ocr page 1
ocr page 2

5(

ocr page 3

m-

it

•v-

BEftlNNELiJKHEID

I

I

van dkx

Godmensch Jezus Christus

CAROLÜS VAN DEN ABEELE, S. S.

Naar het Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt

P. B. BRUIN, §. 3.

• «■AijOGij'/. ■

■ - -a'

■t-■gt;

569

ocr page 4

•• ;i

ocr page 5

ïi.p-o-

KA H

BEMINNELIJKHEID VAN DEN GODMENSCH

Jezus Christus,/

DOOR

CAROLOS VAN DEK ABEBLE, S. J,

Naar tet Ogl-Vlaaiscli omitfl* Dewerkl

BOOR

P. B. BRUIN, S. J.

ocr page 6
ocr page 7

tgt;Die den Heer Jezus niet liefheeft, zegt de Apostel, zij vervloekt.quot; Wij vinden in den Godde-lij ken Zaligmaker allerlei beweegredenen om Hem van ganscher harte te beminnen. Zoo wij Hem kennen m Zijne Godheid en in Zijne tnenschheid en in Zijne onuitputtelijke liefde tot ons, kunnen wij Hem onze wederliefde niet weigeren. En van die liefde tot fezus hebben wij zelf alle goederen te verwachten. Om ons daarin te helpen en daartoe op te wekken is dit werkje van Pater Van den Abeele uitermate geschikt. Het is het achtste, dat it ij van dien godvricchtigen schrijver bewerken.

P. B. B.

ocr page 8
ocr page 9

HOOFDSTUK I.

De kennis van Jezus' Beminnelijkheid.

1.

DE LIEFDE TOT JEZUS MOET DE VRUCHT ZIJN VAN DE KENNIS ZIJNER BEMINNELIJKHEID.

i. Het komt misschien sommigen misplaatst en ongerijmd voor, met veel woorden te betoogen, dat Christus beminnelijk is. Is dat noodig? zullen zij vragen. Is daarvan zelfs niet elk kind overtuigd, dat christelijk is opgevoed ? Dat vertrouw ik gaarne, ik geloof zelfs, dat iedere geloovige eerder en liever er aan zal twijfelen, of de zon helder, de sneeuw wit, de honig zoet is, dan dat hij de beminnelijkheid van zijn Zaligmaker zal ontkennen of betwijfelen. Maar zijn daarom alle geloovigen ware minnaars van den Zaligmaker? Hebben zij allen Hem diep in het hart geplant, omdat zij Hem kennen? Zeker neen. «Allen kennen zij Zijne zoetheid door het verstand, maar weinigen smaken haar door den wil en de liefde.quot; Christum esse suavem sciunt ■per intellecium. sed non sapiunt per voluntatem. (Dion. Carth.) »Goede Jezus, ik beroep mij op Uw oordeel. Gij weet, hoevelen zelfs onder de christenen U niet boven al beminnen; Gij ziet, wie zich-zelve meer beminnen dan U, en het hunne meer

ocr page 10

6

zoeken dan het Uwe.quot; Tuum, bone Jesu, appello tribunal. Tu vides, qui tua, tu vides qui quaerunt et sua. (Bern.)

2. De kunst van onzen Zaligmaker op de volmaaktste wijze te beminnen, kan nooit genoeg geleerd worden. En daarom kan men niet te dikwijls spreken en handelen over Zijne beminnelijkheid ; want deze is de beweegreden, waarom wij Hem beminnen. Jezus, mijn lieve Heer, roept de H, Laurentius Justinianus uit, men heeft veel over Uwe beminnelijkheid gesproken, veel over haar geschreven; maar toch zal ik niet ophouden met de pen en met den mond uit al mijne kracht te verkondigen, dat Gij zoet en beminnelijk zijt. Want die waarheid is nog niet genoeg herhaald en zal nooit genoeg herhaald worden. Gave God, dat zij niet alleen in de kerken, maar ook van alle daken af en over alle velden heen voortdurend werd gezongen! »Men kan haar niet te dikwijls uitspreken, dewijl men haar voortdurend voor oogen moet hebben en voortdurend moet overwegen, opdat ■Jezus altijd bemind worde.quot; Nihil satis dicitur, quod semper est dicendum, et continuo, recordatione replicandum.

3. Voorwaar de eeuwige zaligheid en glorie is niet voor hen, die Christus kennen, maar voor hen, die Ham volmaakt beminnen. De hel is vol van geesten, die Hem hebben gekend. »Wat zal u het geloof aan Christus baten voor de eeuwigheid, vraagt de H. Augustinus, indien gij de liefde tot Christus niet hebt. De duivelen zelfs erkenden Christus door een zeker geloof, maar niet door de

ocr page 11

7

liefde: daarom zijn zij duivelen.quot; Ideo daemones sunt. Wilt gij derhalve huns gelijke niet zijn, ken dan en erken uw Zaligmaker, niet alleen door te gelooven, dat Hij beminnelijk is, maar ook door ! lem daarom met uwe liefde te omhelzen. Want al is uw geloof bovennatuurlijk en beter dan dat der helsche geesten, «gij begint evenwel op hen te gelijken, indien gij uw Christus niet volmaakt bemint.quot; Confitemini igitur, et amplectimini Christum ; altter incipitis similes cssa daemonibus.

4. De liefde is het doel der wet, leert ons de H. Geest (I Tim. I, 5); maar zij is ook het doel van de menschwording, van den arbeid, van het lijden en den dood vau den Zoon Gods, het doel van het christelijk geloof, het doel van het christelijk leven. Daarvoor was de Zaligmaker vooral bezorgd, ons op te wekken om naar dat doel te streven. Hij wil gekend worden; maar veel vuriger wenscht Hij bemind te zijn. Toen Hij Petrus ondervroeg, wat hij omtrent Hem geloofde, was het Hem genoeg eene enkele maal die vraag te stellen, doet de H. Augustinus opmerken; maar dat was Hem niet genoeg, toen Hij wilde weten, of Petrus Hem beminde. A mas me? Dat vroeg Hij hem tot driemaal toe. Eigenlijk vroeg Hij niets anders dan ■dat, om ons te doen verstaan, dat Hij onze liefde veel hooger acht dan ons geloof en dan alle andere goede bewegingen, waartoe Zijne genade ons in staat stelt. Dominus quid aliud interrogat Petrum nisi ■amas me? Et parum fuit sernel interrogare; et iterum nihil aliud, et tertio nihil alitid.

5. Het is ontwijfelbaar, dat wij onzen God en

ocr page 12

8

Zaligmaker niet kunnen beminnen zonder verstand en zonder kennis van Zijne goedheid en beminnelijkheid. Maar vooronderstel eens, dat, om Hem volmaakt te beminnen noch verstand noch kennis-noodzakelijk was, dan zouden Zijne minnaars, al werden zij van alle kennis beroofd, nog tevreden zijn met het geluk en de eer van Hem te beminnen, van Hem door de liefde alleen te behagen; omdat Hij in de liefde het meeste behagen schept. In dien zin moeten wij de woorden van den H. Anselmus verstaan : «Heer Jezus, zoo Gij wilt, ontneem mij mijne voeten, mijne handen, mijne oogen, al mijne zintuigen ; beroof mij, zoo Gij wilt, van geheel mijn wezen: maar laat mij mijn hart, en ik zal U daarmee alleen behagen door U te beminnen.quot; Aufcr, Dornine, a me, si velis, manus, pedes, oculos; si velis, aufer omnem substantiam; relinqne cor solum, hoe enim solo tibi placebo. Het geloof, niemand zal het ontkennen, is aan God zeer aangenaam, en het is ook noodzakelijk ter zaligheid; maar hoedanig het ook zij in zichzelf, het schijnt als niets in vergelijking rr.et de waarde der liefde. Non quia omnincr nihil est, sed quia nihil in eomparatione. (Aug.)

II.

HOE MEER MEN CHRISTUS BEMINT, DES TK BETER TRACHT MEN HEM TE KENNEN.

i. Nu ga ik alleen spreken tot u, o ziel, die Christus bemint; en dit des te liever naarmate gij begeeriger zijt om van Zijne beminnnelijkheid te hooren. Ik ken de gesteldheid van uw gemoed.

ocr page 13

9

Indien zelfs een klein kind u zeide. dat Christus beminnelijk is, gij zoudt het vriendelijk toelachenr omdat het eene zoete waarheid uitspreekt, eene waarheid, die gij wel kent, maar toch altijd gaarne hoort. (Laur. Just.) Het is u een lust iets van uw beminden Zaligmaker te hooren, en het is u niet minder aangenaam over Hem en Zijne zoetheid te spreken. Waarover kunnen wij beter spreken dan over hetgeen ons het dierbaarste is? Beminnelijke Jezus, het zal altijd waar blijven, dat er voor eene ziel, »die U vurig bemint, niets aangenamer, niets zoeter is, dan van U te hooren, over U te spreken, en vol teedere geneigdheid te rusten in Uwe liefde.quot; Amabilis Jesu! Metis dcvota et tuo aviore succensa nihil habet dulcius, qiiam audire de te, de te loqui, et pro affcciu in tua quiescere charitate. (Laur. Just.)

2. Alhoewel de goede Jezus het liefelijkst voorwerp der liefde is, toch kan men geen akte van liefde tot Hem verwekken, als men niet aan Hem denkt. Zonder op Hem te denken geen liefde tot Hem; denkt gij zelden aan Hem, dan zal uwe liefde zich zelden en bovendien, zooals de H. Bernardus meent, zich flauw uiten. »Want hare vurigheid verflauwt licht, als het verstand zich niet zeer dikwijls op Hem vestigt.quot; Facile tepescit et langttes-cit vis autoris, nisi jugiter foveatur metnoria aviantis Christi. Het is daarom geen wonder, dat die heilige leeraar zoo innig wenschte den lieven Zaligmaker voortdurend in zijn geest te hebben, en dat hij geweldigen afkeer had van alles, wat zijne gedachten van Hem kon aftrekken en verstrooien, «Alle spijs der ziel, zeide hij, is mij droog en dor,.

ocr page 14

IO

-;ille voedsel is mij onsmakciijk zonder Jezus. Schrijft mij iemand iets, het bevalt mij niet, tenzij ik daar Jezus leze; geen redeneering, geen samenspraak behaagt mij. indien ik daar niet hoor mijn Jezus. Elke plaats, elk gezelscha;-., hoe aangenaam en genoeglijk ook, staat mij legen, tenzij ik daar met geest en hart bij Jezus ben. Waar kan het ons wel zijn zonder Jezus!quot; Ubi enim bene est sine Jesti.

3. Gelukkig gij, christenen, die steeds vooral daarvoor bezorgd zijt, dat gij Christus met uw verstand en uw wil standvastig omhelst! Want gij geniet hier een voorsmaak van d:e heilige geneugten, waarmee de gelukzaligen verzadigd worden in den hemel. Waarin toch bestaat de bezigheid, die hun de meeste vreugde verschaft ? Waarin anders dan dat zij Jezus Voortdurend in het oog en in het hart hebben, en Hem door gedurige liefde beminnen, eeren en loven? Wat geweld, wat onrust, wat verdriet zouden zij niet lijden, als Jezus ook maar voor een oogenblik uit hun verstand en uit hun hart verdween! Maar de Godmensch, dien zij aanschouwen, is zoowel onze Jezus als de hunne. Welaan dan, lieve broeders, roept ons de H. Bernardus toe, welaan, laat ons dan reeds hier op deze wereld beginnen onzen allerzoetsten Jezus, zooveel als ons met Zijne genade mogelijk is, te genieten, door Hem altijd in de gedachte, altijd in het hart, altijd in den mond te hebben. Incipiamtis, quantum fas est, hie frui duleissimo Jesv, ipsum semper in mente, semper in corde, semper in ore gestantes.

4. De Apostel getuigt, dat Christus hier op aarde

ocr page 15

11

•zijn leven was; en hoe was Christus zijn leven? Door de liefde, waarmede hij Hem beminde; want Christus beminnen is waarlijk leven. Miht vivere Christus est, nempe amando; quia ilium am are vere vivere est. (Bern.) «Beter is het niet te leven dan te leven zonder Jezus, zegt de H. Augustinus. Maar hoe kan ik met Hem leven, als ik Hem niet genoeg bemin? Onderzoek dan, o mijne ziel, of de vurigheid uwer liefde tot Hem vermeerderd is. Laat uw hart spreken. Tibi respondeat cor tuitm. Het hart van dien grooten minnaar antwoordde terstond, dat het beminde: A?no. Maar het voegde er aanstonds bij: maak dat ik sterker beminne, want ik bemin niet genoeg.quot; Arno, sed amem validius. Inderdaad de beminnelijkheid van Christus is eene eindeiooze zee van zoetheden en volmaaktheden. Het hart kan daarin niet dieper intreden door de liefde, dan in zoover het verstand voorgaat en met zijn licht bestraalt. Daarom klaagde deH. Augustinus ■evenzeer over de geringheid zijner kennis als over de geringheid zijner liefde. Dikwijls riep hij; sAUerbe-minnelijkste Jezus, maak, dat ik U vuriger beminne.quot; Maar even dikwijls riep hij: «Maak, dat ik U beter kenne.quot; Cognoscam te, amabilissime yesu, cognos-cam te. »lk bemin U niet zoo zeer als ik U moet en wil beminnen; omdat ik Uwe beminnelijkheid niet ■genoeg begrijp. De geringheid mijner kennis is de oorzaak van de geringheid mijner liefde.quot; Quia parum cogmsco, parum diligo. »Maak dan, o lieve Heer. door Uwe heilige genade, dat ik U steeds beteren quot;beter kenne; maak dat ik U dagelijks beschouwe -en bijna voortdurend voor oogen hebbe ; want hoe

ocr page 16

I 2

meer ik U aanschouw met mijn verstand, des te beminnelijker en zoeter wordt Gij voor mijn hart.quot; Da ut te mediter per dies sine cessatione. Quanto enim magis de te inedito?-, tan to es inihi amabilior.

5. »De ware minnaar van Christus is met de kennis, die hij van Zijne beminnelijkheid heeft, nooit tevreden; omdat hij niet zoozeer let op hetgeen hij er van weet, als op hetgeen hij er nog niet van weet. En hoe inniger hij zijn Zaligmaker bemint, des te vuriger verlangt hij Zijne zoetheden altijd meer te doorgronden door lezing, overweging en beschouwing, om op die wijze zijne liefde steeds te doen toenemen.quot; Amoris vehementia ex inquisi-tione colligitur: verus cnim amator Christi non quantum de ipso sciat, sed quantum ignoret, consider at. Zoo sprak de H. Laurentius Justinianus. En de H. Bernardus had dikwijls dit gezegde in den mond: uZoo gij van Jezus wilt weten, wat gij nog niet weet, bemin dan. Wilt gij veel van Hem weten, bemin Hem dan veel.quot; Vis scire de yesic quae nescis, ama.

6. Dezelfde leeraar vergelijkt de minnende zielen, de ware bruiden van Jezus, met bijen, en de gees-lijke boeken met bloemen, waaruit zij den honig weten te zuigen. Elke waarheid, die hun den welbeminde beter doet kennen, is hun zoet en kostelijk; omdat daardoor hunne liefde meer en meer ontvlamt. Daarom zijn zij dagelijks met de grootste zorg bezig om zulke opwekkende waarheden als in een honigraat bijeen te verzamelen, om daarmee hunne liefde voortdurend te voeden en te doen aangroeien. Nochtans hoe zeer zij ook branden

ocr page 17

13

-van liefde, zij zijn nooit over hare vurigheid voldaan ; want hoe zij ook hun hart verruimen en ver-breeden. Jezus blijft altijd grooter dan hun hart. Eindige liefde is altoos te klein, waar de beminnelijkheid oneindig is. Men zou Jezus zelf, men zou God moeten zijn om in de liefde tot een Godmensch niet te willen aangroeien. »God alleen wil niet aangroeien in de liefde; omdat Hij zoowel in liefde als in kennis oneindig volmaakt en dus voor geen toeneming vatbaar is.quot; Solus Deus crescere et seipso melior esse non vult, quia non valet. (Bern.)

ocr page 18

HOOFDSTUK II.

Beminnelijkheid van Jezus om Zijne men-schelijke en om Zijne Goddelijke Natuur.

I.

JEZUS IS VOOR ONS BEMINNELIJK DOOR DE AANNEMING DER MENSCHELIJKE NATUUR.

i. Het is waar, de Zoon Gods is in zichzelven door de menschwording eigenlijk niet beter noch beminnelijker geworden dan Hij van alle eeuwigquot; heid was; omdat Hij, God zijnde, alle goed is. Omnc bonum. Hij is krachtens Zijn wezen alle eeuwig goed, en omvat op uitnemende wijze alle tijdelijk, alle geschapen goed. Maar al werd Hij niet zoeter in zichzelven, voor ons is Hij aantrekkelijker geworden; omdat Hij door de aanneming der men-schelijke natuur Zijne Goddelijke zoetheid meer' openbaart en meer uitspreidt, en haar onvergelijkelijk veel smakelijker gemaakt heeft voor ons dan voor hen, die vóór de menschwording van het eeuwig Woord geleefd hebben. Want al was God in elke Wet geheel honig, gelijk de H. Bernardus spreekt. Hij was in de Oude Wet niet zoo smakelijk als in de Nieuwe. O zoete Wet! die begint met de hemelen te doen overvloeien van honig en den eeuwigen Honig te doen neerdalen te Nazareth in

ocr page 19

de zoetste Maagd, uit welke door de medewerking der eeuwige Liefde gevormd is de overvloeiende honigraat Jezus Christus, die de volle zoetheid der Godheid in zich bevat en h.t.r mild doet uitvloeienen mededeelt aan alle harten, die Hem waarlijk beminnen. Ante sac reu ptitvi virginis quasi mei solum er at nondum inrirnatus Deus; sed postea mei et favus: mei de Dcc Patre, favus ex Virgine Maria. (Gillebertus.)

