-/Z3
/ak 72
ir-xr ..jsr
a
rm
VROEG STERVEN
(V
tó
LANG LEVEN.
noon
CAROLÃS VAN DEN ABEELE, S. J.
haar hel Oiid-Vlaanisch opnieuw hewevkt
T. B. BRUIN, S. J.
quot;ââ'
GULPEN, 1890.
â m DRUK VAN M. ALBERTS amp; ZONEN. â UITGEVERS.
123
/ak
wir ..jsr quot;
12
IVb
YKOEG STERVEN
OF
LANG LEVEN.
DOOR
CAROLUS VAN DEN ABEELE, S.J.
Naar hel Oiid-Vlaamsch opnieuw bewerk!
.
DOOR
P. B. BRUIN, S. J.
/
^ iT BSBUOTICA \
CONV. WI1CHENS 1
O R O.F B ⢠.MIN. J|
GULPEN, 1890.
DRUK VAX M. ALBERTS ik ZONEN. â UITGEVERS.
mPRimATLR.
Riiramundcc) i Februarii 189c.
P. MANNENS, S. Theol. Dcct. et Prof. Librorum C ensor.
Dit is het tweede boekje, dat wij van Pater Van den Abeele uitjeven. Wij loillen eene bemerking doen voorafgaan omtrent hel gebruik, dat de godvruchtige en geleerde schrijver maakt van teksten uit de Kerkvaders. Het is ons toch gebleken, dat hij zeer dikwijls niet hunne woorden, maar slechts hunne gedachle weergeeft. Somtijds ook schijnt hij alleen zijn geheugen te raadplegen of uit verouderde edities te putten. Dit moge in een wetenschappelijk werk onverschoonbaar zijn; voor werkjes van dezen aard zullen wij daarover den schrijver niet lastig vallen. Wij hebben althans geen reden gevonden om op zijne aanhalingen eene lastige en langdurige en tamelijk nuttelooze tekstcritiek uit te oefenen. Slechts onthouden wij ons van eene nauwkeurige opgave der plaatsen , alsof de aangehaalde woorden daar letterlijk te vinden iraren. Deze bemerking geldt voor alle werkjes, die wij in het vervolg nog van denzelfden schrijver hopen le bewerken.
P. B. B.
EERSTE GEDEELTE.
Hoe een Christen kan verlangen vroeg te sterven.
I.
DE HOOP DOET DE RECHTVAARDIGE ZIEL NAAR DEN DOOD VERLANGEN.
1. Wij, christenen, gelooven vast met den H. Paulus, dat de belooning, die God voor alle menschen, welke in Zijne liefde sterven, bereid heeft, onuitsprekelijk is en ons begrip te boven gaat. Het is bij ons ook boven allen twijfel verheven , dat de Schepper oneindig beminnelijker, schooner en verlangens-waardiger is, dan al Zijne schepselen te zamen, en dat men daarom Hem niet alleen boven alles moet beminnen, maar ook boven alles moet begeeren en boven alles zoeken te genieten. Ons hart getuigt ons luide, dat alle geschapen goed en alle geschapen schoonheid ontoereikend is om hot geheel te voldoen , en gaarne bekennen wij, dat «alleen zij, die de H. Drievuldigheid in de heerlijkheid genieten, naar waarheid kunnen zeggen: het is genoeg,sat est.quot;(Aug.) Allezoetheid derhalve van dit vergankelijk leven en alle genoegens dezer
O
aardsche wereld zijn niet te vergelijken met liet geluk en de vreugde, die de minste Heilige in den hernel geniet door de aanschouwing der Goddelijke schoonheid. Deze waarheden staan bij alle geloovigen onbetwistbaar vast. Waarom zijn er dan zoo weinigen , die naar de oneindige Schoonheid en naar het al verzadigende Goed verlangen en haken?Ja, waarom? Omdat het grootste gedeelte zelfs der geloovigen zich vrijwillig laten betooveren door de ijdele en beuzelachtige bekoorlijkheid van tijdelijk goed, van vleeschelijke schoonheid , van vergankelijk genot. »Sions gezangen behagen den kinderen van Babylon niet. O hoe zeldzaam is thans een mensch, die ontbonden wenscht te worden om zijn God te aanschouwen en te genieten!quot; Filios Babylonis non deleclant cantica Sion. O quam varus hodie, qui oplet dissolui. (Thom. de V. N.)
2. Maar gij, goede christen, gij , die de H. Drievuldigheid, die uw Schepper en Zaligmaker oprecht hoogacht en vurig bemint, â waarom wenscht gij niet bij Hem te zijn in de heerlijkheid. Hem te aanschouwen. Hem met de standvastigste liefde te beminnen en uwe ziel door den overvloed der goddelijke geneugten geheel en al te verzadigen? Gij verwekt zeker van tijd tot tijd wel een acte van hoop: daartoe verplicht u Gods gebod.
7
Maar hoe is het mogelijk de hoop goed te beoefenen zonder liet verlangen van bij uw God te zijn? Wat toch is eene ziel, die hoopt, meer eigen dan de oprechte en vurige begeerte God eeuwig te aanschouwen en te genieten omdat daarin haar gekik en hare zaligheid gelegen is? Tot zulk een verlangen moet de ziel wel aangezet worden door de onovertrefbare schoonheid en goedheid van God, die zij uit het geloof weet, dat alleen in staat is hare, ik zou haast zeggen oneindige zucht geheel en al te voldoen en te verzadigen. Bij die eene heilige begeerte moeten â¢alle andere verlangens achterstaan. Door haar gedreven riep de H. Augustinus uit: »IIeer, wat is er buiten U in staat om mijn hart te bevredigen! Geef mij al wat Gij schoons, beminnelijks, genotrijks, vreugdevols geschapen hebt, zoo Gij mij U zeiven niet geeft, is het mij niet genoeg.quot; Domine, si cuncta quce fecisli, dederis mild, non suf'pcit servo tuo, niti te ipsum dederis.
3. Ik begrijp, dat een christen, die eene doodzonde op het geweten heeft, eene acte van hoop kan verwekken zonder het verlangen van zijn God terstond of spoedig te genieten; want om in vrede te kunnen sterven en te bekomen, wat hij hoopt, moet hij zich eerst met God rouwmoedig verzoenen. De zondaar en de rechtvaardige, zegt de H. Augustinus,
8
bidden beiden het Gebed des Heeren en vragen beiden: laat ons toekomen Uw rijk. Maar toch is er een groot verscliil. »Want de zondaar vreest de komst des Heeren en wenscht uitstel; maar de rechtvaardige bidt in het vertrouwen, dat hij in staat van genade en liefde is en wenscht daarom ook van harte, dat de Heer hem spoedig hale en hem voere in Zijn rijk; zelfs zucht hij uit droefheid, dat God zoo lang toeft.quot; Qui aulem oral cum fiducia
charitatis, oplat jam ul venial..... et gemit
se d iff err i.
-4. Wij weten, dat de hoogste gelukzaligheid eigenlijk bestaat in de eeuwige genieting van de H. Drievuldigheid. Maar wij nemen ook aan, dat de uitverkorenen in de eeuwigheid een bijkomend geluk , eene bijkomende vreugde zullen smaken, hierin bestaande, dat zij in de heerlijkheid voor immer den Godmensch Jezus Christus en zijne lieve Moeder zullen aanschouwen. Gij dan, rechtvaardige ziel, die deze waarheid kent. waarom verlangt gij niet spoedig ontbonden en van uw bedorven en weerspannig vleesch ontslagen te worden, om des te eerder die tweevoudige zaligheid te genieten? Vindt gij hier misschien iets, dat u aangenamer, troostrijker, zoeter is dan de H. Drievuldigheid, dan Jezus, dan Mavia in de heerlijkheid ? »Wat kan er toch verlangens-
9
waardiger zijn, vraagt do IJ. Augustiuus, ilc-Leeraar der goddelijke liefde, wat kan er zoeter zijn dan de eeuwige Vader, dan Zijn Zoon Jezus, dan de H. Geest? En, vraagt de H. Bernardus, wat is er na de drie Goddelijke Personen zoeter dan de Moeder Gods ?quot; Quid dulcius Palre, quid suavius Jesn Chrislo, quid suavius Spiritu Sanclo ? Quid suavius Dei Matre, quce tola suavis?
5. Sommigen meenen, dat liet verlangen naar don dood om spoedig de heerlijkheid in te gaan, voor hen eene vermetelheid zou zijn; omdat zij in hunne jeugd of voor vele jaren groote zonden bedreven hebben. Maar de H. Bernardus wijst hen te recht zeggende , dat vroegere zonden, die vergeven zijn, ons niet moeten weerhouden om aan de hoop en de liefde vrijen loop te geven. »Want daarvoor moet men niet vragen, hoe men vroeger geweest is, maar hoe men op dit oogenblik is.quot; Non qucerendum qualis fueris, sed qualis sis. Hebt gij vroeger slecht geleefd, nu leeft gij goed, nu leeft gij door de goddelijke genade als een 'waar kind van God. Wie weet niet, hoe groot zondaar de II. Augustiuus was in zijne jeugd? Wenschte hij toen te sterven? Verre van daar ; bij de gedachte alleen aan den dood schrikte hij. Maar zoodra na zijne volkomcne bckeering zijn geweten hem begon
10
te verzekeren , dat liij God waarlijk beminde, toen vreesde hij niet alleen den dood niet, maar verlangde liij er naar, ja somtijds werd hij als het ware ongeduldig, dat hij zijn God nog niet mocht aanschouwen. »Heer, riep hij tot God in de vurigheid zijner hoop, Heer, ik wil niet meer leven, ik wil sterven. Mijne ziel is te verlangend naar uwe schoonheid om hier nog te willen blijven. Zij verlangt, zij haakt naar ü uit al hare krachten. O hoogste wellust mijns harten, o mijn zoete Hoop! Geef, dat ik U spoedig aanschouwe, U omhelze, U geniete. Trek mij tot U, tot U o oneindig Goed, zonder hetwelk geen goed is noch zijn kanquot;. Eja Domine! moriar ut inueniam te dulcedo et desiderium cordis mei! Pulchritudinem tuam nimium desiderat mens rnea, concupiscil te anima mea; fruar ie, spes mea daleis ! et amplector te honum sine quo nihil honum.
6. Maar al is het waar, dat de volmaakte hoop ons het vurig verlangen instort naar de genieting van God, toch zal men licht niet altijd, niet op elk oogenblik volkomen bereid zijn om aanstonds te sterven. Wie ondervindt niet dagelijks, dat zijne ziel uit menschelijke zwakheid met eene of andere smet besmeurd is? En al zijn de fouten der standvastige dienaars van God ook klein; de minste vlek beschaamt
11
en beangstigt hen te zeer om voor de lioogste reinheid, schoonheid en heiligheid te durven verschijnen. Zulk eene schaamte en vrees is prijzenswaardig. Maar waarom , godminnende ziel, zoudt gij voor uw Schepper en Zaligmaker niet willen verschijnen op het oogenhlik der H. Communie, vooral wanneer gij op een dag van vollen allaat goed gebiecht hebt en bovendien na de biecht u geheel overgegeven hebt aan de boetvaardige liefde, aan de hoop, aan het kinderlijk vertrouwen op de eindelooze barmhartigheid der H. Drievuldigheid, op de onuitsprekelijke goedheid en de verdiensten van Jezus Christus, op de moederlijke teeder-heid en krachtige voorspraak der H. Maagd Maria? Wanneer zult gij durven sterven, zoo gij het dan niet durft? Wanneer gij op het oogenblik, dat de Godrnensch Jezus Christus in uw binnenste is, niet zucht naar zijne aanschouwing, wanneer zult gij dan naar Hem zuchten. Wanneer zult gij dan tot Hem roepen met den H. Bernardus; »0, bovenal beminde Jezus, wilt Gij niet, dat rnijne ziel op dit oogenblik, nu ik U in mijn hart bezit en omhels, voor U verschijne in de heerlijkheid, laat haar nu ten minste Uwe zoete en troostvolle stem hooren; Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs, en mijn hemelschen Vader, den Heiligen
12
Geest, Mij en Mijne Moeder aanschouwen.quot; Sonet in auribus meis vox tua, vox ilia dulcis et delactalrilis: hodie rnecu rn erts in pnradiso.
II.
DE LIEFDE STORT DEN GOEDEN' CHRISTEN HET VERLANGEN IN OM SPOEDIG TE STERVEN.
1. Zouden wij dulden, vraagt de H. Bernar-dus, dat de zuivere en bovennatuurlijke liefde tot de H. Drievuldigheid, tot Christus en Zijne lieve Moeder minder macht uitoefent op ons hart dan de vleeschelijke begeerlijkheid op het gemoed harer slaven ? Hoevele aardschgezinden kwijnen en sterven van droefheid, ja slaan uit spijt de hand aan zichzelf, omdat zij het voorwerp hunner liefde, een ijdel voorwerp, datj hoe schoon ook voor het oogenblik, in verrotting vergaat, niet kunnen bekomen en genieten ! »Het is voor ons inderdaad een groote schande, zegt dezelfde H. Leeraar, dat de minnaars der ijdelheid veel grooter verlangen aan den dag leggen om te bekomen, wat zij beminnen, dan wij om de H, Drievuldigheid te genieten en de H. Moeder Gods te aanschouwen.quot; Wanneer wij geen vurig verlangen in ons ontwaren om bij die allerbeminnelijkste Personen te zijn, dan moesten wij haast vreezen, dat onze liefde tot Hen niet groot, niet brandend genoeg is. Want, zegt de H. Dionysius de Areo-
14
pagiet, een waar minnaar is bedroefd en lijdt geweld, zoolang hij als het ware gebannen is uit de tegenwoordigheid en van het aanschijn van den beminden persoon. Dit bevestigen alle minnende harten. Wie toch verlangt en haakt niet naar hetgeen hij waarlijk liefheeft? ))Dit is de gewone uitwerking der liefde, zegt de H. Bernardus, dat zelfs een kortstondige afwezigheid van den beminden persoon eene groote droefheid veroorzaakt.quot; Wat smart moet er dan niet ontstaan in eene godminnende ziel, om het langdurig verwijderd blijven van de H. Drievuldigheid, die zij onvergelijkelijk veel meer bemint dan zich zelve en dan alles, wat beminnelijk is! Wat droefheid moet zij ook niet gevoelen, dat zij zoo lang als' gebannen is van het aanschijn van haar allerbemin-nelijksten Jezus en van hare allerzoetste Moeder Maria, l'nrca dilecti absentia est magna doloris materia.
2. De omvang van liet lijden eener minnende ziel hangt af van de grootheid der liefde,
O C 7
waarmee zij een afwezigen vriend bemint. Ware haar liefde oneindig, dan zou ook haar lijden oneindig zijn. De drie Goddelijke Personen zijn onafscheidelijk met elkander ver-eenigd, niet alleen door de eenheid van Hun wezen, mair ook, gelijk de H. Augustinus zegt, «door de lief Ie, waarmede Zij elkander
15
beminnenDie liefile nu is oneindig. Was het nu mogelijk, â wat wi j ons zelfs niet kunnen voorstellen,â dat een der Goddelijke Personen van de beide andere voor een oogenblik gescheiden werd: dan zouden Zij alle drie 0|gt; dat oogenblik noodzakelijk lijden en oneindig lijden, omdat aan eeno oneindige liefde, gelijk de Hunne is, door zulk eene scheiding een oneindig geweld wordt aangedaan. Is liet dan wonder , dat ook de minnende ziel geen rust heeft, zoolang zij haar God niet aanschouwt en omhelst? Hare liefde toch vloeit voort uit de eeuwige liefde der H. Drievuldigheid. »De liefde, zegt de H. Bernardus, is van Goddelijke afkomst: zij komt voort uit God, wordt bij God geboren en gekweekt.quot; A Duo solo amor est; primus ejus nativitatis locus Deus est; ibi natus, ihi alilus.
3. Het is zoo als die H. Leeraar zegt; want de Drievuldige God is liefde: Deus charitas est. Hij heeft ons gemaakt naar Zijn beeld en daarom ons de liefde meegedeeld, waarmee de drie Goddelijke Personen elkander beminnen. De liefde van de ouders tot hunne kinderen en van de kinderen tot hunne ouders is eene uitvloeiing en een afbeeldsel van de eeuwige liefde des hemelschen Vaders tot Zijn Zoon en van den Zoon tot den Vader. Elke andere geregelde liefde der redelijke schepsele n on-
1(5
lt;lerling, is eerie mededeeling en een beeld van lt;ie liefde, waarmee de H. Geest door den Vader en den Zoon bemind wordt en Hen wederzijds bemint. In ons heeft de liefde ook een gelijke uitwerking als in de H. Drievuldigheid, naar wier gelijkenis wij geschapen zijn. Gelijk daarom de drie Goddelijke Personen door de liefde noodzakelijk en onafscheidelijk op het innigst met elkander vereenigd zijn; zoo ook bewerkt in ons de kracht der liefde, die God ons heeft meegedeeld, dat wij naar de tegenwoordigheid van allen , die wij waarlijk beminnen, verlangen en zoeken. Amor movet ad desidera ndum et quae rendu m prae-sentiam amati. (S. Thom.)
-4. De liefde, die uit de genade voortkomt, is eene veel volmaaktere en krachtigere uitvloeiing van de eeuwige liefde Gods, dan elke andere liefde, die uit de natuur alleen voortspruit. Stort reeds de natuurlijke kinderliefde, als mededeeling van de lietde des eeuwigen Zoons tot den Vader, den kinderen zoo krachtig en zoo teeder het verlangen in om bij hunne ouders te zijn; met welke hevigheid moet dan het hart van den godrninnenden christen tot de drie Goddelijke Personen en tot de H. Moeder Gods, die naar de genade zijne ouders zijn, niet getrokken worden dooide bovennatuurlijke liefde? Joseph in Egypte
17
â was door de natuurlijke neiging van zijn kinderhart, ondanks alle rijkdom, verhefling en macht, niet tevreden, zoolang hij van zijn beminden vader Jacob gescheiden was. Had zijne lieve moeder Rachel nog geleefd, met wat ongeduld zou hij verlangd hebben ook haar te zien, hij, die door de teederheid zijner liefde overmeesterd zelfs zijn broeder Benjamin niet zonder tranen kon aanschouwen. »0 christen! roept de li. Augustinus uit, o kind der genade! o erfgenaam des hemels! God is uw Vader, Christus is uw Broeder, Maria is uwe Moeder?quot; Dat waren zij van het oogenbiik, dat gij gedoopt zijt. En hoe lang is dat reeds geleden! Welnu hebt gij dikwijls het verlangen geuit om bij hen te zijn? En zoo niet, waar is dan uwe liefde! Quihns coelestis hce-reditas, el Pater Deus est, et Frater Christus, et Maria Mater.
