-ocr page 1-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT 2838 773 O

-ocr page 2-
-ocr page 3-

DE CATACOMBEN

SITTARD.

TE

GEÜLHEM ONDER BERGH-TERBL1JT, 1

DOOR

H. J. ALLARD.

(heeztene en vermeekderde uitgave.)

DRUKKERIJ VAN J. K. ALBERTS.

1892.

Vsk 145

-*6quot;

-ocr page 4-
-ocr page 5-

j fbs /c/^

DE CATACOMBEN

TE

GEULHEM ONDER BERGiHERBLIJT,

DOOR

H. J. ALLARD.

(HERZIENE EN VERMEERDERDE UITGAVE.)

ÖIÖLIOIHEEK Dc.^: jS

RUKSUHJVERÖifEIT

UTRECHT

OfliLL. TMOMAAS1E

DRUKKERIJ VAN J. K. ALBERTS. — SITTARD. 1892.

-ocr page 6-

uhii/tic

Lucius, uhii/ue pavor et plurima mortis imago.

ViRG. Aeneid. 11, oG9.

De rouw is overal en overal het ijzen.

Vondel.

Treed, vorst der aarde, treed het hart der aarde binnen. En buig gedwee de kruin uit eerbied voor dees tinnen,

ïernauvvernood verlicht door 't üikkren dor flambouw, Die als de doodkaars glimt te midden van den rouw.

Dr. M. Smiets.

-ocr page 7-

Een woord vooraf.

Deze bladzijden zijn ten jare 1877 voor 't eerst gedrukt in den Volks-Almanak van J. A. Alberdingk Thijm. In 'tzelfde jaar verscheen te Amsterdam bij de firma Van Langenhuysen eene vermeerderde uitgave in 8quot;.

Thans bied ik, ten bate der berggidsen en ten dienste der toeristen in 't druk bezochte land van Valkenburg, deze andermaal vermeerderde uitgave den lezer wederom aan, maar nu in meer handelbaar formaat.

Die vermeerdering slaat vooral op het Squot;10 hoofdstuk, waarvan het leeuwendeel toekomt aan den veel belovenden kruidkundige J. J. Hoevenaars, gelijk ik, wat de historische oorkonden betreft, veel te danken heb aan den rijksarchivaris in Limburg, mijn vriend Jos. Habets.

En hiermede allen lezers en lezeressen heil!

Maastricht, 17 Juli 1892.

De Schrijveb.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

I.

Een der schoonste wandelingen, die ons vlak en effen en eentonig vaderland oplevert, is wel de breede straatweg, die van Maastricht naar Valkenburg leidt. Achter de vallei, door de Geul eu de Gulp in alle richtingen doorsneden, breidt zich daar voor u een rij van heuvelen uit, op wier bontgekleurde glooiingen liet oog met welgevallen rust, vooral wanneer ze in den morgenstond schitteren en tintelen van't grillige spel der nederschietende zonnestralen. De voordee-ligste afwisseling eu de verkwikkelijkste verscheidenheid heerscht over dat vergezicht: hier een eenvoudige boerenwoning, daar een adellijk slot, ginds een golvend korenveld, elders een slanke torenspits of een ruigbewassen woud.

De trotsche Maasbrug over — de gewezen Wijcker-poort uit — en 't bekoorlijke Wijckerveld iugetreden, bespeurt ge weldra aan uwe rechterzijde het aloude slot Geusselt, ingesloten door een kring van hoog-stammige boomen, waarachter het dorp Amby zich nederig verscholen houdt. Aan uwe linker ontwaart ge Jeruzalem, een landgoed waar de Bollandist Dolmans geboren werd, en 't kasteeltje Bethlehem met zijn antieken toren, dat vroeger aan de Duitsche ridderschap toebehoorde. Na op 't heerlijke Vaas-hartelt en de villa Kruisdonk een bewonderenden blik geworpen te hebben, ontdekt ge weldra aan uwe linker het schoone dorp Meerssen, het oude

-ocr page 10-

6

Marsna of Mar san a, waar ten jare 847 een rijks-verdeeling plaats had en een vredebond tusschen de zonen van keizer Lodewijk den Vrome gesloten werd; wat hooger op bespeurt geHouthem St. Gerlach met zijn allermerkwaardigste stiftkerk, nog verder het aloude Valkenburg met de pittoreske overblijfsels van zijn middeneeuwsch ridderslot, eertijds het verblijf der strijdlustige Reinouts en Walerams, thans eene lievelingsplek veler toeristen, die er een heerlijk vergezicht op het stadje en omstreken genieten. Niet verre eu op bijna gelijken afstand van de drie aangewezen punten is de gemeente Bergh, met de onderhoorige gehuchten Terblijt, Vilt en Geulhem, op de berghoogte gelegen, die van Meerssen en hooger tot Valkenburg en verder het vruchtbare Maasdal half omslingert.

Geen wonder dat deze bekoorlijke streek een dei-vroegst bewoonde van ons vaderland was : zij is dan ook buitengewoon rijk aan historische herinneringen uit de oude en oudste tijden. De steenperiode en het Keltische tijdperk hebben daar onmiskenbare sporen in den bodem achtergelaten. En op de kruinen dier groenende heuvelen stonden eens de, reeds toen op uitgezaagde mergelblokken gebouwde, romeinsche villa's 1) waarvan de overblijfsels, — getuige de op-del vingen der laatste jaren, — nog rusten in den veiligen schoot der aarde. Deze prachtige woningen der wereldveroveraars werden verwoest door in-

1

De steengroeven van Maastricht, Valkenburg, Bergh en Kun-rade, waren reeds bij de Romeinen bekend. Een inschrift, betrekkelijk een soldaat van 't vijfde legioen, op Kunrader steen gebeiteld, werd in Juli IS73 te Heerlen gevonden. Ook waren de fundeeringen der nveste romeinsche landgoederen in deze streken uit gekapten en gi-zaagden mergelsteen vervaardigd. Zie J. Habets Geschiedenis van 'l bisdom van Roermond, 1, (i.

-ocr page 11-

7

vallende horden van barbaren, die de romeinsclie overbeschaving met de ruwe strijdbijl of de blakende brandfakkel vernielden, tot dat die barbaren zelf door andere germaansche stammen werden verdrongen, om ten slotte gezamenlijk de vreedzame beschaving des Christendoms aan te nemen. Naast de ruïnen der romeinsche prachtgebouwen liggen de puinen der germaansche landhoeven.

Bepalen wij ons totde Bergh-Terblijtsche gemeente, op welker grondgebied de catacnmhcn van Geulhein zich uitstrekken. ,/Deze gemeente — zoo schrijft in hoofdzaak de knappe oudheid- en historiekundige J. Habets ^ — levert alle sporen eener hooge oudheid. Geheel de bergrug, waarop dat dorp zich nedervlijde, is rijk bezaaid met verspreide brokstukken van romeinsche en germaansche beschaving. Op de helling des bergs, de Rastberg geheeten, niet verre van de kapel, langs den grooten straatweg van Maastricht naar Valkenburg gelegen, werden in 1837 een dertigtal urnen van grijsachtige aardsoort en verschillende grootte gevonden. Naar 't zeggen dei-vinders waren eenige dier urnen met aarde gevuld, andere gesloten met deksels niet ongelijk aan de schoteltjes onzer drinkkoppen.

,/Ik zelf heb in de vallei. Bronsdel genaamd, in de nabijheid der Geul twee oude wapens gevonden van vuursteen, en een dergelijk in den weg, de Mestberg geheeten, bij Terblijt.

,/Nog heb ik op de nieuwontgonnen heide van Meerssen, achter het Leeraerdsbosch, een brokstuk gevonden eener schoons romeinsche urn, en niet

1) l'vhlir.ntions de la Sociclé (Tarchéologie dans le duché du Limbourg, 11 pag. 204.

-ocr page 12-

8

verre van den weg, die naar Geulhem leidt, ettelijke scherven eener romeinsche drinknap.

«Op den berg, die het gehucht Geulhem beheerscht, tegenover de villa Rondenbosch, bevindt zich een gemeen te woud, de WippdscliK hdda genaamd, met talrijke romeinsche grafheuvelen bezaaid. De bergrug, waarop dat woud en die graftomben gelegen zijn, beheerscht op statige wijze het pittoreske Geuldal en loopt, tegen Geulhem, in eene rots en een afgrijselijken afgrond uit, ter hoogte van meer dan 40 voet. Van die hoogte stortte den 17quot; Februari 1793, met allernoodlottigst gevolg, een onvermoeide vossenjager neder, Amand-Jean Milot, geboren te Brunoi (Seine et Manie), korporaal van het tiende bataillon grenadiers, in dienst der Fransche republiek '). Het genoemde woud vormt een voorgebergte tusschen twee ravijnen, uitschietend op de Geul. In 't oostelijk ravijn ligt de eenige bruikbare helling ter afdaling in de vallei; zij wordt gesloten door aardwallen, bij wijze van borstwering opgeworpen. In het westelijk ravijn bevindt zich de opening der voornaamste zandsteengroeve te Bergh-Terblijt — eenzame en geheimzinnige poort van 't labyrint dier onderaardsche zuilengangen, waar de arme bergwerker, verstoken van 't zonnelicht en de frissche lucht der vallei, dag en nacht arbeidt aan't uitzagen van steenblokken, ten einde een karig loon te verdienen en daarmee zijn huisgezin te voeden; donkere schuilhoek tevens, waar de geoloog in de krijtlagen en vervormingen, de overblijfsels komt bespieden

1) De volkssage beschouwde daarin do straffende hand Gods op den onchristelijken sansculotte. Verg. H. Welters, Limhurgsche Legenden I, blz. ■229.

