ocr page 1
ocr page 2

Slak

ocr page 3

/ak 151

ii

Tooieelsiifil ii mMll

naar het Franseh van

M.

Prijs fl. 0,40.

■f

4-

■

K

4-

4-

If

4-4-4-4-4-4-4-4-4-4-►f 4-4-4-4-4-4-4-4-4-4-U-4-4-

4-

4-

4-

'é, *

t ft ? tttttttttttt ttxt t ttt ttttth

ocr page 4
ocr page 5

Vak'151 /

O

biblioteca conv. wijchsas

0 R 0. f R 4 T. MIN.

---

Tooneelspel in één bedrijf

naar het Fransch van

J. IDE IVE-A-IRTIB^XJ

fr. Ca sim Ir Waterschot.

O. F. M.

ocr page 6

Gedrukt bij N. ALBERTS te Kerkrade.

ocr page 7

PERSONEN:

Willem Van Spijkeren, smidsbaas.

Kees, smid, \

Herman, student. | zijn zoons.

Frans, smidsjongen,)

Oom Gerard, halve broer van Baas Van Spijkeren. Vroeger onderwijzer te Rapenburg, sinds enkele jaren quot;Bovenmeesterquot; te Zevensloten. De Burgemeester van Rapenburg1. (In al zijn doen en laten afgemeten, plechtig, ernstig.)

Theodoor, \

_, , studenten.

Eduard, i

De Veldwachter van Rapenburg.

Jaap, smidsknecht.

Muzikanten, boeren, gemeenteraad van Rapenburg enz.

ocr page 8
ocr page 9

5

Het tooneel verbeeldt de Groote Straat to Rap'-nbur.r. Op den achtergrond de voorgevel van het huis van Baas Van Spijkeren. Langs beide zijgevels loopt een voetpad. De smederij staat open.

Eerste Tooneel.

Herman, Kees, Frans, Jaap.

Bij het optrekken van het scherm zitten Kees, Frans en Jaap op den fjrond in een troepje hij elkaar hun boterham te eten. Meer op den voorrjrond zit Herman op een bank of hoomstronk te lezen.

Kees, onder het eten door.

Jullie kunt praten, wat je wil; daar heb ik maling an. — Ik voor mij, ik zeg maar, dV gaat niks boven 't stukkie van half elf. Wat jou, Frans?

Frans.

Ik hou van alle stukkies, as ze maar goed gemeu-beleerd zijn.

Kees.

Daar zeg je zoo wat! Heb je die uit je eigen koker? — Hola, Her ! . . . Herman ! . . . Herman Van Spijkeren ! . . . Herman Van Spijkeren to Rapenburg !

Herman, stuursch.

Wat blieft u?

Kees, Herman nabootsend.

Wat—blieft—u? — Mot je nog ver? — Kun je nog deftiger spreken ? — Ik wou je maar effon vragen om ons lijflied 's te zingen — ik hoor je zoo dolgraag.

ocr page 10

6

Herman.

Ach, laat me met rust. — Ik raak in de war. — Ik ken je lijflied niet. ... Ik ben niet bij stem . . . Ik zing niet.

Kees.

Zoo, ben je met bij stem — en ken je ons smidslied niet? Vroeger kon je 't opperbest, toen kon je wel zingen ook. — Hoor 's. Her, wat waar is, is waar ; we zijn allemaal grootsch op je, je bent de eer van de familie, maar je hebt soms van die vervelende kuren . . . Afijn ! . . . Zeg, Jaap, jij hebt je stukkie al naar binnen. — Probeer jij 's of je bij slem bent.

Jaap.

Nou, of ik ! (Hij heyint te zinyen.)

Het werk, dat gaut mij eens zoo flink, Ring-king-kink,

Als ik een lustig liedje zing Ring-king-kink,

[Frans, die intusschen met zijn boterham klaar is, valt in :)

En daarom zing ik als een vink ;

De hamer slaat de maat zoo flink.

Ring-kink, ring-kink, ring-king-kink.

{Ook Kees heeft zijn boterham op. En nu zingen zij met z'n drieën het ticeede couplet-.)

De hamer is een lustig ding,

Ring-king-kink,

Hij slaat de vonken in een kring — Ring-king-kink.

ocr page 11

7

Zoo slaat hij ook bij iederen klink Mijn zorgen weg naar rechts en links Ring-kink, ring-kink, ring-king-kink.

(Onder het laatste Ring-kink, ring-hink, ring-king-kink staan zij op om naar de iverkplaats te gaan.)

Tweede Tooneel.

De vorigen, Baas Van Spijkeren, de Buroemeester, de Veldwachter, Oom Gerard.

Van Spijkeren,

Zoo, jongens, dat gaal 'r hier vroolijk na toe. Dat mag ik zien. Ik zeg maar ; Leve de pret en de karbonade. Zoolang er dat nog is, zullen we geen honger lijden.

Burgemeester.

Gij zijt toch altijd even snaaksch, vader Van Spijkeren ; een echte .gt;Lucht-hart-en-treui't-niet«, zooals men wel eens zegt.

Van Spijkeren.]

Zet eens een gezicht van Pietje Bedroefd as alles je voor den wind gaat! — Een goeie zaak, een goed leven, goeie kinderen, die best accordeeren ....

Burgemeester.

Eendracht maakt macht, ook in het huisgezin.

Kees.

Dat zegt u wel. Burgemeester; dat kunnen ze an ons huishouën wel merken: wij springen altijd voor mekaar

ocr page 12

8

in de bocht. — Laat ze bij voorbeeld eens d'r pink uitsteken tegen Herman . . . hij is niet sterk: zoo'n beetje van kraalqiorseleiii, — maai'as ze hem aanraken, krijgen ze met mij te doen. Daar kun je staat op maken, Her !

Herman, glimlachend.

Met zoo'n engelbewaarder hoef ik niet bang te zijn.

Van Spijkeren, tot Kees.

Zeg 'r 's, ijzervreter, denk jij maar 's aan je werk. — Wat, denk je, dat de Burgemeester hier kwam doen?

Kees.

Ik ben tot zijn dienst, vader.

Van Spijkeren.

De Burgemeester kwam 's vragen, of die band van zijn wiel al klaar is. Hij moet er strak' met de brik op uit.

Kees, tot Van Spijkeren.

We zullen er direct an beginnen. [Tot Frans en Jaap :) Allo, jongens aan de slag ! (Kees, Frans en Jaap yaan de smederij in; Herman ongemerkt aan een andere zijde af.) 1

Derde Tooneel. *

Van Spijkeren, Burgemeester, Veldwachter, Oom Oebard.

Van Spijkeren.

Ze houën toch veel van mekaar, de jongens.

1

Onder dit tooneel en de volgende hoort men nu en dan op het aambeeld slaan.

ocr page 13

9

Burgemeester.

Zoo! . . . hm . . . hm! . . . Dus ook Herman draagt nog altijd uwe tevredenheid weg?

Van Spijkeren.

Ja. . . hm. . . hm. . . . Wat zal ik u zeggen, Burgemeester; dat is zoo'n rare vraag. — Niet, dat er wat an mankeert, daar niet van Goddank, heelemaal niet ! Herman is een bovensteheste jongen. — Maar ik, as vader zijnde, kan toeh m'n eigen kinderen niet gaan staan opkammen. — Vraag u maar liever 's aan Oom Gerard, . . . die heeft 'in nog op school gehad.

Burgemeester, tot Oom Gerard.

A zoo ! Mijnheer is professor? Daar neem ik nota van.

Oom Gerard.

Professor? Dat wel niet, maar toch van 't gilde. Een ander nommer van hetzelfde garen, om zoo te spreken.

Burgemeester.

Zeer wel. Mijnheer! De man, wiens zorg zich wijdt aan de opvoeding der jeugd, vervult de edelste zending, die zijns gelijke kan worden opgedragen.

Oom Geeard buigt.

Mijnheer ! (ter zijde) Die is goed ter lale.

Burgemeester.

Luister eens, vader Van Spijkeren. Ik heb een ernstig woord tot u te richten. — Gij pleegt uw Herman te noemen de eere der familie, en ik spreek dat niet tegen, verre van daar. De jongeling zal hoog stijgen op de maatschappelijke ladder.

ocr page 14

10

Maar ik ga verder en ik voeg erbij: Gij, vader Van Spijkeren, zijt de eere van Rapenburg !

Van Spijkeren.

Wel zeker !

Burgemeester.

Ik zeg, dat gij de eere zijt van het nederig dorpje Rapenburg, dat nochtans eene gemeente is — en ik weet, wat ik zeg. — Verwonder u dus niet, zoo binnen eene korte spanne tijds u eene groote onderscheiding «al te beurt vallen, die ik u en uwen zoon Herman met eene toespraak hoop te overhandigen, eene toespraak, die, naar ik mij vlei, uwo stoutste verwachtingen verre zal te boven gaan.

Van Spijkeren.

Wa-at? — Een toespraak? U wilt me zeker maar wat wijsmaken?

Veldwachter.

Nee, een echte toespraak voor de vuist (ter zijde) en met de vuist. Ik ken mijn orders 1

Burgemeester , streng.

Veldwachter, zwijg over dienslgeheimen en koud u onledig met de zaken van uw ressort. [Men hoort schieten.) Daar wordt zeker weder gestroopt. — Stel ijlings een onderzoek in loco in en breng mij dan rapport te mijnent.

Veldwachter.

Ik zit al te paard. Burgemeester. Maar van wegens wat die vuisten anbetreft, ik wou alleen maar zeggen . . .

Burgemeester.

Gij hebt hier niets te zeggen. Commentaren overbodig.

(Veldwachter af.)

ocr page 15

11

Vierde Tooneel.

Van Spijkeren, Burgemeester, Oom Gerard.

Burgemeester.

Ja, vader Van Spijkeren, gij zult, eene toespraak erlangen. En wel eene toespraak, die eene improvisatie, een ex-tempore genoemd wordt of, gelijk men hier te lande zegt : »eene toespraak voor de vuist». — Ik durf u de verzekering geven, dat de pers van haar zal gewagen !

Van Spijkeren.

