;rgt;
üjN
Tr-antf
^ rw: '
-gt; L^-
â y£y: :?*' vyy
^ ,| ; f:. , r;
A a AÃ- © i 1
ï-.épr' /- r'. \, ^ #
I tSH 1 gt;'.. '-â -^t -âaK
^ - .. â CSSf------
'n.....'*\t
vi^-. â ;
- â :»,. *
^*r . â éi
egt;feB i , ,# - ;
^VVK13
â¢â¢-. »7^
'C 'V
(LMP''^^ ⢠c,;-# O :: 5
if-''
# k' ^ quot;Htev , i-T; - ^
3^.quot;' ._#\d
^«
'.J*
m
DE CHRISTELIJKE KUNST.
IN HOLLAND EN VLAANDEREN.
VAN DE GEBROEDERS VAN EVCK TOT AAN OTHO
VENIUS EN P0URBTJ8,
VüüKGESTELD IN EEN-EN-DEKTIG STAALPLATEN, GEGEAVEEED DOOR
C. ED. TAUREL,
R. I). O. V. D. E. K.
EENE REEKS MONOGRAFIÃN,
DOOR
T. GÃNAKD, Prof. W. MOLL, AD. SIRET, SLEECKX, C. ED. ÃAUEEL,
Pkof. J. A ALBERDINGK THIJM en Mr. A. D. DE VEIES, Az.
i
OPGEDRAGEN AAN
, H. H. M.M. DEN KONING EN DE KONINGIN DER NEDERLANDEN.
'P WEEDE VERBETERDE EN VEH/ttEERDERJDE DRJJK.
i
AMSTEKDAM, C. L. VAN LANGENHUYSEN.
1889.
Bjbliollii'ca ('onvoTit us
Wocr-dquot;!) gt;â¢;; s
i
i
AAN
HUNNE M A J E S T B I T E N
DEN KONING EN DE KONINGIN
DER NEDERLANDEN,
Groot-Hertog ea Gcroot-Iertogin van Luxemburg, enz. enz.
WORDT
DIT WERK
ii|d i(cu iliqiskn mbieil ojiitetltiuttu
DOOK
111111 MAMSÃ1ÃÃ11
getrouwen Dienaar en Onderdaan
c. ED. T AU REL.
TAFEL,
|
Inleiding De Chk. Kunst voor de XVJ(! Eeuw HUBEETUS VAN EYCK geb. tc Maes-Eyck tusschen 1350 en 1380 en JAN VAN EYCK geb. te Maes-Eyck in 1386 Het Zoenoffer des Nieuwen Veubonds door Geertgen tot Sint Jans. PETER CHRISTUS geb. te Baerle in de eerste helft der XVe eeuw ROGIER VAN DER WEYDEN geb. te Brussel in 1400 GHEERAERT DAVIDS geb. te Oudewater omtrent 1450 Nederlandsche Miniaturen DIRCK BOUTS geb. te Haarlem 1405 HANS MEMLINC geb. waarschijnlijk in Gelderland, omstreeks 1430 JAN GOSSAERT geb. te Maubeuge omstreeks 1470 JAN PREVOST geb. te Bergen tusschen 1450 en 1500 QUINTEN METSIJS geb. te Leuven omstreeks 1460 CORNELLS ENGELBRECHTSEN geb. te Leyden in 1468 JOACHIM DE PATENIR geb. te Dinant omstreeks 1490 LANCELOT BLONDEEL geb. te Poperinghe (Brugge) in 1496 |
Bladz. I | LUCAS HUIJGENS van Leyden i) UI geb. te Leyden in 1494 JAN JOOSTEN van Calcar geb. vermoedelijk te Calcar omstreeks 1463 BAREND VAN ORLEY bl. 1 geb. te Brussel in 1475 .JAN VAN SCOREL 8 12 15 22 27 36 41 48 53 55 59 geb. te Schoorl in 1495 .1 AN MOSTAERT geb. te Haarlem in 1474 â96 MAARTEN (VAN VEEN) VAN HEEMSKERCK geb. te Heemskerck in 1498 â 99 MIC HIEL VAN COCXYEN geb. te Mechelen in 1499 â 104 ANTONIE VAN BLOCKLANT, gez. VAN MONTFOORT bl. 107 â 112 â 119 â 127 â 136 â 142 â 145 â 146 geb. te Montfoort in 1532 HENDRIK GOLTZIUS geb. te Muhlbracht in 1558 De Glas-schilderkunst in Nederland DIRCK BARENTSEN geb. te Amsterdam in 1534, -|- 1592 OTHO VENIUS geb. te Leyden in 1558 PI ETER POURBUS geb. te Gouda in 1510 of 1513 FRANS POURBUS de oude 65 geb. te Brugge in 1540 FRANS POURBUS de jonge 68 geb. te Antwerpen in 1570 bl. 71 gt;, 76 â 8] 89 |
ifoihi
s^K3 utrjeh^s
LUST DER PLATEN
|
Muurschildering (Het laatste Oordeel) . . . De Hollandsche school (Christus a/h Kruis) De Vlaamsche school (Madonna)..... Het Agnus Dei door Gebrs. van Eyck . liet Zoenoffer des N. Verbonds door Geertgen tot Sint Jans.......... De 11. Godeberta door Poter Christus De Drie Koningen door Rog. v. d. Weyden . OO»' De H. Maagd m. h. Kind, d. Ger. David . Het Gulden Jaar 1450 (Miniatuur) . . . . Het Laatste Avondmaal d. Dirck Bouts De H. Christophorus d. Hans Memlinc . De Trouw van Maria d. Jan Gossaert . . Het Laatste Oordeel d. Jan Prevost .... Mi iria met het Kind d. Q. Metseys .... De afneming v. h. kruis d. C. Engelbrechtsen De Peis van Tobias d. Joach. de Patenir . bij bi. VIII XI XIV 3 9 12 19 24 32 38 43 48 54 56 62 65 |
De Madonna enz. door Lancelot Blondeel . . bij Tafereelen uit het Lijden d. Luc. van Leyden De Nederdaling v. d H. Geest d. Jan van Calcar De Zeven Werken van Barmhartigheid en het Laatste Oordeel door Barend van Orley De Madonna en het Kind Jesus d. Jan van Scorel De H. Benedictus d. Jan Mostaert .... De H. Lucas d. Maarten v. Heemskerk De Krooning met doornen d. Micli. v. Cocxyen De H. Jacobus d. Anth. van Montfoort Geschilderde glazen | In de Oude St. Nico- . Id. Id. ^ laas-Kerk, Amsterdam . Triptiek der H. Maagd d. Dirck Barentsen De Verrijzenis d. Otho Venius...... De Aanbidding der Herders d. Pieter Pourbus Christus onder de Leeraars tl. Fr Pourbus de Oude |
I®
Vl
1 tt It IU 10 111
|
IT werk is gewijd aan de Nederlandsche Kunstenaars der middeneeuwen. Het tijdvak, begrepen tusschen het in gebruik komen der verbeterde olieverwen en de opkomst der Antwerpsche School, aan wier spitse de groote Rubens optreedt, is bij uitnemendheid het tijdvak der Christelijke schilderkunst. Voor de Gebr. van Evcic waren de middelen te beperkt en de schilderkunst te veel gebonden aan de eischen der architektuur om zich zelfstandig te kunnen ontwikkelen. Met Rubens en zijne school begint het tijdvak der groote historische schilderkunst, maar de naïeve eenvoud en vrome zin, die het bijzondere karakter der Christelijke kunst uitmaken, gaan verloren. In het begin der XVlle eeuw, toen de kunst in Italië en langs de oevers van den Rhijn zich als het ware schoorvoetende trachtte los te maken van de oude traditiön ging op eens in Nederland het nieuwe morgenrood op der zich zelfstandig ontwikkelende schilderkunst. En toch zijn tot heden geen kunstwerken en geen kunstenaars met minder zorg behandeld en beschreven dan de oud Nederlandsche kunstenaars en hunne werken. De eerste vermelding van hunne namen vindt men bij de Italiaansche schrijvers Vasari en Luid Guicciardini, De eerste uitgave van het boek van Vasari verscheen te Florence in 1550 en wijdt aan de Nederlandsche kunstgeschiedenis slechts eenige regels. In de tweede uitgave, die in 1568 het licht zag, werden er nog eenige bijzonderheden aan toegevoegd, meestal ontleend aan het boek van Guicciardini dat een paar jaar vroeger was uitgekomen. Beide schrijvers geven echter niet veel meer dan een lijst van namen, met eenige aanwijzingen der hun bekende schilderijen. In 1572 verscheen te Antwerpen een reeks gegraveerde portretten van beroemde kunstenaars met gerijmde latijnsche opschriften van den geleerden Dominicus Lampsonius, die toen secretaris was van den Bisschop van Luik. Ook deze schrijver geeft slechts eenige onsamenhangende aanwijzingen welke hij voor een deel uit het werk van Guicciardini schijnt geput te hebben. |
De berichten, door Sanderus, van Vaernewijck en nog een paar anderen gegeven, zijn even kort en ook geheel zondereenig historisch verband. De eerste en meest vertrouwbare geschiedschrijver die de levens en werken der Nederlandsche kunstenaars beschreven heeft is Carel van Mander. In 1548 te Meulenbeek geboren deed hij, na de schilderkunst te Gend bij Lucas de Heere te hebben bestudeerd, een reis door Italië, bracht drie jaar te Rome door en keerde naar Vlaanderen, zijn vaderland terug. De onlusten en het verlies van have en goed deden hem echter de wijk nemen naar Haarlem, alwaar hij zich in 1583 vestigde. Daar en gedeeltelijk ook te Amsterdam alwaar hij in 1606 overleed, schreef hij zijn vermaard Schilderboek waarvan een deel gewijd is aan de levensgeschiedenis âder doorlnchtighc nedcrlantsche en hoogJiduytsche schildersquot; Dit werk dat in 1604 te Alkmaar gedrukt werd voor rekening van Passchier van Westburch, boekverkooper te Haarlem, was spoedig uitverkocht en reeds in 1618 verscheen een tweede druk te Amsterdam. Het boek van van Mander heeft aan alle latere schrijvers tot gids gediend. Het was echter in die tijden niet mogelijk de authentieke bewijsstukken welke niet, zoo als thands, in stedelijke archieven bijeen gebracht waren, te raadplegen, maar al het mogelijke heeft van Mander gedaan en met den meesten eenvoud en de grootste waarheidsliefde alles opgeteekend wat hij door eigen navorsching heeft kunnen te weten komen. Hij verhaalt, dat zijn meester Lucas de Heere een berijmde geschiedenis der Nederlandsche kunstenaars geschreven had, maar dat dit handschrift, 't welk hij zoo gaarne had willen raadplegen, verloren was. Toch is het wel waarschijnlijk dat vele der bijzonderheden welke hij verhaalt, hem vroeger door Lucas de Heere waren meegedeeld. Hoe verdienstelijk dit werk ook zij en welke moeite van Mander zich ook gegeven hebbe om in de verschillende steden van Zuid en Noord-Nederland de noodige berichten zelf in te winnen, kon een zoo omvangrijk boek, op die wijze bijeen gebracht, niet zonder gebreken blijven. Er zijn dan ook eenige onnaauw-keurigheden in jaartallen en namen, ook wel eens persoonsverwarringen in geslopen, terwijl groote leemten hier en daar open |
i
|
zijn gebleven. Die leemten werden door de evenmin kritisch ontwikkelde schrijvers der zeventiende en achttiende eeuw zooals de Bie, Houbraken en anderen niet aangevuld i). In den loop onzer eeuw is men begonnen de archieven dei-steden, kerken en, voor zoo verre die nog bestonden, ook die dei-gilden en andere genootschappen te doorzoeken en uit die duistere schuilhoeken zijn menige handschriften en oude pergamenten te voorschijn gekomen van overgroote waarde voor de geschiedenis. De geleerde boekerijbewaarders en archivisten der verschillende steden van Noord- en Zuid-Nederland hebben zich beijverd die dokumenten kenbaar te maken en belangrijke diensten aan de wetenschap bewezen. Eene reeks volledige biografiön, met elkander de Neder-landsche kunstgeschiedenis der middeneeuwen vormende, bestaat echter nog niet. Het boek van Immerzeel geeft, omtrent de oude meesters, niet veel meer dan van Mander reeds gegeven heeft en Chr. Kramm zijn opvolger, die wel is waar eenige oude dokumenten heeft geraadpleegd, laat zich door zijn lust om iets nieuws te vertellen en andere schrijvers tegen te spreken zoo verleiden dat hij dikwijls op zeer onvaste gronden doorgaat en onwaarheden verkondigt. De vreemde schrijvers, die hoewel zij onze taal niet kennen en daardoor niet bij machte zijn de oude boeken en geschriften te raadplegen, toch over de Nederlandsche kunst schrijven, kunnen bezwaarlijk iets degelijks tot stand brengen, hoewel zij meestal op zeer beslissenden toon spreken. Het boek van Alfred Michiels, rilistoirc dc la peintnre jlamande, hoewel in den aanvang door het Belgische gouvernement gesteund, is vol onnauwkeurigheden, en dat van Louis Blanc, les Peintres de tmtlcs les Ecoles, is een prachtwerk in boeienden stijl geschreven, maar meestal zeer oppervlakkig. De geschiedenis der schilders van alle vroegere en latere scholen degelijk te beschrijven zal, voor één mensch, zelfs met behulp van eenige medearbeiders, wel altijd een onbereikbaar doel blijven. Niet alle vreemde schrijvers zijn zoo ondegelijk; het werk van Crowe en Cavalcaselle is onder anderen zeer aan te bevelen, i) Het volgende geven wij als een voorbeeld der onnauwkeurigheden, welke bij de schrijvers van vroegere en latere tijden gevonden worden. Volgens van Mander was Ohio Venius in 1604 een man van omtrent zeven en veertig jaar, maar in de uitgave van 1764 door jACOiius de jongll nagezien wordt zijne geboorte in het jaar 155à gesteld â Hüubraken zegt 1558 â Chr. Kramm spreekt van 1560. In den meestal nauwkeurigen Catalogus van hd Rijks-Museum vnn Schilderijen (20 dr. 18S6) wordt 1558 opgegeven, 't Is inUuschen vreemd, dat die door den bekwamen Abr. Brkdius bewerkte Kataloog liet Muzetlm verdoopt en het alleen voor âSchilderijenquot; bestemt. Volgens de âXotice des tabhanx du ^ 1879) is Otiio Venius acht en zeventig jaar oud geworden â volgens den Catalogus van de Pinacotheek te Mtlnchen ^1869) bereikte hij de zeventig jaren niet. |
vooral de uitgave van 1862 met dc aanteekeningen van Al. Pinchart en Ch. Ruelens is een hoogst belangrijk boek. Die schrijvers hebben zich dan ook tot het geven van slechts eenige biografiCn bepaald. Om op het ruime veld, dat nog te bearbeiden is, met eenige vrucht te werken, hebben wij ons bepaald tot een tijdsverloop van ongeveer twee eeuwen en tot slechts eenige onzer groote schilders uit die tijden. Aan de glas-, de miniatuur-schilderkunst en ook aan de graveerkunst zijn, om het algemeen overzicht der schilderkunst meer te volledigen, afzonderlijke hoofdstukken gewijd. Voor onze gravuren en vignetten hebben wij, hoewel dit veel kosten en werk had gespaard, geen der platen of clichés willen gebruiken, waarvan de afdrukken reeds in de buitenland-sche werken voorkomen en die meestal dezelfde en meest bekende origineelen weergeven. Onze 31 gravuren zijn, bijna alle, naar kunstwerken vervaardigd, welke nog nimmer gekopieerd waren geworden en die wij bij voorkeur zijn gaan zoeken in steden en op plaatsen welke minder bezocht worden. De schilderijen, berustende in de groote musea der hoofdsteden, zijn niet altijd de schoonste en buitendien bekend genoeg. Voor de biografiön hebben wij, van Mander steeds tot eersten leidsman nemende, de verschillende schrijvers met elkander vergeleken en zoo veel mogelijk authentieke dokumenten overal gezocht en geraadpleegd. Met die bewijsstukken als het ware in de hand is het ons mogelijk geweest te wijzen op vele onnauwkeurigheden welke in andere boeken voorkomen en ook verscheidene tot nu toe onbekende zaken te vermelden. De bijna volledige en geheel nieuwe levensgeschiedenis, welke wij van den onbekenden Meester van Calcar geven, steunt in alle deelen op dergelijke authentieke stukken. Toch is ons werk zeker onvolledig en geeft slechts eenige bladzijden uit het groote boek der historie. Wij zullen de eerste zijn om met dankbaarheid de fouten te erkennen, die buiten ons weten en tegen onzen wil, in dit boek zijn geslopen. Evenmin als elk ander hebben wij de macht een werk zonder gebreken te leveren; toch gelooven wij te mogen zeggen dat wij slechts de waarheid hebben gezocht en noch zorgen noch kosten gespaard hebben, om een degelijk werk te geven, en meenen te mogen hopen dat onze bijna tienjarige arbeid voor onze vaderlandsche kunstgeschiedenis niet geheel zonder nut zal zijn geweest. Tot slot dezer inleiding brengen wij een woord van welge-rneenden dank aan onze geleerde en kunstminnende medearbeiders, aan de Heeren Directeuren van tevler's stichting te Haarlem en Heeren archivisten en bihliothekarissen der steden van Noorden Zuid Nederland die de hun toevertrouwde schatten voor ons toegankelijk hebben gemaakt en ons met hunne aanwijzingen hebben bijgestaan. |
|
A op Italiaanschen bodem te zijn geworden de Grieksch-Romeinsche, vergat de oude Grieksche kunst hare eerste beginselen, verdoolde al meer en meer op den weg van grilligheid en realisme en ging eindelijk met het Romeinsche volk in , pronkzieken overvloed en toomelooze weelde ten onder, f /gt;â ) Maar terwijl de laatste stralen der heidensche kunst in de tempels en paleizen der Romeinsche Keizers verdoofden, was in de rotsgraven, de Romeinsche katakoraben genaamd, een nieuwe kunst, of beter gezegd, een nieuwe kunststijl ontstaan. Even zedig, eenvoudig en bescheiden als de vorige weelderig en opgesmukt was, ontlook deze nieuwe stijl, de oud-christelijke genaamd, gelijk alle andere onder den invloed van het godsdienstig begrip, wiens eerste uiting hij was. Ter bijzetting hunner dooden, niet zelden martelaren, hebben de eerste Christenen de katakomhen gegraven: onderaardsche gangen en vertrekken, die niet te verwarren zijn met de mijnwerken, waaruit de Romeinen hun bouwsteenen haalden. Niet zelden namen de Christenen, bij vervolging, de wijk in die graven, en hielden er hunne godsdienstoefeningen. Zij hebben de muren dier lange gangen, waar de dooden in langwerpige uitholingen werden geborgen en de wanden der onderaardsche kamers welke tot plaatsen van bijeenkomst dienden en de nissen of kleine kapellen met ornementen beelden en zinnebeeldige teekens versierd. In den oorsprong bracht de nieuwe kunst niet anders voort dan eenvoudige muurschilderingen, waarvan de omtrekken min of meer in den steen gegrift, met vlakke kleuren zijn ingevuld zonder schaduw en zonder bijwerk. De schilderingen in de katakoraben van Sle Agnes en van S' Callixtus, die van de derde en de vierde eeuw van het Christendom dagteekenen, â zijn zeer talrijk en de eerste die eenige kunstwaarde bezitten. De goede herder, voorgesteld door een jongen man die een lam op zijn schouderen draagt, is een der meest voorkomende beelden. Hoe groot het verschil van karakter zij dat deze nieuw geboren kunst van de oude Grieksche onderscheidt en hoe onmetelijk ook de afstand tusschen den godsdienst dezer eerste Christelijke kunstenaars en de begrippen der oude Grieksche beeldhouwers en schilders, toch is in de werken van het oud-Christelijke tijdperk de invloed der Helleensche kunst merkbaar; men vindt zelfs eenige zinnebeelden aan de mythologie der Grieken en der Egyptenaren ontleend. Hoe wonderlijk ook, is toch niets natuurlijker. De stad |
Rome en gansch Italië waren, als het ware, overdekt met grieksche kunstwerken, de eerste Christen schilders waren er van omringd en hadden nooit andere dan de Grieksche kunstvormen gezien. Zonen of kleinzonen van heidenen en zelf misschien eetfst op gevorderden leeftijd tot het Christendom bekeerd, hadden zij alleen de Grieksche Kunst in het geheugen en hebben, hoewel er zelf van onbewust, gedacht en gewerkt onder den invloed der Grieksche werken, die trouwens ten allen tijde schoon en aantrekkelijk ziju geweest. De kunstenaar, die bij eigen ondervinding de macht kent van de zaken en omstandigheden die hem omgeven en die ook weet dat de indrukken met welke hij zich heeft ontwikkeld altijd en bijna onuitwischbaar blijven voortleven, zal beter dan wie ook beseffen dat de Grieksche herinneringen, welke in de schilderingen der katakomben op te merken zijn, aan den invloed toegeschreven moeten worden der ontelbare heidensche monumenten en kunstwerken van allen aard die de eerste Christen schilders omringden en allerminst een verband, ook geen overgang, tusschen de godsdienstige begrippen bewijzen. Buitendien hebben de werken der oud-Christelijke kunst een eigenaardig en geheel oorspronkelijk karakter; het is noch de sombere majesteit der Egyptische kunst, noch de grillige wanstaltigheid der Indische godheden en geheel anders dan de Grieksche kunst, wier eenig ideaal schoonheid van vormen is, en die, van eigen macht bewust, haar onderwerp met zekere stoutheid nadert, is de Christelijke kunst altijd zedig en verraadt een soort van schroomvalligen eenvoud. De beeldhouwers van Griekenland hadden geen eerbied voor de goden die, aan feestmaaltijden gezeten, onmatig dronken en aten, met elkaar twisten en kibbelen en van tijd tot tijd niet schroomden den Olympus te verlaten om schoone stervelingen na te jagen, niet erg geschikt om veel achting in te boezemen. De werken der oud-Christelijke kunst dragen daarentegen het kenmerk van grooten eerbied voor de Godheid. De kunstenaar aanvaardde en behandelde zijn onderwerp wel met groote ingenomenheid, maar ook met bescheidenheid en een achtingvolle overtuiging; hij zocht naar een hooger iets dan alleen lichamelijke schoonheid en de naïeve vroomheid die hem bezielde heeft ook zijn hand bestuurd en openbaart zich in zijne werken. De Christelijke kunst is allereerst de uiting van een godsdienst die in zich zelt vertrouwen heeft; zij behield deze kenmerkende hoedanigheid in al de verschillende tijdperken, welke zij heeft doorleefd. Weldra tot glansrijker werkkring in het openbaar geroepen, verliet de kunst in den loop der vijfde eeuw de duistere spelonken |
â IV â
|
in welke zij weder was ontstaan; het Cluistendom dat, ondanks alle vervolgingen, niet had kunnen uitgeroeid worden, was van staatswege erkend geworden. De nieuwe naar den vorm der oude bazilieken of Komeinsche gerechtzalen gebouwde kerken, moesten versierd worden; de muurschilderingen werden weldra niet meer voldoende bevonden; men zocht naar middelen om schitterender uitkomsten te verkrijgen en de mozaïekwerken, welke door de Romeinen alleen tot versiering der vloeren waren gebruikt, werden, meer ontwikkeld en verbeterd, tot opluistering der muren en der koepels aangewend. De St PAULUS-kerk te Rome is rijk versierd met mozaïeken, welke tot de oudste kunstwerken van die soort behoren. Sedert de verdeeling van het Romeinsche Keizerrijk waren de volkeren van Italië allengs van hunne vroegere grootheid vervallen en hadden al hun veerkracht verloren. Algemeene verslapping en zedenbederf hadden het schoonheidsgevoel gedood. In de zesde eeuw werd niets oorspronkelijks meer voortgebracht. Terwijl men in Italië zich met flauwe nabootsingen vergenoegde, had echter de geest der kunst in het Oosten en voornamelijk te Byzantium een nieuwe vlucht genomen en aldaar den Byzantijnschen stijl doen ontstaan, wiens machtige invloed zich allengskens over bijna alle landen der Christenheid verspreidde en gedurende eenige eeuwen bleef heerschen. In zijn oorsprong en beginsel is de By-zantijnsche kunst de oud-Christelijke, onder de voorliefde der Oostersche volken voor rijkdom en kleurenpracht ontwikkeld. De mozaïeken met schitterende weerkaatsingen waren geheel op hunne plaats en bereikten ook in het Byzantijnsche tijdvak hun hoogsten trap van volmaaktheid. Even als men goud, zilver, edelgesteenten en de kostbaarste stoffen voor de versiering der altaren en voor het vervaardigen van kerkelijk vaatwerk en priestergewaden gebruikte, evenzoo werden ook de meest kleurige en schitterendste steenen voor de mozaïeken aangewend. De blauwe achtergronden, welke tot hiertoe in zwang waren geweest, werden nu door goudkleurige vervangen, hetgeen de meest krachtige kleuren vereischte. Het belangrijkste kunstwerk dier vroege tijden was het groote CiiRiSTUS-beeld, uhgevoerd omtrent het jaar 560, in de kapel der S'SoPHiA-kerk welke onder Keizer Justimaxus I, tusschen 532 en 537, te Byzantium was opgericht. In het voorportaal dierzelfde kerk was een andere mozaïekschildering, den Keizer voorstellende in aanbidding voor Christus op een troon gezeten. De Keizer ligt geknield en naar oostersch gebruik geheel voorover gebogen met de ellebogen op den grond. De kerken van het Byzantijnsche tijdperk hebben niet, gelijk de eerste Latijnsche kerken, den langwerpigen vorm der oude Romeinsche bazilieken behouden, maar hebben een achthoek tot grondvlak en een koepelgewelf in het midden. Hoewel de stijl der Byzantijnen tot in onze landen is doorgedrongen, zooals onder anderen bewezen wordt door de oude kapel van het Valkhof, door Karel den Groott; in 790 bij Nijmegen gebouwd, bleef zijn voornaamste zetel in het Oosten, alwaar hij voortdurend bloeide tot aan den inval der Turken. |
Tusschen de tiende en de zestiende eeuw ontwikkelden zich achtereenvolgends in Westelijk en Noordelijk Europa twee andere kunststijlen, die veel meer dan het Byzantijnsch met de inborst en de begrippen der volkeren, bij wie zij ontstaan waren, overeenstemden. De eerste, het Romaansch, kwam in den loop der tiende eeuw in het leven en kan in den oorsprong beschouwd worden als een ontwikkeling van het oud-Christelijk. De Gothi-sche of Spitsbogen-stijl kwam in het Noorden van Frankrijk omstreeks de helft der twaalfde eeuw te voorschijn, verspreidde zich over geheel Duitschland en Noord-Europa, bereikte zijn hoogsten bloei in het midden der dertiende eeuw en werd, na te zijn overgegaan tot het zoogenaamd flaniboyant-Gothiek, in onze landen tusschen 1500 en 1520 verdrongen door den uit Italië, alwaar hij reeds in vollen bloei was, overgebrachten Renaissance-stijl. Het Roraaansche kerkgebouw herinnert, in zijn platten grond, aan de oude bazilieken; men heeft aan de abside (het veelzijdig hoofdeneinde) meer ontwikkeling gegeven, en de zijgevels laten voorspringen, waardoor het grondvlak de gedaante van een Latijnsch kruis meer nadert. De grond van het altaar is, meer verheven dan de vloer der Kerk en onder het altaar bevindt zich dikwijls een onderaardsche kapel op krypte. De rondboog is bewaard gebleven en de zware kolommen zijn met teerlingvormige kapiteelen versierd. Alles is stemmig en gesloten: de niet groote vensters zijn in de zware, massive en van buiten weinig versierde muren op merkelijke hoogte aangebracht. De Romaansche bouwkunst, die in kerkelijke gebouwen het meest herkenbaar is, bezit een bijzonder karakter van kracht en geslotenheid â¢â⢠zij is de uitdrukking van het reeds ontwikkeld Christendom, dat zijne eigen kracht bewust, zijn verdere ontwikkeling verwacht, maar nog steeds strijden moet. Van binnen is de kerk wel versierd; altaar, koor en absis zijn rijk en prachtvol; maar van buiten geen uittartende prachtvertooning, slechts een uiterlijk van onwrikbare stille macht â want ginds zijn nog Sarracenen, Wendels en Friezen, die gezworen hebben den val hunner woeste en barbaarsche Goden te wreken en wier oorlogskreten den horizon doen trillen. Een geheel ander is het karakter, dat zich in de werken van de Gothischen of Spitsbogen-stijl openbaart. De strijd is volsti eden. de zegepraal volkomen, gansch Europa heeft het Christendom omhelsd ; de slanke pijlers, die de sierlijke spitsbogen dragen, rijzen uit den grond, en omhoog verheft zich de trotsche toren, wiens spits van gebeiteld kantwerk als een pijl de lucht ingaat. Geen geslotenheid meer, maar alles omhoog en alles naar buiten. De hoogte van den middenbeuk overschrijdt die van alle kerken uit vroegere tijden ; het groote open en rijk versierd voorportaal noodigt de volkeren tot binnengaan, de groote hooge vensters zijn van geschilderde glazen en ornementen voorzien. De met pinakels en lofwerk voorziene schraagbogen, die van huiten de hoog opgaande muren steunen, geven aan het gansche gebouw een tooverachtig aanzien. Niet alleen van binnen maar van buiten is alles gedetailleerd en getooid; een zware doode steenmassa bezielt zich en verdwijnt als het ware onder de bloemen en fleurons aan de inlandsche planten -wereld ontleend of onder de tallooze menschen- en dieren-beel-den, welke de rijkste fantazie overal heeft aangebracht. Men zegt, dat de grondgedachte van den spitsboog den Arabieren is ontleend en reeds tijdens de kruistochten naar onze streken zou zijn overgebracht. Misschien is dit waar, maar het vermindert geenzins de eigenaardige uitdrukking der Gothische hoofdkerk, die in al haar deelen en ook in haar geheel het beeld is van eene en dezelfde gedachte, â het is het Christendom, dat zegevierend zijn vast bestaan verkondigt, het is de Kerk in feestgewaad, â en daar omhoog boven alles verheven, herhaalt het klokkenspel uur aan uur zijn lied van blijdschap en van dank. Bij al die onderdeden en grooten rijkdom van versiering verliest de Gothiek haar ernstig en grootsch karakter nooit. Het is nimmer een verzameling van bijeengebrachte kleinigheden maar altijd en allereerst een groote gedachte die tot in het oneindige verrijkt en versierd wordt en waarvan de doorgaande eenheid zich overal openbaart. Nimmer kleingeestig, nimmer pronkziek, het kakelbonte van schreeuwende kleurtjes vermijdende, is de |
|
Gothiek altijd immens en heeft immensiteit noodig. Grootheid van ontwerp gepaard aan grootheid van uitvoering zijn de onafscheidelijke voorwaarden buiten welke geen Gothiek bestaan kan. Voornamelijk in haar laatste tijdperk heeft de Gothische bouwkunst ook burgerlijke gebouwen, kasteelen, gemeente- en zelfs woonhuizen gebouwd. De Nederlanden zijn rijk aan monumenten uit de verschillende tijdperken van de Gothiek en bezitten er ook eenige uit het Romaansche tijdvak. De S' Maarten- of Domkerk te Utrecht, de S1 jan's-kerk te 's Hertogenbosch, de Onze Lieve-Vrouwe-kerk te Antwerpen en andere, zijn zeer merkwaardige Gothische gebouwen uit de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw. Tot het Romaansche tijdvak behoorcn de prachtige S' servaas-kerk te Maastricht, de St0 Maria-kerk in dezelfde stad en ook s' pieters-kerk te Utrecht. De stadhuizen van Brussel, Leuven, Gent, Oudenaarden en Middelburg zijn overschoone werken van burgerlijke bouwkunst behoorende tot de laatste perioden der Gothiek. Het stadhuis van Brussel werd door den architekt Jan van Ruysbroek gebouwd; in 1433 was het voltooid. Mattheus de Layens was de bouwmeester van dat van Leuven, hetwelk in 1468 volbouwd een der schoonste werken van het zoogenaamd flamboyant Gothieke mag heeten. De plannen voor het gemeentehuis van Gent werden door Waghemakere en Rombout Keldermans geleverd, die van het Middelburgsche huis door Anton Keldermans; deze twee laatste gebouwen behooren tot de zestiende eeuw. Van de Onze-Lieve-Vrouwe- of hoofdkerk van Antwerpen werd de toren, welke misschien de hoogste en prachtigste toren der Nederlanden is, in 1422 of 23 begonnen, door Pieter Appelmans die ook de plannen gegeven had. Sommige gedeelten dier kerk welke eerst veel later ontworpen werden, behooren tot den overgangsstijl, welke om zijn opgeblazen vormen met den naam van blazen-stijl bestempeld wordt. In de meeste dier overgrootegebouwen,welke somtijds verscheidene eeuwen in aanbouw waren en wier verschillende deelen door bouwmeesters uit verschillende tijdperken ontworpen en opgetrokken zijn, wordt dat bij elkaar voegen van verschillende soorten Gothiek veelal aangetroffen. De bouwkunst is de groote kunst der middeleeuwen geweest; de eigenaardigheden, welke de verschillende stijlen kenmerken, spreken het meest uit hare werken en men kan geen der andere kunstvakken dier vroege tijden naar waarde beoordeelen zonder de bouwwerken, niet zoo zeer in de bijzonderheden der kon-struktie, maar in hun geheel en in hun eigen karakter te bestuderen. Op de mozaïeken, die nagenoeg de eenige schilderwerken der Byzantijnsche kunst zijn, volgden in de Romaansche en Gothische tijdperken de muurschilderingen, als versiering voor muurvlakten en kolommen. Zij werden in de natte kalk, « fresco, of wel op de drooge kalk, it secco, uitgevoerd en wel met verwen die met lijm waren toebereid. Somtijds gebruikte men ook olieverwen. De meeste dier schilderingen zijn verloren; want allen, welke aan de woede der beeldstormers van het einde der zestiende eeuw ontkwamen, verdwenen later onder de kalklaag, waarmee de muren en kolommen in de achttiende eeuw overdekt werden. Door het voorzichtig verwijderen van die kalklaag, zijn eenige dier werken, hoewel altijd in vrij slechten staat, weêr voor den dag gekomen en de ontdekkingen der laatste jaren hebben genoegzaam bewezen dat bijna alle gebouwen der Romaansche en Gothische tijdperken met een zeker aantal dergelijke muurschilderingen versierd zijn geweest. |
Beschouwt men deze schilderingen van ons tegenwoordig standpunt in de kunst, zonder de lokale omstandigheden in aanmerking te nemen, dan zijn zij zeker niet aangenaam voor het oog en hebben als kunstwerken slechts een zeer betrekkelijke waarde. Over het algemeen hebben zij noch diepte, noch lichteffekt, en de beelden zijn mager en stijf. Om deze oude schilderwerken naar hunne werkelijke waarde te schatten, moet men allereerst rekening houden met hunne bestemming en doel en min of meer ook met de middelen, welke den kunstenaar ter beschikking stonden. De mozaïeken en de muurschilderingen waren bepaald monu-menteele werken en hadden geen ander doel dan de architektuur waarvan zij een aanhangsel waren te versieren. De gedachte van de schilderij zoo als wij die tegenwoordig verstaan, bestond toen niet. De schilderij die tot doel heeft, de voorwerpen met hunne kleuren, verhevenheid en diepte op verschillende afstanden geplaatst voor te stellen, zoo als men die in werkelijkheid door een geopend raam zou kunnen zien â⢠de schilderij, die zonder eenig stoffelijk nut geen ander doel heeft, dan schoon te zijn en wier eenig recht van bestaan en eenige reden van zijn in haar eigene waarde en schoonheid bestaat, dat geheel vrije kunstwerk, dat van geen ander afhangende steeds volledig, alleen voor en door zich zelf bestaat, in éen woord, de schilderij, was aan de kunstenaars der middeneeuwen onbekend. â Aan den schilder werd een ledige ruimte, meestal groote ruimte, die wel zoo had kunnen blijven, maar die men liever niet ledig maar versierd wilde zien, toevertrouwd. Die ledige ruimte, dat vlak was echter een muur â een muur, die volgens natuurwetten en bouwkundige regelen, daar zijn moest 'en niet aan het oog onttrokken mocht worden â de diepten der lijn- en lucht-perspektief zouden als het ware den muur doorboord en een opening gemaakt hebben, daar waar een sterk massief bepaald aanwezig moet zijn. De middeneeuwsche kunstenaars hebben de wetten en de eischen hun door de architektuur opgelegd, volkomen begrepen en zich daaraan weten te onderwerpen; zij hebben zich van het streven naar diepte weten te onthouden en de aan hun penseel toevertrouwde ruimte aangevuld door een eenvoudige ornementatie of door de zichtbare uitdrukking eener enkele of van verschillende met elkander in verband staande of wel opvolgende gedachten. Aldus vindt men dikwijls de verschillende tafereelen van ééne en dezelfde geschiedenis in eene schildering verbonden en aan dit zichtbaar verhalen van het gebeurde, is men tot het einde der XVlle eeuw boven het voorstellen van een enkel oogenblik, de voorkeur blijven geven. Gewoonlijk zijn de beelden groot met weinig schaduw, en, om op grooten afstand te kunnen gezien worden, met zwarte lijnen omgetrokken; de kleuren zijn eenvoudig, zedig en vlak. Het landschap, de gebouwen en alle verdere bijzaken zijn tot hunne eenvoudigste voorstelling teruggebracht. Slechts enkele lijnen wijzen die aan en nooit meer dan hoogst noodig is, voor het begrip en de duidelijkheid van het onderwerp. Op eene muurschildering in het oude gasthuis de Byloke te Gent, voorstellende S4 Christoffel de rivier doorwadende, wordt het water slechts door eene gegolfde lijn aangegeven, terwijl eenige zwarte streepen de visschen voorstellen. Naar nauwkeurigheid in het weergeven der kleederdracht hebben de schilders dier vroege tijden niet gestreefd; zij hebben aan de personen van het Oude- en het Nieuwe-Testament en ook van andere tijden eenvoudig het kostuum gegeven, dat zij zelf dagelijks voor oogen hadden. Eerst veel later is men begonnen de geschiedenis der kleederdrachten te bestudeeren en dezelfde anachronismen waaraan de groote meesters der zestiende en zeventiende eeuwen |
â VI â
|
zich nog zijn blijven schuldig maken, mag men den middeneeuw-schen kunstenaars niet te zwaar toerekenen. En toch ondanks al hunne gebreken en wonderlijkheden, beter gezegd ondanks den primitieven staat, waarin de schilderkunst, die zich onder zulke omstandigheden en met zulke middelen niet ontwikkelen kon, zich nog bevond, bezitten de muurschilderingen niet alleen een bijzondere waarde voor de geschiedenis der kunst, maar ook eenige hoedanigheden, welke men te vergeefs in werken van lateren tijd zou zoeken, en wel allereerst die van altijd volmaakt op hunne plaats te zijn en aan hunne bestemming, die eene geheel andere dan die der tegenwoordige kunstwerken was, te beantwoorden. Tweedens verbinden zij aan hunne uitdrukking van naïeve vroomheid het aan alle werken der middeneeuwen eigenaardig kenmerk van overtuiging en grootheid. Het zedig en zacht koloriet, dat nooit bont is, blijft altijd in volkomen harmonie met den bouwtrant van het gebouw waartoe die muurwerken behooren. Gewoonlijk bestaat de achtergrond uit een vlakke zachte kleur; wanneer het onderwerp meer eene ideale dan wel eene historische voorstelling is, dient meermalen eene afhangende of door engelen vastgehouden wordende draperie tot achtergrond. Deze draperiën, in het fransch âdnips d'honncur'' genaamd, zijn gewoonlijk gestreept of versierd met regelmatig geplaatste sterren of kleine bloemen. Wanneer deze eere-draperien tot achtergrond dienen voor daarvoor geplaatste beschilderde en vergulde houten beelden, gelijk die welke in i860 ontdekt werden op de kolommen der S' BAVO-kerk te Haarlem, dan zijn de kleuren krachtiger en de ornementatie meer sprekende, terwijl spreuken, veeltijds in gulden letters, de randen versieren. Sedert men de geschiedenis der kunst naar waarde en met ernst is begonnen te bestudeeren, zijn, zoo als reeds gezegd is, een niet onaanzienlijk getal muurschilderingen weer ontdekt, welke zich over het algemeen in een vrij treurigen staat bevinden. Die van de kerk te Haarlem welke zoo even genoemd werden en die later in het stuk over Jan Joosten besproken worden, zijn niet allen van denzelfden tijd; eenige die het jaartal 1507 dragen schijnen weer anderen van veel oudere dagteekening te bedekken. Reeds in 1825 waren zij gezien geworden; maar men had alles met witkalk weer bedekt en eerstin i860, loen zij bij een algemeen schoonmaken van het kerkgebouw weder te voorschijn kwamen, werd besloten haar te behouden. Zij zijn later gerestaureerd; maar de heer D. van der Kellen heeft er eene volledige beschrijving van gegeven en nauwkeurige teekeningen gemaakt in den staat waarin die schilderwerken zich bij de ontdekking bevonden. 1) In 1844 waren andere veel belangrijker en vooral veel oudere muurschilderingen, zij dagteekenden van de XHIC eeuw, te Gorinchem in de S' jans-kerk ontdekt. Deze kjrk in 1212 begonnen en in 1263 ingewijd, bevond zich in zulk een bouwvalligen staat dat men tot algeheele slooping besluiten moest. Alvorens daartoe over te gaan werden echter de muurschilderingen zorgvuldig gekopieerd door den kunstschilder E. E. Boer. Later gaf de Heer L. J. F. Janssen, die het maken der teekeningen had bestuurd, eene beschrijving en een twintigtal platen er van in het licht 2). De muurschilderingen van Gorinchem zijn, of waren zeer belangrijk, minder door hare kunstwaarde dan wel door hare oudheid; zij bevonden zich op den muur van het koor, niet in het midden 11 Mimrschilderin^en in de Sï. bavo-zivni te Jlaarlein D. van der Keli.en Jr. 'sHage M. Nijhoff, 1861. 2) Dc muurschilderingen der St. JANS-Zvr/1 te Gorinchem door L. J. F. Janssen. â Amsterdam, C. G. van der Post, 185S. |
maar op een der zijvlakton en ook in den noorder kruisbeuk. De eersten, dertien in getal, waren voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament en behoorden, te oordeelen naar de plaatsing, tot een veel talrijker reeks voorstellingen waarvan de andere sedert lang reeds verloren waren. Een Heilige Christoffel, het Kind Jesus op de schouders dragende, en een Heilige Antonius, niet gekleurd maar slechts in omtrek, beiden van reusachtige grootte, bevonden zich op den muur van den kruisbeuk. Naast deze twee groote beelden die naar de uitvoering te oordeelen minder oud dan de andere schilderingen waren, zag men de sporen eener reeks van een twintigtal tafereelen ter grootte van die van het koor. Verre weg het grootste getal bestonden niet mèer, slechts vier, een biddende familie, het huis van den kluizenaar, S' Christoffel slapende en Christoffel, den jongen stam, die hem tot staf had gediend, in den grond plantende, waren nog aanwezig. Over deze reeksen van elkander opvolgende voorstellingen sprekende, zegt de Heer Janssen dat zij nog een andere bestemming hadden dan het vullen en versieren der muurvlakte en ook dienden tot volksonderwijs. Het was eene soort geschiedkundig verhaal ten dienste van hen die de handschriften, welke trouwens te zeldzaam en te kostbaar van uitvoering waren om onder den burgerstand te kunnen verspreid worden, niet konden lezen; de Heer Janssen vergelijkt die reeksen met de volksprentenboeken, bekend onder de namen van Biblia pauperum en Speculum hn-manae salvationis 1) die zooals men weet reeksen bevatten van parallelvoorstellingen, getrokken uitliet Oude-en Nieuwe Testament en waarvan de oudsten van de dertiende eeuw dagteekenen. De S' Christoffel van de kerk te Gorinchem was zeven £l acht meters hoog. Deze kolossale grootte was des te opmerkelijker daar de verschillende episoden der legendarische geschiedenis van den Heiligen Christoffel of Christophorus reeds daarnaast in de op den muur geschilderde reeks waren voorgesteld, maar is geheel in overeenstemming met de bijzondere vereering, welke men in de middeneeuwen dien Heilige, waarvan de geschilderde, gebeeld-houde of gegraveerde beelden zich bijna overal bevonden, toewijdde. Op de muren der kerk van Zalt-Bommel heeft men drie verschillende schilderingen van de veertiende eeuw ontdekt alle drie den Heiligen Christoffel 2) voorstellende; hoewel nagenoeg van den zelfden tijd zijn zij, wat de kunstwaarde betreft, minder onvolmaakt dan die van Gorinchem. â Andere schilderingen, behoorende tot de vijftiende en tot het begin der zestiende eeuw, zijn te Opheusden en te Tiel teruggevonden, ook te Leiden op een der kolommen van de s1 pieters-kerk en te Naarden in het gewelf der thans gereformeerde kerk. Voegen wij nog hierbij dat deze afbeeldingen van S1 Christoffel en van de verschillende episoden zijner geschiedenis zich niet alleen in de Nederlandsche kerken bevonden, maar even talrijk in Duitschland en in het zuiden van Europa voorkomen en dat de oudste houtgravure waarop een jaartal staat, en wel 1423, een afbeelding van den zelfden S' Christoffel is. De schilderingen van Opheusden en van Tiel zijn later weder met witkalk overdekt, die van Naarden zijn op hout en kunnen niet gerekend worden te behooren tot die oude muurwerken welke ons thans bezig houden. De beschikbare ruimte laat het bespreken niet toe van alle |
1
By bel der armen. â Spieghel der menschelyke lehoudenisse.
|
muurschilderingen welke in de verschillende steden der Nederlanden zijn teruggevonden. Grootendeels zijn zij reeds beschreven i) en verscheidene er van behooren tot de tijden minder verwijderd dan de uitvinding der olieverwen. Wij zullen ons dus tot een drie- of viertal bepalen waarvan tot heden slechts eene gekopieerd en beschreven werd. Zij zijn voor ons des te belangrijker daar zij zich in verre van elkander liggende steden bevinden, en gelijk die van Gorinchem tot de oudste werken van die soort behooren. Beginnen wij met de beelden, welke ontdekt zijn op twee kolommen in de Romaansche s' pieters-kerk te Utrecht. Deze kerk werd onder de regeering van s1 Bernulphus, 2) twintigsten Bisschop van Utrecht, gesticht en voltooid tusschen de jaren 1039 en 104S. Hoewel niet van gelijken ouderdom zijn toch beide schilderingen ouder dan die van Gorinchem. De voorstelling van den Zaligmaker aan het kruis is van de twaalfde eeuw, misschien nog wel ouder; de teekening is geheel primitief en volgens de oude typen; de |
kaal en omringd van eenige gebogen lijntjes, welke eenige haren moeten voorstellen ; zijn groene mantel is met wit omzoomd en bedekt een rood onderkleed. De draperie der Heilige Maagd is evenzeer rood met een wit randje, haar onderkleed groen. Het lijnwaad van Christus is met een zwart lijntje omrand, het kruishout zeer lang en dun, terwijl lange roode lijnen het bloed voorstellen, dat uit de wonden I van den Heiland vloeit. Een tweede CuRiSTUS-beeld dat later, naar het schijnt, over het eerste geschilderd werd, is met de laag kalk weggenomen, slechts eenige trekken van het hoofd en van de lichtkrans zijn op het kruis en op het haar van het eerste beeld overgebleven. Het tweede hoofd stond meer recht op de schou-' ders dan het eerste. Het thans in zijn geheel zichtbare hoofd, dat meer voorovergebogen ligt, is het oudste en behoort ook tot het lichaam. De beschildering op de andere kolom is blijkbaar van een iets minder verwijderd tijdstip, en heeft ook als kunstwerk eenige meerdere waarde; het tafereel wordt door dunne zuilen, die een â soort baldakijn dragen in vier vakken gedeeld. In het eerste vak ziet men eenige overblijfselen van een Christus aan het kruis, in het tweede Johannes den Dooper, het lam dragende, en in het derde de Heilige Barbara, kenbaar aan het torentje, haar gewoon attribuut. In het vierde vak is nog een beeld van een Heilige, dat echter gelijk het CuRiSTUS-beeld meer dan half verloren is, het kleed van den Heiligen Johannes is van flaauwc geele kleur, dat van Ste Barbara licht rood met een groenen 1 mantel er over. De houding van het hoofd, waarop het blonde haar door een blaauw met paarlen versierden band wordt teruggehouden, is niet van sierlijkheid ontbloot. De achtergronden zijn donker rood en de architektonische ornementen grijs van kleur. 1 Het kerkbestuur heeft de beide muurschilderingen met zinken 1 platen laten overdekken, om verdere beschadiging te voorkomen. Onder de schilderingen, welke in de Zuid-Nederlandsche steden j zijn ontdekt, bevinden zich de meest belangrijke te Gend, in het I Hospitaal de Brloke dat in 1228 door Ermextrudis Wtexhove en de Gravin Johanna van Constantinopel gesticht werd. Deze |
1
Zie behalve de reeds genoemde werken:
L. J. F. Janssen. â De Boom van Jesse, muurschilderingen in de Buurkerk. Tijdsch. v. Gesch. en Oudh. van Utrecht â 1846 â en van Liefland â Utrechts Oudheid â Deze behooren tot de XV''e eeuw.
L. J. F. Janssen. â Ontdekte muurschilderingen te Haarlem en te Arnhetn â Erven Loosjes Haarlem, i860.
C. Leemans. Mededeeling over een nieuw ontdekte bijdrage tot de geschiedenis der Vaderlandsche kunst. â C. G. van der Post. 1857.
Dezelfde. â Muurschild. in het koor der Jferv. Gem. te Uriel C. G. v. d. Post, 1862 â Het voornaamste tafereel, de Kroning der H. Mnagd, behoort tot de eerste helft dor XVI'1quot; eeuw.
Dezelfde. â- Oude Muurschild. in de kerk te Bathmen in Overijssel C. G, van der Post â 1872. Deze groote schildering stelt voor het lijden der tienduizend martelaren. â Zij is van de XV1'1' eeuw.
Dezelfde. â⢠Nieuw ontdekte Muurschild. C. G. v. d. Post. i860.
V. J 01,V â Sur les peintures mnrales découvertes dans Vliglise de N. Dame du Sallon â Bruxelles i860.
W. Pi.evte. â Peintures mnrales découvertes a VEglise de St Jacques a Utrecht. â Leiden E. J. Brill, 1874.
â VIII
|
muurwerken bevonden zich bij hunne ontdekking ineen betrekkelijk goeden staat, en werden met de grootste zorg, en de meeste nauwkeurigheid gerestaureerd. Het zijn eerstens, het reeds genoemde groote beeld van S' Christoffel en een even groote Johannes den Dooper, het Lam in zijn armen dragende. Op den muur daartegenover ziet men een enkele groote voorstelling; Christus, zijn Heilige moeder zegenende. De twee beelden zitten op een troon, waarachter een draperie of drap d'honneur vastgehouden wordt door drie engelen, waarvan twee staande, terwijl de middelste zweeft en geheel in het verkort gezien wordt. De beschrijving, door Crowe en Cavalcaselle gegeven, is geheet onnauwkeurig; de Christus draagt noch het kostuum van de XIIIe eeuw noch den versierden jagershoed, waarvan die schrijvers spreken i); ook is het niet Johanna van Constantiuopel, welke de Heer zijn zegen geeft, maar wel de Heilige Maagd 2). |
De lichtkrans die het hoofd omstraalt zou reeds een afdoend dat aan de Heilige Maagd Maria was toegewijd en dat het schilderwerk, dat zich in een der aloude gebouwen bevindt, in 1228 misschien reeds bestond. Hoewel op kleine schaal geeft ons vignet een tamelijk goed denkbeeld van deze schildering, waarvan het zeer primitief karakter, en de gebrekkige teekening de nog geringe ontwikkeling der schilderkunst in die tijden bewijzen. De mantel van Christus is rood, het kleed van Maria wit, het haar der twee personen blond en beiden dragen een kroon met drie driebladen. De kleuren zijn vlak, bijna zonder schaduw en alle vormen zijn met zwarte lijnen omgetrokken. Wanneer men de schilderingen van Utrecht en Gorinchem, met die van Gend vergelijkt, valt het zeer moeielijk, hoewel er bijna een eeuw tusschen die van Utrecht en de andere ligt, eene bepaalde meerdere kunstwaarde aan welke ook toe te schrijven. â De onnauwkeurigheid van de teekening en de naïeve wonderlijkheden |
|
bewijs zijn en hadde de schilder hier de Gravin willen voorstellen dan zou hij haar niet zittende op den troon naast den Heer, maar wel voor hem geknield hebben afgebeeld. Voegen wij nog hierbij dat het Bijloke-hospitaal gesticht werd in een klooster 1) Les anciens peintres J/atnands. Deel I. bl. 5. 2) Het kan zijn dat Crowe en Cavai.casei.le misleid zijn geworden door hetgeen A. van Lokeren geschreven heeft in den Mcssager des sciences et des Arts (D. II. bladz. 200. 1834 en 2e aflev. 1s40.) Deze schrijver spreekt van Christus, zijn zegen gevende aan de Oravin Johanna of aan Vrouwe Trude van Uutenhove en zegt col; dat alle de beelden een soort zwarten barret op liet hoofd hebben. Misschien werd hij door de slechte verlichting door den niet zuiver ronden vorm der lichtkransen, het zwart 'geworden goud en toevallige vlekken in dien waan gebracht. De gravure, welke zijne beschrijving vergezelt, is overigens geheel overeenkomende met de beelden zoo als zij heden nog zijn; alleen zijn daarop slechts de buitenste omtrekken der aureolen en de onderste randen der kroonen aangegeven. |
der samenstelling bewijzen, dat de schilderkunst zich nog steeds zoowel in Holland als in Vlaanderen in denzelfden staat van onvolmaaktheid bevond. Toch laat zich een niet onbelangrijk verschil, dat misschien aan de persoonlijkheid der kunstenaars te wijten is, in het karakter en in de opvatting dezer kunstwerken kennen. Terwijl het beeld van den gekruisigden Christus, in rle kerk te Utrecht, door de magerheid en de overdreven uitgerektheid der leden, alsook door de lange roode strepen, die stralen bloed moeten verbeelden, het bewijs levert dat de kunstenaar geen andere zorg gehad heeft dan het zichtbaar uitdrukken van eene gedachte en wel die, van den al zijn bloed ten beste gevenden man van smarten, dragen de tafereelen uit de Heilige boeken in de kerk te Gorinchem het kenmerk van het meest rauwe realisme en schijnen door een kind ontworpen te zijn. |
â ';gt; J'-J 't.M'Vv -. ^â¢
â n x , M- - v quot; c;-. : ⢠â -
v â .'v â . ' ' - ' quot;v,.- â â â '. â 'â â .
: s ⢠â ;:-v^ ^
â , fâ â ' - â ï; ^ ' 1 .
« . .-1 . ..â -V'- â â :
quot; .. â â . â .. ,:. . V- .â ⢠â ^7, ,:: t.
:F: ^ â â â . v:ö-v ,' ,; iv. :;. â â :
⢠â ' . . ' â . â â â gt;.quot;â â â â ' â -.. , â ..â â â
.
.. . .. ...â ;. i. - â â .. â : â ,sa
: ⢠â¢â¢ â¢â â â ,â â ;: â - , i .;' ... :â¢â¢â¢â¢' - â ⢠â¢gt;â¢â¢ ⢠, , . â .,â . ⢠. .
;/V'V ;⢠-v^ v â : ^ f /
^
^ ^v;v-
â . c ' quot; ' â¢...'.
' ;;:, - v' â ' ' â - â ' V' vV' S
'quot;. -,â - ' v '1 -'; . :=â . V'quot; ( ' ' -i
e/:^.^ quot; ; â : v: V Vi^-
:.^/r. . ' v-:: V ; ; â V;^-v : ^ ^
ï quot; â¢â C'. â â â ''â â 'â quot; ' f.
...... ... . ^ r V/''.'ï ' .%quot;â¢
V'
â
.
x â ' ^ ?crquot; - - - lt;'gt; v ' .â ^.'â quot; â¢â â¢.â â â v ^ . :,4' ; -l
â -3'. '. à ; . â '⢠quot; 'f' ' ,. ^ W. â '. :;-.1 â . â .:â â ' â¢; l'r.
â ' â ⢠- - â 5. â â . â; â ⢠- â,' â â â â â â tiyï ' ' -quot;â
'...ïâ ⢠â ' ^;;: a: quot;V: quot; 's;;Y â ' â¢â -'-â¢A;''.
.^: '7'' - ' /C..:''' â¢:' â â ⢠;,v:. â¢'
⢠; . â . â ⢠... .
⢠V â ⢠⢠.-. ;â¢. - .. â â â ⢠,
/ . â : ⢠â . , ' :i;i. ⢠''â¢quot; â¢.⢠.''' â¢' ,:â¢â¢ '.; :. â â¢'' - â¢â¢ â /⢠.
,quot; , â¢:.; . :
.
i W'
}
â TX â
|
De kunstenaar heeft van tijd en plaats geen de minste gedachte gehad. Eene vierkante ruimte omsloten door een muur met een â deur; in het midden daarvan een zeer gewone appelboom, een groote slang zich vergastende aan de onderste bladen van den boom. Adam en Eva, beide in profiel, elkander als het ware na-loopende, terwijl achter hen een zwaard vastgehouden wordt door eene hand die uit de wolken komt, ziedaar een der tafereelen. Al de andere onderwerpen zijn op dezelfde wijze behandeld. De Arke van Noach is eene werkelijke schuit met een soort hut of tent; de gewone duif brengt een even gewonen boomtak. Die tak is veel te groot voor de duif die zelf wondergroot is. De Arke zou de helft van Noach's gezin niet kunnen bevatten, maar de schilder heeft niet vergeten voor op de schuit het bakje te plaatsen, waarin zeker de boonen liggen die tot voedsel en lokaas moeten dienen om de duif te doen terugkeeren. De slapende Christokkel draagt kousen en schoenen, ook een soort broek die hem tot aan de knieën rijkt, het bovendeel van dat beeld is verloren, maar te oordeelen naar hetgeen er nog van te zien was, lag het eenvoudig in horizontale richting midden op het tafereel, terwijl in een der bovenhoeken een kind gekleed met buis, kousen en schoenen geknield ligt; dat kind is de kleine .Iesus die den reus Reprohus i) roept, om naar de overzijde gedragen te worden. De twee groote beelden van S4 Christokkel en S1 Johannes in de Byloke te Gend, en zelfs ook die van het hoofdtafereel zijn niet veel beter behandeld, echter maakt in de twee laatsten, zijnde Christus en de Heilige Maria, het overdreven rauwe realisme, dat in zulk een idealistisch onderwerp nog stootender ware geweest, plaats voor een gevoel van grootheid en waardigheid waarvan de Gorinchemsche schilder geen het minste begrip schijnt gehad te hebben. Terwijl de vroegere en latere Nederlandsche kunstenaars, niettegenstaande de neiging tot realisme welke hen kenmerkt, allen min of meer blijken geven van den invloed der Keulsche en Westphaalsche scholen, schijnt hij daarentegen niets te hebben gezien en niets te hebben gekend. â De burgers en de boeren die hem omringden waren zijne eenige modellen, aan welke zijne verbeeldingskracht niets toegevoegd en niets ontnomen heeft. Het laatste kunstwerk waarbij wij noch wenschen stil te staan, hoewel iets minder oud, is ongetwijfeld het belangrijkste dat in de Nederlanden teruggevonden werd; het bevindt zich te Maastricht in de oude kerk van het Dominikancn of Predikheeren-klooster. Het is niet minder dan acht meters hoog, bij vier breed, en vult de gansche muurvlakte tusschen twee pilasters der Noorder-zijbeuk. Volgens een der opschriften dagteekent het van het jaar 1337; de hierbij gevoegde gravure stelt het bovendeel voor. het overige is niet meer te onderkennen. De Kerk die omstreeks het einde der dertiende eeuw voltooid werd, is een zeer schoon gebouw; op sommige plaatsen waar de kalklaag weggevallen is komen nog andere schilderingen of wel de bewerkte steen te voorschijn. â Welnu, wie zou het gelooven? die kerk wordt tegenwoordig tot een stadsmagazijn of werkplaats gebruikt, waar straatlantaarns, brugleuningen en andere voorwerpen van den openbaren weg bewaard en hersteld worden. Om de ruimte te benuttigen heeft men in den muur, midden in het schilderwerk, een tiental gaten gemaakt en daarin balken geslagen, dragende een soort gaanderij welke tot bergplaats dient voor planken, balken, steenen en voor alles wat het toeval er brengt. Ook heeft men zich niet ontzien l) St Christoffki. noemde zich voor zijne bekeering RErROiius. |
spijkers in den muur te slaan en op vele plaatsen de gaten met kalk, breed uitgesmeerd weOr digt te stoppen. Wel is waar zijn er in de laatste jaren eenige maatregelen genomen om hetgeen nog aanwezig is, voor verdere beleedigingen te behoeden, maar het is te laat, het onderdeel is geheel verloren en het bovendeel is zóó verminkt dat alle ernstige restauratie ten eenmale onmogelijk is geworden. Er zijn zooveel gaten, zooveel overgekalkte en verloren deelen dat men het meerendeel zonder vertrouwbare gegevens zou moeten overteekenen, en overschilderen. 1) De hoogte wordt door horizontale banden waarop opschriften voorkomen, in vier vakken verdeeld. Het bovenste tafereel is dezelfde voorstelling als die in de Byloke te Gend, Christus zijn Heilige Moeder zegenende. De licht blaauwe achtergrond is met sterren bezaaid. Christus met de eene hand op de wereldbol, zit op een troon, ter rechterzijde van de Heilige Maagd die zich met gevouwen handen naar hem keert; zij draagt een soort hertogelijke kroon op de blonde haarlokken. Aan weerszijden van den troon staat een engel, een muziekinstrument bespelende; de beelden van Christus en Maria zijn veel grooter dan de anderen; deze belangrijke grootte staat in verband met de waardigheid, en de Heiligheid, dezer twee personen. Het tweede gedeelte vertoont eene groote compositie waarin men vijf verschillende groepen onderscheidt; de voorstelling is de lijdensgeschiedenis der tienduizend Martelaren. De eerste groep vertoont den Koning, met het zwaard in de hand en de kroon op het hoofd, omringd door zijne krijgslieden. Hij geeft aan de Christenen bevel aan de afgoden te offeren. Deze geheel als kruisridders gekleed en uitgerust vormen de tweede groep. Zij hebben echter geen helmen op, maar gouden lichtkransen om het hoofd. Twee banderolles waarop vroeger opschriften te lezen waren bevinden zich naast deze twee groepen: van de eerste is alleen het woord âoffertequot; nog leesbaar, terwijl van het tweede niets meer te onderscheiden is. Door hunne gebaren geven de Christenen duidelijk te kennen, dat zij bepaald weigeren de afgoden te huldigen. De derde groep stelt de lijken voor der Heilige Martelaren, die geheel van kleederen ontbloot op elkander gestapeld liggen; hunne ledematen zijn door puntige staken doorboord. Op den voorgrond ziet men een Bisschop aan wien de oogen door een beul met een soort booromslag uitgestoken worden. Engelen die de lijken der heilige Martelaren in doodkisten leggen vormen den vierden groep. De grond waarop al deze beelden geschilderd zijn, schijnt vroeger donkerrood te zijn geweest, zonder eenig bijwerk. In het bovendste gedeelte van dit tweede vak ziet men Engelen met uitgespreide vleugelen de zielen der gelukzalige Martelaren in de gedaanten van kleine kindertjes naar den Hemel dragen. Een dier Engelen ontrolt een band waarop men de woorden âvenite ad mc hencdictipatris meiquot;, enz., te lezen staan. Dit schilderstuk geeft dus de verschillende oogenblikken van dezelfde geschiedenis in ééne zamenstelling ver-eenigd te zien. Een zwarte band loopt over de gehesle breedte |
1
Toen wij in 1879 cle teekening voor onze gravure te Maastricht gemaakt hebben, waren de twee bovenste beelden bijna verdwenen. Andere waren onkenbaar geworden. Jhr. M»' Victor de Stuers heeft de goedheid gehad de teekeningen welke hij eenige jaren te voren gemaakt had ter onzer besehikking te stellen, en ons ook vele aanwijzingen te geven van welke wij, dankbaar, gebruik hebben gemaakt.
|
tusschen dit en liet derde vak; op die band is het volgende opschrift, tamelijk wel bewaard gebleven. QUICUQUE HONORAVIT _ISTOS SANCTOS MARTIRES JEIUNADO FESTU EOR CELEBRADO MEMORIA PASSIONIS EOiriquot; MÃTE HABÃDO EXAUDITR 1 OMI PETICIOlquot; SUA amp; HIC ï PSEN PSPERA-B1T ET IN FUTURà ETERNALITER PREMIABITUR. i) Vlak onder dit opschrift heeft men de balken geslagen welke de gaanderij dragen waarvan reeds gesproken is. Plet derde vak, tegenwoordig onzichtbaar en geheel verloren, behelsde een aantal, in drie reien onder elkander geplaatste kleine voorstellingen welke het leven en de daden van den Heiligen Thomas van Aquini te zien gaven. In het vierde vak, heden evenzeer verloren, zag men eertijds een aantal geknielde beelden, welke waarschijnlijk de oversten van het klooster, en de personen, die dit belangrijke kunstwerk hebben besteld, voorstelden; geheel onderaan bevindt zich het volgende opschrift waaraan slechts eenige woorden ontbreken, ANNO DNI MCCC TRÃSIMO SEPTIMO.......... DOT FUIT ALTARE^ ISTUD CÃSECRATà IN HONORà DECEM MI IJLT MARTIRà ET SANCTI TliüMyK ..............ORD1N1S PRAEDICATOR GUI............. DECICA........... EST IPà DIE PRAEDICTO. Aannemende hetgeen bijna zeker is dat de aan den laatsten zin ontbrekende woorden op de muurschildering betrekking hadden kan dit opschrift aldus worden vertaald: âIn het jaar des Heeren duizend, driehonderdzevenendertig (lt;?/ den feestdag. .. ?) des Heeren werd dit altaar gewijd ter eere der tienduizend Martelaren en van den Heiligen Thomas (van Aquino), van de orde der Predikheeren aan wie (pok dit schilderwerk) werd opgedragen op den dag hierboven genoemd.quot; Niettegenstaande de stijfheid der beelden en de talrijke onnauwkeurigheden van de teekening is in dit schilderwerk bij vergelijking met dat van Gend een zekere vooruitgang op te merken. Hoewel de zamenstelling nog altijd hoogst eenvoudig blijft heerscht er een zekeren band tusschen de verschillende beelden, en sommige tronieön zijn niet van uitdrukking ontbloot. De twee groote beelden zijn schooner dan die van Byloke, en zoo dezelfde onwetendheid en dezelfde onverschilligheid wat de klcederdracht der twee eerste groepen betreft zich ook hier doen opmerken dan zijn deze costumen toch passender en beter gekozen, dan in de schilderingen van Gorinchem. Men moet echter niet vergeten dat er tusschen de vervaardiging der tafereelen van Gorinchem en van Gend en die van Maastricht een tijdsverloop van een gansche eeuw bestaat en dan is de vooruitgang hoewel zichtbaar toch niet groot. Het kon ook niet wel anders. Die eerste proeven van kunst in godsdienstige overtuiging ontworpen, hebben een kenmerk van eenvoud en grootheid maar ondergeschikt, als zij waren, aan de eischen en wetten der bouwkunst en voor het meerendeel geleverd door menschen die bijna zonder studie zich met den zedigen naam van schilder-metselaar vergenoegden, bleef i âAl wie deze Heilige Martelaren zal geüerd hebben, met vasten hun feest vierende, de gedachtenis van hun lijden, in vroom aandenken houdende, wordt Verhoord in al zijn gebeden, zal hier in het tegenwoordige gelukkig zijn, en in de toekomst eeuwig beloond worden/' de uitvoering gedurende verschillende eeuwen zwak en bijna zonder vooruitgang. |
De in 1870 ontdekte muurschildering, te Bathmen in het koor der kerk, stelt ook de 10.000 martelaren voor ; is van de laatste helft der 15e eeuw â dus goed 100 jaar minder oud dan die van Maastricht â bij vergelijking van beide muurschilderingen blijkt dat deze meer bepaald eene voorstelling moet zijn, terwijl de Maastrichtsche meer een verhaal is. Geheel boven Christus en de H. Maagd de zielen der martelaren ontvangende â dan de geheele voorstelling cl vol d'oiseau. Op den achtergrond een stad met opelkaar gedrongen middeneeuwsche huizen. De martelaren worden uit de gevangenis gehaald en over den stadsmuur geworpen; op den voorgrond worden zij op in den grond gestoken puntige staken, die hen het lichaam en de ledematen doorboren , gestoken. De beulen gebruiken daartoe groote houten hamers, mokers. Eenige christenen worden gekruisigd terwijl hun bisschop, waarschijnlijk Hermoleus met een boor gefolterd wordt; ook in deze voorstelling is hij in vol ornaat. Keizer Hadrian us, met de kroon op het hoofd en omringd van zijn hof, slaat de strafoefening gade en schijnt nog eenige bevelen te geven. Deze figuren dragen het costuum van 1400 a 1500 en zijn bij al de andere vergeleken buiten proportie groot. Te midden der compositie maar er volstrekt geen deel van uitmakende zijn twee geknielde biddende figuren, een man geheel in het wit, eene vrouw geheel in het zwart â waarschijnlijk de schenkers. Behalve de beschrijving door Dr. C. Leemans in 1872 gegeven, komt eene zeer getrouwe afbeelding voor in âWandelingen door Nederlandquot; door Craandijk en Schipperus , deel VII. Alleen door de te kleine ruimte gedwongen heb ik van deze muurschildering niet gesproken hoewel de veigelijking met die van Maastricht hoogst interessant is. De Pleer de Steurs had mij beloofd dit artikel te'schrijven. Na meer dan twee jaar vergeefsch wachten besloot ik het zelf te doen. Wel gaf hij mij inzage van zijne teekeningen. Die waren echter geheel bijgeteekend. Gansche partijen welke geheel vergaan zijn had hij volledig naar eigen idéé gerestaureerd. Mijne teekening heb ik te Maastricht naar het origineel gemaakt, zoo accuraat mogelijk., niets er bij , maar ook alles. Hunne vakgenooten de kleurders van beelden, de âverleuch-tersquot; of miniatuurschilders en de glasschilders die met hen de eerste kunstenaars vereenigingeu der middeleeuwen vormden, hoewel minder begrensd in hunne werken , hebben tot de ontwikkeling der vrije en onafhankelijke schilderkunst toch niet veel meer kunnen bijdragen. De gewoonte houten beelden en basreliëfs te beschilderen en te vergulden was in de Nederlanden bijna algemeen. Hoewel dit werk groote zorg en een zekeren smaak voor kleur en harmonie vereischte, hadden zij , die er zich meê belastten met de teekening en de samenstelling niets te maken en verdienen ter nauwer-nood onder de kunstenaars te worden opgenomen. De miniatuur schilders daarentegen waren degelijke artisten, en wanneer zij niet slechts de randen maar het gehee'e blad tot hunne beschikking hadden konden zij aan hunne verbeeldingskracht en kunstalent den vrijen loop geven. Evenwel altijd aan kleine maten gebonden en gedwongen op fijn perkament teekeningen te vervaardigen die in zuiverheid en netheid met de calligraphische werken konden wedijveren hebben zij de voorliefde tot het kleine tot in het uiterste |
' - â â
, V . . -â â â ,-V
quot;â ' * 'f.,; ' f, â , ⢠â¢â¢ ⢠. . ' ' ' ⢠'Vvquot; â :;o; â lt;\ ' â - â â ⢠v â â - ' ' â
!. ;.s' ;V' â â ^
; '.... â .5gt;
â }⢠. ü' t â . i
' .. â â ' .
|
J' S 'â
I
l
'â -Vv-
'
.
'n . â â¢V:quot;' : ' 'â¢;;quot;
. â¢-.... i â¢â¢. â â¢V' ''' â â â â '
' '
.fip» , , y; lt;; ⢠; , â
. . . ;
â â ^ quot; â â â ^ ^
V '...'v., â â â .â â ' â .â .â ' â â . '
â V,quot;quot;'--*.i:' 'â quot;
â : . â rw-, # v-., ... ,^ v.: . : V â ,
â â â â â ,â quot; ' ,
.-f . , â â â . :: ⢠â¢
v^:.;â . ^ ⢠-rV gt; ^ - ; v,.
v'-'-' ' â ) :;v* 'â â¢â¢â ⢠u gt; â 'â¢â¢â¢, . . * \ v⢠â ' â¢â¢
â :.r â â â - v â¢. . - .â ,. I,â ^
\ ' .. â .
S .t ,,.5}r.. . ; : » , ....... . . ,:; .â ' â
: -â ; â :â quot;â gt;: ';*gt;â ^ % ⢠? â amp; ' ï crvev^ â \ â v' - 'â
^ '4
^ ' ' . 1 '
''â v.-: ^ v, . -. â
. i. â¢â gt; . ; â â :â â â - . V';,, SJ. ! .,
; I .V' ⢠â â â
.s.r,..':'. .... , * ' gt;. â â V' 'â '. '.
. ..
li; SaM»'â ' ' . 's...
;
â¢V-V
â¦
fsmf.
â t. '⢠v-'V- 'â '{ V.%, ⢠â¢â ' v, ⢠â¢â¢ ⢠. ;â .. a. . V â¢.'â¢â¢. â¢â¢â â¢. .. 'â
. fi;*quot; . â . lt; ' , -â ' ' â
â â :{ â â ⢠. â ' .
â â â â â .. ;l ; ' a-. V , . â , ⢠' ..... â â
â -V ⢠â â â â .:-y.. '...... - ...⢠S' -V' . 'â , â , â , . .. ⢠üf J .. . g.
r v:!.v;, .gt; ., ....â . ^..f . %
^ ^ ..' y: r-/
. .v-Kf 1 , t
' 'â -iquot;-quot; ' O' ^ ; ' 1 v.;
:,.-r:., v â * â â â
1 -
'r'â ^ . â . V quot;' . -
^ ^ V'] .gt; ^ ? ; %.. â '»
'V - â â â â ,. %
quot;M 'J'.. '..VA. v'v quot;..⢠.gt;',.. â rf ' ..: . ''
v;.; ^ ^ v..-'.:: â .. ⢠â â â ..â .. ;â gt;1 '.
. -y: r ,s* v 1 -. ' ..â â . â â
.â â 'y \. . :â
-
ê.
,⢠M
â v. v^y ⢠1
U
^vJVquot; â
â
.
' : »â¢' ' ^ !t' : .. '
V
!v â ''z'
quot;â â â ;. : t . '⢠,
quot;â
quot;iV .- â .'â â â ^ h .
â .
â quot; 'A
â
|
â â â¢( iM | ||||||||||||||||||
|
imlt;:'
. â ... ;â â â
-
V SÃ-
â : :p'
-⢠: ' â â â ' % . ; ' â â V- -ir-v %?*gt;
: â â ' .-.â .... /v, â â .'-â â â , ,,, ,/ ⢠...'/-V-V.
.
v- â¢, . :; quot;./â 'â¢â â â¢'.''â¢â * -O ⢠â ' ,'.1 ,
J
I 'â a« . ilt;' â
I
â â â â¢â¢â . ' , â . ' . . ⢠â¢â ⢠'-vv ' - . . -... ⢠â¢_ . -⢠' â â¢âgt; :â N;'-- ' ; ;â
,, â¢â '' ⢠V ' quot; . ⢠â 'â ' / 'â .:i . gt; â¢: ⢠â quot; ' ^
|
; /' ;;â¢' |
J 'â /ii*..'. :v | |
|
â V.; 'â ⢠-fit |
â 'quot; jA-. |
gt;: - #1
It â ' 1 â¢'lt;
i
I
'v/-'
; â . . re â gt;:: ^ . i â¢â ,â â â 5-
.. ⢠., ' â f ! ' â ' â â¢â¢â â ' ' ââ â :â /v5:: â¢. â¢
â â : â 1 â ' â â â¢; â - â : quot;
â / f'vi , - . ' r'Z'
.â â â â , - ' . -â '«v V- â 4. ' â , â â â 'v-V-,
â - ' â ' 'v-v â Mf- ;: â '
â â .â «â¢â . .:t V â â quot;
â â - ' -'V- '
â¢Â» ⢠' â â â ' v, ⢠â â ⢠- â¢
â '
|
- V'. .
|
|
j
'/ ⢠â â
'/,t â . . i ..
'
I gt;;
â
r â¢' â â P' : ü'. , â
ri...
.-y- ; ^â â â .
' ' . v quot; â ^ ⢠â ' â â â â .
^ ' â - â » â â .^,1-v, : â¢Â« v:^. : ^ ; â ^â
;⢠y -
.vt; ï'- :'
I
'.. . : â â .â â ;â , . â â : ^ ^ , ' , , . , , . * â ⢠*' . â :v, â¦v '' y/-
HniiHiil H
I â I
XI
|
doorgedreven en te veel waarde aan de fijnheid der uitvoering gehecht. Hunne kunstwerken, waaraan wij later een afzonderlijk hoofdstuk zullen wijden hebben daarom, hoewel hoogst belangrijk en somtijds overschoon, toch weinig tot de vooruitgang der kunst bijgebracht. Terwijl de miniaturisten zich op de kleine zaken toelegden hadden de glasschilders daarentegen groote oppervlakten ter hun- | ner beschikking. Ook waren zij minder dan de muurschilders aan de wetten der architectuur onderworpen en konden , daar zij de aanwezigheid van een vaste muurmassa niet behoefden te eerbiedigen , tooneelen voorstellen die daar buiten plaats grepen. Maar al veroorloofde, al maakte zelfs het lichtgevend en doorschijnend vlak dat hun penseel was toevertrouwd , dé diepten en vergezichten noodzakelijk toch was dat vlak altijd een venster met zijne opgaande posten en architectonische verdeelingen en moest dat ook blijven. De glasschilders der vijftiende en van het begin der zestiende eeuw, zijnde het tijdperk der hoogste ontwikkeling dier kunst, hebben dit volkomen begrepen en nimmer getracht zich aan die noodzakelijkheid te onttrekken ; zij waren dus niet geheel vrij en hunne werken , hoe prachtig ook , bestonden noch dóór noch vóór zichzelf maar maakten een deel uit van een nog belangrijker kunstwerk waaraan zij onafscheidelijk verbonden bleven. Alzoo beschilderde de middeneeuwsche kunstenaar de vlakte van een muur, versierde de bladen van een boek of vervaardigde een schitterend glasraam maar de grondgedachte van de schilderij was nog niet geboren. Een laatste en nog niet besproken kunstenaars-categorie was naast de anderen ontstaan en had langzamerhand een zekere uitbreiding gekregen. Deze bestond uit schilders van banieren, stoffen, wapenschilden, vaandels en uithangborden. De edelen, de vorsten, de hooge dignitarissen der kerk en ook de talrijke en bloeijende gilden en broederschappen stelden in deze voorwerpen, waaraan zij gedurig behoefte hadden, het grootste belang en de kunstenaars welke zich met de vervaardiging belastten hebben meer dan elke andere bijgebracht tot het doen ontstaan der oorspronkelijke gedachte van de schilderij. Wel is waar dat deze banieren en uithangteekens meestal bestemd waren te worden gedragen aan de spits van legers, processiön en optochten, maar men gaf hun een plaats in burchten en in kerken. De gilden en de broederschappen versierden daarmée hunne kapellen en wanneer deze banieren in plaats van slechts wapenschilden, de beelden van Heilige Patronen, het lijden van den Heer, een Heilige familie of eenig ander godsdienstig onderwerp voorstelden werden zij allengs-kens werkelijke schilderijen waarvan de vervaardigers geen ander doel hadden dan een zoo schoon en zoo volledig mogelijk kunstwerk daar te stellen, â en het is niet dan zeer natuurlijk dat deze schilderwerken in kapellen ten toongesteld het denkbeeld deden ontstaan, de toen algemeen in zwang zijnde gebeeldhouwde en gekleurde altaarstukken door werkelijke schilderijen te vervangen. Voor die schilderwerken gebruikte men gom, lijm, was en ook met olie toebereide verwen. Te oordeelen naar verschillende documenten was dit vak zeer bloeiende zoowel in Frankrijk, en Italië i), als in de Nederlanden. Op het stadhuis te Gent worden |
twee banieren bewaard waarvan de eene van 1400 tl 1425 dag-teekent 1). Zij is van linnen, geheel met olieverwen beschilderd, en stelt de Gentsche stedemaagd voor, dragende een geheel met hermelijn omzoomd goudlakensch kleed en den zilveren leeuw. Het beeld is niet van sierlijkheid ontbloot en goed geteekend. Wel is waar behoort genoemde banier tot de tijden der Gebr. van Eyck en kan dus niet tot voorbeeld dienen van hetgeen in de laatste helft der veertiende eeuw vervaardigd werd. Eenige historische feiten kunnen tot bewijs dienen hoe de in kerken tentoongestelde banieren het denkbeeld deden ontstaan de gekleurde altaarstukken van gesneden hout door schilderijen te vervangen. Jan van Hasselt, hoogstwaarschijnlijk te Hasselt geboren, was schilder van uithangteekens, banieren, en draperiën, van den Graaf van Vlaanderen Lodewijk van Male. In 1379 of 1380 ontving hij de som van zesenzestig pond voor verschillende stoffen welke hij op bevel van zijnen heer had uitgezet om te maken een beeld van onze Lieve Vrouwe in het huis van zijn heer te Walle. Eenige jaren later was dezelfde Jan van Hasselt schilder van Philippus den Stoute, schoonzoon en opvolger van Lodewijk, en ontving in 1386 de som van veertig pond voor een altaarschilderij die hij op bevel van zijn heer gemaakt had voor de kerk de Cordelieren te Gent. 2) Men kent geen der werken van dezen kunstenaar die waarschijnlijk kort na 13S6 gestorven is, daar zijn naam na die datum niet meer gevonden wordt. Zijn opvolger die even als hij banieischilder was, en later altaarstukken schilderde was een Bruggesche kunstenaar, zich noemende Melchior Broederlain of Broederlam. Hij was schilder en kamerdienaar van âMonseigneur de Bourgognequot;. Deze titel van kamerdienaar die gelijk schijnt te staan met die van buitengewoon kamerheer, duide geen dienstbaarheid aan en was een onderscheiding welke door de hertogen van Bourgondie aan verdienstelijke kunstenaars geschonken werd. Philippus de Stoute betaalde een jaargeld van tweehonderd pond aan zijn schilder wiens naam in de rekeningen van 1385 en volgende jaren voorkomt, voor verschillende stoffen aan hem besteld enz. Ten laatste worden de volgende regels in de van 1395 tot 1397 gevonden: âAan Melchior Broederlain, Kamerdienaar en schilder van Monseigneur den Hertog van Bourgondie, Graaf van Vlaanderen, aan wien Monseigneur heeft doen uitkeeren de som van IH1XX VH francs (87) en IIII stuivers parisis, fransche munt, voor de zaken hierna genoemd, welke hij op bevel van Mondit seigneur had gemaakt en geleverd aan den Heere van Dicqukmme om meè te voeren op reis naar Vriesland om te maken twee vaandels van geslagen fijn goud en olie met de spreuk van genoemde Mondit-seigneur van Bourgondie. Een jaar later in 1398 wilde Hertog Philippus de kerk van het Karthuizers klooster waarvan hij de eerste steen te Dijon, zijne hoofdstad in 13S3 gelegd had, verrijken en liet twee beschilderde zijstukken maken voor het gebeeldhouwde altaarstuk. Aan meester Jehan Mannin schilder voor de randen van gezegde banieren en kepers of spitsen. Aan meester Jehan Mannin schilder voor het beschilderen met olieverwen van IX looden kappen, dienende voor den drager van het beeld van den Zaligmaker en de pluimen en banieren daar ook dienende, betaald enz. Verders in de rekening der algeineene ontvangsten van Brabant van bet jaar 1411 en â 12. âItem â Christoffle Besaen, mijns voorscreven lieeren schildere, om twee bannyeren, II wimple, VI bannyeren met fincn gouden ende olyen op siden laken.quot; 1) Zie WiLi.ems, Belgisch Museum, D. III. Gent 1839. 2) Rekening van algemeene ontvangsten van Vlaanderen van 3° Maart ' '379 tot 22 Mei 13s0, en vau 15 Maart 1386 tot 10 Maart 13s7. Zie Lahorde, op. cil. |
XII
|
Deze Kerk was reeds met muur en glasschilderingen versierd, echter werd noch Jan Malouel r) de muurschilder, noch de glasschilder er meö belast, maar wel Melchior Broederi.ain de schilder van banieren. Het begrip van de schilderij eenmaal ontstaan zijnde was de eerste schrede gedaan, echter kon de kunstenaar zich niet dan schoorvoetende vrij maken van de aloude traditiön. De middelen waren nog te beperkt en de schilder die niet te veel stoftelijke moeielijkheden te kampen had, mocht zich aan zijn genie niet vrij overgeven en kon evenmin grondige studiën naar de natuur maken. Men werkte met lijmverwen op een dunne laag kalk, bereidde de verwen met gom, eiwit of honig en gebruikte azijn, bier en zoo al meer, om het mengsel meer of minder vloeibaar te maken. De olieverwen waren door het langzaam drogen nog moeielijker te behandelen en werden in de schilderijen slechts in de minder teedere partijen en draperiên gebruikt, om aan het koloriet meer kracht te geven. AVas de schilderij eenmaal voltooid, dan werd zij met een laag hartsachtige vernis overtrokken; de gekleurde vernissen moesten de lijmverwen tegen de vochtigheid onzer luchtstreken beschermen en gaven tegelijk meer gloed aan hunne llauwe, matte tonen. Van de bekende paneelschilderijen van Nederlandschen oorsprong is de oudste een stuk dat te Utrecht in 1363 voor de S' jan's-kerk vervaardigd werd. Het werd in 1829 door van Hrtborn 2) gekocht, die, zoo als men weet, zijne prachtige verzameling oude schilderijen aan het museum van Antwerpen vermaakt heeft; het stuk bevindt zich thans aldaar. De naam van den schilder is onbekend, maar het volgende opschrift in twee daartoe bestemde rechthoeken op het paneel geplaatst, laat omtrent het jaartal der vervaardiging nagenoeg geen twijfel. âANNO DOMINI MCCCLXI1I IN CRASTINO SANCTI BONIFACII ET SOCIOR EIUS. OBIIT HENRICUS DE RENO HUI ECCLIE PREPOSITUS ET ARC Hl DIACONUS ISTIUS QUE ALTARE / / FUNDATOR. ORATE PRO EO. Wij bevinden ons dus voor een schilderij die een altaar versierde, door den proost en aartsdiaken Hendrik van Rhijn gesticht, en waarop hij zelf in den gewonen stand der schenkers, geknield aan den voet van het kruis, is voorgesteld. De schilderij werd dus naar alle waarschijnlijkheid voor het jaar van zijn dood (1363) vervaardigd, terwijl het opschrift onmiddelijk daarna in de aangewezen ruimte geplaatst werd. De Hollandsche knnstenaar is dus de twee groote schilders der Keulsche school, meester Wilhelm en meester Stephan, 3) voorgegaan en kan alleen eenige werken van den eerste gekend hebben. Zijn schilderij draagt inderdaad ook blijken van herinneringen uit nog vroegeren tijd en verschillende deelen zijn niet van oorspronkelijkheid ontbloot. De grond is verguld en gegaufreerd, zonder bijwerk, alleen in de bovenste hoeken ziet men de zonneschijf en de halve maan. De vergulde en aan het paneel vastgebonden lijst is versierd met geschilderde roode en blaauwe steenen en heeft min of meer een Byzantijnsch karakter. Het beeld van Christus is stijf de armen zijn overdreven mager, en het gelaat draagt de uitdrukking van 1) Naar het schijnt had Jan Mat.OUEI. een mislukte proeve gedaan. 2) Hij was toen Gouverneur der Provincie Utrecht en keerde later naar Antwerpen terug. 3) Wilhelm van Hekle en St.evan Locher bloeiden op het laatst van de XlVlie en in het begin van de XV^e eeuw. De schilderij der Cathedraal van Keulen die aan den laatste wordt toegeschreven is van het jaar 1426. |
lijden en sterven. De beelden van de Heilige Maagd en van den Heiligen Joannes aan weerszijden van het kruis geplaatst, hebben, hoe onzuiver ook van teekening, een karakter van hoogen ernst en smartvolle gelatenheid. De heilige Maagd houdt een boek met twee sloten in de hand; een donkerblauwe draperie dekt het hoofd en omhult het lichaam bijna geheel, de japon is rood. De Heilige Joannes draagt een groen kleed en een rooden mantel; met een uitdrukking van minzame bescherming legt hij de rechter hand tegen het hoofd van den schenker, in priesterlijk ambtsgewaad gekleed. Een lange neus en eene vooruitstekende onderlip geven den laatste een nog al leelijk profiel, maar die kop bezit al de waarheid van een portret en bewijst dat het tafreel voor den dood van Hendrik van Rhijn geschilderd is, dus in 1363 op zijn laatst. De Heer A. Michiels i) die er vermaak in vindt van dit stuk al het mogelijke kwaad te zeggen, had, ter wille van dien datum, wel mogen melden, dat de Hollandsche schilderij, hoewel twintig tl dertig jaren ouder, minstens gelijk staat met de twee oudste Vlaamsche schilderstukken en beiden overtreft zoowel door de kracht van het koloriet in de draperiën als door het modelé der vleeschpartijen. De oudste Vlaamsche schilderstukken zijn de straks reeds genoemde paneelen van Melchior Broederlain en een van het huidenvettersgilde afkomstige schilderij, door den Heer Ver-meire van Damme aan de hoofdkerk van Brugge, waar het zich thans bevindt, geschonken, Men kent nog den naam van den vervaardiger noch den juisten datum, maar de Heer James Weale, wiens getuigenis ten gevolge zijner lange studiën en onderzoekingen bijna onbetwistbaar is, meent dat dit stuk omtrent 1390 gemaakt werd 2). Hoewel te Brugge bij het vertoonen van de schilderij, wel is waar zonder eenig bepaald bewijs te geven, aan de bezoekers een veel vroeger jaartal 3) genoemd wordt, schijnt alles aan te duiden dat de Heer Weale gelijk heeft en dat men de vervaardiging van dit stuk in 1390 of daaromtrent moet vaststellen. Het onderwerp is Christus aan het kruis; aan de eene zijde de Heilige Maagd bezwijmende in de armen der Heilige Vrouwen, aan de andere zijde een rechter en krijgslieden en verder, in twee afzonderlijke zijvakken, Stc Catharina en St0 Barbara. Deze schilderij heeft veel meer overeenkomst met de oude kunstwerken der Keulsche school, dan die van Utrecht. De geheele achtergrond schijnt verguld te zijn geweest en bestaat uit eene afhangende draperie, waarop talrijke bloemen en ranken een regelmatige teekening uitmaken. Het beeld van Christus is lang, de armen zijn buitensporig dun en uitgerekt. De groep der vrouwen, die de Heilige Maagd ondersteunen, is vol uitdrukking en ook niet van sierlijkheid ontbloot; de mannenbeelden zijn niet minder schoon; dat van den hoofdman is zelfs triviaal. Een van hen, die een rechter schijnt te zijn, wijst naar den Zaligmaker en op den achtergrond, leest men; âV e r e filius dei erad i 11 e,quot; gespeld' zoo wij hier teruggeven. Drie engelen zweven om het kruis en verzamelen in gouden kelken het bloed, dat uit de wonden des Heeren vloeit. Die engeltjes zijn geheel blaauw geschilderd; de gezichten, de haren, de draperiën, alles is blaauw. Deze bijzonderheid zal, hoewel wij er geen uitleg van weten te geven, toch wel een reden hebben; het komt meer voor, onder anderen vindt men op de schilderij van Jan Fouquet, van het Antwerpsche Museum, Mauia met het Kind, vier geheel roode engelen. Keeren 1) Ihstoirc dc la Peinture jlamande et hollandaise. D. II, blz. 410. 2) Bruges et ses environs» â bladz. 99. 3) 131s? |
XIII
|
wij tot onze schilderij terug. De beelden der Heilige Catharina en üarhara, zijnde waarschijnlijk de patronessen der gilde ofwel van de bestellers, zijn veel grooter dan de andere figuren. Al de handen zijn lang en de vingers buitenmate dun. De draperiön, die met veel zorg behandeld zijn, zijn ook met smaak gesteld en het krachtig koloriet verraadt het gebruik van olieverwen in sommige deelen, terwijl de koppen en al het vleesch daarentegen bleek, weinig gemodeleerd en zwaarmoedig zijn. Hoewel men in de paneelen van Melchior Broederlain, die, zooals reeds vroeger gezegd is, in 1398 besteld, eenige jaren minder oud zijn, dan de schilderij van Brugge, nagenoeg dezelfde hoedanigheden en gebreken terug vindt, is er toch een zekere vooruitgang op te merken. Broederlain, die vroeger slechts banieren schilderde, was ook een kunstenaar van Brugge; beide schilders behooren dus tot den zelfden tijd en dezelfde school en zullen ook wel met dezelfde bronnen te rade zijn geweest. De paneelen van Broederlain waren bestemd tot zijstukken voor een door den Vlaamschen beeldsnijder Jacob van Baerse uit Dendermonde gebeeldhouwd altaarstuk, den Calvarieberg voorstellende. Op elk paneel heeft de schilder twee tafereelen in dezelfde zamenstelling vereenigd; de boodschap aan Maria en de Visitatie op het eene en op het andere de Voorstelling in den tempel en de Vlucht naar Egypte. De Heilige Maagd bevindt zich in een klein gebouw een soort van kiosk, open aan alle zijden, terwijl de Engel er buiten geknield ligt. In den bovensten hoek verschijnt God de Vader in de wolken, de driekroon of Pauselijke tiara op het hoofd; de Goddelijke adem, door lichtende stralen voorgesteld, komt uit zijn mond, terwijl de Heilige Geest, in den vorm van een duif, de Heilige Maagd nadert. Aan den anderen kant van het gebouw wandelen al pratende twee vrouwen Maria en Elisabeth over het bebloemd grasveld. Tn de verte ziet men een kasteel op de toppen der bergen. De Voorstelling in den Tempel heeft plaatsin een gebouw gelijk aan dat van het eerste paneel en ook hier is de Vlucht naar Egypte daarnaast te zien. De Heilige Maagd dragende het kind Jesus, dat zij in de plooien van haren mantel geschut, zit op een ezel, die door Joseph bij de leidsels, langs den weg die naar de bergen voert, geleid wordt. Op die hoogten verheft zich eene burcht met hare gecreneleerde muren en torens. Even als op de schilderij van Brugge bezitten de vrouwenbeelden een zekere voortreffelijkheid. De draperien zijn met veel zorg behandeld en de standen deftig en ongezocht. De mannenbeelden zijn ook hier minder schoon; dat van S4 Joseph is ineengedrongen en grof. Zijn kleedij, zijn schoeisel, het pak dat hij aan een stok gebonden op den schouder draagt, alles herinnert den reizenden landman. Het koloriet der koppen is bleek, de tusschentinten ontbreken maar de krachtvolle en gelukkig gekozen kleuren doen Broederlain reeds kennen ais voorlooper van de latere Hollandsche school. |
Niet alleen waarschijnlijk maar bijna zeker is het dat onder de stukken van onbekende meesters welke zich op de Musea bevinden er nog eenige van oud-Nederlandsche meesters van de veertiende eeuw zijn; het drietal waarover thans gesproken is zijn echter de eenige waarvan de oorsprong genoegzaam bekend is om als bewijsstukken voor de geschiedenis der kunst te kunnen dienen, en bij vergelijking met de muurschilderingen en de miniaturen uit nog vroegere tijden, is ontegenzeggelijk een bepaalde vooruitgang waar te nemen; die voortütgang is echter van langzamen aard geweest en heeft zich nimmer scherp geteekend. De kinderlijke vroomheid en overtuiging die genoemde stukken kenmerken spreken ook in nog veel oudere kunstwerken en waren het gevolg en de uiting van het godsdienstig gevoel der kunstenaars. Door hun geloof geleid en steeds bezield met eerbiedvolle liefde voor de zaken en personen die zij geroepen waren af te beelden, streefden de kunstenaars naar een zeker ideaal dat, voor allen nagenoeg hetzelfde, de uitlegging geeft van de treffende overeenkomst die hunne werken verbindt. Door de wetten der bouwkunst in hunne ontwerpen begrensd, en door de ongeschiktheid der verwen het werken naar het levend model bijna onmogelijk zijnde; schiepen zij zekere sprekende typen, welke met mindere of meerdere gelukkige gevolgen herhaald werden, al naar elks individualiteit en bijzonder talent. De CHRiSTUS-beelden met magere, uitgestrekte ledematen soms onnatuurlijk en overdreven, zijn sprekende typen van smarten en ontberingen. In die tijden toen de lichamelijke en grove kracht zooveel macht bezat kon de God die uit eigen wil zij ne zending van Zaligmaker kwam vervullen niet anders worden voorgesteld dan door een dergelijke type van ootmoed, zelfverloochening en afstand van alle tijdelijk welzijn. Zoo is ook het beeld van de Heilige Maagd steeds een type van zedigheid en vrome gelatenheid. De studie der kleederdrachten bleef bij alle scholen even onbekend, tot zelfs na de veertiende eeuw. Eenige zinnebeelden en attributen, soms geheel idealistisch, soms ook aan het werkelijke leven ontleend, waren voldoende om de personen te doen kennen. Zoo werd de ziel, die tot God terugkeert, steeds door een klein kind dat een engel naar omhoog draagt, voorgesteld. Een gouden krans, van licht en heerlijkheid omgeeft altijd het hoofd der Heiligen en nimmer van andere personen, en de driekroon der Pausen, als de glorierijkste van allen, wordt door God den Vader gedragen. Volgens bijna alle nieuwere schrijvers hebben onze oude schilders de ingevingen gevolgd der Keulsche school. Wij zullen deze meening niet tegenspreken, hoewel de overeenkomsten op welke zij berust, misschien veel meer op de eenzelvigheid van de grondgedachte en van de aangenomen typen berusten. Om een algemeenen vooruitgang met zekerheid te kunnen volgen en aanwijzen, zou men vooral, wanneer men slechts eenige afzonderlijke kunstwerken tot zijne beschikking heeft, de hoedanigheden welke uit het individueel talent van den kunstenaar voortspruiten moeten kunnen afzonderen van die, welke werkelijk het gevolg zijn eener vooruitgaande beweging. Deze afzondering is zeer moeielijk te maken en wij zullen ons bij eenige algemeene opmerkingen bepalen. De vergulde gronden, vlak of gegaufreerd, met banden of met bloemen versierd, welke wij in de schilderij van Utrecht en van Brugge hebben teruggevonden, zijn op de paneelen van Broederlain niet aanwezig. Het vervangen van die vlakke achtergronden, die de muurschilderingen en de mozaïeken herinneren, door een landschap met zijne diepten en vergezichten bewijst, dat bij den schilder het begrip van de schilderij was ontstaan en dat zich ontheven gevoelende van de eischen der architektuur, hij er naar streefde zijn kunstwerk zoo volledig mogelijk te doen zijn. Dit was reeds een vooruitgang. Wat de Samenstelling betreft, hoewel verschillende onderwerpen zich in hetzelfde tafereel bevinden, zijn zij genoeg gescheiden, om elkander niet te schaden, en Broederlain is hiermede niet achterlijker dan zooveel anderen die lang na hem zijn gekomen. Onze drie schilderijen staan ook wat teekening en modelé betreft hooger dan alle muurschilderingen en de schilders van banieren, nu historie-schilders geworden zijnde, laten de zedige schilders-metselaars verre achter zich. De andere hoedanigheden der besproken schilderijen hebben een meer eigendommelijk karakter. De gelukkige schikking der kleuren en de groote kracht van toon in de draperien, de zorg- |
|
volle behandeling van de rijke zijden en goudlakensche stoffen, maar vooral eene neiging tot réalisme doen reeds den stijl der Nederlandsche scholen vooruit kennen. Broedeelain en ook de maker van de schilderij van Brugge, schijnen als het ware in tweestrijd te hebben gestaan tusschen zekere ingevingen, die zij misschien aan de Rhijnlandsehe meesters te danken hadden en de lust om de natuur na te bootsen. De bevallige vrouwengestalten zijn het gevolg dezer herinneringen, terwijl de mannenbeelden, in zekere opzichten minder gelukkig, het bewijs geven dat de schilder zich van de aangenomen typen trachtte los te maken om zooveel mogelijk de waarheid naderbij te komen. Deze verschillende hoedanigheden zijn allermeest op te merken in het schoone dyptiek, waarvan eene gravure hierbij gaat en dat zich op het museum te Antwerpen bevindt. De koppen der twee schenkers, op het linkerpaneel, zijn klaarblijkelijk portretten en de schilder de natuur tot model hebbende, heeft haar even zorgvol als trouw weergegeven. Het modelé, de kracht van toon, de koloriet en de overgang van de verschillende tinten; al deze hoedanigheden welke de Keulsche schilders nimmer hebben bezeten, zijn door den Nederlandschen meester tot zulk een hoogte gevoerd, dat men voor de uitvoering van deze schilderij allicht een minder vroegen datum zou aanwijzen, ware het niet dat het gebruik maken van lijmvenven het begin van de XV(le eeuw op zijn laatst aanwees. De beredeneerde Catalogus, door de Heeren de Laet, de Burbure, van Lerius en Génard geredigeerd, zegt dat de schilderij van de XiV'le eeuw dagteekent en waar is het dat het beeldje van het Kind Jesus op het andere paneel, ook de lange handen met dunne vingers, de |
magere hoekige armen en het geheele beeld der Heilige Maagd die het Kind een veel te kleine borst aanbiedt, de typen van de I xinquot; en xive eeuw herinneren. De stand van het hoofd van Maria is zeer bevallig, zij slaat de oogen neêr en schijnt hare zedige blikken af te wenden. Mocht het waar zijn dat de vormen en de | stijfheid der bewegingen aan de oude typen verwant zijn, even-! waar is het zeker dat het onderwerp, den schilder misschien opgelegd, niet met meer bescheidenheid en aanvallige kieschheid behandeld kon worden. De achtergronden zijn zeer donker; het haar van den schenker is lang, hoewel afgeknipt op het voorhoofd volgens den smaak dier tijden. Het is een man van bruine gelaatskleur; zijn baard, die zorgvuldig geschoren is, geeft een blaauwachtige tint aan bovenlip en kin. De schenkster, hoogstwaarschijnlijk zijne vrouw, heeft een witte kap op het hoofd. Het lange haar van de H. Maagd valt op de schouders en verdwijnt bijna geheel onder den linnen sluier die het hoofd en den hals bedekt. De kracht van het koloriet verraadt het gebruik van olieverwen in verschillende deelen, terwijl het modelé en de degelijkheid der uitvoering dit schoone schilderstuk doen kennen, als behoorende tot die tijden, toen de Nederlandsche kunst, reeds met kracht en kennis toegerust, slechts een verbetering der stoffelijke middelen behoefde, om eene hoogere vlucht te nemen en voortaan aan de spits der scholen van Noord-Europa te gaan. Die verbeterde middelen werden weldra der kunst geschonken, 1 door de Gebr. van Eyck. C. ED. TAUREL. |
I
door de gebroeders HUBERTÃÃS en JAÃf TAS ETCK.
|
Eze beroemde schilderij, berustende in dc quot; S1 Bavo-kerk te Gent, is wel het bewonderenswaardigste kleinood der oude vlaamsche kunst. Zij wordt gehouden voor het eerste stuk dat met eigenlijk gezegde olieverw geschilderd werd en wel door hen, die deze manier van schilderen uitgevonden of verbeterd hebben. Over deze reeds zoo veel besproken en weêr-sproken meening zullen wij in geen verder onderzoek treden, daar wij ons thans alleen met de beschouwing van het kunstwerk zelf hebben bezig te houden. Het Lam Gods is een polyptiek i), waarvan dc verdeeling is als volgen zal. Met inbegrip van de buitenste, bestaat het gezamendlijke uit 26 tafereelen, groote en kleine, aan-een-verbonden door éene gedachte, welke het geheele werk beheerscht en zich door de woorden, de Strijdende en de Zegepralende Kerk vertolken laat. Alvorens wij het stuk in zijne bijzonderheden nader bestudeeren, zal het, gelooven wij, niet overbodig zijn, volgens de bescheiden, welke vóór ons liggen, een chronologiesch overzicht er van te geven. In de eerste plaats deelen wij mede dat het Lam Gods besteld werd aan Hubertus van Evck door Joost Vijd, Heer van Pamela, en zijne vrouw Isabella Borluut, zoo als blijkt uit het volgende, in het lijstwerk der achterzijden van de paneelen 9 en 11, geplaatste opschrift. Fietor Hubertus e Eyck, major quo nemo repcrtus. Incepit pondus, quod Joannes arte secundus Frater perfcctus Judoci Vyd prece fretus. VersV seXta Mal Vos CoLLoCat aCta tVerl. {De schilder Hubertus van Eyck, wiens meerdere niet gevonden is, heeft dit werk begonnen dat Jan, de tweede broeder, op aanzoek van Joost Vijd, door zijne kunst heeft voltooid. Dit vers leert U dat dit werk den ö1'quot; Mei openbaar werd vertoond). |
Ziehier eene andere vertaling, welke door sommige schrijvers wordt opgegeven. â De schilder Hubertus van Eyck, die door niemand over troff en is, heeft het begonnen. Zijn broeder Jan, in de kunst zijn mindere, heeft het op verzoek van Joost Vijd afgemaakt. Het vers (chronicon), 6 Mei, ivijst U aan, wanneer dit is geschied. ^Chronologisch Pverzicht van het LAM GfODS der Gebr. VAN EYCK. 1432 De Schilderij is voltooid. Deze datum wordt door het 4lle vers van het opschrift opgegeven. Men heeft gezegd, dat zij in 1420 besteld zou gewerden zijn â⢠dit is echter niets dan eene veronderstelling, welke op geen enkel bewezen feit berust. De Schilderij wordt hersteld door Lancelot Blond eel, schilder en Jan Schoreel, kanonik van Utrecht. Philips II, vergeefsche pogingen gedaan hebbende om de schilderij te verkrijgen, belast Michiel Cocxie met het maken cener kopij. De kanoniken van S1 Bavo te Gent het plunderen der kerk door partijgangers vreezende, dragen het Lam Gods naar de nieuwe vesting over. Waarschijnlijke datum der wederplaatsing van de schilderij. De opperhoofden der Calvinisten laten de schilderij naar het raadhuis overbrengen met de bedoeling die aan de Koningin van Engeland te geven. Joost Triest, heer van Lovendeghem, laat zijne rechten op het stuk gelden. Zijne zaak wordt gewonnen. Het Lam Gods blijft tot 1584 op het raadhuis. 1584 Het wordt op zijne plaats teruggebracht. 1641 Brand in het dak der kerk. De schilderij wordt naar eene veilige plaats gebracht. 1662 Zij wordt door den schilder Anton van den Heuvel schoon gemaakt. 1781 Afneming der twee paneelen 5 en 6. Adam en Eva voorstellende. (Sommige schrijvers vermeenen, dat al de losse of beweegbare paneelen afgenomen werden. Dit is niet te gelooven, tenzij men veronderstelle dat het geschied zou zijn om die twee paneelen niet van de andere gedeelten der zijstukken te scheiden.) 'do1- ISS9 1^66 i567 I57S I1 i |
é
1
Schilderstuk met vele beweegbare zijstukken of luiken.
â 2 â
|
i794 Afneming der midden-paneelen door fransche kommissarissen. De andere paneelen blijven te Gent en worden in een veilig oord gebracht. 1799 De afgenomen paneelen worden te Parijs in de groote galerij van den Louvre ten toon gesteld. 1815 De afgenomen paneelen komen in het land terug. 1816 Zij worden weer geplaatst, maar alleen, zonder de sedert 1794 in bewaring zijnde zijstukken. Bij die gelegenheid werd door de regeering van Oost-Vlaanderen het volgende merkwaardige besluit genomen. â âDe toegestane teruggaven .... zullen geschieden onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat de teruggegeven schilderijen nimmer, zonder toestemming der regering mogen vervreemd worden.quot; |
1826 Nog diingender verslag van dezelfde kommissie. 1828 Nieuw verslag waarin de vrees voor het binnen kort verloren gaan der paneelen wordt uitgedrukt. 1828 Den 28ston April gaat de restaurateur eindelijk aan het werk. Den 28stcn Juni is het werk voltooid. Lorent brengt 55 dagen werk A 15 fr., dat is 825 fr. in rekening. De paneelen van Adam en Eva zijn in de restauratie niet begrepen. 1834 Men maakt den droevigen staat bekend, waarin zich de paneelen van Adam en Eva bevinden; sedert 1781 zijn zij op de zolders der kerk geworpen. Volkomen zwijgen van den kerkenraad. 1858 De kommissie voor schoone kunsten doet eenige sporen |
|
iSi6 De op het altaar niet weêr geplaatste beweegbare paneelen worden aan den Heer L. J. Nieuwenhuys, kunstkooper te Brussel, verkocht voor 4000 gulden. Dit geschiedde onder het tijdelijk beheer van den Vikaris Generaal Le Surre. â De Heer Nieuwenhuys verkoopt die losse paneelen aan den Heer Sally voor 80,000 rl 100,000 fr. De Koning van Pruisen koopt die op zijne beurt voor 400,000 fr. 1822 Brand in het dak der kerk. Het Lam Gods wordt met veel moeite onder een regen van vonken en druppels gesmolten lood gered. De paneelen worden beschadigd. 1822 De kanoniken laten den restaurateur Lorent vragen, wat de kosten zouden zijn voor het herstellen van de geheele schilderij. Hij vraagt 1000 fr. Deze prijs wordt te hoog bevonden en de restauratie uitgesteld. 1826 Verslag van den Heer De Bast, aan de kommissie voor het behoud der kunstwerken, waarin de jammerlijke toestand, waarin het Lam Gods zich bevindt, beschreven wordt. Hij heeft als proefneming het paneel, de H. Maagd voorstellende, door Lorent laten herstellen, die dit werk met veel kennis en zorg volbracht heeft in een aan de kerk grenzend lokaal, voor 120 fr.; rekenende 15 fr. per dag. Bij het besluit doet de verslaggever uitkomen, dat de verantwoordelijkheid van al hetgeen verder aan de kostbare schilderij kan overkomen, op de kommissie neêr-komt. 300 gulden schijnen hem voor de restauratie genoegzaam te zijn. |
van bederf opmerken, welke zich op de paneelen ver-toonen. De kerkenraad antwoordt dat er geen dringende haast bestaat. 1858 De kerkenraad kondigt evenwel aan, dat hij de paneelen en eenige andere schilderijen zal laten herstellen, hetgeen gedaan werd, wij weten niet door wien, en zonder toezicht van hoogerhand maar toch tot algemeene bevrediging. 1861 De kerkenraad staat de paneelen Adam en Eva, die sedert dien tijd op het koninklijk Museum van Brusfel berusten, aan de belgische Regering af. Kosteloos worden aan de hoofdkerk van Gent de zes paneelen door Michiel Cocxie nageschilderd, door de regering afgegeven, als ook eene kopij der paneelen Adam en Eva, met de door den kerkenraad aangewezen wijzigingen 1). Hier eindigt het rampspoeden-verhaal van deze beroemde schilderij, die, zoo wij hopen, thans buiten bereik van nieuwe gevaren berust, tot den dag waarop weer nieuwe restaureeringen noodig zullen worden, âpour réparer des ans l'irréparable outrage.quot; Het valt niet te ontkennen, dat het Lam Gods, gelijk het heden is, een wonderlijk samenstel vormt, zeer verschillend van 1) Deze kopijen zijn met veel talent door :len Gentschen kunstschilder, den Heer Lagye, vervaardigd. De door den kerkeraad van S' Eavo opgegeven wijzigingen hadden ten doel, het al te sterke réalisme te verzachten, dat de voorstellingen van ons eerst ouderenpaar, wel is waar tot meesterstukken verheft, maar hunne tegenwoordigheid in een kerk, niet geheel onwraakbaar doet zijn. Door beestenvellen is dit gebrek verholpen. De origi-neelen zijn ouveranderd gebleven. |
|
hetgeen het was toen het op den 6lt;len Mei 1432, schitterend verscheen voor het opgetogen gezicht der Gentsche bevolking. De tegenwoordige paneelen 5 en 6 zijn van Lagve; de paneelen 7, 8, 9, 10, 11 en 12 zijn van Michiel Cocxie; ons blijven slechts de door Lancelot IJlondeel, van den Heuvel, (mag men de stukken wel gelooven, die opgeven dat v. d, H. niets gedaan heeft dan schoonmaken ?) Lorenï en een onbekenden meester gerestaureerde paneelen 1, 2, 3 en 4. En dan is het nog bezwaarlijk aantenemen dat het kunstwerk der van Eycken van 1530 tot 1822. dat is gedurende een tijdruimte van drie honderd jaren, gebleven is, zonder eenige restauratie te ondergaan. Hoe het ook zij, het ontwerp, de gedachte der kunstenaars is in hare volkomenheid gebleven en de eenheid van het geheel heeft niet geleden door al die tegenspoeden, waarvan men thans de opsomming heeft gelezen, die, hoewel zeker nog onvolledig, reeds treurig genoeg mag heeten, wanneer men daarbij bedenkt, dat zes paneelen voor immer voor ons verloren zijn. De hierover door ons ingewonnen inlichtingen veroorlooven ons te getuigen dat door de Belgische Regeering schitterende aanbiedingen voor den wederinkoop dezer paneelen aan Pruisen gedaan werden die echter, gelijk te verwachten was, zonder eenig gevolg gebleven zijn. Wanneer de beweegbare paneelen of luiken gesloten zijn, hebben de r2 voorstellingen de Sybillen en de Profeten van Christus geboorte en van Maria Boodschap tot onderwerp 1). Links ziet men den Engel Gabriël, rijk en prachtig omhuld dooreen wijd kleed, sierlijk van vorm en teekening. Rechts de knielende Maagd, de duif boven het hoofd, met eene uitdrukking van ootmoed en berusting, zich keerende naar de stem die tot haar komt. De profeten Zacharias en Micha komen ten halven lijve in de halfronden boven den Engel Gabriël en Maria, voor. Twee Sybillen vullen de omslotene ruimten boven de twee aangrenzende paneelen. De voorstellingen dezer twee paneelen hebben eigenlijk geen onderwerp en getuigen, naar onze meening, van zekere zwakheid in de algemeene opvatting. De eene vertoont inderdaad een gothisch waschvertrek met kookketel en linnengoed. Het grenst aan dat der H. Maagd; sommige schrijvers habben daarin eene zinspeling op de zuiverheid willen zien. Wij kunnen er niets anders in zien dan eene voorstelling, geheel buiten de oorspronkelijke opvatting van den kunstenaar vallende, evenzeer als die van het aan den Engel Gabriül aansluitend paneel. Daarop toch vindt men, gezien dooide opening van een dubbel boogvenster, eenige gevels van huizen en de torenspits eener kerk. Dit moet, naar men zegt, het toenmalige uitzicht wezen van het schildervertrek des kunstenaars. In deze veronderstelling ligt niets onwaarschijnlijks; echter is het niets meer dan een onderdeel van weinig aanbelang. De vier onderste paneelen stellen den schenker, Joost Vijd, geknield voor. Kalm en zacht, maar misvormd door den ouderdom zijn de gelaatstrekken van dezen persoon. Hij is gekleed ia een wijden met bont omzoomden rok, waarvan de rand tot bijna aan de knieën reikt, Joost Vijd ligt geknield voor het beeld van Joannes den Dooper, dat het volgende paneel vult; de Heilige draagt het Lam en is gedekt door een mantel, sierlijk gedrapeerd. Op de daar tegenover geplaatste zijde ziet men Elisabeth Borluut, de vrouw van Joost Vijd. De uitdrukking van haar gelaat heeft iets mannelijks en mist alle bekoorlijkheid. Elisabeth knielt voor het beeld van Joannes den Evangelist. Het is niet overtollig hier aan te stippen, dat de hoofdkerk van Gent onder de aanroeping der twee Heilige Joannessen geplaatst is. |
Al de buitenbladen van dit altaarstuk zijn zoogenaamde graauwtjes. De verwen zijn er dun en zuiver opgebracht; alles is keurig, fijn en sierlijk van teekening. Nergens is iets losgelaten alles tot zelfs het geringste onderdeel is zonder zoeken naa1kontrasten of tegenstellingen behandeld. Het zou eentoonig kunnen zijn, indien het buitengewoon karakter van waarheid, dat het geheel bezielt, het niet zoo aantrekkelijk en van blijvende aanlokkelijkheid maakte. Wij moeten hier doen opmerken, dat geen dezer buiten-paneelen het werk der Gebroeders van Eyck is, daar zij de achterkanten zijn der aan Pruisen behoorende bladen en daar de origineelen van het waschvertrek en van het gezicht op de stad Gent, op het museum te Brussel berusten. Men moet evenwel aannemen, dat Michiel Cocxie bij het kopiëren dezer buitenbladen, niet alleen het karakter, maar ook in zekere mate de wijze van doen der van Eycken, met naauwgezetheid nagebootst heeft. Openen wij nu de beweegbare bladen. Het is dadelijk en voor alles de Aanbidding van het Lam; beter gezegd, van den Zaligmaker, wiens apocalyptisch zinnebeeld het Lam is. Midden op de schilderij staat een altaar, waarop zich een Lam met nimbus bevindt, staande voor den kelk, die zijn bloed ontvangt. Rondom hot altaar ziet men de werktuigen van 's Heeren lijden, door Engelen gedragen. Twee aanbiddende Engelen, rechts en links van het altaar geknield, slingeren de wierookvaten. Op het altaar zelf leest men de spreuk: He cc Agnes Dei qui tollis pcccata mundi. Deze geheele groep staat op den tweeden grond. De handeling valt in een van rotsen en bosschaadjes doorsneden landschap voor. Tegen de lucht komen de omtrekken van talrijke kerktorens uit. Vier groote groepeeringen vormen de voornaamste onderwerpen der ordonnantie. Twee zijn op den eersten grond, rechts en links, geplaatst. De twee anderen vullen den tweeden grond. De eerste, ter linker hand, bestaat uit de Profeten, gevolgd door een menigte mannen van allerlei slag; rechts zijn de Apostelen en achter hen de Vorsten der Kerk. De groepen van den achtergrond zijn, rechts de Martelaressen, links de Martelaren, deze twee groepen treden voorwaarts met zegepalmen in de hand. Op den voorgrond staat, tusschen de twee hoofdgroepen, de Fontein van het leven; zijnde een achtzijdig bekken, uit welks midden zich een soort van kruis verheft, waarvan het boveneinde een Engel met gevouwen vleugelen vertoont. De zijpaneelen zijn het vervolg der door den ontwerper uitgedrukte gedachte. Het eerste paneel aan de rechterzijde stelt de rij der kerkelijke strijders van het Lam voor; het zijn de Heilige Kluizenaars, allen oud en min of meer gebrekkig. Het oord waaruit zij komen, duidt genoegzaam hun afgetrokken en bespiegelend leven, te midden van rotsen en bosschen, aan. Deze optocht wordt door twee lieftallige figuren besloten; deze twee figuren die gelijk een zonnestraal den donkeren en stroeven groep ophelderen, zijn de beelden van Magdalena en Maria van Egypte, die de wereld voor de woestijn verlieten. Aan de andere zijde van het L a m staan de Ridders en de Rechters, prachtig uitgedost en te paard. Volgens de overlevering zouden tusschen deze strijders voor de zaak van Christus en tusschen deze door den kunstenaar met zekere voorliefde in de détails behandelde beelden, de portretten van Godfried van Bouillon, van de broeders van Eyck en van eenige historische 3 |
1
Bij overlevering wil men weten, dat de geheele schilderij vroeger op een soort van Predella of voetstuk rustte; het vagevuur voorstellende. Tot nu toe is dit volksverhaal door geenerlei nadere inlichting gestaafd geworden.
|
personen te vinden zijn. Waarschijnlijk is dit wel; men kan echter hieromtrent niet verder komen dan tot enkele veronderstellingen. De drie paneelen hoven het Lam zijn met recht wonderbare meesterstukken te noemen.In het midden, God de Vader; vorstelijk beeld van bovenmenschelijke waardigheid; dragende een rooden mantel met edelgesteenten bezaaid. Aan zijne rechterzijde de H. Maagd met paarlen, leliön en rozen gekroond, lezende in een boek, dat zij in handen heeft. Onbeschrijfelijk schoon is de uitdrukking van deze figuur. Aan de andere zijde Joannes de Dooper, met opgeheven vinger den Christus aanwijzende, en, gelijk de twee vorigen, zittende cn gehuld in een prachtigen mantel, waaronder het kleed van beestenvel gezien wordt. Vele spreuken zijn op de achtergronden, langs het lijstwerk geschilderd. Geen pen is bij machte den indrukwekkenden luister dezer paneelen te beschrijven. De fiinheid, het afgewerkte, het onderdeel zoowel als het geheel, de teekening zoowel als het koloriet, de goed gevoelde standen, de uitdrukking der gelaatstrekken en ook de alles bezielende geest â alles in één woord is tot zulk een toppunt van genie en macht opgevoerd, dat geheel de wereld, de wereld van verstand en beschaving, sedert vier eeuwen met alle recht volhoudt, dat het werk der van F.vckkn het meesterstuk, niet alleen van de oude Vlaamsche, maar van de kunst in het algemeen is. Deze zienswijze is onveranderd gebleven, en niemand zal zich, bij het beschouwen van dit heerlijke voortbrengsel van 's menschen genie, hierover kunnen verwonderen. En toch is er, volgens ons en volgens sommige schrijvers, aan wier zijde wij ons gaarne scharen, een duistere plek, ja, een vlek aan het L a m G o d s. Die vlek zijn de heelden van Adam en Eva. Zij zijn geplaatst vlak bij de zingende Engelen, die zich naast Joannes den Dooper en de H. Maagd bevinden en die wij bijna zouden vergeten te melden, hoewel hunne tegenwoordigheid eene toch zoo behaaglijke verscheidenheid aanbrengt. Maar wat doen onze eerste voorouders, wier zelfstandigheid in vleesch en been niet noodig was te bewijzen en die, des noods, door eene goed bedachte allegorie vervangen had kunnen worden, daar, in hunne stuitende en onsierlijke naakheid? Adam heeft het uiterlijke van een boschmensch, en bezit geenszins die schoonheid, hem in het boek Genesis toegekend. Zijn lichaam, hoewel heerlijk van schildering, heeft iets dierlijks, dat teiugstoot. Eva is nog leelijker; men zou bijna denken aan eene zinnelijke en onteerde vrouw, zonder eene dier schoonheden, welke onze eerste moeder geschonken waien. Deze twee scheppingen, die, wat de uitvoering betreft, intusschen meesterstukken zijn, verwekken afkeer bij elk fijn gevoelig gemoed. |
Wie weet? wanneer de geschiedenis hare sluiers liet vallen en ons datgene liet zien, wat waarlijk geschied is, wie weet, ol men dan niet vernemen zou dat eene verruiling heeft plaats gehad, ter vervanging van oorspronkelijke paneelen, van geheel anderen aard dan die, welke wij thans voor oogeu hebben. Hoe kan men in waarheid aannemen dat de ontwerper, of de ontwerpers van dat aanbiddelijk zuiver Maagdenbeeld, â van dien zoo hemelschen ganuièl, van dien Eeuwigen Vader zoo eerwaardig en verheven, van die Maria met het boek, wier gelaat zoo zacht en zuiver, als eene kinderziel is, van die hemelsche rij, bezield door al wat op aarde en in den hemel heilig, zuiver en schoon is; hoe kan men gelooven dat de scheppers van al die glorie en vlekkeloozen luister, van die iegio's heilige mannen en vrouwen, van gansch een wereld van zuiverheid en onbevlekte schoonheid, waarin 's menschen hart en geest God naderbij komen ; hoe kan men in waarheid aannemen, dat het verstand der Gebroeders van Eyck genoeg verbijsterd zou geweest zijn om, te midden van zoo veel schoons, twee beelden te plaatsen, wier enkele uitdrukking reeds een walgelijke onkieschheid is? Dit is altijd onze zienswijze geweest en al wat er ook gezegd mocht zijn om deze twee bladen te rechivaardigen, heeft ons nooit kunnen voldoen. Men heeft gesproken van kontrasten, van tegenstellingen, hoewel die zeker niet in het genie der van Eycken bestonden, en evenmin in de taak die zij zich hadden gesteld. Men heeft voorgegeven, dat men er de bewerking van Hubertus in erkende, later die van Jan ; men heeft gesproken van den invloed der Italiaansche kunst en van vele andere zaken nog, maar niets van dat alles heeft eene overtuiging kunnen doen wankelen, ons door de logika opgelegd. Tot staving onzer meening knnncn wij, wel is waar, niets anders bijbrengen, maar onze tegenstanders wat voeren die aan ? Niets dan het opschrift alleen leert ons dat dit alles het werk der gebroeders van Eijck is. Eenige ten raadhuize van Gent berustende rekeningen hadden wellicht, bij afwezigheid eener zoo stellige aanwijzing, ons eenige ophelderingen kunnen geven. Hoe dit ook zij, nimmer is het auteurschap van het Lam Gods in twijtel getrokken, en het blijft, dank zij zijne groote uitnemendheid en den naam zijner vervaardigers, het ware uitgangspunt van de Vlaamsche kunst bij hare wedergeboorte. Veel is er over het Lam Gods en over de Gebroeders van Eyck geschreven. Al kunnen wij alle uiteenloopende meeningen, waartoe de schilderij aanleiding heeft gegeven, hier niet opsommen, toch kunnen wij den lezer verwijzen naar eenige werken waarin alles, wat men over Hubertus en Jan van Eyck weet, in den laatsten tijd is bijeengebracht. Deze boeken zijn: Crowe et Cavalcaselle. Les anciens peintres flamands, Bruxelles. JIcnssner, 1861. Documents authentiques relatifs aux frères Van Eyck ctc. par Alexandre Pinchart. Bruxelles. Heussner. 1863. Notes sur Jean Van Eyck par J. Weak. Bruges. i86r. ADOLPHE SIRET (Vert. C. Ed. TAUREL.) |
BIOGMPÃÃISCHE AANTEEKENINGEN
over de YAN EYCKEN.
|
An van Eyck, de jongste der twee broeders, werd in het jaar 1386 te Maes-Eyck, een dorp niet verre van Maastricht, aan den rechteroever der Maas gelegen, geboren. De juiste datum der geboorte van Huibert, den oudsten broeder, is niet met zekerheid op te geven. Men veronderstelt dat hij veel jaren ouder moet zijn geweest dan zijn broeder; sommige schrijvers spreken van een twintigtal jaren; zeker is het dat de eerbied, welke Jan hem heeft toegedragen, en die, gelijk uit vele opschriften hunner schilderijen blijkt, 'meer dan gewone broederlijke genegenheid was, doet denken, dat Huibert voor Jan niet alleen een oudere broeder, maar ook een leidsman en zijn leermeester in de kunst is geweest. De naam van hun vader is onbekend; van Evck schijnt, gelijk toenmaals veel gedaan werd, aan den naam hunner geboorteplaats ontleend te zijn. Wat was hun vader, welk bedrijf oefende hij uit? Hoe kwam dat gezin aan zooveel smaak, aan zooveel liefde voor de kunst? Want men moet weten, dat ook hunne zuster Margareta haar leven aan de schilderkunst toewijdde. In het werk van den Heer Louis Blanc wordt gezegd, dat de vader van het begaafde drietal misschien paneelenversierder was of tot de beroemde prentenmakers van dien tijd behoorde. Het is mogelijk; niets bewijst ons het tegendeel; en zeker zou zulk eene vroege omgeving van kunstwerken, hoe onvolledig ook, de zoo uitkomende voorliefde der kinderen voor de kunst iets begrijpelijker doen zijn; hoewel de oorsprong van zulke talenten hooger moet gezocht worden dan in het toevallige bedrijf der ouders. Van Mander, Vasari en andere schrijvers kennen aan Jan de uitvinding der olieverf toe. Latere schrijvers zijn, hoewel meerdere eeuwen aan die meening recht hadden gegeven, daarop teruggekomen, en willen de eer dier uitvinding aan Huibert, den oudsten broeder, toeschrijven; ook hieromtrent verdedigt elke schrijver zijne veronderstelling, haalt eenige opschriften tot bewijzen aan, zonder dat evenwel iets met zekerheid bewezen wordt. |
Ook moet er misschien meer van verbetering dan wel van uitvinding gesproken worden, want reeds veel vroeger was het gebruik van olie bij het maken van verwen bekend. Men gebruikte echter ontoebereide lijnolie, zoodat de schilder die geen tweede laag verf kon aanbrengen zoolang de eerste niet droog was, zich verplicht zag zijn werk soms dagen lang te staken en het nog onvoltooide stuk aan de warmte der zonnestralen bloot te stellen, die er soms scheuren in maakte, voor dat de verf tot hardheid was gekomen. Al deze bezwaren hadden de olieverf in onbruik doen geraken. Men mengde de verwen aan met gom, voor sommige met welke niet met gom aangemengd konden worden, gebruikte men eiwit; maar ook deze bereiding was zeer onvoldoende, leverde voor den gebruiker veel bezwaren en gaf slechts bleeke en flaauwe kleuren. Geen wonder dus dat overal gezocht werd naar een betere manier van doen en dat menig kunstenaar bij het zien van zijn gebersten paneel of bij het vergelijken zijner bleekkleurige schilderij bij de schitterende glasschilderingen der kerken verlangend uit/v;; naar betere en geriefelijker middelen. Aan de gebroeders van Kvck. was het beschoren hier aan te voldoen en de kunstwereld eene nieuwe wijze van handelen te schenken, beantwoordeu'.â 1 1 (/â 1 *gt;chen der kunst. Zonder nu te vragen hoe groot hel j/ aandeel van elk der broeders moet zijn en ook zonder te w lllen bepalen in hoeverre hunne wijzigingen, verbeteringen of wel uitvinding mogen heeten, is het zeker dat de gebroeders van Eyck, dank zij hunnen navorschingen en wetenschappelijke kennis, de middelen hebben aangewezen, welke wij nog gebruiken, en dat zij door hun talent die nieuwe middelen zoo hebben weten te gebruiken, dat de wereld na vier eeuwen recht doet, hunne namen te loven en in eere te houden; daarom aarzelen wij niet te zeggen, dat zij te samen gewerkt, samen gezocht en ook samen gevonden hebben, en dat verbeteringen van dien aard, ook in hunne gevolgen zoo belangrijk, wel onder de uitvindingen mogen gerangschikt worden. Zij hadden reeds lang hunne geboorteplaats voor de rijke en prachtige handelstad Brugge ve.laten en hadden zich daar neiïr gezet. Volgens de gewoonte en zeden van die tijden deelden zij hun geheim aan niemand meê. Van tijd tot tijd kwamen uit hun werkplaats stukken te voorschijn, waarvan de schitterende en krachtige kleuren, welke zich zoo meesterlijk lieten behandelen, de aandacht en verwondering van alle kenners en liefhebbers tot zich trokken. Kunstkoopers uit alle oorden, sommige door Vorsten afgezonden, kwamen hen bezoeken en bestellingen brengen; tot in Italië drong de vermaardheid hunner werken door, zoodat een siciliaansch schilder, Antonkllo van Messina, de reis naar Brugge ondernam, om het geheim der nieuwe schilderkunst te leeren 1 gt; nen. |
|
Daar ontvingen zij, volgens zekere opgaven, omtrent 1420, van den rijken Gentschen edelman de bestelling van het groote altaarstuk, dat hierboven beschreven is. Huibert, de oudste broedei, kwam toen te Gent, maar mocht het grootsche werk niet voltooyen; hij stierf den 1811 September 1426 en werd op verlangen van den edelen Heer in de kapel begraven, die zijn werk eenmaal zou versieren. Kort daarop ontsliep ook de zachtzinnige Margareta en ging rusten naast haren oudsten broeder. Jan werd met het afmaken dat, gelijk wij gezien hebben, hem nog een zestal jaren bezig hield, belast. Hij werkte echter niet al dien tijd aan de groote schilderij, daar hij op last van Philtppus den Goede een reis naar Portugal maakte om het portret van Prinses Elisaiseth, wier hand deze gevraagd had, te maken. Hij bleef omtrent een jaar weg, bezocht ook' Spanje en keerde omtrent Kersttijd van 1429 in Brugge terug. De Hertog van Bourgondie schijnt niet alleen zijn talent te hebben vereerd, maar hem ook vriendschap en vertrouwen te hebben geschonken; hij begiftigde hem met eene jaarwedde, belastte hem in 1436 met zekere geheime zending in het buitenland en deed hem verscheidene geschenken; onder andere, bij de geboorte van een kind, schonk de Hertog hem zes zilveren koppen, wegende twaalf mark. Na het Lam Gods moeten wij als het voornaamste werk dat Jan, zondei medewerking van zijn broeder, ten uitvoer bracht, de overwinningen der Nieuwe AVet op de Wet van Mozes noemen; deze groote schilderij berust in het Museum te Madrid. Een Christushoofd, te Brugge aanwezig, het jaarmerk 1420 en het gewone opschrift ALS IKH KAN dragende, moet, als zij werkelijk van hem is, door Jan uitgevoerd zijn, terwijl de oudste de groote polyptiek van S' Bavo begon, of zich daartoe voorbereidde. Hij was toenmaals al de moeielijkheden zijner kunst nog niet te boven gekomen, zoo als eenige andere stukken van omtrent diezelfde jaren bewijzen. De jonge kunstenaar, die zich hoe langer hoe meer op het bestudeeren der natuur, waartoe zijn aangeboren smaak hem leidde en dat door zijne nieuwe manier van doen voortaan mogelijk was geworden, toelegde, was nog niet geheel vrij van de wel wat stijve vormen eener verouderde opvatting, welke hij minder goed dan Huibert wist te vertolken. Zijne figuren hebben nog eenige stijfheid zonder de prachtvolle waardigheid te bezitten der beelden van de bovenste paneelen van het Lam Gods, welke aan den oudsten broeder worden toegeschreven. Hij vertoont zich eerst later in al zijn grootheid, nadat hij de natuur niet alleen tot richtsnoer zijner verbeelding, maar ook tot voorbeeld bij de uitvoering had genomen; dan eerst verkrijgen zijne figuren een karakter van waarheid, dat terug te vinden is in de uitdrukking der gelaatstrekken, in de standen en bewegingen; hij heeft alles bestudeerd, alles begrepen en alles met liefdevolle zorg teruggegeven, de draperiön en het bijwerk, alles is tot in de geringste deelen afgewerkt; de vergulde gronden en de opschriften maken dan plaats voor rijke landschappen met altijd helderen hemel, steeds groene boomen en met bloemen versierde grasvelden. Andere keeren plaatst hij zijne personen in gothische of romaansche gebouwen met hunne gewelven, bogen en geschilderde glasruiten. Die liefde voor de waarheid, dat ontzag voor de natuur zoo als zij is, hebben hem wel eens in een realisme doen vervallen, dat niet ten onrechte aan sommige figuren, waarin de schilder zonder streven naar veredeling, ook de gebreken zijner modellen heeft nagebootst, verweten wordt. Maar al heeft hij soms werkelijk de onvolmaaktheden van eenige minder gelukkig gekozen modellen teruggegeven, nimmer toch heeft hij die anders dan met de zachtste en vroomste deugd bezield. Al zijne figuren zijn waar, zonder ooit de leelijkheid der ondeugd te bezitten; moet het lichaam de geïdealiseerde schoonheid missen; het hart toch is zuiver en zedig en de geest, die het doet handelen, is ernstig en welwillend. |
Keeren wij tot zijne voornaamste schilderijen terug. Te Londen bevindt zich een stuk van 1433; het is een mansportret met een tulband op het hoofd; een ander, van het volgende jaar gedag-teekend, berust in dezelfde galerij. Deze stelt een bruiloft voor. Op den eersten grond staat de jonggetrouwde man, de hand aan zijne vrouw gevende met een hond aan zijn voeten. Volgens den Heer Weale is deze gelukkige persoon Arnoulphtn, vennoot van een lakenkoopman te Brugge; het opschrift: Johannes de Eyck fnii hic, en de gelijkenis der jonge vrouw, die volgens denzelfden schrijver zich Jeanne de Chenany noemde, met het te Brugge bestaande portret der echtgenoote van Jan van Eyck hebben wel eens doen denken dat het twee zusters zijn. Men bewondert in deze schilderij de buitengewone zorg, met welke de kunstenaar niet alleen de twee figuren maar ook al het bijwerk heeft geschilderd. De meubelen, de aan den zolder hangende koperen lamp, de leunstoel met besneden houtwerk en roode kussens, het gothisch tapijt naast het bed, de ruiten van het half geopend venster, alles is met zorg gedaan en afgewerkt. Een holle spiegel kaatst de beelden terug van twee voorwaarts komende personen, welke men anders op de schilderij niet zou zien en welke waarschijnlijk Jan van Eygk en zijne vrouw verbeelden, die hunne bloedverwanten of vrienden komen bezoeken. Deze spiegel is omgeven van tien andere kleine tafereelen, ware miniaturen, de volgende oogenblikken uit het leven van Onzen Heer voorstellende: de Olijventuin; het verraad van Judas; Jesusvoor Pil at us; Jesus met roeden gegeeseld; jesus zijn kruis dragende; Jesus gekruisigd; het afnemen van het kruis; de Graflegging; Jesus in de onderwereld en de Opstanding. De schilderij, waarop de H. Maagd tusschen S' Joris en S1 Donatus voorkomt, werd door den kanunnik van der Paele besteld, die zelf geknield, op den tweeden grond wordt voorgesteld. Al de beelden van dit belangrijk stuk zijn blijkbaar naar de natuur , geschilderd. De groene draperiön achter Maria met het kind Jesus, de kerk waarin zij geplaatst zijn, de kleederen der figuren, alles is meesterlijk behandeld. Deze schilderij behoort aan het Museum te Brugge. Zij is gedagteekend van het jaar 1436; eene herhaling van hetzelfde onderwerp bevindt zich op het Museum te Antwerpen. Twee graauwtjes, waarvan een te Gent en een te Brugge berust, stellen de H. Barbara voor. Zij zijn van Op den tweeden grond staat de in aanbouw zijnde toren, waaraan een menigte arbeiders van allerlei slag werkzaam zijn; de Heilige zelve is zittende voorgesteld bladerende in een open boek dat haar op de knieën ligt; zij heeft een zegepalm in de hand. Te. Dresden bevindt zich eene H. Maagd tusschen 8»° Ca-tharina en S' Michael; te Berlijn een Christushoofd, in 1438 uitgevoerd. Het Museum van den Louvre bezit eene schilderij, die den kanselier Rolin voorstelt, knielende voor het Kind Jesus, dat op de knieën zijner Moeder zit. Het landschap dat door de bogen eener gaanderij gezien wordt, is een geheel panorama, met eene rivier, een tuin met gevogelte en eene geheele stad met huizen, kerken en met menschen wier kleedingen nergens verwaarloosd zijn. Over de rivier ligt een brug met een menigte wandelaars, in den tuin ziet men twee paauwen. Het kind is blijkbaar geheel naar de natuur geschilderd en geeft het model, waarvoor een |
|
minder dik en zwaar kind beter had gepast, ongekunsteld terug. De H. Maagd is als het ware gewikkeld in een overwijden rooden met paarlen omzoomden mantel waarop het lange goudgele haar ^ nederhangt; achter haar zweeft een Engel, een sierlijke kroon boven haar hoofd houdende. De kanselier Rolin is naar de mode van dien tijd rijk gekleed. Eene Maria-Boodschap, die vroeger deel uitmaakte der kostbare galerij door Koning Willem 11 in zijn Paleis te 's Hage bijeengebracht, is thans te S'-Petersburg. De laatste schilderij door Jan van Eyck ondernomen, maar die de dood hem niet toeliet af te werken, werd door Nicolaas van Maelbeke voor de kerk van S1 Maarten te Yperen besteld. Het hoofdpaneel stelt Maria en het Kind Jesus voor, door den schenker aangebeden wordende; op de beweegbare zijstukken ziet men Engelen en andere figuren. Dit kunststuk werd vóór zijne voltooying in het koor boven de grafstede van den Proost Nicola as van Maelbeke geplaatst; dit geschiedde in 1445. Volgens zekere |
door den Heer L. de Bast aangewezen stukken zou dat jaar ook het sterfjaar van den grooten kunstenaar zijn geweest. Verscheidene andere schrijvers vermeenen dat hij in 1440 gestorven is; de catalogussen der Musea van Brussel en Antwerpen geven dit jaartal ook op, en de Heer Waele, wiens meening als afdoende mag beschouwd worden, zegt dat Jan van Eyck den 9° Juli 1440 te Brugge overleed, en aldaar in de kerk van den H. Doxatianus begraven werd. Ten slotte moeten wij nog den naam van Lambertus den derden broeder, die niet tot de kunstenaars heeft behoord, opgeven, en melden dat de dochter van Jan van Eyck, I-iennia genaamd, zich na zijn dood in het klooster te Maes-Eyck terugtrok. Zijn weduwe overleefde hem een viertal jaren en zijn leerling Antonello van Messina, aan wien hij de geheimen zijner kunst vertrouwd had, keerde omtrent 1445 liaar z^n vaderland terug, en onderwees de nieuwe bewerking aan de schilders der Venetiaansche School. C. Ed. TAUREL. |
Schilderstuk van een XVe-eeuAvsclien Meester
(GEEKTGEN VAN ST JANS?).
ken en bestendigd werden, breidde zich in duitsche zielen eene omwenteling voor, die ten jare 1825 althands haar volle beslag gekregen had, en het mag te-recht betwijfeld worden, of de eer en de oneer, der oude christen kunst door de Heeren van Nijmegen, Muys en van Leen in de bijgebrachte woorden aangedaan, ergends, behalve in ons achterlijk Holland, zich eene halve eeuw zoü hebben kunnen staande houden.
