|
0§-pr- | |
|
wÃr te | |
|
!!V '' ;! ' , gt;.⢠| |
|
if ' V - â â¢; = il I' gt; _ t. | |
|
(\. â '⢠JA | |
|
ii â¢) i [j | |
|
r â - jv â ' li! | |
|
a h |X. l/?\ i3n | |
|
| 1 | |
joESCHIEDENIS
, VAN
HET LEVEN EN DEN DOOD
vanquot; ' : quot;ï;. 'fsS ' ;
IDIRIE ïIEIXjIGtIE
DOOR
A. DUFFELS, Pr.
cflieuw e uit ga af
' . .V i
U. BORG. â AMSTERDAM.
1897.
joESCHIEDENIS
VAN
HET LEVEN EN DEN DOOD
VAN
A. DUFFELS, Pr.
cllicu tvc uitgaaf
G. BORG. â AMSTERDAM.
1897. - /JJ, f/kf
/1*
^ ' - gt; ' // :
GOEDKEURING.
Wij staan toe dat het werkje, getiteld: Geschiedverhaal van het leven en den dood der drie heilige japansche Martelaren van de Societeit van Jesus: Paulus Miki, Joannes Scan de Goto en Jakobus Kisaï. Naar het Italiaansch van J. Boëro, S. J. door A. Duffels, Pv., door den druk verspreid worde.
Amsterdam, J. BRINKMAN,
Feestdag van den H. Eranciscus Boekenkeurder,
de Borgia, 1862.
GESCHIEDVERHAAL
VAN
HET LEVEN EN DEN DOOD
DER
DRIE HEILIGE JAPANSCHE MARTELAREN,
VAN DE SOCIETEIT VAN JESUS.
EERSTE DEEL.
HET LEVEN
DEft
DRIE HEILIGE MARTELAREN.
VOORREDE.
Duidelijkheidshalve is deze beknopte geschiedenis in twee deelen verdeeld. In het eerste geven wij het levensverhaal der drie HH. Martelaren, zoo als het uit oude en geloofwaardige bescheiden en uit de werken van Nieremberg, Alegambe, van de Bollandisten en anderen getrokken is. Het tweede bevat de oorzaken der vervolging en de handelingen der bloedgetuigen , waarin wij het sierlijk en boeijend verhaal van P. Daniël Bar-toli in zijne Geschiedenis van Japan gevolgd of liever in een kort begrip en, waar het kon, zelfs met diens eigene woorden zamengevat hebben.
Niet zonder reden kunnen wij dus zeggen dit geschiedverhaal te hebben hijeengehragt, want al wat het schoons en goeds heeft behoort aan de onvergelijkelijke pen en den keurigen stijl van Bartoli. Over de waarheid en geloofwaardigheid des verbaals behoeft niets gezegd, aange-
vr
zien hij alles heeft overgenomen uit de kerkelijke ca burgerlijke akten, die er van dit gedenkwaardig feit op last van de H. Kongregatie der Eitus en van het spaansche hof werden opgemaakt, alsmede uit oorspronkelijke brieven en oorkonden, herkomstig van japansehe ooggetuigen , die zich destijds uit hun vaderland naar Home begeven hadden en wier getuigenis nog onder ons berust.
Moge het den Heer behagen een medelijdend oog te slaan op die verlatene volken en vruchtbaarheid te schenken aan het bloed van meer dan duizend martelaren, die het geloof van Jcsus Christus onder de gruwelijkste en ongehoordste folteringen edelmoedig verdedigden â dat geloof, daar gepredikt door den Apostel van Indië, den H. Eranciscus Xaverius, dat zich welhaast overliet geheele rijk had verbreid en daarna door lt; ene gruwzame vervolging jammerlijk werd uitgeroeid.
«1
I.
HET LEVEN VAN DEN H, MARTELAAR PAULUS MIKI.
VADERLAND, GEBOORTE EN KINDERJAREN VAN PAULUS.
Het japansclie rijk, reeds in 1542 door de Portugezen ontdekt, bestaat uit eene groep van bijeenlig-gende, door smalle zeestraten gescheiden eilanden, waarvan er vooral aclit in aanmerking komen en do drie grootste alleen meer uitgestrektheid hebben dan geheel Italië. Het voornaamste dier eilanden, door de inboorlingen Niphon, door de Chinezen Hippon, door ons gewoonlijk Japan genoemd, geeft zijn naam aan den ge-heelen Archipel. Oudtijds werd het rijk bestuurd door een enkel hoofd, Daïri geheeten; doch na een opstand van de goevernenrs der provinciën werd het in zes-en-zestig, volgens anderen in aclit-en-zestig kleine rijken verdeeld. Deze toestand bleef voortduren tot dat Nobunanga, koning van het kleine rijk Voari, zich omstreeks het jaar 1571 door het geweld der wapenen van vijf-en-dertig rijken meester maakte en Faxiba, zijn opvolger, geheel Japan onder zijn scliepter vereenigend , de nog tegenwoordig bestaande alleenheerschappij vestigde.
1
3
Hier nu werd in liet jaar 1364 onze lieilige martelaar Paulus Miki geboren. Zoo als blijkt uit de stukken, die door den Provinciaal van Japan naar Rome werden opgezonden, aanschouwde hij het levenslicht in het gewest Xamaxiro, waarvan het magtigc Miako de hoofden zetelplaats is. Zijn vader was Miki Fandoidono, een ridder van edelen bloede, groot wapenheid en bij keizer Nobunanga, aan wiens hof hij was, zeer in aanzien. Zijne moeder, die bij den 11. Doop den naam ontving van Maria, behoorde tot dcnzelfden aanzienlijken adelstand als haar echtgenoot; want het landsgebruik bij de Japannezen duldt niet dat men zich, om wat reden ook, met iemand van geringere afkomst in het huwelijk vereenige. Aan het hof van Miako leerden zij de paters der Societeit van Jesus kennen en omhelsden beiden in het jaar 1368 het christelijk geloof, dat zij tot aan hunnen dood standvastig beleden. Hetzelfde jaar wijdden zij ook hun vijfjarig kind door het H. Doopsel aan God toe en gaven het den naam van Paulus. Zoo nam dan de genade deze reine ziel reeds vroegtijdig in bezit en waakte zij over de kinderjaren van Paulus met buitengewone zorg, omdat die leeftijd met vele gevaren bedreigd werd in een land, waar de afgoderij algemeen en de besmetting des zedebederfs schier onvermijdelijk was. Door de hulp des Hemels en de liefdevolle zorg zijner vrome ouders nam het kind met de jaren ook in de vreeze des lleeren toe en reeds op dien jeugdigen leeftijd was het een engel van godsvrucht, een voorbeeld van ingetogenheid, zedigheid en gehoorzaam-heid en won het door eene goedhartige minzaamheid aller liefde,
3
Gaarne hadden zijne ouders ziek geheel en al aan de opvoeding huns lievelings toegewijd, doch zij werden hierin door hunne bezigheden verhinderd; want Fau-doidono was door zijne betrekking geroepen om bijna altijd of in het paleis des vorsten of op liet slagveld te verblijven, terwijl zijne eehtgenoote overladen was met huiselijke zorgen. Zij besloten daarom zijne godsdienstige en wetenschappelijke vorming toe te vertrouwen aan P. Organtino Soldi, die te Miako zijn verblijf hield. Deze religieus was het vertrouwen, hem geschonken , volkomen waardig: hij was een man van heiligen levenswandel en blakenden zielenijver. Door de geloo-vigen van dat gewest werd hij als de vader hunner christengemeente vereerd cn is de roem geworden van zijne vaderstad Brescia en van zijne moeder, de Societeit van Jesus, die hem naar Japan zond, waar hij zich zes-en-dertig jaren onverpoosd aan de vermoeijenisseu van het apostelambt wijdde. Volgaarne belastte hij zich met de opvoeding des elfjarigen jongelings, dien hij eenigen tijd bij zich hield, tot dat de gelegenheid zich aanbood om hem op te nemen onder de kweekelingen van het seminarie, dat hij, tot groot voordeel des ge-loofs , ter opleiding van adellijke jongelingen geopend had.
II.
ZIJNE OPVOEDING IN HET SEMINAKIE VAN ANZUKIAMA.
Keizer Nobunanga had, om zijnen naam te vereeuwigen , de geheel nieuwe en versterkte stad Anzu-kiama gesticht in een aangenaam oord aan de grenzen
4
van Yoari, op ongeveer veertien mijlen afstands van Miako. De Cliristenen van Miako oordeelden dat het voor den bloei des geloofs allernuttigst zou zijn, indien de paters in deze nieuwe hofstad, waar de rijksgrooten en vasallen der meer dan dertig aan Nobunanga onderworpene rijken het grootste gedeelte des jaars verbleven, een huis en eene kerk konden openen; zij smeekten P. Organtino dit verzoek aan den keizer voor te stellen, die toen gunstiger dan ooit jegens hem en liet christelijk geloof gezind was. Na het storten van vurige geboden meldde Organtino zich bij den vorst aan, van wien hij zelfs meer ontving dan hij gevraagd had. Behalve de vergunning om zich te vestigen, schonk Xobunanga hem nog ruimen onderstand in geld en den grond voor het gebouw, dat hij tegenover zijn paleis wilde opgerigt zien. Zoodra had Organtino deze toestemming niet bekomen of hij brak het houten huis, dat hij te Miako gebouwd had, af, vervoerde hel met behulp der Christenen, die daartoe in groeten getale opkwamen, naar Anzukiama en geleidde tevens Paulus Miki met nog vier-en-twintig adellijke jongelingen daarheen , om het seminarie te openen.
Hun getal werd spoedig vermeerderd door vele andere jongelingen van koninklijken bloede, die zich hier onder de 1; iding van bekwame meesters op de kennis der latijnsehe en japansche talen toelegden, terwijl zij tevens in de kerkdiensten behulpzaam waren en zicli onderscheidden door oefeningen van opregte godsvrucht. Zij verspreidden rondom zich zulk een goeden reuk van deugd, dat vele voornamen hen dikwijls bezochten, om , mot hen en de paters over God en de ziel te redeneren.
5
Wanneer zij twee aan twee in rij over straat gingen, bleven de voorbijgangers in bewondering staan en loofden den Hemel op liet gezigt hunner ingetogenheid en zedigheid. Nobunanga zelf' ging somwijlen , van slechts weinigen vergezeld, naar het seminarie en, voor een oogenblik de majesteit afleggende, waarmede hij zieh gewoonlijk omgaf, sprak hij met eene voor zijne hovelingen zelfs ongewone minzaamheid tot de jongelingen , die hem bij deze gelegenheid proeven gaven van hunne vorderingen in de wetenschap en europesche iu-strumenten bespeelden.
Dit goed begin gaf dus gegronde hoop, dat deze kwee-kelingen eenmaal nuttig zouden werken voor de uitbreiding des geloofs. Twee hunner vooral: Hieronymus, zoon des konings van Fiunga en neef van den deugdzamen Eranciscus, koning van Bungo, en Paulus Miki beloofden veel. De eerste was bestemd om naar Home te vertrekken, ten einde den H. Vader de hulde en onderwerping zijner geloofsgenooten aan te bieden; doch daar de schepen reeds op het punt waren onder zeil te gaan en er geen tijd meer overbleef om hem naar de haven van Nangasaki te ontbieden, vertrok Mancius Ito, zijn ueef, in zijne plaats. Later omhelsde hij den krijgsmansstand en gaf meermalen blijken van eene zeldzame dapperheid. Vooral verwierf hij zich bij de ja-pansche Christenen een onsterfelijken naam door de voorbeelden van ware christendeugden en standvastige belijdenis des geloofs, die hij hun tot zijn dood toe gaf. Paulus was veel zachter van inborst en toonde toen reeds eene groote neiging voor den geestelijken staat. Het verlangen om zich geheel aan God en de apostolische
6
werkzaamheden van liet predikambt te wijden en zoo doende, gelijk hij later werkelijk deed, vele zielen tot (iod te brengen, dreef liem aan om niets to verzuimen, wat voor zijnen wetenschappelijken en geestelijken voortgang dienstig was. Had dus liet seminarie van Anzn-kiama gedurende den korten tijd zijns bestaans geen ander nut gestiobt dan de opleiding dezer twee men-selien, dan n ig zou men moeten erkennen dat de Kerk van Japan er veel aan verschuldigd is.
III. -
HIJ LOOPT GEVAAR BIJ DE VEEWOESTING VAN AXZUKIAMA HET LEVEN TE VE11LIEZEN EN ZET IN ANDERE SEMINAUIÃN ZIJNE STUDIÃN VOOKT.
Nog woonde hij geene volle twee jaren te Anzu-kiama, toen er een voorval plaats greep , dat alles omverwierp en zijn leven met dat zijner medgezellen en der paters in gevaar bragt. Akeki, een vorst van twee kleine staten, stond uit heersehzucht tegen Nobu-uanga op. In den naeht van den 203tcl1 Junij 15S3 rukte hij met uitgelezene manschappen Miako binnen, omsingelde onverwachts het paleis, waar de keizer toen zijn verblijf hield, en klom met eene handvol zamen-gezworenen binnen, om zich van liem meester te maken. Na eene wond bekomen te hebben, vlugtte Nobunanga weg, om zich in eene kamer te verbergen; doch ziende dat het paleis in brand was gestoken en niet door de handen zijner vijanden willende omkomen, benam hij
7
zicli op eene gruwzame wijze liet leven. Na liet bemag-tigen van Miako togen de opstandelingen naar Anzu-kiama. Naauwelijks waren zij er aangekomen of de vesting werd hun bij verdrag en de stad op genade overgeleverd. Terwijl nu de soldaten de straten afliepen, vechtende cn al wie onder hunne handen kwam afmakende, en de ongelukkige stad reeds op verschillende plaatsen aan de vlammen ter prooi was , bevonden onze seminaristen zich in een benarden toestand. P. Organ-tino verliet met Paulus en de overigen het huis, geleidde hen naar den oever van het meer, dat door de vesting bestreken werd, en het gelukte hem niet dan met de grootste moeite hen in een bootje te redden.
Dit gevaar ontkomen, werden zij echter spoedig door een veel grooter bedreigd. De schipper, van wien zij den overtogt naar Vakimoxima, een klein eiland, tien mijlen ver in het meer gelegen, bedongen hadden, was een heidensch roover. Na hen geheel uitgeschud te hebben, brak de onverlaat zijn woord en zette koers naar een verder gelegen onbewoond eiland, om hen daar allen, acht-en-twintig in getal, van het leven te berooven. God voorkwam evenwel door tijdige hulp zijn boos opzet. Hij zond een christenridder op een oorlogschip daarheen en deed dezen het gevaar vermoeden, waarin de paters cn de jongelingen zich bevonden. De ridder verloste hen uit de handen des roovers, bragt hen naar Sakomoto, waar hun, zonderling genoeg, door den zoon van Akeki zeiven een vrijgeleide en een hofbediende medegegeven werden, zoodat zij ongehinderd en buiten alle gevaar Miako konden bereiken.
Gedurende deze gebeurtenissen waren de kalmte en
8
de vastberadenheid van Paulus inderdaad bewonderenswaardig : hij had zich bij zijne ouders in veiligheid kunnen stellen, doch verkoos uit liefde tot Christus liet lot dei-paters te deden, te meer daar hij reeds het denkbeeld had opgevat om hunne levenswijs te omhelzen. Slechts korten tijd bleef hij te Miako; want twaalf dagen na den dood van Nobunanga werd Akeki door Justus Ukondono, een vurig christenheld, verslagen en gedood, waarna de overwinnaar het aanbod deed om liet seminarie op zijn gebied over te plaatsen. Paulus vertrok dan naar Takakuki, om zijne studiën voort te zetten. Vooral schepte hij genoegen in het grondig bestuderen der geloofswaarheden en in de uitoefening der apostolische bedieningen. Hierin beantwoordde hij volkomen aan de bedoelingen zijner Opvoeders, die deze jongelingen tot katechisten, religieuzen en priesters wenschten op te leiden, om later de christengemeente te besturen en de dwalingen des ongeloofs te kunnen wederleggen. Zekere Fr. Vincentius van de Societeit van Jesus was hun leermeester. Deze nu had eene groote bedrevenheid verworven in het redetwisten en was door langdurige studiën de godgeleerheid der japansche afgodspriesters, bonzen genaamd, zoo volkomen meester geworden, dat de beroemdste leeraars der hoogescholen met hem kwamen spreken en, van hunne dwalingen overtuigd, als Christenen naar hun vaderland terugkeerden, waar zij de waarheid, die zij naan-welijks hadden leeren kennen, alom verkondigden. Geen wonder dus dat Paulus later deed blijken, hoezeer hij zijn voordeel gedaan had met de lessen van zulk een meester en dut de Kerk van Japan hem onder de beste redenaars en moedigste voorvechters des geloofs tellen
9
kon. Eerst tc Takakuki en later te Arima, waarheen men door omwentelingen verpligt was geweest het seminarie te verplaatsen, vergezelde hij dikwijls een der paters op de missiën, bij welke gelegenheden hij de neophyteu onderwees, met de afgodendienaars ot' met de bonzen redetwistte of soms ook, volgens het verhaal van getuigen , iu de kerk het woord voerde met eene overtuiging en eenc gemakkelijkheid, die zijne jaren te boven gingen.
IV.
HIJ TREEDT IN DE SOCIETEIÃ VAN JESUS EN BESTUDEERT DE 1IOOGE11E WETENSCHAPPEN.
Eene zoo schoone ziel mogt aan de wereld niet toebehooren. Sinds lang reeds brandde Paulus van verlangen om de Soeieteit van Jesus in te treden en drong bij de oversten herhaalde malen op de bewilliging van dien wensch aan. Deze stemden echter niet aanstonds toe; want bij het aannemen van Japannezen, vooral van neophyteu, namen zij de grootste behoedzaamheid in acht en gingen er niet eerder toe over, dan nadat zij langen tijd beproefd waren en in hunne huizen als ka-techisten hadden gewoond. Paulus evenwel was reeds als kind gedoopt, in het seminarie gevormd en opgegroeid onder de leiding der paters, daarbij was zijn vader Fandoidono, het regt des konings van Bungo tegen dien van Saxuma verdedigende, dit jaar (158G) op het veld van eer gesneuveld, en dit waren zeker voldoende redenen om hem de gevraagde gunst toe te staan. Hij werd
10
derhalve op den ouderdom van twee-en-twintig jaar onder de leden der Societeit opgenomen en in Augustus deszelfden jaars 1580 naar het noviciaat van Ognissanti, in de nabijheid van Nangaaaki, gezonden.
Hier legde hij zich met hart en ziel toe op het verkrijgen van die deugden, welker beoefening hem als eene tweede natuur moest worden, om aan de gedurige vermoeijenissen, het lijden en de gevaren dezer moeijelijke missie het hoofd te kunnen bieden. Nog geen volle elf' maanden woonde hij in het noviciaat, toen hij reeds mot eene zware beproeving te kampen had. Kambakun-dono had zich na Nobunanga's dood van hot rijk meester gemaakt en zijne gunstige gezindheid jegens het christelijk geloof was , op aanhitsing van een vuilaardigen bonze , eensklaps in zulk een onverzoenlijken haat veranderd , dat hij het banvonnis uitsprak tegen al de verkondigers .van het Evangelie: dit nu betrof, behalve een groot aantal katechisten, die door hen werden opgeleid , geene anderen dan de paters der Societeit, want zij alleen waren in die streken werkzaam. De Vice-provinciaal, P. Caspar Goeglio, daarop den raad der christenvorsten en der oudste missionarissen ingewonnen hebbende, besloot, ten einde den barbaarschen Kamba-kundono niet meer te verbitteren, groote vertooning te maken : hij ontbood velen der zijnen naar de haven van Firando, als om hen gewillig te doen vertrekken; doch zond hen daar heimelijk in japansche kleeding naar verschillende streken en gaf hun den wijzen raad om, zonder veel opspraak te verwekken, de meer dan vijfhonderdduizend geloovigen, die er waren, te onderrigten. Deze vestigden zich dus volgens omstandigheden, eenigen
11
hier, anderen elders. Onze Paulus had zich met zijne medenovieen te Aria, een klein plaatsje boven Arima, nedergezet.
Toen de twee jaren van zijn proeftijd geëindigd waren, verbond hij zich in Augustus des jaars 15 88 aan God door de drie geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid en werd naar het eiland Amakusa gezonden, waar een kullcgie der Soeieteit bloeide onder bescherming van Joannes, heer van dit eiland. Na eene herhaling der vroeger in het seminarie gehoorde lessen, legde hij zich met de hem eigene bevattelijkheid en scherpzinnigheid op de studie der wijsbegeerte, bespiegelende godgeleerdheid, moraal en polemiek toe. Bovenal arbeidde hij onvermoeid, om de bijgeloovige schriften der tallooze sekten, die Japan verdeelden, te leeren kennen, er de tegenstrijdigheden in op te merken, verhandelingen te schrijven, waarin hij de eene toetste en de andere wederlegde, om er zich later in zijne redetwisten met de bonzen van te bedienen.
V.
ZIJNE APOSTOLISCHE WERKZAAMHEDEN.
Eindelijk trad Paulus, na zijne studiën voleindigd en veel kennis en deugd verworven te hebben, openlijk op, om, volgens den wensch zijns harten, aan de bekeering der zielen te arbeiden. De japansche taal, zoowel die des volks als der geleerden, welke door de voornamen gesproken werd, was hij volkomen magtig; daarenboven
13
kende hij hare eigenaardigheden, keurigste uitdrukkingen en juiste uitspraak : iets, dat voor vreemdelingen, ook nog tegenwoordig met eene hardnekkige studie van vele jaren, naauwelijks te leeren is. Ook had hij van natuur eene gemakkelijkheid van spreken en eene hem geheel eigene innemende voordragt, welke gaven, opgeluisterd door engelachtige godsvrucht eu zedigheid, zijne woorden deden behagen, overtuigen en treffen. Aanvankelijk onderrigtte hij als katechist de neophyten in de geheimen des ge-loofs en werd vervolgens prediker. Het eerste veld zijner vermoeijenissen was Ximo , het zuidelijkste der ja-pansche eilanden, en wel bepaaldelijk het rijk van Arima en het vorstendom Omura, waar de Christenen het talrijkst waren. Van daar trok hij meer noordwaarts in en liep hij vele gewesten af tot aan Miako, ja, zette hij zijne togten tot twee-honderd mijlen benoorden Miako, aan de uiterste grenzen van Japan, voort, altijd in gezelschap van een of meer priesters der Societeit. Hem werd opgedragen te onderrigten, te prediken, te redetwisten en de bekeerlingen tot het H. Doopsel voor te bereiden, terwijl anderen het H. Sakrament der boetvaardigheid bedienden, het H. Misoffer opdroegen, huwelijken inzegenden of stervenden bijstonden. Op zijne lange en vermoeijende reizen ontmoette hij allerlei gevaren eu leed hij onbeschrijfelijk veel; doch de vrucht, waarmede bij werkte, verligtte zijn arbeid en maakte dien zelfs aangenaam. Bij de heidensche vorsten en grooten was hij zeer gezien en hij won er vele voor Christus, vooral in Mori. Er berusten onder ons nog brieven uit die streken, waaruit blijkt, dat liet geloof gedurende de vijf-en-veertig jaren, die er verloopen waren sedert dc
13
H. Franciscus Xaverius liet in Japan htulleeren kennen, noch zoovele noch zoo voorname leeiiingen gewonnen had en er niet zoovele rijken door hunne vorsten voor de prediking waren opengesteld dan in 1593 en de belde volgende jaren. Ongetwijfeld had onze heilige martelaar een groot deel in deze talrijke en merkwaardige bekeeringen. Afgezien van de getuigenissen zijner ordebroeders, is dit bewezen door de woorden van P. Marcellus Kibadeneira van de orde des H. Franciscus, die hem gedurende zijn verblijf in Japan van nabij had leeren kennen en niet aarzelde te verklaren, dat Paulus daar als een der nuttigste werklieden in 's Heeren wijngaard bekend stond.
Het volgende voorbeeld strekke ten bewijze voor de overredende kracht zijner woorden. In de stad Osaka was een heiden om zijne misdaden ter dood veroordeeld en werd door den scherpregter naar de geregtsplaats geleid. Onze Heilige ontmoette hem en gevoelde terstond een vurig verlangen om hem, die op het punt was zijn tijdelijk leven te verliezen, het eeuwige te verzekeren. Hij dringt stoutweg door den volkshoop en de soldaten heen, en terzijde van den boosdoener gekomen, spreekt hij hem met nadruk over de eeuwige straffen, welke hem wachten, die den eenigen waren God der Christenen niet aanbidden, en vervolgens over de noodzakelijkheid van het geloof in Christus eu des Doopsels ter bekoming der zaligheid. Deze woorden drongen met behulp der goddelijke genade tot het hart des heidens door en hij gaf zich aan de waarheid gewonnen. Langs den weg onderrigtte Paulus hem, zoo goed de omstandigheden het toelieten, en reinigde hem vervolgens in
14
de watereu des II. Doopsels, waarna de bekeerling gewillig den dood onderging en , zoo als wij vertrouwen mogen, der eeuwige zaligheid deelachtig werd.
VI.
ZIJNE GESCHRIFTEN TER VERDEDIGING DES GELOOFS.
Niet met het woord alleen, maar ook met de pen en in geschriften ijverde hij voor de uitbreiding dei-ware leer. Zijne bedrevenheid in de japansche taal en in haar letterschrift en zijne diepe kennis van de godgeleerdheid der bonzen hielpen hem in het schrijven van verscheidene werken, die in keurigen stijl de valsch-heid der goden en de dwaalleer der sekten aantoonden en, door vergelijking van deze met de ware en heilige leer van Christus, overtuigend bewezen dat zij niets anders was dan een zamenweefsel van fabelen, dwalingen, tegenstrijdigheden en aan de natuurlijke rede en zede-leer vijandige beginselen. Er waren toen vooral twaalf godsdienstige sekten, die het volk misleidden ; elke dezer had hoogescholen, leeraars, godheden, priesters en predikers. Door de wederlegging van het heilige boek der Japannezen, Fokekio genaamd en door Xaka, een voornamen en algemeen vereerden afgod opgesteld, gaf hij ter zelfder tijd aan alle bijzondere dwalingen den doodslag. Deze werken werden aanvankelijk overgeschreven en aldus verspreid; later, toen P.Alexander Valegnani, Visitator van het Oosten, de boekdrukkunst aldaar had overgebragt, werden zij in het licht gegeven: en zoo
15
was Paulus dan de eerste Japannees, die een werk ter verdediging des geloofs uitgaf, weshalve hem in de bibliotheek van de schrijvers der Soeieteit eene plaats onder de godgeleerden toekomt. De akten zijner heiligverklaring verzekeren, dat hij door dit middel tallooze zielen voor het geloof won, daar hij op deze wijze gedurende zijn leven ook in die plaatsen, waar hij persoonlijk niet komen kon, en na zijn dood een uitgebreid nut stichtte.
