ocr page 1

/)/(s. /lt;£gt; -s-t/sr.

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

EEN BUNDELTJE

NIEUWE ANECDOTEN

VOOR

JONG-EN-OUD.

SAMENGESTELD

DOOR

Gr H. TB R NIS,

Gr. li O K G. AMSTERDAM, 1892.

ocr page 6

Wanneer dit bundeltje bijval en gretige koopers vindt, zal er door den verzamelaar nog voor een tweede gezorgd worden.

ocr page 7

NIEUW ANECDOTENBOEK.

ocr page 8
ocr page 9

1.

Nood schaft raad.

Burgemeester: „Gij behoort niet ten laste van onze gemeente, daarom zijt gij verplicht de kosten van uwe jongste ziekte zelf'te dragen.quot;

Landlooper : „Maar waarvan ? Edelachtbare, ik heb volstrekt niets.quot;

Burgemeester: „Dan zal ik genoodzaakt zijn, op Uwen eerstvolgenden diefstal beslag te leggen.quot;

2.

Die kwam er kaaltjes af.

Een Hannoversch Kapitein verzocht om de hand van eene rijke koopmansdochter te Berlijn. De vader gaf hem ten antwoord : „ Geen soldaat zal mijne dochter huwen !quot; „Mijnheer,quot; hernam deze, de borst verheffende, „ik ben geen soldaat, ik ben officier.quot; En de koopman hernam hierop: „Wanneer gij officier en geen soldaat zijt, dan nog minder!quot;

1

ocr page 10

2

Gevolgen van Vrees.

De volgende fabel bevat ook in deze dagen ecne eigenaardige leering. — Een reiziger ontmoette de Cholera, juist toen zij te Kaïro de poort intrad, en sprak haar aldus aan: „Wat komt gij hier doen?quot; ,Dvie duizend menschen dooden,quot; was het antwoord. Een geruimen tijd later ontmoette de reiziger denzelfden noodlottigen geesel weder, toen zij gereed stond de stad te verlaten, en zeide tot haar: „Gij hieldt uw woord niet: in plaats van drie duizend, hebt gij er dertig duizend gedood.' — „Toch niet,quot; hernam de Cholera, — „ik doodde er maar drie duizend, de Vrees deed het overige.quot;

4.

Eene goede uitvlucht.

„Dat zijn benauwde tijden, heer collega! Voorheen nam een ieder eerbiedig de pet of hoed af voor een met goud geborduurden kraag, en thans, thans stelt men zich aan beschimping bloot, wanneer men in de uniform op straat loopt.quot;

„Ja, maar dat is onze eigen schuld. Collega, daar kunnen wij zeer gemakkelijk vóór. — Wij laten van nu af aan het borduursel en passement-werk aan de binnenzijde zetten, op

ocr page 11

3

die wijze vermijden wij alle opzien, en hebben toch in geval van nood de teekenen onzer waardigheid ten allen tijde bij ons.quot;

Voor den Burgemeester.

In zeker dorp lag een rijk vleeschhouwer met eenen ossenkoopman in proces, bij welke gelegenheid de Burgemeester, die zich verbeeldde recht geestig te zijn in zijne manier van kwinkslagen maken, zich op de volgende wijze uitliet: „Welnu, hoe is het er nu mede, groote os ... . senkooper?quot; „Ach, Edelachtbare Heer Burgemeester,quot; hernam de koopman, „geloof mij, ik ben zulk een groote o s niet, als gij.... schijnt te denken, want enz. enz.

6.

Uitnoodigingr.

Langs dezen meer en meer gebruikelijken weg, noodig ik al mijne vrienden en bekenden op eene vroolijke punchpartij uit.

Tijd en plaats zal ik onmiddellijk door middel van dit blad bekend maken, wanneer het mij gelukt een kastelein te vinden, die dom genoeg is om mij de punch op crediet te geven, en zijn locaal voor bedoelde partij af te staan.

ocr page 12

4

Te huur.

Voor een deftig heer twee gemeubileerde kamers, met kost en bediening, de vrije wandeling in een tuin, en het schoonste vooruitzicht op een huwelijk, vermits er vijf volwassen dochters in huis zijn. Er zal zorg gedragen worden dat zij er steeds lief en aanlokkelijk uitzien. Nadere inlichtingen zijn in persoon te bekomen bij de weduwe Koppelaarster.

8.

Overleg.

„Buurvrouw, leen me voor vanmiddag je kleine Jantje erreissies, ik wou gaan bedelen.quot;

„Dat is mij wel; — vandaag kan je hem krijgen, want ik heb de wasch, maar morgen moet ik hem zelf gebruiken.quot;

9.

Een Consult.

Movromv : „Zou het gebruik van snuif geen nadeeligen invloed op de hersenen uitoefenen, dokter?quot;

Dokter; „Onmogelijk, Mevrouw! Zij die hersenen hebben, snuiven niet!quot;

ocr page 13

5

10.

Bene Collisie.

Heer: „Hei! . . . Zie je niet waar je loopt, schoft!quot;

Opperman: ,Schoft? ... Weet je wat jij bint? Je bint een halve dag, hoor!'

Heer: „Een halve dag, lomperd?quot;

Opperman ; „Ja, dat is een dubbele schoft, versta je!quot;

11.

Een geestenbezweerder.

„Gelooft gij. Janus, aan de mogelijkheid om door het spiritisme de geesten op te roepen?quot; „Of ik daaraan geloof? Ik heb het zelf honderden malen gedaan!quot;— „Geesten oproepen?quot; „Zeer zeker, geesten opgeroepen !. .. . maar ze kwamen nooit!quot;

12.

Explicatie.

„Wat is een soldaat?quot; „Een levend mikpunt, door de eene natie opgericht, om de andere te leeren schieten.

13.

Voorzorg.

Een dief werd voor den rechter gebracht. De rechter vroeg hem: „Waarom hebt gij ƒ 100 gestolen?quot;

ocr page 14

6

Dief: „Voor mijne kinderen.quot;

Rechter: ,Zijt gij dan gehuwdVquot;

Dief: .Neen, niiiar ik ga trouwen, en denk dan kinderen te krijgen.quot;

14.

Zeer Gevat.

„Gij hebt handen als een dorscher,quot; zeide eens een jonge windbuil tot een jonge dame, terwijl hij hare hand vatte.

,Dat komt dan juist goed,quot; antwoordde de scherpzinnige jonge dame, „want ik heb daar juist den vlegel in mijne hand.quot;

15.

Eene goede studie.

Een jong soldaat zag eene beeldschoone vrouw, die gearmd met haren gemaal wandelde, eenige oogenblikken strak in het gezicht. De heer, dien dit misnoegde, zeide vrij barsch tot den zoon van Mars: „Mijnheer, ik vind uwe handeling vrij onaardig.quot;

„Och, vergeef het mij, mijnheer,quot; bad de soldaat, „ik zag slechts in de oogen van uwe beminnenswaardige echtgenoote, omdat ik mij vast aan het vuur wilde gewennen!quot;

16.

Als men hot maar weet te vatten.

„Mijn arme Vader was een hartelijk man,

ocr page 15

maar hij hiul bij Waterloo eene wonde boko-men, die mij veel pijn veroorzaakt heeft.quot;

— „Wat belief' je? Hoe kon die wonde U jijjti veroorzaken?quot;

„Dat zal ik je eens zeggen. Als er verandering van weer kwam, begon de wond hem vreeselijk te steken, en dan was hij zóó schrikkelijk uit zijn humeur, dat hij, bij 't minste wat ik misdeed, mij een pak slaag gaf dat het een aard had. Zoodoende veroorzaakte zijn wonde mij dikwijls pijn.quot;

17.

Een afgeluisterd gesprek te platten lande.

Boerin: „Zeg eveis Hannes, waarom peuter jij toch altijd zoo in jouw neus?'

Boer: „Wel nou, Griet, wat kan jou dat schelen ! Ik doe het ommers niet in den jouwen!quot;

18.

Een galant Koetsier.

Dame: „Koetsier, ik neem je voor één uur, hoor!quot;

Koetsier: „Voor één uur maar? Voor mijn heele leven liever, als U 't goed vindt!quot;

19.

Een ridder van de naald.

„Hoeveel kost zoo'n jas van fijn zwart laken?quot;

,,Vier-en-yeertig gulden, mijnheer.quot;quot;

ocr page 16

8

„ Hm! . . . En als ik het laken geef?quot; „„Ook Vier-en-veertig gulden. Op zoo'n lapje laken ziet een huis als het onze niet!quot;quot;

Hoegenaamd geen nieuws.

De zoon van een rijk koopman studeerde op de hoogeschool. Onverwachts trad een oude knecht van zijnen vader in zijn kamer. De student riep vol vreugde: „Dag Frans! Hoe gaat het thuis? Is er niets nieuws?quot; — „Niets bijzonders, mijnheer! Behalve dat onze raaf gestorven is. —quot; „Nu, daar is niet veel aan gelegen. — Waaraan is het arme dier gestorven, Frans?quot; „Het schijnt,quot; zeide Frans, „dat het te veel bedorven vleesch gegeten heeft.quot; „Wat voor bedorven vleesch?quot; „Wel, mijnheer, van de vier bruine koetspaarden!quot; „Wat, zijn die dan ook dood?quot; „Ja, mijnheer, dat kwam van het vele water, dat zij hebben moeten vervoeren.' „Wel vervloekt! en ze hebben die kostbare paarden gebruikt om water te vervoeren?quot; „Dit gebeurde ook gewoonlijk niet, mijnheer, maar toen het buitengoed afbrandde, was men er wel toe gedwongen.quot; „Wilt gij daarmee zeggen, Frans, dat mijn Vaders buitengoed afgebrand is? Goede Hemel, hoe is dat gekomen?quot; „Door de fakkels, mijnheer, waar ze te onvoorzichtig mee zijn te werk gegaan.quot; — „Wat dond. . ! Wat deden zij met fakkels?quot; — „Ze werden gebezigd bij de

ocr page 17

9

begrafenis van Uwe Mama!quot; „Hoe, Frans! mijne moeder dood en begraven, zonder dat men iets van haar ziekte mij heeft laten weten ? Dat is onbegrijpelijk, Frans!quot; „Niet zoo onbegrijpelijk als U wel denkt, mijnheer! Zij is van verdriet gestorven.quot; — „Maar vanwaar dat verdriet?quot; „Omdat Uwe Zuster door een Fransch-man geschaakt is geworden.quot; — „Wat heb je nog meer voor beroerd nieuws, Frans?quot; „Bijzonder nieuws is er anders niet, mijnheer!quot;

21,

Een nieuw Assurantiebureau.

Een Amerikaansch dagblad bevatte kortelings de volgende aankondiging: „Assurantiebureau voor dankbetuigingen. Geneesheeren, die het te volhandig hebben om de dankbetuigingen der door hen herstelde lijders zelve op te stellen en in te zenden, kunnen zich bij ons tegen een uiterst billijken prijs abonneeren, ten einde maandelijks, zonder dat zij er iets mede te maken hebben, één of meer dankbetuigingen van door hen herstelde lijders in ons veelgelezen dagblad geplaatst te zien. — Wij kiezen gewoonlijk voor het doen dier dankbetuigingen afgestorvenen, vermits zij niet in staat zijn onze aankondigingen te logenstraften.

22.

Diagnose.

„Wat ^eg je er van, Mie — daar is nou

1*

ocr page 18

10

de man van Kee van Nootcn van de trappen gevallen en heit zen nek gebroken!quot;

,„Jongens, jongens! wat je daar /.eit!. . . hij heit er ook al zoo lang slecht uitgezien!''quot;

23.

Sterke boter.

Mevrouw: ,Wil je niet wat boter, Mietje?quot; De Meid: „„Dank U wel, Mevrouw.quot;quot; Mevrouw: „Wel, waarom nietVquot;

De Meid: „„Ik ben in het matigheidsgenoot-schap en mag niets gebruiken wat sterk is.quot;quot;

24.

Gehoorzaamheid boven al.

„Jan, is de kleermaker er al geweest?quot;

(Jan knikt toestemmend met het hoofd.) „Eu heeft hij mijn nieuwen rok gebracht?quot;

(Jan knikt wederom toestemmend.)

„Kerel, ben je stom geworden?quot;

(Jan knikt ontkennend,)

„Waarom spreek je dan niet?quot; Jan : „, Omdat Uwé het mij verboden heeft,quot;quot; „Ik?.., Heb ik je verboden te spreken?quot; Jan: „„Zeker, mijnheer! Gisterenavond, toen Uwé zoo boos waart, hebt Uwé tegen me gezegd; „Als je nog een woord spreekt, schop ik je de deur uit!quot;

ocr page 19

11

Het leven en een vat.

In het leven is er al zeer weinig, wat niet bij een vat kan vergeleken worden. Eeuwige trouw is een wierookvat dat zoo menig meisje met zijn dikken walm verblindt.

De vreugde is een suikervat, bestemd om ons de bittere koffie des levens te verzoeten.

Het ongeluk is een inktvat, waarin het noodlot de pen doopt, om dagen vol rampspoed en ellende in ons levensregister op te teekenen.

De hoop is een zandvat, waarmede eene onzichtbare hand het zwarte schrift in ons levensboek bestrooit; — het is goudzand, dat evenwel maar al te snel loslaat en verdwijnt.

De vriendschap is een bodemloos vat.

De liefde is maar al te dikwerf een vat met gouden banden; zoodra het edel metaal ontbreekt, valt het vat in duigen.

De wereld zelve gelijkt het Heidelberger vat, waarop vele menschen zich bewegen, maar welks bodem zóó glibberig is, dat reeds het. eerste menschenpaar er op uitgleed.

2(5.

Voor een winkel.

„Kijk, Kees, hier verkoopen ze Kevalenta-Arabica — 'k woü dat 'k wat geld had, dan kocht ik zoo'n bus.quot;'

ocr page 20

„„Jij, Jaap — waarvoor?quot;quot;

„Voor mijn vader — ze zeggen, dat meel is overal goed voor.quot;

„„Voor je VaderV Wat scheelt die dan, Jaap?quot;quot;

„Nou, hij heit zoo'n last van de deurwaarders zeit ie!quot;

27.

Eéne schaats.

(Een oud krijger niet een houten been nadert het stalletje van een schaatsenverhuurder):

Schaatsenverhuurder: „Een paar schaatsen. Mijnheer ? . .. Och ! . . . neem me niet verkwa-lijk ! . . . ik zag niet dat uwes zoo ongelukkig was .... maar ik heb hier nog een geschonden paar voor ü. Mijnheer!quot;

28.

Man en Vrouw.

„Och, Keetje! waarom zijn wij toch niet man en vrouw?quot;

„„Dat zijn wij immers, ezel!quot;quot;

„Ja, maar dat zijn wij ieder voor ons-zelven, en niet de één voor den ander !quot;

29.

Als Bedelaar.

„Kerel, kerel! Als je zóó doorgaat, dan steri je nog als een bedelaar!quot;

ocr page 21

VS

„„Dat 's niks, vriend.... als ik maar niet als bedelaar behoef te leven !quot; quot;

30.

De verdeeling' eener week.

Lieve Papa!

Gisteren, Zaterdag, werd ik gedagvaard voor eene schuldvordering van ƒ600—, heden, Zondag, schrijf ik het U, zoodat U morgen, Maandag, deze regelen ontvangt. Zendt ü mij Dinsdag niet het geld, dan heb ik het Woensdag niet, kan dus Donderdag niet betalen en moet Vrgdag voor den Kantonrechter verschijnen.

Vaarwel!

Uw Wanhopende Zoon, Gerrit.

31.

Juist beoordeeld.

Een incognito reizend Vorst vroeg aan een leeraar, wat zijne gemeente hem wel opbracht ? „Juist zóóveel,quot; was het antwoord, „als den Koning zijne regeering — den Hemel of de Hel, al naarmate wij ons ambt waarnemen.quot;

32.

Heel snugger.

De oppasser van een officier bracht zijnen

ocr page 22

14

heer op zekeren morgen een paar laarzen op zijne kamer, waarvan de eene een lange, en de andere eene korte schacht had.

„Maar kerel!quot; zeide de officier: ,wat begint gij nu'? Gij brengt mij tweeërlei soort van laarzen ?quot;

„„Ja, Luitenant! Dat mag de drommel weten!quot; quot; zeide de oppasser : „ „ik heb mij daarover ook al verwonderd, maar het gekste is, dat er hoven nog juist zoo'n paar staat!quot;quot;

33.

Hedendaagsche Philantropie.

„Hé, Krelis, moet de vos op zen ouden dag ook nog handpaard worden, en dat met zoo'n paar flinke jongens er op Vquot;

„„Wel neen ik, Klaas — 't arme dier heit de gansche week zwaar te werken en nou willen w em op Zondag toch ook eens een pleiziertje geven.quot; quot;

34.

De Panamahoed.

„Wat! Kost die hoed /100,— Vquot;

„„Zeker, Mijnheer! Een echte Panama!quot;quot; „Maar ik zie er van boven geene gaatjes in!quot; „„Gaatjes, Mijnheer?quot;quot;

„Zeer zeker .... waar de ooren door kunnen van den ezel die zooveel geld voor een hoed geeft!quot;

ocr page 23

15

35.

Een Boer die kiespjjn heeft.

