ocr page 1

/p/o. ■ //ö

ocr page 2
ocr page 3

NAAR HET DU1TSCH

A'AX

L.VON HAMMERSTEIN

DOOI!

H. ERMANN.

LUIDEN,

J. W. VAN LEEUWEN.

ocr page 4
ocr page 5

', k amp;

HO

IS ER EEN GOD?

NAAR HET DUITSCH

VAN

L VON HAMMERSTEIN

DOOK

pIBL. Co\!

^ x~/ ! M

0- F. M. F l-J O I-I PT jv »

J. W. VAN LEEUWEN.

UfTGEVER EN ANTIQ.-BOEKHANDELAAR.

Hoogewcerd 89.

.

/( v-

ocr page 6

DRUK VAN ED. UriO. - I.F.IDEN.

ocr page 7

INHOUD.

Bladz.

Yoorbericht van den vertaler......5

Aan den lezer........................7

L Waarom Meier, de bouwkundige, God loochent 9 [I. Waarom Dr. Schulz van het bestaan van G-od

overtuigd is.............18

A. Het bestaan der wereld in het algemeen . . 20

B. De veranderlijkheid der wereld......22

C. Het bestaan van planten en dieren .... 25

D. Het licht.............31

E. Het oog.............37

F. De wereld der vogelen........40

G. Eenige aangeboren eigenschappen der dieren . 4(gt; HL De beslissing.............59

ocr page 8
ocr page 9

Voorbericht van den Vertaler.

De schrijver van het degelijk boekje, waarvan ik den Nederlanders eene vertaling aanbied, werd geboren uit eene oud-adellijke Duitsche familie, die tijdens de groote kerkhervorming tot de leer van Luther was overgegaan. Zijne eerste levensjaren bracht hij door op het ouderlijk kasteel te Gesinold in Westphalen, zijne jeugd op het Pro-testantsche gymnasium te Osnabrück (1844—1850), zijne jongelingsjaren aan verscheidene hoogescholen: Heidelberg, Münster, Göttingen. Zoo in iemand dan zeker in hem zien wij bewaarheid de schoone spreuk die boven zijne bekee-ringsgeschiedenis prijkt1): „Gij hebt ons gemaakt voor ü en ons hart is onvoldaan, totdat het rust vin de in U.quot; (H. Augustinus). Ofschoon in geheel Pro-testantsche omgeving opgevoed en in voortdurende aanraking met het verderf der ongeloovige samenleving, wist hij de overblijfselen van het oud-Christelijk geloof ongerept te bewaren en week nimmer voor de eischen der zoogenaamde nieuwere wetenschap.

') Erinnerungen eines allen Lutheranen;, von L. yon Hammerstein s. ,1., 2e Aflage. Herder, 1883.

ocr page 10

VOORBERICHT.

Zijn eerste polemische arbeid dagteekent van de schooljaren aan het gymnasium. Tegen de pantheïstische wereldbeschouwing, alom gehuldigd, stelde hij met scherp vernuft een bewijs op voor het bestaan van den persoonlijken God. Ook later hielden de groote vraagstukken: bestaan van God en zijne openbaring in het Christendom hem rusteloos bezig, zonder dat echter de minste argwaan bij hem opkwam tegen de onfeilbaarheid van het Luthersche leerstuk. Zijne overtuiging kreeg een schok door Möhlers Symbolik, die hem toevallig in handen viel. Dit werk met aandacht, in verband met Protestantsche geschriften gelezen, deed voor hem een nieuw licht opgaan. Vooroordeelen en minachting weken, en na lang voortgezet onderzoek besloot hij tot de oude Kerk weder te keeren. Niet zonder strijd kon dit geschieden. Zijne geheel Protestantsche familie trachtte hem met alle moeite van dit voornemen af te brengen. Eerst na vele beproevingen en ernstige tegenkanting deed hij eindelijk den beslissenden stap en legde te Mainz voor Mgr. von Ketteler de geloofsbelijdenis af. Doch zijn streven naar God voerde hem verder. In 1858 liet hij zich opnemen in de Sociëteit van Jezus en wijdde zich voortaan geheel aan den dienst des Heeren. Niet tevreden met voor zichzelf rust te hebben gevonden, beijverde hij zich vooral door geschriften de kennis der waarheid ook aan anderen mede te deelen.

Van dien ijver getuigt ook dit door mij vertaalde boekje, welks voorbericht „Aan den lezerquot; mij uit het hart is geschreven.

H. E.

Gymnasium. Katwijk, 29 Juni 1892.

ocr page 11

Aan den lezer!

Waarde lezer! Ik hoop dut gij niet tot de ongelukkig en behoort die het bestaan van God, hun Vader in den Hemel loochenen. Toch kan mijn boekje nuttig zijn om u van een godloochenaar, wanneer hij u te wcf komt op eene fatsoenlijke manier af te maken of— wat nog beter is — hem tot het geloof terug te brengen.

Zijt gij echter zelf zoo ongelukkig geweest van uwe overtuiging afstand te doen, onderzoek dan eens ernstig of verstandige redenen of niet veeleer redenen van geheel anderen aard u daartoe verleidden

Ach, keer terug tot God, uw Vader.

Schijnt u mijn boekje te kort en wenscht gij meer over dit onderwerp te weten, lees dan mijn grooter werk dat tot titel draagt: Bewijzen voor 't bestaan van God '). 't Is verkrijgbaar in de Paulusdrukkerij te Trier.

De Schrijver.

') Irottes-Beiveise Viei-tes Tauseml 189'2.

ocr page 12
ocr page 13

I.

daarom Meier, de bouwkundige, Sod loochent.

Dr. Scliulz, praktizeerend geneesheer uit K. had zich naar Königstein in Taunus begeven ten einde daar de waterkuren te gebruiken en eene andere lucht op te zoeken ter versterking zijner zenuwen. Met hetzelfde doel bevond zich daar ook de ingenieur Meier uit Pr. Beiden logeerden in 't Hof van Frankfort en deden samen bijwijlen uitstapjes naar den Feldberg, Altkönig, de oude ruïne Falkenstein enz. Ieder voor zich had liever, Dr. Schulz een Ultramontaan en Meier een ongeloovigen Liberaal tot metgezel aan zijne zijde gezien, maar er waren nog niet vele badgasten aanwezig; men moest dus vooralsnog elkanders gezelschap voor lief nemen.

De bouwkundige zat een Zondagnamiddag in den tuin op het terras en doorbladerde verscheidene boeken, die hij tot uitspanning had meegebracht. Daar trof hem Dr. Schulz.

„Is u weer godvruchtig geweest?quot; vroeg de ingenieur.

Dr. Schulz: „Ja! Ik ben naar het lof gegaan.quot;

Meier: „Wat hebt gij daar uitgevoerd?quot;

Dr. Schulz: „Ik heb gebeden.quot;

Meier: „Gelooft ge dan nog aan al dien rimram?quot;

Dr. Schulz: „ Meent gij dat ik een huichelaar ben ? Als ik niet aan God geloofde, zou mijn kerkbezoek louter komediespel zijn!quot;

ocr page 14

10

Meier: „Maar gij, een ontwikkeld man, een geneesheer die jaren achtereen aan de Duitsche hoogescholen gestudeerd hebt, moest toch overtuigd wezen, dat de nieuwere wetenschap met een God, die buiten de wereld staat, reeds lang heeft afgerekend!quot;

Dr. Schulz: „quot;Werkelijk? Gij weet meer dan ik. Wees dan zoo goed mijn professor te zijn en mij uit de nieuw ere wetenschap te bewijzen, dat een persoonlijke, van de wereld onderscheiden God niet bestaat.quot;

Meier: „Dat zal ik! Vooreerst heeft, zooals gij weet, Spinoza reeds vóór ongeveer twee eeuwen bewezen, dat er naast de wereld geene tweede zelfstandigheid, dus geen God denkbaar is.quot;

Dr. Schulz: „ Dat Spinoza dit bewezen heeft, is nieuws voor mij; dat hij dit echter met wijsgeerig-klinkende sophismen heeft willen bewijzen, is waar. Zjjn zoogenaamd bewijs tegen het bestaan van God is de valschte sluitrede, klinkklare zotteklap. Indien gij er iets meer achter zoekt, beproef dan zelf aan de hand van dien geleerde mij te heivijzen dat God niet bestaat!quot;

Meier: „Goed! Dat zal ik doen. Ik zeg dan: wanneer er een God was, dan waren er twee substanties, namelijk God en wereld. Dat is echter onmogelijk; dus er is geen God.quot;

Dr. Schulz: „Waarom kunnen er geen twee substanties zijn.quot;

Meier: „Men noemt eene zelfstandigheid iets wat op zichzelf staat en als op zichzelf staande gedacht kan worden. Er is dus maar ééne zelfstandigheid mogelijk en al het overige wat bestaat, is louter eene „modificatiequot;, eene wijziging, een andere vorm van die zelfstandigheid.quot;

Dr. Schulz: „Dat is nu eens een hooggeleerde philo-sophie. Op grond van zulk eene redeneering verklaar ik u

ocr page 15

11

ook, dat paard en ruiter geen twee substanties zijn; de ruiter is integendeel maar eene modificatie d. i. een andere vorm van zijn paard of het paard een andere vorm van zijn ruiter; anders toch zouden wij twee substanties moeten aannemen!quot;

Meier: „Gij gaat te ver in uwe toepassing. Gij moet niet een of' ander afzonderlijk ding, maar de wereld in haar geheel beschouwen. Als gij dat doet, zult gij mij moeten toegeven, dat er buiten de wereld geen God kan bestaan.quot;

Dr. Schulz; „Ja waarlijk, indien gij alles wat er bestaat onder den naam wereld samenvat dan kan er zeker buiten de wereld geen God zijn. Dat is evengoed waar als wanneer ik zeg: buiten het menschdom d. w. z. buiten alle menschen samengenomen, kan er geen mensch bestaan.

Ziet gij dan niet, dat gij maar met woorden speelt? Ik zeg: buiten deze zichtbare wereld bestaat er nog een God, die haar geschapen heeft. Indien gij dat ontkennen wilt, is het niet voldoende te zeggen; buiten alles wat bestaat, is er verder niets; dat spreekt vanzelf. Gij moet integendeel zeggen en bewijzen , dat buiten deze zichtbare wereld geen schepper van deze wereld bestaat, juist als wannéér gij wildet aantoonen, dat er buiten het uurwerk geen uurwerkmaker is. Ik vrees nochtans, dat gij dit bewijs moeielijk zult leveren.quot;

Meier: „Toch niet! Het moge waar zijn, dat God en wereld als twee substanties naast elkaar kunnen gedacht worden, zooals ook paard en ruiter twee zijn. Maar twee dergelijke substanties kunnen toch nimmer geheel onafhankelijk van elkander bestaan ?quot;

Dr. Schulz: „Zeker niet; d. w. z. de wereld kan niet onafhankelijk zijn van God, God is echter onafhankelijk van de wereld. Te bewijzen dat de wereld onafhankelijk

ocr page 16

12

zou zijn van God, valt niemand in. Zij is immers door Hem uit het niet geschapen!quot;

Meier: „Uit het niet geschapen? Dat is alweer onmogelijk, merkt een der grootste wijsgeeren aan. Herbert Spencer zegt namelijk: „Moet men aannemen, dat het organisme uit het niet geschapen werd ? Als dat zoo is, dan heeft men daardoor de schepping van de stof aangenomen, en de schepping van de stof is onbegrijpelijk. Zij vordert dat er in de gedachte eene betrekking gesteld worde tus-schen niets en iets, eene betrekking, waarin het eene lid ontbreekt, dus eene onmogelijke betrekking.quot; ')

Dr. Schulz; „De schepping der wereld is derhalve onmogelijk, omdat de wereld vóór de schepping nog niet bestond en iets wat nog niet bestaat of een niets, geene relaties kan aangaan?

Veroorloof mij eene vraag tot u den bouwkundige te richten : „Hebt gij wel eens een plattegrond geteekend ?quot;

Meier: „Dat spreekt; meer dan een.quot;

Dr. Schulz: „Bestond die teekening, voordat gij ze gemaakt hadt ?quot;

Meier: „Die teekening nog niet, maar papier en potlood bestonden.quot;

Dr. Schulz: „En nu bestaat met papier en potlood ook de plattegrond. Er werd dus tusschen een niets en een iets eene betrekking gesteld.quot;

„Overigens doet dit alles hier bitter weinig ter zake. De vraag is niet of God de wereld scheppen kon, maar alleen of God bestaat. Gij wildet mij bewijzen, dat God niet bestaat. Maar dat hebt gij noch Spencer bewezen.quot;

') Herbert Spencer. Die Principien der Biologie. Stuttgart, 4870. I. S. 367.

ocr page 17

13

Meier: „Welnu, ik zal het u uit de sterrenkunde aantoonen.quot;

Dr. Schulz: „Gij maakt mij nieuwsgierig!quot;

Meier: „Men stelt zich voor dat in een hemel God troont, omgeven door een heelen hofstoet van Engelen en Heiligen, en ik weet niet wat al meer. Die hemel moet eene verbazende ruimte beslaan. Maar de sterrenkunde heeft uitgemaakt, dat er voor zulk een hemel in het wereldruim geen plaats is. Derhalve is er geen plaats voor God, en deze kan dus niet bestaan.quot;

Dr. Schulz: „Wees toch verstandig, Mijnheer.quot;

Meier: „Hoe zoo!quot;

Dr. Schulz: „Dat is immers beuzelpraat!quot;

Meier: „En waarom? Twee onzer uitstekendste voorstanders van het Monisme Schopenhauer en Strausz komen tegen het bestaan van God met hetzelfde bewijs voor den dag. Ik zal u hunne woorden voorlezen.

