en kaft aan zijn geestige hand zal hebben bot gevierd!
Dan zouden wij den vrijen tijd van den knaap hebben kunnen nagaan, verdeeld tusschen den molen, den speeltuin, het leven op de straat, en de proeven van het ontkiemend talent.
Later zouden wij hem niet missen op de vrije jaarmarkten, als onder trompet en pijp, de hoofdmans met corselet en casquet, de vendrichs met de bardisaen (hellebaard), de schutterij met spies en met musket uittogen, en de rethorijkers hun spelen vertoonden, en de stad vol vreemde kramers en goochelaars was; vooral niet in het voorportaal van het Stadhuis waar de kramen met zilverwerken, boeken en schilderijen waren uitgestald.
Dan zouden wij het belangrijke tijdvak bijwonen, waarin het bewustzijn der roeping zich deed gevoelen, waarin de lang gekoesterde droom, bet heerlijk grootsche denkbeeld, kunstenaar te zijn, trots moeders vrees om het spreekwoord
Hoe schilder Hoe wilder
zou worden verwezenlijkt! En wij zouden den jongman zijne intrede zien doen in de kunst-werkplaats van den pas uit Italië gekeerden Jacob Isaacz. van Swanenburgh, in het gild waar de Swanenburghen, de Neyn, Schilperoort, Elsevier, Joris en Pieter van Schoten, David Bailie, Jan van Goyen toen den staf zwaaiden, doch weldra door het geslacht dat zij opleidden tot op oneindigen afstand zouden worden voorbij gestreefd. Ook voor deze, de belangrijkste periode, Rembrandt bij Swanenburgh, â bij Lastman â bij Pinas, zijn terugkeer naar Leiden, zijn herhaalde tochten naar Amsterdam, â de geschiedenis heeft er weder een ondoordringbaren sluier over getogen.
Wij mogen de geheimen van de wording niet aanschouwen, liet voltooide meesterwerk zal ons op eens doen verstommen. Het was een donkere nacht waarin verborgen bleef wat er omging, en waaruit wij plotselijk een bliksemstraal zien voortschieten, de Simeon in den tempel.
Maar neen, het was geen bliksemstraal, want het licht houdt onafgebroken aan,
er is geen tusschentijd van duisternis. Wat wij voor een enkelen bliksemstraal hielden,
20
153
EEN PELGRIMSTOCHT NAAR DE WEDDESTEEG.
die op eens voor éen oogenblik den nacht verbrak, het was het aanwezen van den vollen morgen gloor; zonder schemering, als de ochtend in het Oosten, is het zonlicht in vollen glans uitgebroken om niet weer onder te gaan.
Slag op slag zijn het nu meesterstukken, nieuwe openbaringen van zijn lichtende kracht.
Met een ongelooflijk scherpen blik, â gij behoeft er de saamgetrokken kracht, het doorborende zijner oogen slechts op aan te zien â op de natuur, op het leven, de beweging, de fijnste gebaren van elk individu, is hij in het betrappen en wedergeven ook der moeielijkste en vluchtigste momenten, teekenaar zooals niet velen het waren; maar is hij bovenal in het hoogste gevoel voor kleur en de duizendvoudig geschakeerde uitwerkselen des lichts de onnavolgbare en eenige.
Met de middelen speelt hij: nu eens is het de pen en het bruin, dan graveerstift en etsnaald, hier de fijnste, uitvoerigste behandeling, daar de stoutste, bruischende, hoekigste smeeren, tegelijk soms met den teedersten toets; hier het dommelig halfdonker, daar het uitstrooien van lichtgloed, of' samentrekken des lichts op één schitterend punt.
Het is geen vak dat hij kiest, hij omvat alles, en alles met volkomen meesterschap.
De geheele natuur, het landschap zooals het zich in Holland in zijn verschieten uitspant, en door de luchten veelvoudig beschaduwd en betoond wordt, de wolken, de zee, de planten, de dieren.
Geheel het menschelijk leven in al zijn openbaringen; van den geringsten stand, van den krommen, mismaakten bedelaar tot de hoogste gegevens der historie; den mensch op straat, in zijn huwlijksleven, in zijn maatschappelijke werkzaamheid, den mensch der geschiedenis en den mensch der poüzij.
Rembrandt is niet vollediger te karakteriseeren dan als den schilder van het leven, van het leven in zijn wijdsten omvang.
Zonder het uitwendige en inwendige aan elkander op te offeren heeft hij de fijnste individualiseering en het karakter der vormen in acht genomen, en toch al de zielkundige wiarheid en diepte behouden; komen zoowel het uitwendige als de gemoedsbewegingen en geheel het inwendige leven, dikwijls slechts door een enkele toets of lijn, tot ⢠volkomene uitdrukking; hij geeft het leven niet als bovennatuurlijk, afgetrokken ideaal, noch als symbool of drager eener daarin gelegde idéé, maar als levende, doorgaande werkelijkheid, en het leven dat hij afbeeldt, even als het werkelijke, is daar om zijns zelfs wille, zonder ander doel dan zich zelve, zonder een andere rechtvaardiging dan de schoonheid zijner verschijning te behoeven. Hij geeft het in al zijn dramatische volheid en bewegelijkheid. Maar hij geeft het, dat dit vooral blijve opgemerkt, na het in zijnen
154
EEN PELGimibTOCHT KAAI? DE WEDDESTEEG.
geest de wedergeboorte der kunst te hebben doen ondergaan. Dit is de grondtoon in al zijn werken; van zijn eenvoudigsten etskrabbel tot zijn schitterendst meesterwerk, overal ademt het u te gemoet.
Levensvolheid is het die zijne portretten bezielt; die spreekt van de zich bewegende lippen zijner figuren, uit hun gebaar en hun tred; die de wolken drijft over zijne landschappen, en hare hoornen doet groeien; die zijnen historiebeelden die betooverende werking verleent, waardoor zij ons toeschijnen niet anders te kunnen, maar met noodzakelijkheid aldus te moeten zijn.
Die ziener in het volle menschenleven moest wel aangetrokken worden door den Bijbel, dat boek zoo vol gemoedsbeweging, zoo vol van veelsoortige levensuiting, zoo rijk van handeling.
De grootste en meest verschillende kunstenaars hebben dit boek in beeld gebracht. Welk een verscheidenheid van opvatting tusschen de middeneeuwsche autaartafels, tusschen RafaGls loges, Michel Angelo's welfschilderijen, tusschen Lucas van Leidens, Albrecht Durers Bijbel, en dien van Rubens. Volkomen oorspronkelijk en nieuw op zijn beurt is Rembrandts Bijbel. Hier geen symboliek, geen vooropstellen van het mysterie. Hier geen spoor van dogma, van kerkelijkheid. In overeenstemming met het beginsel dat zijn geheele werk beheerscht, en als een der luidste getuigenissen van dit beginsel, vindt gij in Rembrandts Bijbel, dit boek als boek des levens, en zijn gebeurtenissen als een rijke, onuitputtelijke bron van levensverschijnselen, van karakters, van drama's, van gemoedstoestanden teruggegeven. Hij zet het feit, het historiesch voorval voorop in zijn concrete, werkelijke, meestal menschelijke verschijning. Het is eene geheel eigenaardige, treffende opvatting, die slechts in een vrijdenkend, en in een Noordsch land kon geboren worden. En als eene nuance in die opvatting moet ik er op wijzen, dat de schilder niet zoo zeer de afbeelding geeft van een lang vervlogen gebeurtenis, maar dat wij bij hem de menschen zien leven, handelen, bewegen en bewogen worden, dat wij de feiten noch eens en op nieuw zien gebeuren, en de handelingen, als bij wonder, zich weder als nieuw, als aanwezig voordoen. Het is alsof hij, gelijk de Nederlander der 17de eeuw de Bijbelsche gebeurtenissen op zijn leven en zijn volk toepaste, en zijn eigen historie met de Bijbelsche parafraseerde, die voorvallen op en in het tegenwoordige leven terug- en overbrengt. Het is bij hem niet hoe Simeon eens vóór achttien-honderd jaren lof zong bij het kind dat hij knielend in zijn armen hield, maar wij zien eene nieuwe dergelijke gebeurtenis, als geheel actueel, plaats grijpen. Het is niet het Ecco Homo dat voor achttien eeuwen aanschouwd werd, bij Rembrandt is het feit op nieuw tot leven geworden en wij beleven hot mede.
155
EEN PELGEIMSTOCHT NAAR DE WEDDESÃEEG.
Zóó werd door hem die geheele cyclus van Oud en Nieuw Testament uit het dogma en het verleden in het leven en het heden gebracht, met stoute scheppingskracht weer opgevoerd en in het leven van zijnen, van onzen tijd overgeplaatst. Van daar, van die sterke actualiteit, van dat vooropstellen van het eeuwig menschelijke dat in de harten altijd weerklank vindt, het treffende, de emotie die zijne voorstellingen uitwerken.
Hij heeft noch meer gedaan.