Kom ik in de krant ? [Schertsend den vinger oiistekend) Burgemeester, Burgemeestci, ik geloof haast, dat u me kool verkoopt !

Burgemeester.

In geenen deele . . . het gezag verkoopt nooit kool I

Oom Gerard, ter zijde.

Dat zit nog!

Van Spijkeren.

Ja maar, ik laat me tocli niet wijsmaken, dat . . .

Burgemeester.

Wij spreken elkander nog wel nader, en spoediger dan gij bevroedt . . . Hel) in elk geval de goedheid uwe woning niet te verlaten, totdat ik u bericht zende.

Van Spijkeren.

Maar ik begrijp niet . . .

ocr page 16

12

Burgemeester.

Ik voeg hior niets aan toe. Sufficit bonamp;litas! (Tot Oom Gerard:) Professor begrijpt mij wel, niet waar?

[Burgemeester af.)

Oom Gerard.

Zeker, zeker! Sufficit bonalitas . . . Hij kent verdraaid ook al Latijn !

Vijfde Tooneel.

Van Spijkeren, Oom Gerard.

Oom Gerard.

Een deftig man, jullie Burgemeester ! En goed bij 't hek ook !

Van Spijkeren.

Dat zal waar zijn ! Hij praat wel niet als ons soort menscben, maar hij meent 't toch opperbest . . . hij trekt de lijken niet voor . . . iiij is goed voor de armen . . . en altijd klaar om iemand te plezieren. En dan ... hij heeft 't erg op met onzen Herman . . . maar hoe-t-ie 't nou in z'n hoofd krijgt van die toespraak, daar snap ik geen jood van !

Oom Gerard.

Papperlapap met larifari! . . . Dat is ook heelemaal niet noodig ... 't is zorg van later tijd.

Van Spijkeren.

Daar heb je gelijk in . . . maar apropos, we zijn nou toch onder vier oogen : ik mos je 's wal zeggen — Gerard, zou je willen gelooven, dat me in den laatsten tijd dikwijls 't huilen nader staat dan 't lachen ?

ocr page 17

13

Oom Gerabd.

Gut, Willem, wat zeg je daar ? — Zit er dan wat verkeerd ?

Van Spijkeren.

Herman !

Oom Gerard.

Och kom.

Van Spijkeren.

Neen, 't is de oude niet meer. Ik heb 't voor 'n half jaar al gemerkt, toen ik 'm 's ben wezen bezoeken , . . Hij was niks op z'n gemak ... En hier ook, nou ie thuis is . . . met z'n broers . . . hij is anders dan anders. Vroeger zong ie, dat 't 'n lust was om 'm te hooren, en tegenwoordig geeft ie geen kik meer . . . D'r is iets, wat hem dwars zit . . . maar wat 't wezen kan ? Ik heb al 's gedacht : Zou ie soms wat moeten hebben ... en dat ie 't niet durft te vragen ?

Oom Gerard.

Papperlapap met frikkedellen ! Haal je die muizennesten maar niet in je hoofd. Wil ik je 's zeggen, waar 'm de schoen wringt. . . maar mondje dicht, hoor ?

Van Spijkeren.

Dat beloof ik je.

Oom Gerard.

Herman heeft z'n examen gemaakt cum lav.de, gooals je weet, en nu kan ie, volgens de wel, een beurs krijgen. Daar is kans op, wel te verstaan I — De professoren hebben al voor vier weken 'n verzoekschrift ingediend ... En nou zit ie in de war, de goeie jongen, omdat 't antwoord zoolang uitblijft... 't is hopen en

ocr page 18

14

vreezen : komt er nou wat of niet ? . . Hij heeft 'r je nog niks van willen zeggen, omdat ie je niet blij wou maken met 'n dooie musoh, want het is altijd nog onzeker. Zieje, daarom is ie voortdurend in spanning . . . Begrijp je nou ?

Van Spijkeren.

Is dat echt waar ?

Oom Gerard.

Denk je dan, dat ik je leugens op de mouw zal spelden ?

Van Spijkeren.

En die beurs? Wat hêt dat in ?

Oom Gerard.

Dat beteekent, dat Herman je voortaan niet veel meer kosten zal.

Van Spijkeren, hartelijk.

Dank je, Gerard, dank je hartelijk voor die blije boodschap . . . Had dat moeder nog 's kunnen beleven ! . , Wat ben ik blij, dat ik jullie zin gedaan heb en Her heb laten studeeren.

Oom Gerard.

Ja, wij wisten wel, dat er wat in zat. . . Nou is 't pak van je hart, hé?

Van Spijkeren.

Om de waarheid te zeggen, nog niet heelemaal.

Oom Gerard.

Wat is er dan toch ?

ocr page 19

15

Van Spijkeren.

Hoor 's Gerard, ik kan flat idee maar niet kwijtraken : 't is net of de jongen over iets maalt. Ik heb al 's gedacht: Zou ie schulden hebben ? Zieje, daar moest jij 's achter zien te komen ... al moest ik 'r 'n stuk land voor verkoopen . . .

Oom Gerard.

Papperlapap met. . .

Van Spijkeren.

Sst ! sst! . . daar komt ie . . . denk er aan . . . tot strak'!

(Van Spijkeren af.)

Zesde Tooneel.

Oom Gerard, Herman.

Herman.

Ik was juist naar u op zoek, Oom.

Oom Gerard.

Zoo, jongen, wat is er aan de hand?

Herman.

Dat die brief uit den Haag nog maar niet komt.

Oom Gerard, geheimzinnig glimlachend.

Ik geloof, dat 't Beloofde Land dichter bij ligt dan je denkt.

Herman, haastig.

Is er dan nieuws ?

ocr page 20

16

Oom Gerard.

Hm ! . . hm ! . . Papperlapap ! . . Wat zal ik zeggen ?

Herman.

Asjeblieft . . . alles, wat u weet.

Oom Gerard.

Eigenlijk weet ik niets.

Herman.

Oneigenlijk dan ?

Oom Gerard.

Nou, ik zal 't je zeggen . . . Toen strak' de Burgemeester hier was, heeft hij zoowat losgelaten . . . Duidelijk sprak ie niet, maar d'r schemerde toch wel door, dat hij bericht had gekregen van hoogerhand.

Herman.

Dat zou een uitkomst zijn ! . . Ach, Oom, u kunt niet begrijpen, hoe die scheeve positie me pijn doet. Vader en m'n broers hebben alles voor me gedaan, wat ze konden. .. ik heb 't meeste gekost van allemaal: handen vol geld ... en wat ben ik nou nog ? Mijn broers verdienen d'r eigen brood en ik ben een lastpost voor de heele familie . . . Zoo'n gedachte is vernederend, als je twintig jaar bent.

Oom Gerard, ernstig.

Is dat dankbaarheid of hoogmoed, Herman ?

Herman, onrustig.

Ik weet 't niet... daar heb ik nooit over nagedacht... misschien wel een beetje allebei.

ocr page 21

17

Oom Gerard, medelijdend.

Hei man !

Herman.

Ja, Oom, ik weet het niet... ik heb er dikwijls spijt van, flat ik ook maar geen smid ben geworden... Nee, nee, laat me nou uitpraten... ik weet wel de menschen hier denken, dat ik een geluksvogel ben... ik hoef niet te werken, ten minste niet met m'n handen : dus ben ik 'n heele menheer... 'n soort rentenier op andermans zak... ze hebben 'r geen greintje benul van, dat werken met 't hoofd ook werken is. . . ze benijden me, ze moesten me beklagen.

Oom Gerard.

Maar, jongen, waar haal je die malle ideeën vandaan ?

Herman, voort gaande.

Als smid had ik kalm en tevreden kunnen leven... Maar dat geluk is nou weg!... Dat heeft mijn studie gedaan... Die bracht me in een andere wereld... Vol schoone beloften. Maar wat heb ik daaraan ? Voor mij worden ze toch nooit vervuld... Ze sarren me als 't ware: gt;ge bent niks, je hebt niks, je wordt niks!quot;.. Het brandt me dikwijls daar van binnen, als ik die andere jongelui bezig hoor en bezig zie : 't is altijd pret maken, op jacht gaan, concert en opera. Maar [hitter) die kunnen 't hebben : dat zijn jongens met geld.

Oom Gerard.

Arme jongen, als je zooveel van de wereld gezien hadt als ik, dan zou je zoo niet praten... Dan zou je 't spreekwoord begrijpen : quot;Zijn en schijn is tweequot;. Ik weet ten minste, dat er vele ouders zijn, die zich moeten bekrimpen... en die jongelui in Leiden en Utrecht

2

Valsche Schaamte.

ocr page 22

18

leven als groote Pielen... Zij hangen den gebraden haan uit en bij de oudelui is Schraalhans keukenmeester. Geloof me, jongen, de meesten zijn er niet. veel beter aan toe dan jij... Doe jij eenvoudig je plicht, wees goed voor je vader en voor je broers, werk en bid en je komt 'r.

Herman, hitter.

En als ik er kom, dan ben ik toch maar 'n parvenu.

Oom Gerard,

'n Parvenu? Doet dat woord je zoo'n pijn ?.. Wie is 'r tegenwoordig geen parvenu?... Kijk 's onder je professoren, onder ministers en kamerleden, je vindt overal parvenu's. En ik zelf {Jxalf lachend), ik ben op mijn manier ook een parvenu. En daar hoef ik me heusch niet voor te schamen, want het heeft heel wat moeite gekost... Wat je doe, jongen, zie jij den eere-titel van parvenu te verdienen en roem er later niet te veel op.

Herman, hitter.

Daar kunt u gerust op zijn. Oom; mij zullen ze op mijn afkomst niet hooren bluffen... Daar zwijg ik liefst over.

Oom Gerard.

Foei, schaam je!... Je behoeft waarachtig je afkomst niet te verbergen. Je vader is maar 'n eenvoudige ambachtsman, maar als het ooit waar is dat arbeid adelt, dan hier. Je moest trotsch op hem zijn in de plaats...

Herman.

Ik hou ook veel van 'm.

Oom Gerard.

Je houdt veel van 'm, 't is wat moois... je schaamt je over 'm.

ocr page 23

19

Herman.

