A.A. fol.
RESTAURA TIE
VAN DE
VENUS VAN Mil
DOOR
II. C. A. L. FOCK, M. D.
u r 11 K (J II T, 1887.
|
Voorstel lot restauratie yan de Jenus van Miloquot;. Onder bovenstaande titel ontvingen wij van dr. n. c. a. l. fock , te Utrecht, liet volgend belangrijk schrijven: In Februari van liet jaar 1820 ontdekte op het kleine eilandje Milo (Molos) een landbouwer, genaamd yorgos, bij liet bewerken van zijn land, eeno omicraardsche holligheid, waarin men, bij nader onderzoek, overblijfselen van marmeren beeldhouwwerk vond, \ Vooral werd men getroffen door oen groot marmeren beeld, waarvan do armen afgebroken waren, en waarvan een hoekstuk van de plint, waarop hel beeld stond, ontbrak, evenals het voorste gedeelte van don linkervoet, dat op den hoek gesteund had. Het spreekt van zelve dat men weldra overging tot het naar boven werken van dit beeldwerk. Daarbij bleek al spoedig dat het kunststuk, ofschoon zwaar verminkt, toch nog zeer groote waarde had. De Franschc ambassadeur, markies dk i.a iiivikrf,, die van een en ander dooiden hoer beest, consulair agent aldaar, kennis kreeg, werd door aankoop van yorgos, voor 0000 francs, de gelukkige eigenaar van bet prachtige beeld. Do markies schonk het beeld aan den Ãranseheii Koning, lodewijk xvnr, en deze gaf het eene plaats in het bekende musée du eouvre, te l'aiijs. Van dien tijd af tot nu loc is men onafgebroken er op uit go-geweest om t'o weten te komen wat toch wel de kunstenaar, bij liet vervaardigen van dit bewonderenswaardige beeld, bedoeld had, want bet is natuurlijk uiterst moeielijk, schier onmogelijk, om deze vraag, indien een kunstwerk zoo verminkt is , met een ieders instemming duidelijk op te lossen. Mijne bedoeling is niet om al lt;le gissingen, die daaromtrent bekend gemaakt zijn, bier mede te dooien; ik wil mij alleen bepalen tot du verklaring, wat ook mij bewogen beeft mij met die quaoslio in to laten , en vervolgens op te geven wat hof resultaat is geweest van mijne bemoeiingen in deze zaak, die hoofdzakelijk, alleen maar voor zoover de ontleedkunde aangaat, tot mijne competentie behoort, In het jaar 1883 deelde de hooggcl. heer koster , professor in de ontleedkunde te Utrecht , in hot openbaar mede dat zijn collega v, iiasse, te lïreslau, meende gevonden to hebbon boe de beide ontbrekende armen van hot beeld geweest moeten zijn; tevens verklaarde hij dat de opmerkingen van professor iiasse door verschillende ontlcedkundigen bevestigd worden. Verder voegde professor koster er bij, dat, onder de kunstenaars van allo natiën ook dr. fock te 'Utrecht zich er mede had beziggehouden, maar ook hij te vergeefs. Dat ik cr mij ook mode had bezig ge-houden , was intusschen niet de waarheid. IHt bericht steunde np eeno vergissing. Professor ko.stkr meende dit ton onrechte. Wel is waar'heb ik, in mijne anatomie canoxiqite over het beroemde beeld gehandeld, doch alleen voor zoover do proportion aangaat, terwijl ik in geen en dee'.e over de restauratiecjuaestie een enkel woord gesproken had. Op mijn verzoek heeft dan ook de hoogloeraar zijne vergissing publiek gemaakt, en bij die gelegenheid bad Z.11.Gel. ook de 'goedheid namens mij, te berichten dat ik, op ontleedkundige gronden, de uitspraak van prolissor iiasse niet kon aannemen , terwijl ik, van eene goheel andere oünie, beter voor hield, dat de kunstenaar met de beweging in zijn beeld heeft willen uitdrukken , dat de godin eenvoudig trachtte te voorkomen dat haar kleed naar beneden zou afschuiven, en dat die poging door eene bevallige oorbaarheid scheen ingegeven te worden. Deze verklaring was wel reeds vroeger door andoren geopperd, maar door hen niet duidelijk genoeg verdedigd en niet volledig genoeg bewezen. Er was trouwens door bon goon woord gerept van de werking van den linkerarm, evenmin als van den linkervoet. Nadat cr nu gedurende eenigen tijd niots moer van de onderhavige restauratie vernomen was. vorsohcen cr gepasseerde jaar in bet ïZeitscbrift