Schopenhauer zegt: „Het oprechte geloof aan een God, vooronderstelt noodzakelijk dat men het heelal verdeelt in hemel en aarde ; de menschen loopen op de aarde en God die hen regeert, zit in den hemel; als nu de sterrenkunde den hemel wegneemt, dan heeft zij ook God mede weggenomen ; zij heeft namelijk het heelal zoo uitgebreid , dat voor God geen plaats meer overblijft.quot; ')

Dat leert ook David Strausz: „De verbeeldingskracht kan het streven niet laten varen zich God als plaats innemend voor te stellen. Vroeger toen zij nog over eene gepaste ruimte beschikte, kon zij dat doen zonder daarin belemmerd te worden; nu wordt zij verhinderd door de wetenschap, dat zulk eene ruimte nergens bestaat; wie

1) Schopenhauer: Panerga und P. I. S. 55.

ocr page 18

14

zich eene voorstelling maakt van het wereldstelsel naar den tegenwoordigen stand der sterrenkunde kan zich geen God meer verbeelden op een troon gezeten en omstuwd van engelen. Derhalve geen hemel meer als paleis, geene engelen om zijn zetel, geen donder noch bliksem meer zijne wapenen; oorlog, honger en pest niet meer zijne geesels, maar werkingen van natuurlijke oorzaken; sinds Hij aldus alle eigenschappen van persoonlijk bestaan en macht verloren heeft, kunnen wij ons sreen persoonlijken God meer verbeelden.quot; ')

Dr. Schuiz: „Moet ik dan werkelijk zulke dwaasheden weerleggen ?quot;

Meier; „Gij zult toch geene dwaasheden noemen wat mannen als Strausz en Schopenhauer zeggen?quot;

Dr. Schuiz: „Waarom niet? Als zij met domheden voor den dag komen, dan aarzel ik niet hunne uitspraken als domheden te bestempelen. Die geleerden, hoe knap zij anders ook zijn, plegen op dwaasheden te verzeilen, zoodra zij in hunne blinde vooringenomenheid tegen het Christendom kampen. Ik wil u echter ook aantoonen, dat deze heeren inderdaad dwaasheden hebben uitgekraamd. Ten eerste weet ieder kind, dat God alomtegenwoordig is, dus niet alleen in den hemel, maar overal bestaat. Ook weet ieder kind dat God, zijnde een geest, onzichtbaar is, evenals onze ziel en hare deugden en ondeugden onzichtbaar zijn. Met al uwe verrekijkers en vergrootglazen kunt gij God niet zien en omdat gij Hem niet ziet, evenmin tot de gevolgtrekking komen, dat Hij niet bestaat.quot;

Meier: „Van het bestaan eener ziel kan geen sprake zijn, en gij zult mij nooit bewijzen, dat er buiten het zichtbare wereldruim nog iets anders bestaat.quot;

') Strausz: Der alte umi der nene Glaube, S. 100.

ocr page 19

15

Dr. Schulz: „Dat is immers de vraag niet. Gij waart het, die bewijzen zoudt, dat er geen God is; gij moet dus bewijzen dat er niets onstoffelijks wezen kan.

Doch ik wil u dit bewijs voor 't oogenblik schenken en alzoo aannemen dat God als een eerbiedwaardige monarch ergens in het heelal op een troon moet zetelen, door de heerscharen des hemels omstuwd. Wees nu zoo goed mij te zeggen, hoe gij wilt bewijzen dat er voor zulk een hemel geen plaats is. Hoevele kubieke mijlen ruimte vordert gij?quot;

Meier: „Eenige honderd millioen kubieke mijlen zijn in alle geval noodig.quot;

Dr. Schulz: „Wellicht een ruimte zoo groot als die van den geheelen aardbol? Nu heeft echter de zon meer dan een millioenmaal zoo grooten kubieken inhoud als de aarde; en onder de vaste sterren worden er ongetwijfeld zeer vele gevonden, die veel grooter zijn dan de zon. Kent gij misschien al die sterren zoo nauwkeurig als uw vestjeszak ? Zelfs van uw vestjeszak kunt gij moeilijk weten, of daar niet in een hoekje een zandkorreltje schuilt. Maar uw hemel van eenige millioenen kubieke mijlen zou in vergelijking met de vaste sterren nog niet eens een zandkorreltje zijn. Breng dus andere bewijzen te voorschijn, mijnheer de ingenieur! Want tot nu toe hebt gij nog niets bewezen tegen het bestaan van God.quot;

Meier: „Welaan dan! Ik zeg met Kant: het beginsel der oorzakelijkheid (volgens hetwelk ieder ding wat aanvangt te bestaan eene oorzaak heeft) is onzeker. Gij kunt dus uit het bestaan der wereld niet het bestaan van God besluiten.quot;

Dr. Schulz: „Maar, mijnheer, daarover spreken wij niet! Ik wilde u niet het bestaan van God, maar gij w i 1 d e t m ij het n i e t-b e s t a a n van God bewezen!

ocr page 20

16

Wat intusschen Kant betreft, hij beweert zeer averechts, dat het bestaan van Grod niet met zekerheid kan worden aangetoond; hij houdt echter ook staande, dat het niet-bestaan van God evenmin kan bewezen worden; hij spreekt u derhalve tegen!quot;

Meier: „De andere bewijzen voor het bestaan van God zijn ook al niet steekhoudend. Het zoogenoemde bewijs der Teleologie of leer van de eindoorzaken der dingen en van de doelmatigheid in de inrichting der wereld (volgens hetwelk bestendige doelmatig werkende zaken niet door toeval kunnen ontstaan) is bijv. door het Darwinisme ontzenuwdquot;

Dr. Schulz: „Nog eens laten wij bij het vraagpunt blijven! Gij zoudt mij bewijzen, dat God niet bestaat. Gij hebt verscheidene redenen aangehaald, maar de bewijskracht van ieder op zichzelf was van nul en geener waarde, en wanneer gij ook al honderden nullen optelt, krijgt gij toch nimmer eene één noch een eentje, veel minder een bewijs tegen het bestaan van God. Doch ik beloof u plechtig zeshonderd gulden, indien gij mij maar een enkel steekhoudend bewijs levert, dat God niet bestaat.quot;

Meier: „Beproef gij dan eens het tegengestelde te bewijzen, namelijk dat er wezenlijk een God is.quot;

Dr. Schulz: „Dat zal ik. Maar laten wij naar mijne kamer gaan, daar is het rustiger. Nog eene aanmerking vooraf: als gij gelijk hebt, dat er geen God noch een toekomstig leven is, en ik dus dwaal, dan ben ik toch altijd gelukkiger dan gij, daar ik mij aanmoedigen en in 't ongeluk troosten laat door de hoop op den Hemel, terwijl gij maar den bedenkelijken troost kent, dat met den dood alles gedaan is. Wanneer ik echter ge 1 ijk heb en gij dwaalt, wanneer er werke 1 ijk een God, een

ocr page 21

17

Hemel en een Hel bestaan, dan zijt gijtebekla-gen! AVant dan wacht u, ingeval gij in de godloochening volhardt, een schrikwekkend lot in de eeuwigheid. Immers met een beetje goeden wil hadt gij ii kunnen overtuigen, dat God bestaat, Hij u geschapen heeft, en gij verplicht zijt Hem te aanbidden en zijne geboden te onderhouden. Indien gij hierin in gebreke blijft, haalt gij u reddeloos eene eeuwige, vreeselijke straf op den hals.quot;

ocr page 22

II.

Waarom 2)r. 5chulz van het bestaan van Sod overtuigd is.

De twee heeren bevonden zich op de kamer van den dokter. De laatste woorden hadden aan het gesprek eene ernstige wending gegeven. Er heerschte een tijdlang een diep stilzwijgen.

„Gij hebt mijne woorden toch niet kwalijk opgenomen, mijnheer Meierquot;, begon de dokter; „zij kwamen uit een goed hart. Zie, ik ben van de waarheid des Christendoms overtuigd; ik heb de zekerheid, dat er een persoonlijke God leeft, die het goede eeuwig beloont, maar ook het kwade eeuwig bestraft. Tot dit kwade reken ik vooral het ongeloof, dat weigert God zijn Heer te erkennen en te dienen. Indien er degelijke bewijzen waren, dat God niet bestaat, dan bestond er geen God, en dan was het ongeloof natuurlijk geen zonde. Doch gij hebt zelf ingezien, hoe ellendig zwak de grondstellingen zijn, die door de grootste mannen uwer wetenschap, bijv. Spinoza, Spencer, Schopenhauer en David Strausz tegen het bestaan van God worden opgezet. Dat alleen reeds moest u overtuigen dat het met 't ongeloof zeer slecht staat.

Meier: „Het is waar, dokter, die bewijzen hebben niet veel te beduiden. Maar hoe kan ik verplicht worden aan een God te gelooven en hoe kan het ongeloof eene zonde heeten, zoolang mij voor het bestaan van God

ocr page 23

19

geen afdoende en klaarblijkende bewijzen zijn geleverd?quot;

Dr. Schulz: „Afdoende en voldingend moeten de bewijzen stellig zijn, maar klaarblijkend zoodat zij het verstand dwingen, dat is onnoodig; want voldingend en klaarblijkend of onomstootelijk zeker zijn tweequot;.

Meier: „Wat bedoelt gij?quot;

Dr. Scliulz; „Een zaak is klaarblijkend, die ik ook met den besten of slechtsten wil niet loochenen kan. Zoo is het mij bijv. klaarblijkend, dat gij voor mij zit. Niet klaarblijkend, maar alleen streng bewezen is daarentegen eene zaak, wanneer wel is waar elke verstandige mensch het bewijs voldoende moet achten, maar het toch mogelijk blijft onverstandig genoeg op louter schijngronden steunend aan de zaak te twijfelen. Zoo had bijv. Koning Hendrik VIII van Engeland afdoende bewijzen, dat Katha-rina van Arragon zijne wettige eohtgenoote was. Maar hij wilde nu eenmaal door de bewijzen niet overtuigd worden, hij wilde eene scheiding van zijne wettige gemalin om Anna Boleyn te huwen. Zijn booze wril heeft zóó op zijn verstand gewerkt, dat hij eindelijk zelf aan de wettigheid van zijne verbintenis met Katharina twijfelde. Zult gij hem daarom vrijspreken?quot;

Meier: „Volstrekt niet, maar wat doet dit hier afin de bewijzen voor het bestaan van God?quot;

Dr. Schulz: „Zeer veel! De bewijzen voor het bestaan van God zijn minstens even duidelijk en doorslaand, als die voor de wettigheid van Hendriks huwelijk met Katharina. Wie nochtans, omdat die bewijzen niet klaarblijkend zijn, zich niet onderwerpen wil aan zijn Schepper en Heer, maakt zich evenzeer schuldig als de koning van Engeland, neen, is veel schuldiger dan deze, wijl hij den grondslag der geheele zedenkunde, gehoorzaamheid aan den hoogsten wetgever, zooveel in hem is, ondermijnt.quot;

ocr page 24

20

Meier: „Welnu, kom met uwe bewijzen te voorschijn, dokter! Ik ben tevreden als zij doorslaande zijn; wiskunstige zekerheid vorder ik niet.quot;

A. Het bestaan der wereld in het algemeen.

Dr. Schulz; „Ik geef u als eerste bewijs het bestaan der wereld in het algemeen. Gij bestaat mijnheer, dus moet er een God zijn die u geschapen heeft.quot;

Meier: „Volstrekt niet, dokter! Mijn bestaan vindt voldoende verklaring in het bestaan mijner ouders.quot;

Dr. Schulz: „En wie heeft uwe ouders en voorouders geschapen ?quot;

Meier: Zij stammen af van een of ander aapachtig dier.quot;

Dr. Schulz: „En dit aapachtig dier stamt af van____?quot;

Meier: „Wellicht van eenig chaldeeuwsch oerslijm.quot;

Dr. Schulz: „En waarvan komt dat oerslijm?quot;

Meier: „Van de levenlooze stof, misschien van de verbinding van kool- en stikstof.quot;

Dr. Schulz: „En waarvan komen die kool-en stikstof ?quot;

Meier: „Ze bestaan van eeuwigheid; want de stof is ongeschapen.quot;

Dr. Schulz; „Was de stof dan van eeuwigheid af in ontwikkelingstoestand of van eeuwigheid in rust ?quot;

Meier: „Zij was van eeuwigheid bezig zich te ontwikkelen.quot;

Dr. Schulz: „Dan vraag ik u: hoe komt het dat wij in deze ontwikkeling niet reeds verder vooruit zijn gegaan, dat wij bijv. nog geene vleugels hebben ? Hoe verklaart gij, dat die ontwikkeling zóó langzaam was, dat daardoor eerst vóór eenige duizenden jaren de inensch ontstaan is ?quot;

Meier: „Ho! Het menschelijk geslacht schijnt minstens honderdduizend jaar oud te zijn !quot;

ocr page 25

21

Dr. Schulz: „Geef het mijnentwege een ouderdom van millioenen jaren. Maar volgens de Palaeontologie of leer der voorwereldlijke dieren en gewassen en hunne fossiele overblijfselen bestond het menschdom in de oudste aardkundige tijdperken zeker nog niet. Als nu de stof van eeuwigheid af, dus sedert een oneindige reeks van jaren in ontwikkeling was, dan moest zij het in die eeuwigheid ook reeds oneindig ver gebracht hebben, en dus de mensch veel vroeger dan vóór eenige duizenden jaren ontstaan zijn.quot;

Meier: Daarin geef ik u volkomen gelijk, dokter. Ik verander dus van meening en zeg: de stof was van eeuwigheid af in een toestand van rust en werkeloosheid.quot;

Dr. Schulz: „Hoe is 't dan bij deze van eeuwigheid rustende stof plotseling opgekomen om zich te bewegen, zich te ontwikkelen ? Kwam de stoot en aansporing daartoe uit de stof zelve of van buiten ?quot;

Meier: „Uit de stof zelve.quot;

Dr. Schulz : Maar dan had die stoot toch eene lieele eeuwigheid vroeger moeten gekomen zijn ?quot;

Meier: „Nu neem dan mijnentwege aan, dat die stoot van buiten kwam.quot;

Dr. Schulz: „Ik heb u, waar ik u wilde. Gij zijt door verstandig nadenken genoodzaakt buiten de stof een wezen aan te nemen, dat die stof in beweging en tot ont-wikkeling heeft gebracht en wel tot zulk eene wonderbare ontwikkeling dat zij leiden moest tot den vorm der nu bestaande wereld. Reeds die stoot of opwekking is u een voldingend bewijs voor het bestaan van een God, onderscheiden van de wereld en wel van een wijzen, verstandig denkenden, bijgevolg persoonlijken God.

