is gewis, den slechten wijsheid gevende. â De
KORT BEGRIP
DER
CHRISTELIJKE RELIGIE,
MET DE
VOORNAAMSTE BEWIJZEN
DER
HEILIGE SCHRIFT,
EN EEN
O?
ro
OP OJ
mO
'S
''C
CD
O 05
lt;D ^2
c$ cö
s
O gt;
AANHANGSEL OVER DE WET DES HEEREN.
35e druk.
INIJKERK,
LLE
â¢1899.
c
0) Sm 05 0?
M
J | G. F. CALLENBACH
CU
ü
®
Prijs 8 Cts. â 25 Exompl. /quot;1.50 â 100 Exempl. Æ4.â
'6 na g : 6x â 'naSoo ap 3pii9jq0i[J0A
^ /rj
KORT BEGRIP
l
der
CHRISTELIJKE RELIGIE,
met de
VOORNAAMSTE BEWIJZEN
der
HEILIGE SCHRIFT,
en een
AANHANGSEL OYER DE WET DES HEEREN.
De H. Schrift is een zoodanig boek, waartoe niet alleen vereischt wordt het lezen, maar ook de rechte Uitlegger en Openbaarder, namelijk de H. Geest; wanneer die de H. Schrift niet opent, bljjft ze wel onrerstaan, ofschoon ze ook gelezen wordt. Dr. M. Luther.
Soste drmlu
N IJ K E R K ,
G. F. CALLENBACH. 1899.
REGISTER
VAN DB
BOEKEN DES BIJBELS.
DE BOEKEN DES OUDEN TESTAMENTS ZIJN:
|
Genesis. Exodus. Leviticus. Numeri. Deuteronomium. J ozua. Richteren. Ruth. 2 Boeken van Samuël. 2 Boeken der Koningen. 2 Boeken der Kronieken. Esra. Kehemia. Esther. Job. Psalmen. Spreuken Prediker. |
Hooglied van Salomo. Jesaja. Jeremia. Klaagliederen van Jeremia. Ezechiël. Daniël. Hoséa. Joël. Amos. Obadja. Jona. Micha. Nahum. Habakuk. Zephanja. Hagaï. Zacharia. Maleachi. |
DE BOEKEN DES NIEUWEN TESTAMENTS ZIJN:
|
Evangelie van Mattheus. Evangelie van Markus. Evangelie van Lukas. Evangelie van Johannes. Handelingen der Apostelen. De brief van Paulus aan de Romeinen. 2 Aan die van Corinthe. Aan de Galaten. Aan die van Ãfeze. Aan de Filippensen. iSjtn de Colossensen. |
2 Aan de Thessalonicensen. 2 Aan Timotheüs. Aan Titus. Aan Filémon. Aan de Hebreën. De brief van Jakobus. 2 Brieven van Petrus. 3 Brieven van Johannes. De Brief van Judas. De Openbaring van Johannei. |
KORT BEGRIP
DEB
CHEISTELIJKE RELIGIE.
I. LES.
1 Vr. Hoeveel stukken zijn u noodig te weten , opdat gij wel getroost, zalig leven en sterven moogt?
Antw. Drie stukken. Ten eerste, hoe groot mijne zonden en ellende zijn. Ten andere, hoe ik van al mijne zonden en ellende verlost worde. Ten derde hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.
HET EERSTE DEEL.
Van des mens then ellendigheid.
2 Vr. Waaruit kent gij uwe ellendigheid?
Antw. Uit de wet van God.
Rom. 3 : 20. Boor de Wet is de kennis der zonde.
3 Vr. Wat heeft God u in zijne Wet bevolen?
A. Dat heeft Hij ons schriftelijk in de tien geboden begrepen, welke naar Exod. 20 en Deut. 5, aldus luiden:
Ik ben de HEERE uw God, die u uit Egypteland uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Jfet eerste (jehod.
Gij zult geene andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod.
Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en mijne geboden onderhouden.
Het derde gebod.
Gij zult den naam des II EER EN uws Gods niet ijdelijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die zijnen naam ijdelijk gebruikt.
Het vierde gebod.
Gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat des HEEREN
4
u vs Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is; want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is; en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den Sabbatdag en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod.
Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in. het land, dat u de HEERE uw God geeft.
Het zesde gebod.
Gij zult niet doodslaan. __
Het zevende gebod.
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod.
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod.
Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.
Het tiende gebod.
Gij zult niet begeereu uws naasten huis; gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is.
4 Vr. Hoe worden de tien geboden verdeeld?
A. Tu twee tafelen.
5 Yr. Welk is de inhoud van hetgeen u God gebiedt in de vier geboden der eerste tafel?
A. Dat ik den Heere mijnen God zal liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede' en met alle krachten. Dit is het eerste en het groote gebod. Matth. 22:37, 38.
6 Vr. Welk is de inhoud van hetgeen u God gebiedt in de zes geboden der tweede tafel ?
A. Dat ik. mijnen naaste zal liefhebben als mij zeiven. Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten. Matth. 22 : 39, 40.
7 Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
A. Neen ik; maar ik ben van nature geneigd,God (a) en mijnen naaste (6) te haten, en Gods geboden met gedachten, woorden en werken te overtreden.
D
{a) Kom. 8 : 7. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God-, want liet onderwerpt zich dsr wet Gods niet; want het kan ook niet.
(£) Tit. 3 : 3. Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende.
II. LES
8 Vr. Heeft God u alzoo boos en verdorven van natuur geschapen?
A. Neen Hij; maar Hij heeft mij goed [a) en naar zijn evenbeeld [h) geschapen, in ware kennisse Gods (e) gerechtigheid en heiligheid (//).
(a) Pred. 7 : 29. Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft.
(i) Gen. 1 - 37. En God schiep den mensch naar zijn beeld.
(lt;?) Col. 3 : 10. En aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft.
{d) Ef. 4 ; 24. En (dat gij zoudt) den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
9 Vr. Vanwaar komt dan die verdorvenheid, die in u is?
A. Uit den val en de ongehoorzaamheid van Adam
en Eva in het Paradijs, («) waar onze natuur alzoo is verdorven, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden, [h]
(a) Hom. 5 : 19. Gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars zijn gesteld geworden.
(é) Ps. 51 : 7. Ziet, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen.
10 Vr. Wat is dat voor eene ongehoorzaamheid geweest ?
A. Dat zij hebben gegeten van de vrucht des booms, welke God hun verboden had.
Gen. 3 ; G. En de vrouw zag, dat die hoorn goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerlf.v was om verstandig te maken. En zij nam van zijne vrucht en at gt; en zij gaf ook haren man met haar, en hij at.
11 Vr. Gaat ons de ongehoorzaamheid van Adam aan?
A. Ja zij toch, want hij is ons aller rader, en wij
hebben allen iu hem gezondigd.
Hom. 5 : 12. Gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle inenschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
6
12 Vr. Zoo zijn wij dan onbekwaam J\)eenig goed als uit ons zelveu, en geneigd tot alle kwaaa!
A. Ja wij {a), tenzij dat wij fVor den Geest Gods wedergeboren worden (5).
(a) Hom. 7 : 18. Ik weet dat in mij, ua is, in mijn vleesch, geen goed woont.