Ik zeg âeer en oneerquot;: de tegenwoordige schilderij had niet verdiend;
âNi eet excès d'honneur, ni cette indignité;quot;
noch de eer van aan de gebroeders van Eyck te worden toegeschreven, noch de oneer van haar genre te zien aanduiden als een, dat alleen in aanmerking kwam wegends de âzeldzaamquot;heid der XVe-eemvsche stukken.
Het is al heel toevallig, dat aan deze middeleeuwsche schilderij, eene van de weinige die in ons Rijksmuzeüm gevonden worden, sints het begin dezer Eeuw geen waardiger behandeling is ten deel gevallen. Staan wij nog een oogenblik stil bij de beschrijving der genoemde deskundigen. Van Leen had zich, door zijne uitgebreide âkunstkennisquot; een zekeren naam verworven; toen hij dan ook den 6quot; Ap. 1825 te Delfshaven overleed, meende men dat er een heele zon in Nederland was ondergegaan. Gerrit van Nimwegen was medebestuurder en redenaar in het Rotter-damsche kunstgenootschap Hierdoor tot hooger. 2) Dit wijst op zekere neiging voor het ideale. Hebben we daaraan te danken, dat in de schilderij, die hier in gravure wordt aangeboden, gezocht wordt eene bijbelanalogie â een âtafereel, zinspelend op het oude en nieuwe verbond?quot; Gemakkelijk uit te leggen is het stuk niet, maar dat is geen reden om er eene beteekenis in te verdichten, die er wellicht vreemd aan is.
Beginnen wij, met het zoo volledig mogelijk te beschrijven. Ter helfte van het middenschip eener kollegiale kerk, waarschijnlijk van de XVC Eeuw, maar vreemd van plan 3), zitten met den rug
Cat, v. /t. bcr, Kab. Schildo'jcti... hjcenvo'z, doov giiuuit van der Pot,
2) Immeezeel, op zijn naam.
3) Een rechthoekig parallelogram, dat in drie beuken van gelijke breedte verdeeld schijnt, en uit een van welks smalle zijden zich een choor ontwikkelt, bestaande uit vijf kerkvakken {trazies) eu een driezijdig gesloten autaarnis; zoo düt het choor door 23 vensters verlicht wordt. De zijbeuken zijn met een houten zoldering afgedekt; boven dezen op kiuderbalkjens rustenden
' :
1^'. -t'-^ â i vm-;,::-Y ' â '*â
M
quot; -⢠4r''.V-'y-::
â â . â V. ⢠W â . â ; -i: 'Y- - â â
quot; , êv quot;â -â â ? , . .y; . . quot; .': :â¢â â #. v -T,
â
.
, , . . ...
⢠.â 'â /, , â â . ⢠. - . â -' â . . â .
v?:f:'. / â ; ^ : ^
ï::quot;- â vö-. .:-'V:;-
- , â ⢠⢠-:,-â â¢â *â¢â gt; ⢠â¢â¢â¢.',,'â â¢â¢â â¢â¢' ⢠_ ;';. quot; â â Vquot;quot;' /⢠;â ⢠.. â¢â¢ ' ;V:-
.
|
naar het altaar, dat vóór het choorhek (of -schot) is opgericht, J eenige Heilige Vrouwen. Het meest naar het midden is Maria gezeten, blootshoofd voorgesteld, met zeer lange haren 4). Zij houdt het Heilig Kind, dat insgelijks van voren gezien wordt, op den schoot 5). Aan hare rechter zijde zit hare moeder Anna, die een opengeslagen boek op de knieën heeft 6), over welks inhoud zij schijnt te mediteeren; want haar bril ligt in het boek. Aan des toeschouwers rechter hand zit de H. Elisabeth 7), verjeugdigd, zoo als met haar wonderdadig moederschap over-een-komt; zij heelt S' Jan aan de borst gehad. Met vuur strekt dit kind de hand naar Jesus uit, en wordt ondersteld te zeggen; Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonden der wereld wechneemt!quot; (Joan. I, 29). Dit is eigenlijk het onderwerp, en zoft het onderschrift van deze schilderij kunnen zijn. Als een zinnebeeld van de profetiën, die in Jesus' geboorte en lijden verwerkelijkt werden, zijn er, behalve Anna, nog twee lezende vrouwen 8) op het tafereel, Zij zijn gegroept om Elisabeth en S1 Jan den Dooper, âde stem des roependen in de woestijn.quot; In het midden, op een verwijderd plan zijn twee misdienaars voorgesteld, waarvan de eene 9) uit een vaatjen den voor de Heilige (onbloedige) Offerande bestemden wijn in een Miskelk giet, die het andere knaapjen 10) vasthoudt. Achter hen staat een |
eenigszins rijk gekleede kleine figuur n), die een stok, getopt met puntige zaag, in de hand houdt. Deze kleine personaadje, wiens gelaat niet gezien wordt, daar hij zich sterk buigt bestiert blijkbaar de overgieting van den wijn. De figuur, die achter âMoeder Annaquot; staat, zal, ofschoon hij bij den tulband van den Hoogepriester, de handschoenen en den staf des reizigers voegt, Zacharias 12) zijn; aan zijne linker hand (achter Maria) staat Joseph 13). In de diepte der schilderij, houdt zich ter Evangeliezijde van het autaar, een groep van drie personen op, die met elkadr in gesprek zijn. Het is een Hoogepriester, met bruinen baard, in 't grijs gekleed ; een jonge man 14), met roode hoofdkap, die met den linker arm op het autaar leunt, en een andere jonge man, dien men van achter ziet, en die een stok in de hand heeft 15). Aan de andere zijde van het autaar komt, uit de deuropening van het choorschot, een ander Joodsch Priester 16) die een grijzen baard heeft, en een langen lamfer aan zijn tulband of kaproen. Hij onderhoudt zich met een jongen man 17), dien men op den rug ziet. Voor het autaar, dat tegen het in flamboyanten stijl besneden choorschoc geplaatst is, is een misdienaai 18) bezig de kaarsen op het choorhek te ontsteken. Hij begint van de linker hand; hij heeft er twee aangestoken: het getal der kaarsen is negen. Op het autaar staat een vergulde groep: voorstellende, Abraham, die zijn zoon Isaac opoffert. De oude kataloog van het Trippenhuis-muzeüm (1870, bl. 192) meende, ten onrechte, hier âJohannesquot; (den Dooper) te herkennen. Blijkbaar zinspeelt deze groep op het offer van den Isaac des Nieuwen Verbonds, en zoo worden we er toegebracht, in de verklaring, welke de Heeren van Nijmegen, Muvs en van Leen van het schilderstuk gegeven hebben, meer waarheid te herkennen, dan bij eene oppervlakkige beschouwing in 't oog valt, en meer dan zij waarschijnlijk, zelve, geweten hebben. Het geheele stuk is blijkbaar allegoriesch. Men bereidt zich niet vóór de Mis aan dit autaar te gaan doen, al worden de kaarsen ontstoken. Er is geen plaats voor den kelk. De groep van Abraham en Isaac (de Voorspelling van het Offer) neemt die in. Aan weêrskanten van dien groep staat een fraaye, aan blaker en voet getinneerde, kandelaar, waarop een gele waskaars, als op Goeden Vrijdag. Twee Mreliëfs in het choorschot, boven het autaar, stellen Adam en Eva voor, van de verboden vrucht etend, en gejaagd uit het Paradijs. De choorzuilen der kerk zijn van licht rood marmer. Hare kapiteelen zijn vaasvormig, van glad geel koper en zonder eenig 11) De muts is donkerrood, het kleed met wijde mouwen licht lakkleu-rij?, het onderkleed is zwart, met fijne gele strepen, de gestrikte eeinture wit. 12) Grijze baard, loodkleurige handschoenen, bruine, met rood gevoerde mantel, donker onderkleed, met gele of gouden strepen. 13) Blaauw-zwart kleed, roode mantel; een zwarte kaproen met lamfer ligt hem op den schouder, naar de mode der XVe eeuw (Viollet-le-Duc, t. a. p., bl. 140). v 14) Hij heeft zeer lang en dik haar; hij is gekleed in 't donkerblaauw, heeft een witten mantel om, met rood afgezet en zwarte schoenen aan. 15) Over zijn donker onderkleed draagt hij een zwarten surkoet of korten tabbaart, met gouden of gele strepen en een lichtbruine pelskraag. De sjaal, die hem voor gordel dient, is licht groen. Hij heeft grijze hozen aan en geen schoenen (op zijn italiaansch). 16) Hij draagt een grijs onderkleed, in welks boorden roode lijntjens de schriftuur-charakters schijnen aan te duiden, waarmede de joodsche wetgeleerden hunne mantels omzoomden. 17) Gekleed in een goudlakenen wambuis, met lichte, wijde mouwen, een donker groenen mantel, een licht groenen kaproen, met roode middelgalon. 18) Gewikkeld in een witte draperie, met zwart boordsel; bloote armen en beenen; 100de schoenen. |
1
vloer is eene in de kerk uitziende galerij. Choor en middenschip zijn gewelfd. Al de zuilen, de vrijstaande der beuken zoowel als de muraalzuilen van het
â 10 -
|
cieraad. De kapiteelen in het schip der kerk, in tegendeel, zijn van witten steen en lijk met beeldhouwwerk goeierd, dat verschillende tooneelen uit het leven van Jesus schijnt voor te stellen : als de Aanbidding der Drie Koningen, den Kindermoord, den Palmzondag, en anderen, die wij noemen zouden, indien ze bij mogelijkheid herkenbaar waren. Het kolommenpaar, dat het naast aan de hoekzuiien van het choor staat, is van groenen steen; de drie andere paren, die van het schip zichtbaar zijn, zijn zwart. In den oostelijken muur, die de noordelijke zijbeuk afsluit, zijn twee vierkante deuropeningen, eene van welke boomen en gras, de andere twee huizen te zien geeft. De buitenhoek van een dier uitgangen wordt bekleed door een eenvoudige zuil van geel koper. Nog komt op de schilderij eene figuur voor, die moeielijk te verklaren is. Hij staat voor Zacharias, in den hoek bij moeder Anna, en schijnt de schilderij uit te loopen. Hij heeft een knods in de hand, maar anders niets dat hem kenmerkt; want zijn jeugd en haardracht geven weinig handleiding ter verklaring van den historischen of allegorischen naam, die hem moet toegelegd worden. Opmerkenswaardig is nog een korfjen met appelen, dat aan de voeten van Sint Anna staat. Ãen dier vruchten (ik merkte het, boven, reeds op) houdt de Moeder der Nieuwe Eva, in diepe overweging, in de hand, wellicht op het punt hem aan het god-lijk Kind als het corpus delicti, dat Hij te vernietigen heeft, over te reiken. Bekend genoeg zijn de voorbeelden van het Kind Jesus met dien appel. Men heeft vroeger zijne oogen bij het zien hiervan wel eens gewantrouwd, en gemeend den waereldbol, een rijksappel, in de handen van het H. Kind te zien: maar daarlatende, wat er van de analogie tusschen den rijksappel en de vrucht, die de waereld tot den ondergang geleid heeft, zoü te zeggen zijn, kan men zich verzekerd houden, dat, in dit en andere tafereelen der XIV0 en XV0 Eeuwen, wel werkelijk de ongelukkige appel van het Aardsche Paradijs in de handen wordt voorgesteld van Hem, die den bitteren beet; dier vrucht van de menschen wech zoü nemen. Ter vergelijking bevelen wij aan de grootsche Moedermaagd met het Kind, door den Heer Holtrop uitgegeven en ook in de Kunsikronijk gesteendrukt 19) naar eene houtsnede berustende in het Koninklijk Prentkabinet te Berlijn. Daar houdt Maria het Kind den appel voor. Men kent ook het allerliefste door D1' van Vloten uitgegeven legendetjen van het quot;monnickijnquot; dat alle dagen, met het Kindtjen Jesus en dezes quot;appelkijnquot; speelde 20). Wat den rijkdom der quot;ordinantiequot; van dit stuk hetreft, onze lezers zullen dien minder prijzen dan de Heeren van Leen, Muys en van Nijmegen gedaan hebben. De schikking js eenvoudig. Die figuren zoo naast elkander, met die opening in 't midden geven u den indruk eener verschijning, en dat is de slechtste zij niet van dit tafereel. Het bepaalt het charakter van het kunstwerk. Het verklaart de placiditeit, de zedigheid, de zacht-tintelende immanentie der figuren. Deze hoedanigheid zou op zich-zelve het stuk reeds de eer der verveelvoudiging hebben waard gemaakt. Fransche en belgische kunstenaars, verstoord over de toeschrijving dezer schilderij aan het penceel der van Evcken, hebben dit stuk met groote minachting behandeld 21). Voor ons is het be- 19) '859, bl. 92. 20) Prozastukken, bl. 305. |
21) W. Burger (Thoié): âJ'ai cherché longtemps ces précieux van Eyck, nVétonnant bien de ne les point trouver; car des van Eyck, ccla santé aux yeux. J'avais passé vingt fois devant eux sans m'arrctcr. Les trois prétendus van Eyck sont de misérables copies de jo ne sais quelle miserable peinture langrijk, om dat de handeling, die zich in vele werken der van Eycken reeds duidelijk op den voorgrond plaatst, het realisme, dat in de uitdrukking hunner figuren reeds in vrij hoogen graad begint door te schemeren, aan den streng-gestemden ontwerper van dit tafereel nog veel meer vreemd is gebleven. De lof der quot;uitvoerigquot;heid, door het hooger genoemde drietal kunstautoriteiten aan het stuk gegeven, moet zich beperken tot prsecizie in de schildering vooral van het bijwerk: want van uitvoerige redengeving van de uitdrukkingen der menschbeelden, van uitvoerige behandeling der vleezen, kan hier geen spraak zijn. De geprezen fraaiheid van schildering heeft ook veel geleden door zeer zichtbare retouches. Toch, als ik zeide, is het stuk zeer te waardeeren. Ofschoon het geen datum draagt en zeer wel in de tweede helft der XV0 Eeuw kan geschilderd zijn, verbindt het zich aan het tijdperk, dat van Eycks hervormingen voorafging, en heeft tot in zijn minste deelen, behalve den mystischen geest, die er als een geur van uitgaat, â oudheidkundige belangrijkheid. Het is hoogst moeilijk er een eenigszins stelligen datum aan toe te kennen. Eerst rijst de vraag: is het eene kopie, of een origineel? Wat het antwoord zij â het tafereel, dat in het quot;Rijksmuseumquot; onder n0 428 voor ons hangt, is wel zeer zeker in de XV6 Eeuw geschilderd. Ook de bereiding van het paneel, met een kalklaag, pleit voor hooge oudheid. Is de gebruikte spetie olieverw? â Bedrevener dan schrijver dezes mogen dit uitmaken. Het kostuum der figuren voert ons op tot de eerste helft der XVe Eeuw; maar hoe lang heeft men in Nederland de modes nog gedragen, die men in Frankrijk omstreeks 1440 reeds verlaten had?â Vergelijk, boven, onze aanteekening 8. In ieder geval, wij hebben met een door en door middeleeuwsch werk te doen, en men moet zich inderdaad verwonderen, dat het in de rotterdamsche verzameling van der Pox (want in deze heeft het tot de Junimaand van het jaar 1808 berust) de XVIIP Eeuw zoo tamelijk ongeschonden heeft kunnen doorworstelen. De Heer Gerrit van der Pot, Heer van Groeneveld, geboren den 16 Feb. 1732, was op zijn twintigsten verjaardag getrouwd met Mejonkvrouw Alida Virulv, die hij echter niet veel langer dan 20 jaren heeft mogen bezitten, want den 25 Okt. 1773 hertrouwde hij met Maria Elisabeth Braicel. Uit geen van beide zijn huwlijken werd hem echter nakroost geboren. Geen opvoedingszorg trok hem dus al van zijne kunstliefhebberij, die zeer groot was en van hem den voorbeschikten bewaarder gemaakt heeft van een sestigtal schilderijen, die de kern vormen van ons amster-damsch âRijksmuseumquot;. De dood van den Heer van Groeneveld en de veiling zijner kunst trof namelijk samen met het besluit van Koning Lodewijk, om tlolland met een Museum van schilderstukken te begiftigen. De Vorst, die voornemens was Amsterdam tot residentie te nemen, liet in het tot paleis in te richten stadhuis voorloopig de schilderijen bij-een-brengen, die de nieuwe stichting moesten helpen uitniaken en die reeds voor een gedeelte de wanden van dat gebouw bekleedden. De losse schilderijen uit het Huis in 't Bosch van 's Gravenhage werden daar heengebrachi 1,vellicht behoorden deze reeds tot het dusgenaamd quot;Nationaal Ca: inetquot; 22) en in den zomer van het jaar 1808 onderging de vu ameling qui n'est pas même de 1'époque. â Les trois van Evck ne valent pas ICO florins a eux trois.quot; Musces lie la Hollandc, p. 176, 177. Alfk. michiels: âLes prétendus van Eyck d Amsterdam n'ont jamais occupé I'homme eélèbre, ni déshonoré sou piuceau.quot; Hist, de la peinture, etc. 1Ã45, JI, p. 126. 22) Verg. Bcschr. Rijksm., bl. XII en 205. |
|
hare voornaamste uitbreiding; want verre-wech de belangrijkste helft van het kabinet des Heeren Van der Pot ging over in het quot;Groot Handels Museumquot;. De Heeren Joh. J. Eck amp; Zoon, A. A. Stratenus, J. M. Jorissen, J. J. de Wit envanlennep, besteedden, voor rekening van bet Koninklijk Goevernement, bijna een tonne gouds op de veiling. Aan deze munificentie heeft het â¢'Rijksmuseumquot; te danken de Avondschool van Geraert Dou, die met / 17500: â betaald werd, den Vierdaagse hen Zeeslag van Willem van de Velde, met zijn wedergad (Æ8000: â), 4 Wou-wermannen (Æ8300:â). de H. Familie van Van der Werff, die een poosje absent is geweest (Æ5225:ââ ), den Potter (N0 264), die met /7000:â meer betaald werd dan hij den Heer van der Pot gekost had, een Aelbert Cuyp van /3860: â een Berghem van ruim Æ3000: â, een Jan Both van Æ3690:â, de laan van Hackert (3005), den Van Huysum van Æ 3610 : â en den Mieris van Æ2025: â, waaraan men een koopjen had, want de familie van der Pot verloor hier Æ1600: â op, na dat de boedel van Gerrit Braamcamp er 1500 bij had geprofiteerd. Maar de zelfde Heer van Lennep, die Æ10050: â uittelde voor het schilderijtjen van Potter, besteedde ook Æ210: â voor den quot;gottischen tempelquot;, die ons bezighoudt. Het is lichter verklaarbaar, dat Koning Lodewijk last gegeven hebbe ook deze antiquaille op de veiling van der Pot aan te koopen, dan dat het zich in handen bevond van den Rotterdamschen Heer, en het zal den oostersch-middeleeuwschen personaadjes der schilderij al vreemd te moede geweest zijn in het deftige Koop-mans- of Heerenhuis op de Korte Hoogstraat, zoowel als bij de pijpjens-rookende vrienden buiten, op den Lusthof Schoonenberg 23). De Heer Gerrit van der. Po l- was namelijk de tweede Zoon van Willem, den dichter, die, ten jare T704 geboren, zich w-el reeds in de vorige Eeuw een warm vereerder van de schilderkunst betoont, maar tevens zijne huisvrouw, de eerbare Sara Bosch, in het kostuum eener herderin, onder den naam van Celeste bezingt, en tegenover haar optreedt onder dien van Dorilas 24). De buitenplaats van den ouden Heer, Endeldijk genaamd, lag dicht bij 't Huis Hondsholredijk, dat toen door den Prins van Nassau-Weilburg en zijne beminnelijke quot;Carolinaquot; bewoond werd. De Heer van der Pot schijnt op goeden voet met de Doorluchtige, edoch gepoederde bewoners van het Huis gestaan te hebben; en tevens bericht hij, dat de van der Potten in de XVI0 Eeuw al quot;liefhebbersquot; en slachtoffers van de quot;Vrijheidquot; geweest zijn. Welke schijnbare kontrasten iemand in dit alles meent te ontdekken, â de elementen der omgeving van den Heer van der Pot (men ziet het) stemmen even weinig overeen met den geest van ons ruystiesch schilderwerk. Wel ademt in de gedichten van den ouden Heer van der Pot een godsdienstige geest, maar toch een geheel andere, dan door den onbekenden meester aan onze schilderij is ingeblazen. De Heer van der Pot bijvoorbeeld had een neef, den vader van den bovengenoemden kunstrechter Gerard van Nijmegen; deze neef, met name Dionijs, was schilder en âmaalde' de âDicht- en Schilderkunstquot; af, âdie door 't Verstand omhooggevoerd en door de Deugd gekroond worden, terwijl een 23) Cat. b!adz 41. 24) Endeldijk en andere gedichten, door W. V. D, Pot, Leiden 1768, bl. 3, 16, 170 enz. |
Hemelstraal de zeiven verlicht.quot;25) Ziedaar het charakter der hollandsche gewijde kunst van de XVIIP Eeuw. Men mag het dus dubbel waardeeren, dat de Heer Gerrit van der Pot ruime begrippen genoeg had op het kunstgebied, om niet te meenen, dat hij met onzen âgottischen tempelquot; zijne verzameling ontcierde. Het verdient te hooger lof, om dat werkelijk hier te lande, in het begin dezer Eeuw, de kunsthervorming, die in Duitschland aanstaande was, nog maar weinig werd voorgevoeld. Een neef van den kunstverzamelaar kocht althands uit zijn kabinet liever een stukjen van Bernard Coclers, kopie naar Metzu, voorstellende âEene Vrouw aan eene Waschtobbequot; voor /quot;53 : â, dan voor /quot;55 : â eene âmeesterlijke schetsquot; van den Benedetto (G. B. Castig-lione 26). Wanneer wij, boven, op de geringe verwantschap wijzen, die er bestond tusschen meer ideale schilderijen, zooals dit Zoenoffer des Nieuwen Verbonds en de Hollandsche der XVI1° Eeuw, â welke laatste in hunne soort ongetwijfeld meesterstukken zijn, â dan doen wij dit geenszins om voet te geven aan de meening, dat Holland in de middeleeuwsche schilderkunst bij Vlaanderen, achterstond. Wij gelooven, in tegendeel, dat het Noorden zijn eersten rang, op dat gebied, nog beter dan in middeleeuwsche architektuur en letteren kan ophouden. De van Eycken waren van Maeseyck, en Memling (zegt de Heer Weale) hoorde in Medemblik, of althands in Gelderland te huis: maar daar is een twijfel omtrent den landaard dezer schilderij bij ons gerezen, doordien op het eerste kolorakapiteel ter linker hand het wapen van Frankrijk gebeeldhouwd is. Stelt dat kapiteel S' Maarten voor? en wil men met het wapen het vaderland van den Pleilige aanduiden? Heeft de Koning van Frankrijk de schilderij bekostigd? Of is zij werkelijk in Frankrijk geschilderd? Wij zijn niet geneigd het laatste te gelooven. De aangezichten, de kostumen, de architektuurstijl brengen ons veilig naar Nederland. Het is evenwel minder zeker dan het oogenblik van den dag zeker is, door den schilder voorgesteld. Dat moet middag zijn, want de zon staat in het Zuiden : de georiënteerde kerk doet daaromtrent volkomen uitspraak. Ondanks de meening der Heeren Burger en Michiels, dunkt ons, dat het stuk met Æ210:â op de ver-koopmg van der Pot niet te duur betaald is, en zouden wij wen-schen, dat ons âRijksmuseumquot; zich eens in een ruimer vertegenwoordiging van zulke oud-nederlandsche kunstwerken verheugen mocht. Dit gevoel spreekt bij ons nog nadrukkelijker naarmate de waarschijnlijkheid toeneemt, dat de Heer Abr. Bredius, een onzer meest geoefende schilderkunstkenners, met recht in den nieuwen katalogus van het Rijksmuseum zegt, met betrekking tot ons tafereel : âDeze merkwaardige schilderij is zonder twijfel van dc hand van Geertgen van S' Jans van Haarlem.quot; Deze schilder leefde in de 2fi helft der XVe Eeuw te Haarlem, en overleed aldaar slechts 28 jaar oud. Dit moge de kunstwaarde der schilderij niet verhoogen, het verhoogt bizonder haar waarde als historiesch dokument. Die Geertgen van S' Jans was altijd een geheimzinnig personaadje. Krijgen wij hem nu te betasten ? 25) Endeldijk, t. a. p., bl. 121. 26) Cat. bl. 11. J. A. ALBERDINGK THIJM. |
door PETER CRISTÃÃS.
.igxsggSags-
|
E Heilige Godebekta behoorde tot eene rijke familie. Hare ouders zochten haar schitterend uit te huwelijken, maar hunne dochter, die zich geheel aan den dienst des Heeren ver-j langde toe xe wijden, gaf den Heiligen Eligius kennis van het voornemen harer bloedverwanten en van het gevaar, dat de uitvoering van haar besluit daardoor liep. De Bisschop maakte, van een bezoek, dat zij hem bracht, gebruik om zijn herderlijken ring openlijk aan haren vinger te steken, zeggende: âIk verloof u aan Jesqs Chris rusquot;. De Koning Ci-Otarius wilde zelf Godeherta een bruidschat geven en schonk haar een landgoed in de nabijheid van Noyon, waarop zij later een abdij stichtte. De ring der Heilige werd tot aan de omwenteling van 1792 in de schatkamer der Kathedraal van Noyon bewaard; hij droeg dit opschrift: Annulus Elioii fait aureus iste beuti Quo Chkisïo Sanctam desponsavit Godeeektam. Dit is het onderwerp van de schilderij, die voor het goudsmeden-gilde van Antwerpen vervaardigd werd en thands het eigendom is van den Heer Alb. Oppenheim te Keulen, die ons wel heeft willen veroorloven haar hier in gravure terug te geven. Dit stuk kenmerkt zich door een groot gemis van idealiteit, maar wellicht is de wijze van teruggave van het gekozen onderwerp door de korporatie die den Heiligen Eligius als patroon vereerde, den kunstenaar aldus opgegeven. Het tooneel valt in de goudsmidswinkel voor, en wordt van uit de straat, dwars over den toon- of werkbank, gezien. Links van dien werkbank zit de goudsmid, dragende een rood en wijd met grijs bont gevoerd kleed, aan kraag en mouwen omgeslagen. In de rechterhand houdt hij zijn bisschoppelijken ring, en in de linker een goudschaaltje met gewicht en een met een robijn versierden ring. Zijn hoofd dat door een eenvoudige wijnkleurige muts wordt gedekt, is van een cirkelvormigen nimbus met stralen omgeven. Rechts achter hem staat een man, in de volle kracht der jaren, met purperkleurig kleed, dat met bruin bont is gevoerd. Zijn halssieraad bestaat uit een keten van dooreengestoken ringen. |
waaraan twee tegen elkaar opstaande leeuwen hangen. Zijn hoofd wordt gedekt door een grooten kaproen, aan de voorzijde versierd met een hangenden robijn, te midden van vier paarlen. Met de linkerhand omklemt hij het gevest van zijn degen, terwijl de linkerhand om de jonge vrouw, welke hij naar den goudsmid doet voorttreden, geslagen is. Zij draagt een rijk kleed van zware zwarte stof met goud geborduurd, donker rood gevoerd, met lange mouwen en van voren, over de door een wit onderkleed en groote kraag van doorschijnend gaas bedekte borst, dicht geregen. Een breede band van zwarte zijde dient voor ceintuur. Haar kapsel bestaat uit een soort van doorgevlochten netwerk, waaraan twee met paarlen bezaaide horens van goudlaken; daarover hangt een fijne witte sluier- Op den werkbank ligt voor het vrouwenbeeld een breede gordelband, van rood-bruine kleur, iets meer naar de linkerzijde ziet men gewichten, eenige stukken zilvergeld en een stapeltje goudgeld. Geheel aan de linkerzijde, leunende tegen den stijl van het venster, staat een bolle spiegel met metalen rand, waarin twee mannen die op straat loopen worden teruggekaatst, de eene is in het rood gekleed en draagt een zwarten kaproen, de andere houdt een valk op de linker vuist. In den achtermuur, ziet men rechts een venster met naar binnen geopende houten luiken. Tegen den linkschen muur staat een juweliersuitstalling : men ziet er een kistje waarin een assortiment ringen op pergamenten rollen gestoken, voorhanden is, verders een geopend zakje met edelgesteenten en groote paarlen, een ander zakje met kleine paarlen; een beker en een cylindervormig relikwiönkastje, waarvan het gedreven gouden deksel in een van robijnen en amethisten gevormden bloemknop uitloopt, waarboven een pelikaan zich de borst openscheurt, om zijne jongen niet zijn bloed te spijzen. Schuins tegen den muur ligt een langwerpig stuk rotskristal, een stuk barnsteen en een stuk rood bloedkoraal. Tegen den muur hangen drie hoofdversierselen en roode en blaauwe kralen, die aan een draad geregen ziju. Daarboven bevindt zich eene plank, waarop een groote nappe en twee watervaten staan; aan de zijde der plank hangt een buidel of geldtasch. Op de voorzijde van den werkbank bevindt zich de handteeke-ning, waarvan wij hier een fac-similee ter halve groote geven. |
jm
m petr xpi me fecit aquot; i'149-
magister petrus cristi me fecit anno 1449.
â
V s . , . ^ ,,5
,?â .... â â -â¢Â«.!â ; . ..*rfc:. â â -V, -â -. â , . â ,
â 5 : â¢;'â â â wmy*, ï â v,,gt; â .0:% ' '
.
..â v:-!' ^;V'V.V ;.-.....:.v. . ,â â v .y ;. V: A. . .:. .;
,. l m â m â â ? ⢠«
V :'k: ^ *â¢â t. vquot; ' '
'iMA ?;ï;
v.- â /gt;v- -v â ^\
* : .;.:v -â â , -
- - â â ., ⢠â , -.:â . â â â ;:.
.. : . . , .
, - quot;v
â â l- , '. â !⢠- ^ â ' ⢠' V- '' ' , quot; .-â â â : i i5
-.y-v« ' â ..v v * ⢠. â¢quot;*.1 â¢'â¢gt;,.-v. //⢠. ' ' '
-s;..- quot; . T- â â . : ^ : â -
â :.â â â '.,â - â ,« quot;â lt; ⢠, â « ,: . V-- . â â .quot;' ^ . .... â¢â , ⢠â , , . ..â , -
â â ...' ... â
â â â ' h' ' ' V'â .Z ' ,
⢠^::y;
.......
I
PIERRE CHRISTUS
13 â
|
De schilderij is op hout en meet 98 centira. in hoogte bij eene breedte van 85. Gelijk wij reeds gezegd hebben, is een algeheel gemis van idealiteit in het oogloopend; het beeld dei-vrouw is nog de meest sprekende; de Heilige Eligius schijnt een welbekende goudsmid van dien tijd te zijn, de man rechts, die den Koning Clotarius III voorstelt, komt ons voor het portret te zijn van Pmurpus den Zekeren, Hertog van Bourgondiö, algemeen bekend onder den naam van Philips de Goede. Men merkt in de ordonnantie zekere teekenen van zwakheid op en een algemeen gemis aan kracht, hetgeen ons doet veronderstellen, dat Peter Cristus niet gewoon was beelden van die grootte te schilderen. De omtrekken zijn hard, de algemeene toon is zwaarmoedig en de schaduwen zijn wel wat graauw. De handen, die van den goudsmid vooral, en die van den Vorst, welke op den schouder der vrouw ligt, zijn als het ware zonder beenderen. De vervaardiger van deze schilderij werd in het dorp Baerle, tusschen Tilburg en Turnhout gelegen, geboren. Ook zijn vader heette Peter; dit is echter alles wat wij van hem weten. Onze schilder kwam, waarschijnlijk in 1443, te Brugge, waar hij zich het burgerrecht kocht op den 6n Juli 1444. In 1446 schilderde Peter Cristus het portiet van Edward Grimston, een der afgezanten van den Koning van Engeland, die met den Hertog van Bourgondie over een handelstraktaat kwamen onderhandelen. Dit portret is tegenwoordig in het bezit van den Hertog van Verulam. Het paneel, dat wij nu beschreven hebben, werd in 1449 vervaardigd. In 1452 schilderde hij twee paneelen; het eene stelt eene Maria Boodschap en de aanbidding van het Kind Jesus voor; de andere het Laatste Oordeel. Na langen tijd als luiken voor een altaarstuk in de Hoofdkerk van Burgos gebruikt te zijn, gingen beide stukken over in een nonnenklooster van Segovia. Later werden zij door den Heer Frasinelu in Duitschland gebracht en bevinden zich thands op het Museum te Berlijn. In 1454 begaf Peter Cristus zich, op verzoek van den Hertog van Etampes, van Brugge naar Kamerijk en maakte aldaar drie kopijen naar een schilderij. Onze Lieve Vrouwe van Genade voorstellende, die in de Kathedraal van die stad bewaard werd. Wij weten niet wanneer, en ook niet met wie Peter Cristus in het huwelijk trad, maar wel dat hij en ook zijne vrouw nog voor het jaar 1462 tot de broederschap van O. L. V. van den Droogen Boom, toenmaals in de Kerk der Minderbroeders, te Brugge, gevestigd, toegetreden zijn. In 1463 voerde Peter eene groote voorstelling van den stamboom van Jesse, voor de stad Brugge uit; deze voorstelling werd langen tijd bij de jaarlijksche processie van het Heilig Bloed openbaar vertoond. In 1467 was hij onledig met hot herstellen van dit meesterstuk. In 1469 verschijnt Peter Cristus met eenige aanzienlijke leden der korporatie voor de schepenen der stad Brugge. Hij is een dergenen die zich op 18 Maart 1472 naar het kloosterpand van Sl Donatianus begeven om de scheidsrechterlijke uitspraak te vernemen der zaakgelastigden van den Hertog van Bourgondie, omtrent het geschil, dat tusschen de korporatie en Peter Coüstain, schilder van den Hertog, hangende was. Is Peter Cristus te Brugge blijven wonen? Is hij daar gestorven? Op deze vragen kunnen wij niet antwoorden, maar zeker is het dat hij vóór de maand November 1473 overleden moet zijn. Hij liet een onechten zoon na, Sebastiaan Cristus geheten, die schilder en kleurder is geweest, te Brugge gewoond en een zoon Peter nagelaten heeft, die ook schilder was. |
Het Museum Staedel te Frankfort bezit een zeer schoon schilderij van Peter Cristus, de Heilige Maagd, en de Heilige Jeronimus en Franciscus van Assisi voorstellende. Dit paneel draagt tegenwoordig het jaarmerk 1417, maar het derde cijfer is zeker bijgewerkt of veranderd geworden; wij gelooven dat het oorspronkelijk een vier is geweest; misschien ook wel een vijf. De Musea van Berlijn, Brussel en Madrid en eenige particuliere koliektien, bezitten schilderijen, welke aan Peter Cristus worden toegeschreven; deze toewijzingen berusten echter alleen op eenige overeenkomst met de hierboven genoemde stukken. Tot slot voegen wij hierbij, dat Peter Cristus een geheel andere persoon is dan meester Christophsen, die in 1471 voor het Karthuizerklooster van Keulen werkte, en dat zijn familienaam waarschijnlijk van een bijnaam afkomstig is. Men noemde algemeen de kunstenaars, die Christuskoppen en Heilige Troniön schilderden, âCristus-manquot;, en zeer waarschijnlijk is de vader van onzen schilder een dier meesters geweest. SCHILDERIJ VAN HET MUSEUM TE BERLIJN. Het eerste der twee paneelen is in twee stroken verdeeld, waarvan de bovenste eene Maria Boodschap en de onderste eene aanbidding van hel Kind Jesus voorstelt, op het andere paneel is eene voorstelling van het Laatste Oordeel. Op het eerste tafereel ligt de Heilige Maagd, gekleed met een roode japon en gelijken mantel, geknield aan de linkerzijde eener kamer, waarin zich een bed, met rooden hemel en groene draperiön, op den achtergrond bevindt Zij wendt zich naar den Aartsengel, die met een scepter in de hand voor haar knielt. Tusschen deze twee figuren staat op den vloer een vaas van bruine potaarde met vier halzen of hechten, waaruit leliebloemen te voorschijn komen, Door de geopende deur achter den Aartsengel ziet men een stroom met vaartuigen; iets verder huizen, een bosch en een begroeiden heuvel. Door de vensters in den achtermuur heeft men uitzichten op een landschap met een kasteel. De kleur van dit tafereel is levendig; en de onderdeden zijn met veel zorg behandeld. In het eerste gedeelte ziet men het pas geboren Kind Jesus ter aarde liggen, omringd door een krans van licht en door een nimbus van stralen |in den vorm van een kruis. Hij wordt aangebeden door Zijne Moeder, gekleed in eene donkerblaauwe japon en rooden mantel, en door een drietal Engelen; een dier engelen heeft een wit kleed met roode koorkap, de andere een groen en de derde een licht blaauw kleed; bij alle drie ziet men een langwerpig kruis boven het voorhoofd. De Heilige Joseph, die een blaauw kleed met eene koorkap en een wijnmoerkleurigen mantel draagt, buigt voorover om het goddelijk Kind te bezien, leunende met de linkerhand op een stok, terwijl hij zijn grijze muts met de rechterhand vast houdt. Links knielt eene oude vrouw met saamgevouwen handen; achteraan, staan de os en de ezel. Daarachter ziet men een bergachtig landschap met opkomende zon; aan de uiterste linkerzijke staat een kasteel, terwijl eenige herders hunne kudde op de helling van een der bergen bewaken; de een vermaakt zich spelende met zijn hond, de andere drinkt. In de lucht verschijnt een in het rood |
â 14 â
|
gekleede engel, eene lange wimpel vasthoudende. Levendig en sterk is de kleur van dit tafereel; maar toch is het algemeene uitzicht wat hard, hetgeen grootendeels aan verschillende restaureeringen, welke de schilderij ondergaan heeft, moet geweten worden. In het bovengedeelte van het tweede paneel zit op den regenboog tusschen het kruis ter linker en de zuil ter rechter zijde de rechtsprekende Christus, in een scharlaken met groen gevoerden mantel gehuld, de doornenkroon om de slapen, met opgeheven handen en de voeten op een kristallen bal zoo rustende, dat de glorierijke wonden, door welke de zaligheid is verkregen, te zien zijn. Aan weerskanten staan twee Engelen in witte alben met vlottende draperiën, blazende op bazuinen Onder het Christusbeeld, in het midden van het tafereel, ziet men de Heilige Maagd, biddende met saAmgevouwen handen; zij draagt een rijkversierde kroon, haar kleed en ook de mantel zijn donkerhlaauw; aan hare rechterzijde staat Maria Magdalena; links de Heilige Johannes de Dooper; en achter deze drie, de Heilige Catharina en Dorothea, S*. Joris en verders nog eenige geestelijke personen, mannen en vrouwen. Op zetels zijn de Apostelen zes aan iedere zijde, gezeten; achter hen staan aan den rechterkant een Paus met Kardinalen, Bisschoppen, Abten, enz.; aan den anderen kant een Keizer, Koningen, Graven, Hertogen en zoo meer. De van boven donkerblaauwe lucht wordt naar omlaag, in den omtrek der zee en van ds bergen die de verste plannen vullen, al lichter en lichter. De aarde geeft de dooden terug, twee daarvan worden met geweld door een duivel weggevoerd. In het midden van den voorgrond staat S' Michaël in bronzen wapenrusting; met het lange ondereinde van een kruis, dat hij in de door een klein rond schild beschermde rechterhand vasthoudt, heeft hij de onderkaak van een duivel doorboord, terwijl hij met de rechterhand een zwaard opheft om hem neer te vellen. De linkervoet van den Aartsengel slaat op den buik van den duivel; de rechter drukt den rechterarm eener reusachtige figuur van den Dood; een geraamte dat in het verkort gezien wordt en zijne beenige armen uitslaat over de Hel, waarin de veroordeelden, te midden der vlammen, op verschillende wijzen door duivelen geteisterd worden. Het koloriet van deze schilderij is krachtig en levendig. De typen der Heiligen zijn niet zeer gelukkig gekozen; hoewel sommigen, die van Slc Catharina onder anderen, eene uitzondering maken. De onderdeelen zijn door een bekwame hand geschilderd, de Duivelen en de Dood vooral zijn geheel oorspronkelijk van opvatting, meesterlijk en krachtig uitgevoerd. De schilderij is aldus geteekend. * ^rtnis xpi a me fttü * iiniin t iuimiiii t ni.trn.lij. SCHILDiSHIJ VAN HET STAEDEL-INSTITUUT TE FRANKFORT. In het midden zit op een troon de Heilige Maagd, het Kind Jesus, dat zij op de rechterknie draagt, met een lakentje ondersteunende. Hare japon en de wijde mantel zijn groenachtig blaauw. |
De bronzen troon der H. Maagd heeft vier opgaande stijlen; die van den achterkant zijn met twee beeldjes, een Propheet en een Apostel voorstellende, versierd; twee nissen in de voorste stijlen zijn gevuld met beelden van Adam en Eva, geteekend naar de beelden die op de zij-paneelen van het altaarstuk van de Gebr. van Eyck te Gent voorkomen. Daarboven verheffen zich twee dunne driezijdige zuiltjes van rotskristal, die een hemel van zware roode stof dragen, breed met gouden bladeren, dieren en blaauwe vogels doorweven. De stof van dezen hemel valt van achteren bij wijze van eere-draperie af. De zij-draperien zijn om de voorste kolommen heengeslagen. De voetenbank van den troon ismeteen rijk Smyrnasch tapijt belegd, waarop dezelfde teekening voorkomt die men op de schilderij van Jan van Eyck, de Madonna di Lucca geheeten, ziet. Rechts van den troon staat in Kardinaalsgewaad de Heilige HiJ-ronvmus, een half geopend boek met beide handen vasthoudende. Aan de andere zijde ziet men den Heiligen Franciscus van Assisiïi, met de teekenen der vijf wonden; hij draagt het grijze kleed en houdt in de rechterhand een gouden met leliebloemen versierd kruis, waarvan de lange kristallen steel met zilver is beslagen. Het vertrek, waarin dit alles geplaatst is, heeft rechts een venster en links eene openstaande deur, uitzicht gevende op een hof; verders op een landstreek met een berg, aan wiens voet eene rivier met vaartuigen gezien wordt. De ordonnantie van deze schilderij is verdienstelijk ; de dra-periön zijn breed en met smaak behandeld. Het krachtig, maar wel wat somber koloriet schijnt door de werking van den tijd merkelijk veranderd te zijn; de blauwe kleuren en wel voornamelijk die van de eere-draperie zijn zeer verdonkerd. W. H. JAMES WE ALE. l) Wij zijn de photograplue die voor het Milken dezer gravure gediend lieeft, aan de welwillendheid der direktie van het âStaedelsche Kunst-Institutquot; verschuldigd. Gelijk in alle photographien, welke werkelijk naar de schilderijen gemaakt zijn, waren ook in deze de vormen en lijnec zoo onbepaald dat er niet meer dan een omtrek naar gemaakt kon worden. Het haar, door een met paarlen versierden band om het hoofd gesloten, valt vrijelijk op de schouders. Het naakte Kind neemt een tak roode roozen aan, die Zijne Moeder Hem biedt. |
Toegeschreven aan aOÃIBR YAl DER WETDEÃ.
|
Et zeer schoone en toch zeer we nig bekende schilderstuk flat wij gaan bespreken en waarvan ] wij eene gravure geven, heeft thans eene plaats op het j Aartsbisschoppelijke Museum te j ^Utrecht. Dat Museum i) bevat j -'eene kollektie voorwerpen van oude Christelijke Kunst en Industrie, welke, zoowel om het getal als om de schoonheid dier | voorwerpen hoogst belangrijk is. Het was voor- j zeker een even grootsche als gelukkige gedachte i die overblijfselen uit vroegere eeuwen, welke, ; j 'lier en daar verspreid, meestal in vergetelheid ^ vergingen, bij-een te verzamelen en hun eene waardige plaats te schenken, waar zij, in het licht tredende en gerangschikt, den kunstenaar en archeoloog tot voorbeeld en leiddraad konden dienen. Tot de verwezenlijking van zulk een plan, waren echter niet alleen groote kunstliefde en ijver, maar ook veelzijdige kennis noodig. De Z. Eerw. Heer G. W. van Heukelum, die het eerste plan had gevormd, nam op zich de uitvoering te beptoeven. In de eerste plaats gesteund door de welwillende medewerking van Z. D. Hw. Mg1' Schaepman, Aartsbisschop van Utrecht, en verder geholpen door eenige vrienden en voorstanders van Christelijke Kunst, is het hem na een achttal jaren arbeids gelukt een Museum te stichten, zoo als er in ons vaderland nog geen bestond 2). Eerst werden de voor de verzameling bestemde stukken in de woning van den Aartsbisschop bewaard; later, toen het getal te aanmerkelijk was geworden, zijn zij overgebracht naar het oude pastoriegebouw der S' MARTiNUS-kerk, op de Nieuwe gracht, dat gelijk wij zoo even zeiden, thans tot Museum is ingericht en voor de belangstellenden open staat. |
Het getal der voorwerpen is aanmerkelijk, en hoewel het grootste gedeelte uit het Aartsbisdom van Utrecht afkomstig is of althans op Nedcrlandschen bodem verzameld werd, ontmoet men er toch de grootste verscheidenheid, ook wat den landaard betreft, daar bijna alle landen er ruim vertegenwoordigd worden. Onder de handschriften, zeldzame getijboeken, missalen enz. vinden wij er drie die wel eene bijzondere vermelding verdienen. De oudste dezer drie Evangelieboeken is van de VIII' eeuw en afkomstig van de S* LEiiuiNus-Kerk te Deventer, de twee anderen zijn uit de eerste helft der XI0 Eeuw en met keurige miniaturen versierd; een dezer twee werd door den Heiligen Bernulphus, den twintigsten bisschop van Utrecht, aan eene Kerk van Deventer geschonken. De kollektie kerksieraden en kerkgewaden van alle soorten en uit alle tijdvakken, wordt door eene verzameling monsters van kantwerken en andere stoffen aangevuld, naar tijden en landen van herkomst gerangschikt. De borduurwerken, vooral van Vlaamschen en Bourgondischen oorsprong, zijn hoogst merkwaardig; alleen noemen wij, als voor ons Nederlanders bijzonder belangrijk, een paar oud-vlaamsche stukken, de komst en de prediking van den Heiligen Willibrordus in Nederland voorstellende. Deze borduurwerken dagteekenen van de XV'lc eeuw. Het ligt niet op onzen weg den rijken schat van goudsmeêwerken hier te bespreken; alleen zeggen wij aan de liefhebbers, dat zij daar Byzantijnsche en ook oude émail-werken uit de vermaarde ateliers der stad Limoges zullen vinden. Onder de schilderijen, die de wanden bedekken, zijn er eenige die tot de oude school van Siena behooren; zoo als bij voorbeeld een paar stukken van Cimahue en andere meesters der 14110 eeuw; ook van Leonardo da Vinci vinden wij twee schilderijen, waarvan de kleinste, de Drie Koningen voorstellende, onderteekend is. De oud Keulsche school is ook, onder anderen door werken van meester Wilhelm van Keulen, rijk vertegenwoordigd. Het meerendeel der schilderstukken is echter afkomstig uit de oude Nederlandsche gewesten; het zijn veelal stukken die jaren lang in oude kerkgebouwen verborgen en zoo goed als vergeten aan de vernieling der jaren van beroerten ontkomen zijn. De schilderij, die wij zoo gelukkig zijn te mogen teruggeven, heeft jaren lang in de sacristie der St0 CATHARINA-Kerk berust 1). Bij i) Reeds in de 14''° eeuw stond, ter plaatse waar de Squot; Catiiauin.v-Kerk nu staat, het gasthuis van S'0 Agatha. In 1366 werd door Pëtkk Utk.v Lkbne, burgemeester, eene slove tot verwarming van behoeftigen achter kapel van dit gasthuis gesticht. |
1
Geopend sedert 1 Juni 1872.
|
de laatste verbouwing en restaureering van deze Kerk, welke tot I Metropool werd verheven, is de schilderij te voorschijn gekomen, en hare buitengewone hoedanigheden en schoonheid hebben haar I niet alleen eene eerste plaats in het Museum doen geven, maar ook doen toeschrijven aan een der eerste meesters uit de school der van Eycken, en wel aan Rogier van der Weyden. Het zal misschien aan vele onzer lezers, en zeker niet ten onrechte, wel wat vermetel voorkomen, dat wij een naam en wel zulk een naam aan een stuk durven geven, zonder eenig jaarmerk noch teeken, die dit kunnen billijken, er op te hebben gevonden; wij willen dan ook onze meening aan niemand opdringen en zullen die laten varen, zoodra meer geleerde kenners een juistere herkomst zullen bewezen hebben; tot zoolang geven wij deze schilderij als een meesterstuk dat, volgens de meening van verschillende onzer vrienden, kunstenaars en archeologen, en volgens de onze, aan het penseel van Rogier mag worden toegeschreven. Bij de beschrijving zullen wij ook de redenen opgeven, welke ons tot deze zienswijze gebracht hebben. De schilderij is op hout. Het paneel bestaat uit drie stukken, te zamen 1.05 centim. hoogte, bij eene breedte van 1.10 metende. Het is eene voorstelling van de Aanbidding der Wijzen, gelijk die in het Evangelie van S4 Mattheus, Kap. II, 12 beschreven staat. De Heilige Maria, zittende op een grooten steen, welke voor de nog onvoltooide muren van het gebouw, waarin het tooneel voorvalt, bestemd schijnt te zijn, houdt het Kindje Jesus op den schoot. Over haar donker blaauwe kleed, dat door de werking van den tijd eenigzins groenachtig is geworden, draagt zij een witte draperie of mantel, die ook over het hoofd geslagen is en aan weerszijden over de schouders en tot op den grond afhangt. Op het hoofd draagt zij een soort van doek, eveneens wit van kleur, hoewel de meer geele tint van den mantel eene wollen stof en de koelere kleur van den hoofddoek het linnen doet kennen. Aan de linkerzijde van het gelaat komen eenige blonde lokken te voorschijn, het welige schoone haar verradende, dat zedig onder het linnen kapsel verborgen is. Een rood onderkleed komt bij de rechterhand even te voorschijn. Met beide handen houdt de Heilige Moeder-Maagd haar Kindje vast en wendt zich zelve en ook het Kind naar den Koning, die op de kniën ligt. Er is in de uitdrukking van haar gelaat, en in de beweging van Moeder en Kind zoo veel sierlijken eenvoud en zoo veel edelheid tevens, dat men niet alleen de keurige uitvoering maar ook het fijne gevoel van den ontwerper moet bewonderen. Het Kindje J esus geeft de linkerhand te kussen of laat toe dat dit geschiedt, want de Koning ondersteunt dat kleine handje dat hij eerbiedig met zijne lippen aanraakt. Met de andere hand biedt hij het Goddelijke Kind de myrrhe of den wierook, besloten in een gouden vaas waarvan het deksel opengeslagen is. Hij zelf ligt geknield op den grond, zijn roodfluweel⢠koningsmuts, met In 1468 werd het gasthuis aan de geschoeide Karmeüter monniken tot klooster afgestaan. Zestig jaar later werd hun eene andere woning bij de St. Nicoi.AAs-Kerk aangewezen en hun klooster door Keizer Karei, V aan de Malthezer ridders gegeven, wier huis en Kerk bij de Katrijne Poort ter gelegenheid van den opbouw van het slot Vredenburg waren afgebroken. Ter vervanging van de afgebroken Kerk bouwden zij daar de nu bestaande, die, gelijk de vorige, aan de Heilige Catharina toegewijd werd. Zij zijn tot aan de reformatie daar gebleven. Onder de fransche heerschappij is de Kerk aan de Katholieke eeredienst terug gegeven; zij diende voor garnizoens-Kerk. Thands is de Kerk geheel hersteld en gerestaureerd, en tot Metropool van het Aartsbisdom verheven. Zie; Historie of beschrijving van V Utrechtse/u Bisdom, uit het Latijn vertaald door 11. V. R hijn. . â Leyden, 1711). |
bonten rand en gouden kroon, ligt voor hem. Een wijde mantel of overkleed, met een smallen zwarten riem om het lijf gebonden, hangt met veelvuldige plooien tot op den grond, de onderste ledematen geheel verbergende. Ook die mantel, licht rood van kleur, is breed met bruin bont omzoomd en gevoerd; dat bont vormt een breede kraag, die vierkant tot half den rug afvalt. Aan den gordelriem hangt een zwarte tasch, aan den onderkant met drie kwasten versierd. Hij is de oudste der drie Wijzen; zijn hoog voorhoofd en gewelfde schedel zijn geheel kaal, alleen van achteren ziet men nog eenige haarlokken, door de jaren vergrijsd en bijna wit, gelijk de verdunde knevel en het weinigje baard dat zijn edel gelaat nog omzoomt. Boven de bonte kraag ziet men aan den hals een smalle strook van het onderkleed even uitkomen. Achter hem staat met een gelijken, maar gesloten vaas een tweede figuur, gehuld in een koninklijken mantel van goudlakensche stof, met fijne zwarte bloemen geborduurd. De zeer lange en afhangende mouwen, de openingen aan de bovenarmen en de voorzijden zijn met breed wit hermelijn bezet. Door de openingen der mouwen ziet men een zwart onderkleed. Ook hij is blootshoofds; breede blonde lokken, eenigzins rosachtig van kleur dekken zijn hoofd en vallen met twee krullen op het voorhoofd. De knevels en ook de baard, die tot op de borst valt, zijn van dezelfde kleur. Achter hem, op den achtergrond, zit een klein figuurtje op een zwarten reiskoffer; want vorstelijke personen kunnen toch geen verre reizen doen zonder bagaadje bij zich te hebben; het is zeker een page van den tweeden Koning, want hij houdt zijne kroon zoo lang vast. Zelf draagt hij een roode barret op het hoofd; en heeft een 'lang grijs kleed aan dat, op de knieön een weinig opgenomen, de roode kousen en zwarte schoenen te zien geeft. Aan den hals en op de borst is dat kleed vierkant uitgesneden; daaronder ziet men een wit onderkleed van fijne stof, met een geplooid randje om den hals. Dat figuurtje toont wel wat nietig; is het een knaap, zoo klein? of is het de afstand die hem zoo klein doet schijnen? Dit had wel duidelijker mogen uitgedrukt worden; want de afstand kan zoo heel groot niet zijn; daar hij nog binnen het hek zit, dat de schuur, waarin het tooneel voorvalt, afsluit. In den rechterhoek van het tafereel staat met saamgevouwen handen, in eerbiedige en aanbiddende houding, de derde der wijze Koningen; deze is, om aan de overlevering getrouw te blijven, een neger; ook zijn page en zijn bediende achter hem, zijn zwarten. De page die naar hem toeloopt, houdt hem zijn scepter en de gouden vaas voor, die hij den Zaligmaker moet bieden, maar hij schijnt het niet te zien; al zijn aandacht is op het Goddelijk Kind gevestigd. Nog rijker dan van de twee vorige is de kleeding van dezen Vorst. Wel draagt hij geen hermelijn en slechts smal bont aan kraag en mouwen, gelijk het past voor een Vorst der warmste landen onzer aarde; maar zijn wijde koningsmantel is ook geheel van uit gouddraad bewerkte stol met fijne zwarte teekening, en over dien rijken mantel is een breede pelerien van lichtrood? kleur van onderen in breede banden uitgesneden, en met gouden ornamenten voorzien. Een rijke gouden ketting met groote gekleurde steunen en een breede gouden band met ruiten van aaneen gesnoerde paarlen, beide over de pelerien gedragen, een gouden ring aan den zwarten pink der linkerhand en een rijke gouden kroon met edelgesteenten op het zwarte kroeshaar bewijzen wel dat de schilder hier een type van oosterschen rijkdom heeft willen vooi-stellen. Het is de Koning, die het goud aan het Kind Jesus komt aanbieden. De mantel is van binnen geheel zwart; aan de polsen ziet men even de mouwen van het onderkleed, ook van rijke |
â 17 -
|
stof; een klein strookje wit goed om den hals, doet de donkere kleur der huid nog meer uitkomen, terwijl roode kousen en schoenen van zwart fluweel, door den van onderen geopenden mantel te zien, de rijke kleeding voltooien. Het wambuis van den zwarten jongen is wit, met ingesneden korte mouwen, die de grijze ondermouwen doorlaten. De broek is rood en de laarzen zijn wit of licht geel en van boven omgeslagen. Gelijk wij reeds gezegd hebben, doet de jonge neger een stap vooruit om zijn meester, die er geen acht op schijnt te slaan, den gouden scepter en vaas te overhandigen. Naast en achter den Negerkoning staan nog drie mannen, tot het gevolg der drie Koningen behoorende. Het zijn zeker eerste bedienden; want het verdere gevolg is buiten de schuur gebleven; de eerste komt een weinig vooruit en schijnt tot den Koning te spreken; het is een bejaarde man met bijna kalen schedel, hoewel nog krachtig en welvarend. Hij heeft, iets of wat schuin op het hoofd, een puntige licht roode muts, die ons het almutium herinnert, in vroeger tijd, volgens Viollet le-Duc, door de kanoniken gedragen; zijn overkleed is met een bonten rand aan de polsen gevoerd; het hangt van voren geheel open en is, even als het lange wambuis, daaronder donkergroen. Aan den lederen gordelriem men het gevest van een knijf of jachtmes, waarvan het onderdeel niet te zien is. De beenen zijn ook bijna geheel verborgen door den zwarten page, maar aan de voeten ziet men zware witte schoenen, met zwarte breede banden. De kop, de handen en de voeten kenmerken een geheel andere natuur dan bij de andere figuren; zij doen denken aan een man uit de volksklasse en missen geheel de aristocratische fijnheid, die de drie vorstelijke personen kenmerkt. Van de twee anderen is niet veel meer dan het hoofd te zien. De eene heeft knevels en baard, en behoort waarschijnlijk aan den tweeden Koning; misschien is deze kop wel een portret; terwijl de andere met witten tulband en zwart gelaat de lijfeigene van den Negervorst zal zijn. In de schuur aan de rechterzijde van Maria staat, een weinig achterwaarts, nog eene figuur. Het is een man, eenvoudig gekleed, met een hoed van gevlochten stroo eerbiedig in de hand. Zijn kleed met een zwarten riem om het lijf gesloten, is donker groen; zijn kousen rood en de schoenen zwart. Een zwarte tasch met stalen beugel hangt aan den gordel. De bruine baard en het bruine haar geven hem het uiterlijk van een man, diezondernog oud te zijn, toch geen jongeling meer is. Eenvoudigheid, eerbied en trouwe waakzaamheid zijn zoowel op zijn gelaat als uit zijne houding te lezen. Het is wel de man, die zonder eenigen trots voor zich te gevoelen, die Koningen ziet, welke hun oosterschen rijkdom en pracht aan de voeten zijner Gade en haar Kind neder-leggen; het is wel de man, die zijne Gade lief heeft, maar hij eerbiedigt haar, als de tot Moeder van Gods Zoon uitverkorene vrouw; het is wel de Heilige Joseph, de bewaker en voedstervader van Jesus, die gereed staat om eiken wenk van boven komende te volgen en die, zonder eenig verlangen naar de nu uitgespreide rijkdommen, Moeder en Kind naar Egypte zal voeren om hen aan de vervolgingen van Herodes te onttrekken. Dit alles geschiedt onder een armoedig rieten afdak, waarvan het latwerk door verscheidene gaten te zien komt. Voorloopig wordt die ruimte tot schuur of bergplaats gebruikt; want achter Maria en Joseph zien wij den os en den ezel, en op den voorgrond ligt een korenschoof, maar de muren zijn onvoltooid en zoo goed als geheel open door boogvormige openingen, van onderen alleen gesloten door een laag hekwerk, dat voor die zware muren veel te laag en te zwak is. Het was te Bethlehem, ten gevolge der uitgeschreven volkstelling, dan ook druk, en voor Joseph en zijne Viouw, die gansch niet rijk waren, was er, gelijk het Evangelie zegt, geen plaats in de herberg. Zij hadden zich moeten behelpen gelijk het kon, en zoo werd eene schuur of beestenstal hun verblijf, de geboorteplaats van Christus en het vertrek waar eerst de herders en eenige uren later de vorstelijke oosterlingen Hem kwamen aanbidden. |
De nacht loopt ten einde. Boven den onvoltooiden muur, aan de rechterzijde, staat de geleidende ster nog schitterend aan den donkeren hemel; maar nader bij den horizont wordt het lichter, en hoewel het landschap en de gebouwen nog donker tegen de lucht uitkomen, is het toch reeds dag genoeg om alles te kunnen zien wat daar buiten voorvalt. Er staat geschreven dat de Koningen, om een tweede ontmoeting met Herodes te vermijden, langs een anderen weg zijn teruggegaan. Men zou zeggen, dat de schilder, bij het schikken van zijn landschap, ook op dat punt, aan de geschiedenis getrouw heeft willen zijn. Van den oostkant, waar de lichtere lucht de opkomende zon weldra doet verwachten, loopt een breede landweg tot voor de schuur; daar is een vijver en iets meer achterwaarts, ook eene hoeve. De Koningen zijn blijkbaar dien weg afgekomen, hun talrijk gevolg heeft daar halt gemaakt en wacht bij den vijver en voor de schuur op de terugkomst der meesters. Voor de hoeve is eene gracht, die met den vijver in verbinding staat; er is dus ook een brug met twee bogen, en voorbij die brug verdeelt de weg zich in tweën. De eene loopt langs de gracht, de andere maakt eene langere bocht en loopt achterom het langwerpig gebouw met vierkanten toren, dat aan de linkerzijde van den toeschouwer staat. Beide wegen verliezen zich in de bosschen die den horizont bedekken; menschen ziet men er niet, want het is nog te vroeg in den morgen; maar zeker zal de koninklijke stoet langs een dier wegen vertrekken om aldus hun vaderland weör te bereiken, zonder Jeruzalem door te reizen. De stoet of het gevolg der drie oostersche wijzen, staat, gelijk wij reeds zeiden, buiten de schuur te wachten. Een paard, zonder ruiter, maar rijk opgetuigd met vergulde teugels en een lang afhangend rood zadel, wordt vastgehouden door een man te paard. Die man is in het wit gekleed; hij draagt een soort van wambuis, bij den hals open, met omgeslagen boord en poffen aan de mouwen; op het hoofd heeft hij een soort platte muts. Het schijnt ook een neger te zijn; zoodat dit rijk getuigde paard waarschijnlijk dat van den Negervorst moet zijn, Eenige ruiters staan om die twee voorsten gegroepeerd, terwijl een beetje verder, twee andere losse paarden, door mannen te paard, naar den vijver worden gevoerd â en eindelijk komen, gelijk een soort van achterhoede, nog eenige kameelen, paarden en ook een man, wonderlijk op een ezel gezeten, den weg af, en sluiten den ganschen stoet. Bij deze beschrijving, welke wij gelooven naauwkeurig te zijn. hebben wij getracht de getrouwheid te doen uitkomen, waarmede de schilder de geschiedenis, gelijk die in het Evangelie geschreven 1 staat, heeft willen teruggeven, zonder er iets bij te voegen noch weg te laten. Het is de geschiedenis in al haren eenvoud en waarheid, het zijn de personen zoo als men die uit de Evangeliën leert kennen. Het is wel de ootmoedige familie, die zonder de minste ontevredenheid, een koestal of schuur tot logies aanneemt, in vertrouwen afwachtende wat verder moet geschieden â het zijn wel de Koningen, die, een hemelsche inspraak volgende, hunne oostersche pracht en rijkdommen aan de voeten van Gods Zoon, den Koning van Israel, komen nederleggen; en die straks |
â 18 â
|
weer zullen vertrekken, zoodra hunne zending zal volbracht zijn. Wel heeft de kunstenaar zijn vindingrijk genie ten toon gespreid in de uitdrukkingen en de schikking der figuren, in rijkdom van kostumen en bijwerk; niet smaak heeft hij zijn tafereel door menschen en dieren verlevendigd, maar altijd blijft hij der geschiedenis getrouw; het is een dichter, wiens verhaal schoon, aantrekkelijk en tevens altijd zuiver en waar is. Na deze eerste hoedanigheid moeten wij dadelijk op eene tweede en eene derde wijzen, en wel op de keurige uitvoering, die de natuur tot model neemt en op de zorg, waarmeê alles tot in de minste onderdeelen is afgewerkt. Van de edele en toch zoo liefelijke uitdrukking van het gelaat der Heilige Moeder en van het Kind, hebben wij reeds gesproken; ook de koppen der drie Koningen en die van hunne volgelingen zijn meesterlijk behandeld. Verschil van ouderdom, landaard en stand zijn er in op te merken, alles is naar de natuur geschilderd, dat is zeker; wel zijn de modellen met smaak uitgezocht, maar toch is de nederlandsche type in de meeste gezichten nog duidelijk te kennen. In de kostumen, bijzaken en ook in het landschap is het zichtbaar, dat de kunstenaar, hoewel begrijpende dat zijn tafereel, de grooten uit het oosten voorstellende, ook iets oostersch moest hebben, toch niet nalaten kon de natuur, welke hij dagelijks zag, tot meesteresse te nemen. Hiervan getuigen vooral de kleedijen der bedienden en pages, met wambuizen en kaplaarzen, de zwarte reiskoffer, de zwarte tasschen met beugels van St. Joseph en van den knielenden Koning, de van stroo gevlochten hoed en veel andere zaken, waarin de vlaamsche kleederdrachten van dien tijd te kennen zijn. Ook voor het landschap heeft de schilder hetgeen hij om zich heen zag gevolgd; want hoewel de achtergrond eenigzins bewogen is, behooren de gebouwen, de hoeve met stal er naast, de vijver met brug en de gracht langs weg en huizen, geheel en al tot onze gewesten. En dat alles is met de meeste zorg geschilderd en geheel afgewerkt; de rijke diaperiën, die in honderd plooyen nedervallen, zijn zoo af, dat men de teekening en borduurselen overal terug vindt, hoewel alle plooyen goed geteekend en afgemodeleerd zijn. De kroonen en de gouden vazen der Vorsten zijn met zorg geheel afgewerkt; van de ketting om den hals des zwarten Konings zijn de steenen en paarlen te tellen; en de meesterlijke hand, die alles met zoo veel habiliteit wist te behandelen, heeft niets vergeten; noch de aren der korenschoof op den voorgrond, noch de vergulde leidsels der paarden buiten de schuur, noch de ruiten in de vensters der gebouwen, al staan die nog zoo verre. Aan deze drie hoedanigheden, getrouwheid aan de geschiedenis, zonder zoeken naar interpretatie ; trouwe navolging der omringende natuur, en volkomen onvermoeide zorg bij de behandeling, geen onderdeel onaf latende, is, gelooven wij, de vlaamsche school der van Evcken we! duidelijk en ontegenzeggelijk te herkennen. En om nu te bewijzen, of liever om de redenen te doen kennen, waarom dit stuk niet alleen aan een meester dier vermaarde school, maar bepaald aan Rogier van der Wevden toegeschreven is, moeten wij dien kunstenaar in zijn eigenaardig talent bespreken. Beginnen wij met zijne biographie. |
Rogier van der Weyden, in sommige stukken en door eenige schrijvers, Roger des Pastures genaamd, werd in het jaar 1436 tot schilder der stad Brussel benoemd en behield, hoewel zeer spoedig besloten werd dit ambt voor het vervolg in te trekken, dien titel tot aan zijn dood. Omtrent zijn eerste levensjaren zijn niet alle schrijvers het eens. Volgens de oudste opgaven, en deze worden door den Heer Alpiionse Wouters, die de bijna verloren geschiedenis van den meester op kundige wijze heeft weten te hervinden, voor de juiste gehouden, zou hij in het jaar 1400 te Brussel geboren zijn en niet alleen bij Jan van Eyck gestudeerd, maar zelfs nog voor Antonello van Messina het vertrouwen van den grooten meester bezeten hebben. Anderen geven hem de stad Poornik tot geboorteplaats en Roiiert Campinus tot leermeester. Bij dezen laatsten zou hij in 1426 of 1427 zijne studie als leerknaap begonnen zijn en voortgezet hebben tot hij in 1432 als meester-schilder erkend werd. Hoewel dit eenigzins onvereenig-baar schijnt te wezen met andere opgaven die hem reeds in 1425 als gehuwd man en vader voorstellen, ook niet met zijne benoeming tot schilder der stad Brussel, welke reeds in het begin van 1436, dat is nog geen vier jaar na zijne erkenning als meester geschiedde, moet dit laatste toch voor de waarheid gehouden worden, want in eene oude naamlijst van het schilders-gilde van Doornik, door den Heer Dumortier teruggevonden, komt de naam voor van Roger des Pastures, te Doornik geboren, leerling van Robert Campin en op den i'tequot; Augustus 1432 tot meester erkend; ook op een oude jaarrekening van hetzelfde gilde door den Heer Pinchart bekend gemaakt, komt de betaling voor van eenige lichten voor het beeld van St. Lucas ontstoken, voor de diensten van zekeren Roger des Pastures van Doornik, die te Brussel woonachtig was. Over zijne verdere levensgeschiedenis, welke echter geen bijzondere gebeurtenissen oplevert, schijnt men het meer eens te zijn. De geleerde schrijvers, zoo even genoemd, twijfelen geenszins â of de namen van Rogier van der Weyden en Roger des Pastures behooren aan denzelfden persoon, en allen geven hem, volgens ' authentieke bewijsstukken, Elisabeth Goffaerts tot echtgenoote. ; Voor het stadhuis van Brussel vervaardigde hij vier groote schilderijen, welke door de oudste schrijvers zeer geroemd worden; ! zij stelden voor: de rechtsuitspraak van Keizer Trajanus, Paus i Gregorius den Groote, aan wien het hoofd van den Keizer wordt I vertoond, en denzelfden Paus biddende voor het beeld van S' Pjeter; verders Herkenbald, zijn eigen zoon, bij hem van vrou-l wenschennis aangeklaagd, bestraffende, en ten laatste ook den dood van dien strengen rechter. Deze schilderijen bestaan sedert omtrent twee eeuwen niet meer. In een der kerken der stad Bern worden echter tapijtwerken bewaard, welke èn om de voorstellingen èn oin de opschriften, geheel overeenkomende met de beschrijvingen I door Estrella, omstreeks 1550 en later door Bollart van de ^ origineele stukken gegeven, voor copijen van Rogier's werken worden gehouden. Die tapijtwerken, zes-en-twintig voet lang, hebben eene hoogte van dertien tl veertien voet, en zouden bij de nederlaag van Karei den Stoute door de Zwitsers veroverd zijn. De hoedanigheden van den meester, namelijk groepering der figuren, rijke ordonnantie, uitdrukking en vooral kracht van 1 kleur zijn bij zulke tapijtwerken slechts uit de verte teruggegeven Beter kunnen die waargenomen worden in de groote schilderij, ! de afneming van het kruis voorstellende, door Rogier, voor eene 1 kapel buiten de stad Leuven geschilderd. Dit stuk werd later door Maria van Hongarije voor eene kopij van Michel Coxie en een orgel ingeruild, en berust thans op het Museum te Madrid. Van een ander stuk dat te Berlijn op het Museum is, na vroeger ; het eigendom van Koning Willem II te zijn geweest, wordt door Prof. Waagen gezegd, dat het, hoewel uitgevoerd met de zorg eener miniatuur, toch schitterend van kleur is. De verschillende uitdrukkingen van droefheid, vreugde en verwondering, bij de I drie verschillende voorstellingen op het gelaat van Maria te lezen, worden zeer door liem geroemd. Op het middenpaneel ligt Christus |
o!,; - ..................,..
.;-.ï â V^;' V vV^ , ;i-: â â â¢â ' â 1 '⢠-v^ ^ ^
'V ^ ..yK - y,gi, J;^.. â.t, ^ ^^ v â â
,â â â â ' â ,. y?' . . 'â¢7 ⢠â 'â¢â 'if.'.'^j.' 'ï1' quot; t-'- â¢', 'quot; ' '' : ? J-;.quot; ''
a -v^' v; â¢, :® â :;:
-
. - . a.^.....
.
. . .
J f
________
^ â
# %
'â 1 -'â | n:
1 i i i vïi iS:
X^xd-'
mm
^ - [
W » mÃMÃmÃÃS §
t:: â â ;â â â ;:.â¢â v::'.--
ü
^| -quot;r:
'3 .V 4 ^ ^^Wai V ö '5L j - . | â -
Sfc^y^Jr -sj^, -, t-quot;M â ' '
BasS^sa^ik^iife-____* ?..... .jl»/- ....._â¢âº.............
B
8^
i v quot;*.' j- s
;. â gt;v--:rr
â 19 â
|
dood op den schoot Zijner Moeder; op het linker tafereel ziet men de Heilige Maria met Christus als kind, cn op het laatste verschijnt de Zaligmaker, na zijne weder opstanding, aan zijne Moeder. De kunst van zijne figuren te groeperen en zijne tafereelen te vullen met bewegende menschen, wier uitdrukking hetgeen zij gevoelen moeten teruggeeft, die keurige zorgvolle uitvoering, gepaard aan een krachtvol koloriet, dat bij geen ander meester van die tijden te vinden is, worden zoowel door de oudere schrij-veis als door die onzer dagen aan Rogier van der Weyden toegekend, en schijnen wel het zegel te zijn waaraan men zijne werken herkennen kan. Dit is dan ook de reden waarom sedert eenigen tijd bij sommige kenners zekeren twijfel is ontstaan omtrent de toekenning aan onzen Rogier van het meesterlijke stuk, dezeven Sacramenten, op het Antvverpsche Museum berustende. Hoe schoon ook van uitvoering en hoe origineel van conceptie missen die zeven van elkander gescheiden voorstellingen, welke alle even licht van kleur zijn en weinig licht en bruin bezitten, de hoofdeigenschappen die den genoemden schilder zoo algemeen worden toegekend. Maar ook juist hierin ligt zoo niet de grootste dan toch eene der voornaamste redenen, waarom wij het bovenbeschreven stuk de drie Koningen aan Rogier van der Weyden denken te mogen toeschrijven. Van de keurige uitvoering die tot zelfs het weefsel der gouden stoffen heeft nagebootst, hebben wij reeds gesproken, ook van de uitdrukking en van den smaak waarmeê de modellen uitgezocht zijn, om aan de verschillende personen de hun passende typen terug te geven; maar de schilderij kenmerkt zich ook door bijzondere kracht van toon en koloriet. Zelfs aannemende dat de tijd die wel eens de schilderij verdonkert, maar in harmonie van kleur doet winnen, ook hier ten goede heeft meégewerkt, is de wijze waarop de schilder van alle omstandigheden heeft weten gebruik te maken om kleureffekt te verkrijgen, zeer opmerkelijk. De figuren staan allen op hun plaats; hoewel het landschap tot aan den versten horizont zeer krachtig van toon is, is de wijking der kleuren volmaakt. Het rieten afdak, waaronder bet hoofdtooneel is geplaatst, geeft een sterke slagschaduw over de muren der schuur, die reeds van donkerbruine kleur een krachtigen achtergrond vormen, waar de verlichte figuren sterk gekleurd tegen uitkomen. Zonder ergens hard te zijn en zonder scherpe omtrekken zijn alle figuren rond, de draper!t'n hebben overal het relief der vormen welke zij bedekken, en zeker was het geen gemakkelijke taak de andere kleuren in eveniedigheid van kracht te brengen met die twee koninklijke mantels, welke niet alleen hoog geel maar zelfs verguld zijn, zonder ergens of te plat of te bont te worden, Ook de lucht die vanboven, gelijk reeds vroeger is gezegd, zeer donker is en zich met de donkere gewassen, welke langs de muren en op het dak groeyen, vereenigt, vormt een soort van donkere omlijsting, die den verlichten hoofdgroep en daarachter de meer verwijderde figuren van den koninklijken stoet en het landschap allergelukkigst doet uitkomen. En nu wij door te wijzen op de keuze der kostumen, der gebouwen, van het landschap en andere onderdeden eerst de vlaamsche herkomst hebben bewezen, nu wij aan de zoo naïeve getrouwe teruggave der geschiedenis, aan de strengheid van teekening en geacheveerde uitvoering de school der van Evcken hebben doen erkennen en ten laatste ook de bijzondere eigenschappen van Rogier van der Weyden, uitdrukking, rijke ordonnantie en krachtig koloriet bewonderen, zal het ons wel veroorloofd worden dir schoon en bebagelijk tafereel aan deu bekwamen meester toe te schrijven. |
Er bestaat voor de juistheid onzer bewering echter nog een ander bewijs; en wel de schilderij der koninklijke Pinakotheek te Muuchen i), waarover wij nog niet gesproken hebben. Dit stuk is een triptiek. Op de zijstukken ziet men links den Engel, die aan Maria de blijde boodschap brengt, en rechts ontvangt Simt.on het Kind, dat door zijne Moeder naar den tempel wordt gedragen : bet middenstuk stelt hetzelfde tooneel voor als onze sehilderij, de Aanbidding der drie Koningen, cn hoewel beide stukken klaarblijkelijk origineelen zijn, hebben zij toch zoo veel overeenkomst met elkander, dat zij uit hetzelfde atelier moeten gekomen zijn. De ordonnantie is niet hetzelfde en op elke schilderij zoo geheel vrij en vol leven, dat noch van model en kopij, noch van meester en leerling sprake kan zijn, en toch komen beide groepen ons voor als de verschillende uitingen van dezelfde gedachte. Het beeld van Maria is, wel is waar, lang niet hetzelfde op beide schilderijen, maar toch houdt zij op beide het Kind op haren schoot; op beide wendt zij zich naar den geknielden Koning die de hand van het Kind aan zijn lippen brengt Ook de St. Jozef staat, hoewel nu meer op den voorgrond aan denzelfden kant, ook groetende, met zijn hoed (nu een donkeren) in de hand. Hoewel niet zoo talrijk, bestaat het gevolg der Koningen ook uit pagies en beaienden te paard; men kan gerust zeggen dat die twee groepen, hoezeer ook van elkander afwijkende, toch niets anders zijn dan de verschillende vormen van een en dezelfde gedachte, door hetzelfde brein ontworpen. In de lokaliteiten en in het bijwerk is de overeenkomst nog veel grooter, en zelfs zoo groot, dat alleen dezelfde hand den moed heeft kunnen hebben zich zelve zoo te reproduceeren. Wanneer een schilder den ander zijn idee ontrooft, dan verandert hij hier en daar iets, en wel in het bijwerk het allermeest, om zijn roof door een uiterlijk van orginaliteit te bedekken; alleen hij die met dezelfde voorwerpen origineel is, durft die op verschillende stukken zoo gebruiken dat men die dadelijk herkent. Het gebouwtje, de schuur, waarin de figuren geplaatst zijn, is op beide schilderijen zoo geheel hetzelfde dat aan geen toevallige overeenkomst te denken is; het is een en hetzelfde model, dat de schilder tweemaal gebruikt heeft, misschien een lievelingsoord waarvan hij in zijn schetsboek eene studie had i). Dat zelfde rieten dak met gaten, en met dezelfde planten begroeid, wordt ook gedragen door steenen muren, met twee poorten in den achtergrond en twee op de zijden. De dwarsbalk die het dak draagt en de twee kleine schuine balken waarop zij rust, zijn op beide schilderijen geheel aan elkander gelijk en op dezelfde wijze vastgehecht. Alles is in die gebouwen zoo gelijk dat hij, die beiden gemaakt heeft, zeker wel gewild heeft dat men hen herkennen zou â⢠maar de achtergronden ziju weer geheel verschillend; in plaats vaneen landschap met vijver en boomen, ziet men op het Munchener tafereel een geheele stad met huizen en gebouwen, op een ouder-wetsche vlaamsche stad zoo gelijkende dat men onwillekeurig in zijn geheugen een naam zoekt om er aan te geven. Dit nu alles samenvattende, komt het ons klaarblijkelijk voor, dat beide schilderijen origineelen zijn, maar origineelen door hetzelfde brein bedacht en naar dezelfde modellen door dezelfde hand uitgevoerd. ij Prof. Makggrafk noemt die muren in / ij n catalogus eene romeinsche tempelruïne; misschien heeft hij gelijk; dit zou ons doen gelooven dat beide schilderijen na de reis naar Italië gemaakt werden. In dat geval zouden rlie muren in aanbouw of in verval eene herinnering aan of een studie uit vreemde landen zijn. |
ââ M -
|
Misschien zijn wij bij liet bespreken van ons schilderij wel wat langwijlig geweest; door gelukkige omstandigheden er toe gebracht de eerste beschrijving te geven van dit tot nu toe geheel ongekend stuk dat ons voorkomt alle aanspraak op een grooten naam te mogen maken, hebben wij gedacht aan de kunstgeschiedenis en aan de waarheid verplicht te zijn die beschrijving zoo volledig mogelijk af te werken en de redenen der toekenning aan de hand van den grooten kunstenaar der oude vlaamsche schilderschool zoo goed mogelijk te moeten toelichten. Keeren wij nu tot zijne levensbeschrijving en zijne andere werken terug. Gering is het getal der nog bestaande stukken welke met zekerheid aan hem toegeschreven kunnen worden; behalve de drie reeds genoemde stukken van Madrid, Berlijn en Munchen bestaat op het Museum van Antwerpen een portret vanPmuppus den Goede en eene Maria Boodschap. Beide stukken behooren tot het Museum Ertborn; het laatste is ook wel eens aan Memlinc toegeschreven. Het andere stuk, de Zeven Sacramenten, staat nog altijd op naam van Rogier van der Wevden, maar, gelijk wij reeds gezegd hebben, bestaan er vele redenen om aan de juistheid van die opgave te twijfelen. In de Koninklijke Pinakotheek te Munchen bezit men nog een Rogier, i) S1 Lucas het portret der H. Maagd makende. In het Muzeum, de Hermitage, te S' Peterburg bevindt zich een gedeeltelijke kopij van dit stuk. Te Brussel bevinden zich op het Muzeum een tiental schilderijen, tafereelen uit het leven van Onzen Heer voorstellende; die schilderijen hebben lang op den naam van Rogier van der Wevdfn gestaan. Na later aan zijn klein-, ook wel aan zijn achterkleinzoon toegekend te zijn, staan zij tegenwoordig zonder bepaalde aanwijzing van den maker. Men erkent algemeen dat zij van zijne school herkomstig moeten zijn, evenwel zijn zij te zwak om van de hand des meesters zeiven te kunnen zijn 2). Wanneer men alle verhalen gelooven moet, dan heeft een soort van kwaad noodlot de werken van onzen meester vervolgd. De vier groote schilderijen, voor het stadhuis van Brussel vervaardigd, zijn waarschijnlijk door den brand van 1695 vernield; volgends van Mander verging het schip, dat omstreeks eene eeuw na de voltooying, de groote schilderij thans op het Muzeum te Madrid, van Leuven naar Spanje vervoerde, op de kust; de schil-deiij a leen werd gered, en van al zijne andere werken is behalve het vijf- of zestal genoemde stukken niets meer aanwezig. En toch moet onze meester tamelijk veel ook tamelijk gelukkig gewerkt hebben; toen hij in het jaar 1450, ter gelegenheid van het groote jubilé, Rome bezocht, waren zijne werken en zijn naam reeds met roem in Italië bekend, en hoewel zijn ambt hem niets meer gaf i dan eene vergoeding voor een officieel kostuum en het recht om | elk uur ten dienste der stad besteed in rekening te brengen, is het toch door authentieke stukken bewezen dat onze meester reeds in 1434 rente op de stad Doornik bezat, en een tiental jaren later ook een huis te Brussel kocht. Van Mander zegt dat eene Koningin, wier naam hij echter niet opgeeft en andere aanzienlijke personen, uier portretten hij gemaakt had, hem een tiende of korenrente schonken. Men moet echter niet vergeten, dat van |
Mander onzen Rogier van der Weyden, den schilder der stad Brussel, Iaat leven tot 1529, dat is ten naastenbij 65 jaar te laat, en tevens ook spreekt van een vroeger geleefd hebbenden Rogier van Brugge, die waarschijnlijk leerling van Jan van Evck was en groote beelden voor behangsels schilderde; bepaalde zaken weet hij echter niet van hem aan te wijzen, ook niet het jaar zijns overlijdens, daar de Faam, zegt hij, hem steeds in leven houdt en de uitmuntendheid zijner werken onsterfelijk is. Deze onbepaalde wijzen van schrijven van Karei van Mander heeft zeker veel tot eene verwarring bijgedragen die langen tijd bestaan heeft, terwijl ondertusschen het geleefd hebben van dien anderen Rogipr, den behangselschilder en beeldenkleurder, wel waarschijnlijk maar niet bewezen is. Onze Rogier van dir Wevden, de maker van al de nu besproken schilderijen, de schilder der stad, stierf te Brussel in het jaar 14O4, dat is op 64-jarigen leeftijd. Voor zijn vijf en twintigste jaar was hij reeds gehuwd met Elisabeth Goefaerts; maar, wat deed hij toen? Was hij toen reeds schilder? wij weten alleen dat hij het atelier van zijn meester eerst twee jaar na zijn huwelijk betrad en daar vijf jaar werkte voor dat hij zelf als meester werd erkend. Van de vier kinderen van Rogier van der Weyden betrad de oudste, Cornelius, het klooster; van zijn dochter Margareta en van zijn jongsten zoon is niets bizonders bekend; Peter, de tweede zoon, volgde wel de schreden zijns vaders, maar slechts zeer uit de verte; hij ook was schilder maar liet na zijn dood noch grooten naam noch vermaarde werken na. De zoon van Peter, Goswin van der Weyden, kwam, althands volgens hetgeen gezegd wordt, zijn grootvader meer nabij. Deze meester Goswin woonde te Antwerpen en behoorde tot het gilde van S' Lucas; men zegt dat hij verschillende leerlingen heeft gehad en op hoogen ouderdom 1) voor eene abdij te Tongerloo een groot en merkwaardig werk uitvoerde. Dat stuk, de dood en hemelvaart der Heiige Maagd voorstellende, werd in 1535 uitgevoerd; een tijd lang heeft men gemeend dat stuk te herkennen in de op het Muzeum te Brussel berustende schilderij N0 49; thands echter houdt men die toekenning voor onjuist; van dezen meester is dus niets met zekerheid aan te wijzen. Een zoon of neef van hem, naar den overgrootvader ook Rogier geheeten, heeft gelijk met, misschien ook nog na meester Goswin de schilderkunst beoefend, deze laatste spruit van het begaafde gezin, stierf zonder roem; men noemt hem Rogier van der Weyden de jonge. Op de koninklijke bibliotheek te Brussel berust in de rijke verzameling handschriften en miniaturen, een prachtig werk A n na 1 e s du H a i n a ut getiteld. Eenige bekende archa;o-logen hebben in de schoone voorletter der opdracht, de hand van den grooten Rogier van den Wevden meenen te herkennen en willen daaruit opmaken dat hij ook miniaturenmaker tn kleurder is geweest. Volgens nadere onderzoekingen en na bij den Heer Ruelens, den geleerden conservator der handschriften, te rade te zijn geweest, kunnen vrij melden dat de toekenning van dit miniatuur aan meester Rogier op geen enkel bewijs berust; het is door anderen evenzoo aan J an van Eyck, ook wel aan Hugo van der Goes toegeschreven; dit echter zijn alle zeer gewaagde veronderstellingen. Dat een kunstenaar van zoo grooten en welverdienden roem ook eene school gevormd, navolgers en leerlingen gehad heeft, zal wel niemand verwonderen, meester Rogier heeft door de eigen- ') Zeventig jaren. |
1
Catalogus Rudolf Margoraff. Cab. Ill, N0 42.
â 21 â
|
aardigheid en de volkomenheid van zijn talent veel invloed gehad op de kunstenaars van zijn tijd; hij werd gekopieerd, nagevolgd en zijne raadgevingen werden gezocht en hooggeacht. Van zijne leerlingen zullen wij slechts een noemen, en wel den onsterfelijken Memlinc; zelf met een oorspronkelijk talent begaafd, was hij misschien minder de leerknaap dan wel de viiend en helper van den grooten meester; maar zeker is het dat Rogier van der We yd en de raadsman en de leider zijner studiejaren is geweest en dat meester en leerling elkanders roem nog hebben verhoogd. Hij overleed in 1464, bemind en betreurd door zijne stadgenooten, en zijn lichaam werd in de groote S1 Gudula Kerk te Brussel begraven; een latijnsch grafschrift heeft jaren lang de plaats waar hij rustte aangewezen, hetwelk aldus in 't Neórlandsch luidt; âOnder dezen steen rust gij, Rogier, levenloos, gij wiens penseel uitmuntte in het teruggeven der natuur. Brussel betreurt uwen dood, vreezende geen kunstenaar die u evenaart terug te vinden. Ook de kunst beweent een meester, wiens gelijke nimmer heeft bestaan,quot; Ook Lampsonius heeft in verzen zijn talent en zijne deugden bezongen. |
In de laatste uitgave der werken van Karel van Mander, door Jacobus de Jongh bewerkt en in 1764 uitgegeven, worden die verzen aldus vertaald : Is 't u geen lof, dat ge, in een' kunsteloozen tijd, Uw tijd, Rogier, hebt aan de Schilderkunst gewijd? Uw werk eiseht echter, dat wie welbedacht wil handelen, Ook nog gestadig dient uw voorbeeld na te wandelen. Zulks tuigt uw Kunst, die noch aan 't Brusselsch Raadhuis toont Hoe 't recht geen kreuken kent, het kwaad zijn meester loont. Wat was uw rijkdom, door het kunstpenseel verkregen. Door uwen laatsten wil den honger niet ten zegen. Der armoê niet ten troost, verliet gij 't aordsehe goed. Dees deugd blijft leven in 't erkennende gemoed. De groote kunstenaar, wiens werken na vier eeuwen nog bewonderd worden en die zijn land een onvergankelijken roem heeft geschonken, was ook een deugdzaam en vroom man en verzachtte het lijden der armen door de vruchten zijner kunst, C, Ed, TAUREL. |
door GHEEBAERT D1YIDS.
|
E Keulen, in de verzameling van den Heer Baron Oppen-hkim, bevindt zich hetschoone paneel i) van Gheeraert Davids, dat wij het geluk hadden hierbij voor de eerste maal in plaat te brengen. Even als de Verloving van de H. Godeberta, is ook deze schilderij uit de verzanding van den Heer de Svuel van Elberfeld, voorheen te Brussel, afkomstig. Van hare vroegere geschiedenis weet men niets met zekerheid. In het midden van het paneel is de H. Maagd zittende op een stuk muur of gemetselde bank, waarop aardbeziën en bloemen groeien. Zij draagt een kleed en een mantel, beide van rood laken. Het kleed is aan den hals uitgesneden en laat den rand van een blaauw onderkleed en van een kraag van fijn en doorschijnend weefsel zien. Haar mantel, die aan den onderkant met edelgesteenten is bezet, wordt van boven vastgehouden door een met paarlen en steenen rijk bezetten band, die over het bovengedeelte der borst loopt. Lang en weelderig hoofdhaar valt over de schouders. Zij ondersteunt het Kind Jesus, dat op haar rechterknie zit, in zijn midden. Het Kind draagt een wit hemdje of koorrok met lange mouwen, open borst en speelt met de bladen van een geopend boek, dat op de linkerknie Zijner Moeder ligt. Aan de voeten van Maria, rustende op een kussen van rijk uit gouden en zwatte draden geweven stof, en van kwasten voorzien, ziet men iriassen, leeuwenbekken, madelieven, viooltjes en andere bloemen in vollen groei. De achtergrond is een boomrijk landschap met een stroomend water, in de verte ziet men een klooster, verscheidene kasteelen en bergen. Aan de rechterzijde bevindt zich een afsluithek, waarop een paauw, den rug naar de Madonna gekeerd, uitrust. Onder de boomer, ziet men een hert en iets meer naar het midden een reebok zijn dorst lesschende. Ter linkerzijde verheffen zich een adelijk slot en eene hoeve met puntigen gevel; een hek dat zich tusschen de twee gebouwen bevindt opent zich op den daar tusschen loopenden landweg |
Bij gemis van bewijsstukken zullen wij alleen zeggen, dat wij, dit stuk met de andere werken van den meester vergeleken hebbende, veronderstellen dat het tusschen 1500 en 1515 geschilderd moet zijn. Gheeraert. zoon van Jan Davids, werd te Oudewater in Zuid-Holland, omtrent de helft der vijftiende eeuw, geboren. Wij weten niet waar en evenmin bij welken meester hij zijne kunst geleeid heeft; maar zijne kornpositie-trant en zijne manier van schilderen bewijzen dat hij van dezelfde school als Dirk Bouts afkomstig moet zijn. In 1483 kwam hij te Brugge en vestigde zich in die stad, die, toenmaals het middenpunt van den handel zijnde, de meeste kansen voor den verkoop van kunstwerken opleverde. Op den i4llen Januari 1484 werd hij aldaar bij het gilde van S1 Lucas en S' Eligius aangenomen, en was in 1488, 1495â96 en 1498 en 99 Vinder en in 1501â02 Deken van genoemd gilde. Ook was hij lid van het gilde van S' Jan en S4 Lucas door de boekverkoopers en verlichters of kleurders in de abdijkerk van den H. Bartholomeus bijgenaamd van den Eeckhout, gevestigd. Meester Gheeraert huwde, na 1496, Cornelia, de dochter van Jacüü Cnoop de Jonge, die afkomstig van Middelburg in Zeeland en Deken van de vereeniging der goudsmeden van Brugge was, en van Catharina zijn eerste vrouw. In 1508 werd onze meester tot de broederschap van den Droogen Boom, toenmaals in de Minderbroeders-kerk gevestigd, toegelaten. In 1515 bezocht Gheeraert de stad Antwerpen, waar hij als vrije meester bij het gilde van S4 Lucas ontvangen werd Naar het schijnt is Gheeraert een vroom en weldadig man geweest; een zijner schoonste schilderijen werd in 1509 doorhem ten geschenke gegeven aan het klooster der Karmelieten van Sion, tegenwoordig het Engelsche Seminarie, en toen die geestelijke zusters aan het voltooien van haar klooster nog werkzaam waren, leende hij haar grootmoedig, den 25 April 1521, en zonder intrest te vorderen, eene som van tien ponden vlaaiusch, welke hij eerst den 7quot; Juni 1523 terug vorderde, toen hij op zijn sterfbed lag. Gheeraert overleed den i3d(m Augustus 1523 en werd in Onze Lieve Vrouwe Kerk te Brugge, onder den toren begraven. Zijn graf was door een blauwen steen gedekt, waarop zijn wapen van lazuur met drie zilveren hoorns, met gouden beslag en banden, en dat zijner vrouw, van lazuur met zilveren balk, waarop drie |
1
Hoogte 102 Ned. duim. Breedte 84 â Eikenhout.
|
knopen van het eerste (cnoops, dus een sprekend wapen) te zien waren. David liet eene dochter na, Barbara geheeten, die, bij den dood van haren vader, hoewel minderjarig, reeds gehuwd was. Zijne weduwe hertrouwde in 1529 en verliet de stad Brugge. Eenige jaren later was de groote kunstenaar reeds vergeten in de stad wier gebouwen hij met de schoonste voortbrengselen zijner kunst versierd had en waar hij veertig jaar geleefd had. Van Mander zegt: âDaer is oudt tijts gheweest noch eenen Gf.e-rardt van Brugge, daer ick geen bescheyt van weet, dan dat hy van Pieter Poerbus hooghlyck is ghehoort prijsen voor een uyt-nemende schilder.quot; Guicciardini noemt hem ter loops ook een uitmuntende kleurder en zegt dat hij te Brugge geboren was. Vasari geeft hem ook op bij de merkwaardige miniatuurschilders. In 1S61 bij de uitgave van onzen katalogus van het Museum der Akademie van Brugge, hebben wij het geluk gehad hem aan de geschiedenis terug te geven en tegenwoordig zijn er weinig kunstenaars van onze school der 15''' eeuw waar men meer van weet. SCHILDERIJEN YAN amp;HEERAERT DAVIDS, waarvan de echtheid door bescheiden uit zijn tijd bewezen wordt. I. De geschiedenis van den plich t vergeten rechter, twee paneelen 1) door de overheden van Brugge tusschen den i2en en den 28(n Februavij 148S aan den schilder besteld en in 1498 voltooid; zij zijn geschilderd voor de schepenenkamer van het raadhuis en bevinden zich thans op het Museum der Akademie. De gebeurtenissen, op deze schilderijen voorgesteld, worden door Herodotus aldus verhaald; âSisamnes, een der koninklijke rechters, in eene zaak van geld een onbillijk vonnis geveld hebbende, liet Koning Cambvses hem onthalzen en villen; toen gaf hij bevel zijne huid aan riemen te snijden en liet den zetel waarop Sisamnes als rechter had gezeten, er meé bekleeden, Toen benoemde Cambyses den zoon van Sisamnes tot het ambt van zijn vader, hem aanbevelende dengene indachtig te zijn op wiens zetel hij bij het vonnissen plaats nam.quot; De eerste der twee schilderijen stelt het omkoopen van Sisamnes en het vonnis vellen van Cambyses voor, de andere het villen van den snooden rechter en het recht spreken door zijn zoon Cambyses doet den onrechtvaardigen rechter op zijn zetel vatten; de omkooperij wordt in de verte aangeduid, door een man, staande voor de deur van een huis, een gevulden geldzak in het geneim aan den rechter overhandigende. Cambyses drukt den rechter wijsvinger tegen den linkerduim en schijnt de waarheid der beschuldiging te willen staven. Andere aanzienlijke personen omringen den Koning. Door een man, grof van uiterlijk, aangevat, is de ontsteltenis van den snooden rechter op zijn gelaat le lezen ; in de eene hand houdt hij de hoofdkap, welke hij in tegenwoordigheid des Konings heeft afgezet, terwijl hij met de linkerhand op den steenen arm van zijn zetel rust. Aan ringen in den muur hangt, door riemen vastgehouden, eene eere-draperie achter den zetel af. Rechts en links van die draperie of behangsel, bevinden zich twee medaillons, in den vorm van cameCn met allegorische voorstellingen Daaronder is de datum 1498 te lezen en iels hooger ziet men eene console, waarop twee kindertjes, |
1 Hoogte 182 Ned. duim, Breedte 159. De figuren zijn 95 Ncd. duimen lioojj kleine genit'n, zitten, die de einden vasthouden van twee guirlan-den van bloemen en vruchten, waarvan de andere einden getrokken worden door andere geniën, staande op de kapiteelen van rood gevlamde porphyren kolommen. Van uit het midden dezer kapiteelen verheffen zich kleinere korte kolommen; op het kapiteel van die ter rechterzijde ziet men wefir twee dergelijke kinderen, waarvan het een het andere slaat, na hem te hebben neörgeworpen; boven de guirlanden zijn nog twee schilden, de wapens dragende van Philippus den Schoone en van Johanna van Arragon. Het zoo even beschreven tooneel heeft plaats in eene opene gaanderij, op een plein uitkomende; op den achtergrond staat een gebouw met een stoep; boven de deur is een medaillon, waarin een ridder is afgebeeld; achter dat gebouw staat een toren. Dit plein heeft eene algemeene overeenkomst met het plein van S' Jan te Brugge, hoewel de schilder al de onderdeelen veranderd heeft. Onder de negentien personen, die het gevolg van den Koning uitmaken, bemerkt men een officier met den helm op het hoofd, een malienkolder, een harnas en een korten mantel zonder mouwen, waarop een gevleugelde vrouwenfiguur in arabesken uitloo-pende, geborduurd is. Op den onderrand van den mantel zijn letters aangebracht, die evenwel zonder beteekenis schijnen te zijn. In den helm ziet men de terugkaatsing van een kerktoren en van andere gebouwen. Achter dien officier aan den uitersten rechterhoek van den voorgrond heeft de schilder zijn eigen afbeeldsel eene plaats gegeven. Hij schijnt hoogstens een dertigtal jaren oud te zijn. Midden op het voorste plan der schilderij ziet men een witten hazenwindhond met vergulden halsband en rechts, een, behalve aan kop en pooten, geschoren poedel. Op het tweede paneel, niet verre van de gaanderij; waar hij gevat werd, ligt Sisamnes naakt op de pijnbank uitgestrekt; zijn voet en ook zijn rechter arm zijn door touwen aan den poot en aan het dwarshout van die bank of tafel gebonden. De ijzeren nagels dienen om de armen onder de oksels te houden Vier beulen zijn aan het werk om hem te villen, zijn gelaat is door de smarten, welke hij doorstaat, geheel vertrokken. Een der beu len, met een mes dwars in den mond is bezig het onderste gedeelte van het linkerbeen van het vel te ontdoen; een ander snijdt het vel van den linkerarm in het langs dcor, terwijl een beulsknecht dien arm door middel van een aan den pols vastgebonden touw uitrekt. Boven aan de tafel staat de derde beul en snijdt op de borst het vel door. terwijl de vierde aan den rechter arm bezig is Cambyses de Koning, is, met zijn scepter in de hand en door zijne raadslieden omgeven, bij deze exekutie tegenwoordig. Een der tien volgelingen, dezen groep uitmakende, draagt een giervalk op de vuist. Op den voorgrond, rechts, ziet men denzelfden poedelhond van de vorige schilderij, zich nu het oor krabbende. Onder de folter-tafel bevinden zich de kleèren van den rechter. Links op den achtergrond, in dezelfde gaanderij die op het eerste schilderstuk is voorgesteld, is het vel van den omgekochten rechter op den rug van zijn zetel uitgespannen; op dien zetel zit zijn zoon en opvolger, van een tiental personen omgeven. Voor hem ziet men een man de hand in een aan den gordel hangenden buidel steken, als willende hij den nieuwen rechter, die het schijnt te weigeren, een gift aanbieden. Onder eene deur van het belendende gebouw bevinden zich twee schilden, met de wapens van Vlaanderen en van de stad Brugge. Aan het venster van een der gebouwen, die rechts den achter- |
â 24 â
|
grond vormen, staat eene vrouw te kijken naar hetgeen daar beneden geschiedt. Daar achter is een muur en verder nog een pgrk, waar men een groot hert onder het geboomte ziet liggen. Deze twee schilderijen zijn krachtig, in een bruinachtigen toon geschilderd en wonderbaarlijk afgewerkt. Over het algemeen is de kompozitie goed, hoewel de voorgrond van het eerste stuk wel â¢wat overladen mag heeten. Uitstekend zijn de achtergronden; de eigenaardige vormen en het gebladerte der boomen in het park , zijn zeer goed weêrgegeven. Het ontvellen van een mensch is zeker lang geen aangenaam onderwerp ter beschouwing, maar zeker is het ook niet de schilder, die het gekozen heelt. Wanneer wij het doel, dat men met het vervaardigen dezer schilderijen beoogde en de plaats voor welke zij bestemd waren, in aanmerking nemen, aarzelen wij geen oogen-blik te verklaren dat Gheeraert Davids zich volmaakt van de hem toevertrouwde taak heeft gekweten en dat deze twee stukken gerangschikt behooren te worden onder de belangrijkste voortbrengselen der Nederlandsche school van het einde der vijftiende eeuw. 2. De Heilige Maagd en het Kind Jesus omringd van Engelen en Maagden t), in 1509, door den schilder aan het Klooster der Karmelieten van' Sion, te Brugge, geschonken en tegenwoordig op het Museum der stad Rouaan. Midden op de schilderij is de Heilige Maagd afgebeeld, zittende op een metalen troon, waarover een draperie, die tot onder bare voeten reikt, uitgespreid is Met de linkerhand ondersteunt zij het kind Jesus en houdt Hem een tros druiven voor, die Hij met beide handen aangrijpt. Aan elke zijde der Heilige Maagd staat een Engel met uitgeslagen vleugelen; de een speelt op eene mandoline, de andere op een viool, tusschen die twee Engelenen de H. Maagd, ziet men iets meer achterwaarts aan de rechterzijde de Heilige Fausta met eene kleine zaag, en aan de andere zijde de Heilige Appollonia, nijptangen dragende. Op den voorgrond rechts zijn vier heilige vrouwen zittende afgebeeld, de eerste is zonder attribuut, en naast haar S1 Agnes met het zinnebeeldige lam voor hare voeten liggende; verder S' Catha-rina met een zinnebeeldige uit raderen samengestelde kroon, op het hoofd; zij heeft een geopend boek in de handen. Een beetje achterwaarts, geheel aan de uiterste rechterzijde van het paneel, ziet men S2 Dorothea, een korfje in de handen, gevuld reet roode rozen, welke zij met eene uitdrukking van liefelijke zedigheid beschouwt. In den achtergrond, achter deze laatste, heeft Gheeraet zijn eigen portret eene plaats gegeven. Hij draagt een bruin kleed dat, van voren geopend, een geplooid hemd te zien geeft; eene blonde haarlok hangt tot tusschen de wenkbrauwen over het voorhoofd. Ook de linkerzijde van de schilderij wordt door vier heilige vrouwen ingenomen. Eerstens, aandachtig lezende, de Heilige Godeliva met een lange sjerp om den hals geknoopt en eene gouden ferronnière met drie steenen waaraan paarlen gelijk waterdruppelen hangen, zijnde dit eene zinnebeeldige herinnering aan de- wijze waarop zij den marteldood ontving Naast haar zien wij de Heilige Barbara, in een getijboek bladerende; haar kapsel bestaat in eene kroon, waarboven het symbolische torentje van goud en paarlen aan de voorzijde uitsteekt. De Heilige Cecilia, met haar orgel naast zich, bevindt zich een weinig achterwaarts. l) Hoogte 120 Ned, duim. Br=edte 218. Hout. De figuren zijn op een vierde der natuurlijke grootte. |
terwijl de uiterste linkerzijde ingenomen wordt door de Heilige Lucia, die twee oogen, waaruit stralen schieten, in de hand houdt. Aan de linkerzijde achter haar, ziet men de vrouw van den kunstenaar Cornelia Cnoop, met gevouwen handen in gebeden verdiept. Zij draagt een zwart kleed met smal wit bont omzoomd en een breede witte hoofdkap die om het gezicht sluit en achter het hoofd neervalt. De achtergrond der schilderij is donker groen, bijna zwart. De plaats van dit tafereel, de grond, is slechts door ruiten van witte, geele en licht blauwe steenen aangeduid. De onderdeelen zijn in dit stuk met wonderlijke zorg afgewerkt. De twee engelen mogen onder de heerlijkste figuren, welke de Nederlandsche school ooit in het leven riep, genoemd worden. 3. De Graflegging van Christus, omtrent 1520 â triptiek 1) â voor de broederschap van het Heilige liloed geschilderd en in de kerk van S' Basilius, te Brugge, bewaard. Op den voorgrond van het grootste paneel ligt op de zijde het heilig Lichaam van Christus op een doodkleed uitgestrekt; het wordt door Nicodemus, een man met langen witten baard, die de uiterste rechterzijde inneemt, ondersteund. In het midden bevindt zich de Heilige Maagd met samengevouwen handen; haar stand is wel wat gewrongen, zij ligt geknield voor haren Zoon; de Heilige Johannes ondersteunt haar niet den rechterarm, den I linkerarm van den Christus te gelijk oplichtende. Aan zijne rechterzijde bevindt zich Maria Salome, en aan de linkerzijde, tegen de omlijsting van het paneel, staat een man met een gedreven koperen vaas met reukwerk in de hand. Op het rechter paneel of luik zijn Maria Magdalena en Maria Cleophas afgebeeld; ook de eerste draagt een vaas met reukwerk, waarvan zij het deksel afneemt. S' Joseph van Arimathea en twee andere mannen staan op het linkerpaneel, de eerste draagt de doornenkroon op een witten doek. Op den achtergrond van het middenpaneel ziet men den Calvarieberg en ook de twee gekruisigde moordenaars, een galgenrad, twee soldaten en een man die een ladder wegdraagt; rechts heeft men een uitzicht op het landschap en op de stad Jerusalem; het linkertaforeel wordt van achteren door boomen en bergen gesloten. De kompozitie van dit schilderstuk is zeer goed, de uitvoering is kloek en het koloriet krachtig en rijk. De vrouwentroniön zijn i over het algemeen gelukkiger dan die der mannen; die van S4 Joseph van Arimathea is evenwel van zeer nobel karakter. De vleeschen zijn wat bruin van kleur; op dien tijd zijner loopbaan schijnt Gheeraert Davids den invloed van Quinten Metsys te hebben ondergaan. Deze schilderij werd in 1675, in 1773 en in I 1827 gerestaureerd en de oorspronkelijke glaceeringen zijn ver-' dwenen. SCHILDEEIJEÃÃ, AAN GHEERAERT DAVIDS TOEGrÃ-SCHREVEÃÃ. 1. De Madonna en het Kind Jezus â bij den aanvang van dit artikel beschreven. 2. Bernardus de Salvi at is, kanunnik van S' Donatianus 2), geknield en vergezeld van de Heilige Domatianus, Bernardus en van S' Jan den Aalmoezenier â omstreeks 1501. â Rechter luik |
1
Hoogte max. 104 Ned. duim; min. S3 â Breedte, middenstuk 70 Ncd duim. â Zijstukken 31 â Hout.
2
Hoogte 102 Ned. duim. Lengte 93. â Hout.
gt;-)',' v'»-'-v *): 'quot;' ?u''- -'^quot;quot;V' 'V
â¢-;. \' ' [ V V , ï â¢/ $ x ⢠quot;- '⢠'V ⢠' ' . gt; '^ â â¢. ⢠* ' â ' â 'â â â¢'.â
i '^â ; â¢?â¢â¢'.⢠â¢â¢kï.'.A . ⢠-.y;quot;.» â :-*My -r^ â¢gt;â â¢'.â¢' . ;â¢â¢ ' V . â '''iquot;'/.',W ' ' '
w- â - â¢â¢â 'â '⢠r-. â ⢠â : ^.v^' ; ^ ,â ;
; . ⢠⢠r, , ^ - â¢.,â¢/â¢;â¢â¢ .; v--.. '.;- ' .: «â¢â¢. â¢â â¢- ,⢠⢠-
J^':''-'.-:',: :â / ,â .v' -s,^ ;â â :â¢- ;,,;.,.^v 'V./ ^ ,v ..,.../S.
., :. ' â â â â¢:â â ⢠-â ⢠.v â .:Mf. â '
' ' â â :.' â '
â l» â â â 1 â , â ' ⢠â¢â¢â¦â ', . â ;:â â - ' .*1 . '
â â â â ' â i::'- . 1 V ; : ' â â ;,(
h'.:)
'' ï v t: '':â¢'â
vfi^ '
*v
/â quot;â â â ;â â â â /â â â â â â â â â¢â :-â 'V' â â â 'â â 'â â â â . . â 'â â â
''V. Lv -ê,â ;
^â â â¢''' :â ' . â â v; .. ^ â¢gt; .â :. . V '
.
gt;..â â â¢,â¢â v â¢- â¢; â¢â¢ ' â¢â . .,. ⢠â - ⢠: v . â ; ., . \ , . â¢;.:
iV,.,'j. â â¢'
9: '
;,0- - '' «' ' :â¢quot;â 'â¢
V-W-..r
â . â ⢠: ' â . â : A- â â '⢠â ⢠â â â . :.â â â â¢â . ...
: -3; . /quot;-f-
ï'-'# ' : :' f''rs 't fe; r. . '? --ïv:
.
⢠â 'â â â lt; ', ,â»â â 'â ⢠⢠' , â ,;â â .«⢠â l'' ' . , ' T' , . ;! â
,⢠quot; â , - â ,' â ' â - â . â
^ â r.: ..ia- :y-yy;yâ .'â¢â â â y â st
^ .â â â i- ^yyy'yy^yrvy ^ v:': t: .,
V'
â ?.l!.i: '⢠y y' ' -.-ygquot;- â A::
â viï1 yr: ^M^y. ',y y ':ygt;: yyquot;
y-.;-'^y yyyy- ^ .-V
:,'â ''' vi'V
â gt;â â â }lt;V;
â
' . -i â¢.'
^3.:
quot;Ir
^ ,
:' â â i â ' t* ' ' ⢠. '⢠' ' â¢' ''*. y
v.r ''â¢â V
,
â quot; }
â : ,-V' ,-⢠V ⢠⢠' quot;'-..v - . â
-v'C^,gt;gt;2 :v?;;W:â â â :â - ....-r â â
. â . . f
;,f-' A-,,, ''V a ⢠^ ' â â â â .- 5 '...........'quot;'u1 H
- A
I â â 11 ' 'i fJsiifc
I ft-Ãtttiferiè'flf
Ãs 1-
â ⢠^ 'j
^Ml H ImmM
.
I
â
WMmÃMll «BSïMss
â
II
â â â
l
Ivmfö
â lï ï
â I
â â â â â | â â
H
®^4t⢠tfflfr quot;S
1 | I |
I |
â I
|
boven het altaar van de Heiligen Johannes den Dooper en Maria Magdalena in de S' DoNATiANUS-kerk te Brugge; tegenwoordig bij den Heer White te Londen berustende. Op den voorgrond is de kanunnik in knielende houding voorgesteld, het gelaat naar de linkerzijde gewend; hij draagt een priesterrok en een koorkleed en heeft een almutium over den linkerarm Achter hem staat zijn patroon Beknardinus van Sienna in het grijze kleed der Minderbroeders met de linkerhand een rood boek niet een medaillon, waarin de H. Naam Jezus staat, tegen de borst aandrukkende. Links staat S' Dünatianus in bisschopsgewaad, in de rechterhand een bisschoppelijke staf en in de linker een wieltje met vijf brandende waskaarsjes vasthoudende. Rechts ziet men een derde bisschop met een staf, waarschijnlijk S'Johannes de Aalmoezenier; hij licht de hand op, om een kreupele te zegenen, die op een stok leunende de hand uitsteekt als om een aalmoes te vragen. Deze personen bevinden zich in een landschap, bruinachtig van kleur, op een door kleine rotsen bewogen grond. Achterwaarts ziet men groote boomen en links een kasteel met bergen er achter. Het koloriet van dit meesterlijk geschilderd kunstwerk is krachtvol; behalve de gezichten van de Heiligen Donatianus en Bernardinus, die later een weinig bijgewerkt zijn, is de schilderij goed bewaard gebleven. De stoffen, de bordgt;;urselen, en over het algemeen al de onderdeelen van de kleeding der verschillende personen zijn met wonderbaarlijke handigheid bewerkt, het koorkleed van den Heiligen Johannes is niet te overtreffen. 3. Het Doopsel van Christus, de Madonna, de schenkers en hunne Heilige Patronen, triptiek 1), voltooid in 1508, en den 18 December 1520 aan de vereeniging der beCedigde klerken bij het gerechtshof der stad Brugge geschonken, om op het altaar hunner kapel in de benedenkerk van S' Basilius te worden geplaatst; tegenwoordig op het Museum der Akademie van Brugge berustende. Jezus het witte lijnwaad, perizonium genoemd, om de lendenen dragende, staat op den voorgrond met gevouwen handen en in diepe aandacht, recht op in den Jordaan waarvan het water Hem tot de knien reikt. Johannes de Voorlooper, draagt een haren kleed en een mantel. Rechts ligt een engel, met een koorkleed, eerbiedig geknield, en draagt het kleed des Zaligmakers; daarboven zweeft de witte Duif en hooger op ziet men God den Vader, Zijn Zoon zegenende; Hij is van kleine ongekleede Engelen zonder vleugelen omringd. De schilder heeft op het rechterpaneel den schenker van de schilderij Jan des Tromfes en zijn zoon Philippus afgebeeld; zij knielen op het gras. De Heilige Johannes de Evangelist, een kelk in de linkerhand houdende, staat naast den schenker. Aan de linkerzijde, dus op het andere paneel, ziet men de eerste vrouw van den schenker, Elisabeth van der Meersch, met hare vier dochters geknield liggen, onder bescherming der Heilige Elisabeth van Hongarije, die een boek in handen heeft, waarop twee kronen liggen; de derde kroon rust op de witte kap die haar hoofd omsluiert. De achtergrond dezer drie schilderijen stelt een nog al bewogen landschap voor; op den tweeden grond rechts, zittende op een met mosch bedekte rots, ziet men den Heiligen Johannes den Dooper prediken voor een luisterende schaar van vijf-en-twintig kleine figuren; twee andere personen naderen om de preek aan te hooren. Links ziet men Johannes den Christus aan drie zijner discipelen aanwijzen; éen staat gereed Hein te volgen. De derde grond geeft eene stad bij een berg te zien; eene sterke burgt beheerscbt de stad. |
Op de buitenzijde ziet men rechts de Heilige Maagd, zittende onder een rirkelvormigen troonhemel, aan het gewelf hangende en van gordijnen voorzien. Zij ondersteunt het Kind Jezus, dat op haren schoot zit en houdt Hem met de rechterhand bij den lin-kerarn:. In de linkerhand heeft Hij een tros druiven en buigt voorover naar de tweede vrouw van den schenker, Magdalena Cordier, die met hare dochter Isabella voor hem geknield ligt en beschermd wordt door de H. Maria Magdalena, die een vaas met reukwerk draagt. Deze personen bevinden zich in eene opene gaanderij in den stijl der Renaissance; door de bogen heeft men uitzicht op het voorplein van een door kolommen versierd huis ; ook ziet men nog de gevels van hoogere gebouwen. Deze schilderij is zeer merkwaardig. Het landschap dat zich aan de binnenzijde der driepaneelen op den achtergrond ontrolt, is schitterend en prachtig van kleur. Behoudens het gemis van wijking in de lucht, hetgeen misschien aan het schoonmaken van de schilderij te wijten is, is niets beter bewerkt dan dit gedeelte van het kunststuk. De boomen zijn flink geschilderd en toch met alle mogelijke zorg afgewerkt; van ieder afzonderlijk is het individueele karakter in vormen en in gebladerte teruggegeven; en tusschen de stammen worden het oog ware vergezichten aangeboden. De grassoorten, de lelifin, de malva's, de viooltjes en andere bloemen van den voorgrond zijn nimmer beter voorgesteld. In het water, dat door den wind bewogen wordt, spiegelen zich de \oorwerpen met groote harmonie en perspekti-vische juistheid terug. Van dat gedeelte der schilderij is het koloriet zoo bijzonder schoon, dat bij een eerst aanschouwen de gebreken der kompozitie vergeten worden; de hoofdgroep namelijk is zwak van ordonnantie en de kleur zonder harmonie; ook de tee-kening komt ons smakeloos en zelfs gebrekkig voor, want zij is niet in overeenstemming met de omringende voorwerpen en overlaadt den voorgrond te veel. De achterste figuren, afzonderlijk beschouwd, zijn kort, dik en missen alle sierlijkheid. De portret ten der schenkers komen heerlijk tegen den donkeren grond van het woud uit en zijn goed geschilderd. De vrouwenkoppen en ook die van het jongetje en het meisje; buiten op het linkerluik en die der H. Maria Magdalena, zijn met de fijnheid der geoefendste miniaturisten behandeld en munten door sierlijkheid en waardigheid uit; ook zijn de handen talentvol geschilderd en het kleed der H. Maagd is met bijzonderen smaak gedrapeerd. Het onderste gedeelte van het lichaam en de linkerdije hebben in het Christus-beeld nog al geleden, evenwel is de schilderij, hoewel meermalen schoon gemaakt, goed gekonserveerd. 4. De Bruiloft van Cana, na 1519 geschilderd voor Jan van der Straeten, zoon van Bernard, en door hem aan de broederschap van het H. Bloed te Brugge geboden, heeft de kapel der broederschap tot 1580 versierd. Later maakte dit stuk een deel der verzameling van Lodewijk XIV uit en berust nu op het museum van den Louvre 1). In eene zaal, door eene rij kolommen van een openbaar plein gescheiden, zitten Christus en de Heilige Maagd, het bruidspaar en zeven vrouwen om de tafel, waarachter een draperie gespannen is. Voor de tafel staan een man vleesch te snijden, eene dienstmeid met een soort flesch en een jongeling het deksel van eene groote |
1) N0 596 v. d. Katal. v. 1863. 11« 96 Ned. d. Br. 128, Hout. Fig. 60 N. d#
1) II 132 Ncd. duim. Br, middenstuk 98. Zijstukken 13.