Dokter: „Het ware onverstandig U thans iets te geven. Rnik echter maar eens ferm aan dit fleschje — maar ferm ! — Zoo ! .. . Kom over een paar dagen terug ; het zal wel beter gaan ... .quot;

Boer (eenige dagen later;) „Genezen bin ik, dokter .... maar een rijksdaalder is toch voor zoo'n beetje ruiken wat grof.... Geven, doe ik j'em niet.... ruik er ook maar eens aan, maar ferm !quot;

30.

Uit het Soldatenleven.

Sergeant; „Niets nieuws, schildwacht Vquot;

Schildwacht: „„Nee!.. . Weet Uwes niets?quot; quot;

Voor de Rechtbank.

Voor eenigen tijd werd voor een Cour d'assises in Engeland een getuige geroepen. Om een stuk door zijne handteekening te bekrachtigen, en daar de man aarzelde, vroeg de rechter, wat de reden daarvan was.

Een daarbij staand gerechtsdienaar antwoordde vol vuur: „Mylord, de man is zóó doof, dat hij geen geschreven schrift lezen kan !quot;

ocr page 24

16

38.

Geen wonder.

Een student liet zich een paar laarzen maken ; — ile schoenmaker bracht hem dezelve eene volle week over den bepaalden tijd thuis.

„Hoe komt het toch,quot; 2.eide de student, „dat gij zóó lang gewerkt hebt over mijne laarzen? Onze Lieve Heer heeft in 6 dagen wel de geheele wereld gemaakt.quot;

, - Dat is waar, mijnheer !quot; quot; zeide de schoenmaker, „ „maar de wereld is er dan ook naar !quot; quot;

39.

Onderscheid.

Jan: „In hoeverre zijn de dieven dikwijls slimmer dan de artsen ?quot;

Karei: „„Omdat zij, wanneer zijvertrekken, steeds weten, wat den lieden mankeert.quot; quot;

40.

Op de Catechisatie-

Dominé: „Frans, zeg mij eens, hoeveel Goden zijn er ?quot;

Frans: „„Zeven, Dominé!quot;quot;

Dominé : „Ga maar naar huis, kwajongen ! Als je mij de volgende week geen goed antwoord geven kan, dan wil ik je niet meer op Catechisatie zien 1quot;

ocr page 25

17

Frans gaat, en vraagt aan Karei, dien hij in de gang tegenkomt:

„Zeg, Karei, als Dominé vraagt, hoeveel goden er zijn, hoeveel zult gij dan zeggen?quot;

Karei: „Wel, één, natuurlijk!quot;

Frans (lachende): „Ga jij maar naar boven met je ééntje; — ik heb er al zeven gezeid, en 't was nog niet genoeg!quot;

41.

Een knap man.

Zeker geleerde die in 13 talen zeer geoefend was, had de eigenschap van steeds in zichzel-ven gekeerd te zijn, en sprak alzoo in gezelschap zeer weinig of niets. — Dientengevolge werd van hem gezegd: „Welk een knap man! hij zwijgt in 13 verschillende talen!quot;

42.

Hoog spelen.

„Je moogt wel op je zoon passen. Bierzak; hij speelt in het gindsche koffiehuis biljart!quot;

, „Wel, wel!____ Wat je zegt, Smit! En spelen ze hoog?quot;quot;

„Neen, dat niet____ Ze spelen op de eerste

verdieping.quot;

ocr page 26

18

43.

Een groot onderscheid.

Jules: ,Welk onderscheid is er tusschen een beschuit en een officier van de Pruisische garde?quot;

Rudolf: „„Een beschuit komt tweemaal voor het vuur, en een officier van de Pruisische garde nooit.quot; quot;

44.

Bosco en Döbler.

Een boer, die te Weenen eene voorstelling van den goochelaar Döbler bijwoonde, liet zich in een koffiehuis na afloop daarvan in de volgende bewoordingen uit: „Neen, dat is mij uit de hand gevallen; Bosco is vrij wat knapper in zijn vak.quot; -

Döbler was toevallig in de zaal, hoorde deze ongunstige oordeelvelling onverschillig aan, sprak eenige woorden fluisterend tot den kastelein, naderde vervolgens den boer en zeide: „ „Ik ben Döbler, gij veronderstelt dat ik in mijn vak moet onderdoen voor Bosco, dewijl ik minder werk op oogenverblinding, dan op de doelmatige aanwending van de geheime krachten der natuur. — Doch wanneer ik maar wil, dan kan ik u vrjj wat grootere kunsten

ocr page 27

19

laten zien dan Bosco, ja, ik kan het onbegrij-pelijkste uitvoeren, bijv.: ik wil u onmiddellijk en zonder eeni^e verdere voorbereiding een klap om het oor geven, waarvan de vlak achter u geplaatste kastelein de pijn zal voelen, en gij niets zult bemerken.quot;quot; — De boer was zeer nieuwsgierig en antwoordde: „Dat wil ik wel eens zien!quot; — Spoedig plaatste hij zich vlak voor den kastelein, en nadat Döbler de omstanders nogmaals opmerkzaam had gemaakt, dat hij zonder eenige de minste voorbereiding te werk ging, gaf hij den boer een ste-vigen klap. — Onmiddellijk sprong de kastelein schreeuwende op, terwijl hij zijn wang met de hand bedekte. — De boer sprong echter insgelijks op en zeide op vroolijken toon tot het gezelschap: „Zie je wel; — ik heb het wel

gezegd, dat Döbler zijn vak niet verstaat____

ik heb den klap wel terdege gevoeld!quot;

45.

Zaremba.

„ Maar hoe is dan toch eigenlijk uw geheele naam?quot; vroeg Prederik 11 den Generaal Zaremba, die om kortswille Zaremba heette.

„Uwe Majesteit,quot; antwoordde de Generaal, „ik heet in zijn geheel — Zirrizarrikommbari-zizaremba,quot;

ocr page 28

20

,,Ei, ei I'quot; zeide de Monarch, , B zoo heet de duivel nog niet!quot; quot;

„Ja, Majesteit,quot; hernam de Generaal, „maar die behoort ook niet tot mijne familie!quot;

46.

Geld en wissels.

„Hier is geld, en hier zijn wissels____quot;

„„Wissels kan ik niet gebruiken, vriend! Die zijn niet zeker!quot;

„Hoe! -— Deze wissels zijn zekerder dan geld, want het geld geeft gij toch weêr uit, de wissels echter blijft gij stellig behouden en kunnen nog op uwe kinderen en zelfs uwe kindskinderen overgaan!'

47.

Een bang ontwaken.

„Vrouw!____ Vrouw!!____quot;

„ „Hé! foei, is me dat doen schrikken! Wat scheelt er aan?quot; quot;

„Ik heb daar gedroomd, dat ik de veeziekte had!»

48.

G-oedkoop leven.

Een Herlijner ambachtsman wilde op 1 April zijn huisheer met een wissel betalen, afgegeven

ocr page 29

21

Op de regeering der stad, waarbij hij den volgenden brief schreef; „Aan de Edelachtbare Regeering alhier. Wees toch zoo goed om mijn huishuur 5 (zegge vijf) thalers te betalen, die ik hem voor huishuur schuldig ben. Zij hebben mij verteld, dat de overheid alles betaalt, wat de barrikade-bewoners schuldig zijn. Ik zal zoo vrij zijn, om u morgen of overmorgen (op een dag of wat komt het niet aan) ook mijn kruidenier, mijn bakker en mijn vleesch-houwer te zenden, die het mij sinds lang moeielijk maken om betaling. Tevens verzoek ik u om eene ondersteuning van 5 a 6 thalers in de week, vrijdom van belastingen en brood gratis. Dat ik inderdaad aan de barrikade mede heb gewerkt, kan ik bewijzen door twee mijner kameraden, die naast mij zijn doodgeschoten.quot;

49.

Die Oom was wel goed.

„Heeroom, gij hebt beloofd mij te zullen helpen, wanneer het mij recht ongelukkig ging in de wereld, of wanneer ik tot het uiterste gekomen was!quot;

„„Voorzeker! Wat deert u? Zijt gij met uwe vrouw en zes kinderen ziek

„Ik niet. Oom, maar mijne vrouw en vijf mijner kinderen.quot;

„„Zoo, zoo, maar uwe vrouw en v^f kinderen

ocr page 30

22

zijn toch niet dood, niet wuar ? . . . . Zie je wel, gij zijt eigenlijk zoo ongelukkig uiet, als gij u verbeeldt. Want ga eens na, als gij nu reeds ongelukkig waart, wat zoudt gij dan zijn als gij eens twaalf kinderen hadt, die met en benevens uwe vrouw in een dag gestorven waren of laten wij eens veronderstellen,

dat uw twaalf kinderen ziek liggen, en dat uw vrouw zich door een comediant laat schaken, terwijl al uwe overige betrekkingen in de gevangenis zitten ; of wat nog erger zou zijn, dat behalve dit alles, uwe eenige zuster zich ook laat schaken door twee comedianten. Zie je wel, dat gaat zoo voort tot in het oneindige toe! — — Slechts hij, die alles geleden heeft, wat een mensch met mogelijkheid lijden kan, mag veronderstellen dat hij tot het uiterste gekomen is, en kan zich zeiven ongelukkig noemen — — — maar dan is het nog duizend tegen één, dat hij juist een oom zou hebben, die bereid is, hem in zulk een uiterste te helpen. Dat begrijpt gij, niet waar? en dat is Hol-landsch ! Eerst moet gij het uiterste geleden hebben, en dan kunt gjj op mijne hulp rekenen, maar tot zóó lang moet gij geduld hebben. En nu. Neefje, adieu, ik heb de eer u te groeten.quot;''

ocr page 31

2n

50.

De Spijskaart.

Vreemdeling: „Hé! Bestaat hier te lande ook al een censuur, en zijn zelfs de spijskaarten daaraan onderworpen ?quot;

De Kelner: „„Hoe zoo, Mijnheer?quot;quot;

Vreemdeling: „Wel, de beste spijzen zijn geschrapt!!quot;

51.

Gesprek tusschen twee oude vrienden-

Joseph: „Ja, ja! Ik houd me goed. Men maakt nog altijd zij116 kleine veroveringen! en er is niemand die mij kan aanzien dat ik al naar de 60 loop.quot;

Karei: „„Zeker niet!... als men jou zoo de meisjes ziet naloopen, dan zou men je 25 geven.quot;quot;

Joseph: .Wat? . . . Jaren?quot; ....

Karei: „„Wel neen, .... stokslagen!quot;quot;

Eene onderscheiding.

Mama : „ Wel, heb jelui wat van Oom gekregen ?quot;

Doris: „„Piet niet. Mama! maar ik, ik heb haast een dubbeltje van Oom gekregen, maar Oom had geen klein geld.quot;quot;

ocr page 32

24

53.

Troef geven.

Aan een gezelligen vriendendisch vroeg zeker adellijk heertje aan Professor Engel het rechte onderscheid tusschen een blij-, tooneel- en treurspel. — De Hoogleeraar antwoordde : „Dat gij dit niet weet, is voor mij een blijspel, voor het gezelschap een tooneelspel, en voor u zelve een treurspel.quot;

54.

Beter raad kon nooit gegeven worden.

Bij de Engelsehe gerechtshoven is het gebruikelijk dat men aangeklaagden, die geen verdediger hebben, er een vanwege het gerecht toevoegt. Onlangs verscheen voor de rechtbank een man, die beschuldigd was van een moord, en daar hij zonder rechterlijke hulp was, verzocht de President eenen aldaar tegenwoordig zijnden Advocaat zich den beklaagde aan te trekken, en hem in zijn belang den besten raad te geven.

Advocaat en cliënt verwijderden zich, en na 20 minuten tijdsverloop treedt de Advocaat de rechtzaal weder binnen, doch zonder den man die hij verdedigen moest. .Waar is de gevangene?quot; vroeg de President. „.. Hij heeft zich verwijderd,quot; quot; antwoordde met de grootste gerustheid de Ad-

ocr page 33

vooaat, „ „Mijnheer de President zeide mij immers dat ik hem voor zijne zaak den besten raad zou geven, en daar hij mij nu openhartig beleden heeft, dat hij wel degelijk schuldig was, zoo kon ik hem toch zeker geen beteren raad geven, dan zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken, hetgeen hij ook terstond met blijdschap deed.quot;quot;

Berisping:.

Een vader van een student berispte zijnen zoon over de een of andere kleinigheid, en zeide : „Jongen, beter je toch; hebt gij mij ooit zóó iets zien doen, toen ik nog op uwen leeftijd was'?quot;

56.

Advertentiën om strjjd.

De Engelschen en de Amerikanen wedijveren door bluffende advertentiën in de dagbladen, en „Punchquot; heeft zich reeds eenige malen daarover vroolijk gemaakt, en deelde onlangs eenige nieuwe mede.

Voor het huis van een kleermaker te New-York las men in groote letters: „Hier, hier! komt allen tot mij, die naakt zijt, en ik zal u kleeden !quot; Een koopman in Mississippi, die zijne slechte betalers manen wilde, plaatste in de

2

ocr page 34

26

courant: „Bliksem en donder! Vuur en zwavel komen over u, wanneer gij mij niet betaalt, wat gij mij schuldig zijt!quot; Een der beste aankondigingen is intusschen die van een kwakzalver, die het publiek wilde berichten, dat hij het hardnekkigst ooggebrek kon verhelpen. Het opschrift dezer bekendmaking luidde: „dat toch geene blinden dit over het hoofd zien.quot;

57.

Een zonderling geloof

Tijdens de regeering van Olivier Cromwell in Engeland bevond zich te Londen een rijk koopman, die zeer voorzichtig aan zijn vriend te Parijs schreef: „Eenigen zeggen, dat de Protector dood is; — anderen zeggen: dat hij nog leeft: ik voor mij, geloof geen van beiden!quot;

58.

Een vreemd verzoek.

Een geestelijke te New-York schilderde do kinderen op zijne catechisatie de Hel af, als eene onpeilbare diepte en onmetelijke ruimte vol vuur en kolengloed.

De dochter van een eigenaar van verschillende kolenmijnen scheen met alle aandacht te luisteren en drong telkens naderbij.

ocr page 35

27

„Wat verlangt gij mijn kind?' sprak de geestelijke, „wilt gij er nog iets naders van weten?' — „„Ach. Dominé!quot; hernam het meisje, „„U moest zoo goed zijn om Papa de leverantie van de steenkolen te bezorgen.quot;quot;

59.

Die meid was ook zoo dom niet.

Dezer dagen kwam eene dienstmaagd bij een aanzienlijk Advocaat, telde hem 20 gulden voor, en verzocht den rechtsgeleerde dringend, om een proces voor haar te winnen. „ Wel, waarom niet? Volgaarne! Doch voor alle dingen, mijn kind, laat mij de kwestie eens hooren, wat is uw proces?' „„Ja,quot; antwoordde nu het meisje, „„dat is mij volkomen onverschillig, als ik het maar win; — mijn meester heeft voor eenige dagen f 600 gewonnen en toch het proces kostte hem niets meer dan /' 20; ik heb nu ook /'20 bijeen gespaard, maar op welke manier u daarmede nu f 600 of meer denkt te winnen, dat is uwe zaak, heer Advocaat; maar wat u meer dan f' 600 wint, dat is voor u!quot;

60.

School-examen.

Vruuy. „Uit hoeveel letters bestaat het Alpha-

beth?quot;

Antw. „„Uit negen!''

ocr page 36

28

Vraag. .Noem die eens op?'

Antw. „ „ A-l-p-h-a-b-e-t-h.quot; quot;

Vraag. „Wat zijn vreemde letters?'

AnUr. , .Boterletters, die ons met St. Nicolaas

worden gezonden.' '

Vraag. ,Wat zijn klinkers?'

Antw. „ „ Straatsteenen! ' '

Vraag. ,Wat zijn klanken?'

Auhr. „ „Guldens, Rijksdaalders, Gouden Wil-

lempjes, enz.' '

Vraag. „Wat zijn medeklinkers?quot;

AnUr. „ „Tienstuiverstukjes, kwartjes, dubbeltjes, enz.quot;

Vraag. „Noem mij eenige zelfstandige naamwoorden?'

Auhc. „ „Weduwnaar, vrijgezel, rentenier, enz.' ' Vraag. „Wat zijn koppelwoorden?'

Autw. „„Engagement, Huwelijk, Vennootschap, fusie-ministerie.' '

Vraag. „Wat is een verkleinwoord?'

Antw. „„Een bijziende bril.quot;'

Vraag. „Wat zijn naamvallen?'

Antw. „ „Faillisementen.quot; '

Vraag. „Wat zijn bijvoegelijke naamwoorden?quot; Antw. „ „Bruidschat, amendement, titels, enz.quot; quot; Vraag. „Wat zijn voornaamwoorden?'

Antw. „ .Piet, Dirk, Kaatje, Jans.' '

Vraag. „Wat zijn werkwoorden?quot;

Antw. „ „Ambachtsman, kantoorbediende, dienstmeid, enz.quot; '

Vraag. „Wat is in dien zin een onregelmatig werkwoord?'

ocr page 37

29

Antw. , ,Een ambaclitsman, die soms een slokje

te veel drinkt.' '

Vraay. „Wat zijn lijdende werkwoorden?' Antw. „„Dichters, Humoristen, enz.'quot;

Vraag. „Wat is een hulpwerkwoord?'

Antw. „„Geld.''