2. Hoe zoet moet liet niet zijn voor het hart Jezus te beminnen, daar liet reeds zoo aangenaam is voor het verstand iuui Hem te denken! Nil cogitatur dulcius quarn Jesics Dei Filius. (Bern.) De heilige bruid, die door Salomon lang voor de komst des Zaligmak.rs beschreven is, zag Hem slechts van verre en riep toch uit al hare macht: «O mijn welbeminde, trek mij tot U, trek mij in den vollen geur Uwer balsems.quot; (Cant.) Al zijt Gij ver van mij, ik heb den geur Uwer zoetheden waargenomen; de geur Uwer beminnelijkheid doordringt mijne ziel en overweldigt zoo zoet mijnen wil, dat »ik door de liefde kwijn en bezwijk.quot; Fulcite me floribus, qaii'. amore langueo. Wilt Gij, o welbeminde, wilt Gij, dat ik niet bezwijke, word dan minder beminnelijk en minder zoet; want mijn kortzichtigverstand verliest zich in de onbegrensdheid Uwer beminnelijkheid; mijn hart wordt als dronken en bezwijkt bij den ^eur uwer oneindige zoetheid. O hoe zoet is de geur win de Godheid Uws Vaders, die in U is; hoe zoet dé geur van den H. Geest, die uit U en den Vader voortkomt en die Uwe heilige menschheid met aile schatten Zijner genaden.

ocr page 20

i6

heeft begiftigd; hoe zoet ook is in U de geur van de maagdelijke reinheid en schoonheid uwer moeder, die zoo volmaakte gelijkenis heeft met U! Al die zoete geuren verlustigen mijn verstand en mijn wil. Op wien dan, o mijn Jezus, zal ik mijne gedachten vestigen, aan wien mijne liefde schenken, tenzij aan U?quot; Hacc omnia, mi Jesu, sttaviter olcnt in te; ad quem igitur vel memoria vel amore ibo nisi ad te! (Gil.)

3. De synagoog zong eertijds; «God is bekend in Judaea. Groot is Zijn Naam. God is groot en verschrikkelijk.quot; Deus magnus et terribilis. Doch wij, christenen, wij huldigen onzen God als den beminnelijkste, den zoetste, den aantrekkelijkste. Wij loven Hem niet alleen, als wij Hem beschouwen in Zijne grootheid, maar ook als wij Hem zien in Zijne geringheid; en Hij is ons zooveel te lieflijker en beminnelijker, naarmate Hij voor ons kleiner is geworden. Wie zal alle aantrekkelijkheden schetsen van onzen klein geworden God! Toen Hij alleen groot was dacht buiten het geslacht van Jacob bijna niemand er aan tot Hem te komen. Ma^r daar wordt Hij klein, en ziet, vreemde koningen verlaten hun land, herders hunne kudden, heidenen hunne afgoden, heel de wereld verlangt naar Hem te gaan. Hem te volgen. Hem als den waren God boven al te beminnen. Ecce totus mundus flost etim abiit.

4. Is Jezus ons lief in Zijne kleinheid, nergens komt Zijne lieflijkheid schitterender uit, dan in de wonderbare armoede, waarin Hij geboren is en met Zijne moeder geleefd heeft. Gaan wij slechts

ocr page 21

7

bij ons verstand te rade, dan zegt het ons, dat alle paleizen van alle keizers en koningen bijeengenomen te klein, te arm, te nietig zijn, dan dat daar een God als mensch zou geboren worden; en dat de engelen zelfs niet waardig zouden zijn om als Zijne hovelingen en dienaren te worden aangenomen. Zoo zou iedereen meenen. Doch de Zoon van God wil iets anders. Hij kiest tot geboorteplaats eene spelonk, een stal zonder luister, zonder sieraad, zonder dienaars. Daar ontvangt Hij de koaiingen als Koning der koningen; daar aanvaardt Hij hunne geschenken als teekenen hunner onderwerping en aanbidding en liefde. Als ik echter door den heiligen lecraar Cyprianus onderricht deze beschikking van Jezus dieper beschouw, dan wijkt mijne verbazing. Jezus toch is de Wijsheid zelve, en de Wijsheid wil geen nuttelooze en overtollige zaken. Ware nu de spelonk in een paleis veranderd en van binnen en van buiten geheel met goud en diamanten versierd geweest; hadden zich daar de Cherubijnen en Seraphijnen in hemelsche schoonheid zichtbaar vertoond; «dat alles zou nutteloos en overtollig geweest zijn. Want noch de herders, noch de koningen, noch iemand van hun gevolg zouden oogen gehad hebben om andere kostbaarheid, andere schoonheid te zien buiten Jezus, die, als de ongeschapene en tegelijk als geschapene beminnelijkheid alles behelst, wat voor oog, verstand en hart aangenaam en aanlokkelijk kan zijn.quot;' Ornamenta, si adessent, non haberent oculos inspector es, quia in hoc summo Bono oviuium bonorum uuita colleetio videbatur.

2.

ocr page 22

18

5. De H. Maagd Maria, ofschoon uit koninklijk geslacht geboren, cn verkoren koningin van hemel en aarde, was toch te Nazareth wel tevreden in haar arm huisje en eenvoudige woning. Jezus was bij haar. Dat was haar genoeg; dat was zelfs te veel om hare vreugde te kunnen bedwingen. «Want de mate-looze zoetheden, die zij uit Jezus schepte, overstroomden zoo geweldig haar minnend hart, dat zij door de liefde als dronken niet bemerkte, waar zij was.quot; De Godmensch is waarlijk al te beminnelijk en aantrekkelijk, dan dat eene volmaakte ziel, gelijk die van de H. Maagd, bij machte zoude zijn hare liefde-te matigen. «Christus is een paradijs, zegt de H. Ber-nardus, en een veel genotrijker dan de lusthof, dien onze eerste ouders hebben bewoond.quot; »Maria was ook een paradijs vol zoete geneugten voor Jezus; maar 7.\) had geen oogen om zichzeive te zien, geen gedachten om zichzeive te aanschouwen; geheel haar vei stand, geheel haar hart was in haar Zoon. Het was haar beter en gelukkiger in haar Jezus dan in zichzeive.quot; Sancta Dei genitrix non advertebat, ubi erat, ut po te nimia charitate ebria ; dulciusque habitabat in Filio quam in séipsa. (Laur. JusO

6. De H. Dionysius de Areopagiet was naar Jerusalem gegaan om de H. Maagd te zien en te begroeten en haar zijn eerbied en zijne liefde te betuigen; maar toen hij haar zag, viel hij van aandoening in onmacht. Het was hem, zooals hij zelf schrijft, alsof hij de geneugten des hemels begon te genieten. Zoo innig waren reeds toen de lieflijke indrukken der schoonheid en zoetheid van de moeder Gods. Nu laat ik u denken, godvruch-

ocr page 23

19

tige lezer, hoe zoet uw hart zou getroffen worden als gij het geluk hadt een oogenblik den God-mensch in Zijne glorie te zien; den Godmensch, die reeds hier op aarde onuitsprekelijk veel aantrekkelijker was dan Zijne lieve moeder. Dat geluk wordt u nog niet geschonken om uwe vreugde in de eeuwigheid des te grooter te maken: want het is veel verdienstelijker den Zaligmaker door het geloof te aanschouwen dan met de oogen, en het is Hem veel welgevalliger door u bemind dan door u gezien te worden. Ja het schijnt, dat Hij meer behagen schept in de liefde van hen, die Hem op aarde nooit hebben gezien, dan in de liefde van anderen, met wie Hij zichtbaar heeft omgegaan. De H. Petrus toch prijst op bijzondere wijze de Christenen, »die ofschoon zij Christus nooit gezien hebben, Hem toch oprecht beminnen.quot; Quern, cum non videritis, diligitis. (1 Pet. I.)

7. De eeuwigheid is er voor bestemd om onzen Jezus te aanschouwen in de glorie,- waar wij overweldigd door Zijne zoetheden Hem noodzakelijk zullen beminnen. Hier moeten wij Hem aangenaam zijn door Hem vrijwillig te beminnen en Hem aldus ons hart te schenken. Zoo troostte zich de H. Augustinus, als de gedachte, dat hij nog zoo lang van de zichtbare tegenwoordigheid zijns Zaligmakers verstoken was, hem bedroefde. O goede Meester, riep hij uit, ik aanschouw U nog wel niet; maar ik heb U in mijn geest; daar vind ik U. Manes in memoria mea, et illic te invenio. En gij, mijne ziel, waarom bedroeft gij u ? Jezus is bij als gij wilt. Bemin Hem ; zoo gij Hem bemint,

ocr page 24

ZO

is Hij bij u. A ma; ipse amor praesentetn tiki facit. ïWilt gij Jezus zien ? de liefde heeft oogenr Wilt gij tot Hem gaan? de liefde heeft vleugelen. De liefde is vaardig en vlug als de engelen. Door haar kunt gij vliegen boven de sterren en de hemelen, en uwen Jezus zien en spreken en omhelzen. Klaag dan niet, dat gij te ver van uw Beminde verwijderd zijt; want Hij is bij u, en gij zijt bij Hem elk uur, elk oogenblik dat gij verlangt.quot; Sola char Has est, per quam absent em videmus, allot/ui-mttr, amplexamur, quae sic quadam angelica agHi-tat e transvolat, ut de distantiae localis injuria non conqueramur. (Laur. Just.)

II.

BEMINNELIJKHÉID VAN Igt;E HEIUGK MENSCHHEID VAN CHRIS fUS.

i. «God is mensch geworden, schrijft de H. Thomas, opdat de mensch zich geheel tot Hem zou keeren, Hem uit geheel zijn hart beminnen en aldus zalig worden.quot; Was God dan door Zijne Goddelijke natuur niet beminnelijk genoeg om alle harten tot zich te trekken ? Wie zou dat betwijfelen ? Maalais God was Hij te hoog en te verheven dan dat het menschelijk hart gemakkelijk genoeg tot Hem zou kunnen opklimmen; Hij was te groot en te ontzagwekkend dan dat het gemeenzaam met Hem zou durven omgaan en in gemeenschap van liefde met Hem treden. »Daarom heeft Hij zich vernederd en klein gemaakt. Hij is mensch geworden om zich naar

ocr page 25

21

ons te schikken, zich naar onze kleinheid te voegen; opdat wij door Zijne heilige menschheid zouden komen tot goddelijke vereeniging.quot; Deus suscepit mor tali tatem tuam, ut aptaret se tibi, tibique con-grueret (Aug.) ct tu per ipsam naturam humanam transires ad uninnem divinam. (Thom.) Maar als God zich klein maakt om ons daardoor krachtiger t it liefde op te wekken, dan wenscht Hij voorzeker edele, volmaakte liefde, liefde van welwillendheid en vriendschap. Daarom «is Hij zoo beminnelijk geworden, zachtmoedig, goedertieren, genadig, minzaam en vriendelijk voor den mensch ; daarom is Hij zoodanig voor ons geworden als noodig was om alle harten zoet en krachtig te winnen.quot; Talis apparuit qui inerito amaretur. (Bern.) »Brand dan o christen, brand van liefde; ga geheel op in de liefde, omdat uw beminde Christus geheel beminnelijk is.quot; O aniinae christianae, totae in affectum transite, totus enim amabilis est dilectus vester Jesus Christus. (Gilb.)

2. De H. Augustinus maakt de volgende bemerking: gelijk de goede God mensch geworden is om door ons bemind te worden met de liefde van welwillendheid, zoo heeft Hij zich met het schoonste lichaam bekleed om in ons ook op te wekken de liefde tot Hem van reine begeerlijkheid, en aldus in ons het grootste beletsel der heilige en volmaakte liefde, namelijk alle kwade begeerlijkheid tot het vleesch, te vernietigen. «Zoo vleeschelijke schoonheid u verblind en gekwetst heeft, laat dan het lichaam van Jezus u genezen,quot; en om daardoor genezen te worden, moet gij uw geest dikwijls vesti-

ocr page 26

22

gen op Zijne schoonheid. Caro te cbcoc.cavit, car tc saiiet; sic ven it Christus ut de carne carnis vitia extingueret. (Aug.)

3. O mensch, welke lichamelijke schoonheid kan aantrekkelijker voor u zijn dan die van den Zaligmaker, die alle andere geschapene schoonheid onuitsprekelijk overtreft! Zijn heilig lichaam is niet alleen het werk der natuur: het is het werk der eeuwige, oneindige liefde, het werk van den H. Geest, die het in de schoonste en beminnelijkste der vrouwen gevormd heeft en het heeft verrijkt met alle bevalligheid en beminnelijkheid. De H. Schriftuur zegt, )idat 's menschen wijsheid uitblinkt op zijn gelaat,quot; sapieutia hominis lucet in vultu ejus. (Eccli. VIII. 1.) Hoe aantrekkelijk moet dan niet het heilig gelaat van Christus zijn, waarvan niet alleen de wijsheid heerlijk afstraalt, maar ook de goedheid en goedertierenheid, de mildheid en barmhartigheid, dc reinheid, de liefde, alle genaden, alle deugden, alle volmaaktheden Zijner heilige ziel. slndien gij aangetrokken wordt door lichamelijke schoonheid, bemin dan die van uw Zaligmaker.quot; (Laur. Just.) »Waarlijk indien Hij enkel mensch ware en niet tevens God, dan nog zou F ij door Zijne volmaaktheden van ziel en lichaam en door Zijne zoetheid en beminnelijkheid, onuitsprekelijk veel aantrekkelijker zijn dan alle schepselen te zamen.quot; Qui si Deus nou esset et purus homo esset quantas tarnen in se habe-ret auioris illecebras homo talis, tot gratiarum abnndans muueribus. (Gilb.)

4. Bedenk nu eens, godminnende ziel, hoe schoon en hoe beminnelijk de heilige menschheid van uw

ocr page 27

bruidegom is door de persoonlijke vereeniging met den Zoon Gods. De H. Teresia zag eens in ecne bijzondere openbaring de hand van Christus, en dat gezicht reeds vervulde haar met walging voor alle ijdele en vergankelijke schoonheid. Daar moet van die heilige hand wel een goddelijke glans uitgegaan zijn, dat het gezicht daarvan zoo plotseling afkeer in haar opwekte tegen wereldsche geneugten. En, het is ook wel ontwijfelbaar zeker, de Godheid maakt het verheerlijkt lichaam des Zaligmakers verrukkelijk schoon door een glans en eene glorie, die den gelukzaligen meer goddelijk dan menschelijk toeschijnt. Want in den hemel is Jezus nog veel aantrekkelijker dan Hij op aarde was. »En reeds hier op aarde zag men den glans Zijner Godheid op Zijn menschelijk aanschijn weerkaatsen,quot; zegt de H. Hie-ronymus. Niet dat Hij zich in dien zoeten glans vertoonde aan iedereen; hoe toch zouden de Joden en de Romeinen Hem in zulk eene beminnelijke gedaante hebben kunnen pijnigen en dooden ? Maar aldus liet Hij zich zien aan de herders en aan de drie koningen, aan de apostelen, toen Hij hen tot zich riep om Hem te volgen, aan andere bijzondere vrienden en minnaars, en vooral en bijna voortdurend aan Zijne allerliefste moeder. Splendor divi-nitatis etiam in hmnana facie relucebat. (Hieron.)

5. Nicephonis Callixtus en andere geschiedschrijvers melden, dat koning Abgarus een schilder tot Christus zond om een portret van Hem te malen, maar dat die kunstenaar daar niet in slaagde, dewijl er zulk een goddelijke glans en zulk eene niet weer te geven schoonheid op Zijn heilig aangezicht

ocr page 28

24

uitblonk, dat hij het onmogelijk kon treffen. Wat daarvan zij of niet, dit is zeker : Christus wil liever afgebeeld staan in onzen geest dan geschilderd op het doek; omdat Hij beter en onuitwisbaarder gedrukt zal worden in ons hart, naarmate wij Hem volmaakter opvatten in de gedachte. «De H. Geest, zegt de H. Thomas van Villa-Nova, die het heilig lichaam des Zaligmakers vormde, heeft Zijne schoonheid niet in de H. Schriftuur beschreven, maar het ons overgelaten haar zelf in onze gedachten uit te drukken.quot; Earn spiritus sanctus I it ter is non descripsit, tibi earn effingendam rcliquit. Laat dan vrij uwe verbeelding werken ; vereenig alle schoonheden, die gij ooit hebt gezien, en vermenigvuldig die zooveel gij' kunt. Dan zult gij waarlijk een zeer schoon beeld gevormd hebben. Nochtans indien gij meent daarmee de schoonheid van uw verheerlijkten Jezus voor den geest te hebben, dan dwaalt gij. Zoover reikt niet uwe verbeeldingskracht. Deze heeft hare vaste grenzen: wat z:ij verbeeldt is aardsch en natuurlijk, terwijl de he-melsche en verheerlijkte schoonheid van uw Zaligmaker meer dan natuurlijk en van hoogere orde is. Nochtans zegt de H. Augustinus : »gij kent die schoonheid genoegzaam, zoo gij inziet, dat zij om hare grenzclooze grootheid niet gekend kan worden, en het verstand is tevreden, als het aan het hart zulk eene beminnelijkheid voorstelt, dat het al de kracht zijner liefde verre overtreft.quot; Propterea scio, quia scio me nescire.

ocr page 29

25

UI.

