flJa* lt;5/
- lt;sc
mmm
Vak 61
iten wijsheid gever
KORT BEGJ
la
12 O v
a
DER
Q quot;Ã
IICHRISTELIJKE
O» fep
MET DE
VOORNAAMST^
agt; fcx) o quot;O
H B I L I G F ,
yV © O
AANHANGSEL r Q © riEEREN-
/»/â
^ O' C* LENBACH
^ (fr .895.
c
O -C5
Ã
©
*-4
. O O
O -O
cü; Zu CD à CL, O
cr
CD
c-f-
cr p
03
a
nr o
c^-
CT? CD O-O Pj PL,
O
CD
M
CD CD *quot;i CD 0
ë1 -J-3
O amp;
Jipl. Æ 1.50 â 100 Exempl. Æ4.â
50
â neSoo 9p apuo^qoiiJaA
H/ amp;
amp; amp; 3? 'k'
.4%%?
A J?
Vak 61
KORT BEGRIP /-v/
DER
CHRISTELIJKE RELIGIE,
MET DE
VOORNAAMSTE BEWIJZEN
DER
HEILIGE SCHRIFT,
EN EEN
AANHANGSEL OYER DE WET DES HEEREN.
De H. Schrift is een zoodanig boek, waartoe niet alleen vereischt wordt het lezen, maar ook de rechte Uitlegger en Openbaarder, namelijk de H. Geest; wanneer die de H. Schrift niet opent, blijft ze wel onverstaan, ofschoon ze ook gelezen wordt. Dr. M. Luther.
ui'Uk.
S 1.7 K E R K ,
G. F. CALLENBACH. 1895.
REGISTER
VAN DE
BOEKEN DES BIJBELS.
DE BOEKEN DES OUDEN TESTAMENTS ZIJN
|
Genesis. Exodus. Leviticus. Numeri. Deuteronomium. Jozua. Eich teren. Ruth. 2 Boeken van Samuël. 2 Boeken der Koningen. 2 Boeken der Kronieken. Ezra. Nehemia. Esther. Job. Psaimen. Spreuken van Salomo. Prediker. |
Hooglied van Salomo. Jesaja. Jeremia. Klaagliederen van Jeremia. Ezechiël. Daniël. Hoséa. Joël. Amos. Obadja. Jona. Micha. Nahum. Habakuk. Zephó.nja. Haggaï. Zacharia. Maleachi. |
DE BOEKEN DES NIEUWEN TESTAMENTS ZIJN:
|
Evangelie van Mattheus. Evangelie van Markus. Evangelie van Lukas. Evangelie van Johannes. Handelingen der Apostelen. De brief van Paulus aan de Romeinen. 2 Aan die van Corinthe. Aan de Galaten. Aan die van Efeze. Aan de Filippensen. Aan de Colossensen |
2 Aan de Thessalonicensen. 2 Aan Timótheüs. Aan Titus. Aan Filémon. Aan de Hebreën. De brief van Jakobus. 2 Brieven van Petrus. 3 Brieven van Johannes. De Brief van Judas. De Openbaring van Johannes. |
KORT B E GEIP
DEE
CHRISTELIJKE RELIGIE.
I. LES.
1 Vr. Hoeveel stukken zijn u noodig te weten, opdat gij wel getroost, zalig leven en sterven moogt?
Antw. Drie stukken. Ten eerste, hoe groot mijne zonden en ellende zijn. Ten andere, hoe ik van al mijne zonden en ellende verlost worde. Ten derde hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.
HET EEKSTE DEEL.
Van des menschen ellendigheid.
2 Vr. Waaruit kent gij uwe ellendigheid?
Antw. Uit de wet van God.
Hora. 3 : 20. Boor de Wet is de kennis der zonde.
3 Vr. Wat heeft God u in zijne Wet bevolen?
A. Dat heeft Hij ons schriftelijk in de tien geboden begrepen, welke naar Exod. 20 en Deut. 5, aldus luiden;
Ik ben de HEERE uw God, die u uit Egypteland uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Het eerste yehod.
Gij zult geene andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod.
Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienenj want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God. die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liei'hebben en mijne geboden onderhouden.
Jïet derde gebod.
Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdelijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die zijnen naam ijdelijk gebruikt.
Het vierde gebod.
Gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat des HEEREN
4
uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee,
noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is; want in zes dagen heeft i de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is; en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den Sabbatdag en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod.
Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
Het zesde gebod.
Gij zult niet doodslaan.
Het zevende gebod.
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod.
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod.
Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste. i,
Ket tiende gehod.
Gij zult niet begeeren uws naasten huis; gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os,
noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is.
4' Vr. Hoe worden de tien geboden verdeeld?
A. In twee tafelen.
5 Vr. Welk is de inhoud van hetgeen u God gebiedt in de vier geboden der eerste tafel?
A. Dat ik den Heere mijnen God zal liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten. Dit is het eerste en het groote gebod. Matth. 22 ; 37, 38.
6 Vr. Welk is de inhoud van hetgeen u God gebiedt in de zes geboden der tweede tafel ?
A. Dat ik mijnen naaste zal liefhebben als mij zeiven. Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten. Matth. 22:39, 40.
7 Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
A. Neen ik; maar ik ben van nature geneigd, God (d) en mijnen naaste (b) te haten, en Gods geboden met gedachten, woorden en werken te overtreden.
5
{a) Rom. 8 : 7. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het han ook niet.
[h) Tit. 3 : 3. Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende.
II. LES
8 Vr. Heeft God u alzoo boos en verdorven van natuur geschapen?
A. Neen Hij; maar Hij heeft mij goed («) en naar zijn evenbeeld (è) geschapen, in ware kennisse Gods (c) gerechtigheid en heiligheid (cï).
{d) Pred. 7 : 29. Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft.
(è) Gen. 1 : 27. En God schiep den mensch naar zijn heeld.
(c) Col. 3 : 10. En aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft.
{d) Ef. 4» : 24«. En (dat gij zoudt) den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
9 Vr. Vanwaar komt dan die verdorvenheid, die in u is?
A. Uit den val en de ongehoorzaamheid van Adam
en Eva in het Paradijs, (a) waar onze natuur alzoo is verdorven, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden. {6)
(«) Hom. 5 : 19. Gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars zijn gesteld geworden.
(è) Ps. 51 : 7. Ziet, ik ben in ongerechtigheid geloren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen.
10 Vr. Wat is dat voor eene ongehoorzaamheid geweest ?
A. Dat zij hebben gegeten van de vrucht des booms, welke God hun verboden had.
Gen. 3:6. En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerli'a was om verstandig te maken. En zij nam van zijne vrucht en aty en zij gaf ook haren man met haar, en hij at.
11 Vr. Gaat ons de ongehoorzaamheid van Adam aan?
A. Ja zij toch, want hij is ons aller vader, en wij
hebben allen in hem gezondigd.
Rom. 5 : 12. Gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
6
13 Vr. Zoo zijn wij dan onbekwaam tot eenig goed als uit ons zeiven, en geneigd tot alle kwaad?
A. Ja wij (a), tenzij dat wij rk or den Geest Gods wedergeboren worden (è).
(0) Hom. 7 : 18. Ik weet dat in mij, aat is, in mijn vleesch, geen goed woont.