fur bildonde Kunstquot;, uitgegeven door professor care vox lützow, iis. Moi-Juni-Juli, eene breedvoerige beschouwing uit een ontleedkundig en artistiek gezichtspunt van professor hexcke, In dezo Glossen werden alle vroegere plannen van re-Btauratio, ook het plan van professor iiasse van lïreslau , écu voor één beoordeeld en van de hand gewezen, met bijvoeging ten slotte ook van de zienswijze van professor iiexcke zelvon, op eene manier dio mij niet kon bewegen om de quaestie voor goed voor uitgemaakt te bonden. Vooreerst was deze schrijver over eenigo punten van veel gewicht eenvoudig heengestapt en ton tweede was zijn plan , dacht mij, ver van geheel boven verdenking verheven. Een en ander bewoog mij â : in magnis voluissc sal csl.quot; â om een plan, hetwelk mij bij' al die beschouwingen voor den geest was gekomen, ook eens op de keuring te brongen, niet evenwel, zooals gewoonlijk tot nu toe, door schrift en tcekoning alleen. Ik |
ontwierp oen restauratie en liet zo op do oorspronkelijke grootte in werkelijkheid uitvoeren. (') Dit nu is , niet zonder eenige moeielijkheid, naar hot schijnt, nog al presentabel uitgevallen; bevoegde beoordeelaars verklaren althans dat het beeld, evengoed als do voorgaande plannen van restauratie, aan het groote publiek ter booordoeling kan worden voorgesteld. Alvorens tot mijne verklaring over te gaan, wil ik nog met een enkel woord gewagen van de restauratie op het origineole beeld , dat in den i.ouvrk aan do geheelo wereld ter bewondering wordt aangeboden. In Parijs beeft men namelijk alleen de plint en den linkervoet gerestaureerd en het overige onaangeroerd gelaten. Dit is nu, vooreerst, niet alleen inconsequent, maar de restauratie heeft bovendien op eeno allerzonderlingste manier plaats gehad. Mij dunkt toch dat, bij eeno poging om de zaak voor to stellen zoo als zij geweest is , geene bijvoeging van gedeelten, die men duidelijk kan zien dat er niet bij geweest zijn , al is het ook ftonr le besoin de la cause, mag plaats hebben. Men beeft aldaar hot afgebroken stuk plint, waarop de voet gedeeltelijk steunde, verbreed , ton einde eene genoegzame ruimte te vorkrijgen, waarop do voet plat kan rusten. Of dit, bij eeno welbegrepen restauratie, doelmatig en geoorloofd is, geloof ik niet, en vertrouw, in elk geval, dat dit niet de weg is, dio buiten twijfel tot do waarheid kan leiden. Wie toch zoude , bij het rostaureeren van een schilderstuk, eene strook bij do schilderij toevoegen, of bij bet aanvullen in oen verminkt mamiscript, van een hiaat van slechts een paar woorden, een geheelen regel trachten in te lasscben. al was het dan ook pnur le hesoin do la causo ? Do Parijsche beeldhouwer lange, die dit beeld aldus gerestaureerd beeft, heeft blijkbaar geen raad geweten niet het linkerbeen, dat te lang scheen, uoch met de plint, die te smal was wanneer de voetquot; plat rust. Maar do voet kan onmogelijk plat op de plint hebben gerust, daar die houding niet overeenkomt mot do poging die bier blijkbaar wordt gedaan om liet afglijden van het'op vallen staande kleed te voorkomen. Waai'sehijnlijk zal de lezer uit het medegedeelde reeds eenigszins kunnen vermoeden wat nu wel de slotsom zal zijn van mijne redeneering en welke, mijns inziens , de oplossing is van het raadsel, waarop zoo vele iiitoonloopendo antwoorden van onwaarde zijn bevonden. Het zij mij vergund met weinige woorden do bedoeling aan te geven, welke de Griokscho kunstenaar naar mijne overtuiging, gehad heeft bij hot vervaardigen van dit algemeen bewonderde kunststuk. Bij den eersten aanblik van het beeld springt al dadelijk in het oog dat het kleed, waardoor de figuur slocliis zeer onvolledig bedekt wordt, op het punt staat geheel en al naar beneden te vallen , en dat alleen eene doelmatige poging van do rechterhand, bijgestaan door een welberekend optrekken van het linkerbeen, dit onheil kan voorkomen. Bovendien is het duidelijk dat het linkerbeen voel