tSwi'SSfe.'*;
Wij vermogen niets tegen de waarheid.»
P au lus.
België verkrijgbaar bij: g. P. DATEMA, Evangelist te hassett. den Boekhandel bij: WENK amp; B1RKHOFF, Noordblaak 95, Rot'J) i'
EEN WOORD
AAN ALLE WAARHEIDSLIEVENDK
ROOMSCH-CAT HOLI EKEN
\AN
G. P. DATEMA,
TE HASSELT (België).
vermogen niets tegen de waarheid.* i'aulls.
Urrc.avk van uk Algemeene Protestanten-Vereexigixg,
Afd. K i) t t k r d a m.
Kantoor : Nieuwehaven 66.
IVTcn mag in onze dagen gerustelijk vragen ; wie kent pastoor Daens niet? In alle couranten wordt over dezen volksvriend gehandeld; zijn moedig optreden als Christen-democraat heeft hem vele vrienden gemaakt, maar ook veler vijandschap op den hals gehaald. Hij heeft den moed er eene eigene overtuiging op na te houden, en durft er open en vrij voor uit komen. In België is hij wel de man die het meest wordt besproken: een tot nu ongekend vei schijnsel is daarvan de oorzaak, hij is en blijft een verkleefd aanhanger van de R. C. kerk, en is door zijn optreden als politiek man, woord- en aanvoerder der Christen-democraten, in conflict gekomen met de Clerus.
Meer dan bij iemand vindt zijn stoutmoedig optreden bij den evangelischen weerklank, het doet in zijn hart een snaar trillen, brengt hem geheel in beweging, en doet hem denken aan de dagen van ouds, toen zijne vaderen streden met eene geduchte macht, die van vrijheid geen Bijbelsch, maar een pauselijk begrip had. Toen wij voor liet eerst den naam van pastoor Daens hoorden noemen in verband met de partij der Christen-democraten, welker éminente leider hij is, werd geprofeteerd: »dit zal pastoor Daens eene hevige vervolging op den hals halen,« en: «pastoor Daens zal door de omstandigheden gedrongen worden geheel met Rome te breken.« Den 3e Januari 1899 schreef Z.Ew. aan het Isechemsche dagblad een brief, waarin hij mededeelt aan welke vervolgingen en broodrooverijen
â 6 â
hij is blootgesteld, zoodat de eerste profetie reeds in vervulling is gekomen ; en ten slotte schrijft hij in dezen brief: Zoon en priester der katholieke kerk, zal ik leven en sterven in de religie waarin ik geboren ben, en welke ik vastelijk geloof de goddelijke religie van Jezus Christus te zijn. Aan mijn vrienden zal ik de droefheid niet aandoen, noch aan mijne vijanden de vreugde geven, ooit in mij een apostaat te zien.«
Naar zijne meening wachten wij op de vervulling van dezen wensch te vergeefs; hij zal nooit een afvallige van zijne kerk worden, want de R. C. religie is volgens hem de goddelijke religie van Jezus Christus. Ik ben zoo vrij met hem van meening te verschillen, en zal hem, gedrongen door de liefde van Christus aantoonen, dat de R. C. religie de goddelijke religie van Jezus Christus niet is. God biddende dat Hij alle lezers verlichten moge door Zijnen Heiligen Geest.
Hier past uw » nimmer® niet, maar welde vraag van God : Wat is uw eisch van mij voor 't overzalig lot. Om langs het smalle pad en door de enge poort. Te wand'len aan Uw hand, steeds veilig ongestoord: Met wie van beide kan ik mijn Jezus meer gewinnen : Met hem die van Zijn raad, o schandelijk verzinnen ! »üe souvereiniteit de glorie steeds ontrooft« ?
OfvoorHem buigt, in »nietszijn« »roemt »Hem looft.«
Gij zult mij toestemmen dat de zaak gewichtig eenoea: is om er eeniiie oosrenblikken onze aandacht
O O O O
aan te wijden. De kerk die u onder hare leden telt, zegt : »ik heb gclijk«, en de protestantsche kerken zeggen eveneens : jniet gij, maar wij hebben gelijks.
Wij zouden in dezen strijd om de waarheid, tot eene geheele ontkenning van de waarheid moeten komen, indien wij niet een gemeenschappelijke basis hadden, de Heilige Schriftuur.
Van dit Goddelijk bqgk zegt uwen Catechismus, dat het is geschreven gewoföen door heilige mannen Gods die gedreven werden door den Heiligen Geest, en wij evangelischen sluiten ons gaarne hierbij aan, als die
- 7 â
weten dat het woord van 'den heiligen Paulus waarheid is : al de Schrift is van God ingegeven.
Wanneer wij dan een gemeenschappelijk uitgangspunt hebben, is de vraag gewettigd : gaan wij nu ook uit van dit punt ? Houden wij ons aan de Heilige Schriftuur, en aan niets ter wereld dan haar ? Is zij onze vraagbaak, ons richtsnoer, bepaalt zij den gang onzer gedachten ? Wanneer wij op Godsdienstig gebied iets hooren, onderzoeken wij dan de Schriften of deze dingen alzoo zijn ?
Paus Gregorius IX heeft gezegd : »daar de onwetendheid in de Heilige Schrift eene bron \ an dwalingen is, is het dienstig dat allen haar lezen of haar hooren lezen.« Wanneer uwe kerk zich gehouden had aan de eenvoudigheid der Heilige Schriftuur, zou de scheuring, die gij niet alleen, maar ook wij betreuren, nooit hebben plaats gehad.
Wanneer zij was voortgegaan zooals de apostelen, die getuigden uit de Schriften dat Jezus is de Christus, zie in de werken der Apostelen wat Petrus, Stefanus, Barnabas en Paulus deden, om slechts enkele te noemen, wanneer de kerk gedaan had als de Christenen te Beréa (die edeler waren als die te Thessalonica) die niet alleen het Woord met toegenegenheid ontvingen, maar ook dagelijks de Schriften onderzochten, of deze dingen alzoo waren ; zou de deur gesloten zijn gebleven voor alle dwalingen.
Gij weet beter als ik het u zeggen kan, hoe uwe kerk zich gedraagt tegenover het Woord van God ; zij beweert dat dit woord door God is ingegeven, dus betrouwbaar ; terwijl de Paus de Bijbelgenootschappen op eene lijn stelt met het Sosialisme, en zich in bitterheid des harten uitlaat over de verspreiders dier Goddelijke geschriften.
Ik vraag u in allen ernst; wat kan hiervan dc oorzaak zijn ? Waarom onderwijzen uwe priesters het volk niet uit de Heilige Schriftuur? Zij toch alleen kunnen naar uwe leering het volk, den zin der Schriften doen verstaan.
Ik heb onderscheidene keeren in eene Roomsche
kerk een sermoen bijgewoond, maar nog nooit eene Bijbelverklaring gehoord.
Zeg nu niet dat dit niet noodig is; gij die als Pastoor onder het volk werkt, moet evenals ieder ander de treurige ervaring hebben opgedaan dat het volk van den Bijbel niets afweet. Ik behoef u niet te zeggen dat de zoogenaamde sermoenen niets anders behelzen dan allerlei mogelijke en onmogelijke geschiedenissen uit de levens der heiligen, of wel in de vasten er op aangelegd zijn het volk door bangmakerij naar de kerk te drijven.
Opzettelijk wil ik hierbij uwe aandacht bepalen, om aan te toonen, dat de Schriftuur als Godsopenbaring bij u niet in eere is. De Roomsche kerk is bang, heeft schrik voor den Bijbel, en toch beroept zij er zich in onderscheidene gevallen op. Vergun mij mijne meening u kenbaar te maken ; uwe kerk gebruikt den Bijbel als een voertuig om leerstellingen, die buiten den Bijbel pasklaar zijn gemaakt, ingang te doen vinden ; en om dit doel te bereiken worden teksten uit hun verband gerukt, komma's verplaatst, apokriefe boeken echt genoemd ; alle middelen zijn ook in dit opzicht goed, zoo zij maar dienen kunnen tot het doel.
Al is het ook dat de Paus in zijn encycliek, om ons zand in de oogen te strooien, het Bijbellezen aanbeveelt, de kerk wil niet dat de Bijbel gelezen wordt, en hare dienaren willen het ook niet.
WAAROM ?
Op deze vraag zal ik u een antwoord trachten te geven. Ik koiv zeggen wat een R. C. die goed ontwikkeld is mij vertelde : »och Mijnheer, als alle Roomschen den Bijbel gaan lezen, valt de Roomsche kerk als een kaartenhuisje in elkanders ; maar ik wil niet in den wind slaan, ik weet dat het u om de waarheid te doen is, en daarom wil ik u bewijzen dat de Roomsche kerk als eene pauselijke inrichting positie genomen heeft, en houden moet tegenover de openbaring der waarheid, Gods onfeilbaar woord.
liet grootste gedeelte harcr leerstellingen is niet
â 9 â
genomen uit de Godsopenbaring, maar komt er mede in strijd.
De geheele inrichting der kerk, hare ceremoniën zijn aan het heidendom, en voor een deel aan liet Oude Testament ontleend, en houden er geen rekening mede dat de bedeeling der schaduwen voorbij is, en het licht in Christus is opgegaan.
Tot de Samaritaansche vrouw sprak Jezus ; gt;'de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in Geest en Waarheid: want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem a/zoo aanbidden.quot;. (ev. St. Joh. 4 ; 23).
Van den Bijbel en het Bijbellezen.
Jezus heeft gezegd: «onderzoekt de Schriften (ev. St. Joh. 5 ; 39). In de eerste tijden der christelijke kerk dachten velen: wat in den Bijbel te lezen is weten wij al van overlangen tijd. Jezus heeft gezegd : »leert van mij« (ev. St. Matth. 11 : 29). Velen gingen liever ter schele bij dwaalleeraars, die eenen grooten naam hadden, hoe meer men zich op eigen wijsheid verliet des te meer werd men ongehoorzaam aan het woord en de leering van Jezus ; de Heilige Schriftuur was van zich zelf niet in duisternis gehuld, maar de eigenwijsheid der menschen heeft haar licht achter een staketsel verborgen. De Schrift lag, niet in figuurlijken zin, maar in waarheid aan een keten gekluisterd. Toen Luther haar aldus vond, wist hij nauwelijks dat er een Bijbel bestond, door het lezen van dit Goddelijk getuigenis werd het licht in zijne ziel, en leerde hij dat de mensch zalig wordt alleen door genade.