In waarheid is overigens ook de stof zelve door Hem geschapen ; want hoe zou zij anders er toe gekomen zijn te bestaan ? Mij is het intusschen voldoende aan te toonen,

ocr page 26

22

dat minstens de ontwikkeling der stof' van God komt. Derhalve hebt ook gij, mijnheer Meier, als een deel dier ontwikkeling, aan God uw bestaan te danken.

Meier; „Uw bewijs is nogal aannemelgk! Ik zal er over nadenken.quot;

Dr. Schulz : „Doe dat! Maar handel niet zooals koning Hendrik VIII bij zijn huwelijksproces; hij had reeds te voren bij zichzelven vastgesteld waartoe het onderzoek moest leiden.

Intusschen geef ik u tot tweede bewijs :

B. De veranderlijkheid der wereld.

Ieder ding dat wordt, moet zijn oorzaak hebben niet waar ?quot;

Meier: „In het gewone leven ja, in de wijsbegeerte echter niet.quot;

Dr. Schulz: „In welke wijsbegeerte?quot;

Meier: „In die van Kant. Volgens dezen geleerde meenen wij wel is waar met ons verstand, dat ieder ding zijne oorzaak moet hebben; of echter, wat ons verstand zegt, wezenlijk waar is, weten wij niet.quot;

Dr. Schulz: „Nu dan beweer ik ook op grond van de „geleerdequot; wijsbegeerte van Kant met hetzelfde recht als Kant zelf: uw bewustzijn of uw verstand zegt u wel dat gij de bouwkundige Meier zijt, maar of gij het werkelijk z ij t, of gij niet misschien uw broeder of uw neef zijt, dat kunt gij niet met zekerheid weten.quot;

Meier: „Houd toch op te schertsen, dokter!quot;

Dr. Schulz: „Ik scherts niet, 't is bittere ernst! Indien Kant gelijk heeft, dat wij ons verstand niet mogen vertrouwen , als 't ons zegt: ieder ding wat aanvangt te bestaan moet eene oorzaak hebben, dan mogen wij het ver-

ocr page 27

23

stand evenmin in andere dingen yertrouwen bijv. dat -wij zijn, wat wij zijn. of tweemaal twee vier is. of wij op dit oogenblik met elkaar praten enz. enz. Doch als dat waar was, dan konden wij ons allen zonder uitzondering terstond in een gekkenhuis laten sluiten.

Geeft gij mij dus toe, dat niets ontstaat zonder oorzaak ?quot;

Meier: „Voor mijn part, ja!quot;

Dr. Schulz: „Dat is gelukkig een stap nader! Nu gaan wij verder. Ik beweer dan: ook de zichtbare wereld in haar geheel genomen moet eene oorzaak hebben, waarom zij bestaat, anders bestond zij niet.quot;

Meier: „Toegegeven!quot;

Dr. Schulz.: „Die oorzaak moet of in de zichtbare wereld zelve liggen of buiten haar.quot;

Meier: „Zeer juist!quot;

Dr. Schulz: „In de wereld zelve ligt zij niet; anders was de wereld hare eigene moeder, dus ligt de oorzaak buiten de wereld.quot;

Meier: „Ik begrijp 't al! Langs dien weg wilt gij tot uwen persoonlijken God komen! Maar zoo vervalt gij van kwaad tot erger; want dan moet die God buiten de wereld staande ook zijn eigen vader zijn, of hij zou weer door een anderen God geschapen moeten wezen en zoo verder zonder einde. Doch 't eene als 't andere is dwaasheid.quot;

Dr. Schulz: „Zulk een oneindige reeks van scheppers, den een door den ander geschapen is voorzeker eene dwaasheid. Daarom echter behoeft God zijn eigen vader niet te zijn.quot;

Meier: „En waarom niet?quot;

Dr. Schulz: „Wijl Hij nooit begonnen is te zijn; wijl Hij de oorzaak van zijn bestaan in zichzelven heeft, en krachtens eigene, innerlijke noodzakelijkheid bestaat, zoo noodzakelijk als iedere cirkel rond is.quot;

ocr page 28

24

Meier: „Hoe moet ik mij dat voorstellen?quot;

Dr. Scliulz: „Hoe wij ons dat moeten voorstellen is voorzeker voor ons verstand duister genoeg, maar dat dit zoo is, lijdt geen twijfel.quot;

Meier: „ Waarom ?quot;

Dr. Scliulz: „Omdat anders ieder ding zijne oorzaak weer in een ander zou hebben. Dat zou echter onzinnig zijn, even onzinnig als de bewering: ieder mensch die ooit bestaan heeft, ook de eerste mensch, had een mensch tot vader.quot;

Meier: „Nu, ik geef toe! Er moet minstens één wezen zijn, dat uit zijne eigene innerlijke noodzakelijkheid bestaat. Maar dat wezen is juist de zichtbare wereld. Waartoe twee wezens aangenomen, als één voldoende is? Waartoe naast de wereld nog een God?quot;

Dr. Scliulz: „Omdat de zichtbare wereld niet het wezen zijn kan, dat uit eigene innerlijke noodzakelijkheid bestaat.quot;

Meier: „ Waarom niet ?quot;

Dr. Scliulz: „Wijl de wereld bestendig verandert. Een wezen dat uit innerlijke noodzakelijkheid bestaat kan niet veranderen; het moet steeds blijven wat en hoe het is, anders zou het niet noodzakelijk zijn.quot;

Meier: „Dan is uw God ook veranderd, toen Hij de wereld schiej).quot;

Dr. Schulz: „Waarom?quot;

Meier: „Wanneer iemand van den staat van werkeloosheid tot dien van werkzaamheid komt, dan verandert hij immers?quot;

Dr. Scliulz: „Gij stelt u God menschelijkerwijze voor. Wij menschen wel is waar leven in den tijd en gaan van werkeloosheid tot werkzaamheid over en omgekeerd. God echter staat boven allen tijd. Wat Hij is en doet, dat is en doet Hij van eeuwigheid tot in alle eeuwigheid. Zoo is

ocr page 29

25

ook zijn sclieppingsdaad, waardoor Hij de wereld schiep, eeuwig; die handeling is nooit begonnen en zal nimmer ophouden. Alleeu het voortbrengsel van die scheppingsdaad d. i. de geschapene wereld bestaat in den tijd.quot;

Meier: „Dat is moeilijk te begrijpen.quot;

Dr. Schulz: „Ik ontken het niet, doch ik geloof dat er in God den oneindige, veel onbegrijpelijks is voor ons arme aardwormen. Indien wij echter niet aan het bestaan van een Opperwezen gelooven en meenen, dat de zichtbare wereld door niemand geschapen is doch uit zichzelve bestaat, dan komen wij tot klinkklaren onzin. Immers van den eenen kant moeten wij dan aannemen, dat de wereld zoo onveranderlijk is als God, en van den anderen kant zien wij dagelijks met eigen oogen hoe de wereld verandert en hoe zoo menig onderdeel ontstaat en verdwijnt. Ue wereld zou dus te gelijk noodzakelijk en niet noodzakelijk zijn. Maar dat is tegenspraak. Overweeg ook dit bewijs eens rijpelijk bid ik u. Inmiddels ga ik voort en lever u een ander:

C. Het bestaan der planten en dieren.

Vooraf' vraag ik u: bestaat de organische wereld d. w. z. het planten- en dierenrijk van eeuwigheid af?quot;

Meier: „Op aarde zeker niet; dat toont de leer der voorwereldlijke dieren en gewassen of de Palaeontologie. Want in de oudste aardlagen bevinden zich nog geene organische overblijfselen, en buitendien de aarde was immers eens in een vloeibaren en volgens het Kant-Laplace-systeem zelfs in luchtvormigen toestand, zoodat geen organisch of bewerktuigd wezen bestaan kon. Maar de kiemen der dieren-en plantenwereld waren wellicht van andere gesternten tot ons gekomen.quot;

Dr. Schulz: „Bestonden dan de andere gesternten vol-

ocr page 30

26

gens het Kant-Laplace-systeem vroeger ook niet in lucht-vormigen toestand?quot;

Meier: „Daaraan dacht ik niet! Gij hebt gelijk! Ik zeg derhalve liever: de eerste planten en dieren zijn vanzelf uit de levenlooze stof ontstaan.quot;

Dr. Schulz: „Omdat gij anders gedwongen zijt aaneen schepper te gelooven, niet waar ? of leert u de ervaring dat zulks in de natuur meer voorkomt?quot;

Meier: „Dat juist niet. Maar de ondervinding leert u evenmin, dat er een schepping bestaat.quot;

Dr. Schulz: „Al zou dat waar zijn, verkeeren wij toch volstrekt niet in hetzelfde geval. Veronderstel dat ik beweerde vóór twintig jaren, eer wij elkander kenden, een cylinderhorloge gemaakt te hebben. Gij komt daartegen op zeggende: dat kan niet waar zijn, wijl de ondervinding leert, dat ik sinds jaren geen cylinderhorloges vervaardig. Zou dit tegenbewijs afdoend mogen heeten?quot;

Meier: „Neen! want uit de omstandigheid dat gij geen lust meer hebt, horloges te maken, volgt niet, dat gij vóór twintig jaren geene horloges vervaardigd hebt.quot;

Dr. Schulz: „Indien dus God, de Schepper het goedvond sinds twintig duizend of twintig raillioen jaren geene planten meer te scheppen, volgt daaruit geenszins, dat Hij het vóór dien tijd niet gedaan heeft.

Geheel anders echter staat het met uwe uitlegging geschapen. Veronderstel, gij beweert dat vóór duizend jaar een kiezelsteen eenige jonge cylinderhorloges zou gebaard hebben, en ik zou u tegenwerpen: dat strijdt tegen de ervaring, zou ik mij nu niet met recht op de ondervinding beroepen ?quot;

Meier: „Dat laat ik onbeslist.quot;

Dr. Schulz: „Ik niet. Want wezens die de kostbare gave van vrijheid missen, integendeel, naar blinde natuur-

ocr page 31

27

wetten werken zooals de kiezelsteen, werken altijd op dezelfde wijze. Baart de kiezelsteen nu geene horloges, dan heeft hij 't vroeger ook niet gedaan. Heel anders is het, waar vrijheid in 't spel komt. Als ik nu geene horloges maak, zoo volgt niet dat ik 't vroeger niet deed. En als de almachtige en met vrijheid handelende Schepper nu geene nieuwe planten meer schept, zoo volgt daaruit geenszins, dat Hij ze vroeger niet geschapen heeft.quot;

Meier; „'t Moge waar zijn! Docli misschien is dereden, waarom heden ten dage geen levend wezen meer vanzelf uit de levenlooze stof ontstaat, hieraan te wijten, dat de noodzakelijke voorwaarden thans niet meer aanwezig zijn, bijv. de lioogere temperatuur of het rijkere gehalte der lucht aan koolstof.quot;

Dr. Schulz: „Nu, dan valt het onzen scheikundigen zeer gemakkelijk die voorwaarden opnieuw te stellen en op die manier nieuwe planten en dieren uit de levenlooze stof te voorschijn te brengen! Dat is hun echter tot den dag van lieden nog nooit gelukt!quot;

Meier: „'t Gelukt hun misschien later. Dr. Koch heeft immers de lympha tegen de tering gevonden, wat vroeger nog niemand gedaan had.quot;

Dr. Schulz: „Dat is alweer heel iets anders. Vóór Dr. Koch had men reeds dergelijke middelen tegen andere ziekten bijv. de inenting tegen de pokken. Het zou mij derhalve vóór de uitvinding van Koch nooit in 't hoofd zijn gekomen de mogelijkheid van zulk een middel te loochenen. Eveneens zou ik nimmer ontkennen, dat uit de levenlooze stof leeuwen en tijgers vanzelf ontstaan konden, wanneer ooit vanzelf of ook door de hulp der menschelijke kunst een ander dier uit de levenlooze stof ontstaan was al ware het ook een kat, een vledermuis of een zeker ongedierte. Dat is echter nog nooit geschied.

ocr page 32

28

I^een, mijn waarde lieer, ingeval gij u door de waarnemingen en proeven tot nu toe gedaan niet laat overtuigen dat uit de levenlooze stof zich geen levend wezen ontwikkelen kan — neem het mij niet kwalijk — dan wilt gij u niet laten overtuigen.