Hij heeft bij deze bewonderenswaardige uitkomsten allerminst de innigheid, noch de naïefheid, noch het verhevene, noch het dichterlijke laten liggen. Verheven noem ik den lichtgloed die van boven het somber tafereel der Kruisafneming bestraalt; majestueus in houding en gebaar, in belichting en gemoedsuitdrukking de Opwekking van Lazarus; verteederend naief de figuur van Maria bij Simeons lofzang; treffend van hartstochtschildering en van dramatiesch geweld de vertooning aan den volke in de Ecco Homo.
Rembrandt en de Bijbel, was de gedachte die wij uitspraken op de geboorteplaats, bij de wieg des kunstenaars. Voorwaar die naam is groot geworden sinds hij werd nedergelegd onder de hoede der gewijde bladen, en rechtvaardigt de geestdrift die ons lokte naar de plaats waar hij ontstond en zich ontwikkelde.
Rembrandts genie is de eerdienst des menschdoms waardig.
156
M O JST A.
In een hoek der Romeinsche Campagna, een achttal mijlen van Rome lag een dorp, waarvan een der uiteinden in verspreide huizen in de vlakte uitliep. Op de laatste dier kleine woningen scheen de volle morgenzon. De dik gesmeerde kalklaag, wit-geel en rossig, was met haar sterke kleur in scherpe tegenstelling met den blauwen, maar dooide tusschentonen der lucht zacht getinten hemel; een ruw traliewerk stutte en leidde de takken en het donker groene loof van den vijgeboom tegen het huis, die een heldere schaduw gaven op den muur, op de posten der deur, en gedeeltelijk op het meisje, dat tegen de stijlen leunend daarin stond. Sterke kleuren sierden het kind van het land der kleuren, een zwart fluweelen keurs op een blauwen rok, een voorschoot met bonte rijen bestreept en een veel ver vige doek op het hoofd.
Wat gewaarwordingen woelden al in dat jonge brein rond? Zij sloeg geen acht op de groepen van pelgrims, die den moeielijken, bergachtigen tocht van Viterbo af voortzetten, pelgrims van verschillenden leeftijd en kunne, meest van geringen stand. Zij bemerkte het niet waar die haar dorp doortrokken en weêr verlieten, de dorre Campagna over, allen in de richting der heilige stad, en zij lette op de devotie niet van velen die op de knieön vielen en zich kruisten bij het gezicht van den koepel van Sint Pieter, als die zich voor het eerst in de verte aan hen voordeed. Toch had zij ook zelf een rozekrans in de hand, maar die haar onbemerkt ontglipte. Ook haar blik was strak gevestigd op den koepel van het heiligdom; maar indien wij aan de gevoelens die in haar gemoed dooreen woelden, vormen hadden kunnen geven, â en ze had het kwalijk zelve vermoogd in dien eersten wordingstijd van het noch maar ten halve zelfbewuste
MOK A.
leven, â wij hadden andere dan geestelijke denkbeelden opgemerkt. Dan hadden wij dien koepel zien worden het teeken der wereldstad, der groote, weelderige, levendige metropool, waar het leven, aan de bespiegelingen en de eenzaamheid ontrukt, den onverpoosden strijd oplevert van het haken naar genot, naar voldoening, een leven dat zich zelf ten doel is.
â Moeder! riep zij, omziende naar binnen, waar blijft gij, kom, kom! en zij stampte met den voet. Na eenig talmen verscheen de moeder, eene getaande, noch krachtige maar oud schijnende vrouw.
â Ja, ja, mijne Mona, uw moeder is zoo sterk en vlug niet meer als haar schoon kind. En zij streelde de wang van het meisje, dat door eene beweging van haar arm die liefkozing afduwde.
â Waarom wilt gij dan ook te voet naar de stad gaan? waarom tuigt gij den ezel niet op?
Wij moeten wat voor de Heiligen over hebben, antwoordde de oude vrouw, onze reis zal voorspoediger zijn, als wij ook het offer onzer vermoeienis brengen.
De moeder kuste den Sant die aan den post der deur was gespijkerd, nam den staf met het kruis op en de gevulde omvlochten tlesch, en den zak met eetwaren en wat vruchten, en zette zich in beweging. Het meisje droeg niets dan een tak van den vijgeboom, waarmede zij zich waaide en beschaduwde. Zij trokken over de onbebouwde gronden, aan wier verbetering niemand scheen te denken, en waarop het water van regen en overgevloeide stroomen bleef staan in poelen, wier ongezonde uitwasemingen de lucht bedierven. Zij gingen den gelen Tiber over, de voorstad door, tusschen een rij van kleine huizen ter eene en een hoogen muur ter andere zijde, totdat zij kwamen aan de Porta del popoio. Daar vonden zij de landlieden, beladen met de koopwaren die zij in de stad kwamen brengen; moeder en dochter droegen geen koopgoederen; het meisje zelf was de waar, die door de moeder moest verkocht worden.
Nadat zij hare devotie gedaan en den zegen ontvangen hadden, gingen zij naaide trap der Piazza di Spagna, waar de kunstenaars gewoon waren hunne modellen te vinden.
Met een jong schilder uit het zuiden van Frankrijk, Charles Moreau, die de Italiaansche taal goed sprak, had de moeder weldra een gesprek aangeknoopt, dat echter tot geen overeenkomst leidde. Beide vrouwen volgden hem evenwel de straten door, tot in zijn atelier. Moreau, hetzij hij in gedachten was, hetzij hij geen modellen noodig had, sloeg niet veel acht op haar.
Hij stapte in zijn atelier op en neder en antwoordde dat hij mets behoefde. Toen
MONA.
rukte Mona's moeder haar het hoofddeksel af, den halsdoek van de schouders en opende geheel haar bovenkleed.
â Zij is toch schoon genoeg, Signore, zeide zij op scherpen, verbitterden toon, gij zult ze niet schooner ontmoeten.
Moreau zag op. Hij zag nu de uitnemend schoone maagd aan, zoo als zij daar stond, na de daad harer moeder. Haar gelaat gloeide van het naar het hoofd gestegen bloed, de oogen vonkelden. Het was niet van gekwetste zedigheid, het was van verbeten woede, gemengd met een slechts even door schaamte getemperd trotsch besef van haar schoonheid.
â De par tons les Saints du Paradis, zeide de schilder half luid, quelles handles, quel port hautain, et quelle nuque admirable!
De moeder had zich in een zijvertrek op een rustbank neder gezet, en ging insluimeren. Moreau vatte terstond het denkbeeld eener compositie op. Hij had schetsen gereed voor eene kruisiging. Hij drapeerde en stelde Mona voor eene weenende Maria. De zware tressen waren ontplooid en golfden om hare schouders, de handen waren wringend saamgehouden. De schilder was begeesterd door zijn voortreffelijk model, dat hij dadelijk op zijn doek bracht, en in kloeken aanleg stond er na een poos arbeidens de moeder Gods, weenende bij het kruis, wier origineel hij het schoone gelaat omhelsde.
Mona's moeder sluimerde rustig voort; â sluimer voort, moeder, en droom niet van den rentmeester, wien een talent was toevertrouwd; sluimer voort, moeder, en droom niet dat gij uw kind vermoordt, terwijl uw kind de Moedermaagd nabootst, juxta crucem lacrimosa, jammerende om den dood van Mar kind.
â Stabat mater dolorosa! prevelde de oude vrouw, toen zij ontwaakte. Mona, ik droomde dat de Heilige Madonna mij opnam in haar schoot, â en zie, het is de Heilige Madonna, waarin ik nu mijn geliefd kind herken!
Zij ontving haar geld, en de beide vrouwen verlieten de werkplaats. Op de straat gekomen beproefde de moeder tegen een steen den klank van het geldstuk, en toen zij het echt bevond stak zij het in haar zak; voor eenige kleine muntstukken kocht zij aan den hoek der straat in een kraam met gewijde voorwerpen een gezegenden penning, dien zij aan Mona's bidsnoer bevestigde.
Toen zij den terugtocht hadden volbracht en te huis waren gekomen, was de oude vrouw bizonder tevreden. Het ongedierte, dat haar buurvrouws vruchten had geteisterd, had de haren gespaard, en behalve deze en andere blijkbare gevolgen harer devotie, had zij zelve met hare dochter een zegen ontvangen, hadden zij een offer gewijd aan een
15(.)
MONA.
Heilige en noch geld overgewonnen. Wat al zegen en heiliging. Alleen éen heiligdom was ontwijd â de kuischheid van het gemoed haars kinds.
De zoo zichtbaar gezegende bezoeken werden telkens hervat, want de Fransche schilder betaalde ruim. Wel was het een vermoeiende taak voor de reeds bejaarde moeder, die herhaalde tochten naar de stad te doen. En dan was de dochter noch norsch en stug.
â Wat prevelt gij toch, moeder?
Zij prevelde wat; daar kwam iets in van, wat een moeder toch sloven moet voor haar ondankbaar kind.
Behalve voor het groote passiestnk, had Moreau zijn schoon model voor verschillende onderwerpen en studies gebezigd. Zij poseerde voor Madonna's, voor Sint Catharina's, voor Sint Caecilia's, voor Magdalena's en door de verschillende onderwerpen der heilige kunst heen, duurde het niet lang of zij zelve was eene Magdalena geworden â zonder de boetvaardigheid.