ÜE LIEFDE TOT CHRISTUS BEGINT BIJ DE BEMINNELIJKHEID ZIJNER MENSCHHEtD.

i. »Het beste, het volmaaktste, het zaligste, waarop een christen hier op aarde zich kan toeleggen, zegt de H. Thomas van Aquinen, is het voeden zijner liefde, in de menschheid van zijn Zaligmaker en in de Godheid van zijn Schepper.quot; Dat dubbele voedsel vindt hij in zijn Jezus. Want Hij is èn als mensch èn als God beminnelijk: beminnelijk als gelijk aan Zijn Vader, beminnelijk als gelijk aan Zijne moeder. En ofschoon de Goddelijke natuur alles wat bestaat of denkbaar is oneindig ■overtreft in beminnelijkheid, toch is de heilige menschheid van Christus ik zou haast zeggen oneindig beminnelijk, ja goddelijk, niet door haar eigen wezen, maar door hare onbegrijpelijke vereeniging met het e .uwig Woord. Wondervolle vereeniging, waardoor een en dezelfde Persoon tegelijk èn God •ca mensch is. Welke engel zal mij de beminnelijkheid kunnen doen begrijpen van een mensch, die God is? De maagd, zeggen de H.H. Vaders, die een Godmensch ontvangt en baart, wordt zelve als goddelijk door de grenzelooze voortreffelijkheden van de genade en van de natuur. Hoe beminnelijk ■en schoon naar ziel en lichaam moet dan niet een mensch zijn, die werkelijk God is! »Wie is er aan U gelijk, o Jezus, in schoonheid van lichaam en heiligheid van ziel! Waarlijk de honig vergeleken .met Uwe zoetheid is als alsem vergeleken bij de

ocr page 30

26

zoeti eid van honig. Al wat beminnelijk is in de schepselen, is niets, als men het vergelijkt met U.quot; Quis similis tui, o charc Jesu! Mei comparatum dulcedini tnae sic est quasi absinthium comparatum dulcedini meilis. Et omnia, quae sunt quan-tumlibet pulchra et amabilia, nee reputari debent in comparatione tui. (Bern.)

2. Ofschoon Christus onuitsprekelijk veel beminnelijker is door Zijne Godheid dan door Zijne mensch-heid, toch begint de liefde van den christen gewoonlijk met de beschouwing Zijner heilige menschheid, waarin hij ook het eerst zijne liefde voedt, huipil amor Christi ab humanitatis consideratione. (Laur. Just.) In het algemeen genomen moet dat zoo zijn. Want wanneer wij de volmaaktheid van het christelijk leven beginnen te beoefenen, zijn wij nog als kinderen in Christus, en kinderen worden immers gevoed met melk, niet met vaste spijs. «Daarom beschouwen wij Christus dan liever in de zoetheid Zijner menschelijke dan in de verhevenheid Zijner Goddelijke natuur. En Hij trekt ons meer aan ia de gedaante, waardoor Hij op Zijne moeder, dan in die, waardoor Hij op Zijn Vader gelijkt.quot; Suavem magis quam sublimem considerant, non in ea forma, qua aequalis est Patri, sed qua aeqiialis est matri. (Bern.) Daar is niets, zegt de H. Bernardus, wat de jeugdige minnaars van Christus liever hooren, jveriger lezen, gemakkelijker overwegen, zoeter smaken dan de waarheden, die Zijne heilige menschheid aangaan. Jezus uit eene maagd ontvangen en geboren; Jezus als klein kind in doeken, in de kribbe, op den schoot en aan de borst Zijner moe-

ocr page 31

27

der en aan haar gehoorzaam; Jezus bebloccl aan de kolom, zuchtend onder de doornen, stervend op het kruis, en dat alles uit liefde tot den mensch, ziedaar de zoete melk, die de H.H. Petrus en Paulus den nieuwen christenen aanboden. 'Tanquam modo geniti infaiitcs... lac concupiscite. (Pet. I. 2.) »Voor de kinderlijk eenvoudigen is de zoetheid van den smaak aangenamer, naar mate zij meer met de mensche-lijke natuur overeenkomt.quot; Simplicioribus filiis Dei tanfo primum solet esse affectus dulcior, qumito humanae naturae propinquior. (Bern.)

3. De Zoon Gods is mensch geworden, om u,, o mensch, tot zich te trekken, en Hij trekt u op de wijze die Hem behaagt. Welnu het behaagt Hem u tot Zijne Godheid te trekken door Zijne menschheid, gelijk de H. Augustinus leert. Zoo trok Hij de Apostelen. Hij riep hen, en Zijne stem was hun als de stem der liefde zelve. Vox yestt ipsis quasi vox amor is er at. (Laur. Just.) Zij kwamen terstond tot Hem en verlieten alles wat zij hadden-Wat dreef hen daartoe aan? ■)Alleen de liefde tot Zijne beminnelijke menschheid, waarvan de lichamelijke tegenwoordigheid het hoogste doel hunner verlangens was.quot; Solo profecto corporalis praescn-tiae amore reliquerunt omnia. (Bern.) Die liefde bewoog hen Hem te volgen. Zoo Hij er slechts even van sprak hen, ook maar voor een korten tijd zichtbaar te verlaten, werden zij aanstonds bedroefd-Anderen hadden zich van Jezus afgewend; en gelijk de evangelist verhaalt, toen keerde Jezus zich tot Zijne getrouwe Apostelen en vroeg, of ook zij wilden heengaan. gt;,iHeer, zeide Petrus in naam van de

ocr page 32

28

anderen. Heer, tot wien zullen wij gaan ? Bij wien zijn wij beter dan bij U? Ja, waar kan het ons goed ïijn buiten U? Gij zijt ons te beminnelijk en te zoet om U te kunnen verlaten.quot; Dnmine, adquem ibimus. (Joes. VI.) De liefde van Petrus en de andere leerlingen omvatte Hem wel is waar nog niet geheel en al, zij omhelsde Hem nog niet ten volle als God-mensch; toch was zij bovennatuurlijk en heilig. Want, gelijk de H. Bernardus leert, Christus wordt zelfs als mensch niet bemind zonder de invloeiende genade van den H. Geest. Nequaquam sine Spi-ritu sancto, vel in carne diligitur Christus.

4. Behalve de krachtige beweging der genade, waardoor de Apostelen inwendig bewogen werden om tot Christus te komen en Hem te volgen, werden zij, zegt de H. Chrysostomus, ook uitwendig aangetrokken door de lieflijkheid van Zijn gelaat, waarvan iets goddelijks afstraalde, en door de zoetheid Zijner woorden, die als honig van Zijne lippen vloeiden. Hoe langer zij met Hem leefden en verkeerden, des te meer ontdekten zij de inwendige zoetheden Zijner heilige menschheid. Hoe groeide dan hunne liefde niet aan bij de aanschouwing van de verhevenheid en menigte Zijner deugden; want elke deugd van Jezus heeft hare eigene zoetheid en kracht om de harten tot Zijne liefde te trekken. Omnia quae in te sunt, bone Jesu, alliciendi effica-ciam habent. (Gilb.) Hoe werden zij niet aangetrokken door Zijne barmhartigheid, goedheid en vriendelijkheid tot de boetvaardige zondaars; door Zijne teederheid als Hij weende over Zijn vriend .Lazarus of over de hardnekkigheid en aanstaande

ocr page 33

29

straffen der Joden; door Zijne minzaamheid, Zijn geduld in het lijden, Zijne grenzelooze liefde, waarmede Hij Zijn lichaam, Zijn bloed. Zijn leven heeft gegeven en geslachtofferd voor den mensch. »A1 het lijden en alle werken van Jezus zullen altijd zijn als stemmen, die ons voortdurend Zijne groote liefde tot ons verkondigen en ons opwekken om Hem vurig en standvastig te beminnen.quot; Omnia haec voces c/tar italis habent; nihil vac at in cunctis operibus jfesu ab cruditione amoris. (Laur. Just.)

IV.

DE LIEFDE TOT CHRISTUS WORDT VOLMAAKT DOOR DE BEMINNELIJKHEID ZIJNER GODHEID.

i. Naar aanleiding van de woorden des Apostels maakt de H. Bernardus de bemerking, dat, in dc bovennatuurlijke orde gelijk in de natuurlijke, verschillende leeftijden bestaan, zóó nochtans, dat dc kindsheid en de ouderdom des christens niet berekend worden naar den korteren of langeren duur van den tijd, dien hij heeft geleefd, maar naar den lageren of boogeren trap van volmaaktheid, dien hij heeft bereikt. Hoe volmaakter zijne liefde tot Christus is, des te volmaakter christen is hij, en diensvolgens des te ouder en grooter. Is zijne liefde no^, onvolmaakt, dan is hij nog jong en klein, en hij blijft klein, zoolang hij Christus liever als mensch dan ais God aanschouwt. »Want gelijk de liefde tot Christus wordt begonnen door de kennis Zijner menschheld, zoo wordt zij volmaakt door de aan-

ocr page 34

3°

schouwing Zijner Godheid.quot; Amur Christi divini-tatis contemplatione perficitur. (Laur. Just.) «De kleinen verlustigen zich het meest in de beminnelijkheid der heilige menschheid van Jezus Christusgt; zegt de H. Bernardus, maar als zij in Hem tot den volmaakten leeftijd zijn aangegroeid, beminnen zij Hem met aandacht en innigheid als Godmensch; dan omhelzen zij Hem in het binnenste van hun hart zoet en teeder als geheel God, omdat Hij waarlijk God is door de volle Godheid; en zij omhelzen Hem evenzeer als geheel mensch, omdat Hij, de Zoon Gods, met de volle menschheid is bekleed.quot; Posttnodum vero amplcxantur in medio cordis sui, dulci CDnplexu Christum Jesum toUim hominem propter hominem assumptnm, et totum Deum propter assnmentem Deum.

2. Toen de Zaligmaker eens tot Zijne Apostelen ér over sprak, dat Hij zich aan hunne oogen zou onttrekken en tot Zijn Vader zou gaan, werden zij zeer bedroefd; en dit ziende, zeide Hij vriendelijk tot hen : ' Het is u voordeelig, dat ik ga.quot; Maar. lieve Jezus, zult Gij tot Uw Vader gaan zonder ons. Gij, die ons door Uwe grenzelooze beminnelijkheid zoo krachtig hebt aangetrokken om U te volgen? Is er voor ons voordeel gelegen in de berooving van Uwe allerzoetste tegenwoordigheid? Is het niet veeleer een groot nadeel en een treurig verlies? Neen, het is geen nadeel, geen verlies; het is u voordeelig. »Want als ik heenga, zal Ik den H. Geest zenden; en Hij zal u leeren alle waarheid, en in het bijzonder de kunst van Mij wel te beminnen. Het is noodzakelijk, dat Ik Mij onttrek aan uwe

ocr page 35

■oogen; want uwe liefde tot Mij gaat niet verder noch dieper dan uwe oogen zien. Gij kent in Mij geen ander voorwerp van liefde dan datgene, wat Ik van Mijne moeder heb ontvangen en waarmede Ik bekleed ben, alsof Ik niet ook God ware gelijk aan Mijn Vader.quot; Dat is de uitleg van den H. Augustinus. Ita circa creaturam susceptumque habi-iiim occupati, aequalitatem, quam cum Patre habeo, non intelligitis. Oportet ergo, ut anjeratur ab ocnlis forma servi.

3. Dat de Apostelen niet tot de uiterste volmaaktheid van de liefde tot Christus opgeklommen waren vóór de komst van den H. Geest, verwondert mij niet zeer; maar wie zou gedacht hebben, dat Maria Magdalena, het toonbeeld der minnaars van Christus, niet eerder door de volmaakte liefde tot vollen wasdom in Hem was gekomen, ja dat zij zelfs na Zijne verrijzenis nog niet gewoon was Hem geheel te beminnen? Met welk een ijver toch heeft zij het heilig lichaam van haar gestorven Jezus gezocht, en toen zij Hem verrezen zag, met wat een vurigheid wenschte zij toen Hem te omhelzen. Wat droeg Jezus haar een achting en liefde toe, wel wetend, hoe zuiver hare liefde tot Hem was. Nochtans Hij veroorloofde haar niet Hem aan te raken. Noli me tangere. Dat liet Hij niet toe, zegt de H. Augustinus, »omdat hare liefde zich niet vérder uitstrekte dan tot de omhelzing van Zijn heilig lichaam of van Zijne heilige menschheid. Daardoor wilde Hij haar en ons 1'eeren, dat Zijne menschelijke natuur niet het laatste doel is van ons hart; dat Hij God zijnde, om Zijne verheven-

ocr page 36

32

beid en grootheid aoch met de handen aangeraakt,, noch met de armen omhelsd, noch met de oogen gezien en gemeten kan worden; dat wij daarom, om onze liefde te volmaken, met geest en hart dieper in Hem moeten doordringen om daar van binnen ook Zijne Godheid te beschouwen en te omhelzen.quot; Inde est et illud: Noli me tangere. Jacius enim tamquam finem notionis facit; ideaque nolebat in eo esse finem intenti cordis in se, lU hoc, quod videbatur, tantummodo piLtaretur.

4. De H. Augustinus wil niet zeggen, dat de-Apostelen en de minnende Magdalena na de verrijzenis en zelfs vóór den dood van Christus niet behoorlijk wisten, dat Hij waarlijk de Zoon Gods was; maar de kennis dier waarheid, meent de H. Leeraar, bestuurde nog niet, althans in den regel niet genoegzaam, de liefcie, waarmee zij Hem feitelijk beminden. Zij vestigden hunne gedachten en genegenheid meer op het zichtbare dan op het onzichtbare, meer op het menschelijke dan op het Goddelijke. En wat Maria Magdalena aangaat, zij wilde Jezus omhelzen als haren meester, Rabboui! haren meester, den mensch, aan wiens voeten zi) eenmaal met zooveel geluk was onderwezen. Had zij evenals later Thomas Hem aangezien en met mond en hart toegesproken als haren God, Domi-nus mens ci Deus mens, misschien zou Hij hare reine en vriendelijke omhelzing niet hebben ver-stooten. Godvruchtige ziel, die deze uiteenzetting van den leeraar der Goddelijke liefde hoort, vreest gij wellicht, dat, wanneer gij bij de H. Communie of in uw gebed, door de bominnelijkheid van uwen

ocr page 37

33

lieven Jezus getroffen, Hem zult willen omhelzen, Hij u inwendig zal zeggen: »wil Mij niet aanraken,quot; noli me tangere? Eene volmaakte bruid van den Zoon Gods vreest dat weinig. Zij vertrouwt vast, vriendelijk door Hem te zullen worden omhelsd en Hem wederkeerig te mogen omhelzen. Laeva ejus sub capite 7neo et dexfera ejus amplexabitur me. En waarop steunt dat vaste vertrouwen? Waarop anders dan op de volmaaktheid harer liefde, die haren bruidegom bemint èn als God en als mensch; zij toch voedt zich met melk en wijn, bibi vinum cum lacte meo (Cant. V), dat is volgens de verklaring van den H. Thomas en anderen »met de melk Zijner menschheid en den wijn Zijner Godheid.quot; Vinum nempe divinitatis cum lacte humanitatis.

5. Voedt ook gij aldus uwe liefde tot Jezus? Gij koestert voor Hem eene teedere genegenheid. Gij geniet eene innige zoetheid, als gij Hem daar ziet, geboren uit de zuiverste der maagden en de beminnelijkste der vrouwen; maar bedenkt gij daarbij, dat Hij in alle eeuwigheid maagdelijk geboren wordt uit God den Vader, die het beginsel is van alle liefde en geneugte? Gij smaakt eene zoete vreugde, ■wanneer gij Hem aanschouwt als een lief kindeke liggende in de kribbe of op den schoot Zijner moeder ; maar beschouwt gij Hem even aandachtig als den waren Zoon van God vol van glorie en beminnelijkheid in den schoot Zijns eeuwigen Vaders? Wat is het u aangenaam Hem te verbeelden en te beminnen gekneld aan de borst Zijner moeder of hangend aan haar hals haar met kinderlijke liefde kussende, en door haar gekust met moederlijke teeder-

ocr page 38

:4

heid; m?.ar hoeveel aantrekkelijker moet het u niet zijn Hem door het geloof te zien en Hem te beminnen, eeuwig omhelzende en kussende Zijn beminden Vader met eene oneindige liefde, en door Hem eeuwig omhelsd met gelijke liefde en zoo vruchtbaar gekust, dat Zij beiden door gemeenschappelijke vurigheid eeuwig voortbrengen en uitademen dc eeuwige Liefde, God den H. Geest. Waarlijk, o ziel, al wat menschelijk is in den Zaligmaker, is als niets in vergelijking met het Goddelijke. Verre van mij nochtans ti aan te raden om uw verstand en uw hart zoodanig op Zijn persoon en Zijne Godheid te vestigen, dat gij Zijne heilige menschheid zoudt vergeten. Integendeel wij wenschen, dat gigt; Hem als mensch voortdurend in den geest hebt om uwe liefde in Zijne menschheid te voeden; maar wij wenschen tevens, dat gij met verstand en hartdieper in Hem intreedt, om Hem ook als God te beschouwen, en Hem te beminnen om Zijne oneindige volmaaktheden. Beschouwt gij Hem alleen als mensch, dan ziet gij Hem slechts van buiten;, van binnen is Hij God, veel aangenamer en verhevener. Hoe dieper gij in Hem doordringt, des te beter en overvloediger zult gij Zijne zoetheden-smaken. Intus invenies quod jucttndius sit et inulta amplius delcctabile. (Bern.)

