Vak 73
hainDLEIDING
VOOR DE
M 23 131T IE3,
overeenkomstig de voorschriften
.
van liet boek
DER
âGEESTELIJKE OEFENINGEIquot;
DES *
H. IGNATIUS;
Volgens het Latijn van den Z.E.VY. Pater J. ROOTHAAN, S. J.
DOOR
J. HENDRICHS, s. J.
Nienwe druk.
AMSTERDAM,
C. L. VAN LANGENHUYSEN. 1897.
501
M?3
HANDLEIDING so;
voor de,
TUE JÃ3 3Zgt; IT _A_ TI EJ,
overeenkomstig de voorschriften van het boek
der
âGEESTELIJKE OEFENINGENquot;
des
H. IGNATIUS;
Volgens het Latijn van den Z.E.W. Pater J.' EOOTHAAN, s. j.
J. HENDBICHS. s. j. -
amsterdam,
C. L. VAN LANGENHUYSEN.
ââ
-n-
.
â â
VOORBERICHT
van den eersten druk.
Overbodig mag ik het achten, dit boekje den welwillenden lezer aan te bevelen, 't Zal immers genoeg zijn, met aandacht den titel te lezen, om met belangstelling vervuld te worden . Wie toch heeft niet van het nooit volprezen boek der geestelijke oefeningen van den H Ignatius hooren spreken, waarvan reeds zijne Heiligheid Paulus III verklaarde, âdat Hij het bevonden had als te zijn vol godsvrucht en heiligheid, nuttig en heilzaam tot stichting en geestelijken voortgang der geloovigen.quot; Zoo men bovendien nog weet, dat de Z. E. W. Pater Roothaan, een man om zijne reine godsvracht, beminnelijke deugd, diepe kennis van het menschelijk hart en grondige geleerdheid door een ieder, die hem kende, hoog geacht, datzelfde boek der geestelijke oefeningen in het latijn vertalende en met noten verrijkende, daardoor alleen zelfs overtuigend bewees, den geest van den H. Ignatius innig begrepen.
IV
en zich eigen gemaakt te hebben ; hoe zou men dan nog kunnen twijfelen aan de juistheid der wenken vervat in dit boekje, tot allen gericht, die door het inwendig gebed hunne zucht naar ware deugd willen voldoen, en hunne volmaaktheid op hechte grondslagen oprichten.
Sommigen willen wel eens opwerpen, dat de wijze van mediteeren, hierin medegedeeld, te omslachtig is, te veel deelen en onderdeden in zich bevat. Men moet dus wel weten, dat de toepassing van al die verschillende onder-deelen juist niet in iedere meditatie gevorderd wordt; en zoo men slechts van goeden wil is, zal men gemakkelijk begrijpen, wat in iedere meditatie steeds moet onderhouden en toegepast worden. - De gewone klacht echter van hen, die zich op het inwendig gebed toeleggen, is, dat zij immer gebrek aan stof hebben; zij dus zullen het voorgaand bezwaar het best kunnen wegruimen.
Ten slotte moet ik nog opmerken, dat ik mij de vrijheid veroorloofd heb, om aan de vertaling van het boekje van den Z. E. W. Pater J. Roothaan nog eene tweede wijze van mediteeren toe te voegen, vooral geschikt om bij het bezoek van het Allerheiligste, of bij een langer vertoef in de kerk, of ook als dankzegging na de H. Communie tot groot
V
voordeel tier ziel en vermeerdering van ware godsvrucht gebruikt te worden. â Ik zeg er echter volgaarne bij, dat ook de regels voor deze wijze van bidden overgenomen zijn uit het boek der geestelijke oefeningen van den H. Ignatius. In het bijgebracht voorbeeld (een omschrijving van het Onze Vader) heb ik mij bepaald tot de meest eenvoudige gedachten, zelfs met voorbijzien van een al te nauwkeurige aaneenschakeling of een te zorgvuldige scheiding der zeven beden; om zoo een ieder te overtuigen, 'hoe weinig men behoeft, om zich vertrouwelijk met zijn God en Heer te onderhouden, en hoe gemakkelijk men deze wijze van bidden zich kan eigen maken.
Maastricht, 31 Julij 1869.
De Vertaleh.
Voorbericht voor dm ticeeden druk.
In deze nieuwe uitgave zijn enkel eenige wijzigingen aangebracht, die vorm en spelling betreffen, zoodat de nieuwe druk den eersten getrouw wedergeeft.
De Bewebkek.
31 Juli 1897.
INLEIDING.
Op de eerste plaats moeten wij als boven allen twijfel verheven opmerken, dat de kunst van mediteeren tot de wetenschap der Heiligen behoort, en er geen gering deel van uitmaakt, en dat die wetenschap der Heiligen veel minder door menschelijke voorschriften en leerstellingen wordt medegedeeld, dan wel dooide zalving des Heiligen Geestes en een werkdadig zielsverlangen. Waarom wij ook een ieder, die met vrucht wil mediteeren, hier reeds waarschuwen, dat hij aanhoudend om die genade bidde; âHeer, leer ons bidden... leer ons mediteeren.quot; â âUe zalving des Heiligen Geestes onderricht ons omtrent alles. quot; âHij smeekt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.quot; Want zoo âniemand kan zeggen: Heer Jezus, tenzij in de kracht des H. Geestes,quot; wie zou dan een geheel uur met de overweging der goddelijke geheimen kunnen doorbrengen in vurige stemming en met vrucht, tenzij die
VII
zelfde H. Geest ons door zijne genade voor-kotne en voortdurend bijsta ?
Het eerste raiddel om goed te mediteeren zij dus, dat wij de genade, de wetenschap van mediteeren vurig van God afsmeeken. Ik zeg vurig; want het is een bij uitstek kostbare gave, en religieusen volstrekt noodzakelijk; zoodat men in waarheid kan zeggen, dat te kunnen mediteeren en met vrucht mediteeren, voor een religieus zooveel waard is, als de over-kostbare gave zijner roeping en volharding in die roeping. Zoo een arme met groote bereidvaardigheid dat handwerk zou aanleeren, waardoor hij zeker zou zijn zich te verrijken; met wat verlangen moeten wij dan niet streven naar die kennis, met wat ijver ons toeleggen op die oefening, waardoor wij de armoede en ellende, niet des lichaams, maar onzer eenige en onsterfelijke ziel kunnen keeren.
Ons gebed moet dus gepaard gaan met een ijverig streven. Wij moeten immers niet wachten, totdat God in ons een wonder verricht, en ons de gave van mediteeren instort, zonder dat wij van onzen kant eenige middelen aanwenden. Na deze korte inleiding, â en het waar verlangen om in de deugd vooruit te gaan veronderstellende, daar anders alles te vergeefs zou zijn,â zal ik beknopt opgeven, wat wij van onzen kant kunnen bijdragen,
vui
om onder de leiding van Gods genade, die gave van mediteeren te verwerven.
Eenige zaken moet men vóór de meditatie in acht nemen, andere onder de meditatie, en wederom andere daarna. Wat men vóór de meditatie moet onderhouden is vervat onder den naam van voorbereiding. Daarover zullen wij dus op de eerste plaats spreken.
EERSTE HOOFDSTUK.
Wat men vóór de meditatie te ouder-houden heeft.
Men is gewoon eene dubbele voorbereiding aan te geven ; namelijk eene meer v e r-w ij d e r d e en eene on middel ij ke voorbereiding. Over de meer verwijderde hebben wjj reeds een enkel woord gezegd. Want dat waar en oprecht verlangen, om in de deugd vooruit te gaan, dat wij aanduidden als volstrekt noodzakelijk voor een ieder, die met vrucht wil mediteeren, is op zich zelf reeds de beste voorbereiding voor de meditatie. Om mij echter nog duidelijker te verklaren, zal ik van deze verwijderde voorbereiding iets meer in het bijzonder zeggen.
De meer verwijderde voorbereiding tot de meditatie bestaat in niets anders, dan zijne ziel zoodanig te steramen, dat zij in staat is om goed te mediteeren ; en wel dooide beletselen weg te nemen en de hulpmiddelen aan te wenden. Wij weten genoegzaam, welke de beletsolen zijn. Een beletsel
10
immers vooi' de meditatie is de trotsohheid en ijdele zelfschatting ; want âmet de eenvoudigen en nederigen is de omgang des Heeren.' Ue Heer âziet op den ootmoedige neder, en den trotsche verwijdert hij verre van zicli.quot; Een beletsel is de veinzerij en het streven, om zich anders voor ts doen, dan men werkelijk is. Want âde Geest der waarheid zal den geveinsde ontvluchten.quot; Beletselen zijn alle zonden, waaraan eene ziel verkleefd is; daar die he-melsche wijsheid niet zal intreden in een hart, dat slecht wil, en niet zal inwonen in een lichaam âslaaf der zonden'-; daar in de aangehaalde woorden de smetten des lichaams meer in 't bijzonder staan uitgedrukt, zoo wordt er duidelijk te verstaan gegeven, dat zonden en misslagen tegen de engelachtige deugd het zwaarst beletsel van de genade des H. Geestes zijn. De verstrooidheid des harten en verwaarloosde bewaking zijner zintuigen in den loop van den dag is insgelijks een zeer groot beletsel. Het is immers niet mogelijk, dat hij goed en godvruchtig mediteere, wiens verbeelding vol is met allerlei beuzelarijen ; of dat hij onder het gebed ingetogen kan zijn, die buiten het gebed, niet om wille zijner bediening, ofomeenige wettige reden, maar uit nieuwsgierigheid, gebrek aan zedigheid en dergelijke gebreken, immer uitgelaten is. Een ieder dus
11
die niet vrucht wil mediteeren, moet ernstig trachten deze beletselen van zich te verwijderen.
De hulpmiddelen echter, die men daartoe moet aanwenden, zijn om zoo te zeggen geen andere dan-de beoefening der deugden, die aan deze beletselen tegenovergesteld zijn ; de beoefening dus der nederigheid, eenvoudigheid in den omgang, bewaking der zinnen enz. Deze toch geven zielskalmte eene zoo geschikte stemming voor het inwendig gebed, en doen tevens de goddelijke genadegaven nederdalen. âZalig de zuivere» van hart, want zij zullen God zien zij zijn het op wie God gewoon is onder het gebed zijn licht te doen afstralen. Ik mag hier ook van de versterving niet zwijgen, daar zij als de prijs is, waarvoor wij van God de gaaf van mediteeren koopen. Dit toch is de gewone loop der zaken, dat zij, die zich meer op de versterving toeleggen, ook gvooteren smaak hebben in het inwendig gebed ; en omgekeerd. Want God staat ons gaarne toe, wat hij ons met zooveel aandrang ziet begeeren, zoodat wij het zelf ten koste van ons bloed, en om wat offers ook willen koopen. â Volgaarne wil ik bekennen dat deze gesteltenis des harten, die ik als meer verwijderde voorbereiding tot de meditatie opgeef, van dien aard is. dat zij roeds het gebruik van het inwendig gebed, en de daaruit getrokkene vrucht
12
schijnt te veronderstellen. Deze voorbereiding heeft echter hare verschillende graden, en hij die zich op de meditatie wil toeleggen, moet van dit alles ten minsten den eersten graad bezitten. Immers het ware verlangen om in de deugd voortgang te maken, moet zelfs in de jeugdigste novice aanwezig zijn. Dit toch en geen ander is het doel, waarom men religieus geworden is.
Wat nu deonmiddellijke voorbereiding betreft, deze bevat volgens de voorschriften van den H. Ignatius ongeveer het volgende :
Men moet 's avonds van te voren het onderwerp, waarover men 's morgens zal meditetren lezen of aandachtig hooren voorlezen, tevens dan bepalende, welke vrucht men overeenkomstig zijn zielstoestand uit de meditatie zal moeten trekken.
Men moet, na zich ter rust begeven te hebben, eer men inslaapt, zich in 't kort datzelfde onderwerp voor den geest brengen.
Men moet 's morgens bij zijn ontwaken zijn eerste gedachte op de aanstaande meditatie vestigen.
Men moet, terwijl men zich aankleedt, of zich van de eene plaats naar eene ander begeeft, steeds gevoelens in zich opwekken overeenkomstig de meditatie, die men gaat verrichten.
Eindelijk moet men kalm en bedaard de
13
meditatie aanvangen, en onmiddelijk vóór dat men begint, gedurende zooveel tijd als men noodig zou hebben om het âonze Vaderquot; te bidden (het zijn de eigen woorden van den H. Ignatius) met omhoog geheven hart zich levendig voor den geest stellen onzen Heer Jesus, in wiens tegenwoordigheid wij ons bevinden, en die zijne oogen gevestigd heeft, op hetgeen wij gaan beginnen. Men bedenke, in wiens bijzijn men verkeert, tot wien men gaat spreken, en dus, eer dat men zich op zijne knieën nederwerpt, stelle men zich met een levendig geloof voor oogen, dat God hier tegenwoordig is, en het binnenste van ons hart doorschouwt. Ik zeg, eer dat men zich op zijne knieën nederwerpt : want die levendige voorstelling van de tegenwoordigheid Gods moet niet bij wijze van inleiding verricht worden na het voorbereidingsgebed, maar er voor, gelijk zulks ieder gebed moet voorafgaan. En met des te ;neer aandrang heb ik dit hier ter plaats herinnerd daar zulks dikwerf door velen niet schijnt onderhouden te worden, die zonder eerst ernstig te bedenken, wat zij gaan verrichten, zich met overijling en geheel verward op hunne knieën werpen.
Dit alles en ieder punt afzonderlijk is van het hoogst gewicht, zoo zelfs dat hij, die alles onderhoudt, groote vorderingen, die weinig on-
14
derhoudt geringe vorderingen die niets onderhoudt, ook te recht geene vorderingen in zich zal kunnen waarnemen. Bereid uwe ziel voor het gebed, en wil niet zijn als een mensch, die zijn God beproeft. Genoemde zaken worden door den H. Ignatius voorgeschreven als voor de meditatie te verrichten ; en hij zelf, ofschoon het inwendig gebed door langdurige oefening hem reeds op uitstekende wijze eigen was, en nij met de verheven gave der beschouwing was begiftigd, liet echter nimmer iets van dit alles achter. Hoeveel te meer voegt het ons dus, die nog zoo weinig in deze oefening ervaren zijn, en ons bovendien nog zoo spoedig afgetrokken vinden en verstrooid, om met ijver ons op deze voorbereiding in al hare deelen toe te leggen. â Uit is ook de reden, om het in 't voorbijgaan op te merken, waarom men ons zoo op het hart drukt, om toch vooral 's avonds na de voorbereiding, en quot;s morgens voor de meditatie een stipt stilzwijgen en strenge ingetogenheid te onderhouden; daar tocli ieder gebrek in dit opzicht gedurende dien tijd bedreven een grooten invloed op de meditatie heeft en ons ten zeerste hinderlijk kan zijn, zoowel ter wille der verstrooiing, waarin de ziel zich door dergelijke onvolmaaktheden werpt, als ter wille der terugtrekking van de goddelijke genade, tot straf van dusdanige ongetrouwheid.
15
Ook dit zou men nog bij de ontniddelijke voorbereiding kannen bijvoegen, dat men 's morgens in het bezoek vun het Allerheiligste (zoo de gelegenheid zich daartoe aanbiedt), zijne meditatie, die m'en weldra gaat beginnen, den daarwonenden God onzen Heer aanbevelen, en den bijstanden voorspraak der Moeder Maagd en onzer overige H. Patronen voor dat uur moet afsmeeken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Wat mei» gedurende de meditatie zelve Ie onderhouden heeft.
De meditatie zelve heeft drie deelen of drie tijden ; het begin, het midden en het einde, of ook het intreden, de ontwikkelingen het uittrede n. Iets over ieder dezer tijden.
§ 1.
OVER HET BEGIN OF HET INTREDEN.
Door het begin of het intreden verstaat men, al wat gedurende den tijd der meditatie het eigenlijk onderwerp of de punten der meditatie voorafgaat. Het is vervat in het volgende :
1°. Men aan bid de God zoo nederige mogelijk, door eerbiedig neder te knielen, zoo men althans door geene lichaamskwaal daartoe verhinderd wordt; in dit geval moet men zorgen, dat de inwendige eerbied des te grooter zij. â Dit is de eerste handeling van hem, die mediteert, en opdat ze met
17
een innig gevoel des harten geschiede, moet die korte overdenking âwat ga ik beginnen voor wien ga ik verschijnen,quot; waarvan wij in de onmiddelijke voorbereiding een woord gezegd hebben, voorafgegaan zijn. Met dat levendig geloof derhalve, alsof men den hemel boven zich geopend zag, en daarin God aanschouwde in zijn oneindige Majesteit, omgeven van die tallooze koren van Engelen en Heiligen, en met geheel zijn Hemelsch hof de oogen op ons gericht om te zien, wat men gaat doen en hoe men gaat bidden; met dat levendig geloof zeg ik, kniele men neder, en met de meest mogelijke godsvrucht spreke men liet gewoon voorbereidingsgebed. 1)
1) Velen bidden daartoe de volgende pebeden: het eerste staande, om zich geheel en al in Gods tegenwoordigheid te stellen ; het volgende om God te aanbidden ; het laatste om Gods genade over hunne meditatie af te smeeken.