Moreau hield haar bij zich. Zijne huishouding deed zij niet, dat liet zij aan de kreupele dienstmaagd over; maar zij was altijd in het atelier, waar zij zich, als de schilder werkte, den tijd verdreef met dansen, en het ontwikkelen van een talent, dat aan deze ongeletterde op zonderlinge wijze eigen was, het deklameeren van volksliederen en het improviseeren. Moreau had haar een tamboerijn gekocht en wanneer zij daarop met lossen zwier der hand spelend, in bevalligen tarantelladans rondzweefde, te midden der met schoone vormen en kleuren bedekte wanden of somtijds zangen improviseerde, terwijl de kunstenaar met begaafde hand voortwerkte, wat schitterend tafereel vormden zij dan, en wat scheen het leven dan heerlijk en benijdenswaardig schoon!
In de vroolijke bent van kunstenaars van allerlei landaard, nu eens op speeltochten, dan bij de gewone samenkomsten der kunstbroeders in eene villa buiten de stad, de Villa Gloriosa, was Mona spoedig opgemerkt. Zij kreeg er burgerschapsrecht. In dat vrije wettelooze leven, een leven naar instinkt en naar alle luimen, ontwikkelde zich Mona's karakter met al de scherpte, al het opbruischende, die er aan eigen waren. Trotsch was de gevallene Magdalena, en wie haar het hof maakte zou het lot wedervaren van dien eene wiens vrijheden met een klinkenden slag in het aangezicht waren ingetoomd. Zoo werd zij geëerbiedigd, om hare gaven van zang en dans toegejuicht en kreeg zij zekere overmacht.
Bij de Porta del popoio was een klein theater, waar operetten en paskwillen werden vertoond, en toen zij daar een paar malen was opgetreden, kwam haar roem uit den kleinen kring der kunstbroeders in den grooteren des publieks. Hier leerde zij
100
MONA.
ook eene nieuwe wereld van kunst kennen, die een diepen indruk op haar ging maken, de kunst der tonen. Die tonenwereld werkte krachtig op haar prikkelbaar gemoed, dat er soms tot ekstase door werd opgevoerd, soms aangegrepen en vastgekluisterd, en door eene haar onverklaarbare overmacht werd getemd. Zij had er haar meerdere in erkend. Hier kwam het talent, dat zij reeds vroeger enkele malen had uitgeoefend, eerst recht tot bewustzijn, de gave der improvisatie.
Zoo had zij een groot jaar geleefd, verdeeld tusschen het atelier, tusschen de vroolijke bijeenkomsten in de Villa Gloriosa, en bij wijlen het optreden in het kleine theater als improvisatrice, waarmede zij reeds eenigen roem begon te verkrijgen. Toen kwam de tijd die eene verandering in dit leven te weeg bracht, want Moreau moest huiswaarts keeren. Zijne mater dolorosa was voltooid en met dit groote werk wilde hij zijn vaderland bezoeken om er de ontwikkeling zijns talents ten toon te stellen.
Het kostte den luchthartigen schilder niet veel moeite den lossen band, die hem aan het Romeinsche meisje bond, geheel te ontknoopen. Hij pakte zijne schilderijen en studiën ter verzending, en op een najaarsmorgen stapte hij, na Mona omhelsd en haar noch een zakje met scudi gelaten te hebben, in zijn rijtuigje en verliet Rome.
Mona had hem zien vertrekken; voor het afscheid had zij menige hartstochtelijke uiting van gevoel; toen hij wegging, stonden haar oogen droog maar gloeiend. Thans keerde zij in het atelier terug, en te midden der kale wanden barstte zij nu in tranen los.
â Verlaten! riep zij, de trouwlooze! â Hier ben ik verkocht, hier ben ik gevallen, hier ben ik verlaten: vervloekte wanden! â Welk lot heeft eene vrouw! de man verlaat, zij wordt verlaten!
Zij zette zich op de rustbank neder en bleef met het hoofd in de handen zitten. De jaren die voorbij gegaan waren gingen noch eens hare verbeelding voorbij; het bewustzijn rees op, dat eene periode in haar leven was afgespeeld, en zij zuchtte daarom niet naar een toestand die niet meer te herroepen was. Toen sloeg zij de oogen fier op, keek de toekomst stout in het gelaat zoo als zij het gewoon was ieder te doen, en brak door een hevige daad het verleden af.
Zij nam het zakje met scudi, en den inhoud in hare hand nemende, slingerde zij dien door het vertrek.
â Voort, vuilaardig geld! riep zij, ik wil liefde, ik wil hartstocht, maar geen geld. â En nu Antonio, ben ik aan u.
101
21
102 MOM A.
Onder de kunstbroeders der Villa Gloriosa behoorde sedert eenige maanden een jong Duitsch musicus. Hij had al naam beginnen te maken in zijn vaderland, dat in de tweede helft der vorige eeuw in hem een van do voorloopers bewonderde der toonkunst, die in het laatste dier eeuw tot een zoo hoogen trap zou stijgen. Vurig, hoewel weinig expansief van karakter, was hij niet te vreden met de ernstige opvatting der Duitsche toonkunst, maar wilde zich ook aan den melodischen rijkdom, aan de zangerigheid en het schitterende der Italiaansche muziek verzaden, om daarmede zijne strengere kunst tut noch grootcro veelzijdigheid en rijkdom op te voeren. Het schitterende der zuidelijke aan het geest- en gehaltvolle der noordelijke kunst te paren was de droom, het ideaal van den jongen toondichter. Hij bezat een krachtigen, energieken geest bij een diepdenkend, dikwijls in zichzelf gekeerd gemoed. Hij had die diep liggende oogen, die niet altijd spreken, maar de inwendige werkzaamheid doen vermoeden, en in die stemming werd hij gehouden door de inspanning van het streven naar een ideaal, waarvan de middelen om het te bereiken hem noch slechts duister voor den geest stonden.
Anton Kolb had zich terstond tot Mona aangetrokken gevoeld; hij had dikwijls voor haar gespeeld en met de tonen van zijn zangerigen Stradivarius haar gemoed betooverd en haar tranen ontlokt. Tusschen die beide muzikale zielen was verwantschap ontstaan.
Thans bracht de vrijheid ze te zamen.
De stormwind woei; van den schoonen levensboom vielen op nieuw twee bladeren en ontmoetten elkander in den troebelen poel. Zoo kwamen zij bij elkander.
Voor Mona ving nu een ander leven aan: Kolb was niet als Moreau de held van de vroolijke bijeenkomsten, van alle kluchten; zij kwam door hem meer en meer in die wereld van muziek, die zoo veel invloed had op haar gemoed; zij leefden in kleiner, intiemer kring, en zij genoot daar een deel van den bijval, die aan Kolb onder de zijnen geschonken werd.
Hij had een geruimen tijd besteed aan het beschouwen en genieten van al de schatten van verschillende kunst, waaraan Rome zoo overrijk is, en zich daarna met ernst en stalen ijver aan het werk gezet.
Nadat hij den winter en het voorjaar geheel aan zijne studiön had gewijd, had hij behoefte aan rust en ontspanning ontwaard, en was met Mona de zomerhitte gaan ontwijken in de koele bergstreken. Daar leidden zij een landelijk leven en dikwijls deden zij wandelingen in de schoone streek. Menigen avond zaten zij op eene der hoogten de koelte te genieten. Het was op een dier avonden dat Mona lucht gaf aan hetgeen zij reeds vaak had gaan opmerken. Zij zaten op eene open plaats waar zij een ver uitzicht
MONA.
hadden in het verschiet, eene plek die Kolb in den laatsten tijd tot zijne dagelijksche wandeling koos. Mona zag op naar den man, wiens blik aanhoudend westwaarts trok naar de ondergaande zon en het verschiet als wilde doorboren.
â Antonio, zeide zij, wat zoekt gij toch daar? Altijd gaat gij zitten staren naar de dalende zon, en dan betrekt uw oog als de hemel: gij ziet er uitgeput uit, welke kwaal verteert u? Gij wordt hoe langer hoe meer ingekeerd in u zeiven! Uwe kunstbroeders zien u niet meer!....
â Zie dat gebergte daar ginds, Mona â als wij noch hooger klommen, zouden wij noch verder kunnen zien â ik wilde daar overheen kunnen zien; daar achter, Mona, ver daar achter ligt mijn land.
â Land van koude en nevel, van sombere levensvormen; daar achter die bergen gaat de zon onder, Antonio!
â Als men eens in dat land is geboren, zeide hij zwaarmoedig glimlachend en het hoofd schuddende, kan men er niet van daan blijven: Mona, ik wilde het zoo gaarne eens weder zien, voor korten tijd maar wederzien!
Zij rees en hief zich op in hare volle lengte. Haar blik stond donker, en het onweder, dat onder die zware wimpers broedde, brak los.
â Ik begrijp u, zeide zij eindelijk, ik ben u tot last; gij wilt mij verlaten en maakt mij daarom wijs dat gij naar huis wilt; zoo zijn zij allen â welnu keer terug naar uw koud en kleurloos land, waar geen hartstocht schijnt te zijn; dat uwe bergen en uwe nevelen u bedekken en ik nooit meer iets van u hoore.