6. Gij verlangt voorzeker Christus te beschouwen-en te beminnen om Hem te behagen. Welnu beschouw en bemin Hem dan op de wijze, die Hem het aangenaamste is. Het is Hem aangenaam, dat gij Hem acht als den beminnelijksten der menschen; maar het is Hem nog veel aangenamer, dat gij Hem,

ocr page 39

35

looft als een minnend God, die uit liefde tot u mensch is geworden. Het is Hem welgevallig, dat gij Hem eert als rijk door alle schatten der wijsheid, en als boven alle schepselen beminnelijk door heiligheid en schoonheid, door genade en deugd; maar het behaagt Hem veel meer, dat gij Hem boven al bemint om Zijne Goddelijke volmaaktheden, en dat gij alle groote gaven en aantrekkelijke hoedanigheden Zijner heilige menschheid beschouwt en erkent als stralen, als uitvloeiingen en mededeelingen Zijner Goddelijke en oneindige goedheid, schoonheid, heiligheid. In het menschelijk hart is Hij gaarne als mensch; maar Hij bewoont het veel liever als God, en Hij wil het geheel, om het geheel te bezielen. Hoor, o ziel, wat Hij u toeroept. «Mijne zuster,

doe open voor mij!quot; Apert mihi soror mea.' _

Mijn beminde Broeder! zijt Gij nog niet in mij? Wee mij, ongelukkige, dat ik geschapen ben, indien Gij, o mijn Jezus, mijn hart niet bezit! — «Vrees niet, mijne vriendin; want Ik ben waarlijk binnen in uw hart. Aoh ttmere, qiua mtits tibi sum jam nunc. Maar Ik ben daar nog niet ver genoeg in. Laat mij dieper ingaan. Open geheel uw hart voor den vollen invloed der zoete kennis Mijner Godheid; opdat Mijne liefde het geheel bezitte, en het ook Mij geheel omvatte. God en mensch, geheel en al gelijk Ik ben.quot; Scdaperi mihi ut amplius insi/n ; aperi mihi cor to tuin, ut pertingam ad intima, ut divinztatis ineac dulcis not it ia nijtuat, ct ejus amoj' occupct totum. (Gilb.)

ocr page 40

HOOFDSTUK III.

Christus het hoogste voorwerp onzer liefde.

I.

HET IS ONZE PLICHT CHKIiTUS TE BEMINNEN.

I. Christen, Christus vraagt niet uwe liefde, omdat Hij haar in zijn eigen belang noodig heeft. Want al waart gij niet geschapen, Hij zou daarom niet minder gelukkig zijn dan nu. Tot Zijn welzijn zijn uwe werken evenmin noodzakelijk als uw wezen. Of Hij uw hart bezitte of niet is voor Zijn geluk onverschillig. Maar het is niet onverschillig voor Zijne goedheid en liefde. Want Hij bemint u uit loutere goedertierenheid; en omdat Hij u bemint, wil Hij u gelukkig zien. Hem beminnen is uw grootste geluk, Hem niet beminnen is het grootste ongeluk, dat u of eenig mensch in leven en in dood kan overkomen. Die waarheid behoef ik u niet met veel woorden uiteen te zetten. Gij kent haar genoeg. De gedachte alleen van te sterven zonder de liefde tot Christus is te verschrikkelijk. Indien de dood u op dit oogenblik kwam overvallen, zou uw eerste zorg zijn uw hart aanstonds tot Hem te keeren, en Hem met alle mogelijke liefde te omhelzen en aan te hangen. Maar is de beminnelijkheid van den Godmensch zoo gering, dat Hij geen andere

ocr page 41

3/

liefde verdient dan alleen die van een stervend hart ? Kan een christen tevreden zijn over zijne volmaaktheid, als hij alleen wil sterven in de liefde tot Christus? Neen, zegt de H. Hieronymus, hij moet zoo willen leven, gelijk hij wil sterven. »Wie wil leven in een staat, waarin hij niet wil sterven, verdient den naam van christen niet.quot; Indignus est nomine christiani qui in co statu vult vivere, in quo noliet mori.

2. Alle engelen en menschen moeten Christus beminnen. Maar gij zijt daartoe nog bijzonder verplicht als christen. «Christus beminnen is als eene bediening, die u bijzonder is opgelegd, waaraan gi j zijt toegewijd door het doopsel; Hem beminnen is uwe bezigheid, waaraan gij wordt toegeheiligd, zoodikwijls uw Jezus zich met u vereenigt in de H. Communie. Christiani, amarc Christum vestrum proprium officium est, in amoris cnim praccipuc munus estis dedicati. (Gillib.) Gelijk elke stand zijne bijzondere verplichtingen meebrengt, zoo is de eigen plicht van den christen Jezus te beminnen. Wat een betreurenswaardige dwaasheid van zoo-velen, die den naam van christen dragen, en die hun tijd bijna uitsluitend besteden aan het tijdelijke. Men zal zijn best doen om uit te munten in de kundigheden, die zijn stand in de wereld vereischt: en daar is in zich niets tegen. Maar hoe klein is het getal dergenen, die tijd overhebben om zich de groote kunst eigen te maken van Jezus zoo volmaakt mogelijk te beminnen! sHet is waarlijk treurig en onbegrijpelijk, dat wij onzen geest en ons hart niet zoo zorgvuldig en niet zoo gestadig op U ves-

ocr page 42

3S

tigen, dat wij al wat ijdel en nutteloos is vergeten om op U alleen te denken. U alleen te zoeken en met niets anders bezig te zijn dan met U en met wat ons voert tot U.quot; Mini ui est profecto Domine Jcsii, (juod non sinius sic intenti in te, ut igno-remus omnia practer te. (Laur. Just.)

3. Is het dan zoo moeilijk den Godmensch, de ongeschapene en geschapene goedheid, schoonheid en zoetheid te beminnen? Is er dan eenige bitterheid in Hem door volmaakte liefde te omhelzen? Alle harten roepen: neen. Alle harten getuigen, dat er niets zoo gemakkelijk, niets zoo zoet is als beminnen. Nihil levitis, nihil dulcins qnam dili-gere. (Bern.) Daarom onderwerpt iedereen zich gewillig en gaarne aan de liefde; de boozen aan de booze liefde, onzuiveren aan de onzuivere, reinen aan de reine, heiligen aan de heilige liefde. Waaruit de H. Bernardus zeer te recht besluit, dat het gebod, hetwelk Christus ons gaf van Hem te beminnen, gemakkelijk en zoet is. Suave igitiir et leve man-datinn Christi est, qui cupit ainari. fBern.)

4. Welk rechtgeaard kind zal niet gaarne zijn vader en zijne moeder beminnen. Dat ligt zoo in de natuur. Maar de banden der genade zijn sterker dan die van de natuur. Zou het dan een christen hard en zwaar vallen Jezus te beminnen, Jezus, die hem veel nader bestaat dan vader en moeder? Jezus, die door allerlei beminnelijkheden zoo aantrekkelijk voor hem is ? Inderdaad onze lieve Zaligmaker verdient alle liefde, omdat Hij alle goed is. Wie verdient meer door de liefde van welwillendheid bemind te worden dan Hij, die a!s God door oneindige

ocr page 43

39

goedheid en door onbegrensde volmaaktheid beminnelijk is, en die als mensch met alle aantrekkelijkheden van genade en van natuur boven alle schep-■selen is begiftigd? Wie verdient er vuriger en teederder door de liefde van vriendschap en van reine begeerlijkheid omhelsd te worden dan Hij, die uw beste vriend is, die u het eerst heeft liefgehad, die door alle heilige en verzadigende geneugten zoo aantrekkelijk is? «Gij zijt waarlijk niet een enkel goed, o Jezus, Gij zijt alle goed. Te vergeefs :zoekt de mensch iets buiten U of boven U, dat in staat is de liefde en de verlangens van zijn hart te voldoen; want daar is nergens iets beters, iets zoeters, iets beminnelijkers te vinden dan Gij zijt.quot; Neque enim 7tnum boiium es, o Jesu, sed omnia bona. {Bonav.) Ideo extra te vel supra te qui quaerit ahquid melius aut dulcius te, nihil est quodquaerit, .quia nihil est melius aut dulcius te. (Bern.)

II.

WIJ MOETEN CHRISTUS BEMINNEN OM HEM ZELVEN.

i Men onderscheidt verschillende soorten van liefde. De hoogste en volmaaktste is de liefde van welwillendheid, amor benevoletitiae. Daardoor wen-sclvrn wij aan Christus alle goed toe, alle eer, alle voldoening, alle welbehagen, alle geluk, en dat om geen andere reden dan omdat Hij in zichzelven oneindig goed, oneindig beminnelijk is. De goedheid nu, waarom de Zaligmaker met die liefde van welwillendheid bemind wordt, omvat alle oneindige volmaaktheden Zijner Godheid en alle heilige gaven.

ocr page 44

4°

en deugden Zijner menschheid. Want Hij is niet enkel God of niet enkel mensch, maar Godmensch. Het hart bezit Hem dus niet geheel door de liefde van welwillendheid, tenzij het Hem tegelijk èn als God èn als mensch omhelst. Maar hoe zal het hart Hem aldus met volle vurigheid omhelzen, als het verstand Zijne Goddelijke en Zijne menschelijke goedheid niet dikwijls beschouwt,' niet aandachtig overweegt? Want, gelijk wij in het begin zeiden, geringe kennis van eenig goed brengt maar geringe achting voort; wat weinig geacht wordt, behaagt weinig; en wat niet zeer behaagt, wordt ook niet zeer bemind. sBeijver u dan, o christen, om de Goddelijke en menschelijke beminnelijkheid van Christus dikwijls en rijpelijk te overwegen; opdat Hij altoos behaaglijker worde aan uw hart. En wat welbehagen gij ook in Hem schept, het is nooit genoeg; omdat Hij behaaglijker is dan wij kunnen begrijpen.quot; Id age, ut du leis sit affectui tuo Christies, et tibi semper amplius plaeeat, qui satis placere nou potest. (Bern.)

3. Men moet Christus niet alleen met welwillendheid beminnen, maar Hem ook beminnen boven al. Want al is de menschelijke natuur in zichzelve eindig, de Persoon, die haar heeft aangenomen en met haar is bekleed, is oneindig in goedheid en beminnelijkheid boven al. Hij is het eeuwig Woord,, de Zoon Gods, Hij is de Godmensch, het hoogste voorwerp onzer liefde. Wij beminnen boven al niet Zijne menschheid, maar Hem als Godmensch. De heilige menschheid nochtans is door de persoonlijke vereeniging met den Zoon Gods en door de

ocr page 45

41

Goddelijke gaven en deugden en voortreffelijkheden verhevener en beminnelijker dan alle andere schepselen samen, en is derhalve waardig na God boven al geëerd, geloofd en bemind te worden. Zoo er een mensch bestond, wiens ziel en lichaam zoo volmaakt waren als de ziel en het lichaam van den Zaligmaker, dan zouden wij hem niet mogen erkennen als een Godmensch; omdat hij niet vereenigd zou zijn met den Goddelijken Persoon. Maar toch zou die mensch de hoogste achting en liefde waardig zijn. Wij zouden met den H. Augustinus tot hem mogen zeggen: »0 beminnelijke mensch, gij zijt mij aangenamer en beminnelijker dan hemel en aarde en al wat er geschapen is.quot; Tu terra et ipso coclo, et omnibus quae in eo creata sunt, mi hi acceptior et amabilior.

3. Maar waarom daarover verder uitgewijd ? Het staat toch boven allen twijfel vast, dat de Godmensch Jezus Christus verdient bemind te worden boven al. Ja, christen, boven al: «boven al uwe goederen, boven al uwe vrienden, boven al uwe verlangens, ook boven u zeiven. Hem aldus beminnen, is Hem volmaakt beminnen.quot; Christum valde perfecteque amas, si amasplus quam tua, plus quam tuos, plus quam et te. (Bern.) Ik weet wel, dat Christus u behaagt, en dat gij Hem somwijlen zegt, dat gij Hem meer bemint dan u zeiven. Maar is het ook waar, wat gij zegt ? De volmaakte liefde van welwillendheid tot Jezus is iets groots, zegt de H. Augustinus. Jezus meer beminnen dan zichzelven is wel gemakkelijk voor goede, brave zielen, die naar de uitdrukking van den Apostel in de liefde

ocr page 46

42

■geworteld zijn. Maar den zondaar, hem, die langen tijd slaaf geweest is zijner ongeregelde begeerlijkheid, valt het niet zoo licht. Want voor hem s niets zoo dierbaar, niets zoo aanlokkelijk als de voldoening van zijn bedorven wil. De liefde tot zichzelf zegeviert over de liefde tot Jezus. Nochtans de genade ontbreekt hem niet; en door haar geholpen tracht hij werkelijk somtijds Jezus meer te beminnen dan zichzelven. Maar hij wil het niet krachtig, niet ten volle. Gedeeltelijk wil hij en gedeeltelijk wil hij niet. Hoc nee for titer nee plene vis. Partim 7'is, partiin non vis. (Aug.)

4. Ue H. Augustinus spreekt uit eigen ondervinding van vroegere dagen, die hij zeer beweent. Terwijl hij gewoon was zwaar te zondigen, voelde hij dikwijls zijn hart getroffen en bewogen om zich te beteren. De Zaligmaker, zoo schrijft hij, behaagde quot;hem, en ook zoet, zoo dat hij Hem wel beminde. Jam-te avicibam. Maar wat was dat voor liefde? Alleen een beginnende, onvolmaakte liefde, een liefde van louter welbehagen. »Voor het overige bleef hij met zijn hart geketend aan de onzuiverheid en aan de hoovaardigheid. Hot was hem te moeilijk zijn hart te geven aan den zuiveren en ootmoedigen Jezus.quot; Non enivi tenebam Dominntn ineunt Jesinn huinilis humilem; injiabat scientia et retinebant ine nngae nugarum. Soms schaamde hij zich over zijne flauwhartigheid, en werd hij vertoornd tegen zichzelven, omdat de vleeschelijke vuilheid meer macht op hem tutoefende dan de beminnelijkheid van zijn Zaligmaker. Fretnebam spiritu indignans. Dan deed hij zich geweld aan om op te staan en tot Jezus

ocr page 47

43

te gaan; ja dan ging hij ook tot Jezus om zich gelieel niet hart en ziel aan Hem te geven. Maar dan werd hij aanstonds verhinderd en naar omlaag getrokken door het zware gewicht zijner kwade begeerlijkheid. O ellendige staat van een verouderd zondaar!quot; Jam amabam et rapiebar ad te decore tuo; moxque deripiebar abs te pondere meo.

5. Groot daarentegen is de vreugde, het geluk en de rust eener ziel, die haren lieven Zaligmaker met volmaakte liefde van welwillendheid bemint. Zij leeft in voortdurende vreugde, en zij verheugt zich in Jezus om Jezus. Ex uitat in Jesu sno de Jesu sua. (Laur. Just.) Zij verblijdt zich over Zijne oneindige goedheid, beminnelijkheid en zaligheid. Zij wenscht Hem geluk met de onbegrensde volmaaktheden Zijner Godheid en met de ontelbare en onbegrijpelijke zoetheden en geneugten Zijner raenschheid. Zij juicht blijde over alle liefde, waarmee Hij bemind wordt door Zijn eeuwigen Vader, door Zichzelven, door den H. Geest, door Zijne lieve moeder, door de engelen, door de heilige zielen. Zij dankt Hem, dat Hij zoo groot, zoo hoog, zoo verheven is in glorie. Want al het Zijne beschouwt zij als het hare; ja het Zijne is haar nog dierbaarder, omdat zij veel welwillender en goedgunstiger is gestemd tot Hem dan tot zichzelve. Meen nochtans niet, dat die liefde van welwillendheid tot Christus de ziel verhindert, voor haar eigen geluk en vreugde te zorgen. Integendeel daarvoor zorgt zij juist het best met Christus te beminnen. Is er hooger en grooter vreugde dan te leven in de liefde van Jezus Christus? Een minnend hart smaakt vol-

ocr page 48

A 4

doening en beloon ing genoeg in de zoetheid der liefde. Amor placet propter se, ipse praemium est. (Bern.) Maar eigen vermaak, eigen baat, loon of voordeel doet zich in de liefde van welwillendheid niet gelden. »Zij zoekt niets anders dan Jezus. Jezus is geheel beminnelijk, en Jezus alleen trekt de ziel aan en beweegt haar om Hem met de liefde van welwillendheid te omhelzen.quot; Amor Jestc nihil quaerit nisi Jesnni. (Bern.) yesus totus ct solns charitatis illecebra est et incitamentnm amor is, (Gilb.)