Oom Gerard !

Oom Gerard.

Is het soms niet waar?... Arme jongen, wat ik je beklaag... Je komt nou net in de jaren, dat er beslist wordt over je toekomst: goed of slecht... Dat hangt van je eigen af ... En daarom zeg ik je nog eens; Werk en bid, je hebt het noodig.

Herman.

U maakt me bang !

Oom Gerard,

Denk eens. Herman, wat je vader zou voelen, als ie wist, wat er in je omging.

Herman.

Maai' u zult er toch in 's Hemelsnaam niks van zeggen ?

Oom Gebard.

Dat is ook niet noodig; want je vader vermoedt al meer dan goed voor hem is.

Herman.

God in den hemel !

Oom Gerard.

Hij heeft al gemerkt, dat je veranderd bent in den laatsten tijd... en tobt er over. — Goddank weet ie nog 't echte niet... Hij dacht, dat je misschien... schulden had of zoo... en was al half van plan een stuk land te verkoopen.

Herman, zijn gezicht in de handen verbergend.

Vader!... Vader! [Korte pauze.)

Oom Gerard.

Wat moet ik 'ra nu zoo meteen zoggen ?

2'

ocr page 24

20

Herman, hartelijk.

Zeg 'm, dat ik duizendmaal dankbaar ben... en dat er van schulden hoegenaamd geen spraak is... Slel hem gerust. Oom, zooveel als u kan... Och, ik ben wat lichtzinnig... maar ondankbaar zal ik niet zijn.

Oom Gekard.

Je vader zou 't ook niet overleven.

(Oom Gerard af.)

Zevende Tooneel.

Hekman, alleen.

Ja... ik was dwaas!... Maar God zij dank!... hij heeft me de oogen geopend... Zon ik zoo diep gevallen zijn, om me voor mijn vader te schamen?... Alles heeft ie voor me gedaan... alles voor me overgehad!... En na dat alles zou ie nog meer willen doen... gloeiende kolen verzamelen op mijn hoofd!... En ik me schamen?... Weg met die gedachte... die gedachte van eerzucht... Weg met die ijdelheid. Oom Gerard heeft me intijds gewaarschuwd... Ik zal weer anders worden... weer net als vroeger... weer zoo heelemaal een kind... een kinJ van m'n goeie vader. Dan komt ook van zelf de kalmte en de vrede terug...

Achtste Tooneel.

Herman, Kees, Frans.

(Kees en Frans rollen een wiel uit de smids.) Herman.

Waar gaan jullie naar toe? [Hij houdt ze tegen.]

ocr page 25

21

Kees.

'I Wiel wegbrengen naar den burgemeesler.

Herman.

Dan ga ik mee... een handje helpen.

Kees.

quot;Papperlapapquot;, zou Oom Gerard zeggen, wat heb je nou weer 'n goeien zin... Ik wed, dat je nou wel weer bij stem bent... dat je nou 't smidslied wel weer zoudt kunnen zingen.

Herman, lachend.

Nou, als 't moest ! (tot Kees) Allo, laat me nou 's in jouw plaats begaan. [Hij grijpt het toiel.)

Kees.

Waarachtig niet!

Herman, lot Frans.

Toe, Frans, voor jou dan.

Frans, hem ook tegenhoudende.

Om de dood niet!

Kees.

Schoenmaker, blijf bij je leest ! Jij bij de boeken en wij bij liet werk... Uit den weg, meneer, asjeblieft!

H erman , aan dt •ingen d.

Och toe, gun me nou dal plezier.

Keks.

Opgepast, Frans! Kén... twee... drie! yZe rollen het wiel over het tooneel e» verdwijnen tusschen de coulissen. — Men hoort buiten schieten.)

ocr page 26

22

Negende Tooneel.

Herman, alleen.

Goeie jongens toch!... Harten van goud!... 'k Moest wel 'n barbaar zijn om niet van d'r te houën... Hè, ik voel al, dat m'n voornemen me goed liét gedaan, 't Wordt Goddank weer rustiger ^an binnen... Dat komt ervan... Nou blijf ik er ook bij... (Men hoort yestommel, gepraat. hondengeblaf achter de coulissen.)

Tiende Tooneel

Herman, Theodoor (met een bril op), Eduard.

(Theodoor en Eduard komen op, de eene rechts, de andere links van de smidse. Ze bemerken Herman niet ; Herman in gedachten merkt hen evenmin.)

Theodoor. zijn hond roepende.

Hector!... Hector!... {Hij fluit even.) Hector!

Eduard.

Ja, ja, fluiten, mijnheer!

Herman, de twee jagers herkennende.

Alle duivels! Ik wou, dat die twee op de Mookerhei zaten !

Theodoor.

Hector! Heclor! [Hij fluit weer.)

Eduard.

Fluit maar toe ! Hector heeft veel weg van de hazen, die je schiet. Die loopen ook altijd maai' door.

Theodoor.

Nou waarachtig hoe langer hoe mooier... daar gaat jouw hond 'm achterna.

ocr page 27

23

Eduard.

Sapristi! Hier, Fox. gauw hier!

Theodoor.

Hec ! Hec !

Elüard.

Fox! Fox ! [Hij fluit.)

Theodoor.

Hec! Hec! (Hij fluit.)

Herman, ter zijde.

Kon ik maar weg... maar 't gaat niet.

Eduard, naar den voorgrond komende. Die beroerde honden ! Laten ze me gestolen worden ! (Herman bemerkende] Parblcu, heb ik dat goed ?... 't Is Herman. [Hij geeft hem, de hand.)

Herman.

Zoo, Eduard, hoe maak je 't?

Eduard.

Theodoor!

Theodoor.

Hector!... Hector!

Eduabd, tot Theodoor.

Kijk's hier, wat 'n tref!

Theodoor, zich omkeerend en ook naar voren komend.

Tiens, onze goede vriend. Herman de Blokker. Dat kan verdorie, niet beter. [Hij geeft hem de hand.) We zitten verschrikkelijk in de rats.

Eduard, terug naar den achtergrond. Fox ! Fox!

ocr page 28

24

Theodoor, ook naar den achtergrond.

Hector ! Hec !

Edüard.

Fox! Fox !

Herman, ter zijde.

Hoe zal ik ze met goed fatsoen 't gauwste kwijtraken? Eduard.

Ze zijn te ver weg.

Theodoor.

Ik zie ze niet meer. [Beiden een laatste poging aanwendend, fluiten om liet hardst.)

Herman, als hoven.

Liever ieder ander dan juist die Iwee! Die fijne geurmakers !

Eduard, bij Herman komend tot Theodoor. Hoe krijg je 't ook in je iioofd om op duiven te soliieten ? [Tot Herman.) Je weet het, Herman, een schot op duiven is voor onze honden meer dan genoeg om ze in 't vuur te jagen.

Theodoor, levendig naar voren komend. Duiven? Geloof dat niet. Herman, 't waren patrijzen. Eduard.

Je bent kippig. Ik zeg je, dat 't duiven waren. Theodoor.

En ik houd vol, dat 't patrijzen waren.

Eduard.

Duiven, Herman.

Theodoor.

Patrijzen, Heiman.

ocr page 29

25

Eduard.

Duiven, duiven, duiven !

Theodoor.

Patrijzen ! patrijzen, patrijzen !

Elfde Tooneel.

De vorigen, Van Spijkeren. Van Spijkeren, binnenkomend, ter zijde. Hé, onze Herman, met zulke deftige jongelui!

Herman, zijn vader bemerkend, ter zijde.

Mijn vader!... wat nou begonnen?

Van Spijkeren, naderkomend en groeiend.

Zijn die heeren goeie kennissen van je. Herman?

Herman, aarzelend.

Ja... ook studenten.

Eduard, lachend.

Ja, in de »bierologie« en de »eeticaquot;.

Tiieodooh.

Zieje, we staan met andere «logieëiiquot; en »sophieënquot; 'n beetje op gespannen voet... heel anders dan Herman.

Van Spijkeren.

Nu, Heeren, doet ons 't genoegen en komt binnen... De vrienden van Her zijn altijd welkom.

Herman.

't Zijn hartstochtelijke jagers, ze zullen liever...

ocr page 30

26

Van Spijkeren.

Dan zullen ze wel moe zijn... en graag 's eventjes uitblazen.

Thkodoor, met de hand ami, 't oor.

Ik hoor blaffen... Hoor 's.

(Eduard en Theodoor stormen naar den achtergrond.

Van Spijkeren, tot Herman.

Herman, laat je vrienden niet aan de deur staan, dat past niet... zorg, dat ze binnenkomen... ik zal gauw wat klaarzetten. (Van Spijkeren af.)

Twaalfde Tooneel.

Herman, Eduard, Theodoor.

Herman, ter zijde.

Nu zit ik tusschen twee vuren.

Theodoor, op den achtergrond.

Daar blaffen ze weer.

Eduard, luisterende.

Blaffen? Loop naar je grootje... 't Is een haan, die kraait. {Naar voren komend.) Je gehoor is al niet beter dan je gezicht, merk ik... Daar kan ik strak' mooie staaltjes van vertellen op 't kasteel.

Herman, haastig.

Zoo, gaan jullie naar 't kasteel ?

Eduard.

Ja, naar Bloemoord ! De jonge graaf heeft ons op 'n jachtpartijtje geïnviteerd. Zijn we er nog ver af?

Herman, overdrijvend.

Op z'n allerminst drie uren gaans.

ocr page 31

27

Eduard.

Mille tonnerres. Jan komen we nog te laat voor 't diner.

Hekman, zich quasi verhelerand.

Ja, ik bedoel drie boerenuren... dal is maar half zoo lang.

Eduard.

Drie uren ? Theodoor, wat moeten we nou aanvangen ?

Thuodoor.

Ik. ben er voor eerst wal uit te rusten : ik ben doodop.

Eduard.

Geen wonder ! Jij hebt minstens tien slooten genomen legen ik maar twee.

Theodoor.

Neen, daar komt 't niet van, maar die linker slobkous is boven te nauw... die beeft mo de heele tijd al in Je weg gezeten .. ik zal 'm zoolang uittrekken. [Hij paai op de bank zitten, doet de riemen los en trekt zijn slobkous uit.)

