VAN DEN
H. LAMBERTU8,
Bisschop en Martelaar,
3 Ml
t
]}OOR
j.
Ã
Pastoor te Reuver.
JSibHotheca quot;^^l^oovGnlus ? ï:' Woerdensis
R O E R M O N Bj, HENRI VAN DER MARCK, 1896.
1 !â¢..
iquot; *ȉ
- {â¢
i.
p-
üï;; 115..
^ - : -⢠, ;⢠⢠â . / -V- ' - gt;5 â ,â â iÃÃf-'-- 'Z'x; â ' ' - c \ ^
.......
lt;â - ' - ^ ^ r â¢â¢'â ⢠â ⢠â ' â
fe-: v'- : â¢' ;' - .
: quot; â ; â - â : ' â , '
r- 'X,:..- -k-:; .. -:-.^.:s:: â ^vv.^
... , V ' â . vVâ â â - .
ÃÃÃmmp^a
-â¢r ...
v T®'
iJvquot; V'
-quot;V-'
- â â¢-: -â .' â ⢠⢠/ â -â â â¢-.â ⢠' - -
.â â gt;,â â . - ,.At-. .â â
â¢â¢' j..' ' ' ,--⢠-..-a -*
â g'^aatygw^-ftg-'g*gt;i' J.. -â¢â¢.â¢â -â - - - _
r'^S- â ^ -r quot;' _i__quot; â
â i 1
â
- l/V (Ft / LEVENSSCHETS
VAN DEN
. LHMBEHTUS,
Bisschop en Martelaar,
DOOR
j- vx^^isrcKiEasr,
Pastoor te Reuver.
iSibliotheca | Conventus : vo'::densisj
%
Roermond, HENRI VAN DER MARCK, 1896.
VOORWOORD.
-«-^cyvA/vââ¢-
Dc Kerk van Luik bereidt zich reeds ter jubelviering.
Den ijden September e. k. zal het, naar dc Lnikschc geschiedschrijvers beweren, twaalf honderd jaren geleden zijn, dat de roemrijke Bisschop, Evangelieverkondiger en Martelaar Lambertus tot hooger heil werd geroepen.
Ofschoon, naar onze bescheiden meening, de marteldood van den geliefden Heilige eerst ccnige jaren later dient te worden geplaatst, sullen wij van ganscher guller harte deelen in dc feestvreugde onzer Belgische geloofsbroeders.
Hun en ons behoort deze lieve Heilige toe.
Te Maastricht geboren, Bisschop van een landstreek, welke zich tusschen Maasstroom en Noordzee uitstrekte, .van Nijmegen tof Pont-a-Mousson in Frankrijk, Apostel van Kcntpenland en Brabant, vaderlijke vriend en raadsman van den grootcn Willibrord, die hem op verschillende preek-tochten vergezelde, heeft hij zijn bloed vergoten in de openbare wijk, (vicus leudicus, Luijdick, Luik) ivaar naderhand de vrome Aquitaniër, de roem der Ardennen, Hubertus, op zijn verheerlijkte grafstede den Lnikschen Bisschopszetel zal plaatsen.
Wij achten het ons ten plicht, hulde te brengen aan den grootcn dienaar Gods, aan wicn de voorouders van zoo-
velen onzer de kennis van den maren God en van de wore heilsleer waren verschuldigd.
Uit de oudste en beste schrijvers hebben wij de gegevens voor dese levensschets ontleend, en, daar het onmogelijk is, volkomen zekerheid omtrent de jaargetallen te verkrijgen, steeds getracht, het waarschijnlijke te bereiken; voorwaar geen geringe arbeid, waarbij wij een ruim gebruik maakten van het licht, door de vermaarde Bollandisten over Neèr-lands lieve Heiligen ontstoken.
Deze âlevensschetsquot; hebben wij, gaarne getuigen wij het, met groote liefde bewerkt, met het doel, dezen lieven Neder-landschen Heilige, den manmoedigen verdediger der Christelijke huwelijkstronw, in zijn leven en streven, in zijn lijden en strijden voor de eer van God en het welzijn der Kerk, in ons overdierbaar vaderland meer en meer bekend en bemind te maken.
DE SCHRIJVER.
Levensscliets van den H. LAMBERTUS,
Bisschop en Martelaar.
-------
I.
HOE DE LIEVE H. LAMBERTUS TE MAASTRICHT UIT EDELE OUDERS WORDT GEBOREN EN OPGEVOED.
Wie kent ze niet, en wie, die haar kent, heeft haar niet lief, de schoone stad, aan de Maas en de uitmonding des Jekers gelegen ?
De schoone stad, den braven Limburger zoo dierbaar, niet zoozeer wijl zij de hoofdplaats is van zijn gewest, als wel omdat zij eeuwen lang, ondanks kampen en rampen, aan 't aloud Geloof onwrikbaar trouw bleef.
Trouw bleef, heel Limburg ten voorbeeld, en wel zoo, dat heel Limburg, in strijden en lijden, de kostbare parel des waren Geloofs ongerept bewaarde, even als zij, tot den huidigen dag toe.
Aan Maasstad en Maasgouw werd, ook door andersdenkenden, deswege verdiende hulde gebracht.
Wel mag het woord Gods, door een Maternus en grooten Servaas aan onze voorouders gepredikt, verge-ieken worden bij een mosterdzaad, dat op een dankbaren bodem viel 1
6
Wel moet de Hemelsche Vader van het groot huisgezin op aarde zijn genaderegen in stroomen en overvloed op dien akker hebben uitgegoten!
Wel moet er van de grafstede, waar de groote Geloofsheld Servaas en zijne heilige opvolgers ter ruste en ter verheerlijking werden neergelegd, een machtige levensadem zijn uitgegaan, dat, na honderdtallen van jaren, het nakroost nog met fleren moed, met blijde hoop en zoete liefde opblikt naar het kruis, als den standaard' der verlossing, op de Maasoevers weleer door hunne hand geplant 1
Maastricht, zoo meldt ons het geschiedboek, is de bakermat der ware beschaving geweest voor Limburg,. Kempenland en Walengouw, van Maas- en Schelde-strand, voor de heele streek van 't oude Teisterbant af tot verre achter de sombere Ardennen, in 't hart van het huidige Frankrijk toe.
Op Pinksterdag, 13 Mei 384, werd te Maastricht de kloeke St. Servaas tot hooger geluk genoodigd.
Schitterende wonderen verheerlijkten, breede scharen' van pelgrims, uit Noord en Zuid, uit Oost en West ter beêvaart getogen, bezochten het heilig gebeente.
Opvolgers in zijn heilig ambt, navolgers van zijn^ deugd en toewijding aan de eere Gods en het welzijn, der geloovigen, kwam eene reeks van twintig Bisschoppen de Maastrichtsche Kerke verblijden, opluisteren, hare schatkamer met hun eerbiedwaardig, wonderen-wrochtend stoffelijk overschot verrijken.
En zoo herschiep de milde kracht van Gods genade het bruggehoofd, door de krijgsknechten van het hei-densch, op wereldheerschappij beluste Rome aan den. oever der Maas gebouwd en met verdedigingsmiddelen, versterkt, in een oord van vrede, van leven der ziele,, in een bolwerk van Hemelsche kracht.
7
Maastricht had zich bedacht en belust getoond uitsluitend op het »Rijk Gods en de gerechtigheidquot;, en zie, de zetelplaats der Kerkvorsten werd allengs een geliefkoosd verblijf der Frankische Koningen, Mero-vingers en Karolingers, en der landsgrooten, aan hun hofhouding verbonden, â en zoo, naar 's Heeren belofte, der vrome stede »het overige toegeworpenquot;, de niet gezochte stoffelijke bloei, door God welwillend geschonken.
Sedert het jaar 633 bestuurde, namens Koning Dagobert, die zijn vader was, de heilige Vorst Siegbert, de Rijkshelft Austrasië in vrede.
In de nabijheid van St. Servatius' graf en roemrijke Bisschopskerk verhief zich het paleis, waar, onder andere, in 667 Koning Hilderik de stichtingsoorkonde der abdijen Stavelot en Malmedy uitvaardigde.
Een der treffelijkste edellieden, aan Siegberts dienst verbonden, was ontegenzeggelijk paltsgraaf Aper, aanzienlijk onder allen door hooge geboorte en rijkdom, doch meer nog door Christelijke deugd en zin voor vroomheid.
De handhaving van den vrede in den lande was hem tot taak gegeven, het gerechtelijk bestuur van zijn kreits opgedragen, en ten tijde van oorlog voerde hij den heirban aan.
Vrome Harisplindis, eene edele loot van Frankischen stam, had door het heilig echtverbond, den dierbaren gemaal in wel en wee en hand en hart verpand.
In de Breestraat, nabij het Lieve-Vrouweplein, ter plaatse, waar in 1575 het Jezuïetenklooster zou worden gebouwd, kwam omstreeks het jaar 636 het kind ter wereld, dat tot in het verste nageslacht de namen zijner in alle opzichten edele ouders Aper en Harisplindis geëerd en beroemd maakte ; Lambertus.
8
Landbertus, Lantbert, Lambert, »nian, den roem des lands waardigquot;, ziedaar wat de naam van dit uitverkoren kind beteekent.
Naam en voorteeken tevens, gelijk de uitkomst daghelder heeft bewezen.
Toegerust met kostbare gaven naar geest en leest, liet Lambert van de prilste jeugd af blijken, dat hij een door God bevoorrechte knaap was.
sOver zijn kinderlijk gelaat, zegt de oudste levensbeschrijver des Heiligen, (1) lag een lichtglans uitgegoten, die hem beminnelijk maakte voor huisgenoot en bloedverwantquot;.
Ongetwijfeld heeft de edele Harisplindis het zich als een dieren plicht en benijdbare eer gerekend, haar schoon en geliefd kind te verzorgen, in zijn ontvankelijk gemoed de eerste indrukken te prenten, de eerste kiemen neer te leggen van Christendeugd en ridderzin, van vroomheid, lust en liefde voor het schoone, het groote.
Dat is een grootsche, heilige taak, welke een rechtgeaarde moeder, een moeder, die hare waardigheid als medewerkster Gods beseft, voor geen goud ter wereld aan iemand anders, wie het ook zij, zal toevertrouwen.
Dat zieltje, sedert de ^wedergeboorte door het water en den Geestquot; blank en vlekkeloos als een lelie, is inderdaad een heiligdom, een kostbaar vaatwerk, vol van God, Hemelsche chrismageuren walmend.
Welke menschenhand is engelachtig genoeg, om deze teedere bloem te verplegen ? Wie waagt het, zijn adem te laten gaan over dien vlekkeloos blanken bloemkelk ?
Dat kan, dat mag niemand anders doen dan de moeder, niemand dan de moedige, de heldinne, die bij de felste barenssmarten den Heere een loflied zong.
(i) Kanunnik Godescalk bij Chapeaville T. I. p. 326.
9
omdat het haar gegeven was, het levenslicht te schenken aan een evenbeeld Gods.
De kleine Lambertus toonde alras een bijzonder gelukkigen aanleg.
»Toen de vader zag hoe zijn dierbaar kind, bij het toenemen in jaren, van allen bemind werd en uitmuntte door ijver voor den dienst Gods, was er vreugde in zijn hart en dankte hij den Heer.
»Reeds van zijn eerste jeugd af werd Lambertus toevertrouwd aan wijze en geleerde mannen, die hem de gewijde wetenschappen onderwezen, waarin hij, dank aan zijne groote leergierigheid en aanhoudenden ijver, snelle vorderingen maaktequot;.
Aan de Bisschopskerken waren destijds overal scholen gevestigd, tot opleiding der jeugd; hoogstwaarschijnlijk zal Lambertus onder de leeraren der Bisschoppelijke school in de stad zijner geboorte, de «wijze en geleerde mannenquot; hebben aangetroffen, die met de ontwikkeling zijns geestes en met de vorming zijns harten belast waren.
In het jaar 651 was uit de Eeuwige Stad hier te lande aangekomen een geleerd en heilig priester, met name Landoald.
De H. Amandus, Bisschop van Maastricht, had den vromen man te Rome leeren kennen, en Paus Martinus I weten over te halen, hem Landoaldus af te staan en naar de Nederlanden mede te geven.