6. Verdient men dan niet door de liefde van welwillendheid? Zonder twijfel, en wel zeer veel; en hoe zuiverder en vuriger die liefde is, des te grooter verdiensten. ))Maar de ware liefde vraagt niet naar belooning, doch verdient haar.quot; Verus amor praemium nou reguirit, sed meretur. (Bern.) Te minnende ziel weet wel, wat er bereid is voor allen, die in de liefde van Christus leven en sterven. Hare hoop verheugt zich in het beloofde loon; maar hare liefde verblijdt zich alleen in Jezus en alleen om Zijne goedheid en beminnelijkheid. Jezus' welbehagen is haar doeleinde. Zijne vreugde is geheel het loon, dat zij zoekt. Zij kent de verlangens van haren welbeminde, den Zoon Gods, de eeuwige Wijsheid. Zij weet, waarin Zijn welbehagen en Zijne vreugde vooral bestaat. Want Hij zelf heeft geopenbaard, dat »het Hem een genot is bij de kinderen der menschen te zijn,quot; dat wil zeggen met beminnende kinderen. Waardoor kan de mensch Hem het meest behagen, tenzij door de liefde van welwillendheid ? Hun geloof, hunne hoop. hun ver-

ocr page 49

45

trouwen is Hem zeer aangenaam, maar niet zoo aangenaam als hunne liefde. Daarom, o beminnelijke Jezus, zal ik voortaan de volmaaktste liefde tot U boven al beoefenen. »Door de krachtige hulp Uwer genade gesteund wil en zal ik tot den laatsten adem mijns levens U standvastig beminnen, niet voor mij, maar voor U; niet tot mijn geluk of voordeel, maar om U aangenaam te zijn en U te verheugen door het genot, dat Gij in mijne liefde vindt.quot; Diligam te, daleis Jesu, non pro »ie, sed pro te; diligam te, ut tno satisfaeiam pla-eito, et deliciarum tibi catisam ministrem. (Gilb.)

III.

WIJ MOETEN CHRISTUS BEMINNEN, OMDAT HIJ ONS BEMINT.

i. ))A1 zou Christus mij haten, dan nog zou ik Hem moeten beminnen, omdat Hij oneindig goede God is en onbegrijpelijk goede mensch. Hoeveel te meer moet ik Hem nu beminnen. Hem, die mij bemint en mij heeft bemind, voordat ik geboren was.quot; (Laur. Just.) Ik lag nog in het niet, en reeds droeg Hij mij in Zijn hart. Daar omhelsde Hij mij, onwaardige, met eene matelooze liefde; met een liefde, die Hem, den Zoon Gods, zoo geweldig praamde, dat Hij voor mij mensch geworden is, en mensch zijnde voor mij is gestorven. Credis hoc? O ziel, gelooft gij dat ? Ja, beminnelijke Jezus, ik geloof het. Gij zelf hebt mij die waarheid geleerd door Uwe onfeilbare Kerk. Ik geloof die troostrijke

ocr page 50

40

waarheid ; maar ik sta er ook over verbaasd. Wat goeds zaagt Gij in mij, toen ik nog in het niet lag T Wat goeds heb ik U toen kunnen doen, dat U kon bewegen voor mij te sterven ! Quid antequam natus csscm, tibi fecerain, ut velles mori pro me. (Thom. a Villanova.)

2. Niets is zoo eigen aan de liefde dan beminnen. »Jezus, zegt de H.Bernardus, is niet alleen beminnend. Hij is de liefde zelve.quot; Et amans et avwr est. Hij beminde u, voordat gij geboren waart, en Hij beminde u uit de eigen aandrift Zijner welwillendheid ;■ Hij beminde u om later door u bemind te worden.'quot; A man it, ut amaretur. Hij wilde door u bemind worden, opdat gij zelf door uwe liefde tot Hem beminnelijk zoudt worden, en geschikt om in de vriendschap met Hem vereenigd te zijn. Het is niet uit te spreken, welk vermaak de Godmensch vindt in Zijne vereeniging met de minnende ziel_ Groot is het verlangen der ziel om met het lichaam vereenigd te zijn; maar, zegt de H. Thomas, grooter is de zucht van den Zoon Gods naar de vereeniging met de ziel door de vriendschap. Paratior est unirï animae qua?n anima corpori.

3. Daardoor stijgt mijne verbazing. Want wie-' ben ik, dat een Godmensch zoozeer verlangt om met mij door liefde vereenigd te zijn! Lieve Zalig maker, is het bezit van mijn hart voor U een genot ^ is mijne vriendschap voor U een vermaak, »0 dat genot en dat vermaak komen U veel te duur te staan.quot; Care Jesii, ui mis care constant tibi illae deliciae. (Gilb.) Gij zijt immers beminnelijk genoeg in U zeiven om mijn hart krachtig aan te trekken

ocr page 51

47

en mijne liefde te verdienen; daarvoor was toch-niet noodig, dat ook Gij mij bemindet. En dan nog, zoo Uw hart U drong mij Uwe liefde te bewijzen, waarvoor dan zoo groote, zoo geweldige, zoo-matelooze liefde! Is mijn hart dan zoo van steen, dat Gij het niet tot wederliefde kondet bewegen-dan door U voor mij wreed te laten geeselen, kronen, kruisigen en dooden? In Uwe alwetendheid zaagt Gij ontelbare middelen in staat om mijn hart te vermurwen; waarom verkoost Gij dan een zoo ■ matelooze liefde, «dat Gij U zeiven schijnt te haten, om mij te kunnen beminnen! Hadt Gij U zeiven waarlijk gehaat, zoudt Gij dan vreeselijker smarten op U hebben kunnen nemen dan die, welke Gij voor mij geleden hebt?quot; Tantum dilexisti me, ut te pro me odisse videaris. (Laur. Just.) Ja, zoo is het, christen, zegt de H. Laurentius Justinianus, zoo is het; Christus heeft u te zeer bemind, Hij heeft te veel voor u geleden. Hij kon u gelukkig maken en u waarlijk Zijne liefde bewijzen zonder voor u te sterven; »maar Hij heeft voor u willen sterven, om niet den schijn te hebben, dat Hij u weinig-beminde.quot; Potuisset tibi non moriendo succurrere ; voluit tarnen pi-o te mori, ne minus amasse vide-re tur.

4. Hoort gij het, christen? Christus, de Zoon des eeuwigen Vaders, de Zoon van de koningin des hemels, heeft liever voor u willen sterven dan den schijn hebben van u niet vurig genoeg te beminnen ! O wat een schande zulk een minnaar niet lief te hebben! Wee mij, dat ik geboren ben, zoo ik Hem niet volmaakt bemin! Het is beter niet te

ocr page 52

4S

bestaan dan mensch te zijn en den beminnenden Godmenssh niet met voldoende liefde te omhelzen. Het is veel beter niet te leven, dan schandelijk, onrechtvaardig, goddeloos te leven. »Het is schandelijk met ondankbare oogen den Zoon Gods voor mij te zien hangen en sterven aan het kruis.quot; Quanta confusio Dei Filium ingratis oculis cernere morientem. (Bern.) sHet is onrechtvaardig wederliefde te weigeren aan een Godmensch, die mij het eerst bemind heeft.quot; Omnis aequalitas dictat, ut amatus amanti viutnam charitatem impcndat. (Bern.) «Het is goddeloos een zoo groot en zoo waardig minnaar als Jezus is niet volmaakt te beminnen.quot; hnpium est tatn diligentem non amare. (Aug.) O wij arme kinderen van Adam! «Waarheen wij ook de oogen des geloofs wenden, overal zien wij ons omringd en gedrongen door de matelooze liefde van Christus; en wij verstaan de kunst niet Hem uit geheel ons hart te beminnen! Helaas, ik begrijp niet, door welk ander middel de Zaligmaker onze harten zal winnen, als Hij ze nog niet gewonnen heeft door zulk eene wondervolle liefde.quot; Hei inilii! nescioper quam viani Jesus nos amplius requirat ex quo per liane non habet. (Laur. Just.)

5. Zal dan alleen Jezus door Zijne liefde geen wederliefde verdienen? Indien de ellendigste mensch uit liefde tot ons zijn leven alleen maar zou wagen om ons van een tijdelijk onheil te verlossen, dan zouden wij hem beminnen en wij zouden beschaamd zijn, zoo wij onze dankbaarheid en wederliefde niet genoegzaam konden bewijzen. «Jezus, de allermin-lielijkste der menschen, bemint ons; Hij zoekt min-

ocr page 53

49

naars; Hij sterft voor ons; Hij verlost ons doer Zijn dood van den eeuwig-en dood; en Hij vindt bijna niemand, Hij vindt er maar weinigen, die den naam van minnaar verdienen.quot; Amat Jesus, et amans quaerit dilectores sui, et vix invenit dilectorem. De engelen staan verbaasd over die koelheid van de harten der menschen. Ja ik sta zelf verbaasd over mijne eigene koelheid. »0 hart, gij zijt geen hart, gij zijt van steen, als gij den minnenden Jezus niet bemint.quot; (Bonav.) Goddelijke almacht, gedoog niet, dat mijn hart koud en gevoelloos zij voor mijn Zaligmaker; laat het liever in het niet zinken. Maar wat zeg ik? Voert de vrees, van Jezus niet volmaakt genoeg te beminnen, mij niet te ver? Mag ik wel de vernietiging vragen van mijn hart ? Het behoort immers mij niet toe ? Neen, lieve Jezus, het behoort U toe; Gij hebt er recht op door de schepping en door de verlossing; het is naar ik vertrouw ook het Uwe door de vriendschap en de wederzijdsche liefde. Het is ten volle Uw eigendom. »Schrijf dan, bid ik U, schrijf in dat hart met Uw dierbaar Bloed alle wonden op, die Gij voor mij hebt ontvangen; opdat ik daarin voortdurend Uwe liefde leze en mijne wederliefde tot U voortdurend op-wekke.quot; Scribe, Domine, vulnera tua in corde meo pretioso sangui?ie tuo, ut legam in cis amorem tuum (Bonav.), ad incitamentum autoris mei. (Bern.)

4-

ocr page 54

HOOFDSTUK IV.

Hoe moet onze wederliefde tot Christus zijn

I.

ONZE WEDERLIEFDE KAN NIET TE VOLMAAKT ZIJN,

1. Christen, wanneer Christus gestorven was voor u alleen, om alleen u tot een bovennatuurlijken staat te verheffen, om u te maken tot kind van God, en tot Zijn broeder en erfgenaam, en tot medeerfgenaam van het hemelsch rijk en van de eeuwige glorie ; en dat alles uit zuivere liefde van welwillendheid tot u ; wat zouden de andere menschen, die dat wisten, hooge gedachten van u hebben en van uw staat! Maar ook wat een levensgedrag, en bijzonder wat een wederliefde tot Christus zouden zij in u willen zien en van u verwachten! En gij zelf, wat zoudt gij vreezen als een monster te worden veracht, zoo zij bemerkten, dat gij uw minnenden Zaligmaker niet bemindet; ja, al bemindet gij Hem eenigszins, nog zoudt gij met recht ieders verachting moeten vreezen, omdat gij Hem niet zoo vurig mogelijk bemindet; want, zcoals de H. Bernardus oordeelt. »het is monsterachtig den grootsten minnaar niet dan met eene geringe liefde te beminnen.quot; Mon-strosa res est sunnnclaviantcni infimc amare.

2. Waarom vreest gij dan nu niet veracht te

ocr page 55

5i

worden om uwe geringe liefde tot Christus? Dat de menschen u niet verachten, komt hieruit voort, omdat zij de geringheid uwer wederliefde niet kennen; maar waarvoor zien de drie Goddelijke Personen u aan? Komt het u minder schandelijk voor, een monster te zijn in de oogen van God dan in de oogen der menschen ? Of meent gij misschien thans minder verplichting aan de liefde des Zaligmakers te hebben, nu Hij ook anderen evenzeer bemind heeft? Dan dwaalt gij. Want al heeft Hij niet voor u alleen, maar voor alle menschen geleden en den dood ondergaan. Hij heeft u niet minder bemind en u niet een geringer bewijs Zijner matelooze liefde gegeven dan wanneer Hij voor u alleen gefolterd en gestorven ware. Want «gelijk Hij zichzelven geheel heeft overgeleverd voor het geheele men-schelijk geslacht, zoo heeft Hij ook zichzelven geheel overgeleverd voor iederen mensch, zoodat ieder in het bijzonder evenveel verplichting aan Hem heeft als allen gezamenlijk.quot; Christus sicut pro omnibus morfuiis est, sic pro singulis; et totum se dedit universis et singulis totum ; ac per hoe quidqnid et debent universi, sic totum singuli. (Salvian.)

3. Jezus is dus de mijne; Hij is geheel de mijne. Hij is geheel de mijne in de H. Communie; want al ontvangen ook anderen Hem daar, ik ontvang Hem toch geheel en al. Evenzoo is Hij ook geheel de mijne aan de geeselkolom, onder de doornen, op het kruis. Daar is Hij ook de Jezus van anderen, en daarover verheug ik mij. Maar al heeft Hij ook anderen bemind, ik ben Hem daarom toch niet minder liefde schuldig. Integendeel juist omdat Hij

ocr page 56

ook uit liefde tot alle andere menschen gestorven is, moet ik Hem nog meer beminnen. Had Hij de bitterheid van den dood alleen voor mij gesmaakt, dan was ik Hem liefde schuldig alleen voor Zijne liefde tot mij. Maar nu moet ik Hem ook beminnen om Zijne liefde tot de mijnen, tot mijne ouders, tot mijne vrienden, en tot alle menschen, die ik als mijne evennaasten moet beminnen. Hunne zaligheid toch moet mij, evengoed als mijne eigene, ter harte gaan. O minnelijke Zaligmaker, met hoeveel banden van liefde hebt Gij mij aan U verbonden! O, had ik de harten van alle menschen, dan zou ik door die vermenigvuldigde liefde eenigszins de liefde kunnen vergoeden, waarmee Gij U voor ons allen hebt geslachtofferd! Maar hoe kan ik met een enkel hart naar behooren beantwoorden aan Uwe liefde tot zoo velen; hoe zou ik dat vermogen, ik, die niet bij machte ben U naar waarde te beminnen om uwe matelooze liefde tot mij alleen! Waart Gij alleen mensch, o lieve Jezus, gelijk ik ben; ik zou er niet zoo mede verlegen zijn, dat Gij voor mij zijt gestorven; want ik zou U kunnen vergelden met mijn leven tot Uwe liefde en tot Uwen dienst op te offeren. «Maar wat kan ik tot betamelijke vergoeding weergeven aan een Godmensch, die zich uit liefde tot mij ter dood heeft overgeleverd.quot; Dilexit mc ct tradidit semetipsum pro me; (Gal. II. 20) quid Homini-Deo retribuam pro se? (Bern.)

4. Een rechtschapen gemoed wordt altijd met bezorgdheid aangedaan door de welwillende liefide van een ander, als het geen geschikt middel ziet om wederkeerig welwillendheid te toonen. De oude

ocr page 57

S3

Tobias en zijn zoon waren zeer blij over de goedheid van den engel Raphael, dien zij voor een mensch aanzagen; maar zij waren geheel in verlegenheid, omdat zij niet wisten, wat zij zouden doen om zijne weldaden en zijne goedheid naar waarde te vergelden. «Wat kunnen wij dien man geven; waarmee kunnen wij naar waarde zijne weldaden vergelden?quot; Quid possumns dare viro isii?.... quid dignum potcrit esse bcnificiis ejus? (Tob. Xll, i, 2.) Maar wat is Raphael bij den Zoon Gods? Wat is de goedheid van een Engel vergeleken met die. waarmee Christus zichzelven voor mij gegeven heeft? Zoo ik dus nog een menschelijk hart heb, zoo er in mij nog eenige rechtschapenheid is; hoe zeer moet ik mij dan niet schamen en vernederen over mijne onmacht om van mijn kant weldaden te bewijzen! Want wat kan ik dien Godmensch geven? Quid possumns daro viro isti? Verneder u, dat is betamelijk; maar gij hebt niet lang te zoeken, wat gij aan uw Jezus kunt en moet geven. »Gij hebt ii zeiven, geef u zeiven,quot; zegt de H. Augustinus. Habes te ipsum, da te ipsmu. Gij zult toch niet bevreesd zijn, dat gij Hem te veel geeft, als gij 11 zei ven geeft? Gij zult toch u zeiven niet meer waard achten dan Hem ? »Hij heeft zichzelven geheel gegeven, Hij vordert ook u geheel. Daartoe beweegt u de dankbaarheid, maar daartoe drijft u vooral de liefde; omdat Hij zich geheel uk zuivere liefde gegeven heeft.quot; iVon immer ito sibi vindicat te, qui se tradidit pro te. (Bern.) Te totum vindicat, qiei se totum dedit. (Idiot.)