Overigens kan ik u een nog doorslaander bewijs geven. Ik zeg: uit den aard der zaak is die zelfontwikkeling onmogelijk.quot;

Meier: „Dat wil ik wel eens hooren.quot;

Dr. Schulz: „J^eem een plant of een dier, bijv. een hond. In dat dier zijn vele millioenen of billioenen atomen of stofdeeltjes: koolstof, stikstof enz. enz. Eerst bestond ieder atoom voor zich ; er was geen band die de stofdeeltjes zoo vereenigde dat zij een geheel, namelijk het dier vormden en ze van gelijksoortige atomen buiten het dier bestaande, afscheidde. Wu is de hond er in zijn geheel en zijne eenheid. Zijn oog ontwaart den haas; terstond zetten zijne pooten zich in beweging om den haas na te zetten ; de bek pakt hem; de tanden scheuren hem stuk; dan wordt hij fijn gekauwd, de maag verteert hem; longen en hart doen ook hun plicht om de door de maag geleverde stof tot voedend bloed te verwerken. Uit dat alles blijkt toch samenhangende eenheid! Er moet dus iets zijn, waaruit die eenheid ontstaat.quot;

Meier: „Gij denkt bijgevolg dat God, niet de hond deze eenheid voortbrengt ? Mij dunkt dat in den hond zeiven een soort van levensbeginsel moet zijn ; ik heb dus geen opperwezen noodig die de dieren als automaten regeert.quot;

Dr. Schulz: „Gij hebt goed gezien: automaten kunnen wij missen. Veronderstel dus maar iets onverschillig wat in de dieren en gij kunt niet buiten den Schepper.quot;

„Meier: „Hoe zoo?quot;

Dr. Schulz: „Wel doodeenvoudig. Dit iets bestond niet

ocr page 33

vóór het dier zelf. Nu bestaat het. Vanwaar komt het ? Niet uit de sterren; uit de levenlooze stof evenmin ; dus God heeft het geschapen, derhalve bestaat Hij !quot;

Meier: „Dit alles echter, dunkt mij vindt zijne verklaring in het instinct of aangeboren neiging der dieren!quot;

Dr. Schulz: „En hoe legt gij dit instinct uit? In de kiezelsteenen is het toch niet ! En het is den dieren ook niet uit de lucht aangewaaid. En hoe verklaart gij uit de bewerktuigde wereld zoovele andere dingen, waarvan in de levenlooze natuur nog geen spoor te ontdekken viel ? Hoe lost gij bijv. het waarnemingsvermogen der dieren op ? Professor Du Bois Reymond is eerlijk genoeg geweest dat vermogen met nog eenige andere verschijnselen, ten overstaan van de vergaderde natuuronderzoekers van Duitsch-land een raadsel te noemen, hetwelk de studie der natuur nimmer kan oplossen. Hij versmaadde eveneens de eenig mogelijke verklaring, die naar den Schepper terugvoert.

Hoe verklaart gij verder het wonderbaar verschijnsel, dat er in de levende stof in eens twee verschillende geslachten optreden, het mannelijke en het vrouwelijke? Tn de levenlooze stof is daarvan geen zweem waar te nemen.

Zoo kan ik u nog eene heele reeks dingen opnoemen, die vroeger nergens bestonden noch zich vanzelf uit do levenlooze natuur ontwikkelen konden. Nu bestaan zij; vanwaar komen ze?quot;

Meier: „Ik geloof, dat Darwins leer der afstamming veel zou kunnen verklaren!quot;

Dr. Schulz: „Alles zeker niet. Hoogstens kunt gij zeggen,quot; dat uit de eene plantensoort andere plantensoorten, uit de eene diersoort andere diersoorten ontstaan zijn. En zelfs dit is door Darwin en z^ne volgers nog lang niet bewezen. Wat daarentegen door geene leer der afstamming kan worden opgehelderd is, hoe zonder God eene gansche menigte

ocr page 34

80

dingen zou ontstaan zijn, die wij nu zien. Twee heb ik reeds genoemd : ten eerste dat de stof in 't algemeen bestaat en vervolgens dat er naast de levenlooze stof op een bepaalden tijd levende wezens te voorschijn kwamen. Ik kan u echter nog op andere verschijnselen wijzen, die gii zonder God niet verklaren kunt. Het instinct der dieren, hun waarnemingsvermogen, de eigenschap der planten en dieren waardoor zij nieuwe wezens van hun soort voortbrengen , dat alles heb ik evenzeer aangetoond. Verder maak ik echter nog gewag van de omstandigheid, hoe ook in de levenlooze natuur, bijv. in de samenstelling der lucht, in de eigenschappen van 't water zulke wonderbare doelmatige eigenaardigheden zijn, die noodzakelijk van een wijzen Schepper voortkomen, want water nocli lucht kunnen telen . kunnen dus niet door natuurlijke voortteling a la Darwin zoo doelmatig zijn geworden. Verder wijs ik u op de welgeordende schoonheid die overal in de natuur uitschijnt en waarvoor geen Darwinisme eene verklaring vinden kan.quot;

Meier: „Dat zijn schoonklinkende woorden, dokter! Wanneer men de zaken zoo in haar geheel beschouwt, meent men natuurlijk dat er wel een schepper bestaan moet, ilie dat alles geordend heeft. Maar onderzoekt gij elk ding afzonderlijk, dan verklaart u liet Darwinisme hoe alles ontstaan kon zonder een schepper die met verstand de veelvoudige doelmatigheid in de natuur zou hebben gelegd.quot;

Dr. Schulz: „Wij zullen derhalve tot bijzonderheden afdalen. Gij zult echter zien, dat de bewijzen voor het bestaan van een Opperwezen in getal daardoor stijgen.

Tot voorbeeld kies ik vooreerst het liclit.''

ocr page 35

31

I). Het licht.

„Hoe verklaart gij 't licht mijnheer?quot;

Meier: „Tiet bestaat in trillingen, die van de zon en andere lichtgevende lichamen uitgaan.quot;

Dr. Schnlz: „Doch waarom hebben die trillingen juist die snelheid, dat zij in ons oog den indruk der kleuren van het violet tot het rood veroorzaken?quot;

Meier: „ 't Is een natuurwet, dat de lichtgevende lichamen zoo en niet anders trillen.quot;

Dr. Schulz: „Maar hoe legt gij het uit, dat die trillingen door het ontzaglijk wereldruim heen met zulk een snelheid tot ons worden gebracht?quot;

Meier: „Dat is ook een natuurwet.quot;

Dr. Schulz: Maar tusschen ons en de zon moet zicli toch iets bevinden, dat die trillingen tot ons doet komen?quot;

Meier: „Mijnenthalve! Noem het ether of verdunde lucht of hoe gij wilt; zulk een middelstof moet er zeer zeker zijn, want het niets kan niet trillen.quot;

Dr. Schulz: „Waarom is nu die ruimte tusschen ons en de zon met zulk eene doorzichtige middelstof gevuld en waarom niet met rook en nevelen?quot;

Meier: „Dat steunt op de natuurwet.quot;

Dr. Schulz: „Hoe komt het dat de ontelbare verschillende trillingen van liet licht en vooral die der zeven kleuren van den regenboog den indruk van het kleurlooze, het witte licht teweegbrengen ?quot;

Meier: „Dat moet zoo wezen volgens de natuurwet.quot;'

Dr. Schulz: „Wie heeft er voor gezorgd, dat de trillingen van liet roode licht, waarvan de golflengte het grootste is, zich niet sneller voortbewegen dan de andere trillingen en juist naarmate haar golflengte grooter wordt, ook haar aantal per seconde afneemt?quot;

Meier: „Dat volgt eenvoudig uit de wet der natuur.quot;

ocr page 36

Dr. Sehulz: „Maar gij moet mij toch toegeven dat in al deze dingen een welberaden plan uitschijnt!quot;

„Meier: „Zonder twijfel! Doch dat is juist eene werking der eeuwige natuurwetten.quot;

Dr. Schulz; „Zijn deze natuurwetten blind of werken zij met overleg?quot;

Meier: „Zij zijn blind.quot;

Dr. Schulz: „Maar hoe kan eene blindelings werkende kracht zoo doelmatig handelen?quot;

Meier: „(lij zult liet licht toch geen verstand willen toekennen ?quot;

Dr. Schulz: „Dat zou zelfs in geen droom bij mij opkomen. Maar achter het licht moet toch iemand zijn die verstand heeft, want waar volgens een plan gewerkt wordt, moet iemand zijn die 't plan heeft ontworpen.

Ook de stoommachine heeft geen verstand, werkt evenwel volgens een plan, maar dat komt alleen wijl achter haaide werktuigkundige staat. Zonder dezen zou ijzer noch messing nimmer zich vereenen tot een gemeenschappelij ken doelmatigen arbeid. Zij zouden immers een werking hebben zonder oorzaak. Die werking zonder oorzaak zou ook plaats vinden, indien achter het licht geen Schepper was, die de lichtgevende lichamen en den ether volgens zulke wonderbare natuurkundige wetten zou hebben ingericht.quot;

Meier: „Gij maakt eene gevolgtrekking, dokter, dooide werking der natuur te vergelijken met die van den mensch. Onder ons menschen komt zeer zeker geen machine tot stand zonder een werktuigkundige. Gij hebt evenwel het recht niet daaruit te besluiten, dat die zaak zich ook zoo in de natuur toedraagt, als zou ook daar elke werking volgens een plan een met overleg handelende oorzaak veronderstellen. Uwe gevolgtrekking steunt alleen op verwantschap of gelijkenis; zij is een analogisch bewijs.quot;

ocr page 37

33

Dr. Schulz: „Gij vergist u, mijnheer; de slotsom mijner redeneering behoort niet tot liet analogisch bewijs m. a. w. zij steunt niet op de meening: wijl het één keer zoo is , zal het ook wel den anderen keer zoo zijn. Zij grondt integendeel op het innerlijk wezen der dingen, op de onom-stootelijke en algemeene waarheid: elke werking heeft eene daarmede overeenkomende oorzaak. Indien dus de werking volgens een plan geschied, moet er ook een plan zijn gevormd d. i. moet er overleg zijn in de oorzaak.quot;

Meier: „Toeval is 't waarlijk niet, wanneer do lichtstralen zulke wonderbare wetten volgen. Maar het zou wel op innerlijke noodzakelijkheid kunnen steunen!quot;

Dr. Schulz: „Ik vraag dan nogmaals: werkt deze nood-zakelijkelijkheid blindelings of' met overleg? Werkt zij met overleg dan is zij zelve God. Werkt zij zonder overleg, dan staat achter haar een God, die voor haar overlegd heeft. Want werking volgens een plan eischt onverbiddelijk eene oorzaak, die handelt volgens een plan.

Overigens begrijp ik niet, hoe gij bij lichtstralen van een volstrekte noodzakelijkheid kunt spreken. Het roode licht maakt zooveel billioen trillingen in de seconde. Oranje, geel, groen enz. hebben elk hun ander bepaald getal. Welke volstrekte noodzakelijkheid zou het kunnen zijn, die juist dit getal eischte en niet eenige billioenen meer of minder? Het was dus noch een blind toeval noch eene blinde noodwendigheid, welke het licht teweegbracht, maar alleen een met overleg en vrije keuze handelend wezen.quot;

Meier; „Laten wij eens beproeven of het Darwinisme geene oplossing geeft!quot;

Dr. Schulz: „Ik zie het, gij wilt volstrekt den Schepper wegcijferen. Maar mij goed! Wij zullen een proef doen met de theorie van Darwin s leer der afstamming. Krijgt het licht ook al jongen, en moeten wij dus ook hier aan een

3

ocr page 38

34

natuurlijke teeltkeuze denken? Heerscht onder de verschillende lichtstralen een strijd om het bestaan, zoodat de minder tot leven geschikte stralen uitstierven en de krachtigere ze overleefden ?quot;

Meier; „Verontschuldig mijne onbedachtzame tegenwerping ! Ik bon een weinig voorbarig geweest.quot;

Dr. Sehulz: „Maar houd thans, bid ik u, voet bij stuk! Gij ziet, dat het Darwinisme u er volstrekt niet uithelpt. Ook het toeval is aan kant gezet. Derhalve blijft voor de natuurkundige wet van het licht geene andere uitlegging mogelijk dan de erkenning van een Schepper en wetgever.quot;

Meier: „Dan zie ik liever in afwachting van iedere verklaring af.quot;

Dr. Sehulz: „Niet waar, en dat in't belang der wetenschap ? Daar hebben wij het! Zoo heeft DnBoisReymond ook gedaan. Hij zag in, dat zonder God zeer veel in de wereld volstrekt niet verklaard kon worden. Maar een God dient nu eenmaal dien heeren niet in hun kraam; want volgens de uitspraak van Du Bois Reymond houdt de wetenschap op, waar de bovennatuurkunde een aanvang neemt. Daarom wilde hij tot het bestaan van God, dat noodzakelijk volgen moest uit hetgeen hij had moeten toegeven, niet besluiten. Stel dat een Sakser die van zijn Elbe houdt, een onverwinlijken afkeer heeft van Oostenrijk; daarom wil hij volstrekt niet erkennen, dat de Elbe in Oostenrijk ontspringt. Men bewijst hem, dat die rivier in Rusland noch in Pruisen, in Beieren noch in Turkije, noch ergens anders haar oorsprong vindt. Maar dat alles helpt niets. Liever dan toe te geven dat zij in Oostenrijk ontvliet, vervalscht die Sakser de landkaarten of wel durft staande houden, dat de oorsprong van de Elbe geenszins op te sporen is. Iets dergelijks doet gij godlooche-

ocr page 39

35

naars. Du Bois Reymond bekent op eene groote vergadering van geneesheeren en natuurkundigen, dat de natuurkennis (d. w. z. de zijne, welke met Grod heeft afgerekend) menig verschijnsel niet verklaren kan; hij doet derhalve zooals de Sakser, die beweert, dat de oorsprong der Elbe in 't geheel niet ontdekt kan worden.