Herman, ter zijde.

Nou blijven ze toch hier!

Eduard.

Maar apropos. Herman, waar is die goeie ziel, die ons d'r net namens je ouwe heer zoo vrindelijk inviteerde ?

Hebman, terlegen.

Ja... die... is... naar huis gegaan.

Eduard.

Dat was zeker een van jullie knechts ?

Herman, aarzelend.

Wie... hoe... wat Jacht je?

ocr page 32

28

Theodoor.

Hij scheen nog al mol je op te hebben. — Is die soms speciaal tot jouw dienst... je lijfknecht om zoo te zeggen ?

Herman, nog meer verlegen.

Maar...? Hoe kom je daaraan?

Theodoor.

Heb ik 't niet goed gerajen ?

Herman, verward.

Nou dan... 't is mijn knecht! [Snibbig ter zijde-.) Loop naar den duivel!

Eduard. tol Theodoor.

Dus, Theodoor, daar kunnen we 't dan wel bij houën. We zijn in optima forma geïnviteerd, dus we blijven hier. Maar {tot Herman') Herman, één voorwaarde: nu moet je ons na het diner die groote macliinenfabriek van je pipa eens laten zien... je weet wel, daar je vroeger zoo van vertelde.

Theodoor.

Waarachtig!... Daar zeg je zoo iets... ik stem voor.

Herman, verlegen.

Ja... maar jullie honden dan?

Theodoor.

Laat die naar de maan loopen!... Of. weet je wat. Herman, stuur jij d'r zoo meteen je knecht maar 's op uit om ze terecht te brengen... Mijn Hec loopt wel hard van stal, maar hij houdt 't toch zoo lang niet uit. Vooral niet in de uiterwaarden.

Hekman, ter zijde.

Daar schiet me iets Ie binnen! [Tot de jagers.) Zeg,

ocr page 33

29

daardenkik. aan iets... Je spreekt daar van uiterwaarden,.. Dat schieten zooeven... was dat van jullie?

Eduard.

Wel natuurlijk... wat zou dat?

Herman.

Dan waren jullie aan 't stroopen... Dat is privaat jachtterrein van den Burgemeester... Maak je maar gauw uit de voeten (Thuodoor springt op), want de veldwachter zit je op de hielen... Ik was er per accidens zelf bij, dat de burgemeester 'm er op uitstuurde.

Eduard, tot Theo door.

Kalm Theodoor ! (tot Herman] Zeg, Herman, dat van de veldwachter...?... Zeg, die zal voor 'n pop of wat niet ongevoelig zijn ?

Herman.

Probeer dat in 's Hemelsnaam niet... Hij zou in staat zijn om je op staande voet aan te klagen wegens om-kooperij... Nee, as de veldwachter je te pakken krijgt, dan ben je bakker-an : procés-verbaal, boete, kantonrechter... Daar kun je slaat op maken.

Theodoor, haastig.

Dan as de weerga m'n slobkous weer aan. (Hij gaat gauw naar de Jtanh om de kous xoeer aan te trekken.)

Eduard.

Ja, maar hoe moeten we weg?

Herman.

In ieder geval moet je zien, dat je over de rivier komt. Je neemt hier het pad rechts... dan draai je een beetje... je komt dan vanzelf aan een groote struik...

ocr page 34

30

daar draai je links af... en wat verder zie je een kleinen weg, die je aan de rivier brengt, ga die over...

Edüakd.

Dat kan ik allemaal niet onthouden... we verdwalen zeker.

Herman.

Dan weet ik 't goed gemaakt... ik zal jullie een eind weg brengen.

Eduari).

Doe dat...! {Tot Theodoor.) Toe, Theodoor, schiet toch op.

Theodoor, nog altijd met zijn slobkous bezig.

Nou ja... ik moet toch eerst m'n slobkous vastmaken.

Eduar».

Jij met je slobkous !... Daar zitten we nu zonder wild, zonder honden, zonder diner... maar met rechtbank,

boete, procés-verbaal in liet verschiet____quot;n mooie jacht,

op zoo'n manier !

Herman.

Maakt toch voort... we hebben geen minuut te verliezen... Sst!... bukken...

Theodoor.

Wacht toch even... ik ben dadelijk klaar. (Herman en Eduard haastig af; Eduard hukkende.)

Dertiende Tooneel.

Theodoor, alleen.

Die smeren 'm... en laten mij in de steek... dat komt van die verwenschte kous.

ocr page 35

31

Veertiende Tooneel.

Theodoor, Van Spijkeren.

Theodoor.

Och, vrindlier, help jij 's even 'n handje.

Van Spijkeren, naderbij komende.

Waar zijn de jongelui gebleven ?

Theodoor.

O die zijn al op route... maar zeg, maak me die riem 's even vast.

Van Spijkeren, ter zijde.

Die is ook niet van de beleefdste. (Zich in 'postuur zettend om Theodoor te helpen, luid:) En waarom zijn ze er van door ?

Theodoor.

Omdat... Hé, wat schiet je slecht op... jij bent me ook quot;n knecht van »wat-geldt-het-honderd...?«

Van Spijkeren, opziende.

Een knecht ?

Theodoor.

Treuzel toch zoo niet; ik heb geen minuut te verliezen.

Van Spijkeren.

Wie zegt u, dat ik een knecht ben?

Theodoor.

Wel Herman! Ben je niet tot zijn bijzonderen dienst?

Van Spijkeren.

Herman heeft gezegd, dat ik zijn knecht ben ? Theodoor.

Wie anders?... Au! Je doet me pijn. (Hij maakt een

ocr page 36

32

gebaar alsof hij slaan wil, maar houdt zich in.) Stommeling !

Van Spijkeren, opstaande.

Nu zeg me 's op 't woord van waarachtig... is 't werkelijk waar ?

Theodoor, insgelijks opstaande.

Loop naar je grootje, ouwe zemelenknooper... nou moet ik 'r met één slobkous van door... maar reken jij al vast op 'n schrobbeering van Herman.

[Haastig af.)

Vijftiende Tooneel.

Van Spijkeren, alleen.

Wat!... Herman zou zioh voor me schamen... me uitgeven voor z'n knecht?... Onmogelijk... die brutale gek heeft me belogen. [Nadenkend) En toch... ja, 'k heb str^k' al iets gemerkt, zoo gauw Herman me gewaarwerd... Hij was verlegen... hij werd bleek... hij dorst me niet aan te kijken... iiij wist met z'n eigen geen raad... En toen ik bij z'n vrienden kwam... laat 's kijken... nee!... heeft ie me niet...? nee! hij heeft w'el opgepast om »vader« te zeggen... Ik presenteer ze om binnen te komen, en iiij probeert ze weg te krijgen... Ik ga naar binnen, zet de boel klaar en nou ik terugkom is mijn zoon weg... en die onbeschofte vlegel beleedigt me... Herman z'n vader verloochenen... Judas!...

Kou begrijp ik, waarom ik zoo vreemd ontvangen werd, toen ik 'm 'n half jaar geleden in Utrecht bezocht. Ik was 'm in de weg... 'k hinderde 'm, 'k kon merken, dat ie zich geneerde... Nou begrijp ik ook waarom ie thuis zoo vreemd is... 'k had er zelf al aan gedacht... maar ik wou er niet an denken, omdat ik 't zoo gemeen

ocr page 37

33

rond... God! God! wat ben ik ongelukkig!... Nou zie je 't: Hoogmoed komt voor den val!... Ik was zoo grootsch op mijn jongen... de straf kon niet uitblijven.

Maar dat staat vast... als ie schuld heeft, dan zal ie weten met wie ie te doen heeft... tot nu toe ben ik goed voor 'm geweest, maar dan zal ie ondervinden, dat ik ook streng kan zijn... De heele waarheid moet ik weten... uit z'n eigen mond... en wee...

Zestiende Tooneel

Van Spijkeren, Oom Gerard.

Oom Gerard, haastig, hijgend binnenkomend.

Willem! Willem! wat ben jij gelukkig! Proficiat, hoor! Van harte gefeliciteerd!

Van Spijkeren.

Wat is er an de hand?

Oom Gerard.

De brief is er : Herman is 't heertje, 't Gaat als een ▼uurtje rond.

Goeie, beste Herman ! Valsche Schaamte.

Van Spijkeren, met verbazing. Mijn zoon ?

Oom Gerard.

Dat is de schoonste dag van m'n leven!

Van Spijkeren, ijzig kalm. Ja, 't zou 'n schoone dag zijn, maar...

Oom Gerard.

ocr page 38

34

Van Spijkeren.

Gerard... mei de hand op 't hart... Denk jij, dat Herman ondankbaar is?

Oom Gerard, verwonderd.

Herman?... De eer van de familie?... Zet die gedachte maar uit je hoofd... Herman is een voorbeeld, voor iedereen.

Van Spijkeren.

Zoo? Dan moet ik je 's even...

Zeventiende Tooneel.

De vorigen, Franb.

Frans, binnenstormend.

Vader, vader, Herman heeft'n beurs gevonden... van de regeering... nou is-t-ie ook van 't goevernement 1

Oom Gerard, tot Van Spijkeren.

Hoor je 't nou?

Frans.

Zoo meteen komt de gemeenteraad hiernatoe om u te feliciteeren, en Herman, en de heele familie.

Van Spijkeren.

Wat? De gemeenteraad?

Oom Gerard.

Begrijp je nou?... Dat is dat van strak'... van den Burgemeester 1

Frans.

Ze steken al overal de vlaggen uit... Ik ben gauw hiernatoe geloopen om u te waarschuwen.

ocr page 39

35

Oom Gerard, tot Frans.

Goed opgepast!... Jij bent een kerel! En de gemeenteraad ook... Papperlapap met lariekoekies, ik weet, geloof ik, niet goed meer, wat ik zeg... Maar 't doet er niet toe... vandaag mag er wel 'n streepie doorloopen.

Van Spijkeren, bij zichzelven.

Neen, ik doe het niet... ik neem de toespraak niet an... eerst moet ik zekerheid hebben... Zoo hou ik 't niet langer uit.