â 26 -
|
drinkkan afnemende; terwijl op den tweeden grond een andere bediende over den drempel stapt, een schotel aanbrengende. Rechts op den voorgrond is de schenker in het kleed van Provoost der broederschap afgebeeld, achter hem zijn zoon en links zijne vrouw, allen geknield. Buiten de eetzaal, rechts, staat een Dominikaner monnik, wiens trekken veel op die des schenkers gelijken, tusschen kolommen door, naar het beschreven tooneel te kijken. De voetstukken der kolommen rusten op een lagen muur; in de verte ziet men eenige gebouwen. Het aantal der aan Gheeraert Davids toegeschreven schilderijen, is nog al belangrijk. Onder die stukken herkennen wij de werken van minstens vier verschillende kunstenaars, waarvan sommige tijdgenooten en andere leerlingen of navolgers van den meester zijn geweest. En toch bezitten wij nog eenige bescheiden over schilderijen van hem, welke tot nu toe niet teruggevonden zijn. In het klooster der Karmelieten bevond zich een luik, in 1518 geschilderd, waarop broeder Isenbart de Bru knielende en door den H. Albert en de H. Maria Magdalena beschermd wordende, afgebeeld was. In den katalogus der verkooping van kunstwerken afkomstig van dat klooster, tijdens zijne opheffing in 1885, wordt het aldus beschreven: âN0 3971. Gheeraert van Brugge, Twee heilige kloosterlingen en eene Heilige, keurig afgewerkt Hout. H. 2 voet 1 duim. Br. 1 voet 7 duim. Verkocht voor 10 stuivers aan den Heer Loosequot;, |
De kathedraal van b' Donatianus te Brugge bezat eertijds een luik van een altaarstuk (H. 102 Ned. dm. B. 93), Christina van Rossem geknield voorstellende in een landschap en vergezeld van drie Heiligen, die waarschijnlijk de H. Christina, de H. Johannes de Dooper en de H. Maria Magdalena zullen zijn. De Monconys zegt ook een klein schilderstuk van meester Gheeraert aldaar te hebben gezien, dat met het altaarstuk van Jan van Eyck wedijveren kon. Gheeraert Davids was, gelijk reeds gezegd is, ook als miniaturist benoemd; Guicciaruini en Vasari spreken van hem als van een in dat vak uitstekenden kunstenaar. Vele zijner werken zijn bewaard gebleven; de schoonste bladen van het Brevier van den kardinaal Grimani te Venetië, van het Getijdenboek van Jeanne la Folle en van een ander Getijdenboek op het Rijks-Museum te Munchen, zijn door hem bewerkt. Te Brugge op het Muzeum der Akademie bevinden zich twee miniaturen 1) op fijn pergament van de abdij der Duinen afkomstig; de eene stelt eene prediking van Johannes den Dooper van Christus voor. I W. H. JAMES WEALE. 1) Le Beflroi, tom. I, pp. 223 a 234, 259, 260, 276 i 289, 61378; II, pp. 213, 214, 232, 288 a 297 et 320; et III, pp. 77 79, 97, et 334 a 346. Bruges, 1863â1870. |
|
â âverluchten, verlichtenquot; heette het in Nederland in de laatste middeleeuwen â was bij de Grieken en Romeinen, tijdens den hoog-sten bloei hunner beschaving, niet onbekend, maar volgens het heerschende gevoelen der beoefenaars van kunstgeschiedenis, Schnaase, Otte en anderen, geenszins gewoon. Als Plinius, die omstreeks het midden der «erste eeuw na Christus schreef, gewag maakt van zekere afbeeldingen, waarmede Varro een werk van biografischen inhoud voorzag, doet hij het op eene wijze, die het vermoeden inboezemt, dat iets dergelijks zelden voorkwam. Op eene andere plaats evenwel spreekt dezelfde auteur van Grieksche geneesheeren,in wier schriften teekeningen van planten voorkwamen x). Dat die teekeningen niet de versiering, maar de verklaring dier schriften bedoelden, kan men naauwelijks betwijfelen. In den laatsten tijd van het west-romeinsche keizerrijk werden de miniaturen in de handschriften meer gewoon, en dit laat zich begrijpen. Ofschoon de klassieke kunst reeds lang verstorven was, werden de klassieke schrijvers steeds met zekere belangstelling gelezen; niet alleen de heidensche tijdgenooten van Konstantijn en Theodosius, maar ook de beschaafdste christenen dier dagen wisten wat Homerus, Virgilius, Plato en vele anderen het nageslacht ten erfenis gelaten hadden, eenigermate te waardeeren. Maar deze klassieke schrijvers waren ook destijds reeds voor den gewonen lezer moeielijk te verstaan. De levensvormen van den ouden tijd, kleederdragt, zeden en gewoonten, het ceremonieel der godsdienst, de bedrijven en werkiuigen van vrede en oorlog enz. waren door nieuwe verdrongen, en voor het lezend publiek â was hetgeen , aangaande dit alles vóór eeuwen door dichters en prozaschrijvers aangeduid en beschreven werd, onverstaanbaar geworden : men had behoefte aan âillustratiönquot; of âilluminationquot;, toelichtende afbeeldingen, door de teekenpen of het penseel van meer of min kundigen aangebracht. Et versieren van handschriften met miniaturen De boeken, die bij de heidenen en christenen van de vierde en vijfde eeuw in het hoogste aanzien stonden, waren de Ilias, de i) Hist. vat. L. 25, c. 4, L. 35, c. 2; vgl. echter Watten li ach. Das Schrijtwescn im Mittelaltur, Leipz. 1871, s. 202. |
Aeneïs en de schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Die boeken waren oud, de meeste overoud en gezamenlijk bevatten zij veel, dat ook geleerden zelfs, als zij geen studie van de antiquiteiten maakten, naar aanschouwelijke verklaringen deed uitzien. Is het dan te verwonderen, dat de oudste manuscripten met miniaturen, die men tot heden kent, juist afschriften zijn van de dichtwerken van Homerus en Virgilius en een fragment van het boek Genesis ? ... Men meent, dat zij in de vierde of vijfde eeuw vervaardigd zijn. De Homerus wordt in de Ambrosiaansche bibliotheek te Milaan bewaard, de Virgilius in de Vatikaansche te Rome, het fragment van Genesis in de keizerlijke boekerij te Weenen. Van de miniaturen in de twee laatst genoemde handschriften ontmoet men bij Seroux d'Agincourt i) afbeeldingen, die, zoo zij getrouw zijn, van achtenswaardig talent getuigen, waarbij zich de invloed der oudere kunst deed gelden. Na de vijfde eeuw vindt men de miniatuurschilderkunst voortdurend in de dienst der christelijke kerk, en ofschoon hare voortbrengselen ook nu nog voor een deel de verklaring van den inhoud der handschriften bedoelden, strekten zij vooral tot versiering van manuscripten, welke men wegens hunne bestemming bij de godsdienstoefeningen op glansrijke wijze uitgedoscht wenschte te zien, bijbels, evangeliariën, martyrologien, necrologien, getijdenboeken enz. Geestelijken en vooral kloosterlingen van alle orden waren de beoefenaars van dezen kunsttak, en die door hunne vaardigheid in het hanteeren van teekenpen en penseel uitmuntten, werden, evenzeer als de schoonschrijvers van hun tijd, wegens hun talent door vrome geloofsgenooten vereerd en door vorsten en aanzienlijken in kerk en staat met milde hand beloond. De oudste miniaturen herinneren, bij meer of minder goede teekening, door de wijze van behandeling aan de antieke kunst, zooals zij in de muurschilderijen van Pompeji vertegenwoordigd is; maar doorgaans getuigen zij van den opkomenden ademtogt eens hoogeren geestes, die de miniatoren deed streven naar uitdrukking van de hoofdtrekken des christelijken zielelevens, zooals het zich in de heiligen der Kerk, profeten, apostelen, martelaars en anderen, openbaarde De beelden dier heiligen, ook dan zelfs als zij door zwakke handen gemaald werden, spreken door gelaatstrekken, houding en costuum niet zelden van nalve onschuld, kinderlijken ootmoed, mannelijken ernst en andere zedelijke eigenschappen, die in het oog des geloofs den meesten eerbied verdienden. Tot in de tiende eeuw blijft dit karakter eenigermate stand houden, 1) Architectur, Sculptiir mui Malerei vont IV bis XVI Jahrh. revidirt von A. E. von Quast, Abth. III. s. 21 IT. Taf. XIX ff. |
6
|
zoowel in de werken van Byzantijnsche kunstenaars, als in die van Italië en andere landen. Maar de Byzantijnsche kunst munt aanvankelijk uit door liefde voor edele vormen, haar uit oudere tijden nog bijgebleven, terwijl zij in latere dagen zich voor verdere ontwikkeling ongeschikt betoont, slaafsch vasthoudt aan de manier van verouderde voorbeelden en vooral door overdadig gebruik van goud-versieringen den goeden smaak kwetst. De Italianen schijnen zich bij de bearbeiding dikwerf de in hunne kerken zoo veelvuldig voorkomende mozaiek-werken ten vooibeelde gesteld te hebben. De miniatoren aan deze zijde van de Alpen onderscheidden zich door zekeren vrijheidszin in hunne conceptiën, die wèl strookte met het algemeen kaïakter der Germaansche volken, wier overgang tot het christendom vóór de tiende eeuw plaats had. Bij hen ontmoet men twee rigtingen, die afhankelijk zijn van de wegen, langs welke zij met hunne stamgenooten tot de kennis van het christelijk geloof en van de kerkelijke kunst kwamen. De kunst der natiën, wier apostelen hoofdzakelijk uit het zuiden kwamen, uit Italië en het tegenwoordige Frankrijk, bleef meer in zamenhang met de antieke kunst en wordt somtijds de Frankische genoemd. Die van andere volken, wier geloofspredikers Ieren of Angelsaxen waren, is meer zelfstandig, maar daarom niet altijd edeler. De lersche miniatoren gebruikten weinige, maar schitterende kleuren; zij teekenden scherpe omtrekken en vermeldden zich in eene ornamentuur, waarbij eene wilde fantasie vaak het ongerijmde en smakelooze schiep: zonderling door elkander slingerende lijnen, strikken en hoeken, monsterachtige wezens, slangen, draken, onbe staanbare bloemen en andere voorwerpen, die men schepselen eener tuchtelooze verbeeldingskracht mag noemen. Sporen van beide rigtingen laten zich in kunstwerken van de Romaansche periode, de elfde en twee volgende eeuwen nog aanwijzen, maar in het Gothische tijdvak, dat van de dertiende tot de zestiende eeuw loopt, verdwijnen zij meer en meer om plaats te maken voor een verhoogden zin voor natuurwaarheid en voor andere eigenaardigheden, die als gevolgen eener meer algemeene beschaving mogen aangemerkt worden. In de Gothische periode werden de schoonste miniaturen door het talent van Boheemsche, Fransche en Nederlandsche kunstenaars voortgebiagt. Ook zij stoffeerden hunne tafereelen gaarne met prachtige kleuren, maar een schitterend koloriet was net het hoofddoel van hun streven. Zij poogden bovenal aan hunne beiligen-beelden eene waardige gestalte te geven, en als zij zich vaak met onbegrensde liefde in hun onderwerp verdiepten, wisten zij voor gelaatstrekken, houding en gebaren, ja zelfs voor de drapeering der gewaden, niet zelden vormen te vinden, die evenzeer van,natuurstudie getuigden als van een edel idealisme. Zij bezaten een grooteren rijkdom van stoffen dan hunne kunstgenooten van vroegere tijden. De bijbelboeken, de schriften der meest vereerde kerkvaders, âde gulden legendequot; van het passionaal, de formulier-boeken ten dienste van bisschoppen en andere geestelijken enz., gaven hun in groote verscheidenheid onderwerpen aan de hand, terwijl hunne vaak al te weelderige fantasie onuitputtelijk was in het vinden van ornamenten van allerlei aard, die, op de randen der perkamentbladen geplaatst, den tekst al of niet tot commentaar strekken en vaak des kunstenaars schalkschen of moedwilligen zin verraden, i) |
De geschiedenis der miniatuurschilderkunst in Nederland ligt nog bijna geheel in het duister, en een wetenschappelijk verhaal van de opkomst, den ontwikkelingsgang en de eigenaardigheden van dezen kunsttak bij onze vaderen is voorshands wel niet op te maken. Dit zal eerst dan met goeden uitslag kunnen ondernomen worden, als de vereenigde krachten van vele onderzoekers, door speciale studiën daartoe in staat gesteld, de noodige bouw-stofïen voor zulk verhaal zullen geleverd hebben. Schrijver van dit opstel wenscht naar zijn zwak vermogen tot dezen voorbereidenden arbeid iets, zij bet ook weinig, bij te dragen, Van hetgeen bij de lectuur van middeneeuwsche en latere geschriften en bij het gebruik van Nederlandsche manuscripten aangaande de voortbrengselen der miniatuurschilderkunst, die op den vaderlandschen bodem voormaals gezien of voortgebragt werden, te zijner kennisse kwam, waagt hij het een en ander mede te deelen, in de hoop dat mannen, wier wetenschap verder strekt, zijne berigten weldra met milde hand zullen vermeerderen. De eerste miniaturen, die door Nederlandsche oogen aanschouwd werden, kwamen vermoedelijk met Nederlands apostel, den H. Willebrord, herwaarts, toen hij zich uit zijn klooster in Ierland naar Utrecht spoedde. In de nationale bibliotheek te Parijs wordt een manuscript bewaard, dat men op grond van eene daarin vervatte aanteekening âhet evangeliarium van S'Willeiirordquot; heet. Mannen van het vak noemen het ,een werkelijk lerschen arbeid.quot; De miniator, die het HS. versierde, penseelde de bekende symbolische teekenen der vier evangelisten. De Adelaar en de Leeuw zijn voor een niet ongeoefenden blik kenbaar, maar bij het teeken van Lukas en Matth^us achtte de afschrijver de aanduiding noodig, dat hier het beeld van een kalf (i7iiag0 viiuli) en van een mensch (imago ho tuin is) is gegeven. De gestalte van den mensch is uit zeven figuren of pennetrekken zamengesteld, die geel, rood en violet gekleurd zijn en een wanstaltig geheel vormen. 1) Bonifacius, die tijdens en na Willebrord onzen heiden-schen vaderen het evangelie verkondigde, hongerde steeds naar nieuwe boeken, inzonderheid afschriften van het bijbelboek en goede commentaren. Daniël, bisschop van Winchester, moest hem ,/le profetenquot; toezenden, en wèl in een van vroeger dagen hem bekend manuscript âmet groote en duidelijke letters.quot; Zijn vriend Duddus, een zijner voormalige leerlingen in Engeland, schreef hij: âhelp mij met heilige boeken, bovenal met geestelijke tractaten der vaderen, want zij zijn de leermeesters des bijbels.' Toen ,,de onvermoeide pelgrim 111 de landen der heidensehe duisternisquot; zich in zijne laatste dagen nog eenmaal naar Friesland begaf, om daar de martelaarskroon te winnen, verzuimde hij niet zijne âboekenkist' met zich te voeren. Dat in zijne verzameling, die wel hoofdzakelijk uit boeken voor de kerkdienst bestond, ook liSS. met miniaturen voorkwamen, is hoogstwaarschijnlijk, en zeker is het, dat hij gaarne manuscripten bezat, die lijk versierd waren. Aan de Angelsaxische abdis Eadijurga rigtte hij de bede, hem een afschrift te vervaardigen van «de brieven zijns heeren ST Pieterquot;; maar zij moest het met goud schrijven {cum aura conscribas), opdat hij het bij zijne prediking den zinnelijken heidenen en halfbekeerden voor kon houden tot verwekking van âeerbied voor de heilige schriftenquot; 2). Nog tijdens het leven van Bonifacius en kort daarna werd de boekenvoorraad, die men sinds de dagen van Willebrord te |
|
i i Bij deze schets van de ontwikkeling der miniatuurschilderkunst gebruikte ik vooral G. Jacous handboek, Die Kmist im Dienste der Klrche, Landshut, 1870. |
1) Zie Schnaase, Gesch. der bild. Künstt, III, 2, s. 609 612 (zweite Aufl.). 2) Bonifacii Ep. 12. 19, 41, ed. Giles. |
â 29
|
Utrecht bezat, belangrijk vermeerderd. Abt Gregorius, de edele discipel van Bonifacius, en Ludger, de voortreffelijke leerling van Gregorius, brachten âmenigte van boekenquot; uit Rome en York naar onze kathedraa'-'tad. Dat onder de HSS., die aldus uit Italië en Engeland aangevoerd werden, ook koorboeken en practische werken met miniaturen aangetroffen werden, laat zich vermoeden, en evenzeer, dat onder de talrijke jongelingen, die destijds uit onze gewesten en vele landen van Europa naar Utrecht stroomden, om er in de school van Gregorius en Ludger voor de kerk en de monastieke beschaving opgevoed te worden, zich eenigen zullen voorgedaan hebben, die door de aanschouwing van de uit den vreemde verkregen kunstwerken tot eigen kunstoefening opgewekt werden. Maar hoe dit zij, zeker is het, dat nog in de eeuw van Gregorius en Ludger in het Limburgsche bewijzen werden geleverd dat de geest der kunst, die bij onze heidensche vaderen sluimerde en slechts zelden, naar het schijnt, zijn ademtocht deed gevoelen, onder den invloed van het christendom wakker geworden was. In de eerste helft der achtste eeuw stichtten Adalhard en Grineware, een adellijk echtpaar uit de omstreken van Tongeren, op den linkeroever van de Maas bij Maaseik eene benediktijner nonnen-abdij, waarin hunne twee dochters de eerste bewoonsters waren. Harlinde en Renilde hadden hare opvoeding in een klooster te Valenciennes genoten, en wat zij daar geleerd hadden werd niet door haar vergeten. Het schrijven van koorboeken was haar een geliefde arbeid. Wanneer hare pen de teksten behoorlijk geschreven en gecorrigeerd had, namen zij penseel en verw ter hand, om de aanvangsletters en de randen der perkamentbladen te verluchten i). Eeuwen na haren dood werden de werken barer kunstvaardigheid nog steeds bewaard en met eerbied bewonderd. To.n Knippenbergh, de bewerker der âKerkgeschiedenis van Gelderland,quot; in 1704 de collegiale kerk van Maaseik bezocht, verzuimde hij niet naar den aldaar bewaarden reliekenschat der beide zusters navraag te doen. De voornaamste voorwerpen, waarvan hij later berichtte 2), waren twee perkamenten HSS., de vier evangeliën naar de vulgaat bevattende, die volgens de overlevering door Harlinde en Renilde geschreven werden Van die twee HSS. pleegt één nog heden in hooge mate de aandacht te trekken van de beoefenaars der kunstgeschiedenis. Het is een evangeliarium in klein folio, met vele miniaturen voorzien. De eerste bladen vertoonen eene kolonnade in Romaanschen stijl, waarin arkaden zijn geteekend, die verschillende figuren bevatten, heiligen-hoof len, duivelen, monstreuse dieren-gestalten enz. Een der merkwaardigste miniaturen stelt den evangelist Johannes voor. De apostel is op een kunstig besneden stoel gezeten; op zijne linkerknie rust een boek, waarin hij met de regterhand schrijft; zijn met een heiligen-glans omstraald hoofd draagt trekken van adeldom der ziel, zachtmoedigheid en maagdelijke reinheid, die aan de kunstvoortbrengselen der christenheid van de vierde en vijfde eeuw doen denken. Voor het overige zijn de omtrekken stijf, de houding strak en bewegingloos, de drapeering zwaarmoedig; de kleuren, waarin het goud den boventoon heeft, zijn blaauw, rood en groen, en ten spijt van den hoogen ouderdom nog krachtig 3). Omtreeks het jaar 977 bouwde Dirk II, graaf van Holland, ter plaatse waar zijn vader vroeger een houten nonnenconvent gesticht had, de abdij van Egmond bij Alkmaar. De graaf en zijne gemalin Hildegarde begiftigden de Benedictijnen des huizes ter 1) Vita Jlarlindis ct Rcimiliz. bij Mamllon, Acta SS. ord. Bened. Sa;o. Ill, T. I p. 611. ed. Venet. 2) Ilist. cccl. Ducatus Gclr. p. 41. 3) Zie Dehaines, Dc Vacl chrélien cn I'iandrs, Douai 1860, p. 33. |
eere van den H. Adelberï met een prachtig evangeliarium, dat tot heden in de kon. bibliotheek te 's Gravenhage bewaard en door den geleerden van Wijn breedvoerig beschreven is 1). Het bevat vele uitvoerig geteekende initialen en miniaturen, onder anderen de vier Evangelisten voorstellende, die gezamenlijk den kunststijl der lersche HSS. in herinnering brengen. Twee dier miniaturen echter zijn van anderen aard en ongetwijfeld door eene andere hand bearbeid, daar stijl en bewerking, evenzeer als bij de miniatuur van den apostel Johannes in het evangeliarium van Maaseik, zekere afhankelijkheid van de antieke kunst verraden. Eene van die beiden geeft ons, volgens een opschift aan de bovenzijde van het perkamentblad, de beeldtenissen van den graaf en de âmet hem door liefde verbonden Hildegardequot; te aanschouwen, terwijl zij een kostelijk versierd boek, het evangeliarium, op een tusschen hen geplaatst altaa- stellen. Beide figuren staan onder 1 oude bogen, waarboven zich een veelkleurig kerkdak met koepeltoren en spitse gevels of hoektorens verheft. Graaf Dirk draagt een purperkleurige!! met goud versierden rok en gouden gordel, Hildegarde een gouden voorhoofdband, een over de schouders en rug neerhangenden sluijer en een ruim geplooid groen opperkleed met gouden rand, waardoor een lang onderkleed bijna geheel bedekt wordt. Het is den kunstenaar gelukt aan het gelaat en de houding der beide beelden een trek van gemoedelijke devotie mede te deelen. Egbert van Holland, zcon van graaf Dirk en Hildegarde, die van 97sâ993 den aartsbisschoppelijken stoel van Trier innam, beweldadigde de abdij van Egmond naar het voorbeeld zijner ouders. Hij schonk haar een schoonen boekenschat, die waarschijnlijk ook geïllustreerde HSS. bevatte, daar er een Oud en nieuw Testament, een evangeliarium, een missale en andere boeken toe behoorden, die men gewoonlijk versierde 2). In dit vermoeden wordt men versterkt, als men opmerkt, dat onze landgenoot wegens zijne liefde voor de kunst beroemd is. Tot op dezen dag bewondert men in de stadsbibliotheek te Trier een evangeliarium, dat Egbert uit de abdij van Reichenau verwierf. Het bevat 57 groote beelden, die door zes monniken vervaardigd werden en, naar men zegt, meerendeels van goeden smaak getuigen. Eene dier miniaturen werd onlangs in omtrek gereproduceerd 3) In de elfde eeuw, tijdensquot; het bestuur van abt Steven, onderging de boekerij der monniken van Egmond eene aanzienlijke ui breiding. Onder de vele banden, die inkwamen, was ook een getijden-boek voor de nachtdienst {liber horarum nocturnaruvi) met homeüün. De catalogus meldt, dat in dit HS. eene geschilderde afbeelding van het heilige graf te Jeruzalem werd gevonden 4). In het aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht, dat thans een sieraad van de oude kathedraal-stad is, worden twee evangelieboeken van de eerste helft der elfde eeuw bewaard. Een van die manuscriptenâ-beide zijn in banden gebonden, die in de hoogste mate belangrijk zijn â werd door Bernulf, den kunstlievenden bisschop van Utrecht, aan eene kerk van Deventer geschonken. Dat zij weldra nader bekend gemaakt zullen worden, mogen wij hopen, in het laatst der twaalfde en in de ee;ste decenniön der dertiende eeuw leefde in Groningerland een man, die op de ontwikkeling der beschaving in onze gewesten een gewigtigen invloed uitoefende. Emo van Husdinge studeerde in zijne jongelingsjaren ij Huiszittend leven, II, bl. 329 v. Zie ook over dit IIS. het belangrijk opstel van Mr C. Vosmaee in de Kunstkron. voor 1856. 2quot; Zie den catalogus der boekerij van Egmond bij Van Wijn, a. w. I hl. 317. 3) Zie Otte en Aus'm Weerth in de Jahrbiieher des Ver eins von Alterthninsfrennden int /\hein!., heft XLIV und XLV, s. 200 Taf. XII, N. 1. 4) liij Van Wijn, a. w. I, bl. 321. |
|
aan de universiteiten van Parijs, Orleans en Exford, en stond later aan het hoofd der parochie-school te Westeremden bij Ap-pingadam, totdat hij met anderen de stichter der prémonstreiter abdij van Wittewierum werd. Hier had hij alras eene schaar van mannelijke en vrouwelijke leerlingen om zich verzameld, die hij vlijtig oefende in wetenschap en kunst. Onder zijn toezigt schreven zij bijbels, de âHistoria scholasticaquot;, bijbelsche commentaren van Augustinus, Gregorius enz. Daar hij groote liefde voor den koorzang zijner kloosterlingen had, bezorgde hij hun goede gradualen, antiphonariCn en hymnariön naar door hem zeiven te Prémontré in Frankrijk geschreven en met muzieknoten voorziene model-exemplaren, en daar wij weten, dat hij tot in hoogen | ouderdom dagelijks eenige uren aan het corrigeeren en i Hu mi-nee ren van missalen en andere koorboeken besteedde i), mogen wij vaststellen, dat hij ook zijne discipelen in de geheimen der kunst heeft ingewijd. Miniaturen in HSS., die hij van Parijs, Orleans, ' Prémontré en Oxford naar Groningerland bragt, kunnen hem en zijnen leerlingen tot voorbeelden geweest zijn. Van de Nederlandsche HSS. met miniaturen der veertiende eeuw, die mij ter kennisse kwamen, wil ik slechts een drietal vermelden, opdat mijne mededeelingen niet te breed uitloopen. In de stadsboekerij te Arnhem wordt een HS. bewaard, dat tot 1579 aan de Regulieren van S' Augustinus in het klooster ! Bethlehem bij Doetinchem toebehoorde en eerst vóór eenige jaren door Mr I. A. Nijhoff bekend gemaakt werd. 2) Het is een evangelistarium, waarvan de band wegens zijne ivoren en zilveren sieraden hoogst belangrijk is. Het bevat zes tafereelen uit het leven van Jezus, die met schelle kleuren op gouden grond gepenseeld en door architectonische sieraden omgeven zijn, wier uiteinden in één of twee bogen uitloopen, waaruit zich fantasie-bloemen ontwikkelen. Het vierde tafereel, den gekruisten Heiland voorbtellende, verdient opgemerkt te worden wegens de kleur en den vorm, die de miniator aan het kruis heeft gegeven. Het is groen gekleurd en de beide armen zijn niet regtlijnig, maar boogsgewijs geteekend, zoodat het geheel aan een afgeknotten boomstam doet denken 3). Wanneer men zich herinnert, dat de christenheid sinds overoude tijden het kruis gaarne âden boom des levensquot; noemde, en dat het bij onze middeneeuwsche vaderen soms âde dorre boomquot; heette, dan mag men veronderstellen, dat den kunstenaar bij de bewerking deze benamingen voor den geest stonden. De heiligen-glans omgeeft niet het ter zijde gebogen hoofd van den Heer, maar is aan het hout gehecht. Een blaauw met rood gevoerd kleed bedekt het ligchaam van de heupen tot beneden de knien, en de beide voeten zijn met één nagel doorboord. Aesthetiesch genot leveren deze miniaturen niet. Men vermoedt, dat zij in de tweede helft der veertiende eeuw vervaardigd werden, sommige welligt naar iets oudere voorbeelden. |
In de bibliotheek der Kon. Akademie van wetenschappen te Amsterdam berust een perkamenten band in kwarto, waarvan de bladen door eene hand van de laatste helft der veertiende eeuw beschreven zijn met vele uit het latijn in het Nederlandsch vertaalde en berijmde gebeden, psalmen, kerkhymnen enz. Dat het boek voor een leek van aanzienlijken stand bestemd werd, blijkt uit de vele en rijk met goud gestoffeerde initialen en miniaturen, die er in voorkomen. De randversieringen getuigen van eenige kunstvaardigheid, maar ook van de onreine verbeeldingskracht van den bewerker, die er geen bezwaar in zag, in de nabijheid van teksten vol van heiligen zin onoogelijke en zeer obscoene figuren te plaatsen 1). Een negental miniaturen bij evenveel gebeden, aan S1 Jan den Dooper, S' Christoffel enz. gerigt, kunnen welligt den beoefenaar van de iconografie der heiligen eenige dienst bewijzen. In dezelfde boekerij, waarin het laatst vermelde HS. gevonden wordt, berust het éénige bekende manuscript, dat den volle-digen âSpiegel historiaelquot; van J. van Maerlant bevat, voor zoover die door genoemden dichter bewerkt werd 2). De 258 perkamenten bladen van het boek werden omstreeks het midden der veertiende eeuw beschreven door eene vaste hand, die regtstandige en duidelijke letters vormde. De vaak met goud gestoffeerde afbeeldingen in den tekst en op de randen zijn menigvuldig en hebben in betrekkelijken zin groote waarde. De miniaturen in den tekst stellen vele bijbelsche en historische personen voor, helden, keizers, koningen enz., en vooral veldslagen, belegeringen en andere oorlogsbedrijven, die uitvoerig en met zeer scherpe lijnen geteekend en bont gekleurd zijn. Dat zij voor den beoefenaar van de geschiedenis der costumen hoogst belangrijk zijn, valt niet te betwijfelen. Vele leveren bewijs, dat de miniator eeni^ leven en beweging aan zijne figuien wist bij te zetten, en inzonderheid is het hem gelukt aan zijne krijgshelden gelaatstrekken te geven, die oorlogsmoed, wraakzucht en andere driften uitdrukken. Enkele miniaturen echter plaatsen ons de werking van zachter aandoeningen voor oogen; zoo b. v. de voorstelling van âconinc Alexanders doot.quot; 1) Dat dergelijke hoogst ongepaste ornamentuur ook in Fransche getijdenboeken, missalen, enz. van de veertiende en vijftiende eeuw maar al te gewoon is werd bewezen door Langlois, Essai de calligraphie, Rouen 1S41, p. 49 ss. 2) Zie de uitg. van De Vries en Verwijs. Inleiding, bl. XC. |
1
Menconis Chron. bij Matth. Analecta, II, p. 125.
|
De koning ligt in stervensnood op een met goud versierd rustbed. De gebroken kracht van een door hooger magt neergeworpen held is niet onduidelijk uitgedrukt. Eén der acht omstanders houdt des vorsten linkerhand vast en buigt zich neder om die te kussen; de overigen staan met gebaar van diepe verslagenheid om drie zijden van het rustbed, en één van hen heft in wanhoop beide handen hemelwaarts, als riep hij ons het bekende âconclamaiumquot; toe. De randversieringen zijn met spaarzaamheid aangebragt en herinneren somtijds aan de grilligheid der lersche kunstenaars; de beste stellen voorwerpen uit het dierenrijk voor: vogels, hazen, herten, vooral apen, die bij wijlen goed geteekend zijn; andere geven monstergestalten te aanschouwen, menschen met virchstaarten en dergelijke fantastische wezens. Waar de schilder goud aanbragt, schijnt hij de kunst, die anderen oudtijds zoo wèl verstonden, om het naar behooren en voor eeuwen op het perkament te bevestigen, kwalijk meester geweest te zijn. In de laatste decenniën der veertiende en een groot deel der vijftiende eeuw heerschte in ons vaderland op het gebied der godsdienst een merkwaardige beweging, die door de tijdgenooten de nieuwe, de moderne devotie {nova, moderna devotie) werd geheeten, en ontelbaren van allen stand en geslacht wonderbaar aangreep. Daar die beweging vooral van monniken en monastiek-gezinde geestelijken uitging, droeg zij een ascetiesch karakter, en waar zij doordrong in de harten, was hare naaste uitwerking de stichting van zeer vele kloosters en kloosterlijke vergaderingen. De bewoners en bewoonsters der nieuwe huizen vonden de bron van hun bestaan voor een deel in het schrijven van boeken, die verkocht werden, en weldra waren de Broeders en Zusters cies gemeenen Levens en inzonderheid de Regulieren van S' Augus-tinus, die tot de beroemde congregatie van Windesheim bij Zwol behoorden, als goede copiïsten in algemeene eere, zoodat zelfs een Johannes Gerson te Parijs, waar nog altijd de groote boekenmarkt was, hun goed voorbeeld zijnen tijdgenooten als ten hoogste navolgingwaardig aanbeval i). Aanvankelijk was de moderne devotie voor de schoone kunsten niet gunstig gestemd. Die haar met den grootsten ernst aanhingen, koesterden niet zelden een wereldverachtenden zin, die niet alleen het orgelspel en den kunstmatigen zang in het kerkgebouw verdacht hield of versmaadde, maar ook weinig ingenomenheid betoonde met de penseelwerken, waarmede men de boeken plagt op te luisteren 2). Toch was dit rigorisme niet algemeen, en langzamerhand verloor het zijne scherpe kanten. Zoo kon het geschieden, dat zich ook in deze gestichten weldra kunstlievende mannen en vrouwen voordeden, die het voorbeeld der oudere miniatoren gaarne navolgden, ja zelfs over-trofien. Dat dit werkelijk het geval is geweest, wordt ons door eenige berigten in kloosterkronieken en door andere gedenkstukken dier tijden bewezen. Hendrik Mande van Dordrecht, vóór 1395 geheimschrijver van Graaf Willem VI, later monnik te Windesheim en in het regulieren-convent Sion te Beverwijk bij Haarlem, overleed omstreeks 1430, beroemd wegens zijne mystieke schriften en daarenboven den naam nalatende van een goed, ja uitstekend verluchter. Godfried van Kempen, die op den S' Agnieten berg bij Zwol in 1399 professie deed, maalde volgens Thomas a Kempis, die met hem hetzelfde huis bewoonde, niet alleen altaarstukken, maar l) Zie De lande scriptortim in de Opera omu. ed. Du Pin, II, p. 696. 2 Zie Thomas a Kemp., Vita Gerardi Magni, c. 13, p. 905 der Opera 71111. ed. Sommalii. Duaei 1625, en Wattenbach's a. w. bl. 198. |
ook miniaturen. Onder de monniken van Windesheim waren vele goede cophsten en ook vele vlijtige illuminatoren, Gosewijn Herc, Gerard van Vollenhove, Hendrik Wachtendonc, Hendrik van Kerpen en anderen 1). Te Diepenveen bij Deventer schreef vóór 1450 eene non een latijnschen bijbel met sierlijde initialen en miniaturen. De geleerde pastoor van Wachtendonk, J. Mooren, gaf vóór eenige jaren berigt van dit HS., dat de Stralen in de bibliotheek der pastorie bewaard wordt, en drukte de hoop uit, dat het mij welligt gelukken zou te ontdekken, âwie de vrome en vlijtige afschrijfster van dezen codex geweest is.quot; 2) Het éénige, dat ik tot vervulling dier hoop tot heden kan bijbrengen, is het berigt, dat in een HS. van het jaar 1534, levensbijzonderheden van vele Diepenveensche nonnen bevattende, van de non Lubbe Swaves, die in 1418 ingekleed werd, aangeteekend staat, dat âsi plach ostrenbroot [paaschbrood] te backen ende boeken te binden en de die te vercieren.quot; 3) De koorboeken der nonnen van het dominikaner convent Westeroyen bij Tiel werden nog in 1673 in het klooster van dezelfde orde te Douai bewaard, en men heeft ze geroemd wegens hunne fraaiheid. 4) Dat ook de zusters van Westeroijen de miniatuurschilderkunst beoefend hebben, laat zich vermoeden. Blijkt uit het medegedeelde, dat in den loop der vijftiende eeuw in de Nederlandsehe kloosters vele mannelijke en vrouwelijke miniatoren leefden, die door ijver en liefde voor de kunst bij tijdgenooten naam verwierven, van de meerdere of mindere voortreffelijkheid en de eigenaardigheden hunner voortbrengselen zal men eerst d^,n bescheid kunnen geven, wanneer men hunne werken, voor zoo verre zij in Nederlandsehe en vreemde boek- en kunstverzamelingen bewaard werden, opgespoord en bestudeerd heeft. Toch durf ik met het oog op een aanstonds te vermelden HS., reeds nu de verzekering geven, dat omstreeks het midden der vijftiende eeuw op onzen bodem miniatoren arbeidden, wier teekenpen en penseel bewonderenswaardige bewijzen van kunstvaardigheid nalieten. In de universiteitsboekerij te Utrecht wordt een HS. bewaard 5), dat blijkens eene aanteekening op het eerste en laatste blad voormaals tot de boekerij der beroemde S' MARiE-kerk der genoemde stad behoorde. Het bevat 134 perkament-bladen in folio, in twee kolommen beschreven door eene geoefende hand, die omstreeks het midden der vijftiende eeuw haar werk verrichtte. Het boek is volgens vermelde aanteekening een Pontificale een bisschoppelijk formulierboek, en was bestemd om door den Utrechtschen kerkvoogd of diens wijbisschop gebruikt te worden, wanneer hij, volgens zekere verplichtingen, in de handschriften der statuten van het Utrechtsche domkapittel aangeduid, in de S' Marie-kerk eenige kerkdienst had te verrichten, missen te lezen, geestelijken of priestergewaden te wijden enz. Wie de copiïst was en wie de verluchter of verluchters, is nergens aangewezen, maar de Nederlandsehe at komst van het boek wordt, naar ik meen, door het karakter der unciaal-letters en der versieringen genoegzaam gewaarborgd. Dat het bepaaldelijk voor den bisschop van Utrecht geschreven werd, wordt bewezen door het op fol. 27 voorkomende 1) Zie mijne Kerkgesch, van Ncderl. II, ii. bi. 366, iii, bl. 190. 2) Annal, des hist. Ver eins fiir den Niederhein, heft IX und X, s. 208 f. 3) Vgl. den Appendix van Matth.kus op Anonymi C/iron. due. Bra-bantiae, p. 254. 4) Zie mijn a. w. II, iü, b!. 191. 5; Aevi medii script, eccles. N. 10. |
â 32 â
|
eedsformulier, dat een nieuw gekozen kerkvoogd bij zijne ordening tot het ambt had af te lezen, en waarvan de eerste woorden aldus luiden: âEgo J. Traiccitnsis ecclcsie vocalns episcopus promit toquot; enz. De initiaal miniaturen en randversieringen, die dit Pontificale opluisteren, zijn niettegenetaande vele verloren gingen, daar ruwe handen het boek, voordat het den tegenwoordigen band verkreeg, â¢een aanzienlijk getal bladen ontroofden, zóó menigvuldig, dat ik hier slechts van de voornaamste gewag zal maken. Het eerste blad van den codex is, gelijk gewoonlijk in geïllustreerde HSS., met de grootste zorg en uitvoerigheid behandeld. De initiaal-miniatuur aan het hoofd van het formulier, waarnaar de bisschop zich voor de bediening der mis heeft voor te bereiden, stelt ons den prelaat voor, terwijl hij in de sacristie voor de piscina staat en zijne handen wascht. Achter hem maakt een zijner ministranten het noodige gereed voor het altaar. Ter zijde van de miniatuur, tusschen de kolommen van den tekst, ziet men een geestig geschetsteu klokkenluider op een ladder, die met de beide handen en den rechtervoet drie onder een torendak hangende klokken luidt. Op de vier randen van het blad zijn sierlijk door elkander gestrengelde fantasie-bloemen deels met rood, blaauw, groen, paarsch en goud gepenseeld, deels met de pen geteekend ; tusschen bloemen en bladen ontwaart men het borstbeeld van een in een bock lezend oud man met eenigszins ooste rch voorkomen, wiens hoofd met een witten doek of muts gedekt is, en behalve eenige met vlugge pennetrekken aangeduide monster-wezens, een hert en een eenhoorn. De eenhoorn is wel eene toespeling op de drie eenhoornen, die sedert de elfde eeuw in de S' Marie kerk bewaard en als een der voornaamste schatten harer sacristie beschouwd werden. De versieringen van blad 10 en 13 bij de formulieren voorde bediening van het vormsel en voor het ordenen van ostiariön, geven geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen, maar met te meer aandacht verdient blad 14 beschouwd te worden. De miniatuur bij het begin van het formulier voor de ordening van exorcisten stelt ons den bisschop voor, terwijl hij hel boek, waarin de exor-cismen geschreven zijn, aan één der vier voor hem staande klerken uitreikt. Achter den prelaat staat een geestelijke, die des bisschops herderstaf houdt; ter zijde van dien geestelijke is een draagbaar altaar geplaatst, waarop een gouden miskelk prijkt; het altaar heeft den zoogenaamden kasten-vorm. De figuren zijn aangenaam, dat van den bisschop niet zonder uitdrukking, maar uitnemend schoon is de bloemkelk in de beneden-randversiering, waaruit twee zingende choralen te voorschijn komen 1). De beide koorknapen hebben het oog op een geopend muziekboek, dat zij gezamenlijk vasthouden; hunne jeugdige gelaatstrekken verkondigen een ernstig welgevallen aan het werk, dat zij verrichten; zij schijnen volop te genieten van de melodie, die zij ten gehoore brengen. Liefelijker zangers werden met zoo weinige middelen wel zelden gepenseeld! Op de keerzijde van hetzelfde blad is de bisschop voorgesteld, terwij! hij, bij de ordening der acolithen, aan één van de voor hem geplaatste klerken een kandelaar toereikt. De benedenrand-versiering vertoont een knaap, die boven twee korven, waar bijen om heen vliegen, op een bekken slaat. Aan de beneden-zijde van blad 16 heeft de miniator een werk van grootere uitgebreidheid geplaatst, fn een gothische nis, die zich boven een cilindervormig balkon verheft, staat een grijsaard met witten baard, wiens drievoudige gouden kroon of tiara hem als den H. Vader der christenheid kenbaar maakt. Zijn blaauwe 1) Zie op plaat VI N. I. |
met rood gevoerde mantel, rijk met goud versierd, hangt statelijk over de armen. Het gelaat des pausen is met groote uitvoerigheid behandeld en teekent ernst en vorstelijke waardigheid De linkerhand, even als de andere met een witten handschoen bedekt, houdt een staf, welks boveneind met een gouden kruis voorzien is; de rechterhand is opgeheven als ter vermaning of zegening. Eeneden het balkon ziet men eene openstaande gouden deur, omgeven met een blaauwe, met gouden sterren versierde fantasie-lijst; onder de deur een met goud en rood gepenseelde bloemkelk, waaruit zich zes personen voordoen, die allen, voor zoover zij zichtbaar zijn, eene smeekende houding hebben, de gevouwen handen en het gelaat naar den H. Vader oprichten en als met open mond luide om het woord zijner genade bidden. Te midden van groene, roode, paarsche, blauwe en gouden fantasie-bloemen treden van beide zijden eenige personen op de geopende deur aan: links een rustig wandelaar met vreemd gevormden hoed, roode broek en hooge stevels, wiens van den schouder afhangende flesch en ruime mantel, de dusgenaamde âvliegerquot; der beêvaartgangers, hem als een pelgrim doen kennen, ofschoon de miniator hem voor den pelgrimsstaf een speer beschikte. Rechts komt een oud vrouwtje aanstrompelen met spits oploopenden geelen hoed, paarsch opperkleed en grauwen mantel; van haaiquot; schouder hangt de broodzak van het pelgrimschap; niet de rechterhand houdt zij een staf, met de linkerhand een pater-noster. Aan hare zijde wandelt een man, die almede een speer draagt; zijn hoofd is gedekt met een zwaiten breed-geranden hoed; zijn onderkleed en broek is rood, zijn opperkleed groen gekleurd. Hij keert zich onder het gaan om en wenkt een met een rood wambuis uitgedoschten jongen man dat hij volgen zal, maar deze, in een bloem verward, met een bier- of wijnkan voor zich, schijnt met zijne hulpeloos uitgebreide armen zijn onwil of onvermogen aan te duiden. Wat mag den miniator bij het zamenstellen van dit uit vele deelen bestaand geheel, waarvan wij op plaat VI, N» 2, eene afbeelding geven, wel voor den geest gezweefd hebben ? .. Ik waag het onder de leiding van een zijner tijdgenooten de beantwoording dezer vraag te beproeven. Frederik van Heilo, die als priester en donaat in het klooster der Regulieren bij Haarlem leefde en aldaar op 11 Oct. 1435 stierf, heeft een kroniek van zijn convent nagelaten, waarvan een uitgebreid fragment uit een HS. mijner verzameling vóór eenige jaren uitgegeven werd 1). In dit fragment komt breed bescheid voor aangaande de zeldzame beweging, die in de gemoederen onzer kerkelijk-vrome voorvaderen ontstond bij het naderen van het jaar 1450, dat door den Paus als jubeljaar was aangekondigd. Ontelbare devoten in ons land maakten zich tijdig gereed voor het pelgrimschap naar Rome; de geestdrift was vooral onder de kloosterlingen zóó machtig, dat de oversten van de Windesheimsche congregatie vreesden, dat hunne gestichten weldra ontvolkt zouden wezen, waarom zij strenge verbodsbepalingen afkondigden, die echter niet door alle onderhoorigen opgevolgd werden. Als de voornaamste oorzaak van die geestdrift beschouwde Frederik de ongerijmde verhalen aangaande het jubeljaar, die bij het volk in omloop gekomen waren en gedeeltelijk bevestigd werden door zekere pauselijke bul, die met misdadig oogmerk valschlijk op naam van Clemens VI was gesteld 2). Tot die verhalen, zegt de 1) In de dissertatie van Dr J. C. Pool, Frederik van Ueilo en zijne schriften, Amst. 18C6. 2) Deze bul is te lezen in een HS. der universiteitsbibliotheek te Utrecht, dat in 1459 en t459 en 1461 geschreven is door âmagister WILHELMUS WoUMAN de Gouda, pastor iu Haestertquot; {Aevi inedii script, eccles. N. 955). Zij is meermalen gedrukt. |
-
-
-
â â
'''''' .r^y
y%- amp;P
quot;V .,.^1; ' â â â â'
:.J. ; 'S
. ',; ;â â ' v.- âk \ -â ⢠â ,gt; â
'â â â â ' . 'â ...,....;» ⢠â â¢â â â â¢
â mppm: ^,
â r. . â â : t .A, . ' â â
feW I
yMtt . M-l' k '$ ' fe â ' â¢â¢' â .1 â ⢠v- . . ..-v-jfc * â¢â .â
â¢-â 1 â gt; i .«Lfura
⢠â 'â¢}â
;?V.
'/.â .:. : :.. ' â .. â ' .â quot;:-
â .V- ,
-
â ' â â *
lquot; gt; '. ..⢠'M * â¢gt;'
â ' '
, â gt; /. â¢. . ⢠V'quot; -. '⢠â ⢠â â
^ â i
â
'â¢gt;â¢â 1 Ãamp;d
i,:p
XrA,.\s.r',. ... '|B|
m gt;â :»? # - ;4:ft â '
-: ;?â ⢠-â ;⢠.
.
; ..r
; ' .i,; â¢lt;-quot; - , â : vi* * quot;⢠v'. ;
%-
Wtil.
. ,.;VI â ' ';gt; ' ' . ', f
V- ' A - .⢠* ' ÃI
/r
lt;â¢â - â â
â ^ â â / : : .: -a:/,;..-, ,. :TVquot;â ⢠; ,-. .
'â â¢m.
. ;â¢' - â¢Â«. V. ⢠I 1 ; â¢'quot;-V ,
:' ^:W;; : ;. ':-'m -.â¢. '.2;quot;^
..,â â¢â¢â . ' â â â â â ' â , -
, v: â â iâ ⢠i 'â â¢.,. . â '
^ ' ' ' '
. K*:'y;
v ..â 'â :â¢â
quot;S- ''quot;i
, ,... -'⢠- . , ⢠. â ' â
^'V ' .lt;1; :/ ' quot;
WV
v.- .cvti, :. 0 â â¢'â¢'.â¢}'â¢'â ?â
. â .-.. â ' â¢
â A â ' J-
.i,:; ' V,
.if ^ 'Mm.
BWf
y^rÃA^'M
: â¢; :5
^ . â .â ./;?â 4quot;quot;:-.- ⢠v i-'-1'yr'
â quot;-. â - ' â â ... 'â . . â â ' f , . ; quot;:r , : ' - 1
r -
W:
- -â :i.
v;v/'Mei '⢠''V...iiquot;. ⢠â .:â¢.«
, . Vv â :
'r^'VWi 'â '
--n , â
i:
â â
â
y. ^..i; . ;,
MS ''
... .
mff.i
.-.. !i; . o
f Vrf ⢠' - â¢'(fci;;.!.
. r: ,..,:
1
' quot;
quot;
v, â â : ^ r, « ^ ^
â ,T;/' Ã r
' â - . â â¢â ' â â â - â ⢠⢠: -v quot; â , ' ' .. vjquot; . , . , :â¢gt;â¢,ââ¢â¢â . . . / ' â
- â¢â¢â â â â â¢,⢠â gt; â ..s--- -v â¢' , â â¢, â 'â 'V':VVUs '
''' ;H-:' , â â , . , â¢;4 â 'â â ...'i,, : ⢠â , . ;l
- ' :p^': ⢠flï5'ïi - :
â â 5 f» quot;l â â â â - ^ - .r: ^ : s-: :'s;i
: V' ^
-
â
' vv :
. .. ' ,.lt; . gt;. - â¢â¢.⢠s'⢠⢠.quot; ⢠â¢' J . '/ â ' vv-
. 'â quot; ⢠â¢
j. â
â
'
â
â¢â ' . 1 â¢; .â .â :â ⢠. V- v ; â ' ' ' â / - 1
â -A.' .. v/ fv
.â ' i : ; VV -V V-v.: . y- vV.v V--- /. â - .4Ã'4/,\VV JV;- '-ï '?1
â h 1: - . , ' : ',â â - ^
' ' ' ^ â¢â¢ amp; -â â â â¢. â ⢠⢠v' â 'â â
â r . â . â â v . n-ï â ' v â â %,,v .^v:. --v-v ;
â ./ ⢠-â :. v â
â â 'â â ⢠v.'. â â ; 'V;: UI. â '.v ' ' '' â¢â .â¢â¢ ' ' 'H. â â .â â â â
v'â : â . :â 'â â â :. -^4:- ;v^/â
' â 'v:-..-,- , â V. '-VV ;â v;v.'â â ⢠^ ,V^v^v -
s.. 'V' â gt;. ^.jvV - ;v V'â â â â â¢â â â gt;â ;â gt;â v
.-.V: ' /' M V': -q ,. v;::; â r. % ;V'
- â 3f 'jx, :.: .fi-i.'- i '-«V â , quot;V*quot;quot;:;:, â ;
â v, â â Vv .v.-^ â 'â¢'v- ;quot;â ⢠' ⢠,vF-
â â ii;; â '' .' ... . â -V ⢠â â quot; ; 'â », ⢠.quot; v V';Vi i :
â â â¢â ': 'V'v â v.;vv. -^â â¢V V':V'
Vvquot;',, ' iC ' v ;;
. ' ' 'V- . â¢â gt;â¢-. '.â /quot;â .â¢./â â¢.â¢/I 1 ⢠,;. . V .
'Ã
y â â lt; quot;quot;.V'â , ;â V v- ,
^ ' . :â ⢠{S ; Vf^' '
- v ; . Vi â¢'^Vv-'v . . 'â â¢
V â V â ' 'â '' 'V'quot; ' â â ⢠' â - gt; â !'amp;â â '
â ' ' â «â¢
^ .......
'i;; ::; â â ' â¢*{ â
,.N #â â¢â â¢â¢
' .;vv quot;
â â
â pc â
|
schrijver, behoorde ook het volgende: âde meeste lieden verzekerden, dat het jubeljaar gulden jaar heette, omdat er aan de kerk van s' pieter te Rome zekere gouden deuren waren, die, anders altijd gesloten, bij den aanvang van het jaar van gracie zonder eenig menschelijk toedoen, of door de kracht van een engel óf door de macht Gods geopend werden, en dat een ieder, die door die deuren kon ingaan, volle vergiffenis van zonden zou genieten, terwijl anderen, die in spijt van alle inspanning dit niet vermochten, daarin een teeken zouden hebben van in staat van doodzonde te verkeeren.quot; Aldus frederik. van heilo in zijne kroniek! Bedrieg ik mij, zoo ik meen, dat zijne «oorden een commentaar voor de besproken randversiering mogen heeten ? . . De fantastische zamenstelling harer deelen daargelaten, die de miniator zelf misschien kwalijk zou kunnen verantwoorden, â zij is wel hoofdzakelijk een gevolg van de plaatsing der miniatuur tusschen en onder de twee colommen schrifts â geven zij van haar geheel eene voldoende verklaring. De grijsaard in de nis en de gouden deur vertegenwoordigen ons den Paus en de S' pieters-kerk te Rome. De groote aflaat is door den I-I. Vader aangekondigd, het jubeljaar ingegaan en de gouden deur derhalve geopend. De beêvaartgangers spoeden van alle zijden aan, in de hoop van den aangeboden genadeschat te verwerven; alleen de wereldling, in de strikken der zinnelijkheid en zonde verward (de man met de bier- of wijnkan), blijft terug. Reeds zijn eenige pelgrims (de zes 'personen beneden de gouden deur) bij s' pieter aangekomen, maar zij beproefden ie vergeefs in het heiligdom door te dringen. Het is hun openbaar geworden dat zij in doodzonde verkeeren, maar de stedehouder van christus, tot wien zij smeekende opzien, kan hun na opgelegde boete absolutie geven. Men ziet het, de gansche randversiering herinnert aan het jubilé van 1450 en aan het volksgeloof van het gulden jaar, waarin zij waarschijnlijk door den miniator bewerkt werd. De overige dikwerf voortreffelijke initiaal-miniaturen en randversieringen, die de Utrechtsehe codex bevat, ga ik stilzwijgend voorbij, ten einde niet te uitvoerig te worden. Toch maak ik nog de volgende opmerkingen. De miniaturen zijn voorstellingen van het bisschoppelijk bedrijf bij de ordening van subdiakenen, diakenen en bisschoppen, en bij de inzegening van nonnen (de formulieren voor de priester- en abtswijding zijn geschonden], voorts van de wijding van den eersten steen eener kerk, de opheffing van den ban van kerken en kerkhoven, en daarenboven van de wijding van geestelijke gewaden en dergelijke kerkelijke voorwerpen, die in grooten getale door het gansche HS op de kanten meestal met zorg afgebeeld zijn. De randversieringen aan de boven- en beneden-zijden der bladen zijn bijna alle voortbrengselen eener vruchtbare fantasie, die onuitpuitelijk is in het vinden van meer of min behagelijke vormen en gepaard gaat met een blijmoedigen, levenslustigen zin, wien de geest der satyre geenszins vreemd is. Hoe liefelijk is op blad 37, waar de miniatuur voor het formulier der nonnen-wijding voortkomt, de jeugdige engel, die zijne met goud, rood en blauw gekleurde vleugelen uitslaat en met den boogvormigen strijkstok zijne viersnarige vedel bespeelt! 1) Hij schijnt met zijn vriendelijk gelaat en spel de vier voor den bisschop knielende maagden te bemoedigen bij het aangaan harer zwaarwichtige gelofte. Hoe schalk is aan den voet van blad 93, waai op de miniator het opheffen van den ban van eene onder interdict gestelde kerk voorstelt, â men weet dat die opheffing den parochianen ten voordeele der prelaten soms op zware geld-offeis te staan kwam, âhoe snaaksch is hier het beeld van dien huisman, die met een groote schaar een schaap kaal scheert, terwijl zijne huisvrouw, met de uitdrukking eener felle heksennatuur op het gelaat, de hand uitstrekt naar eene ter zijde hangende geldbeurs! Op blad 99 plaatste de maler eene schoone en uitvoerige miniatuur, die ons den bisschop te zien geeft, terwijl hij kerkelijke gewaden en sieraden zegent. Het lustte hem op den bovenrand een paauw te plaatsen, die zijn staart te pronk stelt en met geopenden snavel het welbehagen zijner ijdelheid uitkraait! Als de bisschop van Utrecht bij liet wijden van kerkornaat in S4 Marie, ooit zijn oog op dien paauw liet vallen, is de schitterende figuur hem misschien eene ergernis geweest ?... Ik kan het nauwelijks gelooven. Immers de satyre draagt een kern van ernst in zich: de pronkende paauw kon den prelaat het woord van Thomas a Kempis op de lippen leggen: âhet is gepast op feesttijden de beste kleederen en kappen (mantels) te dragen, opdat de goddelijke dienst (divimnn officiuni) des te betamelijker gevierd worde, maar â⢠hoed u bij het gebruik uwer sierlijke kleedij voor de zonde des zelfbehagens!quot; 1) |
Onder de kunstschatten, die te Haarlem in Teyler's Stichting verzameld zijn, berust een HS. dat, blijkens daarin voorkomende wapenen van het huis van Bourgondiö en van het bisdom van Utrecht en een paar schriftelijke aanduidingen, tusschen de jaren 1517 en 1524 in bezit van bisschop Philips van Bourgondie was, en nog in of na 1559 in de kathedraal-stad gebruikt werd, toen de kerkvoogd van Utrecht reeds de aartsbisschoppelijke waardigheid bekleedde. Met eenige mededeelingen aangaande dit HS. wil ik dit opstel besluiten. Ook deze codex is een Pontificale, 140 zuiver bewaarde perkamentbladen in folio bevattende, waarvan 3V3 voorin en 9 achterin onbeschreven zijn gebleven. 13e ronde letter schijnt tot de eerste decenniën der zestiende eeuw te behooren, en het is mogelijk dat het boek vervaardigd werd omstreeks den tijd, waarop Philips zich gereed maakte, om te Utrecht als bisschop op te treden. Waar die vervaardiging plaats had en door wien, is nergens aangeduid, maar zeker geschiedde zij, zoo al niet in Frankrijk of Fransch België, dan toch naar een Fransch of Bel-giesch model-exemplaar. In het formulier voor de doopbediening toch ontmoet men de aanwijzing, dat de bisschop of priester bij den aanvang der plechtigheid zekere vraag te doen heeft âmet Fransche of [andere voor leeken] verstaanbare woordenquot; 2), en ook uit de overige formulieren blijkt, dat de afschrijver een voorbeeld heeft gehad, dat van het te Utrecht gebruikelijke Pontificale verschilde, waarom dan ook de secretaris van bisschop Philips, de bekende Gerardus Noviomagus (Gerarigt; Eoban Geldenhauer van Nijmegen), in eene aanteekening op een der laatste bladen vermeld heeft, dat hij in het jaar 1518 bij den kanonik Hendrik Soudenbalch 3) een boek gezien heeft, waaruit men de gebruiken (consudtidines) der Utrechtsche Kerk kon leeren kennen, een bericht dat bij voorkomende gelegenheden voor zijn bisschop nuttig kon zijn. De miniaturen in dit HS. zijn zeer talrijk en hebben, met uitzondering van een enkel, dat aan het hoofd van den miscanon geplaatst is, gelijk die van het Pontificale van S1 Marie, de be- |
1
Sermo 29 ad novicios, p. 187 ed. I. SOMMALH.
â 34 â
|
stemming om des bisschops handelingen bij de vervulling zijner ambtsplichten aanschouwelijk te maken. De grootere zijn doorgaans met talent en liefde bewerkt, frisch van kleur en goed ge-teekend. De beeldjes, die den bisschop voorstellen, hebben soms eene tamelijk edele gelaatsuitdrukking, wat bij die van de lagere geestelijken zelden het geval is: priesters en monniken onderscheiden zich meestal door een stompzinnig voorkomen. Bij allen echter is veel werk gemaakt van costumen en bijzaken. De kleinere miniaturen werden door eene minder kunstvaardige hand bearbeid. De randversieringen, met de pen geteekend en met kleuren en gouden stippen opgewerkt, zijn niet onbevallig, maar eentoonig en niet te vergelijken met die van den codex van S' Marie. Een paar van de grootere miniaturen verdienen kortelijk besproken te worden. |
Aan het hoofd van het formulier, waarnaar de bisschop op Witte-Donderdag (in die Ccne Domini) het chrisma enz. had te wijden, plaatste de miniator een tafereel, dat de gansche bladzijde vult. Het stelt voor: het koor en het noordelijk zijschip eener kerk van binnen gezien, waarvan de hoofddeelen gedeeltelijk in den Romaanschen en in den flamboyanten bouwstijl opgetrokken zijn. In het koor, dat met een hek van den omgang afgesloten is, ziet men een altaar met groen antependium en gouden tafel, waarop vijf heiligen en de gekruiste Christus afgebeeld zijn Voor het altaar staat de bisschop met paarschen mantel, het gelaat naar het schip der kerk gekeerd, den herderstaf in de linkerhand. Aan zijne linkerzijde is een geestelijke geplaatst, die een geopend boek, het Pontificale, gereed heeft. Voor den bisschop is eene tafel gesteld met een blaauw met gouden bloemen doorweven kleed, waarop twee pullen staan, eene voor de olie der kranken, de andere voor de olie der doopelingen; beiden zijn gedeeltelijk met roode en witte doeken bedekt. De bisschop mag verondersteld worden het exorcisme of den zegen over de oliö uit te spreken, waarvoor het Pontificale het formulier opgeeft. Hij houdt de met handschoen en ring versierde rechterhand opwaarts tot voor de borst. Om de tafel staan in een halven kring twaalf geestelijken, het gelaat naar den kerkvoogd gewend, allen met kappen van verschillende kleuren gekleed Terwijl de wijding geschiedt, vertoonen zich eenige toeschouwers, die in den omgang staande door het hekwerk in het koor zien. In het zijschip nadert intusschen eene schaar van geestelijken, die processioneel aantreden met een op vier staven rustenden tabernakel of tent, waar onder het reeds gewijde chrisma, de voor de priesterordening enz. bestemde balsem, naar de sacristie wordt gedragen. Voorop gaan | twee geestelijken m groen gewaad, beiden met eene brandende waskaars voorzien, en voor deze een ander geestelijke in paarsch gewaad, die een wij wateremmer en kwast draagt. Het gansche | tafereel is met groote zorg behandeld en in een stijl, die ofschoon geenszins week te noemen, vrij is van de strakheid, waardoor de kleinere miniaturen van den codex te dikwerf ontsierd zijn. Bij den aanvang van het formulier, dat den bisschop bij de ! wijding eener kerk tot leiddraad zijner vele handelingen strekte, vindt men de miniatuur, die .hier in hare oorspronkelijke grootte in houtsnede gebracht is. |
|
Voor de torendeur eener in flamboyanten stijl opgetrokken kerk staan twee brandende waskaarsen en eene baar {fcretrum), waarop eene kostelijk versierde ark of relieken-kas rust, wier inhoud bestemd is om in het hoog-altaar van het nieuwe godshuis neêrgelegd te worden; neven de baar zijn drie wijwatervaten geplaatst. De kerkvoogd in vol por.tifikaal staat voor een kuip, waarin een knaap in blaauw overkleed met zwarten lendenband of gordel, water giet. De bisschop houdt zijn staf met de linkerhand en heft de rechterhand opwaarts over de kuip, terwijl hij een exorcisme of benedictie over het water uitspreekt. Aan zijne linkerzijde ziet men een geestelijke met rood hoofddeksel en roode dalmatiek, die het pontificale met beide handen openhoudt. |
|
Achter deze figuur staan twee koorknapen, een in paarsch, de ander in grijs gewaad, beide wierookvaten dragende. Ter zijde van den bisschop en den geestelijke met het Pontificale vertoont zich een ander geestelijke met zwarte muts en paarsche tuniek; een tweede staat met een geopend boek en in roode tuniek achter den kerkvoogd, en om hem vertoonen zich nog zeven slechts gedeeltelijk zichtbare personen in verschillend gekleurde kleeding. Op het kerkhof, dat met een muur van rooden gebakken steen omgeven is, ontwaart men drie sarcophagen van graauwen steen en een verguld reliëfwerk, naar het schijnt, met drie heiligenbeelden; voorts een rood geverwd crucifix onder een dakvormig bedeksel, en eene voorstelling van den stervenden Heiland aan een gouden kruis, waarbij twee heiligen, vermoedelijk Maria en Johannes. Achter deze heiligen doet zich een zonderling voorwerp voor, waarvan het voetstuk rood en wit, het middendeel donkerrood, het dakwerk wit gekleurd is. In het dakwerk schijnen de zwarte stippen openingen aan te duiden; de drie zichtbare torenspitsjes zijn verguld. In het middendeel laat de zwarte streep op de zijde, die naar de beeldjes voor den stervenden Heer gekeerd is, eene deur veronderstellen. Bij dit gebouwtje is de bisschop andermaal afgebeeld en zijne houding duidt het uitspreken eener zegebede aan. Maar wat is dit gebouwtje ?... Naar ik meen, niets anders dan een kerkhof-lantaarn, waarin men volgens een bericht, reeds in de twaalfde eeuw door Petrus Venerabilis gegeven, ,,des nachts uit eerbied voor de in hunne graven sluimerende dooden eene lamp liet branden.quot; Zulke lantaarns waren in de laatste middeneeuwen in naburige landen geenszins zeldzaam en zijn tot in onzen tijd hier en daar bewaard gebleven. In Frankrijk noemt men ze âlanternes des mortsquot; of âfanaux de cimetièrequot;, in Duitschland âTodtenleuchterquot;. Archseologen onzer dagen leeren, dat zij doorgaans den vorm van âkleine, ongeveer zes voeten hooge torensquot; hebben, en zij noemen ze âholle, ronde of vier- en veelhoekige zuilen, gekroond met een spits dak, waaronder eene lamp kan geplaatst worden.quot; i) Met deze beschrij- ij Zie Braun's artik. Todtenleuchter in de Annal. des hist. Ver eins-für den Niederrhein, Heft 8, s. 112 ff. Otte. llandh. der Kirchl. Kunst-arehaol. Vierte fuifl. s. 261 iï. en vooral Viollet-le-dcc, Diet. iVarchitect. |
ving schijnt het op onze miniatuur gemaalde toestel genoegzaam overeen te komen. Het gebouwtje heeft de gedaante van een vierkanten toren. Door het gebruik van verschillende kleuren heeft de miniator vermoedelijk verschillende steensoorten willen aanduiden, zooals somtijds voor nog bestaande kerkhof-lantaarns gebezigd zijn, oostersch graniet, zandsteen enz. De deur geeft den toegang aan hem, die de lamp heeft te ontsteken onder het met spitse gevels voorziene dak, waarin de vele kleine openingen de stralen van het licht kunnen doorlaten. Aan het slot van dit opstel kan ik niet nalaten nogmaals de hoop uit te drukken, dat mijne berichten aangaande Nederland-sche miniaturen, hier geleverd, aan meer bevoegden aanleiding zullen geven tot breeder onderzoek, waaruit rijke resultaten kunnen voortvloeijen voor de kunstgeschiedenis van ons vaderland. De miniatoren op onzen bodem zijn de voorgangers geweest van een Lukas van Leiden, een Jan van Maubuse en anderen, gelijk deze weder de voorgangers en v/egbereiders waren van onze groote schilders der zeventiende eeuw. Wat van de dagen van willebrord tot op die van Philips van Bourgondië binnen onze grenzen in tal van versierde handschriften gearbeid en gezien werd, behoort gekend en naar eisch bestudeerd te worden, zal men ooit in staat gesteld wezen, den ontwikkelingsgang der schoone kunst in Nederland op echt wetenschappelijke wijze te beschrijven. De initiaal aan het begin van dit artikel, bladz. 27, alsmede de gravure op blz. 34, de wijding eener kerk voorstellende, zijn naar den codex, aan Teylers stichting toebehoorende, gekopieerd. De gravure op bladz. 3o, koning Alexanders dood voorstellende, is naar het handschrift den âSpieghel histor.quot; van J. van Maert.ant inhoudende en aan de Kon. Akademie van Wetenschappen te Amsterdam toebehoorende, bewerkt. Een der randversieringen heeft ons gediend voor het hicronderstaande slotvignet. De drie afbeeldingen, in gravure op Plaat VI teruggegeven zijn uit 1 den codex der Utrcchtsehe 1'niversiteits-bibliotheek getrokken. De verschillende kleuren der bloemen en ornamenten zijn door de ligging der lijnen aangeduid. V W. MOLL. |
dooi DIRC BOUTS.
zen i) Hoewel ovei de voornaamste zaken bijna overeenstemmende, geven zij toch verschillende jaren aan, voor de geboorte en den dood van onzen meester; men zou om allen twijfel te kunnen opheffen zekere bescheiden in de archieven van Haarlem, zijne geboortestad, moeten terugvinden; dan eerst zou men eenige zaken die altijd nog verwondering verwekken, zoo als zijn hooge ouderdom en zijne vele en belangrijke werken op een zoo gevorderden leeftijd, kunnen ophelderen. Tot nu toe heeft het echter niet mogen gelukken eenige aanwijzing te vinden, alle nasporingen zijn vruchteloos gebleven.
De Heeren Pinchard en Ruelens hebben zeer belangrijke aanteekeningen aan de werken der Heeren van Even en Wauters toegevoegd; zij bevestigen sommige opgaven, terwijl zij andere weer betwijfelen. Wij zullen trachten al hetgeen die verschillende schrijvers ons hebben geleerd, zoo duidelijk mogelijk saam te vatten, maar eerst de oudere schrijvers raadplegen, wier geschriften, wel is waar oppervlakkig, toch de eerste leiddraden in die lang vervlogen tijden zijn.
GuicciARDifa, die in 1567 zijne âBeschrijving der Nederlandenquot; uitgaf, noemt Dirc van Haarlem en ook Dirc van Leuven, onder de Nederlandsche schilders, en schijnt te gelooven dat die twee namen aan twee verschillende personen behooren.
Van Mander, wiens werken volgens de opdracht in 1604 verschenen, zegt, dat Dirc van Haarlem te Haarlem geboren
1) De Heer Ed. van Even twijfelt of Diucic Stuerbout wel ooit be-staan heeft.
Wel is er geweest een Hu bert us Stuerbout, tijdgenoot van onzen Dirk Bouts en ook aan de stad Leuven verbonden als decorateur. Op het museum voor kunst en oudheden te Leuven (op het stadhuis) vindt men nog verschillende basreliëfs (die vroeger in de facaden geplaatst waren), uitgevoerd naar teekeningen van dezen Hi brrtus Stuerhout.
Beide artisten hebben dus naast elkander gewerkt als tijd- en vakgenooten. lt; Van daar de vele verwarringen; zij behoorden echter tot geheel verschillende familiön.
Hubertus Stuerbout was zeer waarschijnlijk te Leuven of daaromtrent geboren, terwijl de historieschilder DiRCK Bouts wel eens aangewezen wordt
als buitens lands geboren.
In de authentieke stukken, waarin zij zelf voor de schepenen der stad hunne namen moeten opgeven, komt de zaak tot klaarheid.
|
werd, en in de Kruisstraat, dicht bij het weeshuis, moet gewoond hebben, in een huis met ouderwetschen gevel, waarin âverheven tronien gezien worden.quot; i) Hij weet niet wie zijn leermeester is geweest en kent slechts een zijner schilderijen, en wel een triptiek, dat hij bij den Heer Jan Gerritsz. Buitenweg, te Leyden, zegt gezien te hebben. Dat stuk stelde Christus, tusschendeH. Apostelen Petrus en Paulus, voor, en een latijnsch opschrift met gouden letters er onder gesteld, deed hem veronderstellen dat Dirc zijne vaderstad verlaten had om zich te Leuven te vestigen. Dat opschrift luidde aldus; âDuizend vierhonderd en twee en zestig jaren na Christus geboorte heeft Dirc, die te Haarlem is gebooren, my te Loven gemaakt. De eeuwige rust moet hem gewerden.quot; Dit opschrift is dus na den dood van den schilder geplaatst. Door wien, en hoe kwam dit stuk dat in 1462 te Leuven gemaakt was, in 1604 in Leyden te berusten? Van Mander meldt er ons niets van, hij noemt ons noch het jaar der geboorte van Bouts noch dat van zijn overlijden en eindigt met te zeggen, dat hoewel lang voor Albert Durer geleefd hebbende, hij toch een uitmuntend schilder is geweest. Dit is alles wat men wist omtrent den groeten kunstenaar, die Haarlem en Leuven zich schijnen te betwisten, toen nieuwe bijna uitsluitend aan de hierboven genoemde geleerden te danken ontdekkingen, licht wierpen in de duisternis, die zijn naam en zijne werken omgaven. De Heer Wauters meent dat Dirc Bouts in 1391 geboren werd, dat hij zich in 1458 te Leuven heeft gevestigd en in 1475 overleden is. Een uittreksel van een gerechtelijk onderzoek, waarin een achttal getuigen worden genoemd, van welke de laatste zich Dirc van Haarlem noemt, oud zes en zeventig jaar en gedagtee-kend te Brussel den 9llequot; December 1467, heeft den geleerden archivist doen gelooven, dat Meester Dirc in 1391 geboren moet zijn. De Heer van Even deelt deze meening niet; hij stelt de geboorte van Bouts in 1405; de persoon van Dirck. van Haarlem, als getuige te Brussel gehoord, in eene zaak betreffende de financiën der stad, kan volgens hem de schilder niet zijn die te Leuven woonde en die in alle stukken en kontrakten welke hem betreffen, altijd Bouts genoemd wordt. Later zullen wij zien dat Bouts in 1475 0' 1479 overleed, terwijl hij nog werkzaam was aan tafereelen, welke hij niet geheel voleindigd achterliet. Men zou dus moeten aannemen, indien hij werkelijk in 1391 geboren is, dat hij minstens tot op vier-en-tachtigjarigen ouderdom gewerkt heeft; hetgeen zeker wel wat onwaarschijnlijk mag heeten. Verders zegt de Heer van Even dat hij voor het jaar 1462 te Leuven kwam, waar hij in 1468 tol schilder of âportraiteurquot; der stad werd benoemd en in 1479 overleed; dus volgens die opgave in den ouderdom van vijf-en-zeventig jaar, hetgeen zeker een reeds booge leeftijd is voor een kunstenaar, die nog in de volheid van zijn talent verkeerende, door de overheden niet belangrijke bestellingen belast werd, aan welke hij tot zijne laatste dagen werkzaam bleef. |
Ook kent men geen werk dat voor zijne komst te Leuven vervaardigd zou zijn en zijne geschiedenis blijft tot op dat tijdstip nog steeds in het duister. Een zeker dokument heeft wel eens-doen veronderstellen, dat hij ook de stad Brugge in 1462 bezocht heeft; bij nader onderzoek schijnt echter dat stuk geen onweder-legbaar bewijs te zijn 1). Wat zeker schijnt te zijn is dat Dirc Bouts, reeds voor datzelfde jaar 1462 te Leuven woonde; het opschrift op het schilderstuk, dat van Mander zegt gezien te hebben, is daarvan reeds een bewijs. Sedert 1450 was hij met Catharina van der Bruggen, bijgenaamd Metten Gelde, gehuwd. De Heer Wauters verhaalt ons, dat Catherina tot eene der eerste famüiön van Leuven behoorde. Heeft Bouts dat huwelijk in die stad of in Holland aangegaan? men weet het niet, maar aan te nemen is het wel, dat die verbintenis eene der redenen geweest is, welke hem zijn vaderland hebben doen verlaten. In 1466 begon hij de schilderij het laatste Avondmaal, waarvan wij eene gravure geven. Zij werd vervaardigd voor de Broederschap van het Heilig Sakrament in de collegiale kerk van S1 Pi eter gevestigd, alwaar het middenpaneel nog berust. De beschrijving van het stuk volgt hierna; het werd in 1468 voltooid. Dat zelfde jaar 1468 was voor de stad Leuven zeer belangrijk; men was bezig het stadhuis, waarvan de eerste steen twintig jaar vroeger was gelegd, te voltooien. Van dat schoone gebouw, naar de ontwerpen van den stads-bouwmeester Matheus de Layens opgetrokken, moesten de zalen thands ook versierd worden: Dirk. Bouts werd bij die gelegenheid tot schilder of âportraiteurquot; der stad benoemd en ontving de volgende bestellingen, welke men in een oud handschrift beschreven vindt 2). De Legende van Keizer Otto; twee stukken voor de gerechtzaal bestemd, en besteld voor den prijs van 230 kroonen 3). Het vlaamsche handschrift spreekt daaromtrent aldus: âAnno 1468, worden twee stucken schilderyen gemaeckt by meester Dierick Stuerbout, die in de raetcamere staen; d'ecnc daer de keysere justitie doet doen over eenen grave vanden hove,quot; enz. en verder : âDie geextumeerd waren op IP XXX (230) croone te LXXII pis. t' stuck.quot; Twee andere schilderijen van twaalf voeten lang en zes-en-twintig boog, en eene derde van zes voeten hoog en vier voeten breed voor vijf honderd kronen, zijnde âeen tafereel van Ons Heeren Oordeele ... het welcke Oordeel hancht in de Schepene Caniere opt stadthuys te Loven.quot; De twee groote schilderijen werden niet voltooid. Nog maakte onze meester andere tafereelen en portretten, welke laatste in 1479â80 besteld werden en die bestemd waren voor eene zaal van schilderijen en portretten. Men weet niet wanneer zijne eerste vrouw gestorven is, maar wel dat hij voor Januari 1473 hertrouwd was met Elisabeth van Voschem, weduwe van Jan van Trienen. |
1
Volgens den Heer A. Wauters, verlangde en ontving Dirck van Haarlem een rozenkrans, uit de nalatenschap van Coustinus voortkomende, hetgeen te veronderstellen gaf dat Dirk de leerling of de vriend van dezen geweest is. Later is echter genoegzaam bewezen, dat hier geen sprake is van Pieteb Coustinus den dekoratie-schilder, maar wel van Jehan CorsriM's, âde eerste kamerdienaar van den Hertog van Bourgondie, en wel de meest vertrouwde van allen die hij hadquot; die in 1462 van verraad beschuldigd en onthalsd werd. Veel waarschijnlijker is het dus dat de bedoelde rozenkrans niet aan Dirk. Bouts maar aan een kamerdienaar van Philippus den Goede werd afgestaan, Dirck van Haahlem geheeten en wiens naam op rekeningen voorkomt, die zich te Rijsel, in de Archiven van het Noorder Departement bevinden en van 1431 en 1447 gedagteekend zijn.
â 38 â
|
Hij zelf overleed in 1475, twee zonen Dirck en Albert, en twee dochters Catharina en Geertrui da nalatende, die, den ouderdom van vijf-en-twintig jaar niet bereikt hebbende, nog onmondig waren. Het waren vier kinderen zijner eerste vrouw. Hij was toen werkzaam aan de twee groote schilderijen, welke hem te gelijk met het laatste Oordeel, voor vijf honderd kronen, besteld waren. Het Oordeel was voltooid, maar de twee andere rtukken, hoewel reeds verre gevorderd, bleven onvoltooid. De stad betaalde âter er.tumacien ende scattingen van eenen der nctabelsten scildere, t) die men binnen den lande hieromtrent wiste te vindene, die gheboren es van der stadt van Ghendt, ende wonechtig es in den Rooden Clooster in Zuenien (het Soniënbosch bij Brussel), de somme van guldens voorscreve IIP VI guld. XXXVI pis.quot; â Dat is 306 guldens. Eenigen tijd voor zijn dood had hij het bezoek der stedelijke overheidspersonen ontvangen, die waarschijnlijk de schilderij van het laatste Oordeel wenschten te zien voor dat zij het atelier des meesters verliet. Bij die gelegenheid ontvingen hij en zijne leerknapen eenige geschenken van die hooge bezoekers, als ook âmeester Janne van Haecht, doctor inder godheidt, die der stadt de materie gaff, die men schilderen zou, âuut ouden jeesten (gestes, verhalenquot;) en die eene gratifikatie ontving ter waarde van veertig plecken. Wanneer men die verschillende datums bijeenbrengt, welke voor het meerendeel op bescheiden berusten, welke niet betwijfeld mogen worden, en men het jaar 1405 voor het geboortejaar van Dirck Bouts aanneemt, vindt men dat onze meester in het huwelijk trad op den leeftijd van omtrent vijf-en-veertig jaar (i450)gt; hij een-en-zestig jaren oud de groote schilderij het laatste Avondmaal begon, en er twee jaren aan werkte (van 1466 tot 1468), Verder dat hij in den loop van zijn drie en-zestigste jaar tot schilder der stad Leuven werd benoemd, en overleed toen hij zeventig jaar oud was, zoodat hij de twee tafereelen der Legende van keizer Ottho, en dat van het Laatste Oordeel, alsmede eenige portretten en andere schilderijen, en ook het grootste gedeelte der twee groote stukken, welke hij niet geheel voltooid achterliet, in de zeven laatste jaren zijns levens heeft bearbeid. Volgens diezelfde berekening hertrouwde hij, toen hij reeds acht-en-zestig jaar of daaromtrent oud was. Waren die verschillende jaartallen niet op zulke zekere doku-menten berustende, men zou bij het zien van die vele belangrijke werken, achtereen en op zoo vergevordenden leeftijd uitgevoerd, geneigd zijn aan eenige dwaling te gelooven, en zelfs bij het aannemen dier datums kan men bij de zorgvuldig afgewerkte uitvoering, die elke veronderstelling eener vlugge en oppervlakkige behandeling uitsluit, niet zonder verwondering blijven. Het is waar dat een zoo degelijk en ernstig talent, steeds even gewetensvol in alles wat hij te voren brengt, niet het talent van een jong kunstenaar kan zijn, en dat hij, die zulke werken uitvoert, zoo geen lange, dan toch zekere ondervinding moet bezeten hebben; maar dan vragen wij, waar zijn zijne andere werken gebleven en hoe komt het dat men niet één stuk kent, dat voor zijn een-en zestigste jaar is volbracht? Men begint niet op dien leeftijd en vooral niet met zulke stukken te schilderen. Zou er werkelijk niet eenige dwaling bestaan en zijn de Dirck van Haarlem en de Dirck van Leuven, welke door Guicciardeni dan ook afzonderlijk genoemd worden, wel in waarheid één en dezelfde persoon? Zou men niet mogen veronderstellen, dat de eerste, een kunstenaar van gering talent, in 1) Die schilder was Hugo van der Goes. |
vergetelheid geleefd en gestorven zijnde, de vader van den tweede is geweest? Een in zijn voortbrengselen zeer middelmatig kunstenaar kan de meester zijn van een man van groot talent; hij kan zijn gids en zelfs zijn vergeten mede-arbeider zijn, vooral wanneer die grootere kunstenaar zijn zoon is. De naam van den leermeester van Dirck Bouts is niet bekend, maar men veronderstelt dat hij de leerling zijns vaders is geweest. Eene aanteekening van Jan Molanus, sprekende van een Diederik die in het teruggeven van het landschap bijzonder uitmuntte, schijnt die veronderstelling te staven, maar die zelfde aanteekening plaatst den dood van dien schilder in het jaar 1400; deze kan dus bezwaarlijk de vader zijn geweest van Bouts, die in 1475 stervende, de leerling niet kan zijn van een man, reeds in 1400 overleden; men zou zijn ouderdom met nog vijftien of twintig jaren moeten verhoogen. Komt men echter tot het bestaan hebben van een vader, een zoon en een kleinzoon te veronderstellen, dan wordt alles veel waarschijnlijker, en zeker is het dat het raadselachtige waarin de jeugd van onzen meester verborgen blijft, alsmede zijne verandering van verblijf, zijn tweede huwelijk en het volstrekte gemis van schilderijen en van dokumenten van vroegere dagteekening tot het doen van gissingen wel aanleiding geven. Wij spreken dus bij I veronderstelling en kunnen geen zekere bewijzen bijbrengen. Tot nu toe zijn alle nasporingen in de archiven en oude rekeningen der stad Haarlem, door den ijverigen archivaris dier stad gedaan, I zonder vrucht gebleven, wijl de koop- en verkoop-akten van I eigendommen niet hooger opklimmen dan 1470; alle vroegere zijn verloren of vernietigd. Voor alsnog kan men dus den sluier ' niet opheffen, die op de jeugd van onzen beroemden landgenoot j een twijfelvol duister werpt. De schilderij in de kerk te Leuven was in den oorsprong een triptiek; alleen het middenstuk is op zijne plaats gebleven. ; De vier schilderijen, die het vroeger omgaven, zijn in het Museum van Berlijn en in de Pinakotheek van Munchen verstrooid; zij I vormden met het middentafereel een dichterlijk ontworpen geheel en het is zeer te betreuren dat de verschillende deelen eener zelfde en eenige gedachte, van een en hetzelfde kunstwerk, aldus gescheiden zijn. Wanneer de omstandigheden er toe dwingen, of wanneer de onverschilligheid het toelaat dat de burgerlijke of kerkelijke overheden zich van kunstwerken, welke onder hun bestuur ; berusten, ontdoen, dan ten minste moesten zij die niet bij stukken ; verkoopen, en de bezitters en bestuurders van voorname koliektien moesten het voorbeeld geven en geen onvolledige kunstwerken i aankoopen. Er kunnen bijzondere omstandigheden bestaan, en om over allen te kunnen oordeelen zou men ook allen moeten kennen, maar toch, wie weet hoe vele thans verspreide deelen en verminkte kunstwerken nog vereenigd en volledig zouden zijn, I indien dat overdreven verlangen naar vreemde en zeldzame kunstwerken en het winstbejag der kunsthandelaren de steden en kerken j niet hadden aangezet en geholpen tot het verbrokkelen der kunst-j werken, bun door hunne voorzaten nagelaten. Keeren wij nu tot onze schilderij terug. Het middentafereel is, of beter gezegd, was omringd door vier andere tafereelen uit het Oude-Testament, zijnde de figuren of de voorafbeeldingen van het laatste Avondmaal. Het eerste stelt ons Abraham voor, Melchi-Sedech ontmoetende, die hem brood en wijn aanbiedt. Geheel in het harnas en gekleed gelijk een ridder der middeleeuwen, buigt Abraham de knie voor den Koning en Opperpriester; hunne bedienden staan achter hen, terwijl het gevolg van Abraham op den tweeden grond halt maakt en wacht. Op den achtergrond |
I
I
.
â 39 â
|
ziet men eene stad met torens, kasteelen en kerken. De twee grootste gebouwen kunnen wel naar de groote kerk en het stadhuis van Leuven gekopieerd zijn. Dit stuk is thands te Munchen. Het Museum te Berlijn bezit de schilderij, die voorheen daaronder was gesteld. Het is een joodsch gezin, te zamen gekomen, om het Paaschlam volgens de wet van Mozes te nuttigen. Vier mannen en twee vrouwen staan elk met een stok in de hand rondom eene tafel, waarop men eenige slabladen en meelkoeken, messen en glazen ziet; vorken en borden zijn niet aanwezig. Op een schotel midden op de tafel ligt het lam, en de vader van het gezin, zijn stok voor een oogenblik weggezet hebbende, is met het uitsnijden bezig. Dit tafereel is geplaatst in een vertrek met een schoorsteen en vensters met kleine ruiten; door de openstaande deur ziet men een dienaar aankomen met eene wijn- of waterkruik. De hooge waardigheid der gansche samenstelling, de soberheid der gerechten en de ernst, waanneê elke gast zijn deel van het feestlam verwacht, stemmen geheel met het onderwerp overeen, dat meer eene godsdienstige plechtigheid dan wel een maaltijd moet zijn. Gelijk het brood en de wijn, welke Abraham aangebracht worden, eene prophetische figuur der Heilige Spijzen zijn, zoo ook is het Paaschlam, dat de Joden staande met een stok in de hand moesten eten, gelijk reizigers die gereed staan het land der slavernij te verlaten om naar het Beloofde Land te trekken, eene voorstelling van het groote mysterie door Christus eenige uren vóór Zijn dood, te midden Zijner Apostelen volbracht. Ook de twee andere schilderijen, die het linker zijstuk uitmaakten, zijn tafereelen uit het Oude Testament op het hoofdonderwerp betrekking hebbende. De bovenste, thands te Munchen berustende, stelt de Israëlieten in den woestijn voor, het van den Hemel gevallen manna bij zonne-opgang verzamelende, Op den voorgrond zijn twee mannen, twee vrouwen en een kind bezig hunne korven te vullen, verder op, tusschen de onbegroeide rotsen, zijn andere personen werkzaam om den voorraad van den dag bij een te verzamelen. Boven aan de schilderij verschijnt God de Vader, van licht en stralen omgeven, tusschen de wolken. Eltas de Propheet, uit zijne afmatting en slaap opgewekt door den hemelschen bode die hem de stad Zarphat aanwijst, waarheen hij zich moet begeven, is het onderwerp der vierde schilderij, thans te Berlijn op het Museum te vinden. Het manna, dat brood des Hemels den menschen tot voedsel in de woestijn toegezonden en de verlaten Propheet die door een Engel bemoedigd en gesteund wordt, zijn ook alweer emblema's, typologiön van het Laatste Avondmaal en van het Lijden des Heeren. Op den achtergrond /.iet men den Propheet een tweede maal; hij heeft zich opgericht en is op weg naar de aangewezen stad. Dezelfde waardigheid, dezelfde ernst, wij zouden bijna zeggen dezelfde stilte beheerscht ook het geheele tafereel op het middenpaneel, De Zaligmaker en zijn twaalf Apostelen zitten rondom eene tafel in een vertrek, dat aan het refectorium van een oud klooster doet denken. Vijf personen zitten aan de achterzijde der tafel; Christus in het midden, S4 Jan, de jongste van allen aan zijne linkerzijde met gevouwen handen, en S' Petrus aan zijne rechterzijde. Aan weerszijden der tafel hebben drie Apostelen plaats genomen en twee anderen die men bijna geheel van achteren ziet, maar die het hoofd omwenden, zitten voor de tafel op zittingen zonder ruggen, een dezer twee. Judas de verrader, is aan de stroeve, hooghartige uitdrukking zijner trekken dadelijk te herkennen. De Heer heeft het brood gebroken en houdt in de linkerhand eeu stuk boven den kelk die voor Hem staat. Hij helt de rechterhand op om het brood en den wijn te zegenen, alvorens die aan zijne Apostelen over te reiken en schijnt de Heilige woorden uit te spreken, waar allen met aandacht naar luisteren. Twee dienaren staan, de eene achter Petrus en de andere onder een der twee bogen aan de linkerzijde van de schilderij, waarschijnlijk zijn deze twee beelden de portretten van den schenker en van den maker van het altaarstuk. In den achtermuur is aan de linkerzijde eene geopende deur, door welke men een keukenschoorsteen ziet, waaronder een waterketel boven het vuur hangt. Aan de andere zijde is eene vierkante opening, waarvan het neergeslagen luik gebruikt wordt om de gerechten te ontvangen voor de tafel bestemd; door die opening worden twee andere dienaren gezien, ook deze twee zijn misschien wel portretten. |
Eene valsche onderteekening. Opus Johannis Memling, heeft, voor de ontdekkingen van den Heer van Even, er veel toe bijgedragen dit kunstwerk aan Mkmlinc te doen toeschrijven, en waar is het, dat zekere overeenkomst in het karakter van sommige beelden, vooral in het beeld van den Heer, aan die veronderstelling steun gaf. In andere gedeelten, heeft men aan de wijze van behandeling Rogier van der Wevden meenen te herkennen; maar hoewel Bouts hier en daar deze twee meesters gelijkt, bezit hij noch de sierlijkheid van Memlinc, noch het leven van Rogier. Ook zijn koloriet mist de dunheid en de kracht welke dezen meesters eigen zijn, een over het algemeen roodachtige en zwaarmoedige toon geeft aan zijn werk een minder aangenaam uiterlijk; maar allereerst moet men bij hem de grootheid der kompositie, de eenheid der gedachte en het edele karakter bewonderen van de figuren, die misschien wel wat stijf en wat koud van expressie, doch altijd statig en ernstig van stijl zijn. De draperiön zijn allen uitstekend goed geceekend, al het bijwerk is wonderbaarlijk van uitvoering en het landschap dat overal de hand van den waren meester toont, wordt zelfs door schrijvers die hem anders wel wat streng beoordeelen geroemd. De twee schilderijen de Legende van Keizer Otto III voorstellende, werden in 1S27 door de stad Leuven aan den Heer Nieuwenhuvs verkocht, die beiden voor rekening van Willem I met toooo gulden betaalde. De schilderijen, die in zeer slechten staat waren, werden gerestaureerd en daarna in het paleis van den Prins van Oranje, aan wien zij door den Koning zijn vader ten geschenke waren aangeboden, geplaatst. Later, toen de Prins zijn vader was opgevolgd, liet hij beide stukken in zijne vermaarde galerij te 's Plage plaatsen, alwaar zij tot zijn dood verbleven. Nog eenige jaren na den dood van Koning Willem II, hieven zij in het bezit der Koningin Weduwe Anna Paulowna, kwamen in 1856 weêr in handen van den Heer Nieuwenhuvs, en werden eindelijk in 18Ã1, met medewerking van den Heer Ruelens, vooi de som van 28000 franken, voor het Museum te Brussel aangekocht. De eerste schilderij is eene voorstelling der uitvoering van het vonnis; op de tweede ziet men de herstelling of het wraken van het gepleegde onrecht. Gedurende eene afwezigheid des Keizers, had de Keizerin haar oog laten vallen op een edelman van haar hof, die, zelf gehuwd zijnde, ongevoelig bleef voor de liefde der vorstin. Zich dus veracht ziende, beschuldigde zij den edelman die, op bevel des Keizers, onthoofd werd. Op den tweeden grond ziet men den veroordeelde, in een lang wit kleed, begeleid door een monnik en door zijne vrouw en gevolgd door nog drie andere personen, naar de plaats van strafoefening voorwaarts treden. Op den voorgrond ligt het lijk van den onthoofde ter aarde; bloemen en grashalmen bedekken thands het bloed dat men vroeger uit den afgesneden hals zag vloeien. De Keizer en zijne schul- |
â 40 â
|
dige gemalin zijn bij dit bloedige tooneel tegenwoordig; de beul geeft het hoofd van den ongelukkigen edelman aan zijne weduwe over, die het op een witten- doek ontvangt. Na die executie verscheen de weduwe voor den Keizer, er op aandringende de vuurproef te mogen doorstaan om de onschuld i van haar echtgenoot te bewijzen. Op de tweede schilderij ziet j men de moedige vrouw, het hoofd van haar gemaal in de plooien j van haar kleed dragende, voor den troon des Keizers geknield, terwijl zij een gloeiende ijzeren staaf in de linkerhand vasthoudt, j zonder eenige pijn te gevoelen. Aan de rechterzijde van het tafereel is de Keizer, in een lang rood kleed met gouden bloemen, op | een steenen troon gezeten, een hemel of draperie van groene ' stof hangt boven den troon; twee rechtsbeambten staan, als getuigen, I bij die schrikkelijke proef. Door dit wonder werd de Keizer van de onschuld des gestraften .edelmans en van den meineed zijner vrouw overtuigd en veroordeelde haar tot den brandstapel; dit laatste tooneel is op den achtergrond der schilderij voorgesteld. De figuren zijn levensgroot. Gelijk wij reeds gemeld hebben, werden deze stukken voor de raadkamer van het stadhuis vervaardigd en verbleven daar tot 1827. Dit is in een kort tijdsverloop het derde voorbeeld van schilderijen, die bloedige teregt-stellingen tot onderwerp hadden en besteld werden om de raadzalen te versieren 1). De marteldood van den Heiligen Erasmus, die zich nog in de kerk van S' Pieter bevindt en de dood van den Heiligen IIippoLYTUs, thands te Brugge in de Kerk van S4 Salvator, zijn ook afzichtelijke voorstellingen; moet men den schilder, die ons op het eerste stuk een naakt lichaam op het rad uitgestrekt en op het andere een man die door paarden van een getrokken zal worden, vertoont, beschuldigen, of moet men aannemen dat hij, door de hem gegeven voorschriften, verplicht is geworden iets te doen zien wat zijn goede smaak, bij meerdere vrijlating, zou |
hebben weten te doen begrijpen, zonder in een stootend realisme te vervallen? De Pinacotheek van Munchen bezit een tafereel, dat de gevangenneming van Christus in den Olijventuin voorstelt; dat stuk staat op naam van Dirck Bouts i). Het laatste oordeel en de twee groote schilderstukken, waarvan de onderwerpen niet bekend zijn, bestaan niet meer; dit is waarschijnlijk ook het geval met het triptiek waar van Mander over spreekt en dat men tot nu toe niet teruggevonden heeft. Meester Dirck Bouts bewoonde een huis dat hem toebehoorde in de Recolletten-straat, en werd in de Recolletten-kerk begraven; die kerk en zijne tombe zijn in het begin dezer eeuw gesloopt. Op den 20quot; Juni 1476 verdeelden zijne twee zonen Dirck en Albert onderling de zoo bet schijnt niet onaanzienlijke nalatenschap, zijne twee dochters Cathakina en Geertiujida die zich in een klooster nabij Eindhoven tot het aannemen van den sluier voorbereidden, hadden bereids ter gunste hunner broeders, afstand van hare rechten gedaan. Het zal wel onnoodig zijn de namen der schrijvers, wier werken ons tot leiddraad in onze nasporingen gediend hebben, hier nogmaals te herhalen, daar die in den loop dezer regelen reeds meermalen genoemd zijn. Wij betreuren niet meer aan het licht te hebben kunnen brengen en sluiten met den wensch dat het den onvermoeiden archivaris der stad Haarlem, den Heer M1' A. J. Enschedk, die, hoewel niet bij machte, stukken te hervinden, welke of nimmer bestaan hebben, of vernield zijn, ons toch met goeden raad bijstond, eenmaal mocht gelukken den sluier geheel op te heffen en ons bekend te maken met de geschiedenis der eerste jaren van den uitstekenden meester, die in Noord-Nederland het licht zag en de stichter werd der Leuvensche schilderschool. C. Ed. Taurel. |
1
Brussel, zie Rogier van der Wevdun. â Brugge, zie Gerard Davids.
door ÃÃAÃÃS MEMLHC.
|
Eze gravure (N0 VIII) stelt het middenpaneel voor van het triptiek dat in 1484 geschilderd werd om het , altaar in het zangkoor der familie Moref.l te versieren. Dat altaar bevond zich aan het einde van het zuider zijschip der S4 jACons-kerk te Brugge. Aan het plunderen dier kerk, tijdens de Geuzen, gelukkig ontkomen, werd het in het S' JuLiANUs-Gasthuis boven het hoofdaltaar der kapel geplaatst en later, tijdens den herbouw .van dat altaar in de vorige eeuw, naar de vergaderzaal der voogden van het gasthuis overgebracht. Den Augustus 1794, werd het door de Franschen afgeno men. naar Parijs gezonden en aldaar ten toon gesteld met de vele andere meesterstukken, welke zij, door gansch Europa hadden bemachtigd. Het kwam in 1815 weder te Brugge en bevindt zich sedert dien tijd op het Museum der Akademie. Het middenpaneel, dat honderd-een-en-twintig Ned. duimen hoog is, bij eenc breedte van honderd-vier-en-vijftig duim, stelt de beelden voor van de Heiligen Christophorus, Maurus^cu Gillis. Ciiristophorus bevindt zich in het midden, draagt een met geel gevoerd blaauw kleed en een grooten rooden mantel; hij brengt het Kind Jesus op zijne schouderen over don stroom. Zich van den last, waaronder hij bezwijkt, geen rekenschap kunnende geven, ziet hij naar het wonderkind omhoog, en leunt op een jongen boomstam, die hem tot staf dient. âWat zijdy bijster zwaar te dragon, O onbegrijplijt Kindekijn!quot; zoo als J J. L. ten Kate, in zijne fraaie berijming der legende, Christophorus laat zeggen. De kleine Jesus, een zachtmoedig en aanvallig kind, in eene donker groene draperie gehuld, zegent den heilige en houdt zich met de linkerhand vast aan den witten band, die het hoofd van den man oraringt. |
In eene grot gehouwen, in de rotsen, tusschen welke de stroom loopt, ziet men een kluizenaar, leunende op een kruk en met de rechterhand eene lantaarn opheffende, waarin een licht brandt. Op den voorgrond aan de rechterzijde van S' Christophorus bevindt zich de Heilige Maurus in het kleed door de Benedictijnen, gedurende hunnen werktijd, gedragen, zijnde een wit onderkleed met zwart scapulier en mantel; hij is blootshoofd en heeft de oogen gevestigd op een open boek, dat hij met de linkerhand vasthoudt. In de rechterhand heeft hij een abtelijken staf, aan het boveneinde van heiligenbeeldjes omgeven, terwijl in de krul een beeld van Sitnson, den leeuw verscheurende, bewerkt is. Einks staat S* Gillis, de kluizenaar, in een zwart geestelijk gewaad; in de linkerhand draagt hij een gesloten boek, terwijl hij een naast hem staanden reebok met de rechterhand streelt. De rechtermouw van zijn kleed is met een pijl doorstoken. Op den voorgrond is de aarde met viooltjes, aardbeziën, madelieven en andere bloemen overdekt. De figuur van S' Chris-tophokus, komt uit tegen het water van den stroom en tegen den door de stralen der ondergaande zon verlichten hemel. Achter de twee andere beelden ziet men een boomrijk landschap en zware rotsblokken langs de oevers van den stroom. Het rechtcrlnik r) heeft aan de binnenzijde het portret van Willem Moreel, met zijne vijf zonen, door zijn heiligen patroon beschermd. De stichter of schenker ligt met gevouwen handen geknield voor een houten bidstoel, waarop een open getijboek op een rood kussen ligt. De baard is geschoren en zijn zwart van voren afgeknipt haar bedekt drie vierden van het voorhoofd. Zijn kleed van rood laken, met bont gevoerd, is aan de voorzijde iets of wat geopend. Achter hem staat, in het zwart geestelijk kleed over een krijgsmansgewaad, de Heilige Guilliëlmus van Maleval, de stichter der kluizenaars, VVilhelmusbroeders genoemd. Zijne rechterhand rust op den schouder van de:i schenker, terwijl hij in de linkerhand eene vlag houdt, waarop men het wapen der orde ziet; van lazuur, met gouden leliebloemen bezaaid, met een zilveren schildhoek, beladen met drie wassenaars van goud, in schuins rechtsche richting. De booze geest ligt, in de gedaante van een wild dier, aan zijne voeten. In het landschap, dat den achtergrond vult, ziet men rechts een kasteel, door grachten omringd, en links eene hoeve en een kruisvormig kerkje met een toren midden op het dak. Op het andere luik bevindt zich het portret der vrouw des schenkers Barbara van Vlaenderberch, genaamd van Herts-velde, vergezeld van hare elf dochters en door de Heilige Barbara beschermd wordende; ook zij ligt geknield met gevouwen handen voor een houten bidstoel, waarop een blaauw kussen en een open boek geplaatst zijn. Haar kapsel bestaat in een zwarten 1) Hoogte 121 Ned. duimen, breedte 69 Ned. duimen. |
|
he mi in, met een gazen sluier die het gezicht tot op een derde bedekt; haar bovenkleed is van zwart zijden damast met wit bont gezoomd en gevoerd, het onderkleed is eveneens zwart en vierkant uitgesneden op de borst die verder door een hemdje van fijn linnen wordt bedekt. De gordel bestaat uit een zeer breeden scharlaken band met een schoon bewerkte gouden gesp. De ringvinger der linker hand is met twee ringen versierd. Achter haar staat hare patrones de Heilige Eariiara, dragende in de rechterhand, welke onder den mantel uitkomt, een klein torentje. Haar keurslijf is van zwaar fluweelen stof, zwart en goud, laag uitgesneden en van voren met een veterband dichtgeregen. Onder dat kleed draagt zij een borststuk met mouwen van kar mozijn zijdfluweel De gordel bestaat uit een smal rozerood lint, plat om de heupen gespannen, uitloopende in een rijk bewerkten van robijnen en paarlen voorzienen haak, waaraan een gouden ketting hangt. F.en hemdje van batistneteldoek en een wijde mantel van rood laken, met groene voering, voltooien haar gewaad. Het lange haar dat de schouders bedekt, wordt door een smalle, rijk niet edelgesteenten bezette ferronicre bijeen gehouden. Achter de schenkster knielen hare elf dochters, waarvan de oudste het | geestelijk kleed der zusters van de orde des Heiligen Dominicus draagt. Een landschap met een kasteel en boomen vult den ach- [ tergrond. Elk dezer drie stukken draagt het jaartal 14S4 in den onderrand der lijst. Op de buitenzijde van het rechterpaneel is een Johannes j de Dooper geschilderd, een lang kruis met wapperende banier [ vasthoudende en wijzende met de rechterhand naar het lam dat naast hem geplaatst is. De buitenzijde van het andere luik biedt ons een staand figuur van S4 Joris, gansch geharnast en gewapend, den kop van den draak met zijne lans doorstekende. Beide schilderijen zijn graauwtjes. Dit triptiek is een der schoonste werken van Memlinc. De kompositie is uitstekend en de behandeling flink; ook heeft hij minder dan in zijne andere groote schilderijen op het verkrijgen van symmetrie gewerkt. De kop van den Heiligen Christophurus is schoon, fijn van trekken, vol uitdrukking en leven. De linkerhand en de kop van S' Gillis, de kop van S1 Maurus, die van den schenker en van zijn oudsten zoon zijn ook alle wonderschoonc stukken. Opmerkelijk is ook de diepte, het natuurlijke \an de rivier op den voorgrond en de schaduw door de rotsen der oevers en door het beeld van S2 Ciiristoffel op het water geworpen is voortreffelijk teruggegeven. In de verte wordt de stroom helder en schitterend door de terugkaatsing der avondschemering. Ongelukkigerwijze heeft de schilderij zoo van den tijd als van het jestaureeren geleden; het onderdeel van het gelaat van een dei-zonen van den schenker, is op onhandige wijze bijgeschilderd, terwijl het oude kleui'glacis verloren is. De algemeene koele kleur der binnentafereelen van dit triptiek is hieraan toe te schrijven. Aan den linkerarm van S' Bardara en aan den rechterarm van den schenker zijn de optoetsingen van den schilder nog te zien. De beelden van Johannes den Dooper en van S' Joris komen ons voor van latere dagteekening dan de overige deelen der schilderij te zijn, misschien zijn die in 1504, op kosten der twee zonen des schenkers, Jan en Joris, er aan toegevoegd, bij gelegenheid der plaatsing van het stuk in het zangkoor der familie Moreel. Het beeld van S' Jan is voor een groot deel overgeschilderd, de vingers der rechterhand zijn langer en de duim is korter gemaakt, men kan onder die toetsen, welke waarschijnlijk later door den schilder zelf er zijn opgezet den oorspronkelijken vorm nog terugvinden. |
De geschiedenis van den maker van dit meesterstuk is nog verre van volledig te zijn. De stad Brugge, welke hij met zijne schoonste werken had begiftigd, heeft hem zoo spoedig vergeten, dat een vreemde geschiedschrijver, even honderd jaar na zijn dood, aldaar geen inlichting kon bekomen omtrent den tijd van zijn bestaan en zich moest bepalen hem te vermelden als »een uyt-nemende meester die heeft al gebloeyt voor den tiit van Pieter Pourbus te Bruggequot; 1). Daarbij bleef het, tot op de helft der vorige eeuw, toen een onbekwame Fransche schrijver een ongerijmd verhaal in elkadr zette, aan hetwelk ieder nieuwe schrijver nog iets heeft bijgevoegd. In de zeventiende eeuw bestond eene overlevering, volgens welke meester Hans Memlinc een schilderij vervaardigde uit dankbaarheid voor de diensten die hem in het âS1 Jans huusquot; bewezen waren. De overste van dit hospitaal was in de vijftiende eeuw een persoon van zeker gewicht, maar hetgeen de kanunnik Damhoudere verhaalt, bewijst volstrekt niet dal Memlinc als kranke in het hospitaal werd opgenomen. De uitbreiding der oude overlevering moet dus aan de vruchtbare verbeeldingskracht van Descamps worden toegeschreven. Die overlevering is de aanleiding â het eenige dat waar kan zijn â van het verhaal door Descamps in 17S3 uitgegeven en waaraan Viardot, Michiels enz. bijzonderheden hebben toegevoegd, zoo bespottelijk, dat het verstand en de welvoegelijkheid die al dadelijk moeten verwerpen. De Heeren F. Hédouin 2) in 1847, Crowe en Cavalcaselle 3) in 1857, en D'Waagen 4) in 1S60 hebben de waarheid dier zoogezegde overleveringen bestreden. Ongeveer twaalf jaar geleden is de vrome Christen kunstenaar, dien men voor een dronkaard en een losbol wilde doen doorgaan, in zijne eer hersteld, door de aanwending der bescheiden, die wij in het Journal des Beaux-Arts hebben openbaar gemaakt 5). Na dien tijd hebben wij onze nasporingen in de archieven, de openbare musea en in partikuliere verzamelingen voortgezet; nieuwe ontdekkingen 'hebben hetgeen wij reeds hadden aan het licht gebracht, versterkt en bevestigd en het twijfelachtige al meer en meer doen verdwijnen. De herkomst der familie Memlinc en de geboorteplaats van meester Hans zijn beide onbekend, dat is te zeggen, dat er tot heden nog geen dokument gevonden is, eene dezer zaken met zekerheid aanwijzende. Wij echter verineenen, dat er gronden bestaan voor het vermoeden, dat de familie van Noord-Nederlandschen oorsprong is en de schilder zelf in Gelderland geboren. De meest verspreide opinie wil, dat FIans te Brugge of te Damme geboren zou zijn, en steunt op het verhaal, dat hij na den slag van Nancy (4 Januari 1477) als kranke in het S4 janb-huus werd opgenomen, hetgeen volgens de reglementen van dat huis alleen aan personen op het grondgebied dier beide steden geboren zou zijn toegestaan. Eerstens is de onwaarheid dezer traditie zoo goed als' bewezen, en al ware het niet zoo, dan zou dit nog geen bewijs zijn, want het is onjuist dat het hospitaal uitsluitend inboorlingen van Brugge of van Damme opnam. Hier volgt een zestal bewijsgronden, aantoonende dat onze meester niet van Vlaamsche, maar wel van Nederduitsche of Nederlandsche herkomst moet geweest zijn. |
1
C. van Mander, Het Leven der Doorhichtighc Nederlaudsche en Hoogh-duytsche Schilders, bf. 204. Alckmaer, 1604.
2
Annates Archéologiqnes. Deel VI, pag. 261, 262. Parijs, 184'.
(; -V . â .V;gt; . .. ;⢠...- .'à ; - Vv â
.
^ W:'; .
w - . ;â -. â é
_
â â ' â-
..... ,; . ,.-; â¢, â¢â ,,,. â¢. . ,
:^imd' â quot;»:' .'M' ''.S-:-' M- '. â¢â ' KÃ-'''
,# â vt: ; .
â ';â. â¢,-,s,:-, ^::.:.;v,.. - : , - : ;,. ; ,V :».,. ''M â¢
v,.:^ .y vv.'^ ^.r-
-... â â :vquot;., â¢' â .quot;.â ?.'â¢â .â 'r-râ .-/S'-'-- quot; â â 'â ''â . : :
, ./â â â .. ^â â '']k: . -'r'''' â v.1 .- â 'â ,v^r -'quot;.v
V 'â¢._,.
|
i» De familienaam Memlinc komt in de archieven van Brugge niet éénmaal voor, tenzij dat van den schilder zeiven of van zijne kinderen gesproken wordt. Dat volkomen gemis van den familienaam brengt ons tot het besluit, dat Memlinc geen Bruggenaar was. 2° In de arcnieven van Brugge vindt men, gedurende de vijftiende en in de eerste helft der zestiende eeuw, den voornaam Jan ieder oogenblik, terwijl de naam Hans zeei zelden voorkomt en altijd nog door vreemdelingen gedragen wordt. In dien tijd wijst de naam Hans eene afkomst van buiten Vlaanderen aan. 3° De gebouwen op de oudste schilderijen van Memlinc voorkomende, dragen bepaald alle kenteekenen der Rhijnlandsche bouwkunst, even als die welke op de eerste schilderijen der Van Eycken gevonden worden, ook volkomen aan de kerken van het Maasland herinneren. Het laat zich licht verklaren dat dit karakter in de stukken, welke na een lang verblijf in Vlaanderen vervaardigd zijn, verloren gaat en dat de bouwstijl een meer Vlaamsch karakter aanneemt. 4° De type der figuren door Memlinc geschilderd, is, wanneer het geen portretten zijn, geheel Neder-Rhijnsch. 5quot; Het koloriet zijner schilderijen verraadt duidelijk den invloed der Keulsche school en geenzinn dien van Jan van Eyck. Dit is zoo sterk, dat vele kenners die de techniek der oude schilderijen niet in den grond bestudeerd hebben, meenden dat Memlinc eiwit bij het schilderen gebruikte. 6» Van VaernewijcK noemt Memlinc altijd âde Deutschen Hans.quot; i) Wij gelooven dat het gezin van onzen schilder, dat zich Memlinc, Memmelinc ook wel van Memelincghe noemde zijn naam heeft ontleend aan het kerspel van Memelinck 2) (tegenwoordig Medemblik) in Noord-Holland bij Alkmaar, aan de oevers der kleine rivier Medenielick, gelegen. Waarschijnlijk moest het gezin zijn verblijf verlaten toen de stad in 1426 door de Kenne-mers ingenomen werd. In de tweede helft der vijftiende eeuw vestigden zich verscheiden aanzienlijke personen uit Gelderland te Brugge, waaronder ook inboorlingen der steden Doetinchem en Doesburg. In 1478 vinden wij Memlinc te Brugge in minzamen omgang met den kleurder of verluchter Willem Vrelant, die van Geldersche afkomst was en later kwamen de kinderen van onzen schilder onder voogdij (de voogden waren altijd de naaste bloedverwanten des vaders of der moeder) van een zekeren Dirk van den Gheere, goudsmid, geboren te Doetinchem, die, door aankoop, op den 17 Januarij 1472 burger van Brugge geworden was 3). Alles pleit dus wel voor het vermoeden dat Memlinc in Gelderland het licht zag. Wij gelooven dat onze schilder omstreeks 1430 geboren is en 1) âHistorie van Belgis'quot;, en âArieu tractaet ende curte beschryvinghe van dat edel gratfscap van Vlaenderen, st. 121, ii. Gend 1562. 2) Het ligt buiten allen twijfel dat Medemblik in vroeger tijd aldus werd geschreven; zie H. soetrlioom, Oudheden van Zaan-land, Stavoren, Vronen en Waterland, Deel I, blz. 181, Amsterdam, 1702. In 1553 bestond te Amsterdam een familie zich Memelinck noemende. In de maand November van datzelfde jaar verscheen zekere Jacob Memelinck voor het bisschoppelijk hof van Utrecht en wel als machthebbende vertegenwoordiger van meester Adriaen Cordatus, kapellaan der kerk van Onze Lieve Vrouwe en St Catha- i RINA te Amsterdam. 3) Het raadhuis van Doetinchem in 1527 door brand vernield zijnde, loopen de gemeente-rekeningen niet booger dan 152J. In de rekeningen van latere dagteekening wordt noch van de familie Memlinc, noch van die Van dkn Gheere melding gemaakt. Hetgeen nog al opmerking verdient, is het groote getal familienamen dier plaats in de rekeningen van 1524 voorkomende en alle op li nek uitgaande zoo als: Brümmelinck, Egelinck, Jolinck, Rem-meunck, Willinck, enz. |
wel om de volgende redenen, i0 In de eerste uitgave van zijn beroemd werk, in 1550 verschenen, geeft Vasari op twee plaatsen 1) Memlinc aan, als leerling van Rogier van der Weyden die in Juni 1464 overleed. â 2» Guicciardini geeft hem in zijn werk over de Nederlanden, dat in 1561 voltooid werd, ook op als leerling van Rogier 2) 30 De Anonimo van Morelli, die in 1521 geschreven heeft, zegt dat in de Galerij van Kardinaal Grimani te Venetië een portret van Isabella, vrouw van Philippus, hertog van Bourgondie, aanwezig was, door Memlinc 3) in 1450 geschilderd, zijnde dat juist het jaar waarin Rogier Italië bereisde. Hoewel nog lang geen uitgemaakt feit, is het toch mogelijk I en zelfs waarschijnlijk dat Memlinc de leerling van Rogier van der Weyden was. Met vastheid is omtrent de jeugd van Memlinc niets bekend, ook kent men het jaar zijner komst te Brugge niet. In 1478 was hij aldaar gevestigd en waarschijnlijk reeds sedert eenigen tijd. Ongeveer negen jaar vroeger, dat is voor de maand Juli 1469, had Memlinc een meesterstuk uitgevoerd dat thans op de villa van den hertog van Devonshire te Chiswick bewaard wordt. Dit triptiek is versierd met de portretten van Sir John Dönne (zoon van Griffith en van Johanna Scüdamore); van Elisabeth zijne vrouw (jongste dochter van Sir Leonard de Hastings en van Alice, dochter van Thomas Lord Camoys), en van hunne dochter. Wijl Sir John en zijne vrouw de halsketen der Roos en der Zon, met daaraan hangenden zittenden leeuw op de schilderij dragen, moet zij na 1461 gemaakt zijn, en daar Sir John in den slag van Edgecote bij Banbury op den 26^ Juli 1469 sneuvelde is het stuk waarschijnlijk ook twee jaren ouder dan die datum, want Sir John liet drie kinderen, twee zonen en eene dochter na, welke laatste alleen bij hare ouders afgebeeld is. In 1478 schilderde Memlinc twee zijstukken voor de schilderij, die het altaar van het Gilde van S' Jan den Evangelist en S' Lucas, in de abdijkerk van den Eeckhout door de boekverkoopers en verluchters onderhouden, versierde. De rekeningen van het gilde geven omtrent die luiken de volgende aanwijzingen: âItem, ghegheven den scrinewerkere, V. s. g., te wetene: II. s. voor tcassiin van onse taefle, ende III s. g. van den duer-kins, dien ic meester Hans hebbe gheleent van der ghilde weghe. âItem, verleet tot Willem Vrelant, XII g, als deduerkins van onse taefle waren meester Hans besteit te makene. âItem, noch betaelt den scrinewerker, IIH s. g., van II ander duerkins. âItem, van II lekins daer de dueren mede ghehanghen ziin, betaelt VIH g. âItem, betaelt meester Hans up de II duerkins die hii heift van ons te makene, I 1. g.quot; 4). âItem, ghegheven meester Hans, al samen in een, III 1. n S. gquot; 5). Dit polyptiek werd in 1480 geplaatst 6). Het is wel te betreuren dat noch het onderwerp van het hoofdpaneel, noch dat 1) Le Vite dei pih eceellenii architetti, pittori et scnltori Italiani: Delia Pittura, c. XXI, en Vita d'Antonello da Messina. Firenze. 15^0. 2; Descrittione di tutti i Paesi Bassi, p. iqo. Anversa, 1567. 3) Morelli, tsTotizia if Op ere di Disegno nel la prima meth del Secoio XVI scritta da un Anonimo di qnel tempo, bl. 75, Bassano, 1800, 4) Arclüven der stad. Rekeningen van het Gilde van 1454 tot 1522. Rekeninge van Jan van Hesschen, als deken, 1 Januari tot 31 December 1478, fol. 96 v. 5) Ibid, Rekeninge van LieviN de ïoor.n are, als gouverneur, van 1 Januari tot 31 December 1479, fol. 101N 6) Ibid. Rekeninge van Pieter Aradiins, als gouvernuer, van 1 Januari tot 31 December I4S0, fol. 103. |
8
- 44 -
|
der zijstukken, door Memunc voor rekening van het Gilde uit- i gevoerd, aangegeven worden. Of het middenstuk of de luiken j waren met de portretten van Willem Vrelant en van Maria zijne vrouw versierd; dit wordt bewezen door het volgende uittreksel van een inventaris der goederen van het Gilde, den 2don | Januari 1500 opgemaakt 1). âNoch, boven dien, huerlieder outaer tafle metten viere dueren daer an ziinde, daer Willem Vrelant ende ziin wiif | zalegher ghedachte in gheconterfeit zijn; ghemaect bii der hand van wiilen meester Hans.quot; De schenkers waren zeer waarschijnlijk van hunne heilige patronen vergezeld. Wij houden ook voor waarschijnlijk dat het | middenstuk evenzeer door Memlinc voor Vrelant is geschilderd en dat deze het aan het Gilde ten geschenke heeft gegeven. Dit | zou de reden verklaren waarom het gilde ten zijne huize bijeenkwam om tot het bestellen der twee zijstukken te besluiten. Het polyptiek werd in 1490 schoongemaakt en op nieuw gevernist; ter zelfder tijd lieten Arnold Bazekin, deken, en een | ander lid van het Gilde, Jan de Clerc, voor eigen kosten op de ' achterzijden der twee laatst geschilderde luiken, twee graauwtjes schilderen: de Pleiligen Arnoldus en Nicolaas voorstellende 2). De voorgaande uittrekselen van de rekeningen hebben den | Heer Carton 3) doen gelooven dat Memlinc zich toen in de j uiterste armoede bevond, daar het gilde hem het paneel ter beschildering leverde en ook voorschotten op het nog te maken werk j betaalde. Deze gevolgtrekking is echter geheel ongegrond, want eene menigte voorbeelden geven het bewijs dat het vroeger alge- | meen in gebruik was, den schilder vooruit betalingen te doen en hem het paneel, dat men zelf had aangeschaft, te leveren. Memlinc bevond zich toenmaals zoo weinig in nood, dat hij ' nog voor de maand Mei 1480, van een goudslager Jan Goddier genaamd, drie met pannen overdekte huizen en een stuk grond kocht, gelegen in de straat over de Vlaminc brugghe, de tegen- i woordige S1 Jorisstraat. Dit eigendom was met jaarrenten belast, te zamen bedragende de som van 13 pond, 5 schell., 9 penningen. Op eene rekening van Mei 1480 komt Memlinc onder de twee honderd zeven en veertig voornaamste burgers voor, die gelden aan de gemeente-kas moesten leenen, tot dekking der kosten ' van den oorlog tusschen Maximiliaen en Frankrijk. Memlinc is gehuwd geweest; zijne vrouw heette Anna, en \ hoewel er geen bepaald bewijs voor bestaat, is het toch waarschijnlijk dat zij tot het geslacht van Valckenaere behoorde. Zij schonk hem drie kinderen: Hans, Cornelis en Clais. Zij stierf vóór den io(len September 14S7; hij zelf overleed tusschen den isten September 1492 en den ioll0n December 1495; waarschijnlijk in den loop van 1495. Bij de opgave der door den kunstenaar nagelaten goederen, welke formaliteit door de voogden op 10 December 1495 werd volbracht, waren de kinderen nog onmondig, dat is, volgens de toen in kracnt zijnde wetten, te zeggen dat zij den ouderdom van vijf-en twintig jaar nog niet bereikt hadden. Het vermogen, dat zij toen erfden, bestond, buiten de drie reeds genoemde huizen in twintig ponden grooten vlaamsch. Waarschijnlijk werd Memlinc in de kerk of op het kerkhof |
van S' Gillis begraven, hoewel de laatste rustplaats van den grooten meester, noch door grafschrift, noch door eenig ander teeken aangewezen wordt. Het huis door hem bewoond is herbouwd geworden, zonder dat eenig opschrift de plaats aanduidt waar de kunstenaar zijne laatste levensdagen doorbracht en de meesterstukken schilderde, die duizenden menschen doen besluiten Vlaanderens oude hoofdstad te bezoeken 1). MEMLDfC'S SCÃÃI1DEESTUKKEI. 1. Het tryptiek dat tegenwoordig op de villa van den Hertog van Devonshire te Chiswick in Engeland berust, is het oudst bekende schilderwerk van Memlinc. Op het middenpaneel ziet men een zittend Madonnabeeld, met een geopend boek in de linkerhand, en met de rechterhand het Kind J ezus, dat op haren schoot zit, ondersteunende. De linkerhand van het Kind rust nog op het boek dat' Hij doorgebladerd heeft. Hij wendt zich om en steekt de rechterhand uit naar een engel die Hem een appel aanbiedt. Links van de Heilige Maagd ziet men een anderen Engel, een draagbaar orgel bespelende. Ste Katharina, ter rechterzijde, en Sle Barbara, ter linkerzijde, nemen de schenkers Sir John Donne en zijne vrouw Elisabeth Hastings in bescherming, alsmede ook hunne dochter, die op den vloer geknield ligt. Dit tooneel is geplaatst in eene galerij, wier kolommen versierd zijn met kapiteelen, waarin de wapenschilden der schenkers opgenomen zijn. Op de zijstukken zijn de Heilige Joannes ije Dooi'ERende Heilige Joannes de Evangelist, in kamers, afgebeeld. De eerste is een beeld vol ernst en waardigheid; de Evangelist is nog in zijne jeugd. De achtergrond die met de meeste zorg is afgewerkt, bestaat in een bewogen landstreek, rechts eene rivier met zwanen en een watermolen; de molenaar keert, met een zak koren op de schouders, naar huis, zijn ezel volgt hem; over de brug loopt een man; aan het einde van die brug verheft zich een ronde toren, verder ziet men weer een man te paard, een koe en een toren; aan de linkerzijde heeft men een rivier, een weiland met een stier, en uchteraan ziet men een man, in het rood, op een wit paard het bosch op den achtergrond inrijden. Gelijk reeds gezegd is, moet die schilderij tusschen de jaren 1461 en 1469, wij gelooven eerder voor dan na 1466, vervaardigd zijn. De groote uitvoerigheid bewijst duidelijk dat Memlinc toen niet meer aan het begin zijner loopbaan stond. Op de buitenzijden der luiken zijn graauwtjes, het zijn standbeelden van S1 Antonius en S1 Chhistopiiobus, welk laatste zeer jong is voorgesteld. 2. Een der meest belangrijke schilderijen van den meester is het groote altaarstuk met bladen in 1479 voor het hoofdaltaar van het S'-Jans-Huus te Brugge afgewerkt 2). Op het middenpaneel is de Madonna in een open gaanderij of klooster, zittende in een metalen vouwstoel of faldistorium, met een rijke draperie, achter haar afhangende. Twee kleine engelen, sierlijk van vorm. 1) Om jegens de Bruggelingen niet van onbillijkheid beschuldigd te worden, moeten wij melden, dat op eene der stadspleinen een manneren beeld, ter eere van den meester in 1871 werd opgericht, hoewel dat beeld, eilaas.' niet van de gelukkigste is. 2) Kikenhout, hoogte 172 Ned. duim. Breedte van het middenstuk 172 Ned duim.-âZijstukken 79 Ned. duim. De onderteekening op den onderrand der omlijsting: OPVS. IOIIANNIS. MEMLING. ANNO. M.CCCC.LXXIX. 1479. is bijgewerkt. Daarop volgt een merk dat niet is, gelijk sommige schrijvers beweren, het merk van het St-jaxs-IIuus en ook niet dat van den schilder, gelijk andere veronderstellen, maar wel dat van de familie ]â quot;].( ukins. |
1
1 Archieven van den staat, te Brugge, Ltulc iS, N° 41.
â 45 â
|
zweven in de lucht en houden cene kroon boven haar hoofd. Aan de rechterzijde zit de Heilige Catiiauina, terwijl het Kind Jezus voorover gebogen den mystieken ring aan haren vinger steekt. Achter haar wordt een draagbaar orgel door een engel met alba en tuniek gekleed, bespeeld. Verder bevindt zich de Heilige Joannes de Dooper met het lam naast zich. Aan de andere zijde der Madonna draagt een knielende engel het boek der Wijsheid waarvan zij een der bladen zal omslaan, en meer achterwaarts staat de jonge zachtmoedige Evangelist S1 Jan in gepeins. Op den voorgrond zit de Heilige Bahbara aandachtig te lezen, achter haar staat baar emblema, de toren; waarin het Heilig Sacrament in een cylindervormigen hostiedrager geplaatst is. Op de kapiteelen der twee kolommen, welke recht; achter den troon der Heilige Maagd opgaan, ziet men het verschijnen van den Engel aan Zacharias, de geboorte en het naamgeven van S' Jan den Dooper. Tusschen die twee kolommen vertoont zich een landschap, dat zich tot op den achtergrond van het rechterzijstuk uitstrekt. De schilder heeft in dat landschap voorgesteld i0 S' Jan, biddend in een eenzaam woud, 20 predikende op een rotsachtige kolom ten aanhoore van een zevental personen (dit is een bekoorlijke compositie), 30 Jezus aan zijne discipelen aanwijzende, 40 Jezus doopende, 50 Jezus aan Andreas en een ander discipel aanwijzende, en 6° naar de gevangenis gevoerd wordende. Het onthoofden van S' Jan en de daarop betrekking hebbende gebeurtenissen vullen den voorgrond van dat rechter-luik, terwijl het verbranden van zijn lichaam te Sebaste, op bevel van Julianus den afvallige, het middendeel van den achtergrond vult en de reeks voorstellingen uit het leven van Joannes den Dooper sluit. Aan den buitenkant van het middenpaneel ziet men broeder Jan Floreins, kashouder van het hospitaal in het gewoon broedergewaad; tusschen den troon en de eerste kolom is hij nogmaals afgebeeld zijne ambtsplichten, als openbaar wijnroeier bij de kraan in de Vlamingstraat vervullende; het kleine kerkje van S' Jan staat in de verte. In het landschap van den achtergrond ziet men de volgende tafereelen uit het leven van den welbeminden discipel, i» Zijne indompeling in den ketel kokende olie; 3° hij wordt naar de schuit gevoerd, waarin een krijgsman hem wacht om hem naar het eiland Pathmos over te brengen; 30 hij doopt den philosoof Craton, wiens vrouw en een discipel achter hem geknield liggen. De gebeeldhouwde kapiteelen der kolommen aan deze zijde stellen de wederopstanding van Drusiana voor en S2 Jan drinkende, zonder dat hem eenig leed geschiedt, uit den giftbeker die voor de priesters van Diana noodlottig werd. Het linkerluik vertoont ons den Heiligen Joannes op het eiland Pathmos, geheel verdiept in de aanschouwing der apocalyptische visioenen. Deze compositie is bewonderenswaardig zocwel om de trouwe teruggave van den uit hooger bron gevloeiden tekst, als om de smaakvolle wijze, waarop zij is uitgevoerd. Op de buitenzijden der luiken zijn de broeders en zusters, die dit altaarstuk lieten schilderen, afgebeeld; zij liggen geknield bij hunne heilige patronen. Het zijn Antonius Zeghers, meester, Jacobus de Kuenick, kashouder, Agnes Casembrood, meesteresse en zuster Clara van Hulsen. De eenheid en de harmonie van teekening, welke in alle deelen heerschen, maken van dit altaarstuk, een dichterlijk geheel, dat indrukwekkend is voor allen die het aandachtig beschouwen. Het doel van den schilder was de beide joannessen, zijnde de twee patronen van het huis te vereeren en tevens ook een voorstelling te geven van de roeping der broeders en zusters, wier leven tegelijk aan bespiegeling en aan werkda-digheid gewijd was. Bewonderenswaardig is de uitdrukking der hoofdfiguren, terwijl de kleine groepen keurig afgewerkt en schoon zijn. Hoe dun ook geschilderd, bezit het koloriet buitengewone zachtheid en harmonie. |
3. In het S'.-Jans-Huus i) berust nog een ander tryptiek, het Kind Jezus voorstellende, dat aangebeden wordt, bij Zijne geboorte, door Zijne Moeder en de Engelen â bij de voorstelling in den Tempel, door Simeon en Ste Anna die het joodsche volk voorstellen â en ten derde door de drie wijze Koningen, de vertegenwoordigers der heidensche wereld. Dit derde tafereel is om dezelfde redenen, die het feest der Koningen met meerdere pracht dan dat der Geboorte doen vieren, tot middentafereel gekozen. Op de buitenzijden ziet men Joannes den Dooper, die Christus aan de Joden heeft aangekondigd, de Heilige Veronica, met den Doek, en den Doop van Jezus op den achtergrond. Inde architektonische omlijsting van het buitenste tafereel ziet men den val van Adam en Eva en ook hunne uitdrijving uit het aardsch paradijs. Op het middenpaneel heeft de schilder ter rechterzijde den schenker, broeder Jan Floreins, geplaatst, toen zes en dertig jaar oud en, achter hem, zijn broeder Jacois Floreins, handelaar in drogerijen te Brugge. Links staat een ander beeld met langen baard en een gele muts; hoewel geen het minste bewijs voor dergelijke veronderstelling bestaat, heeft men dat beeld voor het portret van MemlinC aangezien. In de zeventiende eeuw ging, volgens Van Oort, een ander beeld, en wel dat van Joannes den Dooper, op een der buitenzijden, voor het echte portret van den schilder door. Op de lijst vindt men driemaal de dooreengestrengelde voorletters van den broeder, I. F, en twee schilden met wapens. Daarnevens |
DIT, WERCK, DEDE MAKEN. LROEDER, IAN, FLOREINS, ALIAS. VANDER RITST, BROEDER. PROFFES, VANDEN, HOSPITALE, VAN. SINT, IANS, IN, BRUGGHE, ANNO, M, CCCC. LXXIX.
