ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

(Besclioiiwingen over de Pentateucli),

dour

it. (.. l\(,i;itso 1,1,.

Vertaald dooi' VINETA.

W'~£'

I)« ver doleer van onkruid, (listelen

on doorn en is een weldoener oniii zaait

lt;gt;i niet zaait.

Haarlem, r. C. WEZEL, 1894

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

VOORBERICHT

Geclurende geniimen tijd beschouw ik de Pentateuch (de vijf boeken van Mozes) eenvoudig als een verhaal van een barbaarsch volk, in welk verhaal vele barbaarsche plechtigheden, vele zinnelooze en onrechtvaardige wetten en duizenderlei denkbeelden voorkomen, die met bekende en bewezene feiten onvereenigbaar zijn. Het scheen mij zelfs een misdaad toe, als iemand onderwijzen wilde, dat die verhalen door «geïnspireerdequot; personen geschreven zouden zijn. Immers slavernij, veelwijverij en veroverings-of verdelgingsoorlogen knnnen toch evenmin goed zijn, als dat er een tijd was, waarin men de goedkeuring van een oneindig Verstand, oneindige Rechtvaardigheid en Liefde kon winnen met het schenden van jonge meisjes of met het ter dood brengen van kinderen. Het komt mij verstandiger voor het maken van zulke wetten aan onbeschaafde volken toe te schrijven, en daarom heb ik in eene voorlezing tot onderwerp hebbende: «Eenige dwalingen van Mozesquot; getracht, eenige fouten, tegenspraken en onmogelijkheden, die in de Pentateuch voorkomen, aan te toonen. Van deze voorlezingen, die niet geschreven waren, zijn op verschillende wijzen verslagen gemaakt en zonder mijne toestemming en zonder door mij herzien te zijn gedrukt en uitgegeven. Toch waren deze verslagen oppervlakkig en in bet oogloopend onjuist en werden ze als zoodanig gekritiseerd, en nog steeds is men aan dit groote werk bezig. Om nu die eerwaarde heeren de moeite te sparen hunne talenten voortaan nutteloos aan fouten van berichtgevers en druk-

ocr page 8

IV VOORBERICHT.

kers tc verspillen, besloot ik het voornaamste van al mijne voorlezingen over dit onderwerp uit te geven. En juist hier komt het mij geschikt voor te verklaren, dat argumenten niet met persoonlijke aantijgingen beantwoord dienen te worden, en er geene logica in het lasteren bestaat. Elke leugen brengt eindelijk, het moge lang, zelfs zeer lang duren, zichzelf aan het licht. Menschen, die immers hunne vijanden lief moesten hebben, behoorden in de eerste plaats de waarheid van hunne vrienden tc zeggen. Al mocht het eens blijken, dat ik de slechtste persoon op de geheele wereld ware, de geschiedenis der zondvloed zou daardoor even onwaarschijnlijk blijven, terwijl de tegenspraak in de Pentateuch nog altijd eene verklaring zou behoeven.

Er was een tijd, dat de leugen op den kansel donderend uitgesproken, als een bliksem trof, maar het aanbod heeft sedert lang de vraag overtroffen en de verkeerde voorstellingen van de geestelijken zijn ten slotte een onschuldig tijdverdrijf geworden. Ik herinner u slechts, dat nog voor weinige jaren mannen, vrouwen, en zelfs kinderen, gevangen genomen, op den pijnbank gebracht en verbrand werden om veel onschuldiger uitdrukkingen over deze denkbeelden dan door mij gebezigd worden, zoodat ik mij zelf wel geluk mag wenschen, dat laster het laatste hulpmiddel van de kansel is. De oude kwel- en pijninstrumenten worden nu enkel nog bewaard om de nieuwsgierigheid te bevredigen. He ketenen verroesten en do tand des tijds veroorlooft ons zelfs de gevangenissen der Inquisitie te gaan bezoeken. De kerk onmachtig en boos, betreurt niet het misbruik, maar het verlies van hare macht en tracht met leugens vast te houden, wat zij met wreedheid en geweld, met vuur en zwaard eens overwon. Het Christendom kan met geene andere geloofsvorm in vrede leven. Als dat geloof de waarheid is, bestaat er maar één zaligmaker, één geïnspireerd boek, en één smal pad, dat ten hemel voert. Zulk een geloof is bijgevolg: belofteloos, onzedelijk en aanmatigend. Het Christelijk geloof veracht alle

ocr page 9

VOORBERICHT.

andere geloofsvormen, verdeeld de wereld in vijanden en vrienden en maakt de indrukwekkende verklaring van haar Stichter tot waarheid, de verklaring namelijk dat Hij het moordend zwaard was komen brengen en om die reden maakte het Christendom gedurende duizend jaren den gezichteinder vol angst door de vuren harer brandstapels.

Al te veel lof wekt aandacht en brengt vaak duizenderlei fouten aan het licht, die anders aan ons oog ontsnapt zouden zijn. Ware het ons vergund den Bijbel te lezen zooals wij zulks met andere boekeu plegen te'doen. wij zouden de schoonheden daarin bewonderen, de uitmuntende denkbeelden daarin ontwikkeld op prijs stellen en het onzinnige, ruwe en wreede toeschrijven aan de schrijvers hiervan, die in ruwe en barbaarsche tijden leefden. Doch nu worden wij geleerd, dat het ISoek geschreven werd door personen, die door God geïnspireerd waren, dat het Boek den wil van God bevat, dat het Boek op alle plaatsen rein en waar is, dat het Boek het lichtpunt en de grondslag is dei* menschelijke verwachting; de eenigste gids voor den mensch en den eenigste fakkel in den donkeren nacht der Natuur. Deze bewegingen zijn zoo verschillend van bekende en erkende feiten, klaarblijkelijk zoo onzinnig, dat elk vrij en onpartijdig mensch zich daartegen verzet.

Wij lezen de heidensche «heilige boekenquot; niet waarachtig genoegen. Mythe en fabel heeft ons altijd bekoord en wij vinden een vermaak in de eindclooze herhaling van het schoone, het poëtische en het zinnebeeldige. Wij vinden in al deze verhalen van het verledene, bespiegelingen en droomen; weemoedige pogingen van groote en liefhebbende wezens, die de mysterie van leven en dood trachtten te doorgronden, die de eeuwige vraag van het Waarvan en het Waarheen poogden te beantwoorden en die van stukjes glas tevergeefs een spiegel trachtten te maken, waar het uiterlijk en den vorm der Natuur zich geheel in moest terugkaatsen. Deze mythen ontstonden uit hoop en vrees, uit smart en vreugde en zij werden door iedereen

V

ocr page 10

VI VOORBERICHT.

bij genot of smart aangehaald en getint van at' de rozige schemering der geboorte tot aan de droevige duisternis van den dood. Zij dichtten de sterren hartstochten en kenden aan Godheden de gebreken en tekortkomingen der mensciien toe. Daarin zijn de winden en de golven muziek, en worden meeren, stroomen, bronnen, bergen, bosschen en geurige dalen door duizenderlei phantastische vormen bevolkt. Zij deden de aderen der Lente met sidderend verlangen trillen, zij maakten van de zwoegende boezem der bruine Zomer een troon en een verblijfplaats der Liefde, zij vulden de armen der Herfst met rijpe druiven en schoven graan en zij schilderden den Winter als oen zwakke oude koning, die even als koning Lear op zijn bleek gelaat Cordelia's tranen voelt vallen.

Deze mythen, ofschoon onwaar, zijn schoon en hebben in menige eeuw en op velerlei wijze het hart verrijkt en de gedachte begeesterd. Maar wordt ons voorgehouden, dat al die vertelsels waar en door God geïnspireerd zijn; dat eeuwigdurende straf het lot zal zijn van degene, die ze durft ontkennen of betwijfelen, — dan verliest de liefelijkste mythe uit de fabelwereld hare schoonheid en wordt hatelijk en verachtelijk voor elk wezen.

R. G. 1NGERSOLL

ocr page 11

INHOUD.

Bladz.

ir Eenige dwalingen van Mozes.........0

c, Vrije scholen............ ... 15

n De staatkundigen..............17

ii Man en vrouw...............]()

De Pentateuch...............25

r Maandag.................30

!, Dinsdag.................33

Woensdag................35

3 I Donderdag................37

Hij maakte ook de sterren..........41

Vrijdag.................43

1 Zaterdag.................44

1 Laat ons menschen maken..........47

gt; I • Zondag.................5[

De noodzakelijkheid van een goed geheugen .... 54

■ I De Hof.................01

Dt' val..................04

Nattigheid................00

Bacchus en Dabei.............S3

Het geloof aan onzedelijkheid.........80

De Hebreeuwen..............80

De plagen..................

De vlucht....................101

Toegeven en ontkennen...........110

Is de instelling der slavernij ook geïnspireerd . . .117

Het geïnspireerde huwelijk..........11!)

De geïnspireerde oorlogen..........120

De geïnspireerde godsdienstige vrijheid......121

;e is

Besluit................ 124

■

ocr page 12
ocr page 13

Eesiige Dwalingen van Mozes.

Dcgecn, die liet verstand met geweld tracht fe beteugelen is eeu tyian eu lt;lie zich omlei werpt is een sluaV.

Het is mijn wensch: mijn land, voor zooverre mijne zwiikke krachten zulks toelaten , in waarheid vrij te maken. Het is mijn wensch het verstandelijk peil van ons volk tc verhoogen; vooroordeelen, die uit onwetendheid en vrees ontstaan zijn weg te nemen; tc breken met de blinde eerbied voor het onedel verleden, alsof alles wat groot en goed ia gestorven, alsof de levenden totaal bedorven; en de genietingen des levens zonden; alsof zuchten en kermen God alleen welgevallig; alsof donken gevaarlijk cn verstandelijke moed eene misdaad zoude zijn; alsof lafhartigheid eene deugd en een bepaald geloof noodzakelijk zou zijn om zich do zaligmaking te verzekeren; alsof het dragen van een kruis in ditze wereld ons een voorrecht zou geven hiernamaals; alsof wij den priester moeten toestaan de loods te zijn voor onze zielen. Zoolang niet iedereen vrijwillig wordt toegestaan elk boek, geloof en dogma voor zich zelf te onderzoeken, kan de wereld niet vrij zijn. De raeuschen blijven zoolang slaaf, totdat er genoeg verstandelijke grootheid bestaat om iedereen het denken cn spreken te veroorloven. De aarde zou een paradijs worden, wanneer de menschen, niettegenstaande zij over de verschillende vraagstukken in meening verschilden toch elkander als vrienden da handen konden schudden. Is het niet verbazend treurig, dat het verschil van meening over onderwerpen, waarvan wij toch eigentlijk niets met zekerheid afweten, elkander doet haten, vervolgen en verachten. Waarom moest men wegens verschil van meening omtrent de praedestinatie-leer of over de Drie-eenheid elkaar gevangen nemen en laten verbranden. Gaat dit niet elk menschelijk begrip te boven? on toch werden in alle landen waar Christenen bostonden de menschen verdelgd, naarmate hunne macht zich wederzijds uitstrekte. Waarom moet iemand die werkelijk aan God gelooi't, een godloochenaar haten? De godloochenaar benadeelt God toch niet; is toch evengoed een mensch, heeft vreugde en smart, en heeft dus ook alle aanspraak op de rechten van den mensch. Zou het niet beter zijn den godlooche ■ naar evenzoo te behandelen ala hij ons behandelt?

1

ocr page 14

10

De Christenen vertellen bovendien, dat zij zelfs hunne vijanden lief moeten hebben en toch begeer ik zulks niet eens ; ik begeer zelfs niet eens dat zij hunne vrienden liefhebben maar ik verlang alleen, dat zij diegenen, die met hen van raeening verschillen met eenvoudige burgerlijke beleefdheid behandelen. Wij verlangen geen vergiffenis, wij wenschen alleen, dat de christenen zoo zullen handelen, dat wij hun nooit vergiffenis behoeven te schenken.

Indien allen slechts toegaven, dat iedereen hetzelfde recht van denken heeft, dan ware die kwestie opgelost; maar zoolang georganiseerde en machtige kerkgenootschappen beweren de sleutels van hemel en hel te bezitten, iedereen als een misdadige beschouwen, die voor zichzelf denkt en hun gezag ontkent, zoolang zal de wereld vol strijd en haat blijven. Menschen te haten en God te dienen is synoniem en het voornaamste bij alle geloofsuitingen.

Wat in de meeste landen gebeurde is ook in Amerika gebeurd. Zoodra een geloof wordt gesticht, vertellen de ontwikkelden en de machtigen — de priesters, de edelen — aan de onwetenden en bijgeloovigen — het volk — dat dit geloof door God zelf aan hunne voorouders werd gegeven; dat dit de eenigst ware godsdienst is; dat alle andere geloo-ven door leugens en bedrog ontstonden en dat allen, die het ware geloof gelooven voor eeuwig gelukkig zullen zijn, en dat daarentegen alle anderen die dit geloof missen in de hel zullen moeten branden. Om het volk te beheerschen, of met andere woorden, om door hot volk onderhouden te worden, verklaren priesters en edelen dit geloof voor heilig en zeggen dat degeen, die er iets aan toevoegt of er iets van afneemt, hier door de menschen en hiernamaals door God verbrand zal worden. Het resultaat hiervan is dat de priesters en de edelen het volk nooit zullen toestaan van geloof te veranderen en mocht al eens mettertijd de priester verstandelijk vooruitgaan en eene schrede verder willen gaan, dan zal het volk him dat op hunne beurt niet toestaan. Eerst wordt de menigte de slaafsche navolger der priesters en later speelt de menigte de baas.

In de eerste plaats wensch ik de orthodoksche geestelijkheid hiervan vrij te maken. Ik ben met hen bevriend; in weerwil van wat zij omtrent mij zeggen, sta ik op het punt hun een groote en voortdurende dienst te bewijzen. Zij mogen niet lezen en denken zooals zij willen. Zij worden als papegaaien geleerd en de beste zijn die, welke zonder de minste fouten, de spreuken herhalen, die zij geleerd hebben. Als uilen zitten zij op een dooden tak van den boom der kennisse en krijachen hetzelfde geluid als voor achttienhonderd jaren geledon.

ocr page 15

11

Hunne genootschappen zijn niet zeker genoeg en ook nlot genoegzaam ontwikkeld om de arme predikanten het denken toetestaa;!. Dat ia ook niet noodig. Onderzoek is te gevaarlijk en de predikanten zijn gewaarschuwd dat dit werk niet gewild is, en niet geduld z.-,l worden. Zij zijn verwittigd het oude geloof vastlehouden en elke oorspronkelijke gedachte als eene ziekte te mijden. Ieder predikant wordt dus als een pleitbezorger, zoowel voor den klager als den beklaagde, gebruikt. Verandert hij van gedachte, zoo beschouwt men hem ala deserteur en wordt dan overeenkomstig veroordeeld, gehaat en gelasterd. Een orthodoksch geestelijke mag nu eenmaal niet van gedachten veranderen. Hij verbindt zich geen nieuwe feiten te vinden, en, zo te ontkennen ingeval dat hij ze mocht vinden. Zoo is de positie van de protestantsche evangeliedienaar in de negentiende eeuw. Ik wensch hem eene betere betrekking toe en om hem die te bezorgen zal ik doen, wat in mijn vermogen is.

Er zijn enkele geestelijken, die werkelijk de onafhankelijkheid hebben om daarmee te breken en het verstand bezitten zich als vrije menschen te handhaven, doch de meesten zijn gedwongen zich aan het voorschrift der orthodokschcn en der dooden te onderwerpen. Zij bekleeden immers geen ambt om hunne gedachten te verkondigen, maar moeten eenvoudig de denkbeelden van anderen herhalen. Zij mogen de twijfelingen die soms bij hen opkomen, niet uitspreken; men eiacht dat zij op het enge, doire pad door de onwetendheid van het verledene betreden, blijven rondloopen. De bosschen, de velden aan elke kant van den weg be-teekenen voor hen niets. Zij mogen niet zien naar de purperkleurige heuvels in de verte, zij mogen niet stilstaan om naar het murmelen der beeken te luisteren. Zij moeten op den stofligen weg, waar de handwijzers staan, blijven. Zij moeten zich verbinden aan den „val der menschenquot;, de „uitzetting uit den Hof van Edenquot;, het „schema der zaligmakingquot;, de „wedergeboortequot;, de „boetedoeningquot;, de „zaligheid der bevrijdenquot; en de „ellende der verlorenenquot;. Zij mogen wel oppassen geene nieuwe denkbeelden omtrent deze groote vraagstukken te ontwikkelen. Het is veel zekerder de werken dor dooden hiervoor aan te halen. Hoe levendiger zij het lijden beschrijven van hen, die nog niet wedergeboren zijn; van hen, die schouwburgen en bals bezoeken of wijndrinken in zomertuinen op Zondag en van hen die aan de priesters ongehoorzaam zijn, destebeter zullen zulke predikanten zijn. Zij moeten aantoonen, dat ellende de goeden geschikt voor den hemel maakt en voorspoed de boo-zen voor den hel voorbereidt; dat de boozon hier al het goede en de goeden hier al het kwade krijgen; dat God op de aarde slechts hen kastijdt, die hij liefheeft, en hiernamaals degenen, die hij haat; dat het

ocr page 16

12

geluk ons hier, maar niet in den hemel slecht maakt; dat pijn ons hier, doch niet in den hel goed maakt. Het komt er niet op aan, hoe tegenstrijdig zulks aan ons zinnelijk verstand moge voorkomen, gepredikt en gelooft moet het worden. Indien zulke voorstellingen redelijk waren zou er immers geen deugd „om te geloovenquot; bestaan. Tollenaars en zondaren gelooven toch ook aan hot redelijke. Met en zonder de bewijzen daartegen, te kunnen gelooven wordt den vromen en oprechten Christen als eene verdienste aangerekend. De evangeliedienaren moeten krachtens hun ambt van alle verstandelijke weelde afstand doen en aantoonen dat wij God nooit welgevalliger kunnen zijn, dan met de bekentenis, dut wij arme, door zonde bedorvene, nietige aardwormen zijn, dat wij nooit geboren hadden moeten zijn en dat wij verdienen zonder eenig uitstel verdoemd te worden; dat wij schandelijk ger.oeg zijn om ons te willen vermaken, dat wij onze vrouw en kinderen meer dan God liefhebben. dat wij eerlijk zijn om de slechtste beweegredenen en dat wij soms zoo diep zijn gevallen dat wij aan de inspiratie der Joodsche Geschriften kunnen twijfelen. Kortom, zij moeten van alle prettige wogen met schaduwrijke boomen afstand doen, velden en bloemen vervloeken en het kaf en het onkruid verheerlijken. Zij moeten dat booze volk der groene valleien, dat bij sproedelende bronnen zit en lacht en gaat waar hun goeddunkt, nadeel berokkenen. Zij moeten de gevaren der vrijheid en de zekerheid van eene onbepaalde gehoorzaamheid uitleggen en de ondeugd der wijsbegeerte, de deugd van het geloof en de onzedelijkheid der wetenschap en de reinheid van de onwetendheid aantoonen.

Sommige vrome lieden ontdekken soms een jongmensch van eene godsdienstige richting, met een lichaam niet ziekelijk genoeg om te sterven en niet gezond genoeg om kwaad te' doen. Bij hen komt dan het denkbeeld op, dat hij een goed orthodoksch predikant zou kunnen worden. Onderling houden zij eene collecte en zenden het jongmensch naar een theologische school, waar hij geleerd wordt een geloofsbelijdenis optezeggen en het verstand leert verachten. Mocht het gebeuren, dat het jongmensch een eigen verstand bezit en na den graad behaald te hebben, meeningen zou verkondigen, in strijd met het leerstelsel, dat hij op school geleerd heeft, dan zal ieder, die een gulden voor zijne opvoeding heeft bijgedragen zich bedrogen achten en hem als een oneerlijk en ondankbaar wezen behandelen.

Kerkgenootschappen moesten hunne predikanten eenige vrijheid toestaan. Zij moesten hen tenminste veroorloven de waarheid te zeggen.

Wij hebben in Massachusetts een plaats Andover genaamd waar een soort van predikanten-instituut is gevestigd, waar elke professor eens

ocr page 17

13

om de vijf jaren — dat is de tijd, die men voor den levensduur van

een eed aanziet — zweert, gedurende do volgende vijf jaren niet van de vastgestelde meeningen te zullen afwijken. Waarschijnlijk is geen enkele eed gemakkelijker te houden. En zeker is het, dat sedert de eerste steen van die inrichting gelegd werd, geen enkel geval van meineed is voorgekomen. Het oude geloof wordt daar nog altijd onderwezen. Zij houden nog altijd vol, dat God oneindig wijs, machtig en goed is, en dat alle menschen geheel door de zonde bedorven zijn. Zij beweren, dat het edelste wezen, hetwelk God in aanzien riep, verdoemd is sedert het oogenblik, dat het voltooid werd. Andover zet zijn handelsmerk op elk predikant, die vandaar uitgaat, zooala Sheffield en Birmingham hunne goederen merken en ieder die het merk ziet, weet precies wat de predikant gelooft, welke boeken hij heeft gelezen, de argumenten, waarop hij steunt en welk verstand hij bezit. Ik heb de Andover-inriohting niet gekozen, omdat ze van een minder gehalte zou zijn. Integendeel, zij zijn allen ongeveer gelijk. De professoren zijn meestal predikanten, die op den kansel in gebreke bleven en naar het Seminarium werden teruggebracht om hun gebrek aan verstand en hun overvloed van geloof. Over het algemeen weten zij van deze wereld niets af en nog minder van het hiernamaals, maar zij zijn in staat de tegenstrijdigste stellingen met het plechtigst uiterlijk te verkondigen. Voor deze lieden moet iets gedaan worden om ze vrij te maken. Hen moest worden toegestaan te mogen leven, — zon en lucht te mogen hebben. Zij moeten niet langer meer aan geloofsbelijdenissen, aan stoffige boeken en oude geloofsbegrippon geketend of vastgebonden zijn. Duizende predikanten verlangen gaarne hunne oprechte meening uit te spreken, doch de handen van vrouw en kinderen doen hunne monden dicht. Zij moeten brood hebben en zoo worden de echtgenooten en vaders gedwongen een leerstelsel te prediken, dat zij eigentlijk verfoeien, ter verkrijging van huisvesting, spijs en kleeren moeten zij de kinderachtige wonderen van het verle-dene verdedigen en do verhevenste ontdekkingen van het heden aanvallen. Zij worden gedwongen iedere moderne gedachte te bestrijden, de gevaren der wetenschap, do slechtheid van het onderzoek en de bedervende invloed der logica bloot te leggen. Zij moeten aantoonen, dat de deugd gebaseerd is op: onwetendheid en geloof en de ondeugd zich schaamteloos voedt met: feiten en bewijzen. Hun ambt brengt het mede om de Voltaires, de Humes, de Paines, do Humboldts, Tyndals en Haeckels en de Darwins, de Spencers en de Drapers te benadeelen en te vernederen, maar bloothoofds te buigen voor de moordenaars, lasteraars en vervolgers der wereld. Zij moeten meestal het verstand der

ocr page 18

14

jeugd vergiftigen, door hen een vooroordeel tegen de wetenschap te doen krijgen, duor hen dc sterrekundo en do aardkunde van den Bijbel te onderwijzen en hen te dwingen van den verheven standaard van het verstand afstand te doen.

Deze ortüodoksche predikanten voegen nooit iets aan de kennis toe. Zij produceeren niets. Zij leven van hetgeen men hun geeft. Vrolijkheid en vreugde haten zij. Zij presideeren bij het trouwen, sprenkelen water over kleine kindertjes, uitten woorden zonder beteekenis en stapelen beloften boven het lijk. Zij spotten met de angst der ongeloovi-gen en om hunne tranen, en maken zich over hunne zorgen vrolijk. Toch zijn er uitzonderingen. Tusschenbeiden staat in de kansel een dapper en eerlijk mensch. Hunne genootschappon permitteeren dat zij denken mogen en dat hunne predikanten eenige vrijheid mogen hebben.

Hoe beschaafder wij worden, hoe meer vrijheid deze lieden zal worden toegestaan, zoodat ten slofte do predikanten hunne beste en verhevenste gcdachton zullen uitspreken. De kerkgenootschappen zullen het eindelijk zat worden altijd te luisteren naar de patriarchen, heiligen, mirakelen en wonderen en zij zullen er op aan gaan dringen ook iets te hooren van de hedendaagsche menschen, van de vervullingen en de ontdekkingen van den tegenwoordige)! tijd. Eindelijk zullen zij wenschen te weten, hoe wij aan het kwade dezer wereld in plaats aan dat der toekomstige kunnen ontsnappen. Zij zullen licht omtrent het levensraadsel verlangen. Zij zullen verlangen, wat wij met onze misdadigen in plaats van God met de zijne, moeien doen, zij zullen verlangen, hoe wij de bedelarij en armoede, misdaad en ellende, prostitutie, ziekte, hongersnood, dwingelandij in alle zijne wreede gedaanten, kunnen doen ophouden, en hoe wij eerlijke werklie'den kunnen beloonen en de wereld met gelukkige huisgezinnen kunnen aanvullen.

Dat zijn problemen der kansels en dor kerkgenootschappen eener verlichte toekomst. Mocht dc wetenschap hier ten slotte geen antwoord op kunnen geven, dan is ze nutteloos en zonder waarde.

De geestelijkheid gaat echter voort ze te beantwoorden op de oude wijze — totdat de Kerkgenootschappen vriendelijk genoeg zijn ze vrij te maken. Zij gaan voort over het geloof in den Heere Jezus Christus te redeneeren alsof dit het eenigst middel is voor alle men-schelijkc kwalen. Zij gaan voort met te prediken dat teruggang het eeuigste pad is, dat naar het licht voert, dat het geloof de eenigste en zekerste gids is en dat het verstand een dwaallicht is dat enkel den weg naar eeuwigdurende pijn beschijnt.

Zoolang de geestelijkheid niet vrij is, kan zij uit een verstandelijk

ocr page 19

15

oogpunt beschouwd, niet eerlijk zijn. Wij kunnen nooit zeggen, wat zij werkelijk gelooven tenzij zij weten, dat zij gerust mogen spreken. Zij troosten zich thans met het geheime besluit zoo liberaal te zijn als zij maar eenigzins durven met de hoop, dat zij later hunne kerkgenootschappen wel zoo ver zullen brengen dat die hun meerdere vrijheid van denken zullen toestaan. Zij weten niet, wat zij behoorden te doen. Het grootste gedeelte van hun leven is verknoeid met de studie over onderwerpen van eene onmogelijke waarde. De meesten zijn gehuwd, hebben een huisgezin en weten geen ander middel om in hun onderhoud te voorzien. Sommige beweren, dat wanneer zij die dwaze dogma's niet verkondigden, anderen het wel zouden doen en door vrees het mensch-dom wel in bedwang zouden kunnen houden. Bovendien hebben zij nog een afkeer om in het publiek toe te geven, dat zij zich vergist hebben en alles op misleiding berust, dat het oatwerp der zaligmaking ongerijmd is en dat de bijbel niet beter is dan elk ander boek. Men kan toch moeilijk verlangen jdat een bisschop zijn paleis of de Paus het vaticaan vaarwel zegt. Zoolang het volk behoefte heeft aan pausen, zullen er wel huichelaars gevonden worden om hunne plaatsen in te nemen. En zoolang arbeid moeite en zweet kost, zullen er steeds velen gevonden worden, die liever eenmaal in de week prediken, als de anderen maar willen werken en hun brood geven. Dus met andere woorden, zoolang de vraag aanhoudt, zal het aanbod niet achterwege blijven.

Ware het volk nog iets onwetender dan zou de sterrewichelarij opnieuw gaan bloeien, — ware het nog iets verlichter, de bestaande godsdienst zou te gronde gaan.

Vrije Scholen.

Het is ook mijn wensch de scholen vrij te maken. Wanneer een professor eener hoogeschool een feit, eene waarheid vindt, moet hij ze openbaren, zelfs al ware ze onvereenigbaar met hetgeen Mozes ons heeft verteld. De publieke opinie mag den professor niet dwingen die waarheden voor zichzelf te houden, evenals een Indiaan die een parel vindt, en die wegwerpt. Met eene enkele uitzondering bestaat er in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika geen hoogeschool, waar de waarheid altijd welkom is. Zoodra een der onderwijzers de inspiratie van den Bijbel ontkent, krijgt hij zijn ontslag. Indien hij een feit ontdekt, dat

ocr page 20

16

ïich niet met dat „Boekquot; vereenigt, des te slechter voor het feit en in het bizondei- voor den vinder. Hij mag het verstandelijk vermogen zijnor leerlingen niet met bewijzen bederven. Hij moet trachten elke waarheid op de een of andere wijze met het bijgeloof der Joden in overeenstemming te brengen, of het kan of niet. De wetenschap heeft niets met het geloof gemeen. Feiten en wonderen stemden nooit overeen en zullen ook nooit met elkaar overeenstemmen. Zij hebben niet de minste betrekking tot elkaar. Zij zijn gezworene vijanden. Wat heeft de Godsdienst met feiten te maken'? Niets. Bestaat er dan ecne Doopsgezinde wiskunde, eene Katholieke sterrekunde of eene Episcopaalsche plantkunde? Waarom moeten er dan nog secte-scholen bestaan? Toch enkel in hetgeen men weet, behoorde men in onze scholen onderwijs te geven. Om raadsels optelossen behoeven we toch geen belasting op te brengen. De algemeene school is dus het levensbrood vour het volk en mag niet met de ijzige en dorre handen van het bijgeloof aangeraakt worden.

Zoolang er geen bepaalde scheiding tusschen Kerk en School bestaat zullen wij hier nooit een groote inrichting voor onderwijs verkrijgen. Zoolang de verminkte verhalen van een barbaarsch volk door priester en professor worden voorgetrokken boven het menschelijk verstand, kan er maar weinig nut uit kerk of school worden getrokken.

In plaats dat men de professoren, die iets uitvinden luin ontslag geeft, moest men liever dezulken ontslaan, die het niet doen. Ieder onderwijzer moet goed begrijpen, dat onderzoek geen gevaar meer voor hom oplevert; dat hij zeker is van zijn brood, onverschillig de waarheid die hij moge ontdekken, en dat zijn salaris niet zal worden ingehouden, als hij vindt, dat die oude Joden niets van de geheele geschiedenis der wereld afwisten. Buitendien vindt ik het ook niet eerlijk dat de Katholieken voor den Protestanten school moeten bijdragen, evenmin dat ongeloovigen en godloochenaars belasting moeten betalen voor sjholen, waarin maar iets van het geloof wordt onderwezen.

De Wetenschap heeft met de seotegeest niets uit te staan. De men-schen vervolgen elkander niet, omdat zij in de wiskunde niet mot elkander overeenstemmen. Het huisgezin wordt door do botanie niet verdeelt en naar aanleiding der sterrekunde zal nooit iemand zijn vader of moeder haten. Alleen om iets, waarvan do menschen eigentlijk niets met zekerheid afweten, vervolgen zij elkaar. De wetenschap brengt geen zwaard, maar de vrede. Zoolang het geloof de scholen beheerscht, deugt de wetenschap niet. Wij moeten ze opdragen aan de Wetenschap der eeuwige waarheid. Wij moeten eiken onderwijzer veroorloven, zoovele

ocr page 21

17

feiten (waarheden) te verzamelen als hij slechts kan om ons licht te geven en de Natuur te volgen, onverschillig waar die ons brengt; om oprecht te zijn voor zich zelf en voor ons en hem doen weten dat hij geen enkele verplichting heeft dan die van eerlijk te zijn, dat hij geen boeken nog geloof behoeft te ontzien, evenmin de gezegden der dooden of die der levenden, dat van hem alleen verlangd wordt met eigen oogen te zien, zonder vrees te spreken, in alle richtingen te onderzoeken en dat hij de vruchten van zijn werk ons moge brengen.

Vele aan wetenschappelijke cursussen verbondenen, die onder hunne makkers geen naam konden maken, trachten thans erkenning bij de Kerk te vinden met het uitgeven van vage en onduidelijke lezingen over do overeenstemming van Genesis met de geologie. Evenals alle huichelaars overschatten deze lieden de zaak en verdraaien en veranderen feiten en woorden, zoodat zij er in slagen bij andere mede-huichelaars opgang te maken. Onder de ware wetenschapbeoefenaars worden zij gewaardeerd, zooals de veldheeren de marketentsters waardee-ren, die aan beide legers tappen. Ongetwijfeld zal er een tijd komen, dat de voorspoed en rijkdom der volkeren niet meer verkwist wordt met het propagandeeren van onwetende gelooven en wonderdwalingen. Er zal een tijd komen, dat kerken en kathedralen ten nutte van den mensch gebruikt worden, dat predikant en priester de ontdekkingen der levenden van hoogere waaide zal achten dan de dwalingen der dooden ; dat de waarheden van de Natuur de „heiligequot; leugens van het verledens zal te niet doen en een enkel feit van meer beteekenis zal zijn, dan alle wonderen dor Heilige Schrift.

Wie kan do vooruitgang der wereld schatten, indien al het geld aan bijgeloof verkwist, besteed kon worden om het menschdom te verlichten, op te voeden en te beschaven.

Wanneer elke kerk een school wordt, elke kathedraal een hooge-school, elke geestelijke oen onderwijzer en al hunne toehoorders brave en eerlijke denkers worden dan en niet eerder zal de droom van den dichter, van den patriot, van den philantroop en van den wijsgeer tot eene werkelijke en gezegende waarheid worden.

De Stantkiindigeii.

Evenzoo is het mijn wensch de staatkundigen vrij te maken. Thana

ocr page 22

18

is de gelukkige postjeszoeker over liet algemeen gelijk aan het middenpunt der aarde. Uit zichzelf weegt hij en beteekent hij niets, maar trekt al het overige naar zich toe. Er zijn ook zoo vele vereenigingenj, zoo vele kerken, [zoovele „ismenquot;, dat het voor een onafhankelijk mensch bijna onmogelijk is in een staatkundige loopbaan te slagen. Kandidaten zijn immers wel gedwongen te beweren, dat zij Katholieken zijn met protestantsche neigingen of Christenen met liberale beginselen of matig-heidsmannen, die tusschenbeidcn een glaasje wijn drinken, of als zij geen lid van een kerk zijn, zulks aan hunne vrouwen overlaten en dat zij aan de kerken, echt liberaal, allen evenveel hebben gegeven. Het resultaat hiervan is, dat wij huichelaars beloonen en lieden kiezen met geen enkel vast beginsel, wat nooit zal veranderen, wanneer het volk niet verheven genoeg wordt om iedereen toetestaan te denken naar zijne eigene verkiezing.

Onze regeering moet een geheel zuiver wereldsch standpunt innemen. De godsdienstige zienswijze van den kandidaat moet buiten spel blijven. Hij behoeft zijne meening niet te zeggen: over de inspiratie van den Bijbel, over den doop bij kinderen of omtrent de onbevlekte ontvangenis. Zulke zaken zijn privaat en persoonlijk. Hij moet dat voor zichzelf mogen uitmaken en mocht hij soms tegen de wet en den wil van God besluiten, laat hem dat eenvoudig met God afmaken.

De menschen dienen wijs genoeg te zijn hunne vertegenwoordigers te kiezen, die iets van staatkundige zaken afweten; die de tegenwoordige grootte begrijpen en de toekomstige grootte van ons land kunnen voorzien. Als wij in storm op zee zijn en het noodig wordt de zeilen der fokmasten te reven, vragen wij niet eerst aan den zeeman, die vrijwillig in het want klimt, wat zijne opinie is omtrent de vijf hoofdpunten van het Calvinisme. Ons bestuur heeft met het geloof niets te maken. Het is niet christelijk en niet heidensch, — het is wereldsch. Maar zoolang het volk voortgaat met het stemmen van voor of tegen lieden, al naarmate hunner godsdienstige begrippen, zoolang zal de huichelarij plaats en macht blijven bezitten. Zoolang de kandidaten in het stof kruipen en hunne meeningen verbergen, diegenen vleiende waarmede zij van meening verschillen of bewerende overeen te stemmen met hen, die zij verachten, zoolang blijven de eerlijke lieden op den achtergrond. De Kerken worden staatkundige vereenigingen. In Amerika is bijna elk Katholiek een democraat, bijna elk Methodist in het noorden een republikein. Het zal misschien niet lang duren of de kerken zul'en zich op staatkundig gebied even scherp verdeelen als thans op theologisch gebied geschiedt en mochten er bij het aanbreken van die dag

ocr page 23

19

geen liberalen genoeg zijn om de balans in het evenwicht te brengen, dan zal dit bestuur moeten aftieden.

De vrijheid van den mensch is in de handen van een kerk niet veilig. Waar Bijbel en zwaard zich vereenigt wordt de mensch een slaaf. Alle wetten om den mensch God te doen dienen zijn ontstaan door dezelfde geesten, die de vuren der auto-da-fé's aanstaken en die de kerkers der Inquisitie deden bouwen. Alle wetten, die godloochenarij bepalen en straffen, die er een misdaad van maken, wanneer gij uwe oprechtste gedachten over den Bijbel uitspreekt, wanneer gij u vrolijk maakt over de onwetendheid der Joden, wanneer gij op den Sabbath genoegens hebt, wanneer gij uwe meening over Jehovah uitspreekt, die wetten werden door schaamtelooze dwepers gemaakt en moeten door eerlijke lieden herroepen worden. Een almachtige Godheid is wel in staat zich zelf te beschermen en heeft de tusschenkomst der Staatswetgeving niet van noode. Hij behoorde niet zoo te handelen, dat er wetten noodig waren om het bespotten van Hem te voorkomen. Niemand denkt er aan een Shakespeare op straffe van boete en gevangenneming tegen het belachelijke te beschermen. Het verbaast mij meer, dat een God een boek kon schrijven dat in staat is den lachlust zijner kinderen op te wekken.

Volgens mij deed men inderdaad beter wanneer men beweerde dat God nooit een ander werk in staat was te leveren, dat niet de alge-meene bewondering opwekte. Welzeker, onze staatkundigen kunnen iefcr werk verrichten dan de letterkundige reputatie van een Joodsche God te beschermen en op te houden.

Man en Vrouw.

Wij zullen in dit hoofdstuk nu eens vergeten, dat wij Baptisten, Methodisten, Katholieken, Joden, Presbyterianen of Vrijdenkers zijn, en ons alleen maar doen begrijpen dat wij mannen en vrouwen zijn. Buitendien is „Man en Vrouwquot; do hoogst mogelijke titel. Die andere namen maken ons kleiner, want zij toonen aan, dat wij in zeker opzicht onze eigenaardigheid hebben opgegeven en toegestaan het kenmerk van een gezag te dragen, en dat wij met andere woorden volgelingen zijn geworden. Wij hebben die namen opgegeveq om deze vraagstukken niet

ocr page 24

20

als partijgangera, maar als menschi'lijke wezens, vervuld met dezelfde vrees en hoop, te onderzoeken.

Wij weten, dat onze meeningen hoofdzakelijk afhangen: van onze omgeving, van het ras, waartoe wij behooren, van de landstreek en van onze opvoeding. Wij zijn het resultaat, het produkt van tallooze voorwaarden ; wij erven bij do geboorte deugden en ondeugden, waarheden en vooroordeelen. Waren wij in Engeland geboren, met weelde omgeven, met macht bekleed, wij zouden bijna allen Episcopalen zijn en aan Kerk en Staat gelooven. Dan drongen wij er op aan, dat de godsdienst voor het volk een noodzaak, eene behoefte zou worden ; en wanneer dit volk niet verstandig genoeg was voor zichzelf een godsdienst te kiezen, het onze plicht zou zijn er eeue voor hen te maken en zouden wij hen dwingen, die aan te nemen. In die omgeving zouden wij het onbehoorlijk vinden zonder een toga op den kansel te verschijnen, en wij zouden onze gebeden uit een boek voorlezen. — Behoorden wij echter tot de lagere klasse, wij waren zeker dissenters geworden en zouden evenals zij tegen de vermomming der Hooge Kerk protesteeren. Waren wij nu, om nog ieta te noemen, in Turkije geboren, wij waren immers hoogstwaarschijnlijk Mahomedanen; wij zouden als zoodanig gelooven aan de inspiratie van de Koran; wij zouden gelooven dat Mahomed den Hemel bezocht en zouden ook bekend zijn met den engel Gabriel, die zoo groot is en wiens eene oog zoover van hot andere verwijderd is, dat een flinke kameel drie honderd dagen noodig heeft om die afstand afteleggen. Had iemand deze geschiedenis ontkend, wij zouden hem voor een gevaarlijk persoon hebben gehouden, voor iemand, die de grondvesten der maatsehappij trachtte te ondermijnen ea die van plan was het verschil van deugd cn ondeugd te vernietigen. Wat zoudt gij, zoo stel ik mij het voor, gezegd hebben, wat zoudt gij ons voordien engtl in ruil geven. Wij kunnen een engel van dergelijke afmeting toch mot voor niemendal afstaan. En wij zouden hem er op gewezen hebben, dat de beste, de wijste lieden toch aan den Koran geloofd hadden. Wij zouden dc werken cn de brieven van wijsgeeren, veldheeren en sultans aanhalen om te bewijzen, dat de Koran het beste boek waa en dat Turkije aan dat boek alleen zijne grootheid en voorspoed te danken had. Wij zouden hem vragen of hij dan meer wist, dan dc grootate geesten van zijn land en of hij dan wijzer wilde zijn dan zijne voorvaderen. Wij zouden hem opmerkzaam maken, dat duizenden in de ure dea doods door bladzijden uit de Koran getrooat werden en gestorven waren met schitterende oogen, starende naar de visioenen van do hemelsche harem, en verheugd waren geweest deze

ocr page 25

21

wereld van tranen en smart te verlaten. Wij zouden de christenen iils de laagste soort van menschen beschouwd hebben en zouden telkens herhalen: Er is maar één God en Mahomed is zijn profeet.

Waren wij daarentegen in Tndie geboren, wij zouden het geloof van dat land hebben aangenomen. Wij zouden dan die oude verhalen voor even waar en heilig houden en zouden een bedelmonnik voor veel beter aanzien, dan de lieden van wie hij bedflde en door wieu hij bestoud. Wij geloofden dan aan één God met drie hoofden in plaats van aan drie Goden met één hoofd, zooals thans.