Haeckel, de professor uit Jena, dien men den Duit-schen Darwin genoemd heeft, vindt een ander middel om God uit de wereld te helpen. Hij wil aantoonen dat alle dieren van één dier afstammen en dat de diersoorten zich Imgzamerhand gevormd hebben. Tot bewijs voert hij aan, dat in den moederschoot ook nu nog alle dieren nagenoeg aan elkaar gelijk zijn. Doch hoe zal hij dat bewijzen ? Heel eenvoudig ! Hij neemt twee afbeeldingen van een en hetzelfde dier, drukt die af in zijn lijvig en hooggeleerd werk en zegt dan, dat het afbeeldingen zijn van twee verschillende dieren. Hij doet dus juist als de Sakser, die de landkaarten vervalscht om te kunnen staande houden, dat de Elbe niet in Oostenrijk ontspringt. En evenals die Sakser liever zou toegeven, dat de Elbe in de maan ontspringt dan ze aan zijn naburig land Oostenrijk dank te weten, zoo verzint gij, godloochenaars, liever de ongerijmdste stelsels, dan het bestaan van uw Schepper te erkennen. Is dat echte wetenschap? Is dat zelfs eerlijk?quot;

Meier: „Nu niet te vurig, dokter!quot;

Dr. Schulz: „Zeg het zelf, mijnheer, is mijn bewijs, dat ik voor het bestaan van Grod aan de natuur van liet licht ontleen, niet veel klemmender, dan alle zoogenaamde betoogen te zamen, welke gij tegen het bestaan van God hebt aangevoerd ? Waarom schikt gij u dan niet naar deze bewijzen?quot;

Meier. „Laat de zaak nu maar rusten!quot;

Dr. Schulz. „Toch niet! Voet bij stuk houden! Gij

ocr page 40

36

hebt de vraag aangaande het bestaan van God te berde gebracht. Gij voerdet zoogenaamde tegenwerpingen aan. Ik heb ze als zwaveltjes gebroken. Nu lever ik u op mijn beurt bewijzen voor het bestaan van God. Wederleg ze dus, bid ik u, of beken dat het bestaan van God bewezen is!quot;

Meier: „Ik zie voor 't oogenblik niet in, wat ik tegen uwe bewijsvoering moet inbrengen. Laten wij intusschen voor heden het debat sluiten.quot;

Dr. Schulz: „Neen! Gij wilt mij ontsnappen! Dat mag niet! Gij moet nu door de spitsroeden loopen van een heele reeks bewgzen.

Evenals aan het licht, kunnen wij ze ontleenen aan het geluid, de aantrekkingskracht, het magnetisme, de electrici-teit, de samenstelling onzer lucht, de bijzondere eigenschappen van 't water, de kristalschieting der delfstoffen, de wetten der scheikunde, waarnaar de enkelvoudige stoffen zich verbinden enz. Zóó wordt iedere ster, welke ons haar licht toezendt, iedere steen op den grond, elk atoom reeds alleen omdat zij bestaan, nog meer echter door de naar een plan gemaakte wetten, waaraan zij gehoorzamen, een bewijs voor het bestaan van het Opperwezen.

De geheele schepping zingt den lofzang:

„Die Himmel erzahlen Des Ewigen Ehre,

Und seiner Hande Werk Zeigt an das Firmament.quot;

Tot verder bewijs voor het bestaan van God noem ik u:

ocr page 41

a?

E. Het Oog.

Ik vraag: Kunnen de steenen voelen ? Kan de lucht voelen?quot;

Meier; „Ghj wilt mij toch niet voor 't mafje houden, dokter ?quot;

Dr. Schulz: „Dat niet! Maar ik zou u gaarne de bekentenis afpersen, dat in dien oorspronkehjken tijd, toen er niets dan vloeibare delfstoffen of luchtvormige vloeistoffen waren, geene levende wezens bestonden.quot;

Meier: „Nu goed, doch wat wilt gij met die bekentenis ?quot;

Dr. Schulz: „Een tweede bekentenis, namelijk dat van de vijf zintuigen vroeger geen enkele bestond, dat er eens in de zichtbare wereld geen oog was dat zag, geen oor dat hoorde enz. Hoe zijn nu die verschillende soorten van zintuigen in de wereld gekomen?quot;

Meier: „Het oog is natuurlijk niet eensklaps op een mooien morgen kant en klaar ontstaan. Ik stel mij de zaak zoo voor: op de opperhuid bevond zich een punt of stip dat langzamerhand meer gevoelig werd voor het licht, zonder dat het reeds helder kon zien. Onder den invloed der natuurlijke teeltkeuze en volgens de overige wetten van Darwin ontwikkelde zich later dit gevoelsorgaan tot een oog dat ziet.quot;

Dr. Schulz: „Dan moest toch datgene wat dusverre slechts gevoelloos leem of lucht was op een bepaald oogen-blik beginnen te voelen ? Hoe geschiedde dat ?quot;

Meier: „Ik weet het niet!quot;

Dr. Schulz; „Maar ik weet, dat het onmogelijk is zonder werking van eene hoogere, eene scheppende macht.quot;

Meier; „Zou niet uit eene innerlijke aandrift, een verlangen of neiging om te zien allengs het vermogen om te zien ontstaan zijn?quot;

Dr. Schulz; „Wist dan het leem te voren wat zien is,

ocr page 42

38

zoodat het daartoe een verlangen of neiging kon hebben? Wij menschen hebben van de vogelen geleerd, dat men vliegen kan, wy zouden dus ongetwijfeld een verlangen kunnen koesteren om te vliegen. Maar heeft ons die begeerte ooit aan vleugels geholpen?quot;

Meier: „De zaak is mij een raadsel.-'

Dr. Schulz: „Waarom weigert gij dan de eenig mogelijke oplossing van dit raadsel aan te nemen, de erkenning-van een alwijzen en almachtigen Schepper? Wanneer de Elbe in een land moet ontsprongen zijn, en wanneer bewezen is dat zij in geen ander land dan in Oostenrijk kon ontstaan, dan volgt toch volgens de grondbeginselen der verstandelijke redeneerkunde dat zij in Oostenrijk ontsprong ! En indien het vermogen om te voelen en te zien door geen ander wezen dan door een Schepper kan worden voortgebracht, dan volgt daaruit even noodzakelijk dat er een Schepper leeft.

Wij hebben, zooals gij ziet, reeds bij de eerste beschouwingen waartoe het oog aanleiding geeft, een nieuw bewijs dat er een God bestaat. Op den weg van het Darwinisme d. i. door de leer der afstamming mot teeltkeuze, strijd om het bestaan enz. kunt gij het vermogen om te zien nimmer verklaren.

Alle overige wonderbare verschijnselen die wij bij 't oog waarnemen, zal ik nu in 't kort aanstippen, om u te toonen hoe belachelijk het is, het ontstaan dezer bewonderenswaardige , zoo overeenstemmende eigenschappen aan gelukkige toevalligheden, die allengskens erfelijk zouden geworden zijn, toe te schrijven.

Veronderstel dan dat een of ander gevoelvermogen, zooals bijv. onze hand bezit, ons, ik weet niet hoe zou zijn aangewaaid! Hoe ontwikkelde zich dan hieruit dat fijngevoelige waarnemingsvermogen van het netvlies in ons oog,

ocr page 43

39

waarnemingsvermogen, hetwelk de enkelvoudige kleuren, met haar billioen aantal trillingen onderscheidt? Veronderstel verder, dat een deeltje of stipje der huid dit fijne gevoelvermogen bezit; waartoe zou het dienen, indien niet een doorzichtige kristallens van bepaalden vorm op bepaalden afstand voor dit doeltje groeide! Stel nu, dat de kristallens bij wijze van een zweertje, werkelijk ontstaan is, hoe kwam het dat juist dat zweertje of die zweer erfelijk werd; zweren zijn anders niet erfelijk. Neem echter maar eens aan, dat na billioenen jaren een of ander dier zulk eene doorzichtige zweer met het recht van overerving gekregen heeft; zouden dan niet al zijne voorvaderen reeds lang van honger zijn omgekomen ? De dieren toch, die bestemd zijn om te zien, kunnen zonder oogen niet lang in 't leven blijven. Op die wijze zou ik u nog een groote lijst van veronderstellingen kunnen voorleggen. Ik zie daarvan af. Op één punt wil ik uwe aandacht nog vestigen: elk eenvoudig vergrootglas, elke glazen lens splitst het licht, zooals gij weet in de verschillende kleuren van den regenboog, zoodat het beeld van het lichtend lichaam niet heel scherp afgeteekend, maar met gekleurde randen omgeven is. Hoe verklaart gij dat onze oogen ook dit gebrek missen? In weinige dingen toont de doelmatige en beraden voorzorg van God zich zoo duidelijk als hier.

Hij stelde ons oog samen uit meerdere doorzichtige lagen van verschillende straalbreking, zoodat de eene laag 't gebrek verhelpt wat de andere veroorzaakt heeft.

Is dat toeval?quot;

Meier: „Wij moesten voor vandaag eindigen, dokter!quot;

Dr. Schulz: „Zijt gij 't moede? Geef mij dan toe, dat ik u het bestaan van God bewezen heb!quot;

Meier: „Onmogelijk!quot;

Dr. Schulz: „Waarom niet?quot;

ocr page 44

40

Meier: „Dan zou ik de geheele nieuwere wetenschap moeten verloochenen.quot;

Dr. Schulz; „Zonderling! Uwe nieuwere wetenschap beweert, dat er geen God bestaat. De redenen, die gij daarvoor aanhaalt, breek ik stuk als droge spaandertjes. Daarna geef ik op mijn beurt bewijzen voor het bestaan van God, en gij zijt onmachtig ze te zwikken en in het worstelperk een duimbreed grond te winnen. En toch wilt gij alleen de wetenschappelijkheid in pacht hebben! Wij allen die aan een God gelooven moeten domkoppen zijn, bij wie zich een fatsoenlijke geleerde niet eens mag aansluiten !

Maar indien gij over het voorgaande nog niet voldaan zijt, zal ik u nog andere kwade noten laten kraken. Ik leid u in:

F. De wereld der vogelen.

Het ontstaan van een enkel oog zonder den alwijzen en almachtigen Schepper zou reeds op zichzelf een grooter wonder zijn dan alle wonderen, waarvan de H. Schrift melding maakt. Nu is er echter niet alleen een enkel oog ontstaan, maar honderdduizend verschillende soorten van oogen: bij de insecten, de tweeslachtige dieren, de vogelen en de zoogdieren. In ieder dezer klassen bevinden zich weer millioenen exemplaren, waarvan elk zijn oog heeft, en wat merkwaardig is, niet alleen één oog, maar meestal twee oogen, bij eenige insecten zelfs eene vereenigingj van duizenden kleine oogen.

Waartoe twee oogen, zooals bijv. bij de vogels? Vooral om den afstand van een voorwerp naar waarheid te kunnen opmaken uit den grooteren of kleineren hoek, waarin hij

ocr page 45

41

zijne oogassen moet brengen om dat voorwerp met beide oogen waar te nemen.

Dat is natuurljjk ook weer Darwinistische toevalligheid, welke eveneens door toeval erfelijk is geworden?

Bedenk nu verder, dat de oogen bij den vogel maar één eenig soort organen zijn, waarvan er honderden ook in de overige dieren gevonden worden om een harmonisch, doelmatig werkend geheel te vormen! Het bouwplan hiervoor werd ook al weer door een blind toeval of een natuurwet zonder overleg ontworpen, niet waar ? Ook het toeval zonder plan wilde vermoedelijk, dat de smaak des vogels liet voedsel aangenaam vindt, hetwelk hem heilzaam is en dat de reuk voor den smaak dienst doet als spie om dit voedsel te vinden en de maag de keuken bezorgt, en hart, longen enz. hun plicht volbrengen en al de groote en kleine knokkels, de spieren en pezen zóó geregeld en geschikt zijn samengevoegd,_ dat een werktuigkundige er voor stilstaat !

En beschouw nu de vederen eens! Waarom zitten de slag- en staartpennen en het dons alle op de rechte plaats ? Wie heeft de slagwieken zóó wonderbaar samengesteld, dat de beste werktuigkundige het niet na kan doen? De be-standdeelen zijn buitengewoon licht en hebben toch wederstandsvermogen; de vorm is zóó kunstig berekend, dat de vogel zich gemakkelijk in de lucht verheft. Nu gij in den vogel een voorbeeld hebt, mijnheer, zoo beproef nu eens een werktuig om te vliegen samen te stellen!