Gom Gerard, tot Van Spijkeren.

Willem, Willem, dat is nou's echt. Leve de pret en de karbonade, hé ?

Achttiende Tooneel.

De vorigen, Kees.

Kees, haastig binnenkomende.

Ja net, leve de pret en de rest ook. Daar komt de gemeenteraad al... en de harmonie... en de muziek... en het vaandel en de heele rataplan... Heel Rapenburg staat op stelten... en vlaggen overal...

Van Spijkeren, bar ach tot Kees.

Waar is Herman?

Kees.

Die loopt heel plechtig midden in de stoet... Ze hebben 'm onderweg opgepikt.

Van Spijkeren, gejaagd, ter zijde.

Ik moet 'm eerst spreken... De waarheid... 'k Moet het weten.

Frans, tot Kees.

Wat zee-je... is de muziek er ook bij ?

3-

ocr page 40

36

Kees.

Ja, de muziek met 't vaan voorop.

Frans.

Allemaal voor Herman ?

Kees.

Ja, maar zoek zoo ook 's 'n tweede.

Oom Gerard,

Papperlapap .. met appelen pap..., die vin je niet, al zoek je 't heele land af.

Van Spijkeren, ter zijde.

Buigen niet!... Ik doe 't niet!... Ik zal ze te gemoet gaan en hem vragen, waar ze allemaal bijstaan of 't waar is... En dan...

Oom Gerard, op den achtergrond.

Ik hoor ze I (Kees en Frans loepen naar den achtergrond.)

Frans.

Daar komen ze!

Kees.

Ik zie ze al!

Van Spijkeren.

Kom mee, we gaan er na toe. (Hij loopt snel naar den achtergrond — blijft dun besluiteloos staan — homt iceer naar den voorgrond.)

Oom Gerard, tot Kees en Frans.

Kijk, vader raakt ook al de kluts kwijt.

Van Spijkeren.

Neen, dat kan ik toch niet over m'n hart krijgen... straffen zal ik 'm... maar publiek verschandaliseeren, neen... 't blijft toch altijd mijn kind.

ocr page 41

37

,

Kees, luide.

Daar zijn ze, vader... wat 'n eer voor de familie... vader! vader!

Negentiende Tooneel.

De vorigen, Herman, Burgemeester, Veldwachter,

gemeenteraad, muzikanten, inwoners van rapenburg.

Allen, nader komende.

Leve Van Spijkeren, leve Herman! (Geschreeuic en handgeklap. — De muziek speelt: quot;Lang zal hij leven».

— Het gezelschap vormt een huiven cirkel op het tooneel. Links de gemeenteraad. Middenin de muziek met het vaandel. — Rechts de burgers van Rapenburg.

— Meer op den voorgrond ticee groepen : rechts Van Spijkeren met zijn kinderen en Oom Gerard-, links de Burgemeester en de Veldwachter. — Zoodra Herman is aangekomen, icendt hij zich tot zijn vader: deze doet echter o/ hij hem niet ziet. Kees, Frans en Oom Gerard drukken Herman hartelijk de hand. — De muziek houdt op.)

Frans, tot Kees.

Prachtig', hé ?

Kees, tot ïan Spijkeren.

Had mijn ook maar laten studeeren.

Van Spijkeren.

Nee, jongen, daar hoef je geen spijt van te hebben.

Burgemeester, ter zijde tot den Veldwachter. Veldwachter, nu is het gewichtig oogenblik daar. Geef dus goed acht op de vuist.

ocr page 42

38

Veldwachter.

Ik zit al te paard !

Burgemeester.

Wij moeten succès hebben.

Veldwachter.

Zonder mankeeren ! [De veldwachter gaat staan links achter den burgemeester en let goed op. — Alleen de veldwachter en het publiek in de zaal kunnen de vuistmanoeuvres zien, die de burgemeester bedoelt.)

Burgemeester, zich richtende tot Van Spijkeren.

Hm! hm! [Hij hoest en snuit den neus.) Mijnheer... en eerzaam medeburger!... Deze dag is voor ons een dag uit vele... Rapenburg is in feestdos, Rapenburg is in vreugde!... En waarom die feestdos, waarom die vreugde, welke zich uitstort over onze harten als een golf van zalige dronkenheid en wier flambouw in aller oogen brandt ? [Korte pauze.)

Reeds in andere omstandigheden was het mij beschoren U ten minste woordelijk eenige welverdiende geluk-wenschen toe te stieren. Wie onzer herinnert zich niet de heldenrijke liefdedaden, die gij daarsteldet ten tijde van de jongste overstrooming, toen de rivierbewoners door het geweld dor golven bedolven werden met onweerstaanbare kracht ? Gij sneldet hun ter hulpe met gevaar van uw eigen levensgeesten, gij, vader des huis-gezins, gij waart voor hen een bevrijder, met recht een bevrijder van Egypte! [Terwijl hij met de rechterhand een gebaar maakt, balt hij achter zijn rug de linker tot een vuist.)

Veldwachter, die de vuist bemerkt.

Bravo! Bravo! (Algemeen applaus op 't tooneel.)

ocr page 43

39

Burgemeester, voortgaande.

Jawel. Mijnheer en achtbare inwoner van ons nederig dorpje Rapenburg, dat nochtans eene gemeente is... Gij hebt overal en t' allen stonde daadwerkelijk, aangetoond, dat onder het harde aambeeld een warm en nobel hart kan kloppen. [Korte pauze; vervolgt op zachter toon:)

Maar op den huldigen dag valt mij een zoetere taak ten deele... ik kom niet meer woordelijk, maar publiekelijk ; ik spreek uit name van de regeering, een wijze en hoogverlichte Regeering, die het licht der wetenschappen bevordert en de fraaie letteren begunstigt, om U eene gevoelvolle hulde aan te bieden... En deze hulde is de kroon, welke U gevlochten wordt door het buitengemeen welslagen van eon hoogbegaafden en welbeminden telg: zijne handen hebben de bloemen ten krans gereid, onze hand biedt ze u aan ; [met kracht:) Ziedaar, waarom Rapenburg is in feestdos, ziedaar, waarom Rapenburg is in vreugde! [Hij toont de vuist.)

Veldwachter, die op zijn tellen past.

Bravo! Bravo! Leve Herman! (Opnimw levendig applaus.)

Burgemeester, willende voortgaan.

Hm!... Hm!... [verlegen, ter zijde) Drommels, waar ben ik gebleven ? Zou ik nu mijne improvisatie uit den zak moeten halen ? [De vuist als hoven.)

Veldwachter.

Hoera ! Leve Van Spijkeren ! [Applaus.)

Burgemeester, ter zijde tot den veldwachter.

Wacht, ik ben er ! [Nogmaals de vuist.)

Veldwachter.

Lang leve de Burgemeester! Hoera! [Applaus.)

ocr page 44

40

Burgemeester, Lot Herman.

En gij, jongeling, hoort gij dat spontaan bravogeklap, dat daar uitbarst onvoorziens, onverwachts, onweder-staanbaar ? Wat zegt dit ü? Wat zegt U die samenloop van de élite onzer burgerij ? Wat zegt U die vader, die toegenegen broederen en die eerbiedwaardige leeraar, dewelke uwe prille jeugd gevoed heeft met de kern der wijsheid ?

Welnu, plechtiglijk en ten aanschouwe van allen, die het hooren, getuig ik hardop dit: Hij zegt U, zij zeggen U; Ga zoo voort, mijn zoon — en ik voeg daarbij : Excelsior, gij zult voortgaan. Een loonbeeld van kennis en ware wetenschap zijnde, zult gij tevens wezen een toonbeeld van kinderliefde, van broederliefde, van naastenliefde...

O, ik weet het... nu gaat uw huikje zeil ter levenszee... de schipbreuken zijn daar vaak en de winden zijn daar vreeselijk hard, storm stapelt zich op orkaan en orkaan op stormen, en de bulderende golven neuriën het wiegelied der opgezwalpts baren : maar gij, heb geene vreeze, »ende desespereer iiiet«; volg het rechte pad, schrijd met vasten stap en uw bark zal niet verzwolgen worden ! Neen, neen, alle hinderpalen uit den weg ruimend, zult gij veilig de haven binnenloopen; als een worstelaar van het antieke Rome zult ge al strijdende het doelwit van uw loopbaan bereiken, dat u wenkt met den roemvollen palm der overwinning!

En wij — o, laat mij die hope groeten, — wij, getuigen van uwen nieuwen triomf, wij zullen u toeroepen met fierheid en trots : «Rapenburg teil één merkwaardigheid te meer 1« (De vuist: applaus als boven. Hij vervolgt:)

En nu, jongeling, uit naam van de regeering heb ik de eer u uit te noodigen : Treed nader ! En ontvang

ocr page 45

-11

uit de handen der publieke overheid in den vorm eener officieele missive de belooning, die gij zoo wel verdiend hebt, en waarvan ik slechts het beseheiden werktuig ben. [Be muziek speelt: gt;gt;/o vivatquot; onder bravo's en applaus. — Herman gaat tot den burgemeester, maakt een buiging en ontvangt den geioichtigen brief, dien hij daarna zijn vader aanbiedt. Van Spijkeren, die zichtbaar moeite doet om zich in te houden, vijst hem met een enkel gebaar a/. Zijn broers komen nu tot Herman en feliciteeren hem ; desgelijks Oom Gerard en de Rapenburgers. Burgemeester biedt ook zijne gelukte ens chen aan Vader Van Spijkeren. De muziek houdt op. De Burgemeester keert terug naar zijne oude plaats aan de zijde van den Veldxcachler en zegt tot dezen:)

Veldwachter, ten mijnent staat een paard gezadeld. Spring daarop en snel spoedig heen om dit geschrift te brengen ter drukkerij van de «Provinciale Aankondigerquot;. {Hij geeft hem eenige 'papieren.) Dat is mijne improvisatie en het verslag der feestelijkheden.

Veldwachter. Maar 't is nog niet afgeloopen.

Bukgemeester.

Dixt: alles staal reeds beschreven.

oogenblik tijds, snel heen en keer ijlings weder om de openbare orde te handhaven.

Veldwachter.