Iemand beweert wel eens, dat het geloof van zijn vader en moeder goed tjenoeg voor hem is en hij verwondert zich, dat men een beter geloof zou verlangen. Toch zijn wij evenmin verplicht onze ouders in het geloof als in de politiek, wetenschap of kunst na te volgen. China is als het ware versteend enkel uit eerbied voor zijne voorouders. Waren onze vooroudera tevreden met het geloof der hunuen gebleven, dan zouden wij nog minder zijn vooruitgegaan dan nu. Waren wij op de eene of andere wijze tot het geloof onzer voorvaderen verplicht, dan zou het geloof ook telkens terug moeten gaan tot het eerste volk dat een geloof bezat en is dat waar, dan behoorden wij nog de geloovigen van dat eerste geloof te zijn. WTij waren en bleven: barbaren. Toch toont men geene werkelijke eerbied aan zijne ouders wanneer men hunne dwalingen voort zon zetten. Goede vaders en moeders wenschen, dat hunne kinderen vooruitgaan; zij wenschen, dat zij de hinderpalen, waarover zij vroeger struikelden zullen overwinnen en de fouten hunner opvoeding zullen verbeteren. Wilt gij uwe ouders waardig worden, voer dan meer uit dan zij ; lost gij de problemen op die zij niet begrepen en bouw beter op dan zij het konden. Uwe mannelijkheid op het graf van vader en moeder op te oft'eren is een eerbetoon zonder de minste waarde. Waarom moet een zoon, die een onderwerp onderzoekt, zijn verstand misbruiken en de zienswijze zijner moeder aankleven. Is zulk een besluit voor beiden niet oneerbiedig?

Wij moeten er op wijzen, dat dit voorouders-argument ten minste zoo oud is als de tweede generatie en dat het nergens voor diende dan om den mensch tot slaaf te maken en het ontstond meestal om die reden, dat instemming, goed beschouwd, ook veel gemakkelijker is, dan onderzoek. Maakten wij van dit argument een logisch besluit, dan zou zulks de vooruitgang van iedereen beletten, behalve van hen wier ouders vrijdenkers zijn.

Het is voor vele menschen moeielijk van hun geloof, waarin zij werden opgevoed, afstand te doen en de bekentenis afteleggen, dat hunne

ocr page 26

Voorouders zich hadden vergist en dat de berichten van hun land, tot dusverre voor heilig gehouden, slechts mythen en fabelen waren.

Zien wij maar een oogenblik in de wereld rond, dan vinden wij bij alle volkeren de heilige verhalen, godsdiensten en denkbeelden van eerediensl terug. Al die verschillende denkbeelden kunnen toch niet tegelijkertijd waar zijn en daar men wel een menschenleeftijd zou moeten besteden om alle eigenschappen van deze verschillende systemen te onderzoeken, is het toch inderdaad onredelijk om iemand voor eeuwig te verdoemen, alleen omdat hij door toeval een verkeerd geloof er op nahield. Bijna alle godsdiensten zijn produkten in den beginne afkomstig van barbaren. De beschaafde volkeren stelden zich tevreden met het geloof hunner barbaarsche voorouders te wijzigen, maar hebben nooit een nieuw geloof gemaakt. Die gelooven hebben dan altijd het kenmerk van zeer zelfzuchtig te zijn. Een geloof werd gewoonlijk door een kleine volksstam gemaakt, die zichzelf van het hoogste belang beschouwde en op andere volken als beneden de belangstelling van hunnen God neerzag. In alle landen was het dus eon misdaad: de „heilige verhalenquot; te loochenen, de priesters te bespotten, oneerbiedig van de Goden te spreken en in gebreke te blijven de goederen te deelen met de nietsdoende huichelaars, die uwe zaken hiernamaals regelden op voorwaarde, dat gij hen in deze wereld zoudt onderhouden. In de alleroudste tijden bestond deze godgeleerde klasse, die als het ware als parasieten van de eerlijken en nijveren leefden, uit: waarzeggers, zieners, tooveuaars, goochelaars, profeten, sterrewichclaars en planeetlezers, thans zijn zij als geestelijken bekend.

yVij, — wij maken op dezen algemeenen regel geene uitzondering en hebben dus ook onze „heilige boekenquot; even zoo goed als die andere volkeren. Wij beweren dan ook, dat onze boeken de eenig ware zijn, de eenige die God werkelijk schreef of waarmede Hij iets te maken had. Wij houden staande, dat alle andere „heilige boekenquot; door bedriegers of huichelaars geschreven werden. Wij beweren, dat do Joden het eeuigste volk was, waarmede Gol persoonlijk sprak en dat alle andere profeten en zieners alleen door bedrog en leugens geïnspireerd werden. Werkelijk is het vreemd, dat God een barbaarsch, klein en onbekend volk, dat met andere volkeren weinig of niets te maken had, tot zijne boodschappers voor het geheele menschdom uitkoos.

Het is moeielijk eene almachtige Godheid te verwijten, dat Hij een volk op zulk een lage trap van ontwikkeling plaatste, dat het eene openbaring behoefde. Evenmin kunnen wij begrijpen, waarom eene openbaring, iudien zij voor iedereen noodzakelijk ware, aluchta maar aan

ocr page 27

23

weinigen ten deel viel. Ik weet natuurlijk, dat het heel slecht van mij is, zulke gedachten neer te schrijven en dat onwetendheid altijd het beste wapen is, waarmede men zich tegen den toorn van God kan beschermen. Ik weet ook, dat navorschers in weerwil van hun genie nooit den weg naar den hemel zullen vinden; dat degenen, die goed naar den weg uitzien dien zeker zullen missen, doch dat alleen zij die zich vrijwillig blinddoeken of zich eenvoudig door blindheid laten leiden, bepaald het smalle pad zullen houden.

Wie, onze heilige boeken leest, moet ze gelooven of de kwellingen der verlorenen ondergaan. Men zegt ons, dat wij het voorrecht hebben dit voor ons zelf te onderzoeken, maar dit voorrecht gaat slechts gepaard met de voorwaarde dat wij moeten gelooven of het ons redelijk voorkomt of niet. Wij mogen met anderen over de bedoeling van alles wat in den Bijbel staat, van meening verschillen, maar wij mogen de waarheid van geen enkel woord in twijfel trekken. Wij moeten gelooven, dat dit Boek „geïnspireerdquot; is. Gehoorzamen, wij aan dit voorschrift, zonder aan de inspiratie te gelooven, dan worden wij even zeker verdoemd als wanneer wij aan zijne woorden ongehoorzaam waren. Wij hebben geen recht het op den weegschaal van het verstand te wegen of het aan de wetten der natuur of aan de feiten der ondervinding en ervaring te toetsen. Doen wij dit toch, dan stellen wij ons, naar men ons zegt, boven het Woord van God en kritiseeren bijgevolg het werk van onzen Schepper.

Wat mij betreft, kan ik niet toegeven, dat het gelooven een vrijwillige zaak is. Het komt mij voor, dat het bewijs in weerwil van ons zelf niet van gewicht ontbloot is en dat wij, hoe wij zulks ook mogen wen-schen, behoorlijk op den weegschaal moeten letten en toezien, wat het juiste resultaat is. Te zeggen, wij verwerpen den bijbel omdat wij boos en slecht zijn, gaat niet op. Onze boosheid moet niet door ons geloof maar door onze daden worden vastgesteld.

De geestelijkheid vertelt mij, dat ik den Bijbel niet moest aanvallen; dat ik daardoor duizenden ten verderve voorde en zeker daardoor de verdoemenis van mijne ziel zou bevorderen. Men is vriendelijk genoeg mij te waarschuwen dat, wanneer ik van plan was bekeerlingen te maken, ik op den verkeerden weg was. Ik moest zachtere uitdrukkingen en slimmere woorden kiezen, neggen zij. Wenschen zij inderdaad, dat ik bekeerlingen zal maken?-—dan zijn zij, wanneer hun raad oprecht is, verraders van hun geloof. Is hun raad niet oprecht, dan zijn zij niet erg beleefd jegens mij. Want het is zeker, dat zij wenschen, dat ik dien weg zal volgen, dis de minste bekeerlingen maakt, en toch

ocr page 28

24

Keggen zij mij, hoe mijn invloed vermeerderd zou kunnen worden. Het zal wel zijn als met een zekeren John Eright, die aan Amerika den raad geeft vrijhandel in te voeren, opdat dit land een gelukkig mededinger van Engeland zou kunnen worden. Ik geloof, dat predikanten somtijds niet altijd even oprecht zijn.

Ik ben in weerwil van den raad, die de geestelijken mij gaven, besloten mijn eigen weg te gaan, eerlijk en oprecht mijne denkbeelden te verkondigen en mijne vrijheid op deze wereld te behouden, wat dan ook mijn lot hiernamaals moge zijn.

De wezentlijke onderdrukker en bederver van het volk is de Bijbel. Dat boek is de keten, die de geeslelijkheid bindt, de kerker, die ze gevangen houdt. Dat boek spreidt een doodskleed over onze gymnasiums en scholen uit. Dat boek steekt de wetenschap de oogen uit en maakt van een eerlijk onderzoek een misdaad. Dat boek vervult de wereld met dweepzucht, schijnheiligheid en vrees. Het speelt in ons land dezelfde rol als het heeft gespeeld door zijne „heilige verhalenquot; bij alle volkeren der aarde.

Eenige tijd geleden was ik in de gelegenheid een Bijbel te zien der middeleeuwen. Het boek was twee voet lang en anderhalf voet breed. Het was voorzien van kolossale eikenhouten banden, met beugels, klampen en scharnieren, groot genoeg voor de deuren van een biechtstoel. Het was versierd met schilderingen van gevleugelde engeltjes en heiligen met aureolen. In mijne verbeelding zag ik dit boek met plechtige statie naar het altaar dragen, ik hoorde het zingen van getabbaarde en knielende priesters, ik voelde het dreunen van het orgel, ik zag het licht door de gekleurde vensters stroomen, don koorknaap het wierookvat zwaaien en den wierook naar omhoog stijgen in het dakgewelf, duizelig van hoogte doch rijk met legenden in steen gebeiteld, versierd, terwijl op de muren met helder licht en schaduw, in alle kleuren, die van vreugde en smart getuigden de geschiedenis van Jezus als martelaar geschilderd was. Het volk viel op de knieën. Het boek werd geopend en de priester las de boodschap van God aau de menschen voor. De menigte, dat was duidelijk te zien, vond het boek geen werk van men-schenhanden. Hoe konden deze kleine teekens, regels en punten, evenals graftomben, de gedachten van menschen bevatten en hoe zouden zij dan ook van een zuiver menschelijk gezichtspunt bezien, van hunne dooden afstand kunnen doen. Hoe zouden doze letters anders den grooten afgrond kunnen overspannen, die het verledene van het tegenwoordige verdeelt, dan om de levenden nu nog in staat te stellen de Btemmen der dooden te doen verstaan.

ocr page 29

25

De Pentateuch.

De vijf eerste boeken in onzen Bijbel zijn bekend als .1 Pentateuch. Sedert langen tijd meende men, dat Mozea de schrijver da.irvan was en onder de onwetenden heeft deze veronderstelling nog altijd de overhand. Toch schijnt liet zoo goed als bewezen te zijn, dat Mozes mot het schrijven van die boeken niets heeft uit te staan en zij geschreven werden, toen Mozes reeds lang tot stof en asch was vergaan, nl. honderd jaren na zijn dood. Maar, daar de verschillende kerken nog altijd volhouden, dat hij de schrijver was, en zelf het bericht van zijn eigen dood eu begrafenis schreef, kunnen wij niet anders van hem spreken, alsof die boeken werkelijk door hem geschreven werden, en aangezien de Christenen staande houden, dat God toch do eigentlijke maker daarvan was, doet het ook eigentlijk weinig ter zake, wie God als pen of klerk daarbij gebruikte.

Bijna alle schrijvers van heilige boeken geven een verhaal van het ontstaan of van de schepping van het heelal, de oorsprong van de stof en do bestemming van het menschengeslacht. Bijna alle schrijvers hebben met nadruk er op gewezen, hoeveel de mensch aan zijn Schepper verplicht was, omdat Hij den mensch hier op de aarde plaatsfee en hem vergunde te leven en te lijden. Zij leeren dan ook, dat wij door in niets te kort te komen aan de diepste eerbied jegens God, wij Hem misschien eenigszins de moeite en arbeid kunnen vergoeden, die Hij zich voor het welzijn van ons, don mensch, getroost heeft. Zij dringen er dan ook op aan, dat wij God voor liet goede hetwelk wij hier in het leven genieten dankbaar behooron te zijn, doch zij berichten ons niet, wien wij aansprakelijk moeten stellen, voor de vele kwalen, die wij somtijds te verduren hebben. Mozes verschilt echter met de moeste schrijvers van heilige boeken hierin, dat hij ons niets omtrent het loven hiernamaals, nids omtrent de belofte van een hemel of do bedreiging van een hol hoeft nagelaten. Van het leven hiernamaals wordt in de Pentateuch niet geen enkel woord gesproken. Waarschijnlijk was het toen daarvoor nog te vroeg en vond God hot nog niet de moeite waard zich over do eeuwige bestemming van den mensch te openbaron. Hij schijnt te hebben gemeena, dat Hij de Joden door beloonon en straffen, hier op de aarde wol in bedwang kon houden on hield daaiom de werkelijkheden van eeuwige vreugde of eeuwige verdoemenis, voor zijn uitverkoren volk diep geheim. Hij vond het veel belangrijker de Joden

2

ocr page 30

26

van hunne afkomst te vertellen dan hon hunne toekomstige bestemming duidelijk to maken.

Wij moeten er op wijzen, dat iedere stam, en elk volk op zijne manier de meor dan buitengewone natuurverschijnselen oververtelde. Die verhalen gingen vervolgens door overlevering van man tot kind verder, en werden door do tallooze vertellers veranderd of gewijzigd al naar gelang het verstand zicli ontwikkelde of rekening hield met pas ontdekte feiten, of strekken moest de zucht naar het wonderbare te bevredigen.

Do wijze waarop een stam of natie zich rekenschap geeft van dag en nacht, van de verandering der jaargetijden, van het vallen van sneeuw en regen, van het trekken der vogels, van het ontstaan van een regenboog, van de bizonderheden der dieren, van de droomen in den slaap, van de visioenen der krankzinnigen, van het ontstaan van aardbevingen, vulkanen, stormen, onweders en duizende andere dingen, die do algcmeene aandacht trokken, het wonderbaarlijke, dat bewondering of vrees bij do menschcn deed ontstaan, zou men de philosolie van die stam of dat volk kunnen noemen. En daar al die natuurverschijnselen bij deze wilde en barbaarsche rassen aan het werk van verstandige wezens werden toegeschreven tot het bereiken van zekere bedoelingen, en deze wezens de macht bezaten zoo men meende, om den mensch bij te staan of tegen te werken, moest men iets doen om hulp te verkrijgen of don toorn Gods te ontvlieden. Door dit geloof ontstonden er bepaalde ceremoniën, en deze ceremoniën met het geloof vercenigd, vormden eene godsdienst. Zoo berust op deze wijze het ontstaan van elke godsdienst op eene dwaling omtrent do oorzaak of de bedoeling van een natuurverschijnsel. Do godsdienst beeft noodzakelijk het geloof ten grondslag, dat er een Wezen bestaat, die als Hij wil, bij machte is, de natuurlijke loop der dingen te veranderen. De wilde bidt tot een steen, die hij een God noemt en de Christen bidt tot een God, die hij een geest noemt, dooli de gebeden van beiden hebben dezelfde beteekenia, bedoeling, en uitwerking. De wilde evenals de Christen plaatst boven het Heelal een Verstandelijk ieta en dit iets, of liet nu door een of door meer goden vertegenwoordigd wordt maakt niet uit, was gedurende verscheidene eeuwen het voorwerp der aanbidding. Een steenen God bij zich te hebben, gebeden op te zeggen, den rozenkrans bidden, te vasten, een lam, een kind of een vijand te offeren zijn allen eenvoudig do verschillende manieren waarop de mensch zijn hulde en eerbied trachtte te betoonon en die allen uit dezelfde dwaling ontsproten. Er moeten reeds eeuwen lang vele soorten van godsdienst bestaan hebben, voor

ocr page 31

dat de kunst om te sclirijven was uitgevonden en ze quot;moeien reeds vele wijzigingen ondergaan hebben, voor dat de geschiedenissen, wonderverhalen, profetiën en dwalingen in geschreven woorden werden vereeuwigd of op steen aan de vergetelheid worden ontrukt. Daarna kon de wijziging slechts geschieden door nieuwe uitlegging aan oude woorden te geven. Dit was telkens noodzakelijk wegens de voortdurende vermeerdering van feiten, waarmede de al te letterlijke uitlegging en verklaring der heilige verhalen zich niet meer vereenigde. Op deze wijze zet een eerlijk geloof zijn bestaan door oneerlijkheid voort en op dezelfde wijze trachten do Christenen nog heden ten dage het Mozaïsche Scheppingsverhaal met de theoriën en ontdekkingen der moderne wetenschap in overeenstemming te brengen.

Wij willen toegeven, dat Mozes de schrijver van de Pentateuch was of dat hij aan de Joden eene godsdienst gaf, maar de vraag komt evenwel bij ons op, vanwaar hij zijn onderricht verkreeg. Do theologen zeggen, dat hij zijne kennis onmiddelijk van God ontving cn dat elk woord, dat hij schreef, absolute waarheid bevat. liet is tevens bekend, dut hij een aangenomen zoon was van de dochter van Farao en de rang cn het voorrecht van een prins genoot. Onder zulke omstandigheden zal hij wel goed met de literatuur, de wijsbegeerte en de godsdienst der Egyptenaren op de hoogte geweest zijn en zal hij dus wel geweten hebben, wat zij geloofden en wat zij omtrent de schepping van de aarde onderwezen.

Is het verhaal van de schepping zooals Mozes die verhaalt b.v. volkomen gelijk aan het verhaal, wat do Egyptenaren er van verhaalden, dan zouden wij ook wol hot besluit kunnen nemen, dat hij het geheele verhaal van hen overnam. Moeten en kunnen wij nu aannemen, dat hij door God geïnspireerd werd, omdat hij aan de Joden oververtelde, wat hij van da Egyptenaren geleerd had?

De Egyptische priester verkondigt:

I. dat een God de oorspronkelijke stof schiep en deze in een chaos liet leggen;

If. maakte God van deze chaos eene vorm;

III. zweefde de adem Gods over de oppervlakte der diepte;

IV. schiep God eenvoudig door te zeggen „Er zijquot; ;

V. schiep God liet licbt, voordat de zon gemaakt was.

Niets is duidelijker, dan dat Mozes de hoofdpunten van zijn verhaal aan do Egyptenaren ontleende en slechts die wijzigingen en bijvoegingen maakte, die hij noodig oordeelde om aan het bizonder bijgeloof van zijn volk tegemoet te komen.

ocr page 32

28

Indien thans iemand beweerde, dat hij dc kennis van de theoriën der evolutie-leer, het overblijven van den geschiktsten en de wet der overerving direct van God had ontvangen en wij vernamen later, dat hij niet alleen een Engelschman van geboorte was maar ook vaak aan huis bij Charles Darwin kwam, wij zouden de oorsprong zijner kennis toch aan meer, natuurlijke redenen toeschrijven. Mocht Darwin soms beweren, dat hij geïnspireerd werd en do kennis van zijne bizondere theoriën van God had verkregen, wij zouden hem hoogstwaarschijnlijk antwoorden dat reeds zijn grootvader dezelfde denkbeelden verkondigde en Lamarck in hoofdzaak dezelfde theoriën uitgaf in het jaar toen Darwin geboren werd.

Als wij nu maar durfden, zouden wij op dezelfde wijze voortrede-ncerende, de geschiedenis der Schepping, znoals die in den Bijbel gevonden wordt, kunnen nagaan. vVij zouden kunnen zeggen, dat ze het geloof van Mozes bevat en hij zijn kennis van de Egyptenaren ontving — dus niet van God.

Houden wij de verhalen in den Bijbel als absoluut waar gebeurd en bezigen wij ze teneinde de waarde van de moderne gedachte vastte-stellen, dan wordt de wetenschappelijke vooruitgang eene onmogelijkheid. En al mocht de Schepping mogelijkerwijze nog eens blijken te zijn gebeurd zooals Mozes het vertelt en als zoodanig door alle wetenschapbeoefenaars worden aangenomen, dan zou men voor do inspiratie van Mozes nog niet het minste bewijs hebben. Wij zouden in dat geval moeten toegeven, dat Mozes meer wist, dan wij hadden verondersteld, maar dat is nog volstrekt geen bewijs dat hij geïnspireerd word. Niemand zal van Shakespeare beweren, dat hij geïnspireerd werd, niettegenstaande alle schrijvers van hot oude Testament bij elkaar genomen niet bij hem opwegen.

Waarom moeten wij, wanneer wij een ruw lomp voorwerp, een God van steen voorstellende, zien, toegeven, dat de beeldhouwer geïnspireerd werd en tegelijkertijd een Venus de Milo als het werk van een menseh beschouwen. Waarom moeten wij, wanneer wij de kladsckildering van een engel, heilige of maagd zien, erkennen dat de schilder door God werd bijgestaan.

Laten wij ons, voor alles, wat wij zien, behoorlijk rekenschap geven van de feiten, die wij kennen. Kunnen wij enkele zaken niet bcoor-deelen, laten wij dar. wachten tot er meer licht is ontstoken. Schrijven wij eene bovennatuurlijke werking daaraan toe, dan staat dit gelijk met de bekentenis, dat wij het niet weten. De theologie is eigentlijk niet de kennis van God, maar de keunis van de Natuur. Om den eer-

ocr page 33

29

bied voor den Rijbol te verhoogen, waren de priesters genoodzaakt dat Boek te verholFen eu le prijzen en terzelfdertijd de verstandelijke kracht van den menscli te minachten en te verkleinen. Gedurende honderde jaren werd de gansche macht der kerk aangewend om het zelfvertrouwen van den menscli te vernietigen — de macht van zijn denkvermogen te wantrouwen — hem te doen aannemen, dat hij onmogelijk in staat was uit eigen beweging eene beslissing te nemen en dat de deugd van den mensch alleen bestond in het gelooven en het gehoorzamen. De kerk zeide: Gelooft en gehoorzaamt! Gebruikt gij het verstand, dan wordt gij een ongeloovige en do ongeloovigen zijn reddeloos verloren. Gehoorzaamt gij niet, en gij zoudt zulks kunnen doen uit nieuwsgierigheid en hoogmoed, dan gaat het met u evenals met Adam en Eva, tn gij zult voor eeuwig uit het Patadijs worden verjaagd.

Wat mij betreft, neem ik weinig notitie van hetgeen de Kerk zegt, behalve in zooverre ah het met mijn verstand overeenkomt en van don Bijbel, in zooverre de inhoud overeenkomt met hetgeen ik denk of weet.

Alle boeken bohooren op dezelfde wijze te worden onderzocht; de waarheid moet altijd welkom zijn en de leugen voortdurend aan het licht gebracht worden, onverschillig in welk boekdoel zij moge worden aangetroffen. Laten wij dus de Pentateuch in dien geest onderzoeken en mocht daarin iets onredelijks, tegenstrijdigs en onzinnigs voorkomen, laten wij zulks eerlijk en moedig bekennen. Zonden wij ons zeiven of anderen willen bedriegen, wij zouden hierdoor gecne zuivere resultaten verkrijgen. Millioenen hebben dit boek onvoorwaardelijk geloofd en geloofden daarom even onvoorwaardelijk, dat do veelwijverij door God geheiligd was. Millioenen zagen dit boek aan voor den grondslag van de monschelijke vooruitgang en beschouwden bijgevolg de slavernij als eene goddelijke instelling. Millioenen verklaarden dit boek voor heilig en om te bewijzen, dat zij gelijk hadden, namen zij hunne medemen-schen gevangen, plunderden zij ze uit en verbrandden hen. De inspiratie van dat boek moest door honger, vuur en zwaard, door kerkers, boeien en gocsels, door dolk en pijnbank, door geweld, vrees en bodrog worden vastgesteld, en do monschon moesten bang worden gemaakt met do bedreiging van een hel of worden omgekocht met dc belofte op een hemel.

Wij zullen dus een gedeelte van dit boek nagaan niet in duisternis van onze angstvalligheid, maar in de helderheid van ons vorstand, en zullen daarom beginnen met het verhaal van de Schepping, die overeenkomstig den Bijbel op Maandagmorgen omstreeks vijf-duizend-acht-honderd-vijf-en-negentig jaar geleden aanving.

ocr page 34

30

Maandag.

Mozes begint zijn verhaal met te zeggen, dat Güd in den beginne Hemel en Aarde schiep.

Als dat eene beteekenis heeft, dan beteekent het dat God deed ontstaan, dat God in het aanzijn riep : Hemel en Aarde. Het zal toch niet beteekenen, dat Hij Hemel en Aarde vormde van eene vooraf bestaande stof. Mozes geeft te kennen en deelt als zijn denkbeeld mede, dat de stof, waaruit Hemel en Aarde bestaat, geschapen werd.

Het is voor mij onmogelijk te begrijpen, hoe iets uit niets geschapen kan worden. Niets beschouwd uit het oogpunt van ruwe bouwstof is en blijft een onzinnigheid. Evenmin kan ik mij de stof van de kracht gescheiden voorstellen. Even onmogelijk is het voor mij aan kracht zonder stof te denken. Men kan zich geen stof voorstellen, die. tot het absolute niets teruggaat. Evenmin kan men zich niets in iets veranderd voorstellen. Gij moogt eeuwig verdoemd worden, als gij niet zegt, dat gij deze dingen begrijpen kunt, maar ze begrijpen, kunt gij niet. Het vermogen van het menschclijk verstand is zoo, dat het aan geen begin of einde van stof en kracht kan denken. Want, toen God het Heelal schiep, was er toch een tijd dat Hij met schoppen aanving. Voor dat begin moet er dus eene eeuwigheid geweest zijn. Wat heeft God in die Eeuwigheid uitgevoerd. Donken ? onmogelijk! Er was niets om over te denken. Herinneren? Er waa niets gebeurd. Wat deed God dan? Kan men zich iets ongerijmders voorstellen dan dat een volmaakt verstand, in een onbepaald niets-doen, eene eeuwigheid zoek brengt?

Hoe al deze dingen dan werkelijk plaats vonden behoef ik niet. te vertellen; ik wijs slechts op oen toestand, die onmogelijk door een verstandig wezen kan worden begrepen en hetgeen ons als onmogelijk voorkomt, en in strijd is met alle ervaring en mot alles wat wij werkelijk weten, moet door ieder oprecht wezen worden verworpen. Wij kunnen eene eeuwigheid begrijpen, alleen, omdat wij ons het ophouden van tijd niet kunnen voorstellen. Wij kunnen eene onmetelijke ruimte begrijpen, alleen omdat wij ons van zooveel stof, als onze verbeeldingskracht van hier tot de verste sterren zich die ruimte denkt, geen voorstelling kunnen maken, zonder daarbij aan eene onmetelijke ruimte te denken of met andere woorden een ophouden van tijd kunnen wij ons eigentlijk niet voorstellen ; en daarom wordt eeuwigheid geen begrip maar eene noodzakelijkheid voor het verstand. Do eeuwigheid on-

ocr page 35

31

derhoudt dezelfde betrekking tot de tijd als de ruimte zulks doet tot do stof. Eene onmetelijke stof moot noodzakelijk gepaard gaan met eene onmetelijke ruimte.

In de tijden van Mozes, kon hij veilig een verhaal van de schepping der wereld schrijven. Hij behoefde de ruwe begrippen van zijn volk maar eene vorm te geven. In dien tijd zou geen andere Jood een beter verhaal geschreven kunnen hebben. Hij kon bij dit onderwerp zijne verbeeldingskracht vrij spel laten. Niemand kon hem, wat hij ook mocht schrijven, met bevoegdheid tegenspreken. Het ging precies zooals met de verhalen, die in vreemde karakters in de leem-archieven van Babyion, op de reusachtige monumenten van Egypte en de sombere tempels van Indië zijn ingesneden. Er was in die dagen een hemelsbreed verschil tusschen de welopgevoede en de onwetende. Do onwetenden werden bijna altijd door teekens en wonderen in bedwang gehouden. Met den hefboom „vreesquot; bestuurden de priesters de wereld. De heilige verhalen werden door hen gemaakt, voor waar gehouden en veranderd. Het volk kon niet lezen en zag dengeen die het wel kon, bijna voor een Godheid aan. Wij zouden ons heden van den invloed van eene geleerde klasse in eene barbaarsche eeuw moeilijk eene voorstelling kunnen maken. Men behoefde de „heilige verhalenquot; slechts voort te brengen, en de onwetendheid knielde er voor neder. Het volk werd onderwezen, dat hot verhaal geïnspireerd en daarom waar was. Niet omgekeerd, dat het waar was en daarom geïnspireerd.

Bovendien is de voornaamste vraag niet of do Bijbel geïnspireerd, maar of ze waar is. Is ze waar, dan is do inspiratie overbodig. Is ze waar dan is het zelfs onverschillig of een mensch dan wel een God ze schreef. De tafels van vermenigvuldiging zijn even nuttig alsof God zelf de getallen zoo gerangschikt had. Is de Bijbel waarachtig waar, dau is do reclame dor inspiratie overbodig en is ze niet waar, dan kan de inspiratie om die reden toch moeilijk worden vastgehouden. Hot is zoo goed als zeker, dat de waarheid geen behoefte heeft om geïnspireerd te zijn. Leugens eu dwalingen zijn het, die inspiratie behoeven. Waaide waarheid ophoudt, waar de waarschijnlijkheid eindigt, daar is het begin der inspiratie. Een feit gaat nooit samen met een wonder. T)e waarheid heeft de hulp van een wonder ook niet noodig. Een feit voegt zich aan elk ander feit, omdat het eene feit door hot andere wordt voortgebracht. Een leugen past bij niets of men moet een andere leugen er expres pasklaar voor maken. Is men het liegen na een poos moede of, kan de laatste leugen zich niet goed aan een volgend feit aansluiten dau ontstaat de gelegenheid om van een wonder gebruik te maken en

ocr page 36

32

jnist op dat punt wordt een weinig inspiratie eene noodzakelijkheid.

Het komt mij voor, dat het verstand de bosto gave van den mensch is en kan er eene mededeeling van God aan den mensch gedaan worden, de/.e toch aan zijn verstand moet worden gericht, het komt mij daarom onbegrijpelijk voor, dat men om een boodschap van God te verstaan, zijn verstand ongebruikt moet laten. Hoe zou God aan een wezen van verstand ontbloot zijn wil bekend kunnen maken. Hoe kan iemand als eene openbaring van God aannemen wat voor hem zelf onbegrijpelijk ia. God kan eene openbaring voor mij bestemd ook niet aan anderen doen. Hij moet die doen aan mijn persoon zelf en alvorens mijn verstand mij niet de overtuiging schenkt dat zo icnar is, kan ik ze niet in ontvangst nemen.

Do stelling, dat God in den beginne hemel en aarde schiep, moet ik betwijfelen. Ze is in tweestrijd met mijn verstand en ik kan ze dus niet aannemen. Het schijnt mij begrijpelijker toe dat de kracht van aller eeuwigheid af bestond en nooit van de stof was gescheiden. De kracht is volgens hare natuur altijd in werking en daar zij zonder stof geen werking kan voortbrengen, kom ik tot de conclusie dat de stof ook eeuwig beeft moeten bestaan. Om mij voorstellingen te maken van een stof zonder kracht, van eene kracht zonder stof, van een tijd, toen niets bestond of van een wezen, dat eene eeuwigheid zonder iets bestond en welk wezen uit niets beiden schiep is mij ten eenemale onmogelijk. Nu moge ik hierom verdoemd worden, ik kan het niet helpen. Volgens mijn oordeel was dit eene, dwaling van Mozes.

Het zou nog kunnen zijn dat Mozes bij zijne mededeeling bedoelde dat God, scheppende Hemel en Aarde, zulks deed uit een stof, die reeds aanwezig was. Toch merkt hij duidelijk aan, dat God ze in den beginne schiep. Is het bericht echt, dan moeten wij aannemen, dat God in de onmetelijke ruimte omgeven door een eeuwig niets bestaande, dit heelal van tallooze sterren schiep, voortbracht, of in aanzijn riep.

Hot volgende dat ona door deze geinspireerde persoon wordt verhaald is, dat God het licht schiep en het voortbracht door hot van do duisternis aftescheiden.

De persoon, die dit schreef, meende zeker dat de duiaternia een ding, een wezen, een stof waa, die met licht vermengd en geabsorbeerd kon worden en dat men die twee vermengde wezens, licht en duisternis slechts van elkander behoefde af to scheiden. In zijne verbeelding zag hij God waarschijnlijk stukken en brokken duisternis aan de eene en stralen en golven licht aan de andere zijde nederwerpen. Het is voor iemand, die maar eens geboren wordt, moeilijk zulke dingen te begrij-

ocr page 37

33

pon. Ik voor mij, vat het niet, hoe het licht van de duisternis gescheiden wordt. Ik meende altijd dat de duisternis eenvoudig de afwezigheid van het licht was en dat onder geen enkele omstandigheid de duisternis van het licht behoefde weg te worden genomen. Mozes, dat is zeker, geloofde dat de duisternis eene stoffelijke vorm bezat, want ik vind op een andere plaats, dat hij spreekt van eene duisternis, die men tasten kon. Zoo placht men te Rome eene fleach duisternis ten toon te stellen, die Egypte eens verduisterde.

Men kan het licht evenmin van de duisternis scheiden als de warmte van de koude. Koude is slechts het begrip van afwezigheid van warmte, zooals duisternis een begripsvorm voor de afwezigheid van het licht is. Ik vermoed zelfs, dat wij ons van absolute koude geene voorstelling kunnen maken. Wat wij weten zijn altijd nog warmtegraden. Twintig graden onder nul is precies 20 graden warmer dan 40 graden onder nul. Koude en duisternis zijn geen wezens; de woorden drukken eenvoudig het begrip van absolute of gedeeltelijke afwezigheid van warmte en licht uit. Kan ik dus niet begrijpen hoe het licht van de duisternis word gescheiden, ik begrijp daarentegen wel, hoe een barbaar, die verscheidene duizend jaren geleden hierover schreef en er niets van afwist, eene fout kon begaan. De schepper van het licht kan dit niet geschreven hebben. Bestaat er zulk een wezen, dan heeft dat wezen de natuur gekend van deze bewegingsvorm, die een wereld schept in ieders oog en die dit Heelal van werelden in een zevenkleurig bekleedsel hult.

Dinsdag.

Mozes vertelt ons vervolgens: God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden dei' wateren; en dat make scheiding tusschen wateren en wateren. En God maakte dat uitspansel en maakte scheiding tusschen de wateren, die onder het uitspansel zijn en tusschen de wateren, die hoven het uitspansel zijn. En het was alzoo.

Wat bedoelde de schrijver met het woord uitspansel? De theologen vertellen ons, dat hij eene uitgestrekte ruimte daarmede bedoelt. Dit is onmogelijk. Eene uitgestrekte ruimte kan geene scheiding maken tusschen wateren en wateren, opdat de wateren, boven die ruimte niet vallen of zich vermengen zouden met de wateren onder deze ruimte. Klaarblijkelijk beschouwde Mozes het uitspansel als eene vaste massa. In die massa

ocr page 38

34

was het, waar Gud woonde en waar de wateren gehouden werden. Dit is dau ook de reden, waarom men om regen pleegt te bidden. Men veronderstelde, dat een engel een luik kon openen met een hefboom en de hoeveelheid voeht, die men verlangde er uit kon laten. Met het water van dit uitspansel word de aarde onder water gezet toon de poorten of de sluizen des lumels geopend werden. In dit uitspansel loefden de zonen van God, die zagen dat de dochters der monschen mooi waren en die zij zich tot vrouwen namen als zij zulks verkozen, Hot resultaat van deze huwelijken was de geboorte van reuzen en die machtige lieden waren het die oud en beroemd werden.

Het is dus duidelijk, dat Mozes het uitspansol als eene uitgestrekte solide massa beschouwde, die do wateren van de wateren scheidde en waarop God door zijne zonen omringd, woonde. Eene andere reden waaraan hij den regen moest toeschrijven, van waar het water anders moest komen, wist hij niet. Van de wetten der verdamping wist hij niets. Hij wist niet, dat de zon met zijne verzengende stralen de golven der zee oplost eu ze in onzichtbare dampen als een minnaar zijne bruid zoekende, naar boven doet stijgen, welke dampen boven aangekomen, door teleurstelling in tranon werden veranderd en in regendroppels op de aarde nedervallen. Het denkbeeld, dat het uitspansel volgens Mozes de woonplaats van God geweest moest zijn, vindon wij uit verschillende verhalen en uitdrukkingen van hem terug. En hij droomde en ziet eene ladder was gesteld op de aarde welker opperste aan den hemel raakte en ziet de engelen Gods klommm daarop neder en ziel de Heer stond op dezelve en zeide: Ik ben de Heer uw God.

Toen kwam de Heer neder, om te bezien de stad en den toren die de kinderen der menschen bouwden. Eu de Heer zeide: ziet zij zijn eenerlei volk en hehhen eenerlei spraak; en dit is het, wat zij beginnen te maken; maar zonde hun niel afgesneden worden, al wat zij bedacht hebben te maken? Komaan, laat ons nedervaren en laat hunne spraak aldaar verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet hoore.

Dit is voldoende om aan te toonen, dat de persoon die dit schroef in de mcening verkeerde, dat God boven de aarde in het uitspansel woonde. Hetzelfde denkbeeld zweeft do Psalmist voor den geest, toen hij zeide: God boog do hemelen en kwam naar beneden.

Dientengevolge kon God dan ook gemakkelijk iemand met lichaam en al naar den Hemel verplaatsen ; de afstand was niet groot. Enoch wandelde met God en werd niet meer gezien omdat God hem medenam. Ook de berichten in don Uijbel van do hemelvaart van Elia, Christus

ocr page 39

35

en Paulus zijn eveneens ontsproten uit de meening, dat liet uitspansel do woonplaats van God is.

Het is bij deze schrijvers nooit opgekomen dat wanneer dit uitspansel zeven of acht mijlen verwijderd was, Enoch en de anderen wel stijf en bevroren zouden zijn geweest, alvorens zij de reis volbracht hadden. Elia heeft misschien eene uitzondering hierop gemaakt, want wij lezen, dat hij door een wervelwind in een vurigen wagen naar den Hemel werd gevoerd.

De waarheid is : Mozes dwaalde en op die dwaling bouwden dc Christenen hun hemel en hun hel. De telescoop vernietigde het uitspansel als een woonplaats, verbrak den Hemel van het Nieuwe Testament, en maakte dc Hemelvaart van onzen Heer en die zijner moeder tot eene onmogelijkheid; de telescoop vernietigde de poorten en de paleizen van het Nieuwe Jeruzalem en gaf den mensch daarvoor in de plaats de aanschouwing van eene ontelbare menigte nieuwe werelden.

Woensdag.

Wij vernemen vervolgens van onzen geschiedschrijver dor Schepping, dat God, nadat hij het uitspansel voltooid had en de wateren van de wateren door dat uitspansel gescheiden had, er in slaagde: de wateren van onder den hemel in eene plaats, in zeeën te verzamelen, opdat het drooge land gezien worde.

De schrijver, die dit neder kon schrijven heeft zeker geen goede voorstelling van de werkelijke gedaante der aarde gehad. Van de aantrekking der zwaartekracht schijnt hij niets te hebben geweten. Hij schijnt de aarde voor een plat vlak te hebben gehouden en hij meende, dat eene buitengewone krachts- en machtsinspanning noodig was om het water de bergen te doen verlaten eu in de valleien bijeen te brengen. Want niet eerder dan dat het water gedwongen werd langs dc heuvelen naar beneden te stroomen, werd het drooge land zichtbaar, bjgon hot gras te groeien en bedekten mantels van groen do heuvels en verheugden zich de boomen over knop en bloesom en werden de takken met vruchten beladen. — En dit gebeurde niettegenstaande nog geen enkele straal van de zon op aarde was nedergedaald.

Mij komt hel voor dat zonder de zon geen gras en boomen kunnen groeien noch zaad en vrucht kunnen worden voortgebracht. Toch ge-

ocr page 40

36

beurde volgens liet verhaal dit nllos op den derden dag. Ter verklaring voeren de Christenen nan, dal Mozcs met het woord dag niet eene periode van 24 uren, maar eene zeer groote, eene bijna onmetelijke tijdruimte bedoelde; maar, daar God de dieren niet eerder dan op den vijfden dag maakte, dat is overeenkomstig deze zienswijze eenige mil-lioenen jaren later dan dat Hij het gras en de boomen maakte, is mijn vraag om welke reden God de boomen vrucht deed dragen.

Mozes vertelt, dat God op den dorden dag zeide; Dat de aarde uit-schiete grasscheutjes, kruid, zaad zaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzoo. En de aarde bracht voort grasscheutjes en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijnen aard. En God zag, dat het goed was. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, den derden dag.

Om al deze vruchten te eien, bestond niemand : zelfs geen enkel insect was er mot gekleurde vleugels zoekende honig uit bloemen, geen enkel lovend, ademend wezen bestond nog op aarde. Overvloed van gras, eene groote verscheidenheid van kruiden en overvloed van vruchten, maar geen mond in de geheele wereld om er gebruik van te maken. Ueze toestand, als Mozes gelijk heeft, duurde slechts twee dagen, maar hebben de moderne theologen gelijk dan duurde deze toestand raillioenen eeuwen voort.

Het is thans algemeen bekend, dat de organische geschiedenis der aarde eigentlijk in vijf perioden verdeeld kan worden n.1. Het Oorspronkelijke, het Primaire, het Secondaire, het Tertiaire en Qnaterniairc tijdvak. Elk van deze tijdvakken wordt door een bizonder dierlijk en plantaardig leven gekenmerkt. In het Eerste tijdvak worden de algave en sciie-dellooze gewervelde dieren gevonden. In het Tweede de varens en de vissollen ; in het Derde de naaldbosschen en do slangen; in het Vierde de bladbosschen en de zoogdieren en in het Vijfde de mensch. Hoeveel begrijpelijker is dit denkbeeld dan dat de aarde bedekt was met gras en kruid on boomen beladen met vrucht gedurende millioenen jaren, voordat nog een dierlijk wezen bestond.