-ocr page 13-

9

van krokodillen en mastodonten, doch waar ook de Christen, in een sierlijke ouder aardse he kapel, een bl ij vend gedenkteeken aantreft van den godsdienstzin der bewoners, die gedurende den orkaan der fransche omwenteling daarhenen hunne godsvereeringen hunne haardsteden hadden overgebracht!quot;

Deze laatste herinnering aan een jongst verleden voert mij, na de algetneene beschrijving der streek waarin wij ons bevinden, en de bijzondere verwijzing naar het oord, waar wij ons vooral zullen bewegen — meer bepaald naar ons onderwerp terug, de cntacombcn van Geulhem.

Want treden wij den zoo sierlijk beschreven ingang der steengroeve binnen, dan staan wij onder een heidensche begraafplaats en binnen de wanden eener christen bedeplaats. Wij moeten echter doen opmerken, dat er te Geulhem twee verschillende bergkapellen bestaan, beide dagteekenend uit den tijd der Fransche omwenteling, te weten de groote kapel, door ons de Catacomben geheeten, en de koepelgrot of de Kapel van het Bergske. De laatste ligt te Geulhem, op eenige voetstappen verwijderd van de Geul, waaraan het gehucht zijn naam ontleent. Zij heeft als voorportaal een allerprachtigste grotzaal, zonder pilaren, half-verlicht en domsgewijze zonder hoeken in den mergelsteen uitgehouwen. Twee-en-dertig voet hoog verheft zich het hechte gewelf boven eene vlakke ruimte, die zestig voet in doorsnede meet. Onvergetelijke herinneringen zijn aan die plek verbonden: veel tranen en gebeden zijn daar gestort in de dagen van vervolging. Een eenvoudig altaar is

-ocr page 14-

10

thans het eenige sieraad dezer noodkapel, door mij en mijn gids met godsdienstigen eerbied begroet, vóór dat wij de eigenlijke Catacnmbcn van Gculhem bezochten, welker geschiedenis en lotgevallen onafscheidelijk verbonden zijn met de geschiedenis en lotgevallen der Kapel van het Bergske

II.

De ouden van dagen, die de gruwelen der fransche omwenteling moesten beleven en er ooggetuigen van waren, zijn thans van het tooneel dezer wereld verdwenen. Niet slechts wat wij zelf van die gruwelen lazen, maar meer nog wat zij met jeugdige verontwaardigingen plastische aanschouwelijkheid van dien z/franschen tijdquot; wisten te vertellen, heeft velen van ons, reeds als kinderen, met afgrijzen vervuld. Hetzelfde geweld, dat de eerste Christenen onder Nero en Diocletiaan noodzaakte een schuilplaats te zoeken in Rome's catacomben, noodzaakte ook een aantal onzer vaderen zich onder de aarde te verschuilen in de tufsteengroeven van Geulhem.

Toen, op het einde der vorige eeuw, de helden der //gelijkheid, vrijheid en broederschapquot;, de voorvechters der zoogenaamde //rechten van den menschquot; de gelijkheid, vrijheid en broederschap in eigen vaderland vernietigd, en de onwelkome//rechten van den menschquot; wederrechtelijk hadden opgedrongen, breidde zich de omwentelingsorkaan ook over de naburige streken, onder andere over België en een gedeelte van Nederland, uit. Na de eerste bezetting des lands van Valkenburg tegen het einde des jaars 1792 — eene bezetting, die slechts ettelijke maanden duurde —

-ocr page 15-

11

veroverden de Franschen, die den bloedigen veldslag van Fleurus op de Oostenrijkers gewonnen hadden, den 3n November 1794 de stad Maastricht') Bij het vredesverdrag met de Bataafsche republiek, dat den ln October 1793 bekrachtigd werd, waren alle landen aan déze zijde van den Rijn, en hiermede geheel Limburg, bij de groote fransche republiek ingelijfd.

Wat al onwaardige knevelarijen het goede Lim-burgsche volk toen verduren moest, kan ik hier natuurlijk niet in den breede uiteen zetten. Dat kerken en kloosters met hare bedienaren en bewoners het vooral moesten ontgelden, was niet anders te verwachten van de woestelingen , die in 't rijk en vaderlandder Maagd van Orleans en des H. Lodewijks de //Redegodinquot; hadden geplaatst op de altaren van den driemaal heiligen God. Nadat er beslag was gelegd op de goederen dergenen, die het land hadden verlaten, werd in September des jaars 1796 te Maastricht de wet afgekondigd, waarbij 116 kloosterinrichtingen, alleen in het Departement der Beneden-Maas, zouden opgeheven en de goederen verkocht worden.

Niet genoeg. Nog een andere daad van terrorisme dreigde het geloovige volk geheel en al van zijn plichtgetrouwe zielenherders te berooven of te vervreemden. In mijn Antonins van Gils en de kerkelijke gebeurtenissen van zijn tijd1) heb ik het hoofdzakelijke medegedeeld betrekkelijk de Verklaring van 10 Mei 1797 en den Eed van den S11 Sept. of 19n Fructidor des jaars V, aan alle dienstdoende geestelijken voorgeschreven. In het vierde deel der flistmre du diocese et de la pricipauté de

1

biblion 1379, p. 79.)

-ocr page 16-

12

Liéyc van Prof. Jos. Daris kan men breedvoeriger een aantal bijzonderheden lezen over bepaalde plaatsen en personen, waar en op wie een onedel geweld beproefd werd om de vreedzame dienaars van den God der liefde te dwingen, vhaat te zweren aan het koningschap en de regeeringloosheid, verkleefdheid en trouw aan de Republiek en de grondwet van 't jaar III.quot; Deze grondwet bekrachtigde de door Rome veroordeelde burgerlijke inrichting der Geestelijkheid en bestendigde aldus de scheuring, die de Fransche kerk bedroefde.

De laatste bisschop van den ouden Roermondschen zetel, J. B. Robertus van Velde de Melroy, door de geestelijkheid geraadpleegd, verhief thans zijne stem en verklaarde openlijk dat het niet geoorloofd was zulk een eed af te leggen. Hij volgde daarin slechts het voorbeeld van den Athanasius der '18e eeuw, den grooten kardinaal aartsbisschop van Mechelen J. H. van Frankenberg, en van den naar Duitschland uitgeweken prins-bisschop van Luik, Frans Antoon Graaf de Méan, den toekomstigen aartsbisschop van Mechelen. Al werd de goede trouw van sommigen verschalkt, de overgroote meerderheid der geestelijken luisterde naar dat bisschoppelijk vonnis en beliep aldus de ongenade en verbolgenheid der Fransche republikeinen.

Onder die plichtgetrouwe mannen neemt een eereplaats in Johannes Schepei's, pastoor der gemeente Bergh-Terblijt. Zijn naam staat dan ook opgeteekend op de breede lijst der onbeëedigde priesters in het kanton Valkenburg, naast Petrus Geerts en Jozef Delacroix te Schin-op-Geul, naast Frederik Meijers, Wijnand Dolmans en Hubert Wiuants te Hulsberg,

-ocr page 17-

13

naast Willem Vreën en Jan-Wijnand Tewissen te Houthem, naast Matthijs Damoiseaux, N. Franssen, Pieter Nelissen en Servatius Widdershoven te Oud- en Nieuw Valkenburg, naast Wijnand Peulen en Pieter Huutjeus te Schimmert en eindelijk naast Michiel Kerckhoffs te Schinnen. ')

Onze achtenswaardige Joannes Schepers, te Ilelch-teren, een dorpje in de Litnburgsche Kempen geboren, was reeds sinds den 24 Juni 1774 met de zielzorg der Bergsche gemeente belast en had dus meer dan 20 jaren zijne herderlijke taak getrouw volbracht, toen het republikeinsche schrikbewind zijn rustig en vreedzaam leven kwam verstoren. Volstandig en onverschrokken weigerde hij den gevorderden eed af te leggen, ten gevolge waarvan hij weldra aan de scherpste vervolging bloot stond. Op hooger bevel werd ten jare 1798 zijne kerk gesloten en de ingang daarvan verzegeld, nadat de klokken en meeste kerk-geraden door de militaire macht verwijderd en naar Maastricht waren vervoerd. Of de geloovigen er in slaagden eenige kostbaarheden te redden en te bergen, gelijk te Oud-Valkenburg geschiedde, waar de gendarmen in Maart 1798 eene monstrans, twee kelken en een ciborie ontdekten, kan ik niet bevestigen, doch houd ik wel voor waarschijnlijk, daar de oogluikende toegeeflijkheid der niet fransche, veelal half gedwongen ambtenaars zich niet gewaardigde of liever 't beneden zich achtte scherp toe te zien. Het grootge-loovige christenvolk en zijn offervaardige zielenherders persten te veel eerbied af.

Uit zijn kerkje verdreven vierde Schepers de heilige

1) Zie J. Uaris 1. c. pag. 133.

-ocr page 18-

14

geheimen aanvankelijk ten zijnent, doch ook zijne pastorie werd spoedig in beslag genomen en tevens met de pastorie-goederen openlijk geveild. Zijn neef, Jan Michiel Lijnen, die met hem en andere familieleden onder hetzelfde dak woonde, pachtte de woning uit de handen der fransche bewindhebbers en schonk het rustig bezit aan zijn oom terug, die aldus zijne dierbare kudde bleef verzorgen.