Landoald vestigde zich met der woon te Winters-hoven, bij Tongeren, en bestuurde het Bisdom, terwijl de Bisschop Amandus, van de abdij, later naar hem St. Araand geheeten, bij Doornik, uit, in Kempen'.and en Brabant het Evangelie verkondigde.
Aan dezen Heilige werd de verdere opvoeding van den veelbelovenden 15-jarigen knaap toevertrouwd.
10
In de landelijke eenzaamheid en onder de leiding van zulk een voortreffelijken leermeester, die in de hoofdstad der Christenheid de kennis der Goddelijke dingen en de verheven kunst, om den mensch van de aarde te onthechten en zijn ziel tot hooger streven op te wekken, had aangeleerd, moest een zoo gelukkig aangelegd jongeling, als Lambertus was, op het pad der volmaking met reuzenschreden vooruitgaan.
God schepte er behagen in, zoo lezen wij bij een oud kronijkschrijver, (1) de hooge deugd van zijn jeugdigen dienaar door wonderen aan de wereld te openbaren.
Landoald had te Wintershoven den bouw van een kerk en klooster ondernomen.
Bij de zengende zomerhitte was er gebrek aan gezond drinkwater, en de werklieden werden door hevigen dorst gekweld.
Begaan met de klachten hunner arbeiders, namen Landoald en zijn vrome leerling hun toevlucht tot Dengene, die eertijds ten bate der Israëlieten het bitter water der woestijn in een aangenaam vocht veranderde, en zij smeekten den Heer, het werk, te zijner eere begonnen, niet onvoltooid te laten.
Aan den voet van een groenenden heuvel maakten zij het teeken des kruises op den grond, staken er biddend den staf in, en een waterstraal, zoo zoet en helder als ooit aan een bronaêr ontvloeide, borrelde op uit den grond, tot groote vreugde der verbaasde werklieden.
Ten huidigen dage nog herdenkt het geloovige volk, dat aan die op zoo wondere wijze ontsprongen bron zijn dorst gaat lesschen, in dankbare liefde de weldaad, hen door beide Heiligen bewezen.
(i) Hariger, bij Ghesq T. III, p. 352.
11
Zoo gebeurde het ook, dat, toen op zekeren dag Landoald â aldus verhaalt het Roermondsch Brevier â aan het altaar stond, om de heilige Geheimen te vieren, in het wierooksvat het vuur was uitgedoofd.
Gewoon, op een wenk zijns lieven leermeesters te gehoorzamen, staat Lambert, wiens zoetste vreugde het was, den priester bij het heilig Misoffer behulpzaam te wezen, ijlings op, en brengt, kinderlijk eenvoudig, gelijk de Heiligen zijn, het benoodigde vuur aan in het wit linnen koorkleed, dat.... o wonder 1 door Jiet vuur niet het minst was beschadigd.
Toen nu de eerste opvoeding van den, wij mogen zeggen, destijds reeds heiligen jongeling zoo gelukkig voltooid was, â gaat de oudste levensbeschrijver voort â keerde hij terug in het Vorstelijk verblijf van zijn vader, paltsgraaf Aper.
Met bijzonder veel zorg legde hij zich toe op de beoefening der deugden; eiken dag onledig met goede werken, groeide hij verder op en nam hij toe in wijsheid,, terwijl een bevallige ootmoed van zijn gelaat afstraalde.
II.
HOE DE LIEVE H. LAMBERTUS LEERLING EN LATER OPVOLGER WERD VAN DEN li. THEODARDUS.
Door een beschikking der Goddelijke Voorzienigheid zetelde toen op den Maastrichtschen Bisschopszetel een man, die de Evangelische zachtaardigheid van het lam aan den leeuwenmoed der Martelaren paarde, en in zijn persoon een uitgebreide wetenschap bij de edelste priesterdeugden vereenigde: Kerkvoogd Theodardus.
Daartoe aangezocht door graaf Aper, die wijd en zijd om zijn ridderlijken zin voor Godsdienstluister en â weldoen aan behoeftigen in den lande bekend was, nam Theodardus de taak op zich, den bereids degelijk ontwikkelden jongeling verder te bekwamen in de kennis der Kerkleer niet alleen, maar ook van al, wat een jeugdig edelman, hoopvollen telg van een aanzienlijk hofheer, op zijn verdere loopbaan te stade zou komen.
Voortreffelijk door rijzigen lichaamsbouw, gespierd en vlug, bedreven in den wapenhandel, moedig van inborst en uitstekende door schoonheid, was hij tevens grondig onderlegd met de deugden van goedertierenheid, kuischheid en ootmoed.
Onder Theodardus' wijze leiding volwassen in deugd, minzaam van uiterlijk, hoffelijk in het gesprek en alleszins onberispelijk in handel en wandel geworden, begon hij, zoowel in het Bisschoppelijk huis als aan het Koninklijk
13
hof, zonder de minste vertoonzucht, lichtstroomen van levenswijsheid uit te storten.
De blijdste verwachtingen kon graaf Aper van hem koesteren; wat Lambertus evenwel bovenal ter harte nam, was, te beantwoorden aan de taak, welke eenmaal zijn Hemelsche Vader hem op de schouderen zou leggen.
Nauwelijks had hij dan ook de roepstem Gods in zijn binnenste vernomen, of, met terzijdestelling van alle wereldsche berekeningen, hield hij zich uitsluitend bezig met het werk der innerlijke vorming.
Weldra steeg hij zoo hoog in de gunst van den Bisschop, dat deze hem, indien de Kerkelijke verordeningen dit hadden veroorloofd, als zijn zoon en erfgenaam aangenomen, als zijn opvolger verkoren zou hebben.
Ofschoon geen enkel geschied- of kronijkschrijver daarvan gewage, kan men aannemen, dat Lambertus, toen hij zijn studies had voltrokken, door zijn leermeester onder het getal der priesteren Gods werd opgenomen.
Bisschop Theodardus was een moedig strijder Gods, een uit die schitterende keurbende van kampioenen,, waarop de Kerk van Christus in elke eeuw kan roemen, een man vol toewijding, niet alleen voor het heil der toevertrouwde kudde, maar ook voor de rechten zijner Kerk.
Niet weinig verdroot het hem, te ontwaren, dat eenige gewetenlooze lieden, landsgrooten en bedienden van het Frankische hof, verschillende goederen zijner Kerk wederrechtelijk in bezit hadden genomen.
Daar zijne vermaningen, eerst met zachtheid, daarna met gestrengheid gegeven, geen doel troffen, integendeel, de onbeschaamdheid der roovers nog schenen te stijven,, begaf hij zich, vol vertrouwen op God en zijn recht, alle lijfsgevaren trotseerend, op reis, om de hulp in te roepen van Koning Hilderik, die hofhield aan den Boven-Rijn.
14
Niet verre van de stad Spiers werd de moedige 'Bisschop, in een woud, Biwalt geheeten, bij Landau, door de beroovers zijner Kerk overvallen en wreedelijk vermoord.
Biddend voor de booswichten, gaf hij den geest, den IQden September van het jaar ,668 of 669.
Met groote droefheid werd deze tijding te Maastricht vernomen: groot was inzonderheid de smart, welke Lambertus in zijn dankbaar hart over den dood des gevierden leermeesters gevoelde.
Hij bezon zich niet lang, maar begaf zich op reis, om de plaats te bezoeken, waar de heilige man ter handhaving van de rechten zijner Kerk zijn bloed had vergoten, en om, zoo mogelijk, het stoffelijk overschot van den Martelaar naar Maastricht terug te voeren.
Bij de grafstede des Heiligen waren intusschen reeds zooveel wonderen geschied, dat de bewoners dier streek zich tegen de uitvoering van dit voornemen hevig verzetten; zij stonden het lichaam des Heiligen, daar voor den Hemel herboren, niet af
Lambertus zag zich genoodzaakt, onverrichter zake naar Maastricht weder te keeren.
De Bisschopszetel stond nu ledig.
Wie zal de man zijn, uitstekend door priesterdeugd en wetenschap, zachtmoedig en geestkrachtig genoeg, om een Bisschopsstaf te aanvaarden, die reeds door 19 Heiligen, en geene andere dan Heiligen, was gevoerd geworden, waardig om dit verheven ambt te bekleeden ?
Wie zal de Elizëus zijn, moedig genoeg om den profetenmantel, nog rood en lauw van Theodardus' martelbloed, om de schouderen te hangen ? moedig genoeg, om zoo noodig â en dat was het vaak â met beleid en met kracht op te treden tegen degenen, die het voorbeeld moesten geven, en om het zwaar, dikwijls
15
ondankbaar, altoos gevaarlijk werk der Evangelieverkondigingonder de nog talrijke heidenen door te zetten?
Volgens de toen in zwang zijnde Kerkelijke voorschriften moest een Bisschop worden gekozen door den Aartsbisschop en de overige Bisschoppen des lands, in overleg met de Geestelijkheid en de bevolking der zetelstad; de Koning evenwel behield zich het recht voor, de keuze te bevestigen of te vernietigen.
Lambertus was te duidelijk de daarvoor aangewezen man, in het bezit van de deugden en hoedanigheden, welke een Kerkvorst moeten versieren, aanzienlijk tevens door hooge geboorte, niet minder door stichtende bescheidenheid, dan dat de Geestelijkheid en het volk op een ander zouden bedacht wezen.
De voornaamste en invloedrijkste edellieden verkondigden Koning Hilderik den lof van Lambertus, en overreedden hem, den Heilige, als priester zoo waardig, tot Bisschop te laten wijden.
De eenige, die tegenstand bood, was Lambertus zelf.
De nederige man achtte zich dat verheven ambt niet waardig en weigerde, een geruimen tijd lang, de benoeming te aanvaarden.
sMij ontbreken, zeide hij, zoowel de krachten als de werken van heiligheid. Hoe wil iemand, die zich bewust is, geen vlekkeloos leven te leiden, het roer der Kerk in handen nemen.quot;
»»Lambertus, â luidde het antwoord des volks â Lambertus, onze stadgenoot, beroemd door de volheid der werken, moet onze Bisschop wezen. Dat is de wil van God, het verlangen der Rijksvorsten, hem heeft de Geestelijkheid gekozen, hem juicht het heele volk toe.quot; quot;
Vreezende nu â zegt een der oudste schrijvers 1) â
i) Kanunnik Nicolaas bij Chap. I.
16
den duidelijk blijkenden wil van God weerstand te bieden en de grenzen der gehoorzaamheid te overschrijden, in alles ootmoedig en Gode onderdanig, eensdeels wel beducht voor de menschelijke zwakheid, andersdeels echter vertrouwende op den bijstand Desgenen, die hem daartoe riep, gaf hij eindelijk toe.
Lambertus nam den heiligen kromstaf ter hand omstreeks het jaar 670; hij had den ouderdom van 33 of 34 jaren bereikt.
Tot die hooge waardigheid verheven, achtte zich de jeugdige Kerkvoogd nog strenger dan vroeger verplicht, een onberispelijk leven te leiden; hij verdubbelde zijnen ijver en de goede werken.
Alras had Koning Hilderik de heiligheid en schranderheid van den Maastrichtschen Bisschop leeren kennen ; spoedig had hij hem lief boven alle Prelaten des lands, boven alle grooten des Rijks.
En wel terecht, want Lambertus was een vertrouwd raadsman, volleerd in alle wijsheid.
Zelden huisde er een edeler ziel in een schooner omhulsel.
sDe Bisschop had een rijzige gestalte â zegt zijn oudste levensbeschrijver, die blijkbaar met geestdrift alle deze bijzonderheden, uit den mond van Lambertus' bediende, Dietwin, vernomen, te boek stelt, â (1) een minzaam gelaat, omlijst door weelderig hoofdhaar, met blanke tint en levendige oogen ; zijn sierlijke handen waren voorzien met edel gevormde vingers ; kortom van het hoofd tot de voeten was hij heelemaal onberispelijk.quot;
Niet zoodra echter had hij zich op de hoogte van zijn veelomvattende taak gesteld, of hij herinnerde zich, dat niet alleen hij, maar ook zijn Bisschopsstad een
i) Godescalk bij Chap. I, t. a. p.