Vraag. „Wat is de volmaakt verleden tijd?' Antw. „ „De tijd, dien Adam en Eva in het Paradijs doorbrachten, vóórdat Adam in den appel gebeten heeft.' '

Vraag. „Wat is de onvolmaakt verleden tijd?' Antw. „ „Al de tijd, die er verloopen is sedert

dien appelbeet tot en met heden.quot; quot;

Vraaq. „Wat is de tegenwoordige tijd?quot;

Antw. „„Slecht.quot;quot;

Vraag. „Wat is de toekomende tijd?quot;

Antw. „„Dat weet Napoléon!'quot;

Vraag. „Wat zijn deelwoorden?'

Antw. „„Erfenissen, Ministeriëele portefeuilles,

buit, enz.quot; quot;

Vraag. „Wat zijn bijwoorden?quot;

Antw. „„Honingbij, Beijruth, enz.quot;quot;

Vraag. „Wat zijn telwoorden?quot;

Antw. „ „ Centen.' '

Vraag. „Wat zijn voorzetsels?'

Antw. „ „Paarden, Tamboer-majoor, enz.' quot;

61.

Overvloedige waarschuwing.

In een veel bezocht koffiehuis te Berlijn las men de volgende waarschuwing: „Voor zak-

ocr page 38

30

kenrolters wordt gewaarschuwd!' Twee heeren onderhielden zich daarover op de volgende wijze:

A. „Ik beschouw deze waarschuwing voor overbodig.quot;

B. , Tn het geheel niet. Denkt gij dan, dat zich onder de menigte geene zakkenrollers kunnen bevinden?quot;

A. „Dat wel, maar het was toch zekerder wanneer men hun den toegang verbood !quot;

62.

Vleiende vergelijking.

Een rijk heer, die zich inbeeldde een fijn landschapschilder te zijn, liet dikwijls zijnen kamerdienaar zijne schilderijen zien en bewonderen. „Wel, genadige heer!' zeide deze eens, „Uwe schilderij is nog veel natuurlijker dan de natuur zelve!'

63.

Op de Catechisatie.

Dorainé: ,Waar is God, Dorus?'

Doms: „Te Amsterdam, in de Duvelshoek op een vliering!quot;

Dominé: „Wat! In de Duvelshoek op een vliering?' .. .

ocr page 39

31

Doras: „Wel zeker, Dominé! TJ hebt ons altijd geleerd: Waar rust en vrede is, is God. Mijn Vader en mijne Moeder wonen in de Duvelshoek op eene vliering, hebben altijd rust en vrede, bijgevolg is God ook daar!'

64.

Op de Parade.

Eerste toeschouwer: „Nou 1... dat zou mij nooit kunnen gebeuren, dat ik van een paard aftuimel!quot;

Tweede toeschouwer: , „Zoo!. .. Kan jij dan •zoo goed paardrijden?quot; quot;

Eerste toeschouwer : „Wel neenik !. .. maar ik zou voor geen geld boven op een paard gaan zitten!-'

65.

Snuggere explicatie.

Jantje: ,Pa, wat is dat toch eigenlijk, een weeskind?quot;

Papa: , .Een weeskind, mijn zoon! is een zoodanig kind dat geen vader en geen moeder meer heeft. Heeft het kind nu geen vader meer, dan is het een weesjongen; en heeft het geen moeder meer dan is het een weesmeisje, begrijp je?quot;quot;

ocr page 40

66.

Ben eigenaardige wensch.

Een Koning zag liet statiglijk praalgraf van een edelman, die met liem ooi log gevoerd had. Men vroeg hem, of hij over deze pracht niet verstoord was. „O. neen!quot; antwoordde hij, .ik wensehte maar, dat al mijne vijanden zóó schoon begraven waren !quot;

67.

Een jodenstreek.

Een arme Israëliet was bij een zijner rijke geloofsgenooten ten eten verzocht. Er werd visch opgedragen en de rijke /.ette den arme den kleinsten visch uit den schotel voor. — De arme Jood wentelde zonder er van te eten, zijn vischje onophoudelijk met de vork over zijn bord hoen en weder, terwijl hij daarbij eenige woorden binnensmonds prevelde. — De rijke bemerkte dit en zeide: „Waarom eet gij niet; wat doet gij toch met dien visch?quot; — „ „Vergeving,quot;quot; hernam de arme, „ „maar ik had den visch iets te vragen.quot;quot; „Wat dan,quot; zeide de rijke. „., Ik had eenmaal een broeder,quot;quot; hernam de arme, „„hij is verdronken, en wij hebben hem nooit wedergezien; nu vroeg ik den visch. of hij mij ook iets van mijn broeder kon berichten.quot;quot; — „En wat antwoordde hij?quot;

ocr page 41

vroeg de rijke. „,Hij zeide mij,'quot; hernam de arme, „„dat hij nog te klein was, en bijgevolg niets van de geschiedenis af wist; hij raadde mij echter aan, zijn grootmoeder, die insgelijks op den schotel lag, eens naar den gestorvene te vragen.'quot; Beschaamd gaf de rijke den arme een grooten visch, dien de arme met smaak opat.

68.

Verwisseling1 van hoofden.

Bosco (de beroemde goochelaar) verricht onder talrijke uitmuntende kunststukken ook de verwisseling van twee duivenkoppen, waardoor de kop van een levende witte duif op do romp van een insgelijks levende zwarte verschijnt en zoo omgekeerd. —• Een boer, die de voorstelling had bijgewoond, vroeg hem, of hij ook die kunstbewerking niet eens met zijne vrouw én zijn broedersvrouw wou proberen. — Hij zou gaarne betalen wat er op stond.

69.

Een slimmert.

Albert: „Kent gij den rijken Baron X?'

Evert: „„Nou, ik zou hem niet kennen, hij is een mijner naaste bloedverwanten!quot;

2*

ocr page 42

34

Albert: ,Inderdaad?quot;

Evert: ,, Waarachtig, zeker! want voor twee jaren geleden wilde hij mijne oudste zuster trouwen.quot;quot;

70.

Dokters-lof.

Patiënt: ,Dokter! ik heb de medicijnen sedert gisteren trouw volgens uw voorschrift ingenomen, alle 20 minuten 12 droppels, nauwkeurig geteld en op de seconde af, volgens mijn hoi'loge, dat precies gaat.quot;

Geneesheer: (hem hartelijk op den schouder kloppende) „„Zulk eene nauwkeurigheid heb ik maar zelden aangetroffen; waarlijk, gij zijt nog eens waard om ziek te worden!quot;quot;

71.

Geloofsbelijdenis van een Kapitein.

Bij een groote revue in Pruisen viel Koning Frederik II een Kapitein in het oog, die er nog zeer jeugdig uitzag.

„Hoe is uw naam?quot; vroeg de Koning.

, „Ven Knobbelsdorff, Uwe Majesteit.quot; quot;

De Koning: „Hoevele Protestanten hebt gij bij uwe compagnie? quot;

Von Knobbelsdorff: „ „Veertig, Uwe Majesteit.' quot;

Do Koning: „En hoeveel Katholieken?quot;

ocr page 43

35 „■ •:

quot; :..vy-Wf^

Vci(i Knobbelsdorff: ,,Dertig, Uwe AFa-jesteit.quot; ,

De Koning: ,En hoeveel Hervormden?'

Von Knobbelsdorff: „ ,Twintig, Uwe Majesteit.' '

De Koning: ,Veertig. Dertig en Twintig is Negentig,' en vervolgde: „maar de overigen dan, wat gelooven die?'

Von Knobbelsdorff: , ,T)ie gelooven nergens aan, Uwe Majesteit.''

Koning: ,En gij . . . wat gelooft gij? . . .'

Von Knobbelsdorff: ,,lk?... Uwe Majesteit?... Ik geloofquot;, dat Uwe Majesteit mij zeer gemakkelijk tot Majoor zoudt kunnen benoemen.' '

De Koning (lachende) : ,Heer Kapitein, gij hebt een bijzonder zonderling geloof!'

De Koning reed voort, zonder de compagnie verder in oogenschouw te nemen. Een uur daarna werd de Kapitein bij Frederik ontboden, en trad, niet zonder schroom over zijne gepleegde vrijmoedigheid bij den Koning binnen. „Gij waart heden recht vroolijk,' dus sprak de Monarch, „doch ik wil uw geloof niet geheel en al beschamen; een Majoorsplaats is er op heden niet open, maar in afwachting daarvan schenk ik u eene jaarlijksche toelage van 300 thalers, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat gij echter niemand tot uw geloof overhaalt.'

De Kapitein bedankte den Vorst, kon zich verwijderen, en was een jaar later Majoor.

ƒ

ocr page 44

Explicatie.

Wat is een soldaat ?

Een levend mikpunt, door de eene natie opgericht, om de andere natie te leeren schieten.

73.

Twee Neven die het niet eens waren.

De onder den naam van Eduard Mauthner, in het blad „de Humorist' voorkomende staathuishoudkundige opstellen, zijn niet van mij, maar van een mij onbekend schrijver.

Dü. Lodewik Mauthner.

In het volgende nummer las men:

De door den Geneesheer Lodewik Mauthner behandelde zieken worden niet door mij, maar door een mij onbekend dokter behandeld.

Eduard Mauthner, Letterkundige.

74.

Een goeden raad.

„Laat toch uwe hand rusten,quot; zeide de Prins La Roche over tafel aan zijn buurman, die buitengewoon spraakzaam was, en ieder

ocr page 45

87

woord door eene beweging met de hand liet vergezeld gaan.

„ „Ja, maar wij zitten hier zoo eng, dat ik niet weet, waar ik mijne hand bergen moet,quot; quot; zeide de drukke prater. „Leg haar dan maar op uw mond,quot; antwoordde de Prins La Roche.

75.

Goed uitgerekend.

Meester: „Hoe heet de Vader der Zonen van Zebedeus ?quot;

Jongen: „„Ik weet het niet, meester!quot;quot;

Meester: „Hoe heet dan uw buurman?quot;

Jongen: „Adriaan de Koning.quot;quot;

Meester: „En zijn Vader?quot;

Jongen: „Ook Adriaan de Koning!quot;quot;

Meester: „Alzoo heet de vader der zonen van Zebedeus?quot;

Jongen: „„Adriaan de Koning, meester!quot;quot;

76.

Een aardige keus.

De beroemde schilder Velasquez de Silva verlangt in eene volmaakt schoone vrouw: „drie witte dingen — vel, tanden en handenquot; — „drie zwarte — oogen, oogopslag en wenkbrauwenquot; — „drie roode — lippen, wangen en nagelsquot; — gt;,drie lange en rijzige —

ocr page 46

38

lichaam, haar en armenquot; — ,(lrip kleinfi — tanden, ooren en voetenquot;' - ,ilrie breede — boezem, voorhoofd en de ruimte tussehen de wenkbrauwenquot; — „en drie zachte — haren, vingers en lippen.—quot;

77.

Ben reisje gemaakt.

Een kleermaker was aan een handelshuis in lakens eene som golds schuldig, die hij niet kon ot' wilde betalen, en werd voor deze schuld tot gevangenisstraf veroordeeld. Na ruim drie maanden échter het slot te hebben doorgebracht, besloten zijne schuldeischers hem maar weder los te laten, waarop hij den volgenden dag eene advertentie in het dagblad plaatste, die luidde als volgt: „Na eene reis van ruim drie maanden voor het handelshuis N. N. gedaan te hebben, keerde ik gisteren alhier terug, en verzoek mijne bekenden en begunstigers, zoo binnen als buiten deze stad, mij opnieuw met hun vertrouwen en bestellingen te willen vereeren.quot;

78

In den slagregen.

Heer: „Ben je niet door en door nat, koetsier?quot;

ocr page 47

39

Koetsier: , ,Xeeri, mijnheel', mijn keel is zoo droog als kurk !quot; quot;

70.

Die was goed af.

Een krankzinnige, wien liet gehikt was aan zijne oppassers te ontvluchten, kwam op de straat, en zag onder eene groote menigte mensehen, die zich naar de kerk begaf, een man met een krulprnik, rotting met gouden knop en zeer deftig voorkomen. — Het was de eerste zanger. — De krankzinnige volgde hem ongemerkt op het koor. Na eenige oogenblikken stond de zanger op, en het lied begon. — De krankzinnige liet zich dit welgevallen, doch toen kort daarop de koorknapen invielen, en eindelijk de gansche gemeente medezong, werd hij over dit geluid — sedert lang ongewoon — zeer ontevreden. Hij naderde den eersten zanger, die natuurlijk niets kwaads vermoedde, en gaf hem een paar stevige oorvijgen, zeggende: „Jou zotskap daar je bent! had jij nou je bakkes gehouden, dan was er immers niets gebeurd, maar ik zal je leeren, al die menschen in rep en roer te brengen!quot;'

80.

De behulpzame hand bieden.

In een Weener tijdschrift leest men de vol-

ocr page 48

40

gende bijdrage tot de geestdrift der Italianen voor de muziek : De Othello van Rossini werd het eerst in St. Carlo te Napels opgevoerd. Het stuk beviel zoodanig en de muziek sleepte het publiek zóóver mede, dat twee Lazaroni's op de bovengalerij gezeten, die beiden slechts één arm hadden, elkaar hun overgeblevene hand leenden, om mede te applaudiseeren. (Letterlijk waar.)

81.

Op de school.

Meester: „Hoe koud is het wel om de Noordpool, Dirk?quot;

Dirk: „ ,0, meester! daar is het zóó koud.... zóó koud____' '

Meester: „Welnu, boe koud is bet er dan wel'?quot;

Dirk : „ ,Zóó koud, meester, dat het antwoord op uwe vraag mij op den tong bevriest!quot;quot;

82.

Nog onveranderd.

Een reiziger uit de stad H. kwam voor zaken te Amsterdam en nam, tot het verrichten van eenige commissiën, eene vigelante van Jonker en Co. aan; vermits er echter een paard van een daalder voor het rijtuig stond, zoo wendde

ocr page 49

41

hij zich eindelijk tot den koetsier met de woorden: „Hoe is het mogelijk dat alles zoo verandert, voor tien jaren geleden was deze vige-lanten-onderueming veel beter ingericht dan thans, — toen was alles in orde, en men kwam beter voorwaarts,quot; — waarop de koetsier hem zeer laconisch ten antwoord gaf: , „Maar, mijnheer, u hebt waarlijk geen reden om over verandering te klagen: paard en rijtuig zijn nog steeds dezelfden.quot; quot;

83.

Halfjes door.

_ „Riekje, stap eens eventjes op, ik heb groot nieuws voor je,quot; dus riep een modemaakstertje, die uit het venster lag, hare vriendin toe. — „ „Welnu, wat is hef?quot; quot; vroeg Riekje, de kamer bij Cato binnen komende. — „ Verbeel je eens, daar trof ik gisteren bij mijne Tante een jong-mensch aan, die mij trouwen wil. Een scliitte-rende partij, beste meid.' — ,„Wel, wat is je vrijer dan?'quot; — „Raad eens!' — „„Sergeant bij de Grenadiers?quot; — O, hé neen, vrij wat hooger.quot; — „„Misschien een kleermaker, die op een derde verdieping woont ?quot; — „Hoe kom je er bij. Riekje, nog hoo-ger!' quot; »!iNog hooger?quot; hernam Riekje in gedachten verdiept. „„Wat mag hij dari wel zijn ? Torenwachter, of zoo iets ?quot; — '„ Ik zie het

ocr page 50

42

al, Riekje, je geeft het op, niet waar? Welnu, verbeeld U eens, ik word Gravin!' — , „Gravin?.... Dat kan ik niet gelooven!quot; — ,En toch is het waar, ik word Gravin, bij den Minister van Finantien.quot; — n,Hoe zoo, bij den Minister van Pinantiën?quot; — ,Wel zeker, mijn aanstaande is Pluimgraaf.quot; — ,, Dan wordt gij Pluimgravin ?quot; quot; „Wat, Pluimgravin!quot; hernam Cato, „ik doe hem halfjes door, de pluim gooi ik weg, de deur uit daarmee, en de Graaf houd ik voor mij.quot;

84.

In een Logement.

Vreemdeling: „Is er hedenavond komedie?'

Bediende: „„Yes, sir!quot;quot;

Vreemdeling: „0, spreekt gij Engelsch?quot;

Bediende: „„Oui, Monsieur!quot;quot;

Vreemdeling: „Ook Pransch?quot;

Bediende: „„Ja, Mijnheer!quot;quot;

85.

Verhuizen.

„Lompe kerel! Je hebt de prachtige marmeren plaat van de groote ronde tafel gebroken !quot;

„ „Da's niks. Juffer, maakt u daaromtrent niet ongerust, 'k heb de stukken in mijn zak, en er is niets van weg!quot;quot;

ocr page 51

43

86.

Op de school.

Onderwijzer; (voor een bord met mathema-tische figuren.) ,En nu wil ik u deze stelling ook bewijzen.quot;

Een der leerlingen: ,,Och, we gelooven u zonder dat wel, meester, en thuis wacht Mama met de koffie, 't is 12 uur.quot;quot;

87.

Jocrisse.

Knecht: „Een handlantaarn voor Mijnheer T?eirens!quot;

Baas: ,„Hoe groot moet ie wezen?quot;quot;

Knecht: „Ja .... Hm! .... geef er maar een voor vijf personen!quot; quot;

88.

De moord.