5. Wanneer ik de H. Maagd, die ik als mijne lieve Moeder naar de genade erken, niet bemin gelijk het een goed kind betaamt, dan verdien ik waarlijk niet, dat ik leef. Veel minder ben ik het leven waardig, wanneer ik de H. Drievuldigheid, mijn Schepper en mijn Vader, wanneer ik den Godmensch Jezus Christus, mijn Zaligmaker en mijn Broeder, niet boven alles liefheb. Maar bemin ik Hen waarlijk bovenal, wanneer ik niet verlang bij
JANG LEVEN. 2
18
Hen te zijn, Hen te zien, Hon te omhelzen, pu mijn hart geheel en ai te verzadigen aan eene eeuwige en nooit onderbroken l:efde tot Hen en aan de zalige vreugde over Hunne oneindige goedheid en heerlijkheid! I]n zoo ik naar Hen verlang, waarom vrees ik dan zoo bijzonder den dood'? Waarom verlang ik niet veeleer daarnaar, als naar den noodzakelijken weg om te komen bij de drie Goddelijke Personen, die ik, gelijk ik meen, oneindig meer bemin dan mijzelf en dan alles wat Zij kunnen scheppen? Welaan dan, o ziel, sol iep toch eindelijk den moed, die een kind Gods, een broeder van Christus, een kind van Maria betaamt ; verlang met den H. Cyprianus spoedig uit deze wereld te vertrekken om spoedig bij uwe allerliefste ouders en allerbeste vrienden te zijn , om spoedig hen te aanschouwen in het zalig licht der glorie, om hen met eeuwig bestendige liefde in alle vreugde en genot te beminnen. Avid a cupiditate pro per emus el opt emus ut cito ad S. Trinitatem, ad C/im-tum, ad Mariam venire coutinrjat.
(5. Wat ik hier zeg, beminde lezer, moet niet zoo verstaan worden, alsof ik wilde loeren, dat de volmaakte liefde tot God niet kan samengaan met vrees voor den dood. Zulk eene leer zou valsch en niet christelijk zijn. Mijne bedoeling was alleen deze: u en mij op te
19
wekken en aan te moedigen om de vrees voor den dood kloekmoedig te overwinnen, zoo wij haar niet geheel kunnen verdrijven, en wel zoo te overwinnen, gelijk de H. Augustinus ons vermaant, dat de vrees voor het sterven, hoe groot zij ook in ons moge wezen, inderdaad wijke voor de zoete kracht der goddelijke liefde. Deze moet ons meer bewegen den dood te wenschen en af te wachten ais den overgang' tot liet aanschouwen en
o o o
nieten van de H. Drievuldigheid, van Christus, van Maria, dan de natuur ons aanzet om den dood te duchten. Molestia quantacumquc sit mortis, debet illam vincere vis amoris.
7. Zoudt gij, godvruchtige christen, u niet schamen meer prijs te stellen op de vereeni-gingvan uwe ziel met uw bederfelijk vleesch, dan op hare glorierijke vereeniging met uw God? Zoudt gij u niet schamen hier op aarde zoozeer aan iets verkleefd te zijn, dat daardoor in u het verlangen naar de vereeniging in de glorie met uw lieven Jezus en uwe beminde Moeder Maria verminderd werd Hoe dikwijls hebt gij niet in het gebed, in dc meditatie, bij de H. Communie aan de drie Goddelijke Personen verklaard en betuigd, dat gij Hen uit geheel uw hart en uit alle krachten uwer ziel bemint! Ho;; dikwij!s hebt gij niet dc H. Moeder Gods verzekerd, dat gij Maar
20
oin Htire ik zou bijna zeggen oneindige waardigheid, na God hoogaclit boven alles; dat gij Haar meer dan alle andere schepselen liefhebt, als de allervolmaakste en de allerbeminnelijkste door den glans harer deugden, als het bevoorrechte kunststuk der genade en der natuur. Zoudt gij nu die verklaringen en betuigingen van weleer willen herroepen of vernietigen? Neen. Maar waarom verlangt gij dan niet spoedig bij die beminde personen te zijn , die gij thans nog zoozeer bemint? Is onder alle minnende harten uw hart misschien het eenige, dat geen ongeduld gevoelt, geen geweld lijdt bij de afwezigheid van hetgeen het oprecht liefheeft? David beminde] vurig zijn Schepper en God, en daarom riep hij tot Hem : ïgt;o mijn Heer, gelijk het hert smacht naar de waterbronnen, zoo verlang ik naar U; O, wanneer zal ik tot U komen, wanneer zal ik voor Uw aangezicht verschijnen!quot; Paulus beminde innig zijn Jezus ; en daarom drong de liefde zijne ziel om te wenschen van dit vergankelijk vleesch ontslagen te zijn. Bernardus beminde hartelijk de Moeder Gods, hij beminde Haar boven al wat God niet is, of niet persoonlijk met God is vereenigd ; en daarom kon hij aan zijne beminde en glorierijke Koningin niet denken zonder naar den Hemel op te zien en Haar feeder toe te roepen; »0 Lieve Vrouwe,
21
mijne oogcn sclireien tot U; o trek mij tot U in den geur Uwer zoete balsems. Ad Ie, Domino, mm, slillant ocuU mei; tmhe me post te in odorem ungventoncm tuoram.
III-
EKN GOK 11 CHRISTEN' VOF.I.T EEN' BIJZONDER VER-LAMOEN OM IN' DE GLORIE IU.1 DE MOEDER GODS TE ZIJN.
i. Men zegt gemeenlijk, lioewel in figuurlijken zin, dat liet leven van den mensch bestaat in datgene, wat hem het meest behaagt en waarvoor zijn hart liet warmste klopt. In dien zin roept de H. Augustinus de II. Drievuldigheid aan als «zijn leven,quot; als »zijn zoet en minnelijk levenquot;: o vita men! vita mea didcis et amahilis! In denzelfden zin vraagt tie 11. Bernardus: »Wat is zoozeer het leven der harten als mijn Heer Jezus?quot; Quid lam cordhcm vita quam Dominus mens Jesus? Eveneens in dien zin noemen wij, katholieken, de Moeder Go.ls »ons leven,quot; gelijk wij Haar noemen sonze zoetheidquot;: Vita, dulcedo nostra. Waarlijk dat zijn de drie zoetste levens onzer zielen. Wij weten en belijden, dat er tusschen God en de Moeder Gods een groot, ja oneindig verschil is in goedheid en beminnelijkheid; maar dat belet ons niet de H. Maagd te erkennen als ons leven, en als de persoon , die na do drie Goddelijke Personen het meeste waardig is bemind te worden met liefde van
23
welwillendheid en vriendschap en met den aandrang van reine begeerlijkheid. Inderdaad wanneer de II. Drievuldigheid had vastgesteld, den mensch niet door het licht der glorie tot het aanschouwen van het Goddelijk Wezen lo verheden, en hem zelfs de glorierijke mensch-heid van den Zoon Gods niet te laten zien; maar wanneer Zij het eeuwig geluk en de eeuwige vergelding had doen hestaan in het ecuwig bijzijn der glorierijke Moeder Gods, in do genotrijke vreugde van Haar in Hare groote heerlijkheiden in al de schoonheid van Hare zalige ziel en van Haar zalig lichaam te aanschouwen, en in de deelneming aan de zaligheid en de blijdschap, waarmee Zij allen, die bij Haar zijn en Haar aanschouwen, door do troostvolle uitstorting Harer onuitsprekelijke zoetheden zoo rijkelijk vervult; dan nog zouden wij ons zeer gelukkig moeten achten en , gelijk de H. Eplirem '/eer wel zegt, «Maria iiiinzien ais de groote be-looning onzer glorie: Mtujnum (jlorin; nostra; pnemium Maria. Emissiones ejus paradisus.
2. In dat geval zouden wij de Goddelijke natuur niet aanschouwen; maar wij zouden zien sliet beeld van Go.! en de afstraling dei-Godheid ,quot; gelijk de HH. Augustinus en Methodius Maria noemen: Forma Dei, simulacrum divinilatii. Wij zouden de drie Goddelijke Personen niet amschouwen; maar wij
24
zouden zien «de allerliefste Dochter en tevens den scliat der liefde van God den Vader:quot; Filia prcedilecla, et thesaurus amori* hei Pair is. (Method.) Wij zouden zien «de ware Moeder van God den Zoon,quot; dc qua nalus est Jesus. Wij zouden zien ))de allerschoonste Bruid van God den H. Geest, Bruid vol van genade en geheel en al zoet door den geur der Goddelijke liefde,quot; sponsa et pmlum fiagrantia; Sjiiritus sancti. (Chrys.) Wij zouden zien de aangenaamste rustplaats der H. Drievuldigheid, Tricliimim et requis Trinitatis. (Bonav.)
3. Het is waar, de vreugde, die uit de aan« schouwing van Maria voortspruit, is niet in staat om de gelukzalige zielen volkomen te verzadigen; want de volle verzadiging komt alleen voort uit de genieting van het opperste Goed. Maar dat neemt niet weg, dat de eeuwige aanschouwing van de Moeder Gods in Hare heerlijkheid met deelneming aan Hare zuivere en onbegrijpelijke geneugten veel meer en grooter vreugde schenkt, dan het eeuwig bezit van deze aardsche wereld, van den hemel en van alles, wat buiten de H. Drievuldigheid en Christus aangenaam en beminnelijk is. Denk u, zegt de H. Bonaventura, denk u »al wat na God in de heerlijkheid het schoonste, het liefelijkste en het aangenaamste is; dat is Maria, dat is in Maria, dat is door Maria.quot;
25
Quidqiiid post Deum pulcltrins, quidquid dulcius, quidquid jucundius in gloria, hoc Maria est, hoc in Maria, hoc per Mariam est. »Met wien dan of waarmee zullen wij U vergelijken, o Moeder der schoonheid; Gij zijt de schoonheid boven alle schoonheden; Gij overtreft aarde en hemel in bevalligheid en be-koorlijkheid; Gij zijt waarlijk de lusthof van den ahnogenden God, die, als oorsprong van alle liellijkheid en zoetheid, U mot al wat zoet en liellijk is overvloedig heeft begiftigd.quot; Cili assimilabimus te, o Maler pulchritudinis! cere paradisus Dei es tu (Bern.), in qua cu-mulavit o)nnes delicias deliciarum Dotninns. (Petr. Dam.)
4. liet verwondere u niet, lezer, dat de heiligste en verstandigste schrijvers de goedheid en liellijkheid van Maria zoo groot achten en zoo hoog verheHen; want al wat zij van Haar zeggen of zelfs kunnen zeggen, is naar hun eigene bekentenis onvoldoende om de beminnelijkheid eener Moeder Gods uit te drukken. »Zij is noch god, noch godin, zegt de H. Basilius, maar wanneer gij u, buiten het denkbeeld van godheid, uitdenkt en voorstelt al wat heilig, verheven, zoet, liellijk, lofwaardig, aangenaam, bekoorlijk is, en gij kent Haar dat alles toe, dan zult gij niet dwalen; maar gij dwaalt, wanneer gij meent
20
daarmede de grootheid Harer volmaaktheden en zoetheden volkomen begrepen te hebben. Daarom is het bij ons, katholieken, boven allen twijfel verheven, dat de HH. Engelen (behalve de vreugde , die zij uit de H. Drievuldigheid en uit de Menschheid van Christus genieten) in niets grooter geluk smaken dan in de Moeder Gods. Wij, menschen, zullen nochtans in Haar eene bijzondere vreugde scheppen. Want gelijk het voor ons een bijzonder geluk en eene bijzondere eer is dooi- de genade aangenomen kinderen der H. Maagd te zijn , zoo zal het voor ons eene buitengewone vreugde en glorie wezen Haar als onze Moeder zoo hoog mogelijk verheven te zien, Haar eeuwig te beminnen met kinderlijke liefde en door Haar met moederlijke liefde eeuwig bemind te worden. Een recht geaard kind stelt op de glorie zijner lieve moeder evenzeer prijs als op de zijne; het beschouwt die als of het de zijne was. Daarom zullen wij eene bijzondere vreugde uit Maria scheppen. Want behalve de dubbele blijdschap, die wij met de HH. Engelen zullen deelen, van die verheerlijkte Maagd als onze allerliefste Vrouwe en allerbeste Vriendinne te aanschouwen, zal voor ons daarbij een andere vreugde uit onze kinderlijke liefde voortvloeien, omdat wij Haar ook als onze allerminnelijkste Moeder in zoo verheven eene glorie zullen zien.
Juist omdat Maria Moedor is, aldus oordeelt de Seraphijnsche Leeraur, zal de eeuwige blijdschap, die do zalige zielen uit hare verhevene glorie zullen genieten, zoo groot zijn. Maria Maler bealorum gaudium plenum, staluet fdios sifos suh ter/mine illius et in y lor ia ejus requiescent.
5. Niemand kent de volmaaktheid en beminnelijkheid der H. Maagd zoo goed als Christus; niemand geniet de zoetheid en aangenaamheid van Haar bijzijn met zooveel blijdschap als Hij. Reeds hier op aarde wilde Hij voortdurend bij de H. Maagd wezen ; in Zijne kindschheid aan Hare borst, op Haren schoot of slapend onder Hare schaduw ; op verderen leeftijd aan Hare zijde, in Haar gezelschap, in Hare tegenwoordigheid. »Hij was zoo door Hare lieIIijk-heid ingenomen, schrijft de H. Ambrosius, de liefde had Hem zoo aan Haar gehecht, dat Hij van Haar niet kon scheiden , noch van Haar afwezig zijn zonder zich geweld aan te doen.' Jesus ejus sic irreliebatur amore, ut, nisi sibi vim inferret, ab ea exirc. non posset.
6. Christus heeft op bijzondere wijze aan zijne uitverkorene broeders en zusters die kinderlijke liefde geschonken en medegedeeld, waardoor zij reikhalzend verlangen om bij Maria hunne lieve Moeder te zijn. Uie liefde deed den H. Petrus Damianus tot Haar ver-
igt;8
zuchten : »0 Maria, men kan aan U niet denken zonder inwendige zoetiieid. Maar als het voor uwe kinderen reeds zoo zoet is aan U te denken , hoe zoet zal hot dan zijn LT onmiddellijk te aanschouwen!quot; Si tam daleis mc-moria, quid praesentin! «Maak dan, hid ik U, o allerliefste Moeder, maak, dat ik U weldra aanschouwe; trek mijne ziel tot U; buiten God zal het mijne hoogste vreugde en glorie zijn U met kinderlijke liefde aan te hangen en eeuwig te rusten in het onverstoorbaar genot van Uwe zoetheden en geneugten.quot; In-tueamur te; quia summa gloria est in tuae possessionis munimine demorari.
7. Volgens het gevoelen van den II. Au-gustinus »geeft in den hemel niemand den naam van Vader aan den persoon, die hem naar het vleesch heeft voortgebracht.quot; De banden der natuur worden daar bijna niet geteld in vergelijking met de banden der genade en met de titels, die uit de bovennatuurlijke geboorte of aanneming tot kinderen volgen. Daaruit besluit dezelfde H. Leeraar, dat de Zaligen in den hemel niemand Vader noemen dan alleen God : In coelo nemo genitoribus terrestribus dicit: Pater mens! Sed om nes uni Deo: Pater nosterl Zou ik daaruit ook niet mogen besluiten, dat men in de hemelsche heerlijkheid aan niemand den zoeten naam
29
van Moeder geeft dan alleen aan de H. Maagd In de orde der genade is Zij zeker Moeder der christenen en nog veel meer «Moeder der Uitverkorenen en der Heiligen.quot; Maler eluc-tomm. Mater Bealorum. (Bonav.)
8. Met dergelijke gedachten trachtte de H. Hiero'iyimis de groote droefneid te verdrijven , die de H. Paula had overvallen bij den dood van hare beminde dochter Blesilla. »0 moeder , aldus laat de Kerkvader de afgestorvene spreken, waarom /ijt gij zoo bedroefd om mij.' Meent gij, dat ik tengevolge van den lichamelijken dood verlaten en alleen ben gelijk eene wees zonder moeder? Verblijd u liever; want ik ben nu bij eene veel zoeter moeder: ik heb in uwe plaats de Moeder Gods.quot; Patas me esse solam'! Ilabeo pro te Mariam Matrem Domini. Op gelijke wijze wekt dezelfde Leeraar eene andere dochter van de H. Paula, de H. Eustochium op, om veeleer naar den dood te verlangen dan hem te vreezen. »0 hos gelukkig, schreef hij haar, zal de dag zijn, waarop Maria, uwe Moeder en Moeder des Heeren, vergezeld van het koor der maagden, uwe ⢠ziel te gemoet zal komen om haar te ontvangen, zoodra zij van het lichaam is gescheiden!quot; Quails erit illa dies, quando Mater Maria choris occurret co-mitata virgineis!