17
laatste poging moest aanwenden, om het gebeente van den H. Theodardus uit het verre Duitschland herwaarts terug te voeren.
Hij begaf zich dan een tweeden keer naar de vermaard gewordene plek in het »Bijenwoud,quot; ten einde de bewoners over te halen, uit hun midden het stoffelijk overschot van den vermoorden Bisschop te laten vertrekken.
Nu was hij gelukkiger.
Het was hun onmogelijk, aan de heilige voortvarendheid, het vroom verlangen, en de vurige geestdrift, waarmede de Heilige over zijn leermeester sprak, nog langer weerstand te bieden, en alhoewel zij het zeer noode deden, stonden zij het eindelijk toe.
Met vorstelijke giften beloonde hij de behoeftige lieden dier streek, en, luidkeels den Heer dankend, bracht hij de overblijfselen van den Heilige naar ons land terug.
Te Luik, toenmaals nog slechts een dorp, waar, ongeveer een eeuw geleden, de H. Monulfus, eveneens Bisschop van Maastricht, op den linker Maasoever eene kapel had gebouwd ter eere van de HH. Cosmas en Damianus, en waar de Maastrichtsche Bisschoppen een woning bezaten, had Lambertus den roemrijken Martelaar een grafstede bereid.
Van dien tijd af werd die plek hem dierbaar, en zal hij menigmaal, tijdens zijn veelbewogen leven, daar een wijle komen poozen en bidden, totdat hij zelf daar ter verheerlijking Gods zijn bloed zal vergieten.
De mare van Lambertus' verheffing op den Bisschop-pelijken zetel, de roep zijner hooge deugd en wijsheid drong al spoedig door tot in het eenzame woud, waar de H. Landrada, een bloedverwante van den zaligen Pepijn van Landen, beschut tegen het gewiegel der
18
wereld, hare dagen sleet in aanhoudend gebed en harde zelfkastijding.
Ter plaatse, thans Munsterbilsen geheeten, had zij zich een cel gebouwd, en met eigen handen de bouwstoffen in gereedheid gebracht, om er ter eere van de H. Maagd Maria eene kerk te doen verrijzen.
Tot den H. Lambertus richtte zij de bede, dit heiligdom te komen inwijden.
Niet alleen willigde de Heilige dit verzoek in, maar hij gaf der vrome kluizenaresse den gewijden sluier en stelde haar aan het hoofd van de Godgewijde maagden, die weldra alom in den lande door de wonderen der H. Landrada en haren stichtenden levenswandel beroemd zouden worden.
Sedert dien tijd bleef Lambertus de raadsman en geestelijke vader der heilige edelvrouw.
III-
.HOE DE LIEVE H. EAMBERTUS VERBANNEN EN NA, 7 JAREN TERUGGEROEPEN WORDT.
Daar de H. Bisschop Lambertus in zoo hooge mate de gunst van den Frankischen Koning en de liefde van het volk bezat, scheen alles hem een gelukkig en vruchtbaar Apostelschap te voorspellen, doch in den vuurgloed der beproeving worden de heilige zielen gelouterd en tot hoogere waarde gebracht, even als hel edele goud in den ziedenden smeltkroes.
Bange dagen braken aan, niet slechts voor hem, maar ook â en dit veroorzaakte hem het felste zielewee â voor de geloovige kudde, aan wier geestelijken voorspoed en eeuwig heil hij zich met hart en ziel gewijd had.
In het jaar 673 werd Koning Hilderik door een zijner edellieden gedood en de geheele regeering des lands het ondersteboven gekeerd.
Theodorik kwam op den troon, en Ebroïn, een man, die voor geen list noch gewelddaad terugdeinsde, als hofmeier, aan het bewind.
Theodorik was, even als de meeste Vorsten van den Merovingischen stam, een zwakkeling, onbevoegd, den heerschersstaf over zulk een uitgestrekt land, als de ver-eenigde Rijken Neustrië en Austrasië, over zulk een â¢wispelturig volk, als de Franken waren, te voeren.
Boosaardige Ebroïn had alle macht in handen.
20
Deze beoogde niets anders dan zijn persoonlijke heerschappij te bevestigen en zijn invloed op de regee-ringszaken overwegend te maken.
Daarom moesten allen, die bij machte waren, zijn. willekeur en dwingelandij te weerstreven, onschadelijk worden gemaakt, en die bij den vermoorden Vorst in gunst hadden gestaan, van het tooneel verdwijnen.
Den H. Leodegarius, Bisschop van Autun, liet hij eerst beide oogen uitsteken, om hen daarna wreedelijk te laten vermoorden.
De H. Lambertus, om zijn liefdadigheid en wijsheid,, om zijn voorbeeldigen levenswandel bij allen geëerd en bemind, werd van zijn Bisschopszetel ontzet en in zijne plaats een zekere Faramond daarop geplaatst.
Den Heilige bleef nu niets anders over dan den weg der ballingschap op te gaan ; hij begaf zich dan, van twee bedienden vergezeld, naar de abdij van Stavelot, eenige jaren vroeger door den H. Remaclus, insgelijks Bisschop van Maastricht, in de Ardennen gesticht.
Het grootste en beste deel des volks, â getuigt de geschiedschrijver der Luiksche Kerk 1) â wel beseffend in welk een droevigen toestand het Bisdom nu zoude gebracht worden, was bitter bedroefd, en daar het zeer goed begreep, dat bidden noch smeeken hier iets konden baten, trachtte het door tranen zijn rechtmatige droefheid en trouwe aanhankelijkheid te uiten.
Schreiend en klagend begeleidde hem een talrijke menigte naar buiten.
Overtuigd, dat hij niets beters kon doen dan zich-zelven en zijne dierbare kudde in de hoede van den oppersten Herder aan te bevelen, gebood Lambertus-de volksschare, stil te staan.
i) Fis en t lib. IV, no. 13.
21
»Hier, sprak hij tot hen, zullen wij scheiden, met de Jiarten echter nooit. Ik ga heen, want Ebroïn verdrijft allen, die hem in den wag staan, uit de stad, doch de â¢liefde beletten kan hij niet, en deze neem ik mede in â het diepste van mijn gemoed overal, waar zijn bevel mij heenzendt.
gt;Ik verlaat de stad, doch niet mijn ambt. Een ander -zal den naam dragen, mijn bediening echter leg ik niet â neer. Voert hij de kudde niet op de weide der â Christelijke wijsheid, dan zal, en daarvoor wil ik aanhoudend bidden, de goede Herder Christus het doen.
»De bezorgdheid voor u, mijn verlangen naar u zullen uit mijn hart niet wijken.
»Gaat nu heen, getroost door dit vertrouwen.
sDe Herder der herders, de goede God, zal in zijn diefde zorgen, dat gij mijn afzijn niet gewaar wordt.
»Hij wil het nu zoo; weest den Koning onderdanig.quot;
Zonder tranen konde hij deze woorden niet uitspreken, noch het geloovige volk ze aanhooren; hij verhief lianden en oogen ten hemel, zegende hen, en zond hen weg.
De H. Sigolinus, tweede opvolger van Remaclus, stond aan het hoofd der abdij, toen de doorluchtige balling daarin een veilige schuilplaats kwam zoeken.
Met groote liefde werd hij daar opgenomen, en ongetwijfeld met alle eerbewijzen, aan zijn hooge waardigheid en wijd vermaarde heiligheid verschuldigd, door de monniken, kloeke zonen van den H. Benedictus, ontvangen.
In hun midden echter gedroeg hij zich â zegt een levensschrijver 1) â als de laatst aangekomene en aninste van allen, ofschoon hij buiten kijf door zijn
â¢x) Stefanus bij Chap. 1.
22
heiligheid de eerste hunner, door ijver en Godsvrucht de voornaamste was.
Alhoewel zelf geen monnik, schijnt hij toch aan het strenge leven der kloosterbroeders deel te hebben genomen ; zeker is het intusschen, dat hij op de gemeenschappelijke slaapzaal zijn nachtrust placht te nemen.
Dit blijkt uit volgend voorval, door zijn bediende Dietwin aan kanunnik Godescha'k, den reeds meermalen aangehaalden oudsten levensbeschrijver des Heiligen, medegedeeld.
Terwijl de eerbiedwaardige Bisschop Lambertus in genoemd klooster verbleef, â zoo luidt het stichtend verhaal, â gebeurde het dat hij naar gewoonte te middernacht opstond, om alleen, met vromen zin, zich ten gebede te begeven.
Uit liefderijke voorzorg, ten einde geen der slapende broeders te storen, had hij beide sandalen in de hand genomen.
Bij ongeluk viel een dezer op den vloer en verwekte min of meer gerucht.
De kloosteroverste, die dit hoorde, doch niet vermoedde wie het veroorzaakt had, gebood den plichtige, zich te begeven naar het groot steenen kruis, dat nabij; de abdijkerk onder den blooten hemel was opgericht, â een boete, welke volgens de destijds in voege zijnde kloostertucht voor overtredingen van den regel werd opgelegd.
Zonder een enkel woord te zijner verontschuldiging in het midden te brengen, puntelijk gehoorzaam, begaf zich de heilige man onmiddellijk, ongeschoeid en barrevoets, gestoken in de hairen pij, naar de aangewezen plaats
Het was in den winter, bij vinnige nachtkoude ert sneeuwvlage.
23
Met uitgestrekte armen begon hij zijn gebed, en, onbeweeglijk, van koude schier verkleumend, verhief hij zijn stem en richtte hij in psalmgezang zijn hart ten hemel.
Intusschen bedekte langzamerhand de sneeuw, welke aanhoudend nederviel, zijn voeten, die door niets tegen de grimmige koude werden beschut.
De goede God, die alles beschikt en voorziet, toonde zich begaan met het lijden en den lijdensmoed van zijnen vromen dienaar.
Vroeger dan gewoonlijk weerklonk in het nachtelijk uur het gekraai der morgenwekkers.
Lambertus was in den 41stei1 Psalm gekomen aan het vers: «Wanneer zal ik voor Gods aangezicht verschijnen:quot; toen de morgenklok geluid werd en onverwijld de broeders ten kore spoedden.
Middelerwijl volhardde de onderdanige man Gods in he1; gebed, overeind staande bij het kruis, in de snerpende koude en gierende sneeuwjacht.
Na ifloop van den ochtenddienst verzamelden zich de broeders in het klooster, waar wegens de felle winterkoide een haardvuur was aangelegd.
Toen iu de overste vroeg, of allen aanwezig waren, antwoordamp;e een hunner : »Dezen nacht heb ik gehoord hoe gij, vader, een der onzen, die gerucht had veroorzaakt, naa; het kruis hebt verwezen, om er boete te doen voor hetgeen hij bij ongeval misdeed ; wie dat was is mij riet bekend.quot;
Terwijl de broeder nog sprak, trad een andere binnen, die zeide ; »Iiderdaad 1 de heer Lambertus staat reeds een geruimen tijd lang, ongeschoeid, bij het kruis te bidden.quot;
sgt;Komt allen, broeders 1 riep vader abt, vol schrik, ijlen wij naar miten, werpen wij ons aan de voeten
24
van den heiligen man en Bisschop, en smeeken wij hem gezamenlijk ootmoedig, dat hij tot ons wederkeere.quot;
Zij spoedden heen en vonden hem, altoos overeind staande bij het steenen kruis, achtbaar hoofd en schouderen bedekt met sneeuw, en luide biddend : gt;God versmaadt een vermorzeld en vernederd harte niet.quot;
Onderdanig en ootmoedig voldeed hij aan het verlangen der broederen.
Om vergiffenis smeekend, wierpen zich de klooster-vader en de schare der monniken voor zijne voeten neder op aarde.
»Vergeving ! kreet de abt, schenk mij vergeving in uwe goedertierenheid, doorluchtig heer Bisschop ! Onwetend heb ik dwaas gehandeld. Scheld het ons. die uw toegenegen dienaren zijn, toch kwijt!quot;
»Ontferming â zoo luidde het antwoord â hadde ik voor u van God afgesmeekt, en u van guller harte met verschuldigde liefde vergiffenis geschonken, indien gij inderdaad onwijs hadt gedaan; daar gij evenwel naar kloosterregel en behoorlijke monnikstucht vakomen onberispelijk handeldet, heb ik naar de mate mijner krachten, gelijk het een onwaardigen diensar Gods betaamt, aan uw bevel gehoorzaamd.