â Wie spreekt er van u te verlaten, antwoordde hij zwaarmoedig. Als gij den moed hebt voor de ontberingen en vermoeienissen der reis____
â Den moed! sprak zij op verachtenden toon, hebt gij in uw land zóo over vrouwen leeren spreken! Wilt gij mij meênemen?
â Mona, gij spreekt alsof gij mijne liefde niet kendet; om u alleen heb ik de terugreis uitgesteld; laat ons dan niet dralen; en zijn blik verhelderde bij het spreken van die woorden.
En de roem dien gij hier verworven hebt, en de rijkdom dien gij verlaat, nu hij u juist zou gaan toevloeien?
â Roem verzadigt spoedig, - er zijn andere behoeften in het menschelijk leven, die zich sterk doen voelen.
â Welke?
â Vraag dit niet: het leven is raadselachtig, en wie kan het ontcijferen! Onweder-staanbaar is de drang die mij drijft.
103
MOXA.
Hoewel Kolb's verlangen tot het hevigste ongeduld steeg, duurde het noch eenige maanden voordat zij de reis konden aannemen. Zij gingen eerst naar Rome terug. Toen Kolb er zijne zaken had afgedaan, konden zij die stad verlaten en begaven zij zich naar Florence, van daar naar Milaan, waar zij het eind van den zomer doorbrachten, en toen, hoewel het reeds laat in het najaar begon te worden, de wegen slecht waren, en de reis in dien tijd noch niet door allerlei vervoermiddelen gemakkelijk gemaakt werd, vingen zij den tocht aan.
Had de Italiane van haar moed gesproken, hij werd op de proef gesteld. Zij hadden Lombardije verlaten, waren de Alpen overgetrokken, en thans lag al wat aan Italië herinnerde verre weg; geen bekende klank trof meer haar oor, de middelen raakten uitgeput en hot was noch ver, tot in het hart van Bohemen, dat zij moest voorttrekken.
Antonio had zijn veerkracht voelen wassen: hij had den grond weder onder zijne voeten, waar men zijne taal sprak, het oude, trouwe Duitschland. Hij vond de kracht zich nieuwe middelen te verschaffen door zijne kunst. Van stad tot stad reisden zij nu, overal zijn talent doende hooren, terwijl Mona als improvisatrice optrad. Op deze wijze bereikten zij, trots alle hinderpalen, de Boheemsche stad, die de plaats hunner bestemming was.
Kolb's ouders waren reeds lang overleden, doch een zuster zijner moeder hoopte hij hier te vinden. Maar ook zij was er niet meer. Zij bleven zich niettemin in deze stad ophouden, en kregen hun intrek bij het burgergezin eens schoenmakers in een van die nauwe straten der oude Duitsche steden, waar de overhangende verdiepingen der huizen elkander hoe hooger des te nader komen en het uitzicht op de lucht beperken. Kolb hoopte door zijne kunst in hun onderhoud te kunnen voorzien.
Arme Mona! zij was neergedrukt geworden. Moed had zij noch; hare verachting voor do zwakke, blonde Duitsche deernen hield haar gevoel van eigenwaarde en haar trots staande. Toch was het haar aan te zien dat het oog den helderen hemel van haar land niet langer weerkaatste, dat zij in den vreemde was. Dit alles wekte in haar, van nature reeds zoo hevig, gemoed een gevoel van opstand tegen al wat haar omringde, van levensverbittering. Ofschoon zij zoowel door Kolb's bizondere persoonlijkheid, als door zijne kunst, op het sterkst aan hem verbonden was, waren de hevigste uitvallen toch vaak de gevolgen van haar tegenwoordigen gemoedstoestand.
In zulke oogenblikken nam de musicus zijne viool en begon te spelen, tot zich haar overspannen zinnen ontspanden, en de hardheid en scherpte in zachte verteedering versmolten.
De avonden werden lang. Kolb gebruikte ze tot den arbeid, in spel of kompositie.
10 i
.MiJN A.
Op een dier avonden, terwijl de voorboden des winters, guurder en scherper dan de winter zelf, zich deden hooren, zat hij zijn geliefden Stradivarius te herstellen, terwijl Mona zich gekleed op het bed had nedergeworpen. Daar hoorden zij, kontrasteerende met de regen- en hagelslagen tegen de ruiten, beneden in huis de harmonieerende tonen van een driestemmig gezang, door eene viool begeleid. Eerst was het een dier heldere volksliederen, waarvan het motief in allerlei vormen bewerkt was; dan ging het in statiger rythme voort, dan zette het zich uit, en zwol, breed en breeder, als met uitgeslagen wieken, tot een majestueus largo, waarvan de grootsche, stoute vormen ten slotte in het gemoed overbleven, als enkele monumentale rotsblokken in de ruime vlakte.
â Jezus Maria, Antonio! riep ze, opgesprongen. Wat is dat!
Zij hadden de deur geopend, en beiden stonden op het portaal, in het donker, vastgekluisterd door de macht dier tonenpoëzie.
Mona had zich gebukt, als om beter te luisteren; toen Anton haar zocht en tastend haar gelaat ontmoette werd zijn hand bevochtigd, en vond die hand haar geknield op den ouden vloer van hot portaal. Wat hij niet tasten kon, het was de stille uitstorting des gemoeds die in haar plaats had; het was het gebed dat zij voor het eerst van haar leven, zonder rozekrans, zonder geestelijke, zonder altaar, uit loutere aandrift, in zich voelde oprijzen, als de stroomtjes eener kleine wel, die opborrelen uit het slijk.
Kunstenaar, gij zoekt het ideaal uwer kunst, â speel nu voort op die teedere sterk gespannen snaren van dit prikkelbaar gemoed; doe ze trillen, opdat er eene golving ontsta en blijve, waarvan de tonen niet wegsterven in het eindige!
De indruk, door Mona dien avond ontvangen, duurde dagen lang voort, en menig-malen zat zij te peinzen met de hand in het weelderige haar, het hoofd op den elleboog geleund. In de schemering zaten zij zoo, zij in zichzelve verzonken.
â Antonio! zoo brak zij plotseling de stilte, waarom zijt gij naar Rome gegaan?
â Wij kunstenaars plegen in Italië voedsel voor onzen geest te halen, onze kunst te volmaken; zonder Rome blijven de hoogten der kunst ons verborgen.
â Toen ik een zuigend kind was, lag ik al op de trappen der Piazza di Spagna; sinds mijne oogen het eerst zich openden heb ik alom de kunst gezien, die de geheele wereld komt bewonderen; mijn leven heb ik onder de kunstenaars doorgebracht, â Antonio, ik heb nooit een indruk zien uitwerken of zelf ontwaard als het gezang van laatst deed ontstaan. Wat behoeft men naar Rome te komen, als men hier kan wat wij nooit gehoord hebben?
MONA.
Deze muziek is u vreemd, daarom treft zij u zoo; het is maar een stuk uit een oratorium; maar wij kunnen het daarbij niet laten; onze kunst moet tot grootscher en veelvoudiger samenstellingen opgevoerd worden.
â Gij hebt mij zoo dikwijls betooverd met uwe muziek, Antonio, maar dan was het altijd door dat wat ik hier zoo uitsluitend in aantrof, dat reine en stillende; â er is een ander deel in uw kunst dat mij soms bevreesd maakt: het is dat diepe, bovennatuurlijke; ik denk bij uw spel altijd aan wit en zwart; â hier was het alles wit; â ik kan het niet anders uitdrukken, liet zij er op volgen.
â Het is het naieve en het eenvoudige, dat u heeft getroffen, door de grootheid die dezen soms bezitten, zeide hij glimlachend, maar alle kunst moet tot hooger zelfbewustzijn opklimmen, en daarin wordt zij het demoniesch spel van geest en zinnelijkheid; van daar in alle hoogere kunst niet enkel het effen vlak der onbewuste onschuld, maaide ernstig-sarkastische strijd van idee en werkelijkheid.
â Wat moeten zij gelukkig zijn, wat moeten zij rein wezen, die de muziek zoo kunnen uitvoeren als dezen: ik wilde ze wel kennen, maar ik vrees dat zij mij niet willen ontvangen.
Zij kreeg er zeer spoedig en onverwacht eene aanleiding toe; want op een avond hoorden zij de tonen der viool weder; de hand die haar bespeelde bezat al groote kracht, maar niet altijd meesterschap; zij herhaalde dikwijls gedeelten, waarover de speler niet voldaan scheen. Nu was het Kolb's beurt om verbaasd te zijn.
â Hoor, zeide hij, Mona hoor! Hoor die rythmen, hoor die onstuimige reeksen van klanken, hoe zij afgewisseld worden door tonen, die de uitdrukking zijn van een door onuitsprekelijken weemoed verzwolgen ziel; hoor de worsteling om weer tot de oorspronkelijke melodie terug te keeren, â bij den hemel, die daar speelt heeft den kom-ponist begrepen, dat is van mij Mona, dat is mijn werk!
Hij liep de trap af en zij volgde hem. Op het geluid afgegaan, stootte hij nu eene deur open. In de huiselijke binnenkamer, bij het zachte licht van een paar kaarsen, zagen zij het gezin des schoenmakers te zamen, dat zich slechts even verbaasde over het bezoek, en hen terstond bij zich noodde.