te lang is, wanneer men zich voorstelt dat do voet vlak op den grond staat, en dat dit alleen op zijn juiste maat komt wanneer men aanneemt dat de voet op de teenen steunt, opdat door deze houding en hot opheffen van het dijbeen het kleed zon verhinderd worden geheel en al af te vallen. Wanneer men bovendien cr op bedacht is dat er bij de Romeinen eene rumcrriA vereerd werd, en dat er nog wel eeno rumcrriA rateicia en eene ruDiciTiA plebeia is, dunkt mij, het denkbeeld , dat de kunstenaar gepoogd heeft deze hooggewaardeerde antieke godin zinnebeeldig als eene pddicitia voor te stellen , niet te gewaagd. Men ziet verder ook dat cr voor deze houding plaats genoeg is op don afgebroken rechterhoek van de plint, eu dat er geen behoefte is om, tegen allo waavsebijnlijklieid in, de overigens ongeschonden plint onhandig te gaan verbrceden en er een voetbankje bij te voegen. Van zelf, eindelijk, geloof ik, heeft bet in de bedoeling van den kunstenaar gelegen om ook in do verdere actie der godin, met do voreisehsto éénheid, de eerbaarheid uit te drukken door de doelmatige en bekende houding van den linkerarm en de linkerhand over do borst. Volmondig zal men, hoop ik niet mij erkennen, dat dio onbekende maar hooggevierde kunstenaar hot nageslacht eene rrnicm.v ter bewondering heeft nagelaten, waarin hij do bevalligheid van het meusehelijk lichaam zoo hoog mogelijk heeft trachten uit te drukken. Utrecht, Juli 1887, Dr, F O C K, (1) Van de door dr. ïock gcrcsluurccrdc vknts is een pliotograpliic In ons l)c« zil, v^iaruii lid logischo van zij ik; mk'iicoring, Avaarop zijne liy pol hese slcnnt, leu (Inidciijkslo blijkt. Jlcl beeld is een belangrijke aanwinst voor de verzameling voorwerpen {klem Museum) , door on/en geleerden landgenoot met zooveel moeite en opoHeringen vervaardigd en bijeen gebracht om de door hem teruggevonden wkt van I'olyclktus belreflendo de bevallige proportiën toe te lieliten. lied, {Overyeuomcn uil hel Duyll, van Zuid-lIoU. en s Graeenhayc.) |
|
Voorstel lot restauratie yan de Jenus m Miloquot;. Ouder bovenstaande titel ontvingen wij van dr. n. o. a. l. fock , te Utrecht, liet volgend belangrijk schrijven: lu Februari van liet jaar 1820 ontdekte op liet kleine eilandje Milo (Melos) een landbouwer, genaamd YOECiOS, bij het bewerken van zijn land, eene onderaardsche holligheid, waarin men, bij nader onderzoek, overblijfselen van marnieren beeldhouwwerk vond. Vooral werd men getroHen door een groot marmeren beeld, waarvan de armen afgobrokcu waren, en waarvan een hoekstuk van de plint, waarop bol beeld stond, ontbrak, evenals het voorste gedeelte van den linkervoet, dat op den hoek gesteund had. Het spreekt van zelve dat men weldra overging tot het naar boven werken van dit beeldwerk. Daarbij bleek al spoedig dat het kunststuk, ofschoon zwaar verminkt, toch nog zeer groote waarde had. De Fransche ambassadeur, markies dk la iuvikre, die van een en ander door den heer brksï, consulair agent aldaar, kennis kreeg, werd door aankoop van vonoos, voor üOOO francs, de gelukkige eigenaar van het prachtige beeld. Do markies schonk liet beeld aan den Franschen Koning, lodewi.ik xviii, en deze gaf het eene plaats in het bekende musék du eouvee , te Paiijs. Van dien tijd af lot nu loc is men onafgebroken er op uit go-geweest om te weten te komen wat toch wel de kunslonaar, bij bet vervaardigen van dit bewonderenswaardige beeld, bedoeld had, want bet is natuurlijk uiterst moeielijk , schier onmogelijk, om deze vraag, indien een kunstwerk zoo venniukt is, met een ieders instemming duidelijk op te lossen. Mijne bedoeling is niet om al de gissingen, die daaromtrent bekend gemaakt zijn, hier mede te deelen: ik wil mij alleen bepalen tot do verklaring, wat ook mij bewogen heeft mij'met die quaestie in te laten , on vervolgens op te geven wat het resultaat is geweest van mijne bemoeiingen in deze zaak, die hoofdzakelijk, alleen maar voor zoover do ontleedkunde