TIL
KORTE SCHETS ZIJNEE DEUGDEN.
Bij den onvermoeiden ijver, waarmede hij de eer Gods en het zieleheil zijner landgenooten bevorderde, voegde hij nog de krachtige voorbeelden van een heilig leven. Wij zullen hierbij echter niet lang stilstaan, oin de grenzen, die wij ons bij dit verhaal gesteld hebben, niet te overschrijden. Te midden der verstrooijingen van het apostolaat was zijn hart altijd met God vereenigd, en liet was zijn grooiste genoegen, uit de volheid des harten over Hem te kunnen spreken. Van lange en ver-moeijende reizen in het midden zijner broeders teruggekeerd, gedroeg hij zich volkomen naar de voorschriften van den Visitator P. Valegnani: eenige dagen in afzondering doorbrengende, om den geest door overweging en gestrenge boetpleging te versterken. De ernstige zedigheid van zijn voorkomen werd gematigd door eene ongedwongene minzaamheid, en er lag in zijn uiterlijk
16
eene zoo buitengewone innemendheid, dat hij, volgens het verhaal van ooggetuigen , daardoor de achting en liefde van afgodendienaars, bonzen en zelfs van de hardnekkigste vijanden des Christendoms afdwong. De heerschende ondeugd in Japan is eene bijna aangeborene bedrevenheid in het veinzen. wï\vee zaken,quot; zegt Va-legnani in een brief aan P. Generaal, âzijn mij in de Japannezen onverdragelijk, waarvan de eerste is , dat zij nooit volgens hun gemoed spreken en dit wordt hun van jongs af aan ingeprent, de grooten vooral houden het liegen voor eene volmaaktheid en stellen hun roem in het bedrog, opdat niemand hunne gedachten of begeerten zou kunnen doorgronden;quot; â doch vanPaulus vinden wij geheel tegenovergestelde getuigenissen op-geteekend: zijne tong was de tolk zijner opregtc ziel en zijne woorden waren eenvoudig en duidelijk. â Om zelfbehoud was hij weinig bekommerd, en als er eene ziel te winnen was, aarzelde hij niet daarvoor zijn leven in gevaar te brengen; daarenboven was hij gehard tegen alle beproevingen, welke het apostelambt vooral in tijden van vervolging vergezellen. «Wij leven hier. Goddank !quot; zoo schreef een medearbeider van Paulus, //nagenoeg volgens de woorden des Apostels, rondgaande in schapen- en geilenvellen, hehoeftig, verdrukt, mishandeld , dwalende in bossehen en valleijen of wonende in spelonken. De nachten brengen wij door met reizen of vermoeijenden arbeid, daar wij alsdan onze Christenen versterken door de verkondiging van Gods woord en het toedienen der Heilige Sakramenten, hetgeen noodzakelijk in 't geheim geschieden moet; des daags houden wij ons in onbewoonde plaatsen op of blijven in allen
17
gevalle verborgen.quot; Zoodanig was dan ook liet loven van Paulus gedurende de jaren der eerste vervolging van Taikosama. Doeli hooren wij zijn lof met korte, maar veelomvattende woorden uit den mond van boven-genoemden P. Eibadeneira. In zijne geschiedenü van den Archipel spreekt hij aldus: âik zelf was getuige van de liefde voor liet stilzwijgen en do zediglicid dezes heiligen martelaars, die door zijne werken toonde welken schat van volmaaktheid hij zich in de elf jaren zijns reli-giensen levens verworven had. Bij de Christenen was hij als uitmuntend redenaar geacht, en allen verzekerden dat hij door den brandenden ijver, die zijne woorden en daden bezielde, verreweg de meeste vruchten van bekeeriug had ingeoogst. Zijne broeders hadden hem dan ook opregt lief als een onvermoeid en nederig arbeider in 's Heeren wijngaard, die alleen voor het ziele-heil van anderen en voor eigene volmaaktheid leefde.quot;
Paulus had den ouderdom van drie-en-dertig jaren bereikt en zon van den Bisschop van Japan, Petrus Martinez, die in 159G aldaar was aangekomen, de II. priesterwijding ontvangen; doch God had dit anders beschikt en wilde dat hij, in plaats van priester te zijn , zelf op het kruis zou geofferd worden voor den naam van Christus, waarna zijne vereering als martelaar door denzelfden Bisschop aan de stad Nangasaki werd toegestaan, hetgeen wij breedvoeriger verhalen zullen, na eerst iets van het leven der beide andere Heiligen gezegd te hebben.
18
VIII.
GEBOORTE EN EERSTE LEVENSJAREN VAN DEN II. MARTELAAR JOANNES SOAN DE GOTO.
Het rijk van Goto, ten westen en op ongeveer vijftig mijlen afstands van Firando gelegen, bestaat \iit eene groep van vijf kleine, niet verder dan anderhalve mijl van elkander verwijderde eilanden. Niettegenstaande een groot aantal bronnen, is de grond er scliraal en on-vruelitbaar cn voor het grootste gedeelte met bosschen en wildernissen overdekt. Dit belet evenwel niet dat de bevolking talrijk is en er zoowel in de vlakten als op de bergen vele dorpen gevonden worden; want de Ja-pannezen kunnen zieh met weinig behelpen. De hoofden havenstad Osaka heeft eene aangename en, den smaak des lands in aanmerking genomen, zelfs prachtige ligging. Het christelijk geloof werd daar het eerst verkondigd door twee katechisten van de Societeit; Ludovicus Almeida, een Portugees, en Laurentius, een Japannees, die later werden opgevolgd door P. Joann. Bapt. Monli, P.Alex. Yalla en P. Jos. Pornaletti, welke laatste uit geloofshaat door vergif van het leven beroofd werd. Na de bekeering van den vorst Ludovicus ontvingen alle bewoners dezer eilanden liet H. Doopsel.
Op een derzelve werd ten jare 1578 de heilige martelaar Joannes geboren; zijne ouders waren Christenen en waarschijnlijk onder de eersten van Almeida's bekeerlingen. Zijn familienaam was Soan; doch gewoonlijk voegt men er dien van het rijk, waarin hij geboren werd,
19
bij , om hem van andere katcchisten, dia denzelfden naam droegen , te onderscheiden. Zijne ouders gaven hem eene christelijke opvoeding en door de paters der Soeieteit, die aldaar het geloof predikten, werd hij in de waarheden onzer H. godsdienst onderwezen. AVel verre van deze zorgen onbeantwoord te laten, groeide hij op in de vreeze des Heeren en in liefde voor de deugd. Xa 's vorsten dood nam een zijner brosders, een fanatiek heiden, het geschikte oogenblik waar om de wapenen op te vatten en het rijk aan den jeugdigen troonsop-volger, even als zijn vader Ludovicus geheeten, te ontweldigen, waarna hij, op aanhitsing der bonzen, eene gruwzame vervolging in het leven riep. Vele adellijke en welgezetene bewoners, onder welke ook de familie Soan, begaven zich in vrijwillige ballingschap, daar zij het geloof in hun vaderland niet meer ongehinderd konden belijden. Joannes vestigde zich met zijne ouders te Nangasaki, eene bijna geheel christenstad, in het rijk van Omura aan zee gelegen. Daar had de Soeieteit van Jesus eene kerk en een huis, en nog onlangs had Taikosama vergunning gegeven om er de godsdienstoefeningen in het openbaar te houden; want het was in zijn belang de Portugezen, die aldaar hot middenpunt van hun handel op China en Indiö hadden , niet van zich te vervreemden. De onschuldige jongeling, die hier meer middelen had voor zijne geestelijke vorderingen, deed dan ook snelle schreden op den weg der deugd en brak eindelijk geheel met de wereld, om zicli aan God toe te wijden.
20
IX.
ZIJNE AANNEMING ALS KATECUIST EN APOSTOLISCHE WERKZAAMHEDEN.
Zijn gedurige omgang met de paters deed liet verlangen in hem ontstaan om hunne levenswijze te volgen, en zijn zestiende jaar ingetreden zijnde, verzocht hij den Vice-provineiaal om in de Soeieteit te worden opgenomen. Deze gunst werd hem voor hot tegenwoordige slechts gedeeltelijk toegestaan en hij zag zich aangenomen als katechist, hetgeen zooveel was als eene eerste beproeving en de eerste schrede tot den religieusen staat. Om de waardigheid en de roeping dier katechisten beter te kennen, dient men te weten dat de paters, zoowel om den katechisten zeiven achting voor deze bediening in te boezemen, als om ze bij anderen meer aanzien te geven, ter gelegenheid hunner opname eene zekere wijding, om het aldus te noemen, hadden verordend, en de pleg-tigheden, daarbij gebruikelijk, hadden eenige overeenkomst met die , welke bij de inkleeding der religieusen voorgeschreven zijn. Tot deze betrekking werden uit de kinderen boven de dertien jaren, uit de jongelingen en ongehuwde mannen, die zich aanboden, alleen dezulken gekozen , die het voorbeeld gaven van een deugdzaam gedrag en waren ijver en een vlug oordeel en aanleg hadden voor het redetwisten. Zij moesten huis en ouders verlaten, om zich geheel aan de dienst van God toe te wijden, en wanneer hunne ouders nog in leven waren, moesten deze in persoon hunne kinderen op een der voornaam-
21
ste feestdagen in de kerk komen aanbieden. Op den bepaalden d:ig waren er zoovele geloovigen vereenigd als de kerk bevatten kon; de overste droeg liet H. Misoffer met alle plegtigheid op, begeleid door de muziek dei-Portugezen of, ter plaatse waar zij woonden, ook der seminaristen. Na liet Evangelie beklom een der paters den kansel en sprak over de verhevene roeping eens geloofsverkondigers of over eenig ander onderwerp van gelijken aard en over dc deugden, die daartoe worden gevorderd. Na deze toespraak liet de muziek zieli weder liooren, de nieuwe kateeliist knielde neder aan den voet des altaars , waar men liem de haarvlecht afsneed, die de Japannezen boven op het hoofd zamenbinden en naar achteren overslaan en waarvan het gemis bij hen eene openbare belijdenis is dat zij niet meer aan de wereld toebehooren. Vervolgens legden zij hun wereldsch kleed af en ontvingen er een, bijna gelijk aan dat der paters, in wier midden zij voortaan leefden. Ook hadden zij eiken dag vaste tijden voor gebed en gewetens-onderzoek, naderden maandelijks eenige malen tot de HH. Sakramenten en vergezelden den een of anderen missionaris, wien zij in het onderrigten der bekeerlingen behulpzaam waren. Gedurende dien tijd werden zij beproefd en oplettend gadegeslagen en later, als zij zich aanboden, hetgeen de meesten deden , in de Soeieteit aangenomen.
Dc aanneming van den jeugdigen Joannes geschiedde op de gebruikelijke wijze; en zijne godvreezende ouders leidden hem naar het altaar niet slechts vol vreugd, maar gelukkig in het bezit van een zoo waardigen zoon, die door God tot zijne dienst was uitgekozen. Binnen weinige jaren zouden zij, tot loon hunner edelmoedigheid.
22
hun lieveling met de martelkroon zien prijken, gelijk wij verhalen zullen. Hij werd de medgezel en leerling van P. Petrus de Morecon, een ijverig missionaris, met wien hij naar hot eiland Xikoko trok, waar hij langen tijd de kinderen in de grondbeginselen des gs-loofs onderwees. Yervolgens gingen beiden naar Osaka, destijds de hofstad van keizer ïaikosama en tevens eene standplaats van de paters der Societeit, waar toen P. Orlandino, Paulus Miki en Jakobus Kisaï woonden. Het voorbeeld dier meer bejaarde zendelingen, welke hij in den arbeid voor het zieleheil behulpzaam was, zette hem meer en meer aan tot deugdsbetrachting. De oogst was overvloedig, want de Christenen, waarvan er zelfs een groot aantal aan het hof des keizers woonde, waren er talrijk en vele grooten en vorsten gingen daar heen, om het H. Doopsel te ontvangen en dezelfde gunst voor hunne onderdanen te verzoeken. Toen de zaken het schoonst stonden brak er eene vervolging uit, die alle hoop vernietigde en Joannes, toen negentien jaren oud, de martelkroon bezorgde. Hij had eehtei-j eerst nog den troost P. Martinez, Bisschop van Japan, in Osaka te zien en van hem het H. Sakrament des Vormsels te ontvangen, welke nieuwe genade hem sterkte gaf om het geloof van Christus met zijn bloed te verdedigen.
23
X.
HET LEVEN DES II. MARTELAARS JAKOBUS KISAÃ. -
ZIJKE BEKEEKING.
Jakobus Kisaï, in 1533 in liet rijk van Bigen geboren, had veel hoogeren ouderdom bereikt dan de beide vorigen. Het is onloochenbaar dat hij, uit heidensehe ouders geboren, tot op zestienjarigen leeftijd, althans niet korter, in de afgodendienst heeft geleefd. Het schijnt tevens dat hij als kind, volgens japansch gebruik, ter opvoeding naar een klooster van bonzen gezonden werd en aldaar eene buitengewone bedrevenheid verkreeg in het schrijven van japansche letters. De Japannezen hebben geen alphabet, waarmede zij door verschillende zamenvoeging hunne woorden vormen; maar ieder ding wordt uitgedrukt door een bijzonder en geheel geëigend karakter, dat voor geen ander voorwerp dienen kan. Deze karakters nu, van zulk een zonderlingen vorm, met regte, kromme en dooreenloopeude lijnen, dat het ondoenlijk schijnt er ook maar weinige te onthouden, zijn verschillende duizenden in getal. Dit was dan ook al wat Jakobus van de bonzen goeds kon leeren, want die klasse was verzonken in de diepste bedorvenheid.
In de geschriften, die melding van hem maken, is nergens eene opgave te vinden van het jaar, waarin hij tot de kennis van den waren God kwam en gedoopt werd. Alleen noemt het verslag van P. Lud. Froës hem een Oud Christen, met welken naam toen diegenen werden aangeduid, die of door den 11. Franclscus Xaverius
24
zeiven of door een der twee zendelingen, die hij bij zijn terugkeer naar Indië in Japan acliterliet, gedoopt waren. Zeker is liet dat liij bij den Doop den naam ontving van Jakobus of, volgens anderen, van Didakus, welke beide namen door de Spanjaarden zonder onderscheid gebruikt worden.
Op mannelijken leeftijd gekomen, trad hij inliet huwelijk met eene pas bekeerde Christin, welke hem een zoon schonk, die den naam ontving van Joannes. Weinigen tijd daarna liet zijne echtgenoote zich door de bonzen misleiden , werd afvallig en keerde tot de afgodendienst terug. Jakobus trachtte haar door redenen en gebeden te bewegen en liet niets onbeproefd om haar van dien schandelijken afval terug te brengen; doch daar al zijne pogingen niets baatten, verjoeg hij haar uit zijn huis en brak den echt.
XI.
HIJ WOEDT ONDER DE KATECHISTEN OPGENOMEN.
Van alle wereldsche banden bevrijd, vormde Jakobus het plan , zich naamver met God te vereenigen en nu zijn reeds vroeger opgevat verlangen om de Societeit van Jesus in te treden te verwezenlijken. Hij regelde dan zijne huiselijke zaken, plaatste zijn zoon , naar wij meenen, in een seminarie en verzocht als katechist te worden aangenomen, welke gunst hem werd toegestaan. Dit laatste dient vooral opgemerkt te worden, om den graad te kennen, dien hij zoowel als Joannes Soan in de Socie-
25
teit van Jesus had; deze toch verschilt van dien der leekebroeders, hetgeen zij zekerlijk niet waren, zoo als blijkt uit de katalogen en inlichtingen, die de Overste van Japan jaarlijks van al zijne onderhoorigen naar den Generaal der Orde opzond, en nog bevestigd wordt door een feit, waarvan de Bollandisten melding maken, namelijk, dat P. Mutius Vitelleschi de verspreiding verboden heeft van eenige werken, waarin deze beide martelaars leekebroeders genoemd worden. Jakobus was dan katechist en wel een derzulken, die voor taalstudie en hoogere wetenschappen werden opgeleid en , na genoegzame vorderingen in deugd en wetenschap, of wel priester gewijd werden of ook, als zij dit verkozen, katechisten bleven tot aan hun dood. In een uitvoeri»'
O
verslag van P. Petrus Gomez lezen wij van hem, dat hij met waren ijver des geestes verscheidene jaren in de bekeering der heidenen behulpzaam was en hen door onderwijs in de christelijke leer tot het Doopsel voorbereidde.
Daar hij reeds ver in jaren gevorderd en buitengemeen ootmoedig was, hield hij zich in de huizen der Societeit gaarne met den nederigsten en verwerpelijksten arbeid bezig, waarom hem in Osaka, waar hij de laatste jaren zijns levens doorbragt, de zorg werd opgedragen voor de gasten cn voor het ontvangen der vreemden, hetgeen hij deed met innemende beleefdheid en de in Japan gebruikelijke pligtplegingcn, maar tevens met die ware liefde , die den Christen in hem deed kennen. Den tijd, dien hij van zijne bezigheden over had, besteedde hij eiken dag aan de overweging van liet lijden des Zaligmakers, zijne geliefkoosde devotie, waaruit hij
2
26
bemoediging eu kracht putte tot heiliging van zijn arbeid. Daar hij de japansche letters uitmuntend schreef, had hij het geheele lijden van Christus afgebeeld op eenige bladen, zamengebonden tot een boek, dat inderdaad schoon was, zoowel uit hoofde van de verscheidenheid der letters als van het godvruchtig kunstgevoel, dat in de kleine gekleurde teekeningen doorscheen. Dit boek was geheel zijn schat; hij bediende er zich van omzijn geest met overwegingen te voeden en als van eene schilderij j die hem het lijdend ligchaam des Verlossers gedurig-lijk voor oogen bragt. Ook strekte het hem tot middel om met de vreemden, die zich aanmeldden om de paters te spreken, godvruchtige gesprekken aan te knoo-pen en hen tot oefeningen van deugd op te wekken. Op deze wijze leefde hij tot zijn 643tc jaar, toen het God behaagde hem met den marteldood en wel, tot meer gelijkvormigheid aan Jesus, met den kruisdood te verheerlijken.
TWEEDE DEEL.
LIJDEN EIST DOOD
DER
DRIE HEILIGE) MARTEL AREN.
wmmmmmm
I.
DE CHRISTENKERK VAN JAPAN.
Wij zijn thans genaderd tot de beschrijving van het lijden en den dood der drie heilige martelaren, wier levensgeschiedenis wij kortelijk hebben medegedeeld. Evenwel is het noodig een terugblik te werpen op de tijden, die ons verhaal voorafgingen en de oorzaken dezer eerste algemeeue vervolging tegen de japansche Christenen op te sporen. â De H. Franciscns Xaverms , de eerste, die het licht des Evangelies in Japan' verspreidde, was aldaar op den gelukspellenden dag van Maria Hemelvaart 1549 aangekomen. Bij zijn vertrek liet hij de beide zendelingen, die hij uit Indië met zich genomen had , P. Cosmas de Torres en Joannes Fernandez, aldaar achter. Later, toen de oogst rijker werd, vermeerderde ook het getal werklieden. Zij verdeelden het land onder elkander, doorkruisten het in alle rig-tingen en wonnen koningen en volken voor de heilige wet van Christus. De eerste der vorsten, die het geloof omhelsde , was Xiumitanda, vorst van Omura , wiens voorbeeld door Civan, koning van Bungo en van nog vier of vijf andere rijken en eindelijk ook door den koning van Arima gevolgd werd, welke vorsten gezan-
30
ten naar Rome zonden, om den Paus hunne onderwerping aan te bieden. Gedurende de heerschappij van Nobunanga, die zich door zijne wapenen meer dan de helft van het japansche rijk onderworpen had, nam de bloei des Christendoms op eene verbazende wijze toe. Na zijn dood, die spoedig door dien zijns vervolgers Akeki gevolgd werd, kwam het oppergebied in handen van een anderen gelukzoeker, Eaxiba Xicidono ge-heeten. Deze, iu het rijk van Mino uit zeer geringe ouders geboren, won aanvankelijk zijn onderhoud met het verkoopen van takkebossen, die hij zelf bond en ter markt bragt. Deze levenswijs moede, besloot hij iu eene verandering zijne fortuin te zoeken: hij verwisselde dan de bijl met het zwaard, en daar hij op eene buitengewone wijze slaagde, doorliep hij spoedig al de graden der militaire eerambten en werd eindelijk tot aanvoerder en generaal benoemd. Na de nederlaag van Akeki ziende dat geheel Japan door inwendige onlusten verscheurd werd, nam hij behendig de kans waar en, door de fortuin begunstigd, gelukte het hem, na zich van Nobunanga's kinderen en andere tegenstanders, die naar het bestuur dongen, ontdaan te hebben, het rijk in minder dan een jaar tot een ligchaam te vereenigen en alle koningen en vorsten van Japan als onderdanige vasallen voor zijn troon te zien. Hij behield zijn ouden naam l-'axiba tot het jaar 1585, doch verwisselde dien toen tegen den titel van Kambakundono, welk woord de beteekeuis heeft van Schatkist, ten einde zijne lage afkomst zooveel mogelijk te doen vergeten. Eindelijk deed hij in 1593 afstand van den titel van Kambakundono ter gunste van zijn neef en nam den naam Taikosama,
31
dat is Opperheer, voor zioli. Deze japansche Tiberius , want dien naam verdient hij om zijn persoonlijk gedrag zoowel als om zijne openbare handelingen, bleef gedurende zestien jaren de dwingeland zijns volks. Zijn zedelijk gedrag was inderdaad dierlijk: alle godsdienst was hem vreemd en aan het bestaan van een God. geloofde hij volstrekt niet. Somwijlen vervolgde hij de bonzen en afgoden , dan overlaadde hij hen weder met gunstbewijzen. Eveneens deed hij met de Christenen: eerst werden zij bevoorregt , later op cene bloedige wijze vervolgd. Deze veranderingen nu waren niet het gevolg van ongedurigheid, maar geschiedden volgens een welberekend plan; want een hoofdbeginsel regelde al zijne daden , te weten : dat hij zich van alles slechts in zoover bedienen moest als het met zijne belangen strookte.
II.
UITBAUSTIKG DEU VERVOLGING.
Gedurende de vijf jaren dat hij het geloof en de zendelingen begunstigde, klom het getal Christenen tot eene verbazende hoogte, zoodat er toen meer dan tweehonderdduizend geloovigen geteld werden. Onder hen waren de beide aanvoerders der land- eu zeemagt en vele der aanzienlijkste hovelingen en voornaamste ambtenaren des rijks. Daarenboven had bijna geheel het leger de waarheid omhelsd, zoodat het kruis in verschillende vormen op scheepsvaandels en krijgsbanieren prijkte. Niet alleen liad de keizer toegestaan dat liet geloof vrije-
32
lijk mogt verkondigd worden, maar dikwijls kwam hij zelf, van een paar der zijnen vergezeld, eenige uren in het gezelschap van den Vice-provinciaal, P. Caspar Coeglio, doorbrengen. Eens, hot was op den 24stel1 Julij 1587 , nadat hij in den loop van den dag een langdurig en zeer gemeenzaam onderhoud met Coeglio gehad had , des avonds, geheel verhit door het onmatig gebruik van portugeschen wijn, in zijn paleis teruggekeerd, werd hij aangesproken door zekeren bonze Jakuin, een sehaam-teloozen booswicht, die hem in het plegen zijner schanddaden behulpzaam was en de middelen daartoe verschafte. Deze verhaalde met duizend leugenachtige bijvoegsels , dat eenige christenvrouwen van Arima volstrekt hadden geweigerd zich tot 's keizers schandelijke voldoeningen te leenen; vervolgens voer hij hevig uit tegen de christelijke leer en de zendelingen, die haar predikten, den keizer met een vloed van listig uitgedachte redenen verzekerende, dat hij geen rustig bezit van zijn troon hopen rnoest zoolang hij bescherming verleende aan een ras van menschen, dat het volk eene wet leerde, onteerend voor liet godendom en met de volksoverleveringen en de zeden des lands geheel in strijd. Taikosama, van nature achterdochtig en nu door wellust verteerd en door den wijn bevangen, aan hevige gemoedsaandoeningen ter prooi, zwoer op het oogenblik het Christendom te zullen uitroeijen.
Nog denzelfden nacht zond hij het banvonnis aan Justus Ukondono, opperbevelhebber des legers, en bij het aanbreken van den dag aan P. Coeglio een bode, met bevel dat alle verkondigers der christelijke wet zich op doodstraf binnen een bepaalden tijd uit Japan moesten verwijderen.