Daar zat bij het licht de vrouw te breien, de schoenmaker werkte aan een paar vrouweschoentjes, die hij van voren met fraaie strikjes voorzien had en bij wijlen met welgevallen beschouwde. Naast elkander zaten twee meisjes, die opstonden toen de deur was geopend, en zoo als zij daar op elkanders schouders leunden, geen twijfel toelieten of zij waren zusters en de dochters der vrouw aan de tafel; blonde, slanke maagden, de eene iets grooter dan de andere, beiden even lieftallig van gelaat en gestalte. Op een
MOXA.
stoel, een klein eind van de tafel, zat een jongeling van zestien of zeventien jaren te spelen. Hij had plotseling opgehouden, toen hij aller oogen zich naar de deur zag wenden. Toen hij opstond, had Kolb hem in zijne armen gedrukt en hem omhelsd.
â Vriend, zeide hij, ik ben de gelukkige, wiens werk door uwe hand zoo meesterlijk is teruggegeven! Vergeef het ons, meester â zeide hij tot den schoenmaker â dat wij zoo onbescheiden zijn, maar ik kon mijn gevoel niet bedwingen om den jongen maestro te zien, die mij zoo goed had begrepen.
Een gloeiende blos overtoog des jongelings wangen, en Lise en Gretchen klapten van vreugde in de handen.
â Carl, Carl! riepen zij lachend te zamen, â de groote Musiker Carl; Carl wordt een groot virtuoos!
â Gij zijt wel goed, zeide de vader tot Kolb, en uwe toegenegenheid verheft den jongen wat veel. Wees welkom bij ons; wij wisten niet dat wij het geluk hadden den komponist bij ons te hebben, wiens naam ons door zijn werken toch bekend was.
Lise en Gretchen waren niet minder opgetogen met een werkelijken komponist bij zich te hebben, en uitten hare ingenomenheid met naïeve openhartigheid. De jongeling was bij dit alles niet de minst gelukkige, want Kolb had hem zijne hulp toegezegd.
Half in den schemer, ter zijde, zonder zich bij de anderen te voegen, stond Mona. De trotsche, de onbevreesde, wier oogen voor niemand zich neersloegen, die met minachting gedacht had over de flauwe blonde deernen van het Noorden, zij was door een vreemde bedeesdheid overvallen. Er was iets zoo eenvoudigs, zoo reins in den kring der binnenkamer, er werden zulke liefelijk ernstige denkbeelden door gewekt in de verwilderde ziel der Italiane, dat zij verlegen werd onder gewaarwordingen waarvan zij zich geen rekenschap vermocht te geven.
De dochters geleidden haar bij zich en beproefden vergeefs met haar te spreken; doch bij gebreke daarvan, en als beseften zij door ingeving dat deze vrouw zedelijken steun behoefde, hadden zij haar elk bij eene hand gevat.
Mona vroeg toen aan Anton haar te zeggen hoe zij getroffen was geweest dooide muzikale uitvoering die zij een paar dagen vroeger hadden gehoord, en zoo wisselden zij eenige gedachten, die door Kolb werden vertolkt.
Gretchen ging toen een helder laken op de tafel spreiden, Lise zette den grooten schotel er op, waar zij ter zijde van tijd tot tijd een waakzaam oog over had laten gaan, en daarna bleven de beide pelgrims te gast op het eenvoudig avondmaal. Voor dat zij dit aanvingen zette de muzikale schoenmaker het fraaie schoentje naast zich op de
167
MONA.
tafel, â hij was met zijn kunststuk te zeer ingenomen om het geheel uit het oog te verliezen, â nam de ronde kalot van zijn hoofd en sprak zacht maar met vastheid:
â God, die onze vader zijt, met dank besluiten wij den dag dien gij ons weder vergund hebt te leven; dat in den nacht uwe hand over ons hlijve, als wij niet voor ons zeiven zorgen kunnen; dat uw oog over ons wake als wij den dag van morgen beginnen; dat wij dien dag weer aanvangen met u in het hart.
Het maal was gebruikt, de huisgenooten kusten elkander ten goeden nacht, en onze zwervers begaven zich naar hun bovenvertrek.
Tot laat in den nacht lag Mona haar hartstochtelijk gemoed uit te schreien, het gelaat in de kussens verborgen.
Carl was geestdriftvoller musicus geworden dan ooit. Zijn ijver had nieuwe prikkels bekomen, en hij was zich bewust geworden van wat hij was, van wat hij noch worden moest. De weken die voorbij gingen waren onder Kolb's omgang en lessen als uren ontsnapt. Doch het was niet enkel Kolb die hem aantrok, ook Mona bekoorde hem; Mona ging haar vormen leenen aan het ideaal dat elk jong hart in zijn binnenste eens omdraagt en koestert. En als er noch twijfel aan was, dan bleek het genoeg als Lise en Gretchen wel eens zuchtend zeiden;
â Carl, Carl! wij raden wel waarom gij. Bettina, noch Mina, noch Clara meer
schoon vindt.
En hij antwoordde; â Hoe kunt gij uw Duitsche deernen noch verheffen naast deze! Zij zijn als porceleinen beeldjes bij een prachtig beeldhouwwerk!
Carl wilde mede naar Italië.
â Ik heb mijne wijding als kunstenaar ontvangen, zeide hij tot zijn vader, â thans zal ik mijn weg wel maken.
Maar de schoenmaker schudde het hoofd; â Maak geen kunst tot uw beroep, â gij moet van kunst niet eten, dat is mijne leer; gij moet haar bewaren tot uwe bezieling, tot iets heiligs. Ik werk voor mijn brood, en als de arbeid gedaan is, dan zingen en spelen wij onze voortreffelijke Duitsche liederen, en zoo blijft de kunst voor ons altijd iets feestelijks en plechtigs behouden.
Dit was werkelijk 's mans handelwijze. Hij had een kinderlijken eerbied voor de kunst; wanneer hij zijn werk gedaan had, dan wiesch hij zich de handen, kleedde zich in een beter kleed dan zijn werkbuis, en in feestelijke stemming begeleidde hij met zuiveren bas den zang en het spel zijner kinderen.
MONA.
â Neem een handwerk, Carl, zeide hij, en blijf kunstenaar in uw hart; zie naar het lot van dien man daar boven ons. Nu is hij al vijf weken bij ons, â ik zal hem niet lastig vallen â maar ik vrees dat hij behoeftig is, dat zij beiden zeer arm zijn.
Ja, hun toestand was maar al te treurig. In een kleine stad als deze was voor een man als Kolb geen geld te verdienen. Hij was daarbij te ongedurig, zelf steeds zoekende, en de tijden waren ook noch niet daar, waarin een rondreizende virtuoos gemakkelijk concerten kon geven. Het leven hing als een loodzware mantel hun beiden om de schouders. Kolb had berouw dat hij den aanvankelijken opgang dien hij in Italië gemaakt had, had weggeworpen om de gril, die hem voor een tijd weer naar zijn land terug had gedreven. ïot zijne verbazing had Mona er hem geen scherp verwijt van gemaakt; zij was zachter en stiller gestemd dan vroeger. Hij was ver van de oorzaak hiervan te vermoeden in de zielekwaal die haar ging onderdrukken, tot het hem op eens tot zijn schrik geopenbaard werd.
Het was op een avond, dat hij in opgetogen stemming vol drift het huis in liep: een flauwe hoop sinds drie, vier dagen gewekt, was hem tot werkelijkheid geworden; hij droeg een brief in zijn zak, en door dezen was de gelukszon weer gerezen, die de duisternis der ellende zou wegvagen. Het was eene verrassing, die hij voor Mona bewaard had. Toen hij binnen trad zag hij haar voor hot raam staan, omhoog turende naar het weinigje lucht, dat zij door de laatste zonnestralen verlichten zag.
â Weer zijn de laatste stralen van de ruiten in de geveltoppen over ons verdwenen, zeide zij, â de duisternis beklemt mij; ik snak naar licht, naar lucht (zij stootte het venster open); geen zon meer, â zal zij ooit weer opkomen? Daar achter de oude huizen, ver daar achter gaat zij op over een schoon land, mijn land, â Antonio, Antonio, waar hebt gij mij heengebracht!
Kolb zag haar aan en verschrikte. Hij had niet opgemerkt hoe de overgeplante bloem zachtkens was gaan verwelken, thans was hij versteld over de uitwerking. Het heimwee had haar ondermijnd en geknakt. Zij begon hevig te beven en een ijzige kou bekroop haar,
Kolb tastte in zijn zak om haar het gelukkige nieuws mede te .deelen,
â Eens, zeide zij, had ik het ook zoo koud; wij waren, toen ik jong was, eenmaal in de catacomben gegaan, de fakkels gaven er flauw licht; koud was het er en angstverwekkend, met die grafnissen en die spookachtige maagden van het graf van Sint Praetextatus, bleek, onlichamelijk, akelig____
Zij gleed langs het vensterkozijn neder, Kolb ving haar op, zij was ijlende.
Zij hadden haar te bed gelegd en verzorgd.
169
MOXA.