Wat leert de R. C. kerk van de Heilige Schriftuur ? Zij leert dat van de apostelen van Jezus Christus twee stroomen der waarheid tot ons zijn gekomen. De eene stroom is het Nieuwe Testament, en de andere de mondelinge overlevering van geslacht tot geslacht, tot op de Bisschoppen van onzen tijd.
Hoewel Jezus geboden heeft de Schrift te onderzoeken, de eerste Christenen dagelijks de Schriften onderzochten, (werken der Apostelen 17 : ii)enPaulus
â 10 â
zegt dat de Schrift nuttig is tot onderwijzing en leering, ja, dat hij Timotheus opwekt: »Houd aan in het lezen.« (I Tim. 4 : 13.) zoo verbiedt de Roomsche kerk den leeken de Heilige Schriftuur in de landstaal te lezen, en wanneer er dan nog van verklaring sprake is, wordt aan de overlevering een hooger gezag toegekend als aan de Schriftuur. Alle dwalingen vinden gereeden ingang bij het volk ; het volk 'dat zijn Hijbei niet lezen mag, heeft geen toetsteen van onderzoek, verwart de waarheid met den leugen, en gaat door de schuld zijner leeraars een gewis verderf tegemoet.
Waarom werd aan de apostelen op den 1 e Pinksterdag de gave der talen geschonken ? Hoort het uit den mond van Lukas : »Wij hooren hen in onze talen de groote werken Gods spreken.« (Werken der Apostelen 2 ; 11).
Timotheus had reeds van zijne kindsheid af de Schriften (niet een uittreksel uit de Bijbelsche geschiedenis) geweten, die hem wijs konden maken tot zaligheid. (2 Tim. 3 : 15).
Let hier wel op, de Schriften maken wijs tot zaligheid, niet de kerkleer.
Dc R. C. leer van Zaligzvordai is in strijd met de Heilige Schriftuur. De natuurlijke mensch denkt gaarne het goede van zich zelf. De R.C. zal het de Schrift niet toestemmen dat de menschelijke natuur door Adamszondeval geheel verdorven is, en dat het gedichtsel zijns harten boos is van zijne jeugd aan, (â ) (1 Moz. 8 : 21. en St. Joh. 3 : 6. Ef. 2 : 3. Rom. 7 : 18.)
De natuurlijke mensch maakt zich zelf wijs dat hij zijne zonden goed kan maken. De R. C. gelooft dat voor alles wat hij gedurende zijn leven gedaan heeft, hij zelf tusschenbeide kan komen door werken die hij verricht, of door boetedoeningen en allerlei kwellingen, die de kerk hem hier of in het vagevuur oplegt.
De hulpe van Jezus, meer nog de hulp der kerk moet dienen om God bereidwillig te maken tot het verleenen der genade weldaden.
â II â
Men vergeet echter dat bij al deze kwellingen het leven der zonde inwendig tot meer ontwikkeling komt. De zonde laat zich niet onderdrukken, de zonde is verzoend door Christus toen hij zich liet slachtofferen op Calvarië ; en allen die in Hem gelooven ervaren in hunne harten de uitdelgende kracht van zijne liefde.
De natuurlijke mensch cloet niets of hij rekent op belooning, zelfs niet voor God. Ingevolge de Roomsche kerkleer rekent de R. C. er op dat God hem zijne goede werken met velerlei tijdelijke zegeningen zal beloonen, en met de eeuwige Zaligheid. Wel geeft hij toe dat Christus hem bij zijne goede werken de behulpzame hand moet bieden, en de kerk houdt deze gedachte levendig, omdat zij daarover met hare sacramenten en priesterlijke bemiddeling kan tusschenbeide komen. Volgens den Bijbel zijn onze beste werken met zonden bevlekt, zij kunnen ons voor God niet rechtvaardigen. Uit ons zelf brengen wij geen goede werken voort, wij kunnen niets zonder de kracht Gods, en hebben tlan ook op verdiend loon geen aanspraak. (2) (Gal. 3 : 10. ev. St. Luk. 17 : 10. 1 Cor. 4 ; 7. ev. St. Joh. 15 : 5). De natuurlijke mensch staat niet tegenover God als Zijnen hemelschen Vader, maar als tegenover eenen vreemden gestrengen Heer. Kene slavelijke zin openbaart de R. C. hierin dat hij onderscheid maakt tusschen werken die God bevolen, en die Hij aangeraden heeft.
De kerk leert wanneer hij werken doet die niet bevolen maar wel geraden zijn, wanneer hij bijvoorbeeld Monnik wordt, zijne overheden in alles gehoorzaamt, zijne have en goed ten offer brengt, geene echtverbintenis aangaat, dan heeft hij oververdienste bij God; dan komt zijne, oververdienste evenals Jezus verdienste anderen ten goede.
De kerk bewaart en is de uitdeelster dezer oververdienste, zij deelt ze uit tegen klinkende munt, zij dienen om van de straf der zonden te ontheffen.
(3) (Gal. 5 : 1, 13. 14. 1 Cor. 13 ; 3. I's. 49: 8,9. ev. St. Matth. 16 ; 26).
Van de liefde Gods in Jezus Christus heeft de natuurlijke mensch geen begrip, zoo ook heeft de R. C. geen begrip van de onpeilbare diepte van Gods genade, van de leer der rechtvaardigmaking des zondaars alleen door het geloof, alleen door de verdiensten van Christus. Hij begrijpt niets van deze heilgeheimen, hij kent de gezegende vruchten niet, de vruchten des geloofs.
Het is ook niet mogelijk, waar hem geleerd wordt dat de Heer op verdienste let, eigen verdienste eer Hij iemand genade verleent; ja dat Hij zijne kinderen eerst nog pijnigt in het vagevuur voor zij ingaan in het Vaderhuis.
(3quot;) (Werken der Apostelen 16 : 30, 31. 1 Moz. 15 : 6. Rom. 3 : 23â26, 28. Ef. 2 : 8, 9. Rom. 11:6. Ef. 3 ; 14â21).
Welke schadelijke gevolgen heeft deze slavelijke gezindheid voor het geestelijk leven ?
De mensch kan niet tot ware boete komen, omdat hij zich zelf niet leert kennen, ondanks al zijn biechten en boetedoeningen.
(4) (Joël 2 : 13. 2 Cor. 7 : 10).
De mensch kan zoo geen deelgenoot worden van het ware zaligmakende geloof, omdat hij God niet leert kennen, die van zijne kinderen niets vordert als liefde, maar eene liefde naar Jezus voorbeeld, die niet kan overtroffen worden, en die zijne kinderen zijne liefde zonder mate schenkt, eene liefde die hen allen omstrengelt, van welke zij erkennen dat het onverdiende genade is.
(5) (Rom. 5:1,2. Matth. 22 : 37â40. Rom. 5,: 5. Joh. 14 ; 23).
De mensch kan op deze wijze niet komen tot een blijmoedig geloofsleven, omdat hij in het onzekere voortleeft, omdat hij niet weet of aan de goddelijke gerechtigheid voor hem is genoeg gedaan ; daarentegen wordt hij eigengerechtigd, hij vertoont het beeld van den Farizeër, stoffende op alles wat hij reeds volbracht heeft.
(6) (Gal. 4 ; Iâ3; 5:4; Rom. 8 ; 14, 15; Luk. 18:9â14)-
Waarom gevoelt men in de Roomsche kerk zoo weinig dit gemis ?
Omdat de Roomsche kerk hare geloovigen door beelden en uiterlijke dingen eene vergoeding tracht te geven, voor wat zij innerlijk ontberen.
Hoe velen bedriegen zich zelf, denkende waar zij een gouden kruis op de borst dragen, dat zij den Gekruiste in het hart hebben ; in dweepzieke oogen-blikken, wanneer zij door de prachtige Cathedralen wandelen, denken zij zich te bevinden in een voorportaal des Hemels ; wanneer zij dan daarbij een gewijde palmtak medenemen naar huis, of tot een wonderdoend (?) Mariabeeld hebben gebeden, achten zij zich zoo zeker van de genade Gods, dat zij hun gemis niet gevoelen. Arme menschen, die den schijn voor het wezen nemen, en die alzoo zich zelf bedriegen.
De' Roomsche kerk heeft ten opzichte van dit uiterlijk vertoon de Heidenen en Joden tot leermeesters gehad.
Is het niet opmerkelijk dat een Jood en Heiden afstand doen van al dit uiterlijk vertoon, zoodra zij Jezus leeren kennen als hun Heiland en Verlosser.
Hoe is de Roomsche kerk aan dit Joodsch en Heidensch uiterlijk vertoon gekomen ?
De overleveringen verkregen langzamerhand meer gezag als Gods weord, de dwalingkeerende dam, de Bijbel, werd terzijde gezet, nu was er geen houden meer aan, men verviel van kwaad tot erger.
Vroeger trof men halfbekeerde Joden aan, die de geboden van Jezus en Zijne Apostelen aanmerkten als een nieuwe wet van Mozes, die men door eigen kracht in vervulling moest brengen. Van den Heiligen Geest die de geboden op de tafel des harten schrijft, hadden zij geen begrip, en wandelden dus ook niet als nieuw geboren kinderkens, noch bloemen noch vruchten werden bij hen gevonden. (7) (Jeremia 31 ; 33; Rom. 8 : 14; Matth. 12 : 33.)
â 14 â
Omdat zij zich in eigen kracht niet tot deze gewenschte hoogte konden opwerken, kwam hun joodsche zin boven, en vergenoegden zij zich met eene zinnebeeldige voorstelling. (8) (Matth. 7 : 1 â 4 ; Matth. 3 : 25 â 28.)
In plaai ts van het aanhoudend gebed moest eene altijd brandende lamp komen (9) (r Thess. 5 : 17), en »witte kleederen de reiniging van hart en leven vervangen. (IO) (Joel 2:13.)