Het mocht helaas niet baten! De onverschrokken zielenherder werd buiten de wet verklaard, en met een aantal ambtgenooten veroordeeld om naar een der strafeilanden Rhé of Oleron vervoerd te worden 1). Dat lot had den eerw. Joan Matthys van den Eerde-wegh, van 1791 tot '91 onderwijzer en kapelaan te Bergh, reeds vroeger getroffen. Na eenigen tijd in de ons reeds bekende. Geulhemsche bergkapel den H. Dienst te hebben verricht, was deze onbeëedigde priester naar het dorp Paal geweken, zijne geboorteplaats, waar hij ter deportatie werd aangegrepen en werkelijk naar 't eiland Rhé overgebracht. Den 3n Augustus des jaars 1798 had de balling den hoog-proost van 't Sint-Servaas kapittel, Thomas Jacob Willem, baron van Wassenaar tot Warmond 2) benevens de twee gebroeders kanunniken Soiron en anderen, te Compiègne aangetroffen, ook op weg naar de staatsgevangenis van 't eiland Rhé, maar door tusschenkomst van Mr. Karei Roemers, een der

1

Zie de breedo lijst bij J. üaris 1. c. pag. 71—80.

2

Deze baron van Wassenaar had drie ooms, kanunniken van St. Servaas, Pieter Reynier, Jan Maarten en Willem, broeders van Gerard Antony baron v. Wassenaar, die in 1734 met de rijke Elisabeth Gromhout trouwde. Zie daarover het „geslachtsregister der Cromhoutenquot; in de Bijdragen voor de Geschiedenis van V bisdom Haarlem. 11. pag. 285. Verg. de Annales de la sociéléliistorüiue a Maestricht I, p. 182—205.

-ocr page 19-

15

//vijthondei'dquot; en afgevaardigde, van Maastricht, uit het dreigend gevaar gered 1). Na zijne terugkomst uit de ballingschap werd van Eerdewegh kapelaan te Zeel hem bij Uiest.

Intusschen had de Berghsche pastoor het raadzaam geoordeeld zich aan geen noodeloos gevaar bloot te stellen. Eerst uit zijn eigen pastorie verjaagd, daarna riet veilig meer in deze hem teruggeschonken woning, bedreigd vervolgens in het huis van een zijner parochianen, had hij de wijk genomen in de mergelgroeven zijner gemeente, waar door Joannes Claessen, den broeder des kosters Walter C., eene krochtkapel — onze Geulhemsche catacomben — in den levenden steen uitgehouwen en op zijne wijze gestoffeerd en beschilderd was. Gedurende meer dan 21 maanden heeft de goede en getrouwe herder onder eigen levensgevaar, hier of in de Valkenburgsche mergelgroeven zijne kudde verzameld om ze te spijzigen met het brood des levens, testerken in 'tgeloof, te voorzien van de geneesmiddelen der H. Sacramenten.

Toen in 1830 een compagnie hollandsche kurassiers in 't Valkenburgsche kampeerde, werd deze noodkapel veel bedorven. De baldadige soldaten ontzagen zich niet, het schilderwerk gedeeltelijk weg te krabben en de wanden te ontreinigen. Ten gevolge ook van 't onverpoosd bezoek der vreemdelingen, had het walmend toortslicht de geelachtige mergelwanden met een zwarte tint overdekt.

Na deze laatste opmerking noodig ik mijne lezers uit om onze, op een 5-tal minuten van den ingang der groeve gelegen catacomben te bezoeken, gelijk ze

1

Verg. Dumonlin, in do Publications de la Socicté hislorique el nrchéoloyitjue, 1875. pag. 4%.

-ocr page 20-

16

ten jare 1862 en'63 in haar vorigen luister werden hersteld, met toevoeging van herinneringen aan latere dagen.

UI.

Treed, vorst der aarde, treed het hart der aarde binnen,

E;i buig gedwee de kruin uit eerbied voor dees tinnen , Ternauwernood verlicht door 't flikkren der flambouw, Die als de dood kaars glimt te midden van den rouw.

Deze verdienstelijke versregelen, door wijlen Oud-valkenburgs dichterlijken zielenherder tijdens het Maastrichtsche taalcongres aan den St. Pietersberg gewijd, mochte ik boven den ingang plaatsen van het onderaai'dsche godsgebouw, op welks drempel wij ons bevinden.

Wanneer ge uit het volle zonnelicht, dat van den rug der heuvelen boven uw hoofd wordt teruggekaatst en zich weerspiegelt in de Geul aan uwe voeten, de duistere catacomben van Bergh-Terblijt binnentreedt — dan wordt ge, na de eerste huivering, weldadig en verrassend aangedaan op uwe wandeling door de met fakkels half-verlichte gangen. De bouwmeesters van dien duisteren tempel hadden het geheim gevonden om de kerkgangers hunner dagen in de gewilde stemming te brengen, en die stemming ook thans nog bij de bezoekers op te wekken. Want aanstonds bespeurt ge op een randschrift den aanvang van een hymnus, die zich als een kronkelend lint verder ontplooiend het onderaardsche godsgebouw in zijn geheele lengte gaat omslingeren:

Benkdicith servi Domini Domino: Benedicite sol et luna Domino. Benedicite stellab et lumen Domino. Benedicite noctes et tenbbkae Domino.

-ocr page 21-

17

Looft den Heer, dienaars des Heeren; zonen maan looft den Heer. Looft den Heer, starren en licht. Looft den Heer, nachten en duisternissen.

Aangrijpend is die apostroof aan zon en maan, aan sterren en liclit, aan nacht en duisternissen, bij 't eerste intreden eener krochtkapel, waar eeuwige nacht en eeuwige duisternissen heerschen, waar zon, maan of sterren nimmer licht verspreiden.

De slotkoepletten van dien hymn us, waarvan we den aanhef hoorden, vullen het heerlijk begin tot een volheerlijk geheel aan:

Benedicite Eüm ojines Angeli ejus. Laudate Dominum de terra, dragon es et omnes abyssi. Ignis,

grando, nix, glacies et spiritus procellarum, (jui faciunt verbum ejus. Ban.

Looft Hem, g ij alle z ij n Engelen. Looft den Heer van op de aarde, draken en alle afgronden. Vuur, hagel, sneeuw, ijs en adem der stormen, die zij n woord verrichten.

De oppervlakte der aarde is niet meer veilig voor de dienaars en aanbidders des Heeren, maar de Engelen des hemels en de monsters des afgronds worden hier uitgenoodigd en opgeroepen om, met Gods getrouwen, den Heer te lofprijzen. Zelfs de krachtige adem der onzichtbare stormen moet zijn loeien paren aan 't lied der gansche schepping. Gelukkig aangebrachte gedaciite en zinrijke toespeling, vooral in die dagen, toen de fransche staats-orkaan allerwege loeide en in zijn vernielende vaart slechts rookende puinen achterliet!

Het geheel vormt een eeuwigen lofzang, die

-ocr page 22-

18

voortdurend niischt rondom het huis des Heeren, en waarvan het eiude onophoudelijk langs de mergel-wanden samenvloeit met het begin en den aanhef.

Als men, langzaam voortwandelend, dien lofzang der catacomben in zijne horizontale ontwikkeling volgt, dan stemmen de in verticale richting afdalende spreuken wondervol te zamen met de godsdienstige gevoelens, die zich van u hebben meester gemaakt. Reeds bij 't overschrijden des drempels, wordt de bescherming des Heeren over u afgebeden in het huis des Heeren, en die lager geplaatste lettertee-kenen roepen u toe:

Dominxjs custodiat i.vtkoitüm ttjum et exituji tüum.

DeHeerbescherme uw in-en uittreden!

In de duisternissen voortwandelend leest ge bij 't sombere fakkellicht:

In tenebris collocavit nos Domintjs quasi moe-

tuos sempiternos. Jer.

In duisternissen heeft ons de Heer geplaatst als eeuwige dooden.

Al dieper en dieper intredend vloeit u het gebed uit liet hart en van de lippen:

De piioi'unüis clamavi ad te, domine. Ps. 120.

Uit de diepte heb ik tot u geroepen, Heere.

Want ja, ook in de schaduwe des doods, ook hier, hierin de donkere en diepe ingewanden der aarde, leeft Hij, die licht uit duisternissen scheppen kan. Daarom:

Illuminare his, qui in tenebris et in umbra mortis sedent. imc.

Verlicht hen, die in duisternissen en in de schaduwe des doods gezeten zijn.

-ocr page 23-

19

Thans hebben wij een dér rechter zijbeuken bereikt. Daar, aan onze linkerzijde, zijn de patroonheiligen der Bergh-Terblijtsche parochie, de HH. Monulfus en Gondulfus, op den wand afgeteekend, als symbool in hunne handen dragend de Maastricht-sche St.-Servatius-kerk, waarvan zij voor een twaalftal eeuwen de roemrijke stichters waren en thans nog de beschermers zijn. Onder dat tafereel leest men:

Illic sedimus et FLEvnius. Ps. 136.

Daar zaten en weenden wij.

Ja, daar zaten en daar weenden zij, die vrome en godgetrouwe ballingen. Daar weenden zij, als eertijds het uitverkoren volk Gods, uit zijn Jeruzalem verdreven en in ballingschap zuchtend te Babyion, de stad der verwarring!

Bella peemunt hostilia. Hymn. Eccles.

Vijandelijke oorlogen drukken ons.

Dat vijandelijk geweld noodzaakte de christelijke gemeente een toevluchtsoord te zoeken in de spelonken der aarde. Hier is thans het huis des gebeds. Maar...

Vide, Dominb, quontam facta sum vilis. Jer.

Zie, Heere, hoe verachtelijk ik geworden ben.

Ons fraaie dorpskerkje is geschonden en ontheiligd: al zijn luister is verdwenen.