33
âEr werd goedgevonden,quot; zoo spreekt P. Lud. Frots in zijn verslag, âdat men eene zoo talrijke christenbevolking niet zou verlaten; doch om's keizers gramschap niet te tergen en den schijn aan te nemen alsof zijn bevel gehoorzaamd werd, gelastte de Vice-provinciaal ons eene japansehe kleeding aan te nemen en aldus ongemerkt en in 't geheim voort te gaan met het verzorgen der geloovigen. Op deze wijze gelukte het ons na dit noodlottig vonnis nog twee huizen, een te Miako en een te Osaka, op te rigten, elk door tien religieuzen bewoond. Hier hielden wij echter de godsdienstoefeningen niet in openbare kerken, maar hadden wij eene huiskapel, waar het H. Misoffer opgedragen en de Sakramenten toegediend werden , als ook eene zaal aan de straatzijde, die tot spreekvertrek diende. Met deze voorzorgen hebben wij ons nog ten getale van honderd vier-en-dertig staande gehouden, en het getal Christenen wies inmiddels zoo aan, dat er, zonder de kinderen van christenouders mede te tellen, toen meer dan vijf-en-zestigduizend gedoopt werden. De keizer wist wel dat wij er allen nog waren; maar het was hem voldoende dat wij ons verborgen hielden en zijn bevel niet openlijk durfden trotseren.quot;
Zoo stonden de zaken nog, toen in Junij 1593 twee priesters en twee leeken, allen Minderbroeders, te Nan-gasaki aan wal stapten met eene zending van den goeverneur der philippijnsche eilanden aan Taikosama, die ten onregte op het bezit dezer eilanden aanspraak maakte. Zij waren de eersten, die van andere religieuze orden herwaarts kwamen en hadden aan hun hoofd den kommissaris P. Petrus Baptista, een man van zeldzame
34
heiliglieid en brandenden ijver voor het heil der zielen. Te Xungoïa boden zij den keizer de lastbrieven en geschenken des goeverneurs aan en verzochten ecnigen tijd te Miako te mogen vertoeven, hetgeen hun onder zekere voorwaarden werd toegestaan. Toen nu deze apostolische mannen die onafzienbare graanvelden rijp zagen voor den oogst, kon hun ijver zich niet langer bedwingen. Zij openden eerst daar en later ook te Osaka eene kerk en een klooster en begonnen de godsdienst met gezegend gevolg in het openbaar te bedienen. Dit gaf aan eenigc heidenen , vooral aan zekeren renegaat Faranda, die eerst uit persoonlijk belang hun beschermer geweest was, gelegenheid om hen bij Guenifoin, o-oeverneur van Miako, als overtreders der keizerlijke bevelen aan te klagen.
Het schijnt dat de beschuldiging door toedoen des goeverneurs, wiens beide zonen en nog andere bloedverwanten Christenen waren, niet aan den keizer werd overgebragt, ten minste de religieuzen konden nog twee jaren ongehinderd voortgaan. Maar op het einde des jaars 159G namen de zaken eene geheele andere wending. ïlet schip San Filippoj dat van IManilla naai Nieuw-Spanje stevende, strandde te Urando op de kusten van Tosa en bragt tweehonderd veertig passagiers aan wal: vijf-en-negentig van hen waren Kastilianen en onder deze vier religieuzen van de orde van den H. Augustinus, twee Pranciskanen: Tr. Philippus de las Casas of a Jesu en de leekebroeder Joannes, benevens cén Dominikaan. Taikosama, de schipbreuk vernomenhebbende, liet, volgens de barbaarsche gebruiken van Japan, schip en lading verbeurd verklaren en zond zekeren Maxita,
35
een dev voornaamste goeverneurs , naar Urando, om hot in bezit te nemen. Terwijl deze met de plundering van liet ontredderde seliip bezig was, viel hem eene zeekaart in handen, waarop de zeewegen en windhoeken stonden aangeduid. Hij vroeg aan den stnnrman, hoe zijn koning toch zoo vele en zoo veraf gelegene landen had kunnen bemagtigen, waarop deze ten antwoord gaf, dat het geluk der wapenen hiervan de oorzaak was. âHoe is dit mogelijk,quot; hernam de listige goeverneur, âterwijl de bemanning uwer schepen zoo gering is?quot; ïoen bedacht dc stuurman eene grove en voor de godsdienst zeer verderfelijke leugen, met de bedoeling , zoo verklaarde hij later, om daardoor den barbaar schrik aan te jagen en hem van zijne onregtvaardige verbeurdverklaring te doen afzien. âDaartoe,quot; zoo gaf hij voor, âworden er eerst geloofspredikers van alle religieuze orden uitgezonden, vervolgens komt het leger, en de overwinning blijft zelden uit.quot; Hierop verwijderde Maxita zich aanstonds met den inventaris der goederen en de zeekaart, spoedde zich naar Osaka en bragt het antwoord des stuurmans aan den keizer over. Meer was er voor den barbaar niet noodig om tot het uiterste te komen ; bovendien waren nu nog de goeverneur van Tosa en Jakuin, dezelfde die negen jaren geleden dc eerste vervolging ontstoken had, daar, om zijne woede aan te blazen. Het bleef dan ook niet enkel bij gemoedsaandoeningen; maar hij verklaarde tot eiken prijs die vervloekte Christenen te willen verdelgen, en nog den-zelfden nacht van den 8n December 1596 zond hij een bode naar de beide goeverneurs van Miako en Osaka: Gibunoxio en Farimandono, met last om alle geloofs-
36
verkondigers en hunne volgelingen op te sporen en in verzekerde bewaring te stellen.
III.
VERLANGEN DER CHRISTENEN NAAK DEN MARTELDOOD. â HET VONNIS WOIIDT GEWIJZIGD.
Juist waren er te Osaka vier priesters van de Socie-teit aangekomen, om den Bisscliop, P. Martinez, die den vorigen dag naar Nangasaki op reis was gegaan, te vergezellen, toen P. Organtino, hun Overste, door een bediende des goeverneurs, die Christen was, van het opsporen en de gevangenneming der gcloovigen en van den ondergang, waarmede de christenkerk bedreigd was, onderrigt werd. Hij liet toen twee priesters met Paulus
Miki en de beide katechisten, Joannes de Goto en Jakobus Kisaï, aldaar achter, om de Christenen bij te staan, en vertrok zelf tegen het vallen van den volgenden nacht met P. Franciscus Perez en Paulus van Amakusa naar Miako, om de geloovigen van die stad te versterken en zelf de martelkroon te verwerven.
Het vonnis van Taikosama, dat alle belijders dei christelijke wet trof, was intusschen ruchtbaar geworden, en de geloovigen bereidden zich met bewonderenswaar-digen ijver, zonder eenige voorzorgen te nemen, tot den marteldood voor. P. Organtino, te Miako aangekomen en op nieuw van de aanstaande gevangenneming verzekerd , schreef in de vervoering zijner vreugd het volgende aan den Vice-provinciaal, P. Gomez. âHetgeen ik
37
u in dezen brief meedeel belielst ongetwijfeld , zoowel voor u als voor den Bisschop en alle leden der Societeit, groote redenen tot blijdschap. Gisteren toch, laat in den avond, ontving Maria, de echtgenoote van Civan, een briefje van haar neef uit ïucimi, inhoudende, dat Gibunoxio den last had ontvangen, alle paters om te brengen. Paulus van Amakusa bragt ons dit berigt aanstonds over in het huis, waar wij waren, en riep ons met uitgelaten blijdschap toe: //mijne vaders en broeders! wat wij sinds lang wenschten wordt binnen kort vervuld : wij zullen ons leven geven voor den Heer, die eerst het zijne voor ons gegeven heeft.quot; â Dit hoorende, gingen wij, het hart vol vertroosting, ons onverwijld voorbereiden, en allen, paters, broeders, katechisten, huisbedienden, alle Christenen zonder onderscheid, zoo grooten als kleinen, toonden toen wat zij waren en legden de grootste bereidvaardigheid aan den dag om ons te volgen en hun leven uit liefde tot God ten offer te brengen. De eerste voorbereiding betrof de ziel; daarna droegen wij zorg voor eene meer betamelijke kleeding, trokken de ruime japansche tabbaarden uit en kleedden ons op eene meer aan onzen staat, als leden der Societeit en verkondigers van het Evangelie, passende wijze. Gedurende dit alles schonk God aan ons hart zulk een genoegen, dat het op aller gelaat uitblonk en ik geene woorden vind om het u te beschrijven : wij erkennen daarin de genade des Heiligen Geestes, voor ons verworven door de gebeden en Heilige Misoffers, die er op last van P. Generaal voor onze provincie worden opgedragen door al de leden der Societeit en vooral door u, die onze moeijelijkhe-
38
den meer van nabij ziet en de gevaren kent, die ons omringen. Ook bragteu de vaardigheid en de uitmuntende stemming onzer goede Christenen er niet weinig toe bij om onzen ijver en vreugde te vermeerderen; wij waren in derdaad verwonderd in geen enkelen hunner eenig tee-ken te zien van neèrslagtigheid, vrees of bezorgdheid voor het aanstaande verlies van tijdelijke goederen, kinderen, eehtgenooten, ouders, vrienden en van liet leven: de vrees van sommigen dat hunne ouders wei-ligt hun marteldood zouden verhinderen was al klagen, wat wij hoorden. Het meest onderscheidde zich de krijgsman Justus Ukondono, een waar soldaat van Christus, en zijn voorbeeld werd gevolgd door vele rijksgrooten, zoo als onder anderen door de beide zonen van Guenifoin, van welke de jongste, nu Kon-stantijn genoemd, zich nooit van ons heeft willen verwijderen. Insgelijks deden vele andere geloovigen van voornamen stand: zij ontboden ons, om hen te komen bezoeken, of schreven dat zij bereid waren om zich op het eerste gerucht van vervolging bij ons te vervoegen en met ons, hunne vaders en leermeesters, te sterven. Wij hebben de overtuiging, dat de genade van liet H. Sakrament des Vormsels, voor weinige dagen dooiden Bisschop toegediend, dien bewonderenswaardigen ijver ontstak in de harten dier pas bekeerden.quot; â Dergelijke gevoelens bevatten ook de andere brieven uit die missie. Een enkel fragment willen wij echter nog aanhalen uit eenen brief van Fr. Vincentius aan den Vice-provinciaal; het verdient bewaard te blijven, zoowel om hem zeiven als om den toenmaligen toestand beter te kennen.
39
âNaamvelijkszoo sclirijft hij, âhad ik te Nar a, waar ik toen woonde, tijding ontvangen van hetgeen er te Miako omging, of in allerijl ging ik, of liever vloog ik derwaarts, vreezende dat het minste verwijl mij beletten zou met mijne broeders op het slagveld te zijn. Daar aangekomen, zag ik met bittere droefheid mijn verlangen teleurgesteld; want op weg naar het huis, waar de wachten zich bevonden, sleurden de Christenen mij met geweld mede, zeggende dat de vice-goeverneur het op mij vooral gemunt had, en ik was genoodzaakt mij naar het verblijf van P. Organtino te begeven. Ik moet bekennen dat geen eervoller onderscheiding mij kon te beurt vallen, dan dat men het onder zoo vele geloofsverkondigers der Societeit voornamelijk op mij aanlegde en ik door de heidenen voor een bijzonderen dienaar van Christus en gevaarlijken verkondiger des Evangelies gehouden werd. Ik houd mij overtuigd, dat dit ook voor het aanschijn der Goddelijke Majesteit in het andere leven mijne grootste blijdschap wezen zal, en niets verlang ik vuriger dan om die reden tot het laatste oogenblik mijns levens vervolgd te worden. Ware het mij vrijgelaten, welhaast zou ik naast mijne andere broeders gevangen zijn; maar de gehoorzaamheid verbiedt het en ik onderwerp mij dus geheel aan den wil van God. De tijding is hier aangekomen dat de onzen van liet doodvonnis uitgesloten zijn, hetgeen de Christenen, die hun behoud wenschen, zeer verblijdt, doch ons daarentegen als eene ramp met smart vervult. Intusschen daar alles dooreenloopt en de toestand elk oogenblik weder kan veranderen, aangezien men des avonds intrekt wat des morgens besloten was,
40
voeden wij de hoop dat Taikosama ook ons ter dood zal veroordeelen, hetgeen zeer waarschijnlijk is. Mogt dit geschieden, dan vertrouw ik van de kracht dei-genade , dat gij met de tijding van onzen dood tevens meer blijken van standvastigheid en geloofsmoed ontvangen zult, dan ik voor het oogenblik kan opteeke-nen. Ik twijfel niet of wij zullen weldra door even zoo vele anderen, die dit geluk reeds verbeiden, gevolgd worden, om vereenigd met hen in het paradijs elkanders zegepraal te bezingen. Mogt evenwel aan de leden der Societcit en den Christenen de martelpalm voor het oogenblik ontgaan, houd u overtuigd dat zij voor het aanschijn van God reeds blijmoedig het offer huns levens gebragt hebben uit liefde tot Christus.quot;
Zoo ontboezemde zich deze vurige geloofsbelijder. Evenwel werden er door den Hemel voor het tegenwoordige slechts vier-cn-twintig uitgekozen, wier getal later op weg naar den dood nog met twee vermeerderd werd.
Zulk eene wending hadden de zaken genomen door het beleid en den goeden raad van Gibunoxio, goever-neur van Miako. Deze, ofschoon heiden, eehter een weldenkend en regtschapen man, begaf zich, zonder daartoe of door drangredenen overgehaald of door smeekingen aangezocht te zijn, uit eigene beweging naar Taikosama. Zoodra hij kennis bekomen had van het vonnis, dat niemand der Evangeliepredikers of geloovigen uitsloot, en zich houdende als had hij het bevel kwalijk begrepen , vroeg hij of ook de geestelijken, die op portu-gesehe schepen naar Japan gekomen waren, tot de veroordeelden behoorden. En om zijnen twijfel te billijken, voegde hij er bij, dat de Portugezen niet kwamen om
41
vreemde landen te veroveren, maar alleen om hunne koopwaren te slijten, hetgeen niet weinig voordeel voor Japan opleverde, en dat dus ook de zaak dezer priesters merkelijk van die der overige verschilde. Daar verder het gebruik wilde dat het misdrijf en de straf der veroordeelden in hunne nabijheid met groote letters werden opgeschreven en in het tegenwoordig geval aller misdaad niet dezelfde was , zoo vroeg hij, aan welk misdrijf de portngesche priesters zich dan wel hadden schuldig gemaakt, opdat dit als de oorzaak hunner teregtstelling zou kunnen bekend gemaakt worden. âIk vraag dit met te grooter belangstellingzoo ging hij voort, âdaar P. Joannes Eodriguez uw tolk, de oude Organtino, de Bisschop en de tien Christenen, die reeds aan den gezant Valegnani zijn toegestaan, bijzondere vergunning van Uwe Majesteit bekomen hebben om in Japan te blijven.quot;â Taikosama, wien dit alles gegrond voorkwam, vroeg niet verder; maar gaf aanstonds bevel, dat alleen zij, die van de philippijnsche eilanden gekomen waren, en do Japannezen, hunne volgelingen, zouden ter dood ge-bragt worden. Vervolgens herdacht hij hetgeen hem door Gibunoxio ter goeder ure herinnerd werd, dat dc Portugezen , zoo dikwijls er een hunner schepen aankwam, hem geschenken bragten en als vorst van Japan huldigden , al hadden zij ook geene zendingen of geschenken van den koning van Naban (zoo werd aldaar de onderkoning van Indië genoemd) over te brengen. In het bijzonder maakte hij ook nog gewag van de vroegere zending van P. Valegnani en van die des Bisschops Martinez, die nog slechts voor weinige dagen vertrokken was, en besloot zijn gesprek met uitdrukkingen
43
van tcederheid, die men van zulk eon woestaard nict zou verwachten , zeggende dat hij waarlijk bezorgd was over de droefheid, waarin zijn tolk Eodriguez zich bevinden zon. Op staandeu voet, zoo beval hij, moest er naar dien pater, waar hij zich ook bevinden mogt, een renbode worden afgezonden , om hem te verzekeren dat noch hij , noch Organtino , noch ook de Bisschop of diens reisgenooten iets hadden te vreezen, hetzij voor hun leven, hetzij voor de kerken, waarin zij de godsdienstoefeningen hielden voor de Portugezen; maar dat zij het niet wagen moesten te prediken of nieuwe aanhangers hunner leer te winnen, daar dit hun streng verboden werd. Tevens ontvingen de goeverneurs van Nan-gasaki in last, aan niemand der paters de reis naar Miako te veroorloven, tenzij alleen aan gezanten of reisgenooten der Portugezen, die bij de aankomst van elk schip naar Miako gezonden werden. Onverwijld zond Gibunoxio uit Puximi aan Organtino en verder aan P. Rodriguez, die met den Bisschop naar Nangasaki was teruggekeerd, de tijding dezer onverwachte en zeldzame verandering van ïaikosama en gaf bevel aan zijn plaatsbckleeder, om de paters terstond in vrijheid te stellen en de wachten te verwijderen. Alvorens echter dit besluit van het hof te Nangasaki en in geheel Ximo ruchtbaar geworden was, waren er aldaar, zoo als gewoonlijk geschiedt, werkelijk overdrevene nieuwstijdingen betreffende het eerste vonnis uitgestrooid. Zoo verhaalde men, dat te Miako en te Osaka tien religieuzen der Societeit en zes Franciskanen onder de vreeselijkste folteringen bezweken waren en nu reeds het loon van hunnen arbeid verworven en het geloof door hunnen mar-
43
teldood verheerlijkt hadden; dat men alom de Christenen opspoorde en er geen dag voorbij ging, waarop er niet eenigen werden ter dood gebragt; verder dat men do woedende beulen met hunne foltertuigen elk oogenblik te Nangasaki, Arima, Amakusa en Bungo, waar paters , geloovigen en kerken waren, verwaehten kon. Op het hooren dezer geruchten begonnen de Christenen te bidden, deden boetvaardigheid en bereidden zich openlijk tot den marteldood voor. De onzen gingen overal volijverig rond om te prediken, hetgeen in deze omstandigheden hoog noodig was, en besteedden dag en nacht om de geloovigen te versterken. ^ Eindelijk bragt een renbode te Nangoïa aan Fazambaro, plaatsbekleeder van zijn broeder Terazaba, den goeverneur dezer gewesten, het besluit des keizers en de bevelen der rijksraden over, waarna Fazamburo den paters liet prediken, den Christenen het bezoeken der kerken van Nangasaki, die voortaan alleen voor de Portugezen mogten openstaan, en aan allen elke , zoowel geheime als openbare, vereeniging van godsdienstigen aard verbood. Bovendien schreef hij eenen hartelijken, maar dringenden brief aan Joannes, vorst van Arima, en aan Sanchez vanOmura, met de bede, dat zij om hun eigen welzijn en het geluk der christenkerk, als hun dit ter harte ging , den keizer toch niet door ongehoorzaamheid zouden verbitteren; want dat deze het geheel iu zijne magt had om hen uit hunne staten te verdrijven en het) geloof in geheel Japan uit te roeijen. Daarop liet hij do drie religieuzen van den II. Franciscus, die zich naar het hospitaal van den H. Lazarus begeven hadden, met geweld van daar voeren en aan boord der portugesche schepen
44
opsluiten , opdat men niets van hen zonde vernemen, en verbood op doodstraf aan de zeelieden hen weder aan wal te zetten.
IV.
GEVANGENNEMING DER MARTELAARS.
Sedert de uitspraak van het doodvonnis tegen de paters Franciskanen en twaalf hunner lotgenooten, in Miako daartoe uitgekozen, bleef alles stil en werd er tegen hen niets gedaan of gesproken tot den 3 O11 December : wederom opzettelijk aldus bedacht door den regtschapen Gibunoxio, die tijd zocht te winnen, in de hoop dat 's keizers woede bedaren zou en hij hem te eeniger tijd in zulk eene goede stemming mogt aan-treffen, dat het niet moeijelijk zou zijn om voor de religieuzen, die toch bijna allen den titel hadden van gezanten des goeverneurs der philippijnsche eilanden, te verkrijgen dat zij voor straf enkel derwaarts werden teruggezonden. Maar de boosaardige Jakuin voorkwam hem. Op den voorlaatsten December begeeft hij zich naaiden keizer, herinnert hem alles, klagende over de traagheid zijner dienaren in het teregtstellen van die aartsvijanden der japansche goden en leeraars eener duivel-sche wet, zoo als hij het christelijk geloof plagt te noemen. De booswicht droeg zijne zaak zoo listig voor, dat Taikosama, wien alles reeds ontgaan was, in zijne vorige razernij verviel en aan Gibunoxio, dien hij oogen-blikkelijk deed ontbieden, gelastte de religieuzen van Osaka zonder eenig uitstel naar Miako te vervoeren en
45
hun daar, even als den anderen religieuzen van die stad, neus en ooren af te snijden, vervolgens op karren te zetten, het vonnis op een groot bord voor hen uit te dragen en hen zoo langs do groote straten van Miako, Osaka en Sakai rond te voeren en aan de verguizingen van het publiek bloot te stellen, vervolgens naar Nan-gasaki te voeren en hen daar aan een kruis te doen sterven, waarvan zij niet mogten afgenomen worden voor dat hunne ligchamen door de ontbinding tot op de beenderen verteerd waren, zoo als in Japan met de gekruisigden het gebruik was. Een zoo uitdrukkelijk gebod benam Gibunoxio alle hoop; hij beval dan aan zijn plaatsvervanger te Miako dat de vijf religieuzen van den H. l'raiicisciis en de twaalf Japannezen, die met hen sterven moesten, uit het huis, waar zij onder bewaking stonden , naar de openbare gevangenis zouden vervoerd worden. Bij de uitvoering van dit bevel had er een voorval plaats, waarin wij de geheime raadslagen der Voorzienigheid niet genoeg kunnen prijzen en bewonderen. De kok van liet klooster der Franciskanen was een Japannees, met name Matthias; hij behoorde tot de twaalf; maar de wachten hadden hem vrijheid gegeven om het benoodigde te gaan koopen voor den maaltijd der kloosterlingen, dien hij bereiden moest. Eens dat hij zich weder voor zijne zaken verwijderd had, kwamen juist de geregtsdienaars de gevangenen opeischen; de hoofdman riep allen bij hunne namen op zoo als zij op de lijst elkander volgden. Allen antwoordden en stelden zich daarop in de handen des geregts. Matthias alleen was niet te vinden; het geheele klooster werd doorzocht en zijn naam overal luidkeels uitgeroepen. Toevallig woonde er
46
naast het klooster een andere Christen, insgelijks Matthias geheeten. Deze nu was vroeger met de negen-en-dertig anderen veroordeeld geweest; maar bij de vermindering van dit getal tot twaalf was hij uitgesloten. In den hemel was het echter bepaald dat hij tot liun getal be-hooren moest, welligt omdat hij waardiger was of ten minste omdat hij dierbaarder was aan God, die het aldus beschikte dat hij, bij afwezigheid des anderen, diens plaats zou vervangen. Toen hij dan hoorde dat Matthias zoo dringend gezocht werd en niet antwoordde, trad hij te voorschijn, zeggende: âhier is hij, gij zoekt wel een anderen; maar ik ben Christen zoo als hij en vriend dezer paters. Als gij met mij tevreden zijt, ziet mij dau hier bereid u te volgen.quot; De voorslag werd terstond aangenomen; men bragt hem bij de anderen en zij werden gezamenlijk vervoerd. Het zou inderdaad een voor den hemel zelfs verrukkend schouwspel geweest zijn, indien de eerste Matthias, later teruggekomen, terstond naar den goeverneur gesneld ware, om zijn regt te doen gelden tegen den tweeden, die hem de martelkroon ontroofd had, zoo als in latere vervolgingen meermalen met goeden uitslag geschied is; maar men vindt van hem niets meer opgeteekend en zijn verder wedervaren is onbekend. De Christenen, dit voorval vernomen hebbende, merkten zeer jnist aan dat in hem bewaarheid was wat de H. Lucas van den Apostel Matthias schrijft: âhet lot viel op Matthias en hij werd met de elf medegerekendquot; daar ook in dit geval het twaalftal door hem was aangevuld.
I) Hand. I; 26.
47
V.
PAULÃS JUKI, JOANNES BE GOTO EN JAKOBUS KISAÃ WOUDEN MET DE ANDEREN GEVANGEN GENOMEN.
Ook ons heilig drietal, aanvankelijk niet mede veroordeeld, daar dit alleen aan hen was te beurt gevallen, die van de philippijnsche eilanden gekomen waren, werden door ecne even wonderbare , hoewel geheel verschillende beschikking der Voorzienigheid tot den mar-telpalm opgeroepen. Onmiddellijk na de wijziging van het vonnis had Gibunoxio de wacht aan liet huis der Jesuïeten ingetrokken; maar te Osaka, waar Fariman-dono liet bevel voerde, werden alle religieuzen der stad, Franciskanen en Jesuïeten gevangen genomen; want de goeverneur was nog kort te voren door den keizer onderhouden over zijne zorgeloosheid in het tegengaan van de uitbreiding des Christendoms en bovendien werd hij dooi' een zijner vertrouwdste vrienden, die veel invloed had aan het hof, tegen de Jesuïeten ingenomen. Alleen Paulus met de beide kateehisten, zijne gezellen, woonden voor het oogenblik te Osaka, want P. Kodriguez en Petrus de Morecon waren kort te voren vertrokken, om den Bisschop Martinez tot Sakai te vergezellen. Ondervraagd of zij Jesuïeten waren of op eenige wijze tot de Societeit behoorden, antwoordden zij aanstonds bevestigend en werden zonder verder verhoor op de lijst geschreven en onder bewaking gesteld. Joannes en Jakobus hadden zich ongetwijfeld kunnen redden, door te verklaren dat zij niet tot de Societeit behoorden,
48
gelijk ook inderdaad het geval was, want zij waren nog slechts op weg en in dc voorbereidende beproeving; maar vrijwillig stelden zij zich in de handen der vervolgers, om de gelegenheid tot den marteldood niet te laten ontsnappen, vertrouwende dat men nu hun verlangen om in de Societeit te worden opgenomen spoedig zou bevredigen. Toen zij met Paulus in den kerker opgesloten waren , schreven zij terstond aan P. Organtino cn gaven dc hoop te kennen , dat hun aanstaande dood hun nu toch de genade verdienen mogt om zich door de religieuze geloften aan de Societeit te kunnen verbinden. Dit werd hun voor het oogenblik beloofd en later, zoo als wij verhalen zullen, door den Vice-provinciaal werkelijk
toegestaan. .
Terwijl zij nog in den kerker waren , begaf zich een der meest invloedhebbende Christenen naar Faiiman-dono en bragt hem onder het oog dat deze drie niet in het vonnis des keizers begrepen waren; maar de goc-verneur voor zich zeiven vreezende, wilde hen met van de lijst schrappen, die reeds aan laikosama was voorgelegd , noch zich in ecnige moeijelijkheid wikkelen, om hen te redden. Even vruchteloos bleven de pogingen , door Justus Ukondono en de beide zonen van Guenifoin aangewend, om hem te bewegen hen in vrijheid te stellen ° ja zelfs, hoe hebzuchtig en veil anders de lieden van zijne soort ook meestal zijn, den losprijs, hem aangeboden, wees hij van de hand. Organtino, dit hoo-reildc en beducht voor de ergernis, die daaruit voor de Christenen ontstaan kon , bragt den ridders ernstig het gevaarvolle van hunne overigens prijzenswaardige han-
O
deling onder het oog.