Er waren gedoopte heidenen die ongaarne hun hemel vol goden en hun tempel vol afgoden misten, en daarom hunne oud-heidensche gedachten overdroegen op christelijke geloofshelden en hunne afbeeldingen. (quot;) (2 Kon. 17 : 24â41. Ex. 32 : 4.)
Ook sloop menige heidensche tooverij in de kerk. die door de onwetenden geacht werd een bijbelsch wonder te zijn {quot;quot;) (Werken der Apostelen 8 : 9â19 en was het heidensch gesnap, 't welk men bidden noemt, niet zoo spoedig afgeleerd. (I2) (Matth 6 : 7.)
Welk gevolg heeft de invoering van de Joodsche ceremoniën in de Roomsche kerk gehad ?
De Joodsche staat met zijne zichtbare koningen en ceremonieele wetten, gegrift op steenen tafelen, vond naaping in de kerk (I3) (Luk. 17 : 20, 21 ; Hebr. 3 :6.
Evenals Israël op Gods bevel de afscheuringen van het oude verbond uit zijn midden, uitroeide ; zoo verviel Rome in vleeschelijken ijver met de vervolging zijner z. g. ketters ; op zich toepassende het woord van Jezus : »Gij weet niet, van hoedanigen geest gij zijt« (â 4) (Luk. 9 : 51â56; 1 Moz. 17 : 14; 5 Moz. 18:20) Wanneer men de beide laatste teksten gaat toetsen aan den eerste, vat men het verschil tusschen de Oud Testamentische en Nieuw Testamentische bedeeling.
Vervolgens wil de Roomsche kerk ons duidelijk maken op grond van het O. T. dat onze Godsvereering zonder priester en offer, niet de ware is. Maar eilieve 1 wij hebben onzen Priester, ons Ofter, onzen Tempel in den Hemel.
(I5) (Hebreën 10:21 ; g : 24â26 8 : 2 ; 1 Joh. 2 : 1,2.)
â 15 â
Moeten wij geloovigen zelf niet Priesters, Offers en Tempelen Gods worden. (,6) i Petr. 2:5; Kfeze 2 : 19â22; Rom. 12 : 1.)
Wij leiden uit dit uiterlijk vertoon van Rome af. en die ernstig denkt moet het vastelijk aannemen, dat het Roomsche geloof zoo zwak is dat het niet kan opklimmen in den Hemel, en der Roomschen liefde tot God is zoo gering, dat zij de weerklank dier liefde niet kent, de overgave van hart en leven in den dienst des Heeren, die ieder geloovige als priester Gods iederen dag volbrengen moet en kan.
Wanneer men eene Roomsche kerk bezoekt, en men hoort daar den godsdienst der priesters, wanneer zij in hunne rijke misgewaden, met veel muziek, ceremoniën en wierook, in de Latijnsche taal bij het misoffer zingen, waarvan het volk niets verstaat, als wanneer er gebeld wordt om het teeken des kruises te maken, dan herinnert u alles ten duidelijkste aan den Joodschen godsdienst, toen al het volk buiten stond ten ure des reukoffers, (Luk. 1 : 10), maar helaas ook aan de vertooning van tooneelspelers, die het christelijk geloof en leven in een geestelijk tooneelspel veranderd hebben. (I7) (Hebr. 8:5, Kol.,2 : 17).
Hoeveel schade veroorzaken zulke dingen niet, bij degenen die alleen bij het Oude Testament terschole gaan.
Waren deze zinnebeelden nu maar vingerwijzingen naar boven, evenals de torens der kerken, zoowel naaiden Hemel boven ons als naar den hemel in ons, bereid door den Heiligen Geest, dan zouden wij niets daar tegen hebben in te brengen ; maar wanneer zij daarentegen, zooals bij Rome, het Hemelsche aan ons gezicht onttrekken, dan veroorzaken zij den dood aan het waarachtig geestelijk leven. Dit nu is het geval met de Roomsche kerk, zij heeft met haren priesterstand zich in de plaats van God gesteld, en wil alzoo verdringen het algemeene priesterschap van alle geloovigen; door haar misoffer loochent zij het eens voor altijd gebracht offer van Christus, door hare vele heilige plaatsen, heilige dagen en heilige gebruiken staat zij
â i6 â
de aanbidding van God in geest en waarheid in den weg. (Joh. 4 ; 23, 24).
Wat doet ons in de Roomsche kerk aan het heidendom denken?
Wanneer men den Roomsch-Kathoiiek ziet knielen voor het gewijde brood, of voor de beelden van Christus, en hij Jezus in dezelve aanbidt.
Wanneer men den R.-K. ziet bidden tot gestorvene heiligen, tot de engelen, in 't bijzonder tot zijn engelbewaarder, wanneer men hem onophoudelijk hoort roepen: Bid voor ons! Bid voor ons! cof hem of haar die dit roepen niet hoort. (lS) (Lees met aandacht: Werken der Apostelen 10 : 25, 26 ; Apocalypse 19 : 10 ; Matth. 4: 10; Jes. 63 : 16).
Wanneer van Maria gezegd wordt, om haar als Koningin des Hemels te kunnen vergoden, dat zij zonder zonde is geboren en daarna ten Hemel gevaren; en met haar gedweept wordt zooals verliefden het doen, en tot haar gebeden wordt met een drang alsof zij barmhartiger is als haar goddelijken Zoon. (I5) (Rom. 3:10; 5:12: Joh. 2:3, 4; Matth. 12 : 46â50).
Wanneer de beelden der heiligen vereerd worden door kussen, het ontblooten van het hoofd, het knielen, en wanneer naar de zonderlingste meest ondergeschovene relequiën verre bedevaarten worden ondernomen, om hen overdadige eer te bewijzen. Zoodra een Evangelisch Christen zoo iets ziet, wordt hij met afschuw en medelijden vervuld, alsof hij zich in een afgodstempel bevond. (^) (Ps. 62 ; 6, 9 ; Matth. 11:28; Joh. 6:37; Jer. 2 ; 13).
Hoever is de eeuwiglevend en alles regeerend God niet achteruit gezet, hoeveel gebeden gaan Hem niet voorbij, maar hierover blijft het Godsgericht niet uit: wie God verlaat, stelt zijn vertrouwen op het schepsel, zooals ons genoegzaam blijkt uit de tooverij en het bijgeloof van het heidendom.
Wat zullen wij zeggen van de voorgewende macht van den Roomschen priester om door spreuken en ceremoniën brood te kunnen veranderen in het lichaam van Christus, en door het doopwater den duivel te
â I; â
/
kunnen uitdrijven; dat hij door wijdingen aan levenden en dooden bovennatuurlijke krachten meent te kunnen mededeelen ?
Wat zuilen wij zeggen van het geloof van den R. C. aan zijne sacramenten, van de hulp die hij verwacht van de relequiën, van het prevelen zijner gebeden en rozenkrans ? Dit kan geen waarachtig Christendom zijn, het nadert als met een verloop van snelle wateren het heidendom, indien het het heidendom niet reeds i;', versierd met een christelijke vernis.
Op welke wijze tracht zich Rome hierover te rechtvaardigen r
Wanneer wij haar beschuldigen van afgoderij, zegt zij dat haar geloovigen niet het brood, maar Christus in het brood aanbidden. Israël heeft ook dit onderscheid gemaakt toen het gouden kalf werd aangebeden, de Heer nam echter dit voorwendsel niet aan, maar Gods toorn ontbrandde tegen de overtreders van het tweede gebod. De R. C. geestelijkheid zegt dat de aanroeping geen aanbidding der heiligen is, maar het volk denkt er anders over. Wanneer ik met eigen ooren geen sermoen had gehoord van een pater, die het volk opwekte tot aanbidding van een zoogenaamd wonderdoend Mariabeeld, zouden wij van overdrijving kunnen beschuldigd worden. Het volk aanbidt het beeld, en de geestelijken verhinderen het niet. Lees eens met aandacht in uwen Hijbei (2I) i Mozes 21 : 8 en 9 en (22) 2 Koningen 18 : 3 en 4, dan zal het u duidelijk worden dat de straffende hand des Heeren eens komt over de overtreders van het tweede der 10 Geboden Gods.
Waartoe zijn de dienstknechten Gods geroepen, tot heerschen of dienen ?
De priesterlijke dienst van den tabernakel en tempel had geen heerschappijvoerend maar een dienend karakter, de gansche oudtestamentische bedeeling (theocratisch) was op dienen aangelegd; en al had men ook een afzonderlijke kaste van priesters, het heerschen over het erfdeel des Heeren was hun niet vergund. Was
dit zoo onder de bedeeling der schaduwen, hoeveel te meer dan onder de bedeeling des lichts. Jezus Christus kwam in dienstknechtsgestalte, hoor hoe hij zich verklaart: »\Vant ook de Zoon des menschen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om tc dienen.*. (Mark. 10:45; Matth. 20:28.) »//â den in het midden van n als een die dient.» (Luk. 22 : 27. »Daarna goot hij water in het bekken, en begon de voeten der discipeleil te wasschen.« (Joh. 13:5.)
En de apostelen ? Petrus en Johannes bidden : gt;geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken« ; (Werken der apostelen 4 : 29) ; de dienstmaagd met den waarzeggenden geest riep : »deze menschen zijn dienstknechten des Aller-hoogsten Gods« (Werken der apostelen 16 : 17). »Paulus een dienstknecht van Jezus Christus« (Rom. 1 : 1). Petrus vermaant de broeders in de verstrooiing : »voert geen heerschappij over het erfdeel des Heeren« (1 1'etr. 5 : 3), en noemt zich »een dienstknecht en apostel van Jezus Christus« (2 Petr. 1:1). Maria de moeder van Jezus »Zie de dienstmaagd des Heeren« ; (Luk. 1 : 38.)
Uit al deze aanhalingen zal u duidelijk worden dat de Heere zijnen dienstknechten, die zijnen wil moeten volbrengen, het dienen en niet het heerschen over zijn -erfdeel heeft aanbevolen. Jezus Christus, Gods Zoon. het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid en het afschijnsel van Gods heerlijkheid, komt in de wereld den armsten der armen gelijk, in de gestaltenis van een dienstknecht ; Hij gaat het land door, en wat doet hij anders dan dienen, Hij zit met zijne discipelen aan den paaschmaaltijd dient hun : maar zegt ook, hen wijzende op hunne roeping tegenover elkander en anderen : »ik ben zn het midden van n als een die dientr.. »Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden ook doet« (Joh. 13 : 15).