En wat te zeggen van de levensinrichting der vogels ! In een bepaald seizoen paren mannetjes en wijfjes en bouwen daarna een nest. Het wijfje legt eieren, die gedurende een stipt gestelden tijd gebroeid worden. Dan voeren de ouders hunne jongen niet langer dan noodig is. Keken de vogels misschien hunne oudjes af, zoodat zij het van hen

ocr page 46

42

geleerd hebben ? Neen! Bij de meeste verrichtingen die ik daar opnoemde zeer zeker niet. Want de jongen hadden toen het levenslicht nog niet aanschouwd. Het is dus niet de vogel die het doelmatige van al deze handelingen erkent. Ook niet het toeval, de blinde natuurwet evenmin. Derhalve is het iemand die achter de natuurwet staat zooals de werktuigkundige achter de machine ; iemand die de vogels op die wijze heeft gevormd, dat zij onbewust zoo doelmatig handelen door instinct als geen kunstenaar het na zou kunnen doen!quot;

Meier; „Voorwaar, dokter, dat is allemaal goed en wel, doch ik verklaar dit alles zooals ik zeide uit eeuwige natuurwetten.quot;

Dr. Schulz: „En hoe verklaart gij die eeuwige natuurwetten zeiven? Eeuwig zijn zij in geen geval, want voordat er vogels waren, bestonden ten minste die natuurwetten nog niet, welke het instinct der vogels regelden!quot;

Meier: „Indien gij mij echter ook maar een enkel dier geeft hoe onvolmaakt het moge zijn bijv. een worm met zijn instinct, dan wil ik u al het overige verklaren uit D a r w i n s leer der afstamming, zooals zij in Duitsch-land door Haeckel verder ontwikkeld is.quot;

Dr. Schulz: „Den worm geef ik u niet, dezen moet gij evenzeer zonder God samenstellen. Wat Haeckel aangaat, zoo is het bekend, hoe hij in de val geraakt is, toen hij met zijn Bathubius-slijm den overgang van de levenlooze tot de levende stof wilde gevonden hebben. Ook heb ik u er reeds vroeger aan herinnerd, hoe hij met zijne onder-geschovene afdrukken werkte om zijn wetenschappelijk stelsel te bewijzen. Ik meende, gij hadt nu genoeg van de hypothese van Darwin en Haeckel. Wijl gij echter steeds daarop terugkomt, vraag ik u verlof met die hypothese een weinig te boerten.

ocr page 47

43

Ik zeg dan: in den loop van millioenen jaren ontwikkelde zich eens uit chaldeeuwseh oerslijm een koffiemolen. Dat ging immers heel gemakkelijk. Want een koffiemolen is bij lange niet zulk een kunstwerk als de nietigste worm met zijn waarnemingsvermogen en instinct. Die koffiemolen heeft nu tevens de eigenschap, dat hij vanzelf 'draait, zoo goed als de worm uit zichzelven voortkruipt. Die zelfbewe-gende kracht school waarlijk nog niet in de levenlooze stof. Maar indien die kracht in den worm vanzelf ontstond, dan kon zij ook in den koffiemolen ontstaan.

De koffiemolen echter had een bepaalden tijd van leven ; hij groeide, ontwikkelde zich en stierf. Zou nu hot geslacht der koffiemolens voor immer verdwenen zijn ? Zeker niet! Den eersten koffiemolen die van het mannelijk geslacht was, trof het geluk, dat ongeveer terzelfder tijd met hem ook een vrouwelijke koffiemolen uit het oerslijm ontstond.

Daar die koffiemolens anders dan de onze voedsel noodig hadden, en hun tot voedsel koffie bestemd was, die zij zelve plukten, in den tremel deden en maalden, waren zij tevens zoo gelukkig, dat zij heel hun leven lang steeds over koffie-boonen konden beschikken. Daarbij kwam nog eene andere gunstige omstandigheid. Niet in den loop van millioenen jaren, doch gedurende den korten tijd dat die koffiemolens leefden, vermenigvuldigden zich in hen eene menigte gelukkige neigingen, niet ongelijk aan die, welke de vogels noodig hebben tot voortteling van hun geslacht: neiging of instinct om te paren, te nestelen, eieren te leggen, te broeien enz. enz. En wat nog het zonderlingste was; die neigingen ontwikkelden zich op denzelfden tijd en doelmatig in den mannelijken en den vrouwelijken koffiemolen. Tevens echter bleven beide molens steeds aan het malen, zoodat zij gedurende hunne ontwikkeling niet van honger omkwamen.

Zoo groeide een heel geslacht van koffiemolens op. Want

ocr page 48

44

liet gelukkig toeval wilde dat juist de goede eigenschappen, die op voeding en voortteling betrekking hebben, erfelijk werden. Slechte eigenschappen daarentegen bijv. toevallige kwetsuren of verminking erfden niet over.

Wij zijn dan met den koffiemolen gelukkig zoover als met onzen worm. Maar uit den worm, zegt men, zijn nog honderden en duizenden diersoorten voortgekomen. Daarom moeten wij uit den koffiemolen ook honderden en duizenden werktuigen laten afstammen: een naaimachine, een zaagmolen, een dorsch- en waschmachine, een locomotief, een stoomschip enz. enz. Hoe geschiedt dat? De koffiemolen wordt niet in een ommezientje tot naaimachine ontwikkeld, dat gaat voetje voor voetje. Ook het voeder moet allengs ander voeder worden; de koffieboouen moeten langzamerhand overgaan in linnen en garen, anders zou de machine in haar overgangstijdperk gebrek lijden; opdat een zaagmolen voor den dag kan komen, moeten de koffieboouen van lieverlede in boomstammen veranderen en om een stoomschip te krijgen zelfs in kolen of water.quot;

Meier: „Maar dokter, houd toch op, bid ik u, met dien onzin!quot;

Dr. Schulz; „Onzin? Mijne uitlegging is juist zoo wetenschappelijk als uw Darwinisme en Haeckelisme.quot;

Meier: „Hoe kan een koffiemolen in een naaimachine hervormd worden? Zij zijn immers beide heel verschillend samengesteld. Wanneer gij aan een machine maar één enkel deeltje verandert, dan staat het heele werktuig stil. Bij een koffiemolen en een naaimachine kan geen sprake zijn van overgang.quot;

Dr. Schulz: „Zeer juist: Gij hebt den spijker op den kop geslagen. Maar evengoed als die werktuigen zijn ook die diersoorten met hunne organen, instinct en voedingsmiddelen ieder op zichzelf een harmonisch, afgesloten geheel.

ocr page 49

45

Neem bijv. een enkele ingeboren neiging weg, dan sterft het geheele geslacht uit. De hennen hebben het instinct den grond voor hare jongen om te krabben, en die iongen weer een ander instinct de korreltjes op te pikken. Daarentegen denkt geen jonge duif er aan iets op te pikken. Daarom hebben de ouden het instinct het voedsel in de snebbe der jongen te stoppen. Verwisselt gij het instinct der duiven en hennen, alle duiven sterven uit, reeds in het tweede geslacht. Zoo moeten voor elke diersoort een onnoemlijk aantal kunstige organismen, ingeboren neigingen, levensvoorwaarden al bij het eerste exemplaar samentreffen, wil de soort voortleven.

Het is derhalve onmogelijk dat, zooals Darwin wil, deze gelukkige toevallen in den loop van eeuwen en eeuwen langzamerhand samenkomen. Honderd malen en meer zou in dien tijd de soort wederom uitgestorven zijn. Elke diersoort, die geen bastaardsoort is, moet dus met al hare ledematen en ingeboren neigingen op eenmaal en niet eerst in den loop der tijden ontstaan. Doch dat is alleen mogelijk door het scheppingsvermogen.quot;

Meier: „Welnu, laat dat alles op eens voortgekomen zjjn, dokter! Maar dan zeg ik: ingeval het mogelijk is, dat in den loop van millioenen jaren alle ledematen , natuurlijke neigingen en levensvoorwaarden achtereenvolgens en niet op eens ontstonden, dan is ook de mogelijkheid niet uitgesloten, dat zij op denzelfden tijd en eensklaps zich ontwikkelden.quot;

Dr. Schulz: „Zeer juist! De mogelijkheid of onmogelijkheid is in beide gevallen tamelijk dezelfde. Ik keer derhalve uwe gedachte om en zeg: indien het ondenkbaar is, dat een worm plotseling vanzelf eene hagedis ot een distelvink wordt, dan is het even ondenkbaar of liever nog veel onbegrijpelijker, dat die gedaanteverwisseling lang-

ocr page 50

46

zamerhand geschiedt. Immers, 't is wel mogelijk dat een worm èn een distelvink bestaan. Maar een dier, dat uit ledematen, ingeboren neigingen en levensvoorwaarden van die twee dieren zou zijn samengeflanst, zou niet in staat zijn lang te leven. Ten overvloede wijst ons immers ook de Palaeontologie op eene menigte volmaakte en van elkaar onderscheiden soorten, terwijl nog nooit het bewijs geleverd is, dat een soort langzamerhand tot eene andei'e is overgegaan.quot;

Meier: „Mij dunkt, wij moesten het er vandaag bij laten, dokter!quot;

Dr. Schulz: „Geeft gij u dus gewonnen?quot;

Meier: „Neen!quot;

Dr. Schulz: „Waarom niet? Enkel misschien wijl gij niet wilt? Of hebt gij degelijke tegengronden?quot;

Meier: Laten wij van ons onderwerp afstappen!quot;

Dr. Schulz: „Toch niet! Indien gij u niet gewonnen geeft, dan moet gij nog wat geduld oefenen. Wij zullen

(t. Eenige aangeboren eigenschappen der dieren

wat nader beschouwen.

Er is een soort sluipwespen, die hare eieren in rupsen leggen. Uit de eieren ontwikkelen zich maden. Deze zijn echter zoo slim, dat zij zich in de rups onmiddellijk voeden met die deeltjes der rups, welke deze ontberen kan zonder dadelijk te sterven. Indien zij de andere deeltjes zouden opeten, dan zou de rups spoedig doodgaan en de maden geen voedsel meer vinden. Deze handelwijze nemen wij bij alle maden waar. Is zij toe te schrijven aan toeval of heeft zij een doel tot grondslag ?quot;

Meier: „Toeval is het wel niet. Maar de reden ligt vermoedelijk hierin, dat de made juist die deeltjes lekkerder vindt.quot;

ocr page 51

47

Dr. Schulz: „Opperbest! Dat is wellicht de naaste oorzaak. Maar als ik nu verder vraag : Is liet toeval, dat juist die deeltjes liet lekkerste zijn, welke volgens een doelmatig overleg der natuur het eerst moeten worden opgegeten ?quot;

Meier: „Wel, de sluipwespen die niet zulk een gelukkigen smaak hadden, zijn uitgestorven, zoodat alleen zij die een gelukkigeren smaak hadden, overbleven.quot;

Dr. Schulz: „Daar komt gij alweer met het oude liedje, met', het Darwinisme voor den dag. Volgens u zouden er vermoedelijk ook koeien geweest zijn. die zand vraten ; paarden, vogels en insecten, welke door hun verkeerden smaak op ander verkeerd voedsel verzeilden. Doch van dit alles is in de wereld der feiten geen spoor te ontdekken. Indien gij dus niet op heel onwetenschappelijke wijze lucht-kasteelen wilt bouwen, dan moet gij aannemen dat de doelmatige keuze van 't voedsel, zooals wij die in geheel de dierenwereld aantreffen, op een of ander naar een plan gevormd overleg en niet op toeval steunt. Wie met zulk overleg gehandeld heeft, de made der sluipwesp of de Schepper die de made dit smaakvermogen gaf, dat laat ik intusschen onbeslist.quot;

Meier: „Nu goed! Dan zeg ik: de made zelve kent de doelmatigheid van hetgeen zij doet.quot;

Dr. Schulz: „Niet waar, omdat gij kost wat kost den Schepper wilt loochenen ?quot;

Meier: „Dat niet! Doch waarom zou de made liet niet weten ?quot;

Dr. Schulz: „Aan welke hoogeschool heeft zij dan ontleedkunde gestudeerd, dat zij onderscheiden kan, welke deeltjes voor het leven der rups onontbeerlijk zijn en welke niet ?

Ik leg u nog een ander geval voor; dat moogt gij mij

ocr page 52

48

eveneens zonder een Schepper verklaren, die naar een gevormd plan handelt. De muur wesp bouwt kleine gangen in leem en legt daarin hare eieren. De maden moeten, als zij uitkomen, levende insecten tot voedsel hebben. Doch hoe zullen zij muggen en vliegen vangen ? Indien deze door de oude muurwespen voor de maden werden opgespaard zouden ze al lang verrot zijn, eer de maden uitkwamen. Wat doet daarom mama de muurwesp ? Zij vangt insecten en geeft haar een prik, die volgens de soort der insecten zoo juist berekend is, dat het insect verlamd wordt, doch niet sterft. Deze zoo bereide levensmiddelen legt zij dan haren maden voor de deur. Is dat toeval ? Zoo niet, dan vraag ik verder: doet dat de muurwesp op grond van hare eigene kennis in de ontleedkunde ?