OPVS, IOHANIS. HEMLING,
|
Ons is van dezen meester geen stuk bekend, dat zooveel relief en tevens zooveel harmonie van kleur bezit. |
kashouder van het hospitaal. Zij worden door den Heiligen Jacobus den Meerdere aan de Heilige Maagd voorgesteld. Links ziet men de vrouw des schenkers met hare twaalf dochters, de tweede draagt het kleed der Dominikanessen. Zij staan onder bescherming van een Heilige van de orde der Predikheeren. De architektonische achtergrond geeft rechts en links doorzicht op een landschap. Het merk, dat minstens door drie leden der familie |
1
Een zeer merkwaardig paneel dat tegenwoordig in het bezit van Mevrouw de Gravin DuchAtel te Parijs is, stelt de glorierijke Maagd voor, gezeten op een troon onder het gewelf eener kerk, tegen over een doxaal. Rechts staat, met zijn zeven zonen, waarvan de oudste een priesterkleed en een koorhemd draagt, de schenker Jacobus Floreins, lid van het ambacht der drogisten en kruideniers van Brugge, en jongste broeder van den
2
Hcogtc 46 Ncd, duim. Breedte in liet midden 57- â Zijstukken 25,â Buitenzijden. Hoogte 48. â Breedte 25. â Eikenhout,
â 4 li â
|
Floreins gebruikt werd om hunne balen te stempelen en dat op de lijst van het altaarstuk van het S'-Jans-Huus staat, bevindt zich hier in een der ruitvormige ornamenten van het kleed dat onder de voeten der Heilige Maagd uitgespreid is. Waarschijnlijk is dit stuk in 1480 geschilderd. Jacobus Floreins is in de maand Juni 1488 overleden. 5. De Pinakotheek van Munchen bezit eon merkwaardig altaarstuk geschilderd in 1480 voor Pieter Bultinc en Catharina van Riebeke zijne vrouw, die het aan het huydevettersgilde ten geschenke gaven om hun altaar, in de oost-kapelle van Onze Lieve Vrouwekerk te Brugge, te versieren. Het hoofdtafereel is de groote openbaring van den Christus aan de wereld der ongeloovigen, de aanbidding der Wijzen. Zeven-en-twintig kleinere tafereelen stellen dergelijke openbaringen van den Christus of aan de gan-sche wereld of aan bijzondere personen, voor. Deze onderwerpen zijn ten aanzien der voor de schilderij bestemde plaats volmaakt goed gekozen. In den katalogus van Munchen wordt dit stuk âDe zeven vreugden der Heilige Maagdquot; genoemd; âChristus, het licht der wereldquot; zou een meer passende titel zijn. 6. Op het Museum van Turijn is een altaarstuk aanwezig, liet Lijden van Onzen Heer in een reeks tafereelen voorstellende. Rechts en links in de hoeken ziet men op den voorgrond den ischenker en zijne vrouw op de knieön. 7. 8, 9. De portretten van Willem Moreel, van zijne vrouw Barbara van Vlaenderberch en van hunne tweede dochter Maria, die vroeger in het Hospitaal S' Julianus te Brugge waren, dagteekenen van het jaar 1480. De twee eersten zijn tegenwoordig op het Museum van Brussel en het laatste is in het S'-Jans-Iiuus. 10. De National Galery te Londen bezit een schoon paneeltje dat eene Madonna voorstelt, zittende in eene gaanderij, ter rechterzijde, ziet men een Engel een mandoline bespelen, en links den geknielden schenker, die door S1 Joris beschermd wordt. 11. Nog bezit het S' Jans Hospitaal een diptiek in 1487 voor Maarten van Nieuwenhove geschilderd en door hem aan het S' julianus-Hospitaal, waar hij voogd was, aangeboden. Liet rechterpaneel wordt ingenomen door een zittend beeld der Heilige Maagd, het Kind Jezus vasthoudende; op het linkerpaneel ziet men een heerlijk schoon portret van den schenker, ten halve lijve, met saamgevouwen handen, biddende voorgesteld. 12. De vermaarde houten relikwiekast, genaamd de S'Ursula-rijve, versierd door eene reeks miniaturen, werd voor den 24sten Oktober 1489 voltooid, wijl Gillis de Bakdemaker, Suffragaan Bisschop van Doornik, op dien dag de relikwiën voor welke zij gemaakt was, uit eene andere evenzeer beschilderde houten kast daarin overbracht. |
De zes paneelen die de zijwanden der rijve versieren stellen de volgende tafereelen voor uit de legende der elf duizend Maagden. â x. De aankomst te Keulen; op den achtergrond wordt aan St0 Ursula de marteldood door een Engel voorspeld.â 2. De ontscheping te Bazel; in de verte ziet men de Alpen en eenige pelgrims die zich naar de hooge toppen begeven. â 3. De aankomst te Rome en de ontvangst door den Paus; op den achtergrond ontvangt Slt;(J Ursula de Heilige Kommunie, uit handen van den Paus, terwijl eenige harer gezellen biecht spreken en andere gedoopt worden. â 4, In de verte de terugkomst over de Alpen; op den voorgrond de aankomst te Bazel en de weder-inscheping op den Rhijn. â 5. De aankomst te Keulen en het vermoorden der Maagden. â 6. De marteldood van Ste Ursula in het legerkamp van den hoofdman der Hunnen. Aan de uiteinden der rijve ziet men de H. Maagd, met twee voor haar knielende engelen, en Stc Ursula een tiental harer gezellinnen onder haren mantel beschermende. Op elk schuin vlak van het dak is een groot medaillon tusschen twee kleinere. De laatsten zijn gevuld met beelden van Engelen, die muziekinstrumenten bespelen; in de grootere ziet men S,e Ursula in den Hemel, omringd van hare gezellinnen en Stc Ursula, de kroon der martelaren uit de handen der Heilige Drievuldigheid ontvangende. Van de hierboven genoemde stukken is de echtheid bewezen ; buiten deze vindt men in openbare Musea en in partikuliere verzamelingen een aantal schilderijen die aan onzen Meester toegeschreven worden. W. H. James Weale. Onder de schilderijen waarvan de echtheid niet onvoorwaardelijk bewezen is maar wier schoonheid en karakter de toekenning aan Memlinc schijnen te rechtvaardigen, zijn er twee die bijzondere aandacht verdienen. Vroeger berustende in de over-schoone kollektie door wijlen Koning Willem H in zijn paleis te 's Hage bij- een-gebracht, kwamen zij later in het bezit van Z. K. H. Prins Frederik der Nederlanden. Het zijn twee paneelen 1), de levensgeschiedenis van den Heiligen Bertinus voorstellende; ieder paneel vereenigt vijf verschillende tafereelen. Op het eerste zien wij een bisschop in pcntifikaal gewaad, waarschijnlijk den schenker, en een ander geestelijke beiden voor een bidstoel geknield, iets achterwaarts staat een engel met een wapenbord. De tweede en derde afdee-lingen vertoonen de geboorte van den Heiligen Bertinus 2) en zijne opname op veertienjarigen leeftijd in het klooster van Luxeuil, in Bourgondie. Het vierde tafereel stelt voor de aankomst van Bertinus en van zijne twee vrienden, S' Momolin en S' Ebertran te Therouenne of Travanne, waar de Heilige Audomarus bisschop was. In het klooster van Luxeuil te zamen opgevoed, werden zij naar dien Bisschop gezonden om aan de bekeering der ongeloovigen te arbeiden. Op het vijfde tafereel ziet men den Heiligen Bertinus en zijn twee gezellen in gesprek met Aldroald, den tot het christendom bekeerden edelman die hem het landgoed Sithiu ten geschenke gaf; ter eere van den Heiligen Petrus werd daar een klooster gebouwd dat later naar zijn stichter en eersten abt de abdij van S' Bertinus genaamd werd. Deze vijf tafereelen en ook de vijf volgende zijn geplaatst onder bogen in gothischen stijl. Bij de tweede reeks ziet men vooreerst den Heiligen Bertinus die het water uit een vat in wijn veranderen doet. Op den achtergrond ziet men eenige ruiters, een hunner is van zijn paard gevallen; waarschijnlijk dezelfde, dien men een tweede maal in gezelschap van een monnik bij de verandering van het water ziet staan. Verder zien wij denzelfden |
1
Hoogte 0,56 Ned. duim. Breedte 1.55.
47 â
|
edelman het priesterkleed uit de handen van Sl Bertinus ontvangen in tegenwoordigheid van zes getuigen; drie van hen dragen het monniksgewaad. Misschien moet deze bekeerde man wel ridder Heremar zijn die den vromen abt het landgoed van Wounhoult schonk waar het klooster, bekend onder den naam van S1 Winocsbergen, op gebouwd werd. Dan volgt een preek en een onderhoud van S1 Bertinus met een bisschop. Op dit tafereel ziet men eene rijk gekleede vrouw, die den abt van den goeden weg schijnt te willen afbrengen, en waarschijnlijk de bekorende booze geest moet zijn. Het slottafereel stelt het sterfbed van den Heilige voor; twee ridders en vijf geestelijken omringen zijn legerstede en brengen hem de laatste hulp der godsdienst. De Heilige Bertinus stierf in 709 nagenoeg honderd en twaalf jaar oud. |
Zuiverheid en sierlijkheid van teekening gepaard aan edel karakter, groote uitvoerigheid, dunheid der verwen en groote harmonie van kleur zijn de hoedanigheden welke deze beide paneelen aan de hand van den grooten meester doen toekennen. (Noot van C. Ed. T.) |
aan JAÂ¥ GOSSAERT toegescliTeveii.
|
Nder de merkwaardigste gedenkteekenen van godsdienstigen bouwtrant, waarop X België zich te recht -verhoovaardigt, be-j kleedt de kerk van clen H. Gummarlt-, yj te Lier, in de provincie Antwerpen, eene voorname plaats. Zij werd in 1425 begon-£ nen, om de Kerk van den H. Joannes den Dooper, die, verscheidene eeuwen oud, bouwvallig geworden was, te vervangen. Degroote beuk van den nieuwen tempel werd in 1443 en de kruisbeuk in 1475 voltooid. Het koor, dat eerst lang daarna en wel in 1515 voltooid werd, veidient inzonderheid onze aandacht. Het is roet geschilderde glasramen versierd, welke onlangs naar eisch hersteld, voorzeker tot de beste behooren, die ons van het begin der XVI0 eeuw zijn overgebleven. Als in vele oude kerken, verheft de hoogzaal (doxaal) zich voor het koor. Zij is een meesterstuk van het laatste tijdperk des ogivalen stijls en vormt den waardigen tegenhanger der beroemde hoogzaal van Dixmuyden. Jammer, dat men bij de herstelling, vóór een twintigtal jaren, eenigszins van het oorspronkelijke plan is afgeweken. Achter het koor, in den omgang, treft men eene kapel aan, oülings de Kolvenierskapel ook wel de Colibrantschekapel genaamd, nademaal zij, in 1480, door ridder Joris Colibrant, ten behoeve van het Liersche Kolveniersgilde werd gebouwd. Het altaar dier kapel, thans S1 Rochus kapel geheeten, was vroeger aan S' Christoffel, patroon der Kolveniers, toegewijd. A7an daar dat men ze ook wel de kapel van den H. Cheistoitel noemde. Met altaarstuk, een tiiptiek, is ontegenzeggelijk een der fraaiste gewrochten, welke wij van de oude Vlaamsche school bezitten. |
Er is, op verschillende tijdstippen, veel over dit tafereel, zijne beteekenis, den kunstenaar, die het vervaardigde, en den milden schenker, die er de kerk mede begiftigde, getwist geworden. Lang heeft men beweerd, dat het eene gewichtige gebeurtenis uit de geschiedenis van Nederland, namelijk de echtver-eenieing van Philips den Schoone met Joanna van Kastiuë, dochter van Ferdinand en Isabel van Spanje, -welke in 1496 te Lier gevierd werd, voorstelde. Zelfs meende men, dat het op last van Philips voor de kerk van den H. Gummarus werd gemaald. Ook werd het, uithoofde van zijne hooge kunstwaarde, achtervolgens aan de voornaamste meesters der oude Vlaamsche school, als daar zijn Jan' Van Eyck, Rogier Van der Weyden, Memlinc, Bernhart van Orlev, Lancelot Blondeel, Hugo Van der Goes en Jan Gossaert toegeschreven. Zelfs heeft men er een werk van Albert Durer in willen zien, een gevoelen door niets hoegenaamd gerechtvaardigd en dat wij alleen vermelden, om te bewijzen tot hoe vele uit een loopende meeningen het stuk heeft aanleiding gegeven. Alvorens de zaak naauwkeuriger te onderzoeken, achten wij het echter noodig hier eene beschrijving van het kunstwerk te laten volgen. Het voornaamste paneel stelt eene gothieke kerk voor. In het midden de H. Maagd met S' Jozee, wier huwelijk door een hoogepriester wordt ingezegend. Maria heeft een blaauw kleed aan en een mantel van dezelfde kleur. Op haar hoofd prijkt een diadeem, met edelr.teenen bezet. S» Jozef draagt een rood onderkleed met een rooskleurigen mantel. In de eene hand houdt hij eene kruk, met bloemen versierd. De hoogepiiesler is als een bisschop, met blaauwe koorkap en groenen mijter, voorgesteld. Twee jongelingen, als edellieden der XV» eeuw gekleed en met takken in de hand, staan aan de rechterzijde van S' Jozef, alsmede twee ouderlingen in Turksch costuum. -Niet verre van daar, op den achtergrond, ontwaart men een bejaard man, met baard en knevels, in wien men den vervaardiger van het tafereel vermoedt. Aan de overzijde, bij Maria, ziet men twee jonkvrouwen, en wat verder, bij eene tialiedeur, f.vee mannen in Burgondisch gewaad. Eene prachtige hoogzaal beslaat geheel den achtergrond. Die hoogzaal is verrijkt met een aantal beeldjes: verscheidene koningen van Juda en, in de middelnis, Mozes met de Tafelen der Wet. Van weerszijden basreliëfs, verbeeldende het Pinksterfeest, de Kroning van Maria, de Vlucht naar Egypte en Christus tusschen de Leeraren in den Tempel. â Achter de hoogzaal, het koor, met een aantal puntboog vensters. |
|
'. â¢_ â %â |
â¢â ': ;v: | |
|
⢠quot;â vv-v:^ | ||
: : :: J â .w ⢠-v
JAN GOSSAERT
â â¢IIRISTEI'IJKE KUti:j : \
|
Het geheel is zeer kunstig saamgesteld en maakt een allerliefst effekt. Het linker luik stelt de Opdracht in den Tempel voor. Hier weder bevinden wij ons in eene gothieke kerk. De grijze Simeon, die gelukkige grijsaard, in het groen en goudbrokaat gekleed, als een priester der Oude Wet, torscht het kind Jezus in de armen. Nevens heir, een man met eene waskaars in de hand. De H. Maagd in een blaauw kleed met een sluier om het hoofd. Zij houdt de armen op de borst gekruist. Achter haar bemerkt men twee vrouwen. Rechts S' Jozef met de offergift, twee duiven. In het bovenste gedeelte van het paneel vier basreliëfs: de Kruisdraging, de Kruisiging, de Afdoening en de Begrafenis van Christus. Door eene deuropening ziet men buiten eenen tempel met een Romaanschen toren. In het rechter luik bebben wij de Boodschap aan Maria. De H. Maagd, in een blaauw kleed gehuld', zit biddende voor eene knielbank. Zij heeft een half geopend boek in de linker hand. Niet verre van haar, op den voorgrond, staat een porseleinen vat met een leliestruik. De engel Gabriël, die haar de blijde boodschap brengt, staat eerbiedig groetend. Eene albe en eene bruine dalmatica met goud doorwrocht en rnct groen geboord, vormen zijn gewaad j zijne vleugels zijn donkergroen, lichtgroen en bruin. In de linker hand draagt hij een schepter. Boven het hoofd van de H. Maagd zweeft de H. Geest. In het bovendeel van het paneel basreliëfs, insgelijks onderwerpen voorstellende uit het Nieuwe Testament; Het Bezoek van Maria, de Aanbidding der Herders, de Drie Koningen te Bethlehem en de Verschijning van Christus aan Maria, na zijne Ver rij se nis. Door de opene deur op den achtergrond ziet men een bergachtig landschap en S4 Jozef, die hout hakt, terwijl de os en de ezel verder grazen. â In een huis, rechts, ligt S'Jozef te slapen, terwijl een engel hem in den droom verschijnt, om hem het geheim der Menschwording aan te kondigen. Te recht heeft men doen aanmerken, dat het triptiek van Lier eene soorl; van geschilderd gedicht vormt, ter eere van de H. Moeder des Zaligmakers. Inderdaad: in het midden hebben wij de Trouw van Maria en van weerszijden de Boodschap en de Opdracht in den Tempel. Voegt men hierbij de onderwerpen in de basreliëfs, zoowel van het middenpaneel als van de luiken behandeld, dan vindt men de gewichtigste gebeurtenissen uit het leven der H. Maagd in een schoon en zinrijk geheel vereenigd. De buitenkant der luiken is mede zeer fraai geschilderd. Gelijk men wel denken kan, stellen de luiken hier de leden der godvruchtige familie voor. die het triptiek aan de kerk vereerde. Al die leden zijn in het wit gekleed. Op het rechter luik knielt een ridder van middelbaren leeftijd en in het kostuum der XV0 eeuw. Bij hem bevinden zich zijne twee zonen, de een met een stalen, de ander met een gouden pantser, doch overigens beiden in de kleedij van denzelfden tijd. Aan den linkerkant van het luik staat de patroon van den ridder, S1 Jan Baptist, met het mystieke lam. Boven de vier personaadjes bemerkt men een wapenschild: van zilver met twee afgesneden leliebloemen van sabel, voorts: een vrij kanton, van goud met drie meerlen van sabel; het schild bekroond met een stalen helm met gouden lis. ; Het helmsieraad bestaat uit: een gouden kuipken, waaruit het borstbeeld steekt van een gebaarden man, met een onderkleed van goud en eens muts van het zelfde metaal, met bruin pels | geboord. De helmdekken zijn van zilver en van goud of sabel; het valt moeilijk te onderscheiden. |
Komen wij tot den buitenkant van het linker luik. Hier vinden wij het afbeeldsel van de gemalin des ridders met hare dochter. De edelviouw is, even als haar gemaal, geknield, en vouwt de handen saam. Een witte sluier versiert haar hoofd. De jonkvrouw schijnt tusschen de twaalf a veertien jaar oud te wezen. Nog ziet men op het luik den patroon der edelvrouw, S' Jacob den Meerdere. In het bovendeel van het luik houdt een engel een ander wapenschild; van keel met twee vrouwenhoofden van vleeschkleur, in het schildhoofd, en eene gouden 6-puntige star in den schildvoet. De wapenschilden laten geen twijfel bestaan omtrent de namen der schenkers van het tafereel. Het eene is dat van de adellijke familie Colibrant, en het andere dat van de familie Meyngiaert. De eerste behoorde tot de oudste van het hertogdom Brabant; de tweede was mede zeer aanzienlijk. Men ontmoet beide namen in de lijst der Antwerpsche magistraten. Uit de opzoekingen van verscheiden geleerden, die zich met het triptiek hebben bezig gehouden, is gebleken, dat het afbeeldsel van den ridderhetgene is van Jan Baptist Colibrant, en dat van de edelvrouw hetgene van Jacoba Mevngiaert, zijne echtgenoote, welke op het einde der XV0 eeuw te Lier metterwoon waren gevestigd, waarschijnlijk in een huis op de Markt, dat lang den naam van het Huis van Colibrant heeft gedragen. Dat de ridder zijn echt niet drie kinderen, twee zonen en eene dochter, had zien zegenen, en dai zij, toen het tafereel gemaald werd, den leeftijd moesten hebben, hun door den schilder gegeven, is tevens historisch bewezen. Jan Baptist Colibrant was de zoon van Jan Colibrant en van Johanna van Heffen. Men veronderstelt, dat hij hoofdman was van het gilde der Kolveniers, en de Trouw van Maria liet schilderen voor het altaar van 't gilde in de S* Christoffel-kapel. Wij zegden reeds, dat die kapel ook de Colibrantsche werd geheeten, en niet zonder reden, vermits zij insgelijks voor het gilde werd gebouwd en wel, gelijk wij mede gezegd hebben, op kosten van ridder Joris Colibrant, broeder van Jan Baptist, later schepen van Lier. Zij prijkte vroeger met geschilderde glasramen, aan de Kolveniers geschonken door de Antwerpsche familien Draeck, Van der Werve en Van Wachtendonck, alle drie aan de Colierant's verwant. Bestaat er geen twijfel meer omtrent de schenkers van het kunstwerk, het is op verre na niet eveneens gesteld met den verrnoedelijken vervaardiger. Hier lasten wij nog altoos in het duister en zullen wellicht nooit met zekerheid weten wie het meesterstuk heeft gemaakt. Immers, zoomin de archieven der kerk van S* Gummarus, als die der stad Lier, welke nochtans rijk zijn ar i oorkonden en bescheiden van allen aard, bevatten een enkel document, dat ons de noodige inlichtingen kan verschaffen. Wij moeten ons derhalve met het onderzoek en de beredeneering bevredigen der gissingen en veronderstellingen, waartoe het tafereel al zoo heeft aanleiding gegeven. Doch eerst moeten wij doen aanmerken, dat het gevoelen, als zoude de Trouw van Maria het huwelijk van Philips den Schoone met Joanna van Kastilië voorstellen, enkel op de omstandigheid berust, dat inderdaad het gewrocht kort na den tijd werd vervaardigd, waarop die voor Nederland zoo gevolgrijke gebeurtenis plaats greep; en dat niets, behalve misschien eene plaatselijke overlevering zonder gezag, dit gevoelen komt staven. Wel wordt het door het Verslag over den Toestand der Stadamp;-zaken, (c Lier, van 1851â1852 aangehaald; wel werd het later door dezen en genen schrijver als gegrond beschouwd; doch niemand weet van de echtheid dier overlevering eenig bewijs te |
- 50 â
|
geven. Daarentegen is er eene bijzonderheid, welke met dit gevoelen en de overlevering, waarop bet steunt, altoos zal in strijd wezen. Ziehier hoe de heer Génard, archivaris der stad Antwerpen, die bijzonderheid toelicht in zijne verdienstelijke aanteeke-ning i) op de schilderij, een gewrocht, welk ons bij het schrijven van dit opstel van grooten dienst geweest is: ,,Wy hebben gezien, dat men beweert de portretten van Philips den Schoone en Johanna de Dwaze te herkennen onder de trekken van den heiligen Joseph en van de Moeder Gods. Doch onze aertshertog had ter nauwernood den ouderdom van achttien jaer bereikt tydens zyn huwelyk, te Lier, in 1496, met de spaen-sche vorstin, terwyl de heilige Joseph van het triptiek, en dat tegen alle denkbeelden door de beeldbeschryvers aengenomen. er niet minder dan zestig telt. In der waerheid, zoo men ten allen pryze de portretten van Philip den Schoone en van Johanna van Kastielje in het tafereel van S1 Gümmarüs wil vinden, zou men ze moeten zoeken in den baerdeloozen jongeling en de jongvrouw met haer zwart hoofdhulsel, die Joseph en Maria vergezellen. AVie weet of er, op deze wyze, geen middel zyn zou, om der volksoverlevering gelyk te geven.quot; Brengt men die tegenwerping in verband met de beschiij-ving, die wij hierboven van het tafereel gaven, en waaruit blijkt, dat de kunstenaar wel degelijk een zinrijk werk ter eere van de H. Maagd heeft willen uitvoeren, dan zal men moeten bekennen, dat van de echtvereeniging van Philips en Johanna hier geene spraak kan wezen. AVat den vermoedelijken vervaardiger aangaat, kunnen wij ons de moeite sparen de meening te bestrijden van hen, die het tafereel aan Albrecht Durer hebben toegeschreven. Mets toch is er, hetwelk die meening in eenigen deele kan rechtvaardigen. Nagenoeg het zelfde geldt voor de meening, als zoude Jan Van Evck of Memlinc het stuk gemaald hebben. Zeker is de Trouw van Maria zeer schoon en de omstandigheid, dat men ze aan zulke groote meesters heeft kunnen toeschrijven, bewijst het ten overvloede. Niet alleen is de opvatting zoo verheven als dichterlijk; de uitvoering is die opvatting overwaardig. Desamen-stelling verdient meesterlijk te worden genoemd, daar zij, even wijs als efifektvol, bij al hare natuurlijke eenvoudigheid eenen indruk wekt, die aan eerbied grenst en gewoonlijk slechts door het grootsche wordt verkregen. Daarbij is de teekening sierlijk, de penseeling allerzorgvuldigst, zonder de minste angstigheid te verraden. De draperijen zijn streng, breed en toch uitvoerig behandeld. Het coloriet, min schitterend dan bij Van Eyck en Memlinc, is rijk en vol harmonie. De figuren zijn wel gekozen, de typen gelukkig, de houdingen edel en de uitdrukking dei-hoofden is waar en bevallig; zij verraadt diep gevoel. AVij herhalen het, het geheel maakt een indruk, die dengenen van het verhevene nabijkomt; en al de deelen zijn met een beleid en een kunstvaardigheid geschikt en behandeld, die ook den min ervaren kunstvriend, bij meer aandachtige beschouwing, doet beseffen, hoe hij zich voor een waar meesterwerk bevindt.... Toch kunnen wij niet begrijpen, hoe men aan Jan A'an Evck of Memlinc hebbe gedacht. Hoe voortreffelijk ook, heeft het enkel met de werken dezer meesters die hoedanigheden gemeen, welke men in al de gewrochten der Brugsche school aantreft. |
Men heeft van Bkrnhakt van Orlev, Hugo Van der Goes en Lancelot Bi.ondeel gesproken. AVij kunnen ons met die zienswijze evenmin vereenigen. AA'ij hebben van de twee eersten geen enkel gewrocht ontmoet, hetwelk ons de mogelijkheid aantoont, dat een hunner de Trouw van Maiiia zou kunnen gemaald hebben. â M. Alfred Michiels is tot hiertoe de eenigste, die op het zonderlinge denkbeeld kwam ze Lancelot Blondeel toe te schrijven; maar de wijze, waarop hij zijn gevoelen ontwikkelt, doet ons veronderstellen, dat hij ze evenmin gezien heeft als andere gewrochten, waarover hij ex cathedrd een oordeel velt. AVel verre van het stuk met alle kunstkenners recht te laten wedervaren, loochent hij dezes hooge kunstwaarde. Hij noemt de figuren mislukt, de neuzen lang en stijf, de oogleden zwaar, de oogen pinkend, [ de gelaatsuitdrukking dom. Kortom de Trouw van Maria is, volgens hem, een misgewrocht, gelijk alleen Lancelot Blondeel er een konde malen, over wien hij verder een gevoelen uit, waarin zeer waarschijnlijk weinigen met hem zullen deelen. Nog eens, wij twijfelen grootelijks of de Heer Michiels onze schilderij kenne. Het eenige wat aan Blondeel zoude kunnen doen denken, is het architektonisch gedeelte, omdat deze insgelijks de gewoonte had dergelijke opluisteringen in zijne tafe-reelen te pas te brengen. Dat men Rogier Van der AVevden genoemd hebbe, bevreemdt ons minder. Zeker is het, dat men, bij den eersten oogopslag, in de Trouw van Maria een werk van hem meent te zien. Het coloriet is dat van dezen meester niet, doch het a'ge-meene voorkomen herinnert aan verscheidene zijner gewrochten. AVij zouden dan ook wel geneigd zijn hem het stuk toe te kennen, zoo niet zekere bijzonderheden ons toeschenen nog meer ten voordeele van een anderen kunstenaar te pleiten. Die kunstenaar is Jan Gossaert, ook onder den naam van Jan van Mabuse of van Mauueuge bekend. Alvorens uit te leggen, waarom wij verkiezen in het gevoelen te deelen van hen, die in hem den vervaardiger zien, moeten wij echter nog eene meening vermelden, welke door den Heer Génard geopperd werd. Bij de beschrijving van het middenpaneel hebben wij twee figuren verwaarloosd, die met de samenstelling niet in verband staan en enkel ten doel schijnen te hebben eene ledige ruimte aan te vullen. In het onderste gedeelte namelijk bevindt zich, aan den linker kant, een aap, op een beer gezeten, die op den grond ligt. De aap heeft een ketting om den hals, waarvan het eene eind loshangt. De Heer Génard viaagt, of men die twee dieren niet als eene soort van naamraadsel moet beschouwen, gelijk sommige schilders van dien tijd en zelfs van lateren tijd er zich niet zelden veroorloofden. Hij veronderstelt, dat de aap, in onze oude taal weieens Marten, Merte of Merteken genoemd, op een voornaam duidt, en dat de beer enkel den familienaam De Beer moet aanduiden. Zoodat ten slotte de vervaardiger der schilderij Marten De Beer zoude heeten. Dat niemand ooit iets van een schilder Marten de Beer hebbe vernomen, hindert den Heer Génard niet. De naam De Ukkr is, in allen gevalle, in de Nederlandsche kunstgeschiedenis niet onbekend, en de Liggere der Antwerpsche S' LüCAS-gilde toont, dat eene kunstenaarsfamilie van dien naam, op het einde der XVU en bij den aanvang der XAH0 eeuw te Antwerpen biocide. In 14S0 trad zekere Jan De Beer als leerling in de werkplaats van Gillis Van der Cueren en in t499 is een Thomas De Beer leerling van Lucas Tiionvs. In T504 spreekt de Liggere van Jan De Beer als meester en in 1515 als eersten deken van het Gilde. In 1510 wordt Pieter de Bei r als meester toegelaten en |
1
Aentcekening over esttc scJiihicry met hare luiken der XVe eeuquot;u)j lveJJ:c
|
in 1529 treedt Arnold of Aert De Beer in de Gilde. Eindelijk wordt nog in 1535 van Jacob De Beer gewaagd. Vergeten wij niet aan te stippen, dat Van Mander insgelijks Arnold De Beer vermeldt, dien hij een wonder kloeck kunstenaar noemt. Zoo als men ziet, is nergens spraak van een Marten De Beer ; doch de Heer Génard veronderstelt, dat deze dan de vader of grootvader zal geweest zijn van de kunstenaars, welker bestaan de Liggerc veropenbaart. Het is, men zal het met ons bekennen, vrij vernuftig uitgedacht. Ook hebben wij niet geaarzeld van die verklaring voor eene historische novelle 1) gebruik te maken. Daar het evenwel hier geen verdichting geldt, daar het ons in het onderhavige opstel om historische waarheid te doen is, zullen wij niet langer bij het veronderstelde naamraadsel stil houden. Wij zijn de eenige niet, die insgelijks meenen de Trouw van Maria aan Jan Gossaert te mogen toeschrijven. De Heer Avontroodt, vóór 1830, stadssecretaris te Lier en de eerste, die, naar men gelooft, er de aandacht op vestigde, spreekt van een oud pergament aan het f.iersche Kapittel toebehoorende, en waarin deze naam wordt opgegeven. Ongelukkig is van dit pergament geen spoor meer voorhanden. Onder de voorname kenners, die het tafereel aan Gossaert toeschreven, kunnen wij wijlen Z. M. Leopold I noemen, die, naar men ons verzekert, tijdens zijn bezoek te Lier, in 1856, verklaarde er de hand van dien meester in te herkennen. Wat inzonderheid ons dit gevoelen doet aankleven, is de vergelijking van de Trouw van Maria met het bekende triptiek Christus bij Simon den Phariseër, in het Museum, te Brussel. Ook dit stuk werd beurtelings aan verscheidene meesters en, wat opmerking verdient, insgelijks aan Rogier Van der Wevden en Lancelot Blondeel toegekend. Later herkende men het voor een werk van Gossaert door de vergelijking met een altaarstuk van den meester, dat zich in de hoofdkerk te Praag bevindt. Niet alleen stemt het algemeene voorkomen van de lirusselsche schilderij met dat van de Liersche overeen; ook de samenstelling en het coloriot duiden denzelfden kunstenaar aan. Even als in de Trouw van Maria, speelt in Christus bij Simon den Phariseör de bouwkunst eene voorname en, mogen wij er bij voegen, nagenoeg dezelfde rol. Het eenige onderscheid is, dat terwijl in de eerste de kerk en de hoogzaal in zuiver gothieken stijl zijn, in de tweede een fantastieke bouwtrant heerscht, een mengsel van gothiek eri renaissance, licht door het tijdstip der vervaardiging te verklaren. De algemeene toon verschilt weinig, of liever geheel niet in beide triptieken. Schitterend kan men, zoomin de kleur van het Brusselsche als van het Liersche noemen, doch zij is even vast en harmonisch, en het ontbreekt haar, ondanks hare kalmte, niet aan kracht, wat mede de gelijkenis zoo treffend maakt. Zelfs in de keus der stoffen en de kleur der costumen van Brussel vinden wij den vervaardiger des tafereels van Lier weder; en dat de draperiën in beide stukken omtrent denzelfden slag hebben, kan niet worden betwist. |
J)e zinrijke beteekenis van het geheel treft men te Brussel niet aan, wat vooral daaraan te wijten is, dat wij hier met een onderwerp van geheel anderen aard te doen hebben. Nochtans verdient het onze aandacht, dat, zoo wij in het middenpaneel Maria Magdalena aan de voeten van Christus zien, het rechter luik de Hemelvaart van de H. Maagd, en het linker de Opwekking van Lazarus voorstellen, zoodat zich ook hier het streven naar innigen samenhang der verschillende paneelen, alhoewel in veel mindere mate, doet gevoelen. De teekening is te Brussel minder sierlijk, doch het beeldwerk herinnert wederom aan dat van Lier. Immers, boven, in het midden van het voornaamste architektonische gedeelte des hoofdpaneels, is, in een medaillon, insgelijks Mozes met de tafelen der Wet afgebeeld, even als in de middelnis van de hoogzaal der Trouw van Maria. Wij vinden eindelijk te Brussel ook iets in den aard van den aap en den beer van het Liersche tafereel. In het midden der zaal, door het hoofdpaneel voorgesteld, en nogmaals in eene ledige ruimte, ziet men vóór de tafel, waaraan Christus, Simon den Phariseër en andere personen zijn gezeten, een eekhoorn, die een appel eet. De eekhoorn heeft, even als de aap van Lier, eene ketting om den hals. Dat alles schijnt ons het gevoelen van die kunstkenners, welke zich voor Gossaert of Mabuse verklaren, genoegzaam te rechtvaardigen. Zekerheid, wij herhalen het, hebben wij voor alsnog geenszins, en zullen wij wellicht nooit hebben, zoo niet de oorkonde, door den Heer Avontroodt vermeld, wordt teruggevonden; doch men zal met ons bekennen, dat er meer dan eene ernstige reden bestaat, om van dit gevoelen rekening te houden. Dat Gossaert met Lier in betrekking stond en zelfs te Lier geweest is, daaraan valt niet te twijfelen. Gelijk de Heer Anton Bergmann, in zijne Geschiedenis van Lier zegt, 1) was deze meester bevriend met Ciiristiern van Denemarken. Men weet dat Christiern, schoonbroeder van Keizer Karel, na zijne verdrijving uit Denemarken, een geruimen tijd te Lier verbleef, alwaar nog het huis, dat hij met zijn gezin bewoonde, het Hof van Denemarken genoemd wordt. Van de eerste levensjaren, studiën en werken van Jan Gossaert weet men niets met zekerheid te verhalen. Llij werd omstreeks 1470 te Maubeuge, in Henegouwen, geboren. Van daar dat men hem ook Maubeuge of Mabuse heeft genoemd. Men meent, dat hij in 1503 in de Antwerpeche S'-Lucasgilde werd opgenomen onder den naam van Jennijn van Henegouwen, waarmede hij verscheidene zijner tafereelen heeft geteekend. In 1495 bevond hij zich in Engeland. Men heeft lang beweerd, dat hij aldaar de portretten der kinderen van Hendrik VII vervaardigde; doch later is gebleken, dat het de zonen van Christiern van Denemarken waren. Op het einde van zijn leven, in 1528, werd hij nog door denzelfden vorst uit Zeeland naar Gent ontboden, blijkens een brief uit Lier aan den abt van S' Pieters te Gent, onder dagteekening van 20 Augusti. Hij maalde overigens voor verscheidene andere vorstelijke personen. Van prins Arthur, oudsten broeder van Hendrik VIII, bestaat insgelijks te Londen een portret van zijne hand, en Karel V liet hem eene som van 60 ponden Vlaamsch betalen voor twee afbeeldsels van zijne zuster Elf.onora en voor ander klein schilderwerk. In eene kwitantie van 12 Juni 1523 vinden wij vermeld, dat op bevel van Margareta van Oostenrijk hem 40 pond van 40 grooten werd uitbetaald voor herstellingswerken aan tafereelen, door hem in haar paleis te Mechelen uitgevoerd. In 1508 vertrok Gos?aert met Philips, bastaard van Bour-gondië, naar Italië. Men weet niet hoelang hij uit de Nederlanden verwijderd bleef; doch zeker is het, dat zijn schildertrant in Italië eene groote verandering onderging. Philips liet er hem naar |
l) Hildegonde, een Verhaal van het Kinde der XVe Eeuw, Antwerpen. 1) Geschiedenis der stad Z/fr,door Anton Burgmanx, advocaat. Antwerpen. De Gort, 1S72. j. L. Busciimank, 1873.
â 52 â
|
Romeinsche gedenkteekenen schilderen. Later, toen deze bisschop j van Utrecht werd, nam hij Gossaert mede naar Holland en ging ] voort met den kunstenaar te begunstigen. Hij belastte hem met de versiering van zijn paleis Zuydburg, te Wijk-bij Duurstede. Philips van Bourgondie was dezelfde Utrechtsche prelaat, wiens pontificale in de Christelijke Kunst i) werd beschreven. Na den dood des bisschops, trad Gossaert in dienst van Adolf van Bourgondie, markies van Vere. Hij schilderde onder anderen voor dezen eeneMAKiA met het kind J e sus , naar de echtgenoote en het zoontje van zijnen nieuwen beschermheer. Zijn verblijf in Zeeland en vooral te Middelburg duurde vrij lang, daar hij, gelijk wij gezien hebben, er zich in 1528 nog bevond. Hij maalde er, behalve vele andere gewichtige werken, een groot altaarstuk met uiken, verbeeldende de Afneming van het Kruis, hetwelk, zegt men, door Albrechï Durer, tijdens zijne reis in de Nederlanden, zeer werd geprezen. Durer had zich opzettelijk van Antwerpen naar Middelburg begeven, om het te zien. Ongelukkig is deze schilderij met de kerk, waarvan zij het hoofdaltaar versierde, door eenen brand vernield geworden. Nog maalde hij te Middelburg verschillende portretten, en ontving er hel bezoek van Lucas van Levden, met wien hij eene omreis ondernam in Brabant en Vlaanderen. Het is Gossaert niet beter gegaan, dan velen kunstenaars van zijnen en van lateren tijd. Van Mander en anderen hebben omtrent hem een aantal sprookjes in omloop gebracht, die zoo min zijn karakter als zijne levenswijze in het gunstigste daglicht stellen. Zoo wordt verhaald, dat hij een losbol en een dronkaard was, die eindelijk te Middelburg om schulden in de gevangenis geraakte. Zelfs zoude hij er, volgens sommigen, in 1532 overleden zijn. Dat Gossaert een vroolijke knaap was, die veel van kermissen en jaarmarkten hield, is zeer wel mogelijk. De vreemde dieren, welke hij in verscheidene zijner tafereelen te pas bracht, en die, blijkens de ketting om hunnen hals, in zoogenaamde hecitenspellen zijn geteekend, schijnen het te bevestigen. Van Mandek verhaalt, dat hij het kleed, waarmeê hij in het gevolg van den markies Van Veke bij gelegenheid van het bezoek des Keizers moest verschijnen, verkocht en zich een ander van papier met geschilderde bloemen vervaardigde, zoo rijk en schoon, dat Karel V het van nabij wilde zien. Door zulk een snaaksche streek wordt nog geen losbandigheid of dronkenschap bewezen. Nagenoeg dezelfde trek wordt overigens van Adriaan Brouwer verhaald. Dat Gossaert verder te Middelburg, wellicht om de eene ot andere grap, heeft gevangen gezeten, kunnen wij mede aannemen, aangezien men weet, dat hij er teekeningen vervaardigde. Zeker is het evenwel, dat hij in de gevangenis niet overleed, aangezien hij in datzelfde jaar, ^32, te Antwerpen stierf en, als een eerzaam poorter, in de O.-L.-Vrouwenkerk werd begraven. Zijne talrijke werken en zijn deftige stijl duiden daarbij geen losbol of dronkaard aan. Een gegraveerd portret werd van hem door den bekenden Galle in het licht gegeven, met het opschrift: Hanno patrio, Malbodensis obiii Antwcrpice anno 1532. |
In verscheidene voorname Museums treft men tafereelen van Gossaert aan, zoo als te Antwerpen, te Mtmchen, te Parijs, enz. Van de schilderij te Brussel hebben wij hiervoren gesproken. Antwerpen bezit de Heilige Vrouwen, De Rechtvaardige Rechters en een Ecce Homo; het laatste voortkomende van het kabinet Brentano, te Amsterdam. In 's Rijks Museum te Amsterdam, bevindt zich van hem een Portret van Philips van Boutgondië, Bisschop van Utrecht, en een klein zeer keurig stuk: De Aanbidding der Drie Koningen. De Heilige Maagd, wier paarsch kleed door een wijden blauwen mantel bedekt wordt, houdt het Kind Jesus op hare knieën. De rijkgekleede Koningen bieden hunne geschenken aan, bestaande in een zilveren blad met penningen en eene geborduurde beurs. Hunne lange breed geplooide mantels zijn rood en blauw. Het kostuum van den zwarten Koning is wit en van wonderlijken vorm; een in het rood gekleede page staat achter hem. De lieden van het gevolg der vorsten staan onder de landelijke hut, die het tweede plan vormt: het zijn zes prachtig gekleede personen, rijke geschenken dragende. Eenige herders, van welke een tweetal op het dak zijn geklommen, beschouwen het tafereel. Op den achtergrond ziet men de stad Jerusalem, met een vonkelende ster er boven. Een helm en een van goud bewerkte groep, gedeeltelijk door een dunnen doorschijnenden sluier bedekt, zijn op den grond vóór de voeten van Maria neergelegd. Deze groep bestaat uit drie beelden: wat hij voorstelt is echter moeielijk te bepalen. 1) Eene andere Aanbidding treft men in Engeland, te Castle Howard, bij den hertog van Carlisle aan. De Afneming van het Kruis, welke Van Mander vermeldt als aan Magnus te Delft behoorende, is misschien dezelfde, waarvan Nieuwenhuys de zijstukken aan Willem II verkocht. De schilderij, welke volgens Van Mander te Whitehall was, is thans te Windsor. Sleeckx. |
i) Volgends latere onderzoekingen, is deze schilderij (Rijksmuseum, 158 (474; een oude kopie naar Hieronvmus van Aeken, gen. Boscn.
1) Blz. 33â35- Noot. 2» Uitg.
door JAÂ¥ PRETOST.
|
E schilderij, welke door onze gravure voor de eerste maal weergegeven wordt, is des te belangrijker, omdatzij de eenige is die men van dezen meester kent. Het onderwerp, dat tegenwoordig zelden gekozen wordt, behoort tot die, welke onze voorouders gaarne onder de oogen hadden; er was eertijds bijna geen kerk of geen gerechtszaal waar het zich niet bevond. |
In het raidden zit Christus, van een lichtkrans omgeven, op den regenboog. Zijn mantel is rood; Hij houdt de rechterhand op de wonde Zijner zijde en heft met de linkerhand het gerechtszwaard omhoog. Zijne voeten rusten op den aardbol en op Zijn schoot ligt een open boek, waarop de spreuk Bonutn et Malum te lezen is. De gekroonde Koningin der Engelen, met een licht rood kleed en een blauwen mantel, zit aan Zijne rechterzijde en wijst haren Zoon, wiens barmhartigheid zij schijnt in te roepen, op haar boezem. Onder de gelukzaligen, die haar omgeven, ziet men S'e Catharina, met een stuk rad, den heiligen Petrus, met een sleutel in de rechterhand; den heiligen Paulus met een zwaard; S'Bartholomeus, met een mes, S' Andreas, met een schuin kruis. Links van Christus ziet men Johannes den Dooper in eene bruine draperie, een lam dat, met een poot het kruis met vlottende banier vasthoudt, staat op zijn knieën; verder; Koning David, met een kroon en een harp in de handen, S4 Joris, Mqzes, met de tafelen der wet, waarop de spreuken: Cr ede in unum Deutn en Biliges fratres tuos te lezen zijn; S' Antonius, met een stok in de eene en een rozenkrans in de andere hand, S1 Stephanus, met een steen, S4 Augustinus, met een hart, enz. Onder den Christus wordt een gouden kruis door twee engelen, die op bazuinen blazen, gedragen; uit de trompen der bazuinen komen deze spreuken: Appropinquate vos electi, en Ite maledieti in aeiern um. Op de onderste helft van het tafereel ziet men aan de rechterzijde het hemelsche Jerusalem, welks gouden muren met edelgesteenten bezaaid zijn, en eene brandende stad, de hel verbeeldende, aan de linkerzijde; in het midden geven zee en aarde de dooden terug. Vooraan rechts, ontvangt eene gelukzalige vrouw het met edelgesteenten versierde bruidskleed uit engelenhanden; eene kroon ligt voor haar. Achter die twee figuren ziet men eene rij uitverkorenen het hemelsche Jerusalem binnengaan. Links ligt eene vrouw geknield op den oever der vuurzee; zij rukt zich in wanhoop de haren van het hoofd, terwijl een afzichtelijk monster haar wil aangrijpen. Een krijgsman met gepluimden helm en een speer in de hand, tot aan den hals in den poel bedolven, zal door een monster van kleine gestalte aangevallen worden. Iets verder ziet men een galgenrad, waarop een duivel gezeten is. Op den achtersten grond is de zee begrensd door het ruime strand. Op die zee ziet men verschillende vaartuigen, bij sommige zijn de masten met engelen bezet, terwijl andere met kruisen aan den voor- en achtersteven ook met engelen bemand zijn; verder drijft een plat vaartuig, waarop een brandend kasteel en duivels gezien worden. Uit eenige dier schepen worden talrijke groepen aan wal gezet, die of door engelen naar het hemelsche Jerusalem geleid of door duivelen naar de afgronden der hel gedreven worden. De schilderij is van religieuzen zin geheel bezield, en maakt, eenige nog al vreemde details daargelaten, een ingrijpend effekt. Het koloriet is over het algemeen goed, de teekening wel wat stijf. Het bovendeel onderscheidt zich door de schoonheid, de schakeering en de uitdrukking der koppen; behalve de Moeder Gods en S' Jan zijn alle Heiligen in het wit gekleed. De vrouw die het kleed der uitverkorenen ontvangt en de engel die het haar overreikt, vormen een bekoorlijke groep. I1',enige der in den vuurpoel bedolven veroordeelden, verdienen om de uitdrukking opgemerkt te worden, alsmede eenige der duivelen, wier vormen even wonderlijk zijn als die der schilderijen van Breughel. De bloemen van den voorgrond aan de rechterzijde, zijn zeer getrouw nagebootst. |
â M â
|
Deze schilderij was vroeger in de groote schepenenzaal van het I raadhuis te Brugge geplaatst en werd volgens de volgende uittreksels uit de rekeningen der schatmeesters dier stad, in het jaar 1S25, voor genoemde zaal geschilderd. âItem Jan Prevoost, schildere, over de schilderie van den tavreele van den Oirdeele staende in scepencamere, bii voorwaerde met hem ghemaect xxl. gron 1). âItem Jan Prevoost, ooc schildre, over zekre reparacie ende beteringhe bii hem ghedaen an tOordeel bin der scepencamere, ende anders, xii s. gron 2). Het schijnt dat Prevost tusschen de veroordeelden ook eenige beelden van geestelijke personen had geplaatst, want eenige jaren later werd door den stedelijken magistraat aan Pieteu Pourbus het uitwisschen en veranderen opgedragen van een wagen waarin geestelijken naar de hel werden gevoerd. Hem werd daarvoor, volgens de rekening van den schatmeester der stad 1 o schellingen vlaamsch uitbetaald. Het uittreksel luidt: âPieter Pourbus, de schildere, ter cause van dat hii bii laste van den college uutgedaen heeft ende verandert uut tafereel van den Oordeele, staende in scepenen camere deser stede, de waghene mette gheestelicke persoonen die daerinne ghefigureert waeren, de somme van x scellinghen grooten 3).quot; Op de lijst der schilderij vindt men de volgende spreuken: In den bovenrand, Dc coelo audi turn fccisii indicium: term iremnit ct quicvii cum exurgcret in iudicio Deus â rechts. Exaltabuntur cornua iusii. Ps. 74, v. 11. Links, Cornua peccatorum confringam Ps. 74, v. 11. In den onderrand: Vide te quid faciatis: 11011 cnim hominis exercetis indicium sed Domini. Paralipomenon 2,c.XiX, v. 6. Het zeer schoon gesneden buitenste gedeelte van de lijst versiert thans de boekenkast in de schrijfkamer des burgemeesters op het stadhuis. Midden in het bovenstuk zijn twee leeuwen, dragende een schild van goud niet dubbelen arend van sabel, hebbende op de borst het wapenbord van Karel V, met het jaartal 1525 er onder, en de kolommen van Herkules met de spreuk Plus oultre op de zijden. Deze lijst werd door den schrijnwerker Jacob Kempe gesneden, die daarvoor de som van vier ponden ontving. Jan Prevost, geboortig van Bergen in Henegouwen, kwam zich in 1494 te Brugge vestigen, alwaar hij den 10'quot;quot; Februari van hetzelfde jaar het burgerrecht kocht. In 1501â02, 1507â-08, jijoyâ10 en 1514â15 was hij vinder van het schildersgilde; bestuurder in 1511â12 en deken in 1519â20 en in 1525â26. Hij trad vier maal in den echt. Zijne eerste vrouw, wier naam ons onbekend is, stierf den 31quot;quot;quot; Augustus 1506, Het schijnt dat-zij geen kinderen naliet, want er werd als tiende penning van het vermogen dat zij van haar erfden, de som van vijf-en-dertig schellingen en acht grooten, door de erven, die vreemdelingen waren, aan de stad betaald. Zijne tweede echtgenoote, Magdalena de Zwaef, dochter van Adriaen, zadelmaker te Brugge, overleed voor den 8cn Maart 1509; haar zoon Adriaen Prevost volgde zijn vader in het kunstvak op. |
De derde vrouw van onzen kunstenaar heette Catharina Be au rei ns ; zij schonk hem drie kinderen, Thomas die glasschilder werd, verder Anna en Maria, en overleed in Januari 1528. De familienaam zijner vierde vrouw is ons niet bekend, haar voornaam was Gillisgen. Deze echt was slechts van korten duur, wijl Prevost in Januari 1529 stierf en in de kerk van S' Gilles bij zijne derde vrouw begraven werd. In Augustus 1506 nam onze schilder Maximiliaen Frans als leerling aan, deze werd den i5lt;ioii November 1524 tot het meesterschap toegelaten en maalde in 1539â41 een groot altaarstuk voor het hoofdaltaar der Begijnhofs-kerk te Dixmuyde 1). In 1509 werd het wasschen, restaureeren en vernissen der boven de koorgestoelten van de S1 donatunus-kerk geplaatste wapenborden der Ridders van het Gulden Vlies, aan Prevost opgedragen, als ook het daaraan bijvoegen van zes nieuwe paneelen, hij ontving voor zijn arbeid vijf ponden en tien schellingen grooten. Nog werd hem twee pond en veertien schellingen voor het herstellen der veelkleurige versierselen, aan de oostzijde van het doxaal uitbetaald. Onze schilder ontving in 1513 uitbanden van de thesauriers van Brugge, de som van vier pond, elf schellingen, en acht penningen groot, voor het schilderen van acht kaarten, de gesteldheid aanwijzende van het Zwijn, het Zwarte Gat, de Passegeule en van het nieuwe Kanaal, met de aanliggende polders, parochieën en kasteden. In 1516 ontwierp Prevost het plan van het sierlijke eikenhouten, thans geheel bepleisterde koorgewelf in de kerk van S' Jacob te Brugge. Van den kerkeraad ontving hij voor twee gekleurde teekeningen de som van negen schellingen en vier penningen groot. Bij gelegenheid der blijde inkomst van Karel V als Roomsch Koning, op 24 Juli 1520, belastte Prevost zich met het bouwen en versieren der zesde stellaadje, alsook met de decoratie der Hoogestraat. In zijne kwaliteit van deken van het schildersgilde werd hij met het toezicht over alle van regeeringsvvege aangebrachte versieringen belast en ontving voor zijne moeite uit handen der gemeentekasbewaarders de som van tien schellingen vlaamsch. Zich in de maand April 1521 te Antwerpen bevindende, maakte onze schilder kennis met Albrecht Durer die met hem naar Brugge reisde, en bij hem in de straat Oost Ghistelhof genaamd verbleef. Op den avond zijner aankomst, Zondag 7 April, werd den beroemden kunstenaar door Prevost een feestmaal aangeboden, waarop veel volk genoodigd was. Voor zijn vertrek uit Brugge (9 April) teekende Durer met potlood het portret van zijn gastheer. In 1524 schilderde Prevost een stuk voor het altaar van den Profeet Daniël, in de kerk van S' Donatianus, waarvoor hij zestien pond en achttien schellingen groot ontving. Aan zijne werklieden werd op den dag der plaatsing van het stuk eene toelage uitgekeerd van vier schellingen en acht penningen groot. Tusschen 1525 en 1528 werd hij door de Overheden van het Vrije te Brugge bij herhaling geraadpleegd over de versieringen der nieuwe schepenenzaal. In .1527 schilderde Prevost een altaarstuk voor het hoofdaltaar der kerk van S'. /Egidius (Sl Gilles); de bijzonderheden betreffende prijs en onderwerp ontbreken. Al wat wij te weten konden komen is, dat door den raad dier kerk aan de erven des kunstenaars in 1528 de som van drie pond, zestien schellingen en negen penningen Vlaamsch als saldo van rekening voor het schilderen van dit stuk werd uitbetaald. W. H. James Weale. |
1
Zie Le Beffroi, â deel IV, bl. 93â97. Brugge. 1S73.
â¢-5 â¢' â ' r -.y'- ⢠' ' â ' :Vquot; â ' ' . 'â gt;
:-:-v r- ' 3^ . k'^:- â ...-. â¢
-
'r ' \ i â ⢠*
V, â¢. r4 * : ... . ; ⢠,.. , ,V , ;v ' .. â . ' .. :â
,. 'â gt;.'. â¢. , ⢠.... t . '; .: ⢠V.- â 'â â . v '
' 'iV-i.-â i'-'iXÃ'quot;'' ' r v â quot; '..T. ,â .
â â -
; ;::C' . ;⢠â â
quot;v gt;-y .. lt; - ..' , ^ v..:: , .'â :
'l â . ^ ..-
4 ⢠' ' 3 ..:v quot; ⢠quot;-V-
v:-s. v ' ⢠V- â
. . â ⢠â â â â â -.â
â . â ?- . : . '' :-3;V. :⢠⢠.
â
â V V't..
*â .
.
'Y; £$
*'â S
.'%n-. XfVStt â
'
vi::'y...v T
v i; â â ' â quot; v- ; , ' â â¢' â *â .-⢠⢠â .
quot;.â .*. â¢quot; â¢' â . ' . .i; ; , ' .
: -j â â â . . '
â â '-V ..V .'--..V 'â : â â â ^- ' . â â r â . :. ; â - â
. . i.; quot;â ⢠.. . ⢠â¢_ ⢠⢠â
; V: v â
â â ⢠', ,. ... ⢠⢠. ⢠.'â¢.â¢â¢ ,'⢠â¢,.â â â â â -â . ... . vquot;.. ' ' -1
.â â r, ⢠.v'. â¢â . â¢.-â â¢. .â â gt; ^v.-â 'â â ' â )â â ⢠⢠â¢' â - . rt â : â ⢠v.. , V«.
â â .. ' ⢠. . -5 â â ..3.'-v-.*- wi'. v- v - ' â â gt; : .:gt;v -
. â V'''gt;/i-'/ r.:'- â ;;i. ..â ;.â gt;' .; .
â â â , . ^ . , , ;V - , ..â¢â¢ â â â â :,:. ⢠' - â . , . . .
---------------
.
' .yk-', ' ' â¢
.â ; â ' â â â . , ^ . i-:,. â¢:â . %1 . -lt; v^r;.
, â - - , â â¢: â â . 'â â â ': f ' â¢,.â -/â¢
vrüi ':r^ ::-
' - v â ' â
V-'v'â T-,: â ..vr-ï' ;':;v-r-;' :â . â }. ' â
â
. r,- â .. â -â â â¢, ,' , 'V;--!-quot;
ï â . â '*'': iv.\ ' ; â¢- v,- s.-:nV; â â â â â ;,4;;^^ â â â H'.; .ft
::T ,:. : : ' f^U : . â ⢠-A;;' : . . 4; ; â¢: - : â
, â ' â '⢠' %â â ;â 'â¢â â â - 'ï;' .â 'â ;â ⢠â â â â â â ,: ' ' . ^ . ; - -⢠- â â ;
;v â¢, -â â . ; .
, - â v :v.: â .â ;'â quot;â ' v / ;⢠.'quot; â â â â . .
â
â
. â :. :: â .â gt;- ,;V^v
' ⢠'/gt;â¢â¢ . ' ' -. . '' - ⢠⢠⢠⢠' â¢
^ .: â - v quot;;-rv';fe ^ ':;i; ,;: t:; ;':.. â gt; â -
quot;quot;gt;v' Tquot; V, â (.. .ifV' ,;, Vp- v:quot; ' '^â â v,:' .v '.V :-v-^- â gt;â â . ; 1 '''ï -. t#
â
, . ^ â :
..... . ,'. .:, â . . gt;k â 'â â â â â ' â .quot;
â â â ^ ^ . ... â .,; v;-VV' - â â :'V-
. .. . ; ,. â., , r â . w ^ â â â :, ,. V1.
';r: Wv- ;^:iP
van QüDfTEÃà METSIJS.
|
N de XVe Eeuw leefde, deels binnen de oude brabantsche hoofdstad Leuven, deels binnen de bloeyende handelsveste âT'Hantwerpenquot;, waar sints Al t nienschenheugenis geen Reus den ondernemenden schippers de handen meer afhieuw, om ze over zijn burchtmuur te smijten, â een heel geslacht van Eligius-kinderen; al hameraars op koud en gloeyend ijzer, echte beeld- en ornementslagers, ja zelfs uurwerkmakers, vijlers en beitelaars, maar toch, in den volsten zin, al smits wat er aan was. Uie wel wat zwarte, maar fijn bewerktuigde cyklopen hadden ieder een paar zwarte kijkers in het hoofd, waarmeê ze ter Guide- (of Gilde-)Kamer van Sl Eligius wel zorgden, dat hun, wat men iu Holland zoft zeggen, de kaas niet van het brood werd gegeten. Het waren welhebbende lieden; over het algemeen ordentelijk gegoed; iets dat zeer aangenaam is, om dat in die oude tijden, al even als nu, het geld wel een weinig in aanmerking werd genomen, als aan iemant gegeven werd wat men voor de groote fransche omwenteling noemde een plaats in het âHeerenboekjequot;. De namen van de knapste kunstenaars, wanneer deze niet zeil voor hunne onsterfelijkheid gezorgd hebben, zijn vaak niet op te sporen; om de eenvoudige reden, dat zoo'n dichter, of zanger, of schilder, of beeldsnijder geen huisjen in eenig steegjen of slopjen bezat, hetwelk door Schepenen kon worden beleend of overgeschreven en dat den naam van het genie van den ondergang kon redden. Het is toch maar waar, dat niet alleen âeene met name aangeduide waarheid eene bekende waarheidquot; is, maar dat ook min of meer een met zijn naam aangeduid persoon een reeds half gekend persoon is. Die naam verhaalt doorgaands het zij welke hoedanigheden de drager van den naam had, al is het maar de kleur van zijn haar of van zijn huid (niet eens nog de deugd van zijn hart of zijn beurs); het zij waar hij van daan was, waar hij woonde, in een huis, minder of meer aanzienlijk, hoe zijn vader heette, waar hij, behalve geboren worden, trouwen en sterven, zich den tijd meê verdreven heeft, of wat de posten waren, die men in zijn familie bekleedde, of de liefhebberijen, waardoor men zich kenmerkte. Al weten we niets anders van iemant dan dat hij Pieteu Mettengelde, Stoffel de Roode, Hendhick in d' Spieghel, Cornelis van Haerlem of Jan Janssen heette, dan loopen wij al geen gevaar meer, die luidtjens met elkander te verwarren. |
Daarom is het des te meer jammer, dat de etymologie van den naam Metsijs (=Metsiis) of Massijs (âMassiis) â zoo heette die smedersfamilie â een diep geheim voor ons gebleven is. Wisten we wat het woord beteekent, dan zouden hier bepaald eenige biografische gissingen op te bouwen zijn, die nu achterwege moeten blijven. Niet-te-min de onverstaanbaarheid van den naam werpt toch nog eenig licht af. Zij wijst op de oudheid der familie. Niet â als of de naam zoü opklimmen tot een tijd, waarin het woord Massijs of Metsijs tot de zeer gebruikelijke zelfstandige naamwoorden behoorde, en bij voorbeeld met tafel of stoel gelijk stond : maar daar wij dezen naam door al da leden der familie twee groote eeuwen lang gevoerd vinden, bewijs t dit, dat men er eenige waarde aan hechtte, al was misschien de oorsprong er van vergeten i). En dit verschijnsel treft men niet aan dan bij eenigszins deftige, beschaafde lieden. i) Het waarschijnlijkst komt mij voor, dat de Metsijzen of Massijzen nakomelingen van zekeren Matthetls zijn. De zoons der Matheus sen heetten anders, in de Nederlanden, Teenwissen, Tewisz., maar ook M a t z e n , M a 11 h e s z.. en M a t h e s s i s. Zoo werd de ondertrouw van âPieter Jansz. ter Weyden, hoedecramer van Kuelenquot;, met âElsje Jelis Tonis d' Deventerquot; te Amsterdam ingeschreven, den 26 Juli 1614, âop de actequot; van den predikant âAsswerius M a t h e s s i squot;. Van Mathessis (spreekt uit M a 11 ê sTs) tot M a t s i s en M a s s i s , Massiis it tCy a qtf uu pas. Op de zelfde bladzijde komt dan ook, in het Extra-ordinair Puy-boeck, de naam van een anderen pnedikant voor, die te Middelburg stond en Da nisi M a s s y s genoemd wordt. Dat de' uitgangen met ij beurtelings den klemtoon kregen en hem verwierpen is bekend: men heeft Lourens, Lour ijs, Lawijssen, Antonissen en Antonijsscn, Flor ens. Flor is. Flor ijs, manneken, mannek jn, Hongari'ë, Hongarije, Het bovenaangehaalde Matzen werd ook tot M e t z i u s gelatinizeerd: zie een Dordtsch pred' van dien naam t. a. p. 22 Aug. 1615, |
â .r)6 -
|
De smitsbaas, die, ter helft van de XYe Eeuw in Andwerpen woonde, heette Jan, zegt en bewijst mijn vriend Génard; de dito te Leuven heette Joos, zegt en bewijst mijn vriend Van Even. Wij zullen, âom seeckere redenen ons daartoe porrendequot; (gelijk een van Amstels beste patronen, Roomsch Koning [Maxi-miliaan, zeggen zon) ons bizonder bij de Leuvensche familie bepalen. De stad Thienen, wier zwierige naam van Tirlemont, haar door de Walen gegeven, ze niet heeft kunnen beveiligen tegen het lot, dat haar, van een der voornaamste brabantsche steden, tot den rang van een stedeken deed vervallen, heeft zich te schamen over een poorter, die, naar het schijnt, in 't begin der XVe of op het einde der XIVC Eeuw binnen hare muren ter waereld kwam. Het was het individu Jan van Kinckem, dat, bij het leven zijner wettige huisvrouw, zich in de gunst van een landjuftertjen, een zeker Cathelijntjen van Gestel wist te dringen, en, toen hij na de dood zijner wederhelft met deze Catheltjne een huwelijk aanging, bij Schepenen met drie kinderen van bedenkelijken oorsprong voor den dag kwam. De familie, op deze wijze verkregen, begon onzen braven Jan van Kinckem al spoedig te vervelen, en ten jare 1461 overviel hem eene zoo groote baloorigheid, dat hij zich wechpakte naar Erankrijk, en te Verdun, in 1493 of daaromtrent, nog in tamelijk gegoede omstandigheden kwam te overlijden. Ter zake van zijne erfenis had zijne verlaten vrouw een akte te passeeren, die, hoewel ze zich met de meeste grootmoedigheid aan deze vernedering onderwierp, nog van hare oneer tot het nageslacht zort spreken. Uit welk een en ander eene les voor de landmeisjens van de Noord-en Zuid-Brabantsche Gestels te trekken valt: van zich, namelijk, niet door de schijnschoone redenen van ijdele Tirlemonders op den verkeerden weg te laten brengen. Sommige liefderijke zielen, die er op uit zijn in hun even-mensch alles te verschoonen, zullen, wellicht als verzachtende omstandigheden voor Jan van Kinckem, bij het verlaten van huis en hof, de bedenking maken; âWie weet, hoe slecht de man gelogeerd was, hoe weinig gemak en gezelligheid zijne woning hem aanbood.quot; Maar dit zou eene geheel verkeerde gedachte wezen: want de vent woonde in een heel praezentabel huis in de Borchstraet (ge weet wel, heden ten dage de Mechelsche straat), voorbij de eerste brug, ter linker hand tusschen de Vischmarkt-brug en de Lei, strekkende zelfs achterwaards met een binnen-plaatsjen tot aan de Dyle. Dus van dien kant niet! Hoe goed het huis was blijkt ook uit hetgeen ik nu verder verhalen ga. Eer Jan van Kinckem het tijdelijke met het eeuwige, na zulke jammerlijke antecedenten, kwam te verwisselen, had Cathe-lijne van Gestel â nu zijne wettige tweede vrouwâhem eene dochter geschonken, die insgelijks den naam van Cathelijne gedragen heeft, en van wie wij gelukkig niets dan goeds weten, behalve dat zij den familienaam droeg van den ellendigen (dat beteekent zoowel uitlandigcn als mizerabelen) Jan van Kinckem; maar wellicht reeds vóór dat haar vader huis en haard en vrouw en kroost verliet, had een wakker poorter van Leuven op zich genomen de goede Cathelijne Cathelijns dochter een anderen toenaam te verschaffen. Het was niemant anders dan de krachten kunstrijke meester smit Joos Metsijs, voorbestemd om welhaast tot âMomboirquot; of (kerk-)voogd van Sinte Loy in de Ledicheitstrate, naast den eerzamen Jan van Buetsele en twee andere gildebroeders, te worden verkoren; de zelfde Joost Metsijs, dien, als een welsprekend bewijs van de hooge te-vredenheid der |
Stads-raden, 55 ellen zwart laken âbyder stad geconsenteertquot; werden, en die dan ook, ter Leuvensche Kermis, met den beroemden bouwmeester Mattheus de Lavens, den kunstschilder stueimour en den beeldhouwer Bevart, de eer had het H. Sacrament bij den omgang te begeleiden. Het eenige wat hem dit genoegen eenigszins vergalde was, dat hij niet, zoo als de arbeiders in hout en steen en verwen, twee potten wijns, in erkenning van dezen dienst kreeg, maar slechts eenen. 't Zat 'm niet in dien pot wijn. Hij had geld genoeg om zich, enz ; maar het zat 'm in de te-rug-zetting van zijn stiel, zijn nobel handwerk! Geen wonder dan ook, dat hij zijn best deed zijn' vier kinderen Joos, Quinten, Jan, en Cathelijne Metsijs eene opvoeding te verschaffen, die hen wellicht wat hooger op den maatschappelijken ladder brengen kon. En dit vaderlijk besluit (en hier wilde ik op komen' vol bracht onze Joos in het zelfde flinke huis, dat zijn weinig sèdenlaire schoonvader op de aangeduide wijze geheel vrijwillig had verlaten 1). Helaas, op veel ordelijker, veel bedaarder wijs, maar niet vrijwillig verliet onze brave Joos het ook. De deur van huis en hof, de deur van de stad der levenden viel voor eeuwig achter hem dicht, en zelfs onze wakkere en beroemde âsloetmakrequot; van de Borchstrate kon geen looper vinden, om zich zijn werkplaats en woonkamer, al ware 't ook slechts voor twee, drie jaren weder te ontsluiten. Voor twee, drie jaren â dan ten minste zoft zijn oudste zoon ruim twintig geweest zijn, en had zijne weduwe met nog meer vertrouwen het handwerk op dezen laten aankomen. Ondertuschen de jongen deed zijn best, niet alleen door zelf flink de handen uit de mouwen te steken, maar ook door zijn 15-jarig broêrtjen Quinten, Quintinus, aan te sporen in de voetstappen des vaders te treden. Of, op Quinten, 's vaders gevoeligheid over het feit, dat men hem, in de vereering van wege de Processiemeesters, had achtergesteld bij den schilder, den beeldhouwer, en den bouwmeester, een levendiger indruk dan op den oudsten broeder gemaakt had, â of uit dien hoofde reeds vroeg de wensch in zijn hart was opgekomen liever een âfijnschilderquot; dan een âgrofsmidquot; te zijn, is niet zeker; wel, dat de onderscheiding, die zijn vader van stadswege als smid genoten had, dat het fijner vak van uurwerkmaker, 'twelk zijn broêr met goed gevolg aan het sloten-makersbedrijf had verbonden, hem niet weêrhielden zijne oogen naar een ander kunstvak heen te richten. Men zegt wel, dat de bekende fraaye pomp op de handschoenmarkt te Andwerpen door onzen Quinten Metsijs (ik zeg onzen, want daar zijn er wel een half dozijn geweest) gesmeed is; maar de geleerden ontkennen dit. Wel getuigt de deskundige Heer van Even, dat de cierlijke kraan, die weleer het doopvontdeksel in de sint-pieters-kerk te Leuven in beweging bracht, een voortbrengsel van Quintens hamer zoü zijn 2). De dichters hebben ook wel met groote onmatigheid tegenstelling gezocht tusschen dat grove smidshandwerk en dat fijne schilderbcdrijf: dit is, tegenover de gezamendlijke werken der XVe-eemvsche smits en schilders, eene onrechtvaardigheid: maar waarheid is het, dat Quinten op geheel bizondere wijs tot het schilderen getrokken werd. Geloofwaardige schrijvers zeggen, dat hij eens, ziek zijnde 1) Van Even, Messnger, 1869. bl. 69. Bijna alle bizonderheden in dit verhaal opgenomen, heb ik te danken aan de onvermoeide nasporingen en schrandere kombinatiün van mijn geaebten vriend, den Leuvenschen Archivaris Edward van Even. 2) Messager, 1809, bl. 80. |
.
,- - â â - ' »â ''â¢'â '!i ' ⢠â¢' ' ,quot;⢠' '.«â quot;* quot;f r- â 'â .' :
.vV' ^.â ..;:.A,:.v '.â /.'-.â¢tV.-.ï. r; .::V .'t. ;v . ^. â
â
; ' quot; â . 'â¢â¢â .' quot;, - ⢠â¢â¢;: , ..^.kV av ⢠⢠â ⢠:
, quot;â â -^. :⢠â ^â â %â â ..' ⢠^.. â .â . â ^ -.
' .:â â â ... -.v: 7 ^ â -' .â â â â -v-â ; â â¢Jv. â - â ^quot;-.-vv..- :
,.' v . ...quot;:v:. quot;.â â â â â ;â .
. â â v ., â â¢â â â â ;. ;
....... . .â ..:â â ;:r.;- â â M . ,:
â . ;Cquot;quot;. ^
J:. ;. - gt;;â â â â - ... V :v \.... â . â¢
v'quot;â¢' â ./v: â¢
. -â v â¢; â â - . .
y-' ? â â quot;.. ^ . Vr-, -
â . ' ' â . â ⢠fi â â¢quot; â¢
CK^ ;,r., .â â v â ;; ..,.â . ⢠;-..^x ::r
'.lt;; '⢠â â¢'. â â¢â ;⢠â .--i' â ⢠.â ⢠-: â¢â¢ .} ' : quot;. ' v u.quot;;-.-.'iv, â â --
⢠- :. ⢠- , ; â - - .^.: -, â . â quot;â â â ... 1 .;.. ; ,; : â â : -⢠M \ .S.'VV
..': .; 'â ,;...â .T' â â â ';;J/...''V':quot;' â
quot;. k :.quot; â J ' 'â 'r'- A amp;â gt;}*('
:-v .â ^ '...
:;V' V s 'S;. ' â ' ',é .â â â â¢:â :â â â 'j
, . ::.s jU^
v:' '
';A'--
,;v .
â â â¢â ; â . ⢠â
|
'.. . wr-ft | ||
|
,. ⢠V , ??'' | ||
|
/#«!»⢠| ||
|
; â¢-.' â *;#â¢' |
:. âH- | |
|
4 r'-k.: | ||
PUINTEN MATSIJS
DE CHRISTELIJKE K1JN:J:,.! XI
l.'ART CHRETIEN .XI
|
voor tijdverdrijf in het hoekjea van den haard zich met het teekenen en kleuren van Heiligen ging bezighouden, geschikt om door de melaatschen, die te Vastenavond met âeen groote houten, gesneden en gestoffeerde keersquot; door de stad liepen, aan de kinderen te worden uitgedeeld i). Het is zeer mogelijk, dat dit de eerste aanleiding voor Quinten geweest is, om zich in penceelsbehandeling en kleurschakeering te oefenen. Maar daar kwam nog een machtiger drijfveer in het spel. Ik weet niet, of u in de omstreken van Andwerpen of Leuven een plaatsjen Thuilt bekend is. Mij niet. Gij denkt misschien aan Tuil, of Tuyll of Thuil.. .. niets van dat al â Thuilt. Maar waar het ligt doet er ook minder toe: zeker is het, dat het de bakermat was der familie van Lambrechï van Thuylt, welke Lambrecht onze belangstelling verdient, nog niet zoo zeer om dat hij eene beeldschoone dochter had â de blonde Aliit â dan wel om dat dit meisjen Quintet Metsijs voor goed van een smit ineen schilder omschiep; en dat wij dus aan Aliit Lambrechts dr te danken hebben het geluk dat ons vervult, wanneer we voor een kunstwerk van Meester Quinten staan, en den roem, die er voor Nederland in gelegen is, den grooten kunstenaar opgeleverd te hebben, die in 1520 uitschitterde onder allen. Men kan wel zeggen, indien Quinten het niet gedaan had om de schoone oogen van Alijt, die ongaarne op een zwart smidsaangezicht afstraalden 2), dan zou hij wel bij eene andere gelegenheid zijne toch reeds gebleken liefhebberij hebben doorgezet: maar zóo kan men altijd: als Columhus Amerika en John Watt den stoom niet ontdekt had, dan zoft een ander. ... 't Is mogelijk, maar dien het dan maar treft, dien treft het; en men moet er toch wel iemant voor bedanken. Heel lang heeft Quinten Metsijs zich echter van dezen erkentelijkheidsplicht tegenover de eenmaal zoo vurig beminde Alijt van Thuylt niet gekweten; want toen zij hem in 1507 ontviel, sloot hij, een goed jaar later, een ander huwelijk, en wel met de schoone bastaartdochter van zekeren welgestelden Heyn (Henricus), ook al Cathelijne geheeten. Nu is het waar, dat hij van zijn oudsten zoon Jan Metsijs een schilder wilde maken, van zijn tweeden, Quinten Junior, een bontwerker, dat hij nog een zoon Pauwel, en eene dochter Cathelijne had, â en dat die kinderen moesten opgevoed worden; iets dat men van weduwnaars en weduwen, naar 't schijnt, moeilijk kan vergen: reden waarom zij, in den regel, hertrouwen. Ook zoü het jammer geweest zijn, indien er van Quinten Metsijs maar vier nakomelingen bestaan hadden; eene bedenking, die Quinten dan ook met loffelijke kloekmoedigheid over de bezwaren der stichting van een nieuw huishouden deed heenstappen en hem de hand aanvaarden deed van voormelde Cathelijne Hevns : eene keuze, die niet alleen gerechtvaardigd werd door de opvolgende geboorten van Huisrecht, Abraham, Peternelle, Cathelijne (H), Sara en Susanna Metsijs 3), maar ook hierdoor, dat deze tweede vrouw den schilder gelukkig geïnspireerd heeft bij het schilderen der heerlijkste en teêrstgevoelde maria-beeltenissen. Gij kent dat fijne, 1) Van Mander, Haerlem, 1604, bl. 215 v0. 2) âDaer wort vanden oorsprongh van zijn Smits ambachts verwisselinge [vertelt], dat hy, smit wesende, verlieft werdt en hem begaf te vryen een aerdigh schoon Meysken, in welcke vryagie hy hadde een tegen-ghenoot, die een Schilder was : maer dat het Meysken meer sin hadde aen den persoon van QuiNTIJN ; dan, haer mishaegde dat vuyl Ambacht, wenschende dat Quintijn den schilder waer gheweest, en den anderen den Smit.quot; Van Mander, t. a. p. 3I Mijn vriend Génard geeft eene hiervan afwijkende kinderlijst op: Zie Open brief aan den Heer Edw. van Even, bl. 23. |
blanke portret in profiel wel, dat in het muzeüm Ertborn hangt; al is het ook maar uit het schoon gravuurtjen van Kohlschein, waarvan niemant zich het gemis behoeft te getroosten, aangezien dit meesterstukjen voor twee blaauwbruine silbergroschen te krijgen is. Het portret van Cathelijne Heyns, als zoodanig door Quinten geschilderd, als weêrgad voor het zijne (ten jare 1520), vindt ge in den Messager des sciences historiques van 1869, in een lichtbeeld van Toovey naar de gravure van Antonio Daleo. De vergelijking der reeds eenigszins gezette huisvrouw van Quinten, met de lieflijke voorstelling der Moedermaagd, moet ieder, die de meening deelt, dat Cathelhnken Hevns dochter werkelijk er voor gezéten heeft, â de overtuiging geven, dat Meester Quinten eene zeer levendige verbeelding had en de kunst verstond eene vijfbladerige bloem tot de rijkste en geurigste roos te veredelen. De werken van onzen Quinten rechtvaardigen volkomen zijne plaats op het groote keerpunt der nederlandsche kunst in den aanvang der XVe Eeuw. Hij heeft nog veel in zich van de godsdienstige stemming en tevens van het naturalisme der Van Eyken; hij is nog niet altijd vrij van de stijfheid, waarvoor men bij de nederlandsche schilders der XVe Eeuw onmogelijk blind kan zijn; hij verstaat het drapeeren zoo goed als zijn tijdgenoot Albrecht Dürer, maar kopiêert meer de natuur en offert minder aan de eischen van den stijl en de aantrekkelijke elegantie, die den Neurenburger kenmerken. De kinderlijke godsvrucht en daarbij de verhevenheid van Fra Angelico zijn hem vreemd. Zijne beroemdste stukken zijn de Graflegging te Andwerpen, met hare zijstukken in der tijd bekend onder den naam van de ânuwe tafelen vanden noot Godts,quot; en de triptyek, die hij, voor de kapel der broederschap van Sint Anna, in de Sint pieters-kerk te Leuven schilderde Deze laatste, minder algemeen bekend dan de andere (welke door het gilde der kastenmakers besteld was) stelt in 't midden voor: de zegepraal van Sint Anna; aan uw linkerhand hebt ge de Aanzegging van Maiuaas geboorte aan Joachim, aan uwe rechter, S i n t A n n a a s dood. Het eerste luik stelt op de keerzijde voor, Hoe Joachims offer wordt afgewezen, het andere, Hoe het wordt aanvaard. Het triptyek van Leuven dagteekent van 1509; dat van Andwerpen van 1511. Quinten Metsijs was een man van veelzijdige beschaving : rederijker en muzikus. Hij was bevriend met vele mannen van staat en wetenschap. Voor Thomas More, den edelen Engelschen kanselier, een der slachtoffers van den wellusteling-Zv/ esprit Hkn-drik den viiie, schilderde hij de portretten zijner vrienden Erasmus, enPiETERGiLLisz,sekretaris van Andwerpen, op twee ovale paneelen. In t5i9 bewoonde hij een goed huis in de Huyvetter-straet, waar de geleerde Gillisz, die de Utopia ter perse gelegd heeft, hem vaak kwam bezoeken en tot de vrienden behoorde, die ook toen reeds hun grootste geluk vonden â.... Om over poëzie en kunst te komen praten,quot; vrienden die âReeds 's middaags aan uw haard, u pas des nachts verlaten.quot; Later bewoonde onze schilder een ander eigen-huis met tuin in het âSchuttershof-straetkenquot;, daar S' Quintijn in ijzer boven de poort stond. Dit beeld schrijft men aan den hamer van Meester Quinten niet zonder waarschijnlijkheid toe. In de zelfde straat bezat Meester Quinten nog een tweede huis. Toen Albrecht Durer, met zijne lieve vrouw en haar dienstmeid, in Andwerpen kwam, â[war er] auch gewest in 's meister |
â 58 â
|
Quint i n e s Hauszquot; en heeft hem misschien wel bezig gevonden met 24 andere schilders, om de dekoraties voor de zegepralende intocht van Karei den Vc te vervaardigen. Er is in verschillende galerijen van Europa genoeg werk van Meester Quinten over, om getuigenis van zijn ijver te geven, ook ai sprak het meesterschap zijner enkele in Nederland aanwezige stukken niet zoo blijkbaar ter gunste van eene gedurige en langjarige oefening. Het voornaamste stuk, waarmet; de schilder in ons Rijksmuzeum vertegenwoordigd wordt (902, vr. 476), is lang toegeschreven aan den ,,Parmezaanquot; Francesco Mazzüoli ; onverklaarbaar, wanneer men alleen maar het bebouwde landschap en den stijl van het throonborduursel ondervraagt. Wij beschrijven deze liefelijke Maria, of liever deze rchoone jonge Moeder met haar kindtjen niet. De aktie â de kus waartoe, zij haar mondtjen zet en waarvan men liet vogelfluitjen schijnt te hooien, â beheerscht de geheele voorstelling. Hare zeteling, haar kostuum, is ingericht op een allegoriesch efïekt; maar de natuur is bovengekomen en heeft dit opzet verjaagd. Alles gehoorzaamt aan dat allerliefst, aandoenlijk moederbedrijf: haar blik, haar blos, de kersen, die zij uitlooft, haar verschikte schoot: het is een wondervol geslaagd binnenhuisgroepjen, ten spijt van de open lucht, van de gantsche monumentale stoffeering. i). |
Wij hebben in der tijd met belangstelling vernomen, dat Koningin Sophia eene kopie van deze schilderij heeft laten maken. Volgends den 311 druk van 's Heeren Bredius' kataloog is het slechts een âgoede oude kopie naar Quinten Matsijsquot;. Nog bezit het Muzeüm een portret van Erasmus, gekopieerd naar een origineel, in 't bezit van Graaf Stroganoff te Petersburg. Quinten Metsijs is overleden tusschen den 13quot; Juli 1530 en den 16quot; September van het zelfde jaar, naauwlijks 64 jaren oud 1). 't Is wel vreemd, dat er geen werken van onzen schilder bekend zijn, die nog uit de XV1' Eeuw dagteekenen. In Andwer-pen zijn, behalve de beroemde Graflegging, en het Portret van Maria, ook de niet minder bekende Christuskop en eene Magdalena, ten halven lijve, op het Muzetlm. In den Louvre vindt men van hem den Bankier-goudweger (1518); in de galerij van Florence, behalve de schoone portretten van hem en zijne tweede vrouw, een H. Hiërontmus en een mansportret; de galerij Doria te Rome bezit zijn Gelijkenis van den onrechtvaardigen Rentmeester, Venetië Christus voor Pilatus; Napels de Aanbidding der Drie Koningen; Bazel een schoon mansportret; Frankfort dat van Knipperdolling; Gctha 't Portret van een jonkman; Cassel een Lichtvaardige deerne, die een grijzaart liefkoost. Te Weenen vindt men in de galerij Lichtenstein een H. Hiëronymus, getee-kend Qvnten Masys f. 1513; in de keizerlijke galerij aldaar een Mansportret, nog eens den H. Hiëronymus en nog eens de Gelijkenis van den onrechtvaardigen Rentmeester. Windsor bezit de Bankiers, âdie te onrechtequot;, zegt Van Even, »de gierigaarts genoemd wordenquot;; Petersburg Maria, haren goddelijken Zoon in de armen houdende (vroeger hier te lande, in de galerij Willem II); en eindelijk bezit Berlijn, behalve een merkwaardig Mansportret, de schoone schilderij, die men zegt, dat zoo veel over-een-komst heeft met ons amster-damsch paneel: Maria, op een throon gezeten, en Jesus omhelzende. J. A. Alb, Th. |
1
Messager, p. 162.
'1
door COMEIIS ENamp;ELBBECHTSEÃ.
|
E Heer CiiAin es Blanc, schrijver van het groote werk: FHisloirc des peintres de toutes les ccoles, beweert dat de hollandsche school eerst bij het begin der zeventiende eeuw een eigenaardig karakter verkrijgt en zegt sprekende over Coenelis Engel-brechtsen, wien hij de eer van een bijzonder artikel niet geeft, dat deze kunstenaar de manier der Gebr. van Eyck volgde en te Leyden schilderde gelijk men reeds zestig jaren lang te Brugge deed. i) In deze bewering ligt zeker wel eenige waarheid en er zou bij gevoegd kunnen worden dat de vlaamsche, de hollandsche en de duitsche meesters der vijftiende en zestiende eeuw in vele opzichten allen op elkander gelijken. De genre-schilderijen waren zoo goed als onbekend, het landschap, hoewel soms zeer verdienstelijk behandeld, diende alleen tot achtergrond voor historische onderwerpen en was nog geen op zich zelf staand vak van kunst; er waren noch zee- noch stil-leven- of bloemschilders; al de meesters dier tijden, wanneer zij niet het ornament of de miniatuur behandelen, waren historieschilders. De ongewijde geschiedenis, de legenden, maar de heilige boeken vooral, gaven hun de onderwerpen, die zij met eerbiedvolle getrouwheid voor de gewijde teksten terug gaven, en de natuur, die ze voor oogen hadden, steeds tot lichtsnoer nemende, hebben zij hunne woningen, hunne landstreken, hunne medeburgers gekopieerd en den personen uit den Bijbel en uit de Evangeliën de kostumen gegeven die zij en hunne tijdgenooten droegen. p De gelijkvormigheid, die bij den eersten aanblik de meesters der hollandsche, der vlaamsche en der rhijnlandsche school schijnt te verbinden, is hieruit verklaarbaar, dat allen dezelfde onderwerpen op bijna dezelfde wijze behandeld hebben. En toch, wanneer men die meesterlijk bewerkte tafereelen langer beschouwt en met den eerbied, welken zij verdienen, bestudeert, merkt men al spoedig dat elke meester zijn eigenaardig karakter heeft, zijne wijze van zien en van teruggeven bezit en om tot den onzen, den stichter der Leydsche school terug te keeren, zullen eenige Inleiding tot de gescliiedenis der schilders van de hollandsche school. |
oogenblikken, gewijd aan de twee overschoone stukken, welke het in 1867 opgerichte Stedelijk Museum te Leiden bezit, genoegzaam zijn om het oppervlakkige en het onbillijke van het oordeel door den Heer Charles Blanc geveld, te doen inzien. Het valt ons echter niet vreemd, min of meer zijn wij er aan gewoon: onze oude meesterstukken worden wel meer aldus behandeld. In hun werk over de vlaamsche schilders doen de H. H. Crowe en Cavalcaselle, om zoo te zeggen niets meer dan Engelbrechtsen noemen, en Förster, die in een groot werk over de beeldsnijders en schilders eene reeks van gegraveerde omtrekken geeft naar de meesters der vlaamsche en duitsche scholen, vergeet geheel de werken der hollandsche meesters te bespreken, wanneer zij hun land niet verlaten hebben. De twee schilderijen, die wij nu wenschen te doen kennen, zijn tot dus-ver niet gegraveerd geworden. Het bestek van dit werk niet veroorlovende beiden weer te geven, hebben wij voor de gravure die gekozen, welke uit een artistiek oogpunt beschouwd, de meeste waarde schijnt te bezitten. Die beide schilderijen zijn triptieken, vroeger waarschijnlijk op altaren gestaan hebbende. Het zijn geen tegenhangers, zij verschillen in grootte en in vorm, maar beiden hebben eertijds toebehoord aan de kerk van het klooster Mariönpoel, toenmaals tusschen Leyden en Oestgeest gelegen. Volgens authentieke dokumenten in de archieven der stad Leiden i) bewaard, werd dit aan landgoederen en kunstwerken zeer rijke klooster in 1428 door Boudewijn van Swieten, raadsheer en ontvanger van Holland, gesticht. Tusschen de jaren 1566 en 1572 werd het klooster door de beeldstonners vernield en geslecht. 1; In 1428 kocht Boudewijn van Swieten van Hendrik van Wassenahr de gronden en de muren van het kasteel zijns vaders Philips, dat door Jan van Bkyeuen, den oom van Gravin Jacoha was vernield en gesloopt geworden. Hij bouwde aldaar een klooster, waar de zusters, die Oudewater en Schoonhoven ten gevolge der onlusten verlaten hadden, ontvangen werden. Men moet aannemen, dal eene geestelijke vereeniging reeds vroeger getracht had zich daar te vestigen, want in de archieven der stad Leiden bevindt zich nog een stuk van den Deken van Rhijulancl, die haar reeds in 1407 eenige privilegiün schonk. Dnt oord werd. toen Pudekeupoel, Fokkenpoel, ooi; wel Peddenpoel genaamd, ten gevolge der omliggende moerassige gronden. In 1429 werd de stichting van het klooster door bisschop Sweder van Utrecht erkend; ook bepaalde hij, dat het voortaan den naam van Mariönpoel zou dragen. (Zie van Heussen, Oudheden van Rlüjnland en van de stad Leyden.) Het kloosterzegel vertoonde het apokalyptiesch beeld der H. Maagd, een Maria met het kind Jesus in den arm, van lichtstralen omringd en een halve maan onder de voeten. Ken ander zegel vertoont, onder dit beeld, nog het wapen van den stichter. De afdrukken van die zegels, als ook verschillende perkamenten zijn op het Leidsche archief nog aanwezig. |
i
â 60 -
|
zoodat er niets van overbleef dan eenige stukken muur op het vlakke veld. i) Het mocht echter aan de overheden der stad gelukken, eenige voorwerpen van waarde te redden, waaronder ook onze twee schilderijen, die van toen af op het stadhuis bewaard werden. Van Mander heeft die daar gezien, maar gelijk hij zegt, waren zij te hoog gehangen om ze goed te kunnen zien. en misschien kan het oppervlakkig oordeel van sommige vreemde schrijvers en het vergeten door sommige anderen ook wel aan die ongunstige plaats geweten worden. Het stadsbestuur, in dezen voorgelicht door eene kommissie, aan wie de zorg en de bewaring van alle kunst en oude voorwerpen toevertrouwd zijn, heeft in de lokalen der oude Lakenhal de schilderijen en curiositeiten, welke het eigendom der stad waren, bijeengebracht. Dit zeer belangrijk museum bevat wapenen, penningen, eene collectie oude maten, munten en allerhande historische oudheden; de schilderijen maken echter het grootste en waardigste deel uit; aan de twee triptieken van onzen Cornelis Engelurechtsen zijn eereplaatsen geschonken (n0 1030 en 1031, bl. 42S van den nieuwen catalogus). De werken van Engelbrechtsen hebben hun geheel bijzonder en bepaald hollandsch karakter aan de kracht van het levendig en toch harmonisch koloriet, in één woord, aan den algemeenen toon te danken. In de stukken der gebr. van Eyck en van hunne volgelingen, zijn de kleuren schitterend en sterk, maar dikwijls te heel en te hard, zonder overgang naast elkander geplaatst. In de schilderijen van onzen meester zijn de kleuren even sterk, maar harmonisch verbonden; er zijn schaduwen waar alles in-een-smelt, er zijn halve tinten en reflectiën, men vindt er van die tusschenkleuren, welke men geen naam weet te geven, maar die toch de harmonie en het aantrekkelijke eener schilderij uitmaken. Onze nevelen en dampige verschieten, die de landschapschilders zoo gelukkig hebben onderwezen, hadden den Leidschen schilder de aan de gebr. van Evck bijna onbekende geheimen der lucht-perspectief geopenbaard. Terwijl de figuren van den tweeden en verderen grond bij de toenmalige schilders van Gend en Brugge boven elkander schijnen geplaatst te zijn, gaan die van meester Cornelis al dieper en dieper in het tafereel; alles is op zijn plaats en de zachte gebroken kleuren der ver verwijderde voorwerpen brengen de verschieten naar den horizon. Ook wist hij de aandacht, door kracht en wraarde van kleur, dadelijk op het hoofdonderwerp te roepen en te vestigen; de schilderij die hierbij in gravure teruggegeven wordt is, wat dit betreft, veel schooner dan de andere, wij zouden bijna willen zeggen, schooner dan die van alle zijne voorgangers en tijdge-nooten en gelijk de schrijver van de Inleiding tot de geschiedenis der schilders van de vlaamsche school, 2) niet zonder reden zegt, dat de vervaardigers van het altaarstuk der S'-Bavokerk reeds de kiem van alle Antwerpsche coloristen in zich bevatten, zoo ook zou men kunnen beweren dat Cornelis Engelbrechtsen, zonder nog iets van het strenge karakter en van het keurig afwerken zijner voorgangers ie hebben verloren, toch de eerste was die den weg aanwees, welken zijne landgenooten volgen moesten, om die poëtische tooverpracht van kleuren en van licht en bruin te verkrijgen, die altijd het bewonderenswaardigste en meest onnavolgbaar kenmerk der hollandsche schilders is geweest. En toch is er niets verwaarloosd; aan het algemeen effect is nog niets opgeofferd. De onderdeden, ornamenten, borduurselen, paarlen en edelgesteenten, hoewel minder sprekende en het oog 1 Zie van Mandek en van Heussen. 2 Histoire des peintres ilc touteE le: Kcoles. Charles Bi.anc. |
niet te veel aantrekkende, zijn alle zorgvuldig afgewerkt. Zekere stoffen zijn meesterlijk weergegeven; zie maar eens dat kleed van Maria Magiialena met witte bloemen op witten grond aan de binnenzijde en met bruine bloemen op bruinen grond van buiten; zie dat geheele kostuum, dat net met paarlen op den schouder en het hermelijnen keurslijf; zou men iets rijkers, meer afgewerkt of beter uitgeroerd kunnen verlangen? Nergens vindt men eenige hardheid van omtrekken en venvaarloozing evenmin. Hetzelfde kan ook van het beeld, dat aan de andere zijde op den voorgrond staat, gezegd worden. De groen-blauwe mantel, langs den rand met gouddraad geborduurd en het roode kleed met roode bloemen zijn meesterlijk behandeld. Maar het schoonste beeld van het geheele middenstuk, is zeker wel dat van Maria, krachteloos nederzinkende bij het zien van het ontzielde lichaam haars goddelijken Zoons, dat men van het lijdenskruis heeft afgenomen. Haar lange en breedgeplooide zwarte mantel omsluit haar bijna geheel; men ziet alleen den witten doek die over het hoofd gedragen wordt en het voorste gedeelte van een kleed, welks donkere kleur met die van den mantel in-een-smelt. De Heilige Maagd ligt geknield, de armen neerhangende, de handen saam-gevouwen; hoewel niet buiten kennis, is zij door de smart gebroken en verplet en houdt zich met moeite op. Haar edel gelaat drukt, zonder misvorming der wezenstrekken, hevige smart uit; het is een waar christelijk lijden, waardig en gelaten. Naast haar en haar met eene hand steunende, staat de Heilige Joannes, zich de oogen met de andere hand afdroogende, want ook hij is in tranen. Zijn mantel en kleed zijn beiden donker rood. Het lichaam van Christus, wiens hoofd door eene der heilige vrouwen ondersteund wordt, is op den grond neergelegd. Maria Magdalena, bij de voeten geknield, besprenkelt de verstijfde leden met het welriekende vocht uit een vaasje dat voor haar op den grond staat. Een weinig meer achterwaarts staan drie mannen, beraadslagende over hetgeen zij nog te doen hebben om hunne heilige taak te volbrengen. De eerste draagt een mantel, donker groen met gouden bloemen en een breeden bonten rand. De rijkdom van zijn kostuum en het geven van bevelen aan een bejaard man, die met zijn muts in de hand, aandachtig naar hem schijnt te luisteren, doen ons Joseph van Arimathea in hem erkennen. De bejaarde man draagt een groen kleed, dat door een zwarten band om het lijf gesloten wordt. Aan dien band draagt hij een zwarten zak of buidel en een soort dolk of jachtmes. De derde, waarvan alleen het gezicht en de puntvormige hoed te zien zijn, is waarschijnlijk Nicodemus. Twee sierlijke vrouwenbeelden, dragende het kapsel en de kleedij der adellijke juffers uit het laatst der XVe eeuw, beschouwen van verre het aandoenlijk tooneel en voltooien de hoofdgroep. Op den top des bergs ziet men het kruis van Christus, waar de ladder nog tegen staat, aan de twee andere kruisen hangen nog de lijken der boosdoeners. Een achttal personen, soldaten en burgers, staan in gesprek aan den voet van het kruis. Op den derden grond ziet men een gedeelte der buitenmuren van Jerusalem, omringd door een gracht en versterkt door torens van verschillenden vorm, maar allen in den trant der burgten van de middeneeuwen. In de architektonische ornementen, aan weerskanten van het middenpaneel aangebracht, bevinden zich zes kleine in bronskleur geschilderde tafereelen, getrokken uit het leven van Maria, de heilige patrones van het klooster. Aan de rechterzijde ziet men Jesus tusschen de leeraren, de Vlucht naar Egypte en de Opdracht van het Kind in den tempel, ter linkerzijde Christus zijn kruis dragende, de Kruisiging |
|
en de Graflegging. Onderaan vindt men aan beide zijden twee engeltjes met een schild, waarop het naamcijfer van Jesus staat, I. H. S. Op de twee zijstukken zien wij rechts eene vrouw en links een man, beiden geknield liggende op het steenen voorportaal eener kapel. Het zijn menschen van zekeren leeftijd en hoogst waarschijnlijk portretten; de twee koppen zijn overschoon zoowel van teekening als van schildering. De vrouw draagt een donker bruin kleed, met een fijn wit streepje langs den rand. Een groote sluier van zwarte zijde bedekt het hoofd en valt tot op den grond. Is dit een geestelijk gewaad? De nauw om het hoofd gesloten witte kap, die ouder den zwarten sluier uitkomt en de rozenkrans, welke aan de ceintuur hangt, geven het dat uiterlijk wel, maar toch betwijfelen wij het zeer en zouden eerder de stemmige kleederdracht eener vrome ongehuwde vrouw of weduwe dan dat eener geestelijke zuster hier meenen te herkennen. Achter haar staat Maria Magdalena en eene andere heilige vrouw met een zwaard in de rechter- en een valk op de linkerhand, terwijl een orgel naast haar op den grond staat. Dit orgel en ook het zwaard zijn de attributen der patrones van de toonkunst, en hoewel de valk hier eene vreemde voorstelling is, zal Squot;' Cecilia wel de bedoelde Heilige zijn. De rijke kostumen dezer personen herinneren geheel aan de kleederdracht der adellijke vrouwen uit de dagen des schilders. De geknielde man op het andere zijstuk draagt een wit monnikskleed, met een zwart schoudermanteltje. s4 Jacobus van Compostella staat in het pelgrimskleed achter hem, de eene hand op zijn schouder leggende. Naast dezen zien wij een bisschop in pontificaal gewaad, een stuk geld in liet napje werpende, dat een kleine kreupele bedelaar hem voorhoudt. Deze bedelaar bijna geheel naakt, schuilt als het ware onder den mantel van den bisschop, waarvan de slip hem de schouders dekt. Deze bisschop is dus de heilige Martinus. i) Waarschijnlijk zijn die twee personen de schenkers van de schilderij. De beelden achter hen zijn hunne patronen en patronessen en kunnen wel de doopnamen doen vermoeden, maar op de schilderij is verder geen teeken te vinden dat den familienaam zou kunnen aanwijzen en in de van het klooster van Mariönpoel afkomstige documenten hebben wij evenmin iets kunnen ontdekken, dat hieromtrent inlichten kan. Men weet alleen dat de adellijke familiön van Wassenaer, van Bouchorst, van Duyvenvoorde, van Alkemade, van Poelgeest en andere het klooster met landgoederen en andere geschenken begiftigd hebben en ook dat verscheidene dames dier huizen als geestelijke zusters daar haren intrek hebben genomen. De eerste veronderstelling, welke dus te maken zou zijn is, dat de schenkers tot een dezer adellijke huizen behoorden. Straks zullen wij echter eene andere veronderstelling opgeven, die meer waarschijnlijkheid bezit; eerst moeten nog eenige op dit en het andere stuk voorkomende bijzonderheden vermeld worden. Dit is noodig voor het duidelijk begrip. |
Wanneer de zijstukken gesloten zijn, stellen zij vier vrouwenbeelden voor, wier lange witte kleederen aan het geheel het uiterlijk geven van een zoogenaamd grauwtje, hier en daar met kleuren opgehoogd. Aan de kleedij en aan de tributen herkent men St0 Apollonia, S1' Geertruide, S10 Agatha en Ste Agnes. De eerste draagt onder haar wit kleed, met wijde open mouwen, een ander, rood van kleur. Haar wit hoofdtooisel is met gouddraad versierd, het blonde haar valt op de schouders; de kraag der japon is omgeslagen en aan den binnenkant groen; zij heeft in de eene hand de nijptang met de uitgetrokken kies, het symbool harer marteling. Naast haar staat de Heilige Geertruide van Nivelles in geestelijk gewaad; de muizen klimmen tegen den stok op van den staf, dien zij als abdis in de hand houdt. Op het andere luik herkent men de Heilige Agatha aan de nijptang, waarmeê haar de tepels zijn afgerukt, en de Heilige Agnes aan het lam, dat naast haar staat. Boven aan de schilderij zijn in de ornementatie twee gelijke schilden aangebracht, elk veld gedeeld door een paal, beladen met drie S' Andries kruisen. De kleuren zijn niet aangegeven, maar de verdeeling van het schild, de vorm en de plaatsing der kruisen, alles heeft met bet wapen van Amsterdam de meest volkomen overeenkomst. Het andere triptiek is iets grooter en in het midden iets hooger. Hoewel al de hoedanigheden van het eerste bezittende en blijkbaar van denzelfden kunstenaar zijnde, vindt men er toch zekere wonderlijkheden in, die voor het algemeen aspect hinderlijk zijn. Verscheidene deelen, zoo als de gedamasceerde stoffen en sommige koppen afzonderlijk beschouwd, zijn op de hoogte van de eerste schilderij, maar het geheel is minder gelukkig. Er zijn veel, misschien wel te veel figuren, de eenheid en de waarde van het hoofdonderwerp wordt er door benadeeld. Het middenpaneel stelt het Lijden voor. De Zaligmaker aan het kruis en de twee gekruisigde boosdoeners vullen het midden der schilderij. Boven het kruis ziet men eenige engelen ten hemel opwaarts stijgen, terwijl twee andere onder de armen zwevende, het bloed uit de handwonden van den Zaligmaker in kelken opvangen. Die engelen zijn rood, hunne kleederen, vleugelen, het haar, de gezichten, alles is van een gelijke roode kleur, men zou hen de engelen des bloeds kunnen noemen. Maria Magdalena ligt geknield aan den voet van het kruis. Krijgslieden, wachters en burgers, sommigen te voet, anderen te paard, omringen de drie kruishouten of komen en gaan langs den weg, die naar de stad op den achtergrond geleidt. Op den voorgrond aan de rechterzijde van het paneel ziet men de Heilige Maagd weenende, te midden van andere personen die haar troosten en met haar weenen. Het is vooreerst Joannes, de discipel, aan wien Christus zijne moeder aanbeval, dan Maria Magdalena eene tweede maal en verders eenige heilige vrouwen. Deze groep vol gevoel en uitdrukking, is geheel op de hoogte der eerste schilderij en de meeste der personen die het uitmaken, dragen op beide stukken dezelfde kleederen. De offerande van Abraham is het onderwerp van het rechter-luik en Mozes, de koperen slang aan het joodsche volk vertoonende, dat van het andere zijstuk. Op den voorgrond ziet men aan den voet der, bergs Abraham en zijn zoon, die het hout voor den brandstapel draagt, terwijl op den top van den berg beiden nog eens voorkomen op het oogenblik dat een engel den arm tegenhoudt van den vader, die gereed staat zijn zoon te offeren. Op den achterkant van het eerste paneel heeft de schilder Christus voorgesteld, door twee beulen en twee soldaten van zijn kleederen beroofd wordende. De helmen en harnassen der soldaten zijn van vreemdsoortigen vorm. Op het andere paneel ziet men Christus, zittende, de handen gebonden en met doornen gekroond. Zijne voeten rusten op het kruis dat ter aarde ligt en waarin een man bezig is gaten voor de ijzeren nagels te boien. Een ander man met gemeen uitzicht en spottenden lach, geeft Hem het riet tot teeken van koningschap in handen, terwijl een derde Hem een beker voor den mond houdt. De beelden van |
1
De heilige wordt veelal als ricHer te paard voorgesteld, zijn mantel doorsnijdende, ten behoeve van den kreupelen bedelaar â later werd hij priester en bisschop.
â (gt;2 â
|
ileze twee paneelen hebben in meerdere opzichten veel overeenkomst met sommige figuren van het groote altaarstuk te Calcar, zoowel door de uitdrukking der gelaatstrekken als door de standen en de wonderlijkheid der kleeding. De twee beelden van den Verlosser zijn rood en druipende van bloed; zoowel door dit overdreven realisme als door de ongelukkige uitdrukking gelijken zij veel op den Ecce Homo van een der tafereelen van dat belangrijk kunstwerk, waarvan wij binnen kort eene uitvoerige beschrijving hopen te geven. Onder het midden tafereel bevindt zich een vierde, '/eer langwerpig paneel. In het midden daarvan ligt op een langen .steen het lijk van een man, die reeds lang gestorven moet zijn, want het vel is uitgedroogd en strak over de beenderen. De stam van een boom, die in dit doode lichaam wortel schijnt gevat te hehben, rijst door een opening uit den buik omhoog en reikt tot aan de lijst. Aan het hoofd en aan de voeten staan verscheidene personen in aandachtige houding. Van de rechterzij der schilderij beginnende, zien wij vooreerst een bisschop in pontificaal gewaad, met een boek in de eene en een staf in de andere hand. Achter hem staat de kleine kreupele bedelaar met zijn kruk en zijn nap, zich de schouders dekkende met de slip van het kleed des bis-weldoeners en patronen. Maar wat kan wel de beteekenis van het middelste voorwerp zijn, welk is dat lijk, waarin een boom zijn wortels heeft geschoten? Ziehier de, naar wij meenen, juiste verklaring. |
Volgens eene legende der middeneeuwen had Adam, het paradijs verlatende, een pit van den boom der kennis van goed en kwaad meêgenomen. Hij bewaarde die zijn leven lang; stervende plaatste hij die pit in den mond en werd aldus begraven. Later groeide uit zijn graf een boom, welke boom het kruis van den Verlosser werd. Even als Jesos Christus mensch wordende, om ons te redden, de Zoon is van Adam, door wiens schuld wij verloren waren, even zoo ontsproot ook de boom des levens uit een zaadkorrel van den boom des doods. Dergelijke sujetten, waarin de boom van het paradijs het zinnebeeld des levens wordt, na het van den dood te zijn geweest, zijn door middeneeuwsche kunstenaars meermalen behandeld. In de Bibliotheek van Munchen wordt een missaal van 1480 bewaard, waarin eene miniatuur van Berthold Furtmeyer voorkomt, een boom voorstellende, beladen met appelen en hostiën door elkander. Tusschen die vruchten is aan de eene zijde een doodshoofd en aan de andere een klein crucifix; de slang kronkelt zich om den stam en Adam ligt op |
|
schops, dien wij dus als S1 Maarten erkennen, dezelfde die op een der luiken van het eerste stuk staat. De twee personen op de zijpaneelen geknield voorkomende en die wij voor den schenker en de schenkster aanzien, staan voor S' Maarten. Zij zijn aan hunne kleeding en ook aan de gelaatstrekken te kennen want hoewel op kleinere schaal, zijn die figuren met veel zorg en volmaakt goed geschilderd. Aan den linkerkant, dat is aan het voeteneinde, zien wij eerst vijf biddende nonnen, zij dragen het witte kleed en over het hoofd de zwarte kap der kanunnikessen. De laatste persoon, maar toch op den voorgrond geplaatst, is weer een bisschop in pontificale kleeding, rooden mantel en groene handschoenen. In de linkerhand draagt hij een hart van twee pijltjes doorstoken, zijnde dit het attribuut van den Heiligen Augustinus, wiens regel door de zusteren van Mariünpoel gevolgd werd, daar zij bij hun intrede, volgens het confessionale moesten beloven âstabilitatem et conversionem morum et obediential!! secundum regulam S1' Augustiniquot; i). De hier voorgestelde personen zijn dus de geestelijke zusteren van het klooster, hare Ij David van Bourgondiü, Bisschop van Utrecht, noemt haar in een akte van 2 September 1461 âreguliere kanunnikessen vau S' Augustijn.quot; Zie van Heusskn. |
den grond aan den voet des booms. Verscheidene personen, die de achter hen staande dood als zijn eigendom schijnt aan te wijzen, ontvangen appelen uit de handen van Eva, terwijl aan de andere zijde Maria, de Eva van het Nieuwe Verbond, aan de geloovigen hostiën uitdeelt. Men zou nog andere voorbeelden kunnen aanwijzen en de Kerstboom, wiens groene takken met lichten en vruchten beladen zijn, is niets anders dan het symbool van den boom van het paradijs, die door de geboorte van den Heiland, de boom van het leven wordt. Keeren wij nu tot de schenkers der schilderijen terug. In het jaar 1526 stierf op vijftigjarigen ouderdom Jacob Maertensz., achtste regent van Mariünpoel, na eerst vier jaar kapelaan, en later veertien jaar regent te zijn geweest. Vroeger was hij regulier kanunnik te Heilo, en komt voor onder de weldoeners van het klooster, wier getijden jaarlijks gevierd moesten worden 1). Volgens die jaartallen was Jacob Maartensz. slechts acht jaar jonger dan Cornelis Engelbrechtsen en heeft te Marienpoel gewoond van 1508 tot 1526. Engelbrechtsen was dus vier-en- |
1
Zie van heussen â en ook het Necrologiam van Mariünpoel in het werk van D' R. C. H. Rümer.
â
-----
WmmÃÃmm jraai r
|
veertig jaar, toen bet regentschap door Jacoii Maertf.nsz. aanvaard werd. Achter den geknielden geestelijke op het linkerluik der eerste schilderij, staan als patronen Jacob van Compostella en Martinus. Men kan dus aannemen dat Jacob en Martinus, de namen van dien geestelijke zijn terwijl als bijzonderheid, niet zonder eenig belang en geheel ten steun onzer veronderstelling, nog op te merken valt dat S' Jacoü hem de hand op den schouder legt en hem in onmiddelijke bescherming schijnt te nemen. Jacob is dus wel zijn persoonlijke naam, terwijl Martinus de naam is van zijn vader en meer als familienaam moet aangemerkt worden. Ook draagt hij bet witte kleed der Augustijnen met een zwart schoudermanteltje of scapulier, dat het teeken zijner waardigheid zal zijn. Te Heilo, waar bij vroeger regulier kanunnik was, bestond het klooster van S' quot;Willebrord, bewoond gelijk men weet door reguliere kanunniken, die in 1438 den regel van den Heiligen Augustisus hadden aangenomen Dit klooster behoorde even als dat van Mariënpoel tot bet kapittel van Sion te Delft. Bij zooveel aansluitende bijzonderheden is het meer dan waarschijnlijk, dat de naar het leven afgebeelde personen, voorkomende op de zijstukken der eerste en ook op bet onderste paneel van de tweede schilderij geen andere zijn dan Jacoü Maertensz. de regent en eene zijner bloedverwanten, misschien zijne zuster, die met elkander de twee altaarstukken besteld en bekostigd zullen hebben om die aan de kerk van het klooster te schenken. Dan is er voor het aanbrengen van het amsterdamsche wapen in de architektonische ornamenten ook eene reden te vinden. Jacob Maertenszoon was, gelijk de eenvoudigheid van zijn naam bet aanduidt, niet van adel, en de schilder, over geen familiewapen kunnende beschikken, heeft het wapen der geboortestad des schenkers tot aanwijzing en versiering gebruikt, zooals meermalen gedaan werd. Dat overigens het klooster te Heilo en dat te Amsterdam met elkander in betrekking stonden, wordt bewezen door de omstandigheid dat de kloosterlingen van beide gestichten zich later vereenigd hebben, ten gevolge van den brand, die het klooster van Amsterdam in 1533 vernield had. In de andere musea van Holland treft men geen werk van cornelis aan en hoewel de twee Leidsche stukken een volledig talent doen kennen, kan men aannemen dat bet getal zijner heden bekende stukken zeer beperkt is. Na de beschrijving der twee aan de kerk van Mariënpoel behoord hebbende stukken, spreekt van Mander nog van een ander met lijmverf beschilderd doek, de drie Koningen voorstellende, dat ook op het stadhuis aanwezig was, maar in die dagen reeds, dat is in 1604, in een zeer slechten staat verkeerde. Hij spreekt ook nog van een triptiek, dat hij het meesterstuk des schilders noemt en dat tot hoofdonderwerp bad bet Lam, omringd door de bemelsche heerscharen, voor den troon Gods bet verzegelde boek openende, volgens de Openbaring van Joannes. De schilderij berustte toenmaals bij een schoonzoon van den Heer Lockiiorst, maar was vroeger in de s' pieters-kerk boven het graf dier adellijke familie geplaatst. Deze werken zijn nu waarschijnlijk vergaan, men weet althans niet wat er van geworden is. De Pinacotheek van Munchen vermeldt in den catalogus een schilderij van Cornelis Engelbreciitsen, Christus voorstellende tusscben de twee gekruisigde boosdoeners. De Heilige Maria komt er twee maal op voor, eerst aan den voet van bet kruis en vervolgens op den achtergrond in zwijm vallende en door de heilige vrouwen omringd. Dit stuk moet met de kruisiging te Leiden veel overeenkomst hebben. Ook het Ant-werpsche Museum beroemt zich op twee schilderijen van Engel brechtsen; het zijn twee luiken zonder het middenstuk. Het eene stelt S' Leonardus voor, gevangenen verlossende, het andere S' Hubertus, als bisschop met bet hert naast zich en de jachthoorn in de hand. Op den achterkant van het eerste is een S' Joris en achter den S1 Hubertus de overvoering van bet lichaam van dien Heilige geschilderd; die voorstellingen zijn echter naar den muur gekeerd en niet te zien, maar de zichtbare schilderingen zijn zeer schoon, vooral het beeld van St, Hubertus, dat meer nog dan het eerste de hoedanigheden der Leidsche stukken bezit. Op het Museum te Weenen bevindt zich een altaarstuk dat mede aan onzen meester wordt toegeschreven. Het middenstuk stelt Maria en het Kind voor, terwijl de schenkers met S'. Joris en S'. Catharina op de zijstukken afgebeeld zijn. Misschien bevinden zich te Parijs, te Brussel of elders onder de stukken van onbekende meesters nog werken van onzen landgenoot, welke nu de vergelijking, door de gunstige plaats hem op het Museum zijner geboortestad gegeven, mogelijk is gemaakt, weldra erkend zullen worden. |
Cornelis Engelbreciitsen of Engelbrechtzoon werd in 1468 te Leiden geboren. Zijn vader Engelbert of Engelbrecht 1), die houtsnijder (graveur) misschien ook schilder was, is de eerste en zoo veel men weet de eenige leermeester van zijn zoon geweest. 2) Van Mander zegt dat hij, de zoon, de eerste of een der eersten geweest is die te Leiden olieverven heeft gebruikt volgens de -kunst âdoor Jan van Evck. de kroon en het cieraad onzer Nederlanden uitgevonden.quot; Dezelfde schrijver meldt ons ook dat Cornelis zonen beeft gehad die allen het penceel hanteerden; na echter te hebben gezegd dat hij twee zonen had waarvan Piëter de oudste was, geeft bij later de levensbeschrijving van Cornelis en van Lucas. Men moet dus aannemen dat Cornelis Engelbreciitsen drie zonen heeft gehad, hetgeen tamelijk wel sluit met de oude registers der schutterij waarop de namen van den vader, van de zoons en van den grootvader in de volgende orde voorkomen. 6 Feb. 1457. Engelbrecht de timmermanquot; â Deze is de vader, mischien was hij werkelijk timmerman; |
1
Het meerendeel der schrijvers hebben den naam van vader en zoon met een L aan liet einde der tweede lettergreep geschreven en wij hebben het eenmaal aangenomen gebruik gevolgd. Beter ware het zeker Enoebrecht en Engejirechtsen te spellen, gelijk het op de nog bestaande stukken, rekeningen en registers gevonden wordt.
â 64 â
|
is hij houtgraveur of vormsnijder geweest dan zullen de ambtenaren die het register schreven in hunnen eenvoud gemeend hebben dat een man die hout bewerkt allereerst timmerman moet zijn. 9 Aug. 1499. âHandboogschutters gemaakt, gekozen en afgelezenquot; â âCornelis Engeliirechtz. scilder.quot; Men vindt dien naam terug in 1506 en in 1515 op 23 Mei, maar dan onder de voetboogschutters. Nogmaals komt hij voor op 7 Mei 1519 en ten laatste op t8 Mei 1522. Hij is dus van zijn een-en-dertigste tot zijn vier-en-vijftigste jaar achtereen óf bij tusscbenpoozing schutter geweest. Daar de naamlijsten niet volledig zijn kan men niet alles opsporen; waarschijnlijk zelfs werd hij reeds vroeger opgeroepen, daar men volgens den regel tusschen de achttien en twintig jaar schutter werd. 6 Maart 1514. âOude schutters gemaaktquot; â âPieter Cor-neusz. scilder.quot; â Oudste zoon van Cornelis Engelbrechtsen ; hij was glasschilder en bevriend met den jongen Lucas Huig wien hij de kunst van glasschilderen onderwees. In 1519 komt hij nog eens voor. 7 Mei 1519. Cornelis Cornelisz, scilder'quot; bevindt zich onder de âCloverschutters.quot; Deze is de tweede zoon, geboren in 1493, ook bekend onder den naam van Cornelis Kunst. Hij reisde meermalen naar Vlaanderen en hield zich soms drie en vier jaren te Brugge op waar hij, naar het schijnt, goede zaken deed. Onder anderen schilderde hij een groot stuk, Christus voorstellende, zijn kruis dragende, en de portretten van zijne eerste en van zijne tweede vrouw bevonden zich in 1604 nog bij zijne dochter Agatha. Andere schilderijen, door hem voor een klooster te Leiderdorp vervaardigd, zijn in de laatste jaren der XVTle eeuw vernield. Hij stierf in 1544. De derde zoon Lucas Cornelis werd bijgenaamd âde Kokquot; omdat hij het kunstvak niet voordeelig genoeg vindende, het ambacht van kok er bij uitoefende. Toch schijnt hij niet van talent ontbloot te zijn geweest, zijne stukken werden zelfs door de liefhebbers wel gezocht, maar aan het hoofd staande van een talrijk gezin verliet hij met zijne vrouw en zeven of acht kinderen het vaderland en begaf zich naar Engeland. Hij was in 1495 geboren, na zijn vertrek heeft men niets meer van hem vernomen. Later werd een zijner stukken door een koopman, die zich nog anderen wenschte aan te schaffen, uit Engeland meégebracht. Ook kent men van hem eenige kleine gravuren: de herders, de drie koningen, S'. Jan schrijvende terwijl de duivel zijn inktkoker omwerpt, enz. Zij zijn gemerkt met de quot;etters L, K, met een klein vaasje er tusschen. |
Wetende dat Cornelis Engelürechtsen's tweede zoon in 1493 geboren werd, moet men gelooven dat de vader, omtrent 149°â91 twee of drie-en-twintig jaar oud zijnde, getrouwd moet zijn. Dat hij belangrijke reizen deed is niet te veronderstellen, zijn naam komt in de levensbeschrijving zijner tijdgenooten niet voor en alles schijnt te bewijzen dat hij rustig en zedig in zijn geboortestad leefde, alwaar hij, vijf-en-zestig jaar oud, ontsliep. Na zijn dood verliet zijne weduwe Feve genaamd, de stad en ging te Delft wonen. Op eene lijst van voorwerpen door Pater Lambert, regent van Mariënpoel, in 1523 gekocht, komt het volgende voor: âPeter Cornelisz. tot Leiden, voir een clein glaesken gescreven, staande in de nedercamer met wijngelach en anders xij st,quot; De hier bedoelde Peter Cornelisz. is de oudste zoon, de glasschilder, van wien hierboven reeds gesproken is. Die opgave bevindt zich in eene reeks van Mariünpoel afkomstige rekeningen, loopende van 1519 tot 1529 en van ^32 tot 1537 welke tegenwoordig op het stadhuis te Leiden bewaard worden. ()ok vindt men in de Thes. Rekening van 1527 het volgende uittreksel: âBetaeldt Pieter Cornelisz. schilder van xij schildekens mitter stede wapenen die aan de voirs toerssen gehangen zijn vij st.quot; Zij geven echter geen verdere aanwijzing, noch omtrent den persoon die onze schilderijen bestelde, noch omtrent de som welke den kunstenaar werd uitbetaald. Voor het oogenblik moeten wij berusten bij de opgegeven bijzonderheden die, hoewel nog veel te wenschen overlatende, toch vollediger zijn, dan hetgeen tot heden van onzen meester bekend was. Dank zij den zorgen der stichters van het nieuwe museum, kunnen zijne werken nu van nabij gezien en bestudeerd worden, en wij mogen verwachten dat anderen hetgeen wij poogden te beginnen, zullen voltooien en de zaken die wij gezocht hebben zullen weten te vinden. Met dezen wensch nemen wij afscheid van den stichter der Leidsche kunstschool om in eene latere aflevering te komen tot de werken van den grooten Lucas Huigen, die gewoonlijk Lucas van Leiden genoemd wordt. C. Ed. Taurel. |
door JOACHIM DE PATINIR.