5- Verre van mij de meening, dat ik te veel zou

ocr page 58

£4

geven aan Jezus. Het minste van Jezus is oneindig veel kostbaarder dan al wat ik ben. Als was ik duizend en duizend maal meer waard dan ik ben, wat was ik dan nog bij den Godmensch vergeleken! Gij zoudt nog als niets zijn, zegt de H. Bernardus. Maar hoe nietig en gering gij zijt, zoo gij u aan Jezus geeft, geheel en al, zooals gij zijt, dan geeft gij alles, wat gij kunt en moet geven. Wat ontbreekt er, waar gij alles geeft? Quid dees t, ubitotum est? Het is waar. Maar hoe kan ik mij zeiven geven aan den Goddelijken Zaligmaker, daar ik reeds geheel en al aan Hem toebehoor, gelijk de H. Paus leert. Hij heeft mij geheel gekocht door zich voor mij over te leveren; hoe kan ik Hem nu mijne wederliefde bewijzen door Hem iets te geven, wat het Zijne is? Ja, het is toch zeer goed mogelijk, antwoordt de geleerde leerling van den H. Bernardus; al behoort gij Jezus toe en zelfs geheel en al door kooprecht, toch kunt gij u nog aan Hem geven. Geef u uit vrije keuze, maar dan zoo oprecht en zoo liefdevol, dat Hij aan de gesteltenis uws harten kan zien, dat gij, ondanks alle rechtstitels, waarop gij Hem reeds toebehoort, ook nog de Zijne wilt zijn en eeuwig blijven uit vrijwillige liefde, en uit vrije opdracht van u zeiven tot Zijn dienst en tot Zijne glorie. Vrees van Hem geen verwijt, dat gij Hem slechts opdraagt, wat reeds het Zijne is. «Want Hij is zoo goed en mild, dat Hij het Zijne zelfs als gunst in ontvangst neemt, mits wij het Hem aanbieden uit vrijwillige liefde.quot; Quidquid illi rependis ex amore, non accipif quasi dcbitum, sed quasi gratuitum. (Gill.)

6. Christen, het is iets groots Christus geheel toe

ocr page 59

55

te behooren, geheel de Zijne te zijn uit vrijwillige liefde. Maar kunt gij dat van u zelven getuigen, dan zijt gij niet meer uw eigen meester; dan hebt gij geen recht meer op uw verstand, op uw wil, op uwe zintuigen; maar dat alles behoort geheel en al toe aan Christus. En wat moet gij daaruit besluiten? Dat gij u zelven en het uwe niet meer moogt zoeken; maar dat uw hoogste belang en uw eerste zorg moet zijn om uw verstand, uw wil, uwe zintuigen, alle krachten van lichaam en ziel te doen dienen voor de eer en glorie en voor het welbehagen -van Jezus Christus. Si Christi cs, teipsum nescias ut prosis Christo. (Bern.) De H. Ambrosias prijst den psalmist David, omdat hij van ganscher harte tot God zeide: «Heer, ik ben de Uwe.quot; Tuns sum eS0- (Ps- I8.) »Dat is gemakkelijk te zeggen voor iedereen, zegt daarop die kerkvader; doch weinigen kunnen die woorden op zich toepassen. Want zeldzaam zijn zij, die in waarheid tot Christus kunnen zeggen: ik ben de Uwe.quot; Facilis vox est et cojn-munis; sed pancorum est: satis enim rants, qui Christo possit dicere: Tnus sum ego.

7. »Of er velen of weinigen Jezus toebehooi-en door de liefde, ik wil door zuivere liefde de Zijne zijn, zegt de H. Bernardus. Ik behoor Hem toe ondanks mij zelven, omdat Hij mij als God heeft geschapen en als Godmensch vrijgekocht. Maar wat baat het mij alleen door de schepping en door de verlossing de Zijne te zijn? Op die wijze zijn ook de verdoemden de Zijnen. De liefde dringt mij meer dan al het overige, om door haar Hem toe te behooren. Op haar beroept zich mijn hart.quot;

ocr page 60

56

Charitas plus omnibus urget me; Jnic provoco viscera men. (Bern.) O minnende Jezus, o Minnaar der minnaars! ik wil de Uwe zijn door de liefde; ik wil de Uwe zijn als minnaar en vriend, en naar ik vertrouw, ben ik de Uwe. Thus sum ego.

8. O goede Jezus, mag ik niet tot U spreken gelijk hier de H. Bernardus doet ? Mij hebt Gij niet minder liefgehad: ook ik wil door de liefde U toebehooren en geheel de Uwe zijn. Ik geef mij aan U uit geheel mijn hart met de grootste bereidvaardigheid, die mij met Uwe genade mogelijk is, en ik geef mij voor alle eeuwigheid. Laat niet toe, o goede Jezus, dat ik mij ooit voor mij zeiven terug-neme. Laat niet toe, dat ik in liefde tot U verflauwe, of dat mijne liefde niet sterk genoeg zij om de Uwe te blijven. Trek mij tot U, o Jezus, om des te zekerder eeuwig de Uwe te zijn; trek mij in U; trek mij tot in het binnenste van Uw Hart; sluit mij daarin op; bind mij met dezelfde liefdebanden, waarmee Gij mij zoo krachtig getrokken hebt om mij tot den Uwe temaken. In funi-culis charitatis attraxi te. En werd ik zoo dwaas en zoo boos van mij aan U te onttrekken; och, trek mij dan terstond opnieuw tot U, trek mij dan weer in U. En zoo ik weerspannig bleef aan Uwe goedheid, «trek mij dan met gestrengheid; dwing mij U te beminnen en mij zeiven uit liefde over te geven. Beter is het, dat Gij mij geeselend geweld aandoet, dan dat Gij mij sparend mij aan mij zeiven overlaat. Coge torpcntem,ut facias amantem ; satius enim est ut ine trahas, aut etiam vim flagellis infe-ras, quam par eens me mihi relinquas. (Bern.)

ocr page 61

57

II.

ONZE WEDERLIEFDE MOET ZICH IN DADEN TOON EN.

I. »De rechtvaardige leeft uit het geloof; maar rechtvaardig is hij, die leeft naar de regelen der liefde,quot; zegt de H. Bernardus. Volgens die regelen is het niet genoeg Christus te beminnen; maar gij moet Hem ook op die wijze beminnen, gelijk Hij u bemind heeft. Hij heeft u vurig en belangeloos bemind: dus ook uwe wederliefde moet om goed te zijn vurig en belangeloos wezen. »Gij doet onrecht aan Zijne liefde, zegt de H. Augustinus, als gij Hem niet op dezelfde wijze bemint, waarop Hij u bemind heeft.quot; Charitati ejus injuriam facis, si vicissi-hcdinetn dilectionis non rependis. Maar wie ben ik, zult gij zeggen, dat ik mijn Jezus zoo zeer zou kunnen beminnen als Hij mij bemind heeft! Al had ik eene liefde zoo vurig en zoo belangeloos als de liefde van al Zijne ware minnaars te zamen, wat ware dat vergeleken bij de liefde van mijn Zaligmaker tot mij ? Zeker minder dan een druppel water bij de gansche zee; minder dan een stofje bij de geheele aarde; minder dan een vuurvonkje bij de zon. Ja, dat is waar. Maar wij willen niet betoogen, dat gij tot eene wederliefde verplicht zijt, die aan Christus' liefde volkomen gelijk is; als zij maar eenigszins daaraan gelijk is, in zoover uwe krachten het toelaten. Gij kunt gerust zijn over de mate uwer liefde, zegt de H. Bernardus, als gij Hem bemint uit geheel u zeiven. Etsi minus diligis, quia minor es, si tamen ex te toto diligis, nihil dcest.

ocr page 62

58

2. De Zoon Gods heeft u voldoende geleerd, wat het beteekent: beminnen uit geheel zichzelven. Als christen weet gij, op wat wijze Hij u bemind heeft. Hij is voor u mensch geworden, en mensch zijnde heeft Hij zich geheel voor u besteed. Totus in nsus mees impensus. (Bern.) Welnu zoo bemint ook gij Hem uit geheel u zeiven, wanneer gij van uw kant u zeiven, met al wat gij zijt, en met alle krachten van ziel en lichaam besteedt voor Hem, om Hem te behagen, om Hem te dienen, om Hem te verheerlijken. Verder, kon Hij grootere blijken van de vurigheid Zijner liefde geven dan Hij inderdaad gegeven heeft? Heeft ooit een bruidegom zooveel en met zooveel vurigheid gedaan en geledea om zijne bruid te winnen, als Hij om u te winnen gedaan en geleden heeft? Dorstiger naar u dan het hert naar de waterbron, is Hij, om u te zoeken, gesprongen uit den schoot Zijns Vaders in het lichaam eener maagd, uit de maagd in eene kribbe, uit de kribbe naar Egypte, uit Egypte naar Nazareth, van Nazareth naar den tempel, van den tempel naar den Hof van Olijven, van den Hof naar de geeselkolom, van de kolom naar den Calvarieberg op het kruis, van het kruis naar het graf onder de aarde, van de aarde naar den hemel, van den hemel nogmaals naar de aarde en dat dagelijks in het H. Sacrament des Altaars. ))Zie hij komt springende op de bergen, de heuvelen overspringende; mijn beminde is gelijk aan een jong hert.quot; Ecce venit saliens in montibus, transiliens co lies; similis est dilectus meus capreac, hinnuloque cer-vorum. (Cant. II.) Zoon Gods, waartoe die vurige

ocr page 63

59

liefde ? Voor wien die geweldige pogingen en uitingen ? Waren zij voor een God, gelijk Gij, zij zouden reeds wonderbaar zijn. Hoe moet ik dan niet verbaasd ■en beschaamd staan, dat al die groote uitwerkselen Uwer matelooze liefde voor mij zijn, voor mijne verlossing, voor mijne zaligheid! «Wat is er dan in mij, dat zoo innige liefde verdient! Wat ben ik vergeleken bij U, ik nietig schepsel, ik kind van Adam bij den Zoon Gods, bij het Al.quot; Fili Dei, cur jne diligis tam intense? Quid enim ego sum ad Te.

• (Laur. Just.)

3. Christus heeft u bemind niet alleen als God, maar ook als mensch, en zoodra Hij mensch werd, beminde Hij u. Van het eerste oogenblik van Zijn sterflijk leven af droeg Hij zich op aan de H. Drievuldigheid om voor u geslachtofterd te worden. Van dat oogenblik af tot Zijn dood toe is Hij te uwer liefde voortdurend in smart en droefheid geweest. Ex quo natus simper in poena fuit. (Bonav.)

. Zijn aanstaande dood, die pijnlijke en schandelijke dood, stond Hem voortdurend voor oogen; nochtans Zijn H. Hart was niet zoo zeer bewogen door den natuurlijken angst en schrik voor dien dood, als wel door de geweldige liefde, waarmee Hij haakte naar het oogenblik, dat Hij voor u Zijn bloed zou

: storten en daarmee als gedoopt voor u zou sterven. Quomodo coarctor, dum perficiatur. (Luc. XII. 50.) Hadde Hij door Zijne Goddelijke kracht Zijne heilige menschheid niet ondersteund, deze zou door den geweldigen gloed der liefde verteerd zijn geworden. Vehemens amator est Dominus Jesus, (Gill.) totus dilectione plenus (Laur. Just.) vHeer Jezus,

ocr page 64

6o

roept de H. Laurentius Justinianus uit, Uwe liefde tot de kinderen der menschen is wonderbaar; maar het is ook te verwonderen, dat hunne harten niet gescheurd worden door het geweld hunner wederliefde tot U.quot; Domine Jesu, mirum profccto, quod corda filiorzim hominicm non scindantur prae ajnore tui.

4. De liefde is uit haren aard niet alleen inwendig, maar zij gaat ook over tot de daad. Het is onmogelijk iemand waarlijk van harte te beminnen, zonder hem tevens goed te doen, in zoover men namelijk kan en de redelijkheid het toelaat. Daar wij, menschen, niet in de harten kunnen zien, kunnen wij de innerlijke liefde van anderen tot ons alleen afmeten naar het goede, dat zij ons doen. Wilt gij dus weten, hoe innig Christus u heeft bemind, ga dan na, hoeveel goed Hij u gedaan heeft-Inderdaad, wisten wij niet uit het geloof, dat Hij de wijsheid zelve is, zegt de H. Thomas, wij zouden de uitingen Zijner liefde niet alleen mateloos, maar ook onredelijk noemen. Wat zijt gij toch, o mensch! Al had Hij u slechts een enkele genade gegeven of verdiend, dat zou voor u reeds een over-groote weldaad zijn. Want het minste bovennatuurlijk goed is meer waard dan al het goed der natuur, gelijk dezelfde leeraar schrijft. Maar de goede Jezus, niet tevreden met u boven uwen natuurlijken staat met Zijne genade te versieren, heeft ook zichzelven voor u gegeven, en geeft zichzelven nog aan u, zoodikwijls gij Hem wilt ontvangen. Is er grooter goed dan Hij zelf? Hij heeft u tot het Goddelijk kindschap verheven: is er iets hoogers ? Hij

ocr page 65

6[

heeft u Zijn Vader tot vader gegeven, en heeft u gemaakt tot Zijn broeder, zijn erfgenaam en medeerfgenaam: is er iets edelers? Hij heeft u den H. Geest, Zijnen eeuwigen Geest gegeven om uwe ziel te bezielen: is er iets heiligers en beminnelijkers? Hij heeft u Zijne moeder gegeven tot moeder: is er iets zoeters en troostrijkers? Al dat goed heeft Hij u bewezen, opdat gij uwe eeuwige zaligheid des te beter en zekerder zoudt bewerken: is er iets nuttigers en wenschelijkers? De goede God heeft eertijds verklaard, »dat het Zijn vermaak en wellust is met de kinderen der menschen te zijn. Maar toen Hij daarna, om met hen te zijn. zelf mensch geworden is, heeft Hij door de weldaden Zijner liefde overtuigend bewezen, dat Hij de menschheid niet heeft aangenomen om van hen menschelijk geluk te genieten, maar om hun Zijne eigene. Goddelijke wellusten mede te deelen.quot; Deliciae ejus esse cum filiis hominum ; non ut suas a filiis hominum captet delicias, sed et cwn filiis hominum communicct suas. (Laur. Just.)

5. »Het geloof getuigt mij, zegt de H. Bernardus, wat Christus voor mij gedaan heeft: o hoe veel! En mijn geweten getuigt mij, wat ik voor Hem gedaan heb: o hoe weinig! Schaamte bedekt mijn gelaat.quot; Doch ben ik nu beschaamd, dat ik meer voor mij zeiven dan voor mijn Jezus gedaan hebT hoeveel te meer zal ik mij schamen op den laatsten dag des oordeels! Al had ik geen hel te vreezen, de schande alleen van mijn minnenden Zaligmaker niet genoeg bemind te hebben zou mij alseenehel zijn. O wat een schrik zou mij bevangen, als ik.

ocr page 66

62

voor mijn Rechter staande, van de engelen, die Hem omringen, deze verwijtingen zou hooren: »0 hardvochtig kind van Adam, dat door zoo groote goedheid, door zoo vlammende, zoo gloeiende, zoo weldoende liefde, waarmee de Zoon Gods u bemind heeft, niet verteederd zijt geworden, niet bewogen tot eene wederliefde, die zich eveneens in daden uitte.quot; O dure, o obdurate fili Ada;//, quan no// emollivit tanta benignitas, tan/a fla/n/na, ta/// ingens ardo/- amoris, quo Filius Dei ilium dilexit. (Bern.) Zie, roepen zij allen mij toe, aanschouw de martelaars, schepselen van uw geslacht; zie hoe zij hun Zaligmaker hebben bemind, gelijk het betaamt. ;gt;)Zij hebben Hem bemind in vervolging en benauwdheid; zij hebben te Zijner liefde hun bloed en hun leven gegeven ; en gij in rust en weelde levende, gij hebt Hem noch genoeg bemind in uw hart, noch genoegzaam uw liefde getoond in uwe daden.quot; Hi dilec-tionis v.agnitudinem sanguinis effusione testati s/mi. (Aug.) Tu vero, etiam in req/tic ct dcliciis, diligere benignissimum Dominum detrectasti. (Ephrem.)

6. Inderdaad ten tijde van Nero, Decius, Diocle-tianus en dergelijke tirannen leefden de christenen voortdurend in vrees en angst, en waien nochtans-bereid om een wreeden, gewelddadigen dood testerven uit liefde tot Hem, die voor hen gestorven was. Een tijd van bloedige vervolging beleven wij thans niet. »Men eischt van ons noch dood, noch' bloed voor Christus, maar alleen liefde; en wat is gemakkelijker dan Hem te beminnen.quot; No// exi-gitur a te, o christiane, mors, //on sanguis, /w/c supplicium, sed amor. Quid facilius q/ia//i a/z/are.1'

ocr page 67

63

(Thom. a. V. N.) Ja, het is gemakkelijk U te beminnen, o beminnelijke en minnende Zaligmaker. Maar Gij moet mij helpen. Gij zelf hebt mij geleerd, dat ik niets kan doen zonder U; hoe zal ik U dan beminnen zonder Uwe hulp? Gij Schepper en Heer der heilige minnaars, geef mij dan eene passende liefde, en ik zal U beminnen gelijk het behoort. Geef mij eene innige en werkdadige liefde, en ik zal U beminnen met het hart en met de daad. Geef mij de grootste liefde, die voor mij mogelijk is, en ik zal U beminnen zooveel ik kan, ofschoon toch niet genoeg om te beantwoorden aan Uwe beminnelijkheid. Geef mij de innigste liefde, zoo innig als die, door wier zoet geweld Uwe zoete moeder gestorven is. Ja, goede Jezus, geef mij zulk eene liefde. «Eenmaal moet ik sterven: o laat mij sterven uit liefde tot U.quot; Debeo equidem semcl mori: o ntinani, bone Jesn, moriar prae amorc tui. (Joan, a Cruce.)