(è) Ev. Joh. 3 ; 3. Jezus antwoordde en zeide tot hem: Yoorwaar, voorwaar zeg ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde i hij kan het Koningrijk Gods niet zien.
13 Vr. Wil God zulke ongehoorzaamheid en verdorvenheid ongestraft laten?
A. Neen Hij, maar naar zijn rechtvaardig oordeel, wil Hij die tijdelijk (a) en eeuwig {li) straffen, gelijk geschreven staat: vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om dat te doen! Gal. 3: 10.
(a) Rom. 1 : 18. De toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen.
(i) 2 Thess. 1 : 9. Dewelke zullen tot straf lijden, het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren.
III. LES.
HET TWEEDE DEEL.
Tan des menschen verlossing uit zijne ellende.
14 Vr. Hoe kunt gij deze straf ontgaan, en weder tot genade komen?
A. Door zulk eenen Middelaar, die te zamen waarachtig God en een waarachtig, rechtvaardig mensch is.
15 Vr. Wie is die Middelaar?
A. Onze Heere Jezus Christus (a), die in één persoon waarachtig God, en een waarachtig, rechtvaardig mensch is {l).
(a) 1 Tim, 2 ; 5. Daar is één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus.
(i) Ev. Joh. 1; 14. Het Woord is vleesch geworden.
16 Vr. Kunnen de Engelen onze middelaars niet zijn?
A. Neen zij, want ze zijn noch God, noch mensch.
Hebr. 1 ; 14lt;. Zijn ze niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitge zonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
7
17 Vr. Kunnen de Heiligen onze middelaars niet zijn?
A. Neen zij, want ze hebben zeiven gezondigd, en zijn
niet anders dan door dezen Middelaar zalig geworden.
Hand. 4 : 12. De zaligheid is in ge en en anderen; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.
18 Vr. Zullen ook alle menschen door den Middelaar Jezus zalig worden, gelijk zij allen door Adam zijn verdoemd geworden?
A. Neen zij, maar alleen, die Hem met een oprecht geloof aannemen, gelijk geschreven staat: Ev. Joh. 3: 16. Al-zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eenig-geboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Ev. Joh. 1 ; 12. Zoo velen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven.
Ev. Joh. 3 : 36. Die in den Zoon gelooft gt; die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
IV. LES.
19 Vr. Wat is een oprecht geloof?
A. Het is eene zekere kennis [a) van God en zijne beloften, ons in het Evangelie geopenbaard [h), en een hartelijk vertrouwen, dat mij al mijne zonden om Christus wil vergeven zijn (c).
(a) Joh. 17 : 3. Dit is liet eeuwige leven dat zij U kennen.
(i) Ev. Joh. 3 : 33. Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is.
(c) 1 Joh. 5 : 10, 11. Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van zijnen Zoon. En dit is de getuigenis, (namelijk) dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in zijnen Zoon.
20 Vr. Welke is de hoofdsom van hetgeen ons God in het Evangelie belooft, en bevolen heeft te gelooven?
A. Dat is begrepen in de twaalf artikelen des alge-meenen christelijken geloofs, die aldus luiden;
1. IJc geloof in GOD DEN VADER, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
9. in JEZUS CHRISTUS, rijnen ccniggeboren Zoon, onzen Heer;
3. Die ontnanjen is va;i den il. Geest, geboren uit de maagd Maria;
8
4-. Die geleden heeft onder Pontius Vilatus, ge kruisd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;
5. Ten derde dage toeder opgestaan van de dooden;
6. Opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des Almachtig en Vaders ;
7. Van waar Hij komen zal om te oor doelen de levenden en de dooden;
8. Ik geloof in den HEILIGEN GEEST.
9. Ik geloof eene heilige, algemeene, christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen.
10. Vergeving der zonden;
11. Wederopstanding des vleesches ;
12. En een eeuwig leven.
21 Vr. Als gij belijdt te gelooven in God den Vader, en den Zoon, en den H. Geest, verstaat gij daarbij drie goden?
A. Neen ik geenszins, want er is maar één eenig waarachtig God.
Deut. 6 : 4«. Hoor Israël, de Heere onze God is een eenig Heer.
22 Vr. Waarom noemt gij dan drie, den Vader, den Zoon, en den H. Geest?
A. Omdat God zich alzoo in zijn woord heeft geopenbaard, dat deze drie [a) onderscheidene Personen, de eenige en waarachtige God (é) zijn, gelijk wij ook gedoopt zijn in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Matth. 28: 19.
(a) 1 Joh. 5 : 7. Drie zijn or, die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de H. Geest; en deze drie zijn één.
{h) Joh. 10 ; 30. Ik en de Vader zijn één.
23 Vr. AVat gelooft gij met deze woorden: ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?
A. Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde (a) uit niet (b) geschapen heeft, en nog door zijne voorzienigheid onderhoudt, (c) om zijns Zoons Christus wil, mijn God en mijn Vader zij {(Tj.
(a) Gen. 1:1. In den beginne schiep God den heme* en de aarde.
(i) Ps. 33 ; 9. Hij spreekt, en hel is er: Hij gebiedt en het staat er.
{è) Ps. 36 : 7. Heere Gij behoudt menschen en beesten.
Hand. 17 : 28. In He*quot; leven wij, en bewegen ons, en zijn wij.
Matth. 10 : 29, 30. En worden niet twee muschjes om een penningske»
9
verkocht ? En niet één van dezen zal op de aarde vallen, zonder uwen Vader. En ook uwe haren des hoofds zijn allen geteld.
(rf) 3 Cor. 6: 18. En ik zal u tol een en Fader zijn, en gij zult mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
V. LES.
24 Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: En in Jezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer?
A. Dat Jezus Christus de eeuwige en eenige Zoon (a) des Vaders zij, [h) éénswezens met God den Vader en den H. Geest.
(a) Ps. 2: 7, 12. Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd; welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
(^) Joh. 5; 26. Gelijk de Vader het leven hee^t in zich zeiven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeoen, het lenen te hebben in zich zeiven.
1 Joh. 5: 20. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.
25 Vr. Gelooft gij niet, dat Hij ook mensch geworden is?
A. Ja ik, want Hij is ontvangen van den H. Geest
en geboren uit de maagd Maria.
Luc. 1: 35. En de Engel, antwoordende, zeide tot Maria: de H. Geest zal orer u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen ; daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
26 Vr. Is dan zijne Godheid veranderd in de raenschheid?
A Neen, want de Godheid is onveranderlijk. Mal. 3: 6.
27 Vr. Hoe is Hij dan mensch geworden?
A. Door aanneming der menschheid in eenigheid des persoons.
Rom. 9: 5. Uit welke (vaders) Christus is, zoo veel het vleesch aangaat, dewelke is God, boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.
28 Vr. Heeft Hij dan zijne menschheid uit den hemel gebracht?
A. Neen Hij, maar Hij heeft die aangenomen uit de maagd Maria, door de werking des H. Geestes, en is alzoo ons, den broederen, in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Hebr. 2: 17 en 4: 15.
Fil. 2: 7- Hij heeft zich zeiven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende.