Doch veronderstel dat het dier werkelijk de hiertoe ver-eischte wetenschap bezat zooals die bij menschen maar zelden te vinden is, dan zult gij toch ten minste niet willen beweren , dat de dieren een blik in de toekomst hebben ?quot;

Meier: „Zeker niet!quot;

Dr. Schulz: „Zij moeten echter in de toekomst kunnen schouwen , indien zij zeiven de doelmatigheid hunner handelwijze inzien. De hamster, bijen en talrijke andere dieren doen voorraad op voor den winter. Zij weten dus, dat op den zomer een winter volgt.quot;

Meier: „Nu ja! Dat weten ze uit de herinnering aan het voorgaande jaar!quot;

Dr. Schulz: „Maar als zij eerst in 't voorjaar ter wereld kwamen ?quot;

Meier: „Dan hebben zij 't instinct van hunne ouden geërfd !quot;

Dr. Schulz: „Doch vanwaar hebben de eerste hamster, de eerste bij het instinct ?quot;

Meier: „Door een gelukkig toeval.quot;

ocr page 53

49

Dr. Schulz: „Alweer uw afgezaagd Darwinisme mot zijn gelukkig toeval! liedenk toch dat zulke blikken in de toekomst, zulke gelukkige toevallen zeer talrijk zijn! De vlinder weet bijv. welk voedsel zijne toekomstige rups vreten zal; hij legt zijne eitjes in de planten, die de rups voeden zullen. De r 1 kever weet dat zijne maden zeer gevoelig zijn vrtör den invloed van bet weer, daarom draait bij rolletjes uit een bind van een berk en legt daarin zijne eieren ; daarenboven volvoert hij een mathematisch kunststuk, daar hij bij het maken van zijn trechter het blad volgens een zeer kunstige doch doelmatige wiskunstige lijn verdeelt. Die geleerdheid kunt gij toch onmogelijk aan 't toeval noch enkel aan hèt diertje toeschrijven ?quot; ')

Meier: „i^u! De toekomst zal daarvoor nog wel een uitlegging vinden!quot;

Dr. Schulz: „Zonder rekening te houden met een al-wijzen Schepper, die de dieren met hunne instinctmatige neigingen zoo doelmatig heeft gevormd, nooit! Maar dat antwoord verwachtte ik van u. Wanneer gij geen uitweg meer ziet dan vlucht gij achter een onbekende later nog op te sporen oorzaak! Zoo doen de paardendieven ook. Als zij hun rechtmatig bezit van een paard niet kunnen bewijzen, dan hebben zij het paard gewoonlijk van een onbekenden man op de markt gekocht.quot;

Meier: „Waarom zou ik mij op de onbekende oorzaak niet beroepen

Dr. Schulz: „Bij paardendieverij kan dat er door. Maar war de natuurkunde betreft, heeft bijv. professor Du Bois R e y m o n d, — ik zeide dit reeds vroeger — voor een talrijke openbare vergadering van natuurkundigen gulweg bekend, dat menig verschijnsel in de natuur nu noch later ooit ver-

I) Rhynckites Beiuleti . zie Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven: AV/'rm*-lijhe historie ran Nederland. I hl. '2-7.

ocr page 54

50

klaard kon worden door de wetenschap — d. i. door de wetenschap zonder Grod, want ook mijnheer Du Bois Rey-mond gelooft niet aan een Opperwezen. Wij zijn weer in het geval van den Sakser. Deze beweert; buiten Oostenrijk kan de Elbe niet ontspringen; dat zij in Oostenrijk haar oorsprong vindt, wil ik niet toegeven; daarom zie ik er van af te onderzoeken waar de Elbe ontstaat. Zoo spreekt ook de ongeloovige natuurkundige. Vele verschijnselen kan ik zonder God niet uitleggen, een God aannemen wil ik niet, dus zie ik van elke uitlegging af.quot;

Meier: „Zoo onvoorwaardelijk moet men. dunkt mij, de uitlegging niet opgeven.quot;

Dr. Schulz; „Welnu! Indien gij 'tbeter weet dan Du Bois Reymond, verklaar mij dan eenige der verschijnselen, waarop ik uwe aandacht vestigde! Ik wijs ten overvloede nog op een ander: de bijencellen.

Zooals gij weet bouwen de bijen een stelsel van regelmatige cellen, om daarin haren honig te bewaren. Hoe •' komt het dat zij voor de grondteekening harer cellen eene regelmatige figuur kiezen en wel bestendig dezelfde. Ze konden toch evengoed eene der tallooze onregelmatige figuren nemen zonder zich aan eene bepaalde regelmaat te binnen! Is dat toeval ?quot;

Meier: „Ja, waarom niet?quot;

Dr. Schulz: Dan is ook wel weder een gelukkig toeval, dat onder alle regelmatige figuren juist de geschiktste uitgezocht wordt, het zeshoekig prisma?quot;

Meier: „Een vier- of driehoekige komt mij even geschikt voor.quot;

Dr. Schulz: „Neen! Want dit zou scherpere hoeken hebben dan het zeshoekige en zou derhalve meer was vorderen, zoodat de voorraad was niet meer in verhouding stond tot den voorraad honig.quot;

ocr page 55

51

Meier: „Nu, dan nemen wij een acht-of twaalfhoekige; dit heeft nog stompere hoeken dan het zeshoekige.quot;

Dr. Schulz; „iSTeera daarmede eens een proef! Gij zult weldra inzien, dat gij het acht- of twaalfhoekige niet aaneen kunt voegen, zonder noodelooze tusschenruimten te maken.quot;

Meier: „Laten wij dan cylinders nemen.quot;

Dr. Schulz: „Dezelfde moeilijkheid blijft bestaan.quot;

Meier: „Daar valt mij juist in, hoe Darwin de zaak uitlegt. Volgens hem hadden de bijen oorspronkelijk inderdaad cylinders gebouwd. Drukt gij nu zulk een stelsel van cylinders samen, dan wordt iedere cylinder tot een zeshoekig prisma afgeplat. Op die wijze zouden van lieverlede de regelmatige prisma's ontstaan zijn. Nu nog vindt men bijv. in Mexico bijensoorten, waarvan de cellen sporen van cylinders vertoonen.quot;

Dr. Schulz: „Dan hebben de bijen zich denkelijk een pers aangeschaft om de ronde cellen samen te persen ?quot;

Meier: „Wilt gij de zaak belachelijk maken?quot;

Dr. Schulz: „Ik vind zonder twijfel de heele zaak belachelijk. Want van samenpersing der cylinders word ik niets meer gewaar. De bijen maken niet eerst een kring-vormigen plattegrond om dien later samen te persen tot een zeshoek; integendeel zij beginnen van meet aan met een regelmatigen zeshoek, als bestond er geen andere figuur op aarde.quot;

Meier: „Dat is waar! Doch het is hieraan toe te schrijven, dat de bijen, welke dit gelukkig instinct kregen in den strijd om het bestaan overwinnaars bleven en de andere bijen uitstierven.quot;

„Dr. Schulz: „En dat zou aan het onbeduidend verschil van den cellenbouw liggen ? Greloove het, wie kan! Overigens begrijp ik in dat geval volstrekt niet, waarom Dar win

ocr page 56

52

tot cylinders zijn toevlucht neemt. Deze veronderstellen toch ook dat er volgens een plan gehandeld wordt. Het ware eenvoudiger te zeggen: oorspronkelijk bouwden de bijen hare cellen in heel willekeurige figuren totdat eene hij gelukkig op den inval kwam, regelmatige, zeshoekige prisma's op te trekken. Dat beviel aan de andere bijen, daarom volgden zij dit voorbeeld na, Hoe dom deze uitlegging moge zijn, schijnt zij mij toch redelijker dan die van Darwin.

Nu moeten wij ook nog het zeshoekig prisma, dat waterpas komt te liggen, rechts en links afsluiten. Hoe zullen wij dat doen ?quot;

Meier: „Eenvoudig door eono vlakke afsluiting, dunkt mij.quot;

Dr. Schulz: „Maar een gewelfde afsluiting eischt minder was in verhouding tot den voorraad honig.quot;

Meier: „Welnu, dan nemen wij een gewelfde afsluiting.quot;

Dr. Schulz: „Dat gaat niet. Want de bijen moeten twee lagen honig naast elkander bouwen, zoodat bij een gewelfde afsluiting het einde van het eene prisma zich niet nauwkeurig aan dat van het andere zou kunnen aansluiten. en er een tusschenruimte zou ontstaan.quot;

Meier: „Dan blijft er niets anders over dan dat wij tot de vlakke afsluiting terugkeeren.quot;

Dr. Schulz: „Gij zijt een bouwkundige en weet er geen anderen raad op? De bij is kennelijk een bekwamer bouwkundige dan gij; zij volbrengt de taak nauwkeuriger dan de beste werktuigkundige. Uit drie ruiten d. i. drie scheefhoekige gelijkzijdige paralellogrammen bouwt zij tamelijk lage piramiden en sluit daarmee de cellen van het eene prismastelsel; dan zet zij het andere kruiswijze tegen dat eerste stelsel; drie ruiten van drie aangrenzende piramiden vormen dan naar de andere zijde heen eene andere piramide

ocr page 57

53

en dienen zoo tot afsluiting van de andere prisma's. Op deze wijze is minder was noodig dan bij eene vlakke afsluiting en tevens worden er verlorene ruimten vermeden , die door een gewelfde afsluiting ontstaan zouden.quot;

Meier: „Dat is inderdaad vernuftig!quot;

Dr. Schulz: „Een vernuftig toeval, nietwaar? Maar nu geef ik u nog een wiskunstige opgave.

De ruit heeft, gelijk bekend is, twee stompe en twee scherpe boeken; elke stompe en scherpe hoek zijn samen 180 graden. Indien de stompe hoek 120 en de scherpe hoek (30 graden was, dan hadden wij eene vlakke afsluiting en geen piramide. Geeft gij daarentegen aan beiden 90 graden, dan hadden wij eene tamelijk hooge piramide, welke weder meer was noodig had dan eene lage. Reken mij nu eens uit, hoedanig de beide hoeken zijn moeten om zoo weinig mogelijk was te verbruiken ?quot;

Meier: „De berekening is niet gemakkelijk.quot;

Dr. Schulz; „Ik zal u zeggen hoe de bij het vraagstuk heeft opge'ost. Zij maakt een stompen hoek van 109o28' en een scherpen van 70o32'. Deze regelmatigheid wekte reeds in de vorige eeuw de belangstelling van den beroemden natuurkundige Reaumur. Hij legde dan wiskunstenaars van zijn tijd zonder aan de bijencel te denken, het volgende vraagstuk voor : een zeskantige vaas moet gedekt worden door een stompachtige piramide, welke uit drie ruiten bestaat, hoe groot moeten de hoeken der ruiten zijn, opdat de grootste inhoud door de kleinste oppervlakte ingesloten worde? König, een wiskunstenaar van beteekenis, werkte het vraagstuk zoo uit, dit de stompe hoeken ieder 109o26' en de scherpe ieder 70o34' besloegen. Er was dus tusschen de bij en den wiskunstenaar het nietig kleine verschil van 2', en derhalve moest of de wiskunstenaar óf de bij zich in 2' vergist hebben. Muclauriu, een mathematicus uit

ocr page 58

54

Schotland, kon maar niet gelooven, dat do bij de fout had gemaakt. Ook hij ging' aan het uitrekenen, maar kreeg dezelfde uitkomst als König. Nu wilde het toeval, dat men een zeer kleine rekenfeil ontdekte in de toenmalige logarithmentafels, waarvan ook König en Maclaurin zich bediend hadden. Maclaurin herstelde de fout, rekende opnieuw en kwam tot dezelfde uitkomst als de bij.quot;

Meier: „Dat is werkelijk belangwekkend!quot;

Dr. Schulz: „Ik bid u echter, mijnheer, niet bij het loutere belangwekkend te blijven stilstaan. Maak liever de gevolgtrekkingen die met logische strengheid en noodzakelijkheid uit dit alles volgen.quot;

Meier: „Welnu?quot;

L)r. Schulz; „Vooreerst: dat die regelmatige handelwijze der bijen op eene berekening grondt evengoed als de uitkomst der bovengenoemde wiskunstenaars.quot;

Meier: „En wie zou die berekening hebben gedaan?quot;

Dr. Schulz: „Dat moet gij zelf beslissen. De bij misschien ?quot;

Meier: „Zulk eene bewering is onaannemelijk. De bij heeft immers geene logarithmentafels en zou zonder deze bezwaarlijk een opgave uitwerken, waarvan de uitwerking zelfs met behulp van logarithmentafels aan de uitstekendste wiskunstenaars moeite kostte.quot;

Dr. Schulz : „Welaan dan '.Heefthet toeval de 10no28' uitgerekend ?quot;

Meier: „Ik moet natuurlijk met Wallenstein toegeven : „er is geen toevalquot;, ten minste geen dat wiskunstige vraagstukken kan uitwerken.quot;

Dr. Schulz: „Daar heb ik u dus weer in hetzelfde geval als dien Sakser aangaande den oorsprong der Elbe.quot;

Meier: „Wat wilt gij daarmee zeggen?quot;

Dr. Schulz: „Ik wil dit zeggen: gij moet of een voor-

ocr page 59

55

beeld van berekening aannemen, welke door niemand gedaan is, of gij moet bekennen, dat er een hooger Wezen bestaat dat zeer goed rekenen kan. Dit Wezen moet de bij, om zoo te zeggen als een klein kunstwerktuig, gevormd hebben en wel zoo kunstig datjdie bij haren 109ll'''i graad 28 minuten met groote nauwkeurigheid maakt.quot;

Meier: „De zaak is inderdaad verwonderlijk. Maar ik ben nog altijd geneigd te gelooven dat alles verklaard kan worden uit de beginselen van Darwin, vooral uit den strijd om het bestaan, enz.quot;

Dr. Schulz: „Dan zal ik u nog op eenige verschijnselen wijzen, welke al die beginselen te niet doen.

Volgens de leer van het Christendom bestuurt een wijze Schepper de geheele natuur. Hij heeft de schepselen zoo geregeld, dat elk afzonderlijk niet alleen zichzelf en zijne eigene belangen, maar ook nu en dan die belangen te spijt van zijne medeschepselen te behartigen heeft.

Heel anders luidt de wereldbeschouwing van Darwin en zijne aanhangers. Volgens hunne opvatting is de natuur niet onderworpen aan één hooger Wezen, dat volgons eene leidende gedachte het heelal bestuurt. Aan een allesomvattend wereldplan zou dus niet te denken zijn. Ieder schepsel behartigt veeleer zelfzuchtig enkel zijn eigen belangen. Zoo ontbrandt dan de algemeene strijd om het bestaan, waaruit eene orde ontstaat, welke maar den schijn heeft door een wijzen Schepper beschikt te zijn, maar in werkelijkheid door niemand geregeld is.