»Naar de H. Paulus leert immers, moet ik dior koude, naaktheid en dienstbaarheid mijn lichaam tot onderworpenheid brengen, daar hij zegt: »Door ^ele beproevingen slechts treden wij het Hemelrijk birnen ... en: gt;het lijden dezes levens kan niet in vergelijking komen met de heerlijkheid, welke eenmaal in onsgeopenbaard zal worden.
»Hoe feller wij hier door de geesels woiden gestriemd, des te heller schijnt hiernamaals het licit der vreugde: daarom achtte men niet hard een arbeid, niet lang een tijd, waardoor het eeuwig leven wordt gewonnen.quot;
25
De broeders kusten hem de handen en de voeten, «n zeiden tot elkander: »In dezen nacht heeft de Heer tot vermeerdering zijner heerlijkheid en tot onze zaligheid tevens, Lambertus' werken, ongezien van 'smenschen â oog, doch luisterrijk voor 't oog des Heeren, aan ons bekend willen maken.quot;
Tot op den dag van heden toe, draagt dat gedeelte van den tuin, waar vroeger zich dit kruis verhief, te Stavelot, nog steeds den naam van »St. Lambertusbed.quot;
Terwijl onze lieve Heilige in de vreedzame Ardenner abdij zelfs aan de in heldhaftige mannendeugd en stugge boetvaardigheid volwassen Benedictuszonen het voorbeeld gaf van de meest verheven zielegrootheid, maakte de indringeling Faramundus zich alom in het Maasland gehaat door de schennis van het Heilige.
Voor de Maastrichtsche Kerk was het een tijdvak â van geweldige beproeving; alle goed werd te keer gegaan, alle kwaad in de hand gewerkt.
»Mosst ik dien ellendigen toestand schetsen, â verklaart een aloud schrijver, â1) dan name ik den schijn aan, als wilde ik in stede van een geschiedverhaal een treurspel in 't licht geven.quot;
Eindelijk daagde er een zonniger tijd.
Met zooveel leed begaan en niet het minst ook zonder eenigen twijfel bewogen door het voortdurend gebed en het boetvaardig leven van den heiligen balling, scheen God zich over de verweesde kudde van Maastricht te willen ontfermen.
In het jaar 681 werd gruwzame Ebroïn vermoord, en in zijne plaats als hofmeier aangesteld een zekere Warado over de eene Rijlcshelft, terwijl Pepijn over Austrasië dezelfde betrekking aanvaardde.
i) Kanunnik Nicolaas bij Fisen, t. a p. no. i5.
26
Hoogstwaarschijnlijk op aandringen van zijn moeder, de H. Begga, gaf Pepijn van Herstal gehoor aan de stem van het geloovige volk en van zijn eigen gemoed, en zond hij eenige edellieden naar Stavelot, om den wettigen Bisschop Lambertus â Faramundus was bereids uit den lande gebannen â naar zijn dierbaar Maastricht terug te roepen.
»De pen weigert te beschrijven hoe groot de alge-meene vreugde des volks was, toen de Heilige uit de ballingschap wederkeerde, â schrijft de oude Godeschalk â met welke lofzangen en vreugdeliederen de priesters en de levieten, de monniken en tallooze geestelijken den Opperherder toejuichten, welke hulde de behoeftigen, de weduwen en weezen hem betuigden.
De algemeene blijdschap, bij dien terugkeer gebleken, kan men niet beter schetsen dan door te zeggen, dat de bewoners van Frankenland zooveel geestdrift aan den dag legden, als ware hun het voorrecht geschonken, een der Apostelen des Heeren te ontvangen.quot;
Zeven jaren had de Heilige in de abdij doorgebracht*
---o-o---
Iquot;V-
HOE DE LIEVE H. LAMBERTUS EEN VADER WAS VOOR ZIJN VOLK, EEN LEIDSMAN VAN VELE HEILIOEN.
De uitbundige vreugde, door het volk bij zijne weerkomst ter Bisschopsstede aan den dag gelegd, getuigde hem ondubbelzinnig, dat zijn kudde hem en God was getrouw gebleven.
Uit de volheid zijns harten dankte hij den Heer en nam hij het besluit, voortaan, meer dan ooit te voren, zich onverdeeld te wijden zoowel aan eigen volmaaktheid als aan het heil der geloovigen.
Hij legde er zich op toe â getuigt Godeschalk â zijn levenswandel nog dagelijks te verbeteren ; met onbezweken ijver volhardde hij in de wet Gods, zonder zich ooit aan iets berispelijks schuldig te maken.
Bedachtzaam in al zijn handelingen, steeds waakzaam, bewaarde hij zijn lichaam in heilige tucht en hield hij het oog des geestes, zijn zinnen en werken onophoudelijk gericht op God.
De hem toevertrouwde geloovigen voedde hij met het brood der heilige leering, hen vermanende, laakbare gewoonten af te leggen, en door zelfbeheersching allengs te komen tot die rechtschapenheid en reinheid van leven, waardoor de mensch steeds hooger stijgt en Gode nader treedt.
Geplaatst tusschen armen en rijken, bracht hij, zonder acht te slaan op den persoon des machtigen, hulde aan
28
lt;den adel van zeden; naar gelang iemand goed trachtte gt;te leven, bewees hij hem achting.
Milddadig niet slechts van aard, doch ook door deugd, reikte hij den behoeftige geen liefdegave toe, zonder de oogen te richten naar den Hemel, vanwaar hij uitsluitend het loon verwachtte.
Wat hij den arme gaf, achtte hij Gode in blijdschap geofferd, steeds indachtig het veelbelovend woord des ;Heeren: »Wat gij den minste der mijnen gedaan hebt, is Mij-zelve gedaan.quot; Doorgaans volgde het uitreiken der aalmoezen het toedienen der geestelijke spijze.
Bescheiden in levenswijze en kleeding, vijand van â ijdele praal en vertoonzucht, trachtte hij zich te verootmoedigen door al datgene, waardoor anderen streven naar verheffing; wereldschen roem achtte hij een wuften . droom, een ijlen rook, een snelvlietend water gelijk.
Tegenkantingen verduurde hij goedsmoeds en gelaten, altoos zich zelve gelijk; ten dage van voorspoed, voor Tnenigeen zoo gevaarlijk, was hij met verdubbelde waakzaamheid op zijn hoede.
Zoodoende verspreidde zich, zonder dat hij naar iets anders haakte dan naar de veilige stilte der onbekendheid, de roep van zijn heilig leven wijdden zijd over het land, en gaarne hadde hij, als een andere Paulus, alle gevaren trotseerend, de geheele aarde doorkruist, om den volkeren heil te doen geworden.
Zoo sleet hij zijn leven, zuiver en standvastig in het geloof, roemwaardig in deugd, edelmoedig in barmhartigheid, welwillend en boeiend in zijn onderwijzingen, even bereid om voor het recht in de bres te springen, als om beleedigingen te vergeven, lieftallig in zijn â omgang met elkeen, en nooit falende, waar herderlijke .plicht hem riep.
29
De zevende eeuw kunnen wij met recht noemen de eeuw der Heiligen in ons vaderland.
Zeker, het was een tijd van geweldige gisting; een groot Rijk was in wording.
Velerlei volksstammen, van meet af elkander vijandig-, gezind, schikten zich allengs tot een geheel te zamen,. dank vooral aan de prediking des Evangelies, op bijna alle punten en bij schier alle stammen der Frankische-heerschappij ondernomen.
Het woord Gods bracht beschaving, orde in dien nog ongeveer vormeloozen bajert, waaruit te Kerstmis-800 het in alle opzichten groot Rijk van den machtigen Karei den Groote zal oprijzen.
Zeker, de staatkunde der Pepijnen heeft tot de wording van dit Rijk veel bijgedragen, doch hoofdzakelijk was dat het werk der Heiligen.
Een herschepping immers, als hier plaats had, kanalleen tot stand gebracht worden door vastende, zich zeiven afbeulende, dag en nacht in gebed verzonkene lieden, dien de gekruisigde, afgemartelde Verlosser der-wereld onophoudelijk als een verheven toonbeeld voor de oogen zweeft.
En het bewijst juist voor de schranderheid van Kareis voorgangers, dat zij aan de verkondigers der Blijde Tijding, aan de kloeke verspreiders der Christelijke beschaving zoo gul en grif bescherming verleenden.
Wij zagen reeds, dat de H. Lambertus door Pepijn-van Herstal uit de ballingschap werd teruggeroepen, op aandringen vooral van Pepijns moeder, de H. Begga.
Deze was gehuwd geweest met hertog Ansigisus, broeder van den H. Arnulf, Bisschop van Metz.
Zij was eene dochter van den Gelukzaligen Pepijn van Landen en van de eveneens Gelukzalige Itta of
30
Iduberga, een zuster van de H. Gertrudis, abdisse van Nivelles.
Na den dood van haren gemaal besteedde zij haar leven en hare rijkdommen aan goede werken. Zij stichtte een klooster te Andenne en bevolkte het met geestelijke dochters, afkomstig uit de Nivelsche abdij.
Zelve ontving zij er den sluier, bracht er de 13 laatste jaren haars levens door in boete en Godsvrucht, en overleed in het jaar 695.
In de dagen, dat Ebroin de Franken van Neustrië verdrukte, leefde er in Aquitanië een jeugdig edelman van Koninklijken bloede, bekleed met de waardigheid van paltsgraaf aan het hof van Koning Theodorik.
Vol afkeer voor Ebroïns dwingelandij, verliet Hubertus, deze was de naam van den edelen Frank, het land zijner geboorte en kwam naar Austrasië, dat onder het krachtig en wijs bestuur van Pepijn vrede en welvaart beleefde.
Hubertus' onafscheidbare gezellin was zijne moei, Oda, weduwe van Boggis, hertog van Aquitanië.
Nauwelijks was, omstreeks het jaar 681, de H. Lam-bertus op zijn Bisschopszetel hersteld, of Hubertus, die de hooge wetenschap en het stichtend leven van den moedigen Bisschop veel had hooren roemen, begaf zich naar Maastricht.
Alras gevoelde hij zich met een onweerstaanbare kracht tot dezen grooten dienaar Gods aangetrokken, en trachtte hij zooveel mogelijk van 's mans voorbeeld en onderricht partij te trekken.
Gaarne hadde hij aan de wereld verzaakt en zich gewijd aan den dienst des Heeren, doch de huwelijksband verhinderde hem voorhands, dit voornemen ten uitvoer te brengen.
Intusschen leefde hij minder als leek, als gehuwd
31
man en adellijk heer, dan als geestelijke, als leerling van den H. Lambertus.
Nauwelijks echter was zijne gemalin, die hem een zoon, Floribertus, had geschonken, naar een beter leven ingegaan, of hij volgde de inspraken van Gods genade tot zijn hart, en hij werd door zijn heiligen leermeester tot priester gewijd.
Onder de eeretitels, die den H. Lambertus toekomen, is het zeker niet de minste, dat hij een zoo edelen leerling, en zich een zoo waardigen opvolger als Bisschop gevormd heeft, gelijk de H. Hubertus was.
Toen, in het jaar 727, Hubertus deze aarde verliet, ging uit zijne hand de kromstaf over in die van zijn zoon Floribertus, die na zijn dood eveneens onder het getal der Heiligen werd opgenomen.
De H. Oda kwam dus, gelijk wij reeds aanstipten, met haar neef Hubertus naar Austrasië, waar zij vele goederen bezat.
Reikhalzend naar een heilig leven â zooiezen wij over haar in het Luiksch Brevier, â zocht zij den omgang met den H. Lambertus, door wiens voorlichting en vermaningen zij tot de luisterrijkste deugd werd opgevoerd.
Op vele plaatsen richtte zij ziekenhuizen en kerken op, en de dienaren Gods voorzag zij van de noodige levensbehoeften.
Haar moederlijke zorge strekte zij vooral uit over een vlek, bij Hoei gelegen en Amay genaamd ; daar bouwde zij en begiftigde zij rijkelijk een kerk, den H. Martelaar Georgius gewijd.