â Weg, weg van mij, riep de arme vrouw, toen zij de oogen weer opende, â zie de drie maagden uit de catacomben, zij zijn heilig, w7at doen zij bij mij, wat willen zij mij doen?
â Mona, kom tot uzelve, wij zijn het, kent gij Gretchen niet meer, en Lise, â maar de arme verstaat onze taal niet, zei deze laatste. Toen beschutte zij de zieke met de gordijn voor het kaarslicht en drukte haar een kus op de wang. Dat was eene taal die de arme verstond, want haar hand trachtte die van Lise te zoeken, en het hoofd werd voor een poos wat rustiger neergelegd.
De dochters van den schoenmaker omringden haar dagelijks met de hulp die alleen liefde schenken kan.
Thans wist Kolb wat haar deerde: â De grond deugt niet voor de plant, die gij er op hebt overgebracht, had de arts hem gezegd, â dat zal nooit gaan, de ziekte kan bedwongen worden, maar de oorzaak blijft; zij heeft het heimwee, en zij moet naar haar land.
Zij zaten allen beneden, toen de geneesheer dit gezegd had, terwijl Mona boven in een rustigen slaap lag. Diep ter neer geslagen zat Kolb daarbij; hij trok een papier uit zijn zak, en las het stil over. Toen hij met droefheid de lezing voltooid had, vatte hij den brief met beide handen boven aan, de vingers knepen zich samen en langzaam, zeer langzaam scheurde hij het vel doormidden. Toen liet hij het op den grond vallen en begroef het gelaat in beide handen.
De schoenmaker raapte de verscheurde stukken op en las de benoeming van Kolb tot kapelmeester te Praag.
Het offer was gebracht, maar niet zonder strijd.
Telkens noch kwamen aanvallen die moesten worden afgeweerd, tot zij zwakker en zwakker werden onder het in Kolb steeds klaarder wordende denkbeeld dat het door zijne betrekking met Mona geschonden zedelijk beginsel eenigermate verzoend zou kunnen worden door de smartelijke opoffering zijnerzijds. Zijn zedelijk bewustzijn kende hem geen recht toe op het leven dezer vrouw, geen recht om haar aan zich ten offer te brengen, maar schreef hem den plicht voor, haar, die hij uit haar land had gevoerd, weer terug te voeren naar dat land, waarbuiten zij toonde niet te kunnen leven. Hij had er haar nauwelijks over gesproken of de krachten schenen te herbloeien. Langzamerhand kwam zij bij, en toen zij voor het eerst weder buiten geleid werd en den blauwen hemel zag tusschen de wingerdveranda door, die aan het schoone zuiderland
170
MOKA.
herinnerde, gevoelde zij zich als op eens tot de reis in staat. Zoo spoedig het mogelijk was, maakten zij alles gereed. Kolb telde zijn geld, dat hem ruim halfweg kon brengen, huurde een kleinen wagen die hen een paar dagreizen ver zou heenvoeren, en betaalde den schoenmaker. Deze evenwel schonk hem de helft terug.
â Gij hebt mijn Carl zoo dikwijls onderwezen, laten wij dit zoo schikken, zeide hij, en gaf noch aan Mona een paar zijner beste kunstwerken van schoeisel, die zij op den tocht wel behoeven zou.
Wie er het meest door het afscheid geschokt werd, was Carl. Hij had gebeden om mede te gaan, maar hij moest den dag des vertreks zien aanbreken zonder dat zijne ouders hem dit vergunden. Hij zag er zijn met liefde gekweekt ideaal mede instorten, en het leven scheen hem nooit meer geluk te kunnen bieden. Ook Lise en Gretchen waren aangedaan: zij gevoelden zoo innig medelijden met de jonge vrouw die geen huis had, geen ouders als zij, geen huiselijken kring.
Tegenover haar was Mona beschroomd; zij wist niet of de meisjes de betrekking kenden, die tusschen haar en Kolb bestond, maar zij vermoedde dat zij wel wisten dat die niet zoo was als deze eerbare kinderen zouden kunnen goedkeuren. Haar gemoed drong haar ze beiden in hare armen te drukken, â maar zij durfde niet, zij gevoelde eene kloof tusschen haar en zich.
Het was pijnlijk te zien, toen de trotsche Mona beider voorschoot vatte en, dank stamelend, een kus drukte op dit kleed. Maar Lise en Gretchen namen haar beurtelings in de armen en drukten elk een kus op het gelaat dat zich begroef aan beider boezem.
Over het ongelijke grindplaveisel hotste de wagen voort; noch éen blik uit het kleine achterraamtje en hot huis des schoenmakers was aan het oog onttrokken. Uit de werkelijkheid verrees het oude huisje, met zijn spitsen, overhangenden geveltop, met zijn wingerdranken om de vensterkozijnen, met den braven muzikalen schoenmaker, met den trouwen schwilrmerischen jongeling, en de twee reine engelen; het rees al hooger en hooger en voor Mona's geest bleef het zweven omringd van een heiligenaureool. Ver van daar liep haar weg, over rotspunten en distels.
Met onopgemerkte overgangen gaat de levenswisseling voort, tot wij plotseling hare uitwerkselen zien.
Hoe is de jonge, moedige kunstenaar, vol van de bezieling der werken die zijne verbeelding al voorschept, zoo snel geworden de vervallen man die langs de straat trekt en met zijn spel een karig levensonderhoud verwerft?
171
MONA.
Hoe is de schoone jonge maagd, vol van den trots, dien het gevoel van kracht, gezondheid en schoonheid geeft, schitterend eenmaal met hare gaven, de geschokte, bij wijlen aan lot en leven vertwijfelende vrouw geworden, die gij dien man vergezellen ziet?
Wat is er thans van dien zinnelijk levendigen geest, van die trotsche schoonheid, van die begoochelingen van levensweelde, van die droomen van kunst en genie?
Zij dwalen in slechte kleederen de wegen langs, zij zitten in een greppel of een plekje lommer een karig maal te gebruiken: zij komen van de eene stad in de andere. Op de markt, op het kleine tooneel, zoo het er is, in een speelhuis, staat de kracht en het genie te spelen voor eenige groepen onoplettende lieden, en zoo er een enkele maal opmerkzaam éen blijft luisteren, het is een balsem in de wond, maar een balsem toch die steekt, omdat hij herinnert aan den kunstroem, waarvan de speler verviel. En naast dezen staat de schoonheid, het weelderige genotvolle leven, en danst voor de menigte met de tamboerijn de dansen haars volks, nu ze geen geestkracht meer heeft om de gave der improvisatie te doen hooren. De geniale musicus en de prachtige improvisatrice, langs doolwegen en verkeerde paden zijn zij gekomen tot wat zij zijn, een reizende speelman en zijne boel.
Toch zijn zij meer dan zij waren.
De maskers zijn afgescheurd, het blanketsel door tranen weggespoeld, de naaktheid van het schijnschoon beroofd, en de zelfbewustheid is door een ruwe hand wakker geschud.
Dieper dan haar zelve bekend was voelde Mona den invloed van het gestrenger, ernstiger leven van het Noorden. Vandaar die prikkel die noch altijd bleef steken, al genas de heimweekvvaal en al putte het lichaam nieuwe krachten uit eiken tred, die haar nader bracht aan de grenzen van Italië,
â Moed gehouden, Mona, zeide Kolb, â wij zijn nu te midden der bergen, die ons scheiden van uw land, het kwaad is bijna geleden.
Passando il male, sperando il bene,
li tempo passa, la morte vienne,
sprak zij met een bitteren glimlach.
â Laat ons liever de hoogte beklimmen, wij zien daar weer verder; wij zien er de zon, die haar gloed noch werpt over de vlakte. Morgen hebben wij de verdere toppen bereikt; noch éen dag en wij dalen in de vlakte en de Italiaansche taal zal uwe ooren weer streelen.
172
MONA.
â Er is meer noch! er is noch iets inwendigs dat mij verteert, Antonio, het knaagt als honger en dorst. Daar zijn dingen voor mijn verbeelding gaan leven die ik niet noemen kan. Het beknelt mijne borst op vreeselijke wijze â als ik het maar kende, maar ik weet niet wat ik gedrongen word te doen, wat ik denken moet â o Madonna, ik wil wel, maar ik kan niet, ik weet het niet!
De avondster was opgegaan, dikke wolkenhoopen, tegen elkander opgekruid, stegen boven de bergen aan het westen en vormden nieuwe bergruggen. Bij een steenblok neergezeten staarde Kolb donker voor zich uit naar het verschiet, de lijnen en plans van het voorhoofd beeldden den kamp af die daar binnen plaats had. Hij had niet gewanhoopt aan zijne kunst; hij streed noch altijd om de middelen die haar moesten verwezenlijken. Lijden en werken is de kern van het leven; het licht beschijnt alleen de oppervlakte, hot binnenste van de aardkorst is donker; ernst is de grondtoon door de harmonie van het heelal heen; schoonheid komt hem verhelderen en veredelen, en als de zon weder opgaat over het leven is het een kalm verkwikkend licht, geen uitspatting van vonken; van die levensbeschouwing is de kunst, moet de kunst zijn de afspiegeling, de incarnatie; ernst op den bodem, hoe ook getemperd door de vreugde van het geluk, toch nooit afwezig; geene kunst die uitspat, dio verblindt, die de zinnen streelt en verrukt, maar eene die verheft tot hoogere levensopvatting.