In de natuur is het aantal der planten en dierenlevens altijd in volmaakt evenwicht. In hare bewonderensweardige huishouding vormt zij cn voedt zij overvloedig, haar plantaardige afkomst, haar tweelingbroeder met den afval der dieren. Dit volmaakte evenwicht tusschen planton en dierenlevens blijft gehandhaafd door dat de stof in cirkelvorm rondgaande aan ieder zijne beurt kan geven. Wordt een dier in zijne samenstellingen volgens bepaalde omstandigheden, hetzij in 4 uur, in 4 maanden, in 4 jaren of zelfs in 4000 jaar ontbonden, — (wij kunnen niet

ocr page 41

3?

ontkennen dat er voorbeelden voorhanden zijn, dat dit proces In der gelijke perioden werd voortgezet) — dan vermengen de elementen, die een gasvorm aannemen zich met de atmosfeer en worden zonder eenig uitstel door de altijd geopende monden van het plantaardig leven opgenomen. Door duizende poriën van elk blad wordt de koolzuur, die de atmosfeer voor het dierlijk leven ongeschikt ïou maken, opgezogen, de koolstof daarvan gescheiden, en omgezet in plantenvezel, die ons het hout voor onze huizen en Beliepen levert, die bij verbranding warmte geeft en die onder sterke drukking, in den vorm van steenkool, nog altijd in de schoot der aarde ligt opgestapeld. Deze koolstof heeft in de natuur eene zeer groote rol gespeeld en op hare beurt vele rollen als dierlijk bestaan doorloopen, van af het eerste organisme tot don menseh. Ons hcdendaagsch mahoniehout was eens de grondstof van eenige negers en voordat die Afrikanen bestonden, waren er reeds ge-heelo geslachten van uitgestorvene diersoorten uit dezelfde grondstof voorafgegaan.

Men kan als zeker aannemen, dat zekere soort van planten en een zeker soort van dieren tetjclijk aanwezig waren en dat zoodra het karakter der vegetatie veranderde eene gelijksoortige verandering in de dierenwereld plaats greep. Het kan nu zijn, dat ik tot deze conclusie gebracht bon, door de totale verdorvenheid van den mensch, of dat mij de noodige nederigheid van geest ontbreekt om Haeckel voldoende met Mozes in overeenstemming te brengen, of dat ik, door verwaandheid aangegrepen, door verstand verblind, mij aan verstoktheid des harten heb overgegeven, opdat ik verdoemd moge zijn, doch nooit kan ik ge-looven, dat de aarde met blad en knop en bloemen, hoornen en vruchten prijkte alvorens de zon met zijn schitterende schijf de nevelen der duisternis had verdreven.

Donderdag.

Nadat de wereld met eene vegetatie getooid was, kwam het Mozes voor dat het nu wel tijd werd om zon en maan te maken en zoo wordt ons door hem dan medegedeeld dat God op den vierden dag zeide:

üat er lichten zijn in het uitspansel des hemels om scheiding te maken tmschen den dag en timchen de nacht; en dat zij zijn tot teekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren. En dat zij zijn tot lichten in het

ocr page 42

mlspantel des hemels om. licht te geven op de aarde. En het was ahoo. God dan maakte die twee groote lichten, dat groote licht tot heerschappij des daags en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

Kunnen wij hieruit afleiden, dat de geinspireerde schrijver een flauw begrip van de zon had? Ik geloof het niet. Trek oen cirkel van circa 13 centimeter middellijn, en prik aan de kant met een speld in het papier. Welnu, het gat door de speld veroorzaakt, is in verhouding tot die cirkel als de aarde tot de zon. Wist de schrijver, dat de zon oen middellijn heeft van 8G0000 mijlen en dat ze omringd is door een oceaan van vuur van duizende mijlen dikte, die warmer is dan de hel der Christenen en waarover vlammenorkanen woedden met de snelheid van hon-derde mijlen per seconde en waarmede do hevigste stormen vergeleken die ooit de bosschen onzer aarde gebeukt hebben, slechts zuchtjes waren V Wist de schrijver, dat de zon elk oogenblik meer warmte uitstraalt, dan men zou verkrijgen, bij verbranding van millioen maal millioen tonnen steenkool'? Wist hij, dat de omvang onzer aarde minder is dan een millioenste gedeelte van de omvang der zon? Wist hij dat circa 124 planeten, die tot het zonnestelsel behooren, allen kinderen van de zon zijn? Wist hij dat Jupiter 85000 mijl middellijn heeft, en honderd maal giooter is dan de aarde en om zijn as draait met eene snelheid van 25000 mijl per uur, en niettegenstaande deze verbazende snelheid, met zijne 4 manen de reis om de zon maar eenmaal in de vijftig jaar volbrengt, en in die tijd een afstand aflegt vau drieduizend mi'lioen mijlen ? Wist iiij iets van de Saturnus, van zijne ringen en 8 manen? Had hij het minste begrip dat al deze planeten eens een gedeelte van de zon waren en dat dit groote hemellicht eens duizend millioen mijl middellijn had? Wist hij, dat Ncptunus, Uranus, Saturnus, Jupiter en Mars allen reeds voor de aarde bestonden en het dus eene absolute onmogelijkheid is dat do aarde drie dagen, of drie perioden, of drie tijdruimten eerder dan de zon bestond.

Mozes stelde zich de zon voor zooals hij hom zag, met ongeveer drie of vier voet middellijn. Met de aarde vergeleken waren het maar vlekken, en ditzelfde denkbeeld schijnen alle geinspireerde schrijvers van den Bijbel gehad te hebben. Wij vinden in het boek Jozua: En de zon stond stil en de maan bleef staan, tut dat zich het volk aan zijne vijanden gewroken had. De zon nu stond stil in het midden des hemels en haastte zich niet onder te gaan omtrent eenen volkomen dag.

Men zegt, de heilige schrijver schreef in de gewone spreektrant zooals wij zulks nog met het op- en ondergaan van de zon gewoon zijn te

ocr page 43

39

doen, doch dat hij er meê bedoelde, dat de aarde gedurende een volkomen dag ophield om haar as te draaien.

Ik voor mij, ineen dat Generaal Jozua van do beweging der aarde niet veel meer afwist dan van genade en recht. Had hij geweten dat de aarde met eene snelheid van duizend mijl per uur en zijn loop om de zon met eene snelheid van acht-en-zestig duizend mijl, vervolgt, hij zou de hagelsteenen, die de lieer naar beneden wierp, cn waarover in hetzelfde hoofdstuk sprake is, zeker verdubbeld hebben en de zon en maan maar stilletjes hun gang hebben laten gaan. Onmogelijk kan men iets onzinniger bedenken dan deze stilstand van zon en maan, en toch maakt niets een orthodoksch predikant boozer, dan wanneer men de waarheid hiervan in twijfel trekt. Er zijn er, die dit luchtverschijnsel op natuurlijke wijze trachten to verklaren, terwijl anderen beproeven aan te toonen dat God door terugkaatsing van het licht de zon zichtbaar liet stilstaan, ofschoon hij even als gewoon aan de tegenovergestelde kant bleef voortgaan. Met die laatste bewering houden de predikanten zich in den laatsten tijd ernstig bezig. Do WelEerw. Hoer Henri M. Morey van South-Bend in Indiana zegt dan ook: dat het verschijnsel eenvoudig optisch was. Do ronddraaiende beweging der aarde werd volstrekt niet gestoord maar het licht van de zon werd door dezelfde wetten van torugschijning en terugkaatsing verlengd, waardoor de zon op heden nog boven den horizont verschijnt, niettegenstaande zij werkelijk reeds is ondergegaan. Het middel, waardoor de zonnestralen heengingen, kreeg een buitengewone invloed zoodat ze de zon schijnbaar lang na do gewone tijd boven de horizont deed dralen.

Dit is misschien liet laatste cn meest ontwikkelde product van Christelijke geleerdheid wat dit vraagstuk betreft. Volgens hot heilige verhaal haastte do zon zicli niet, onkel boven de horizont, maar stond stil ia hot midden van don hemel ongeveer een geheelen dag, dat is ongeveer 12 uur. Was do lucht, veronderstel door een wonder, zoo veranderd, dat die de stralen van de zon terugkaatste, terwijl do aarde gedurende bijna een geheelen dag ronddraaide, dan moest op het einde hiervan do zon weder in het oosten zichtbaar worden want het was den volgenden morgen geworden. Bijgevolg moet deze merkwaardigste dag minstens 3G uur lang zijn geweest. Eerst hebben wij do gewone 12 uren natuurlijk, vervolgons teruggekaatst kunstlicht 12 uur. Toen was het weer morgen geworden en als gewoonlijk zou de zou weder 12 uur op de gewone wijze schijnen, makende mot elkaar 3G uur.

Indien de WelEerw. Heer een beetje minder op „terugkaatsingquot; en wat meer op nadenking zou willen steunen, hij zou al spoedig tot de con-

ocr page 44

40

clusie komen, dat deze heele geschiedenis eenvoudig eene barbaarsclie mythe of fabel moet zijn. Het schijnt wel onverstandig dat God, als die tenminste bestaat, don aardbol zou doen stil staan of de richting der atmosfeer zou verandoren, alleen om Jozua in do gelegenheid te stollen zijne vijanden te vermoorden, iets wat evengoed tot den volgenden morgen had uitgesteld kunnen worden. Hot moet voor God niet erg aangenaam zijn, als hij bemerkt dat wij zulke kinderachtige dingen gelooven.

Voorts is het bewezen dat kracht eeuwig in werking ie; en dat deze werking niet kan worden veranderd of ze gaat met verwoesting gepaard. Beweging is eene vorm van kracht, en ieder tegengehoudene beweging verandert terstond in warmte. De aarde draait met eene snelheid van duizend mijlen per uur om hare as. Volgens berekening zou het stilhouden der aarde eene warmte produceeren, die gelijkstaat met de verbranding van een stuk steenkool dat driemaal zoo groot was als de aarde. En toch verlangt men van ons te gelooven, dat zulks gedaan werd opdat de eene barbaar den anderen zou kunnen verslaan! Zulke verhalen zouden nook geschreven zijn, wanneer het geloof toen niet algemeen was, dat de hemelliehamen bij de aarde vergeleken niets betee-kenden.

De zienswijze van Mozes werd door het Joodsche volk en de Christenen duizende jaren gevolgd. Men neemt aan dat Mozes vijftien-honderd jaar voor Christus leefde en niettegenstaande hij geinspireerd werd en zijn onderwijs direct van God ontving, wist hij nog minder van ons zonnestelsel af dan de Chineezen duizend jaar voor zijne geboorte. De keizer Chwen-Hid nam als tijdperk eene constellatie (samenstelling) dei-vier planeten Mercurius, Mars, Jupiter en Saturnus aan. Volgens M. Bailly, die dit heeft nagerekend kon dit niet eerder dan 24-19 jaar voor Christus hebben plaats gehad. De oude Chineezen kenden niet alleen de beweging der planeten maar wisten ook eklipsen te berekenen. Onder de regeering van den keizer Chow-Kang werden de hofsterre-kundigen Ho en Hi ter dood veroordeeld wegen hot verzuim dor aankondiging van eene zonsverduistering, die 21G9 jaar voor Christus plaats vond, wel een duidelijk bewijs dat het vooruitzeggen van eklipsen een deel der dienst van de keizerlijke sterrekundigen uitmaakte. Ia het niet vreemd dat een Chinees door zelfoefoning moer omtrent het materiaal van het heelal kon vinden dan Mozes, ofschoon deze door zijn schepper werd geholpen.

Ongeveer 800 jaar nadat God Mozes de voornaamste punten dor Schepping van hemel en aarde had aangegeven, gebeurde er een veel

ocr page 45

41

grooter wonder dan liet stilstaan der aarde. Bij die gclegenlicid stond do aarde niet stil, maar daaide terug. Een Joodache koning was ziek geworden cn om liem een bewijs te geven dat hij wel Wstellen zou, bood God hem aan de schaduw van eene zonnewijzer 10 graad achteruit te doen gaan. Do koning meende dat het al te gemakkelijk was de schaduw vooruit te doen gaan en verlangde om zeker te zijn, do schaduw achteruit te zien gaan. Jesaja riep zulks den Heer toe, en ziot de schaduw op de zonncwijz-'r van Ahaz ging 10 graden achteruit. Ik zie de inoeiclijkheid in om dit wonder ook door terugkaatsing te verklaren. Hovendien lijkt dit verbazend wonder uitgevoerd te zijn, nadat de koning reeda hersteld was. liet bericht dat de schaduw op de zonnewijzer terugging staat in het 11de vers van het 20ste hoofdstuk van Koningen II, terwijl de genezing in het zevende vers van hetzelfde hoofdstuk reeds afgeloopen was; Daarna zeide Jesaja: Neemt eeuen klomp vijgen; en zij namen ze en leiden ze op de zweer en hij werd yenezen.

Het schijnt dus, dat het stilstaan en het achteruitdraaien der aarde plaats vond, nadat de zweer reeds door de vijgen was genezen; een nutteloos machtsvertoon derhalve.

De eenvoudigste weg om dergelijke wonderen to verklaren is vastte-stellcu, dat do geïnspireerde schrijvers zich hebben vergist. Hierdoor wordt de zware last van do liehtgeloovighcid der menschen weggenomen en hem do vrijheid gegeven alle waarneming met zijn eigen verstand te raadplegen en de verklaringen der wetenschap te gelooven. Hierdoor kan hij zich aan de slavernij van het bijgeloof, van den dwang, die nog altijd van de barbaarsche overledenen uitgaat en van het despotisme der kerk onttrekken.

Voor honderd jaar slechts werd Buffon, de natuurkundige, door de theologische faculteit gedwongen 14 „dwalingenquot; uit zijn boek over de Natuurlijke Historie te schrappen, omdat zij met het Mozaïsche scheppingsverhaal verschilden. De Pentateuch is nog altijd do weten-schappelijke maatstaf der Kerk en domme priesters hiermede gewapend, spreken over alle werken op hot uitgestrekte gebied der moderne gedachten hun doodvonnis uit.

liïj iiutaktc. mu de sterren.

Mozes zou de sterren bijna hebben vergeten, doch nog ter juister tijd

gaven deze vijf woorden aan de tallooze legers des hemels het aanzijn.

3

ocr page 46

42

Kan hot mogelijk zijn, dat hij iets meer van de sterren afwist, behalve het eenvoudigste feit, dat hij ze boven zich zag schitteren ?

Wist hij dat de naastbijzijndo ster, degene waarmede wij om die reden het best bekend moeten zijn, quot;21 billioen mijlen van ons verwijderd is en dat het een zon is, schijnende met zijn eigen lichtV Wist hij, dat de ster die daarop volgt eene afstand heeft van 37 billioen mijlen V Was hij mogelijkerwijze met do Sirius bekend, eene zon, 2G88 maal grooter dan de onze en omgeven van een stelsel van hemellichamen waarvan verscheidene reeds bekend zijn, en die 82 billioen mijlen van ons verwijderd isV Wist hij dat de Poolster, die den zeeman zijne koers vertelt en de slaven naar vrijheid en vreugde voerde, van deze kleine wereld 292 billioen mijlen verwijderd is en dat de Capella 133 billioen mijlen verder draait en schijnt? vVist hij dat er 72 jaren noodig waren voor hot licht van deze ster om ons to bereiken'? Wist hij ook, dat hot licht zich met eene snelheid van 185000 mijl per seconde voortbeweegt? Wist hij, dat er zelfs sterren in die onmetelijke afgronden zoover van ons verwijderd zijn, dat hun licht vijf millioen jaar behoeft om onzen aardbol te bereiken? Is het waar, zooals de Bijbel ons verhaalt, dat de sterren na de aarde gemaakt werden, dan heeft de aarde hare loopbaan minstens reeds vijf millioen jaar voortgezet.

Men moge hierop antwoorden, dat het niet de bedoeling van God was aard- en sterrekunde te onderwijzen, maar waarom zeide Hij dan iets omtrent dit onderwerp? En als Hij toch iota zeide, waarom gaf Hij dan die feiten niet aan ?

Volgens de „heilige verhalenquot; schiep God op den eersten dag Hemel en Aarde, zweefde over de oppervlakte der wateren en maakte het licht. Op den tweeden dag maakte Hij het uitspans.d en scheidde do wateren van de wateren. Op den derden dag vezam- lde hij de wateren in zeeën, liet heiland droog worden en deed het grasscheutjes, kruiden en vrucht-boomen voortbrengen en op den vierden dag maakte hij zon, maan en sterren en plaatste ze in het uitspansel om licht op de aarde te doen schijnen. De verdeeling van don arbeid is zeer merkwaardig. Het werk van do vorige dagen is niets met dat van den vierden vergeleken. De mogelijkheid bestaat desniettemin, dat dezelfde tijd en moeite vereischt wordt om grasscheutjes, kruid en vruchtboomen te maken als de onmetelijke ruimte, het uitspansel met tallooze sterrenbeelden te vullen.

ocr page 47

4S

Vrijdag.

Mon vertelt ons verder, dat op den volgenden dag Cud zeide: dut de watereu ocercloedig morthremjen een yewemel van levende zielen en het gevoyelte vliege hoven de aarde in het uihpausel des hemels. En, God schiep de (jroote walvisschen. en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloedigüjk voortbrachten, naai- haren aard en alle r/evleugeld gevogelte naar zijnen aard. En God zag, dat het goed was. En God zegende ze, zeggende: /jijt vruchthaar en vermenigvuldigt en vervult de wateren in de zeeën en het gevogelte ver menig cnldige op de aarde!

Het is waar, dat terwijl het droge land met grasscheutjes, kruiden en vruchtdragende boomon bedekt was, de oceaan geheel zonder leven bleef en zulks millioenen jaren voortduurde. Neemt men aan dat Mozes met liet woord dag slechts 24 uur bedoelde, dan komt het er weinig op aan op welke van de zes dagen de dieren geschapen werden, verstaat men echter met dit woord dag om eone tijdruimte van millioenen jaren uit te drukken in welk tijdsverloop het leven zich langzaam van hot infusiediertje tot den mensch ontwikkelde, dan is liet bericht kin-deraohtig en onbegrijpelijk. Geen wetenschappelijk mensch van slechts geringe beteekenis, zal beweren, dat volgens zijne mecuing de aarde reeds va» vruchtboomeu voorzien was, terwijl de infusoriën do voorouders van het menschengeslacht in de Laurentijnsche zeeën het eerste zwakke bewustzijn van leven voelden. Niemand zal de verklaring afleggen, dat er een grasscheutje kan bestaan voor dat de zon hare goudzee van lieht over de aarde had uitgestort.

Waarom moeten wij menschen dan toch in naam der godsdienst de tegenspraak die tusschen de Natuur en een Boek bestaat in overeenstemming trachten te brengen? Waarom moeten wijsgeeren de dupe worden, wanneer zij meer vertrouwen stellen in hetgeen zij weten, dan in hetgeen hun wordt oververteld? Als er een God bestaat, dan is het begrijpelijk, dat hij de wereld maakte, maar het is nog lang niel zeker dat hij de schrijver van den Bijbel was. Waarom zouden wij dan niet meer vertrouwen in de Natuur dan in een Boek stellen? En zelfs als God niet alleen de wereld maakte maar ook liet boek schreef, dan is het altijd nog een vraag, of het boek soms het beste gedeelte van de Schepping en het eenigste gedeelte is, waarom wij eeuwig gestraft moeten worden door het te ontkennen. Het komt mij tenminste van evenveel gewicht voor, dat wij iots van het zounestelael eu de uatiuuiijke historie

ocr page 48

44

van onzen aardbol weten als van de avonturen van kapitein Jonas en liet dieet van Ezeclii.1. Ik voor mij prefereer de kennis van alle resultaten van liet wetenschappelijke verre boven do hooge „inspiratiequot; van Mozes. Zelfs niet de veronderstelling, dat de Bijbel de wezentlijke waar-beid bevat, waarom is bet voor vrijdenkers dan slechter en boozer zulks te loochenen, dan voor priesters, die de evolutie-leer en de wetten dei-warmte ontkennen? quot;Waarom moeten wij verdoemd worden, omdat wij om Simson en zijne vossen lachen, terwijl anderen, die de Wolken-theorie minachten, direct naar den Hemel gaan? Volgens mijne meaning is bet gelooven aan de groote waarheden der wetenschap even dienstig voor de zaligmaking als het geloof aan de Kerk. Wij worden immers onderwezen, dat iemand door God evengoed wordt aangenomen, al zou bij zelfs do bolvormigheid der aarde, het stelsel van Copernicus, de drie wetten van Kepler, de onmruietighaarlieid der stof en de aantrekkingskracht dor aarde ontkennen. Daarentegen worden wij geleerd, dat iemand omtrent die vraagstukken wel gelijk kan hebben, doch dat hij, zonder aan het ontwerp der zaligmaking te gelooven, toch voor eeuwig verloren is.

Zatn'da;;.

Op dezen do laatste dag der Schepping zddc. God: de aardt'. Ireuge Itmndti zielen voort, naar haren aard, ree, en kruipend en wild gedierte der aarde naar zijnen aard! .fin het wan (dzoo. l'u God maakte het wild gedierte der aarde naar zijnen aard en. al het kruipend gedierte de» aard-hodems naar zijnen aard. En God zag, dat het goed was.

Nu, hot is waar, de /.eeën waren gevuld met visschen, de lucht met vogels, de aarde bedekt met gras en kruiden, millioenen jaren voordat eenigorloi kruipend gedierte bestond. Moeten wij aannemen dat planten en dieren het resultaat waren van het bevel van een onbegrijpelijk verstand en onafhankelijk van de werking der natuurlijke oorzaken V Waarom was dan aan zulk een wonder gisteren meer behoefte, dan liet voor vandaag, morgen of overmorgen zal zijn.

Bestaat er eene Almacht, niets is dan zekerder dan dat deze macht werkt overeenkomstig met hetgeen wij, Wet, noemen, dat beteekont door en volgens natuurlijke oorzaken. Zoodra er iets op aarde, zonder stamboom van hetgeen er natuurlijk aan voorafging, gevonden kan worden, dan

ocr page 49

wordt liet tijd om over liet „gcseliiedequot; of „er zijquot; der Schepping te redeneercii. Er zal een tijd geweest zijn, dat er planten noch dieren op de aarde bestonden. De vraag is nu maar, of ze op natuurlijke wijze to voorschijn kwamen. Is het verhaal van Moze» waar, dan waren allo plantaardige eu dierlijke levens het resultaat van zekere bizondere Schep-pingsbevelen, die van de werking dor natuurlijke oorzaken onafhankelijk waren. Zulks is eclit-r zoo onwaarsohijnlijk, zoo in strijd met do ondervinding en ervaring van het menschdom, dat wij hot niet kunnen aannemen, of wij moeten de- basis van ons wetenschappelijk denken en doen voor altijd opgeven. Men zon kunnen beweren, dat wij het „heilige verhaalquot; niet goed begrepen. AVij antwoorden hierop, dat de Joden en de Christenen het scheppingsverhaal duizende jaren letterlijk als waar hebben beschouwd. Werd het geïnspireerd, dan heeft God geweten, hoe men het zou begrijpen en zou hij bijgevolg zulke woorden hebben gekozen, dat hij zeker wist dat hot begrepen moest worden. Men kan schrijvende iets bedoelen, dat anders begrepen wordt maar wist de schrijver vooraf, dat hij verkeerd begrepen zou worden, dan wist hij ook dat hij andere woorden had moeten bezigen om de werkelijke bedoeling te doen uitkomen; deed hij zulks echter niet, dan zouden we zeggen, dat hij woorden bezigde die moesten dienen om te misleiden en dus geen eerlijk niensdi was. Schreef een Alwetendheid den Bijbel of liet deze hem bij inspiratie schrijven dan moest deze weten hoe de woorden door iedereen uitgelegd zouden worden eu moest dan tevens zulke woorden kiezen om de juiste bedoeling van hetgeen ze openbaren wilde, aan te toonen. Eene Alwetendheid had vooraf geweten, dat de inenscheu bij hot lezen van baar boek scheve voorstellingen van vorm ouderdom, en omvang der aarde zonden verkrijgen; zij wist, dat de mensch misleid zoude worden omtrent lijd en orde der schepping; zij wist, dat bij zich kinderachtige en bespottelijke voorstellingen van don Schepper zou maken; zij wist, dat het heilige verhaal gebezigd zou worden om slavernij en veelwijverij te bevorderen; zij wist, dat het kerkers voor den goeden zou doen bouwen en het brandstapels zou doen aansteken om de dapperen te verbranden, daarom had Zij het moeten voorkomen dat zulke resultaten de gevolgen van baar werk, van haar boek waren geweest. Deze Alwetendheid hoeft geweten dat duizenden en millioenen mannen en vrouwen Haar Bijbel nooit zouden geloovcn en dat dit aantal zich nog zoude vermeerderen naarmate de beschaving en de ontwikkeling zou toenemen. Dit had voorkomen moeten worden.

Begrijpen wij elkander goed. Een oprecht menscJidijk wezen gebruikt volgens zijne meening de beste wo u'don om zijne bedoeling uittedruk-

ocr page 50

46

ken. Pat is het bcstp, wat hij kan doen, daar hij geen zekerheid van de wezentlijkc opvatting zijner woorden heeft. Maar een Alwetend wezon weet niet alleen de juiste bedoeling van zijne woorden, maar ook do bedoeling, die ze aan lezers en hoorders zullen openbaren. Deze weet de bedoeling, zooals de gebruikte woorden door het menscholijk vorstand begrepen zullen worden. Hij heeft geweten, welke verklaringen Hij er aan had moeten toevoegen om misverstand te voorkomen. Of een Alwetend wezen kan bij het doen van eone openbaring aan den menach niet zulke woorden bezigen, die iedereen voor wien de openbaring bestemd is wezentlijk en waarachtig verstaat, wat die openbaring beteekent, daar eene openbaring van God door middel der spraak niet goed doenlijk is, of het is niet noodzakelijk, dat wij ze verstaan. Men kan gerust aannemen, dat er millioenen zijn, die niet de bekwaamheid bezitten eene openbaring te verstaan, al ware ze in de eenvoudigste bewoordingen uitgedrukt. Hierop moge de vraag als antwoord gesteld worden, waarom een Almachtig wezen de menschen met zoo weinig verstand schiep, dat Hij ze niet door eenig middel zijn wil zou doen kennen. Men vertelt ons, dat dit toch eenvoudig genoeg is, dat ieder zwerveling, zelf een dwaas niet behoeft te dwalen. Deze stelling moet volgens de geschiedenis van het Christelijk geloof echter verworpen worden. Want elke bestaande secte is een bewijs dat God zijn wil niet duidelijk genoeg aan den mensoh heeft geopenbaard. Want elke lezer van den Bijbel put hieruit een verschillende meening. Want wegens de bedoeling omtrent de openbaring van dit Boek werd eeuwenlang oorlog gevoerd. Ware het derhalve, door een alwetenden God geschreven, dan had Hij geweten, dat dit hot resultaat er van zou zijn en derhalve, is Hij de eonigo, die voor slles aansprakelijk ie. üf is het niet oneindig verstandiger, als wij beweren dat dit boek hot werk van menschen is, dat hot een werk is van waarheid en dichting met fouten en feilen, die waarschijnlijk al te getrouw de vormen en uitdrukkingen van dien tijd terugspiegelen V

Bestaan er fouten in den Bijbel, ze werden zeker en waarachtig door den rnensch begaan. Is er iets in, in strijd met de wetten der natuur, de mensch heeft ze geschreven. Vinden wij daarin iets onzedelijks, wreeds of schandelijks, dan dienen wij goed te beseffen, dit nooit door ecu wezen, de aanbidding der menschheid waardig, had kunnen geschreven worden.

ocr page 51

47

Laat mis sunisdtni iHiiken.

Vervolgens worden wij door don schrijver van de Pentateuch onderricht, dat God zeide: Laat ons numschm maken naar ons heeld, naar onze gelijkenis en God schiep den mensch naar zijn heeld, naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrome schiep Hij ze.

Heeft dit verhaal eene beteekenis, dan bedoelt het dat de mensch volgens hot natmirlijk beeld en de gelijkenis van God geschapen werd. Mozes, als hij zegt, dat de mensch volgens het beeld van God geschapen werd, spreekt nooit anders van God dan van een wezen met eene menschelijke gedaanle. Hij spreekt van God als wandelende in den Hof in de koelte van den avond, en dat Adam en Eva zijne stem hoorden. Hij vertelt voortdurend, wat God zeide en in duizenderlei aanhalingen maakte hij van Hem gewag als zijnde niet alleen in het bezit van eene menschelijke gedaante, maar ook handelingen doende, zooals de mensch ze doet. De God van Mozes was een God met handen, met voeten en spraakvermogen; een God met hartstocht, haat, wraak, liefde en berouw; een God, die fouten boging — met andere woorden. Hij was precies als een buitengewoon en macluig mensch.

Het zal wel niet beteekenen, dat Mozes het denkbeeld had, dat God de mensch volgens zijn verstandelijk of zedelijk evenbeeld schiep. Er zijn lieden, die beweerd hebben dat de mensch volgens het zedelijk evenbeeld van God gemaakt werd, omdat hij rein was. Reinheid kan echter niet geproduceerd worden, evenmin als een zedelijk karakter voor den mensch door God gemaakt kan worden. Ieder mensch maakt zijn eigen zedelijk karakter. Bijgevolg al was God oneindig rein, toch werden Adam en Eva in dit opzicht niet volgens zijn beeld geschapen. Weer anderen beweren, dat Adam en Eva volgens het verstandelijk evenbeeld van God gemaakt werden. Als men hiermede bedoelt, dat zij met gelijk verstand, maar niet niet dezelfde hooge mate van ontwikkeling gemaakt werden, dan kunnen wij zulks wol toegeven. Zeker is het toch, dat dit denkbeeld niet de bedoeling van Mozes was. Hij beschouwde de menschelijke gedaante als het beeld van God en sprak om die reden nooit van God zonder die gedaante. Niemand zal de Pentateuch lezen, of hij moet tot het besluit komen, dat de mensch volgons de natuurlijke gelijkenis van God geschapen werd. God zeide: -Laat ons naar beneden gaanquot;. God rook een liefelijke geur. God had berouw, dat Hij den mensch gemaakt had. God wandelde, God sprak, God rustte uit;

ocr page 52

48

?1 deze uitdrukkingen zijn met gee.n ander denkbeeld te vereenigen, als dat de persoon, die ze bezigde, zich God voorstelde mot oeno men-schelijke gedaante. Hot is voor don mensch dan ook niet anders mogelijk zich van een persoonlijke God oen ander begrip te maken dan met de menschelijke gedaante. Niemand stelt zich het Oneindig wezen in de gedaante van een paard, een vogel of een dier beneden den rang van mensch, voor. Het behoort tot de behoeften van het verstand, de vormen met de verstandelijke eigenschappen te vereenigen. De hoogste vorm, waarvan wij een begrip hebben, is do mensch en daarom is deze dan ook do eenigsto vorm, die wij in onze verbeelding aan eene persoonlijke God kunnen geven. Allo andere vormen zijn volgens ons verstand, aan een minder verstand verbonden.

Wij zouden ons een persoonlijken God onmogelijk als een geest zonder vorm kunnen vooratellen. Wij mogen zulke woorden gebruiken, maar zij drukken volgens ons verstand geene werkelijke of tastbare bedoeling uit. Iedereen die zich een persoonlijke God voorstelt, stelt hem zich voor in menschengedaante. Neemt van God de gedachte, mvn-Kchelijke (jtdaante weg, spreekt van hem als eene overal doordringende geest _ ik bedoel een alles doordringend iets, waaromtre.it wij niets weten — en het resultaat zal zijn het Pantheïsme.

Vertelt men ons, dat God den mensch maakte, natuurlijk komt dan de vraag bij ons op, hoe zulks geschiedde. Was het volgens een proces als: door „evolutiequot;, door „ontwikkelingquot;, door „overbrenging van verkregen gewoontenquot;, door „het overleven van den geschiktstenquot; of was do noodige hoeveelheid „leemquot; die vervolgens door Gods handen tot een vorm gekneed was, de oenigs samenstelling. De moderne wetenschap leert ons, dat de mensch gedurende een tijdperk van talloo/.c eeuwen zich van do lagere vormen heeft ontwikkeld; dat hij het resultaat is van oen bijna oneindig aantal werkingen, terugwerkingen, ervaringen, toestanden, behoeften en nabootsingen. Was Mozes van plan die bedoeling uit to drukken of meende hij, dat God slechts een voldoende massa stof behoefde te nemen, het tot een geschikt model behoefde te vormen, en er de levensadem in te blazen ? Kan een geloovige aan den Bijbel een verstandig verhaal van dit scheppingsproces geven ? Kan men zicli werkelijk van deze wijze van scheppen eene duidelijke voorstelling maken V Kan een godgeleerde zich tevreden stellen met de bewering, dat de mensch direct uit aarde geschapen werd? Kan hij beweren, dat de mensch op deze wijze zoo gemaakt werd, als hij nu is, met alle spieren, behoorlijk ontwikkeld, om te gaan en te spreken en in staat om do verschillende menschelijke handelingen uit te voeren.

ocr page 53

49

Waren zijne bctndeien gevormd zooals tlians, waren allo verbindingen van zenuw, band, horsenen on beweging zooals 1111? In de gesebiedenis van hot dierlijk loven terugziende, vinden wij de laagste en de hoogste vormen, wij vinden dat er eene langzame en trapsgewijze opidimming, eene zekere maar bestendige verhouding tusschen behoefte en voortbrengsel, tusschen gebruik en vorm heeft plaats gehad.

De Monen zijn de eenvoudigste vormen van dierlijk leven, die men tot nu toe gevonden hoeft. Men beschrijft ze als ean organisme/.ondor organen. Ze hebben als ik me zoo mag uitdrukken een bouw zonder bouwvorm; een kleine massa doorzichtige geleistof, dat zieh uit kan slaan, uitrekken en intrekken en zich om liet voedsel vast kan hechten. Het voedt zich zonder mond, verteert zonder maag, beweegt zich zonder voeten en vermenigvuldigt zich eenvoudig door verdeeling. Neemt men dit schepsel aan als het begin vau bet dierlijk leven of als het eerste dier, dan kan men gemakkelijk de ontwikkeling van de organische bouw van alle levensvormen tot den mensch toe, nasporen. Op die wijze kan men zich van elke spier, elk been, en verbinding van elk orgaan, vorm en werking rekenschap geven. Op deze wijze en slechts hierdoor alleen kan hot bestaan der rudimentaire organen, die wij bezitten, verklaard worden. Wisch uit het menschelijk verstand alle denkbeelden over evolutie, evererving, nabootsing, het overleven van den geschiktsten, waarmede wij door Lamarck, Goethe, Darwin, Haeckel en Spencer verrijkt zijn geworden weg, en alle feiten in de geschiedenis van het dierlijk leven geraken zonder samenhang en zonder beteekenis.

Moeten wij alle kennis, die wij met betrekking tot het organische leven ontdekt hebben, verworpen, om de stellingen aan te nemen van iemand, die in den ruwen ochtendstond van een barbaarschen morgen leefde? Mag iemand er genoegen mede nemen, dat do mensch een directe en onafhankelijke schepping was, en er geen betrekking bestaat en onderhouden wordt tot de dieren beneden hem V Dat geloof hieromtrent moet tenminste door bewijzen worden gestaafd. Een mensch kan onmogelijk gelooven, wat hij verkiest. Hij kan zijn spraakvermogen be-heerschen en zeggen, dat hij dit of dat al of niet gelooft, maar zijn wil kan buiten dat do weegschaal toch niet ncderdrukken of oplichten waarmede zijn verstand de feiten toetst en weegt. Ware dat zoo niet, dan waren onderzoek, bewijs, oordeel en verstand slechts woorden zonder beteekenis.

Ik vraag alweder, hoe Adam en Eva geschapen werden ? Volgens bet eene bericht werden beiden, man en vrouw, tegelijk geschapen, lu het volgende verhaal wordt Adam eerst en eene poos daarna uit een deel

ocr page 54

50

van zijn lichaam Eva geinaiikt. Was het eimvoiulig door een scheppings-hevcl dat do rib van Adam zich langzaam uitstrekte, groeide en zich in zenuw, band, kraalcboen en vlecsch verdeelde. Hoe werd do vrouw uit een rih en hoe de man eenvoudig uit utof geschapen. Ik voor mij geloof aan deze stelling niet. Ik moge hiervoor hiernamaals moeten lijden, en inillioeuen jaar later van harte wenschen, dat ik dit onderwerp maar niet onderzocht had on dn donk boeiden der dooden maar eenvoudig had aangenomen. Toch kan ik niet gelooven, dat God op zoodanige manier te werk is gegaan.

Volgens mijne ervaring, beslaat er een onverbroken proces tusschen oorzaak en gevolg. Kik voorwerp ia een noodzakelijke schakel vau een oneindige keten en ik kan mij niet voorstellen dat die koten, al ware het maar voor een oogenblik, verbroken werd. Voor het begin van het eerste dierlijk wezen bestond een oorzaak, en voor die oorzaak een ander enzoovoort altijd maar door. In mijne wijsbegeerte is geen begin en geen einde.

Is het Mozaïsche verhaal waar, dan weten wij, hoe lang de mensch op do aarde bestond. Want van dit vorbaal kan afgeleid worden, dat de eerste mensch ong' veer 5805 jaar gelodon, geschapen werd. Zestienhonderd zesenvijftig jaar later werden alle bewoners op slechts 8 men-schon na door een zondvloed verzwolgen. De zondvloed geschiedde derhalve 4'i39 jaar geleden. Volgens het bijbelverhaal, gesteld dat hot waar is, bestond or toen maar eeno soort menschen. Want hot is aan te nemen, dat Noach en zijn huisgezin van dezelfde soort, ras en bloed geweest zullen zijn, waaruit volgt, dat alle verscheidenheden, die wij thans onder de verschillende menscbenrassen opmerken, in 4000 jaar moeten zijn ontstaan.

Is het verhaal van den zondvloed waar, dan werden sedert die gebeurtenis alle oude koninkrijken op de aarde gesticht on hadden hunne bewoners alle trappen van wildheid, nomadenleven, barbaarschheid en half beschaafd leven reods gepasseerd en hadden zij do Steen-, de Brons-, de IJzerporiode doorworsteld, voordat zij handel dreven, kunsten beoefenden, steden bouwden en ze van tempels voorzagen, do schrijfkunst uitvonden, eeno literatuur voortbrachten en toen langzaam weder tot oen diep verval kwamen. Toch moeten wij aannemen, dat zulks binnen do tijd van 4000 jaar voorviel. Van do voorstellingen, die wij op Egyptisch graniet van meer dan 3000 jaar oud gevonden hebben, bemerken wij, dat de negers toen even zoo zwart, hunne lippen even zoo dik en hun haar net zoo gekroesd was als thans. Wat het welen aanbetreft, weten wij dat te dien tijde hetzelfde verschil bestond tusschen

ocr page 55

51

een Egyptenaar cn oon neger, ala nu. Wij weten dan ook dat in Egypte 4000 jaar voor onze tijdrekening prachtige beeldwerken gemaakt werden. Op de wereldtentoonstelling was in de Egyptische Afdeeling een standbeeld van Koning Cephren, dat G000 jaar geleden, zooals wij weten, gebeeldhouwd werd met andere woorden als het verhaal van Mozes waar is, zouden wij moeten gelooven dat dit standbeeld voor het ontstaan der aarde gemaakt was. Wij weten met zekerheid om iets te noemen, dat er menschen in Europa waren tegelijk met den ruigen mammouth, de rhinoceros en do hyena. Wij hebben tussehen de beenderen van deze dieren do steenen bijlen en de steenen pijlen van onze voorvaderen gebonden. In de grotten en holen, waar zij leefden zijn overblijfsels van deze dieren ontdekt, die overwonnen, gedood en genuttigd werden, honderdduizende jaren geleden.

Zijn deze feiten waar dan heeft Mozes zich in de tijdrekening vergist. Ik voor mij stel oneindig meer vertrouwen in de hedendaagsche ontdekkingen dan in do verhalen van een barbaarsch volk. Wat beteo-kent de bewering, dat de menschen slechts G000 jaar op de aarde bestaan hebben. Met de grootste verbeeldingskracht is men onmogelijk in staat den tijd te berekenen, die een mensch noodig zou hebben om zich uit zijne barbaarsihe toestand, naakt en hulpbehoevend omringd door veel sterkere dieren dan hij te ontworstelen, vooruit te gaan om vervolgens eene beschaving, ik wijs slechts op die van Indië, Egypte en Athene, te ontwikkelen. De afstand tussehen ons in wilden toestand tot Shakespeare mag niet bij honderden, maar moet bij millioencn jaren gemeten worden.

Zondag.

Ah im God op (.ten zevenden day volhrucht had zijn werk, dat Hij ge-maakl had, heeft Hij gemat op den zevenden dag van al zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God heeft den zeven,den dag gezegend en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven genist heeft van al zijn werk, hetwelk God geschapen had.

Het groote werk was du» voltooid, de aarde, de zon en de maan en de sterrenlegers des hemels waren afgewerkt; de aarde prijkte met een groen kleed, de zeeën waren gevuld met allerlei dieren, liet vee stapte langs de beken en bontkleurige vlinders vlogen in het luchtruim rond.

ocr page 56

52

Adam cn Eva maakten kennis mot elkaar en daarboven rustte God. Hij beschouwde wat Ilij in een week volbracht had. Omdat God op dezen dag rustte, heiligde Hij dien en dat is de reden, waarom de Joden dien dag als heilig beschouwen. Als God nu slechts dien dag alleen rustte, behoort er toch een verhaal te beslaan, van wat Hij den vol-genden Maandag nilvoerde. Heeft Hij op dien dag ook gerust? Wat deed God dan, nadat Hij volkomen uitgerust was? Heeft God sedert de Zaterdagavond van den eersten week op den weg van sclieppen nog iets uitgevoerd?

Nog een vraag. De wetenschappelijke Cliristenen beweren dat men ouder do dagen dor schepping geen gewone dagen van 24 uur moet verstaan, maar dat hel daarentegen zeer gioote eu lange tijdperioden waren. Welnu, als zij eens gelijk hebben, hoe lang was dan wel de zevende dag. Was dit ook eene geologische tijdperiöde van eenige dui-zendo eeuwen? Dit zou immers niet kunnen. Adam en Eva zijn des Zaterdagsavonds te voren geschapen en volgens den Bijbel is dat maar ongeveer 58!)5 jaar geleden. Precies kan ik de tijd niet opgeven. Er bestaan meer dan 140 verschillende meeningen omtrent de tijd tusschen do schepping dor wereld en de geboorte van Jezus Christus. Wij weten volgens den Bijbel heel zeker, dat de Schepping van Adam niet meer dan (5000 jaar geleden is. Hieruit volgt dat de zevende dag geene geologische tijdperiöde, maar inderdaad eene periode van minder dan (!000 jaar was, en waarschijnlijk eene tijdruimte van 24 uur.