SO
9. De H. Stanislaus Kostka verlangde en haakte er zoo vurig naar om bij zijne allerliefste Moeder Maria te z'y'n , dat liet groote geweld zijner kinderlijke liefde en de drift van Haar te zien, hem in zijne teedere jeugd zoet verteerde en uit liet leven wegrukte. En wij, beminde lezer, wij. die nu zoo lang hebben geleefd en van onze jeugd af tot nu toe ons beroemen onze allerbeminnelijkste Moeder Maria te beminnen; zullen wij ons eindelijk niet schamen, dat wij meer vrees voor den dood koesteren dan verlangen om onze na God boven alles beminde Moeder te zien? »0 Maria, mijne oogen beginnen tot u te schreien; Gij hebt eindelijk mijn hart gewond; mijne ziel is al te verlangend om Uwe glorierijke schoonheid te aanschouwen; o, laat mij U zien.quot; Vuluerasti cor meum. Ihdchritudinem tuam nhnium desiderat anima mea! Oslande mihi facien tuam. (Aug.) Ik \veet,o zoete Maagd [ dat ik Uw verheerlijkt aanschijn niet kan zien zonder terstond door den al te grooten stroom Uwer zich uitstortende zoetheid te smelten en te sterven. Welaan, laat mij u zien om te sterven; laat mij spoedig sterven om U eeuwig te zien. Eja Maler ! videam te ut moriar; mortar ul te videam. (Aug.)
IV-
IIET VKRL VN'GIJN OM lil.l CHRISTUS TE ZIJN.
1. Ãt; Joden hadden gehoord, dat Jezus-Lazarus van de dooden had opgewekt, en daarom kwam eene groote menigte tot Hem, en verscheidenen uit andere volken, die door liet groote aantal omstanders verhinderd â waren tot Jezus te naderen, «gingen naar Philippus en vroegen hem zeggende: Heer, wij wenschen Jezus te zien : Domine, volumus Jesum videre. (Joan.XII, 21.) Godminnendezielr dat volk kende toen den Zaligmaker niet zoo,gelijk gij Hem thans kent door liet geloof. Waart gij met de kennis, die gij nu van Jezus hebt, toen te Jeruzalem geveest, wat zoudt gij geweld gehruikt hebben om door de menigte der Joden heen te dringen en zoo bij Jezus te komen, llem te zien en Zijne voeten te kussen! Een brandende ijver zou u zeker gedrongen hebben onder Zijne omhelzingen uit te roepen: »lk heb gevonden, dien mijne ziel bemint: mijn Jezus, mijn schat, mijne liefde, mijn wellust, mijn al, dien ik meer bemin dan al mijne andere vrienden, meer dan al mijn ander goed, meer dan mijzelven.quot; Inoeni
32
'jiinm ditigit anima mea plus quam meos, plus quam mea, plus quam me. (Bern.)
2. Wanneer uwe ziel haar Jezus zoozeer bemint, dan wenscht zij ook door liet vleescli, dat haar insluit, te kunnen heendringen, ten einde tot haar Welbeminde te gaan. »De godminnende zielen, zegt de H. Bernardus, worden door hun lichaam verhinderd dat, wat hun het dierbaarste is, te genieten; daarom wenschen zij er van gescheiden en ontlast te worden, om de armen en de omhelzingen van hun allerlief'sten Zaligmaker in te vliegen.quot; Propterea cupiunt dissolvi, ut corpore levatce, Christi avolent in am plexus. Dezelfde Heilige ondervond die waarheid: want hij beminde zijn Zaligmaker; en daarom was hij verlangend bij Hem te zijn. «Waar kan men tevreden, waar kan men wel zijn zonder Jezus!quot; Ubi enim bene sine Jesu! »0 Heer, roept hij uit met den profeet, mijn verlangen is U bekend en mijn zucht is U niet verborgen; ik besproei eiken nacht mijn bed met mijne tranen. Wat toch kan mij hier beletten of weerhouden dikwijls te weenen en dagelijks te zuchten over de afwezigheid van mijn Zaligmaker?quot; Quidni moe eat mihi crebras lacrymas et ge-mitus quolidianoi Christi absentia.
'3. De H. Catharina van Senen beminde Jezus; daarom brandde zij van verlangen bij
«J.»
Hem te zijn en Hem te zien. En omdat zij â wist, dat men Hem eerst na den dood volmaakt kan aanschouwen, daarom haakte zij naar den dood. Zij riep hem in, smeekte, vleide hem met zoete woorden , dat hij zich zou haasten haar den weg te openen tot den beminden Jezus. Niet minder vurig verlangde de II. Augustinus onthouden te worden en met â Christus te zijn. Hij klaagde, zuchtte, weende, â¢en als vervoerd door de kracht zijner liefde liep hij tot den Zaligmaker: »0 vreugde mijns harten, mijn Heer, mijn Jezus! Waar zijt Gij, hid ik U, waar zal ik Li vinden? Waar verbergt Gij U? Waarom onttrekt Gij mij Uw minnelijk aanschijn? Zoo Gij mij zegt, wat eertijds aan Mozes gezegd werd, dat ik U niet kan zien zonder te sterven; welaan laat mij dan aanstonds sterven, want ik verlang naar den dood om U te zien. Gij hebt eens tot oen ieder gesproken: zoo iemand dorst heeft, dat hij kome tot Mij. Minnelijke Jezus, ik heb dorst. Mijne ziel is door een liefdesschicht van U getroffen. Zij is te zwak om tot U te komen, trek haar tot U. Verte ml do )r brandenden dorst smacht zy naar U als de bron harer verkwikking en zaligheid.quot; O C iriüe, sagitasti cor meum c'iantule tua. Anima mea tui desiderio saucia csl, te pn; salulis font cm ardenter sitit.
LANG LEVEN. 3
rü
4. De Leeraar der goddelijke liefde voelt zijn ijver aangroeien; en aan zijne liefde tot Jezus den vrijen loop gevend geraakt hij, zou men haast zeggen, als in doodstrijd. »() mijn-lieve Heer, roept hij uit, is het mogelijk i' te kennen en niet verlangen bij U te zijn? Kom dan, o Jezus, kom! Haal mijne ziel; zij. wil U zien, zij wil U omhelzen. Want Gij zijt zoeter dan alle zoetheid, vreugdevoller dan. alle vreugd. Wat toch kan hier op aarde, ja wat zelfs in den hemel haar geheel en al voldoen, zoolang zij U niet aanschouwt, U niet geniet? Gij zijt haar aangenamer dan al wat op aarde is; Gij zijt haar dierbaarder en beminnelijker dan de hemel en al wat in den. hemel geschapen is.quot; Veni, Domine Jem! veni; lu omni voluptate dulcior, tu ipso ccvlo-et omnibus quce in eo sunt, mihi acceptior et amabilior.
5. Zoo is het, godvruchtige ziel. Onze Jesus is liellijlc boven alle liefde, zoet boven alle zoetheid. Hij is God en mensch ; Hij is de-ongeschapene en tegelijk de geschapene zoetheid; Hij is honigzeem uit God Zijn Vader, honigraat uil de Maagd Zijne lieve Moeder. Met est de Deo Palre, favus de Virgine Matre. (Bern.) De Engelen hebben zoo vele jaren het geluk gehad Hem te aanschouwen en zich aan Zijne geneugten te verzadigen : en wij zouden naar
dat geluk niet verlangen'? wij , die Hem nader bestaan dan de Engelen ? wij Zijne bloedverwanten? wij, die ontvangen zijn in Zijn Hart en geboren uit Zijne doorsto-kene zijde? Hij heelt niet de natuur der Engelen aangenomen , maar de onze. Hij heeft niet voor de Engelen zijn dierbaar Bloed ge.stort, maar voor ons. Heelt Hij de Engelen bemind, ons heeft Hij veel meer liefde bewezen. »Voor ons heeft Uij zich ter dood overgeleverd.quot; O ziel! wat vriend heeft ooit voor zijn vriend of vriendin, wat bruidegom ooit voor zijne bruid zooveel gedaan, zooveel geleden, als Jezus voor u gedaan en geleden heeft? «Heeft Zijne brandende liefde Hem zoo dorstig gemaakt naar u, waar is uwe wederliefde, waar is uw dorst naar Hem.'quot; Imitetur fidelis anima sponsum suum Jesum süientem, sitiat quoque et ipsum, ex jus dv.l-cedine Angeli inebriantur. (Bern.)
(gt;. Beminde lezer, wanneer God u op dit oogenblik gelijk eertijds aan Salomon zeide: »Vraag wat gij wilt, opdat ik het u gevequot;; wat zoudt gij vragen? Een lang en genotrijk leven, een hoogen staat, alle goederen der geheele wereld, alle vermaken, die het vleesch kan begeeren? «Wilt gij dat, zegt Bernardus, ik niet: ista nolo. Vraagt gij misschien om het gezelschap der Heiligen, het aanschouwen
36
dor Engelen? Vraag zulks , liet slaat n vrij; maar ik vraag Jezus zelf: ipsum pc.to Jesum.quot; Al wat schoon is, lieflijk en aangenaam, is zonder Hem niets voor mij. Viln esl quidquid sine ipso est. »Hij is mijn Jezus! de mijne zeg ik! o ware Hij de mijne!quot; Meusüle Jesus, meus inquain, el uiinam mem! Zou men niet mcenen, dat die beminnelijke Heilige zich tegenspreekt.' Bernardus, is Jezus de mve.J Waarom wensclit gij dan, dat Hij de uwe zij ? Jezus is de mijne, antwoordt hij, door Zijne belofte en mijn vertrouwen; Hij is de mijne, door mijn verlangen, mijne achting, mijne liefde; maar Hij is de mijne nog niet door werkelijk bezit, sik acht en erken Hom als mijn schat, maar daardoor ben ik nog niet rijk; want men wordt niet rijk door de kennis of door de waardeering van een schat, riaar door het bezit er van. O gelukkige, o zalige rijkdom, Jezus te bezitten in alle eeuwigheid !quot; O fclices divitiae, o bentae qpes possidere Jesum !
1. Wanneer, o mijn lieve Zaligmaker, roept dezelfde Leeraar uit, wanneer zal ik U genieten ! Gij hebt ons beloofd, «dat Gij na weinig tijds tot ons zult komen, en dat wij U weldra zullen zien?quot; Modicum el videbitis me. O weinig, weinig! o langdurig weinig! O modicum longum! »Goede Jezus, ik eer en
37
aanbid Uw heilig woord ; maar toch de tijd, dien Gij weinig noemt, is voor mij te lang, veel, veel te lang. Ik begrijp wel, wat Uwo Lcfde met mij voorheeft: Gij wilt mij langer laten leven , opdat ik U zon navolgen in het lijden en aldus mijne verdiensten vermeerderen. Inderdaad Gij zijt voor mij het toonbeeld van het lijden, maar Gij zijt voor mij ook de belooning van verdiensten; tot beide dr ijlt mij de liefde: gaarne wil ik U navolgen in het lijden; maar â mag ik het bekennen? â ik heb U nog liever te genieten.quot; Lïbenter te snquor, libentius fnior.
8. sliet is gelukkig sterven, zegt, de H. Au-gustinus, als men oprecht hartelijk vvenscht ontbonden te worden om Christus te genieten.quot; Dat kan niet anders. Als Jezus onze schat is, waarnaar wij verlangen in het leven ; dan is Hij ook het voorwerp van ons verlangen in het stervensuur. Hoe nrelukkipr is het dau het
O O
beeld van zijn gekruisten Zaligmaker te beschouwen en te kussen, wanneer men Hem eerst zijn gansche leven of langen tijd heeft vastgehecht aan zijn hart! Naar wien of waarnaar zal de christen dan het vurigste verlangen zoo niet naar Jezus, dien hij in dagen van gezondheid bovenal geacht, bovenal bemind, bovenal begeerd heeft. Toen men den H. Joannes Bei ch-niansop zijn ziekbed zijn naderend einde aankon-
digrle, riep hij uit: »0 blijde tijiling!quot; en zijn kruisbeeld in de hand nemende sprak hij liet met deze woorden aan: «Mijn Heer en zoete Jezus! Gij weet, dat ik in mijn leven niets anders verlangd heb te bezitten dan U, dat ik geen ander goed heb dan U, die het middelpunt en de rust mijner ziel zijt, de God mijns harten, mijn erfdeel voor alle eeuwigheid.quot; Wat had de 11. Franciscus Borgias in zijn leven bemind en begeerd buiten Jezus'/ Maar daarom waren ook op zijn uiterste de vurigste verlangens van zijn hart onafgebroken op Jezus gericht. Dan verdroot het hem van iets anders te hooren spreken dan van zijn lieven Zaligmaker of van iets, dat Hem aanging. Zoo vaak men uit passende bezorgdheid vroeg, of hij tot verlichting en opbeuring in zijne ziekte iets wilde of iets noodig had, antwoordde hij telkens: sik wil niets anders dan Jezus, ik begeer niets anders dan Jezus, ik heb niets dan Jezus noodig.quot; Nihil volo printer Jesum, nihil desidero prceter Jesum , *olo Jesu in-dirjeo.
9. Het was ook uit verlangen om bij Jezus te zijn, dat de eerste christenen zoo heldhaftig den marteldood inliepen. Evenals Paulus telden zij hun leven en al het aardsche voor niets om hun Zaligmaker te winnen. »Sla, kerf, brand ons, riep de edelmoedige Quirinus
39
tot don tiran, pijnig, dood ons op wat wijze gij wilt; wij zijn even bereid, even verlangend naar den dood om Christus te genieten, als do hongerige naar brood om zich te verzadigen.quot; Niet geringer was de vurigheid van flen H. Ignatius, Bisschop van Antiocliië. Toen 11ij naar Rome gevoerd werd om daar dooi' de beesten verscheurd te worden, was hij zoo verheugd en blij , »dat hij, gelijk de H. Hie-â ronytnus verhaalt, aan de Romemsche christenen schreef: o., ware ik nu reeds bij â de beesten, die voor mij bereid worden. God geve, dat zij niet dralen mij te dooden. Mochten zij misschien mijn lichaam, gelijk dat van andere martelaren niet durven aanroeren, â dan zal ik ze zelf' tegen mij aanhitsen. Ik ben nochtans bereid niet alleen om dooi' de beesten verslonden te worden. maar ook om hot zwaard, het rad, het kruis, alle soorten van pijnen en martelingen, die de duivel het verstand des tirans kan ingeven, gaarne te â¢onderstaan. Ignatius, vanwaar toch dat vurige verlangen naar den dood en wel naar een zoo wreeden, zoo ijselijken dood? Alleen om Christus te genieten.quot; Tantum utüiristofruar.
10. Christen I is uw Christus misschien veranderd? Is Hij nu minder beminnelijk, minder aangenaam, minder bekoorlijk, minder vvenscheliijk dan Hij was in de eerste tijden
40
van het christendom ? Of heeft Hij misschien voor de eerste christenen een droppel Uloed meer gestort, of Iets meer geleden, of iets meer gedaan dan voor u ? O neen, niet waar-Waarom hebt gij dan niet een zelfde vurig verlangen om Hem te zien, Hem te omhelzen en te genieten ? Komt dat misschien voort uit gebrek aan liefde tot Hem? Hoe? Bemint gij Hem thans daartoe niet genoeg, gij, die Hem van uwe teederste jeugd af door het geloof gekend hebt, gij, die Hem zoo menigmaal iii' uw leven erkend hebt als uw besten vriend,, uw kostbaarsten schat, als het voorwerp van-al uwe wenschen en begeerten ? Is het niet waar, dat gij Hem vroeger oprecht bemind hebt en u dikwijls, vooral in de H. Communie, bij Hem vriendelijk hebt beklaagd, dat uw hart te klein is om Hem te beminnen gelijk Zijne groote goedheid en beminnelijkheid verdient? Is het ook niet waar, dat gij Hem nog heden bemint uit geheel uw hart, meer bemint dan uw leven, dan u zelf, dan al wat niet God is ? Dat durft gij niet te loochenen, want uw hart zou u tegenspreken. «Welnu dan, roept uw medeminnaar de H. Augustinus ii toe; welnu, dat uwe ziel voortaan met alle kracht naar Jezus hake; dat zij Hem, den allerschoonste en beminnelijkste, boven alles verlange te genieten; dat zij naar Hem
41
zuclite, voor Hem gloeie, tiit Hem vüege. Omnia animae snspiria Christo anhdent ille unus pulcherrimus desiderelur, ad il lum curratur, illi ingemiscalw.
quot;Vquot;.
HET VERLAXGEX OM i)R II. DRIKVÃLDIGIIISrU TE AANSCHOUWEN.
1. Meen niet, beminde lezer, dut een brandend verlangen , alleen om Jezus te zien, genoeg is. Hij is God, ja, maar ook Zijn Vader is God. De 11. Philippus wenschte Hem te aanschouwen. «Heer, zeide bij , toon ons den Vader, en bet is genoeg.quot; Maar Christus berispte bem , niet omdat bij den \ader wenscbte te zien; maar, gelijk de H. Augustinus opmerkt, somdat bij zijn liefde en begeerte tot een enkelen Goddelijken Persoon beperkte, en niet evenzeer den Zoon en den H. Geest wenscbte te aanscbouwen, die zoowel God zijn als de Vader, en diensvolgens zoowel als de Vader verdienden bet voorwerp te zijn van zijne begeerten en verlangens. Die apostel beeft toen begrepen, dat men om volkomen zalig en ten volle verzadigd te zijn de H. Drievuldigbeid moet zien en genieten.quot; Boe est plenum cjaudium frui Trinüate Deo.
2. De H. Tbomas van Aquinen zegt, dat »de blijdscbap der gelukzalige zielen voortkomt uit eene zoete vereeniging met de H. Drie-
43
vuldigiicid.quot; Ibi gandimn animae esl ddcc-tabiliter uniri Sancta; Trinilati. ))Iii die ver-eoniging gevoelt de verheerlijkte ziel niet alleen, dat de drie Goddelijke Personen haar voortdurend beminnen en met alle zoetheid voortdurend omringen en omhelzen; maar zij gevoelt ook, zegt de engelachtige Leeraar, dat de Godheid met een onbegrijpelijken en volkomen verzadigenilen stroom van goddelijke geneugten zich in haar uitstort, haar en al hare krachten geheel en al doordringt en haar door den weldadigen gloed der geheeleH. Drievuldigheid als het ware doet smelten.quot; Dat is die «stroom van wellust en geneugtequot; dooiden profeet voorspeld, dien God beloofd en bereid heeft voor alle menschen, die in Zijne liefde sterven. Wie zou niet dorsten naar een stroom van zoo groote zoetheid, ))dat een enkele druppel, die daarvan in de hel zou vloeien, de bitterheid der verdoemden terstond zou verzoeten.quot; Si una giilta in in-fernum difjlueret, lolara clumnatorum arna-ritudinem didcorarnt. (Aug.)