10
29 Vr. Waarom wordt Hij Jezus, dat is Zaligmaker genaamd?
A. Omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonden.
Matth. 1: 21. Gij zult zijn naam heeten Jezus; want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.
30 Vr. Is er anders geen Zaligmaker?
A. Neen; want er is geen andere naam onder den hemel den menschen gegeven, door welken wij moeten zalig worden, (dan door den naam van Jezus). Hand 4: 12.
31 Vr. Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genaamd ?
A. Omdat Hij met den H. Geest is gezalfd ia), en van God den Vader verordend, tot onzen grooteu Profeet (ó), tot onzen eenigen Hoogepriester (c) en tot onzen eeuwigen Koning (rf).
(a) Hand. 10: 38. Belangende Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met den H. Geest en met kracht.
(i) Hand. 3: 23. Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd; de Heere uw God zal u eenen profeet verwekken uit uwe broederen, gelijk mij; dien zult gij hooren, in alles, wat Hij tot u spreken zal.
{c) Ps. 110: 4. Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordeninge Melchizedeks.
(rf) Luc. 1: 32, 33. En God de Heere zal hem den troon van zijnen vader David geven, en Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid.
VI. LES.
32 Vr. Wat heeft dan Jezus Christus gedaan, om ons zalig te maken?
A. Hij heeft voor ons geleden, (a) is geJcruisd en gestorven, begraven en nedergedaald ter helle; dat is: Hij heeft de helsche pijn geleden, en is alzoo zijnen Vader gehoorzaam geworden (4), opdat Hij ons van de tijdelijke en eeuwige straffen der zonde verlossen zoude (c).
(a) 1 Petri 3: 18. Christus heeft ook eens voor de zonde geleden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zoude brengen.
{b) Pil. 2: 8. Hij heeft zich zei ven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises.
('â¢) Gal. 3: 13. Christus heeft ons verlost van den oloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons
11
o.'i Vr. In welke natuur heeft Hij dit geleden?
A. Alleen in zijne menschelijke natuur, dat is: zijne ziel («) en zijn lichaam [b).
(a) Matth. 26: 38. Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe.
(ó) 1 Petri 2: 24-. Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout.
34 Vr. Wat heeft dan zijne Godheid hiertoe gedaan?
A. Zijne Godheid heeft door hare kracht die aangenomen menschheid alzoo gesterkt, dat zij den last des toorns van God tegen de zonde heeft kunnen verdragen, en ons daarvan verlossen.
35 Vr. Is Christus dan in den dood gebleven?
A. Neen Hij, maar Hij is ten derde dage weder opgestaan van de dooden tot onze gerecntigheid.
Rom. 4: 25. quot;Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardig making.
36 Vr. Waar is Christus nu naar zijne menschheid?
A. Hij is opgevaren ten hemel, en zit ter rechterhand
van God den Vader, dat is: verheven in de hoogste heerlijkheid boven alle schepselen. Ef. 1; 20, 21.
Mare. 16: 19. De Heere dan, nadat Hij tot hsn gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods.
37 Vr. Waartoe is Hij daar zoo hoog verheven?
A. Inzonderheid opdat Hij van daar zijne gemeente zoude regeeren (a), en onze Voorbidder zijn bij den Vader (b).
(a) Ef. 1: 23. En Hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen.
(i) Hom. 8: S^. Die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.
38 Vr. Is Hij dan niet bij ons tot aan het einde der wereld, alzoo Hij ons beloofd heeft? Matth. 28: 20.
A. Naar zijne Godheid, Majesteit, Genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons; maar naar zijne menschheid blijft Hij in den hemel, tot dat Hij eenmaal zal komen om te oordeelen {a) de levenden eu de dooden.
iV) '2 Cor. 5: 10. quot;Wij allen moeten geopenbaard worden voor den rech-
12
terstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdragc, lietgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
VII. LES.
39 Vr. Wat gelooft gij van den 11. (jlccstP
A. Dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon quot;waarachtig (a) eeuwig God (i) is, en dat Hij ..lij van
den Vader door Christus gegeven zijnde, wederbaart,
in alle waarheid leidt, mij troost en in eeuwigheid bij mij zal blijven (c).
(a) Hand. 5: 3, 4. Ananias! Waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den /T. Geest liegen zoudt? Gij hebt den menschen niet gelogen, maar Gode.
{b) 1 Cor. 12: 11. Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, deelende aan een iegelijk in het bizonder, gelijkerwijs Hij wil.
(lt;?) Joh. 14-: 16. 17a. Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u hlijve in der eeuwigheid, namelijk, den Geest der waarheid.
40 Vr. Wat gelooft gij van de heilige, algemeene Kerk ?
A. Dat de Zoon van God, uit het gansche mensche-
lijk geslacht (a), de uitverkorenen ten eeuwigen leven (b), door zijn Geest en Woord (c), zich tot eene Gemeente vergadert, waarvan ik geloof, dat ik een levend lidmaat ben.en eeuwig zal blijven [(V).
(a) Openb. 5: 9. Gij hebt ons Gode gekocht, met uwen bloede, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie.
{h) Ef. 1; 4. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld. Vergel. Rora. 8: 30.
(c) Hand. 16: 14lt;. En eene zekere Trouw, met name Lydia, eene pur-perverkoopster van de stad Thyatire, die God diende, hoorde ons, welker hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.
{d) Joh. 10: 28. Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken.
41 Vr. Waar vergadert Hij deze Kerk?
A. Daar meu Gods woord recht predikt, en de heilige Sacramenten bedient, naar de instelling van Christus.
Hand. 2: 43. En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
4£ Vr. Welke weldaden doet God aan deze gemeente?
13
A. Hij scheukt haar vergeving der zonden (a), de wederopstanding des vleesches [b) en liet eenwige leven (c).
(a) Ef. 1:7. In welken [n. 1. Christus] wij hebben de verlossing door zijn bloed, (namelijk) de oergcinng der misdaden, naar den rijkdom van zijne genade.
(i) Joh. 5: 28, 29. De ure komt, in welke allon, die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis.
(lt;?) 1 Joh. 2; 25. En dit is de belofte die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.
vin. LES.
43 Vr. Wat baat het n nu, dat gij dit alles gelooft?
A. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben.
Rom. 5: 1. Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede j God, door onzen Heere Jezus Christus.
44 Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
A. Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus.
Rom. 3: 28. quot;Wij besluiten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zotider de werken der Wet.
Gal. 2: 16. Wetende dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der Wet, maar door het geloof van Jezus Christus.
45 Vr. Hoe is het te verstaan, dat gij alleen door het geloof gerechtvaardigd zijt?
A. Alzoo, dat alleen de volkomene genoegdoening (a) en gerechtigheid van Christus, [b) van God mij wordt toegerekend , waardoor mij mijne zonden vergeven, en ik een erfgenaam des eeuwigen levens worde (c); en dat ik die niet anders dan door het geloof kan aannemen {d).
(a) 2 Cor. 5: 21. Want dien, die geene zonde gekend heeft, heeft God. zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
(i) Rom. 5; 19. Alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen, velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
{c) Hand. 26: 18. Opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erf deel ouder de geheiligden, door het geloof in Christus.