«God ziet mij... ik ga mij onderhouden met God den Vader... den Koning der koningen... Ik zal spreken, en Hij zal mij aanhooren... Wat zou het zijn, zoo ik voor een koning der aarde moest verschijnen..,; en nu bevind ik mij in tegenwoordigheid van den Schepper van alles... Ik heb niets... Hij is de oneindige... en ik ga tot Hem spreken. Dat dus alle ijdele gedachten verre van mij zijn. Ik ben een arme, die een rijke om brood kom smeeken Hoe dan ral ik spreken tenzij door mijne tranen ; ik die God beleedigd heb door mijne misslagen, gebukt ga onder den last mijner zonden. Als een schuldige sta ik zuchtende voor mijn rechter. Doch God zal een vermorzeld en vernederd hart niet versmaden Ik sta aan de deur en klop ; ik nadei tot den Heer.w
Aanhiddiiigsgebed- »lk zie de hemelen geopend; te mid-
18
3°. Het v o o r b e r e i d i n g s-g e bed is voor iedere meditatie hetzelfde. Het bevat gewoonlijk behalve eene akte van aanbidding, dat is eene erkenning van Gods Majesteit en van zijn eigen niet, ook nog eene akte van leedwezen en bede om vergiffenis zijner zonden, â en dit herhaalt men te recht vóór ieder gebed
den vun het hemelsch hof li^ ik ter neder. Ik aanschouw God op zijn troon gezeten, omringd door Engelen en Aartsengelen, door Cherubynen en Seraphvnen, die om strijd het driewerf Heilig! Heilig! Heilig! God den Heer toezingen. Voor Zijne ontzaggelijke majesteit bedekken zij met hunne vleugelen het gelaat; en ik kniel te midden van hen neder, ik ellendig schepsel. â Ik lig ter neder voor Uwe voeten ó Goddelijke Jesus! U aanbiddende en lovende, omdat Gij de wereld hebt verlost. â O Vader, en Zoon, en H. Geest, ó allerheiligste Drievuldigheid! verhoorde beden van hem, die tot ü smeekt.»
Voorbereidingsgebed. «Onmetelijke Majesteit, mijn Schepper en mijn Heer! ofschoon niet waardig, om mijne oogen ten Hemel op te heffen wegens de menigvuldigheid mijner misdrijven, zal ik toch spreken, ik stof en asch, tot U, o mijn God ! daar Gij oneindig goed zijt en vol erbarming. Ik zal Uwen heiligen naam aanroepen, en mediteeren volgens Uwe heilige voorschriften, opdat ik leere onderhouden alle Uwe geboden. â⢠O Vader, Zoon, en H. Geest! verlicht mijn verstand, opdat ik moge inzien, wat ik moet doen of laten ter uitbreiding Uwer meerdere eer, ter zaliging en volmaking van mij zeiven, en van anderen ; versterk mijnen wil, opdat ik alle fouten cn gebreken van mijn voorgaand leven Van harte verafschuwe, en daadwerkelijk begeere, wat ik zul ingezien hebben te moeten doen. Dat ik U, ó mijn God! boven alles beminne ; daar Gij oneindig beminnelijk zijt. Sta mijne zielsvermogens bij, om moedig en standvastig immer en op wat wijze Gij het zult willen, te handelen en te lijden in navolging van O. H. J.-C. mijn Aanvoerder, en omdat het aan U, o mijn God ! behaagt.» De Vbrt.
19
en bovendien nog eene opdracht van zich zeiven en van al zijne zielsvermogens, en een afsmeeken der goddelijke hulp, om zijn gebed goed te mogen verrichten. â Men drage dus zorg, deze verschillende akten meer met het hart dan wel met den mond te verrichten. Nooit echter raag men dat gebed achterwege-laten, al zou men ook, door de een of andere reden belet, zijne meditatie een weinig latei-moeten beginnen.
3°. Dan volgt wat de H. Ignatius inleidingen noemt. Men moet er minstens twee gebruiken. De eerste inleiding dient, om de verbeelding min of meer te hulp te komen en de verstrooiingen gemakkelijker te verwijderen. De H. Ignatius noemt deze eerste eene plaats-voorstelling, omdat men zich daardoor de zaak zelve, waarover men gaat mediteeren, als voor oogen moet stellen; b. v. zoo men over de kruisiging van Christus wil mediteeren, zal men zich voorstellen, op den berg van Calvarië te staan, en daar te aanschouwen Christus Jesus aan het kruis geklonken, met wonden overdekt, van alle kanten druipende van bloed, te midden van twee moordenaren, terwijl de zalige Moeder-Maagd staat aan den voet des kruises met den H. Johannes, Magdalena en eenige andere godvruchtige vrouwen. Verder een on-
20
afzienbare drom van goildeloozen, die bespottingen en vervvenschingen uitbraken. â Wil men over Christus' geboorte inediteeren, dan stelle men zich de zaak voor, gelijk men die gewoonlijk afschildert; b. v. een verlaten en aan den wind blootgestelden stal ; daar ergens in een hoek staat het kribbetje, waarin het Goddelijk kind, in doeken gewonden, schreiend neder ligt; daarnevens staan de H. Maagd en de H. Joseph, en, zoo de meditatie het medebrengt, nog eenige herders enz.
In deze en dergelijke onderwerpen is de plaats-voorstelling, zoo ze goed geschiedt, gewoonlijk van groot nut, daar zij de verbeelding aan een bepaald voorwerp hecht, zoodat deze niet zoo licht kan worden afgeleid,en mocht zij soms gedurende den loop der meditatie afdwalen, dan behoeft men slechts terug te keeren tot deze plaatsvoorstelling; gelijk men gewoon is te doen, als men iets met aandacht wil beschouwen : zoo men soms door een of ander onverwacht gedruisch de oogen afwendt, vestigt men ze immers terstond wederom op de zaak, die men onderzoekt, zoodra men tot zijn onderwerp is teruggekeerd.
Men moet echter hier goed bemerken, dat men bij het overwegen van dergelijke onderwerpen, zich de gebeurtenis niet moet voor stellen, alsof zij op een doek was afgeschilderd
21
noch ook alsof zij reeds vóór vele eeuwen had plaats gehad ; maar zóó als of men nu de zaak zelve in zijn eigen bijzijn zag plaats grijpen, alsof men zelf tegenwoordig was in het stalletje van Bethlehem, op den berg van Calvavië, daar alles met eigene oogen aanschouwde, met eigene ooren hoorde, en alsof alles nu in werkelijkheid plaats had.
Zoo de meditatie echter over een onderwerp gaat, dat met de oogen des lichaams eigenlijk niet kan waargenomen worden, b. v. over de zonden, over de deugd, of over iets niet lichamelijks, dan is dat hulpmiddel gewoonlijk niet van zoo groot nut, tenzij men een zeer levendige verbeeldingskracht bezit. Men kan toch immer eenige plaats-voorstelling vormen ; wil men b. v. over de zonden mediteeren, dan kan men gelijk de H. Ignatius zegt, zich zijne ziel voorstellen in het lichaam opgesloten als in een kerker, of ook den mensch als een balling ronddwalend tusschen de wilde dieren: men kan zich de zonden b. v. ook voorstellen als een schrikwekkend en afzichtelijk monster ; of wel de gevolgen der zonden, als het helsche vuur den zondaar wachtend, of den mensch onder de macht van satan, in ketenen geklonken, op het punt om in dien afgrond van jammeren neergestort te worden, enz. Zoo kan men verschillende beelden ge-
22
bruiken, overeenkomstig den aard van het onderwerp. â Men drage slechts zorg, dergelijke beelden of voorstellingen daags te voren tijdens de voorbereiding der meditatie te bepalen, en zich geen verschillende beelden tegelijkertijd te vormen, noch te veel in te spannen om de voorstellingen te vinden of uit te denken. Zoo er zich niets gemakkelijk opdoet, kan deze inleiding bestaan in de eenvoudige herinnering aan het onderwerp, waarover men gaat mediteeren.
Eindelijk zoo het onderwerp der meditatie een of ander gezegde van Christus onzen Heer is, dan zal de eerste inleiding daarin bestaan, dat men zich plaatst onder de leerlingen of overige toehoorders van Christus, en dat gezegde als uit den mond van onzen Goddelijken Leermeester opvangt. Zoo men eenige andere woorden van de H. Schrift gaat overwegen moet men insgelijks, als eerste inleiding, de woorden opvangen als uit den mond zeiven van dien H. Schrijver, of wel ze aannemen als ïiit den Hemel tot ons nederdalend, en tot ons in het bijzonder gericht. Op dezelfde wijze gaat men te werk, zoo men voornemens is over een eenvoudig gezegde of eene zinspreuk te mediteeren.
De tweede i n leid ing bestaat in niets anders, dan in een afsmeeken om Gods bijstand ;
23
nu echter niet meer in het algemeen om de meditatie goed te verrichten (dit immers heeft men reeds .in het voorbereidings gebed gevraagd) ; maar in 't bijzonder, om die vrucht te verwerven, die men zich in deze meditaite heeft voorgesteld. Men heeft gewoonlijk slechts de twee volgende zaken te vragen ; én verlichting van het verstand, én beweging van den wil, opdat wij niet alleen mogen begrijpen, maar ook willen; zoo menb. v. over de zonde gaat mediteeren, zal men de genade vragen, goed in te zien, hoe groot kwaad de zonde is, en met vast besloten wil die te verafschuwen èn te vermijden. Men kan schier overal een of ander gebed vinden, gericht tot de drie Goddelijke Personen, dat men gevoegelijk in deze inleiding kan gebruiken ; men behoeft er slechts in iedere meditatie bij te voegen, wat deze eigenaardigs mocht hebben.
Bij het overwegen van de een of andere gebeurtenis, schrijft de H. Ignatius voor, dat men vóór beide zoo evengenoemde inleidingen zich in het kort geheel den loop dier gebeurtenis in het geheugen terugroept: dan komt de plaatsvoorstelling, en vervolgens de afsmeeking der Goddelijke genade. â Alsdan zullen er derhalve drie inleidingen zijn.
Overigens geheel dit intreden in de meditatie, â namelijk de aanbidding, het voorbe-
24
reidingsgebed, de inleidingen â mogen in den regel niet meer dan 4 ot' hoogstens 6 minuten duren. â¢
§ 2.
OVER HET MIDDEN OF DE ONTWIKKELING.
Het m i d (l e n of de o n t w ik k e 1 in g omvat de eigenlijke meditatie, te weten die punten, die men heeft voorbereid, en waarvan men er gewoonlijk twue of drie of ook meer gereed moet hebben.. In het overwegen en doordenken dezer punten, ten einde de geestelijke vruchten te verzamelen, bestaat de eigenlijke meditatie. Over de verdeeling der punten wil ik hier niets zeggen; daar zij toch immer door een ander worden voorgesteld, of wel in een boek of handschrift zijn aangegeven. 1) Maar hoe men de stof der meditatie moet behandelen, hoe de ziel zich met de waarheid, in de punten der meditatie voorgesteld, moet bezig
1) Als Hollandsclie meditatie-boeken worden algemeen aanbevolen de «overweginffen der voornaamste waarheden van ons H, geloof en van het leven onzes Heeren Jesus Christus door den eerbiedwaardigen Ludovieus de Ponte van de Sociëteit van Jesus, vercuald door A. Duffels, 11.-K. Pr.quot; Utrecht, Van llossum, alsook «Nieuwe practische overwegingen voor alle dagen des jaars over liet leven onzes ileeren Jesus Christus, voornamelijk ingericht ten gebruike van teligieuzen. door Bruno Vercruysse, Priester der Sociëteit van Jesus.» Brussel, Belg. Boekh. Maatsch.
De Vert.
25
houden en daarbij verwijlen, hoe men uit ieder punt vrucht moet zoeken en inoogsten, hoe men die moet toepassen op den tegen-woordigen toestand zijner ziel; ziedaar, waarvan hier ter plaats iets gezegd moet worden.
Volgens het inzicht en de leerwijze van den
H. Ignatius bestaat de meditatie in de aanwending zijner drie zielvermogens, namelijk van zijn geheugen, van zijn verstand en van zijn wil; en zoo men deze vermogens zijner ziel allen goed toepast, zal de meditatie goed geschieden. Men moet ze echter alle drie in ieder punt der meditatie toepassen, ofschoon dikwerf reeds één punt toereikende stof ter overweging kan aanbieden.
I. Hoe men z ij n geheugen moet
aanwende n.
Het geheugen roept zich terstond andermaal de zaak te binnen, waarover men gaat mediteeren, ongeveer gelijk men in de eerste inleiding heeft moeten doen ; nochtans met dit onderscheid; 1°. dat men nu niet geheel het onderwerp zich te binnen brengt, gelijk in de inleiding; maar slechts dat gedeelte, wat in dit punt wordt voorgesteld ; 2°. dat deze voorstelling veel nauwkeuriger en gewoonlijk ook veel breedvoeriger moet geschieden, dan
26
in de inleiding; b v. zoo ons een gezegde of spreuk ter overweging is voorgehouden, stelden wij ons in de inleiding slechts voor, dat dit gezegde ons door den mond zelve van onzen Heer of van uit den Hemel werd toegesproken. Maar in de meditatie zelve, zal men zijn geheugen zoo moeten aanwenden, dat men niet slechts dit gezegde als ons toegesproken, aanhoore ; doch ook aandachtig zal men zich voorstellen wie Hij is, die zoo spreekt, en wat Hij zegt: goed oplettende op de beteekenis van ieder woord. Zoo toch zal dit eerste aanwenden van hel geheugen den weg bereiden voor al de nadere beschouwin gen, door het verstand dra te verrichten. â Insgelijks zal men te werk gaan, zoo het onder-werp der meditatie een gebeurtenis is. Ook dan zal men niet meer, gelijk in de inleiding, zich de geheele gebeurtenis te binnen brengen; maar slechts dat eene gedeelte, dat in dit punt behandeld wordt: Wat meer is, men moet zich dat gedeelte niet enkel te binnen brengen, maar ook de omstandigheden, die op dat punt betrekking hebben, aandachtig beschouwen, en zich voorstellen; waartoe men zich kan afvragen: Wie? wat? w a a r? met welke middelen? waarom? hoe? wanneer? enz. 't Is immers beter hier ter plaatse deze vragen te doen ; daar
27
men bij de toepassing van het vorstand meer moet redeneeren, om zoo uit deze eerst goed waargenomene omstandigheden een toepasselijke vrucht te trekken.
Ik laat hier een voorbeeld van beiderlei soort volgen, dus én over eene spreuk, én over eene gebeurtenis.
Dat het onderwerp der meditatie het volgende gezegde van onzen Heere Jesus zij : âWat baat het den mensch, zoo hij geheel de wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?quot;
Eerste inleiding. Dat ik mij mijnen Heer voor oogen stelle, omgeven door talrijke leerlingen, en mij zeiven zoo plaatse onder hen, alsof ik mijnen Goddelijken Zaligmaker ook tot mij hoorde spreken; âWat baat het den mensch, zoo hij geheel de wereld wint maar schade lijdt aan zijn ziel ?quot;
Het geheugen zal men aldus aanwenden :
Het is dus Christus Jesus die spreekt. .. Hij de eeuwige wijsheid, en eeuwige waarheid. . uit den Hemel afgezonden als Leermeester van mijn eeuwig geluk..., die mij niet te vergeefs schrik noch angst wil aanjagen, maar mij wil zalig maken. Deze Jesus nu zegt: â wat baat het,quot; dat is, het baat niets. .. aan wien dan ook . . . , âzoo hij geheel de wereld wintquot;. .., dus hij alleen. . ., geheel de wereld, en al hare rijkdommen . . ., eer . .. , genot...,
28
al verwerft bij alleen ook dat alles . . .; het baat niets, âzoo hij aan zijne zielquot; . .. , zijn onsterfelijke en eeuwige ziel. . . âschade lijdtquot;.., zoo hij zijn ziel door eene zonde ter eeuwige verwerping doemt ?.. . Zoo is het. . . zoo spreekt Christus Jesus; ik geloof zulks, om dat hij is de eeuwige waarheid, die niet bedrogen kan worden niets baten den
mensch.. . niets zullen hem baten, alle goederen der wereld . . ., al hare eer .. ., al hare vermaken ..., al haar rijkdom .. ., niets zullen zij den mensch baten, zoo hij zijne ziel verliest. .. Zoo spreekt Christus Jesus. En te recht! Want geheel de wereld gaat voorbij. . ., maar de ziel gaat niet voorbij . . . , de ziel blijft eeuwig ; zoo dat zij gelukkig zal zijn .. . of ongelukkig voor eeuwig ... De wereld gaat voorbij . . . , en al haar eerbetoon . . . , en al hare genoegens. .. ,en al hare rijkdommen . .., dat alles gaat voorbij..., en eenmaal zal van dat alles het einde daar zijn. ..; en voorzeker niets zal het dan baten, daarvan ooit genoten te hebben. . ., daar het dan niet langer zal duren, .. Al geniet men ook het meest voorspoedig geluk in de wereld..., gedurende 10. . . 30 .. 40 jaar ! Zeldzaam geluk. ., het deel slechts van weinigen. , ., en toch al heeft men dat geluk ook genoten. ., wat zal het baten zoo men zijn ziel verliest ?. .. Al die
29
jaren zullen voorbij gaan..., hun einde zal komen. . . Maar de ziel zal eeuwig blijven.. ., en zaligheid zal haar deel zijn... of vervloeking. . . En aan dit geluk of ongeluk dei-ziel. . . zal nooit, nooit een einde zijn. . . Dus naar waarheid. . . wat baat het den mensch, zoo hij geheel den wereld wint, maar schade lijdt aan zijne ziel.
Ik wil wel bekennen, dat wat hier op het laatst gezegd is (het min of meer onderzoeken der redenen van het gezegde), den schijn kan hebben eerder tot de oefening van het verstand te behooren. â Maar dat doet er weinig aan af. â Het is hier zoo gezet, dat het verstand slechts deze algeraeene waarheid op zich zelve en op zijn toestand behoeft toe te passen. Voorzeker niets belet, om de toepassing-van het geheugen eenigszins met de toepassing van het verstand te vereenigen ; te meer daar zelfs de wil eenigermate werkend kan optreden.