„Zijt gij daar?' dtis klonk mij des avonds eene vrouwenstem in het oor. — „„Wel natuurlijk ben ik daar,'' dacht en antwoordde ik terzelfder tijd. Het was zoo duister, dat men geen twee schreden van zich af kon zien, ik stond voor een huisdeur; — eene zachte vrouwenstem riep mij haar te volgen en greep met eene zachte hand de mijne en trok mij in den duisteren ingang. — Dat zal eene interessante

ocr page 52

44

verrassing zijn, als wij voor het licht komen, dacht ik bij mijzelven: ~ als ik maar geene klappen oploop. — Ik drukte de vrouwenhand zoo teeder mogelijk, dewijl ik dacht haar daarmede pleizier te doen. — „Wat begint gij nu?quot; vroeg zij toornig, „hebt gij het lijkkistje mede-gebrachtV „„Het lijkkistje y quot; Ik stond als versteend, doch herstelde mij zoo spoedig mogelijk, en zeide : „ „Het zal oogenblikkelijk gebracht worden.quot;' — „Mevrouw wacht erreeds een uur op,' fluisterde zij, „mijnheer kan ieder oogenblik thuis komen, en wee ons, wanneer hij iets van de begrafenis bemerkt.quot; — „ „Ha, zoo!quot;quot; bromde ik binnensmonds. „„Reeds toen hij Mevrouw trouwde, dreigde hij de arme kleine te zullen vermoorden, wanneer Mevrouw haar niet wegdeed — en nu, nu heeft de ellendeling zijn woord gehouden. - - Duivels, dacht ik bij mijzelven, kindermoord! Dat wordt eene bijdrage tot de lijfstraffelijke rechtspleging, en de Voorzienigheid heeft mij verkoren, om de misdaad aan het licht te brengen.quot; quot; — Spoedig waren wij de trap opgeklommen, er ging eene deur open, en wij traden een rijk gemeubileerde slaapkamer binnen. Eene jonge schoone vrouw met rood geweende oogen lag op eene canapé. — „Hier baas,quot; dus sprak zij mij aan, op eene wieg wijzende, die voor de canapé stond, — „hier ligt mijn alles, mijn eenigste schat op de wereld, de engel, die mijn echtgenoot in zjjn dolzinnige drift geworgd heeft. Ik hoop toch dat gij het kistje netjes gemaakt

ocr page 53

45

hebt?quot; — „Maar mijn hemel.quot; riep de kamenier uit; „dat is de baas niet.' - „Wie zijt gij, Mijnheer, hoe komt gij hier?quot; — „ „Ha!quot; ° dus barstte ik uit, „ „gij dacht een uwer ellendige medeplichtigen te zien, neen! Goddank, die ben ik niet; doch de Voorzienigheid heeft mij uitverkoren, om uwe schandelijke misdaden aan het licht te brengen. Of denkt gij nog, dat uw kindermoord verborgen zal blijven? Neen, voor de rechtbank der menschen en voor de vierschaar daarboven zult gij rekenschap doen van uwe misdaden!quot; Verschrikt en verwonderd zagen mij de beide vrouwen aan. — „ „Waar is uw ongelukkig slachtoffer?quot;' dus ging ik voort, „ „ik moet voor alles mijzelven overtuigen en dan wee uwer!quot; quot; Plotseling rukte ik het groen zijden kleed van de wieg af, die voor de canapé stond. Daar zag ik een wonderschoon engelsch hondje van echt ras met omgedraaiden hals voor mij liggen, ten halve bedekt met rozen en vergeet-mij-nietjes! — Ik had mij dus op eene bespottelijke wijze vergist en moet er zoowel dom als verlegen uitgezien hebben, want toen ik de kamerdeur achter mij dichttrok, hoorde ik de meesteresse, ondanks hare droefheid, schateren van lachen. — Op de straat kwam mij echter de schrijnwerker tegen, die een kostbaar lijkkistje onder den arm had, van zwart ebbenhout vervaardigd en ingelegd met-zilver en paarlemoer.

ocr page 54

40

89.

In Parjjs.

Een Dandy: „Behandel mij als een bedelaar, die u om een aalmoes vraagt, allerbeminnelijkste schoone!quot;

Jonge dame: „ „Ik kan u niets geven, want ik heb reeds een huiszittende arme,quot;quot; (die dame was gehuwd).

90.

Jocrisse.

Een jongmenseh begaf zich met zijn vader naar den magistraat van zeker dorp, om een contract te teekenen; men vroeg den zoon het eerst; „Zijt gij 21 jarenoud?quot; „„Ja, Mijnheer,quot;quot; was het antwoord. „„Ziehier mijn geboorteakte.'quot;' „Het is wel.quot; En nu zich tot den Vader wendende, herhaalde de overheid: „Zijt gij 21 jaren oudVquot; „„Ik denk wel van ja, ik zal toch in allen gevalle wel even oud zijn als mijn zoon?quot;quot; „Waar is uw doopceel?quot; „ „Uie heb ik niet bij mij.quot;quot; „Dan kan ik u het contract ook niet laten teekenen; kom morgen terug en breng uw doopceel mede.'

ocr page 55

47

91.

In den winkel van een Dorpsmanufactnrier.

Boerin: „Baas, je hebt me de laatste maal slecht voorgenieten, hoor 1 Ik geloof dat jou el wel een verl korter is dan die van anderen.quot;

Winkelier: „Dat kan wel zijn, deern! maar, bedenk wel, daarom is mijn el ook wel ééns zoo dik.quot;quot;

92.

Die jonden had eene goede opvoeding gehad.

Een edelman zag, door zijne bezittingen wandelende, een kleinen knaap, die zich bezig hield met het storen van vogelnesten. Toen de knaap hem in de verte ontdekte, klom hij af, en verwijderde zich. De Edelman, die wel lust gevoelde, hem een kleine, gevoelige vermaning toe te dienen, riep hem achterna, ten einde hem wat vrijmoediger te maken: „Hoor eens jongie!quot; Doch de boerenknaap kwam niet. De Edelman, bemerkende, dat hij, voor straf bevreesd, zich verwijderde, riep hem toe: „Kom maar gerust hier, ik wil u wat nieuws verhalen!quot; „A.ch, Genadige heer!quot; sprak de knaap, — „zulke kleine snuiters, als ik ben, rnogen alles nog niet weten!quot;

ocr page 56

48

93.

Verzachtende omstandigheid.

Na afloop van eene crimineele procedure vroeg onlangs de President der rechtbank aan een beschuldigde, of hij nog iets ter zijner verontschuldiging in het midden had te brengen. „Ik smeek de rechtbank,quot; antwoordde de beschuldigde, .als verzachtende omstandigheid de gebrekkige wijze in aanmerking te willen nemen, waarop ik door mijnen advocaat verdedigd werd.quot;

94.

Zelfverdediging1 door een slaaf.

Eechter: „Gij hebt een flesch cognac van uwen meester gestolen.quot;

Neger; „ „Ik niks stelen van massa. — Als ik flesch cognac, die van massa is, doe in kist, die ook van massa is, heb ik dan stelen?quot;quot;

Rechter: „Dan, neen!quot;

Neger; „„Nou dan, ik heb flesch cognac, die van massa is, gedaan in mijn lijf, dat ook van massa is, en heb dus niks stelen.quot; quot;

95.

Perspectief.

Majoor der schutterij; „Daar ginds is mi-

ocr page 57

4y

serabel gericht, de kerels staan daar haast op elkander.quot;

Adjudant: , „Vraag excuus, Majoor! maar als het perspectief neemt____quot; quot;

Majoor: „Ei wat! Daar lieh ik geen perspectief voor noodig; zoo iets kan ik wel met mijn bloote oog zien.quot;

96.

Rechtschapenheid.

Aardappelenboer: „Nou vraag ik ieder rechtschapen mensch, of ik dien man z'en maat niet gegeven heb!quot;

Een gebochelde: „„Nee, 't is nietes, je hebt me m'en maat niet gegeven!'quot;

Aardappelenboer: „Hou jij je stil! Ik vraag het aan ieder rechtschapen mensch!quot;

97.

Ongeschonden teruggave.

Boer: „Nou, dokter, wat dunk je van m'n vrouw?quot;

Chirurgijn: „„Daar blijft nog maar één middel over, Jacob! de arm moet afgezet worden, en spoedig ook, anders vrees ik voor het ergste!quot; quot;

Doer: „Afzetten?... Nee, niks afzetten. Tk heb 'er van Onze Lieve Heer heel gekregen,

3

ocr page 58

50

en ik wil 'er ook heel teruggeven! (hij huilt) niks afzetten!' quot;

Twee dagen daarna overleed de vrouw.

98.

Een veroordeelde.

Een dief die tot de galg veroordeeld was, vroeg, reeds op de ladder staande, om een weinig drinken. — Men gaf hem een glas wijn, hij dronk het uit, en liet het daarna op den grond vallen. Toen het glas in duizend stukken sprong, riep hij angstig uit: „0, hemel, ei-komt mij vandaag stellig een ongeluk over, want nog nooit heb ik een glas gebroken, of het was altijd een noodlottige dag voor mij.quot;

99.

Drie beroemde geneesheeren.

— Die Alopathen, Hydropathen en Homoe-opathen strijden nog maar altijd om 't gezag!

— 't Is dwaas! De beroemde geneesheer Dumoulin heeft het reeds geleerd.

— Hoe zoo?

— Dumoulin zeide aan zijne om zijn sterfbed geschaarde confrères:

„Ik laat drie groote geneesheeren achter!'

Gretig vroegen de omstanders wie dat waren, elk in de hoop als een der drie genoemd te worden.

ocr page 59

51

Langzaam maar duidelijk antwoordde Du-moulin:

,Tk bedoel: Opgeruimdheid, Lichaamsoefening en Matigheid.quot;

100.

Ad Rem.

Eene Dame maakte onlangs aan hare, op haar talent zeer ijdele modiste, de opmerking, dat, nu de prijs van zijde en satijn aanmerkelijk gedaald was, die van hoeden enz. ook diende te verminderen. „Gelooft gij' — antwoordde de modiste op een toon, die van gekwetste majesteit getuigde — „gelooft gij, dat Tollens zijne gedichten goedkooper maakte, wanneer het papier in prijs daalde?'

101.

Ook niet dom.

Een kantoorbediende, wien de eigenaar van een huis een ontzettend hooge huur voor een klein huisje gevraagd had, schreef hem het navolgende: „Gij meldt mij, dat u mij het bovenhuisje (drie zeer kleine kamertjes en keukentje) niet beneden de /'700 kunt afstaan. Mag ik u beleefdelijk vragen of in die /'700 voeding en kleeding begrepen zijn?'

ocr page 60

102.

Spoorweg-oug-eluk.

De stationchef te A... zond dezer dagen aan den Inspecteur te X ... liet volgend rapport: „Nov. 18.. Door een toeval, onafhankelijk van zijn wil, werd de baanwachter P... zwaar aan het hoofd gewond, doch men hoopt, dat de amputatie niet noodig zal zijn.quot;

103.

Ook niet dom,

Eechter: „Zoo, hebben we je daar, gauwdief, we hebben lang genoeg naar je gezocht, — waar ben je vandaan?quot;

Beschuldigde: „„Och, Meneer de Eechter, ik ben overal vandaan, en wou dat ik hier ook vandaan was — dat kan ik je bezweren!quot;quot;

104.

Moeieltjke taak.

— Ik hoop dat Uwé me eens goed gelijkend zult schilderen.

— Wees gerust. Heer Zaakwaarnemer, de gelijkenis is het minste, maar om U in een goed daglicht te plaatsen, dat zal, vrees ik, met veel moeielijkheden gepaard gaan.

ocr page 61

53

105.

De Politiseerende Vrouw.

—• Manlief, wat zegt gij van de kwestie tusschen Frankrijk en Oostenrijk?

— Vrouw'ief, wat zegt gij van mijne nooit gestopt wordende kousen?

106.

Gehoorzaamheid voegt den soldaat.

, Kerel, kijk niet zoo onbeschaamd van uit de hoogte op mij neder! Allons, recht overeind, en vóór je uit gekeken!quot;

„„Adieu, Luitenant!quot;quot;

„Kerel, hen je dol?quot;

„„Neen, Luitenant, maar als ik altijd rechtuit moet kijken, Luitenant, dan zeg ik je adieu, Luitenant, want dan zie ik je in mijn leven niet weder. Luitenant!quot;quot;

107.

Snuggerheid.

Een boer, die de Amsterdamsche veemarkt bezocht had, liet zich door een confrère bewegen, om naar den schouwburg te gaan, waar

ocr page 62

M

mori do opéra Guide it n d Ginèvra opvoerde.

De boer, die niets van de eerste acte begrepen had, betuigde er zijne verwondering over, dat hij den heelen avond nog geen woord had hooren spreken en vroeg ten slotte aan een heer, die naast hem zat: „Is ;t stuk nou uut?quot; -■ „,Wel neen, 't is pas de eerste acte ; het tweede bedrijf speelt twee maanden later.quot; quot; „Hemeltjelief, daar wacht ik niet op, dan gae ik maer daedelijk weer naer huns, naer moeder de vrouw!quot;

108.

Leer om Leer.

Bakker; „Wou jij me nou wijs maken, dat daar 2Va ons leverworst is?quot;

Slager: „„Wis en waarachtig! Ik heb het immers voor je eigen oogen in de schaal gelegd tegen het halfponds broodje, dat mijne vrouw daar aanstonds bij jou heeft laten halen?quot; quot;

109.

Nuttige Voorzorg.

— Wel, manlief, trek je nu je laarzen aan?

— Ja, vrouw, den vorigen nacht heb ik

ocr page 63

gedroomd, dat ik met mijn bloote voeten in glasscherven trapte, en nu houd ik voor van nacht maar mijne laarzen aan, anders gebeurt me dat ongeluk nog eens!

110.

Vroeg- opstaan.

Eene dienstmeid, op hare vlugheid en dienstijver roemende, vertelde bij zekere gelegenliéid, dat zij altijd 's morgens te 4 uur opstond^ vuur aanlegde, thee zette, het ontbijt gereed maakte en de bedden afhaalde, vóór nog iemand in huis op was.

111.

Gegronde klacht.

„Het is toch verschrikkelijk hoe de schoenmakers tegenwoordig knoeiwerk leveren. Nu zijn de zolen mijner laarzen weder geheel door-geloopen en ik heb ze nog niet eens betaald! °

112.

Uit een sermoen uit de 17e eeuw.

— „Wilt gij weten hoe de hofhouding van de wereld er uitziet? Ik zal het u zeggen: Eigenbaat is Koning; Eigenliefde Koningin; 't. Vooroordeel Eerste Minister; Eergierigheid en Heerschzucht Staatsraden; Eigendunk en Hoogmoed Kamer-heeren. De IJdelheid is eerste Staatsdame; de

ocr page 64

5G

Nijd is Lakei en de Valschheid is Kamermaagd.'' Is er sedert dien tijd ook veel verandering in het personeel gekomen?

118.

Apothekers-Rekening.

Men zegt altijd dat de Apothekers 99 0 o op hunne drankjes en pillen verdienen. Maar weet de leek wel hoe men dit bewijzen kan? . . . Niet? Welnu, ziehier het recept:

A.

is

de

1ste

letter

van

het Alphabeth.

P.

n

?)

16de

f)

n

n

•n

0.

7)

V

15de

f)

rt

n

D

T.

D

?)

21ste

T)

V

rgt;

H.

1)

*

8 ste

V

v

n

n

E.

V

V

5de

V

n

n

n

K.

V

V

10de

n

n

rt

n

E.

n

»

5de

V

n

»

D

R.

V

V

18de

n

*

D

V

Apotheker

=

99 0/o

114.

Het Journaal en het Grootboek.

Een heer, die altijd half versleten kleederen droeg* had eene vrouw, die altijd naar den laat-sten smaak gekleed ging, en voor wie geene uitgaven te groot waren, wanneer het er op aankwam hare garderobe te verrijken. Eens

ocr page 65

57

maakte een der vrienrlen van den man hem op dit verschil opmerkzaam, waarop hij antwoordde:

„Ja, beste vriend, gij hebt geen ongelijk, maar weet gij hoe dat komt? Mijne vrouw richt haar toilet in naar haar Jounmal, ik het mijne naar mijn CTrootboek.quot;

115.

Q-egronde opmerking'.

Een eenvoudig dorpspredikant, die op een stadskerkhof wandelde, en er vele hoogdravende grafschriften las, schreef op het hek: ,Hier liggen de lijken en liegen de levenden!quot;'

116.

Spoediger dan spoedig.

In een Engelsch blad kwam onlangs eene advertentie voor, die begon: „Terstond te aanvaarden, des gevorderd eerder nog.quot;

117.

Vergelding.

Advocaat: „Ik heb alles voor je gedaan wat ik kon.1

Veroordeelde: „,De hemel moge 't u vergelden, zooal niet in deze wereld, dan zoo gauw mogelijk in de andere.quot;quot;

3*

ocr page 66

118.

üit de Gerechtszaal.