{d) Rom. 4; 5. Doch dengenen, die niet werkt, maar gelooft in Hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
46 Vr. Waarom kunnen onze goede wTerken onze gerechtigheid voor God niet zijn, noch ook een stuk derzelve?
A. Daarom dat ook onze beste werken in dit leven onvolkomen en )nct ynuleu besmet zi'n.
14
Ef. 2: 8, 9. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de werken, opdat niemand roerae.
Ps. ÃS: 2. En ga niet in het gericht met uwen knecht; want niemand^ die leeft, zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn.
47 Vr. Verdienen dan onze goede werken niet, die God nogtlians in dit en in het toekomende leven wil beloonen?
A. Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, (a) maar uit genade (ó).
(a) Luc. 17: 10. Wanneer yij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten\ want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.
(4) Hom. 6: 23. Be genadegif te Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heer.
IX. LES.
48 Vr. Wie werkt dat geloof in u?
A. De Heilige Geest.
1 Cor. 12: 3b. Niemand kan zeggen Jezus den Heere (te zijn), dan door den Heiligen Geest. Vergel. Ef. 2: 8.
49 Vr. Door wat middel?
A. Door het gehoor des gepredikten woords.
Hom. 10: 17. Zoo is dan het geloof uit het gehoorgt; en het gehoor door het woord Gods.
50 Vr. Hoe versterkt Hij dat geloof?
A. Door datzelfde gepredikte woord, en het gebruik der Heilige Sacramenten.
51 Vr. Wat zijn Sacramenten?
A. Heilige teekenen en zegelen (a), van God ingesteld , om ons daardoor te verzekeren, dat Hij ons vergeving der zonden (5), en het eeuwige leven uit genade schenkt, on. het eenige slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht.
{a) Rom. 4: 11. Abraham heeft het teeken der besnijdenis ontvangen, tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs.
(i) Hand. 2: 38. En een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot vergeoing dsr zonden.
52 Vr. Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het Nieuwe Testament ingesteld?
A. Twee, den Heiligen Doop en het Heilige Avondmaal.
53 Vr. Welk is het uiterlijk teeken in den Doop?
15
A. Het water [a/, waarmede wij gedoopt worden in den naam des Vaders, en des Zoons, en des II. Geestes {b).
{a) Hand. 8: 36. Zie daar water, wat verhindert mij gedoopt te worden?
(è) Matth. 28: 19. Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.
54 Vr. Wat beteekent en verzegelt dat?
A. De afwassching der zonden («) door het bloed en den Geest van Jezus Christus (5).
(a) Hand. 23: 16. Laat u doopen, en uwe zonden afwasschen 1 aanroepende den naam des Heeren.
(è) 1 Joh. 1:7. Het bloed van Jezus Christus zijnen Zoon, reinigt ona van alle zonden.
55 Vr. Waar heeft ons Christus zulks toegezegd cn beloofd ?
A. In de inzetting des doops, die aldus luidt; Gaat heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen. Die geloofd zal hehhen en gedoopt zal zijn , zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hehhen, zal verdoemd worden. Mare. 16; 15, 16.
56 Vr. Zal men ook de jonge kinderen doopen ?
A. Ja; want zij zijn zoowel als de volwassenen in het
verbond van God [a) en in zijne Gemeente begrepen (V).
(a) Gen. 17: 7. Ik zal mijn verhond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uwen zade t.a u, in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een' God en uwen zade na u.
(è) 1 Cor. 7: l^- Maar nu zijn uwe kinderen heilig.
Matth. 19: 14. Laat af ran de kinderkens en verhindert ze niet tot Mij to komen, want derzulken is het koningrijk der hemelen.
X. LES.
57 Vr. Welk is het uiterlijk teeken in het Avoudmaal?
A. Het gebroken brood, dat wij eten, en de vergoten wijn, dien wij drinken, tot gedachtenis van het lijden en sterven van Christus.
58 Vr. Wat beteekent en verzegelt dat?
A. Dat Christus onze ziel met zijn gekruiste lichaam en vergoten bloed spijst en laaft ten eeuwigen leven.
1 Cor. 10: 16. De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende
Ifi
^genen, is die niet eene gemeenschap des bloeds van Christus? Höt brood dat wij breken, is dat niet eene gmwensrhap des lichaams van Christus?
Joh. 6: öé. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven.
59 Yr. Waar heeft ons Christus zulks toegezegd?
A. In de instelling des H. Avondmaals, die van den
Apostel Paulus aldus wordt beschreven; 1 Cor. 11 : 23â26.
Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; en als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u 'ebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis; want zoo dikwijls aIj gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zeo verkmdigt dm dood des Heere*, totdat Hij komt.
60 Vr. Wordt het brood veranderd in het lichaam van Christus, en de wijn in zijn bloed ?
A. Neen, niet meer dan het water in den doop wordt veranderd in het bloed van Christus.
61 Vr. Hoe moet gij u zei ven beproeven, eer gij tot het Avondmaal des Heeren komt?
A. Eerst moet ik onderzoeken, of ik mij zeiven van wege mijne zonden mishage, en mij daarom voor God verootmoedige.
Ten tweede, of ik geloof en vertrouw, dat mij al mijne zonden om Christus wil vergeven zijn.
Ten derde, of ik ook een ernstig voornemen heb, om voortaan in alle goede werken te wandelen.
1 Cor. 11: 28, 29. Maar de mensch beproeve zich zeiven, en ete al-
loo van het brood en drinke van den drinkbeker; want die onwaardig eet
en drinkt, die eet en drinkt zich zei ven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
62 Vr. Zal men ook hen ten Avondmaal laten gaan, die eene ongoddelijke leer drijven, of een ergelijk leven leiden?
A. Neen; opdat Gods verbond niet worde ontheiligd , en zijn toorn over de gansche Gemeente niet aangestoken worde.
1 Cor. 11: 30. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken , en velen slapen.
17
63 Yr. Hoe zal men dan met de zoodanigen handelen ?
A. Aclitervolgens het bevel, dat ons Christus daarvan
gegeven heeft.
Matth. 18: 15â17. Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tusschen u en hem alleen. Indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u; opdat in den mond ran twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zoo zeg het der Gemeente; en indien hij ook der Gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
XI. LES.
HET DEED® DEEL.
Fan de dankbaarheid, die men Gode voor de verlossing schuldig is.
64 Vr. Aangezien wij alleen uit genade, door -Christus zalig worden, waarom moet gij dan nog goede werken doen?
A. Niet om den hemel daarmede te verdienen, hetwelk Christus heeft gedaan, maar omdat God mij zulks geboden heeft.
JEf. 2: 10. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus to\ goede werken.
65 Vr. quot;Waartoe dienen dan uwe goede werken?
A. Dat ik Gode daarmede dankbaarheid voor al zijne weldaden bewijze, en Hij door mij geprezen worde (a); dat ik ook uit de goede werken, als uit de vruchten, van de oprechtheid mijns geloofs verzekerd zij {Jj) ; en dat mijn naaste daardoor gesticht en voor Christus gewonnen worde (c).
(a) Joh. 15: 8. Hierin is mi/u Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt.
(£) 2 Petri 1: 10. Benaarstigt u te meer, om uwe roeping en verkiezing vast te maken.