Tot voorbeeld der toepassing van het geheugen, bij het overwegen eener gebeurtenis, diene het volgende. Ook hier zal ik tevens de eerste inleiding er bijvoegen, opdat het verschil van beiden uitkome
Dat Christus gekruist het onderwerp dei-meditatie zij: en wel hel eerste punt, wat Christus lijdt in zijn lichaam; het tweede punt, wat Hij lijdt in zijn eer; het derde punt,
30
wat Hij lijdt i» Zijne ziel. Het is duidelijk, dat ik mij iu de inleiding geheel de gebeurtenis in het kort moet voorsteUen ⢠in de toepassing-echter van het geheugen mij bij dat punt moet bepalen, wat ik nu ga overwegen. â Dus
Eerste inleiding. Ik zal mij voorstellen mij op den berg Calvarië te bevinden ; daar aanschouwen Christus mijnen Heer, hangende aan het kruis, nog levend, te midden van twee moordenaars, van alle kanten druipende van bloed. Ik zal daar ook aanschouwen eene tallooze menigte volks, die schier alleu onzen Heiland beschimpen en bespotten ; ik zal hunne woedende gelaatstrekken opmerken, hun geschreeuw en getier hooren. Te midden van dat alles roept Jesus in doodstrijd uit: âMijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten?quot;
üeze inleiding, gelijk blijkt, omvat in het kort de drie punten.
Bij de toepassing echter van het geheugen moet men slechts één punt nemen ; al het overige achterlatende, wat daar niet bij behoort, b. v.
Eerste punt. Wat onze Heer in Zijn lichaam 1 ij d t âOnze Goddelijke Zaligmaker hangt aan het Kruis. Wat lijdt i lij verschrikkelijke smarten. ., wat hevige folteringen moet hij doorstaan. . ., Zijn geheel lichaam is met bloed en wonden overdekt. .. Ja waar-
31
lijk Hij heeft geen raeaschelijk voorkomen, noch schoonheid meer. . . ; van de zolen der voeten af tot aan de kruin van zijn hoofd is er geen gezond deel meer te erkennen. .; Zijne ledematen ach! hoe wreed worden zij gepijnigd ! Zijne slapen zijn met doornen doorstoken . . ., de scherpe punten zijn het voorhoofd ingedrongen... omwoelen geheel zijn hoofd. .; Zijne oogen overstroomd met bloed. .; geheel zijn gelaat gekneusd en doobsbleek. . .; Zijn mond door gal zamengetrokken. . .; Zijn borst, rug, lendenen, armen, beenen, door geeselslagen ijzingwekkend verscheurd. .; op verscheidene plaatsen is het vleesch weggerukt en aanschouwt men de ontbloote beenderen...; handen en voeten zijn met ijzeren nagelen aan het kruis geklonken... en in die wreed geslagen wonden. .. aan die gekwetste en gescheurde spieren hangt Hij reeds een. . ., twee.. ., drie uren, en dat. . . levend !.. Wat onmenschelijke folteringen. . . Zoo veel en zoo hevig lijdt Jesus Christus.. ., onschuldig, heilig, onbevlekt.. ., ja de onschuld, heiligheid en goedheid zelve... Hij, God en mensch Redder van het menschelijk geslacht. . . oneindige liefde overwaardig !. . . Hij die de vreugde is der Engelen, wiens aanschouwing de zaligheid dier hemelsche geesten uitmaakt, en zoo wordt hij mishandeld door de menseheu...
32
terwijl zijn eeuwige Vader dit alles toelaat en bestnurt. . . Waarom dat alles? Voorzeker neen niet voor zijne zonden. ..; want hij heeft geen zonden, Hij die niet slechts nimmer heeft gezondigd, maar zelfs nimmer heeft kunnen zondigen . . . maar voor de zonden van geheel het mensohelijk geslacht. . .; om mijne zonden... voor mijne daar en daar bedreven zonden.. . verduurt mijn Jesus al die smarten... Hij lijdt echter dat alles ofschoon onschuldig. , zwijgend, zonder tegenspraak, en niet slechts zonder haat tegen de bewerkers en uitvoerders van al die folteringen; maar zelfs voor hen, met overmaat van liefde... En dat alles is werkelijk aldus; zoo leert mij het goddelijk
geloof: zoo geloof ik, en geloof ik vastelijk, omdat het geloof, steunende op de eeuwige Waarheid, die niet bedrogen kan worden, het mij aldus voorhoudt.quot;
Op deze wijze moet men ongeveer zijn geheugen toepassen. Het is echter niet noodig daar nog langer bij te blijven stilstaan, daar bijna alles, wat tot de toepassing van het geheugen behoort, gewoonlijk in de meditatie-boeken staat aangegeven; ofschoon men, als men gaat mediteeren, zulks immer een weinig-moet uitbreiden, nauwkeurig indenken, en niet slechts vluchtig er over heengaan; want deze toepassing van het geheugen is als de
33
grondslag, waarop de overige bemerkingen eu aandoeningen der meditatie moeten steunen, of is als een zaad en wortel, waaruit de ver-fchillende bemerkingen gedurende de verdere overweging zullen ontkiemen. En zoo deze toepassing van het geheugen niet met aandacht verricht wordt, zullen er noodzakelijk ook vele heilzame overdenkingen verloren gaan. â Te recht kan men hier ook opmerken, wat schier overal wordt aanbevolen, dat men, waar het goedschiks geschieden kan, onder deze toepassing van het geheugen een akte van geloof verwekke ten opzichte der voorgestelde waarheid of geschiedenis. Zoo toch zullen de verdere overdenkingen hechter zijn en grootere kracht hebben, om den wil te bewegen. Daarom ook heb ik in beide voorbeelden, die ik zoo even aanbracht, een akte van geloof tusschengewerkt, of er aan toegevoegd.
II. Hoe men z ij n verstand moet aanwende n.
Nadat men de stof zijner meditatie ongeveer op de wijze, waarop ik gezegd heb, door middel van zijn geheugen zich levendig voor oogen heeft gesteld, volgen de handelingen van het verstand, die men tot de volgende
3
34
kan terugbrengen : verschillende bemerkingen maken over de waarheden, die het geheugen ons heeft voorgesteld ; die toepassen op zich zeiven en op zijne geestelijke noodwendigheden; practische gevolgtrekkingen daaruit afleiden ; de beweegredenen daarvan nagaan ; en onderzoeken hoe men zich overeenkomstig deze waarheden tot nu toe gedragen heeft en in 't vervolg gedragen moet. Dat alles behoort tot de werking van het verstand. Doch men moet niet denken, dat men daartoe eene groote geleerdheid behoeft.- een ieder, ook de meest eenvondige en ongeletterde, kan over dat alles zonder moeite met zich zei ven rede-neereu, natuurlijk gerugsteund door de Goddelijke genade. â Geen buitengewone opvattingen, geen geleerde bemerkingen worden hier immers gevorderd; maar practische toepassingen en eenvoudige overdenkingen.
Verreweg het gemakkelijkste, wat ook alom wordt aangeraden en onder het bereik valt van zelfs de minst ontwikkelden, is, zich eenige eenvoudige vragen voor te stellen, waarop een ieder, mits hij slechts ernstig zijn verstand wil gebruiken, gemakkelijk kan antwoorden. Men stelt gewoonlijk de volgende vragen voor : wat moet ik omtrent dit pnnt (wat ter overweging is voorgesteld, of wat ik met mijn geheugen behandeld heb) beschouwen ? â welke
35
practische gevolgtrekking daaruit afleiden ? â Welke beweegredenen zetten mij aan, om zulks ten uitvoer te brengen ? â Hoe heb ik deze leer tot nu toe onderhouden ? â Wat moet ik in het vervolg doen ? ââ Welk beletsel uit den weg ruiroen ? â Welk middel kiezen ? â Over ieder dezer vragen of bemerkingen zullen wij iets in het kort zeggen.
1°. Wat moet ik hieromtrent beschouwen?
Op deze vraag moet men ééne enkele waarheid, die in het voorgestelde punt vervat is, overwegen. Want niet zelden biedt een en hetzelfde punt niet ééne, maar meer waarheden ter overweging aan. Van die verschillende waarheden moet men dus eerst de eerste, vervolgens de tweede, en zoo er nog meer waarheden in liggen opgesloten, daarna de overige ieder afzonderlijk, zich ter overweging voorstellen en op zich toepassen.
Zoo b. v. in de zinspreuk, waarvan wij hier boven gesproken hebben. âWat baat het den mensch enz.quot; bieden zich minstens twee zaken ter overweging aan; namelijk; 1° geheel de wereld te winnen is ijdel en verschaft geen waarachtig goed, 2° zijn ziel bevoordeelen of benadeelen is van het hoogste gewicht, en
36
daarin is het geluk of ongeluk van een ieder gelegen. Insgelijks in het gestelde voorbeeld der lichaamssmarten van den gekruisten Christus, bieden zich verscheidene zaken ter overweging en toepassing aan ; voorzeker wel zoovele als er bij de toepassing van het geheugen vragen verhandeld zijn : b. v. wie ? wat ? waarom ? hoe ? enz. Aan ieder afzonderlijk immers zijn bijzondere bemerkingen eigen, die men met groot nut gedurende de medi-datie kan maken en op zich toepassen. Van die bemerkingen de eerste dus nemende, zal men zich daar omtrent de overige vragen voorstellen ; als: Welke practische gevolgtrekking moet ik daaruit afleiden? enz. Hetzelfde heeft men met de tweede bemerking te doen; vervolgens hetzelfde met de derde, en zoo verder.
2°. Welke practische leer moet ik daaruit afleiden?
Hier beschouwe men dus zich zeiven, en vrage zich af, wat men te doen heeft, daalde waarheid, die men overweegt, zoo is en niet anders, en hoe men dus zijn gedrag daarnaar moet inrichten? b. v. in die zinspreuk: âWat baat het den mensch enz.quot; was de eerste bemerking, geheel de wereld te winnen is ijdel en verschaft geen waarachtig goed. Zoo ik
37
ii u vraag: welke praotische gevolgtrekking moet men daaruit afleiden ? Zal een ieder daarop gemakkelijk een antwoord vinden; te weten: geheel de wereld is dus te verachten met al hare rijkdommen, eer en vermaken; daar het niemand iets baat geheel de wereld met dat alles gewonnen te hebben. Dus ook, noch om geheel de wereld, noch om al hare schatten, eerambten en vermaken, moet ik mijne ziel ook zelfs de geringste schade berokkenen. Hoeveel te minder ook moet ik dus o;n eenig gering tijdelijk goed, om eenige ijdele glorie, om eenige toejuiching der menschen, om eenige voldoening mijner zinnelijkheid, God beleedi-gen en mijne ziel in gevaar brengen.quot;
Hier echter moet ik met nadruk de volgende hoogst gewichtige bemerking aanstippen, dat men toch hier ter plaatse in het maken eener gevolgtrekking in bijzonderhenden trede, en wel overeenkomstig den toestand, waarin men zich beweegt. Want ten eerste eene algemeene gevolgtrekking blijft gewoonlijk zonder uitwerking; zoodat, als men zich in het gestelde voorbeeld bij deze enkele gevolgtrekking bepaalde: âGeheel de wereld is dus te verachten,quot; en niet tot bijzonderheden afdaalde, dan zouden dergelijke gevolgtrekkingen niet ten onrechte vergeleken kunnen worden bij de losbranding van een stuk geschut, dat op geen
38
bepaald dool gericht is, en dus ook den vijand niet deert, geen tnnren omverwerpt. Zoo toch gaat het ook met de algeraeene gevolgtrekkingen, die niet op bijzondere omstandigheden worden toegepast; zij breidelen de vijanden onzer ziel niet. zij brengen onze hartstochten niet onder bedwang, slechten niet den mum-der meielijkheden, die ons omringen; en waarlijk, om mij zoo uit te drukken, zij doen slagen in de wind. Wat meer is, het is nog niet genoeg tot bijzonderheden af te dalen ; maar een ieder moet aanhouden op die bijzondere gevolgtrekking, die hem voegt, en die practische waarheid toepassen op die zaak, die hem of wel een oorzaak tot zonden en misslagen, of wel een beletsel in de dienst van God is. Zoo b. v. in het voorbeeld dat wij gesteld hebben, was de algeraeene gevolgtrekking : âGeheel de wereld is dus te verachten ; dus zelfs niet om wille der geheele wereld het minste gedaan, dat de ziel kan benadeelen. Dus liever het verlies lijden van alles ter wereld, dan zijn ziel aan eenig gevaar blootstelden;quot; deze algemeene gevolgtrekking, zeg ik, moet de een op deze, de ander op gene wijze op zijn persoonlijken toestand en noodwendigheden toepassen. Die door de begeerte naar ijdelo glorie wordt gedreven, moet aldus besluiten : âZoo men geheel de
39
wereld moet verachten, boevee te meer moet ik dan die ijdele glorie verachten, die mijne goede werken bederft, en mijne ziel de zwaarste schade berokkent. Zoo ik de glorie der geheele wereld bezat, zoo ik geprezen werd en uitbundig toegejuicht door alle menschen, zoo het mij niets baten, zoo de een of ander, zoo die weinigen, met wie ik leef, mij prijzen en hoogschaftenquot;, enz. En hier moet men zelfs afdalen tot in die handelingen, die men door zijn ijdele glorie dikwerf bederft; tot die zonden en gebreken, die men uit zucht naar ijdele glorie bedrijft : b. v. zoo men soms daarom veinst, zoo men zijue gebreken bedekt, verontschuldigt, soms al door kleine bijgebrachte leugens vermindert enz. En op deze bijzondere zaken moet men dan de vraag: âWat baat het?quot; toepassen.
Die echter lijdt aan zinnelijkheid, aan gulzigheid, dikwijls bezwijkt uit een al te groote gemakzucht, moet aldus met zich zeiven redeneeren; âZoo zelfs geheel de wereld niet waard is, dat men om wille van haar eenig nadeel in zijne ziel ondervindt, en zoo men zelfs om geheel de wereld met al hare genoegens geen zonde moet bedrijven dan toch zeker moet mrn veel minder om een of ander gemak, om een druppeltje, dat voor een enkel oogen-blik de keel streelt, zijne regels overtreden
40
en zijne ziel beuadeelen; en zoo het mij niets baat, al zou ik ook al de genoegens der wereld genieten hoe veel te minder zal het mij baten, mij die kleine zinnelijkheid toe te staan; en zoo geheel de wereld veracht moet worden en al hare genietingen, hoeveel te meer dan niet die ellendige voldoening van gulzigheid en zingenot, enz.'' Hier ook moet men tot die zaken in 't bijzofidor afdalen, waarin inen dikwerf uit zingenot en gulzigheid zonden en misslagen bedrijft.
Die in het religieuze leven eenige moeite ondervindt, aan wien een of andere zaak te zwaar voorkomt, tegenstrijdig met zijne natuur, lastig is, zoodat het religieuze leven zelve hem misschien daarom toeschijnt als van alle aantrekkelijkheid beroofd enz. zal die zelfde waarheid aldus op zich moeten toepassen : âMen moet volgens de uitspraak van Jesus Christus het verlies zelfs der geheele wereld liever onderstaan, dan wel zijn ziel bloot stellen aan eenig gevaar: hoeveel te meer dus moet ik deze en gene moeielijkheid liever blijmoedig verduren, dan wel de overkostbare gave mijner roeping verliezen, en de verzekering van mijn eeuwig geluk? Wat toch zal het mij baten, deze en gene moeielijkheid ontkomen, dit en dat kruis vermeden deze en die zaak, die mijn natuur mishaagt, ontweken te heb-
41
beu; zoo mijne ziel eeuwige schade lijdt, zoo ik mijne roeping, mijne zaligheid verlies en naderhand geheel de eeuwigheid door de bitterste zaken te onderstaan zal hebben enz.quot; Ook hier moet men insgelijks in 't bijzonder treden in die moeielijkheden, die meermalen voorkomen, meermalen ontrusten en afkeer inboezemen.
Zoo derhalve moet men één en dezelfde -waarheid, de een op deze de andere op gene wijze, op zich toepassen overeenkomstig zijne geestelijke behoeften; en uit één en dezelfde algemeene gevolgtrekking bijzondere gevolgtrekkingen afleiden, »eschikt voor zijnen toestand. En deze waarschuwing is van zoo groot gewiciit, dat men ten stelligste kan verzekeren, dat van het onderhouden of verwaar-loozen hiervan grootendeels de vrucht der meditatie afhangt
3°. W e 1 k e beweegredenen moeten
mij aanzetten, om deze gevolgtrekking na te komen.
Hier moet men de gronden of beweegredenen, die ons kunnen aanzetten om datgene te verrichten, wat wij in de meditatie gezien hebben dat ons te doen staat, aandachtig nagaan en bij zich zei ven overwegen, opdat de voor-
42
nemens ter verbetering van ons leven op hechte grondslagen stennen. Onze wil volgt het verstand, en zoo ons verstand de beweegredenen eener zaak niet begrijpt, is de wil niet sterk voor die zaak genegen.
Ue gronden nu of beweegredenen om de zonden te vluchten, de deugd te beoefenen, om de moeielijkheden en bezwaren edelmoedig te overwinnen, zijn: het passende, het nuttige, het aangename, het g e-m a k k e 1 ij k e, het n o o d z a k e 1 ii k e, en al wat de ziel kan bewegen en aanzetten.quot; Deze beweegredenen moet men, of wel allen, of minstens eenige daarvan, toepassen op de stof, die men overwogen heeft, en op de practische gevolgtrekking, die men daaruit heefl afgeleid.