Zij overleed te Amay, en haar bloedverwant. Bisschop Floribertus, verhief er haar gebeente, door wonderen vermaard, ten altare.
Over de H. Landrada hebben wij reeds geproken.
In de eerste jaren van zijn Bisschoppelijke bediening
32
had de H. Lambertus haar onder het getal der Godgewijde maagden opgenomen, te Munsterbilsen.
Toen zij,â zoo verhaalt ons haar levensbeschrijver, â 1) na een langen kamp, door den geest tegen het vleescb gestreden, waarbij dit laatste door het al te ongenadig vasten als het ware uitgedroogd was, op het ziekbed werd geworpen, voorspelde zij haar naderend einde en. ontbood zij uit het naburig Maastricht den H. Bisschop Lamber'tus, opdat zij in het sterven verkwikt zou worden door de vermaningen van den dienaar Gods, naar wiens raad zij tijdens haar leven steeds had gehandeld.
Nauwelijks vernam de H. Lambertus de droevige mare, of hij begaf zich op weg.
Te Wintershoven aangekomen, overviel hem de avond.
Eensklaps verscheen hem de heilige abdisse. die inmiddels was ten Hemel gevaren, omgeven van schitterend licht. »Waarom toch â zeide zij â hebt gij zoo-lang gemard? nu kon ik bij mijn verscheiden uit uwe handen de H. Teerspijze niet ontvangen.quot;
Lambertus voerde verontschuldigingen aan en verklaarde zich bereid, haar stoffelijk overschot ter aarde te besteden.
»Blik strak voor u uit naar den hemel, beval hem de verschijning, en aanschouw in de lucht het teeken des kruises, omluisterd met een stralenkrans.
»Deze, sprak de bruid des Heeren, is mijn begraafplaats; daar zal mijn assche rusten tot den dag, door God bepaald.quot;
De maagd verdwijnt in de wolken, en Lambertus wordt ijlings naar Bilsen gevoerd, waar de zusters bezig zijn met de toebereidselen voor de begrafenis harer overste, in de kloosterkerk.
i) Theodoricus bij Ghesq. T. V. bl. 218.
33
De Heilige stort een gebed en richt met de hem eigene zeggingskracht en zalving het woord tot de schare der kloostermaagden en maakt haar de hem gedane openbaring bekend.
Toen zij vernamen, dat de geliefde overledene haar graf niet te Munsterbilsen, maar te Wintershoven had uitgekozen, verhieven de zusters luide haar stemmen en klaagden zij bitterlijk.
»Hierl zoo jammerden zij, werd zij den Heere toegewijd en als abdisse aangesteld. Door haar toedoen rees deze kerk in de hoogte, en breidde zich de kloostergemeente langzamerhand uit. Hier gaf zij den blinden het gebruik der oogen, den kreupelen dat der ledematen weder; hier bood zij het hoofd aan alle beproevingen.
»Gij zelf waart hier de helper van haren ijver, de getuige van hare deugden, de inwijder van dit kerkgebouw.
»Past het den Bisschop, zijn volk te bedroeven, den herder, zijn schapen te berooven ? Moeten wij na haar zalig verscheiden verliezen die wij tijdens haar leven bezaten?quot;
»'t Is gemakkelijk, zoo luidde Lambertus' bescheid, aan het hoofd te staan, doch moeilijk allen te bevredigen.quot;'
De abdis werd begraven.
Na een vasten van drie dagen, aanhoudend gebed en lijfskastijding, beval de H. Bisschop, het graf te openen.
Het lichaam was er uit verdwenen, alsmede de lijkkist.
»Komt, zustersquot;, sprak Lambertus, svolgt mij, gij zult zien wat Gods heerlijkheid vermagquot;.
Aan het hoofd van de maagdelijke schare trekt hij naar het hem zoo geliefde Wintershoven, tot aan de plek, hem door de glansen van het kruis aangeduid;
34
men delft den bodem op en vindt er het lichaam der H. Landrada, neergevlijd in de kist.
Onder de roemwaardige personen, die door hunne tegenwoordigheid, en niet het minst door hun heilig leven en vurig streven voor de eere Gods en het heil der zielen, het grondgebied van den H. Lambertus verheerlijkten, moeten wij zeker niet vergeten, melding te maken van het beroemde drietal geloofsverkondigers jn het land van Gelder, Gulik en Kleef: de Heiligen Wiro, Plechelmus en Otgerus.
Geboortig uit Schotland, kwamen zij herwaarts, om de heidenen, die zich nog vrij talrijk in afgelegen wouden en ontoegankelijke moerassen ophielden, voor de leer van Christus te winnen.
Pepijn van Herstal, die deze kloeke Evanjeliever-kondigers bijzonder hoogschatte, schonk hun nabij Roermond, op den oever der Roer, den St. Pietersberg, thans St. Odiliënberg geheeten, alwaar zij een kerk en klooster bouwden, den dood der Heiligen stierven, begraven en later door talrijke pelgrims bezocht en verheerlijkt werden.
Het lijdt geen twijfel, of de Evangelieprediking, door deze Heiligen in Maas- en Roerland ondernomen, heeft plaats gehad in gemeenschappelijk overleg met Lambertus, Bisschop van Maastricht, die zelf een geruimen tijd lang de blijde tijding des eeuwigen heils heeft verkondigd in het meestal nog heidensch Toxandrië, gelijk wij naderhand zullen zien.
Een bijzonder innige vriendschap had Lambertus gesloten met den wijdvermaarden Apostel der Friezen en eersten Bisschop van Utrecht, den ongeveer 20 jaren jongeren Northumbriër Willibrord.
Met hetzelfde doel als bovengenoemde Heiligen, kwam deze hier te lande aan, namelijk om het Christendom
35
te verspreiden, hoofdzakelijk cader de stoere bewoners der Noordelijke Nederlanden.
Welwillend door Pepijn ontvangen, verbleef hij eenigen tijd in onze streken, alvorens hij naar Rome ging, om er door den Paus tot Bisschop gewijd, en als Apostolisch â¢zendeling op verovering uitgezonden te worden.
Op St. Ceciliadag 696 door Paus Sergius I als Bisschop der Friezen aangesteld, kwam hij herwaarts terug, â¢om zijne zware taak te aanvaarden.
Voor zijn Roomsche reis had hij met Maastrichts grooten Bisschop, op wiens geestelijk gebied hij een poos werkzaam geweest was, kennis aangeknoopt.
De stichting der vermaarde abdij Susteren, omstreeks het jaar 6Q8, en zijn herhaald verblijf aldaar bracht hem, natuurlijk, meermalen in aanraking met den H. Lambertus, die zelf in zake de Evangelieverkondiging een rijke ondervinding had opgedaan.
Ook ter plaatse Teisterbant, aan de grenzen van beide Bisdommen, heeft Willibrord zeer dikwijls samen â komsten gehad met Lambertus, ten einde elkaar tot den harden kamp voor de uitbreiding van het Godsrijk te bemoedigen, en maatregelen te beramen tot bevordering van het beiden zoo dierbaar bekeeringswerk.
Zij wakkerden elkanders ijver aan door heilige gesprekken en haalden de banden hunner wederkeerige vriendschap nauwer toe, en straks, wanneer het door vele wonderen verheerlijkt gebeente van den roemrijken Martelaar Lambertus in triomf naar Luik zal worden gevoerd, zien wij naast den H. Hubertus, die de plechtigheid verricht, optreden den H. Willibrord, reeds gebogen onder het gewicht des rusteloozen Apostolischen arbeids, even als een forsche boom onder den last van â¢heilzame vruchten.
quot;V.
HOE DE LIEVE H. LAMBERTUS DE ATOSTEE WERD» VAN KEMPENLAND.
Een uitgestrekt gedeelte van het Bisdom Maastricht lag nog, ondanks de herhaalde pogingen, door Servatius'' opvolgers in 't werk gesteld om de bewoners ervan te bekeeren, verzonken in de duisternis des heidendoms.
Ongetwijfeld had onze Heilige meermalen gedurende zijn zevenjarig verblijf in het Ardennerwoud, ter abdij Stavelot, met weemoed gedacht aan den ellendigen toestand, waarin de Toxandriërs, hardnekkige afgodendienaars wel is waar, doch ook kinderen Gods, hem ter hoede toevertrouwd, lagen gedompeld.
Naar het voorbeeld der kloeke monniken, wier arbeidzaam en opofferend leven hij gestadig onder de oogen had, staalde hij in die stille eenzaamheid zijn ziel voor den kamp, die hem verbeidde.
Zoo bracht de middeleeuwsche edelman, alvorens hij ter verdediging van de heiligste rechten den ridderdegen mocht zwaaien, in volle wapenrusting een heelen nacht door voor het outer, wakend, boetend en biddend.
gt;De Toxandriërs, â zoo lezen wij in den bekenden geschiedschrijver van het Hertogdom Gelder, 1) â waren lieden, uiterst traag van begrip, onbeschaafd van zeden, gehecht aan hunne barbaarsche gebruiken en afkeerig
i) Knippenbergh cap. V7.
37
'van alle gemeenschap met de naburige volksstammea.quot;
Zij woonden in de streek, nu Kempenland en Brabant ;geheeten, welke niets anders te zien gaf dan schier ongenaakbare moerassen, ondoordringbare wouden cn uitgestrekte heidevlakten, aan niets zoo zeer gehecht dan aan de voorvaderlijke gebruiken en plechtigheden, ihunnen afgoden ter eere.
Aan oud-Germaanschen stam ontsproten, waren deze natuurkinderen hartstochtelijk verzot op hunne onaf-ihankelijkheid.
Het hoogste voorrecht, hun bekend, was, in die wouden en waterplassen, op die kale zandvlakten, waar de druïden hun Odins geheimen en de wellusten van het toekomstig Walhalla voorspiegelden, vrij van eiken dwang en vreemde overheersching te leven.
Vol afschuw voor het Christendom, wijl zij duchtten, â¢dat het aanvaarden dezer »nieuwe leerquot; hen onder het juk der machtige Franken zou brengen, hadden zi] zich steeds met macht en kracht, met hand en tand verzet tegen elke poging, aangewend, om hun het zoete juk der Evangelische vrijheid op de schouderen te .leggen.
Verder lieten hun afgodspriesters, de druïden, aan wier overwicht, tot dusver onbetwist, door de invoering â¢der Kruisleer een einde zou worden gemaakt, niets onbeproefd, maar allen invloed, alle redenen gelden, â om de prediking des Evangelies te verhinderen.
Slechts kwalijk kunnen wij, ook na het omstandig verhaal der geschied- en kronijkschrijvers te hebben gelezen, ons een begrip vormen van de ontzaglijke vermoeienissen, ontberingen en opofferingen, welke de kloeke geloofsboden zich hebben getroost, van de gevaren, door hen getrotseerd, om die halsstarrige iheidenen tot de erkentenis der zaligmakende waarheid
38
te brengen, en zoo het oude Kempenland en Brabant voor Rome's Moederkerk te veroveren.
Waar echter zielen voor zijn dierbaren Christus zijn-te winnen, daar mart, daar draalt Lambertus niet.
De Geest Gods, sprekend in dat Bisschopshart, vond hem vaardig, »het vuur, dat uit den Hemel op aarde was gedaald,quot; heinde en verre over het aardrijk voort te planten, en desnoods zijn leven op te offeren, om de aan zijne zielzorg toevertrouwden met het leven der genade, of met een overvloediger zieleleven te begiftigen.
Reeds terstond na zijn blijde wederinkomst binnen zijne Bisschopsstad had de Heilige gemerkt, dat het zevenjarig verblijf van den wolf in den schaapstal ontzaglijk veel verwoestingen had aangericht.
Onmiddellijk sloeg hij dan ook de hand aan het werk, om te redden wat reeds ten verderve ging, en terug te winnen wat misschien bereids verloren werd geacht.
Had hij niet te zijner beschikking het tweesnedig zwaard des Goddelijken woords, de zevenvoudige bron. van genaden, welke hij als een hoorn van overvloed over de wankelmoedigen, afgedwaalden, aan leer en tucht vervreemden kon uitstorten?