Lees in de werken der Apostelen de wordingsgeschiedenis der eerste christelijke gemeenten, waarom hadden zij alle dingen gemeen, waarom werd zelfs door
â 19 â
â¢degenen die buiten stonden gezegd : »Ziet hoe zij elkander beminnen ?« Waren dit geen vruchten des Heiligen Geestes, die was uitgestort in hunne harten ? Was er nog strijd om den voorrang ? Dan zou de eenheid spoedig verbroken zijn geworden ; zij dienden elkander, er was een heilige wedstrijd : wie in de betooning van liefde de meeste zou zijn.
Ik behoef u niet te zeggen dat reeds vroeg in de Christelijke gemeenten, kort nadat de apostolische tijd voorbij was, er een wedstrijd ontstond; wie onder de bisschoppen de eerste zou zijn; dit was het begin der hierarchic.
De bisschop van Rome won het, hij liet zich Heilige Vader of Paus noemen, en wil nu Heer zijn over de zielen van alle gedoopten in de gansche wereld, ja hij wil zelfs heerschen over de Koningen der aarde; en opdat het wanneer hij spreekt met alle tegenspreken gedaan zal zijn. heeft hij zich onfeilbaar laten verklaren sprekend »ex cathedra.«
Is nu de Roomsche kerk als de apostolische ingericht ?
Zijn daar de geloovigen een priesterlijk volk {^) (i Petri 2:9; Apocalypse i : 6, broeders in Christus lt;*0 (Luk. 8 : 21)?
Neen, daar zijn geestelijken en lecken, heeren en knechten (25) (Gal. 3 ; 26â28).
De geestelijken wandelen in lange kleêren {26) (Luk. 20 ; 46), door hunne priesterwijding scheiden zij zich af van het volk, doordat zij geen echtverbinding aangaan, nemen zij den schijn aan van bijzondere heiligheid; het volk denkt dat zij den engelen gelijk zijn (27) (Matth. 22 : 30) niet wetend dat hier geen Goddelijk maar een pauselijk bevel ten grondslag ligt, waardoor zijne heirscharen aan niets en niemand verbonden zijn als aan hem. Het huwelijk door God ingesteld is dus bij Rome niet zoo heilig als den ongehuwden staat door den paus ingesteld. Het huwelijk is een sacrament alleen voor de leeken en niet voor de priesters, dus geen sacrament; de twee sacramenten door Jezus
â 20 â
ingesteld, doop en avondmaal, zijn voor allen. Petrus, Rome's eersten bisschop was gehuwd. (28) (Matth.-8 : 14, 1 Tim. 4 ; 1, 2, 3. 1 Tim. 3:21 Cor. 9 : 5). Bij de tafel des Heeren nemen zij den drinkbeker voor zich alleen, niettegenstaande het bevel des Hoeren : »Drinkt allen daaruit*. (Matth. 26 : 27 ; Mark. 12 ; 23).
Het toppunt harer heerschappij bereikt de Roomsche kerk in den biechtstoel, waar hare geestelijkheid zich in de plaats van God stelt. Indien de biechtstoel tot geen ander doeleinde gebruikt werd, als het belijden van zonde en schuld, zoo zou haar bestaan nog geen schijn van recht hebben, al beroept men zich ook op Joh. 20 ; 23, de Heere Jezus schenkt de macht der zondevergiffenis aan al de apostelen gelijkelijk, en dan nog niet in dien zin dat zij heerschappij mochten voeren over het erfdeel des Heeren. Hoe wordt onder het volk over de biecht gesproken ? door de meesten niet dan met de diepste verachting. Zoo men door eene instelling een geslacht van huichelaars gekweekt heeft, en kweekt, dan is het door den biechtstoel. In den biechtstoel wordt gehandeld over politiek; daar wordt het clericalisme verheerlijkt, en het liberalisme vervloekt; daar clericale gazetten aangeprezen en de liberale gazetten veroordeeld; (waarom zijn de clericale gazetten beter dan de liberale?) daar wordt in den verkiezingstijd propaganda gemaakt voor de clericale candidaten, en de biechteling absolutie geweigerd, indien hij zich soms laat ontvallen te zullen stemmen op een liberaal; daar worden de geheimen van het huwelijksleven gevraagd op een wijze die eene eerzame vrouw deed besluiten: »ik ga nooit meer ter biecht», daar wordt aan kinderen van een ketterschen vader gezegd dat zij hun vader niet behoeven te gehoorzamen.
Wie zal de ellende beschrijven door den biechtstoel teweeg gebracht; in hoeveel gezinnen waar vroeger vrede heerschte, wordt door het intrigeren van den biechtvader aanhoudend getwist, en bleef het daar dan nog maar bij.
21 â¢
Hoe lichtzinnig handelen de geestelijken ten opzichte van het artikel: »ik geloof de vergiffenis der zonden;» men handelt er mede op eene wijze die doet vermoeden, dat zij er niet het minste begrip van hebben.
Denk nu niet dat een evangelische niet biecht, hij biecht aan dien, jegens wien hij zich verzondigt, deze is altijd God, .en ook menigmaal onze naaste ; over het heil zijner ziel gaat hij te rade met een broeder in Christus, die door deelnemende liefde toont hem te begrijpen (29) (Ps. 51 ; 6; 130 : 4; 32 : 5; Jak. 5 ; 16).
Allen die Gods woord kennen, denken met droefheid aan de steeds toenemende driester wordende eischen van den paus, hij staat boven de kerkelijke vergaderingen van de bisschoppen, en stelt zijne geloofsregels en geboden naast ja boven Gods gebod en woord. {30) (2 Thess. 2 : 4).
Tot in het vagevuur wil hij reiken met zijne aflaten, en tot in den Hemel met zijne heiligverklaringen.
Ook op aarde stelt hij zich tegen den Heere, omdat hij zich het recht aanmatigt koningen te kunnen afzetten, en onderdanen van hun eed van getrouwheid ontslaat (3') (Matth. 22 : 21 ; Rom. 13 : r, 2).
Op den oningewijde moet de bouw van dezen tempel een machtigen indruk maken; maar wanneer men weet dat deze eenheid in geloof is verkregen tot den prijs van vuur en zwaard; met inquisitie, foltertuigen en brandstapels is ingevoerd, en dat ook nu nog iedere evangelische opwelling met geweld wordt onderdrukt, wordt de indruk eene gansch andere.
Deze kerk kan de kerk van Jezus Christus niet zijn, zij is de belichaming van het rijk van den antichrist (32) (Joh. 18 : 36), dit is niet den door Godgestelden regel, het is de heerschzucht die eens Babel bouwde (33) (Matth. 20 : 25, 26, 27; 1 Mozes 11 : 1â9; Dan. 4 : 27 ; Apocalypse 17 1â6).
Welke schade veroorzaakt het dat de wereld in de kerk gekomen is ?
De Roomsche kerk meent den toegang tot den Hemel te kunnen verzekeren, zij belet de zielen der
menschen in te gaan, en laat degenen niet ingaan die door den eenigen Middelaar Gods en der menschen den ingang zoeken (34) (Matth. 28 : 13). Bij de groote glans en heerlijkheid waarin de paus zich hult, zinkt voor het zienlijk oog de heerlijkheid van Hem die niet kwam om gediend te worden, maar te dienen, in het niet. (35) (Matth. 11 : 29 ; 8 : 20;) en door de gewelven van de kerk, die op de puinhoopen van het oud heidensche Rome is gebouwd, moest het woord weergalmen zoolang tot het gehoord werd, en weerklank vond: »Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten van menschen« (1 Kor. 7 : 23).
Waardoor trekt de paus de menschen ?
In de eerste plaats door de groote macht der Roomsche kerk, door het uiterlijk vertoon van hare godsdienstige verrichtingen, en de pracht bij haar optreden, want de menschen staren zich blind op dit vertoon, en vallen dan in den gespannen strik; de Roomsche kerk zegt toch dat zij de alleen zaligmakende is ; weet zij dan niet dat om zalig te worden het niet noodig is tot eenige kerk te behooren, maar wel in den Heere Jezus Christus te gelooven (36) (Werken dei-Apostelen 16 : 31 ; Joh. 3 : 36.)
Verder houdt zij zich als of hare tegenwoordige en vroegere machthebbers naast Christus medeverlossers van het menschelijk geslacht zijn, en ten laatste handelt zij als eene verzekeringsbank voor de toekomst, waarin men voor eenen geringen prijs de zekerheid der eeuwige Zaligheid erlangt, en bovendien nog velerlei tijdelijke weldaden. (37) (Ezechiel 12 : 18).
De Roomsche kerk stelt zich aan alsof zij de verlossing die in Jezus Christus is meer volkomen moet maken, eiken dag staan in de kerk de priesters alleen of voor de gemeente, lezen de mis met veel beweging, brengen de hostie den Heere als een onbloedig ofifer tot vergeving der zonde, in tegenspraak met het woord der Schrift : »Christus heeft met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt, allen die geheiligd worden« Hebr. 10 : 14; 7 ; 26, 27).
Zij beweren eveneens, dat in den Hemel de heiligen door hunne barmhartigheid en voorbede, den Heere Jezus bereidwillig maken, om barmhartigheid te bewijzen aan Rome's kinderen op aarde, en dat Hij hierover bewogen bij zijnen Vader tusschenbeide komt (38) (i Joh. 2 : 1,2), waarom het heilzaam en noodig voor onze zaligheid is, ja zelfs eene plicht, de heiligen en niet het minst Maria, de moeder der barmhartigheid, altijd aan te roepen (39) (Ps. 50 : 15).
Wat meent de Roomsche kerk, hare geloovigen, den levenden en dooden, te kunnen aanbieden.