JC -tC x-X
|
1) Zie het Tijdschrift /Je Vlaamsche School. 1855â1856, 2) Dr Can GE, Glossaire Francais geeft de volgende verklaring van het woord Patinier: âcelui qui fait des patins dont le métier est appelé Patinerie Gl. PLATINrs.quot; In de waalsche steden bestonden ambachten van P a t i n i e r s. |
Antwerpen in 1SÃ3, waar wij nasporingen over de familie Massijs deden, hadden wij het geluk onmiddellijk de hand te leggen op een aantal bescheiden, die den sluier verder kwamen oplichten welke tot dan 's mans handel en wandel had omhuld. Om onze ontdekking vrucht te doen dragen, deden wij haar door den druk kennen 1); wat wij echter niet hadden verwacht, wij zagen haar op de zonderlingste wijze onthaald. â Dat zij evenwel echt was,, kon men niet betwisten. Doch verder! Volgens van Mander's. Schilderboek, zag de Patin ui 2) te Dinant het eerste levenslicht; doch Ludovico Guicciareini, wiens getuigenis wij slechts met voorbehoud kunnen ontvangen, beweert dat hij te Bouvignes werd geboren; 3) in welk jaar? dit zegt noch de eene noch de andere schrijver. Van Mander, dien men steeds moet raadplegen, wanneer het de geschiedenis onzer oudere kunstschool geldt, zegt verder dat Patinir âis ghecomen in 't Gildt en edel Schildergeselschap der âstad Antwerpen in 't jaer ons heeren 1535.quot; Doch hier had buiten twijfel eene drukfeil plaats, daar het aangeduide feit reeds twintig jaren vroeger plaats greep, en onze kunstenaar in 1535 sinds lang het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. De vergelijking der ontdekte bescheiden bewees genoegzaam dat onze meester vóór het jaar 1490 moet zijn geboren. Hoe en waar hij zijne studiën in de kunst deed, is tot nu toe een geheim; wie weet of hij geen volgeling was der meesters dier Doorniksche school waarvan de Heer B. du Mortier op eene zoo onverwachte als gelukkige wijze het bestaan bewezen heeft. 4) Uit de door ons gevonden stukken schijnt te blijken dat de Patinir eenigen tijd te Dendermonde in Vlaanderen verbleef, en van deze plaats nanr het alsdan zoo bloeiende Antwerpen is overgegaan. Omtrent dit 1) Journal des Beaux-Arts en Vlaamsche School, Jaargang 1864. 2) Wij behouden de spelling van het catalogue du Musée d'Anvers, op 's meesters eigen handteeken gegrond. 3) Vasari is van hetzelfde gevoelen, doch wij hebben in onze nasporingen over de geboorteplaats van Quinten Massijs bewezen dat beide geschiedschrijvers eene aanteekening van Lampsonu s gevolgd hebben. 4) Zie ons schrift Luister der Sr. Lucas gilde 1854. bl. 25â31, cn Comfite-rendu du congrïs cCArchéologie ifAnvers de 1867, p. 131, |
tik
â 66 â
|
tijdstip ook zal hij in den echt zijn getreden met Francisca of Franskijne Buyst toebehoorende aan een geslacht dat verscheidene schilders had voortgebracht. In de Scheldestad heerschte alsdan eene machtige kunstbeweging, waarvan de groote en ootmoedige Quinten Massijs de ziel was. De Patinir had het geluk in betrekking met den genialen meester te treden en hem weldra als een zijner trouwste vrienden te mogen begroeten. In 151 s werd Patinir als meester in de Antwerpsche St. Lucas-gilde ontvangen onder het dekenschap van Jan de Beer, kunstschilder, en Godvaart Back, boekprinter. Vijf jaren later, op 30 Maart 1520 (nieuwe stijl), kocht hij gezamenlijk met zijne vrouw Francisca Buyst een huis aan, in de Korte Gasthuisstraat gelegen en waarvan de koopakte voor de Schepenen J. van Delft en H. van den Werve verleden, thans nog ter stedelijke archieven van Antwerpen berust. Dit stuk werd tot heden nooit gedrukt; het is geschreven in de Nederlandsche taal, doorweven van latijnsche woorden en volzinnen, en vermeldt dat Patinir van âJean Wrage gelaesmakere'' een huis kocht âmetten halven hovequot; enz. staande tusschen âdesselfs Jan Wraechs erve ex una ende Frans Bacx erve ex altera.quot; De tijden en voorwaarden van betaling, de wijze van verbouwing van zekeren tusschenmuur, alsook de hoogte en grootte van het daarin te plaatsen licht of raam, alles is in dat stuk voorzien en bepaald. Weinigen tijd na de regeling van dezen aankoop overleed Franskijne Buvst, moeder zijnde van twee meisjes, Anna, en Brigitta Patinir, en onze schilder die, naar het schijnt, niet geboren was om als jongman of weduwenaar te leven, trad, op den Zondag voor de Kruisdagen, 5 Mei 1521, in een tweede huwelijk met Joanna Noyts, toehoorende aan een aloud Ant-werpsch geslacht. Albrecht Dürer, die zich alsdan in de Scheldestad bevond, verklaart dat hij de bruiloft bijwoonde. Van Mander getuigt verder dat de Duitsche schilder âgroot âbehagen hebbende in de handelinghe van Patenier, hem conter-âfeytte op eene leye of misschien een tafelet met eene copere stift, â/.eer uytnemende ghedaen.quot; Dit feit wordt door nasporingen van Bartsch bewaarheid, en dat de Patinir in nauwe betrekkingen met Dürer stond, blijkt ten overvloede uit het dagverhaal des genialen Nurenbergers. Na de dagteekening van 5 Augustus 1520, leest men aldaar, dat meester Joachim bij hem had gegeten, even als zijn knecht. 1) Op een feest, door meester Adriaan Herre-bout, den geleerden en invloedrijken Stadspensionaris, ter eere van Dürer gegeven, werd dezen laatsten door zijn gast eene van Patinius schilderijen aangeboden welke Loth en zijne dochters voorstelde 2). In de Pinksterdagen van het jaariS21, na te hebben gemeld dat hij den vermaarden beeldhouwer Meester Koenraad Meyt tot gast had genood, zegt de Duitsche schilder, dat hij voor meester Joachim vier Christoflels op grauw papier had geschetst 3) en later dat hij aan Patinir âdes grün Hansen Ding,quot; dat is een plaatwerk van] den figuursnijder Hans Baldung Grün ten geschenke had gegeven. Na deze talrijke bewijzen van achting en vriendschap aan de Patinir door de uitmuntendste meesters zijner eeuw bewezen, zal het menigeen vreemd voorkomen dat de anders zoo nauwgezette van Mander onzen medeburger afgeschilderd heeft als âeen mensch 1, Reliquien von Alurkc.-it Dürer, seinen Verehrern geweihl, hl. 82, en Virachtcr's Albrecht Diirbr in de Nederlanden, hl. 40. 2) Op cit. b'. 119 en 71. 3) Ilnd. bl. 132 en 78. 4) Ibid. bl. ,138 en 82. |
âdie neffens zijn edel const van een rouw leven was, seer tot den âdranck gheneghen, dat hy heel daghen sat in de herbergh, zijn âghewin overdadigh doorbrengende, tot dat hy, door den noot âghedronghen hem tot gheldvruchtige penceelen most begheven.quot; âBy hemquot; zoo vervolgt de begaafde biograaf onzer oudere kunst-meesters, âby hem leerde Frans Mostaert, dien hy door âkorselheyt en dronckenschap dickwils ten huys uytjaegde, soo dat âhy veel by hem verdroegh, gheneghen zijnde om te leeren.quot; Ofschoon wij er verre van af zijn, in al de Nederlandsche kunstschilders, toonbeelden van alle mogelijke deugden te vinden, kunnen wij hier evenwel de beschuldiging piet bijstemmen, door van Mander, wij willen het gelooven, ter goeder trouwe, uitgebracht. Inderdaad de Meulebeeksche schilder-schrijver werd te lang na de Patinir's dood geboren, dan dat hij de huiselijke inlichtingen die hij over dezen kunstenaar heeft vergaderd uit de eerste hand zou hebben bekomen; daarbij verkeerde Patinir in eenen weihebbenden staat en het huis dat deze meester ten jare 1520 had aangekocht, bleef hij tot aan zijnen dood als eigenaar bezitten; een bewijs dat de kunstenaar zijne have niet verbraste en van geene geldmiddelen was ontbloot om in zijn bestaan en dat zijns gezins te voorzien. Tot nu toe hebben wij het juiste tijdstip van Patinir's dood niet kunnen onderscheppen , doch eene der door ons ontdekte bescheiden levert het bewijs dat onze meester vóór 5 October 1524, het tijdelijke met het eeuwige verwisselde; zijne weduwe en weezen vervreemden alsdan het door hem in 1520 aangekochte huis in de Korte Gasthuisstraat. Uit dit stuk blijkt, dat Patinir door zijnen tweeden echt eene dochter had gewonnen welke den naam van Petronella had bekomen, en dat de kunstschilders Quinten Massijs, Jan Buvst en Karel Alaerts de taak van voogden zijner voorkinderen hadden aanvaard; de voogden van Petronella waren drie Antwerpsche burgers met name Adriaen van Campenhout, Pauwel van den Berghe en Antoon van Beeringen. Ofschoon de Patinir geene mannelijke afstammelingen naliet, verging daarom zijn naam niet te Antwerpen. Nog langen tijd zien wij hem in de archieven vermeld, een bewijs dat verscheidene leden van des schilders geslacht zich metter woon naar de Scheldestad moeten hebben verplaatst. De schilderijen van De Patinir hebben allen hetzelfde bijzondere karakter. De beelden zijn klein, het landschap is het meest belangrijke. De natuurtafereelen welke hij voorstelt, brengen ons de omstreken van Dinant, Namen en Luik te binnen. Hoewel te Antwerpen arbeidende, konden de velden en het vlakke land van Vlaanderen en Holland hem niet begeesteren en de herinneringen zijner jeugd schijnen zijn penseel te hebben geleid. Hij plaatst den horizon altijd hoog en ontvouwt een landschap van heuvels en rotsen dat door een rijken plantengroei overdekt en dikwijls door een breeden waterstroom doorsneden wordt. Hielen daar verheffen de rotsen zich loodrecht en vertoonen hare naakte steile wanden. Onze meester schept er behagen in zijne landelijke tafereelen te verrijken met menschenbeelden en woningen en plaatst op eiken grond en op elke hoogte huizen, landhoeven en kasteelen. De hierbij gaande prent, wier schilderij te Haarlem op het Museum berust, geeft eene tamelijk volledige gedachte der samen-r,tellingen van de Patinir. De geschiedenis van den jongen Tobias heeft hem onderwerpen aan de hand gedaan voor verschillende kleine tooneelen, welke door de voorgronden verspreid, elkander opvolgen, zooals het verhaal dit aangeeft. Een breed |
|
water tusschen de rotsen van den achtergrond stroomende, vormt voor eene op den oever gebouwde stad, eene havenkom, waarin schepen en andere vaartuigen/liggen, en verdeelt zich verder in kleine riviertjes die de voorgronden besproeien. De wel wat sterke afscheiding, tusschen de krachtige bruine toonen van de voorste gronden en de lichte grijs-blauwe kleuren van het verschiet, vindt men niet alleen in de meeste werken van onzen meester, maar bijna in alle die zijner tijdgenooten terug. De kleine schilderij de Vlucht naar Egypte voorstellende, die thans in het bezit is van het Museum van Antwerpen, behoort tot de collectie van Ertborn. Ook op dit keurig kunstwerk zijn de figuren geheel ondergeschikt aan het landschap .Maria met het Kind op den schoot, gezeten op den ezel, door Jozef geleid, trekt door den rotsachtigen voorgrond. Langs de oevers van den breeden waterstroom, die het landschap doorsnijdt, ziet men boerderijen met kleine beeldjes er voor. De netheid van uitvoering en de zorg, aan de détails besteed, geven het geheel min of meer het karakter eener miniatuur. Hetzelfde zou men kunnen zeggen van het landschap door Païinir geschilderd, achter eene M a d o n n a en achter de Aanbidding der W ij z e n van Barend van Orley, welke zich op hetzelfde Museum bevinden. Groote beelden schijnt onze meester niet te hebben gepenseeld. Op het Museum van Brussel bevindt zich eene voorstelling van de H. Maagd, met het lichaam van haren goddelijken Zoon op den schoot. Het landschap daar om heen is van Patinir, maar ook hier zijn de beelden van eene andere hand. Zes medaillons, voorstellende de B e s n ij d e n i s, de Vlucht n a a r E g y p t e en Christus tusschen de leeraren, verder de Kruisdraging, de Kruisiging en de Graflegging, aan weerszijde van het landschap, zijn later geschilderd. De werken van de Patinir zijn nog al zeldzaam, men kent er slechts weinig. De schilderij van het Haarlemsche Museum, die vroeger aan het S' eusabeth's-gasthuis toebehoorde, is misschien de eenige die in Noord-Nederland te vinden is. Het oude gasthuis, de Bijloke, te Gent, bezit twee landschappen, waarvan het eene althands aan de Patinir kan toegeschreven worden. Hoogst waarschijnlijk bevinden zich nog eenige werken zijner hand onder de schilderijen van onbekende meesters, welke in de verschillende musea bewaard worden. |
Bij de kunstenaars, tijdgenooten van onzen meester, was het geene vaste gewoonte hunne tafereelen te onderteekenen, zooals de schilders van latere tijden gedaan hehben. Soms werd de naam van den schilder in een opschrift vermeld, soms ook werd een zeker merk gebezigd. Dusdanig merk of teeken, bestaande in een zittend mannenbeeldje dat zich verbergt, enz. zou volgens het zeggen van van Mander op al de werken van de Patinir le vinden zijn. Hoewel die grove aardigheid op de schilderij te Brussel werkelijk aanwezig is, kan men niet aannemen dat de kunstenaar dit werk steeds gebruikt heeft. Het zal wel bij een of een paar stukken blijven en evenals de berichten over de onmatigheid en het slechte gedrag van den schilder, kan ook dit gezegde overdreven zijn; van Mander zal hetgeen hij heeft hooren zeggen naverteld hebben en die wonderlijke kleinigheden verkregen daardoor veel te groote waarde. Als bewijs hiervan vermelden wij dat op het kleine stuk van het Museum te Antwerpen en ook op den Doop van Christus dat te Weenen berust, zich dit opschrift bevindt: OPVS JOACHIM D. PATINIR. Twee andere stukken, het Huwelijk der H. Catharina en een St. Hieronvmus, worden eveneens te Weenen gevonden, terwijl de Pinacotheek van München nog eene Vlucht naar Egypte bezit. Hetgeen in het werk van den Heer Charles Blanc {Histoire des Peinires tie tontes les /''colesâÃcole Flamande âAppendice) over de Patinir gezegd wordt is, wat het jaar van zijn overlijden betreft zoowel als de veronderstelde beteekenis der letter D in bovengenoemd opschrift, geheel onjuist; de letter D is geene herinnering aan Dinant, maar komt eenvoudig in de plaats van het woordje de dat ook in de akte van aankoop van het huis, den naam van onzen meester voorafgaat. Men vergete niet, dat oudtijds de nederlandsche, evenals de latijnsche namen, werden verbogen, en dat de naam ue Patinir te Antwerpen in den genitief Patinirs of Patiniers luidde: deze laatste vorm werd vooral voor de vrouwen gebezigd i). Van daar do zoogezegde ongelijkheid die men in de schrijfwijze der eigennamen ontwaart. P. Génard. i) Ziehier wat wij desaangaande ten jare 1S53, in de eerste uitgave onzer levensschets van den beeldhouwer Bartholomeeus van Raephorst schreven; âOudtijds, en dit was een algemeen gebruik, zette men de namen der vrouwen in den genitief wanneer de voorlaatste letter een klinker was; wanneer twee medeklinkers het woord eindigden, voegde men er den uitgang tune bij: Pot maakte dus in het vrouwelijke Pots, Terrebroot, Terrcbroots, Sprongh, Spronghittne, enz.quot; De naam de Deckere werd in don genitief Deckers; de Donckere, Done-kers, enz. |
11
« m qMeI
{
door LANCEIOT BLOBDEEL,
|
Ot nu toe hebben wij in deze verzameling steeds schilderijen behandeld, die niet alleen door het heerschend karakter der compositie, maar ook door de ter uitvoering aangewende middelen tot de oude school behooren; de schilderij, die wij nu gaan bespreken en die voor het eerst weergegeven wordt, is het werk van een kunstenaar, die, eene tegenovergestelde richting volgende, de overleveringen der nationale school ter zijde liet, en in Italië de monumenten der oude heiden- j sche kunst en de werken der half [ heidensche meesters, welke toenmaals aan gene zijde der Alpen bloeiden, was gaan bestudeeren. Voor het gilde der schilders en zadelmakers van de stad lirugge uitgevoerd, bleef dit doek tot de omwenteling van 1792 I hunne kapel versieren; tegenwoordig bevindt het zich in eene der zij-kapellen der kathedrale kerk van den Heiligen Verlosser. De Heilige Maagd zit in het midden op een verheven gouden troon, die boven een boog geplaatst en met een rijk tapijt overdekt is. Haar kleed is groenachtig blauw en haar mantel rood, zij houdt het Goddelijk Kind op haren schoot. Aan den voet van den troon staat ter rechterzijde S* Lucas, patroon der schilders, met een lang groen kleed, een purperen mantel en een muts van dezelfde kleur op het hoofd; in de rechterhand houdt hij zijn Evangelie en in de andere het afbeeldsel der Madonna; naast hem staat de stier. Links, tegenover den Evangelist, ziet men S' Eligius, patroon der zadelmakers. Hij draagt een kerkgewaad, daarover een koorkleed van fluweel met goud bewerkt en een met edelgesteenten en paarlen rijk bezetten mijter. In de rechterhand houdt hij een hamer en een zadel, terwij hij den rijk versierden bisschopsstaf in de linkerhand heeft. |
Talrijke arabesken en bladvoimige ornamenten in renaissancestijl, met de pen op gouden grond geteekend, versieren de architectonische omlijsting. Boven de kroonlijst van den troon staat een klein Atlas-beeldje, dragende den wereldbol, waarop de schilder het jaartal 1545 geplaatst heeft; die kroonlijst rust op twee pilasters van de vijfde bouworde; in de kapiteelen ziet men twree gevleugelde paarden in de plaats der bladversiering 1). De twee zijpilaren van den troon zijn met engelen beeldjes, die palmen vasthouden, versierd en boven den sleutel den boog, achter S' Lucas bevindt zich een medaillon, waarop een gevleugelde stier. Op het pilaster-voetstuk aan de rechterzijde ziet men het naamcijfer van den kunstenaar, met bijvoeging van een troffel en het jaartal 1545. Door den boog onder den troon heeft men het gezicht op een schoon bergachtig landschap niet bouwvallen. Aan dien boog hangen twee sierlijke guirlanden van bloemen en vruchten, alsook een uitgesneden wapenschild, van lazuur met drie zilveren schildjes, zijnde het blazoen, door keizer Maximiliaan aan Albert Dürer en de kunstschilders-vereenigingen geschonken. Aan de rechterzijde wordt een schild, waarop het wapen van het glazen- en spiegel-makersgild van Brugge, door een gevleugelden genius vastgehouden; dat schild is van keel met gouden keper, beladen met twee geopende gruisijzers en vergezeld van twee spiegels en een schilderskwast; voorts tot hartschild het blazoen der kunstschilders. Een dergelijke genius aan de linkerzijde geplaatst, houdt een ander schild met het wapen van het gild der zadel-, gareel- en klein-ijzerwerkmakers van Brugge. Dit is van goud met een zwarten, met goud omzoomden keper, beladen met twee zadels van stijgbeugels voorzien, vergezeld van twee spiegels en een gareel; over alles heen, alweder het wapen der kunstschilders. De maker van dit schilderstuk was afkomstig van het schepenschap van Poperinghe, en werd volgens alle waarschijnlijkheid in 1496 geboren. Van zijne opleiding als kunstenaar is ons niets bekend, alleen verhaalt de oude dichter van Brugge, Edward de Dene, dat hij in zijne jeugd het ambacht van metselaar uitoefende.. De metselaarstroffel, welken men bij het naamcijfer, waarmede hij zijne werken teekende, ziet, is waarschijnlijk eene herinnering aan dat vroegere bedrijf. Den 25° Juli 1519 werd Blondeel als meester bij het gilde van S* Lucas en S4 Eligius te Brugge toegelaten. Hoewel waarschijnlijk reeds gehuwd had hij toenmaals nog geen kinderen. In 1530 werd hij benoemd tot beöedigd lid dier broederschap, en bekleedde het ambt van vinder; 111 ii;37 en 1556 werd hij met het waarnemen dezer bedieningen nogmaals belast. 1) Opmerkelijk is het, dat deze volkomen dezelfde zijn als die der kruiskerk, âdel foto transitoriaquot; door Pieter Coecke weirgegeven in het vierde boek zijner verhandeling, dat in 1539 verscheen. |
â 69 â
|
De vrouw van onzen kunstenaar noemde zich Catmarina Scriers; zij schonk hem drie kinderen; de oudste dochter, Maria, huwde voor November 1542 een behanger van Brugge, met name Andries Hansins, en Anna, de middelste, werd de vrouw van den beroemden kunstenaar Pieter Pouhbus, over vvien wij later zullen spreken. Het derde kind stierf op het laatst der maand April 1536 en werd op het kerkhof van S1 Gilles begraven. Blondeel woonde in de straat over de Vlamincbrug, de tegenwoordige S4 Jorisstraat, in het huis gemerkt E. 18, 10. Hij stierf aldaar den 4quot; Maart 1561 en zijne weduwe in Januari 1562; beiden werden op het oostelijk gedeelte van het kerkhof der kerk van St Gillis begraven. Het getal der door Blondeel geschilderde stukken is tamelijk klein. Het oudste en tevens ook het belangrijkste werd in 1523 voor het gilde der Chirurgijns-Scheerders van Brugge uitgevoerd en was bestemd als altaarstuk voor hunne kapel in de kerk van S4 Jacobus, waar het zich nog bevindt, te dienen. Dit doek hoog 1,51 meter, bij 2.40 lang, is in drie afdeelingen verdeeld en geeft voorstellingen getrokken uit de legende van S' Cosmas en S4 Damianus, de beschermheiligen van het gilde. De voorgrond bestaat op de drie afdeelingen van de schilderij uit architectuurornamenten met de pen op gouden grond geteekend; zij dienen tot omlijsting voor de verschillende tafereelen der legende en vormen, om zoo te zeggen, het meest belangrijke deel der geheele compositie. Aan elk uiteinde der schilderij verheft zich een groote met paneelen versierde pilaster waarop bas-reliefs met de pen geteekend zijn, de vleeschen alleen zijn met de natuurlijke kleuren geschilderd. Deze pilasters verbinden zich met het architectonische gedeelte van het middenpunt door middel van een soort flamboyante luchtbogen onder welke de figuren der twee Heiligen staan. De onderwerpen der bas-reliefs op de paneelen zijn: iüde Heiligen voor den landvoogd; 20 zij weigeren aan het afgodsbeeld te offeren; 30 de Heiligen biddende voor hun vervolger die door twee duivels aangevallen w o r d t en ten 40 de Heiligen op de p ij n b a n k. De omlijsting van het hoofdpaneel bestaat uit twee pilasters, wier voetstukken en kapiteelen naar de grondregels der grieksche bouwkunst samengesteld zijn met een fantastische kroonlijst er boven. Die gansche architectonische ordonnantie is overal versierd met koppen van rammen, geniussen en arabesken en met nog vijf groote medaillons, waarin de volgende voorstellingen in bas-reliefs gezien worden. 10 de twee genoemde H e i 1 i g e n, s t a a n d e temidden van het vuur, welks v 1 a m men zich om de vluchtende beulen k r o n k e-1 e n; 20. De s t e e n i g i n g d e r b e i d e m a r t e 1 a r e n; 30. Hunne g e e s e 1 i n g ; 40. Hunne kruisiging en ten 5de het terugvinden van hun graf door een kameel. In de middenruimte ziet men verschillende marteltooneelen; op den voorgrond is een stellage opgeslagen, waarop een bronzen met ramskoppen versierde kolom staat. Op die kolom staat het beeld van een koning, die den wereldbol met voeten treedt; voor dit afgodsbeeld ligt de H. Damianus op de knieën, de handen en voeten met touwen gebonden; de beul houdt den blinddoek vast en heft het zwaard op om hem te onthoofden. Een beulsknecht staat links op den voorgrond en houdt het touw, waarmêe de voeten van den martelaar gebonden zijn, vast. Twee rijk gekleede mannen, aan de rechterzijde staande, beschouwen het onthalsde lijk van den H. Cosmas, dat voor de stellage, waarop twee krijgslieden staan, uitgestrekt ligt. Aan die zelfde zijde ziet men den koning nogmaals; met de kroon 012 het hoofd en zijn scepter in de hand, staat hij op het balkon van zijn paleis de marteling te beschouwen. Een bewogen rotsachtig landschap en eene rijk met schepen gestoffeerde zee vormen den achtergrond; heel in de verte ziet men nog eene stad. Op den tweeden grond worden de twee martelaren ten aanzien van de volksmenigte door vier krijgslieden met pijlen beschoten, zij zijn aan een boomstam vastgebonden, en iets verder worden zij met een ketting aan elkaar gebonden en door soldaten in zee geworpen. |
Verscheidene beelden dezer schilderij zijn naar werken van Raphael gekopieerd. Het schijnt dat Blondeel voor zijn hei-denschen koning geen beter model heeft weten te vinden dan een afschildering van God den Vader van Raphael, en waar is het dat dit beeld hier bij een marteling voorzittende, beter op zijne plaats is dan bij de Schepping. Op een der medaillons van den pilaster ter rechterzijde vindt men het jaartal 1523. Een doek, in het midden 1.38 meter hoog, bij 0.98 meter breed, door onzen meester voor het schildersgild gemaald, wordt op het Musenm der Academie van Brugge bewaard. Dit stuk stelt voor hun patroon, S' Lucas, liggende op de rechterknie voor zijn schilders-ezel en bezig zijnde het portret der Madonna te vervaardigen. De Heilige Maria zit over hem in een armstoel, met beide handen den kleinen Jesus vasthoudende, die een arm om den hals zijner moeder geslagen heeft en den schilder eenigszins vreesachtig aanziet. De mozalk-vloer is gedeeltelijk met een rijk kleed overdekt. Het gansche tafereel wordt door een ovale omlijsting van architectonische versieringen, alweder met de pen op gouden grond geteekend, omgeven. Beneden ziet men een schild rnet het wapen des schilders, van lazuur met drie zilveren schildjes. Hetzelfde schild ziet men nog eens in het raam van een klein binnenvertrek, waar een man bezig is verven te viijven. Onder het schild bevinden zich het naamcijfer des schilders en het jaartal 1545. Het beeld der H. Maagd mist op dit stuk alle verhevenheid, terwijl dat van den Heiligen Lucas in alle deelen met de voorstelling van dien zelfden Evangelist op de hier in gravure gevolgde schilderij, overeenkomt. Een twintigtal jaren geleden hebben wij een ouder schilderij van Blondeel gezien, uitgevoerd op een doek dat op hout gelijmd was. Dat stuk, 1.50 M. hoog bij 1.15 M. breed, diende toenmaals als deur in een der dakwerken van gebouwen, toebe-hoorende aan Onze Lieve-Vrouwekerk op het Zand, te Brussel. Later is het door de regeering overgenomen, gerestaureerd en overgeplaatst op het Museum te Brussel 1). De Heihge 1 ejrus, vlak van voren gezien, zit op een gouden troon, met een rijke tiaar op het hoofd. Hij draagt een rood fluweelen koorkleed met gouden boordsel en met ongeslepen robijnen en paarlen versierd, dat door een knoop, in den vorm van vier bladen, vastgehouden wordt. In de rechterhand heeft hij een kruis met drie dwarsstokken en de twee sleutels in de linkerhand. Aan weerszijden verheft zich een met ramskoppen versierde pilaster, waarop een groote flamboyante troonhemel rust, die met den troon een rijk architectonisch monument vormt; het geheel is weder met de pen op gouden giond geteekend. Door de openingen ziet men een landschap met een kasteel, rotsen en zoo voorts. In de hoogte is aan elke zijde een medaillon aangebracht, in die aan de rechterzijde is de heilige Petrus voorgesteld naar de gevangenis geleid wordende, en in de andere ziet men zijne |
1
Zie Catalogus N° 365, Hoogte 1,38 M. Breedte 1.02 M,
|
kruisiging. Op de vooruitstekende voetstukken der pilasters staan twee englen in witte kleederen en bewierooken den prins der Apostelen. Daaronder zijn twee cartouchen met de jaartallen 1550 in arabische cijfers aan de rechterzijde en MVGL in romeinsche cijfers aan den linkerkant. Tegen het voetstuk van eiken pilaster staat oi) den grond een koffer waarboven twee kleine houten nagels kruiselings geplaatst zijn. Op de kroonlijsten der pilasters worden twee schilden door twee geniussen vastgehouden: dat ter rechterzijde, gedwarsbalkt van 8 stukken, goud en rood, niet een onigekeerden leeuw van sabel, geklauwd, niet kroon en halsband van goud en een kruis van hetzelfde metaal en dat ter linkerzijde, van keel, met een gebloemden en gebladerden keper, vergezeld van vier liggende werktuigen, die moeielijk te beschrijven zijn, in top, en een koffer in den schildvoet. Boven den hemel prijkt een groot schild met keizerlijke wapens. In 1540 werd aan Blondeel door de overheid der stad Blankenberghe het maken van een schilderij, het Laatste Oordeel voorstellende, tot versiering der gerechtszaal opgedragen, welk schilderij hij in 1547 afleverde en hem met 12 pond 12 schellingen betaald werd. Een ander schilderij, die voor zijn meesterstuk gehouden werd maar thans verloren is, versierde het aliaar in de kapel der kooplieden vau Genua in de kloosterkerk der Minderbroeders te Brugge. De voorstelling was de Aanbidding van den Heiligen Naam Jesus. |
Dit is de volledige lijst van Blonhekl's schilderijen wier echtheid bewezen is. ()p het museum der Academie te Brugge is heden nog eene schilderij te zien, afkomstig uit het broederschapshuis der boogschutters van Sint Joris en Sint Dionysius, die waarschijnlijk een werk van Blondeel is. Dit stuk, dat veel geleden heeft, wordt door een portiek van drie bogen in vijf deelen verdeeld, zijnde de twee kleine bogen in twee boven elkander staande ta-fereelen weêr verdeeld. Door den middelsten boog ziet men den Heilige den draak ter aarde vellen. De zijstukken stellen vier tafereelen uit het Lijden voor. De architectonische ornementen zijn alweder met de pen op een gouden grond geteekend. Het museum van Berlijn bezit twee schilderijen, welke aan Blondeel, worden toegeschreven, hetgeen mij echter zeer twijfelachtig voorkomt; evenzoo heb ik bij partikulieren verscheidene stukken gezien die zijn naam dragen, waarvan evenwel niet een enkele genoegzame overeenkomst niet de hierboven oeschreven authentieke schilderijen bezit om met recht aan Blondeel te kunnen worden toegeschreven. W. H. James Weale. |
|
1 | |
|
1 | |
|
1 | |
|
1 | |
|
1 |
â - â .lÃquot;
|
⢠'.-s | |
|
' â ⢠quot;â¢â â â â : . | |
|
ââ ⢠s. - | |
.
â
⢠' â¢'.â ',â â¢â¢â ' ' â . â ⢠,'
. . ' â¢â¢ ⢠. 1 1 «M. .. v' gt; - * v / . ^ ' r'
'
-
door lUCiS HUïeEJfS IAS IETDES.
|
Ucas van Leyden was meer graveur dan schilder. Aan zijne talrijke en overschoone prenten veel meer nog dan aan zijne zeldzame schilderijen, is hij de groote vermaardheid van zijn naam verschuldigd. Te Leyden in 1494 geboren, stierf hij aldaar in 1533 op den nog jeugdigen leeftijd van negen-en-dertig jaar. Zwak en teör van gestel , maar onvermoeid werker, was hij reeds volleerd kunstenaar op een leeftijd, wanneer ieder ander nog een kind is en besteedde een gedeelte der nachten aan den arbeid, in weerwil der waarschuwing en terechtwijzing zijner moeder Beatrix, die zich over zooveel ijver en arbeidzaamheid verontrustte. Zijn vader Huvg Jacobsz. die ook schilder was, had eene der dochters van den organist Dirk. Fi.orisz., die in 1501 overleed, gehuwd. Clementia, de zuster van Beatrix, de tante dus van Lucas Huvgensz. was non in het S' UusuLA-klooster te Leyden, waar zij tusschen ' 1552 en 1559 gestorven is. De jonge Lucas ontving de eerste lessen in de schilderkunst van zijn vader, maar kwam vroeg op het atelier van Cornelis Engelbrechtsen, waar hij met Pieter, den oudsten zoon van zijn meester, bevriend werd. Lang heeft men ten onrechte gedacht, dat Lucas eenig kind was en eerst na den dood van zijn vader bij Cornelis Engelbrechtsen in de leer kwam. De oude stadsrekeningen bewijzen echter het tegendeel 1); zijn vader was in het jaar 1525 nog in leven en er wordt ook gesproken van zekere âBarbaiia Huge Jacoissz. die schilders dochterquot;. Dit kind, dat wel is waar in 1) De- grootvader van moederszijde van Lucas, Dirk Fi.oitisz, zijne moeder Beatrix, zijne tante Clementia en ook zijne zuster Barbara be-zaten lijfrenten. â Oude thesaurie-rekeningen. |
1509 jong stierf, was de zuster van Lucas. Zijne moeder overleed in i53t. Driemaal komt zijn naam op de oude registers der stads-schutterij voor, den óquot; Maart 1514, den 23» Mei 1515 en den 7n Mei 1519. Bij zijn eerste in dienst treden was hij dus nagenoeg twintig jaar oud. Heeft hij slechts vijf jaar gediend en heeft hij om redenen van gezondheid den dienst moeten of mogen verlaten, 't is niet te zeggen. Om deze vragen te kunnen beantwoorden zou men vollediger registers moeten bezitten dan de nu nog bestaande. Hoe belangrijk deze onderdeden zijn, wanneer men de levensbeschrijvingen der groote meesters op vaste gronden wil samenstellen, hebben zij uit een meer artistiek oogpunt slechts een zeer ondergeschikt belang; vooral wanneer het een man als Lucas betreft, die waarlijk een wondermensch is geweest, zoowel door zijn onuitputtelijk genie als door de vroegtijdige rijpheid van zijn talent. Het getal zijner gravuren, waaronder zich zeer belangrijke bevinden, bereikt bijna twee honderd. Bartsch, die niet bepaald allen kende, geeft de beschrijving van honderd vier-en-zeventig koper- en zeventien houtgravuren. Zij dragen bijna allen het naamcijfer van den kunstenaar en een jaartal. 40 LVl De monnik Sergius, door Mahomet vennoord wordende, draagt den oudsten datum; dit stuk is van 1508. Lucas was dus, toen hij dit schoone kunstwerk vervaardigde, niet ouder dan veertien jaar en van Mander zegt, dat dit niet het eerste werk was van den jongen plaatsnijder, die alle uitspanningen van zijn leeftijd verachtende, geen ander genoegen kende dan de studie, en de graveerkunst geleerd had bij een wapensmid, die versieringen door middel van sterkwater op de harnassen liet inbijten, terwijl een goudsmid hem de eerste lessen in de behandeling van het graveerijzer gaf.. Hoe dit ook zij, zeker is het |
|
dat Lucas sterkwater gebruikt heeft, terwijl hij etsnaald en gra- j veerijzer met gelijke vaardigheid behandelde. Zijne lijntjes of harceeringen zijn fijn en dicht bijeen, met smaak en gevoel geschikt. Dat alles durvende ijzer, waar Goltzius en Saenredam zoo gaarne meé pronken, heeft hij niet, de lijntjes der gravure waren voor hem slechts een middel, dat met zedigheid en kiesch ontzag gebruikt moet worden ; nimmer heeft hij gezocht door de snede van het koper te schitteren. Zijne omtrekken, met de naald geötst en door het sterkwater ingebeten, zijn fijn en met zorg bewerkt. Zonder de waarde der kleuren weêr te geven wist hij, door een juisten , opvolgenden en nauw merkbaren overgang, de afstanden der verwijderde voorwerpen uit te druk- | ken, en de luchtig en met zachtheid behandelde verschieten bewijzen zijne groote kennis van het zoogenaamde lucht-perspectief. Even als Engelbuechtsen, zijn meester, was Lucas te groote i opmerker, om de lessen welke de landelijke gezichten en de ' nevelige verschieten van ons Holland hem gaven, niet te begrijpen en er geen nut van te trekken. Hetgeen bij de beschouwing van de lange reeks der door Lucas nagelaten prenten het meest verwondering baart is de ' onuitputtelijke vruchtbaarheid van dat vindingrijk genie, dat voor ieder zijner tafereelen, hoe verscheiden ook, beelden weet te vinden en bijeen te schikken zoo eenvoudig en juist in standen en bewegingen, dat men moeielijk zou kunnen denken dat de zaken zich anders hebben voorgedaan dan hij ons die te zien geeft. En wanneer men bedenkt dat die honderd-tachtig en meer bladen, waar zich nog eenige schilderijen en glasschilderingen bijvoegen, in den tijd van vijf-en-twintig jaren geordonneerd en uitgevoerd zijn, dan is men waarlijk geneigd aan een wonder te gelooven, en begrijpelijk wordt het dat een man als Lucas van Leyden niet lang leven kon, want de schede wordt door de scherpte van het zwaard gesleten. Hij is altijd correkt van teekening, zijne koppen zijn vol uitdrukking en leven. Hij heeft de natuur weergegeven gelijk hij die gezien en nagegaan heeft, zonder naar meerdere schoonheid te trachten. Somtijds vervalt hij in een zeker realisme en geeft ons leelijkheden te zien, welke anderen zouden vermeden hebben. Sommige vrouwenbeelden zijn waarlijk niet schoon; hij had zeker andere modellen kunnen kiezen of zich althans die correktiön veroorloven, welke door het schoonheidsgevoel verlangd worden. Voor het grootste gedeelte zijn de onderwerpen zijner com-positien aan de Heilige Schrift ontleend, eenige andere aan de Mythologie of de heidensche geschiedenis; daarbij voegen zich nog enkele die uit het dagelijksch leven genomen zijn. Men vindt in die talrijke collectie ook eenige ornementen, wapens en drie portretten: een van Keizer Maximiliaan, een van hem zeiven en een van een onbekenden jongeling. Gelijk reeds gezegd is beschrijft Bartsch vier-en-zeventig kopergravuren en zeventien op hout, waarbij nog een viertal, welke hij niet schijnt gekend te hebben, moet genoegd worden. Deze lange lijst niet in haar geheel kunnende geven, zullen wij slechts eenigen er uit aanwijzen, gerangschikt naar de daarop vermelde jaartallen. 1508. Mahomed den monnik Sergius vermoordende. Van Mander geeft die op als de oudste welke gejaarmerkt is, maar niet als zijne eerste prent, en werkelijk is het ook niet aan te nemen, welke ook de ouderdom van den maker zij, dat een zoo belangrijk blad een eerste proefstuk kan zijn. |
Hoewel zonder jaartal kunnen ook op hetzelfde jaar gesteld worden, David voor Sal'l de harp bespelende. Abraham Hagau wegzendende, t vee prenten met groote beelden, waarvan de eerste vooral zeer belangrijk is, en dan nog een kleine voorstelling van Maria Magdalena in de woestijn. Van deze kan, dit moet erkend worden, de schoonheid 'niet geroemd worden. 1509. Het Lijden, zijnde een reeks van negen stuks in medaljon. De Bekeering van Saulus, eene groote en over-schoone prent, is van hetzelfde jaar. 1510. Jesus aan het volk voorgesteld. Deze groote compositie is zeker eene der schoonste en rijkste van den meester. Christus met doornen gekroond en de handen gebonden, staat op een soort stellage, omringd van rechters, beulen en soldaten. Aan de vensters, in de straten, overal nieuwsgierige kijkers en wandelaars. Op den voorgrond de heffe des volks den Zaligmaker bespottende, eenige minder woelige personen, krijgslieden, kinderen, ook honden, maar overal leven en beweging. De koppen zijn vol uitdrukking, het beeld van Christus is edel en ademt gelatenheid, en tot zelfs de laatste figuur uit den volkshoop is waardig; voor allen heeft de kunstenaar zulke eenvoudige standen en bewegingen weten te vinden, dat men bijna gelooven zou, dat hij hetgeen hij voorstelt gezien heeft. Het Melkmeisje is van hetzelfde jaar. Dit mooie prentje dat nu zeer zeldzaam is geworden, bewijst dat Lucas met gelijke makkelijkheid de meest uiteenloopende onderwerpen behandelde.. 1513. De Aanbidding der Wijzen. 1514. De Triumf van Mardochai. 1516. Abraham Hagar wegzendende. Deze kleine gravure is overschoon. 1518. Esther voor Assukrus, groote en zeer schoone gravure; Haman en de hem omringende figuren zij a karaktervol. Ook de vrouwenkoppen zijn zeer schoon. 1520. Uylenspiegel. Deze voorstelling van een bij het volk bekenden grappenmaker schijnt zeer gezocht te zijn geweest. In 1644 gaf Hondius eene kopie in het licht; de origineele plaat bestond niet meer en de oude drukken werden met vijftig duka-tons betaald. Het portret van Keizer Maximiliaan is van hetzelfde jaar. 1521. Het Lijden, eene reeks van veertien vierkante tafereeltjes. De twee gravuren bij dit artikel behoorende zijn vervaardigd naar twee schilderijen, over welke wij straks spreken zullen en die meer dan waarschijnlijk aan Lucas zeiven tot modellen hebben gediend voor de N1S 43 en 45, volgens Bartsch. 1525. Ovidius in een mand neergelaten wordende. Zijn eigen Portret en ook dat van een jongen man, met eene barret met veeren op het hoofd en een doodshoofd in de hand, zijn van hetzelfde jaar. Het schijnt dat Lucas in zijn portret, dat niet zijn beste stuk is, het werk van het graveerijzer door de etsnaald eu het sterkwater heeft trachten te vervangen. Na hem hebben anderen dit ook beproefd zonder betere uitkomsten te verkrijgen; men moet of volledige etsen of werkelijk gesneden prenten maken; de naald kan bij het aanleggen wel groote diensten bewijzen maar kan het graveerijzer nimmer vervangen. 1528 Venus la trés belle déesse d'amours. Niettegenstaande dezen schoonen titel is dit beeldje lang niet schoon. 1529. Adam en Eva. 1530. Loth en zijne dochters. ))e beelden dezer twee gravuren, vooral van de laatste, verdienen geenszins het verwijt van leelijkheid en stootend realisme, dat aan de meeste zijner naakte beelden gedaan wordt, en hebben in tegendeel niets dat hinderlijk is. |
gt;.\
|
;|k^gt; | |
|
â¢! quot;'K. ., |
. |
|
«v. .;-y ⢠. v Wjrfyr | |
|
-. â¢i-^V '' ..V' | |
|
. y . 1 / 11 ' | |
|
te ' ' |
â¢;vgt;.v:.? |
|
' - -W , ' ⢠: -:'1. |
|
quot;ji/quot; â 'â¢â | ||
|
â -rï.v |
- :â . . | |
|
'â¢lt; ⢠. |
. * ^ â¢-^, | |
|
' /, r | ||
|
'm | ||
|
-:l; |
' ïM 'amp; | |
|
â ?fc gt;â | ||
quot;'A- quot; , . -t- ^ -â â
v vV â , , w;/ â ' .....Æ quot; ./ â¢
à :â r .,.â â /â â¢quot;i-- â ''â â â â ':gt; ;i, ^ y 1â : , â¢; ;;.â â â , v
: :,-.r Iquot; V â : â ~ '
./ ,. â - ^ ⢠⢠' â / ' '' ' - â
:. v'W.gt;'1( ,
â¢V quot;â ,
:vfrn,.-v,:
Fâ
|
-â ' â ,.r;' |
rïï gt;⢠|
'-'V. â â | ||
|
-'-v : i. i'*- . quot;2. *'' â |
i'Mi .^:0 |
â v.- | ||
|
â¢â¢ |
U'0 |
Zf;:-- . K.^t | ||
v:: . : â S/v â ^ iquot; â . 3 â
mSm:- ,
â .. ; , . »,!â¢â ' ., . ' . â ......
â â â . ^ gt;: ; £
â ; â -,... v-v-;, , m .V' - % - ^4
⢠' ' â ⢠⢠V - â quot; V
... * â¢_
â ii . â â -â -
. ' '.â¢â¢â . quot; ' i; -i ', 'â . - ..rl â¢quot; ' *- ' 'r:.'.7^,*â â ' :' ,-V;S ' â
f-. â : ; .⢠$ â¢quot;â¢i'. -ï ' ' yj 1 1
â â¢* , gt; â .: v â «««gt; .v.;
â â i quot; â . : '«â¢gt;»' â¢â i'A, =.:':v;; -â .' â
' : . -⢠â¢- r . â :⢠,. ⢠.v. v-, â¢gt;; â¢, .;â¢gt;â . ⢠â¢
^. y - : ,.J'i, .
â ⢠â ' â 1 . -.. â ' â 'â â ' â â ... .^. ,
â â¢U-
'V V:
. j' M.
;V' â
: â â â -m- â â .lt; â â â â . .'â â â . ⢠. -â â¢.â¢
MM
â¢v -â
'amp;*?â '..t- â *gt;
⢠... . -
â -v. - . â â â H ' â¢â¢ ' ' â¢
â
â â â â
! â Hl yRHRI
v.. â¢gt; . r ⢠' â .v.*' ⢠⢠â ⢠'
v'- â â :vâ
.
»,.»â¢gt; 'h1/-'.p⢠â¢.
__:
_
|
Eene reeks vrouwenbeelden, de verschillende deugden voorstellende, dragen hetzelfde jaartal. Deze figuren zijn met vaardigheid en een zekere flinkheid gesneden, de vormen zijn echter niet schoon; de Rechtvaardigheid vooral heeft niets aantrekkelijks. 1533. Pallas, kleine gravure zonder datum, die echter door van Mander en Bartsch aangewezen wordt als zijn laatste werk. Nog moeten wij melden, eene Aanbidding der Wijzen, de Vlucht naar Egypte en Christus met zijne Moeder, kleine ronde prentjes, ten laatste nog eene voorstelling van Christus en Maria in een landschap gemerkt L1522. Deze vier laatste prentjes zijn in het werk van Bartsch niet beschreven 1). De gravuren op hout, wier getal een twintig ten naantebij bereikt, zijn te grof uitgevoerd om te kunnen aannemen dat Lucas er anders de hand in gehad kan hebben dan om de teekeningen te maken. De opwaartsche houtgravure en de in-waartsche kopergravure zijn, wat de werking betreft, zoo verschillend van aard, dat het voor denzelfden kunstenaar altijd moeielijk zal zijn beide vakken met goed gevolg te beoefenen, en wanneer men de middelen welke toen gebezigd werden om het hout uit te snijden, nagaat, wordt het onmogelijk tegelooven dat dezelfde hand, die de fijne gevoelvolle lijntjes der hierboven beschreven prenten gesneden heeft, zich tot zulk een onartistiek werk zou hebben kunnen leenen. Gaan wij nu over tot de schilderstukken. Men heeft alle redenen te vermoeden dat hun getal altijd gering is geweest, tegenwoordig is het meer dan bekrompen. Van Mander noemt er eenigen, waarvan de eerste plaats bekleed wordt door het Laatste Oordeel, dat zich thans op het Museum te Leyden bevindt. Dit groote altaarstuk met twee zijstukken werd door Lucas Huygens omstreeks r533 uitgevoerd en versierde een der vier-en-dertig altaren der kerk van S1 Pieter en' S' Paulus ; de afbeeldingen der twee Apostelen op de buitenzijden der luiken geven recht te vermoeden, dat bet zich op het hoofdaltaar bevond. Door men weet niet welk gelukkig toeval aan de woede der beeldstormers, in 1566, ontsnapt, werd het naar het Ste Ca-tharina gasthuis overgebracht, waar het eenige jaren verbleef. Een geschreven stuk, door den Heer Rammelman Elzevier, archivaris der stad Leyden, teruggevonden, leert ons dat op den nquot; September 1577 eene som van zes pond elf schellingen werd uitbetaald voor het overdragen van de schilderij van het Laatste Oordeel naar het raadhuis, waar zij in de burgemeesterskamer geplaatst werd. Eenige jaren geleden is zij naar het museum vervoerd en bekwam daar eene eereplaats tusschen de twee tryp-tieken van Cornelis Engelbrechtsen, die wij in een vroeger artikel beschreven hebben. Een ander document, later nog ontdekt, vermeldt dat op den 12quot; Juli 1577, de erven van zekeren Nicola as Dircksz , houtkooper, hunne rechten deden gelden op een schilderij of memorietafel door Lucas geschilderd, die zich in dezelfde kapel had bevonden bij het doopvont, en die eerst naar het S' Jacobs en van daar naar het Sle Catharina's gasthuis was overgebracht. Zij vertoonden eene kwitantie van vijf-en-dertig ponden vlaamsch, voor welke som het schilderstuk den 162 Maart 1526 was besteld geworden, maar stonden evenwel toe dat het stuk op het raadhuis verbleef. Daar Orlers in zijne beschrijving, ten jare 1614 uitgegeven, er niet van spreekt, moet men aannemen, dat het later aan de erven is teruggegeven. Men weet niet wat het stuk voorstelde. |
Keeren wij tot het altaarstuk terug. In het midden van het hoofdpaneel ziet men Christus in de wolken op den regenboog gezeten, en omringd door de Apostelen en Heiligen. Onder hunne voeten worden de stervelingen door twee engelen met uitgespreide vleugelen voor den troon des oppersten rechters geroepen. Onderaan ter rechterzijde worden de uitverkorenen door engelen naar het hemelsch paradijs, dat op het rechter luik gezien wordt, geleid, terwijl links de veroordeelden door duivelen naar de hel gedreven worden. Deze is op den linkerluiktafel afgebeeld. De groote naakte beelden op den voorgrond zijn niet schoon van teekening, hunne vormen zwak van modelé en van een niet gelukkig realisme. De talrijke retouchen, welke de schilderij heeft moeten ondergaan, hebben zeker geen goed aan de figuren gedaan, maar hebben de ordonnantie niet veranderd en ook die komt ons voor verre beneden die van het meerendeel der gravuren van den kunstenaar te zijn. Er zijn verdraaide standen en ongelukkige bewegingen. De duivelen zijn zwarte, roode of groene menschelijke monsters, met beestenkoppen, staarten en klauwen, sommige hebben afschuwelijke gezichten midden in den buik. De poort der hel, op het linker luik, is de gapende en in vollen gloed staande muil van een reusachtig gedrocht, wiens kop grootendeels het paneel vult. Op den voorgrond wordt eene vrouw bij de voeten door een groen monster, half mensch en half dier, voortgesleept; terwijl een ander gedrocht een man bij de haren voorttrekt. Hooger op worden andere veroordeelden met hooivorken naar den vurigen muil van het helsche monster gedreven. Op het andere luik ziet men op den voorgrond rijk gedrapeerde engelen de uitverkorenen naar den hemel geleiden terwijl anderen, op hunne vleugelen hooger zwevende, de gelukzaligen naar de eeuwige glorie opvoeren. Het bovendeel van het middenpaneel is niet wat het voorheen was. Hooger nog dan de duif, die boven het hoofd van den Christus zweeft, had de schilder het beeld geplaatst van den Eeuwigen Vader, verschijnende in de wolken met de tiara of driekroon op het hoofd. Later besmeerde men dit gedeelte met nog al valsche kleuren, en drie hebreeuwsche letters, van lichtstralen omgeven, moesten voortaan dat beeld en die driekroon aan het oog der verontwaardigde menigte onttrekken. Men verhaalt nog, hoewel het niet bewezen kan worden, dat, toen de schilder de Groot op het laatst der vorige eeuw de schilderij schoonmaakte en bijwerkte, men het beeld van God den quot;Vader en de driedubbele kroon wêer zag verschijnen; maar dat er bevel gegeven werd de drie hebreeuwsche letters en de lichtstralen er op nieuw overheen te schilderen en ditmaal verven te gebruiken, stevig en dik genoeg om dat beeld en zijn driekroon, die te veel aan het pausdom herinnerden, voor altijd te doen verdwijnen. Deze daad van fanatisme en wandalisme, heeft het geheele bovendeel der schilderij bedorven; de tegenwoordige, schreeuwende kleuren zijn met al het overige geheel buiten harmonie. Op de buitenzijde der luiken zijn de Apostelen Petrus en Paulus afgebeeld; deze figuren zijn werkelijk goed bewaard. De koppen, vooral die van den Heiligen Paulus met zijn witte haren en zijn langen baard, hebben een schoon ernstig karakter. |
1
In 's Rijks Museum te Amsterdam bevinden zicli negentien koper
2
gravuren en eene houtsnede, waaronder de bovengenoemde vier ronde, kleine prentjes j van eerstgenoemden zijn vooral belangrijk twee voorstellingen uit de passie in medaillons en de groote Ecce Homo. De houtgravure stelt voor SlMSON door zijne vrouw aan de Philistijnen overgeleverd. ( Wegwijzer.)
|
De goed geteekende draparien zijn sterk van kleur, terwijl de verre plannen van het landschap, de rotsen en de zee door hunne zachtere kleuren en nevelachtige tinten in de diepte verdwijnen. In het laatst der vorige eeuw heeft üelphos eene groote gravure gemaakt, het geheele altaarstuk in omtrek voorstellende. Hij schijnt omstreeks dien tijd meer teekeningen gemaakt te hebben; een omtrek naar het middenpaneel met de pen getee-kend, bevindt zich op de raadkamer van het museum, terwijl een volledige krijtteekening, die in 1791 naar middenstuk en luiken vervaardigd werd, het eigendom is van het prentenkabinet. Deze teekening is door den vorigen eigenaar, wijlen den Heer de Gijzelaar gelijk met zijne belangrijke verzameling prenten aan het kabinet ten geschenke gegeven. Alles bijeengenomen, hoe stout het moge zijn over het werk van zulk een meester een oordeel te vellen, komt deze schilderij ons, hoe belangrijk ook, zwak voor en beantwoordt niet aan de verwachting van hem, die den meester uit zijne prenten heeft keren kennen. Er is in de compositie een zekere leegte en de beelden bezitten wat standen en uitdrukking betreft, lang dat karakter niet dat men in de gravuren bewonderen moet. Het is alsof dat anders zoo vruchtbaar genie zich niet op zijn gemak bevonden heeft, tegenover dit stuk van ongewone grootte. Eene vergelijking met de twee schilderijtjes die wij in gravure weergeven, steunt geheel dit oordeel, dat wel wat gewaagd zou kunnen toeschijnen en noopt ons tot de herhaling dat Lucas van Leyden meer graveur dan schilder was Onze twee schilderijen, ware pronkstukjes, zijn tegenwoordig het eigendom van den Heer Wttewaell van Wickenburgh, die ons het graveeren vergunde en alle gemak heeft gegeven om de teekeningen te maken en de proeven naar de orgineelen te corrigeeren. Vroeger behoorden zij aan de familie Carp te Amsterdam, en hoewel wij den of de nog vroegere bezitters niet kunnen opgeven, is het zeker dat meer dan een geslacht die paneeltjes gekend heeft ten huize van dit oud Amsterdamsch gezin. Hoe het zij, ontegenzeggelijk is het dat die stukjes, op hunne ware grootte hier weergegeven, aan Lucas van Leyden lot modellen gediend hebben voor de twee prentjes het Laatste Avondmaal en de Gevangenneming van Christus, deel uitmakende van de zoogenaamde vierkante Passie door Bartsch beschreven en met het jaar 1521 gemerkt 1). Wij hebben die gravuren van den meester doorgetrokken en die doortrekken op de schilderijen gelegd zijnde, kwamen er tot in de kleinste onderdeelen meê overeen. Daar echter de voor de gravuren bepaalde grootte kleiner was dan die der geschilderde stukken, heeft de schildergraveur boven en beneden een strookje weg moeten laten en de figuren die aan de kanten staan een weinig meer naar het midden moeten schikken. Een enkele blik op de gravuren van Lucas zal deze onbeduidende veranderingen genoegzaam doen herkennen en ook de sluitende overeenkomst van al het overige bewijzen. Zoo als reeds gezegd is geven de gravuren van Lucas geen gedachte van de kleuren en hare waarde; eerst in veel lateren tijd heeft de gravure ook de taak op zich genomen, van door verschillende verbindingen en grootere verscheidenheid in de gebruikte lijntjes of harceeringen, zoo niet de kleuren zelve, dan toch hare toonwaarde en schittering weör te geven. In die twee kleine stukken geeft de meester evenwel bewijzen van een goed kolorist te zijn; zoowel de kleuren der vleeschen als der i Zie Bartsch; Lucas van Leyden. Nr 43 en 45. |
draperiön zijn harmonieus gekozen en komen goed uit tegen de achtergronden, die op beide stukken nog al donker zijn. Het kleed van Christus is op twee tafereelen van dezelfde lichte wijnmoer-kleur, ook de Heilige Petrus, die gemakkelijk te kennen is, heeft een kleed van dezelfde kleur, vaal rood, op beide stukken. J udas heeft rood haar en baard en is in het groen gekleed; op het eerste tafereel heeft hij een beurs in de hand. Joannes, die naast Christus zit en wiens hoofd aan den boezem van den Goddelijken Meester rust, heeft een rooden mantel en daaronder een kleed, waarvan men de groene mouwen ziet. Twee Apostelen zitten voor de tafel; de een heeft een donkergroenen mantel en de andere een soort van overkleed, dat geheel geel en op den rug met goud geborduurd is. Op den voorgrond zijn twee andere Apostelen voor een oogenblik, naar het schijnt, met de bediening belast. De een draagt een rood kleed en een paar-schen mantel, terwijl de andere, die water uit een witte aarden kruik in het hem voorgehouden napje schenkt, een licht rood bovenkleed over een groen kleed draagt, waarvan men alleen de mouwen ziet. Voor het tweede tafereel heeft de schilder het oogenblik gekozen, waarop Judas den Heer den verraderlijken kus geeft. Mannen, met pieken en stokken gewapend en vreemdsoortig uitgerust, omringen den Zaligmaker; een dier mannen met een grijzen hoed, een rood kleed en zwarte laarzen vat Hem van voren aan, een ander bij de mouw, terwijl een derde Christus tracht te vangen in een touw, dat hij naar Hem heen werpt. Tusschen al die gewapende mannen, die Hem te gelijk aanvallen, staat Chistus alleen en weerloos, en schijnt aan Judas, den verrader, een zacht verwijt toe te spreken. Op den voorgrond ligt Malchus geveld onder de slagen van Petrus, in de eene hand houdt hij nog zijn lantaarn vast; het eene been is gansch ont« bloot, zijn kleed en hoofddeksel zijn geel. Hoe wij ook naar een jaartal gezocht hebben, hebben wij dat niet kunnen vinden, maar blijkbaar is het dat de schilderijen gemaakt zijn toen er omtrent de grootie der prenten nog geen bepaling gemaakt was; misschien was er toen van de vervaardiging dier reeks van veertien tafereelen nog in het geheel geen sprake. Is het deels gansch niet aan te nemen dat onze meester, die op negen en dertig jarigen ouderdom ophield te leven, schilderijen zou vervaardigd hebben van alle zijne ontwerpen, toch is het zeker dat hij van allen meer of minder afgewerkte teekeningen heeft moeten maken, want hoe groot de vaardigheid van den schilder-graveur geweest zij, het koper en het graveerijzer laten noch het schetsen noch het zoeken toe, en de twee paneelen door den Heer Wttewaell teruggevonden, geven recht te ge-looven dat nog anderen kunnen bestaan hebben. Maar indien dit zoo is, waar zijn zij gebleven? Laat ons hopen dat ze niet allen verloren gingen en dat men er nog eenigen zal terugvinden. Voegen wij nog hierbij dat de bedoelde stukjes zeer goed bewaard zijn en niet dan geringe en makkelijk te erkennen retou-chen ondergaan hebben. Het Museum te Munchen bezit drie schilderijen van Lucas, waarvan eene, N0 151 van den catalogus, het diptiek schijnt te zijn dat van Mander zegt toebehoord te hebben aan Frans van Hoogstraten, buiten Leyden woonachtig, welk stuk door Keizer Rudolphus II was aangekocht. Deze schilderij, Maria met het Kind Jesus, Maria Magdalena en Joseph voorstellende, is gemerkt met een L en het jaartal 1522. Op dezelfde lijst welke reeds in een vorig artikel vermeld wordt onder de door pater Lamuert, regent van Mariënpoel in |
|
1523 aangekochte kunstwerken ook gewag gemaakt van een schilderij van Lucas en van een van zijn vader Huyg Jacohsz. De eerste die met twee pond, vijf stuivers was betaald geworden, stelde de Vlucht naar Egypte voor, en die van Huyg den vader een Mariabeeld, en was van Jan van Bouchorsï gekocht voor de som van zes pond. Het overige der levensbeschrijving van Lucas is bekend en verschillende schrijvers hebben hetgeen van Mander geschreven heeft in hunne werken opgenomen. Door hem weet men dat Lucas op zijn twaalfde jaar eene voorstelling vervaardigde van de legende van den Heiligen Huüertus, die door den Heer van Lokhorst van dit wonderkind werd gekocht voor de som van twaalf goudguldens 1), zijnde evenveel stukken zilver als het kind jaren telde. Indien de gravure van Mohammed en den monnik Sergius, gemerkt 1508, niet bestond, om te bewijzen, dat Lucas op zijn veertiende jaar reeds een volmaakt kunstenaar was, zou men geneigd zijn een logen of een abuis te veronderstellen. Zijne vrouw behoorde tot een adelijke familie; zij was de dochter van Jacob van Boschuvsen en van Alijt Heerman; haar naam was Elisabeth. Om zich naar de gebruiken te schikken werden er bij gelegenheid van dit huwelijk eenige feesten gegeven, maar de jonge man, door zijnen onvermoeibaren ijver gedreven, had spijt zoo veel kostbaren tijd nutteloos te moeten verliezen. Toen Albuecht Durer in de Nederlanden kwam, hield hij zich ook te Leyden op, en de twee kunstenaars, die elkander reeds door hunne gravuren kenden, waren zeer verheugd elkander te zien en maakten elkadrs portretten, met potlood geteekend. In 1520, dat is een jaar na den dood van Keizer Maximi-liaan, verscheen het gegraveerde portret van dien Vorst, maar de teekening was door Lucas eenigen tijd vroeger, toen de Keizer te Leyden was, naar de natuur gemaakt. Onze meester, die zijne geboortestad nooit verlaten had, gevoelde, toen hij omstreeks drie-en dertig jaar oud was, lust tot reizen. Eerst begaf hij zich naar Zeeland en kwam te Middelburg in kennis met Jan Gossaert van Mabuse. Van daar reisden zij gezamentlijk naar Antwerpen. Het schijnt dat Lucas, min of meer gehinderd door de uiterlijke pracht welke Jan Gossaert en andere kunstenaars in hunne kleedij ten toon spreidden, en niet voor minder welgesteld willende doorgaan, nog al belangrijke uitgaven deed om zijne kunstbroeders feestmaaltijden aan te bieden. Aan dergelijke buitensporigheden niet gewoon en reeds zwak van gezondheid zijnde, keerde Lucas ziek naar zijn huis terug en herstelde niet weer. In die slepende ziekte, die jaar op jaar toenam, verbeeldde hij zich dat menschen te Antwerpen, die hem zijn roem en zijn talent misgunden, beproefd hadden hem te vergeven. |
Zijn huwelijk bleef zonder kinderen, maar hij had eene dochter, die waarschijnlijk reeds vnor zijne verbindtenis met de dochter der van Boschuvsens geboren was. Dit meisje, Maria of Marijtje genaamd, was in 1532 getrouwd met den schilder Dammas of Damissen Claesz. en schonk eenige dagen voor den dood van Lucas een zoon het leven. Toen men hem het kind, dat zoo even bij den doop den naam van Lucas ontvangen had, voorstelde, toonde hij zich lang niet voldaan en vond, dat men zich wel erg gehaast had hem een opvolger te geven. Hij stierf weinige dagen later in den ouderdom van negen-en-dertig jaar. Zijne dochter Maria maakte aanspraak op de nalatenschap, maar er bestond een testament waarbij haar vader wel al zijne goederen aan haar vermaakte, echter niet dan na den dood zijner vrouw Elisabeth Dit vindt men aangehaald in een handschrift van 1534, dat allerhande vonnissen en uitspraken der stedelijke overheid bevat. Lucas Damissen, de kleinzoon van Lucas Huygens, werd schilder, gelijk ook zijn vader was, en stierf te Utrecht in 1604. In zijne beschrijving van Leyden spreekt Orlers van een anderen zoon der dochter van den vermaarden Lucas van Leyden, dien hij Jan de Hogy noemt en die, zegt hij, na bij zijn broeder Lucas Dammasz. gestudeerd te hebben, zijne vaderstad verlaten had en schilder van den Koning van Frankrijk was geworden. In 1634 stierf te Voorburg zekere Lucas, zoon van Jan Wassenaar, den goudsmid, die te Leyden Burgemeester was geweest in 1577. Deze Lucas vermaakte bij testament eene som van vier duizend gulden aan den naasten nakomeling van Lucas Huygens, zijn vermaarden oudoom. Vijf personen, waaronder ook een schilder uit Frankrijk, meldden zich aan. Die personen droegen alle vijf denzelfden familienaam Hoov. Door een en ander kan men bijna als vast bewezen aannemen, dat de moeder van Maria, Lucas' dochter, tot de familie Hoov behoorde. Lucas Huygensz., bekend als Lucas van Leyden, was klein van gestalte; de prikkelbaarheid van zijn karakter was misschien het gevolg eener zwakke en licht verstoorbare gezondheid. Zijn ijver en liefde voor den arbeid bleven onvermoeid, hij betreurde elk oogenblik dat nutteloos verspild werd, liet zich zijne plaat en graveerijzers op zijn ziekbed brengen en stierf om zoo te zeggen arbeidende. Deze groote kunstenaar is, wij herhalen het. een wondermensch geweest, zoowel door de vroege rijpheid van zijn talent als door den onuitputtelijken rijkdon4, van zijn genie. C. Ed, Taurei,. |
l) De goudgulden gold acht en twintig stuivers.
l-J
|jc ^cilcnlaliiiii ü(ii| (lri| rjeiliiim ifftnl
cv \\ ]
door JAN JOOSTEN VAN CALCAR.
|
C Ot onze dagen was de naam van den grooten meester, aan wien men de vleugelpanee'en van het hoofdaltaarstuk der St. Nicolaas kerk te Calcar verschuldigd is, onbekend gebleven. Vasari, van Mander en allen die later geschieven hebben, spreken van Jan of van den Meester van Calcar en voor het meerendeel slechts op veronderstellingen en onvolledige opgaven afgaande, zijn zij allen op het dwaalspoor geraakt. Thans zijn wij gelukkiger en kunnen verscheidene zaken opgeven die, allen even nieuw als belangrijk, ook. door onbetwistbare bewijsstukken gestaafd worden. Beginnen wij echter met de beschrijving van het altaarstuk en eenige woorden betreffende de in de St. NicoLAAS-kerk aanwezige kunstwerken. De redenen, die ons genoopt hebben den Meester van Calcar in deze reeks van Neder-landsche kunstenaars op te nemen, zullen zich van zelf ontvouwen. |
De steden Calcar en Xanten liggen in het land van Kleef, niet verre van den linker Rhijnoever. In de middeneeuwen waren zij veel aanzienlijker dan thans en de veelvuldige kunstwerken, die er nog bijeen zijn en geduiig de aandacht der oudheidkundigen en kunstenaars tot. zich trekken, getuigen van vroegere rijkdom en grootheid. Het tafereel, dat wij voor de bij dit artikel behoorende gravure hebben gekozen, is een der twintig voorstellingen, welke de beweegbare vleugelen van het groote altaarstuk uitmaken. Het vaste middendeel is gesneden beeldwerk, het is zeer goed bewaard en niet verguld noch beschilderd. Het eikenhout mag door den tijd wat donkerder zijn geworden, het oog heeft er spoedig vrede meÃ, want de donkere stille kleur is geheel in overeenstemming met het karakter en den stijl van het kunstwerk, en met alle eigenaardigheden der beeldsnijderij. De St. NicoLAAS-kerk van Calcar is overrijk aan midden-eeuwsche kunst; zeven altaren, allen op dezelfde wijze met beeld- en schilderwerken, hoewel sommige van jongere dagteeke- |
|
ning, versierd, trekken allereerst de aandacht; het altaar, genaamd âvan de Zeven Smartenquot;, waarboven men het beeld der Heilige Moeder Gods met het lichaam van haren Zoon op de knieön ziet, is zoo niet het voornaamste, dan misschien wel het schoonste, vooral wat het beeldwerk betreft. Verschillende tafereelen uit het leven van den Zaligmaker omringen het middenbeeld; eene voorstelling van den boom van Jesse, sierlijk van vorm en kunstig van uitvoering, maakt het voetstel uit van het geheel. Het zijn echter niet alleen de altaren die met houtsnijwerk prijken, maar het gansche koor met kroonluchter en kanunnikbanken zij n allen even rijk bedeeld; de hand van den kunstenaar heeft overal gepaste en rijke omementatie aangebracht. Een groot kruisbeeld, met eene Maiua en een Joannes, die vroeger op het midden van een doxaal of choorsluiting geplaatst waren, is niet alleen om de schoonheid der groote lijnen te roemen, maar ook het modelé, de overgang der vormen en de uitvoerigheid verraden de hand van den kunstenaar, die, zonder in kleingeestigheid te vervallen, zijn werk niet verliet alvorens die voltooiing, welke de hem gegeven stof en middelen toelieten, bereikt was. En toch is die rijkdom slechts betrekkelijk, want van het vijftiental altaren, welke de kerk vroeger bezat, zijn er acht dooiden tijd en andere omstandigheden vergaan. Ook het doxaal be staat niet meer. Wie weet welke schatten van schoonheid en kunst en welke voor geschiedenis en oudheid onwaardeerbare stukken verloren zijn gegaan. Keeren wij thans tot het hoofdaltaarstuk terug. Om de plaatsing der verschillende tafereelen duidelijk te kunnen aanwijzen, geven wij van het geheel openstaande altaarstuk, de bijgevoegde schets. Het hoofdaltaar is aan den Zaligmaker toegewijd; het is een âAltare Salvatorisquot;; alle voorstellingen die het opluisteren zijn daarom uit het leven van Christus geput. Het groote vaste middenvak dat nog iets breeder is dan het altaar zelf, stelt ons het Lijden voor; het is geheel van hout en diep genoeg uitgesneden, om de beelden der voorste plannen geheel rond en los te doen zijn. In het smalle bovendeel ziet men den gekruisten Zaligmaker, tusschen de twee moordenaars; daaronder wordt het middenvak ingenomen door het volk en de soldaten te paard, die Christus naar den Calvarieberg geleiden; in den beneden-rechterhoek ziet men Christus, Zijn kruis dragende; in denhoek daarboven de Gevangenneming in den olijventuin; aan de linkerzijde de Afneming van het kruis en daaronder de Graflegging. |
Groot, ontelbaar zou men kunnen zeggen, is het aantal beelden; de kempozitie is rijk aan gedachten en groepeeringen; ieder beeld is handelende en vol leven; naar gezochte bevalligheid is nergens getracht, maar wel naar uitdrukking, zoowel in de gezichten als in de standen. Ue koppen, die over het algemeen wat groot en daarbij wat heel realistisch zijn, ademen veel leven en kracht. Het geheele tafereel wordt, behalve aan den onderkant, door een schuin liggenden rand omgeven, waarin verschillende kleine tafereelen boven elkander geplaatst zijn. Ook het voetstuk ofpredella is op dezelfde wijze bewerkt en bestaat uit drie voorstellingen: de Inkomst te Jerusalem, het laatste Avondmaal en Christus de voeten wasschende zijner Apostelen. Wanneer het polyptiek geopend is, gelijk wij het hier voorstellen, dan zien wij bovenaan twee smalle paneelen (x en 2) de Offerande van Abraham en Mozës met de Koperen Slang voorstellende, en dan verder aan iedere zijde vier even groote schilderijen. Eerstens (3) Judas zijn goddelijken Meester den verraderlijken kus gevende; daarnaast (4) Christus, met doornen gekroond wordende; onder Judas (5) een Ecce Homo en ten laatste (6) Pil at us zich de handen wasschende. Op de andere zijvleugel ziet men (7) de Opstanding en (8) de Hemelvaart van Christus, daaronder (9) de Nederdaling van den Heiligen Geest op de Apostelen, zijnde dit het paneel dat wij in gravure geven. Het laatste tafereel (10) is het sterfbed van Maria. Deze twee groote vleugelen alsmede de twee bovenste zijn ook aan de achterzijden beschilderd en vertoonen dus, wanneer zij gesloten zijn, weór een reeks van tien elkander aldus opvolgende voorstellingen. Boven aan, de Boodschap aan Maria en de Geboorte van Christus; daaronder, de Aanbidding der drie Koningen, Simeon in den Tempel, de Besnijdenis en Jesus tusschen de leeraren; terwijl de onderste rij de Doop van Christus, de Verheerlijking op den Berg Thabor, Christus sprekende met de Samaritaansche vrouw en de Opwekking van Lazarus bevat. Vroeger werden de nu steeds zichtbaar blijvende drie onderste tafereelen ook door schuivende paneelen bedekt. Onmiskenbare teekenen zijn op de houten omlijsting nog te zien, ook de gleuf waarin do onderkanten moesten glijden is nog aanwezig, maar de schilderstukken bestaan reeds lang niet meer en men weet niet wat zij voorstelden. Dat die onderste stukken om de op het altaar staande kandelaars en het Krucifix niet konden openslaan en dus heen en weêr geschoven moesten worden is ligt te begrijpen. Dat eene leidende hoofdgedachte niet alleen de keuze maar ook de plaatsing der verschillende onderwerpen heeft bestuurd valt den opmerker dadelijk in het oog. Even als bij het Lam Gods der Gebr. yan Eyck i) bij het laatste Avondmaal van Dirk Bouts 2) bij de groote tryptiek van Memlinc 3) en andere zijn de tafereelen ook hier door éene groote gedachte verbonden, en vormen met elkander een dichterlijk geheel. Het altaar is gelijk wij gezegd hebben een âaltare Salvatorisquot;, den Zaligmaker toegewijd. Wanneer de vleugelen gesloten zijn vertoonen de tien tafereelen der buitenzijden het leven van Christus als Gods Zoon en leeraar. Op de bovenste paneelen wordt zijne ge- 1) Christelijke Kunst blz. 1. Ad. Siret. 2) Ibid black. 36. C. Ed. Taurel. 3) Ibid bladz. 41, \V. H. James Weale. |
|
boorte door een hemelschen bode aangekondigd; terwijl het God- | delijk Kind op de volgende door de wijzen uit het Oosten en den Opperpriester Simeon erkend en aangebeden wordt. Het vierde paneel vertoont ons den twaalfjarigen Knaap, als opper-leeraar tusschen de leeraren optredende. Bij zijn doop in den Jordaan begint Christus zijne zending openlijk te vervullen, terwijl eene stem uit den hemel hem als Gods welbeminden Zoon aanwijst; bij de verheerlijking op den Berg Thabor komen de groote mannen der oude wet Mozes en Elias Hem als meester vereeren. Op het voorlaatste paneel verklaart Christus zelf aan de Samaritaansche vrouw dat Hij de verwachte Messias is, waarna die eerste reeks gesloten wordt door de opwekking van Lazarus â het wonder, waardoor Christus bewijst heer en meester over leven en dood te zijn. Is het geheele stuk geopend, dan is het Christus de Zaligmaker, dien wij overal aanschouwen. Zijn Lijden, zijne Opstanding, zijne Hemelvaart en, in de Nederdaling van den Heiligen Geest, de voltrekking zijner belofte, volgen elkander in de geschilderde paneelen op, terwijl de twee bovenste Abraham's offer, en de Koperen s 1 a n g, de twee voor-afbeeldingen van het kruisoffer, tot inleiding en bekrooning van het geheel dienen. Voegen wij hierbij het gebeeldhouwde mid den tafereel dat het Lijden niet de Kruisiging voorstelt, dan blijkt het doel â de hoofdgedachte van het geheel â de voorstelling te zijn van Christus in zijne drie eigenschappen van beloofden Messias, Oppersten Leeraar en Zaligmaker der menschen. Bij eene vergelijking van het middenstuk met de beschilderde luiken of vleugelen wordt het duidelijk, dat deze laatsten van iets latere dagteekening zijn, hoewel dat verschil van tijd niet zoo groot is als men wel zou kunnen denken. De stijl, hoewel nog geheel tot de middeneeuwen behoorende, draagt reeds de sporen van overgang; de schilder heeft hier en daar naar sierlijkheid van vormen getracht, terwijl de gesneden beelden meer naïviteit en krachtiger uitdrukking bezitten. Bestond reeds bij het maken van dat middenstuk het ontwerp voor de geheele kompo-zitie, of is dat eerst ontwikkeld toen men tot de geheele uitvoering kon overgaan ? Dit is niet te zeggen; maar wijl het moeie-lijk te veronderstellen is dat de schilder bij zijn kunstenaarstalent ook genoegzame theologische wetenschap bezat om de keuze zijner opvolgende tafereelen met zooveel juistheid te bepalen, zou men wel kunnen aannemen, dat bij het vaststellen van het geheele ontwerp en bij het kiezen der verschillende stoffen de raad en de aanwijzingen van theologen ingewonnen zijn. Van dergelijke samenwerking van kunstenaars en geleerden hebben wij bij de bestelling van een der schilderijen van Dirk Bouts reeds een voorbeeld ontmoet i) en bij eene kompositie zoo uitgebreid als deze, waar alle deelen geroepen zijn samen te werken tot het vormen van een groot geheel, mag men wel veronderstellen, dat de kunstenar.rs een leiddraad hebben gehad, zonder hunne verdiensten daardoor iets te kort te doen. Bij het nader beschouwen dier verschillende tafereelen treft men zeer belangrijke détails aan. Een der gebeeldhouwde tafereelen stelt Christus voor, met het kruis van riet in de hand, de poort der hel na zijne begrafenis met een enkelen stoot van den voet intrappende. Als voorstelling is er wel iets wonderlijks in die houten deur en in die rots, beiden zoo nietig, en het CHRisTUS-beeld heeft eer.en wonderlijken stand; maar de kunste- i) Christelijke Kunst, pog. 38. |
naar wilde alléén eene gedachte uitdrukken, en die wijze van binnengaan kenteekent den machthebbenden Verlosser wel, die na den dood overwonnen te hebben, ook hier als overwinnaar binnentreedt en de machten der hel veracht. In de meeste der gebeeldhouwde tafereelen is de gedachte, zonder naar aangename vormen te zoeken, even krachtig uitgedrukt; bijzaken, landschap en gebouwen zijn niet aanwezig, dan wanneer zij bepaald noodig zijn en nemen zoo weinig mogelijk plaats in. Zij worden, om zoo te zeggen, genoemd, en dat was den kunstenaar genoeg. De beelden zijn menschen van zijn land en van zijn tijd, met hunne kleeding en natuurlijke type, maar met levende uitdrukking in gelaatstrekken, gebaren en standen. In de geschilderde paneelen, hoewel daar reeds eenige neiging naar sierlijkheid te bemerken is, en de kunstenaar het oog door schoonheid tracht te boeien, blijft toch de gedachte de bezielende en levengevende macht. Wel heeft hij de menschen, welke hij zag, tot modellen genomen, maar met buitengewonen smaak koppen weten uit te zoeken, passende voor de personen welke hij moest voorstellen of wel de kunst verstaan die modellen te idealizeeren zonder de natuurlijk-! heid weg te nemen. De koppen der twaalf Apostelen op het paneel, welke onze gravure zoo trouw mogelijk weérgeeft, zijn in dat opzicht zeer opmerkelijk. Meer waarheid, vereenigd met edeler en beter gevoelde expressie, is niet te denken en de verscheidenheid van type is groot. In het kopje der Maria heeft de kunstenaar een meesterstuk geleverd en een alles overtreffend bewijs van schoonheidsgevoel gegeven. Op het volgend paneel, het sterfbed van Maria, vinden wij geheel andere maar even juist en fijn gevoelde expression; smart en gelatenheid bij de omstanders die den laatsten zucht en de laatste woorden der stervende heilige in stillen eerbied verwachten. Een der bovenste paneelen stelt, gelijk wij reeds zeiden, de boodschap aan Maria voor. Dit tafereel is sierlijk van kompositie en heeft veel behagelijkheid zonder iets van den passenden ernst te verliezen. Jammer dat de hoogte en de afstand het voor de meeste bezoekers bijna onzichtbaar maken. Minder gelukkig is naar onze meening het beeld van den Christus met doornen gekroond en aan het volk vertoond wordende. Gelijk op een der twee schilderijen van Corn. Engel-brechtsen op het Museum te Leyden is dat beeld ook hier rood van kleur, om het bloeden ten gevolge der geeseling en andere martelingen, den Heiland aangedaan, uit te drukken. Ook dat is een realisme maar minder fijn gevoela, en op weg naar het afzichtelijke. Gelijk de meeste schilders van dien tijd heeft onze meester zijn werk niet geteekend, maar op dit paneel als herinneringen aan zich en zijne stad zijn portret en op het paneel der opwekking van Lazarus het stadhuis van Calcar, gelijk het nu nog bestaat, op den achtergrond geplaatst. Ook tusschen de schreeuwende menigte, die aan Pilatus de veroordeeling van Christus vraagt, ziet men eene vrouw, in toorn ontstoken, aan welke zich eene episode verbindt, die wij straks zullen verhalen. Eerst keeren wij nog tot onze gravure of liever tot het Pinksterfeest terug. Gelijk wij gezegd hebben staat dit paneel, wanneer de vleugelen open zijn, op de onderste rij links van het middenstuk; het is dus op éen na het laatste. In een vertrek met houten beschotten en een vloer van gekleurde steenen zijn de Apostelen vergaderd. In hun midden zit de heilige Maagd in een donkerblauw kleed en met een wijd geplooiden mantel van dezelfde kleur; de mouwen van het kleed zijn aan de polsen omgeslagen, |
gt; *38» s
%
. ... 1 â ; â v, .:gt;â v - - â ⢠, . .,t ,
,., v- â ; -v-. â .:quot; v.,;.-.,-,v
. V
â
â
'' .k â '«
t 'â â . ii |
I â
â ' *â
-
: i â¢â¢
;!V â â v^.,.,: -H..,;., ^ - ^5:V v^'â ;V,;:, /.//, .;;r/:^:;
â
⢠. ⢠;' ⢠â¢Â«': '' . â ' ' ' v 'â ⢠'⢠: â quot;â¢â .â â -V- ' 4quot;;.
;
I
.
V'(é'
\ ' â quot; ' ' '
.. .â
l .
: ... ' . â V:' â â â :â ' .' V â â ' ⢠. -'Ã!quot;
«
|
â ' â quot; 'f;;1 | ||
|
s' gt;'vi- ;gt;â¢' .'^sfe,quot; ⢠| ||
I |
I
.
| i
I
i
i
â 79 â
|
zoodat de grijze stof der voering te zien komt. Een witte over het hoofd geslagen doek valt tot op de borst en laat van het blonde haar slechts een paar afhangende lokken door. Op de knieön ligt een open boek met gekleurde initialen zorgvuldig bewerkt. Op een laag bankje zit aan de linkerzijde van Maria de heilige Joannes, gewikkeld in een langen witten mantel, die over de schouders geslagen cot op den grond afhangt en de onderste ledematen geheel bedekt; de bloote voeten en een smal randje van het groene kleed, dat ook het bovenlijf dekt, komen alleen te voorschijn. Zijn welig donker bruin haar kenteekent den nog jongen man; uit zijne gelaatstrekken spreken ernst en vaste overtuiging. Dc vervulling van 's Heeren belofte verwekt bij hem blijdschap en dankbaarheid, maar verbaast hem niet: want hij heeft aan zijns Meesters woord nimmer getwijfeld, Pj;,trus, die aan de andere zijde van het tafereel geheel op den achtergrond staat, is de man wiens geloof nu bevestigd wordt. Hij vouwt de handen samen, heft de blikken omhoog en buigt langzaam de knieën. Over zijn groen kleed draagt hij een rooden mantel, haar en baard zijn wit. Op den achtergrond, aan de zelfde zijde zien wij Jacobus den Jongere, kenbaar aan zijn jeugdige gelaatstrekken; in de verdere koppen is groote verscheidenheid van karakter en ouderdom. Zonder te bont te zijn, zijn de draperiën krachtig gekleurd; een houten beschot met eene deur op zijde sluit den achtergrond, terwijl de Duif, van lichtkrans en stralen omgeven, boven Maria en de Apostelen zweelt. Hoezeer geheel zonder doel daar geplaatst, is de vrouwenhoed van stroo die aan een spijker in den muur hangt en die zoo geheel gelijk is aan de hoeden onzer boerinnen, eene misschien niet onbelangrijke aanwijzing. Tot heden toe waren de namen der makers van alle die kunstwerken onbekend gebleven. Men noemde de schilder dan eens Jan van Calcar, dan weder de Meester van Calcar, en miste alle verdere aanwijzing. Dank zij den onvermoeiden nasporingen en de welwillende hulp van AVelEerw. Heer J. A. Wolff te Calcar i) (wiens dood men sinds 23 Mei 11. te betreuren heeft), kunnen wij veel en meer mededeelen dan één onzer voorgangers en de onjuistheden van hetgeen van Mander verhaalt, aanwijzen. Door de bijvoeging van hetgeen oude Haarlemsche stukken ons later nog geleerd hebben, wordt de levensbeschrijving van onzen meester bijna volledig. De naam van den meester van Calcar is Jan Joost, Joest of Joosten (= Joostzoon); men vindt deze drie spellingen. Het jaar zijner geboorte kan niet met zekerheid worden opgegeven, maar daar zijn naam met die van twee beeldhouwers voorkomt op eene lijst van inwoners van Calcar, welke tusschen de jaren 14S1â1483 als krijgslieden naar de Nederlanden vertrokken, moet men veronderstellen dat hij omtrent 1463 geboren is. |
Het gebeeldhouwde middenstuk is tusschen 1490 en 1500 door de beeldsnijders van Halderen en Lodewijcx gemaakt. De geschilderde vleugelstukken werden in 1505 door de broederschap van de Heilige Moeder Gods aan Jan Joosten besteld. Dit blijkt uit de rekeningen der broederschap, waarin niet alleen de som genoemd wordt, welke aan den schilder betaald werd, maar ook de kosten van lijst en ijzerwerk te vinden zijn. In 1508 waren de twintig tafereelen voltooid; gedurende die drie jaren woonde Jan Joosten ten huize der weduwe van een rechter van Berg of van den Berg genaamd, op kosten der broederschap. Dat huis, dat nu tot gasthuis is ingericht, was vroeger belendende aan een klooster van Dominicanen, dat reeds lang niet meer bestaat. In datzelfde huis werd in Feruari 1721 de pruissische generaal Seydlitz, wiens standbeeld op het groote plein staat, geboren. Na het voltooien van zijn belangrijk werk in 1508, kocht Jan Joosten het burgerrecht der stad. Kort daarop schijnt hij Calcar wéér verlaten te hebben, wijl zijn naam op geen der latere stukken meer voorkomt. De onderste nu niet meer bestaande schuivende paneelen bestonden in de eerste helft der XVHU eeuw nog; men weet dat zij toen nog gerestaureerd zijn, hoewel men geen latere aanwijzing vindt. Tot hiertoe strekken de aanwijzingen uit de authentieke stukken te Calcar aanwezig, maar wij zullen nu de biographic van Jan Joost of Joosten volledigen, door de twee volgende aanhalingen uit de registers der s' bavo-kerk te Haarlem, waar hij zich na 1508 schijnt te hebben gevestigd. De eerste luidt aldus: âAnno 1515. Item besteet jan joosten scylder te voeren (verwen) synt -wilbort myt die pellaern te samen om xx rs. gl.quot; en de tweede zijne dood vermeldende: âAnno 1519 Item jan joosten scylder is begraven in de kerek, dat opdoen van zijn graff, xx st.quot; Zonder er uit de verste verte het belang van te vermoeden 1), heeft de heer D1'. A. van der Willigen, in zijne geschiedkundige aanteekeningen over de haarlemsche schilders, onder vele andere uittrekselen, ook deze gegeven en de WelEerw. Heer j.J. Graaf maakt, in zijne zoo voortreffelijke beschrijving van de S1 Bavo-kerk 2), ook melding van de eerste aanhaling, betreffende het schilderen van een beeld van den Heiligen Willibrordus. De tien pilaren van het koor der Haarlemsche kathedraal en nog zes daarbuiten waren versierd met beschilderde houten beelden van den Zaligmaker, Onze Lieve Vrouwe en van de twaalf Apostelen. Voor de twee laatste kolommen stonden de beelden van S'Willibrordus, den Apostel van Nederland en van S' Bavo, den Patroon der kerk. Boven die, op voetstukken geplaatste beelden, waren baldakijns aangebracht, ook rijk gekleurd en verguld Ook waren de pilaren beschilderd met afhangende tapijtwerken, eere draperien, in wier randen de twaalf artikelen des geloofs te lezen waren. In den rand van het tapijt, achter het beeld van den Heiligen Willibrordus stond âOra pro nobis beate pater Willibrordequot;'. Dat beeld stond reeds eene eeuw vroeger daar; in 1513 werd door âjaspar pietersz. anghenoemen te snyen die tabbarnaekel over sinte willemboertquot; en in 1515 heeft men |
1
Geschiedkundige Aanteekeningen over Haarlemsche Schilders, voorafgegaan door eene korte geschiedenis van het St.-Lncas-Gild te Haarlem. â Erven BoHN, 1S86 â Haarlem, bl. 53, 54, In Les artistes de Harlem van denzelfde (1870), bl. 55. De auteur heeft het dan ook niet noodig gerekend, in de alphabetische registers van zijn belangrijk werk. Jan Joosten van Calcar tc vermelden.
â 80 â
|
gelijk wij gezien hebben, het schilderen van dat beeld en van de draperie op de kolom aan onzen meester Jan Joosten opgedragen i). Ten slotte verwijzen wij nog naar de volgende regels, welke ons belangrijk genoeg voorkwamen om er een fac simile van te geven. Zij bevinden zich in een boek, dat te Haarlem op het |
Stedelijk Archief bewaard wordt, en komen voor op de rekening van besterfgelden, gehouden door Jacob Dircxz. de Vries en Gerrit van Zuyers, en loopende van 1° September T519 tot uit0 Augusti 1520. Niet alleen bevestigen zij den dood van onzen kunstenaar in 1519 te Haarlem, maar leeren ons tevens dat hij gehuwd was en een broeder had. |
'7 J^0 '7 ^ u 0 â
A Lep
1^ i ' t-Cru 1
|
âJan Joestsz. Scilder obijt mitte Wedc en den voirsz. Jan Joestcn sijn brueder als hem t samen t guet gemaect is comend en hyer van ontfangen ij £.quot; Van zelve komt de vraag op: behoort Jan Joosten tot de Nederlandsche school? Niet alleen antwoorden wij toestemmend, maar voegen er bij dat hij hoogstwaarschijnlijk van hol-landsche afkomst was en ook in Holland gestudeerd heeft. Het koopen van het burgerrecht te Calcar na de voltooiing van zijn arbeid, kan geschied zijn óf uit een soort van verplichting tegenover de personen, die het hem hadden opgedragen, óf wel om zich rechten te verzekeren, waarvan hij later evenwel geen gebruik maakte; maar het doet vermoeden dat, indien hij te Calcar geboren is, zijne ouders van elders waren gekomen. Tus-schen 1481 en 1483 vertrok hij, vermoedelijk achttien il twintig jaar oud, misschien nog jonger zijnde, naar Nederland, om aan den oorlog deel te nemen. Waarschijnlijk is hij toen in Nederland gebleven en heeft in Holland gestudeerd en gewerkt. Hij was de tijdgenoot van Cornelis Engelbrechtsen en van Lucas van Leyden, en sommige zijner beelden, niet die waar hij zijne eigene ingeving gansch ongedwongen schijnt gevolgd te hebben, maar sommige anderen, vooral op de onderste paneelen van het eerste luik, de Ecce Homo en Christus voor Pilatus, herinneren te zeer de beelden van Engelbrechtsen, om alleen aan toeval-lio-e gelijkenis te kunnen denken. Zijn inwonen op kosten dei-overheden bij eene weduwe, gedurende den tijd dat hij te Calcar aan het altaarstuk werkzaam was, versterkt zeker de meening dat hij daar niet gevestigd was. Na 1508 verdwijnt zijn naam weer geheel uit alle te Calcar aanwezige stukken, die zeker tot de best 1 gt; Eenige jaren geleden heeft men eenige overblijfselen van die muurscliil. deringen, welke met kalken pleister waren overd ekt geworden, weder tijdelijk ontbloot. Zie D. van der Kellen Jr , Muurschilderingen in de Groote of SI Bavo-kerk te Haarlem. M. Nijhoff, 's IIage, 1861. Thans zijn ze door gewitte zinken bekleedsels aan het oog der kerkbezoekers onttrokken. |
bewaarde en volledigste dokumentstellen behooren; zeven jaren later hervinden wij hem te Haarlem, werkzaam voor het kerkbestuur, en bij het vernemen van zijn overlijden ontdekken wij ook dat hij getrouwd was, een broeder had en een zeker vermogen, groot of klein, naliet. Dit zijn zeker redenen genoeg om Jan Joosten als Nederlandsch kunstenaar te beschouwen. Misschien zal men het vreemd vinden, dat een meester uit Holland geroepen werd om te Calcar een zoo belangrijk werk uit te voeren; misschien ook zal men willen twijfelen of Jan Joosten van Calcar en Jan Joosten van Haarlem wel een en dezelfde persoon was, op grond dat een zoo talentvol meester zich slecht belasten kon met het beschilderen van beelden en kolommen. Op beide aanmerkingen is het gemakkelijk te antwoorden. Vooreerst moet men zich herinneren, dat het graafschap Cleef en het hertogdom Gelre, dan eens onder één vorst ver-eenigd, dan weêr elkander beoorlogende, wanneer de heerschzucht en de krijgslust der vorsten het eischten, toch met elkander in nauwe betrekking stonden en dat hunne bewoners, hoewel aan de Duitsche Keizers onderworpen, tot de Nederlandsche volksstammen behoorden Toen de zeventien gewesten door Keizer Karel V in 1545 onder éenen scepter gebracht werden, werd het land van Cleef in dat verbond niet opgenomen en later al meer en meer van Nederland gescheiden, maar in de dagen van Jan Joosten behoorden de onderdanen derCleefsche vorsten wel degelijk tot de Nederlandsche volkeren. Even als Vlaanderen is ook dat oostelijk gedeelte later afgesneden en staatkundige lijnen hebben de natuurlijke door de Rhijnoevers bepaalde grenzen vervangen. Uit de authentieke stukken blijkt het dat de broederschap van de Heilige Moeder Gods, die het versieren der kerk ten doel had en ook het meerendeel der kunstwerken, welke nu nog bestaan, heeft doen vervaardigen, met Gelderland, Utrecht en Holland in gedurige betrekking stond. Telkenmale als er iets van aanbelang besteld moest worden, vaardigde de broederschap |
â 81 â
|
twee of drie barer leden naar Nederland uit om te zien wat men daar bezat en wat men daar deed. Zoo werd het hout voor sommige der beeldhouwwerken te Amsterdam en te Rotterdam gekoebt, en de groote monstrans, die nu nog bestaat, in 1550 of daaromtrent te Amsterdam gemaakt. De opdracht van dat groote schilderwerk aan een Nederland-schen kunstenaar, die in zijn jeugd te Calcar had gewoond, die er misschien was geboren, kan niets vreemds hebben en is met alle andere omstandigheden in volkomen overeenstemming. Men zou op die wijze spoedig tot de bewering komen, dat alle mid-deneeuwsche kunstenaars uit Cleefland tot de Nederlandsche school behooren; die bewering zou zich, ten spijt van latere politieke schikkingen, zeer goed laten verdedigen; als eerste bewijsstukken zouden diezelfde geschriften en rekeningen, die wij te Calcar ingezien hebben, kunnen dienen, daar zij, zoowel als alle daarbij liggende maar voor ons doel minder nuttige stukken, in de Nederlandsche taal geschreven zijn. De documenten te Calcar en die te Haarlem, zoowel als die der Vlaamsche steden, of zij Jan Joosten, Dirk Bouts, Memlinc of anderen betreffen, spreken allen een en dezelfde taal â de onze. De volledige overeenkomst van namen en van datums is het eenige, maar ook tevens het geldige bewijs voor de persoonseenheid van Jan Joosten van Calcar en Jan Joosten van Haarlem. Het is waar, dat volgens de latere begrippen het beschilderen van een beeld en van pilaren verre beneden den grooten historieschilder, die de twintig paneelen van het hoofdaltaar der St. Ni-colaas vervaardigde, staat, maar in die, en zelfs nog in Rubens' dagen, was daar niets vreemds aan en de grootste schilders van toen hebben het niet beneden zich geacht te doen wat voorkwam, zij hebben wapenborden en ornamenten geschilderd en zelfs ook decoratien voor zalen en gebouwen bij feestelijke gelegenheden. Nog moeten wij doen opmerken dat in die Haarlemsche stukken telkens gesproken wordt van Jan Joosten âscilderquot;, terwijl andere personen, aan wie dergelijke werken opgedragen werden, âstoffeerders of beeldenkleurdersquot; genoemd worden. Men kan dus gerust aannemen dat Jan Joosten, vroeger niet anders bekend dan als de Meester van Calcar, zoo niet door geboorte, dan toch door zijne afkomst, zijne studiën en zijne betrekkingen zoo na aan Nederland verwant is, dat wij hem als een der onzen mogen beschouwen. Hierdoor vervalt dan echter de vertelling van de oude schrijvers, dio hem voorgesteld hebben als een kunstenaar, die de gave der nabootsing zoo sterk bezat dat hij, na te Calcar als navolger der van Eycken te hebben gewerkt^ in Italië Titiaan zoo had weten na te bootsen, dat groote meesters zijne werken voorstukken van Titiaan hadden aangezien. Wanneer men van een bekenden kunstenaar door degelijke bewijsstukken zou weten, dat hij dan eens van Eyck en dan weör Titiaan evenaarde, zou men toch moeite hebben het te gelooven; hoe men er nu toe gekomen is zulke uiteenloopende kunstwerken aan dezelfde onbekende hand toe te schrijven en welk herkenningsteeken daartoe aanleiding gaf, is niet gemakkelijk uit te leggen. Ook de jaartallen komen niet uit; de Jan van Calcar, welke Vasari te Napels schijnt gekend te hebben, kan de schilder van het altaarstuk niet zijn, maar is waarschijnlijk Jan Stephen, die ook voor de kerk te Calcar geschilderd heeft en wiens naam in de Calcarsche stukken voorkomt, twintig jaar nadat die van Jan Joosten er uit verdwenen is. |
Dat meester Jan zich zeiven voorgesteld heeft in den man met lang afhangend blond haar en een roode muts op het hoofd, voorkomende op het paneel van den E c c e Homo en door ons op bladz. 76, volgens een doortrek van het origineel in de S' Nicola as kerk genomen, weergegeven, steunt alleen op eene overlevering; bewijzen bestaan er niet voor. Het zijn cok die diezelfde overleveringen, die aan de toornige vrouw van het volgende paneel een verhaal verbinden. Op zekeren dag, dat hij in de kerk werkte, gevoelde hij etenslust, en niet naar huis willende loopen, betrad hij den eersten den besten bakkerswinkel en vroeg om brood. Dat hij in zijn werkpak geen penning op zak had, was voor hem geen bezwaar, maar de bakkerin dacht er anders over en weigerde het brood te borgen. âVrouw,quot; sprak de kunstenaar, âweigert gij brood aan den schilder der hoogaltaar-vleugelen ! ik zal u vereeuwigen.quot; Toen het paneel gereed was, herkende een ieder de bakkerin in die schreeuwende vrouw met witte muts achterwaarts op het hoofd. Jan Joest, voor Burgemeester en Schepenen geroepen, gaf voor dat hij niet de bakkerin, maar Pilatus' vrouw, die hem in een droom was verschenen, bedoeld had. Hij kon het niet helpen, dat beide vrouwen zooveel op elkadr geleken. Het zou thans nog moeielijk zijn eenige werken van Jan Joosten met zekerheid aan te wijzen, hoewel er onder de schilderijen van onbekende meesters, welke in de musea gevonden worden, wel eenige van hem zijn; de man die de paneelen van Calcar geschilderd heeft, zal zeker voor en na dien tijd veel gewerkt hebben. De pinacotheek van Munchen bezit een triptiek, waarin Dr Waagen de hand van den Meester van Calcar denkt te herkennen, en wij kunnen de meening van den vermaarden kunstkenner noch voor- noch tegenspreken. Men mag echter niet vergeten, dat deze en alle andere toewijzingen, die tot heden mochten gemaakt zijn, alleen op vergelijking met het altaarstuk berusten, daar de volslagen onwetendheid, in welke men omtrent den persoon en zijn leven verkeerde, alle aanwijzingen uitsloot. Van Mander spreekt ook van teekeningen voor de werken van Vesalius en Vasaju gemaakt, maar de onjuistheid der tot hem over den kunstenaar gekomen berichten is nu door de data bewezen. Ook is het opmerkelijk dat hij het altaarstuk der S4 Ni-coLAAS-kerk niet schijnt gekend te hebben en er ook niet van spreekt, evenmin als Sandrart, die zijne woorden bijna letterlijk vertaalt. In de op nieuw bewerkte uitgave van van Mander's werken in 1764 verschenen, wordt in eene noot, voor het eerst van het altaarstuk gesproken. Nu het eenmaal bekend is dat Jan Joosten, de schilder die voor de Haarlemsche kathedraal werkte en binnen hare muren begraven werd, de te lang onbekende maar te recht vermaarde Meester van Calcar is, telt Nederland een groot kunstenaar meer in de rij zijner verdienstelijke mannen. Ik heb dan ook, als bevestiging voor dezen titel, nog een paar haarlemsche documenten uitgegeven in het Tijdschrift Eigen Haard C, die zeer den indruk verhoogen, dat, alle documenten te Calcar steeds spreken van komen en gaan. In 1480 vertrekt Jan Joosten als soldaat naar Nederland; in 1505 komt hij terug,, ontvangt de opdracht van een werk, woont in een voor hem gehuurd huis en vertrekt dadelijk na de voltooiing van zijn werk. De Haarlemsche opgaven getuigen van verblijf, eigendom en familie. In Januari 1510 kocht onze schilder een huis, staande in de 1 1S77, N0. 17, iS. |
â 82 â
|
Smedestraat op den hoek eener steeg, en wel van Gerijt van Schooten voor 156 rh. guld. van 400 groeten het stuk, welke som in Mei betaald moest worden. Met zijn buurman Laurijs Arntz. moest hij de goten onderhouden. In dezelfde transport-registers vindt men later vermeld, dat Jan Joestenz. goudsmid, in 1554 in gemeenschap met Quirijn Arijsz. en Sijmen Woutersz. barbier, een huis genaamd âde Swerten Hondquot;, staande in de Annegang, voor 475 Car. Guld. kocht van Claes Pieterz, snijder. Jan JooyrEN had dus waarschijnlijk een kleinzoon, als goudsmid te Haarlem gevestigd. Deze opgaven zijn te vinden in de aangehaalde boeken van |
Van der Wilugen, die toen hij die vond en afzonderlijk gaf, niet wist wie Jan Joosten was. De Haarlemsche data volgen elkander dan aldus; 1508 â einde van het werk te Calcar. 1509 â opdracht van opnieuw vergulden van âMaria in lie Sonquot; â S1 BAVO-kerk, Haarlem. 1510 â Aankoop van een huis. 15â beschilderen van het beeld van S' Willeisrordus â S1 Bavo, Haarlem. 1519 â begraven in de S4 BAVO-kerk. 1554 â aankoop van een huis door zijn kleinzoon, (vermoedelijk heette zijn zoon Joost Jansen). C. Ed, Taurki.. |
door BAEEND TAN OEIEY.
|
Nder de voornaamste tafereelen, in de XVI0 eeuw, door den vermaarden Brusselschen schilder Barend van On ley vervaardigd, telt men het aanzienlijk tryptiek, doorgaans onder den naam van het Laatste Oordeel bekend en dat, tot op het einde der vorige eeuw , het Aalmoeseniers-altaar in de Cathedraal â¡ van Antwerpen versierde. Ofschoon gedurende drie eeuwen het voorwerp der bewondering der kunstkenners, die de Ant-! J vverpsche hoofdkerk bezochten, is deze schepping, op onze dagen, eenigerwijze in vergetelheid geraakt-En geen wonder; het beluik waarin zij zich thans bevindt, is voorzeker niet geschikt om een groot getal bezoekers te verwekken. Jn plaats van den grootschen tempel waarin zij eertijds in het midden der uitstekendste werken van Quinten Matsijs , Marten de Vos, Otto Venils en Ruuens was opgehangen, is zij thans, naast een aantal andere voortreffelijke voortbrengselen der Vlaamsche School, opgesloten in eene soort van bergzaal op het eerste verdiep, boven de ingangpoort van het St. Elisaueth's-Gasthuis. â En nochtans heeft het aan geene aanbevelingen, noch van de overheden, noch van eene menigte kunstliefhebbers ontbroken, om voor dit heerlijk werk van eenen onzer meest geachte meesters eene meer waaHige plaats te bekomen. Buiten twijfel werden deze schilderijen voor de H. Geestkamer uitgevoerd, ofschoon, tot nu toe, geen enkel schrift, noch in het archief der Stad, noch in dat der Godshuizen, bewijst dat zij door de armmeesters zouden zijn bekostigd. Wellicht waren zij een geschenk van een der armvaders; ootmoedig mensch, zal hij er niet aan gehouden hebben zijnen naam aan het door hem gegeven kunstwerk te hechten, zich genoegzaam gelukkig achtende met de gedachte door zijne gift eene goede daad te hebben verricht. |
Het onderwerp der schilderijen, hun vorm, hun lijstwerk, in een woord, alles getuigt dat het tryptiek werd vervaardigd met het doel om ten eeuwigen dage, het reeds gemeld Aalmoeseniers-altaar te versieren. Helaas! de begiftiger dacht voorzeker niet dat er omwentelingen zouden zijn ontstaan, die den goddelijken dienst in de Antwerpsche hoofdkerk zouden hebben opgeschorst, en het door IJ a re nd van Orley uitgevoerde meesterstuk aan den heerlijken tempel hebben ontrukt, om ergens op den zolder van een gasthuis verdoken te worden. Onmogelijk is het ons geweest te onderscheppen omtrent welk jaar de tafereelen werden vervaardigd, ofschoon de samenstelling en het koloriet bewijzen dat zij na van Orley's terugkomst uit Italië zijn uitgevoerd. Inderdaad, de kunstenaar heeft Michel-Angelo s Laatste Oordeel gekend; â het figuur des Rechtenden Zaligmakers herinnert ons, onder menig opzicht, de schepping van den uitmuntenden Italiaanschen meester. Van Orley had voor taak ontvangen, niet het Laatste Oordeel, maar wel de Zeven Werken van Barmhartigheid, door de Aalmoeseniers gepleegd, op het paneel af te schetsen; doch al het grootsche begrijpende dat in de aan hem toevertrouwde samenstelling besloten lag, wilde hij haar volledigen door het bijvoegen van een onderwerp dat, als het ware, het doel en het einde van 's menschen bestaan op aarde zou voorstellen. Ziehier de samenstelling. Het middenstuk en cle luikdeuren, welke te samen eene oppervlakte van 4 m. 10 c. breedte op 2 m- 50 c. hoogte bezitten, werden door den kunstenaar als een enkel geheel beschouwd. De linkerdeur zou de drie eerste, de rechterdeur de drie volgende, en het middenstuk het laatste der Zeven werken van Barmhartigheid vertoonen. Deze verschillende onderwerpen zouden evenwel dusdanig met elkander zijn verbonden , dat zij slechts éen geheel zouden uitmaken met het Laatste Oordeel, dat niet alleen het gansche middenpaneel zou innemen, maar zich buitendien nog over het bovengedeelte der beide luikdeuren uitstrekken. |
â 84 â
|
Op de linkerdeur ontwaart men dus de Aalmoeseniers, in hunne schilderachtige tabbaarden getnoid, de hongerigen spijzen en de dorstigen laven. Op het achtergedeelte, in een gebouw uit portieken samengesteld, ziet men hen de vreemdelingen herbergen; op de rechter zijdeur kleeden zij de naakten, bezoeken zij de zieken en verlossen zij de gevangenen , terwijl zij, op het middenpaneel , de ter aarde bestelling bijwonen van eenen doode, die, onder de gebeden eens priesters, door de Cellebroeders ') in het graf wordt gezonken. In het bovengedeelte van dit paneel, omringd van engelen, vertoont zich de zaligmaker, gezeten op eenen troon van wolken. Evenals in Michkl-Angf.lo's schepping , is Jesus baardeloos voorgesteld; zijne voeten rusten op den wereldbol, waaronder zich het zegevierende Kruis verheft, omringd van eenen krans van biddende engelen. Rechts en links ontwaart men de vier bazuinende Engelen, die, volgens den Apocalypsis, de dooden uit hunnen eeuwen-langen slaap wekken en voor den rechterstoel van den Zoon Gods dagen. Lager en nogmaals lager, de negen Chooren dei-Engelen, in wier midden de Aartsengel Michael oprijst, terwijl op de luikdeuren de H. Maagd, St. Jan Baptist en de twaalf Apostelen zijn voorgesteld. Het ondergedeelte van het middenstuk geeft zicht op het dal van Josaphat. De dooden stijgen uit den schoot der aarde en blikken met verwondering en opgetogenheid naar den zegevierenden Zaligmaker. Op het voorplan, een Engel die den verrezenen den schoot der eeuwige vreugde aanwijst , terwijl op het achterplan de duivels een rei verdoemden in het eeuwig vuur voortrukken. Geene gewone voorstelling van een dikwijls behandeld onderwerp! Van Orley heeft al het grootsche zijner taak begrepen. Hij heeft eene samenstelling van eenen echt epischen aard voortgebracht. Eenige schrijvers staan verwonderd over de ineensmelting van het onderwerp De dooden begraven met het Laatste Oordeel; doch zooals wij hooger hebben gezien, hebben zij het doel der samenstelling uit het oog verloren en niet begrepen dat de schilder de toepassing van het loon, naast het plegen der werken van Barmhartigheid, in eens aanschouwelijk heeft willen maken. Als samenstelling, teekening en koloriet, bezit het tafereel der Antwerpsche Godshuizen al de hoedanigheden, maar tevens ook al de gebreken die van Orlev's scheppingen kenmerken. De groepen zijn meesterlijk bijeengebracht, de teekening is fiks en zuiver; de schildering evenwel is droog en zwaar. En nochtans had van Orley, volgens van Mander, het paneel âte voren ,,gansch laten oververgulden, opdat alles te schooner en geduriger âmocht blijven. Dit quamquot;, vervolgt onze schilder-biograaf âhem âoock te pas om der. hemel te maken doorschijnig.1. Droevig bewijs hoe een kundig man kan verdwalen, wanneer hij de overleveringen zijner nationale school verlaat 1). Ook de buitenzijde der luikdeuren is met schilderingen versierd. Hier heeft de kunstenaar de beschermheiligen der Antwerpsche Aalmoeseniers voorgesteld. Men . ziet aldaar de afbeeldsels van St. Stephanus, St. Marcus, St. Laurentius en St. Elisabeth naast eenige armen; deze figuren, die aL opvatting en teekening lof verdienen, zijn volgens het gebruik destijds, in grijskleur uitgevoerd. |
Wanneer wij dit tryptiek vergelijken met een ander tafereel van denzelfden meester, dat de Antwerpsche St. jACons-kerk versiert en insgelijks het Laatste Oordeel voorstelt, dan moeten wij verklaren dat, als opvatting en samenstelling, het eerste den voorrang bekomt; onder het opzicht van koloriet en teekening, kan het evenwel den toetssteen met dat onzer vroegere collegiale niet onderstaan. Tot in 1581 bleef van Orley's tryptiek het Aalmoeseniers* altaar versieren; alsdan werd het, onder goedkeuring der overheden, naar het armbestuur overgebracht, en bleef aldaar ia bewaring tot aan de heropening der kerken aan den Katholieken godsdienst, in 1585. Terug op het altaar geplaatst, werd het in 1798, bij de sluiting der kerken, op bevel der agenten van de Fransche Republiek, naar het Maagdenhuis overgebracht; wij hebben gezegd dat het thans in het St. elisabetii's-gasthuis wordt bewaard. â Wij zien niet dat het ooit het M u s é e Napoleon te Parijs heeft versierd. In 1862 deden wij in de algemeene zitting der Koninklijke Commissie, te Brussel gehouden, het voorstel eene meer geschikte plaats voor de uitstelling van dit kunstwerk te bekomen. âIn den loop onzer studiën, zegden wij, namens het Comiteit der provincie Antwerpen, zijn wij geroepen geworden niet alleen de geestelijke gestichten, maar ook eenige onzer burgerlijke gebouwen te bezoeken. Wij zijn van meening dat het gevoeglijk zou wezen bijzondere maatregelen te nemen voor het behoud der kunstwerken, in de Gods- en Gasthuizen bewaard. Inderdaad, daar de kerken en bidplaatsen dagelijks voor de geloovigen zijn geopend , zijn de daarin bewaarde schilderijen en beeldhouwwerken bet voorwerp eener gedurige bewaking, terwijl zij in de, om zoo te zeggen, steeds voor het publiek gesloten godshuizen, beschadi gingen kunnen ondergaan, zonder dit een kenner op hen de aandacht der overheden in kome roepen. âVerre van ons de gedachte zonder onderscheid in Museums werken te willen vereenigen, die voor bestemde plaatsen zijn vervaardigd en waaraan dikweif groote herinneringen zijn gehecht. Wij denken, integendeel, dat men in elk gesticht de schilderijen en versierselen moet behouden, welke daaraan door godvruchtige stichters zijn gelaten, maar het is noodzakelijk dat deze kunstvoortbrengselen zooveel mogelijk aan hunne eerste bestemming worden teruggegeven. Wat diegene betreffen welke geene vaste plaats hebben, dunkt het ons dat men ze in eene bijzondere zaal zou kunnen verzamelen om aldaar het voorwerp van een bestendig toezicht te wezenquot; '). Dit voorstel in de alsdan plaats hebbende zitting besproken, werd door ons het volgende jaar vernieuwd. âTe dier gelegenheid, zegden wij, drukt ons Comiteit den wensch uit dat het Bestuur der Antwerpsche Godshuizen worde uitgenoodigd, niet alleenlijk eene bijzondere verzameling te vormen zijner schilderijen , die geene vaste plaats hebben, maar ook eene meer geschikte plaats te geven aan het schoone tryptiek, het Laa tste Oordeel door Barend van Orley, dat, tot op het einde der XVIII® eeuw het Aalmoeseniers-altaar in de Cathedrale versierde, even als aan de afbeeldsels van weldoeners der armen, als daar zijn: Gilleisert van Schoonbeke en zijne vrouw Elisabeth Hevn-dericx; ook aan verscheidene andere kunstwerken die in de l) Vergadering van 30 September 1862. |
1
Zie onze levensschetsen van Quintkn Matsijs en Adam van Noort. VUiamsche School, Jaargangen 1855â57.
â 85 â
|
talrijke Antwerpsche liefdadigheidgestichten zijn verspreidquot; '). Deze voorstellen werden het voorwerp eener lange briefwisse â ling tusschen het hooger bestuur, de Godshuizen en de K, â¢Commissie van Monumenten; derhalve bleven wij onze reklamen in onze verslagen van 1864 en 1865 herhalen. Ook vonden ze ingang bij het Gemeentebestuur van Antwerpen, dat op 2 Maart 1868 eene bijzondere Commissie benoemde, waaraan het toezicht werd toevertrouwd der talrijke schilderijen, welke het stadhuis verderen 1). Op voorstel van het Schepenen-College, stemde lt;le bestiering der Godshuizen er in toe de haar behoorende kunstwerken door de stads-afgevaardigden te laten onderzoeken. Na talrijke zittingen te hebben gehouden en den staat der schilderijen te hebben onderzocht, zond deze Commissie, op 16 Maart 18691 aan het Stadsbestuur een eerste verslag over hare werkzaamheden ' waaraan wij de volgende regelen ontleenen. âIngevolge uwen brief van 16 April 1868, zegden de leden, heeft onze Commissie begonnen de kunststukken te bezichtigen, die onder het bestuur der Godshuizen berusten. Na eene voorafgaandelijke studie der ons opgedragen taak, zijn wij eenpariglijk van gevoelen geweest dat het hoogst noodig is door het bestuur der Godshuizen eene zaal als kunstkabinet te zien inrichten, waarin al de schilderijen zouden kunnen geplaatst worden, die geene vaste bestemming hebben; dat zijn die, welke niet, volgens den uitdrukkelijken wil der gevers, in het een of ander gesticht moeten bewaard worden Wij kunnen niet genoeg op dit punt aandringen, zoowel in het belang der goede bewaring als in dat der kunststudie. âReeds hebben wij een deel der tafereelen in oogenschouw genomen, welke zich thans in het St0 Elisaheïh's Gasthuis bevinden. Wij melden................ â(£â¢) De Zeven Werken van Barmhartigheid en het Laatste Oordeel, wereldberoemd tryptiek van Bernhart van Orley. Op den buitenkant der deuren in grijs klear ; S' Stefanus, S2 Marcus, S' Laurenïius, S,e Elisabeth en eenige armen. Het is hoogst dringend dat men aan dit tafereel eene andere plaats geve; daar waar het zich bevindt, is het. om zoo te zeggen, onzichtbaar. Overigens is het in eenen tamelijk goeden staat; het zou met zorg moeten gekuischt en het paneel van | achter voorzien worden. Er zijn eenige kleine afschilferingen en | eenige overschilderingen aan op te merkenquot; (11â39). Bij brieve van 10 Mei 1869, antwoordde de bestiering der 1 Godshuizen, dat zij het ontwerp had gevormd in het nieuw op ! te richten Oudemannenhuis Bogaerts-Torfs, eene zaal voor te 1 behouden om aldaar hare schilderijen en andere kunstvoorwerpen te vereenigen , welke geene bijzondere bestemming hebben. Wat aanging de herstelling van zekere tafereelen, was zij bereid die onmiddelijk te laten verrichten, doch daar zij geene penningen voor dit werk bezat, verzocht zij het stadsbestuur, ten dien einde , eene hulp in geld ter barer beschikking te willen stellen. De zaak werd op nieuw door de overheden behandeld en op 21 Januari 1875, benoemde de heer Delcour , Minister van Bin-nenlandsche Zaken, onder het voorzitterschap van den Heer Nic. de KeyöER, bestuurder der Koninklijke Academie van Antwerpen , eene bijzondere commissie gelast met het toezicht der herstellingen. Door de zorgen dezer nieuwe commissie heeft het zijnen vorigen glans herstelde meesterstuk van Barend van Orley eene plaats bekomen, waar het door de minnaars der i kunsten naar eisch kan bewonderd worden. 1) Vergadering van 16 Januarij 1864. 2) Lid en Secretaris dier Comirnssie is de auteur van deze monografie, j tniin geleerde en schrandere vriend P. Génard. Alh. Th. |
AANTEEKENINamp; OP BAREND VAU ORLEY. De kunstenaar, wien wij het meesterstuk zijn verschuldigd, waaraan bovenstaande aanteekening is toegewijd, zag te Brussel het licht omtrent het jaar 1475. Volgens nasporingen vau den Heer A. Binchart, was zijn vader Valentijn van Orley genaamd; zijn broeder biette Everaart en alle drie oefenden het beroep van schilder uit. âTen onrechte,quot; zegt onze geleerde vriend, heeft men gepoogd Barend van Orley te doen afstammen , nu eens van het machtig geslacht der Heeren van Seneffe , dan weêr van de familie zijns naams, welke in eenen der Brus-selsche patriciersstaken werd ontvangen; wij zijn in staat deze verschillende dwalingen te herstellen door oorkonden, waarvan de echtheid niet kan worden betwist.quot; Wij willen hier de beweringen niet aanhalen, in der tijd door de HH. Goeïhals, Wauters, Fétis en anderen omtrent dit punt van 's mans leven bijeengebracht; doch het zij ons toegelaten te doen opmerken dat de laatste zinsnede van het anders zoo gewichtig artikel des Heeren Pinchart, ons eenigszins gewaagd schijnt, daar van Orley's grafsteen in de St. Gerrit's-kerk te Brussel eertijds met kwartieren was versierd, welke, buiten twijfel, de kunstenaar niet had mogen voeren, indien hij niet van voorname afkomst ware geweest. Wat hiervan zij, van Orley droeg een wapen van zilver met twee vaschen van keel. Van Mander, die zich in zijn Schilderboeck met Barend van Orley bezig houdt, zegt âdat hy is gheweest een seer veerdigh en geestigh constenaer, soo in oly als in waterverwe, seer vast in zyn stellinghe en teyekeninge '; en deze lof is niet overdreven: Barend van Orley wordt onder de voornaamste schilders der XVIquot; eeuw geteld. Barend ontving, naar allen schijn, het eerste onderricht in het werkhuis zijns vaders. Later, wanneer hij de mannenjaren had bereikt, toog hij naar Italië, alwaar hij zich onder de leiding plaatste des wereldberoemden Raphaël Sanzio. Onder den indruk der werken des gevierden mans, werd van Orley's stijl merkelijk gewijzigd; doch ten onrechte hebben eenige schrijvers beweerd dat de Vlaamsche schilder zich de slaafsche navolger des Italiaanschen meesters maakte. Van Orlet bleef immer een eigenaardig kunstenaar; men kon steeds in hem den Vlaming herkennen, ofschoon hij, zoo als wij elders 1) hebben doen opmerken, bij de aanraking der Zuider-kunstenaren, vele van zijne oorspronkelijke begaafdheden verloor. Raphael koesterde eene bijzondere genegenheid voor onzen landgenoot, die, van zijnen kant, hem de grootste erkentelijkheid bewees. Ook wanneer Barend in zijn vaderland terugkeerde, gelastte hem de uitmuntende Italiaan met het toezicht der tapit-serijen, welke, volgens zijne teekeningen, op last van Paus Leo X , voor de Sixtijnsche kapel te Atrecht (Arras) werden uitgevoerd. Nauwelijks, ten jare 1517, in ons midden teruggekeerd, werd van Orley tot schilder der landvoogdes Margareta van Oostenrijk benoemd, met eene vaste jaarwedde en de belofte dat zijne werken afzonderlijk zouden betaald worden. Gachard 2), Altmeyer 3), Goethals 4), Henne 5 gt;Vau- |
1
Rapport sur les archives de la chamhre des comptes (i Lille, p. 264.
2
Zie onze levensschetsen van QuiNTKN Matsys en Adam van Noor
3
Marguerite dquot;Atitriche sa vie, sa politique et sa eour. Revue Ee/ge 1839 en 1S40. T. XIâXV.
4
4, // is to ire des lettres, sciences et des Arts en Belgique. T. III. p. 43.
5
Reoue universelle des Arts. T. I, p. 103, en llistoire de Chaules V en Belgique. T. IV p. 393 en T. V, p. 73 et 81.
â 86 â
|
ters !) en Pinchart 1) doen ons, in verschillende schriften, den aard der bestellingen kennen, die hem van 's Hofs wege werden toevertrouwd. âHij heeft,quot; zegt van Mander, âvoor Vrouw Margriete en ander groote Heeren, ooc voor den Keyser, veel heerlijcke schoon patroonen van tapijten geteyckent en geschildert; waerin hij hadde een sonderlinghe vast en veerdighe handelinghe en wierdt er seer heerlijck van betaelt. Hy maekte, onder andere, voor den Keyser, verscheyden jachten met de bosschen en plaetsen omtrent Brussel, daer deze jachten van den Keyser geschieden; in welcke den Keyser en meer princen en princessen nae 't leven in qua-men, 'twelck seer costlijck in tapijt wierdt ghewrocht. Daer zijn cock corthnghe in Ilollandt in den Hagghe, gebracht bij zijn Excellentie Grael Mai:rus , sesthien stucken geschilderde tapijt-patroonen, die van Bernardt seer wel en constigh zijn gehan-delt: op elck dezer comt een man oft vrouw te peerde groot als 't leven, wesende het gheslacht en afkomst van het huis van Nassouwe nae 't leven. Dese liet Zijn Excellentie GraefMaurus van olyverwe conterfeyten door Hans Jordaens van Antwerpen, constigh Schilder, woonende te Delft.quot; Doch schijnt van Orley aanvankelijk niet te Brussel te hebben verbleven. In 1517 vinden wij onzen schilder te Antwerpen, waar hij, vijf jaren na zijnen vader Valentijn, en hetzelfde jaar als zijn broeder Everaart, onder het bestuur der Dekens Willem de Meüleneee en Geert van IJssche, als meesterszoon in de St. LucAS-Gilde opgeschreven werd 2). Ilij ontving alsdan ook eenen leerling, Peeter Goes geheeten, wiens naam naast dien zijns leeraars, in den Liggere der oude Antwerpsche kunstvereeniging werd vermeld. En hier zijn wij verplicht eene vraag te doen: Was het wellicht op dit tijdstip niet dat de kunstenaar met de uitvoering van het prachtige tryptiek : liet laatste Oordeel voor het Aalmoeseniers-altaar te Antwerpen werd gelast? Wij durven hierop niet bevestigend antwoorden, ofschoon er meer dan eene rede bestaat om te mogen veronderstellen dat hij, tijdens zijn verblijf in de Scheldestad, deze tafereelen schiep die, zooals wij hebben gezegd, onder den nog frisschen indruk der Italiaansche meesters werden gepenseeld. Teekenen wij aan dat, in 1517, Simon Biscop cn Andries van Mast en, in 1518, Huihrecht Vorselman en Servatius Stollaert , allen deftige en vermogende burgers, het ambt van armmeesters of vaders der armen vervulden, en zij wellicht tot bestelling der kostbare schilderijen hebben bijgedragen. In 1519 was van Orley teruggekeerd in zijne geboortestad, alwaar hij het afbeeldsel van den geneesheer Georgius van Zelle uitvoerde. Dit kunststuk, dat thans het koninklijk Museum te Brussel versiert, is op de volgende wijze geteekend: Bernardus -f- Dorleii facie bat Bruxell. -f- MDXIX; het levert dit bijzonders op, dat, op een tapijt achter het hoofdfiguur, verscheidene malen een naamcijfer is afgebeeld, waarin wij al de letters van den naam Quinten Metsys denken terug te vinden 4). Korten tijd daarna schilderde hij, nog te Brussel, op last van Philips Hanneïon, secretaris van keizer Karel V en zijne gade, vrouwe Margareta Numan, het tryptiek: de Zaligmaker 1) lu het werk: Histoire des pi'in tres de tantes les écoles, uitgegeven door Charles Blanc. 2) Revue universelU des Arts, T. Ill p. 143 en Zes anciens des peintres flamands, pamp;r Crowe et C»valcaseli.k. Annotations, p. CCLXXXVI. 3, Zie de Ligger en, uitgegeven door Pu. Romuouts en Th. van Lerius. 4y Deze schilderij draagt N0 27 en is op bladz. 154 van den Cataloog, door den Heer Edward Fetis beschreven. |
door de H. Maagd en verscheidene heilige personen beweend. Deze voorstelling, die vroeger de STK GoELE-kerk en thans het koninklijk Museum der Belgische hoofdstad versiert, is voorzien van luikdeuren die, langs den binnenkant, de afbeeldsels der begiftigers en hunner kinderen bevatten, terwijl zij, langs de buitenzijde, de Boodschap des Engels vertoonen deze laatste samenstelling is in het grijs uitgevoerd. Barend van Orley was in Brabant's tweede hoofdstad aanwezig, wanneer Albrecht Dürer haar in 1520 een bezoek toebracht. Onze hofschilder noodigde den grooten Duitschen meester op een noenmaal, dat zeer prachtig moet geweest zijn, vermits Durer er in het Dagboek zijner reize in de Nederlanden met uitbundigen lof van gewaagt. âMaister Bernhart zegt hij, âhat mich geladen, der Mahler, und hat ein solch köstlich Mahl zugereht, das ich nicht glaube das erzeugt sey mie 10 fl.quot; Uit dankbaarheid, vervaardigde Durer het afbeeldsel in kool van Barend en zijne echtgenoote. Van Orley was in den echt getreden met Acnes Zeghers. De naam dezer vrouw komt ten jare 1527 gezamenlijk met dien van haar gemaal, voor, in een geding, waarin Barend's ouders, evenals zijn broeder Everaart, naast de schilders Jan van Coniscxloo , Jan Tons en Jacob 't Seraeuts, en de tapijtwerkers Peeter de Pannemaker, Jan Bacx, Peeter van den Bossche, Jan van Lennicke, Willem Leemans en Jan van Ophem , waren betrokken. De Heer Pinchart , wien wij de kennis dezer bijzonderheid hebben te danken, meldt dat de bovengenoemde personen, die allen Brussel bewoonden, werden vervolgd, om de geheime vergadering of Conventiculen te hebben bijgewoond van den gewezen pastoor der St. jacobs-kerk te Antwerpen, Nicolaas van der Elst , alias de Bruxellis , die tot het Lutheranismus was overgegaan. Ten gevolge van dit feit, schijnt van Orley in ongenade te zijn gevallen; zijne verwijdering van het Hof was echter van koiten duur, wantin 1529 zien wij hem op nieuw werkzaam voor de Aartshertogin Margareta. De rekeningen van het Hof getuigen dat hij voor deze Vorstin talrijke tafereelen maalde, als daar zijn; La Re ra emb ran ce de Maiue Marthe voor het klooster der Zeven Weeën te Brugge bestemd 3); la vertu de Patience, aan den graaf van Hoogstraeten geschonken om den schouwmantel te versieren der kamer, waarin de aartshertogin gewoonlijk verbleef; zeven afbeeldsels der Regente, beurtelings geschonken aan Mevrouw van Hoorn, Jonkvrouw van Toulouse, Mevrouw van Praat in Galileen; te Gent, den Bailluw van Dondermonde, aan eenen jongen edelman van Lorreinen, en aan den tresoiier Liei -eault -'). Onze schilder leverde nog verscheidene andere kunststukken, waarvan de Hertogin geene melding wilde hebben gemaakt , doch die met eene som van tien Philippus-guldens werden vergoed. Ondet de regeering van Margareta's opvolgster, Koningin Maria van Honganje, werd van Orley wederom met talrijke bestellingen vereerd. De bijzondere rekeningen van het Huis der Regente bewijzen dat zij onzen kunstenaar, van 1532 tot 1535, buiten zeven portretten van haar zelve, een aantal afbeeldsels liet uitvoeren van voorname personen, die haar bij zon dei-dierbaar waren, te weten: vier van haren gemaal, wijlen koning Lodewijk II van Hongarije; een van keizer Karel; een, ten |
1
Ai-. Henne. Ibid. Deel V, blz. 82 en Revue nniverselle des arts, Deel I,
2
blz. 100.