Had hij verder niet, om het gemoed der heidenen-te roeren, het nachtelijk gebed, met zuchten en tranen ten Hemel schreiende om ontferming ? de zelfkastijding,, om in hunne plaats de genade van 's Heeren licht af te dwingen ? in 't eigen hart de brandende liefde tot God, om gloed te storten in de harten van anderen ?â
Had hij eindelijk zijn bloed niet, om het met geestdrift, blijmoedig en God dankend, tot den laatsten druppel te vergieten, opdat daarin de Kruisboom der verlossing welig tieren, groeien, bloeien zoude en aan-de Kerk een oogst van zoete vruchten opleveren ?
In zijne herderlijke bezorgdheid,â zoo verhaalt weder-
30
om zijn oudste levensbeschrijver, â bezocht onze Heilige alom de steden en dorpen van zijn Bisdom, ten einde er het geloof der Christenen te versterken.
Zoo kwam hij ook, naar luid van een eerbiedwaardige overlevering, van Maastricht uit, de rivier afgezakt tot tegenover de aloude burcht van Kessel, om aan de bewoners van den linker oever het Evangelie te preeken.
Op eene kleine verhevenheid lag destijds, nabij den stroom, uit Maaskeien gebouwd, een wachthuis of heidensche tempel, door den Heilige ten gerieve der nieuwbekeerden in een bedehuis herschapen, en later door het dankbare volk te zijner gedachtenis St. Lam-bertskapel geheeten.
Uit dit eeuwenoud kerkje, thans nog in eere gehouden, zijn eerst het kerspel Beesel en later de St. Lam-bertusparochie Reuver gesproten.
»De overlevering, â zegt een bekend geschiedkundige, 1) â houdt Willibrord naast Lambert aan de Maasoevers in groote eere.quot;
Sedert onheugelijke tijden prijkte in genoemd Lam-bertuskerkje, naast dat des lieven Beschermheiligen, het beeld van den H. Willebrordus, zijn medewerker in het Apostolaat.
Te Alfen, aan de Maas, staan de beelden onzer beide Heiligen in de kerk tegenover elkander; eveneens te Blerik.
in eerstgenoemde plaats, evenals te Lit, bestaat de overlevering, dat de Heiligen aldaar zijn samengekomen, om over het bekeeringswerk te beraadslagen.
Birgelen, in het dekenaat Wassenberg, Aartsbisdom Keulen, vroeger als ecclesia Integra, of onafhankelijk kerspel, onder het Bisdom Luik lehoorende, ontleent
igt; Dr. P. Alberdingk Thijm in zijn âWillebrordus.quot;
40
zijnen naam aan een heuvel, (Bergelein), waarop vroeger tot in de 30er jaren dezer eeuw de parochiekerk lag gebouwd.
Naar de eeuwenoude overlevering heeft op die hoogte de H. Lambertus gepredikt, en. even als hij te Reuver deed, den heidenschen tempel, die er zich bevond, tot een Christelijk bedehuis gewijd.
Niet ver van den heuveltop ontspringt in het dal, door boomen overschaduwd, een bron, ten huidigen dage nog St. Lambertusput geheeten, wier water uit 's heiligen Bisschops hand reinigend en herscheppend den nieuwbekeerden over hoofd en ziel vloeide, en sedert onheugelijke tijden, tot heden toe, door de ge-loovigen tot genezing van zieke oogen wordt aangewend.
Over deze bron werd later een kapel ter eere van de H. Moeder van Smarten, op den berg en de plaats, waar vroeger de aloude kerk zich verhief, door Werner, Baron van Leikom te Elsum, eene gothische grafkapel gebouwd.
De tegenwoordige parochiekerk ligt midden in het dorp.
Uit verschillende plaatselijke benamingen kan men opmaken, dat de aloude St. Lambertuskerk voor de geheele streek een middelpunt van Godsvrucht is geweest.
Te Holset, bij Vaals, heeft, luidens een aloude overlevering, onze Heilige met Willebrord de reeds omstreeks het jaar 515 bekeerde bevolking in het Christendom bevestigd en versterkt.
Ook zegende hij aldaar eene bron, welker water, toen de bewoners het heidendom afgezworen hadden, door de afgodspriesters was vergiftigd geworden.
Opmerkelijk is. onzes inziens, het feit, dat door de
41
«voorspraak van onzen Heilige vooral blinden van hun droevige kwaal werden genezen
In een enkel hoofdstuk verhaalt Godescalk, die toch van slechts eenige wonderen melding maakt, niet minder -dan vier gevallen van dien aard.
Aan ooglijders zouden wij derhalve den raad willen .geven, zich met vertrouwen te wenden tot den grooten H. Lambertus, die door de verkondiging der Evangelische waarheden ontelbare heidenen tot het licht des â¢Geloofs geroepen en tevens voor zoovele blinden de â¢kostbare gave van het gezicht verworven heeft.
Bij de Mechelschen, â getuigen de Bollandisten, â wordt Lambertus ia hooge eere en als hun eerste geloofsverkondiger gehouden. Nabij Hofstade ligt eene hooete, St. Lambrechtsberg geheeten, waar onze Heilige den heidenschen bewoners het Evangelie heeft verkondigd.
Verder lezen wij in het jongste levensbericht over onzen Heilige geschreven, 1) wat volgt: »De blijde boodschap verkondigend, zakte hij de Maas af, bezocht de gemeenten van zijn Bisdom, langs haar oever gelegen, en kwam eindelijk te Tiel.
Hier stapte hij aan wal en werkte in die omstreken eenigen tijd met onzen beroemden Willebrord.
Te Buren zal nog in de eerste helft der twaalfde eeuw eene kerk of kapel hebben gestaan, die op den feestdag des H. Lambertus druk werd bezocht.quot;
Op den oever van den landstroom bij Teisterbant, â schrijft kanunnik Nicolaas 2) â ligt een schaduwrijke plek, waar beide heilige mannen dikwijls samenkwamen, om met elkander te beraadslagen over het groot bekee-nngswerk, dat hun zoozeer ter harte ging.
1) P. Alders S. J. in het Jaarb. v. Alb. Thijm 1896.
2) Rij Chapeaville 1 bl. 390.
42
Over zijne werkzaamheid in Toxandrië 1) vinden wij volgende bijzonderheden vermeld.
De Heilige, dien het niet weinig verdroot, dat een. aanzienlijk gedeelte van zijn Bisdom zoo deerlijk het dwaalspoor bewandelde, drong het onherbergzame Toxandrië binnen, en wierp er, waar hij kwam, alle afgodsbeelden en tempels omver.
Genoopt door zijne brandende liefde tot God, weerstond hij, in zijn strijd tegen de heidensche dwaalleer, door geen gewapenden beschermd, aan de woedende aanvallen der heidenen.
Tallooze scharen van ongeloovigen bracht hij van de dwaling tot den waren Godsdienst, van den duivel tot Christus.
Degenen, die aanvankelijk hem wilden verscheuren, legden later alle woestheid af.
Zij bewonderden de standvastigheid, waarmede hij:, zijn stoutmoedig voornemen doorzette, en verloren allengs den moed, zich te verzetten tegen de voortvarendheid, bij de prediking aan den dag gelegd, en-tegen de overredingskracht, waarmede hij het tegen hen zoo mannelijk voor de waarheid opnam.
Williger geworden, ontsloten zij hunne ooren, hun-geest en hun hart voor de leering des heils.
Verheugd over dezen gelukkigen ommekeer, ging de gelukzalige Man voort, hen te leeren, hoe zij zich van de logen, waarin zij waren geboren en getogen, geheel en al moesten ontdoen, dieper en dieper in het Christelijk geloof doordringen, en als dappere strijders voor Christus pal staan en weerstand bieden aan den vijand,, dien het verdroot, dat zij hem, na den afgodendienst te hebben verlaten, niet meer toebehoorden, gelijk-vroeger.
i) Bij Godescalk.
43
Zoo wist onze lieve Heilige door aanhoudende vermaningen, in zacht- en lankmoedigheid tot hen gericht,, deze barbaren te vermurwen, dat zij zich gewillig onderwierpen aan het zoete juk van Christus.
Alle schrijvers kennen hem dan ook den eerenaam toe van: »Apostel der Kempen.quot;
Herhaaldelijk heeft hij op dezen gevaarvollen tocht den dood voor de oogen gehad.
Voor dat hij hem aanvaardde, â zoo verzekert ons een oud schrijver, 1) had hij zich door de overweging van 's Heeren bitter lijden en dood en van de lijdensgeschiedenis der Martelaren op het lijdzaam verduren van alle folteringen voorbereid.
Daar de Toxandriërs niet in steden woonden, maar meestal wijd en zijd in wouden, veen en heide, al naar gelang de bodem hun nering verschafte, hunne hutten gebouwd hadden, waar de Heilige hen niet konde opzoeken, trad hij gewoonlijk voor hen op, wanneer ziy door hunne druïden tot bijwoning der offerplechtigheden waren opgeroepen.
Meer dan eens hadden woestaards, door hun priesters opgeruid, de afspraak gemaakt, dien koenen Frankischen priester van het leven te berooven.
De druïden achtten hem des te gevaarlijker, wijl hij, zoo goed op de hoogte was van de taal der Toxandriërs, dat hij niet, als andere geloofsverkondigers, een tolk noodig had.
Zelfs kwamen zij meermalen, met de wapenen in de hand, op hem aangestormd, om hem te dooden.... neen 1: dat lag wel in hunne bedoeling, doch, in de nabijheid des Heiligen deinsden zij terug en stonden zij als aa^ den grond genageld.
i) Nico laas bij Chap, I.
44
Zijn aangezicht zagen zij met zulk een zoeten boven-aardschen glans overstraald, dat hun de wapenen ontvielen, en zij, die gekomen waren om te moorden, zich bereid verklaarden, te gehoorzamen.
Niet alleen traden zij hem niet meer in den weg, wanneer hij de afgodsbeelden omverhaalde, maar zeiven boden zij hem daartoe hulp en medewerking; nederig smeekten zij hem om de genaderijke wedergeboorte door het water en den H. Geest, en zoo werd een overgroote menigte heidenen in den schoot der ware Kerk opgenomen.
Ten einde dezen zoo voorspoedig ontgonnen akker verder te bebouwen en in een wijngaard, den Heere welbevallig en vruchtbaar, te herscheppen, deed hij op de daarvoor meest geschikte plaatsen kerken optimmeren, stelde hij er priesters aan, vooral om de jeugd in de grondbeginselen der Christelijke leering en in de vreeze des Heeren op te voeden.
En toen hij dit reuzenwerk met Gods genade had totstandgebracht, toog hij verder, om het Evangelie te verkondigen aan de volksstammen, wier gouwen aan Toxandrië paalden en zich uitstrekten over het geheel noordwestelijk deel van Noord-Brabant tot aan het land der Friezen.
Aan welke dezer tochten en hoeverre juist Willibrord aan dit bekeeringswerk deelnam, kan niet met zekerheid worden gezegd, doch zeker is het, dat de groote Lambertus zijn jongeren ambtgenoot op zijn tochten medenara, ten einde hem meer en meer van den geest der Kerk en den ijver voor die verheven taak te doordringen.
De H. Lambertus is Patroon van 49 kerken in Nederland, van 136 in België; de H. VVillebrordus, van
45
68 kerken in Nederland, 19 in België, bijna uitsluitend in de Kempen en Brabant.
Zoo houdt een dankbare nakomelingschap de heldhaftige mannen, die tijdens hun leven zoo innig ver-eenigd waren door den band der vriendschap, door het rusteloos streven naar hetzelfde doelwit, ook na hun zalig verscheiden, in eere.
quot;VI.
HOE DE LIEVE H. LAMBERTUS TE LUIK ALS MARTELAAR STIERF.
Dikwijls zweefde onzen Heilige, gelijk wij hierboven reeds aanstipten, tijdens zijn zegenrijk werken in de onherbergzame Kempen, het beeld des doods voor de oogen.
Onmiddellijk na ons de bekeering der Toxandriërs te hebben verhaald, schrijft Godescalk het volgende : »Met ijver bereidde hij zich voor op een gelukkig einde zijner loopbaan, veel tijd bracht hij door met waken, vasten en bidden.