(1) Ev. Joh. 3 : 3. Jezus antwoordde en zeide tot hem; Voorwaar, voorwaar zeg ik n: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koningrijk Gods niet zien.
13 Vr. Wil God zulke ongehoorzaamheid en verdorvenheid ongestraft laten?
A. Neen Hij, maar naar zijn rechtvaardig oordeel, wil Hij die tijdelijk (a) en eemvig (è) straften, gelijk geschreven staat: vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om dat te doen! Gal. 3: 10.
(a) Rom. 1 : 18. De toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen.
(5) 3 Thess. 1 : 9. Dewelke zullen tot straf lijden, het eeuwig verderf van het aangezicht des Heereu.
m. LES.
HET TWEEDE DEEL.
Van des menschen verlossing uit zijne ellende.
14 Vr. Hoe kunt gij deze straf ontgaan, en weder tot genade komen?
A. Door zulk eenen Middelaar, die te zamen waarachtig God en een waarachtig, rechtvaardig mensch is.
15 Vr. Wie is die Middelaar?
A. Onze Heere Jezus Christus {a), die in één persoon waarachtig God, en een waarachtig, rechtvaardig mensch is (5).
(lt;z) 1 Tim. 2 ; 5. Daar is één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus.
(i) Ev. Joh. 1: 14. Het Woord is vleesch geworden.
16 Vr. Kunnen de Engelen onze middelaars niet zijn?
A. Neen zij, want ze zijn noch God, noch mensch.
Hebr. 1 ; M. Zijn ze niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitge zonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
7
17 Vr. Kunnen de Heiligen onze middelaars niet zijn?
A. Neen zij, want ze hebben zeiven gezondigd, en zijn
niet anders dan door dezen Middelaar zalig geworden.
Hand. 4 : 12. De zaligheid is in geeneii anderen; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.
18 Vr. Zullen ook alle menschen door den Middelaar Jezus zalig worden, gelijk zij allen door Adam zij.n verdoemd geworden?
A. Neen zij, maar alleen, die Hem met een oprecht geloof aannemen, gelijk geschreven staat: Ev. Joh. 3: 16. Al-zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eenig-geboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Ev. Joh. 1 : 12. Zoo velen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven.
Ev. Joh. 3 : 36. Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
IV. LES.
19 Vr. Wat is een oprecht geloof?
A. Het is eene zekere kennis (a) van God en zijne beloften, ons in het Evangelie geopenbaard [b), en een hartelijk vertrouwen, dat mij al mijne zonden om Christus wil vergeven zijn (c).
{a) Joh. 17 : 3. Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen.
(i) Ev. Joh. 3 : 33. Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is.
(c) 1 Joh. 5 : 10, 11. Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van zijnen Zoon. En dit is de getuigenis, (namelijk) dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in zijnen Zoon.
20 Vr. Welke is de hoofdsom van hetgeen ons God in het Evangelie belooft, en bevolen heeft te gelooven?
A. Dat is begrepen in de twaalf artikelen des alge-meenen christelijken geloofs, die aldus luiden;
1. Ih geloof in GOD DEN VADER, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
9. En in JEZUS CHRISTUS, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen lieer;
3. Die ontnangen is vcm. den II. Geest, geloren uit de maagd Maria;
8
4f. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is geJcruisd, gestorven en hegraven, nedergedaald ter helle;
5. Ten derde dage weder opgestaan van de dooden;
6. Opgevaren ten hemel y zittende ter rechterhand Gods des Almachtig en Vaders ;
7. Van waar Hij komen zal om te oordeden de levenden en de dooden;
8. Ik geloof in den HEILIGEN GEEST.
9. Ik geloof eene heilige, algemeene, christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen.
10. Vergeving der zonden;
11. Wederopstanding des vleesches;
12. JEn een eeuwig leven.
21 Vr. Als gij belijdt te gelooven in God den Vader, en den Zoon, en den H. Geest, verstaat gij daarbij drie goden?
A. Neen ik geenszins, want er is maar één eenig waarachtig God.
Deut. 6 : 4«. Hoor Israël, de Heere onze God is een eenig Heer.
22 Vr. Waarom noemt gij dan drie, den Vader, den Zoon, en den H. Geest?
A. Omdat God zich alzoo in zijn woord heeft geopenbaard, dat deze drie [a) onderscheidene Personen, de eenige en waarachtige God [h] zijn, gelijk wij ook gedoopt zijn in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Matth. 28: 19.
(a) 1 Joh. 5 : 7. Drie zijn er, die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de H. Geest; en deze drie zijn één.
(i) Joh. 10 ; 30. Ik en de Vader zijn één.
23 Vr. Wat gelooft gij met deze woorden; ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?
A. Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde {d) uit niet ib) geschapen heeft, en nog door zijne voorzienigheid onderhoudt, (c) om zijns Zoons Christus wil, mijn God en mijn Vader zij [(T).
(a)- Gen. 1 : 1. In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
(è) Ps. 33 : 9. Hij spreekt, en het is er: Hij gebiedt en het staat er.
(r) Ps. 36 : 7. Heere Gij behoudt mensehen en beesten.
Hand. 17 â¢' 28. In He*-- leven wij, en bewegen ons, en zijn wij.
Matth. 10 : 39, 30. En worden niet twee muschjes om een penningsken
9
verkocht ? En niet één van dezen zal op de aarde vallen, zonder uwen V ader. En ook uwe haren des hoofds zijn allen geleld.
(é?) 3 Cor. 6: 18. En ik zal u lol eenen Vader zijn, en gij zult mij tot zone7i en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
V. LES.
24 Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: En in Jezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer?
A. Dat Jezus Christus de eeuwige en eenige Zoon (a) des Vaders zij, [b) éénswezens met God den Vader en den H. Geest.
(a) Ps. 2: 7, 12. Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik TJ gegenereerd; welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
{b) Joh. 5: 20. Gelijk de Vader het leven heeft in zich zeiven, alzoo heeft Hij ook den Zoon (jfjcncn, hel lenen le hebben in zich zeloen.
1 Joh. 5 : 20. Deze is de waarachlige God en het eeuwige leven.
25 Vr. Gelooft gi j niet, dat Hij ook mensch geworden is?
A. Ja ik, want Hij is ontvangen van den H. Geest
en geboren uit de maagd Maria.
Luc. 1: 35. En de Engel, antwoordende, zeide tot Maria: de II. Geesl zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
26 Vr. Is dan zijne Godheid veranderd in de menschheid ?
A Neen , want do Godheid is onveranderlijk. Mal. 3: 6.
27 Vr. Hoe is Hij dan mensch geworden?
A. Door aanneming der menschheid in eenigheid des persoons.
Kom. 9: 5. Uit welke (vaders) Christus is, zoo veel het vleesch aangaat, dewelke is God, boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.
28 Vr. Heeft Hij dan zijne menschheid uit den hemel gebracht?
A. Neen Hij, maar Hij heeft die aangenomen uit de mangd Maria, door de werking des H. Geestes, en is alzoo ons, den broederen, in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Hebr. 2: 17 en 4: 15.