7. Het was de klacht van den H. Bernardus en het is de algemeene klacht van Jezus'minnaars, dat. terwijl zij door Hem boven mate bemind wordenT hun hart te klein en te eng is om Hem eene wederliefde te bewijzen, zooals zij zouden wenschen. Sine modo nos amasti et nos vicem reddimus cum men-sura. (Bern.) «Hoe is het mogelijk, o minnende Zaligmaker, roept de H. Bonaventura uit, hoe is het mogelijk, dat ik Uwe liefde tot mij ken en nog niet geheel in liefde ben opgegaan!quot; Gij omhelst mij voortdurend met Uwe liefde. Gij omhelst mij met de liefde Uwer heilige menschheid. Gij omhelst mij met de liefde Uwer heilige Godheid; »ik word

ocr page 68

64

van alle zijden met liefde omringd, en nog weet ik niet, wat liefde is.quot; Undique circumdat me amor, ct adhuc nescio quid sit amor. (Bonav.; Dat de H. Bonaventura Christus vurig beminde, blijkt wel uit zijn heilig leven en uit zijne geestelijke boeken; en toch scheen hem zijne liefde als niets toe in vergelijking met de liefde van Christus. «Maar, zegt die Serafijnsche leeraar, al is de ziel niet genoeg naar haar verlangen vervuld van liefde, zij is toch vol van goede wenschen.quot; A mans anima de side-riorum plena est. Zij doet vooi haar Beminde wat zij kan, en wenscht te kunnen doen, wat zij nog niet kan. Zij wenscht de liefde van alle engelen en van alle menschen te hebben om Hem innig te beminnen. Zij vraagt zelfs de liefde van den Beminde: Lieve Jezus, o had ik Uw brandend hart, ik zou U beminnen gelijk ik door U bemind word. Geef mij, bid ik U, dat hart, of wilt Gij het mij niet geven, maak ten minste, dat het mijne meer brande van wederliefde tot U. Al is mijne liefde gering, ik ondervind toch reeds, hoe zoet het is U te beminnen; doch ik zoek niet mijne eigene zoetheid, maar het behagen, dat Gij schept in vurig bemind te worden. »Doe, zoo Gij wilt, in mijn hart alle vlammen der hel branden, ik zal al hare smarten verduren, mits zij door Uwe almacht mijn hart even geweldig ontsteken van liefde als zij het overstelpen van smart.quot; Zoo spreekt de H. Catharina van Genua, die zoo ver gevorderd was in de liefde. Niets is zoo hevig als de liefde. Fortis ut mors dilectio. (Cant. VIII.)

8. Men moet bijna Serafijn zijn om van harte

ocr page 69

65

zoo te kunnen spreken tot Christus. Dat ligt niet in ietiers macht. Nochtans ieder mensch, wie ns hart den Zaligmaker geheel bezit, is in staat tot verhevene en heldhaftige liefde. Hiervan overtuigd bad de H. Augustinus; »0 Jezus, wie zal mij geven., dat Gij in mijn hart komt en het dronken maakt van liefde tot U!quot; O yesu, quis mihi dabit, ut venias in cor meum et inebries illud. Maar hij liet den Zaligmaker aanstonds daarop antwoorden aan de ziel: O ziel, die Ik bemin, hoe kan Ik geheel in ti komen en u geheel bezitten, terwijl gij in uw hart zooveel plaats voorbehoudt voor u zelve, voor uwe eigene liefde, voor uwe begeerlijkheden en driften, voor vrijwillige en dagelijksche gebreken? ■Ga eerst uit u zelve met al het uwe; ga uit u zelve met uwe gewoonte van tegen de naastenliefde te spreken; van ijdele, zelfzuchtige, grammoedige gedachten te voeden; van in eten en drinken de maat te buiten te gaan; van meer op u zelve dan op Mij te denken, meer voor het uwe dan voor het Mijne, meer voor uw eer en uw gemakzucht dan voor Mijn dienst, voor Mijn welbehagen, voor Mijne glorie bezorgd te zijn. Ga uit u zelve met uwe onvriendelijkheid, stuurschheid, hevigheid, vinnigheid, ontevredenheid en grilligheid, waarmede gii een ander bedroeft en Mij vergramt. »Ga, zeg Ik. uit u zelve met al het uwe, en voer Mij dan in u. Ik zal in u gaan, en Ik zal u in Mij trekken.quot; O anima dilecta mea! exi de te, et introduc me in te. et ego traham te in me. (Aug.)

ocr page 70

66

III.

VERSTAND EN WIL MOETEN OP CHRISTUS GERICHT ZIJN.

i. Hoe dikwijls wij krachtens een gebod gehouden zijn eene akte van liefde tot den Zaligmaker te verwekken, wil ik hier niet onderzoeken. Ik vraag alleen naar het recht der liefde. Welnu hier is de regel, dat men liefde met wederliefde ver-gelde, groote liefde met groote wederliefde, langdurige en dikwijls herhaalde liefde met langdurige en dikwijls herhaalde wederliefde. Aequissinta auw-ris statera est mutua dilectio. (Laur. Just.) Wij weten, hoe lang de Zoon Gods ons heeft bemind. Hij heeft ons bemind, zoolang Hij uit God den Vader geboren is. Hij heeft niet opgehouden ons te beminnen. In charitate pcrpctiia dilexi te. Hij heeft ons bemind in den diepen schoot der eeuwigheid. In Ulo tam profunda aeternitatis sinu dilexit hos. (Bern.) Van alle eeuwigheid had Hij ons voor den geest met het doel om ons in den tijd goed te doen en barmhartigheid te bewijzen. Dilexi te.... miserans. (Jerem.) Na Zijne menschwordiiag heeft Hij ons voortdurend in de gedachte, voortdurend in het hart gehad. Hij bemint ons nog voortdurend in den hemel, altijd voor ons eeuwig welzijn bezorgd als onze minnaar, als onze opperpriester en voorspreker bij Zijn Vader; en hier op aarde is Hij uit liefde tot ons voortdurend in het H. Sacrament des Altaars, ons opwekkende Hem zoo standvastig mogelijk te beminnen. »0 mijn Heer Jezus, o mijne Liefde, roept de H. Bernardus

ocr page 71

67

uit, hoe innig bemint Gij mij! hoe wondervol bemint Gij mij! Gij denkt aan mij overal waar Gij zijt; Gij wilt altijd wat voor mij goed is; het is U altijd aangenaam mij wel te doen.quot; Quomodo ine amas Dominc Jcsit, amor mens, quomodo mc a?nas, nbique recordans mei, semper boniun nieuin vis, et delectaris mihi bencfacere. (Bern.)

2. Christen, denkt ook gij overal, waar gij zijt, aan Christus? Hoe dikwijls hebt gij Hem op een dag voor oogen? Hoe dikwijls vóór, hoe dikwijls na den middag? Hoe dikwijls onderzoekt gij u zei ven, of er niets in u is, wat Hem mishaagt ? Hoe dikwijls uwe werken, of zij alle strekken tot Zijn dienst en tot Zijne glorie? Want wij spreken hier niet van eene voorstelling der verbeelding of van eene vluchtige gedachte, maar wij spreken van denken met hartelijkheid, met aandacht, met bezorgdheid om Hem in alles te behagen, en niets te doen, wat Hem mishaagt. Zulke gedachte is eene gedachte der liefde; omdat zij uit de liefde voortkomt, en tot de liefde voert. De Joden, de vijanden van Christus, denken somwijlen aan Hem; maar zij denken niet aan Hem met welwillendheid. De christenen denken op Hem met gedachten van welwillendheid; zij denken aan Hem, gelijk Hij aan hen denkt, namelijk om Hem het goede te willen en Hem zooveel zij kunnen goed te doen. Recordans mei semper vis meum bonuui et delectaris mihi benefacere. Hem vurig beminnen. Zijne geboden uit liefde onderhouden, naar hetgeen Hem het meeste behaagt streven, voor Hem leven, voor Hem werken, voor Hem lijden is al het goed, dat wij

ocr page 72

68

Hem met Zijne genade kunnen aandoen, en waarop de liefde recht heeft. Om Hem al dat goed te bezorgen moet ons verstand steeds aandachtig zijn. Wij moeten elk uur van den dag aan Jezus denken, zegt de H. Barnardus. Nulla vel brevis hora subre-pat, in qua non habeas memoriam Jesu Christi.

3. Elk uur van den dag aan Jezus denken is veel, maar niet te veel. Den H. Augustinus was het niet genoeg alleen overdag aan Hem te denken; dat verlangde Hij ook 's nachts te doen, en in den slaap Hem te beminnen. Hij wist wel, dat het niet in onze vrije macht ligt 's nachts in den slaap heilige gedachten en verzuchtingen van liefde te hebben. Toch wenschte hij ze te hebben, niet alleen omdat het ten allen tijde zoet en aangenaam is aan Jezus te denken en zijn hart tot Hem te verheffen; maar ook «omdat zulke droomen, als zij dikwijls voorkomen, getuigenis afleggen van onze liefde; want zij zijn de overblijfselen van de goede gedachten en van de verzuchtingen, die wij wakende hebben gehad en gevoed.quot; Ipse sonnuis quoque charitatis testimonium reddit, nam reliquiae cogitationum de Chris to confitentur. Het was voorzeker geen gering genoegen en geluk voor de H. Moeder Gods haren lieven Zoon ook in den slaap bijna voortdurend voor den geest te hebben en Hem uit geheel het hart te beminnen. «Terwijl haar lichaam sliep, waakte haar geest.quot; Quiescebat corpus, vigilabat animus. (Ambr.) Het was geen wonder, dat het verstand en de wil van de moeder der schoone liefde ten allen tijde bezig waren met haar Jezus. Moest zij maagd zijn en altijd maagd blijven, om eene waar-

ocr page 73

69

dige moeder te zijn van een Zoon, die door eene maagdelijke geboorte uit den eeuwigen Vader voortkomt; zij moest ook bijna geheel liefde zijn, om Hem, wiens wezen liefde is, waardig te ontvangen en te baren. Eene moeder Gods moest in alles aan God gelijkvormig zijn, zoowel in liefde als in reinheid. De H. Augustinus durfde niet hopen om evenals de H. Maagd ook in den slaap voortdurend op Christus zijne aandacht te vestigen; maar hij wenschte wel Hem voortdurend in zijn verstand en in zijn wil te bezitten. «O goede Jezus, riep hij uit, maak toch, dat ik U altijd zoo vurig beminne ais ik verlang; wees Gij alleen het einddoel van mijne overweging en van mijne liefde ; geef, dat ik U des daags zonder ophouden beschouwe, en dat ik ook des nachts in den slaap de zoete invloeiing Uwer liefde gevoele; dat ik tot (J spreke, al wat U aangenaam en welgevallig is.quot; Da mi hi, ut amem te semper quantum volo, ut tn solus sis tota intentio et omnis meditatio mea, te mediter per diem sine cessatione, te sentiam per soporem in noete, te allo-quatur spiritus meus, et mens mea.

4. Christen, wanneer men u de hoogste volmaaktheid van de liefde tot Christus voorhoudt, dan wil men daarmee volstrekt niet zeggen, dat gij op zonde verplicht zijt haar te beoefenen; maar men wil u slechts aanraden en opwekken om volgens uw staat naar zulk eene volmaakte liefde te streven, als u met de Goddelijke genade mogelijk is. Zoo gij de geboden van Christus onderhoudt, kunt gij gerust zijn. Want dan is het zeker, dat gij Hem bemint, dat gij Zijn vriend zijt. Hij zelf

ocr page 74

7°

zegt het u. Qui habet mandata inea, ct servat ca, ille est, qui diligit ine. (Joan. XIV, 21) Maar, leert de H. Thomas, deze volmaaktheid is gemeen aan alle christenen, die in staat van genade leven. Haec perfectio est communis omnibus charitatem haben-tibus. En de Zaligmaker verdient ongetwijfeld volmaaktere liefde. Zij, die volmaakter zijn, bepalen zich dan ook niet bij de onderhouding van Christus' tjpboden om hunne liefde te toonen, maar schenken Hem hun verstand, hun wil, al wat zij hebben en zijn, om dat alles voor Hem te gebruiken, tot Zijn beteren dienst en tot Zijne meerdere eer, en om met niets anders dan met Hem en Zijne belangen bezig te zijn, tenzij de noodwendigheden van het tegenwoordige leven het anders vereischen. Perfec-torum proprium est christianorum totum car et oinnem mentem Christo dcdicare, studiumqjie suum deputare ad vacandum ei et rebus ejus, pratermissis aliis, nisi in quantum necessitas vita prcesctitis requirit.

5. Al draagt gij met alle oprechtheid uw verstand en uw wil op aan Christus, het is toch onmogelijk om ze hier altijd metterdaad op Hem gericht te houden. Doch Christus vordert van u het onmogelijke niet. Het is in uw macht Hern hooger te achten en meer te beminnen dan u zeiven, en dat vraagt Hij van u, ja dat gebiedt Hij u met gestrengheid; en Hij heeft recht om het van u te vorderen, omdat Hij waardiger en beminnelijker is dan gij zijt. Doet ge dat, acht gij Hem en bemint gij Hem meer dan u zeiven, dan is het zeker, dat jnj meer aandacht en zorg wijdt aan Zijne belangen»

ocr page 75

7

aan Zijn dienst, aan Zijn welbehagen en aan Zijne glorie, dan aan uwe belangen, uw voordeel, uw vermaak en uwe eer. Want men is het meest bezorgd voor datgene, wat men het meest waardeert en bemint. «Vestigt gij dus uw aandacht meer op de wereld, op winst, op uw vrienden, op u zelf dan op Christus, wees er van verzekerd, dat gij da1: alles en u zeiven meer bemint dan Christus.quot; Aldus besluit de H. Bonaventura. Si plus cogites de mundo, de lucro, de amico quam de Christo, tibi certissi-7nuin argumentum sit, quod antes is/a plus quam Christutn. Een goed christen kan zonder schaamte en schrik er zelfs niet aan denken, dat hij zich zeiven meer zou beminnen dan Christus. Zulk eene ongeregelde liefde wordt hem nooit zwaar genoeg gestraft, )gt;Ik wil niet leven voor mij zeiven, zegt de H. Bernardus. Of ik wil of niet, het is noodzakelijk, dat ik leef voor Hem, die voor mij Zijn leven heeft gegeven.quot; Ik leef voor Hem als voor mijn vriend en mijn belooner, zoo ik Hem boven alles bemin. Maar bemin ik Hem niet boven alles, dan leef ik voor Hem als voor mijn heer en straffer. Zoo leef ik altijd voor Hem; want de rechtvaardigheid Zijner wraak en mijner straf zal ook strekken tot Zijne glorie. Nolo niihi vivere. Velim, nolim: necesse est ine vivere illi, qui vitammcaui propriae vitae positione acquisivit.

IV.

STANDVASTIGE BEOEFENING DER LIEFDE TOT CHRISTUS.

»De liefde van Christus dringt ons, zegt de

ocr page 76

72

H. Paulus. En waartoe dringt zij ons? Tot haar zelve.quot; Charitas Chrisii urget nos. In quid urget?' In seipsam. (Gill.) Zij dringt ons niet alleen om haar steeds vuriger te maken, maar ook om haar meer onafgebroken te beoefenen. Daarom dringt zij ons om haar te doen invloeien in elke beoefening van deugd. Want men komt het meest nabij eene onafgebrokene beoefening der liefde, wanneer men elk werk op haar aandrijven begint en door haar voltooit tot meerdere eere van Christus. Al blijft de akte van liefde, waardoor het goede werk begonnen en tot Christus gericht wordt, in zich-zelve niet lang duren; zij blijft nochtans in hare kracht en uitwerking, en het werk wordt, zoolang het duurt, door Christus beschouwt als eene akte van liefde tot Hem, omdat het door de liefde bevolen, bezegeld en bezield is. Zelfs onverschillige werken worden akten van liefde, als zij voor de eer en het genoegen des Zaligmakers uit liefde beoefend worden. »0 hoe kostbaar is de liefde, die alles in de oogen van Christus kostbaar maakt 1quot; O quam prctiosns amor, qui in conspectu Christi otnnia pretiosa facit. (Bernardus.)

2. De H. Bernardus wil, «dat de christen zijn Zaligmaker altijd voor oogen hebbe, om alles te doen voor Hem, alles te stieren tot Hem en Hem in alles te zoeken.quot; Christianus semper aspiciat in facictn Jesu, nt otnnia facial propter ipsuni,. otnnia ad ipsictti refer at, ipsum in omnibus quaerat. Die heilige spreekt hier niet van eene strenge verplichting, maar van de neiging zijner welwillende liefde tot Jezus. Godminnende ziel, ook ik spreek

ocr page 77

73

hier alleen van den eisch der liefde. Want als ik u alleen voorhield, wat volgens de godgeleerden voldoende is om het strenge gebod der liefde te vervullen, dan zou de teederheid uws harten, dat Jezus zoo innig liefheeft, misschien eenigszins gekwetst worden. De vurig minnende ziel is niet tevreden met te doen, wat de wet strikt genomen eischt; maar zij weet, dat haar beminde behagen schept in herhaalde akten van liefde; en dat zij Hem niet aangenamer en welgevalliger kan zijn dan door al hare werken en al het hare uit liefde aan Hem te schenken en tot Zijn glorie te doen strekken. Doe dat toch dikwijls, o ziel. Hoe meer gij dat doet, des te zekerder onderhoudt gij het gebed der liefde tot Christus, en des te minder hebt gij de schande te vreezen van den naam van schriel te zijn tegenover Hem. Martha en Maria waren mild tegenover Jezus. Zelfs de Samaritaansche vrouw, hoe groot zondares zij ook was, schepte ijverig water,-zoodra zij vernam, dat Jezus dorst had, en zij stelde geen maat, maar schonk zooveel als Jezus verlangde. O christen, Jezus is dorstig naar uwe liefde, altijd dorstig. Laaf Hem dan ook zoolang het Hem behaagt en h:t u mogelijk is. Voorwaar, toen de Zaligmaker aan de Samaritaansche vrouw zeide: »geef mij te drinken,quot; toen dorstte Hij niet zoozeer naar het water, zegt de H, Augustinus, als naar het geloof van die vrouw, het geloof, dat de liefde baart en door de liefde werkt. De liefde is Hem aangenamer dan het geloof alleen. Fidem mulicris sitiebat, qui sitit sitiri et amari.