»De kroon der gerechtigheid met brandend verlangen verbeidend, en met behulp van Gods genade ten doode voorbereid, rees hij immer hooger in deugd en bereikte hij zulk een hoogen trap van volmaaktheid, dat hera niets meer scheen te ontbreken dan Christus, die het toppunt is van alle gerechtigheid.quot;
Niet in het gure Kempenland evenwel lag de plek, van waar hij tot het zaligend aanschouwen van het hoogste heil zou worden opgeroepen, maar te Luijdick, (Luik) aan de Maas.
Derwaarts had hij, ternauwernood met het Kerk-vorstelijk purper omhangen, gelijk wij reeds verhaalden, het door vele wonderen verheerlijkt gebeente van zijnen heiligen voorganger en leermeester Theodardus
47
â overgevoerd, ddar had hij het ter ruste neergelegd in -de nabijheid der Cosmas- en Damiaankapel.
DMr bezaten de Maastrichtsche Bisschoppen een landgoed, beter gezegd, een zeer eenvoudige houten woning, welke hun tot verblijf diende, wanneer zij dit gedeelte van hun Bisdom bezochten.
Allengs had zich om dit verblijf en dit kapelletje een â¢dorp gevormd, welks bewoners; landlieden, houthakkers, varensgezellen en kooplui, aan den vruchtbaren bodem, aan de met eeuwenheugende wouden bedekte heuvel-Idingen, aan de gunstige ligging op den Maasoever, in de nabijheid van Herstal en Jupille, waar meestal de machtige Pepijnen hofhielden, een onbekrompen bestaan te danken hadden.
Daar bracht onze Heilige, zoo vaak hij, van eenige bedienden en leerlingen vergezeld, uit de drukte van het Vorstelijk Maastricht, hetzij tot prediking van Gods woord, hetzij hij ter bedevaart, naar Theodardus' grafstee kwam getogen, menig oogenblik zijns levens in stille rust en vurig gebed door.
Weinig ongetwijfeld vermoedde de man Gods, dat op deze plaats zijn bloed zou vergoten worden, en eenmaal een grootsche kathedraal, te zijner roemvolle gedachtenis gebouwd, hare tinne hoog in de wolken verheffen zoude.
Doch hervatten wij den draad van ons verhaal.
Terwijl onze Heilige zich onledig hield met de verkondiging des Christendoms in de meest afgelegen landen van zijn uitgestrekt Bisdom, had Pepijn van Herstal jammerlijk het enge pad der deugd verlaten, uit het oog verloren, dat hij, als telg van Heiligen, als hoogstgeplaatste na den Koning in den lande, tot een stiptere naleving der Evangelische voorschriften, vooral wat reinheid van zeden betreft, was gehouden.
48
Zijn wettige gemalin, de edele Plectrudis, die hem reeds twee zoons, Drogo en Griraoald, had geschonken, â werd door hem verstoeten, om plaats te maken voor een andere vrouw. Alpaïs geheeten.
Uit deze onwettige samenleving werden twee zoons geboren, waarvan een, Karei, bijgenaamd Martel, in de geschiedenis een groote rol zal spelen.
Het spreekt van zelf, dat een Kerkvoogd, gelijk Lam-bertus was, een man van onverbiddelijk plichtsbesef, niet verwaarloosde, den anders zoo hoog verdienstelijken, thans echter deerlijk afgedwaalden hofmeier, zijn gruwelijk misdrijf en de daardoor verwekte algemeene ergernis met liefde en gestrengheid onder de oogen te brengen.
Hij mocht immers niet dulden, dat van die hooge plaats, waartoe Gods Voorzienigheid ten nutte van Kerk en Staat Pepijn, als het ware naast den troon des Konings, had verheven, in stede van een stichtend voor beeld, den volke oorzaak en aanleiding tot zonde werd gegeven.
Alpaïs, een even heerschzuchtige als zedelijk bedorven vrouw, die niets anders wenschte dan haren zoon Karei eenmaal in 's vaders ambt en aanzien te plaatsen, en daarom ten koste van alles haren invloed op Pepijn, moest trachten te behouden, kon den moedigen Bisschop zijn krachtig optreden niet vergeven.
Liet hij niet af, Pepijn te berispen, dan duchtte zij, vroeg of spade uit de wederrechtelijk ingenomen plaats aan dezes zijde door 's mans wettige gemalin te worden weggedrongen, want zij wist, dat het woord van den grooten, kloeken, heiligen Bisschop van Maastricht op het gemoed van den hofmeier veel, zeer veel vermocht.
Lambertus, dit stond weldra bij haar vast, moest, w;it er ook geschiedde, onschadelijk worden gemaakt.
Langs welken weg zoude zij tct haar doel komen ?
40
Vroeger verhaalden wij reeds, dat de H. Theodardus omstreeks de jaren 668 of 669 door de beroovers der Kerkelijke goederen in de nabijheid van Spiers werd vermoord.
Lambertus, die omstreeks 670 den Bisschopszetel beklom, had tegen de roofzuchtige Rijksgrooten en hofbeambten voor het eigendomsrecht zijner Kerk voortdurend te kampen.
Gedurende zijn ballingschap te Stavelot en het geestelijk beheer van den ingedrongen Bisschop Faramond hadden, natuurlijk, die Kerkroovers vrij spel, zeven jaren lang.
Van het jaar 679 af, dat Pepijn hofmeier van Austrasie werd, was hij voortdurend, de 80er jaren door, in oorlogen gewikkeld ; in 687 tevens hofmeier van de zuidelijke Rijkshelft Neustrië geworden, was zijne tegenwoordigheid vereischt in Friesland, dat zich met alle kracht tegen de overheersching der Franken verzette, en eerst in 695 tot onderwerping gebracht werd.
Van dezes machtigen arm had de Bisschop derhalve geen de minste bescherming te hopen, te minder daar Pepijn omstreeks denzelfden tijd in de strikken der booze Alpaïs verward raakte.
Aan het hoofd dier buitlustige Kerkberoovers stond een man, even edel van afkomst als onedel van geest en hart, een geweldenaar, tot alle wanbedrijven in staat, met name Dodo.
En deze Dodo was niemand anders dan de broeder van Alpais.
In zijn beide verwanten. Gallus en Rioldus, bezat Dodo een paar waardige handlangers, rabauten, tot diefstal steeds van zessen klaar.
In 691 schonk Alpais het levenslicht aan Karei, later als »Martel,quot; of verpletteraar der Arabieren, (in 732) terecht beroemd geworden.
3
50
Wanneer juist Pepijn aan zijn ergerlijk leven een einde maakte, en de verstooten gemalin Plectrudis tot zich nam, is niet bekend ; als zeker evenwel kan men aannemen, dat zulks geschiedde in de eerste jaren der Kstl! eeuw.
Te St. Odilienberg, destijds St. Petersberg genaamd, vond hij aan de voeten van den H. Wiro, aldaar gestorven omstreeks het jaar 710, de vergiffenis zijner euvelen en de rust des gewetens. Barrevoets placht hij, â naar het Roermondsch Brevier zegt, â de hoogte, waarop stift en kerk gebouwd lagen, te bestijgen.
Dodo niettemin bleef zich, ook na het vertrek van Alpaïs, nog steeds verheugen in de gunst van Pepijn, die hem wegens zijn hooge macht, zijn rijkdorn en invloed min of meer moest ontzien.
Gallus en Rioldus gingen in hunnen overmoed, sterk als zij zich waanden door Dodo, zoo verre, dat zij de hand sloegen niet alleen aan de eigendommen, maar ook aan de dienaren des Bisschops.
Petrus en Andoletus, een paar jeugdige edellieden, neven van Lambertus, besloten, dat aanhoudend stroopen en sarren moede, buiten weten van den Bisschop, aan den ondraaglijk geworden toestand voor goed een einde te maken.
Een nieuwe rooftocht kostte Gallus en Rioldus het leven.
Nu sloeg het vuur der gramschap, tot dusver wellicht in Dodo's hart smeulende onder de assche, in licht-laaien gloed.
Niets ware hem, natuurlijk, gemakkelijker geweest dan tijd en plaats te vinden, om beide edellieden, die het bloed der zijnen hadden vergoten, te treffen, of door zijn trawanten te laten dooden.
Om echter Alpais te voldoen, moest de Bisschop zelf
51
om hals gebracht worden, en dit te meer. wijl in't jaar 708 Drogo, Pepijns oudste zoon, overleed, en bijgevolg de kansen van haren zoon Karei beter stonden.
Ten jare 709 trok de hofmeier, aan het hoofd van zijn leger, naar Duitschland, om er de oproerige Zwaben tot onderwerping te brengen.
Het liet zich aanzien, dat zijn afwezigheid van ge-ruimen duur zoude wezen, want eens voor goed moest aan het gestadig muiten van dat krijgshaftig volk een einde worden gemaakt; feitelijk was het dan ook eerst in het jaar 712 ten onder gebracht.
Gunstiger gelegenheid, om zich en zijn zuster te wreken, zoude zich, na zoo langdurig wachten, niet opdoen.
In 't begin van September kwam Lambertus naar Luik, waarschijnlijk, om er den sterfdag van zijn roemrijken voorganger en geliefden leermeester Theodardus (10 September) bij dezes grafstede door te brengen.
Nu had het uur van Lambertus' opgaan ter heerlijkheid geslagen.
In den nacht van den 16lt;len op 17llen van Herfstmaand was de 72-jarige grijsaard, naar gewoonte, opgestaan, om in de zijn woning belendende Cosmas- en Damiaan-kapel te bidden.
Vervolgens keerde hij terug, om zijne leerlingen ten ochtendkoordienst te wekken.
Met hen zong hij de Metten en, daar hij zeet vermoeid was, begaf hij zich, na afloop daarvan, ter ruste.
Bij het krieken van den dageraad ontwaarde Baldo-vaeus, een zijner dienaren, in de verte een talrijken drom krijgsknechten, die, van top tot teen als ten gerechte gewapend, onder aanvoering van Dodo, 's Bis-schops woning naderden.
Niet zoodra hadden Petrus en Andoletus deze tijding
52
vernomen, of zij vlogen te wapen, om geweld met geweld te keeren.
Reeds hadden zij de eerste aanvallers uit het onderhuis verdreven, toen van zijn slaapvertrek uit Lambertus hen vermaande, voor het geweld te zwichten, hun lichaam en hun ziel aan Gods vaderlijke hoede aan te bevelen.
De moordenaars herhaalden nu den aanval, stormden het huis binnen en maakten allen, die zich daarin bevonden, onder anderen ook Petrus en Andoletus, met het zwaard af.
«God zal,quot; zoo riep de heilige grijsaard uit, shet bloed zijner dienaren opvorderenquot;; onder het storten van tranen en gebeden strekte hij zijn armen kruiswijs uit en wierp zich met het aangezicht plat ter aarde.
Een van Dodo's lansknechten was inmiddels op het dak geklommen boven de kamer, waar Lambertus biddend lag uitgestrekt, en doorboorde hem met eene spies.
Lambertus had zijn loopbaan volbracht.
Veertig jaren lang was hij, naar het hoog gebod zijns Heeren en Meesters, voor priesters, kloosterlingen ergt; leeken, in voor- en tegenspoed, een andere Christus, alles voor allen geweest.
Wis hadde deze groo'.e dienaar Gods een leven, van de prille jeugd af gesleten in de stiptste vervulling zijner plichten, in groote daden tot verheerlijking God-, tot uitbreiding van het Rijk Gods op aarde, bezwaarlijk-waardiger kunnen bekronen dan met een dood, blijmoedig ter verdediging van de rechten zijner Kerk eni van de heilige huwelijkstrouw ondergaan.
â¢VII,
'HOE DE LIEVE H. LAM BERT US BEGRAVEN EN DOOR GOD VERHEERLIJKT WORDT.
Eenige bedienden des Heiligen bevonden zich, terwijl dit gruwzaam moordtoonee! plaats had, buitenshuis en ontsnapten zoo aan het bloedbad.
Wij beschrijven de ontzetting niet, noch de droefheid, welke zich van hen meester maakten, toen zij het ontzield lichaam van hunnen dierbaren heer, den door-luchtigen Kerkvorst, in een breeden bloedplas vonden uitgestrekt.
Terstond besloten zij, teneinde het voor verdere ontheiliging en schennis te behoeden, het in een scheepje naar Maastricht te vervoeren, alwaar het met al den eerbied, dien het verdiende, ter aarde kon worden besteld.