â¢19
Zoo werden zij dan den 1quot; Januarij 1597 met P. Martinus en zijne drie Japannezen, een prediker entwee katecliisten, onder strenge bewaking naar Miako gevoerd en bij de overigen in de stadsgevangenis opgesloten. Onbeschrijfelijk was de vreugde van onze drie martelaren toen zij zieli met dit gezelscbap van Heiligen ver-eenigd zagen. Zij werden nog aangemoedigd door een brief, hun uit Osaka door P. Morecon geschreven, waarin hij zijn eigen lot betreurde en hun geluk wenschte met het hunne. Paulus, wiens ketenen zwaarder waren dan die der overigen, was als buiten zich zeiven van blijdschap en zijne lotgenooten konden zich niet verzadigen met het gezigt van de innige vreugd, die op zijn gelaat te lezen stond en den ijver des geestes, die zijne woorden bezielde. Gedurende geheel dien eersten nacht zijner gevangenschap sprak hij onophoudelijk met de wachten en eenige Christenen, die hem niet hadden willen verlaten, over de onsterfelijkheid der ziel, de eeuwigheid der toekomst, de glorie der zaligen en het lijden des Verlossers en bovenal over den marteldood, uit liefde tot Christus en ter verdediging des geloofs, als over eene genade van onschatbare waarde, die elke andere te boven ging, met edele zielsverheffing verzekerende dat deze weldaad, zoolang door hem afgebeden en nu bijna verkregen, zijn geluk volmaakte. Als hij over dit onderwerp sprak hadden zijne woorden, hoe welsprekend ook altijd, eene geheel buitengewone uitdrukking en kracht en gloeide zijn gelaat als van iemand, die zich niet bezit van wellust. Bovendien ging zijn dood van eenige omstandigheden vergezeld, die ook den dood van Christus hadden gekenmerkt, hetgeen zijn hart met den zoet-
3
50
sten troost vervulde Immers hij was nu juist drie-eu-dertig jaren oud; hij zou aan een kruis sterven; zijne zijde met eene lans doorstoken worden; een Donderdag was de eerste dag van zijne gevangenschap en het begin van zijn lijden; hij werd omgebragt door een volk, voor welks geluk hij zich had opgeofferd; den volgenden Vrijdag moest hij smadelijk in het openbaar worden rondgeleid langs de groote straten van Miako, even als Christus door Jerusalem; het vonnis zou ook in zijne nabijheid te lezen staan en daarenboven leed hij dit alles evenzeer uit gehoorzaamheid. Alle omstanders, de heidenen zelfs niet uitgezonderd, schreiden van aandoening en konden er later niet genoeg van verhalen. Ook mogt Paulus hier nog denzelfden troost smaken, dien hij reeds in den kerker te Osaka gehad had, waar /.es afgodendienaars door zijne prediking bekeerd en terstond door hem gedoopt waren, want nu ook verzekerden twee heidenen hem in 't geheim, dat zij binnen kort het geloof wilden omhelzen.
YI.
VERMINKING DEK MARTELAARS.
Den derden Januarij, midden op den dag, werden zij alle vier-en-twintig uit den kerker gesleept en, de handen op den rug gebonden, omringd van eene groote menigte wachten en toeschouwers, door geheel dat gedeelte der stad rondgeleid, dat beneden-Miako genoemd wordt en met de bovenstad het groote Miako vormt. Daar werd aan allen een gedeelte van het lin-
51
keroor afgesneden, den eenen meer, den anderen minder, volgens dc willekeur der beulen; en dit was nog eene eigenmagtige verzachting van liet vonnis, door den goe-verneur toegestaan, want er was bevolen dat de beide ooren en de neus geheel afgesneden moesten worden. Nabij onze drie martelaren stonden twee vurige Christenen , die, om martelaars te worden, niets meer noodig hadden dan een beul, die hen voor liet geloof wilde ombrengen, zoo dikwijls en zoo blijmoedig hadden zij zich reeds aan den dood blootgesteld. De eene was Victor Nodaghensuki, geheimschrijver van bovengenoemden goeverneur van Miako. Van den achtsten December, waarop de vervolging begonnen was, tot den dertigsten derzelfde maand had hij zich niet van Panlus Miki verwijderd, tenzij alleen om zijne vrouw en kinderen te gaan halen en in een ander huis, nnbij het onze gelegen, over te brengen, opdat geheel zijn huisgezin het eerst den marteldood zou kunnen te gemoet snellen, in geval de paters werden omgebragt. Hij voor zicli vond dien afstand van een paar schreden nog te groot en sloot zich bij Paulus op in het huis, dat door wachten omringd was. Iemand zeide hem eens dat het eene barbaarsche liefde was, zijne vrouw en kinderen, die hij toch zoo lief had, in doodsgevaar te brengen. âNeen,quot; antwoordde hij, âjuist het tegendeel: ik bemin hen hartelijk en bezorg hun daarom het grootste geluk, dat zij bekomen kunnen. Zoo denken ook de mijnen er over: zij hebben mij even lief als ik hen en zouden mij dus ook in de gelegenheid stellen den marteldood te sterven, als ik dien zelf niet zocht. Hunne stemming is waarlijk vertroostend, en in geval ik nu alleen stierf.
52
wie waarborgt mij dat zij na mijn dood zullen volharden?quot;-â Eenigen tijd daarna verzocht een der patere van Osaka hem een pak brieven over te brengen, die gerigt waren aan verschillende christengemeenten of bijzondere personen, om hen te bemoedigen tot het doorstaan der beproevingen en tot het opofferen huns levens voor het geloof. Hierdoor werd hij diep getroffen, want dit was immers zooveel als hem veroordeelen te blijven leven en, voor het oogenblik ten minste, den marteldood te ontwijken. Hij nam liet op als de grievendste beleediging, die men hem kon aandoen, en met de oogen vol tranen zeide hij, nooit gedacht te hebben dat de paters hem de welgemeende liefde , die hij hun altijd had toegedragen, zóó beloonen zouden en hem als iemand, den marteldood onwaardig, zouden pogen te-verwijderen. Men was dus wel genoodzaakt het aan eers ander op te dragen en Victor bleef dag en nacht onafgebroken bij de drie gevangenen. Vervolgens, toen het lot alleen op hen viel, vergezelde hij hen naar Miako en bleef in hunne nabijheid, terwijl zij verminkt en rondgeleid werden.
De andere was Andreas Ongasavara, leeraar van twee in Japan het meest geachte kunsten: boogschieten en paardrijden. Nog te Miako zijnde, gaf een brandend verlangen naar den kruisdood hem het plan in, zich uit tc geven voor dea eigenaar van het huis, waar Paulus Miki was, in de hoop dat, zoo er soms nog iemand buiten de aangewezenen ter dood mogt veroordeeld worden, hij dan of alleen of ten minste vóór alle anderen dat geluk zou hebben. En toen de lijst des goc-verneurs geene andere namen bevatte dan die van Paulus,
53
Joannes en Jakobus, bleef hij ecliter daar, vertrouwende dat dit getal wel zou vergroot worden. lutussclien waren nog andere voorname lieden, zooals onder anderen Paulus Sakiondono, prins en bloedverwant eens vorsten, met hetzelfde doel aldaar bijeen gekomen en er ontstond tusschen hen werkelijk geschil, wie hunner nu met de paters zou mogen sterven, in geval niet allen daartoe veroordeeld werden. Ieder bragt redenen in ter zijner gunste en dit wel met zooveel heftigheid, dat de goede Joannes Soan, een der martelaars, zich verwijderde, om aan de wachten te vragen regt naar den goe-verneur te kunnen gaan, met dringend verzoek dat hij, die nu eens op de lijst stond, er toch niet van weo-o-e-sehrapt wierde, al mogten er ook anderen van hooger afkomst en meer invloed komen, om zijne plaats te verzoeken. Heeds had hij daartoe vergunning gevraagd aan zijn Overste, P. de Morecon, welke hem evenwel geweigerd werd; ook was dit niet noodig, want inden hemel was reeds besloten dat hij tot de martelaren belmoren zou. liet geschil der anderen werd intusscheu bij stemming ten voordeele van Andreas uitgewezen, want men oordeelde dat hem de eerste plaats toekwam ; na dezen zou de geheimschrijver Victor volgen en zoo verder de overigen. Andreas was evenwel niet met zijn eigen dood alleen tevreden, maar wilde ook nog geheel zijn huisgezin, cene afgeleefde moeder, zijne eehtgenoote en kinderen, van welke sommigen nog zuigelingen, in dit geluk doen deelen. Alleen met zijn vader had hij dienaangaande eenig geschil, en hunne woordenwisseling verdient, om de naïveteit van den grijsaard, eene plaats in dit verhaal.
5-1.
De laatste was een man van bijna taclitig jaren, van adellijke afkomst, een dapper krijgsheld en had van zijne eerste jeugd af aan het hof verkeerd. Nog slechts zes maanden waren er sedert zijne bekeering verloopen, zoodat hij het juiste denkbeeld nog niet had van de christelijke leer, daarbij was hij oud en afgeleefd; dit belette echter niet dat een blakende ijver hem bezielde, Andreas had dan ook niet de minste moeite hem er toe over te halen, dat hij met de paters sterven cn de martelkroon winnen zou. Maar toen hij hem zeide dat het passend was den dood blijmoedig en neergeknield te ontvangen, zich zeiven met ten hemel gehevene oogen en handen aan God op te dragen, zijn hals den beulen aan te bieden en zijne armen naar het kruis uit te strekken, geraakte de oude in woede of, zooals hij daeht, wilde hij zijn ijver voor het geloof toonen. âWat?quot; zeide hij, âzou dan een martelaar moeten sterven als een lafaard? Zou ik de paters voor mijne oogen zien ombrengen en er bijstaan als of ik van mijn leven geene wapens gedragen had? En gij, mijn zoon! hoe kunt gij aldus uwe afkomst vergeten en mij zulken raad geven? Wat knielen en handen opheffen en hals toereiken?quot; Enter-wijl hij dit zeide, ziende dat hij geen ander wapen bij zich had dan zijn dolk, liep hij heen om zijn slagzwaard (e halen, dat reeds eenige jaren ter zijde gezet was, en teruggekeerd, stelde hij zich in de houding van een schermer, welke kunst hij volkomen verstond, en begon er mede te zwaaijen, zeggende: âof ik nog kracht heb om dit te hanteren! Laat ze komen die honden van heidenen met zoovelen zij willen, binnen den kring van dit zwaard zullen zij de paters niet aanraken. Slagten
55
zal ik ze tot dat ik niets meer overhoud dan liet gevest of' de armen mij van uitputting neervallen. Dan mogen zij mij afmaken, ik zal dan ten minste sterven zooals liet een grootmoedig martelaar past.quot; Vervolgens begon hij ook , geheel verjeugdigd, zijne vroegere wapenfeiten nog eens op te halen. Vele Christenen waren getuigen van dit schouwspel; bij wijlen rolden er tranen uit hunne oogen en dan weèr konden zij zich niet onthouden van lagchen. Andreas alleen was bitter bedroefd, omdat hij geene hoop had den grijsaard van zijn voornemen terug te brengen. Hij bedacht dus iets anders en ried hem naar Osaka te vertrekken totdat de vervolging bedaren zou; maar ook hierin slaagde hij niet, want dit was de vlugt aanraden aan een held, die van geen wijken weet, en de oude antwoordde, dat dit nog laffer wezen zou dan zich niet te verweren en herhaalde nog eens dat hij als een roemrijk martelaar met de wapens in de vuist sterven wilde. Er bleef dus niets anders over dan dat God zelf hem tot betere gedachten bragt; want de goede grijsaard dwaalde alleen omdat hij nog te onbedreven in de wetenschap des lieils en reeds zoo verouderd was in de grondstellingen der wereld en dus niet aanstonds het onderscheid bemerkte tusschen eens krijgs-raans- en eens Christens heldenmoed. God leerde het hem evenwel op eene zeer duidelijke wijze en hij had geene andere les meer noodig dan die, welke hem in zijn eigen huis gegeven werd. Want teruggekeerd, vond hij de echtgenoote van Andreas en de zijne geheel in bezigheid, om voor elk hunner kinderen en bloedverwanten kleederen in orde te brengen, opdat zij betamelijk aan het kruis konden verschijnen; de overige huisgenooten wa-
ren bezig met het gereed leggen van rozekransen en relikwiën, waarmede zij ziek zouden omhangen. Toen hij nu hoorde hoe de vrouwen onder elkander regelden wie eerst, wie vervolgens zou gekruisigd worden en daarbij tot elkander zeiden dat men het kruis met ijver en eerbied omhelzen, het kussen en er zich vrijwillig op uitstrekken moest, tevens elkaar opwekkende tot dankbaarheid jegens God, die hun de gunst schonk uit liefde tot Hem te sterven, stond hij op dit gezigt en bij deze woorden geheel verslagen als over iets boven-menschelijks en gevoelde zich zoo sterk veranderd, dat hij uitriep: âwaarlijk, Andreas heeft gelijk , dit is eene nieuwe grootmoedigheid, edeler dan de mijne; ik kende haar niet,quot; en onder deze woorden ontdeed hij zich van zwaard en dolk, wierp ze ter zijde, nam eene ro-zekrans in de plaats en besloot toen gewillig te sterven , even als zijne huisgenooten.
VII.
VEUDEKE VEEGUIÃINd EN HELDENMOED DER MARTELAREN TE MIAKO.
quot;De geheimschrijver Victor en Andreas, aan wie wij de bewaring dezer gebeurtenissen te danken hebben, omdat zij onze Heiligen altijd, zoowel in de gevangenis van Osaka als op reis naar Miako, vergezelden, bleven ook nu bij hen toen hunne ooren werden afgesneden; Victor raapte het afgesnedene van den grond en bragt
het aan 1'. Organtino. Toen de heilige grijsaard het $
57
ontving sclioot zijn gemoed zóó vol, vloeiden er zoo vele tranen uit zijne oogen en sprak liij zulke roerende woorden, dat de omstanders allen tot schreijens toe bewogen werden; liij toonde de stukjes, kuste ze, drukte ze aan zijn gelaat, hief ze met betraande oogen ten hemel en droeg ze aan God op, als de eerstelingen, zoo zeide hij, van het bloed der onzen in Japan na acht-en-veertig jaren komtnervolleii arbeid: de eerste bloesem , ontloken te Miako , van de heilige vruehten, die weldra op drie kruisboomen naar Nangasaki zouden worden overgeplant. Daarna begon hij zieh zeiven en zijn ongeluk te beschreijen, daar hij aan God slechts an-derer bloed en niet het zijne kon opdragen. en dat hem, die tocli zoo menigmaal in gevaar was geweest van zijn leven voor de verdediging des geloofs te verliezen, altijd, als den marteldood onwaardig, de kroon van het hoofd en de palm uit de hand gevallen was. â Intus-schen had men de vier-en-twintig belijders, drie aan drie acht karren doen beklimmen: de onzen waren op de laatste. Zonder iets te ontvangen om het bloed, dat uit de wonde vloeide , tegen te gaan, werden zij langs de drukste en voornaamste straten van Miako rondgeleid : hetgeen in Japan eene schande is, erger dan de dood zelf en waprtoe alleen de grootste misdadigers veroordeeld werden. Hierbij was het, tot meerdere versmading , gebruikelijk dat een gcregtsdienaar voor de karren uitging met een bord, aan eene lans vastgehecht, waarop met groote letters de misdaad en de straf te lezen stonden. liet vonnis was nagenoeg van dezen inhoud:
âOverwegende dat deze lieden, met den titel van
58
ambassadeurs van de pliilippijiisclic eilanden herwaarts gekomen, in Miako de christelijke leer verkondigd hebben, hetgeen ik reeds sinds vele jaren verboden had; dat zij bovendien kerken gebouwd en zich aan andere overtredingen schuldig gemankt hebben; beveel ik dat zij met de Japannezen, die zij tot hunne leer hebben overgehaald, te regt gesteld worden. Weshalve zij allo vier-en-twintig te Nangasaki zullen worden gekruisigd. Allen moeten ook weten dat ik van nu af aan die leer verbiede. Wie zich tegen dit bevel verzet zal met geheel zijn huisgezin gestraft worden.quot;
Gedaan het eerste jaar van Keixio, den 20quot; der 11° maan.
De groote toeloop van volk, dat van alle zijden kwam zamenvloeijen, en de wachten, die hen omsloten, lieten niet toe spoedig voort te gaan; nu en dan moest men zelfs met geweld een weg banen door de menigte. Al wat Christen heette was er tegenwoordig; alle vensters en daken waren bezet met heidenen; allen in geheel ver-schillende stemming, waardoor er een verward geroep ontstond , zoodat het onmogelijk was de woorden, door sommige vurige martelaars gesproken, te verstaan. P. Petrus Eaptista sprak vooral met vuur, nu eens zoo goed liij kon in het Japansch tot de omstanders, dan weêr in het Kastiliaansch tot zijne ordebroeders, hen versterkende in don lieer. Maar allen predikten ook al zwijgende, en de kalmte van hun gelaat en de blijmoedigheid, die zij toonden , maakten meer indruk dan hunne woorden doen konden. Do twee franciskaner priesters, die van de philippijnsche eilanden gekomen waren en van welke de eene nog geene drie maanden, de andere naauwelijks
59
een jaar in Japan gewoond had en dus de taal niet kenden , gingen stilzwijgend met nedergeslagene oogen al biddende voort. Paulus Miki predikte; zijne beide gezellen hielden voortdurend de oogen ten hemel geslagen, en op hun gelaat teekende zich zulk eene uitdrukking van blijdschap, dat een edelman van het hof, Romano geheeten, hen willende naderen, doch met ruw geweld door de wachten teruggezet, zoodat hij hen naauwe-lijks kon groeten, met zooveel hemelsehen troost in het hart van daar wegging, dat hij later bij het verhaal zijner ontmoeting zijne tranen niet bedwingen kon. Drie kinderen evenwel van 12 tot 15 jaren trokken voorname-melijk ieders oog en bewondering tot zich. Het behaagde God hun, naarmate zij jeugdiger waren, meer geestkracht in te storten, opdat allen zouden begrijpen dat deze algemccne blijdschap iets bovcmncnschelijks wezen moest. Zonder eenige ontroering te laten blijken, hetzij wegens de openlijke verguizing voor eene zoo groote menigte volks, hetzij over het bloed, dat uit hunne wonden vloeide, zongen zij gezamenlijk het Onze Vader, het Wees geyroet en de overige gebeden , die zij kenden. Vooral Ludovicus, de jongste, de eenige van twaalf jaren, was zoo vol moed, dat zijn gelaat van Miako tot Nangasaki niet in het minst veranderde en niets verloor van de blijdschap, die er op lag, tot groote verbazing zelfs van de religieuzen, wier standvastigheid daardoor niet weinig werd aangemoedigd. Het was dezelfde Ludovicus, die, toen hij nog vóór de strafoefening in den kerker van Miako was, aan een heidensch edelman, die hem aanbood alles te zullen aanwenden tot zijne bevrijding wanneer hij het geloof wilde ver-
ê
CO
laten, antwoordde: âgij moest mijn geloof liever zelf omlielzen, want anders kunt gij onmogelijk zalig worden.quot; Zooveel grootheid van ziel betoonde dit kind, en in het vervolg zullen wij nog meer trekken van zijn moed te verhalen hebben. Dit alles was ongetwijfeld eene werking van den II. Geest, die in dien kleine meer dan in de anderen de kracht zijner genade wilde doen uitsehijnen. Ook de ijver van sommige Christenen was inderdaad bewonderenswaardig: er waren er, die de soldaten dringend smeekten hen toch bij de martelaars te voegen en te Nangasaki met de anderen te kruisigen; doch teruggewezen, omdat zij niet op de lijst stonden, verzochten zij om ten minste de karren te mogen bestijgen en zoo door Miako rondgeleid , aan de versmading, of gelijk zij het noemden, aan den triomf-togt deel te hebben.
Na het rondvoeren, dat vele uren geduurd had, werden de belijders naar den kerker teruggebragt. Toen zij van de karren waren gestegen en Pa u lus aldaar eene groote menigte toeschouwers bijeen zag, begon hij du zes religieuzen van den II. Franciscus een voor een te omhelzen en hen te bedanken, omdat hij en zijne gezellen door hun toedoen de weldaad van den kruisdood zouden genieten. Dit scheen den toeschouwers, zoowel om den aard der zaak als om de innige aandoening, die blijkbaar uit het hart voortkwam, zoo geheel zonderling en bewonderenswaardig, dat zij in verbazing tot elkander zeiden: welk volk is dit? welke leer is het toch, die dezen lieden vreugd doet scheppen in de pijn, roem stellen in de schande en dankbaar zijn voor den dood'? En zij gingen huiswaarts, sprekende
61
vol verwondering over deze nieuwigheid, waarvan in Japan nog geen voorbeeld gezien was.
VIII.
WEGVOERING DER MARTELAARS VAN MIAKO NAAR NANGASAKI.
Met het aanbreken van den dag werden allen te paard gezet eu voort geleid naar Osaka en van daar naar Sakai, â de twee grootste steden, die zij moesten doortrekken. Ook daar wachtte hen, even als te Miako, openbare versmading op de groote straten. Van Sakai had men hen langs kanalen, tusschen eilandeji door en verder over zee naar Nangasaki kunnen voeren, daar beide steden aan zee liggen; maar om den Christenen meer schrik aan te jagen en den vorsten en goeverneurs te doen kennen welken doodelijkeu haat hij der christelijke leer toedroeg en hoezeer hij de uitbreiding er van wilde tegengaan, had Taikosama bevolen dat men den weg over land zou nemen, met aanduiding van elke plaats, die geregtsdienaars naar hare grenzen zenden moest, om hen af te halen en vervolgens streng te bewaken in een huis, dat tot dit einde te voren moest ingerigt en geheel omgeven worden met dikke en hooge, in den grond geslagen en met twee dwarshouten aan elkander verbonden palen, zoo als men in Japan gewoon is er rondom de kerkers te slaan tot meerdere zekerheid; tevens had hij bepaald dat het vonnis voor het huis moest te lezen staan en altijd voor hen uit worden sje-
(32
dragen, waar zij zich ook bevonden. Den 9ien Januarij vertrokken zij uit Sakai en kwamen den â ±del1 der volgende maand te Nangasaki aan, na eene reis van zes-en-twintig dagen, de guurste van den winter, die in Japan allerstrengst is, zoowel om de ligging van liet land als ten gevolge van de liooge, met altijddurende sneeuw en ijs bedekte bergen. De wachters, hen zoo gemoedigd ter dood ziende gaan, altijd be:;ig met over God te spreken of in stilte tot Hem te bidden en onderling vereenigd door de tederste liefde, werden zoo bewogen, dat zij hen zooveel in limine magt stond begonnen te ontzien en aan de soldaten der volgende plaats, die hen kwamen afhalen, aanbevalen. Aldus werden hun soms paarden en den religieuzen zelfs, waar de wegen het slechtst waren, ^zekere draagstoelen gegeven, zoo als men daar gebruikt, die op de schouders van twee menschen gedragen worden. Het grootste gedeelte evenwel van den weg legden zij te voet af en hadden zooveel daarvan te lijden, dat hunne voeten door de nijpende koude ontstoken werden en opzwollen.
In eene der plaatsen van het koningrijk Amanguki kwamen zij onder bewaking van een heidenschen geregts-dienaar, die zich, hetzij uit zijne geaardheid, hetzij uit feller haat tegen het geloof, onmenschelijker jegens hen gedroeg dan de overigen. Eeeds zoo spoedig hij hen onder zich had bejegende hij hen met de grootste barschheid en joeg hen daarna, als waren zij onreine dieren, in een hok, dat inderdaad meer op een beestenstal geleek dan op eene gevangenis voor menschen. Paulus Miki had medelijden met zijne gezellen, vroeg om den barbaar te spreken en gaf het niet op voor dat
C3
liij hem tot andere gedachten gebragt had, tengevolge waarvan de hoofdman zeer handelbaar werd en, wat meer is , het christelijk geloof omhelsde. Paulus begon met hem te zeggen dat hij noch voor hem noch voor de zijnen bezorgd moest zijn, dat geen hunner zou vlugten, zelfs al werden zij niet bewaakt of opgesloten, âen dit wel,quot; zoo ging hij voort, âomdat wij, ter belooning voor onzen dood, een eeuwigdurend en gelukzalig leven te gemoet gaan. Derhalve is ook de blijdschap, die gij op ons gelaat ziet, niet geveinsd, maar komt voort uit den troost, waarvan ons hart vervuld is: immers niemand onzer is veroordeeld om eeuig misdrijf, maar alleen daarom dat wij allen den waren God, den Schepper der wereld aanbidden en volgen; sommigen ook omdat zij Zijne, hier onbekende eu daarom alleen door den keizer verbodene leer hebben gepredikt; luister eens welke leer!quot; Hierop begon hij hem met zijne gewone vurigheid de voornaamste waarheden te verklaren, en de andere was hierbij zoo aandachtig, bevond alles zoo gegrond, dat hij in die leer geheel wilde onderwezen worden. Nog den zelfden nacht verklaarde hij Christen te zijn en verzocht gedoopt te worden; reeds vóór het aanbreken van den volgenden dag werd hij in het bad der wedergeboorte gereinigd.