Manum misit hostis ad omnia desiüerabilia. Jer.

De vijand heeft zijn hand gelegd op alles wat zijn verlangen wekte.

De sieraden zijn geplunderd, helaas de hand der roovers heeft niets gespaard!

Na de vier laatste verzuchtingen aan den voet van Monulfus en Gondulfus te hebben geslaakt, naderen wij langzamerhand het koor der catacomben. Daar

-ocr page 24-

20

wordt de stemming zachter en de klaagtonen gaan over in vertrouwelijke gebeden en hartroerende smeekingen tot den verborgen God, wiens tabernakel nabij is.

De Vredevorst schenke vrede aan de zijnen! Ziedaar de grondtoon der nu volgende ontboezemingen:

Da pacem, Domine.

Fiat pax in virtute tua. Hymn. Eccl.

Geef vrede, Heer! Het zij vrede door uwe kracht.

Die kracht Gods is sterker dan zijn vijanden. Daarom

Ab hominibcs iniquis libera me. Jer.

De manü inimicouüm nostrouum liberati serviamus

illi,

In sanctitate et justitia coram ipso omnibus diebus nostris Luc.

Verlos mij van de booze menschen. Dat we, uit de hand onzer vijanden verlost. Hem mogen dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aanschijn, alle onze dagen!

Dat vertrouwelijk gebed zal spoedig verhoord worden. Want Hij kan en Hij wil en Hij zal hulp verleenen,

Bonus est Dom in us sperantibus in Eum. Jer.

Goed is de Heer voor d egenen, die op Hem hopen.

Wij staan voor den preekstoel, vóór den kansel der eeuwig levende waarheid, in den levenden mergelsteen uitgehouwen. Vijf trappen voeren den priester naar boven, vanwaar den gemeentenaren onophoudelijk de les en de bemoediging tegenklonk, in het kernachtige jaarschrift vervat:

-ocr page 25-

21

hU MI LI ate CapIta Vestba Deo qUIa LIberabIt et ekIpIet nos e teIbULatIonIbüs nostrIs.

Vernedert uwe hoofden voor God, want Hij zal ons verlossen en redden uit onze beproevingen.

't Is alsof aan die redding en verlossing uit de beproevingen herinnerd wordt door een afbeelding der Verrijzenis van Christus, naast den preekstoel aangebracht. Ilij immers. Hij is van alles het Begin en het Einde, door de grieksche Alpha en Omega hier aanschouwlijk voorgesteld. Hij is de Verrijzenis en het Leven.

De kuip des kansels is beschilderd en beneden versierd met het geslachtswapen van den Eerw. J. Habets, die in December 1862 overging tot herstelling van dit eerbiedwaardig heiligdom — eene herstelling, die hij op eigen kosten ondernam en in November van 't volgende jaar voltooide ').

Het altaar aan onze rechterzijde eerbiedig groetend en voorbijtredend, bezoeken wij thans eerst eene zijkapel, waar een aantal historische herinneringen bewaard zijn gebleven. Daar waakt een Sint Joris, die met uitgetogen zwaard en in middeneeuwschen wapendos de wacht heeft betrokken bij het graf des Heeren.

Toen de bisschop van Luik Cornelis R. van Bommel in de maanden September en October des jaars 1834 het Limburgsch gedeelte zijner diocese bezocht, vereerde hij ook Bergh-Terblijt met een bisschop-

1) Hij had een twaalftal frissche lioeronjongens aan 'fc werk ge-zot, die in de winteravonden van G tot 8 ure arbeidden en telkens een pijp taliak ontvingen. Deze daaglijUsche werk- en rook]jlechtig-heid werd besloten met het bidden van een roozenhoedje.

-ocr page 26-

22

pelijken groet Bij deze gelegenheid wilde hij met eigen oogen het toevluchtsoord der geloovigen aanschouwen, waar ze in de dagen van 't fransche schrikbewind zich verscholen hieldeu. Ter plaatse aangekomen, zag de hooge bezoeker zicli eensklaps omringd door een tallooze menigte geloovigen, van alle zijden samengestroomd, om bij toortslicht den gevierden kerkvoogd in de Catacomben te begeleiden. Toen hij het altaar bereikt had en zich daar omkeerde, werd hij dooreen onbeschrijflijk gevoel overmeesterd bij ■'t aanschouwen dier lange tweelingslijnen van geloovigen, allen brandende toortsen in de handen dragend. Hij maakte van de geschikte gelegenheid gebruik om een bisschoppelijk woord te spreken en het goede volk krachtig aan te sporen tot standvastigheid in dat heilig geloof waarvoor hunne vaderen (getuige de plaats waar zij stonden) zooveel geleden en gestreden hadden. Toen de bisschop zich vervolgens naar 't naburige Houthein begeven had, naar 't landgoed van zijn boezemvriend Graaf Paul van der Vrecken, volgde hem de tallooze schare en bracht een gulhartige serenade aan zijn zielenherder en aan den Gregorius-ridder.

De herinnering aan dat bezoek werd vereeuwigd op de wanden der zijkapel, waarin wij ons thans bevinden. Tusschen twee heiligen-beelden prijkt het omlijste wapen van C. R. van Bommel — drie zilveren molenijzers op een veld van keel1) — met het onderschrift:

1

Ue wapenspreuk: In Trinitate fortitudu.

-ocr page 27-

23

Illusthissimus ac Kevebendissimus Dominus K. C. A.

Van Bommel Episc. Leod.

Stipatus clero Sub immensi popüli concubsu

hanc capellam

Solemniter visitavit IV Octob 1834.

De doorluchtige en hoogwaarde Heer R. C. A. Van Bommel, bisschop van Luik, heeft, door de geestelijkheid omstuwd en onder den toeloop van een tallooze volksmenigte, deze kapel plechtig bezocht den 4den October des jaars 1834.

Wel vormt hier de heugelijke herinnering aan dat zegevierend bezoek een treffende tegenstelling met zooveel gebeurtenissen der treurigste gedachtenis!

Op een anderen wand derzelfde kapel wordt de zalige gedachtenis in leven gehouden van den herder, die eenmaal met moederlijke bezorgdheid hier zijne verstrooide kudde verzamelde en verzorgde. Tusschen twee treurwilgen is een grafsteen afgeteekend, waarop de Engel des doods een krans — de krans der onsterflijkheid — nederlegt, terwijl het opschrift te lezen geeft:

Tempore pebsecutionis

Gallicanae saepiüs hic Latuit Keverendüs Dominus

Joannes Schepers Pastor in Bebgh et Sacrum Missae Sacrificium et SS Eucharistiae , Poenitentiae nec non Baptism 1 et Matri-

-ocr page 28-

24

monii Sacramentum non si-ne vitae suae peeiculo ministravit.

Obiit 27 Febr. 1803

r. i. p.

Tij deus de fransche vervolging heeft hier meermalen gescholen de eerwaarde heer Joannes Schepers, pastoor te Bergh, en het heilig Misoffer en het hoogheilig Sacrament des Altaars, der Boetvaardigheid, des Doopsels en des Huwelijks toegediend, niet zonder gevaar voor eigen leven. Hij overleed den 27 Februari des jaars 1803. Hij ruste in vrede!

Eene deuropeniug voorbijtredend, die verderen toegang verleent naar de ongewijde gangen des bergs, ontmoeten wij op den derden wand het volgend opschrift:

Tijdens de fransche revolutie vluchtte den XVI Juli 1798 het R. K. Kerkgenootschap van Bergh-Terblijt, na vele vervolgingen doorstaan te hebben, in deze spelonk, en keerde den 13 Augustus 1801, in vollen triomf naar de parochiekerk weder.

Ons omkeerend en 't aangezicht naar 't Oost en wendend, bevinden wij ons voor 't hoofdaltaar. Dat altaar, met tafel en tabernakel, waarop een steenen kruisbeeld prijkt, is in modernen stijl tusschen twee dorische zuilen in een stuk opgetrokken. Kaast het tabernakel, tegen de vlakke zijpilaren, die het geheel omlijsten, zijn andermaal de patronen der kerk Monulfus en Gondulfus afgeteekend, en daarboven de H. Drievuldigheid: aan weerszijden twee biddende

-ocr page 29-

Engelen. Het koorgewelf is beschilderd met een tafereel, den Hemel voorstellend.

Thans hebben wij de kapel in haar gansche lengte d. i. 70 voeten doorloopen.

Aan de epistelzijde des altaars bevindt zich de sacristie. Na, aan onze rechter hand, een oogslag te hebben geworpen op eene nis ter plaatsing der ampullen, treden wij de sacristie-opening binnen, waarboven het jaarschrift = 1.800:

ConCeDe paCeM.

Schenk vrede.

Ook hier is de herinnering bewaard aan verscheiden gebeurtenissen en personen, wier lotgevallen innig verbonden waren met de geschiedenis onzer catacomben.

Aan onze linkerzijde luidt een opschrift:

K ev. Dom.

Joan. Mat. van Keedewegii Sacellands in Bergh abut in exilium 1798.

De eerw. Heer Joannes Mathias van Eerdewegh, Kapelaan te Bergh, toog in ballingschap ten ja re 179 8.

En verder:

Kev. aum. Oom.

Thomas Voncken

qui saepe uic latüit

oisiit pastor in Geleen 1852.

h. i. p.

2

-ocr page 30-

26

De zeer eerw. Heer Thomas Voncken, die rnenigwerf hier geschuild heeft, stierf als pastoor te Geleen ten ja re 185 2. Hij ruste in vrede!

Daarneven:

Joan. Claessen

extrüctob hüjus sacelli obiit 1816,

r. i. p.