Ik zit al te paard ! (Veldioachter snel af. — De Burgemeester bemerkt, dal Van Spijkeren iets zeggen

10 il.)

Burgemeester, luid.

Mijne Heeren, eerzame burgerij van Rapenburg, uit

ocr page 46

42

naam van Vader Van Spijkeren, die ons iets heeft mede te deelen, verzoek ik stilte. (7 Wordt stil.)

Van Spijkeren, verward.

Vrienden, goeie buren, jullie doet veels te veel voor me... Je weet niet. hoe me dat treft... wat er in mijn hart omgaat... maar ik dank jullie allemaal... ik zal dezen dag nooit vergeten. (Applaus en bravo's.)

Oom Gerard.

Ik heb ook nog een woordje tot het geachte auditorium. U, Edelachtbare Heer Burgemeester van het nederige dorpje Rapenburg, dat nochtans — ik beaam uwe juiste opmerking — eene gemeente is, mitsgaders u, weledelgestrenge Heeren van Rapenburgs gemeenteraad, vroede vaderen van een wijs bestuur, desgelijks u allen, feestvierende medeburgers van den door de Hooge Regeering met een studiebeurs bekroonden Herman Van Spijkeren, kortom allen zonder onderscheid wensch ik te regaleeren. Laten wij in feestelijken stoet optrekken naar gt;gt;De Gouden Leeuw». Leve de pret en de karbonade... Ik geef twee rondjes. [Braco's.)

Kees.

En ik ook : vandaag moet er een gat in mijn spaarpot. [Bravo's; applaus: «leve Kees«.) Neen, leve Herman! [Hoera!) En nou vooruit! [Publiek toil zich vencijderen, maar de Burgemeester geeft een teeken, dat hij nog iets te zeggen heeft. Allen blijven staan.)

Burgemeester, aflezende.

«De gemeenteraad van Rapenburg, heden ter spoed-eischende vergadering opgeroepen en altijd verlangend aan de wenschen der burgerij te gemoet te komen, overwegende, dat wij heden een intiem familiefeest

ocr page 47

43

vieren, dat mitsdien voor heel Rapenburg van algemeen belang is, heeft besloten en vastgesteld gelijk hij besluit en vaststelt mits dezen :

EENIG ARTIKEL.

Herbergen, huizen van publieke vermakelijkheid en andere lokalen, die wetshalve daarmede worden gelijkgesteld, zullen op dezen gedenkwaardige!! dag geopend blijven tot klokslag kwart vóór tienen plaatselijken tijd.quot; [Groot applaus en bravogeroep. De muziek begint een marsch te spelen, de stoet wordt vlug gevormd en trekt over het tooneel. Vaandel en muziek, burgerij, gemeenteraad en Burgemeester, Kees, Frans, Oom Gerard, Herman. Van Spijkeren is op den voorgrond blijven staan. Terwijl het grootste gedeelte van den optocht tusschen de coulissen verdwijnt, richt zich)

Van Spijkeeen, tot Herman.

Herman, ik heb een woordje met je onder vier oogen.

Oom Gerard, tot Van Spijkeren.

Toe, Willem, kom nu ook mede.

Van Spijkeren.

Ga maar vast, wij komen aanstonds. [Oom Gerard af.)

Twintigste Tooneel.

Van Spijkeren, Herman.

Herman, ter zijde.

Wat zou vader toch voorhebben? (Korte pauze.)

Van Spijkeren.

Ze zijn Goddank eindelijk weg!

ocr page 48

44

Herman, ter zijde.

Wat kijkt hij streng! {tot Van Spijkeren.) Dat was eolit treffend, vader ; ik was blij voor u !

Van Spijkeren, na een oogenblik zicijgens. Herman, schaam jij je voor je vader?

Herman, verlegen.

Hoe komt u daaraan ?

Van Spijkeren.

Herman... heb je... d'r strak'... je vader verloochend ?

Herman, meer verlegen.

Verloochend? Ziet u me voor zoo slecht aan?

Van Spijkeren.

Herman... heb je vandaag... nog geen uur gelejen... voor je vrinden... mijn uitgegeven... als je knecht? (Herman slaat de oog en beschaamd neder. — Kleine pauze.) Ik vraag je maar één woord... Ja of neen. (Niemce pauze.) Nu?

Herman.

In de verbouwereerdheid strak'... ik was zoo opgewonden...

Van Spijkeren, ongeduldig.

Nu?... Ja of neen?

Herman.

Ja... maar...

Van Spijkeren, smartelijk.

Ik dacht 't wel... ik had 't gevoeld..

Herman.

Vergiffenis, vader, vergiffenis!

ocr page 49

45

Van Spijkeren.

't Is mijn eigen schuld !... Die gedachte heeft me d'r net tegengehouden... anders had ik jou ook verloochend... Maar 't is mijn eigen schuld... ik heb te veel met je opgehad... 'k ben te goed voor je geweest... 'k heb je voorgetrokken... jou laten studeeren en je broers laten werken... ook voor jou... Ja, je hebt gelijk gehad; ik ben je knecht geweest... jarenlang heb ik me voor jou afgesloofd...

Herman.

Vader, vader, houd toch op... ieder woord doet me zoo'n pijn.

Van Spijkeren.

Vader? Vader?... Jou wil ik niet meer voor zoon... maar ik heb nog andere kinderen... voor die moet ik zorgen... en de eerste zorg is: geen slechte kameraads in huis.

Herman.

Wat wil u zeggen?

Van Spijkeren.

Dat jij hier geen voet meer in huis zet.

Herman.

God in den hemel!... Weggejaagd!

Van Spijkeren, ironisch.

Zeg liever; quot;Vrij manquot;... Voor de toekomst hoef je niet bang te zijn ; je hebt immers je studiebeurs... je bent niet meer afhankelijk... (Hij toont zijn handen.) van die handen... om voor je te werken... je hebt niks meer te maken met eene familie, waarvoor je je schamen most... Je kunt van geluk spreken!

ocr page 50

46

Herman.

Straf me, vader, sla me... ik heb't duizendmaal .verdiend... maar spreek toch tegen me als vader. (Hij knielt neder en vat zijn vader bij de hand.)

Van Spijkeren, loorniy terugspringende.

Blijf af, ellendeling... jouw hand zal de mijne niet meer aanraken... zieje niet, dat mijn bloed kookt... dat ik me niet meer kan inhouden? Ha! Je wil, dat ik spreken zal als vader... ik zal 't doen : mijn laatste woorden... mijn laatste gebod...

Herman.

0 God!

Van Spijkeren.

Je bent. ondankbaar, je bent een huichelaar, je bent een lafaard... wegl... Ik jaag je weg!

Herman.

Genade !

Van Spijkeren.

En als je nu nog één greintje gevoel voor me hebt, zwijg dan en ga. Anders zou ik er ook nog toe komen om je te vervloeken.

Herman, opstaande en httngaande.

Ik gehoorzaam !

Een en twintigste Tooneel,

Van Spijkeren, alleen, na een pauze.

Ik heb een kind verloren... O God, geef mij de kracht om deze beproeving te dragen !... Uw straf is wel hard... maar ik heb ze verdiend 1

ocr page 51

47

Twee en twintigste Tooneel.

Van SruKEBEN, Oom Gerard.

Oom Gerard.

Kom dan toch... Ze vragen waar jullie toch blijven, jij en Herman.

Van Spijkeren.

Welken Herman bedoel je?

Oom Gerard.

Hoe heb ik 't nou? Wel, jouw Herman.

Van Spijkeren.

Dien ken ik niet meer.

Oom Gerard.

Wat zeg je ?

Van Spijkeren.

Ik heb 'm weggejaagd.

Oom Gerard.

Herman weggejaagd ? Maar, man, is de blijdschap je dan in je hoofd geslagen ?

Van Spijkeren.

De blijdschap ?... Hoor 's even, Gerard... Daar strak' trof ik hier toevallig twee deftige jongelui... vrinden van Herman... Hij heeft me niet voor ze willen kennen... hij heeft z'n eigen over z'n vader geschaamd. Je gelooft me niet? Hij heeft 't zelf bekend... Hij was weg-geloopen om me geen vader te hoeven noemen... hij heeft me voor z'n knecht laten doorgaan... en een van die twee meende me waarachtig te slaan...

Oom Gerard.

Arme Willem !... Wie had dat ooit kunnen denken ?

ocr page 52

48

Van Spijkeren.

Och, ik heb er zelf ook schuld aan... Ik heb 'm laten studeeren... Herman moest de hoogte in... en hij is in de hoogte gekomen... En nou is z'n vader te min voor 'm. Dat is mijn loon. [Bitter.) Een goeie les voor de ouders !

Oom Gerard.

Dus, je hebt 'm met schande de deur uitgejaagd ?

Van Spijkeren.

Met schande niet! Ik heb wel op 't punt g-estaan om 'm zijn laagheid publiek te verwijten, maar ik heb me ingehouden.. Ik heb bij me eigen gedacht : Je bent toch mijn kind geweest.

Oom Gekard.

Maar hoe moet 't nu gaan met die menschen ?... Zul je je eigen daar ook kunnen bedwingen ?... Of wat ben je van plan ?

Van Spijkeren.

Ik ga niet... ik kan niet... Ze krijgen mij niet te zien ; ga jij maar in mijn plaats.

Oom Gerard.

Ja maar, wal moeten ze wel denken, als jullie geen van tweeën komen?... Dan merken ze natuurlijk, dal er iets verkeerd is... en dan is de rest gauw genoeg uitgelekt... Dat moeten we voorkomen... Hoor's Willem, je bent edelmoedig geweest : wees 't nu ook... Ik vraag 't je voor je eigen bestwil, voor je eigen rust... Als ie oprecht berouw toont, laat 'm dan toch weer...

Van Spijkeren.

Dat nooit!

ocr page 53

49

Drie en twintigste Tooneel.

De vokigen, Frans, die zingende opkomt. Van Spijkeren, harsch tegen Frans.

Hou je mondl... D'r valt hier niks meer ta zingen... Wal kwam je hier doen ?

Frans .