Het passende beteekent, dat die zaak ons voegt en betaamt. Dat men dus in zijne meditatie hier bedenke, wat een mensoh met rede begaaft, past, wat een Christen, wat een Religieus? Overvloedige en krachtige beweegredenen zal men daarin vinden. Dagelijks, ja aanhoudend, zou men den naam van Christus moeten voor oogen hebben, daar die naam meer dan toereikend is om ons te overreden. Want welken misslag, welke fout, hoe licht dan ook, moet hij niet vermijden, die waarlijk Christen genoemd wil worden en zijn.
43
Welke deiu'd, welke volmaaktheid en heiligheid moet hij niet beoefenen, die Christus van meer nabij wil navolgen. Christus ! het toonbeeld aller deugd en heiligheid ? Insgelijks wat moeielijkheid, wat last, wat terneerdrukking, laat ze nog zoo zwaar zijn, wat foltering, wat verachting, moet hij niet edelmoedig overwinnen en verduren, die een uitverkoren leerling wil zijn van Jesus Christus en dien gekruist ? In waarheid, die titel leerling van Jesus, goed overwogen, kan op zich-zelven reeds toereikend zijn, om de ziel te overtuigen en door tusschenkomst der Goddelijke genade hevig te doen ontvlammen, l eze titel zal immer zijn een overrijke bron van godvruchtige gedachten, gevoelens van ootmoed en verlangen naar hoogere volmaaktheid kweeken.
Het nuttige bevat de geestelijke voordee-len, die het onderhonden dezer practische leering mij zal aanbrengen. Ik zeg geestelijke voordeelen, die betrekking hebben op het geluk der ziel en op de eeuwigheid ; want de overige zijn geen bovennatuurlijke en dus ook ijdele beweegredenen. Dergelijke voordeelen zijn dus hier niet te overwegen, b. v. zoo zal ik straf vermijden, mijne oversten voldoen, mijnen broeders welgevallig zijn, en meer dergelijken ; want zulke beweeggronden zijn
44
én noodzakelijk gebrekkig, én kunnen even goed tot misdrijf als tot deugd aanzetten; zij zullen zeer zeker eerder schijnheiligheid dan toeleg op hechte deugd bevorderen. Men zal misschien soms iets hiervan aan andere bovennatuurlijke beweegredenen kunnen toevoegen, maar immer slechts in geringe mate, opdat onze deugd op zoo losse grondslagen niet ruste. Bovennatuurlijke voordeelen moet men dus wikken en wegen: b. v. zoo ik dit besluit opvolg, zal ik vele zondeu en gebreken vermijden, zal ik mij vrijwaren vau vele wroegingen en kwellingen des gewetens, en mij zooveel straften, eenmaal in het vagevuur te boeten, niet op den hals halen ; ik zal den vrede des harten genieten, vele akten van deugd verwekken, die mij ieder afzonderlijk in welgevalligheid bij God en in verdiensten voor het toekomst g leven zullen doen toenemen zoodat ik rijk zal worden in Gods oogen ; ik zal ook Gods zegen doen neerdalen over mijne werkzaamheden, een geschikt werktuig worden om Gods eer te bevorderen enz. Men kan hier tallooze ware, hechte, bovennatuurlijke voordeelen overwegen, die in iedere practi-sche gevolgtrekking gewoonlijk voorkomen, en een ieder kan meer bepaald bij dusdanige blijven stilstaan waardoor hij zich meer bewogen gevoelt. Van deze twee algemeeno
45
echter bediene men zich immer : welk geestelijk nadeel zal ik vermijden? Welk voordeel voor mij en voor anderen verwerven ? â Want gelijk de H. Schriftuur zegt âDie de boosheid bemint haat zijne ziel. Maar zalig de ziel van hem, die den Heer vreest. alles, wat hij zal doen zal goed slagen.''
Het aangename bestaat hierin ; Hoe ik mij zal verhengen, zoo ik dezen stelregel zal onder houden ; want het leven ingericht volgens de voorschriften van Gods heiligen wil is niet drukkend. Waarlijk zoo er in dit tranendal ware vreugde is, dan is het voorzeker voor die ziel, die God niet ijver dient. âIsraël, zoo gij mijne geboden hadt opgevolgd, zou uwe vrede gelijk geworden zijn aan een stroom, en uwe vreugde als de diepte der zee'' Van den goddelooze echter staat geschreven : ârouw en ongeluk op hunne wegen, en het pad des vredes hebben zij niet gekend.quot; Deze en dergelijke beweegredenen, die door do ondervinding aller Heiligen worden bevestigd, kan een ieder zich voorstellen, als hechte gronden ter beoefening der deugd en volmaaktheid.
Het gemakkelijke. Daar onze Heer Jesus zijn juk licht en zijn last zoet noemt, en in 't algemeene de rust der ziel belooft aan hen, die zijn juk op zich nemen, zoo is dit zeker
46
waar, en ik ook zal de waarheid daarvan ondervinden, zoo ik het juk des Heeren op mij neem, dat is : geheel de wet des Evangelies tracht Ie onderhouden, en wel zoo nauwkeurig mogelijk ; dat toch is dat juk op zich nemen, en als op zijne schouderen leggen. Wie echter van zin is slechts een gedeelte en niet alles te onderhouden, zal gebukt gaan onder het juk des Heeren, dat hij als met één hand wil dragen, en de last zal hem niet licht zijn. /00 derhalve de last des Heeren iemand zwaar drukt, dan heeft zulks geen andere reden, dan dat liij dien nietgeheelop zicht neemt, en iiij niet zachtmoedig en nederig van harte is; want de Heer stelt deze beide eischen. â'.ijne bevelen zijn niet zwaar.quot; âWij hebben inoeie-lijke wegen bewandeld,quot; roepen degoddeloo-zen uit, âwij ajn afgemat op het pad der ongerechtigheid;quot; en dit is, de noodige verhouding in aanmerking genomen, ook waar voor die religieuzen, die den geest hunner roeping niet hebben, den geest van nederigheid, gehoorzaamheid, enz Want veel zwaarder is het, trotschheid in hel hart te koesteren, aan eigen wil stijf gehecht te zijn enz dan deze zelfde ondeugden te onderdrukken, die verzwakt worden door ze te onderdrukken; wij dooden alsdan adders, die in ons leven, en oorzaak zijn van alle droefgeestigheid en inwendige smart; daar zij bij
47
den eersten den besten tegenspoed ons wonden en pijnigen. â Zoo wij echter de hemelsche glorie beschouwen, hoe moet alles ons dan niet gemakkelijk voorkomen, alles, wat ons «en eeuwigdurend loon zal doen verwerven. âLicht is mij iedere last, die ik draag, om wille van liet groote goed, dat ik verhoop,quot; was de Serafynsche Franniscus gewoon uit te roepen. - Deze en dergelijke beweegredenen stelle men zich dus voor, zoo de raoeielijk-heden ons mochten afschrikken. Hoewel voor edelmoedige harten de moeielijkheid zelve eerder een beweegreden is, om met blijdschap een zaak te aanvaarden, zich verheugende, zoo zij iets, wat meer moeite kost, kunnen doen, of, wat meer last veroorzaakt, mogen dragen, ter wille van Hem, die zooveel voor hen gedaan en geleden heeft, en die oneindige liefde waardig is ; en voor witn zij duizendmaal den wreedsten dood onderstaande, nog terecht zouden meenen, weinig te doen.
Het noodzakelijke omvat die ernstige gronden, waarom ik volstrekt die practische leer moet onderhouden, al zou het ook overigens noch nuttig, noch aangenaam zijn, zelfs mij allerraoeielijkst voorkomen. Immers zoo ik deze leer niet onderhoud, zal ik ongelijk-kig worden, of ten minste mij blootstellen .aan de grootste gevaren. Het is tocli geen
48
onverschillige zaak te doen of niet te doen, wat ik ingezien heb te moeten doen ; maar het is volstrekt noodzakelijk, dat ik het doe. Het was voor den H. Paulus noodzakelijk, een ijverig Apostel te zijn, gelijk hij het zelf verklaart: âwant de noodzakelijkheid rust op mij; wee mij zoo ik het Evangelie niet verkondig,quot; Zoo moet ook ik mij toespreken ; Wee mij ! zoo ik niet nederig worde; wee mij, zoo ik niet volkomen gehoorzaam worde; wee mij, zoo ik de zaken dezer wereld niet verachte; wee mij, zoo ik mij niet versterve; wee mij, zoo ik niet ernstig streve naar de volmaaktheidquot; enz. : want dat zijn verplichtingen van mijn staat en mijne roeping, en zoo ik die niet tracht te vervullen, zal ik niet zalig worden, of althans mij aan een zeer groot gevaar blootstellen. Het wordt niet aan mijne vrije kens overgelaten, zoo ik als religieus wil leven, een goed religieus te zijn of niet; zoo dat het wel goed zou zijn, zoo ik mijne regels onderhoud en mijn roeping vervul, maar er ook in het geheel geen kwaad in gelegen is, zoo ik die niet onderhoud, die niet vervul; maar het is volstrekt noodzakelijk, dat ik die onderhoud, dat ik die vervul; anders kan ik niet veilig zijn, en dan wee mij! Ik bewijs geen gunst aan God, zoo ik Hem godvruchtig en getrouw dien ; doch ook dan ben ik
49
nog een nuttelooze dienstknecht, eu volbreng slechts, wat ik te volbrengen heb. Maar ik doe God onrecht, zoo ik Hem niet godvruchtig en getrouw dien. â Die beweeggrond van noodzakelijkheid is ook ten volle waar zelfs voor alles, wat slechts eigen schijnt aan hoo-gere volmaaktheid, zoo ik die ken en God mij daartoe aanzet; want ook daarin kan ontrouw en ongehoorzaamheid aan God, die mij uitnoodigt, mij de grootste rampen op den hals halen ; vooral echter, dat God mij als ontrouw en ongehoorzaam verlate en van zich afstoote.
Deze beweegreden eindelijk, zij heeft immer een grootè kracht om onzen wil tot handelen aan te zetten, vooral toch moet zij in die omstandigheden gebruikt worden, die ons moeielijker voorkomen, en wanneer de ziel besluiteloos is uit traagheid en afschrik voor moeielijkheden. Dan vooral moet men haar daardoor als met sporen prikkelen en aanvuren, haar voorhoudende de straffen van God, die des vagevuurs, die der hel; haar voorhoudende de Goddelijke bedreigingen tegen delauwen, die Hij aanhoudend bedreigt uit Zijn mond te zullen spuwen enz.; insgelijks door den schrik voor dood en oordeel.
Zoo derhalve behandele men die vraag; Welke beweegredenen zetten mij aan, om die
4
50
practische leer na te koman ? Met zorg echter moet men die vraag nagaan, opdat onze deugd niet als bij toeval en onstandvastig zij, afhangende van allerlei omstandigheden; maar integendeel standvastig, gevestigd op hechte, bovennatuurlijke, door het verstand wel gewikte gronden. â Hier nog voorbeelden bij te voegen, acht ik overbodig. Genoeg in 't breede toch, dunkt mij, is alles, wat hiertoe behoort, uitgelegd; zoodat men het gemakkelijk op verschillende stoffen kan toepassen. â Nu volgt dus de vraag :
4°. Hoe heb ik deze leer tot nu toe onderhouden?
Hier ter plaatse stelle men een onderzoek in, en vrage zijn geweten af, hoe men zich ten opzichte dier waarheid, die men overweegt, tot nu gedragen heeft; opdat men, zoo men tot nu toe overeenkomstig die waarheid gehandeld heeft. God bedanke; zoo echter niet zich innig vernedere, en bloze en zich voor de toekomst wachtc- Men moet echter volstrekt niet te gemakkelijk gelooven, zoo het ons voor komt, dat wij die leer goed onderhouden hebben; want onze eigenliefde en geringe zelfkennis bedriegen ons soms daarin, zoodat het ons toeschijnt, dat wij al tamelijk
51
in de deugd gevorderd zijn; dergelijke gedachte immers is zeer streelend. Vooral heeft znlks plaats met de beginnenden, die, zoo er omtrent eene of andere practische leer eenig licht voor hen is opgegaan, en zoo zij de gronden en de beweegredenen doorschouwd hebben, terwijl zich geene gelegenheid voordoet om die te beoefenen, al gemakkelijk gclooven, die deugd verworven te hebben, ofschoon zij er nog verre van verwijderd zijn; wat zij dikwerf tot hun groot nadeel later door de ondervinding leeren. Wij moeten hier dus immer overhellen tot onze eigene vernedering en beschaming, door ons zeiven te veroordeelen, wegens het niet onderhouden dier leer; of zoo wij ze al soms onderhouden hebben, als slechts zeer onvolmaakt, en niet overeenkomstig de mate der Goddelijke genade.
Ook hier moet men tot bijzondere voorvallen en omstandigheden afdalen, waaruit men voornamelijk kan leeren kennen, of men eene deugd bezit, of aau eenige ondeugd onderworpen is. Indien men zich immers slechts zoo in het algemeen afvraagt: âheb ik de wereld veracht, of veracht ik haar ten minste nu ?quot; zon men voor het oogenblik misschien gemakkelijk kunnen antwoorden. âIk veracht ze.quot; Men vrage zich echter in het bijzonder af; Hoe men gestemd is, zoo men uitgela-
52
chen wordt, vernederd, veracht, minder vriendelijk door sommigen bejegend, om zijne foa-ten aangeklaagd, of berispt? Misschien zal men dan geheel anders over zich zei ven oordeelen, en moeten bekennen, dat men nog waarlijk ijdel en wereldsch is, en dus geen verachter der wereld. Hetzelfde zal men misschien bevinden, als men zich het tegenovergestelde afvraagt ; b.v. hoe gedraag ik mij, bij het welslagen mijner ondernemingen; wat gevoel ik, zoo ik geprezen wordt, als men mij teekenen van hoogachting geeft? enz. en zoo ik in die omstandigheden mij nog verheug, daarin behagen schep, voorzeker dan veracht ik de wereld nog niet.
Geheel op dezelfde wijze moet men omtrent de zinnelijkheid en gemakken des lichaams, en over den rijkdom en den tijdelijke goederen redeneeren; eindelijk op dezelfde wijze omtrent alle deugden en ondeugden. Want zoo men zich daarover slechts in het algemeen en beschouwende)' wijze onderzoekt, zal het ons lichtelijk toeschijnen de ondeugden te zijn te boven gekomen, en de deugden te hebben bereikt; doch zoo wij tot bijzonderheden afdalen, zullen wij bevinden nog ver van dat dubbele goed verwijderd te zijn. De voornaamste vrucht dus, die wij in het behandelen dezer vraag moeten zoeken, is, dat wij ons
53
uit ware kennis van ons zeiven oprecht en zoo diep mogelijk voor God vernederen, door ons zei ven te berispen en te veroordeelen.
5quot;. Wat moet ik in het vervolg doen?
Hier wapent men zich tegen de toekomst het verstand zoekt goede voornemens op, die de wil naderhand zal moeten omhelzen. Insgelijks zal men hier tot bijzondere gevallen moeten afdalen, vooral tot die, waarin men meer moeite schijnt te hebben, en die zich meermalen voordoen; doch bovenal tot die gevallen, die heden nog zullen voorkomen, of misschien kunnen voorkomen, met ons zeiven overleggende, hoe wij ons daarin moeten gedragen, om volgens de nn erkende waarheid te handelen. En het zal niet zonder nut ïijn, de vroeger overwogene gronden zich andermaal voor te stellen, opdat de wil gemakkelijker tot eene edelmoedige overwinning bereid zij. Het is niet noodig, hier een voorbeeld bij te voegen, daar met het vroeger gezegde dit alles duidelijk moet zijn.
6°. Welk beletsel moet ik uit den weg ruimen; welk middel kiezen?
Dat is ; wat heeft mij tot nu belet die leer
54
te onderhouden; wat kan mij helpen, die van nu af beter op te volgen ? Moeielijk is het, hier iets in het algemeen voor te schrijven, daar deze beletselen en middelen verschillend kunnen zijn voor verschillende onderwerpen, waarover men mediteert, en meer nog voor den verschillenden toestand van hem, die mediteert. Een ieder dus, na gezien te hebben in welke gelegenheden hij die fouten en zonden, waarover hij mediteert, gewoonlijk bedrijft, moet dan bij zich zeiven ijverig nagaan: vanwaar dat toch komt, wat hem aanzet, om daarin te vallen ? Men wachte zich evenwel, om niet alles aan de gelegenheden toe te schrijven. In die onbedachte gebreken, die ons als ontsnappen, moeten wij wel voornamelijk de gelegenheden waarnemen en vermijden. Daarom waarschuwt men ons ook, dat onze voornemens in het vermijden der onbedachte zonden, die wij als bij overrompeling begaan, vooral betrekking moeten hebben op het vermijden der gelegenheden. Maar in de overige zonden, die in onze hartstochten haar oorzaak vinden (behalve nogthans in de zonden des vleesches, die door de vlucht vermeden wordenquot;), is de vlucht der gelegenheden niet zoo noodzakelijk dan wel waakzaamheid op zich zeiven en edelmoedige zelfverwinning: de driftige b. v. moet niet meenen, dat deze of gene, die hem las-
55
tig is, of dit of dat geval, hem een beletsel is, om zachtmoedig te zijn; want dat is volstrekt niet zoo; hij zelf is daar oorzaak van, in zich zeiven, in zijne ziel, draagt hij een hartstocht, en die moet verstorven worden, en niet de gelegenheid vermeden.
Overigens de algemeene beletselen zijn voornamelijk deze drie: trotschheid, zinnelijkheid en uitgelatenheid des geestes. Daartegen over staan drie algemeene middelen: nederigheid, zelfverwinning of versterving, ingetogenheid; waar men nog zou kunnen bijvoegen, de gedachte aan Gods tegenwoordigheid, het gebruik der schietgebeden, insgelijks een dikwerf herdenken der beweegredenen, die men in de meditatie heeft ingezien, eindelijk nog: zijne ziel met bijzondere zorg versterken, tegen dat de gelegenheden daar zijn, waarin wij weten, dat wij meermalen gewoon zijn te vallen enz.; dit alles kan echter tot een dier algemeene middelen teruggebracht worden.