Joannes Claessen, bouwheer dezer kapel, overleed in 1816. Hij ruste in vrede!

Walïeii Claessen

s ac kist a obiit in T kl1 ven 1 826.

r i. p.

Wouter Claessen, koster, overleed te Teu-ven in 1826. Hij ruste in vrede!

En eindelijk:

haec capella restaurata est a 1863.

Deze kapel is gerestaureerd ten jare 1863.

In de sacristie bevindt zich ook de biechtstoel met de crates en zitplaats voor den priester — alles, even als de kansel en 't altaar, uitgehouwen in den levenden steen: als sieraad en zinnebeeld der rechtvaardigheid Gods dient eene waag met ongelijke schalen. Schuins tegenover den biechtstoel is de steenen mensa of tafel geplaatst, waarvóór de priester zich kleedde met de heilige gewaden. Ter wering der vochtigheid,

-ocr page 31-

27

in de steengroeven heerschend, was die tafel met planken bedekt, en daaglijks werd de altaarsteen daar weggeborgen, om hem aan alle ontheiliging te onttrekken; daaglijks ook werden 't missaal en de overige boeken door degeloovigen io veilige bewaring genomen. Nog heden wordt in de pastorie te Bergh de tinnen miskelk bewaard, waarvan de priester in die benarde tijden zich bedienen moest.

Een Engel, biddend bij een doodkist, is het laatste sieraad der sacristiekamer.

De sacristie uit — en, aan de epistelzijde des altaars, een Ecce Homo en een O. L. Vrouw van Kevelaar voorbijtredend, ontmoeten wij in een der linker zijbeuken het bad der wedergeboorte, de doopvont, schuins tegenover den preekstoel geplaatst. Eene, vier voeten hooge, kolom met dorische sieraden is van bo^en uitgehold en was bestemd om het doopbekken te ontvangen. Ook dat koperen doopbekken wordt nog met allen eerbied bewaard. De kinderen, die in de doopi-egisteis staan opgetee-kend van 't jaar 1798 tot in Augustus des jaars 1802, ontvingen allen de genade der wedergeboorte óf in particuliere woningen of aan de pastorie óf in de spelonken te Vilt en Valkenburg of in onze onder-aardsche kapel te Geulhem. Als wetenswaardige bijzonderheid teeken ik hier in 't voorbijgaan aan, dat de welbekende Leuvensche hoogleeraar Joan Casimir Ubaglis den 26n November 1800 in de Valkenburgsche steengroeven gedoopt werd. Zijne doopborgen waren: Gerardus Pluymen en Maria Cath. Hendriks.

Bij onzen terugtred langs de rechterzijde der kroclitkapel, strooken de inschriften der mergel-

-ocr page 32-

28

wanden wederom vólkomen met de stemming onzer gemoederen. De korte lofzang, in de onmiddellijke nabijheid van 't heilig tabernakel aangeheven, gaat spoedig over in een smeek- en klaaggebed over de ontheiliging van het huis des Heeren en de vervolging van de priesters des Heeren.

Te Deum laudamüs : Te Üominum confitemür

U God loven wij: U Heer belijden wij.

Saxctüs Dominüs Deus Sabaoth.

Heilig is de Heer, de God der heirscharen.

De nabijheid der woontente Gods lokte dien lofzang uit. Reeds in de eerste zijkapel verandert de toon. Als wrevelig, dat de God van hemel en aarde niet waardiger is gehuisvest, klaagt en verzucht de kerkbezoeker ;

Deus, venerunt gentes in haereditatem tuam. Ps 87.

God, de heidenen kwamen in uw erfdeel!

PoLLUERUNT SaKCTÜM TEMPLUM TUÜM. Ps. 78.

Zij bezoedelden uw heiligen tempel.

En niet slechts uw driewerf heiligen tempel — maar ook de bedienaars des tempels, uwe priesters....

Sacerdotes in glaüio ceciüerüiNT. Ps. 78.

De priesters zijn gevallen voorhetzwaard.

God, Gij hebt uw volk gestraft en getuchtigd, maar Gij waart en Gij zijt en Gij blijft een God van barm. hartigheid.

Oominus Deus, usquequo irasceris? Ps. 79.

Heere God, hoe lang zult gij toornen?

Gedenk uwe belofte en uw woord;

-ocr page 33-

29

Nos POPULUS TüUS Eï OVES PASCÜAE TÜAE. Ps. 79.

Wij zijn uw volk en de schapen uwer weide.

Maar, helaas, die schapen zijn

IN SOL1ÏUDINE EKRANTES , IN MONTIBUS ET SPELUNCIS ET IN CAVERNIS TEKRAE. Ad Hebr.

In de eenzaamheid ronddwalend, op de bergen en in de spelonken en in de holen der aarde.

Daarom — zoo luidt het slot der aangrijpende ontboezeming;

Ksto nobis in deum protectorem. Ps. 30.

Wees voor ons een God der bescherming.

Gelijk bij 't overschrijden des drempels de bescherming des Heeren over ons werd afgebeden, zoo ook bij verlaten der catacomben. Daar is, naast een I. H. S., het wijwatersvat aangebracht, waarboven een Eugel zweeft, uit wiens handen de bronnen van levend water stroomen, terwijl hij u toeroept;

Benedicils qui venit in nomine Domini.

Gezegend hij, die gekomen is in den naam des Heeren. Want — zoo spreekt het laatste opschrift — de plaats waar gij zijt is heilig. Deut.

Een zestal voetstappen buiten den open ingang dei-kapel bevinden zich nog de overblijfselen eener thans gebroken koor- of zingbauk, alweder in den levenden mergelsteen uitgehouwen. Daar werden de liederen van Sion aangeheven in het ballingsoord; daar werd de lof des Heeren gezongen in de ingewanden dei-aarde; daar werd, bij afwezigheid des priesters, het

-ocr page 34-

30

rozenhoedje voorgebeden en de moeder des Heeren duizendwerf zalig geprezen door duizenden van stemmen.

Het godsdienstige Limburgsche volk — 't is nog in de laatste jaren gebleken — is zeer gehecht aan zijne processies en ommegangen. Ook in de catacomben van Geulhem had de redzame en vernuftige vroomheid der Berg-Terblijtsche gemeente het middel gevonden om den heiligen Sacramentsdag te vieren en ,/God met onsquot; op zijn 'vèl nederigen zegetocht te volgen.

Op korten afstand van de koorbank strekt zich de onderaardsche processieweg uit, ter lengte van een vijftal minuten. Nóg zijn in de mergelwanden de openingen aanwezig, waarin men de kaarsluchters bevestigde, die bij het statig voorttrekken van den stoet telkens aan het hoofd der processie werden vooruitgebracht. Niets mocht er ontbreken. Zelfs de herinnering aan de dusgenaamde heiligen-kluisjes, zoo talrijk op de Limburgsche processiewegen, is trouw bewaard gebleven: de plaf.ts wordt aangeduid door een geschilderde ciborie of monstrans.

Terwijl mijn vriendelijke gids mij overal rondleidde en op alles opmerkzaam maakte, deelde hij mij belangrijke bijzonderheden mede over de geschiedenis der onderaardsche kapel. Men berekent—zoo verhaalde hij — dat er in 1799 Zondagen geweest zijn, waarop meer dan 6000 personen in de bergkapel kwamen Mis hooren. Dit geschiedde echter uiet zonder dreigend gevaar, vooral voor den dienstdoenden priester. Eenmaal stond onder den kerkdienst een piket fransche soldaten, die zich iu de duistere en oubekeuJe calucoiiiben uiet dorsten wagen, aan den

-ocr page 35-

31

ingang der steengroeve, met het doel en den last om den pastoor Schepers gevangen te nemen. Toen den zieleherder deze tijding was gebracht, sprak hij doodbedaard tot de zijnen: //weest gerust, mijne kinderen, wij zijn in Gods handen; men zal mij niet deren.quot; Daarop trok hij — een welgebouwde, eenigszins gezette gestalte van middelbare lengte — een blauw-kleurigen kiel over de kleederen aan, verschool het gelaat onder de breede randen van een hoed, mengde zich in het gedrang des uitstroomenden rolks en ontkwam aldus aan de argusoogen zijner bespieders. Zijne kinderen waren gerust!

Ook te Bergh-Terblijt zal wel nu en dan een voorval hebben plaats gehad, soortgelijk aan 'tgeeu wijlen professor G. C. Ubaghs in zijne Geschiedenis van Val-kenburr/ ons over de Valkenburger steengroeven mededeelt: //Eens had het fransche gouvernement van Maastricht eene colonne mobile of troep van 40 soldaten naar Valkenburg gezonden, om al de steengroeven te doorvorschen, en er de verborgen priesters, alsook degenen die zich door de vlucht aan den krijgsdienst onttrokken hadden, op te zoeken. De bende nam de bergwerkers in beslag om haar tot beveiliging te dienen. Met wapens en flambouwen voorzien en 't werkvolk in haar midden, trok zij de holte binnen, terwijl de godvruchtige priester Max De la Croix in de kapel verscholen zat, welker ingang met mergel-blokken en verbrokkelde steenen gesloten en bedekt was. De troep was reeds diep in de steengroeve ingerukt, toen een der brave werklieden, Pieter Lemmens (zijn naam verdient hier aangeteekend te worden)

1) Blz. 99.