Ze hebben me uit «De Gouden Leeuw» gestuurd om u te roepen. (Van Spijkeren keert zich af. Frans verwonderd ■.) Wat is dat nou?

Oom Gerard, tot Van Spijkeren. Toe, Willem, ik zou maar gaan.

Van Spijkeren, tot Oom Gerard.

Je hebt gelijk... laten we de schande maar onder ons houden.

Frans, ter zijde.

Wat mankeert vader toch?

Vier en twintigste Tooneel.

De vorigen, Kees.

Kees, vroolijk binnenkomende.

Leve de pret en de karbo...

Van Spijkeren, harsch tot Kees.

Zwijg, d'r is hier niks meer te prette.

Kees.

Maar, wat is dat nou? Waarom zouën we vandaag niet vroolijk zijn?

Valsclie Schaamte. 4

ocr page 54

50

Van Spijkeren.

Je hebt gelijk, jongen,... 't is niet goed van me, dat ik tegen jullie zoo bokkig ben... Jullie bent goeie kinderen... jullie zult ten minste je vader niet kleineeren.

Kees.

U kleineeren? D'r is geen haar op ons hoofd, dat er an denkt. [Men hoort uit de verte : «Leve Vader Van Spijkerenquot;.] Nou, hoort u 's... is dat soms kleineeren ?

Van Spijkeren, Oom Gerard ter zijde nemend.

Gerard !

Oom Gerard.

Wel?

Van Spijkeren, tot Oom Gerard.

Ik zou wel kunnen huilen. [Geroep als boven.)

Kees.

Hoor 's wat ze to keer gaan!

Van Spijkeren, iceemoedicj glimlachend.

Dan zullen we ook maar feest gaan vieren! {Af.\

quot;Vijf en twintigste Tooneel.

Oom Gerard, Kees, Frans. Kees.

Frans.

Frans.

Watte?

Kees.

Snap jij er wat van !

Frans.

Ikke nie !

ocr page 55

51

Kees.

Ik begrijp d'r ook geen jood van... Zeg, Oom Gerard, weet u soms, wat er aan de hand is... 't Is me net of vader heelemaal niet in z'n hummes is?

Oom Gerard.

Ja, jongens, vader heeft 'n groot verdriet.

Frans.

Verdriet ?

Kees.

En waar komt dat verdriet dan vandaan ?

Oom Gerard.

Dat komt van... iemand... die... hoe zal ik zeggen...

Kees.

Van iemand? Wie is die iemand? Wacht 's even. [Hij haalt een hamer uit de smidse en komt terug.} Ha, ha, nou zullen we 's kijken, wie het hart heeft vader verdriet an te doen... en dat op zoo'n dag... Dat gaat er zoo niet... Nou, vertel u 's, hoe die iemand hiet... waar zit ie...? Dan zullen we 'm 's tekst en uitleg vragen... Toe, Oom, wie is 't?

Zes en twintigste Tooneel.

De vorigen, Herman (in reiskostuum).

Herman.

Ik!

Kees.

Herman!

Herman.

Ik ben die iemand.

ocr page 56

52

Kees.

Hou je ine nou voor de gek of hoe zit 't?... Pas op... vertel 's... misschien is alles nog goed te maken.

Herman.

Ik heb vader verloochend.

Kees.

Wat zeg je daar? [Hij laat van verbazing den hamer vit de hand vallen.)

Frans.

Jij ?

Herman.

Ik was een ondankbare, een huichelaar, een lafaard. Dat zegt vader, en 't is waar... Ik heb me geschaamd over mijn vader, geschaamd over mijn broers ook. Zoo heb ik jullie goedheid beloond... Maar de straf volgt de zonde: vader heeft me weggejaagd.

Kees.

Maar, Herman, je overdrijft toch zeker?

Herman.

Vraag Oom Gerard maar: die weet alles.

Kees, tot Oom Gerard.

Dat is tocli allemaal niet waar...?

Herman.

De waarheid is eigenlijk nog erger... En toch, beste broers moet ik je voor 't laatst een gunst vragen... Jullie moest vader 'n verzoek voor me doen...

Oom Gerard.

Ik heb mijn best al gedaan om vergiffenis voor je te krijgen.

ocr page 57

53

Herman, treurig.

Nu vraag ik nog geen genade... nu nog niet... die verdien ik niet. 't Vonnis van vader is streng, maar rechtvaardig... wat hij gezegd heeft, zal gebeuren... Daar, ik ben al op 't punt om te gaan... Alles wat ik nog durf wenschen — God weet is 't voor 't laatst! — ik zou zoo graag vader nog even zien, nog even spreken, al was 't ook maar één minuut... dat ie ten minste gelooft, dat ik berouw heb... dat ie overtuigd is, dat 't me pijn doet...

Kees.

Her, Her, wat hè je gedaan!... 't Zal vader z'n dood zijn...

Frans, op den achtergrond, uitkijkende.

Daar komt vader alweer terug... God, wat ziet ie 'r beroerd uit !

Herman.

Komt nu gauw tot besluit... of moet ik weg als 'n wanhopige?

Oom Gerard.

Jongens, ter wille van vader, doet wat je ongelukkige broer je vraagt.

Frans.

Toe, Kees, kom mee.

Herman.

Doet asjeblieft je uiterste best!

Kees.

Nou goed!... maar daar vanbinnen (Hij wijst op zijn hart.)... Herman! Herman! (Kees en Frans af.)

Herman, in zichzelven.

Ja, veracht me maar gerust... ik veracht me eigen nog meer.

ocr page 58

54

Zeven en twintigste Tooneel.

Herman, Oom Gerard.

Herman,

Barmhartige God, zegen deze laatste poging!... [Tot Oom Gerard.) Oom Gerard, gaan ze recht naar hem toe ?

Oom Gerard, op den achtergrond uitziende.

Ja.

Herman.

Zijn ze al bij 'm?

Oom Gerard.

Direct...

Herman.

Hoe is 't nou?

Oom Gerard.

Ze spreken 'm an.

Herman.

En?... Toe, zeg gauw... Luistert vader?

Oom Gerard.

Wacht even... [na een korte pauze) Nee, je vader wijst ze af.

Herman.

O God!... wat te beginnen?... Leefde moeder nog maar!... Ze gaan zeker weg...?

Oom Gerard.

Toch niet... ze houden an... ze doen blijkbaar hun best.

Herman.

Zou er hoop zijn?... Hoe is 't nou...? Zegt vader; ja?

ocr page 59

55

Oom Gerard.

Nee... hij wordt kwaad... hij stuurt ze weg... ze komen terug.

Herman.

Verloren! (Hij grijpt den arm van Oom Gerard.) Oom, oom, had ik uw raad maar beter gevolgd ! Dan was 't zoover niet met me gekomen 1

Oom Gerard.

't Is te laat, maar ik kan 't niet over mijn hart krijgen om je nu nog verwijtingen te doen.

Acht en twintigste Tooneel.

De vorigen. Kees, Frans.

Kees.

Herman, vader wil jo niet meer zien... je moet direct weg... we hebben gesoebat en gesmeekt... maar 't gaf allemaal niks.

Frans.

We mogen niet eens je naam meer noemen.

Herman.

Dus geen hoop meer ?

Kees.

Totaal niet!

Herman.

Ik heb 't recht niet me over die strengheid te beklagen. Vader is rechtvaardig : 'k zal zijn wil eerbiedigen. Vaarwel, Kees; vaarwel, Frans; vaarwel. Oom; God moge u zegenen!... Een laatste gunst; Geven jullie me ten minste de hand ten teeken van vergiffenis!

ocr page 60

5(3

Ki'es en Frans, loopen op hem fee. Van harte! [Zij geven hem de hand.)

Herman.

En denkt nu en dan eens aan me... mei liefde en medelijden.

Frans

Wie had dat nou voor een uur of wal kunnen denken?

Herman, in plotselinge ojnreUivg de handen zijner

broeders loslatend.

Maar zou ik dan niet anders kunnen doen dan kwaad ?... Laat 's zien... [Hij loopt onrustig over het tooneel. Gejaagd :) Als ik 's...

Kees.

Wat mankeert ie nou?

Herman.

Als ik 's... dat 's 'n idee... maar dan... als...? Doet er niet toe!... Kees, Frans, willen jullie me helpen?... Een laatste middel...

Kees en Frans, Iegelijk.

Wat ?... Wat dan ?

Herman.

Oom, u ook?

Oom Gerard.

Ik weet niet, wat je bedoel...

Herman.

Ik wil...

Frans.

Gauw, daar komt vader, maak, dat je wegkomt! Herman.

Toe, jongens, kom mee gauw... de laatste kans...

ocr page 61

57

Kees.

Maar ik begrijp niet...

Herman.

Komt toch mee, asjeblief en God helpe ons! (Zij gaan allen cum eene zijde af; Van Spijkeren komt langzaam op aan den anderen kant).

Negen en twintigste Tooneel,

Van SruKEREN, alleen.

Neen, ik wil 'm niet meer onder m'n oogen hebben... 'k wil zijn naam niet meer hooren... 'k wil niet eens meer an 'm denken... Maar kan ik dat? Telkens zal ik an hem moeten denken... onwillekeurig... daar liep ie... daar zat ie... daar stond ie..- Ik denk weer an z'n kinderjaren... wat was ik gelukkig... hij kon zoo leeren... altijd de eerste... en schaamde zich toch niet voor de smidse____

Hij zou 't ver brengen in de toekomst... en nou is die toekomst gekomen... en wat heb ik er an...? Ongelukkige ouders, die d'r eigen opofferen voor ondankbaren ! [Men hoort den hamer op 't aambeeld). Wat is dat?... De jongens zijn zeker weer aan 't werk... Och ja. kinderleed is gauw vergeten... [Men hoort een stem in de smidse zingen :)

De hamer is een lustig ding, Ring-khig-kink !

Van Spijkeren.

Wat hindert me dal! [De stem gaat door-.)

Hij slaat de vonken in een kring — Ring-king- kink.

ocr page 62

58

Van Spijkeren.

Zou ik ze laten zwijgen...? Och nee... omdat ik één kind verloren heb, hoef ik de anderen 't leven niet zuur te maken. [De stem gaat door :)

Zoo slaat hij ook bij iedren klink Mijn zorgen weg naar rechts en links Ring-kink, ring- kink, ring-king-kink.