Rechter: .Ik zal je voorbeeldig straffen. — Het is tut al de zevende maal dat je hout hebt gestolen, en wat het ergste is: je hebt geld genoeg om het zelf te koopen.quot;

Boer: ,,Jawel — betalen kan ik 't Goddank evengoed als een ander.quot;quot;

Rechter: ,Waarom steel je dan?quot;

Boer: ..Noit, die is oolijk! Begrijp je dan niet, dat gestolen hout me driemaal verwarmt en 't hout, dat ik koop, maar ééns.quot;quot;

Rechter: „Hoe zoo dan?quot;

Boer: „„Wel — als iemand wat steelt, heeft hij 't warm genoeg! Dan loop ik zoo gauw mogelijk naar huis, vooral als ze me nazitten — zoodat 't zweet me over 't aangezicht loopt. En ten laatste heb ik er de gewone kachelwarmte van.quot;quot;

119.

Ben gpoed doel.

Eigenaar: „Heb je niet gezien, dat vrouw Baardwijk en haar twee kinderen hout in haar boezelaar hebben meégenomen? Waarom heb je anders twee oogen in je hoofd?quot;

Koddebeier: „ „Om voor arme drommels één oog toe te doen!quot;

ocr page 67

59

120.

Sympathie.

Mijnheer: „Ik zal je dan maar huren. Je moet er vooral op latten, dat ik wat kort aangebonden ben. Ik zeg weinig; jo moet maar naar mijne oogen zien.quot;

Knecht: „,Ik ben net zoo, meneer. Als u iets zegt, behoeft u me maar aan te zien; knik ik, dan doe ik bet; schud ik met het hoofd, dan ben ik niet van plan het te doen.quot;quot;

121.

Militaire instructie.

Kapitein (op de theorie): „Ik heb de laatste maal er op gewezen, dat de soldaat zijne officieren onderdanigheid en achting verschuldigd is. Wat ben je bijv. den luitenant verschuldigd ?quot;

Soldaat: „„Achting cn onderdanigheid.quot;quot;

Kapitein: „Goed zoo. En wat is de luitenant omgekeerd jou schuldig?quot;

Soldaat: „,Nog drie gulden; 'k ben zijn oppasser geweest.'quot;'

122.

Op de theorie in de kazerne.

Kapitein: „Neem eens aan, je wordt nietje sectie plotseling door den vijand van je com-

ocr page 68

60

pagnie afgesneden, wat zou je dan doen?quot;

Sergeant: .,11; zon er U dadelijk rapport van maken!' quot;

128.

's Hertogenbosch.

Burgemeester: „Nu, is de stad rustig?quot;

Commissaris: ,,iTa, Burgemeester, de stad is rustig; maar de menschen maken nog altijd spektakel.quot;quot;

124.

De Optimist.

Professor Drakenstein doet zijn gewone wandeling langs de heerlijke weilanden, in de onmiddellijke nabijheid van de stad zijner inwoning. Bij een hek gekomen, blijft hij onwillekeurig staan, en vol welgevallen rust zijn blik op de grazende kudde. Daar laat een vogeltje, dat tierelierend over hem heen vliegt, iets onvoegzaams op zijn mouw vallen. —Een lachje van genoegdoening speelt om den mond van den waren philosoof; zacht met den top van zijn linker wijsvinger zich reinigende, roept hij uit: — ,Hoo wijs heeft moeder Natuur het toch beschoren, dat de koeien niet in de lucht rondvliegen !quot;

ocr page 69

61

125.

In de Restauratie.

Js 't mndvleesch nu beter?quot; vroeg de restau-rateur aan een habitué, die den vorigcn middag geklaagd had.

,,0, 'tis van eene goede qualiteit; men heeft er langen tijd wat aan. Het zou mij niet verwonderen, als de moeder van dat rund eene caoutchouc-koe, en de vader een gut ta perch a-stier geweest is!quot;quot;

126.

Gezegde.

— Ik wil niet trouwen, zeide Marie van Puffelen tot hare moeder.

— Dat is niet verstandig, kind; 't is het eenige middel om weduwe te worden.

127.

Voorzorg'.

„Blijf van nacht hier slapen,quot; zei de gastheer tot den heer Goedbloed, „want de straten zijn gevaarlijk glad.'

„ „Dat wil ik graag doen,quot; quot; antwoordde Goedbloed, „ „maar dan ga ik toch even mijne vrouw waarschuwen, dat ik niet thuis kóm; anders wordt zij ongerust.quot; quot; —

ocr page 70

62

128.

Na oen watersnood.

Burgemeester: „Van de ingezamelde gelden is ons tot onderstand ƒ 6C00 gezonden. Hoe zullen wij die som het rechtvaardigste verdeelen? Mij dunkt, het best is, als wij nagaan, hoe men in de belasting is aangeslagen; en wie de hoogste belasting betaalt, krijgt ook den meesten onderstand.'

Allen: , ,Juist zoo. Burgemeester; zoo zou ik 't ook zeggen. Want de anne menschen hebben natuurlijk 't minst verloren.quot;'''

129.

Economie.

Heer: „Hei, koetsier!quot;

(De koetsier houdt op.)

Heer: „Hoeveel moet je hebben, van hier naar 't station?'

Koetsier: „„Zestien stuivers, meneer.''

Heer; „Goed, dank je. Ik wou maar alléén weten, hoeveel ik uitwin, als ik loop!quot;

130.

De hoofdregels in de levenspractgk.

Men neme een advocaat, multipliceère hem met een deurwaarder, en telle er een notaris

ocr page 71

63

bij op — dan bpkomt men eon schrikbeeld, waarmee men iederen weérspannigen boer kan divideeren.

131.

Beeltenissen met toepasseliike opschriften.

In zeker Museum ziet men in de groote zaal een prachtige schilderij, waarop de volgende beeltenissen voorkomen mot de bijgevoegde opschriften :

Koning Krijgsman Overheid . Genoesheer . Geestelijke . Onderwijzer . Landman. Kastelein. Musicus . Vrouw Jood . . .

Do

En geheel beneden De Duivel .

Ik regeer u allen. „ bescherm u allen. , beveel u allen. , bedien u allen. , bid voor u allen. „ leer u allen.

voed u allen. . verkwik u allen. „ vervroolijk u allen. , verleide u allen. „ bedrieg u allen, aan het schilderij: Ik haal u allen.


132.

Waarschuwing' vaa een Burgemeester.

Bevreesde dorp- en stadbewoners, angstige landgenooten, en kortom gij allen, die uw goud en

ocr page 72

64

geld in de aarde begraven hebt, haast u om het er weder uit te halen en onder de mensdien te brengen, want zoo gij dit verzuimd, dan is uw geld voor altijd verloren. Er is nanienlijk in Engeland een electro-mpgnetische toestel uitgevonden, waarmede men zeer gemakkelijk de plekjes kan opsporen, waar goud, zilver en andere edele metalen, hetzij onder den grond of in den muur, verborgen liggen.

Deze bewerking geschiedt zeer eenvoudig, en is zoodanig ingericht, dat men in twee a drie dagen een CU mijl kan doorzoeken.

133.

Bene bjidrage tot de lijkenverbranding.

Mama: . Foei, Willem, daar heb je met je lansje grootmoe van den schoorsteenmantel afgegooid — jou ondeugende jongen. Roep dadelijk Mietje, en zeg, dat ze met veger en blik komt!quot;

134.

Hoogstnoodige voorzichtigheid.

1°. Bediende: ,Waarom sluit de principaal toch altijd zoo angstig zijn brandkast dicht?quot;

2°. Bediende: „„Opdat niemand zal zien, dat er niets in is!'quot;quot;

ocr page 73

65

135.

Politiek in huis.

Man (tot zijn tamelijk lastige vrouw): „Waarom vaar je ook tegen je dienstboden niet zoo uit als tegen mij ?quot;

Vrouw: „ „Dan zou 'k onmogelijk dienstboden kunnen houden!quot; '

136.

Zonderling'.

Heer: „O, ik heb gisteren op straat eene beeldschoone vrouw gezien......!quot;

Jonge dame: „ „Da's zonderling!! 'k Ben gisteren toch den geheelen dag de deur niet uit geweest!quot;'

137.

Geleerde vraag.

Professor: „Ik ben een brief wachtende, heb je wat voor me?quot;

Brievenbesteller: „„Neen, professor.quot;quot;

Professor: „Zou je denken, dat 'k hem dan van avond krijg?quot;

138.

In de school.

Onderwijzer: „ Hier heb je het skelet van een

ocr page 74

(gt;6

zoogdier, en zeg mij nu eens, Kareisen, van welk soort dit zoogdier is?'

Kareisen: „Van een dood zoogdier, meester!quot;

139.

Bijzondere reden.

Bediende: „Wat is er van uw verlangen?quot;

Buurheer: „,Je meneer heeft van middag een groot diné.quot;quot;

Bediende: „Ja, mijnheer, wat zou dat?quot;

Buurheer: „.Zeg aan je meneer, dat 't me vreeselijk spijt, maar dat 'k onmogelijk aan 't diné kan deelnemen.quot;quot;

Bediende: „Hoe heb ik het nu? U is niet eens gevraagd!quot;

Buurheer: „„Nu, juist daarom kan ik dan ook niet komen, en dat spijt me genoeg.quot;quot;

140.

Onverbeterlijk antwoord.

— Wel, hoe is 't op je examen gegaan? vroeg de vader aan zijn zoontje, 'dat nooit erg had willen deugen.

— 't Ging nogal; op één vraag tenminste heb ik een afdoend antwoord gegeven.

— Zoo, en wat was dat voor een vraag? vroeg de oude heer, een blik van vaderlijk welbehagen op zijn telg werpende.

ocr page 75

Zij vroegen mij, wat men onder aberratie verstaat.

— Duivels, oen lastige vraag. En heb je een antwoord gegeven, waarop niets te zeggen viel? . . .

— Ja, — ik vertelde ze, dat ik 't niet wist.

141.

Niet tegen te spreken.

Winkeljuffrouw; ,Mijnheer, die gulden klinkt zoo dof; ik geloof dat die valsch is.'

Mijnheer: Onmogelijk, — kijkt u maar naar 't jaartal, 1850.quot; quot;

Winkeljuffrouw: „Hoe bedoelt u?quot;

Mijnheer: , , Wel, een valsche gulden zal toch niet van 1850 af in de wandeling zijn, zonder . dat iemand het merkt!!quot; quot;

142.

In het Verkoophuis.

Bediende: „Wat moet je hebben, jongen?quot;

Jongen: Insectenpoeder.quot; quot;

Bediende: ,Voor hoeveel moot jo hebben?quot;

Jongen: „,Zeker wel voor een paar duizend! Het krioelt thuis!quot; quot;

143.

Na oen vroolijken avond.

Emile: ,Wel, hoe ben je thuis gekomen? 't Was een langen weg dien je hadt af te leggen —

ocr page 76

68

en we hadden hem goed geraakt ook, hè?'

Eduard: „„Och, jongenlief, 'twas niet de lengte van den weg, die 't me gedaan heeft; maar de breedte!quot;quot;

144.

Uittreksel.

(Uit eene geflmkte predikatie ten ja re 1720, geschreven door do miné Sparer te Rechenherg.)

Do vrouwtjes bemin ik van nature, vooral wanneer zij schoon, galant, beleefd, voorkomend en netjes opgepoetst zijn, evenals een paard dat naar de parade rijdt; — ik weet, welk een eerbied men de vrouwen verschuldigd is, die hunne huishouding behoorlijk besturen, en de man naar de oogen zien. 0, hoe juicht het hart eens mans, wanneer hij in zijne woning terugkeert, zulk een beminnelijke engel aantreft, die hem met hare sneeuwwitte poezele handjes omvat, teederlijk kust en liefkoost, om daarna een slaadje met een stuk gebraden vleesch op tafel te zetten, en aan zijne zijde plaats te nemen, met de woorden: „Manlief, ik wensch je smakelijk eten.quot;

Heeft men echter een oude bietebaauw, een afgesloten notenmuskaatrasp, een uitgedroogd mardelvel in zijn huis, dio niets doet dan brommen en krakeelen; die onophoudelijk de eenedeur open en de andere dicht gooit; die een

ocr page 77

Git

geziclit heeft als een nest vol jonge katuilen; die haar man dagelijks op een watersoepje onthaalt, die bemin ik niet — die haat ik, — de duivel mag demiken liefhebben!quot;

145.

Goede raad.

Marietje (zes jaren oud): „Papa, u zegt altijd dat de min en de baker véél beter koken dan de keukenmeid; waarom laat ma dan niet een van beiden koken, en neemt dan de keukenmeid als min of baker?quot;

146.

Een verhoor.

Gerechtsdienaar: „Je was gisterenavond in de kroeg, Joehem ?quot;

Jochem: „„Ja, daar was ik.quot;quot; Gerechtsdienaar: „En daar hebben ze op mij gescholden, en mij een ezel genoemd?quot; Jochem: „„Ja, dat hebben ze gedaan.quot;quot; Gerechtsdienaar: „En — zeg nu de waarheid — wat hebben ze nog meer gezegd?''

Jochem: „„Ze hebben gezeid, dat zij 't me op schrift wilden geven.quot;quot;

Gerechtsdienaar: „En heb je dat aangenomen?quot;

Jochem: „„Nee — ik zei, dat 'k ze buitendien wel gelooven wil!quot;

ocr page 78

70

147.

Een mama a la mode.

Mevrouw (tot liaar man). ,Joliaii, zorg vooral goed voor kleinen Karei, 't Is van avond groot, bal in onze vereeniging; — 't kan dus wel gebeuren, dat quot;k wat laat thuis kom. Als Kareitje soms wakker wordt en onrustig is, dan neem je hem maar op den arm en loop wat heen en weêr — dan zal 't kind wel weêr in slaap vallen. Nu, adieu! Reken in allen gevalle niet op mij. van avond!quot;

148.

Ieder hield het zijne.

Twee dieven ontmoetten elkaar op de begraafplaats eener plattelands-gemeente, waar tevens de Kerk stond. ,lk,quot; sprak de een, .ik weet een schaap te stelen.quot; — ,,En ik,quot;quot; zeide de ander, „„een zak noten.quot;quot; Zji spraken af, om na volbrachten diefstal elkander weder hier te ontmoeten, en den roof te deden.

Inmiddels viel de avond, eene vrouw uit de gemeente lag ernstig ziek. en de dominé moest, om haar te bezoeken, de kerk voorbij, doch vermits hij zijn voet verstuikt had, moest de kruier hem derwaarts dragen. De dief met de zak noten was het eerst op de bestemde plaats terug, en vermaakte zich met eenige derzelve te kraken.

ocr page 79

71

Toen nu de kruier niet den dominé aan kwam dragen, veronderstelde hij dat de andere dief met het schaap naderde, en zeide: „Zoo, heb je hem daar?quot;

De dominé dacht een hoozen geest te zien, en zeide op plechtigen toon: ,,!k bezweer u, gaat weg van mij. Ge zult niets van mijn vleesch of been hebben:quot; — „Dat is tot je dienst,quot; sprak de dief, „dan krijg jij ook niets van mijn noten!quot;

149.

En gros.

Dame: „Wat kost het, als ik me een tand laat trekken?quot;

Dentist: „„Twee gulden — maar bij't dozijn is het minder.quot;quot;

150.

Economisch.

Een oude vrek loopt bij een apotheker binnen.

Vrek: „Ik heb zoo'n pijn in de maag; geef me een braakmiddel.quot;

Apotheker: „„Laat eens zien — ja, dat zal je helpen. Ziehier.quot;quot;

Vrek: „Hoeveel kost dat?quot;

Apotheker; „„Twaalf stuivers.quot;quot;

Vrek: „Hemel, wat 'n geld! Heb je er soms niet een, dat al gebruikt is?quot; quot;

ocr page 80

151.

De voorzichtige knecht.

Een lieer kocht, eens een schoon gipscopie van de Venus van Milo en liet die aan zijn adres bezorgen.

Toen hij thuis kwam, vroeg hij aan zijn knecht of het beeld gekomen was.

,Ja wel, mijnheer,quot; antwoordde deze, „maar ik heb het niet aangenomen, want de beide armen waren er afgebroken en daar zou ik zeker weêr de schuld van gekregen hebben.quot;

152.

De Barometer.

— De tuinman in de gang daarnaar kijkende. —

.'t Is toch zonderling, dat zoo n klein ding zulk beroerd weêr kan geven.

153.

Natuurlijk.

Mijnheer v. M., die gewoon is zich bij zijn kapper te laten^scheren, en daarvoor 10 cents te ïbetalen, loopt op zekeren dag het huis binnen van een primo kwaliteit haarvverker en drukt zijn verhingen uit om geschoren te worden ; de knecht doetTzulks, en na afloop van de operatie

ocr page 81

geeft de Heer v. M., zooals hij gewoon was, een dubbeltje. De knecht ziet hem aan en zegt bij de beschouwing van het 10 cents-stuk :

,Mijnbeer, 'tis een kwartje.'

Mijnheer v. M. staat op, en zegt met de meest mogelijke kalmte ;

, „Nu, dan krijg ik drie stuivers terug.quot; quot;

154.

In de bierknijp.

Bezoeker : r.To hebt jo handen vol. Moet jij hier alles alléén doen ?'

Kellner : T .Neen, meneer, we zijn met ons beiden, maar die andere ezel is van daag weggebleven.quot; quot;

155.

Theorie.

Théorie is heel mooi - maar jonge dokters en advocaten honden meer van practijk.

156.

Menschlievendheid.

Meid: „Mevrouw, u hebt dat drankje niet meer noodig; wil ik 't maar weggooien?quot;

Mevrouw : „ „Foei, neen Botje ! Er heerscht dezen winter zooveel armoede — geef quot;t aan een arm mensch dnt ziek- is !quot; quot;

4

ocr page 82

74

157.