De theologen, die deze dingen kunnen beantwoorden, moeten eene keuze doen. Nemen zij aan, dat de dagen perioden van 24 uur waren, dan zal de aardkunde (geologie) hen overtuigen dat het geheele verhaal dient te worden verworpen. Stemmen zij echter toe, dat de dagen uitgestrekte tijdperioden waren, dan houdt de heiligheid van den Sabbath op.

Er wordt in den Bijbel geen gewag gemaakt, dat er ook maar het geringste verschil in de dagen bestond. Van alle dagen wordt op dezelfde wijze gesproken. Men zou hierop nog kunnen antwoorden, dat onze vertaling niet juist was. Ware zulks het geval dan hebben allen die Hebreeuwsch verstaan eene openbaring van God gehad en do overigen zijn helaas bedrogen. Hoe is het nu mogelijk om eene ruimte van tijd te zegenen? Is rust dan heiliger dan arbeid? Als er geen verschil in de dagen bestaat, behoorde dan niet die als de beste te worden beschouwd, waarop de meest nuttige arbeid werd verricht?

Van alle bijgeloovigheden van het mensehdom is de krankzinnigheid van een „heilige Sabbathquot; wel de grootste. Welk denkbeeld, om zich tot plicht tc stellen, eenmaal in de zeven dagen plechtig en treurig to

ocr page 57

53

zijn. IToo kan men mecnen, dat liet Goilo welgcvalligcr is, wanirecr wij in con duistere en sombere kamer blijven in plaats van in de heerlijke linitenlnclit eeno wandeling te doen V Hoe kan God den menseh haten, als Hij ziet, dat deze gelukkig isV Hoe kan liet zijn toorn verwekken, als Hij een eensgezind huisgezin in een bosch, of bij een kabbelende boek lachend en zingend aantreft? De natuur is op dien dag toeli ook in werking. Draait de aarde dan niet, stroomen de rivieren dan niet; de boomen groeien, knoppen springen open en de vogeltjes zingen. Waarom zouden wij dan een zuur gezicht moeten zetten en over dood en hol nadenken? Waarom moet die dag dan in treurigheid en waarom niet in vreugde worden doorgebracht.

Een arme werkman, den geheelen dag in stof en geraas doorwerkende heeft den rustdag noodig om zich buiten in den kring zijner familie te verpoozen en hoop en kracht te verzamelen voor de komende werkzaamheden. Ook zijne vrouw heeft wol eens behoefte naar wat zonnige buitenlucht, ver van het gewoel der straten om zich te vermijden op de heuvels of aan het strand der zee.

De Sabbath is het overblijfsel van een kluizenaarsbegrip, van een afkeer van vreugde, van dweepzucht, van onwetendheid, van priesterlijke zeitzucht en van de flauwheid der menschcn. Deze dag werd gedurende duizende jaren aan bijgeloof, aan verspreiding van dwalingen en aan het vaststellen van leugens toegewijd. Het is een der plichten van eiken vrijdenker dezen dag als een gewone dag te bescbouwen. Hij moet alles waartoe hij bij machte is, doen om den Sabbath aan de sombere kerk te ontrukken en ze aan vreugde en vrijheid terug te geven. De vrijdenkers dienen den Sabbath tot een dag van uitspanning en genoegen te maken, een dag om met vrouw en kind door te brengen, een dag van spelen, lezen, en droomen, een dag om verschc bloemen te leggen op het graf onzer dierbaren, en hem tot een dag te maken van herinnering van hoop, van liefde en van rust.

Waarom zouden wij in deze eeuw door de dooden overheerscht moeten worden? Waarom /.ouden barbaarsche Joden, die sedert 3000 jaar gestorven en tot stof vergingen ons, de levenden, nog wetten moeten stellen? Waarom moeten wij ons nog bekommeren om hot bijgeloof der lieden, die den Sabbath beginnen met nagels te knippen eerst de vierde, dan do twoc.de, vervolgens do vijfde, dan de derde en eindelijk do duim. Hoe welgevallig zal deze operatie fiod geweest zijn! Al degenen die de nagels op den grond wierpen, waren de boozen omdat de Satan ze in zijn macht had om kwaad op aarde te doen. Men meende dat de zielen op Sabbath uit het vagevuur mochten komen, om hunne brau-

ocr page 58

54

dende kelen met water af te koelen. De kachels mochten niet opgestookt en niet uitgedoofd worden en groote zonde was het, np dien dag de wonden te verbinden. De lamme mocht een stok gebruiken de blinde niet. De Sabbath werd zoo precies gehouden, dat mocht een Jood soms op dien heiligen dag in een bosch of op don straatweg, onverschillig waar of onder welke omstandigheden, overvallen worden, moest hij gaan zitten en wachten, totdat de dag voorbij was. Viel hij in dan modder, hij moest blijven liggen totdat de dag om was. Voor het schenden van den Sabbath stond doodstraf, want nicta dan hot bloed van den overtreder kon de toorn Gods bevredigen. Tn het oude testament worden voor het staken van bezigheden op Sabbath twee redenen opgegeven; liet uitrusten van God en de bevrijding der Joden van het dwangjuk der Egyptenaren.

Sedert de stichting van een Christelijk Geloof is de dag verander ! en beschouwen de Christenen de dag, waarop God van zijne arbeid uitrustte, niet meer voor zoo heilig. De Christelijke Sabbath of de dag des Heeren werd wettelijk door Constantijn vastgesteld, omdat men meent, dat Christus op zulk een dag van den dood herrezen is.

Het is zeker niet gemakkelijk het recht der Christenen te verklaren, om het directe bevel van God te minachten en op dien dag te werken, die Hij zegende en een dag voor heilig te houden, waarop Hij de men-schen beval te werken.

Do Sabbath van God is de Zaterdag en moet men eon dag heilig houden dan is het deze en niet de Zondag der Christenen.

Toch laten wij liever die bijgeloovigheden verwerpen en betere en meer edele redenen opsporen. Eiken dag kunnen wij heiligen door een menschlievende daad, door het bevorderen van het geluk der menschen, door het aankweeken van edele gedachten. Wij kunnen ze heiligen met ongelukkigen te helpen, met gevallenen weder op te heffen, met de treurigheid te verdrijven, met vooroordeelen uit te roeien, met de hulpeloo-zen te verdedigen en licht en liefde in onze woonhuizen te verspreiden.

De noctóelijklieid van een goed geheugen.

Wij moeten niet vergeten, dat er in Genesis twee Scheppingsverhalen voorkomen. Het eerste verhaal houdt met het derde vers van het tweede hoofdstuk op. De hoofdstukken iu den Uijbol zijn willekeurig

ocr page 59

55

verdeeld. Tn hot oorspronkelijke Hcbreeuwsch van do Pentaieucli beslaat geeno verdeeling van hoofdstukken en verzen. Het is zelfs zonder een systeem van punctuatie, liet werd enkel met medeklinkers zonder klinkers geschreven en zonder eenige kenmerken, stippen of regels om zo aan te duiden.

Die twee verhalen zijn tastbaar verschillend en kunnen beiden niet waar zijn. Wij zullen zien, waarin zij verschillen.

liet tweede verhaal begint met liet vierde vers van het tweede hoofdstuk en is als volgt:

Dit zijn de geboorten des hemd» en der aarde ah zij geschapen werden; ten dage ah de lleere God de aarde en den hemel maakte.

En allen struik des oelds eer hij in de aarde was en al het kruid des velds eer het uitsproot want de lleere God had niet doen regenen op de aarde en er was geen mensch geweest om den aardhodem te houwen.

Maar een damp was opgegaan uit de aarde en hevochtigde den gan-sehen aardbodem.

En de lleere God had den mensch. geformeerd uit het stof der aarde en in zijne neusgaten geblazen den adem d's levens; alzoo werd de mensch tot eene levende ziel.

Ook had de lleere God eenen Hof geplant in Eden tegen het oosten en Hij stelde aldaar den mensch, dien hij geformeerd had.

En de Heere God had alle gehoomte uit het aardrijk doen spruiten, hegeerlijk voor het gezicht en goed tot spijze en den hoorn, des levens in het midden van den hof en den hoorn der kennis des gneds en des kwaads.

En eene rivier was voortgaande uit Eden om. dezen hof te hewuteren en werd van daar verdeeld en werd lot vier hoofden.

Be naam der eerste rivier is Fison; deze is het, die het gansche land van Havilii omloopt, waar het goud is.

En dat goud van dat land is goed, daar is ouk hedolah en de steen sardoni.r.

En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het gansche land Cash omloopt.

En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. Vm de vierde rivier is Frath.

Zoo nam de Heere God den mensch en zette hem in den Hof van Eden om dien te houwen en dien te bewaren.

En de Heere God gebood den mensch zeggende: Fan allen boom des hofs zult gij vrijelijk eten.

Maar van. den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed, dat de mensch

ocr page 60

56

aïleen zij; 1/: zal Imn eene hulpe maf,rv, die ah legen hem over zij.

Want als de lieere God, uit de aarde al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zoo hravht Hij die lot Adam. om-te zien, hoe hij ze noemen zou; en. zoo Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zon haar naam zijn.

Zoo had Adam genoemd de namen van (d het vee en van het gevogelte des hemels en van al het gedierte, des velds; maar voor den rnensch vond hij geene hulpe, die als tegen hem over ware.

Toen deed de Ileere God ee.nen diepen slaap op Adam. vallen en hij sliep; en Hij nam cene van zijne rihhen en sloot derzetver plaat* toe met vleesch.

Fm de Ileere houw de de ribhe, die Hij van Adam genomen had tot eene vrouw en Hij bracht haar tot Adam.

Toen zeide Adam: Deze is ditmaal heen van mijne heen en en vleesch ran mijn vleesch! Men zal haar Ma.nninne heden, omdat zij uit den man genomen is.

Daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aankleven en zij zullen tot een vleesch zijn.

En zij waren heiden naakt, Adam. en zijne vrouw en zij schaamden zich niet.

Volgorde der Schepping in het ocrste verhaal:

1. Schepping van hemel en aarde en het licht.

2. Het uitspansel gemaakt en de wateren van de wateren gcsclieidon.

3. De wateren in zeeën verzameld, liet land drooggemaakt, het ontstaan van grasscheutjes, kruiden en vruchtboomen.

4. Schepping van zon en maan en de sterren.

6. Het maken van visschen, vogels en walvisschen.

(j. liet maken van dieren, vee, kruipend gedierte, van man en vrouw.

Volgorde der Schepping volgens hot tweede verhaal:

]. Hemel nn aarde.

'2. Een nevel steeg uit de aarde en bevochtigde do gansche aarde. !i. God schiep Adam uit het stol' der aarde.

4. God plantte eon hof in Eden tegen liet oosten en plaatste Adam daarin.

5. God schiep do dieren en vogels.

ü. God schiep eene vrouw uit den rib van Adam.

/n het tweede verhaal was do rnensch voor do beosten en do vogels gemaakt. Is dit waar, dan is hot twoode verbaal foutief. Meenon do bedondaagsohe theologen dat een dag van Mozes duizend eeuwen be-

ocr page 61

■57

teekent, clan zou volgens het tweede verhaal Adam mïllïoenen jaren bestaan moeten hebben, alvorens Eva gemaakt werd. A'lam moet een dag van Mozes bestaan hebben, alvorens er boomen war ;i en nog een dag van Mozes voordat er dieren en vogels geschap u waren. Een predikant of geestelijke zal wel zoo vriendelijk zijn ons te vertellen welke soort van spijze Adam gedurende deze groote tijdperiode nuttigde.

In het hoeede verhaal wordt de mensch gemaakt en het feit dat hij zonder hulpe was, vlc.1 de Ileere God niet eerder op dan eenige „perlodenquot; later. Daar God plotseling tot de ontdekking van de toestand komt, zeide Hij dan ook: Het ia niet yned, dat de mensch alleen zij. Ik zal hem eene hulpe maken. Maakte God, na tot dit besluit gekomen te zijn, terstond eene hulpe, eene vrouw, voor Adam? Volstrekt niet. Wat deed Hij dan? Hij maakte eerst de dieren en trachtte Adam over te halen eene van hen als „hulpequot; te nemen. Leest het volgend verhaal en zeg mij, wat hot beteekenen moet, als ik geen gelijk heb.

Bn de Heere God zeide: Het is niet goed dat de mensch alleen zij. Ik zal hem eene hulpe maken.

Want als de Heere God, uit de aarde, al het gedierte des velds en al het gevogelte des Hemels gemaakt had, zou bracht Hij die tot Adam om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zoo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam. zijn.

Zoo had Adam genoemd de namen van al het vee en van het gevogelte des hemels en van al het gedierte des velds; maar voor den mensch vond hij geene hulpe.

Als God niet voor Adam voor eene hulpe rondzag, waarom liet Hij de dieren dan bij Adam brengen. En waarom roept Hij, nadat de ge-heele menagerie bij hem gebracht was, pathetisch uit: maar voor den mensch vindt ik geene hulpe.

Het schijnt, dat Adam niets zag, wat zijne verbeelding streelde. De fraaiste aap, de mooiste chimpansee, do beminnenswaardigste baviaan en de betooverendste orang-outang en gorilla konden hot eenzame hart van Adam niet troffen en waarlijk wij hebben alle reden om ons er over te verhengen. Ware hij verliefd geworden, er zou nooit een vrijdenker op de aarde zijn gekomen.

Dr. Adam Clarck dit merkwaardig voorval besprekende zegt' God

liet alle dieren bij Adam brengen om hem aan te toonen dat er geen

onkel dier tot eone behoorlijke gezellin voor hem geschikt was en hij

derhalve eone toestand (het celibaat) zou moeten blijven voortzetten,

wat echter niet goed voor hem was, of God moest in zijne overgroote

4

ocr page 62

58

goedheid nog eons het bewijs leveren in hoeverre het schepsel alles aan zijn Schepper verplicht was.

Over hetzelfde onderwerp beleert Dr. Scott ons: dat het voor het geluk van den mensch niet bevorderlijk was zonder medegevoelend gezelschap te blijven, hetgeen ook onbestaanbaar zou zijn met hot doel der Schepping. Zonder huwelijk zou de aarde immers niet aangevuld kunnen worden. Adam schijnt bij instinct of door openbaring beter met de verschi'lende eigenschappen der dieren bekend te zijn geweest dan de wijste opmerker sedert den val der menschen. 15ij het voortbrengen van alle dieren werd er geen enkele gevonden die in uiterlijk zijne wedergade kon zijn of die geschikt was zijne genegenheid op te wekken, of die in zijne vreugde kou deelen, of zich met hom kon vereenigen God te dienen.

Dr. Matthew Henry stemt toe, dat God de dieren bij Adam bracht, om te zien of er niet een passende kameraad voor hein bij eene dor tallooze lagere dierenfamiliën aanwezig was. Zij werden allen nagezien, maar Adam kon met niemand van hen vriendschap sluiten. Daarom schiep God een nieuw wezen, dat wil zeggen eene hulpe voor Adam.

Daar geene der lagere diersoorten Adam kon bevredigen, deed de Heere God ee.nen diepen slaap op Adam rallen en hij diep; en Hij nam eene van zijne ribben en sloot der zeiver plaats toe met vleesch.

En.de Heere bouwde de ribbe, die Hij van Adam yenomen had tot eene v}'omc en Hij bracht haar tot Adam.

Was God genoodzaakt een doel van Adam te nemen, omdat Hij de oorspronkelijke stof „hot nietsquot; waaruit Hemel en Aardo gemaakt was, geheel had verbruikt. De mensch moet voor een tweede maal geboren worden, als hem dit verhaal begrijpelijk voorkomt.

Hoe kunnen wij ons God voorstellen in Zijn hand de rib van Adam houdende, het beginsel der vrouw ontwerpende en er over peinzende, of Hij nu eene blondine of eene brunette zou maken.

En juist hier is het geschikte punt gekomen om iedereen tc waarschuwen over deze noch over andere geschiedenissen, die in den „Heiligen Bijbelquot; gevonden worden zich vroolijk te maken. Mocht gij komen te sterven, zoo weet, dat elke lach een doorn in uw peluw wordt. Komt dit plechtig uur en als gij uw leven nagaat, komt het er niet op aan, hoevelen gij hebt benadeeld, hoe menige vrouw gij hebt bedrogen en verlaten, daarvoor kan vergiffenis worden verkregen, maar als gij u herinnert, dat gij om eene enkele geschiedenis in Gods „Heilig Boekquot; hebt gelachen, dan zult gij door de duistere schaduwen des doods heen do vurige tongen der duivelen en de loerende blikken der boozo geesten ziou.

ocr page 63

59

ï)eze gescliiedenisaen moet gij gelooven of met liet Wérk der wedergeboorte kan geen begin worden gemaakt. Het komt er niet op aan, boe goed, boe braaf gij geleefd en gehandeld hebt, of g'j de naakten gekleed, de hongerigen gespijsd en of gij uw laatsten cent met de armen gedeeld hebt, gij gaat toch den breeden weg op, die ten \vrderve voert, als gij niet onvoorwaardelijk aan den Bijbel als het geïnspireerde woovd van God gelooft.

Laat mij n het resultaat van uw ongeloof aantoonen. Voor een oogen-blik bevinden wij ons in gedachten op den dag des oordeels en wij luisteren naar het vonnis der aangekomene zielen. De secretaris of degeen, die de krnisvragen doet, vraagt aan de eerste ziel.

Waar komt gij van daan?

Ik kom van de Aarde.

Wie zijt gij?

Ik houd er niet van over mij zeiven te spreken. Ik meen gij kunt het wel in uwe boeken naslaan.

Neen, gij moet zoggen, welk soort van mensch gij waart.

Nu, ik was wat men een „bovenste bestequot; zou kunnen noemen. Ik hield veel van mijne vrouw en kinderen. Mijn huis was mij een hemel op aarde.

Hoe behandeldet gij uw huisgezin ?

Ik zei tegen niemand een onvriendelijk woord en mijne vrouw, noch mijne kinderen heb ik maar voor een oogenblik verdriet veroorzaakt.

Hebt gij uwe schulden betaald?

Ik was bij mijn dood niemand een cent schuldig en liet genoeg na om de begrafeniskosten te betalen en den honger van de deur van mijne dierbaren weg te houden.

Behoordet gij tot een kerkgenootschap?

Neen, zij waren mij te bekrompen, te kleingeestig en te bigot en ik meende nooit gelukkig te kunnen worden, wanneer andere lieden verdoemd werden.

Gelooft gij aan de eeuwige bestraffing?

Neen. Volgens mijn oordeel kan God zijn wraak in veel minder tijd nemen.

Gelooft gij aan de geschiedenis van de rib?

U bedoelt zeker de geschiedenis van Adam en Eva? Om u de oprechte waarheid te zeggen, was dat juist een beetje te veel, dan ik verdragen kon.

Weg dan met hem naar den hel.

De volgende:

ocr page 64

60

Waar komt gij van daan?

Ik kom ook van de aarde.

Behoordet gij aan een Kerkgenootschap '?

Ja mijnheer, — aan de Christelijke Jongelings-Vereeniging.

Wat beroep oefendet gij uit?

Kassier aan de spaarbank.

Gingt gij wel eens met het geld van andoren er van door?

Niemand kon eene getuigenis tegen mij uitbrengen, toen eene aanklacht tegen mij werd ingesteld.

De wet is hier anders. Beantwoord de vraag naar waarheid. Naaint gij wel eens geld mede ?

Ja mij nheer!

Hoeveel ?

Honderdduizend gulden.

Naamt gij nog iets anders behalve dit mede?

Ja mijnheer!

Wat dan?

Ik nam do vrouw van mijn buurman mede — wij zongen beiden bij het koor.

Had gij zelf vrouw en kinderen ?

Ja mijnheer !

En gij liet hen aan hun lot over?

Ja mijnheer, maar mijn vertrouwen op God was zoo groot, dat ik geloofde, dat Hij voor hen wel zou zorgen.

Hebt gij later nog iets van hen vernomen?

Neen, mijnheer.

Gelooft gij aan de geschiedenis van de rib?

Welzeker, mijnheer, van ganseher harte. Het heeft mij dikwijls genoeg gespeten, dat er geen moeielijker verhalen in den Bijbel werden gevonden om mijn overvloed aan geloof te kunnen toonen.

Dus gij gelooft oprecht aan du geschiedenis van den rib?

Ja mijnheer, van ganscher harte.

Geeft hem een harp.

Alhoewel ik zeide, dat God uit de ribbe van Adam eene vrouw maakte, heb ik niet kunnen constateeren, hoe dit proces werd ten uitvoer gebracht, maar wel, dat toen de vrouw klaar was, God haar aan Adam voorstelde. Adam vond haar naar zijn genoegen en zij begonnen in de beroemde Hof van Eden hunne huishouding.

Moeten wij, ten einde goed, braaf, en lief te zijn gelooven, dat God

ocr page 65

Cl

bij de schepping dor vrouw cene'Aygcdachto hadV Moeten wij gelooven, dat Jehovah Adam werkelijk trachtte over te halen eene der lagere diersoorten tot hulpc te nemen? En is het buitendien onmogelijk een eerlijk en gelukkig leven te leiden zonder aan die fabels te gelooven ? Er wordt gezegd, dat God op den berg Sinaï onder bliksem en donder de tien geboden gaf als gids en leiddraad voor hot monschdom — en toch onder deze tien wordt niet gevonden. — Gij zult den Bijbel gelooven.

De Hof.

In het eerste verhaal vertelt men ons; dat God den memch schiep; man en vrouw schiep Hij ze en God zegende hen en zeide tot hen: Weed vrnchthaar en oermenigvuldii/t en vervult de aarde en onderwerpt haar.

In het tweede verhaal wordt slechts de man geschapen en in eenen hof geplaatst; „ow dien te houwen en dien te bewarenquot;. Adam wordt niet gezegd om de aarde aan zich te onderwerpen, maar om een tuin te bouwen en te bewaren.

In het eerste verhaal wordt den mensch elk kruid dat zaad draagt op aarde en de vrucht van eiken boom ten spijze gegeven en in het tweede verhaal slechts de vruchten van alle boomen, die in den Hof waren, met uitzondering van die des booms der kenniase van goed en kwaad, die een doodelijk vergift bevatte.

Tit dezen hof kwam eene rivier, die van daar werd verdeeld en tot vier hoofden werd. De naam van de eerste rivier is de Pison, die het gansche land van Havih'i omloopt, de naam van de tweede rivier is Gihon die het gansche land Cush omloopt, de derde rivier heet Hidde-ke! die naar het oosten van Assur loopt. De vierde rivier is Frath. Waar zijn die rivieren thans V De ontdekkingsprauw heeft elke zee bezocht, de grond van elk klimaat is door den onvermoeiden reiziger betreden, maar de plaats is niet gevonden, waar die vier rivieren ontsprongen. De Frath zendt zijne wateren nog altijd naar den golf, maar waar vinden wij de Pison, Gihon en de machtige Hiddekel ? Wij zouden zeker, de Frath tot zijn oorsprong opvarende, die vier rivieren of hare oude beddingen terug moeten vinden. Iemand, die nog eens „de Dwalingen van Mozesquot; beantwoordt, zou ons misschien kunnen zeggen, waar deze rivieren zijn of waren. De wereld-atlassen zijn zonder deze machtige stroomen onvolledig. Wij hebben de bronnen van den Nijl ontdekt;

ocr page 66

«2

de Noordpool zal wel spoedig bereikt worden, maar die drie rivieren ontspringen nog altijd op onbekende bergen, stroomen nog altijd door onbekende landen en monden nog altijd in onbekende zeeèn uit.

Het bericht van deze rivieren is, wat de Eerw. Heer David Swing eene geograpbisch verdichtsel zou noemen. De ortbodokscbe geestelijkheid bedekt het geheele verhaal met het blanketsel der allegorie, terwijl de wetenschappelijke Christenen van beroeringen, opheffingen, aardbevingen en van verplaatsing der aardkorst spreken.

De vraag die zich hierbij voordoet is deze, waar in de laatste zesduizend jaar zulke verheffingen of verplaatsingen hebben plaats gevonden. Men moge spreken, zooals men verkiest, van uitgebreide scheppings-tijd-perioden, die het bestaan van den mensch voorafgingen, toch is volgens den Bijbel het slechts zesduizend jaar geleden, dat de mensch geschapen werd. Mozes geeft nauwkeurig de geslachtslijsten van Adam tot zijn tijd aan en die kunnen niet weggeredeneerd worden door eeuwen dagen te noemen.

Volgens het tweede verhaal der Schepping werden die vier rivieren na de schepping van den mensch gemaakt en bijgevolg moeten zij door storingen in de Natuur binnen zesduizend jaar verdwenen zijn.

Kunnen wij deze tegenspraak, ongerijmdheid en leugen niet eenvoudiger verklaren en zeggen, dat ofschoon de schrijver zijn best gedaan heeft, hij zich toch vergiste, omdat zijne kennis beperkt was, hij dooide overlevering werd misleid en te onvoorwaardelijk steunde op de juistheid van zijne verbeelding. Is zulk eene gevolgtrekking niet verstandiger dan te beweren, dat die dingen toch waar moeten zijn en dit staande te houden, net alsof de wetenschap geene beteekenis heeft? Kan men een reden opgeven waarom het eten van de vrucht des booms der ken-nisse niet aan den mensch veroorloofd was. Wat voor soort van een boom was het dan wel?

Als alles eene allegorie is, welke waarheid moet dan uit deze mede-deeling gezocht worden?

Waarom zou God er tegen zijn, dat die vrucht door den mensch gegeten werd en waarom plaatste Hij dan dien boom midden in den hof. Er was buiten af toch ruimte genoeg. En was het zijn wensch, dat de mensch van dien boom af moest blijven, waarom bracht Hij mensch en boom dan bij elkaar. En waarom werd de mensch, na gegeten te hebben van dien boom uit den Hof verdreven? Het eenige antwoord waartoe wij het recht hebben, is dat hetwelk in den Bijbel wordt aangegeven: Toen zeide de Heem God: ziet de mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad. Nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke en

ocr page 67

C3

neme nok van den hoorn des levens en eie en leve in eeuwigheid. Zoo verzond hem de Heere God uil den Hof van Eden om dc7i aardbodem te bouwen, waaruit hij yenomen was.

Zal een predikant of iemand anders de goedheid hebben ons te zeggen, wat de bedoeling hiervan is V Of zijn wij verplicht te gelooven, zonder de beteekenis er van te kennen ? Ts het eene openbaring, wat openbaart het dan? Verbied God do opvoeding en is dat dc reden van de vijandige houding, die nog altijd door de theologen tegen do wetenschappelijke waarheid, wordt aangenomen? Was er in den Hof een boom des levens, waarvan het eten Adam en Eva onsterfelijk gemaakt zou hebben ? Is bet waar, dat God, nadat Hij Adam en Eva uit den Hof verdreef, Hij het nog noodig vond tegen het oosten Cherubium en hot vlammend lemmer van een zwaard te plaatsen, dat zich richtte naar elke kant ^om den weg van den boom des levens te bewakenquot;.

Bewaken do Cherubiums en het vlammend lemmer van een zwaard nog altijd den boom of is dio boom verwoest of voedt zijn rottende stam, zooals de Eerw. Heer Robert Collyer opmerkt „een perk boschviooltjesquot;.

Welke roden kan God tegen de onsterfelijkheid der menacheu gehad hebben. Men ziet bovendien dat dit heilig verhaal in plaats van ons de onsterfelijkheid te verzekeren slechts aangeeft hoe wij het verloren. Dat geeft zeker maar weinig troost.

Volgens dit verhaal hebben wij een Eden verloren, maar nergens wordt ons in de Mozaïsche boeken medegedeeld, hoe wij een ander Eden kunnen verdienen. Ik weet wel, dat de Christenen ons vertellen van een ander Eden, waar alle geloovigen ten slotte bij elkaar zullen komen en waar zij de onuitsprekelijke zaligheid zullen genieten om de ongcloovigen in den hel te zien branden; maar zij zeggen ons niet, waar dat Eden is te vinden.

Eenige bijbel uitleggers beweren dat de Hof van Eden zich in do derde hemel bevond, anderen in de vierde; weer anderen hebben het zelfs op de maan; eenigen in de lucht, buiten de aantrekkingskracht der aarde, sommigen op de aarde ; anderen onder eu weer anderen binnen in de aarde; eenigen plaatsten hot op den Noordpool, anderen op de Zuidpool; eenigen in Tartarije, anderen in China; sommigen aan de oevers van den Gang's; eenigen op het eiland Ceylon, anderen in Armenië, in Afrika; sommigen onder den evenaar, anderen in Mesopo-tamiü, in Syrië, in Perzië, in Arabic, Babylon, Assyrië, Palestina en in Europa. Nog anderen namen er genoegen mee, dat het onzichtbaar was; dat het eeue allegorie was en geestelijk moet worden opgevat.

ocr page 68

64

Maar of gij deze verhalen begrijpt of niet, gelooft moeten ze worden. Gij moogt om de bewering op deze aarde, dat God Adam in een diepen slaap liet vallen en uit zijne ribbe eene vrouw maakte, worden uitgelachen, in het volgend hiernamaals zult gij gekroond en verheerlijkt worden. Daar zult gij het genoegen hebben, de lieden, die hier u uitlachten, te hooren huilen. vVijl hot u niet veroorloofd is wraak te nomen, kunt gij slechts glimlachend uwe geheele berusting in den wil van God uitspreken. Maar waar het nieuwe Eden is? Niemand weet het. Het eene was verloren en het andere is nog niet gevonden.

Is het waar, dat de mensch volmaakt zuiver en onschuldig was en dat hij door ongehoorzaamheid bedorven werd'? Neen. Do waarachtige waarheid is en do geschiedenis van den mensch bewijst hot, dat hij vooruit is gegaan. Do gebeurtenissen kunnen evenals d.i slinger van een klok heen en terug gaan, maar do mensch is niettegenstaande even als de wijzers vooruit gegaan. De mensch wordt edeler. Hij ontaardt niet. De monschen falen en sterven om plaats te maken voor hoogere vormen. De verstandelijke horizont van do aarde breidt zich uit, naar gelang de eeuwen voorbij rollen. De idealen worden edeler eu zuiverder, liet verschil tusschen rechtvaardigheid en genade wordt telkens minder; de vrijheid wordt grooter en de liefde duurzamer, naarmate de jaren voorbijvliegen. De eeuwen van geweld en vrees, van wreedheid en onrecht zijn achter ons en hot ware Eden ligt voor ons. Men zegt, de begeerte naar kennis dood ons het Eden van hot veiledene verliezen, maar waar of niet, die begeerte zal ons zeker het Eden der toekomst doen bereiken.

i)c val.

Ons wordt verteld, dat de slang nu listiger was dan al het gedierte des voids, dat zij een buurpraatje kwam maken met Eva, waarin zij hare mecning omtrent het eten van eene zekere vrucht te kennen geeft: zij geeft de verzekering dat ze goed is tot spijs, begeerlijk voor het oog en dat ze wijs kan maken en zij verleidde Eva er oeno van te nemen, dio ook haar echtgenoot overhaalde ze te probeeren, dat God zulks ontdekte, dat Hij de slang vervloekte, haar veroordeelde tot kruipen en tot het eten van stof, dat Hij de moedersmarten der vrouw bij Eva zou vermeerderen, den grond wegens Adam's ongehoorzaamheid ver-

ocr page 69

65

vloekte en veroordeelde om doornen en distelen voort te brengen en den mensoh veroordeelde in het zweet zijns aangezichts het kruid van het veld te eten en den doodsvloek uitsprak: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeerenquot;.

Voorts maakte God rokken van huiden voor Adam en Eva en verdreef Hij ze uit den Hof.

Welnu, wie was deze slang? Dr. Adam Clarck zegt: De slang moet rechtop hebben gegaan. Zij moet ook mot het spraakvermogen en met het vermogen des verstands voorzien zijn geweest. De vrouw had haar zonder twijfel zoo zien loopen, spreken en redeneeren, want zij betuigt volstrekt geene verbazing, als zij haar, in de taal, die de tekst aangeeft, aanspreekt. Daarom komt het mij waarschijnlijk voor, dat hiermede een aap of orang-outang zal bedoeld zijn en dat de Satan zich van dat schepsel bediende om zijne moorddadige plannen tegen het loven van do ziel der menschen, uit te voeren. Hij was in dit schepsel ver borgen en door dat dier verleidde hij onze eerste ouders. Uit den bouw van zijne ledematen en spieren is het duidelijk, dat het beest bestemd was rechtop te gaan en niets dan eene hoogere macht noodzaakt hot zijne handen, die in alle opzichten met die van den mensch overeenkomen, op den grond neder te zetten en zoo te loopen als dieren, wier met klauwen voorziene pooten van zeiven liet bewijs leveren hoe zij moeten gaan. Dc heimelijke slimheid en eindeloozc verscheidenheid van listen en lagen toonen aan dat ze wijzer en verstandiger zijn dan eenig ander schepsel, don mensch uitgezonderd. Genoodzaakt op handen en voeten te gaan en hun voedsel van den grond te nemen, zijn ze letterlijk verplicht stof te eten en ofschoon ze uiterst slim zijn en op verschillende wijzen er voor weten te zorgen dat ze datgene afzonderen, wat gezond en geschikt is tot spijs, hebben ze, wat de zindelijkheid betreft alle zin en rede verloren. Voeg nog hierbij hunne buitengewone tegenzin om rechtop te gaan, waartoe hon te dwingen de grootst mogelijke tucht wordt vereischt, en dat niets hen boozer maakt en hen meer prikkelt, dan zulks te moeten doen. Het langdurig gadeslaan van deze dieren stelt mij in staat deze feiten vasttestellen. Zij hebben, wat betreft eene ernstige en zorgvuldige waakzaamheid, hot schreeuwen en het balibelen met elkaar in de dierenwereld, huns gelijken niet. Inderdaad is het schreeuwen het eenigste, wat zij van hun vroeger spraakvermogen hebben overgehouden, waarvan zij als straf, sedert den val der menschheid schijnen beroofd te zijn.

Hier hebben wij dus de ontbrekende schakel tusschen den mensch en de lagere schepping. De slang was eenvoudig een orang-outang, die

ocr page 70

GG

niet het grootste gemak liet Ilebreeuwsch sprak en het uiterlijk van (Ion mensch had, verleidelijk in manieren, aannemelijk, beleefd en be-wouderenswaardig berekend om te bedriegen. Het kwam mij ook altijd onbegrijpelijk voor, dat een kille, ijzige en antipathetische slang met een appel in den bek, iemand kon bedriegen en verheug ik mij nu te weten, dal degene, die Eva overhaalde van de verbodeno vrucht te proeven, ten minste de gedaante van een mensch be at.

Dr. Henry stemt met de zoologische verklaring van Dr. Clarck niet overeen, maar beweert, dat de boosdoener zeker de duivel was, die Eva als slang verschalkte; bij het begin der schepping was de duivel een engel des lichts en een onmiddellijke dienaar bij den troon van God maar door zonde werd hij een afvallige en stond voorts tegen Gods kroon en waardigheid op. Degene, die onze eerste ouders overviel was zeker de vorst der duivelen in eigen persoon, de hoofdaanvoerder in de samenzwering. De duivel verkoos zijn rol als slang te spelen, omdat deze een schoonschijnend dier is, een bontgevlekte huid bezit en toen rechtop ging. Misschien was het wel een vliegende slang, die als een bode van de bovenwereld, als een seraphijn scheen neder te dalen, omdat de slang een listig dier is. Wat Eva van deze slang, die met haar sprak dacht, kunnen wij niet zeggen en ik geloof dat zij zelf niet wist, wat zij er vim moest denken. Misschien meende zij wel, dat het een goede engel was om later tot de min aangename ontdekking te komen, dat zij zich vergistte. De verleide persoon was eene vrouw, alleen en op een afstand van haar man verwijderd en dicht in de nabijheid van den verbodenen boom. Het was do listigheid van den duivel om het zwakkere vat met zijue bekoringen te overvallen, daar wij ons haar moeten vooratellen als de mindere van Adam, in kennis, kracht en tegenwoordigheid van geest. Eenigen meenen, dat Eva het verbod niet onmiddellijk van God maar uit do tweede hand, van iiaar echtgenoot, had ontvangen en daarom gemakkelijker kon worden overgehaald om eeuig wantrouwen daaromtrent te koesteren. Het was de slimheid van den duivel, haar aantespreken toen zij alleen was. Tevens trok hij er partij van, dat zij zeer nabij de verbodene vrucht stond. God stond don Satan wegens wijze en heilige doeleinden toe, invloed over Eva uit te oefenen. De Satan leert den mensch eerst twijfelen en dan loochenen. Hij maakt eerst twijfelaars en langzamerhand godloochenaars.

Wij kunnen niet anders; wij moeten toegeven dat voor eene vrouw niets aantrekkelijker is dan een slang met rechtopgaande houding en „een bontgevlekte huidquot; of eene met vleugels. Is het niet vernederend te weten, dat onze voorouders zoo iets geloofden. Hoe zullen wij

ocr page 71

67

nu nog van de Danvinische leer der afstamming een afkeer kunnen hebben ?

Onze vaderen meenden dat hot hun plicht was te gelooven; zij meenden, dat het zonde was de minsts twijfel te koesteren en dachten werkelijk, dat hunne goedgeloovigheid God bizonder welgevallig was. Voor hen was de geschiedenis volkomen waar. Zij zagen den hof van Eden, hoorden het murmelen der wateren, roken den geur der bloemen. Zij geloofden dat er een boom bestond, waaraan de kennis evenals pruimen en peren groeide en zij zagen de kronkelende slang tusschen de ruischende bladeren Eva overreden de wetten van God te overtreden.

Waar kwam de slang vandaan? Op welke van de zes dagen werd zij geschapen? Wie maakte haar? Is het zelfs mogelijk dat God zulk een gelukkige mededinger gemaakt zou hebben. God wist toch van te voren, dat Adam en Eva vallen zouden. Hij wist ook welk een invloed eene slang met een bontgevlekt vel, op eene vrouw zonder ondervinding moest hebben. Waarom beschermde Hij zijne kinderen dan niet? Hij wist, dat wanneer de slang in den Hof kwam, Adam en Eva zondigen zouden en dat Hij ze zou moeten wegjagen; Hij wist ook dat de wereld daardoor bedorven zou worden en Hij daarvoor later aan het kruis zou moeten sterven.

Nog eens vraag ik, wat en wie was de slang? Een man was zeniet want slechts één man was er gemaakt. Om dezelfde reden was ze ook geene vrouw. Een gewoon dier was ze niet, omdat ze listiger was dan alle dieren des velds, die de Heere God gemaakt had. Ze was geen visch, geen vogel, geen slang, want, ze bezat spraakvermogen en ze kroop niet eerder op haar buik, dan nadat ze vervloekt was. Waar kwam die slang vandaan? Waarom word zo niet uit den Hof gehouden? Waarom pakte God ze niet bij den staart en waarom hakte Hij ze niet den kop af en waarom Adam en Eva niet voor dien slang beschermd? Zij waren natuurlijk met hunne omgeving onbekend en wisten van de reputatie van den slang niets af en wisten ook niet welk vertrouwen zij onder hare makkers genoot.

Waarschijnlijk heeft Adam ze gezien, toen hij naar „eene hulpequot; rondzag en gaf hij ze een naam, maar Eva had ze nog nooit te voren ontmoet. En toch was ze niet eens verbaasd een slang te hooien praten, ofschoon het de eerste was, die zij ontmoette. Alles was nog nieuw voor haar en haar echtgenoot was juist op dat oogenblik niet bij haar. Het behoeft ons volstrekt niet zoo te verbazen dat zij de vrucht bij wijze van proef probeerde. Nog minder behooren wij ons te verwonderen dat toen zij zag dat de vrucht goed en heerlijk voor het gezicht en

ocr page 72

68

Dovondien eene begeerlijke vrucht was, omdat ze verstandig maakte, de edelmoedigheid had /e met haar man te deelen.

De theologeu heblien (luizende boekdeelon over het misbruik van den slang geschreven, toch schijnt het, dat zij volkomen de waarheid zeide: Men vertelt ons, dat die slang inderdaad de Satan, de grootste vijand van het menschdom was en in het lichaam van den slang kroop, voordat zij aan onze eerste ouders verscheen. Is dat waar, dan begrijp ik niet, waarom de slang vervloekt moest worden. Waarom moest God den slang vervloeken voor hetgeen de duivel deed? Bleef de Satan in het lichaam van de slang en deelde zij op geheimzinnige wijze in de opgelegde straf? Is het waar, dat men eene slang doodende, tegelijkertijd een boozen geest vernietigt of was er maar één duivel en stierf deze bij den dood van de eerste slang? Is het om die reden, om de uitzetting onzer voorouders uit het paradijs, dat alle afstammelingen van Adam en Eva, als Joden en Christenen bekend, oen afkeer van de slangen hebben ? En schrijft men de slangen-aanbidding in Mexico, Afrika en Indië aan eene soortgelijke reden toe? Do vraag is, hoe de slang er uitzag toen zij den Hof binnentrad en hoe zij zich bewoog? Liep zij rechtop of vloog zij ? Kruipen deed ze zekerlijk niet, want deze manier van voortbewegen werd als een vloek over haar uitsproken. Welk voedsel nuttigde zij voor haar gesprek met Eva? Wij weten wel, dat zij daarna stof moest eten, maar wat at zij voor dien tijd ? Het is mogelijk, dat het geheele verhaal een verdichtsel is, en het beste verdichtsel is volgens den „Toetssteenquot; het meest verzonnene.

In hetzelfde hoofdstuk vernemen wij nog dat God voor Adam alsook voor zijne vrouw, rokken van vellen maakte en hen die aantrok. Waar kreeg God die vellen vandaan? Nam Hij ze van de dieren, dan was Hij een slachter. Waren ze gelooid, dan was Hij leerlooier. Waren de rokken gemaakt en genaaid, dan was Hij kleermaker. Hoe kwam het, dat zij nu rokken van vellen noodig hadden, terwijl eene naakte toestand nog even te voren geheel behoorlijk en volkomen passend was. Had do zonde het klimaat op eens veranderd?