3. Het gevoel van die instorting der H. Drievuldigheid met alle Goddelijke geneugten, hoewel onbegrijpelijk zoet, is nochtans niet het eenige en het hoogste genot der zalige ziel. Terwijl zij zich onuitsprekelijk verheugt, omdat God haar zoo minzaam bezit en zij
44
Hein zoo zalig geniet, schept zij eene andere en nog grootere vreugde uit de liefde, waarmede zij van haren kant de H. Drievuldigheid bemint. AA ant,gelijk de H. Thomas zeerwel opmerkt, »de zalige ziel is in het bezit van de volmaaktheid der liefde. Daardoor verheugt zij zich in de eeuwige en oneindige glorie van haar beminden God. En omdat zij Uem onvergelijkelijk meer bemint dan zichzelve, daarom heeft zij onvergelijkelijk meer behagen en grootere blijdschap over de oneindige zaligheid der H. Drievuldigheid dan over haar eigen heil en geluk. Magis gaudet beatiludine Dei quam sua. »De drie Goddelijke Personen, zegt dezelfde Leeraar, beminnen elkander, en wel zoo, dat de een den ander even krachtig bemint als zichzelf. Daarom heeft elk evenveel welbehagen en geluk in de anderen als in zichzelf.quot; Op gelijke wijze wordt de ziel, in zoover zij er vatbaar voor is, door do volmaakte liefde deelachtig aan de vreugde, welke de drie Goddelijke Personen in elkander genieten. »De genieting dier medegedeelde blijdschap is de volheid van de eeuwige vreugde der gelukzaligezielen.quot; Plenitudo ceterai gaudii est fruilio condelectationis Sanclcc Trinitalis.
4. O Drievuldige God! roept de H. Ber-nardus uit, o opperste Goedheid! o eeuwige Schoonheid! wat doet de mensch U een on-
45
recht aan. al.s !iij U niet Ijemint met de volmaaktste liefde, die hem door Uwe genade mogelijk is! Maar hoe kan hij zeggen IJ aldus te beminnen, als hij niet met het vurigste verlangen U verlangt te genieten. En
O O o o
kan hij zich vleien dat verlangen naar U te bezitten, als hij zijn hart niet voelt begeeren â en haken om bij U te zijn? »Ware zijne liefde tot ü waarlijk groot, dan zon hij zeker dikwijls naar U uitzien; maar zo.) hij niet dagelijks tot U zucht, dan is zijne liefde gering.quot; Paruin diligit, si quotidiu ad la non sus-piral. De honigzoete Leeraar heeft gelijk; want wie zal zeggen, dat een kind zijn vader op het volmaaktst bemint, wanneer men weet. dat het, na langen tijd van diens tegenwoordigheid beroofd te zijn geweest, niet verlangt hem te zien ? De Drievuldige God is onze vader, ja meer dan vader , zegt de H. Chry-sostomus; hoe kan ons geweten dan het getuigenis afleggen, dat wij Hem met de volmaaktste liefde beminnen, wanneer wij niet haken, noch zuchten naar Hem, noch ooiteen traan sterten uit kinderlijke teederheid en begeerte om Hem te aanschouwen, Hem te omhelzen en door Hem omhelsd te worden! Non enim perfecte nnmre convincitur, qui pro desiderio Mum viden li suis oculk lacnj-mas non largitnr. (Bern.)
40
5. Godvruchtige lezer, gij moet u niet beangstigen door de vrees, dat gij de H. Drievuldigheid niet zoo bemint als noodig is om den hemel te bekomen; want de HH. Leeraars, die ik hier aanvoer, spreken niet van die liefde, welke noodzakelijk en tevens voldoende is voor de zaligheid; maar van eene bijzonder vurige liefde, ;)die zoo sterk is als de dood ; van eene liefde namelijk, die door haar geweldig brandenden gloed de ziel aftrekt van de buitensporige genegenheid tot het vergankelijke leven, gelijk de dood door zijn geweld de ziel van het lichaam scheidt.quot; Fort is ut mors di-lecl io.
0. O christenen! roept ons de Leeraar der goddelijke liefde toe, hoe gelukkig zouden wij zijn, wanneer wij door tie kracht der genade-het altijddurende leven zoo vurig beminden, als de mensehen door tie aandrift der natuur het vergankelijke liefhebben. Velen zouden wel willen, dat dit aardsche leven in plaatsvan vergankelijk eeuwig ware; omdat het hun een gelukkig leven toeschijnt. Maai- hoe kunnen zij gelukkig leven, zoolang Gij, o Drie-vuldige God, hen niet geheel en al bezielt door die volmaakte vereeniging, waarmede Gij Uwe uitverkorenen in den hemel aan U hecht, en waardoor Gij hen bezit gelijk de ziel het lichaam! »Gij alleen immers zijt het.
47
eeuwig leven , het zalig leven, liet zoet etif beminnelijk leven. Daarom verlang ik brandend naar IJ, om door U ten volle verzadigd te warden en eeuwig te kunnen zeggen : hal is genoer/.quot; Fel ie aelemilas, Jieala '1 rinilas ! Vilain beatam iiKaero, la quaero; ut sil heat a vita mea tola plena la, quia non est mild baa la, donee dicam: sal est.
7. Brandt ook in u zulk een verlangen, godminnende ziel? Ik noem u r/odminnend; omdat gij God waarlijk bemint, en genoeg bemint om alle zonden te willen vluchten; maar is uwe liefde zoo sterk, dat gij spoedig zoudt willen sterven, om des te eerder Hem in Zijne glorie te zien en te omhelzen ? Neen. Wat meer is: zulke begeerten hebt gij misschien zelfs niet in die gelukkige oogenblikken, dat gij het best gestemd zijt: wanneer gij bij de 11. Communie of in een vurig gebed den vrijen teugel geeft aan uwe liefde tot den Drievuldigen God! Neen, zelfs dan niet. Waarom niet? De H. Augustinus voorkomt u met het antwoord: gij verlangt niet door een spoedigen dood zoodra mogelijk de II. Drievuldigheid te aanschouwen , omdat gij Haar nog niet met de volmaaktste liefde bemint. «Want eene ziel, die door zulk eene liefde geheel aan God gehecht is, vreest niet den dood, maar wenscht en verlangt er naar.quot;
48
Anima si se totam am ore converlerit ad Dc.um, mortem non rnodo non limehit, sed -desiderabit; aliter non probalur perfecta charitas, nisi cum coeperit dies (mortis) de-siderari.
8. De H. Augustinus wil niet loeren, dat er geen volmaakte liefde Gorls kan bestaan met eenige vrees of afkeer voor den dood; integendeel liij erkent, »dat vele godvruchtige christenen dien natuurlijken afkeer tot het laatste toe behouden, en toch waarlijk heilig sterven. Want ofschoon voor hen de dood vreeselijk en hitter is, aanvaarden zij hem nochtans met cene ootmoedige en kinderlijke onderwerping van zichzelf aan den wil en aan de voorzienigheid Gorls, en ondergaan hem met geduld en groothartigheid.quot; Cum patienlia moriunlur el adkibenl forlUudinem ut sequantur volunlalem Dei. Maar hij meent, dat dezulken minder volmaakt zijn â dan diegenen, die uit liefde zoo brandend verlangen om bij hun bovenal beminden God te zijn , Hem te zien en te omhelzen , dat zij gaarne en blijde sterven; want voor hen is dit lichamelijke en aardsche leven bitter en pijnlijk, omdat het hunne ziel belet tot haar Schepper op te vliegen. Zij beschouwen dan den dood als een vriend en weldoener, om-â dat hij dat beletsel wegneemt. «Wanneer de
49
christen, zegt dezelfde Kerkvader, door de goddelijke genade tot zulk eene brandende liefde verheven is, beoefent hij geduld in het leven; want het leven valt hem zwaar en verdrietig. Doch sterven doet hij niet met geduld, maar met vreugde; omdat de dood hem welkom is.quot; Non patienter rnoritur; sed pa-tienter vivit, delectabiliter rnoritur.
9. De volmaaktste onder al degenen, die ooit door de kracht der goddelijke liefde met vreugde zijn gestorven , en in den loop der tijden met vreugde nog zullen sterven, is zonder eenigen twijfel de H. Maagd Maria. Want, gelijk de H. Anselmus na vele andere Kerkvaders schrijft, «zij is zacht ontbonden en verteerd door den hevigen gloed en de geweldige vlammen der liefde, waarvan zij tot de 11. Drievuldigheid was ontstoken.quot; En geen wonder, daar zij, volgens het gevoelen van den H. Thomas en van andere leeraars, »in haar leven de drie Goddelijke Personen meer beminde, dan alle andere redelijke schepselen samen Hen ooit bemind hebben en ooit zullen beminnen.quot; De Gelukzalige Petrus Canisius, die groote verdediger van den naam en van de
O D
vereering van Maria, verlangde eveneens op Haar voorbeeld vurig naar den dood. In zijne laatste ziekte gaf hij op de vraag , hoe hot met hem ging, ten antwoord: «Goddank, hot
LANG LEVEN. 4
50
gaat sleclitei';quot; daardoor te kennen gevende, lioe vui'ig hij verlangde spoedig bij zijn beminden Schepper te zijn. De H. Teresia moet ook wel met vreugde gestorven zijn; want zoo dikwijls zij de klok hoorde slaan, zeide zij met blijdschap: »0 gelukkig teoken! gij verheugt mij met de tijding , dat ik weer een uur dichter ben gekomen bij liet oogenblik, dat ik mijn lieven God ga genieten.quot; Even vuriir en krachtig was de liefde van den M. Bernardns, en hij wenschte haar in allo harten uit te storten. «Brandt toch, roept hij allen toe, brandt van gloeiende liefde tot den Drievul-digen God; beschouwt een lang leven hier op aarde als pijn en smart; verlangt smachtend om spoedig uit deze ballingschap naar het hemelsch vaderland te vertrekken.quot; .!/â -deas ejus desiderio ; longitudinem prwseniis vilce pcenam aeslimes; exire de hoe sceculo festin es.quot;
10. De honigzoete Leeraar wist wel, dat het gemakkelijker is een ander het goede aan teraden dan het zelf te verrichten; maar hij was dooi' de goddelijke genade te ootmoedig om oen ander lot eenige volmaaktheid te durven vermanen , die hij zelf niet wilde beoefenen. Ten blijke zijner oprechtheid riep hij tot God : «Heer, Gij weet, dat mijne ziel bedroefd isT omdat zij U niet aanschouwt. Ik bemin U, o
51
mijn Al! Ik heb U lief, ik wensch uit al mijne krachten U in de glorie te omhelzen; ik wil niets anders, ik zoek niets anders, ik wensch niets anders dan 1' te zien en U te genieten.quot; Amo te Deus mens! düigo Ie, tolls viscp.ribus concupisco te. Nihil aliud volo, nihil aliud quaero , nihil aliud dcsidero nisi videre le.
quot;VI
TROOST l)r:R ZIELEN' IN' JJEZE ÃAELIXGSCHAI'.
1. Zoolang de godminnende ziel nog niet is bij de lieilige en beminlijke Personen, die zij als hare ouders zoo vurig wenscht te aanschouwen, lijdt zij wel is waar geweld; maar, als dat voortkomt uit de innige beweging der hoop, is het een troostrijk geweld. Waarlijk niet de groote zondaars, de vijanden van God, wenschen ontbonden te worden uit verlangen om spoedig bij de H. Drievuldigheid, bij Jezus en bij Zijne lieve Moeder te zijn ; integendeel zij vreezen om voor Hun aangezicht te verschijnen. Men moet juist vriend en kind van God zijn om door dat geweld der hoop gedreven te worden. En daarom is zulk een geweld een teeken , dat de ziel de volmaaktheid van de hoop der kinderen Gods bezit. De H. Paulus had haar bereikt en verheugde zich in haar. Gloriamur in spe fdio-rum. Dei. »Wij beroemen, wij verheugen ons in de hoop der kinderen Gods.quot; Had God misschien den Apostel door eene bijzondere openbaring verzekerd, dat hij onder het getal der kinderen Gods behoorde ? Neen ; immers hij maakt daar geen melding van zulk eene
53
verzekering. Maar hij gevoelde, dat het de kracht der hoop was, die hem deed verlangen God te zien en te genieten; en in die hoop verheugde hij zich; en hij verheugde zich in haar, omdat hij wel wist, dat die krachtige hoop niemand beschaamt en misleidt. Spes non con-fundit. «Zij beschaamt niet, omdat zij een vast vertrouwen instort, waardoor de H. Geest aan onzen geest getuigenis aflegt, dat wij kinderen Gods zijn.quot; Spes non confundit, quia infundil cerliludinem (moralem). Per liane Spiritus Sanelus testimonium perhibet spiritni nostra quod si mus filii Dei.
7. »Zijn wij kinderen van God, wij zijn ook Zijne erfgenamenen God zelf' is ons erfdeel. Zoo het u nu verdriet, o ziel, zoo lang in deze ballingschap te moeten blijven, zoolang verstoken te zijn van hetgeen gij vurig verlangt te genieten; het moet u evenwel troosten en verheugen, dat gij daarheen reeds op weg zijt en het elk oogenblik naderbij komt. Blijf maar tot het einde toe standvastig in de volmaakte beoefening van de hoop der kinderen Gods: niemand zal uw erfdeel, niemand uwe kroon u ontnomen. «Bereid is voor mij de kroon der gerechtigheid, zegt de H. Panlus; zij wordt voor mij bewaard, en niet alleen voor mij , maar ook voor allen, die de komst des Heeren beminnen.quot; Wat heerlijke waar-
5i
lieid voor allen, die den Heer met oprecht geloof en mst vaste hoo]) verbeiden ; want zij zijn het, verzekert de H. Augiistinns, die Zijne komst beminnen. Advenlum Domini düigunt qui r.umdem sincerilate fidei cl fir-mitatn spei expectant.
3. Thans begrijpen wij gemakkelijk, waarom de Apostel de christenen aanmaant, »zich altijd in den Meer te verheugen ,quot; spe gnu-denies, gaudete in Domino semper. Hij wil, dat zij zich inde hoop verheugen; somdat de Heer nabij is,quot;' en zij derhalve het opperste en eeuwige Goed, waarnaar zij, gelijk hij vertrouwt , vurig verlangen, spoedig zuilen genieten. Inderdaad, is het mogelijk te leven in de stellige verwachting van een oneindig en ten volle verzadigend goed, zonder blij en opgeruimd te zijn ? Wie heeft ooit een vorst zwaarmoedig of droefgeestig gezien, als hij op weg was een rijk in bezit te nemen, dat hem als erfdeel toekwam of dat hem door keuze werd opgedragen? Schenkt de tocht naar eene tijdelijke en vergankelijke kroon zoo groote blijdschap, hoeveel grooter moet dan de vreugde zijn van een christen met een vaste hoop, die voortdurend naar eene eeuwige en onvergankelijke voortvaart! «Laat dan de heidenen, laat de joden, laat de ketters en zondaars, die geen ware hoop hebben,
ongerust en bedroefd zijn; maar wij. geloo-vigen, wij , die door Gods genade met volmaakte hoop de liemelsche glorie verwachten, hoe en waarom zonden wij ons niet voortdu-retid verheugen en verblijden?quot; Trislenlxr snundani, tristenlur Ju da ei, tristentur pecca-tores qui spem non habunt; nos varo qui lanla spe coi'Xestis (jloriae dicjni hnhiti sumus, quo-modo non ^irpatKO laelahimur ! (S. Apollo)
Jn de eerste tijden der Kerk was het blij en vroolijk gelaat der christenen als het ware een kenteeken, waardoor men hen van de heidenen onderscheidde. Het gaf' tevens eene bijzondere aantrekkelijkheid aan den christengodsdienst. De H. Ignatius, die na den H. Petrus de derde bisschop van Antiochië was, beschouwde en waardeerde die in het oog springende opgeruimdheid der geloovigen, niet alleen als een zeker teeken van een vast vertrouwen, maar ook als een bewijs van zeer volmaakte liefde. Hij oordeelde aldus uit eigen ondervinding. Want hij voelde zelf, hoe aangenaam liet is door het geweld der heilige liefde tot de aanschouwing van God gedreven te worden. Immers is het zoet naar den Heer te verlangen door de kracht der hoop, het is veel zoeter en aangenamer naar Hem te haken door het geweld der liefde. Het is waar, haar geweld is grooter dan dat der zuivere begeer-
56
lijkheid, en daarom lijdt eene ziel meer, wanneer zij verstoken is van hetgeen zij door de liefde bemint, dan wanneer zij mist hetgeen zij door de hoop begeert. Maar hoe grooter geweld de godminnende ziel dan lijdt, des te zoeter en overvloediger wordt zij gezalfd door den goddelijker! balsem van den H. Geest, die hoewel ook de oorsprong van de hoop, toch liever in de ziel de liefde ontsteekt, omdat Hij uit Liefde voortkomt en zelf Liefde is. Hij is hot, die in het hart de liefdezuchten tot de H, Drievuldigheid, tot den Godmensch Jezus Christus en tot Zijne lieve Moeder verwekt ; en daarom is het niet te verwonderen, dat zij zoet en aangenaam zijn, daar de eeuwige zoetheid en, gelijk de H. Augustinus zegt, »de Liefde zelf in het minnende hart verzucht.quot; Spiritus ge mil, id est, charitas ipsa gemit.