-ocr page 36-

32

alle gevaar door een eenvoudige list deed ophouden. Mijnheer! zoo sprak hij tot den kommandant, zoo ge den gehéelen berg wilt doorzoeken, beveel dan de helft der flambouwen te blusschen. De kommandant begreep de waarschuwing, en daar hem de holte zoo ijselijk groot scheen, beval hij dadelijk naar buiten te rukken.quot;

vEen soortgelijk voorval zal wel te Bergh-Terblijt hebben plaats gehadquot; schreef ik daar aanstonds. En inderdaad eens verhaalde een spion aan burger Christiaan Coenegracht ,/administrateur du département de la Meuse inférieurequot; dat eenige onbeëedigde priesters zich in de mergelgroeven van Geulhem en Valkenburg ophielden, en bood zijne goede diensten aan om //cette prétraillequot; gevangen te nemen. De welmeenende Coenegracht, ten einde zich te redden en van den lagen verklikker los te komen, gaf schertsend tot antwoord: ,/Toute puissance m'aétédonnée sur la terre; elle se borne la: ce qui est au-dessous, est au diable.quot; Zoo mocht het, onder oogluiking dei-plaatselijke overheid, aan den Bergh-Terblijtschen zielenherder Joannes Schepers en den Valkenburg-sohen pastoor Servaas Widdershoven en den eerbied-waardigen priester Max de la Croix 1) gelukken, in hunne schuilhoeken verborgen te blijven en de handen hunner vervolgers te ontsnappen.

Zoo mocht inzonderheid de wakkere Schepers het edele genoegen smaken, des Zondags de vroegmis te lezen in de domkapel van 't Geulhemsche bergske en

1

Over dezen eorbiedwaiirdigen priester, zwager des burgemeesters van Valkenburg, Jan Hendrik yuaedvlieg, Jeelt (i. C. Ubaghs in zijne Geschiedenis ran V land van FnZfcenfttm/blz. 99 en 100 zeer belangrijke familieberichten mede.

-ocr page 37-

33

de hoogmis te zingen io de ruimere catacomben1). Zijn trouwe misdienaar Joannes Puts, die eerst in 1863 te Bergh-Terblijt overleed, bezat den christe-lijken moed om de gevaren zijns meesters te deelen. Het aandenken diens meesters leeft ook in de merkwaardige Vaikenburgsche steengroeven, waar een opschrift luidt:

In 1798—1800 zijn de eerw. heeren Schepers, pastoor te Berg, en Max De la Croix hier verborgen geweest door Joannes Ubaghs, overleden te Valkenburg den 30 April 1833.

IV.

Zeer voldaan over mijn bezoek verliet ik het aan godsdienstige herinneringen zoo rijke heiligdom. Met stille welsprekendheid getuigt het van ,/den strijd der vaderenquot;. Moge het voortdurend getuigenis blijven afleggen van hun standvastig geloof, en (le kinderen dier vaderen in dat geloof versterken!

Terwijl ik door de deuropening, die verderen toegang verleent naar de ongewijde gangen des bergs, langzaam terugwandelde, liet ik mijn oogen weiden langs de wanden der steengroeven, met tallooze dagteekeningen en namen van bezoekers bezaaid. Ik ontmoette er een aantal treffende inschriften, vooral ter plaatse, eertijds door de landlieden uitgehouwen en ingericht om het bedreigde vee te stallen en te beveiligen.

Met eigen hand had de kloeke J. Schepers, in waarlijk heldhaftige gemoedstemming, daar neergeschreven :

2*

1

Het biuecren op een en dezelfde plaats was destijds door de kerkelijke voorschrifteu verboden.

-ocr page 38-

34

Christi Dei in aeternum viventis memoriam laetis

sime colo, qui me in hac sepulcri angustia per tres annos servavit.

Blij te moede vereer ik de gedachtenis van Christus, den in eeuwigheid levenden God, die mij in dit enge graf drie jaren lang bewaard heeft.

Zoo ontboezemde zich de grootgeloovige en blij-hartige priester! Dat hij echter veel te lijden had, dat zijn hart niet ongevoelig was voor de ontberingen, die hij, geheel van de schoone natuur daarbuiten afgesneden, in dat enge graf moest verduren, getuigt een vers uit Vergilius' fMndgedichten, ook met de eigen hand van den herder-balling ten jare 1799 op een der mergelzuilen gegriffeld:

JRura raihi et rigui placeant in vallibus anmes,

Flumina araern, sylvasque inglorius; o, ubi campi!

in vier versregels door Vondel aldus vertolkt en uitgebreid:

Zoo schep ik mijn vermaak in waterrijke dalen En akkren, en bemin, van alle zorgen los En cnvermaard, den stroom, en beek, en bron en boscb. Wie voert, wie voert me waar de beemden vroolijk bloeien!

Het laatste vers vooral teekent den toestand des ballings!

Wel waarschijnlijk was'teen zijner medeballingen, die in de nabijheid de volgende spreuk uit het boek der Wijsheid heelt opgeteekend:

Nomen nostrum oblivionem accipiet per tempüs, et nemo memoriam habebit operum nostrorum. Sip. II. 4.

Onze naam zal der vergetelheid prijs ge-

-ocr page 39-

35

geven worden voor een tijd, en niemand zal de gedachtenis bewaren onzer werken.

Een bezoeker van latere tijden schreef daar neder:

vldetis haec omnia? A men, dico vobis: Non relin-quetur hic lapis supee lal'idem, qui non destruatur.

Mat. XXIV.

Ziet gij dat alles? V oor waar, ik zeg u: Hier zal geen éen steen op den anderen gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.

Allen tot troost en opbeuring strekte het woord van Paulas aan Timotheus (I, 6):

Solus potens eex regum et Dominijs dominantium.

De eenige machthebber is de Koning dei-koningen en de Heer der heerschers.

Wel een waardig slot onzer inschriften-anthologie!

*

* *

Eenige oogeublikken nadat onze toortsen gebluscht waren, ter stede waar het vriendelijk zonnelicht weder kon binnendringen in den toegang der catacomben, maakte mijn gids mij opmerkzaam op eene voor die streken zeldzame plant. Eerst iu 1873 werd zij door hem in de anders zoo doodsche mergelgroeven ontdekt. De heer Maxime de Camp, die ze ook in de riolen van Parijs heeft aangetroffen, geeft de volgende, gelijk we hier bevonden, zeer nauwkeurige beschrijving van 't hoogst zonderlinge gewas. ,/'t Is — zoo spreekt hij — een platte, doukerbruinkleurige, middenpuntige knoop, waaruit draadvormige vertakkingen ontspringen, geheel vastklemmend aan de numrbekleedselen; men zon wanen, een plantaardige spin, die daar een cirkelvormige inslag heeftgesponnen vooreen weefsel van zwarte zijde. Deze zonderlinge plant, die de duisternis bemint, de vochtigheid en 't cement, is

-ocr page 40-

36

eenvoudig een paddestoel, de rhiza morpha-snbterrcmcaquot;'. Dat begrijpen de Grieken en de kruidkundigen.

't Is het eenige voortbrengsel uit het plantenrijk, dat binnen de Geulhemsche groeven wordt aangetroffen.

Behalve een klein geelachtig vliegje, dat echter zelden voorkomt, levert het dierenrijk slechts een soort van vledermuizen op, die elders geheel onbe-keud zijn. Zij dragen eigenaardige sieraden op het voorhoofd in den vorm vau hoefijzers, en werden voor 't eerst beschreven door den belgischen senator Baron de Selys.

Aan ^tslot van dit opstel moge een enkel woord over de Limburgsche steengroeven in 't algemeen een geschikte plaats hier vinden. ,/De bergen waar zich deze steengroeven in bevinden — dus schrijft in hoofdzaak G. C. Ubaghs— zijn bijzonder belangrijk voor de natuurkenners en natuuvvorschers. Deze bergen, welke zich van Valkenburg, Geulhem, Bemelen, Kadier, tot den beroemden Sint Pietersberg te Maastricht en Nederkan uitstrekken , behooren tot de Neptunische aardvorming, dat wil zeggen: ze zijn onder het water en wel in zee gevormd. Dit blijkt uit de menigvuldige versteeningen of overblijfsels vau allerhande soort van dieren, die nergens dan iu de zee gevonden worden of leven kunnen. Het is voornamelijk in zekere lagen van het tufkrijt, waar voormelde zuilengangen in uitgekapt zijn, dat zich die versteende zeedieren bevinden. Sommige dezer diersoorten komen er maar zelden voor, doch andere zijn hoopsgewijze voorhanden, 't Zijn visschen, kruipdieren, schelpdieren, schaaldieren, straaldieren, dierplanten en dierbloemen [polypiers el hryosoaires}. Kr zijn

-ocr page 41-

37

banken van een halve tot een gansche nederlandsche meter dikte, die bijna uitsluitend uit deze diertjes gevormd zijn. In 't zelfde tufkrijt bevindt zich ook op sommige plaatsen een ontzaglijke menigte zeer merkwaardige kleine kalkschelpdiertjes [polythalamiën) welke tegenwoordig in de zeeën van warmer landen, als hoofdbestanddeelen der strandvorming, zóo overvloedig zijn, dat men volgens d'Orbigny, bijv. een millioen daarvan in één lood kustzand van't eiland Cuba telt. Paleontologisch beschouwd, zijn de krijtbergen van dezen omtrek zoo rijk aan organische overblijfsels, als ergens eene plaats ter wereld. Ook heeft een ijverige navorscher in zijn natuurkundig kabinet te Valkenburg meer dan 650 soorten van versteende dieren vergaderd, door hem zeiven in 't krijtgesteente dezer omstreken gevonden.quot; 1)

'k Zal hier wel niet behoeven bij te voegen, dat de hooge oudheid en de merkwaardigheid des bodems, waarin zoovele wonderen der natuur liggen weggeborgen, de merkwaardigheid onzer Catacomben nog verhoogt.