[c) Matth. 5: 16. Laat uw licht alzoo schijnen voor de mensnhen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Fader, die in de Hemelen is, verheerlijken.
66 Vr. Zullen die ook znlig worden, die geene goede werken doen?
A. Neen; want de H. Schrift zegt, 1 Cor. 6: 9,10. dat geen onhaische, afgodendienaar, ech tbr fier, hoereerder, dief.
IS
gierigaard, dronkaard, lasteraar, noch roever , noch dergelijke, het rijk Gods heer ven zal, tenzij dat zij zich tot God bekeeren.
67 Vr. Waarin bestaat de bekeering des menschen?
A. In een hartelijk leedwezen en vlieden van de zonden [a), en in een ernstigen lust en doen van alle goede werken (5).
(a) 2 Cor. 7: 10. De droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.
(è) Rom. 7: 22. Ik heb een vermaak in de Wet Gods, naar den inwen-digen mensch.
68 Vr. Wat zijn goede werken?
A. Alleen die uit het ware geloof (a), naar de Wet fan God (3), Hem ter eere (c) geschieden; en niet die op menschen inzettingen of op ons goeddunken gegrond zijn.
(a) Hebr, 11; 6. Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Vergel. Rom. 14-: 23.
(5) Matth. 15: 9. Te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn.
(lt;?) 1 Cor. 10: 31. Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods.
69 Vr. Kunnen zij, die tot God bekeerd zijn, de Wet volkomen houden?
A. Neen zij tocli (a), maar ook de allerheiligsten, zoo lang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven (è), gelijk zij ook den Ileere gednriglijk bidden, om dagelijks daarin toe te nemen.
(a) Jac. 2: 2. Wij struikelen allen in velen.
{b) Fil. 3: 12. !X:et dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaakt ben; maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
XII. LES.
70 Vr. Wien moeten wij hierom bidden?
A. Niet eenig schepsel, maar alleen God, («) die ons helpen kan, en om Jezus Christus wille verhooren wil (è).
19
(a) Matth. 4: 10. Den Ueere uwen God zult gij aaabidden, ea Hem alleen dienen.
(è) Mattli. 7: 7. Bidt, en u zal gegeven worden.
71 Vr. In wiens naam moeten wij God bidden ?
A. Alleen in den naam van Christus, en niet in den naam van eenige Heiligen.
Joh. 16: 23. Al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam^ dat zal Hij u geven.
Ef. 3: 12. In denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.
72 Yr. Waarom moeten wij dezen God bidden?
A. Om alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, [d) welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij zelf ons geleerd heeft.
(a) Fil. 4quot;: 6. quot;Weest in geen ding bezorgd; maar laat uwe begeerten in alles, door hidden en smeek en, met dankzegging bekend worden bij God.
73 Yr. Hoe luidt dat gebed? Naar Matth. 6: 9â13.
A. Onze Yader die in de Hemelen zijt!
Uw naam worde geheiligd.
Uw koningrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den Hemel, alzoo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
Want Uw is het koningrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
74 Yr. Wat begeert gij van God in dit gansche gebed?
A. Ten eerste, dat al wat dient tot Gods eer, bevorderd worde, eu daarentegen geweerd, wat dezelve verhindert, of zijnen wil wederstaat.
Ten andere, dat Hij mij met alle nooddruft naar liet lichaam verzorge, en naar de ziel beware van alle kwaad, dat mij aan mijne zaligheid zou mogen schadelijk zijn. Amen.
^^.isrü^isrc^-SEXj,
BEIIELZEKDE DEK IKIIOüD VAN DE
WET 13ES HEEREN ,
VOLGEKS DE UITBBETPIKG DAARVAN IK DEN
HE1DELBKRGSCHEN KATECHISMUS.
XIII. LES.
1 Vr. Wat is de inhoud van de eerste tafel der goddelijke wet?
A. Hoe wij ons jegens God zullen houden.
Matth. 22: 37, 38. En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heer uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand; dit is het eerste en het groote gebod.
2 Vr. Wat verbiedt God in het eerste gebod?
A. In het eerste gebod verbiedt God alle afgoderij.
1 Oor. 10: 7. En wordt geen afgodendienaars.
Tooverij , waarzeggerij en bijgeloof.
Deut. 18: 10, 11. Onder u zal niet gevonden worden die met waarzeggerijen omgaat, of toovenaar, of die eenen waarzeggenden geest vraagt.
Aanroeping der heiligen en andere schepselen.
Openb. 19: 10. En ik viel {neder') voor zijne voeten, om hem te aanbidden , en hij zeide tot mij, zie dat gij dit niet doet.
3 Vr. Wat gebiedt God in het eerste gebod?
A. Dat wij Hem recht kennen.
Joh. 17: 3. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, deneenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
Hem alleen vertrouwen.
Jer. 17: 7. Gezegend is de man, die op den Heere vertrouwt.
Ons aan Hem onderwerpen.
Jac. 4: 7. Zoo onderwerpt u dan Gode.
Met ootmoedigheid.
1 Petr 5: 5. Desgelijks, gij jongen! zijt den ouden onderdanig; ïijt met de ootmoedigheid bekleed, want God wederstaat de hoovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
En lijdzaamheid.
Rom. 12: 12. Zijt geduldig in de verdrukkingen.
Van Hem alleen alles goeds vcnvachten.
1 Petri 5: 7. Werpt alle uwe bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u.
21
Hem van hai-te liefhebben.
Matth. 22: 37- En J ezus zcide tot hem: gij zult lief hebben den Heere uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand.
Hem te vreezen.
Ps 130: 4. Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Hem eereu.
Matth. â t: 10. Daar staat geschreven: Den Heere uwen God zult gij aan. bidden, en Hem alleen dienen.
En Hem boven alles gehoorzamen.
Hand. 5: 29. Maar Petrus en de Apostelen antwoordden en zeiden: meu moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen.
4 Yr. Welke voorbeelden zijn hier tot leering en â waarschuwing ?
A. De voorbeelden van Christus.
Matth. 4: 10. Toen zeide Jezus tot hem; ya weg Satan! want daar staat geschreven: den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
De Engel bij Johannes.
Openb. 19: 10. En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden; en hij zeide tot mij : zie, dat gij dat niet doet; Ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die liet getuigenis van Jezus hébben; aanbid God.
De Israelioten.
1 Cor. 10: 7. En wordt geen afgodendienaars, gelijk als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
David.
1 Sam. 30: 0. En David werd zeer bang: want het volk sprak van hem te stoenigen; doch David sterkte zich in den Heere zijnen God.
Salomo.
1 Kon. 11: 4â6. Wiens hart in zijnen ouderdom door zijne vrouwen tot andere goden geneigd werd.
De jongelingen in Babel.
Dan. 3: 17. Die met den vurigen oven bedreigd werden, antwoordden: onze God, dien wij eeren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uwe hand, o Koning, verlossen.
Daniël.
Dan. 6: 17. Toen werd hij in den kuil der leeuwen geworpen, omdat hij geen afgoderij begaan wilde, en kwam ongeschonden uit denzelve.
Job.
Job 1: 21. En Job zeide: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft ge nomen, de naam des Heeren zij geloofd.