Den levenden bezorgt zij in de TIEN Geboden Gods en de VIJF Geboden der kerk, welke laatste het onderhouden der vasten, het biechten en het communi-ceeren vorderen, eene deugdelijke oefening in uiterlijke gehoorzaamheid. (Hoe komt het dat in de TIEN Geboden Gods der Mechelsche Cathechismus het 2de gebod is weggelaten?) Deze instellingen der kerk doen ons deuken aan den overdreven ijver der Pharizeërs, die de mug uitzuigden en den kemel doorzwelgden. Men kan zich echter met een gouden of zilveren sleutel den toegang tot de kast der dispensatiën verzekeren.
De prediking van het Evangelie heeft zij zooals ieder, bij hare talrijke diensten zien kan, ver achter gesteld bij hare sacramenten, en het getal der sacramenten heeft zij van twee door Jezus ingesteld gebracht op zeven, zeer naar den zin van den natuurlijken mensch, die niet gaarne gelooft zonder te zien (4°) (Joh. 20 : 29), en die in het geestelijke het zoo gemakkelijk vindt wanneer de kerk alles pasklaar voor hem maakt (4I) (Werken der Apostelen 8 : 22, 24). De Roomsche kerk geeft nog meer, van hare gewijde dingen, water, olie, zout, kruiden, palmen en kaarsen gaat een heilzame kracht uit; een scapulier, gewijde rozenkranzen, kruizen, medailjes, beveiligen tegen verzoeking van den duivel, tegen pest, vallende ziekte, vuur en waterschade, en brengen de geloovigen spoediger in den Hemel. De kerk wil ook nog iets voor de gestorvenen doen ; om -de levenden gerust te stellen heeft zij een vagevuur
â 24 â
uitgevonden, dat tusschen den Hemel en de hel moet liggen, waarin de zielen der geloovigen door vuur gereinigd worden van hunne nog aanklevende zonden, deze reiniging wordt teweeggebracht door aflaten, voorbeden en zielmissen. Kene vrouw die ging kermis-houden meende, dat waar zij ging pleizier maken, hare overledene dochter ook wel iets mocht hebben, en zij liet een mis lezen tot lafenis harer ziel (42)(i Joh. 1:7; Hebr. 10:17, 18 ; Joh. 3:18, 5 : 24: Lukas 23 ; 42, 43). Is het dan nu te verwonderen dat de stervende R. C. beide zijne handen uitstrekt naar zijne kerk, en haar zijn geld en goed in den schoot werpt, en dat hij met zijn geld, hetwelk voor hem toch geen waarde meer heeft zijne ziel zoekt te verlossen (43) (Matth. 16 : 26; Werken der Apostelen 8 : 20).
Het woord des Heeren komt als een welmeenend aanbod van genade tot die onwetenden: »Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtelijk naar Mij, en eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen.» (Jesaja 55:2.
Wat vraagt de Roomsche kerk in ruil van haar geloovigen voor hare bemoeiingen?
Zij vraagt geloof en goede werken, het geloof door haar bedoeld is een geloof aan de kerk, een Amen zeggen op alles wat de kerk leert, en de kerk meent te kunnen doen (44) (Hebr. 11 : 1); en onder de goede werken worden die het meest gevraagd welke de kerk voorschrijft. Daartoe behooren vasten, het bidden van den rozenkrans, het bijwonen van de mis bedevaarten, kloostergelofte, kloosterleven enz. enz. (45) (Mark. 7:8, 9, 13.
Voor den oppervlakkige schijnt Rome's vraag niet gering, maar van grooten omvang te zijn ; zij haalt het echter in de verte niet bij den eisch door God in Zijn woord aan Zijne kinderen gesteld, deze is een eisch des geloofs, werkzaam in de liefde, het geloof door de liefde werkende. Rome's eischen kunnen worden volbracht, terwijl het hart er zoo koud en
ongevoelig bij blijft als een steen ; maar het geloof kan niet door de liefde werken, indien de mensch niet zich zelf verloochent, zijn eigen ik niet Jezus aan het kruis nagelt, en vraagt ; »wat wilt gij dierbare Heiland en Verlosser dat ik doen zal ? (46) (Rom. 14 : 23 ; Matth. 15:8, 9).
Zie nu eens op welke wijze bij Rome gevast wordt, hoe bij het begin van de groote Vasten de R. C. willens en wetens zijnen Heiland in het aangezicht slaat, en op eene toomelooze wijze aan zijne lusten voldoet; dan wordt het openbaar dat de R. C. vast als een slaaf die door zijnen heer naar willekeur op bepaalde tijden eenige spijzen worden onthouden ; wanneer wij echter naar het woord van God vasten, doen wij het als een krijgsheld die niet bezwaard wil wezen wanneer hij te strijden heeft tegen den duivel, de wereld en het zondige vleesch (â ,7) (Luk. 21 ; 34; 1 Kor. g : 24-27; Matth. 9 : 14, 15; Matth. 11 : 18, 19; Col. 2 : 16-23; 1 Cor. 8 : 8; 1 Cor. 6 ; 12).
Het kloosterleven heeft voor den wereldling iets grootsch; het schijnt hem een leven van zelfverloochening wanneer iemand alles verlaat, een streng leven leidt, vast, waakt en bidt. Maar, wie beveelt hem dit? God eischt het niet van den mensch. Wat een jonge dochter doet in haar huis, die kookt en den bezem hanteert, is juist het dienen dat God aangenaam is, zij doet het om des Heeren wil, naar des Heeren bevel. Dit is gansch iets anders dan het prevelen van ellenlange gebeden, het bij elkander zitten in vadsigheid; zij die zich hieraan overgeven mogen bedenken dat Jezus gebeden heeft; »//' bid niet, dat Gij hen uit de zuereld icegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze« (Joh. 17; 15).
Wat hebben wij van de Roomsche kerk te denken na al deze op de Heilige Schrift aangevoerde overwegingen ?
Dit, dat de natuurlijke mensch zich daar zeer wel tehuis gevoelt. Zij is eene vermenging van Joden-en Heidendom, met een Christendom van eigen vinding omwonden, zoo dat iemand die zich met den schijn
26
vergenoegt, door gemakzucht gedreven, staande houdt dat zij is de openbaring van het lichaam van Christus. Hun leden zijn â¢gekluisterd in het slavelijke juk van menschelijke inzettingen. De oppervlakkige gevoelt zich hier tehuis, omdat hem den Hemel verzekerd -wordt zonder dat hij noodig heeft zich hartgrondig te bekeeren; maar iemand die dieper denkt, bij wien het zalig* worden het slaken eener noodkreet uit de diepte zijner ellende tot God is geworden, ontvlucht de strikken des vogelvangers en zoekt zijnen vrede en troost bij Jezus alleen.
Wat hebben wij van de- Evangelische kerken te denken ?
De Roomsch Catholieken belasteren ons steeds ten onrechte, zeggende : »gij hebt eene nieuwe kerk gesticht, wij hebben de oude behouden.» Maar is dit wel waar ? hebben de reformatoren iets nieuws geleerd, hebben zij niet gelegd het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan is Jezus Christus de uiterste hoeksteen. Stel, de reformatie is aangevangen den 31 October 1517, dan wil dit alleen zeggen dat toeii openbaar werd wat reeds lang van te voren was voorbereid door Huss. Wicklef, Oecolampadius, Savonarola, de broederen des gemeenen levens, Thomas a Kempis. De Reformatoren hebben de lijn weer opgenomen en aangeknoopt aan den apostolischen tijd en de eerste eeuwen der Chr. kerk. Wat er tusschen de eerste eeuwen der Chr. kerk en 1517 is geleeraard, is dooide kerk breeder uitgewerkt geworden, en daarvan hebben wij in de tegenwoordige R. C. kerk eene voortzetting.
Rome is ons altijd nog het bewijs schuldig gebleven dat onze Evangelische kerken iets anders leeren dan de oudste Chr. kerk. Wat deden de reformatoren ? Zij hebben alle dwalingen die wij opgenoemd hebben verworpen en maakten den Heere Jezus Christus het middenpunt hunner prediking, dit deden de Apostelen ook. Welke kerk is nu de oudste: die bouwt op het fundament der Apostelen en Profeten Je/.us Christus,
â 27 â
of die allerlei nieuwigheden, ontleend aan het heidendom en den ceremonieelen dienst der Joden, heeft ingevoerd r
De Roomsch Catholieken komen ons tegen met de bewering dat onze Evangelische kerken verdeeld zijn, de eene noemt zich naar Luther, eene andere naar Calvijn, weer eene andere naar Menno Simons, of Wesley of Whitefield, ik zou zoo kunnen voortgaan en noemen u eene heele reeks van geloofshelden, die weliswaar in ondergeschikte punten niet vereenigd, toch allen het apostolisch woord onderschrijven: suit genade ' zijt gij zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken opdat niemand roeme«. De eenheid der Evangelische kerken is eene eenheid des geestes, hare leden weten zich door denzelfden band, den band der liefde, verbonden aan- hun heerlijk Hoofd, Israëls Koning, Jez is Christus.
Het is waar wij Evangelischen kennen niet de eenheid en eenigheid der R. C. kerk, deze zijn daar voortgekomen uit dwang, gewoonte, uiterlijke verordeningen en loondienst. Bij ons is het: vrij en toch één. Denk nu niet dat ik die verdeeldheid der Evangelische kerken wil goedpraten, ieder die zijn Evangelie kent en belijdt betreurt haar, en beschuldigt zich eiken dagdat hij het gebed van Jezus: »dat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij Vader in Mij, en Ik in U«, niet inéén gebod omzet. Wat u wellicht niet bekend is, is het feit dat in de laatste helft, dezer eeuw de kerkmuren meer en meer vallen, en de gemeente zich één begint te voelen in haar hoofd. Van deze eenheid is de Evangelische alliantie het sprekendste bewijs.
Ik heb in mijn vertoog opzettelijk bij de verschilpunten eenigszins breedvoerig stilgestaan, omdat er in zijn ingezonden stuk beweerd is, dat de godsdienst waarin hij geboren is, de goddelijke religie van Jezus Christus is. Mijne vele aanhalingen uit het Oude en Nieuwe Testament hebben ten doel u te bewijzen dat de R. C. religie, do religie van Jezus Christus niet is. Met het Woord van God gewapend, zal hij deze bewering niet staande kunnen houden.