Toch moeien wij het verhaal gelooven, als men hier en hiernamaals gelukkig wil worden. Dient zulks om het menschdom op te heffen, als men van God als slachter, leerlooier en kleermaker spreekt?

Thans wensch ik u te zeggen, dat wanneer ik van God spreek, ik hiermede het wezen bedoel, dat door Mo/es als de Jehovah der Joden omschreven is. Er moge buiten mijn weten in do onbekende grenzen-looze oneindigheden oen wezen bestaan, maar van dit wezen, indien het bestaat, kan ik niets anders zeggen, dan dat Het geene boeken schreef,

ocr page 73

69

geen barbaren inspireerde, geen aanbidding verlangt en geen hel liccFt gemaakt om degene, die eerlijk naar waarheid zoekt, daarin te latm verbranden.

Derhalve spreek ik dus van God, dan bedoel ik die God, die den mensch tegenhoudt zijne handen uit te strekken naar de vrucht van den boom des levens en die bevreesd is, dat de mensch eeuwig leve: van dien God, die de smarten der vrouw verhoogde, het moeizame werk van den mensch vermeerderde en in zijn toorn een wereld liet verdrinken, van dien God, wiens altaren van mensohenbloed rookten, die kinderen liet slachten, vrouwen liet schenden, de mensehen tot slaven van anderen liet maken en de aarde mot wreedheden en misdaden deed vullen, van dien God, die voor de weinige uitverkorenen een hemel en voor de menigte een hel maakte en die van eeuwigheid tot eeuwigheid zit te staren naar de kwellingen der verlorenen en verdoemden.

Nattig hrid.

En het geschiedde als de menschen op dm aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden. Dut Gods zonen, de doclt-teren der menschen aanzagen, dat zij schoon Karen en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Toen zeide de Heer: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig Jaren, la die dagen waren er reuzen op de aarde en ook daarna, als Gods zonen tot de dochter en der menschen ingegaan waren en zich kinderen gewonnen htidden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. En de. lieer zag, dat de boosheid des menschen menigvuldig teas op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was 'toen berouwde het den lieere, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had en het smartte Hem aan zijn harte. En de Heer zeide: Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat ik hen gemaakt heb.

Volgens dit verhaal is het duidelijk, dat de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs niet die uitwerking had dat zij en hunne afstammelingen zich verbeterden. Integendeel, zij werden hoe langer hoe slechter. Zij waren wol onder het onmiddellijk bestuur eu de onmiddellijko

ocr page 74

70

lieerscliapplj van God, die tasschenbeiden zijn wil bekend maakte, maar desniettemin gingen de mengchcn voort allerlei boosheden te doen. Voel bizonders werd er ook niet gedaan om zulks te voorkomen, fteene scholen wei-dun er gebouwd. De Bijbel was nog niet geschreven. Een geschreven taal bestond er nog niet. Het ontwerp der Zaligmaking was nog een diep geheim. Omtrent de vijf hoofdpunten van het Calvinisme werd nog niet onderwezen. Zo.idagsoholen waren nog niet geopend. Voor de veredeling van de aarde werd in één woord niets gedaan. God bield zijne eigene zonen niet eens timis, maar stond toe, dat zij hun woonplaats verlieten en liefdesbetrekkingen met de dochteren der men-schen aanknoopten. Het resultaat daarvan was, dat do aarde zoo vol boosheid werd en dat er reuzen ontstonden, zoodat God berouw kreeg, de menschen op de aarde gemaakt te hebben en het smartte Hem aan zijn harte.

Natuurlijk wist God, toen Hij de menschen maakte, dat Hij er later spijl van zou hebben. Hij wist immers, dat die lieden altijd slechter moesten worden en het eenigste geneesmiddel eene totale verdelging zou moeten zijn. Hij wist, dat Hij iedereen, behalve Noach en zijne familie zou moeten laten omkomen en daarom is het zeer moeilijk te begrijpen waarom Hij Noach en zijn huisgezin niet het eerst maakte en Adam en Eva maar „stof had laten blijven. Hij wist, dat zijdoorden slang zouden worden verleid en dat Hij ze uit het Paradijs zou moeten verdrijven, om ze te beletten van den boom des levens te eten. Hij wist, dat alles verkeerd zou gaan, dat de Satan zijn dwarsdrijverij zou doorzetten; dat Hij bet volk toch niet hervormen kon; dat zijne eigene zonen tot de bederving der menschen zouden medewerken en dat Hij ten slotte de geheele aarde behalve Noach en zijn gezin zou moeten verdrinken. Om welke reden is de Hof van Eden dan gemaakt? Waarom werd die proef genomen ? Waarom werden Adam en Eva aan de verleidende kunstgrepen van de slang blootgesteld? Waarom wachtte God tot de koelte van den avond, om naar zijne kinderen om te zien ? Waarom was Hij overdag niet bij de hand? Waarom vulde Hij de wereld ook nog met zijne eigene kinderen, nu hij wist dat Hij ze toch zou moeten verdelgen. En waarom leert diezelfde God, hoe ik mijne kinderen moet opvoeden? — Hij, die zijne eigene kinderen wegens hunne boosheid liet verdrinken.

Opmerkelijk is het, dat als God de voorwereld wenschte te hervormen, Hij niets van een hel vertelde, dat Hij geen revivals (opwekkingen tot een beter leven) geen kampmeetings, geen uitdeeling van traktaatjes, geen uitstorting van de Heilige Geest, geeu doop en geeue

ocr page 75

71

aVondgebedon instelde cn nooit iets mededeelde van liet groote leerstuk: van de Zaligmaking door hot geloof. Wanneer de orthodoksohen gelijk hebben, gingen alle menschen naar den hel, zonder er ooit iets van vernomen te hebben, dat die strafplaats bestond. Is do eeuwige kwelling een feit, dan had Hij die onnoozele schelmen toch moeten waarschuwen. Zij werden met water gedreigd en toch werden ze tot het eeuwige vuur gedoemd.

Is het niet vreemd, dat God aan Adam en Eva^nieta omtrent hun toekomstig leven vertelde, dat hij deze „oneindige waarhedenquot; voor zich zelt' behield en millioenen menschen liet leven cn sterven zonder hoop op een hemel en zondT vrees voor een hel. Het is mogelijk, dat de hel toen nog niet gemaakt was en derhalve niet bestond. In de zes dagen van de Schepping werd niets omtrent den bouw van eene bodem-looze diepte gezegd en ook de slang kwam niet eerder te voorschijn, dan tuY de schepping van man en vrouw. Misschien word zij wel op den eersten Zondag (rustdag) gemaakt cn van daar het couplet

En Satan nog altijd boosheid.

Vindt voor leege hand te doen.

De heilige geschiedschrijver vergat ook te zeggen, wanneer Cheru-bium en het vlammend lemmer van een zwaard gemaakt werden en hij zegt ook niets omtrent de twee personen, die de Drie eenigheid moeten samenstellen. Het ware gemakkelijker geweest Adam en zijne onmiddc-lijke afstammelingen te verlichten. Do wereld was toen nog maar onge veer 1536 jaar oud en drie generation hadden er nog maar geleefd. Adam was G06 jaar geleden gestorven en cenigo van zijne kleinkinderen zullen nog wel in leven zijn geweest. Moeilijk is het te begrijpen, waarom God die menschen zelf niet beschaafde. Hij had daartoe toch alle macht en wijsheid en was in staat do noodige middelen daartoe te beramen. Om welke roden moest God eerst de wereld mot booze geesten vullen. Is dat goedheid? Waarom moest Hij proeven nemen Hij, die wist, dat ze niets zouden baten. Is dat wijsheid? Volgons Mozes had God besloten niet alleen dc menschen maar ook al het gedierte, het kruipend gedierte zoowel als het gevogelte des hemels, te verdelgen. Wat hebben de dieren, dat kruipend gedierte en dat gevogelte gedaan, om Gods toorn op wekken? Wat was de reden, dat God berouw had, dat Hij ze gemaakt had? Kan een Christen ons hiervan opheldering geven. Een gewoon mensch zal een dier nooit zonder reden pijn veroorzaken, hoe kunnen wij dan een God aanbidden, die de smarten dor redelooze dieren, die Hij gemaakt hooft, niet telt? Hij wist vooruit dat Hij de diereu

ocr page 76

'72

ion verdelgen, waarom heeft Hij ze clan gemaakt? Schept God in bet veroorzaken van nuttelooze pijn een behagen? Hij had de macht alle dieren, het kruipend gedierte en liet gevogelte op zijn tijd en op zijn maniei temaken en wij kunnen niet anders veronderstellen , dan dat Hij ze geheel naar zijn zin maakte. Hij zag, dat ze goed waren. Waarom moest Hij ze dan verdelgen? Zij hadden toch geen zonde begaan. Zij hadden van de verbodene vrucht niet gegeten, zij hadden geen voorschortjes van vijge-bladeren voorgedaan, zij hadden zelfs niet getracht den boom des levens aan te raken. Toch verwoestte deze God in zijne om echt vaar.ligen toorn al het vlcesch, waarin de adem des levens ging zoowel wat er leefde boven als wat er leefde beneden den hemel en alle dieren, waarin leven was, die Hij gemaakt had.

Nadat Jehovah vast besloten was de aarde te laten verdrinken, beval Hij Noach een ark van gofer hout, 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog te bouwen. Deze ark had drie verdiepingen en van boven een venster van een el groot. Jehovah schijnt op ventilatie niet erg gesteld te zijn geweest, want stel u een schip voor, grooter dan het grootste stoomschip, met slechts één venster van oen el groot. quot;De ark had nog een deur aan de zijkant, met eene sluiting van buiten. Zoodra het schip klaar was en goed geproviandeerd kreeg Noach nog zeven dagen tijd om de dieren in de ark te brengen.

Eenige wetenschappelijke theologen willen beweren dat de zondvloed slechts plaatselijk was, dat bijgevolg de wateren maar eon klein gedeelte der aarde bedekten en dat er daarom maar weinig dieren in den ark behoefden medegenomen te worden. Doch het is niet mogelijk de uitspraak, die zoo duidelijk het denkbeeld van een algemeenen vlood in het geïnspireerde verhaal aangeeft, anders uit te leggen. Was de vloed slechts plaatselijk, waarom zegt God dan, dat Hij al het vleesch zal verdelgen waarin een geest des levens is zoowel onder den hemel als op de aarde? Zou een gedeeltelijke, een plaatselijke vloed deze bedreigingen ten uitvoer hebben kunnen brengen? Niets kan do bedoeling van den schrijver van dit verhaal duidelijker doen uitkomen, en die bedoeling is dat de zondvloed algemeen was. Waarom willen de christenen God den roem ontnemen van een der verbazendste wonderen te hebben verricht? Zou de Almachtige met zijne golven deze atoom. Aarde genoemd, niet geheel en al overstroomen kunnen? Betwijfelt men zijne macht, zijne wijsheid en zijne rechtvaardigheid?

Wie aan wonderen gelcoft, doet beter ze niet te verklaren. Om ze te verklaren zou er maar één middel zijn en dat ia, zo aan natuurlijke werkingen toe te schrijven. Zoodra men een wonder vorklaren kan, is

ocr page 77

n

quot;het goen wonder meer. Men moet dc verklaring dus achterwege laten en toestemmen, dat het zoo geschiedde. Men behoeft zich niet uit het veld te laten slaan, als men bewijst, dat het wonder onb-grijpelijk was. Daarop kan men antwoorden, dat alle wonderen onbegrijjwlijk zijn. Ook behoeft men niet ontmoedigd te worden, zelfs al toonde men u de onmogelijkheid van het wonder aan; want het mogelijke is immers geen wonder meer. Men moet de rede begrijpen, dat indien de wonderen begrijpelijk en mogelijk waren, er geene belooiiing uitgekeerd behoefde te worden ze te gelooven. De ware christen is fatsoenlijk genoeg „te geloovenquot;, terwijl de zondaar naar „bewijzenquot; vraagt. God heeft met het doen van wonderen al genoeg gedaan-, Hij is niet geroepen ze ten nutte van ongeloovigen nog nader te verklaren.

Voor eenige jaren werd elk wonderverhaal, dat in den Bijbel voorkwam letterlijk geloofd. Mocht iemand een wonder op natuurlijke wijze willen verklaren, dan was reeds een verkapte ongoloovige, tiians zou hij een weldoener zijn. De geloovigheid der kerk is aan het tanen en de merkwaardigste wonderen moeten nu of verklaard worden of men verschuilt zich achter de fouten van de vertalers, of men wikkelt ze in het omhulsel der allegorie.

In het zesde Hoofdstuk wordt Noach bevolen :

.£Vi (/ij zult vuu al wat leeft, van alle vleesch twee van elk doen in de ark l'omen om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn. In hot zevende Hoofdstuk wordt het bevel veranderd en wordt Noacli volgens de Protestantsche Bijbel bevolen als volgt:

Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het ■mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje. Ook volgens de Katholieke bijbel werd Noach bevolen: Van alle reine Leesten zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje, maar van het vee, dat niet rein is twee, het mannetje en zijn wijfje Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje.

Teneinde het wonder nog eenigszins te verkleinen, hebben sommige Bijbeluitleggers beweerd, dat Noach niet bevolen werd zeven mannelijke en zeven vrouwelijke reine dieren, maar zeven dieren in het geheel, te nemen. Er zijn dus Christenen die reeds tevreden zijn dat er zeven reine dieren of SJ- van ieder geslacht in den ark werden genomen.

Heeft het zevende hoofdstuk eene beteekenis, dan beteekent het ten eerste dat van iedere soort der reine dieren 14 stuks moest worden genomen, teweten 7 mannelijke en zeven vrouwelijke dieren, ten tweede dat van de onreine dieren van iedere soort twee van elk, één van ieder

ocr page 78

74

geslacht; en ten derde, dat van alle vogela zeven van elk geslacht moest worden genomen. Eveneens ia het daidelijb, dat volgena het bevel in het 19de en 203te vera van het 6de hoofdatuk maar twee, (één mannelijke en één vrouwelijke) meegenomen behoefde te worden, wat preciea met het bericht in het 7de, Sste, 9de, 14de, 15de en ICde vera van het 7de hoofdatuk overeenstemt.

De volgende vraag ia, hoevele beesten, vogels en kruipend gedierte Noach in den ark medenam ?

Er zijn thans tenminate 12500 soorten vogels bekend en geclaasifi-ceerd. Buitendien zijn nog geheele uitgestrekte territoriën in China, Zuid-Amerika en Afrika die op dit gebied nog niet onderzocht zijn.

Nam Mozea nu 14 atuks van elke soort volgens het 3de vers van het zevende hoofdstuk mede, dan waren er minstens 175.000 vogels benoodigd.

Ik moet hier nog eena terugkomen op hetgeen ik vroeger vermeld heb, dat de zondvloed niet eene gedeeltelijke geweest kan zijn, want in dat geval, ware het niet noodig geweest de vogela in den ark mede te nemen. Vogels, die hunne bezigheden nauwkeurig verstaan, zouden volgena mijne meening aan eene lokale overstrooming kunnen ontsnappen.

Er zijn tenminste 1658 aoorten van dieren. Rekent men maar 25 reine soorten dan levert 14 van elke soort 350 stuka. Twee stuks van de onreine dieren bedraagt 3266 stuka. Er bestaan ongeveer 650 soorten kruipende dieren. Hiervan twee van elke soort bedraagt 1800 stuks. Ten slotte bestaan er van de insecten met inbegrip van de kruipende dieren 1.000000 soorten, zoodat Noach en zijne helpers 2.000000 stuks voor de ark bij elkander moesten vangen. Infusorièn laten wij maar buiten berekening, er zijn waarschijnlijk eeuige honderdduizend soorten ; vele daarvan zijn onzichtbaar en toch heeft Noach ze bij paren bij elkander moeten zoeken. Zeer weinig menschen hebben een goed begrip van de moeite, die Noach zich heeft moeten getroosten.

Daar komt nog bij, dat er vele dieren zijn, die in de oude wereld niet voorkomen. Toch heeft hij ze naar den ark moeten brengen en later weder terugvoeren. Werd de bizondere dierenwereld van Amerika naar Azië door engelen overgebracht. Hoe kwamen ze daar dan anders ? Verliet de ijsbeer zijne ijsvelden en begaf hij zich uit eigen beweging naar de Tropen. Wist het dier, waar de ark zich bevond ? Daar hebben wij de kangaroe, liep, zwom of sprong ze van Australië naar Azië? Trokken de giraffe, het nijldier, de antilope en de orang-outang uit Afrika om de arke op te zoeken ? Kan de reeks dier onzinnigheden nog verder gaan dan deze? Wat hadden deze dieren op hun heenreis

ocr page 79

Y5

te eten? Wat aten en wat dronken zij in den ark? Toen de regctt viel stroomden de rivieren in de zeeën en deze zeeën st gen zoodanig, dat zij ten slotte de aarde oveistroomden. De wateren i!,t zeeën vermengden zich met dien van den vloed en maakte al li I water zout. Om de aarde te overstroomen heeft men berekend, dat ii;cn acht maal meer water dan het tegenwoordige water der zeeën noodig zou hebben.

Dus hoe zout het water werd, is gemakkelijk te berekenen: men neme 8 deelen gewoon water en voege er één deel zeewater bij. Zulk water verwekt dorst, in plaats die te lesschen. Noach had dus voor allo dieren versch water mede te nemen. Ook moest hij eveneens geschikt voeder voor elke soort mede nemen. Het verblijf in den ark duurde driehonderd zeven en zeventig dagen. Berekent uerst bet voeder voor de monsters der voorwereld benoodigd. Acht personen deden al het werk en voorzagen in de 'behoeften van 175000 vogels, 3G1G dieren, 1300 slangen en 2.000000 insecten en dan laten wij de tallooze infusoriën maar buiten berekening.

Nadat alles in orde was, deed Noach het venster toe, God sloot de deur van buiten en het begon te regenen. Het regende 40 dagen. Het water steeg ongeveer 5| mijl. Hoeveel regen viel er per dag? Genoeg om de aarde met eene hoogte van 742 voet te bedekken. Eenige christenen beweren, dat alle bronnen uit de groote diepten opborrelden. Als zij nu maar zoo beleefd waren te verklaren, wat zij met die bronnen der groote diepten bedoelen? Andere moenen dat God groote massa's water in het binnenste der aarde bezat en die bij deze gelegenheid gebruikte. Hoe kon dat water nu naar boven stroomen?

Lezers, sta mij toe u te zeggen, dat men zulke dingen niet moet verklaren. Elke poging in die richting is nutteloos en uwe verklaringen zijn moeilijker te gelooven dan het wonder zelf. Volgt mijn raad, staakt de uitlegging en verklaart niets.

Thans verheft de Dhawalagiri zijn sneeuwkruin 29000 voet boven het oppervlak der zee en op de wolkenlooze klippen van de Chimbo-rasaa zat toen do Condor evenals nu en de watereu stegen 72G voet per dag, 30 voet per uur, G duim per minuut, ze stegen over de heuvelen, over de vuurspuwende bergen, vulden de uitgestrekte kraters, bluschten de vuren en stegen over alle bergtoppen zoolang totdat de geheele aarde in een oeverlooze zee, waarin tallooze wezens verdronken, herschapen was.

Was dit het werk van een liefderijken God, onzer aller vader? Als er een God bestaat, zou men dan gevaar kunnen loopen zijn misnoegen op te wekken, als men op de e^rbiedigsto wijze aan de waarheid

ocr page 80

76

van zulk een wrecden leugen ging twijfelen? Als wij ons God voorstellen barmhartiger dan Hij werkelijk is, moeten onze arme zielen daarvoor dan verbrand worden?

Hoeveel boomen zijn er, die gedurende een jaar onder water van mijlen hoogte, kunnen blijven doorgroeien ? Wat werd er van de losgeweekte, verspreide aarde, bedekt als het ware met de overblijfselen eener vergane wereld? Hoe werden de zwakkere planten bewaard ? Hoe moesten de dieren bij hun vertrek uit de ark verzorgd worden. Gras was er niet en ook geen beesten meer om door de verscheurende dieren verslonden te worden? Wat gebeurde er met de vogels, die zich met wormen en insekten voeden? Wat met do vogels, die andere vogels verslinden? Wij vestigen uwe aandacht op den druk van het water op het hoogste zondvloedpijl — zegge 29000 voet — dat ongeveer 800 ton per vierkante voet bedraagt. Onder zulk een druk stikt elk beginsel van een plantaardig leven, zoodat toen do dieren de ark verlieten er niet het minste voedsel meer op de aarde was. Hoe moesten de dieren onderhouden worden tot dat er weer gras bestond? Welke zorgen nam men voor de roofdieren, die van andere dieren leven? Waar haalden de bijen de honig en de mieren de zaden? Op de aarde was geen kruipend dier meer, onder den hemel geen levend wezen meer. Van waar ontvingen de reizigers van den ark het voedsel ?

Is de geschiedenis echt, dan is er maar één antwoord. Het voedsel in den ark opgestapeld, moet niet alleen gedurende het jaar van de zondvloed voldoende zijn geweest, maar bovendien ook nog voor eenige maanden later. Algemeen neemt men aan, dat een dier gedurende een jaar 8 maal zijn gewicht aan voedsel noodig Leeft. Noach had zich gedurende een jaar van spijs en drank te voorzien en voor nog zes maanden toen ze aan land kwamen. Voor een paar olifanten bedraagt zulks circa 150 ton voeder en drank. Een paar mammouths hadden twee maal meer noodig. Er waren nog andere monsters, die van boomen leefden en die in een jaar een geheel bosch verslonden zouden hebben. Hoe hebben 8 personen dit kunnen uitdeelen, al was de ark zelfs groot genoeg om alles te bergen? Wij weten, hoe het er met de ventilatie uitzag, maar niet wat met de uitwerpselen gedaan werd ? Hoe de dieren van water werden voorzien ? Evenmin hoe enkele gedeelten van den ark voor de tropische dieren werden verwarmd en andere, voor den ijsbeer b.v., koel werden gehouden. Hoe gingen de dieren naar hunne respectieve landen terug? Sommigen moesten 6000 mijlen terugkruipen en kwamen slechts eenige voeten per dag vooruit. Er bestaan kruipende dieren, die, wanneer ze naar den ark vertrokken op het oogenblik dat

ocr page 81

77

ze geboren werden, 1000 jaw stevig door moesten kruipen om hunne bestemming te bereiken. Berekent men dit b.v. van een paar slakken, die in de tegenovergestelde richting de ark verlieten en naar do vlakten van Shinair reisden, een afstand van circa 12000 mijlen. Avanceerden zij een mijl per maand, dan hadden zij 1000 jaar voor hunne reis noo-dig. Usbeeren moesten verscheidene duizende mijlen afleggen, en eene zoo plotselinge verandering van klimaat moet voor hunne gezondheid zeer nadeelig geweest zijn. Hoe wisten ze buitendien den weg? Er waren maar twee beeren noodig, en wie koos die twee uit? Boekdeelen zou men met de dolste onzinnigheden van deze ongeloofwaardige, boosaardige en dwaze fabel kunnen volschrijven. Ik voor mij sta verbaasd, hoe een verstandig mensch dit verhaal slechts een oogenblik heeft kunnen gelooven.

Dr. Adam Clarck zegt dat de dieren door Gods macht naar den ark geleid werden en dat hunne bizondere eigenaardigheden tijdelijk werden opgeheven, zoodat de wolf in vrede met het lam kon huizen en de leeuw zich in vrede naast een veulen kon nederleggen. Bovendien bestaat geen positief bewijs, dat dierlijk voedsel ooit vóór den zondvloed genuttigd werd. Noach kreeg daartoe niet eerder permissie dan nk de zondvloed.

Dr. Scott merkt op : Er schijnt een buitengewoon wonder, waarschijnlijk door medewerking der engelen, met het brengen van twee dieren van elke soort naar de ark te hebben plaats gehad en ze onderdanig en vreedzaam met elkander te maken. Toch schijnt dit geen indruk op de verstokte toeschouwers te hebben gemaakt. De opheffing van de wildheid der verscheurende dieren, gedurende hun verblijf in de ark, wordt algemeen als een geschikt beeld beschouwd voor de verandering, die er in de stemming der zondaren plaats vind, zoodra zij de ware kerk van Christus binnentreden.

Hij geloofde dus dat de zondvloed algemeen was. In zijne dagen had de wetenschap de onzinnigheid van dit geloof nog niet aangetoond en hij was niet verplicht tot eene theorie zijn toevlucht te nemen, die niet in den Bijbel gevonden wordt. Hij hield vol, dat het binnenste der aarde door eene kolossale samenpersing gedwongen werd naar boven op te bruischen en in de gedaante van regen, als watervallen gedurende 40 dagen en nachten zonder ophouden weder naar beneden te stroomen, zoodat op elke plaats der aarde een zondvloed plaats vond.

De tegenwoordigheid van God was de oenige troost, die Noach in zijne droevige omstandigheden had als getuige van de vreeselijke verwoesting der aarde en haar bewoners, en hoofdzakelijk van die liedenj

ocr page 82

78

die zijne makkers, buren en familie geweest waren — vooral degenen voor wien hij gepredikt en gebeden en over wien hij geweend had en van wien zelfs enkelen hem met het bouwen van de ark geholpen hadden. Het blijkt, dat door eene bizondere tusschenkorast van de Voorzienigheid geen enkel dier van elke soort stierf, ofschoon ze gedurende een jaar in de ark waren opgesloten, evenmin schijnt in dien tijd eene vermeerdering te hebben plaats gehad.

De ark had een vlakken bodem, vierkant aan elke kant en met een dak evenals een huis, zoodat liet boven in een top met eene breedte van een el eindigde. liet was in kleine hokken voor de verschillende dieren veideeld. Van binnen en van buiten was het bepekt om het dicht en droog te houden en van boven werd het verlicht. Op het eerste gezicht is het echter duidelijk dat een zoo groot schip en op deze wijze gebouwd, met zoo weinig bemanning aan boord, voor het weer van buiten geheel ongeschikt is, indien de Almachtige de onmiddellijke leiding eu bescherming van het schip niet op zich hadde genomen.

Ds. Henry verrijkte de Christenwereld met het hiervolgende stuk: „Evenals er in onze lichamen zich luimen bevinden, die, wanneer God het wil, de bronnen en kiemen van doodelijke ziekten worden, zoo had de aarde in haar binnenste die wateren, die op Gods bevel opborrelden en tot de zondvloed medewerkten. God maakte de wereld in zes dagen doch 40 dagen waren er noodig om ze te verwoesten; dat komt omdat God in zijn toorn langzaam is. De vijandelijkheden der dieion hielden in de ark op, zoodat zelfs de verscheurende dieren zacht en handelbaar werden. Een wolf lag naast het lam neder en de leeuw at stroo evenals de os. God sloot de deur van de ark van buiten dicht om Noach de verzekering te geven, dat Hij hem beveiligde en tevens omdat het noodig was, dat de deur goed gesloten werd opdat er geen water in de ark kon dringen en deze zou zinken. Voorts moest het sluiten zeer vlug geschieden opdat door anderen de deur niet zou worden opengebroken. De wateren stegen zoo hoog, dat niet alleen de vlakke landen, maar ook de toppen der bergen nog 15 el werden overstroomd om geheel zeker te zijn, dat niemand zou kunnen ontsnappen en niemand op heuvels of bergen eene schuilplaats zoude vinden. Misschien hebben wel eenige der ongelukkigen het bovenste gedeelte van de ark bereikt en gehoopt daar redding te vinden, maar zij vergingen of door den honger, wegens gebrek aan voedsel of ze werden door den slagregen er af gespoeld. Anderen hebben Noach misschien als oude kennis aangesproken en vergunning gevraagd in den ark te komen: „Hebben wij uiet met elkaar gegeten en gedronken en hebt gij niet in onze straten gepredikt?quot;

ocr page 83

79

„Welzekerquot;, zeide Noach, „vaak genoeg, maar zonder eenig resultaat. Ik riep, maar gij hebt geweigerd te hooren en thans ben ik niet in staat u te helpen want God heeft de deur gesloten en ik kan ze niet openen.quot; Wij mogen aannemen dat eenige der ongelukkigen die in de zondvloed omkwamen Noach hadden geholpen, of door hem gebruikt waren de ark te bouwenquot;.

Tot nu toe mochten de menschen zich slechts met de produkten der aarde voeden. Vruchten, kruiden en wortels en allerlei groenten en melk was hun het eerst als voedsel toegestaan, maar daar de zondvloed misschien alle vruchten der aarde had weggespoeld of ze minder aangenaam en voedend had gemaakt, werd deze vergunning door God uitgebreid en stond Hij hen voortaan toe ook vleesch te eten, waaraan zij tot nu toe niet ha Iden gedacht, totdat God hen daarop opmerkzaam maakte. Misschien hielden zij vroeger niet van vleesch, evenmin als het schaap van bloed houdt, maar thans werd de mensch het vleesch als voedsel toegestaan even vrij en veilig als voorheen het „groene kruidquot;. Zulk eone vernederende invloed heeft een geloof aan al te letterlijke waarheid van den bijbel op deze lieden, zoodat hunne verklaringen vol van zulke bladzijden zijn, die geheel getuigen van gebrek aan gezond verstand.

Dr. Clark sprekende over de mamraouth zegt verder; „Dit dier was een verbazend bewijs van Gods macht; Hij schijnt het slechts te hebben voortgebracht om te toonen, wat hij vermocht. En na eenige van deze dieren te hebben laten voorttelen, roeide Hij als een liefderijke Voorzienigheid dat ras uit, opdat zij mensch en dier niet zouden vernietigen.

Men vertelt ons, dat het voor God veel gemakkelijker geweest ware alle menschen te vernietigen en weder nieuwe te maken, maar God wenschte niets te verspillen en geene macht en bekwaamheid ten toon te spreiden, wanneer daartoe geen noodzakelijkheid bestondquot;.

Door Gods macht werden de dieren naar de ark gebracht. Alweder, lezers, waarschuw ik u voor het gevaar een wonder te verklaren. Laat zulks achterwege. Beweer liever, dat gij het niet begrijpt en wacht tot het in de scholen van Nieuw-Jeruzalem onderwezen wordt. Hoe meer motieven gij opwerpt hoe onbegrijpelijker het wonder u zal toeschijnen. Door hetgeen gij ter verdediging daarvoor aanvoert, brengt gij de menschen tot nadenken en zoodra zij werkelijk denken, wordt het wonder als onbestaanbaar, verworpen.

Bij hot domste volk zult gij de meeste wonderen vinden, bij het verstandigste de minste. Het gaat met de individuen als met de volkeren. Onwetendheid gelooft — verstand onderzoekt en verklaart.

Ongeveer zeven maanden dreef dc ark met hare lading menschen en

ocr page 84

so

dieren en insecten zonder roer of zeil op eene grenzenlooze zee. Ten slotte bleef zij op den berg Arrarat zitten en ongeveer drie maanden later werden de toppen der bergen weder zichtbaar. Men moet niet vergeten, dat die berg ongeveer 17000 voet hoog was.

Hoe werden de dieren der tropen warm gehouden? Want bij het verminderen der wateren moet het op eene hoogte van 17000 voet boven de oppervlakte der zee verbazend koud zijn geweest. Het is mogelijk dat er voldoende kachels, fornuizen en verwarmingstoestellen in de ark aanwezig waren, maar in het geïnspireerde verhaal wordt hiervan niets vermeld. Hoe werden de dieren voor bevriezen gevrijwaard ? Het beteekent zeer weinig, wanneer men daarvoor aanhaalt dat de Ararat niet zoo buitengewoon hoog was.

Leest men het vierde en vijfde vers van het achtste hoofdstuk, dan zal men bemerken, dat ofschoon; „de ark in de zevende maand op de zeventiende dag op de bergen van Arrarat rustte, het niet voor den eersten dag van de tiende maand was, dat de toppen dor bergen zichtbaar werden. Hieruit blijkt, dat de ark ongetwijfeld op de hoogste punt van den berg gerust moet hebben. Noach wachtte nog 40 dagen en opende toen voor het eerst het venster en schepte weder eens wat fris-sche lucht. Hij liet eerst een raaf uitvliegen, die niet terugkwam, vervolgens een duif, die wel terugkeerde. Hij wachtte nog zeven dagen en liet wederom een duif vliegen, die niet terugkeerde en daaraan zag hij, dat het water verdwenen was. Kon hij op geen andere wijze zien, dat het water weg was? Zou men een kinderachtiger manier kunnen bedenken om zich te overtuigen of de grond al of niet droog was.

Eindelijk ontsloot Noach de ark, zag en aanschouwde dat de aarde weder droog was geworden en God gelastte hem zich te ontschepen. Uit dankbaarheid bouwde Noach een altaar en nam hij van al het reine vee en van al het rein gevogelte en offerde brandolferen op dat altaar. En de Heer rook dien liefelijken reuk en zeide in zijn hart: dat hij voortaan den aardbodem niet meer vervloeken zou om des menschen wil, xoant hel gedicMsd van 's menschen harte is boos van zijne jeugd af.

God verdelgde den mensch omdat de boosheid van don mensch menigvuldig was op de aarde en omdat al Jiet gedichtsél der gedachten zijns harten te allen dagen alleenlijk boos was. En om dezelfde reden beloofde God hem niet weder te zullen verdelgen. quot;Welke bekwame theoloog zou ons dit kunnen verklaren?

Nadat God de liefelijke geur van de offerande geroken had, schijnt Hij ook een ander denkbeeld omtrent een beter passend voedsel voor den mensch te hebben gekregen. Bij de Schepping van Adam en Eva

ocr page 85

81

mochten zij zaaddragende kruiden en vruchten der boomen eten. Bij de verdrijving van hen uit het Paradijs, zeide God tot hen : Gij zult het kruid des voids eten. In het eerste hoofdstuk van Genesis werd „het groene kruidquot; aan de dieren, vogels, en het kruipend gedierte gegeven. Adam en Eva werden dus bij de verjaging uit den Hof van Eden met de lagere diersoorten op hetzelfde diëet gesteld. De wereldbewoners van voor den zondvloed waren dientengevolge vegetariërs en dat kan wel de oorzaak van hunne boosheid en hunne hooge ouderdom geweest zijn.

Nadat Noach geofferd had en God den aangenamen geur had geroken, zeide Hij: Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze. Ik heb het u al gegeveti, gelijk het groene kruid. Later veranderde diezelfde God weer van meening en verdeelde do dieren in reine en onreine en maakte er een misdaad van wanneer de mensoh het vleesch van onreine dieren at. Waarschijnlijk was het voedsel bij het verlaten der ark zoo sohaarseh dat Jehovah in zijne grootmoedigheid Noach alles toestond te eten, wat hij vinden kon.

Overeenkomstig het verhaal maakte God met Noach een verbond dat hij do aarde niet meer mot oen zondvloed zou verwoesten en plaatste als een zichtbaar teeken van dit verbond een regenboog in de wolken. Deze regenboog werd aan don hemel geplaatst, zoodat die God telkens aan zijne belofte en overeenkomst kon herinneren. Zonder dit zichtbaar teeken schijnt het, dat Jehovah het verbond wel eens had kunnen vergeten en dc wereld wel weer eens kon laten verdrinken. Ontstond de regenboog op deze wijze ? Stelde God hem eenvoudig in do wolken ter herinnering aan dit verbond? Ik voor mij kan de geschiedenis van do zondvloed onmogelijk gelooven. Die komt mij zoo wreed, zoo barbaarsch, zoo ongerijmd in alle doelen en zoo in strijd met alles, wat wij van de natuurwetten weten, dat zelfs de lichtgeloovigheid er door geschokt wordt. Vele volken hebben verhalen bewaard van eene zondvloed, waarin alle menschen, behalve oen of twee farailiën, omkwamen. Babylon was eene stad voor dat Jeruzalem gebouwd werd. Egypte was reeds op het toppunt van hare macht toen er nog maar zeventig Joden op de aarde bestonden en Indië bezat reeds eene literatuur, voordat de naam van Jehovah over de lippen der geloovigen was gegaan. Een verhaal van een algemeene zondvloed werd door George Smith gevonden, zijnde eene vertaling van een verhaal dat ongeveer 20Ü0 jaar v. Chr. geboorte was geschreven. Het is niet mogelijk te zeggen, hoelang die geschiedenis in het geheugen, volgens de overlevering had bestaaan, voordat het door do Babyloniörs geschreven werd.

Volgens dit verhaal, dat zonder twijfel veel ouder is dan dat Mozes

ocr page 86

82

ons heeft nagelaten bouwde Tamzi een schip op bevel van den God Hea en braclit daarin zijne familie en de dieren des velds. Hij stopte het schip van binnen en van buiten met jodenlijm en toen het geree^ was kwam er een vloed van regen en verwoestte al het leven van de oppervlakte der aarde. Op den zevenden dag kwam er eene stilstand en het schip strandde op den berg Nezir. Tamzi wachtte neg zeven dagen en liet toen een duif vliegen. Daarna liet hij een zwaluw uit en deze kwam evenals de duif terug. Vervolgens liet hij een raaf vliegen en daar deze niet meer terugkwam, besloot hij daaruit, dat het water verdwenen was en verliet hierop het schip. Hij bood God of de goden eene offerande en Hea verzocht aan Bel om de aarde nooit weder met water te verdelgen. Dit is het Babylonische verhaal zonder de tegenspraak van het oorspronkelijke. Want in dit verhaal evenals in dat van den Bijbel schijnen twee verhalen te bestaan. Is het geene vreemde overeenkomst dat in beide geschiedenissen zoowel in het Babylonische als in het Joodsche tegenstrijdige berichten voorkomen.

In den Bijbel hebben wij twee verhalen. In het eene verhaal moet Noach twee van alle dieren, vogels en kruipend gedierte in de ark nemen, terwijl hem in het andere verhaal bevolen wordt van de reine dieren zeven van elke soort en van elk geslacht te nemen. Volgens het eene verhaal duurde de vloed slechts 150 dagen, zie het 3de vers Hoofdstuk 8, terwijl het andere den duur op 377 dagen bepaalt. Beide verhalen kunnen dus niet waar zijn. Toch om zalig te woiden is het geloof aan het eene niet genoeg; ze moeten beiden geloofd worden.

Onder de Egyptenaren bestond eene geschiedenis, dat de groote God Ra eens vreeselijk toornig op de menschen werd en geheel vrijwillig tot het besluit kwam het menschenras te vernietigen. Hij begon hierop dit verwoestingswerk en zette dit vreeselijk bedrijf voort, totdat het bloed bij stroomen vloeide. Plotseling hield hij op en zwoer de menschen niet meer te zullen verdelgen. Deze mythe was reeds duizend jaar oud, toen Mozes geboren werd.

In Indië had men omtrent den vloed ook eene fabel. Een visch waarschuwde Manu, dat eene vloed zou komen. Manu maakte een kist en de visch trok die kist naar een berg en redde degenen, die er in waren. Gelijksoortige geschiedenissen worden in Griekenland en onder de Indiaansche stammen vertelt. De christenen hebben het feit, dat vele volken van een vloed spreken wel eens als een bewijs voor de waarheid van bet Mozaïsche bericht beschouwd, maar als men nu aantoont, dat de andere verhalen veel ouder en even begrijpelijk zijn, is dit argument van niet veel waarde.

ocr page 87

«3

Waarschijnlijk hebben al die verhalen één gemeenschappelijke oorsprong. Zij hebben door iets, wat in de natuur aan alle volken zichtbaar was, hun ontstaan te danken. Het denkbeeld van een algemeenen vloed, voortgebracht door een God, om de aarde wegens de zonden der menschen te verdelgen, is te ongerijmd. Men meende de oplossing van die verhalen aan het bestaan van lokale overatroomingen in de meeste landen, te moeten toeschrijven en sedert langen tijd nam men met deze oplossing genoegen. Maar het feit dat deze verhalen grootendcels gelijkluidend zijn, dat slechts iemand gewaarschuwd, of slechts een huisgezin gered wordt, het bouwen van een boot of ark, dat men vogels uitlaat om te onderzoeken of het water gezakt was, dragen er toe bij, dat zij één gemeenschappelijke oorsprong moeten gehad hebben. Al kan men toegeven dat er in alle landen zware overstroomingen geweest zijn, hieruit behoeft nog niet te volgen, dat er bij elk geval slechts één huisgezin gered moest worden of dat telkens dezelfde geschiedenis opnieuw verhaald wordt. Men moge beweren, dat de mensch gewoon is, groote rampen te vergrooten en zulks ongetwijfeld tot de overeenstemming in alle verhalen heeft bijgedragen, toch moeten wij toegeven dat in deze bewering iets gedwongens zit. Ik geloof dat de werkelijke oorsprong van al deze mythen dezelfde is en dat het oorspronkelijk eene poging waa om zich van de zon, maan en sterren rekenschap te geven. De zon en de maan waren man en vrouw of god en godin en de sterren waren hunne kinderen. Van eene mythe op hemelsgebied werd het eene van de aarde; de lucht of de ether-oceaan werd eene vloed, voortgebracht door regen, en zon, maan en sterren werden man, vrouw en kinderen. In het oorspronkelijke verhaal was de berg de plaats, waar in het verre oosten de lucht de aarde schijnt te raken en daar landde eindelijk het schip, en daar rustten de hemelsche passagiers dat het bevatte van hunne reis uit. Doch wat ook de oorsprong van die verhalen van de vloed moge zijn en of ze het eerst door Hindoe, Baby-loniër of do Hebreeuwen verhaald worden, wij kunnen als volmaakt zeker beschouwen, dat al die verhalen even onwaar zijn.

liaednis en liahH.