Fil. 2: 7. Hij heeft zich zei ven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende.
10
29 Vr. Waarom wordt Hij Jezus, dat is Zaligmaker genaamd?
A. Omdat Hij zijn volk zalig maakt van hnnne zonden.
Matth. 1: 31. Gii zult zijn naam lieeten Jezus; want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.
30 Vr. Is er anders geen Zaligmaker?
A. Neen; want er is geen andere naam onder den hemel den inensclien gegeven, door welken wij moeten zalig worden, (dan door den naam van Jezus). Hand 4; 13.
31 Vr. Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genaamd ?
A. Omdat Hij met den H. Geest is gezalfd («), en van God den Vader verordend, tot onzen grooten Profeet (lï), tot onzen eenigen Hoogepriester (c) en tot onzen eeuwigen Koning (r/).
(a) Hand. 10: 38. Belangende Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met den H. Geest en met kracht.
{h) Hand. 3: 22. Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: de Heere uw God zal u eenen profeet verwekken uit uwe broederen, gelijk mij; dien zult gij hooren, in alles, wat Hij tot u spreken zal.
(c) Ps. 110: 4. Gij zijt Triester in eeuwigheid naar de ordeninge Melchizedeks.
(a?) Luc. 1: 32, 33. En God de Heere zal hem den troon van zijnen vader David geven, en Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid.
VI. LES.
33 Vr. Wat heeft dan Jezus Christus gedaan, om ons zalig te maken?
A. Hij heeft voor ons geleden, («) is gekruisd en gestorven, hegraven en nedergedaald ter helle; dat is: Hij heeft de helsche pijn geleden, en is alzoo zijnen Vader gehoorzaam geworden [li], opdat Hij ons van de tijdelijke en eeuwige straffen der zonde verlossen zoude (c).
(a) 1 Petri 3: 18. Christus heeft ook eens voor de zonde geleden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zoude brengen.
(i) Pil. 2: 8. Hij heeft zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises.
(c) Gal. 3: 13. Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons.
11
'6o Yr. In welke natuur iieeft Hij dit geleden?
A. Alleen in zijne menschelijke natuur, dat is; zijne ziel (a) en zijn lichaam (5).
(a) Matth. 2G: 38. Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe.
(5) 1 Petri 2: 24quot;. Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout.
34 Yr. Wat heeft dan zijne Godheid hiertoe gedaan?
A. Zijne Godheid heeft door hare kracht die aangenomen menschheid alzoo gesterkt, dat zij deu last des toorns van God tegen de zonde heeft kunnen verdragen, en ons daarvan verlossen.
35 Yr. Is Christus dan in den dood gebleven?
A. Neen Hij, maar Hij is ten derde dage weder opgestaan vau de dooden tot onze gereciitigheid.
Rom. 4: 25. Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaar dig making.
36 Yr. Waar is Christus nu naar zijne menschheid?
A. Hij is opgevaren ten hemel, en zit ter rechterhand
van God den Yader, dat is: verheven in de hoogste heerlijkheid boven alle schepselen. Ef. 1; 20, 21.
Mare. 1G: 19. De Heere dan, nadat Hij tot hsn gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods.
37 Yr. Waartoe is Hij daar zoo hoog verheven?
A. Inzonderheid opdat Hij van daar zijne gemeente zoude regeeren {a), en onze Voorbidder zijn bij den Yader (ö).
(a) Ef. 1: 22. En Hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd hoven alle dingen.
(i) Rom. 8: 34. Die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.
38 Yr. Is Hij dan niet bij ons tot aan het einde der wereld, alzoo Hij ons beloofd heeft? Matth. 28: 20.
A. Naar zijne Godheid, Majesteit, Genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons; maar naar zijne menschheid blijft Hij in den hemel, tot dat Hi j eenmaal zal komen om te oordeelen (a) de levenden en de dooden.
(a) 2 Cor. 5: 10. Wij allen moeten geopenbaard worden voor den rech'
12
ter stoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, n;inr:h;t hij gedaan hetzij goed, hetzij kwaad.
vil. LES.
39 Yr. Wat gelooft gij van den H. Geest?
A. Dat Hij te zaraen met den quot;Vader en den Zoon waarachtig {a) eeuwig God [b] is, en dat Hij ^iij van den Vader door Christus gegeven zijnde, wederbaart, in alle waarheid leidt, mij troost en in eeuwigheid bij mij zal blijven (t*).
(a) Hand. 5: 3, 4«. Ananias! Waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den ÆÆ. Geest liegen zoudt? Gij hebt den menschen niet gelogen, maar Gode.
(b) 1 Cor. 12: 11. Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, deelende aan een iegelijk iu het bizonder, gelijkenvijs Hij wil.
(c) Joh. 14«: 16. 17a. Ik zal den Vader bidden, eu Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eenvnylieidgt; namelijk, den Geest der waarheid.
40 Yr. Wat gelooft gij van de heilige, algemeene Kerk
A. Dat de Zoon van God, uit het gansche mensche-
lijk geslacht (a), de uitverkorenen ten eeuwigen leven (b), door zijn Geest en Woord (c), zich tot eene Gemeente vergadert, waarvan ik geloof, dat ik een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven (cZ).
(0) Openb. 5: 9. Gij hebt ons Gode gekocht, met uwen bloede, uit alle geslachty en taal, en volk, en natie.
{h) Ef. 1: 4. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grond-legging der wereld. Vergel. Rom. 8: 30.
{c) Hand. 16: 14. En eene zekere vrouw, met name Lydia, eene purperverkoopster van de stad Thyatire, die God diende, hoorde ons, welker hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.
{d) Joh. 10: 28. Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken.
41 Yr. Waar vergadert Hij deze Kerk?
A. Daar men Gods woord recht predikt, en de heilige Sacramenten bedient, naar de instelling van Christus.
Hand. 2: 42. En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en i:\ de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
42 Yr. Welke weldaden doet God aan deze gemeente?
13
A. Hij schenkt haar vergeving der zonden (a), de we-deropstanding des vleeschcs (6) en het eeuwige leven (c).
{a) Ef. L ; 7. Iü welken [n. 1. Christus] wij hebben de verlossing door zijn bloed, (namelijk) de vergeving der misdaden, naar den rijkdom van zijne genade.
(h) Joh. 5: 3S, 29. De ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des lev ensi en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. /
(c) 1 Joh. 2: 25. En dit is de belofte die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige Leven.
vin. LES.
43 Vr. Wat baat het u nu, dat gij dit alles geloof .J A. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben.
Hom. 5: 1. Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede j God, door onzen Heere Jezus Christus.
44 Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
A. Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus.
Hom. 3: 28. Wij besluiten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der Wet.
Gal. 2: 16. Wetende dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der Wet, maar door het geloof van Jezus Christus.
45 Vr. Hoe is het te verstaan, dat gij alleen door het geloof gerechtvaardigd zijt?
A. Alzoo, dat alleen de volkomene genoegdoening (^) en gerechtigheid van Christus, (L) van God mij wordt toegerekend , waardoor mij mijne zonden vergeven, en ik een erfgenaam des eeuwigen levens worde (c); en dat ik die niet anders dan door het geloof kan aannemen {(J).