Op het overige van hun togt hadden zij bijna overal waar zij moesten overnachten de vrijheid om een gedeelte van den tijd door te brengen zoo als zij verlangden , namelijk met gebeden en geestelijke gesprekken of te luisteren naar de onderrigting van den een of anderen dei-religieuzen. Middelerwijl zij nu voor zich zclven zorgden, vergaten zij echter anderen niet. De Japannezen vooral
64
beijverden, zicli ora aan hunne bloedverwanten en vrieu' den brieven te schrijven vol heilzame lessen, waarin zij de Christenen vermaanden om waardig in hun geloof te leven en de heidenen bezwoeren het christelijk geloot' te omhelzen. Er zijn nog vele brieven van Paulus, aan de paters van Miako en Osaka geschreven , bewaard ; allen ademen zij den geest, waarvan zijn hart vol was. In eenen dezer verzoekt hij dengenen, tot wien hij gerigt is, aan zijne moeder, die nog leefde, een zeker godvruchtig beeldje te geven, dat haar troosten en dienen moest om hare ziel te .verhefFen tot den hemel, dien hij nu weldra zou binnengaan. Nog schreef hij er aan zijne dierbare vrienden; Justus Ukondono, aan de beide zonen van Guenifoin, Paulus cn Constantinus, aan Andreas Ongasavara cn aan anderen, die veel gedaan hadden voor zijne vrijstelling, niet om hen te bedanken, maar veeleer om zich te beklagen dat zij hem door eene al te tedere liefde de martelkroon hadden willen ont-rooven, die God hem in Zijne goedheid uit den hemel toezond. Nooit gedurende de zes-en-twintig dagen liet hij het prediken achter, evenmin langs den weg als in de plaatsen, waar zij overnachtten, en niet weinigen zijner hoorders bekeerden zich later en ontvingen het H. Doopsel. Hij zelf zeide dat hij in de twintig jaren van zijnen apostolischen arbeiden prediking nooit met zooveel volheid des geestes, met zooveel overtuigingen zalving gesproken had als op deze laatste reize zijns levens, âen daar ik veroordeeld ben,quot; zoo sprak hij, âomdat ik de leer van Jesus Christus gepredikt heb, wil ik haar blijven prediken tot aan mijn dood en zóó sterven.quot; Dit vervulde hij letterlijk , want, zoo als wij zien
G5
zullen, werd het kruis hem een spreekgestoelte, van waar hij de omstanders zoolang hij kon onderwees. Hij had boven de religieuzen, zijne medgezellen, nog dit voordeel ; dat hij het Japansch voortreffelijk sprak, welke gaaf nu nog krachtiger in hem uitscheen, daar hij geheel gloeide van goddelijke liefde, zoodat de bonzen woedend werden van spijt en zeiden dat ïaikosama zijne maatregelen kwalijk genomen had, met deze lieden zoo openlijk in alle plaatsen van Miako tot aan Nangasaki rond te voeren, en dat dit middel, verre van geschikt te zijn om de christelijke leer te vernietigen, veeleer strekte om haar overal bekend te maken; dat hun zwijgen alleen en het zien van hun heldenmoed in pijn en verguizing, hunne edelmoedige verachting van den dood en klimmende blijdschap bij eiken stap, dien zij nader kwamen aan het kruis, reeds meer dan genoeg waren om het eenvoudige volk geloof te doen slaan aan hetgene zij leerden betreffende eene gelukzalige toekomst en dat zij nu daarenboven overal nog predikten voor groote volksmassa's, die zamengevloeid waren om hen te zien en hen met bewondering aanhoorden. Zoo spraken de bonzen met spijt onder elkander, en hunne woede groeide steeds aan, naarmate zij meer begonnen te ondervinden dat hunne vrees werkelijk gegrond was.
66
IX.
TWEE NIEUWE GEZELLEN VOEGEN ZICH ONDERWEG BIJ HEN. â AANKOMST DER MARTELAARS TE PAK ATA. â-
BRIEVEN VAN P. PETRUS BAPTISTA EN PAULUS MIKI.
Van al hetgeen den optogt dezer heldhaftige geloofsbelijders roemrijk maakte was er niets opmerkenswaardiger, dan dat er zich twee nieuwe gezellen bij hen aansloten, die op eene geheel bijzondere wijze door God verkozen schenen, dewijl de menschen het niet konden, omdat zij daartoe geene redenen hadden en niet gemag-tigd waren. De twee Christenen, die wij bedoelen, hadden zich aangeboden om de martelaars zoolang de reis duurde bij te staan. De eene was een vriend der Francis-kanen, de andere meer bekend met de Jesuïeten. De eerste, Franciscus genaamd, was timmerman van beroep en pas sedert acht maanden gedoopt; de laatste , Petrus Sukegiro, een oud Christen, had zich, uit bijzondere genegenheid voor de paters der Societeit, aangeboden om de drie martelaars te vergezellen. 1'. Organtino beval echter ook de overigen, zoowel religieuzen als leeken, aan zijne zorg en gaf hem eene som gelds, toereikend om te voorzien in de algemeene ontberingen , die de martelaars in handen van zulke beulen en in zulk een deerniswaardigen toestand zouden te verduren hebben. Beiden werden aangedreven door eene inwendige begeerte naar den marteldood, hoewel hun verlangen grooter was dan hunne hoop, aangezien de lijst gesloten was en men te Miako reeds anderen had
67
afgewezen, die met allen aandrang verzocht hadden bij de martelaars gevoegd te worden. Zoo gingen zij dan eenige dagreizen met do veroordeelden voort, hen helpende waar zij konden, en wonnen zich daardoor, zonder het te vermoeden, de martelkroon, tot loon hnnner liefde. Eens, nadat het den wachters reeds dikwijls verveeld had dat zij zoo vrij tot de martelaars naderden, viep men hen ter zijde en vroeg men hun of zij ook Christenen waren, hetgeen zij zonder aarzelen toestemmend beantwoordden. âAl/,00,quot; dus gingen zij voort, â zij t gij dan Christenen en ïobiri? (hetgeen in hunne taal beteekent: mensehen, die zich bij anderen aansluiten.) Welnu, als gij dan tot hen behoort volgt hen dan ook!quot; Onder deze woorden bond men hun de handen op den rug en werden zij verder tot aan Nangasaki aan elke grensplaats te gelijk met de anderen aan de volgende geregts-dienaars overgeleverd. Men hoorde niets anders uit hun mond dan dankzeggingen aan God, die zij met temeer vuur uitboezemden naarmate de weldaad hun meer onverwachts was geschonken; het eenige wat zij betreurden was, dat men hun even als hunnen broeders de ooren niet afgesneden had en de openlijke versmading reeds voor een groot gedeelte ten einde was; daarbij werden zij, hoe digter zij bij Nangasaki kwamen, altijd meer beducht dat welligt do goeverneur dier stad, wien de uitvoering van het vonnis was opgedragen, hen zou afzonderen wanneer hij op de lijst slechts vier-en-twin-tig namen las. Maar daar dit ecne dier goddelijke gaven was, die onberouwelijk zijn, kon geen sterveling hun die ontrooven.
Wat den goeverneur betreft, hij was er volstrekt niet
08
toe over te halen om hen op vrije voeten te stellen. Hoe vele geloofwaardige personen hem ook verhaalden op wat wijze zij onder de martelaars gekomen waren en dat de geregtsdienaars hen er eigenmagtig bij hadden gevoegd, â hij gaf niets anders ten antwoord dan dat hij hen veel geruster kon ter dood brengen, daar zij hem waren overgeleverd, dan hen bevrijden, omdat hunne namen niet op de lijst stonden. Zoo kwamen zij dan, nadat hun getal aangegroeid en hun optogt verheerlijkt was, den laatsten Januarij te Fakata, waar zij door de Christenen met blijken van de grootste gehechtheid werden begroet. Paulus Miki stelde aan een dezer, zijn vriend Didacus Cogen, een brief ter hand, die spoedig aan den Vice-provinciaal, P. Gomez, moest overgebragt worden. Ook P, Petrus Baptista stuurde aan P. Anto-nius Lopez, rektor te Nangasaki, den brief, welken hij reeds te Katakabe geschreven had, doch bij gemis van eene goede gelegenheid ter verzending tot nu toe had moeten bewaren. Beider brief bevatte hetzelfde verzoek. De eene verzocht aan den goeverneur Terazava vergunning om het H. Misoffer op te dragen; de andere om de H. Communie te mogen ontvangen. Pie van den P. kommissaris was van den volgenden inhoud.
,/Wij zijn ten getale van vier-en-twintig uit Miako vertrokken, allen veroordeeld om aan het kruis te sterven. Er zijn ouder ons drie religieuzen van de Societeit van .Tesus en zes van den II. Pranciscus, de overigen zijn Japannezen, onder welke eenige predikers. Wij zijn verheugd voor het geloof te mogen sterven. In aller naam bid ik u den goeverneur te willen verzoeken, dat hij ons toesta twee dagen vóór de uitvoering van het
69
vonnis het Allerheiligste Sakrament en den zegen des Bisschops te mogen ontvangen en den troost te mogen smaken, alle paters van uw kollegie te zien , aan wier gebeden wij ons allerdringendst aanbevelen.quot;
Katakabe in het rijk van Bigen den 19n Jan, 1597.
Paulus Miki sehreef:
âWij zijn veroordeeld tot den kruisdood. UEenv. koestere over ons niet de minste bezorgdheid; door de genade des Heeren zijn wij allen opgeruimd en vinden onzen troost in Hem. Wij hebben in dit leven nog sleehts een verlangen; dat wij , alvorens te Nangasaki aan te komen (want later zou ons welligt de tijd ontbreken) een der paters van de Soeieteit mogen aantreffen, om onze biecht te hooren, daar de religieuzen van den 11. ïraneiseus onze taal- niet goed verstaan en wij huu dus onzen gewetenstoestand niet geheel kunnen blootleggen: wanneer het geschieden kon zouden wij gaarne zien dat P. Pasio tot ons gezonden wierde. Alle vier-en-twintig hebben wij ditzelfde verlangen: dat het ons vergund worde, al zij het ook slechts eenmaal, de 11. Mis bij te wonen en het H. Altaargeheim te ontvangen, alvorens te sterven. Wij bidden u dit voor ons aan Terazava of zijn plaatsbekleeder te verzoeken.quot;
De paters wendden zich met deze bede tot den goe-verneur, die alles toestond, doch later, om bijgekomene omstandigheden, zijn woord weder introk. Hij was een heiden , Eazamburo genaamd, de broeder van Terazava, die op dit oogenblik met meer andere grooten te Korai was bijeen gekomen , in wiens plaats hij nu, op last van Taikosama, het oppertoczigt had over westelijk Ximo. Derhalve was hem ook door den rijksraad het besluit
70
aangaande de martelaren toegezonden en wel met uitdrukkelijk bevel de uitvoering te bespoedigen, waarom hij last gaf onverwijld vijftig kruisen te Nangasaki in gereedheid te brengen. Het volk dezer stad, bijna geheel Christen, sloeg bijzonder acht op de uitvoering van dien last, en de kruisen ziende, vroeg men waarom er vijftig waren, dewijl er immers niet meer dan vier-en-twintig waren veroordeeld : de overige zes-en-twintig, waarmede het vijftigtal moest aangevuld worden, zouden dns, zoo dachten zij , onder hen worden uitgekozen, en reeds bedankten zij God, die door het schenken dezer weldaad toonen wilde dat zij hem dierbaar waren. Maar wie zouden nu de uitverkorenen zijn ? Had men van het hof welligt geheime bevelen? Of zou het aan de willekeur des goeverneurs vrijgelaten zijn de martelaarskroon te schenken aan wie hij wilde? Yekn berekenden reeds hunne kansen. De paters onder anderen en vooral de Bisschop Martinez , waren in het stellige denkbeeld dat het hun zou te beurt vallen. Dit vermoeden werd door allen gedeeld en reeds sprak men van lastbrieven uit Miako, waarin dit zou bevolen zijn. De portugesche handelaars en de Kastilianen van het gestrande schip verwachtten het voor zich, en in het algemeen hadden alle Christenen , ieder voor zicli in het bijzonder, de hoop dat het hen zou gelden en wel met meer zekerheid naarmate zij zich verdienstelijker gemaakt hadden voor het geloof.
71
X.
WONDERBARE VERSCIIIJNIKG VAN KRUISEN, TEN VOORTEEKEN VAN DE KRUISIGING DER MARTELAARS.
Onder deze algeraeene voorbereiding tot den kruisdood herinnerde men zich een mirakel en kon men eene geheimzinnige gebeurtenis verklaren, die zeven jaren geleden had plaats gehad. Op ongeveer drie mijlen afstands van Arima ligt een klein gehucht, Obama geheeten , waar ten jare 1580 een godvruchtig Christen woonde , met name Leo. Deze beval eens, daags voor het feest van de geboorte des Heeren, zijn zoon Michaël hout te kappen van een ouden, bijna dooden boom, die langs den weg stond op eene vooruitstekende rotspunt. De boomen van deze soori:, tara genaamd, dragen geene vruchten en zijn over den geheelen stam vol knoesten en overdekt met groote doornen, die zij uitschieten. Desniettegenstaande wordt dit hout als heilig door de afgodendienaars vereerd, en den eersten dag des jaars plaatsen zij er takken van boven de huisdeuren, geloovende daf het gezigt dier takken alleen de aannaderende booze geesten op de vlugt drijft. Michaël hakte hem om en kapte er de takken af, doch de nacht viel vóór dat hij den stam had kunnen doorkappen, want deze was zeven palmen dik. Den volgenden morgen ging hij met de bijl derwaarts en met eenige weinige slagen was hij door midden gekloofd. Maar zie , op elk der stukken is een kruis afgebeeld, zoo duidelijk, zoo schoon, dat geene meesterhand het zou verbeteren: eene span lengte.
73
aan ket boveneind de titel en de armen zoo breed als de middellijn van den stam; de kleur was liehtbruin , juist dezelfde , zoo zeggen de verslagen van dit mirakel, als die van het ware kruis dos Verlossers, het overige van den stam was wit en zonder eenige kleur of vlek. Het lag niet dieper dan ter breedte van een mesrug, zoodat, ware de kloof een weinig ter zijde gevallen , liet kruis niet zou opgemerkt zijn, terwijl het nu, hoewel in tweeën gesplitst, een volmaakt geheel gaf, ja, wat meelis , het vooruitstekend gedeelte van het eene paste juist in de holte van het andere. Op de plaatsen, waar. de kruisen stonden, was het hout geheel vlak ; maar voor het overige volgde de kloof de bogten van den draad. Michaël dit ziende, werd van eene heilige vrees bevangen , wierp zijne bijl weg en liep heen, om er kennis van te geven aan zijn vader , die spoedig kwam en een mirakel erkende. De paters van Arima dachten er eveneens over en, na het bezigtigd te hebben, lieten zij alles naauwkeurig beschrijven. Daarna werd het ter vereering in eeue kerk gebragt, en toen de Bisschop Martinez in Japan aankwam deed hij het in eene prachtige relikwie-kast vatten. Hetgeen tot de verspreiding dezer vereering het meest bijbragt was de wonderdadige kracht, die God aan dit hout geschonken had: verscheidene zieken, onder anderen een zinnelooze, werden er door genezen en vele bezetenen verlost, zoodat er aanhoudend pelgrims kwamen , niet alleen uit den omtrek, maar uit Bungo , Amanguki en zelfs van achter Miako; ook kwamen er over zee met elk getij, om het heiligdom te zien en een splinter of een klein takje van den boom, waarin het gevonden was, mede te nemen. Onder de eerste be-
73
zoekers was Joannes, koning van Arima. Naauwe-lijks had deze het van nabij beschouwd of hij veranderde van kleur, sloeg de handen te zamen en riep uit; âdit is het!quot; Daarop wendde hij zich tot de paters, hun een droom in het geheugen roepende, dien hij reeds voor zes maanden verhaald had, doch welken zich nu niemand meer kon herinneren. Hij had namelijk eens des nachts in zijn slaap, veel duidelijker dan het in gewone droomen gebeurt, twee personen van groote gestalte voor zich zien verschijnen, van wie hij echter niets anders wist dan dat zij uit den hemel kwamen: dit toch was blijkbaar uit hun majestueus en geheel he-melsch voorkomen. Zij onderhielden hem met zachtheid over zijne verflaauwing in den ijver des geestes, onder anderen dat hij om onbeduidende redenen het hooren der H. Mis achterwege liet, en vermaanden hem tot zijn eerste vurigheid terug te keeren en den raad en de leiding der paters te volgen. Eindelijk, bij het heengaan, zeiden zij nog: âweet dat er op uw gebied een teeken van den Verlosser te vinden is: het zij u dierbaar, want het is niet met menschenffanden gemaakt.quot; Daarna verdwenen zij. Hij had dit voorval den volgenden dag aan P. Gomez en later meermalen aan anderen verhaald, ook had het er niet weinig toe bijgedragen om hem in zijn eersten ijver te herstellen. Maar noch hij zelf begreep, noch kon van anderen te weten komen welk teeken het ware en of het gezocht moest worden dan wel of het zich van zelve zou vertoonen, en allen hadden het zich reeds lang als een gewonen droom uit het hoofd gezet. Nu echter ontstelde Joannes zoodra hij het kruis zag en erkende de voorzegging, want het was een
4
74
tecken van Jesus en dat het niet door menschenlianden gemaakt was duldde geen twijfel. Na een paar jaren, in de maandFebruarij 1593, gebeurde er iets dergelijks te Fakunda. In een vruchtdragenden boom, dien men gekapt had, werden in de doorsnede vier kruisen gezien, wier teekeningen, even als de omstandigheden van het wonder, nog opmerkelijker waren dan die van het mirakel van Obarna; alles werd eveneens gereg-telijk bewezen en de openbare vereering toegestaan. Uit deze herhaalde versehijningen van kruisen ontstonden er hij de Christenen verschillende voorgevoelens, volgens hunne verschillende opvattingen en gesteldheid. Eenigen dachten dat het Kruis in geheel Japan zou zegepralen, omdat men het van alle kanten kwam vereeren. Anderen, meer acht slaande op de boomen waarin zij gevonden waren , van welke de eene vruchtdragend , de andere den boozen geesten vijandig was, dachten dat men weldra de hel overwinnen en overvloedige vruchten van bekeering zien zou. Wederom anderen zeiden dat God, ten spijt van Taikosama, die de kruisen liet omverhalen, en tot troost zijner geloovigen, het verlies door mirakuleuze kruisen wilde vergoeden. Die verstandiger waren en meer doorzigt hadden zagen er eene aankondiging in van vervolging en marteldood, te meer daar de kruisiging in Japan de gewone straf was der boosdoeners. Toen nn allen de vijftig kruisen te Nangasaki zagen, begrepen zij dat het laatste gevoelen het ware geweest was, en, wat het getal betrof, daaromtrent vernam men spoedig dat het een vond was van Fazamburo, om, zoo dacht hij, den Christenen schrik aan te jagen. Maar juist het tegendeel van hetgeen hij gehoopt had vond
75
plaats en de Vice-provinciaal, P. Gomez, had moeite genoeg om den overmatigen ijver te doen bedaren van velen , die, zicli den marteldood willende verzekeren , voordat nog de kruisen geplaatst waren er een gingen vragen , openlijk belijdende dat zij tot de Christenen behoorden. Dezelfde grootheid van ziel en ware edelmoedigheid, waarvan vroeger te Osaka en te Miako zulke heerlijke blijken gegeven waren, vertoonden zich nu te Nangasaki, zelfs in kleine kinderen, die ook brandden van verlangen om voor het geloof te sterven. Wij kiezen slechts twee voorbeelden uit vele. Een voornaam inwoner dier stad en zijne echtgenoote , beide vurige Christenen, waren eens te zamen in een druk gesprek over de noodigc voorbereiding tot den marteldood. Het was reeds nacht en in de kamer, waar zij zich bevonden, lagen hunne beide zonen, dc eene een kind van elf, de andere van vijf of zes jaren, achter eene gordijn te bed. De ouders dachten dat zij reeds sliepen; maar de oudste was wakker en luisterde oplettend. Toen hij zooveel gehoord had als hij weten wilde, sprong hij liet bed uit en liep ijlings naar hen toe, zeggende: ânu weetik het, gij moet voor liet geloof sterven, anders zoudt gij niet over die toebereidselen spreken, waarvan ik gehoord heb, en houdt gij dit voor mij verborgen ?quot; Daarop smeekte hij hen te zeggen of het niet waarlijk zoo was, Dc ouders nu, of wel omdat zij zich er volkomen van verzekerd hielden, of om de gevoelens van hun zoon tc kennen, antwoordden toestemmend. Terstond veranderde de vrees van het kind in kalmte en het riep uit; âdit doet mij genoegen, zoowel voor u, dat God u dit waardig gekeurd heeft, als voor mij, zonder wicn gij toch wel niet sterv.en zult.quot;
76
Daarna dacht hij aan zijn slapenclen broeder en met deu vinger naar hem wijzende, vroeg hij wat zij mei hem zouden doen, waarop de vader antwoordde; âhetzelfde als met ons en u, want wij zullen allen voor het geloof sterven.quot; âZoo zullen wij dan,quot; hernam het kind, allen te gelijk naar het paradijs gaan: nu verlang ik niets meer , mijne vreugd is volmaakt.quot;
Een ander kind van adellijke afkomst en nog sleehts vijf jaren oud gaf aan een onzer paters blijken van geheel zeldzamen ijver. De pater sprak met den kleine over de nieuwe vervolging en zeide dat de geregts-dienaars van Miako reeds in aantogt waren, om al de Christenen te vermoorden. âEn gij,quot; zoo vroeg hij, âwat zult gij antwoorden als zij vragen welke godsdienst gij belijdt?quot; âWel,quot; antwoordde hij, âik zal hardop zeggen dat ik Christen ben.quot; â âEn als zij u dan willen vermoorden?quot;â âLaat hen maar !quot; zeide de knaap, âzóó zal ik doen,quot; en onder deze woorden knielde hij neder en reikte zijn hals toe, alsof zijn hoofd met een zwaard moest worden afgeslagen. âMaar,quot; vroeg de pater verder, âwat zult gij zeggen terwijl gij op den slag des beuls waeht ?quot; Toen begon de knaap , meenende dat hij dan iets zeggen moest, dat hij nog niet wist, bitter te schrei-jen en zeide snikkend: âpater! ik zou niets anders gezegd hebben dan de zoete namen van Jesus en Maria tot dat mijn hoofd viel; maar als ik iets anders zeggen moet, leer het mij dan!quot;
77
XL
VERDER WEDERVAREN DER MARTELAAKS. â LIEFDE VAN FAZAMBURO VOO 11 PAULUS MIKI. â JOANNES EN JAKOBUS LEGGEN DE 11EL1GIEUZE GELOFTEN AF. â JOANNES ONTMOET ZIJN VADER.
Reeds was de heilige stoet in de nabijheid van So-nonglii, eene plaats in liet vorstendom Omnra, aangekomen en niet verder dan negen mijlen meer verwijderd van Nangasaki, liet einde der reis en de laatste verblijfplaats Inms levens. Uit vrije keus gingen allen te voet, ofschoon het pijnlijk viel, want hunne voeten waren door de koude geheel ontstoken, maar aangezien liet laatste gedeelte der reis over zee liep, wilden zij nu ten minste nog eenigen tijd te voet gaan, om de plaats hunner marteling eerbiedig te naderen. Gedurende deze voetreis namen zij slechts eenmaal een weinig rust. P. Petrus Baptista zette zich neder op een steen en begon daar, geheel in gedachten verdiept, te weenen. De wachters , die van Miako af nog geen traan van iemand hunner, maar integendeel niets dan opgeruimdheid en blijdschap gezien hadden, zeiden spottend tot elkander: âziet eens, zij beginnen te begrijpen dat Nangasaki niet zeer ver meer is en het van daag ernst wordt; zij hebben het kruis reeds in liet oog, waarmede zij morgen kennis zullen maken. Nu is het geen juichen meer, zoo als vroeger in de verte; het verschilt ook nog al of men den dood op een afstand of van nabij ziet.quot; Zoo spraken zij onder elkander, eenigen met gevoelens van
78
medelijden, maar de meesten al spottende en allen dachten dat het tranen waren van smart en vrees voor den aanstaanden dood. Paulus had hen gehoord en verstaan; hij ging naar den kommlssaris, waarschuwde en smeekte hem zijne tranen van godsvrucht in te houden, daar zij hunnen ruwen geleiders stof gaven tot verkeerde vermoedens. Terstond riep P. Baptista den leekebroeder Gonzalvus, die het Japansch kende, tot zich en beval hem uit zijn naam den wachters te zeggen dat hij niet weende uit vrees voor den dood, zoo als zij dachten, want de dood voorliet heil der zielen was te sehoon dan dat hij dien vreezen zou; âmaar,quot; zoo ging hij voort, âik ween, omdat ik in Japan gekomen was om er mijne orde te vestigen en nu zie dat dit niet gebeuren zal.quot; Zoo wensehte hij; maar tot heden toe heeft het door den Hemel bepaalde uur nog niet geslagen en heeft noch de zijne, noch eenige andere religieuze orde, noch zelfs de kennis van God en van het christelijk geloof in Japan kunnen doordringen. En toch rust daar dat kostbaar zaad, het bloed, door honderde geloofsbelijders , zoo inboorlingen als Europeanen van allen staat en stand, in dien eersten tijd en nog meer dan vijftig jaren later onder de wreedste folteringen vergoten, allerwege als dood onder de aarde. Vruchtbaar zal het eenmaal zijn, hoe ondankbaar die grond ook nu nog wezen moge, honderdvoudige vruchten zal het voortbrengen; maar niet eerder dan wanneer God Zijn ontfermend oog over Japan laat rusten. Wie er dan heen snelt, om dien onafzienbaren akker af te maaijen, zal de vruchten oogsten van liet bloed en zweet der eerste werklieden.