Zoodra Noach zich ontscheept had, besloot hij een wijngaard aan te leggen en landbouwer te worden; zoodra de druiven rijp waren, maakte

ocr page 88

84

hij er wijn van en dronk eens te veel; hij vervloekte daarop zijn kleinzoon, zegende Sem en Japhet en leefde nog 350 jaar. Wat hij verder in die 350 jaar deed, vertelt de geschiedenis niet. Wij hooren met geen enkel woord meer van hem spreken. Hij leefde nog 350 jaar bij zijne zonen, dochters en hunne afstammelingen. Hij moet anders een zeer eerbiedwaardig man geweest zijn. Was hij het niet, aan wien God zijn plan om de aarde te verdrinken, bekend maakte'? Werd door zijne bemoeiing niet het menschdom gered. Hij zal met Methusalem gedurende 600 jaar bekend geweest zijn en Methusalem was nog maar 240 jaar oud toen Adam stierf en Noach zal dus ongetwijfeld de geschiedenis der menschen gekend hebben en zou om die reden het voorwerp van de grootste belangstelling moeten zijn gsweest en toch wordt in geen 350 jaar iets direct of indirect van hem medegedeeld. Toen Noach stierf was Abraham reeds 50 jaar oud en Sem, de zoon van Noach, leefde nog verscheidene jaren na den dood van Abraham en toch wordt hij in de geschiedenis niet meer aangehaald. Noach was bij zijn dood de oudste raensch der geheele aarde; iedereen wist wat hij aan hem verschuldigd was, maar van zijn begrafenis wordt niets vermeld. Er werd zelfs geen monument voor hem opgericht om de plek aan te wijzen waar hij was begraven. Toch is dit echter niet zoo verbazend als het feit, dat noch van den dood van Adam en Eva, noch van de plaats van hunne begrafenis iets in het verhaal wordt medegedeeld. Men zou deze omstandigheid kunnen toeschrijven aan de spraakverwarring bij het bouwen van den toren van Babel, waarbij alle traditiën verloren gingen, zoodat zelfs de zonen van Noach geen bericht meer konden geven van hun reis in den ark ten tijde der zondvloed en dat daarom eeuige berichtgevers direct geïnspireerd moesten worden die geschiedenis te verhalen, zoodra zich nieuwe talen hadden gevormd.

Ik heb hot tenminste altijd een zeer duister punt gevonden, hoe Adam, Eva en de slang in dezelfJe taal onderwezen werden. Hoe kenden zij die anders? Wij weten, dat er vele, zeer vele jaren noodig zijn om eene faal te vormen en dat die vorming eene zeer langzame ontwikkeling heeft. Wij weten, dat de mensch door do taal, aan zijne medemenschen de indrukken mededeelt, die hij, door hetgeen hij hoort, ziet, ruikt en gevoelt, heeft verkregen. Wij weten, dat de taal der wilden maar uit een paar geluiden bestaat om eenigc denkbeelden of geestestoestanden als liefde, begeerte, haat, tegenzin en verachting uit de drukken. Vele eeuwen waren er noodig eene taal voorttebrengen om samengestelde denkbeelden uit te drukken. Het komt mij voor, dat die denkbeelden niet door een godheid gemaakt en in do hersenen van den mensch ge-

ocr page 89

85

plaatst werden? Die denkbeelden moeten liet resultaat zijn van optnct-king en ondervinding en niet anders.

Gelooft men nu, dat God direct aan Adam en Eva eene taal leerde of dat Hij beide zoodanig schiep, dat zij als liij instinct Hebreeuwsch, of een andere taal spraken, om hunne gedachten aan elkander mcdetedeelen, hoe leerde de slang dan die taal? Gaf God dat dier hetzelfde onderricht, of luisterde ze af wanneer God Adam en Eva onderwees. Men leest in het tweede hoofdstuk van Genesis, dat God alle dieren bij Adam bracht en toezag, hoe hij ze zou noemen. Hieruit kan men toch niet afleiden, dat God de dieren namen gaf en Adam influisterde hoe ze te noemen'? Adam gaf toch zelf de namen? Vanwaar kreeg hij de woorden? Wij kunnen ons geen mensch, die pas uit het stof is herrezen en niet de minste ervaring heeft in het bezit van dc gave voorstellen, zijne gedachten in taalvorm uit te drukken. Wij hebben voor eerst geen begrip, hoe iemand gedachten kan hebben, voordat hij de indrukken gecombineerd had, die de natuur door zijne zintuigen volgens ondervinding en opmerking op hem maakte. Wij kunnen ona niet voorstellen of hij iets wist b.v. van dc verschillende warmtegraden, of van dc duisternis, wanneer hij overdag bij licht, of van het licht, ala hij des nachts tot aan den volgenden morgen geschapen was. Voordat iemand kan hebben, wat wij gedachten noemen, moet hij ten minste iets hebben ondervonden. Er moet iets met hom gebeurd zijn voordat hij eene gedachte kan hebben cn voordat hij zich in taalvorm kan uitdrukken. Do taal groeit als eene plant en ia geen gave. Wij schrijven het verschil der taal aan het feit toe dat stammen en volkeren verschillende ervaringen, verschillende behoeften en eene verschillende omgeving haddon, en het resultaat hiervan zich onder anderen in een verschil van taal kenmerkte. Voor dit verschil kan geen onzinniger reden worden aangegeven, dan dat zulks geschied zou zijn door de zoogenaamde spraakverwarring op den toren van Babel.

Volgens den Hijbei bestond ten tijde, dat die stad gebouwd werd maar eene taal en zulks zou ook nu nog het geval zijn, indien men niet getracht had een zoo hooge toren te bouwen, die tot aan den hemel reikte. Kan iemand nu iets bedenken, wat God tegen het bouwen van zulk een toren gehad kan hebben? En hoede verwarring der laai den bouw van dezen toren kou beletten? Op welke wijze kan een taal ver\v?rd worden? Taalverwarring kan geschieden door het geheugen te vernietigen. Werd liet geheugen der menschen te dien tijde door God vernietigd en ware dit zoo, op welke wijze deed God dit dan? Of verlamde Hij b.v. dat gedeelte van de hersenen der menschen dat da

ocr page 90

spraakorganen behcersclit, zoodat zij de woorden, die zij zich goed konden herinneren, niet konden uitspreken of trof hij de hersenen zoo, dat zij niet meer konden hooren. Gaarne vernam ik van iemand die met de verklaring van het wonderbare bekend is, op welke wijze God de taal der menschen verwarde?

Buitendien begrijp ik niet om welke reden de spraakverwarring aanleiding gaf dat de menschen van elkander gingen. Zij moesten, mij dunkt, eerder zoolang bij elkander zijn gebleven, totdat zij elkaar weer konden verstaan. Wegens een gebrek of eene zwakte gaan de menschen niet van elkaar, integendeel, in moeilijke omstandigheden komen zij juist bij elkander en verlangen hulp. Waarom moesten zij nu in dat geval zich van elkaar verwijderen ? Bij bizonderheden komt men van zelve bij elkaar zelfa al verstaat men elkanders taal niet. Buitendien was het voor hen even moeilijk om overeen te komen zich te verwijderen, daar men zonder taal dit niet in woorden kon duidelijk maken, ala overeen te komen met het bouwen van den toren voort te gaan. Is het mogelijk, dat iemand gelooft, dat op de geheele aarde nog dezelfde taal zou bestaan, indien die niet te Babel in verwarring ware gekomen? Weten wij dan niet dat elk woord op eene bizondere wijze door de ondervinding der menschen ontstaat? Weten wij dan niet dat er voortdurend woorden verschijnen en verdwijnen dat elke taal zijn wieg en zijn kerkhof, zijn knoppen, bloesems, vruchten en dorre bladeren heeft? De mensch ondervindt liefde, vreugde en haat, hij heeft geleden en gehoopt en alle woorden ontstonden door deze ervaringen.

Waarom moest de Heere God naar beneden komen om de stad en den toren te zien ? Kon Hij die niet zien, waar Hij woonde of zich bevond? Waar kwam Hij naar beneden? Kwam Ilij overdag of des avonds? Ons wordt geleerd dat God overal is; dat Hij de onmetelijkheid bewoont; dat Hij in iedere atoom, in iedere ster aanwezig is. Is dit zoo, waarom kwam Hij dan naar beneden om de stad en den toren te zien? Wie verklaart dat? Bovendien is het niet eenvoudiger en verstandiger zich voor te stellen, dat Mozes dwaalde, dat hij van de wetenschap der taal niets afwist en er meer naar raadde dan dat hij onderzocht.

Het geloof aan onzedeSijklieid.

Van af de spraakverwarring tot aan de geboorte van Abraham viel

ocr page 91

87

feT geen licht meer op de gebeurtenisaon die op de aarde plaats vonden. Maar alvorens ik met de geschiedenis van het Joodsche volk verder ga, komt het mij hier geschikt voor te vermelden, dat er vele verhalen in Genesis en de overige boeken worden aangetroffen en aan Mozes toegeschreven, die ik liever niet wensch te behandelen. Deze rorhalen beslaan in deze boeken verscheidene bladzijden, die niet geschikt zijn te lezen en, volgens mijne raeening niet berekend zijn, het zedelijk peil der menschen te verhoogen. Ik vestig de aandacht mijn r lezers er niet anders op dan geheel in liet algemeen. Ik verlang, dat er nog eens een tijd moge aanbreken, dat men zulke hoofdstukken en bladzijden, die niet zonder een blos van schaamte op het gelaat der zedigheid achter te laten, gelezen knnnen worden, er voortaan uit zal laten en ze niet als een deel van den Bijbel zal beschouwen. Als God werkelijk bestaat, is het zeker godslasterlijk hom voor den schrijver te houden van bladzijden, die te zedeloos, te dierlijk en te onkiesch zijn om in tegenwoordigheid van mannen en vrouwen te worden voorgelezen.

De geloovigen aan den Bijbel zijn nog al luidruchtig in hun afkeer over hetgeen zij onzedelijke literatuur noemen en toch zijn er maar weinige boeken uitgegeven, die meer zedelooze vuilheid bevatten, dan het geïnspireerde woord van God. Buitendien worden deze geschiedenissen door geen enkele geestige of humoristische opmerking gekenmerkt. Zij verheffen zich nooit boven de domme bizonderheden van lage ontucht. Ik wensch deze bladzijden niet met een uittreksel er van te bezoedelen en laat daarom bet onderzoek, het overschrijven en de verklaring van al die deelen der Heilige Schrift maar aan de geestelijken over. De geestelijken weten misschien een middel, hoe zij honig uit die bloemen kunnen halen; zoolang echter die bladzijden niet uit het Oude Testament zijn verdwenen, is de Bijbel geen geschikt boek om door jong of oud gelezen te worden. Het bevat bladzijden die geen predikant, om welk loon dan ook, in zijn gemeente zou willen voorlezen. Er zijn hoofdstukken, die geen enkele heer in tegenwoordigheid van eene dame wenscht voor te dragen. Hoofdstukken, die geen vader aan zijn kind zal aanwijzen. Er zijn verhalen, zoo onzedelijk om oververteld te worden, dat er een tijd zal aanbreken, waarop men zich zal verwonderen, dat men zulk een boek voor „geïnspireerdquot; heeft kunnen houden. Ik weet wel dat ook in meer boeken behalve den Bijbel onzedelijke uitdrukkingen voorkomen. Zelfs hebben eenige onzer grootste schrijvers hun werken met minder nette woorden bezoedeld. Maar dit komt hiervan, dat de schrijvers mensclien waren en aan den smaak en aan het verstand van hun tijd moesten voldoen. Wij willen dit verontschuldi-

ocr page 92

8B

geti, maar betreurea het tegelijkertijd dat zij een onzuiver woord in hunne werken nalieten. Maar kunnen wij dit ook van God zeggen'?

Kan een wezen van oneindige reinheid, de oorsprong aller zedigheid de bladzijden van zijn werk met ontuchtige, losbandige en zedelooze verhalen, zonder strekking, volkladden? Zoo God de schrijver van den Bijbel is, dan' is dat boek de maatstaf, waarna alle andere boeken moeten worden gewaardeerd. Zoo de Bijbel niet onzedelijk is, welk boek is het dan wel? Waarom worden de menschen gevangen genomen, zoo 7.ij God hierin eenvoudig navolgen. Geen Christen hoeft het recht een afkeurend woord tegen onzedelijke boekon uit te spreken, zoolang hij het geïnspireerde boekdeel, hiervan niet zuivert. Deze vulgaire en on kiesche zaken werden volstrekt niet geschreven om onzedelijke waarheden te openbaren; zij schijnen geschreven te zijn, omdat de schrijvers van zulke onzedigheid hielden. Op aarde bestaat geen lager peil dan dat van schrijvers en uitgevers van die onzedelijke boekon, die het liefhebbend hart onzer jeugd bezoedelen. Die lieden dienen gekerkerd en hunne boekon vernield te worden. De literatuur moet ons welvoegelijk maken en geen werk moest mogen worden uitgegeven, dat niet in tegenwoordigheid van of door de beste en zedelijkste lieden gehoord of gelezen kan worden. Maar zoolang de Bijbel een werk van God heet, zal het een moeielijk werk zijn om alle menschen te goed en te kiesch te maken, het boek na te bootsen en zoolang het wordt nagebootst, zullen er vuile en onzedelijke boeken worden gevonden. Onze literatuur zal zuiver en rein worden, indien de Bijbel ophoudt een product van God te zijn. Toch wordt ons voorgehouden dat de Bijbel de grondslag is dor zedigheid en der zedelijkheid.

Kan in huichelarij eene zaligmakende genade bestaan. Kunnen do menschen rein en zuiver worden, als zij gelooven, dat God niet rein is? Is het niet beter, dat wij toegeven, dat de Bijbel in eene barbaar-sche, ruwe en ordinaire eeuw door Barbaren geschreven werd? Is het niet geruststellender Mozes in plaats van God voor den schrijver van die onkieschheden to houden? Of is het niet nog waarschijnlijker dat een andere onwetende Jood, deze ordinaire regels aan het Boek hetft toegevoegd? De Christenen houden nog maar altijd vol dat God de antenr is van deze verachtelijke en domme verhalen. Ik heb dit vraagstuk naar mijn beste weten grondig onderzocht en ik ben tot de conclusie gekomen, dat God daaraan niet schuldig kan zijn. Het geloof heeft geen vuile onzedelijkheid tot basis. Elk dwaas en onzedelijk woord dient uit den Bijbel te worden verwijderd. Wij kunnen het goede immers behouden. Laten wij alle groote en edele gedachten, elk wijs en ver-

ocr page 93

^9

Btanclig quot;beginsel, elke rechtvaardige wet, elk verheven iileaal, en ieder woord bewaren, dat berekend ia om den mensch edel r en reiner te maken en laat ons den moed hebben het overige wpg te schrappen. De gedachten onzer kinderen behoeven toch niet bevlekt of bezoedeld te worden. Het bekoorlijke instinct der jeugd behoeft niet bedorven te worden. Jongens en meisjes behoeven niet te weten, dat on-kuische woorden door geïnspireerde lippen werden uitgesproken. Vertel dus liever dat die verhalen uit ruwheid en dierlijkheid voortsproten. Leert hen: dat het onreine het onheilige is en dat het reine slechts het heilige kan zijn.

De Hebreeuwen.

Nadat de spraakverwarring had plaats gevonden en nadat de menschen verstrooid waren, verscheen in hot land Kanaan de volksstam der Hebreeuwen, bestuurd door een opperhoofd of sheik. Abraham genaamd. Zij bezaten vee, zij woonden in tenten, oefenden veelwijverij en trokken van plaats tot plaats en zij waren het eenigste volk, dat God zijne aandacht waardig keurde. In dien tijd bestonden er in Indië reeds honderden steden met tempels en paleizen; in Egypte dienden millioenen Egyptenaren Isis en Osiris en vulden hun land met de prachtigste werken van nijverheid, macht en bekwaamheid. Die beschaving werd echter door God over het hoofd gezien. Zijne belangstelling bepaalde zich alleen bij Abraham en zijne familie. Volgens het verhaal waren God en Abraham zeer intiem met elkander bekend en bespraken zij dikwijls verschillende onderwerpen met elkander. In het 12de hoofdstuk van Genesis doet God aan Abraham de volgende beloften: Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uwen naam groot maken. Ik zal zegenen, die u zegenen en vervloeken, die u vloekt. Nadat Abraham deze mededeeling van den Almachtigen ontving, kwam hij in het land Kanaan. Toen verscheen God hem: Neem mij een drie-jarige vaars en eene driejarige geit en eenen driejarigen ram en eene tortelduif en eene jonge duif en hij bracht Hem deze allen en hij deelde ze midden door en hij leide elks deel tegen het andere over maar het gevogelte deelde hij niet. En het geschiedde dat de zon onderging en het duister werd en tiet daar was een rook endn oven en vurige fakkel, die tustchen de stukken doorging. Het slachten van deze dieren was eene voorbereiding om een bezoek

ocr page 94

90

van God te onlvangen. Als een zendeling in Midden-Afrilca een negeï-opperhoofd aantreft, omgeven door een pas geslachte koe, geit en ram teneinde eene mededeeling van God te ontvangen, dan geloof ik, dat de zendeling dit proces voor een bepaald bewijs zijner wildheid zou aanzien. En als het opperhoofd beweerde, dat hij een rockende oven en een vurige fakkel tusschen de stukken zag doorgaan, zou do zendeling zeker denken, dat het opperhoofd niet al te best bij zijn verstand was. Als de Bijbel de waarheid zegt, dan beval diezelfde God Abraham zijn eenigen zoon of liever den eenigen zoon van zijn vrouw als offer te nemen en zou hij hem een kindermoord hebben laten begaan, indien God niet juist ter rechtertijd Abraham had bevolen, zijne hand terug te trekken en in de plaata een ram te nemen.

God deed Abraham verscheidene beloften, maar weinige heeft Hij gehouden. Hij beloofde hem vader van een groot volk te maken, maar dit is niet gebeurd. Hij beloofde hem plechtig een groot land, het land dat tusschen de rivier van Egypte en de Euphraat ligt, te geven, maar Hij hield die belofte niet. Op zijn tijd stierf Abraham en zijn zoon Izaak nam de plaats als hoofd der stam in. Daarna kwam Jakob, die stokken in het water legde om zich ten nadeele van Laban te verrijken. Jozef werd door zijne broeders, die jaloerseh op hem waren, verkocht en werd na verschillende lotgevallen een hoofdpersoon in het Koninkrijk Egypte en eenige jaren later verlieten zijn vader en zijne broeders hun eigen land en emigreerden naar Egypte. Er waren toen 70 Hebreeuwen op de aarde met inbegrip van Jozef en zijne kinderen. Zij bleven 215 jaar in Egypte. Eenige beweren, dat zij er 430 jaar waren, maar dat is eene vergissing. Josephus zegt, dat zij 215 jaar in Egypte waren en dit wordt door de beste Bijbelgeleerden bevestigd. Volgens het 17de vers van het 3de hoofdstuk van den Zendbrief aan de Galaten was het 430 jaar van af de belofte aan Abraham gedaan tot aan de wetgeving, en daar de Hebreeuwen niet eerder naar Egypte gingen dan 215 jaar nadat die belofte aan Abraham gedaan was, konden zij in geen geval langer dan 215 jaar in Egypte geweest zijn. In onzen Bijbel het 40ste vers van het 12de hoofdstuk van Exodus lezen wij, als volgt: J)e tijd nu der woning, die de kinderen IsraëU in Egypte gewoond hebben is 430 jaar.

Hiermede wordt niet gezegd dat de tijd der woning alleen in Egypte plaats vond, evenmin dat de kinderen Israels 430 jaar in Egypte woonden. De kopie van het vaticaan van de Septuaqint goeft dezelfde volzin als volgt terug; De tijd nu der woning die de kinderen Israels in Egypte en in het land Kanatïn gewoond hebben was 430 jaar. Hier-

ocr page 95

i)!

iiiecle stommen de Alexandrijnsche vertaling en de Saniantaanaclie Bijbel overeen.

Er waren dus 70 zielen, als zij naar Egypte trokken en zij bleven daar 215 jaar en waren op liet einde daarvan tot ongeveer 3 millioen zielen vermeerderd. Hoe wij weten, dat het 3 millioen was ? Wij maken bet op uit de mededeeling van Mozes, dat er zeshonderd duizend krijgslieden waren. Op zijn minst genomen moeten er op een krijgsman nog 5 andere personen geweest zijn. In Amerika zijn er op ieder stemgo-rechtigde minstens 5 andore personen en wij weten zeer goed, dat er meer stemgerechtigden dan krijgslieden zijn. Waren er volgens Mozes GOO.OOO krijgslieden dan was do bevolking minstens 5 maal G00.000 of 3 millioen zielen. Eene andere zaak is het, of 70 personen in een tijd van 215 jaar zich tot 3 millioen kunnen vermeerderen? Gij moogt zeggen, dat het een wonder was, maar waartoe diende dan dat wonder? Waarom zou God op wonderbare wijze het aantal slaven vermeerderd hebben ? Was het zijn wensch, dat volk op wonderbare wijze te vermeerderen, dan had Hij daarmede kunnen wachten, totdat het vrij was. In hot jaar 1776 waven er in do Amerikaansche koloniën ongeveer 3 millioen menschen. In 100 jaar zijn die 4 maal verdubbeld, dat wil zeggen zes, twaalf, vier-en-twintig, acht-en-veertig millioen, ongeveer de bevolking na 100 jaar, waarbij men niet moet vergeten, dat gedurende al die jaren een stroom van landverhuizers tolken jare naar Amerika trokken. Geven wij toe, dut do Hebreeuwen zonder emigratie even snel vermeerderden, dan hebben wij op het einde van 200 jaar eene bevolking van 17920. Rekenen wij voor de overblijvende 15 jaar nog eens het dubbele dan verkrijgen wij zonder de voorkomende sterfgevallen 35840. En toch wordt ons in plaats van dit getal vermeld, dat zij GOO.OOO krijgslieden haddon, wat eene bevolking boteokent van minstens 3 millioen.

Een verstandig monsch kan nagaan, dat dit verhaal niet waar kan zijn. Zeventig lieden kunnen zich in 215 jaar niet tot 3 millioen vermeerderen. Ongeveer dienzolfden tijd hielden de Hebreeuwen eene telling en het bleek dat er 22273 mannelijke eerstgeborenen waren. Neemt men aan dat er oven zooveel vrouwelijke eerstgeborenen waren dan maakt dat to samen 44546 eerstgeborene kinderen. Er moeten evenveel moedors geweest zijn en 44546 moeders op eene bevolking van 3 millioen geoft voor elke moeder ongeveer GG kinderen. In die 215 jaar waren de Hebreeuwen slaven der Egyptenaren en een bevel was even te voren gegeven, dat allo mannelijke kinderen der Hebreeuwen omge-

ocr page 96

92

bracht moesten woiden. Een kind werd niettegenstaande dit bevel in een biezen kistje, met leem waterdicht gemaakt, gored nn door de dochter van den koning Farao gevonden en als haar eigen kind geadopteerd. Het groeide tot een man nevens de Hebreeuwen op, vermoordde een Egyptenaar, die een slaaf klappen gaf, verborg het lijk in liet zand en vlood uit Egypte naar het land Midian, kreeg kennis aan een herder, die zeven dochters had, trok voor de dochters tegen de slecht gemanierde schaapherders partij en huwde Zipporah, eene van die meisjes en word schaapherder van haar vader. Daarna verscheen God hem, terwijl hij de kudde hoedde, in eene brandende struik en beval hem naar den koning van Egypte te gaan en hem te verzoeken de Hebreeuwen vrij te laten. Om hem te overtuigen dat degeen in het brandend boschje werkelijk God zelve was, werd de stok in zijne hand in eene slang veranderd, die bij den staart gepakt weder in een stok veranderde. Mozes moest zijn hand op zijne borst houden en deze werd zoo wit als sneeuw. Er werden nog meer vreemde dingen uitgevoerd en andere beloofd. Mozes willigde in naar Egypte te gaan en was van plan zijn broeder mede te nemen. De Heere God verscheen daarop aan Aaron en beval hem Mozes in de woestijn te ontmoeten. Zij ontmoetten elkander op den berg van God, gingen naar Egypte, deden de oudsten dei-kinderen Israël verzamelen en herhaalden de woorden, die God aan Mozes gezegd had en doden in het aangezicht des volks allerlei teekens. De Israëlieten geloofden, bogen het hoofd en eerbiedigden hen. Mozes en Aaron vertrokken daarop en brachten hun boodschap aan Farao, den koning.

De Plagen.

Drie millioen menschen bevonden zich in slavernij. Met do grootste gestrengheid werden zij behandeld cn hunne meesters waren zoo beducht, dat zij zich bij vermeerdering van hun aantal op hen zouden wreken, dat zij als voorzorg alle mannelijke kindoren uit de armen hunner moeders namen en ter dood brachten. Als dit bericht waar is, dan waren de Egyptenaren de wreedste en de hardate lieden, die de geschiedenis kan aanwijzen. God besloot dan eindelijk de Hebreeuwen te verlossen en ter vervulling hiervan zond Hij zijne gezanten Mozes en Aiiron naar den koning van Egypte. Opdat de koning zou woteu, dat zij wer-

ocr page 97

03

kelijk door God gezonden waren, gaf Hij Mozes de macht, een stok in ecne slang en liet water in bloed te veranderen. Mozes en Aaron kwamen bij den koning en maakten bekend, dat God don Heer van Israel den Koning van Egypte beval de Hebreeuwen te laten gaan, omdat zij in de woestijn een feest moesten vieren. Koning Farao vroeg hierop, wie de Heer was en deelde heu tegelijk mede dat hij nooit van Hem had gehoord en niets van Hem afwist. Zij vertelden daarop dat do God der Hebreeuwen hen had ontmoet on vroegen drie dagen verlof om naar de woestijn te gaan en hun God te offeren, uit vreeze, dat indien zij zulks niet deden Hij hun mot pest of door het zwaard zou bezoeken. Dit schijnt bij Farao eene tegenovergestelde uitwerking te hebben gehad want hij beval, dat de werktaak der kinderen Israels verzwaard moest worden, zoodat het eenige resultaat van die eerste aanmaning was, dat het lot der Hebreeuwen nog slechter werd. Hierop keerde Mozos zich tot God en zeide: Heer, waarom helt gij dit volk kwaad gedaan? waarom hcht Gij mij nu gezonden? want van toen af, dat ik tot Farao hen ingegaan om. in Uwen naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan en Gij hebt wc volk geenszins verlost. God, waarschijnlijk eenig-zins door dit verwijt beleedigd, antwoordde: Nu zult gij zien, wat ik aan Farao doen zal, want door eene machtige hand zal hij hen laten trekken, ja door eene machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven. God verhaalt daarop het feit, dat Hij aan Abraham, Izaak en Jakok was verschenen en dat Hij een verbond met hen had gesloten, om hen het land Kanaan te geven, dat Hij het gekerm der kinderen Israels in de Egyptische slavernij had vernomen en dit gekerm hem aan zijn verbond had herinnerd en dat Hij besloten had de kinderen Israel door zijn machtigen arm en geest te bevrijden. Mozes sprak weder tot de kinderen Israels, maar zij wilden niet meer naar hem luisteren. Zijn eerste poging ten hunnen gunste had hun dagwerk verdubbeld cn zij schenen het vertrouwen in zijne macht te hebben verloren. Jehovah beloofde Mozes tot een God voor Farao te maken en dat Aaron zijn profeet zou zijn, maar Hij deelde hem tevens meê, dat zijne boodschap geen gevolg zou hebben want Hij zou het hart van Farao verharden om eene verontschuldiging te hebben het Egyptische volk te kunnen verdelgen. Mozes en Aiiron trokken dientengevolge weder naar Farao. Mozes sprak tot Aiiron: quot;Werp uw stok voor Farao neder, hetgeen hij deed en de stok veranderde in eene slang. Doch Farao niet in het minste verbaasd, riep zijne wijzen en goochelaars, die ook hunne stokken ncderwierpen en in slangen veranderden. De slang van Aaron's stok, die ondertus-schen op den grond kroop, koa echter de slangen, door de toovenaara

ocr page 98

94

te voorschijn geroepen, allen inslikken. VVat er van de ingeslikte slangen terechtkwam, of zo later soms weder in stokken veranderden, wordt ons niet gemeld. Moeten wij gelooven, dat do stok in eene echte levende slang veranderd word, of dat zo slechts de gedaante van eene slang aannam. Indien het niets meer was dan de gelijkenis op eene slang, dan was het oogverblinding en gaat dit tooverkunstje niet eens boven de waardigheid van een goochelaar. Kunnen wij aannemen, dat God eene soort goochelaar of toovenaar is V Is het mogelijk dat een Oneindig wezen de verlossing van een ras kan bewerken mot een wonder, dat de toove-naars en goochelaars van een barbaarsch volk eveneens in staat waren uit te voeren? Geen woord werd door Mozes en Aaron gerept over de slechtheid een menschelijk wezen van zijne vrijheid te berooven. Geen woord is ten gunste der vrijheid gesproken. Niet de minste aanhaling treffen wij aan waaruit wij vernemen, dat een menschelijk wezen overeenkomstig de waarde der opbrengst van zijn eigen werk geschat moet worden. Geen enkel woord hooren wij over de wreedheid van meesters, die de kinderen der vrouwen van hunne slaven vermoorden. Het verbaast mij dat deze God den Egyptischen koning niet liet vertellen, dat geen volk een ander volk tot slaaf kan maken, zonder zichzelf tot slaaf te vernederen; dat geen volk een keten om de ledematen van een slaaf kan doen zonder zijn eigen verstand te boeien. Waarom deelde Hij niet meê, dat een volk gegrondvest op slavernij geen stand kan houden. In plaats zulks te verklaren, in plaats van rechtvaardigheid, genade en vrijheid in te reepen nam Hij tot tooverkunsten zijne toevlucht. Veronderstelt dat wij met een barbaarsch vorst vrede wenschten te sluiten en de koningin een goochelaar als buitengewoon gezant benoemde en dezen als instruction medegaf, dat zoodra hij in de tegenwoordigheid van den wilden monarch kwam, hij eene parapluie of wandelstok neder moest werpen om die in een hagedis of tortelduif te doen veranderen, wat zouden wij er dan van denken? Zouden wij dergelijke tooverkunsten niet beneden de waardigheid onzer koningin beschouwen? En wat zouden onze gewaarwordingen zijn, indien de wilde koning zijne goochelaars liet komen om hetzelfde tooverstuk uit te voeren. Zijn zulke dingen gevaarlijk en dwaas voor de koningin van een klein land, wat moet er dan gezegd worden, wanneer een almachtige God, een schepper van hemel en aarde hiertoe zijne toevlucht moet nemen. Hoe gering, hoe nietig moet zulk een God schijnen? Farao beschouwde de zaak waarschijnlijk uit hetzelfde oogpunt, want hij werd niet overtuigd, dat zulke kunststukken door een hooger wezen werden uitgevoerd.

Alweder togen Mozes en Aaron naar Farao, die zich aan den oever

ocr page 99

!gt;5

van een rivier bevond en dezelfde stok, die in eene slang veranderd en later tot stok terug getooverd was, werd door Aaron genomen, en in het water gehouden, dat terstond in bloed veranderde, evenzoo het water in alle stroomen, vijvers en poelen en het water in houten of steenen vergaarbakken in het geheele land van Egypte. Zoodra al het water in bloed was veranderd, deden de toovenaars van den koning hetzelfde. Men deelt ons niet mede, vanwaar zij het water verkregen, sedert het in Egypte reeds veranderd was in bloed. Volgens het verhaal stierf de visch in de Nijl en wasemde een ondragelijke stank uiten er was geen droppel water meer in het land van Egypte, dat niet in bloed was veranderd. Bijgevolg moesten de Egyptenaren rondom de rivier graven om drinkwater te verkrijgen. Moeten wij deze geschiedenis ge-looven? Is onze zaligheid er mede gemoeid dat wij toe moeten geven, dat alle rivieren, plassen, vijvers en meeren in bloed veranderd werden om een koning over te halen de kinderen Israels drie dagen verlof te geven om hun God in de woestijn te gaan offeren. Volgens het verhaal vernam Farao, dat deze verandeüng van water in bloed door den God der Hebreeuwen was geschied wegens zijne weigering om de kinderen Israels te laten gaan. Toch had dit niet de gewenschte uitwerking, omreden dat zijne eigene toovenaars hetzelfde konden doen. Voorts gaven Aiozes en Aaron niet de minste verbazing over het succes der Egyptische toovenaars te kennen. In dien tijd geloofde men, dat ieder volk zijn eigen God er op nahield. De eenige reclame die Mozes en Aiiron voor hun God maakte was, dat Hij de voornaamste en de machtigste aller Goden was en gemakkelijk elke andere godheid kon overwinnen.

Nadat hot water in bloed was veranderd, wachtte Mozes en Aaron zeven dagen. Op bet eind hiervan gelastte God Mozes wederom naar Farao te gaan en de bevrijding van zijn volk te vragen en mocht hij weigeren, hem te zeggen dat God het land met kikvorschen zou plagen. De kikvorschen zouden zoo talrijk worden dat zij in de huizen van Farao, in zijn slaapkamer, op zijne legerstede, in de huizen van zijne knechten, van zijn volk, in hun ovens en in hunne kneedtroggen zouden komen. Deze bedreiging had wederom geene uitwerking op Farao. Aaron strekte daarop zijne hand over het water van Egypte uit en tallooze kikvorschen bedekten het land. De toovenaars van den Koning deden hetzelfde en met hunne bezweringen brachten zij nog meer kikvorschen in het land. Deze merkwaardige toovenaars schijnen geen oorspronkelijke ideeën te hebben gehad, maar wat nabootsing betreft waren zij in hunne kunst volmaakt. De kikvorschen maakten zulk een indruk op Farao, dat hij Mozes liet roepen en hem vroeg zijn God te

ocr page 100

96

verzoeken de kikvorschen weg te nemen. Mozes gaf hieraan gehoor. De kikvorschen stierven in de huizen, in de dorpen, op de velden en het volk verzamelde ze bij hoepen. Toch, zoodra de kikvorschen verdwenen waren, werd het hart van Farao verhard en weigerde hij het volk te laten trekken.

Overeenkomstig het bevel van God strekte Aaron zijne hand uil, de stok vasthoudende, sloeg hij daarmee het stof op den grond en dit stof veranderde in luizen bij meusoh en dier eu al het stof, in geheel Egypte, veranderde in luizen. Farao liet zijne toovenaaars komen en verzocht hun hetzelfde te doen maar zij konden het niet, waarop zij tot Farao zeide: Dit is de vinger Gods. Dooh Farao weigerde de Hebreeuwen te laten gaan. God liet dit ongedierte in menigten in het huis van Farao komen, in alle huizen van zijne knechten en in het geheele land van Egypte, zoodat het land als het ware door ongedierte bedorven was. Maar in het gedeelte door de kinderen Israels bewoond, was geen ongedierte. Farao zond dus om Mozes en Aaron en zeide tot hen: gaat en offert uw God in dit land. Doch daar zij niet in Egypte wenschten te offeren vroegen zij om 3 dagen verlof teneinde naar de woestijn te gaan. Dit keurde Farao goed en verlangde van Mozes zijn invloed bij God te gebruiken om het ongedierte weg te nemen.

Mozes vertelde den Heer de overeenkomst, die hij met Farao had aangegaan en God bewilligde die en verdreef het ongedierte. Doch zoodra het ongedierte weg was, veranderde Farao weer van besluit en besloot de kinderen Israels niet te laten trekken. De Heer beval Mozes daarop naar Farao te gaan en hem te zeggen, dat, indien hij de Israëlieten niet liet gaan, Hij zijn vee, zijne paarden en zijne kameelen zou verdelgen, door eene boosaardige ziekte, maar die dieren in het bezit van de Hebreeuwen zouden gespaard blijven. Mozes deed, zooals hem gelast was. Den volgenden dag stierf het vee in Egypte, dat wil zeggen, al de paarden, al de ezels, de kameelen, de ossen en de schapen, maar de dieren aan de Israëlieten toebehoorende, bleven gespaard. Deze ramp had desniettemin op Farao geen uitwerking, hij liet bijgevolg de Israëlieten niet gaan. De Heer vertelde Mozes en Aaron, dat zij eenige handen vol roet uit een oven moesten nemen en die ten aanzien van Farao in de lucht moesten gooien zeggende: dat deze stof boosaardige zwarte pokken bij mensch en dier in geheel Egypte zou veroorzaken. Hoe deze pokken bij vee, dat reeds door de vorige ziekte gestorven was, uit kon breken en Farao moest verteederen, is moeilijk te begrijpen •, wij moeten niet vergeten, dat vee en dieren reeds aan de veepest gestorven was, voordat deze pokken verschenen. Deze plaag

ocr page 101

97

was eene beslissende overwinning voor Mozes en Aiiron. De zweren kwamen bij de toovenaars in diermate op, dat zij in tegenwoordigheid van Mozes niet meer op de been konden blijven. Maar op Farao hadden ze geen uitwerking cn die moet dus wol iemand van groote standvastigheid geweest zijn. De lieer gaf Mozes bevel vroeg op te gaan staan en aan Farao te zeggen, dat hij zijne handen moest uitstrekken en dat het volk zou worden getroffen door een pestziekte en hij morgen een hagel zou veroorzaken zooals er in Egypte nog nooit had plaats gehad. Hij waarschuwde Mozes ook het vee van het land te halen. Wij herinneren even, dat het vee reeds vroeger gestorven was en de lijken vervolgens met builen eu zweren bedekt werden. Dit had op Farao niet de minste uitwerking. Mozi s strekte zijne handen tegen den hemel uit en de Heer zond donder, hagel en bliksem, het vuur ging langs den grond en de hagel viel op het land in Egypte en alles wat zich daarop bevond, hetzij mensch of dier, werd nedergeveld en de hagel vernielde alle kruiden en brak alle boomen, doch het gedeelte dat door de kinderen Israels werd bewoond bleef gespaard. Gedurende dezen hagelstorm liet Farao Mozes en Aiiron komen en bekende dat hij gezondigd had, dat de Heer rechtvaardig en de Egyptenaren goddeloos waren eu verzocht hen hun Hoer te vragen den donder en bliksem, te doen ophouden en dat Hij Israël zou laten gaan. Mozes bewilligde dit, hij hief zijne handen omhoog en donder, hagel en bliksem hielden op. Toen zulks geschied was, kwam Farao tot het besluit Israël niet te laten trekken.

Alweder zond God Mozes en Aiiron naar Farao om hem te zeggen dat als hij nog weigerde het volk te laten gaan, de geheele oppervlakte der aarde met sprinkhanen zou bezaaid worden en wel in die mate, dat geen mensch de aarde meer zien kon, dat deze sprinkhanen alles zouden vernielen, wat van don hagel nog was overgebleven. Zij zouden eiken boom op het veld vernielen cn de huizen van Farao, van zijne knechten en van de Egyptenaren zouden als met sprinkhanen worden gevuld. Mozes bracht dc boodschap aan Farao over en ging weder heen. Do knechten vau Farao verzochten hun heer de kinderen Israels maar te laten gaan. Farao riep Mozes en Aaron terug en vroeg hen wie in de woestijn den Heer wilden gaan dienen. Zij antwoordden: Wij wenschen te gaan met onze jonge en met onze oude lieden ; met onze zonen en met onze dochteren; met onze schapen eu met onze runderen. Farao wilde dit niet toestaan, maar vond goed dat de mannen gingen. Daarop dreef Farao Mozes en Aiiron uit zijn aangezicht. Toen zeide de Heer tot Mozes: Strek uwe hand uit over Egypteland om de sprinkhanen, dat

ocr page 102

98

zij opkomen en al het kruid de* lands opeten Kal de hagel heeft overig gelaten. Toen strekte Mo zes zijnen staf over Egypteland en de Heer briieht ecne oostenwind in dat land, dien geheclen dag cn dien gan-schon nacht; het geschiedde des morgens dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht. En de sprinkhanen kwamen op oyer het geheele land en lieten zich zeer zwaar neder aan al de palen der Egyptenaren, want zij bedekten het gezicht des ganschen lands, alzoo dat het land verduisterd werd en zij aten al het kruid en al de vruchten der boomen, die de hagel had overgelaten en er bleef niets groens aan de boomen noch aan de kruiden des velds in het gansche Egypteland. Toen haastte Farao zich om Mozes en Aaron te roepen en zeide : Ik heb gezondigd tegen den Heer uwen God en tegen ilieden en nu vergeeft mij toch mijne zouden alleen ditmaal en bidt vuriglijk tot den Heer uwen God, dat Hij deze sprinkhanen mocht wegnemen. En Mozes ging uit van Farao en bad vurig tot den Heer. Toen keerde de Heer eenen zeer sterken westenwind, die de sprinkhanen ophief en ze in den Schelf-zee wierp.

Zoodra de sprinkhanen weg waren, veranderde Farao weder van gedachten of zooals het in de taal van den heiligen tekst geschreven staat; De Heer verstokte Farao's hart, dat hij de kinderen Israels niet liet trekken.

Toen zeide de Heer tot Mozes: Strek uwe hand uit naar den hemel en er zal duisternh komen over Egypteland dat men de duisternis tasten kan. A1h Mozes zijne hand uitstrekte naar den hemel, werd er eene dikke duisternis in ganscli Egypteland, drie dagen lang. Den een zag den ander niet en er stond ook niemand op van zijne plaats in drie dagen ; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hunne woningen.

Het verwonderd mij, dat terwij! het geheele Egypteland in eene dikke duisternis — 7.00 dik, dat men ze kon tasten — gehuld was en er nog licht was in de woningen der Israëlieten, de Israëlieten van deze gelegenheid geen partij trokken om het land te verlaten. Toen riep Farao Mozes en zeide: Gaat henen, dient den Heere! alleen uwe schapen en uwe runderen zullen vast blijven. Doch Mozes wilde dit niet toestaan en zeide: Ook zult gij slachtofferen en brandofferen in onze handen geven, die wij den Heer onzen God doen mogen. En ons vee zal met ons gaan; er zal niet één klauw achterblijven, want wij weten niet waarmede wij den Heer onzen God zullen dienen. Over deze veekwestie werden zij het niet eens en bijgevolg liet Farao het volk niet trekken. God beval daarop Mozes te spreken voor de ooren des volks, dat ieder man van zijnen naasten en iedere vrouw van hare naaste zilveren en

te

ocr page 103

99

gouden vaten zou leenen. Door een wonderbaarlijke tusschcnkomst van God vonden zij genade iu de oogen dor Egyptenaren en verkregen zij de gevraagde voorwerpen. Hierna ging Moz;es tot Farao en deelde hom mede, dat alle eerstgeborenen in Egypteland, van Farao af, op zijnen troon gozeten, tot den eerstgeborenen der dienstmaagd, die achter den molen is en alle eerstgeborenen van het vee zouden sterven.

Daar alle dieren reeds door ziekte en hagel uitgeroeid waren, is de bedoeling van de bedreiging omtrent den dood der eerstgeborenen van het vee weder moeilijk te begrijpen.