Wat rondwoelde in het brein brachten de vingers over, en de viool zong het bezielde lied. Nedergevlijd tegen hem aan, het hoofd in zijn schoot geleund, had Mona de tonen ingedronken: zij had ze voelen neerdruppelen, eerst als heete tranen, toen als stillende laving; zachtkens was zij meegegaan, was haar ziel gewiegd op den stroom der rythmische klanken; de harmonie had harmonie gebaard en mot machtige hand de golven gestild die bruischten in haar gemoed. De bloemen die zij plukte, als laatste herinnering aan den vreemden bodem, ontgleden hare hand; en toen de laatste toon wegdreef op de golvingen der lucht, was haar gejaagd hart gesust tot een zachten sluimer.
De spanning die Mona's zenuwen had opgehouden zoolang zij haar land noch niet bereikt had, begon haar te begeven nu zij de bergen overgetrokken en in de vlakten van Lombardije waren gedaald. Het moreele heimwee won nieuwe kracht, toen het lichamelijke verdween: zij werd gezonder en sterker, maar scherper folterde het zedelijk bewustzijn in haar, en soms werd die foltering ondragelijk.
Ter zijde van den weg dien zij volgden lag een oud en vervallen slot, en zij konden den lust niet afweren het te beklimmen. Zij voelden zich bij instinkt te huis in die
173
MOXA.
bouwvallen van vroegere grootheid. Daar boven in een der vertrekken, met afgebrokkeld lijstwerk, met lappen van verbleekte muurbehangsels, met bestoven en gespleten overblijfsels van kunstrijke beschotten gestoffeerd, staarden zij door de geheel opene en vervallen bogen der ramen.
â Ik kan dit leven niet langer lijden, sprak Mona somber, â vervloekt zij mijne moeder, vervloekt mijn gestarnte, en hij die mij het eerst in het ongeluk stortte! Wat heb ik aan mijn land! Ik kan er niet meer zijn wat ik eens was; ik was er eens een onschuldig kind, dat zong voor de pelgrims; ik was er eens een bloeiende maagd, wat ben ik nu â waarom keer ik hier terug, waar ik niet meer behoor; mijne schoonheid is verwelkt en mijne oogen zijn ingezonken als de Campagna onder de voeten der ossen. Geef mij mijn leven der Campagna weder, geef mij mijn onschuldig leven terug, of stort mij hier naar beneden.
Met woede sloeg zij den tamboerijn tegen een uitstekenden steenhoek, dat het trommelvel barstte.
Toen kwam er een pooze rust, zij hijgde en wachtte naar adem.
â Mona, Mona, pas op dat raam! riep Kolb beangst.
Met donkeren blik zag zij door het vervallen kozijn omlaag naar den afgrond.
â Mona! Mona! om Gods wil, ter wille van mij! ga zoo ver niet! Mona!
Met klimmenden angst zag Kolb haar oog verhelderen en eene soort van droeven glimlach de bleeke lippen plooien, flauwe afspiegeling van een wordend denkbeeld dat haar ging bekoren.
â Zie, hoe hoog zijn wij hier wel, zeide zij, â de zwaluwen hebben haar nesten onder dezen dorpel.
â Om Gods wil, Mona, gij zult mij krankzinnig maken van angst, buk niet zoo voorover.
â Voorover, zeide zij als in gedachten hem na, â zie, hier tegen die steile muren komen de uiterste toppen der klimplanten van beneden af, zij klimmen altijd hooger, â wij gaan lager, â lager. Kijk, riep zij luider, en met een verbijsterde opgetogenheid, hier onder, hier laag onder mij, daar zie ik in den muur de wapens van het oude slot en de kroon daarboven, en in die kroon een nest van vogels, met de jongen die er uit en in vliegen; onschuld en ijdelheid.
Kolb was radeloos. Mona's voet was op den uitersten rand van het bouwvallige raamkozijn. Waar hij stond zag hij niets dan lucht; alleen een paar teedere toppen van klimmend gewas hadden die hoogte bereikt en begonnen zich te vertoonen even boven den rand waar Mona's voet op rustte. In de verte en lager zag men onder zich vogels
174
MOXA.
vliegen. Alles gaf den indruk van de hoogte waarop zij waren, van de ledige diepte die zich daaronder uitstrekte. In die diepte staarde zij noch altijd, voorover gebukt met eene helling, die elk oogenblik het evenwicht kon doen overslaan.
Kolb durfde haar niet aanvatten om haar terug te trekken, uit vrees dat zij eenige beweging zou maken, en elke beweging was de dood.
â Zie, zie, riep zij met verwondering, de bodem wordt hooger, de grond en de boomen beginnen te rijzen en komen nader, nader bij mij, â het draait en golft!
â Jezus Maria, houdt mij! gilde zij op eens, zich achterover werpende.
Hij greep haar aan en sleurde haar naar binnen. Zij lag bewusteloos aan zijne voeten, en hij, terwijl zijne knieën knikten, veegde zich het angstzweet van het gelaat.
Een belgeklank en zweepslagen waren de eerste geluiden, die hij hoorde, toen hij terugkwam van de bedwelming die zijn hoofd deed duizelen. Daar was wellicht hulp te erlangen, en hij wilde zich snel naar beneden begeven. Hij aarzelde noch even, of hij Mona in dien staat alleen kon vertrouwen. Toch was het misschien eene gelegenheid die hij niet moest verzuimen. Hij snelde daarom de verbrokkelde trappen af, telkens stootend tegen de muren om de enge wentelende trap. Beneden gekomen ontwaarde hij op den weg een kar met een muilezel. Hij riep den drijver en smeekte hem de weldaad af Mona mede te voeren naar het naaste dorp. De man was gewillig en met hun beiden brachten zij de ongelukkige vrouw met groote inspanning naar beneden. Daar vonden zij nieuwen bijstand in een bejaard geestelijke, die uit den wagen was geklommen en hen nu hielp de vrouw onder de huif der kar te plaatsen. Do beweging bracht haar bij, en toen verlichtte een stille tranenvloed haar boezem. De priester, die haar zijne plaats had afgestaan, liep, hoewel hij de kracht der jeugd niet meer had, met Antonio naast het rijtuig en stak bij wijlen het hoofd vooruit, om daarin te zien en Mona vriendelijk bemoedigend toe te knikken. Toen zij 's avonds in het dorp kwamen liet hij den wagen naar zijn huis rijden en nam de reizigers bij zich op.
De rust in het huis van den padre en diens vriendelijke zorg begonnen Mona kalmte en herstel te schenken.
Zij bleven er eenige dagen, waarin de pater nooit vroeg naar beider lotgevallen, maar met de grootste liefde en kieschheid hen geheel liet handelen en loven zoo als zij zeiven verkozen. Alleen had hij eens met een enkel woord hen opgewekt den kerkdienst bij te wonen, doch daar verder niet over gesproken. Zoo won hij zachtkens het vertrouwen. Kolb was geen man die zijn gemoedsleven en de verschillende strijden die daarin' plaats hebben aan een ander zou mededeelen, doch de begrippen die hij over kunst en leven koesterde waren meermalen het onderwerp van hun gesprek geworden.
17.quot;)
MONA.
Mona's hart voelde zich tot den rustigen, waardigen man aangetrokken, tot dat zij toegaf aan de neiging om het voor hem uit te storten.
Eens was zij zeer vroeg in den morgen den tuin ingeloopen, die-achter des paters woning lag; zij ging de paden door, tot achter in, waar in de schaduw van een ouden vijgeboom eene ruwe bank stond. Zij liet zich daarop nederzakken en zij dacht aan den vijgeboom, die haar ouderlijk huis beschutte, zij dacht aan haar vroeger leven; het boofd was niet stout opgeheven, het viel in de hand die het steunde. Zij had zich alleen gewaand, doch niet ver van haar af bemerkte zij nu op eens den priester, die haar niet had willen storen, maar was voortgegaan mot het omspitten van den grond.
Haar oog ontmoette nu het zijne en hij knikte haar vriendelijk toe.
â Zoo vroeg reeds uit de rust, mijne dochter? zeide hij.
â Rust â juist daar heb ik behoefte aan, mio padre! Geef gij mij rust, gij die zoo heilig zijt.
â Rust, zeide de priester, de eene hand over de oogen en het voorhoofd strijkende en met de andere leunend op de spade, â wij zoeken ze allen: maar het leven is geen rust, het is arbeid en strijd.
â Schenk mij uw zegen dan, sprak zij, voor hem op de knieën vallende, als gij dien aan eene zoo onwaardige geven moogt.
â Uw verlangen toont dat gij niet geheel onwaardig zijt, antwoordde hij, â Hebt gij iets op uw gemoed waarvan de uitstorting u verlichten kan?