aangaat, tot mijne competentie behoort, Tu het jaar 1883 deelde de hooggel. heer koster , professor in de ontleedkunde te Utrecht, in het openbaar mede dat zijn collega c. hasse te Breslau, meende gevonden te hebben boe de luide ontbrekende armen van het Ixrld geweest moeten zijn; tevens verklaarde hij dal de opmerkingen van professor hasse door verschillende ontleedkixnd:gen bevestigd werden. Verdei; voegde professor koster er bij, dat, onder de kunstenaars van alle natiën ook dr. fook te Utrecht zich er mede had beziggehouden, maar ook hij te vergeefs. Dat ik er mij ook mede had bezig gehouden, was intusschen niet de waarheid. Dit bericht steunde op eene vergissing. Trofe- or kostkr meende dit ten onrechte. Wel is waar heb ik, iu mijne anatomie can'oxiqvk over liet beroemde beeld gehandeld, doch alleen voor zoover de proportiën aangaat, terwijl ik in geenen dce'e over de restauraticquaestie een enkel woord gesproken had. Op mijn v( i /oek heeft dan ook de hoogleev.^'v zijne veriiissing publiek gemaakt, en bij die gcK'gcnheid had/.Il.Cicl. ook de goedheid namens mij, te berichten dat ik, op ontleedkundige gronden , de uitspraak van professor iiassk niet kou aannemen , terwijl ik, van eene geheel andere ounic. heter voor hield, dat de kunstenaar met de beweging in zijn beeld heeft willen uitdrukken, dat de godin eenvoudig trachtte te voorkomen dat haar kleed naar beneden zou afschuiven, en dat die poging door eene bevallige eerbaarheid scheen ingegeven te worden. Deze verklaring was wel reeds vroeger door anderen geopperd, maar door hen niet duidelijk genoeg verdedigd en niet volledig genoeg bewezen. Er was trouwens door hen geen woord gerept van de werking van den linkerarm, evenmin als van den linkervoet. Nadat er nu gedurerde eenigen tijd niets meer van de onderhavige restauratie vernomen was , verscheen er gepasseerde jaar in het : Zeitsehrift fur bildende Kunstquot;, uitgegeven door professor caitr-vox eützow, ns. Mei-Juui-Juli, eene breedvoerige beschouwing uit een ontleedkundig en artistiek gezichtspunt van professor iiexcke. In deze Glossen werden alle vroegere plannen van restauratie, ook het plan van professor hasse van Breslau, één voor één beoordeeld en van de hand gewezen , niet bijvoeging ten slotte ook van de zienswijze van professor henoke^ zeiven, op eene manier die mij niet 'kon bewegen om de quaestie voor goed voor uitgemaakt te houden. Vooreer-t was deze schrijver over eenige punten van veel gewicht eenvoudig heengestapt, en ten tweede was zijn plan, dacht mij, ver van geheel boven verdenking verheven. |
Een en ander bewoog mij â m magnis voJnisse sal est. â om een plan, hetwelk mij bij'al die beschouwingen voor den geest was gekomen, ook eens op de keuring te brengen, niet evenwel, zooals gewoonlijk tot nu toe, door schrift en teckcning alleen. Ik ontwierp een restauratie en liet ze op de oorspronkelijke grootte in werkelijkheid uitvoeren. (') Dit nu is, niet zonder eenige moeiclijkhcid, naar hot schijnt, nog al presentabel uitgevallen; bevoegde beoordeelaars verklaren althans dat het beeld, evengoed als de voorgaande plannen van restauratie, aan het groote publiek ter beoordeeling kan worden voorgesteld. Alvorens tot mijne verklaring over te gaan, wil ik nog mot een enkel woord gewagen van de restauratie op het origineele beeld , dat in den LorvRi; aan de geheelo wereld ter bewondering wordt aangeboden. In Parijs heeft men namelijk alleen de plint en den linkervoet gerestaureerd en het overige onaangeroerd gelaten, Dit is nu, vooreerst, niet alleen inconsequent. maar de restauratie heeft bovendien op eene allerzonderlingste manier plaats gehad. Mij dunkt toch dat, bij eene poging om do zaak voor te stellen zoo als zij geweest is , gecne bijvoeging van gedeelten , die men duidelijk kan zien dat er niet bij geweest zijn, al is het ook jnmr le besoin de la cause, mag plaats hebben. Men hoeft aldaar het afgebroken stuk plint, waarop