â 28 â
want juist die leerstellingen die de R. C. kerk tot de Roomsche maken zijn in lijnrechten strijd met de Heilige Schriftuur. Het komt er dus opaan, indien de waarheid die naar de godzaligheid is u bovenalles gaat, te kiezen. \\ at God in Zijn Woord zegt is waar, en dan is de R. C. religie niet de religie van Jezus Christus; of de R. C. religie is de religie van Jezus Christus, en dan is Gods Woord niet waarachtig. Met hoeveel tact men het ook onderneemt een verbond tot stand te brengen tusschen de waarheid en den leugen dit zal nooit gelukken, want zij zijn als twee antipolen. En toch heeft de Roomsche kerk het altijd gepoogd, om de dwalingen zegevierend in de kerk binnen te brengen. \\ anneer ik den Mechelschen catechismus ter hand neem, of de verklaring van dezen catechismus geschreven door J. B. van Hemel, vind ik overal Bijbelteksten aangehaald; spreekt men nu met een R. C. over den Bijbel als de eenige Godsopenbaring waardoor Jezus Christus tot ons spreekt, dan zal hij u (-la': God zich altijd nog aan de dienaren der kerk openbaart, en wanneer men dan gaat onderzoeken welke nieuwigheden God aan de dienaren der kerk geopenbaard heeft, en men weet dat deze in lijnrechten strijd komen met Gods woord, wordt het Woord van God op zijde gezet en de leugen gehuldigd.
Waar lees ik in de H. S. van Maria's onbevlekte ontvangenis, waar van hare hemelvaart, waar dat zij de koningin des Hemels is ; de koningin der patriarchen, der profeten ; waar lees ik dat zij de deur des Hemels is ? Is alles waar wat de R. C. kerk van Maria aan hare geloovigen vertelt, dan kom ik tot de slotsom dat de komst van den Heere Jezus in het vleesch tot niets nut is geweest. Onder het volk is de meening gangbaar dat Maria de wereld geschapen heeft, en de Roomsche kunst stelt haar voor met den voet op den kop dei-slang. Ik kom tot u, dienaar van de goddelijke religie van Jezus Christus, met geen anderen eisch dan deze, dat gij, waar in uwe kerk de opperhoogheid van Jezus Christus wordt neergehaald, uwe ziel daarin geen
â 29 â
welgevallen moge hebben, maar dat gij gedrongen door oprechte liefde tot uwen Heiland, Die u kocht met zijn dierbaar bloed, met al de krachten en gaven die God u schonk daartegen moet opkomen.
Ik kwam nog niet lang geleden in aanraking met een R. C. die voor zoover ik altijd gehoord had aan de leer zijner kerk vasthield; hij had veel gelezen en goed gelezen, wist nauwkeurig het onderscheid tusschen den Lutheraan en den Calvinist, en vertelde mij dat hij er toe gekomen was Athéist te worden. Op mijne vraag hoe hij dan nog bij de Roomsche kerk kon blijven, antwoordde hij: »ik moet dit doen om mijne commerge; en het is zoo gemakkelijk, ik neem al mijne godsdienstplichten als een geloovig R. C. waar, en het laat mij totaal koud, ik voel er niets van, ik moest niet verder doordringen in de geloofregels van het Evangelie, want ik voelde dat die waarheid mij te machtig zou worden, mijn hart kwam in beroering; toen heb ik het onderscheid gevoeld tusschen het Roomsch Catholicisme en Piotes'tantisme. Ongelukkige man, zegt gij met mij ; ik heb hem gewezen op Jezus woord: »die den wil des Heeren zal geweten, en niet gedaan hebben, zal met dubbele slagen geslagen worden.« »Ja meneer (zegde hij daarop) gij hebt gelijk, maar dan heb ik geen brood meer, de Protestanten worden reeds gebroodroofd, hoeveel te meer dan de apostaten.« Toen ik van uw voornemen las om nooit een apostaat te worden, kwam mij levendig voor den geest het gesprek met bovengenoemden vriend; en nu herinner ik u aan uwe dure roeping, om altijd en overal de waarheid te belijden, de waarheid verpersoonlijkt in Jezus Christus. Doe eens als Petrus te Jeruzalem (Werken der Apostelen, hoofdstuk 4), ga eens vanaf den preekstoel in eene Roomsche kerk aan het volk zeggen; »de zaligheid is in geenen anderen; want er is ook onder den hemel geen anderen naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden«, en gij zult eens zien hoe spoedig de bisschop u treft rnet zijn interdict, en later het anathéma over u wordt
â 30 â
uitgesproken. Uw »nimmer nieU komt niet in aanmerking, gij bidt toch ook als Jezus in den hof van Gethsémané: »Niet Mijn wil, Ãw wil geschiede«; komt gij dienaar van Christus zoover dat uws Heilands gebod u boven alles gaat, dan zult gij de Schriften onderzoeken en u spoedig voegen bij degenen die in jniets zijn« roemen, die voor Hem zich buigen met het ootmoedig »mijn Heer en mijn God!« en wier grootste vreugde het is Zijnen naam met vroolijk zingende lippen groot te maken.
Dan is apostaat uw eerenaam, want dan zegt gij ik ben een afvallige van de leugenleer, maar weet nu zeker en gewis, dat Jezus alleen mijn gerechtigheid is.
Ten slotte beveel ik u Gode, en den woorde Zijner genade, die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden (werken der Apostelen 20 : 32).
Hoogachtend
G. P. DATEMA.
Hasselt, 24 Jan. 1899.
AANHALINGEN.
(') i Moz. 8:21. Want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan.
Joh. 3 ; 6. Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch ; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.
Kf. 2 : 3. Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten ; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.
Rom. 7 ; 18. Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont: want het willen is wel bij mij, maar liet goede te doen, dat vind ik niet.
(2) Gal. 3 : 10. Want zoovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek : want er is geschreven :
Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, omdat te doen.
Luk. 17 : 10. Alzoo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zégt : Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen.
1. Cor. 4 : 7. Want wie onderscheidt 11 ? en wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? en zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt.
Joh. 15 : 5- Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht : want zonder mij kunt gij niets doen.
(3) Gal. 5 : 1, 13, 14. Staat dan in de vrijheid, met
welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.
Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders! alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot eene oorzaak voor het vleesch; maar dient elkander door de liefde.
Want de geheele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit; «Gij zult uwen naaste liefhebben, gelijk uzelven.
i Cor. 13 : 3. En al ware het dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geene nuttigheid geven.
I's. 49 : 8, 9. Niemand van hen zal zijnen broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven:
(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden ;)
Matth. 16:26. Want wat baat het een' mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel ? Of wat zal een mensch geven, tot lossing van zijne ziel?
(3'0 Werken der Apostelen 16:31. En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heeren ! wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
1 Moz. 15:6. En hij geloofde in den Heere en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.
Rom. 3 : 23â26, 28. Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods;
En worden om niet gerechtvaardigd, uit zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Welken God voorgesteld heeft tot eene verzoening, door het geloof in zijn bloed, tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn, onder de verdraagzaamheid Gods.
Tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid
â 33 â
in dezen tegenwoordigen tijd ; opdat Hij rechtvaardig zij en rechtvaardigende degenen, die uit het geloof van Jezus is.
Wij besluiten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.
Ef. 2 : 8, 9. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
Niet uit de werken, opdat niemand roeme.
Rom. 11 : 6. En indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geene genade meer ; en indien het is uit de werken, zoo is het geene genade meer : anderszins is het werk geen werk meer.
Ef. 3 : 14-21. Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van onzen Meere Jezus Christus, uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt.
Ãpdat Hij u geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch ;
Opdat Christus door het geloof in uwe harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt;
Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen welke de breedte, en lengte, en diepte en hoogte zij.
En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.
Hem nu, die magtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt.
Hem zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid Amen.
{â *) Joel. 2 : 13. Scheurt uw hart en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heere, uwen God ; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
__ 34 â
2 Cor. 7:10. Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.
(5) Rom. 5 : 2- Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.
Door welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.
Matth. 22 : 37â40. En Jezus zeide tot hem ; Gij zult liefhebben den Heer uwen God, met geheel uw hart, met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste engroote gebod. En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.
Rom. 5 : 5. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven.
Joh. 14; 23. Zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren; en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.
(6) Gal. 4 : 1â3. Doch ik zeg, zoolangen tijd de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niet van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles. Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. Alzoo wij ook, toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder eerste beginselen der wereld.
Gal. 5 : 4. Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden, gij zijt van de genade vervallen.
Rom. 8 : 14, 15. Want zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees ; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen; Abba, Vader!
â 35 â
Luk. 18 : 9 - 14. En Jezus zeide ook tot sommigen, die bij zich zeiven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achten, deze gelijkenis : Twee menschen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een farizeër, en de ander een tollenaar. De farizeër, staande, bad dit bij zich zeiven ; O God ? ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roovers, onrechtvaardigen, overpelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal ter week, ik geef tienden van alles, wat ik bezit. En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig 1
Ik zeg ulieden : deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die : want een ieder, die zich zeiven verhoogt zal vernederd worden, en die zich zeiven vernedert, zal verhoogd worden.
(7) Jeremias 31 : 33. Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere; Ik zal mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Rom 8:14. Want zoo velen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Matth. 12 : 33 Of maakt den boom goed en zijne vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijne vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
(8) Mark. 7 : 1â4. En tot hem vergaderden de farizeën en sommige der schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren. En ziende, dat sommige van zijne discipelen met onreine, dat is, met ongewasschen handen brood aten, berispten zij hem.
Want de farizeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wasschen, houdende de inzetting der ouden.
En van de markt komende, eten zij niet tenzij
dat zij eerst gewasschen zijn, En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wasschingen der drinkbekers en kannen, en koperen vaten, en bedden.
Matth. 23 : 25-28. Wee u gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden ! want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.
Gij blinde farizeër! reinig eerst, wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.
Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden ! want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.
Alzoo ook schijnt gij wel den menschen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.
(9) 1 Thess. 5 : 17. Bidt zonder ophouden.