Voor de uitvoering van deze vreeselijke bedreiging werden dientengevolge voorbereidingen gemaakt. De beide zijposten en den bovendorpel van de huizen, die door de Hebreeuwen bewoond waren, moesten met bloed worden aangestreken opdat de Heer, wanneer hij door het land trok niet bij vergissing de eerstgeborenen der Joden zoude treilen. Eu het geschiedde ter middernacht, dat de Heer al de eerstyehorenen in Egypteland sloeg, van den eerstgehorenen van Farao, die op den troon zal lot op den aerstyeborenen van den geoamjenen die in het gevangenhuis waren. En Farao stond op bij nacht, hij en al zijne knechten, en al de Egyptenaren en er was een groot geschrei in Egypte, want er was geen huis, waarin niet een doode teas.

Wat voor kwaad hadden deze kinderen gedaan? Waarom moesten de kindertjes in hun wieg vermoord worden wegens de misdaden van Farao. Waarom moest het vee uitgeroeid worden, omdat de mensch zijn broeder tot s^af had gemaakt'? In die dagen werden vrouwen, kinderen en vee geheel gelijk als het eigendom van den man beschouwd en als de man op de eene manier den toorn Gods opwekte, dan strafte Hij hen met het uitrooien van zijn vee, zijne vrouwen en zijne kinderen. Waar zijn woorden te vinden, die scherp genoeg zijn om een God te beschrijven, die vrouwen en kinderen vermoordde, omdat vaders en eehtgenooten Zijn wet hadden overtreden ? Moet ieder wel nadenkende man of vrouw zulk eene godheid niet haten en verfoeien?

Na den dood der eerstgeborenen liet Farao Mozes en Aaron roepen, gaf niet alleen zijne toestemming, dat zij met de Hebreeuwen naar de woestijn mochten gaan, maar verzocht hen dadelijk te vertrekken.

Kan het mogelijk zijn, dat een almachtige God, Schepper en onderhouder van werelden gezegd zou hebben: Als gij mijn volk niet laat gaan, zoo verander ik al hot water van uw land in bloed en toen Farao weigerde het volk vrij te geven, dat het water in bloed veranderd werd. Wie gelooft het? Gelooft gij dat God, nadat al het water in bloed veranderd was, en Farao de Hebreeuwen niet liet gaan, hem

ocr page 104

100

vertelde dat zijn land met kikvorschen zoit worden gevuld. Wie gelooft het? Gelooft gij ook, dat God, nadat het land vol kikvorschen was geweest en Farao nog altijd weigerde liet volk te laten gaan tot hem gezegd zou hebben: Ik zal u en uw volk mot luizen straffen. Wie gelooft, dat God zulk eene bedreiging heeft kunnen doen? God moet immers hebben geweten, dat Hij met het veranderen van water in bloed, met het land te bedekken met kikvorsehen, met luizen en met ongedierte zijn dool toch niet zou bereiken, en dat die plagerijen geen uitwerking op den Egyptischen koning zouden hebben.

Gelooft gij, dat God nadat het ongedierte niet de verlangde uitwerking had, aan Farao verkondigde, dat indien hij het volk niet liet gaan, God onder zijn vee eene pestziekte zou doen uitbreken. Klinkt zulk een dreigement als van God afkomstig? En nadat deze sterfte onder het vee niet had geholpen, diezelfde God hem bedreigde met booze zweren en pokken te zullen kwellen, alsook de goochelaars, die op het gebied van wonderen zulke bekwame mededingers waren? Gelooft gij nadat die zweren niet hot minste resultaat hadden, God zijne toevlucht tot hagel zou nemen en dat Hij omdat de proef met de hagel ook niets uitwerkte alle eerstgeborenen van mensch en dier deed omkomen.

Kan men iets onzinniger, wreeder, en dommer bedenken dan deze wonderen aan God, den Almaehtigen toe te schrijven alleen om Farao te bewegen de kinderen Israels vrij te geven ? Is de bewering niet verstandiger, dat het in slavernij zich bevindende Joodsehe volk de toevallige rampen en ongelukken, die Egypte teisterden aan hunnen God toeschreven.

Toen de Onoverwinnelijke vloot schipbreuk leed en door storm werd vernield, geloofde hot Engelsche volk immers ook dat God ten hunnen gunste tusschenbeide was gekomen en hield men openlijk daarvoor een dank- en bededag. Toen de slag bij Lepanto door de Katholieken werd gewonnen, werd die overwinning aan het verhoor hunner gebeden toegeschreven. Zoo zagen ook onze Voorouders in hunne Vrijheidsoorlog tegen de Engelschen telkens duidelijk de vinger Gods en geloofden stellig dat de onafhankelijkheid aan de tnsschenkomst van den Aller-hoogsten te danken was.

Het is zeer goed mogelijk dat er in den tijd van de slavernij der Hebreeuwen rampen van sprinkhanen, ongedierte, epideniiën, veeziekten enz. in Egypte plaats vonden. Het is zeer goed mogelijk, dat dientengevolge vele menschen en dieren stierven. En als dit zoo ware is het zeer goed mogelijk dat do bijgeloovige Joden zich die rampen voorstelden als een straf door hun God hen toegezonden. Wij hebben dezelfde

ocr page 105

101

denlcbeeldon in de geschiedenis van elk volk aangetroffen. En dit denkbeeld werd langen tijd door de Joden volgehouden; het werd van vader tot zoon, eenvoudig van mond tot mond oververteld. Later bij het uitvinden van eene geschrevene taal werden er duizendo bijvoegsels bijgemaakt en tallooze bizonderheden er bij verdicht, zoodat wij niet alleen een verhaal hebben van de rampen, die in Egypte plaats grepen, maar ook een geheel weefsel els een samenhangend verhaal voorgesteld, bevattende de bedreigingen van Mozes en Aüron, dc wonderen door hen verricht, maar ook de beloften van Farao en ten slotte de bevrijding der Hebreeuwen als het resultaat van het wonderbaarlijke, dat Jehovah voor hon had uitgevoerd.

liet is in ieder geval veel waarschijnlijker, dat de schrijver van die verhalen verkeerd is ingelicht dan dat God, schepper van Hemel en Aarde, zich aan deze, kinderachtige, wreede en schandelijke plagerijen zou hebben schuldig gemaakt. De oplossing van deze gebeele geschiedenis is: dat Mozes dwaalde.

De Vlucht.

Drie millioen menscben met hunne schapen, hunne kudden vee, met geleende gouden en zilveren vaten, met het ongezuurde deeg in knoed-troggen in lakens op hunne schouders gebonden, begonnen des nachts hun uittocht en begaven zich naar het land van belofte. Wij weten niet precies, hoe Iaat zij weg gingen. Met al onze moderne hulpmiddelen zouden wij toch maanden noodig hebben om drie millioen menschen tot eene dergelijke tocht te bewegen. In deze uitgestrekte vergadering bevonden zich 600.000 krijgslieden, alsmede de ouden van jaren, de jongeren, de zieken en de hulpbehoevenden. Zij trokken naar de woestijn van Sinaï, eene woestijn, waarmede de woestijn Sahara vergeleken nog eene oase is. Stelt u een oceaan vim lava voor, hier door stormwinden losgewoeld en verstrooid, daar plotseling als door een der Gorgonen aangestaard en in steenklompen veranderd. De beschaafde volken der aarde zouden niet in staat zijn om gedurende '10 jaren drie millioen menschen in de woestijn Sina.ï te voeden en te onderhouden. liet bedrag der kosten zou meer zijn dan honderdduizend millioen rijksdaalders, een bedrag dut de Christenen niet in staat zijn op te brengen. Zij voerden hun vee en hunne schapen niedo, en vooral de schapen

ocr page 106

102

waren zoo talrijk, dat dc Israëlieten in eens meer dan 150.000 eerstgeborene lammeren kondon offeren. Hoe werden deze kudden onderhouden en wat voor voedsel kregen zij? Waar waren de grasvelden, dc weilanden voor hen'? Daar was geen gras, geen boomen, daar was niets! In het verhaal wordt niet aangegeven dat er geperst hooi van boven naar beneden viel, evenmin dat zij door wonderen gespijzigd werden. Om zulke kudden te onderhouden zouden millioenen bunders weiland noodig zijn geweest. God liet de Israëlieten niet den weg nemen door het land der Filistijnen, maar hij verkoos den weg te nemen door de woestijn naar de Roode Zee, hen overdag voorgaande in een wolkenzuil en 's nachts door een vuurkolom.

Zoodra Farao vernam, dat het volk vertrokken was, maakte hij zich gereed, nam 600 uitgezochte strijdwagens mede om de kinderen Israels na te zetten en haalde ze dicht bij de Roode Zee in. Daar alle dieren in Egypte reeds lang te voren, tijdens de plagen waren uitgeroeid, zou ik gaarne in het verhaal hebben gevonden, vanwaar Farao de paarden voor zijne karren had gehaald. Op het oogquot;nblik, dat de Israëlieten het leger van Farao bemerkten, riepen zij, niettegenstaande zij 600.000 krijgslieden bezaten, den Heer om bescherming aan. Het. is toch vreemd dat een land zoo geteisterd door de plagen als in den Bijbel wordt beschreven nog macht genoeg bezat om schrik en ontsteltenis in dc harten van 600.000 krijgslieden te brengen. Zelfs met de hulp van God voelden zij zich niet sterk genoeg de Egyptenaren in het open veld het hoofd te bieden maar verkozen liever tot een krijgslist hun toevlucht te nemen. Mozes strekte zijn beroemd gewordene staf over dc Roode Zee uit en wat nog nimmer gebeurd was, gebeurde ; het water verdeelde zich en stond aan weerszijden als een muur in de hoogte en vormde daartusschen een droog pad om de Hebreeuwen met hun havo te laten passeeren. De Egyptenaren vervolgden hen, en het geschiedde in dezelfde morgemcake, dat de Heer in de Mom des vtmrs en der wolk zag op het leger der Egyptenaren en Hij stiet de raderen hunner wagens weg en zeide tot Mozes; Strek uwe hand uit over de zee. Mozes deed zulks en de zee kwam weder tegen het naken van den morgenstond tot hare kracht en als de wateren wederkeerden zoo hedekten zij de wagens en de ruiters van het gansche heir van Farao; er hleef niet één van hen overig.

Dit veriiaal kan wel waar zijn, al is het wat moeilijk te gelooven, dat God de raderen van de wagons wegnam. Hoe deed Hij zulks? Nam hij de lensen uit de assen of geschiedde het door tooverij? Bovendien stelt u het beeld eens voor van God, Schepper van het Heelal, de maker van elke glinsterende en schitterende ster houdt zich bezig met

ocr page 107

Ï03

liet afnemen der raderen van wagens, alleen om Farao nutteloos zijne macht en grootheid te openbaren.

De Israëlieten aldus verlost, gingen verder. Waar gingen zij heen? Zij gingen naar het beloofde land. Hoe groot was dut land? Ongeveer 12000 vierkante mijl of ongeveer twee maal zoo groot als Nederland. Het is een vreeselijk land, vol rotsen en woestijnen. Hoeveel lieden woonden in dat beloofde land ? Mozes vertelt ons van zeven volkeren, allen machtiger dan de Joden. De Joden waren 3 millioen, dus moeten er tenminste reeds 21 millioen menschen in dat land geweest zijn. Deze lieden moesten uit het land verdreven worden teneinde voor het uitverkoren volk Gods plaats te maken. Het schijnt echter, dat God de kinderen Israels niet onmiddellijk naar hei beloofde land wenschte te brengen. Zij waren niet geschikt het land Kanaan te bewonen en Hij besloot derhalve ze in de woestijn heen en weder te laten trekken en dat allen die Egypte hadden verlaten — behalve twee personen — in de woestijn moesten sterven. Van alle slaven uit de Egyptische slavernij verlost, mochten slechts twee personen het beloofde land bereiken!

Zoodra de Hebreeuwen door de Roode Zee waren gegaan, bevonden zij zich zonder voedsel en het water was wegens de bitterheid niet geschikt om te drinken. Zij begonnen tegen Mozes te klagen. Mozes riep de Heer aan en de Heer wees hem een hout aan. Mozes wierp dit hout in het water en het water werd zoet. „En aan den morgen lag de dauw rondom het leger. Als nu de liggende dauw opgevaren was, zoo ziet over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. En Mozes zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de Heer ulieden te eten gegeven heeft.quot; Dit manna was iets heel bizonders. Het smolt in do zon en toch kon men het kooken en bakken. Men zou bijna aan Gebakken sneeuw en gekookte ijskegels gaan denken. Buitendien had dit manna nog eene bizondere eigenschap. Onverschillig of iemand veel of weinig verzamelde, hij kreeg juist de bepaalde maat, die hij noodig had; zamelde hij meer, dan kromp het in, en zamelde hij minder dan zette het zich tot do bepaalde maat uit. Welk een prachtige substantie was dit manna voor de concurrentie, inkrimpende en uitzettende volgens do groote wot van vraag en aanbod.

Op dit manna teerden de kinderen Israels veertig jaar, totdat zij in een bewoonbaar land kwamen. Met deze spijze werden zij gevoed, totdat zij de grenzen van Kanaan bereikten. In het 21ste hoofdstuk van Numeri lezen wij dat het volk ten slotte het manna zat werd en tegen God en Mozes klaagden: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte opdat wij sterven zoudeu in deze woestijn? Want hier is geen brood,

ocr page 108

'104

ook geen water en onze ziele walgt over dit zeer lichte quot;brood. Eemge bijbeluitloggers verklaren dat de Joden gedurende veertig jaren van dit manna leefden, anderen daarentegen zeggen dat het maar voor een korten tijd was. Het is zeker dat de berichten hieromtrent verschillen en van dit verschil maken de bijbeluitleggers gebruik. Het verschil vergunt ons tevens te gelooven dat beide gevallen waar zijn. Kwamen de berichten hieromtrent overeen en waren ze aannemelijk, dan zou iedereen, zelfs de goddeloozen en de niet wedergeborenen, ze gelooven. Maar daar ze verschillend en onaanneniclijk zijn, kunnen zo slechts door de goeden en de geloovigen worden geloofd. Hoe onaannemelijker eene stelling in den Bijbel is destebeter Christen men is, als men ze gelooft. Is die stelling geheel onzinnig en totaal onmogelijk en men gelooft zulks desniettemin, dan wordt men voor heilig verklaard.

De kinderen Israels bevonden zich derhalve in de woestijn en hadden gebrek aan water. Voor spijs hadden zij niets dan het manna en dat hadden zij al zoolang gegeten, dat zij er een afkeer van kregen. Onder zulke omstandigheden beklaagden zij zich bij Mozes. Daar God toch almachtig is, had Hij hen zonder eenige moeite van zuiver en frisch water, zooveel als zij verlangden, kunnen voorzien, bovendien had Hij hun ook evengoed drie maal per dag een maal eten, met de behoorlijke verscheidenheid van vleesch en groente kunnen bezorgen en ik vind het al erg genoeg, dat Hij het niet deed. Het is tenminste veel moeilijker te begrijpen, om welke reden hij zich vertoornde, op het volk, dat op bedaarde wijze zijn verlangen naar een beter dieet te kennen gaf. Dagen, weken, maanden en jarenlang hadden zij niets dan manna gegeten. Zij doden zonder twijfel, wat zij konden doen: zij bereidden do spijze wol op verschillende manieren toe, maar niettegenstaande dat hadden zij, wat ons niet behoeft te verwonderen, een afkeer daartegen en vroegen Mozes om verandering van menu.

Ik vraag u oprecht, was dit verlangen van de Joden zoo onzedelijk, was het zoo onverklaarbaar, dat zij zich de voorstelling maakten dat zij een beetje vleesch dankbaar in ontvangst zouden nemen. Toch schijnt God erg boos over dit verzoek te zijn geweest, want in plaats van aan hun verlangen tegemoet te komen, spande Hij samen met slangen om de hongerige schelmen, die hij een land had beloofd „overvloeiende van melk en honingquot; te bestraffen.

Want waar kwamen die slangen zoo op eens vandaan ? Welke moeite had God niet om de slangen bericht te geven dat zij op zijn wensch naar de woestijn Sinaï moesten gaan om eenige Joden te gaan bijten. Waren die slangen maar even geschapen om de kinderen Israels te

ocr page 109

m

straffen, omclat zij evenals Olivier Twist de veTmetellield liadden naar meer te vragen. In het llde hoofdstuk van Numeri hebben wij nog oen verhaal van het volk, hoe zij over het voedsel, het manna morden. Zij dachten aan do visschen die zij in Egypte om niet kregen, aan de komkommers, aan do pioenen, de ajuinen en zij verlangden naar vleeseh. Zij gingen naar de tent van Mozos en verlangden vleeach. Mozes riep den Heer aan en vroeg hem waarom Hij voor de menigte geen beter zorg droeg. God stond hierop toe, dat zij vleesch zouden hebben niet voor een dag of twee, maar voor eene heele maand en zooveel dat het vleesch uit hunne neusgaten zou komen en zij er een afkeer van zouden krijgen. Hij liet door een wind kwakkelen van uit de zee opvangen en ze op eon dagreis van het kamp twee ellen hoog nederwerpen. „Toen maakte zich het volk op don gehoelen dag en dien ganschen nacht en verzamelden de kwakkelenquot;. Dat vleesch was nog tusschen hun tanden eer hot gekauwd was, zoo ontstak de toorn des Heeren tegen het volk en de Hoer sloeg het volk met eene zoor groote plaag. Slangen worden onder hen gezonden en duizenden kwamen om wegens de misdaad, dat zij hongerig geweest waren.

Do WelEorw. Heer Alexander Cruden zegt met betrekking op dit verhaal: God liet een wind waaien die do kwakkelen van uit de zee binnen het kamp der Israëlieten voerde en het wonder, dat hierin bestaat is, dat die dioren op zulk eene eenvoudige wijze naar dio plaats gebracht werden en zoo overvloedig waren, dat zij aan do behoefte van millioenen, gedurende eene maand kondon voldoen. Vele schrijvers bevestigen dan ook dat in dezo oostersche landon do kwakkelen zoo talrijk zijn, dat mon in een gedeelte van Italië in een omtrek van 5 mijlen er wel 100.000 eiken dag gedurondo eene maand kan wegvangen en dat zij dikwijls in zulke menigten de zee oversteken on vaak door vermoeienis overvallen op schepon nedervielon, die dan door de zwaarte der kwakkelen zonken. Geen wonder, dus Mr. Cluden gelooft aan het Mozaïsche verhaal.

Moeten wij ook goloovon, dat God mot de horselen eene overeenkomst sloot en zich van hunne diensten verzekerde om de Kananietea uit het

beloofde land te verdrijven ? Is dit geloof voor onze zaligheid nood/.akelijk.

Moeten wij aannemen, dat God den Joden meedeelde, dat hij horselen voor hen zou uitzonden om de inwoners van Kanaan te verdrijven, zooals dit in het 23sto hoofdstuk van Exodus vers 28 en het zevende hoofdstuk van Deuteronium vers 20 is aangegeven. Hoe wisten de horselen, wat Kananieten waren? Op welke wijze bracht God een horsel aan het verstand een Kananiet aan te vallen? Schiep God do horselen

7

ocr page 110

106

met die blzondere bedoeling en voorzag Hij het dier direct met liet instinct cen Kauaniet en geen Jood aan te vliegen. Kunnen wij ons God den Almachtigen voorstellen don horselen kaperbrieven uitreikendeV Zoo ja, dan zal men moeten toegeven, dat niets op aarde beter instaat is iemand zijn geboorteland te doen verlaten, dan eenigo horselen. Kunnen wij gelooven, dat een Almachtig wezen tot zulke hulpmiddelen, om een volk uit hun land te doen verdrijven zijne toevlucht neemtV Hij kon even gemakkelijk de Kananieten uit het land, als de horselen in het land bezworen hebben ? Op die manier, zou veel moeite, smart en lijden bespaard zijn geworden. Is er werkelijk in ons land een geestelijke, die beweert, dat die geschiedenissen waar zijn; dat wij ze moeten gelooven, om brave menschen op aarde te zijn en verheerlijkte zielen hiernamaals te worden.

Ons wordt ook nog verhaald, dat God den Hebreeuwen aanbeval do Kananieten langzaam te verdelgen, en daarvoor als reden opgeeft, dat de verscheurende dieren zich anders te schielijk zouden vermeerderen. Als men nagaat, dat het heilige land ongeveer 11 of 12000 M mijlen groot was en te dien tijde volgens onze berekening door minstens 21 millioen menschen bewoond werd, is het niet waarschijnlijk dat de verscheurende dieren zoo menigvuldig waren om er zich ongerust over te maken.

Wat zouden wij van een veldheer, die cen land aanviel, denken als hij zijne soldaten het bevel gaf de vijanden op eene langzame wijze te dooden, opdat de wilde dieren zich niet zouden vermeerderen. Zou God dan niet meer in staat zijn wonderen te doen, zooals in het Oude Testament verhaald wordt en op eene andere wijze over de verscheurende dieren beschikt hebben? Zou God de horselen, nadat zij de Kananieten uit het land hadden verdreven, niet voor die wilde dieren gebruikt kunnen hebben? Bedenkt toch, een God die 21 millioen menschen uit het beloofde land kon verdrijven, die tallooze stekende vliegen kon verwekken en die de aarde met vurige slangen kon vullen, zou tegen de verscheurende dieren van het land Kanaan volkomen machteloos zijn!

Sprekende over deze horselen beaamde een der goede oude Bijbeluitleggers, wiens zienswijze langen tijd van grooto waarde voor de ge-loovigen aan do inspiratie van den Bijbel was, dat de horselen eene soort van groote vliegen waren, die de lieer als een plaag voor de vijanden van zijn volk gebruikte. Op zichzelf zijn ze zeer lastig en ondeugend maar die de Heer bezigde waren naar men meent, van eene buitengewone grootte en venijnigheid. Men zegt, dat zij als wespen leven, en een koning of aanvoerder hebben en als bijen steken en dat

ocr page 111

107

27 tegelijk een menacli of dier kunnen dooden. Het is daaröm niet zoo vreemd, dat zulke dieren de Kananieten uit hunne woningen verdreven. Vele lieideusche schrijvers halen voorbeelden aan van volken, die door kikvorschen, door muizen, of door bijen en wespen van hunne woonsteden zijn verdreven. En er wordt vertelt dat eeno stad der Chri»-tenen door Sapores, koning van Perzië belegerd, door de horselen werd verlost, want de olifanten en de dieren door deze beesten gestoken, werden ontembaar, en bijgevolg trok het geheele leger af.

Slechts tot voor weinige jaren werden al zulke vertelsels door de Christenen voor waar gehouden en het is een historisch feit, dat Voltaire als de derde persoon van eeaig gewicht in Europa kon aanwijzen, dat de Grieksche en Romeinsche mythologie geen enkelen grondslag had. Tot dusverre geloofden de meeste Christenen evenzoo goed aan de wonderen aan de Grieksche en Romeinsche Goden toegeschreven als aan die van Jezus Christus en Jehovah. Het Christendom predikte het geloof niet enkel als eeno deugd, maar als eene der grootste deugden. Toen Luther en zijne volgelingen de Kerk van Rome verlieten waren zij wel genoodzaakt de macht der katholieke kerk om de wetten der natuur in dien tijd te verbreken in twijfel te trekken, maar stelden vast om uit deze moeilijkheid te geraken, dat zulk eone macht reeds ten tijde der apostelen had opgehouden. Zij hielden vol dat alles wat er nu gebeurde mot do natuurwetten overeenstemde, behalve die welke voor liet verhooren der gebeden ten behoeve der protestantsche kerk noodzakelijk waren. Zij leerden hunne kinderen eene dubbele wijsbegeerte; de eone die do onmogelijkheid der roomsche wonderen moest bewijzen, omdat zij tegen de wetten der natuur indruischten de andere, die de waarschijnlijkheid der wonderen tijdens do apostelen moest vaststellen, omdat zij met de berichten der geschriften in overeenstemming waren. Zij hadden dus twee gronds'agen: de eerste, de wet der natuur de tweede, het woord van God. De Protestanten hebben gemeend deze dubbele manier van redeneeren te moeten wijzigen waarvan langzamerhand een minder vertrouwen in do wetten der natuur, doch meerder geloof aan het woord vim God, het resultaat was.

In het geïnspireerde verhaal deelt men ons mede, dat de kleeding dei-Joden niet oud werd en hunne schoenen niet aleten. Eenige bijbeluit-leggers beweren, dat de engelen voor de garderobe der Hebreeuwen zorg droegen, hunne kleederen verstelden en hunne schoenen repareerden. Het is zeker, dat dezelfde kleeding gedurende hun tocht uit Egypte naar het Heilige land, ruim 40 jaren, heeft gediend. Kleine jongens, die met hunne eerste broekjes begonnen, werden gedurende de reis grooter

ocr page 112

108

en liunno kleederen groeiden mot hen moe. Moeien wij dit verhaal oo\ gelooven? Zullen de menachon betere echtgonooten, betere vaders en betere burgers worden, wanneer zij aan deze kinderachtige en onmogelijke verhalen gelooven.

Een almachtige God had de Joden zeker gemakkelijk in een oogen-blik naar het Heilige Land kunnen vervoeren en de Kananieten even gemakkelijk uit het land kunnen verdrijven. Voor het doen van die duizend maal duizende nietige wonderen dag aan dag, gedurende 40 jaren lang, om de kleederen van 3 millioen menschen te verstellen, om de natuur van wol, linnen en leder zoo te veranderen, dat zij niet oud worden, bestond dus volstrekt geen noodzaak. Iedere stap, iedere beweging doet een gedeelte van kleeren en schoenen slijten. Die gesletene deelen dienden dus telkens vernieuwd te worden of de natuur der stoffen, waarvan zij gemaakt waren, moest zoo worden veranderd, dat zij niet meer in staat waren te slijten. Wij weten immers, dat wanneer eene stof met eene andere stof in aanraking komt, door afschaving kleine deeltjes verloren gaan. Werden die deeltjes eiken nacht door do engelen bij elkander gezocht en weder aan de zolen der schoenen of de elbogen der jassen en aan de knieën der broeken gezet, zoodat zij eiken morgen weder nieuw waren? Dit moet bepaald eene dwaling zijn. Moeten wij ook gelooven, dat God, ooit iemand heeft bevolen geen haarolie of zalf te maken. Wij lezen in het 30ste hoofdstuk van Exodus, dat de Heer Mozee beval: de voornaamste specerijen te nemen, mirre, kaneel, kalmus, tassie en olijfolie om daarvan eene zalf der heilige zalving te maken en met dezelve de tent der samenkomst, de ark dor getuigenis, de tafel met al haar gereedschap en den kandelaar en het waschvat te zalven, alsmede Aiiron en zijne zonen en Mozes moest tot de kinderen Israels spreken, zeggende: de man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijne volken. Dit klinkt zoo onbillijk, dat ik het niet kan gelooven. VVaarom zou een almachtige God er voor oppassen, dat de menschen olièn en zalven maakten, die al of niet op do zijne geleken? Waarom zou de schepper aller voorwerpen, een priester die het altaar naderde mot den dood bedreigen, die zijne handen en voeten niet had gewasschon. Zulke bevelen en zulke straffen zouden den ergsten tyran in ongenade brengen. Dit moet bepaald eene dwaling zijn.

Evenmin geloof ik, dat een Oneindig Verstand aan Mozos op den berg Sinaï verscheen met verschillende modellen om een tabernakel, tangen, snuiters en schotels te maken. Evenmin geloof ik, dat God aan Mozea vertelde hoe hij een rok voor een prieater moest knippen eu ge-

ocr page 113

109

reedmaken. Waarom zou God zich met zulke nietigheden bemoeien? Waarom zou Hij verlangen, dat de knoopen in zekere rijen en dat de franje van eene bepaalde kleur moest wezen. Veronderstelt dat een verstandig, beschaafd wezen op den beig Sinaï de volgende bevelen van God aan Mozes afluisterde:

Gij moet mijne priesters wijden als volgt;

En gij zult den var nabij brengen voor de tent der aamenkomst; en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen. En gij zult den var slachten. Daarna zult gij van het bloed des vars nemen, en met uwen vinger op de hoornen des altaars doen en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars. Gij zult ook al het vet nemen, hetwelk het ingewand bedekt en het net over de lever en beide nieren en het vet dat aan dezelve is en gij zult ze aansteken op het altaar. Maar het vleesch des vara, en zijn vel en zijnen drek zult gij met vuur verbranden buiten het leger; het ia oen zondoffer. Daarna zult gij den ram nemen en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd dea rama leggen en gij zult zijn bloed nemen en rondom op het altaar sprengen. En den ram zult gij in zijne deelen deelen en gij zult zijn ingewand en zijne schenkelen waaschen en op zijne deelen en op zijn hoofd leggen. Alzoo zult gij don geheelen ram aansteken op het altaar; het ia een brandoffer tot een liefelijken geur, het is een vuuroffer den Hcere. Daarna zult gij den anderen ram nemen en Aarou en zijne zonen zullen hunne handen op dea rams hoofd leggen En gij zult den ram alachten en van zijn bloed nemen en doen op het rechteroorlapje van Aaron en op het rechteroorlapje van zijne zonen, desgelijks op den duim hunner rechterhand en op den grooten teen huns rechtervoets en dat bloed zult gij op het altaar sprengen, rondom heen. Daarna zult gij van den ram nemen het vet milagaders den staart ook het vet, dat het ingewand bedekt en het net der lever en de beide nieren met het vet dat aan dezelve ia en den rechterachouder, want het ia een lam der vulofferen. Dan zult gij nemen van het bloed op het altaar en van do zalfolie en gij zult Aaron op zijne kleederen en op zijne zonen en op hunne kleederen daarmede aprengen. Zou de luisteraar meenen, dat God do Schepper van het Heelal hier aan het spreken was.

Kan iemand mij ook nog zeggen, waarem God den Joden in de woestijn van Sinaï beval boomen te planten, hen daarbij mededeelende, dat zij niet eerder dan na het vierde jaar van de boomen eten moesten. Boomen konden in die woestijn niet geplant worden; zijn ze toch ge plant, dan konden zo immers niet blijven leven.

Waarom zegt God aan Mozes in do woestijn, gordijnen van fijn linnen

ocr page 114

110

te maken. Vanwaar zou Mozes het vlas halen? Er was immers geen land waar het op kon groeien. Waarom zeide Hij voorwerpen van goud en zilver en edelgesteenten te maken, zoo zij niet in het bezit van die voorwerpen konden zijn ? Hierop is maar één antwoord. Do Pentateuch werd eenige honderde jaren later geschreven, toon de Joden zich reeds in het Heilige Land hadden nedergezet en Mozes al lang was gestorven.

De Joden schreven hunne geschiedenissen en hunne wetten niet voor dat zij eene schrijftaal kenden en deze gebruikten, en dat was lang na hunne vlucht uit Egypte. De overlevering (traditie) had do kindschheid van dit volk met allerlei wonderen en bizondere verschijningen van Jehovah ten hunnen gunste aangevuld. De Vaderlandsliefde eischte dat deze wonderen noch verkleind noch ingetrokken mochten worden en de priesters, die nooit een wonder hebben tegengesproken deden zulks nu ook niet. Er bestonden overleveringen dat God met Mozes van aangezicht tot aangezicht gesproken had ; dat Hij hem de tafelen der wet ter hand had gesteld en hem op duizenderlei wijze zijn wil te kennen had gegeven en mochten de priesters al eens nieuwe wetten of amendementen op de oude noodig hebben, dan beweerden zij, nog iets te hebben gevonden, wat God op Sinaï had gezegd. Op die manier kon men zich gemakkelijker van de gehoorzaamheid des volks verzekeren. Zeer weinige lieden konden lezen en bijgevolg bestond er voor toevoegingen, inlasschingen, en uitlatingen volstrekt geen vrees voor ontdekking of tegenspraak. Op die manier verklaren wij dan ook het feit, dat men Mozes over zaken liet spreken, die in zijn tijd niut bestonden en eerst honderde jaren na zijn dood bekend waren.

In het SOste hoofdstuk van Exodus wordt bij de tellingen van het volk van sikkels gewag gemaakt, die iedereen aan het heiligdom moest geven. In dien tijd bestond dit geld nog niet en dus kan dit bericht niet eerder geschreven zijn, dan nadat dit geldstuk bestond en dat was heel lang na den dood van Mozes. Indien wij lazen, dat Caesar zijne troepen b.v. in ponden, shillings en pence had betaald, dan zouden wij daaraan allicht erkennen, dat het verhaal niet door Caesar noch in zijn tijd geschreven was; wij zouden aannemen dat het geschreven werd, nadat de Engelschen aan zekere geldstukken deze namen hadden gegeven.

Zoo vinden wij, dat toen de Joden nog in de woestijn waren, er bevolen werd, dat iedere moeder als zondoffer een paar duiven aan de priesters moest brengen en de priesters die duiven in het heilige der heiligen moesten opeten. Ten tijde, dat die wet schijnt te zijn gegeven, waren er 3 millioen menschen en slechts 3 priesters, Aaron, Eleazar en Itharaar. Bij 3 millioen menschen waren er eiken dag minstens 300 ge-

ocr page 115

Ill

boorten. Men behoeft toch zeker niet te geloove.n, dat drie priesters eiken dag van 24 uur G00 duiven moesten opeten.

Om welke reden zou eene vrouw voor haar moederschap aan God om vergiffenis moeten vragen V Om welke reden wordt in Exodus hetzelfde ala eene misdaad beschouwd wat in Genesis als eene plicht werd bevolen? Om welke reden wordt eene moeder voor onrein verklaard ? en waarom is de geboorte van eene dochter twee maal slechter dan de geboorte van een zoon ? Kunnen wij met ons verstand aannemen, dat zulke wetten en plechtigheden door een liefderijken, alwijzon God gemaakt en ingesteld werden? Is er iets bekoorlijkers op de aarde, dan eene gelukkige moeder haar stamelend kindje in haar armen dragende ? Leest hot 12de hoofdstuk van Leviticus en gij zult daaruit bemerken, dat wanneer eene vrouw moeder werd van een jongen zij zoo onrein was, dat zij de heilige voorwerpen niet mocht aanraken en gedurende 40 dagen niet in het Heiligdom mocht komen. Was ze moeder van een meisje geworden dan was zij gedurende 80 dagen ongeschikt om in het Godshuis te komen en de heilige voorwerpen aan te roeren. Deze wetten uit het barbarisme ontstaan, zijn onzen tijd onwaardig en moeten eenvoudig worden beschouwd ala dwalingen van barbaren.

Even nietsbeteekenend zijn op de weegschaal van het verstand de aanwijzingen die ons in het vijfde hoofdstuk van Numeri gegeven worden omtrent do proef van eene vrouw, wier echtgenoot ijverzuchtig was. Dit dwaas hoofdstuk is de basis geweest van alle godsoordeelen om feiten door hostiproof, water- vuur- en kampproef vast te stellen en waarvan heden ten dage onze eed nog is overgebleven. In die dagen kon men zeer gemakkelijk eene vrouw voor schuldig veklaren, die bang was het water te drinken en den eed te doon, zoodat zij uit angst er toe kwam schuld to bekennen. Geven wij toe dat het bedrog strekte om misdaden te voorkomen, en misdaden die begaan waren aan het licht te brengen, toch kunnen wij niet toegeven, dat een eerlijke God om welke reden ook, tot oneerlijke middelen zijne toevlucht moet nemen. In elk land gebruikt men vrees om achter de waarheid te komen en daarin bestaat niets oneerlijks, maar eene opzettelijke leugen mag toch niet als doel van vrees aanjagen, worden gebezigd. Do Protestanten lachen om het geloof der Katholieken wegens de krachtdadigheid van hot heilige water en toch leoren zij aan hunne kinderen, dat een beetje heilig water mot wat stof van den grond van het heiligdom een wonder in het vloesch der vrouw zou veroorzaken. Honderden jaren hebben onze voorouders geloofd, dat een meineedige geen stuk sacramenteel brood kon binnenkrijgen. Doch zulke dingen behooren tot de kindsch-

ocr page 116

112

heid van ons ras en worden nu slechts geloofd door kinderen of door lieden met weinig ontwikkeling van het verstand.

Evenmin kan ik gelooven, dat Mozes in zijne handen een paar steenen tafelen hield, waarop God de tien geboden had geschreven en die tafelen bij het zien van het gouden kalf en het ronddansen der Joden ter aarde wierp en in stukken brak. Evenmin geloof ik, dat Mozes het gouden kalf nam, het verbrandde, tot poeder maalde en het volk dit poeder met water liet drinken, zooals bet 32ste hoofdstuk van Exodus verhaalt.

Van die 10 geboden van Mozes bestaat nog een ander verhaal in het 19de en 20ste hoofdstuk van Exodus. Hier wordt er niets van gezegd, dat het volk een gouden kalf had gemaakt evenmin dat de tafelen werden gebroken. In het 34ste hoofdstuk staat een bericht van de hernieuwing der gebrokene tafelen der wet en de geboden, die gegeven zijn, maar het zijn niet dezelfde geboden, die in het 20ate hoofdstuk vermeld worden. Er bestaan van dezelfde handeling dus twee berichten. En ofschoon de beide berichten niet tegelijk waar kunnen zijn, moeten zij toch beiden worden geloofd. Degeen, die zich de moeite wil getroosten het 19de en 20ste hoofdstuk en de laatste verzen vau het 31ste 32ste 338te en 34ste hoofdstuk van Exodus te lezen, zal overtuigd worden, dat beide verhalen niet tegelijk waar kunnen zijn.

Uit het laatste bericht blijkt, dat terwijl Mozes op den berg Sinai was om de geboden van God te ontvangen, het volk hun goud naar Aaron bracht en deze er een gouden kalf van maakte. Zulks gebeurde vóór dat een enkel gebod tegen afgoderij was uitgesproken. God dient toch eerst zijne wetten bekend te maken, voor dat Hij de overtreding daarvan kan straffen. De overtreding van onbekende en nooit verkondigde wetten te willen straffen is op zijn minst genomen wreed en onbillijk. Men moge antwoorden dat de Joden wel wisten dat zij geene afgoden mochten dienen, alvorens de wet hieromtrent was uitgegeven. Is dit waar, waarom moest die wet dan nog worden vervaardigd. In alle beschaafde landen worden wetten gemaakt en openlijk afgekondigd niet alleen om het volk medetedeelen wat recht en verkeerd is, maar ook wegens de straffen welke op de overtreding der wetten, zullen worden opgelegd. Waren de 10 geboden reeds uitgegeven dan waren de strafbepalingen er nog niet aan toegevoegd. Geen enkel woord staat op de steenen tafelen van de straffen, die iemand zouden worden opgelegd, die de geïnspireerde wetten overtrad.

Ofschoon bij geen volk iemand gestraft kan worden voor de overtreding van een gebod, dat nog niet is afgekondigd , beval Mozes toch

ocr page 117

113

dat dc zonen van Levi hunue zwaarden zouden nemen om den broeder, den makker, den buurman te doodon. Aan dit beestachtig bevel werd gehoorzaamd en 3000 lieden worden afgemaakt. De Levieten wijdden zich den Hoer door liet vermoordeu van hunne zonen en hunne broodera en dat wogena do overtreding van eon wet, die nog niet eens gemaakt en wier strafbepalingen dus onbekend moesten zijn.

Gedurende vole jaren nam men aan, dat de 10 geboden don grondslag uitmaakten van alle denkbeelden op het gebied van rechtvaardigheid en recht. Knappe, uitstekendo juristen loonden zich tot dit volksvoor-oor leel en misvormden hunne werken met verklaringen, dat de Mozaïsche wetten de bronnen waren, waaruit alle denkbeelden van recht en billijkheid ontsprongen. Niets is dwazer. Duizende jaren, voordat Mozes geboren was, hadden do Egyptonaron roods een wetboek. Zij bezaten wetten tegen laster, moord, overspel, diefstal, meineed, schuld, contractbreuk, de verzekering van schade, do aflossing van verpand eigendom, kortom over elk onderworp van algomoon belang. De Egyptische wetten waren veel beter dan die van Mozes.

Wetten ontstaan uit zucht tot zelfbehoud. De nijverheid bestrijdt hot ondersteunen van de luiheid en wetten werden tegen diefstal gemaakt. Wetten werden gemaakt tegen moord en zeer verklaarbaar omdat de groote meerderheid er tegen is vermoord te worden. Alle fondamenteele wetten ontstonden eenvoudig uit zucht tot verdediging. Lang voor dat de Joodsche wilden zich aan den voet van den Sinai verzamelden, waren wetten gemaakt en bekrachtigd, niet alleen in Egypte en Indië, maar bij alle bestaande volksstammen.

Menschelijke wezens kunnen onmogelijk bij elkander bestaan, zonder ouderling zekere gedragsregelen vasttestellen, zonder denkbeelden wat mag of wat niet mag te hebben, en wat recht en verkeerd is ontstond uit do betrekking tot elkander. Zekere regels moeten er gemaakt en bekrachtigd worden. Hieruit ontstaat, wet, verhoor en vonnis. Wie iets door moeilijke arbeid tot stand brengt, heeft goono openbaring van boven noodig om te leeren dat hij recht bezit op het door hom geproduceerde voorworp. Niemand van die geleerde lieden, die beweren, dat de Mozaische wetten wijs en rechtvaaidig zijn, zouden in een land wen-schen te wonen, waar zulke wetten van kracht zijn.

Niets was wonderlijker dan do geneeskundige begrippen van Jehovah. Hij had de vreemdste denkbeelden omtrent de oorzaak en de genezing der ziekte. Bij Hom was alles een mirakel of wonder. In het 1-lde hoofdstuk van Leviticus vinden wij de wet om de inelaatscheu te reinigen : Zoo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen

ocr page 118

114

zal zijn twee levende reine vogelen neme, mitsgaders cederenhont en scharlaken en hijsop. Ue priester zal ook gebieden, dat men den eenen vogel slachte, in een aarden vat over levend water. Dien levenden vogel zal hij nemen en het cederenhont en het scharlaken en den hijsop en zal die en den levenden vogel doopen in het bloed des vogels, die over het levende water geslacht is. En hij zal over hein, die van de melaatseh-heid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten.

Men vertelt ons dat God zelf deze aanwijzingen aan Mozes gaf. Is er iemand, die het gelooft? Waarom moot do vogel in een aarden vat. geslacht worden. Zou do betoovering verstoord zijn, indien het vat van hout ware? Waarom over levend water? Wat zouden wij van een geneesheer denken, die zulk een voorschrift gaf? Is het werkelijk niet opmerkelijk, dat God, ofschoon Hij verschillende aanwijzingen gaf om do aanwezigheid van melaatschheid te ontdekken, en melaatschen te reinigen wanneer zij hersteld waren, naliet medetedeelen hoe die ziekte genezen kon worden.