3
Al. Henne. Histoire du regne de Charles V, Deel IV, blz. 393.
|
voete uit, van Christina van Denemarken, gemalin van Frans Maria Sforza, hertog van Milanen; een van Lucretia de Cavally , eeredame der koningin, en een ander van haren eereridder Antoon de Crot, Heer van Sernpy, raad des keizers. Men doet opmerken dat de kunstenaar dertien ponden vlaamsch voor een portret in borstbeeld en acht en twintig voor een afbeeldsel ten voete uit ontving. Weinige dezer stukken gingen de verzameling der Regente versieren; het grootste deel werd, als geschenk, aan hare voornaamste kennissen en beschermelingen overgemaakt '). Van Orley had een zeer werkzaam leven; het aanzienlijk getal zijner schilderijen, wijd en zijd in de voornaamste kunstkabinetten van Europa verspreid, getuigt van een gemak van schepping en uitvoering, die den meester tot lof verstrekken. Wij zullen hier slechts eenige zijner uitstekende voortbrengselen aanhalen. De vroegere abdijkerk van S4 Miciiiels te Antwerpen bevatte eertijds een tafereel, dat als de waardige tegenhanger van het tryptiek het Laatste Oordeel mocht worden beschouwd: de Prediking van den H. Norbertus na de verdrijving van ketter Tankelm. Dit stuk dat, ten jare 1796, nog te Antwerpen aanwezig was, en aldaar, tijdens de Fransche overheersching verdween, vormt thans een der sieraden van de Pinacotheek te Munchen. Merken wij hier aan, dat men, ten onrechte, in dit tafereel het figuur des twistenden leeraars voor dat van Tankelm heeft genomen. Deze laatste was dood, toen de H. Norbertus, op de vraag der kanoniken van O. L. V.-kerk, te Antwerpen zijne zuiverende leering kwam verkondigen. In het Museum te Brussel bevindt zich een tryptiek dat vroeger deel maakte der verzameling van Z. M. Willem II, Koning der Nederlanden, en onder de beste voortbrengselen onzes meesters mag worden gerekend. Het stelt de voornaamste voorvallen uit het boek Job 1) voor, en is met eene kracht gepenseeld, die bewijst welken rang van Orley tusschen onze Nederlandsche Koloristen zou hebben bereikt, indien hij immer aan de overleveringen onzer school ware getrouw gebleven. De teekening is fiksch, de samenstelling kloek, doch herinnert te veel de Italiaan-sche wijze om als toonbeeld onzer vaderlandsche kunst voorgesteld te mogen worden. Een der laatste, doch een der voortreffelijkste tafereelen door van Orley gepenseeld, is, buiten twijfel, het Laatste Oordeel op last van Adriaan Rockox en zijne echtgenoote Catharina van Liedekerke, alias van Ovehhoff, uitgevoerd. Dit prachtig tryptiek, dat sedert drie eeuwen de S' jacobs-kerk te Antwerpen versiert, is nog zoo frisch als op den dag dat het uit het werkhuis des schilders werd gehaald. Op het middenstuk dezer samenstelling, waarvan de zonderlingste besclu ij vingen zijn verschenen, ontwaart men, in het bovengedeelte, den Zaligmaker met de H. Maagd, de Apostels , de Evangelisten en andere Heiligen. Aan de rechterhand des Zaligmakers, aan het einde van eenen groep uitverkoornen, Adam en Eva, welke de aarde nog een oogenblik wederhoudt. De vader des menschdoms is vervuld van schrik bij het zicht der duivels en verdoemden, die hem omgeven; Eva, integendeel, de oogen naar den Zaligmaker gewend, schijnt vol vertrouwen haar lot af te wachten. De Heer |
Th. van Lerius, in eene studie over deze schilderij, zegt dat zij eene geniale schepping is, en dat de plaats door den schilder aan onze eerste ouders toegewezen , van diepe kennis getuigt. Op de luikdeuren zijn de begiftigers met hunne dertien kinderen afgebeeld, terwijl de buitenzijden de Heilige Drievuldigheid, SS. Peeter en Pauavel , en de HH. Dimpiina en Maroareta van Antiochie voorstellen. Alle deze beelden onderscheiden zich door de grootste verdiensten. Wij hebben hierboven aangeteekend, dat, op het voorbeeld van Raphael , van Orley zich had toegelegd op het maken van patronen voor de op dat tijdstip zoo bloeiende tapijtweverijen. Aanteekeningen uit Staats- en Stadsrekeningen bewijzen , dat onze schilder insgelijks hoog werd geacht voor zijne teekeningen van glasramen Voor de S' RuMOLDUs-kerk te Mechelen vervaardigde hij een glasraam, voorstellende de intrede des Zalig makers te Jerusalem en versierd met de afbeeldsels van Maroareta van Oostenrijk en van haren gemaal Piiilibert van Savoye. Eenigen tijd nadien, werd hij gelast met de teekeningen voor de twee groote vensters van den kruisbeuk van de Ste GoELE-kerk te Brussel. Deze samenstellingen, welke als meesterstukken in hunnen aard worden beschouwd, vertoonen, de eerste. Keizer Karel en zijne gemalin Eleonoha van Portugal, vergezeld van hunne beschermheiligen en neergeknield in aanbidding voor het H. Sacrament van Mirakel; de tweede, Lodewijk, Koning van Hongarije, en zijne gemalin Maria van Oostenrijk, omgeven van hunne patronen en geknield voor de Allerheiligste Drievuldigheid. Het figuur der H. Maagd, welke in dit laatste kunstwerk voorkomt, wordt beschouwd als waardig zijnde van de hand van Raphael. Weinigen tijd voor zijn dood, vervaardigde onze kunstenaar nog de patronen voor het groote venster in den westgevel der S. BAVO-kerk te Haarlem. Het onderwerp was: de Bisschop van Utrecht, Gregorius van Egmond, neergeknield voor de Allerheiligste Drievuldigheid, en bijgestaan van zijnen beschermheilige , den H. Gregorius van Utrecht, eenen armen kreupelen man aahnoesen uitdeelende. Jammer maar dat dit prachtig werk, sedert de plaatsing van het orgel, in 1735, onzichtbaar is geworden. Uit de kerkrekeningen blijkt dat van Orley, ten tijde van de uitvoering van dit kunstwerk, te Brussel een huis tegenover de S' Geruchs kerek bewoonde. !) 1) Over dit glasraam dat te Leuven werd uitgevoerd, vindt men, onder anderen, het volgende in de kerkrekeningen der St üaafs kerk: âItem Miester Baeiineert van Olulen, die schilder van de K. Mt, \vo nende tot Brussel over Sinte Gheruchskerk. âItem die glasemaker tot Loven, Meester Gerry'i Rolls, heeft dat glas aenghenoraen in die westghevel. âA0 1541 Item ghegeven die laetsten dach in Junio meester Geurit Büeligt; tot Loeven, glaeseraaker. A0 XLI die quam nemen die maet in die westghevel vant glas van mijn g. h. van üytrecht vyf r. g. ende betaelt syn costgold verteert tot Hii.leoond Isbrandt Jacoiu. weduw XX st. De oorspronkelijke teekening bestaat nog, zegt de Zeereerw. Heer J. J. Graaf in zijne Beschrijving der St. Bavokerk te Haarlem, er staat op geschreven: V patroen van Egmontquot; âBisschop Gregorius geknield voor een bidstoel aanbiddende de H. Drievuldigheid. God de Vader, op een t'-oon gezeten, houdt met de eene hand het kruis waaraan God de Zoon hangt en dat op den tweeden trap des troons rust; met de andere hand wijst de Vader naar den H. Geest, in de gedaante van eene duif van gloriestralen omgeven, voorgesteld. De Bisschop draagt zijn staf in de hand, de mijter ligt op den grond; in den rand van ziju kleed ziet men bij afwisseling het wapen en het naamcijfer G. E. van den Bisschop. Onderaan leest men; âPietatem Exerce.quot; Achter den Bisschop staat zijn patroon, de H. OREOomcs van Utrecht, een armen kreupelen man een aalmoes gever.de. In het bovendeel, zijnde een bouwkundig werk, ziet men vrouwenbeelden die de werktuigen der passie dragen. Geluel boven aan is een pelikaan met haar jongen en een engel, dragende een vaandel |
1
Volgens den Heer Wauters, zou dit tryptiek, dat van Orley in 1521 voltooide, de samenstelling zijn, welke, onder den naam van la vertu de patience, op bi. 88 wordt besproken,
â «8 â
|
Gedurende zijne kunstenaarsbaan had van Ori.ey, zoo als meestal al de voorname schilders zijns tijdvaks, de gelegenheid verscheidene leerlingen te vormen; doch tusschen deze was er geen, die den leeraar zooveel tot eer verstrekte als de befaamde Michiel van Coxcven, geboortig van Mechelen. Eene bijzondere eenstemmigheid van gemoed had weldra den afstand tusschen meester en leerling vernietigd, en van beide schilders, ofschoon van ouderdom verschillend, oprechte boezemvrienden gemaakt. Verre van den bijval te benijden, die van Coxcven in ons vaderland genoot, zag men van Orley al het mogelijke aanwenden om de begaafdheden zijns leerlings te doen uitschijnen. Zelfs deed hij openbaarlijk aanspraak op zijn talent om gezamenlijk verscheidene belangrijke werken uit te voeren. Zoo werd van Coxcven's naam aan dien van Barent gehecht bij het vervaardigen van het altaarstuk der Sl LucAs-gilde te Mechelen; zoo zien wij ook 's leerlings naam gevoegd bij dien zijns meesters, bij het voltrekken der glasschildering der kapel van het H. Sacrament van Mirakel In de S,e göele-kerk te Brussel. Wij hebben hooger gemeld, dat van Orley in den echt was getreden met Acnes Zechers ; deze vrouw, bij wie hij twee zonen waarop het jaartal 1541 staat. Bij zijde van den Bisschop ziet men boven elkander de wapenschilden van Egmond, Meurs, Ark el, Kleef, Lijningen, Zarwarden, Gulik en Berg, zijnde het geslachtswapen en de kwartieren van vaderszijde van den schenker. In 1591; werd dat raam door Willem Willemz. Thvijaut vermaakt â waarschijnlijk geheel veranderd â dat kostte 170 tï. Thans is het raam geheel digt gemetseld; het groote orgel in 1735 gebouwd, bedekt het geheel. (Getrokken uit de Beschrijving der St. Bavcfs kerk te Haarlem^ door den Zeer Eerw. Deken j. j. Guaaf.) |
had verwekt, die de loopbaan huns vaders volgden, overleed den 13quot; September 1539 en werd in de S4 Maurus kapel der S' Gerrit's-kerk begraven. Twee jaren later, op 6 Januari 1542 (1541 o. s.) volgde onze schilder zijne gade in het ander leven. Zijn stoffelijk overschot werd naast dat van Agnes Zeghers ter ruste geleed. Een grafschrift in gothieke letters werd aldaar ter hunner nagedachtenis gesteld; het luidde als volgt: iMcL- luxljt Ucinradiini ban Odcu fcljiïbcr li an lllanTarcta Dcrtmjiuiic ban ^oftcnnicfi cntic ban Jüana bc ïtonimnnnc ban ÃHinaacic; tne fterff 1541 tien 6 31aniiar. Cntic ^iniflrrnnUi Hijncta fijne Ijini^bmuUi bic ftccff 1539 13 êm- In het midden van den zerk prijkte 's schilders wapen; op de hoeken waren vier kwartieren gebeiteld ten teeken van 's mans voorname afkomst. Men vergat alleen 's kunstenaars leus, die hierop vooral te stade kwam: Idck sijn tijt. l'. Génard. |
t
door JAN TAN SCOREI.
|
Schoorl, alwaar op den in 1495 onze Hollandsche meester Jan van [Scorel het eerste licht aanschouwde, ligt in Noord-Holland, niet verre van Alkmaar. De moeielijkheid der uitspraak, vooral voor men-schen die niet in ons land geboren zijn, heeft voor /1 dien naam verschillende spellingen doen ontstaan. Zonder nu bij eene weinig belang inboezemende beschouwing dier verschillende schrijfwijzen te blijven stilstaan , zullen wij onzen kunstenaar Jan van Scorel noemen en de spelling volgen, die hij zelf op ver-schillende stukken heeft gebruikt. Hij heeft veel gereisd en was de eerste der Hollandsche schilders, die zich naar Italic begaven om de meesteistukken der oudheid en die der vreemde meesters te bestudeeren. Daar hij zijn geboorteland zeer vroeg verliet, nog voor dat hij zelf iets had geleverd, is het moeielijk te bepalen welken invloed de Italiaansche meesters op zijn talant hebben gehad en even moeielijk is het ook te weten wat hij geweest zou zijn, indien hij in Holland gebleven was en niets dan zijne eigene, persoonlijke ingeving had gevolgd. Al zijne werken munten door sierlijkheid en fijngevoeligheid uit en zijne tijdgenooten, door de schoonheid en deftigheid zijner tafereelen getroffen, gaven hem den bijnaam van âlantaarndrager of straetleggher der Hollandsche kunst. Nog zeer jong reeds ouderloos zijnde, werd hij door eenige vrienden zijner ouders naar Alkmaar gezonden, waar hij zich tot zijn veertiende jaar op de studie der Latijnsche taal toelegde, maar zijn smaak en a'anleg voor de teekenkunst openbaarden zich weldra in zulk eene mate, dat zijne beschermers zijn verzoek inwilligden en hem a!s leergast plaatsten bij zekeren Willem Kornelisz. , schilder van middelmatige verdienste te Haarlem. Het losbandige gedrag en de plagerijen van dien man waren dikwijls een oorzaak van verdriet voor den jongen kunstenaar, wiens ontluikend talent den meester hinderlijk was. Meermalen gebeurde het, volgens het verhaal van van Mander, dat de meester, na een in brasserijen dooigebrachten avond, te huis komende en zinspelende op het door hem geöischte driejarig kontrakt, den jongeling toevoegde: âJan, je weet dat ik je in mijn zak draag, als je ooit den moed hebt weg te loopen, weet ik wat mij met je vrienden te doen staat.quot; De jonge' kunstenaar, die niet de minste gedachte had zijne verplichtingen te ontduiken , door deze bedreiging verdrietig geworden, besloot er een einde aan te maken en op zekeren avond, van den beschonken toestand zijns meesters gebruik makende, ontnam hij hem het kontrakt, dat hij aan stukken scheurde en in een der stadsgrachten wierp. |
In 1512 waren de drie jaren om. Na van zijn meester afscheid te hebben genomen, begaf Jan zich naar Amsterdam gt; waar hij in de leer kwam bij den verdienstelijken schilder Jacob Cornelisz. van Oostzanen, die hem zoetjes aan met zich liet werken en ook verlof gaf eenige werken voor zich zeiven uit te voeren. Het schoone gezicht en de lieftalligheid van het dochtertje van meester Jacob maakten weldra zulk een indruk op den jongen schilder, dat bij hem eene liefde voor haar ontkiemde, even onweerstaanbaar als onbedacht â het meisje telde nog slechts twaalf jaar. Toen nam hij het besluit te gaan reizen, de groote meesters te bezoeken en hunne werken te bestudeeren, zich vleiende na eenige jaren als volvormd kunstenaar terug te keeren en dan de hand te vragen van het jonge meisje, dat hij zoo innig liefhad. Hij begaf zich eerst naar Utrecht, waar de groote roem van Jan Gossaert, gez. van Mabuse, die toen schilder van den Bisschop Philippus van Bourgondic was, hem aantrok. Zich echter aan de wonderlijke levenswijze van Jan Gossaert niet kunnende gewennen, bleef hij niet lang bij hem en reisde verder naar Keulen, Straatsburg en Bazel, steeds studeerende en de werkplaatsen der verdienstelijke schilders bezoekende. Te Neurenberg aangekomen verbleef hij daar geruimen tijd, om zich de lessen en de raadgevingen van Albrecht Durer ten nutte te maken, en vervolgde toen zijne reis tot Venetië, Men verhaalt dat hij in eene der steden, waar hij zich ophield, in kennis kwam met een edelman, ijverig voorstander der schoone kunsten, die hem groote werken opdroeg en zooveel vriendschap voor hem opvatte, dat hij hem de hand zijner dochter aanbood. Het beeld van het Amsterdamsche meisje was echter in het hart van den jongeling te diep gegrift; hij bedankte voor alle aanbiedingen, hoe vleiend zij ook waren, en verkoos zijn pelgrimstocht in eenzaamheid te vervolgen, zich koesterende met eene hoop die, helaas, toch nimmer verwezenlijkt zou worden. Na eenige verblijf te Venetië kwam hij aldaar in aanraking met verschillende Vlaamsche kunstenaars en voegde zich bij een gezelschap dat onder leiding van een Hollandschen priester naar het Heilige Land reisde. Onderweg maakte hij de portretten van |
â 90 â
|
cenige zijner tochtgenooten, bezocht de eilanden Candia en Cyprus , en kwam te Jerusalem aan, alwaar de overste van het Sionklooster hem zeer goedwillig ontving. Daar vervaardigde hij naar de natuur verscheidene studiën, welke hij later gebruikte voor de landschappen zijner schilderijen. Bij deze terugtocht, in 1520, hield hij zich op het eiland Rhodes op, kwam in kennis met den grootmeester der orde van Sï. Jan, maakte eene schilderij, de stad en hare omstreken voorstellende, en keerde naar Venetië l terug. Van Venetië begaf hij zich naar Rome, waar de studie ! der antieken hem aantrok, alsook de roem van Michel-Angelo â en Raphael, naar wier werken hij verscheidene kopijen schilderde. Een te Utrecht geboren zeer nederig priester, driaan Florenzoon , die leeraar bij de hoogeschool van Leuven en onderwijzer van den jeugdigen Karel V was geweest, werd, na dezes verheffing tot onderkoning van Spanje , aartsbisschop van Toledo en kardinaal, tot de waardigheid van Opperpriester geroepen. Jan van Scorel werd door hem met het oppertoezicht van het Belvedere vereerd en vervaardigde 's Pausen afbeedsel, dat naar de Leuvensche hoogeschool werd gezonden. Na den dood van Pans Adriaan VI, in 1523, keerde onze kunstenaar en reiziger naar Holland terug en vestigde zich te Utrecht. Aan zijne eerste liefde steeds getrouw, kwam hij terug in de blijde hoop zijne geluksdroomen weldra tot waarheid te zien worden. Maar het schoone kind, dat misschien nimmer aan hem had gedacht of beloften vergeten was, welke op twaalfjarigen leeftijd ontvangen en gedaan werden, was met een Amsterdamschen goudsmid gehuwd. Onze arme schilder gevoelde eene diepe smart, maar moest zich schikken in zijn lot en zag voor het vervolg van alle andere huwelijksplannen af. Te Utrecht vertoefde Jan van' Scorel in het huis van den deken van Lochorst, een groot liefhebber der kunst en machtig heer. Voor dezen vervaardigde hij verscheidene stukken, onder anderen ook een trvptiek, de inkomst van Onzen Heer te Jerusalem voorstellende en gebruikte voor het landschap de studiën, welke hij tijdens zijn verblijf in het Heilige Land naar de natuur gemaakt had. Eenmaal te Utrecht gevestigd, bleef' hij tot zijn overlijden in die stad wonen, hoewel hij van tijd tot tijd afwezig was en verscheidene streken van Holland en Vlaanderen bezocht. Zoo verliet hij, in 1527, de stad, tijdens de twisten welke tusschen de aanhangers van den Bisschop eu die van den Hertog van Gelre plaats hadden, en begaf zich naar Haarlem, alwaar hij verscheidene werken voor den kommandeur der Orde van St. Jan Simon Saen , uitvoerde; eenige dier stukken, welke straks besproken zullen worden, zijn nog te Haarlem aanwezig. Door verschillende personen aangezocht ook leerlingen aan te nemen, huurde hij een huis met een atelier en het schijnt dat Ma akten van Heemskerk eenigen tijd bij hem gewerkt heeft '). Te Mechelen werkte hij voor den rijken bankier Willem Peters , dien hij gedurende zijn verblijf te Rome had leeren kennen. Van Mander spreekt ook van eene abdij te Atrecht, die in het bezit was van een St. Laurentius, altaarstuk, van een St. Stephanus , polyptiek met zes luikdeuren en van een tryptiek, de elf duizend Maagden voorstellende. Een groot altaarstuk waarop het laatste Avondmaal, met levensgroote beelden geschilderd was, werd in Friesland voor de abdij van Grootouwer uitgevoerd en, ter versiering van het kasteel van Breda, werden hem door den Graaf Hendrik van Nassau en Rkné van Chalons ver- 1) Zie Ampzing, Haerlem, 1628. |
scheidene werken opgedragen. Diezelfde schrijver spreekt ook van een Christus aan het kruis, die te Haarlem uitgevoerd zou zijn voor de kerk van St. Nicola as te Amsterdam, thans de Oude Kerk geheeten, en vermeldt tevens dat dit altaarstuk vernield werd door de beeldstormers, die de kerk in 1566 verwoest en geplunderd hebben. Te Utrecht weergekeerd, werd hem het beschilderen opgedragen van vier beweegbare luikpaneelen voor het gebeeldhouwde houten hoogaltaarsiuk der St. maria-kerk. Aan de eene zijde plaatste hij de Heilige Maagd, het Kind Jezus en den Heiligen Joseph; aan de andere zijde Hendrik IV, roomsch Keizer en Bisschop Conrad, de stichters der kerk. Een offerande van Abraham , met lijmverf geschilderd en voor hetzelfde altaar bestemd, werd in 1549 door Koning Philippus II gekocht en naar Spanje verzonden. Het altaarstuk van Utrecht onderging hetzelfde lot als dat van Amsterdam en verging in 1566. Frans I had, om hem aan zich te verbinden, den titel van schilder des Konings hem doen aanbieden, maar onze kunstenaar bedankte voor dit aanbod en de daaraan verbonden voordeden, liever in zijn vaderland wenschende te blijven. Later nam hij den titel aan van kanunnik van St. Maria , hem door het kapittel dier kerk aangeboden, ten blijke van ingenomenheid met de werken, welke hij voor het hoofdaltaar uitvoerde. Het schijnt ook dat de Koning van Zweden, Gustaaf I, zich tot Jan van Scorel vervoegd had betreffende de keuze van een bouwmeester, en dat deze bij het aanwijzen van een kundig man, de gelegenheid te baat nam den Koning een beeld der Heilige Maagd toe te zenden. De vorst, zeer ingenomen met dit kunstwerk en zelf groot liefhebber der kunst zijnde , wilde den schilder op koninklijke wijze beloonen. Hij zond hem een ring, een mantel van martervellen, een zweedsche slede met een volkomen tuig, door Zijne Majesteit zelve gebruikt, en een zweedsche kaas, wegende twee honderd pond. Onze arme Jan ontving echter niets dan den brief des Konings; de geschenken vergingen op zee of werden, gelijk het koninklijk zegel, dat afgesneden was, ontvreemd. Antonis Mor van DaSiiorst, die later tot de waardigheid van schilder des Konings, Phillippus van Spanje, verheven werd, en wiens werken in de verschillende musea aangetroffen worden, was de leerling en later ook de vriend Jan van Scorel. Na een lang verblijf in Spanje en Engeland, in de Nederlanden weergekeerd, vervaardigde de leerling in 1560 het portret van den meester, en plaatste daaronder het volgende opschrift: ANT. MORUS PHIL HISP. REGIS PICTOR JO. SCHORELIO PICT. F. Aquot; M.D.LX. Later werden twee Latijnsche verzen ter cere van den meester daaraan toegevoegd. Aan een ongeneeselijke kwaal lijdende, stierf Jan van Scorel in 1562 op den 6'len December, in den ouderdom van zeven en zestig jaar, vier maanden en zes dagen, gelijk op zijn grafschrift in de St. Maria kerk te Utrecht te lezen was. Dat is nagenoeg de geschiedenis van onzen kunstenaar, gelijk zij door van Mander in zijn boek over de schilders, dat in 1604, dat is twee en veertig jaar na den dood van Jan van Scorel, verscheen , beschreven wordt. Hij eindigt met te zeggen dat J an niet alleen een groot kunstenaar, maar ook zeer geleerd was sprekende Latijn en nog verscheidene andere talen, dat hij dichter en muzikant was en voor de rederijkers van zijn tijd eenige |
â 91 â
|
Ideine stukken of kluchten en eenige liederen geschreven heeft, en om zijn lichamelijke kracht en behendigheid niet te kort te doen, voegt hij er nog bij, dat Jan een bekwame boogschutter was Om deze levensschets, die met de waarheid wel overeenkomt, te voleindigen, zal eene nadere beschouwing van zijne werken het geschiktste middel zijn. Het meerendeel der door van Mandf.r genoemde stukken bestaan niet meer, maar eenige zijn nog aanwezig. Van Palestina terugkeerende, hield van Scorel zich eenigcn tijd, ten tweeden male, te Venetië op; daar schilderde hij een Heiligen Thomas, zijne vingeren op de wonden van den Heiland leggende. Dat stuk werd uit dankbaarheid voor de vriendschappelijke ontvangst, welke hij daar genoten had, naar Jerusalem, aan den Overste van het Sions-klooster gezonden. Men heeft omtrent dat stuk geen verdere opgaven. In Januarij 1522 beklom Adriaan VI den Pauselijken troon; zijne regeering was echter van zeer korten duur, want hij stierf in September 1523; van Scorel moet dus in den loop van die twee jaren zijn portret te Rome hebben gemaakt. Die schilderij werd aan de hoogeschool te Leuven gezonden en bevindt zich heden nog in de zaal, waar de Senatus Academicus zijne zittingen houdt. Volgens eene gravure, geteekend F. B. Sculps, is de Heilige Vader zittende, ten halven lijve afgebeeld, dragende een mutsje op het hoofd en een manteltje, beiden rood.met een smal randje van wit bont. Te Utrecht bevindt zich een tweede exemplaar, dat ons voorkomt eene kopij van lateren tijd te zijn. Het Haarlemsche Museum bezit vier schilderijen van Jan van Scorel, waarvan een tweetal: De ridders van Jerusalem en de doop van Christus, door vak Mander beschreven zijn. De eerste, afkomstig uit het Jacobijnen-klooster, is een langwerpig paneel, twaalf leden der broederschap van den Heiligen Lande en hun bediende voorstellende, die het Heilige Graf bezochten. Zij zijn allen in dezelfde hoiiding voorgesteld, met een palmtak in de hand. Boven elk beeld bevindt zich een wapenschild en onder aan de schilderij een twaalftal opschriften, de namen der voorgestelde personen en de jaartallen hunner reizen vermeldende. Het tiende beeld is, zoo als uit het volgend versje blijkt, Jan van Scorel zelf: Johan van Scorel bin ie een scildere. Canonic tutrecht tot Sinte Marien, Dit scincte ic mijn broeders wt jonste mildere. Was ter plaetse dair ons bedildere Jesus Christus starf om ons verblien. Men schreef vijftienhondert (tot dyer tien) En twintich na die gheboert ons Heren. Bid dat ic in deuchden mach procederen. â Ende hy sterff 6 December 1562. |
De laatste regel is door een andere hand na den dood des meesters bijgevoegd. De woorden âtot dyer tienquot; willen niet, gelijk men meestal gedacht heeft, dertien zeggen, hetgeen vijftienhonderd en dertien en twintig (1533) zou aangeven, maar gelijk âverblienquot; in den voorgaanden regel voor verblijden staat, moet ook hier gelezen worden men schreef vijftienhonderd te dier tijden en twintig, hetgeen geheel sluit met het jaartal van zijn verblijf te Jerusalem. Ook is het eene vergissing van Ciir. Kramm te zeggen, dat dit stuk na 1545 moet geschilderd zijn, zijnde dit het door hem veronderstelde jaar der benoeming tot kanunnik van St. Marie 1). Volgens een extract uit de oude registers, blijkt dat van Scorel in 1528 tot kanunnik werd benoemd 2). Alle die pelgrims kunnen, behalve de vijfde, Dirck Engberts Backer, die volgens het opschrift zijne tocht in 1514 volbracht en in 1515 overleed, naar het leven geschilderd zijn. De eerste, Pieter van Leeuwerden, reisde veel vroeger, in 1484, maar leefde tot in 1530, de laatste. Jan Pietersz. Visscher, die in 1541 stierf, was in 1527 te Jerusalem geweest. Men kan dus veronderstellen dat de schilderij tusschen de jaren 1527 en 1541 vervaardigd is. In een hoek van het paneel ziet men ook den bediende der broederschap, Mattrjs Thomas, met een teekening van het Heilige Graf in de hand. Wat de toekenning van het stuk aan Jan van Scorel betreft, kan die, nu alle data bewezen zijn uit te komen, volgens de opgave van van Mander onbetwist aangenomen worden. Voegen wij hier nog bij, dat Samuel Ampzing in zijne beschrijving van Haarlem, in 1628 uitgegeven, van dit stuk spreekt en het evenzeer aan van Scorel toeschrijft. De doop van Christus werd door Simon Saen, kommandeur der orde van St. Jan, besteld. Van Mander spreekt van âeenige aartige vrouwtjens met bevallige troniën, naar de wijze van Raphael, opziende naar den Hemel en het nederdalen van den H. Geest.quot; Het landschap is rijk geordend en zeer verdienstelijk behandeld, verscheidene mannen, vrouwen en kinderen komen naar de oevers der rivier en ontdoen zich van hunne kleederen. Christus en Johannes de Dooper staan op den voorgrond in het midden. Die twee figuren hebben echter niet dat overwegend belang, dat men volgens het onderwerp wel zou wenschen; de schilder heeft te veel aan de andere gedacht en de ordonnantie is wat onsamenhangend geworden. Wat het zwemen naar de manier van Raphael betreft, hetgeen alleen toepasselijk is op de vormen van enkele figuren afzonderlijk beschouwd, is dit eer te betreuren dan wel te loven. Het is ook zeer mogelijk dat de retouches, welke sommige beelden ondergaan hebben, die vormen welke meer gezocht dan wel schoon zijn en beneden het talent van van Scorel staan, nog hebben verergerd. Het derde stuk, dat wij te Haarlem vinden, is een Adam en Eva aan den voet van den boom van het Paradijs. Deze twee schoone levensgroote figuren vullen bijna het gansche paneel en hebben den zeer donkeren stam van den boom tot achtergrond. Adam is zittende; Eva naast hem staande biedt hem de verboden vrucht aan. Verwonderd trekt Adam zich terug, maar de reeds uitgestrekte hand en de blikken, op den appel gevestigd, doen begrijpen dat het verlangen sterker dan het plichtbesef zal zijn. Deze schilderij behoorde evenals de Doop in denjordaan aan het huis der ridders van St. J\n te Haarlem. Beide komen voor op een inventaris der goederen van dat huis, in 1606 opgemaakt, en dat wij op het archief der stad gezien hebben. Dit authentiek geschrift is zeker wel een afdoend bewijs. Het vierde kunststuk, in het bezit van het Haarlemsche |
14
1
Cristiaan Kramm, De levens en werken der Hollandsche eti Vlaamsche schilders, beeldhouwers,plaatsnijders en bouwmeesters. Deel V. SCH. bladz. 1489.
2
Die Veneris 16 Octobris 1528.
Magister Johannes de Schoorle resignavit prebendam animarum sive alteram portionem altaris S. Crucis, quae est tertia prebenda animarum.
Idem magister Johannes Schoorle admittitur ad canonicatum et prebendam quondam Antony Vknrods.
De naam van van Scorel komt elk jaar wéér voor tot 1562, waar men op 9 December, dat is 3 dagen na zijn overlijden, de benoeming van zijn opvolger, Corneus de Jongh, vindt. âAdmittitur ad canonicatum et prebendam vacantes per mortem Domini Johannis Schorklii.quot;
â 92 â
|
Museum, is een zeer eigenaardige kompositie en behoorde eertijds aan liet Oudemannenhuis. In het bovendeel ziet men de Heilige Cecilia, voor haar orgel gezeten, te midden der engelen en heiligen van het Paradijs, die haar op verschillende speeltuigen accompagneren. Beneden een kring van dansende kleine engelen met Koning David in het midden, die, de oogen ten hemel, zijne psalmen zingt en de harp bespeelt. Ook het Museum van Amsterdam bezit een zeer schoon schilderstuk van onzen van Scouel. Een jong zittend meisje met een sierlijk bewerkten vaas op haren schoot, de eeue hand op het deksel rustende. Haar zwart kleed, waarvan de mouwen met rijen paarlen versierd zijn, heeft rondom den hals een rand-ornament van hebreeuwsche letters. Eene draperie, een soort van shawl met kleurige strepen, ligt op de knieCn en valt in breede plooien néér. In het rotsachtig landschap van den achtergrond ziet men een ouden man, den rug naar het meisje gekeerd zich verwijderen, en wat hooger op voor eene grot of spelonk twee engelen en eene vrouw, die zij schijnen te ondersteunen of meé te voeren. Hoewel de Catalogus die schilderij een Heilige Maria Magdalena noemt, is het hoogst waarschijnlijk dat de schilder een andere persoon heeft willen voorstellen en dat meisjes-beelcl herinnert ons de legende van die jeugdige Jodin, die, eenig verlangen getoond hebbende tot het Christendom over te gaan, door haren vader in de woestijn werd gebracht, waar hij haar alleen liet. AVel verre van tot de godsdienst barer voorvaderen terug te gaan, bekeerde zij zich geheel; de engelen des hemels kwamen haar te hulp en zij stierf in reuke van heiligheid. De beelden in den achtergrond schijnen die veronderstelling te rechtvaardigen. In deze schilderij is alles even keurig behandeld; het kopje en de handen komen de groote meesters der Italiaansche school nabij. Op het Museum der stad Utrecht berusten zeven langwerpige paneelen, met elkander eene reeks vormende van acht en dertig portretten van personen, die het Heilige Land bezochten. Onder elk portret bevinden zich een wapenschild en een opschrift, den naam van den geportretteerde en het jaar van zijn reis vermeldende. Die verschillende data loopen van 1463 tot 1541. Men moet dus aannemen dat die koppen, de laatste althans na 1541 en de eersten naar andere oudere portretten geschilderd zijn, daar Jan van Scohel eerst in 1495 geboren werd. Onder een dier afbeedsels, welke hem zelf voorstelt, staat het wapen, dat gezegd wordt door Maxuiiuaan aan Algeut Durer gegeven te zijn O. M ATER. DEI. UlC SOROR l.t DUO fut SOBOLES VlSSCIlERA FRATRS Quos CiiRo et Matri regula sacra ligat Dit opschrift leert ons dat twee broeders en eene zuster, afstammelingen van Vipscher, die door een heiligen band aan Christus en zijne Moeder verbonden waren, door Jan van Score 1. zoo heerlijk zijn afgebeeld, dat men een werk van Apelles meent te zien. Drie kleine wapenschilden zijn in de hoeken van de lijst aangebracht. De eerste in den bovenhoek rechts, met geeren van goud en lazuur, is van de familie Vis-scher van de Giieer, de tweede, gevierendeeld 1,4 van zilver met drie zuilen van keel, 2,3 van sabel met zilveren leeuw geklauwd en gekroond van goud, is van de familie van Zuylen van Nyeveldt van Gaesbeek. Het derde in den benedenhoek is niet meer te herkennen, maar uit de twee eersten is op te maken dat de twee broeders en ds zuster, hier afgebeeld. |
van lazuur met drie schildjes van zilver, en het volgende opschrilt heer Jan van Scorel wt holland schildere vicarius tsint jans was ten heyligen grave: MCCCCC en de XX stilderen, screef men â god geef hem der gloriën have. De datum is wel die van zijn verblijf in Palestina. Wat den titel van vicaris van St. Jan betreft, hij verkreeg dien in 1526. Onder de aangeduide personen bevindt zich ook eene vrouw, en wel Heyltgen üirc Evertsd., vrouw van Jan Willemsz., die in t530 gereisd heeft. Men heeft in deze portretten ook wel ridders der St. jans-ürde meenen tezien, maar de palmtak, die elk in de hand houdt en het met vierandere kleine kruisjes versierd kruis, dat zij allen, hetzij met rood geborduurd op hun kleed of van goud aan eene keten om den hals dragen, bewijzen genoegzaam dat wij hier de leden zien eener broederschap van den Heiligen Lande, gelijk die welke te Haarlem bestond. Hierbij komt nog dat de kleederdrachten niets bijzonders hebben, dat Ridders van St. Jan zou kunnen aanwijzen; alleen zij, die een of ander kerkdijken titel bezitten, dragen een wit priesterkleed of albe. Sommige dezer portretten zijn zeer merkwaardig, en moeten van een sprekende gelijkenis geweest zijn. Het zijn allen borstbeelden van dezelfde grootte, zeer eenvoudig op eene bijna rechte lijn geplaatst en toch is in die koppen, die allen het deftige cachet van den meester bezitten, een groote verscheidenheid van standen en karakter. Op hetzelfde Museum bevindt zich nog een schilderij van Jan van Scorei., en wel die, welke onze gravure weergeeft. Vroeger was dit stuk het eigendom van het Kruisgasthuis, later kwam het aan het St. bartholomeus-buis en eindelijk werd het stads eigendom; het is een triptyek en bevindt zich nog in de oorspronkelijke lijst. Op het middenstuk ligt een priester, geknield voorde Heilige Maagd, die het Kind Jesus staande op haren schoot houdt. Op de beweegbare luikdeuren ziet men aan de eene zijde een man en aan de andere zijde eene vrouw, beide in witte monniksgewaden, geknield: blijkbaar de schenkers. Achter den eersten staat een St. Adriaan, met een aanbeeld in de eene hand en een zwaard in de andere; hij draagt een helm en een harnas. De Heilige Barbara staat achter de vrouw en legt haar de hand op den schouder, met de andere wijst de Heilige naar de Heilige Maria en het Kind. Onder in de lijst leest men : MEMENTO. MEI. Hos bonus expuessit tanta SciIOREU arte Nobilis ut ckedi possit Apellis opus. gesproten waren uit een huwelijk tusschen de twee familiön Vis-SCHER VAN DE GlIEER Cll VAN ZUYLEN VAN NYEVELDT VAN GaEsbeek. Hoe jammer dat dit kunstwerk geretoucheerd, erger nog, bedorven is geworden door de retoucheurs. De ordonnantie is waarlijk allerliefst, de figuren, die van Maria vooral, zijn even sierlijk als edel gedacht en de koppen der drie knielende personen, welke kenbaar naar het leven geschilderd werden, zijn met meesterlijke hand uitgevoerd. De buitenzijden der luikdeuren, welke men altijd vergeten heeft te bespreken, vertoonen, wanneer zij gesloten zijn, een medaillon, waarin een stil water met hoog opgaand riet, met dit opschrift in den rand: Fdectimur non frangimur in unius In de ornementatie die het medaillon omsluit, bevinden |
:v;^-
â¢- l. ;
â
'
â
. . rC:'
r , » ' '
V-- â â Vv i ; w gt; . â ^ v. , i:
V,--A-; -/v â â â â ' , .. - yy
.. V..â¢; â¢
.... :â -â
.V;,.A Hi gt;/ â 'i.- . â 'â . *â â ; ; â . â ⢠â - â
V-'.'
gt;â¢
i-- '«gt;
v MBK'
â .gt; v..
.
quot;i ^ ^
-V; â ^ y,.- ,â â - _
- , . ,' ...
y y-y â : .,y, 1 yy â âlgt;-,;y, / : â â .. â ; lt;.
â yyyy, 1 .â quot;â a - j-- ' â â â *-' â â -.quot;.y,
. . y y . r - . â â , 1 - â¢. .⢠â¢' â .
quot;-X' -S'y v: --y' V quot; '
..
'v. .â :;fy â â y;.-.., â , ^ :'V.,v. yy;yy ...y;.' â ... -y v. y- ... -â iquot;
--i--
.
..-.V â »
. 1ââ ,,
â quot; -â â quot;y.- ,:x
... â ' ï -rv,
- ^ '
â â %
...
â â¢gt; , ..» :: - S'.. J V; l.' i ' â
â t â . v . - â . ' â . â - .p ' ⢠1 â ^ â ...vâ V^fcv. ,,
-
.
quot; â â v â i':1 â¢â â â â , quot; :
';.v. 1 'v.':
__
_
â 93 â
|
zich bovenaan dezelfde twee schilden, die straks beschreven werden. Eenige jaren geleden vond men, in een verloren hoek der St. jans-kerk, in een soort van turfhok, de stukken van een schilderij, den Heiligen Johannes den Dooper voorstellende; die stukken, weer bijeengebracht zijnde, werd in 1846 de schilderij voor het Museum Boymans te Rotterdam aangekocht voor de som van Æ 170, maar zij mocht haar noodlot niet ontgaan en verging bij den brand, die eenige jaren later het Museum in asch legde. Een Christus aan het kruis is, met het Museum van Ertbürn, in het Museum van Antwerpen overgegaan O. L. Vrouwe met een blaauw kleed en St. Jan met een rood kleed staan nevens het kruis. Maria Magdalf.na, in een rijk fantasie-gewaad, ligt voor het kruis geknield; drie engelen zweven rondom het kruis en vangen het bloed van den Zaligmaker in kelken op. Hoewel de figuren niet vrij zijn van overdreven bewegingen, heeft de teekening iets elegants; dit zeer verdienstelijk stuk draagt ook in het koloriet de kenmerken van Italiaanschen invloed. Te Warmenhuize, een dorp niet verre van Jan van Scorel's gebooiteplaats, is in de kerk, vroeger de St. ürsula-kerk geheeten, nog eene zoldering aanwezig, die, zoo niet geheel, dan toch gedeeltelijk aan onzen meester moet worden toegeschreven. Deze toekenning wordt gerechtvaardigd, eerstens door de schoonheid van sommige koppen die aan de beste werken van onzen kunstenaar herinneren en ook door de volgende aanhaling, die de Heer D. van der Kullen Jh. eenige jaren geleden in een ouden Alkmaarschen almanak, van 1776, aantrof. Deze regelen, welke van een oude âSchoorler-Kronijkquot; nageschreven waren, luidden aldus: âAnno 1525 wiert het choor van de Warmen-huyzer kerk geschilderd door den konstigen Johannes Schoohliusquot;. Waarschijnlijk is vroeger de gansche zoldering der kerk op dergelijke wijze versierd geweest, nu vindt men slechts boven het koor een overgebleven gedeelte, en dat gedeelte is alwéér een treurig bewijs van de onverschilligheid en nalatigheid der twee vorige eeuwen ten aanzien van kerkelijke kunstwerken. Niet alleen zijn de beelden op sommige plaatsen nitgewischt door vochtigheid en lek, maar de nu en dan uitgevallen paneelen zijn of verkeerd ingezet, of vervangen door stukken van andere schilderingen, soms ook wel door eenvoudig blaauw gemaakte plankjes. Aan bijwerken of weer in orde brengen valt niet te denken. Het tegenwoordige bestuur heeft echter gezorgd dat hetgeen nog bestaat niet verder bederven kan en de paneelen behoorlijk doen vastmaken; meer was nu niet te vergen. De zoldering van het koor is in vier, die van de apsis in vijf vakken verdeeld. In de vier eersten ziet men, het vallen van het Manna â het vreugdebedrijf bij het gouden kalf â het vergaan van Pharaö's leger in de RoodeZee; aan het vierde tafereel is moeielijk een naam te geven. Een bisschop, met gouden schenkkan in de hand, komt uit zijne woning een krijgsoverste te gcmoet, die voor hem knielt en zijn zegen vraagt; zijn hovelingen en soldaten staan om hem geschaard. Misschien zijn deze twee personen wel Aura ham en Melchisedech welke op dergelijke wijze in mid-deneeuwsch kostuum meermalen voorkomen: bij voorbeeld, op het vroeger besproken altaarstuk van Dihk Bouts le Leuven. De vijf kleinere vakken boven de apsis schijnen met elkander een geheel en wel een Laatst Oordeel te moeten vormen. Men ziet aan de eene zijde een paradijs, waar de uitverkorenen binnengeleid worden en aan de andere zijde de hel. Het overige is te onvolledig om er eene beschrijving van te kunnen geven en buitendien zijn wij het met onzen geleerden vriend, den Heer D van diï.r. Kellen eens dat deze schilderingen niet van de hand van van Scorel zijn. De hoekige vormen, de scherpe lijnen en de minder frissche kleuren steken merkelijk af bij die boven het choor, welke al de hoedanigheden van den Noord-Hollandschen meester bezitten. |
In 1549, bij den intocht van Prins Philippus II van Spanje, te Utrecht, werd hij belast met het toezicht der dekoratiewerken. In de vergaderingen van 23 Februari] en 9 April 155r besloot de raad dier stad Jan van Scorel, kanunnik van Sr. Marie, een zilveren overdekten kop en vier ellen fluweel aan te bieden, âvoor de vacatiën, diensten ende arbeyt die hy gedaen heeft int ordineeren ende dirigeren van personagien, beelden, scildrien ende veersen tot eere van deser stadt gedient hebbende in de Incompste van den Prince van Spaengene onze genstcn toecomende Erffheere.quot; Men weet ook dat Jan van Scorel in 1550 belast werd om gezamenlijk met Lancelot Blondeel het groote altaarstuk der van Eycken, het Lam Gods, schoon te maken. Een gedeelte, dat door eene korst van vuil en stof onzichtbaar was geworden, kwam weer te voorschijn en de kanunniken van St. Bavo schonken, volgens van Vaernewuck, aan van Scorel een zilveren kop, ten blijke hunner tevredenheid over den goeden afloop van zijn werk. Aldus is de reeks der werken van van Scorkl, wier echtheid als bewezen kan beschouwd worden. Nog andere stukken worden hem misschien niet ten onrechte, doch zonder voldoende bewijzen toegeschreven, en wel in de eerste plaats eene schilderij, de Heilige Drievuldigheid voorstellende, die zich op het aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht bevindt. Het is een triptyek, op vergulden grond geschilderd. In het midden God de Vader, met de tiara gekroond, dragende op zijn schoot Christus, wiens wonden nog bloeden; de Heilige Geest, onder den vorm van een duif, zweeft in het bovengedeelte. Op een banderol leest men ; Hie. est. filius meus. in quo. mihi. bene. conpi.acitum. est. Twee engelen steunen de armen des Zaligmakers en verzorgen zijne wonden. Op dè twee beweegbare paneelen heeft de schilder twee engelen geplaatst, dragende de eene het kruis, de andere de geeselkolom, en op de achterzijden Adam en Eva; deze twee laatste figuren zijn graauwtjes. Een naam is niet te vinden, maar wel het jaartal 1540. De kop van God den Vader is heerlijk schoon. Ook de twee engelenbeelden op de binnenzijden der luiken zouden de toekenning aan Jan van Scorf.l wel kunnen billijken; de andere gedeelten van deze schilderij zijn minder schoon, hoewel niet onverdienstelijk. Ook zagen wij te Brugge twee schilderijen, die aan van Scorel worden toegeschreven; ze zijn bijna geheel aan elkander gelijk en stellen voor de dood van de Heilige Maagd. Een dezer twee draagt in de oude lijst des meesters naam in gouden letteren en bevindt zich in de kerk van St. Salvator, de andere is op het Museum der Akademie te zien. Wat teekening en expressie betreft is de schilderij van de kerk van Scouel geheel waard; eenige koppen zijn fijn gevormd en vol gevoel en zoo de schilderij der Akademie eene kopij is, dan komt die kopij het origineel al zeer nabij. Wat zeer bevreemdend is, is dat alle de glacis afgenomen schijnen te zijn door overdreven en onhandig uitgevoerde schoonmakerijen. De kleuren zijn bleek en krachteloos, de draperien plat en hebben alle ronding verloren. Dit alles geeft aan beide schilderijen een vreemd uiterlijk; maar wanneer men |
â (J4 â
|
voor die schoone en zoo uitdmkkingvolle koppen stilstaat, is men zeer geneigd de schilderij van de kerk onder de schoonste stukken van van Scorel te plaatsen en wij zouden de echtheid niet bespreken, indien anderen niet eenigen twijfel geopperd hadden Te vergeefs zou men in de werken van van Scorel dien machtigen geest zoeken en het vindingrijk genie willen vinden van sommige zijner voorgangers, die zich op de natuur bezielende, wel eens in een overdreven realisme vervielen, maar hun karakter van grootheid en onbedorven waarheid nimmer verloren. Van Scorel beminde de schoonheid, de sierlijkheid der vormen; niet dat zinnelijk schoon, waardoor de meeste werken zijner opvolgers het grootste deel van hun religieus karakter verliezen, maar de waardigheid, de fijnheid en de zachtheid. Men vindt bij hem dat stijve, dat schrale niet, ook niet die hardheden, die in de schilderijen van vroegere meesters niet te ontkennen zijn en zoo hij noch den rijkdom, noch het genie van Lucas van Leyden bezit, is hij aan den anderen kant ook niet in die afzichtelijkheden vervallen, welke men wel verontschuldigen mag, maar niet goedkeuren kan. Altijd tracht hij het schoone en het sierlijke in de natuur te vinden en in sommige koppen heeft hij door edel karakter en uitdrukking de hoogte der grootste meesters weten te bereiken; voegen wij hierbij dat zijne landschappen soms overschoon zijn. Is hij die voorliefde voor het schoone aan zijne reizen, aan het bestudeeren der Italiaansche meesters, aan de beschouwing der antieken verschuldigd? Heeft het zien der (natuur en der menschen van het Zuiden op het ontluikend talent van den jongen kunstenaar zulk een onuitwischbaren indruk gemaakt? Niets kennende van hetgeen hij voor zijne reizen uitgevoerd heeft, mist men ook alle aanwijzing door welke eenig oordeel over zijn oorspronkelijk talent gestaafd zou kunnen worden, maar het zou naar onze meening onbillijk zijn, alles aan den invloed van hetgeen hij verre van zijn vaderland zag, te willen toeschrijven. Een kunstenaar, die altijd anderen wil nabootsen, is zelden meer dan middelmatig en zonder oorspronkelijkheid. Van Scorel daarentegen is zich zeiven altijd gelijk gebleven en zijne werken bewijzen genoegzaam dat hij zijn eigen gevoel en zijne persoonlijke opvatting heeft gevolgd. |
Hoe gaarne zou men hier de geschiedenis willen besluiten van den ijverigen kunstenaar, die, in zijne eerste liefde bedrogen, gansch zijn leven en zijn talent aan de edelste der kunsten toe wijdde â maar verplicht zijnde de waarheid in haar geheel te vermelden, mag de biograaf niet onkundig willen zijn omtrent zaken, die, helaas, bewezen schijnen te zijn. Volgens eenige authentieke stukken, in het hypotheken-archief van Utrecht bewaard, verscheen Jan van Scorel, den 27 Februarij 1537, voor den magistraat, om bij testamentaire akte al zijne goederen aan zijne vier kinderen, Pieter, Pauwel, Marie en Anna en aan hunne moeder, Aeciit Ysaksdochter van Schoenhoeven, te legateren, en toen hem dertien jaar later opgedragen werd voor de kerk te Delft een altaarstuk te schilderen, dat volgens kontrakt nog schooner en grooter moest worden dan dat van Utrecht bedong hij eene lijfrente ten voordeele zijner kinderen, waarvan de oudste twintig jaar oud was. Men mag echter niet ontkennen dat zoo van Scorel vergeten heeft dat de ambten en eeretitels, waarmêe hij beschonken was, hem meer nog dan eenig ander tot een onbesproken levenswandel verplichtten, het zorgen voor de toekomst zijner kinderen en die hunner moeder, wel bewijzen hoe gaarne hij zijne misstappen zoo veel mogelijk wenschte goed te maken. Hij stierf, gelijk reeds gezegd is, den 6'leB December 1562, in den ouderdom van zeven-en-zestig jaar. Kanunnik zijnde, werd hij in de St. maria-kerk begraven. Van zijn graf is na de slooping der kerk in 1813 niets overgebleven, maar het archief van Utrecht bezit drie groote boekdeelen met teeke-ningen en bijschriften, door Dr. Engeldrbcut van Engelen in de vorige eeuw bijeenverzameld. In deze hoogst belangrijke verzameling wapens, opschriften en andere zaken uit de kerken en godshuizen der stad, werd door den Heer Mr. S. Muller Fz., archivaris, ook een afbeeldsel van van Scorel's graf gevonden. |
|
Dit monument, zie ons vignet, was van blauwen steen en, volgens een kantteekening van den auteur, bevond zich eertijds in den aangewezen cirkel een door Antonis Mor geschilderd portret. Misschien was dit, ten tijde van Dr. van Engelen reeds verdwenen portret, hetzelfde dat volgens van Mander twee jaar voor van Scorel's dood door Mor geschilderd werd. Daaronder was te lezen: âSpectra ligonibus aequoquot; en iets lager âReliquum ScoRELii Canoniciquot;. Van het grafschrift wordt in dit boek van Dr, van Engelen niet gesproken, maar van Mander geeft het aldus: |
D. O. M.
JO. SCORELIO. PICTORUM SUI SECULI FACILE PRINCIPI QUI POST EDITA ARTIS SU/E MONUMENTA QUAM PLURIMA MATURO DECEDENS SENIO, MAGNUM SUI RELIQUIT DESIDERIUM. VIXIT ANNOS 67, MENSES 4, DIES 6. OBIIT A NATO CHRISTO, A 1562, 6 DECEMBRIS.
|
In dit artikel hebben wij verscheidene zaken opgegeven, die tot heden gansch onbekend waren. De uitlegging van het vers op de Haarlemsche schilderij, de datum der benoeming tot kanunnik, de bijzonderheden omtrent de schilderij, hier in gravure bijgaande en de teekening van zijn graftombe zijn alle, zoo niet voor den kunstenaar, dan toch voor den geschiedschrijver belangrijke bijzonderheden. Tot slot een woord van dank aan de HH. Gonnet te Haarlem en Muller te Utrecht, die ons met de meeste wel» willendheid hebben bijgestaan, en de schatten hunner archieven voor ons openstelden. |
C. Ed. Taurel. |
door JAÃÃ MOSTAEUÃ.
|
an Mostaert of Mostart weid geboren te Haarlem, in 1474. In zijne âBeschrijving van Haarlemquot;, ten jare r648 uitgegeven, noemt Scheevelius hem Johan SiNAPius, waarop Keamji aanmerkt, dat die geslachtsnaam uit het Latijn in het Nederlandsch zoude vertaald zijn, wat moeilijk is aan te nemen. Hij stamde uit een oud, aanzienlijk geslacht. Van Mander spreekt van een zijner vooronders, die, met Keizer Frederik en graaf Floris ter kruisvaart getogen, zich zoo dapper gedroeg, bij 't innemen van Damiate, dat deze vorsten hem en zijn geslacht de toelating vergunden drie gulden zwaardhechten op een rood veld als wapen aan te nemen. Wat daarvan zij. Jan Mostaert was niet alleen als schilder, maar ook als mensch in zijnen tijd zeer gezien. Na de lessen van Jacok van Haerlem te hebben genoten, bekwaamde hij zich door studie naar de natuur, en was, nog jong, zeer bedreven in het portretschilderen. Nademaal hij daarbij een jonkman was, edelaardig van zeden, vriendelijk van omgang, fraai van leest, welsprekend, mild en beleefd, stond hij al vroeg bij den adel des lands, bij groot en klein in bijzondere achting. Zoo gebeurde het, dat hij op weinig gevorderden leeftijd, als hofschilder en edelman van haar huis, in dienst kwam van de kunstminnende landvoogdes der Nederlanden, vrouw Margareta van Oostenrijk, zuster van Philips den Schoone en moei van Keizer Karel. Wel achttien jaren bleef liij in die betrekking, en volgde de prinses overal, waar zij haar hof hield, âmakende verscheiden werken en veler groote heeren en vrouwen conterfeitselen, in welke hij een goed meester was, 't gelijken zeer goed treffende, dat het scheen, dat ze daar levendig tegenwoordig waren,quot; gelijk het heet in de naïeve taal van den oudsten onzer kunsthistorieschrijvers. |
Te Haarlem teruggekeerd, ging Jan Mostaert voort de kunst vlijtig te beoefenen. Hij vervaardigde niet enkel portretten, maar behandelde tevens op verdienstelijke wijze onderwerpen aan de Schrift ontleend. Die laatste tafereelen, meestal in kerken geplaatst, zullen niet weinig hebben bijgedragen om zijn roem overal in Nederland te verspreiden. Ook rijke kunstminnaren wilden van zijn werk bezitten. Van Mander noemt een aantal gewrochten op, die nog te zijnen tijde bestonden, met name: te Haarlem, ten huize van Mostaert's kleinzoon, Nicolaas Suycken, schout der stad, een Ecce Homo, met levensgroote beelden ten halven lijve; een Godenbanket, âdaar men 't gezelschap heel beroert en verschrickt siet door Discordia, die een appel bracht;quot; een onvoltooid West-Indisch Landschap met naakte figuren; de Portretten van Jacoba van Beyeren en Frank van Bor-selen, â natuurlijk niet naar het leven gemaald, daar beiden lang overleden waren, vooraleer Mostaert ter wereld kwam; â en des kunstenaars levensgroot Afbeeldsel in een Landschap. Aan de eene zijde had hij een duivel geschilderd, die, met een lange rol gewapend, zijne zonden aflas; aan de andere een knielenden engel, die van Christus, als rechter in de lucht gezeten, voor den zondaar genade afsmeekte. VAff Mander vermeldt met lof nog een aantal andere tafereelen, die zich bij voorname personen te Amsterdam, te 's Hage en elders bevonden, als daar zijn: âeen St. anna-geslacht, dat seer ghepresen was;quot; een Abraham, Sara, Agar en Ismaël, vier levensgroote en meer dan halve beelden; een groot stuk, voorstellende: St, Christoffel in een Landschap, en een Landschap met St. Hui-brecht. Hij voegt er bij, dat vele der gewrochten van onzen kunstenaar in den grooten brand van Haarlem zijn verloren gegaan. Nog andere sporen van schilderijen van Jan Mostaert vinden wij. De Zeer Eerw. Heer J. Graaf, thans Deken van Ouderkerk a. d. Amstel, deelt uit de registers der St. BAArs-kerk te Haarlem een uittreksel mede, dat ook door Dquot; A. van dkr Willigen werd benuttigd. Het luidt: âA» 1500, Item, jan mostertsoen besteet die deren (deuren) te maken: te weten, in die éen deer, (dat conterfeitsel) onse liever vrouwe.....in die midden deer, sinte baef, buten op de deren, met een tabernakel (baldakijn, verhemelte) daer boven; ende, binnen, XII parken: de legende van sinte baef, wel gewrocht ende ghemaket met gouden (goede?) verwe, dat wy sullen reden hebben hem te bedancken, hierover sal hy hebben, alst werck volmaect es, xx r[hijnsche] g[uldens] current, hierop hem ghegeven v r. gul., solvit noch vj r. gul. ende noch vj r. gul. vrijdachs voer sinte andries, solvit noch 11 r. gul. saeterdachs naejaerdach al betaelt.quot; Het bestede schilderwerk schijnt aan een relikwiekast verbonden te zijn geweest, waarin een stuk armbeen in zilver gezet van |
â 97 â
|
St. Bavo bewaard werd, en dat in 1500 door den abt van de St. BAAFS-abdij, te Gent, der Haarlemsche kerk was geschonken. Jaarlijks offerde die kerk, op St. BAAFS-dag of BAAF-mis, eene kaars van een pond was te Gent, als dankbewijs. In 1503 werd de kaars geschonken, en in 1512 betaalde men vij st. In 1520 betaalde men voor drie jaren xviij st. Volgens van Mander, zoude Marten Heemskerck van Mos-taert getuigd hebben, dat hij al de vroegere schilders overtrof. ') Hij uereikte een hoogen ouderdom, want hij stierf omtrent 1555. Dat hij bijna tot aan zijnen dood arbeidde blijkt uit een uittreksel uit het Memoriaal der burgemeesters van Haarlem, gedagteekend van 1549, luidende als volgt: âOpten XI mey XV'' negen en veertich soe is voer burgo-meesteren gecoemen meester Jan Mostert schilder ende poortsr der stede van Haerlem begeeren[de] van burgemeesteren te hebben verloff den tijt van anderhalf? jair buyten deser stede tot Hoem te vaeren met zekere huysraet, omme aldaer te maecken in de parochiekercke in 't hoeghe altair zekere schilderven die hy aen-genomen hadde te wercken, dair over hy meende doende te weesen bet (langer) dan een jair en als hy voors. werck opgelevert sal hebben soude weder sijn residentie binnen dese stede houden, als hy tot hiertoe gedaen heeft. Daerop burgemeesteren hem verloff gegeven hebben van date van huyden aff totte hoochste lyeve vrouwen daege of prima septembris dair aen volgende ten lancxsten a0 XVà en vijftich. Eïi indien hy nae den voirs. tijt sijn woonstede alhier binnen der voirs. stede nyet weder en hyelden, souden voirs. Mostert terstond daernae sijne exuwe betaelen van alle sijne goederen, daer de voorn. Mostert mede te vreden was. Acte ten voors. dage.quot; Eindelijk, in eene authentieke lijst der goederen van de Commanderij van S' Jan te Haarlem, in 1606 1) opgemaakt, wordt insgelijks een Ecce Homo van Jan Mostaeut opgegeven. Bij het opheffen der kloosters in Holland, werd voor elk klooster eene dergelijke lijst vervaardigd. Die der St.-Jansridders van Haarlem is bewaard gebleven en berust op de archieven dier stad. Mag men uit het vermelden van het Ecce Homo besluiten, dat Jan Mostaert, even als Jan Schoorl, voor den toenmaligen Commandeur Simon Saen geschilderd bebbe? Het is niet onmogelijk. Het was mede in de Commanderij van Haarlem, dat Geertgen van S' Jan zijnen intrek genomen had. Het aantal werken, die tot heden ten dage van Jan Mostaert zijn overgebleven, is uiterst gering. Het Antwerpsche Museum bezit er drie; de maria-kerk te Lubeck een; de Weener kunstgalerij een; het Museum te Eerlijn twee; het Museum te Brussel insgelijks twee. Het is inzonderheid met de twee laatste, waarvan de gravuren dit opstel vergezellen, dat wij ons willen bezig houden. Zij zijn wellicht gewichtiger dan al de overige. Zeer waarschijnlijk heboen deze twee stukken, in den Catalogus van het Brusselsche Museum betiteld: Twee Episoden uit het Leven van den H. Benedictus, als vleugeldeuren deel gemaakt van een triptyek, dat aan de eene of andere Benedictijner abdij behoorde. Hot middelstuk zal, even als die twee deuren, een trek uit hel leven van den H. Benedictus hebben voorgesteld. Men weet echter die abdij niet aan te wijzen 2). |
Op de eerste deur hebben wij het Mirakel van de gebroken Zeef. Ziehier hoe dit mirakel wordt verhaald: De jonge Benedictus, besloten hebbende de wereld te verlaten en zich naar de woestijn te begeven, vertrok uit Rome, vergezeld van zijne voedster, die hem teederlijk was aangekleefd. In het dorp Ansida aangekomen, konden zij de dringende aanzoeken der inwoners niet wederstaan, en stemden er in toe zich aldaar te vestigen. Nu gebeurde het op zekeren dag, dat de voedster, graan willende zuiveren, bij eene buurvrouw eene zeef ging leenen. Die zeef, op eene tafel neergelegd, viel en brak aan stokken. Het ongeval bedroefde de voedster uitermate. De jonge Heilige, door hare tranen geroerd, nam de twee stukken en begon te bidden. Hij had nog nauwelijks zijn gebed geëindigd, als de stukken der zeet zich van zelf hadden aaneengevoegd, zoodanig dat zij geheel in haar vorigen staat hersteld was. Jan Mostaert heeft dit vrij zonderlinge onderwerp met onbetwistbaar talent behandeld. Het tooneel is eene keuken van zijnen tijd. De Heilige, die nog het wereldlijke kleed draagt, zit, links op den voorgrond geknield, met saamgevouwen handen te bidden Nevens hem ligt de gebroken zeef. De voedster, die bijna even jong schijnt als de Heilige, staat aan den rechterkant te weenen. Door het venster ziet men dezelfde twee personen in een boomgaard: S3 Benedictus op weg naar het huis, gevolgd door de voedster, die hem is gaan roepen, om hem het ongeval mede te deelen. De keuken, waarin het mirakel geschiedt, is niet talrijke voorwerpen gestoffeerd: eene kast met voorraad en keukengerief, een papegaai in eene kooi, een hoenderhok, enz. In den schoorsteen speten, braadpannen en andere benoodigdheden. Op den achtergrond heeft men door eene geopende deur het zicht op eene provisiekamer, waarin hespen (hammen) hangen. Vroeger werd dit tafereel anders verklaard De oude Catalogus veronderstelde, dat de knielende jongeling voor het een of ander vergrijp vergiffenis vroeg. Ook was men geenszins geneigd in het meisje, bijna zoo jong als hijzelf, zijne voedster te zien. De tweede Episode heet: De Maaltijd van den H Benedictus en van den Pastor van Monte Preclaro. âSt. Benedictus,quot; zegt de legende, âhad zijn intrek in eene spelonk genomen, alwaar hij gedurende driejaren geheel onbekend leefde. Een monnik, Romanus genaamd, kende alleen zijn verblijf, en bracht hem alle dag eenige brokken brood, die hij op zijn eigen voedsel uitspaarde. Eens, het was Paaschfeest, had de pastor van het naburige dorp Monte Preclaro zich een goed maal laten bereiden. Hij kreeg een visioen, en hoorde de stemme Gods, die hem toeriep: âGij bereidt u een kostelijk maal en mijn dienaar lijdt honger in de woestijn.quot; De pastor nam het eten en ging den Heilige opzoeken. Hij vond hem. In den beginne wilde Benedictus zijn deel van den maaltijd niet gebruiken, maar toen de pastor hem zegde, dat het zijn Paascheten was, gaf hij toe. De beide dienaren des Heeren nuttigden dus gezamenlijk het maal, onder het voeren van godvruchtige gesprekken.quot; Dit tafereel bevat drie deelen. Op den achtergrond ziet men God aan den pastor van Monte Preclaro verschijnen, die vóór zijne pastorie geknield zit, en het bevel ontvangt den Heilige op te zoeken. Meer naar voren komt de pastor met het eten naar de spelonk van Benedictus aan. Op den voorgrond doen de Heilige en de pastor hun gebed, vooraleer het maal te gebruiken, op een wit ammelaken geplaatst, dat op den grond is gespreid. Hier draagt Benedictus het habijt zijner orde. Ook de buitenkant der beide vleugeldeuren is beschilderd. Hij bevat eene zelfde samenstelling, de Mis van het Lijden |
1
Deze lijst, in het voorgaande artikel reeds aangehaald, werd geschreven m 1606, doch eerst twintig jaar later, na den dood van den laatsten kloosterling, geopend.
2
8) Wij geven die twee paneelen, zooals zij te Brussel geplaatst zijn, doch klaarblijkelijk bevond zich het Mirakel rechts, de Maaltijd links van het middeltafereel.
3
En (Ut is geen wonder, want met behoud der nederlandsche gehechtheid aan de natuur, heeft hij soms een adel en bevalligheid in zijn werk, die aan de Ita ianen der X V I!! Eeuw doet denken. Al.11. Th.
â 98 â
|
des Zaligmakers. Op de eene deur knielt een priester vóór het altaar. In de eene hand houdt hij een wierookvat; in de andere eene flambouw. Achter hem knielt een kardinaal, rnet een open boek in de handen; achter den kardinaal bevindt zich een bisschop met een koorhemd onder zijn violetten tabbaard. Hij vouwt de handen saam, en houdt een kruis met den linkerarm tegen. Op den achtergrond hangt, in eene nis, eene koperen vaas aan eene ketting van hetzelfde metaal, nevens de fiacristij, waarvan de deur half open staat. Een koorknaap trekt een gordijn weg, dat het altaar verbergt. Op het altaar zelf, bedekt met eene stof doorwrocht met goud en zilver, staat een kelk, waarom eene banderolle slingert met de woorden: Ave Virgo Virginum am... Eoven verschijnt Christus, van gouden stralen omgeven en de handen vooruitstrekkende. Op den buitenkant van de andere vleugeldeur, ziet men wederom een priester vóór het altaar, waarop twee zilveren kruikjes, en boven deze eene banderolle met de woorden: Sancta Helena. Achter den priester, een diaken met eene flambouw en verder nogmaals een bisschop. Hier ook schuift een koorknaap een gordijn weg. Boven de hoofden der personen, die in het drama van de Lijdensgeschiedenis eene rol vervulden en, evenals op de andere vleugeldeur, de werktuigen der Passie. Rechts van het altaar, bemerkt men het jaartal 1552; links moet een naam of een naamteeken gestaan hebben, dat men echter niet duidelijk meer kan onderscheiden. Het tapijt, dat de trappen van het altaar bedekt, is met viooltjes en madelieven bezaaid, waarin men eene toespeling op Ma kg ark t a van Oostenrijk heeft willen zien. Deze verschillende samenstellingen zijn, in haren aard, zeer merkwaardig. De uitvoering is die eens meesters. Het coloriet, dat niet van droogheid is vrij te pleiten, is nochtans geenszins onaangenaam. Wat voor ons de twee Episoden vooral gewichtig maakt, is, dat zij een juist denkbeeld geven van de werkwijze van Jan Mostaert, en tevens van die der oude meesters van het einde der XVe en den aanvang der XVIe eeuw. De strekking is zuiver Nederlandsch, dat is realistisch, zelfs bij de behandeling van gewijde onderwerpen, zonder het minste spoor van Italiaan-schen invloed, iets wat te meer moet bevreemden, daar destijds reeds meer dan éer, kunstenaar in de Nederlanden den Italiaan-schen smaak begon te huldigen. Waar beide kunstwerken van daan komen, weet men, gelijk wij gezegd hebben, niet. Hoe op het einde der verledene eeuw de Commissarissen der Fransche Republiek te Brussel, gelijk in andere Belgische steden, met kunstwerken huishielden, is overbekend. Wat zij van beelden, tafereelen, goud- en zilversieraden in de kerken en kloosters konden machtig worden, werd door hen geroofd. De kunstwerken, welke hun de beste toeschenen, werden naar Parijs opgezonden, de overige op verschillende plaatsen gedeponeerd. Toen eenige jaren later de stad Brussel haar Museum inrichtte, nam zij uit die depots, wat zij verdienstelijkst of belangwekkendst achtte. Zij nam weinig van de Oude Vlaamsche school, welker voortbrengselen te dien tijde schier niet werden geschat. Lang na dien, in 1823, zien wij nog een groot getal kunstwerken uit die depots voorkomende, en die men de eer der tentoonstelling in het Museum geheel onwaardig keurde, in 't openbaar aan de meestbiedenden verkoopen. Het gebeurde zelfs dat men ze wegschonk zonder eenige vergoeding. Naarmate men beter de gewrochten der Oude School leerde waardeeren, werden echter degene, welke men nog in depot had, in het Museum geplaatst, en op die wijze zullen wel de Twee Episoden uit het |
Leven van den H. Beneüictus er ingekomen zijn. Waar het middelstuk gebleven is, kan niemand zeggen, 't Is wellicht in 1823 met het uitschot, gelijk men het noemde, verkocht, of eenvoudig weggeschonken, als zoovele andere misschien zeer kostbare gewrochten. Het tafereel van Jan Mostaert, dat zich in de galerij te Weenen bevindt, is het Portret van Christoffel Baumgartnek, pafricier van Neuremberg, en werd in 1543 geschilderd. Er zijn echter kunstkritiekers, die het aan Gillis Mostaert toeschrijven. Het werk in de maria-kcrk, te Lubeck, is een altaarstuk met deuren, waarvan het hoofdtafereel de Aanbidding der Wij zen voorstelt. Te Berlijn heeft men Maria, voor een Tapijtbehangsel gezeten, houdende het Kind op haren schoot, dat in het gebedenboek der Moeder bladert. In de lucht twee zwevende Engelen, die eene kroon boven het hoofd van Maria houden. Men heeft er verder eene Rust op de Vlucht naar Egypte' In een uitgestrekt landschap zit Maria, onder een kastanieboom, en biedt het Kind de borst; meer achterwaarts Jozef, op den ezel gezeten. De eerste schilderij van het Antwerpsche Museum is eene Deipara Virgo. Maria, met het Kind in eene glorie, zijn van zwevende Engelen omgeven. In het ondergedeelte, twee jonge vrouwen en een man, ten halven lijve. Het hoofd van eene oude vrouw en dat van een bejaard man zijn geplaatst in de ruimte tusschen de hoofdgroepen. Op eene banderolle, om de vijf personen geslingerd, zijn bijbelteksten geschreven, de Ontvangenis des Zaligmakers betreffende. Dit tafereel, dat vroeger het altaar der kapel Rockox, in de kerk der Minderbroeders te Antwerpen, versierde, werd door den Heer Van Ertkorn van eenen kuiper in de Mattenstraat aldaar voor drie en twintig frank gekocht. Het kwam met de verzameling van dien kunstminnaar aan het Museum, zoowel als de twee volgende portretten. Wij hebben hierboven gezien, dat bij van Mander van een afbeeldsel van Jacoba van Beieren en van een van haren gemaal Frank van Borselen wordt gesproken. Lang heeft men gemeend, dat die twee afbeeldsels dezelfde waren, als de portretten, welke zich in het Antwerpsche Museum van de hand van Jan Mostaert bevinden, en die in den Catalogus onder de nummers 263 en 264 voorkomen. Het eene stelt een man voor van veertig a vijf en veertig jaar, met een degen in de rechterhand. De hals is ontbloot; het blonde, doch fiere hoofd met een breedgeranden hoed bedekt. Het andere is een vrouwenportret. Het lijkt sprekend op de jonge vrouw in den linkerhoek van de Dei para Virgo. Beide afbeeldsels werden op de veiling van het kabinet Enschede te Haarlem gekocht. Daar N0. 263 het wapen van Frank van Borselen en N0. 264 dat van Jacoba van Beyeren dragen, was men overtuigd, dat men de door van Mander vermelde portretten vóór zich had. Later heeft men echter ontdekt, dat de wapenen er oorspronkelijk niet op waren, en door eene andere hand zijn aangebracht. Ook wijken beide afbeeldingen merkelijk van de bekende portretten van Jacoba en van Borselen af, weshalve men tot de slotsom gekomen is, dat zij de gravin en haren gemaal niet kunnen voorstellen. Dat het evenwel werken en zelfs zeer goede werken van Jan Mostaert zijn, zoowel als de Deipara Virgo, wordt door niemand betwijfeld. In de Beggijnenkerk te Antwerpen bestaat eene herhaling van het vrouwenportret. SLEECKX. |
3|lvilÃUv lUaUlllI fl| liIIl|in
door MAERTE5 VAS HEEISKEECK.
|
E apostel Lucas, liet portret schilderende van de Heilige Maagd, is het onderwerp van de schilderij welke wij gekozen hebben om in gravure hierbij weer te geven. Dit stuk, in 1532 door Maerten van Veen, meer bekend als Maerten van Heemskerck, vóór zijn vertrek naar Italië geschilderd, werd door hem aan zijne gildebroeders aangeboden om op het altaar van Sl Lucas, in de S1 Bavo-kerk te Haarlem, geplaatst te worden. Om een juist denkbeeld van zijn oorspronkelijk talent te geven, kwam het ons geschikter voor dan zijne latere werken, daar het geheel vrij is van den invloed dei-vreemde meesters, die zicb later vrij sterk bij hem heeft geopenbaard. Ook is dit stuk nimmer gegraveerd, terwijl de meeste werken van dien meester, sommigen meer dan eens, in het koper zijn gebracht, Hij was, toen hij die schilderij uitvoerde, reeds vier-en-dertig jaar, en dus niet meer aan het begin zijner loopbaan. Achtereenvolgens had hij bij Cornelis Willemsz. te Haarlem, bij Jan Lucasz te Delft en ten laatste te Haarlem bij Jan van Scorel gestudeerd. Daar had hij het zooverre gebracht dat zijn werk dat van zijn meester bijna evenaarde, zoodat deze hem, zoo men zeide, uit een soort van naijver zijn afscheid bad gegeven. In het jaar 1498 te Heemskerck, een dorp in Noord-Holland, geboren, was hij door zijn vader, die landbouwer was, maar aan den lust van den jongen wilde voldoen, te Haarlem bij den eerst-genoemden meester in de leer geplaatst. De oude heer, dieecbter niet veel vertrouwen stelde in het door zijn zoon verkozen kunstvak, nam hem spoedig weer bij zich om hem als landman groot te brengen. De zoon bleef weinig lust in het boerenleven gevoelen en betoonde zich onwillig. Hij vermorste de melk, wierp de vaten om, en maakte het ren laatste zoo bont dat hij zich op een avond voor zijn vertoornden vader in een hooiberg moest verbergen. Den anderen dag bezorgde zijne moeder hem wat geld en kleeren, en de jonge Maerten verliet voor goed de ouderlijke woning en reisde naar Delft, waar hij door meester Jan Lucasz als leerknaap werd ontvangen. Toen hij later Jan van Scorel's atelier verliet, nam hij zijn intrek in het huis van Pieter Jan Fopsen, waar hij verscheidene werken uitvoerde: onder anderen levensgroote beelden van Sol en Luna, ook Adam en Eva, volgens van Mander naar het leven geschilderd. Dit waren geen schilderijen maar kamer-dekoratien. Later woonde hij ten huize van Joost Coiinelisz , een goudsmid, en bleef daar tot hij naar Italië op reis ging. |
Voor zijn vertrek vervaardigde hij het altaarstuk van S' Lucas. Dat stuk berust thans op het Museum te Haarlem; het is in tweefin verdeeld. Op het eerste paneel is de H. Maagd zittende afgebeeld, met het Kind Jesus op haren schoot. Het Kind, dat de armpjes opheft en met bevreemding opziet naar den schilder, die Hem en Zijne Moeder portretteert, zit op een glazen wereldbol. Maria heeft een roode japon aan en daarover een bont gekleurde draperie, met breede streep-ornementen. De Evangelist, patroon der schilders, is op het tweede paneel afgebeeld. Hij zit voor zijn ezel met palet en penseelen in handen. Op het hoofd draagt hij een vreemdsoortige roode muts en op den neus een bril. De kop, waarvoor volgens de oude schrijvers, een bakker geposeerd heeft, is een meesterstuk van ongezochte expressie. Meer ernst en aandachtiger bezig zijn zouden moeielijk voorgesteld kunnen worden. Op den grond, tegen den zetel van den schilder, staat een bas-relief waarop een S' Lucas, op den os gezeten, afgebeeld is. Op den ezel staat het portret, waaraan de Heilige arbeidt, en achter hem een man met lauweren gekroond, waarin men een dichter heeft meenen te zien, hoewel de beteekenis of het doen van die figuur niet met juistheid aan te geven is. Ook op het andere paneel voor de Maria zien wij een allegorische figuur, met een brandende fakkel; het kan een engel, ook wel de genius der schilderkunst, zijn. Op een stuk papier dat onder het maria-beeld tegen de metselrije gespijkerd schijnt te zijn, staan de volgende regels die ons de bestemming van het schilderstuk en het jaartal zijner wording doen kennen. Tot een memory is deze tafel gegeven Van Maerten Heemskerk die 't heeft gewracht, Ter eere S. Lucas heeft hy 't bedreven De gemeen gesellen heeft hy er mede bedacht. Wy mogen hem danken, by dage, by nacht. Van sijn milde gifte, die hier staet present: Dan willen wy bidden met alle onse macht. Dat Gods gratie hem wil zijn ontrent Anno Duyst. Vc. XXXII is 't volent. Den 23 Mey. |
15
â 100 â
|
Heemskerck volgde toen nog min of meer de manier van Jan van Scorel, wiens atelier hij het laatst had bezocht, hoewel hij de sierlijkheid van dien meester niet bezat en ook niet schijnt gezocht te hebben. Zijne beelden zijn altijd flink en stout, goed geteekend en goed gedrapeerd â hij had groote kennis van de anatomie en scheen er behagen in te vinden daarvan te doen blijken. Hij vas echter niet alleen een geleerde teekenaar, maar bezat daarbij groote scheppingskracht en veel makkelijkheid van doen. Zijn koloriet is gewoonlijk krachtig en goed en de soms meesterlijk breed behandelde koppen zijner figuren zijn altijd vol uitdrukking. Bij al die hoedanigheden hebben de werken van Maerten toch iets dat niet aangenaam is, eene zekere stroefheid van lijnen. Na de antieke beelden en de werken der italiaansche meesters, die van Michel Angelo vooral, te hebben bestudeerd, heeft hij de hem natuurlijke ruwheid niet kunnen afleggen en vervalt dan tot overdreven standen, minder sierlijk dan wel gewrongen, hetgeen hem door een franschen schrijver, niet geheel ten onrechte, het half italiaansche en half barbaarsche van zijn smaak deed verwijten. Behalve den St. Lucas behooren alle schilderijen, welke thans op het Museum van Haarlem berusten, tol zijne zoogenaamde tweede manier. De grootste is een graauwtje, in 1551 geschilderd: Mozes en Aaron met de koperen slang voorstellende, afkomstig van de stad Delft en door Jh1'. Dr. J. P. Six aan het Museum geschonken. Het meest belangrijke stuk is een triptyk, dragende het jaartal 1559 en vroeger ook het eigendom van Jh'. Six. Op het middenpaneel is een Ecce H omo, met levensgroote beelden. De Zaligmaker staat tusschen twee beulen; een kind staat voor en een rechter naast hem. Op de zijdeuren ziet men de familie van den schenker; links den schenker zelf met zijn zoon, geknield, en met zijn patroon St. Christoffel, rechts de vrouw van den schenker met hare patrones en hare vijf dochters. Op de buitenzijden ziet men de Propheten Ezechikl en Daniël. Ook dit stuk was vroeger in een der kerken van Delft geplaatst. Nog bezit het Museum van Haarlem een stuk met figuren ten hal ven lijve, Jesus, met doornen gekroond, voorstellende; voorts, het gastmaal van Balthazar; een langwerpig tafreel, dat waarschijnlijk tot voetstuk van een altaarstuk heeft gediend en het pas geboren Kind Jesus voorstelt, omringd van Engelen en herders, die hem aanbidden en dienen. Aan de eene zijde is de Heilige Jozef bezig pap te koken. Eindelijk vindt men nog op hetzelfde Museum eene copij naar de âVierge de la maison de Lorettequot; van Raphaël. Deze copij kan echter niet naar het origineel geschilderd zijn, daar zij gemerkt is M. V. H. 1551 in welk jaar van Heemskerck reeds lang uit Italië terug was. Deze schilderij is afkomstig van de Commanderij van St. Jan, die in vroegere hoofdstukken reeds meermalen is genoemd. |
Het is niet doenbaar een volledige lijst te geven van al de werken door Maerten van Heemskerck uitgevoerd. Van Mander zegt, dat het onmogelijk is al de altaarstukken, schilderijen, graftafereelen en portretten op te noemen, die hij geschilderd heeft: âwant hy zeer neerstig was, gestadigh arbeide en eene ongemeen vaerdige handeling had.quot; Onder de toen bekende werken noemt c'e schrijver, eerstens, het altaarstuk van S' Lucas, dat wij ook het eerst hier behandelden. Verder spreekt hij van de twee luikdeuren van het altaarstuk door Jan van Scorel voor de S1 NicoLAES-kerk (oude Kerk) te Amsterdam geschilderd. Op die luikdeuren plaatste Maerten, van binnen, het L ij d e n en de Opstanding van Christus en, buiten op? twee geelkoperen beelden welke ongemeen fraai geschilderd waren. Te Alkmaar vond men een hoog altaarstuk, met de Kruisiging, en de geschiedenis van S' Laurentius. Verscheidene stukken voor kerken te Delft, onder anderen een de drie Koningen voorstellende voor de kerk van Ste Agatiia. Op elk der drie paneelen had hij een der Koningen afgebeeld en op de huiten-zijden de Koperen slang. Voor dit kunstwerk werd hem eene jaarlijksche rente van honderd gulden toegekend. Ook, te Medemblik en in het dorp Eertswoude, in Noord-Holland, waren altaarstukken van zijne hand. Onder de kunstliefhebbers, die hem schilderijen bestelden, noemt van Mander de Heeren van Assendelft, Jacob Rauwaert, zijn vroegeren leerling, die voor eene compositie van de vier uiteinden van het menschel ijk leven, zooveel gouden dukaten voortelde tot Maerten sprak âhet is genoegquot;. Jacoü Wijntgens, Arnoud van Berestein en Jaques van der Heck bezaten, tijdens van Mander leefde, schilderijen van onzen meester. Het altaarstuk voor de kerk van S' Laurentius te Alkmaar, door van Mander genoemd, werd kort na Maerten's terugkomst uit Italië, in 1538 ondernomen en in 1541 voltooid. De contracten en kwitantion betreffende het middenpaneel en de luiken zijn allen nog aanwezig en het eigendom van den Heer C. P. Bruinvis te Alkmaar. Uit die stukken verneemt men, dat Heemskerck daarvoor ontving zeven honderd vijftig gulden en eene lijfrente van twintig gulden 's jaars, hetgeen voor dien tijd een vrij groote som was. De gereede gelden werden hem bij gedeelten gedurende den loop en na aflevering van het werk uitbetaald. De laatste kwitantie is van 3 Mei 1543. Ook schijnen de luikdeuren eerst in 1542 afgeleverd te zijn. Op het middenpaneel moest de Zaligmaker aan het Kruis, met de twee moordenaars, voorgesteld en alle de daarbij te pas komende bijzaken geschilderd worden. Op het benedenstuk, dat in âparckenquot; verdeeld moest worden, kon eene Veronica, den Zaligmaker bij het dragen van het Kruis bijstaande, of andere zaken, al naar keuze der kerkmeesters, geplaatst worden; in de bovenaan geplaatste ronde paneelen Propheten en dergelijke personen. Dit werk moest te Alkmaar geschilderd worden, terwijl de vier luikdeuren, buiten kosten van den schilder, naar Haarlem vervoerd werden. Aan de eene zijde werd verlangd Christus, met doornen gekroond, en, geknield voor den Zaligmaker, de Bisschop van Utrecht, die voor een groot deel de kosten betaalde en aan wiens goedkeuring de teekening moest onderworpen worden. Verder ook de portretten van den abt van Egmond, van Hieronimus J ansz., priester, en van Dierick van Teylingen, ontvanger, en ten laatste, op de kleine luikplanken, twee tafereelen uit het Lijden. Het beschilderen der buitenzijden werd den twaalfden Mei 1541 aangenomen. Op de groote luiken moest Meester Maerten den Heiligen Laurentius voorstellen, zijne rijkdommen onder de armen uitdeelende, aan de eene zijde, en zijn marteldood aan de andere; op de kleine zijpaneelen het Laatste Avondmaal en den O 1 ij v e n t u i n. Al de stukken zijn geteekend door Martynus Heemskerck en Yf. Simonsz eenerzijds en door de bestellers D. van Teylingen, Hieronimus Jansz., priester, Jord. Foreest en Symon Jansz. anderzijds. De luikpaneelen van het altaarstuk van het wollenwevers- of drapeniersgilde, ook door van Mander reeds genoemd, werden, volgens het thans nog bestaande contract, op 4 Januarij 1566 door den Deken en de overlieden van het gilde, voor de som van honderdvijftig carolusguldens, aan Maerten van Heemskerck opgedragen. |
1
\
rtf'.
â ;
v-'-'v . ' â¢
--
k r:-t - ' - v;- - . '
M' / , â '
9Ãtamp;amp; . 'â â â â â â '
,â ,r..' gt;⢠K .â¢â â ,â â â â .; â 4quot; ⢠⢠â .
' . .uvquot; 'i â â 21 gt;; â
^ 1 â ' ï 'â ' quot;-*(3. â ⢠1
r 'T.-.v,.., ⢠VA- ' t*'
â
: f , ^
, â .⢠. â v. s, #â¢
- v . ' ' â v .,- F; '
X'- ' 'quot;ï â : 7 â .... ' â lt;
â â :- _ ,â .-rf j â â â . â gt; ⢠â -â . , â
â i-.V Vj;. . â : V;:
â¢â¢ 4lt; «*' â ! 'r - â â â â . ' â â â â - â
- - I?-1 . â â ' . v . .lt;, â ,.t .
.st:- ' â . ;.:'ï ^ ^ '
Ã' Vlt;:.' V- -'quot; N? ;..V. f'1.
V;V:gt;v â '-'V
-⢠â¢â¢â¢ -v-v ê/ â â â â â¢â â 'â ⢠':ï
â â ⢠' quot; â ' â ⢠f v v'. %' *$1 â¢gt; , â â â ,.. â r â
: ;4v- :⢠â â v;gt;:
z'-' â â
Wt-
- -i ^ â ' ' , â
â 'â ni :
â
|
S C-' ; s - | ||
|
; ' . '? â ... - |
'gt;«V â | |
|
''.3 | ||
|
1 ' |
⢠Avd. r - W#i^Kfc - â | |
|
gt;*;! \gt; W- * 'â¢;% |
â quot;
,... (V. 'â ' 'â
â¢;r^ quot;quot;
â â â lt;⢠. v , â ,â â â -â , ,-â â â . â â â
. -4 - â â â . â â¢.
r'- : '.'.v â â
'⢠:j â .l':quot;':-, â¢â b'-'y yy^j d ' - . w
.â :: ^ r ,â it. '
HL
. . V,
, ,-â¢â â - â â â â â¢â â ' â â . ^
,^»5' 5'
V. . ;, â¢â¢ â ' quot;⢠,. .â¢
:. ' - â ; ' ⢠. â ; rv
â . .â â â¢â ; . â gt; ⢠** ; ...quot;
â ⢠^ .V. .⢠- Z . -ï' .quot;.VV
- Va â f- I '*
'ï' ly'- .'a/' - ^ .
, â , % V'quot;'' 'i-V : , .â 'i,,! ' vV v^, ... 7
^ ï ,. y......'
'!,ty â â¢, . â ' -V'
mmm
;v;
V-
1 '
â 101 â
|
Het altaar van dit gilde stond in het Noorder-kruispand der S' Bwo-kerk te Haarlem. Op de twee vleugelpaneelen werd aan de binnenzijden de drie Koningen en de Geboorte van Ciiiustus verlangd; op de buitenzijde maiua-Boodschap. De oude schrijvers roemen dit laatste tafereel zeer en spreken van âeen onghemeen waer-neminghe, dat is den Enghel die op een marber glat plavaytsel schijn geeft oft spiegelt, of hy op ijs stonde, twelck op gepolyste marberen wel geschiet.quot; Toen van Mander deze regels schreef waren die beide schilderstukken niet meer in de kerk, maar op het Princenliof, te Haarlem, als ook het middenpaneel, waarbij zij behoorden, zijnde de âKinderdoodinghe van Counf.lis Cor-nelisz.quot; Thans zijn zij allen ten-toon-gesteld in een der nieuwe zalen van liet Museum te 's Hage, na lang op de zolders te zijn bewaard gebleven. Het Rijksmuseum te Brussel bezit van Maeuten een altaarstuk, uit vier paneelen bestaande Op de twee middenstukken, die een geheel uitmaken, heeft de schilder den Verlosser voorgesteld, bezwijkende onder den last van zijn kruis. De soldaten en beulen trekken den gevallen Zaligmaker met een touw voort, en heffen stokken op om Hem te slaan, terwijl Simon het ondereinde van het kruis opheft en Veronica den doek houdt, waarop de heilige tronie zal afgedrukt worden. Aan het hootd van den stoet gaat een Opperpriester, ter zijde de Heilige Moeder en de vrouwen, en eindelijk de twee boosdoeners, door soldaten en monniken geleid. Op de achterzijden dezer twee paneelen zijn de volgende onderwerpen geschilderd. De monnik Romanus brengt aan den Heiligen Benedictus het dagelij ksch voedsel, dat hij door middel van een touw in de spelonk van den kluizenaar laat zakken; aan dat touw is een schel waartegen de duivel een steen werpt; â Benedictus, op doornen liggende; â De gekruiste Zaligmaker, door St. Bernardus omhelsd. â Aan de rechterzijde ligt een monnik te bidden voor het altaar, waarboven een schilderstuk, Mozes bij het brandende braambosch, geplaatst is. Op het voetstuk van het kruis staat het jaartal 1551. Op den linkerzijvleugel is de Kruisiging voorgesteld, met de Graflegging op den achtergrond, terwijl de vlucht naar Egypte, de Besnijdenis en Christus onder de leeraars de onderwerpen zijn van het rechter vleugelstuk. Die twee zijstukken, dicht geslagen zijnde, vormen, even als de twee vorigen, eene enkele voorstelling, Christus naar den hof vertrekkende. De Zaligmaker bukt om zijne moeder, die voor zijne voeten ligt, wéér op te heffen. De andere personen zijn Maria Magualena, de twee Maria's, Nicodemus, Joseph van Arima-tiiea en de Apostelen Petrus en Paulus, met de andere discipelen. Dit belangrijke kunstwerk bevond zich in 1777 te Gend in de kerk van St. Salvator. Te Munchen, op de Pinacotheek, bevinden zich twee paneelen die als pendanten bij elkander behooren en vroeger misschien de vleugels waren van een nu niet meer bestaand middenstuk. Op het eene is een vader met vier zonen afgebeeld, in zwarte kleedij met zilveren ketting om den hals. Op het andere paneel, een moeder met vier dochters, eveneens in het zwart gekleed. Onder de minder bekende werken van Maerten van Heems-kerck moet gemeld worden het portret van zijn vader, dat bij de verkooping van het kabinet Enschedé te Haarlen in 17S6 voorkwam. Van het volgende opschrift, dat er op te lezen was: âMijn soen heft my hier gheconterfeit doe ic gheleeft had LXXV jaren so men seyt. 1532 MHquot; zijn de laatste woorden te opmerkelijker omdat de oude man, die in hetzelfde jaar overleed volgens het opschrift van zijn grafmonument, toen negen en-zeventig jaar oud was. Deze schilderij bevindt zich thans te New-York in het Metropolitan Museum of Art. Daar is ook een Christus te midden der PhariseCn die misschien niet zonder recht aan Maerten wordt toegeschreven. |
Verder nog twee schilderijen: de Steeniging van St. Stei',hanus en de fabel van Prometheus voorstellende, beide in 1845, bij de veiling der door den Kardinaal Fescii nagelaten kunstwerken, te Rome verkocht. Ook nog het portret van Isabella van Grupskerken, mater van het St. Aoatha-klooster te Delft. Dit portret, dat thans het eigendom is van den Heer G. Goosens van Eindiiove te's Hage behóórde vroeger aan den kapellaan Bremwald, die het op een veiling te Delft gekocht had. Na de sluiting van het klooster in I57Sgt; trokken de nonnen naar het Begijnenhof, alwaar deze schilderij lang gebleven is. Het portret is zeer goed geconserveerd; een jaartal is niet te vinden, maar wel het bekende cijfer van den meester aan de achterzijde van het paneel. De kleeding der overste is natuurlijk dat der nonnen van S' Agatha, bestaande in een witten doek waarover een zwarte kap om het hoofd en verders een geheel wit kleed. De kop is een waar beeld van eenvoudige en ware godsvrucht. De fijn geteekende handen zijn niet gevouwen maar tegen elkander gedrukt, de rozenkrans is om de linkerhand, geslagen. De bijzonderheden over de herkomst van de schilderij zijn wij aan de welwillendheid van den tegenwoordigen eigenaar verschuldigd, die ook onze aandacht vestigt op een portret van pater Musius, in 1573 door de soldaten van Lumey te Leyden vermoord, en die vroeger ook tot het S' Agatha klooster behoorde. Dit portret bevindt zich thans in het bezit der familie van Berckel te Delft en is, volgends allen schijn, evenzeer ook aan Maerten van Heemskerck die, zoo als reeds vermeld is, veel voor de kerken van Delft gewerkt heeft, toe te kennen, hoezeer geen bepaald teeken het aanwijst. Maerten van Heemskerck is zeker een der meesters die het meest hebben gearbeid; ook zijne teekeningen moeten talrijk geweest zijn en komen lieden ten dage niet zeldzaam voor. Sommigen zijn gekleurd; maar de meesten met de pen zeer zorgvuldig en fijn afgewerkt op wit papier. Hij schijnt deze vervaardigd te hebben met het bepaalde doel, teekeningen te maken; de zorg aan de uitvoering besteed, zoowel als zijn naam en de datum meestal in een boek op een steen geplaatst, bewijzen dat het geen losse schetsen of studies zijn. Wij hebben er een voor ons liggen die zeker wel bijzondere vermelding verdiend. Het onderwerp is de Zegepraal van den Dood, die met zijne zeis gewapend en gedeeltelijk in eene loshangende draperie gewikkeld op een doodkist zit. De kist ligt op een vreemdsoortigen wagen, door ossen voortgetrokken, en het menschdom, door krijgsoversten, vorsten en hooge geestelijken, door grijsaards, moeders en kinderen voorgesteld, wordt verpletterd onder de wielen van den zegewagen. Op een der wielen, van doodsbeenderen gemaakt en met doodshoofden versierd, heeft de schilder zijn naam geschreven, terwijl op een steen het jaartal 1565 staat. Al de koppen ook het beeld van den Dood zijn keurig met de pen geteekend. Op den achtergrond ziet men het hemelsche Jerusalem, waar de uitverkorenen ingaan, en aan de andere zijde de pooit der hel voorgesteld door den gapenden en gloeiendea muil van een reusachtig monster. Deze schoone teekening is thands het eigendom van den Heer Haverkamp te Amsterdam, die haar welwillend aan |
â 102 â
|
ons voor eenige dagen heeft afgestaan. Van tijd tot tijd komen dergelijke teekeningcn van meester Maekten op de veilingen van kunst voor en hoewel de prijzen niet hoog stijgen zijn zij als kunst, van zeer bijzondere waarde. Er bestaan ook eenige houtsneóprenten, welke zoo niet door hem zelf gegraveerd dan toch door hem geteekend zijn. Het pren-ten-kabinet van 's rijks museum te Amsterdam bezit er eenige van. De gravure is gelijk alle houtsneöprenten van dien tijd, tamelijk grof, maar de teekening is geheel den meester waardig en zelfs minder stroef dan dikwijls in zijne schilderijen het geval is, zonder daarom iets van het grootsche karakter te verliezen, Ten laatste moet nog vermeld worden, dat Maerten van Heems-kert'k ook gewerkt heeft voor glasschilderingen. Dr van dek Willigen zegt, in zijn boek over de Haarlemsche schilders, twee in graauwkleur geschilderde glazen gezien te hebben met bijbelsche voorstellingen, waarop het naamcijfer van onzen meester stond, en de thesaurie-rekeningen der burgemeesters van Haarlem vermelden, dat in 1544 aan âMeester Maerten van Heemskerck Jacobss, scilder betaeld [is] die somme van vier ponden nmnte, als voort patroon van 't glas, dat, van wegen ende tot eere der voorn, stede, in den jaere veertich in den pande van den carme-lyten geschonken isquot; enz. Heeft Maerten veel voortgebracht, weinig schilders zijn er waar zooveel naar gegraveerd is geworden. Dirk Volgkertsz. Coorn-hert, cornelis CoRT,i Jan Muller, Tii. en Pil Galle, Bol-swaert en anderen hebben als om strijd zijn stukken in het koper gebracht. Eene aanteekening, in de uitgave van van Mandeb's werk door Jacouus de Jongh in 1764 bewerkt, spreekt van een Burgemeester van 's Hage, S. van Huls, die 648 prenten bezat, naar werken van Maerten en in een engelschen catalogus in 1829 door Th. Kebrich te Cambridge opgesteld, vindt men de beschrijving van 540 il 550 verschillende gravuren. Sommige onderwerpen zijn twee of driemaal door verschillende graveurs in het koper gebracht; niet a'len zijn naar schilderijen, velen naar die teeke-ningen, welke de meester zoo zorgvuldig met de pen vervaardigde. Dit groote getal prenten blijft toch even verwonderlijk en bewijst hoezeer het talent en de werken van onzen kunstenaar door zijn tijdgenoten werden geschat. Maerten van Heemskerck verliet in 1532, zoo al reeds gezegd is, zijn vaderland om Italië en vooral Rome te bezoeken. Na eene afwezigheid van drie jaren kwam hij terug, eene goede verzameling studiën meebrengende. Op reeds rijpen leeftijd huwde hij eene âschoone jonge dochterquot; van zekeren Jacob Koning Maria geheeten. Zijne jvrienden vierden feest en de Rederijkers speelden ter eere der jonggehuwden eene komedie of klucht. Die echtverbindtenis was echter kort van duur; de jonge vrouw stierf anderhalf jaar later in het kraambed. Een jaar of vier daarna begaf hij zich ten tweeden male in den echt en wel met Marytgen Gerritsd. Deze was niet schoon, en bovenmate hebzuchtig. Van Mander verhaalt, dat zij zaken kocht of zich trachtte toe te eigenen zonder die te betalen, hetgeen Maerten, die hoewel zelf zeer op rijkdom gesteld, toch een volmaakt eerlijk man was, veel verdriet veroorzaakte. Tot Mei 15SS woonde hij in de Lange Begijnenstraat. Dat huis, met een daarbij behoorende loods, verkocht hij toen aan zekeren Volckert Zegers. In 1562 bewoonde hij het achtste huis op den Donkeren Spaarn. Hij is Deken geweest van het St. LucAS-gilde, poorter van Haarlem, en toen hij stierf was hij sedert twee-en-twintig jaar kerkmeester der St. BAVO-kerk. |
Dat Maerten ijverig en werkzaam was en ook kracht en vaardigheid bezat, bewijzen zijn talrijke voortbrengselen genoeg, maar zij bewijzen tevens ook, door hunne groote verscheidenheid en door het eigenaardig' karakter, waaraan zij steeds te kennen zijn, dat hij begaafd was met een bijzonder scheppingsvermogen, hetwelk zijn oorspronkelijkheid nimmer verloor, zelfs niet bij de aanraking met de werken der uitheemsche meesters. Zijne stadgenoten achtten hem zeer en zijne werken waren zeer gezocht. Geldelijke verdiensten waren hem lang niet onverschillig en hij verzamelde dan ook een niet onaanzienlijk vermogen. Op het verkrijgen van lijfrente was hij bizonder gesteld, en bij velen der met hem gesloten contracten is na de hoofdsom nog een lijfrente bedongen. Een vreemde karaktertrek, dien men bij het zien zijner zoo kernachtige en krachtige behandeling niet verwachten zou, was eene groote blooheid, eene overdrevene vreesachtigheid. Men verhaalt, dat hij Rome plotseling en stil verliet, uit vrees voor een zeker persoon die hem een zijner schetsen ontstolen had en wiens wrok hij na het terugeischen van zijn eigendom vreesde. Op zijne terugtocht de stad Dordrecht doorreizende, had hij voor eenige d: gen zijn intrek in zekere herberg genomen, die, volgens van Mander, een hol was, waar reizende kooplieden 's nachts vermoord werden. Hoewel hij bij zekeren kunstliefhebber Pieter Jacobsz. genoodigd was, werd er op aangedrongen dat hij des avonds in de herberg zou blijven. Dit deed hem, zoo het schijnt, argwaan opvatten, hij begaf zich althans naar een schip dat voor de stad lag en vertrok nog denzelfden avond. Heeft onze vreesachtige Maerten gevaar gezien, waar het niet bestond of toen werkelijk in gevaar verkeerd, is nu moeielijk te bepalen; maar zoo veel is waar, dat hij, later te Haarlem, zich uit vrees voor de geweeren in de kerk verschuilde en in den toren klom, wanneer krijgslieden de stad doortrokken, en toen in 1572 Haarlem belegerd werd, vroeg hij vergunning de stad te verlaten en kwam naar Amsterdam, waar hij in de Warmoestraet bij den meer genoemden Jacob Rauwaert zijn ouden leerling, zijn intrek nam. Maerten bleef steeds aan het katholieke geloof getrouw en was een man van verdraagzamen aard; zijn vriendschappelijk omgaan met Coornhert en het bij testament schenken van legaten aan gestichten zonder onderscheid van godsdienst, bewijzen eene, in die tijden van wederzijdsche hardheid, zeldzame verdraagzaamheid. Zijn testament, op den 31quot; Mei t573 gemaakt in tegenwoordigheid van zijn vriend Simon Alewijn, pastoor van deSTNico-laas-kerk te Amsterdam, die hem ook in zijn laatste ure bijstond, is niet onbelangrijk. Zelf geen kinderen hebbende waren die van zijn broeder en zijne twee zusters zijne erven. Twee daarvan, en wel den zoon van zijn broeder en eene der dochters zijner oudste zuster onterfde hij geheel, en hoewel de redenen niet opgegeven worden, moeten die wel ernstig geweest zijn, want de onterving is zoo streng en volkomen mogelijk. Aan zijne vrouw vermaakte hij eene lijfrente van honderd-vijftig carolus gulden's jaars. Verders wordt in dit stuk eene bij een vroeger testament reeds bepaalde voorwaarde herhaald, betreffende het uithuwen van âtwee schamele maegden jaerlycxquot; waarvan eene te Heemskerk moest geboren zijn. De inzegening van die huwelijken moest op zijn graf geschieden en aan het Heiligen-Geest- of Burgerweeshuis te Haarlem werden eenige landerijen en renten vermaakt, om aan die meisjes ook een huwelijksgift te schenken. Maerten had ook voor zich zelven een âeerlyk proper en coustich Epithaphiumquot; verlangd. Dit graf-teeken bestaat echter niet, hetzij deze wensch niet vervuld werd, hetzij het grafschrift weggenomen werd, toen de grafstede in 1662 |
â 103 â
|
door den kleinzoon van zijn erfgenaam aan den burgemeester verkocht en met het aangrenzende tot een kelder verbouwd werd. Verder vermaakte hij aan de executeuren Jan van Zuren en Hendeik van Wamelen, burgemeesters, elk een schilderij of naar verkiezing tien bourgondische daalders. Nog andere personen werden door hem bedacht, en volgens van Mander bestemde hij ook eene zekere som tot onderhoud van de grafnaald welke hij vroeger reeds op het graf zijns vaders te Heemskerk had doen oprichten. |
Maarten van Veen van Heemskerck overleed den eersten van Wijnm aand 1E4 in den ouderdom van zes-en-zeventig jaar, en werd te Haarlem in een der kapellen der S' BAV0-kerk begraven. Volgens de lijsten in het weeshuis bewaard werd op den ig» November 1787 het laatste huwelijk op zijn graf gesloten. Dus maakte de weldoende kunstenaar, ruim twee honderd jaar na zijn dood, nog een gelukkig paar. |
G. Ed. Taurel.
I m$%
door miCHlEL TAK COOXYEÃÃ.
|
E kunstminnaar die het Staatsmuseum te Brussel bezoekt, en die, naast de voortreffelijke schilderijen, de goede orde bewondert, welke in deze ver-quot;1 zamelingen heerscht, ontwaart, niet zonder belangstelling, een tafereel dat, in eene der zalen opgehangen, breed opgevat en kloek gepenseeld, als overgangspunt schijnt te dienen tusschen de Vlaamsche School der » XVIe en die der XVII'' eeuw. Het stelt de Krooning met doornen voor, en boeit den aanschouwer zoo door zijne fiksche teekening als door zijne harmonische kleur. Bij den eersten aanblik ⢠zou men zich voor het werk wanen van een schilder der XVIP eeuw, die wellicht met Rubens, of liever met van Dyck, in betrekking heeft gestaan â dwaling â het tafereel is een voortbrengsel van eenen voorzaat dier meesters en nog wel van den Mechelaar Michiel van Cocxynen, die, meer dan een?, wordt beschuldigd den geest onzer nationale school te hebben miskend. In dit tafereel evenwel is van Cocxvkx vlaamsch gebleven, en bij de ontleding der groote hoedanigheden welke het bezit, begrijpen wij zeer wel den invloed, dien de schilder op zijne kunstmakkers heeft uitgeoefend en de faam die hij in zijn tijdvak heeft verworven, In het midden der samenstelling is de Zaligmaker zittend afgebeeld, een purperen mantel daalt hem van de schouders; en terwijl de beide punten van dit kleedingstnk op de knieën te saam worden gebracht, zijn de borst en de armen gansch zichtbaar en naakt; het inkarnaat van het vleesch lost voortreftelijk tegen de sombere toonen van den mantel uit. Een soldaat in het bruin gekleed, drukt Jesus de doornenkroon in het voorhoofd, terwijl een ander krijgsman, ter linkerzijde geplaatst, den Heiland een harden kaakslag toebrengt. Op het voorplan zijn twee soldaten spottend neergeknield; zij bieden den koning der Joden lasterend eenen rieten scepter; ter rechter zijde staat een man in het rood gekleed, die den lijdenden God-Mensch bespot en beschimpt. Het tooneel heeft onder een arkade plaats; in het verschiet ontwaart men den blauwen hemel. |
Grootsch van opvatting is de samenstelling; de episode is volledig zonder nuttelooze bijzaken voorgesteld; de figuur van den Zaligmaker is schoon, zijn kalm en ernstig gelaat steekt treffend af tegen de woeste en hatelijke uitdrukking der beulen die hem omringen. De meester wien wij dit voortreffelijk tafereel zijn verschuldigd, is, wij hebben het reeds gezegd, Michiel van Cocxyen. Hij werd te Mechelen in 1499 geboren en was de zoon van den kunstschilder Michiel van Cocxyen, den oudere, die in zijn vak een zekere befaamdheid had verworven en aan het Hof der Landvoogdes Margarita van Oostenrijk zeer wel werd ontvangen. Na de eerste lessen in de woning zijns vaders te hebben verkregen, trad Michiel van Cocxyen, de jongere, in het werkhuis van den alsdan gevierden Barent van Orley. In onze aanteekening over laatst gemelden schilder !) hebben wij de vriendschap doen uitschijnen, die weldra den meester en den leerling verbond, tot het punt dat beide kunstenaren gezamenlijk verscheidene aanzienlijke stukken uitvoerden. Men zegt dat het op aanraden van Barent van Orley was dat Michiel van Cocxyen de reis naar Italië ondernam en zich aldaar onder de leiding van Raphael plaatste; het feit is mogelijk, ofschoon het bewezen is dat Sanzio overleed toen onze landgenoot slechts een-en-twintig jaren telde. Michikl van Cocxyen, die de bescherming van Kardinaal van Enckevoirt genoot, arbeidde voor verscheidene kerken te Rome; zelfs beweert men dat hij voor de basilica van St. Peeters, eene hemelvaart zou hebben gepenseeld, door welk uitmuntend werk, zegt een zijner geschiedschrijvers, hij in groote achting kwam. âHet tijdstip,quot; zegt de Heer C. Neeffs du Trieu, wien wij eenige 1) der bovenstaande inlichtingen hebben ontleend, âhet âtijdstip waarop onze schilder Italië verliet, is onbekend; doch âVasari heeft hem te Rome gekend in 1532 2), en hij werd te âMechelen in de ST.-LucAS-gilde ingeschreven den 11quot; November 1559.quot; Volgens sommige schrijvers, zou Michiel van Cocxyen te Rome in den echt zijn getreden met eene vrouw van Vlaamschen |
1
Handschrift Smf.yers, aangehaald door C. Nueffs, Vlaamsche School D. II bl. 17.
2
3j Gokthals, Lectures, D. III. bl. 106.
â 105 â
|
oorsprong, Ida van Hasselt genaamd die, naar het schijnt, ecncn grooten en weldoenden invloed op de loopbaan haars echtgenoots heeft uitgeoefend. Wat hiervan zij, het is stellig dat onze schilder, ofschoon hij, evenals vroeger zijn meester Barent van Ohley, den bijnaam van Vlaamschen Raphaël, bekwam, er evenwel verre van af was met den grooten Italiaanschen meester in alles te kunnen vergeleken worden. Dat hij door zijn verblijf in de Zuiderlanden vele van zijne oorspronkelijke eigenschappen heeft verloren, dat hij de Italiaansche schilderwijze zich heeft pogen aan te schaffen, zulks is en blijft buiten kijf, doch dat hij zijn eigen-ik dusdanig kon verloochenen om als een uitheemsch schilder op te treden, hierin was hij zoo min als vroeger zijne voorgangers, en later zijne nazaten geslaagd-Van Cocxyen bleef een nederlandsch schilder, behebt met een aantal zwakheden in den vreemde bekomen, doch in bezit van groote ingeboren eigenschappen die hem immer eenen voornamen rang tusschen de groote meesters onzer school zullen doen bekleeden. Volgens van Man der, was zijn âeerste en besonderste werck âbuyten Brussel twee oft dry mylen, te Halsenbergh, t'hoogh âAltaer-tafel, een groot stuck, wesende een Crucifix, een uyt-ânemende constigh werck daer menigh constenaer dickwils uyt âBrussel quam om te zien. Dit heerlijck stuck,quot;, vervolgt onze schrandere schrijver, âwerdt in de nederlandsche beroerte ghe-âvoert in Spaengien, door eenen Thomas Werry, Coopman van âBrussel, cn aen den Cardinael Granveli.es vercocht om den âConingh Philipquot;. *) Indien wij van Mander wel begrijpen, dan zou de zelfde Werry ook de bemiddelaar geweest zijn die de heerlijke samenstelling de dood van Maria uit de ST.-goele-kerk te Brussel voerde; âdit was ook een van zijn bijzonderste werck,quot; zegt onze Molen-bekenaar âhier goeden coop, en in Spaengien seer duyr verkocht.quot; Buiten twijfel geldt het hier het beroemde triptyk dat door Philip II aangekocht, langen tijd het Eskuriaal versierde en zich thans onder Nos 1300, 1301 en 1302 in het Museo del Pr ado, te Madrid bevindt. Het middenstuk vertoont de Moeder Gods op haar sterfbed door eenen engel bijgestaan en van de haar vereerende apostelen omringd; in het bovengedeelte de zelfde Heilige Maagd naar den hemel varend, in het midden der kooren van engelen. De rechter luikdeur stelt, langs den binnenkant, de geboorte van Maria voor cn langs den buitenkant de Enge len-g roe te nis; als bas-relief; de geboorte Christi. De linker luikdeur, heeft, langs den binnenkant, voor onderwerp, de opoffring Christi in den tempel, en, langs de buitenzijde, de Bezoeking, en als bas-relief de Aanbidding der drie Koningen1), Dit triptyk wordt thans nog als een der voornaamste voortbrengsels van onzen kunstenaar gehouden. Dat overigens Koning Philips II het talent van Michiel van Cocxyen hoog wist te schatten, getuigt genoegzaam de betaling die deze vorst in 1559 den schilder deed doen eener som van twee duizend dukaten voor eene kopij van het meesterstuk der van Eycken: Het lam Gods. |
Zonderling feit, even als de oorspronkelijke samenstelling werd deze kopij ook verbrokkeld. Door Generaal Belliard, tijdens den inval der Franschen in Spanje, aan de Koninklijke verzamelingen ontrukt, bevindt zich thans een deel daarvan in het Museum van Berlijn, een tweede in het Museum van Munchen terwijl een derde gedeelte, uit zes paneelen bestaande, in de verzameling van Z. M. Koning Willem II der Nederlanden ') geplaatst was. Deze vier onderwerpen, waarbij twee nog eens voorkwamen, allen volgens den door den Heer Nieuwenhuizen opgemaakten catalogus van de hand van Michiel van Cocxyen, werden, bij de veiling van het Koninklijk cabinet, verkocht voor de som van Æ2400,â Toen Keizer Karel V het klooster van Juste betrok, liet hij eenige schilderijen van Michiel van Cocxyen daarheen brengen; andere stukken werden door Maria van Hongarijen eveneens naar Spanje gestuurd. Niettegenstaande al die verzendingen en nog andere verliezen, noodlottige gevolgen van lands-beroerten en oorlogen, zijn toch nog verschillende werken van onzen meester in de musea en kerken van Nederland aanwezig. Zoo vindt men in het Staatsmuseum van Brussel, behalve het reeds vermelde stuk, de Krooning met doornen, een tweede afkomstig uit de Sr.-GoELE-kerk van Brussel, waar het in de kapel van het heilig Sakrament boven het hoofd-altaar geplaatst was. Het is een triptyk met levcnsgroote figuren. Op het linker luikpaneel ontwaart men den Heiland de voeten zijner discipelen wasschende; de architectuur van den achtergrond is dezelfde als die van het middenpaneel waarop men den Zaligmaker met zijne apostelen ziet, zittende aan een lange tafel welke schuins voor den toeschouwer staat. Het derde tafereel heeft eenige uren later plaats in den hof van den Olijfberg. Op den voorgrond liggen de apostelen ingesluimerd, terwijl, op den achtergrond, een engel aan den biddenden Zaligmaker verschijnt. De derde schilderij die zich op het museum bevindt, is ook weer een triptyk, vroeger aan de Kerk van Onze Lieve Vrouwe op het Zand behoord hebbende, alwaar zij het altaar van den grooten eed van den handboog versierde. Op de achterkanten der luikdeuren ziet men dan ook de groote ambtsbekleeders der vereeniging; links een lid van het gezin van Busleyden en, aan de rechterzijde, een personaadje uit het huis van Turn en Taxis; hunne wapenschilden zijn op de kleeden der tafels, waarbij zij geknield zijn, afgebeeld. Het middentafereel is het sterven van de Heilige Maagd; de onderwerpen der luik-paneelen zijn de Nederdaling van den Heiligen Geest en de Hemelvaart van Maria. In het midden van het hoofdpaneel ligt de Heilige Maagd op haar leger tdtgestrekt, de Apostelen staan rondom en een engel ter rechterzijde geplaatst, biedt haar den in het paradijs geplukten palmtak aan. De H. Joannes staat aan de andere zijde van het bed, terwijl een der apostelen en eene vrouw, waarschijnlijk Maria de nicht van Elisauetii, op den voorgrond, gezangen uit geopende boeken lezen. Het Museum van Antwerpen, de stad waar Michiel yan Cocxyen voor het jaar 1584 als lid der S'-LucAS-gilde werd ontvangen, is ook in het bezit van eenige schilderwerken waarvan de marteldood des Heiligen Sebastiaan's wel het voornaamste is. Dit stuk was vroeger in de Hoofdkerk geplaatst en werd door de gilde van den âOuden handboogquot; besteld. De martelaar, door eenen eersten pijl reeds getroffen, staat gebonden voor eenen boom, terwijl vier boogschutters op hem aanleggen. Achter deze laatsten ziet men Keizer Diocletiaan met zijn gevolg en eenige 1) Catalogue du Musée d'Anvers, édition de 1857 publico par mie commission composée de M. M. J. A. de L.vi.t, le Chev, Léon de Uuuhi re, 1'avocat. Th. van Lebius et P. Génard. |
1
Catalogo de los Cuadros del Museo del Prado de Madrid por D. Pedro de Madrazzo.
â 106 â
|
toeschouwers. Deze schilderij werd door van Cocxyen op hoogen ouderdom vervaardigd; het volgende opschrift geeft ons het jaar der uitvoering en tevens ook den leeftijd van den kunstenaar. Michiel D Cocxyen ^Etatis su.-k 76 fecit 1575. Hetzelfde museum bezit thans nog twee luikdeuren, den marteldood van St. Joris en de Heilige Margarita voorstellende, waarvan het middenstuk echter verloren of niet bekend is. Het zou kunnen zijn dat alleen de luikdeuren aan van Cocxyen besteld werden voor een reeds bestaande middenstuk. Verder bezit het Antwerpsch Museum een derde schilderij van zijne hand en wel de zegepraal van Christus. De gilde der boogschutters zijner geboortestad bleef niet in gebreke en bestelde aan van Cocxyen een altaarstuk, kiezende gelijk het Antwerpsch genootschap den dood van den Heiligen Seuastiaan, martelaar, tot onderwerp. Dit stuk bevindt zich nog in de metropolitane Kerk van Mechelen en draagt hetvolgende opschrift: Michiel de Cocxyen piot. heg. me fecit ann. 1588 /etatis su/E 89. Dezelfde St. rombouts-Kerk bezat vroeger meer stukken van onzen meester, waarvan sommige verloren raakten of weggevoerd werden tijdens de onlusten en verwoestingen der jaren 1566 en 1578. Thans vindt men er nog de zoo even genoemden: St. Sebastiaan, den marteldood van St. Joris en de Besnijdenis. Twee vleugelpaneelen van het stuk boven het altaar van j St. Lucas zijn omstreeks genoemden tijd (in 1580) door den Aartshertog Matthias naar Oostenrijk vervoerd. Zij stelden den Heiligen Johannes op het eiland Pathmos voor. In de bisschoppelijke Kerk van Gent vindt men, in een der kapellen, de Gelijkenis van den slechten rijke en de werken van Barmhartigheid; in de kerk van den Heiligen j Jacobus, de Geboorte, de Kruisiging en de Opstanding. Te Brugge bezit het Beggijnenhof een schilderij, vertoonende de Heilige Elisabeth van Hongarijen aan de voeten van Christus. ' Een triptyk, de Hemelvaart voorstellende en op de luikdeuren Guy de Morillon, secretaris van Ka rel V, met zijn gezin, bevindt zich, te Leuven, op het stadhuis en, in de St. Geer-trui's-kerk, een ander stuk, de Kruisdraging. Het zou te moeielijk en ook te lang worden al de werken ' welke onze meester in den loop zijner lange loopbaan uitgevoerd ! heeft, te willen noemen en beschrijven. Zijn laatste schilderij ^ vervaardigde hij voor de ST.-OoELE-kerk van Brussel op twee-en-negentigjarigen leeftijd; het onderwerp is de Kruisdraging, i Michiel van Cocxyen maakte ook teekeningen voor de beschilderde vensters der kapel van het Heilig Sacrament in dezelfde j kerk. De twee eersten werden door Bakent van Orley ge- j teekend maar, na den dood zijns meesters in 1541, werd aan Miciiim, van Cocxyen de zorg voor de overigen opgedragen. De verscnillende uogenblikken van het mirakel, dat volgens de | legende, in 1370 plaats had, zijn in de bovengedeelten der vensters afgebeeld; .e twee ramen, in welker onderste gedeelten afgebeeld /.ijn J.oin-wijk II Koning van Hongarijen met zijne vrou â a Jan III Koning van Portugal, met zijne vrouw Cat. . ij.sieniijk, werden in 1542-47, door Jan Haeck van Ai 1. ai de teekeningen onzes meesters uitgevoerd. Eenif. 1.1 tu 1555, vervaardigde hij ook de teekeningen |
voor het groote geschilderde venster der Kathedrale Kerk van St. Bavo te Gent. Het hoofdonderwerp daarvan was het doopen van den besnedene der Koningin Condace door den H. Piiilippus. De knielende personen in dat raam voorkomende waren Piiilippus II van Spanje en zijne gemalin Maria, Koningin van Engeland, met hunne patronen. Dit schoone kunstwerk bestaat heden niet meer. Met alle recht kan men dus zeggen dat het leven van onzen kunstenaar wel besteed en werkzaam is geweest. Hij bewoonde te Mechelen een huis in den Bruel, vlak over het Wijngaardstraatje. Dit huis was ruim en, door zijn vermogen in staat zijn eigen smaak te volgen, had hij een aantal kunstwerken om zich heen verzameld en van zijne woning een klein museum gemaakt. Van Mander spreekt zelfs met grooten lof van drie huizen welke de meester bezat en die hij, hetgeen zeker wel wat overdreven is, bij kleine paleizen vergelijkt. Na het overlijden zijner eerste vrouw, hertrouwde van Cocxyen met Johanna van Schille, die weduwe geworden zijnde, op hare beurt een tweede huwelijk aanging met zekeren Philip van der Ray. Uit het eerste huwelijk werd een zoon geboren dien men den naam van Raphael gaf en die-zijn vader in het kunstvak opvolgde. Men kent van hem een Laatst Oordeel, dat vroeger op het stadhuis en thans op het Museum van Gent berust. Twee zonen, Michiel en Koenraad en eene dochter Anna, waren uit het tweede huwelijk gesproten; waaruit blijkt dat van Mander zich vergist wanneer hij opgeeft dat die verbintenis onvruchtbaar bleef. Michiel van Cocxyen had den ouderdom van drie-en-negentig jaar bereikt toen hij naar Antwerpen ontboden werd om op het stadhuis âeenigh werckquot; te volbrengen. Deze tocht was den kunstenaar rampzalig. Van eene stelling gevallen, werd hij naar zijne geboorteplaats overgebracht, alwaar hij, ten gevolge zijner wonden, op 10 Maart 1592 overleed. ') Ofschoon, gelijk wij hebben gezien, van Cocxyen verscheidene jaren in den vreemde had doorgebracht, was onze schilder evenwel den vaderlandschen grond zeer toegedaan; men verhaalt dat hij meermaals de voorstellen afsloeg van vreemde vorsten die hem om zijn talent in hunnen dienst wenschten te ontvangen; zoo beweert men dat Frans I, Koning van Frankrijk, te vergeefs pogingen deed om hem naar Parijs te lokken; integendeel ontving hij met vreugde den titel van schilder des Konings van Spanje, daar hij, als Spaanschgeziude, in Philip II den wettigen vorst der Nederlanden wilde huldigen. Zelfs schijnt hij in het midden der XVI0 eeuw de gunsten van het Hof te hebben behouden en het blijkt dat de Hertog van Al va, in 1570, hem en zijn zoon Rapiiaël van de lasten der militaire inkwartiering deed ontstaan 1). Onze schilder was steeds lustig van gemoed en van Mander haalt verscheidene spreuken aan, die bewijzen dat hij er van hield soms een geestig woord te plaatsen. Verscheidene plaatsnijders arbeidden naar de werken van Cocxyen; onder deze telt men Jan Sadeleer en Jkroom Cock. Het vraagpunt of onze kunstenaar zelf het stift heeft behandeld is tot nu onopgelost gebleven 2). P Génard. |
1
2; C. Neeffs du Tkieu, Vlaamse he School, 2quot; jaar en E. Neeffs Histoire de la peinture et de la sculpture a Malines. ï I. p 156.
2
E. Neeffs, Op. Cit. bl. 173.
⢠â
; â ! 'â . - 'f â
^u^W0$K ff''-- ^â¢%4ïSquot;quot; 3MH
wwk
rwm
iamp;ÃWM
SIISSfilWM:' :
\^EEra®lt;8;-sW'»^quot;' â¢^sÃ.^.'f ?p â â ;â . â â '.' â â vi', .,'-â
.4,\;#.k£r v
'' 'â â .: 'Iv iïJ' *.â '' 'â 'ïA:'quot; ,lt;â â quot;⢠â¢
Si»;'â â 'â 'fc ;.:c: ^ I
w
door ANTOÃIE ELOCKLANT, gezegd VAN MONTFOOfiT.