üiep gevoeld en goed getroffen zijn de volgende versregels, door een onbekende hand op een dei-pilasters van de Valkenburger steengroeven gegriffeld: Was sind, bei solchem wunderbaren Bau,

Von der Geschopte Schachten aufgeführt Die Werke der verstandbegahten Menschen, Die Tempel, Mausoleën und Palaste?

Staub in der Wage, Staubchen in dem Wind Bei solchen Meisterstücken in der ïiefe!

Was sind die Monumente alter Zoit,

Aegypten's graue Hieroglyphen-Hügel,

Die selben inre Sprache iiberleben,

Die noch zum Aug' in todten Bildern reden,

Doch dem Verstande ihren sinn verhüllen? Die Pyramiden würden blosse Ecken,

Die Biesenstiidte aus Graniet gemeiszelt

1

ï. a. p. bh. 101.

-ocr page 42-

38

Für solchen Bau nur eitle Zierden sein.

Bei diesem (Wunderberg) von Catacomben Mit Muraien der Wiirmchen, die ihn bauten.

(Omnis calx ex vivo.)

Toen we, iu de vrije en vroolijke natuur, de frissche buitenlucht wederom mochten inademen, herlas ik uit mijn aanteekeningboekje een raadselachtig opschrift, dat ik, bij den aanvang van onzen tocht, niet verre van de boven beschreven Kapel van het Bergske had opgeteekend. Het luidde: ,/AnnoMV, XIII du waest peys in diesen Lande, got geif dat lange moutdueren.quot; Met roode letterteekenen stond daer-onder vermeld: //Joannes Kolffs der hat dyt geschrif-fen anno 1588.quot; Aan scherpzinniger archeologen moet ik de oplossing overlaten der vraag, waarom Jan Kolffs in 1588 den //peysquot; heeft willen vereeuwigen, die 75 jaren vroeger ,/in diesen Landequot; ge-heerscht had. Dat hier echter hulde werd gebracht aan den ,/peysquot;, bewijst het daarbij geteekende symbool des vredes: een gewapende soldaat biedt een olijftak aan zijn makker, die wederkeerig in een frisschen berkenmeier, met schuimend garstenvocht gevuld, den vrededronk aanbiedt aan zijn overman.

Terwijl we, aldus naar de stille kapelanie terug-keerend, ons vroolijk maakten over den ,/welgedanen bierbuikquot;, geraakten svij weder in een meer ernstige stemming, toen we langs het dorpskerkje eu over den godsakker heenwandelend, nogmaals herinnerd werden aan de daar sluimerende bewoners onzer catacomben en 'grafschrift lazen;

Grafplaats verkozen door den Eerw. Heer -Ioan-nes Schepers, 29 \ren pastoor in Berg, ijveraar

der zielen en ware vader der armen, overleden den

27 Febr. 1803. Parociitanen, gedenkt uwen herder !

r. 1. p.

-ocr page 43-

39

V.

Op geestige wijze heeft de heer J. Craandijk in zijne Wandelingen donr Nederland met pen en potlood (II blz. 351) de indrukken beschreven, welke de bergbezoeker ondergaat bij 't naderen vau den uitgang der Limburgsche mergelgroeven. ,/Zie, daar schemert in de verte licht, een ander licht dan de rosse gloed van de walmende fakkel! Een kalme, blauwe glans, aan dien van de maan gelijk, verspreidt zich over de grauwe wanden en doet de hooge gewelven te voorschijn treden uit de duisternis. Tusschen de rotspilaren schemert hij door, sterker en sterker wordt hij. Daar straalt weer de zon in haar luister, daar ligt weer de blozende aarde met haar groen en bloemen. Daar welft zich weer de hemel boven ons. Daar stroomt het gevoel van leven en blijdschap ons weer door de aderen. Hoe heerlijk is het daarbuiten, hoe dubbel heerlijk na den langen tocht in de gewesten der duisternis en der roerlooze stilte! Maar toch hoe schoon was het ook daarbinnen! Hoe veel heeft de grot ons te zien, te denken, te gevoelen, te genieten gegeven!quot;

Ja, waarlijk, hoe heerlijk is het daarbuiten! Hoe bloost weer de aarde met haar groen cn bloemen! Werpen wij, ten gevalle der kruidkundigen, een laalsten blik op die bloemen en planten, welke de doodsche Catacomben van Geulhem als met een levend en veelkleurig kleed overdekken.

't Is van algemeene bekendheid dat Zuid-Limburg de grootste afwisseling en rijkste verscheidenheid aanbiedt onzer inlandsche Flora. De reden hiervan is gelegen in zijn kalkrijken en heuveligen bodem.

-ocr page 44-

40

Vele planten immers behoeven voor hun groei kalkachtige bestanddeelen, welke zij alleen in deze streken zoo overvloedig aantreffen. Ook de bochten en oneffenheden van den grond zijn der Flora daarom vooral gunstig, wijl zij den landman verhinderen groote uitgestrektheden te bebouwen, en zoo den wilden en weeligen plantengroei, die bij hem als onkruid geboekt staat, uit te roeien.

Geen wonder dus, dat deze heerlijke streken jaarlijks een groot aantal plantenkundigen uitlokken om hier inzamelingen te doen voor het herbarium. wDepuis une cinquantaine d'annéesquot;, zoo schreef ten jare 1868 Dumoulin in zijn Guide du Botaniste, ,/les environs de Maestricht ont été explorés par de nombreux et zélés botanistes, a qui nous devons la découverte de bien des espèces rares, dont quelques-unes mêmes n'avaient été, que nous sa-chions, signalées avant eux, ni en Neerlande ni en Belgiquequot;. Van de 1500 plantensoorten uit ons vaderland noemt hij er vervolgens 904, in deze streken waargenomen, met opgave tevens der vindplaats. Sedert dien tijd zijn er echter nog andere soorten gevonden, terwijl ook vele planten, door Dumoulin aanvankelijk als verscheidenheden van ééne en dezelfde soort beschouwd, bij nader wetenschappelijk onderzoek tot verschillende soorten bleken te behooren.

Omdat nu de toerist, dien het aantrekkelijke van het historisch verleden of het merkwaardige der uitdelvingen naar Geulhem's Catacomben heen-dreven, meestal ook een open oog heeft voor het zeldzame der Flora, dat zich op den bergrug ten toon spreidt; ja, wijl hij de plantenkunde met de

-ocr page 45-

41

ouden eene scientia amahüis, dat is, eene beminnelijke wetenschap noemt, heb ik mij gewend tot mijn vriend, den Eerw. Heer J. J. Hoevenaars S. J., die deze streken meermalen iu alle richtingen heeft doorkruist, en hem verzocht, eene wetenschappelijke lijst op te maken van de vrij zeldzame planten, welke van den ingang der Catacomben tot Rothciu toe gevonden worden.

Wie slechts een weinig in Zuid-Limburg heeft gebotaniseerd, zal verbaasd staan, op een zoo kleine uitgestrektheid zoovele merkwaardigheden van kruidkundigen aard te ontmoeten. Vele daarvan worden nochtans ook aangetroffen op de bergen van St. Pieter en Gronsveld, van Keer en Kadier, van Bemelen en Valkenburg, 't Is hier het rijk van Flora in al zijn weelde en verscheidenheid.

Voor elk der opgegeven planten, op weinig uitzonderingen na, werd reeds door vroegere botanici dit gedeelte van den berg als vindplaats aangewezen, voornamelijk echter door Dumoulin in zijn bovengenoemd werk, en door de leden der Nederlandsche Botanische Vereeniging, die deze streken zoo ijverig hebben doorzocht, en het resultaat van hun vruchtbaren arbeid hebben te boek gesteld in het Kruidkundig Archief 5e Dl. 1° stuk. 1887. Grootendeels werden zij ook nog, in de twee laatst verloopen jaren, door mijn dienstvaardigen vriend aldaar waargenomen en voor zijn herbarium ingeoogst.

De thans volgende plantgewassen zijn gerangschikt volgens het stelsel van Decandolle. De letter of woordverkorting, aan de Latijnsche benaming toegevoegd, geeft den Botanist aan, die het eerst den naam der plant heeft bepaald. Verder is haar

-ocr page 46-

42

bloeitijdperk door de letters hl. aangeduid, en volgt de meest gewone Hollandsche en Fransche benaming,

in zooverre die bestaat.

* *

*

VEE KLARING DER LETTERS EN WOORDVERKORTINGEN, DIE ACHTER DEN WETENSCHAPPELIJKEN NAAM DER PLANTEN GEPLAATST ZIJN:

De........ Decandolle.

Ehrh......Ehrhart.

Fr........Fries.

Giirtn.....Gartner.

Iloffm.....Hoffmann.

Huds......Hudson.

Jacq.......Jacquin.

Lam....... Lamarck

L.....Linnens.

P. B... Palisot de Beauvais

Rich. . Richard.

R. S... Römer eu Schnltes.

Sin.... Smith.

Sw.... Swartz.

Wallr. Wallroth.


-ocr page 47-

43

Lijst der vrij zeldzame Planten,

voorkomende op den berg te Geulhem, van den ingang der Catacomben tot Rothem toe, en wel voornamelijk op de helling, langs den kant der Geul.

Batrachium fluUam. Lam. In de Geul, bl. van Mei tot Augustus. Vlottende Waterranonkel. Gre-nouillette flottante.

Actcea spicata. L. bl. in Mei en Juni. Christoffels-kruid. Herbe de St. Christophe.

Papaver (labium. L. bl. in Juli en Augustus. Kleine Klaproos. Pavot douteux.