En de Apostelen.
22
Hand. 4lt;; 29. En zij baden: Nu dan, lleere, zie op hunne dreigingen, en geef uwe dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw Woord te spreken.
5 Vr. AVat verbiedt (iod in het tweede gebod?
A. God verbiedt in liet tweede gebod:
Eene afbeelding van Hem te maken.
Hand. 17: 29. Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet meenen, dat de Godheid, goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door menschenkunst en bedenking gesneden zijn.
Eenig beeld te aanbidden.
Exod. Si: 13. Hunne altaren zult gijlieden omverwerpen, enz.
Of Hem anders te vereeren. dan Hij in Zijn Woord bevolen beeft.
Matth. 15 : 9. Te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, [die] gebo-ien van menschen zijn.
6 Vr. Wat eischt God in liet tweede gebod?
A. Dat wij Hem in geest en waarheid dienen.
Joh. 4: 24f. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten [Hem] aanbidden in geest en waarheid.
7 Vr. Welke voorbeelden zijn hier tot leering en waarschuwing ?
A. De blinde heidenen.
Rom. 1: 23. En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods, veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
De Israëlieten aan den berg Sinaï.
Exod. 32: 8. Zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offeranden gedaan, en gezegd: dit zijn uwe Goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
En de Eaiizeën, in de dagen van Jezus, die tot hen zeidti;
Matth. 15: 7, 8. Gij geveinsden, wel heeft Jesaja van u geprofeteerd: dit volk genaakt Mij met hunnen mond, en eert Mij met hunne lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
XIV. LES.
S Vr. Wat verbiedt God in het derde gebod?
A. God verbiedt in het derde gebod:
Het vloeken en lasteren van Gods naam.
Lev. 24': 16. En wie den naam des H E E R. E N gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden.
Een valschen eed.
23
Lev. 19: 12. En gij zult niet valschelijk bij mijnen naam zweren; want gij zoudt den naam uws Gods ontheiligen: Ik ben de HEERE !
Het onnoodig zweren.
Jac. 5: 12. Doch voor alle dingen, mijne broeders! zweert niet, noch bi) den hemel, noch bij de Jiarde, nocli eenigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en uw neen, neen, opdat gij in geen oordeel valt.
Het stilzwijgen «Is men vloeken hoort.
Ef. 5: 11. Hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veel eer.
En het zweren bij heiligen of andere schepselen.
Jer. 5: 7. Uwe kinderen verlaten Mij , en zweren bij dien, die geen God is.
9 Vr. Wat beveelt God in het derde gebod?
A. Dat wij:
Eerbied voor zijnen Naam hebben.
Ps. 86: 11. Vereenig mijn hart tot de vrees van uwen naam.
Bij Hem alleen zweren.
Deut. 6: 13. Gij zult den Heere uwen God vreezen, en Hem dienen, en gij zult bij zijnen naam zweren.
Onze eeden houden.
Ps. 15: 4. Heeft Hij gezworen tot zijne schade, evenwel verandert Hij niet.
Hem recht bekennen en aanroepen.
Ps. 105: 1. Looft den HEERE, roept zijnen naam aan.
En Hem met woorden en daden prijzen.
Col. 3: 17. En al wat gij doet met woorden of met werken, [doet] het alles in den naam des IIEEREN JEZUS, dankende God en den Vader door Hem.
10 Vr. Welke voorbeelden hebben wij in den Bijbel van het een en ander?
A. l)e voorbeelden van den vloeker.
Lev. 24lt;: 10 en volg. Toen lasterde de zoon der Israëlitische vrouw uitdrukkelijk den Naam, en vloekte: daarom brachten zij hem tot Mozes enz.
De Joden.
Matth. 5: 33â39. quot;Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uwe eeden houden enz.
H erodes.
Matth. 14: 9. Om de eeden, en degenen die met hem aanzaten, gebood hij, dat het (hoofd van Johannes) haar zou gegeven worden.
En de Koning van Juda.
Ezech. 17: 19. Alzoo zegt de Heere HEERE: Zoo waarachtig als Ik leef, zoo ik mijnen eed, dien Hij veracht heeft, en mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve.
11 Vr. Wat verbiedt God in het vierde gebod?
24
A. God verbiedt in liet vierde gebod;
Het ontheiligen van den rustdag.
Jer. 17: 27. Maar indien gij naar Mij niet zult hooren, om den Sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen, als gij op den Sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat, zoo zal Ik een ruur in hare poorten aansteken, dat de paleizen ran Jeruzalem zal verteren en niet worden nitgebluscht.
En liet verzuimen van den openbaren godsdienst.
Hebr. 10: 25. Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten,
gelijk sommigen de gewoonte hebben.
12 Vr. Wat gebiedt God in het vierde gebod?
A. Dat wij:
Hem openlijk dienen.
Hand. 3: 1. Petrus en Johannes gingen te zamen op naar den tempel,
omtreut de ure des gebeds.
De verkondiging van zijn woord bijwonen.
Rom. 10 ; 17. Zoo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het quot;Woord Gods.
De Sacramenten gebruiken.
Matth. 28: 19. Gaat dan heen, onderwijst alle voïken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.
Aalmoezen geven.
1 Cor. 16: 2. Op elkem eersten dap der week legge een iegelijk van u (iets) bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naardat hij welvaren verkregen heeft.
Van zonden aflaten.
2 Tim. 2: 19. Een iegelijk uie den naam van Christus noemt, sta af van ongereü.ti'jheid.
Den Heere door zijnen Geest in ons werken laten.
Hebr. 3: 7, 8. Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: heden k.dien gij zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet.
En alzoo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvangen.
Hebr. 4: 11. Laat ons dan ons benaarstigen, om in die ruste in te gaan.
13 Vr. Welke voorbeelden moeten wij ons bij dit gebod herinneren?
De voorheelden van den Sabbat schender, die op den sabbat hout gelezen hebbende, op des Heeren bevel gesteenigd werd. Num. 15: 32â36.
De Israëlieten aan wie de Heer, op den zesden dag, twee dagen
brood gaf, zoodat niemand op den zevenden dag uit zijne plaats ging. Exod. 1G: 29.
David, die bitterlijk bedroefd was, omdat hij niet naar Gods huis kon
gaan, om God te loven. Ps. 42: 5.
25
Hiakiat die aan geheel Israël en Juda deed weten, dat zij zouden komem tot het huis des Heeren, om den Ileere Pascha te houden. 2 Chron. 30: 1.
De Apostelen, die op den dag des Sabbats buiten de stad gingen daar men bad, en die tot de vrouwen spraken, die te zamen kwamen. Hand. 1G: 13.
fin de eerste Christenen, die volhardende waren in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. Hand. 2: 4-2. En op den eersten dag der week bijeen kwamen, om brood te breken. Hand 20: 7.
XV. LES,
14 Vr. Wat is de inhoud van de tweede tafel der goddelijke Wet?
A. Wat wij onzen naasten sciiuldig zijn. Matth. 22:39.
En het tweede aan dit gelijk ia: gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven.
15 Vr. Wat verbiedt God m liet vijfde gebod?
A. God verbiedt in het vijfde gebod;
Alle minachting voor die over ons gesteld zijn.