Aan deze stnd toch, als zijnde de Bisschoppelijke zetelplaats, bovendien de geboorteplaats des Heiligen, kwam het voorrecht toe, den roemrijken Martelaar van Gods eer en wet ten grafstee te strekken.
Blijkbaar gunden zij zich den tijd niet, het eerbiedwaardig overschot naar behooren te verplegen en in lijkwaden te hullen; onder een gewoon kleedingstuk, dat zij ter plaatse vonden, verborgen, werd het aan de Maasgolf toevertrouwd.
Al spoedig verspreidde een bode, die ijlings naar .Maastricht was vertrokken, alom in de Maasdorpen de
54
droevige mare van 's heeren Lambertus verscheiden ; van allerwegen kwam de bevolking rivierwaarts aangesneld, teneinde bij het voorbijvaren van 's Bisschops lijk een laatste hulde te brengen aan den heiligen man, wiens hart zoo warm voor aller heil steeds geklopt had.
In de Bisschopsstad was de rouw algemeen; de ge-heele burgerij treurde, doch durfde, â schrijft Godes-calk â van vreeze en droefheid vervuld, hare gevoelens niet uiten, Ook de voornamen weenden, doch in stilte, om niet wegens een openbaar rouwbetoon te worden beschuldigd, als verfoeiden zij Dodo's gruweldaad.
In de haven aangekomen, werd het heilig overschot uit het vaartuig getild, naar de kerk van St. Pieter vervoerd en des nachts door psalmzingende geestelijken en jammerende geloovigen bewaakt.
Gaarne hadde de dankbare bevolking haren grooten weldoener en vader in Christus een praalgraf, zijner waardig, in gereedheid gebracht, doch de vrees voor den geweldenaar Dodo had hen zoodanig overmand, dat zij den Heilige in de groeve van zijn aldaar rustenden vader Aper meer verborgen, â zegt de kronijk-schrijver, â dan neerlegden, en met een zwaren steen eer verheelden dan bedekten.
Weldra echter kwamen, door de wonderen derwaarts gelokt, geheele scharen geloovigen henengestroomd naar de grafstede, die door lofzingende Engelen Gods dag en nacht werd bewaakt.
En wonder! onder de gezangen der Hemelsche geesten klonk, in allerzoetst maatgeluid, de welbekende stem van den Heilige, die den Heere lof zong.
Ook te Luik, op de plaats, waar het bloed van den Bisschop en Martelaar gevloeid had, geschiedden menigvuldige wonderen.
Herhaaldelijk zag men de kamer des Heiligen dooi
heldere glanzen verlicht, en vonden zieken er door de voorspraak van Lambertus hunne gezondheid weder.
Door Godescalk, die slechts eenige jaren na den dood des Heiligen schreef, worden eenige dier genezingen verhaald ; de voornaamste is wel die der Schot-sche Koningsdochter Oda.
Tot in haar vaderland was de roep van den H. Lambertus reeds doorgedrongen; de blinde maagd stelde zooveel vertrouwen in den Heilige, dat zij de verre reis over zee aanvaardde en in de nabijheid van de kerk, welke men er boven de martelplaats bouwde, het licht in de uitgedoofde oogen wederkreeg.
lu haar land teruggekeerd, nam zij weldra van daar de wijk naar Nederland; haar vader toch wilde haar uithuwelijken en zij had gelofte van zuiverheid gedaan; zij kwam terug en, na eerst in het Weerterbo^ch en te Venraai een stille plek te hebben opgezocht, vestigde zij zich metterwoon in Noord Brabant, op de plaats, naderhand St. Oedenrode geheeten, waar zij in het jaar 723, 13 jaren na hare genezing, op 36jarigen leeftijd, naar een beter leven is ingegaan; haar feestdag wordt gevierd op 27 November.
Twee jaren na den dood van den H. Lambertus waren reeds allen, die zich rechtstreeks daaraan plichtig gemaakt hadden, van de aarde verdwenen.
Dodo, de hoofdschuldige, werd door Gods wrake vreeselijk getroffen.
Zijn ingewanden gingen tot ontbinding over reeds tijdens zijn leven, en toen hij eindelijk zijn diep rampzalig bestaan had afgelegd, werd zijn lijk wegens den ondraaglijken stank, dien het verspreidde, in de rivier geworpen.
Dodo's bloedverwanten, die bij den moord de behulpzame hand geboden hadden, doodden elkander in
56
een onderlingen strijd; degene, die den Heilige had doorstoken, werd door zijn eigen broeder vermoord.
De overigen waren allen, zonder uitzondering, na nauwelijks twee jaren ter verantwoording voor Gods rechterstoel gedaagd.
Over Pepijns boetvaardigheid hebben wij reeds gesproken.
En Alpaïs dan, de beruchte ?
Godvruchtig overleed zij te Orp-le-Grand, bij Namen, in een door haar gesticht klocster, waar zij door vele tranen en jarenlange boetvaardigheid der vromen zusteren ten voorbeeld strekte.
Wie zal, â roept hier een schrijver uit, 1) â de wegen der Goddelijke Voorzienigheid niet bewonderen ? De aanstookster van zoo gruwelijk een ongerechtigheid sterft, door zelfkastijding gelouterd, een heiligen dood !
In het dertiende jaar na den dood onzes Heiligen besloot zijn opvolger en leerling, de H. Hubertus, door nachtelijke verschijningen herhaalde malen daartoe aangezet, het heilig gebeente van den doorluchtigen Martelaar uit de grafstede te St. Pieter te verheffen.
Hubertus wilde, dat deze plechtige «verheffing,quot; gelijkstaande met de «heiligverklaringquot; van latere dagen, met passenden luister zoude geschieden.
Vergezeld van eene breede schare geestelijken en eene menigte volks, alsmede van een aantal hoogwaardige Kerkvorsten en priesters, begaf hij zich in plechtstatigen optocht naar het graf van den Heilige,
Met den grootsten eerbied werd het stoffelijk overschot, dat, nog gaaf en geheel onverlet, de zoetste geuren uitwasemde, uit de lijkkist geheven en in kostbare gewaden gewikkeld.
i) Fiscn, t. a. p. hl. 100.
57
Scharen van Engelen hieven hoog in de lucht hunne '.lofzangen aan, en afwisselend zongen in zoete toonopvolging de welgeoefende koren der geestelijken en monniken, onder begeleiding van welluidende klankbekkens en schetterende bazuinen, lofliederen tot God, Hem dankend voor de zegepraal, den Martelaar geschonken.
Het was een heerlijke, indrukwekkende stoet.
Toen hij evenwel zich in beweging zette, om de Maasstad te verlaten, barstte de geheele bevolking los in een weeklacht, uiting harer onzeggelijke droefheid â¢over het verlies van dien kost- en dierbaren schat.
Aan de zijde van Hubertus, den Apostel der Ardennen, stapte Willibrord, de geloofsheld van Holland, sedert lange jaren vriend en medearbeider des Martelaars.
Op hen volgden, met den H. Floribert aan het hoofd, in dichte rijen de schare der abten, monniken en Kerkvoogden, die destijds de kloosters Lobbes, St. Truiden, Celles, Andage, Stavelot, Malmedy en Chè-vremont en de Bisschopszetels der naburige landen tot sieraad verstrekten.
Den loop der eeuwen door, â zegt een hedendaagsch geschiedkundige, 1) â kwam menigmaal van Maastricht uit een schitterende stoet Luikwaarts langs de Maasoevers getogen, te geenen tijd een met zooveel Heiligen als deze.
Het was een ware zegetocht, waarbij zicli aanhoudend een grootere schare volks met loffelijken ijver aansloot.
Tweemaal hield de stoet een wijle stil, en telkens had er een wondere genezing plaats, eerst van een blinde te Nivel, bij Lanaye, vervolgens van een verlamde te Hermalle, bij Argenteau.
i) Jos. Demarteau: St. Hubert.
58
Te Luik-zelf was de vreugde ten top, de geestdrift onbeschrijfelijk groot.
De kerk, door de Luikenaren gebouwd en bestemd om den schat, hun door Hubertus aangebracht, te bewaren, welfde zich hoog en slank boven de plaats, waar de Heilige zijn bloed had vergoten, en was door kostbaarheid van bouwstof en kunstvorm zoo schoon, dat de levensbeschrijver zich moet beroepen op het getuigenis zijner tijdgenooten, wijl hem, naar zijn eigen gulle bekentenis, de woorden mangelden, om ze te beschrijven.
In dat heiligdom was een afzonderlijke kapel bereid tot berging der eerbiedwaardige overblijfselen, versierd met al wat kunst en pracht vermogen, om het volk tot aandacht, ontzag en vroomheid op te wekken.
Daar legde Hubertus het lichaam van zijn onsterfe-lijken voorganger ter ruste, en van stonde af aan werden op die heilige plaats, door de voorspraak van den H. Lambertus, blinden ziende, melaatschen gereinigd, kreupelen genezen, bezetenen verlost.
Deze plechtige overbrenging, waarmede tevens de zetel van het Bisdom naar Luik werd verplaatst, geschiedde daags voor het Kerstfeest, waarschijnlijk ten jare 722.
Het geboortefeest onzes Heeren was derhalve tevens de geboortedag der Luiksche Kerk.
tiid. -voor ons, ojpcta-t wij de beloften, -van Cliristias quot;wststrd-ig â worcLem.!
I M P R I M A T U R.
Rur/emundje, 7 Sept. 1896.
FR. A. H. BOERMANS, Ep. Rurasmundfe.
ze hnt ih: o xj id.
Blz,
Voorwoord............... 3
I. Hoe de lieve H. Lambertus te Maastricht
uit edele ouders wordt geboren en opgevoed 5 II. Hoe de lieve H Lambertus leerling en later
opvolger werd van den H, Theodardus . . 12
III. Hoe de lieve H. Lambertus verbannen en
na 7 jaren teruggeroepen wordt.....19
IV. Hoe de lieve H. Lambertus een vader was voor zijn volk, een leidsman van vele Heiligen 27
V. Hoe de lieve H. Lambertus de Apostel werd
van Kempenland..........36
VI. Hoe de lieve H. Lambertus te Luik als Martelaar stierf............415
VII. Hoe de lieve H. Lambertus begraven en
door God verheerlijkt wordt......53
'. â quot; . 'vgt;: gt;. â 'â '--- ' . . ..^
.
-- - ⢠.. ⢠^ -. ----li, â â â â â ', ^-' , â¢â ,â¢â â . â .V ⢠.^- â â .,quot;â â -â -: ', :
â â quot; - ^: ⢠- ⢠. ⢠. . â ;quot; -- - â¢. i., â ^-5
v.-v : ; â \ 'â ; ' â
: iï: â â â -â :. , â â
S® â - / ' : ; : V â â - ^
5 ⢠â . â T T- â¢. - ' _ â ⢠â¢: 'A â --'â
â â ' , â¢
. . - : . â , -â .
y: â â 'â 'â
â - - â :v-
i , -v-vi â â¢.' â rU
â ..â ⢠-I^'; â ', ⢠- Â¥i- Ã-. . ⢠â
-quot;è 'ü â ^ ⢠cquot;* - 1 â -,â 'â
^-. â â â ⢠^
â rv'r- .-r: . /. -y a
â 'Mr-'.-- : ' â
- â¢% â -.- gt; . . â ' â â ' â - â --
- - V ⢠â ' -- â ; - . V. -. / ⢠- -â .,
â - .â ;;â â â . - - â . ! ^i-ïspfl
Si^v; -:- t;
MiW â « : .y.y
;Sïyyf- â â ^ ; ^ ^^MsSM.
S®'- â ' ;-r: â â s'^ïiSf ⢠___ ' gt;
Bij den Uitgever dezes mede verkrijgbaar; DE H- liA|VIBERTÃS,
Bisschop van Maastricht en Martelaar. Zijn Leven, werken en sterven, '
NAAR
GODESCALK,
met aarrteelcen-ingen -v-oorzien.
DOOR
tIHC.
Pastoor der St. Lambertuskerk te Reuver.
^ _S
Frijs f 1,â
squot; quot;5
, «1 ,'â¢} V*1 %Jl lt;? ' ,
.'.v .. ; ,r ' ; â