Wat wij hier in het algemeen over de beletselen en middelen gezegd hebben, zij genoeg. Een ieder zal zich gedurende de meditatie aandachtig moeten beschouwen, en onder inroeping der Goddelijke genade nagaan, wat voor hem in het bijzonder een beletsel is; welk middel hij zal moeten aanwenden. Hij zal dat inzien, zoo hij een waar verlangen heeft om
56
vooruit, te gaan; de genade Gods zal hem verlichten, zijne oversten en biechtvader znUen hem raad geven, zelfs de gezonde rede, door het geloof geholpen, zal hem leeren.
Op die vragen das, die wij hebben uitgelegd, zal men zijn verstand doen werken, en zoo men het ernstig daarop toelegt, zal het niet aan overvloedige stof ontbreken. Nadat men nu over een waarheid; uit het onderwerp der meditatie afgeleid, aldus geredeneerd heeft, zal men tot een andere overgaan, daarna tot een derde, en zoo verder; overal deze vragen bf wel allen, bf eenige daarvan zich voorhou-dendg. â Nu nog iets over de oefening van den wil.
III. Hoe men zijn wil moet aanwenden.
Inde meditatie is het werk van den wil tweevoudig; de wil toch moet godsdienstige gevoelens opwekken, en goede besluiten of voornemens vormen En deze beide zaken zijn de meditatie zoo eigen, dat bij gebreke daarvan de meditatie geen gebed des harten zijn kan, gelijk zij toch moet zijn; maar slechts eene bloote beschouwing of verstandsoefening.
1°. Godsdienstige gevoelens.
Het eerste dus, wat de wil moet doen is god s-
57
dienstige gevoelens opwekken, of wel inwendige bewegingen des harten, inwendige oefeningen van verschillende deugden voortbrengen. Deze gevoelens moeten geheel de meditatie doorloopen en voorzeker zoo aanhou-deitd mogelijk zijn; wanu deze vooral maken, dau de meditatie een waar gebed wordt. Het vuur immer» der genade en der Goddelijke liefde, dat in onze harten moet branden, of althans noodzakelijk immer tegenwoordig zijn, zal gedurende de meditatie door de verschillende beschouwingen aanhoudend nieuw voedsel vinden, en overeenkomstig de aangebrachte stoffen in vlammen uitbarsten: ,,In mijne overweging zal liet vuur ontvlammen.quot; â Komt er in de beschouwing van de stoffe der meditatie iets wonderbaars voor, zooals plaats heeft in bijna alle Goddelijks werken, dat de wil zich dan nitstorte in een gevoel van bewondering; komt er eene Goddelijke weldaad voor, dan zij het een gevoel van lof, van dank, van liefde: is het een uitwerksel der Goddelijke wraak, of een bedreiging daarvan, dat de wil zich dan stemme tot vreeze; en zoo moeten de gevoelens met het onderwerp afwisselen. Over-vieegt men zijne zonden, zijne ellenden, dan kan het uiet anders of er moeten gevoelens vaa vernedering, beschaming, smart en zuchten om vergiffenis in ons opwellen enz.
B8
Wil tnen echter leeren, op wat wijze men die gevoelens in zich moet opwekken, dat men zich dan op de eerste plaats wel overtuige, dat men hier geen schoon gevormde volzinnen behoeft. De gevoelens gaan niet uit van de tong, maar van het hart; en 't is niet noodig, dat wij met God omgaan gelijk met de men-schen, die de gewaarwordingen van ons hart niet begrijpen, tenzij dat wij ze door woorden te kennen geven. âBiddende, zegt onze Heer Jesus, wilt niet veel spreken, gelijk de heidenen; zij meenen toch, dat zij door hnn veel-praterij zullen verhoord worden.quot; Deze vermaning van onzen Heer Jesus schijnt ten zeerste voor het inwendig gebed te passen. Er zijn er immers, die meenen, dat er geene goede gevoelens kunnen zijn, zoo zij niet in sierlijke en welsprekende vormen worden uitgedrukt; alsof men God gelijk do menschen door de kracht zijner woorden voor zich moet winnen. En deze dwaling is voorzeker niet van de ge-ringsten. âDeze zaak, zegt de H. Augustinus, wordt beter door verzuchtingen, dan door woorden behandeld.quot; En zoo er in de Psalmen en overige Schriftuurplaatsen dikwerf spraak is van kreten tot God, dan wordt daardoor meestal geen kreet des monds, maar des har ten verstaan, dat zich ontlast in steeds vuriger gevoelens. Doeh hier over kan men veel schoons
59
vinden, gelijk gewoonlijk bij P. Rodriguez (I). I, H. V § 12). Genoeg zij het dus hier te waarschuwen, dat wij niet bezorgd moeten zijn, onder welke vormen wij onze gevoelens uiten, daar wij ze zelfs enkel met het hart, zonder eenige woorden te gebruiken, kunnen uitdrukken.
Ik wil echter wel bekennen, dat de gevoelens van ons hart gewoonlijk veel geholpen worden door het aanwenden van eenige woorden, waarin die gevoelens vervat zijn. Maar het is niet noodig, dat die woorden óf uitgezocht, óf veelvuldig zijn; wat meer is: het is beter, naar het mij althans voorkomt, dat die woorden eenvoudig en kort zijn, maar dikwerf herhaald en langdurig overwogen worden. â Zoo ter uitdrukking van ons gevoel ons soms eenige woorden invielen, ontleend of aan de H. Schriftuur, of aan gebeden door het gebruik der Kerk geheiligd, of waarvan wij welen dat een Heilige gewoon was zich te bedienen, die zouden voorzeker de voorkeur verdienen; daar zij eene bijzondere zalving hebben, en noodzakelijk God welgevalliger zijn. Misschien zal het niet zonder nut zijn een of ander voorbeeld bij te brengen. Derhalve ;
Wat kan er eenvoudiger zijn ter opwekking van gevoelens van dankbaarheid bij het beschouwen der Goddelijke weldaden, dan
60
dat men met den Psalmist uitroepe âWat zal ik den Heer weergeven voor alles, wat hij mij heschonken heeft,quot; zoo gij nu tevens bij u zeiven nagaat, wie gij zijfc, en wie God is, die u beweldadigt, en de grootheid zijner weldaad of weldaden tevens bedenkt; dan zal het gemakkelijk zijn, hetzelfde gevoel vrij lang te onderhouden, door van tijd tot tijd diezelfde woorden âWat zal ik den Heer weergeven enz.quot; aandachtig en langzaam te herhalen.
Voor datzelfde gevoel van dankbaarheid kunnen ook zeer goed dienen de woorden van den partriarch Jacob, die eene zeer sohoone dankbetuiging in zich besluiten âIk ben niet in staat (o Heer) om ü naar waarde te danken voor al uwe ontfermingeu.quot; Zij bevatten immers eene innige erkentenis van eigene geringheid, waardoor de mensch onwaardig is, dat zoo groot een God hem zelfs aanschouwe; en een erkentenis van de onmacht, waarin wij verkeeren, o-n God den verschuldigden dank te betuigen, zelfs voor de geringste zijner ont-fermingen. âIk ben niet in staat (o Heer), om U naar waarde te danken voor al Uwe ontfermingen.quot;
Zoo zijn er meer woorden, die men kan gebruiken ; en zoo u niets anders invalt, zeg dan slechts: O mijn God, ik bedank U. Maar zeg dat met het hart, en uw gevoel van dank-
61
op de woorden, maar op het hart. Zoo ook om bij het overwegen van eigene nietigheid, nederige gevoelens in zich op te wekken, wat is er eenvoudiger dan dat gij zegt Waarlijk, o Heer ! ik ben onder ieder opzicht aller onwaardigst voor uw Goddelijk aanschijn te verschijnen.quot; Wat gemakkelijker dan deze woor. den, âii,. . . onder ieder opzicht. . uw Goddelijk aanschijn,quot; bij zich zeiven na te gaan en de redenen te bedenken, waarom gij, terwijl gij toch aldus zijt, waarlijk den aanblik van Gods oogen âallerontwaardigstquot; zijt, en op die wijze het gevoel van nederigheid zelfs vrij lang te ondeihouden.
Tot dat zelfde gevoel van nederigheid kunnen ook de volgende woerden volgens den zin van den H Ignatius dienen. âWat ben ik (naar het lichaam) tenzij vuilnis en het aas dei-wormen ; naar de ziel echter een afzichtelijk gezwel, waaruit al dat bederf der zonden is voortgevloeid, en nog niet ophoudt voort te vloeien; en die vuilnis zijn de Goddelijke oogen immer gedwongen te aanschouwen,quot;
Of uit het boek der Veropenbaring. âWaar lijk ik ben ellendig, en ongelukkig, en arm, en blind, en ontbloot.quot; Of ook zoo ge niets anders zegt dan: âhoe nietig en verachtelijk ben ik,quot; zult gij gevoelens van nederigheid koesteren. Wil niet over de woorden bezorgd zijn
62
beschouw slechts hun zin van alle zijden.
Met geringe moeite zon men verscheidene korte spreuken ter opwekking van verschillende gevoelens bij een kunnen zoeken, of wel uit de H. Schrift of wel uit gebeden in de Kerk gebruikelijk, of wel uit gezegden der heiligen Een ieder kan voor zich .quot;zeiven dergelijke gevoelvolle spreuken bijeenbrengen, en zich eigen maken door dikwerf onder de meditatie te overdenken, wanneer rnen eenig gevoel, dat in een dergelijke spreuk ligt opgesloten, wil opwekken. En voorzeker meu zal beter dergelijke spreuken voor zich zeiven bijeenbrengen, dan dat men ze van een ander, die ze bijeenbracht heeft, ontvangt; want niet alle treffen op dezelfde wijze een ieder, en de een vindt in deze, de andere in gene spreuk meerder opweKking en smaak. Zij die aandachtig hunne mondgebeden verrichten, die aandachtig hunne geestelijke lezing doen, kunnen gemakkelijk voor verschillende gevoelens dergelijke spreuken bijeenbrengen, om ze gedurende de meditatie te gebruiken â Maar die spreuken moeten kort zijn men moet haar kracht goed overwegen en zich eigen maken. Deze handelwijze wordt door het voorbeeld van vele heiligen bevestigd.
De volgende bemerking echter, geheel en al in den geest van den H. Ignatius, mag hier
63
volstrek niet stilzwijgend voorbij gegaan worden ; ontwaart inen namelijk in zich eenig inwendig gevoel, dan moet men dit steeds onderhouden, zonder vrees van niet te kunnen overgaan tot het volgende, dat wij in die meditatie nog te overwegen hebben; wij moeten volharden in dat zelfde gevoel, tot dat wij ons geheel voldaan hebben: zoo b. v. in het gevoel van nederigheid en erkentenis van eigen niet, herhaal dan zoolang: âIk, naar waarheid onder ieder opzicht den aanblik uwer Goddelijke oogen aileron waardigst'' of een andere spreuk, die op hetzelfde doelt, als deze uwe nietigheid met eenig inwendig gevoel of geestelijken smaak u voor oogen staat, of in u blijft. En al zoudt gij gedurende geheel het uur der meditatie niets anders doen, zoo zou die meditatie toch zeer goed zijn. Wordt gij echter gewaar, dat uw gevoel begint te verkoelen, dan moet gij tot verdere beschouwing van het onderwerp uwer meditatie overgaan. â In de andere gevoelens echter, die niet zoo zeer ootmoedigheid tot voorwerp hebben en eigen vernedering, b. v. in de gevoelens van vreugd, betrouwen enz., is het raadzaam, tot grootere veiligheid, daar omtrent het gevoelen van Zijnen geestelijken leidsman in te winnen; want hoe heilig deze gevoelens ook zijn mogen, zoo zijn zij echter
64
meer aan bedrog onderhevig, vooral zoo men daarmede zich te lang ophoudt, of soms zelfs geheel het uur der meditatie daaraan besteedt, en dit meermalen plaats heeft.
Die godvruchtige gevoelens dus moeten, go-lijk wij gezegd hebben, door geheel de meditatie verspreid zijn. En dit moet verstaan worden voor de toepassing zoo van het geheugen als van het verstand. Uat die gevoelens toch overal passen, wat meev is, eenige -/elfs als natuurlijkerwijze moeten opkomen, is gemakkelijk te begrijpen voor een ieder, die aandachtig nagaat, wat wij hierboven over de toepassing dier beide vermogens gezegd heb ben. Terstond bij den aanvang kan men voor het minst een gevoelen van geloof opwekken; men moet dat zelfs doen, gelijk wij hierboven hebben aangemerkt, door b. v. te zeggen: âIk geloof het, omdat de Kerk mij zulks te ge-looven voorhoudt,quot; â of âik geloof het, omdat Gij, o eeuwige Waarheid, het gezegd hebt.quot; â âIk geloof het, omdat Gij het gezegd hebt, o Heer, die niet zijt gelijk de menschen, zoodat Gij kunt liegen Hemel en aarde zullen voorbijgaan, Uwe woorden echter zullen niet voorbijgaan.quot; Deze laatste wijze, gelijk duidelijk is, kan vooral dienen, zoo men eenige woorden van onzen Heer Jesus te overwegen heeft, of eenig gezegde van God, aan de Schriftuur ontleend.
65
2n. Voornemen s.
Het tweede, wat de wil onder do meditatie moet verrichten, is goede voornemens vormen voor de toekomst. En dit is aan de meditatie zoo eigen, vooral voor religieuzen, die geen bloot beschouwend leven leiden, maar liet werkend met het beschouwend verbinden, dat zonder vorming van goede voornemens de meditatie niet aan haar doeleinde zal beantwoorden. Dan toch is haar doel niet slechts om een uur met God in het gebed door te brengen; maar door te mediteeren zijne ziel van de ondeugden te zuiveren, met deugden te sieren, geheel zijn gedrag te verbeteren en te volmaken, zich te bevestigen in den dienst van God, zieh te sterken tegen moeie-lijkheden en bekoringen, zijne handelingen zóó te regelen, dat men ze volmaakt verricht enz.; wat alles niet in de meditatie zal plaats hebben, tenzij door goede voornemens te vormen.
Uaar dit echter, zooals reeds blijkt uit hetgeen wij zoo even gezegd hebben, van het hoogste gewicht is, zoo moeten wij daarover eenige grondregels nauwkeurig, voor zoover de Goddelijke goedheid het ons gegeven heeft, samenstellen.
5
66
1°. Waar men gedurende de meditatie die voornemens moet maken, is duidelijk genoeg : te weten: tegen het einde der beschouwing van iedere practische leer aan het onderwerp dei-meditatie ontleend, zoonis hierboven bij de toepassing van het verstand gezegd is. Onder de vragen immers, die men zich onder de meditatie moet voorstellen, komt ook de volgende : Wat moet ik in het vervolg doen? In het antwoord op deze vraag zal het te vormen voornemen besloten zijn. Hiertoe behoort insgelijks de volgende vraag ; Welk beletsel moet ik verwijderen? Welk middel kiezen? â Wanneer de wil besluit te doen, wat het verstand bij het stellen dezer vragen heeft ingezien te moeten doen, is dit besluit zelf het voornemen; zulks belet overigens niet, dat men in den loop der meditatie, waar men iets ontmoet, dat gedaan of vermeden moet worden, daarover in het kort een voornemen kan maken. De ware plaats nochtans dier voornemens, «lie als waarachtige vrucht der meditatie beschouwd moeten worden, is voorzeker, gelijk wij gezegd hebben, tegen het einde dier vragen, die men zich onder de meditatie bij de toepassing van het verstand moet stellen. â Die vragen echter stelle men, zich, gelijk wij op zijn plaats gezegd hebben, bij ieder punt; en zoo in het eerste punt ver-
67
soheidene practische beschouwingen vervat zijn, dan stelle men zich die vragen, en vorme dus ook een voornemen bij iedere dergelijke practische beschouwing. â Uit de voorbeelden daar gesteld, zal het een ieder duidelijk blijken.
2°. Onze voornemens echter moeten p r a c-t i s c h zijn; dat is zoodanig, dat zij waarlijk de verbetering en volmaking van ons leven bewerken. Ik bedoel hier vooral, dat onze voornemens niet slechts moeten strekken ter beoefening van een of andere kleine devotie; zoo b. v. uit de meditatie over den dood moet men niet slechts het volgend voornemen opvatten : âdagelijks zal ik een Onze Vader en Wees gegroet bidden, voor hen, die op sterven liggen; en om mij oenen gelukkigen dood te verwerven, zal ik dagelijks dit of dat gebed tot de H. Maagd richten.quot; Ook die voornemens zijn wel goed, maar, zoo men zich daarbij bepaalt, niet toereikend. Doch opdat uwe voornemens inderdaad practiseh zijn, stel dan vast, wat gij voornamelijk te vermijden hebt, welke zonden, welk gebrek uit te roeien; en eveneens, welke deugd vooral te verwerven, om u tot een gelukkigen dood voor te bereiden; welken hartstocht gij moet ten onder brengen, en hoe. â Zulke voornemens noem ik practische.