5. Die liefde zucht niet alleen, maar roept ook in het hart. En die stem der liefde is veel troostrijker dan die der hoop; omdat daardoor de ziel veel stelliger van den H. Geest, die alles doordringt en doorschouwt, de verzekering ontvangt, dat zij God waarlijk bemint, en wel des te volmaakter bemint, naarmate zij door Zijne afwezigheid â meer geweld lijdt. Christen, wat kan er toch op deze onrustige en dagelijks nieuwe droefheid
57
barende wereld u meer troosten cn verblijden dan die inwendige, geruststellende stem, die u den moed geeft om met Petrus te zeggen : »Hecr, Gij weet, dat ik U lieflieb.quot; Anderen mogen hunne grootste vreugde en blijdschap zoeken , waar zij het meenen te vinden; ik, o Drievuldige God, ik ken en begeer in dit sterfelijk levon geen grooter geluk, dan wat voortspruit uit de liefde, waarmede men Ij mijn Schepper, Christus mijn Zaligmaker, en Zijne heilige Moeder bemint. En naar ik vertrouw is liet die liefde, die mij doet wenschen ontbonden to zijn. Behaagt het U nochtans, dat ik nog lang in deze ballingschap verblijve, mij geschiede naar Uw welbehagen; want dat is het einddoel van al mijne begeerten. Blijf ik hier nog lang, zoo blijf ik toch niet zonder troost cn blijdschap. «Al kan ik mij hier nog niet verheugen in de aanschouwing der beminnelijke Personen, naar wie ik verlang; toch is het mij zoet tot Hen te zuchten en te weenen. Mijne zuchten en tranen zijn mij een genot; omdat zij mij verzekeren, dat ik Hen bemin; omdat zij teekenen en bewijzen zijn van mijne oprechte liefde tot Hen. Cum non possim praesentes vide re, lugebo absentes. Hoc n mor is indicium est, et. satis dulce amanii. (Thom. a K.)
TWEEDE GEDEELTE.
Hos eon Christen kan verlangen lang te leven.
I.
DE WEXSCII OM I.ANG TE LEVEX ALS EEN WAAR CHRISTEN' I.S LOFFELIJK.
'1. Al zijn vele goilinimiciide cliris'.eneii door lt;le hoop en de liefde wel gewapend tegen di' vrees voor den dood , en tegelijkertijd bereid om, als God den dood overzendt, dien met godsvrucht te aanvaard.mi en mat grootmoedigheid te ondergaan; toch verlangen niet allen even vurig deze wereld te verlaten. Want sommigen worden evenzeer door do kracht der hoop en der liefde bewogen om een lang leven te wenscheu. En die wensch is niet minder loll'elijk dan de begeerte van anderen om spoedig ontbonden te worden. Wel is waar vermaant de Leeraar dor Goddelijke liefde do christenen, dat zij dit leven niet moeten beminnen, maar als een zwaren last voldragen: Vita haec non est amanda, ap.d to-leranda. Doch daar spreekt hij alleen over het leven, dat wij met de dieren gemeen
59
hebben, en dat bestaat in ademen, eten, drinken, wandelen, spelen, dansen, slapen. «Zulk een leven, zegt bij, verdient niet bemind te worden; want dat is niets dan ellende; en toch die ellende wordt door de wereld als zoetheid opgenomen en geluk en wellust genoemd.quot; Calamitas ddiclae vocantur.
2. Daarmee wordt niet gezegd, dat het lichamelijk leven kwaad is. Integendeel, »het is een natuurlijk goed en zelfs noodzakelijk om verscheidene deugden met verdienste te beoefenen,quot; gelijk de engelachtige Leeraar schrijft. Het lichamelijk leven, vooral zoo het lanoxliiriquot;quot; is, is een weldaad van God. Immers
O O '
waarom zou God anders de kinderen tut eerbied en gehoorzaamheid aan de ouders opwekken door de hoop van een lang leven.' Ut sis longaevus super terrain. Waarom zou Ilij anders een lang leven beloven aan den raensch, die Hem beschouwt en eerbiedigt als den allerbesten Vader, en op Zijne vaderlijke goedheid en oneindige barmhartigheid vaste-lijk steunt en vertrouwt ? Quoninm in me speravit.... lonrjitudinn dicrum replebo eum.
3. Dien zegen van een lang leven belooft of schenkt ons God zeker niet, opdat wij ons hier langen tijd in lichamelijke genoegens zouden verlustigen en ons bezig houden met beuzelingen, met ijdelheden, met zulke werken.
60
â waarin onze Schepper niet meer behagen schept dan in de sprongen van een aap, ja die Hem mishagen , omdat zij bij gebrek aan ecne zuivere meening nutteloos zijn. Het is voor den mensch waarlijk beter niet te leven dan een nutteloos leven te leiden; en »hij leeft nutteloos, zegt de H. Augustinus, die niet leeft gelijk het een redelijk schepsel betaamt. Zoo Jik u vraag, o mensch, waarom zijt gij beter dan het dier? Unde es mei tor bruto'? Dan antwoordt gij : omdat gij gemaakt zijt naar hot beeld van God. Ex imagine Dei. Maar waardoor zijt gij Gods beeld? Door de ziel, door den geest: ex meute, ex' spiritu. Leeft gij derhalve naar het lichaam of het vleesch en niet naar den geest, dan is uw leven niet menschelijk, maar dierlijk.quot; Animum habere, nee secundum ilium vivere, hestialis est vita.
4. Hoe kan een lang leven van iemand, die, ja mensch is, maar in zijn weiken op het redelooze dier gelijkt, Gode behagen, hoe kan dat voor u, christen, nuttig of eervol zijn? Onnuttigheid verdient geen loon en in onnutte schepselen heeft de Schepper geen behagen. Non enim concupiscit muUitudinem filiomm... inutilium. (Aug) Hij heeft u niet tot niets-doen geschapen , maar tot Zijn dienst, tot Zijne eer , (ot Zijne glorie cn ook tot uw eeuwig geluk. Hij heeft u niet gevormd naar
61
liet beeld van een redeloos dier, maar naar Zijn eigen Goddelijk beeld ; opdat gij naar den eiscli van uwe edele en verhevene natuur goddelijk zoudt leven. Nobilem vult vitam tuam qui tibi commisit imayinem suam. (Aug.) Hij heeft u gemaakt naar ile gelijkenis van Zijn Goddelijk wezen; opdat gij u zoudt volmaken door de gelijkenis van Zijn Goddelijk leven. liet leven van God bestaat in zichzelven te kennen , te beminnen, te genieten en zich in Zijne eeuwige schoonheid en oneindige goedheid en volmaaktheid te verheugen. Tot het leiden van zulk een leven zijt gij op aarde geplaatst; want, gelijk de H. Augusti-nus zoo bondig verklaart, ))de mensch is geschapen om het opperste Goed eerst hier te kennen en het kennende te beminnen, en daarna in de glorie het beminnende te bezitten en het bezittende te genieten.quot; Crcatus est homo ut summum bomiin intellic/eret, in-telligendo amaret, amando postsidc.ret, et possidendo frueretur.
5. Moeten wij naar een Goddelijk leven streven, omdat wij naar Gods beeld zijn geschapen ; nog veel meer zijn wij verplicht Gods leven na te volgen, omdat wij Zijne kinderen zijn, dooi' de genade uit Hem geboren : c.x Duo nati. O hooge geboorte, waardoor de Drievuldige God onzeVader, de Godmensch onze Broeder,
Gigt;
«Ie Moeder Gods onze Moeder is! Een aardscb vorst, zoo schrijft de profeet Isaias voor, mag-niet alleen geen andere werken verrichten, maar zelfs geen andere gedachten vormen dan die een vorst betamen ; en zonden wij, die van Goddelijk, dus van het alleredelste geslacht zijn, mogen wenschen op andere wijze lang te leven dan overeenkomstig onze veiheven-lieid? Fastüjium nohilitatis est inter Dei fllios computari. (Cyril. Alex.) «Geen ander leven past ons dan wat door het goddelijk geloof geleid, door de goddelijke hoop versterkt en door do goddelijke liefde steeds bezield wordt; want om zulk een leven te leiden zijn wij als kinderen Gods in het Hart van den Godmensch ontvangen, en uit Zijne geopende Zijde geboren. Dan is een lang leven een zalig leven, en daar is geen ander, dat zalig is.quot; Deus factus est homo, ut homines in eum credenles viverent in fide, in spe, in charitate. Ista est beata vita et non altera. (Aug.)
II-
MEX KANquot; WENSGIIEX I.ANH TE LEVEN' UIT LIEEUFT TOT ZrCIlZELF EN UIT LIEFDE TOT DEN NAASTE.
1. Ofschoon ik in liet eerste gedeelte heb uiteengezet, hoe de lieldi' de godminnende zielen doet verlangen spoedig ontbonden en van het sterfelijk leven verlost te worden; toch spreek ik mijzelven niet tegen, als ik nu ga bewijzen, dat de liefde ook een lang verblijf hier op aarde nuttig en begeerlijk voor hen maakt. Want de goddelijke liefde heeft velerlei wegen tot haar laatste einde, en zij wekt in de zielen niet altijd dezelfde,, maar dikwijls zeer verschillende verlangens-op, nu naar het een, l.m naar het ander, nu naar het leven, dan naar den dood, naargelang de omstandigheden, waarin zij zich bevinden, verschillend zijn. Die waarheid ziet men nergens klaarder dan in het hart van den Apostel der volken. Wanneer hij de weerspannigheid gevoelt van zijn vleesch tegen de wet der natuur en van zijn bovenal beminden God, dan wil hij sterven, dan wenscht hij van het bedorven lichaam verlost te wor-
(ii
lt;len. Quis me libembit de c or pore mortislnijus? Maar blijft liij steeds bij dien wensch? O neen. Daar komt hem voor don geest de walging, de angst, de benauwdheid, die zijn allerliefste Jezus voor hem onderstaan heeft; en nu spreekt hij niet meer van sterven , maar van lijden. Het leven behaagt hem; omdat de liefde er hem een geluk van maakt zwakheden, benauwdheden, kwellingen, zoo van het vleesch als van andere vijanden, voor Christus te verdragen en te overwinnen. Pla-
ceo mild in infirmitatibus meis____in persecu-
tionibus, in angustiis pro Chrislo. Paulus verandert nog eens van gedachte. Nu aanschouwt hij zijn Zaligmaker niet als vervolgd, beangstigd en lijdend , maar als verheven in den hemel en in de glorie. En Paulus verandert ook van verlangen: nu wil hij niet leven, maar sterven; zijne ziel wil ontbonden worden, omdat de liefde haar doet wenschen bij Christus te Cu pio dissol ciet esse cum Christ o.
2. De H. Gregorius Nazianzenus noemt zeer schoon de lietde een zoeten dwingeland. Dul-cis tyrannus am ar. Zij is zoet voorwaar; maar toch prangt en benauwt zij somtijds het minnende hart. Dit gevoelde Paulus. Zij stort hem het blij verlangen in van bij zijn lieven Zaligmaker te zijn ; maar terstond daarna roept zij tot zijn hart: hoe Apostel! wilt gij
sterven, terwijl zoovele menscheu in gevaar verkeeren van voor eeuwig verloren te gaan? Zult gij in zulk een gevaar hen verlaten, voor wie uw beminde Jezus gestorven is? Zult gij nog zoovele anderen verlaten, die, hoewel thans waarlijk godvruchtig, toch zonder uw verder onderricht hooit de christelijke volmaaktheid zullen bereiken? En het hart van Paulus wordt beangst; hij kan zich niet weerhouden uit te roepen: Coarclor e duobus : ik word benauwd; »ik word van twee kanten geprangd, ik weet niet wat te kiezen: rjuid eligam, ignoro. Ik wensch ontbonden te worden en met Christus te zijn. Dat ware veel beter voor mij.quot; â Paulus, is hot beter voor u bij Christus te zijn, ga dan voort met wen-schen ontbonden te worden. Neen, dat niet: de liefde duldt het niet. »0 mijne broeders, voor wie Christus evenzeer gestorven is als voor mij, het is voor n noodzakelijk , dat ik nog blijf leven. Ik zal nog blijven en volharden tot uw voortgang en tot vreugde des ge-loofs.quot; Maneho et permanebo omnibus vobis ad prof'ectum vestrum el (jaudium fulei. (Phil. I, 22 sqq.)
3. Beminde lezer, indien de liefde een minnaar van God kan dringen om naar een lang leven te verlangen, ten einde zijn evenmensch naar den geest te helpen en te onderrichten,
1.\NG LEVEN. â¢quot;gt;
(,â (gt;
en aldus Gods eer en glorie to bevorderen ; wa u-om zonzij bij hem niet datzelfde verlangen opwekkon, ten einde zijne eigene ziel dooi' langduriger deugdbeoefening en door inonigvuldigor gebruik der HIJ. Sacramenten meer te volmaken, en baar meer en meer door heiligmakendo genade te versieren, en baar aldus den bovenal beminden God steeds aangenamer te maken Waarom zou de goddelijke liefde den god-minnenden christen niet het verlangen naar een lang leven instorten, ten einde zijne eeuwige zaligheid en glorie door vermeerdering van de vriendschap met de II. Drievuldigheid te verhoogen? Of moet men misschien zichzelven minder beminnen dan een ander? Geenszins, zegt de engelachtige leeraar: »de mensch moet zichzelven meer liefde toedragen dan zijnen, evenmenscb.quot; Homo ex charilale debet magi* seipsurn diligere quam proxirnum. Wees wijs voor een ander, zooveel gij wilt; maar wees niet dwaas voor u zelf. Gij zijt bezorgd om anderen tot hooge volmaaktheid te onderrichten en tot het verdienen van groote glorie in den hernel op te wekken. Dat is loflelijk. Maar het is nuttiger en passender om op uw eigen geestelijk voordeel bet eerst bedacht te zijn. Al is uw leven voor een ander zeer nuttig en voordeelig, »gij leeft nochtans onnuttig voor u zelf, zegt de H. Augustinus, wanneer
(57
gij niet leeft om verdienst'.ni te vergaderen, waardoor men leeft in de eeuwigheid.quot; Neque enim in temporeutililer vivUur,nisi ad compa-ramlurn mcriltim, quoin aelernilate vimtur.
4. Daarom zegt dezelfde heilige leeraar, dat elk oogenblik tijds hem kostbaar is. Caro mild valenl slillae temponim. Alle oogenblik-' ken moeten wij even kostbaar achten ; want
zoolang wij hier leven in staat van genade, t kunnen wij elk oogenblik onze eeuwige zaligheid vermeerderen door akten van liefde tot God en .door volgens Zijn Goddelijk welbehagen iets te doen of te lijden. Het is waar, »zalig zijn allen, die in den Heer gestorven zijn want hun eeuwig geluk is verzekerd. Maar toch zij kunnen hunne zaligheid niet moer verhoogen: voor hen is de tijd van verdienste voorbij. Wij echter, die hier nog leven, wij kunnen door onzen vrijen wil, geholpen en versterkt door de genade, dagelijks meer en meer in de liefde en vriendschap van de H. Drievuldigheid toenemen, en aldus onze eeuwige vreugde en ons eeuwig geluk vermeerderen. »0 kostbaar leven, waarvan elk oogenblik de heiligmakende genade, waarnaar onze verheffing in de eeuwige glorie zal wortlen afgemeten, in onze ziel kan doen toenemen.quot; In momentaneo hoe latrA uctc.rnitas ; supra mudinn in tuihlinii-tale uelernum ijloriue pondusoperalur. (Bern.)
III.
IS TIET UTT.KEI.IJK OM MEER VEIUJIEXSTEX 'JE VERGADEREN', KAT WH NAAR EEN I.AXG I.KVKX VERLANGEN
1. Bij liet gezicht van de traagheid eu nalatigheid, waarmee christenen hun geestelijk voordeel en hun eeuwig geluk behartigen, roept de leeraar dor goddelijke liefde vo! droefheid tot den Zaligmaker: «Heer Jezus, Gij zijt de wijsheid. Uw eeuwige Vader heeft U het recht gegeven om te oordeelen. Welnu oordeelt Gij het billijk, dat de kinderen der wereld met meer zorg en naarstigheid hunne vergankelijke goederen trachten te vermeerderen dan wij onze eeuwige rijkdommen.'quot; Zij verzuimen niet den minsten tijd om meer geld en goed, meer stof en slijk te vergaderen; en wij, Uwe dienaars, hoeveel oogenblikken, Ja hoeveel uren laten wij dagelijks niet voorbijgaan zonder er zelfs aan te denken, wat kostbare en onwaardeerbare winst van zaJig-heid en glorie wij voor alle eeuwigheid konden verwerven, door meer akten van liefde te stellen en door meermalen iets te doen of' te lijden wat U en Uw hemelschen Vader en den H. Geest aangenaam is! »Wij zijn ijverig
69
genoeg voor kleine, nietswaarcligo, llchainelijke on vei'gankelijke dingen, en iielaas, wij zijn loom en traag voor al, wat waarlijk grout, kostbaar, ecuwig en zalig is.quot; Summam in rebus par cis exhibentes alacrilatem ad rna-joru torpesi-imus. (Aug.)
Beminde lezer, liet is gemakkelijk te zeggen, dat uw verlangen naar oen lang leven voortkomt uit do zucht om dooi- langer (joed te leven de lieiligmakende genade en de ingestorte liefde in u te vermeerderen en aldus ook uw eeuwig geluk te vcrgrootcn. Maar is liet aan te nemen, dat gij u door zulk een beweegreden laat leiden, wanneer men bij voorbeeld ziet, dat gij de HH. Sa-cramontcn , de bronnen der lieiligmakende genade, vrijwillig verzuimt te gebruiken of ze niet zoo dikwijls ontvangt als uw staat het toelaat? Wij betwijfelen geen oogenblik of de bijen er op uit zijn om veel honig te verzamelen; want wij zien ze zoo dikwijls zij kunnen naar de bloemen vliegen, en met bijzondere drift naar die, waaruit zij het zoete sap in grooter overvloed kunnen zuigen. Zoo ook gij, wanneer gij inderdaad met het oog op de vermeerdering uwer heiligheid naar een lang leven verlangt, dan nadert gij zeker zoo dikwijls gij kunt tot de HH. Sacramenten, cu vooral tot liet H. Sa-
70
eminent des Altuars; omilsit daar de honig der heiligmakende genade en der liefiie liet rijkste vloait. Waar toch kunt gij dien koste-lijken honig overvloediger verzamelen, dan waar gij Jezus zelf' ontvangt, , «die de honigraat van liefde is, van binnen zoo vol en van buiten zoo overvloedig, dat de zoetigheid van van alle kanten ardrui|it.quot; Favus distiüans churitalis esl Jesus, sic perfusus el super-fusus, nl slillare videatur undique. (Bern.)