Weg'en-besproeiing'.

Oude vrouw: „Hédaar, koetsier, je vat is lek, hou op! al je water loopt weg!quot;

158.

(Métamorphose van een militaire aanschrijving'.)

Overste : ,Heer Majoor! Gezien hebbende, dat de jeugdige manschappen van de 13e Compagnie, een groot gedeelte van den dag langs de straten loopen, zoo gelieve u zorg te dragen, dat men hen te huis wat meer bezigheid verschaft.quot;

Majoor: ,Heer Kapitein! De Overste heeft bemerkt dat uwe manschappen den geheelen dag langs de straten loopen te slenteren en te luieren. Gelieve de Compagnie te huis duchtig bezig te houden en de belhamels te straften.quot;

Kapitein: ,Heer Luitenant! De Overste gaf den Majoor kennis dat onze Compagnie van den vroegen morgen tot den laten avond, lui en liederlijk langs de straten loopt. Het was mij hoogst onaangenaam zoo iets te moeten vernemen. Ik gelast u, de manschappen onafgebroken in de kazerne bezig te houden, en geen enkele buiten de poort te laten komen.quot;

Luitenant: „Onderofficieren, korporaals en manschappen van de 13e Compagnie! Op aanschrijving van den Overste, gaf de Majoor ken-

ocr page 83

nis aan den kapitein, dat gij vroeg en laat als onbeschofte vlegels /ingende en bezopen langs de straten zwiert, waarop de kapitein beeft bevolen, dat geen enkel man van nu af aan de kamer zal verlaten, op straffe van 25 stokslagen. Ten gevolge van dit bevel en bjj gebrek aan andere bezigheden, moeten de manschappen van bovengenoemde Compagnie, alle knoopen van hunne montering afsnijden en daarna weder aanzetten.'

159.

De Valstrik.

Rechter: „Je ontkent, dien zakdoek gestolen te hebben, en toch moet je zelve beamen, dat je hem arglistig uit den zak van Mevrouw genomen en in je kist gelegd hebt.quot;

Dienstmeisje : „ „Dat hei) ik maar alleen gedaan, om mevrouw er in te laten loopen en haar aan de kaak te stellen.

Van af den eersten dag, dat ik in mijn nieuwen dienst getreden ben, bemerkte ik namelijk dat mijn kist dikwijls opengemaakt werd en dat mevrouw er in snuffelde. Daarom nam ik een zakdoek en legde hem in mijn kist — natuurlijk alléén om te zien, of mijne verdenking tegen mevrouw gegrond was; — en gij ziet, mijnheer, — het was zoo!quot; quot;

160.

Gauw verdiend.

Do landbouwnr 1!. . . . heeft zijn horloge

ocr page 84

76

naar den horlogemaker gezonden, omdat het niet loopt. Na een uur brengt deze het terug, en vraagt tachtig centen.

„Wat mankeerde er eigenlijk aan?quot; vroeg de boer, nadat liji betaald had.

„Wel, je had je horloge niet opgewonden.

161.

In de kroegr-

.Hoe kunt ge nu mijn snaps uitdrinken ? — Dat bevalt mji niet. Laat jij je voor je eigen geld een borrel inschenken!quot;

„Wat? ! . . . Zou ik geen recht hebben op jou snaps? Meen je dat in ernst? — Man, je bent reactionair, en dat wel van het ergste soort, hoor !quot; quot;

162.

Naar het postkantoor.

Mijnheer: „Mietje, je moest dien brief eens even naar het postkantoor brengen, maar ga spoedig, want er is haast bij!quot;

Mietje: , „Maar, meneer! is dat nu een weOr om naar het postkantoor te gaan ? Men zou er geen hond doorjagen; — ik geef liever een dubbeltje aan den kruier, dat die het doet.!quot;quot;

Mijnheer: „Welnu, geef mij het dubbeltje dan maar, dan zal ik hot zelf wel doen.quot;'

ocr page 85

77

lü:i.

Toespraak van een Burgemeester.

Mijne waarde medeburgers ! De vijand komt, of liij komt niet! Laat ons als goede huisvaders en vurige patriotten tevens handelen. — Komt de vijand, dan geven wij ons over; — en komt de vijand niet, dan verdedigen wij ons tot don laatsten droppel bioeds !'

lö-t.

Dwalen is menschelijk.

„Wat kan men zich toch niet vergissen! Eerst dacht ik in de verte, dat gij mijnheer uw neef waart; toen meende ik dat gij het zelve waart, en nu zie ik eindelijk eerst, dat gij mijnheer uw broeder zijt!quot;

105.

Troef geven.

Een jong meisje kreeg onaangenaamheden met do persoon, met wien zij verloofd was, welke onaangenaamheden al spoedig zóó hevig werden, dat zij de verkoeling afbrak.

T)e minnaar bedreigde haar uit wraak hare brieven te zullen openharen : „Wat mij betreft,' dus was haar antwoord, .ga uw gang; — in al mijn brieven behoef ik mij nergens voor te schamen, dan alléén voor het adres!''

ocr page 86

78

166.

Vergelflking.

Men kan de meisjes tot hun twintigste jaar vergelijken bij Champagne; — tot hun dertigste hij Rhijnwijn ; — tot hun veertigste bij Moezelwijn ; — tot hun vijitigste bij Grünenberger ; — en daarboven heel gemakkelijk bij verschaalde Povt-a-port.

107.

Eene vrouw nooit!

Prosper Gautier moest 500 francs ontvangen bij zijn meester te Parijs. Bij zijn terugkomst trof hij een trouw vriend aan, dip hem ter eere van de ontvangene som bescheid deed, en toen zij de herberg verlieten, bemerkte Prosper al spoedig dat hij te diep in zijn glas gezien had. Hij was slaperig, bedacht zich niet lang en lag weldra op een der trottoirs in diepen rust verzonken. Hij snorkte reeds gedurende geruimen tijd, toen eene vrouw hom naderde en schijnbaar vrij gevoelig aan den arm schudde. -„Ligt gij daar weder, dronkelapdus riep zij in vertwijfeling uit. Eenige voorbijgangers hadden dit gehoord en vroegen haar wat zij van den slapende begeerde. ,Het is mijn man.quot;' gaf zij ten antwoord, ,en daar hij al het geld dat wij bezitten bij zich heeft, zoo zou men het hem licht kunnen ontstelen.quot; -

„Wel, dan moet gij het ook zelf bewaren!quot;

ocr page 87

79

riep men haar toe. Een politieagent, die insgelijks genaderd was, hielp haar nu, om het geld voorzichtig uit den zak van Prosper te nemen. Daarna bleet zij nog eenigen tijd bij hem staan, en verdween eindelijk brommende.

Toen Prosper ontwaakte, tastte hij naar zijn geld, mistte het. en vroeg, aan eenen in zijne nabijheid geplaatsten boodschaplooper, waar het gebleven was ? Men antwoordde hem. dat zijn vrouw het, in bewaring genomen had. ,Mijne vrouw Zou ik dan aan Adam gelijk zijn

geworden ; — zou er gedurende mijn slaap eene Eva uit een mijner ribben gevormd zijn? Ik heb nooit een vrouw gehad, en was nimmer gehuwd !quot;

„ „Dan zijt gij schandelijk bedrogen,quot; ' gat' hem de boodschaplooper ten antwoord, tevens het gebeurde verhalende. „Bedrogen?!... hernam Prosper geeuwende, ,nu dat kan er nog mede door: maar dan ben ik toch niet getrouwd?' Gelukkig! — Eene vrouw, nooit!quot;

1(38.

Een afvoeringsmiddel.

Hein: „Wat is een gend'arme?quot;

Gerrit: , .Een gend'arme? Wel, een afvoe-ringsmiddel, waarvan de staat zich bediend, om zich van kwaad bloed te zuiveren.quot; quot;

169.

Moderne dienstboden.

De meid : „Mevrouw, ik wou u wel wat vragen.

ocr page 88

80

Mevrouw: , ,Wat dan, MietjeVquot;

De meid: „Mijn vrijer is beneden, maar omdat ik de trappen moet doen, kan ik me nog niet met :em bemoeien. Zoudt u 'm soms niet een beetje kunnen bezig houden, want anders gaat hij er van door !quot;

170.

Benauwde droom.

Man: „Ach, hemel, !k ben zoo inoè!quot;

Vrouw : „ „Hoe kan dat? En je hebt voortdurend zitten slapen.quot; quot;

Man: „Ja, maar 'k heb al dien tijd gedroomd dat ik hout hakte.quot;

171.

Een orig-ineele brief-

Het zal UWEd.Gestr. waarschijnlijk bekend zijn dat, in mijn echtscheidingskwestie, mijne vrouw Kaatje, geboren Möcke, mij door haren advocaat liet beschuldigen, dat ik gedurende de laatste twee jaren, met en behalve haar persoontje, ook nog eene zekere Trijntje Giesgrain bemind zou hebben, zoo is het uwe zaak mij hierin te verdedigen, want: „ten eerste is !t onwaar, dat ik met Trijntje iets uitstaande heb; ten tweede: al had ik ook iets met haar uitstaande, dan zou mijne vrouw het toch niet kunnen zien; want zij is blind; en ten derde: oveninm kunnen hooren, want zij is er heel

ocr page 89

81

erg doof bij. Hoe kali zij het dus weten, da's toch wel onmogelijk, en op bloote suspicie laat ik mij zoo gemakkelijk niet beschuldigen. UWEd. Gestr. moge nu deze bewijsgronden nauwkeurig onderzoeken, en mij verder naar plicht en geweten bedienen, opdat ik nimmer in straf of kosten moge betrokken worden

van UWEd.-Gestr.

De Onderd. Dien.

Jan Salie.quot;

1*. S. Mocht de advocaat mijner vrouw nog langer volhouden, dat ik met en behalve haar persoontje, ook Trijntje Giesgram beminde, maak hem dan gerust uit voor een aardsleu-genaar, geef hem desnoods voor mijne rekening een paar stevige muilperen, namelijk: als hij zijn mond niet wil houden, of liever geef ze hem maar dadelijk, dan durft hij u niet tegenspreken, want vooreerst heb ik haar, mijne vrouw namelijk, al in geen zes jaar meer lief gehad, het is dus onmogelijk om van, niet, en benevens haar persoontje te gewagen. Maar ik weet wel, gij zult dat ding wel plooien.''

172.

Natuurmenschen.

Een reiziger zag een boer bij het Logement staan, die over hoofdpijn en pijn in den hals klaagde.

„Maar vriend, doe je daar niets aan? Waar-

4*

ocr page 90

82

om wendt je je «iet tot een doctor?quot; zeide de reiziger.

Hoer : . Dat doen wij hier nooit, wij sterven hier altijd een natuurlijken dood, endaar-voor hebben wij waarachtig geen doctor 1100-dig!quot;

173.

Bene vraag.

„Wat is het onderscheid tusschen een kokette ; — een overrijpe vrucht: — en een -van onze modern gebouwde huizen?quot;

, „Een kokette valt o p ; — eeti overrijpe vrucht valt af; — en een modern gebouwd huis valt in.quot; quot;

174.

lomand te Berlfln, die 1'ailliet is gega-an.

. Hoe schoon is toch alles in de vrije natuur ! — De leeuweriken zingen; — de kevers g'on-zen : - het dartele kaltje huppelt over het bloembed der weiden ; — alles verheugt ■/■Ach in het leven — alleen mijn schuld eis chers ween en ; — arme menschen !quot;

175.

Een Yankee liad aan een Engelschmaii verteld, dat hij bij ecne bijzondere gelegenheid 999 snippen geschoten fyad.

ocr page 91

83

De ander vroeg hem, waarom hij het duizend maar niet liever vol maakte ?

„Neen,' gaf' hij ten antwoord ; „denk je. dat ik om één snijj zou willen liegen I'

Daarop begon de Engelschman, niet van plan uin zich van de bank te laten praten, een lange historie te vertellen van een man, die van Liverpool naar Boston gezwommen was.

„Heb je hem gezien?quot; vroeg de Yankee.

, „Wel zeker, heb ik hem gezien ! Ik reisde in omgekeerde richting, van Boston naar Liverpool, en ons schip kwam hem juist halfweg tegen.' '

„Wel, het doet me bepaald genoegen, datje hem gezien hebt, mijn waarde,' liet de Yankee hooien; .want nü heb ik een getuige, als zij 't soms niet. mochten willen gelooven. Die koene zwemmer - was ik!'

170.

In het politiebureau.

(Jhet: „Zoo, wou je aan de geheime politie verbonden wordenV Heb je op dat gebied dan al proeven van bekwaamheid afgelegd ?'

Man; „ „Ja, mijnheer; ik heb al eens een moordenaar ontdekt.' '

„ZooV — Heb je quot;m dan aangegeven? Wie was hij ?'

» „Neen, aangegeven niet, - 't was een ze 1 f-moordenaar!' '

ocr page 92

84

177.

Een klein meisje op Grootpa's schoot.

Kind: „Grootpa, de juffrouw op school zegt, dat een mensch hersenen in zijn hoofd heeit —• en u hebt er watten in Vquot;

Grootpa: , ,Watten? Hoe kom je daaraan V ^

Kind; ,WVI. zij puilen u de ooren uit!quot;

178.

Natunrljjke historie.

Heer; (in een boschrijke streek.) , Een prachtig dier. zoo'n hert. Hoe oud wordt zoo'n dier wel V

.lager : , , Ja, ziet u, dat hangt er heelemaal van af, wanneer hot dier geschoten wordt.' quot;

179.

Verschil van opinie.

, Zeg eens. Baas, voert deze weg naar het dorp V'

. ,Neeii, waarachtig niet, meneer; „u hadt reeds daar ginds den zijweg moeten inslaan!quot;'

.Bijgevolg, moet ik dat heele eind terug V

„ „Dat nu eigenlijk niet; u behoeft alléén uw paard te laten omkeeren, dan kunt u dadelijk verder rechtdoor rijden !quot; '

ocr page 93

85

180.

Tnrksche rechtspleging.

Een arme Turk, te Gonstantinopel, die bezig was het dak van een huis te her.steilen, had het ongeluk dat zijn voet uitgleed ; hij viel in de nauwe steeg op een man, die juist voorbjj-ging.

Die voetganger werd door den val verpletterd ; maar, wonder boven wonder, de leidekker bekwam eenige kneuzingen en bracht er het leven af.

De zoon van den overledene klaagde den ongelukkige aan, en eischte dat deze wegens manslag zou te recht staan. De Kadhi luisterde aandachtig toe en ten slotte vroeg hij aan den leidekker, wat deze tot zijne verontschuldiging had aan te voeren.

„Het is, zooals die man zegt,' antwoordde hij ; „maar ik kan er niets aan doen. Veroorloofden mijne middelen het, ik zou de zaak eenigermater trachten goed te maken: maar ik ben een arme drommel.quot;

De zoon van den man die gedood was, bleef in zijn eisch volharden, en verlangde dat de man wegens moord zou terecht staan.

De Kadhi dacht een oogenblik na, en zeide ten slotte :

,'t Zal geschieden.quot;'

Tot den leidekker zeide hij :

„Jij gaat in de steeg staan, precies op dezelfde

ocr page 94

86

plek waar de vader van dit jonge mensch stond, toen jij viel.quot;'

En tot den aanklager zeide hij :

,En gij — wees zoo goed en ga op het dak; val dan op den beschuldigde, even als deze dat op je vader gedaan heeft. Allah zij geloofd.quot;

De aanklager trok onmiddellijk zijne aanklacht in.

181.

Dronkomanspraat.

Een dronkaard ging 's nachts laat naar huis rn keek naar de maan. die prachtig aan den hemel stond.

„Je hoeft nie — niet zoo ver - verwaand te kijk — kijken.' zei hij ; Jij ben — bent maar ééns maar eens in ~ de ma — maand vol — (hij hikt) — en ik — alle avonden.'

182.

Smartelijk vooruitzicht.

Dokter: , Het doet me leed, u dit te moeten zeggen, maar de toestand van uwe vrouw is van dien aard, dat ge u op het ergste moet voorbereiden.'

„Man: „ „Dus — denk je werkelijk, dat ze weêr beter zal worden V . . .' '

183.

Stjjl op Java.

Als een staaltje van de hoogte, waarop de

ocr page 95

87

Inlanders op Java het reeds in dim Nederland-schen schrijfstijl gebracht hebben, diene de volgende brief :

, Waarde Doctor! Mijne vrouw ruiter geworden zijnde (te paard rijden) is van stijve nek gelaboureerd. Verzoeke een beetje Spaansche vlugzalf tot halsconsunitie. Mijn zoon Jakob is de koorts. Wat zijn afgang aanbelangt, laat ik aan u over. Waarde Doctor! Uw Dienaar Sidin.

184.

Op zjjn hart.

Er is eenige verkoeling ontstaan tusschen Uertus en zijn meisje. Zij gaf hem haar portret, en hij bezwoer haar, dat hij het eeuwig op zijn hart zon dragen.

Toen hij verleden Zondag een visite maakte, haalde bij zijn zakdoek achter uit zijn jas-z a k, en — de photographie viel voor de voeten van het jonge meisje. — Zij verwijt hem nu. dat hij een leugenaar is of — dat h ij het hart niet op de rechte plaats heeft!