Spr. 20: 20. Wie ⢠zijnen vader of zijne moeder vloekt, diens lamp zal uitgebluscht worden in zwarte duisternis.
Alle ontrouw en ongehoorzaamheid jegens hen.
Hom. 13: 1. Alle ziele zij den machten over haar ^ecteld onderworpen, want er is geeno macht dan God.
Het verwerpen van hunne goede leer en straften.
Spr. 13: 1. Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
16 Vr. Wat beveelt God in het vijfde gebod?
A. Dat kinderen hunnen vader en hunne moeder eeren en liefhebben.
Ef. 6: 1â3. Gij kinderen zijt uwen ouderen gehoorzaam, in den Heere; want dat is recht. Eert uwen vader en uwe moeder, (hetwelk het eerste gebod is, met eene belofte,) opdat het n welga, en gij lang leeft op de aarde.
Dat ingezetenen hunne overheden gehoorzamen.
Rom. 13: 7. Zoo geeft dan een' iegelijk wat gij schuldig zijt, schatting, dien gij de schatting; tol, dien gij den tol; vreeze, dien gij de vrecze; eere, dien gij de eere schuldig zyt.
Dat dienstboden in limine diensten getrouw en onderworpen zijn.
Ef. 6: 5â8. Gij dienstknechten zijt gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, met vreeze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk
26
als aan Christus; niet naar oogendienst, als menschenbehagers, maar ak dienstknechten van Christus, doende den wille Gods van harte; dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de menschen: wetende, dat zoo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije.
17 Vr. Zijn er ook voorbeelden, die ons hier tot leering en waarschuwing dienen?
A. Ja, het voorbeeld van Christus.
Luc. 2: 51. En Hij ging met hen en kwam te Nazareth; en was hun onderdanig.
Van Ruth bij hare schoonmoeder.
Kuth 2; 18. En zij nam het op, en kwam in de stad, en hare schoonmoeder zag wat zij opgelezen had.
De Eechabieten, de kinderen van Jonadab.
Jer. 35: 18. Zij bewaarden en deden al de geboden van hunnen vader.
Eliezer, de knecht van Abraham.
Gen. 24*: 2. Regeerende over alles wat hij had.
En van Jozef.
Gen. 39: 1â5. Jozef werd door Potifar over zijn huis, en al wat hij had, gesteld.
18 Vr. Wat verbiedt God in het zesde gebod? A. God verbiedt in het zesde gebod;
Hot dooden van den naaste. Gen. 9: 6. Wie des menschen bloed vergietj zijn bloed zal door den mensch vergoten worden, want God heeft den msnsch naar zijn beeld gemaakt.
Hem te onteer en en te kwetsen. Matth. 26: 52. Toen zeide Jezus tot hem: keer uw zwaard weder in zijne plaats, want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
Hem te haten. 1 Joh. 3: 15. Een iegelijk die zijnen broeder haat, is een doodslager, en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
Ook alle nijdigheid. Gal. 5: 21. (De werken des vleesches zijn) nijd, moord, dronkenschap, brasserijen en dergelijke.
Toornigheid. Matth. 5: 22. Doch ik zeg u: wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijnen broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den grooten Raad; maar wie zegt: gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.
Wraakgierigheid. Rom. 12: 19. En wreekt u zeiven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; Want er is geschreven: Mij (komt) de wraak (toe). Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Moedwillig zich. in gevaar te begeven. Matth. 4: 7. Jezus zeide tot hem; daarom is wederom geschreven: gij zult den Heere uwen God niet verzoeken.
19 Vr. Wat eisclit God in het zesde gebod?
27
A. Dat wy:
Onzen naaste als ons zeiven liefhebben.
Matth. 7: 13. Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzooj want dat is de wet en de Profeten.
Met hem geduld hebben.
Matth. 5: 5. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.
Vrede houden.
Hora. 12: 18. Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen.
Zachtmoedig zijn.
Ef. 4: 1â3. Zoo bid ik u dan, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt, met alle ootmoedigheid, en zachtmoedigheid, met langmoedigheid, verdragende elkander in liefde, u benaarstigen de te behouden de eenigheid des Geestes, door den band des vredes.
Barmhartig zijn.
Luc. 6: 36. Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig us.
Vriendelijk zijn.
Fil. 4: 5. Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend.
Ook zijne schade afweren.
Gal. 6: 2. Draagt elkanders lasten, en vervult alzoo de Wet Christus.
En aan vijanden goed doen.
Matth. 5: 44. Maar ik zeg u: hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.
â¢20 Vr. Welke voorbeelden zijn hiervan?
A. Tot waarschuwing zijn bier:
Kain, die tegen zijnen broeder Abel opstond en hem doodde. Gen. é; 8. Jozef s broeders, die hem in een kuil wierpen en verkochten aan Midianitiesche 1 kooplieden. Gen. 37: 24-, 28.
Ook Si/neon en Levi, die om zich wegens Dina te wreken, al wat mannelijk was te Sic hem, doodden. Gen. 34: 25, 26.
Tot leeriiiquot;1.
O
l)e barmhartige Samaritaan. Luc. 10: 33. Maar een zeker Samaritaan hem ziende, werd met innerlijke ontferming bewogen.
En Christus aan het Kruis. Luc. 23: 34. Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
XVI. LES.
ai Vr. Wat verbiedt God in het zevende gebod? A. God verbiedt hier;
Hoererij. 1 Thess. 4: 3. Dit is de wil van God, uwe heiligmaking, dat gij u onthoudt van de hoererij.
28
Overspel. Hebr. 13: 4quot;. Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt, maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen.
Echtbreuk, Matth. 19: 9. Maar ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat , anders dan om hoererij, en eene andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.
Alle onkuischheid. Ef. 5: 3. Maar hoererij en alle onreinheid, of gierigheid, laat onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den Heiligen betaamt.
Ook in gebaren en woorden. Ef. 5: 4. Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen, maar veel meer dankzegging.
Zelfs met gedachten en lusten. Matth. 5 : 27, 28. Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is, gij zult geen overspel doen. Maar ik zeg u: dat zoo wie eene vrouw aanziet, om die te begeeren, die heeft alreeds overspel in zijn hart met haar gedaan.
22 Vr. Wat beveelt God hier?
A. Dat wij:
ïu kuischheid leven.
1 Thess. 4: 4. Een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eere.
Het huwelijk heilig houden.
Hebr. 13: 4. Het huwelijk is eerlijk onder allen.
En in en buiten hetzelve ons lichaam en onze ziel zuiver bewaren.
Hom. 13: 13, 14. Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twi§t en nijdigheid; maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden.
23 Vr. Wat voorbeelden leeren u dit?
A. Het voorbeeld van Jozef.
Gen. 39: 9. Hoe zoude ik dan dit een zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God ?
En van de Israëlieten.
1 Cor. 10: 8. En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op éénen dag drie en twintig duizend.
24 Vr. Welke zonden worden in het achtste gebod verboden ?
A. God verbiedt hier; Alle dieverij.
1 Cor. 6: 10. En dwaalt niet; noch dieven, noch gierigaards, noch roo-vers, zullen het koningrijk Gods beërven.
Iemand te kort doen.