Van Spijkeren, meer en meer opgewonden.

Maar dat is Kees niet... en Frans ook niet... [De stem blijft doorzingen). En toch heb ik die stem meer gehoord. [Hij luistert.) Zou 't mogelijk zijn? [Hij luistert met nog meer aandacht.) Nee ik vergis me niet. Hij is't.

Dertigste Tooneel.

Van Spijkeren, Kees, Frans, Oom Gerard, Herman, in smidskostuum.

Van Spijkeren, ziet Herman.

Herman!

Herman, aan de voeten van Van Spijkeren. Vader, heb medelijden... schenk vergiffenis...

Kees en Frans tegelijk.

Toe, vader! [Zij nemen ieder een hand van Van Spijkeren.)

Oom Gerard.

Willem, denk nou 's aan het Evangelie van den Verloren Zoon... hoe de vader dien ontving... je ziet toch, dat Herman berouw heeft.

ocr page 63

59

Van Spijkeren, hoel. Wat moet die komedie beteekenen?

Herman.

Ach, vader !

Oom Gerard, toornig. Bah! Je hebt geen hart...

Een en dertigste Tooneel.

De vorioen. Eduard, Theodoor.

Eduard, buiten adem binnenkomend.

Is Herman hier? De veldwachter zit ens op de hielen. Ik kan niet meer. [Hij ziet Van Spijkeren). Zeg, vriend, waar is Je meester?

Herman, nog altijd geknield.

Hier zie je Herman... hij vraagt vergiffenis aan zijn vader.

Euuard, Herman herkennend.

Wat? Jij? In dat kostuum?

Theodoor.

De man,., die ik heb willen slaan... is dat je vader ?

Herman.

Ja, en ik vraag vergiffenis, omdat ik hem voor jullie verloochend heb. De hoogmoed was mijn zonde... maar 'tis voor het laatst geweest. (Hij haalt den brief van den Burgemeester uit zijn zak en zegt tot Van Spijkeren:] Vader, dit besluit van de regeering... die brief was mijn toekomst. Daar... (Hij verscheurt den brief

ocr page 64

60

en werpt de stukken op 't tooneel.) Nu heb ik niets meer... Ik ben zoo arm als een Ledelaar... laat me als uw knecht een stuk brood verdienen... uit medelij...

Van Spijkeren, bewogen.

M'n kind. . m'n zoon ! {Herman springt op en omhelst Van Spijkeren. — Korte pauze.)

Oom Gerabd.

Dat is allemaal heel mooi... maar de offlcieele bescheiden van de regeering verdienen een betere behandeling.

(Hij raapt de stukken hij elkaar.)

Eduard.

Nu, Herman, we zullen onze vrienden in Utrecht netjes op de hoogte brengen — zonder mankeeren — maar help ons voor 't oogenblik 's gauw uit de brand... Je zei, dat we aan een rivier zouden komen...

Theodoor.

En we kwamen nota bene voor 'n bosch te staan.

Eduard.

En toen hebben we op de bonnefooi maar doorgesjokt tof we op 'l laatst omvielen van vermoeienis... We rustten even... maar jawel... daar komt de veldwachter angaloppeeren. D'r zat maar één ding op : de honden laten loopen on...

Theodoor.

Ik heb in de gauwigheid m'n geweer ook nog laten liggen.

Eduard.

Nou zorg asjeblieft 's gauw voor iemand om den weg te wijzen, want ieder oogenblik...

ocr page 65

61

Twee en dertigste Tooneel.

De voriüen, de Veldwachter.

Veldwachter.

Houdt ze, houdt ze... dat zijn de stroopers... d'r geweer heb ik al. [De jacjers vluchten weg. — De veldwachter dwars over het tooneel hen achterna. Aan de andere zijde verschijnt de Burgemeester.)

Drie en dertigste Tooneel.

Van Spijkeren, Herman. Kees, Oom Gebard, Burgemeester .

Burgemeester, op den achtergrond.

Wat mag toch dien veldwachter in de beenen geslagen zijn ? Hij loopt, ja. als een hazewind en heeft mijn paard in den steek gelaten. Dat mysterie wil ik toch eens peilen. [Hij homt verder naar voren, bemerkt Van Spijkeren en zegt tot dezen :) Maar, Vader Van Spijkeren, wat zie ik? Laat gij uwe medeburgers van uw gezelschap verstoken? Gij wilt toch, hoop ik, niet aan de maatschappelijke wellevendheid te kort schieten?

Van Spijkeren.

Integendeel, Burgemeester, maar ziet u, mijn zoon Herman heeft niet bij quot;t feest willen zijn dan net als z'n vader, als echte smid.

Herman, ter zijde tot Van Spijkeren.

Neen, vader, dat is nu al te goed. (Tot Burge meester:) Ziet u, de zaak zit zoo...

Van Spijkeren, tot Herman.

Stil, jongen, dat blijft tusschen ons. Alles is vergeven

ocr page 66

62

en vergeten. [Tot Burgemeester:) D'r is een ongelukje gebeurd. In de consternatie is de brief uit den Haag verscheurd. [Bij deze woorden wrijft Van Spijkeren vergenoegd in zijn handen.)

Bürghmkestur.

Gij schijnt dat ongeval nog al luchthartig op te nemen?

Oom Gerard.

Daar heb ik de alukken... Hier en daar zijn nog passages, die men lezen kan ; luistert U maar 's. {Hij ontcijfert met eenige moeite :) quot;Gisteren was het nederige dorpje Rapenburg, dat nochtans eene gemeente is, het schouwtooneel eener hartroerende plechtigheid...»

Bükokmkbster. verwonderd.

Wel zoo? Staat dat in die missive?

Oom Gerard.

En dan dit stuk: quot;Hier wordt de redenaar door uitbundig applaus onderbroken. Hij roept uit; En gij, jongeling, hoort gij dat spontaan bravogeklap, dat daar uitbarst onvoorziens, onverwachts, onwederstaanbaar ?».. Maar, te drommel. Burgemeester, dat is uw toespraak !

B urgemeester.

Mais fi done!... Ja, zoo is de veldwachter nu altijd... onvertrouwbaar in zaken dezes aards... waarschijnlijk heeft hij het besluit der regeering ter drukkerij bezorgd, terwijl ik mijne improvisatie abusievelijk aan den jeugdigen feeslheld overhandigd heb.

Hoort eens goede vrienden, quot;ende desespereert niet», dat ongeluk is nog lo herstellen : ik zal zorgen voor een duplicaat. (Tot Oom Gerard:] Geef u intusschen die stukken maar eens hier! (Oom Gerard geeft de stukken.)

ocr page 67

63

Vier en dertigste en laatste Tooneel.

De vorigex, inwoners van Rapenburg, de muziek.

(Komt spelerd op om een serenade te brengen.)

Burgemeester, wenkt stilte.

Wie uwor is van goeden wil? [Een der imooners biedt zich aan.) Ga spoedig den veldwachter opzoeken en zeg hem oogenblikkelijk hier te komen, en wel te paard. Het is voor spoedeischende dienstzaken. (Luide tot allen:] Inwoners van Rapenburg! Gij zijt, indien ik uwe geesten en uwe harten wel doorzie, hierheen gekomen om de hooggeëerde familie Van Spijkeren eene serénade te brengen, overmits zij uw geduld op een te lange proef stelde. Gij wildet niet feestvieren zonder de feesteliiigen.

Inwoners van Rapenburg, de oorzaak dezer vertraging is eene voor u allen eervolle omstandigheid. Gij beklaagt u, dat gij vader Van Spijkeren en zijn zoon niet onder u gezien hebt, maar gij moet weten, medeburgers, dal de gevierde feestheld niet bij uwe vreugde wilde tegenwoordig zijn dan als een der uwen, bescheiden werkman, uitgedost in liet vaderlijk kostuum!

Dit voorbeeld. Rapenburgers, strekt u ten bewijze, dat de worm der eerzucht niet kan knagen aan harten, die hoog genoeg geplaatst zijn om de pijlen van den hoogmoed te ontgaan. Ik heb gezegd!

Veldwachter, juist binnenkomende.

Bravo, leve Herman !

Allen,

Leve Herman, leve Van Spijkeren !

[Het scherm valt.)

ocr page 68
ocr page 69

—

—^

- quot;V

mm

'tS'-^nSE,

:'I ^ •

am

.v,lt;v-

V ■ - ■-■ ■

. v J

-■gt;

U -'.

I

vquot;_-

wm

tm

.V-

-::4^

quot;

■ ■•.■,;:■. ^quot;-, / ?■ ...■■-■

SI

J. ; i.-; i

/t' •'

mm

IIP

v-^;.

.-■■■rWÏ

m

i-iï-.

ocr page 70

Bij N. ALBERTS, Uitgever te Kerkrade enr

JOS. ALBERTS, Intern. Boekhandel te Heerlen zijn! verschenen en alom verkrijgbaar:

J. E. H. Menten, De twee Broeders of eene Vene-tiaansche vendetta. Drama in

3 bedrijven.......fl. 0.50

(gebonden).....gt; 0.70

A. Ruyten, Elmar, Tooneelspel in 6 bedrijven

naar Weber's „Dreizehnlindenquot;. » 0.50.' J. van den Vondel, Jozef in Dothan, Treurspel

in vijf bedrijven.....» 0.35.

B, A. Pothast, Jozef in Dothan, 3-stemmig met

partituur zonder piano. Tragedie \

van Vondel.......» 0.60. j

_ De twee Broeders, drama van j'

E. Mknten, zang, piano en par- i,

tituur.........»0.35.1

_ Stemmen afzonderlijk ...» 0.35. .

P. A. A. Kunst. De Toonladders.....» 0.45.

H. Nillesen. Studentenliederen (Hollandsch, li

Duitsch en Fransch (gebonden) » 0.60.!

Liederkranz für jung und alt, Eine Sammlung | der beliebtesten, religiösen und

weltlichen Volkslieder (geb.) . » 0.21.,

ocr page 71
ocr page 72