3. Wanneer pij in alle oprechtheid naar een lang leven verlangt om meer en grooter verdiensten, meer en grooter glorie te verwerven, dan hebt gij zeker ook eene ware begeerte om lang en volmaakt te lijden. Want een lang verblijf in dit tranendal is een langdurig kruis; en, gelijk gij genoegzaam weet, men kan de vermeerdering van genade en zaligheid niet beter noch zekerder verdienen, dan door lang en veel uit volmaakte liefde tot de II. Drievuldigheid te lijden naar het voorbeeld van don Godmensch, die voor ons veel en lang geleden heeft, slloe volmaakter lijden, des te grooter verdiensten: en, gelijk de 11. Bernardus en andere leeraars verklaren, het volmaaktste lijden bestaat in het kruis geduldig, gaarne, vurig, dankbaar en blijde te dragen.quot; Palicnler , libenter, uv-dentev, rjratanlw, hilariler â pati. Ge.duldi'j
71
«ii gaarne., gelijk do II. Apostel Pauliis, die zich in de vervolgingen en benauvvheden verlustigde. Vurig, gelijk de H. Martelaar Ignatius, die een brandend verlangen had om te Rome voor Christus door de wilde dieren verscheurd en verslonden te worden. Dankbaar, gelijk de IJ. Catliariua van Senen , die God voor de overgezondene of niet weggenomen kruisen als voor de allergrootste weldaden ootmoedig dankte. JllijiJe, gelijk de H. Petrus en de andere Apostelen, die zich verheugden, omdat zij waardig werden gekeurd voor den Naam van Jezus smaad en schimp te lijden. «Zulk lijden, zegt de H. Laurentius Justihianus, schijnt den tragen en llauw-hartigen onmogelijk toe, maar den minnaars van God niet.quot; Deze beschouwen de begeerte naar lijden als het zekerste bewijs hunner liefde. Negligentibus hoe impossibile videlur, amanlibus nihil. (Luur. .Tost.) Volmitas patiendi prohat quia vcraciLnr atnanl. {Ov\g.)
4. Het zou onheschaamd , althans vermetel zijn God om een lang leven te verzoeken zon-der het vaste voornemen oin den tegenspoed, die in deze wisselvallige wereld onvermijdelijk is, geduldig te verdragen. De HH. Cyprianus en Augustinus verhalen ons van een bisschop »die in doodstrijfl zijnde God ernstig bad om verlenging van het leven; en op hetzelfde
oogonblili zag liij een jongeling voor zicli slaan, indrukwekkend van gestalte,glanzend en schoon van aangezicht, die hein niet zonder toorn in gemoed en stem toesprak zeggend : hoe , gij vreest het lijden en wilt toch niet dit leven verlaten; wat zal ik dan met u doen?quot; Pali li-inelis, exire non vullis; quid faciam vohis?
5. ik wend mij lot u, godvruchtige christen. Gij verdient een lang leven; omdat gij ijverigquot; nadert tot de 11H. Sacramenten en uw best doet om allen tegenspoed, dien God u overzendt of toelaat, zoo volmaakt mogelijk te aanvaarden en te verdragen uit ware liefde tot de H. Drievuldigheid en tot den gek ruisten Zaligmaker, den Godmensch, op wiens voorbeeld gij het kruis gaarne omhelst. Ik ken uw gedrag en alle gangen van uw godsvrucht; ik weet, hoe stipt gij op u zeiven let en er voor zorgt, dat er geen enkel werk voorbijgaat, wat niet bezield is door eene ot' andere deugd, bijzonder door de christelijke liefde, die door Maria alles opdraagt aan Jezus, en door Jezus , in Jezus en met Jezus alles ten laatste l icht op het grooter welbehagen en de meerdere eer van den iJrievuldigen God. Nochtans al zijt gij er nog zoo op bedacht om uwe verdiensten en uw eeuwig geluk door de vol-inaakste oefeningen te verhoogen, zijt gij s avonds in het gewetensonderzoek geheel en
73
al voldaan over uw gedrag gedurende den dag? Als gij met uw gedachten teruggaat tot den morgenstond en nauwkeurig nagaat, wat erin ieder uur en in elke omstandiglieid gebeurd is; hoeveel verloren tijd, hoeveel onnutte gedachten en woorden, hoeveel onvruchtbare werken ontdekt gij dan niet! Ik weet wel, dat onze natuur zoo bedorven is, dat wij niet alle nutteloosheid in onze werken, woorden en gedachten kunnen voorkomen; maar juist omdat wij die bedorvenheid kennen , moeten wij nauwkeuriger op ons zelve letten. Onze bedor-vene natuur moeten wij, zooveel wij met Gods genade vermogen, bestrijden als eene, die ons onze verdiensten ontsteelt, en daartoe moeten wij onzen moed opwekken door een lodelijke zucht en door eene, ik zou haast zeggen, heilige gierigheid om onze eeuwige rijkdommen altoos meer te vergrooten. Quaerentes semper quod ad ma jo ra divinilalis munera per du cal. (Dion. Areop.)
6. liedenk daarom dikwijls naar het voorbeeld van do HH. Bernardus, Dominicus en Thomas van Aquinen, dat al de tijd, dien gij doorbrengt zonder op God ot' op iets, wat tot Gods welbehagen dient, te denken, voor n verloren is. Daarom vroeg de H. Aloysius van Gonzaga, zoo vaak hij neiging gevoelde om iets te zeggen , te zien of fe doen , terstond
â¢zicli/.clvci] at': »AVat ddot dat voor dn eeuwigheid ?quot; Quid hoc ad anlernitalem? Zoo ik die gedachte koester, dat woord spreek, dat werk verricht, baat mij dat voor mijne eeuwige zaligheid? Zoo het mij daarvoor niet haat, zegt de IJ. Augustiuiis, dan hoeft liet voor mij geen nut; »want om voor een christen nuttig te zijn moeten de gedachten, woorden en werken met zekerheid strekken tot dat eeuwige leven, waardoor men met God en van God leeft.quot; Ad illcnn unant vilam, qna cum Beo el de Deo ririlur, caelera nine, du-hio referenda surd.
7. Indien God do ziel vaneen der kinderen, die zonder doopsel gestorven zijn, versierde met een enkelen graad van heiligmakende genade, dan zon zij daardoor zijne vriendin worden en eenwig gelukkig en zalig zijn. Maak nu eens voor een oogenhlik eene vooronderstelling, godvruchtige christen. Verheeld u, dat de goede God eens vaststelde een graad van genade en glorie te geven aan zooveel van die arme kinderen, als gij voortaan gratiën van heiligmakende genade zult verdienen; zoodat hot van u afhing, of' er vele of weinige â¢onder hen zonden zalig worden. Zoudt gij in deze vooronderstelling niet door een feeder medelijden bewogen worden , om voor het «ei;wig welzijn van vele gebannen kinderen
/D
01) al uwe werken nauwkeurig te letten, opdat er geen zou voorbijgaan zonder geestelijke vrucht, zonder aanwinst van heiligma-kende genade? Kunt gij u voorstellen , dat, zoo gii in dat geval een onkelen graad van die goddelijke gave verzuimd liadt te winnen, uw hart niet diep ontroerd zijn van dim-i-heid en spijt over uwe onachtzaamhe.d. wat zoudt gij hitter klagen en weenen over de eeuwige schade van een enkel ongelukkig kindeke, dat door uwe zorgeloosheid zyi.e zaligheid niet zou verkregen hebhen. Maai waarom klaagt en weent gij lt;lan ook met J over het nadeel, dat gij n welven berokkent door niet een enkelen graad, maar ontelbare graden van heiligmakende genade en ingestorte liefde te verzuimen? Hebt gij vroeger niet van den engelachtigeu leeraar gehoord, dat quot;ü u zeiven meer moet beminnen dan een ander schepselDie waarheid moet u vooral aansporen om altijd meer bezorgd te zijn voor u zelf dan voor uw evennaaste, niet alleen waar sprake is van het bewaren der heiligheid en der vriendschap van God, maar ook waar het geldt hare ver-meerderimj. Want in z-ake de zaligheid is niemand U nader dan gij zelf /-ie nu eens terug, ik zeg niet op geheel uw voorgaand leven, maar alleen op bet \ei-
/R f n L IHTe C A ^
l CO^V. WIJCHÃ^S :l
loopen jaar. Tol eens, zoo gij kunt , alle oogenblikken, waarop gij meer genade liadt kunnen verkrijgen, grooter glorie verdienen, en die nochtans nutteloos voor u geweest zijn. Wat een schade! Wat een verlies! O quciiilu dispcndia ! (Anibr.)
I-V-
EKX LANG LEVKX WENSCHEX UIT I.IEl-DE TOT DE H. DRIEVUt.mGIIEIII.
1. Godvruchtige christen, gij verlangt lang te leven uit oprechte en zuivere begeerlijk-Jieid, en gerlreven door de liefde, waarmee gij u zelf bemint gelijk het betaamt en grooter o-lorie wilt verwerven. Maar dan wordt uw
O
verlangen naar een lang leven zeker nog veel meer opgewekt door uwe liefde tot de allerheiligste Drievuldigheid, en door de goedwillige begeerte om Haar door een langer verblijf op aarde langer te kunnen dienen en beminnen en aldus de vriendschap te vermeerderen, waardoor gij met Haar hier en hiernamaals innig vereenigd zijt tot Haar meerder welbehagen. Want gij bemint zeker uw God gelijk het betaamt; d. i. meer, onvergelijkelijk veel meer dan u zelven. Gij verlangt dus naar een lang leven, minder om het te doen strekken tot verhooging van uw eigen geluk, dan wel om het aan te wenden tot grooter welbehagen van God. Gij kent deze vier waarheden: vooreerst, dat God ons meer bemint en meer behagen in ons heeft, naarmate wij
78
grootere vnuudcM van Uem zijn; ten tweede, dat onze vrienilschap met Hem toeneemt in evenredigheid met de heiligmakende genade, die onze ziel versiert; ten derde, dat de heiligmakende genade dour niets zoo zeker en overvloedig vei'iiieerilerd wordt als door oefeningen van de heilige liefde; ten vierde, dat de goddelijke liefde allijd hegeerig is in vurigheid en volmaaktheid toe te nemen. ))üe ware liefde, zegt de II. Laurentius Justinianus, is nooit tevreden, maar wil altijd haar. gloed en hare vlammen uitbreiden. Het is haar niet genoeg God bovenal te beminnen; zij wil in u steeds meer aangewakkerd worden, ten einde Hem steeds meer te beminnen. Ware het mogelijk, dan zou zij wel onbegrensd, oneindig willen zijn om u in Gods oog tot Zijn oneindig welbehagen oneindig aangenaam en beminnelijk te Diaken.quot; \'e.rus am or uiio ijmdu conlentu* non est, sed semper ad al-liora nilitur. Melain nescit ponere affectui.
2. Do liefde zegepraalde over het hart van den H. Augustinns. »() God, zeide hij, ik be-jnin U bovenal.quot; Jlaar was hij tevreden niet God bovenal te beminnen? Geenszins; want hij voegt er aanstonds bij : «Heer, ik wensch U meer en meer te beminnen.quot; Waarom meer en meer.' Voldoet gij niet aan Zijn gebod met Uem bovenal te beminnen? Aan Zijn
79
gebod, ja; maar niet aan mijne liei'le. Want zij blijft steeils onrustig, zij wil steeds meerdere vurigheid; omdat, »naarmate zij in mij aangroeit, ook de schoonheid en lieflijkheid mijner ziel toeneemt;quot; en naarmate mijne ziel bij het scheiden van het lichaam schooner en liellijker is, zij ook meer don minnenden God in de eeuwigheid zal verheugen en behagen. Quantum crescit in te amor, tantum crescit indchritudo : ([uia ipsa charitas est anhnae pulchrit udo.
!3. Welnu indien wij naar een lang leven verlangen oin onze eeuwige vriendschap met God te doen toenemen tot Zijn 11icerder welbehagen iu eeuwigheid , dan kunnen wij tot dat einde niets beter doen dan eiken dag, ja God gevo elk uur, de dadelijke liefde zoo dikwijls mogelijk te beoefenen. Daaraan moeten wij ons gewennen paar het voorbeeld van den II. Ignatius van Loyola, die zichzelven elk uur een zeker aantal akten van liefde had voorgeschreven, en die om zijne getrouwheid te beproeven zich elk uur onderzocht, of hij zijn hart dikwijls genoeg tot de allerheiligste Drie-vuldigheid had verheven. Naar zulk eeno nauwgezetheid moeten ook wij streven; want door niets kan men God meer behagen dan door de liefde; »men doet veel voor God, zegt de ii. Angustinus, als men Hem veel bemint.quot;
80
Midlum l'iicil, qui midliim diligit. Hem lang beminnen is lang christelijk en heilig leven : want «het leven des christens is de liefde tot God.quot; Vila chrisliani est amor Dei. (Bern.) En de hoogste zaligheid, die men in liet andere leven kan genieten, bestaat in het opperste Goed te beminnen. Summum bonum amare summa est heatitudo. (Bern.)
4. Eene ziel in staat van heiligmakencle genade is verrijkt met de ingestorte gave van liefde. Deze liefde is eene goddelijke uitvloeiing van den H. Geest, die, gelijk de H. Paulus zegt, in de harten der rechtvaardigen woont. Welnu de 11. Geest doet met zoeten drang de ziel neigen tot dadelijke liefde, d, i. tot daden van de ingestorte liefde. Wat toch zou Hij liever doen. HÃ, die uit den Vader en den Zoon door Hunne eeuwige liefde-akt voortkomt en de liefde zelve is? O, wanneer wij getrouw en standvastig waren in het vrijwillig opnemen en volgen van alle bewegingen Zijner liefde , wat zou den wij groote minnaars van God zijn! Wij zouden het hart bijna onafgebroken gevestigd hebben op de drie Goddelijke Personen ! Wij zouden niets anders willen, niets anders zoeken, niets anders doen dan wat Hem aangenaam en behaaglijk is. Zijn er zelfs onder de rechtvaardigen zeer wei-niiren, die zoo voortdurend de liefde beoefenen.
81
lt;lat komt, omdat er zoo weinigen met genoegzame zorgvuldigheid hun hart afwenden van alles wat strijdig is met de dadelijke inwerking van den H. Geest; omdat zij hun hart minder openstellen voor de goddelijke liefde dan voor de eigenliefde, voor de ijdele begeerlijkheid , en voor dagelijksche zwakheden. Continuo in amorem a spiral Spiritus sunc-tus, sed hominis est jugiter praeparare cor, voluntatem expediendo ah affeclionibus alie-nis. (Bern.)
5. De goddelijke liefde, zegt de H. Bernar-dus, is machtig en wijs. Ofschoon zij in ons te veel lauwheid vindt om het verstand en den wil elk oogenblik werkdadig op het opperste Goed te richten; toch verlaat zij onze harten niet, als wij haar willen gehoorzamen. Maar met hare kracht blijft zij in ons en weet daardoor al onze werken, zoo ónverschil-iige als deugdelijke, te beheerschen; zij voorkomt ze en wekt er toe op; zij dringt in die werken in en bezielt ze en maakt er liefdeakten van door ze goedwillig aan de H. Drievuldigheid op te dragen en ze ten laatste te doen strekken tot vermeerdering van Hare oer, van Haar welbehagen, van Hare liefde en vriendschap. Divinus amor uht venerit, caeteros in se om nes traducit et caplivat affectus. (Bern.)
LANÃ LEVEN. 0
8-2
(i De engelachtige Leeraar zegt zoer schoon, dat «de minnaar Gods zelf de wet is van zijn eigen gedrag, zichzelf besturende volgens de regels der liefde.quot; Amor Dei sibi ipsi lex est. De liefde is te edelmoedig, te mild, te goedgunstig, dan dat zij om aan God fe behageit niet meer zon willen doen dan waartoe zij streng verplicht is. Zij maakt, dat de gehoorzaamheid nauwkeurig onderzoekt, hoe dikwijls wij in het. jaar, in de maand, in de week streng genomen verplicht zijn ons zelve en onze werken door volmaakte liefde te stieren tot de eer en de glorie der H. Drievuldigheid. Maar ook beweegt zij de ziel en brengt er haar toe door den drang van grootere welwillendheid, om zichzelve en al het hare onbekrompen en zoo dikwijls het haar door de genade mogelijk is, aan den bovenal beminden God op te dragen , en te wenschen, dat al wat zij doet of lijdt, ten laatste strekke niet enkel tot Zijne eer, maar tot Zijne grootst mogelijke-eer. Charünn amnntem loco legia inclinat el li-heralileroperciri facit.{T\\om.) »0 dierbare Drievuldigheid! roept de H. Augustinus uit, Gij ziet hoe mijn hart gestemd is. Sinds de liefde het bezit, brandt het van verlangen om den dienst van mijn verstand met zijne gedachten, van mijn wil met zijne wei ken , van mijne tong met hare woorden U op te dragen, ü te
83
offeren. Gij zijt tie ware liefde, ea Gij hebt mij uit liefde geschapen. Maak dan, dat de liefde volkomen over roij heersche en mij zoo besture, dat er geen oogenblik van mijn leven voor mij zij, maar ik met gansch mijn leven geheel en alleen U toebehoore. Dan eerst zal mijn leven waarlijk leven zijn, als het vol is van U, vol van goede werken om U, vol van liefde-akten tot U.quot; O charu Tnnitas et vera Charitas I Ta Char 'Uas creasti me. (Jlta'rila* me regat; /hint igitur non mihi, aed libi vita mea: tota viva ent, si tota plena te. (Aug.)