Luc. 3: 14. En Hij zeide tot hen: doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uwe bezoldigingen.
Iemand met valsch gewicht, el of maat te bedriegen.
29
Lev. 19: 35. Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.
Valscli geld of bedriegelijke waar.
1 Thess. 4: 6. Dat niemand zijnen broeder rertrede, noch hedriege in zijne handelingen.
Alle woeker.
Deut. 23; 19. Gij zult aan uwen broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van eenig ding, daar men mede woekert.
â Alle gierigheid.
I Tim. 6; 10. De geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende, zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zich zeiven met vele smarten doorstoken.
Ook alle misbruik en verkwist'ng van Gods gaven.
Luc. 21: 34«. Wacht u zeiven, dat uwe harten niet te eenigertijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden deze levens.
25 Vr. Wat eischt God daarentegen?
A. Dat ik mijnen naaste zooveel mogelijk lielpe.
1 Thess. 3: 13. En de Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u.
Hem behundele, gelijk ik wil dat men mij doe.
Matth. 7: 12. Alle dingen dan, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo: want dat is de Wet en de Profeten.
Trouwelijk arbeide.
2 Thess. 3: 10. Want ook toen wij bij u waren, hebben wij dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
En den nooddruftige bijsta.
Ef. 4-: 28. Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen, den-gene die nood heeft.
26 Vr. Wat leerzame voorbeelden zijn hier?
A. Het voorbeeld van Achan, die onder den roof een schoon
Babylonisch overkleed zag, en tweehonderd sikkelen zilvers, en eene gouden tong, en lust daartoe kreeg, en ze nam. Jos. 7: 20â26.
De onrechtvaardige rentmeester, die de goederen van zijnen Heer doorbracht. Luc. 16: 1.
'En Salomo wijzende den luiaard naar de mieren. Spreuken 6: 6.
XVII. LES.
27 Vr. Wat verbiedt God in het negende gebod? A. God verbiedt een valsch getuigenis te geven.
30
Spr. 19: 5. Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn, en die leugenen blaast, zal niet ontkomen.
Iemands woorden te verdraaien.
Spr. 13: 23. Valsche lippen zijn den Heere een gruwel: maar die trou-welijk handelen zijn Zijn welgevallen.
Het achterklappen.
Lev. 19: 16. Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uwe volken: gij zult niet staan tegen het bloed van uwen naaste: Ik beiL de Heere.
Het lasteren.
Ef. 4: 31. Alle bitterheid, en toornigheid en gramschap, en geroep en. lastering zij van u geweerd, met alle boosheid.
Ligt veroordeelen.
Matth. 7: 1. Oordeelt niet opdat gij nift geoordeeld wordt.
Ook alle leugen.
Ef. 4: 25. Daarom legt af de leugen en spreekt de waarheid.
En bedriegerij.
1 Thess. 4: 6. Dat niemand zijnen broeder vertrede, noch bedrieg© in zijne handelingen; want de Heere is een wreker over alle deze.
28 Vr. Wat eisclit God in het negende gebod?
A. Dat ik; de waarheid liefhebbe.
Spr. 13: 5. De rechtvaardige haat leugentaal: maar de goddelooze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
Oprecht in het spreken zij.
Ps. 25: 21. Laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden; want ik verwacht U.
En den goeden naam van mijnen naaste voorsta.
Ps. 15: 3. Die met zijne tong niet achterklapt, zijne medgezellen, geen kwaad doet, en geene smaadreden opneemt tegen zijnen naaste.
29 Vr. Wat voorbeelden zijn hiervan in den Bijbel?
A. De voorbeelden van Jobs vrienden, onieT welke de
toorn van Elihu ontstak tegen zijne vrienden, omdat zij geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden, job 32: 3.
Fan Doét/, die David en Achimelech valschelijk beschuldigde voor Saul. 1 Sam. 22: 9.
Van Achah en Iséhel, die geboden, dat men tegenover Nahoth twee mannen Belials zetten zou , die tegen hem getuigden. 1 Kon. 21: 10.
Van den verrader Judas, die Jezus verried met eenen kus. Luc. 23: 48.
En Christus waarschuwt ons tegen alle leugen door het voorbeeld des duivels. Joh. 8: 44. Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerte uws vaders doen; die is een menschenmoorder van den beginne, en iquot; in de waarheid niet staande gebleven; want goene waarheid is in hem.
31
.ju Vr. Wat verbiedt God in liet tiende gebod?
A. God verbiedt: Begeerlijkheid naar iets, dat mijnen naaste toebehoort.
Bom. 7: lh. Want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: gij zu4t niet begeeren.
Ook alle lust of gedachte , die tegen eenig gebod Gods
in ons opkomt.
Mark. 7: 21, 32. Uit het hart dos menschen komen voort, kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand.
31 Vr. En wat beveelt n God hiermede?
A. Dat ik: Alle zonde hate met mijn hart.
Gal. 5: 16, 17. En ik zeg: wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet; want het vleesch begeert tegen den Geest en de Geest tegen het vleesch.
En lust tot alle gerechtigheid hebbe.
2 Petri 1: 5 â 8. Voegt bij nw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. Want zoo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten, in de kennis van onzen Heer Jezus Christus.
32. Vr. Wat voorbeelden kunnen ons hier tot leering zijn?
A. Het voorbeeld van David.
Ps. 19: 14«. Houd uwen knecht ook terug van trotschheden, laat ze niet over mij heerschen, dan zal ik oprecht zijn, en rein van groote overtreding.
Van Paulus.
Fil. 3: 12. Niet dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaak^ ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
En allermeest van Christus onzen Zaligmaker.
Joh. 4«: 34-. Jezus zeide tot hen: mijne spijze is, dat ik doe den wi iesgenen die Mij gezonden heeft en zijn werk volbrenge.
DE HEEM ONZE GERECHTIGHEID
HET WACHTWOOED DER HERVORMERS.
Eens was ik een vreemcTliug voâ- God en mijn hart; Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: //Mijn ziele, doorziet gij uw lot? quot;Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?quot;
Al sprak daar een stem uit de Heilige Blaan Van 't Lam met de zonden der waereld belaan,'
zocllt bij den kruispaal geen veilige wijk:'
k Stond blind, en van verre, in mij zeiven zoo rijk!
Ik deed als Jeruzalems Dochters weleer;
Ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer,
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld ZlJn kroo'i Iiad gevlochten, Zijn beker gevuld.
Maar toen mij Gods Geest aan mij-zelf had ontdekt, loen werd in mijn ziele de vreeze gewekt,
Toen voelde ik wat eischen Gods heiligheid deed;
Daai werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed 1
Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered; Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;
Mijn heil en mijn Trede en mijn leven werd Hij: Ik boog me, en geloofde, en â mijn God sprak me vrij.
Nu ken ik die waarheid, zoo diep als gewis, Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is:
Nu tart ik den dood, nu verwin ik het graf,
Nu neemt mij geen Satan de zegekroon af!
Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis.
Naar 't erfgoed daar Boven, in 't Vaderlijk Huis:
Mijn Jezus geleidt mij door de aardsche woestijn; //Gestorven voor mij !quot; zal mijn zwanenlied zijn !
R. M. M'Cheyn».