|
Erwijl men in de meeste musea en vele particuliere collectien belangrijke en zeer goed bewaarde exemplaren van de talrijke werken van Maerten van Heemskercic aantreft, bevindt zich in Nederland, zooverre wij weten, slechts één enkele schilderij van Antonie van Montfoort, ook wel van Blocklant genaamd, en in het buitenland niet meer dan twee of drie. Het is waar dat deze kunstenaar veel minder voortgebracht heeft dan Maerten, maar toch moeten ongelukkige omstandigheden meógewerkt hebben om het getal zijner bestaande kunstwerken zoo gering te doen worden; van Man der althans noemt er verschillende, welke allen verdwenen zijn. Hij spreekt van eenige belangrijke altaarstukken welke onze meester voor verschillende kerken der Noord-Nederlandsche steden vervaardigd heeft, die echter allen ten tijde der beeldstormerij door âschen-zuchtige handen vernield zijn.quot; De voornaamste dier kunstwerken waren, de legende van Squot; Catharina voor een der kerken van 's-Hertogenbosch, â de Nederdaling van den Heiligen Geest met de Hemelvaart en âandere dergelijke historiënquot; voor de St0 geertruide-kerk te Utrecht en nog een altaarstuk, het Sterven en Begraven van den Heiligen Franciscus voorstellende, dat zich vroeger in het klooster der Minderbroeders te Amsterdam bevond. Ten tijde van van Mander, omtrent 1604, bevonden zich bij den neef van onzen meester, Assuerus Heer van Blocklant, wonende in de Warmoesstraat, de portretten van zijn vader en zijne moeder welke de schrijver zeer roemt; bij de W»i Keghe-lingen een beeld van Venus, en in de Nes bij Wolfaert van Bijler eenige stukken, het leven van Jozef voorstellende, welke echter niet voltooid waren. Deze schilderijen waren dus allen te Amsterdam. Te Dordrecht bevonden zich verschillende tafereelen uit het Lijden van Christus en te Leyden, bij den kunstlievenden Pi et er Huighessen, eene Bathseua in het bad en andere vrouwenbeelden, welke echter allen in aanleg en onvoltooid waren gebleven. |
Onder de kerk- en altaarstukken welke reeds voor zijn tijd door beeldstormers waren vernield, noemt van Mander ook eene onthoofding van Jacohus, voor de S' jans-kerk van Gouda door onzen meester vervaardigd. Dat de oude historieschrijver wel eens in dwaling verkeerde en niet alles persoonlijk en ter plaatse kon onderzoeken wat de overlevering tot hem bracht, is zeer natuurlijk en blijkt alwéér hier, daar genoemd tafereel nog beslaat en tot origineel voor onze gravure heeft gediend; het is het eenige dat in ons land te vinden is. In zijne beschrijving der stad Gouda, in 1713 uitgegeven, zegt Walvis dit; âIn dezelvige Hoofdkerke op S' Jacobs altaar zag men een bovenal uitnemende schilderye van S' Jacoi! onthoofdinge door den Edelen Heere Antonie van i Montfoort, best onder den name van Blocklant bekend, ge-j daan. Men ziet dit kostelijk stuk heden op de schepenkamer te I Gouda, zoo dat Karel van Mander mist, te kennen gevende : dat het door de barbaarsche handen der Beeldstormers (die te Gouda nooit woedden) den oogen der kunstlievende nakomelingen zoude ontroofd zijn.quot; ») Eenige jaren geleden is dit stuk in zeer slechten toestand in de bergplaatsen van het stadstimmerhuis terug gevonden, en de werklieden die het naar het Museum, waar het zich thands bevindt, overgedragen en weder omlijst hebben, herinneren zich nog, het op het stadhuis, te hebben gezien ter plaatse door Walvis aangewezen. Omstreeks dertig jaren geleden was het, bij het vertimmeren en nieuw behangen van de schepenkamer, afgenomen en in vergetelheid geraakt. Deze laatste inlichtingen hebben wij zelf ts Gouda ingewonnen en wel van den Heer J. J. Bertelman, lid der commissie en mede-oprichter van het Museum. Aan de waarheid daarvan en aan de echtheid der schilderij valt dus niet te twijfelen. Het is een groot, zeer belangrijk stuk met levensgroote beelden op den voorgrond. De Apostel S' Jacobus de Meerdere ligt op de knieën met ontblooten hals en schouderen. Slechts de bovenarmen zijn met een touw vastgebonden, de voorarmen zijn vrij en de handen tot bidden saamgevouwen. Het haar en de baard zijn wit. De stand van het gansche beeld en de uitdrukking van het gelaat geven geheel den martelaar te kennen, die in zijn lot berust en, op God vertrouwend, den dood niet vreest. Naast hem ligt het onthalsde lijk van een zijner medediscipelen en achter 1) Zie genoemd werk D. II, bladz. 38. |
16
|
hem, het zwaard met beide handen omhoog hefiende, staat de beul gereed om toe te slaan. Aan de eene zijde van den hoofdgroep is een romeinsche lictor geplaatst en aan de andere zijde staan twee krijgsknechten, allen in volle wapenrusting. Op den tweeden grond zitten twee rechters en boven hen, op eene verhevenheid, Koning Herodes op zijn troon. Een jonge man, de hand leggende op den schouder van een der beide rechters, schijnt nog eene laatste poging te doen om de vrijspraak des martelaars, welke echter niet gegeven kan worden, te verkrijgen, terwijl het volk de volbrenging van het bloedig vonnis in stilte afwacht. Hoewel dit groote historiestuk veel geleden heeft, blijft het toch een kunstwerk van hooge waarde, welke waarde nog vergroot wordt door de zeldzaamheid van Antonies werken. Enkele plaatsen, in vroegere tijden blijkbaar geretoucheerd, zijn als gewoonlijk meer bedorven dan verbeterd en het geheel heeft zeker te veel verloren om over de oorspronkelijke schoonheid te kunnen oordeelen, maar de fraaie en belangrijke compositie, die, zonder in het gruwelijk realisme waartoe het onderwerp lichtelijk aanleiding kon geven te vervallen, toch niet ontbloot is van zekere indrukwekkende grootheid, is onveranderd en volledig. De beelden zijn goed geteekend en goed gedrapeerd en de schildering is flink en breed uitgevoerd. Dat de kunstenaar veel naar de Italiaansche meesters gestudeerd heeft is zoowel in de omtrekken der beelden als in sommige vlottende draperien en ook in de ge-heele compositie duidelijk te zien. Hoewel eerst laat en zeer kort in Italië geweest zijnde, heeft het bij Erans Eloius genoten onderwijs en ook de algemeene kunstsmaak van zijn tijd, bij onzen meester, die er zelf ook niet afkeerig van was, de italiaansche richting bepaald en bevorderd. In het buitenland weten wij slechts twee stukken van An-tonie van Montfoort met zekerheid aan te wijzen en wel een op het Museum te Berlijn en een op den Belvedere te Weenen. De eerste is eene Aanbidding der Herders. Maria, Joseph en het kind Jfzus bevinden zich onder een gewelf terwijl oude en jonge herders om hen been geschaard, het Goddelijk Kind aanbidden; in de verte een fraai landschap. Dit stuk is 2 vt. 4 dm. hoog bij 3 vt 4 dm. breedte. Het tweede dat zich te Weenen bevindt is een mythologisch tafereel Acteon door Diana tot hert herschapen, hoogte 5 vt 3 dm, breedte 3 vt. 11 dm. Laat ons nu tot de beschrijving overgaan van het altaarstuk dat door van Mander, omstreeks 1604, bij Jufvrouw van Hont-noRST te Utrecht, achter den Dom, gezien is, en dat hij met alle recht opgeeft als het belangrijkste werk van onzen meester Het was een triptiek van grooten omvang, van boven rond en in het midden bijna 12 voet hoog. Tot 1820 te 's Hage gebleven was het toen reeds anderhalve eeuw het eigendom der familie van Reenen. Hoe dit stuk in het bezit der Heeren van Reenen kwam, is niet met juistheid te zeggen. De omstandigheid dat Adrian \ van Balk-ïneynde, weduwe van den zeven jaren vroeger overleden schilder Pauliis Potter, in 1661 in den echt trad met Duik Jansz. van Reenen, heeft sommige schrijvers doen veronderstellen dat genoemde schilderij vroeger het eigendom van den beroemden landschap- en beestenschilder was, en met andere nagelaten kunstwerken door die echtverbintenis in het bezit van den Heer van Reenen kwam. Toch schijnt dit niet bewezen te zijn; trouwens doet het weinig ter zake of het triptiek door dat huwelijk of door aankoop in het huis gekomen is, waar het tot 1820 bewaard werd. Dit is zeker dat in 1759 door P. C. La Eargue op last en op kosten van den toen levenden Heer van |
Reenkn, in wiens bezit de schilderij meer dan een halve eeuw reeds was, eene gravure daarnaar ifi gemaakt. Het latijnsche opschrift op die gravure te lezen, en luidende als volgt, geeft een en ander duidelijk te kennen. P. C. LA FARGUE DELINEAVIT ET JERE INCIDIT, JUSSU ET IMPENSIS J. J. VAN REE a EN HAGENSIS. TABULAE PLUS SECULI DIMIDIO POSSESSORIS. A« 1759. Van Mander noemt het âeen heerlijk stuk met twee deuren, in welk de Hemelvaart van Maria en op de deuren van binnen de Kerstnacht en een andere gebeurtenis, maar van buiten de Boodschap van Maria verbeeld zijn.quot; Er is, in die beschrijving, buiten de onvolledigheid ook een kleine vergissing in de plaatsing der onderwerpen, welke echter te onbeduidend is om het bedoelde stuk niet dadelijk te herkennen. De boodschap aan Maria bevindt zich niet op de buitenzijden, maar even als de Kerstnacht, beter gezegd de Aanbidding der herders, aan de binnenzijde. Het middenpaneel is de Hemelvaart van Maria. Midden door een koor van musiceerende Engelen stijgt de Hemelkoningin omhoog, terwijl twee kleine engelen haar de kroon boven het hoofd houden. Beneden staan de Apostelen en Discipelen rondom de ledige steenen lijkkist; deze rijke en belangrijke compositie is het hoofdonderwerp van het geheele stuk. Wanneer het triptiek gesloten is, dan ziet men op de buitenzijden der luikpaneelen, aan den rechterkant, de Heilige Maagd omringd van stralend licht, zittende op de wolken, met het Kind op den schoot, en aan den linkerkant een man in priestergewaad, die hoogst waarschijnlijk de schenker moet zijn, geknield voor zijn bidstoel. Achter hem staat zijn patroon St. Andreas, terwijl naast hem de Aartsengel Miciiaël den kop van den draak verplet. Op den bidstoel vindt men de letters van den schilder A. B. aan een verbonden, daarnaast het jaartal 1579 en op het kleed dat over den bidstoel hangt, een wapenschild; zijnde gedeeld â 1, vi.n zilver meteen dwarsbalk van keel, vergezeld van 3 harten van 't zelfde; 2, van goud met hermelijnstaartjes beladen met een leeuw van keel. Boven het schild een halfaanziende helm met zilveren vlugt, elke vleugel beladen met een rood hart. Voor welke Kerk dit belangrijk kunstwerk oorspronkelijk vervaardigd is, weet men niet; van Mander geeft hieromtrent niet de minste aanwijzing. Zoowel het hoofdonderwerp, de Hemelvaart van Maria, als die der beweegbare paneelen, de Boodschap, de Aanbidding der Herders, en de verheerlijking van Maria op de buitenzijden geven echter genoegzaam te kennen dat de schilderij in den oorsprong voor een aan de Heilige Maagd toegewijd altaar bestemd was, en een paar bijzonderheden, ons door den heer S Muller Ez , archivaris der stad Utrecht, welwillend meegedeeld, versterken niet alleen onze meening maar wijzen als het ware in de verte, de St. MAHIA-Kerk van Utrecht als de eerste bezitster aan. Die bijzonderheden hoewel geen on-wederlegbare zekerheid gevende, zijn toch te belangrijk om te worden verzwegen. Volgens de nog bestaande rekeningen der kerkfabriek bevond zich namelijk in het Koor der St. Maria-Kerk een groot schilderij de Hemelvaart der H. Maagd voorstellende. Dat stuk, door den Kannunik Krob aan de Kerk geschonken werd uit vreeze voor de beeldstormers in het jaar 15S0 afgenomen en kan dus ook omstreeks twintig jaar later door |
'C '.'tii'
109 â
|
van Mandeh ten huize van Jufvrouw van Honthorst gezien zijn. Een tweede aanwijzing is een brief in het jaar 1805 door Musschenbboek, die tot eene oude Utrechtsche familie behoorde, aan een zijner vrienden te Amsterdam geschreven, waarin gesproken wordt van de gravure âdoor La Faugue naar het bekende stuk der s'. maria-Kerk gegraveerd.quot; Dit alles bijeenbrengende is men zeker geneigd de geheele geschiedenis van het altaarstuk te herkennen, raadzamer is het echter zich bij een vermoeden te bepalen, zoolang deze aanwijzingen, hoe opmerkelijk ook in elkander sluitende, niet door vaste bewijzen tot zekerheid worden verheven. Van zelve komt nu de vraag, waar is het belangrijk kunstwerk thans ? Immerzeel, Chr. Kramm en later T. van Westhbeene Wz. !), welke alle drie van dit merkwaardig werk van Antonie van Montfoort spreken, hebben zich ook alle drie even zeer vergist. De twee laatsten verhalen dat het, na jaren in handen van kunstkoopers te zijn geweest, eindelijk verkocht werd aan den Hertog van Nassau. Hier is niets van aan. Op hun schrijven afgaande, hebben wij ons tot den Hertog gewend, met verzoek de plaats te mogen vernemen, waar het triptiek zich thans bevindt. Na eenige correspondentie heeft Zijne Hoogheid ons door den Heer Baron von Hadel, te Biebrich, doen weten dat alle onderzoekingen vruchteloos waren gebleven, dat hij zich niet herinneren kon tijdens zijn verblijf in Holland dat stuk te hebben gekocht en dat ook de nage/.iene rekeningen van die jaren niets van een dergelijken koop melden. Eenmaal de zekerheid hebbende dat genoemde schrijvers en Kramm wel het allermeest, zoo erg afdwaalden, hebben wij door nieuwe nasporingen de waarheid trachten te vinden. Tot een gewenschte oplossing zijn wij echter niet gekomen. In 1820, na den dood van Laurens Lamoraal van Reenen, werden de schilderijen en andere zich in het oude huls der familie te 's Hage, bevindende kunstwerken in veiling gebracht. Onder de schilderstukken bevond zich ook de Beerenjacht door Paulus Potter en het por tret van dien meester door B van der Helst, Beide stukken werden zooals men weet door het Rijk aangekocht, voor de Musea van Amsterdam en 's Hage. Het groote triptiek van Antonie van Monteoort werd door den zoon van den Heer L. L, van Reenen gekocht, uit gehechtheid aan dat stuk dat zoo lang der familie had toebehoord, Weld'-a bleek echter dat het door zijn omvang geheel ongeschikt was om in een huis, al is dat nog zoo ruim, te worden geplaatst. Het werd naar Amsterdam vervoerd en geborgen in een ledig koetshuis achter het huis van den Heer van Reenen op de Heeren gracht. Daar bleef het verscheidene jaren, tot er eindelijk, alweer ten gevolge van sterfgeval en verkoop van het huis, besloten werd er zich van te ontdoen. In den ingevulden catalogus der op 3 Maart 1846 en volgende dagen, in het Huis met de Hoofden, gehouden veiling, bij den Heer C. F. Ror.s berustende, en ons welwillend vertoond, komt het altaarstuk van Antonie van Blokland voor. De koopers kwamen echter niet en de schilderij werd voor f 1000 opgehouden. Daar de vervoering te veel moeielijkheden opleverde was het stuk niet naar het huis met de Hoofden overgebracht maar te zien geweest in het koetshuis. Geen kooper gevonden hebbende bleef het daar â hoe lang ? â en waar is het tegenwoordig ? |
Om deze twee vragen te kunnen beantwoorden, hebben wij1alles gedaan wat in onze macht was; na maanden en maanden zoekens kunnen wij het antwoord niet geven. Het zal zeker menigeen vreemd voorkomen, dat een stuk van zooveel kunstwaarde, zoo belangrijk door zijn omvang en zijn bijzondere zeldzaamheid, na bijna twee eeuwen het eigendom derzelfde familie die het bewaard en gespaard had, te zijn geweest, op eens verdwijnt, zonder dat er eenig spoor terug te vinden is. Hoe het ook zij, wij hebben het voorbeeld van Kramm en vA\quot; West-iireene niet willen volgen en bekennen liever onze onwetendheid dan zaken te vertellen wier onwaarheid later toch ontdekt wordt â wij onthouden ons dus van alle veronderstellingen en wenschen dat het stuk niet verloren zij, maar spoedig weer ontdekt en aan onze kunsthistorie terug gegeven worde. De koperen platen door la Fargue bewerkt hebben beter lot gehad; zij bestaan nog en zijn in vrij goeden staat. Het zijn drie bladen, het middenstuk, de twee binnen en de twee buitenzijden der luiken voorstellende Het middenstuk 51 d. hoog en 50 d. breed zijnde, beslaan de drie bladen met elkander eene breedte van 150 d Bij de vier nu beschreven stukken,, waarvan slechts één, de hierbij in gravure weergegeven, in ons land berust, bepaalt zich da opgavs der nog bestaande werker, van onzen meester. Wij mogen echter het triptiek dat zich te Utrecht in het aartsbisschoppelijk museum bevindt, en dat, hoewel niet bewezen, toch voor een werk van onzen Antonie wordt gehouden, niet onbesproken laten. De bedoelde schilderij is afkomstig uit het kasteel den Ham bij Vleuten, niet verre van Utrecht, waar zij hoogstwaarschijnlijk het altaar der huiskapel versierd heeft. Later in de thans gereformeerde kerk bewaard, en nog later in de katholieke kerk. heelt dit stuk eindelijk op het museum een veilige plaats erlangd. De voorstelling in het middenpaneel is de krooning van Maria. Twee engelen, rechts en links in de wolken zwevende, houden eene cierlijke kroon boven het hoofd der Heilige Moedermaagd die geheel omgeven van een stralenden krans van licht, met het Kind op den linkerarm en een scaepter in de rechterhand in het midden der schilderij staat. Onder hare voeten is de draak, wiens kop zij vertreden zou en de zinnebeeldige halve maan. Boven in de wolken verschijnen God de Vader en de Heilige-Geest en rondom het beeld van Maria zijn in cirkels kleine tafereeltjes aangebracht, omrand met spreuken uit de heilige schriften, allen toepasselijk op de Heilige Maagd, zooals : âHortus conclusus, Turris eburnea, Fons sigmatus, Fontes aquarum viven-tium. Porta cujli, Civitas Dei.quot; De volgende sujetten zijn half verscholen onder de vlottende kleederen der engelen ; de bovenste, de zon en de maan verbeeldende, zijn nog te onderscheiden, en daarom heen leest men; âElecta ut sol' en âPulchra ut lunaquot;. Deze symbolen vormen als het ware een aanschouwelijke litanie om het verheerlijkte beeld der Heilige. Op het paneel ter rechterzijde zien wij geknield den schenker en zijne vrouw met hunne vijf kinderen, eveneens geknield voor hen, vier meisjes en een jongentje. Achter de ouders staat de Heilige Johannes de Dooper en eene heilige vrouw met geen ander berkenningsteeken dan de kop van een dier die door de lijst afgesneden wordt; in de verte een kasteel en in het landschap Johannes doopende in de woestijn. Aan een boom, waarvan takken en bladeren boven de hoofden der figuren zich verheffen, |
1
Paulus Potter, sa vie et ses wuvres, 1867«
|
hangt een wapenschild waarschijnlijk dat der voorgestelde familie. Op het andere vleugelpaneel ziet men een priester, de huiskapelaan of biechtvader der familie in geestelijk gewaad, geknield, en de handen saamgevouwen; achter hem de Heilige Johannes en eene heilige vrouw, met een kroon op het hoofd. Ook de achterzijden zijn beschilderd. Hierop ziet men vier beelden, zijnde Ste Bahbara, S' Anijreas. S1 Nicolaas en nog een heiligen Bisschop. De rijzige gestalte van het beeld op het middenpaneel, het deftige dat het geheel kenmerkt zijn wel de kenteekenen van Antonies werken. Ook de kleeding der voorgestelde personen en de herkomst van het stuk pleiten voor de toekenning aan onzen meester. Het wapenschild dat hangende aan de takken van een boom, aan de binnenzijde van een der luikdeuren gezien wordt, is, naar allen schijn, dat van een Utrechtsch-Brabantsch echtpaar: een Heer van Wanroy-Wtenham en eene Vrouw de Bruxelles-Loqueiiem. Het schild is dan te blazoneeren : Gedeeld: I, gevierendeeld ; 1,4, van zilver, met drie gouden gekroonde leeuwenkoppen van keel, getongd van lazuur ; 2, 3, van zilver, met 3 ruiten van keel, in 't hoofd een barensteel van lazuur; II, gevierendeeld : 1, 4, van lazuur, met een links gekromden dolfijn, den kop opwaards; 2, 3, in goud, hermelijnstaartjes van sabel, met een leeuw van sinopel, geklaauwd en getongd van keel. Verschillende oorzaken brengen soms wijziging in de wapen-kleuren : dit is ook hier het geval geweest, gelijk uit de hierbij gevoegde afbeelding te zien is : Volgens de inlichtingen en mededeelingen, welke wij aan de welwillendheid van den Heer W. J. Rootaards van den Ham, den tegenwoordigen bezitter van het kasteel, te danken hebben, werdt in 1602 het huwelijk gesloten van Jan van Wanroy, Heer van Wtenham, met Marqareta, dochter van Jaspar de Bruxel-les, voorzitter van het hof te Utrecht. Ware dit echtpaar werkelijk de voorgestelde personen dan zou de toekenning aan Antonie van monti'oort, die toen reeds negentien tl twintig jaar overleden was, geheel vervallen. Het kunnen echter die personen niet zijn, daar zij drie zoons en twee dochters hadden, terwijl op de schilderij vier meisjes en een jongentje afgebeeld zijn. Ook het daar-zijn van het wapen van Locquehem zou niet te verklaren zijn, daar men niet tot de ouders, maar tot de grootouders van Mar-gareta moet opklimmen om eene verbinding der familien de Bkuxelles en Locquehem te vinden en wel in de personen van Philiuert de Bkuxelles, heer van Grandveng en Heisbroek, in 1539 aangesteld tot raad bij het groote Hof van Mechelen en zijne vrouw * * * Locquehem. Hoewel niet met namen en data aan te wijzen kan men wel veronderstellen dat tusschen familien Van Wanroy-Wtenham en de Bruxelles-Locquehem, reeds voor het in 1602 gesloten huwelijk, vereeniging heeft bestaan. Tot deze veronderstelling wordt veel bijgedragen door het zeer |
door onzen Antonie in 1579 voltooid. Wel is waar is de leeuw door den graveur met loodrechte lijntjes gegraveerd, als ware hij van keel, maar hier vooral kan aan onnauwkeurigheid bij het aangeven eener op de schilderij reeds ontaarde kleur gedacht worden, terwijl het gouden veld met hermelijnstaartjes bezaaid een bijzonder kenteeken blijft. Bij al dit voor en tegen zou het zeker gewaagd zijn tot eene beslissing te willen komen; hoe het zij, is het terugvinden van dit laatste wapen op beide schilderijen een zeer opmerkelijke bijzonderheid die sterk voor de toekenning aan onzen meester pleit en daarom ook eenige aandacht over-waardig was. Bij deze groote schaarschte aan origineele kunstvoortbrengselen van den meester is liet een geluk dat eenige daarvan in gravure zijn weergegeven. Van Goltzius bestaan drie prenten naar Antonie: Lotii, zijne vrouw en twee dochters dojr twee engelen buiten de poorten van Sodoma gebracht.quot; Deze prent is van 1582. Een jaar later, in 1583, voltooide dezelfde meester een tweede, voorstellende het Lijk van Christus op zijn graf uitgestrekt en omringd door de vier Evangelisten. Op den voorgrond de leeuw van S' Marcus en de stier van S' Lucas en op den verren achtergrond Christus, uit zijn graf in glorie opstaande. In vier verschillende talen staat een gedicht van vier regels onder deze prent; het hollandsch luidt aldus: Christus sterft en verrijst voor 't menschelijk geslachte, Twelck hy genoeg bewijst met vier Evangelisten, So â¢Â» y de sonde niet sterven die Adam brachte T'verrijsen in een nieuw leven zal ons dan misten. De derde gravure van Goltzius is de opstanding van Christus. Philip en Thfodorus Galle hebben ook verschillende tafe-reelen naar onzen meester bewerkt; de twaalf Sibyllen â de geschied nis van Loth in vier stuks van het jaar 1583, het laatste Avondmaal, 1571, â en twee voorstellingen uit de fabelleer, de Geboorte van Adonis en Adonis van Venus afscheid nemende. Van Theodorus Galle bestaat eene Madonna met het Kind op de wolken zittende, en in het boek van van Balen, beschrijving van Dordrecht, vindt men ook een portret van Jacoii Muys van Holy door Samuel van Hoogstraeten naar van Blocklant gegraveerd. j opmerkelijk terugvinden van het wapen van Locquehem op het boven beschreven groote triptiek door La Fargue gegraveerd en |
_ 111 â
|
Uit deze verschillende opgaven blijkt dat Antonie veel heeft voortgebracht. Dat hij een historieschilder van bijzondere verdiensten was is ontegenzeggelijk. Zijne beelden zijn goed ge-teekend en rijzig van gestalte, de koppen over het algemeen wat klein; zij herinneren min of meer aan de werken van fnancesco Mazzuoli, bijgenaamd Parmeoiano. De draperien zijn alijd goed bestudeerd en de compositie deftig en aangenaam. Men zou hem tusschen Jan van Scorel en Maeuten van Heemskerck kunnen plaatsen; hij is minder sierlijk dan de eerste maar vervalt nooit in de stroeve en hoekige vormen die de beelden van Maerten van Heemskerck ontsieren, en hoewel beiden misschien even geleerde anatomisten, heeft Antonie nooit op overdreven wijze daarvan willen doen blijken, terwijl zijne ongekunstelde behandeling altijd even bleed en flink is. Aïonie van Blocklant werd in het jaar 1532 te Montfoort geboren- Van Mandek zegt dat hem uit een schrifrelijke getuigenis der regeering dier stad, met het stadszegel bekrachtigd, gebleken is dat zijn vader Kornelis van Montfoort, bijgenaamd van Blocklant naar een landgoed dat zijne vooivaders vroeger hadden bezeten, van het adelijk geflacht der Heeren Baronnen van Montfoort afstamde, maar door tegenspoeden tot den burgerstand was afgedaald. Christiaen Kramm is van een juist tegenovergesteld gevoelen en meent dat Antonie werkelijk en alleen van Blocklant heette en dat de naam Van Montfoort er ter herinnering aan zijne geboorteplaats bijgevoegd is. Hij wil dit bewijzen door drie stukken in het hypotheken-archief van Utrecht bewaard, waarin onze schilder en zijn broeder Jan voorkomen en eenvoudig van Blocklant genoemd worden. Dit is echter geen doorgaand bewijs. Men zou kunnen veronderstellen dat onze schilder, die een deftig maar eenvoudig man was, van zeiven rfstand had gedaan van dien grootsch klinkenden naam welke aan een hoogeren stand herinnerde dan dien in welken hij leefde. Hoe dit zij, is het verhaal van van Mander, volgens hetwelk Antonie een zekere statie in zijn huis hield, niet zonder betee-kenis. Hij was volgens onze oude historieschrijvers zeer in aanzien en liet zich op het laatst zijns levens, uit herdenking aan zijn hooge afkomst altijd door een dienaar volgen. Hoewel zeer geneigd Antonie de adelijke voorouders toe te kennen die van Mander hem geeft, zullen wij deze kwestie, als tamelijk onverschillig, in het midden laten 1). Zijn allereerste 1) Belangrijker is ongetwijfeld zijne verwantsehap met den in | het Nederland der XVIquot; Eeuw onovertroffen portretschilder Antonis Mor van Dashorst, een Stichtenaar zoo als hij: Ziehier, naar het schijnt, de verwantschap: _Mor van Dashorst Cornelis v. Blocklant Philip Dirck Antonis M. v. D. 1552 Burgr v. M. v. D. M. v. D. geb. f X Geertruide v. B. Jan Cornz X Antonie van Blocklant, f te Utrecht Montfoort Elisab, I BI. X Cornelia M. v. D. |
'583-leermeester was zijn oom Hendrik Assueriisz. een zeer middelmatig meester maar tamelijk goed portretschilder. Niet lang bleef hij daar, maar werd gezonden naar het atelier van Frans Floris de Vriendt, die te Antwerpen talrijke leerlingen had. Deze Frans Floris was een kunstenaar van groote verdienste en ook een groot bewonderaar der Italiaansche kunst. ï). Na een verblijf van twee jaar bij dien vermaarden meester, keerde hij naar zijne geboorteplaats terug, waar hij omstreeks twintig jaar oudquot; zijnde, in 1552, huwde met de dochter des burgemeesters dier stad. Later vestigde hij zich te Delft alwaar hij volgens een stuk in het hypotheken-archief van Utrecht bewaard, in 1572 een huis liet verbouwen dat hij met zijn broeder Jan gekocht had van Meester Hendrick Svveusz. schilder. Dat huis stond op den noordelijken hoek van de Doelenstraat, vroeger woonde hij op den Langendijk, volgens van Mander althans. Dat stuk vermeldt ook den naam zijner vrouw, zijnde Geertruida, dochter van Cornelisz. Indien hetgeen van Mander zegt waar is, dan moet deze Cornelisz. in 1552 burgemeester van Montfoort zijn geweest. In het jaar 1572 deed hij ook in gezelschap van een vriend, een goudsmid uit Delft, een reis naar Italië; hij bleef echter slechts zes maanden afwezig. Het laatste tiental jaren zijns levens heeft hij te Utrecht doorgebracht. Zijne eerste vrouw overleden zijnde zonder kinderen na te laten, ging hij een tweede huwelijk aan, waaruit drie kinderen geboren werden. Hij is te Utrecht in hel jaar 1583 in den ouderdom van 51 jaar overleden. Antonie van Montfoort heeft naar het schijnt niet veel leerlingen gehad. Van Mander noemt een portretschilder Adriaen Kluit, geboren te Alkmaar en in 1604 overleden. Verder den zoon eener adelijke familie, die slechts als liefhebber studeerende, niet gewild heeft dat zijn naam onder die van kunstenaars genoemd zou worden. Een derde veelbelovende leerling, Pieter genaamd en te Delft geboren, overleed alvorens zijne studiën volbracht te hebben. Twee anderen werden beroemde meesters. Cornelis Ketel te Gouda geboren, kwam te Delft op zijn atelier in 1565 of 66, na het eerste onderwijs onder bescherming van Dirk Crabeth, een der vermaarde glasschilders van Gouda, bij zijn oom genoten te hebben. Ketel reisde daarna door Frankrijk en Engeland en vestigde zich later te Amsterdam, waar hij vele belangrijke stukken heeft voortgebracht. Ongeveer twee jaren en drie maanden voor Antonie van Blocklands dood kwam naar Utrecht, om bij hem zijne studie te voltooien, de veertienjarige zoon van den Delftschen zilversmit en graveur Mierevelt. Als portretschilder heeft Miciiiel Miere-velt een eerste plaats onder de Nederlandsche kunstenaars ingenomen en niet weinig bijgedragen tot den roem van zijn meester. C. Ed. Taurel. 1) Van dezen meester is te Brussel een Laatst Oordeel, te Antwerpen de val der kwade Engelen: te 's Hage Venus en Adonis, enz. |
|
N het begin der zeventiende eeuw toen Ru-isfns en van Dyck de jirofven welke Bols-waebt en Paulus Pontius hun voorlegden, zelf corrigeerden en bijwerkten, opende zich voor de graveerkunst een nieuw tijdperk. Die groote meesters voor wie koloriet, effekt en licht-schitte-ring allereerste hoedanigheden waren, konden geen genoegen nemen met prenten in den trant van Albrecht Duber en Lucas van Leyden die, niettegenstaande de overgroote schoonheid, hun toch bleek en kleurloos moesten voorkomen. Zij leerden den plaatsnijders, dat men wel geen kleuren met enkel wit en zwart kan geven maar toch wel waarde van toon, kracht en effect kan verkrijgen. Eenmaal op dien weg gebracht en verder door de raadgevingen en werken dier groote kunstenaars geleid en bezield, begrepen de graveurs weldra zelf, welke rijkdom en verscheidenheid door een smaakvolle keuze en het onderlinge verband der aangebrachte lijntjes te verkrijgen zijn. Zij legden er zich op toe om door meer gesloten of meer sprekende greinen den aard der stoffen weer te geven; voor het fluweel werden zware lijnen met fijne lusschenlijntjes die het schelle wit van het papier verzachtten, gebruikt, terwijl men voor kleurige zijden en satijnen dunnere lijnen bezigde, de vormen der brekende plooien goed aangevende, in de halve tinten dichter bij elkaar, wijder en voor het oog meer sprekende in de glimlichten. De tweede en derde lijnen werden niet beschouwd als alleen dienende om de tinten te verdonkeren, maar met elkander en met de eerste lijnen naar omstandigheden berekend, dan eens om stillere tinten te vormen, dan weder tot sprekende ruiten, die het oog aantrekken. Naald en sterkwater bewezen ook groote diensten om voor ruwe oppervlakten als grond, muren, ruige dierenvachten een tegenstelling te verkrijgen met de zuivere gladde lijnen door het ijzer ges eden. Om het fijne zachte grein van het vleesch weer te geven plaatste men punten en tusschen-punten, tusschen de ook tot punten versneden lijntjes. Sommige graveurs maakten veel gebruik van de zoogenaamde points de portraits, die tusschen de lijntjes der schaduwpartijen uitkomen en al de lichte halve tinten, waar de lijntjes verdwijnen, geheel vullen. De overschoone portretten van Edelinck en Nanteuil en sommige van onzen Hou braken, zijn heerlijke en nooit overtroffen voorbeelden van hetgeen de smaak en de wetenschap van den graveur aan de andere hoedanigheden van een kunstwerk kunnen bijbrengen om het gemis der kleuren te vergoeden, en de meesters van de achttiende en negentiende eeuwen kwamen tot een volledigheid, eene verscheidenheid van grein en een harmonie, die met geen der middelen van reproduc â tie, welke de nijverheid onzer tijden zich beijverd heeft uit te vinden, te verkrijgen zijn. Aldus begrepen en beoefend is de gravure geen bloote wedergave maar veel meer eene vertaling, bij welke de graveur de hoedanigheden van zijn eigen ik en de voordeelen zijner kunst aanbrengt. |
Deze hoogere ontwikkeling der graveerkunst kan echter niet bereikt worden zonder een lange en moeielijke oefening in de behandeling van het graveerijzer. Het telkens weer insnijden en opzuiveren der lijntjes en het voorafgaand berekenen van hun onderling verband kostten belangrijk veel tijd; ten gevolge daarvan zagen de graveurs al meer en meer van het zelf ontwerpen af en bepaalden zich tot het weergeven en vermenigvuldigen der kunstwerken van schilders en beeldhouwers. In de vroege tijden dier kunst was het geheel anders. De eerste gravuren waren niet veel meer dan omtrekken met eenige aanwijzingen van schaduw door harige, zeer onregelmatige lijntjes welke meer gekrast dan wel in het metaal gesneden, zijn verkregen. De vorderingen waren echter snel; men zag zeer spoedig in dat de gelijkheid, de zuiverheid en de beweging der lijntjes aan de gravure een behagelijkheid geven, welke haar alleen eigen is en hoewel altijd zedig, stil en dicht bij elkander bewijzen de lijntjes in de prenten van Lacas van Leyden dat de meester hun overwegend belang kende eri er .noeite en zorg aan besteedde. Maar al heeft Lucas veel meer prenten dan wel schilderijen voortgebracht en al schijnt de graveerkunst als middel van uitdrukking voor zijne ontwerpen, hem meer gevleid te hebben dan de schilderkunst, toch is het niet het eigenlijke werk van den graveur dat de groote verdienste zijner prenten uitmaakt. De weergalooze kunstenaar, wiens onuitputtelijke scheppingskracht reeds op twaalfjarigen leeftijd meesterstukken ontwierp, hechtte aan het mecanisme der lijntjes niet meer waarde dan noodig was om die te kunnen gebruiken, gelijk de teekenaar zijn krijt en doezelaar. Nagenoeg hetzelfde zou men van al zijne tijdgenooten kunnen zeggen, die, hoewel zij er verre af waren |
â 113 â
|
allen Lucassen te zijn, toch ook de graveerkunst slechts beschouwden als een middel om hunne eigene composition uit te voeren en te vermenigvuldigen: zij zochten niet naar effekt of kleur en verre van verscheidenheid in de bewerking aan te brengen, behandelden zij alles op schier gelijke wijze en lieten alle partijen, die niet in de schaduw waren, eenvoudig wit; de draperien zoowel als het vleesch, de lucht zoowel als de gebouwen. De oudere en de nieuwere plaatsnijders vormen aldus twee zeer van elkander verschillende categoriën De eersten waren ontwerpers, maar behandelden eene gravure, gelijk de schilders een grauwtje; de laatsten, veel minder voortbrengende en zich met de zediger taak van vertalers bevredigende, brachten echter de graveerkunst tot een volledigheid en hoogte, waarvan de oude prenten geen gedachte kunnen geven. In het laatst der zestiende eeuw bloeide te Haarlem een kunstenaar van den eersten rang, die als het ware tusschen die twee categoriën geplaatst, tot beide behoort en wiens roem niet zal vergaan zoolang er nog exemplaren zijner graveerwerken bestaan Meermalen naar zijn eigen teekeningen werkende, geeft hij bewijzen van een wonderbaarlijk scheppingsvermogen en zijne misschien wel wat vreemde en tooraeloze fantaisie schijnt onvermoeid in het bedenken van beelden en groepen. Dan weder voert hij de kunst van nabootsen tot haar toppunt en er behagen in vindende zich zeiven te herscheppen, wordt hij naar eigen believen Lucas van Leyden of Albrecht Durer. Altijd meester over zijn ijzer, speelt hij met alle moeielijkheden; nimmer heeft bekwamer hand het koper stouter aangepakt en de lijntjes met meer sierlijkheid en buigzaamheid geleid. Als teekenaar geleerd, te geleerd misschien, zijn vallende beelden van Icarus en PiiaEton voor hem niet afschrikkend; gemeenzaam met alle standen, met alle bewegingen en verkortingen, geeft hij zijne lijntjes meestal de richting der spiervezelen en weet ze zoo te dwingen, dat zij met alle vormen méégaan, wentelen en ook verdwijnen of in andere overgaan. Maar vooral in zijne portretten spreidt de meester zijne groote en ernstige bekwaamheden ten toon. De natuur dan tot gids nemende, weet hij zijne wilde en tevens sierlijke fantasie in te toomen en gebruikt al zijne krachten om zijn model, dat hij immer van de grootste en schoonste zijde ziet, weêr te geven. Die portretten zijn altijd vol leven, waarheid en karakter, de gelijkenis, hoewel nimmer kleingeestig, moet treffende geweest zijn. Dan wordt hij tevens ook kolorist, geeft aan de kleêren en aan het bijwerk toon en kleur, weet in de combination van het graveernet verscheidenheid aan te brengen en opent voor zijne kunst een nieuwen gezichteinder. Achterkleinzoon, kleinzoon en zoon van kunstenaars, zag Henrick Goltzius, in 1558 het licht te Mulbracht, een dorpje bij Venlo, in het land van Gulick, tegenwoordig Hollandsch Lim-burg, waar zijn vader, Jan Goltz, een glasschilder, wiens zaken beter hadden kunnen gaan, zich had teruggetrokken. Levendig van aard en moeielijk te regeren was hij voor zijne ziekelijke moeder een oorzaak van gedurige angsten. Meermalen werd hij uit het water gehaald en eens doorboorde hij zich den neus met een puntig stokje. Twaalf maanden of iets meer oud zijnde en alleen willende loopen viel hij voorover op een braadpan en brandde zich deerlijk aan gezicht en handen. |
Zijne moeder had hem in hare eenvoud verzorgd zoo goed zij kon, maar had op raad eener buurvrouw de spalken te spoedig afgenomen en de spieren der rechterhand opgetrokken zijnde bleef diezelfde hand, wier vastheid en bekwaamheid allen die weten wat het hanteeren van het graveerijzer inheeft, eenmaal zouden verbazen, op den voorarm gebogen en herstelde zich nimmer. Het natuurlijk instinct of liever het hem ingeschapen genie verklaarde zich al spoedig. Al krabbelende, teekenende, schilderende volgde hij de raadgevingen zijns vaders en was hem in zijn werk behulpzaam. Ook beproefde hij op koper te krassen en graveerde zoo goed en kwaad hij kon, maar gaf weldra zulke blijken van aanleg dat Oirk Volckertsen Coorniiert, de dichter en graveur, die toenmaals op eenige mijlen van Duisburg, waar de familig Goltz haar zetel had overgebracht, woonde, den vader voorstelde Henrick als leerknaap aan te nemen op voorwaar e dat hij twee jaar bij hem zou blijven. De jonge man, voor wien de vrijheid het leven was. wilde echter van geen verbinding weten en ging weder by zijn vader aan het werk, geleid door zijn eigen leerlust en aangeboren smaak. Coornhert verloor hem echter niet uit het oog en toen hij zich weder te Haarlem gevestigd had noodigde hij den jongen Henrick uil bij hem te komen, niet meer als leerknaap maar als helper en medgezel. Onze jonge kunstenaar was toen achttien jaar oud. Zijne ouders vergezelden hem naar Haarlem waar hij zijn loopbaan begon, werkende voor Coornhert en Philip Galle. Drie jaar later, dus een en-twintig jaar oud zijnde, raakte hij verliefd op eene weduwe die een zoon had, omstreeks acht jaren oud, en onze kunstenaar volgde even als altijd zijne wonderlijke gril en huwde. Die zoon zijner vrouw, Jacob Matham werd weldra zijn eerste leerling en heeft een groot deel van het talent zijns be-huwdvaders geOrfd. Maar toen hij getrouwd was, verbeeldde Goltzius zich zijne vrijheid als kunstenaar verloren te hebbenen zich banden en verantwoordelijkheden te hebben opgelegd, die hem in zijne kunstenaarsloopbaan hinderlijk zouden zijn en eenmaal dit in het hoofd hebbende werd hij zoo moedeloos en treurig dat hij in een soort van kwijnende uitputting verviel, ziek werd en ten laatste bloed opgaf. Toch had hij reeds veel gewerkt en in Duitschland en Italio, waar zijne prenten zeer gezien waren, naam gemaakt. Niets kon hem echter troosten noch genezen en na een driejarig aanhoudend lijden verklaarden de geneesheeren dat hij niet meer te redden was. âWelnuquot;, sprak de kunstenaar, âals ik sterven moet, zal ik toch niet sterven zonder de kunstwerken van Italië gezien te hebbenquot;, en aanstonds begint hij zijne maatregelen te nemen, draagt de zorg zijner zaken aan zijne leerlingen en zijn drukker over en vertrekt met zijn knecht, dien zijn zwakke toestand onmisbaar maakte, naar Amsterdam, waar hij in het laatst van October 1590 scheep gaat aan boord van een vaartuig dat naar Hamburg bestemd was. Storm en slecht weêr maakten hem al dadelijk van de zee afkeerig en hij besloot de reis verder te voet door te zetten. Zoo trok hij met zijn knecht geheel Duitschland door, vrij als de vogels van hel veld, de na-tuurtafereelen aanschouwende, in de steden waar hij de kunstenaars opzocht, uitrustende en zich vermakende zoo als het hem lustte. Onbekend voor elkeen te blijven was zijn grootste genoegen. In eene herberg waar hij afgestapt was, noodigt hij verscheidene kunstenaars en laat zijn knecht, dien hij aan het boveneinde der tafel plaats, voor den meester doorgaan, terwijl hij zelf de plaats van den bediende neemt. Te Munchen bij den beroemden plaatsnijder Jan Sadeler geeft hij zich voor kaashandelaar uit en terwijl zijn knecht, wien hij geleerd heeft over kunst te spreken, eenige proeven van zijn prenten met Sadeler inwisselt, belooft hij aan de vrouw van den gastheer haar een hollandsche kaas te |
â 114 â
|
zenden, en schrijft, voor hij verder reist, naar Haarlem om de beloofde kaas, die eenigen tijd later ook werkelijk ontvangen wordt. In de maand Januari 1591 kwam hij, na de steden Venetië, Florence en Bologna bezocht te hebben, te Rome aan. Als boer verkleed, liet hij zich onder den naam van Henrick van Biiacht voor een Duitscher doorgaan. Als een jonge leerknaap gaat hij aan het studeeren en teekenen naar de antieke beelden in de open lucht en zonder zich te bekreunen om het gevaar dat hem omringt, want pest en hongersnood teisterden in die dagen de eeuwige stad en maakten aldaar tal van slachtoffers, loopt en gaat hij overal, steeds in beschouwing en bewondering der italiaansche kunstwerken. Voor de winkels der kunstkoopers, waar zijne prenten te zien zijn, stil te staan en zich onder de kijkers te mengen om den lof en de berispingen der liefhebbers af te luisteren is voor hem een uitgezocht tijdverdrijf. Met de vrijheid had hij ook krachten en gezondheid terug gekregen. Onderweg had hij een haarlemschen goudsmid. Jan Mat-ïiiijssen Ban en een jongen edelman van Brussel, groot liefhebber van kunst en oudheden, leeren kennen. In de maand April van hetzelfde jaar vertrokken zij te zamen uit Rome naar Napels, als landlieden verkleed, om van de roovers geen last te hebben. De jonge Brusselaar, Philip van Winghen, wist door brieven van zijn vriend Orïei.ius, den Antwerpschen geleerde, dat Goltzius in Italië reisde, maar, als gewoonlijk, had deze zich onbekend gehouden, Het was eerst bij hunne aankomst te Napels, dat, op het meermalen uitgedrukt verlangen hem te ontmoeten, Jan Matthijssen Ban, de derde reisgezel, het stilzwijgen brak en dat Golt/ius, zijne sedert de kindsche jaren stijf gebleven rechterhand toonende, zich bekend maakte. Na de stad Napels en hare omstreken te hebben doorkruist en gezien, keerde hij naar Rome terug, bij verkiezing op een galei, daar hij de roeiers en hunne bewegingen wilde zien en bestudeeren. Niet weder onbekend kunnende blijven, werd hij bij zijne aankomst door de paters Jezuiten en de kunstenaars met warmte ontvangen, en na weer eenige teekeningen gemaakt te hebben, verliet hij in de maand Augustus, de stad Rome met zijn viend Ban, den goudsmid. De twee reizigers hielden zich eenige dagen te Venetië op bij zekeren Dirck de Vries, waar Goltzius zich alweer vermaakte met zijn vriend voor zich zeiven te laten doorgaan en zich niet bekend maakte dan toen de gastheer na het feestmaal, om een teekening ter gedachtenis verzocht. Zij trokken weêr door Munchen en na een afwezigheid van ongeveer een jaar kwam onze kunstenaar weder te huis, door zijn goed uiterlijk en vroolijke luim allen verblijdende, die hem hadden zien vertrekken zonder hoop hem ooit weêr te zien. Na korten tijd vertoonden zich echter weer dezelfde ziekelijke verschijnselen, afmatting en treurigheid. Men moest hem met geitenmelk, ja zelfs volgens van Mander een geruimen tijd met vrouwenmelk voeden; veel in de open lucht zijn en veel loopen werden hem aanbevolen, en dit zullen ook wel de meest afdoende geneesmiddelen geweest zijn. Het zittende werk van den op zijn plaat gebogen liggenden graveur, want eerst veel later zijn de tafels met bijna rechtop staande beweegbare bladen uitgedacht, kon op die levendige inborst die beweging en aandoeningen behoefde, niet anders dan nadeeligen invloed hebben, Eindelooze zorgen brachten beterschap aan ; de jaren zijne natuurlijke opgewondenheid zoetjes aan temperende, werkten bij hun klimmen mede tot herstel van krachten en in 1604, toen zijn vriend van Mander de levensbeschrijving der hollandsche schilders in het licht gaf, was Goltzius weer geheel hersteld. |
Hij telde toen zes-en-veertig jaren en de laatste der tien jaren zijns levens zijn, naar het schijnt, tamelijk rustig, zonder eenig merkwaardig feit voorbij gegaan. Hij stierf volgens 'de meeste schrijvers op den i8tün Januari 1617, volgens Dr. van der Willigen op 29 December 1616. Hetgeen zeker is, is dat op 2 Januari 1617 een graf geopend werd voor Henrick Goltzius in de kerk van St, Bavo en gedurende een half uur de klokken geluid werden, waarvoor betaald is 7 gl. Daar het verlof tot begraven op den dag, volgende op het overlijden nimmer gegeven werd, vermeent Dr. van uer Willigen dat de sterfdag op den 298ton Dec. 1616 moet geplaatst worden en beroept zich op het gezegde van Balt. Gerbier, den dichterlijken tijdgenoot van Goltzius. Wij zouden ons ook dadelijk daarbij aansluiten, zoo niet het grafschrift, door S. Ampsing, in zijn ten jare 1628 ') uitgekomen boek, den iquot; Januari als de sterfdag opgaf. Dat grafschrift door den Haarlemschen schrijver gezien en nageschreven, luidde als volgt: HENRICO GOLTZIO, V1R0 INCOHPARABILI, CALCOGRAPHO EKCELLENT1SSIM0, PICTORI CELEBERRIHO, ATQUE ADEO OMNIS ARTIS GRAPHICS PERITISSIHO MARGARETHA JOH. FIL, MAR1T0 SUO C0NJUNCTISS10, CUM QUO HARLEM1 VIX1T ANNOS XXXVI. ET FRAJRI SUO CARISSIMO JACOBUS GOLTZIUS MONUMENTUM HOC FIERI CURARUNT, JACOBUS MATHAM VITRICO SUO OPTIME DE SE MERITO m INCIDIT SCULPSITQUE GRATITUDINIS ERGO, OBIIT HARLEMI, ANNO CIO. 10. CXVII. 1 JANUARII. £TAT. SUJE LIX, Deze regelen, door Jacob Matham in koper gesneden, kunnen niet van onnauwkeurigheid verdacht worden. Een bijzonder ziektegeval kan het spoedig begraven noodzakelijk hebben gemaakt; eensluidend heeft Matham, ook op het door hem gegraveerde portret van zijn behuwd vader, alweer den i8ten Januari als sterfdag vermeld. Wij leeren tevens ook uit dit grafschrift, dat zijne vrouw, de moeder van Matham, Margareta Jansd. heette en zijn broeder Jacob. Tot October 1604 heeft Goltzius in de Oliphantssteeg gewoond 1). Het getal der door Goltzius gegraveerde prenten is zeker verbazend; Bartsgh noemt er twee honderd zes-en-negentig, waaronder vele zijn van groeten omvang. Hoe heeft hij den tijd kunnen vinden al die prenten te vervaardigen, waarvan de meesten naar zijn eigen teekeningen gegraveerd zijn. Bij een wonderbaarlijke vlugheid moet hij ook huitengewone behendigheid hebben bezeten, waardoor elke zet, elke stoot raak was. Voegen wij daarbij dat Goltzius veel geteekend heeft. Er bestaan van hem kleine portretten met zilverstift op velijn geteekend, ware meesterstukjes, vol karakter en individualiteit en waarin de zekerheid en zuiverheid van omtrekken en lijntjes te bewonderen zijn. Men zou die portretten geteekende gravuren kunnen noemen. Dikwijls |
1
J. A. Alberdingk Tiiijm, Portretten van Vondhl, blz. 39.
â 115 â
|
ook teekende hij met de pen, soms met krijt, ook wel eens met waterverwen 1). Na teekeningen te hebben gemaakt begon hij te schilderen. Zijn eerste schilderij, in 1600 voor Gijsbert Rukebse te Haarlem, op koper uitgevoerd, was eene voorstelling van Christus aan het Kruis met de H. Maagd, Maria Magdai-ena en S'Jan. Een tweede schilderij, de zielen der zaligen in den hemel voorstellende, door Christus, hunnen bruidegom ontvangen, was bestemd voor Jan Matthijssen Ban, zijn vriend en reisgenoot. Een Christus, toebehoorende aan den Graaf van Lippe, een levensgroote Danaê en nog eenige portretten worden door van Mandee geroemd en werden dus door Goltzius vóór het jaar 1604 uitgevoerd. Hij had toen voor gewoonte, altijd volgens het zeggen van van Mander, de schaduwpartijen en de te schelle kleuren in een te smelten door harceeringen en een soort pointillé, met het penseel bewerkt. De graveur, op eens ook schilder geworden, verhielp, op zijne wijze, de overdreven liefde voor levendige kleuren hem misschien uit zijne leerjaren als glasschilder bijgebleven. Hij was dat eerste kunstvak ook niet vergeten en gaf daarvan bewijzen op de werkplaats van den Haarlemschen glasschilder Cornelis IJsbranptsz. Kuffens 2), waar hij uit liefhebberij eenige schilderwerken uitvoerden, die, hoewel nimmer gebruikt, toch zeer geroemd werden. Van al die schilderwerken is heden niet één bekend. In 1771 werd eene Danaë, waarschijnlijk dezelfde die van Mander noemt, voor Æ 410 verkocht; zij behoorde onder een partij schilderijen welke de eigenaar G. Braamcamp in zijn nieuw gebouwd huis geen plasts kon geven, en was reeds vijf jaar vroeger te vergeefsch te koop aangeboden 3), maar waar is die thans? En waar zijn de achttien andere schilderstukken gebleven die, ook volgens Kramm, zich in de verzameling Hoet en Terwesten bevonden? Dat Goltzius na de uitgave van het boek van van Mander doorgegaan is met schilderen is zeker, ook dat hij van die wijze van schaduwen en kleuren te verzachten, welke voor een man als hij wel wat kleingeestig was, heeft afgezien. Tityus aan den rots geketend, de met het gewone monogram en het jaartal 1613 onderteekende schilderij van het Museum te Haarlem 4) heeft daarentegen juist al de hoedanigheden eener hand, die het penseel met evenveel gemak als het graveerijzer bezigde. Het beeld ligt achterover op den grond, de pols en de enkels vastgeketend aan den rots, het hoofd heft zich door een krachtige beweging op, om angstvol naar den vogel te zien, die hem de zijde openscheurt. Zonder de vormen der in werking zijnde spieren te overdrijven, heeft Goltzius als kundig teekenaar al de moeielijkheden weten te overmeesteren door den stand en de krampachtige beweging veroorzaakt, en dit schilderwerk, is in dat opzicht, beter dan sommige zijner gegraveerde beelden. Het breede en afgewerkte modelé en een ongezocht, maar sterk en harmonieus koloriet, verheffen dit doek tot een zeer degelijk kunstwerk. De drie schilderijen, die zich op het Museum te 's Hage bevinden, zijn op dezelfde wijze behandeld. Zij werden in 1875 aangekocht en zijn afkomstig uit een oud kasteel in Noord-Holland. De drie onderwerpen, aan de fabelleer ontleend, zijn : Mercurius als de god van kunsten en wetenschap voorgesteld; Minerva, omringd van de attributen van wetenschap, in de verte het Colyseum, terwijl Midas, aan zijn ezelsooren kenbaar, achter de geheel naakt voorgestelde godin staat; de derde schilderij is een Hercules. Deze drie doeken zijn nagenoeg van dezelfde grootte en meten elk twee Ned. el en eenige duimen in de breedte, zij moeten even als die van Haarlem tusschen de jaren 1604 en 1617 geschilderd zijn. |
Keeren wij thans tot zijne prenten terug. Een stel van zes prenten kort na de terugkomst uit Italië in 1593â94 bewerkt, zijn bekend onder den titel van de âZes Meesterstukken.quot; De kunstenaar, die gedurende zijn reis er zooveel genoegen in vond over zijne werken te hooren spreken, wilde misschien het bewijs leveren, dat hij in elke manier werken kon, en zoo leverde hij, in wijd verschillende trant: De boodschap aan Maria â Maria bij Elisabeth â de aanbidding der herders â de heilige familie â de besnijdenis ââ en de aanbidding der W ij z e n. De twee laatsten in de manier van Albrecht Durer en Lucas van Levden uitgevoerd, zijn even wonderbaar als schoon. Het is noch door overdrijving van enkele karakteristieke trekken, noch door nabootsing van onderdeelen dat de meester de grootsche modellen nadert die hij zich heeft gesteld; maar hij ontwerpt, voert uit, in een woord, hij gevoelt gelijk zij zeiven zouden gevoeld en uitgevoerd hebben. Hij heeft aan zijne beelden de standon, het karakter, het uiterlijk van die van Lucas en Albrecht weten te geven en de prent eenmaal aldus ontworpen zijnde, wordt dezelfde hand die zich anders zoo gaarne stoutmoedig op het koper waagt om van hare behendigheid en bekwaamheid blijk te geven, nu zedig en ingetogen en snijdt niet dan fijne en digt bij een liggende lijntjes. Het verschijnen van deze twee prenten gaf tot vele misvattingen aanleiding. Enkele eerste afdrukken op door rook geel gekleurd papier getrokken, werden in Duitschland en Italië, waar zij voor echt werden aangezien, duur verkocht. Men verhaalde dat Albrecht Durer eene onuitgegeven prent had nagelaten, die eerst honderd jaar na zijn dood zou afgedrukt worden, indien zijne werken dan nog in den smaak der liefhebbers waren, en die prent was, volgens de uitvinders dier vertelling, de Besnijdenis door onzen Goltzius. Het abuis kon echter niet lang van duur zijn, want de graveur wiens leuze was âEer boven geldquot; en die nooit de bedoeling had gehad eenig bedrog te plegen, had van een der figuren zijn eigen portret gemaakt. Op de eerste proeven was dat portret met zorg onkenbaar gemaakt en hij smaakte het groote genoegen zelf te hooren beweren, dat Goltzius nimmer zulke gravure zou kunnen voortbrengen. De vier andere zijn misschien even schoon, hoewel minder bevreemdend; volgens van Mander zou hij de compositiën van Maerten van Heems-kerck, Frans Floris, van Blocklant en Spranger 2) hebben 1) Bartsch N°. 15â20. 2) De fransche schrijvers beweren, dat hij Rafael, Parmeoiano, Baroccio en Bassano heeft willen nabootsen. Van Mander noemt hen niet; daar echter Frans Floris en Blocklant zelf volgelingen der italiaansche meesters waren, is de meeningsverscheidenheid wel te verklaren. Omtrent de twee vorige prenten in den trant van Albrecht Durkb en Lucas tan Leyden zijn alle kunstkenners en schrijvers het eens. |
17
1
Van lt;le teekening, welke Chr. Kkamm opgeeft, berustende op de Koninkl. Bibliotheek te 's Hage is de echtheid zeer te betwijfelen.
2
Corn. IJsuhandsz. Kuffens of Kussens, glasschilder te Haarlem, vervaardigde in 1597 een venster, door de burgemeesters van Amsterdam aan de St. jans-Kerk van Gouda, geschonken. â Zie de Goudsehc Glazen door C. J. de Lanob van Wijnoaakdkn â blad. 45.
3
f. A. Alui-hdinok Thmm, Dietsche Warande D. IX bl. 541.
4
De heer Charles Blanc schijnt dit stuk niet gekend te hebben, evenmin als alles wat niet aangegeven wordt in het boek van van Mandek; een enkele geschrevene vertaling heeft hem alle gegevens voor zijn artikel over Goltzius verschaft.
â 116 â
|
willen nabootsen. Deze verschillende prenten hebben op hunne beurt tot voorbeelden gediend voor kunstenaars en naijveraars van verschillende landen. Het bisschoppelijk Museum van Haarlem bezit een koormantel met geborduurde bijbelsche tatereelen in den rand. Een daarvan is een kleine, zeer naauwkeurige copij van het bezoek van Maria bij hare nicht Elisabeth. Een andere reeks v;n twaalf prenten, de Passie voorstellende, eveneens in den trant van Lucas van Leyden, werd in 1597 uitgegeven De Heilige Maagd met het lichaam van haren Zoon op den schoot als door Alhuecht Duuer gegraveerd, zag in 1596 het licht. Deze prenten kunnen niet te veel geroemd worden. Het moet erkend worden, dat de reis naar Italië, het zien der antieke beelden en der werken van de italiaansche meesters ) voor Goltzius een bron van overdenkingen werden, waarvan hij â wel heeft weten partij te trekken. Al de gebreken, welke hem verweten kunnen worden, die overdreven overvloed en opzwelling der vormen, die verdraaide soms onmogelijke gebaren, die gezochte, als het ware van buiten geleerde, verkortingen, en theatrale standen worden veel meer in de prenten gevonden, welke voor zijn reis het licht zagen dan in die welke later verschenen. Van Mander zegt, dat hij altijd om de Italianen dacht, wier werken hij als in een spiegel voor zich zag, zoo diep waren zij in zijn geheugen geprent. Veel hebben die tafereelen en beelden dan ook de buitensporigheden zijner fantasie verzacht. De Romein-sche helden, in 1586 gegraveerd, wier barbaarsche gezichten, pretentieuse standen en onbestaanbare wapenrustingen tot het bespottelijke overgaan en de Hercules met zijn knods, gemerkt 1589, wiens opgezette spiervormen eerder aan een gedrocht dan aan een sterken man doen denken, vergeleken met de schoone prenten zoo straks besproken, bewijzen, hoeveel hij als teekenaar gewonnen heeft. Als graveerwerk zijn die Romeinen, die Hercules en de vier âVallersquot; Icarus, Faëton, Ixion en Ti-tyus naar Cornelis van Haarlem evenwel met meesterhand gesneden, wat de stoutheid en de zuiverheid van het ijzer betreft. Die stoutheid en zuiverheid heeft hij nimmer verloren, welke ook de bewerking zij die hij heeft verkiezen te bezigen. Meermalen heeft hij, in plaats van wijde sterk sprekende lijnen te gebruiken, zich daarentegen bediend van lijntjes zoo fijn en zoo digt bij elkaar, dat het oog moeite heeft ze te onderscheiden. Er bestaat eene reeks krijgslieden, misschien wel portretten; het zijn officieren, vaandeldragers, welke men den naam geeft van de Verdedigers van Haarlem. Zij dragen het costuum dier tijden en hunne geborduurde wambuizen, kragen, wapens en vaandels zijn met wonderbaarlijken smaak en oneindige zorgen behandeld. De kopjes zijn kleine pronkstukken; zoo het al geen portretten van bekende personen zijn, dan zijn zij toch zeker naar de natuur geteekend. De standen der beelden zijn wonderlijk en naar de mode van den tijd; het lichaam vooruit, de lange beenen achterwaarts, wijd stappende met gestrekt kniegewticht, den kop fier opgericht, de eene hand op de heup en een vlag of een hellebaard in de andere. Niettegenstaande het pretentieuse dier standen zijn die beelden toch met bijzonderen smaak geposteerd en geteekend en de uitvoering is wonderbaarlijk van fijnheid en netheid. Meer nog te bewonderen is een klein vrouwenbeeldje, in de eene hand twee slangen en in de andere twee duiven houdende 1). Deze allerliefste, kleine, zinnebeeldige compositie in medaillon-vorm, die betrekking heeft op de woorden, dat een Christen zoo eenvoudig 1; Bartsch N° 93, zeer zeldzaam. |
als de duiven en zoo voorzichtig als de slangen moet zijn, is een waar wonder van delicate bewerking. Van Mander vermeldt dit prentje als een bewijs van scherp gezicht en werkelijk kan men het zender behulp van een vergrootglas niet naar waarde schatten. Onder de prenten naar vreemde meesters gegraveerd, worden de Zegepraal van Galatiiea naar Rafaël, voor welke hij de teekening te Rome gemaakt had en de Bruiloft van Cana naar Francisco Salviati van Florence, voor de belangrijkste en tevens ook voor de schoonste gehouden. Zij werden, alsook de Propheet jesaias, mede naar Rafaël, kort na zijn terugkeer uit Italiö in het koper gebracht. Verder werkte Goltzius ook naar Polydorus (Calhara), Ag. Carraeci en Palma, naar Cornelis van Haarlem, Antoni van Montfoort, Stradanus en anderen. Deze prenten vindt men bij Bartsch beschreven onder de nummers 247 en 298. Hij graveerde ook de beelden van den Hercules van Glycon, van den Phrygischen Apollo ') en van den Hercules CoMMomjs, welke hij te Rome geteekend had. Een jonge kunstenaar ten halven lijve, aan den voet van den Apollo geplaatst, is misschien het portret van GoLTzms-zelven in zijn costuum van reizenden boer, hoewel het gezicht voor een man van drie en dertig jaar wel wat jeugdig is. Ook eenige op hout geteekende en gesneden gravuren zijn van onzen meester bekend. Zij zijn gedrukt met twee tinten, geelachtig en blauwachtig grijs. Voor elke prent moesten er dus drie stukken hout bewerkt worden; de gravure zelve, die met zwart gedrukt is, dan de donkere tint, die weinig bewerkt is en ten laatste de lichte tint. Deze is meestal vlak, alleen de lichten zijn uitgesneden. Onder deze voorstellingen bevinden zich ook een paar landschappen en zeegezichten met oorlogschepen. Als werken van kunst hebben deze gravuren, hoewel de geest van den meester er altijd in te kennen is, slechts weinig waarde; de toenmalige wijze van bewerking liet echter niet toe meer voldoende uitkomsten te verkrijgen. Gelijk reeds gezegd is, zijn de portretten van Goltzius misschien wel zijne schoonste werken. Het is altijd de man met al zijn geest en zijn kracht, maar tegenover de natuur geplaatst kent hij geen andere meester dan zij en geeft haar op bewonderenswaardige wijze terug. Even als in de kleine geteekende portretten, waar reeds over gesproken is, weet hij, zonder de grootheid te verliezen, door te veel waarde aan de kleinigheden te geven, aan ieder gelaat zijne bijzondere individualiteit te schenken, en zijn ijver, geheel onderworpen aan de vormen der natuur welke het vleit en bescheiden volgt, heeft niet dan fijne dichtbij elkander liggende lijntjes, meer getooverd dan in het koper gesneden. Onder de prachtigste moeten die genoemd worden van den Admiraal La Faille en van zijne vrouw, in 1580 bewerkt, die van den geneesheer Forestus, van Jan Zurenus, ged. gtee-kend 1588, van den Mechelschen schilder Jan Boll, die van eene oude vrouw, met de spreuk âIn liden geduldichquot; en anderen, dat kleine pronkstukken zijn. Soms omringt hij ze met beeldjes en zinnebeelden die hij met uitnemende smaak en zonder ooit in herhalingen te vervallen weet te ordoneren en te schikkon. De portretten der beide Scaliger's die van Charlotte he Bourbon en -van Willem van Oranje zijn aldus versierd en zijn ware modellen van artistieke ornementatie. Eene zeer zeldzame en toch algemeen bekende prent, die |
1
Apollo del Belvedère.
â 117 â
|
meer dan eens gekopieerd werd, is het portret van den zoon des schilders Theodoricus Frisius, bekend onder den naam van âden hond van Goltziusquot;. In deze, ook door hare grootte belangrijke gravure, heeft de meester zich beijverd in het weergeven der stoffen en der kleuren, hij heeft, om verschillende nuances van grein te verkrijgen, zijne lijntjes berekend en de wetenschap van den graveur parende aan het gevoel van den teekenaar en aan de kracht en het koloriet des schilders, eene voor zijn tijd ongekende hoogte bereikt. Het kopje van den jongen knaap die op den rug van zijn hond wil klimmen is overheerlijk. Ook de hond is geheel niet het ijzer bewerkt en om die kort draaiende lijntjes die de haren en de lokken nabootsen, le snijden en in de schaduwen te verdikken was buitengewone bekwaamheid noodig. Ondanks die keurige bewerking, wagen wij toch te zeggen dat er in die lokken iets hards en metaalachtigs is. Een tegenwoordige graveur zou geheel den hond met sterkwater hebben aangelegd en getracht hebben het werk der etsnaald zooveel mogelijk tot het einde te bewaren, het ijzer zoo min mogelijk gebruikende en alleen bezigende om er de laatste hand aan te leggen. Het schijnt dat Goltzius naald en sterk water nooit gebruikt heeft. Die middelen konden hem toch niet onbekend zijn, daar Lucas van Leyden en anderen er voor zijn tijd gebruik van maakten, niet om etsen te vervaardigen, maar wel degelijk om het graveerwerk aan te leggen. Men moet gelooven dat de door hen verkregen uitkomsten, welke als gravure tamelijk onvolkomen waren, hem niet konden bevredigen, en dat hij, de kopersnijder bij uitnemendheid, zich niet verwaardigd heeft verbetering dier middelen te zoeken. Het weer opbijten en de vernissen die wij thans bezitten, waren toen niet bekend en lang nog na Goltzius gebruikten de graveurs niet dan het ijzer. Om tot onze prent terug te keeren vermelden wij dat de hond, de boom, het landschap, alles in een woord, met het ijzer bewerkt en keurig bewerkt is, maar dat de middelen welke men tegenwoordig aan de hand heeft, de mogelijkheid geven uitkomsten te verkrijgen welke het ijzer, zelfs dat van Goltzius, niet geven kon. Het portret van den jongen Frisius blijft daarom toch eene gravure, welke altijd bewonderd zal worden en waarin de meester blijken gaf van ongeëvenaarde talenten. Het portret van zijn meester, indien men Coounheut zoo mag noemen, is een der grootste maar niet der schoonste zijner gravuren. Vergeten wij echter zijn eigen levensgroote portret niet. Dit wonderbaarlijk stuk is een waar pronkwerk van overwonnen moeielijkheden. Om de groote, voor de gravure misschien wel te groote ruimte te kunnen aanvullen en in de schaduwpartijen een voldoende kracht te krijgen heeft hij hier zware lijnen moeten gebruiken; en toch gaan zij met de vormen meê en draaien met zoo veel buigzaamheid en losheid dat alles met even veel gemak schijnt gedaan te zijn. Toch was om die lijnen nogmaals en nogmaals op te snijden zonder de zuiverheid en de losheid te verliezen, eene buitengewoon krachtige hand noodig die het ijzer, dat zoo ongedwee werktuig, wist te bestieren en te brengen waar zij wilde, en wanneer men dat reusachtig portret vergelijkt met de kleine, keurige op velijn geteekende portretjes of met het kleine gegraveerde kopje van den graaf van Leyuester, dat een waar kleinood van sierlijkheid en fijnheid is, dan zeker heeft men moeite te gelooven dat de zelfde hand zoo groote kracht en tevens ook zoo veel lichtheid kon bezitten. |
Dat een meester als Goltzius een school zou vormen kon niet missen. Vele zijner prenten zijn herhaalde malen gekopieerd en op de meeste ateliers worden zij tot voorbeelden gebruikt om de behandeling van het ijzer te leeren. Hij heeft eenige leerlingen gevormd, die allen verdienstelijke graveurs zijn geworden en die ook weêr op hun beurt opvolgers hebben gehad. Eerstens moet Jacob Matham zijn schoonzoon genoemd worden, vervolgens Jan Saenredam en Jan Muller, als ook Jacob de Geyn en Pieteu de Jode, wier namen een lichtkrans vormen om dien van hun meester. Zeker is het dat die leerlingen hem dikwijls en veel geholpen hebben en dat, hoe groot de vlugheid zijner hand en de vruchtbaarheid van zijn genie ook waren, hij zonder die hulp niet zoo veel zou hebben voortgebracht. Matham zijn behuwdzoon. Jan Muller en ook Saenredam, hoewel meestal fijner van uitvoering, hebben zijne manier zoo zeer gevolgd dat zij onder de oogen van hun meester in zijne platen werkende hem groote diensten konden bewijzen. Het werk van Matham is ook bijzonder belangrijk. Eenige onvoltooide stukken, door Goltzius nagelaten, werden door hem afgewerkt en na een tamelijk lang verblijf in Italië, waar hij naar de groote meesters studeerde en met zijn beroemde land- en kunstgenoot Cornelis Bloemaert in kennis kwam, keerde hij naar Haarlem terug. Matham is de manier van Goltzius blijven volgen, maar hij bezit noch zijn kernachtige kracht noch zijn oorspronkelijkheid, en de prenten welke hij naar de verschillende italiaansche en nederlandsche meesters bewerkte, zijn van een-toonigheid niet vrij te pleiten. Zijne drie zoons hebben alle drie geschilderd en gegraveerd. Aan Saenredam en nog meer aan Jan Muller kan men verwijten, dat zij te veel hebben toegegeven aan de liefhebberij van met hunne behendigheid in het snijden te pronken. Het is dikwijls of zij de moeielijkheden zochten om ze te ovenvinnen en uitsluitend verdraaide, overdreven standen en zelfs mismaakte vormen kozen. Er bestaan van Jan Muller beelden, wier buitensporige standen geen ander doel schijnen te hebben dan het voorbrengen van onzinnige verkortingen en vormen, die zijn ijzer wel is waar met ongeëvenaarde gemakkelijkheid weet te volgen, maar toch hebben de handigheid en pronklust van den kopersnijder het gevoel van den kunstenaar geschaad. Na leerling van Goltzius te zijn geweest, arbeidde Jan Saenredam eenigen tijd bij zijn medeleerling Jacob de Gevn. Zij waren beiden van gelijken ouderdom. In 1607 stierf Saenredam te Assendelft, niet verre van Haarlem, alwaar hij zich gevestigd had op twee en veertigjarigen leeftijd; zijn zoon Pieter werd schilder en heeft stadsgezichten en kerken gemaald die niet zonder vermaardheid bleven. Jacob de Gevn, hoewel te Antwerpen geboren, bracht zijn leven te Haarlem door. Hij was de zoon van een glasschilder en heeft ook zijne levensdagen verdeeld tusschen de schilder- en de graveerkunst. Hij heeft verschillende portretten gegraveerd; waaronder die van Tycho Brahà een der schoonste is. Zijn zoon, Jacob de Geyn, de jonge, volgde hem als graveur op, maar erfde slechts weinig van het talent zijns vaders. Pieter de Jode verliet de werkplaats zijns meesters, om naar Italië te reizen waar hij zich geruimen tijd ophield en vestigde zich later te Antwerpen, zijne geboorteplaats. Zijn zoon Pieter de Jode de jonge heeft naar Rubens, van Duck en Jordakns gewerkt en behoort tot de school van Bolswaert. |
â 118 â
|
Er bestaan ook prenten van Jacobus en van Julius Goltzius. De eerste was waarschijnlijk de broeder van Henkick, dezelfde wiens naam op het grafschrift voorkomt. Zijne zeer verdienstelijke prenten zijn geheel in de manier en soms ook naar teekeningen van Henuick bewerkt. De prenten van Julius zijn van veel mindere gehalte en doen een Goltzius geen eer aan. Hij was waarschijnlijk een zoon van Jacobus. Van Henuick kan hij geen zoon geweest zijn, daar zijn naam op het grafschrift niet voorkomt en vooral omdat van Mandek die een vriend der familie was, niets van hem zegt. En nu ten laatste nog een woord. De titel van dit werk had ons misschien moeten verbieden eene plaats aan Hendrik Goltzius te geven. Hoewel hij zich nimmer vergeten heeft tot het voorstellen dier onzedelijke tooneelen welke de geliefkoosde onderwerpen van latere tijden werden, had hij toch die zedigheid |
! en bekoorlijke naïviteit verloren, welke de meesters der vijftiende eeuw kenmerken. Hij behoort geheel tot de school van transitie â maar waarom zou men het godsdienstig begrip in een kunstwerk alleen dan erkennen, wanneer het zich voordoet onder de min aangename vormen van vermagerde leden en stijve, hoekige bewegingen. Wat men hem ook verwijte moge, Goltzius heeft in al zijne compositiCn blijken van groote opvatting gegeven en de godsdienstige onderwerpen steeds met eerbiedvolle liefde behandeld, dit geeft hem het recht tusschen de christelijke kunstenaars van zijn tijd te worden gerangschikt en ons, zou het zeker een werkelijk verdriet zijn geweest geen plaats te mogen inruimen voor den graveur-schilder die altijd een der grootste kunstenaars onzer vaderlandsche school zal blijven. C. Eu. Taurel. |
|
E oudste geschiedenis der glasschilderkunst ligt in het duister. Wie haar uitvinder was en waar zij hare eerste werken volbracht, is onbekend, maar dat zij de dochter mag heeten van eene oudere kunst, die der glasbereiding, valt niet te betwijfelen. De Romeinen, die hel glasmaken van de Egyptenaren leerden en dezen tak van industrie aan sommige der hun onderworpen volken overleverden, schijnen zelden zuiver wit glas vervaardigd te hebben. Bij de bewerking der grondstoffen gebruikten zij verschillende metalen, die door versmelting met de overige bestanddeelen ook verschillende kleuren deden ontstaan. De glasvensters, die gelijk men weet, in de vierde eeuw door de kerkvaders Lac-tantius en Hieuonymus te Rome of elders werden gezien, bestonden ongetwijfeld uit gekleurde glazen, en hetzelfde geldt van de vensters, die men in de zesde en twee volgende eeuwen voor sommige kerken van Frankrijk, Duitschland en Engeland maakte. Daar de glasmakers der vroegste middeleeuwen bij het bewerken der vensters slechts over gekleurde glasschijven van kleine afmeting konden beschikken, kwamen zij er licht toe, bij de samenvoeging dier schijven, zwarte, roode, blauwe enz., naar zekere regelmatigheid of symmetrie te streven, waardoor het geheel een meer of min aangenamen indruk kon maken. Toen de kunstvaardigheid eens deze hoogte bereikt had, was het natuurlijk, dat hare bezitters weldra nog voortreffelijker werk wenschten voort te brengen. De godsdienstzin van hun tijd verlangde rijkdom van sieraden voor de kerkgebouwen, inzonderheid beelden van heiligen, die âde boeken der leekenquot; zouden zijn. Zoo beproefde men het dan om in plaats van het glazen mozaïkwerk, dat men tot nog toe geleverd had, glasvensters met figuren van |
menschen enz. te vervaardigen, en de proef gelukte, toen men eindelijk minstens éene verwstof had ontdekt, die zich op de glazen liet inbranden, als men haar tot het schetsen van beelden op het vlak der schijven had gebracht. Waar deze ontdekking gemaakt werd, is nog steeds een vraag, die op verschillende wijze wordt beantwoord. Dit alleen staat vast, dat Duitschland en Frankrijk beiden op de eer der vinding aanspraak maken, en dat in die landen, voor zoo ver tot heden bekend is, de oudste voortbrengselen der eigenlijke glasschilderkunst gezien werden, welke gezamenlijk gedurende de laatste helft der tiende eeuw moeten ontstaan zijn. Opmerking verdienen de met heiligenbeelden versierde glasvensters, die tusschen de jaren 968 en 989 in de kerk van St. Remy te Rheims werden geplaatst. De stichter van die kerk was aartsbisschop Aüalbeiio, een Duitscher '). Niet minder merkwaardig is het, dat zekere Theophilus, die in de twaalfde eeuw I in Duitschland de geheimen van het glasschilderen beschreef, de voortbrengselen der Duitsche. en Fransche glasschilders van zijn tijd met elkander vergeleek en aan die der Fransche kunstenaars, wegens den rijkdom en de zuiverheid der kleuren, de voorkeur gaf 1). Wanneer en langs welke wegen de kunst der glasschilders het eerst binnen de grenzen van Nederland werd gebracht, is niet bekend en zal wellicht nimmer ontdekt werden, daar onze oude schrijvers hier geen bescheid geven en van de voortbrengselen der kunst, die het eerst op onzen bodem gezien zijn, niets bewaard bleef. Uit het bericht van Thieïmar van Merseburg, 2) dat Ansfried, de vrome bisschop van Utrecht, toen hij in het jaar 1 1 oio in zijn klooster op den Heiligenberg bij Amersfoort lag le â sterven, zijn oog sloeg naar een kruis op een onlangs in zijne I cel aangebracht venster (crucem in fenestra), kon de gissing ontstaan, dat destijds reeds eenig schilderwerk van dien aard in ons j land werd gevonden, wat men trouwens niet onmogelijk zal achten, wanneer men in aanmerking neemt, dat ongeveer te zelfden tijde in de abdij van St. Hubert in de Ardennen, met wier , monniken onze kloosterlingen en geestelijken gedurende de middeleeuwen in vriendschappelijke betrekking stonden, vensterglazen aanwezig waren, die zekere Rogerius van Rheims had beschilderd. 3) Toch moet men erkennen, dat de door Thietmar gebezigde woorden van dien aard zijn, dat zij ook andere opvat- |
1
Zie Sciinaasb, Gesch. der bild, Kïmste, Düsseld. 1872, 13. V., s. 545,
2
Bij Pertz, V. p. 77S; vgl. Annalista Saxo, bij Fkrtz, VIII, p. 661,
3
4; Histor. Andagiensis monasl. bij Mabtkne en Durasd, Amplissima
Collection I, p. 423,
|
tingen toelaten, ') en dat volkomen zekere bewijzen voor het aanwezen van glasschilderijen in Nederland eerst in berichten, uit de dertiende eeuw afkomstig, worden aangetroffen. In het jaar 1253 werden op last van graaf Willem II, den Koning van Rome, te Spaarndam bij Haarlem belangrijke dijken sluiswerken gemaakt. De vorst begunstigde de opkomende plaats, en in 1256 schonk hij aan de kerk der dorpelingen een geschilderd glasvenster, waarop onder anderen 's Graven wapen werd 'gezien. Wie was de maker van dit glas en waar arbeidde hij ?.. Wij kunnen de vraag niet beantwoorden, maar herinneren dat Willem in het najaar van 1248 te Keulen vertoefde, d. i. ten tijde van den herbouw der St. cüniderts-kerk aldaar, welker tot heden bewonderde koorvensters in hetzelfde jaar 1248 beschilderd werden. 1) Dat de Graaf, die zich te Keulen, gelijk bekend is â men denke aan zijn bezoek in den wintertuin van Albertus Magnus â gaarne met beschaafde en kunstlievende mannea in betrekking stelde, in de aartsbisschoppelijke stad eenige bekwame schilders leerde kennen, van wier gaven hij gebruik maakte, en dat de glasschilderkunst, zoo zij niet vroeger en van elders tot ons kwam, derhalve uit de Rijnstreken, waar zij tamelijk vroeg bloeide, naar onzen bodem werd overgeplant, is in alle geval mogelijk. De veertiende en vijftiende eeuw vormden een tijdvak, waarin de bewoners van Nederland meer dan ooit den warmsten ijver voor kerkbouw en kerkversiering openbaarden. Te Utrecht, Zutphen, Deventer, Delft, Amersfoort en elders was men er op nit, kolossale werken van vroeger tijd te voltooien of te vergrooten; te Bommel, Breda, Dordrecht, Leiden, Arnhem, Kampen, 's Gra-venhage, Haarlem, Hoorn, 's Hertogenbosch, Rotterdam en op andere plaatsen, legde men de grondslagen van heiligdommen, wier omvang en schoonheid ons heden nog met bewondering vervullen. Dat zoo niet alle, althans de meeste kerken van die tijden, niet alleen in onze steden, maar ook iu onze dorpen, eenige, dikwerf vele glasschilderijen verkregen, is zeker. Onze plaatsbeschrijvingen leveren er de bewijzen voor, en vooral de rekenboeken en andere documenten van onze landsheeren, gemeente- en kerkbesturen zullen die bewijzen vermenigvuldigen, wanneer zij meer en meer aan het licht worden gebracht. Wat Willem II voor Spaarndam deed, deden later Graven van Holland en de Hertogen van Gelder voor tal van gemeenten onder hun gebied, en zelfs van den beruchten Rudolf van Diepholt, die geenzins de beschaafdste van Utrechts bisschoppen was, leest men, dat hij vele kerken met schoone glazen begiftigde. In de vijftiende eeuw echter waren het niet alleen de aanzienlijksten des lands, die de bedehuizen aldus versierden, maar ook gegoede burgers, die niet zelden door hunne ijdelheid aangedreven werden, om de afbeeldsels hunner afgestorven aanverwanten of hunne wapens op de glasver,sters te doen afraaien, wat aan de devootsten hunner dagen somtijds woorden van berisping ontlokte. |
Daar de werken der glasschilders, die van de dertiende tot de vijftiende eeuw op onzen bodem arbeidden, zoo niet alle, toch zeker voor het grootste deel spoorloos verloren gingen, gt;) is het niet mogelijk aan te wijzen, hoe zich deze kunsttak bij onze voorgeslachten trapsgewijze ontwikkeld heeft. Slaat men echter het oog op de voortbrengselen der kunst, die omstreeks het midden der zestiende eeuw en later vervaardigd zijn, dan moet men de stelling beamen, dat ook hier te lande, evenals in Duitschland en Frankrijk, zoowel de technische als artistieke vaardigheid in verloop van tijd merkwaardige vorderingen heeft gemaakt. Waren de oudste kunstenaars doorgaans verplicht, met eigen hand hun glas te fabriceeren, de cartons te teekenen, de verwen aan te brenger en den gevaarlijken arbeid van het inbranden te volvoeren, de latere leerden de voordeelen der arbeidsverdeeling kennen. Zij lieten de glasbereiding aan anderen over, ofschoon zij zelve nog in de zestiende eeuw doorgaans glasmakers heetten; en ook het inbranden der verwen schijnt meer en meer het werk geworden te zijn van mannen, die zich daartoe hoofdzakelijk of uitsluitend geoefend hadden Daar nu velen deden wat vroeger enkelen verrichtten, bleek gepaste samenwerking ook hier heilzaam te wezen. De voormaals kleine, dikke en onzuivere glasschijven werden grooter, dunner en helderder en de kleuren vermenigvuldigd, ofschoon niet altijd krachtiger; bij het aanbrengen van het lood tot verbinding der schijven gebruikte men beter beleid, daar men de figuren niet meer met lood doorkruiste, maar zoo veel mogelijk de omtrekken der teekening volgde. Als nu de groote meesters van de vijftiende en zestiende eeuw, een Albreciit Di.'rer in Duitschland of een Lukas van Leiden in Nederland, al gebruikten zij zelve liever olieverwen voor duurzaam paneel dan metaalverwen voor het brooze glas, â als zulke mannen den glasschilders met hun groot talent hulpe boden, door te hunnen behoeve voortreffelijke teekeningen te maken, dan laat het zich begrijpen, dat de kunst in dit tijdvak schooner werken voortbracht dan ooit te voren. Van alle glasschilderijen, voormaals door Nederlanders bearbeid, zijn die van de St. jans-kerk te Gouda de meest vermaarde en de schitterendste bewijzen van de groote mate van volkomenheid, welke de kunst hier te lande bereikte, toen de gebroeders Crabetii, Dirk van Zijll, Lambert van Noort en anderen van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw hunne zeldzame kunstvaardigheid ten toon spreidden. Ware het ons opgelegd hier eene eenigszins volledige geschiedenis te leveren van den kunsttak, waarmee wij ons bezighouden, de Goudsche glazen zouden na alles, wat er vroeger en later over geschreven werd, nog steeds eene breede behandeling verlangen. Maar daar dit opstel niets meer wil wezen dan eene bijdrage tot den kennis van den arbeid der oude glasschilders op Nederlandschen bodem, achten wij het genoeg de veel besproken kunstschatten der Goudsche kerk slechts met enkele woorden te vermelden, om des te langer te kunnen verwijlen bij de veel minder bekende en toch niet minder merkwaardige glasramen, op wier bezit Amsterdam mag roemen. De St. Nikolaas- of Oudekerk te Amsterdam, wier bouw, naar men meent, in de dertiende eeuw aangevangen en tot diep in de zestiende voortgezet werd, bezat voormaals vele glasschil- 1) Toen de Heer Haasloop Werner in 1850 zijne âwandelingen door de kerken der Veluwe,,', maakte, vond hij te Hattem, Vaassen, Vorgten en Kpe geschilderde glasramen, van wier ouderdom hij echter niet berichtte (iie Kist en Royaards, Nieuw Archief, I, bl. 92). Of in de kerken van genoemde en andere plaatsen in ons land nog glasschilderijen van vóór de zestiende eeuw bewaard bleven, verdient onderzoek. |
1
Zie Gbssert, Gesch. der Glasmalerei, Stuttg, 1839, s. 68; vgl. Sctinaase a. a. 0. s. 551
â 121 â
|
derijen (geschenken van corporatiCn en bijzondere personen, vorsten, prelaten en rijke burgers), die in de beide koren, de z\j-beuken en de kapellen geplaatst, van de kunstliefde en kerkelijke vroomheid der voorgeslachten getuigden. In het hoogekoor zag men oude vensters met tafereelen, die de Kruisiging en Op-standing des Heeren voorstelden, benevens Jonas en de walvisch, de bekende type van Jezus' verrijzenis; achter dit koor zeer oude glazen met afbeedsels van de Hollandsche graven en eenige heiligen; in den zuidelijken zijbeuk glasramen, waarop tooneelen uit de heiligen-legenden waren geschilderd en het paaschmaa.1 der kinderen Israels. Van al deze kunstwerken en andere, die door Domselaeii !), Le Long 1) en vroegere en latere schrijvers vermeld en voor een deel in de achttiende eeuw nog door Wagenaah s) gezien werden, is tot heden niets bewaard gebleven dan de drie schoone vensters in het Lieve Vrouwe-koor, waarbij wij aanstonds zullen stilstaan, benevens twee glazen, waarop de wapens en namen der burgemeesters van Amsterdam voorkomen, voor zooverre zij van de zestiende tot de achttiende eeuw elkander opvolgden, en een raam in den zuidelijken omgang van het hooge koor, waarop eene hand van middelmatig talent Koning Philips III van Spanje afmaalde, zooals hij na het eindigen van den tachtigjarigen oorlog in 1648 het bezegeld vrede-tractaat uitreikte. Het Lieve-Vrouwe-koor, ten noorden van het hoogekoor gelegen, is eene kapel van aanmerkelijke uitgebreidheid, met drie glasramen voorzien, die overeenkomstig de bestemming van de kapel, de verheerlijking van 's Heeren moeder, met tafereelen uit hare legendarische geschiedenis beschilderd zijn. Wij willen ze achtereenvolgens onder onze aandacht stellen, na opgemerkt te hebben, dat de drie glazen alle in twee vakken verdeeld zijn, waarvan de bovenste ongeveer twee derden van de grootte der vensters innemen, eene eigenaardigheid die den schilder een dubbelen dienst deed: zij gaf eene noodzakelijke begrenzing aan de groote uitgebreidheid van het vlak, dat hij te bemalen had, en schonk hem tevens gelegenheid, onder het tafereel, dat hem hoofdzaak in het kunstwerk was, andere figuren te plaatsen, die de schenkel2 van het venster hem bij bestelling had aangeduid afbeeldsels van dien schenker zeiven of van zijne bloedverwanten, bijzonder vereerde heiligen enz. Het venster, dat ons 't eerst in het oog valt, wanneer wij het Lieve vrouwekoor aan de westelijke zijde intreden, heeft op een rij van glasschijven, die het boven- en beneden-vak van het raam scheiden, twee opschriften, die beiden in geschonden staat verkeeren, maar zich lichtelijk laten herstellen, daar zij ontleend zijn aan Luc. I : 26, 27, 39, 40. en slechts weinig afwijken van den tekst, die in de Vulgaat wordt gelezen. Oorspronkelijk luidden zij als volgt. Het eerste; In mense sexto missus est angelus Gauriel a Deo in c1vitatem galile/e, cui nomen nazareth, ad virginem, etc. luc. anno 1555. 3) |
Het tweede: Exsurgens Maria abut in montes cum festinatione in ClVITATEM JUDAH, et INTItAVIT in donu1i ZaCHARI.F et salutavit Elisahetu. ') Beide opschriften wijzen de onderwerpen aan van de twee tafereelen, die door den schilder in het bovenvak geplaatst en door een gedeelte van de beide spitsbogen, die het venster bevat, gescheiden zijn: de boodschap des Engels aan Maria, en Maria's bezoek bij Elizabeth, Bij de bewerking van het eerste tafereel, de boodschap van Gadriël, heeft de schilder, gelijk zijne vakgenooten vroeger en later, niet naar historische waarheid gezocht, maar de voorstellingen zijner verbeelding gevolgd. De jonkvrouw van Nazareth, de nederige bruid des timmermans, bewoont geen eenvoudige kamer overeenkomstig haar maatschappelijken stand, maar een prachtige zaal, der toekomstige hemelkoningin waardig, een hoog vertrek, waarvan de rijk versierde, gewelfde zoldering op eenige kolommen rust en, zonderling genoeg, tevens het tweede tafereel, het bezoek bij Elizabeth, overdekt. In die zaal staat een ruim ledekant, welks groen behang de gedaante van een tent heeft. Voor het ledikant zit de uitverkoren maagd, eene grijze schouderdoek en goudgeele en paarsche kleederen om de leden. Hare houding en gelaatstrekken, die veel jeugdiger mochten zijn, verkondigen een ootmoedigen zin, tot kinderlijke gehoorzaamheid gereed, zooals het âder deerne Godsquot; betaamde. Gadriël, een engel met grijze, aan de spitsen veelkleurige vleugelen, in blauwe, geele en paarsche kleederen gehuld, nadert haar met ernstig-blij gelaat. Zijne rechterhand (helaas slecht gerestaureerd) is hemels-waarts gericht; zijne linkerhand houdt den gouden schepter, waarvan de legende spreekt. Naast hem, op den bodem, staat een prachtige vaas met witte lelifin, het bekende zinnebeeld der maagdelijke reinheid. Het tweede tafereel van het bovenvak, Maria's bezoek b ij Elizabeth, vertoont ons wederom een ruim vertrek met sierlijke zoldering en eenige koloinraen, de woonkamer der vrouw, die blijkens de werkmand met uithangende schaar, aan de rechterzijde der schilderij naast een prachtigen leunstoel geplaatst, zich met huiselijk bedrijf bezig hield, totdat de komst der jonkvrouw haar deed oprijzen. Maria, die nu een blauwen mantel en paarsch onderkleed en in de recliterhand een reisstaf draagt, buigt zich zachtkens over in de armen van Elizabeth, een statelijke matrone in rijke kleeding, bruin en groen gekleurd, een witte muts op het hoofd. De onderlinge begroeting is innig en teeder, maar van alle hartstochtelijkheid verwijderd, zooals het heilige vrouwen, met groote gedachten vervuld, voegt. Maria's gelaat, hier veel jeugdiger en aanminniger dan op het andere tafereel, is een spiegel van inwendige reinheid en diep gevoel; dat van Elizabeth getuigt van moederlijken ernst en stille verwachting. De lieflijke groep 2), door beide beelden gevormd, is meer dan alles, wat de schilderij bevat, een bewijs van het uitstekend talent des vervaardigers. Toch hebben wij te betreuren, dat zijne kunst te kort schoot, waar hij voor zijne figuren een frissche vleeschtint behoefde, en dat hij zijn werk benadeelde, door ter zijde van de 1) D. i. Maria opstaande ging rnet haast naar het gebergte, naar eene stad Juda, en zij kwam in het huis van Zacharia en begroette Elizabeth. 2) Plaat XXII. |
1
Ihstor. leschrijv, van de reformatie der stad Amsterdam, Amst. 1729, bl. 492 v. 522 v.
2
Beschr. van Amsterd, Amst. 1665, Boek IV, bl. 50 vv.
3
J). i, In de zesde maand is de engel Gaisrikl door God naar eene stad van Galüea, genaamd Nazareth, gezonden, tot eene maagd enz.
â 122 â
|
twee vrouwen op onhandige wijze een gebouwtje te plaatsen, dat door de schitterende kleuren aan het effect des geheels schade â doet, namelijk eene poort die toegang tot Elizabeth's woning geeft. In een kleine kamer boven die poort vertoont zich een schrijvend grijsaard in glansrijk gewaad, ZACHAniA, de huisheer. In den doorgang beneden treedt Jozef aan met een staf in de hand, wier. ouderdom, naar het schijnt, niet toeliet Maria op den voet te volgen. Achter Jozei, door de poort heen, ziet men in liet verschiet een rots en eenig geboomte. Slaan wij, na het bovenvak van het glasvenster beschouwd te hebben, het oog op het benedenvak, dan zien wij twee flink geteekende beelden, met opengeslagen boeken, beiden in zittende houding. Die aan de linkerzijde met het groen gewaad is de apostel Paulus; zijne rechterhand houdt het zwaard, het teeken zijner hoogwaardigheid als verkondiger van Gods woord, âhet zwaard des geestesquot;; met de linkerhand beurt hij een schitterende zonneschijf in de hoogte, in wier midden de naam van Jezus âde zon der gerechtigheid.quot; De andere heilige is de apostel Petrus in blauw opperkleed, in de linkerhand de sleutel. Peide godsmannen hebben het hoog ernstig gelaat naar een persoon van middelbaren leeftijd gekeerd, die geknield met gevouwen handen voor hen ligt en een zwarten tabberd draagt. De overlevering noemt hem Jan Claasz. van Hoppen en schenker van het glas. Aan zijn voet ziet men een zittenden hond en zijn wapen, drie staken met hopranken op lazuur. Achter hem staat een bisschop in schitterend ambtsgewaad, tegen wiens voet een wapenschild rust, waarop een gouden kruis op roodbruinen grond gezien wordt en de viermalen herhaalde letter B. De prelaat, die door niets als een kerkheilige wordt aangeduid, houdt in de linkerhand een draagkruis met een cedel of strook doeks. waarop de woorden: Nemo leditur nist a se ipso. ') Aan de zijde van Petrus plaatste de schilder drie knielende vrouwen, de hoofden inet huiven bedekt en zwarte mantels om de leden, vermoedelijk bloed- of aanverwanten van den schenker. Voor de eene bevindt zich een ruitvormig schild van lazuur met twee gekruiste zilveren bijltjes. Achter deze groep vertoont zich eene aanzienlijke vrouw met kostbaar halssieraad, een gouden kroon en rijk gewaad, zonder eenig kenmerkend heiligen-adtribuut. Haar gelaat, almede naar den knielende voor fle Apostelen gewend, heeft eene meer dan ernstige, een strenge uitdrukking, terwijl zij naar het opengeslagen boek van Petrus wijst. Dat de beelden van dit benedenvak door den maler niet toevallig vereenigd, maar opzettelijk gekozen en met elkander in zekere betrekking gedacht zijn, is niet te betwijfelen. De knielende met den zwarten tabberd is blijkbaar het voorwerp der aandacht van de beide Apostelen, en inzonderheid van Paulus, den opper sten kerkleeraar, die het voorkomen van een met berisping onderwijzende heeft Maar wat is de zin, de bedoeling van het tafereel ?.. De oude overlevering bij Domselaf.r, 1) Commelin, 2) Le Long 3) en anderen geeft een, naar het ons voorkomt, aannemelijk antwoord. Zij luidt als volgt: Jan Cl\asz. van Hoppen, lid van een aanzienlijk Amster-damsch geslacht, die in liet Lieve-vrouwe-koor der Oude-kerk i . D. i. Niemand wordt schade toegebracht tenzij door hem zeiven. 2) T. a. pl. 3) Beschr. van Amst. tweede dr., Dl, I, bl. 425 v. 4) T. a. pl. |
begraven werd, nadat hij van 1560â1572 burgemeester en schepen van Amsterdam was geweest ') en wiens wapen tweemalen op een glasraam van dit koor gezien wordt, is omstreeks het midden van de zestiende eeuw bij de geestelijkheid wegens kettersche gevoelens aangeklaagd en veroordeeld. Zijn vonnis eischte, dat hij in beevaart naar Rome zou reizen, om absolutie van den Paus te verwerven. Hij volbracht den tocht en werd, na zijne terugkomst, verplicht aan de hoofdkerk zijner woonplaats een kostelijk glasraam te schenken. Deze overlevering vermeldt inderdaad niets, wat onmogelijk of zelfs onwaarschijnlijk zou moeten heeten. Dat in het raidden der zestiende eeuw te Amsterdam vele, ook aanzienlijke lieden van zoogenoemde âlutherijquot; verdacht en daarom aan vervolging van de zijde van kerk en staat blootgesteld waren, is genoeg bekend, en eveneens dat niet alle vervolgden dier tijden, als zij wegens hunne ketterij in proces gewikkeld waren, aan hunne gevoelens trouw bleven. Tot de zoodanigen kan van Hoppen behoort hebben. De bisschop van Utrecht in vereeniging met de inquisitie en de landvoogdes, Maria van Hongarije, 2) zijn vermoedelijk in zijn rechtsgeding gezamenlijk meer of min werkzaam geweest. Van Hoppen werd tot herroeping bewogen, legde het hem opgelegde boetewerk, de reis naar Rome, ten uitvoer, en gaf na zijne terugkomst, óf vrijwillig of gedwongen, ^ het besproken glasraam aan de kerk, waarop hij ook zijn eigen beeld en wapen deed plaatsen, benevens andere figuren, die van zijne onderwerping aan de kerk openbare getuigenis zouden geven. Heeft een en ander zich werkelijk aldus toegedragen, dan laat zich het schilderwerk in het hoogste gedeelte en in het be nedenvak van het glas, wel niet moeielijk verklaren. Het Vkronica-beeld op een der bovenste glasschijven, en het Pauselijk wapen daar tegenover herinneren aan van Hoppen's bezoek in de âeeuwige stadquot;; 's mans knielen voor Paulus en Petrus aan zijn terug-keeren tot de leer der k.-rk en aan zijne vernieuwde onderdanigheid aan het gezag des stedehouders van Christus. De bisschop, wiens wapenschild slordig gerestaureerd is, kan George van Egmond zijn, de toenmalige kerkvoogd van Utrecht, de rijk ge-kleede en gekroonde vrouw, de landvoogdes, koningin Maria, verbeelden. De woorden, op de cedel van 's bisschops draagkruis geplaatst; âNiemand wordt schade toegebracht, tenzij door hem zeivenquot;, mogen aangemerkt worden als een schuldbelijdenis, die door den prelaat van van Hoppen verlangd was en anderen tot leering en waarschuwing kon strekken. De tweede glasschilderij van het Vrouwe-koor, heeft gelijk de eerste, op de scheiding van het boven- en benedenvak een opschrift, waarvan nog slechts enkele woorden en syllaben leesbaar zijn, daar men de voormaals aangebrachte schade op de onhandigste wijze poogde te herstellen, de oorspronkelijke volgorde der glazen Verbrak en enkele nieuwe invoegde, waarop de niet behoorlijk |
1
Koningin Maria, ofschoon zij bij de katholieke partij wegens hare toegeeflijkheid jegens de protestanten te kwader naam bekendstond, was ambtshalve gedurig verplicht ketterzaken te behandelen. In 155^ was ZÃ 00^ die van den kapellaan Joh. Anastasius van Gardeurn betrokken. Zie Kerk -hist. Arch, van Kist en Moll, I, bl. 56 w.
2
Dat de kerkelijke en burgerlijke rechtsbedeeling van den ouden tijd van veroordeelden, die rijk waren, somtijds schenkingen aan kerken eischte, be.
3
hoeft geen bewijs. Ook de schoone kerk te Breda bezat voormaals eene glasschilderij, tengevolge van een vonnis verkregen. Zie van Goor, Beschr. van Breda, 's Gravenh. 1744, bl. 82.
lï lt;,.
I.'K ra.IJKE KUNST quot;XXII
- 123 â
|
ingebrande letters geheel of gedeeltelijk uitgewischt zijn. Toch kan men ook dit opschrift met het oog op den vulgaat-tekst van Gal. IV: 4, 5, waarvan het maar weinig afwijkt, met genoegzame zekerheid vernieuwen. Toen het venster nog niet beschadigd was,â men denkt al licht aan den tijd vóór het jaar van den beeldstorm (1566), die, wat Noord-Nederland betreft, in deze zelfde Oude-Kerk het eerst woedde â luidde het aldus: Um VEN 1T l'LENITUDO TEMPORIS, M1SIT DEUS FILIUM SUUM, FACTUM EX MULlEIiE, UT ECS, (Jöl SUIS LEGE ERANT, REDIMEKET, UT ADOPTIONE IUS FILIORUM RECIPE REM us. CrAL. IV. !) De woorden van dit opschrift vermelden de gebeurtenis, die in het bovenvak is voorgesteld, de geboorte van Jezus uit de heilige Maagd, de komst van Hem, op wiens verschijning de menschheid hoopte. Hoog in het bovenste deel van het venstervlak, zweven als in vlugge vaart eenige engelen om figuren van grootere en kleinere afmeting, wier schitterend gekleurde gewaden, door den luchtstroom bevallig bewogen, krachtig uitkomen boven een gedeelte van het zwerk, dat onbewolkt en zuiver blauw getint is. Beneden dit liefelijk tafereel der hemelingen, die het vredewoord van den kerstnacht door het luchtruim schijnen te verbreiden, plaatste de schilder niet den armelijken stal der overlevering, de schamele woning, waarvan der vaderen volkslied zong: âHet huuske hadde so menich gat, een huuske sonder deurequot;, neen, naar het voorbeeld van sommige Italiaansche meesters van zijn tijd, die zich allengs van de traditie meer of min verwijderden, maalde hij een prachtgebouw, ja, maar een prachtgebouw in diep verval, de muren gebroken en hier en daar met weligen plantengroei bezet, eene ruïne op groote schaal. En in die ruïne heeft de gebeurtenis, waarom de engelen juichen, reeds plaats gehad, Het kindeke der profetie ligt op een blauw kleed, een deel van Maria's mantel, de leden nog niet in windselen gewikkeld, de kleine armen opgeheven, als zochten zij de moeder. Achter den jonggeborene vertoonen zich de os en de ezel, die de schilder, hoe vrij hij zich overigens tegenover de overlevering gedroeg, hier niet kon en mocht vergeten; want al glimlachte hij wellicht, wanneer zijne devote tijdgenooten op kerstdag het oude liedeke herhaalden; âEen os ende oec een eselkijn verwermden den kinde die leden sijn,quot; â hadden Jesaia en Habakuk, die mannen Gods, niet eeuwen te voren van beide dieren bij de kribbe in den stal geprofeteerd ?. .. 1) Bij haren wonderzoon ligt de moeder, geknield met gevouwen handen, in liefde en eerbied tevens op hem nederziende. Haar gelaat is geenszins het idealisch schoone der sixtijnsche Maria van Rafael, maar dat van eene schrandere, bedachtzame jonge vrouw, die hare hooge levensbestemming, in dit kind haar gegeven, met vromen ernst steeds gedenken zal. Zij heeft de traditio-neele blonde haren, een geel boven- en een paarsch onderkleed en een blauwen mantel om de leden. Maar de gouden mantelspang en andere sievaden, waarmee menige kunstenaar van den ouden tijd de Lieve Vrouw smukte, strookten niet met de realistische opvatting van onzen glasmaler, en wij maken hem er geen verwijt van, dat hij ze achterwege liet. |
In de nabijheid van Maria en het kind zijn twee beeldengroepen geplaatst, waarvan die aan de linkerzijde des tafereels de herders van het Evangelie verhaal vertegenwoordigen. Zij zijn vijf in getale. Twee van hen hebben voor den jonggeborene reeds de knieën gebogen; de anderen treden haastig aan, om hun voorbeeld te volgen. Allen zijn forsche mannen des volks, vroom en vroed, flink geteekend, vrij in hunne bewegingen. De andere groep, achter Maria gesteld, bestaat uit vier personen. Een van hen, maar gedeeltelijk zichtbaar, een hoed met opgeslagen gelen rand op het hoofd, zal Jozef voorstellen, âden ouden manquot; der legende. De drie overigen zijn deftig gekleede lieden. Twee van hen staren met nadenkende blikken op het kind. De derde richt zich naar de beide anderen en schijnt hen toe te spreken. Ook zij zijn krachtige, fiksch geteekende figuren. De schilder wilde in hen klaarblijkelijk de drie wijzen uit het Oosten, waarvan het Evangelie spreekt, doen aanschouwen, niet de drie koningen der overlevering, welker bekende adtributen hier geheel ontbreken. Had de kunstenaar, die het tafereel maalde, zich te vrede kunnen stellen met het reeds beschreven gedeelte van zijn werk, wij zouden hem wegens karigheid in het gebruik zijner gaven geenszins verklagen, want wat ons zijn glas reeds te bewonderen gaf, is inderdaad genoeg. Maar hij zelf dacht er anders ovor. Tusschen den hemel met de engelenschaar en het tooneel te Bethlehem bood de groote vlakte van het glasvenster nog eene aanmerkelijke ruimte aan zijn penseel. Zoo maalde hij dan in het verschiet boven Maria en de drie wijzen nog een kleinen tempel, welks koepeldak op eenige kolommen rust en eenige kleine figuren bij een altaar overdekt. Het gebouwtje heeft aan de buitenzijde trappen, waarop eene vrouw, die iets (een paar duiven?) in de handen draagt. Aan hare linkerzij ontwaart men een half zichtbaar persoon met witten tulband. Dat wij hier aan 's Heeren besnijdenis hebben te denken, is vermoed. Maar wie verbeelden de figuren op de trappen? ... Jozef en Maria? ... of Simeon en Anna? . .. Heeft de schilder wellicht ook het oog gehad op Luc. II: 22â38, het verhaal van Jezus âvoorstellingquot; in den tempel en het offer der moeder, en dit feit met dat der besnijdenis vereenigd ?. .. Het schijnt zoo. Wenden wij onze blikken van het bovenvak des glasvensters naar het benedenvak, dan zien wij links een bisschop in vol pontificaal, de mantel rijk met goud en parelen, de myter met edelgesteente versierd; zijn rechterhand is met den bisschoppelijken handschoen bedekt; de linkerhand houdt den staf zijner waardigheid. Daar ook hier geenerlei teeken gevonden wordt, dat eenigen heilige zou kunnen aanduiden, vermoeden wij, dat het beeld den schenker van het glas voorstelt, een of anderen prelaat van ons vaderland of van een naburig gewest. ') By den bisschop staat St. Jan in bruin boven- en geel onderkleed; een lam, als in biddende houding aan zijne voeten, doet hem als den Dooper ij Toen Prins Willkji I, destijds Stadhouder van Holland, aan de Oude-Kerk een geschilderd gfas voor het hooge koor had geschonken, wendden zich de Amsterdammers schrifttlijk tot Nicolaas van Nielwland, bisschop van Haarlem, met de bede, dat ook hij een venster voor dat koor zou bekostigen. Wat het antwoord was, is onbekend ''zie Lf. Lo.no, a. w. hl. 523), maar zeker is het, dat niet Nicolaas v. N. op het glas afgebeeld werd, daar deze in 1555 de bisschoppelijke waardigheid nog niet bezat. |
18
1
Zie Jes. I: 3 en Habakuk III: 2 (de laatstvermelde pl, volgens de Septuaginta).
â 124 â
|
kennen. Aan zijne linkerzijde is de H. Maagd met het kind afgebeeld, en naast haar St. Catharina met de kroon des marte-laarschaps op het hoofd en het gebroken rad barer legende aan den voet. Rechts van deze vier beelden, die voor het schoonheidsgevoel weinig aangenaam zijn, ziet men in groote afmeting het wapen van Amsterdam, door twee forsche leeuwen gehouden, en daaronder: Anno 1555. Naast het wapen is een krijgsman in Romeinsch kostuum geschilderd, die de Amsterdamsche vlag laat uitwaaien. Bedriegen wij ons niet, dan zal de kunstvriend, die de twee beschreven vensters van het Vrouwe koor ooit aandachtig heeft gadegeslagen, met ons van gevoelen wezen, dat zij werken van verschillende meesters zijn. Die op het eerste glas des Engels aankondiging en ontmoeting van MARIA met ELIZAbeth maalde, was zeker een man van fijn gevoel en vruchtbare verbeelding, en zijn penseel bekwaam om wat hij in den geest aanschouwde, in voegzame vormen zichtbaar te maken. Maar de manhaftige kracht van den kunstenaar, die het tweede glas, de geboorte van Jezus schilderde, bezat hij niet. De opvatting der stoffen bij laalstvermelde is realistiesch, ja, maar geenszins onedel, zijne teekening vol natuurwaarheid en breed, en de beweging der figuren levendig. Inzonderheid treft ons het onderscheid van koloriet in beide glazen, wanneer wij ons van het eerste tot het tweede wenden. Men schijnt van den koelen lentetijd plotseling in het warme zomersaisoen over te gaan, een gelukkig effect van de rood-bruine tint, die aan alle deelen van het tweede venster een warmen toon verleent, en vooral aan de vleeschkleur der beelden, die op het andere glas nauwelijks te vinden is, naar wensch ten bate komt. Het derde en laatste glas van het Lieve Vrouwe koor, waarop wij de aandacht vestigen, vertegenwoordigt ons de Moeder des Heeren in de ure van haar zalig verscheiden, en ook hier, evenzeer als qp liet tweede venster, is een tooneel uit de wereld der geesten boven het tooneel uit de sfeer der sterfelijken gemaald. ') Dunne wolken, bekoorlijk met zonlicht doorschenen, trekken het oog naar de bovenste glasschijven en doen den beschouwer bijna twijfelen, of zijn blik zich bedriegt, en misschien op het zwerk buiten het kerkgebouw rust. Maar tal van engelen, grootere en kleinere figuren, op en tusschen de wolken gezien, leeren hem weldra anders. Bijna allen zijn aanvallige wezens, gestalten vol gratie, met zacht groene vleugelen gesierd. Drie. in het midden geplaatst, vormen een schoon geteekende en gelukkig geordende groep, helder en harmoniesch gekleurd Een van hen heft de gevouwen handen op ; die tegenover hem, in een glansrijk goudgeel kleed gehuld, houdt een gezang- of gebedenboek in de handen; de derde heeft het gelaat almede naar dat boek gekeerd. Links van die groep zit een engel met geel schouder- en groen onderkleed, in kalme houding op eene fluit of schalmei blazende, rechts een andere in bruin gewaad, die de cyther slaat. Beneden dit tafereel van zingende en biddende hemelingen maalde de kunstenaar een ruim vertrek, kostelijk betimmerd met lijstwerk en pilasters in renaissance-stijl, zooals zijne naïeve verbeelding, die met de geschiedenis der bouwkunst en hare chronologie nimmer te rade ging, zich Maria's verblijf in de woning van den Apostel Johannes voorstelde. Aan de linkerzijde der kamer is 1) Zie nevensgaande plaat XXIII. |
een venster geschilderd, door welks zniver-wit gehouden glasschijven een helder daglicht naar binnen schijnt te stroomen, dat over het gansche vertrek een zilveren tint verbreidt, die met het ernstig tooneel, dat hier plaats heeft, geenszins in strijd, maar als eene symbolische aanduiding is, hoe het verscheiden van deze stervende geen uitgang in eeuwige duisternis, geen oorzaak van droeve klacht, maar veeleer van blijde berusting in hoogere beschikking moet geacht worden. Bijna in het midden van het vertrek plaatste de maler een zestien-eeuwsch ledekant, met fraai gebeiteld gehemelte, dat op vier kolommen steunt, waar om heen de schitterend blauwe gordijnen zijn gerold En in dat ledekant ligt de Moeder des Heeren, tot aan het middellijf onder een wit laken en blauwe deken, het hoofd en de rug tegen een hoog opgestuwde peluw geleund. De haren zijn onder een witten hoofddoek verscholen, hare schouders en borst door een wit gewaad gedekt. De rechterarm, die een bruin omkleedsel draagt, is met zwakke beweging naar eene brandende waskaars gericht, het zinnebeeld des geestelijken lichts van Christus, dat voor het geloof nooit gebluscht wordt, en van de waakzaamheid eener vrome ziel, die âde lamp des geloofsquot;' steeds brandende houdt. Het bleeke gelaat der stervende is zeer kalm en vredig, als van eene godvruchtige vrouw van middelbaren leêftijd, die vermoeid van 'slevens strijd zich dankbaar ter ruste heeft gevoegd en wacht op de roepstem van haar hemelschen Vader. Twaalt mannen, de Apostelen van haar Zoon, omringen de legerstede. Petrus, aan zijn geschoren schedel kenbaar, een wit koorkleed om de leden, staat haar ter zijde en reikt haar de waskaars toe, want hij is het, die als hoofd der Apostelen geacht wordt hier de genademiddelen der Kerk toe te dienen. Een ander Apostel (Johannes?) ligt geknield voor het ledekant, het gelaat naar een geopend boek op een lectrijn gericht, waaruit hij, naar wij vermoeden, de psalmen en gebeden voor de stervenden leest. Aan zijne zijde ziet men een wijwatervat met sprengelaar. Al de overige Apostelen, met rokken en mantels van verschillende kleur gedekt, zijn geen klagende, maar ernstig toeziende getuigen, met gelatenheid onderworpen aan den v il des hemels bij het scheiden van de hoogvereerde. Hoedanig mag wel vóór drie eeuwen de indruk van dit tafereel geweest zijn op hen, die het aanschouwden , toen het glasraam eerst onlangs in volle pracht in hunne parochie-kerk was geplaatst?.... Dat kunstkenners het werk van den meester loofden, de teekening en groepeering zijner beelden, de helderheid en harmonie zijner kleuren enz. gelooven wij gaarne. Maar of allen zonder onderscheid ingenomen waren met de voorstelling van Maria's uitgang, zooals die hier geschilderd was, mag betwijfeld worden. Immers, ook de zestiende eeuw had haar idealisten, wier opvatting van dit onderwerp gansch anders was gesteld. Bij hunne warme vereering voor de H. Maagd konden zij de gedachte niet verdragen , dat de Moeder des Heeren als een gewoon sterveling , op het ziekbed rustende, den laatsten ademtocht had uitgegeven. âNeen'', zoo riepen zij, ') âniet door krankte uitgeput of in ziekte neörgeworpen, is zij uit het leven gescheiden. Neen, eerbiedig 1) âCrediderim Mariam nou decubuisse lecto, more ffigrotantium et qui morbo pressi clauduut hanc vitam (cum venia pictoruna et sculptoium!), cum ueque infirmitate vexata credi potius dobeat, neque debilitate prostrata, sed flexis reverenter genibus et eublatis in coelura manibus iuter orandum accep-tissimum Deo splritum commendassequot;. Aldus Cuciitiioveus bij Molancs, De hist. SS. /maginum, ed Paqiiot, Lovanii 1771, p. 331 s. |
- 125 â
|
neêrknielende, de handen hemelwaarts gericht, zóo heeft zij biddende Gode haren geest bevolen!quot; Zóo spraken de idealisten van dien tijd , en wij zouden misschien met hun woord, instemmen , zoo wij, dankbaar voor hetgeen de meesterhand des schilders ons te aanschouwen gaf, niet liever erkenden, dat hij , de meer gewone opvatting volgende, zijn onderwerp op de waardigste wijze wist te behandelen. Hoewel het bovenvak van het venster zeer zeker de meesten aandacht verdient, is ook het benedenvak te goed geschilderd , dan dat wij er niet een oogenblik bij zouden verwijlen. Tegen een grijzen muur met bogen, lijstwerk en pilasters hangt een bord met het volgende opschrift: Ad laudkm deiparae viuginis Maiuae Brundtorum Pieteb, Mies poni me fecit , 1555 1). Onder dit opschrift zijn twee kleine tafeltjes geplaatst. Voor het tafeltje aan de linkerzijde liggen drie mannen geknield , éen in een wit koorkleed , dat zijn geestelijken stand aanduidt, twee in zwarte tabberden , een jonger en een ouder persoon. De jongere heeft een gevoelvol, wel gevormd gelaat, dat den beschouwer aangenaam aandoet; het hoofd van den oudere schijnt door onhandige restauratie geleden te hebben. Aan hunne zijde liggen twee knielende knapen in licht geel en bruin gewaad. Achter hen vertoont zich een statelijk grijsaard , wiens drievoudige kroon, de pauselijke tiara, hem als een der opvolgers van Petrus doet kennen. Ken met goud en edel gesteente versierde mantel en purper onderkleed dekken zijne leden. Zijn linkerhand houdt een gouden staaf met een strook afhangend doek, zijn rechterhand een met goud beslagen hoorn. Het gelaat is edel gevormd, een heilige waardig. Maar hoe moeten wij hem noemen?.... Alt en anderen, die de attributen van eenige als heiligen vereerden Pausen beschre ven, geven gsen antwoord; maar âde Guide Legende' van Jac. de Voraoink , waarnaar een kundig beoefenaar der kerkelijke ar chseologie 2) mij verwees , kan hier licht aanbrengen. Genoemde schrijver handelt in zijn vermeld werk ook over Cornelius, den bisschop van Rome, die tijdens de vervolging van Decius de kroon des martelaarschaps won. Naar zijn gewoonte op de vermeende be-teekenis van den naam des heiligen opmerkzaam makende, verklaart hij, dat deze dien naam (Cornelius = cornu populi, d i, hoorn, kracht des volks *) volkomen waardig was. De hoorn, dien de Paus op de schilderij in de rechterhand houdt, leert ons derhalve aan wien wij hier te denken hebben; de staaf met het strak ne-derhangend doek is vermoedelijk het met lood voorziene werktuig (plumbata = geeselkolf) waarmeê, volgens de legende, de martelaar gegceseld werd, voordat men hem doodde. Daar de familie der Brundten in de Oude-kerk ook eene kapel met altaar 1) Dat werkelijk sommige kunstenaars van de 15e en 16e eeuw het gevoelen van Cuchthoveüs toegedaan waren, en de stervende Maria in geknielde houding, door den Apostel Joh annus of door Jezus bijgestaan, afgebeeld hebben, uet men bewezen door Alwin Schultz in Ltiiikjs's BeiirSge znr Kunstgesch. Heft I, Leips. 1878 op naam van St Cornelius stichtte, gt;) is het wel niet gewaagd aan te nemen, dat deze een hunner patronen is geweest. |
Vóór het tafeltje aan de rechterzijde des tafereels zijn drie knielende vrouwen geplaatst. Zij dragen huiven op het hoofd , waarover zwarte mantels reiken. Hare figuren hebben veel geleden, en die herstel poogde aan te brengen , was onbevoegd voor die taak. Achter de vrouwen staat St Catharina , gekroond en het blonde haar met parelen versierd. Onder den rechterarm houdt zij het gebroken rad , in de linkerhand het zwaard. Zij is rijk gekleed met groene, paarsche en roode stoffen, maar schijnt overigens geen voorwerp van bijzondere zorg voor den schilder ge-weesi; te zijn. Ofschoon kunstwerken, tenzij ze handelswaar zijn geworden, â¢aan de namen dergenen die ze voorbrachten geen hoogere waarde kunnen ontleenen dan zij voor de rechtbank van den zuiveren kunstzin bezitten , achtten wij het toch in meer dan éen opzicht steeds nuttig en aangenaam, wanneer men ons met zekerheid kan aanwijzen, wien het vaderschap toekomt van hetgeen wij eerbiedig bewonderen. Vermoedelijk is dan ook bij velen , die onze beschrijving der drie glasvensters van de Amsterdam^che kerk lazen, reeds meermalen de vraag opgekomen, wie de auteuren van deze merkwaardige kunstgewrochten waren? .. Met leedwezen moeten wij erkennen, dat wij het gewenschte antwoord niet kunnen geven. Waar Waqenaar onze vensters bespreekt, Â¥) zegt hij, zonder de anders luidende berichten van vroegere schrijvers eenigzins in aanmerking te nemen: âde drie glazen zijn in het jaar 1555 door eenen Dig man geschilderd,quot; en hij beroept zich daarbij op zeker âMemorial van kerkmeestersquot; der Oude-kerk, een HS. dat thans, spoorloos verdwenen is. Le Long, die in 1729, ongeveer vijf en dertig jaren voor Wagenaar dezelfde kunstwerken roemde, meldt alleen van het eerste glas (de aankondiging d e s E n g e 1 ? , dat het, âin het midden' de aanwijzing droeg , dat het eenen Dioman in den jaare 1555 gemaakt heeft quot; Die aanwijzing is thans, wat den naam Dioman betrejt op het venster niet te vinden, hoewel het jaartal âin net middenquot; nog heden gelezen wordt. Daar de beweringen van Wagenaar en Lr. Long ons niet bevredigen, naardien wij de gronden , waarop zij berusten , niet kun â nen nagaan , en hun Digman een in de kunstgeschiedenis onbekend persoon is , wenden wij ons om beter bescheid tot oudere schrijvers, na nog opgemerkt te hebben, dat door sommige auteuren van onzen tijd aangenomen is, dat Dioman óf een glasbrander , niet de schilder der glazen is geweest, óf dat zijn naam de toenaam van den aanstonds te vermelden Pieter Aertsen was, 3) voor welke dubbele stelling echter geen enkel bewijs werd geleverd. Fokkens en Domselaer, die in 1662 en 1665, ieder op zijn wijze van onze vensters gewag maakten, schijnen van âeenen Digmanquot; niets geweten te hebben, maar noemen Pieter Aertsen die door zijne tijdgenooten wegens zijne buitengewone lichaamslengte gewoonlijk lange Pier werd geheeten. Jammer maar, dat die schrijvers in hunne berichten niet volkomen overeenstemmen. Terwijl toch eerstvermelde alleen het derde glas (Maria's sterfbed aan Aertsen toeschrijft,3) noemt Domselaer4) hem den 1/ Ondh. en gestichten van N. Holland, II, bl. 93. 2) Amsterdam , IE , bl. 96. 3) Zie Kkamm , De levens en werken der IIoil, en Vlaamse/ie Schild. I bl. 342 v. en van Vloten, a. w. bl. SS. 4) Beschrijving der sladt Amsterdam, Amst. 1662 , bl. 191. 5) Ka. pl. Commklin heeft IDomsklaer hier op den voet gevolgd. Zie a. w. I, bl. 425 v. |
1
D. i. Ter eere van de Moeder Gods, de Maagd Maria [besehermheilige] er Budndtex, heeft Pieteb Miks mij [hier] doen plaatsen.âDe Brundten
waren eene aanzienlijke Amsterd. familie, P, Mies vermoedelijk hun bloedof aanverwant. ^ De woorden Anno ab incarnatione Chr, die Le Lono (bi. 492) vóór het jaartal der inscriptie plaatste, zijn op het glas niet aanwezig.
2
Dr. J11, Boruet te Vogelenzang.
3
âCornelius a cornu ei leos (*â4-,) quocl est populus, quasi cornu, id
4
'or'itudo populiquot;. Legenda any. ed Guaesse. Lips. 1850, bl. 595.
â 126 â
|
schilder van de drie vensters gezamenlijk. Geen van beiden echter geeft de bron op, waaruit hij zijn bericht putte. Zij hebben de gangbare meening hunner dagen , naar het schijnt, gevolgd, wat te gereeder geschieden kon, omdat de roem van PrEii's kunstgaven door zijn grafschrift in de Oude kerk niet alleen, maar ook door de schriften van Pontanus, Montanus en van Mander voortdurend levendig werd gehouden en licht in veler mond was, waar men voortreffelijk schilderwerk bewonderde, welks maker men niet kende. Maar was die gangbare meening, die toch aan Fokkens en Domselaer niet hetzelfde in de pen gaf, inderdaad betrouwbaar?.. Wij moeten het betwijfelen. Van Mander , die in 1604 te Amsterdam woonde en destijds zijn âSchilderboekquot; voltooide, heeft aan Pieter Aertsen , diens levensloop en kunstwerken de verschuldigde aandacht gewijd. De zonen van den vermaarden meester, die almede de schilderkunst beoefenden , zijn aan van Mander , naar het schijnt, persoonlijk bekend geweest, en aan hen had hij wel zijne kennis van Aert-sen's lotgevallen en bedrijf te danken. Laat het zich nu denken dat van Mander, die van vele schilderijen van lange PiEn melding maakt en met name ook 's mans altaartafel beschrijft â¢), die voormaals in de Oude-Kerk te Amsterdam bewonderd werd , â laat het zich denken , dat hij van de drie kolossale glasschilderijen in diezelfde kerk zou gezwegen hebben . zoo hij kennis had gedragen van de overlevering, die zestig jaren later door Fokkens en Domselaer werd gevolgd, en aan die overlevering geloof had gegeven?.. En hetzelfde geldt van Pontanus en Montanus , die in hunne ten jare 1611 en 1614 verschenen werken Pieter AeRtskn 1) Ifet leven der Schilders, uit^. van DE Jongh , Amst. 1764, I. bl. 237. |
(Petrus Arnolüi , Lonüus Piehius heet hij bij Pontvnus) op betamelijke wijze hulde toebrachten. ') Ook zij spreken van het altaarstuk in de Oude Kerk, maar van de drie glasramen zwijgen zij. Dat lange Pier benevens zijne werken in olieverf ook glas schilderijen vervaardigd heeft, betwijfelen wij niet. In de aantee-kening , die nog heden in het Grafboek der Oude-kerk gelezen wordt,â Dr, van Vioten heeft het reeds opgemerkt,1)âwordt hij dan ook een âglasmakerquot; genoemd; 2) maar hieruit te besluiten, dat niemand anders dan hij onze kerkglazen zal geschilderd hebben, achten wij ongeraden. Dat de drie vensters niet het werk van een meester zijn , schijnt het zeer verschillend karakter van teekening , kleur enz. te bewijzen. Als men aanneemt, dat werkelijk lange Pier éen van de drie vervaardigd heeft, dan denke men het eerst aan het tweede glas, de geboorte des He er en. Hier toch vinden wij de krachtvolle en manhaftige behandeling der beelden en het warme koloriet, waarom Aertsen oudtijds geroemd is en, met het oog op zijne nog bekende paneelen , tot in onze dagen bewonderd wordt. |
1
T. a pl.
2
W. Moll.
life
J®
I
1534 1592.
|
Hy Amsterdamme doet Apki.les fame bayghen 't Moet zwichten voor u al'tgeen was in voor'ghe tijdt, I Want gy de Paragonne van de wereldt zijt. I Veel eerder zoud'mijn tonghe azems galmt ghebreken, I Eer ik uw' lof volkomen nyt zoud' kunnen spreken. Italien gliy trotst', al wat zy hadd' of heeft, In Amstelse tryumph nu wezentlijcke leeft; Roemt van uw Langiie Pier, roemt van uw waerde Kf.tei,, ') Uw DiEK'CK Barents lof, men achtent noyt vermetel, Dat ghy uw heldensfaem op uw baeckxtoppe viert. En uw verleden tijdt met gloryen lauriert. En die ghy hebt als noch. Pinas 1), uw Lasmans 2) wercken, Uw Pieter Ysacx, die u roofden Denemercken 3) Tengnagel 4), Badens r'), Vinck 5) verderen 't Amstellandt, Uw Poelenburg, Nieuland 6) Moeyert n) en van Nant7) |
Uw Zav'ry ViNCKEnooNS, uw waerden van der Voorden 1) 't Levanten ghy verciert door uw konst'rijcke Noorden. In deze minder fraaie dan voor de kunstgeschiedenis belangrijke versregelen 2) verheerlijkte de ridder Theodorus Rodenburgh, (wiens dichtroem in de 17e eeuw gedurende lange jaren, in de 19e slechts gedurende weinige maanden heeft stand gehouden) in het jaar 1618 de Amsterdamsche schilderschool uit de zestiende en uit het begin der zeventiende eeuw. Ridder Theodorus was lid der Amsterdamsche rederijkerskamer âIn Helde Bloeyendequot; en had in het âEgelantierkenquot; genoeg genegenheid om goede berichten in te winnen omtrent de Amsterdamsche schilders. Jammer dus, dat hij niet vollediger is geweest; we waren dan misschien nog iets te weten gekomen van Alaert Ci.aes, Jacob Cornelissen van Oostzanen en zijn zoon Dirck Jacobsen, Cor-nelis Teunissen , Aert en Pieter PrETEHSEN en anderen , die nu in de rij der door hem genoemde personen ontbreken. Had hij naar volledigheid gestreefd, dan had hij ook dien Doove Barend3) niet mogen vergeten, wiens naam in de 17e eeuw weinig bekend schijnt geweest te zijn, maar wiens werk in de eerste helft dier eeuw tot de meest populaire schilderijen behoorde. Op het stadhuis te Amsterdam namelijk, vond men in âhet geschilderde kamerkenquot; zooals men het noemde en waar later âCommissarissen van kleyne saeckenquot; schijnen vergaderd te 1) De portretschilder Cornei.is van der Voqrt, zie v. Mander (ed 1604, bl. 300). Een uitmuntend portret van zekeren negen en twintigjarigen Jan van Hoekk, geschilderd in 1624 cn gemerkt C. v. d. Voort Ælt;?«â //berustende in de keurige schilderij-verzameling der heeren Bierens Dr Haan te Amsterdam, doet hem ons kennen als een schilder van den eersten rang. 2! Uit het voorspel van zijn Melibéa, eerste deel, 't Amstelredam voor Jan Eveutsz Cloppenburgh, Boeckvercooper in de Vergulden Bijbel 1618. Do heer J. H. Rössing heelt het eerst op deze plaats de aandacht gevestigd maar alleen de voorafgaande en volgende regels, die betrekking hebben op de Amsterdamsche dichters en musici overgenomen {Tijdspiegel 1875, bl. 142}. 3) V. d. Aa. Biographisch Woordenboek noemt hem BarendDirksz, zonder de bron op te geven waaruit hij deze benaming heeft geput. Het portret van Doove Barend, geütst door Jan Ladmiral, vindt men in de laatste editie van van Mander 1/64, plaats V N0 2. In de door Cock, en Hondics uitgegeven portretten, die men somtijds inde oorspronkelijke edities van van Mander aantreft, komt zijn portret niet voor; het zal dus behooren tot de âmeer dan 80 portrettenquot; door db Jonoii voor het eerst in de laatste editie van van Mander opgenomen. Jammer dat niet wordt medegedeeld waaraan dit portret is ontleend. |
1
Jan of Jacob? Van geen van beiden was het bekend dat zij te Amsterdam hadden gewoond.
2
Rembiiandt's leermeester.
3
Hierdoor wordt Kkamsi's vermoeden dat deze schilder, die volgens v. Mandku te Ilelsevor geboren werd en die een broeder was vr.n den Amster-damsehen geschiedschrijver Pontanus, ook later de Noordsche landen bezocht bevestigd,
4
Dit zal de vader van den bekenden poeet Mattheüs Gansner Tenoâ nagel geweest zijn. De zoon maakt van hem als schilder melding in de opdracht van zijn Leven van Constance CAnist. 1643, hl. 167): âDe schaften van mijn vaders penceelen (die na zijn schadelijke dood noch profijtelijck : leefden) versneden zijnde tot schrijfpennen hebben mij hunnen meesters zoon niet weinig geholpenquot;. Een schilderij van zijn hand voorstellende Mozes water uit de rots slaande en gemerkt J. Texonaoel, Æ(?(% 1616 wordt vermeld in den katalogus der âMoltkeske Malerisamlingquot; te Kopenhagen.
5
Vinck, waarschijnlijk A. Vinck, do portretschilder.
6
Nieuland. Adriaun van Nieuland, was leerling van Badens en Pieter Ysacx, Willem van Nieuland van Ja con Savky.
7
Van Nant. Deze schilder vind ik nergens anders vermeld.
|
hebben '), eenige tafereelen âdaer de oploop der Wederdooperen van den jaare vijvendeitigh met ysselyke straffen aan hen te wereke geleit in het breede 1) stond afgemaald ' Domsf.LAER (en op zijn voorbeeld ook Wagenaau) schreef, door een onjuiste lezing van een plaats van van Mander daartoe geleid , deze schilderstukken , die bij den brand van het Amsterdamsche stadhuis in 1652 werden vernield, aan Dirck Bauentsen toe, wiens naam wij in de verzen van Rodenburgh reeds zagen vermeld, en gaf dus den zoon wat den vader toekwam. Die vader zou zich daarover niet gebelgd hebben behoeven te toonen, want zijn zoon ging hem in kunstroem verre te boven en werd als een der eerste schilders uit de laatste helft der zestiende eeuw beroemd. Het is met zijn leven en zijne werken dat wij ons eenige oogenblikken w enschen bezig te houden. De bronnen voor de geschiedenis der Amsterdamsche schilders zijn schaarsch. Van Mander is ook hier als gewoonlijk voor de Ned. kunstgeschiedenis der 16e eeuw weder hoofdbron, en wij zullen zijn verhaal dus wat Dirck Bakentsen betreft quot;), grooten-deels volgen, om het aan te vullen met enkele gegevens van elders ontleend , in de hoop dat eenmaal b. v. het handschrift van Lucas nu Heere uit het stof, waarmede het waarschijnlijk bedekt is,te voorschijn trede en de verschillende vragen oplosse naar welker beantwoording wij vruchteloos hebben gezocht. De werken zeiven der 16e eeuwsche Amsterdamsche schilders zijn niet minder schaarsch dan de bronnen voor hunne levensgeschiedenis. De Beeldenstorm der 16e eeuw en het ruw wandalisme in lateren tijd hebben zooveel verloren doen gaan, dat het de vraag is of dit gedeelte der kunstgeschiedenis ooit in een goed licht zal kunnen gesteld worden; gelukkig dat het graveerstift ten minste enkele der gedachten der schilders , zij het dan ook vertolkt door de verschillende graveurs, voor ons heeft bewaard. De wijze, waarop met den naam van Dirck Babentsen is omgesprongen , heeft tot velerlei verwarringen aanleiding gegeven. Van Mander geeft dien naam zooals wij dien spellen; men vindt dien echter op zoo verschillende wijzen , dat het geen wonder is , dat Immerzeel , zonder het te bemerken, onzen schilder twee malen, eens in voce Barendsen en eens in voce Bernard , behandelt. Khamm behoefde hem er niet hard om te vallen, vooral daar deze stoutweg, maar zonder eenig grondig bewijs, beweert, dat de spelling Dirk Barentz. de voorkeur verdient. Wel voegt hij er bij , dat deze spelling op Dieck's stukken voorkomt, maar men kan gerust aannemen , dat de apodictische en dikwijls onnauwkeurige Keamm dit nooit op een stuk van Barentsen heeft gelezen, maar slechts Van Dijk c') naschreef, die de spelling door Kr a mm de beste gekeurd, echter ook zonder eenigen grond ge- 1) Fokkens Beschrijving van Amst, bl. ico. 2) Wij vermoeden (Jat er us waren. âIn Domselaer's Beschrijving van Amsterdamquot; vindt men zes prentjes die het werk van Doove Bauk.nu voor het nageslacht hebben bewaard. In het âboeck D. Lamberti Hoktensu .... van hei oproer der wederdooperen (ed. van 1614) vindt men wel is waar acht afbeeldingen betreffende de Wederdoopers, maar volgens het woord tot den âgoetwillighen lezerquot; dat Hortensiüs' verhaal voorafgaat, zijn die acht afbeeldingen genomen naar de âmemorien ofte spectaclen daer van in schilderijen ghepresenteert op de stadhuyse en andere plaetsejC te Amsterdam. De beide eerste voorstellingen bij Hortensu s schijnen niet tot de serie van het stadhuis te behooren. 3) I!ocft's Historiën, bl. 193. â 4) Boeck V, bl. 7$. 5 , Zie van Mamjir ed. van 1604, bl. 259âEd. van 1618. bl. i76. Ed. van 17^41 'â gt; hl. S2?' 6; Vak Dijk, Beschrijving der schilderijen op het stadhuis te Amsterdam, |
bl. 9. '3. gt;5-bruikte. Op geen der stukken toch door Van Dijk of Kramm genoemd is een naam te vinden. Op de gravuren naar de werken van onzen Dirck vindt men, zoo als wij straks zullen zien, zijn naam steeds in het latijn vertaald. Nu eens lezen wij Tiieodorus Bernardus of Tiieodorus Bernardi, dan weder Baernardus ; terwijl men de bijvoeging Amsterodamus niet zelden aantreft en de naam op allerlei wijzen wordt verkort !). Volgens Van Manders bericht werd onze schilder in 1534 te Amsterdam geboren. Te vergeefs zou men pogingen in het werk stellen om in het Amsterdamsche archief den naam zijner moeder of den juisten datum van zijn geboorte te vinden. Ook het onderzoek naar de vraag of Doove Barend zijn zoon aan de Oude of Nieuwe Zijde liet doopen zou vruchteloos zijn. Het oudste Amsterdamsche doopboek dagteekent eerst van dertig jaar later. Het vermoeden ligt voor de hand dat Dirck zijn eerste opvoeding in de schilderkunst van zijn vader ontving. Toch schijnt hij het slechts aan zich zelf te danken te hebben dat Van Mander later van hem getuigen kon dat hij âlettercondigh, Latinist en wel ghe-leerdt was' 3). Als zoovele zijner landgenooten reisde hij , toen hij den mannelijken leeftijd bereikt had, naar Italië, waar hij door Titiaan zelve als leerling werd aangenomen en in diens huis verblijf hield. Hij verkeerde in Italic met verschillende zijner landgenooten , o. a. met Marnix van St. Aldegonde 8) en met Do-minicus Lampsonius; met dezen laatsten . geleerde voerde hij , volgens Van Mander's bericht, een latijnsche correspondentie ,i). Na een zevenjarig verblijf kwam hij omstreeks 1562 over Frankrijk in zijn vaderland terug. Sommigen meenen dat Dirk Barentsen ook in Engeland heeft gewerkt en Walpole r') deelt mede dat in de hoofdkerk van Chicester portretten van Engelsche koningen en bisschoppen worden aangetroffen, die volgens eenige schrijvers geschilderd zouden zijn door Theodore Bernardi of Amsterdamquot;, die in 1519 met twee zijner zonen naar Engeland kwam. Het is duidelijk dat deze mededeeling op verwarring berust, waarschijnlijk zal hier eerder aan Bakent van Orley gedacht moeten worden. Na zijne terugkomst in het vaderland trouwde Dirck Barentsen op acht en twintigjaaigen leeftijd een dochter âgenoech van de treflijkste van Amsterdamquot;. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren die nog in van Mander's tijd te Amsterdam woonde. Op de vraag of Dirck Barentsen meerdere kinderen heeft gehad moeten wij voorloopig het antwoord schuldig blijven; evenmin bleek ons hoe zijne vrouw heette , daar de oudste huwelijksregis-ters op liet Amsterdamsche archief eerst met 1578 beginnen. Het uiterlijk van onzen schilder blijkt uit een gegraveerd portret dat in de reeds genoemde verzameling portretten van schil- |
1
Voor zoover ik weet maakt geen der schrijvers over Marnix gewag van diens verblijf in Italië. Men laat hem omstreeks 1558 te Genève verblijf houden, maar slechts uit Van Mander blijkt dat Marmx zijn reis tot [talie uitstrekte.
2
T. B. â T. B. A. â T. B. Amst. â T. Baern â T. Bern â etc. etc.
3
Zie Poktanks, Beschr. van Amsterdam, Holl. ed. van 1614, bl. 287. Lat. ed. van 1611 bl. 285, hij roemt hem om zijne âstudiën der geleertheijt, inde welcke hij niet weynich onderwezen, hem een grooten naam ende achtinghe oock by de gheleerde ghemaeckt haddenquot;.
â 129 â
|
ders (eerst door Hieronymus Cock later door H. Hondius uitgegeven â¢) voorkomt. VAn Mander verhaalt dat Dirck Baiientsen het buitenleven beminde maar dat hij het reizen âter zee oft op 't waterquot; vermeed, ja dat hij zelfs niet naar Haarlem wilde reizen en voegt er als verklaring bi; dat Barestsen âte swaerlijvigh voltooid worden. âGhedurichlyck gequelt met den steen ende het graveel quot;j werd hij op acht en vijftigjarigen leeftijd omtrent Pincxterquot; van het jaar 1592 door den dood weggerukt en de koster van de Nieuwe Kerk te Amsterdam schreef in Mei van dat jaar in zijn boek |
7
|
was om te waghen te varenquot;. Deze woorden hebben waarschijnlijk slechts betrekking op Barentsen's laatste levensjaren; het genoemde portret toch dat ons hem leert kennen als een man in de kracht van het leven, met iet wat lijdende trekken, bevestigt deze mededeeling niet Onder het portret leest men de volgende dichtregels : VlR GRAVIS ET DOCTUS, riCTOR clabissimus IDEM TITIANI magni prodiit ipse sciiüi.a ; Usus et me DOCTis, ALGONDO imprimis, et ipsa PlCTORUM SUMM0 1UDICE LAMPSONIO a). Dat Dirck Barentsen in 1587, toen de graaf van Leicester Amsterdam een bezoek bracht, het niet beneden zich achtte, mede te werken aan de verfraaiingen die bij die gelegenheid in de stad werden aangebracht en hoe nog meer dan vijftig jaar later de herinnering aan dien arbeid was blijven leven , blijkt uit de volgende zinsnede , voorkomende op blz. 5 van âde Beschri-vinge van de blyde inkoomste van Haare Majesteit van Groot-Britanien te Amsterdam, den 20 May 1642.-â t'Amsterdam by Nicolaes van Ravesteyn , voor Pieter Nolpe Boeckverkooper in de Calverstraet 1642. âIn den Jare duysend vijf hondert ende seven en tachtig, de Grave Leycester , met goede hope verwacht wordende zijnder drie (eerepoorten) gereed gemaakt.... Aan de peerdestal, nu de Beurs straat de wydste. De tweede op den Dam-sluys, 't hoofd stekende boven alle Huysen dragende op den kruyn, de Kogge.... De darde stond aen de Doelestraat waarmede Mr. Dirck Barentsz, Gornelis Ketel en Jocon Leenertsz 1) (wel bekend by alle kenners in groot achtinge) met hulp van veele anderen , ettelijke m aen den bezigh zijn geweest: ze waren ook wel gedaen en uyt muntende geschildert, als daf getuygen de wevnigh overblijfzelen, die van eenige liefhebbers bewaerd worden.quot; Vijf jaar later hield Barentsen zich bezig met het vervaardigen van een schilderij voorstellende het laatste oordeel met de zeven werken van barmhartigheid 2). Dit stuk zou nooit 1) Zie over deze voizameling een artikel van Von Szwykowski in het Archiv. Jur die Zcic/i. Künste 1856, bl. 13. Het portret van Theodouds Bernardi komt slechts in de editie van Hondiuh voor. In Van Manoer (ed. van Hk Jonoh) vindt men een copie door Jan Ladmiral. 2) Vertaald door du Jonoh in zijne editie van van Mandbb. 3) Deze Jacoii Leknerts/, wordt bij van Mander bl. 207 (ed. van 1618) vermeld; nog vonden wij in den Rapiavms der Amsierdamsche t/iesaurieren, bl. 282 vb. deze post geboekt: Jacob Leenertsz schilder betaelt acht gulden vijff st. over sijn verdient loon soo hij verdient heeft int maecken van de schilderie ofte 't gescrift staen de) ande plaets over die door (deur) vant boshuys eertyts die hal geweest hebbende enz. In dato 19 Juli 1588. 4) Zie hierachter, No. 11. |
In welk graf zijn stoffelijk overschot te ruste werd gelegd blijkt niet. In het begravenis-boek waaruit het bovenstaande is ontleend wordt het nommer van het graf niet gemeld, en de grafboeken, waarin werd opgeteekend welke personen in elk graf werden bijgezet, schijnen in de Nieuwe Kerk eerst in de 17e eeuw te zijn aangelegd. 3) De letter A. door den koster voor zijne aanteekening geplaatst, kan ons wellicht leeren dat men Dirck Barentsen niet in een eigen graf maar in een Kerkgraf ter ruste bracht. Zou daaruit mogen worden afgeleid dat zijn kunst hem geen geldelijk voordeel heeft aangebracht? Het is mogelijk; toch is er een getuigenis die doet vermoeden dat Dirck Barentsen van geldelijk voordeel niet afkeerig was, ja de kunstwaarde zijner werken liet afhangen van de vraag, hoeveel men hem betaalde. De dichter en geschiedschrijver Pieter Corneusz. Hooft schreef den sn Mei 1636 aan zijn vriend Caspar Barlaeus: âMeester Dirck Barentszoon den vermaarden Titiaens leerling die mijn' kintsheit heeft uytgeschildert â ') placht te praeten van driederley zijn penseelen: gouden, zilveren, kooperen, ende hoe hy yder berichtte nae zyn geldtquot;. 3) Hoe dit zij, Raukntsen's tijdgenooten zijn niet karig met hun lof. Van Mander noemt hem âden besonderdensten die in Neder-landt de rechte manier van Italicn puer en onvermenght heeft ghebrachtquot;, hij roemt zijn âedelen geestquot; zijn âovertreffende verstandquot;, hij noemt hem âeen goed Musicienquot; 4) spelende seer wel op Instrumenten die hij altijt bij hem in huys haddequot;, hij prijst hem om zijn uitspraak van het Italiaansch en geeft zooals wij reeds zagen, hoog op van zijne âgeleertheitquot;. Pontanus prijst hem evenzeer en stelt hem gelijk met âdien âPamphilum die de oude hoog achten of Durerum van de voor-âleden eeuwe dewelcke boven het schilderen in alle vrije consten âonderwesen, seyden dat de conste zonder de wetenschap van de |
1
De begravenishoc\un berusten in het archief van den burgerlijken stand, de £ra/boeken in het archief der kerk. Het ware te wenschen dat deze en andere .gro/boeken, nu in Nederland niet meer in de kerken wordt begraven, door de kerkbesturen aan de archieven van den burgerlijken stand werden afgestaan.
2
Zie hierachter, N0 21.
3
5quot;i Brieven Van Hooft, uitg. door Dr. J. van Vloten, Deel III, bl. 117. Vgl. IIooosiuATEss Inleyd'mge tot de.... schilderkonst 1678 bl. 235.
4
Naoi-ef, Kiinstler lexion, Dl. I, bl. 274, zegt dat Dikck Barknisen evenals zijn vader doof was en daarom in Italië // Sordo genoemd werd. Deze mededeeling, d e hij uit Baldinccci putte, is niet in overeenstemming te brengen met Diuck's liefde voor de muziek.