Pe Vice-goeverneur Fazamburo, van Nangoïa ge-
Ã9
komen, om zelf de belijders voor het overige der reis naar de plaats hunner teregtstelling te geleiden, wachtte te Sononghi hunne komst af. Met Paulus Miki was hij zeer bevriend en hij had zelfs somwijlen naar diens prediking geluisterd; nu weende hij en sprak met innig medelijden tot den vriend, dien hij zelf tot den sehan-delijksten dood geleiden moest. Paulus echter zeide hem aanstonds met een lagchend gelaat dat zijn dood veeleer benijd dan beweend moest worden, âwant quot; zoo vervolgde hij, »ik sterf immers om geene andere misdaad dan omdat ik de leer van den waren God gepredikt en den weg ter zaligheid getoond heb aan diegenen, welke eem; eeuwige verdoemenis te gemoet liepen.quot; Daarna verzocht liij Pazamburo in plaats van tranen en van een medelijden, dat waarlijk ongegrond was, ten teeken zijner liefde, eene andere gunst, welke hem oneindig aangenamer zou zijn, namelijk dat aan allen tijd en gelegenheid gegeven zou worden om te biechten, de H. Mis te hooren en te kommunieeren, bij welk verzoek de kommissaris nog dit voegde: dat de kruisiging op een Vrijdag mogt plaats hebben. Pazamburo, die toen de vermoedens nog niet had opgevat, waarover wij later zullen spreken, stond alles beleefdelijk toe. Toen hij de gevangenen onder bewaking gesteld had, viel zijn oog op den jeugdigen Ludovicus, van wiens heldenmoed wij boven reeds verhaald hebben. Gedeeltelijk door medelijden bewogen, gedeeltelijk ook omdat hij aan de levendigheid van liet kind zag, dat het hem van dienst kon zijn, beloofde hij hem het leven te zullen schenken wanneer hij in zijne dienst wilde treden. De knaap antwoordde dat hij dit overliet aan de beslissing van den kommissaris, welke laatste zeer verstandig zijne goedkeuring
80
gaf, op voorwaarde alleen dat het hem vrijgelaten werd Christen te zijn eh te blijven. âDat niet,quot; viel eensklaps de goevernenr in, âgij wordt niet eerder losgelaten dan alvorens gij uwe leer verzaakt en de mijne aanneemt.quot; Waarop Ludovicus ten antwoord gaf dat hij op zulke voorwaarden het leven niet begeerde, daarliet geene behoorlijke ruiling was, een eeuwig en gelukzalig leven voor een ellendig aardsch leven op te offeren. Na dit antwoord keerde Fazamburo hun den rug toe en spoedde zieli naar Nangasaki. Kort na zijn vertrek kwamen P. Pasio en P. Joannes Eodriguez daar aan, om hem te zoeken: zij waren gezonden door den Vice-provinciaal P. Gomez, die de brieven van den kommissaris en van Paulus ontvangen had, en hadden al liet benoodigde tot het H. Misoffer bij zich voor den kommissaris, wiens verzoek zij den goevernenr wilden voorstellen. Deze was echter vertrokken en zij konden hem niet ontmoeten, daar hij een anderen weg had ingeslagen, en de wachters, die den grootsten spoed maakten met de reis, wilden zelfs niet toestaan de martelaars te zien of een weinig met hen te spreken. Rodriguez alleen, die zijn titel van tolk des keizers liet gelden, werd ten laatste toegelaten. Hij omhelsde, ouder het storten van tranen, de zes religieuzen van den H. Pranciscus, de drie van de Soeieteit en de zeventien leeken van het heilig gezelschap. P. Petrus Baptista vooral was aangedaan en werd nog dieper bewogen toen P. Eodriguez hem een afschrift voorlas van het vonnis, dat voor hen werd uitgedragen; de heilige belijder werd er door getroost, want daar hij niet wist wat het vonnis behelsde, was hij deswege niet zonder eenige bezorgdheid geweest. Rodriguez zeide
81
hem vervolgens nog dat de Bisschop Martinez met veel lof over hen allen tot de rortugezen gesproken en verhaald had welken ijver, welke zielskracht zij aan den dag legden en hoe vurig zij waren om God door hun lijden te verheerlijken; ten laatste sprak hij nog van de droefheid der Christenen over hunnen dood en van den troost en de lessen, die deze uit het voorbeeld van hun heldenmoed geput hadden. De kommissaris voegde er niets bij tot lof der zijnen, maar gaf met zedigheid alleen te kennen, dat hetgeen Kodriguez er van zeide inderdaad waarheid was en dat allen brandden van verlangen om voor het geloof te sterven.
Vervolgens ging Rodriguez naar Paulus Miki, overhandigde hem de brieven zijner broeders, voor wie hij er van Paulus wederkeerig ontving. Hij verhaalde hem hoe allen zijn lot, dat hem door den hemel toegeschikt was, benijdden er er gaarne deel aan zouden hebben; dat hunne gebeden, H. Misoffers en boetplegingen alle voor hem en zijne gezellen aan God werden opgedragen. Daarop zeide Paulus hem in het geheim dat hij, behalve de algemeene reden tot blijdschap, te sterven voor het geloof, er nog eene andere had, namelijk deze: dat de zaken der Societeit, niettegenstaande alle moeijelijkhedcn, zeer goed stonden aan het hof, en zijn hart zeide hem, zoo sprak hij, dat de Kerk van Japan, verre van door hunnen dood te kwijnen, veeleer met jeugdige frischheid bloeijen zou. Gedurende de twec-en-dertig dagen van zijne reis was hij immers bij alle zijne predikingen oplettend, eerbiedig en met goed gevolg-aangehoord; in den kerker van Osaka had hij zes on-geloovigen bekeerd en zelfs op hun dringend verzoek
gedoopt, omdat zij de gedachtenis bewaren wilden dat zij in een kerker geboren waren voor het geloof eu gedoopt door de handen van iemand, die veroordeeld was om te sterven voor datzelfde geloof, dat zij voortaan zouden belijden. Onder deze was een rijke krijgsman van adellijke afkomst, die hem later te Miako meermalen bezocht had, openlijk belijdende dat hij Christen was. Dit alles beschouwde hij als een duidelijk bewijs, dat het geloof krachtiger was om de heidenen tot zich te trekken, dan de vrees voor den aanstaanden dood om de Christenen tot den afval te bewegen, want hij zelf had met eigene hand veel meer heidenen gedoopt, dan er Christenen waren afgevallen. Daarop begaf Eo-driguez zich tot Joannes en Jakobus, omhelsde henen beloofde uit naam van den Vice-provinciaal, dat zij binnen kort tot de religieuze geloften zouden worden toegelaten. De twee belijders, die er onderweg waren bijgevoegd, vond hij in de bevredigendste stemming, even als de overige Japannezen, welke hij allen bijeenriep en iu het Japansch, dat hij volkomen meester was, toesprak op eene wijze, zijn ijver, zijn gehoor en de omstandigheden waardig. Vervolgens namen zij afscheid van elkander, du oogen vol tranen en met een diep bewogen hart, want de wachters, niet duldende dat Rodriguez langer bleef, leidden of liever joegen hem van daar, en hij vertrok des nachts met P. Pasio naar Nangasaki, waar hij zich aanmeldde bij Fazam-buro. Deze was evenwel niet meer de vriend van vroeger, toen hij zonder aarzelen het verzoek van den kommissaris en van Paulus had toegestaan. Aanvankelijk had hij reeds eene plaats aangewezen, waar de martelaars
83
in Nangasaki moesten gebragt worden. Er was voor !ien eene gevangenis met omheining in gereedheid gebragt. Maar later overwegende dat de Christenen, aan elkander met meer dan broederlijke liefde gehecht, hier in zoo groot getal bijeen waren en ender hen vele Portugezen van een koopvaardijschip en Kastilianen van liet gestrande vaartuig, begon hij te vreczen dat zij zich soms mogten vereenigen, wat niet moeijelijk viel, daarna te wapen loopeu en de gevangenis openbreken: wat magt kon hij zoo velen tegenstellen ? Voor alle zekerheid wilde hij hen dan zonder eenig oponthoud regt naar dt-plaats doen geleiden, waar de gewone misdadigers werden opgesloten eu welke even buiten de stad juist aan hunnen weg lag, vervolgens zou men zich zoodra mogelijk na hunne aankomst te Nangasaki van hen ontdoen. Onverwijld moesten er kuilen gegraven en zes-en-twintig kruisen opgerigt worden en geregtsdienaars door geheel de stad afkondigen dat geen Europeaan of Japannees, noch de Bisschop of iemand der paters naaide kruisiging der veroordeelden mogt gaan zien, op strafte des doods. Evenwel de gegeven belofte zoo veel mogelijk in aanmerking nemende, liet hij des nachts aan de paters weten, dat hij om nieuwe en billijke redenen hun verzoek niet meer ten volle kon inwilligen; alleen konden de paters Pasio en Podriguez des morgens vroeg aan het paleis komen, hij zou hen dan door een zijner officieren doen vergezellen cn dezen den last medegeven, dat de geregtsdienaars zoo lang moesten vertoeven tot dat de drie martelaars van de Societeit gebiecht hadden. Zij waren er op den bepaalden tijd, en bij het heengaan zeide Fazamburo hun nog dat zij hem
84
bij de overigen moesten verontschuldigen, daar toch het Mis hooren en sterven op een vrijdag onnoodige vertroostingen waren en zij immers ook volgens hunne leer buitendien met gerustheid konden sterven. De twee paters hielden nog zoo lang bij hem aan, dat hij hun eindelijk, hoewel na veel tegenkanting, toestond bij den dood dei-martelaars tegenwoordig te zijn. Daarop verwijderden zij zich; Pasio wachtte hen op in de kapel van het hospitaal van den H. Lazarus te Urakami, terwijl Rodriguez hun te gemoet ging met den officier, die in last had aan te kondigen dat zij onmiddellijk na hunne aankomst den dood zouden ondergaan.
De belijders waren dan van Sononghi over zee naar Tokiso vervoerd: allen, behalve alleen de religieuzen van den H. Franciseus, waren met de handen op den rug gebonden en twee aan twee met touwen om den hals aan elkander vastgeboeid, opdat zij zich niet zouden kunnen verdrinken. Op de plaats aangekomen, werd hun niet toegestaan aan wal te gaan; maar in dien toestand, geheel bevangen door eene felle koude, moesten zij overnachten. Hodriguez ontmoette hen op ruim eene mijl afstands van Nangasaki. Hij gaf den kommissaris, die een ellendig paard bereed, en aan de overigen, die, sterker dan hij, te voet gingen, den raad: zicli het overige van de reis tot den dood te bereiden, aangezien hun leven te gelijk met deze moest eindigen. De Heiligen ontvingen dit berigt met dankbaarheid jegens God en met eene nieuwe vervoering van blijdschap, zóó groot, dat het scheen, volgens het verhaal van P. Hodriguez, als of zij naar een feestmaal spoedden. Hij sprak nu eens met dezen dan weder met genen;
85
zijne woorden waren kort, maar geheel gloeijend van het vuur der goddelijke liefde, dat hem zeiven verteerde en nu nog opvlamde door den ijver, dien hij in de martelaars bemerkt had. Evenwel gelukte liem dit eerst na herhaalde en ernstige moeijelijkheden, even als aan de andere voorname inwoners van Nangasaki, die ter sluiks de stad hadden verlaten om hun te gemoet te gaan en hen nu als om strijd omhelsden. Aan het hospitaal gekomen , liet de offieier, volgens ontvangen last, de onzen, geboeid zoo als zij waren, er binnen gaan. 1'. Pasio hoorde hunne algemeene bieeht, en de twee kateehisten, Joannes en Jakobus, verbonden zieh onder vele tranen, die de overvloed van hemelschen troost hun storten deed, aan God door de drie religieuze geloften van de Soeieteit van Jesus. â Intusschen had men tijding van hen bekomen te Nangasaki en vele voornamen des volks en der Portugezen bestormden Fazamburo met verzoeken, om den martelaars den laatsten troost te mogen brengen en van hen wederkeerig woorden van aanmoediging te ontvangen. Het werd hun toegestaan. Ook verzochten de Portugezen den goeverneur, dat hij de martelaars, die immers niet oin eene misdaad veroordeeld waren, op eene aan hunne onsehuid passende plaats zou doen vonnissen, aangezien de gewone strafplaats der misdadigers niet alleen uit zich zelve schandvol, maar nu daarenboven nog beplant was met kruisen, waarop lijken van boosdoeners hingen, welker vergevorderde ontbinding een walgelijk schouwspel opleverde, tevens wezen zij hem eene geschikte plaats daarvoor aan. Het voorstellen van dit verzoek was hun aangeraden dooide paters, die het plan hadden opgevat ter aangeduide
80
plaatse ceiie kerk te stichten, onder den titel van O. L. Vrouw der Martelaren. â Verder vroegen zij nog, dat de kruisen op ééiie regte lijn mogten geplaatst worden en volgens zekere orde, die later werkelijk gevolgd werd. Eazamburo stond alles toe en gaf daarbij te kennen dat het hem smartte, ambtshalve tot deu dood dezer onschuldigen, wier moed en grootheid van ziel hij bewonderde, te moeten medewerken; dat het hem meermalen bedroefd had, vooral wanneer hij aan Paulus Miki dacht; maar, voegde hij er bij, en dit was werkelijk zoo, zij moesten wel begrijpen dat in geval aan een anderen gelastigde dan aan hem de uitvoering van het vonnis ware opgedragen, er dan meer geweld aan de maftelaars zou gepleegd zijn en dat de Christenen van Nangasaki en vooral de vorsten van Arima en Omura, die onder zijne regtsmagt stonden, het veel zwaarder zouden te verantwoorden gehad hebben: de laatsten toch waren in hun land de voornaamsten en de beschermers van dat geloof, dat hij naar goedvinden kon uitroeijen.
Middelerwijl nu de kruisen overgebragt en de nieuwe kuilen gegraven werden, hadden de martelaars eenigen tijd om zich in het hospitaal tot den dood voor te bereiden en de godvruchtige Christenen gelegenheid om hen te omhelzen, zich aan hen aan te bevelen en te smeeken dat zij hunner zouden gedachtig zijn voor het aanschijn van God, wien hunne zielen onmiddellijk van het kruis zouden tegensnelleu. Deze godvruchtige achting, buitengewoon ongetwijfeld, maar toch hunner verdiensten waardig, konden de martelaars niet dulden; en toen zij zich zaligen en martelaars hoorden noemen
S7
riepen zij uit: âneen, wij zijn zondaars en meer moet gij iu ons niet zien; bidt God dat ons bloed voldoende zij om de smetten onzer ziel af te wasschen!quot; Zoo spraken, zoo gevoelden zij. â Drie Portugezen wierpen zich neder voor Paulus en wilden in die ootmoedige houding zijne knieën omhelzen: hij kon niets zeggen, want hij sprak hunne taal niet; maar het schaamrood , dat zijn aangezigt kleurde, spr.ik voor hem en hij wendde zich om.
De andere Japannezen daarentegen, die hem eveneens wilden vereeren, berispte hij op gestrengen toon: âwat doet gij? Bedroeft mij nu niet in mijne laatste oogen-blikken; bewijst die ootmoedige vereering aan Godquot;, en als gij mij liefhebt, bidt dan dat Hij een zoo grooten zondaar als ik ben vergeving schenke en mijn schuldig leven, dat ik hem van ganscher harte opoffer aan het kruis, aannemc ter voldoening voor mijne zonden en te dien einde mijn kruisdood met dien van Christus vereenige!quot; Zoo sprak die vurige geloofsbelijder; maar aan den anderen kant was hij zoozeer in geestverrukking, dat hij als buiten zich zeiven scheen. Zijn gelaat droeg den gloed der goddelijke liefde, die in zijn hart brandde; overal en tot allen sprak hij, nu eens woorden van bemoediging tot zijne medgezellen, dan wéér zeide hij den omstanders hetzelfde, wat hij kort te voren aan P. Eodrignez in 't geheim had medegedeeld, namelijk; dat hun dood strekken zou tot uitbreiding des Christendoms en tot bloei des geloofs, en men merkte op dat hij dit zeide op een zoo vasten en zekeren toon, als of hij reeds gebeuren zag wat in de toekomst werkelijk plaats vond. De oude Jakobus smaakte inwendig
do hoogste blijdschap, âwant in weinige uren,quot; zoo zeide hij, âhad God hem twee genaden gesehouken, de kostbaarste, die hij wensehen kon, namelijk: den religieuzen staat cn den dood voor zijne dienst ter verde-digings des geloofs.quot; Alleen bedroefde hem de godsvrucht van sommige Christenen, die, na hem tederlijk omhelsd te hebben, een lapje vroegen, dat aan zijn ge-scheurden gordel hing: hij begreep dat het met de bedoeling was om eene relikwie te ontvangen en weigerde het volstrekt; maar wat hij ook deed cn hoe scherp hij ook zijne afkeuring daarover te kennen gaf, de anderen namen het, en verdedigen kon hij zich niet, daar zijne handen geboeid waren. â Treffend was vooral de ontmoeting van Joannes mot zijn vader, die ook daarheen gesneld was, om zijn zoon voor hot laatst aan zijn hart te drukken. Noch hier, noch later onder het kruis, waar zij elkander andermaal zagen, werden er tranen gezien of woorden van droefheid uit hunnen mond gehoord; maar beider gelaat blonk van vreugde. In den martelaar, die op den drempel des hemels stond, was dit wel niet te verwonderen; maar des te bewonderenswaardiger was do standvastigheid des vaders, wien Joannes niets aanbeval dan dat hij God nooit vergrammen en zijne zaligheid door een deugdzaam leven verzekeren zou, cn de vader had voor den ne-gentienjarigen jongeling geene andere vermaning dan deze: dat hij den dood ondergaan moest met die grootheid van ziel, welke betaamt aan hem, die tot verheerlijking van Christus cn voor de belijdenis des geloofs sterft; tevens verzekerde hij hem dat zijne moeder zijn lot benijdde en het de grootste vreugd
89
â /ijner ouders wezen zou, eenmaal hun eigen bloed en leven daarvoor op te offeren als God het hun vragen raogt. Nog gaf Joannes hem zijn afscheidsgroet voor P. de Moreeon, wien hij langen tijd als katechist was behulpzaam geweest, tot groot voordeel zijner ziel, hetgeen hij op dit oogenblik, nu hem zooveel zielskracht noodig was, het best gevoelde. Daarop ontdeden zioli onze drie martelaren van de relikwieën en rozekransen, die zij om den hals droegen, opdat deze voorwerpen niet in handen der heidenen zouden komen, en hielden niets bij zich dan eene medalje of iets dergelijks, om den aflaat te verdienen. P. Pasio omhelsde nog eenmaal de zes religieuzen van den H. Pranciscus en alle overige .bekenden en vrienden, keerde vervolgens met den ontvangen schat naar Nangasaki en begaf zich naar Pazam-buro, om hem te bedanken voor de gunst, aan de onzen toegestaan, en tevens om voor zich zeiven en P. Eodri-guez te verzoeken dat zij bij de teregtstelling mogten tegenwoordig zijn, hetgeen hun door de geregtsdienaars verboden werd. De goevemeur stond liet hem toe; maar de Bisschop Petrus Martinez kon het, hoe hij ook smeekte, niet verkrijgen, want zijn persoonlijk karakter, zoo dacht Pazamburo, zou eene plegtigheid aan do teregtstelling bijzetten, welke Taikosama's toorn ontsteken moest, als het hem ter oore kwam: derhalve zond de Bisschop aan de martelaars alleen zijn herderlijken zegen.
90
XII.
DE KRUISDOOD IN JAPAN. -â⢠BIJZONDERHEDEN
AANGAANDE EENIGE MARTELAARS. - TOESPRAAK
VAN PAÃLUS TOT HET VOLK.
Kort daarna kwam er een geregtsdienaar uit de stad, met bevel van den goeverneur, dat men de veroordeelden zonder verder oponthoud zou kruisigen. Duizend zegeningen klonken er op het liooren dier tijding uit aller mond, en de toeschouwers werden tot tranen toe bewogen toen zij dat gejuich, die wederzijdsche heil-wensohen en bemoedigingen hoorden. De nieuwe plaats, voor de strafoefening bestemd, was een kleine heuvel aan de overzijde van den grooten weg, langs de zeekust, geheel in het gezigt van Nangasaki; op de kruin was eene vlakte, juist lang genoeg om zes-en-twintig kruisen op ééne regte lijn te bevatten, met een afstand van drie schreden tussehen elk. Op verschillende punten des heuvels had Fazamburo musketiers en lansknechten post doen vatten en op acht schreden van de kruisen twee lange rijen soldaten geschaard, wel gewapend en daarenboven voorzien van lange knodsen, waarmede zij de omstanders terug dwongen; want geen enkele mogt binnen den kring komen uitgezonderd de beide paters Pasio en Kodriguez, die daartoe bijzondere vergunning hadden.
Wat de japansche kruisen betreft, deze hebben, behalve het dwarshout van boven voor de armen, er nog een ander beneden onder de voeten, waaraan de beenen niet op of naast, maar ver van elkander worden vastge-
91
bonden. Aan de voorzijde van den stam, in het midden, is een blok bevestigd, waarop het ligcliaam des veroordeelden, die er sclirijlings op gezeten is, steunt; deze wordt niet vastgenageld, maar alleen tegengehouden door vier ringen of ijzeren banden, te voren aan het kruis vastgeslagen; twee van boven voor de polsen, twee andere omlaag, die den voetenkel omsluiten, en één voor den hals, somwijlen bovendien nog een ijzeren gordel of een touw om het midden en één van weerszijde tus-sehen den elleboog en den schouder. Onze martelaars hadden ijzeren ringen om handen en voeten; maar om den hals en het midden sommigen ijzeren banden, anderen touwen.
Al deze banden, gelijk ook het rustblok in het midden, dienen om het leven des lijders te rekken; en het lijk wordt niet eerder van het kruis afgehaald dan wanneer , na 't vergaan der gewrichten, de beenderen één voor één beginnen uit te vallen. De veroordeelde wordt niet uitgekleed; maar ieder behoudt het kleed, waarin ter dood gaat, hoe prachtig het ook zij. Het kruis wordt overeind in den grond geplant en in den kuil onbewegelijk vastgezet, terwijl de lijders in die houding soms eenigen tijd in het leven gelaten, soms ook terstond gedood worden. Dit laatste geschiedt dooreen of twee lanssteken, die men hun toebrengt: een in de regterzijde en wel zóó dat het staal aan de linker-sehouderholte uitkomt, daarna een tweeden, die de linkerzijde en de rcgterschouderholte doorboort, zoodat de lansen elkander binnen in de borst kruisen. Daar nu deze lansen lange, breede en scherpsnijdende messen dragen, wordt meestal bij den eersten of zeker bij den
93
tweeden steek het hart getroffen. Ook zijn de beulen hierin zeer behendig en oefenen er zich in als in eene kunst, om naar goedvinden iemand met één steek doo-delijk te kunnen treffen; gebeurt dit evenwel niet, dan herhalen zij het eene derde- en vierdemaal of steken den strot af.
Binnen den kring der geregtsdienaars en in het ge-zigt der kruisen gekomen, gaven de martelaars op verschillende wijzen hunne gevoelens te kennen: sommigen knielden en vereerden het kruis, anderen omhelsden het, wederom anderen hieven de oogen ten hemel en droegen zich aan God op, ook waren er, die dringend smeekten aan het kruis te worden vastgenageld. Onder de vurigsten noemt men P. Martinus, die met luider stem den lofzang Benedictus aanhief, en bovengenoemden Ludo-vieus. De laatste vroeg een der beulen waar zijn kruis stond, en toen er hem een, naar zijne grootte gemaakt, werd aangewezen, vloog hij er heen en strekte er zich op uit, roepende: âhet paradijs! het paradijs!quot; Eazamburo had den geregtsdienaars bevolen, de martelaars zooveel mogelijk te ontzien, en aan de beulen, hunnen dood te bespoedigen. Waarschijnlijk was het ook op zijn bevel, dat dc kruisen, tegen het algemeen gebruik, vierkant en regt bewerkt waren, terwijl die der andere veroordeelden altijd gemaakt werden van onbewerkte boomstammen, geheel ruw en ongeschaafd, zoo als zij geveld waren. Niettegenstaande deze voorzorgen, gebeurde het dat Paulus Miki, die, wegens zijne kleine gestalte, het middenblok niet bereiken kon, door een der beulen met een koord aan den stam werd vastgebonden; men sloeg het hem om de borst en opdat de eene het vaster konde
93
aanhalen, zette een ander hem den voet tegen zijn lig-chaam. Toen een der beide paters, die bij allen rondgingen, dit zag, verzocht hij den barbaar wat menschelijker te handelen; doch de Heilige, die deze geringe vermeerdering van verdiensten nog gaarne bij zijne kruisiging voegen wilde, viel aanstonds in; âlaat hem , hij doet het goed.quot; Allen waren ter zelfder tijd aan hunne kruisen gehecht, ieder door een afzonderlijken bsul, en werden ook te gelijk opgerigt, waarna de stam in den kuil werd vastgezet. Wat de orde betreft, waarin zij geplaatst waren : â deze zullen wij van allen niet opgeven, dit toch is van weinig belangâ Jakobus had de vijfde plaats naar het Oosten, Paulus de zesde, .Foannes de Goto de zevende, op de elfde en vijf volgende plaatsen stonden de kruisen van den kommissaris en zijne religieuzen, te weten; twee priesters, een geordende en twee leeken.