7, Gave God, zegt de H. Franciscas van Sales, gave God, dat wij dagelijks honderden malen dergelijke opdracht tot Gods meerdere eer vernieuwden, en zelfs 's nachts 7,00 dikwijls als onze slaap bij geluk wordt onderbroken! Wat schatten van genade, wat. schatten van glorie zouden wij vergaderen! En, wat ons nog veel kostbaarder en weri-schelijker moet zijn, wat een welbehagen, wat een vreugde, wat een genoegen zon God in ons hebben, wat zou Zijne eer door ons vermeerderd worden, »daar wij vol van Zijne glorie zouden zijn.quot; Plena est gloria Dei anima sancta, cum omnia quae agit et patilur, refert ad laudem et gloriam Dei. (Oiig.) Datwenschte de ile H. Maria Magdalena de Pazzis. Zij was zoo verlangend om God te behagen door de
84
opdracht van al hare werken tot Zijne meerdere glorie, dat zij somtijds tot hare medezusters zeide: » Al kon ik mij in een Serafi jn veranderen door vrijwillig ook maar een enkel werk te noen zonder het op Gods eer en welbehagen te l ichten, ik zou dat werk niet willen verrichten.quot; Zij had het voorbeeld voor oogen van de Moeder van haar Bruidegom Jezus Christus, de Moeder der schoone liefde, «wier minste werken, hoewel uitwendig gewoon, toch buitengewoon en onuitsprekelijk waardig en verheven waren door de uitmuntende liefde, waarmee zij op Gods eer en welbehagen gericht werden.quot; Singulares in ea erant virtutes quae videhnntur communes. (Bern.)
8. Het is geen wonder, dat alle werken der H. Maagd liefde waren; want zij was in de heilige liefde ontvangen en geboren; zij was de moeder van een Zoon, die met Zijn Vader de eeuwige Liefde voortbrengt; zij was in alles bestierd door de eeuwige Liefde, den H. Geest haren Bruidegom. Maar wij, kinderen van Adam, wij zullen dagelijks weinig werken met de heilige liefje bezielen , zoo wij niet bijna voortdurend op ons zelve waken en zorgen, dat de ongeregelde eigenliefde of de kwade begeerlijkheid niet in onze werken doordringe en ze vergiftige. De 11. Augus-tinus was altijd, ondanks zijne groote liefde
85
tot God, bevreesd, dat misscliiea eenig venijn der bedorvene natuur zou binnensluipen zelfs in die werken, welke uitwendig goed en deugdzaam waren. »Hcer, riep bij uit, Gij kent mijn gedrag; Gij kent al mijne gedachten, al mijne werken van eiken dag; Gij doorschouwt het binnenste mijner ziel; Gij ziet, welk inzicht, welk doel ik bij alles heb; Gij weet beter dati ik, of de wortel, waaruit van buiten schoone bladeren voortkomen van binnen zoet of bitter is.quot; De wortel is zeker zoet, als hij inwendig doortrokken is van den honig der goddelijke liefde; en al, wat hij voortbrengt, is «waarlijk liefde en niet begeerlijkheid, als het tot Q, o mijn Schepper, gestierd wordt.quot; Si ad Crealorem refertur, non cupiditas, sed charitas est. (Aug.)
UE l,IEl-'DE TOT Gul) .MOET If ET LEVEN' BEHEERSCKEX.
1. Men ziet dagelijks, wat een arbeid de menschen zicli getroosten oin eene wetenschap of' kunst, die zij zich tot een eervollen en voordeeligen levensstaat hebben uitgekozen, machtig te worden. De bibliotheken zijn te klein om hnnne zucht tot lezen te bevredigen, en zij hebben geen tijd genoeg om de vele waarheden, die zij gelezen hebben, aan te te teekenen en rijpelijk te overwegen. Ook het langste leven is hun te kort om zoover in de kunst, vooruit te gaan, als zij wenschen. En daar zij de kunst niet volkomen meester worden, trachten zij het daarin zoover' te brengen als het hun mogelijk is. Gij, chris-ten, gij, minnaar van een lang leven , behartigt gij met evenveel kracht uw kunst? De grootste aller kunsten is God te dienen en wel te leven. Die hebben alle christenen tot de hunne gekozen; want christen zijn, wat is dat anders dan de kunst om godvruchtig te leven én God te behagen!quot; Ars cirtium est servire Deo el bene viuere. Hanc
87
omnes christiani profilenlur. Quid e*l c.nim christianistnus, nisi ars docem pin vioere et placere Deo. (Thorn, a Villii-N.)
2. Godvruchtig te leven is wairlijk eenc 2eer moeilijke kunst. Zj sluit vele andere kunsten in en wel zoovele als er deugden zijn; want de volmaakte en standvastige beoefening van elke deugd is eene kunst op zicli-zelve. De eerste, die een christelijk leven meebrengt , is een levendig geloof, de tweede eene vaste hoop, de derde eene vurige liefde. En deze is de hoogste kunst, zegt de H. Ber-nardus. Die haar verstaat, zal gemakkelijk alle andere aanleeren; want de goddelijke liefde is de moeder aller deugden. Zij l;idt en volmaakt ook het geloof en de hoop, hoewel zij op deze steunt. Maar zij zal in ons weinig of niet vruchtbaar zijn, wanneer wij haar niet laven en voeden. »De lezing van goddelijke en geestelijke zaken is haar drank; de rijpe overweging daarvan haar spijs.quot;1 Amorem Dei laciat lectio, meditalio pascit. (Oeru.) Zij groeit aan, naarmate zij gevoed wordt. Het beste middel om haar te doen aangroeien is de overdenking van de goedheid en beminnelijkheid van God en van Zijne wondervolle liefde tot ons. Wie daarover dagelijks dikwijls denkt en mediteert, verkrijgt allengs meer en meer smaak in de Goddelijke zoetheid; zoodat zelfs
88
de kennis en de aanschouwing van God eir Zijne beminnelijke volmaaktheden voor de ziel hoe langer hoe zoeter en smakelijker wordt. En gelijk het vuur door toevoer van voedsel meer brandt en vlamt, zoo wordt ook de vlam der goddelijke liefde door meerdere kennis en herhaalde overweging van goddelijke zaken steeds meer aangewakkerd.quot; fn Deum dilectio accendilur divenarum rerum con-templatione, et quo magis in divinis versatus fjuis f ii er it, eo magis accendit flammam di-lectionis. (Theodoret.)
3. Zoo de liefde volmaakt en wel bevestigd is, verzorgt zij genoeg zichzelve en weet zelve haar voedsel te vinden en zich te versterken. Zij toch zetelt in het minnende hart als op haar troon en zij heerscht als koningin over de ziel, over al hare krachten, al hare inzichten, al hare bewegingen. Zij regelt en bestuurt haar leven, geeft haar wettenV legt haar dagelijks die oefeningen van deugd op, die het best dienen om hare vurigheid vermeerderen, en verbiedt alles wat tot Gods eer niet nuttig en vruchtbaar is. Chnritas... non agit perperam. Zij waakt over den wil bijzonder bij onverschillige werken; omdat zij dan vooral de insluiping vreest van hare vijandin, de ongeregelde begeerlijkheid. Toch is de liefde niet zwaarmoedig, niet droefgeestig.
89
Zij veroordeelt geen oiitspaiining, dan die strijdig is met de wet en den wil van God. Zij wil zelfs, dat men ete, drinke , wandele, spreke, laclie, spele; maar «alles op zijn tijd, ieder volgens zijn stand, altijd binnen de perken , alles tot een goed einde, alles ter eere van God.quot; In usu rem m cr cut arum sit modus propter Creatorem. (Aug.) Sive mnndu-catis, sire bibitis, sice aliud quid facilis, omnia in gloriam Dei facile. ([ Cor. X. .31.)
4. Christen, zoo het inderdaad uw levensdoel is God steeds meer te behagen, dan zijt gij noodzakelijk in uw hart zoo goed als voortdurend hiervoor bezorgd, dat Gij Hem in alles belieft, dat gij niet het minste denkt of doet, wat niet strekt tot Zijne eer, tot Zijne voldoening en vreugde. Want wat kan eene gedachte of een werk baten tot uw doel , als het aan God mishaagt? Quid enim prodest quidquid facias, si non placet Deo. (Pet. Dam.) Ik geloof dus niet (en hoeveel minder zal God het gelooven), dat het verlangen naar een lang leven in u wordt opgewekt door de oprechte begeerte om uwe vriendschap met uw Schepper meer en meer tot Zijn welbehagen te vergrooten, swamieer gij niet dagelijks nu en dan u zeiven nauwkeurig onderzoekt, of uwe werken uw Schepper aangenaam zijn, en of uw dagelijksch levensgedrag
90
quot;waarlijk strekt lot Zijne eer en Zijn welbehagen. Tot zulk een onderzoek , waartoe, gelijk de fl. Petrus Datnianns schrijft, in het algemeen alle christenen gehouden zijn , zijt gij bijzonder verplicht, gij, die naar een lang leven verlangt om God langer goed te dienen en Hem door een langduriger dienst meer te behagen. Debet (christianus) intra se i/isi/m solli-cita semper inquisitiuiie cersare, ulrii.rn jilaceat Deo quod ckjü et an ejus vita Deus delectetur-5. Do ziel, die aan de heerschappij der goddelijke liefde volkomen is onderworpen. is niet tevreden, als zij God hoe d m ook behaagt, maar tra ;!it Hem zooveel m gelijk te behagen. Steeds komt het haar voor, dat zij zich zelve en hare werken met te weinig vu-ligheid tot Zijne eer fii glorie aan Hem op-oiïert. Zoo het mogelijk ware, zou zij niet alleen de lief Ie van alle engelen en heiligen en â \an hunne koningin Maria willen hebben, maar ook die van den Godmensch en van de ge-heele H. Drievuldigheid, om al wat zij doet en lijdt daarmee te bezielen, en alius den oneindig goeden God oneindig te behagen. Atyior fiestunn-i se iptuïin nou Cf jiit, irntnen-situteyn Dei cteïïiubztur, ^Gilb.) Iu haren ijver bepaalt zij er zich niet bij , de opdracht van zichzelve, van al hare krachten, al hare werken, al hare kruisjes dikwijls op een dag te
!)1
lieniioMweii; maar zij is er ook op berlacht die opdraciit te vereenigen met de minnende Harten van Jezus en Maria en zelfs met de liefde, waarmee de drie Goddelijke Personen elkander beminnen en alles stieren tot Hunne gemeenscliappelijke glorie en vreugde. Zulk eene vereeniging is waarlijk voor een schepsel te voortreffelijk en te verheven; maar dewijl God zoo goed is ons daartoe uit te noodigen, is het geen vermetelheid er naar- te streven. Socii'.las noilra ait cum Pain; ut Fdio ejus, et haec lt;:*t annunliatio quam audiuinnis ab eo. (I Joan. I.)
G. «Christenen, roept de H. Augustinus ons toe, hoort gij, wat Jezus' beminde leerling ons verkondigt? Wij moeten met den eeuwigen Vader en met Zijn Zoon iu een heilig verbond en in eene vereeniging van liefde treden. Onderzoekt nu verder niet, of dat mogelijk is; want de H. Geest is de almachtige Liefde. Gelijk Hij ons door de ingestorte liefde kan bezielen, zoo kan hij ons ook een heilig verbond doen sluiten met den Vader en den Zoon, en onze liefde met Hunne en Zijne liefde vereenigen.quot; In charitalc societas lut-henda twt cum Patra et Filio... vincienle et tamquam adglutinante nos Spiritu Sancto.
7. «Voorwaar het grootste geluk , dat een schepsel kan te beurt vallen, is, waardig te
zijn den Schepper te behagen. Hem te behagen is een grooter en kostbaarder goed dau Hem te aanschouwen en door de geneugten Zijner Godheid verzadigd te worden. Zoo gij een grootere belooning zoekt dan de eer van uw God te behagen, zegt de li. Chrysostomus, dan kent gij het geluk niet van Hem lieflijk, aangenaam en behaaglijk te zijn.quot; Si aliam praat er hoc ipsum quod placere Dao meruisti niercedem reijuiris, vera ignoras, quantum bonum sit placere Deo. Men geeft u toe, dat gij God behaagt, als gij Hem waarlijk bovenal bemint; maar uwe liefde behaagt Hem noo-
O O
veel meer, als gij, op het voorbeeld van Fran-ciscus van Sales en andere heiligen, uw hart innig en teeder vereenigt met de brandende Harten van Jezus en Zijne lieve Moeder, en Hunne liefde met die der drie Goddelijke Personen als van vrienden ter leen neemt, om Hen daardoor met alle mogelijke volmaaktheid te beminnen. Wat toch durft en onderneemt de liefde niet, als zij vurig is! sVVij durven altijd, zegt de minnende Paulus, wij trachten den oneindig goeden God niet eenvoudig te behagen, maar op de volmaakst mogelijke wijze te behagen; daarvoor wedijveren wij; daarin willen wij niet door anderen overwonnen worden.quot; A v denies sent per... bnuam vohmta-lem habenms... et ideo conlendinuis placere illi.
^rx
DE GODMINNENDE CHRISTEN LAAT DEN DUUR VAN
ZIJN LEVEN OVER AAN DEN WIL VAN GOD.
1. aDe ware liefde va» den christen bestaat, volgens de leer van den H. Thomas, in God bovenal te beminnen en zichzelven met al bet zijne tot Hem te stieren cn gebeol te onderwerpen aan Zijn Goddelijk welbehagen. Deze waarheid is als de grondregel van het christelijk leven cn staat niet slechts in de H. Schriftuur, maar ook in de harten der ge-loovigen duidelijk geschreven. Wie onzer weet niet, »dat bij God moet beminnen bovenal; dat hij Hem onvergelijkelijk veel meer moet beminnen dan zichzelf, en dat hij zichzelf ten laatste alleen om God moet beminnen.' Gij, minnaar van een lang leven, gij weet, hoe zeker deze drievoudige waarheid is; maar boe kunt gij u dan laten voorstaan op uwe liefde tot den Schepper , alsof gij Hein inderdaad onvergelijkelijk meer bemint dan u zelf, wanneer gij Zijn welbehagen niet stelt boven het uwe? Hoe kunt gij u vleien, dat gij u zeiven ten laatste om Hem alleen bemint, wanneer gij uwe begeerte om dooi' een
91
langer leven uwe heiliglieifl en glorie te vermeerderen niet onderwerpt aan Zijn Goddelijk welbehagen? »De ware liefde zoekt immers niet haar eigen voordeel boven het welgevallen van God.quot; Charitas... non quaerit quae sua simt.
2. »Zoo gij God volmaakt wilt beminnen, zegt de H, Bernardns, volg Hem dan na in Zijne liefde. God bemint zichzelf, u en alle schepselen om zichzelf, en stiert hen en al het hunne naar Zijn eigen welbehagen.quot; Zoo Hij zichzelven en ons op eene andere vijze beminde, zou Zijne liefde door gebrek aan voldoende achting voor zichzelf onvolmaakt zijn. Want Hij is het opperste en allerbeminnelijkste goed en iegelijk het beginsel en de-oorsprong van alle goed. Daarom is Hij aan zichzelf als verschuldigd zichzelven bovenal te achten en te beminnen, en buiten zich niets te beminnen dan om zichzelf en alles in betrekking tot zichzelf; alles te lichten tot Zijne liefde, Zijn welbehagen, Zijne glorie. Volg ook gij dien Goddelijken regel in uwe liefde. Bemin God om God en u zei ven om God. Onderwerp uw leven en uw dood aan Zijn welbehagen en Zijne beschikking. Wensch, dat Hij zoowel don graad van uwe heiligheid en glorie als van den duur uws levens regele en beschikke niet naar uw begeerte, maaralleen naar Zijn
95
Goddelijk goeddunken en welbehagen. »0 gelukkige, ja allergelukkigste ziel, roept dezelfde leeraar uit, die door de genade Gods zoo volmaakt vereenigd zijt van geest, dat gij God alleen in God bemint, en uw eigen voordeel niet zoekt, noch u zelve bemint, tenzij in God eti om God. Hem aldus beminnen is Goddelijk zijn.quot; O fdicem et felicissimam animam! quae n Deo sic merelur affici, ut per imitate rn spiritus in Deo solum amet Deum, non suum ah quid privatum ; et nisi in Deo et propter Deum amet se. Sic affici, deificari est. (Bern.)
3. Het hart van den H. Augustinus vlamde op die volmaakte vereeniging van zijn wil met het Goddelijk welbehagen. »Heer, riep hij uit, maak, dat ik noch mij zeiven , noch mijn genoegen zoeke dan in U! Ja maak, dat ik mij wegwerpe, en U alleen ver-kieze, U alleen liefhebbe; dat ik noch mij, noch U behage , tenzij om U.quot; Abjiciam me et eligam te; nee mild nee tihi plueeam nisi de te. »Het leven behaagt mij slechts in zoover ik U kan behagen; want ik wil niet leven dan om U te dienen. Ik wil U dienen om ü te voldoen en te bevredigen ; en ik wil U bevredigen , omdat Gij zijt het opperste Goed en daarom ook het laatste einde niet alleen van mijne hoop, maar ook van mijne liefde, llcchtens ben ik geheel de Uwe, omdat Gij mijn
96
Schepper en Verlosser zijt; raaarik wil ook geheel en al de Uwe zijn uit vrije keus en liefde. Beschik dan over mij,over mijn leven, en over den duur van mijn leven overeenkomstig Uw Goddelijk welbehagen. Gelijk ik als de Uwe leef, zoo wil ik ook als de Uwe sterven.quot; Ta, Deus, de vita mea disponas tuo arbitratu; cum nihil meorurn jam sit mourn; sed sicut vi-vens sum luus, ila velim tuus emori. (Aug.)