Toets nu die twee elkaar vijandelijk tegenoverstaande beschouwingen of stelsels aan den toetssteen der feiten! Want gij zult toch, naar ik vertrouw, toegeven dat men zijne stelsels niet op vooringenomene lievelingsdenkbeelden, maar op de hechte grondslagen der feiten moet optrekken. Ik wijs u daarom op eenige in zichzelven onbeduidende

ocr page 60

56

feiten: De sluipwesp legt, zooals ik zeide, liare eiereu in rupsen. Uit die eieren komen maden, en liet inwendige van de rups strekt aan deze maden tot voedsel. Is de rups bijna opgepeuzeld, dan doorvreten de maden de huid en veranderen in een pop. De rups verzamelt nochtans al hare krachten en spint voor hare doodsvijandinnen en moordenaarsters een kleed om ze te beschutten. Is dit feit een bewys voor den zelfzuchtigen strijd om 't bestaan, waarmee Darwin alles verklaren wil, of getuigt het van een wijze beschikking eens Opperwezens ?

De koekoek legt, zooals bekend is, zijn eieren in bet nest van een anderen vogel. Toch brengen de vogels, die daardoor geene nakomelingen hebben, de jonge koekoeken met de uiterste zorg groot. Is dat weer de strijd om het bestaan, of' geeft het blijk van een plan des Scheppers, die beschikte dat eenige zijner schepselen anderen zouden dienen ?'

Meier: „De strijd om het bestaan geeft hier zeker geene oplossing. Maar wij kunnen met Brelnu zeggen, dat de dieren verstand hebben en hunnen vijanden genegen zijn! Dan is zoowel de kunstige bouw der bijencellen als de handelwijze der sluipwesp en van die vogels verklaard.quot;

Dr. Schulz: „Gij neemt dan ten laatste tot zulke onzinnigheden uw toevlucht, alleen om den Schepper te kunnen loochenen? Veroorloof' mij een lijst op te maken van al de ongeloofbare dingen, waartoe gij gekomen zijt om maar uw God in den weg te staan;

Ten eerste stuit gij al dadelijk, wanneer gij aanneemt dat de stof eeuwig is, op cene moeilijkheid, wijl gij niet kunt uitmaken of die stof van eeuwigheid w e r k e-1 oos was of' in ontwikkeling.

Ten tweede moet gij u die stof te gelijk veranderlijk en onveranderlijk denken : onveranderlijk, daar gij meent dat zij niet door den vrijen wil van een Schepper, maar

ocr page 61

57

door eigen innerlijke noodzakelijkheid bestaat, dat zij dus noodzakelijk en bijgevolg onveranderlijk datgene is wat zij is; veranderlijk, wijl gij elk oogenblik van den dag hare veranderingen met eigen oogen waarneemt en uit deze veranderingen de nu bestaande wereld opbouwt.

Ten derde moet gij bekennen, dat planten en dieren in alle geval niet eeuwig zijn. De geheele moderne natuurkennis en het wezen der zaak zelve komen er ten stelligste tegen op, dat de levenlooze stof vanzelve planten en dieren kan voortbrengen. De dierenwereld vooral toont ons een zeker bewustzijn en het vermogen te bezitten om te voelen, te zien, te hooren enz. Dit alles kan nimmer verklaard worden uit de stof alle en, zonder tusschenkomst van een hooger Wezen.

Ten vierde: „Daar bestaat in de wereld, voornamelijk in de levenlooze wereld zooals bijv. bij 't licht, 't geluid, bij de kristalliseering eene reeks natuur- of scheikundige wetten, welke op een wetgever en bestuurder wijzen die naar een plan handelt.

Ten vijfde getuigt het oog van een uitstekend overleg, dat zonder een verstandigen Schepper nimmer verklaard zal worden.

Ten zesde: Het instinct der dieren, bijv. liet kiezen en bewaren van voedsel, het maken van een nest door de vogelen, het samenstellen de^ bij en cel enz. enz. zegt ons duidelijk dat er volgens een beraden plan gehandeld wordt, hetwelk noch uitsluitend aan het doorzicht van het dier noch aan het toeval kan worden toegeschreven, maar alleen aan de juiste berekening des Scheppers.

Ten zevende: Eenige instinctmatige handelingen, zooals die der stervende rups, welke voor hare moordenaarsters een kleed spint, toonen heel bijzonder, dat

ocr page 62

58

niet alleen in het handelend dier, maar in den geest des Scheppers het plan moet gezocht worden, volgens hetwelk de handeling geschiedt. Kunt gij deze bewijzen ontzenuwen, mijnheer? Of heht gij ernstige bedenkingen tegen het bestaan van een persoonlijken God?quot;

Meier: „Het is reeds laat, dokter! staken wij voor heden ons onderhoud; morgen kunnen wij op de zaak erugkomen

ocr page 63

III.

2)e beslissing.

De ingenieur Meier was naar zijn kamer gegaan en had zich ter ruste begeven. Maar de slaap bleef uit.

Is er dan werkelijk een God of is er geen, zoo vroeg hij ziehzelven af.

De gedachtengang van den bouwkundige was deze : „Toen ik nog een knaap wasquot;, zeide hij in ziehzelven, „geloofde ik aan God; bij mijne eerste H. Communie geloofde ik aan God en was gelukkig; nu ben ik het niet meer. Hoe kwam het, dat ik de overtuiging van Gods bestaan verloor ? Brachten mij wetenschappelijke gronden daarvan af ? Als ik oprecht wil zijn, moet ik neen zeggen! De zaak begon hiermee, dat ik lichtzinnig werd; ik beging zonden, welke mij naar de hel zouden voeren, als hel en God bestonden. Toen zocht ik mij wijs te maken dat er God noch eeuwigheid was. Dat viel mij gewis zeer gemakkelijk, want meermalen zeide ik tot mijzelven; het bestaan van God is niet te bewijzen. Ja, hoe dikwerf moest ik later in voorlezingen over natuurkunde vernemen, dat alleen nog oude vrouwen aan een God geloofden, dat de nieuwere wetenschap al die dingen, God, hemel en hel reeds lang had afgeschaft. Immers het behoorde ook tot den goeden toon in wetenschappelijke kringen het Darwinisme of eenig pantheïstisch systeem te huldigen ; den grootsten onzin mocht

ocr page 64

(50

men verkondigen en gelooven, maar niet dat er een God bestond , anders klonk er een spotlach.

Zouden ook de andere beoefenaars van de wetenschap langs denzelfden weg als ik tot de verloochening van God gekomen zijn ? Men is geneigd het te gelooven! Want tegen het bestaan van een Opperwezen is er werkelijk geen enkel steekhoudend bewijs. Van den anderen kant is het zonder twijfel waar, dat men steekhoudende bewijzen van het bestaan van God hebben moet om een God aan te nemen. Bestaan die bewijzen ? Zijn de bewijsgronden door den dokter aangevoerd, doorslaand? Het schijnt zoo inderdaad ! Want er zijn dingen, die zeker eens ontstaan zijn, maar nooit ontstaan konden, als er geen God was. Nooit of nimmer bijv. kon zonder een God en Schepper de dierenwereld uit de levenlooze stof voortkomen; nooit of nimmer zal men zonder een hoogeren, naar een plan werkenden geest de wonderbaar doelmatige orde verklaren , welke in de levenlooze natuur, in het leven der planten en in de ingeboren eigenschappen der verschillende dieren heerscht. Dat alles moet ik den dokter toegeven, als ik den naam van oprecht wil verdienen.

En wanneer ik de zaak van haren werkdadigen kant beschouw : wat zou de mensch zijn zonder God ! Welk eene verwarring in het menschelijk leven zou er in de heele maatschappij ontstaan, als het geloof aan God in alle rangen en standen verdween ! De menschen zouden evenals de dieren zich ten strijde gorden om het bestaan; moord, diefstal, bedrog waren geene misdrijven meer; want als er een wetgever noch rechter bestaat, dan kan er geen sprake zijn van misdaad. Ingeval er geen God is, zou de mensch door een moord op een anderen mensch geen misdrijf plegen evenmin als de tijger, welke een ander dier verscheurt.

En hoe rampzalig wordt zonder God iedere mensch in 't

ocr page 65

61

bijzonrler! Hoe rampzalig ben ik zelf! (reen geloof, geen hoop, geene liefde! Vooral geene hoop op een gelukkig ander leven ! Men sterft als een hond en ziet zijne vrienden nimmer terug!

„O God , ontferm U over mij !quot; — Deze angstkreet kwam onwillekeurig over de lippen des ongelukkigen.

„Daar heb ik in een onbewaakt oogenblik gebeden!quot; zeide hjj na een wijle in ziebzelven.

„En waarom zou ik niet bidden ? Ja, mijn God, ik wil bidden tot U, den God mijner kindsheid, den God di e mij geschapen heeft!quot; Tranen ontvloten aan de oogen van den worstelaar. TTij werd kalmer; een vrede sinds la ng niet gesmaakt, daalde in zijn hart. De blinddoek viel ; al zijne vroegere tegenwerpingen tegen het bestaan van den Schepper schenen hem eensklaps lichtzinnige dwaasheden toe. Een verkwikkende slaap maakte voor de nog overige uren van den nacht aan deze over weg ing een einde.

Anders was het den geneesheer gegaan. Zijn nachtrust was door geen inwendigen strijd verstoord. Hij ontwaakte in den vroegen morgen en ging zooals hij dagelijks pleegde te doen, de H. Mis bijwonen. Naar huis teruggekeerd, gebruikte hij het ontbijt en las in eenige geneeskundige tijdschriften. Toen werd er aan de kamerdeur geklopt en de ingenieur trad binnen.

„Goeden morgen, mijnheer!quot; riep de dokter hem vriendelijk toe. „Hoe hebt gij geslapen ?quot;

Meier. „Geslapen tamelijk weinig, maar dos te meer nagedacht.quot;

Dr. Schulz: „En waarover?quot;

Meier: „Dat het, oprecht gesproken, met uwe bewjjzen

ocr page 66

62

voor het bestaan van God beter staat, dan met mijne tegenbedenkingen.quot;

Dr. Schulz: „Hoe! Grij zoudt werkelijk teruggekeerd zijn tot liet geloof aan God ?quot;

Meier: „Ja, dokter! En van harte. Gij hebt mij moed gegeven, daar gij getoond hebt, dat men een wetenschappelijk man zijn en toch aan God gelooven kan. Daar lieerscht zulk een soort van schrikbewind in de ongeloovige wetenschap, dat wie met haar in aanraking komt maar al te gemakkelijk het geloof aan God in de kiem verstikt, om niet door de menschen geminacht te worden.quot;

Dr. Schulz: „Mij dunkt, men moet God meer vreezen dan de menschen! Anders ware men een erbarmelijke slaaf der menschen vrees!quot;

Meier: „Dat moest men zeer zeker, maar dat doet men niet altijd. In 't vervolg echter wil ik het doen; ik wil eene algemeene biecht spreken van meet aan en mijne rekening met God, mijn Schepper, aanzuiveren.quot;

Dr. Schulz: „Dat is braaf, mijnheer!quot;

Meier: „Gij moet mij echter een handje helpen. Kent gij wellicht een degelijken priester, tot wien ik mij wenden kan ?quot;

Eene week verliep sedert het voorgaande. liet was een schoone Zondagmorgen. De twee heereu waren samen in de parochiekerk tot de H. Tafel genaderd. Na het ontbijt wandelden zij door het bosch naar de ruïne Falkenstein. Van die hoogte lieten zij de oogen weiden op de heerlijke vlakte van Rijn en Main.

„Wat zegt gij nu van uwe wetenschappelijke bedenkingen tegen het bestaan van God ?quot; vroeg de geneesheer aan den bouwkundige.

ocr page 67

63

„Laten wij die dwaasheden in den doofpot stoppen,quot; antwoordde deze. „Ik ken haast niets wat het ongeloof zoo erbarmelijk maakt als juist deze gewaande bewijsgronden. Wanneer Schopenhauer of Strausz uit de sterrenkunde bewijzen wil, dat er in 't wereldruim geen plaats is voor God; of wanneer Haeckel met zijne onechte afdrukken of zijn Periginesis der Plastidule voor den dag komt om aan te toonen dat zelfs elk atoom een ziel heeft en zelfbewustzijn, maar God noch Schepper bestaat, dan stokt elke redetwist!quot;

„Van ganscher harte stem ik met u in, mijnheer,quot; hernam de dokter. „Doch laten die heeren hun gang gaan! Wij willen God aanbidden, die ons geschapen heeft en de geheele ons omgevende wereld in zulk eene bewonderenswaardige orde en doelmatigheid te voorschijn riep! Wij zullen de weinige jaren op deze aarde besteden niet om uit den zwijmelbeker van 't genot te drinken en ons ongelukkig te maken voor tijd en eeuwigheid, maar wij zullen veeleer dien levenstijd gebruiken, zooals God onze Schepper dat verlangt. Dan mogen wij hopen in het toekomstig leven een onuitsprekelijk geluk te genieten, dat geen einde neemt. „Geen oog heeft gezien , geen oor gehoord en in 's menschen hart is 't niet opgekomen, wat God bereid heeft voor hen, die Hem beminnen.quot;

ocr page 68
ocr page 69
ocr page 70

.RÜK EDUAflD IJDO. LEIOEN.

ocr page 71
ocr page 72