(«) 2 Cor. 5: 21. Want dien, die geene zonde gekend heeft, heeft Goi zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
(è) Hom. 5: 19. Alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen, velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
(«?) Hand. 26: 18. Opdat zij vergeving der zonden ontvang en) en een erf deel onder de geheiligden, door het geloof in Christus.
{d) Hom. 4: 5. Doch dengenen, die niet werkt, maar gelooft in Hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
46 Vr. Waarom kunnen onze goede werken onze gerechtigheid voor God niet zijn, noch ook een stuk derzelve?
A. Daarom dat ook onze beste werken in dit leven onvolkomen en met zonden besmet zijn.
14
Ef. 3: 8, 9. quot;Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de werJce7i, opdat niemand roeme.
Ps. 143: 2. En ga niet in het gericht met uwen knecht; want niemand, die leeft, zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn.
47 Vr. Yerdienen dan onze goede werken niet, die God nogthans in dit en in het toekomende leven wil beloonen?
A. Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, [a) maar uit genade {b).
(a) Luc. 17: 10. Wanneer yij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.
(^) Rom. 6: 23. De genadegif te Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heer.
IX. LES.
48 Vr. Wie werkt dat geloof in u?
A. De Heilige Geest.
1 Cor. 12: 3b. Niemand kan zeggen Jezus den Heere (te zijn), dan door den Heiligen Geest. Vergel. Ef. 2: 8.
49 Vr. Door wat middel?
A. Door het gehoor des gepredikten woords.
Rom. 10: 17. Zoo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods.
50 Vr. Hoe versterkt Hij dat geloof?
A. Door datzelfde gepredikte woord, en het gebruik der Heilige Sacramenten.
51 Vr. Wat zijn Sacramenten?
A. Heilige teekenen en zegelen (a), van God ingesteld, om ons daardoor te verzekeren, dat Hij ons vergeving der zonden (5), en het eeuwige leven uit genade schenkt, om het eenige slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht.
(a) Rom. 4: 11. Abraham heeft het teeken der besnijdenis ontvangen, tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs.
{b) Hand. 2: 38. En een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden.
52 Vr. Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het Nieuwe Testament ingesteld?
A. Twee, den Heiligen Doop en het Heilige Avondmaal.
53 Vr. Welk is het uiterlijk teeken in den Doop?
15
A. Het water (a/, waarmede wij gedoopt worden in den naam des Vaders, en des Zoons, en des II. Geestes (i).
(a) Hand. 8: 3G. Zie daar water, wat verhindert mij gedoopt te worden?
(i) Matth. 2S: 19. Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.
54 Vr. Wat beteekent en verzegelt dat?
A. De afwassching der zonden (a) door liet bloed en
den Geest van Jezus Gliristas (5).
[a) Hand. 22; 1G. Laat u doopen, en uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Heeren.
(ó) 1 Joh. 1:7. Het hloed van Jozus Christus zijnen Zoon, reinig ons van alle zonden.
55 Vr. Waar heeft ons Chris ins zulks toegezegd cn beloofd ?
A. In de inzetting des doops, die aldus luidt: Gaat heen in de yeheele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen. Die geloofd' zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hehbeii^ zal verdoemd worden. Mare. 16; 15, 18.
56 Vr. Zal men ook de jonge kinderen doopen ?
A. Ja; want zij zijn zoowel als de volwassenen in het
verbond van God («) en in zijne Gemeente begrepen (S).
{a) Gen. 17: 7. Ik zal mijn verhond opriehten tusschen Mij en tussehen n, en tusschen uwen zade Ka u, in hunne geslachten, tot een eeuwig ver bond, om u te zijn tot een' God en uwen zade na u.
(5) 1 Cor. 7 â¢* 1^. Maar nu zijn uwe kinderen heilig.
Matth. 19; 14. Laat af 'an de kinderJcens en verhindert ze niet tot Mij te komen, want derzulken is ket koningrijk der hemelen.
X. LES.
57 Vr. Welk is het uiterlijk teeken in het Avondmaal?
A. Het gebroken brood, dat wij eten, en de vergoten wijn, dien wij drinken, tot gedachtenis van het lijden en sterven van Christus.
58 Vr. Wat beteekent en verzegelt dat?
A. Dat Christus onze ziel met zijn gekruiste lichaam en vergoten bloed spijst en iaaft ten eeuwigen leven.
1 Cor. 10: 16. De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende
16
zegenen, is die niet eene gemeenschap des hloeds van Christus? Het brood dat wij brekenj is dat niet eene gemeenschap des lichaams van Christus?
Joh. 6; 54-. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, dio heeft het eeuwige leven.
59 Vr. Waar heeft ons Cliristiis zulks toegezegd?
A. In de instelling des H. Avondmaals, die van den
Apostel Panlus aldus wordt beschreven; 1 Gor. 11 : 23â26.
Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; en als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: 'Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u ^ebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ooi: den drinkbeker na het eten des Avondmaals en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis; want zoo dikwijls aü gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt dsn dood des Heer en, totdat Hij komt.
60 Vr. Wordt het brood veranderd in het lichaam van Christus, en de wijn in zijn bloed ?
A. Neen, niet meer dan het water in den doop wordt veranderd in het bloed van Christus.
61 Vr. Hoe moet gij u zeiven beproeven, eer gij tot het Avondmaal des Heeren komt?
A. Eerst moet ik onderzoeken, of ik mij zeiven van wege mijne zonden mishage, en mij daarom voor God verootmoedige.
Ten tweede, of ik geloof en vertrouw, dat mij al mijne zonden om Christus wil vergeven zijn.
Ten derde, of ik ook een ernstig voornemen heb, om voortaan in alle goede werken te wandelen.
1 Cor. 11: 28, 29. Maar de mensch beproeve zich zeiven, en ete al-
joo van het brood en drinke van den drinkbeker; want die onwaardig eet
en drinkt, die eet en drinkt zich zeiven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
62 Vr. Zal men ook hen ten Avondmaal laten gaan, die eene ongoddelijke leer drijven, of een ergelijk leven leiden?
A. Neen; opdat Gods verbond niet worde ontheiligd , en zijn toorn over de gansche Gemeente niet aangestoken worde.
1 Cor. 11: 30. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
17
63 Yr. Hoe zal men dan met de zoodaidgen handelen ?
A. Achtervolgens liet hevel, dat ons Christus daarvan gegeven heeft.
Matth. 18: 15 â 17. Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tusschen u en hem alleen. Indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u: opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzei ven geen gehoor geeft, zoo zeg het der Gemeente; en indien hij ook der Gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
XI. LES.
HET DEEDE DEEL.
Van de dankbaarheid, die men Gode voor de verlossing schuldig is.
64« Vr. Aangezien wij alleen uit genade, door Christus zalig worden, waarom moet gij dan nog goede werken doen?
A. Niet om den hemel daarmede te verdienen, hetwelk Christus heeft gedaan, maar omdat God mij zulks geboden heeft.
Ef. 2: 10. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezun tdi goede werken.