do voet gedeeltelijk steunde, verbreed, ten einde eene genoegzame ruimte te verkrijgen, waarop de voet plat kan rusten. Of dit, bij eene welbegrepen restauratie, doelmatig en geoorloofd is, geloot' ik niet, en vertrouw, iu elk geval, dat dit niet de weg is , die buiten twijfel tot do waarheid kan leiden. Wie toch zoude , bij het restaureeren van een schilderstuk , eene strook bij de schilderij toevoegen , of bij bet aanvullen in een verminkt manuscript, van ecu hiaat van slechts een paar woorden , een geheelen regel trachten in te lasschen . al was het dan ook pour Ie brtoin de Ut cause. ? Do Parijsche beeldhouwer i.axdis, die dit beeld aldus gerestaureerd heeft, heeft blijkbaar geen raad geweten met het linkerbeen , dat te lang scheen , noch met de plint , die to smal was wanneer de voet'plat rust. Maar de voet kan onmogelijk plat op de plint hebben gerust, daar die houding niet overeenkomt met do poging die hier blijkbaar wordt gedaan om het afglijden van het'op vallen staande kleed te voorkomen. Waar,-chijnlijk zal de lezer uit het medegedeelde reeds eenigszins kunnen vermoeden wat nu wel do slotsom zal zijn van mijne redeneering en welke, mijns inziens, de oplossing is van het raadsel, waarop zoo vele uiteenloopendc antwoorden van onwaarde zijn bevonden. Het zij mij vergund met weinige woorden de bedoeling aan te geven, welke de Qrieksche kunstenaar naar mijne overtuiging, gehad heeft bij het vervaardigen van dit algemeen bewonderde kunststuk. Bij den eersten aanblik van het beeld springt al dadelijk in het oog dat het kleed, waardoor do figuur slechts zeer onvolledig bedekt wordt, op het punt staat geheel en al naar beneden te vallen , en dat alleen eene doelmatige poging van de rechterhand, bijgestaan door een welberekend optrekken van het linkerbeen , dit onheil kan voorkomen. Bovendien is het duidelijk dat het linkerbeen veel te lang is, wanneer men zich voorstelt dat do voet vlak op den grond staat, en dat dit alleen op zijn juiste maat komt wanneer men aanneemt dat de voet op do teenen steunt, opdat door deze houding en het opheffen van het dijbeen het kleed ZOU verhinderd worden geheel en al af te vallen. Wanneer men bovendien er op bedacht is dat er bij de Romeinen eene ruDicrriA vereerd werd, en dat er nog wel eene pudicitia ratrkia en eene pudicma l'li;r,]:ia is, dunkt mij, het denkbeeld , dat de kunstenaar gepoogd heeft deze hooggewaardeerde antieke godin zinnebeeldig als eene RumcmA voor te stellen, niet te gewaagd. Men ziet verder ook dat er voor deze houding plaats genn. â is op den afgebroken rechterhoek van de plint, en dat er geen behoefte is om, tegen alle waarschijnlijkheid iu, de overigens ongeschonden plint onhandig te gaan verbroeden en er een voetbankje bij te voegen. Van zelf, eindelijk, geloof'ik, heeft bet in do bedoeling van den kunstenaar gelegen om ook iu de verdere actie der godin, met de voreischsto éénheid, de eerbaarheid uit te drukken door de doelmatige en bekende houding van den linkerarm en de linkerhand over de borst. Volmondig zal men, hoop ik met mij erkennen , dat die onbekende maar hooggevierde kunstenaar het nageslacht eene jtijicitia ter bewondering heeft nagelaten, waarin hij de bevalligheid van het meusehelijk lichaam zoo hoog mogelijk heeft trachten uit te drukken. Utrecht, Juli 1887. Dr. FOCK. (1) Vim de door dr. iück gerestaureerde vexra is een pliotogriqiliio in ons bezit , waiirnit het to^iselie vim zijne redeneering, waarop zijne hypothese steunt, ten duidclij! !I)!ijkt:. liet; tjeold is een l)claiigrijl;o aamvinst voor de vi.T/ainelinir voorwerpen {klein Museum) , door onzen geleerden landgenoot met zooveel moeite en opoil'iiingen vervaardigd en liijeen gebraülit om de door hem lernggevonden w);ï va.\ l'olvclktus betreffende de bevallige proportiën loc te lichten. lied, {Ovcrijenoiiion uü hel Lu//hl, van Zuid-lIoU, cn 's Gravculioyc.) |
mmm
- 'M
(**gt;amp;amp;â *'⢠K r J h
H
â â â â â
;;