_ 130 â
|
âvrye consten en voornamelick van Arithmetica ende Geometria âniet volmaeckt en conde zijnquot;. Deze nieening voor rekening van Pontanus latende, schijnt bet ons toe dat de groote verdienste van Dirck Barentsen wellicht later zal blijken hierin te bestaan, dat hij, ook na zijn verblijf in Italic, genoeg Hollander was gebleven om geen slaafsch navolger te worden van zijn Italiaansche kunstbroeders, dat hij het niet versmaadde bij hen ter schole te gaan (voornamelijk in de studie van het naakt) en dat hij meermalen de waarheid van voorstelling die den Nederlanderen eigen was wist te verbinden aan de bevalligheid der Italianen. Ol hij partij gekozen heeft in den godsdienstigen strijd die in de Nederlanden als in bijna geheel Europa was ontvlamd, blijkt niet met zekerheid; toch mag men vermoeden dat hij, die, zooals van Mander vermeldt, de vriendschap met Marnix van Sint Aldegonde onderhield, zoodat deze hem dikwijls te Amsterdam bezocht, de nieuwere denkbeelden niet ongunstig gezind was. Wanneer wij na het weinige dat ons van het leven van Dirck Barentsen bekend is, hier een opgave zijner werken ') laten volgen, die meerendeels, hetzij bij schrijvers vermeld, hetzij in prent tot ons zijn gekomen, dan doen wij dit voornamelijk om de aandacht op zijne werken te vestigen, terwijl wij tevens de hoop koesteren dat daardoor schilderijen of teekeningen van zijne hand, die misschien nu, hetzij in de publieke verzamelingen als door onbekenden of onder valsche namen te boek staan, hetzij bij particulieren verborgen zijn, aan het licht zullen komen. Eerst als dat geschied is, zal men Dirck Barentsen in de rij onzer schilders de plaats aanwijzen die hem rechtmatig toekomt. Dit nu te beproeven, terwijl zijne meeste werken ons slechts bekend zijn uit prenten naar zijne compositie gegraveerd en terwijl ons slechts twee schilderijen bekend zijn, waarvan de authenticiteit voldoende is gewaarborgd, terwijl een dezer stukken daarenboven door den tijd veel heelt geleden, zou op zijn minst genomen voorbarig zijn. Met het doel tot het opsporen der werken van Dirck Barentsen voor oogen, verdeelen wij die in drie rubrieken: a. Schilderijen, h. Teekeningen, c. Voorstellingen, door verschillende graveurs in prent gebracht, maar waarvan niet met zekerheid bekend is of de prenten naar schilderijen of teekeningen zijn genomen. 1) A, SClllLDERUEN. 1. Vesus. In liet leven vau Uincic IUiientso door Vak Mandeii wordt deze schilderij -een van zijn bijsonderste dinghenquot; genoemd. Vak Manüeu zag het ten huize van Sybiust Buyck te Leiden, waarschijnlijk een zoou van den bekenden Anisterdamscben Burgemeester Joost Buyck , die in 1578, ter slede werd uitgeleid. SïBBakt was in 1571 Schepen, in 1574 Burgemeester van Amsterdam. De kanonnik Jacob Buyck (vgl. N0 8 - 9) was een zoon van Cobüélis , den broeder van Burgermeester Joost. 2. Perseus z ij ne aanvallersin steen veranderende. Met twee stukken van Joachisi Beuckelaeu en twee van Marïikus van Heems-kerck werd deze schilderij voor omtrent duyseut pondt Vlaeins van |
Jacob Uauwabt te Amsterdam door den grael Van dek Lil'gekocht, «aar-scbijnlijk voor den Keizer, i) 3. Lucifer's val een altaerlafel, bij Van Makdbr vermeld als «seer uyt-nemende gehandelt.quot; Ãit stuk, waarin vele naakten voorkwamen, werd tijdens den Beeldenslonn â gebrokenquot;. Het was, zooals Vak iMandeb meedeelt, voor de schutters te Amsterdam geschilderd; bet hing duswaar-scbijnlijk in een der Ainsterdamsclie kerken in de kapel vau een der schuttersgilden. Na den beeldenstorm werd een gedeelte van dit stuk op een der Doelens bewaard; 'twas dus iu Van Manuebs tijd nog te zien. De schilderijen der Arnsterdamscbe Scbultersdoelens zijn in verschillende tijden naar het Amsterdamsclie stadhuis overgebraebt, en worden grooten-deels ook op het tegenwoordige stadhuis bewaard, liet hier bedoelde gedeelte van Lucifer's val scbijnt echter verloren Ie zijn gegaan. 4. Elia en de engel. (1 lioniugen , 19): vermeld onder N0 69 in een -Catalogus van eeu partij schilderijen , die verkocht zuilen worden op Dingsdag, den 4 Mey 170lgt; in 't Oude Ileerenlogement te Amsterdam bij Cornelia de Wit door Jan Pietersz. Zomeb Maaklaarquot;, ais 'De Engel bij Elius van 1). Burcnse.quot; 5. Judith. Deze schilderij scbijnt een altaarstuk geweest te zijn. Van Mander spreekt er van «als 't besonderste stuc van al wat Dirck Barentsen oyt beeft gedaenquot; en meldt dat het in zijn tijd nog in Amsterdam te zien was. Het scbijnt dus aan de woedende banden der beeldstormeis ontkomen te zijn. 6. Triptiek tereereder Maagd Maria ; 2) paneel, bet midden tafereel h. 245 br. 220 cent., de talereelen der deuren hoog 245 hr. 90 cent. Deze schilderij van Dibck Barentsen , die tot zijue voornaamste werken moet gerekend worden , schijnt aan de vorschende oogen der kunsthistorici van Interen tijd ontsnapt te ziju. Tol heden wordt er nergens melding van gemaakt. Ofschoon bier en daar, vooral aan de buitenzijden wat overschilderd, verdient deze altaartafel toch ten volle, dat de aandacht ook in ruimeren kring er op worde gevestigd. Vooial de aanbidding der herders is aangrijpend schoon, de ordonnantie is uitmuntend , de uitdrukking der gezichten voortreffelijk, de teekening juist en bevallig. De voorstellingen op de buitenzijden der beide deuren vormen een geheel en geven bet bezoek van deu engel bij Mabia te aanschouwen. Maria, in bet groen en rood gekleed, knielt vooreen lessenaar, waarop eeu psalterium ligt, wendt bet gelaat tot den engel, die zich ter reel»-terzijde bevindt. De heilige Geest in de gedaante van een duif zweelt boven den engel. Deze, de groote vleugels uitgespreid, is gekleed in een witte mantel, met lichtrood gevoerd , die op de borst met diamanten slot is vastgemaakt, en in een geel onderkleed, dal om bet middel door eeu sjerp wordt bijeen gehouden. Tusschen de beide personen staal eeu vaas met roode en witte bloemen Op den achtergrond in het midden een ledikant door een roode deken gedekt, en waarvan de gordijnen open zijn geslagen. Wanneer de deuren worden geopend ziel men drie tafeieelen. liet. middelste beeft de aanbiddingder herders lot onderwerp: lu een grot, die als slal dienst doel, zooals blijkt uit eeu halfvergane ruil die aan eeu der muren hangt, slaat de kribbe waarin het heilige kind ligt; bij de kribbe slaan een kruik en eeu mandje. Terwijl drie kleine zwevende engelen bloemen en palmtakjes op het kind uit de wolken laten nederdalen, wil Mabia het kind uit de krib nemen om het aan de herders te tooneu. Achter haar ligt Jozef op een knie, zijn rechterband rust op de schouder van Mabia; met de Lnkerhand, die hij onder de kin houdt, ondersteunt hij zijn hoofd. Over Jozefs schouder kijkt een jongen nieuwsgierig naar het kind. Ter linker en ter rechter zijde van deze groep bevinden zich de herders eu de herderinnen. Links op deu voorgrond knielt een herder , geheel op den rug te zien , hij is ongeschoeid , de zwarte baren onbedekt. Hij schijnt op te zien naar een ander die in de geelroode mantel eu een gevlochten hoed opbel hoofd met eerbied liet kind beschouwt , terwijl hij beide handen op een ber-dersslaf doet rusten. Daar achter nog een tweetal herders en een herderin wier baren in tressen op liet hoofd liggen. De groep rechts be-staat uil een ouden herder, die ootmoedig zijn hulde schijnt te bewijzen , een ander in hel geel gekleed die een mantel in een riem Ie zaïneu gebonden op den rug draagt (een koe en een ezel kijken nieuwsgierig T) Zie Vax Mander cd. 1604 bl. 238, b. De Jonoii heeft in zijne editie van Van Makder (I pg. 212) do vermelding dat dit stuk van Dirck Bakentsex was, bij vergissing weggelaten. 2) Zie Plant XXIV: |
1
De lijst van Diuck Earentses's werken door den Heer A. D. de Vries Ay. hier gegeven komt ons zeer belangrijk voor. Om die lijst in haar geheel te kunnen doen volgen zonder de gewone grootte onzer verhandelingen te veel te overschrijden, zijn wij verplicht geweest een kleiner soort letter te gebruiken. C. Ed i.
|
lusschcn deze personen door) en een derde in hel rood gekleed , vergezeld van een herdersknaap; achter hen een vrouw die een spiniokken in de hand schijnt te hebben, en een kind op de schouders draagt, dat met de rechterhand naar het spinrokken grijpt en een uit l\î speel' kaarten (ruiten vijl en schoppen drie) vervaardigd molentje als speeltuig in de linkerhand heeft, üp den voorgrond rechts een herdersknaap op den rug te zien. Zijn rechterhand rust op een schaap terwijl hij inde linker een herderstaf heelt. De grot heeft drie ingangen. L)e ingang Maardoor de vrouw die het kind draagt is binnengekomen, rust opeen korinthische zuil. Dooi- de tweede die zich meer op den achtergrond schijnt te bevinden komen een oude herder en heiderin de grot binnen. Door de derde ziet men in het verschiet een open ruimte tusschen de rotsen , met een drietal herders en schapen. Op de deur links : 11 e t sterfbed va u Maria. Op een bed, waarvan de gordijnen zijn geopend, ligt Maria uitgestrekt ; stervende houdt zij de kaars, het symbool van het geloof, in banden. Om riet bed verdringen zich dertien personen. Een oude vrouw slaat de arm om bet middel van Je stervende, en ondersteunt tiaar het hoofd. Links verschillende mannen ; een hunner houdt een boek , de andere vouwen de handen Het bemelsch licht straalt van de linkerzijde. Op den voorgrond zit Maria Ma gd ale in a in diepe droefheid ; zij leest in een psalterium dat zij op de schoot houdt , naast baar ter rechterzijde een bankje waarop een kan delaar en een schotel geplaatst zijn. Op de deur rechts: Maria's Hemelvaart. Om het geopende graf, waaruit Maria door engelenkopjes omgeven ten hemel vaart, staan verschillende personen, sommigen de handen gevouwen, anderen de armen naar haar uitstrekkende. Voor het geopende graf staat de kandelaar met een groote knars. Dirck Narkntsen beeft dit stuk. waarschijnlijk kort na zijn terugkomst uit Italië, geschilderd voor het Fratersbuis te Gouda 1). Bij dit Frrters-buis was een kapel met vijf altaren , waarvan een (het hoofdaltaar) aan Maria was gewijd ; de onderstelling ligt voor de hand dat het stuk voor dal altaar was bestemd. Hoe dit zij, volgens Van Manüer berustte het nog omstreeks 1000 in bet Fratershuis en het komt mij voor dal hel eerst later naar bel S2 (iATiiARiNA-Gasthuis is overgebracht, 3) waar hel tol voor weinige maanden in de zaal der regenten hing. In de genoemde zaal rustte de groote schilderij op vier consoles, die versierd waren met de wapens en namen van I). Cant, D. Jokgkixï, II, van Heuven, Versgiiure en (Pieter) van Groenendvgk, die regenten van hel S'quot; Catharina-Galthuis waren, toen dal gesticht in lUGS werd verbouwd. Thans berust de schilderij in hel stedelijk Museum van Gouda. 7. Maria met hel Kind. De maagd ter halver lijve, zij heeft het Kind Jkzus op de schoot, liet kind draagt een snoer paarlen om den hals en houdt een plant in de band. Deze schilderij is slechts bekend door de gravure van Jagoh Matham. Op deze gravure, die bij Bartscii II- Pcintre-graveur, onder iV0 62 wordt beschreven slaat: Theodoras lh'mar das Am-starodamus jriuxit. In het marge lauba r/aos Virqo, enz. 8 â 9. Sint Josef en de Maagd Maria, Deze beide schilderijen wor- O Volgens mededeeling van den heer J. N. Sciieltema te Gouda is deze vrouw gekleed in het kostuum der Goudsche gasthuisnonnen. 2, Van Mander zegt er van: âNoch is, nu ter tijdt van hem (Dirck Barkntskn) een tafel ter Goude in quot;quot;t Fratershuys en is een Kersnacht wonder wel op zijn Italiaenseh ge-handelt en een van zijn besonderste ^vercken,,. Het Fratershuis, dat later een weeshuis werd, is nu quot;s Lands-kleeding Magazijn. Uit het weinige dat van het ai chief van het Fratershuis over is, is omtrent Barentsbns triptiek tot nog toe niets gebleken. 3) De heer J. N. Sciieltkma, archivaris te Gouda, wien ik enkele mede-deelingen over deze schilderij verschuldigd ben, is van meening dat het stuk reeds in 15,2, toen Gouda geus werd, naar het St. Catharina Gasthuis zou zijn overgebracht. Volgens Van mandtirs bericht bevond het zich nog omstreeks 1604 in het Fratershuis. In de Beschrijving der stad Gouda door I(gnatius) W(alvis), in 1713 te Gouda en te Leiden gedrukt, maar reeds verscheidene jaren vroeger ge-sclueven, leest men omtrent dit stuk op bl. 146 van het He deel : |
âIn 't Fratershuis was omstreeks het jaar 1600 een uitnemend stuk door den konsti ijken Dirck Bakkntsz van Amsterdam in drie taferelen, de binnenste Christus geboorte (quot;lees: de aanbidding der herders), de rechter Maria's sterven, de linker haar Hemelvaart vertoonende, quot;t geen de Vaders van het S'. Catharina Gasthuis voormeld, in hunne zaal overgebracht hebben.quot; den vermeld in bel Testament van Mr .Iagob Buvgk Cornelisz 1), Canonik van Sl Maerlenkercke binnen timbrich ende pastoor vandeSt Aldegon-diskereke aldaar onder bet Bisdom van Utrechtquot; dd. 1G Oct. 1599. Zij worden beschreven als «twee beelden op doeck gescbildert door Dirck Barent, 'l eene wesende de heilige maget Maria t'ander Sint Joseph' en werden met des canunniks «aarden kan mettet silveren bid . en sijn dagelyxe silveren lepelequot; gelegateerd aan 11i;.\ürick CüVK Bisschop lot Uormundt. 10. Magdalena knielende bij bet kruis van Christus, Van Mander beeft voor deze schilderij de loftuiting «Monder wel ghebandeltquot; over; bet was een groot doek »als een Allaertafel in de booghle.quot; Van Mander zag het ten huize van Jaques Uazet te Amsierdam , den »schil-derconst liefdighen Notarius pubbcus en secretarius op de Convoye tol Amsleredam» aan wien bij »liet levea der oaclo Aatyche schilders opdroeg. 11. liet laatste oordeel en de zeven werken van B a r m h a r I 1 g h e i d, waarvan de voltooiing door den dood van den schilder werd verhinderd; tijdens Van Mander stond dit stuk in het gasthuis te Amsterdam, waar bel nu als andere schilderijen , die aldaar moesten berusten , niet meer te vinden is. 12. Een maaltijd. Deze schilderij is slechts beschreven als »Ken maaltijd van Dirck Barentsz.quot; Zij wordt genoemd ouder No. 71 in een «Catalogus van uylmuntende konslige en plaisante scbildeiijeu, die verkogt zullen werden op Dingsdag den Gn Maart 1708 op de Ileeregraft tusschen de Vijsel- en Spiegelstraat (te Amsterdam). .. door Jan Pietersz. Zomer Maakklaar.quot; Wellicht is dit stuk bet origineel van de prent hierachter onder No. 57 beschreven. 13â15. De S c b u 11 e r s t u k k e n. Van Mander verhaalt dat Dirk Barentsen drie scbullerstukken voor de Amsterdamsche Doelens heelt geschilderd ; Voor de Voetboog- of St Joiusdoelen : ⢠een rol waarin een Ketelaer voorkomt.1' Voor de Cloyeniersdoelen : ⢠daer sy aen tafel zitten en pors eten.1' Voor de Handboog of St SerastIAE.xdoelen ; ⢠Een rot waai in comen eenige bruyne oude schippers tronies en boven op een Galei ye zijnder die een groote silberen drinkhoorn hebben.quot; De verschillende schilderijen voor de schuttersdoelens geschilderd, berusten thans, zooals we reeds zeiden, op hel zoogenaamde siadhnis le Amsterdam , en vormen een verzameling , die geheel eenig kan genoemd worden, al heelt zij door verwaarloozing veel geleden. In de 18e eeuw heelt van Dijk eene beschrijving dezer schutterstukken gegeven, in onzen lijd heelt men een Aanwijzing van de op hel stadhuis berustende schilderijen gemaakt, die echter hoogst gebrekkig is samengesteld en geen waarde hoegenaamd voor de kunstgeschiedenis heeft. Er bestaal wellicht geen moeielijker taak op hel gebied van Amsterdamsche kunstgeschiedenis dan bet ontwarren der kweslien , die zich bij het besludeeren der schutterstukken voordoen ; tot nog toe heelt men er echter weinig moeite voor over gehad. Twee der drie schilderijen van Dirck Barentsen door van Mander vermeld , zal men nu te vergeefs op hel stadhui* zoeken , bel zijn die, welke hij voor de Voetboog- en voor de llandboogdoelen schilderde. Bij het nauwkeurig besludeeren der schilderijen van bel stadhuis hebben wij er geen 16e eeuwsch stuk ontmoet waarop hetzij een ketelaer hetzij eenige personen met een zilveren drinkhoorn zijn algebeeld. Als vele anderen zijn deze stukken waarschijnlijk afgedwaald, en kunnen zij wellicht in een of ander Museum van bet buitenland worden terug gevonden 2). Hoe dit zij , bet derde stuk , dour Barentsr-n voor de Kloveniers gecnaakt is nog aanwezig ; het hing tot voor korten tijd in een gang van hel stadhuis ; het heelt door den tijd geleden vooral daar hel bruine eikenhouten paneel door de dunne verw zoodanig is doorgedrongen , dal nog slechts op enkele plekken Barentsen's meester- |
19
1
Misschien is het stuk dat Dirc k Barentsen volgens van Mander voor de St. Se ii at ti a an sdoelen schilderde, hetzelfde dat door van Dijk onder No. 7 wordt beschreven, en door hem wordt toegekend aan âDierik Jacorsquot; en waarbij hij aanteekent: âAchter een ovaal ronde tafel staat een persoon met een zeer grote vierkante rode baard, houdend met beide de handen zo ''t schijnt een ossendrinkhoorn met goud beslagquot;. Ook dit uk is in deze eeuw
2
Deze geestelijke, wiens boeken later aan de Amsterdamsche bibliotheek kwamen, was voor de reformatie van 1578 pastoor van de Oude Kerk te Amsterdam geweest. Een 19e eeuwsch afschrift van zijn testament raadpleegde ik op de Amst. bibliotheek.
3
zoek geraakt.
- 132 â
|
haiiil is te herkennen. Van Huk heschreel liet üiuler No 9, in de genoemde ⢠Aanwijzing' komt hel voor onder No üquot;. Een gezelschap van achttien schutters is aan den eenvoudigen maaltijd gezeten, veertien personen zitten om den talel. terwijl vier andere leden vau het schuttersgild daar achter staan, liijna alL'n zijn gekleed in liet zwart, met eeu klein wit geplooid kraagje; zij dragen platte inutseu op het hoofd. Een paar zijn jjekleed in purperkleurig kostuum, terwijl een paar anderen blootstiool'ds zijn en slechts een enkele een puntige muts draagt. Een Ier schutters, die rechts aan de tafel zit, heeft een papier in de hand, waarvan hij Iels schijnt voor te lezen. Rechts brengt een vrouw, met een witte muts op hel hoofd , een haring op een houten bordje binnen, liet midden gedeelte van de tafel is bedekt met een servet, wadrop in het midden een tinnen schotel Is geplaatst met kleine vlscbjes (door Van Mandek .pors* genoemd). Verder bevinden zich op tie tafel een paar wijnglazen, een paar tinnen kannen, een zoulval en eenige roode bouten bordjes. Op een dezer bordjes dat naast den schotel met .pors. staat ligt een groote citroen. Het stuk is gemerkt: Anno â 15LGG; door de letter L wordt dit stuk -waarschijnlijk een plaats aangewezen in de serie der schutterslukken , die van het Klove-niersgild afkomstig zijn. Op vele 16e eeuwsche Amsterdamsche schutter-stukkeu vindt men dergelijke letters. lu de reeds besproken â Aanwijzing- worden nog twee schilderijen aan Diuck BabentsEN toegeschreven , waarvan bel eene (No 84 waarschijnlijk betzellde dat bij Van Dijk onder No (i wordl beschreven) zeker niel van onzen schilder Is. Men heeft toch over het hoold gezien, dat de personen die op deze schilderij voorkomen, -wat de kleedlng hetrelt lot een vroeger tijdperk hehooren dan onze schilder, terwijl ook hel jaartal 1534, dal met grüoie cijlers op bet stuk wordt gevonden , den samensteller der Aanwijzing Is ontsnapt, maar hem anders had kunnen leeren . dat deze schilderij julsl geschilderd is in het jaar waarin ItmcK ISahentsen geboren werd. De tweede schilderij die nu ten Amsterdamschen stadhulze voor het werk van Dmcic Habentsen doorgaat, zou met meer recht aan hein kunnen worden toegeschreven, maar bewijs ontbreekt, liet Is m. i. het fraaiste l(ie eeuwsche scbutterstuk dal In de geheele verzameling wordt gevonden ; terwijl het op hel oogenlihk op een der vele bureaux van het stadhuis hangl, waar liet Ier nauwernood kan gezien worden, verdiende het een eereplaaU In een museum. In de aanwijzing staal als No 10. bij Van Dijk als No 3 Eerst dan wanneer meerdere stukken van Duik 1!a-rentsen voor den dag zullen zijn gekomen, zal men kannen weten of dit meesterstuk werkelijk aan ziju paneel te danken is. !) 1G. Portret van Ferdinand Alvarez de Toledo hertog van Alva. No. 18 van den Katalogus (ed. 1876) van 's Rijksmuseum te Amsterdam. Naam van den schilder of jaartal worden ook op deze schilderij niet quot;evonden. In den achtergrond staat: Ferdinand Duo d'Al.va en ter linkerzijde \o. 20. Op de achterzijde van bet paneel staat iSo. 80. en een gekroond monogram samengesteld uit de letters W. 11. (misschien het monogram van Willem Hendrik, prins van Oranje, later Koning Willem 111 van Engeland). tvâ18. Portret van dmck Barentsen op 28-jarigen leeftijd, en Portret van zijne vrouw. Uil Van Mander blijkt, dat Dirck Barentsen zich zeiven en zijne vrouw kort na hun huwelijk, toeu hij, zooals wij zagen, 28 jaar oud «as, heeft geschilderd, en dal deze portretten nog omstreeks 1600 bij zijne dochter le Amsterdam berustlen. Of het bier bedoelde portret hel origineel was van de reeds besproken gravure 1). die bij llosnius verscheen, is niet met zekerheid te bepalen, doch niet onwaarschijnlijk. |
19 Portret van UiRCk Barentsen op luieren leeltijd, bij Van Mander genoemd eu waarschijnlijk een zwaarlijvig persoon voorstellende. Zie blz. 129. 20. Portret van I'irk Jansz. de Graeff, (d®ek, h. 72 br. 59). Burgemeester van Amsterdam in 1578 na de relormatie, geb. 1529 -j- 1589, borstb. rechts, in zwarten met bont omzoomden tabbanrd. waaruit een klein wit kraagje te voorschijn komt; hij houdt de rechter band op de borst en beeft eeu baret op bet hoold. Zoowel bet wapen der familie de Graefk als bet opscbrllt: Dirk Jansz Graeff 1578 zijn van later dagteekenlug. Dit portret, dat thans het eigendom Is van den beer D. .1. de Graeff van Polsbroek te 's Gravenbage, komt in den ⢠Catalogue d'uue collection de tableaux Anciens etc. provenant du Chateau d'llpenstein Amsterdam 1872quot; onder No. 4 voor als: D. Barentsen; Portrait de gentilbomme. Waarop de toeschrijving aan D. Barentsen berust, weten wij ulel; de naam van den schilder wordt daarop niet gevonden. 21. Portret van Pieter Cornelisz. Hooft, dichter en geschiedschrijver, geb. 1581 le Amsterdam, 1647 Hooft zegt in den brief aan zijn vriend Caspar Barlaeüs, waarvan wij reeds melding maakten dat Dirck Barentsen -zyn klntsbeil heeft ujtgescbilderlquot;. Daar Dirck Barentsen reeds 11 jaar na Hooft's geboorte overleed, kan het portret geen eudereu knaap voorstellen. Te vergeefs hebben wij bij verschillende thans levende leden der familie Hooft naar dit zeer merkwaardige portret onderzoek gedaan. 22. Portret van Jan van Oldenbarneveldt. Borstb. levensgroot met hel opschrift: Jan van Oldenbarneveldt Plnsenares Ael70Anl618. Vermeld als van Dirck Barentsen onder No. 241 in den Kat. der Lichtenstelnischen Bllder Gallerle zu Wlen (ed. v. 1873). Deze schilderij kan natuurlijk niet van den In 1592 gestorven Dibck Barentsen zijn, tenzij de opschriften, wat In den katalogus wordl vermoed, van latere dagteekenlug zijn. 23. Portret van Lourens Jacobsen Reael, schepen te Amsterdam -j-1601. houdende een reaal In de band Dit portret wordt aan Dirck Barentsen toegeschreven, bewijs ontbreekt echter. Hel behoort aan den heer G. Hooft van Vreeland, te Amsterdam. 24. Portret van Titiaen, bij Van Mander vermeld als berustende bij den reeds vroeger door ons in dit opstel genoemde schilder Pieter Isaaoks, te Amsterdam. 25. Portret eener dame van 81 jaar, gezeten in een leuningstoel, doek. h. 108 br. 80 Ne. 3 van den onder No. 18 vermelden kata-logm, en voor f 23.â aan zekeren Leiffers verkocht. 26. P o r l r et van een oud man, borstbeeld, met grijzen baard en zwart haar, steunen le op een slok; van boven rond, paneel, b. 47 br. 37. vermeld op hl. 70 (No. 25) van Verzeichniss der Gemalde Galerie im Schlosse Belvedere 1875, verg. Partiiey, Deutscher Bildersaal Berlin 18G3. 27. Portret van een oud man met baard, doek h. 48 br. 39, toebehoorende aan .). Gavard te Stuttgart; zie (1. Partiiey, Deut xchcr Bildersaal. Van Mander vermeldt nog 'seer schoon slucken by den constlievenden Isbrandt Willemsz t' Amsterdam en In meer plaetsenquot; en vele conler-(ellseleu. Deze schilderijen worden echter niet nader omschreven. B. TEEKEN1NGEN. 28. Jonas door den walvlsch op het strand geworpen. Volgens Rathoeber [Annalen bl. 323 en 374) berustte deze teekening, die van 1582 dagleeken t in de verzameling van den aartshertog Karel te Weenen ; zij werd in plaat gebracht door Joan Sadei.er. De gravure stelt Jonas voor, bijna geheel naakt, door een grooteu visch op hel land geworpen; de zee is ter linkerzijde begrensd door een bergketen, waarop verscheidene gebouwen staan; aan den horizont de ondergaande zon, op hel water scheepjes en visschers en geheel links een paar groote visscben. In den voorgrond rechts: .Joan Sadeler scalps el excud, links: Theodor li. Amit. fignrauit, in hel midden: â 2quot;. In het marge een vierregelig lalijnscli vers in twee kolommen : Banc veluti maf/no etc. Deze gravure behoort waarschijnlijk tot dezelfde serie als No. 33. 29. Christus in Gelhsemane, letkenlng met de pen en 0.1. inkt h. 215 br. 270 mm. toebehoorende aan den heer C. Schöffer te Amsterdam Ter linkerzijde wordt Christus door de soldaten aangegrepen, terwijl Judas hem den verraderlijken kus geeft ; rechts slaat Petrus den op den grond llggenden Malchcs een oor af; op den achtergrond links |
1
In den achtergrond van deze gravure ziet men een schilderij voorstellende De Kruisdraging. Zou Dirck Barentsen ook dit onderwerp geschilderd hebben
â 133 â
|
een mini met een lautaum. Deze eenigszins verwarde coinpusitie van derlien figuren is gemerkt: DB 1571, maar kau echter niet met zekerheid aau Uirck Bauentsen worden toegeschreven. 30. Dood der martelaren teekening met de pen. Eerst in Uamals verzameling, latei' in die van Vulenave. Zie RaTII6ED£Ii Annalen bl, 375. no. 2448. C. VOORSTELLINGEN. door versclullende graveurs in prent nehrncht, maar waarvan niet met zekerheid hekend is of de prenten naar schilderijen of teekeningeu van DlBCK BarentsEN zijn genomen. 31. Diana en Acteon 1), h. 324 br. 445. Ter linkerzijde Diana met een zestal harer nimfen bij een fontein. De godin staat met twee der nimfen in bet water, een dezer bedekt haar met een kleed om baar te behoeden tegen de blikken van Acteon die ter rechterzijde slaat. Diana beeft echter haar goddelijke macht reeds gebruikt om den ennelelen jager te straffen. Zijn hoofd en beenen zijn reeds niet meer die van een menscb, maar hebben plaats gemaakt voor den kop en de pooten van een bert, het overige van het lichaam heeft nog geene verandering ondergaan; de jachthoorn hangt nog aan zijne zijde, maar uog enkele oogenblikken en de speer zal aan zijne hand ontvalltn en de heide honden die bevestigd zijn aan het koord, dat Acteon in de rechterhand heeft, zullen jacht maken op hun voormaligen meester en hem dooden. Op den achtergrond rechts in een bergachtig landschap, wordt de in een hert veranderde Acteon door zijne bonden verscheurd. Op den rand der bron Tlieodorus Bernardus imie. Jacobus de gheyn sculptor. Van onderen links J. Bosschcr exen. In het marge een zesregelig vers. Dum nnnia Actaeon capitur dulcedine sgluae etc. door //. J. li. 32. üamel in de Leeuwenkuil, h. 255, br. 351. De profeet zit in een grot op een rotsblok; de linkerhand op de borst, de oogen ten hemel geslagen. Zeven leeuwen omringen hem, en iioewel eenige hem aanbrulleu, deereu zij hem niet. Een der leeuwen beeft zich voor zijne voeten op den grond gelegd en gedoogt dat Daniel zijn rechtervoet op hem laat rusten. Links van de grot zweeft de profeet Hauakuk in de lucht, door een engel bij de haren medegevoerd. Op een steen, die op den voorgrond links ligt, staat: Tlieodorus Be ma. Inue. IDGeyn. Scup. In het marge een vierrelig vers in twee kolommen Bis fuit obiectus enz. door //. J. /{., rechts Bosschcr excu. Een gedeelte dezer voorstelling werd In zwarte kunst gegraveerd en uitgegeven bij J. Smith. 33. Jonas in zee geworpen, genoemd bij Ratbgeber bl. 374, als gegraveerd door J. Saiieléu. (Vgl. hiervoor No. 28.) 34. Heilige F a m i I i e. Maiiia gezeten aau den voet van een boom met bet kind op de knie, dat de handjes uitsteekt naar den kleinen Johannes, die een vogeltje in de band heeft en ter rechterzijde gezeten is. Elisabeth knielt links naast Maiiia en beschouwt evenals Jozef, die zich achter Maria bevindt, met belangstelling de groep. Op den achtergrond een bergachtig landschap, links een kudde schapen, rechts eenige wandelaars op een weg, die naar de bergen leidt. In het marge een twee regellg vers : Joannes infantem infans enz., links Tlieodorus Bernardus Atnsterodanius innen, rechts; J/erinannus J/nl^lee] exendehat. Zonder naam van graveur, door Bartsch, le peintre graveur (III bl. 274) toegeschreven aan J. Muller, door anderen aan De (1 heyN. Volgens de Catalogus Stehnbebo, (lil bl. 53) graveerde V. IIülsius dezrlfde voorstelling met anderen achtergrond, terwijl zekere C. (1. (misschien Corn. Galle) naar de prent van IIulsius een kopie vervaardigde. 35. Heilige Kamille. Johannes biedt het kind vruchten aan. in het marge. Quid sinosc .. .. tcril. Zonder naam van graveur. Genoemd in den Catalogus SternbeRC. 36. Heilige Familie. Maria met het kind aan hetwelk Anna vruchten «anbiedt. Puer autem clc. Raphael Sadeler sc. etxe. 1584. Genoemd in den Catalogus Sternberg. 37. De intocht in Jerusalem. (Mattheus XXI.) Lr. 201, h. 243 mm. Christus is op een ezel gezeten; ter linkerzijde spreidt een man een kleed op den weg en wordt Jezus met palmtakken begroet door twee kinderen en een man, die in een boom is geklommen en daarvan een lak heelt afgescheurd. Aan den voet van den boom staat een man de armen over de horst gekruist. Ter rechterzijde de schare die Christus vergezeld. Van ouderen links 7'. Bernard invent, rechts Sadeler e.icud. In het marge hcce rex tvvs venit enz. i) Ten onrechte noemt (Ratiioeber bl. 374) deze voorstelling âDiaka. Cal-li8to. Acteonquot;. |
38. De wisselaars uit dent em pel verjaagd. (Mattheus XXI) br. 203, li. 237. Een geessel in de opgeheven hand staat Christus in het midden en verjaagt de wisselaars, die naar links vluchten, de een met een schaap, een ander met een mand met vogels; een derde, die twee geldzakken in de hand heelt, is op den giond gevallen; ter rechterzijde op den voorgrond ligt een man op den grond, terwijl een ander verschrikt de vlucht neemt. Op den tweeden grond aan dezelfde zijde staan twee schrlftgtleerden. Van onderen links: 7'. Bernard, innet; rechts: Sadeler excud. In het marge: Scriptu{m) est: tjuia domus mea enz. 30. Christus ten huize van Simon. (Mattheus XXVI) br. 202. h. 243. Een vrouw giet een kostelijke zalf op Christus' hoold, terwijl deze met vijf personen aan tafel zit. Ter rechterzijde staan vijf der discipelen achter Jezus, links wordt een nieuwe schotel binnen gebracht. Van onderen links 7'. Bernard, invent, rechts J. Sadeler F. et excud. In het marge; Mittens enim haec unguentem etc. 40. Een slem uit den hemel tot Christus sprekende. (Johannes XH) br. 204, h. 242. Voor een tempel staal Christus, de belde handen omhoog houdende, en opziende naar het hemelsei) licht, waarin de woorden; Ut clarificaui et iieruin clarificabo le lezen slaan. Aau heide zijden staan de twaalf discipelen, die verwonderd of in verrukking ten hemel staren, een der discipelen, op den voorgrond links, vouwt de handen. Op den achtergrond twee schriftgeleerden. Van onderen links 7'. Bernard, invent. rechts Sadeler excud. In het marge Pater clarifco nomen tvvm. enz. 41. Christus bespot. (Mattheus XXVII) br. 197, h. 230. Christus zit op een steen aan den voel van een kolem, de purperen mantel 0111 het lichaam, de kroon op hel hoold; een der drie soldaten, die hem bespotten, knielt hij hem neder en geeft hem den rielstaf' in de hand ; een ander, die achter den pilaar staat, slaat hem de kroon dieper op het hoofd. De derde beschimpt den Chrisrus, door het uitsteken dei-tong. Ter linkerzijde staan twee personen, in lauge mantels, waarvan de een een stok in den hand heelt. Op den achtergrond ziet eeu man door eeu raam. Van onderen links /. Sadcter scalps, et excud. rechts Theotlur Bernard. Amster. figur. In hel marge Ave rex iudaeoreni, enz. 42. De Graflegging, br. 198, h. 220. In een grot, door welker opening men ter rechterzijde Golgotha met de drie kruisen ziet, wordt bet lijk van Christus door vier mannen in een doodkist nedergelegd. Op den achtergrond in den grot Johannes met de twee Mahia's, ter linkerzijde Maria Magualena met de zalfvaas, Ter linkerzijde de opening in de grol, waarin de kist, die op rollen staal, zal worden geplaatst. Van ouderen rechts Theodor B. Amst. fgurauit Joan Sadler scalps et excud. Inhei marge een vierregelig vers in twee kolommen Sic Deus intacta enz. 43. I'aulus op het eiland M e 1 1 t e. (Handelingen XXV1II) br. 510. h. 3ü2. Ter linkerzijde op den voorgrond zit i'aulus aan den rotsachligen oever der zee bij een vuur, omringd van soldaten en krijgslieden. Eeu adder kronkelt zich om zijne hand. Ter rechterzijde het schip dat den achtersten mast gedeeltelijk heeft verloren. De fcbepe-lingen storten zich bijna geheel naakt iu zee, sommige pogen reeds bet land le bereiken. Op den achtergrond rechts wordt I'aulus duor den hoofdman .luuus en zijne krijgsknechten als gevangene naar het schip geleld. Van ouderen links Tlieodorus Barnardi inuentor. Rechts Nic. ' isscher excud. In bet marge Paulus e naufragio salvus in insulam Melitam etc. en een vierregelig vers in twee kolommen: Wat denckt gluj llegdensch volck enz. 1) 44â47. De vier Evangelisten. Serie vau vier ongenummerde prenten br. 223-224 b. 164-109 Mm. 2). («) Mattheus zit, naar rechts gewend, op een lage bank en hladert met zijn linkerhand in een boek dat voor hem op een soort van lezenaar staal. Achter hem de engel Ter linkerzijde in het verschiet een bergachtig landschap. Van onderen In hel midden Sadeler excud., lu.ks Theodor. Bernard. Amster. invet In hel marge S. Matthevs. [h] Marcus zll naar links gewend aan den voet van een boom, de rechterhand onder het hoofd, voor hem staal een boek tegen een steen, Ier linkerzijde ligt de leeuw. Op den achtergrond een bergachtig landschap. In hel midden 7', Bern: invet. Hechts Sadeler excud. |
1
Deze prent is gegraveerd door Hakman Mullkiï, er schijnen drie staten vau te bestaan, (vgl. Zaui Enciclopedia.)
a â met Hermanns Muilerus ,jculpquot; het adres van Justus Bosser, en een vers beginnende Naufragio eiectus enz.
b â met adres van C. J. Visscher.
c â de beschrevene.
2
In den Uatalogus Stermbeug worden eopien naar deze prenten genoemd.
|
(r,) Lucas zit imar rechts gewend op lt;eu bankje bij zijn schilderezci, hij houdt een paneel in de liHiid, terwijl hij met een zijner voeten op den slier rust, die ter linkerzijde ligt, In den achtergrond rechts een kamer waai in een man verw staat Ie wrijven. Van onderen in het midden Theodor: Bern: Amsterodam invet: Sadeler excud: in het marge S. Lvcas. [d) Johannes zit naar links gewend aan den voet van drie hoornen, hij houdt een pen in de linker, en eeu boek dat op een steen rut in de rechterhand. Ter linkerzijde de arend op een rotsblok, op den ach-tergiond Maria op de wolken gezeten, het Chrisluskind legen de aanvallen van den draak beschermende Van onderen links: Theodor Bernard. A: invet, rechts : Sadder excud. In hel marge -S, Johannes. 48â51. De Kerkvaders: S. lliEnONYJius, S. Gregorh^, S. A«-«rosius en S. Auuustinus. A/Ir. Collnert sc. Sudder exc. 4o. Genoemd in den Kalalogns Sternberg 1810 bl. 53. 52â55. U e vier uitersten, serie van vier ongenommerde prenten , br. 253-228 , h. 165 169. («) II e dood. liet lijk van een man dat uitgestrekt op den voorgrond ligt wordt beweend door twee vrouwen en twee kinderen. Op den achtergrond een begralenis ; de lijkbaar door vier mannen gedingen, wordt voorafgegaan door fakkel- en kruisdragers en gevolgd door zes personen in treurgewaad. Van onderen rechts 7'. B Amst: iniie, links Æ .S' [adder) senlpt. excud. In bet marge een vierregelig vers in twee koluinmen : Viuamus memores venturae Mortis etc. (/gt;) Hel laatste o o r d e e I.â Ghkistus met de heiligen op de wolken gezelen scheidt de goeden , die door de engelen worden begeleid, van de boozen, die door een duivel ten vuure worden gedoemd Up den voorbond s ijgen de gestorvenen uit de geopende graven. Van onderen links: 1. Bern: A. in: I. Sad. xcalp: ex; [e) He hel.â In een grot dragen en slepen eenige duivels de ter helle gedoemden naar de eeuwige vlaimnen. Op den voorgrond draagt een duivel twee naakte mannen en een naakte vrouw op de schouderen en is op het punt hen ter rechterzijde in de vlammen te werpen. In die vlammen staat een duivel met doodshoofd en hangende borsten, van onderen links: 7'. li. Amst. in re I. Sadel(er) seal. ex. In het marge een vierregelig vers in twee kolommen : JSnnc iterum peragenda enz. (,/) I) e hemel Een schaar van gelukzaligen op de wolken gezeten vouwt met deemoed de handen of kruist de armen voor het licht. Van onderen links: /'. B. rechts t. S. In liet marge een vierregelig vers in twee kolommen , Salneta o sanctis coelorum debita regna enz. 1) 56 en 57. Hel wereldse he I e v e n d e r m e n s c h e n i n d e dagen van o a n h e n b ij d e n k o m s t van den L o o n des Menschen. (Matth. XXIV) 1. hr. 448 h. 328, 11. br. 452 h .-Jas. ia) EU mannen en vrouwen, allen bijna geheel naakt, zitten onder een ttouin aan een tafel waarop eeninaaltijil is aangerecht, liet ga^t er lustig toe, drinkende , spelende , zingende en kussende denken zij aan geen ernstige ziken. Ter rechterzijde vult een knecht een drinkschaal uit een bij hem slaande kan; een vrouv draagt een nieuwen schotel aan. Boven de tafel hangt eeu zeil over de takken van een boom. Ter linkerzijde op den tweeden grond een landman zijn akker beploegende; op den achtergrond de arke Noacbs drijvende op de haren, de menschen smeken om genade en verlossing van het water, dat in stroomen op de aarde neervalt. Op een steen links: Theodor: Bernard: innenlor 2) Joannes Sadler scalps: et e.rcud: Antwerpiae Van onderen in het midden I In het marge: een zesregelig \ers in twee kolommen Vt tpiondnm tdhis rnpidis etc. geschei â den door het onderschrift: sirnt antem er at in diebvs Koe. Malt 24. Van deze prent bestaat een kopie naar de tegenovergestelde zijde doc r een ongenoemden graveur. Op de steen rechts staat: Theodo: Bernard: Amsterod: pinx. Zani (t. a. p.) noemt nog een tweede kopie, evenzeer door een ongenoemde, waarop de man en de vrouw die elkander kussen . dit nalaten , en de beide geheel naakte vrouwen die op den rug te zien zijn. gedeeltelijk door een kleine drapene zijn bedekt. Op de eerste staten dezer kopie staat volgens Zani: Theodor Bernard Amst. intie Bnptistae Pansier l'urmensis Formis 15!)l. Op de tweede slaat: Theodor Bernard Amsl. pinx. Phls et Jo Tnrpinas excud Ttomae 1597. 1) Deze prent draagt bij liuui.LIOT Dirt, de monogrammes II, no. 25640 den naam van la Toussaint en heet bij RATiiOEnBR cl as Al 1 e rh e il i ge n fe s t. 2) Volgens Zani (II. Dl. II pag. 305) zom op de door Sa deler gegra-veerde prent Theodor Bernard Amst. pinx, staan. Daar op ons exemplaar slechts imi en tor staat, achten wij het waarschijnlijk dat Zam het opschiift van de eerste 'der genoemde copien voor dat van de origincele prent heeft gehouden en hebben wij dit nummer niet onder de schilderijen durven rangschikken Vgl. No. 12. |
(i) Twaalf mannen en vrouwen in het kusluum van de 16e eeuw zijn aan den maaltijd gezelen. Links achter de talel slaat een man , die de giiitnar bespeelt en een vrouw, die een schotel met vruchten binnenbrengt. Door de vensters ziet men op den achtergrond , in het midden strijdende krijgslieden en een brandend dorp. Ter rechterzijde op den achtergrond de komst van den zoon des menschen , de graven openen zich , de goeden worden ten hemel gevoerd . de kwaden ter helle gedoemd. Van onderen links: Theodor: Bernar : inuentor, rechts: loannes Sadler scalps et excud. Antnerpine , in bet midden 77. In het marge een zesregelig vers in twee kolommen: Sic Domini aduentus descendet ah aethere sumrno etc. gescheiden door hel onderschrift: Ita erit et adventvs ftlii hominis. Malt. 24. Ook van deze pient beslaat een kopie van de tegenover gestelde zijde, zonder naam van graveur ; van onderen Wnks: Iheodo: Bernard: Amsterod: /'/.TA'. 58â61. De vier werelddeelen. Serie van vier ongenommerde prenten, br. 222 -221, h. 162-164. («) Europa, voorgesteld door een jonge vrouw. Zij zit op een rotsblok ter linkerzijde en is naar rechts gewend , zij houdt met de rechterhand een hoorn van overvloed vast, die voor haar , bij een helm, een dolk , een vuurroer en een degen , op den grond ligt. Op den tweeden grond ter rechterzijde staat eeu heer en dame in zestiende eeuwsche kleederdracht. Op den achtergrond links de zee , rechts een bergachtig landschap. Van onderen links 7. Bern. invet. Sadler scalp et excud:, naar rechts Cum priuil S C V. Van boven naar rechts Europa. In het marge een vierreg. onderschrift fivropa, Ouamvis enz. (4) Asia, voorgesteld door een jonge vrouw in Asiatische kleederdracht, zij zit ter rechterzijde aan den voet van een boom. naast haar liggen een tulband en een krom zwaard. Op den tweeden grond in het midden een man met een tulband op het hoofd en een gesluierde vrouw; links drie kameelen met twee kameeldrijvers. Op den achtergrond een bergachtig landschap, links een ruïne. Van onderen \inks: Joann: Sadler scnlpsit et excud: lt;â «/;«) priuilegio Snc. Caes. M. 1581, rechts: Theodoras Bernard: Amsterod. i[n)ue[nt). Van hoven in het midden Asia. In bet marge een vierreg. onderschrift: Asia, pars orbis maxima, coelo enz. [e] Africa, voorgesteld door een bijna geheel naakte vrouw, die ter linkerzijde zit aan den voet van eenige bladerlooze boomen. Naast haar liggen boog en pijlkoker, rechts twee kleiue leeuwen. Op den achtergrond een bergachtig landschap met een kleine rivier, in het midden een man, een vrouw, een kind en twee olifanten, rechts eeu paar tenten onder eenige palmen. Van onderen links: 'Theodor: II inventor loan, Sadler fecit excud: en prtvil S C M. Van boven in bet midden Africa. In bet marge een vierregelig onderschrift Africa, Altera orbis pars,em. [d) America, voorgesteld door een naakte jonge vrouw , gezeten aan dtn voel van een boom , hel hoofd met veeren versierd ; in de rechterband houdt zij een pijl, die met de punt op den grond rust. Op den boom twee papegaaien. Op den tweeden grond een geheele naakle man en vrouw ; op den achtergrond , eenige personen in een rivier en een bergachtige landschap met hullen. Van onderen rechts: Theodor. Bernardus Amsterodamus invet: J. Sadler fee. et excud Cam puil', S. C. iV. links; 1581. Van hoven naar links America. In het marge een vierregelig onderschrift; America, sine Bresiliavel novus ob imen.uim vastitatemorhis', enz 62-65. II e vier elementen, serie van vier ongenommerde prenten , br. 223 226 , b 159â161. [a) De aarde, voorgesteld door de godin Cvbele . op de aarde gezeten , gekleed in een af hangend gewaad , op hel hoofd een stedekroon. Met du linkerhand rust zij op een steen terwijl zij in de rechter een staf' houdt. Op den achtergrond een beigachlig landschap, rechts eenige personen, waarbij een gravende man, voor een rots. Van onderen in bet midden ; J Sadder scalps et exend: francofnrt ad moenum, rechts ; 7heodor: Bernard: A. inventor. Van boven in het midden IhRBA, in hel marge een vier regelig latijnsch vers in twee kolommen: Diua colens terra. enz. [h) De lucht, voorgesteld door Juno die vergezeld van de pauw op de wolken gezeten is , zij wendt het hoofd naar links , en rust met haar linkerhand en rechterarm op de wolken. Van onderen; T. Bern. Amst, tnvet I Sadeler sculps Francofvrt ad Moenv 1587. Van boven AT.B. In hel marge een vierreg. vers in twee kolommen At tihi eui paret narijs obnoxius Al, R elc. (c) liet w ater, voorgesteld door Neptukus die geheel naakt en in profiel naar rechts gewend, gezeten is op een zeepaard, dat hij met de linkerhand stuurt, terwijl Itij mei de rechter den drietand omhoog houdt. Van ondeien links; 7'. li Amst: inmt Joa: SaJeler scalps: Van bova(I |
â 135 -
|
in liet midden MARE. In liet marge een vierregelig vers in twee ko-lommen; Quam penes arbilrium etc. (h) Het vuur voorgesteld door Jupiter, die geheel naakt op den arend gezeten en door een lichtkrans omgeven, door het luchtruim vliegt en met beide handen de bliksems naar omlaag slingert. Van onderen links T. B. A. rechts I. Sadl. scalps. Van boven in het midden t (1 IS I S. In liet marge een vierreg. vers in twee kolommen Jupiter in Coclo enz. (iü âfi9. De vierjaargetijden. Serie van vier ongenommerde prenten, breed 222â223, hoog 159â101 mm. (ra) De I e n t e in de gedaante van een jonge vrouw, die ter linkerzijde ;s gezeten , een vaas met bloemen op de knie houdt en met de linkerhand een tak van een boom, die zich boven haar hoofd bevindt, tot zicli trekt. Ter rechterzijde een fontein. Op den achtergrond links zit een vrijend paar in een prieel, rechts een bergachtig landschap met jagers en ruiters. Op den fontein I (door elkaar). Van ouderen in het midden S. Bernard A. inuet; Van boven in het midden; VER. In het marge een vienegelig vers in twee kolommen, Ir!orl/!a ï'ts rmimorwn enz. (6) 11 e zomer in de gedaante van een geheel naakte vrouw bet hoofd met korenaren bekranst. Zij ligt aan den voet van een boom te slapen, in den linkerarm beeft zij een korenschoof, terwijl zij met de linkerhand een hoorn van overvloed vasthoudt. Op den voorgrond staal een mand met peeren en appelen, waarbij eenige andere vruchten op den grond liggen. Op den achtergrond eenige landlieden aan bet maaien en wieden. Van onderen-in het midden; T. Ber. iuet. Van boven in het midden AESTAS. In het marge een vierregelig vers in twee kolommen; Longis proccdit enz. (c) lgt; e herfst inde gedaante van een naakt man, het hoofd met druiven en wijngaardranken omkransd. Hij rust met zijn linkerarm op een wijnkuip, terwijl hij met de rechterband een tros drriven uit een mand neeml. Op den achtergrond rechts bel druiventrappen , links het plukken der druiven. In het midden een wagen met twee vaten. Van onderen links ; I Sudder sa/pst Theodor lieniard: invet; Van boven in het midden AVTVMISVS In het marge een vierreg. vers in twee kolom men l'omifer Autumnus enz. W l»e «in te r in de gedaante van een grijsaard , die ui een pels gewikkeld zijn handen en voeten bij een lioogopvlammend haardvuur warmt. Naast en achter zijn stoel liggen een kat en een hond. Op den achtergrond (en landschap met een schaatsenrijdend paar. Van onderen rechts Theodor: Bern: Amst: invet f. Sadeler sculps, et e.rc. Vau hoven rechts IIYEMS. In bet marge een vierregelig vers; Quam bene comieniunt enz. 70â73. De tijden van den dag, serie van vier ongenummerde prenten, br. 221â223, h. 10'3 âIGö mm. («) De morgenstond. De gevleugelte Aurora ligt geknield op de wolken en beveelt haar voor de opkomende zon te wijken ; zij draagt een ster op het hoofd. Op de aarde staat in het midden een jager, die tegen een boom leunt en zijne twee jachthonden aan een touw vasthoudt. Achter hem twee ruiters, links eenige visschers. Van onderen in bet midden: Cum gratia et privil S. C. V., links Thendorus huernnrd: inuent Van boven naar luiks AVBOBA. In het marge een zesregelig vers in drie kol.; ISoctem. Aurora fuijut etc. daaronder, Johann: Sidler Scalpsil Colonial MD LX XML (6) De middag. Phoebus, het hoofd naet lauweren omkranst en door een lichtglans omgeven , is op de wolken gezeten. Ter linkerzijde op de aarde eenige slapende en drinkende maaiers, die door een zeil, dat over een boom hangt tegen de warmte worden beschut. Van onderen Theodoras huernardus inventor , rechts ; / Sadler Scalpsit 1582. In bet marge een zesregelig vers in drie kolommen ; Jam medium coeli Phoebus, etc. (c) De avond. â Diana ligt geheel naakt op de wolken. Zij draagt de halve maan op het voorhoold. In een landschap ter rechterzijde drie mannen, die bij het licht van een lantaarn vogels vangen, de een draagt de lantaarn, een ander vangt de vogels onder een korf die aan een lange stok bevestigd is, de derde draagt een kooi. Op een rols links Bacrn: inuet J. Sadler fee. Van hoven in het midden VESPER A In het marge een zesregelig vers in drie kolommen : Sn lis ut Aurora est enz. (lt;/) De nacht. â Morpheus zit ter linkerzijde voor den ingang van een grot te slapen, bij doet uit zijn mond de nevelen te voorschijn komen. In zijne nabijheid twee uilen, twee vleermuizen en een rat. Op den tweeden grond zit een musiceerend paar voor een huis, terwijl op den achtergrond aan dezelfde zijde een serenade scliijnt gebracht te worden. Van onderen links: I'heod: Bacrn: Amsterodamus inuet. Joan Sadler scalp ; 1582. Van boven rechts: iVOA'. In liet marge een zesregelig vers in drie kolommen: lu(Inrit torris densus ISox etc. |
74. Het Venetiaansche Bruiloftsfeest M (Barisoh Peintre graveur III pg. 7G, No. 247.) Op een bordes dat uitziet op een kalm en stil water, waarop verscheidene gondels zich voort bewegen, 's een aanzienlijk Venetiaanscli gezelschap bijeen. In het midden staat de bruidegom in hel patricische 10e eeuwsche gewaad, met de baret op bet hoofd, hooge laarzen aan en de mantel om het lijf geslagen. Naast hem bevindt zich een aanzienlijke dame, misschien de moeder der bruid. Deze laatste met bruidskroon versierd en zedig hare oogen neder-slaande wordt door een aanzienlijk man , die nog in de kracht des levens is , maar toch haar vader kan zijn , den bruidegom te gemoet gevoerd. Hechts en links staan verschillende Venetiaansche Patriciërs in groepjes geschaard. Bij de groep op den voorgrond links bevinden zich twee achtenswaardige grijsaards in lange togas gehuld en met baarden die tot op de borst nederhangen. Iteclits heeft een jonge vrouw, die uit een venster kijkt, een ei in de hand , waarmede zij eenige gemaskerden , die in de | deur staan, schijnt te willen werpen. Door do vensters links ziel men eenige muzikanten. Van onderen links:'/'/teor/orHS Bernard as Amsterodamus In uentor, rechts H curieus Ooit zins Snlptui Aquot; 1584. In het marge een achtregelig vers in vier kolommen; IIie Autenorei 1) conniibia magna senntus, Patriciosque vides, cwtus, enz. Van deze prent bestaat een ronde kopie (middellijn 103 mm ) door Joax Theodorus de Bry . w iens adres er op vermeld is. Onder de voor-slelling staat een â¢Epigramme de Martiael enseignant ce qui est requis pour avoir contentement et être a son aise et heureux au monde après la grace de Dien etc. Tijdens de bewerking der voorgaande bladzijden verscheen ter stadsdrukkerij te Amsterdam een hislorische beschrijving der schilderijen van het raadhuis aldaar. Hetgeen op bi. 131 â132 betreffende de daar genoemde Aa7iwijziii,^ gezegd is, lilijft evenzeer toepasselijk op deze historische beschrijving; zoowel No 84 als No 16 der Aanwijzing (thans Xo 11 en 13) worden ook nu weder aan Dirck Bakentsen toegekend. Het eenige schutterstuk dat met recht aan onzen schilder kan worden toegeschreven (vroeger No 67) komt thans voor onder No 12. Bij Van Mander (ed. 1604 bl. 297a) wordt in het leven van Abraham Blof.maeht vermeld, hoe deze als knaap bij zijn leermeester Joos de Beer een âstuck van Dirck Barentszquot; heeft gecopieerd âwesende een modern Bancketquot; dat omstreeks 1604 nog berustte bij den ook in de vorige bladzijden genoemden schilder C. van deb Voort te Amsterdam (zie blz. 127) Van Mandeu's verdere beschrijving van deze schilderij (âdaer comt in een spelende op een Harp en een vrouken dat seer aerdigh bewijst te singen neffens andere omstandichedenquot;) maakt het hoogstwaarschijnlijk dat deze schilderij het origineel is van de onder No 57 beschreven prent. (vgl. ook No 12.) A. D. de Vries Az. |
1
Door een onjuiste lezing van deze regels komt deze prent meermalen voor als de bruiloft van Axtekoe.quot; Axtbkor was een der Trojaansche helden die gezegd wordt Vcnctic te hebben gesticht.
%
t'
door OTIO TESIÃS.
|
Amelijk moeielijk zou het zijn een beredeneerde keuze te doen tusschen de verschillende wijzen , waarop de naam van onzen meester door de vroegere en latere schrijvers gespeld is geworden, Den smaak van zijn tijd volgende, heeft hij gelijk zooveel anderen een Latijnsche vorm aan zijn Hollandschen naam gegeven !), en van Veen werd VENius of V^enius. â Ook de voornaam wordt verschillend geschreven ; Octavius , Octavio en Otho , soms ook Oïto. Daar de bedoelde kunstenaar bekend is en uit deze verschillende naamvormen geen persoonsverwarring kan ontstaan, zullen wij, hoewel van Veen de ware naam is , de meest bekende gebruiken en noemen onzen meester Otho Venius, gelijk hij trouwens zich zelf genoemd heeft, toen hij zijn naam aldus op een zijner voornaamste werken , dat thans te Brussel berust, schreef. Hij werd te Leyden geboren en wel in het jaar 1558, volgens de meest aangenomen meening, steunende op het opschrift van het oudste der gegraveerde portretten. In de aanteekeningen van Jacobus de Jongh wordt gesproken van 1556 en 1558, hoewel van Manoeu zelf geschreven had, dat Otho Venius,bij het verschijnen van zijn boek in 1604, ongeveer zeven en-veertig jaar oud was, hetgeen echter met geen der opgegeven jaartallen geheel sluit !). In eenige werken van veel lateren tijd , zooals de Catalogus van 's Rijks Museum te Amsterdam â ') en die van de Pinacotheek 4) te Munchen, wordt dat geboortejaar veel later gesteld en wel tot 1560 verschoven, waarschijnlijk in navolging van Cnn Kramm , die , vertrouwende op eene teekening, welke hij zegt te bezitten, dat jaartal opgeeft en de andere verwerpt. Die teekening was volgens het verhaal van Kramm in 1788 door Sciiouman vervaardigd naar eene schilderij , die te 's Hage berustte , waarschijnlijk op Pictura 5) zegt hij , en Otho Venius voorstelde met drie andere personen. Volgens een opschrift was onze meester in het jaar 1590 dertig jaar oud. Dit alles kan waar zijn; zoolang echter de teekening en het origineel, door Kramm alleen geciteerd, onbekend blijven en men zich van de echtheid en de nauwkeurigheid der cijfers niet overtuigen kan , zal men wel doen er niet te veel op te vertrouwen en het jaar 1558 voor dat der geboorte van Otho Vehius te houden. |
De vader van Otto, Cobnelius van Veen, was een rijken aanzienlijk man die, na pensionnaris te zijn geweest, in 1564 en 65 !) tot de hoogste burgerlijke waardigheid die van burgemeester werd geroepen. Dat de burgemeester eener stad welke ongeveer tien jaar later de stichting eener hoogeschool tot belooning voor haar moed en volharding gedurende een rampspoedvollen be-legtijd bewezen, zou verkiezen, zijne kinderen eene alleszins gesoigneerde opvoeding moest geven, spreekt van zelf. Otto leerde gelijk zijne andere broeders vreemde talen, latijn, grieksch, ook wis- en natuurkunde en zou, waren de eerste voornemens van zijn vader vervuld geworden, eerder een geleerde dan een kunstenaar geworden zijn. Tegen natuurlijken aanleg valt echter niet veel te doen en Cornelis van Veen was trouwens een veel te verstandig man om zich tegen de neiging van zijn zoon te verzetten; de jonge Otho werd bij zekeren Izaak Klaesz. te Leyden in de leer gedaan en bleef tot zijn veertiende jaar bij hem. Orlers zegt in zijne beschrijving van Leyden dat Otho door zijn vader naar Luik werd gezonden. Hij schreef dit volgens zijn eigene opgave in 1614 en wonderlijk is het zeker dat hij noch van Mander, beiden tijdgenooten van Otho en zijn vader, iets zeggen van de oorzaken van dat vertrek naar Luik, terwijl de latere schrijvers S. vaj Leeuwen1) en F. van Mieris 2) ons vele bijzonderheden melden betreffende Otho's vader en diens gezin. De zoon van Otho, Ernst van Veen genaamd, in 1667 gestorven zijnde, werd door zijne weduwe bij de lijkplechtigheden een met zwart omkransd wapen gebruikt zijnde dat van Braband, een gouden leeuw op een veld van sabel en daarover een zilveren baar met drie ringen van keel. Dit gaf aanleiding tot een proces, waarop een sentencie van den rechtbank volgde, bewijzende dat genoemde Ernst van Veen door zijn grootvader Cornelis van Veen, afstamde van den natuurlijken zoon van Hertog Jan III van Braband en zekere Isabella van Vene, wier naam door hare nakomelingen gedragen werd. In diezelfde sentencie van den 1711 Nov. 1668 wordt gezegd dat de masculine descente in 1460 niet uitgestorven zijn, gelijk Butkens in zijn wapenboek ten onrechte geschreven had terwijl Cornelis van Veen Chevalier genoemd wordt en Heer van Hoogeveen, Delplasse, Vuerse en Draekensteyn, gewoond hebbende op het gravelijk slot Lockhorst alwaar hij in de vensters zijn wapen op glazen had laten schilderen. Hij leefde daar op grooten voet, âhebbende een cavnerlinckquot; aan welken hij tot huwelijksgift twee huizen schonk, staande te Rotterdam. Hij had twaalf kinderen. Omstreeks 1571 door de overheden aangezegd zijnde zich voor de geuzenpartij te verklaren, zegt genoemde sententie dat âchevalier Cornelis van Veen liever heeft 't abandonneren syne charges en te lyden confiscatie van syne Heerlykheden en andere goederen als sig met hun te voegen tegens syne Majesteyt en dat hij vervolgens hem heeft geretireerd gehad uyt de Provinciequot;. |
|
ij Bij voorbeeld Lamtsonius voor Lamtsok, Stuadanxs voor vagt; Stuaten, Goltzics voor Goltsz enz. 2'1 Zie van Ma.vdek, uitgave l;i; Jokoii, I7Ã4- 13. II., p. 175. 3) Uitgave van 1672. 4) Door Ri d. Mauojiait. 5y Pictura was een kunstenaars-gezelschap, door een afstammeling der familie van Vkek gesticht. |
1
Batavia illustrata, 's Hage 1685, blad 1126.
2
Beschrijving der stad Leyden 1772, bladz. 386-390.
,, . «'Af â , ' r - V- - â â
quot; ' '- â ' â ' â¢;;â â¢â¢ â V '' , â ' 'â 'â '' .,'
IS;
--------------
â 137 â
|
De schrijvers Alfred Michiels') Louis Blanc1) en anderen maken hem hierover groote verwijtingen, zij noemen dit eene âsottisequot; en partij kiezen voor de aanvallers van zijn vaderland, hoewel men evengoed zou kunnen vinden dat het dreigen met verbeurdverklaring zijner goederen niet erg pleit voor de billijkheid en vrijheidszin der geuzenpartij. Genoemde schrijvers schijnen ook niet geweten te hebben dat de afwezigheid van Corneus van Veen slechts tijdelijk geweest en dat hij met acht zijner kinderen weer voorkomt op een volksregister der stad Leyden van het jaar 1581 2). De namen van Otho en Gisbert die, zooals wij later zien zullen, in België zijn gebleven, vindt men op dat register niet maar wel die van Simon advokaat, Jan brouwer, Pieter en Thymen student, verder die van vier dochters. Elisabeth, Hillegonda, Aoatha, en Maiua. Voor 1581 was Cornelis dus weer te Leyden teruggekeerd en hij bleef er tot aan zijn dood. Den i8den Augusti 1591 werd hij in de St. pieters-kerk aldaar begraven; hij was geboren in 1520. Met de verbeurdverklaring zal het ook wel zoo erg niet ge-loopen zijn, want volgens dezelfde sentencie 3) en ook volgens het boek van van Mieris 6) was Simon van Veen, de oudste zoon van Cornelis even als zijn vader Heer van Hoogeveen en andere heerlijkheden; ook hij wordt Chevalier genoemd en bewoonde hetzelfde slot Lookhorst dat eerst na zijn dood in 1612 door de erven werd verkocht aan Paulus Stock die het tot huizen liet verbouwen. Uit dit alles blijkt dat Cornelis die in 1564 en 1565 burgemeester was geweest, die al de gruwelen van den burgeroorlog van nabij had gezien en de godsdienst zijner vaderen niet ontrouw wilde worden, zich eenigen tijd aan alles onttrokken heeft en buiten het land rust is gaan zoeken om niet genoodzaakt te zijn strijd te voeren tegen den vorst, dien hij zeker niet lief had, ma?r die toch nog de wettige vorst was. Zoo spoedig mogelijk is hij naar zijn vaderland teruggekeerd, alwaar zijne zonen en kleinzonen nog lang na hem verschillende ambten hebben bekleed. Zijne vrouw heette Geertriuda Simonsd. van Neck, niet Necking zooals de reeds genoemde Fransche en Belgische schrijvers zeggen. Zij behoorde tot een aanzienlijke familie van Amsterdam en was tien jaar jonger dan haar man. De jonge Otho werd te Luik goed ontvangen en genoot de bescherming van den toen regerenden Prins-Bisschop Gerard van Groesbeek, die zelf een kundig man en groot voorstander van kunst en wetenschappen was. Hij werd de leerling van den sekre-taris des Bisschops, den bekenden dichter en schrijver Dominicus Lampsonius, die in zijn jeugd ook de schilderkunst had beoefend, onder leiding van den vermaarden Luikschen historieschilder Susterman, bekend onder den naam van Lambert Lombardsen. Deze Dominicus Lampsonius was voor onzen jongen kunstenaar de beste leermeester, want hij paarde aan zijne kunstkennis groote geleerdheid en Otho kon onder zijne leiding de begonnen studiën zoowel in de oude talen en mathesis als in de teeken- en schilderkunst vervolgen, tot dat hij bekwaam en oud genoeg zou zijn om, even als alle jonge kunstenaars van dien tijd, de reis naar Italië te aanvaarden. Dit gebeurde in 1574. Otho vertrok, voorzien van aanbevelingsbrieven, naar Rome en werd daar de leerling van Frederigo Zucciiero, bij wien hij een zestal jaren bleef. Omstreeks 1580 verliet hij Rome om naar het vaderland terug te gaan, maar nam den langsten weg over Duitschland en hield zich eerst te Weenen op, waar hij de portretten der Aartshertogen schilderde. Te Keulen werd hij door den keurvorst Ernst van Beieren, die Gerard van Groesbeek als Prins-Bisschop van |
Luik opgevolgd was, op de gunstigste wijze ontvangen. Op verlangen van Alexander Farnkse verliet hij Keulen na eenigen tijd en kwam te Brussel, waar de Hertog hem tot hofschilder benoemde. Niet alleen zijne verdienste als kunstenaar, maar ook zijne wetenschappelijke kennis werd door den landvoogd erkend; hij gaf Otho den titel van ingenieur bij het leger. Otho Venius bleef te Brussel tot aan den dood van Alexander van Parma in 1592; toen echter verliet hij die stad en vestigde zich te Antwerpen, alwaar hij zich weldra in den echt begaf met een meisje uit aanzienlijke huize, Anna Loots genaamd. Uit dien echt zijn acht kinderen geboren: Anna, Ernest en Cornelis; de laatste stierf vroeg, hij werd geen zes jaar oud. Het vierde kind, in 1602 geboren, was Geertruida, zijne dochter en leerling, wier bekwame hand ons het schoone portret van haar vader naliet, i dat thans te Brussel op het Museum in de historische galerij berust. I Na haar volgden nog vier kinderen, met namen, Susanna, Maria, Agatha en Catiiarina. Onze meester was dus, een zoon jong gestorven zijnde, de gelukkige vader van zes dochters en een zoon. Van Ernst is niets bijzonders bekend, maar zijn dood gaf aan-: leiding tot uitvaardiging der sentencie, die ons de meêgedeelde bijzonderheden over de familie van Veen bekend maakte. Hij was in de St. jacob's-kerk te Antwerpen gedoopt den 24quot; Februari 1595 en had tot peter Ernst van Beijeren, den keurvorst van Keulen. In het jaar 1594 werd onze meester in het St. LuCAS-gilde als franc-maltre ontvangen en tien jaar later, in 1604, tot de waardigheid van deken verheven. Om zijne hooge verdiensten als kunstenaar zoowel als om zijne wetenschappelijke kennis, werd hij algemeen geacht en zijne roem was niet alleen in de Nederlanden, maar ook in den vreemde groot. Aan zijne buitengewone begaafdheden paarde zich een vredelievend minzaam karakter, waarvan de ernst door ietwat melancholie nog gelouterd werd. Hij telde dan ook talrijke vrienden , zoowel bij de hoogere standen als bij de burgerij. Geleerden, dichters en schrijvers hebben zijn lof verkondigd. Ook als leermeester en raadsman stond hij hoog in aanzien ; zeker is het dat zijne werken wel van die degelijkheid en grondige studie getuigen, die bij het geven van onderwijs eerste vereischten zijn en hij bewezen heeft dat het hem, als leidsman van jeugdige kunstenaars geschonken vertrouwen , niet misplaatst was. Groot was het getal zijner leerlingen. In het jaar 1596 ontving hij als zoodanig een jongeling, die reeds bij twee andere meesters had gestudeerd en zelf reeds een meester mocht heeten. Toch werd Otho Venius de eer waardig geacht zijne opleiding te voltooien. Toegerust met al de kracht van het oorspronkelijk genie , was die leerling , wiens nooit geëvenaarde roem die van zijn meester weldra zou in de schaduw stellen. Petrus Paulus Rubens, de stichter der nieuwere Vlaamsche school. Keeren wij tot den meester terug. Bij gelegenheid van den plechtigen intocht der Aartshertogen Albertus en Isabella te Antwerpen , werd het bestuur over de daar te stellen versieringen aan hem opgedragen. Reeds in 1594 was hij bij de inkomst van den Aartshertog Ernst met dergelijke werken belast geworden en zeker is het dat zijne bekendheid met de Grieksche fabelleer en de emblemata, gepaard aan groote kennis van bouw-en werktuigkunde, hem voor die werken 4) als het ware aanwees. Hij wist zaken te doen verrijzen , wier pracht en ongewone samenvoeging de bijzondere aandacht trok der vorstelijke gasten , bij wie hij als kunstenaar reeds hoog aangeschreven stond. Ten gevolge dier welgeslaagde werken en als bewijs hunner hooge tevredenheid , zooals door eenige schrijvers gezegd wordt, benoem-j den zij hem in 1620 tot opperintendant van de munt te Brussel, i In die veronderstelling is echter wel iets vreemds, eerstens omdat zij tusschen dien feestelijken intocht in 1599 en de benoeming , O Zie de prenten vim Pieter van dek Borcht, te Antwerpen bij Plantijn j gedrukt. |
1
Les peintres de toutts les icoles.
2
Zie Rammelman Elzevier â Navorscher 1871, bl. 189â191.
3
4 ' Batavia illustrata â 1685.
4
Histoire de la peinture Jlamande et hollandaise â 1S48 et Rubens et Vécole d^Anvers â 1877.
â 138 -
|
zoo zij in 1620 plaats had, een wel wat lange tijdruimte verliep, tweedens omdat Otho in een rekening van 1615 reeds genoemd wordt als âwardein der munt hunner hoogheden te Brusselquot; !) en vier jaar later eene som van honderd vijftig pond ontving als be looning voor de vele werkzaamheden dier betrekking, bij karig loon. Men zon eerder tot de veronderstelling komen dat onze kunstenaar die reeds lang de protectie der Aartshertogin als ook van haar gemaal bezat en , zooals wij later zien zullen veel voor hen werkte, in 1616 reeds eenige jaren wardein was en later tot opperintendant benoemd werd. Door die betrekking en nog andere werkzaamheden dikwijls verplicht zich naar Brussel te begeven , waar hij waarschijnlijk lang moest blijven , besloot hij ten laatste Antwerpen te verlaten en kwam omtrent 1620 voor gced naar Brussel, welke stad hij niet wéér verliet. Na den dood van den Aartshertog Albert , in 1621 , bleef hij de gunst der Aartshertogin Isabella genieten. Steeds werkzaam, omringd door eene familie en eenige vrienden, die hem hoogachtten en liefhadden, gingen zijne laatste jaren kalm en rustig voorbij, maar zijn kunstenaarsroem was in de twintig laatste jaren zeer verminderd en ging onder met de italiaansch -vlaamsche school, wier laatste kampioen hij geweest was. De gloriezon van Rubens en van de jongere Antwerpsche school deed de oudere geheel vergaan en de bejaarde kunstenaar , die vroeger aan het hoofd der kunstwereld stond, werd voor zijn dood reeds vergeten. Hij ontsliep te Brussel oj^ den 6 Mei 1629. Doorgaande met zijne beweering dat Onto Vexiuïs niet in 1558 maar in 1560 geboren zou zijn, wil Kram.m ook zijn dood een drietal jaren later stellen. Hij heeft daarvoor geen ander bewijs dan de reeds genoemde teekening van Sciiouman. De datum van 6 Mei 1629 en een latijnsch vers van Putaxkus komen voor op het portret door ALa. Ruciiei of Ruchole gegraveerd naar het door Geeutiu jda Venius geschilderde portret Die gravure werd in 1649 te Antwerpen uitgegeven door Meijssens in de reeks portretter door hem aan den Zweedschen agent Le Blon opgedragen, en wordt ook gevonden in het boek van den Lierschen notaris de Lik dat in 1761 het licht zag. Hoewel die datum niet naar de opgave van Gkkutuuiua kan geplaatst zijn, zoo als de Heer Louis Bi.anc vermoedt, daar zij bij de eerste uitgave in 1649 reeds zes jaar dood was , waren er van het talrijke gezin nog leden genoeg in leven om de noodige inlichtingen te kunnen geven en wel in de eerste plaats zijn reeds meer genoemde zoon Ernst. Men kan die opgave gerust vertrouwen, zoowel voor het geboorte als voor het sterfjaar; het opschrift luidt aldus1) .... il fut né a i.evden en l'aN 1558, kt m0urut a BrUSSELLES l'an 1629 le 6 de may gert. van veen pinx1t, /Eoid Ruiihol sculpsit, j(lan Meussens excudit. Wonderbaar is het zeker, dat Kramm en andere schrijvers op zulke onvaste gronden als eene teekening waarvan het origineel onbekend is, de echtheid dezer opgave betwijfelen; te meer nog daar zij met eene andere van overwegend belang sluit. namelijk die van het register der Antwerpsche Gilde St Petrus en Paulus of der Romanisten, waarvan Otho Venius in 1603 lid was en in 1606 het dekenambt bekleedde, In dat register is aangeteekend dat in 1Ã29 wegens het overlijden van Sr Oti'avo Venius tot lid is aangenomen Sr Nicolo de Respaigne. |
Hiermede zouden wij van de ingewikkelde en reeds veel besprokene kwestie der jaartallen kunnen afstappen : ware het niet dat in het randschrift van het later door Paulus Pontius , ook naar Geertruida's schilderij gegraveerde portret te lezen staat yEtatis sua; LXXIIquot;. Zeer waarschijnlijk zal van Mander, die, zoo als reeds besproken is, in 1604 schreef dat Otho Venius een man van omtrent zeven en veertig jaren was , tot deze onjuistheid aanleiding gegeven hebben. Dit gezegde van van Mander is echter te onbepaald om het als beslissend aan te nemen en aan de opgave van Paulus Pontius zal wel geen grootere waarde moeten gehecht worden. Een volledige lijst van Otiio's werken te geven zou een zeer bezwaarlijke taak zijn. Wij zullen ons dus bij het aanwijzen der-meest belangrijke moeten bepalen en noemen allereerst het stuk dat te Parijs op het Louvre rust. Het stelt ons den meester zelf voor op zes-en-twintigjarigen leeftijd i) zittende voor zijn schildersezel en omringd door de leden van zijn gezin ; hij was toen nog niet gehuwd. Een opschrift op een schild aan de linkerzijde meldt dat Oi'ho Venius dit stuk in 1584 schilderde, ter eere Gods , voor zich en de zijnen. Kwam hij te sterven zonder een zoon na te laten, dan moest het in het bezit van zijn oudsten broeder overgaan en zoo van vader op zoon , en bij uitsterven van die mannelijke linie weer overgaan aan den dan levenden oudsten broeder, en zoo vooit. Ondanks al die voorzorgen ging het met deze schilderij even als met zoo vele andere; in 1835 kwam zij te Parijs bij eene openbare veiling voor, en werd voor de som van twee-honderd-veertig frank aangekocht. Op een tweede schild , aan de andere zijde, zijn de namen opgeteekend van de voorgestelde personen , die door boven de hoofden geplaatste nummers aangewezen worden. Deze naamlijst is te belangrijk om niet in haat-geheel te worden gegeven. PARENTES Cornki.ivs Venivs 2 Gertiivdis , l.IBÃÃU \ F, LISABETH 6 i0anne8 8 Maria 10 Petrvs 12 Timannvs 3 Simon 4 Anna uxoi 18 N ICOLAVS 19 H VGO 7 Otho 9 Gisbertvs 11 Aldeqonda 13 Agatha Dit familiestuk is hoogst waarschijnlijk te Leyden geschilderd, waar Otho Venius, die kort geleden in de Nederlanden was teruggekeerd , zich zal begeven hebben om zijne bejaarde ouders te bezoeken , en de vreugde zich te bevinden te midden van het geheele gezin , dat misschien wel ter zijner eere in het ouderlijk huis bijeen was , zal hem de gedachte ingegeven hebben dit bekoorlijk kunstwerk te vervaardigen. Opmerkelijk is het dat deze naamlijst althans wat de broeders en zusters van Otho betreft geheel sluit met het reeds besproken volksregister van 1581 en zij aldus hunne juistheid wederkeerig bewijzen. Hoe wij echter ook tellen , wij vinden niet meer dan tien kinderen en moeten veronderstellen dat de tw-ee , wier namen op beide stukken gemist worden , reeds vóór 1581 gestorven wa- 1) In de Notice des Tableaux etc. du Louvre door Fred. Villot, staa^ achtentwintig-jarigen leeftijd; omdat de geboorte van Otho Vemus in 1556 wordt gesteld â de schrijver laat hem echter tot 1634 leven, zoodat hij niet twee, maar acht-en-zeventig jaar zon zijn geworden. De opgave van Dit. Rud. Margorapf in den catalogus der Pinacotheek van Munchen is even onnauwkeurig volgens dezen schrijver is 1560 he2-geboortejaar en 1629 het sterfjaar; dan zou onze meester niet ouder dan negen en-zestig jaar zijn geworden. 14 Ma 111 a 15 MA RUARE 16 VSNOVT 17 Elisabeti |
1
Zie de Bik.
RI bens et A. Michiels. Rchlns
2
Gachard Particularitvs itieditcs sur et Pecole (TAnvers , p, 53.
|
,'41 | |
|
â SI | |
|
ll% | |
\P^
rvYquot; ö
Q2
r-^
E5
c^ 3
M 1
rvr
prâ?
'N
ng c; SS ^
â 139 â
|
ren. Het schijnt dat Khamm noch van liet register noch van het familiestuk kennis heeft gehad. Onze veronderstelling dat di t stuk te Leyden geschilderd zou zijn , sluit geheel met het feit, in den catalogus van het Museum van Antwerpen vermeld , en wel dat in de maanden Mei en Juni van het jaar 1584, de schrijvers Janus Grutehus , F. van deu Cammen en de beroemde Justus Lipsius dichtregelen schreven in het Album van onzen jongen meester. Laat ons hier een paar woorden spreken over de andere leden van het gezin , die ook de kunst beoefend hebben. Gysbrecht was graveur , op de schilderij is hij met eene koperen plaat in de hand , waarop de omtrek eener kerk staat, afgebeeld; hij was ook schilder en heeft, gelijk zijn broeder Otiio, zijn leven in Zuid-Nederland doorgebracht. Hij heeft meermalen naar teekeningen van Oth o gegraveerd; onder anderen eene reeks prenten het leven en de daden van de H. Catharina van Sienna, voorstellende. Historieschilder schijnt hij niet te zijn geweest, maar wel portretschilder: hem werd in 1596 opgedragen het afbeeldsel te maken van den aartshertog Albe ut us, dat, met die van Philippus 11, zijne gemalin en zijne dochter Isabella door Raphael Coxie vervaardigd, aan den hertog van Saxen werd aangeboden. Eenige jaren later ontving Philips de Cruy markies d'havré de portretten ten geschenke van hunne Hoogheden Albertus en Isabella, beiden door Gysurkcht op het doek gebracht. Ook voor den koning van Engeland maakte hij de portretten dier vorstelijke personen , aan welke hij ook diensten van anderen aard schijnt bewezen te hebben ; daar hem , volgens rekeningen in de archieven der stad Rijssel gevonden , in 1603 een som van honderdvijftig pond werd overhandigd âvoor geheime zaken zeer ten belangen van den dienst Hunner Hooghedenquot; !). Gvsbrecht was een paar jaren jonger dan zijn broeder Otho en stierf een jaar voor hem, in 1628. Pi eter van Veen de rechtsgeleerde, die, in 1570 geboren, advokaat bij het hof van Holland was, wordt door Hooft in zijne Lijk- en Grafdichten âschilder en Pensionaris van den Haagequot; genoemd. Het schijnt dat hij als lief hebber het penseel niet onverdienstelijk wist te hanteeren en zich een zekeren naam had gemaakt. Van zijn werk is echter niet veel bekend; alleen weet men dat hij een stuk uitgevoerd heeft dat âaan burgemeesters geoffreerdquot; werd en het ontzet van Leyden voorstelde; een zilveren schaal, kostende honderd-zestig gulden, werd hem daarvoor op zijn beurt geoffreerd. Van de andere broeders van Otho is niet bekend dat zij eenig kunstvak beoefend hebben, dat echter de liefde voor kunst in de familie bleef bestaan werd door zekeren Mi Cornelis van Veen, waarschijnlijk een kleinzoon van den Leydschen burgemeester, bewezen, die in 1656 het genootschap Pictura stichte en er de eerste secretaris van was. De reeds meer genoemde dochter van Otho Venius, Geer-truida , in 1602 geboren , was te oordeelen naar het portret van haar vader een bekwame kunstenares. Dit portret dat groote verdiensten en zooveel behagehjkheid bezit, is zeker niet het eenige kunstwerk harer bekwame hand; te betreuren is het zeker dat men geen andere schilderijen van haar kent. Nagler zegt dat zij de vrouw werd van Jacouus Joroaens en andere schrijvers verhalen dat zij, even als Marqaretiia van Eyck , ongetrouwd bleef om zich geheel aan de kunst te wijden 1). Beide opgaven zijn onjuist. Geertruida van Veen huwde met Lodewlik de Malo. Het opschrift van het met de wapenen der familiën versierd graf in de St jAcoBus-kerk te Antwerpen laat hieromtrent niet den min- 1) Arch, van Rijsselâ registc- F 286. Rekenkamèr. - / Ai.i ui d Michiels. Jlist. de la feinture flaviande et hullandaise 1848. In zijn later werk Rubens et FEcole cCAnvers, Paris, 1877 heeft de Heer A. Miciiikis zijne vergissing hersteld. Omtrent Cou.nblia blijft hij zich vergissen. |
sten twijfel over. Dit grafschrift 2) meldt ons tevens den datum van haar overlijden op een-en-veertig jarigen leeftijd. Nagler zegt ook , dat eene andere dochter van Otho, met name Cornelia , die met een rijken koopman van Antwerpen huwde , eene verdienstelijke schilderes was ; hij voegt er echter bij dat hem geen werk van haar bekend is. De Fransche en Belgische schrijvers hebben dit herhaald; echter ook zonder eenig werk van hare hand aan te wijzen. Chr. Kra.mm komt hier tegen op, zeggende dat Cornelia de dochter van Otho gestorven zijnde op kinderlijken leeftijd, die Cornelia, de schilderes , eene zuster van Otiio moet geweest zijn. Dit is alles even onjuist. Het kind van Otho dat op kinderlijken leeftijd stierf was niet eene ConNE-lia , maar een zoon, Cornelis. Onder zijne andere kinderen komt geen Cornelia voor; evenmin mag aan een zuster van Otho gedacht worden , daar die naam noch op het volksregister van 1581 noch op het familiestuk van 1584 voorkomt. Heeft dus eene schilderes zich noemende Cornelia van Veen in dien tijd werkelijk bestaan , dan moet zij de dochter van een der broeders van Otho zijn geweest; zoolang echter geen kunstwerk harer hand bekend wordt, is de geheele zaak van te weinig belang om er langer bij te blijven staan. Voor wij van dit familiestuk afstappen , dat op het oogenblik niet meer in de zalen maar op een der portalen van het Louvre hangt, moet nog gemeld worden dat boven de namen der kinderen van Cornelis en Geertruida op het schild , straks besproken, zich twee familiewapens bevinden. Hoewel zeer verdonkerd door den tijd is het wapen der familie van Veen gelijk wij het beschreven hebben nog te erkennen. Het andere wapen, zeer waarschijnlijk dat van de familie van Neck , heeft geleden en is niet meer te onderscheiden. Otho Venius heeft te Antwerpen veel gewerkt; een aanzienlijk getal dier kunstwerken zijn in die stad , op het Museum of in de kerken nog aanwezig. In de groote Onze Lieve Vrouwe Kerk bevindt zich eene groote compositie, het 1 a a t s t e A v o n d-m aal, die men gewoonlijk zijn meesterstuk ïioemt, hoewel de kunstenaar daarin zich zeiven vrij gelijk is gebleven. Twee andere stukken in die zelfde kerk aanwezig zouden met meer recht voor de meesterstukken van den kunstenaar gehouden kunnen worden, omdat hij zich daarin zonder zijne eigenaardige deugden te verliezen verre boven zijne gewone koele bedaardheid verheft. Men zou van Otho Venius kunnen zeggen dat hij alles wat hij deed goed deed , dat hij alles overwoog en overdacht en met de meeste bekwaamheid uitvoerde. Teekening en modelé zijn altijd hoogst verdienstelijk, bijna onberispelijk en geven bewijs van grondige kennis, gepaard aan edelen, fijnen smaak. Tusschen de verschillende groepen zijner ordonnantiën bestaat altijd eene harmonische verhouding , alle onaangename en hoekige ontmoetingen van lijnen zijn met zorg vermeden en de sierlijke vormen voegen zich geleidelijk aan elkander. Zijn koloriet is krachtig, frisch en harmo-niesch , nimmer is het éene gedeelte der schilderij opgeofferd ten bate van eenig ander deel. Met bijzondere zorg gaan de krachtigste schaduwen door aan-een-geschakelde tusschentinten tot de sterkste lichten over, zoo dat het oog nergens een afscheiding ontwaart en terwijl zijne manier van ordonneeren en zijn teekening de school van Raphael herinneren, brengt zijn krachtig en smeltend koloriet ons de werken van Titiaan en Correggio te binnen. En toch ondanks al die groote hoedanigheden , welke zelden in zoo groote mate vereenigd worden aangetroffen, laten de meesten zijner schilderijen den toeschouwer koud en onvoldaan, zij missen ziel en begeestering. Hoewel zijn eigen oorspronkelijk karakter nimmer verloren gaat en hij steeds door bewijzen van smaak en |
20
1
houestam pio fine conclusit Inc.... Bene precare animis.
2
Ludovici Malo mortales exuvias hoe expeetat sepulcrum, in quo uxoris suavissimae Gertui dis Veni.e, concli placuit ista 30 Juuii 1643. Vitam
â 140 â
|
grondige kennis het vertrouwen rechtvaardigt, dat men als raadsman in hem stelde voor dat zijn groote leerling hem deed vergeten , ontbreekt hem de gloed eener meer bezielde opvatting. Zijne met zooveel zorg en studie gegroepeerde beelden hebben leven noch uitdrukking en gaarne zou men van dat onberispelijk maar al te systematiesch ontwerpen en uitvoeren iets prijs willen geven voor wat meer vuur en meer opwekkende geestdrift. Juist in dat opzicht maken de twee schilderijen die wij straks op het oog hadden eene gelukkige uitzondering en zouden met meer recht dan het laatste A v o n d m a a 1 de meesterstukken van onzen kunstenaar genoemd kunnen worden. Zij bevinden zich in dezelfde kerk te Antwerpen en stellen voor d e Opwekking van Lazarus en de Op wekking van het kind der weduwe. In beide stukken heeft de meester zijne beelden leven en sprekende uitdrukkingen weten te geven. De herlevende Lazarus die door dankbaarheid bezield zijn blikken , bij het rijzen uit de groeve , allereerst op zijn goddelijken meester en vriend vestigt, werd misschien nimmer op edeler wijze opgevat en voorgesteld. Ook in de tweede schilderij is de expressie der verschillende personen werkelijk te roemen. Het heeft den Zaligmaker slechts een woord gekost om den dood te overwinnen. Almacht, goedheid en rust moesten in zijn beeld worden uitgedrukt en het is den kunstenaar volkomen gelukt dit te doen. De jongeling heeft zich opgericht en zit overeind op de baar terwijl de moeder de tranen wegwischt die een oogenblik te voren haar over het gelaat vluei den. In beide tafereelen is de uitvoering onberispelijk , het koloriet krachtig , schitterend en volkomen harmonieus. De kerk van Onze Lieve-Vrouwe bezit buiten de drie genoemde stukken nog een drietal werken van Otho Venios; in de St jacobus-kerk vindt men een midden tafereel en zes zijstukken en in de St Andreas-kerk een schilderij hem in 1594 besteld en den marteldood va n den Heilige n Andreas voorstellende. Het Museum , bezit een zestal schilderijen van Antwerpsche kerken of gildehuizen afkomstig. Het zijn alle voorstellingen met levensgroote beelden â Zaciieus in den vijgenboom â Roeping van d e n H. Mattiieus â Liefdadigheid van den H. N'colaas â ü e H. Nicolaas zijne geloovigen van den hongersnood reddende â Portret van Johannes Mui/kus, vierden bisschop van Antwerpen, in 1611 ge-schilderden â Paulus te Cesarea voor den ree lit er FïLix. Dit laatste stuk is aan de andere zijde beschilderd door Martinus Pepijn en was een triptiek-vleugel van het altaar der broederschap van St Lucas. Op het stadhuis bevindt zich een portret van den jongen PtiiLirrus van Spanje, in 1610geschilderd. Plet rijksmuseum te Brussel bezit drie schilderijen van onzen meester. Eerstens een triptiek afkomstig van de kerk der Dominicanen te Leuven. Het middenpaneel stelt voor de K r u i s i g i n g ; de zijstukken , de g r a f 1 e g g i n g en Christus op de n O 1 ij f-b e r g. Het tweede stuk, vroeger in de St GunuLA-kerk te Brussel geplaatst, is een K r u i s d r a gi 11 g , terwijl het derde , dat vroeger aan de kerk der Capucijncn behoorde, hef geestelijk huwelijk van Ste Cathaivina tot onderwerp heeft. In het midden ziet men de Heilige Maagd en op haren schoot het Kind dat een ring steekt aan den vinger der geknielde Ste catuatu sa. Aan de andere zijde staat een capucijner monnik, zijnde zooals gemeend wordt, hoewel het niet bewezen is, een lid der familie \an Aheuuerg en dc schenker van het stuk. Op het rad , het gewone attribuut per Heilige , staat; LTH 0 VE1KIV51- M F /W J óamp;y c |
Bij gelegenheid eener feestviering, in Mei 1615, had de Aartshertogin met den handboog de papegaai geraakt die op den toren der Onze Lieve Vrouwe kerk op het Zand, te Brussel, was geplaatst om tot mikpunt te dienen. Zulk een belangrijk feit mocht niet vergeten worden; om de herinnering er van te helpen bewaren schonk de Aartshertogin eene rente van vijftienhonderd pond gedurende haar leven en tweehonderd vijftig na haren dood, aan de groote Broederschap der Boogschutters en bestelde daarenboven aan Otho Venius een triptiek voorstellende St Joris, voor het altaar der broederschap. Op de vleugelen was zij en ook de aartshertog , haar gemaal, afgebeeld. Aan Otho werd twaalfhonderd pond voor dit stuk betaald ; zes jaar later ontving hij nog eens duizend pond voor twee andere portretten van dezelfde vorstelijke personen voorgesteld als kluizenaars. Deze portretten waren bestemd voor de hermitage der ongeschoeide Carmeliten te Marlagne bij Namen. Aanzienlijk is het getal kunstwerken van onzen meester welke in kerken en gebouwen zoowel te Brussel als in andere steden van Belgie nog aanwezig zijn. Onder deze verdient de Opwekking van Lazarus , welke zich te Gend bevindt, eene bijzondere vermelding. Dit stuk werd in 1608 geschilderd en is met nog een ander stuk , een E c c e Homo het eigendom der cathedraal van St Bavo. Te Lier bezit de kerk een triptiek; de nederda-1 i n g v a n den Heiligen G e e s t in het midden , rechts en links de Doop van Christus en de V e r m e n i g v u 1 d i-ging der brooden en visschen;te Herenthals, te Namen en ook te Leuven vinden wij weer andere kunstwerken, allen getuigende van de bekwaamheden en den onvermoeiden ijver van onzen meester. Op het stadhuis der laatst genoemde stad, boven den schoorsteen eener vergaderzaal in het nieuw gebouwde gedeelte , is de schilderij geplaatst die wij in gravure hierbij geven, en die, hoewel slechts een gedeelte van een onbekend geheel, door zijne verdiensten zeker niet tot de minste werken van Otho Venius behoort. Van waar het gekomen is of liever waar het vroeger was, schijnt niemand te weten , maar blijkbaar is het een zijstuk van een triptiek dat verloren of wie weet waar verborgen is. Erger nog is het dat het stuk afgesneden werd om in het prachtig zwaar verguld lijstwerk te passen. De rechterhand van het beeld raakt nu aan de lijst, de draperie is aan de eene zijde en drie wachters zijn van onderen bepaald afgesneden. Er was oorspronkelijk zeker meer ruimte om het figuur van den uit het graf herlevenden Zaligmaker en het geheel was grooter gedacht; thans heeft de compositie iets bekrompen en gedrukts , dat de schilder niet gewild heeft; ook zou deze indien hij zijn schilderij nu zag zeker vragen wat verguldsel er om heen te mogen missen voor een beetje meer licht. Dat onvoldoende licht is te meer te betreuren daar het beeld van den Christus zeer schoon is en de hoedanigheden van den meester in hooge mate aantoont, het is goed ge-teekend en sterk gemodeleerd, hoewel misschien wel wat tam. Het koloriet is krachtig en harmonieus , de schaduwen en slagschaduwen verbinden zich door opvolgende , in elkander vloeiende tusschentinten aan de lichtpartijen zonder dat de overgang der kleuren ergens gestoord wordt, en toch zijn die schaduwen zeer krachtig en de lichten zeer schitterend. De roode vlottende mantel doet de kleuren van het vleesch zeer voordeelig uitkomen en komt zelf goed los van het goudgeele licht dat het beeld omstraalt. De beelden der neer gevallen romeinsche soldaten vormen het donkere onderdeel van het tafereel en werken meé om het algemeen aspect van licht en glorie te verhoogen. Meer dan jammer is het dat men dit stuk niet in zijn geheel bezit; het zou oj) een museum een eerste plaats waardig zijn. Buiten België, zijn die stukken var Otho wel zeldzamer, maar worden toch in veel museums gevonden. De pinacotheek te Munchen bezit er zes; den Triumph der Katholieke Kerk tot onderwerp hebbende. Het zijn allegorische voorstellingen. Op elk schilderij ziet men een triumph-wagen getrokken door |
â 141 â
|
paaiden en omringd door Apostelen , Kerkvaderen en andere historische personen of zinnebeeldige figuren. In het Rijksmuseum te Amsterdam vindt men twaalf kleine schilderijen door Otho Venius te Antwerpen geschilderd. Zij stellen evenveel episoden voor uit de oorlogen der Batavieren met de Romeinen en werden door tusschenkomst van Oiito's broer , Peteb van Veen , die toen advokaat te's Hage was, aandeSta-ten-Generaal te koop aangeboden. »Na. deliberatie en benoemen van expers werden zij bij resolutie van 12â24 en 26 Januari 1613 door de Staten gekocht voor de som van f 2200, waarschijnlijk om Prins Maurits ten geschenke te worden aangeboden ; 1111730 bevonden zij zich op het Loo en werden toen door de Riemeu in zijne beschrijving van 's Hage en Delft aan Holbein toegeschreven. Later v éer voor den Staat aangekocht zijnde , werden zij te 's Hage geplaatst en kwamen eindelijk in 1809 op het Rijksmuseum te Amsterdam waar zij thans berusten en ook wel zullen blijven. Zonder tot de groote en merkwaardige werken van Otiio Venius te behooren geven zij van het werk des meesters een tamelijk goed denkbeeld en vormen met elkaar eene niet onbelangrijke reeks. |
Hoewel verre van volledig te zijn , is de beschrijving welke wij thands gegeven hebben uitgebreid genoeg om van den veel omvattenden werkkring van den ijverigen kunstenaar een denkbeeld te geven en wij zouden deze levensbeschrijving hier kunnen sluiten ware het niet dat nog gewezen moet worden op klei nere, wel is waar niet veel beduidende werken, die toch in hun tijd, vooral bij hooge en vorstelijke personen , zeer in smaak waren en Otho's roem nog luister bijzetten. Emblemata en allego-riön waren zeer in zwang en het doorbladeren van boeken in houdende een reeks allegorische voorstellingen met gerijmde bijschriften was een geliefkoosd tijdverdrijf. Otho Venius ontwierp de teekeningen voor verscheidene dergelijke reeksen. Een werkje den titel hebbende âAmorum emblemataquot; werd in 1608 door hem aan de Aartshertogin Isabella opgedragen. De vorstin ontving het boekje met genoegen , bewonderde zeer de vindingrijke fantasie van den kunstenaar maar uitte den wensch dat hij zijne bekwaamheden ook aan ernstiger en godvruchtiger onderwerpen wijdde. Aan dien wensch gehoor gevende gaf Otiio eenige jaren later een andere reeks zinnebeelden en wel van de Goddelijke liefde in het licht, dit werkje is van het jaar 1615 en heeft tot titel âAutoris divini emblemataquot;. Het leven van den Heilifen Thomas van Aquinen werd in een dertigtal tafereelen door hem voorgesteld, ook de oorlogen der Batavieren tegen de Romeinen en een paar volksverhalen. De smaak voor zinnebeeldige prentjes met versjes schijnt nog lang te hebben bestaan, en van Zuid-naar Noord Nederland te zijn overgegaan. Te Amsterdam werd in 1726 door Theodorus Dankerts1) âOtto van Veens Zin-nebeelden der Goddelijke liefdéquot; met aanmerkingen van Cl. Bruin uitgegeven. Na een titelprent, een titelvignet, een opdragt aan âden Heere Anthoni van Oldenbarneveldquot; en âeen kort voorbericht aan den bescheiden lezerquot; volgen de zestig prentjes met hollandscbe verzen er onder. Bij elke voorstelling vindt men eene bladzijde tekst zijnde de aanmerking of uitlegging van Cl. Bruin. Minder ter eere van onzen Otho , wiens talent verre daar boven was verheven , dan wel als een vreemdsoortige aardigheid uit die tijden geven wij eene dier prentjes onverkleind tot slotvignet â het is N0 IX en de titel luidt: âGods liefde is de dierbaarste schat.quot; |
1
Boekverkoper op de Nieuweudyk in de Atlas.
C. Ed. Taurel.
âf c^fo
|
En vader, een zoon en een kleinzoon elkander in hetzelfde kunstvak opvolgende en in verdiensten elkaar zoo nabij komende dat men niet met zekerheid weet aan wien de eerepalm toekomt is zeker een zeldzaam feit in de geschiedenis der kunsten het gezin der Pour-bussen in welk dit verschijnsel zich heeft voorgedaan mag wel als een bijzonder bevoorrechte beschouwd worden. Wel is waar heeft de roem van Frans Pourbus de jonge die van zijn vaderen zijn grootvader wel eenigszins overschaduwd, maar het is nog eene vraag of die grootere roem wel geheel billijk was en niet voor een deel het gevolg is geweest van de tijden en de omgeving in welke hij leefde. In dit laatste stuk onzer verzameling kan de aanmerking niet misplaatst zijn , dat Pieter , de oudste der Pourbupsen , gelijk Dirck. Bouts, Jan Joosten van Calcar , Orno Venius en andere groote kunstenaars waar het buitenland op wijst in Noord-Nederland geboren en opgevoed is. Als jong kunstenaar van twintig a dertig jaar kwam hij van Gouda, zijne geboortestad , te Brugge, alwaar hij in het huwelijk trad met de dochter van Lancelot Blondeel, wiens levensbeschrijving wij reeds gegeven hebben. Men heeft wel eens gemeend en sommige schrijvers hebben het ook geboekt dat Pieter Bourbus de zoon was van een schilder dien zij Pieter Pourbus den oude noemen en die in 1465 te Gouda geboren zou zijn. Drie portretten in het Museum te Weenen worden zelfs aan dien Pieter den oude toegeschreven. De gronden waarop die meening berust ontbreken echter , alsook de noodige Toewijzen om het geboortejaar van Pieter Pourbus den bekenden kunstenaar , welken wij nu gaan bespreken, met zekerheid te Bepalen. De meeste schrijvers stellen zijne geboorte in 1510 , anderen in 1513. De archieven der stad Gouda klimmen niec hooger op dan 1580 en kunnen dus evenmin licht geven, als die der groote Kerk welke eerst na den grooten brand , in het jaar 1552 , aanvangen. Karel van Mander meldt noch het jaar zijnergeboortenoch dat van zijn vertrek naar Brugge, maar wel, dat Pieter Pourbus een groot schilderij, voorstellende de geschiedenis van St. Hubbecht voor de groote St. Jan's Kerk , maakte, welk stuk in 1604 niet meer te Gouda maar te Delft zich bevond. Dit stuk is dus niet Bij den brand vernield, maar later toch verloren geraakt, daar er nu te Gouda noch te Delft eenig spoor meer van te vinden is. quot;Volgens de beschrijving die van Mander er van geeft stelde het |
middenstuk een fraaien tempel voor waarin een Bisschop aan twee andere personen het Doopsel toediende, terwijl op de beide luiken de Heilige door booze geesten wordt verzocht die hem door het vertoonen van vrouwen en schatten trachten te verleiden. Op de buitenzijden waren graauwtjes geschilderd , Maria de tempeltrappen opgaande en het bezoek van Elisabeth. Pieter Pourbus was dus geen leerknaap meer, toen hij Gouda verliet. In 1540 werd zijn zoon Frans te Brugge geboren. Men 1 kan dus aannemen dat hij omtrent 1538, of iets vroeger nog, te I Brugge kwam, alwaar hij tot zijn dood bleef. Hij bewoonde een huis in de Jan MiRAEL-straat, niet verre van de Vlaminc-brug. In zijn atelier dat van Mander roerat als het schoonste dat hij ooit gezien had , was altijd eenig groot kunstwerk onder handen voor de kerken of stadhuizen van Brugge of omliggende plaatsen. In Augustus 1543 werd hij als lid ontvangen in het St. Lucas en Eliqius Gilde, waarvan hij vinder was in de jaren 1552, I IS55 gt; I5^1 en I5^S' Het dekenambt bekleedde hij in 1569, werd in 1573 en 1579 we6r vinder en in 1580 weór Deken Hij onstliep den 30quot; Januari 1584 volgens sommige schrijvers te { Brugge , volgens anderen te Antwerpen. Zijne weduwe , aan welke de stad Brugge een maandgeld van tien schellingen grooten had toegestaan, werd te Brugge in de kerk van St. Gillis begraven Zij overleefde hem vier jaar en stierf in Januari 1588.â Pieter Pourbus was als historie-schilder een man van groote verdiensten. Zonder Italië bezocht te hebben en nog tot de oude school behoorende, leverde hij in zijne religieuse schilderstukken toch het bewijs dat hij de Italiaansche werken kende en dat de nieuwere begrippen niet zonder invloed op hem gebleven zijn. Hij was als het ware geplaatst tusschen twee scholen. Het groote tafereel dat zich op het Museum der Akademie te Brugge bevindt en door hem in 1551 . dat is in zijn besten tijd, geschilderd werd, is wat de conceptie en de schikkingen der groepen betreft aan de oude traditiën getrouw. Het stelt voor het Laatste Oordeel. In het midden ziet men ciinistus in de wolken tronende op den regenboog, de Heilige Maagd en de Heiligen aan zijne rechterzijde; Engelen dragende het zwaard en de lelientak zweven door de ruimte. Op den voorgrond staan de dooden op uit hunne graven en worden in twee groepen verdeeld. De naïve eenvoud der oudere kunst gaat niet verloren , hoewel zich in de standen, in de golvende draperiön en in de kleurschakeeringen een zeker streven naar behagelijkheid openbaart. Het geheel bezit ten volle nog dat kenmerk van overtuiging dat op den toeschouwer steeds indruk maakt. Als portretschilder is Pieter Pourbus een meester van den eersten rang. Hij heeft er zich op toegelegd het individueel karakter van elk zijner modellen te bestudeeren en geeft |
|
het met een onevenaarde juistheid weer. Hij is altijd waar, nooit overdreven; zonder voor zijne beelden gezochte standen te kiezen weet hij hun toch in houding en uitdrukking een zekere deftigheid te geven, en wat de uitvoering betreft, die is altijd keurig en zorgvol. Veelal vindt men op de luikpaneelen zijner altaarstukken de portretten der schenkers en hunner kinderen. De helder verlichte gelaatstrekken zijn meestal zoo meesterlijk weergegeven dat men Pourrus dikwijls naast, zoo niet boven Holbein moet stellen. Onze meester schijnt ook als landmeter en wiskundige zeer gezien te zijn geweest en werd voor het stadhuis en voor het zoogenaamde Vrije ') meermalen belast met het maken van platte gronden. Van Mander spreekt van een groot schilderstuk , bij vogelvlucht , alle dorpen en gehuchten , die tot het Vrije behoorden , voorstellende , en waarvan de verwen door het op- en afrollen afschilferden. Voor dat stuk , bijna twaalf vierkante meters beslaande, werd in 1566 aan Pieter Pourbus drieduizend driehonderd twee en vijftig pond betaald; het was met bewonderenswaardige zorg uitgevoerd : bij elke heerlijkheid of ambacht vond men den naam , het wapenschild en alle andere aanwijzingen. Het stuk dat nu nog bestaat is niet, zoo als zekere schrijvers vermelden , het origineel maar een kopij door Pieter Claeissens in 1597 gemaakt voor de som van elfhonderd zestig pond. Van de abdij der Duinen, bij Veurne , in 1560 door de geuzen vernield, vervaardigde Pieter Pouriuis een dergelijk gezicht bij vogelvlucht, als ook een van de stad Brugge; deze twee laatsten zijn nog aanwezig. Laat ons nu volgens chronologische orde eenige der voornaamste werken van onzen meester bespreken. 1551. â Het reeds genoemde Laatste O o r d e e 1 berustende op het museum der akademie te Brugge en afkomstig van ' het stadhuis van het Vrije alwaar het in de schepenenzaal hing. Er werd volgens de in de archieven bewaarde rekeningen den schilder na de betaling van de bedongen som nog een gratificatie van twintig gulden als bewijs van hooge tevredenheid geschonken. Een jaar vroeger was hem opgedragen de wagen met geestelijken op het Laatste Oordeel door Jan Prevoost voor het stadhuis van Brugge geschilderd te veranderen. 1) Pourbus heeft zijne schilderij onderteekend: nu Nagenoeg hetzelfde merk wordt op meer stukken van hem gevonden. 1581. Twee portretten van Jan Fernaguut en zijne negentienjarige vrouw Adriana ue Buück. Die twee prachtige portretten zijn hoogst belangrijk, zoowel om de costumen als om de gebouwen, welke door de openstaande vensters gezien worden en eene trouwe voorstelling geven van de stad Brugge in de helft |
der zestiende eeuw. Zij berusten op hetzelfde Museum als het laatste Oordeel en zijn geteekend OPVS PETRI POVRBVS met bijvoeging van hetzelfde merk. 1556. â Een Triptiek berustende in een der kapellen der St. Jacobus kerk te Brugge. Op het middenpaneel de Heilige Maagd, de armen gekruist over de borst. Het is een beeld van stille smart en berusting. Daar om heen medaillons met voorstellingen der zeven smarten. Op de zijstukken J. van Belle en C. Hylaert met hunne patronen , St. Joost en Ste Catiiarina. 1556. Van hetzelfde jaar zijn ook de portretten welke zich eveneens te Brugge in de kapel van het heilig Bloed bevinden boven de kerk van St. Basilius. 1558. Een portret van den Graaf Gusman Olivares dat op het Museum te Weenen berust. 1559. Het Laatste Avondmaal; triptiek in de bisschoppelijke kerk van St. Sauveur. Op de luiken Abraham en Melchisedech en de propheet Ei.ias; op de buitenzijden de verschijning van Christus aan een Paus en de portretten der dertien leden der broederschap van het Heilig Sacrament die dit triptiek hebben besteld. Het is esn der schoonste werken van Pourbus, de portretten zijn prachtig. Naam en datum zijn er op te vinden. 1562, Het Laatste Avondmaal in de Onze Lieve Vrouwe-kerk te Brugge. Voor deze schilderij werd betaald 33 pond, 10 schellingen en 8 grooten. 1564. Een triptiek vervaardigd voor de abdij van Hemelsdael en tegenwoordig het eigendom der kerk van St. Gilles te Brugge. In het midden de Besnijdenis, de Aanbidding der Herders, de Vlucht naar Egypte en deAanbid-d i n g der W ij z e n. Op de zijstukken de portretten van den abt Antonius Wydoot met den Heiligen Antonius en van Anna Stormers, abdis, met de Heilige Anna. Op de buitenzijden een grauwtje , de boodschap aan Maria voorstellende. Dit stuk heeft in de laatste jaren bij het restaureren, veel verloren. 1566. Het reeds genoemde stuk voorstellende de dorpen en gehuchten van het Vrije. 1566, De opstanding van Christus, berustende op de Louvre te Parijs en vroeger aan koning Lodevvi.ik Philips toebehoord hebbende. Naast het verzegelde gral staan de romeinsche soldaten zich het gelaat verbergende voor het schitterende licht dat het beeld van den verrijzenden Zaligmaker omgeeft. Op de onverbroken zegels ziet men een halve maan en een ster. Deze schilderij die niet tot zijne beste werken behoort, is geteekend P. POVRBVS FACIEBAT A» DNI 1566. 1570. Een altaarstuk geheel in gra.uwkleur geschilderd, afkom-stig van de kerk te Damme, thands op het Museum der Akademie te Brugge. De voorstelling is de Tocht naar den Calvarieberg, de Afneming van het Kruis en de Opsta n d i n g. Op het voetstuk of predella de Boodschap aan Maria, de Aanbidding der Herders en de B e s n ij d e-nis. Geteekend PETRVS POVRBVS FACIEBAT 1570. 1573, De opstanding van Lazarus, berustende in de kerk van Onze Lieve Vrouwe te Doornik. 1573. De portretten van Anselmus Boot en zijne vrouw Jeanne Voet met hunne kinderen en patronen op de vleugelstukken van een triptiek , berustende in de kerk van Onze Lieve Vrouwe te Brugge. Het middenstuk, de Transfiguratie voorstellende, werd waarschijnlijk door Jan Mostaert omtrent 1480 geschilderd. |
1
Zie ' Christ. Kunst. bl. 54.
â 144 â
|
1574' e aanbidding der Herders. Dit meesterstuk van onzen meester dat tot heden nog niet in gravure was weergegeven , bevindt zich in eene der kapellen van de kerk van Onze Lieve Vrouwe te Brugge. Op het eene vleugelstuk ziet men den schenker, Joost ue Damuoudere , geheel in het zwart met zijne vier zoons, allen geknield; achter hun staat St. Joost, patroon van den vader. Op het paarsche kleed dat over den bidstoel hangt, ziet men het wapen der familie pe Damuoudere , eeu dambord met roode en gouden ruiten. De portretten van Louise de Ciia-tuaines , echtgenote van den schenker, en hunne zes dochters bevinden zich op den anderen vleugel. Het ruitvormig wapenschild vertoont aan de eene zijde het wapen van Damhoudebe, aan de andere het wapen van de Chatraines. Ook deze personen zijn geknield en in het zwart gekleed. De twee oudste meisjes dragen onder het bovenkleed een licht geele japon , waarvan het bovenste gedeelte en de naauwe tot aan de pols sluitende mouwen te zien zijn. Ook hebben zij gouden ketene die viermaal om den hals gaan. De zwarte kap der moeder is groot, die der meisjes zijn veel kleiner, hebben een versierd randje en laten het net opgestreken haar zien, Achter de moeder staat haar patroon de Heilige Lodewijk '), kenbaar aan de gouden leliebloemen die zijn met hermelijn gevoerden mantel versieren. Meer waardigheid en tegelijk meer waarheid dan de schilder in deze portretten heeft weten te vereenigen is niet te bedenken. De kop des vaders is zeker niet hetgeen men een mooie kop kun noemen , de moeder heeft ook niets meer dan een gewoon gelaat, maar beiden worden schoon door hun uiterlijk van natuurlijke deftigheid en goedheid. Al die kinderen, de jongens zoowel als de meisjes , lijken op elkander en toch zijn het alle verschillende koppen. De jong-sten staan achteraan, de oudste zoon en de oudste dochter vooraan en rechts, maar al ware de ouderdom van elk niet door de plaats aangewezen , dan zouden de gezichten die doen kennen , zoo waar en natuurlijk is de uitdrukking van eiken kop. De handen , de kleeren , allea is even keurig en afgewerkt, en wat het koloriet betreft, dat is krachtvol en zeer aangenaam. Het beeld van Maria, die den sluier oplicht om haar God-delijken Zoon aan de herders te vertoonen is sierlijk en toch eenvoudig , zonder gemaaktheid of pretentie. Haar kleed is licht brons van kleur en haar mantel blauw. Het tafereel gebeurt voor een houten hut met rieten dak , waarvan de muren of onvolbouwd of hier en daar afgebroken zijn. De Heilige Jozef met strooien hoed op het hooid , ziet met belangstellende blikken naar Moeder en Kind. Een in het rood gekleede oude herder ligt op den voorgrond geknield; twee andere, waarvan de eene een doedelzak op den rug heeft, zien achter hem om naar het Kind dat in de kribbe ligt. Achter den Heiligen Jozef komen nog een man en een oude vrouw aanloopen , terwijl in het landschap dat den achtergrond vormt andere herders opzien naar het licht, waarin een Engel verschijnt die de geboorte van den Zaligmaker aankondigt. Wanneer de luikpaneelen gesloten zijn ziet men op het eene deBesnijdenis en op het andere de Aanbidding der K o n i n g e n. Het middentafereel draagt den naam van den schilder. 1575. Mozes , de tafelen der Wet aan het joodsche volk ver-toonende. Dit stuk thans op het Museum te 's Hage berustende werd te Antwerpen geschilderd en is afkomstig van de familie van Pakhuis die het aan Koning Willem I bij erflating schonk; 1) Lodewijk IX, Koning van Frankrijk. |
in 1828 schonk de Koning het aan het Haagsche Museum. Inliet midden van het tafereel staat Mozes met een roede in de hand en vertoont aan het volk de tafelen der Wet, op welke de tien geboden in oud hollandsch te lezen zijn. Ick be die Heere v Godt Die v wt eghipten lant wt de dienfthuyse hebbe Geleydt. ghy en suit gheen ander ghodü hebbc neffens my ghy en suit v gheën heelde enz. In den groep die om Mozes verzameld is vindt men de portretten van verschillende leden van de familie van Panhuis Eerstens de Schepen-schatbewaarder van Antwerpen Pieter van Panhuis, Heer van Yselaar en Soolhof, staande met zijn achtjarigen zoon Pieter voor zich. Zijne vrouw Margarita van Eickelenberg in het geel gekleed met bloote armen en sandalen aan de voeten , zit met een kind aan de borst; dat kind is de kleine Cnelis of Cornelis ; een ander kind ook geheel naakt, ligt op den grond in de plooien der japon zijner moeder. Achter haar staat hare dochter MARGARrTA , toen zes jaar oud , terwijl een tweede zoon , vier jaar oud , voor haar staat. Hij is in het bruin gekleed en leunt op haren schoot. Zijn naam is Bartholo-meus. Rechts, niet verre van Margarita zit een jonge vrouw dragende een kapsel veel gelijkende op dat der vrouwen van Hin-deloopen in Friesland. Een ander meisje , de tienjarige Anna , in het groen gekleed , ligt op de knien. Zij draagt een lampje en een waterkan. Een andere vrouw achter haar geplaatst, legt hare schatten aan de voeten van den Godsman. De namen der zoo even genoemde personen zijn op de randen van de mouwen, of op het keurslijf, of naast de beelden te lezen. Onder de andere groepen dezer talrijke compositie ziet men nog eene vrouw met een kistje voor kostbaarheden, kinderen , een meisje met een bloemenkrans op het hoofd , een edelman in het zwart, een ouden man met een tulband , en een ander met lauweren gekroond; op den achtergrond den berg Sinaï wiens top van licht ea bliksems is omringd. Dit zeer belangwekkend stuk is , wat de kunstwaarde betreft, verre beneden de Aanbidding der herders van de Onze Lieve Vrouwe-kerk en het Laatste Avondmaal van de Kathedraal te Brugge In de lijst leest men: âAls Moysi ten tweedenmaal die tafelen des weets van den Heere op den bergh Sinai ontfangen hadde is nederghecomen en heeft gheheel israöl vergaerdert ende heeft haer die gheboden des Heeren voer ghehovden opdat sij maken sovden allen sieraten des tabernakels, die de Heere bevolen hadde Moysi te doen.â'Exodus 34- 35- 1578, Christus , uit het graf opstaande en aangebeden wordende door SovKK van Male, zijne twee vrouwen en hunne zestien kinderen. Dit stuk is geteekend met naam en hetzelfde merk dat reeds is besproken. Het berust in de St, jACOBUS-kerk te Brugge. T580. Het reeds genoemde plan van de abdij der Duinen , dat echter veel vroeger was begonnen. 1583. Portret van J. van der Gheenste , Schepen en raadsheer van Brugge. Het gelaat is rechts gekeerd, een zwart kapje op het hoofd; het kleed is een zwart wambuis en een geplooide kraag om den hals. Dit portret, dat in 1844 voor het Museum |
â 145 - -
|
te Brussel werd aangekocht, wordt gehouden voor het laatste werk van Pietee PounBUS. Onder de portretten zonder naam en dagteekening, welke ontegenzeggelijk toch aan Pourbus kunnen toegeschreven worden , behoort het schoone vromvenborstbeeld dat op het Museum Boymans te Rotterdam berust. Zij draagt een kapsel rl la Maria Stuart , een zwart kleed en een geplooiden kraag om den hals. In de kerken van Brugge worden nog andere schilderijen aangewezen als zijnde van Pieter Pourbus, onder anderen de portretten voorkomende op de zijvleugels van een triptiek van Claeis-sexs en die der afstammelingen der familie Corona-Villegas. Die portretten hoe verdienstelijk ook, zijn verre beneden het talent van onzen meester en werden in 1584 vervaardigd. Pieter Pourrus overleed zooats reeds vermeld is den 30°quot; Januari van datzelfde jaar, en dit is al bewijs genoeg voor de onjuistheid dier beweering. Ook wordt in dezelfde Onze-Lieve Vrouwe kerk een groot triptiek , de Kruisdraging voorstellende, ten onrechte aan Pieter Pourbus toegeschreven. Dit stuk werd door Margaretha van Oostenrijk besteld aan Barend van Orlet en na diens overlijden algemaakt door Marcus Gheeraerts voor de som van 228 pond , terwijl aan de erven van den eersten 286 livres Tournois werd uitbetaald. Veel geleden hebbende , erd het middenpaneel door Frans Pourbus den jonge in 15S9 gerestaureerd. Wonderlijk is het wel, dat de Heer Alfred Miciiiels zijne onderzoekingen niet verder heeft uitgebreid en deze verkeerde opgaven opgenomen heeft!) zooals de rondleidende koster die vertelt. Ook de schilderij van Mostaert, de Transfiguratie, waarbij Pourbus in 1573 de portretten op de vleugelstukken schilderde , wordt door hem aan onzen meester toegeschreven , hoewel het voor ieder die met aandacht ziet duidelijk blijkt dat die niet van onzen meester kan zijn. Hoewel vele der werken door Pieter Pourbus voor Brugge en omliggende plaatsen vervaardigd in den loop der tijden naar den vreemde en vooral naar Engeland verhuisd zijn, blijkt uit de voorgaande lijst dat men alleen in die stad den meester kan leeren waardeeren. Sedert het begin van dit werk hebben wij die oude zoo hoogst belangrijke stad , welke als het ware een Museum van oude kunstwerken is , viermaal bezocht; de laatste keer uitsluitend met het doel de werken van Pieter Pourbus te bestudeeren en de vroeger ontvangen indrukken werden bij het herzien dier meesterstukken niet beschaamd. Pourbus hoewel een waardige voorlooper der nieuwere school aan wier hoofd de groote Rubens staat, is aan de traditien der van Etc ken- getrouw gebleven. Al waren de italiaansche kunstwerken hem niet onbekend, zij hebben op zijn talent weinig invloed gehad ; de natuur was zijn leermeesteresse; hij heeft haar met liefde bestudeerd en met het hem eigenaardig gevoel terug gegeven hij was en bleef steeds geheel en al een Nederlandsch kunstenaar. |
Zijn zoon Füans Pourbus bijgenaamd de oude zag gelijk reeds gemeld is in 1540 te Brugge het licht, en werd na eerst bij zijn vader gestudeerd te hebben de leerling van Frans Floris de Vriendt die te Antwerpen veel jonge lieden onder zijne leiding had. loen hij zijne studiën volbracht had vatte hij het voornemen op naar Italië te reizen. Van Mandkr verhaalt dat hij hem te Gend , in 1 566 , bij zijn meester Lucas de Heere gezien heeft in reisgewaad. Hij kwam alvorens te vertrekken van Lucas afscheid nemen , maar te Antwerpen teruggekeerd werd hij verliefd op de dochter van Cornelis Floris, den broeder zijns meesters en van het reizen kwam niets, Waarschijnlijk had hij het meisje wel eens vroeger ontmoet; hoe het zij , hij huwde haar en bleef te Antwerpen. Twee jaar vroeger en wel in 1566 was hij reeds in de St. LucAS-gilde ontvangen. Vooral als portretschilder was hij vermaard en zou zeker ook als historieschilder een grooten roem behaald hebben zoo niet een vroege dood zijn reeds schoone loopbaan gesloten had. Vaandrig zijnde bij een der Antwerpsche schutterijen had hij zich bij een warmen dag vermoeid en verhit onder het spelen en zwaaien met zijn vaandel. Om uit te rusten zette hij zich in de wachtkamer neêr bij een open venster, terwijl men in de nabijheid bezig was een riool schoon te maken. Ten gevolge van gevatte koude en het inademen van ongezonde lucht werd hij ziek en overleed eenige dagen daarna op veertigjarigen leeftijd, in 1586 (sommige schrijvers vermelden 1584) nalatende een zoon, dien men gewoon is Frans Pourbus de jonge te noemen. Zijne tweede vrouw overleefde hem en hertrouwde later met Hans Jordaens. De laatste der Pourbussen, Frans die in 1591 inliet St. LuCAS-gild te Antwerpen werd opgenomen , was in 1570 geboren. Na veel te hebben gereisd vestigde hij zich te Parijs alwaar hij in 1622 overleed. De werken van Frans Pourbus den oude zijn niet talrijk ; zijn voornaamste schilderij werd hem besteld door den in de geschiedenis vermaarden Proost van St Bavo,Viglius van Aytta van Zui-chem, die langen tijd voorzitter van den raad van State is geweest !) Deze schilderij zijnde een triptiek, hangt nog op de oorspronkelijke plaats in de cathedrale-kerk van St Bavo , te Gend, in de Kapel' waarook de graftombe van Viglius zich bevindt. Zij heeft die plaats slechts eene maal verlaten en wel onder de regeering van Napoleon I, om het Louvre-Museum te versieren ; na den val van den Keizer werd het stuk aan de kerk teruggegeven en weer boven het altaar gezet. Wanneer het triptiek gesloten is ziet men op de buitenzijde van den eenen luikvleugel den schenker in vol ornaat, geknield voor den Zaligmaker, die staande met den wereldbol in de hand , op het andere vleugelstuk is afgebeeld. Op de paneelen aan de binnenzijden der luikstukken zijn geschilderd de BesnijdenisendeDoopvan Christus in de .lordaan. Het middenstuk, waarvan wij hierbij eene gravure geven, is eene vooistelling van Christus te midden der leeraren. Het is eene rijke compositie met een groot aantal figuren. Waarschijnlijk gehoor gevende aan het verlangen van den schenker, die , hoezeer hij de strenge staatkunde van de Spaansche landvoogden steeds afkeurde toch een trouwe dienaar van den Koning was, heeft de schilder op den voorgrond de portretten geplaatst van Keizer Karel v en van zijn zoon Philips. Hoewel geïdealiseerd, is de Keizer in het staande beeld aan de rechterzijde goed te herkennen. Hij draagt een gefantaiseerd ro-meinsch keizerskostuum van lichte geelachtige stof; naast hem staat Koning Philips 11, en achter hem vlak tegen den lijstrand ziet men , hoewel minder kenbaar, het gelaat van den Hertog van Alva. Naast den koning zit geheel in het rood gekleed de Cardinaal de Granvelle. Onder de leeraren , die met den opperpriester in het midden een kring vormen om den in het grijs ge-kleeden Goddelijken knaap , dragen de meesten het costuum /an |
1) Hi'toire de la peinture jlamande et hollandaise. D. II.
1) Tot 1570.
â 14() â
|
hooge dignitarissen van kerk of staat; zeer waarschijnlijk zijn het portretten van toen bekende lieden. Dat bijbrengen van personen die aan het onderwerp geheel vreemd waren kon geen ander gevolg hebben dan aan de compositie haar eigenaardig karakter te ontnemen. Moeielijk kon de schilder aan die personen de uitdrukking geven der tegen Godszoon strijdende pharisöen en kwaad gezinde schriftgeleerden. De Keizer en zijn zoon, meteen grooten hond aan hun voeten, schijnen aan de handeling, geheel vreemd te zijn , de leeraars hoewel allen met boeken in de hand en redetwistende hebben weinig expressie en het beeld van Christus, op den tweeden grond geplaatst, komt als hoofdfiguur niet genoeg uit. Als historisch en als religieus schilderij is dit middenpaneel van geen groote waarde; wat echter de uitvoering betreft, die is daarentegen boven allen lof verheven. Het geheel is licht of liever alles is verlicht; het volle daglicht beschijnt alle die roode en bonte costumen wier heldere kleuren toch in volle harmonie met elkaar zijn. Al die koppen, en er zijn er een veertigtal, zijn meesterlijk uitgevoerd , geen twee lijken op elkaar en al zou het onderwerp wat kernachtiger expressiën doen wenschen, toch heeft elk gelaat een eigenaardig karakter. De handen zijn goed getee-kend, de draperiën goed geplooid, alles in een woord is even af en keurig, en tevens breed behandelden makkelijk gedaan. De allerachterste figuren waarvan niet veel meer dan koppen te zien zijn liggen in een flauwe slagschaduw door de architectuur veroorzaakt en doen het licht der voorste beelden nog meer uitkomen. Onder die personen van den achtergrond merkt men op , aan de rechterzijde bij de deur, Jozef en Mauia die het Kind Jezus zoeken. Het levensgroot beeld van den schenker in vol ornaat van gemijterden abt, op een der buitenste tafereelen , verdient allen lof. Evenals zijn vader bleef Frans Pouubus geheel zijn leven in de Nederlanden en heeft Italië niet bezocht; hij was echter inwoner van Antwerpen en leerling van Frans Feoris die de Ita-liaansche richting geheel was toegedaan, terwijl zijn vader, te Brugge, in de onmiddellijke nabijheid der meesterstukken van Memunck en van Evok leefde, en dit verklaart geheel het verschil van karakter dat de werken van beide kunstenaars onderscheidt. Hoewel de naïve vrome zin der oude vlaamsche kunst zijne werken niet meer bezielt komt Frans Pourbus den oude evenwel om zijne meesterlijke uitvoering , zijn aangenaam coloriet en zijn ongewoon talent als portretschilder eene eerste plaats toe in de rijen der oude Nederlandsche schilders. De aanwezigheid van Kabel v op den voorgrond der schilderij van de St. bav0-kerk zou , bij eene oppervlakkige beschouwing kunnen doen vermoeden , dat dit stuk onder de regeering van dien vorst vervaardigd is. Dit is echter niet aan te nemen ; daar Frans Pourbus tijdens de abdicatie van Karelv , in 1558, slechts vijftien jaar telde. De andere portretten bewijzen ook dat de schilderij van latere dagteekening moet zijn; zij moet echter vervaardigd zijn voor den dood van Viglius van Aytta den schenker , die eenige dagen na den plechtigen intocht van Don Jan van Oostenrijk te Brussel , op den 811 Mei 1577 , overleed. De werken van Frans Pourbus zijn zooals reeds gezegd is niet talrijk; de dood ontrukte hem te vroeg aan zijn schitterende loopbaan. Te Duinkerken in de kerk van St Eugius bevindt zich een schilderij door van Mander reeds genoemd voorstellende den marteldood van St. Joris. Voor een kloosterkerk te |
Audenaarde heeft hij eene aanbidding der Herders geschilderd en in de zelfde St.-BAvo kerk van Gend bevinden zich nog veertien paneelen afkomstig uit de stalles van het koor en de wonderdaden voorstellende van St. Andreas, den patroon der orde van het Gulden-Vlies. De St.-NicoLAAS-kerk in de reeds genoemde stad bezit een Kruisiging en het museum van hot St. jans-Hospitaal te Brugge een miraculeuse vise hvangst, beiden door onzen meester geschilderd. Op het rijks-Museum te Brussel vindt men twee schilderijen van Frans Pourbus den oude. De eene is het portret van een man in het zwart gekleed met een rosachtigen baard. Het stuk is geteekend 1573 en het wapenschild dat aan de linkerzijde is geplaatst doet vermoeden dat de geportretteerde tot de familie de Smidt behoorde. Het andere stuk is een St. Mattiieus zittende voor een met een groen kleed overdekte tafel waarop een boek ligt waarin hij zijn Evangelie schrijft. Achter hem staat een Engel naar den Hemel wijzende. Dit stuk vroeger in de collectie Baillib ti» Antwerpen berustende is geteek-'nd FR. POURBUS INV. ET PICT. 1573. E^n portret van Elisabeth van Engeland dat zich te Amsterdam op 's rijks Museum bevindt wordt hoewel niet met b-paalde zekerheid aan hem toegeschreven. Ten laatste moet nog melding gemaakt worden van twee vrouwenportretten welke in het jaar 1873 , te Versailles in de veiling der verzameling van den graat Depinot voorkwamen. Het eene met bruin opgestreken haar en een kroon met paarlen op het hoofd is volgens den catalogus dier veiling een portret van Marqaretha van Valois, het andere geheel in het zwart met een wit mutsje op het hoofd is dat van Maria Dedel âgetrout met Isaec Claaz van Swaanenburgh.quot; Onder het portret * an onz-n meester door HondiüS uitgegeven en dat men ook in de oude editie van het werk van Man-i der vinden kan, staat âFranciscus Pourbusius Brugensis.quot; De meeste schilderijen, door Frans Pourbus den jonge vervaardigd, bevinden zich in Frankrijk. Hij kan trouwens ook niet gerekend worden tot onze Nederlandsche school te behooren. Het Museum van den Louvre bezit van hem een laatst Avondmaal, een heiligen Franciscus van Assisi, twee portretten van Hendrik i v, e^n van Maria de M e d i c i s en een \an den groot-zegelbewaarder Guillaume de Vair. Het stadhuis van Parijs was vroeger in het bezit van twee belangrijke stukken die men de minderjarigheid en de meerderjarigheid van Lodewijk xiii noemde. Tijdens de omwenteling zijn die twee stukken waarop de portretten van beroemde en aanzienlijke persomn uit die tijden voorkwamen, verdwenen. Opliet Museum te 's Hage bevindt zich een voorstelling lan een feest gegeven, in 1611 te Brussel, aan het hof van den Aartshertog Albertus. Volgens den catalogus, door Jhr V. de Steurs bewerkt, zijn de portretten van den Aartshertog en zijne gemalin Isabella, van Piiilippus Willem van Nassau, Prins van Oranje, en zijns gemalin Eleonora van Bourbon en vaa nog drie andere ptrsonen door Frans Pourbus den jonge geschilderd. Zoo verre wij weten bevinden zich in de Museums van Nederland geen an, dere werken van den kleinzoon van den grooten kunstenaar die, te Gouda gebortii en opgevoed, de laatste vertegenwoordiger is geweest der oude Christelijke kunst in de Nederlanden. C. Ed. Taurel. |
gcifi
'ïm# t
tëlm
Ã. ( f Jamp;M J i
lquot;quot;5......ï'lcfe
HBb
Rol
H!Vv3
FsfiEil
ëS'
â¢: \,
k#.^Ã f* Im^.
wamiWmmwmmmmmwmvmmm'
â quot; 'vJv-.' â gt;
L gt;?vw â â quot;'7 ® â K'- ' â i# fw
r, VY 'k. .
, 'quot;5 ^
'â¢â gt;:»gt;⢠V
l . .o
â ,' ~:quot;' -y'
â Ti quot;'
,: s-* l*fn,tï. ^gt;. â gt;,. ' 1.
^rivof^
;/ f
A
: ri \ ^ Tquot;quot;~..
i^sa
'':tr ^ ;quot;'lt;.â jy â¢:,' ⢠V, i u'! i' . â¢
: .gt;'fV' ;..-;â â ' â v\ â â (' :â . ; ».! f i ? ;. â¢- f V' 'N' ^'
f vi 'h-v /^r^ivw râ¢â ^â¢â¢y.sV- 'gt;â¢â a v- ;⢠^ Af r $
,( / ^ * - / ,;lt; /.' S! :f
v.!:-^'i
i. â f
m
if {amp;\jf''$'\f :#-â :â¢â¢ it? ,A V.v C /:vt- â¦// gt; 'lt;'â¢â¢ / .'⢠\ // i - â '
'ift'/-$ '' 'lt;*'â v 7/^V' â¢'V lt;*'' ^v 'â¢
./«'M'A'.1'jfV/gt;W*â¢Æ. 'â /;â ⢠K../ /'⢠! â¢,â¢/, t//-) !amp;â¢'/ â¢.quot;gt;,â¢â¢gt; 4
$MV4 mm$ t tf'/; â¢â -1 â â â¢/' â¢Â«quot;;. f. j) \ i
cMtiïi â .6s.'i/ r /,gt; i gt;
m.
v. K
,quot; j â 'â èxkïMimmM r.'/A .â ;.â¢'gt; â¢â â¢MA
'\ â , ⢠; ! / V, ' :\ /
1
â /7, ⢠' ⢠gt;â¢;â â ' v . : , â 1,. .
AiV (f.i Amquot;. - /S - ' â : . .yi \ . , ' ./
sa