65 Vr. quot;Waartoe dienen dan uwe goede werken?
A. Dat ik Gode daarmede dankbaarheid voor al zijne weldaden bewijze, en Hij door mij geprezen worde (a); dat ik ook uit de goede werken, nis uit de vruchten, van de oprechtheid mijns geloofs verzekerd zij (3); en dat mijn naaste daardoor gesticht en voor Christus gewonnen worde (t,-).
{a) Joh. 15: S. Hierin is mijn Vader v erlt eerlij Iet, dat gij veel vrucht draagt.
(£) 2 Petri 1; 10. Benaarsligt u te meer, om uwe roeping en verkiezing vast te maken.
(lt;?) Matth. 5: 16. Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien y en nvien Vader, die in de Hemelen is, verheerlijken.
66 Yr. Zullen die ook zalig worden, die geene goede werken doen?
A. Neen; want de H. Schrift zegt, 1 Cor. 6: 9,10. dat geen onhiische, afgodendienaar, eehlbreher, hoereerder, dief.
18
gierig aard) dronkaard, lasteraar, noch roover , noch dergelijke, het rijk Gods beërven zal, tenzij dat zij zich tot God bekeeren.
ö7 Vr. Waarin bestaat de bekeerincr des menschen?
A. In een hartelijk leedwezen en vlieden van de zonden [a), en in een ernstigen lust en doen van alle goede werken [h).
(a) 3 Cor. 710. De droefheid naar God werkt eene onberouvvelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.
(^) Rom. 7: 22. Ik heb een vermaak in de Wet Go da, naar den inwen-digen mensch.
68 Yr. Wat zijn goede werken?
A. Alleen die uit het ware geloof («), naar de Wet Fan God (5), Hem ter eere (c) geschieden; en niet die op menschen inzettingen of op ons goeddunken gegrond zijn.
(a) Hebr, 11; 6. Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Vergel. Hom. 14: 23.
(è) Matth. 15: 9. Te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die gehoden van menschen zijn.
{c) 1 Cor. 10: 31. Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods.
69 Yr. Kunnen zij, die tot God bekeerd zijn, de Y\Tet volkomen houden?
A. Neen zij toch (a), maar ook de allerheiligsten, zoo lang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven (5), gelijk zij ook den Heere geduriglijk bidden, om dagelijks daa.in toe te nemen.
(fl) Jac. 3: 2. quot;Wij struikelen allen in velen.
{b) Fil. 3: 12. Niet dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaakt hen; maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
XIL LES.
70 Yr. Wien moeten wij hierom bidden?
A. Met eenig schepsel, maar alleen God, {a) die ons helpen kan, en om Jezus Christus wille verhoeren â¢wil (è).
19
[a) Mattli. 4-: 10. Den He ere moen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
(i) Matth. 7: 7. Bidt, en n zal geyeven worden.
71 Vr. In wiens naam moeten wij God bidden?
A. Alleen in den naam van Christus, en niet in den naam van eenige Heiligen.
Joh. 16: 23. Al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal Hij u geven.
Ef. 3: 13. hi denwelken wij hebben, de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.
7^ Vr. Waarom moeten wij dezen God bidden?
A. Om alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, («) welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij zelf ons geleerd heeft.
(lt;ï) Fil. 4lt;: G. quot;Weest in geen ding bezorgd; maar laat uwe begeerten in alles, door hidden en smeeken, met dankzegging bekend worden bij God.
73 Vr. Hoe luidt dat gebed? Naar Matth. 6: 9â13.
A. Onze Vader die in de Hemelen zijt!
Uw naam worde geheiligd.
Uw koningrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den Hemel, alzoo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven on:',en schuldenaren.
Ru leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
Want Uw is het koningrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
74 Vr. Wat begeert gij van God in dit gansche gebed?
A. Ten eerste, dat al wat dient tot Gods eer, bevorderd worde, en daarentegen geweerd, wat dezelve verhindert, of zijnen wil wederstaat.
Ten andere, dat Hij mij met alle nooddruft naar het lichaam verzorge, en naar de ziel beware van alle kwaad, dat mij aan mijne zaligheid s;ou mogen schadelijk zijn. Amen.
-A. isr ü -A_ isr es- s E Xj ,
BEHELZENDE DEN INHOUD VAN DE
WET DES HEEREN,
VOLGENS DE UITBREIDING DAARVAN IN DEN
HEIDELBBRGSCHEN KATECPIISMUS.
XIII. LES.
1 Vr. Wat is de inhoud van de eerste tafel der goddelijke wet?
A. Hoe wij ons jegens God zullen houden.
Matth. 23; 37, 38. En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heer uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand; dit is het eerste en het groote gebod.
2 Vr. Wat verbiedt God in het eerste gebod?
A. In het eerste gebod verbiedt God alle afgoderij.
1 Cor. 10; 7- En wordt geen afgodendienaars.
Tooverij, waarzeggerij en bijgeloof.
Deut. 18: 10, 11. Onder a zal niet gevonden worden die met waarzeggerijen omgaat, of toovenaar, of die eenen waarzeggonden geest vraagt.
Aanroeping der heiligen en andere schepselen.
Openb. 19: 10. En ik viel {neder) voor zijne voeten, om hem te aanbidden , en hij zeide tot mij, zie dat gij dit niet doet.
3 Vr. Wat gebiedt God in het eerste gebod r A. Dat wij Hem recht kennen.
Joh. 17: 3. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, deneenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
Hem alleen vertrouwen.
Jer. 17: 7. Gezegend is de man, die op den Heere vertrouwt.
Ons aan Hem onderwerpen.
Jac. 4: 7. Zoo onderwerpt u dan Gode.
Met ootmoedigheid.
1 Petr 5: 5. Desgelijks, gij jongen! zijt den ouden onderdanig; zijt met do ootmoedigheid bekleed, want God wederstaat de hoovaardigen, maar
de nederigen geelt II ij genade.
En lijdzaamliciil.
Rom. ]2: 13. Zijt geduldig in de verdrukkingen.
Van Plein aliecii alles goeds verwachten.
1 Petri 5: 7. Werpt alle uwe bekommernissen op Hem, want Hij aorgt voor u.
21
Hem van harte liefhebben.
Matth. 23: 37. En Jezus zeide tot hem: gij zult liefhebben den Heere uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand.
Hem te vreezen.
Ps 130: 4. Maar bij IJ is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Hem eeren.
Matth. 4: 10. Daar staat geschreven: Den Heere uwen God zult gij aan-bidden, en Hem alleen dienen.
En Hem boven alles gehoorzamen.
Hand. 5: 29. Maar Petrus en de Apostelen antwoordden en zeiden: men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen.
4 Vr. Welke voorbeelden zijn hier tot leering en waarschuwing ?
A. De voorbeelden van Christus.
Matth. 4: 10. Toen zeide Jezus tot hem: ga weg Satan/ want daar staat geschreven: den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
De Engel bij Johannes.
Openb. 19: 10. En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden; en hij zeide tot mij : zie, dat gij dat niet doet; Ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God.
De Israëlieten.
1 Cor. 10: 7. En wordt geen afgodendienaars, gelijk als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: liet volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
David.
1 Sam. 30: 6. En David werd zeer bang: want het volk sprak van hem te steenigen; doch David sterkte zich in den Heere zijnen God.