Corydalu solida. Sm. bl. in April. Vastwortelige Helmbloem. Corydale bulbeuse.

Cardamine am ara. L. bl. in Juni. Bitterkers. Cres-son amère.

Helianthemum vulyare. Gü.rtn. bl. vau Juni tot September. Zonnekruid. Helianthème.

Parnassia palustris. L. bl. in Augustus en Sept. Parnaskruid. Parnassie.

Pyrola rotmdifolia. L. bl. in Juli en Augustus. Rondbladerig wintergroen. Pyrole a feuilles rondes.

Silene ivflata. L. bl. van Juni tot September. Opgeblazen silene. Siléné enflé.

Hypericum montanum. L. bl. v. Juni tot September. Berg-Hertshooi. Millepertuis de montagne.

Hypericum hirsutum. L. bl. van Juni tot September. Ruig Hertshooi. Millepertuis velu.

-ocr page 48-

44

Hypericumpulchrum. L. bl. van Juni tot September.

Sierlijk Hertshooi. Millepertuis élégant.

Oxalis Acetosella. L. bl. van Maart tot Mei. Klaverzuring. Surelle.

Evovymus Europaus. L. bl. in Mei en Juni. Kardinaalsmuts. Fusain.

Genhtu I Victoria L. bl. van Mei tot Juni. Verw-

Brem. Genét des teinturiers.

Genista yermanica. L. bl. van Mei tot Juli. Duit-

sche Brem. Genét d'AUetnagne.

Lathyrus Aphaca. L bl. in Juni en Juli. Blader-

looze Lathyrus. Gesse sans feuilles.

Orobus tuberosus. L. bl. geheel den zomer. Knollige

Boscherwt. Orobe tubereux.

Po leu til I a. Frayariaslrum. Ehrh. bl. v. April tot Mei.

Aardbezieachtige Ganzerik. Potentille fraisier. PoientiUa verna. L. bl. van April tot Juni. Voor-

jaars Ganzerik. Potentille printanière.

Posa iomentosa. L. bl. in Juni. Viltige Roos.

Rose tomenteuse.

Alchemilla vulyrris. L. bl. in Juli en Augustus.

Vrouwenmantel. Alchémille.

Sanicula europcea. L. bl. in Mei en Juni. Breuk-

kruid. Sauicle.

Selinum carvifolmm. L. bl. in Juli en Augustus.

Karwijbladige seline. Sélin a feuilles de Carvi. Viscum album. P. Vogellijm. Gui.

Scabiosa columbaria. Pj. bl. v. Juni tot September.

Schurftkruid. Scabieuse.

Inula conyza. Be. bl. in Juni en Juli. Alantkruid. Aunée Conyze.

-ocr page 49-

45

Arnica montana. L. bl. in Juni en Juli. Wolverlei. Arnique.

Carduus nutans. L. bl. treheel den zomer door.

Knikkende Distel. Cliardon penché.

Centaurea scabiosa. L. bl. v. Juli tot Sept. Groot

schurftkruid. Centaure scabieuse.

Laciuca muralis. L. bl. v. Juni tot Aug. Muur-

Latuwe. Laitue des murailles.

Onopordon acanthium. L. bl. v. Juli tot September.

VVegdistel. Chardon-Acanthe.

Carlina vulgaris L. bl. in Juli en Augustus.

Driedistel. Carline.

Rieracimi Auricula. L. bl. van Mei tot Juli.

Aurikelbladig Havikskruid. Epervière auricule. Hieracium umbellatum. L. bl. van Mei tot Juli. Schermdragend Flavikskruid. Epervière om-brelle.

Filayo (jermanica. L. bl. in Juni en Juli. Duitsch

roerkruid. Cotonnière d'Allemagne. Gnaphalium dioicum. L. bl. van Juli tot Augustus.

Tweeliuizig Roerkruid. Cotonnière dioïque. Campanula Trachelium. L. bl. in Juli en Augustus.

Ruwharig klokje. Campanule gantelée. Phyteuma spicaium. L. bl. v. Mei tot Juni. Aar-

dragende Rapunzel. Racponze en épi. Erythraa pulcitella. Fr. bl. v. Juni tot September, Sierlijk Duizendguldenkruid. Erythrée élégante. Cuscuta epiihymum. L. bl. v. Juli tot September.

Thijm-Warkruid. Cuscute teigne.

Cuscuta Europcca. L. bl. v. Juli tot September. Europeesch Warkruid. Cuscute Européenne.

-ocr page 50-

46

Cynoglossum officinale. L. bl. van Mei tot Juli.

Gewone Hondstong. Cynoglosse vulgaire. Scroptularia Neesii. Wirtj. (bij de Geul) bl. v. Juli

tot September. Helmkruid. Scrophulaire. Orobanche rubens. Wallr. bl. in Juni en Juli.

Roodachtige Bremraap. Orobanche rouge. Galeohdolon luteum. Huds. bl. v. April tot Juni.

Gele Netel. Ortie jaune.

Plnc/uicula vulgaris. L. bl. v. Mei tot Juli. Vet-

kruid. Grassette.

Primula officinalis. Jacq. bl. in April en Mei. Ge-

meene Sleutelbloem. Primevère officinale. Primula elatior. Jacq. bl. in April en Mei. Hoog-

stengelige Sleutelbloem. Primevère élevée. Mercurialis perennis. L. bl. in April en Mei.

Overblijvend Bingelkruid. Mercuriale vivace. Juniperus communis. L. bl. in Maart en April. Allium ursinum. L. bl. in Juli en Augustus. Das-

look. Ail des ours.

Paris quadrifolia. L. bloeit in April en Mei.

Wolfsbes. Parisette.

Majanthemum bifolium. J)c. bl. v. Mei tot Juli.

Tweebladig dalkruid. Majanthème è, deux feuilles. Orchis maculata. L. bl. in Mei en Juni. Gevlekte

Orchidee. Orchis tachée.

Orchis mascula. L. bl. in Mei en Juni. Mannetjes

orchidee. Orchis male.

Plat anther a bifolia. Rich. bl. in Mei en Juni. Tweebladige Platanthera. Platanthère amp; deux feuilles.

-ocr page 51-

47

Platanthera cllorantha. Rich. bl. in Mei en Juni. Groenachtige Platanthera. Platanthcre verdatre.

Zannichellia palastris. L. (in de Geul), bl. in Juli en Augustus. Zanichellia. Zanichellie.

Arum maculaturn. L. bl. in April en Mei. Kalfs-voet. Pied de veau.

Luzula maxima. Dc. bl. in Juni. Grootste Veldbies. Luzule è, larges feuilles.

Carex diyitata. L. bl. van April tot Mei. Vinger-dragende Zegge. Laiche digitée.

Carex sylvatica. Huds. bl. in Mei. Bosch-Zegge. Laiche des bois.

Carex dioica. L. bl. van Mei tot Aug. Tweehuizige Zegge. Laiche dioïque.

Carex pallescens. L. bl. van Mei tot Juni. Ver-bleekende Zegge. Laiche pale.

Carex vena. VUL bl. van April tot Juni. Voor-jaars-Zegge. Laiche printanière.

Milium effusum. L. bl. in Mei en Juni. Gierst-gras. Millet étalé.

Melica nutans. L. bl. in Mei en Juni. Knikkend parelgras. Mélique penchée.

Melica unijlora. L. bl. in Mei en Juni. Eenbloe-mig Parelgras. Mélique unitlore.

Brachypodium sylvaticum Tt. S. bl. v. Juni tot September. Bosch-Kortsteel. Brachypode des bois.

Brachypodium pinnatum. P. B. bl. v. Juni tot September. Gevinde Kortsteel. Brachypode penné.

Lycopodium clavatum. L. bl. in Juni en Juli. Wolfsklauw. Lycopode a massues.

-ocr page 52-

48

Tycopodium seln.go. I. bl. in Juli en Augustus.

Pijnbladige wolfsklauw. Lycopode sélagine. Botryclium lunar ia. Sw. bl. in Mei en Juni.

Maankruid. Osmonde lunaire.

Equisetmi sijlvaticum. L. bl. in Maart en April.

Bosch-Paardestaart. Frêle des bois. Polypodium Pheyopteris. L. bl. in April en Mei.

Beukvaren. Polypode Phégoptère.

Polyp odium Robertianum. Hoffm. bl. van Juli tot

September. Boomvaren. Polypode. Pol/jstickwm Oreopteris. Dc. bl. in Juni. Niervaren. Polystic Oréoptère.

Aspleuiam Rul,a Muraria L. bl. v. Juni tot Aug.

Muurruit. Rue-des-murailles.

Asplenium Filix femina. Bernh. bl. van Juni tot

September. Wijfjesvaren. Fougère femelle. Asplenium Adianthum nigrum. T. bl. van Juli tot

Nov. Zwartsteel. Doradelle capillaire noire. Blechnum spicant. L. bl. van Jnni tot October. Grachtvaren. Osmonde en épi.

0M

-ocr page 53-

Te verkrijgen bij M. J. AKKERMANS te Geulhem onder Bergh-Terblijt.

-ocr page 54-
-ocr page 55-

V . . ' . / :'r- ■ .

-sAt, m. : ^ J, '

?«; .. . ■ ■- \v:

5;,tij; ■,■ •• ■/■.: • ; • ■quot;v . ■. , ,. ■•••• ■.■•,■■, ■■

j-jI-. ■ I «PI• ■ ■' | pi )i ' : |

, ■'quot; ' ^ i

■ 'tim

m

.1» :■ ^:: .v

' ' U-':

'•quot; - fel Ui'

fi' 'v:^

I •, |i m

v;-5-:v