Mona hield de oogen nedergeslagen en zweeg,
â Spreek vrij, mijne dochter, zeide hij, de handen op haar hoofd leggende,
â Vader, ik heb uw raad gevolgd, â ik heb den dienst van gisteren bijgewoond, -Toen zij was verricht, en er niemand meer in de kerk was, heb ik het gewaagd rond te zien in een heiligdom dat mij vreemd was, Tn een der kapellen hing eene schilderij,,,,, ik heb er de gordijn van weg geschoven, â mijn vader, gij weet niet wie ik ben; in Rome----
â Diepe deernis, mijne dochter, heb ik met die kinderen uit het volk, die den kunstenaar ten modellen moeten strekken; sta op, ik weet wat gij geweest zijt, Mona, en uw leven is mij bekend,quot;
Met pijnlijke verbazing zag zij hem aan. Hij gaf geen rekenschap, doch bleek te wachten tot zij voortging.
Welnu, zeide zij met bittere zelfvernedering, als gij weet wie ik geweest ben, zult gij mijne ontsteltenis begrijpen, toen ik in de Madonna met het kind, waarvan ik de gordijn gedachteloos had weggeschoven, mij zelve terug vond zooals die man mij
170
MONA.
eens schilderde. Ik herkende zijn werk en mijn eigen gelaat. Mij zelve in de Moeder Gods, o vreeselijke bespotting, die mij het hart open rijt! Mij zelve, diep gezonken, en dien geheelen tijd van schande en ellende, in het beeld der heilige Madonna! Wat akelige verwarring, en wat ontzettende kloof gaapt er tusschen wat hier vereenigd is! â Padre, is er geen middel om het afzichtelijke dezer tegenstelling te doen ophouden!
De pater zweeg geruimen tijd.
â Daar is één middel, sprak hij ernstig, zegen de Heilige Moeder, dat zij met dezen laatsten treffenden slag het nieuwe leven, dat allengs in u ontwaken ging, voor goed heeft gewekt; dat zij u de vreeselijke kloof heeft doen ontwaren die er bestaat tusschen u en tusschen dat ideaal van het rein vrouwelijke! â De kloof die het u onmogelijk maakt tot dat ideaal in de verte te naderen, moet gedempt worden, â breek onherroepelijk met uw verleden, â antwoord mij niet, zeide hij snel, toen hij hare aandoening ontwaarde, naar huis kunt gij niet koeren, het bestaat niet meer, de oude vrouw is overleden; maar gij, arm, vermoeid kind, rust uit in mijn huis, tot dat de tijd de overige voetstappen hebbe uitgesleten, tot dat gij weder in staat zijt een nieuw leven te beginnen en een beteren kamp met de wereld te strijden.
Den volgenden morgen had Kolb zijn reisbundel gepakt en stond hij bereid tot den verderen tocht.
â Mona, zeide hij, zich met moeite bedwingende, wat moet ik doen?
â Wat het haar kostte het vreeselijke woord âga,quot; uit te spreken!
â Alleen?
Zij knikte toestemmend.
â Gij verlaat mij dus, sprak hij somber en met een bitter ironischen trek om de lippen.
â Antonio! maak het mij niet te zwaar!
Hij gevoelde zich gekrenkt, en dacht er aan, â wat hij toch niet had kunnen volvoeren, â zonder afscheid te vertrekken.
Zij snelde op hem toe en omhelsde hem. Zij fluisterde; â Ga Antonio, werk en wordt weder groot; voor mij moet er eerst een afstand liggen tusschen het verleden en de toekomst die ik droom. â En nauw hoorbaar voor hem alleen was het wat zij er bijvoegde:
177
MONA.
â En dan mijn geliefde, mocht die betere tijd eens komen, â kom dan weder.
Een lange, hartstochtelijke afscheidskus, wellicht een afscheid voor goed.
Hoe hij weg kwam wist Kolb niet, het was een oogenblik van stilstand in zijn geheele bewustzijn. Toen hij noch eenmaal achter zich zag, kon hij in de deur de eerwaarde gestalte des paters zien, en eene vrouw, die, het hoofd tegen zijn borst gedrukt, door hem werd ondersteund.
178
I X II O U I).
Bladz.
Een oude strijd..................................................1.
Eene preek in 1G29.......................11.
Bladen uit een levensboek.....................84.
Wandelingen door de wereld....................104.
Van twee Koningskinderen.....................131.
Een pelgrimstocht naar de Weddesteeg.................149.
Mona.............................157.
'^nquot; «2« â¢
^®i
afc-lia
BBi fiHHMHBi hBiWHp WmÃÃSÃÃÃmÃÃlmSÃ^
i--1 .3« '3l4;:j.5i ' f ^££ïtquot;gt;3SBi!»Eï£- ^ '1 â ' if'1
MMBHI â¢
â EHmH
I IP :
''lt; 'c 'iS5®Kb. «'f'J'r -' â Jï.'-j -41 j '» ' y* ; stfw- tl » ' ' i â¢gt; w * ^Sr'J» ^ ittliui-st amp;gt; v' â¢* H «W1 quot; â » flmSeSx 'J,ii il-v- â 'i'j
H *i V â¢'.-'.iC., .-,J,'' 1 -'^'-ïïï-v quot;*1? «. v''quot;'^'â¢#S i * '** ' ' '''quot; ' f '⢠â â¢â¢â¢' quot;. i '. / %?'⢠â¢' ⢠'vfylK
;
i|sl |Ãlli®3à 11 i;Slt Aà SiW
tw «
mllmm
mÃmÃBÃBmmÃsmÃKÃmÃm â¢
ijmm-.n'AMM
v 'l ⢠' 1 gt; .' lt; i lt; '
rWs^bi * \} 'iy ^ / â A!}') i 'v lt;'⢠lt;;' gt;; 'â (''â ^ ^ ^, i'.. ⢠;â¢:â â : '⢠\ â */gt;.,1ȕ? â â 'â ^
x \ ^ 'V{' V 'i'S A,*,'1-!' i'â¢' ''⢠;⢠. â .' (/lt;â¢â ..( ;â gt;; \» w il v \\RS\iCr^\VS/^ 'quot;-K â ''K lt;â '⢠^ vS'-quot;t/o' »'!â¢'â¢â ' â¢'.⢠'â¢'â¢â '⢠* lt; .'S..-V- '., . 'â 'â â 'lt;
gt; A WAwW,ihW ^ OS v.- ) 1 ' V V\)v ,â ) W / V,v'f. â S . â â¢gt; ..â¢Â« liA.; lt;; quot; 1V1( 'fVvtfi.O-SW.HAX'm /v '-V t'V s/ /slt; -/gt; ⢠' 1 'â¢' 1 ⢠â¢' '⢠' I â ' H. ^ \miWAXt T.' gt;. ólS .' \ V' v.; â //;;â '.V '(;â ( .
W®fcte$;S^
gt;lt; wgt; iVv»1-' ttScfsvS / x n u i VH.M lOOiA \ H W lt;! S ⢠M v isV 1 V.
A)vs%V/ i.v .'SiSCgt;.1;)(gt;S:V, 4?., /nVA
» U\;'
lt; / â / r . â â¢'. ' quot;X ?â . ( lt;
a'/.MÃ ;quot;.iquot;
'lt; ' i\;i quot;l ⢠f. ^ ^ ⢠â -â
' S V ;⢠â¢' . ;
i k â â¢;
vii (\u
» » \ i, ⢠ij i / '*»,??', , ' -' 1'quot; Æ V ' s V s V ./'! / â
\ 4 / iii* l , \ / k '.â â¢â¢*. â â ; 'â ⢠.
V^WVOsJi lV«w/{V« / / \( i i ''â 'lt;' vl!' â¢' â¢lt; \ â 'quot; â â â¢; quot;l-^
quot; ; v' lt; lt; .' â¢' / r.'â¢â¢!'''â¢'?4 1 â ' .}',' ' f â¢â â¢* f â¢'.quot;⢠» 'â
â¢\ vxv gt;i v-t⢠- ⢠.lt;sv \h i s :.,'i :â t.â r-. ^ ^i( i \/f\ gt; * t h')1!-'' ^ '. gt;t lt;' 1 ' 1 ;'⢠.quot;*;⢠' A Vt
⦠/ V ^ v, \ \ \ ( / * . i 7 ' W . ' '. v * t i , S 1 / ^ S ^ ^ w ^ ⢠\ s- ,
fKVV/iVrvâ¢;*;â¢â¢ /; 1 -v llt; '
|^ ' '' ' V'
I
quot;. â â '.â¢k â . r 'r ti 'i
JV'AV.1
A gt;lt;Vi lt;; . lt;-lt;/£/.â Ai 'â lt;,' f''.' 4
mmwmmm:
WKWMvïrâ¢lt; «r,ArA ^Wt'tiW?/.Mn â ⢠'CAI v H'«maâ¢â .*.â¢.⢠â¢â¢' ^VZ/Jw^V^ 'i i' iVi//gt; A}( /fi N 'â lt; H i'i i'.'1!vm lt;iV *
M
mwpMmwmwm^
1 1
WMwkwn^ -/71^1
]lt; r« . n ,4 r' yV * A / »lt; V * /» ' »
^â¢i'
â ' i' 'a'. * / '' j' 'i*' ) ï.(/ s '!( » ' / ;,
»/'7. ' i' n i V » . VH ' V,quot;
â¢H-AW
/^Vf