68
3°. Onze voornemens moeten niet algemeen maar b ij z o n d e r zijn. Men kan nagaan, wat hierboven gezegd is, bij het behandelen der tweede vraag : âWelke practische leering moet ik daaruit afleiden'' en der vierde ; âHoe heb ik deze leer tot nu toe onderhouden.quot; Wat daar gezegd is, past ook hier zeer goed. Omtrent de voornemens moet hier nog bijgevoegd worden, dat deze op tweeërlei wijze ongeveer bijzondere voornemens kunnen worden. 1°. Zoo zij betrekking hebben op bijzondere gevallen; 2°. zoo in algemeene gevallen iets bijzonders wordt vastgesteld. â Door een voorbeeld zal ik de zaak in 't kort ophelderen. Gij maakt het volgend voornemen : âik zal geduldig zijn in alle tegenspoeden. quot; Uit voornemen is algemeen, en dus van geener waarde; tenzij misschien voor zeer spiritueele en volmaakte menschen. Maak dns uit dit algemeen voornemen een bijzonder, wat op twee wijzen kan geschieden : ten eerste, zoo gij zegt: âik zal geduldig zijn in deze en gene omstandigheden;'' terwijl gij die bepaalde omstandigheden uitdrukt, waarin gij weet, dat gij meermalen tot ongeduld bewogen wordt; ten tweede, zoo gij aldus zegt: , Zoo mij iets onaangenaams overkomt, zal ik denken, dat het weinig is, vergeleken bij de hel, die ik verdiend heb;quot; of â volgaarne zal ik dat ver-
69
dragen ter liefde van mijn gekruislen Jesus.quot; Op beide wijzen zult gij een bijzonder en dus goed voornemen maken. Het beste echter zal zijn, zoo gij een en hetzelfde voornemen op beiderlei wijze tot een bijzonder maakt â¢â¢ b. v. âIk zal geduldig zijn in deze en gene omstandigheden, door te denkeu, dat het weinig is vergeleken bij de hel, die ik verdiend heb enz.quot; â Zoo immers zult gij in uw voornemen zelve een middel hebben om het te onderhouden.
4°. Bat uwe voornemens met uw tegen-woordigen toestand overeenkomen. Vergelijk wat hierover gezegd is bij de S'10 vraag : âWat moet ik in het vervolg doen? ' Hier moet ik echter nog bijvoegen, dat onze voornemens zich niet moeten uitstrekken tot een nog lang verwijderden tijd; b. v. zoo een novice of seminarist aldus zijne voornemens zou vormen : âals ik priester zal zijn, zal ik dit en dat doen.quot; Dergelijke voornemens zijn over het algemeen nutteloos, zelfs aan geen gering bedrog onderhevig. Onze voornemens moeten dus doelen op onze tegenwoordige of althans niet ver verwijderde behoeften.
5U. Ja zelfs dagelijks moet men iets vaststellen tot verbetering of grootere volmaking van zijn leven, dat nog dien dag volvoerd moet worden. Gemakkelijk is zulks voor hen, die hun onderzoek van geweten met
70
ijver verrichten, en hunne gebreken, die zij bf zelf hebben opgemerkt, bf waaromtrent hun overste hen gewaarschuwd heeft, met ernst willen verbeteren. Hem immers, die zulks waarlijk ter harte neemt, valt het van zelf te binnen; en iedere meditatie, hoedanig het onderwerp ook zij, dient hem ter verbetering daarvan. Hetzij hij immers de liefde Gods, of Zijne bedreigingen tegen de zondaars, of het lijden van Christus, of Zijne glorievolle geheimen overweegt, of wel zijne eigene zonden of de deugden der Heiligen, immer zal het prac-tisch besluit hem voeren tot het bestrijden van zijne ondeugd. Dan vooral echter moet men dit in acht nemen, zoo wij door eene of andere aanvechting heviger worden benauwd, of door een of anderen hinderpaal meer worden vertraagd in den dienst van God; dan toch moet men, om mij zoo uit te drukken, alle wapenen, alle oorlogstuig daartegen, als hun eenig doel richten, om als overwinnaar uit het gevecht te treden â Vandaar, dat het ook duidelijk genoeg is, dat de meditatie dikwerf moet samenvallen met het onderwerp van het bijzonder onderzoek, en dat het bijzonder onderzoek zelf ten zeerste moet geholpen worden door de meditatie.
6°. Dat de voornemens goed steunen en bevestigd zijn op vaste gronden. Onge-
71
twijfeld zal dit plaats hebben, zoo men nauwkeurig de derde vraag behandelt. âWelke beweegredenen moeten mij aanzetten, om deze gevolgtrekking na te komenquot;? Zie, wat bij deze vraag hierboven gezegd is. Dikwerf dwaalt men hierin, dat, zoodra men gezien heeft, wat men moet doen, men terstond ook besluit, dat te doen. üie bereidvaardigheid van den wil is wel te prijzen.; doch dergelijke besluiten zijn dikwerf als huizen zonder grondslag op het losse zand opgetrokken, die dooiden minsten rukwind van bekoring of onvoorziene moeielijkheid ineenvallen. Opdat onze voornemens dus hecht zijn, moeten wij daarvoor hechte grondslagen leggen, die steunen op de eeuwige waarheden; door het verstand namelijk ten volle te overtuigen van het noodzakelijke, nuttige billijke, enz. om de zaak, waarover men handelt, te doen of te laten.
En dergelijke gronden moet men niet slechts eens of zeldzaam beschouwen, en dan zich overtuigd houden, dat men de beweegredenen, waarom men aldus moet handelen, reeds genoeg kent; maar dikwerf moet men datzelfde onder de meditatie herdenken, vooral omtrent de zaak, waarmede wij het meeste moeite hebben; als: het bestrijden onzer trotschheid, of het verwerven der nederigheid; of het afleggen van welke ondeugd dan ook, waaronder wij
72
gedrukt gaan; of het zich eigen maken eener deugd, waaraan wij meer behoefte hebben. Door eene herhaalde overweging dier gronden dringen zij diep in het hart door, en, zoo herhaalde oefeningen daar vervolgens nog bij komen, wordt de gewoonte der deugd verkregen.
7°. Dat onze voornemens allernederigst zijn, vol mistrouwen op ons zei ven. Het gebrek aan ootmoed in de voornemens is de hoofdoorzaak, waarom zij niet worden onderhouden, vooral bij hen, die ernstige voornemens maken, en een vasten wil hebben God te dienen. Onder do meditatie nemen zij vastelijk vóór, zich zoo en zoo te gedragen in deze en gene omstandigheden; maar terwijl zij aldus besluiten, vooral de beweegredenen, om zoo te handelen, doorschouwende, meenen zij reeds door een zeker geheim betrouwen op eigen kracht zeker te zijn, van aldus te zullen handelen; het schijnt hun zelfs onmogelijk anders te doen : en toch, zoodra zich eene gelegenheid aanbiedt bezwijken zij gewoonlijk. 1 !e oorzaak daarvan is niet, dat hunne voornemens niet oprecht waren; maar dat zij waren zonder ootmoed, zonder mistrouwen op zich zeiven en eigene krachten, terwijl God in zijne rechtvaardigheid en barmhartigheid hunne trotschheid vernedert. Wij moeten der-
73
halve in het maken onzer voornemens én onze eigene onstantlvastigheicl en zwakheid vreezen, én geheel ons betrouwen stellen in de genade en den Goddelijken bijstand, dien wij onder het maken onzer voornemens allernederigst moeten afsmeeken, tevens daarbij aanwenden en inroepen de voorspraak der Allerheiligste Maagd Maria, onzer Heilige Patronen, van onzen H Engelbewaarder enz. b. v.; âZoo nu ben ik wel is waar besloten o mijn God!. . . zoo wil ik handelen. . .; maar niets hiervan zal ik ten uitvoer brengen, o Heer, tenzij Gij mij ondersteunt. . . Genoeg reeds ken ik, reeds genoeg heb ik ondervonden mijne eigene bedorvenheid en onstandvastigheid, dan dat ik op mijne voornemens zou kunnen betrouwen. . . Maar op ü, o Heer! heb ik gehoopt en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden. Sta mij bij met uwe genade, wanneer de gelegenheid zich zal voordoen, om dit mijn voornemen in beoefening te brengen. Stel dan o Heer! die waarheid mij andermaal voor den geest, die ik nu, door uwe genade onderstennd, heb ingezien, versterk alsdan mijnen wil. â Wat zou het mij baten, o Heer! dat Gij mij nu door uwe genade hebt verlicht, om mij te doen kennen, wat ik moet doen, zoo ik volgens die kennis niet zou handelen. Help mij dus, o Heer! om Uwen heiligen naam; ik smeek
74
ii zulks bij de verdiensten van Jesus Christus, bij zijn goddelijk bloed, bij zijn allerheiligst hart. â Staat mij bij, gij mijne heilige Patronen; gij vooral o Maagd, heiige Moeder van mijn God en tevens mijne Moeder, die mij reeds met zoovele blijken van erbarming hebt voorkomen sta mij bij, smeek voor mij. â Mijn heilige Bewaarengel, spreek tot mijn hart, wanneer die gelegenheid zich voordoet, en help mij enz.quot;
Ten slotte, dat wij inet des te meer nauwkeurigheid deze hoogstgewichtige raadgeving-onderhouden, naarmate wij meermalen onze zwakheid en onstandvastigheid in onze goede voornemens ondervonden hebben.
Eindelijk zoo onze wil zich niet kan besluiten om een goed voornemen te vormen, moet men hem dwingen, door te strijden, geweld te gebruiken, aan te houden op de beweegredenen, vooral die der noodzakelijkheid, gelijk hierboven gezegd is bij de derde vraag âwelke beweegredenen enz,?quot; en vuriger God smeeken, dat hij onze op den grond ter neerliggende ziel oprichte.
§ 3.
OVER HET EINDE OF HET UITTREDEN.
Men is gewoon de meditatie te eindigen met
75
eenmaal het Onze Vader en Wees gegroet te bidden. Nogtans van dit uittreden alleen willen wij hier niet spreken. Eer men zoover komt, moet er iets voorafgaan, dat de meditatie besluit.
I. Zoo men meerdere voornemens, gelijk gewoonlijk geschiedt, in den loop der meditatie gevormd heeft, is het zeer aan te raden, dat men die tegen het einde der meditatie bijeenbrengt en bekrachtigt; want hoewel men dit ook nog naderhand, bij het onderzoek over de meditatie, moet doen, zoo zal het toch ten hoogste nuttig zijn, dit ook hier vóór het einde der meditatie, tegen dat men zijn sluitingsgebed begint, te verrichten. De vrucht daarvan, zonder op iets anders te wijzen, is op zijn minst genomen, dat de laatste oogenblikken der meditatie vuriger worden ; terwijl het integendeel dikwerf gebeurt, dat men tegen het einde, waarin wij geheel en al van het goddelijk vuur zouden moeten doordrongen zijn, op deerniswaardige wijze afkoelt. Derhalve dan voorzeker, als wij tegen het einde der meditatie van stof ontbloot zouden zijn, dan zeg ik, zal men dit beknopt overzicht der geheele meditatie en van al zijne voornemens aanwenden.
II. Vóór het Onze Vader en Weesgegroet moet nog een gebed voorafgaan, dat de H.
76
Ignatius eene samenspraak noemt: men richt deze tot God, of tot Jesus Christus, of tot de H. Maagd, of tot een anderen Heilige, overeenkomstig het onderwerp der meditatie In deze samenspraak zal men :
1°. indachtig zijn, wat hier boven omtrent de gevoelens gezegd is, dat men niet moet letten op de worden, maar op de beweging des harten. Wil niet bekommerd zijn, op wat wijze of onder welke woorden gij uwe samenspraak zult verrichten ; dat het hart, het gevoel spreke.
2°. de genade afsmeeken, om de gemaakte voornemens ter gelegener tijd ten uitvoer te brengen (een voorbeeld hebt gij onder het aangemerkte bij 7., dat onze voornemens nederig moeten zijn). Men voege hier echter alle voornemens, gedurende den loop der meditatie gemaakt, bijeen, al zou men ze ook niet afzonderlijk opnoemen.
III. In plaats van het gewone Onze Vader en Wees gegroet kan ook ieder ander mond-gebed tot slot der meditatie gebruikt worden, en dit schijnt geheel en al overeenkomstig den geest van den H. Ignatius. Dikwerf zelfs is men gewoon tusschen het Onze Vader en Wees gegroet het gebed : âZiel van Christus enz.quot; te voegen ; wat men zeker moet doen, zoo de meditatie over een geheim van onzen
77
Heere Jesus geweest is. â Zoo de meditatie geweest is over den Heiligen Geest, zou het voegen haar te sluiten met: âkom schepper enz.quot; of âkom Heilige Geest enz.quot; â Is zij geweest over de Goddelijke weldaden met: âU o God prijzen wij enz.quot; â Is zij geweest over een Heilige, met het gebed van dien Heilige of tot dien Heilige, zoo het bij de hand is. â Gemeenlijk voegt men er echter nog ten slotte het Onze Vader en Wees gegroet aan toe.
IV. Onder die laatste mondgebeden, zoo zij veelvoudig zijn, kan men geschikt eenige samenspraak tusschen voegen. Niet zelden geeft de H. Ignatius de volgende wijze aan: lste vraagt men aan de H. Maagd Maria, dat zij ons die genade, die wij wenschen, afbidde bij haren Zoon O. H. J.-C, en sluit dit met een Weesgegroet; 2dc vraagt men de barmhartigheid van O. H. J.-C., dat hij als onze opperste Middelaar ons diezelfde genade afbidde bij zijn He-melschen Vader, en zelf ons die schenke, daar toch âaan Hem alle macht gegeven is in den Hemel en op aarde;quot; en sluit dit met het gebed: âZiel van Christus;quot; 3de smeekt men den Eeuwigen Vader, dat hij ons door en om Jesus Christus die genade schenke, en bidt dan het Onze Vader, waarmede de meditatie gesloten wordt.
Daarna staat men eerbiedig van dat verkeer
78
met God op, in zijne tegenwoordigheid verblijvende Onmiddelijk na de meditatie moet men zich ten zeerste voor iedere verstrooiins: hoeden. Moet men terstond uitgaan, dan zal men met de grootste zorg de zedigheid in acht ne-med, zoo men niet in één enkel oogenblik de vrucht van een geheel nnr arbeids wil verliezen. â Spoedig daarop zal men met het onderzoek zijner meditatie beginnen, waar over nog in 't kort iets gezegd moet worden.
DERDE HOOFDSTUK.
Wat men na de meditatie te onderhouden heeft.
Na de meditatie volgt gewoonlijk naar het voorschrift van den H. Ignatius het onderzoek, of zooals men gewoon is te zeggen: d e r e-flexie. Hierover moet men vooraf bemerken, dat zij niet slechts allernuttigst, maar volstrekt noodzakelijk is, zoowel om de kunst van mediteeren te leeren, als om de vrucht in de meditatie opgedaan in te oogsten. Men leeft soms lang als religieus, doet dagelijks zijne meditatie, en is nochtans onervaren in de kunst van mediteeren; daar men of in 't geheel geene reflexie of ze slecht doet. Men doet dagelijks eene meditatie, overweegt do eeuwige waarheden, en in 't licht dier waarheden worden voornemens gemaakt ter verbetering van het leven; en toch leven in de ziel immer dezelfde hartstochten, blijft men hangen aan dezelfde fouten en gebreken; dikwerf heeft dit grootendecls zijn oorzaak in het verwaarloozen der reflexie. Laat ons wel overtuigd zijn, dat
80
van alles, wat de H. Ignatius heeft voorgeschreven om met vrucht te mediteeren, niets overbodig is : alles daarvan hangt onderling zatnen, gelijk de schakels van éénen keten ; wordt daar één schakel van los gemaakt of gebroken, dan is de keten of geheel en al ongeschikt voor haar doel, of zeker minder geschikt.
Vormen wij dus het vaste besluit, na de meditatie nimmer de rellexie achterwege te laten; en, zouden wij soms terstond na de meditatie verhinderd zijn, haar toch immer te doen, al is het dan ook wat later. Men doet beter eenige andere gebeden en devoties, die men zich naar willekeur had voorgeschreven, achter te laten. Hoe prijzenswaardig ook, zij zijn minder noodzakelijk dan de reflexie.
Hoewel de H. Ignatius deze reflexie tot het bloot onderzoek over de volbrachte meditatie schijnt bepaald te hebben, zoo kan toch dit onderzoek zelf ter nauwernood zonder eenige herhaling geschieden. Waarom men ook gewoon is voor de reflexie twee deelen aan te geven ; te weten : het eigenlijke o n d e r-zoek, en de herhaling ofbeknopte zamenvatting der meditatie.
1°. Hot onderzoek.
Nadat men derhalve de meditatie volbracht
81
heeft, onderzoekt men, hoe zij is afgeloopen. Hier moet men nagaan, hoe men zich gedragen heeft, zoowel in de voorbereiding als in de eigenlijke meditatie.
I. Over d e v oor bereid i ii g, b v. of ik quot;s avonds de pnnten aandachtig gelezen of ge-hoord hel) ? - Of ik vervolgens de ingetogenheid des geestes bewaard heb? - Of ik, na mij ter rust begeven te hebben, eer ik insliep, het onderwerp der meditatie mij in het geheugen heb teruggeroepen ? - Of ik 's morgens, alle andere gedachten uitsluitende, mij dat zelfde onderwerp heb te binnen gebracht ? -Of ik, zoowel onder het aankleeden en wasschen, als bij het gaan van de eene plaats naar de andere, gevoelens overeenkomstig dat onderwerp in mij heb opgewekt? - Of ik de rust des harten heb bewaard, vooral onmiddelijk voor de meditatie? - Of ik vóór het begin der meditatie staande een oogenblik heb nagedacht, wat ik ging doen, der Goddelijke tegenwoordigheid indachtig ? ⢠Uit ongeveer over de voorbereiding
II. Over de eigenlijke meditatie moet men zich onderzoeken omtrent het intreden, de ontwikkeling en het uittreden.
10. Over het intreden b. v. Met welk een eerbied, aandacht en godsvrucht heb ik mijn voorbereidingsgebed verricht? - Heb ik de inleidingen onderhouden, vooral de
6
82
tweede, door verlichting en bijzondere genade, overeenkomstig het onderwerp der meditatie, af te smeeken?