Salomo.
1 Kon. 11: 4âG. Wiens hart in zijnen ouderdom door zijne vrouwen tot andere goden geneigd werd.
De jongelingen in Babel.
Dan. 3: 17. Die met den vurigen oven bedreigd werden, antwoordden: onze God, dien wij eeren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uwe hand, o Koning, verlossen.
Daniël.
Dan. G: 17. Toen werd hij in den kuil der leeuwen geworpen, omdat hij geen afgoderij begaan wilde, en kwam ongeschonden uit denzelve.
Job.
Job 1: 21. En Job zeide: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft ge nomen, de naam des Heereh zij geloofd.
Eu de Apostelen.
f
Hand. 4; 29. En zij baden: Ku dan, Heere, zie op hunne dreigingen, en geef uwe dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw Woord te spreken.
5 Yr. A'Vat verbiedt God in het tweede gebod?
A. God verbiedt in liet tweede gebod:
Eene afbeelding van Hem te maken.
Hand. 17: 29. Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet meenen, dat de Godheid, goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door menschenkunst en bedenking gesneden zijn.
Eenig beeld te aanbidden.
Exod. 34: 13. Hunne altaren zult gijlieden omverwerpen, enz.
Of Hem anders te vereeren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft.
Matth. 15: 9. Te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, [die] geboden van menscheu zijn.
6 Yr. Wat eisclit God in het tweede gebod?
A. Dat wij Hem in geest en waarheid dienen.
Joh. 4: 24. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten [Hem] aanbidden in geest en waarheid.
7 Yr. Welke voorbeelden zijn hier tot leering en waarschuwing ?
A. De blinde heidenen.
Rom. 1: 23. En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods, veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
De Israëlieten aan den berg Siuaï.
Exod. 32: S. Zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben liet offeranden gedaan, en gezegd: dit zijn uwe Goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
Eu de Eaiizeen, in de dagen van Jezus, die tot hen zeicle:
Matth. 15: 7, 8. Gij geveinsden, wel heeft Jesaja van u geprofeteerd: dit volk genaakt Mij met hunnen mond, en eert Mij met hunne lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
XIY. LES.
8 Yr. Wat verbiedt God in het derde gebod?
A. God verbiedt in het derde gebod;
Het vloeken en lasteren van Gods naam.
Lev. 24.* 16. En wie den naam des HE EREN gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden.
Een valschen eed.
23
Lev. 19: 13. En gij zult niet valschelijk bij mijnen naam zweren; want gij zoudt den naam uws Gods ontheiligen: Ik ben de HEEKE !
Het onnoodig zweren.
Jac. 5: 12. Doch voor alle dingen, mijne broeders! zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en uw neen, neen, opdat gij in geen oordeel valt.
Het stilzwijgen dis men vloekeu hoort.
Ef. 5; 11. Hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veel eer.
En liet zweren bij heiligen of andere scliepselen.
Jer. 5; 7- Uwe kinderen verlaten Mij, en zweren bij dien, die geen God is.
9 Yr. Wat beveelt God iu liet derde gebod?
A. Dat wij:
Eerbied voor zijnen Naam hebben.
Ps. 86: 11. Yereenig mijn hart tot de vrees van uwen naam.
Bij Hem alleen zweren.
Deut. 6: 13. Gij zult den Heere uwen God vreezen, en Hem dienen, en gij zult bij zijnen naam zweren.
Onze eeden houden.
Ps. 15: 4. Heeft Hij gezworen tot zijne schade, evenwel verandert Hij niet.
Hem recht bekennen en aanroepen.
Ps. 105: 1. Looft den HEERE, roept zijnen naam aan.
En Hem met woorden en daden prijzen.
Col. 3: 17. En al wat gij doet met woorden of met werken, [doet] het alles in den naam des IIEEllEN JEZUS, dankende God en den Vader door Hem.
10 Vr. Welke voorbeelden hebben wij in den Bijbel van het een en ander?
A. De voorbeelden van den vloeker.
Lev. 24«: 10 en volg. Toen lasterde de zoon der Israëlitische vrouw uitdrukkelijk den Naam, en vloekte: daarom braciiten zij hem tot Mozes enz.
De Joden.
Matth. 5: 33â39. Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uwe eeden houden enz.
Herodes.
Matth. 14: 9. Om de eeden, en degenen die mot hem aanzaten, gebood hij, dat het (hoofd van Johannes) haar'zou gegeven worden.
En de Koning van Jnda.
Ezech. 17: 19. Al/.oo zegt do Heere HEERE: Zoo waarachtig als Ik leef, zoo ik mijnen eed, dien Hij veracht heeft, en mijn verhond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve.
11 Yr. Wat verbiedt God in het vierde gebod?
24
A. God verbiedt in het vierde gebod:
Het ontheiligen van den rustdag.
Jer. 17: 27. Maar indien gij naar Mij niet zult hooren, om den Sabbatdag tc heiligen, en om geen last te dragen, als gij op den Sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat, zoo zal Ik een vuur in hare poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren en niet worden uitgebluseht.
En het verzuimen van den openbaren godsdienst.
Hebr. 10: 25. Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben.
12 Vr. Wat gebiedt God in het vierde gebod?
A. Dat wij:
Hem openlijk dienen.
Hand. 3: 1. Petrus en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds.
De verkondiging van zijn woord bijwonen.
Hom. 10 : 17. Zoo is dan liet geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.
De Saci'amenten gebruiken.
Matth. 28: 19. Gaat dan heen, onderwijst alle volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, leerende ben onderhouden alles wat Ik u geboden heb.
Aalmoezen geven.
1 Cor. 16:2. Op eiken eersten dag der week legge een iegelijk van u (iets) bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naardat hij welvaren verkregen heeft.
Van zonden aflaten.
2 Tim. 2: 19. Een iegelijk uie den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
Den Heere door zijnen Geest in ons werken laten.
Hebr. 3: 7, 8. Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: heden indien gij zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet.
En alzoo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvangen.
o O
Hebr. 4: 11. Laat ons dan ons benaarstigen, om in die ruste in te gaan.
13 Vr. Welke voorbeelden moeten wij ons bij dit gebod herinneren?
De voorheelden van den Sahhatschender, die op den sabbat hout gelezen hebbende, op des Heeren bevel gesteenigd werd. jSTum. 15: 32â36.
De Israëlieten aan wie de Heer, op den zesden dag, twee dagen brood gaf, zoodat niemand op den zevenden dag uit zijne plaats ging. Exod. 16: 29.
Dauid, die bitterlijk bedroefd was, omdat hij niet naar Gods huis kon gaan, om God te loven. Ps. 42: 5.
25
Hiskia, die aan geheel Israël en Juda deed weten, dat zij zouden komen tot het huis-des Heeren, om den Heere Pascha te houden. 3 Chron. 30; 1.
De Apostelen, die op den dag des Sabbats buiten de stad gingen daar men bad, en die tot de vrouwen spraken, die te zamen kwamen. Hand. 16; 13.
En de eerste Christenen, die volhardende waren in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. Hand. 2: 4-2. En op den eersten dag der week bijeen kwamen, om brood te breken. Hand 20; 7.