Allen waren met het aangezigt naar Nangasaki gewend, welke stad zeer nabij lag, zoodat alle vensters en daken met toeschouwers bezet waren. Ook aan den voet des heuvels, tot zoover hot kon, stonden er meer dan vierduizend van allerlei slag: Christenen, heidenen, de Portugezen en Kastilianen der schepen, die zich om het bevel van Fazamburo niet bekreunden; de ongeloovigen door nieuwsgierigheid, de Christenen door godsvrucht derwaarts gelokt. Inderdaad, geheel het japansche volk had hier moeten tegenwoordig zijn, tranen van aandoening zouden gewis allen geschreid hebben, even als de weinigen, die er nu waren en ouder welke de bitterste vijanden des Christendoms; want roerend was het, bij de gelijktijdige opheffing der kruisen de kalme, blijde, ja
94
van vreugd stralende gelaatstrekken te üien dier moedigen, van wie men gezegd zon hebben dat de zaligheid van het paradijs reeds hun deel was. Eerst sloegen zij de oogen ten hemel, als om het offer van zich zeiven aan God op te dragen, daarna gaven zij, ieder volgens eigene gemoedsstemming, lucht aan dc edele gevoelens hunner harten. De kommissaris hield geheel rustig en kalm zijn oog ten hemel gerigt. P. Franciscus Blaneo loofde den Heer; Martinus zong psalmen; Gon-zalvus, een leekebroeder van dc kanarische eilanden , bad met luider stem het Onze Vader en Wees gegroet; Antonius, de dertienjarige knaap, hief den psalm; âLaudate pueri Dominumquot; aan op gregoriaanschen zangtoon , zoo als hij geleerd had in het kollegie der Soeie-teit te jSangasaki. Hier was hij na zijn Doopsel opgevoed , en zijn vader had hem er als kateehist aangeboden, doch om al te jeugdigen leeftijd afgewezen, had hij zich in dienst begeven bij de religieuzen van den H. Franciscus. â Ludovicus kon op het hooren der volgende woorden: âblijf sterk in den Heer, weldra zult gij in het paradijs zijn,quot; de vreugd zijns harten niet langer meester blijven; hij bragt handen en voeten in beweging en trilde van blijdschap over geheel zijn lig-chaam, tot groote verwondering van allen, die het zagen, want dit kind was niet ouder dan twaalf jaren en nog geene tien maanden Christen. Joannes de Goto brandde van liefde en vermaande degenen, die naast hem gekruisigd waren, tot standvastigheid. Een glans van verrukking lag op zijn gelaat, zoodat de omstanders naar hem vooral heenwezen, en toen een der paters, aan den voet van zijn kruis staande, hem te binnen bragt dat
95
God zijne ziel binnen eenige oogenblikken in den hemel ontvangen zou, antwoordde hij: âja zeker, wees gerust, ik heb Hem reeds in mijn hart.quot; Tegenover hem stond met gelijken moed, met dezelfde blijdschap op 't gelaat zijn vader, die hem, zoo als verhaald is, onderweg ontmoet en tot op de strafplaats vergezeld had en nu zijn dood zien en hem van verre, want naderen mogt hij niet, bemoedigen wilde, om het verhevenste heldenwerk der christelijke liefde te voltooijen. Bij den dood zijns zoons geraakte hij van blijdschap buiten zich zeiven, bedenkende dat hij nu vader was van een martelaar ; hij vliegt midden door de wachten heen, kust het kruis, rukt de kleederen af, vangt het bloed op en ijlt met onbeschrijfelijken troost in het hart huiswaarts naar zijne echtgenoote, die, even moedig en godvruchtig als hij, in zijn geluk deelde.
Paulus Miki was aan het kruis niet alleen martelaar, hij was ook apostel. Zijn kruis ziende, dat spreekgestoelte, hetwelk uit zich zelve reeds welsprekend was, en voor zich eene onafzienbare menigte, verhief hij zijne stem zoo luid hij kon en toen er eene diepe stilte volgde, sprak hij aldus :
âHoort naar mij, bid ik u! â Ik ben geen vreemdeling, van de philippijnsche eilanden herwaarts gekomen , maar Japanuees als gij en religieus van de Societeit van Jesus. Veroordeeld tot den kruisdood om geene andere misdaad dan deze; dat ik de leer gepredikt heb van Jesus Christus onzen Verlosser, sterfik blijmoedig en roem ik in mijnen dood, want hij is de belooning mijns Heeren voor den arbeid om Zijnentwil. In dezen laatsten stond mijns levens verdenkt mij gewis niemand
96
uwer van bedrog: welnu, ik verklare en belijde dan dat er geene andere leer, geen andere weg is ter zaligheid dan die der Christenen, En daar liet een voorschrift dierzelfde leer is, onzen vijanden te vergeven en wel te doen aan degenen, die ons vervolgen, zoo vergeef ik aan ïaikosama en allen, die schuldig zijn aan mijn dood, niet in 't minste haat of verafschuw ik hen, maar verlang integendeel en bid dat zij allen en geheel Japan met heu zalig en te dien einde Christenen worden.quot; â Deze woorden sprak hij met zooveel vurigheid en aandoening, dat ten laatste zelfs de wachters, die van verre stonden, naar hem toe kwamen, om te luisteren. De Christenen schreven ze op en maakten er later uitdrukkelijk melding van in dc akte der zaligverklaring. Vervolgens wendde hij zich tot zijne broeders naast hem, die de beulen afwachtten, wekte hen op tot den laatstenstrijd niet minder door de vreugd van zijn gelaat dan door woorden, want beiden spraken de taal der bemoediging. Eindelijk geheel in zich zei ven gekeerd, de oogen ten hemel en de ziel verslonden in God, herhaalde hij de woorden: âVader! in Uwe handen beveel ik mijnen geest!quot; totdat hij den doodelijken steek ontving. Hoe wel volgde de heldhaftige belijder in alles â in het vergeven zijner vijanden, in het werken voor der menschen welzijn tot op het kruis en in al het overige, wat we boven reeds vermeld hebben, het voorbeeld na van den stervenden Verlosser.
Toen alle kruisen overeind en vast stonden, trokken vier beulen de scheeden af, waarin het ijzer der lansen wordt bewaard, en begonnen aan eenen kant, twee bij eiken martelaar, de zijden te doorboren, bij de meesten
97
niet één, bij sommigen met twee steken. Pasio en Eo-driguez gingen met de beulen voort, plaatsten zicli aan de kruisen der stervenden en spraken hun datgene toe, wat in de laatste oogenblikken ter versterking kon zijn. De Christenen riepen bij het uittrekken der lansen en bij het doodsteken van ieder de zoete namen van Jesus en Maria aan, zóó luid dat het in Nangasaki gehoord werd. En hoewel de soldaten zich toen nog in naauwer kring om de kruisen sloten dan in het begin , konden zij zich evenwel hier en daar zoo niet verweren of de Christenen braken er door en liepen, om het bloed, dat golvend uit de opene zijden stroomde, hetzij in de hand, hetzij in hagelwitte doeken, te voren daartoe gereed gemaakt, op te vangen. Een hunner nam, om geen enkelen druppel van Paulus' bloed te laten verloren gaan, zijn kleed bij den boord, hield het zoo wijd hij kon van zich af en ving aldus een groot gedeelte er van in zijn schoot op. Zelfs kwam hij in geschil met zekeren Joannes Baptista Bonacina, een Italiaan, die insgelijks aan eene zijde van Paulus stond en bij dezen en de andere religieuzen in een linnen doek zooveel bloed opving als hij kon, hetwelk hij later in een fleschje uitdrukte en naar Miako bragt. De soldaten zwaaiden wanhopig met hunne knodsen rond en velen, zoo Portugezen als Japannezen, werden ernstig gewond, zoodat zij verscheidene dagen het bed moesten houden om te genezen; maar niets vermogt hen tegen te houden, want zij bekreunden er zich op dat oogenblik niet om of zij ook hun eigen bloed storten moesten, indien zij maar een weinig van dat der martelaars konden meester worden. Toen was Fazambnro's geduld ten einde ;
98
liij liet de wapens vellen en het volk met een vreese-1 ijken schok terugdrijven naar Nangasaki. Naauwelijks echter was hij met de soldaten afgetrokken of het stroomde weder naar de kruisen, schrapte ze af waaier bloed aan kleefde, nam de aarde op, waar het gevallen was, en scheurde ten laatste de kleederen af, vooral van de religieuzen. Dit was niet moeijelijk, want de kruisen waren zoo laag, dat een wolf van den grond zijne tanden in de voeten der lijken kon slaan. De Christenen gingen hierin met zulk eene overdrevene godsvrucht te werk , dat de Procurator van een liefdegesticht te Nangasaki zich genoodzaakt zag matten over de lijken tehansen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; iets
O '
anders dan matten had hij daartoe niet kunnen gebruiken, want het zou andermaal afgetrokken zijn.
Deze roemrijke marteling had plaats op Woensdag den 5lJen Februarij des jaars 1597: een gedenkwaardige dag voor geheel Japan â niet zoozeer omdat deze mannen de eersten waren, die hun leven gaven voor het geloof, maar omdat zij de eersten huns volks zijn , die bij apostolische vergunning onder den titel van Martelaars worden aangeroepen. Behalve de drie religieuzen van de Societeit van Jesus, waren er onder hen nog eenigen, die hunne opvoeding hadden ontvangen in de kollegicn der Societeit, te weten: Cosmas Takea, Thomas Kosaki, Paulus Ibarki en Paulus Suzuki, alle vier gehuwd. Petrus Snkegiro, die onderweg bij de martelaars werd gevoegd , en nog twee kinderen: Antonius, een Chinees, en Yentura.
90
XIII.
ALGEMEENE VE REE RING DEK MARTELAARS.
Middelerwijl de martelaars werden doorstoken stonden, belialve de menigte, die zicli, zoover de soldaten het toelieten, op den heuvel zamendrong, de overigen, zoo stedelingen als vreemden, in de stad op daken, balkons en aan de vensters, om den triomf des gelool's te aanschouwen, dien zij op den heuvel zagen winnen. Ook de Bisschop Martinez zag alles uit een venster van het kollegie, zoo als hij zelf te kennen geeft in een brief, geschreven op verzoek van P. Hieronymus, Custos der Minderbroeders te San Leonardo. âMet eigen oog,quot; zoo schrijft hij, âzag ik de kruisen opheffen en de lansen, waarmede zij doorstoken werden, flikkeren; scharen volks, Christenen en heidenen, snelden toe, om getuigen te zijn van dit schouwspel, en ofschoon ik, wegens den afstand, ecnige bijzonderheden niet kou opmerken, hoorde ik toch het geroep der menigte telkens wanneer het staal de zijde van een der martelaars doorboorde.quot;
Fazamburo, hoe geheel heiden ook, was echter ontzet over den moed der belijders en de godsvrucht der Christenen. Hij vroeg aan de paters van waar het kwam, dat, toen de lansen werden uitgetrokken, de martelaars van blijdschap zongen en de Christenen daarentegen bitter weenden, waarop hem geantwoord werd, dat het zingen der eersten ontboezeming was der vreugd over de glorie, die eerlang hun deel zou zijn, en dat de Christenen weenden, eenige uit medelijden met den
100
(lood dezer onschuldigen, andere van verlangen naar een dergelijk einde: liet eene en andere verwonderde den goeverneur grootelijks. Evenwel sloeg hem de vrees om het hart als hij bedacht hoe ligtelijk Taikosama kon te weten komen dat do martelaars, door hem veroordeeld om, na smadelijke rondleiding, met schande te sterven, nu integendeel zoo eervol gestorven waren. Derhalve dreigde hij Xangasaki te zullen verwoesten, indien de Christenen zich niet van de strafplaats verwijderd hielden, en in dat geval moesten zij hun ongeluk niet aan hem, maar aan zich zeiven wijten. Immers, zoo zeide hij, er was bij de aankomst van het koopvaardijschip eene menigte handelaars uit Miako, Osaka en Sakai in de stad, die ongetwijfeld bij haar terugkeer verhalen zou wat zij gezien had, en indien er ook maar een weinig van uitlekte aan het hof, zou hij ondervinden waartoe Taikosama in gramschap komen kou en zij allen zouden gewis er ook niet beter bij varen. Evenwel kon men moeijelijk raden of er van het verhaal der heidenen, die toen te Nangasaki getuigen der teregt-stelling waren, iets kwaads te vreezen dan wel veel goeds te verhopen was, zóó groot was aller verwondering over hetgeen zij in de martelaars en in de geloo-vigen gezien hadden, en reeds vroegen zij vol verbazing, welke leer het toch was, die den kinderen leerde den dood lagchend onder de oogen te zien en hun den moed gaf om zoo schandelijk, zoo pijnlijk een dood zingende te ondergaan; terwijl anderen, in plaats van de straf hunner medegezellen te vreezen, er veeleer naar verlangden en weenden uit afgunst!
Ter zclfder tijd liep er een gerucht dat de Kastili-
101
anen met de Portugezen waren overeengekomen om cle lijken der religieuzen van liet kruis te nemen: de eersten zouden die der zes Pranciskanen naar Manilla op de pliilippijusche eilanden, de anderen de drie religieuzen der Societeit naar Macao in China overbrengen. Toen dit Fazamburo ter ooren kwam beval hij, woedend van gramschap, aanstonds cene omheining rondom de kruisen op te rigten en liet er twee afdee-lingen soldaten in 't geweer dag en nacht waken, met bedreiging dat zij het met hun hoofd boeten zouden als er een enkel lijk verdween. Daarna begaf hij zich in dezelfde opwelling van toorn naar de paters eu zeidc hun, dat wanneer zij of wie ook zich dat onderwinden zou in spijt van Taikosama's bevelen, hij het den Christenen der nieuwe staten, die geheel tot zijne regtsmagt behoorden, duur zou te staan brengen. Pc Bisschop zag zich dus gedwongen de algemeene ramp , waarmede de Christenheid en het geloof bedreigd werden, te verhoeden; dit toch had meer belang dan de bijzondere, hoezeer ook lofwaardige en billijke godsvrucht der geloovigen, te meer daar men later ongehinderd en zonder gevaar of aanstoot dc overblijfsels bekomen zou niet alleen van die negen, maar ook van al dc overige martelaars. Derhalve verbood hij, op straf van exeom-munieatie, den soldaten eenig geweld aan te doen of hun op eenige wijze de lijken, die zij bewaken moesten, te ontrooven.
Dit bevredigde den goeverneur een weinig , en trok hij al de wachtposten niet in, zoo wasechter de bewaking minder gestreng; zelfs werd het den Christenen vergund dc lijken te naderen en te vereeren. De Bisschop
102
was een der eersten om er'heen te snellen: twee of drie uren na de teregstelling bekwam hij verlof om aan zijne godsvrucht te voldoen. Op de kruin des heuvels nabij de kruisen gekomen , viel hij op zijne knieën, om de heilige ligohamen te vereeren, en bewees alzoo den martelaars de eerste openbare hulde, Het volk stroomde er heen als naar eene bedevaart, niet enkel uit Nangasaki, maar uit de omstreken, drie, ja vier dagreizen ver, om de ligchamen te vereeren van hen, die liet als Heiligen besehouwde en wier doodvonnis, dat nog altijd aan een staak gehecht bleef op het midden des heuvels, bovendien van hen getuigde dat zij als martelaars voor het geloof gestorven waren. Joannes , koning van Arima, en Sanchez, vorst van Omura, kwamen er insgelijks; de eerste met de voornaamsten van zijn hof, de laatste daarenboven nog met zijne eehtgenoote en oudste zuster. Eén voor één naderden zij de lijken en vroegen naar alle bijzonderheden. Lang stonden zij stil voor het lijk van Paulus Miki, want beiden hadden hem zoo teedeiiijk bemind en zoo dikwijls gehoord ; Sanchez bewaarde bovendien een brief bij zich, welken Paulus hem kort voor zijn dood uit Sononghi geschreven had: hij behelsde een schat van heilzame lessen en opwekkingen ter volharding in en tot het leiden van een leven, alleen en voortdurend toegewijd aan de dienst van God. Bij het ontvangen had hij hem reeds eerbiedig aan zijn hart gedrukt en duizendmaal gekust, nu echter was hij hem een overdierbaar heiligdom: de relikwie eens martelaars.
103
XIV.
HUN MARTELDOOD WORDT DOOR MIRAKELEN BEVESTIGD. â IIÃN BLOED IS HET ZAAD EENEll TALRIJKE CHRISTENHEID.
Toen het ruchtbaar werd dat God door verschillende wonderen toonde hoe aangenaam Hem de dood dier Heiligen geweest was, vermeerderde de toevloed niet weinig. Wilde dieren en roofvogels, die daar in menigte gevonden worden en gretig op lijken azen, verzamelden zich wel in groepen rondom de lijken, maar durfden ze niet aanraken, veel minder verscheuren. Ook werden er in den nacht van Vrijdag na de teregtstelling drie groote vuurkolommen gezien, die eenigen tijd boven do kruisen onbewegelijk stil stonden en zich daarna verplaatsten boven het kollegie der Societeit en de kerk van 't hospitaal, waar de paters Franciskanen eenigen tijd hadden doorgebragt. Het bloed van Paulus Miki en der anderen, door bovengenoemden Bonacina opgevangen en in een fleschje uitgedrukt, werd te Miako drie maanden later nog geheel vloeijend en onbedorven gevonden.
In de verslagen van de Auditoren der Eota en in bijzondere geschiedverhalen vinden wij nog andere mirakelen opgeteekend, welker beschrijving ons evenwei te lang zou bezig houden. Liever staan wij eenige oogen-blikken stil bij de beschouwing van een ander wonder, door de H. Kongregatie der Kerkgebruiken het grootste van alle genoemd, namelijk: dat het bloed dier mar-
104
telaren liet zaad werd eener talrijke Cliristenlieid. Tai-kosama had gelioopt door don dood dezer zes-en-twintig gekruisten den Christenen en heideneu schrik aan te jagen en het geloof in Japan met wortel en tak uit te roeijen; doch juist het tegendeel vond plaats cn de bonzen zelven waren razend van spijt toen zij ondervonden dat het geloof er veeleer door gewonnen had. Nog was Paulus niet doorstoken aan het kruis, toen reeds een japansch renegaat, die tot de veroordeeling en den dood der martelaren had medegewerkt, geheel geroerd, in een luid geween uitborst toen hij den heiligen prediker zijnen vijanden hoorde vergeven en bidden voor aller zaligheid; v aanstonds omhelsde hij een Portugees, die zijn doopborg geweest was, en herriepen beweende openlijk zijn afval. Vele heidenen ook, die bij den marteldood waren tegenwoordig geweest, verzochten , in Nangasaki teruggekeerd , dringend om het II. Doopsel, cn overal waar de tijding van den zaligen dood der belijders aankwam werd de ijver des geestes zoozeer opgewekt, dat de Vice-provinciaal, P. Gomez, bevreesd voor beklagenswaardige uitersten, het zich ten pligt achtte eene verhandeling te schrijven in de japansehe taal, waarin hij leerde in welke gevallen men verpligt is het geloof openlijk te belijden; wat men te dien einde doen en wat men laten moet; welke verdiensten do marteldood schenkt; welke stemming er toe vercischt wordt, en beantwoordde ten slotte de vraag : of men zich vrijwillig tot den dood aanbieden dan wel of men zich verbergen en vlugten kan, volgens de leer der li. Schriftuur en der Kerkvaders. Wat de heidenen betreft: er werden er, alleen in dc onlangs gevestigde rijken, die tot Ximo behooren en aan de
105
regtsmagt des goeverneurs van Nangasaki onderworpen zijn, tweeduizend honderd veertig voor Christus gewonnen in het overige deszelfden jaars 1597. Het volgende jaar 1598 stierf Taikosama en kwamen er uit China nog tien religieuzen van de Soeieteit derwaarts , onder welke P. Alexander Valegnani, Visitator, en de nieuw benoemde Bisschop P. Lndovicus Seeheira, opvolger van P. Martinez, die omstreeks het einde des vorigen jaars op zijne reis naar Indië nabij Malakka overleden was. De eerste gedachte van den Bisschop en den Visitator was de zaak der Christenheid op een goeden voet te herstellen. Dertig huizen der Soeieteit werden geopend en het seminarie van Nangasaki werd voor tachtig kwee-kelingen verbouwd; de verwoeste kerken rezen weder op en naar alle kanten werden werklieden uitgezonden, om het zaad des Heeren in nieuwe gewesten te strooijen. De vruchten waren honderdvoudig, want P. Joannes Baptista Baëza doopte in het rijk van Pingo binnen zeven maanden twee-en-dertig-duizend heidenen; anderen doopten er negenduizend te Pakata; wederom anderen evenveel in Bungo, Amanguki, Bugen en Miako. Het zij genoeg te zeggen , dat in deze twee jaren, nog voor het einde van 1G00, de Kerk in Ximo zeventigduizend kinderen gewonnen had ; en het getal der overige bekeerlingen van geheel het rijk daarbij gevoegd, bevinden wij dat onze H. godsdienst in Japan door driehonderdduizend nieuwe belijders werd aangenomen. En had die vredestijd langer voortgeduurd, geen enkel hoofd zou er niet door de wateren des Doopsels zijn afgewasschen. Maar de woedende vervolgingen vanDai-fusama en van de beide Xonguns, zijne opvolgers,
LOG
rigtten alles ten gronde en vermenigvuldigden de martelaars tot duizenden, zoodat er ten laatste, gelijk Bartoli ons in zijn geschiedverhaal breedvoerig vermeldt, geen spoor van Christendom meer overbleef.
XV.
DE RELIKWIEÃN DER MARTELAARS WORDEN NAAR
MANILLA EN MACAO OVERGEURAGT. - AKTEN
HUNNER ZALIGVERKLARING.
Wat de martelaars betreft, hunne ligchamen bleven langer dan twee maanden aan het kruis. Meest alle waren hard en stijf geworden door de koude, welke dien winter vooral zeer streng was. Naauwelijks echter werd de lucht een weinig warmer of ook de lijken vielen in ontbinding en ledematen en beenderen scheidden zich van elkaar. Toen zond de Vice-provinciaal eenige Christenen derwaarts, om de relikwieën op te zamelen, verdeelde ze met den verschuldigden eerbied in afzonderlijke kassen en plaatste ze in de kerk der Societeit te Nangasaki. Die der zes religieuzen van den H. Fran-ciscus werden later naar Manilla op de philippijnsche eilanden en die der drie martelaren van de Societeit naar de kerk van het Kollegie te Macao in China over-gebragt.
Gedurende dien tijd had ook de Bisschop , alvorens uit Japan te vertrekken, geregtelijk berigten ingewonnen aangaande den marteldood, welke akten het volgende jaar door zijn opvolger in het bisdom, P. Ludo-
107
vicus Secheira, onder vijftig getuigen naauwkeurig werden onderzocht. Later , toen men van de H. Kon-gregatie der Kerkgebruiken door vergunningsbrieven daartoe gemagtigd was, begon men de apostolische processen te Nangasaki, Manilla, Macao, Angelopoli en te Mexiko in de jaren 1631 en 1623, uit welke processen drie Auditoren der H. Eota het verslag opmaakten, dat den H. Vader moest worden aangeboden. Dit laatste werd in de II. Kongregatie onderzocht en behandeld, waarna zij den 3U Julij 1637 verklaarde, dat de marteldood en de mirakelen der zes-en-twintig gekruisten genoegzaam bewezen waren en men, wanneer Z. li. zulks goedvond, tot de plegtige kanonisatie dierzelfden kon overgaan. Daarop stond Z. H. Urbanus VIII, bewogen door de smeekingen des katholieken konings ïllips IV en van Isabella, van de stad Manilla, Miako en andere, aan de Orde van den H. Franciscus en de Societeit van Jesus toe, het Officie en de Mis der martelaars te lezen op den verjaardag van hunnen dood. ïen gevolge dezer hooge vergunning, vierde men overal luisterrijke feesten, voornamelijk in Japan, waar toen de vervolging allerhevigst woedde. Zonder ophouden schonk dc Hemel door gunsten eu mirakelen nieuwen luister aan de verdiensten zijner martelaars, en nog berusten onder ons de wettige en oorspronkelijke bewijsstukken van twee plotselinge genezingen in het jaar 1638 , door aanroeping der drie Heiligen van de Societeit verkregen, de eenete Munchen in Beijeren en de andere te Hal. Voor het overige werden zij, zoowel in de stukken van de H. Kongregatie der Kerkgebruiken als in de apostolische vergunnings-
108
dekreten, met den naam van Heiligen vereerd; ten laatste werd ook de herinnering hunner geboorte voor den Hemel in het romeinsehe martelaarsboek aangekondigd en hun feestdag tot den rang der tweede klasse (duplex 2dae classis) verheven. Dit jaar 1862 eindelijk heeft Z. H. Pius IX door de plegtige heiligverklaring aller verwachting, aller vurigen wensch vervuld.
XVI.
NAAMLIJST VAN BE 11ELIÃIEUZEN DER SOCIETEIT VAN
JESTJS, IN JAPAN UIT GELOOFSHAAT OMGEBRAGT, EN VAN DE BISSCUOPPEN , HIE DEZE KERK BE-STÃÃKD li EBBEN.
Wij eindigen dil verhaal met eene opgave van de namen der Bisschoppen, die de Kerk van Japan bestuurd hebben, en met eene naamlijst van al onze religieuzen, die in dat rijk uit geloofshaat onder verschillende en gruwzame folteringen den dood hebben ondergaan en van wier marteling de gebruikelijke apostolische processen zijn opgemaakt.
Geene Christenheid is er, die sedert de eerste eeuwen der Kerk met zooveel moed en volharding meer dan honderd jaren lang de gruwelijkste vervolging en uit-gezochtste wreedheden heeft verduurd. Ballingschap, gevangenis, boeijen, verbeurdverklaring van goederen, ja, zelfs het doodslaan der nieuwbekeerden met kuodsen, het onthoofden of door midden houwen met een slagzwaard, het kruisigen en doorsteken met lansen werden,
109
als te gewone straffen, weldra niet meer aangewend, maar door andere langduriger en vreeselijker pijnigingen vervangen. Eenigen werden langzaam verbrand, anderen naakt op liet ijs geworpen om te bevriezen; soms rukte men den martelaars liet vleescli, de ledematen, spieren en zenuwen met tangen uit het ligchaam, en wa.t daarna van hun ontvleesclit ligehaam nog overbleef werd afgesneden met stompe messen. Anderen werd de hals met een riet doorgezaagd, welke foltering soms zeven dagen duurde; soms werd hun met geweld water in het ligehaam gegoten, waarna men het weder door persing met bloed vermengd deed uitwerpen; soms werden zij langzaam nedergelaten in de zwavelbronnen van den berg Ungen , waarin lid voor lid verbrandde. Anderen werden met het hoofd omlaag gedurende vele dagen boven een kuil gehangen, kortom, deze en meer dergelijke gruwzame folteringen, die getuigen van de barbaar-sclie wreedheid der vervolgers, werden met heldenmoed verduurd door mannen en vrouwen van allen leeftijd en stand, ja zelfs door teedere maagden, kleine kinderen en zuigelingen, weinig meer dan een jaar oud.
Ook de Orden van de HH. Franciseus, Dominieus en Augustinus tellen onder deze belijders niet weinige der hunnen. De Soeieteit van Jesus telt er voor zieh meer dan tachtig, zonder diegenen mede te rekenen, die, hetzij in ballingschap, hetzij enkel van gebrek omkwamen; ook zijn de namen dezer laatsten in bijgaande lijst niet opgenomen. Wie ze nader verlangt te kennen raadplege het heerlijke geschiedverhaal van Bartoli en den Kataloog, uitgegeven door P. Antonius Franciseus Cardim. !)
1) Catalogus Eegularium et saecularium, (jui in Japoniae
110
Zes priesters , door vergif onu/ehragt in de vervolgimj des konings van Firando.