3. Niemand zal lang onderzoeken, hoe dikwijls

ocr page 78

74

hij een akte van liefde tot zichzelven moet stellen, Qn hoe dikwijls hij zijne werken voor zijn eigen genoegen moet verrichten. Zijn natuur spoort hem genoegzaam daartoe aan. »Hij vergeet zichzelven geen oogenblik. Hij bemint zichzelven zonder onderbreking. Al wat hij doet, doet hij tot zijn welzijn. Zoo is hij geschapenquot;, zegt de H. Augustinus. Sic condita est mens lunnana, nt numquam stii non meminerit, nnmquam se non diligat. Maar christen, vindt gij het niet treurig en beklagenswaardig, dat gij door uwe eigenliefde meer gedreven wordt tot uw eigen belang dan door de liefde des Zaligmakers tot Zijne glorie ? O wat een ongeregeldheid in onze harten ! Indien een goede vriend verzuimt ons een genoegen aan te doen, dat wij van zijne vriendschap verwachtten, dan bedroeven wij ons. En aan onzen grootsten en besten vriend weigeren wij dagelijks menige vreugde, door niet onze werken tot Zijne vreugde en genoegen te verrichten; en wij zijn daarover nog zeer gerust. O schandelijke onhebbelijkheid ! »Wij zijn minder gevoelig voor bet nadeel Christus aangedaan dan voor ons eigen nadeel!quot; Patientius ferimus Christi jactnram qnam nos-tram. (Bern.)

4. Als men zoo alles rijpelijk overweegt, dan zou men wel tot zijne eerste jeugd wenschen terug te keeren, om zijn leven nog eens met meer ijver te beginnen volgens de eischen en regelen der liefde, en aldus te herstellen alles, wat wij door onze achteloosheid in onze liefdebetooning aan den lieven Zaligmaker hebben verzuimd. »Wee mij, riep de H.

Augustinus uit, te laat, o lieve Heer, heb ik U ge-

ocr page 79

75

kend, te laat heb ik U bemind. Het is mij onmogelijk mijne vroegere nalatigheid te herstellen. Maar ik -wil voortaan alles, wat ik van mijne jeugd af heb geleerd, en alles, wat ik zal lezen en schrijven, doen strekken tot Uw welbehagen, tot Uwe eer en glorie.quot; O kon ik in liefde tot U ontsteken zooveel harten als er oogenblikken voorbijgegaan zijn, waarop ik U niet heb bemind. En mijn eigen hart, o goede Jezus, dat wijd ik voortaan geheel toe aan Uwe heilige liefde, olk wil U beminnen, o goede Jezus, ik wil U beminnen; en ofschoon ik U niet genoeg beminnen kan, zal ik toch al mijne bezigheden, mijne gedachten en mijne werken, al het mijne richten tot U. Maar wat ;is het mijne weinig, ook als ik alles geef!quot; Diligam te, bone Jesn, diligam te. Et ■ quainvis non possim te satis diligere, dirigam in te ex intcgro studia mea; at quam exigua sunt, etiam cum integra sunt. (Gill.)

5. Wij hebben gezegd, dat een akte van liefde even lang duurt, als het werk, dat door haar bevolen en bezield is. Maar velen zijn met dien duur niet tevreden. Zij kunnen het niet van zich verkrijgen lang met lezen, met studeeren of met eenig ander werk bezig te zijn, zonder hun hart opnieuw tot den beminden Zaligmaker te verheffen en met Hem te spreken. Het is hun wel aangenaam voor Hem bezig te zijn, maar het behaagt hun nog meer met Hem bezig te zijn, en Hem, tusschen het werken door, vriendelijk te zeggen en van tijd tot tijd te herhalen, dat zij Hem beminnen boven al, dat zij daarom tot Zijn welbehagen en tot Zijne eer gaarne : arbeiden, in vereeniging met de liefde, waarmede

ocr page 80

76

Hij hier cp aarde tot glorie der H. Drievuldigheid gearbeid heeft. O lieve Jezus, voor wien en met wien zou ik liever en zoeter bezig zijn dan voor U en met U? Dergelijke verheffingen van het hart maken, dat het werk zekerder, krachtiger en volmaakter door de liefde bezield blijve, en dat ook de uitslag beter verzekerd is. Want als de minnende ziel Christus vriendelijk aanspreekt, antwoordt Hij haar veel vriendelijker. En niet alleen ontsteekt Zijn antwoord haren wil met nieuwen gloed, maar het zegent ook den uitslag van het uitwendig werk, dat Hij als het Zijne beschouwt, omdat het Hem uit liefde wordt opgedragen. Welaan dan, o ziel, spreek vriendelijk met Uwen vriendelijken Zaligmaker; spreek met Hem onder uw werk en over uw werk; spreek dikwijls met Hem. Ik ben niet bang, zegt de H. Petrus Damianus, dat ik het Jezus te lastig zal maken met Hem dikwijls aan te spreken. »Want Hij schept meer vermaak in mij aan te hoeren, dan ik in tot Hem te spreken. Hij spreekt liever met mij dan ik met Hem. En als ik met Hem wil spreken behoef ik niet lang te wachten; ik vind Hem zoodikwijls ik Hem zoek.quot; Dominus yesus libcutiiis loquitur meciim quatn ego secum. Illum invenio quoties quaero.

6. Geen moeder is zoo bezorgd en zoo ijverig om haar lief kind op tijd te laven, te spijzigen en van al zijne benoodigdheden te voorzien, als de minnende ziel is om aan haar beminden Jezus, altijd als zij maar kan, eenig bewijs te geven van hare genegenheid en welwillendheid. Als zij door bezigheden overstelpt geen tijd genoeg heeft om veel akten

ocr page 81

77

van liefde te stellen, dan1 beijvert zij zich toch, zich zoo dikwijls tot Hem te verheffen als mogelijk is. Elk oogenblik, dat zij vrij is, zucht zij tot Hem; zucht zij tot Hem uit liefde ; zucht zij tot Hem nu eens uit droefheid,, dat zij zoo weinig tijd heeft om alleen met Hem te handelen, dan weer uit vreugde over Zijne zoetheid, Zijne goedheid. Zijne beminnelijkheid. «Hare diepe en innige zuchten zijn boden van hare innige liefde.quot; Profunda et intima sus-■piria sunt nuntii amoris intimi. (Bonav.) Maar als de ontvlamde ziel een enkel oogenblik zoo goed weet te besteden ; wat zullen wij clan zeggen van de talrijke liefdeschichten, waarmede zij haren Beminde telkens en telkens weer doorwondt! ))De kracht der liefde is groot en geweldig; zij is als een vurige pijl, die Christus' Hart doorschiet.quot; Magna et violenta vis charitatis est, veluti ignita sagitta cor Christi transfigit. (Gilb.) De ziel is niet bang op die wijze Jezus te kwetsen. Want Hij bemint dat geweld, en het is Hem zoet aldus gekwetst te worden. Hoe menigvuldiger en geweldiger zij Hem wondt, des te meer bemint Hij haar en beschouwt haar als Zijne ware zuster en ware bruid. Vulnerasti me soror 7nea, sponsa mea. Met elke schicht harer liefde verdient zij van Hem een eeuwige kroon. Os lis li bet motus ejus meretur regnum cae-lor um. (Thorn.) »Welaan dan, mijne ziel, gebruik uwe schichten, spaar ze niet. Wees niet bang, maar wees verlangend om uwen Jezus te wonden. Geef Hem wond op wond. Wond Hem overal, waar gij Hem vindt, in de kribbe of op de armen Zijner moeder, aan de gecsclkolom of op het kruis, in

ocr page 82

7»

het H. Sacrament des Altaars of aan de rechterhand Zijns Vaders. Waar Hij ook zij, hoog of laagv de liefde is krachtig genoeg om Hem daar met hare schichten te treffen. Gelukkig gij, zoo uwe liefde dikwijls Jezus tracht te wonden.quot; Utere, anima mea, ut ere spiculis tuis. Noli in Jcsu vnhwando-remissius agcre. Laede illuin vulnere supra vulnus. O fehx, si amoves tui m illo militetvt frequenter. (Gilb.)

7. «De goede Jezus, zegt de H. Bernardus, verlustigt zich in dien strijd van liefde met de ziel. Haar aanvallen zijn Hem zoet en aangenaam. Hij roemt er op bij de engelen, die Hem omringen, dat er in het bedorven geslacht van Adam door Zijne genade zoodanige liefde gevonden wordt. Htj verheugt er zich over, dat Hij voor een zoo minnende ziel eenmaal bloedig is gewond geworden.quot; Gaudet pius Jesus tali certamine, et talis animae tali instantia delectatus, ad circumstantes angelos gloria tur. Hoedikwijls evenwel de ziel het hart van haar Beminde door de liefde treffe, zij ondervindt altijd, dat zij door Hem overwonnen wordt. Want gelijk de H. Augustinus ondervonden had, »ook Christus weet liefdeschichten te werpen.quot; Novif Christus sagittare ad amorem. In den strijd der liefde is niemand aan Hem gelijk. Zelfs kan niemand met Hem strijden, tenzij Hij den strijd begint. Niemand kan Hem wonden, zoo hij niet eerst door Hem gewond is. Hij kwetst eerst om dan gekwetst te worden, en Hij wordt niet gekwetst zonder op zijn beurt weer te kwetsen. Vuluerat i'ulmrantepi. (Gilb.) »Het is eene uitgelezene pijl die der liefde, waarmee

ocr page 83

79

Christus de ziel treft en geheel in vlam zet.quot; Sagitta electa est amor Christi. Animam non solum conji-git, sed et transfigit. (Bern.) Hoe geweldiger de ziel Hem tracht te treffen, des te krachtiger doordringt Hij haar met Zijne brandende pijlen, zoodat zij ten laatste machteloos wordt door de liefde. Nuntietis ei, quia ainore langueo (Cant, v.) Doch Chritus gaat steeds voort met haar te treffen. Want al is zij zelve machteloos, niet aldus hare liefde. Integendeel zij brandt steeds meer en meer voor haar beminde. O heerlijke strijd, waarin het zoo zoet en zoo roemwaardig is te worden overwonnen! Goede Jezus, trek mij in dien strijd. Wond mij eerst krachtig, en ik zal U krachtig wonden. Doorwond mij dikwijls en ik zal U dikwijls doorwonden. Houd niet op, bid ik U, mij te doorwonden, totdat ik er van bezwijke en sterve. Mijn Zaligmaker, mijne liefde, o wil mij toch verhooren_ »Ik vraag noch geld noch goed; ik vraag noch aarde noch hemel. Ik vraag iets, wat U aangenamer en dierbaarder is. Ik vraag wonden, niets dan wonden. Geef mij die, en geef die in menigte.quot; Noti a te caelum fieto, o bone Jesu, non tcrram, sed vulnera. Vulnera ine nihil aliud quam vulnera fiostulan-tem. (Bonav.)

8. Het is zeker, dat, om onze liefde tot Christus zooveel mogelijk onafgebroken te doen zijn, het zeer nuttig is dagelijks vele akten van liefde tot Hem te verwekken. Maar het is ook zeker, dat wij door andere noodzakelijke bezigheden, en meer nog door onze zwakheid verhinderd worden het hart zoo dikwijls tot Hem te verheffen als het betaamt en

ocr page 84

8o

als wij wenschen. Wie is er 's avonds bij het gewetensonderzoek tevreden over het aantal liefdeakten, dat hij tot zijn allerliefsten Jezus geoefend heeft ? Allen, die Hem waarlijk beminnen, begeven zich ter ruste met schaamte, dat zij hunne liefde tot Hem niet dikwijls genoeg hebben vernieuwd. Het is die oprechte en edele schaamte, die verscheidene minnaars van Christus dringt om met Hem in verbond te treden, evenals David en Jonathas, wier vriendschap, naar de uitlegging van sommige schriftuurverklaarders, de voorafbeelding was van de liefde van Christus tot de ziel en van de ziel tot Christus. Deze twee uitgelezen vrienden gingen samen een verbond aan om de liefde, waarmee zij elkander beminden, voor eeuwig te bevestigen. Inicrunt au tem David ct Jonathas foedus. (Reg. 111.) Als de ziel Jezus waarlijk bemint en Hem geheel haar leven van ganscher harte wil blijven beminnen, wat durft zij dan niet bij Hem! Zij durft Hem bidden om met haar in verbond van vriendschap te treden, waardoor zij altoos de Zijne en Hij altoos de hare zal wezen, met wederzijdsche verplichting van elkander nooit te vergeten en voor elkanders belangen bezorgd te zijn: Hij bezorgd, dat hare liefde toeneme en steeds meer onafgebroken worde, zij bezorgd, dat Hij steeds meer gediend en meer geëerd worde. »Ik wil U beminnen, o mijn Beminde, ik zal U beminnen overeenkomstig de grootheid der liefde, die Uwe genade mij zal geven. Ik zal U beminnen op elke wijze, die mij mogelijk is. Ik weet en beken het, dat mijne liefde altijd te , klein zal zijn, maar ik vertrouw, dat zij nooit ge-

ocr page 85

8i

ringer zal zijn dan mijne kracht. Ik zal haar steeds kunnen vergrooten, zoo Gij U gewaardigt mij steeds meer genade te verleenen.quot; Domino Jesu, diligam te pro dono tuo et modo meo; po tero vera plus, cum plus donare dignaberis. (Bern.)

9. Maar wie ben ik om in verbond van vriendschap te treden met mijn Heer en Zaligmaker! Ik 'ben niets. Maar de liefde verstout mij. Ik ben niets uit mij zeiven; maar met Uwe genade bemin ik U en, naar ik vertrouw, bemin ik U meer dan mij zeiven. Uwe matelooze goedheid verstout mij evenzeer. Daardoor durf ik U ootmoedig bidden, dat Gij mijne begeerte van U onafgebroken te beminnen goedgunstig aanvaardtals een onafgebrokene liefdeakt; en dat Gij eiken ademtocht van mijn leven vriendelijk aanneemt als eene akte van liefde en als eene vrijwillige hernieuwing van alle liefdeakten, die ik mijn geheele leven tot U verwekt heb. O allerbeminnelijkste Jezus, wees ook zoo -welwillend jegens mij op mijn uiterste. Gij weet, hoedanig de omstandigheden van mijn dood zullen .zijn. Sterf ik buiten kennis, dan bid ik U reeds nu al mijne benauwde zuchten en alle kloppingen van mijn hart alsdan aan te nemen als zoovele stemmen, waarmee ik U vol liefde zeg, dat Gij mijn allerbeminnelijkste en boven al beminde Jezus zijt, en dat ik wil sterven tusschen Uwe vriendelijke omhelzingen. Sterf ik met kennis, o geef mij dan de genade van den vrijen loop te geven aan mijne liefde tot U, van U dan te aanschouwen als stervend voor mij aan het kruis, en U daar voortdurend te besproeien met brandende tranen, tot getui-

6.

ocr page 86

82

genis, dat ik U uit geheel mijn hart bemin en daU ik alle oogenblikken, waarop ik U niet genoegzaam bemind heb, innig en oprecht betreur. Ipsae quoquc lacrymae testentur amorem; ipsae prodant, ipsar loquantur, quanttim te diligit anima mea. (Aug.'

AD MAJOREM DEI GLORIAM.

ocr page 87

I HST DEÏ O XJ ID .

HOOFDSTUK 1.

De kennis van yezus' beminnelijkheid.

BIz.

I. De Liefde tot Jezus iroet de vrucht zijn van de kennis Zijner beminnelijkheid . . 5

II. Hoe meer men Christus bemint, des te meer tracht men Hem te kennen .... 8

HOOFDSTUK II.

Bern i 1111 el ij k heid van Jezus om Zijtie niensche-lijke en om Zijne Goddelijke Natuur.

1. Jezus is voor ons beminnelijk door de aanneming der menschelijke Natuur .... 14

II. Beminnelijkheid van de heilige menschheid van Christus...........20

III. De liefde tot Christus begint bij de beminnelijkheid Zijner menschheid......25

IV. De liefde tot Christus wordt volmaakt door

de beminnelijkheid Zijner Godheid ... 29

HOOFDSTUK III.

Christus het hoogste voorwerp onzer liefde.

I. Het is onze plicht Christus te beminnen . 36

II. Wij moeten Christus beminnen om Hem zeiven..............39

ocr page 88

84

Biz.

III. Wij moeten Christus beminnen, omdat Hij

ons bemint............45

HOOFDSTUK IV.

JJoe oiise wederliefde tot Christus moet zijn.

I. Onze wederliefde kan niet te volmaakt zijn 5° II. Onze wederliefde moet zich in daden toonen 57

III. Verstand en wil moeten op Christus gericht zijn.............66

IV. Standvastige beoefening der liefde tot Christus ...............71

IMPRIMI ET IN LTICEM EDI PERMITTITUR.

S. Theol. Lie. P. J. H. RUSSEL, Can. et Librorum Censor.

RUREMOND^E, 3 Maii 1895.

ocr page 89
ocr page 90