185.

Poëzie en Proza.

Vrouw; „Toen we nog niet getrouwd waren, heb je zoo dikwijls gezegd, dat wij op rozen zouden wandelen ; — nii ben ik je vrouw en ik moet hier zitten en kousen mazen.quot;

Man ; „ „Lieve Engel, je kunt toch niet ver-

ocr page 96

88

langen, dat ik die promenade op ro/en met gaten in mijn kousen doeVquot;

186.

De overblufte schnldeischer.

Een man, die velen wat schuldig was en niemand betaalde, werd eindelijk door een van zijn sehuldeiscliers aangehouden en dringend om betaling gevraagd.

Na een lievige woordenwisseling riep de schuldenaar eindelijk toornig uit:

,.1011 inhalige vent! Deuk je soms, dat ik jou alleen geld schuldig ben V'

De andere was overbluft en ging heen.

187.

Consigne.

Zooals men wel zal weten, wordt te velde aan de schildwachten een Consigne gegeven, en zij mogen niemand doorlaten, die dat Consigne niet kent. Een miliciën werd aan een der ingangen van een kamp op schildwacht gezet. Hij had het zeer gestrenge Consigne, ontvangen, om geen sterveling te laten passeeren, die het bedoelde woord niet wist. Doorgaans wordt daarvoor de naam van oen stad genomen ; dien avond luidde het: R o t-t e r d a m. — Onze miliciën stond in 't volle besef van zijne waardigheid op post. Daar komt zijn kapitein aan, die wil doorgaan. „Halt,

ocr page 97

werda. — Avanceer met Consigne ?quot; gilt onze held, zooals hem tot vervelens toe door den sergeant van de wacht gerepeteerd is. — , .Ik ben het; kapitein Knarp!quot; quot; De schildwacht antwoordde : _ Ik mag er u niet doorlaten!quot; , ,Wat, ken je me dan niet?' quot; „Ik ken enkel mijn Consigne. Weet u het Contresein ?quot; „ .Neen : — ik ben den heelen dag afwezig geweest. — Maar je weet toch wel, dat ik je kapitein ben?quot; quot;

„ ,Dat kau me niet schelen. Ik laat er je niet door. als je niet „Rotterdam' hebt gezegd.'

, „Rotterdam !quot; ° zei de kapitein natuurlijk.

„Avanceer !quot; zei de milicien, die tevreden was.

188.

Een weinig1 te laat.

Op zekeren dag, zoowat een jaar geleden, wordt er aangescheld aan een huis op de Heerengracht, bewoond door een rijke familie. — Een heer, keurig gekleed, met een lintje in zijn knoopsgat, gaat de verbaasde meid voorbij, en treedt, zonder een woord te spreken, de ontvangkamer binnen.

Daar begint hij alles nauwkeurig te bekijken, doet de kasten open, neemt het porselein er uit, gaat op de stoelen staan om de monogrammen der schilderijen beter te kunnen zien, en stelt zich verder zoo vreemd aan, dat de dienst-

ocr page 98

!tO

bode. die den overigens respectabelen Heer niets durft /.eggen, heengaat om de vrouw des huizes te roepen.

Toen deze verscheen, had de vreemdeling juist de kast van een antieke Engelsche pendule geopend.

„Mijnheer!quot; — zoo begon zij. , .Ah. mevrouw, gij zijt zeker de vrouw des huizes Vquot; quot; sprak hij minzaam.

.Ja, zeer zeker.'

, -Zegt u mij dan eens. hoe hoog die pendule getaxeerd is?' quot;

.Die pendule ? Maar die is niet getaxeerd ! 't Is een erfstuk, dat niet te koop is.'

, „Ah. zoo: maar dat porselein, die schilderijen dan V' '

„Gij veroorlooft u een zonderlinge scherts, mijnheer: — die voorwerpen zijn mijn eigendom — en niemand denkt er aan, ze te laten taxeeren.'

, „Wat zegt uquot;?! Waarom hebt u dan eene publieke verkooping geannonceerd, als quot;k n vragen mag?quot; quot;

„Eene publieke verkooping!' — „ „Ja, mevrouw; — zie maar - hier heb ik den Catalogus; .verkooping van schilderijen, porcelein, antiek huisraad, enz., te zien op den 12en November e. k.' '

„T)aar begrijp ik niets van!quot;

„ „'t Is toch zoo ; straat en nummer van het huis stemmen volkomen overeen.' '

Mevrouw nam nu den Catalogus, en gaf dien,

ocr page 99

!gt;1

nu er een blik in geworpen te hebben, glimlachend terng:

„ 't Is maar een kleine vergissing, mijnheer. Op dien Catalogus staat het jaartal 1880 — en niet 1890, zooals wij nu tellen.quot;

189.

Enfant terrible-

Moeder: „Nu. Jantje, wees nu een zoet kind en geef de juffrouw een zoentje, voordat je naar bed gaat.quot;

Jantje; „ ,Neen, moe, dat doe ik niet. — Als ik haar een zoen geef, zal ze mij een klap geven - net als ze gisteren avond Papa heeft gedaanquot;

190.

G-esprek bjj den Dominé aan huis.

üominé: „Mietje, je moest eens naar den slager, gij weet wel, bij Salomon, en halen vijf pond kalfsrollade, en eene kalfsschijf, en daarna kunt gij naar de kerk gaan.'

Mietje: .„Mag ik geld hebben, Dominé V' quot; Dominé: „Och. neem het opschrijfboekje maar meê!quot;

Mietje: „ „Mij goed, Dominé!quot;' ^

Dominé: (in de kerk zijnde, met alle vuur sprekende over den tekst van Salomon): .En wat zeide Salomon V!quot;

Mietje: (die in tusschentijd ter kerke was

ocr page 100

02

gekomen, staat op, en riep met volle stem) , „Dominé, als u de onde rekening eerst betaald hebt, dan kan u weèr opnieuw vleesch laten halen!' '

(Gij kunt begrijpen hoe de Dominé in zijn schik was!)

191.

Altjjd practisch.

Een knaap verzocht zijn vader een ezel voor hem te koopen. Papa had er echter geen ooren naar.

Papa: „Die kost ine te veel geld, mijn jongen!quot;' (met deze woorden dacht hij zich van de zaak af te maken.)

Maar de knaap had er gauw wat op gevonden .

De knaap: „„Och, Papa!'quot; zeide hij, „ „ix behoeft mij dan een geheel jaar lang niet naaischool te zenden; dan haalt u de kosten van den ezel wel weêr uit het schoolgeld uit.quot; '

Papa: „Die jongen verdient een rijksdaalder in zijn spaarpot. Er zit een practische geest in.quot;

192.

De onuitstaanbare vereerder.

Jonge Dame: (tot een saai jonkman die haar het hof maakte) „ Vindt gij 't hier niet onuitstaanbaar vervelend?1'

ocr page 101

Jonkman: „„Ik verveel me nooit!'quot;quot;

Jonge dame: „Dan zijt gij voor u /.elven barmhartiger dan voor anderen!quot;

193.

Afgeweerd.

Eduard: .Kunt ge mij ook honderd pop leenen?quot;

Karei: „ ,;t Spijt me, 'k heb geen geld bij me!quot;quot;

Eduard: „Nu, en t'huis?quot;

Karei: „.Thuis? Dank je — alles wel. Adieu!quot;quot;

194.

Een diabolisch besluit.

Willem: „Wat zie je er somber uit?quot;

Jan: „ „Ik heb een besluit genomen, dat velen quot;t leven kosten zal!quot; quot;

Willem: „Rampzalige — wat voert gij in 't schild?quot;

Jan: „„Ik ga.... in de medicijnen studee-ren.quot;quot;

195.

Gelukkige terugkomst.

Een rijke beerenbonr, welke niet zijne vrouw

ocr page 102

94

Van de reis terugkwam, vroeg aan den rentmeester, die hem te gemoet kwam :

„Wel, hoe gaat hetV Ls er iets bijzonders gebeurd op de boerderij

Rentmeester: ,, Niets anders als dat er juist van daag een kalf is geboren.quot; quot;

„Zie je, vrouwlief,quot; zei onze heerenboer, .ter nauwernood zijn we terug, of 't vee is vermeerderd.quot;

19«.

De Bedelaar.

Bedelaar: „Mijnheer, geef me een kwartje. Dagelijks zal ik er voor bidden, dat het u welga!quot;

Heer: „ „Dank je, man: 'k ben bang dat jij in den hemel geen crediet hebt!quot; quot;

197.

Verplicht schoolgaan.

Meester: „Is Nederland een vrij land?quot;

Jongen (huilende): „ „Neen, meester!'quot;quot;

Meester: „Waarom niet, domoor?'

Jongen: „ „Ze dwingen me om naar school te. gaan.quot; quot;

198.

Consequentie.

„Ik geloof slechts wat ik zie!quot; sprak een

ocr page 103

95

atheïst in gezelschap en hij borduurde voort op dat thema, heel wat ergernisgevende. Daarom vroeg een der aanwezigen, die dezen onzin reeds lang genoeg had aangehoord, aan den spreker:

„ ,Zeg, mijnheer, hebt u je hersenen wel eens gezien V' quot;

„Neen, gelukkig niet!quot; luidde het antwoord.

„ „Nu, dan zult u mij ten goede houden,quot; quot; sprak de ander tot algeheele vroolijkheid, , .als ik geloof, dat gij er geene hebt!quot;quot;

199.

Twee tegen een.

Gast: -Zeg, kellner is dat vleesch nog wel goed'? 't Ziet er niet slecht uit, maar de lucht is onuitstaanbaar!quot;

Kellner: „ „ü zult toch meer vertrouwen stellen in twee oogen, dan in één neus?quot; quot;

200.

Fatsoenlijke beschrijving-

Een landverhuizer, wiens broeder in America was opgehangen, schreef aan zijne familie: „Het gaat ons allen wel; alléén met Jonas is het ongelukkig atgeloopen. Hij had het hier al zoo ver gebracht, dat hij voor eene talrijke vergadering optrad. Toen hij zich evenwel tot dé menigte wilde wenden om het woord te voeren, wilde het ongeluk, dat de stellage, die daartoe opzettelijk voor hem was opgericht, onder hem

ocr page 104

96

wegzonk, tengevolge waarvan hij in een strik beklemd raakte en den hals brak.quot;

201.

Leer om Leer.

Een boer kocht eenige waren in twee verschillende manufactuurwinkels en werd daarna bij de eerste met: „serviteurquot;, en bij den tweede met: „merci,quot; afgescheept. Vandaar begaf hij zich naar een herberg en verzocht aan den kastelein bem die beide woorden uit te leggen. De kastelein, een vroolijke vent, zeide hem, dat beiden in de revolutie zeer gebruikelijke fransche woorden geweest waren, doch . ser-viteurquot; in het Hollandsch zooveel beteekende, als: „zuiplap' „uilskuikenquot; „klungelquot; enz. —■ en „Merciquot; dat van: „stompkopquot; „verraderquot; „moordenaarquot; enz. — Zijn bier, brood en zijn worst vergetende, vloog de boer de straat op naar den eersten winkel terug, ging naar binnen, en zeide: „ik ben niet gewoon mij te laten molesteeren, jij mag een „serviteurquot; zijn, jelui zijt allemaal „serviteurquot;, en daarmede goeden dag, „serviteurs!quot; Daarna stapte bij naar den anderen winkel, trapte de deur open, en zeide: „Merci,quot; „Merci?quot;... Wat — „Merci!quot;... Ik weet wel, wat „Merciquot; beteekent! — maar nou zeg ik op mijn beurt: „Merci je vader,quot; „merci je moeder,quot; „merci je beele santekraam, dag „Merci's!quot; Ik ga heen, en klaag mij nu maar aan als je durft!quot;

ocr page 105

202.

Hü had nog gelgk.

De bediende van zeker heer te Grim ma woonachtig, kwam te Leipzig in een tabakswinkel om voor zijnen meester een kist sigaren te koopen. Op de vraag of hij .zware' of .lichte' moest hebben, was zijn antwoord: .Geef mij in Godsnaam maar „lichte', want ik moet ze nog twee nur ver dragen!'

l20:l.

Historisch.

Een reiziger verhaalt ons het volgende: in Brazilië werd ik bij een landman zeer gastvrij ontvangen, en daar al het huisraad hoogst eenvoudig was, verwonderde ik mij een fraaien engelschen snuiter op de tafel te zien liggen. De gastheer, mijne verwondering bemerkende, zeide tot mij; „Dat is een geschenk van een mijner vrienden uit Rio en voor mij een hoogst nuttig stuk, want vroeger wierp ik het snuitsel in de kamer, op de tafel, ja, somwijlen verbrandde ik mijne kleederen er door. Maarthans ben ik van al die last af, zie slechts!' Bij deze woorden greep hij de kaars, snoot die behoedzaam met zijne vingers, en stak vervolgens zorgvuldig het snuitsel in den snuiter.

o

ocr page 106

98

204.

Oproeping'.

De lieer die gisterenmiddag op do wandelplaats eens jonge dame met een rosé zijden hoed ongeveer vijf minuten lang nazag, wordt vriendelijk verzocht, wanneer hij het ernstig mocht meenen, zijn adres, met eenige nauwkeurige inlichtingen omtrent zijn vermogen en betrekkingen, franco te bezorgen onder de letters A. Z. „poste restante.quot;

205.

Bang: voor oen vrachtje.

Een Ier, die voor de eerste maal in eene Duitsche herberg nachtverblijf hield, kwam, toen hij liet buitengewoon zware dekbed over zich heen kreeg, op de gedachte, dat dit wellicht tot onderbed voor een ander reiziger diende, vermits hij gehoord had, dat de Duit sellers in gelederen boven elkaar slapen tot aan de zoldering van het vertrek. Hij zeide daarop tot den bediende: „Wees zoo goed, om den Heer of Dame, die op mij ligt, te verzoeken zich voor eenige oogenblikken te verwijderen totdat ik slaap.quot;

206. ,

Knap berekend.

Vooral bij de Israëlieten laat de een den

ocr page 107

ander niet licht in verlegenheid. Men oordeele slechts. Op zekeren tijd was Baruch niet alleen om geld verlegen ten einde handel te drijven, maar daarenboven zijn crediet kwijt. Hij dacht echter, -laat ik mijn fortuin eens bij buurman Aron beproeven.quot; ,Aron,quot; dus sprak hij, „je krijgt ze eerlijk terug, maar leen mij een gulden of tien, er zijn zaken voor mij te maken.'

„Wat kunt gij er mede verdienen?quot; — .Vijf gulden, zoo goed als een duit!quot; .Dat treft gjj slecht,quot; antwoordde Aron, „ik ben slecht bij kas, ik heb pas slachtvee ingekocht, tien gulden kan ik niet missen; maar weet je wat? ik zal je vijf gulden cadeau doen, dan win jij er vijf bij, en ik ook!quot;

207.

Pleizierige g-ewaarwording1.

Een in de stad W.....wonend geneesheer,

met name F....., die, zoowel om den gelukkigen uitslag waarmede hij de belangrijkste kwalen genas, als om zijne onophoudelijke offeranden aan Bacchus beroemd was, reed op zekeren dag naar eene zieke in een nabijgelegen dorp aan den weg naar Leipzig woonachtig. — Op weg derwaarts haalde hij eene vrouw in, die zeer driftig voortliep; — hij hield stil, en vroeg haar, waarheen de reis was. — „Naar Leipzig,quot; hernam zij, waarop de dokter haar

ocr page 108

100

fiftne plaats in zijn rijtuig aanbood, tot aan liet dorp waar de zieke hem wachtte. .Wat hebt gij in Leipzig te doen,quot;' vroeg hij de vrouw. --,Lk ga naar den dokter,quot; hernam de vrouw,

waaróp F.....zeide: .Zijn er dan te W.....

geene geneesheeren?quot; — ,0, ja wel meneer,quot; sprak de vrouw, „daar zijn er wel drie, maar

M...... is te duur; - Z.....te dom; —

en P.....altijd beschonken.quot; — P.....dreef

na deze loftuiting zijn klepper een weinig harder aan, en vroeg de vrouw, op de plaats zijner bestemming gekomen; .Wel, weet je nu wel, met wien gij gereden hebt?quot; — .Neen,quot;

was het antwoord. - .Nti, ik ben dokter F.....

uit W.....;quot; hernam de geneesheer. — Dit

bracht echter de openhartige vrouw geenszins van haar stuk. Zij antwoordde eenvoudig: .Heere Gut, dat doet mij genoegen, eindelijk

ook eens met Dokter P..... uit W.....

kennis gemaakt te hebben.'

208.

In het Badhotel.

Dame: „Heden heb ik in het bad een hevige koii gevat; 't water was slechts 17 graden.'

Badmeester: „ ,Dat is niet mogelijk. Mevrouw! Het water wordt op minstens 23 graden gebracht.quot; quot;

Dame: .Neen, gij vergist u ; de thermometer gaf maar 17 graden aan; u kunt me gerust gelooven!quot;

ocr page 109

101

Badmeester: „ „Pardon, Mevrouw, gelooven kan ik het niet. Maar hoe lang hebt u den thermometer in het water gehoudenV quot;

Dame: „In 't water gehouden? Mijn hemel, is dat dan noodigVquot;

209.

Zeer Naïf.

Mevrouw: „Maar Mina, de goudvischjes hebben vandaag weer geen versch water gehad!'