4. Hoe meer men de geschriften leest van den H. Franciscus van Sales, des te duidelijker ziet men, dat hij niets zoozeer ter harte nam als de volle onderwerping en overgeving van zichzelven en al het zijne aan den wil en het welbehagen van God. Hij wilde gaarne hier op aarde toenemen in de volmaaktheid , om God hiernamaals in de eeuwighei I zoo volmaakt mogelijk te aanschouwen, te beminnen en te genieten; maar gelijk hij zelf bekent, »dat verlangen maakte hem niet gejaagd ot onrustig; omdat hij door de gelijkvormigheid van zijn wil met het Goddelijk welbehagen even gerust was, of hem naar zijn wensch zou geschieden, of niet.quot; Gods meerder welbehagen was het doel van al zijne begeerten. Nu wist hij, dat het streven om de heiligma-kende genade en de eeuwige glorie door goede werken altijd gestadig te vermeerderen Gode zeer aangenaam is; daarom legde hij zich met
97
iiaarstigliciil daarop toe. Maar onzeker als hij was, of' het God behaagde hem tot zulk eene groole heiligheid en zaligheid als hij wenschte te verheffen , onderwierp hij zich en liet rnet voile kalmte de vervulling zijner wcnschen over aan de beschikking van zijn Schepper en Zaligmaker, wiens weibehaaglijken wil hij onvergelijkelijk veel hooger schatte dan zijn eigen geluk. »Het veiligste en meest passende voor mij is, zegt hij , aan God alleen de keus te laten, welk goed en welke hoeveelheid daarvan Hij mij geven wil.quot; (Franc. v. Sal.) /ulk eene heilige gemoedsgesteldheid is gemeen aan alle groote minnaars van God. Omtrent een lang of een kort leven hebben zij eene heilige onverschilligheid. Hun grootste verlangen is rjenoey te leven en »zij zijn zeker, dat zij genoeg leven, als zij genoeg leven volgens het oordeel van God.quot; Non ut din vivas, fado opus est; st:d ut satis vivas. Vivis satis, si satis Deo.
5. Ofschoon de engelen veel verhevener schepselen zijn dan de menschen , heeft God hun nochtans, volgens de meening van den H. Thomas en andere godgeleerden, slechts een enkel oogenblik toegestaan om de eeuwige clorie te verdienen. Dat is voorwaar een kort leven van verdiensten; maar hoe kort ook, voor de goede geesten was het lang genoeg, omdat het quot;â enoeo- was volgens de beschikking en het wel-
O O O ^
LANG I.EVKX. '
98
behagen van God. De getrouwe engelen hebben ziel» in dat oogenblik niet zoo groote innigheid van geloof en iioop en met zoo wonderbare vurigheid van liefde tot God gekeerd en zich gericht op Zijn eer en Zijn welbehagen, dat velen hunner, zoo niet allen, in dat oogenblik meer glorie verdiend hebben, dan de godvruchtige menpchen gewoonlijk verdienen in een langdurig, standvastig, heilig leven ; zoodat zij thans in den hemel verheven zijn boven een Paulus den Kluizenaar, een Anto-nius, een Hilarion en andere heiligen, die vijftig, zestig, zeventig jaren en langer in godsvrucht en gestrengheid hebben geleefd. Wel is waar vele andere godgeleerden zijn van meening, dat de engelen langer tijd dan een enkel oogenblik gehad hebben om verdiensten te verwerven; maar ook zij ontkennen niet, dat de goede engelen in zeer korten tijd een zeer hoogen ouderdom hebben bereikt in de oogen van God, ))die den ouderdom zijner schepselen niet afmeet naar den langen tijdduur, naar het aantal levensjaren, maar naar hunne heiligheid en verdiensten.quot; Senectus ve-nerabilU est non diulurna , neque annorum numero com put a ta ... Aetas senectutis vita immaculata. (Sap. IV.)
^rxx.
DE ONZEKERHEID OMTRENT DEN DUUR VAN ONS LEVEN MOET ONS AANSPOREN OM ELK OOGENBLIK GOED TE BESTEDEN.
i. Wij kunnen wel wenscben lang te leven; maar waar is het middel om den dood tegon te houden en te beletten, dat bij ons vroeger dan wij wenscben aanvalt en bemeestert? iloe zullen wij het aanleggen hem tot eene overeenkomst te dwingen , dat hij niet tot ons komt, voordat wij hem roepen of uitnoodigen ? Wij zijn zeker, dat wij door een vonnis der Goddelijke rechtvaardigheid aan hem zijn overgeleverd, en dat hij het recht beeft eenmaal onze ziei van ons lichaam te scheiden; maar het blijft onzeker, wanneer en waar hij ons rechten zal. Wij moeten dus, willen wij als wijze en voorzichtige christenen handelen, voortdurend op onze hoede zijn en zorgvuldig trachten altijd en overal bereid te zijn, om door hem als een heilige en welgevallige offerande aan God geslachtofferd te worden. Wij kunnen den dood niet ontvluchten ; maar wij hebben het dooi' de genade Gods wol in onze macht een zachten en zaligen dood te ontmoeten; »want of hij goed of kwaad is hangt hiervan
400
af, hoe de mensch is op het oogenblik , dat hij liem treft. Hij is vreedzaam en beminnelijk voor allen, die hij op hunne hoede vindt om hem goed te ontvangen en te aanvaarden; maar hij vreeselijk en verschrikkelijk voor degenen, die hij in den slaap der zonde aantreft.quot; Qualem mors invenit hominem, talem homo invenit mortem. (Idiot.) Placida el ama-bilis est vigilanti, formidabïlis peccatori dor-mienti. (ïhom. v. Villa-N.)
2. Daar is geen zekerder middel om tegen den onzekeren aanval van den dood gewapend te zijn, dan de dagelijksclie, of liever voortdurende zorg om God met oprechte liefde te gehoorzamen en te behagen. »Want de gouden schichten der goddelijke liefde, zegt treffend de H. Petrus Damianus, zijn veel sterker dan de ijzeren pijl van den dood.quot; De liefde is geweldig en kan de harten innig kwetsen; maar de wonden, die zij slaat, zijn aangenaam en zoet; en hoe dieper zij zijn-, des te meer verminderen zij het scherpe en bittere van de wonde door den dood toegebracht. De liefde is ook stoutmoediger dan de dood. De dood had onzen minnelijken Zaligmaker niet durven aanranden, zoo hij daartoe niet vooraf het bevel ontvangen had van de liefde. Magna voce in-clamat mortem, non audentem accedere, nisi vocaret. (Theoph.) «IJet is de liefde, zjgt de H.
101
Bernardus, die den Zoon van God en van de H. Maagd aan liet kruis heeft gehecht; en niet tevreden met Hem daaraan te doen sterven, heeft zij na Zijn dood nog Zijn Hart met hare lans geopend en aldus een weg gebaand voor de godminnende ziel om daar binnen te gaan en daar te leven en te sterven.quot; O christen, laat ook uw hart door de Goddelijke liefde wonden en openen voor Christus. Hij zal er zeker Zijn intrek in nemen; want Hij woont gaarne in een hart, dat evenals het Zijne van de liefde doorstoken is. Zoo gij Jezus altijd in uw hart hebt, wat hebt gij dan van den dood te vreezen? »Hij is zoetheid boven alle zoetheid.quot; De dood kan niet bitter smaken af.n een hart, dat dooi' de zoetheid bewoond en bezield is. Non iangi't illos tormentinn mortis. (Sap. Hf.) Jezus is ook Hoeren Meester van den dood. Hij heeft hem overwonnen; Hij heeft over hem gezegevierd ; Hij heeft er de volle heerschappij over. Ontvansrt de dood van Hem verlof om een minnend hart te treilen, dan ti-eft hij niet hard, niet wreed, maar zacht en zoet uit eerbied voor zijn Heer, die er in woont. Sinds hij den Zoon der eeuwige Liefde gedood heeft, slaat het hem niet meer vrij zijn bitteren prikkel te keeren tegen hen, die God beminnen. IJbi est n ort â â timulus tuus'? Jam non slbmilus, sed jubihis. (Bern.)
'102
Hoe zaclit en 'genadig de dood ook is voor Gods dienaars, hij plaatst hen toch builen den weg dei' verdiensten. Als God zoo goed is om zijne komst tot u lang uit te stellen, dan doet Hij dit, opdat gij langer tijd zoudt hebben om meer geestelijke schatten voor de eeuwigheid te vergaderen, Hern langer te dienen en altijd meer te beminnen. Maar al zouden wij met God te beminnen geen glorie noch eonig ander goed verdienen, toch zouden wij den tijd van ons leven aan Zijne liefde moeten wijden; omdat ons leven zonder de beoefening dei- Goddelijke liefde noch waardig noch gelukkig kan zijn. »0 goede God, roept de H. Thomas van Villanova na den H. Au-gustinus uit, tot welk eene groote eer, tot welk eene hooge waardigheid verheft Gij mij met te willen, dat ik U bemin! Ik bemin U, o Heer, ik bemin U. En toch al beminde ik U niet. Gij zoudt daardoor niet minder gelukkig zijn; want Gij geniet alle geluk in U zeiven, Gij hebt mijne liefde niet no «lig. Zoo Gij door mij bemind wilt worden , dan is het om mij gelukkig te maken. Gij weet, dat het geluk des levens bestaat in ü bovenal te beminnen; Gij zelf zijt gelukkig door de liefde tot L zelf. Gij wilt dan, dat ik ü beminne, opdat ik daardoor een waarlijk gelukkig leven leide, en Gij wilt, dat ik gelukkig leve, om-
lor!
lt;lat Gij mij bemint.quot; Amari vis a me, cjuia diligis inquot;. Ia a more tuo vila mea tola con-sistit; et propter Ine vis amari a me, ut mtarn eijo habeam amando te.
4. 0 christen, indien gij zo kar waart, dat God had bepaald u nog slechts een enkelen vollen dag levens te schenken, dan zoudt gij door het geloof u zeiven genoegzaam overtuigen , dat het geluk des levens bestaat in uw Schepper en Zaligmaker trouw te dienen â en volmaakt te beminnen. O hoe bezorgd izoudt gij zijn om elk uur, elk oogenblik van lt;lien kostbaren dag wel te besteden! Van den morgen tot den avond zoudt gij u om niets anders bekommeren dan om God in alles te voldoen en te behagen. Op een enkel uur zoudt gij meer akten van geloof, van hoop, van liefde, van berouw en van andere deugden verwekken dan vroeger op een dag, in een maand, misschien in een jaar. Met welk eene zorgvuldigheid zoudt gij door vurige liefde al uwe werken aan Zijne Goddelijke Majesteit â opdragen 1 Met welke nauwkeurigheid zuudt gij al uwe gedachten, woorden, bewegingen, zelfs â den minsten oogslag regelen naar de wet der â Goddelijke liefde! Waagde het iemand u onnutte dingen voor te houden, of u over we-reldsche eer, over geld en goed, over lichamelijke schoonheid, over opschik in kleederen te
104
spreken, het zou u mishagen en u verdrieten-zulke beuzelingen aan te hooien. »De tijd van mijn leven , zoudt gij met Ezeehiel tot hem zeggen, is de tijd van liefde, de tijd om God te beminnen, de tijd om mijne zonden uitliefde tot Hem te beweenen. Al wat God niet is, is niets voor mij. Zwijg mij van het aardsche : alles wordt mij bitter, God alleen is zoet. ' Quad Deus non est, nihil mild est. Amavescvnl mihi omnia, Deus' solus est dulcisr animae meae. (Aug.)
5. Niemand waeht den dood met een blij gelaat af, dan die zich van ti' voren tot zijne komst goed heeft voorbereid : en niemand bereidt zich beter voor dan die eiken dag beschouwt-als den laatsten van zijn leven, alsof hij denzelfden nacht moest sterven. Singulos diesr singulas vitas put a: ijui hoe modo se aptal ad mortem, in morte securm est. God houdt den dag van uw dood voor n verborgen; op-dat gij u alle dagen daartoe zoudt voorbereiden. En die dagelijksche voorbereiding vordert Hij van u, zegt de H. Chrvsostomus, op-dat gij niet alleen uwe zaligjiei I béter zoudt verzekeren, maar ook vele eeuwige kronen zoudt verwerven. Want wie zich ernstig tot den dood voorbereidt, is er bijzonder op bedacht om vrijen loop te geven aan de liefde lot God en zich aldus naai- het voorbeeld des
105
Zaligmakers aan de H. Drievuldigheid op te dragen. Tot Hare eer en tot Haar welbehagen zal hij den dood met vreugde en vurigheid afwachten en met dankbaarheid ondergaan; omdat hij waardig gekeurd wordt een slachtoffer te zijn voor Gods welbehagen en glorie-Die dat eiken dag doet, mag met den H. Paulus zeggen, dat hij dagelijks sterft. Quo-tidie morior. «Want, zegt dezelfde H. Leeraaiv men sterft voor God eiken dag, als men zich dagelijks aan Hem opdraagt om te sterven; en men verdient telkens eene eeuwige kroon, zoodikwijls men aldus sterft. Wanneer derhalve wij , christenen, aldus besluit de H. Lee-raar, ons alle dagen aan God aanbieden, om den dood op elk nur gaarne uit liefde tot Hem te aanvaarden, dan vertrekken wij uit deze wereld met zooveel kronen als wij dagen hebben geleefd , en zelfs rnet nog veel mcerT als wij willen; omdat wij dagelijks niet slechts eens, maar herhaalde malen voor God kunnen sterven. Unde Liquet fore, ut cum tot coronis hinc discednmus, quot dies hic vixerimm; imo vero multo pluribns; licet enim uno die et semel et his et saepe mori.
6. «Beschouwt men den dood in zichzelf, dan is hij akelig en vreeselijk, zegt de H. Francis-cus van Sales; maar beziet men hern met het oog iler liefde, met het oog op den stervenden
ICO
'Zaligmaker, met het oog op den welbeliaag-i ij ken wil der H. Drievuldigheid , dan verandert hij van gedaante en wordt aangenaam, wenschelijk , gemakkelijk.quot; »De godminnende zielen, zegt de H. Chrysostomus, moeten hem dus gaarne zien aankomen, en even welgemoed van hun lichaam scheiden als de men-schen zich 's avonds van hunne kleederen plegen te ontdoen om beter te rusten.quot; De heilige wist wel, dat er in den dood iets geweldigs is, iets wat strijdt tegen de natuur; lt;loch hij wist evenzeer, dat de christen zijne verlangens niet moet regelen naar de begeerlijkheid der natuur, maar naar den eisch dei-genade en der liefde Gods. Het geweld van den dood is bitter, dat der liefde is zoet; en hare geweldige zoetheid zegeviert over do bitterheid des doods. à amor impatuose omnia /mortem ipsaml triumphns in le ipso. (Bern.)
7. Godvruchtige lezer! Ik roep uw eigen hart op om te getuigen, hoe geweldig de heilige liefde is. Indien gij eens een zwaren aanval hadt te verduren van vleeschelijke lusten of van andere gevaarlijke bekoringen; wat zoudt gij dan liever willen: Gods liefde verliezen door eene doodzonde, of aanstonds sterven? Immers liever en zelfs veel liever terstond sterven. Welnu dan zegepraalt in u de liefde over den dood. En doet zij dit in
107
het voorgestelde geval, waarom zon zij liet niet doen in andere omstandigheden ? De eerste wet der Goddelijke liefde is, dat men haar wel beware en niet verlieze; maar de tweede wet is, dat men dc vriendschap niet God ver-meerdere en steeds inniger make. »0 groote goedheid Gods, roept de Leeraar der liefde uit. Hij, die ons geschapen heeft en vrijgekocht , is Heer en Meester van ons leven en van onzen dood. Om onze zonden zijn wij zelfs veroordeeld tot den dood. En nochtans is Hij zoo goed, dat Hij onzen dood met Zijne vriendschap beloonen wil, wanneer wij dien uit liefde tot Hem gaarne aanvaarden en on-â¢dergaan.quot; 0 magna bonitas Dei! Amicitia-rurn nobis praemia repiOinill.il , ui a nobis obsequia debitac servilutis oblineal.
8. Welaan dan , godvruchtige lezer, offer u dagelijks op aan God, om den dood te allen tijde, dat het Hem zal believen u dien over te zenden, gaarne uit liefde tot Hem te aanvaarden. Wat is toch deze aardsche wereld; en wij, die haar bewonen, wat zijn wij ? Zijn wij iets anders dan schapen, die voor de slachtbank bestemd zijn en daarop eenmaal moeten gedood worden? Sutnus sicuti oves occisionis. Voor ons, kinderen van Adam, is het droevig te moeten stervenvoor ons, kinderen, minnaars en vrienden van God, is het
108
sterven aangenaam en wenschelijk, omdat door den dood God zelf, onze bovenal beminde Vader, ons tot Zijne eer en glorie slaclitolïert aan Zijne rechtvaardigheid, liet moet troostvol voor ons zijn van zulk eene waardige en liefdevolle hand den doodslag te ontvangen. Het moet eervol en aangenaam voor ons zijn tot zulk een heilig en verheven doeleinde te sterven. Terwijl wij onzeker zijn, wanneer God ons naar het altaar der reclitvaardiglieid zal roepen, »moeten wij intusschen op het altaar van ons hart alle dagen voor Zijne oogen sterven, door ons dagelijks door het vuur der liefde als een heilig en aangenaam offer op te offeren.quot; Veluli ores pnncuan Domini, in ara ordis iijne charilatis assati, nos ipsos off eramus hosliam sanctum, Deo placentem. (Aug.)
Ad SyCaJprsija, Dei Gloariaraa-,
GO ,
INHOUD.
lil. At)/.
Eekste Gedeei.te. Hoe oen Christen kan veHnngen vroeg te sterven ...
I. De hoop doet de vechtvaardigc ziel naaiden dood verlangen .... 5
II. De liefde stort den goeden christen het verlangen in om spoedig te sterven . lü
III. Een goed christen voelt een bijzonder verlangen om in de glorie bij de Moeder Gods te zjjn ...... 22
IV. Het verlangen om bij Christus te zijn . 31
V. Het verlangen om de H. Drievuldigheid
te aanschouwen ..... -i2
VI. Troost der zielen in deze ballingschap . 52 Tweede Gedeelte. Hoe een christen kan verlangen lang te leven .... 58
I. De wensch om lang te leven nis een waar christen is loffelijk .... 58
II. Men kan wenschen lang te leven uit liefde tot zichzelf en uit liefde tot den naaste ....... 03
III. Is het werkelijk om meer verdiensten te vergaderen , dat wij naar een lang
leven verhingen. . . . . 08 '
IV. Een lang leven wenschen uit liefde tot
de II. Drievuldigheid .... 77
i
no
. Bladz^
\ . De liefde tot God moet het leven beheer-
schen ........ 86
\I. De godminnende christen laat den duur
van zijn leven over aan den wil van God 93-VII. De onzekerheid omtrent den duur van ons leven moet ons aansporen om elk oogenblik goed te besteden (K)'