(10) Joël 2 : 13. En scheurt uw hart en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heere, uwen God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
(quot;) 2 Kon. 17 : 24 - 41. De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chut, en van Avva, en van Hamath en Sefarvaem, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israëls ; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in hare steden.
En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den Heere niet vreesden ; zoo zond de heere leeuwen onder hen, die eenigen van hen doodden.
Daarom spraken zij tot den koning van Assyrië, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij dooden hen, dewijl zij niet weten da wijze des Gods van het land.
â 37 â
Toen gebood de koning van Assyrië, zeggende: Brengt eenen der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun leere de wijze des Gods van het land.
Zoo kwam een uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den Heere vreezen zouden.
Maar elk volk maakte zijne goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hunne steden, waarin zij woonachtig waren.
Want de lieden van Babel maakten Sukkóth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima.
En de Avieten maakten Nibha, en Tartak;ende Sefarvieten verbrandden hunne zonen voor Adrimélech en Anamélech, de goden van Sefarvaïm, met vuur.
Ook vreesden zij den Heere, en maakten zich van hunne geringsten, priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten.
Zij vreesden den Heere en dienden ook hunne goden, naar de wijze der volken van dewelken zij die weggevoerd hadden.
Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vreezen den Heere niet, en zij doen niet naar hunne inzettingen, en naar hunne rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de Heere geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israël gaf.
Nochthans had de Heere een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vreezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen.
Maar den Heere, die u uit Egypteland met groote kracht en met eenen uitgestrekten arm opgevoerd heeft. Dien zult gij vreezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen ;
En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het
- 38 -
gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dage; en gij zult andere goden niet vreezen.
En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten: en gij zult andere goden niet vreezen.
Maar den Heere, uwen God, zult gij vreezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uwe vijanden.
Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hunne eerste wijze,
Maar deze volken vreesden den Heere, en dienden hunne gesnedene beelden; ook doen hunne kinderen en hunne kindskinderen, gelijk als hunne vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.
Ex. 32 : 3, 4. Toen rukte het gansche volk de gouden versierselen af, die in hunne ooren waren, en zij brachten ze tot Aaron. En hij nam ze uit hunne hand, en hij bewierp het niet eene griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uwe Goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
(ntf) Handel. 8:9â19. En een zeker man, met name Simon, was te voren in de stad plegende tooverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende zan zich zeiven, dat hij wat groots was.
Welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den groote, zeggende: Deze is de groote kracht Gods.
En zij hingen hem aan, omdat hij eenen langen tijd met tooverijen hunne zinnen verrukt had.
Maar toen zij Philippus geloofden, die het evangelie van het koninkrijk Gods, en van den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen.
En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de teekenen en groote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich.
Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes.
Dewelke afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten.
â 39 â
(Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den naam van den Heerejezus.)
Toen leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest.
En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen der apostelen,-de Heilige Geest gegeven werd, zoo bood hij hun geld aan.
Zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zoo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange.
(quot;) Matth. 6-: 7. Als gij bidt. zoo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de Heidenen: want zij meenen, dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoord worden.
(13) Luk. 17 :20, 21. En gevraagd zijnde van de farizeën, wanneer het koninkrijk Gods komen zou, heeft hij hun geantwoord en gezegd; Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat. En men zal niet zeggen : Ziet hier of ziet daar! want, ziet, het koninkrijk Gods is binnen ulieden.
Hebr, 3 :6. Maar Christus, als de Zoon over zijn eigen hnis; wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem des hoops tot het einde toe vastbehouden.
('â ') Luk. 6:51â56. En het geschiedde, als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo richtte hij zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen.
En hij zond boden uit voor zijn aangezicht, en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor hem herberg te bereiden. En zij ontvingen hem niet, omdat zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.
Als nu zijne discipelen. Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij : Heere ! wilt gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde gelijk ook Elias gedaan heeft ?
Maar zich omkeerende, bestrafte hij hen, en zeide ; Gij weet niet, van hoedanigen geest gij zijt.
Want de Zoon des menschen is niet gekomen.
- 40 â
om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek.
Gen. 17 : 14. En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vleesch niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit hare volken uitgeroeid worden : hij heeft mijn verbond gebroken.
Deut. 18 : 20. Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in mijnen naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.
C5) Hebr. 10 : 21. En dewijl wij hebben eenen grooten Priester over het huis Gods ;
Mebr. 9 : 24 - 26. Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
Noch ook, opdat hij zich zeiven dikmaals zou opofferen gelijk de hoogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed ;
(Anders had hij dikmaals moeten lijden van de grondlegging der wereld af) maar nu is hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door zijn zelfs offerande.
Hebr. 8 ; 2. Een bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mensch.
1 Joh. 2:1, 2. Mijne kinderkens! ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak bij den Vader. Jezus Christus den rechtvaardige;
En hij is eene verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonde der geheele wereld.
(l6) 1 Petr. 2:5. Zoo wordt gij ook zeiven, als levende steenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die God aangenaam zijn door Jezus Christus.
Kfez. 2 : 19â22. Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen cn bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenooten Gods: Gebouwd op liet fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen; op welken het geheele gebouw bekwamelijk zamengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere.
Op welken ook gij mede gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest.
Rom. t2 ; 1. Ik bid u dan broeders! door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uwe redelijke Godsdienst.
('') 1 febr. 8:5. Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelsche dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel volmaken zou: want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den berg getoond is.
Col. 2 : 17. Welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.
(lS) Handel. 10 ; 25, 26. En als het geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij. Maar Petrus richtte hem op. zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mensch.
Openb. 19 ; 10. Kn ik viel neder voor zijne voeten, om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie, dat gij dat niet doet, ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben: Aanbid God.
Matth. 4 : 10. Den Heere, uwen God. zult gij aanbidden en 1 lem alleen dienen.
Jes. 63 : 16. Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet: Gij, o Heer! Zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is uw naam.
(,9).- Rom. 3 : 10. Gelijk geschreven is: Kr is niemand rechtvaardig, ook niet een.
Rom. 5 : 12. Daarom, gelijk door eenen mensch de Zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood ; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
Joh. 2 : 3, 4. En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot hem : Zij hebben geen wijn.
Jezus zeide tot haar : Vrouw ! wat heb ik met u te doen? mijne ure is nog niet gekomen.
Matth. 12 : 46 - 50. En als hij nog tot de scharen sprak : Ziet, zijne moeder en broeders stonden buiten, zoekende hem te spreken. En iemand zeide tot hem : Zie, uwe moeder, en uwe broeders staan daar buiten, zoekende u te spreken. Maar hij, antwoordende, zeide tot dengenen, die hem dat zeide : Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders ? En zijne hand uitstrekkende over zijne dicipelen, zeide hij : Ziet, mijne moeder en mijne broeders. Want zoo wie den wil mijns Vaders doet, die in de hemelen is, dezelve is mijn broeder, en zuster, en moeder.
(20) Ps. 62 : 6, 9. Doch gij, o mijne ziel! zwijg Gode, want van Hem is mijne verwachting.
Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor zijn aangezicht; God is ons een toevlucht. Sela.
Matth. 11 : 28. Kom herwaarts tot mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven.
Joh. 6 : 37. Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen, en die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.
Jer. 2 : 13. Want mijn volk heeft twee boosheden gedaan : Mij, de springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zich zeiven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden.
C21) Gen. 21 : S, 9. En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham eenen grooten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd. En Sara zag den zoon van Hagar de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.
(-2) 2 Kon. 18 : 3, 4. En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar alles, wat zijn vader David
â 43 â
gedaan had. Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bosschen uit; en hij brak de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israels tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.
{^) i Petri 2 : g. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen, die u uit de duisternis geroepen , heeft tot zijn wonderbaar licht.
Apocalypse i ; 6. Mn die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en zijnen Vader ; hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid, Amen, i24). Luk, 8 ; 2i, Kn een ander uit zijne dicipelen zeide tot hem : Heere ! laat mij toe, dat ik eerst heen ga, en mijnen vader begrave,
{25) Gal. 3 : 26, 28, Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Daarin is noch jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw ; want gij allen zijt één in Christus Jezus.
(26) Luk. 20 : 46. Wacht u van de schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange kleederen, en beminnen de groetingên op de markten, en de voorgestoelten in de Synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden ;
(â â ') Matth. 22 ; 30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven ; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel.
(2S) Matth. 8 : 14. En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijner vrouws moeder hebbende de koorts. Pater Agostino da Montefeltro, de beroemde Italiaansche redenaar, zegt in zijne conferentiën, 5e aflevering, bladzijde 356: »Wanneer de Katholieke kerk de beschermster en leerares van den waren Godsdienst van Jezus Christus, nieuwe geloofspunten vaststelde, zoo geschiedde dit nooit om vroegere geloofspunten te veranderen of ter zijde te schuiven.« Het huwelijk was in de eerste tijden den geestelijken geoorloofd, later niet meer; is nu door dit nieuwe geloofspunt het oude niet
- 44 â
veranderd, ja zelfs ter zijde geschoven, ongeldig verklaard? Voor eenigeu tijd trouwde m de I'laanderoi ccti onderpastoor, omdat hij eerlijk wilde zijn en blijven, wat hebben de katholieke gazetten hierover niet geraaskald,
t Tini; 4 : 1.2,3. Doch de Geest zegt duidelijk in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen. Door geveinsdheid der leugenprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid. / 'erbiedeude te huwelijken, gebie/iende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de geioovigen. en die de luaarheid hebben bekend.
1 Tim. 3 : 3, 3, 4. Een opziener (volgens de vertaling der Vulgata »een bisschop «)(-/«« moet onberispelijk zijn. eener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leer en. Niet genegen tot den ivijn. geen smijt*, r, geen vuilgezvtnzoeker; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. Die zijn eigen huis wel regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid.
1 Cor. 9 ; 5. Hebben wij niet macht, om eene vrouw, eene zuster zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren, en Cefas (Petrus).
(-:1) Ps. 51:6. Tegen u, u alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in uwe oogen; opdat gij regt-vaardig zijt in uw spreken, en rein zijt in uw richten.
Ps. 130 : 4. Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Ps. 32 ; 5. Mijne zonde maakte ik U bekend, en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere. en (jij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.