2°. O v e r de ontwikkeling b. v. Heb ik de vermogens mijner ziel goed aangewend? - Mijn geheugen door het onderwerp aandachtig na te gaan? -Mijn verstand door te redeneeren volgens de vragen ; âWat moet ik hieromtrent beschouwen?quot;......Welke practische leer enz.quot;? -
Heb ik de beweegredenen goed doordacht; het noodzakelijke, het nuttige, het passende enz.quot; - Mijn w i 1 door gedurende den loop der meditatie godvruchtige gevoelens op te wekken? - Heb ik ernstige voornemensgemaakt ter verbetering en volmaking van mijn leven? -Heb ik mijn voornemens doen vergezeld gaan van een nederig smeeken om bijstand enz?
Heb ik in dit alles de invallende verstrooiingen overwonnen, of ten minste niet toegelaten? Ben ik den afkeer, die mij misschien overviel, te boven gekomen, of heb ik dien ten minste veracht, en daarom niet nagelaten mijne aandacht naar best vermogen te vestigen ? - Heb ik mijne toevlucht genomen tot de eerste inleiding, zoo deze zoodanig was, dat zij mijne ronddwalende verbeelding kon staande houden, en vestigen op het voorgestelde onderwerp?-Heb ik mijn verstand aldus ijverig aangewend
83
op alle punten en op ieder afzonderlijk ? - enz.
3°. Over het uittreden b. v. Heb ik de samenspraak verricht met ijver en nederig afsmeeken om genade? - Heb ik de loomheid, die ons soms tegen het einde wil overmeesteren, van mij afgeworpen? - Heb ik de meditatie eerbiedig geëindigd ?
Eindelijk, heb ik van het begin tot aan het einde volgens mijne krachten gezorgd, om aan de Goddelijke genade te beantwoorden? - Mijne zielsvermogen ernstig aangewend ? - Eene behoorlijke lichaamshouding in acht genomen? -Inwendigen en uitwendigen eerbied onderhouden? - Ue meditatie niet zonder noodzakelijkheid onderbroken of afgebroken?- Of zoo die noodzakelijkheid bestond, heb ik dan toch de rust des harten en ingetogenheid des geestes bewaard? enz.
Dat niemand echter bij dit onderzoek zich verontruste door dit aantal van vragen, dat nog veel zou kunnen vermeerderd worden. Mits men wete, hoe men moet mediteeren, zal men dra gemakkelijk zien, waarin men ontbroken heeft, ons eigen geweten zal dat genoegzaam aanduiden en ons aanklagen. Door gelijk wij gezegd hebben de meditatie in hare dealen te doorloopen, de voorbereiding, het intreden, de ontwikkeling en het uittreden, dan zal ter nauwer-
84
nood een gebrek, dat wij mochten bedreven hebben, ons kunnen ontsnappen
âIs de meditatie slecht gegaan, zegt de H. Ignatius, dan zal ik de redenen daarvan met leedwezen en voornemens van verbetering opsporen.quot; In hetgeen wij zoo juist gezegd hebben, zal men gemakkelijk de redenen kunnen ontdekken. Zoo men daarin echter de reden van den slechten afloop niet vond, dat men dan eens onderzoeke over de meerverw ij -derde voorbereiding : over de ingetogenheid zijner ziel gedurende den dag, over het onderhouden zijner regels, over de zuiverheid zijns harten, over de beoefening der versterving enz. Want het is zeker, dat God dikwerf onze gebreken, buiten het gebed bedreven, onder ons gebed straft; en daarentegen den ijver, in onze overige verrichtingen, die op zijn dienst betrekking hebben, dikwerf op de ruimste wijze in ons gebed beloont. â Vindt men echter in het geheel geen reden van den slechten afloop, dat men zich toch vernedere, in de overtuiging, dat er eene onbekende reden bestaat. Dat men zich echter zoo vernedere, zonder daarom al te angstig te worden; maar met eene volkomene onderwerping aan het Goddelijk welbehagen.
Overigens, dat men de woorden van den H. Ignatius goed overwege: âik zal de redenen
85
daarvan met leedwezen en voornemens van verbetering opsporen.quot; Dit toch is de voornaamste vrucht van de reflexie, dat wij leeren mediteeren, en ons gewoon maken goed te mediteeren. Zoo wij dus dagelijks doen, wat de H. Ignatius ons hier voorschrijft, zullen wij, onder de medewerking der Goddelijke genade, ons die kunst gemakkelijk verwerven. âIs de meditatie goed gegaan, zegt verder de H. Ignatius, dan zal ik God bedanken, en tevens het voornemen maken, in 't vervolg op dezelfde wijze voort te gaan;quot; dat is: immer met dezelfde orde, met denzelfden ijver, de meditatie te volbrengen.
2°. De korte samenvatting.
Deze korte samenvatting is het tweede, wat wij behalve het onderzoek, of liever met en in het onderzoek, gedurende de reflexie te doen hebben.
Men herhale namelijk bij zich geheel den loop der meditatie; wat in het Is 16, wat in het 2tllt;:, wat in het 3tle punt was voorgesteld, En terwijl in deze volgorde de bedrevene fouten worden opgespoord, ja van zelf te binnen vallen, herinnert men zich tevens, welke prac-tische gevolgtrekkingen men uit ieder punt hesft afgeleid, met welke beweegredenen men
86
die bevestigd, onder welke gevoelens men die in de ziel opgenomen, welke besluiten men gevormd heeft. â Heeft men ergens eene bijzondere verlichting gehad, eenige waarheid helderder dan gewoonlijk ingezien; heeft eenige waarheid, gezegde, of beweegreden onze ziel inniger getroffen, dat men dit dan herdenke, op nieuwe smake en naga, en het dikwerf naderhand zich voorstelle om het te herdenken, op nieuw te smaken en na te gaan. Dat men de voornemens, gedurende den loop der meditatie gemaakt, bevestige, en den tijd dei-uitvoering bepale, op nieuw, zoo mogelijk, de gelegenheden voorziende. Ten slotte smeeke men nog in het kort Gods bijstand af, ter getrouwe volbienging onzer voornemen.
Ofschoon men gemeenlijk tot dit alles geen vol kwartier behoeft (want de H. Ignatius zegt nog : âgedurende ongeveer een vierde uurs,quot;) zoo is het toch noodig, om het goed te doen, dat men zich daartoe eenige tijdruimte gunt: op zijn minst een half kwartier of 10 minuten. â Twee of drie minuten is voorzeker niet genoeg. â Die zich waarlijk met ijver toeleggen op geestelijken vooruitgang en volmaking, zullen door het overgroot nut van zoodanige reflexie, door eigene ondervinding bevestigd, aangespoord worden, om ze met zorg te doen.
De reflexie zal hun een oogsttijd zijn der
87
vruchten, die de meditatie heeft opgeleverd, en die zonder reliexie nutteloos zouden verloren gaan. Wat meer is, het gebeurt zelfs niet zoo heel zeldzaam, dat men die inwendige zoetigheid der godsvrucht, waarnaar men te vergeefs gedurende de meditatie zelve getracht heeft, onder de reflexie geniet; en, zoo men onder de meditatie dor gebleven is en zonder goede verlangens en voornemens, hetzij met of zonder zijne schuld, de reflexie, onder Gods beschikking, alles aanvult; en men alsdan goede voornemens maakt, niet minder doeltreffend, dan wanneer zij onder de meditatie zelve gemaakt waren. In waarheid, in dit alles geldt ondervinden veel meer dan zeggen of schrijven. Ongeloofelijk en alle begrip te bovengaande is de Goddelijke Goedheid, die allen, die slechts ernstig eenige zorg willen aanwenden, met Zijne genade ter zijde staat, om hen te bemoedigen, dagelijks grootere zorg aan te wenden, en zoo wederkeerig door hunnen Heer met grootere genadegaven en immer vrijgever overladen te worden.
Men kan ook nog bij de reflexie eenige hulpmiddelen voegen, waarvan velen zich met groot nut bedienen, om hunne voornemens ten uitvoer te brengen. Zij kiezen namelijk overeenkomstig met het onderwerp hunner meditatie en met hunne voornemens een of
88
ander schietgebed, dat zij dikwerf gedurende den dag herhalen, en zoo èn de meditatie zich in het geheugen terugroepen, èn de gewaakte voornemens zich zeer geschikt te binnen brengen. Zoo men, gelijk op zijn plaats is opgemerkt, de vrucht der meditatie tot het onderwerp van het bijzonder onderzoek heeft teruggebracht, ziot men gemakkelijk in, hoe groot een geestelijk voordeel dit zal moeten aanbrengen. Dikwerf schenden wij onze voornemens, omdat de waarheden, in wier licht wij ze hadden gevormd, in onzen geest verduisteren, of er uit verdwijnen. Dit zal dus een middel zijn, om dat licht in onze ziel te bewaren. Niets anders toch maakte de Heiligen heilig, dan dat zij het licht der eeuwige waarheden immer in hun geest tegenwoordig hielden, en daardoor, onder medewerking dei-Goddelijke genade, krachtdadig werden opgewekt, om immer volgens die waarheden in alles hun leven in te richten.
Eindelijk moet men ook dit voorschrift niet verwaarloozen, dat bijna overal wordt gege ven, en hun, die zich op de volmaaktheid toeleggen, eigen is; te weten: iets van de meditatie op te teekenen, dat men daarna van tijd tot tijd zal nalezen. Men teekene echter zijne bijzondere verlichtingen én zijne voornemens aan; want zoo men slechts alleen voor-
89
neraens zou opteekenen, zonder er eenige beweegredenen bij te voegen, waarom zij zijn opgeval, zal zulks dikwerf alle kracht missen, om ons tot het onderhouden ervan aan te zetten. â Men teekene derhalve op de eerste plaats die verlichtingen aan, dat is, die goed doorschouwde waarheden, die lichtstralen, die goede gedachten, die beweegredenen, die de ziel hebben aangezet, om dergelijke besluiten te vormen. Dit toch, wanneer het vervolgens te gelijk met de voornemens op zijn tijd herlezen wordt, zal krachtdadiger opwekken tot hunne getrouwe naleving. In het algemeen moet men dit echter niet met veel woorden opteekenen, maar geheel in 't kort en duidelijk. Men moet ook niet alle voornemens opschrijven, maar slechts de voornaamste, of wier toepassing niet dagelijks voorkomt. Wat toch op de dagelijksche handelingen of gebreken betrekking heeft, wordt veel beter door eeue terstond volbrachte uitvoering cn dagelijksche toepassing onthouden, dan door het aan te teekenen.
Overigens dat opschrijven onzer verlichtingen en voornemens moet men vooral tijdens de jaarlijksche afzondering onderhouden; dan toch moet men niet voor een of anderen dag de handelingen regelen, maar geheel zijn leefregel, voor geheel een jaar, in sommige opzichten
90
zelfs vooï geheel zijn leven Vtiststellen. Maar dit even in 't voorbijgaan aangeraakt te hebben, zij genoeg.
Niets blijft er nu meer over, dan te herhalen, waarmede wij begonnen zijn : dat de kunst van mediteeren tot de wetenschap der Heiligen behoort, en veel minder door men-schelijke voorschriften wordt medegedeeld, dan wel door de zalving des Heiligen Geestes en een werkdadig zielsverlangen. Al de hier medegedeelde voorschriften, al kende men ze ook nog zoo goed, zouden voorzeker niets baten, tenzij men ze opvolgt met een waar verlangen om vooruit te galt;in, zooals van zelf blijkt. Maar dal verlangen zelf om vooruit te gaan, en dat opvolgen aller voorschriften, zal nog niet baten, zoo de genade des Heiligen Geestes ons niet ter hulp komt.
't Is immers geen menschelijk, maar goddelijk werk. Men mag echter volstrekt niet twijfelen, of de barmhartige en oneindig goede God zal ook hen, die goed willen, ter zijde staan; want die goede stemming van den wil, om in de deugd vooruit te gaan, is op zich zelve reeds een groote gave Gods. Dat wij derhalve de middelen, gelijk wij kunnen, met de hulp der goddelijke genade gebruiken, en tevens dikwerf van God afsmeeken : âHeer! leer mij bidden, leer mij mediteeren; geef mij
91
de gave des gebeda.quot; â âAlle goederen zullen ons te gelijk met haav geworden, en ontelbare rijkdommen ons door hare handen toekomen.quot; â âWant zij is den mensohen een onuitputtelijke schat; en zij, die er gebruik van gemaakt hebben, zijn aan Gods vriendschap deelachtig geworden.
BEKNOPT OVERZICHT.
Eer men zich de wijze van mediteeren min of meer heeft eigen gemaakt, zal men goed doen, dit beknopt overzicht onder de meditatie voor zich te hebben, om niet, door al te groote zorg voor eene nauwkeurige opvolging der verschillende deelen, van het e genlijk onderwerp der meditatie te worden afgetrokken.
EERSTE HOOFDSTUK.
Wat men vóór de meditatie moet onderhonden.
1°. Meer v e r w ij d e r d e voorbereiding.
Tracht hoovaardigheid, veinzerij, zinnelijkheid en uitbundigheid af te leggen - en ootmoedigheid, versterving en ingetogenheid te beoefenen.
2°. Naaste voorbereiding.
Bereid 's avonds te voren uwe meditatie; verwek in uw hart gevoelens, die op de meditatie betrekking hebben, eer gij inslaapt, bij uw ontwaken en onder uw aankleeden; tracht kalm en bedaard de meditatie te beginnen.
93
TWEEDE HOOFDSTUK.
Wat men onder de meditatie moet onderhouden.
§ 1. IN HET INTREDEN.
1°. Stel u iu de tegenwoordigheid van God. 2°. Bid neergeknield het voorbereidingsgebcd. 3°. Verricht de inleidingen
a) Herinner u in 't kort de geschiedenis
der meditatie.
b) Vorm u de plaats voorstelling,
c) Bid om verlichting van het verstand
en beweging van den wil.
§ 2. IN DE ONTWIKKELING.
I. Werking van het geheugen. Breng in uwe gedachten de stof der meditatie
met al hare omstandigheden: wie, wat, waar met welke middelen, waarom, hoe, wanneer, enz.
II. Werking van het verstand. 1°. Wat moet ik beschouwen?
2°. Welke practische leer moet ik daaruit afleiden ?
3°. Welke beweegredenen moeten mij daartoe aanzetten? Het passende, het nuttige, het aangename, het gemakkelijke, het noodzakelijke.
4°. Hoe heb ik dit tot nu toe onderhouden?
94
5°. Wat staat mij in liet vervolg te doen ?
6°. Welk beletsel moet ik uit den weg ruimen, welk middel kiezen?
III. Werking van den wil.
1°. Wek door geheel de meditatie heilige gevoelens op van liefde, vrees, droefheid, betrouwen enz., met het hart meer dan met den mond.
2°. Maak goede voornemens bij het einde van ieder punt of besluit; dat zij practisch zijn, niet in het algemeen, overeenkomstig uwen tegenwoordign toestand, voor dien dag zelf, op goede beweegredenen steunende, nederig, en onder een ootmoedig smeeken om Gods bijstand.
§ 3. IN HET UITTBEDEN.
1°. Doe eene korte herhaling der voornemens, en gronden, waarop zij steunen.
2°. Houd eene vurige samenspraak met Jesus, met Maria enz. en smeek om de genade van uwe voornemens te volbrengen. Sluit met een Onze Vader en Wees gegroet.
DERDE HOOFDSTUK.
Wat men na de meditatie moet onderhouden.
1°. Stel een onderzoek in, hoe gij uwe meditatie
verricht hebt volgens hare verschillende deelen.
95
2°. l)oe tevens eene geheele herhaling volgens de punten, die gij hebt overwogen.
3°. Kies u een schietgebed of geestelijke spreuk, om u door den dag aan uw voornemen te doen denken.
TWEEDE WIJZE
VAN
inwendig gebed.
Deze wijze van bidden of mediteeren bestaat eenvoudig' daarin, dat men een of ander gebed woord voor woord nagaat, de beteekenis daarvan tracht te doorgronden, en zoolang bij ieder woord blijft stilstaan, als men daar geestelijken smaak of inwendige vertroosting in vindt Ook hier zij nogmaals opgemerkt, dat men geene verhevene gedachten noch overvloed van woorden behoeft, om op deze wijze goed te bidden; want steeds blijft het waar, dat het hart en niet de mond het gebed goed maakt» en dat de vertrouwelijke omgang des Heeren met de eenvoudigen van harte is.
Eer men hiermede begint, vrage men ziek echter, gelijk altijd, ernstig af; âwat ga ik verrichten; met wien ga ik spreken?quot; En na zich dus ten volle bewust van zijne onmacht en onwaardigheid geheel in Gods tegenwoordigheid gesteld te hebben, knielt men bedaard neder, met hartelijken eenvoud God de genade vragende, om zijn gebed goed te verrichten. Zeer geschikt smeekt men zulks af door tus-
97
schenkomst van hem, tot wien het gehed, dat men gaat overwegen, gericht is.
Ieder gebed kan natuurlijk op deze wijze gebeden worden. Hij voorkeur echter raadt men gewoonlijk aan : âOnze Vader, ' âWees gegroet, âIk geloof in God den Vaderquot; enz. ; in één woord, gebeden, die men meermalen bidt, om daardoor met meer aandacht en vrucht zijne gewone gebeden te verrichten.
Uitdrukkelijk merkt de B. Ignatius ook hier wederom op, dat, zoo men soms zooveel smaak en godsvrucht bij het eerste woord reeds ondervond, dat men daar geheel den tijd der meditatie mede zou kunnen doorbrengen, men dan, onbezorgd voor het overige, zich bij dat ééne woord moet bepalen, een volgende gelegenheid met het overige op gelijke wijze doorgaande.