Meid: „„Maar Mevrouw, waarvoor? Ze hebben nog niet eens liet oude opgedronken !quot; *

210.

Eigenaardige opvatting.

Moeder : (leest in de courant) „Dat begrijp ik niet, hoe men voor 80000 menscheneters maar vijf' zendelingen kan sturen!'

Dochter: „ „Ja, dat quot;s veel te weinig; al die arme menschen moeten dan wel verhongeren!'

211.

Zeer vleiend.

Dokter: „Vriend, het zal vroeg of laat gemakkelijk voor je zijn, te sterven.quot;

Patiënt: „ „Waarom?' quot;

„Omdat gij je geest niet behoeft te geven!'

ocr page 110

102

212.

Spoed.

Dienstmeisje : , Dokter, kom toch direct! Mevrouw ligt in zwijm, maar gauw, want anders komt ze onder de hand weêr bij!quot;'

21:!.

Uitwerking' van eene toonschepping'.

IJe Kapel van Lodewjjk XIV voerde do Miserere van Lnlly uit, die de Koning geknield aanhoorde ; bijgevolg moest de geheele hofhouding in die lastige houding blijven, zoolang do muziek duurde.

„Hoe vindt je die Miserere V' vroeg de Koning aan den Hertog De Grammont, toen bet stuk uit was.

, ,Zeer /acht voor het gehoor, Sire, maar hard voor de knieën!'quot; gaf De Grammont ten antwoord.

214.

Zeer logisch.

Edelmoedige buurvrouw: ,Je komt nog alle dagen eten halen voor je zieke zuster, en ik heb haar gisteren alweer gezond en wel zien loopen.quot;

Meisje: , „Wel nou?____ Nou eet ze eens

zoo veel, en hol) ik nog vergoten om non meer te vragen,quot; quot;

ocr page 111

103

215.

De Graciense Echtvriend.

Vrouw: „Daar hel) ik alwéér een tand verloren.'

Man : , _Noü, die zal ook blij zijn, dat hij niet meer met je tong in aanraking komt!' quot;

21(5.

Voor de Rechtbank.

President: ,Zijt gij getrouwd?'

Beklaagde: , „Ja wel, meneer de President.quot; ,

President; „Met wie?'

Beklaagde; „„Met eene vrouw, meneer de President.' '

President: „Dat spreekt vanzelf!'

Beklaagde: _ .Neen, meneer de President, dat spreekt niet vanzelf; want daar hebt u onder anderen mijne zuster, die is met een man getrouwd !' '

217.

Geruststelling'.

Mevrouw (wier man zich dikwerf onrustbarend aan oesters te buiten gaat): „Dokter, zeg eens, zijn oesters gezond?quot;

Dokter: „„Zeker, Mevrouw; ik ten minste heb in mijn langdurige praktijk or nog geen een in behandeling gehad!quot;'

ocr page 112

104

218.

De Zondebok.

Dokter; , Ik gfiloof dat de onophoudelijke verandering van den barometer oorzaak van uwe ongesteldheid is.quot;

Mevrouw; , ,0, ik zal dat nare ding dadelijk uit de kamer laten brengen!quot; quot;

219.

Ook een goed middel.

,Jacob,quot; zeide een kostschoolhouder tot een zijner veelbelovende leerlingen, „je bent een ondeugende jongen, en zou je me ook kunnen zeggen wat men moet doen met jongens, wien men de ondeugendheid wil afieeren?quot;

„ „Jawel, mijnheer,quot; quot; was het antwoord, s „men slaat hen wat minder, en geeft hun wat meer te eten.quot; quot;

220.

Telegram (van een Veehandelaar).

Ik kom morgen. — Personentrein neemt geen vee mede.

221.

In de restauratie.

— „Jan! is dat werkelijk van een wilde eend, dat je me daar voorgediend hebt?quot;

ocr page 113

105

— , „Wild. meneer? Dat zal waar zijn! Gisteren hebben we haar wel een goed half uur op de plaats achterna gezeten om ze te vangen.quot; ^

222.

Een nieuwtje.

Dichter: ,Binnen kort, Mejuffrouw, breng ik u *t jongste kind mijner Muze nieè.'

Jonge Dame: „ ,Ah, 'k wist niet dat u getrouwd waart.... Loopt het al?quot;

22;!.

Bti de School-inspectie.

Inspecteur: „Maar, mijnheer, hoe kunt ge het hier uithouden ; waarom hebt ge de vensters niet geopend'? — De atmosfeer is hier ten hoogste onaangenaam!quot;

Hoofdonderwijzer: , „Vergeef me, mijnheer de Inspecteur, maar voor en aleer ik de eer had, u in dit lokaal te ontvangen, was de atmosfeer hier nog zeer aangenaam.quot;quot;

224.

Meteorologische beschouwing.

Truitje: „Juf. wat is 'tkoud geworden!quot;

Gouvernante: , „Dat komt, omdat we Noordenwind hebben, kind!quot; quot;

Truitje: „Is :t dun altijd zoo koud. Juf?quot;

ocr page 114

106

Gouvernante; , ,lJe Noordenwind is altijd kond. onverschillig waar die van daan komt!quot; quot;

225.

Onnoozele vragen.

Heer : „En dit sigarenpijpje is van hardglas, niet waar?'

Winkelier: . «Jawel, mijnheer.quot;''

Heer; ,Kan het dus wel op den grond vallen zonder dat het breekt?quot;

Winkelier; „.Hoogstwaarschijnlijk, mijnheer!quot; quot;

.Heer; .Kan ik het tegen de straatsteenen gooien?quot;

Winkelier; „ .Wel zeker, mijnheer!quot;'

Heer (met veel belangstelling); „Kan ik er met een hamer op slaan?quot;

Winkelier; „.Wel zeker, kunt u dat!'quot;

Heer (verwonderd); „En breekt het dan niet?quot;

Winkelier; „ „Denkelijk wel. mijnheer, maar niemand kan u beletten, er dat allemaal meê te doen.quot; '

22ti.

Huiselijke schikking.

Mevrouw (tot de nieuwe keukenmeid); „Luister goed; als ik tweemaal schel komt de knecht; als ik éénmaal schel komt Mietje, en als ik in quot;t geheel niet schel, dan kom jij!quot;

ocr page 115

107

227.

Ben Jocrisse.

Iemand /.oml zijn knecht naar een zijner vrienden met een schriftelijke boodschap. „Je moet nu gaan,quot; zeide hij, „naar mijnheer Dool-mijn, hoedenmaker, wonende in de Lange-straat N0. 6.quot;

De knecht vertrok met het briefje, doch keerde eerst twee uur later terug.

„Wat duivel, waar ben je al dien tijd geweest?quot; riep zijn meester driftig.

, „Neem me niet kwalijk, mijnheer, maar ik heb wat moeten zoeken. Om te beginnen, woont die man niet in de Langestraat N0. 6!quot;

„NietV Is hij dan sedert gisteren verhuisd?quot;

„ „Dat zou ik uwes niet kunnen zeggen. Ten tweede is hij geen hoedenmaker.quot; quot;

„Wat is dat? Ben je gek?quot;

„„En ten derde heet hij geen Dulmersl' quot;

228.

Rekening' van een loodgieter.

Voor UEd. een lek gezocht . . . . /'2.—

Voor UEd. een lek gevonden ... - 2.—

Voor UEd. een lek gestopt.....- o.—

Totaal Generaal . . /' 7.— 229.

Rechtmatige twijfel.

Oude freule : „Gij gelooft dus niet aan geest-

ocr page 116

108

verschijningen, mijn waarde? Wacht maar, gij vrijgeest, als ik dood ben, zal ik je 't bewijs leveren — ik zal je verschijnen, wat zeg je daarvan?quot;

Neef George: , ,0, ge zijt wel goed, lieve nicht; — alléén meen ik te moeten betwijfelen, of de duivel je wel zoo lang verlof geven zal!quot;'''

2:10.

Warmtetheorie.

Gast (alleen in een koffiehuis zittende) : , Waarom leg je de kachel niet aan? 'tBegint streng koud te worden 1'

KotHehuisbouder: , „.Ta, weet u, voor u alléén is 't de moeite niet waard en als er meer menschen zijn, dan wordt 't vanzelf warm,quot; quot;

281.

Mislukte Vleierfl.

Een gauwdief, die zich in de gunst van een predikant wilde dringen, zei op zekeren dag tot hem, dat hij dominé met zooveel genoegen hoorde preeken.

„Welnu.quot; antwoordde de Ieeraar. ,als je dan aanstaanden Zondag bent. waar je plaats is - dan kunt ge mij hooren.quot;

„„Waar preekt u dan?' 1 vroeg de schelm.

„In de gevangenis,quot;' was het antwoord.

ocr page 117

109

232.

Laconisch antwoord.

,\V anneer gij heden,'' dus schreef zeker veldmaarschalk aan den kommandant eener vesting, — „wanneer gij heden vóór twaalf uur de vesting niet overgeeft, dan laat ik alles nedersabelen wat los en vast zit; zelfs het kind, dat op 't punt staat het eerste levenslicht te aanschouwen, zal zijn leven niet meer zeker zijn.' Het antwoord van den kommandant luidde: , ,In de vesting is geen enkele vrouw, en ik, noch mijne grenadiers, wij bevinden ons geen van allen in gezegende omstandigheid. Kom dus gerust!quot; quot;

233.

Prompt antwoord.

„Hier is een zoen,quot; zei een onderofficier tot een meisje.

, ,En hier is mijne hand!quot;quot; antwoordde zij en de sergeant kreeg er een, die raak was.

234.

De kokette.

Jonge Dame: „Vindt ge niet, dat ik een bijzonder kleine voet heb?quot; Jonge man: „ „Je zult de kinderschoenen nog niet ontwassen zijn !quot; quot;

ocr page 118

110

235.

De zeldzame bril.

Iemand kocht een bril en vroeg ot' hij daar wel een uur of drie ver meè zien kon.

, , Wat, drie uur, met dien brilV ik zeg u, zestig duizend mijlen ver kunt u er meê zien; ja — als de glazen niet beslagen zijn, kunt u er de maan meê zien!' '

280.

Examen in de geschiedenis.

Examinator: .Kunt gij ook verklaren, hoe het kwam dat Lodewijk de Dertiende zoo'n verstoord gemoed, vervuld van argwaan, en onheilspellende voorgevoelens had?'

Aspirant: , ,Ik geloof niet mis te tasten wanneer ik dit feit daardoor verklaar, dat de ongelukkige monarch aan tafel altijd de Dertiende was.' quot;

237.

Een kuur.

Jan Kareisen komt bij Dr. Lapman en vraagt hem een middel voor de vreeselijke rheumatiek, die hem al een paar maanden lang in den bovenarm zit. De Dokter schrijft een recept, en terwijl hij het papier met een vloei-

ocr page 119

Ill

papierea rol droogt, /,egt hij: ,daarineo wrijf je de aangedane plek driemaal daags; kom de volgende week nog eens terug.quot; Toen Jan Kareisen zich verwijderd had, miste de dokter zijn vloeipapieren rol. — De volgende week kwam de man terug met het vermiste instrument in de hand. — , - Zeg Dokter, gewreven heb ik me Smaal per dag daarmee, maar al !t papier is er al af, en geholpen heeft het ine geen zier!' quot;

238.

Mineralogie.

Professor: ,Noem mij uit het mineraalrijk eens eenige gesteenten.''

Student; „ ,De steen der Wijzen, en de steen des Aanstoots!quot;'

Professor: „Hm. Welk onderscheid is er tusschen die tweeV

Student: „ „De steen der Wijzen wordt steeds gezocht, en nooit gevonden; — de steen des Aanstoots wordt steeds gevonden maar nooit gezocht.''

239.

Op de wandeling.

„Papa, waarom hebben do meeste schepen vrouwennamen?quot; , ,Omdat 't zooveel geld kost, om zc op te takelen.quot; '

ocr page 120

112

240.

Onze dienstboden.

Bij Mevrouw Dompelaar kwam eene nieuwe keukenprinses in dienst.

„Hoe heet je?' vroeg Mevrouw.

, ,Ik heet Adamina,' quot; luidde het antwoord.

„Dien naam heb ik nog nooit gehoord,quot; sprak Mevrouw verwonderd.

, ,Ja, ziet u Mevrouw,quot; quot; merkte de dienstmeid aan, , „eigenlijk heet ik Eva, maar dien naam vind ik zoo gemeen!quot; quot;

241.

Elk van z|jn standpunt.

Heer: „Breng mij een portie kabeljauw.quot;

(De kellner bestelt het, maar komt weldra terug).

Kellner: „ „Kabeljauw is er niet meer, meneer; maar weet u wat, — neemt u drie porties schol; die kosten evenveel.quot;'

242.

Goedkoope verzending'.

Een Boer komt op liet postkantoor en vraagt: „Hoeveel kost 't om vijftig gulden aan dit adres te sturen?quot;

Postkommies: „„Twintig centen.quot;quot;

ocr page 121

It-T

Boer: „Da's nie venl; daar hai je 20 centen.* Postkommies: „„En de vijftig gulden?quot;' Boer: „Zóó, mo'k die er bai geven? Dan stuur ik liever niks, niemendal?quot;

248.

In de restauratie.

Gast: ..Zeg, Bokman, het bakje met de tandenstokers is er wéér niet!quot;

Restaurateur: „„Tandenstokers worden hier niet meer gegeven.quot; quot;

Gast: „Waarom niet. als ik't vragen mag?quot; Restaurateur: „„Ja, weet u, vroeger waren de gasten zoo fatsoenlijk en deden de tandenstokers, na gemaakt gebruik weêr in het bakje. Maar tegenwoordig - een ieder neemt er maar een meê; en zooveel levert mijne zaak niet op, dat dit er af kan.quot; quot;

244.

Uit de School.

Meester: „Noem me eens eenige voorbeelden van onvergankelijke gehechtheid van twee men-schen aan elkander?quot;

Smit: „ „Roméo en Julia.quot; quot;

Muller: „.Hero en Léander.quot; quot;

Jansen: „„Paul en Virginie.quot; quot;

Pietersen: „ „Eginhard en Emma.quot; quot;

Reeds geraakte men uitgepraat, toen de kleine

ocr page 122

114

Isaac zijn vinger opstak en zegevierend zeide, hij er nog meer wist.

Meester: „Welzoo. Isaac, noen; ze mij eens.'

Isaac: „„Peek en Kloppenburg: Schade en Oldenkott; Van (lend on Loos!quot; quot;

245.

De erfenis.

Broér Jan: „Zeg, Klaas, we zullen het hu is nu in twee gelijke deelen verdeelen?quot;

Broêr Klaas: „„Goed, neem jij maar de buitenste helft, dan neem ik de binnenste.' '

246.

Snel besloten.

Heer; „Kerel, als je mij die pijp gebroken ïtadt, zou ik je den hals hebben omgedraaid.'

Knecht : „ „En als u dat gedaan had, dan was 'k geen dag langer bij u in dienst gebleven!' '

247.

Bi) de muziekles.

Kleine Jan: „Mama, vindt u Juffrouw Dirks niet een dom menschVquot;

Mama: „ „Hoe dat, lief kind?' '

Kleine Jan: „Wel, zij telt telkens: Een, Twee, Drie, Vier. — Een, Twee, Drie, Vier, en zij kan 't niet verder. -- Mag ik haar zeggen, dat 't Vijf is, mama?'

ocr page 123

115

248.

Een dubbel ongeluk.

Litterator: „Vindt gij dat niet veolbeteeko-neiid, Henri? Op denzelfden dag waarop Göthe stierf, werd ik geboren!quot;

Henri: , „ Ziedaar twee gebeurtenissen waarover de litteratuur rouw te dragen heeft.quot; quot;

249.

Bij een Notaris.

— Zijn dat allemaal Bijbels ? vroeg een landbouwer aan den Notaris, die niet als bijzonder godsdienstig bekend stond, en hij wees op de niet dikke portefeuilles gevulde loketten.

— Neen, antwoordde de Notaris glimlachend ; maar 't zijn toch O u d e en N i e u w e testamenten.

250.

Een geluk bij een ongeluk.

De ontvanger van Abcoude (1853) was :s nachts laat nog op weg. Hij wordt staande gehouden door een individu van verdacht voorkomen, dat hem vroeg: -Hoe laat is hef?quot;

De ontvanger begrijpt dat het om zijn horloge te doen is.

In dit critieke oogenblik slaat het van den kerktoren „Een uur.quot;

Zonder zich lang te bezinnen, geeft hij den

ocr page 124

11«

man een flinke muilpeer, met de woorden : ,:t Heeft juist é é n geslagen !quot; '

„„ Ai!quot;quot; roept de bandiet verschrikt. „Goed dat ik hem niet één uur vroeger gevraagd heb, hoe laat is he t?quot; quot;

251.

Niet onwaarschijnlijk.

Als reden, waarom vrouwen geen knevel krijgen, geeft een Amerikaansch blad aan. dat zij te veol praten en lachen : en dat op zulk een bewegelijken bodem niets kan groeien!

252.

Oorzaak en werking.

Een eenvoudige kikker op den bodem van eene roeiboot rondspringende, is in staat, die

te doen omkantelen---namelijk wanneer een

aantal dames zich daarin bevinden, die gelijktijdig den kikker in 'toog krijgen.

ocr page 125
ocr page 126
ocr page 127
ocr page 128