XV. LES,
14 Vr. Wat is de inhoud van de tweede tafel der goddelijke Wet?
A. Wat wij onzen naasten schuldig zijn. Matth. 22:39.
En het tweede aan dit gelijk is; gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven.
15 Vr. Wat verbiedt God in het vijfde gebod?
A. God verbiedt in het vijfde gebod;
Alle minachting voor die over ons gesteld zijn.
Spr. 20; 20. Wie * zijnen vader of zijne moeder vloekt, diens lamp zal uitgebluscht worden in zwarte duisternis.
Alle ontrouw en ongehoorzaamheid jegens hen.
Hom. 13; 1. Alle ziele zij den machten over haar gesteld onderworpen, want er is geene macht dan van God.
Het verwerpen van hunne goede leer en straffen.
Spr. 13; 1. Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
16 Vr. Wat beveelt God in het vijfde gebod?
A. Dat kinderen hunnen vader en hunne moeder eeren en liefhebben.
Ef. 6; 1â3. Gij kinderen zijt uwen ouderen gehoorzaam, in den Heere; want dat is recht. Eert uwen vader en uwe moeder, (hetwelk het eerste gebod is, met eene belofte,) opdat het u welga, en gij lang leeft op de aarde.
Dat ingezetenen hunne overheden gehoorzamen.
Rom. 13; 7. Zoo geeft dan een' iegelijk wat gij schuldig zijt, schatting, dien gij de schatting; tol, dien gij den tol; vreeze, dien gij de vrecze; esre, dien gij de eere schuldig zijt.
Dat dienstboden in hunne diensten getrouw en onderworpen zijn.
Ef. 6; 5âS. Gij dienstknechten zijt gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, met vreeze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk
26
als aan Christus; niet naar oogendienst, als menschenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wille Gods van harte; dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de menschen: wetende, dat zoo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije.
17 Vr. Zijn er cok voorbeelden, die ons hier tot leering en waarschuwing dienen?
A. Ja, het voorbeeld van Christus.
Luc. 2: 51. En Hij ging met hen en kwam te Nazareth; en was hun onderdanig.
Van Ruth bij hare schoonmoeder.
Kuth 3: 18. En zij nam het op, en kwam in de stad, en hare schoonmoeder zag wat zij opgelezen had.
De Rechabieten, de kinderen van Jonadab.
Jer. 35: 18. Zij bewaarden en deden al de geboden van hunnen vader.
Eliezer, de knecht van Abraham.
Gen. 24«: 3. Regeerende over alles wat hij had.
En van Jozef.
Gen. 39: 1â5. Jozef werd door Potifar over zijn huis, en al wat hij had, gesteld.
18 Vr. Wat verbiedt God in het zesde gebod? A. God verbiedt in het zesde gebod:
Het dooden van den naaste. Gen. 9: 6. Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden, want God heeft den msnsch naar zijn beeld gemaakt.
Hem te onteer en en te kwetsen. Matth. 36: 53. Toen zeide Jezus tot hem: keer uw zwaard weder in zijne plaats, want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
Hem te haten. 1 Joh. 3: 15. Een iegelijk die zijnen broeder haat, is een doodslager, en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
Ook alle nijdigheid. Gal. 5: 31. (De werken des vleesches zijn) nijd, moord, dronkenschap, brasserijen en dergelijke.
Toornigheid. Matth. 5: 23. Doch ik zeg u: wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijnen broeder zegt: Ãaka! die zal strafbaar zijn door den grooten Raad; maar wie zegt: gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.
Wraakgierigheid. Rom. 13: 19. En wreekt u zeiven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; Want er is geschreven: Mij (komt) de wraak (toe). Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Moedwillig zich in gevaar te hegeven. Matth. 4: 7- Jezus zeide tot hem: daarom is wederom geschreven: gij zult den Heere uwen God niet verzoeken.
19 Vr. Wat eischt God in het zesde gebod?
27
A. Dat wij;
Onzen naaste als ons zei ven liefhebben.
Matth. 7: 13. Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo; want dat is de wet en de Profeten.
Met hem geduld hebben.
Matth. 5: 5. Zalig zijn de zachtraoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.
Vrede houden.
Rom. 12; 18. Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen.
Zachtmoedig zijn.
Ef. 4: 1â3. Zoo bid ik u dan, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt, met alle ootmoedigheid, en zachtmoedigheid, met langmoedigheid, verdragende elkander in liefde, u benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes, door den band des vredes.
Barmhartig zijn.
Luc. 6: 36. Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
Vriendelijk zijn.
Fil. 4: 5. Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend.
Ook zijne schade afweren.
Gal. 6: 2. Draagt elkanders lasten, en vervult alzoo de Wet Christus.
En aan vijanden goed doen.
Matth. 5; 44. Maar ik zeg u; hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.
20 Vr. Welke voorbeelden zijn hiervan?
A. Tot waarschuwing zijn hier:
Kam y die tegen zijnen broeder Abel opstond en hem doodde. Gen. 4: 8.
Jozefs broeders, die hem in een kuil wierpen en verkochten aan Midianitiesche kooplieden. Gen. 37: 24-, 28.
Ook Simeon en Levi, die om zich wegens Dina te wreken, al wat mannelijk was te Sichem, doodden. Gen. 34?: 25, 26.
Tot leering.
De barmhartige Samaritaan. Luc. 10: 33. Maar een zeker Samaritaan hem ziende, werd met innerlijke ontferming bewogen.
En Christus aan het Kruis. Luc. 23: 34-. Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
XVI. LES.
21 Vr. Wat verbiedt God in het zevende gebod?
A. God verbiedt hier;
Hoererij. 1 Thess. 4-: 3. Dit is de wil van God, uwe heiligmaking, dat gij u onthoudt van de hoererij.
28
Overspel. Hebr. 13: 4. Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt, maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen.
JEchtbreuJc. Matth. 19: 9. Maar ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en eene andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.
Alle onkuisckheid. Ef. 5: 3. Maar hoererij en alle onreinheid, of gierigheid, laat onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den Heiligen betaamt. /
Ook in gebaren en woorden. Ef. 5: 4. Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen, maar veel meer dankzegging.
Zelfs met gedachten en lusten. Matth. 5: 27, 28. Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is, gij zult geen overspel doen. Maar ik zeg u: dat zoo wie eene vrouw aanziet, om die te begeeren, die heeft alreeds overspel in zijn hart met haar gedaan.
22 Vr. Wat beveelt God hier?
A. Dat wij;
In kuiscliheid leven.
1 Thess. 4: 4. Een iegelijk van u wete zijn vatte bezitten in heiligmaking en eere.
Het huwelijk heilig houden.
Hebr. 13: 4. Het huwelijk is eerlijk onder allen.
En in en buiten hetzelve ons lichaam en onze zie? zuiver bewaren.
Rom. 13: 13, 14. Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden.
23 Vr. Wat voorbeelden leeren u dit?
A. Het voorbeeld van Jozef.
Gen. 39: 9. Hoe zoude ik dan dit een zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God ?
En van de Israëlieten.
1 Cor. 10: 8. En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op éénen dag drie en twintig duizend.
24 Vr. Welke zonden worden in het achtste gebod verboden ?
A.. God verbiedt hier: Alle dieverij.