Jak. 5 : 16. Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt: een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.
i3quot;) 2 Thess. 2 : 4. Die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt,
â 45 â
alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zelven vertoonende, dat hij God is.
(31) Matth. 22 : 2 1. Zij zeiden tot hem : des Keizers. Toen zeide hij tot hen : Geeft dan den Keizer wat des keizers is, en Gode wat Godes is.
Rom. 13 : 1, 2. Alle ziel zij de machten over haar gesteld, onderworpen : want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God verordend. Alzoo dat die zich tegen de macht stelt, de verordening van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zich zelf een oordeel halen.
(32) Joh. 18 : 36. Jezus antwoordde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd ; maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.
(33) Matth. 20 : 25, 26, 27. En als hen Jezus tot zich geroepen had, zeide hij : Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de g-rooten gebruiken macht over hen. Doch alzoo zal
⢠1
het onder u niet zijn; maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar. En zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.
Gen. 11 : 1â9. En de gansche aarde was van eenerlei spraak, en eenerlei woorden. Maar het geschiedde als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Si near, en zij woonden aldaar.
En zij zeiden een ieder tot zijnen naaste : Kom aan, laat ons tigchelen strijken, en wel doorbranden ! En de tigchel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem. En zij zeiden : Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en eenen toren, welks opperste in den hemel zij ; en laat ons eenen naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de gansche aarde verstrooid worden 1
Toen kwam de Heere neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der menschen bouwden.
En de Heere zeide : Ziet, zij zijn eenerlei volk en
â 46 â
hebben allen eenerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken ; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken ? Komaan laat ons nedervaren, en laat ons hunne spraak aldaar verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet hoore. Alzoo verstrooide hen de Heere van daar over de gansche aarde ; en zij hielden op de stad te bouwen. Daarom noemde men haren naam Babel; want aldaar verwarde de Heere de spraak der gansche aarde, en vandaar verstrooide hen de Heere over de gansche aarde.
Dan. 4 : 27. Daarom, o koning ! laat mijn raad u behagen, en breek uwe zonden af door gerechtigheid, en uwe ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uwen vrede mocht wezen.
Openb. 17 : 1â6. En een uit de zeven engelen die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij : Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer, die daar zit op vele wateren ; Met welke de koninginnen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen, zijn dronken geworden van den wijn haren hoererij. En hij bracht mij weg in eene woestijn, in den geest, en ik zag eene vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen der Godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in hare hand eenen gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid haren hoererij. En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid ; het groote Babyion, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. En ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met groote verwondering.
(34) Matth. 23: 13. Maar wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden! want gij sluit het koninkrijk der hemelen voor de menschen,
â 47 â
overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.
(35) Matth. ii : 29. Neemt mijn juk op u, en leert van mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uwe zielen.
Matth. 8 : 20. En Jezus zeide tot hem; De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd nederlegge.
(36) Handel. 16 : 31. Paulus en Silas zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Joh. 3 : 36. Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven ; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
O*7) Ezechiël 13 ; 18. Zult gij de zielen mijns volks jagen, en zult gij u de zielen in het leven behouden ?
(:;S) 1 |oh. 2 : 1, 2. Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den rechtvaardige ; En hij is eene verzoening voor onze zonden ; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonde der geheele wereld.
f35) Ps. 50:15 Roept mij aan in den dag der benauwdheid. Ik zal er u uithelpen en gij zult mij eeren.
(40) Joh. 20 : 29. Omdat gij mij gezien hebt, Thomas ! zoo hebt gij geloofd ; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochthans zullen geloofd hebben.
('''j Handel. 8 : 22, 24. Bekeer u dan van deze uwe boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd. Doch Simon, antwoordende, zeide : Bidt gij lieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.
(4''i) 1 Joh. 1 : 7. Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde.
Hebr. 10 : 17, 18. En hunne zonden en hunne
- 48 -
ongerechtigheden, zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving der zelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde.
Joh. 3 : 18. Die in hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is alreeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam des eenig geboren Zoons van God.
Joh. 5 : 24. Jezus zeide : die mijn woord hoort en gelooft Hem, die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.
Luk. 23 : 42, 43. En de moordenaar zeide tot Jezus : Heere ! gedenk mijner, als gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn. En Jezus zeide tot hem : voorwaar zeg ik u : heden zult gij met mij in het Paradijs zijn.
(43) Matth. 16 : 26. Wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel ? Of wat zal een mensch geven, tot lossing van zijne ziel.
Handel. 8 : 20. Maar Petrus zeide tot hem ; Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt.
(44) Hebr. 11 : 1. Met geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
(45) Mark. 7 : 8, 9, 13. Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen, als namelijk wasschingen der kannen en drinkbekers ; â¢en andere dergelijke dingen doet gij vele. En Hij zeide tot hen ; Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uwe inzettingen zoudt onderhouden.
Makende alzoo Gods woord krachteloos door uwe inzetting, die gij ingezet hebt, en vele dergelijke dingen doet gij,
(46) Rom. 14 : 23. Maar die twijfelt indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
Matth. 15 : 8, 9. Dit volk genaakt Mij met hunnen .mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt
â 49 â
zich verre van Mij, Doch te vergeefs eeren zij Mij,, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn.
(47) Luk. 21 : 34. Wacht u zeiven, dat uwe harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkome.
1 Kor. 9 ; 24â27. Weet gij lieden niet, dat die in den loopbaan loopen, allen wel loopen, maar dat een den prijs ontvangt ? Loopt alzoo, dat gij dien moogt verkrijgen.
En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles.
Deze dan doen wel dit, opdat zij eene verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij eene onverderfelijke.
Ik loop dan alzoo, niet als op het onzekere ; ik kamp alzoo, niet als in de lucht slaande.
Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet eenigzins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.
Matth. 9 : 14, 15. Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Jezus, zeggende : Waarom vasten wij en de farizeën veel, en uwe discipelen vasten niet ? En Jezus zeide tot hen : Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zoolang de bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.
Matth. 11 : 18, 19. Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen : Hij heeft den duivel.
De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen : Ziet daar, een mensch, die een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren. Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen.
Col. 2 : 16â23. Dat 11 dan niemand oordeele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbaten ;
Welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.
â so â
Dat dan niemand u ovérheersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, te vergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches ;
En het hoofd niet behoudende, uit hetwelk het geheele lichaam, door te zamenvoegselen en zamen-bindingen voorzien en zamengevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom.
Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast ?
Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan :
Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leeringen der menschen ;
Dewelke wel hebben eene schijnrede van wijsheid in eigenwillige Godsdienst, en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in eenige waarde, maar tot verzadiging van het vleesch.
I Kor. 8 : 8. De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam : want het zij dat wij eten, wij hebben geenen overvloed ; en het zij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.
i Kor. 6 ; 12. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geenen mij laten brengen.
Eene oordeelkundige verkondiging van het Evangelie, van den Christus der Schriften, Die het land doorging zegenende en goeddoende. Die den armen wijst op hunne roeping, en de rijken op hunne verplichting. Wiens Godsdienst geen geldgodsdienst maar een liefdedienst is, vindt weerklank, vooral wanneer men de kerk maar buiten het geding Iaat. De praktijk geeft overvloedige bewijzen, onder onze Waalsche en Vlaamsche broeders in het Walenland, dat de Godzaligheid tot alle dingen nut is, en de belofte des toekomenden, maar ook des tegenwoordigen levens heeft.
Treed met mij twee huisgezinnen binnen, een oogopslag is slechts noodig om u te overtuigen dat
_ 5i â
men hier leeft tot eer en verheerlijking van den Heiland, wanneer de Vader zich des morgens naar zijn werk, den kolenput begeeft, buigt hij eerst met de zijnen de knieën, en beveelt zich in de hoede van Hem, Die gezegd heeft, dat Hij zijne engelen bevelen zal om hem op hunne handen te dragen en te beveiligen. Komt hij des avonds om 6 uur te huis, dan is het eerste werk den Heere te danken voor zijne bewaring, en de avond wordt doorgebracht in overdenking van Gods woord, der vromen tent weergalmt van lofliederen en gebeden. Dit was vroeger niet zoo, vroeger regeerde hier de duivel, de buren weten er van mede te spreken ; en kunnen, hoewel zij nog van verre staan, niets anders getuigen : het is een wonder in onze oogen, wij zien het maar doorgronden 't niet. Dikwerf komen de geburen luisteren naar de eenvoudige Bijbellezing van den mijnwerker, en naar het liefelijk gezang zijner kinderen. Nu naar het andere gezin, de man R. C. geboren, leefde vroeger zonder God in de wereld, »eten, drinken en vroolijk zijn«, ziedaar zijn godsdienst.
De Heere had hun reeds eenige malen beproefd, zij hadden reeds meer dan eenmaal een kind gehad, maar moesten het kort na de geboorte weer missen. Ik hield in hunne nabijheid mijne Bijbellezingen, in het eerst kwamen man en vrouw uit nieuwsgierigheid, spoedig kochten zij een Nieuw Testament, later een liederenbundel, en waren geregeld in onze samenkomsten. Was de Bijbellezing afgeloopen dan kwamen zij mij de hand drukken, en zeiden dat zij het zoo goed begrepen hadden, eenigen tijd daarna verschijnt de man met »de blauwe knoop«, en op mijne vraag: »van waar dit verschijnsels ? was zijn antwoord : »lk heb Jezus leeren kennen, ik behoor Hem toe, en gij weet toch dat geen dronkaard in den hemel komt, ik wil nu aan al mijne vroegere kameraden toonen, wie ik ben, en wat ik wil.« Eenige dagen nadien komen wij bij hem aan huis, het was kermis in St. Nicolas, zij ook wilden met hunne vrienden een vrolijken middag hebben, maar niet zooals vroeger; de tafel was gedekt, men vond er brood, koffie
â 52 â
en hesp ; en zij vierden feest, verblijd zijnde dat zij nu eenen anderen Meester dienden.
Ook hier wordt den naam van Jezus Christus glorie toegebracht voor zijne groote liefde en genade.
Zoo zouden wij kunnen voortgaan, en nog meer bewijzen bijbrengen voor de waarheid, dat het Evangelie eene kracht Gods is tot zaligheid een iegelijk die gelooft.