Is het niet opmerkelijk, dat God, die zijn volk do dieren aanwees die goed waren voor voedsel, naliet ook eene opgave van planten te doen, die de raenseh kon eten. Waarom liet God zijne kinderen proeven nemen om de uadcelige en vergiftige eigenschappen van sommige planten te leeren kennen. Hij wist dat die proeven in millioenen gevallen den dood ten gevolge zou hebben, en ware dus eene kleine waarschuwing niet overbodig geweest.

Als ik de geschiedenis van hot Joodsche volk met aandacht nalees, van hunne slavernij tot hun dood, van hunne verwisseling van tyrannen, moet ik wel bekennen, dat mijne sympathie voor hen is opgewekt. Het Joodsche volk werd schandelijk bedrogen, beetgenomen en misbruikt. Hun God was veranderlijk, onbillijk, wreed, wraakgierig en valach. Hij beloofde altijd maar hield nooit woord. Hij verspilde den tijd met ceremoniën en kinderachtige bizonderheden en in het repeteeren van alles, wat Hij gedaan had. Ik kan mij moeilijk een verachtelijker karakter voorstellen, dan dat van den Hebreeuwschen God. Plechtig belooft Hij de Joden, dat Hij ze allen uit Egypte zou voeren naar een land, dat overvloeide van melk en honig. Hij deed ze telkens gelooven, dat hunne moeilijkheden spoedig voorbij zouden zijn en dat zij weldra in het land Kanaan met hunne vrouwen en kinderen zouden komen, dft hun de slagen en de tranen van Egypte zou doen vergeten. Nadat God die arme landverhuizers telkens belooft, ze veilig en spoedig naar het land

ocr page 119

115

van vreugde en overvloed te brengen, vergeet God telkens de gedane belofte en zegt tot de ellendigen, dio geheel in zijne macht waren : Uwe lijken zullen in deze woestijn nedervallen en uwe kinderen zullen zoolang trekken, totdat uwe lijken veryaan zullen zijn. Deze vervloeking is het besluit van het gehe^le drama. In het stof van dood en duisternis vergingen alle beloften van God. In die onvcrgecflijkheid van het laten reizen en trekken gingen door wanhoop alle droomen van vrijheid en huiselijkheid verloren. Millioenen lijken bleven in de woestijn achter en elk lijk is een bewijs van de valschheid van Jehovah. Ik kan die verhalen niet gelooven. Ze zijn zoo wreed, zoo harteloos, dat mijn bloed er van stolt en mijn begrip van rechtvaardigheid er door geschokt wordt. Een boek, dat voor hoofd en hart even afschuwelijk is, kan geene openbaring van God bevatten.

Als wij die arme Joden nagaan, hoe zij uitgeroeid, vermoord, door slangen gebeten, door plagen bezocht, door hongersnood gedecimeerd, door elkander omgebracht, bang gemaakt, vervloekt, bedrogen en belee-digd werden, hoe dankbaar mogen wij dan zijn, dat wij niet tot het uitverkoren volk behooren. Het is geen wonder, dat zij de slavernij van Egypte terugverlangden en zich met spijt den ongeluksdag herinnerden, toen zij van meesters veranderden. Farao was bij Jehovah vergeleken een weldoener en de tyrannie van Egypte was nog vrijheid bij de vrijheid die hun door God werd toegestaan.

Iemand die met oplettendheid de Pentateuch naleest, moet met verontwaardiging, medelijden en angst vervuld worden. Niets is droeviger dan de geschiedenis van die hongerende en angstvallige stakkerts, die daar op de woeste rotsen en zandgronden in de woestijn, aan honger, moord en plagerijen blootgesteld, ronddoolden. Onwetend en in de hoogste graad bijgeloovig werden zij bestuurd door leugens, door huichelarij geplunderd en dienden zij tot vermaak der priesters en waren het voorwerp hunner vrcesaanjagers. God was hun grootste vijand en de dood hun beste en eenige vriend.

Kan men zich een hatelijker, verachtelijker en verwaander wezen voorstellen, dan die Joodsche God uit den Bijbel? Geen enkele trek heeft Hij, die verlossing aanbrengt. Hij is de eenige die nooit door angst en tranen geroerd wordt. Hij is do eenige, die in bloed en pijn vermaak schept. In de goheele mythologie heeft Hij zijns gelijken niet. Menschelijke gewaarwordingen zijn Hem geheel onbekend. Voor liefde, voor muziek, schoonheid of vreugde heeft Hij geon enkel gevoel. Een valsche vriend, oen onbillijke rochtcr, een praalhans, huichelaar en tyran, oprecht in toorn, ijverzuchtig, verwaand en wraakgierig, valsch in het

ocr page 120

116

houden van beloften, eerlijk in het vervloeken, wantrouwend, onwetend en veranderlijk, — zoo is do God uit de Pentateuch.

Toegeven en Ontkennen.

Er bestaan ook wetenschappelijke Christenen, die thans toegeven, dal de Bijbel op het punt van astronomie, aardkunde, plant- en dierkunde of eene andere wetenschap niet werd geinspireerd. Met andere woorden, zij geven toe, dat men zich, wat die onderwerpen betreft, niet op den Bijbel kan verlaten. Als alle berichten in den Bijbel icaar waren, dan behoefde men niet toetegeven, dat eenige daarvan niet „geinspireerdquot; zijn. Een Christen zou immers onmogelijk toegeven, dat een passage in den Bijbel niet geinspireerd is, of hij moet wel degelijk overtuigd zijn, dat ze „onwaarquot; is. Do orthodoksie zal eindelijk wel moeten toegeven, dat als een passage tegelijk waar en ongeïnspireerd kan wezen, dan elke onwaarheid onmogelijk geinspireerd kan zijn.

Haddon de Europeanen zooveel van astronomie en geologie geweten, toen de Bijbel bij hen werd ingevoerd als thans, niemand zou dan aan den leer der „inspiratiequot; geloofd hebben. Hadden de schrijvers van de verschillende deelen van den Bijbel zooveel van de wetenschappen geweten als thans ieder mensch weet, het boek zou nooit zijn geschreven. Het boek is een product, dat werd voortgebracht in onwetendheid, en dat geloofd en verdedigd werd door den makers zeiven. Het boek heeft zijne macht naarmate de mensch in kennis toenam, verloren. Weinige jaren geleden werd dit boek bij het vaststellen van elk wetenschappelijk vraagstuk geraadpleegd, doch thans stemt de geestelijkheid zelfs toe, dat het boek in zulke zaken niet meer met gezag en bevoegdheid kan meespreken. Thans acht men hot woord van den mensch tot vaststelling van feiten vrij wat beter dan het woord van God. In de wetenschappelijke wereld werd Jehovah door Copernicus, Galileo en Kepler onttroond. Alles wat God aan Mozes vertelde (aannemende dat het verhaal waar ia) is stof en asch vergeleken bij de ontdekkingen van Descartes, Laplace en Humboldt. Wat feiten aangaat hield de Bijbel op een richtsnoer te zijn; de wetenschap slaagde er in de ketenen der theologie te verbreken. Voor eenige jaren trachtte de Wetenschap te bewijzen, dat zij met den Bijbel niet onbestaanbaar was. Thans zijn de bakens verzet cn tracht de Godsdienst bewijzen to leveren, dat zij met de

ocr page 121

liï

Wctenscliap niet geheel onvereeuigbaar is. De maatstaf is omgckccrfl.

Gedurende vele eeuwen beweerden de Christenen dat van alle boeken, de Bijbel uit he t gezichtspunt der letterkunde geone wedergade had en dat een mensch zonder de hulp van God nooit zoo iets zou kunnen voortbrengen. Deze reclame werd uitgesproken toon er nog slechts weinige boeken waren en de Bijbel het eenigste algemeen bekende boek, geen mededinger had. Maar deze reclame is als zoo vele andere reeds door velen, en zal spoedig door iedereen worden ingetrokken.

Men houdt thans nog vol — en dit zal wel de laatste verschansing zijn, waarachter de leer der inspiratie zich verschuilt en verbergt — dat de Bijbel ofschoon onwaar en onjuist op het gebied van astronomie, geologie, geographic, geschiedenis en philosophie, toch geinspireerd is op het gebied der zedeleer. Men reclameert nu, dat indien het boek er niet geweest ware, de aar.le nu door barbaren bewoond zou zijn en wij zonder de heilige schrift geen enkel donkbeeld van de eenigheid van God zouden hebben. Het geloof aan een conigen God wordt dus gehouden voor een leer van het hoogste belang en zonder dit geloof zou er geene beschaving bestaan en zou dit feit geen middelpunt zijn van alle menschelijke deugden. Ik voor mij, vindt het van oneindig meer gewicht aan den mensch te gelooven. Theologie, (godgeleerdheid) is bijgeloof — Humaniteit, (menschelijkheid) is geloof.

Is de instelling der Slavernij ook geïnspireerd.

Misschien is de Bijbel wel geinspireerd op het gebied der menschelijke slavernij. Is er in de beschaafde wereld thans nog een geestelijke, die aan de heiligheid der slavernij gelooft? Leert de Bijbel den mensch van zijn medemenseh een slaaf maken? Welnu, als dat zoo is, moet men het dan geen godlasteren noemen, door vol te houden dat zulks door God geinspireerd werd. Als men de instelling der slavernij in een boek kan vinden, waarvan men beweert, dat God het geinspireerd heeft, wat moet men dan verwachten van een boek, dat den duivel zou inspi-reeren? Moderne Christenen, beschaamd over den God van het Oude Testament, tigt;aohten wel te bewijzen, dat Jehova geenszins de slavernij heeft verhinderd. Toch kan in dit opzicht niets duidelijker zijn, dan hetgeen wij lezen in het 25ste hoofdstuk van Leviticus: ^Aangaande uwen slaaf qf wee slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volken zijn, die

ocr page 122

iïs

t mi dom u zijn; van die zult gij eencn slaaf of eene slavin koopeti. Gij zult ze ook koopen van de kinderen der hijwoners, die lij n als vreemdelingen verkeeren, uit hen en uit hunne geslachten, die lij u zzdleu zijn, die zij in we land zullen gewonnen Jtelben en zij zullen u tot eene bezitting zijn. En gij zult n tot bezitters over hen stellen voor uwe kinderen na u, opdat zij de bezitting erven: gij zult hen in eeuwigheid doen dienen.

Kunnen wij in de Negentiende eeuw nog goloovon, dat deze schandelijke volzinnen door God gesproken of geïnspireerd werden. Kunnen wij gelooven, dat God niet alleen de menschelijke slavernij goedkeurde, maar ook zijn uitverkoren volk onderwees slaven en slavinnen te koo-pen, van de volken, die rondom u zijn. Hadden de Hebreeuwen liet recht slaven en slavinnen to koopen, dan hadden de omliggende volken het recht mannen en vrouwen te verkoopen. Do God, die den Hebreeuwen beval te koopen, keurde hiermede den verkoop van zonen en dochters goed. De Kananiet door goud verleid, door hebzucht gedreven, verkocht uit de armen zijner vrouw het tegenstrevende kind, enkel omdat de Hebreeuwen aan de bevelen van hun God zouden kunnen voldoen. Ia God werkelijk de schrijver van den Bijbel, dat hij zich dan schame! bij hot lezen van die volzinnen. Ik vraag aan alle hedendaagsche Christenen, hadden die Heidenen het recht hun kinderen te verkoopen? Moest God zulk eene infame handel in menschenvlecsch niet eerder tegengaan, in plaats van ze te bevelen. Doch behalve dat God zijn uitverkoren volk beval van de volkoren, die rondom hen waren, te koopen, stond Hij ook toe elkander onderling voor eene bepaalde tijd van jaren te koopen. De wet regelende den verkoop der Joden is nedergelegd in het 21ste hoofdstuk van het Boek Exodus: Als gij eenen Hebreeuwschen knecht koopen zult, die zal zes jaren dienen; vmar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Indien hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zoo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zoo zal zijne vrouw met hem uitgaan. Indien hem zijn heer eene vrouw gegeven en zij hem zonen of doclderen gehaard zal hebben, zoo zal de vrouw en hare kinderen haars heer en zijn en hij zal met zijn lijf uitgaan. Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijnen heer, mijne vrouw, mijne kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan. Zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen; daarna zal hij hem aan de deur of aan den post brengen en zijn heer zal hem met eenen priem zijn oor doorboren en hij zal hem eeuwiglijk dienen.

Wie gelooft, dat God de maker van deze wet is ? Wie gelooft, dat ons aller liefderijke vader de weerspannige armpjes der kleinen ijzeren handboeien zou willen aandoen? Wie gelooft, dat llij de gevangenschap

ocr page 123

119

cler slavernij met het lokaas van: „vrouw en kinderenquot; voorzagV Kunnen wij een God liefhebben, die zulke wetten ordonneerde, of /00 ja moeten wij hem dan niet haten en verachten? Van don heidenen wordt nooit als menschelijke wezens gesproken. Waren het dan geen menschou ? Van hunne rechten wordt nooit iets vermeld. Hadden zij dan geene rechten? Bestonden zij maar alleen op do aarde om door het zwaard om te komen en dienden hunne lichamen enkel voor zweepslagen en ketenen? In hetzelfde hoofdstuk van het geïnspireerde hoek wordt ons nog vermeld: W■inneer ook iemand zijnen dienstknecht of zijne dienst-maagd met eenen stok slaat, dat hij onder zijne hand sterft, die zal zekerlijk gewroken wot den. Zoo hij nog tuns eenen dag of ticee dagen overeind blijft, zoo zal hij niet gewroken worden, want hij is zijn geld.

Kunnen of moeten wij gelooven, dat God eonige zijner kinderen het geld van zijne medekinderen noemde? Kunnen wij gelooven, dat God van de zweepslagen op iemands rug oen wettig betaalmiddel maakte voor volbrachte ai beid ? Moeten wij den verkooppaal als een altaar beschouwen? Waren de bloedhonden apostelen? Was de slavenkooi een tempel? Waren de wegnemors en de geeselaars van vrouwen en kinderen Gods rechtvaardige kinderen.

Men stelt zich nu, omdat het Oude Testament doordrongen is van de barbaarschheden van die tijden, tevreden met het Nieuwe Testament en beweert, dat dit volmaakt zedelijk is en de bladzijden daarvan door geen enkelen vlek besmet zijn. Een feit is het, dat hot Nieuwe Testament ten opzichte der slavernij bepaald gunstiger is, dan het Oude.

Wat mij betreft, wil ik nooit een God dienen, die aan do instelling der slavernij vasthoudt. Zulk een God haat en verfoei ik. Zijn hemel begeer ik niet en voor zijne hel ken ik geen vrees.

Het „gduspireerdequot; Huwelijk.

Zou er nog een orthodoksch predikant beslaan, die verklaart en gelooft, dat de instelling der veelwijverij het ware, hot echte is. Zou er nog iemand zijn, dio in het publiek zou wonschui te verkondigen, dat volgens zijne meening veelwijverij ooit goed was. Zou er wel een tijd geweest zijn, dat het goed was eene vrouw eenvoudig als een eigendom of bezitting te behandelen. Als gij deze vraagstukken wilt beantwoorden, zegt dan niet dat do Bijbel een buitengewoon boek is en dat de

ocr page 124

12Ö

Ynenacli '/ioli zonder hetzelve, in slavernij en in verstandelijke duisternis zou bevinden. Dat, is geen antwoord op de vraag: Was er een tijd, dat de instelling der veelwijverij do verhevenste uiting van alle mensehelijke deugden was'? Bestaat er eene christelijke beschaafde vrouw begaafd met vorstand, die aan do instelling der veelwijverij gelooft? Zijn wij nu beter, reiner en verstandiger dan God voor 4000 jaar? Waarom zouden wij do Mormonen gevangen nemen en God dienen ? T)e veelwijverij in Utah is toch even zoo rein als zo ooit in het beloofde land geweest kan zijn. Liefde en deugd zijn op aarde overal aan elkander gelijk en de rechtvaardigheid is op elke ster hetzelfde. Alle talen der wereld zijn echter niet in staat de vuilheid dor veelwijverij uit te drukken. Zo maakt van don man een dier, van de vrouw een sidderende slavin. Ze verwoest het huiselijk leven en zo maakt van do dongd oen misdadig iets*, ze berooft de mensehelijke taal van do zootklinkendste woorden en laat in het menschelijk hart eene leegte achter, waar vergiftige slangen dor walgelijkste lust in rondkruipen. De beschaving berust op hot familieleven. Eon goed huisgezin is do eenheid van een goed bestuur. Deugden tieren slechts aan het heilig haardvuur. Zij groeien, bloeien en verspreiden hun geur om den haard, waar één man ('éne vrouw lief heeft. Zonder de heilige woorden- geliefde, —• echtgenoot, — vrouw,— moeder, — vader, — kind en thuis is de aarde slechts eene rustplaats en zijn mannon en vrouwen slechts dieren.

Waarom moet de zedige maagd en de liefhebbende moedor don harte-loozen Joodschen God aanbidden? Hoe kunnen zij met reine, vlekke-looze lippen het verachtelijk verhaal van „geinspireordequot; wellust lezen ?

Het huwelijk tusschen één man en ééne vrouw is de citadel en de vesting dor beschaving. Zonder zulk een huwelijk wordt de vrouw de prooi en de slavin van macht en lust en keert de man weder naar zijne woestheid en misdaad terug. Uit de diepte van mijn hart haat, verafschuw en verwerp ik alle levenstheoriën, waarvan het reine en heilige huiselijk leven niet de hoeksteen vormt. Neem van de aarde het huisgezin, do haard en de kinderen uit het huwelijksleven ontstaan weg, er blijft niets meer over.

„geïnspireerdequot; Oorlogen.

Als de Bijbe' waarheid spreekt, dan beval God aan zijn uitverkoren volk die lieden uit te roeien, die do misdaad begingen hun geboortegrond

ocr page 125

m

te verdedigen. Dat uitverkoren volk mocht niemand sparen van den grijsaard af, tot het pasgeboren wicht op moeders sciioot toe. Zelfs werd bevolen vrouwen te dooden en met hot zwaard luit ongeboren kind te doorsteken. Onze Hemelsehe vader beval den J,.den mannen, vrouwen, vaders, zonen en broeders te vermoorden, maar Jongvrouwen in hot leven te laten. Om welke reden jonge maagden niet ook werden vermoord. Om welke reden zij in hot loven werden gelaten? Welnu, leest het 31ste hoofdstuk van Numeri en gij zult vinden dat de maagden aan de krijgslieden en priesters werden prijsgegeven. Is er in de geschiedenis iets schandelijkere bekend'i' Kan God het dulden dat de viooltjes der zedigheid, in het jonkvrouwelijk gemoed gekweekt en gekoesterd, onder de voet van dierlijke wellust vertrapt worden. Is dit een bevel van God, zoo ja, wat moet onder gelijke omstandigheden dan het bevel van een duivel zijn? Als eene vrouw en moeder uit deze eeuw zulke verhalen leest, moet zij dan niet mat voracliling en walging dit boek wegwerpen ? Een veldheer, die ^hans in den oorlog een bevel uitvaardigde om het veroverde volk te doen ombrengen, zou door de geheele beschaafde wereld immers verfoeid worden. En toch als de Bijbel de waarheid is, dan was do verhevene en oneindige God eens zulk een barbaar.

Voor eenige jaren vond men op een smal pad, dat naar eene hut geleidde de lijken van eene moeder en twee kinderen. Haar borst was overdekt met wonden die zij bij de verdediging van hare kinderen had opgedaan. Zij waren door de roodhuiden vermoord. Indien iemand bij het aanschouwen van deze levenlooze vormen nu eens zeidde: Dit deed menquot; op bevel van God. Want in Kanaiin hebben tallooze tooneelen van dien aard plaats gehad. In den geinspireerden oorlog, was van geen medelijden sprake. God hield de zwarte vlag in de hoogte en beval do krijgslieden hot kind uit moeders armen te rukken en te dooden. Ik vraag nu, wie is de godslasteraar, degeen die het bestaan van zulk oen God ontkent of degoen, die het kleed van den Almachtigen met dit onschuldig bloed bevlekt? Men verhaalt ons in de Pentateuch, dat God, ons aller vader, duizende jonge dochters nadat hunne ouders en broeders vermoord waren, prijs gaf om de hartstochten van wilde menschen te bevredigen. Zoo er toch een God mocht bestaan, dan verzoek ik hem mijn naam daartegenover in zijn boek to plaatsen als bestrijder van deze leugens, die ik niet geloof en die ik mij voorneem nooit te zullen gcloovcn.

I)c ^nnspireerde fsodsdienstige vrijheid.

Volgens den Bijbel koos God het Joodsche volk uit om door hen

»

ocr page 126

122

liet groote feit, dat Hij de eenigo ware en levende God was, wereldkundig te maken. To dien einde verscheen üod verscheidene malen aan Mozes; om die reden kwam Hij op den top van den Sinaï in een wolk van vuur naar beneden en deed duizende wonderen om de Joden te bewaren en op te voeden. Hij liet bet brood voor hen uit den Hemel regenen. Hij deed water, om hunne dorst te lesschen, uit een droogo, en steenachtige rots ontspringen. Hunne vijanden werden door wonderen verdelgd en gedurende 40 jaar nam God in do woestijn het opperbestuur der Joden op zich. Doch niettegenstaande al die weldaden stelde menigeen van zijn volk minder vertrouwen in Hem dan in goden van hout en steen. In moeielijke oogenblikken, in tijden van rampen, in onzekerheid, bij twijfel, bij hongersnood en watergebrek zochten zij nog eerder hulp bij zinnelooze voorwerpen, dan dezen God om bijstand te vragen. Deze God was met al zijne macht on wijsheid niet in staat, eenigo arme, do wildernis doortrekkende barbaren te overtuigen, dat Hij machtiger was dan de afgodsbeelden van Egypto. Deze God hield er niet van dat do Joden dachten en onderzochten. Ketterij werd mot den dood bestraft. Waar deze God heerschte, was verstandelijke vrijheid onbekend. Hij beriep zich op ruw geweld en legde belastingen op met het dreigen van plagen. Hij verlangde aanbidding op straffe van vuur en zwaard. HÜ handelde als spion, inquisiteur, rechter en beul. In het 13do hoofdstuk van Deuteronomium bezitten wij de denkbeelden van de verstandelijke vrijheid van God. Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uwe dochter, of de vrouw van uwen schoot, of uw vriend, die als uwe ziele is, u zal aanporren in het heimelijke zeggende: laat ons gaan en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij nooh uwe vaderen ; Van de goden der volken, die rondom u zijn nabij u, of verre af, van het eene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde. Zoo zult gij hem niet te wille zijn en naar hom niet luisteren ; ook zal uw oog hem niet verschoonen en gij zult u niet ontfermen noch hem verbergen. Maar gij zult hem zekerlijk doodslaan •, Uwe hand zal eerst togen hem zijn, om hem te dooden, en daarna de hand des ganschen volks. En gij zult hem met steenen steenige, dat hij sterve.

Dit is de godsdienstige vrijheid van God, do verdraagzaamheid van Jehovah aldus. Had ik in dien tijd in Palestina gewoond en mijne vrouw, de moeder mijner kinderen zou eens togen mij zeggen: nIk ben Jehovah zat, hij vraagt altijd naar bloed; altijd herhaalt Hij, wat Hij voor ons Joden gedaan heeft; Hij vraagt altijd naar offeranden, naar duiven en lammeren — bloed niets dan bloed. Laat ons de zon gaan aanbidden, Jehovah ia zoo wraakgierig, zoo boos geluimd cn zoo voeleischend. Laat

ocr page 127

123

ons de zon gaan aanbidden. Dc zon voorziet de aarde met schoonheid ; aan haar danken wij de schoone, veelkleurige bloemen en door haar goddelijk licht zag ik u en mijn kind.quot; Als ik aan het bevel van God gehoorzaamde, zou ik haar voor die woorden moeten doodslaan. Mijn hand moest eerst tegen haar zijn en dan die van het gansche volk en zij moest met steenen zoolang gesteenigd worden totdat zij stierf. Welnn, ik zou mijne vrouw niet doodslaan, zelfs al werd zulks door de waarachtige God van Hemel en aarde bevolen. Bedenkt, dat gij bij het op-rapen van een steen, die gij tegen haar blanke boezem zoudt werpen, uit hare gekwetste mond, de doodelijke wonde, de roode stroom van haar dierbaar leven zaagt vloeien en opwaarts ziende den dank van den almachtigen geest zoudt ontvangen, wiens bevelen gij zoo braaf had opgevolgd. Wij kunnen niet gelooven, dat zulk een bevel ooit door een verstandige en liefderijken God werd gegeven. Veronderstellen wij echter dat God deze wet toch aan de Joden gaf en hen mededeelde dat zij wanneer iemand eene ketterij predikte, of voorstellen deed een anderen God te gaan dienen, hem moesten dooden. Mocht diezelfde God later in vleeschgcdsanto naar zijn uitverkoren volk terugkeeren en hen een andere leer verkondigen en wanneer ze hem dan overeenkomstig het vroegere bevel aan het kruis sloegen, dan vraag ik of hier niet geoogst werd, wat er gezaaid was. Waarom zou God zich over het lijden eener kruisiging moeten beklagen, die immers geheel in overeenstemmig was met het vroeger gegeven bevel. Niets is schandelijker dan verstandelijke dwingelandij. Ketenen te slaan om het lichaam van den mensch is niets vergeleken bij hot boeien van het verstand. Geen God heeft recht op eerbied en achting der menschheid, zoo hij niet aan ieder zijner kinderen het recht geeft, waarop Hij voor zich zeiven aanspraak maakt.

Bevat de Pentateuch de waarheid, dan is godsdienstvervolging eene plicht. Dc kerkers der Inquisitie waren tempels en het gerammel der ketenen der ketters was muziek voor het oor van God.

Was de Pentateuch „geinspireerdquot; dan moet elke ketter worden uitgeroeid en moet iedereen die een feit, onvereenigbaar met het heilige boek, verdedigt door het vuur of het zwaard omkomen. In het Oude Testament wordt niet gezegd nog eens met een ketter te spreken; wij vinden geen enkel woord vermeld, vertrouwen te stollen in argumenten, opvoeding en verstandelijke ontwikkeling — eenvoudig, niets dan ruw geweld. Zou er heden een Christen bestaan, die beweert, dat men 4000 jaar geleden zijne vrouw wegens een godsdienstig verschil moest doodslaan'? Beweert nog iemand dat die vrouw onder zulke omstandigheden doodgeslagen moet worden? Waarom moest God zoo ijverzuchtig ziju

ocr page 128

124

op de lioutcn afgodsbeelden der Heidenen? Kon Hij niet meer doen dan Baaly Was Hij naijverig op het succes der Egyptische toovenaars ? Kon Hij dan door een overtuigend machtsvertoon do stom van het ongeloof niet doen verstommen? Monst God zijne toevlucht tot geweld nemen om bekeerlingen te maken ? Was God dan zoo onbekend mot do inrichting van het nienschelijk vorstand om elke redelijke twijfel als eene misdaad te beschouwen.

Als Hij de afgoderij der Kananieten niet wenschto, waarom versoheen Hij dan niet aan hen? Waarom gaf Hij hen dan ook geen steenen tafelen? Waarom maakte Hij zijn wil slechts aan cenigo trekkende barbaarsche Joden bekend? Zou een godgeleerde zoo beleefd zijn deze vragen te beantwoorden. Wil een predikant, die thans aan godsdienstige vrijheid gelooft en zoo welsprekend over de onverdraagzaamheid dor Katholieken predikt ons deze dingen verklaren? wil hij ons dan ook vertellen waarom hij een onverdraagzame God dient? Is oen God die de zielen hiernamaals eeuwig in een vuur laat branden zooveel beter dan een Christen, die de lichamen een korten tijd op aarde liet branden? Is er in den Hemel geene verstandelijke vrijheid? Beantwoorden de engelen alle vraagstukken gelijk? Worden allen, die onderzoek doen, verdoemd? Wordt een herouwliMende dief gevleugeld en gekroond om eerlijke lieden te bespotten. Zuilen do angst- en smartkreten dor verdoemden de zaligheid bij God vermeerderen of verminderen? Bestaat er in het Heelal werkelijk ergens een eeuwig auto-da-fc.

II ni

1 '

■

r, r

i:

1

li m

Insluit.

Wanneer de Pentateuch niet geïnspireerd is omtrent de storrekunde» geologie, geographie, geschiedenis en wijsbegeerte, wanneer het niet geinspireerd werd omtrent slavernij, veelwijverij, oorlog, wet, godsdienstige of politieke vrijheid of wat de rechten van don man, vrouw en kinderen betroffen, dan blijft er werkelijk niet veel over, waar het wel over geinspireerd werd. Do cenigheid van God? — werd reeds lang geloofd voor dat Mozes geboren was. — Bizondore Voorzienigheid — was gedurende alle eeuwen de leer van de onwetendheid. Ook niet om hot recht van eigendom, want diefstal was altijd eene misdaad. De offeranden van dieren etc. — waren reeds duizendo jaren voor de Joden bestonden in gebruik. Do heiligheid van hot leven — was door wetten tegen moord reeds lang erkend. Ook niet omtrent de slechtigheid van

ocr page 129

125

den meineed, — want de waarheid werd altijd als eene deugd be-sehouwd. De schoonheid der kuiseliheid, — de Pentateuch leert ze niet. Gij zult geen anderen God dan mij aanbidden — dat is de zware last van elk geloof geweest.

Kon do Pentateuch niet door personen die niet geïnspireerd waren geschreven zijn? Was de hulp van God dan noodzakelijk om deze boeken voort te brengen? Kon Galileo daarentegen do mechanische beginselen van het snelheidsvermogen en de wetten der vallende lichamen en die van iedere beweging wel vaststellen. Coponiicus teekende ons de ware gedaante der aarde en gaf ons van ieder hemelsch natuurverschijnsel rekenschap. Kepler kon zijne drie wetten ontdekken, eene ontdekking van zooveel belang, dat men den 8stcn Mei 1618 de geboortedag van de moderne wetenschap mag noemen. Newton schonk ons zijne leer over de vloeistoffen, over de aantrekkingskracht der aarde en de oplossing van het liclitvraagstuk. Euclid, Cavalier, Descartes en Leibnitz volmaakten nagenoeg de wetenschap dor wiskunde ; voorts de ontdekkingen over de gezicht-, waterweeg-, lucht- en scheikunde ; de proefnemingen en uitvindingen van Galvani, Volta, Franklin en Morse, van Trevethik, Watt, Fulton, allemaal pioneers van den vooruitgang — al doze dingen konden worden uitgevoerd door niet-geinspireerde personen, maar de schrijver van den Pentateuch weid bestuurd on geïnspireerd door een almachtigen God. Hoe is het mogelijk, dat de wetten van China, Indië, Egypte, Griekenland en Rome door gewone menschen werden gemaakt, maar dat de wetten uit do Pentateuch door God werden ingegeven. Hoe is het mogelijk dat do bewonderenswaardige treurspelen en gedichten van Aeschylus, Shakespeare, Burns, Beranger, Schiller, Goethe en andere dichters slechts menschenwerk waren, maar dal geon ander verstand dan dat van den Almachtigen God in staat was een werk als de Pentateuch te leveren. Hoe is het mogelijk, dat alle boeken onzer bibliotheken over weteuschap, geschiedenis, proza on poëzie, dat die allen, behalve dat eene, door menschen werden voortgebracht, en dat dit eene alleen slechts een werk van God kan zijn. Is do Pentateuch geïnspireerd, dan is de hedendaagsche beschaving eene dwaling en misdaad. Er mag geene politieke vrijheid bestaan. Elke ketterij moot worden uitgeroeid. Echtgenooten mogen zich naar willekeur van hunne vrouwen scheiden, echtgenooten mogen moeders en hunne kinderen uit hun huis verjagen. Veelwijverij behoorde weder ingevoerd te worden, wij moeten zonen en dochteren der heidenen koopen en ze tot slaven maken. Wij moeten ons eigen vleesch en bloed verkoopen en het recht hebben onze slaven dood te slaan. Mannen en vrouwen moeten met steeneu

ocr page 130

126

gestoenigd worden, wanneer zij op don zevenden dag arbeid verrichten. Mediums, personen die door geesten bezeten zijn, moeten door vuur verbrand worden. Kortom, ieder spoor van verstandelijke vrijheid moet uitgeroeid, en do heilige fakkel van het verstand in het bloed van den martelaar worden uitgedoofd.

Is het niet veel beter en verstandiger te beweren dat de Pentateuch, al bevat ze oenige goede wetten, eenige wijze en nuttige opmerkingen, voor het overige misvormd en ontsierd is door de woestheid dier tijden. Is het niet beter en verstandiger het goede te bewaren en het verkeerde weg te doen. Wij kunnen immers toegeven, datgene wat wij weten, dat waar is. Wij weten dat Mozes omtrent duizende dingen dwaalde ; dat zijne geschiedenis der schepping niet waar knn zijn; dat de Hof van Eden eene mythe is; dat de slang en de boom der kennisse en de val der menschen slechts fragmenten zijn van eene oude, verloren gegane mythologie ; dat de vrouw niet uit een rib gemaakt werd; dat de slangen nooit een spraakvermogen bezaten; dat de zonen van God niet huwden met de dochters der menschen; dat de geschiedenis van den zondvloed en de ark niet zoo precies als bet verhaal luidt gebeurd is; dat do torenbouw te Babel op dwaling berust en de spraakverwarring een kin-dorachtig sprookje is; dat de oorsprong van den regenboog eene dwaze fantasie; dat Methusalem geen 969 jaren oud is geworden en dat Enoch do aarde niet zonder lichaam verliet; dat de geschiedenis van Sodom en Gomorrha eenigszins onwaarschijnlijk is on er nooit brandende zwavel als regen op aarde nederdaalde; dat Lots vrouw niet in een zoutpilaar veranderde; dat Jakob zijn heup niet uit hot gewricht trok, toen bij mot God worstelde; dat de geschiedenis van Tamar wel weggelaten had kunnen worden en dat het geloof aan de droomen van Farao volstrekt niet voor onze zaligheid bevorderlijk ia; dat hot er al zeer weinig op aan komt of de staf van Mozos werkelijk of in het geheel niet in eene slang veranderde; dat van alle wenderon, die naar men zegt in Egypte gedaan zijn het grootste is, dat iemand ooit het gehecle verhaal geloofde ; dat God het onschuldig vee niet deert wegens de misdaden hunner bezitters en ook de eerstgeborene van de vrouw, die achter don molen loopt, niet doodmaakt om de hardnekkigheid van Farao; dat kikvorsehen, ongedierte en sprinkhanen niet de uitvoerders van Gods toorn en do voltrekkers van zijn wil zijn; dat zeventig personen zich niet tot 3 millioen in 215 jaar kunnen vermenigvuldigen; dat 3 priesters elkon dag niet GOO duiven kunnen opeten; dat het zien naar een koperen slang niet het vergift uit hot bloed trekt; dat God geen bond sluit mot horsclen en dat Hij geen menschou ombrengt, alleen omdat

ocr page 131

12Ï

zij naar eten verlangen; dat Hij nooit verklaard kan hebben dat liet maken van haarolie en zalf eene misdaad was, die met den dood gestraft moest worden; dat Hij kleederen on leder nooit op wonderbare wijze voor slijtage vrijwaarde; dat Hij voor de verscheurende dieren niet bevreesd was; dat Hij ketterij niet met vuur en zwaard strafte; dat Hij niet ijverzuchtig, wraakgierig en onrechtvaardig is; dat Hij zeer goed wist, wat zon, maan en sterren waren; dat Hij nooit iemand gedreigd heeft te dooden, wie het vet van een os at; dat Hij nooit aan Atiron vertelde, dat hij moest loten, welke van de beide geiten hij slachten moest; dat het Hem niet kon schelen of men k'eedcren van wol en linnen maakte en dat indien Hij iets tegen dwergen — lieden met platte neuzen en te veel vingers — had. Hij zulke lieden maar niet had moeten scheppen; dat Hij nooit om menschenoffers vroeg ofschoon het laatste hoofdstuk van Leviticus dit verklaart; dat Hij volstrekt geen afkeer had van paardenfokkerij, en nooit aan weduwen bevelen gaf hun schoonbroeders in het gezicht le spuwen; dat verschillende tegenstrijdige verhalen van dezelfde handeling niet allen tegelijk waar kunnen zijn; dat God met Abraham sprak als mensch tot mensch; dat do engelen nooit op de aarde rondwandelden en kalfsvleesch met melk en boter toebereid aten, en geen overeenkomsten aangingen om steden te verwoesten; dat God zich nooit in een vurige vlam veranderde of zich in een brandende struik vertoonde; dat Hij Mozes nooit in een hotel ontmoette en hem trachtte te dooden; dat het onzin is wonderen te verrichten om een koning over te halen en tegelijkertijd zijn hart te verstokken; dat God volstrekt niet werd tegengehouden de Joden te dooden uit angst dat de Egyptenaren hem zouden uitlachen; dat Hij nooit in hot geheim liet begraven en het lijk toestond een verhaal van de begrafenis te schrijven; dat Hij nooit geloofde dat het uitspansel eene solide massa was; — dat Hij wel wist, dat slavernij eene vrcese-lijkc misdaad en veelwijverij liederlijke ontucht was; dat een dapper soldaat altijd een ongewapende vijand spaart; dat slechts wreede lafaards de veroverde weerloozen om het leven brengen; dat geen pen de

lafheid van den moordenaar van een onschuldig kind kan beschrijven ;_

dat God geen behoefte hoeft aan het bloed van duiven en lammeren; dat Hij volstrekt niet houdt van den reuk van brandend vleeseh; dat Hij niet begeert, dat zijne altaren met bloed gedrenkt worden; dat Hij nooit beweerde, dat de zonden der menschen in eene geit overgingen, dat Hij nooit aan toovenaars, spoken en duivels geloofde; dat Hij de deugd eener vrouw nooit roet stoffig water op de proef stelde; dat Hij nooit gemeend hoeft, dat konijnen herkauwende dieren en er ergens

ocr page 132

128

Viervoetige vogels waren; dat Hij verscheidcno, honderd jaren geleden niet pochte met dé overwinning van een Egyptischen koning; dat een droge stok in eene nacht niet bloeit, noch amandelen voortbrengt ; dat het manna niet inkrimpt en uitzet, naarmate men het langzaam of snel verzamelt zoodat iedereen slechts één omer kon verzamelen; dat 10 „ooit verkeerd den armen bij te staan; dat God nooit vertelde,

niet in vrede met de naburen te leven; dat Hij geen veertig dagen met Mo,'es op den Berg Sinaï vertoefde en patronen gaf voor het maken van kleederen, tangen en snuiters; dat het moederschap geen zonde was; dat de physiscbe mismaaktheid van iemand geen misdaad is; dat door onschuldig bloedvergieten goene openbaring aan de ziel gedaan kan worden; dat hot blond van een duif over vloeiend water geslacht geen geneesmiddel kan zijn; dat oen God. die liefde eischt niets van het monachclijk hart afweet; dat iemand, die kinderen wegens de zonden der vaderen ombrCigt een monster is; dat oen almachtige God het volk

nooit met pestziekte dreigde; dat Hij nooit verscheurende dieren op

kleine kinderen f^nd ! ]Iij llooit tl0 aardo voor vrouwon en lanquot; deren opende, omdat de echtgenootcn en de vaders Hem mishaagd hadden • dat Hij nooit verlangde, dat, lieden hunne zonen en broeders zouden' dooden, ten^nde ziehzeUen te heiligen; dat wij God met kunnen beha-en met het onwaarschijnlijke te gelooven; dat hchtgeloovigheid geene deugd en onderzoek geen misdaad is; dat iedereen de vrijheid heeft zijn verstak te gebruiken; dat geloofsvervolging voor God even schandelijk is als voor do menschen; dat zonder vrijheid de deugd eene onmogelijkheid ert zonder vrijheid zelfs geene liefde bestaanbaar .s; dat het iedereen vergund is te denken en zijne gedachten uit te spreken;

iTat dl luw kW. » ™ *• —. - -»«•-

liefde bestuurd moeten worden; dat de familiebanden heilig zijn; dat oorlogvoeren een* verachtelijke misdaad is; dat alle onverdraagzaamheid uit onwetendheid en haat geboren werd; dat do vrijheid van het heden de verwachting der toekomst is; dat het verlichte heden met op de knieén behoeft te vallen en blindelings het barbaarschc verleden behoort te aanbidden doch dat elk vrij, moedig, en verstandig wezen overal behoort W verklaren, dat alle onwetende, schandelijke, hartelooze en verachtelijke verhalen in de geïnspireerde Pentateuch vermeld, met de woorden van GOJ. maar eenvoudig: Eenige Dwalingen van Mozes zijn.

*5^quot;

ocr page 133

JJ.} I ; -yv • 1. .

1 ■. •-—

Bij den uitgever dezes is mede van denzelfden schrijver

VVfr^JieneU: • '■ ,.!lt;■ 4?quot;^.^'

DE GODEN.

34 pag. compr. druk.

PRIJS 15 CENTS;

10 ex. r 1.15;. 25 ex. f 2.50; 50 ex. f 4.75; 100 ex. f 7.50, alles franco per post.

i

DE GEESTEN.

26 pag. compr. druk. •

' PRIJS 10 CENTS;

10 ex. f 0.75; 25 ex. f 1.75; 50 ex. f 3.25; 100 ex. f 5.—, alles franco per post.

Beiden in zeer populairen trant geschreven werkjes, die niet alleen eiken vriend en vriendm der vrije ge-^ daclite met gerustheid ter lezing kunnen worden aanbevolen , maar die tevens verdienen in handen te komen van een elk, die zich ook maar eenigszins op godsdienstig terrein beweegt, daar ze op vele vragen die menigeen zich omtrent verschillende vraagstukken, twijfelingen enz. op godsdienstig gebied stelt, een juist en passend antwoord geven en ons een waar beeld leveren van het bijgeloof der nüddeleetiwen.

et

ocr page 134

x\

Bij den uitgever dezes is mede verschenen:

VEGETARISCH

KOOKBOEK.

NAAR 1)E iüe DLUTSCHE UITGAVE .

•jJ»

VAN

EDUARD BALTZER.

Bevattende meer dan 250 recepten voor de toebereiding der meest voedzame en smakelijke gerechten, toespijzen enz., benevens een groot aantal wenken voor den vegetariër en voor hen die tot do natuurlijke leefwijze, wenschen over te gaan en is bovendien een uitstekend werkje voor hen die zich op de hoogte willen stellen van het Vegetarisme.

' .V

Prijs 60 cent.