1 Cor. 6: 10. En dwaalt niet; noch dieven, noch gierigaards, noch roo. vers, zullen het koningrijk Gods beërven.
Iemand te kort doen.
Luc. 3: 14. En Hij zeide tot hen: doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uwe bezoldigingen.
Iemand met valsch gewicht, el of maat te bedriegen.
29
Lev. 19: 35. Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.
Valscli geld of bedriegelijke â waar.
1 Thess. 4: 6. Dat niemand zijnen broeder vertrede, noch bedriege in zijne handelingen.
Alle woeker.
Dent. 23: 19. Gij zult aan uwen broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van eenig ding, daar men mede woekert.
Alle gierigheid.
I Tim. 6: 10. De geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende, zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zich zeiven met vele smarten doorstoken.
Ook alle misbruik en verkwisting van Gods gaven.
Luc. 21: 3é. quot;Wacht u zeiven, dat uwe harten niet te eenigertijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden deze levens.
25 Vr. Wat eischt God daarentegen?
A. Dat ik mijnen naaste zooveel mogelijk helpe.
1 Thess. 3: 12. En de Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u.
Hem beliandele, gelijk ik wil dat men mij doe.
Matth. 7: 12. Alle dingen dan, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo: want dat is de Wet en de Profeten.
Trouwelijk arbeide.
2 Thess. 3: 10. Want ook toen wij bij u waren, hebben wij dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
En den nooddruftige bijsta.
Ef. 4: 28. Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen, den-gene die nood heeft.
26 Vr. Wat leerzame voorbeelden zijn hier?
A. Het voorbeeld van Achan, die onder den roof een schoon
Babylonisch overkleed zag, en tweehonderd sikkelen zilvers, en eene gouden tong, en lust daartoe kreeg, en ze nam. Jos. 7: 20â26.
I)e onrechtvaardige rentmeester, die de goederen van zijnen Heer doorbracht. Luc. 16: 1.
'En Salomo wijzende den luiaard naar de mieren. Spreuken 6: 6.
XVII. LES.
27 Vr. Wat verbiedt God in het negende gebod? A. God verbiedt een valsch getuigenis te geven.
30
Spr. 19: 5. Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn, en die leugenen blaast, zal niet ontkomen.
Iemands woorden te verdraaien.
Spr. 12: 32. Valsclie lippen zijn den Heere een gruwel: maar die trou-wdijk handelen zijn Zijn welgevallen.
Het achterklappen.
Lev. 19: 16. Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uwe volken: gij zult niet staan tegen het bloed van uwen naaste: Ik ben de Heere.
Het lasteren.
Ef. 4: 31. Alle bitterheid, en toornigheid en gramschap, en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid.
Ligt veroordeelen.
Matth. 7: 1. Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt.
Ook alle leugen.
Ef. 4gt;: 25. Daarom legt af de leugen en spreekt de waarheid.
En bedriegerij.
1 Thess. 4: G. Dat niemand zijnen broeder vertrede, noch bedriege in zijne handelingen; want de Heere is een wreker over alle deze.
28 Vr. Wat eischt God in het negende gebod?
A. Dat ik: de waarheid liefhebbe.
Spr. 13: 5. De rechtvaardige haat leugentaal: maar de goddelooze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
Oprecht in het spreken zij.
Ps. 25: 21. Laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden; want ik verwacht Ã.
En den goeden naam van mijnen naaste voorsta.
Ps. 15: 3. Die met zijne tong niet achterklapt, zijne medgezellen, geen kwaad doet, en geene smaadreden opneemt tegen zijnen naaste.
29 Yr. Wat voorbeelden zijn hiervan in den Bijbel?
A. De voorbeelden van Jobs vrienden, onder welke de
toorn van Flihu ontstak tegen zijne vrienden, omdat zij geen antwoord vindende, nochtans Joh verdoemden. Job 32: 3.
Van Doey gt; die David en Achimélech valschelijk beschuldigde voor Saul. 1 Sam. 32: 9.
Va?i Achab cn Isabel, die geboden, dat men tegenover Nahoth twee mannen Belials zetten zou, die tegen hem getuigden. 1 Kon. 21: 10.
Van den verrader Judas, die Jezus verried met eenen kus. Luc. 22: 4-8.
En Christus waarschuwt ons tegen alle leugen door het voorbeeld des duivels. Joh. 8: 44-. Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerte uws vaders doen; die is een menschenmoorder van d:m beginne, cn
in de waarheid niet staande gebleven: want geene waarheid is in hem.
31
30 Vr. Wat verbiedt God in het tiende gebod?
A. God verbiedt; Begeerlijkheid naar iets, dat mijnen naaste toebehoort.
Rora. 7: Ih. Want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: gij znlt niet begeeren.
Ook alle lust of gedachte , die tegen eenig gebod Gods
in ons opkomt.
Mark. 7: 21, 22. Uit het hart des menschen komen voort, kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand.
31 Vr. En Avat beveelt u God hiermede?
A. Dat ik: Alle zonde hate met mijn hart.
Gal. 5: 16, 17. En ik zeg: wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet; want liet vleesch begeert tegen den Geest en de Geest tegen het vleesch.
En lust tot alle gerechtigheid hebbe.
2 Petri 1: 5 â 8. Voegt bij nw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. Want zoo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten, in de kennis van onzen Heer Jezus Christus.
32. Vr. Wat voorbeelden kunnen ons hier tot leering zijn?
A. Het voorbeeld van David.
Ps. 19 : 14«. Houd uwen knecht ook terug van trocschheden, laat ze niet over mij heerschen, dan zal ik oprecht zijn, en rein van groote overtreding.
Van Paulus.
Pil. 3: 12. IN'iet dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaak-ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
En allermeest van Christus onzen Zaligmaker.
Joh. 4: S^. Jezus zeide tot hen: mijne spijze is, dat ik doe den wfi. desgenen die Mij gezonden heeft en zijn werk volbrenge.
DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID
HET WACHTWOOED DER HERVORMERS.
Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart; Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: //Mijn ziele, doorziet gij uw lot? //Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God ?quot;
Al sprak daar een stem uit de Heilige Blaan ,
Yan 't Lam met de zonden der waereld belaan,
Ik zocht bij den kruispaal geen veilige wijk;
'k Stond blind, en van verre, in mij zeiven zoo rijk!
Ik deed als Jeruzalems Dochters weleer;
Ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer,
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
Maar toen mij Gods Geest aan mij-zelf had ontdekt, Toen werd in mijn ziele de vreeze gewekt.
Toen voelde ik wat eisehen Gods heiligheid deed;
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed!
Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered; Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij: Ik boog me, en geloofde, en â mijn God sprak me vrij.
Nu ken ik die waarheid, zoo diep als gewis, Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is:
Nu tart ik den dood, nu verwin ik het graf,
Nu neemt mij geen Satan de zegekroon af!
Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis,
Naar 't erfgoed daar Boven, in 't Vaderlijk Huis:
Mijn Jezus geleidt mij door de aardsche woestijn; //Gestorven voor mij!quot; zal mijn zwanenlied zijn!
R. M. M'Cheyke.