Is het uur der meditatie of de tijd, die men aan dat gebed wilde besteden, verstreken, dan eindige men met een Onze Vader en Wees gegroet, God nogmaals srneekende door de voorspraak van dien Heilige, tot wien het gebed, dat men overwogen heeft, bijzonderlijk gericht was, om die genaden en deugden te verwerven, waaraan men de meestebehoeftegevoelt.
Een voorbeeld hier bijgevoegd zal sommigen misschien aangenaam zijn. Het zal echter
7
98
onnoodig zijn op te merken, dat in het volgen van flit voorbeeld men veel meer in bijzonderheden kan en moet treden. â Men zou dus b. v, ongeveer op de volgende wijze kunnen mediteeven, over :
Het gebed des Heer en.
Onze Vader. Zoo mijn God durf ik tot U naderen; ik Uw schepsel, het maaksel Uwer handen. . . tot U, God van oneindige glorie en majesteit. . . Uw eeniggeboren Zoon, in wien bij van eeuwigheid Uw welbehagen gesteld hebt, heeft mij immers aldus geleerd en gemachtigd, om tot U te spreken. Vader, ja mijn Vader zijl Gij; en ik, ik ben Uw kind. Zwak en machteloos ben ik; maar daarom juist mijn Vader! nader ik tot U vol ootmoed en betrouwen, U biddende en smeekende mijn hart geheel en al in een waar en oprecht kinderhart te veranderen, opdat het voortaan in vollen eenvoud en erkentelijkheid U mijn Vader, en U alleen aanhange. â Mocht ik tooh eens goed begrijpen, wat het zeggen wil. God tot Vader te hebben, dien Almachtige en Algoede als kind te mogen dienen en beminnen. . . Hoe zou ik dan walgen van alles wat aardsch en zondig is, en waar-
99
lijk ondervinden, dat de last des Heeren licht, zijii juk zoet is.
Die in de hemelen zijt. Daar troont Gij in de volheid Uwer eeuwige glorie, met onsterfelijken luister omkleed, U zeiven geheel genoegzaam, en niets behoevende builen U. .. En toch met oneindige liefde hebt Gij mij, uit louter goedheid bemind; mij, toen ik nog verzonken lag in satans boeien. Nu echter nu ik ben rein gewassohen in het. Goddelijk Zoenbloed, nu Uw Goddelijk beeld en gelijkenis in mij zijn hersteld, nu ik, als Uw aangenomen kind, wederom recht heb gekregen op den Hemel, om daar voor een wig met, door, en in U te leven en te genieten. . . neen! nu kent Uw goedheid en liefde voor mij geene grenzen meer. . Met wat innig betrouwen moet ik dan niet opzien naar dien troon van erbarming en genade, waar alleen kracht en sterkte, troost en waar zielsgenot te vinden is. â Hoe walgt mij de aarde als ik den Hemel aanschouw. Mijn hart is te groot, te edel! Gij, o mijn God ! Gij hebt mij te verheven geschapen, dan dat al het vergankelijke en nietige der aarde mij ten volle zouden kunnen verzadigen: maar in U, in U o mijn God! vindt mijn hart alles, in U kan het geheel zich bevredigen, in U geheel gelukkig zijn.
Geheiligd z ij Uw naam. Zoo zin-
100
gen, zoo jnbelen de tallooze koven, die Uwe Godheid omgeven; het driewerf heilig, heilig, heilig, raischt in onafgebroken akkoorden den Hemel rond. En toch, in het volle bewustzijn mijner nietigheid, durf ik mijn zwakke stem met die Engelentonen mengen. Gij immers, o mijn Vader! Gij schept er behagen in, dat Uw kind Uw glorievollen naam prijze en ver-heffe â Maar, o mijn God' niet slechts mijne woorden, dat mijne daden ook Uwen lof verkondigen. Dat ik door mijne werken toone er waarlijk prijs op te stellen een Christen te zijn. een lidmaat dier eenig zaligmakende Kerk, waarin die zeven bronnen ontspringen, die in mij het leven der genade moeten onderhouden. Dat ik toone in al mijne handelingen, in al mijn doen en laten, dat ik waarlijk Uw naam wil heiligen en eeren; dat ik nooit en nimmer, om wien ter wereld dan ook, dien naam ontheilige en onteere door eetii ie zonde, vooral niet, o mijn God! door eene zonde, die mijner ziel den dood zou geven. â ó Mijn God nog eene bede! Mocht ik toch iets bijdragen, om Uw naam te heiligen in het hart van anderen, te bevorderen voor de zaligheid van allen! Zijn mijne werken daartoe onmachtig, mijne gebeden te zwak; ik draag ze U op, o mijn God! in vereeniging met het Goddelijk Otterbloed, met het Goddelijk Hart van Jesus,
101
dat alles kan heiligen en verdienstelijk maken voor Uw Goddelijk aanschijn; en daarmede vereenigd, durf ik U smeeken voor de zegepraal en uitbreiding der Katholieke Kerk, voor de heiliging van Uw naam over geheel de aarde.
Laat ons toekomen Uw rij k. 't Is veel, 't is overveel, mijn God en Vader, wat ik U hier vraag. Ik zwak en onmachtig sterveling, ik vraag U te deelen in Uwe glorie, te genieten Uw geluk; U van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen, te beminnen, te bezitten, en (lat voor eeuwig. Doch o liefdevolle Vader! niet om eigene verdiensten, maar het is nog immer steunende op het gebod van Uwen Goddclijken Zoon, dat ik aldus tot U durf smeeken; 't is nog immer krachtens diezelfde goedgunstige verheffing en onbegrijpelijke aanneming tot Uw Goddelijk kindschap, dat ik aldus tot U durf naderen. Zijn wij toch kinderen van U, dan zijn wij ook broeders van Uw Eeniggeborene, medeërfgenamen van Christus; en ten overvloede blijft ons nog borg Zijn onfeilbaar woord: âdie overwonnen zal hebben, zal ik met mij doen zitten op mijnen troon, gelijk ik overwonnen heb en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.quot; Laat mij dan verwinnen, laat mij zegepralen, opdat ik gelukkig en zalig zij met U, verwinne en zegeprale in de eeuwen der eeuwen.
102
Uw wil geschiede. Wat zon een kind betev wenschen, dan dat de wil zijns Vaders alom worde volbracht; vooral zoo die Vader de goedheid zelve is, en diens vaderschap alle begrip te boven gaat. Doch hoe, o mijn God! heb ik tot na toe met U gehandeld? In mijne inwendige moeielijkheden, in mijne uitwendige lasten, heb ik mij niet dikwerf ten Uwen opzichte gedragen, alsof ik zelf beter wist dan Uwe Vaderlijke goedheid, wat mij dienstig, wat mij noodig was? Uw wil geschiede riep ik misschien nog met de lippen, maar mijn hart was er ver-van af, in dat alles blijken Uwer zorgen, blijken Uwer liefde te erkennen. Maar voortaan zij de eenige bede mijns harten, de eenige wensch van al wat in mij leeft, dat Uw wil. Uw heilige, nooit te volprijzen, wil in mij en in alles ten volle geschiede. Heel en wond. Uw wil geschiede. Troost en be proef, Uw wil geschiede. Slechts éene zaak smeek ik U; laat mij nooit Uwe heiligma-kende genade, uw goddelijk kindschap verbeuren, laat mij U nooit door eene vrijwillige zonde drijven uit mijn hart.
Op de aarde als in den Hemel. Zoo zij het o mijn God ! Gelijk in den Hemel alles naar uw wenk en wil geschiedt, zoo ook hier op aarde. Gelijk de Engelen en Heiligen hun hoogste geluk stellen in het volbrengen van
103
Uw heiligen wil, zoo zal ik ook voortaan met de hulp Uwer genade mijn hoogste geluk stellen in het kennen en volbrengen van Uwen heiligen wil. Uw wil zij voortaan mijn wil. Uw wil mij kenbaar gemaakt, hetzij door Uwe Goddelijke geboden, hetzij door de geboden Uwer Kerk, hetzij door de stem mijner oversten, of van mijn geestelijken leidsman, die mij namens U toespreken en besturen, die wil zij voortaan het eenige richtsnoer mijner handelingen. Die wil moge offers vragen, mij lastig vallen, in strijd zijn met mijne bedorven neiging: niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde op de aarde als in den Hemel. Geef mij daartoe Uwe genade, o mijn God en Vader! Gij kent mijne zwakheid; Gij weet hoe machteloos ik ben zonder U.
Geef ons heden ons dagelijksch brood. Wat een geluk zoo vol betrouwen te mogen naderen tot een liefdevollen en opper-machtigen Vader, die zoo gaarne van de schatten zijner genade mededeelt aan mij zijn behoeftig kind. Want ben ik onmachtig volgens Uw eigen woord om uit eigenekracht denzoeten naam van Jesus, met verdiensten voor den Hemel, uit te spreken; hoeveel te meer ben ik onmachtig, om in de deugd, in het volbrengen van Uw heiligen wil te volharden, zoo Gij mij niet door Uwe alvermogende genade ondersteunt, mijne
104
zwakheid in kracht verandert. Wat toch het vergankelijk brood, de aardsche spijzen zijn voor het leven van mijn lichaam, dat, o mijn God! is Uwe genade voor hot leven mijner ziel. Voor eene bovennatuurlijke bestemming hebt Gij mij geschapen, bovennatuurlijke, Goddelijke krachten behoef ik dus ook, om dat einde te bereiken. Gij zult mij die genade schenken, Uwe eeuwige belofte is mij ten waarborg, zoo ik er U slechts in vollen ootmoed en kinderlijk betrouwen om smeek. Zie mij dan geknield voor Uw Goddelijk aanschijn; in het innig bewustzijn mijner onwaardigheid, bid en smeek ik U, geef mij heden en dagelijks die Hemelsche spijze mijner ziel, om in haar het bovennatuurlijk leven te onderhouden. Schenk die Goddelijke verlichting aan mijn verstand, opdat ik mij niet door de drogredenen eener bedriegelijke wereld late misleiden; schenk die Goddelijke kracht aan mijnen wil, opdat hij niet door mijne bedorvene natuur worde medegesleepl, en door de zonden zich van U, zijn eeuwig goed verwijdere
Vergeef ons onze schulden. Na zooveel reeds ontvangen, zooveel nog afgevraagd te hebben, durf ik toch nog, o mijn God! om vergeving bidden voor al het misbruik Uwer goddelijke genadegaven, om vergeving smee-ken voor al mijne zonden. Uwe aanhoudende
105
weldaden zetten mij zelfs aan, om ook dit nog vol betrouwen U te vragen. Vergeving o mijn God! vergeving! Schep in mij een nieuw, een rein hart; dat ik een nieuw leven beginne, een leven dat voortaan, met de hulp Uwer genade, geheel aan U zal zijn toegewijd. Hoe toch zoudt Gij behagen kunnen scheppen in Uw kind, bezoedeld met het slijk der zonden. Wisch die vlekken dan nogmaals af; wasch mij andermaal rein in het bloed van Uwen Goddelijken Zoon. Ben ik al niet waardig uw kind genoemd te worden, zijn bloed, zijn Goddelijk bloed, roept nog voor mij, neen! niet om wraak maar om vergeving. Zijn bloed, zijn Goddelijk bloed, tot den laatsten druppel voor mij vergoten, ik ben er zeker van, zal nogmaals mij van Uw Vaderhart vergeving doen erlangen.
Gelijk wij vergeven onze schuldenaren. Zoo, o mijn God! durf ik nu spreken, want van dit oogenblik af vergeef ik volgaarne aan allen alles, wat zij tegen mij misdaan hebben. Vroeger werd ik dikwerf bij het minste harde woord, bij de minste schijnbare beleediging, afkeerig en tot wraak gezind ; maar nu, Uwe liefde en goedheid voor mij overwegende, en wetende, dat het Uw uitdrukkelijke wil is, dat wij elkander met eene heilige liefde en oprecht broederhart beminnen, zal ik
106
voortaan met de hulp Uwer genade toonen, dat Uw wil mij eene wet is. Ik zal er prijs op stellen een leerling te zijn van Hem, die mij immer en aanhoudend door woord en daad toeroept: âleert van mij, omdat ik zachtmoedig ben en nederig van harte. ' Dat Goddelijk toonbeeld van ootmoed en zachtheid, van liefde en zelfopoffering, zal ik in mijn omgang met anderen trachten na te volgen; en, verre van kwaad met kwaad te vergelden, hem, die mij belee-digt, ter wille van U, veeleer nog meer beminnen.
En lei d on s niet in bek or in g. Gij kent mijne zwakheid, o mijn God! en bij eigene ondervinding weet ik helaas ! maar al te goed, hoe licht ik voor de aanvallen van den vijand mijner ziel bezwijk. Laat dus niet toe, dat de duivel voortaan nog op mij de overhand hebbe. Is het Uw heilige wil, dat ik strijd voer, omgord mij dan met Uwe eigene wapenrusting, met het kleed Uwer genade. Dan ben ik sterk, dan ben ik onoverwinnelijk ! Maar, mijn God! mijn God ! mijn grootste vijand ben ik zelf; mijne bedorven natuur is immer tegen mij in opstand met den geest. Laat mij dien gevaarlijken vijand door eene heilzame versterving en overwinning van mij zeiven geheel ten onder brengen. Laat mij innig begrijpen dat, om waarlijk leerling van den gekruisten Godmensch te zijn, ik mij zei ven moet verioo-
107
chenon, mijn kruis opnemen, en zoo Jesus, en dien gekruist, volgen op den weg der overwinning.
Ma ar verlos ons van d en kw ade. Verlos mij, o mijn God ! uit de zonden, verlos mij uit de handen mijner vijanden. Dat ik mij niet late verblinden door het schijnschoon der aardsche goederen, mij niet late verstrikken in dat bedrieglijk net, gespannen door den vijand van het mensohdom. â Zoo het genoegen der zonden, het genot van den wellust mij toelacht, zoo de zuivere liefde tot u niet meer in staat schijnt mij te weerhouden ; o mijn God ! mijn God ! laat dan de vrees van eeuwig verloren te gaan, de schrik voor het helsche vuur mij weerhouden, Uwe liefde in mijn hart bewaren. En na dien strijd, na die overwinning, door Uwe genade behaald, dat ik mij dan wederom werpe in Uwe Vaderarmen om als een afgestredene rust te zoeken aan de borst zijns vaders daar nieuwe krachten te putten voor nieuwen strijd ; en zoo strijde tide en overwinnende eenmaal den blijden dag te mogen aanschouwen, waarop de eeuwige zegepraal een aanvang neemt, om nimmermeer onderbroken te worden
Amen. Zoo zij het o mijn God! Zoo zij het. Zoo bid en smeek ik U nogmaals in vollen ootmoed ; kom mijne zwakheid te hulp ; dat
108
ik als kind U, en U alleen aanhange; U als Vader immer beminne. Amen.
Besluiten wij met twee kleine gebeden vol heilige godsvrucht, en ten zeerste geschikt voor deze wijze van bidden.
Neem, Heer, en ontvang mijne geheele vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand, en geheel mijn wil, alles wat ik heb, en bezit; Gij hebt mij dat alles gegeven; aan U, o Heer geef ik alles terug; alles is het Uwe, beschik daarover volgens Uw welbehagen. Geef mij Uwe liefde en genade; want dat is mij genoeg.
Ziel van Christus, heilig mij.
Lichaam van Christus, zalig mij.
Bloed van Christus, verzadig mij.
Water uit de zijde van Christus, reinig mij.
Lijden van Christus, versterk mij.
O goede Jesus, verhoor mij
In uwe wonden verberg mij ;
Laat niet toe, dat ik van U gescheiden worde;
Tegen den arglistigen vijand verdedig mij.
In het uur mijns doods roep mij.
En beveel mij te komen tot U,
Opdat ik met Uwe Heiligen U prijze.
In de eeuwen der eeuwen Amen.
L. ü. S.
INHOUD.
BI adz.
Voorbericht. in
Inleiding.........vi
Eerste uoofdst. Wat men vóór de meditatie te onderhouden heeft .... 9 Tweede hoofdst. Wat men gedurende de
meditatie zelve te onderhouden heeft. 16 § 1. Over het begin of het intreden. . 16 § 2. Over het midden of de ontwikkeling. 24 I. Hoe men zijn geheugen moet aanwenden........25
II. Hoe men zijn verstand moetaanwenden. 33
1°. Wat moet ik hieromtrent beschouwen? 35 2°. Welke practische leer moet ik daaruit
afleiden........36
8°. Welke beweegredenen moeten mij aanzetten, om deze gevolgtrekking
na te komen ?.....41
4°. Hoe heb ik deze leer tot nu toe onderhouden ?......50
5°. Wat moet ik in het vervolg doen?. 53
i n h o ü d.
RIadz.
6°. Welk beletsel moet ik uit den weg
ruimen ; welk middel kiezen ? . 53 III. Hoe men zijn wil moet aanwenden. 56 1°. Godsdienstige gevoelens. . . â¢
3°. Voornemens.......
§ 3. Over het einde of het uittreden. . 74 Derde hoofdst. Wat men na de meditatie
te onderhouden heeft.....^
1°. Het onderzoek......
3°. De korte samenvatting . . . .85
Beknopt overzicht.....5)2
Tweede wijze van inwendig gebed . 96 Het gebed des Heeren . . . . 98 âNeem Heer en ontvangquot; . . ⢠WS âZiel van Christusquot;.....I08
IMPRIMATUR.
L'ltraj. 25 Julii 1869
J. H. WENSING,
Enier, Prof. I.Iiir. Ceus.
:5