Franciscus Carrion, Kastiliaan, van Medina del Gampo,_f in Augustus des jaars 1590 te Ikisuki in den ouderdom van 30 jaren,
P. Georgius Garvagial, van Viseo in Portugal, f den 5 Mei 1592. 42 j.
P. Jozef Pornaletti, Veuetiaan, f te Arima in April 1593. 44 j.
P. Theodorus Mauteles, vanLuikin België, f 1593. 33 j.
De namen der overigen zijn niet bekend.
In de vervolging van keizer Taikosama.
H. Paulus Miki, Japannees, gekruisigd en met lansen doorstoken. 33 j.
H. Joannes Soan of de Goto, Japannees, 19 j.
H. Jakobus Kisaï, Japannees, 64 j.
In de vervolging van keizer Xongunsama.
Eerbiedwaarde P. Joannes Baptista Maciado of di ïa-vora, Portugees, onthoofd te Omura den 32 Mei 1017. 37 j.
E. Br. Leonardus Kimura, Jap., langzaam verbrand den 18 November 1019. 44 j.
E. Br. Ambrosius Fernandez, Portugees, veroordeeld
regnis ab Ethnicis in odium cliristianae fidoi sub quatuor Ty-rannis violeiita morte sublati sunt. Komae typis Corbclletti. 1646.
Ill
tot den vuurdood en gestorven in den kerker van Omura den 6 Januarij 1030. 69 j.
E. Br. Augustinus Ota, Jap., van Goto, onthoofd to Eirando den 10 Augustus 1G32.
E. P. Carolus Spinola, Genuees , langzaam verbrand te Nangasaki den 10 September 1623. 48 j.
E. P. Sebastianus Kiraura, Jap., verbrand denzelfden dag. 57 j.
E. Br. Antonius Kiuni, Jap., verbrand denzelt'den dag. 50 j.
E. Br. Petrus Sampo, Jap., verbrand denzelfden dag. 40. j.
E. Br. Gondizalvus Pusaï, Jap., verbrand denzelfden dag. 40 j.
E. Br. Michael Xumpo, Jap., verbrand denzelfden dag. 33 j.
E. Br. Thomas Akftfoxi, Jap., verbrand denzelfden dag. 50 j.
E. Br. Ludovicus Kavora, Jap., verbrand denzelfden dag. 40 j.
E. Br. Joannes Kungoku, Jap., onthoofd denzelfden dag. 40 j.
E. P. Camillua Costanzo, van Cosenza in Napels, langzaam verbrand tePirandoden 15 September 1G33. 50 j.
E. P. Petrus Paulus Navarro, Napolitaan, langzaam verbrand te Ximabara den 1 November 1633. 60 J.
E. Br. Dionysius Eugixima, Jap., verbrand denzelfden dag. 31 j.
E.Br. Petrus Ouizuka, Jap.,verbrand denzelfden dag. 18 j.
E. P. Hieronymus de Angelis, Siciliaan, langzaam verbrand te Jedo den 4 December 1633. 56 j.
113
E. Br. SimouJempo, Jap., verbrand denzelfden dag. 48 j.
E. P. Didacus Carvaglio, uit Coïmbra in Portugal, gestorven in ecu bevrozen poel te Sendaï den 23 Fc-bruarij 1634. 46 j.
E. P. Miehaël Carvaglio, uit Braga in Portugal, langzaam verbrand te Omura dea 35 Augustus 1034. 47 j.
E. P. Franciseus Paceco Portugees, Provinciaal vau Japan en apostoliesch administrator van het bisdom; langzaam verbrand te Nangasaki den 20 Junij 1630. 61 j.
E. P. Joannes Bapt. Zola, uit Brescia, verbrand denzelfden dag. 51 j.
E. P. Balthazar dc Torres, uit Grenada, verbrand denzelfden dng. 62 j.
E. Br. Caspar Sandamatsu, Jap., verbrand denzelfden dag, 61 j.
E. Br. Vincentius Caun, uit Corea, verbrand denzelf-den dag. 46 j.
E. Br. Petrus Binsei, Jap., verbrand denzelfden dag. 38 j.
E. Br. Paulus Kinsuke, Jap., verbrand denzelfden dag. 54 j.
E. Br. Joannes Kinsaku, Jap., verbrand denzelfden dag. 21 j.
E. Br. Miehaël Tozo, Jap., verbrand denzelfden dag. 38 j.
E. P. Thomas Tzuki, Jap., langzaam verbrand te Nangasaki den 6 September 1627. 56 j.
E. Br. Miehaël Nakaxima, wreed gefolterd en verbrand in het kokende water van den berg Ungen don 25 December 1628.
113
In du vervolginy van keizer Toxongtinsama.
E. P, Antoiuus Ixida, Jap., eene maand lang inliet kokende water gefolterd, daarna levend verbrand te Nan-gasaki den 3 September 1632. 03 j.
E. Br. Paulus Nixlfori, Jap., langzaam verbrand te Nangasaki den 23 Julij 1633.
E. Br. Nicolaüs Keian, Jap., de eerste, die inde folteringen van den kuil gestorven is te Nangasaki den 31 Julij 1633. 64 j.
E. P. Emmanuel Borges, uit Evora in Portugal, gestorven in den kuil te Nangasaki den 16 Augustus 1633. 50 j.
E. Br. Jozef lleonuii, Jap., gestorven in den kuil denzelfden dag.
E. Br. Ignatius Kindo, Jap., gestorven in den kuil denzelfdeu dag.
E. P. Joannes Antonius Giannone, uit Bitonto in Napels, gestorven in den kuil den 28 Augustus 1033. 44 j.
E. Br. Joannes Kidera, Jap., gestorven in den kuil den 29 Augustus 1633.
E. Br. Jacobus ïakuxima, langzaam verbrand te Xeki den 30 September 1633.
E. Br. Thomas Rikori, Jap., verbrand denzelfden dag.
E. Br. Lndovious Kafoku, Jap., verbrand denzelfden dag.
E. Br. Dionysins Jamamoto, Jap., verbrand denzelfden dag.
E. Br. Joannes Jama, Jap., gestorven in den kuil in September 1633. 63 j.
E. P. Benedietus Fernandez, Portugees, gestorven in
114
den kuil te Nangasaki den '2 Oktober 1033. 54 j.
E. P. Paulus Saito, Jap., gestorven in den kuil den-zelfden dag. 57 j.
E. P. Joannes da Costa, Portugees, gestorven in den kuil den 8 Oktober 1633. 58 j.
E. P. Sixtus Tokoum, Jap., gestorven in den kuil den 9 Oktober 1633. 63 j.
E. Br. Damianus Fukaye, Jap., gestorven in den kuil denzelfden dag.
E. P. Julianus Nakaura, Jap., van adellijke afkomst en lid van een gezantschap naar Home, gestorven in den kuil den 21 Oktober 1633. 66 j.
E. Pr. Petrus, Jap., gestorven in den kuil denzelfden dag.
E. P. Mattheus, Jap., gestorven in den kuil denzelf-den dag.
E. Br. Remigius, Jap., gestorven in den kuil denzelf-den dag.
E. Br. Laurentius, Jap., gestorven in den kuil denzelfden dag.
E. P. Joannes Mattheus Adami, uit Mazara op Sicilië , gestorven in den kuil den 33 Oktober 1633. 5? j.
E. P. Antonius da Souza, Portugees, gestorven in den kuil den 36 Oktober 1633. 50 j.
E. P. Sebastianus Vleira, Portugees, Vice-provinciaal en apostoliesch administrator van het bisdom, door het vuur gemarteld te Jedo en gestorven in den kuil den 6 Junij 1634. 63 j.
Vijf EE. Leekebroeders van de Societeit, wier naam onbekend is, gestorven in den kuil met P. Vieira.
E. P. Didacus Juki, Jap., gestorven in den kuil te Osaka in Eebruarij 1636. 60 j.
115
E. P. Marcellus Franciscus Mastrilli, Napolitaan, eerst gemarteld door liet water, daarna in den kuil nedergelaten en eindelijk onthoofd te Nangasaki den 17 Oktober 1637.
E. P. Petrus Kasui, Jap., gestorven in de folteringen te Jedo in Augustus 1638. 53 j.
E. P. Antonius Rubiuo, uit Turijn, Visitator, gestor. ven in den kuil den 33 Maart 1643.
E. P. Albertus Micinski, een Pool, gestorven inden kuil den 33 Maart 1613.
E. P. Didacus Morales, Spanjaard, gestorven in den kuil den 35 Maart 1613.
E. P. Franciscus Marches, nitNangasaki; zijn vader was een Portugees en zijne moeder stamde af van den koning van Bungo; gestorven in den kuil den 35 Maart 1643.
E. P. Antonius Capece, Napolitaan, gestorven in den kuil den 35 Maart 1643.
EE. PP. Petrus Marches, Provinciaal, Franciscus Cassola, J ozef Chiara, Alfonsus Orroio en Br. Andrea , Japannees, levend door midden gezaagd te Jedo in 1644â45.
Nog zijn er vele katechisten, die als kandidaten der Soeieteit onder de onzen werden opgevoed en ook onder verschillende folteringen hun leven voor het geloof hebben opgeofferd; deze zijn echter onder de bovenge-noemden niet begrepen.
Van de Bisschoppen, die met de zorg dezer bloeijende Kerk belast werden, was Pater Andreas d'Oviëdo, een Kastiliaan en Patriarch van Ethiopië, de eerste. Daar hij, wegens de vervolgingen des keizers, gedwongen was zich in het gebergte schuil te houden , zond de H. Pius V hem uit Rome den 3 Februarij 1566 eene breve, waarin
116
hij liem gelastte naar Japan te vertrekken en de Kerk van dat rijk te besturen. Op liet punt van te vertrekken werd hij door eene doodelijke ziekte aangetast en stierf als een Heilige in Ethiopië. Dezelfde Pius V benoemde P. Michael Carnero, een Portugees, in zijne plaats, die reeds te Goa Bissehop van Nicea en Coadjutor des Patriarchs van Ethiopië gewijd was. Spoedig vertrok hij naar Macao, om van daar de reis naar Japan voort te zetten. Maar door een veeljarigen en vermoeijenden arbeid voor het heil der zielen uitgeput, ging hij den 19 Augustus des jaars 1583 tot een beter leven over. Na hem benoemde Sixtus V P. Sebas-tianus Morales, Provinciaal van Portugal, tot eersten Bisschop van Japan Deze werd te Lissabon gewijd en vertrok in het jaar 1588 naar Indie. Gedurende de reis openbaarde zieh op het schip eene besmettelijke ziekte en de goede prelaat, die zich met ligehaam en ziel aan de verzorging der besmettelingcn toewijdde , werd eindelijk zelf door do ziekte aangetast en even voorbij de Kaap de Goede Hoop bragt hij, als een martelaar der liefde, zijn leven aan den Heer ten offer. Voor de derde maal stond nu de zetel van Japan open, Toen werd P. Petrus Martinez, Provinciaal van In-dië, door Z. H. Clemens VIII tot Bisschop en P. Ludo-vicus Secheira, leeraar in de Godgeleerdheid te Coïmbra, tot zijn Coadjutor benoemd. Martinez, ontving de H. wijding te Goa en vertrok naar Japan, waar hij den 13 Augustus 1590 aankwam. Hij legde een bezoek af bij keizer ïaikosama, doorreisde vervolgens het ge-heele rijk en diende overal het H. Sakramcnt des Vormsels toe. Ook was hij getuige van den marteldood
117
der zes-cn-twintig gekruisten en liet geregtelijk akten daarvan opstellen. Vervolgens besloot Lij naar Indie te reizen, om de hulp des onderkonings voor zijne verdrukte Kerk in te roepen, doch stierf op het schip in de nabijheid van Malakka in Febrnarij 1598. Ditzelfde jaar kwam zijn opvolger, Ludovious Secheira, in Japan. Deze bestuurde het bisdom zestien jaren en stierf rijk aan verdiensten te Kangasaki den 16 Februarij 1614. Na zijn dood werden de vervolgingen immer heviger, en de II. Stoel bepaalde, dat, zoolang de zetel openstond , de Overste der Soeieteit van Jesus in Japan tevens apostolieseli Vikaris en administrator van het bisdom zijn zou. De opvolgers van Secheira waren dan: P. Valen-tinus Carvaglio, P. Franciscus Paceco, die levend verbrand werd, P. Mattlieus de Couros, die van gebrek omkwam, P. Sebastianus Vieira en P. Antonius Bubino, welke beiden in den kuil stierven, en P. Petrus Marches, die tegelijk met zijn broeder Franeiscus uit geloofshaat werd omgebragt.
XVII.
DEKREET VAN DE U. KONGEEGATIE DEE KERKGEBRUIKEN AANGAANDE DE HEILIGVERKLARING DER ZES-EN-TWINTIG MARTELAREN VAN JAPAN.
Daar de zaak der zes-cn-twintig martelaren, die in Japan, op last van den keizer dezes rijks, voor het geloof van Christus zijn omgebragt, na een door drie Auditoren der Kota gegeven verslag, ingediend zoo aan
118
Z. H. als aan de H. Kongregatie der Kerkgebruiken , teu volle en rijpelijk behandeld is in verschillende zittingen, bij verslaggeving van Z. Emin. den Kardinaal Muto, en ook de geldigheid, vooreerst der processen , vervolgens van den marteldood en der mirakelen afzonderlijk erkend is: oordeelt en verklaart dezelfde H. Kongregatie dat men, wanneer Z, H. zulks goed zal vinden, tot de plegtige heiligverklaring der zes-en-twintig voornoemde Martelaren overgaan, hen onder het getal der Heiligen opnemen en bepalen kan, dat zij in de Kerk Gods als zoodanig moeten vereerd en gehuldigd worden.
Den S11011 Julij 1G27.
Jo. Bapt. Kard. Detls, J. Tiiessal. Secret.
XVlll.
dekreet van z. h. onzen paus piüs ix, bepalende dat men veilig kan overgaan tot de heiligverklaring der drie japanscue martelaren, van de societeit van jesus.
Behalve de drie-en-twintig moedige strijders van de Orde des Heiligen Eranciseus, die, niet sehromcnde hun leven voor het Evangelie te verliezen, hetzelve in eeuwigheid behouden hebben, heeft de Kerk van Japan aan Christus, den Koning der Martelaren, tegelijk met deze nog drie even uitstekende mannen van de Societeit van Jesus geschonken, als de eerstelingen harer bloedgetuigen. Zij worden genoemd; Paulus Miki, Joannes Soan
119
of de Goto en Jakobus of Didakus Kisaï, allen Japan-nezen. De eerste, van adellijke ouders geboren, was met een scherpzinnig verstand begaafd; hij werd opgeleid voor het priesterschap en heeft zicli alle moeite gegeven om door geschriften en prediking het geloof onder zijne landgenooten te verbreiden. De tweede legde zich toe op de beoefening der wetenschappen en beijverde zich om het volk in de goddelijke leer te onderwijzen. De derde hield zich onledig met huiselijke bezigheden en overwoog dagelijks het lijden van Christus. In de hitte der ververvolging werden zij op onregtvaardig bevel des goe-verneurs van Osaka in hunne verblijfplaats te dier stede gevangen genomen, ofschoon de tiran Taikosama verklaard had dat de paters der Societeit van Jesus in dit doodvonnis niet begrepen waren. Van hier werden /.ij naar Miako vervoerd, waar zij met de overige belijders in de boeijen geworpen werden. Vervolgens werd aan elk een gedeelte van het oor afgesneden en voerde men hen, nadat zij eerst onder de diepste versmading in verschillende steden des rijks waren rondgeleid, naar Nangasaki. Daar werden zij vastgehecht aan de kruisen, die op een heuvel gereed stonden en welke zij eerst eerbiedig begroetten. Van dien triomfzetel sprak Paulus Miki tot de zamengevloeide menigte over het christelijk geloof en wenschte zich openlijk geluk dat hij, even als de Heere Christus , aan het kruis en ook in denzelfden leeftijd als deze mogt sterven. Eindelijk werden zij allen van de zijden tot de schouders met twee lanssteken doorboord en schonken zij hunne zegevierende zielen aan den Hemel, den S11⢠Februarij des jaars 1597.
120
Nadat er aangaande deze drie martelaren, even als aan-n-aande de overige, door afgevaardigden van den H. Stoel proces-akten waren opgemaakt en , volgens eene aloude instelling , drie Auditoren der lïota een naauwkeurig verslag van deze zaak hadden ingeleverd, heeft de Kon-oregatie van Kardinalen der IT. üoomsehe Iveik j geroepen tot handhaving djr kerkgebruiken , haar gevoelen geuit en verklaard, dat de marteldood en de mirakelen genoegzaam bewezen waien en men dus ten gegeven t ij d e tot de werkelijke heiligverklaring dier martelaren kon overgaan. Daarom lieeft Urbanus VIII, zal. ged, die reeds, na de Kardinalen gehoord te liebbeu, aan den Overste der Orde van den H. Franciscus, bij apostolieseh schrijven in den vorm van breve, den 14quot; September des jaars 1037 vergunning gegeven had het Officie en de Mis voor de drie-en-twinti g martelaren zijner Orde te lezen, ook de smeekingen van den Generaal en der priesters van de Soeieteit van Jesus inwilligende, hun dezelfde gunst .toegestaan, zoo als blijkt uit een bijzonder apostolieseh schrijven, uitgegeven te Eome den volgenden dag, te weten den 15n September deszelfden jaars.
Evenwel heeft de Almagtige God, die voor alle tijden gepaste hulpmiddelen aanwendt, toegelaten dat deze roemrijke zaak drie eeuwen bleef hangen en eerst in onze dagen zou beëindigd worden. Want terwijl nu de vijanden van het Kruis allerwegen het hoofd opsteken en het pand dos geloofs geheel en al pogen te vernielen, moeten zij, die niet aarzelden hun bloed te storten en een smadelijken kruisdood te ondergaan voor do getuigenis des geloofs, als een muur voor hot huis van
131
Israel staan en de insluipende monsters der dwaling tegenhouden eu verjagen. Daarom heeft Z. II. Pius IX liet verzoek van den Overste der Minderbroeders van den H. Franeiseus, die Z. 11. smeekte te verklaren, dat men tot de heiligverklaring der drie-en-twintig martelaren zijner Orde veilig kon overgaan, na de uitspraak voor de waarheid van den E. P. Promotor des H. Geloofs gehoord en het gevoelen van HII. EE. de Kardinalen der Kongregatie van Kerkgebruiken verstaan te hebben, in zijn apostolieseh paleis van het Vatikaan den 3quot; September 1861 het dekreet uitgevaardigd, dat men veilig kon overgaan tot de heiligverklaring der dr ie- en-twintig j a p a n s e h e martelaren, uit de Orde van den II, Eraneiscus. Toen ook de Generaal van de Soeieteit van Jesus Z. 11. verzocht hetzelfde besluit uit te vaardigen betreffende de drie zalige Martelaren derzelfde Soeieteit, heeft Z. H., na andermaal den E. P. Promotor des H. Geloofs zijne uitspraak voor de waarheid gevraagd te hebben, in hetzelfde apostolieseh paleis van het Vatikaan, den 6a Maart van het loopende jaar, op nieuw eene vergadering belegd van HH. EE. de Kardinalen. Toen nu in deze vergadering door Z. E. den Kardinaal Nieolaüs Glarelli Paraeeiani de vraag werd voorgesteld: of men veilig tot de plegtige heiligverklaring dier drie zalige martelaren kon overgaan? hebben alle Vaders Kardinalen toestemmend geantwoord. Evenwel wilde Z. II. zijn besluit niet kenbaar maken, opdat er in eene zaak van zoo gfoot gewigt tijd zou zijn om nog vuriger licht en bijstand van de goddelijke wijsheid af te bidden.
122
Eindelijk bepaalde Hij daarvoor dezen godgewijdeu dag, op welken de Onbevlekte Maagd Maria, door den Engel zoo eerbiedig begroet, verdiend heeft den Eenig-geboren des Eeuwigen Vaders in haren zuiveren schoot te ontvangen. Nadat Z.H. dan in de huiskapel van het Yatikaan met innige godsvrucht het H. Misoffer opgedragen en vervolgens in de kerk van de H. Maria
O gt;-gt;
sopra Minerva, omgeven van de vergaderde Kardinalen, bij de Pontifikale Mis plegtig geassisteerd had, heeft Hij in de bij deze kerk behoorende sakristij bij zich ontboden Z. Em. den Kardinaal Constantinus Patrizi , Bisschop van Porto en S!a Eufina, Prefekt van de 11. Kongregatie der Kerkgebruiken, Z. Em. den Kardinaal Nicolaüs Clarelli Paracciani, verslaggever der zaak, met den E. P. Andreas Maria Frattini, Promotor des H. Geloofs, en mij, onderschreven Sekretaris, en in dezer tegenwoordigheid verklaard, dat men veilig kon overgaan tot de heiligverklaring dezer drie japansche martelaren van de Societeit van Je sus. Tevens beval Z. H. van deze verklaring een dekreet uit te geven, dat bij de akten van de H. Kongregatie der Kerkgebruiken moest worden neergelegd, en dat er van het plegtig, op gegeven tijd in dte vatikaansche baziliek te vieren feest der heiligverklaring een apostoliesch mandaat onder looden zegel zou worden uitgevaardigd; den 25quot; Maart 1882.
C. Biss. van Porto en S a Eufina Kard. Pa trizi , Pref. van de H. K. der Kyb.
rkats f van liet zegel.
Dominicus Bartouni , Sekr .
INHOUD.
Bladz.
Voorrede..................
EERSTE DEEL.
HET LEVEN DER DRIE IIEILIGE MARTELAREN.
I. Het leven van den H. Martelaar Paulns Miki. Vaderland, geboorte en kinderjaren van 1'aulus. . l
II. Zijne opvoeding in het seminarie van Anzukiama . 3
III. Hij loopt gevaar bij de verwoesting van Anzukiama het leven te verliezen en zet in andere seminariën zijne studiën voort............7
IV. Hij treedt in de Societeit van Jesus en bestudeert
de hoogere wetensehappen.........9
V. Zijne apostolische werkzaamheden......11
VI. Zijne geschriften ter verdediging des geloofs. . . 14
VII. Korte schets zijner deugden. . . . '.....15
VIII. Geboorte en eerste levensjaren van den H. Martelaar Joannes Soan de Goto.........18
IX. Zijne aanneming als kateehist en apostolische werkzaamheden...............20
X. Het leven des H. Martelaars Jakobus Kisaï. â
Zijne bekeering.............23
XI. Hij wordt onder de katechisten opgenomen ... 24
TWEEDE DEEL.
LIJDEN EN DOOD DEll DRIE II. MARTELAREN.
I. De Christenkerk van Japan........2S
II. Uitbarsting der vervolging.........31
124
Bladz.
III. Verlangen der Christenen naar den Marteldood. ââ¢
liet vonnis wordt gewijzigd........36
IV. Gevangenneming der Martelaars......44
V. Taulus Miki, Joannes de Goto eu Jakobus Kisaï
worden met de anderen gevangengenomen . . 47
VI. Verminking der Martelaars........50
VII. Verdere verguizing eu heldenmoed der Martelaren
te ...................56
VIII. Wegvoering der Martelaars vau Miako naar Nan-
gasaki ...............61
IX. Twee nieuwe gezellen voegen zich onderweg bij hen. â Aankomst der Martelaars te Fakata. â Brieven van P. Petrus Baptista eu Paulus Miki. C6
X. Wonderbare verschijning van kruisen, ten voor-tcekeu van de kruisiging der Martelaars ... 71
XI. Verder wedervaren der Martelaars. âLiefde van Fazamburo voor Faulus Miki. â Joannes en Jakobus leggen de religieuze geloften af. â Joannes ontmoet zijn vader........77
XII. De kruisdood in Japan. â Bijzonderheden aangaande eenige Martelaars. â Toespraak van Faulus. tot het volk.............30
XIII. Algemeene vereering der Martelaars.....'JO
XIV. Hun marteldood wordt door mirakelen bevestigd. â Hun bloed is het zaad eener talrijke Christenheid.............103
XV. De relikwieën der Martelaars worden naar Manilla en Macao overgebragt. â Akten hunner zaligverklaring ..............'06
XVI. Naamlijst van de religieuzen der Soeieteit van Jcsus, in Japan uit geloofshaat omgebragt, en van de Bisschoppen, die deze Kerk bestuurd hebben. . ICS
XVII. Dekreet van de II. Kongregatie der Kerkgebruiken, aangaande de heiligverklaring der zes-en-twintig Martelaren van Japan..........117
XV11I. Dekreet van Z. H. onzen Paus Fins IX, bepalende dat men veilig kan overgaan tot de heiligverklaring
dor drie japansche Martelaren van de Soeieteit van J ...................'' ®
Bij den Uitgever is verschenen:
^nSTTOnSTITTS-BOEKCTE.
Geestelijke bedevaart naar den grooten wonderdoener van Padua, bestaande uit de novene der negen Dinsdagen, liet responsorium en vele andere gebeden ter eere en ter aanroeping van den heilige, met 8 Litogr. en een gekleurd plaatje.
25 cent. â⢠12 Ex. ii 20 cent.
Voorbereidingen voor de E. H. Communie in voorbeelden.
door En. TEHweoon nxS. .1.
Vroeger Æ0.25, thans Æ0.10. gebonden Æ0.25.
W. van Nieuwenhoff, S. .1.
Leven van den H. Joannes Franoiscns Eegis. Naar de beste bronnen bewerkt.
ingen. Æ 0.60, in linnen Æ1.â.
W. van Nim wenhol'j', S. J.
Edmond Campion, een bladzijde gt;iit de geschiedenis van Koningin Elisabeth.
Æ 1.25, in prachtb. Æ1.75.
W. vax Nieüwenhoit, S. .1.
De Bruid des Konings, Margaretha Maria en drie harer tijdgenooten.
4e druk. Ingen. Æ 0.00, geb. Æ1.â
R. liUT-Vyk, S. J.
Leven van Pater Damiaan, Apostel der Melaatschen op Molckai, 250 blad/, met 20 platen.
ing. Æ 0.00, fraai gel), Æ1.ââ¢.
M. P. A. Ooms, R.C.Pr, en Rector.
Mannen van Karakter. Lezingen, Verhalen en Voorbeelden.
Æ0.70, gebonden Æ 1.10.
AI deze hoeken word en hij getallen voor minder prijs (jelererd.
_